diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:13:25 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:13:25 -0700 |
| commit | d06aac1d477bd22d0f183494df8f30d2e9d03daa (patch) | |
| tree | 99897b6895dc3f5d0a8d2108e6d052a0b8361557 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 24467-8.txt | 21269 | ||||
| -rw-r--r-- | 24467-8.zip | bin | 0 -> 414512 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 24467-h.zip | bin | 0 -> 701830 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 24467-h/24467-h.htm | 19331 | ||||
| -rw-r--r-- | 24467-h/images/backcover.jpg | bin | 0 -> 57901 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 24467-h/images/frontcover.jpg | bin | 0 -> 97780 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 24467-h/images/frontispiece.jpg | bin | 0 -> 83109 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 24467-h/images/logo.jpg | bin | 0 -> 9786 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 24467-h/images/spine.jpg | bin | 0 -> 14336 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
12 files changed, 40616 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/24467-8.txt b/24467-8.txt new file mode 100644 index 0000000..a22f226 --- /dev/null +++ b/24467-8.txt @@ -0,0 +1,21269 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Pleegzoon, by J. van Lennep + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Pleegzoon + +Author: J. van Lennep + +Release Date: January 31, 2008 [EBook #24467] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PLEEGZOON *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + + + DE PLEEGZOON + + + DOOR + + MR. J. VAN LENNEP. + + + + + + + Leiden.--A. W. Sijthoff. + + + + + + + +MR. JACOB VAN LENNEP. + + + "Van Lennep was onze prettigste litteraire gestalte, + die de kunst verstond vijftig jaren lang amusant te + blijven." + + _Cd. Busken Huet_. + + + + + +I. + + +'t Was een plezier _Van Lennep_ persoonlijk te ontmoeten. + +Toen hij in Augustus 1865 ter vergaderzaal van het achtste Taal- +en Letterkundig Congres te Rotterdam verscheen, geheel in een grijs +zomercostuum, het fraaie zilveren hair om de slapen golvend, kwam +ieder hem blij groetend te gemoet. Aan de tafel van het bestuur +plaats nemend, de guitige, donkere oogen naar het publiek, vooral +naar de dames richtend, zat hij met een bijna onmerkbaren glimlach +te luisteren. De vrij drooge beraadslaging over de spelling der +bastaardwoorden werd plotseling door hem met een handvol aardigheden +afgebroken. Wie herinnert zich niet, hoe daar door hem geijverd werd, +om de ph door de f te vervangen--hoe hij vertelde, dat hij als jonkman +een zangspel "_Saffo_" geschreven had, maar, dat de regisseur zijne +spelling in _Sapho_ gewijzigd had, zoodat de acteurs: "O, Sap, ho, +wees gegroet!" zongen; hoe hij er bijvoegde, dat eene Amsterdamsche +dienstmaagd, uitgezonden door hare mevrouw, om te zien of er een +vroolijk stuk op het Leidsche Plein zou gespeeld worden, terugkwam +met het bericht: "Ze spelen de Mophondjes," terwijl in werkelijkheid +"_Demophontes_," het classiek treurspel van _Metastasio_, vertaald door +_Westerwijk_, werd vertoond; hoe hij besloot met de mededeeling eener +jonge dame, die hem in zijne waardigheid van vrijmetselaar vroeg, +wat de orde toch bedoelde met de woorden _prop hanen_, waarop hij +antwoordde, dat daarmeê waarschijnlijk de mannetjes van prop hennen +gemeend werden. + +Een zonneschijn van vroolijkheid schitterde plotseling over de +vergadering, die vóór _Van Lennep's_ komst in deftige dommeling +zachtkens afdreef op den stroom der verveling. + +In het huis op de Keizersgracht, in zijne ruime studeerkamer, aan +zijne schrijftafel, maakte hij geen minderen indruk. Gekleed met +zijn grijzen kamerjapon--als op het groote gesteendrukte portret +naar de voortreffelijke schilderij van _Schwarze_--de snuifdoos in +de linkerhand, de rechter op een arm van zijn leunstoel, zat hij daar +met zijn prettig gezicht en fonkelende oogen naar de woorden van zijn +bezoeker te luisteren, de gelegenheid afwachtend, om met een fijnen +zet of een luimig verhaal zelf het woord te nemen. Onder vier oogen +kwam daarenboven de natuurlijke goedheid van zijn hart uit, daar hij +geene moeite te zwaar vond, om aan eenig verzoek zijner vrienden te +voldoen. Zijne wetenschap, zijne bibliotheek, zijn invloed stonden +hun ten dienste, zoo vaak zij zijne hulp inriepen. + +Te Gent zag men hem, ter gelegenheid van het negende Letterkundig +Congres, in het voorportaal van den schoonen schouwburg, op een +Augustusavond van 1867 in zijn licht reiscostuum--hij was uit +Zwitserland overgekomen--terwijl hij met hartelijkheid de hand drukte +van E. _Douwes Dekker_, die hem kort te voren in een vlugschrift +zijne hulpvaardigheid bij het uitgeven van den "_Max Havelaar_" als +een misdrijf voor de voeten had geworpen. De Congresleden omringden +hem van alle kanten. En uit de rijen der Zuid-Nederlanders ging een +luid gejuich op. Zooveel grootmoedigheid, zooveel zelfbeheersching, +zooveel rustige heuschheid mochten niet onopgemerkt blijven. + +_Van Lennep's_ persoon was overal bekend. Overal werden hoeden +afgenomen, handdrukken gewisseld. In alle Nederlandsche steden had hij +vrienden of ten minste goede kennissen. Zelfs onder den eenvoudigen, +maar nuttigen, stand der sjouwerlieden was zijn naam en persoon +bekend. En niet alleen te Amsterdam. Het gebeurde in 1867, dat te +Rotterdam aan het station van den Rhijnspoorweg bij het aankomen +van een trein uit Utrecht, een aardig, knap juffertje stond bij eene +geopende deur aan het plankier. Dat juffertje was eene Rotterdamsche, +die dagelijks vrij wat menschen zag, daar zij haar guitig wipneusje +sedert een jaar achter het buffet deed bewonderen door wereldwijze +handelsreizigers en roodgeblakerde tweede-luitenants, die op transport +waren. Toen de reizigers uit den trein zich over het plankier +verspreidden, zag zij te midden van eene groep luidsprekende heeren +een grijsaard met ongemeen vriendelijken glimlach en golvende witte +hairen. Telkens hield iemand hem staande, om hem met een levendigen +uitroep van verrassing, van ingenomenheid, eenige snelle woorden +toe te spreken, die door den wellevenden man onuitputtelijk geduldig +werden beantwoord. Ieder beijverde zich met liefde den weg open te +houden voor den uiterlijk reeds zoo achtbaren man, wiens tred door den +last van vijfenzestig jaren reeds vrij wat van vroegere veerkracht +miste. De knappe buffetjuffrouw verwonderde zich, dat één oude heer +zoo ontzettend veel kennissen om zich heen verzamelde. En daar Hein, +de witgekielde sjouwerman van het goederenbureel, juist voorbijkwam, +vroeg ze: + +--"Wie is die grijze heer?" + +--"Wie? Wel nou, jij bent ook een beste! Ken-je onzen Van Lennep +dan niet?" + +'t Feit is historisch en werd door een ooggetuige verteld. Ik kom er +weldra op terug. + +Toen ik _Van Lennep_ voor het laatst zag, doorleefde hij den +gelukkigsten dag van zijn ouderdom. Het was Vrijdag 18 October 1867, +den dag, waarop te Amsterdam het standbeeld van _Joost van den Vondel_ +zou worden onthuld. Eene groote menigte stroomde naar de Nieuwe Kerk, +om zich rondom _Vondel's_ grafsteê te vereenigen. De blauwe zerk +was zorgvuldig van stof gezuiverd en prijkte met eene krans van gele +immortellen. Een dichte drom geletterden schaarde zich eerbiedig om +deze heilige plek, terwijl boven onze hoofden de zon door de hooge +kerkvensters scheen en schoven van goud licht over het hoog gewelf +uitgoot. Plotseling stond _Van Lennep_ vóór ons, het witte hoofd +ontbloot, de oogen tintelend van geestdrift, na zeven jaren zwoegens +eindelijk triumfeerend door de oprichting van het standbeeld. Hij +sprak enkele eenvoudige woorden over _Vondel_'s graf en noodigde de +feestgenooten naar het park, waar het schoone monument van _Royer_ +en _Cuypers_ zou worden onthuld. + +Een uur later verscheen hij in het spreekgestoelte bij het standbeeld +en sprak daar met duidelijk verstaanbare stem zijne feestrede. Niemand +was meer gerechtigd dan hij tot deze taak, daar hij een vierde van +zijn reeds gevorderden leeftijd aan het verhaal van _Vondel_'s leven, +en aan het verklaren van zijne werken had besteed. Uit aller keelen +klonk daarom een aanhoudend bravo, toen de welsprekende staatsman, +die destijds aan het hoofd van het departement van Binnenlandsche +Zaken stond, toen Mr. J. _Heemskerk Az_., _Van Lennep_ met een +hartelijk woord van gelukwensching, namens Z. M. den Koning, het +commandeurskruis der orde van den Nederlandschen Leeuw aanbood. + +Zóó zag ik hem voor het laatst. + +Eens nog schreef hij mij (8 Februari 1868), zeven maanden vóór zijn +dood (26 Augustus 1868). Ik geloof, dat men mij de vrijheid vergunnen +zal dezen brief hier meê te deelen, men zal er uit zien, dat mijn +verhaal van Hein, den kruier, volmaakt historisch is. + + + +"Amice! + + +"Ik zeg u grooten dank voor het exemplaar van den _bekroonden_ Vondel +[1].... waarmede mijn vrouw, die gedurende de feesten ziek was en +dus niets van de pret gezien of gehoord had, zich bijzonder vermaakt +heeft.... Ik zal er maar niets van zeggen, want ik krijg er zooveel +mooie kompl. in, dat ik uw stuk niet prijzen durf, zonder den schijn +op mij te laden, alsof ik het daarom zoo naar mijn zin vind.... + +"Het doet mij plezier, dat Gij die pret op 't slot te Muiden zoo con +amore geschilderd en de aandacht weder op dit slot gevestigd hebt. De +Hr. Heemskerk had, onmiddellijk na het feest, zijn voornemen te kennen +gegeven, om een wet voor te stellen tot restauratie van het slot, zich +vleiende, dat daarvoor nu juist in deze oogenblikken veel sympathie +zijn zou;--doch nu is juist die vervelende krizis tusschen beiden +gekomen-- [2]. Van die krizis gesproken, _podagra_ heb ik deze reize +niet gehad, maar dewijl 't een kwaal is, daar ik best mee bekend ben +sedert 30 jaren, heb ik haar bij voorkeur in mijn brochure gebracht-- +[3] als onschuldig middel om de attentie te trekken--.... + +"Maar ik heb zes maanden lang gesukkeld aan leewater in de knie +en laatstelijk aan doofheid. Dat is nu Goddank weer over en mijne +gezondheid is door de Vondelsfeesten geheel gekureerd. + +"Zijt gij 't, of is het een ander, die de _Letterkundige Intermezzoos_ +in Nederland schrijft [4]. De schrijver, wie dan ook, heeft in zijn +eerste artikel eene beschuldiging tegen onze natie gericht, als zou +zij haar schrijvers, mij b. v., niet kennen of liever geen notitie van +hen nemen. Ik zou hem, daar ik er ook als voorbeeld bij gehaald ben, +een dozijn voorbeelden kunnen geven van het tegendeel. Toen Hofdijk +voor een paar jaren bij mij aan de Steeg logeeren zou, was er in beide +herbergen al een groote vreugde en verwachting vooruit--en onlangs, dat +ik te Rotterdam uit den trein stapte en de juffrouw van 't buffet zei: +"He, wie of die grijskop is met zijn lange haren!" riep een sjouwerman +van 't goederenbureau verontwaardigd uit: "Wat, ken-je onzen Van +Lennep niet?" Dit werd mij later medegedeeld door den Hr. Van Alphen, +die 't gehoord had. + +"Indien gij nu de bedoelde schrijver niet zijt, laat die anecdote--die +in dat geval een kale bluf zou schijnen--maar liever ongelezen. + + +"Vale, faveque + +"Amst. 8 febr. 1868. T. T. + +"J. v. Lennep." + + +Van mijn edelmoedigen vriend, die zich, helaas! te vergeefs vleide +met herstel zijner gezondheid, heb ik dus de mededeeling omtrent +het feit, dat wellicht bij de eerste vermelding wat onwaarschijnlijk +mocht klinken. + +De vreugde aan de Steeg in 1866 betoond bij _Hofdijk_'s komst schijnt +mij tevens in nauw verband te staan met de blijde opgewektheid, die de +viering van zijn zeventigsten jaardag (27 Juni 1886) heeft gekenmerkt. + + + + + +II. + + +Zonder eenige overdrijving mag beweerd worden, dat _Van Lennep_ +als dichter, als romanschrijver, vele jaren lang de populairste onzer +auteurs is geweest. Als voorbeeld zijner populariteit heeft Cd. _Busken +Huet_ in 1864 [5] verhaald, dat eene Zandvoortsche vischvrouw al de +veertien deelen van zijn exemplaar der romantische werken van _Van +Lennep_ had geleend en gelezen. + +Doch niet alleen in visschersstulpen ook in de huizen onzer +gegoede burgerij, in de woningen onzer patriciërs op de Keizers- +en Heerengrachten, was _Van Lennep_ steeds een welkome gast. Zijne +"_Idyllen_" maakten hem populair bij de studenten, zijne "_Legenden_" +wonnen hem het hart van al wat jong was, vooral de harten der +Hollandsche jonge meisjes, eene verovering _Van Lennep_ tot op den +laatsten dag zijner vriendelijke grijsheid dierbaar. Oud en jong, +stedeling en dorper, edelman en burger, schonken hem hunne genegenheid, +toen "de Pleegzoon" verscheen, toen "_Ferdinand Huyck_," zijn beste +roman, "_de Roos van Dekama_" opvolgde, toen de breed ontworpen +"_Voorouders_" het licht zagen, en eindelijk, toen de niet het minst +besproken, aangevallen, geprezen en gelezen "_Lotgevallen van Klaasjen +Zevenster_" geheel de letterkundige wereld in den winter van 1865 op +1866 in rep en roer brachten. + +_Van Lennep_'s romans blijven leven, zoo goed als die van _Walter +Scott_, en worden herhaaldelijk herdrukt, gelijk ook deze steeds +opnieuw worden uitgegeven. "_De Pleegzoon_" verscheen in 1829 en zag +sedert dat jaar tot heden met al zijne opvolgers, telkens in nieuwen +vorm het licht. Omtrent "_de(n) Pleegzoon_" schreef de auteur mij +(4 Augustus 1867): + +"Ik heb mijn Pleegzoon ongeveer 40 jaren geleden geschreven (1827); +hij heeft eenige jaren in de lade gelegen; geen boekverkoper wou +er aan. Eerst toen ik met mijne Legenden wat naam gemaakt had, wou +P. Meijer Warnars er zich wel over ontfermen. Van honorarium kon nog +geen sprake zijn, en ik geloof niet, dat Drost voor zijn "Pestilentie +te Katwijk" heel veel meer gehad heeft. Oltmans kwam iets later, +wanneer weet ik niet. Eerst na 1840 heb ik honorarium bedongen...." + +De eerste historische roman van Mr. _Jacob van Lennep_ moest _twee +jaren_ wachten, voordat hij bij wijze van genade door den druk werd +algemeen gemaakt! + +Dit leerzaam feit voor de geschiedenis onzer letteren zal balsem +gieten in de wonden van hen, die met onuitgegeven handschriften naar +een uitgever blijven zoeken, en tevens in die der lofredenaars van +'t verledene, welke er zich aan ergeren, dat onze boekenmarkt op het +huidige oogenblik te veel overvoerd is. + +De drukken van _Van Lennep_'s historische romans volgden elkander +spoedig, een bewijs, dat P. _Meijer Warnars_ weinig oog had op +letterkundige kunst. 't Meest bekend werden: de Rotterdamsche uitgaaf +van 1855 in dertien blauwe deelen en de vier deelen, klein folio, +door _Nijhoff_, _Sijthoff_ en _Thieme_ van 1867 tot 1869 in het +licht gezonden. Zonder profeet te zijn, durf ik ook der tegenwoordige +volkseditie in elf deelen de vruchtbaarste toekomst voorspellen. + +De historische romans van _Van Lennep_ hebben eene blijvende waarde, +die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit. Voordat ik +dit met een enkel woord staaf, doet zich de vraag op, of _Van Lennep_ +chronologisch inderdaad onze _eerste_ historische romanschrijver +is. Meestal stelt men het zoo vóór, alsof in 1829 door "_De(n) +Pleegzoon_" in de geschiedenis der Nederlandsche letteren een datum +gevormd wordt; alsof _Van Lennep_'s eerste roman, tevens de eerste +_historische_ roman in Nederland geweest is. Dit is alleen in _zekeren_ +zin juist. _Van Lennep_ schreef in 1827--hij zelf verzekerde het ons +reeds--zijn eersten historischen roman. Als zoodanig is de chronologie +in orde. Doch om nauwkeurig te spreken, had men moeten vermelden, +dat in 1827 eene Amsterdamsche patricische schrijfster, Mejuffrouw +_Maria Jacoba de Neufville_, het beproefd had een historischen roman +samen te stellen, die evenals "_De Pleegzoon_,"[komma achter "?] maar +eenigen tijd vóór "_De(n) Pleegzoon_", in 1829 het licht zag onder den +titel: "D_e Schildknaap. Iets uit den ouden tijd. Een oorspronkelijk +historisch romantisch verhaal_." (Staalgravure van D. _Veelwaard_). Te +Amsterdam bij P. _den Hengst en Zoon_. 1829, gr. 8o. + +De poging van Mejuffrouw _De Neufville_ is volkomen dezelfde als die +van Mr. J. _van Lennep_. Zij vloeit uit dezelfde bron. Zij getuigt +het in haar "_Voorberigt_," als zij verklaart: + +"Aan de Verhandeling van den Hooggeleerden Heer D. J. van Lennep, +_Over het belangrijke van Holland's grond en oudheden voor gevoel +en verbeelding_, welke Verhandeling ik op den 30e Januarij 1827 het +genoegen had, door den opsteller te hooren voordragen, is het werk, +hetwelk ik thans mijnen landgenooten aanbied, deszelfs wording +verschuldigd. Altijd met warme liefde voor mijn zoo dikwijls +ten onregte verguisd en beschimpt vaderland vervuld, groeide die +liefde in mij tot geestdrift aan, door de zoo welsprekende taal des +Hoogleeraars en kwam al _aanstonds_ de lust in mij op, om te beproeven +of het mogelijk wezen zou, een romantisch tafereel te schetsen, +in den smaak van dezulke, als wij aangaande de zeden en gewoonten +van andere volken bezitten, iets waarmede (en hierover betuigt de +Heer Van Lennep, in meergemelde Verhandeling zijne verwondering) +zich aangaande onze voorvaderen nog niemand beziggehouden had." + +Uit deze woorden blijkt duidelijk, dat "_de Pleegzoon_" en "_de +Schildknaap_" bijna terzelfder tijd en onder dezelfde invloeden +ontstaan zijn. De hoogleeraar _D. J. van Lennep_ gaf aan beiden +dezelfde opwekking; hij leende zelfs wetenschappelijke boeken aan +Mejuffrouw _De Neufville_, zooals zij in datzelfde "_Voorberigt_" +vermeldt, als zij getuigt: "Voor het overige hebben andere schrijvers, +wier werken ik, of zelve bezit, of die mij door den heer Van +Lennep.... goedgunstiglijk geleend werden, mij tot leidslieden +verstrekt." + +Het is duidelijk, dat vóór 1827 in Nederland geen historische +romans zijn geschreven, daar de nauwkeurige _D. J. van Lennep_ in +dat geval zeker niet zou gezegd hebben, dat zich "_nog niemand_" met +dit kunstvak in Nederland had "beziggehouden". Tevens blijkt uit het +"_Voorberigt_", dat men den buitenlandschen historischen roman kent, +zoodat "_Pleegzoon_" en "_Schildknaap_" beiden uit de school van +Sir _Walter Scott_ stammen--_Scott_, die in 1814 met "_Waverley_" +begon, en tot aan zijn dood (1832) met zijn "_Count Robert of Paris_" +volhardde. Het behoeft niet nader gestaafd, dat de historische roman +juist een kolfje was naar de hand dezer twee, tot eene zeer behoudende +wereldbeschouwing overhellende naturen--_Maria Jacoba de Neufville_ +en _Jacob van Lennep_. _Scott_ had den historischen roman het eerst +in zijn modernen vorm te voorschijn geroepen, _Scott_ was de apostel +zijner nationale glorie, gekant tegen het Fransch classicisme, gekant +tegen de omwentelingen van 1789 en 1793. + +Dat het opwekkend woord van den hoogleeraar _D. J. van Lennep_ in 1827 +terstond goede diensten deed aan de vaderlandsche letteren, blijkt +niet alleen aan "_Schildknaap_" en "_Pleegzoon_," maar daarenboven +nog aan eene enkele zwakke poging in 1828 door _J. C. Appenzeller_ +beproefd, die in dat jaar een, nu geheel vergeten, historischen roman +schreef onder den titel: "_Geertruida Van Wart, of trouw tot in den +dood. Eene ware geschiedenis uit de 14e_ eeuw." Amsterdam, 1828. 8o. + +Onze Nederlandsche historische roman begint--daar _Adriaan Loosjes_, +wegens gebrek aan historischen zin, niet mag medetellen--met +Mejuffrouw _De Neufville_ en _Jacob van Lennep_ in 1829, om dan onder +invloed van dezen laatste--en natuurlijk van diens meester _Walter +Scott_--rijkelijk te bloeien. _Van Limburg Brouwer_ gaf in 1831: +"_Charicles en Euphorion_," in 1838: "_Diofanes_." _Bakhuizen Van den +Brink_ volgde in 1834 en 1835 met historische novellen in de "_Muzen_," +het tijdschrift van _Potgieter_, _Heije_ en _Drost_; deze laatste +schreef in 1831 zijn "_Hermingard van de Eikenterpen_;" _Oltmans_ +volgde in 1834 met "_Het slot Loevestein_," in 1838 met "_De(n) +Schaapherder_;" eindelijk verscheen Mejuffrouw _A. L. G. Toussaint_, +met haar "_Almagro_" (1837), haar "_Graaf van Devonshire_" (1838) +en haar "_Lauernesse_" (1840). + +Stellen wij dus de te veel vergeten _De Neufville_ naast onzen _Van +Lennep_, dan mogen wij aan beiden de eer geven den historischen roman +in Nederland te hebben begonnen. + + + + + +III. + + +De historische romans van _Van Lennep_ hebben eene blijvende +waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid +spruit--zeide ik. Hunne kracht ligt in de uitnemende helderheid van +stijl en voorstelling. _Van Lennep_ heeft behoefte aan juistheid, +nauwkeurigheid, duidelijkheid. Zijne vertelling zweeft nooit in een +duisteren nevel van onoplosbare geheimzinnigheid. Aan _Walter Scott_, +misschien ook aan den ouden _Dumas_, heeft hij de kunst afgezien een +belangwekkenden knoop te leggen, welken hij zonder kunst- of vliegwerk +zeer behendig oplost. Het is niet te ontkennen, dat hij een geliefkoosd +schema van roman--de held of de heldin van onbekende afstamming, +zoekend naar vader of moeder--somtijds herhaalt. Dit denkbeeld ligt +ten grondslag aan "_De(n) Pleegzoon_," komt terug in de "_Roos van +Dekama_," en is op breede schaal bewerkt in "_Klaasjen Zevenster_". + +Eene zwakheid van _Van Lennep's_ kunst ligt in zekere ongegeneerdheid +ten opzichte van historische gegevens, zoodat zijn roman "_Elisabeth +Musch_", als verhaal op zich zelf aangenaam te lezen, als historische +roman volkomen mislukt is. In degelijkheid van historische wetenschap, +in psychologische fijnheid van karakteropvatting staat Mevrouw +_Bosboom-Toussaint_ boven hem. Deze laat zich niet afschrikken +door een vermoeiend historisch onderzoek, dringt bij hare helden en +heldinnen door in de diepten van de binnenborst, en schept karakters, +die, psychologisch geheel afgewerkt, een onvergetelijken indruk +achterlaten. _Van Lennep_ wil het den lezer naar den zin maken, +wil behagen; hij bekreunt zich meer om hetgeen met zijne personen +geschiedt, dan wat in hun hart en hoofd omgaat. Hij wil een boeiend +verteller zijn, die, zonder de geschiedenis opzettelijk in het +aangezicht te slaan, zijn lezer steeds in spanning houdt. + +Bij Mevrouw _Bosboom-Toussaint_ ontstaat uit de degelijkheid der +historische wetenschap en de fijnheid der zielkundige analyse somtijds +eene overlading en eene uitvoerigheid, die naar langdradigheid zou +kunnen zweemen; bij _Van Lennep_ neemt het verhaal een vluggen, +levendigen gang, die het hart van den gewonen lezer steelt, +maar dikwijls dreigt in oppervlakkigheid te verloopen. Mevrouw +_Bosboom-Toussaint_ heeft _les défauts de ses qualités_, _Van Lennep_ +_les qualités de ses défauts_. + +Het best gelukt is zijn "_Ferdinand Huyck_," een voortreffelijk +boek in vele opzichten. Evenals in zijn "_Klaasjen Zevenster_" is +hier zoowel historisch als psychologisch het schoonste geleverd +van alles wat _Van Lennep_ zou voltooien. Hij had de achttiende +eeuw lief. Hij kende haar en hare beschaving, vooral het achttiende +eeuwsche patriciaat te Amsterdam. Opgevoed naar de overleveringen +van zijn oud geslacht, naar de classieke wijsbegeerte van zijn vader +_David Jacobus_, moest hij zich het naast verwant gevoelen aan een +juist vervlogen tijdvak, dat door goede manieren, vlug vernuft en +letterkundigen smaak uitmuntte. _Van Lennep_, dien men te recht voor +een der aanvoerders der Romantische beweging in Nederland hield, +was in zijn hart het classicisme der achttiende eeuw nog meer genegen. + +Een bewijs van deze laatste stelling put ik uit een zijner vriendelijke +brieven. + +Naar aanleiding eener opmerking tegen Engelsche romanschrijvers, die +misbruik maken van Latijnsche citaten, schreef hij mij (5 April 1860): + +"Ik moet er bijvoegen, dat hetgeen u thands.... tegenstaat, u misschien +niet zou hebben tegengestaan, indien gij een 30 jaren ouder waart en +u den tijd herinnerdet, toen het klassicisme ook hier te lande meer +algemeen was en men zich niet geneerde aan tafel in tegenwoordigheid +van dames Ovidius of Horatius aan te halen. De konversatie, zoo +als ik mij die in mijn jeugd herinner, had altijd een klassieke +tint en wie die bij uitnemendheid wist aan te brengen--en daarom +ook in Engeland zoo geacht en gezien was--was A. R. Falck!--en toch +belette dit niet, dat de dames toen doodelijk van hem waren.... ja, +dat, toen zijn Brieven 3 jaar geleden (1857) in 't licht kwamen, al +de exemplaren bij Amsterdamsche boekverkoopers aanwezig, tot groote +verbazing van Nijhoff, den eersten avond reeds waren opgehaald--meest +alle door dames tusschen de 60 en 80 jaren (die zeker wilden weten +of zij er ook in voorkwamen). 't Is waar, Falck citeerde ook Fransch, +Engelsch, Hoogduitsch, enz.--maar had niets, dat op pedanterie geleek, +en nimmer heb ik aangenamer mensch ontmoet." + +Zij, die _Van Lennep_ gekend hebben, zien met mij den schalkschen +glimlach om den mond en in het oog beide, waarmeê hij deze regelen +schreef! + +Zijne genegenheid voor het Fransche classicisme der achttiende eeuw +paarde zich hoogst eigenaardig aan eene vrij groote geringschatting +der middeleeuwen en al wat met middeleeuwsche studiën in verband +stond. Zijne "_Legenden_," zijne "_Roos van Dekama_", zijne +"_Voorouders_" verraden op menige plaats, dat hij trots zijne +verwonderlijke vlugheid, ondanks eene verbazende gemakkelijkheid, om +alle zwarigheden te boven te komen, toch zijn meester _Walter Scott_ +in kennis en opvatting der middeleeuwen niet evenaarde. + +Omtrent dit punt schreef hij mij een zeer karakteristieken brief +(4 Augustus 1867), toen ik hem de eerste aflevering mijner "_Schets +eener geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde_," handelende over +de middeleeuwen, aanbood: + +"Ik las uw boek _voor_ mij _zelf_ met veel belangstelling; doch het +zou mij spijten, indien uw wensch vervuld werd, en dit boekje op een +H. Burgerschool werd gebruikt. Mij dunkt, zij hebben daar al ongare +kost genoeg te slikken dan om nog op Middel-Nederlandsch getrakteerd +te worden. + +"Het is een mooie ontdekking. + +"Maar ik lees liever Fransch. + +"Indertijd, toen ik Curator van 't Gymnasium was, had _Hofdijk_ +ook zoo'n boekje geschreven.... doch ik zei, dat hij aangesteld +was, om aan de jongelui de Hollandsche taal te leeren en niet het +Middel-Nederlandsche _patois_ en ik verbood het gebruik van dat +boekske. Die studiën van Gothisch, Angel-Saksisch, Middel-Nederlandsch +enz. mogen zeer goed zijn voor filologen, maar zij kunnen er niet toe +strekken om onzen stijl of onzen smaak te vormen, en die zoogenaamde +naïveteit er van--'t eenige wat dan nog 't gebrek aan vorm, rhythmus, +kadans, maat, rijm, enz. vergoeden moet, geef ik graag present +en.... lees liever Fransch. + +"Verder is er, althans in de eerste helft van uw boek bijna geen +bladzijde, waarover ik geen lust zou hebben met u te twisten. 't +Schijnt, dat bij u, even als bij velen, heden ten dage de _vorm_, de +_dictie_, niets is en alles zich moet bepalen tot de gedachte. Maar +_poëtische_ gedachten heeft bijna iedereen, dunkt mij, en de kunst +bestaat juist daarin, dat men ze in een cierlijken, welluidenden, +bevalligen vorm giet, die door het oor het hart treft en den geest +bevredigt. En daarom, hoe groot en verbazend een genie Shakespere +geweest is, ik mis herhaaldelijk bij hem die harmonie, die eenheid, die +zuiverheid van vorm, die samen moesten werken om een wezenlijk schoon +geheel te verkrijgen. Dat ik hoog met hem loop, blijkt wel daaruit, +dat ik zoowel op mijn tiende, als op mijn 50ste en 60ste jaar stukken +van hem vertaald heb, maar hoe meer ik hem vereerde en bewonderde in +zijn reusachtige grootheid, hoe meer het mij hinderde, als ik zoovele +euphuïsmen, platheden en laffe aardigheden naast de verhevenste brokken +vond. Ik houd machtig veel van Jan Steen en ik bewonder Rubens; maar +het zou mij stuiten, als ik op den achtergrond eener schilderij, die +Christus met de Apostelen voorstelde, een boeren bruiloft zag. 't Moge +het menschelijk leven zijn naar waarheid geschetst, maar "bloemen"--als +_Bredero_ zegt--is ook menschelijk; en toch hoort het op het tooneel +niet thuis. En daarom al mocht ik eens toegeven, dat de stukken van +Shakespere meer schoons bevatten dan eenig ander stuk, zoo is er +niet een onder zijne treurspelen, hetwelk door harmonische eenheid +voldoet aan 't geen ik in een treurspel vorder en b. v. terugvind in +den Edipus van Sofokles, in den Cid, in de Iphigénie en de Athalie, +in den Lucifer en in den Jozef in Dothan. Ik laat natuurlijk ieder +vrij anders te denken: _hanc veniam damus, petimusque vicissim_; +maar ik kan niet goedkeuren, dat gij zoo bepaald als lofredenaar van +Shakespere optreedt. Onze voorouders zondigden in een tegenovergesteld +uiterste en bij hen was Shakespere een barbaar. Nu liggen de groote +schrijvers van de eeuw van Lodewijk XIV achter de bank, en mogen +alleen Shakespere en Goethe bewierookt worden. Ik heb voor een paar +jaar diens "Egmond" zien vertoonen. "'t Moet mooi zijn," dacht ik, +"omdat het van Goethe is; was 't van een onbekende, ik zou zeggen, +wat een godsjammerlijk prul is dit." Er is een mode in alles; maar +omdat men nu een voorstander is van de italiaansche muziek, moet men +daarom de Euryanthe leelijk vinden." + +Ik behoef der schim van mijn vaderlijken vriend en beschermer geen +vergiffenis te vragen voor de vrijmoedigheid, waarmeê ik hem na zijn +dood nog eens het woord geef. + +In 1867 sprak _Van Lennep_ aldus met volle overtuiging. Uiterst +merkwaardig schijnt het mij het contrast te bestudeeren tusschen den +als hoofd der Romantische School gehuldigden auteur van "_Ferdinand +Huyck_" en zijn eigene zuiver classieke, zuiver achttiende eeuwsche, +zuiver Fransche aesthetiek. + +Hadde _Van Lennep_ tot in onzen tijd kunnen leven, hij zou zich +verheugd hebben in de zich langzaam ontwikkelende nieuwe _Renaissance_, +die nog nauwelijks wordt opgemerkt, maar toch eene schoone toekomst te +gemoet gaat. _Van Lennep_, schrander en helder ziende in de toekomst, +zou begrepen hebben, dat de Nederlandsche Letteren haar voordeel zouden +kunnen doen met het Fransche Naturalisme, maar dat zij nimmer tot eene +slaafsche navolging dezer school zouden kunnen afdalen. Hij zou tevens +begrepen hebben, dat de afgoderij met sonnetten en raadselachtige +verstandspoëzie evenmin tot het gewenschte doel: verjonging onzer +nationale muzen, zou kunnen leiden. Zijn eigen standpunt moge dan +voor ouderwetsch doorgaan, hij vertegenwoordigt in elk geval de +classieke, smaakvolle denkwijze, door zijn vader _David Jacobus_ +zoo welsprekend verdedigd. Hij moge reeds in zijne jongensjaren +_Shakespere_ vertalen, wetgevers op kunstgebied blijven voor hem +alleen _Boileau_ en _Horatius_. Ademend in de classieke atmosfeer zijns +vaders, van zijne vroegste jeugd met Latijnsche verzen begroet, zou hij +de overwinnende Romantiek alleen onder voorrecht van boedelbeschrijving +aanvaarden. De algemeene geestdrift voor _Walter Scott_ en _Byron_ +bracht hem tot zijne "_Legenden_" en zijne _historische romans_. De +bijval, hem geschonken, stuwde hem verder voort, dan hij misschien +wel wilde, naar de kusten der Romantiek, immer vasthoudend aan de +classieke beginselen, die hem als knaap en student waren ingeprent. + +De "groote schrijvers" der eeuw van _Louis XIV_ lagen hem na aan het +hart. Hij begreep de schoonheden van _Shakespere_ en Goethe, maar +was in den grond der zaak geen voorstander der Romantische School +van 1830. Dit bleek mij uit den reeds aangehaalden brief van 1867, +waarin hij mij berispte, omdat ik mij veroorloofd had met zekere +koelheid over het _Leerdicht_ te spreken. + +"Ik zie niet in"--schreef hij mij--"waarom het _Leerdicht_ een banvloek +verdient, als gij er over uitspreekt. _Bone Deus_, de [Greek: Erga +chai êrerai], de _Georgica_, de _Ars poetica_ ('t zij van Horatius, +'t zij van Boileau), de _Ziekte der geleerden_, zooveel heerlijks +en liefelijks, met een pennestreek weggecijferd: wel, mij dunkt, +zoo als Bilderdijk zeer te recht zegt: + + + "Geen veld is dor, waar dichtkunst zich vertreedt!" + + +"en juist dit is haar privilegie, om uit den schijnbaar dorren bodem +de heerlijkste vruchten te doen uitspruiten. Ook hier wederom zeg ik: + + + "Tous les genres sont bons, hors le genre ennuyeux." + + +Vader _Van Lennep_ maakte zich hier wat al te snel van de zaak +af. Maar zijn gevoel brengt hem niet op een dwaalweg. De didactische +poëzie heeft haar voor en tegen. Juist in deze laatste jaren zijn +vele hoeden en mutsen afgenomen voor de Muze der Didactiek. De roman, +afhankelijk gesteld van grondige studie der anthropologie, psychologie +en sociologie; de lyrische poëzie in dienst van alle wetenschappen +en elke wijsbegeerte--mij dunkt deze teekenen der tijden zouden _Van +Lennep_ niet al te zeer hebben mishaagd. + +Nog een kenmerkend hoofdstuk zijner aesthetische wereldbeschouwing, +draagt tot opschrift: "Verdiensten der achttiende eeuw." Aan het slot +van den zooeven aangehaalden brief, vermaant hij mij nogmaals: + +"Het gerijmel der 18de eeuw vindt geen genade in uw oogen. 't Spijt +mij, want ik ken een menigte brokken van buiten uit Poot, uit den +_Achilles_, uit den _Monzongo_, uit het _Beleg van Haarlem_, uit +den _Agon Sultan van Bantam_, uit de vertalingen door Doornik en +door Nomsz gemaakt, en ik zet het onzen hedendaagschen poëten--ten +Kate uitgezonderd--om zulke vaerzen te schrijven. 't Is net hier als +in Frankrijk, waar men zich--een Victor Hugo aan 't hoofd--volstrekt +niet meer stoort aan censuur of kadans. Ik las dezer dagen....... van +onzen vriend H. Lieve Hemel, bijna geen bladzijde, waar ik niet een +vers aantref, dat een voet te veel of te weinig heeft. Bij S. ad +idem. Als er dat nu niet op aankomt, 't is mij wel; maar voor mij +is het niet genoeg, dat een lied muzikale gedachten bevat; om mij te +behagen moet het speeltuig behoorlijk gestemd en de zangstem zuiver +zijn, anders verscheuren zij mij de ooren...." + +Uit het graf klinke deze vermaning vrij in onze woelige letterkundige +wereld van 1886. Slechts oppervlakkigheid en verwaandheid, vruchten van +halve wetenschap en geheele zelfmisleiding, zullen den fijngevoelenden +_Van Lennep_ een antwoord onwaardig keuren. + + + + + +IV. + + +De auteur van "_Ferdinand Huyck_" dankt zijne populariteit niet +uitsluitend aan zijne romans. + +Behalve dezen deed hij zich als echt _Nederlandsch dichter_ +kennen. Heel zijn leven lang zorgde hij er voor, dat bij elke +plechtige gelegenheid eenige toepasselijke regelen van zijne hand voor +zijne vrienden het licht zagen. In den huiselijken kring of in het +maatschappelijk leven werd elke belangrijke gebeurtenis door hem met +hartelijke woorden herdacht. Van zijne "_Academische Idyllen_" (1826) +tot aan zijne "_Vermakelijke Spraakkunst_" (1865) bleek hij zoo niet de +geestigste, dan toch zeker de opgeruimdste en levenslustigste zanger, +die onder ons, deftige lieden, te vinden was. Een snaaksche glimlach +was om zijne lippen als bestorven, zoodat, toen hij de koddige grappen +van zijn vriend _Gerrit van de Linde_ in zijn almanak "_Holland_" +deed afdrukken, ieder geloofde, dat hij zelf ze geschreven had. + +Er is in de laatste vijfentwintig jaren geene bloemlezing onzer +hedendaagsche dichters, waarin niet op de eereplaats aangetroffen +wordt _Van Lennep's_: + + + "Mijn waarde Neef! ik durf het wagen + U twee kommissies op te dragen: + 't Is, in 't Verkoophuis, voor Papa, + Vier doosjes Lucifers te koopen, + En op de Bloemmarkt voor Mama, + Wat lentebloemzaad op te loopen: + Dan voor broêr Kees, een nieuwen tol. + Voorts zendt Gij mij, 'k durf daarop reeknen, + Een boek papier om op te teekenen, + En ook vier strengen zwarte wol. + + "Wil voorts een kistjen Rencurrellen, + Bij Reynvaan, voor oom Piet bestellen; + En wip dan bij Verschuur eens aan, + Om Lizes bracelet te halen; + Van daar kunt gij bij Holters gaan, + En onze rekening betalen. + Voorts wacht ons Mietje een trommelvol + Met biesjensdeeg en drabbelkoeken: + Zend mij wat nieuwe Fransche boeken, + En dan, vooral, vier strengen wol. + + "Laat Sacher, met den beurtman, morgen, + Wat versche bloemen ons bezorgen, + En koop meteen, op 't Muiderplein, + Voor tante Saar wat Lange-Lijzen: + Gij kent haar smaak voor porcelein; + Zend voorts een kooitjen voor haar sijzen, + Een aanzetleder voor Oom Nol, + Een verschen pot met tamarinden, + Die gij bij Gerber wel zult vinden, + En dan, voor mij, wat zwarte wol." + + +Voorts het gedicht aan een zijner kleinzoons: + + + "Teeder en aanvallig wichtjen, + Dat zoo geestig om u heen kijkt + Uit uw (niet meer schom'lend) wiegjen: + (Schomlende zijn uit de mode)! + + "Dat nog van de tegenspoeden, + Die ons hier beneden kwellen, + Geen ervaring hebt verkregen + --Dan door 't steken van de muggen!-- + + "Dat, nog zuiver van de driften, + Die op rijper leeftijd woelen, + Nimmer boos wordt--dan alleen maar + Als men niet terstond uw zin doet! + + "Dat, nog vrij van dwaze wenschen + Vrij van zondige aardsche lusten, + Uw begeerten blijft beperken + Tot een trek naar soep of bloemkool! + + "Dierbaar kind! gij zijt onkundig + Van uw laatre lotsbestemming, + Ik, in spijt van grijze ervaring, + Weet daarvan zooveel als gij weet. + + "Maar, zoo gij nog naar de toekomst + Geen vermeetle blikken heenwendt, + Of althans niet verder uitziet + Dan naar 't heerlijk etens-uurtjen; + + "Ik--en 'k durf geenszins bepalen, + Of het dwaas is dan verstandig-- + Ik, ik kan mij niet weêrhouden, + Naar die toekomst vaak te gissen. + + "Zult ge een pleitbezorger worden? + In den handel u begeven? + Of, uw ooms tot voorbeeld kiezend, + Uw fortuin in de Oost gaan zoeken? + + "Zult gij in de koffijhuizen + Aan 't biljard uw dagen slijten, + Altijd wachten op een postjen, + Dat u nimmer wordt gegeven? + + "Of zult gij den krijgsdienst kiezen, + En u krijgstrofeën vormen + Van sjakoos, nog voor 't verslijten + Door een nieuw model vervangen? + + "'t Is mij, in den grond, om 't even; + Want men kan in elken werkkring, + Al naar 't valt, carrière maken + Of een bittre sukkel blijven. + + "Maar, lief kind, wat hier beneden + Ooit het doel zij van uw streven, + Tracht toch--wat ik u mag bidden-- + Nimmer naar den naam van dichter...." + + +Dan zijne "_Lente-Mijmeringen_, 21 Juni 1855," + + + "Mij heugt, toen ik een knaapjen was, + En Mei in 't land gekomen, + Wij zaten 's avonds op 't terras + In schaaûw der lindeboomen, + + "Dan sprong ik als een jonge ree + En plukte mij een ruiker, + De Gouvernante schonk ons thee + Ik kreeg dien zonder suiker. + + "O, 't blijkt uit alles zonneklaar, + Men mocht in vroeger dagen + Op Lente reeknen ieder jaar; + Wat kon haar toch verjagen? + + "Hoe meenge winter ging voorbij, + Dat wij begeerig smachtten + Naar 't lieve Lentejaargetij, + En vruchtloos bleven wachten. + + "Met ieder jaar bleef 't winterijs + Wat langer in het water, + En bleef de lucht wat langer grijs, + En kwam de zomer later. + + "En nu--'t is reeds de langste dag: + Reeds moest de zomer komen; + En 'k heb in Neêrland, waar ik zag, + Geen voorjaar nog vernomen." + + +Eindelijk zoo menig lied vol prettigen kortswijl uit zijn Almanak +"_Holland_," of uit zijne "_Zeemansliedjes_," alles zuiver Hollandsch +veldgebloemte, nederig, eenvoudig, gezond. + +Critiek, die gaarne overvraagt, heeft _Van Lennep_ verweten, +dat zijne scherts te weinig fierheid bezat, dat hij met zijne +anecdoten en kwinkslagen, ook in het dagelijksch gesprek, tot +lager kringen afdaalde, dan tot welke hij zelf behoorde. Zijne +snakerijen met de geschiedenis des Vaderlands berokkenden hem zelfs +dichterlijke boetpredikatiën van verontwaardigde, maar minder geestige +kunstvrienden. Het is mogelijk, dat hij het soms wat bont maakte, maar +ontkend mag het niet worden, dat juist deze trek van zijn karakter, +deze zijde van zijn talent hem tot den meest Nederlandschen, tot den +populairsten dichter en romanschrijver van zijn tijd gemaakt hebben. + +In de geschiedenis der Letterkunde van een klein volk is het niet +zoo gemakkelijk de eigenaardige trekken van het nationale karakter +terug te vinden. De classieke en moderne Letteren oefenen grooteren +invloed, omdat kleine volken, wier taal niet algemeen gesproken wordt, +zich letterkundig minder zelfstandig ontwikkelen kunnen. Trots +deze beletselen zal het den historieschrijver onzer litteratuur +toch mogelijk blijken het _nationaal-Nederlandsche_ op het spoor +te komen. _Van Lennep_ drukte in zijn persoon en in zijn werk dat +nationaal-Nederlandsche voortreffelijk uit. + +Kwinkslagen, scherts en kortswijl; een goed oog op het comische in +het leven en in de kunst; belangstelling in het blijspel, soms dalend +tot de platte klucht, soms stijgend tot vlijmende satire of teederen +humor--zie daar de meest in het oogvallenden karaktertrekken onzer +letterkundige kunst, die tevens worden teruggevonden in de geschiedenis +onzer schilderschool. In de middeleeuwen, in de XVI en XVII eeuwen +valt het niet moeilijk dit telkens met luidsprekende feiten te +staven. Het is onnoodig op den _Reinaert_, op de "schoone boerden," +op de "sotternien," op de volksliederen en volksromans te wijzen; +overbodig te herinneren aan den gullen lach van den ronden _Roemer_, +aan de vroolijkheid van _Jan van Hout_, aan de drink- en minneliederen +van _Bredero_ en _Starter_, aan _Hooft's_ "_Warenar_," aan _Vondels_ +"_Rommelpot_," aan de maaltijden van _Jan Steen_, de boerenkermissen +van _Ostade_, de _Teniersen_ en _Rubens_, aan de kroegen van _Adriaen +de Brouwer_, aan de schaterlachende zangers, drinkers en vischwijven +van _Frans Hals_--dit alles is meermalen uitdrukkelijk in het licht +gesteld. + +Mocht ook in latere tijden de goedronde lach onzer vaderen verstommen, +mocht het kille Calvinisme zich paren aan het practisch streven naar +Nuttige, Voordeelige, Bruikbare dingen, toch ging de overlevering +van onze nationale luim in de geschiedenis onzer letteren niet +verloren. _Langendijk_, _Troost_, _Asselijn_ en _Bernagie_ bleven onzen +ouden volksaard getrouw; aan het slot der vorige eeuw triomfeerden +twee geniale vrouwen in "_Sara Burgerhart_" en "_Willem Leevend_" op +al de booze geesten, die der Nederlandsche Muzen onverzoenlijken haat +hadden gezworen. _Van Lennep_ was inzonderheid een echt Nederlander +door zijne kunst. Zijne patricische Amsterdamsche stemming, +zijne bewonderenswaardige wetenschappelijke vlijt in de uitgave +van _Vondel's_ werken gebleken, zijne veelzijdige letterkundige en +historische kennis, werden altijd verhelderd door eene zonnestraal +van vriendelijke geestigheid; zijne deftige betoogen afgewisseld +door een vroolijken zet, zijne ernstige buien opgehelderd door eene +grappige anecdote. + + + +Bij _Sijthoff's_ nieuwe uitgaaf van _Van Lennep's_ romantische +werken een hartelijk woord te voegen, was het doel van dit eenvoudig +opstel. _Van Lennep's_ leven is het best en uitvoerigst beschreven +door _A. J. de Bull_ in de "_Levensberichten_" der Maatschappij +van Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Daarbij is eene lijst van +geschriften gevoegd, die de wenschen van den lastigsten bibliograaf +overtreft. Verschillende mannen van naam: _Jonckbleet_, _Réville_, +_Busken Huet_, _Schimmel_ en _Nicolaas Beets_ hebben hunne meening +over _Van Lennep_ gezegd; toch ontbreekt nog de monographie, die +zijne geheele persoonlijkheid, zijne veelzijdige werkzaamheid, +zijne beteekenis voor de geschiedenis onzer Letteren te zaam vat, +en met wetenschappelijke nauwkeurigheid beschrijft. Eene nieuwe +uitgaaf zijner romantische werken kan misschien aanleiding worden +tot vervulling dezer behoefte, althans de gedachte verlevendigen, +dat een dergelijk boek nog altijd moet geschreven worden. + + +Dr. Jan ten Brink. + + + + + + +DE PLEEGZOON. + +EERSTE HOOFDSTUK. + + + Ghy die by vreemde lieden koomt, + Het is u nut te sijn beschroomt. + + Cats. + + +Het was op den vier-en-twintigsten van Bloeimaand des jaren 1598, dat +de beroemde Filips van Marnix, Heer van Sint-Aldegonde, een zijner +dochteren aan den Vrijheer van Asperen uithuwelijkte. Het hooge +aanzien, waarin 's bruids Vader ten hove stond, de welverdiende +roem, welken hem zijn uitmuntende bedrijven zoo in vredes- als +in oorlogstijden verworven hadden, de hartelijke genegenheid en +ongeveinsde achting, hem door de hoofden van 's Lands bestuur niet +alleen, maar ook door de lagere standen toegedragen, hadden de +plechtigheid, die zijn geslacht aan een der edelste huizen van den +lande verbond, tot een bijna nationaal vreugdefeest verheven. Menschen +van allen rang, staat en beroep stroomden naar Leiden, waar de +inzegening der verloofden in de Waalsche kerk zoude plaats hebben: +men vleide zich daarenboven, de plechtigheid te zien opgeluisterd door +de tegenwoordigheid van Graaf Maurits, die, zoo als het gerucht liep, +bereids zijn woord aan den Heer van Aldegonde gegeven had, om met +geheel zijn hof het trouwfeest te zullen bijwonen. + +Was de menigte groot, die, alleen uit nieuwsgierigheid, en zonder nog +te weten, hoe daaraan best voldaan zou worden, naar de Academiestad +gelokt werd, menigvuldig waren ook de opzettelijk genoodigden, ten wier +gevalle men voor geschikte plaatsen in de kerk de vereischte zorg had +gedragen en al de tuinen, die men reeds rondom Leiden begon aan te +leggen, van bloemen beroofd, om hun ten blijke hunner hoedanigheid +van speelnooten, fraaie ruikers, met kleurige linten versierd, +te overhandigen. + +Onder die genoodigden bevonden zich twee edellieden van voornamen +huize, door de banden eener langdurige en trouwe vriendschap verbonden, +met namen Ulrich von Daun, Graaf van Falckestein, en Hendrik van Reede, +Heer van Sonheuvel. De eerste, een vreemdeling in deze oorden, had +zijn goederen in Bergsland gelegen, alwaar hij op het slot van Bruck, +aan de oevers der Roer, zijn gewoon verblijf hield. Hij was thans +vanwege de Hertogelijke Raden van Kleef aan de Staten-Generaal der +Vereenigde Provinciën gezonden, om voor het door de Spaansche legers +bedreigde Kleefsland hun beschermende hulp in te roepen. Hij was een +kloek, manhaftig Ridder, wiens gelaat en houding rustige dapperheid +teekenden: zijn gestalte was rijzig en vol majesteit: zijn opslag kalm +en onversaagd: zijn bewegingen gemakkelijk en zwierig: in één woord, +men kon in hem, bij het eerste aanschouwen, den man van geboorte en +opvoeding herkennen, wien zoowel in het kabinet als in het heir een +der voornaamste plaatsen wettig toebehoorde. Sinds eenige jaren met +Anna Margareta, Gravinne van Manderscheid, gehuwd, zag hij zijn echt +gezegend met twee knaapjes, waarvan het oudste bij den aanvang dezer +geschiedenis zeven en het jongste ongeveer twee jaren bereikt had. + +Een geheel anderen aard als de Bergsche Graaf bezat de Heer van +Sonheuvel. Zoo voorzichtig en bedaard als zich Falckestein betoonde, +zoo haastig en driftig was zijn vriend; niet minder dapper dan +Ulrich, bedierf Hendrik meestal zijn zaak door al te grooten spoed +en overijling: in den strijd had hij meer dan eens zijn moed op een +schitterende wijze doen blijken; doch ook niet zelden, de bevelen +zijns opperhoofds niet inwachtende, zich onnoodig in gevaar begeven +en daardoor ondank, ja bestraffing, in stede van roem en prijs +behaald. Zijn postuur was eerder klein dan middelmatig: zijn grijze, +doch levendige oogen waren altijd in beweging: stil te staan, lang +dezelfde houding te bewaren, waren bij hem onmogelijke dingen: voor +geheime diplomatieke onderhandelingen was hij ten eenenmale ongeschikt; +doch zijn onwederstaanbare ijver, zijn gulhartigheid en welwillendheid +jegens een iegelijk, zijn onverschilligheid voor het gevaar hadden +hem in waarde doen houden bij zijne oversten, vooral wanneer het op +de uitvoering aankwam eener gewaagde krijgsverrichting. Dan ook, als +anderen voor het gevaar terugdeinsden, nam hij de hem opgedragen taak +blijmoedig aan, ontzag zijn leven niet, trotseerde kogels en speren, +en keerde, altijd met nieuwe wonden, doch ook veeltijds met de zege, +terug. Indien men den Graaf van Falckestein bij den edelmoedigen, +fieren en onversaagden leeuw konde vergelijken, de heer van Sonheuvel +was evenals de trouwe wachthond, die, altijd gereed op de wenken zijns +meesters, ter nakoming van het gegeven bevel volvaardig heensnelt en +ter verdediging van het hem aanvertrouwde pand geen ongemak, geen dood +zelfs ontziet. Thans bekleedde hij den rang van Ritmeester en diende +onder de bevelen van Graaf Hendrik van Nassau. Ook hij was gehuwd +en had zijn vrouw, die zich voor de tweede reize zwanger bevond, +te Amsterdam, waar hij tijdelijk verblijf hield, in ziekelijken +toestand achtergelaten. + +Het was dan op den morgen van den vier-en-twintigsten Mei, dat +deze beide vrienden, op kloeke Friesche paarden gezeten en door hun +lijfknechten vergezeld, het vorstelijk 's-Gravenhage verlieten, om +zich naar Leiden te begeven. Beider kleeding was sierlijk en zoowel +aan den staat der ruiters als aan de deftigheid van het feest, dat +zij gingen bijwonen, geëvenredigd; in zooverre echter onderscheiden, +als verschil van vaderland en karakter met zich bracht. De Graaf droeg +een zwart fluweelen buis, dicht aan het lijf gesloten en reikend tot +aan de heupen, waar het met een breeden, van goud gestikten gordel, +als het ware omzoomd was. Aan weerszijden van de knoopenrij, die van de +kin tot op het middellijf daalde, blonken gouden passementen, gelijk +ook op de naden der mouwen, die, in de buiging der ellebogen geopend, +het hagelwit linnen onderscheiden lieten. De zwaargeplooide broek, +mede van zwart fluweel, reikte niet verder dan een handbreedte boven +de knie, waar de met goud geborduurde banden haar van de lange bruine +hozen schenen af te scheiden. Gele halve laarsjes, met afhangende, +van binnen met rood leder voorziene en met zware gouden franjes +omzoomde kappen, dekten de voeten: aan een breeden lederen bandelier, +met gouden knoppen bezet, hing een lang rapier met verguld gevest: +de handschoenen waren zwart met gouden naden: op den rechterschouder +zwierde een zeer kort zwart zijden manteltje met witte zoomen, over de +borst met witte kwasten vastgestrikt: de net geplooide kraag, waarop +het hoofd als op een tafelbord rustte, stak wel een halven voet (oude +maat) naar alle kanten uit. De baard hing, naar den toenmaligen smaak, +als een smalle geknotte kegel van de punt der kin, terwijl de knevels +opwaarts stonden: in één woord, de gansche kleedij was volgens de +laatste Duitsche mode; alleen de witte hoed stak af bij dien tooi: +de Graaf, die het bevel voerde over een bende Kleefsche ruiters, +toen _Hanevederen_ genaamd, droeg, ten teeken zijner waardigheid, +geen andere pluimage dan een paar kleine veertjes, aan den staart +des morgenwekkers ontrukt [6]. + +Schoon de Heer van Sonheuvel op zijn fraaist gekleed was, stak hij +echter bij zijn netten reisgezel merkelijk af. Zijn zwarte hoed was +van ouderwetschen vorm en aan de linkerzijde opgetoomd: de vederbos +hing van achteren af: de _radius_ van den kraag was twee duimen te +klein en de laarzen waren twee duimen te lang. De sjerp, het teeken +zijner waardigheid, was een weinig verschoten van kleur, doch de +stalen greep van zijn zijdgeweer blonk des te meer, als zijnde door +de zorgen van zijn lijfknecht Bouke altijd net gepolijst. Voor het +overige droeg Reede handschoenen en buis van geel leder: de eersten +met franjes en het laatste met knoopjes versierd: een roodlakenschen +mantel met goud geboord en roode hozen voltooiden zijn kleedij. De +sporen van beide ruiters waren verguld en liepen in de gedaante +eener slang tot aan den rand der laars op; en reeds rinkinkte in +die sporen het stalen wieltje, dat de beroemde bastaard van Mansfeld +kort geleden had ingevoerd. Bij het uitrijden van het Haagsche Bosch, +verzocht de Graaf zijn vriend den draf voor het stappen te verruilen, +daar het nog vroeg genoeg was, om tijdig te Leiden te komen en zich +aldaar voor het aanvangen der plechtigheid te verfrisschen. De Heer +van Sonheuvel bewilligde in dit voorstel, en nu ontstond tusschen de +beide vrienden het volgende gesprek. + +"Hebt gij," vroeg Falckestein, "in de laatste dagen eenige tijding +van uwe Huisvrouw bekomen?" + +"Ja," antwoordde Reede, "doch die was weinig geruststellend. Ik ben +eenigszins over haar toestand bekommerd!" + +"Gij hebt toch," hernam Falckestein op een goedhartigen toon, "geen +bijzondere redenen om u te verontrusten? De staat, waarin zij zich +bevindt, is nooit zonder gevaar; doch de meeste voorbeelden zijn +altijd geruststellend." + +"Ik weet het," zeide Reede: "dan, bij de ongemakken, aan dien staat +verbonden, voegt zich een geheime kwelling, een hartzeer, dat haar +gedurig sterker pijnt, en hetwelk ik vrees, dat nimmer geheel zal +kunnen worden weggenomen." + +"En welk hartzeer," vroeg zijn vriend, "kan haar kwellen? Zij is jong, +geacht, bemind, door al wie haar kent, zij is verbonden aan den man, +dien zij liefheeft, en die het tot zijn hoogste geluk rekent, al haar +wenschen te bevredigen." + +"Ach! het is juist dat laatste," zeide de Heer van Sonheuvel: "zij +had mij nooit moeten trouwen!" + +"Gij spreekt raadsels, beste vriend!" + +"Ik zal u die ophelderen: aan u kan ik die mededeelen; zij is mijne +vrouw geworden tegen den wil haars vaders." + +Falckestein zag zijn vriend aan met den ongerusten blik van iemand, +die een nadere verklaring verwacht om zijn goed- of afkeuring te doen +blijken. Reede ging voort: + +"En echter, waarde Falckestein, zij is geheel onschuldig aan eenig +vergrijp. Het is u misschien niet bewust, dat zij mijne volle nicht +is: haar vader, mijn oom, was even ijverig Roomschgezind als de mijne +Protestant was: na den dood zijner gade koos hij den geestelijken +stand en bracht het weldra zooverre, dat hij uit de zeven Provinciën +verbannen werd. Hij vertrok van hier: mijn vader, de natuurlijke +voogd van zijns broeders eenige dochter, voedde haar met mij op: een +niet onnatuurlijke zucht om de goederen, die ons huis vanouds bezeten +had, onder zijn nageslacht te bewaren, deed hem den wensch koesteren, +mij aan mijne nicht te verbinden. Onze wederzijdsche liefde maakte de +bereiking van dat doel te lichter: nooit had mijn Maria iets van haar +vader vernomen, sinds deze haar, nog een kind zijnde, verlaten had: +zij stemde in mijn verlangen en werd mijne vrouw. Niet lang daarna +overleed mijn vader, en onder zijn papieren vond Maria ter kwader uur +een brief van den haren, een brief, dien ik nooit gezien had, waarin +deze zijn broeder stellig berichtte, dat hij een huwelijk tusschen +zijn dochter en mij als bloedschending af moest keuren en mij nimmer +als zijn schoonzoon zou erkennen. Sedert dien tijd, helaas! wordt die +arme Maria door een boezemsmart gefolterd, die, vrees ik, haar teeder +gestel een knak gegeven heeft, waarvan het moeilijk zal genezen." + +"Waarlijk," zeide Falckestein, nadat Reede zijn verhaal (waartoe hij +nog meer woorden gebruikt had. dan wij hem in den mond hebben gelegd, +en 't welk hij doorzult had met aanmerkingen, die wij hebben meenen te +kunnen daarlaten), had geëindigd: "waarlijk ik beklaag haar van harte." + +"Ja," zeide Reede, "ik-zelf ben ook met het geval verlegen: en weet +gij, wat mij ook nog hindert? Al hetgeen ik met mijn vrouw betrouwd +heb, behoort eigenlijk niet aan haar, maar aan haar vader: nu is bij +mij dikwijls de vraag ontstaan: moet ik hem dat alles maar sturen, of +mag ik het houden als het eigendom mijner vrouw, waarvan haar vader, +door zijn vertrek en afval van ons geloof, heeft afgezien?" + +"Mij dunkt," antwoordde Falckestein, "het blijft onbetwistbaar zijn +eigendom, en als eerlijk man zijt gij verplicht, hem alles, wat hem +behoort, terug te geven." + +"En dat zal ik doen," bromde Reede, "zoodra ik maar weet, waar hij +zich bevindt; want ik heb geen tijding, of hij in Rusland dan wel in +Amerika zit. Sedert dien ongelukkigen brief heeft hij niets van zich +doen hooren. Doch opsporen zal ik hem, in weerwil van 't geen mijn +advocaat Mr. Joannes Schalckius zeggen moge, die mij maar aanraadt, +alles te houden; want, zegt hij, 't gaat toch maar aan vreemde papen en +conventen, tot prejuditie van de ware leer. Aan personen van een vreemd +geloof, zegt hij, is men zulk een nauwgezetheid niet verplicht. Hij +spreekt er van evenals Ds. Uyttenbogaert, schoon deze 't anders meende, +weet gij, in zijn preek van laatstleden Zondag, toen hij zeide.... ja +wat zeide hij ook?.... In die schoone leerrede, toen.... wat duivel +zeide hij toch?".... Hier richtte de goede Ritmeester zich op in den +zadel, nam den hoed af en hield dien tusschen duim en wijsvinger, +terwijl hij met de andere hand zich het achterhoofd wreef, zette +vervolgens den hoed weder op, bracht de hand voorwaarts, rolde zich +den knevel om den wijsvinger, hoestte, hemde en mompelde eenige reizen +achtereen: "ja, wat duivel zeide hij toch?" + +Falckestein, die te wellevend was om ook zijn vertrouwdsten vriend +wegens een geheugenfeil te bespotten, zweeg eenige oogenblikken stil; +doch, bemerkende dat Reede hoe langer hoe ongeduldiger en verstoorder +op zichzelven raakte, zich de lippen beet en zijn paard zoo strak +tusschen de ooren keek, alsof de geheele preek van Uyttenbogaert daar +geschreven stond, zocht hij een wending aan het gesprek te geven, +door hem opmerkzaam te maken op een kleine, van weilanden omringde, +huizinge of hofstede, welke, tusschen zware lindeboomen, een eind +verder aan den weg gelegen was. + +"Dat erf heeft een gelukkige ligging," merkte hij aan. + +"Gelukkig!" riep de Heer van Sonheuvel uit, als uit een droom +ontwakende, terwijl hij zijn hoed diep in de oogen drukte: "dat erf +is een duivels erf, een Babel van ongerechtigheid, een kapel van den +Antichrist, die al lang had moeten uitgeroeid en geslecht worden." + +"Dat zou jammer zijn!" zeide Falckestein glimlachende: "en waarom +dat alles? Is de bewoner zulk een booswicht?" + +"De bewoner is mij, Goddank! onbekend," antwoordde Reede, den hoed +aflichtende: "en ook verlang ik hem nimmer te kennen; doch het erf +zelf wordt gemeenlijk de _Katholieke Hofstede_ genaamd." + +"En is die naam nu alleen de reden van uw verwensching?" vroeg +Falckestein, met een spottenden blik, die zelfs iets medelijdends had. + +"Op dat erf," vervolgde Reede, "zegt men, dat somtijds Jezuïeten +vergaderen en, 't welk gruwelijk is om aan te hooren, geheime +beraadslagingen maken tegen de hooge regeering en tegen Zijn +Excellentie." + +"Men zegt!.... dus is de geheele vervloeking op een volkspraatje +gegrond?" + +"Geheel niet: zoo mij de Griffier Pots verhaalde, bestaan er zelfs +menschen van krediet, die er Jezuïeten gezien hebben." + +"Welke zij waarschijnlijk aan hun gelaat voor zoodanigen erkend +hebben," viel de Graaf in, "want het zou geen Jezuïetenpolitiek +geweest zijn, zich hier in het gewaad der orde te vertoonen:--voorwaar +groote gelaatkundigen!--Nu, ik wenschte wel, eens eenige van die +Baälsdienaars te zien verschijnen, alleen maar om te ontdekken, +of zij hun hoedanigheden op 't voorhoofd geschreven ronddragen." + +Aldus sprekende, waren zij het erf genaderd, dat het onderwerp hunner +tweespraak uitmaakte. Het was een gebouw van blauwe steenen, dat +naar allen schijn een eeuw oud kon wezen en uit twee aan-een-gebouwde +huisjes met blauwe dakpannen bestond: de gevels liepen trapsgewijze op, +naar de toenmalige bouworde: slechts weinig in getal waren de ramen, +en nog meestal met planken dichtgespijkerd: de ingang was aan de zijde +van het weiland en voor den voorbijganger niet zichtbaar: ook was +er van den rijweg geen toegang tot het erf, daar de voormalige brug +afgebroken en het stuk gronds door een breede sloot omringd was. Een +enkele vrij smalle plank vereenigde het met het daarachter liggend +kamp. Verscheidene oude lindeboomen, rondom het huis geplant, die hun +schaduw wierpen over het hoog opgegroeide gras, gaven aan het geheel +een schilderachtig, eenigszins eerwaardig, schoon verwaarloosd uitzien. + +Juist toen onze ruiters voorbijreden, zagen zij twee lieden, in +de gewone volksdracht, de plank overgaan, welke van het erf op het +weiland bracht, en een pad volgen, dat, dwars door het veld, een paar +honderd roeden verder op den rijweg uitkwam. Zoodra Falckestein deze +lieden bemerkte, toonde hij die al lachend aan zijn reisgezel, zich +meteen beklagende, dat hij hen niet in 't aangezicht zien konde, om +zijn gelaatkunde te beproeven. "Daartoe zal u de gelegenheid verschaft +worden," antwoordde Reede: "hun pad brengt hen op den rijweg en indien +zij dien niet verlaten, zullen wij hen spoedig inhalen.... Wist ik +mij die preek maar te herinneren!.... doch ik zal er het mijne van +hebben, wat het ook kosten moge." + +Zoo sprekende gaf hij, met hernieuwde blijken van ongeduld, zijn +paard de sporen, en Falckestein, die het gesprek verloren zag, en +wien de eenzelvigheid der landgezichten begon te vervelen, volgde +zijn voorbeeld. Spoedig bevonden zij zich, als Reede gezegd had, +ter plaatse waar het pad, dat de voetgangers gevolgd waren, op den +rijweg uitliep en zagen hen beiden omtrent honderd passen voor zich +uitloopen. Nu lieten zij hun paarden weder stappen en sloegen op de +onbekenden, toen zij hen voorbijkwamen, onder het wenschen van een +goeden morgen, een nieuwsgierig oog. De achterste der twee (want zij +liepen op het voetpad achter elkander) was bleek, kort en vrij gezet, +had een ongemeen groot hoofd, bolle wangen, doffe halfgesloten oogen, +lang ros haar en baard en een scheeven mond: de voorste voetganger +was een man in de kracht zijns levens, en onderscheidde zich door +een rijzige en kloeke gestalte: slechts eene krul gitzwart haar +vertoonde zich van onder den grauwen hoed: even zwart waren zijn +oogen en baard: het mager gelaat teekende onrust, vermoeienis of +onthouding, zoo niet alle drie te gelijk. Hij zou onder de schoone +mannen kunnen geteld zijn geweest, doch zijn terugstootende blik, +zijn wijd uitstaande neusgaten en opgetrokken onderlip, ontnamen +aan het gelaat alle aanspraak op het behaaglijke, en lieten bij den +beschouwer een onaangenamen indruk achter. + +"Ik begin waarlijk te gelooven dat gij gelijk hebt," fluisterde +Falckestein zijn vriend in 't oor: "de achterste heeft veel van een +beurzenknipper en de voorste van een struikroover." + +"Vindt gij?" vroeg Reede: "ik weet niet, maar ik heb die gezichten +meer gezien." + +Nu zouden zij verder gereden zijn, zonder meer aandacht op de +onbekenden te slaan, toen de langste van de twee in goed Hollandsch +aan Falckestein vroeg of zijn Edelheid naar Leiden te feest +ging. Falckestein beantwoordde deze vraag kortaf met ja, en liet +zijn paard harder voortstappen om een verder gesprek te ontgaan; +dan de zwartoogige vreemdeling versterkte zijn tred zoodanig, dat +hij in een gelid met den ruiter bleef voortwandelen, wien hij deze +nieuwe vraag deed: + +"Zal Zijn Excellentie ook op de plechtigheid komen?" + +"Vermoedelijk ja." + +"Ik had gehoord, dat Zijn Excellentie in 's-Hage bleef om de groote +zaken af te handelen, die met den Aartshertog op 't tapijt zijn." + +"'t Is ook mogelijk." + +"Dus weet Uw Edelheid het niet zeker, maar UEd. denkt dat Zijn +Excellentie komen zal?" vervolgde de lastige vrager. + +"'t Is mij onbewust. Kom Reede, laat ons voortrijden!" + +Doch Reede had hierin op dit oogenblik weinig zin. + +Hij was bezig den achtersten der voetgangers in oogenschouw te nemen +en zag hem zóó strak aan, dat deze verlegen begon te worden en het +gelaat afwendde. + +"Zoo ik mij niet bedrieg," vroeg eindelijk de heer van Sonheuvel aan +den onbekende, "heb ik u laatstleden Zondag in 's-Hage gezien bij +het uitgaan der kerk, toen Ds. Uyttenbogaert gepreekt had." + +Hoe eenvoudig deze vraag ware, zij scheen den vreemdeling van zijn +stuk te brengen: bedremmeld antwoordde hij: "jawel, Uwe Edelheid! ik +ben daar geweest." + +"Uitmuntend!" hervatte Reede "en weet ge u ook het hoofdzakelijke +te herinneren? Ik was juist bezig met Zijn Genade over een punt +te spreken, dat Ds. Uyttenbogaert.... dat ik hoor," voegde hij er +bij, zich hervattende, "dat ik hoor, dat Ds. Uyttenbogaert heeft +aangeroerd." + +"Hij predikte," antwoordde de bleeke vreemdeling, "uit Genesis XXXI +vs. 24 en volgende, zijnde het verhaal hoe Rachel de beelden haars +vaders Laban verborg en hoe Jakob vervolgens met Laban verdrag +maakte. Hij bewees uit een en ander, dat men niet gehouden is aan +afgodendienaars de voorwerpen hunner afgoderij terug te geven, ook al +had men, volgens burgerlijke wetten, geen recht op het bezit daarvan." + +"Het verwondert mij," zeide nu de voorste der voetgangers, terwijl +hij Reede scherp aanzag, "dat UEd. mijn makker die vraag doet. Of +UEd. moet verleden Zondag slecht geluisterd hebben, òf mijn oogen +hebben mij bedrogen, toen ik gemeend heb, UEd. mede onder Domini +Uyttenbogaerts gehoor te zien zitten." + +Falckestein glimlachte en Reede beet zich op de lippen. "Ik zeide +niet," merkte hij aan, "dat ik er niet was geweest; ook herinner ik mij +hetgeen uw makker verhaalt; doch ik zocht mij te binnen te brengen, +hetgeen de Predikant in het slot zijner rede meer bepaaldelijk +gezegd heeft, omtrent de teruggave van het eigendom van papen en +afgodendienaars, omtrent...." + +"Juist toen ben ik ook wat slaperig geweest," antwoordde de lange +man. "Dit alleen heb ik er van onthouden, dat men nimmer, ook jegens +papen, bedrog mag plegen, noch een glimp aan zijn daden geven, noch +zich met draaierijen behelpen, al moest het waarheid spreken ons +beschaamd maken. Voorts liet hij ons zingen uit den Honderdtwintigsten +Psalm, het tweede vers." En hierop begon de vreemdeling, met een zware +stem, naar de berijming van Datheen, de volgende woorden te zingen: + + + "Wat kan de valsche tonge stichten? + Wat kan de leugenaar uytrichten? + Wat sullen syn listige zinnen + En valsche tonge toch gewinnen?" + + +Reede zag den stekeligen vreemdeling met een heftigen blik aan; +doch deze bleef, zonder eenig ontzag noch vrees te toonen, volstandig +doorzingen, het oog gedurig met zooveel bedaardheid op den Ritmeester +gevestigd houdende, dat deze, vreezende zijn fatsoen door een +langer gesprek te zullen in de waagschaal stellen, aan Falckestein +voorstelde, die lastige landlieden te ontrijden. Nauwelijks waren zij +een eindweegs vooruitgedraafd, of de zwarte man riep Reede achterna: +"Ik wensch dat UEd. de preek van hedenmorgen beter dan die der vorige +week onthouden moge." + +Reede, deze uitdrukking hoorende, hield vol drift zijn paard staande en +zou den teugel op den vreemdeling gewend hebben, bijaldien Falckestein, +die begreep dat zijn vriend zich te veel had afgegeven, hem niet +weerhouden had en genoodzaakt mede voort te rijden. De lange man +scheen echter den aanval van Reede bedaard af te wachten, en had +bij diens eerste beweging van onder zijn mantel een lang pistool +voor den dag gehaald. Toen hij de ruiters hun weg zag vervolgen, +liet hij de hand weer zakken, bracht het vuurtuig op zijn plaats en +stapte bedaard verder. + +Het is geenszins ons doel een verhaal te geven der feesten en +plechtigheden, welke het huwelijk van Aldegondes dochter vergezelden: +alleen dient hier gemeld, dat de zwarte man wèl gegist had: dat Graaf +Maurits door onvoorziene bezigheden, of liever door een bijzondere +bestiering van het Opperwezen, verhinderd werd, zich te Leiden te +bevinden. + +De predikatie en de inzegening werd door den Hofprediker Uyttenbogaert +in de Fransche taal volbracht en de gemeente zeer gesticht; doch +hetgeen Reede niet stichtte, was een vraag, hem, toen hij in den +trein van vrienden en bruiloftsgasten de kerkdeur uittrad, door +een der omstanders in 't oor geblazen, "of hij namelijk de preek +zoo goed in zijn geheugen had als die van de vorige week." Driftig +zag hij om naar de zijde van waar het gefluister kwam; doch de man +met het zwarte haar, de vreemdeling uit de _Katholieke Hofstede_, +was reeds in den volkshoop teruggetreden en verloor zich in de menigte. + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + + + Ben ik de beste dan, + Die d'afgront tot dit snoot bedrijf uitbraken kan? + Is niemant meer bequaem tot schelmery gevonden. + + _Vondel_, Palamedes. + + +Eenige dagen later was Falckestein onverzeld, den weg naar Haarlem +opgereden, in de hoop van zijn vriend Reede, die, ter volvoering +van een bevel zijner Doorluchtigheid, derwaarts gegaan was, bij +zijn terugkomst te ontmoeten en zoo gezamenlijk weder huiswaarts te +rijden. De weg van Den Haag naar Haarlem was toen al zeer verschillend +van hetgeen die thans is, en niet meer hetgeen die eenmaal geweest +was. Men zag er, wel is waar, de luchtige tilbury's, de prachtige +landauers, de sierlijke caricles en de nog bevalliger Noord-Hollandsche +sjeezen van lateren tijd niet heen en weder rollen: men zag er +geen tallooze diligences over een gladden gemakkelijken straatweg +de reizigers als met vleugelsnelheid door dien tuin van Europa +voeren: men zag er geen nette, gewitte, vroolijke buitenverblijven +elkander aaneengeschakeld achtervolgen:--doch men zag er ook niet +meer den luister van vroegere dagen, den prachtigen hofstoet der +Graven en Baanrotsen, de jachtgezellen der Heeren van Wassenaar, +van Teylingen, van Heemstede en van zoovele andere heerlijkheden, +die zich in luisterlijken dos vereenigden, noch de luchtige nonnen +der Rijnsburgsche abdij in een geestelijken tooi, met wereldschen +opschik vermengd, verzeld van de galantste edellieden uit den omtrek, +op kostbare paarden heen en weder dravend:--de oude weelde was +verdwenen: de weelde van latere dagen was nog niet doorgekomen. Nu +en dan een ouderwetsche, lompgemaakte wagen, die met moeite en +paardenkracht door het gulle zand werd voortgekruid, enkele huif-, +mest- of voederkarren, ruiters, die hun vaandels gingen zoeken, +reizigers te voet en te paard, marskramers, die hun koopwaren de +kermissen rondvoerden, waren de eenige voorwerpen, die men in het +tijdsgewricht, waarin onze geschiedenis een aanvang neemt, op dien +weg ontmoeten kon. Doch Falckestein was schier de eenige, die op dat +tijdstip alleen vermaakshalve en om de ledige uren, welke hem zijn +verrichtingen in Den Haag overlieten, aangenaam door te brengen, tot +zijn uitspanning die heerlijke landstreek doorreed. Ons Gemeenebest +was toen in een tusschenstaat: de oude grootheid, de vorige fortuinen +waren niet meer: men begon geld te winnen, doch men was nog niet op +de hoogte van het te verteren: veelmin dacht er eenig inboorling aan, +om in ledigheid den grooten weg op en neder te draven. + +De avond was liefelijk en stil, gelijk de lenteavond, dichterlijk +gesproken, behoort te zijn, en het inderdaad zoo zelden is. De +nachtegaal zong zijn afscheidstonen uit het loover der hooge +iepeboomen, die aan de beide zijden van den rijweg geplant waren: +de leeuwerik vloog fluitend van de groene weiden op: de vinkjes +wipten zingende door het eiken hakhout en de statige ooievaar stond +onbeweeglijk aan den kant des poels te slapen. De schaduw der hooge +zeeduinen begon zich reeds over de grasrijke velden te verlengen: het +rundvee verdween in den dichten dauw, dien voorbode van een fraaien +morgen, voor het oog des wandelaars, en de pannen der verspreide +boerenwoningen zoowel als de burgtinnen der achtbare sloten kaatsten +het goud van den avond weder. Nog had Falckestein zijn vriend niet +ontmoet, en de vrees van te laat in Den Haag terug te zijn, deed +hem, schoon noode, tot den terugtocht besluiten. Dan, nauwelijks had +hij dien aangenomen, of hij bemerkte, dat zijn paard een ijzer had +verloren en zoodanig kwalijk ging, dat een spoedige hulp noodzakelijk +ware. Het meest nabijgelegen dorp was Voorschoten: en derwaarts begaf +hij zich, teneinde door den hoefsmid het ongemak te doen verhelpen. De +smidse was reeds gesloten en niet dan na herhaald kloppen verkreeg +de Graaf gehoor: de vrouw van den dorpsvulkaan stak het hoofd boven +de onderdeur, en liet zich na lang praten, bewegen om haren man, die +aan het einde van het dorp in de kroeg zat te politiseeren, te gaan +waarschuwen, dat er zich nog zoo laat een gelegenheid had opgedaan, +om zijn kunst aan den dag te leggen. Nadat Falckestein omtrent een +half uur tegen een der palen van de smederij had staan leunen (want +de vrouw des huizes had den ruiter met zijn bestoven en bemodderde +laarzen niet in haar knappe en nette woning willen binnenlaten) kwam +de baas met eenen langzamen tred aanstappen, groette Falckestein +met een deftige hoofdbuiging en begon zijn toebereidselen te maken; +doch eerst nadat hij zijn rok afgelegd en zijn smidsgewaad weder had +aangetrokken. Hiermede en met het beslaan verliep een uur, zoodat het, +eer de graaf zijn weg vervolgen kon, volslagen donker geworden was: +de heldere lucht deed hem echter dit bezwaar gering achten en lustig +voortdraven: dan, het leed niet lang, of hij bemerkte dat zijn ros, +'t welk tot nu toe weder fiks geloopen had, aan denzelfden voet, +waaraan het beslagen was, weder zwaar kreupel was geworden, 't zij +door de onhandigheid van den smid, 't zij omdat het arme dier een stuk +glas of steen in den voet had gekregen. Daar hij zijn paard niet onnut +vermoeien wilde en echter niet te laat in 's-Hage wenschte te zijn, +zag hij rond naar een woning, waar hij zich licht verschaffen konde, +om de kwetsuur na te zien, ten einde die zoo mogelijk verholpen +werd. Het geluk diende hem zoo 't scheen, in zijn nasporing: want +bij de eerste kromte, die de weg maakte, zag hij aan zijn linkerhand +een gebouw liggen, aanzienlijk genoeg op 't oog, om hem een goed +onthaal te beloven. Schoon hij het bij 't naderen voor de Katholieke +Hofstede herkende, veranderde zulks niets in zijn voornemen; vooral +toen hij zag, dat het erf nu ook van den rijweg genaakbaar was, door +een plank, welke op de fondamenten der voormalige brug rustte. Hij +steeg af, bond zijn paard aan een boom en liep vlug den smallen vondel +over. Nauw was hij aan de overzijde der sloot, of het scheen hem +toe, dat hij verscheidene personen een vrij levendig gesprek hoorde +voeren. Behoedzaam trad hij door het hooge gras op het huis toe, en +hoorde bij zijn naderen het gedruisch vermeerderen. Aan het gebouw +gekomen, liep hij het langs om den ingang te zoeken, toen hij, een +der met planken dichtgespijkerde ramen voorbijgaande, een reet vond, +groot genoeg om naar binnen te doen zien. Onwillekeurig bleef hij +staan: de slechte reuk waarin, volgens zijn vriend Reede, het huis +stond, oefende voor 't eerst eenigen invloed op hem uit: 't was of +een geheime stem in zijn binnenste hem aanspoorde voorzichtig te zijn +en zich niet onbedacht in gevaar te storten. Hij volgde die inspraak, +bracht de oogen voor de opening en zag hetgeen wij verhalen zullen. + +In een vrij groot, met blauwe steenen geplaveid vertrek, stond, +recht tegenover de plaats waar hij zich bevond, een klein tafeltje, +hetwelk men tot een outer scheen te hebben gebezigd. Een tapijt, een +kruisbeeld, twee kaarsen en eenige gewijde teekenen van eeredienst +versierden het. Boven dit eenvoudig outer hing een klein vermolmd +schilderijtje, den moord der Baälspriesteren voorstellende of +voorgesteld hebbende. Om een andere groote tafel, waarop twee +bierkannen en vier tinnen maatjes stonden, waren vier personen gezeten, +als landlieden gekleed, hoewel een hunner boven zijn wambuis een wit +hemd en een soort van stool had geslagen. Noch dezen noch zijn buurman +herinnerde zich Falckestein ooit gezien te hebben; doch in de twee +anderen herkende hij terstond de lieden, met welke hij eenige dagen +te voren op den weg naar Leiden de door ons verhaalde ontmoeting had +gehad. De kleinste van deze twee was druk bezig met het prevelen van +paternosters; zijn vingeren doorliepen onophoudelijk het bedesnoer, +dat hij in de hand hield, en op het gesprek der overigen scheen hij +geen aandacht te slaan. + +Op het oogenblik dat Falckestein naar binnen keek, sloeg de +lange zwarte man met de gesloten vuist op de tafel, terwijl zijn +samengetrokken wenkbrauwen een sombere uitdrukking aan zijn gelaat +gaven: "neen! (zeide hij) indien Panne (hier wees hij op den man +met het bedesnoer) op morgen het stuk niet volvoert, dan is onze +geheele reis onnut en de kosten in 't water gesmeten. Zoo ik wel +onderricht ben, dan vertrekt de Ketterkoning morgen naar 't leger, +en het zou een geheel nieuwe wijze van behandeling vereischen, om +hem dáár te treffen." + +"Welnu," zeide diegene, welke de stool aanhad, "Panne is immers bereid +om zijn aanslag morgen in weerwil van allen tegenstand uit te voeren: +de volkomen vergeving van al zijn zonden is hem geschonken: moedig +en onbevreesd kan hij zijn gezegend besluit volbrengen, vroolijk en +blijhartig pijn en dood trotseeren, en de eeuwige gelukzaligheid vrij +en schuldeloos binnentreden. Wij hebben immers hem geleerd, dat de +beulen wel zijn lichaam kunnen martelen, doch dat zijn ziel evenals +die des Heiligen Stephani, midden onder de pijnigingen een voorsmaak +der eeuwige gelukzaligheid genieten zal: het is hem immers gezegd, +hoe, toen de zalige Balthazar Gerardi den glorierijksten marteldood +moest lijden, een welriekende balsemgeur hem op het schavot reeds +tegenkwam, en belette de pijn der gloeiende tangen te voelen: hoe zijn +ziel in wierookwalmen ten hemel steeg, verzeld door duizend engelen, +en hoe hem, in het rijk van 't licht gekomen, de glorierijke kroon +werd opgezet." + +"Dat alles weet hij," viel de zwarte man in, verdrietig opstaande, "en +nog vrij wat meer daarenboven; doch hij behoeft slechts dezen of genen +ketter in zijn buurt te hebben, die hem wat scherp in de oogen kijkt, +of hij druipt weg als een bassend keffertje voor een bandrekel. Hoe +ging het laatst in de kerk te 's-Hage? De kans stond schoon: de Graaf +zat in zijn bank en was zoo licht te treffen als een haas in 't leger; +doch wat gebeurde er? de preek verveelt den Ritmeester van Sonheuvel, +en omdat deze half duttend voor zich keek als een hen op een streep, +en omdat toevallig Panne aan 't eind van die streep zit, zoo pakt +die bloodaard zich weg, voordat de zegen nog is uitgesproken. Had +hij toen vuur gegeven, wij hadden die zotte reis naar Leiden niet +behoeven te doen, waar wij Maurits toch niet vonden, gelijk ik ook had +durven wedden, en waar ik al mijn onbeschaamdheid noodig had om twee +Belialskinderen weg te krijgen en hun hun kwaad vermoeden te ontnemen, +dat de bedremmeldheid van mijn makker bij hen had doen oprijzen." + +"Ik hoop," sprak Panne, opziende en zijne devote bezigheid stakende, +"dat de lieve maagd Maria en mijn heilige Patroon de kracht mij +zullen verleenen om naar eisch het heerlijk doel te bereiken, +waartoe uwe welwillendheid, eerwaarde Vaders! mij armen zondaar +verkoren heeft! Och! hoe dankbaar ben ik aan ulieder goedheid, die +mij ellendige uit het stof geroepen heeft om mij uit te kiezen tot een +daad, welke mij der eeuwige vreugde deelachtig maken zal en mij gelijk +maken aan Ehud, die der Moabiten Koning sloeg, en aan Judith, die de +Overste Holophernes het hoofd afsneed, en aan den heiligen Balthazar, +die den ketter Willem van Nassau doodschoot!"--Dit gezegd hebbende, +sloeg hij de oogen weder neer en vervolgde met ijver zijne gebeden. + +"Wanneer kan Eduard in Engeland wezen?" vroeg nu een der anderen aan +den langen man; "gij, broeder Eugenio, hebt hem het laatst gezien!" + +"Morgen ten allervroegste, Broeder Melchior," gaf Eugenio ten antwoord: +"en zoo hij dan een goede gelegenheid vindt, zal de tijding alras +door Europa weergalmen: "zij is gevallen, die groote Hoer, die op +de Theems zit, die Jesabel van Engeland! gevallen door het lemmer +der gerechtigheid." + +"_Et flebunt, et plangent se super illam reges terrae, qui cumilla +fornic ati sunt_, [7] gelijk de Schrift zegt," voegde Broeder Melchior +er bij, terwijl hij de handen samenvouwde en de oogen sterk dichtkneep. + +"Hebt gij, Broeder Eugenio!" vroeg nu de vierde der aanzittenden, +"volgens uw oogmerk aan onze Broeders te Douai geschreven, om +intusschen den onvermijdelijken dood van het kettersch Drietal [8] +te doen profeteeren?" + +"Ik ben van gedachten veranderd," antwoordde Broeder Eugenio: +"vooreerst schrijf ik ongaarne: een brief getuigt nooit dan ten nadeele +des schrijvers; ten tweede is een profetie uitmuntend in 't algemeen; +doch hier in specie deugt ze niet: want, mislukt de aanslag, dan is +onze profetie valsch: gelukt hij, dan is het de Sociëteit die alles +voor haar rekening krijgt en,".... hier begon hij, eensklaps op Panne +wijzende, tot zijn broeders zeer zacht te spreken, zoodat Falckestein +althans geen woord meer van het gesprek kon opvangen. + +Doch deze had ook reeds genoeg gehoord om tot zijn ontzetting overtuigd +te wezen, dat drie dezer schelmen Jezuïeten waren uit Douai en dat de +ellendige Panne door hen was opgezet om Graaf Maurits moorddadig van +'t leven te berooven. Na bij zich zelven God vurig gedankt te hebben, +dat hij door een zoo bijzondere bestiering derwaarts geleid was om het +boos opzet dier aterlingen te verijdelen, begon hij over een middel te +peinzen om hen in de handen des gerechts over te leveren. Te vertrekken +en hulp te vragen was gewaagd en onzeker, daar hij vreesde hen niet +te zullen wedervinden Hen aan te tasten ware dwaasheid geweest; want +de drie Jezuïeten, vooral Broeder Eugenio, schenen onverschrokken +kerels te zijn. Uit deze onzekerheid werd de Graaf weldra gered, door +een gerucht van paarden, die in vollen draf aan kwamen rijden. In de +hoop dat de aankomenden hem hulp zouden kunnen verschaffen, verliet +hij de plaats waar hij post gevat had, begaf zich naar den rijweg, +en herkende al spoedig in de naderende ruiters den Heer van Sonheuvel +met zijn rijknecht, die op hun terugtocht naar Den Haag waren. Reede, +niet wanende zijn vriend Ulrich aldaar te voet te zullen aantreffen, +lette weinig op diens wenken en reed hem voorbij, zoodat de Graaf zich +genoodzaakt vond, hoe ongaarne hij ook gedruisch wenschte te maken, hem +bij zijn naam na te roepen. Dit had uitwerking: Heer en knecht stonden +stil, en de Ritmeester reed verbaasd naar Falckestein terug..... + +"Wat duivel brengt u hier, alleen, en te voet, en in den nacht en +bij dat Satansch erf?" + +"Spreek zacht! Geen duivel, veeleer een heilige beschermengel, ja +Gods bestier voert mij en u hier om Prins en Land te redden." + +"Gij spreekt raadsels." + +"Stil! Kom nader! Gij ook, Jonkman! en luister!"--Hier vertelde hij +hun in weinige woorden 't geen hem was voorgekomen. + +"En durven die beesten dat nog met den mantel van godsdienst +bedekken?" zeide Reede, op de tanden knersende: "wij zullen hun dat +afleeren. Voorwaarts marsch, Bouke!" + +"Voorzichtig om 's hemels wil, of gij bederft alles," zeide +Falckestein, zijn te voortvarenden vriend met stem en gebaarden +terughoudende; "gij kunt te paard niet op het erf komen. Stijg af en +bind uw paard vast. Gij zijt gewapend?" + +"Met sabel en pistolen." + +"En uw bediende?" + +"Zooals ik: nietwaar Bouke?" + +"Altijd, gelijk uwe Edelheid weet: want zoo de Heer zoo de Knecht, +en men moet huilen met...." + +"Houd den mond met uw spreekwoorden," grauwde Reede hem toe, terwijl +hij, afgestegen zijnde, zijn paard vastbond. + +"En nu," zeide Falckestein: "hoor mijn plan: gij, Reede, loopt de +deur in met een pistool in de hand: ik volg u met een ontbloot geweer, +en wij gelasten hun zich gevangen te geven. Uw knecht houdt post aan +de deur en schiet overhoop al wie vluchten wil." + +"Ja," viel Bouke in, "tot zooverre is 't goed. Overleg is 't halve +werk; maar naar mijn dom verstand zullen zij zich zoo licht niet +laten knevelen. Hoe krijgen wij ze mee? de laatste loodjes wegen het +zwaarst. Ik heb maar een klein end touw, en om er vier te binden, +vooral als zij zich verweren...." + +"Praatjes!" mompelde Reede: "wij nemen de toomen onzer paarden." + +"En onze paarden loopen haroet," zeide Bouke. + +"Die jonkman heeft gelijk," sprak Falckestein: "het ware misschien +beter, dat wij om het huis de wacht bleven houden en hem inmiddels +naar het naaste dorp stuurden om hulp te halen." + +"Mij dunkt," zeide Bouke, "dat ik daarginds een deur hoor +opengaan. Zouden zij ons geroken hebben? Kwâe doen geeft kwâe vermoên." + +"Dat vervloekte talmen!" riep de heer van Sonheuvel en snelde in +drift de plank over die naar het erf geleidde. + +Het was als Bouke gedacht had. Die binnen waren hadden het +paardengetrappel gehoord en opgemerkt hoe er voor de hofstede halt was +gemaakt: dit had hun doen besluiten, te gaan ontdekken wat er aan de +hand ware. Broeder Melchior was de deur uitgetreden en sloeg den hoek +van het huis om, toen hij, een gewapend manspersoon op zich af ziende +komen, in allerijl terugkeerde. Zonder te bedenken, dat het tijdstip +nog niet daar was, loste Reede een pistool en deed den Jezuïet, +gewond, ter nederstorten. Op dit geluid kwamen nu ook de anderen +het huis uit. "Redt u," zeide Eugenio schielijk tegen zijn makkers: +"redt u over de plank en trekt die achter u weg! ik zal de sloot +wel overspringen." + +De Jezuïet, die met hem was, volgde dien raad en liep als een haas de +plank over, die naar de weide bracht, en het veld in. Panne wilde hem +volgen, doch Bouke, die zijn heer spoedig nagesneld was had het doel +des vluchtelings geraden, sneed hem bijtijds den weg af en greep hem +met een gespierde Geldersche vuist in den kraag, terwijl hij met de +andere hand een pistool op den ontsnapten vloekverwant loste; doch +vruchteloos, want Panne, wiens krachten door den angst verdubbeld +waren, belette hem, door de pogingen, die hij deed om zich los te +maken, een juiste richting aan zijn schot te geven. Terwijl zij +worstelden, waren de beide edellieden Eugenio genaderd, die hen in +een rustige en onverschrokken houding afwachtte. Als uit één mond +klonk nu het bevel: "geef u over, of gij zijt een kind des doods!" + +"Aan wie en waarom zoude ik mij overgeven?" vroeg Eugenio: "zijt gij +roovers of moordenaars, gij, die zonder recht of reden dus gewapend +dit erf binnendringt?" + +"Het voegt u wel dus te spreken," brulde Reede: "vervloekte +Jezuïet! geef u over of het gaat er door, zoo waar als ik Reede heet." + +"Met uw verlof, dan heb ik aan elk van u nog een woordje." Dus +sprekende, loste hij een pistool op Reede; de kogel floot zijn haren +door en wierp den vederhoed in 't gras. + +"Wilt gij niet goedschiks, dan met dwang," zeide Falckestein, hem +met zijn degen in de zijde kwetsende. + +"En dat is voor u," grinnikte Eugenio, terwijl hij met de gesloten +vuist aan Falckestein een zoo geweldigen slag op het hoofd toebracht, +dat de Graaf bedwelmd ter aarde stortte. Als ongedeerd liep toen +Eugenio naar de plank, die op den rijweg bracht, en wilde die +oversnellen, toen Reede hem in den gordel greep. Doch met evenveel +gemak, als had hij een kind opgenomen, slingerde de Jezuïet zijn +weerpartij van zich af, wierp de arme Heer van Sonheuvel midden in de +sloot, ijlde de plank over, trok die achter zich weg en riep, terwijl +hij het paard van den Ritmeester losmaakte en besteeg, dezen toe: +"denk nu op uw gemak eens na of gij u de preek van Uyttenbogaert niet +herinneren kunt." + +"Ziedaar! dat is om u aan mij te herinneren," schreeuwde Reede, +zijn tweede pistool op hem losbrandende. + +"Die is raak!" riep Eugenio: "van elk een wond; _sed ultio dabitur +septuagies septies_, [9] als de Schrift zegt."--Met deze woorden reed +hij met losse teugels weg en verloor zich ras in de duisternis. + +Inmiddels was Falckestein weder bijgekomen: opgestaan zijnde, hielp +hij den Ritmeester, die vast vloekte en tierde, uit de sloot. Bouke +had zijn weerpartij nu geheel onder den voet en was bezig den armen +Panne met een end touw vast te knevelen, terwijl hij hem intusschen +eenige troostvolle spreekwoorden opdischte, als b. v.: "ja kereltje, +zoo gaat het: boontje komt om zijn loontje: die kwaad doet, kwaad +ontmoet: 't is alle dagen geen vastenavond!" enz. + +Aan het achterhalen der vluchtelingen was niet te denken; men +besloot dus Panne wel te bewaren en Bouke om den schout te zenden; +dan, hoe keek de goede lijfknecht op, toen hij de planken overal +teruggetrokken vond en de drie paarden weg; want Eugenio had, uit vrees +van achtervolgd te worden, de rijdieren alle losgebonden. Hij begaf +zich nu naar den kant van het weiland, doch ontdekte tot zijn spijt, +dat de in 't begin gewonde Jezuïet, op wien men geen acht geslagen had, +was opgestaan en van die zijde ontsnapt, na ook die plank achter zich +weggehaald te hebben. + +Dus opgesloten op het erf, zouden zij zich genoodzaakt hebben gezien, +den dag af te wachten, indien niet eenige boeren uit den omtrek het +schieten gehoord hebbende, den schout waren gaan waarschuwen, die +na een paar uren toevens met zijn dienaars verscheen en allen, zoo +de bewaarders als den gevangene, met zich naar het dorp voerde. De +gevluchte Jezuïeten werden niet gevonden; doch de paarden, welke +Eugenio waarschijnlijk, bij het aanbreken van den dag, uit vrees van +herkend te worden, in vrijheid had gesteld, werden door het landvolk +opgehouden en den eigenaars teruggegeven. + +Bij het verhoor bekende Panne, dat hij van Yperen in Vlaanderen +geboortig en beurtelings kruier, koopman en makelaar geweest was. Tot +armoede vervallen, hadden hem de Jezuïeten van Douai, aan welke hij +zijn nood klaagde, vermaand iets groots te verrichten, waardoor +hij, al kwam hij er bij om, duizend zielen verlossen en zelf den +hemel verdienen zoude. Hem werden, zoo hij de straf ontsnapte, 200 +£vl. vanwege den Prefect Provinciaal en Rector der Jezuïeten toegezegd, +alsmede het stadsbodenambt van Yperen. Op deze belofte had hij zich +naar Den Haag begeven, waar verschillende omstandigheden zijn oogmerk +verijdeld hadden. De Katholieke Hofstede, die aan zekeren Melchior, +een geheimen Jezuïet, toebehoorde, had gedurende dien tijd tot de +plaats der bijeenkomsten gediend. + +Niet lang na de gevangenneming van Panne, kwam uit Engeland de tijding, +dat zekere Edward Squire, mede door Jezuïeten opgemaakt, wegens een +aanslag op het leven der Koningin en des Graven van Essex gevat was; +zoowel deze, als Panne, werden met den dood gestraft, toonende deze +laatste op het schavot groot berouw. + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + + + Gelyck een ingeborsten stroom + Zal 't ingelaten heir + Verdrencken al den Duitschen boôm + En bruizen als een meir. + + _Vondel_, op de tweedraght der Christen Princen. + + +Nadat de Graaf van Falckestein bij Graaf Maurits en de Staten het +doel zijner zending verkregen had, keerde hij in den zomer deszelfden +jaars 1598 naar zijn kasteel van Bruck, waar hij, kort daarna, den +nieuwen Vorst van Kleef, die zijn gebied rondreisde om zich te laten +inhuldigen, luisterrijk ontving. + +Intusschen had de Koning van Spanje aan zijn dochter Izabella Clara +Eugenia de Nederlanden en Bourgondië overgedragen onder de voorwaarde, +dat zij haar vollen neef, den Prins Kardinaal Albertus van Oostenrijk, +zou huwen, waartoe de Paus alreeds de vrijheid verleend had. Deze +opdracht, welke door den Infant Filips, 's Konings erfopvolger, +bevestigd en goedgekeurd was, geschiedde op Woensdag 6 Mei 1598. + +De Infante, die te Madrid bleef, gaf aan haar aanstaanden echtgenoot +volmacht om deze landen in haren naam te aanvaarden, 't geen hij op +den 22sten Augustus te Brussel verrichtte, waarna hij het geestelijk +gewaad aflegde en den Amirant van Arragon, Don Francisco de Mendoza, +tot Opperbevelhebber van een machtig leger aanstelde; hem Graaf +Frederik van den Bergh als Veldmaarschalk toevoegende. Dit aldus +beschikt hebbende, vertrok hij naar Spanje, en liet den Kardinaal +Andreas van Oostenrijk achter als Gouverneur-Generaal. + +Dadelijk besloot deze, met overleg van den Raad van State, tot +een tocht in Kleef, Gulik en Westfalen, om deze landen onder den +naam van beschermheer te vermeesteren: want hij begreep, dat de +Vereenigde Nederlanden nergens beter dan uit deze gebuurlanden +besprongen en in bedwang gehouden konden worden. Voor deze en +dergelijke aanvallen hadden de Staten-Generaal den Raad van Kleef +reeds meermalen gewaarschuwd, en Falckestein had zijn landslieden, +bij zijn terugkomst, sterk tot waakzaamheid aangemaand; doch de +invloed van eenige Spaanschgezinde Raadsheeren had, tot nog toe, alle +dadelijke gereedmaking tot verwering tegengehouden. Alleen hadden, +op verzoek des Vorsten van Kleef, de Hanevederen van den dapperen +Ulrich van Daun sommige plaatsen bezet. + +Het was in den beginne der maand September, dat Mendoza en Bergh +met een ontzettend heir de Maas bij Roermond overstaken en hunne +wapenen tegen Orsoy wendden. Vergeefs weigerde de Maarschalk Horst met +zijn Hanevederen hun den doortocht, op grond dat Orsoy op onzijdig +grondgebied gelegen was: de stad werd beklommen en, spijt allen +wederstand, bemachtigd. Op het hooren dezer tijdingen verzamelde +Maurits zijn leger te Arnhem, zond bezetting in Zutfen, Lingen en +Oldenzaal, en bracht zijn hoofdkwartier te Zevenaar. + +De Vorst van Kleef, niet minder bedacht voor de groote onheilen, +die zijn landen bedreigden, en wenschende, zoo 't eenigszins mogelijk +ware, het naderend onweder te stuiten, riep op den 25sten September +den Landdag bijeen: het was, wel is waar, niet dan met schroom dat +hij hiertoe besloot, zoo wegens de Spaanschgezindheid van sommige, +als om de weifelende gemoedsgesteldheid der meeste edellieden; dan hij +steunde veel op den drang van het oogenblik en op de welsprekendheid +van den Graaf van Falckestein, die hem beloofd had, alles te zullen +aanwenden, om den Raad tot het uitschrijven van een veldtocht te nopen. + +De uitkomst echter liet zich gunstig aanzien. Uit een zware ziekte +kortelings hersteld en nog bij de minste aandoening bedremmeld en +sprakeloos, was de Vorst niet in staat zijn voordracht ten einde +te brengen: de Spaanschgezinde Raadsheeren, door 's Voorzitters +stilzwijgen aangemoedigd, droegen met klem van redeneering voor, hoe +dwaas en ijdel aan de eene zijde de wederstand zoude wezen, tegen zoo +geducht een vijand als den Amirant: en hoe voordeelig van den anderen +kant een vast verbond ware, dat aan Kleef de vriendschap van Spanje +en Oostenrijk verwierf. Met een smeekend oog, waar tranen van spijt en +droefheid in zwommen, zag de Vorst zijn getrouwen Ulrich aan, doch wat +de Graaf ook tegen de drogredenen der andersdenkenden mocht invoeren, +het scheen op de vergadering weinig of geen invloed uit te oefenen; +waarop hij eindelijk, over hun slaphartigheid vertoornd, in drift +oprees en zwoer, zich aan alle verdere beraadslagingen te zullen +onttrekken en op zijn eigen slot met zijne Hanevederen de vijanden +gaan afwachten. Dan, op dit oogenblik werd de vergadering verrast +door het binnentreden eener vrouw van middelbare jaren, trotsche +en majestueuse houding, op wier gelaat de kommer geschreven stond, +terwijl een somber rouwgewaad aan haar weemoedigen blik nog meer +treurigheid bijzette. Deze vrouw was Sibille, 's Vorsten zuster en +vertrouwde. Met ernst en stoutmoedigheid ving zij aan, den Raad zijn +lafheid en verwaarloozing van 's lands belangen in een zoo gevaarlijk +tijdstip te verwijten: met zwarte kleuren schilderde zij de ontrouw +en de list af der Spanjaards en vergeleek Mendoza's bescherming +bij die van den wolf, onder wiens hoede zich, als de fabel meldt, +de onnoozele schapen begaven. Op deze en dergelijke redenen, meest +geschikt om een diepen indruk te verwekken, volgden nadrukkelijke +smeekgebeden, met bittere tranen gepaard, welke, langs de kaken eener +schoone en algemeen geachte vrouw afvlietende, niet konden nalaten, +ook de verhardste gemoederen te roeren. De Ridderschap wist zij in +haar eer, de Raden en Landsafgevaardigden in hun belang zoo verstandig +te treffen, dat men, zoo al niet tot oorlogvoeren, ten minste tot +verdediging besloot; aan den Graaf van der Lippe werd bevel gegeven, +zooveel volks tot bescherming van den lande te werven als hem mogelijk +was, en te Dortmond de vijf Nederkreitsen saam te roepen om over de +algemeene belangen te raadplegen. Bovendien schreef de Vorst aan den +Keizer en al de Rijksgrooten, om zich over het hem aangedaan geweld +te beklagen en spoedige hulp te verzoeken. In 't laatst derzelfde +maand werd de Nederwestfaalsche Kreits te Dortmond vergaderd, waar +Falckestein aan al de aanwezigen zulk een moed in 't lijf sprak, +dat er eenparig besloten werd, den Graaf van der Lippe naar Mendoza +te zenden, Orsoy wederom te eischen en bij weigering het geschonden +recht met de wapenen terug te vorderen. + +Het was na het scheiden dezer vergadering, op een schoonen +herfstmorgen, dat Falckestein met een twintigtal ruiters de Roer +langs reed om zich naar zijn slot van Bruck te begeven, het oogenblik +reikhalzend te gemoet ziende, waarin hij zijn beminde gade en lieve +kinderen weder aan zijn hart zou drukken. Reeds zag hij de donkere +torens van zijn voorouderlijk slot tegen de heldere lucht afsteken, +en zijn boezem klopte van genoegen op de gedachte, dat ook dit +aloud verblijf van vaderlandlievende helden geen Spanjaards tot +beschermheeren zou behoeven te dulden. Dan, toen hij naderbij kwam, +zag hij met verwondering op een der torens een aantal krijgslieden +vergaderd, die met drift schenen te spreken en naar den Rijnkant te +wijzen. Terwijl hij bepeinsde wat hiervan de oorzaak wezen mocht, +kwam hem een ruiter, die zooeven het slot was uitgesneld, in vollen +draf te gemoet rennen. + +"Wel Hensken!" sprak de Graaf: "wat komt gij ons met zulk een spoed +boodschappen? Hoe varen Mevrouw en de kleinen?" + +"Zeer wel Goddank, Uwe Genade! en waarschijnlijk zeer verheugd over +uwe terugkomst," gaf de Haneveder in zijn Platduitsch ten antwoord: +"voorwaar! Uwe Genade had nooit op een beter tijdstip kunnen +terugkomen." + +"Wat is er dan gaande? Ik wil niet hopen, dat er onraad op het +slot zij?" + +"Nog niet, Uwe Genade; doch het zal niet lang meer duren. Wij hebben +dezen morgen van de burchttinne twee vendels Spaansche ruiters +gezien, die hierop aanhouden en voorzeker niets goeds in den zin +hebben. Mevrouw gelastte mij, Uwe Genade te gemoet te rijden en te +verzoeken, zooveel spoed te maken als de nood vereischt. Goddank, +dat Uwe Genade hier tijdig genoeg is om ons allen uit de verlegenheid +te helpen." + +Aldus sprekende waren zij de ophaalbrug genaderd en het slot +binnengetreden. Niettegenstaande zijn geest door het ontvangen bericht +weinig tot vroolijkheid gestemd was, kon Falckestein echter den +onwillekeurigen lach niet bedwingen, die bij hem oprees op het vreemde +schouwspel dat zich hier vertoonde. Alles was op het binnenplein +in beweging: de rentmeester, een deftig, lang, mager persoon, liep +met een ouden stormhoed en een rapier van twee ellen lang gewapend, +op en neder, en hield het toevoorzicht over de maatregelen, die de +burchtzaten ter hunner verdediging namen: in het spreekvertrek werden +kogels opgestapeld en vaatjes buskruit binnengewenteld: op de plaats +ontlaadde men hooi- en mestkarren: hier bracht men vier veldstukjes +in orde: daar maakte men vuurroeren en lansen schoon: ginds droeg +men meelzakken naar de zolders: in den stal hinnikten de paarden: +in de groote benedenzaal, welke nu mede voor stal dienen moest, +liepen loeiende runddieren, blatende schapen en knorrende varkens +door elkander. Hier hoorde men het rollen van wagens, ginds het +kletteren van wapenen: wat verder het geblaf der honden, het gekakel +der kalkoenen en het schril gekwaak der ganzen: en in 't midden van +dit alles zette de oude rentmeester zijn piepende en schorre stem +uit om al dat geraas te overschreeuwen. + +Dan, nauwelijks was het hoefgetrappel van 's Graven ruiters op de +brug gehoord geworden over het plein, of het verward geschreeuw: +"daar is de vijand!" liet zich van alle zijden hooren. De rentmeester +zocht vergeefs zijn rapier uit de verroeste scheede te halen en +viel in 't achteruittreden over een logge gans, met de beide beenen +in de lucht. De overigen, die hem al doodgestoken waanden, zochten +overal naar een goed heenkomen, wanneer de juichtoon: "het is zijn +Genade!" den algemeenen schrik in luide blijdschap veranderde. + +"Hoe!" zeide Falckestein, bij 't afstijgen, tot den Rentmeester: +"begint gij den strijd tegen de ganzen, om te beproeven hoe het +naderhand tegen de Spanjaards gaan zal?" + +"Met verlof," zeide de Rentmeester, terwijl hij opstond en zich de +ruggestreng wreef: "die duivelsche degen zit zoo vast in de scheede, +dat ik hem voor betooverd houde." + +"Zoo ik wel zie, is het de degen van mijn bet-overgrootvader Werner: +ik wil gelooven, dat hij de scheede ongaarne verlaat, waarmede hij +nu ruim een eeuw in een zoo nauwe betrekking heeft gestaan;.... doch +daar is Mevrouw!".... + +"God zij geprezen dat ik u wederzie, mijn beminde!" riep de Gravin, +die op dat oogenblik, met haar oudsten zoon aan de hand en het jongste +knaapje op den arm, de slottrap afkwam en haar gemaal tegentrad. + +"Ik bemerk," zeide de Graaf, terwijl hij haar en de kinderen met +aandoening omhelsde, "dat ik op een gelegen tijdstip terugkom: dan, +de oogenblikken zijn kostbaar en moeten niet verwaarloosd worden: +laten wij binnengaan en gij zult mij alles verhalen, wat tot deze +aanstalten aanleiding geeft. Gij, Feurich!" (deze was aan het hoofd +der met hem gekomen ruiters) "zult den ouden Beckman bijstaan in +het gereedmaken der verdedigingsmiddelen: Hensken, laat de poorten +sluiten en de brug ophalen: ik zal terstond weder hier zijn." + +Zoo sprekende, geleidde hij zijn vrouw naar een binnenvertrek en +verzocht haar, hem nauwkeurig te verhalen, wat haar voor een aanval +vreezen deed. + +Na eenige diepe zuchten en tranen, sprak zij aldus: "Helaas! sedert uw +vertrek naar Dortmond, nu acht dagen geleden, hebben wij geen oogenblik +rust gehad. Gij waart nog geen twee uren weg, toen verscheiden boeren +onze bescherming kwamen verzoeken, bitter klagende, dat de Spanjaards +hun woningen verbrand en hun vee geroofd hadden: ditzelfde verzoek, +diezelfde klachten werden van toen af dagelijks door anderen herhaald, +zoodat ik, eindelijk bemerkende dat, door die lieden te onderhouden, de +leeftocht van het slot te spoedig zou verteerd zijn, mij genoodzaakt +zag, hun mijns ondanks allen verderen bijstand te weigeren. Dan, +eergisteren verscheen hier een Spanjaard, zich noemende Fernando +Lopez, die, op last van den Amirant, zoo hij voorgaf, u des Veldheers +bescherming aan kwam bieden, mits gij u bereid toondet de Spaansche +zijde te kiezen en den Roomschen Godsdienst te omhelzen. Tijd hopende +te winnen, verzocht ik hem uw terugkomst af te wachten; doch dit +verkoos hij niet: hij reed, naar mij voorkwam vrij onvoldaan, naar +Orsoy terug. Hedenmorgen berichtte mij de torenwachter, dat hij in +'t westen krijgsvolk had zien overvaren: ik gaf dadelijk aan Beckman +last eens na te zien, welken voorraad en krijgsbehoeften wij hadden, +en begaf mij naar de tinne, om met eigen oogen te zien wat er gaande +was: ofschoon mijn mingeoefend gezicht niet zoo dadelijk ontwaarde +hetgeen Peter zoo vervaard had, bespeurde ik echter langzamerhand, dat +er werkelijk manschappen in aantocht waren. Naar zijn gissing kunnen +zij echter niet voor den nacht hier zijn, ten minste zoo zij geschut +bij zich hebben omdat zij de hoogte en het bosch moeten omtrekken." + +"Dan is het nog tijd alles tot afweer in gereedheid te brengen," +hervatte de Graaf: "wat u betreft, mijn beste, ik mag u niet aan de +wisselvalligheden van eenig beleg blootstellen: deernis met uw lot en +dat onzer kinderen zouden mij misschien beletten mij zoo kloekhartig +te gedragen, als mijn plicht mij gebiedt. Ik zou om uwentwil een slot +opgeven, dat ik zonder u tot den laatsten droppel bloeds verdedigen +kan; ook voegt het mij, bij de weinige mondbehoeften, die wij bezitten, +mij van alle onnutte monden te ontslaan.--Geen tegenspraak! het is +mijn vast besluit: omhels mij en ga alles tot uw vertrek gereedmaken." + +De Gravin, schoon even teederhartig als Badeloch, had niets van het +heldhaftige, dat Gysbrechts echtgenoote kenmerkte. Onder het storten +van een vloed van tranen omhelsde zij haar gemaal, en beloofde hem +zijn last te zullen volgen. "Helaas!" voegde zij er schreiend bij, +"moet ik u na een zoo langdurige afwezigheid enkel terugzien om weder +afscheid te nemen?" + +"Afscheid nemen!" herhaalde een stem: "en waarom afscheid nemen?" + +Met het uiten dezer woorden trad een vrouw in burgerkleeding binnen, +een knaapje van acht of negen jaren aan de hand houdende. + +"Ja mijn goede vrouw," zeide de Gravin; "wij vertrekken. Het slot van +Bruck levert geen veilige wijkplaats meer op aan vrouwen zooals wij." + +"Niet?" vroeg de vreemdelinge met verbazing: "en sedert wanneer zijn +vaste sterkten minder veilig dan het open veld?" + +"Mijn echtgenoot beveelt," zeide de Gravin: "en ik gehoorzaam." + +"Wie is die vrouw?" vroeg de Graaf halfluid aan zijn vrouw. + +"Een vluchteling," antwoordde deze, "wier huis door de Spanjaards +vernield is." + +"En gij zoudt u opnieuw aan hun woede willen blootstellen?" zeide +Falckestein, op een bevreemden en ontevreden toon tegen de vreemde. + +"Dat zou ik, door af te reizen," antwoordde deze: "hier valt niets +voor mij te vreezen." + +"'t Kan zijn," hernam Falckestein koel: "doch het strookt niet met +mijn oogmerken, dat vrouwen hier blijven. Een goed geleide zal de +Gravin naar een veilige wijkplaats voeren: gij moogt daarvan, naar +verkiezing, al of niet gebruik maken; doch hier kunt gij niet blijven." + +"Welnu!" zeide de vrouw: "de Gravin van Falckestein heeft de arme +Magdalena, toen zij om bescherming smeeken kwam, die niet geweigerd: +Magdalena zal de Gravin thans ook niet verlaten. Wellicht is het +oogenblik niet verre af, dat zij mijne hulp zal noodig hebben." Met +deze woorden wendde zij zich om en verliet het vertrek. + +Binnen twee uren waren alle vrouwen en kinderen reisvaardig. Acht +kloeke ruiters, onder het bevel van den wakkeren Hensken, en een gelijk +getal gewapende landlieden, ontvingen last, de vluchtelingen naar +Kleef te geleiden en aldaar van den Vorst bescherming en huisvesting +voor hen te verzoeken. Met den middag vertrokken zij. + +Ondertusschen had zich de Graaf verscheidene reizen naar den toren +begeven en vandaar de nadering der Spaansche benden bespeurd, die +langzaam, in benden afgedeeld, in aantocht waren. Tegen den avond +belette hem zoo de duisternis als de hoogte, die de vijand om moest +trekken, iets meer van hem te onderscheiden. Het vertrek zijner +gemalin had zijn hart van een groote zorg ontslagen, zoodat hij met +koel beleid zijn maatregelen kon bewerkstelligen. Hij bevond, dat de +bezetting thans bestond uit zestig ruiters, twintig musketiers en een +veertigtal zoo gewapende als ongewapende landlieden uit den omtrek, +van welke laatsten het getal nog gedurig aangroeide. Tot onderhoud +dezer menigte had hij leeftocht voor een maand: de vier veldstukken +waren in een goeden staat: voorraad aan kruit was er genoegzaam: +van achteren was het slot door de rivier en aan de drie andere zijden +door breede grachten verdedigd en de wallen waren in volkomen orde. De +overtuiging van dit alles vervulde hem met een moed, welken hij zonder +moeite ook aan de zijnen wist mede te deelen. De hemel had echter +besloten dat de wederstand vruchteloos zijn zoude, en dat juist zijn +bezorgdheid omtrent zijn vrouw hem ten verderve zou wezen. + +Met het doorbreken der eerste zonnestralen zag men van het slot de +twee Spaansche vendelen op den afstand van ongeveer twee kanonschoten +aan de wederzijden van een klein boschje halt maken: en het leed +geen half uur, of een ruiter, in volle wapenrusting uitgedost en van +een trompetter vergezeld, naderde de valbrug en verzocht, tot een +mondgesprek te worden toegelaten. Het verzoek werd ingewilligd en de +Graaf reed den zendeling te gemoet, die opgaf te zijn Diego de Velasco, +Hopman in Spaanschen dienst, afgezonden door Fernando Lopez, Kapitein, +met last om het slot van Bruck in naam van de Infante op te eischen, +en de overlevering te vorderen van tien Hanevederen, die tegen de +Spaanschen, zooals hij voorgaf, geweld hadden uitgeoefend, bij gebreken +waarvan hij, Fernando Lopez, het slot zou doen beschieten en bestormen. + +Met beleefdheid toonde de Graaf hem aan, dat het kasteel van Bruck +een leen was van den Hertog van Berg, met wien de Koning van Spanje +op een voet van vrede leefde: dat hij dus aan geen zoo vreemde als +onbillijke eischen kon voldoen; maar het kasteel zijner vaderen tegen +geweld en overlast verdedigen zou. + +"Ik verwachtte geen ander antwoord van zoo braaf een edelman als de +Graaf van Falckestein," zeide Don Diego: "het doet mij echter leed, +Heer Graaf! dat uw koenheid u noodlottig zal moeten wezen: binnen +weinig tijd zien wij elkander weder." Deze woorden geuit hebbende, +groette de Hopman hem beleefdelijk, wendde den teugel en reed in vollen +draf naar zijn vendel terug, terwijl de Graaf, in zijn slot gekeerd, +de brug liet inhalen en alles tot afweer gereedmaken. + +Het duurde niet lang, of de vijand begon de noodige toebereidselen +tot den aanval te maken. Het eene vendel, in vier benden afgedeeld, +trok regelrecht op het slot aan, richtte zijn geschut op den voormuur +en begon weldra eenige kogels op de wallen af te zenden, zonder echter +eenige schade aan te richten. Reeds begon de Graaf te denken, dat dit +beschieten alleen moest dienen om hem vrees aan te jagen én tot de +overgave te nopen, toen hij bericht ontving, dat het tweede vendel, +hetwelk inmiddels de Roer was overgevaren, van den kant der rivier +een aanval scheen te zullen wagen. + +"Indien zij volks genoeg hebben, kunnen zij gemakkelijk in den tuin +komen," zeide Feurich, die deze tijding bracht: "de vischkaar en de +steiger steken zoover in 't water uit, dat zij in een oogenblik de +rivier over zijn." + +"Gij hebt gelijk," antwoordde de Graaf, die, den omgang aan de +voorpoort op en neder wandelende, de op de slotbrug aanrukkende +vijanden inmiddels in 't oog hield: "doch wij hopen het hun te +beletten. Wordt het geschut op den achterwal goed bediend?" + +"Voortreffelijk," hernam Feurich: "maar wat vermag één veldstukje +tegen een menigte, die verspreid en op verschillende zijden de rivier +oversteekt?" + +"Welnu!" zeide de Graaf, na een oogenblik beraad: "neem tien boeren en +even zooveel scherpschutters met u: verdeel deze laatsten in den tuin +en op het vischhuisje en doe de boeren den steiger bezetten: laten de +schutters hun kruit en lood niet verspillen, maar vijf aan vijf vuren +en beurtelings weer laden. Vooral moet er geschoten worden op die +Spanjaards, die werkelijk te water gaan. Deinst de vijand, zoo wacht +gij mijn naderen last; zetten zij den aanval door, zoo plaatst gij al +uw volk op den kant van 't water, laat algemeen vuur geven en zendt +mij er bericht van: dan zal ik u met de helft der Hanevederen komen +versterken.--Ik vermoed, dat de aanval, die hier op den voormuur gedaan +wordt, slechts dienen moet om ons te misleiden; doch tot ik daarvan +de zekerheid heb, dien ik hier te blijven.... wacht, Rudolf! richt +het geschut eens tegen dat hoopje, dat daar linksaf uit het boschje +aankomt.--Juist zoo! nu vuur, mijn vriend!--heerlijk getroffen! Zaagt +gij dien langen schelm met zijn roode pluimage nederstorten en over +den kop in 't zand buitelen?--Hier gij knapen! aan de poort! houdt +uw bussen klaar; doch schiet niet voordat gij mijn bevel verneemt." + +Intusschen was Feurich de bevelen van zijn heer nagekomen en had +hij zijn manschappen, in den tuin, op de hem voorgeschreven wijze +post doen vatten. Deze tuin en de daarbij behoorende boomgaard waren +geplant in de ruimte, bevat tusschen twee sterk vooruitspringende, +met bolwerken en torens voorziene, achtervleugels van het gebouw. De +rivier, die het slot bespoelde, en een steenen borstwering, die er +langs liep, waren de enige hinderpalen, welke de vijand te overwinnen +had om in dien tuin te geraken, en de, gelijk Feurich had aangemerkt, +ver vooruitspringende steiger en vischkaar konden hem den overtocht nog +gemakkelijker maken. Wel is waar, het veroveren van den tuin maakte +den vijand nog geenszins meester van het slot, waar hij niet dan na +het overrompelen van verscheiden sterke en wel bewaakte ingangen kon +binnendringen; doch het was niettemin van het hoogste belang hem te +beletten een post te bemachtigen, van waar hij den belegerden den +grootsten last en ongerustheid baren kon. + +Stil als de dood, dien zij zenden moesten, stonden de musketiers, +elk achter een boomstam beschut, op het sein te wachten; terwijl de +boeren, op den steiger geschaard, hun knuppels en vorken met drift +in 't rond zwaaiden en met woorden en gebaarden den aanrukkenden +vijand sarden, als wilden zij hem tot den overtocht bewegen. Velasco, +die dit vendel der belegeraars aanvoerde en achter een dijkje aan +de overzijde der rivier voor het geschut beveiligd lag, bedwong hun +drift, tot al zijn manschappen vereenigd waren. Toen liet hij de twee +kleine schuitjes, waarmede hij de overvaart gedaan en die hij met zich +gevoerd had, met zooveel soldaten bemannen, als de zwakke vaartuigen +dragen konden, en gaf bevel aan diegenen onder zijn krijgsknechten, +die de beste zwemmers waren, zich van hun bovenkleederen te ontdoen +en het water te doorwaden, ten einde den aanval alzoo gelijktijdig op +verscheidene punten te bewerkstelligen en de belegerden in verlegenheid +te brengen. Het overschot zijner manschappen bleef op den oever in +'t gras liggen en poogde, door een wel onderhouden vuur, den overtocht +te dekken en de landlieden van hun post op den steiger te verdrijven. + +Feurich, die op de vischkaar stond, liet de aanvallers tot op +halverwegen naderen en gaf toen het sein aan zijn musketiers, door +zelf een pistool op een der Spaansche onderofficieren te lossen, +die, doodelijk getroffen, uit de boot in 't water plompte. Vijf +musketschoten vielen, en even zoovele Spanjaards stortten gewond +achterwaarts of rolden kermend uit de schuiten. De zwemmenden kozen +den terugtocht, gelijk ook een der vaartuigen, dat, toen er nogmaals +uit den boomgaard vuur gegeven was, meer gekwetsten dan gezonden aan +boord had. Het andere schuitje naderde echter den steiger; het was +met kloeke en nog ongedeerde kerels bemand, die nu van hunne zijde +op de boeren met goed gevolg vuur begonnen te geven. + +"Hier Heinrich! Walter! hier!" riep Feurich: "helpt mij die schurken +eens begroeten." Dit zeggende had hij met de twee boeren een balk +opgeraapt, die naast den steiger lag. Zij brachten die met vereende +krachten vooruit om het vaartuig te keeren: een goede uitslag +bekroonde hun pogingen: het schuitje werd niet alleen afgeweerd, +doch het kantelde, wierp zijn manschap overboord en dreef ledig naar +den overkant terug. + +Een luid gejuich bekroonde deze welgeslaagde verrichting, en de +boeren zonden bitse spotternijen tot de belegeraars, die doornat en +meerendeels gewond tot de hunnen waren teruggedropen. Dan Velasco +gaf het niet op, en wilde zijn volk nogmaals den aanval op dezelfde +wijze doen beproeven. + +"Zoo zal het nooit gaan," zeide een monnik, die naast den aanvoerder +stond: "zij moeten allen te water, en gelijktijdig, _quasi vir unus_, +[10] gelijk de Vulgata zegt." + +"Ik weet, eerwaarde Vader!" zeide Velasco, "dat gij een begenadigd man +zijt, die door een hoogeren geest geleid wordt: doch veroorloof mij +in krijgszaken van u te mogen verschillen. Wie zullen den overtocht +dekken, zoo allen te water gaan?" + +"En wat hebben die manschappen, die den overtocht dekken moesten, +thans uitgericht?" vroeg de monnik: "door ons te verdeelen, zullen wij +de belegerden in de war brengen. Geloof mij, jongeling, en gehoorzaam +aan mijn ondervinding! Zend de helft van uw volk op den steiger af, en +de andere op den boomgaard, en ik sta u borg voor een goeden uitslag." + +"Uw borg zal mij veel baten, als ik mijn Oversten rekenschap moet +geven van het bloed der dapperen, die ik ter slachtbank voer," +hernam Velasco. + +"Jongeling!" zeide de monnik ernstig en den vinger opheffende: +"Gij kent de waardigheid, die ik hier bekleed: leer daaraan te +gehoorzamen. Het zal geschieden zooals ik zeg." + +Velasco beet zich op de lippen van toorn. "Het zal dan geschieden," +zeide hij "doch niet op mijn last."--"Spitsbroeders!" vervolgde hij, +terwijl hij zich tot zijn manschappen wendde en op den monnik wees: +"ik ben uw geleider niet meer. Ziet hier den man, die u ten zege +voeren zal. De eerwaarde Pater wordt uw Hopman."--Dit gezegd hebbende, +ontdeed hij zich van zijn sjerp, smeet die den monnik voor de voeten +en trad terug. + +De soldaten zagen elkander verwonderd en besluiteloos aan. "_Docebo +vos viam rectam_!" [11] riep de geestelijke, een zwaard uit de handen +van een der manschappen grijpende: "Ik zal u zelf het voorbeeld geven +en u aantoonen, hoe de zege behaald kan worden." + +Onder het uiten dezer woorden stapte hij in een der schuiten, gaf +last aan een viertal schutters hem te vergezellen, liet het andere +vaartuig met vijf van de kloekste Spanjaards bemannen, gebood aan al, +wie moed had en toonen wilde, dat het hem ernst was roem en prijs +te behalen, zich te water te begeven, en stak van wal. De soldaten, +door zijn voorbeeld aangemoedigd, schenen hun vorigen tegenspoed +vergeten te zijn en zwommen hem spoedig na, zoodat Velasco schier +alleen aan den oever staan bleef. Deze bevond zich nu in den toestand +van een kind, dat, met zijn ouders wandelende, hen niet heeft durven +vergezellen voorbij het een of ander schrikbarend voorwerp, b. v. een +hondenhok of een oude bedelaarster, en, nu, daar zijn ouders, hem +uitlachende, zijn voortgewandeld, niet weet of het wel op dezelfde +plaats zal blijven staan, of het terugkeeren dan wel of het zijn +ouders inhalen en alzoo het voorwerp van zijn angst zal voorbijgaan, +tot welk laatste het echter eindelijk al bevende besluit. In zooverre +echter gaat deze vergelijking kwalijk, dat Velasco niet uit vrees, +maar alleen uit wrevel tegen den monnik was blijven staan. Toen hij +echter de uitwerking zag, welke diens toespraak en voorbeeld op de +krijgsknechten maakte, begreep hij, zonder zijn eer te krenken, als +vrijwilliger te kunnen doen, hetgeen hij als Hopman moest nalaten en +laken; hij sprong in de rivier en zwom weldra al de overigen voorbij. + +Ongeveer in 't midden van den stroom gekomen zijnde, gaf de monnik aan +zijn musketiers bevel, niet op de landlieden, maar op de schutters, +die achter de boomen in den tuin half verscholen bleven, te vuren, +'t geen ten gevolge had, dat een paar van deze laatsten gewond en +buiten staat gesteld werden eenigen verderen dienst te doen. + +Feurich wachtte intusschen met zijn twee medehelpers het vaartuig +als te voren af: de zware balk viel weder op de plecht; doch daar +de schuit nu niet zoo volgeladen was als de vorige reis, kantelde +zij niet; met forsche armen klemde de monnik den balk tegen zijn +borst, trok hierdoor zelf het schuitje nabij den wal, sprong toe, +greep een der kettingen van de vischkaar en slingerde zich er boven +op. In hetzelfde oogenblik kwam Falckestein, die de belegeraars aan +de voorpoort reeds had afgeslagen, met eenige Hanevederen in den +tuin. Zijn komst verlevendigde den moed der zijnen. Al de musketiers +snelden naar de borstwering: de Spanjaards, die om den boomgaard waren +aangerukt, werden teruggedreven, het tweede schuitje omgeslagen en +Velasco met de zijnen tot den terugtocht genoodzaakt. + +Doch de andere helft der bende, die met den monnik gekomen of aan den +kant des steigers de gracht doorwaad had, wist nog van geen wijken. De +ijzeren stormhoeden tartten de knuppelslagen, en de rustelooze +volharding der Spaansche veteranen verwekte een doodschen schrik bij +de ongeoefende landlieden. De monnik vuurde hen met taal en voorbeeld +aan. Vreeselijk stond hij op de kaar, met de eene hand om den ketting +gekneld, terwijl hij met de andere den sabel zwaaide. De verweerders, +waaronder sommige Roomschen waren, ontzagen zoowel zijn kleed als zijn +reuzenarm, en weken. Nu op den steiger gekomen, wierp hij zich met +leeuwenwoede tusschen de Duitschers en sabelde er twee ter neder. Op +dit oogenblik kwam Falckestein, die voor deze zijde van den tuin +beducht was, ter ondersteuning der landlieden toegeschoten. Zooras +de monnik hem in 't oog had, drong hij met geweld door, liep op den +Graaf toe en gaf hem een zoo geweldigen slag op den kolder, dat hij +hem had nedergeveld, zoo niet het zwaard in zijn hand gedraaid had. + +Onder het toeslaan duwde hij hem deze woorden toe: "_septuagies +septies_!" [12] + +"Ik herken u, vervloekte Jezuïet!" was het antwoord van Falckestein: +"doch heden zult gij mij zoo gemakkelijk niet ontkomen." + +Deze woordenwisseling ging met verdubbelde zwaardslagen gepaard, +toen eenige Hanevederen, die den Graaf gevolgd waren, gezamenlijk op +den booswicht aandrongen. Zonder zich te ontzetten, weerde deze hun +slagen af en zocht den oever te bereiken, doch de boeren, wien het +gelukt was, den vijand overal te doen deinzen, sneden hem alom den +pas af en dreigden hem den dood. + +"Grijpt hem levend!" riep Falckestein: "de schelm moet geen +krijgsmansdood sterven. Aan de galg met den vorstenmoorder!" + +"_Nondum venit hora mea_," [13] zeide Eugenio, die, schoon hij zich +omsingeld zag van vijanden, zijn moed noch zijn tegenwoordigheid van +geest verloren had. Evenals de forsche bulhond, die in een weide +geraakt, zich door de dreigende hoornen der runddieren van alle +kanten bestookt ziet, en zich echter uit het gevaar weet te redden, +zoo ontkwam ook de onversaagde monnik. Grimmig sloeg hij den blik in +'t rond: hij koos de plek, waar hij een bres wilde maken, in den +levenden muur, die hem omringde, en noodlottig was die keuze voor +den ongelukkigen boer, die er het voorwerp van geworden was. Eugenio +deed een sprong, en de huisman, tegen wiens borst hij belandde, +lag zieltogend in het gras. Van de verbazing van het oogenblik +gebruik makende, snelde de Jezuïet van den steiger, plofte als een +molensteen in het water, dook onder voor de op hem geloste schoten +en kwam behouden aan de overzijde. + +"Welnu," zeide Velasco: "gij ziet den heerlijken uitslag van uw +onmisbaren aanval!" + +"_Me deseruerunt omnes_!" zeide Eugenio: "zij hebben mij allen +verlaten; maar, dit beloof ik u, morgen zullen wij in het slot zijn; +vandaag genoeg! Laat nu maar den aftocht blazen." + +Falckestein, wel overtuigd, dat hij dien dag geen nieuwen aanval te +wachten had, liet aan de bezetting de noodige ververschingen toedienen +en maakte toebereidselen om tegen den volgenden morgen den vijand te +kunnen verwachten. + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + + + Zie hier uw gemalin. + 'k Geleid haar thands bij u, gelijk uw hofknaap, in. + + _Bilderdijk_, Floris de Vijfde. + + +Een nieuwe dag was aangebroken: reeds met zonsopgang stond de Graaf +met Feurich en den rentmeester op den torentrans om de bewegingen +der vijanden gade te slaan; dan alles bleef rustig en stil in het +leger: het was acht uren geslagen, en nog deed niets het voornemen +tot eenigen aanval vermoeden. "Waarlijk," zeide Feurich, "ik zou +beginnen te gelooven, dat zij van hun onderneming afzien en eieren +voor hun geld kiezen: zij zullen zich, met het ontbijt van gisteren +vergenoegen en willen zeker het middagmaal van heden niet afwachten." + +"Zoo zij wilden vertrekken," zeide de Graaf, "hadden wij hun daartoe +reeds toebereidselen zien maken; doch neen: de meesten ronken nog +onder hun tenten: alleen de toegangen zijn bezet; waarschijnlijk +wachten zij versterking uit het hoofdleger, of willen zij ons door +honger tot de overgave dwingen; maar bij mijn zwaard! zij zullen +alleen over mijn lichaam in het slot mijns vaders komen." + +"Heer Graaf!" riep nu Peter de torenwachter: "ziet Uwe Genade die +stofwolk van den kant van Duisburg?" + +"Ach hemel!" zuchtte Beckman: "dat zijn voorzeker de schapen van Göbel, +welke zij hebben ontvoerd om zich proviand te verschaffen: een kudde +van zeshonderd vette beestjes, waarvan Uwe Genade de tienden had: +dat zulke onbekeerde schelmen die in hun keukens zullen braden!" + +"Wat schapen!" hernam de torenwachter: "ik zie duidelijk helmen en +lansen glinsteren: het zijn versche benden die aanrukken." + +"Inderdaad," sprak de Graaf: "doch wat is het? vriend of vijand? Kunt +gij het vendel niet onderscheiden?" + +"Nog niet, Uwe Genade!" antwoordde Peter, "doch ja.... het zijn +Spanjaarden: ik herken hen aan hun legertrein en orde van aanmarsch." + +"Dus nieuwe aanvallers!.... Ha! daar wordt de marsch geblazen en +Lopez trekt hen met zijn ruiters te gemoet." + +"Ik ben maar blijde dat het de schapen van Göbel niet zijn," zeide +Beckman: "doch hoe zullen wij al dat volk wederstaan?" + +"Met Gods hulp en onze dapperheid, Beckman!" antwoordde zijn Heer: +"wat zegt de spreuk: _werkt_ en _bidt_! ga allen aanzeggen, dat zij +zich in de groote zaal vereenigen; de Pastor is met Mevrouw vertrokken, +doch ik zal zelf het gebed doen, en wij zullen den drie-en-twintigsten +Psalm zingen, die op onze omstandigheden toepasselijk is." + +De bevelen van den vromen Graaf werden ten uitvoer gebracht: al wie +in het slot der Hervormden geloofsbelijdenis was toegedaan, ja, ook +sommige der Roomschgezinden, verschenen in de groote ridderzaal. Met +ernst, godsvrucht en klem sprak Falckestein Hem aan, van Wien alleen +zij hun redding verwachten konden, en smeekte Hem, voor en met hen +te strijden en hen niet beschaamd te maken in de groote beproeving, +die zij om Zijnentwille en uit liefde voor hun dierbaar vaderland +doorstonden. "Of," zeide hij, en hiermede besloot hij zijn aanroeping, +"indien het Uw wil is, dat wij het getal vergrooten van zoovele +vrome martelaars, die voor de verdediging van hun vaderland, voor de +rechten van hunne Overheden, ja wat meer zegt, voor Uwen heiligen Naam +en ter bewaring Uwer onvervalschte leer, hun bloed hebben vergoten, +zoo schenk ons lijdzaamheid, volharding en vertroosting in de ure des +lijdens, opdat wij getrouw den goeden strijd volstrijden mogen en dat +ook tot ons, als wij ons voor Uwen troon vertoonen om rekenschap af te +leggen van hetgeen wij op aarde verricht hebben, moge gezegd worden; +_gij goede dienstknechten: over veel heb Ik u gezet: over veel zijt +gij getrouw gebleven: gaat in de vreugde uwes Heeren_!" + +Plechtig klonk, na dit gebed, het Psalmgezang door de hooge +slotgewelven: en geen was er onder de aanwezigen, die na den afloop +der plechtigheid niet bemoedigd en als 't ware meteen nieuw leven +bezield, de zaal weder verliet. Alleen hij, die de overigen bemoedigd +had, ondervond zelf die kalmte, die opgewektheid niet, welke het +hem gelukt was, aan anderen in te boezemen. Falckestein gevoelde, +niettegenstaande de voordeelen, die hij behaald had, en de gunstiger +wending, die de zaken voor hem schenen te nemen, zijn boezem beklemd +en zwaarmoedig, en spoedig keerde hij, om nogmaals te onderzoeken +welk lot hij te wachten had, met Beckman en Feurich naar den toren. + +"Ik zie hun nog geen toebereidselen maken," zeide Peter de wachter: +"de krijgsknechten zijn bij elkaar op het gras gelegen, en vermaken +zich met dobbelen en zuipen, die luie varkens als zij zijn! alles is +nog doodstil...dan ginds komen er soldaten uit het bosch en voeren +hout mede dat zij gekapt hebben." + +"Die schurken," riep Beckman verontwaardigd uit, "het bosch van Uwe +Genade, daar wij jaarlijks voor tweehonderd kronen aan timmerhout +uit hakten voor den scheepstimmerman Luiken Luikes te Amsterdam." + +"En wat moeten zij op die hoogte bouwen," vervolgde Peter, "daar die +twee ezels die stammen naar toe sleepen?" + +"Och ja!" viel Beckman weemoedig in: "dat zijn de ezels van Lottchen +Weissmilch: die arme dieren hadden voorzeker niet gedroomd ooit een +ander werk te zullen verrichten dan koren naar Uwer Genades molen te +brengen. Wat zal die goede weduwe nu beginnen? En daar, de kleinste van +de twee, is nog wel met volen: en zulk een arm dier moet paardenwerk +doen! doch dat heidensch volk heeft deernis met mensch noch beest." + +"Gelukkig nog zijn die arme beesten," zeide Falckestein, wien, bij de +sombere gemoedsgesteldheid waarin hij verkeerde, ook de vrij kluchtig +uitgedrukte klachten van den goeden rentmeester geen glimlach konden +afpersen: "gelukkig nog, dat zij slechts een lichamelijk lijden te +dragen hebben en voor geen zedelijke kwelling vatbaar zijn." + +"Maar wat gaan zij nu verrichten?" vroeg Feurich, de oogen strak op +de werkzaamheden der Spanjaards gericht houdende. + +"Zeker," zeide Beckman, "is het hun voornemen een stormgevaarte te +maken, zooals de Pastor mij wel verhaald heeft, dat Civilis gebruikte +om het Valkenhof te Nijmegen te bestormen, toen Karel de Groote aldaar +voor Paus Julius Cesar het bevel voerde." + +"Ziet!" vervolgde Feurich, zonder de geschiedkundige aanmerking des +Rentmeesters te beantwoorden: "Zij zetten twee balken recht overeind!" + +"En spijkeren er een derde boven op," voegde Peter er bij; "dat lijkt +als twee droppels water op een galg." + +"Zij willen mij toch niet ophangen eer zij mij hebben," zeide de Graaf, +wien dit schouwspel een half wreveligen, half vroolijken lach afdwong: +"of moet dit een schrikvertooning verbeelden, gelijk aan die, waarmede +zij de bezetting van Orsoy hebben bang gemaakt? Die vlieger zal bij +mij niet opgaan." + +"Ziet!" vervolgde Feurich: "daar komen de Oversten te paard de hoogte +oprijden; er wordt een kring om de galg gevormd." + +"Luistert!" hernam Falckestein, "daar klinkt de trompet, zeker om +onze aandacht op dit spel te vestigen." + +"En nu hoor ik een doffe trom, als bij halsrecht," zeide Peter, +het oor tegen het vloersteen houdende om beter te hooren. + +"Ik zie vrouwen uit het leger komen," zeide Feurich schielijk, +"vrouwen en kinderen: men brengt die tusschen soldaten den heuvel op." + +"Waar? waar?" riep Falckestein.--"Almachtige God! wat zie ik daar?" en +zijn gelaat werd witter dan de borstwering, waar hij over leunde. Het +onbedriegelijk oog der liefde had hem in een dier vrouwen zijn Anna +doen herkennen, die met haar twee zoontjes den heuvel werd opgestuwd. + +"Mijn vrouw!" gilde hij: "mijn kinderen! Zij moeten gered +worden! Feurich! haast u! laten al de Hanevederen opzitten! maak +alles tot een uitval gereed! Mijn Anna! ik word radeloos!" + +Men heeft meermalen opgemerkt, dat lieden, die doorgaans en over 't +geheel een kalme, bedaarde gemoedsgesteldheid bezitten, en niet dan +zeer traag tot drift vervoerd worden, in die bijzondere gevallen, +waarin zij door eene onwederstaanbare zielsaandoening overmeesterd +worden, hun tegenwoordigheid van geest nog meer verliezen dan anderen, +aan wie een minder bedaard gestel te beurt viel. Falckestein strekte +tot een voorbeeld der waarheid van deze opmerking. Zonder eenige kansen +te berekenen, zonder in te zien, hoe de macht, die hij wilde tegengaan, +de zijne twintigvoud overtrof, hoe hij zich en de zijnen in een wis +verderf zou storten, stormde hij de wenteltrap af, vloog naar den +paardenstal, zat in een oogenblik in een zadel en beschuldigde zijn +getrouwe dienaars van traagheid, omdat zij niet dadelijk gereed waren +om hem in 't veld te volgen. + +Reeds haalden echter de getrouwe Hanevederen hun paarden den stal uit, +toen zich het trompetgeschal voor de slotbrug hooren liet, en, na een +kort verwijl, twee afgevaardigden uit het leger om gehoor verzochten. + +Deze omstandigheid was genoegzaam om Falckestein tot zichzelven te +doen keeren: hij voorzag een schikking, een vergelijk, hoe was hem +nog bijna hetzelfde; doch het was duidelijk, dat de strafoefening, +waarvoor hij vreesde, geschorst was; de hoop herrees in zijn gemoed, +en met deze keerden weldra de bedaardheid en tegenwoordigheid van +geest. Spoedig liet hij de valbrug uitwerpen en reed met Feurich en +twee ruiters de afgezondenen te gemoed. + +Een hunner (het was Velasco) was ongeharnast; een vederhoed met smaak +opgetoomd, dekte zijn bevallig, manlijk gelaat: een zijden wambuis, +rijk met strikken en borduursels versierd, sloot om zijn lichaam, en +een pronkdegen hing van den breeden gordel. In den anderen herkende +Falckestein met afgrijzen den Jezuïet Eugenio, gedost in 't gewaad +zijner orde. De Hopman voerde het woord: + +"Na de verdediging, die gij, Heer Graaf! u verstout hebt op gisteren +tegen onze troepen in 't werk te stellen, zal het u bevreemden, +dat wij nogmaals woorden van vrede tot u spreken: te meer, daar onze +legermacht meer dan verdubbeld is; doch de Spanjaard heeft een walg +van noodelooze bloedstorting en weet geleden hoon te vergeven zoowel +als te straffen. Wij eischen dus nogmaals, en, bedenk u wel! wij +eischen het voor 't laatst, de overgave van het slot, u een vrijen, +een eerlijken uittocht aanbiedende, voor u en voor de uwen." + +"Ik dacht, Hopman!" zeide de Graaf, "dat de wijze, waarop ik u gisteren +ontvangen heb, u den lust tot het hernieuwen van een dergelijk aanbod +zou ontnomen hebben. Zoo gij geen ander voorstel hebt, verzoek ik u +alle verdere moeite omtrent mij te sparen en u naar uw kamp terug te +begeven, waar ik juist van oogmerk was, u te komen bezoeken." + +"Dat rade ik u sterk aan," zeide Eugenio: "gij zult op een vermakelijk +schouwspel vergast worden." + +"Met den sluipmoordenaar spreek ik niet," zeide Falckestein, den +Jezuïet verachtelijk met de oogen metende. + +"Graaf!" hervatte Velasco: "ik moet u onder 't oog brengen, welk +leed gij u berokkent, door ons aanbod af te slaan. Genade voor al +wie zich onderwerpt: dood aan al wie wederstand biedt. Heb deernis, +Graaf! met u zelven, met de uwen, met uw vrouw en kinderen," voegde +hij er langzaam bij. + +"Met mijn vrouw en kinderen!" herhaalde Falckestein sidderende. + +"Met uw vrouw en kinderen, die de krijgskans in onze handen vallen +deed, die aan den voet van gindsche galg uw keus afwachten, welke +hun lot beslissen moet." + +"Hoe moet die zijn?" vroeg Eugenio: "_septuagies septies..._" [14] + +"Ziet!" zeide Falckestein, naar het slot wijzende: "op dat voorplein +staan mijn dappere ruiters geschaard: zij wachten slechts één woord +en volgen mij naar uw leger. De God, die mij gisteren de zege gaf, +zal mij ook heden kracht genoeg verleenen om mijn lievelingen aan uw +tijgerwoede te ontscheuren." + +Hoe innerlijk verscheurd van ziel, hoe overtuigd dat een poging als +die, welke hij voorgaf te zullen doen, vruchteloos af moest loopen, +hoopte Falckestein echter, dat de mededeeling van een dergelijk +voornemen eenigen indruk op de gezanten zoude maken..... zijn doel +was echter gemist. + +"De Hemel zij dan hun zielen genadig," zeide Eugenio. Met deze woorden +haalde hij een pistool uit en schoot het in de lucht af. + +"Wat zal dit?" riep Falckestein, de hand aan 't zwaard slaande. + +"Het is een sein," antwoordde de Jezuïet, om hun de stroppen om de +halzen te doen: indien ik ook dit pistool losbrand (hier haalde, hij +een tweede voor den dag) dan hebt gij vrouw noch kroost meer." En, om +aan zijn woorden nog meer klem bij te zetten, haalde hij den haan over. + +"Om Gods wil!" gilde de Graaf, wien het klamme zweet aan alle kanten +uitbrak. "Welke menschen, Feurich! Mijn vrienden!" + +"Beraad u kort," herhaalde Eugenio en hief het pistool omhoog. + +"Wel!" zeide Falckestein: "ik heb voor mijn eer gedaan, wat ik konde; +doch de natuur heeft ook haar rechten: spaar de mijnen en handel met +mijn slot naar uw verkiezing." + +"Gij wordt redelijk, Graaf," hernam Eugenio, en verborg het moordtuig +weder in zijn gewaad. + +"Trompetter, blaas!" riep Velasco: "Graaf! binnen weinige oogenblikken +zult gij uw lievelingen hier zien verschijnen." + +"Komt dan in Gods naam binnen," zeide de Graaf, "opdat wij over de +voorwaarden der overgave spreken mogen." + +Dit zeggende wendde hij zijn paard om en reed met de beide afgezondenen +de valbrug over.--Velasco bekleedde 's Graven rechterhand, doch in +zijn gitzwart oog was geen verwinnaarsvreugde te lezen: hij zag, +bijna even somber als Falckestein deed, naar den grond, want zijn +edelmoedige ziel had een tegenzin in een overwinning, welke op zulk +een wijze gekocht was geweest. Eugenio's gelaat stond strak; doch onder +zijn zware wenkbrauwen blonk een schelmsche vreugde, die hij, hoezeer +hij ook meester over zijn aandoeningen was, moeite had om te verbergen. + +Op het slotplein gekomen, steeg Falckestein af, bood den Hopman, +die zijn voorbeeld volgde, beleefdelijk de hand, en zeide, terwijl +een traan hem in de oogen blonk: + +"Ik heet u welkom op het slot van Bruck: ik mag, helaas! niet meer +zeggen op mijn slot. Uw komst alhier belaadt mij met eeuwige schande." + +"Hoe wij hier ook binnenkomen," antwoordde Velasco met eene buiging: +"het kan u nimmer tot schande verstrekken." + +"Wat u betreft," vervolgde de Graaf tot Eugenio: "ik kan u niet +ontveinzen, dat gij mij heden nog minder welkom zijt dan gisteren." + +"Dat verwondert mij," zeide Eugenio met veel koelheid: "want gisteren +had mijn komst u bijna het leven gekost en heden redt zij dat van uw +vrouw en kinderen." + +"En belaadt mij met dubbele oneer," zeide Falckestein, "dat ik u +gisteren als krijgsman en heden als gezant beschouwen moet." + +"Ik bid u, Mijne Heeren!" zeide Velasco: "laat ons eene reeds uit +haar aard onaangename onderhandeling niet door onnutte verwijtingen +verbitteren." + +Onder het gesprek waren zij een der zalen ingetreden. Een kan met ouden +Hochheimer en drie bekers werden voor den Graaf nedergezet; het noodige +schrijfgereedschap werd aangebracht, en na een morgendronk plaatste men +zich en begon men de voorwaarden der overgave onderling te overleggen. + +Niet weinig was de graaf verwonderd, toen hij bemerkte dat niet alleen +Velasco, maar ook Eugenio, van wien hij na het jegens hem gehouden +gedrag geen inschikkelijkheid verwachten konde, hem bij het opmaken +van net verdrag de billijkste en ruimste voorwaarden toestonden: +de schampere lach van den Jezuïet gaf wel aan zijn toegevendheid +een zweem van spotternij, doch de uitslag bleef gunstig voor den +Graaf. Na eenige woordenwisselingen kwam men overeen, dat het kasteel +op staanden voet zou overgaan aan de Infante, dat de bezetting met +krijgseer, slaande trom, aangestoken lont en vliegend vaandel zoude +uittrekken: dat de rentmeester, schout, schenker, kok, molenaar, +en verdere dienaars van het kasteel en de onderhoorige plaatsen hun +bedieningen zouden blijven behouden: en dat het aan de landlieden, +die op het kasteel waren, zou vrijstaan, onverlet tot hunnent terug te +keeren. De rentmeester, binnengeroepen zijnde, maakte van dit verdrag +twee eensluidende afschriften, welke door de overeenkomende partijen +geteekend en aan weerskanten overgenomen werden. + +Dit in orde gebracht hebbende, vertrokken de gezanten weder naar het +leger, en het leed geen half uur, of Velasco keerde aan het hoofd van +zijn vendel terug, om bij voorraad bezit van het slot te nemen. Aan +zijn zijde was, op een fraai rijpaard, de Gravin van Falckestein +gezeten: zij hield haar jongste zoontje op den arm. De gevangene +vrouwen volgden met het oudste knaapje, te voet: en boven dezen stak +de rijzige gestalte uit van Magdalena, die mede haar zoontje bij de +hand geleidde. De trein hield op een afstand van het kasteel stil, en, +nadat de trompetter, welke den Hopman vergezelde, driemalen geblazen +had, trad Falckestein, te voet en met ongedekten hoofde, de poort uit, +verzeld van Beckman, welke de sleutels op een schenkblad droeg en die +met een buiging aan Velasco bood. "Ik vervul," zeide deze, terwijl +hij de kenteekenen der overdracht aannam, "de eerste voorwaarde onzer +overeenkomst, Heer Graaf! en breng u uwe echtgenoote en kinderen terug, +alsmede deze vrouwen en dat andere knaapje, die mede in onze macht +gevallen zijn. Het doet mij leed, dat ik ook de dappere krijgsknechten, +die door de slagen mijner wapenbroeders gevallen zijn, u niet terug kan +geven."--Met deze woorden steeg hij af, hielp met bevallige beleefdheid +de Gravin van het paard en stelde haar aan haren gemaal voor. + +Welke redenen de Graaf ook hebben mocht tot dankbare vreugde over +de verlossing van zijn gade, zoo werd deze echter in dit oogenblik +onderdrukt door het pijnlijk gevoel, dat de gedwongen overgave van +een slot, hetwelk hij nog lang met kracht had kunnen verdedigen, +bij hem verwekte. Zwijgend, en met een traan in 't oog, drukte hij de +hand zijner gemalin, kuste en liefkoosde zijn kinderen en vergezelde +met een nedergeslagen blik de Spanjaards in het slot. + +"Gij zijt van meester verwisseld, goede oude!" zeide hij in 't gaan +tegen Beckman: "tracht u bij uw nieuwen Heer aangenaam te maken." + +De grijsaard snikte luid: "Ik die booswichten dienen, goede Heer? neen: +ik zal Uwe Genade volgen waar zij gaat: heeft Uwe Genade elders +geen brood voor den ouden Beckman, hij heeft genoeg in vroeger jaren +overgewonnen om zijn weinige levensdagen nog te kunnen doorbrengen +zonder voor honger te vreezen.... Helaas! toen uw genadige Heer vader +stierf, was ik diep bedroefd; maar het denkbeeld troostte mij, dat +Uw Genade mijn Heer en Meester werd. + +Toen aan Mevrouw haar eersteling geboren werd, verheugde ik mij, dat +een Falckestein Bruck zou beërven; maar thans".... hier beletteden +de tranen hem te spreken. + +"Droog uw oogen, mijn vriend!" zeide Falckestein, "niets is +wisselvalliger dan de krijgskans: de vreemde vlag zal niet altoos +van gindschen torentop blijven waaien.--Doch laat ons binnengaan +en zorgen, dat onze manschappen zich betamelijk jegens de nieuwe +bezitters gedragen." + +In de voorzaal vond de Graaf zijn echtgenoote en kinderen met Velasco +bijeen. "Heer Graaf!" zeide deze: "Het zal u wellicht aangenaam zijn, +u eenige oogenblikken met de Gravin ongestoord te onderhouden. Vergun +mij dus, mij inmiddels door uw Rentmeester het slot te doen rondleiden, +om de noodige, u bekende, schikkingen te maken."--Falckestein gaf +hiertoe, onder dankbetuiging voor Velasco's beleefdheid, verlof: en +de Hopman ging met Beckman het kasteel rond, ten einde, ingevolge +de gemaakte voorwaarden, al wat zich binnen het slot bevond op te +schrijven, opdat er niets, dan hetgeen door het verdrag veroorloofd +was, door de bezetting kon worden uitgevoerd. + +Zoodra zij zich met hem alleen bevond, viel de Gravin haar echtgenoot +schreiende om den hals: "Ach!" riep zij uit: "dat _ik_ u onder zulke +omstandigheden moet wederzien! Hadt gij mij maar laten sterven! dit +slot had geen vreemden meester gekend." + +"En uw kinderen!" zeide Falckestein: "Anna, waren ook niet uw kinderen +ter dood gedoemd?" + +"Mijn kinderen!" zeide zij, terwijl zij die angstig aan haar hart +drukte: "doch neen! zoo bloeddorstig wreed zouden die Barbaren niet +geweest zijn! En echter, als ik aan hun gruwelen denk!.... Nog ijze +ik, Ulrich!--Die arme Pastor! die wakkere Hanevederen! Zij allen +zijn dood!.... en zonder die vreemde vrouw, die met ons trok, ware +ik zelve met mijn kinderen en vrouwen het slachtoffer der baldadigste +wreedheid geworden." + +"Doch hoe zijt gij in de handen dier booswichten gevallen?" + +"Wij waren geen half uur van het Kleefsche grondgebied verwijderd en +dachten om geen gevaar, toen wij opeens uit onze gerustheid werden +opgewekt door eenige musketschoten, die zich van de zijde der Kleefsche +grenzen lieten hooren: dit geluid deed ons stilstaan om raad te plegen +wat ons te doen stond. Wij besloten een der ruiters op kondschap +vooruit te zenden; doch 't zij dat hij in vijandelijke handen viel, +'t zij dat hij, op eigen lijfsbehoud bedacht, zich wegmaakte, wij +zagen hem niet wederkeeren. Inmiddels viel de avond en wij vormden +reeds, daar wij niets meer hoorden en wederom moed hadden gevat, het +voornemen van verder op te trekken, toen wij opeens aan verscheidene +zijden geweldige vlammen zagen oprijzen, die ons het verbranden +van ettelijke boerenwoningen, en meteen de nabijheid van den vijand +verkondigden. En, eer wij van onzen nieuwen schrik bekomen waren, zagen +wij twee Spaansche ruiterbenden in vollen draf van verschillende zijden +op ons aankomen. Wat er toen voorviel, kan ik, die van angst voor +mijn lieve kinderen bedwelmd was, mij ternauwernood herinneren. Dit +weet ik, dat wij in overhaasting de teugels wendden; doch de kogels +uit de Spaansche pistolen vlogen sneller dan onze paarden. Wij werden +achterhaald. Uwe Haneveeren vochten als leeuwen; doch wat hielp de +moed tegen de overmacht? Ik zag den braven Hensken, die zich gedurig +voor mij had gesteld om met zijn lichaam het mijne te bedekken, door +een sabelhouw op het hoofd getroffen, met gespleten stormhoed, dood +aan mijn zijde vallen. Al de Haneveeren, al de landlieden, ook de +brave Pastor, die vergeefs verschooning bad voor zijn grijze haren, +werden tot eenen toe afgemaakt, geplunderd, naakt uitgeschud: en met +een helschen lach zeide de aanvoerder der bende, na het einde van het +gevecht, dat hij de gevangene schoonheden, als een behaaglijken buit, +aan zijn soldaten prijsgaf. Reeds poogde mij een dier booswichten van +'t paard te rukken, toen Magdalena opeens boven het woest getier der +vijanden en het noodgeschrei der vrouwen haar stem verhief en den +Spaanschen Overste toeriep: + +"Don Estevan de Nunez! is het schoon op weerlooze vrouwen te woeden?" + +"Ik ken die stem," zeide de Overste: en, zijn paard de sporen gevende, +reed hij op Magdalena aan. Snel en zacht, en zooverre ik hooren kon, +in de Spaansche taal, sprak zij hem toe. Hij antwoordde op denzelfden +toon: hun gesprek was kort, doch levendig: herhaalde reizen schudde +hij ontevreden het hoofd, en even heftig scheen zij bij hem te +blijven aanhouden. Inmiddels hadden de soldaten op zijn bevel van +ons afgehouden, en wij verbeidden met pijnlijken angst den uitslag +van Magdalena's welsprekendheid. Zij scheen hem te overreden; want +eensklaps gaf hij last ons geen verdere ongelegenheid aan te doen, liet +ons door een sterk geleide omsingelen en den aftocht blazen. Schier +bewusteloos werd ik weggevoerd; nauwelijks had ik het besef om mijnen +kleinen Ulrich op den schoot te houden, en alleen zijn gestadig +geween en geschreeuw, hield mij, geloof ik, bij mij zelve. Werner was +intusschen door een der ruiters op 't paard genomen: de knaap schreide +luid en hield alleen op, toen de Spanjaard dreigde, hem in 't water +te zullen werpen, indien hij zich niet stilhield. Wij reden een groot +gedeelte van den nacht door, en kwamen eindelijk te Duisburg, waar de +Spanjaards hun hoofdkwartier schenen te houden. Hier stegen wij af, +en ik bracht er met de overige gevangenen in een groote schuur het +overschot van den nacht, wel bewaakt, doch ongestoord door. Tegen het +aanbreken van den dag werd er weder bevel gegeven tot den afmarsch. De +krijgsbende was aanzienlijk vermeerderd; in volkomen orde trok zij +met ons af. Het leed niet lang, of ik kreeg den toren van Bruck weder +in 't gezicht, en bevroedde nu terstond, wat het oogmerk van Nunez +was, en hoe men zich van mij bedienen wilde om u tot de overgave te +dwingen. Ware het niet om mijn kinderen geweest, ik had mij zelve van +kant gemaakt:--de kleine Ulrich zag uw vlag van den toren wapperen; +blijmoedig stak hij zijn kleine armpjes uit en riep met kinderlijke +vreugde: "Bruck! Bruck!"--Wij kwamen in de legerplaats van Lopez: de +legerhoofden hielden een kort gesprek en.... het overige is u bekend!" + +Hier eindigde de Gravin haar verhaal, hetwelk meer dan eens, +zoo door haar zuchten en tranen als door de vragen van haar +echtgenoot was afgebroken. "Er is iets vreemds," zeide deze, het +hoofd bedenkelijk schuddende, "in het gedrag van die Magdalena! zij +heeft u waarschijnlijk het leven gered.... en echter weet ik nog niet, +of ik haar als vriendin of als vijandin beschouwen moet." + +Het overschot van dezen dag werd van de zijde der bezetting +doorgebracht in het maken der noodige toebereidselen voor den uittocht, +die den volgenden morgen plaats moest hebben, terwijl de Spaansche +krijgsknechten de posten innamen en de wachten betrokken. + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + + + Mijn Graeflijc bloet besprenght mijn erfelijken acker. + + _Vondel_, Brief aan den Drost van Muiden. + + +Met den volgenden morgen was de bezetting ten uittocht +gereed. Inmiddels hadden Don Fernando Lopez en Don Estevan de Nunez +hun benden laten aanrukken en aan weerszijden van den weg, die naar +het kasteel geleidde, geschaard, om het slot, zoodra het ontruimd +was, binnen te rukken. Velasco bleef aan 't hoofd van zijn vendel, +dat op het binnenplein in orde van parade stond. Met de gewone +krijgseer trok nu de bezetting uit, terwijl de Graaf met zijn gezin +den trein besloot. Het scheen, dat alles, gelijk men reden had van +te verwachten, in de beste orde zoude afloopen; doch Falckestein had +niet gerekend op de kwade trouw der Spaansche verraders. Dezelfde +geest, die Romero had bezield, toen Naarden het slachtoffer zijner +helsche eedbreuk werd, had ook thans bij den raad der trouwelooze +legerhoofden voorgezeten. Nog was de geheele trein de slotpoort niet +uitgetrokken, of Lopez wierp zijn staf in de lucht: dit was het sein +van den moord. Van weerszijden gaven de Spaansche musketiers vuur op de +uittrekkende bezetting, die, op zoo schelmschen aanval niet verdacht, +buiten staat was, in de verwarring van het oogenblik eenigen wederstand +te bieden. Dood of gewond stortten paarden en ruiters door elkander, +en eer iemand schier tijd had zich te herkennen, was de helft der +bezetting door de handen der bloeddorstigen afgemaakt.--Schier tot +razernij vervoerd over zulk een ongehoord bestaan, reed Falckestein de +brug over en wierp zich met uitgetogen zwaard onder de moordenaars; +doch zijn paard stortte doodelijk gewond neder, en hij ware het +slachtoffer van de woede der Spanjaards geworden, ware niet Velasco, +die hem gevolgd was, ijlings toegeschoten. Deze weerde de slagen +van zijn hoofd af, vatte hem moedig bij de hand en trok hem met zich +naar binnen, terwijl hij aan zijn manschappen gelastte de poort te +sluiten en geen Spanjaard binnen te laten. Intusschen had het paard +der Gravin, verschrikt door het schieten, een geweldigen zijsprong +genomen en was dwars door de gelederen der Spanjaards heen het veld +ingehold. Feurich, die het oudste zoontje van den Graaf bij zich op +'t paard had, volgde haar met eenige Hanevederen; en 't zij dat de +Spanjaards nog eenig mededoogen voor de vluchtenden overhielden, +'t zij dat de algemeene verwarring hun het vervolgen belette, het +gelukte althans den vluchtelingen te ontkomen aan het moordtooneel. + +Zoodra Velasco met den Graaf op het binnenplein gekeerd was, begon hij +zich met de duurste eeden van alle medeplichtigheid aan het gepleegd +verraad te verschoonen, zwoer, dat hij, in spijt van allen, den Graaf +tegen alle geweld zoude beschermen, en bracht dezen vervolgens in +een kamertje bij de poort. Weinige oogenblikken daarna verschenen de +Spaansche Oversten, op wier gloeiend gelaat een hevige gramschap te +lezen was. Lopez stapte dadelijk naar Velasco toe, zonder een blik +op den Graaf te slaan. + +"Wie," vroeg hij, "heeft aan Don Diego de Velasco last gegeven, deze +doemlingen aan hun welverdiende straf te onttrekken? Ternauwernood +wilde men ons binnen dit slot laten!" + +"En wie," vroeg Velasco, met een edele verontwaardiging, "heeft +aan Don Fernando Lopez last gegeven, met eer en eed te spelen, een +geteekend verdrag te breken en het recht der volkeren te schenden?" + +"Ik ben u van mijn daden geen verantwoording verschuldigd, +jongeling!" zeide Lopez. "Tracht nooit te vergeten, dat gij onder +mijn bevel zijt uitgetogen en slechts daaraan moet gehoorzamen. Wat +u betreft, Ulrich von Daun! gij kunt u ter dood bereiden." + +"Niet, zoolang ik hem verdedigen kan," riep Velasco, terwijl hij den +Graaf bij de hand vatte en zijn zwaard voor de oogen der legerhoofden +blinken liet. + +"Wij zullen zien, wie hier meester is," riep Nunez; en beide de +kapiteins snelden de trappen af. + +"Toef hier slechts een oogenblik," zeide Velasco tegen den Graaf: +"ik moet het uiterste wagen." Onder het uiten dezer woorden volgde hij +de Oversten naar het slotplein, en herhaalde aan zijn krijgsknechten +het bevel om de slotbrug op te halen, de poorten gesloten te houden +en niemand in te laten. Beckman en sommige dienaars, die nog binnen +het slot gebleven waren, voegden zich bij hem. + +"Wat moet dit kluchtspel beduiden?" vroeg Lopez, die vergeefs zijn +gezag had willen doen gelden. + +"Niet anders," zeide Velasco, "dan dat ik, die het verdrag met den +Graaf van Falckestein geteekend heb, plechtig bezit van zijn slot +neem en er alle verraders en moordenaars buiten zal houden." + +"Soldaten!" brulde Lopez: "zult gij ten gerieve van ketters uw +Oversten verlaten?" + +De soldaten zagen elkander besluiteloos aan; doch geen hunner dorst +zich uit het gelid begeven. Een doodsche pauze had plaats. + +"Wakkere spitsbroeders!" riep toen Velasco: "uw naam en die van uw +Hopman zijn geschandvlekt, zoo gij mijn last overtreedt. Door mij +is een plechtig verdrag met de bezetting van dit slot gemaakt en +bezworen: niet door mij, niet door u is dit verdrag geschonden. Onze +handen zijn rein van het bloed der vermoorden! De Amirant zal aan +het vendel van Velasco geen gruweldaad verwijten, die op het geweten +van anderen wegen zal gelijk een molensteen. Houdt hen buiten, die +moordenaren! Geen gemeenschap tusschen ons en de schelmen, die den +Spaanschen naam door schanddaden bezwalken! 't Is niet onder Velasco's +vendel, dat de bloeddorst en 't verraad hun beulen zoeken moeten!" + +Juichend riepen de meesten; "Voor Velasco!" en zij die anders dachten, +zwegen uit voorzichtigheid. + +"Men misleidt u, soldaten!"' zeide Lopez: "en gij, Velasco! geloof +niet, dat al de invloed uws broeders u van straf zal vrijwaren! Kom, +Nunez! volg mij en roepen wij onze wakkere manschappen binnen, om +dien oproerlingen hun loon te geven!" + +Op dit oogenblik trad Eugenio voorwaarts. Deze was de Oversten +in 't slot gevolgd en had tot nu toe als toeschouwer in een der +hoeken van het plein gestaan. Hij weerhield de Oversten, die het +kasteel verlaten wilden. "Welk een schande!" zeide hij: "Spanjaards +tegen Spanjaards! Geloovigen tegen geloovigen! Zult gij op deze +wijze de goede zaak bevorderen, door als honden om een been te +vechten? Velasco! laat mij met deze Oversten slechts een paar woorden +spreken, en ik ben overtuigd, dat alles naar wensch zal afloopen." + +"Doe zooals gij wilt," antwoordde Velasco: "uw eer lijdt evenzeer als +de mijne door de inbreuk, op het verdrag gemaakt. Ik laat derhalve +gaarne de zaak aan uw beslissing over." + +De Jezuïet nam hierop de beide Oversten ter zijde, en hield met hen +een kort, doch levendig gesprek. + +"Ik heb hoop," zeide hij, na eenige oogenblikken terugkeerende: +"dat gij tevreden zult wezen. Deze beide Heeren zijn bereid, om niet +alleen het gebeurde te vergeten, maar zelfs om met hun vendelen af te +trekken, mits de buit naar billijkheid verdeeld worde. Wat den Graaf +betreft, deze zal hier onder uw bewaring blijven, totdat de Amirant +zelf over zijn lot zal beschikt hebben: ik bied mij aan, hier met u te +blijven, ten einde een goeden geest onder het krijgsvolk te handhaven, +de slotkapel in te wijden en de godsdienstoefeningen te volbrengen." + +Ofschoon dit voorstel aan Velasco, die het in vrijheid stellen van +den Graaf beoogd had, maar weinig behaagde, begreep hij echter, +dat een weigering de nadeeligste gevolgen zou met zich brengen, +dewijl hij alsdan gevaar liep, niet alleen tegen de kapiteins en hun +legerbenden, maar ook tegen den geduchten invloed van Pater Eugenio +te moeten kampen. Hij zwichtte dus, gaf zijn toestemming aan den +voorslag en omhelsde de beide Oversten tot een teeken van verzoening. + +Straks werd al wat hand- en tastbaar was in het slot buiten de poorten +gebracht en aldaar naar evenredigheid onder het krijgsvolk verdeeld, +waarna, volgens de overeenkomst, die deze reis niet geschonden werd, +Lopez en Nunez met hun krijgsbenden aftrokken. + +Het eerste werk, dat Velasco na hun aftocht verrichtte, was om +Falckestein, die nog steeds in het vertrek bij de poort met angst +den uitslag verbeidde, te gaan geruststellen. "Ik wensch u geluk," +zeide hij: "voor 't oogenblik is het gevaar geweken en bevindt gij +u onder mijn bescherming. Nog heden schrijf ik aan den Amirant en +aan mijn broeder, den Grootmeester der Artillerie; ik twijfel niet, +of mijn vertoogen zullen weldra uw geheele verlossing bewerken." + +"Eeuwige dankbaarheid ben ik u verschuldigd, edele Velasco!" zeide +de Graaf: "doch mijn vrouw! mijn kinderen! O! is u iets van hun +lot bewust?" + +"Uw gade is het gelukt, met haar oudsten lieveling te ontsnappen," +zeide Velasco. + +"En hier is de jongste," zeide Magdalena, die op dit oogenblik tot +hen trad, met haar zoon aan de hand en den kleinen Ulrich op den +arm. "De Gravin had mij verzocht voor dit kleintje zorg te dragen, +en daar ik nog niet buiten was, toen de moord begon, heb ik niets +voor mij zelve, noch voor het kind te duchten gehad." + +"Edele vrienden!" zeide Falckestein, hun de hand drukkende: "God moge +uw trouwhartigheid loonen. Mij is zulks onmogelijk. Ik kan slechts +danken." En vurig kuste hij het kind, dat de hemel zoo wonderdadig +gespaard had. + +Zes dagen verliepen er, zonder dat er iets voorviel, hetgeen in +deze geschiedenis verdient te worden opgeteekend. Velasco bleef zijn +gevangene met de meeste onderscheiding en beleefdheid behandelen, liet +niet af, hem moed in te spreken, hem over de geleden onheilen zooveel +hij kon te troosten, en hem al de diensten te bewijzen, welke in staat +waren zijn toestand draaglijk te maken. Eugenio betoonde wel geen +buitengewone vriendelijkheid jegens den Graaf, doch nam de uiterlijke +beleefdheid in acht. Zijn dagelijksche tegenwoordigheid echter aan het +middagmaal verwekte bij Falckestein, gelijk men licht beseffen zal, +een gevoel van afschuw en verontwaardiging, hetwelk hem belette aan +het gesprek eenig deel te nemen. "Ik zou moed kunnen vatten," zeide +hij eens tegen Velasco, daar zij zich alleen bevonden, "ik zou hoop +kunnen voeden, indien ik dien verfoeilijken Jezuïet niet gedurig +voor mijn oogen had. De tegenwoordigheid van dien vorstenmoorder, +zijn verblijf op dit slot kunnen mij niets dan kwaad voorspellen. Van +hem kan niets, dat goed is, geboren worden." + +"Ik geloof," zeide Velasco, "dat gij den eerwaarden Vader verkeerdelijk +beoordeelt. Als Protestant, als bondgenoot en vriend van Graaf +Maurits moet gij hem haten, dit besef ik; doch als zoodanig gaat +gij, verschoon mijn vrijmoedigheid, niet onpartijdig te werk. Pater +Eugenio is een wijs en godvruchtig man, die bij ons leger en den Raad +zeer gezien is: van kindsbeen af bindt hem een plechtige gelofte, +om, waar en hoe hij kan, de zaak van onzen Heiligen Godsdienst voor +te staan. Moed, vroomheid, zelfopoffering en haat tegen de ketters +maken de hoofdtrekken uit van zijn karakter. De middelen, die hij in +'t werk stelt om de eer van onze Moederkerk te bevorderen, mag ik +niet beoordeelen, veelmin misprijzen; want ik veronderstel, dat hij +nimmer handelt dan naar de voorschriften, hem door de vorsten dier Kerk +gegeven. Zijn doel is heilig en Gode welbehaaglijk: en welk sterveling +zoude de middelen wraken, die dat doel kunnen doen bereiken?" + +"Wat is een Godsdienst," antwoordde Falckestein, "welke leert, dat +het doel de middelen wettigt? Mag men het kwade doen, opdat het goede +daaruit voortkome? Zegt Paulus niet...." + +"Gij gaat _argumenteeren_," hernam Velasco, glimlachende: "ik weet, +dit is de gewoonte der Protestanten, altijd met den Bijbel in de +weer te zijn en met teksten te schermen. Doch vergun mij, die een +krijgsman ben, en bovendien stellig verbod ontvangen heb om immer +over godsdienstige punten met ketters te redekavelen, dat ik liefst +dien strijd ontwijke."--Falckestein boog zich en zweeg, waarmede dit +gesprek ten einde liep. + +Op den morgen van den zesden dag na het vertrek der twee veldoversten, +meldde zich een renbode van Mendoza bij Velasco aan, en het leed +niet lang, of deze liet den Graaf bij zich ontbieden. Falckestein +vond Velasco alleen, en zoo 't scheen, in hevige ongedurigheid +de kamer op en neder wandelende. "Graaf!" zeide hij, zoodra hij +hem zag binnentreden, "ik weet niet hoe het met onze zaken staat, +noch wat ik van den Amirant moet denken. Gij zijt een man van moed: +ik wil dus geenszins voor u veinzen. Verbeeld u, dat de bode, die +dezen morgen van Orsoy herwaarts gekomen is, niets anders medebrengt, +ten minste mij niets anders heeft ter hand gesteld, dan een bevel +van Mendoza, om terstond in 't hoofdkwartier terug te keeren en mijn +vendel alhier achter te laten. Van u noch van de gansche handeling, +die hier heeft plaats gehad, spreekt de lastbrief een woord. Op +mijn brieven heb ik geen antwoord bekomen: het schijnt dat Nunez en +Lopez zich bevlijtigd hebben, mijn gedrag in een donker daglicht te +stellen. Volgde ik thans alleen de inspraak van mijn hart, ik voerde u +zelf naar een veilige plaats; doch ook dit is niet meer in mijn macht; +er heerscht onder mijn manschappen een geest van wederspannigheid, dien +ik niet meer kan uitdooven. Na den moord heb ik gebruik gemaakt van de +geestdrift van het oogenblik, om u te redden; doch hun toen betoonde +gehoorzaamheid schijnt hun thans te berouwen: mijn bevelen worden in +den wind geslagen, mijn vermaningen bespot, mijn gezag miskend. Dit +is zooverre gegaan, dat mijn soldaten ronduit geweigerd hebben, de +straf te volbrengen aan een hunner kameraden, die een overrok aan uw +Rentmeester ontstolen had. Ik vrees derhalve, dat ik, in plaats van +u hulp te kunnen betoonen, uw ondergang berokkenen zoude." + +"De dood staat reeds lang voor mijn oogen," zeide Falckestein: +"doch bij den God, dien wij beiden op onze wijs vereeren, Velasco, +ik smeek u, red zoo 't u mogelijk is, red mijn kind! zend het aan +zijn troostelooze moeder terug." + +"Ik hoop ook den vader te redden," zeide Velasco met waardigheid: +"daarom heb ik zelf het schuitje, dat aan de voorpoort lag, aan +den steiger doen vastleggen. Begeef u dus hedenavond met de uwen +derwaarts en tracht de rivier over te komen, terwijl ik aftrek met +mijn volk. Red u, en schenk mij het genoegen, de laffe wraakzucht +uwer haters verijdeld te zien." + +"En gij," hernam de Graaf: "zult gij den toorn des Amirants, de +bestraffing uws broeders niet vreezen, dat gij verwezene ketters aan +de straf onttrokken hebt?" + +"Laat dit voor mijne rekening, Mendoza zal op geen Velasco het gewicht +zijner gramschap doen vallen; en Don Louis zal zijn broeder met des te +meer genoegen omhelzen, wanneer hij verneemt dat de eer des Spaanschen +naams door hem gehandhaafd is." + +"Wel!" sprak Falckestein, hem de hand met warmte drukkende: "ik +ga mijn trouwen Beckman voorbereiden; God zegene u en verhoore uw +beste wenschen!" + +Na het uiten dezer dankbetuiging haastte zich Falckestein naar +het vertrek, waar hij zijn kind hoopte te vinden. Hij vond er +Magdalena, bezig aan het herstellen der weinige kleedingstukken, +die de plunderzieke Spanjaards nog overig hadden gelaten. De kleine +Ludwig, de zoon van Magdalena, speelde met Fenix, 's Graven grootsten +en fraaisten jachthond. Dit dier was bij de verdeeling aan Velasco te +beurt gevallen, die het edelmoediglijk weder aan zijn vorigen meester +had afgestaan. + +"Waar is Ulrich?" vroeg Falckestein met angstvalligheid, toen hij, +rondziende, zijn zoontje niet bemerkte. + +"Die is met Beckman naar den tuin gegaan," antwoordde Magdalena. "Wij +hebben in lang zulk een fraaien dag niet gehad, en het is voor het +knaapje goed, de versche lucht te scheppen." + +"Het is wel," zeide de Graaf: "hetgeen ik u moet mededeelen is van +het uiterste gewicht: ik wilde u gaarne spreken." + +Hierop ging hij zitten en ontvouwde haar hetgeen hij van Velasco +vernomen had, en wat deze had uitgedacht om hen te redden. + +"Ik vrees, dat het op deze wijze kwalijk gelukken zal," zeide +Magdalena, het hoofd schuddende, nadat hij zijn verhaal geëindigd had: +"Velasco kan u niet redden: er is iemand anders hier, die daarvoor +zorgt. Ik alleen ben in staat, u van dienst te zijn." + +"Gij?" zeide Falckestein, haar bedenkelijk en wantrouwend +aanziende. "Welken invloed kunt gij op de Spaansche beulen uitoefenen?" + +"Dit moet u onverschillig zijn, Graaf!" zeide Magdalena met +trotschheid, mits ik u redde, u en uw kind. De zwakke muis doorknaagt +het net, dat de leeuw vergeefs poogt vaneen te scheuren. Laat mij +begaan en bekommer u verder met niets." + +"Beproeven wij eerst het middel, dat Velasco ons heeft aangewezen," +hernam Falckestein, die door de redenen van Magdalena kwalijk overtuigd +werd: "wij zullen naderhand tot uwe bescherming de toevlucht nemen." + +"Zooals gij wilt," zeide Magdalena: "aan u, Graaf! heb ik +geen verplichting, en het zal mij niet verweten worden, indien +stijfhoofdigheid uw ondergang berokkent." + +"Hoe!" riep Falckestein verbaasd: "en wat kan u zoo zeker doen +spreken?".... + +Op dit oogenblik ging de deur open en onaangemeld trad Eugenio met +een statigen stap de kamer in. Hij boog zich even onder 't naderen, +en bleef vervolgens voor Falckestein staan, de armen kruislings over +de borst geslagen, en een perkamenten rol, waarvan een opengescheurd +zegel afhing, in de rechterhand vastgeklemd houdende. + +"Graaf," zeide hij: "ik weet dat mijn bijzijn u niet behagen kan; +doch ik ben verplicht u over hoogst belangrijke zaken te onderhouden: +wees dus zoogoed mij in den tuin voor te gaan, daar wij onverhinderd +zullen kunnen spreken." + +"Is dit zoo noodzakelijk?" vroeg Magdalena met drift: "en waarom kunt +gij dit hier niet?" + +"Vrouwe! wat is er tusschen u en mij? _Quid inter me et te?_" zeide +Eugenio, haar vergramd aanziende: "Heer Graaf! een oogenblik slechts," +vervolgde hij, zich tot dezen wendende. + +"Ik zal u volgen," zeide Falckestein, bevreesd van eenig vermoeden +bij den Jezuïet te verwekken. + +Beiden verlieten het vertrek: met weerzin volgde de Graaf zijn +hatelijken leidsman, en dacht onderweg na, wat deze hem toch zou te +vermelden hebben. In den tuin gekomen, vonden zij er Beckman met het +kind, dat zich met plukken van grasplantjes en het oprapen van eenige +rotte appelen, in de plondering gespaard, vermaakte. Wat verder waren +twee soldaten bezig met de lanen te harken. + +"Verwijder u, Beckman!" zeide de Graaf: "de Pater heeft mij iets +te zeggen." + +"Laat den ouden man maar blijven," zeide Eugenio: "ik ben verheugd +zulk een eerwaarden getuige bij ons gesprek te hebben. Wat zegt de +Vulgata? _In ore duorum vel trium testium stabit omne verbum_." [15] + +De Graaf plaatste zich op eene steenen bank, terwijl Eugenio over +hem stond, tegen een appelboom geleund. Falckestein, die weinig trek +gevoelde om het gesprek te beginnen, keek strak voor zijn voeten uit +naar een spin, die over de dorre bladeren liep, speelde met de vingers +der rechterhand een marsch op de knie en krulde met de slinke zijn +knevels op. Beckman dreef met een pereboomtakje de rondvliegende +wespen van het kind, en de Jezuïet sloeg met de rol perkament op +het vlak der linkerhand op en neder, terwijl hij zijn groote oogen +beurtelings van het kind op de steenen trap, die om den toren liep, +en vandaar naar de soldaten wendde. Eindelijk brak hij het stilzwijgen +af en sprak den Graaf in dezer voege aan: + +"Don Diego de Velasco heeft voorzeker reeds afscheid van Uwe Genade +genomen?" + +"Afscheid genomen?" zeide Falckestein verrast. + +"Ongetwijfeld!" hernam de Jezuïet, met een schamperen lach: "uw vriend +(met nadruk, op het woord: vriend) uw vriend Velasco gaat nog heden, +of is misschien reeds weg. Heeft hij Uwe Genade geen kennis van zijn +vertrek gegeven?" + +"Het smart mij, dat hij ons verlaat," zeide Falckestein, die het +antwoord op Eugenio's vraag wenschte te ontwijken. + +"Luister!" zeide Eugenio: "hoort gij daarginds geen hoefgetrappel op +de brug?" + +"Inderdaad," antwoordde de Graaf. "Wat beduidt dit gerucht?" + +"Het is uw vriend, die wegrijdt," hernam de Jezuïet met koelheid. "Hij +heeft lang gehoopt, u te kunnen beschermen; doch _Homo proponit et +Deus disponit_! [16] gelijk de spreuk zegt." + +"Hij heeft gedaan, wat de plicht der menschelijkheid hem gebood," +hernam Falckestein: "God vergezelle hem!" + +"Amen!" zeide de Jezuïet, zich kruisende.--"Ik twijfel niet, of +Uw Genade zal thans verlangend zijn eindelijk eens het lot te vernemen, +dat haar en de haren boven 't hoofd hangt? Ik ben zoo +gelukkig aan dat verlangen te kunnen voldoen. De bode, die hier +dezen morgen aankwam, heeft allen twijfel hieromtrent doen ophouden." + +"Indien ik van u mijn lot vernemen moet," zeide Falckestein, "dan weet +ik reeds, wat mij te wachten staat; want van u kon ik niets hopen, +dat mij gunstig zou zijn; doch ik vleide mij, dat Velasco mij de +bevelen omtrent mij gegeven zou kenbaar maken." + +"Dat was ook de meening van Velasco," zeide de Jezuïet: "doch de +Amirant heeft er anders over gedacht. Lees slechts dit perkament, +waaruit gij alle noodige opheldering zult ontvangen." + +De Graaf nam den brief uit zijn hand; hij behelsde een volmacht door +Mendoza gegeven aan broeder Eugenio van de orde Jesu, om met den +persoon van Ulrich von Daun, zich noemende Grave van Falckestein en +Overstein en Heere van Bruck, naar goeddunken te handelen. Bedaard +las hij het uit, en reikte het vervolgens, zonder er een woord bij +te voegen, aan Eugenio over. + +"Gij ziet dus," vervolgde deze, op elk zijner woorden een bijzonderen +nadruk leggende, terwijl zijn oogen van helsche blijdschap vonkelden, +"gij ziet, dat de kans tusschen ons beiden eenigszins gekeerd +is. Eenmaal ware ik bijna uw slachtoffer geworden; thans hangt de +beschikking over uw lot aan mij alleen." + +"En waant gij, dat Velasco immer dulden zal?...." + +"Wat Velasco dulden zal of niet, is mij volkomen onverschillig. Van +mij moet gij genade afsmeeken, en van mij alleen." + +"Van u?" antwoordde Ulrich, hem met verontwaardiging aanziende: +"liever stierf ik duizend dooden." + +"Juist! _septuagies septies_ [17]; doch gij zijt niet alleen! of +heeft het niets van mij te vreezen, dat zorgelooze knaapje, daar?" + +"God in den hemel! Mijn Ulrich!" gilde Falckestein, opspringende. Doch +Eugenio was hem reeds voor geweest. Met de linkerhand het kind +omhoogtillende was hij den boomgaard door, en de trap, die aan de +zijde van het kasteel naar den hoektoren geleidde, opgesneld. Daar +gekomen hief hij het kind over de borstwering, ruim tien voeten boven +de zijgracht, terwijl de twee soldaten, eensklaps toegeschoten, den +Graaf, die hem volgen wilde, tegenhielden. "Geen stap verder!" riep +Eugenio, "of gij zijt de moordenaar van uw kind!" + +Falckestein bleef doodsbleek staan. + +"Graaf!" vervolgde de Jezuïet, terwijl hij met de rechterhand zijn +boezem ontblootte: "hoor naar mij en beschouw dit litteeken: het is +dat van de wonde, mij door u toegebracht in dien noodlottigen nacht +toen de ongelukkige Panne, door uw toedoen, het slachtoffer zijner +getrouwheid aan de Moederkerk is geworden. Dacht gij, dat men zulke +beleedigingen vergeten konde?" + +"Wreek u; doch op mij alleen: spaar het leven van een ongelukkig, +onnoozel kind. Geef het terug aan zijn moeder...." + +"Dwaas! alsof uw dood mij wraak genoeg verschaffen kon? Gij zijt een +krijgsman, een dapper krijgsman; gij kunt den dood niet vreezen. Van +dien kant kan ik u niet deren; doch, gij hebt een vaderhart en dat +weet ik te treffen; dat vaderhart moet vaneengereten worden. Ziedaar +een wraak, mijner waardig." + +"IJselijk mensch!.... doch bedenk hoe gij u zult verantwoorden. Dat +bevelschrift geeft u alleen volmacht over mij." + +"Wien de koe behoort, behoort ook het kalf," zeide Eugenio grijnzende. + +"Al wat ik bezit, al wat mij overbleef is het uwe; doch spaar mijn +kind!" + +"Zoo is het! zoo moest ik u doen smeeken; maar neen; de dood van het +knaapje is besloten: en voor de muren van uw slot zult gij het met +het water zien spartelen." + +"Onmensch! ik bezweer u." + +"Vruchteloos!" + +"Welnu! zie mij vernederd: ik werp mij voor u in 't stof, doch spaar +mijn kind!" + +"Heerlijk, verrukkelijk schouwspel! De trotsche Graaf van Falckestein, +de hoogmoedige vijand van Rome en Madrid, voor een armen Jezuïet in het +zand geknield. Kom! begin uw _confiteor_! [18] wel moogt gij zeggen: +"_Pater peccavi_. [19] Doch het ware al om niet: ik voldoe mijn wensch; +en ziedaar de ontknooping van het spel: _septuagies septies_! [20]" + +Deze woorden uitende, liet hij het kind los. Falckestein sprong +met een vreeselijke gil toe: hij had den plof gehoord en meteen den +noodkreet van zijn zoontje in het uiterste levensuur. In vreeselijke +gemoedsaandoening vloog hij naar den waterkant om in de rivier te +springen en te trachten het arme kind te redden; doch op een wenk +van Eugenio gaf hem een der Spanjaards met zijn hark zulk een slag +op den slaap van het hoofd, dat hij met den kreet van: _o Jezu_! ter +aarde stortte. + +Beckman was, zoodra hij het kind in het water had hooren ploffen, +met al den spoed, dien zijn jaren toelieten, naar den vischslag +geloopen, alwaar, volgens Velasco's belofte, het schuitje werkelijk +lag vastgemaakt. Met kracht van riemen haastte hij zich naar de +plaats waar het kind gezonken was, 'tgeen aan de andere zijde van +den hoektoren en buiten zijn gezicht had plaats gehad. Langs de +rivier in de zijgracht gekomen, zag hij wel een mutsje drijven; +doch het kind zelf was nergens te bespeuren: alleen de kringen in +het water verrieden de plek, waar het verdwenen was. Terwijl hij +aldaar rondzwalkte, gonsde hem een steen om de ooren, hem uit den +boomgaard nageworpen; waarop hij, op eigen levensbehoud bedacht, +naar de overzijde voer en zich redde met de vlucht. + +Ruim drie uren had de grijsaard langs de heuvelen en dalen +rondgezworven, terwijl de schrikbeelden van het laatste oogenblik +hem beletteden, over het gebeurde na te denken, toen hij van verre +iemand naderen zag in boerengewaad, doch met sabel en pistolen +gewapend. Beckman wilde hem ontwijken; doch met een kreet van +blijdschap snelde de vreemdeling op hem af. Het was Feurich, wien de +Gravin, die behouden te Dortmond was aangekomen, had afgezonden om +naar het lot van haar echtgenoot te vernemen. Men beseft de droefheid +des braven ruiters, toen Beckman hem den nieuwen moord, die te Bruck +had plaats gehad, berichtte. Deze tijding deed hem echter van zijn +voornemen niet afzien. Hij verzocht dus aan Beckman, hem bij een boer, +dien hij hem noemde, te wachten, en reisde voort naar Bruck. + +Het was reeds nacht, toen hij in het gezicht kwam van het slot: dan +welke verbazing beving hem, toen hij het in dikke rookwolken gehuld +zag, terwijl de spiegeling der vlammen in de rivier teruggekaatst +werd. Met ontzetting naderde hij: dan al spoedig werd hij gewaar, +dat alleen het vischhuisje en de tuinloods in brand stonden. Dit deed +hem besluiten zijn oogmerk te volvoeren: hij ontdeed zich van zijn +bovenkleederen, greep de sabel tusschen de tanden, zwom de rivier +over en klom, tegen den steiger, aan de overzijde aan wal. + +Het was hier stil; doch een ondraaglijke hette vervulde den +boomgaard: de flikkering der vlam, die allengskens afnam, deed +hem alle voorwerpen duidelijk onderscheiden: dan wat schouwspel +deed zich aan zijn oogen voor, toen hij de zwartgerooste balken en +steenen genaderd was: een twaalftal verbrande en gerooste lijken, +allen naakt uitgeschud en onkenbaar! Met ijzing treedt hij terug; +doch keert zijns ondanks weder. Met de punt van 't geweer draait hij +hen om, zij vallen in asch uiteen. Eindelijk vindt hij een lichaam, +waarvan alleen de beenen verteerd waren, terwijl het hoofd, in 't +natte gras rustende, nog volkomen gaaf was. Hij trekt het naar zich +toe, veegt met de hemdsmouwen het gelaat schoon, en.... zwijmt neder +naast het deerniswaardig overschot van zijn ontzielden meester. + +Wenden wij de oogen van dit schriktooneel af en begeven wij ons +naar het leger der Staatschen, waar de doorluchtige held, die er het +opperbevel voerde, met nimmer verkloekt beleid zich beijverde om de +verachterde zaken van den Nederkreits te herstellen. + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + + Maer dat en is het niet, waerop de veltheer loert. + Wie zich derf onderwinden + Een' aenslagh, vol gevaers, moet passen op zijn tijt. + + _Vondel_, Gysbrecht van Aemstel. + + +Mendoza had, min door beleid of dapperheid, dan door de medewerking +der pestziekte, die de bezetting wegrukte, en der vlam, die het +buskruit der Staatschen springen deed, de stad Rijnberk in zijn macht +gekregen, en kort daarna Wezel, Rees en Emmerik bezet. Maurits, nu +zeker onderricht, dat al die krijgsbedrijven zeer tegen den zin der +Duitsche vorsten geschiedden en door de Kleefsche Regeering opnieuw om +hulp aangeroepen, had zich van Zevenaar, Heussen en Lobith verzekerd, +en die grensplaatsen van de noodige versterking voorzien. Hierdoor +waren de vijandelijke legers zoo dicht bij elkander, dat het niet +missen kon, of er moesten gedurig schutgevechten voorvallen. De +Spanjaarden schoten hierbij doorgaans te kort, daar het verwoesten +der landerijen in het leger van Mendoza een hongersnood had doen +ontstaan, die zoo geweldig woedde, dat de overloopers en gevangenen +dikwijls verklaarden, in geen vijf dagen brood geproefd te hebben. Het +hoofdkwartier van Graaf Maurits was te Oud-Zevenaar gevestigd, en zijn +sterkste legermacht aldaar verzameld, eensdeels op het vasteland, +en anderdeels op den Weert of eiland, voor de kerk liggende, en den +Gelderschen Weert genaamd, welke met den vasten wal aan weerszijden +door schipbruggen vereenigd was, en waardoor een andere schipbrug +van honderd roeden lang een veiligen weg bood aan de ruiterij en +den legertrein. Ook hier hadden kunst, beleid en volharding over +de weerbarstige natuur gezegevierd, en het schijnbaar ongunstig +gelegen oord had, door de bekwaamheid van den veldheer, een sterke, +gemakkelijke en wel voorziene legerplaats verschaft. + +Het was op een frisschen najaarsmorgen, dat de veldheer, van zijn +dappere legerhoofden en bekwame krijgsbouwmeesters vergezeld, van +den Weert, alwaar hij een krijgsschouwe gedaan had, naar Oud-Zevenaar +terugkeerde. De legers van dien tijd--vooral dat der Staten--leverden +een Babel op van de meest verschillende volkeren en tongen, van +oorlogslieden, door win- of eerzucht uitgelokt, om voor de zaak te +strijden van een natie, die hun vreemd en onverschillig was, en het +is nog te verwonderen, hoe een legerhoofd niet alleen de vereischte +orde, ondergeschiktheid en rust kon bewaren in een lichaam, uit +zulke vreemdsoortige deelen samengesteld, maar zich daarvan met eenig +voordeel konde bedienen. Zoo iemand, verstond Maurits deze kunst, hem +door zijn grooten vader en voorganger ten erfdeel gelaten: en het ware +de moeite dubbel waardig, dat een bekwame pen zich bevlijtigde, meer +opzettelijk de bekwaamheden aan te toonen, welke die beide Vorsten +hebben aan den dag gelegd in het te boven komen van hinderpalen, +niet uit de macht der vijanden, maar uit de samenstelling hunner +natuurlijke bondgenooten en medestrijders ontstaan. Men zegt vrij +algemeen en men kraait het elkander na, dat onze voorvaderen ons +land hebben vrijgevochten; doch de door hen betoonde dapperheid en +volharding heeft zich meer bepaald tot het verdedigen van eigen +Haardsteden, gelijk te Leiden, Haarlem en Alkmaar het geval was, +dan tot het wezenlijk oorlogvoeren. Zonder de groote legerhoofden, +die voor ons vaderland gestreden hebben, ware het nog lang een machtig +deel van Spanje gebleven, en het gezegend licht der Hervorming had +er niet dan flauwe en onder de koornmate verborgen stralen geschoten. + +De legers van dien tijd waren uit verschillende bestanddeelen +samengesteld, gelijk ik aanmerkte vóór deze uitweiding, voor dewelke +ik den lezer verschooning verzoek: en de stoet, die Graaf Maurits +vergezelde, bood in een klein begrip stof tot een beschouwing als +bovenstaande. + +Naast den Graaf reed een der bekwaamste officieren van zijn tijd, de +Generaal Sir Francis Vere, die de Engelsche benden aanvoerde; aan zijn +andere zijde de groote Vlaamsche Wiskunstenaar Simon Stevyn, 's Vorsten +vriend en leermeester, die hem in 't veld als Kwartiermeester-Generaal +diende, en achter hem de Waalsche Hoofdman Marquette. Wat verder +reden 's Vorsten neven, Graaf Ernst van Nassau, die aan 't hoofd der +Duitschers stond, en Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, welke beiden +moeite deden om een geregeld gesprek te onderhouden met den Markgraaf +van Bethune, den Kolonel der Fransche hulpbenden. Hen volgden andere +stafofficieren, waaronder zich de Schot aan zijn geruiten mantel, de +Milanees aan zijn gitzwart haar en geestigen oogopslag, de Deen aan +zijn vierkante kloeke gestalte en de Zwitser aan zijn breede knevels +onderscheiden lieten. Eenige kapiteins van de Garde, waaronder de +Ritmeester van Reede van Sonheuvel, waren met dezen trein vermengd. + +Aan het hoofdkwartier gekomen, vernam de Graaf, dat de Gravin +Douairière van Falckestein zich aldaar had aangemeld en een gehoor +bij Zijne Doorluchtigheid dringend verzocht. + +"De Gravin van Falckestein!" zeide Maurits met aandoening: "zij +moet vooral niet worden afgewezen. Vergunt mij eenige oogenblikken +aan haar te schenken, Mijne Heeren! ik ben straks weder tot uw +dienst. _Vetter_!" vervolgde hij, zich tot Graaf Lodewijk Gunther +wendende. "Ga Mevrouw verwelkomen en zeg haar, dat ik haar verwacht." + +Dit zeggende, begaf zich Maurits naar zijn tent, terwijl de officieren, +van hunne paarden afgestegen, zich aan den ingang in onderscheidene +groepen verzamelden. Nieuwsgierig sloegen zij de oogen naar de zijde, +van waar de Gravin moest komen, met dat verlangen, hetwelk men +gemeenlijk koestert om iemand te zien, die zich, hetzij door groote +daden, hetzij door groote onheilen heeft beroemd gemaakt. Weldra +naderde zij, door Graaf Lodewijk Gunther voortgeleid; zij was in zwaar +rouwgewaad gehuld, doch de diepe weedom, op haar bevallig nu verbleekt +gelaat verspreid, duidde nog meer dan het rouwgewaad het lijden aan, +dat haar ten deel gevallen was. Zij had haar nu eenig zoontje bij de +hand, en trad met nedergeslagen oogen en wankelenden gang de rijen +der edelen door. Beckman en Feurich, die haar vergezeld hadden, bleven +op een kleinen afstand van 's Veldheers legertent eerbiedig staan. + +Met een oog vol deernis staarden de krijgsoversten op die rampzalige +weduwe, en aan meer dan een, die haar vermoorden echtgenoot gekend +had en hooggeacht, ontrolde een droevige traan. Horatio Vere echter +kon niet nalaten tegen Reede, die naast hem stond, aan te merken: +"_a fine lady, to be sure_ [21], nietwaar?" "Ik heb er niet op gelet," +antwoordde de Ritmeester: "ik heb alleen het rouwgewaad gezien, dat +mij den dood van een onvergetelijken vriend herinnert." Dit zeggende, +wendde hij zijn gelaat af en bedekte het met de linkerhand. + +"_He was your friend? Ah! forgive me: I did not know the +relation_...." [22] + +Inmiddels was de gravin de legertent des Vorsten ingetreden en bevond +zich met dezen en haar zoontje alleen; dan, vruchteloos poogde zij +haar rede te beginnen: het gewicht van haar smarten onderdrukte haar, +en zij kon, terwijl zij aan Maurits het knaapje voorstelde en zich als +smeekeling voor hem nederboog, niet anders uitbrengen dan deze woorden: +"Uwe Doorluchtigheid bescherme mij en dit ongelukkige weeskind!" + +"Sta op, Mevrouw! en neem plaats," zeide Maurits, haar opheffende +en naar een zitplaats geleidende: "gij komt hier bij een vriend, +die hartelijk deelt in uw lot. Waarmede kan ik u die deelneming +betoonen? want Maurits is een slecht redenaar en doet zijn medelijden +liever door daden spreken. Beveel over mij; doch, ik bid u, kom tot +u zelve, gij zijt diep ontroerd!" + +Nadat de Gravin door een vloed van tranen lucht had ontvangen en +genoeg bedaardheid van geest herkregen om een aaneengeschakelde rede +te beginnen, schilderde zij haar ongelukkigen toestand aan den Vorst, +betuigde hem, dat zij niet in den Nederkreits blijven wilde, noch haar +nu eenigen zoon aan de rampen des oorlogs blootstellen en eindigde +met aan Maurits te verzoeken, dat hij haar in een der Hollandsche +steden een veilige wijkplaats wilde aanwijzen, waar zij, verre van +het oorlogsrumoer, haar dagen in stilte zou kunnen doorbrengen, +totdat de krijg, van den Neder-Rijn geweken, haar weder vergunde, in +het bezit van haar goederen te keeren en zich aldaar neder te zetten. + +Met vriendelijk geduld en oplettendheid luisterde de Graaf naar haar +verzoek, en gaf haar vervolgens zijn woord van voor haar en haren +zoon als voor de leden van zijn huisgezin te zullen zorgen. Vervolgens +riep hij graaf Lodewijk Gunther binnen. + +"_Vetter_!" zeide hij: "maak u gereed om de genadige vrouw naar Arnhem +te geleiden en haar het beste logies te bezorgen, dat gij voor haar +vinden kunt. Ik zal intusschen aan de Staten schrijven en van Hunne +Hoogmogenden verzoeken, Hare Genade een geschikte woonplaats in Den +Haag aan te wijzen. De Graaf van Falckestein heeft genoeg voor ons +gedaan, dat zijn weduwe wel eenige aanspraak op onze dankbaarheid +mag behouden."--Dit zeggende, geleidde hij zelf de Gravin tot aan +de legerpoort terug, en nam afscheid, haar nogmaals aan de zorgen +van zijn bloedverwant aanbevelende. "Kwijt u wel van uw post, +_Vetter_!" fluisterde hij hem in 't oor, "en verlies uw roem niet, +van een getrouw dienaar der dames te zijn." + +Bij zijn terugkomst aan het hoofdkwartier vond de Graaf al zijn +officieren van geestdrift opgewonden. Zij hadden van Beckman en Feurich +de afgrijselijke omstandigheden van den moord vernomen en waren +in felle woede op de bloeddorstige moordenaars ontstoken. "_De par +tous les diables_!" riep Bethune uit: "Sel die Spanjool op onkestoor +sulke moordadikheden pleeken? _et sans vengeance_? Permetteere ons +Son Excellence om te kaan _venger_ so skendikke skelmstukke?" + +"Op wie?" vroeg Stevyn glimlachende. + +"Oppe wie? Parbleu! _Monsieur le Quartiermaître_! dat isse eene vraak +van een _mathématicien_. _Diable_! _sur tout le monde, pour l'honneur +de l'humanité_." + +"_Revenge on die damnd_ vermorderers!" riep Vere. + +"Ich sol den ersten Spanjool, dien ich antreffe, die kopf afschlagen +vor eine rache," zeide Graaf Ernst. + +"Hoe nu, Mijne Heeren!" zeide Maurits: "wat is uw oogmerk? als ware +Amadissen de wapenen op te vatten en mij te verlaten om een schoone +vrouw te gaan wreken?" + +"_Pardon, votre Excellence_!!" zeide Bethune; "maar ik bekrijp, +_en vrai chevalier Français_, te moeten omhels _la cause_ van de +bedrukte _beauté_." + +"_A child murdered_!" riep Vere: "het roept om wraak _to the Lord_!" + +"Ein vertrag zu erbrechen!" hernam Graaf Ernst. + +"Recht zoo!" zeide Graaf Maurits: "dit alles roept om wraak! en de +straf zal eenmaal het misdrijf volgen. Mendoza zal spoedig de vruchten +van zijn spelen met eed en beloften ondervinden, in het wantrouwen van +allen, wier hulp hij behoeft en in de verachting van al wat wèl denkt, +ook bij den Spanjaard. Wat ons betreft, Mijne Heeren! laat ons deze +nieuwe bijdrage tot de geschiedenis der Spaansche tirannen in aandenken +houden; doch alleen om met des te meer ijver het groote verlossingswerk +voort te zetten, waartoe wij ons vereenigen, en wachten wij ons om, +bij het wreken van dergelijke wandaden, ze na te volgen. De oude regel +_tand voor tand_ en _oog voor oog_ is door een betere, zachtere leer +vervangen, en Spaansche gruwelen mogen nimmer worden aangehaald om +de onze te wettigen.--En thans genoeg hierover: Mijn beste Stevyn! de +Grootmeester der Artillerie Kessel, wacht ons aan de stallen: ik heb +nu een twintigtal toomen laten maken volgens de teekening, die ik er +laatst van ontworpen heb, en ik durf vast gaan, dat zij, wiskunstig +gesproken, de gebitten niet meer prangen kunnen. Tot noen dan, Mijne +Heeren! ik verwacht ulieden en wensch u inmiddels vaarwel." Dit gezegd +hebbende, boog hij zich rond en vertrok met Stevyn. + +"Wiskunstige toomen! _ne sont-ce pas comme qui dirait des brides +mathématiques_?" vroeg Bethune met een spottenden glimlach. + +"_The same_," antwoordde Vere; "doch laat u dit niet verwonderen. Gij +zijt nog maar kort bij ons," (vervolgde hij in gebroken Fransch, +hetgeen ik hier liever in verstaanbaar Nederlandsch overbreng); +"maar gij zult meer hooren dan dit. Bij zijne Excellentie gaat alles +wiskunstig toe, en het is er niet te minder om. Onlangs had ik, ter +bemachtiging van een verschansing, schuiten uitgedacht met opstaande +ladders; doch Zijne Excellentie bewees mij zeer goed, dat mijn schuiten +niets deugden, en bij het beklimmen der ladders, door de zwaarte zouden +kantelen en omslaan: en toen maakte Stevyn op zijn last een vertoog, +'t welk hij noemde.... hoe duivel heette het ook?.... o ja: _vlietende +topswaerheit_: en hij bewees daarin hoe men schuiten moest inrichten, +die nimmer kantelen konden, maar evenals Indiaansche duikelaartjes +zich altijd weder herstelden!" + +"_Ah! c'est un grand génie, quo son Excellence_," zeide Bethune: +"_mais pourtant, des brides mathématiques_! _c'est plaisant_! _je +doute que cela prenne_." + +"_Et cela prendra cependant_," zeide de Adjudant Marquette tot den +ginnegappenden Franschman: ik ben _certein_, dat ge den ierste zijn +zult, dien ze in awe roitery zult nemen, zoodrao ge ze gezien hebt." + +"_Je n' en doute pas, puisque vous affirmez, mais cependant_...." + +"Komt _meine Herren_!" riep graaf Ernst hun toe: "wollen sie nicht met +kaan nach die maliebaan om onze etlust anzuwacheren?"--Dit voorstel +vond goedkeuring: de krijgsoversten begaven zich naar een open plein, +dat, achter 's Veldheers tent gelegen, de geschikste gelegenheid +aanbood tot dergelijke vermakelijkheden. Hier besteedden zij den +tijd, die hun tot het etensuur overbleef, met het balslaan of met het +kegelspel. Alleen de Heer van Sonheuvel schudde ontevreden het hoofd en +begaf zich naar zijn kwartier.--"Zijn dat mannen?" mompelde hij onder +'t voortgaan: "in 't eene oogenblik bestormen zij Zijne Excellentie +om verlof tot een uitval, ten einde wraak te gaan nemen over dien +gruwelijken moord, en in het volgende loopen zij als kinderen naar de +maliebaan en kaatsen en kegelen en lachen en zuipen, alsof er nooit +een Ulrich von Daun in de wereld geweest ware. Dan, laten zij hem +vergeten, ik vergeet hem zoo licht niet!" + +Nog vervuld van deze gedachten, trad hij zijn tent binnen, waar hij +den getrouwen Bouke bezig vond met het opwitten van zijns meesters +handschoenen en degenhanger. + +"Ik hoor," zeide deze, "dat de genadige vrouw van Falckestein in het +leger geweest is." + +"Dat is zij, Bouke! en tot mijn verdriet! Toen hebben de Oversten een +boel poha gemaakt quasi om haar te gaan wreken, en het was Fransche +wind en Duitsche larie en Engelsche vloeken wat men hoorde; en per +slot van rekening zijn zij allen loopen spelen; maar, wat mij betreft, +ik beloof dat ik den eersten Spanjool, dien ik in handen krijg, den kop +zal afhouwen tot een exempel voor al zulke woordbrekers en verraders." + +"Die arme Graaf!" zeide Bouke: "doch wat kon hij anders van zulke +schelmen verwachten? 't zijn allen fielten en rabauwen: heugt het +UEd. nog van die Satansche Jezuïeten? Ja, gelijke monniken, gelijke +kappen! De Graaf had zich nooit met hen in moeten laten, want geef +je den duim, ze nemen je de heele hand." + +"Nu," hernam Reede: "ik zal hun duim noch hand, maar wel een paar +fiksche vuisten toonen, dat beloof ik. Ja, ik moet en wil Zijne +Excellentie spreken; misschien zal Maurits als ik hem alleen vinde, +mij wel toestaan een tochtje te ondernemen: hij is hier achter in de +stallen: ik zal hem maar terstond gaan opzoeken." + +"Juist," merkte Bouke aan: "men moet het ijzer smeden als 't warm is." + +De Ritmeester trad zijn tent weder uit en wandelde naar de straten +achter de legerplaats, waar zich de paardenstallen bevonden. Het +leed niet lang, of hij zag den Graaf met zijn jongen broeder +Hendrik Frederik, den Generaal der artillerie Kessel en de beide +Kwartiermeesters-Generaal Stevyn en Lieven Cys bij een fraai +merriepaard staan, aan hetwelk zij onderscheidene gebitten pasten. + +"Gij ziet dus, Kessel!" zeide de Graaf, "dat onze leer op goede gronden +steunt, en dat de keeren aan een stang noch meer noch minder tot de +strakheid doen." + +"Zooals Uwe Excellentie het berekent, neen," antwoordde Kessel; +"doch het zij mij vergund aan te merken, dat men elk in zijn ambacht +gelooven moet, en dat alle pikeurs en stalmeesters van oordeel zijn, +dat de keeren veel toebrengen tot de strak- of slapheid." + +"Ten iersten," zeide Stevyn, "zijn de pikeurs giene wiskunstenaors, +en kunnen dus van gewichtige gedaonte niet eurdeelen: ten twieden +moeten zij oit de ondervinding hun veurgeven bewijzen, of ik ben niet +verplicht hen te geleuven." + +"Eilieve zie eens!" zeide Lieven Cys, "hoe bedrukt de kapitein Reede +daar aan komt wandelen: 't is of hij vandaag niet ontbeten heeft zoo +kauwt hij op zijn hoed." + +"Hij is misschien bij Mendoza te gast geweest," merkte Stevyn aan, +al lachende: "daor, heur ik, volgt men het oude veurschrift van den +philosoof, om, naomelijk, altijd met honger van taofel te gaon." + +"Gij zult zien," zeide de Graaf, "dat hij mij een verzoek te doen +heeft, waarmede hij niet durft aankomen: wij zullen hem uit de +verlegenheid helpen.--Kapitein Reede! een woordje met u, als 't u +gelegen komt!" + +Met een loop, die veel naar een sprong zweemde, bevond zich de +Ritmeester aan 's Graven zijde. Deze verwijderde zich een weinig van +de Oversten, waarna hij, Reede vlak in 't gezicht ziende, hem aldus +toesprak: "Gij hebt iets op uw hart, Kapitein, en gij schroomt het +uw Overste te verhalen. Is dat vriendschappelijk gehandeld? Gij weet +hoe Maurits de openhartigheid bemint.... wanneer het geen staatszaken +betreft." + +"Uwe Excellentie is al te goed," was het antwoord des Ritmeesters: +"en echter vrees ik mijn verzoek niet te zullen verkrijgen: ik wilde +Uwe Excellentie spreken over.... over.... de treurige tijdingen, +die heden...." + +"Hoe!" vroeg Maurits: "is uw gade erger? Ik weet, dat zij zich in +zeer zwakken staat bevindt." + +"'t Is waar, Uwe Excellentie! de dood van ons eenig zoontje heeft haar +in haar zwangeren toestand zeer getroffen; doch ik bedoelde thans de +nieuwe berichten, die ik heden ontving, over den moord van iemand, +die zoowel de vriend Uwer Excellentie was als de mijne, den waardigen +Ulrich von Daun." + +"Welnu?" zeide Maurits: "en gij wilt?...." + +"Wraak nemen op de moordenaars, waar ik hen vinde," was het antwoord. + +"Ik versta u," hernam de Graaf met veel koelheid, "doch een expeditie +ligt niet in mijn plan." + +"Uwe Excellentie!...." + +"Misduid mij niet! niemand verdenke mij van hardvochtigheid of +ongevoeligheid omtrent het lot van den edelen Graaf! Ik ben geen +weekhart, en echter hebben deze oogen droevige tranen gestort om zijn +verlies, en ben ik er wellicht dieper over getroffen dan al die Heeren, +die mij zoo luidkeels tot wraak aanspoorden. + +"Mag ik," hernam Reede met aandrang, "mag ik op dat getal geen +uitzondering maken? Ik was de boezemvriend van den Graaf: ik ken +zijn moordenaars." + +"Doch waar zult gij hen vinden?" + +"Wellicht nog te Bruck; doch hetzelfde waar zij zich ophouden, al zaten +zij, met verlof gezegd, in de voorpoort der hel, ik zal hen vinden met +hulp van God en mijn zwaard. Daarenboven weet Uwe Excellentie dat ik +een oud eigen op den moordenaar heb, zoowel als Uwe Excellentie. Hij +was een der opstokers van Pieter Panne, wie ik...." + +"Ik versta u: en uit dankbaarheid, dat gij toen mijn leven gered hebt, +moet ik u thans, na de rol van meester Knipschaar, die van meester +Hans laten spelen. Hoor eens Ritmeester!" vervolgde hij, hem met +gemeenzaamheid de hand op den schouder leggende: "gij zijt een dapper +man, kloek en handig met het zwaard, altijd de eerste in het veld; doch +of gij de noodige koelbloedigheid bezit om een expeditie als die van +welke gij spreekt te bestieren, dit laat ik, beste vriend! gaarne aan +uw eigen oordeel over. Ik mag thans mijn leger van geen man ontblooten +en wil niemand in gevaar brengen door met u herom te dolen bij nacht +en ontijde om een mageren Jezuïet te zoeken; want dat zoudt gij dan +moeten, vermits Pater Eugenio niet meer te Bruck is." + +"Niet? O! in 's Hemels naam, Uwe Excellentie! waar bevindt hij +zich dan?" + +"Kunt gij een geheim bewaren, Kapitein?" + +"Als goud, Uwe Excellentie." + +"Dat voorrecht bezit ik ook, tot mijn geluk. Geloof mij, het ware +eene onnutte poging, te willen kennen hetgeen ik bedekt wil houden: +indien mijn hemd achter een mijner geheimen kwam, smeet ik het dadelijk +op het vuur." + +"Dan zal ik zorgen mij niet te branden," zeide Reede, met een koele +buiging en terwijl hij een gezicht trok alsof hij een drankje innam: +"het doet mij innig leed, dat Uwe Excellentie aan mijn verzoek niet +voldoen kan." + +Met deze woorden nam hij afscheid en keerde naar zijn tent, als een +patrijshond, die aan den ketting ligt en zijn meester ter jacht ziet +gaan zonder hem mede te nemen. + +De mensch loopt de fortuin na en deze komt hem dikwijls in zijn bed +opzoeken: dit spreekwoord, dat Bouke dikwijls bezigde, werd kort na +het gesprek, dat de Graaf met Reede gevoerd had, aan dezen laatsten +bevestigd. Hij lag te halftien des avonds op zijn legerstede te +ronken, toen zijn dienaar Bouke opeens half naakt voor hem verscheen, +en hem wekte met dit spreekwoord: "hoe later op den dag, hoe schooner +volk! daar is iemand vanwege Zijne Excellentie, om UEd. te spreken." + +"Zoo!" zeide de Ritmeester, de oogen wrijvende: "ja het is niet anders: +kom de vorsten iets vragen, dan is 't zelden te huis, hebben zij ons +noodig, men moet op elk uur van den dag of nacht klaar zijn: doch dat +is tot daar aan toe; breng den bode hier, Bouke!.... of wacht! geef +mij eerst mijn pels." + +Bouke reikte hem den pels aan, dien hij over het hemd aantrok, terwijl +hij al rillende en klappertandende zich naast zijn bed nederzette. Een +Luitenant van de Garde werd binnengeleid, die hem aldus toesprak: +"Zijne Excellentie verzoekt u, Heer Ritmeester! mij op staanden voet +in volle wapenrusting te willen volgen, met uw dienaar." + +"Waartoe? waarheen? waarop is 't gemunt?" vroeg Reede, terwijl hij zijn +oogen wijd opspalkte en het hoofd schudde om recht wakker te worden. + +"Dat zal Zijne Excellentie UEd. ongetwijfeld zelve verklaren willen," +antwoordde de Luitenant: "UEd weet dat zijn geheimen...." + +"Genoeg!" hernam de Ritmeester, die nu geheel wakker was, met +blijdschap: "ik geloof dat ik het oogmerk al raden kan;.... doch +laat ik niet te veel zeggen, anders mocht hij een _autoda-fé_ van +mij maken, zooals van mijn hemd: gij hebt het gehoord, Bouke! geef +mij mijn wapenen, en ga dan spoedig de paarden opzadelen." + +"Welk paard zal UEd. berijden?" vroeg Bouke. + +"Om 't even: neem 't grauwtje maar!" + +"Neem het zwartste paard dat gij hebt, Heer Ritmeester!" zeide de +Luitenant: "de nacht is wel donker, maar een wit paard wordt ook bij +duister gezien." + +"Bij nacht zijn alle katten grauw," merkte Bouke aan, terwijl hij +zijn meester diens wapenen aanbracht. + +"Gekheid, Bouke," zei deze: "de Luitenant heeft gelijk. Zie eens, +Heer Luitenant! mijn borstkuras is zoo helder gepolijst, alsof ik +te voren geweten had, dat het dezen nacht zou moeten dienen.... 't +is maar om u te toonen, dat men altijd zorgen moet, zijn spullen +in orde te hebben!.... ik zal er met dat al maar een buis over +aantrekken; vooreerst om de koude, en ten tweede om niet gezien te +worden;.... het zou toch nogal aardig zijn, indien ik juist geraden +had!.... Ook zal ik maar een helm zonder vederbos opzetten.... ja, +Zijne Excellentie zegt wel, dat ik geen bedaardheid bezitte.... wat +hamer Bouke! rep u dan toch wat!.... maar ik hoop u te toonen!.... Zie +zoo! ga nu maar de paarden halen: ik zal zelf mijn degen wel krijgen +en mijn pistolen laden.... ik wil wedden, dat wij dien Jezuïet in +handen krijgen!.... Gaat gij ook mede, Heer Luitenant?--Niet!.... dat +spijt mij; anders zoudt gij een kluchtspel zien: een Jezuïet, dien +wij zullen vangen!.... waar zijn mijn handschoenen?.... och ik heb +ze al aangetrokken!.... wat talmt Bouke nu weer?" + +Op het einde dezer alleenspraak, welke de Luitenant zich wel gewacht +had te storen, daar hij er niets van begreep, en het praten over +het hemd van Zijne Excellentie en den te vangen Jezuïet daar aan +toeschreef, dat Reede nog door den slaap bevangen was, verscheen Bouke +met de paarden voor de tent. Heer en dienaar stegen op, voorafgegaan +door den Luitenant, die hen met een handlantarentje voorlichtte. Zij +trokken de brug over, die naar den Weert geleidde, de lange brug, +die er overheen voerde, en de derde, welke den Weert met de overzijde +vereenigde, totdat zij in 't open veld waren gekomen. Aldaar kondigde +het gebriesch van paarden de nabijheid aan eener ruiterbende, welke +door de duisternis niet kon worden onderscheiden. Nu floot de Luitenant +een paar malen, en zijn sein werd op gelijke wijze beantwoord: een +man in een zwaren mantel gewikkeld en met een breedgeranden hoed op +'t hoofd, trad voorwaarts: het was Graaf Maurits. + +"Heer Ritmeester!" sprak deze: "de tijd is kostbaar; doch een +goed verstaander heeft aan een half woord genoeg: achter mij staan +honderd ruiters, uit alle benden uitgelezen. Gij trekt met hen een +konvooi te gemoet, dat heden uit Gelder naar het hoofdkwartier van +Mendoza getrokken moet zijn.--Geen kwartier voor al wie wederstand +biedt!--Geene onmenschelijkheden na de overwinning. Een der moordenaren +vindt gij zeker: zorg, dat hij niet ontsnappe! een gids, die u +verzellen moet, zal u alles nader verklaren. God geleide u!" + +"Ik kus de handen uwer Excellentie duizendmalen," zeide Reede vol +blijdschap: "dat had ik niet durven verwachten, na het laatste gesprek, +dat ik de eer had met uwe Excellentie te houden.... God zegene Uwe +Excellentie!"--En hiermede gaf hij zijn paard de sporen en voegde +zich bij de ruiterbende, terwijl Maurits met den Luitenant naar het +kamp terugkeerde. + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + + Hij is met krijghsmans eere in 't harrenas gestorven. + + _Vondel_, Gijsbrecht van Aemstel. + + +Moedig trok Reede, aan 't hoofd zijner bende, de duistere heide over, +terwijl de gids, een oud onderofficier, in die streken welbekend, +en die zich terstond aan zijne zijde gevoegd had, hem nader omtrent +den weg onderrichtte, welken de vijand volgens de ingekomen berichten +en naar alle waarschijnlijkheid nemen moest, om van Gelder naar het +hoofdkwartier van den Amirant te trekken. De Ritmeester beraamde +dienvolgens zijn plan om het konvooi zeker te ontmoeten en te +onderscheppen, en toen men eenige uren had voortgereden, gebood hij +dat men halt zoude maken en steeg hij met de officieren af, om te +beraadslagen wat hun te doen stond. Men was nu in de nabijheid van +een volkrijk dorp gekomen, hetwelk de Spanjaards ongetwijfeld moesten +doortrekken, en de gids begreep, dat het onvoorzichtig ware, verder +voort te gaan, uit vreeze van het konvooi mis te loopen, en evenzeer +onveilig, het dorp te bezetten, daar men de gezindheid der ingezetenen +niet kende en het te vreezen was, dat de Spanjaards gewaarschuwd +mochten worden en een anderen weg inslaan, of terugtrekken. Men +besloot dus, te blijven waar men was, en inmiddels naar het dorp +iemand op kondschap uit te zenden, om te onderzoeken, of er zich ook +een Spaansche bezetting bevond, ten einde, voor men een aanval op het +naderend konvooi deed, den vijand buiten staat te stellen, het opzet te +doen falen. Het was Bouke, die de eer genoot met deze zending belast te +zijn: zijn meester kende hem als een sluwe ondernemende kerel, die zich +niet licht zou laten beknippen, en wien in dat geval geen bedreiging, +geen doodsangst zelfs zou dwingen, iets van het ontwerp te verraden. + +"Wees gerust, Uwe Edelheid!" zeide Bouke, terwijl hij zich van +zijn krijgstoerusting ontdeed en in een gemeene boerenpij zich +vermomde. "Bouke zal zich niet verpraten, want wie veel kalt veel +ontvalt: indien ik niet binnen 't uur weerom ben, en alles haarklein +weet te vertellen, hoe het in 't dorp geschapen staat, dan mag ik +gaarne lijden, dat UEd. mij in 't vervolg voor den grootsten stoffel +houde, die ooit een snippennet gebreid heeft." + +Dit zeggende nam hij haastig afscheid en verliet de ruiterbende, +welke inmiddels in de vlakte, waar zij zich bevond, halt bleef +houden. Onverschrokken en blijmoedig volgde Bouke een klein zijpad, +dat hem, volgens de aanduiding van den gids, op den gewonen rijweg, +die vlak op 't dorp aanliep, brengen moest. De Novembernacht was +koud en donker, en de grond hard bevroren: zoodat Bouke, die in den +beginne met forsche stappen was afgetrokken, al spoedig, uit vrees +van den grond met zijn geheele lengte te meten, zich genoodzaakt zag +een langzamer tred aan te nemen: te meer, daar het pad niet rechtuit +liep, maar in menigvuldige bochten en oneffenheden, nu tusschen +hakhout, dan weder over afgemaaide graanvelden slingerde. Hoewel nu +de afstand, dien hij af te leggen had, inderdaad langer was dan de +gids hem had opgegeven, en de duisternis van den nacht zoowel als +het ongeduld van onzen verspieder dien nog langer deden schijnen, +bemerkte deze al spoedig, uit het geloei van runderen, het gebriesch +van paarden en het geblaf van honden, die zich verward dooreen +lieten hooren, dat hij de plaats zijner bestemming naderde: en weldra +herkende hij, in menige donkere gedaanten, die tegen de grauwe lucht +ongelijkvormig afstaken, de onderscheiden huizen, waaruit het dorp +was samengesteld. Reeds verblijdde hij zich in de gedachte, dat hij +nu welhaast aan den grooten weg en dus bij den ingang van het dorp +moest wezen, toen hij opeens bemerkte, dat het pad zich in tweeën +scheidde. Terwijl hij onzeker stond, welke zijde hij volgen zoude, +hoorde hij links van zich af een haan zijn morgenlied met luider keel +aanheffen. Straks zijn keuze gedaan; hij sloeg linksaf en bespeurde, +toen hij de kronkelingen van het pad volgde, dat hij werkelijk op het +dorp aanhield. Met dat al was hij den verkeerden weg ingeslagen, gelijk +straks blijken zal. Opeens liep het pad eene hoogte op, van waar het +aan de andere zijde zoo schielijk en zoo steil afdaalde, dat Bouke, +die hier niet op verdacht was, over een steen struikelde, en vrij +onzacht nederviel tegen het beschot eener schuur; het was namelijk op +een hoeve midden in het dorp, en niet op den rijweg, dat het door hem +gekozen pad geleidde. Dit ware hem hetzelfde geweest in gewone tijden; +doch in deze oogenblikken strekte dit abuis hem bijna ten verderve; +want nauwelijks was hij weder opgestaan, toen hij zich van zes of zeven +soldaten zag omringd. Dezen waren namelijk kort te voren aan de schuur +gekomen, waar zich een aantal ossen en paarden vonden besloten, toen +zij opeens ontzetteden door den val van een zwaar lichaam, dat, van +de hoogte af, midden tusschen hen nedertuimelde. "Santa Maria!" riep +de een, "wat is dat?" "San Yago!" riep een tweede. "_Ein betrunkener +kerl_!" riep een derde. En toen zij allen, van hun schrik bekomen, +ontwaarden, dat deze laatste althans in zooverre gelijk had, als de +nedervallende gedaante die van een levend manspersoon was, schoten +zij toe en grepen onzen Bouke vrij onzacht in den kraag. + +"Hei! hei wat!" zeide Bouke, die zich vruchteloos poogde los te rukken: +"voorzichtig wat: ik heb geen kleeren te bederven buiten deze!" + +"Wat heb je hier te doen; jou dronken lap?" vroeg een van de soldaten, +met een forsche stem. + +"Met je verlof," antwoordde Bouke: "ik heb een boodschap in 't dorp +en ben het verkeerde pad opgegaan." + +"Welnu! keer dan terug van waar je gekomen bent," zeide een uit den +troep, hem van zich afstootende. + +"_Nein! nein!_" riep een Oostenrijker, hem wederhoudende: "_so leicht +kommst du nicht frei!_" + +"Vooral niet," zeide een Parmezaan: "_bisogna vedere, se ha +danaro_." [23] + +"_Danaro! danaro!_" mompelde een vierde: "wie zal er bij nacht met +geld in de tasch loopen. 't Is zeker een strooper, die meer nood dan +brood heeft." + +"Om 't even" zeide een ander: "ongemoeid moet hij niet vertrekken: +zijn kasak is in allen gevalle nog goed, en misschien draagt hij wel +een paar hoentjes of een haas onder 't wammes." + +Dit zeggende begonnen de soldaten de kleederen van Bouke te betasten, +ondanks zijn tegenspartelen; en aldra ontdekten zij, wel geen wild +en ook geen geld, maar 't geen erger voor hem was, een lang pistool +in een zijner broekspijpen verborgen. + +"Aha!" zeide de vinder in 't Spaansch, terwijl hij met een zegepralend +oog het moordtuig in de hoogte hief: "dragen de boeren hier te lande +zulk ontbijt in den zak?" + +"Men kent den vogel aan zijn veeren," zeide Bouke, in zich zelven de +voorzorg verwenschende, welke hij gebruikt had door het pistool mede +te nemen. + +"Dat moet de sergeant hooren", zeide een ander: "hier steekt verraad +achter, en er is reden genoeg om het geheele dorp uit te plunderen." + +"Wat is er gaande, mannen?" vroeg de sergeant, die op hetzelfde +oogenblik de schuur naderde: "en waarom zijn de beesten nog niet +buitengebracht?" + +"_Abbiamo trovato una altra bestia,_" riep de Parmezaan: "_un +traditore!_" [24] + +"_Ein bewaffneter bube!_" riep een ander: en terstond werd het +voorgevallene aan den verbaasden onderofficier medegedeeld. + +"Stil wat!" zeide deze: "laat ik den spitsboef eens ondervragen. Zeg +eens, kerel!" vervolgde hij tegen Bouke, terwijl hij de linkervuist +in de zijde zettede en zich met de rechterhand de kin wreef: "wat +was je oogmerk met dat moordtuig daar?" + +"Zooals ik reeds aan die brave lui gezegd heb," antwoordde Bouke: +"alleen uit veiligheid; maar, als iedereen zeit: ik ben een varken, +dan moet ik in 't hok!" + +"En wat heeft zoo een schooier, zoo een landlooper te vreezen?" hernam +de krijgsman: "ik geloof eerder dat het tegen de veiligheid van anderen +gemunt was; doch we zullen het den kapitein laten onderzoeken. Hier +Pedro en Cuno, brengt hem zoolang in huis en bindt hem op de tafel +vast, dan kan hem Velasco zelf ondervragen, als hij uitgeslapen +heeft. En voort allen weer aan 't werk. Voor zonsopgang moeten wij +reisvaardig zijn!" + +Volgens den gegeven last werd Bouke, na eerst welgekneveld te +zijn, door de twee daartoe benoemde manschappen weggeleid naar +een boerenwoning, die kort daarbij op hetzelfde erf gelegen was: +het was, zooverre hij dit bij nacht kon opmerken, een groot gebouw, +'t welk verscheidene vertrekken scheen te bevatten. Hij werd door een +achterdeur binnengebracht en zag in een vrij ruime schuur, volgepropt +met een menigte karren, welke, voor zooverre hij zulks bij het flauwe +schijnsel eener lamp, die van den zolder hing, kon onderscheiden, +hem toeschenen kruitvaatjes, voederzakken, brooden en andere krijgs- +en mondbehoeften te bevatten, te meer, daar een schildwacht er heen +en weder liep, die ook dadelijk den soldaten in de Spaansche taal +naar de reden hunner komst vroeg. Na een korte woordenwisseling, in +gebroken Spaansch, Duitsch en Italiaansch gehouden, en waarvan Bouke +niet één woord verstond, werd deze in een hok gebracht, aan het einde +van 't vertrek. Men dwong hem, plat op den buik neder te gaan liggen: +zijn voeten werden gebonden, en hem de verzekering gegeven, dat hij, +bij de minste poging om los te komen, een kind des doods ware: waarna +de soldaten hem verlieten en de deur achter zich sloten. + +"Ik ben de domste ezel, die er leeft," gromde Bouke bij zich zelven, +zoodra hij zich alleen bevond: "mij zoo te laten beknippen! ik ben +immers waard, dat men mij een kogel door den kop jaagt! Hoe kon ik ook +zoo lomp zijn, om daar midden tusschen die schavuiten te tuimelen? Wel +is waar, ik weet nu al wat ik weten wou: het konvooi, dat mijn meester +wacht, is hier al lang; maar hoe hem dit nu te berichten! dat is het +ongemakkelijke van 't geval." + +Terwijl hij hierover lag te peinzen, en bedenkelijk het hoofd schudde, +'t geen dan ook het eenige deel van zijn lichaam was, dat hij vrij +had, zag hij een flauwen lichtstraal, die door een reet in het +hok viel, en hoorde te gelijker tijd aan de andere zijde van het +vertrek praten. Hij begreep terstond, dat hij in zijn tegenwoordige +omstandigheden niets beter te doen had, dan te luisteren, rolde zich +om en bracht, zoo goed hij kon, eerst het oog en vervolgens het +oor voor de opening van het schot. De eerste dier bewegingen deed +hem in een klein kamertje zien, waarin een fraaie, rijzige vrouw, +reeds geheel gekleed, bezig was met eenig goed te pakken; zij bleef +echter met den rug naar hem toegekeerd, zoodat hij haar gelaat niet +onderscheiden kon. Naast haar stond een monnik, en in 't verschiet +lagen twee kinderen in een bedstede te slapen, waarvoor een groote +fraaie hond lag, alsof hij ze bewaken moest. Bij de tweede beweging +hoorde Bouke de twee volwassene personen het volgende gesprek voeren. + +"Gij wilt het kind mij dan niet teruggeven?" vroeg de monnik. + +"Het is Velasco's eigendom," antwoordde de vrouw: "doch gij weet wat +ik u gezworen heb." + +"Een fraaie wijze van eeden te bewaren," mompelde de eerste spreker. + +"Het ware geen wonder," antwoordde zij fluisterende, "al had ik +van u geleerd, hoe men te gelijk zijn woord moet houden en breken; +doch".... hier sprak zij zoo zachtjes, dat Bouke haar niet verstaan +kon. + +"Trotseer mij niet," zeide de monnik; "gij weet, dat, indien ik +wil...." + +"Indien gij wilt," herhaalde zij, hem driftig in de rede vallende: +"zwijg daarvan, of ik zou u toonen, hoe ik middelen bezit, om u +beschaamd te maken voor 't oog van geheel het leger." + +"Magdalena!" riep de monnik met een van spijt gesmoorde stem. + +"Ik ken die stem, dunkt mij," dacht Bouke: en nogmaals toeziende, +overtuigde hij zich, dat de spreker niemand anders was dan de Jezuïet, +dien hij met zijn meester op den weg naar Leiden eens had ontmoet en +met wien hij slaags geweest was. + +"Stil!" vervolgde de vrouw: "Velasco ontwaakt!--en zoo hij u hier +vond...." + +"Welnu!" zeide Eugenio met een schamperen lach: "welk kwaad kon hij +er in vinden, dat, in een huis, als dit, waarin wij als haring in een +ton gepakt zijn, de biechtvader vroeg opstaat van de vochtige steenen +in het vertrekje hiernaast, en in een kinderkamer, zooals deze, zijn +troost zoekt? Doch wees gerust: hij slaapt den krijgsmansslaap, en +zal niet wakker worden voordat hij gewekt wordt. Hoor Magdalena! ik +heb u nog veel te zeggen, en God weet wanneer wij elkander wederzien." + +"Hoe!" hernam zij, een vragenden blik op hem werpende. + +"Gewis," vervolgde hij, "ik moet met den dag van hier en verlaat +het konvooi: alleen om mij met u te onderhouden ging ik tot hiertoe +mede. Hoor! ik moet recht ernstig met u spreken.--Gij hebt zondig en +dwaas gehandeld, Magdalena!" + +"Ik weet het," zeide zij, de oogen met somberheid nederslaande: +"doch zijt gij het, die mij zulks verwijten moet?" + +"Dat ben _ik_!" hernam hij, "ik, die u in ellende en jammer gedacht +heb, ik, die de wroegingen, de kwellingen van uw hart veroorzaakt +heb, ik moet ook de medicijnmeester zijn, die u den vrede teruggeeft, +die u een betere hoop en betere uitzichten verschaft." + +"Gij?" zeide zij, hem met een scherpen, veelbeteekenenden blik +aanziende, en te gelijk het hoofd op een ongeloovige wijze schuddende: +"Eugenio! het is acht jaren geleden, dat uwe taal en uwe verzekeringen +eenige macht op mij bezaten." + +"En denkt gij dan niet, goede Magdalena!" vervolgde hij, als bemerkte +hij haar wantrouw in zijn betuigingen niet, "dat ook mijne ziel door +gemoedsangst verscheurd, dat mijn hart door berouw over mijn misdaad +gepijnigd werd? Volgens de kerkelijke wetten had mijn heiligschennis +mij den ban, ja den dood doen verdienen; doch onze Heilige Moeder +is lankmoedig en genadig: zij begeerde den dood des zondaars niet: +zij schonk mij vergiffenis: zij verwierf die ook voor u."--Zonder een +woord te uiten, bleef zij hem aanstaren, in afwachting van hetgeen +er volgen zoude. + +"U werd echter een boetedoening opgelegd," ging hij voort: "een +boetedoening, die gestreng, doch rechtmatig is. Gij moest namelijk +nimmer terugkeeren in het oord, waar uw vergrijp ergernis verwekte...." + +"Is dit een boete?" vroeg zij haastig: "ik beschouw dit als een +gunstbewijs." + +"Val mij niet in de rede," vervolgde hij; "gij moet, van nu af, uw +woonplaats vestigen bij hen, die van den geloove zijn afgeweken: +gij moet in schijn uw leer verzaken, en daar, onder ketters, tot +opbouwing onzer Kerk werkzaam zijn. Geheel uw leven moet dit alleen +ten doel hebben, dat weder de ware leer in de afvallige Nederlanden +heersche: geene zelfverloochening moet u daartoe te groot, geene +moeite te lastig wezen. Een verhevener dan ik zal u den weg aanwijzen, +dien gij te bewandelen hebt, de middelen, die gij aan moet wenden, +om dat doel te bereiken. Kunt gij deze boete voldoen, zoo zijn u uwe +zonden vergeven, en uw loon zal heerlijk wezen!" + +"Ik ben bereid," zeide Magdalena, haar handen opwaarts heffende: "tot +het vervullen dezer plichten had ik bijna geen vermaning noodig. Van nu +af behoort mijn leven aan Hem, wien ik eenmaal verlaten heb. Mocht Hij +mij, als aan mijn Heilige naamgenoot, weder zijn liefdearmen openen!" + +"Amen!" zeide de Jezuïet, zich kruisende: "o Magdalena! als het eens +door onze vereende krachten gebeuren mocht, dat het kettergeslacht +weder van de aarde verdelgd werde gelijk de afgodendienaars, die +den lande Kanaäns bewoonden, toen Jozua tegen hen optrok! Als het +ons weder gelukte, de neergeplofte kruizen alom te herstellen en de +verbrokene beelden der heiligen uit het stof te doen herrijzen. Hoe +blijde zou dan niet onze mond het _Hosanna_ aanheffen!--Wij zijn +arbeiders in den wijngaard des Heeren! Vervullen wij blijmoedig onze +taak, werwaarts ons Zijn wil ook heenleide." + +"Ik herhaal het u, zoo helpe mij de Heilige Maagd!" hernam zij: +"ik ben bereid alles te verrichten, wat mijne Moeder de Kerk mij +voorschrijft:--doch.... Eugenio! wat zal er van Ludwig worden?" + +"Ludwig," zeide de volgeling van Lojola, snel naar het bed ziende. "Ook +hij zal een nuttig werktuig worden in de hand des Meesters, die ons +bestiert. Volg slechts blindelings wat men u voor zal schrijven, +en al wat eerst duister zijn mag, zal naderhand te heerlijker voor +uw verhelderde oogen schijnen." + +"Ik bewonder u ondanks mij zelve," hervatte zij: "wanneer ik u de echte +taal eens Priesters spreken hoor; doch, als ik dan aan de bloeddorst +herdenk, waarmede gij onnoozele vrouwen en kinderen...." + +"Gij kleingeloovige!" zeide de Jezuïet: "roeit niet de tuinman, +als hij het onkruid wiedt, ook de wortels uit?--Laat de jager de +tijgerwelpen in 't leven, als hij de ouders in hun nest geveld +heeft? Liet Mozes niet de vrouwen en kinderen der oproerigen tegen +God met den zwaarde dooden?.... Doch genoeg! ook dat dwaas gevoel van +valsche menschlievendheid moet en zult gij overmeesteren:--en thans +vaarwel: de haan heeft reeds ten tweedenmale gekraaid: men bereidt +alles tot den aftocht; het is tijd dat ik u verlate;.... doch gij +schijnt verlegen.... hebt gij mij nog iets te vragen?.... zoo maak +het kort." + +"Zult gij van Ludwig geen afscheid nemen?".... vroeg zij op een zachten +toon: "zult gij hem uw zegen niet geven, eer gij voor langen tijd, +misschien voor eeuwig, van hem scheidt?" + +De Jezuïet zag met een donkeren blik naar de bedstede, waar de +knaapjes in sliepen, schudde het hoofd, wendde zich haastig om en +vertrok zonder een woord te spreken. + +"Als ik nu van dat geheele gesprek iets anders begrijp," dacht Bouke, +"dan dat het een paar is, dat aan mekaar gewaagd is, mag ik lijden, +dat ik mijn geheele leven in dit hok slijte. Zulk vee van den Satan +durft nog woorden uit de Schrift aanhalen en van Godsdienst en Kerk +spreken!.... ik wou, dat ik dat wijf maar eens in haar bakkes kon +kijken; want als zij zulke fielterige voornemens heeft, is 't niet +kwaad vooruit te weten hoe zij er uitziet, om iedereen tegen haar te +waarschuwen: men kan aan 't been best zien, waar de hoos gescheurd +is."--Terwijl hij dus lag te peinzen, werd er in de naaste kamer aan +een binnendeur getikt. Magdalena opende die, en een Spaansch officier +trad in volle wapenrusting binnen. + +"Maak de kinderen wakker," zeide hij: "over een kwartieruurs vertrekken +wij. Waar is Antonio?" + +"Hij wacht voor de deur," antwoordde Magdalena, terwijl zij de +kinderen uit het bed haalde, die zich, nu wakker gemaakt, den vaak +uit de oogen wreven. + +"Ga, roep hem," zeide Velasco (want hij was het), terwijl hij +het kleinste kind opnam en kuste: het knaapje beantwoordde zijn +liefkoozingen, noemde hem _lieve vader_ en speelde met zijn +halskraag en vederbos. Intusschen had Magdalena de buitendeur +geopend en denzelfden sergeant binnengelaten, die Bouke had laten +gevangenzetten. Een groote, fraaie hond schoot te gelijk de deur in en +sprong vroolijk om Velasco en de kinderen heen. De Kapitein wendde zich +nu tot den onderofficier, en sprak met hem een poos in 't Spaansch. + +"Nu zal het mijne beurt worden," dacht Bouke, en inmiddels overlegde +hij, wat hem te doen stond en hoe hij zich bij een verhoor gedragen +zoude. Dat zijn leven op 't spel stond, kwam hem niet eenmaal in +de gedachte, of liever, hij bekommerde er zich weinig over, en hij +peinsde alleen op een geschikt middel om zijn ambt van verspieder te +kunnen vervullen en aan zijn heer kondschap te bezorgen van hetgeen +hij ontdekt had. Zijn grootste vrees was, dat het konvooi het dorp +zou verlaten, aleer Reede van de nabijheid daarvan verwittigd ware, +in welk geval de beide benden elkander mis zouden loopen en de geheele +onderneming mislukken. Terwijl hij aan het overwegen was, ging de +deur van het hok open en een paar soldaten traden binnen, die hem +zijn voeten zooveel losbonden, dat hij gaan kon, en hem vervolgens +met zich voerden. Het ruime voorvertrek doorgaande, vond hij het met +soldaten gevuld, die bezig waren, de karren buiten te brengen. Hij +volgde zijn leidslieden door een andere deur dan die waardoor hij +eerst gekomen was, en bevond zich toen op den publieken weg, die hier +ter weerszijden met woningen omzoomd was. Het begon reeds te schemeren +en hij onderscheidde dus duidelijk de krijgsbenden, die zich hier van +alle kanten verzamelden, een aanzienlijk getal ossen, schapen, varkens +en voederwagens met zich aanvoerende.--Dezelfde sergeant, die Bouke +gevangen had, stond in het midden van den weg en gaf zijn bevelen, +toen er opeens een boer door de menigte kwam dringen en zich met luider +stem bij hem beklaagde, dat de soldaten, die bij hem gehuisvest hadden, +zijn ossen hadden medegevoerd en hem, op zijn beklag hierover, met +slagen en scheldwoorden hadden betaald, schoon hij stellig wist, dat +de Overste dergelijke plunderingen verboden had. De Sergeant, die dit +laatste zeer wel wist, en echter zijn makkers voor straf wilde behoeden +niet alleen, maar hun den gemaakten buit laten behouden, gaf den armen +boer een slecht bescheid. "Wat bruit mij zoo'n schoft," zeide hij: +"hebt ge bewijzen, kerel? anders kunt ge maken, dat ge wegkomt, of ik +zal het uw huid laten heugen, dat ge de soldaten van de Aartshertogin +dus belastert. Hier mannen! smijt me dien kinkel uit den kring." Dit +was aan geen dooven gezegd: vrij onzacht grepen eenige soldaten den +jammerenden en vloekenden huisman bij 't wambuis en slingerden hem +buiten den kring, zoodat hij vlak tegen Bouke aantuimelde. Deze was +terstond bedacht om van deze omstandigheid gebruik te maken, en, +hopende dat de omstanders geen Nederduitsch verstaan zouden, trok +hij den boer naar zich toe en sprak hem in deze taal aan: + +"Wou je graag je beestjes weerom hebben, vrindje?" + +"Of ik ze weerom wou hebben!" antwoordde de boer, "maar die rekels...." + +"Stil: luister! in het boschje ten westen van het dorp, zijn diegenen +bijeen, die u daaraan helpen zullen: loop er als de wind naar toe en +vertel al wat hier voorvalt.... gij zult uw ossen weerom hebben en +nog twee goudstukken daarenboven." + +De boer zag hem verwonderd aan en wilde nog meer vragen; doch een der +leidslieden van Bouke, die het gesprek begon te bemerken, draaide +zich om en gaf den huisman een slag met het platte van zijn degen, +waarop de sukkel begreep, dat een onverwijld vertrek het beste voor +hem zou wezen. + +Met het inpakken, het uithalen der karren en het maken der verdere +toebereidselen tot het vertrek verliep nog een geruime tijd, tot +groote vreugde voor Bouke, die, als wij reeds aanmerkten, niets +ergers duchtte, dan dat men te ras vertrekken zoude. Velasco was +inmiddels uit zijn nachtverblijf gekomen, nam alles in oogenschouw, +deelde zijn bevelen uit, en gelastte ook dat men den gevangene voor +hem geleiden zou. Het verhoor was kort. Schoon men tegen Bouke niets +anders had in te brengen, dan dat hij met een pistool de schuur +genaderd was, scheen deze omstandigheid echter van zulk gewicht, +dat Velasco begreep hem gevangen met zich te moeten voeren, om hem +bij geschikter gelegenheid een langer verhoor te laten ondergaan. Men +bracht hem nu ter zijde, ten einde hem aan den staart van een paard te +binden en zoo bij den aftocht mede te voeren. Hiertoe werd de koord, +die hem de voeten gebonden hield, geheel losgemaakt, en de soldaten +ontdeden hem ook van den strik, die hem de handen bond, met oogmerk +om het eene einde van het touw aan den paardenstaart vast te maken, +toen zich op eens een schelklinkend trompetgeschal liet hooren, gevolgd +van het losbranden van schietgeweer, het getrappel van paarden en het +krijgsgeschreeuw eener aanrukkende bende. "Verraad! verraad!" klonk +het door het dorp, en eer men tijd had om te ontdekken van waar de +aanval komen zoude, zagen de Spanjaards een Staatsche ruiterbende +van twee kanten binnenrijden. De boer, dien Bouke gezonden had, +had aan zijn wensch voldaan; hij had den Heer van Sonheuvel, die +vast vloekte en raasde over het niet verschijnen van zijn dienaar, +ter bepaalde plaats gevonden, en deze had, dadelijk na het vernemen, +dat het konvooi in het dorp was, bevel tot den aanval gegeven. + +Nauwelijks had Bouke het krijgsgeluid gehoord, of hij rukte zich +los uit de handen die hem vast hielden, nam van een daarbij staanden +wagen, waarop schansgraverstuig lag, een zware spade en sloeg daarmede +zoo geducht in 't rond, dat hem in de eerste oogenblikken niemand +naderen dorst. + +"Schiet den schelm ter neder, die ons verraden heeft!" riep de +sergeant, terwijl hij woedend een pistool op Bouke loste. + +"Oranje! oranje! _à bas_ de Spanjolen!" riep Bouke, terwijl +hij met een geduchten slag den sergeant helm en hoofd +verbrijzelde. "Hoezee! hoezee! al gewonnen!" + +"Op mannen!" klonk nu de stem van Velasco: "hier Pedro! Berti, +Mülhoff! Verzamelt uw manschappen en verspert de straat aan +weerszijden. Blijft slechts als palen staan, totdat wij herkennen, +hoe sterk de vijand is. Doch!.... Schiet niemand dien verrader neder?" + +De bevelen van Velasco werden opgevolgd en zijn nu vereende bende +trachtte de toegangen te bezetten, de wagens en het vee tusschen zich +besloten houdende. Doch aan den wensch, dien de hoofdman geuit had, +was niet voldaan geworden: Bouke was door de menigte heen gebroken, +had zich, te midden der verwarring, die er heerschte, over een heining +gered, en zich, door een omweg, met zijn bende vereenigd. + +Het gevecht was nu begonnen, en hoe dapper ook de Spanjaards zich +verdedigden, waren zij echter te onvoorbereid om den geduchten aanval +der Staatschen te kunnen wederstaan. Zoolang echter hun wakkere +bevelhebber hun bleef aanvoeren, weken zij geen duimbreed; doch toen +deze, zwaar gekwetst door een pistoolschot, van zijn paard stortte +en weggevoerd werd, begon de moed der verweerders te verflauwen in +dezelfde mate als die der aanvallers wies. Al spoedig zochten sommigen +een goed heenkomen en poogden in de boerenwoningen de vlucht te nemen; +doch de huislieden, die in den nacht overlast genoeg van die rauwe +gasten geleden hadden, ziende dat de kans dezen tegenliep, vatteden +post tegen hunne huisdeuren en dreven al wie er schuilen wilde met +knuppelslagen terug. Dit vermeerderde den schrik der Spaanschen: +verscheidene wierpen de wapenen weg en gaven zich over, terwijl +anderen in alle richtingen, tusschen de huizen door, over het veld +de vlucht namen. + +"Waar is de Kapitein der bende?" vroeg de Ritmeester van Reede, +zoodra hij zich van de overwinning verzekerd zag. + +"Ik denk," zeide Bouke, "dat men hem in gindsche woning gebracht heeft; +daar heeft hij zijn nachtverblijf gehouden." + +"Naar de hel met hem! Wraak over den moord te Bruck," riepen eenige +voormalige Haneveeren, die zich mede bevonden onder de ruiters, +welke Reede verzeld hadden. En ijlings afgestegen zijnde, snelden +zij de boerenwoning in, welke Bouke zijnen Heer had aangewezen. + +Terwijl de Ritmeester de noodige bevelen gaf om de gewonden te +bezorgen en de gevangenen te binden, kwam Bouke op eens naar hem +toeloopen. "Heer Baron!" riep hij toornig uit: "zij vermoorden den +weerloozen Overste." + +"Dat zal hun de duivel!" schreeuwde Reede, driftig naar de boerenwoning +loopende: "willen zij, spijt mijn last en dien zijner Excellentie, +de Spaansche gruwelen nabootsen?" + +Haastig trad hij de woning binnen, waar zich een vreeselijk schouwspel +aan zijn oogen vertoonde. Met wonden overdekt lag de dappere Velasco in +'t midden van de schuur op den vloer uitgestrekt, omringd van ruiters, +die hem nog gedurig houwen en steken toebrachten. Om hem lagen +verscheidene Spaanschen, die hem in 't uiterste hadden bijgestaan, +nedergesabeld. Een fraaie jachthond stond er nevens en scheen zich +alleen te bekommeren over een klein kind, dat nevens hem op den grond +lag te jammeren. Wat verder stond Magdalena en hield haar zoontje aan +haar borst geklemd, als wilde zij het tegen alle boosheid beveiligen. + +"Terug! gij laffe moordenaars!" brulde Reede, met een vervaarlijke +stem: "ik houw den eerste ter neder, die zich weder onderstaat, +een weerlooze aan te vallen."--Op het hooren van deze bedreiging, +en op het zien van de woede, die in zijn oogen flikkerde, traden de +ruiters terug. De Ritmeester naderde Velasco: deze poogde zich op +te richten, dan vruchteloos. Reede en Bouke ondersteunden hem het +hoofd. Hij sloeg het half gebroken oog op het kleine knaapje, dat +angstig schreiend naar hem toe kroop: wendde vervolgens den blik op +Reede en poogde te spreken. Hij kon echter niet anders uitbrengen dan +de woorden: "dit kind!.... zijn vader.... vermoord.... O Heer! wees +mij genadig!"--Met deze woorden zeeg hij achterover en gaf den geest. + +"Het is gedaan!" zeide de Ritmeester, een traan wegwisschende: "zijn +dood zal mij eeuwig rouwen. Hij werd vermoord, en ik, die het had +moeten beletten!.... Doch het kind ... Vrouw!" vervolgde hij tegen +Magdalena: "behooren die twee kinderen aan den verslagen Overste?" + +"Deze is mijn zoon," antwoordde Magdalena, op Ludwig wijzende. + +"En deze kleine?" hernam Reede. + +"Heeft de ongelukkige het u in zijn laatsten levensstond niet +gezegd?" vroeg Magdalena, hem met een somberen blik aanziende: +"het is de zoon van den vermoorden Overste." + +"En zijn moeder?" vroeg de Ritmeester. + +"Ik kan u geen verder bericht doen erlangen," hervatte Magdalena: +"wat beveelt gij? moet ik met mijn zoon mede ten prooi strekken +aan den bloeddorst uwer volgelingen? of is het aan een arme weduwe, +die met den krijg niets gemeens heeft, vergund, dat zij vertrekke?" + +"Houd dat wijf, Heer Baron!" zeide Bouke: "het is een feeks, die met +den Jezuïet van de Katholieke Hofstede samenspant, en zooals UEd! weet, +gelijke monniken, gelijke kappen!" + +"Foei Bouke! een arme vrouw en haar kind," zeide Reede: "zij mogen +in vrede heengaan." + +Magdalena wachtte geen nadere vergunning af; doch, Ludwig aan de hand +houdende, trok zij, zonder iemand te groeten, dadelijk de achterdeur +uit en verwijderde zich met haar zoon. + +"En wat zullen deze?" vroeg Bouke, het kleine kind opnemende en te +gelijk den hond streelende, alsof hij hem wilde verzekeren, dat hij +geen boos opzet had tegen zijn beschermeling. + +"Wij zullen daarover nader spreken," antwoordde de Ritmeester: +"thans moeten wij zorgen, dat de aftocht zoodra mogelijk geschiede." + +"Juist," zeide Bouke, hem buiten de schuur volgende, "wel zegt het +spreekwoord, dat al wat gaat ook terugkeeren moet." + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + + Godlof! het is mijn heer! ik heb zijn stem gehoort. + + _Vondel_, Gijsbrecht van Aemstel. + + +Het zal mijn Lezers en vooral mijn Lezeressen waarschijnlijk niet +dan aangenaam zijn, dat ik, bij 't begin van dit achtste Hoofdstuk, +van krijgsveld, legerplaatsen en wapenfeiten voorgoed afscheid neme, +om hun een meer bevallig, meer huiselijk tooneel te schilderen en +hen niet alleen in de kleine woning, welke de Heer van Reede binnen +Amsterdam bezat, maar zelfs binnen de kraamkamer der edele vrouw te +geleiden, welke met haren zuigeling op den schoot, in 't gezelschap van +den Predikant Raesfelt en van haar Baker, de terugkomst verbeidde van +haar beminden echtgenoot. Deze had, nu de legers de winterkwartieren +betrokken, verlof ontvangen om de wintermaanden in den schoot zijns +huisgezins door te brengen en zijn wederhelft op zijn aanstaande +terugkomst voorbereid. + +Mevrouw van Sonheuvel was een kleine, tengere blonde, met zachtblauwe +oogen en regelmatige gelaatstrekken, die in vroegeren leeftijd, toen +zij nog met den blos der schoonheid overtogen waren, menigen edelen +aanbidder bekoord hadden. Doch sedert haar echt met den Baron van +Reede, of liever sedert de weigering van haar vader om dat huwelijk te +bekrachtigen, had een diepe smart aan haar fijngevoelig hart geknaagd +en haar levenskrachten langzamerhand aangetast. Een teringachtige +ongesteldheid sloopte haar zwak en aandoenlijk lichaamsgestel: de +rozen der wangen verbleekten: de hoogzwellende boezem vermagerde en de +eens zoo bevallige schoone was niet meer dan een schaduw van wat zij +eenmaal geweest was. Op raad van zijn geneesheer, die de fijne lucht, +welke men op het kasteel van Sonheuvel, hetwelk de Barones betrok, +inademde, voor haar gestel nadeelig schatte, had Reede besloten +binnen Amsterdam een kleine woning te betrekken, die vanouds aan +zijn geslacht behoorde. Die verhuizing scheen echter weinig of geen +invloed ten goede op de gezondheid zijner beminde gade uit te oefenen, +terwijl daarentegen de plotselinge dood van haar zoontje, dat aan +hevige stuipen overleed, haar een nieuwen, hoogst nadeeligen schok had +toegebracht. Het was niet dan door de uiterste zorgen aan te wenden, +en door zich van alles wat eenigszins schaden kon te onthouden, +dat zij zoo gelukkig was geweest, de uitzichten te zien vervullen, +welke een tweede zwangerschap haar had aangeboden: schoon pijnlijk en +ziekelijk, had zij echter dien tijd doorgestaan en was vrij voorspoedig +van een wel tenger en klein, doch gezond meisje verlost geworden, +aan 't welk zij nu hare moederteerheid toe mocht wijden, en dat haar +bijwijlen de diepe smart vergeten deed, die haar ziel had ingenomen. + +Zij was dan op een avond van de maand December, bij het helder lichtend +turvenvuur, in een lagen, wel met kussens gedekten en met fluweel +gevoerden leunstoel gezeten: tusschen haar en den haard was de thans in +onbruik geraakte bakermat, omringd van de benoodigde korfjes en rekken, +waarin de onmisbaarste kleedingstukken van het kleine poppetje net +gevouwen lagen of waarop die hingen te drogen. De Baker zelve, een +vrouw van zekere jaren, die, sedert zij als min bij de kleine Maria +van Sonheuvel gekomen was, haar nooit verlaten en dus langzamerhand +een vrij groote mate van invloed op het huisbestier bekomen had, +zat echter thans niet op haar nederigen troon bij den haard; zij had +het kind aan Mevrouw gegeven, liet de pap door het daartoe bestemde +zeefje gaan, hield een wakend oog over het kokend kandeeltje, en vond +nog tijd genoeg tusschenbeide om voor den predikant een kan ouden +Rijnschen wijn en een fraaien roemer neder te zetten. + +Den Predikant Raesfelt zullen wij uit het vervolg dezer +geschiedenis nader kennen leeren: het zij ons, met besparing van +verdere uitweidingen over 's mans begaafdheden en karakter, alleen +vergund hier aan te merken, dat hij, sedert kort op het dorp Sonheuvel +beroepen zijnde van Ransdorp, waar hij tot dien tijd gestaan had, op +zijn reize door Amsterdam zijner nieuwe Vrouwe een beleefdheidsbezoek +was komen geven. + +"Ik hoop," zeide Mevrouw tegen den Predikant, terwijl deze met een +zilveren staafje het klontje suiker verbrijzelde, dat in den hollen +voet des roemers lag, "dat mijn gezondheid genoeg in beterschap +zal toenemen, om mij te vergunnen een gedeelte van den zomertijd te +Sonheuvel door te brengen. Dan zult gij, Dominee! ook nadere kennis +maken met mijn man. Ik ben benieuwd te weten hoe hij u bevallen +zal. Gij begrijpt, hij is geen geleerde, maar een krijgsman: echter +is hij zijn gezelschap dubbel waardig." + +"Ik ben onderricht, Mevrouw!" antwoordde Raesfelt, "dat de Baron +van Sonheuvel een ijverig voorstander is van onze dierbare Hervormde +geloofsbelijdenis: dat hij geen geleerde is, vermindert zijn waardij +geenszins in mijne oogen. Wie zoude ons dierbare Vaderland en onze +Kerk beschermen, indien wij geen ander wapen voerden, dan de pen? wel +is waar, Psalm 33 zegt, naar de berijming Datheni: + + + Krijgsknechten met hoopen + In stormen en loopen. + Konden door haar macht, + Koningen noch helden + Helpen in de velden + Sonder 's Heeren kracht + + +Maar het spreekt van zelf, dat, daar de Heere voor ons, voor het +Hollandsch Israël strijdt, deze regels alleen op de Spanjaards +moeten toegepast worden, gelijk zulks ook bewezen is geworden door +de vernietiging van hun onverwinnelijke _Armada_ of vloot; doch, +met dat al, gelijk ik ging aanmerken, ben ik onderricht, dat de Heer +Baron de _controverse_ onder zijn geliefkoosde uitspanningen telt. Ik +twijfel dus niet, of wij zullen over deze en gene punten nu en dan, +bij nadere bekendheid, belangrijke gesprekken mogen voeren." + +"Zeker," hernam Mevrouw, "voor een soldaat houdt hij veel van een +ernstig gesprek: als men hem vergelijkt bij zoovele oorlogsteden, +die niets van de Schrift weten, en nooit om hun zaligheid denken, +dan steekt hij gunstig bij hen af." + +"Ja!" voegde de Baker er bij, om het gezegde te bevestigen: +"zijn Edelheid is een goed theologant en kent de Schrift op zijn +duimpje en alles wat daartoe betrekking heeft. Heugt het UEd. nog, +hoe spoedig hij, toen hij nog een kleine jongen was, dat versje van +buiten wist, dat ik hem leerde, en waarin al de Boeken van het Oude +en Nieuwe Testament naar rang vermeld worden, en hoe hij het altijd +opzei in bed, als hij den slaap niet kon vatten?" + +"Ook heeft hij veel smaak in de Psalmen," hernam Mevrouw, en kent er +vele van buiten, zoowel volgens de berijming van wijlen den Heer van +Sint-Aldegonde, als volgens die van Datheen." + +"Heeft hij smaak in de Psalmen?" vroeg de Predikant met blijdschap: +"o dan zullen wij het bijzonder goed samen vinden, als zijnde deze +ook mijne geliefkoosde studie. Ik hoop ZijnEd. dan mijn werk voor +te lezen over den honderd-zeven-en-veertigsten Psalm, waarin ik +wederlegge de dwalingen Ingelhoffii, die hem Esdrae, en Colsonni, +die hem den Asaph toeschrijft (zijnde de eerste een Saksische, en de +tweede een Schotsche uitlegger), en zonneklaar bewijze, dat hij door +niemand anders kan vervaardigd zijn dan door Salomonem. Een bondig +stuk! drie honderd bladzijden folio." + +"Heden Dominee!" zeide de Baker, terwijl zij verbaasd het hoofd +ophief en met den paplepel in de hand als het beeld der verwondering +staan bleef: "ik dacht, dat de Psalmen alle Davids waren, zooals +er voorstaat." + +"Stil Baker!" zeide Mevrouw: "Zijn Weleerwaarde zal het immers beter +weten dan gij." + +"Ja! dat is wel mogelijk, dat Dominee zich beter op de uitlegkunde +verstaat; doch ik houd mij aan den tekst: wat helpt het mij, of ik al +hoor wat er zou kunnen of moeten staan? ik vraag wat er staat. Het is +de Booze, die al die uitleggingen en verfraaiingen van de Schrifture +heeft uitgevonden. Mijn Dominee was de oude Rammelbonzium, die heeft +Calvino nog als zijn broertje gekend en is voor den geloove verbrand in +'t jaar van gratie 65 ... of ... laat eens zien!.... 't kan ook wel +in 68 geweest zijn.... Neen toch, want het was net in dien kouden +winter.... ei wanneer was het ook weer?... Ja.... Mevrouw!.... het +zoude den ouden Heer Baron nog wel heugen; maar...." + +"Baker!" zeide Mevrouw met een treurigen blik: "denk waar gij spreekt +en wat gij zegt!" + +"Maar Baker!" zeide Raesfelt: "hebt gij dan niet gelezen, dat de +letter doodt, maar dat de geest levendig maakt?" + +"Juist Dominee! en daarom moeten wij niet over de doode letter +twisten! want wat zegt de Schrift: zalig zijn de armen van geeste...." + +"Zwijg, Geertrui!" zeide Mevrouw op een gebiedenden toon: "en breng +mij de kandeel. Zoo gij met Dominee wilt hakketeeren, zal ik u altijd +uit de kamer sturen, als Zijn Weleerwaarde ons bezoeken komt." + +"Wacht u daarvoor, Mevrouw!" hervatte de Predikant: "zij heeft een +ijver voor de goede zaak, ofschoon niet met verstand, en UEd. moet haar +aan de onderwijzinge, die uit de waarheid is, geenszins onttrekken. Het +zal mij altijd aangenaam en goed zijn, dergelijke gesprekken met haar +te voeren, schoon ik hope, dat zij niet de versenen tegen de prikkelen +slaan zal, noch zich tegen de leeringe hares leeraars verzetten." + +"Leeraar! hm! hm!" mompelde de oude Geertrui met al de kwade luim +eener bedorven dienstbode, zonder acht te geven op de ontevredenheid +van hare meesteres. "Wist men van leeraars in de dagen van den vromen +Rammelbonzio! Leeraars! zoo noemt de Schrift de Farizeën!" + +"Om weder op den Heer Baron te komen," zeide de Predikant, die +de aanmerkingen van de verstoorde Geertrui niet hoorde, of althans +veinsde die niet te hooren; "het moet wel bedroevend zijn voor UEd. hem +zoolang te moeten missen; doch tevens troostrijk, dat ZEd. in den +verleidingsvollen krijgsmansstand met zulke oprechte vroomheid en +godvruchtigheid is toegerecht, zoodat hij niet alleen de wapenrusting, +die het vleesch bedekt, heeft aangegord, maar ook die, welke den +Christenstrijder voegt, en de ziel tegen de listen des ronddwalenden +Satans beschermt." + +"Gewis, Dominee!" antwoordde Mevrouw: "mijn echtgenoot mag in dit +opzicht tot een voorbeeld strekken aan alle krijgslieden. Ja, dachten +allen als hij, dan zou de hand des Heeren ijveriger zijn voor ons +land. Altijd is hij even trouw en kuisch, en hoelang hij van mij +verwijderd zij, geen vreemde vrouw zal hij aanzien." + +"Ja! die vreemde vrouwen!" zuchtte Raesfelt: "wel zegt Salomo: +""al wie tot haar ingaan, zullen niet wederkomen."" + +Op dit oogenblik hoorde men een verward gedruisch op de straat, door +een luid geklop aan de voordeur gevolgd: en weldra liet zich de stem +van den Heer des huizes kennelijk onderscheiden. + +"Godlof!" riep Mevrouw: "daar is mijn man! Baker! neem even het +kind! ik moet hem spoedig te gemoet gaan!" Dit zeggende, rees zij +haastig op en wilde de kamer uitsnellen; doch halverwegen verlieten +haar hare krachten, en zij moest zich aan de Baker vasthouden, die +haar weder naar haar zitplaats terugvoerde. + +"Wel Engel!" zeide de Baker: "waar waren je gedachten? pas een maand +oudkraams en dan in die tochtige gang loopen. Heden neen, dat niet, +lieve kind! Daar zou Mijnheer wat aan hebben, aan een verkouden vrouw." + +"Nu is het als in Psalm negentien," riep de Predikant: + + + "Daar uyt reyst hy seer claer + + +en wat er verder volgt; schoon de vergelijking niet volkomen juist zij: +want de Heer Baron komt niet _uit_ maar _in_ zijn slaapzale." + +Terwijl hij deze aanmerking maakte, was Reede binnengetreden. Met +aandoening en blijdschap omhelsde hij zijn vrouw, die hem haar +zuigeling aanbood. Verrukt op het gezicht van het bevallige kind, +nam hij het uit de armen der moeder op, zette zich in den stoel, +dien de Baker hem had aangeschoven, wipte het kind over zijn knieën, +tot grooten angst der Baker, op en neder en tikte het op de zachte +wangetjes met den breeden handschoen, waarmede hij nu en dan de tranen +wegwreef, die hem langs den knevel dropen. Met zalig genot zag zijn +gade hem aan, terwijl de oude Geertrui, die hem het wichtje slecht +vertrouwde, bezorgd naast den stoel stond en zich gedurig voorwaarts +boog en de handen uitstak, als hield zij zich gereed, het meisje op +te vangen, ingeval hij het mocht laten glippen. Nadat dit zwijgend +tooneel eenige oogenblikken geduurd had, werd hij den Predikant gewaar, +die aan de overzijde der stond te buigen als een knipmes. + +"Wie is die zwartrok?" vroeg hij zachtjes aan zijn vrouw. + +"St! Hendrik! dat is de eerwaarde Predikant Raesfeldius, die in uwe +afwezendheid te Sonheuvel beroepen is." + +"Ei! zoo! Uw dienaar Dominee! men heeft mij zooveel goeds geschreven +van uwe bekwaamheid en vroomheid, dat ik onnoodig geoordeeld heb u +in persoon te komen hooren, aleer wij u bij ons beriepen. Ik verlang +zeer, nadere kennis met u te maken." + +"De Heere moge u _segenen_ met _allerlei goet_, gelijk Psalm +honderd-vier-en-dertig het heeft, naar de berijming Datheni. Ik +wensch mij geluk en verblijd mij over UEd. terugkomste, gelijk Paulus +hem verblijdde over de wederkomste Titi, als er geschreven staat II +_Corinthen_ VII, en wederom in 't zelfde kapittel: _wij zijn vertroost +over uwe vertroostinge_. Ik dank den Heere, dat Hij mij heeft waardig +geoordeeld in uw woonstede het Evangelium te verkondigen, en een +medearbeider in zijnen wijngaard te worden van UEd., die zoo ijverig de +dingen bedenkt, die des Koninkrijks zijn. Wel moge ik met den Psalmist +uitroepen, wat hij in den honderd-twee-en-twintigsten Psalm zingt: + + + Binnen uw mueren woonen sal + Liefde, vrede met eenigheyt; + De huysen en paleysen breydt + Sijn vol van Gods segeningh al." + + +"Amen!" zeide Reede, den hoed afnemende. "Nu, ik hoop, dat wij van +dezen zomer nadere kennis zullen maken.... Maar zeg eens liefste! gij +hebt ons kind laten doopen, nietwaar?" + +"Gewis mijn schat! Het is Maria gedoopt: dat was immers de afspraak." + +"Ja! dat weet ik wel; doch het moet nog een naam hebben. Ulrica moet +het heeten. Ulrica Maria, zoo gij wilt." + +"Ulrica?--maar allerliefste! er is niemand in de geheele familie die +zoo heet! Ulrica! wat is dat voor een rare naam?" + +"Raar zooveel gij wilt; doch ik ben er zeer op gesteld. Ik zal u nader +wel eens zeggen waarom; doch, daarvan gesproken, ik breng u een klein +geschenk mede.--Heidaar! Bouke! Geert! roep Bouke eens!.... doch wacht, +Geert! steek eerst die twee kronen in uw tasch en dat stuk kant, +dat ik u voor een welkomthuis heb medegebracht." + +"Duizendmaal dank, Uwe Edelheid! God zegene UEd.," zeide de Baker, "en +doe UEd. en Mevrouw veel vreugde aan de lieve kleine beleven.... een +fraaie kant voorwaar.... echt Brusselsch werk.... UEd. heeft het +immers bij geen plundering gewonnen?" + +"Neen, Geert: het is eerlijk van mijn penningen betaald; doch kom! haal +Bouke hier!.... doch daar bedenk ik iets: blijf nog even. Wanneer +denkt Uw Eerwaarde naar Sonheuvel te verkassen, Dominee?" + +"In de volgende week gaat een wagen van hier," zeide de Predikant, +"die ons derwaarts zal voeren." + +"Welnu! Dominee! Dan zal het mij aangenaam zijn, Uw Eerwaarde morgen +op het middagmaal bij mij te zien met de Juffer. Uw Eerwaarde is +immers getrouwd, nietwaar? Alle Dominees zijn getrouwd? + +"Ik zal, wat mij betreft, gaarne UEds. vriendelijk aanbod aannemen," +antwoordde Raesfelt: "doch ik verzoek UEd. mijn Huisvrouw te +verschoonen, aangezien zij voor de kinderen moet zorgen. die...." + +"Wel! dat moet geen hindernis teweegbrengen. Breng de gansche +poppenkraam dan maar mede. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd, zou +Bouke zeggen; doch met uw verlof, ik heb thans met mijn vrouw iets +gewichtigs af te handelen.... dus tot morgen!--Uw Eerwaarde neemt het +immers niet kwalijk?"--Dit zeide Reede, den Predikant vriendelijk en +met gulheid de hand schuddende. + +"Zeer natuurlijk," zeide Raesfelt: "ik groet UEd. vriendelijk in +den Heere!" + +De Predikant vertrok. Kort daarna verscheen Bouke. + +"Wat is er van UEds. dienst? Hoe vaart Mevrouw en de kleine? De Heere +beware ons wat een schoon kindje: net Mevrouw! ja wel mag men zeggen: +zoo de hen zoo de ven, en de ekster kan het hippelen niet laten!" + +"Bouke!" zeide de Baron: "haal den kleine boven!" + +"Dat zal bezwaarlijk gaan, mijnheer! die heeft UEds. helm beetgekregen +en wil hem volstrekt niet laten varen: ja, 't wil al muizen, wat van +katten komt." + +"Doe zooals ik u zeg!" hernam Reede. Bouke vertrok. + +"Maar van welken kleine spreekt ge toch, Hendrik," vroeg Mevrouw. + +"Kijk maar zoo verheerd niet: dat zal zich wel ophelderen: daar komt +Bouke al met hem aan. Bij mijn degen! een schoone jongen, al is het +een Spanjool!" + +Bouke kwam binnen met een knaapje van ongeveer twee jaren op den arm, +dat luid schreeuwde en tegenspartelde. + +"Hier is hij, mijnheer; doch hij blaart als een kalf, omdat ik hem den +helm heb afgenomen: 't was tijd, hij scheurde de veders aan stukken." + +"Bewaar ons, Hendrik!" zeide Mevrouw: "wat is dat voor een kind? Ik wil +niet hopen.... zooeven nog heb ik bij Dominee uw vroomheid geprezen." + +"Kom! kom! gekheid, wijfje-lief! is het geen mooi kind? Kijk eens, wat +schoone blonde krullen!.... en die schelmsche zwarte kijkers, die hij +zeker van zijn vader heeft.... Kom jongen! huil niet: hier is lekkers!" + +"Niet lekkers! naar beneden!" riep het kind. + +"Maar vertel mij dan toch," herhaalde mevrouw, "wien dat schaap +toebehoort." + +"Wien?.... Aan niemand, of liever, aan dengenen, die zich zijner +erbarmen zal. Luister! in de vorige maand heb ik een konvooi opgelicht, +dat van Gelder naar Mendoza gestuurd werd. De commanderende officier +van het geleide werd gruwzaam door mijn volk omgebracht, uit wraak +voor den moord, aan mijn vriend Falckestein gepleegd. Ik had dit +moeten voorzien en beletten; doch wat was er aan te doen? het feit +was gepleegd.--Nu was er bij het lijk een vreemde vrouw met twee +kinderen, en een fraaie jachthond.... Nietwaar Bouke! een kostelijk +schoon dier? Ik heb hem in 't voorbijgaan op Sonheuvel gelaten. Nu, +die vrouw moet al een rare mamsel geweest zijn, althans zoo Bouke +vertelt. Kort en goed, zij liep met het eene kind weg, en liet mij met +dezen schreeuwerd zitten, die een zoontje van den vermoorden Overste +is. Hoewel ik weinig lust had om mij met dit Spaansche gewrochtje +te belasten, zoo nam ik het echter mede, half uit medelijden, en +half omdat zijn vader, eer hij stierf, het mij had aanbevolen en +ik toch door de zorg voor het kind het een weinig goed dacht te +maken, dat ik voor den vader zoo slecht gezorgd had. Ik schreef, +bij mijn terugkomst in 't leger, aan Don Louis de Velasco, die een +eigen broeder is van den overledene, hoe het schaap in mijn handen +geraakt was, en vroeg, hoe ik het hem best zou oversturen: en wat +denk je, dat mij die Spanjool ten antwoord gaf?--Dat zijn broeder +nooit getrouwd geweest was, en dat hij geen lust had, zich met de +basterds, die hij bij zijn leven verwekt mocht hebben te bemoeien: +dat ik het buit had gemaakt, en er nu zelf voor zorgen kon.--Wat zou +ik doen? Ik bewaarde het arme wicht: en thans vraag ik u op uwe beurt, +schatlief! wat zullen wij doen met het lieve schaap?" + +"Wij zullen het bij ons houden, Hendrik!" zeide Mevrouw, het kind +op het voorhoofd kussende: "wij zullen het als ons eigen kind +behandelen, tot de moeder zich aanmeldt, of de bloedverwanten zich +zijner aantrekken. Wie weet, Hendrik! of God het ons niet gezonden +heeft om de plaats te vervullen van het lieve engeltje, dat wij +verloren hebben." + +"Hm! hm! zoo gauw niet!" zeide Reede: "zoo zijt gij vrouwen altijd! van +'t eene uiterste in 't andere. Straks schriktet ge er van, toen ik +het binnenbracht, en nu wilt ge het kind als zoon aannemen!--Doch +daarover later! Ik zal er intusschen nog eens over schrijven aan +den Spaanschen Grootmeester, hoe weinig trek ik er toe gevoele. Zie +eens! de knaap schijnt zich met de familie bekend te willen maken: +hij poogt al kusjes aan zijn kleine zusje te geven." + +"Een lief kind waarlijk," zeide de Barones: "nietwaar, lieve +jongen! gij zult veel van mij houden en mij wel moeder willen noemen?" + +"Moeder!" zeide de knaap, haar scherp in 't gezicht ziende: +"Moeder weg!" + +"Arm kind," hernam de brave vrouw, het kind aan haar hart drukkende: +"gij zult in mij haar wederom vinden, die gij verloren hebt;.... indien +gij mij maar ook niet verliest!" voegde zij er zuchtend bij. + +"Foei, lieve engel!" zeide de Baron, haar kussende: "welke treurige +gedachten! zoo iets moogt gij niet zeggen." + +"Maar toch wel denken," hernam zij. "Het zal niet lang meer met mij +duren, Hendrik! ik word alle dagen zwakker." En tot bevestiging +van dit gezegde zette zij den kleine neder, en gaf hem over aan +de zorg van Geertrui, die de zuigeling intusschen in de wieg had +gelegd. Smakelijk nuttigde het knaapje een boterham, en liet zich +vervolgens door Geertrui naar zijn bedje brengen, hetwelk voor het +overleden zoontje des Barons gediend had en nu voor zijn voedsterling +in gereedheid gemaakt werd. + +"Ik hoop u dezen zomer buiten te brengen," zei inmiddels de Baron +tegen zijn vrouw: "die benauwde stad deugt u niets. Dat geleuter +van de Dokters beduidt geen zier. De frissche buitenlucht zal u +goeddoen. Dat beloof ik u!" + +Treurig schudde de Barones het hoofd. "Ik wil u niet bedroeven, +Hendrik!" zeide zij: "doch het is zooals ik zeg. Mocht ik slechts met +mijn vader verzoend zijn vóór mijn dood: dan zou ik meer gerust het +hoofd nederleggen, hoe hard het mij ook valle van u te scheiden. Dan, +Gods wille geschiede." + +Dezen troost mocht de ongelukkige lijderes niet bekomen. Hartzeer +deed haar, ongeveer twee maanden na de terugkomst van den Baron, ten +grave gaan, betreurd door allen, die haar beminnelijke hoedanigheden +gekend hadden, maar vooral door haar echtgenoot. Deze haastte zich, +het huishouden op te breken, Amsterdam, dat hem niets dan smartelijke +herinneringen gaf, te verlaten en zich weder op zijn kasteel van +Sonheuvel te vestigen, gedurende den tijd, dien hij niet in het +leger doorbracht. + +Inmiddels had hij zich met vaderliefde gehecht aan den kleinen +vondeling, wien hij den naam van Joan had gegeven. Vruchteloos waren +al zijn nasporingen geweest: onbeantwoord waren al zijn nadere brieven +aan Velasco gebleven. Hij besloot eindelijk het kind als het zijne +op te voeden en bij voorbaat zelfs voor het zijne te laten doorgaan; +terwijl hij, voor zijn vertrek uit Amsterdam, aan Bouke en Geertrui +plechtig liet zweren, dat zij aan niemand de ware toedracht der zaak +zouden bekend maken. "Het kind moet, mag nooit weten," dacht hij, +"dat ik zijn vader heb laten vermoorden: anders zou het mij eens +vloeken in de plaats van mij te zegenen. Komt het eens tot rijper +jaren, dan zullen wij zien, wat wij er van maken kunnen." + +Eenigen tijd na zijn aankomst op Sonheuvel, vernam de Baron van +een reizenden koopman in honden, dat dit fraaie dier, hetwelk hij +bij Velasco gevonden had, door hem een paar jaren te voren aan den +Grave van Falckestein was verkocht geweest. De Baron begreep terstond, +dat Velasco het zich tijdens de plundering van Bruck had toegeëigend, +en daar het hem een aangename gedachte was, de Gravin Douairière in +het bezit te herstellen van iets, dat haar gemaal had behoord, zoo +haastte hij zich haar, die nu in Den Haag haar verblijf had gevestigd, +een beleefden brief te schrijven, waarbij hij haar kennis gaf van +zijn ontdekking en haar verzocht hem te melden, wanneer zij den hond +zou ontvangen. Tot zijn groote verwondering ontving hij in antwoord +den volgenden brief, in 't Hoogduitsch geschreven: + + + "Heer Baron! + + UEds. geëerde Missive is bij groot geluk niet in handen + van Mevrouw de Douairière van Falckestein, maar in de + mijne gekomen. Het zou mij leed doen, indien Haar Genades + gestel, hetwelk door zoovele en zoo zware rampen reeds sterk + geleden heeft, een nieuwen schok ontving door de treurige + herinneringen, welke het ontvangen van het geschenk, dat + UEd. voornemens was Hare Genade te doen, bij Hare Genade zou + verwekken. Ik heb de eer UEd. bij dezen kennis te geven, + dat het mijn voornemen is, met Hare Genade, dadelijk na + het einde van haren rouwtijd, een wettige verbintenis aan + te knoopen (waarop God zijnen zegen geve). Ik twijfel niet, + of UEd zal wel eenig deel willen nemen in mijn rechtmatige + vreugde over dat blijde vooruitzicht.--Intusschen verzoek + ik UEd. Mevrouw de Douairière over het bewuste onderwerp + niet meer te schrijven, daar UEd. zelf de noodzakelijkheid + zal inzien van haar alle dergelijke treurige aandoeningen, + opgewekt door het herdenken aan vervlogen genoegens, te sparen. + + Ik heb intusschen de eer mij nederig in UEds. vriendschap aan + te bevelen, en UEd. te verzekeren, dat ik onveranderlijk ben, + + + Heer Baron! + + UEd. toegenegen Vriend, en + Dienstwillige Dienaar, + + Lodewijk Gunther van Nassau." + + +"Die vrouwen! die vrouwen!" riep Reede stampvoetend uit, nadat hij +den brief tweemalen met verbazing gelezen had: "kan men zich zoo +iets voorstellen? Nauwelijks is de asch van haar man koud.... (en +welk een man was hij, dien zij verloor!).... of zij gaat met een +ander in 't huwelijksbootje!.... Haar over 't bewuste onderwerp +te schrijven! ... Neen waarachtig niet. Geen taal of teeken zal +ik haar ooit meer sturen, dat beloof ik haar. Ik zal moeite hebben +mij in te houden, als ik dien Graaf van Nassau weder onder de oogen +krijg. Foei! foei!"--En hij scheurde in drift den ontvangen epistel +in duizend stukjes. + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + + The knowledge of my birth secured + From all and each, but most from me. + + _Byron_, the Bride of Abydos. + + Mijn afkomst werd voor elk, vooral voor mij, verholen + + De Abydeensche Verloofde. + + +Evenals een beekje, dat, van den top der Alpen ontweld, lange +tallooze omwegen voortgevloeid, verscheidene kronkelingen en +bochten beschrijvende, een geruimen tijd naamloos en als onbewust +waarheen, over rotsen en klippen, door velden en akkers dwaalt, en +den wandelaar, die zijn boorden volgen wil, in de onzekerheid laat, +waarheen zijn reis zal geleiden, totdat het eindelijk, door den +toevloed van andere beken en den aanvoer des bergwaters gezwollen, +zijn oevers verbreeden ziet, en over een dieper bedding onder een +bepaalden naam zijn weg vervolgt, zoo ook is ons verhaal, dat tot +nu toe niet de lotgevallen van een bijzonderen hoofdpersoon, maar +de wederwaardigheden van verschillende personages heeft geschetst, +eindelijk zooverre gevorderd, dat het zich niet meer ter rechter- +of ter linkerzijde behoeft af te wenden, maar onafgebroken met de +daden van den wezenlijken held der geschiedenis de aandacht des +lezers kan bezighouden. Het voegt ons dus, ter dezer plaatse, waar +de geschiedenis, die wij beschrijven, eigenlijk een aanvang neemt, +den Lezer dank te zeggen voor het geduld, betoond in het ten einde +brengen onzer vrij lange inleiding, die hij misschien bij zich zelven +reeds zal vergeleken hebben met den Brijberg, waar men moest dooreten, +alvorens men in Luilekkerland aankwam, afgebeeld op het oude prentje, +in mijne kindsheid voor de som van een oortje alom verkrijgbaar, en +thans, nu er geen oortjes meer afgepast kunnen worden en de kinderen +veel te verstandig zijn, dan dat zij zich met Luilekkerland, Jan de +Wasscher en dergelijke grollen zouden bezighouden, wellicht niet +meer te bekomen. Men wane echter niet, dat ik, mijn inleiding bij +den Brijberg vergelijkende, de gelijkenis verder zou willen trekken +en het verhaal zelf voor Luilekkerland laten doorgaan. Hiertoe ben +ik, ik zal niet zeggen te nederig (want die verontschuldiging is +afgezaagd), maar te trotsch; want ik wil, uit loutere trotschheid, +nimmer iets beloven, dat ik vooruit zeker weet, niet te kunnen geven. + +Indien er nu een Lezer vragen mocht (want het is een vragend +geslacht, dat der lezers, en vooral dat der Recensenten), waarom ik +niet liever al hetgene ik nu in mijn inleiding heb te boek gesteld, +naderhand bijwijze van herinnering of verhaal in mijn geschiedenis heb +ingelascht, zoo zou ik hem antwoorden, niet alleen dat het mij altijd +vermoeiend en lastig is voorgekomen, wanneer in werken van deze soort +de draad der geschiedenis werd afgebroken, om te vertellen hetgeen voor +de geboorte van den hoofdpersoon, althans lang voor den tijd van het +verhaal, was voorgevallen; maar ook, dat ik in deze geschiedenis van +den ouden tijd, het voorbeeld heb willen volgen van de legerhoofden +van dien tijd. Dezen trokken niet, zooals thans geschiedt, dadelijk +op de hoofdstad aan, om, na deze bemachtigd te hebben, door dezen +of genen Generaal de mindere steden en vestingen aan hun wapenen te +onderwerpen, maar zij belegerden eerst de grenskasteelen, vervolgens +de schansen en vestingen, die zij op hun weg ontmoetten en eerst na +de verovering van die alle, drongen zij in het hart van het land door. + +De kleine Joan werd dan, gelijk wij in het slot van het vorige +Hoofdstuk hebben verhaald, op het kasteel te Sonheuvel opgevoed, +en ging er voor den zoon van zijn pleegvader door. Alleen de +predikant Raesfelt, wien Reede zijn vertrouwen geschonken had, +en die het door zijn braafheid verdiende, de getrouwe Bouke en de +oude Geertrui kenden het geheim van zijn geboorte. De Baron, zoowel +als Raesfelt, beducht dat het Spaansche bloed eenmaal in de aderen +des jongelings mocht spreken, boezemden hem, van kindsbeen af, een +vreeselijken haat in tegen zijn landgenooten, en een groote liefde +en achting voor het huis van Oranje, vooral voor Graaf Maurits, zijn +meest schitterende ster. Zij deden meer: zij zochten hem, onder de +aanwakkerende godsdiensttwisten, tot een ijverigen voorstander der +oude rechtzinnige leer te maken: en het was vooral de Predikant, +die hiertoe zijn uiterste best deed. + +De Predikant Raesfelt (want wij moeten den man nader leeren kennen) +was, gelijk de meeste godgeleerden van dien tijd, een man vol groote +bekwaamheden, en met enkele lichte gebreken, doch die niet zelden +beletteden, dat hij op zijn waren prijs geschat werd. Koelheid, +lauwheid in de zaak van den godsdienst was toenmaals onbekend: men +was gedwongen, zoo niet uit overtuiging, althans uit noodzakelijkheid, +voor deze of gene gevoelens partij te trekken, Raesfelt, met hart en +ziel gehecht aan de leerwijze, die Bogerman, Gomarus, Lubbertus en +hun medestanders predikten, paarde aan de denkbeelden van dezen ook +hun staatkundige beginsels. Evenals de genoemde schrijvers was hij een +door en door geleerd man, doorvoed met de lezing der oude, vooral der +godgeleerde schrijvers. De zucht tot onderzoek en kennis wies gestadig +bij hem aan, en het stille studeervertrek was voor hem het meest +geliefkoosd verblijf. Aldaar arbeidde hij onvermoeid en onafgebroken +aan de voortzetting zijner studiën, terwijl oprechte waarheidsbegeerte +en zucht om veel goeds en nuttigs te stichten, niet minder dan een +brandende weetgierigheid, de spoorslagen waren, die hem het werken +zoo gemakkelijk, ja tot zijn dagelijksch brood maakten. Zijns ondanks +echter en niettegenstaande deze drijfveeren leidde de bij den mensch +ingeschapen lust om hetgeen hij eens voor goed en waar heeft gehouden +te blijven aankleven, hem steeds daartoe, dat al zijn oefeningen de +strekking hadden om het godsdienstig stelsel, dat hij zich eenmaal +gevormd had, te versterken: al de schriftuurplaatsen, al de bewijzen +en verklaringen, die aan zijne denkwijze kracht bijzetteden, verkregen +in zijn oog een dubbel gewicht; en al de uitleggingen of vertalingen, +die niet met zijne meeningen strookten, werden door hem veel spoediger +dan hij zelf dacht, voor valsch, of ten minste voor dom verklaard: +zoodat hij, hoe onpartijdig hij meende en wenschte te zijn, dikwijls +en zonder het te weten tot sterke partijdigheid verleid werd. + +Schoon zijn verstand dus somtijds dwalen mocht, zijn edel en oprecht +hart dwaalde niet. Zijn wandel was onergerlijk voor God en voor +de menschen: zijn gedrag een voorbeeld van Christelijke liefde en +zachtmoedigheid. Liefde tot den naaste was bij hem geen theorie, +maar een deugd, die hij, waar en wanneer hij kon, in praktijk bracht, +en zoo zijn verstand hem somtijds verleidde om den andersdenkende te +beschouwen als iemand, wien men, naar het voorschrift des Apostels, +niet in zijn huis mocht ontvangen, noch tot hem zeggen: "wees gegroet," +zijn hart bleef ook voor den in zijn oog verdoolden broeder nimmer +gesloten. Zijn huisvrouw had hij, ondanks haar weinig aangenamen aard, +van harte lief, en met zijn kinderen was hij recht mal, gelijk men +zegt. Ook de inwoners van het slot en het dorp Sonheuvel waren aan +hun Herder bij uitstek gehecht, want zij vonden in hem altijd een +oprechten, deelnemenden, getrouwen vriend en somtijds voortreffelijken +raadsman. + +De zorg voor zijn huishouden en voor zijn gezin, dat langzamerhand +vrij talrijk was geworden, liet hij geheel aan zijn wederhelft over: +hem vonden de eerste ochtendstralen reeds in zijn studeervertrek, +'t welk hij alleen om te middagmalen verliet en waar hij, na een korte +wandeling door het dorp, het overige van den dag in doorbracht. De +Zondag alleen bracht in deze levenswijze eenige verandering teweeg: +dan ontbeet hij met zijn gezin, verruilde den huispels tegen den +zwarten rok, ging, na de predikatie, doorgaans op het kasteel het +middagmaal gebruiken en deed, als de namiddagdienst was afgeloopen, +met Joan en zijn zoons een wandeling in den omtrek: terwijl hij +den avond, wel niet met studeeren, doch met het lezen van de nieuw +uitgekomen werken over controverse punten, ten einde bracht. + +Ondanks zijn zittend leven had hij een zeer rechte gestalte: +zijn gelaat had de zoogenaamde kamerkleur verkregen en getuigde +van onthouding en inspanning. Zijn neus was ver vooruitgebogen, +als ware die bij de wording bestemd geworden tot het snuffelen +in boeken en papieren. Van onder zijn zwarte kalot slipten eenige +weinige lichtblonde haren uit, terwijl zijn ooren als de vleugels +van een Cherubijntje zich van het hoofd verwijderden. Zijn blauwe +oogen blikten doorgaans strak en afgetrokken voor zich uit; doch hun +gewone dofheid werd verlevendigd, wanneer de aard van het onderhoud de +deelneming van den Predikant gaande maakte, of wanneer zijn gemoed door +het vernemen van iets belangrijks, zijn geliefde studiën betreffende, +bijzonder was aangedaan. + +Zijn huisvrouw verschilde aanmerkelijk in verstand en karakter met +haar echtgenoot. Deze had haar gehuwd, omdat een Predikant in dien tijd +trouwen moest, wilde hij niet voor een Roomschgezinde aangezien worden, +en omdat zij een ordentlijken stuiver bezat; doch hij had gewis een +betere keuze kunnen doen. Behalve dat zij scheel zag, dat haar gelaat +met sproeten en puisten, met een rooden neus, scherpe kin en vale +kleur versierd was, bezat zij een inborst, niet ongelijk aan die der +beminnelijke echtgenoote van den vlijtigen Trommius, welke, (zoo men +verhaalt) het handschrift van het ontzettend werk der Concordantiën, +toen het ter helft door haar man voleindigd was, op het vuur smeet, +en het zoo bont maakte, dat de arme leeraar, die geduldig zijn arbeid +van nieuws af aan weder begonnen was, bij haar overlijden uitriep: "God +zij geloofd! nu heb ik rust en kan mijn werk ten einde brengen!"--Ook +Mejuffrouw Raesfelt was een soortgelijke heks; doch haar man had +minder van haar boozen aard te lijden dan eenig ander, ja zelfs had +hij het zoover weten te brengen, dat hij met haar leefde als hij met de +zachtzinnigste vrouw in de wereld zou gedaan hebben. Dit geluk was het +gevolg zijner levens wijze. Hij zag haar nooit dan aan het middagmaal, +waar hij den mond alleen opende tot bidden en eten; zijnde hij voor +'t overige zoozeer in gedachten verdiept, dat hij niets vernam van 't +geen om hem gebeurde--en in bed, waar het vroege opstaan van den man en +de drukke vermoeienissen, welke de vrouw zich door loopen en praten, en +kijven veroorzaakte, beiden alras deden inslapen. Daarenboven was, bij +hun huwelijk, als een plechtige voorwaarde door den Predikant bepaald, +dat Barbara nooit in de studeerkamer zou verschijnen, noch er eenig +gezag uitoefenen, 't zij in eigen persoon, 't zij door middel van meid +of kinderen. Alleen de oudste dochter, Kaatje, bracht 's morgens aan +haar vader een kan bier en een snede brood met kaas voor zijn ontbijt +boven; doch dit verrichtte zij met inachtneming der uiterste stilte; +niet zelden vond zij des avonds, als zij het bord kwam afhalen om er +het avondeten op te plaatsen, het ontbijt nog onaangeroerd staan: +eens zelfs was het niet te vinden; en geen wonder! Dominee had het +in gedachten met papieren en boeken in zijn schrijflade gesloten, +waaruit het na verloop van ettelijke dagen weder te voorschijn kwam. + +De zoons van den Predikant, althans toen zij tot die jaren gevorderd +waren, waarop de onderwijzing van hun vader hun van dienst kon zijn, +hadden, als vanzelf spreekt, hoewel op gezette uren, den toegang tot +het _Sanctum Sanctorum_, alwaar zij in die wetenschappen onderwezen +werden, welke hun noodig waren te kennen om de Academische lessen +eenmaal te kunnen bijwonen. Koenraad en Hendrik (dus waren de beide +oudsten genoemd) beantwoordden de moeite, die hun vader zich gaf, +met aanmerkelijke vorderingen in de oude talen, zoowel als in de +eerste gronden der theologische studiën, en met vreugde herhaalde de +Predikant dikwijls de woorden van den Psalmist, uit Psalm negentig: + + + Laet over ons' kinderen schijnen uwe eere, + + +wanneer hij zich voorstelde, dat zij eenmaal tot steunpilaren van +de Vaderlandsche Kerk zouden opgroeien en deze tegen de aanvallen +van Paapsgezinden, Socinianen, Arrianen, Pelagianen of Arminianen +zouden verdedigen. + +Behalve deze twee, genoot ook Joan welhaast het voorrecht om de +lessen des leeraars te hooren. Viermalen 's weeks wandelde hij naar +de Pastorie, om er in 't Latijn, het Grieksch en de Godgeleerdheid +onderwezen te worden: deze lessen duurden doorgaans drie uren achtereen +en verveelden hem veelal doodelijk: dan bestond het eenig genoegen van +den knaap, uit het zoldervenster (want het studeervertrek was onder +de dakpannen) de kraaien, die om den kerktoren fladderden, met het +oog te volgen, of met een snoeimes zijn naam op de tafel te snijden, +iets dat Raesfelt òf niet bemerkte, òf door de vingeren zag. Ook +gebeurde het wel, wanneer de Predikant in diepe bespiegelingen omtrent +het een of ander moeielijk vraagpunt verdiept was, en tekst op tekst +aanhaalde, zonder het voorgestelde bevattelijker te maken, dat Joan +al een groot uur zat te slapen, eer Dominee, die nog altijd de oogen +op zijn bestoven en met geschreven aanteekeningen zwart gekrabbeld +Grieksch Testament gevestigd hield, er iets van gewaar was geworden. + +Een leermeester, wiens lessen den knaap beter aanstonden, en wien hij +meer eer aandeed, was Bouke, die voorheen den Baron als lijfknecht +gediend had, en thans, nu de Heer van Sonheuvel sedert het sluiten +van het twaalfjarig bestand zijn tijd onafgebroken op zijn kasteel +doorbracht, de ambten van kamerdienaar, jager, visscher, valkenier en +nog eenige andere _cumuleerde_. Van dezen leerde Joan al spoedig de +bekwaamheden, welke den toenmaligen adel kenschetsten. Weldra overtrof +hij hem in al die oefeningen, waartoe lichaamskracht en behendigheid +vereischt werden: hij kon lang, zonder vermoeid te worden, tegen den +stroom op zwemmen, wipte de breedste slooten vaardig over, bracht +zooveel hoenders van de jacht terug als men begeerde, verstond de +kunst om valken en honden af te richten en zag met een oogopslag aan +welken kant van 't water de meeste visch te vinden zou wezen. + +Men wane echter niet, dat hij van het onderwijs des Predikants +niets mededroeg: daartoe was hij te vlug van vernuft en bevatting; +en ofschoon hij niet leerde, wat hij bij meerderen ijver en leerlust +zich had kunnen eigen maken, zoo onthield hij ten minste zooveel +van het geleerde, dat hij op zijn zeventiende jaar in het vak der +letterkunde althans zoover gevorderd was als eenig jonker in den +omtrek, en dat hij de godsdienststelsels genoegzaam kende, om bij de +droevige scheuringen, die toen het vaderland verdeelden, gesprekken, +over dat onderwerp gevoerd, met belangstelling te kunnen hooren. + +Van zijn pleegvader leerde Joan den wapenhandel en de wiskunst, ja +zelfs de voorbereidende kundigheden tot den vestingbouw, in welke +vakken Reede geheel niet onbedreven was:--ook het paardrijden, zoowel +in theorie als in praktijk, zoodat hij mede over den toomprang kon +spreken en de lengte der stangen naar 't maaksel van 't gebit wist te +berekenen. Hartelijk beminde hem de Baron, die geen onderscheid maakte +tusschen hem en de kleine Ulrica. Ook de huisgenooten van Joan zoowel +als de dorpsbewoners hadden hem lief: want hij was beleefd, gul en +dienstvaardig jegens allen. Ja zelfs had hij, 't geen iets ongehoords +scheen, de gunst der schrikkelijke Predikantsvrouw verworven, door haar +nu en dan wildbraad te schenken en een bunsingfamilie uit te roeien, +die zich kort achter de Pastorie genesteld had en een vernielingsoorlog +aan de kippen van Mejuffrouw Raesfelt had verklaard. + +Doch niemand was zoo sterk aan Joan gehecht, als de zachtzinnige en +lieftallige Ulrica. Hij had zijn kleine zusje van harte lief; doch zij +verafgoodde hem. Zijn karakter, hoe beminnelijk ook, was opvliegend en +hooghartig, hetgeen de Baron aan het Spaansche bloed toeschreef; deed +hij eens kattekwaad en was hij te trotsch om verschooning te vragen, +dan sprak zij hem voor: werd hij gestraft, zij leed er meer onder dan +hij. Verrichtte hij iets goeds, hemelhoog werd het door haar geprezen, +en zij vertelde het aan al wie er naar luisteren wilde. Nooit was +zij gelukkiger dan in zijn gezelschap, nooit droevig dan wanneer hij +wat langer dan naar gewoonte was uitgebleven. In één woord, haar +genegenheid te hemwaart had zoo diep wortels gevat en was met de +jaren zoo sterk aangegroeid, dat de oude Geertrui niet nalaten kon, +dikwijls aan te merken: "ja! zoo Mevrouw zaliger dat moest beleven, +dat haar dochter dat Spanjoolsche kind zoo lief zou hebben! wat zoude +het mensch er wel van zeggen!"--Het was alleen tegen Bouke, dat zij +op deze wijze van tijd tot tijd haar hart lucht durfde te geven; +doch dan legde haar deze altijd de breede hand op den mond, zeggende: +"Stil Geert! die veel kalt veel ontvalt! beter gezwegen dan van veel +spreken hinder gekregen: noem dat woord van Spanjool toch nooit; want +men wordt voor mondhouên gevangen, voor praten gehangen!"--"Ja! ja:" +zuchtte Geert: "ik zal wel zwijgen, maar, om ook eens spreekwoorden te +gebruiken, het einde zal den last dragen en de laatste loodjes wegen +'t zwaarst." + +Een hoofdtrek in Joans karakter was, al van zijn kindsheid af; +een hevige afkeer van alle onrechtvaardigheid geweest. Deze was zoo +sterk, dat hij zijn toorn of wrevel niet bedwingen kon, ook jegens +menschen van meer gevorderden leeftijd, wanneer hun handelingen hem +onbillijk toeschenen. Wij zullen hiervan een voorbeeld bijbrengen, +hetwelk meteen zal kunnen strekken om de karakters der in dit verhaal +betrokkene personen nader te ontwikkelen. + +Op een zomerschen morgen (Joan was toen een twaalfjarige knaap) +kwam hij van den Predikant, bij wien hij het gewone onderwijs genoten +had, en wandelde langs de heining van diens tuin terug. In dien tuin +stond een fraaie abrikozeboom op stam, wiens blozende vruchten reeds +dikwijls, bij 't voorbijgaan, zijn lust hadden opgewekt. De kinderen +van Raesfelt hadden met niet minder verlangen het ooft zien rijpen; +doch vooral had de oudste, Koenraad, er zijn zinnen op gezet, om +daarvan eens recht op zijn gemak te snoepen, en hij zat, op het +oogenblik dat Joan den tuin langs ging, in den boom, waar hij bezig +was, de rijpste vruchten van wespen te zuiveren, zooals hij het noemde, +doch eigenlijk, die voor zich zelven te bewaren. Dit bemerkende, +hield Joan stil en riep den snoeper toe: "zoo Koen! als moeder op +het mat komt, zal je er slecht afkomen." + +"Dat heb ik ook al gezeid," zeide Koenraads broeder Hendrik, die in +een hoek des tuins zat te lezen, "maar hij wil het maar niet laten." + +"Wel dan moet jij het hem beletten," hernam Joan. + +"Jawél! om slaag te krijgen! hij is grooter en sterker dan ik." + +"Hij moest ereis komen," zeide Koenraad, spottende, terwijl hij een +abrikoos in den mond stak: "dat zou hem geraden wezen; daar Hein! dat +'s voor jou!" en hij wierp hem den steen toe. + +Hierover verontwaardigd, sprong Joan over de heining, liep op Koenraad +af, en greep hem bij het been. "Je meugt niet stelen!" riep hij, +"en veel minder Hein uitlachen, die veel beter is dan gij. Kom +Hein! help mij eens, dan zullen wij hem daar afhalen." + +Hendrik, toegeschoten zijnde, vereenigde zijn krachten met die van +Joan, om Koenraad naar omlaag te trekken: deze begroette hen met +eenige schoppen en trappen, en klemde zich zoo vast om den boom, dat, +toen het aan de beide kinderen eindelijk gelukte, hem op den grond te +krijgen, hij een gansche tak met zich medenam. Aanstonds krabbelde hij +op en pakte zich weg, terwijl de beide knapen verbaasd bleven staan +en den tak opnamen. Dan, op dit oogenblik was de Pastoorsche den +tuin ingekomen. Spoedig zag zij wat er aan de hand was, en als een +razende heks liep zij op Hendrik aan, wien zij hare vuisten voelen +deed, terwijl zij Joan zoowel als hem met de namen van snoepers, +vernielers, dieven enz. begroette. + +Huilend zocht Hendrik zich te verontschuldigen en Joan riep. herhaalde +reizen: "Juffrouw! je moet Hein niet straffen. Hij heeft niet +meegesnoept." + +"Wat! ik hem niet straffen!" riep de vertoornde vrouw, den armen knaap +des te feller slaande en knijpende: "en zou jij me dat beletten, jou +snotneus? Ga maar naar 't kasteel, ik zal er je vader over spreken, +dat zal ik!" + +Woedend over deze, in zijne oogen althans hoogst onrechtvaardige +handelwijs, wierp Joan zich tusschen moeder en zoon, zocht dezen +laatsten uit hare handen te scheuren en deed zijn pogingen met krabben +en beten verzeld gaan; doch Barbara greep hem in den halskraag, gaf +hem een duchtige oorvijg, en zette hem vrij onzacht de heining over op +den weg, waarna zij, onder vele scheldwoorden tegen de beide knapen, +Hendrik met eenige schoppen in huis joeg. + +Bleek van toorn bleef Joan eenige minuten voor de heining staan +nagelbijten; vervolgens veegde hij zich de tranen van spijt van de +wangen en keerde met fonkelende oogen naar het kasteel. + +Het slot te Sonheuvel (want wij moeten onzen lezer bij deze gelegenheid +en tot beter verstand van hetgeen later volgen zal, met de localiteiten +bekend maken) was een eind wegs buiten het dorp van dien naam, niet +verre van de grenzen van Gelderland gelegen. Een rijweg, die zich met +den gemeenen landweg van Arnhem naar Utrecht in het dorp vereenigde, +liep langs den slottuin zuidwaarts af naar het veer, waar men den Rijn +overstak. Het kasteel, met den daarbij behoorenden moeshof, pleinen, +boomgaarden en wandelperken, had een omtrek van tien of twaalf morgen, +door een tamelijk breede sloot omringd. Men genaakte het van den +binnenweg door twee ingangen: de eene was de hoofdpoort en bevatte de +woning van den portier: de andere was een hek met een smal bruggetje +voor voetgangers bestemd, en naar de zuidzijde gelegen. Het slot zelf +stond midden op het grondgebied, en was insgelijks door een tweede +gracht omringd. Een steenen brug, die naar het voorplein geleidde, +vertoonde, aan zijn vier hoeken, de wapenen der Heeren van Sonheuvel, +in witten steen uitgehouwen. Het gebouw was ruim en naar den tijd vrij +modern, daar het door den grootvader van den tegenwoordigen Heer was +gesticht. Het bevatte een fraai heerenhuis, met een prachtige stoep, +mede van wapens voorzien: voorts stallen voor paarden en honden, +kleinere woningen voor den tuinman en de dienstboden en eenige schuren +of bergplaatsen. Het heerenhuis had verscheidene fraaie vertrekken: +vooral waren de benedenzaal, waarin de afbeeldsels der Heeren en +Vrouwen van Sonheuvel prijkten, en de groote zoogenaamde ridderzaal +in een goeden smaak gebouwd en wel bezienswaardig. Een lommerrijke +laan, met zware beukeboomen beplant, geleidde van de hoofdpoort naar +het slot. In deze ontmoette Joan, toen hij na de slechte ontmoeting, +waarvan wij gesproken hebben, van de pastorie terugkeerde, de kleine +Ulrica, die hem, met een vischnetje in de hand, vroolijk tegenhuppelde. + +"Goeden morgen, lieve Joan!" riep zij, zoo ras zij hem ontwaard +had: "zie eens! terwijl gij bij Dominee waart, heb ik uw vischnetje +afgemaasd: nu zullen de snoeken er niet meer doorheenspringen, zooals +laatst. Maar wat scheelt er aan? heb je gehuild? uw oogen zijn zoo +rood als vuur." + +"Huil ik ooit, Ulrica! weet je niet? toen ik laatst uit den boom +sloeg, waar ik dat vogelnestje voor u krijgen zou, toen deed ik mij +braaf zeer: maar ik huilde toch niet." + +"Neen! lieve Joan! als je je zeer doet, huil je niet: dat mogen +alleen de meisjes doen; doch toen vader u laatst beknorde, omdat je +het achterhek hadt opengelaten, toen huilde je wel." + +"Ja! dat was ook onbillijk van vader; want het was de schuld van Frans +den Portier: en als ik nu gehuild heb, is het om een soortgelijke +reden geweest;" en hierop vertelde hij haar wat er had plaats gehad. + +Ulrica troostte hem met woorden en kusjes, bracht hem in haar +tuintje, achter het slot bij den moeshof gelegen en wees hem hare +besseboompjes. Weldra had hij, met haar spelende, de abrikozen, +den armen Hendrik, ja den toorn der ruwe Pastoorsche, geheel vergeten. + +Dan deze had onze knaap geenszins vergeten. Na verloop van een uur +kwam Bouke Joan roepen: de Baron moest hem noodzakelijk spreken: "daar +zal wat voor je opzitten, jongelief!" zeide hij: "ja, kijk maar zoo +onnoozel niet: borgen is geen kwijtschelden, en wat men dronken doet, +moet men nuchteren ontgelden. De Pastoorsche staat al op je te wachten, +en die is zoo mak als een bunsing, waar men het hol van uitdelft." + +Nu herinnerde zich Joan de bedreiging van Mejuffrouw Raesfelt, en +schoorvoetende begaf hij zich naar het slot. Hij trad de voorzaal +in, waar hij den Baron in zijn leunstoel als rechter gezeten vond, +met een gerimpeld voorhoofd en strakke oogen, die weinig goeds +beloofden. Midden in het vertrek stond de Predikantsvrouw, met de armen +in de zijden, terwijl zij, ongeduldig met het bovenlijf waggelende, +op de lippen beet en stijf op den grond keek als iemand, die, van +den uitslag eener zaak onzeker, zich niet op zijn gemak bevindt. Aan +de deur gekomen, bevond zich Joan niet minder dan zij met de houding +verlegen, die hij aan moest nemen. Hij meende dat het zaak was, zich +zeer opgeruimd en luchthartig te veinzen: hij huppelde dus naar binnen, +terwijl hij zich de vuisten tegen elkander wreef en zijn vader aanzag +met een gelaat, waarop wezenlijke angst en voorgewende vroolijkheid +kamp voerden. + +"Wees maar zoo dartel niet, sinjeur!" zeide de Baron: "het kon wel +eens slecht met u afloopen: nu kijk maar niet naar den zolder: zie mij +in de oogen: de Juffer klaagt over u: zij zegt, dat gij haar gebeten +en gekrabt hebt: (hier stroopte de Pastoorsche haar mouwen op, ter +bevestiging van dit punt der beschuldiging) en dat gij haar vruchten +snoept en haar eigen kinderen tegen haar opruit. Fraaie zaken! en +wat hebt ge nu daartegen in te brengen?" + +Op het hooren dezer aantijgingen voelde Joan, dat zijn drift +wederkeerde. "Zij liegt het allemaal, vader!" antwoordde hij: +"behalve van het bijten en krabben; maar dat was omdat zij Hein sloeg!" + +"Wel heb je van je leven! Mag ik dan mijn eigen kinderen niet slaan +als ik verkies, en zal zoo'n snotjongen mij dat beletten?" "Een +snotjongen ben ik niet, leelijke feeks!" riep Joan, huilende en met +de voeten stampende. + +"Nu hoort UEd. het zelf, hoe hij mij behandelt." + +"Joan!" zeide Reede op een gestrengen toon: "wilt gij op staanden +voet de Juffrouw om vergeving vragen?" + +"Neen, vader! want ik heb gelijk en zij ongelijk." + +"Niet," riep de Baron, hem in drift aangrijpende en voor Barbara +op de knieën werpende: "vraag terstond om verschooning of ik zal +er op ranselen, dat...." Joan wentelde zich op den grond om en om, +al roepende, dat hij het niet deed. + +"Hei Bouke!" riep de Baron: "breng mij de hondenzweep eens hier.... of +neen! Neem den knaap op, en sluit hem in den toren op water en brood: +daar kan hij blijven totdat hij zijne stijfhoofdigheid aflegt." + +"Maar mijnheer," zeide Bouke: "UEd. weet, dat op den toren...." + +"Doe wat ik u zeg!" herhaalde de Baron, zonder naar iets te +luisteren. Bouke nam den knaap op, zonder dat deze eenige beweging +maakte. + +"Hoe is 't, stijfkop?" vervolgde de Baron: "zult gij om vergeving +bidden?--Niet?--Welnu Bouke, breng hem dan maar weg, waar ik gezegd +heb." + +Zonder te kikken liet Joan zich naar boven brengen en in een kamertje +sluiten, 't welk zich onder 't torentje bevond, dat uit het dak +oprees. Eerst toen hij alleen was gelaten, wierp hij zich met het +gezicht plat op den vloer en snikte luid. + +Een uur daarna keerde Bouke terug met een kom water en een stuk +brood. Joan lag nog in dezelfde houding. + +"Jonker! jonker Joan!--Slaap je?"--Geen antwoord.--"Jonker, je vader +laat vragen of je gehoorzamen zult."--Geen antwoord.-- + +"Het spijt me van u, jonker! denk toch dat het plicht is, je vader te +gehoorzamen. Wacht niet, tot het te laat is: 't beste berouw is het +vroegste: narouw is wijvenrouw. Wil je niet? nu, dan moèt je hier den +nacht doorbrengen. Nog geen antwoord?--Ja, als 't kalf verdronken is, +zal je den put dempen. Zie mij zulk een stijfkop eens aan...." en +hij vertrok. + +De krachten van Joan waren thans uitgeput; zonder aan de hem gebrachte +spijzen geraakt te hebben, viel hij in een diepen slaap: tegen den +avond wekte hem de honger, en hij was bezig zijn eenvoudig maal +te nuttigen, toen de deur, die slechts van buiten met een grendel +gesloten was, zachtjes openging en Ulrica binnentrad. + +Weenende kwam zij naar hem toe, zette zich naast hem op den grond, +sloeg het poezelige armpje om zijn hals en kuste hem op het +voorhoofd. Beschaamd en wrevelig stootte haar Joan van zich af. + +"Foei, Joan! heb ik dat aan u verdiend?--Zie eens, wat ik u heb +meegebracht; maar zeg het vooral aan niemand: want dan zou ik knorren +krijgen, schoon het mijn eigen eten is en ik er dus mee doen mag wat +ik wil." + +Al sprekende haalde zij een hengselmandje van onder haar voorschootje +en bood hem haar voorraad aan, bestaande uit een patrijzenboutje: +eenige trossen bessen en gedroogde confituren. + +Snikkende viel Joan het lieve kind om den hals en verborg toen zijn +hoofd in haar schoot. In deze gestalte bleven zij eenige oogenblikken +zitten. + +"Kom Joan! zeide eindelijk Ulrica, hem met schroomvalligheid aanziende: +"je moest de juffrouw maar om vergeving vragen." + +Joan zweeg en schudde het hoofd. + +"Och lieve Joan! doe het toch: anders wordt vader zeker nooit weer goed +op u.--Och het is hier zoo akelig om 's nachts te blijven. Hier vliegen +zeker vleermuizen en uilen. Och Joan! doe het toch om mijnentwille: +dat kan je mij toch niet weigeren; ik zal je zoo liefhebben als je +het doet." + +"Neen!" zeide Joan: "ik kan het niet, ik mag het niet doen: het is +een heks van een wijf: dien armen Hein zoo te slaan. Als het Koen +nog geweest ware, dan...." + +"Och, spreek zoo niet, Joan! Hein zal toch wel wat verdiend hebben, +anders...." + +Hier stoof de knaap driftig op: "Hein wat verdiend? niets had de arme +jongen gedaan, zoomin als gij of ik. Hoor maar eens hoe het gebeurd +is. Ik ging...." + +"Ik geloof u wel, lieve Joan! je hebt het mij van morgen al verteld; +maar je had je er niet mee moeten bemoeien: dat was altijd verkeerd +van u." + +"Wat! moest ik als een lafbek zijn blijven staan kijken, hoe kwalijk +zij haar kind behandelde! neen! al moest ik er een jaar voor zitten op +water en brood, en ik zag het haar weer doen, ik zou evenzoo handelen +als ik gedaan heb." + +Deze belijdenis legde Joan af met de armen over elkaar geslagen, +de tanden stijf gesloten, de onderlip opgetrokken en met het hoofd +knikkende. Hij meende gewis, daardoor aan Ulrica een gedeelte van +zijn standvastigheid of liever hardnekkigheid mede te deelen: doch de +uitwerking was geheel anders dan hij zich had voorgesteld. Toen het +goedhartige meisje hem zoo vastbesloten zag, op den verkeerden weg, +dien hij had ingeslagen, voort te gaan, werd zij bleek als een doek, +vouwde de handen stijf tegen haar borst, zag hem een geruimen tijd +met wilde oogen aan, en viel toen eensklaps onmachtig naast hem neder. + +Dikwijls is de mensch, op het oogenblik dat hij zich het sterkst +bestand waant tegen alle aanvechting, het naast aan het oogenblik +van toegevendheid en zwakheid: dit althans was 't geval bij Joan: +zooras hij Ulrica door zijne schuld in dien toestand gebracht +zag, wierp hij zich bij haar neder, klemde haar in de armen en +bedekte haar bleek gelaat met kussen. "Ulrica!" riep hij: "lieve +Ulrica! huil toch niet: lieve beste zusje! ik zal alles doen wat +ge wilt: och! kom toch bij u zelve." Dan zijn roepen was vergeefs +en het meisje bleef stokstijf in zijn armen liggen. Vreeselijk +kwam hem nu de gedachte voor den geest: "zij leeft niet meer! Ik +ben de oorzaak van haren dood.--"Ulrica!" gilde hij angstig uit: +"lieve beste Ulrica! help! help! ik heb haar gedood! Komt er dan geen +mensch! Bouke! Geert! help! help!" + +Op dat oogenblik ging de muur open en er trad iemand in het vertrek, +wiens onverwachte verschijning de ontsteltenis van den beangsten +knaap niet weinig vermeerderde. + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + + Dat 's een jonge, om zoo te spreken, + Die elk na de kroon zal steken, + Dat 's een knaapje met een bol. + + _Greenwood_. + + +De persoon, die nu binnentrad, was een mager, bleek man, over den +middelbaren leeftijd: zijn hoofd was bloot en slechts van weinige +grauwe haren voorzien, terwijl de kruin kaal geschoren was: zijn +kleeding was allereenvoudigst en bestond uit een grauwen overrok: +van zijn linkerarm hing een bedesnoer af en in de hand hield hij een +klein getijboek. + +De schrik van den knaap groeide meer en meer aan, toen de vreemdeling +hem naderde en hem dezelfde gelaatstrekken en houding, ja bijna +hetzelfde gewaad deed aanschouwen, door hem dagelijks in de groote +benedenzaal opgemerkt op de schilderij, welke de beeltenis van den +oudoom des Barons, Frederik van Reede tot Sonheuvel, voorstelde. Joan +dacht niet anders, dan dat de geest van zijn voorzaat hem over zijn +stoutigheid bestraffen kwam, en gillende viel hij op de knieën, zijn +gezicht met beide handen bedekkende. Dit scheen echter het oogmerk +van het spook niet te wezen, daar het, naar Ulrica toegaande, haar +keurslijf losmaakte en vervolgens haar gelaat met eenige waterdroppelen +besprenkelde. Zoodra zij eenig blijk van leven gaf, nam de gedaante +haar op, droeg haar buiten het vertrek en stelde haar in de handen van +Bouke, die het gegil van Joan gehoord had en daarop boven gekomen was. + +"Goede hemel!" zeide deze: "wat is er met het lieve kind gebeurd? Wat +zal mijnheer wel zeggen? en de oude Geert? die zocht haar al het +heele kasteel door. Ja, omdat zij altijd op haar stoel zit, denkt +zij dat die kleine meid ook zoo zal blijven koekeloeren. Nu, zooals +de waard is, betrouwt hij zijn gasten. Maar...." vervolgde hij snel +tot den onbekende: "pak u weg; want daar klotst zij de trappen op." + +De gestalte verdween.... door een zijdeur, terwijl de oude Geertrui +boven kwam. + +"Bewaar ons! Bouke! wat is met dat lieve schaap gebeurd?" + +"Dat weet ik niet. Zij was boven bij Joan: en daar is zij flauw +gevallen." + +"Och dat hartje! toe! geef haar aan mij, je draagt haar zoo +onhandig. Nu, mijn engeltje!" vervolgde zij, het kind met de vlakke +hand op den rug tikkende: "huil maar, dat zal u goeddoen. Lieve +Hemel! dat had Mevrouw zaliger moeten zien....--maar wat is er toch +gebeurd, schatje?" + +"Och Geert!" snikte het kind: "het was Joan, die...." + +"Joan is stout, mijn diefje; daar moet je niet om grienen." + +"Neen Geert! maar hij zal weer zoet zijn: hij heeft het mij beloofd." + +"Wat beduidt dit geweld?" vroeg Reede, die inmiddels was boven gekomen: +"wat is hier gebeurd?" + +"Zij was bij den jonker," zeide Bouke, "en...." + +"Bij Joan?--En wat deed zij daar? Daar hebt gij haar toch niet +gebracht, Geert?" + +"Ik? de hemel beware mij, Uw Edelheid! om naar dat kraaiennest te +gaan. Sinds Mevrouw zaliger laatst buiten was, ben ik er nooit geweest; +en dan zegt men dat het er spookt.--Het kleine hartje is naar boven +geloopen, terwijl ik...." + +"Terwijl gij in uw stoel laagt te dutten, als naar gewoonte: dat +gebeurde ook niet, toen Mevrouw zaliger nog leefde, nietwaar?" + +"Ja men wordt alle dagen wat ouder maar...." + +"Genoeg. Nu, droog uw traantjes, Ulrica! en vertel mij wat gij +boven deedt." + +Met veel tranen en snikken gaf Ulrica het gevraagde verslag, er +vooral bijvoegende, dat Joans laatste woorden, die zij gehoord had +toen zij haar bewustheid verloor, een verklaring behelsden, dat hij +om vergeving vragen zou. + +"Zoo!" hernam de Baron: "dan zijt gij minder strafbaar dan ik dacht; +maar ongehoorzaam zijt gij toch geweest, dat gij zoo in 't geheim +naar boven zijt geloopen: en daarom zult gij zonder avondeten naar +bed gaan, 't geen voor uw gezondheid ook niet anders dan heilzaam +wezen kan. Kom, geef mij een zoen, droog uw traantjes af en toon mij +uw lief en vriendelijk gezichtje weder." + +"En zult gij niet meer boos zijn op Joan?" vroeg het lieve meisje, +de wangen haars vaders streelende. + +"Wij zullen zien, hoe hij is," zeide de Baron. "Wees gij maar heel +zoet, dan gaat gij morgen mede naar Tiel met de nieuwe paardjes." + +Na haar vader omhelsd te hebben, vertrok Ulrica met +Geertrui. Vervolgens gaf de Baron aan Bouke het bevel om Joan te +halen en ging in een zijvertrek. + +Bouke vond Joan nog op zijn knieën liggen, in dezelfde houding als +toen het spook de kamer had verlaten. "Jonker!" zeide hij: "uw vader +verlangt u te spreken." + +"Zijt gij alleen, Bouke?" vroeg Joan, zich met een sprong oprichtende. + +"Wel ja, wie zou er meer wezen?" antwoordde Bouke. + +"En Ulrica?" + +"Die is weer beter en al naar bed." + +"En het spook?" vervolgde Joan met een zachte stem, terwijl hij +angstig rondzag. + +"Het spook! Welk spook?" + +"Het spook van grootoom: ik heb het spook van grootoom gezien met +een bijbeltje en een _paternoster_, net als in de benedenzaal." + +"Zoo!" hervatte Bouke een weinig verlegen: "neen het spook is weg: +kom maar met mij en wees wijs." + +"Wel Joan!" vroeg de Baron, zoodra de knaap met hem alleen was, +"zijt gij nu eindelijk tot betere gedachten gekomen, en zult gij +Mejuffrouw Raesfelt om verschooning vragen?" + +"Ja vader!" + +"Dus bekent gij, dat gij zeer dwaas of verkeerd tegen haar gehandeld +hebt?" + +"Neen, vader, dat niet." + +"Hoe! ben je dol, knaap! of spot gij met uw vader?" + +"Ik doe het alleen omdat Ulrica anders zoo bedroefd is," antwoordde +Joan, den Baron met een openhartigen blik aanziende. + +Hoewel Reede Joans inkeer wel aan deze reden had toegeschreven, +stond hij echter een weinig over de gulle bekentenis verslagen. Hij +was een trouwhartig en teeder vader, doch geen hoogvlieger in 't vak +van opvoeding, en was nu meer dan ooit verlegen welke handelwijze hem +in dit geval betaamde. Joans oprechtheid en gevoel van billijkheid +hadden hem behaagd, en thans wist hij niet, hoe den knaap te beduiden, +dat, bijaldien de drijfveer onzer handelingen niet plichtmatig is, +de daad zelve dien naam ook niet verdient. Uit deze verlegenheid +werd hij echter gered, doch door een bezoek, dat bij hem een andere +ongerustheid verwekte: de gedaante namelijk, welke aan Joan zooveel +schrik had aangejaagd, trad de kamer binnen. + +"Help! daar is grootoom weer!" riep Joan, zich aan den Baron +vastklemmende. + +"Wat onvoorzichtigheid!" zeide Reede tegen den onbekende: "hoe waagt +gij het, hier te verschijnen, en wel in dit gewaad, terwijl...." hier +wees hij op Joan. + +"Juist daarom kom ik binnen," antwoordde de vreemdeling, "opdat +hij zich overtuigen zou, dat ik geen spook ben, maar een schepsel +van vleesch en been. Toen ik zooeven uw lief dochtertje hoorde +nedervallen, en hem een akelig gegil aanheffen, schoot ik ter hulp +toe, en de knaap zag mij waarschijnlijk voor een bietebauw aan, die +hem over zijn koppigheid straffen kwam. Is het niet zoo mijn jongen?" + +Joan richtte zich half op, knikte hem een toestemmend antwoord toe +en vatte moeds genoeg om de gelijkenis van den ouden grootoom aan +te staren. + +"En gij vergeet, dat de zucht om mijn zoon van een ingebeelden schrik +te genezen, u misschien, zoo hij maar iets verhaalt, in 't uiterste +gevaar brengt," zeide Reede. + +"De knaap zal zwijgen," hervatte de onbekende, "zoo hij het wil +doen: hiervoor waarborgt mij zijn vastheid van inborst. Hoor +eens, knaap," vervolgde hij, Joan vriendelijk tot zich trekkende: +"gij zijt een verstandige jongen, aan wien men wel een geheim kan +toevertrouwen. Ik ben, ik zal niet zeggen een groot vriend, doch +zeker in nauwe betrekking met uw vader. Ofschoon ik geen kwaad deed, +willen booze menschen mij gevangennemen en leed aandoen, misschien +wel om hals brengen. Nu is uw vader zoo goed mij een schuilplaats +te leveren in zijn kasteel, buiten weten van iemand, dan alleen van +Bouke: en nu zijt gij de derde in het geheim. Durft gij nu aannemen, +mij te beloven, aan niemand ook aan Ulrica niet, te vertellen, dat gij +mij hier gezien hebt, zoo zult gij mij levenslang aan u verplichten." + +"Dat beloof ik u op mijn woord," zeide Joan, hem de hand gevende. + +"Dan is 't genoeg en ik maak er staat op," hervatte de +vreemdeling. "Mijn naam noem ik u niet: in lateren tijd zult gij +dien misschien vernemen: dan, om uw stilzwijgendheid niet geheel en +al onbeloond te laten, en opdat gij u dit voorval altijd zoudt kunnen +herinneren, schenk ik u deze kleinigheid."--Dit zeggende, trok hij een +kostbaar gewerkten ring van zijn vinger en reikte dien aan Joan over. + +"Duizendmaal dank, mijnheer!" zeide Joan, rood van blijdschap +wordende. "Zie eens vader! welk een schoone ring! het wapen van +Sonheuvel is er opgesneden. Daar zal ik mijn brieven mede kunnen +verzegelen als ik grooter word, evenals vader." + +"Een lieve knaap!" zeide de onbekende, met Joans blonde lokken +spelende: "doch hij herinnert mij mijn Maria niet!" + +"Neen," zeide Reede met verlegenheid; "doch hierover nader. Ga nu maar +heen, Joan! het is van avond te laat om nog naar juffrouw Raesfelt +te gaan; gij zult haar morgenochtend wel om verschooning vragen." + +Op dit bevel vertrok Joan, na een beleefde buiging voor het spook, +en begaf zich naar zijn slaapkamer, om aldaar in een zoete rust de +bekommernissen van den dag te vergeten. + +"En gij," vervolgde de Baron tot den onbekende: "houd u morgen tegen +acht uren gereed, dan zal Bouke u een vermomming bezorgen en wij +rijden samen met mijn dochtertje, die ik medeneem, om geen argwaan te +verwekken, naar Tiel, alwaar een schuitje u wacht, dat u veilig naar +de overzijde zal voeren. Begeef u thans weder naar uw schuilhoek; +ik durf niet langer hier blijven, men mocht ons komen storen." + +"God loone u," zeide de vreemdeling de hand zijns beschermers +drukkende. "Hij vergelde u uwe grootmoedigheid en geve, dat zij u +nimmer berouwe, noch in ongelegenheid brenge." + +"Wel!" zeide Reede: "dat was toch het minste dat ik doen kon dat ik +u een schuilplaats gaf in uw eigen kasteel." + +"In mijn eigen kasteel," zuchtte de vreemdeling, terwijl hij treurig +om zich heen zag: "helaas! ik mag met onzen Gezegenden Heer zeggen: +_Vulpes foveas habent et volucres coeli nidos: ego autem non habeo +ubi caput reclinem_!" [25] + +Reede haalde de schouders op, als wilde hij te kennen geven, dat de +vreemdeling zich zelven dien onaangenamen toestand berokkend had. + +"Dan, om 't even!" vervolgde deze, terwijl hij zonder de beweging des +Barons op te merken, het vertrek met groote schreden op en neder ging: +"wat zou ik klagen, wat mij bekommeren! Moet ik mij niet verheugen, +als de Apostelen deden, zoo ik om Zijnentwille smaadheid lijde?--Is +er niet geschreven, dat de geloovigen zouden vervolgd en gemarteld +worden? En moet niet de Kerk van Christus in het bloed der Heiligen +gegrondvest worden? Maar niet vergeefs zal Rachel haar vermoorde +kinderen beweend hebben, en niet vruchteloos zal het geschrei te +Rama op de straten gehoord zijn! Hij zal komen, de groote dag, +die Israël van zijn verdrukking bevrijden zal: de dag, waarop de +afgedwaalde schapen door den Eenigen Herder tot den stal zullen +worden teruggeroepen en dat de ketterij zal uitgeroeid worden over +den aardbodem, _ut in nomine Jesu flectatur omne genu coelestium, +terrestrium et infernorum_!" [26] + +"Om 's Hemels wil," zeide Reede: "matig u en bedenk toch...." + +"Dan zullen zij kermen en weeklagen en tandeknersen," vervolgde de +vreemdeling: "zij, die de roepstem niet gehoord en aan de zorgende +liefde wederstand geboden hebben, welke hen wilde verzamelen, gelijk +de klokhen hare kiekens verzamelt onder hare vleugelen. Dan zullen +zij roepen: _Domine, Domine, nonne in nomine tuo prophetavimus_? [27] +maar de stem van boven zal antwoorden: _nunquam novi vos: discedite +ame, qui operamini iniquitatem_. [28] Hendrik!--gij zult wellicht dien +dag beleven, dat de triomf der ware Kerk, van welke de Heere gezegd +heeft, dat de poorten der Helle haar niet zouden overweldigen, over +het aardrijk zal gevierd worden. O bekeer u voor dien tijd! voordat die +schrikkelijke dag, de _dies irae_, [29] komen moge! Gij hebt kinderen, +lieve, beminnelijke kinderen, in wie het goede zaad nog niet verstikt +is door het koude ongeloof dezer dagen: o! breng hen niet op den weg, +die ter verderfenis leidt: laat hen terugkeeren tot het zuiver, oud +geloof, de vlek uitwisschen, die op hun geboorte kleeft, evenals de +wijsheid van Salomo de smet zijner overspelige afkomst vergeten deed!" + +"Gij zijt te veel opgewonden," zeide Reede, "gij vergeet dat uwe, +dat mijne veiligheid er van afhangt, dat u niemand gewaarworde." + +"Het is waar," zeide de onbekende, stilstaande: "ik vergat dat gij +onder hen behoort, die zeggen: _durus est hic sermo et quis dotest +eum audire_; [30] en echter, God zegene u en opene uwe oogen voor +het licht; want gij zijt waardig het te ontvangen, omdat gij mij niet +overgeleverd hebt in de handen van hen, die mijn verderf zoeken.--En +nu, vaarwel! ik begeef mij naar mijn eenzaam verblijf. Mochten de +gebeden, die ik thans en namaals voor u en de uwen zal opzenden tot +de moeder Gods, hare voorbidding bewerken, opdat ook gij eenmaal het +licht moogt ontvangen, dat in de duisternis schijnt en een lamp aan +onzen voet is." + +Dit gezegd hebbende begaf hij zich naar zijn schuilplaats, zijnde +een verborgen kamertje, dat, in de dikte van den muur gemetseld, +twee onderscheidene, van buiten bedekte, uitgangen had. Een dier +uitgangen had gemeenschap met de gevangenis, waarin Joan gezeten had, +en had den onbekende in de gelegenheid gesteld, om het gesprek der +kinderen aan te hooren. + +"Wat is dat voor een gereutel?" mompelde Reede, terwijl hij grommende +de trappen weder afging. "Dominus Raesfelt is ook somtijds wat duister +en ingewikkeld in zijn uitdrukkingen, doch hij spreekt ten minste +verstaanbaar Neêrduitsch, en zoo hij al nu en dan een Latijnsch of +Grieksch woordje bezigt, vertolkt hij het altijd oogenblikkelijk; +maar uit die Paapsche aanhalingen mag Joost wijs worden. Nu, ik denk +er mijn hoofd ook niet veel mede te breken; 't spijt mij maar, dat +hij het weder over de geboorte van die kinderen had!" + +Toen Joan den volgenden morgen vroegtijdig opstond, woog hem de +belofte, die hij 's avonds te voren aan zijn vader had gedaan, +van de Pastoorsche om verschooning te gaan vragen, oneindig zwaar +op het hart; zooals het gemeenlijk gaat, wanneer men een lastigen +plicht heeft uitgesteld. Onder het aankleeden, schikte hij in zijn +geest de woorden, welke den verzoenenden volzin moesten uitmaken. Met +trage stappen ging hij naar de benedenzaal, waar zijn vader en Ulrica +weldra verschenen. Na het ontbijt kwam Bouke den Baron verwittigen, +dat het rijtuig gereed stond. Reede vertrok hierop met Ulrica, na +aan Joan last te hebben gegeven van hen niet te volgen. Deze echter, +des te nieuwsgieriger na zulk een ongewoon verbod, ging uit een +der achterramen liggen en zag van daar, tusschen de boomen door, +het rijtuig voor het kleine bruggetje op den rijweg staan, met een +persoon er in, als een boer gekleed, doch wien Joans scherpziende +oogen dadelijk voor den vreemdeling, die hem den ring gegeven had, +herkenden. De Baron, bij het wagentje gekomen, plaatste zich naast +den vluchteling, terwijl Bouke op de achterste bank ging zitten met +Ulrica: waarna Reede de zweep over de paarden legde en den weg naar +den Rijn opreed. + +Na hen een wijl nagestaard en vervolgens zijn taak voor den Predikant +te hebben afgewerkt, begaf zich Joan, wien de valsche schaamte hoe +langer hoe meer begon te kwellen, naar de Pastorie. Als lood woog +hem nu zijn verplichting op het hart. Dan eens wenschte hij, dat de +juffrouw maar uit ware: dan weder dat zij aan de deur zoude staan, in +welk geval hij terstond door het ergste heen zou wezen. Aldus peinzend +en zich zelven vruchteloos moed insprekend, ging hij langzaam voort, +bleef dikwijls staan, plukte nu en dan de bloemen, die langs den weg +groeiden, en wierp ze weder weg, keek de koppels vinken na, die over +zijn hoofd vlogen, en beschouwde eindelijk een bende ruiters, die op +een snellen draf van den kant van Gelderland de hoogte afkwam, en die, +zoodra zij bij het dorp was gekomen, halt hield, vervolgens regelrecht +op hem aanreed en hem omsingelde. Een hunner, die de hoofdman scheen en +even als de anderen, welke acht in getal waren, met vuurroer en degen +gewapend was, sprak hem, even den hoed oplichtende, in dier voege aan: + +"Zeg eens, knechtske! hoort ge in de buurt te huis?" + +"Om u te dienen!" antwoordde Joan: "ik ben de Jonker van Sonheuvel." + +"Zoo! dan zijt ge waarschijnlijk best in staat, ons in te lichten. Hebt +ge hier gisteren of vandaag ook een landlooper gezien, die een +schuilplaats vroeg of om onderstand verzocht?" + +"Jawel! die komen er dagelijks. Laat zien.... Gisteren was het smerige +Gijs, en dien gaf ik niets, omdat hij niet werken wil: en eergisteren +Kees Keessen met het stompje, en dien gaf ik een oortje, omdat hij +niet werken kan; want hij heeft maar ééne hand." + +"Met verlof! Jonker! Dien wij zoeken is geen gewone bedelaar: hij is +een man met een deftig uitzicht, en in 't zwart gekleed, met een kale +kruin en...." + +"Neen! die is hier in de buurt niet geweest," antwoordde Joan, die nu +begon te begrijpen, dat het spook van grootoom de persoon wel wezen +kon, dien men zocht. + +"Ja! die is hier wel geweest," klonk de schrille stem van Mejuffrouw +Raesfelt achter hem: "ik heb den man, dien gij beschrijft, met Bouke +door het achterhek op Sonheuvel zien komen, toen ik gisteren naar +huis ging over de steenen brug." + +"Zoo!" zeide de aanvoerder der bende, terwijl hij den beslissenden +toon, dien de juffrouw aannam, vergeleek met de bedremmelde wijze, +waarop Joan geantwoord had: "Jonker! mij dunkt, gij weet meer dan +gij zeggen wilt." + +Joan beefde als een blad: dan, of zulks veroorzaakt werd door +de onverwachte verschijning der Predikantsvrouw, dan wel door de +vrees, die de ruiters hem aanjoegen, is ons niet bekend. Spoedig +echter vatte hij weder moed; en, het gewicht ten deele beseffende, +dat in het bewaren van des vreemdelings geheim was gelegen, besloot +hij de ruiters zoolang op te houden, tot de Baron weder terug en de +vluchteling in zekerheid ware. + +"Wacht!" zeide hij, zich tot den Hoofdman wendende, evenals bezon hij +zich: "draagt de persoon, dien gij zoekt, niet een zwart manteltje, +een omvallenden kraag en een dichtgeknoopt buis? Heeft hij niet een +gebedenboek en een _paternoster_ bij zich?" + +"Dat zal wel zoo wezen," antwoordde de ruiter: "maar waar is hij?" + +"In het kasteel, en ik zal u terstond wijzen waar; doch eerst moet +ik de juffrouw even spreken. Juffrouw!" vervolgde hij stil en snel, +terwijl hij haar ter zijde trok: "ik vraag u om verschooning: +mijn vergrijp is mij van harte leed: wees zoo goed aan Dominee te +zeggen, dat ik vandaag geen les kan komen nemen."--Na deze woorden +op éénen toon en in éénen adem achter elkaar te hebben uitgerabbeld, +keerde hij zich weder tot de ruiters en zeide: "Komt nu maar mede, +Heeren! ik zal u voorgaan." + +"Ja, maar!" zeide de hoofdman, zooras zij de steenen voorbrug over +waren gekomen: "is hij stellig op 't kasteel?"--Joan knikte met +het hoofd.--"Welnu, opdat hij niet ontvluchte, zullen wij eerst +de uittochten bezetten. Gij Roelof Sla-der-op, Peter Keinkenate en +Hans Knipper, aan het achterhek! niemand uit of in te laten!--Gij, +Joost Steek-maar-toe, Karl Blutzaufer en Melis Pif-paf, aan de +slotpoort! Niemand er uit! Niemand er in! Frans Smijter en Meeuwis +Kriegelkop volgen mij naar binnen." + +Terwijl deze bevelen volvoerd werden en zich de ruiters naar de hun +aangewezen posten begaven, volgde de wachtmeester met twee ruiters +Joan binnen het slot; op het plein stegen zij af en gaven hun paarden +aan de verbaasde dienstboden te bewaren. + +"Als de Heeren mij maar volgen willen," zeide Joan, die moeite had +een schalkschen lach te bedwingen, terwijl hij de ruiters vooruitging +naar de benedenzaal. Onder 't voortgaan haalde de wachtmeester een +papier uit de borst en las het _signalement_ van den voortvluchtige +overluid op: "blauwe oogen, gebogen neus, ronde kin, grijsachtig haar, +zware wenkbrauwen...." + +"En een paternoster in de hand," zeide Joan, terwijl hij den ruiter +bij den arm nam en hem omdraaide, zoodat hij vlak over het afbeeldsel +van den ouden Frederik van Reede tot Sonheuvel stond: "daar is de +man dien gij zoekt: of ik heb abuis." + +"Ja! dat lijkt hem op een haar; waar is hij nu?" + +"Wel, daar!" + +"Waar?" + +"Daar op de schilderij. Anders is er geen zoodanige hier te vinden. Ik +dacht, dat gij het portret zocht." + +"Wat henker! jou oolijke schalk! houdje ons voor de mallen! Ik zal +je leeren...." + +Joan, die in het kasteel zijns vaders voor niemand vreesde, daar hij +zeer wel wist, dat geen mensch er ongestraft eenig geweld zou mogen +uitoefenen, zag den wachtmeester spotachtig aan, maakte een diepe +buiging en liep de zaal uit. + +"Dat 's een satansche gauwdief!" riep de wachtmeester: "naar +boven mannen! het slot doorzocht! de paap zit zeker hier of +daar verscholen." Dit zeggende, liep hij, gevolgd van zijn twee +handlangers, de trappen op, vermoedende, dat de vluchteling in een der +bovenvertrekken zoude wezen. In de eerste kamer, die hij opensloot, zag +hij een kruik, nog half vol water, een brok brood en de lekkernijen, +die Ulrica 's avonds te voren aan Joan gebracht had, en waar hij niet +aan geraakt had, gelijk men zich herinneren zal. + +"Hier zal hij wezen!" riep de wachtmeester, "binnen mannen! en draagt +zorg, dat niemand er uitkome." + +"Dat zal ik," riep Joan, die hen stil gevolgd was, en smeet meteen de +deur achter hen toe. "Veel pleizier, vriendjes! slaap daar nu maar wat +uit." Dit gezegd hebbende, snelde hij onder een schaterend gelach de +trappen af, riep den Bottelier, den Palfrenier, den Tuinier, de oude +Geert en al de zoo mannelijke als vrouwelijke dienst- en werkboden +bijeen, en vertelde hun, dat hij drie gevangenen gemaakt had, over +wier lot de Baron zoude beschikken. Dan, terwijl hij nog sprak, en de +oude Geertrui al gedurig uitriep, wat Mevrouw zaliger wel van zulk een +geval gezegd zou hebben, hoorde men zulk een geweld aan de voorpoort, +dat allen naar buiten stoven. + +Dit rumoer had een zeer natuurlijke reden. De Baron kwam met Ulrica +en Bouke in het wagentje van zijn reis naar Tiel terug en vond zich nu +voor de brug van zijn eigen slot den ingang ontzegd door de drie aldaar +geposteerde ruiters, die hem niet verstonden of niet wilden verstaan. + +"Ik ben de Baron van Sonheuvel," schreeuwde hij. + +"Ick kenne kein Baron," zeide Karl Blutzaufer: "potstauzend, du sollst +nicht drinn kommen!" + +De Baron lichtte de zweep op, om hem een duchtigen slag om de ooren +te geven, en er ware veellicht een vechtpartij ontstaan, indien niet +Ulrica, vol angst en ontsteltenis, haar vader weerhouden had, door +zich zoo vast aan hem te klemmen, dat hij zich bijna niet verroeren +kon. Intusschen was Bouke, die meer bedaardheid van geest bezat dan +zijn Heer, uit den wagen geklommen en naar de ruiters toegestapt, aan +welke hij vroeg, wie en waar hun hoofdman was, daar het toch billijk +scheen te zijn, dat men aan den heer des huizes reden gaf, waarom hem +de toegang tot zijn eigen slot ontzegd werd, althans in vredestijd en +door soldaten in dienst van den lande. Na eenige woordenwisselingen +begrepen de schildwachten, dat zij aan het verzoek van Bouke voldoen +moesten, en ging Melis Pif-paf naar binnen om den wachtmeester te +halen. Op het voorplein ontmoetten hem de bedienden, allen welgewapend. + +"Waar ist der Wachtmeister?" vroeg Melis: "ik muss hem sogleich +spreken!" + +"Dat weet ik niet," antwoordde de Bottelier; "ik heb geen wachtmeester +gezien noch geroken; maar dat weet ik, dat jijlui je biezen moeten +pakken en Zijne Edelheid ongemoeid laten oprijden, of dat het slecht +met je zal afloopen." Terwijl hij sprak, grepen eenige tuinlieden +den ruiter aan en ontwapenden hem. + +"Hilf! Jost! Karl! Hilf! Staôt bi kerlen!" riep Melis, zich vruchteloos +verzettende. Dan Jost noch Karl konden hem te hulp komen: want +verscheidene dorpelingen, waaraan Juffrouw Raesfelt verhaald had, +dat er ruiters op het kasteel gekomen waren, hadden zich inmiddels +aan den buitensten ingang vertoond en hielden er de twee ruiters in +bedwang; de drie anderen, die aan het achterhek post gevat hadden, +kwamen op het gerucht aanrijden, om hun makkers bij te springen; en +het ware tot een algemeen gevecht gekomen, bijaldien niet de Baron +op de bank van zijn rijtuig geklommen was en van daar uit de hoogte +een algemeene stilte geboden had. + +"Staat, menschen! ik ben hier op mijn grond alleen heer en meester, +en verlang te weten, wat aanleiding tot deze malle historie gegeven +heeft. Is er een onder die knapen, die verstaanbaar Neerduitsch spreken +kan, zoo ben ik bereid te hooren, op wat grond men zich verstout, +in mijn afwezigheid mijn slot te bezetten." + +Roelof Sla-der-op reed tot naast den wagen, nam den hoed in de hand +en sprak: + +"Wij volgen slechts onzen last, Heer Ritmeester! U WelEd. is zelf +soldaat geweest en weet dus, dat wij gehoorzamen moeten aan hen, +die boven ons gesteld zijn." + +"Recht zoo," antwoordde de Baron: "maar wie gaf u dan last?" + +"De wachtmeester, heer Ritmeester, die binnen het kasteel is." + +"Laat hem dan hier komen," riep Reede, ongeduldig wordende: "waar +zit hij?" + +"Ik heb hem op den toren gevangengezet," zeide Joan, die met zijn +kruisboog op schouder, uit den hoop hervoor stapte: "hem en zijn +makkers!" + +"Geen gekscheren, Joan!" zeide de Baron, gramstorig: "zulke malligheden +komen nu niet te pas. En breng dat geweer weg. Als er uilen geschoten +moeten worden, zal ik u roepen." + +"De Jonker heeft gelijk," zeide de Bottelier: "hij heeft drie ruiters +in de steenenkamer opgesloten." + +"Ja! hier zitten wij!" riep een stem, die uit de lucht scheen te +komen. Allen keken naar boven en zagen aan een klein venstertje het +hoofd van den wachtmeester, die op de schouders zijner twee kameraden +geklommen was om het te bereiken en hulp te vragen. Op dit gezicht +berstte iedereen uit in een schaterend gelach; zelfs de ruiters, die +beneden stonden, moesten glimlachen op het denkbeeld van de poets, door +een knaapje als Joan aan hun sluwen hoofdman en zijn makkers gespeeld. + +"Zoo!" zeide de Baron, toen het gejuich een weinig bedaard was: "zitten +die vogels zoo hoog in de kooi? Hoort eens mannen," vervolgde hij tegen +de ruiters, die beneden waren, en die thans wat minder hoog spraken, +sedert dat de Schout met een nieuwen troep gewapende boerenknapen +den stoet vergroot had, "zit af en geeft de wapens ordentelijk over, +terwijl ik uw wachtmeester ga onderhouden. Heer Schout! wees zoo goed, +mij te volgen." Dit geschiedde. + +De Baron reed nu onverlet zijn kasteel in, vertrouwde Ulrica aan de +zorgen van Geertrui, en begaf zich met den Schout naar de groote +benedenzaal, terwijl Bouke met eenige dienaars de gevangenen ging +verlossen en vervolgens den nu ontwapenden wachtmeester binnenbracht. + +"Wat is uw last, wachtmeester?" vroeg Reede: "en hoe durft gij zoo +onbeschaamd in mijn kasteel den baas komen spelen? Spreek de waarheid, +of ik laat u ophangen." + +"Dat zoude UEd. moeten verantwoorden," antwoordde de wachtmeester, +op vrij hoogen toon: "wat mij betreft, hier is mijne verantwoording" +en hij reikte den Baron zijn lastbrief over. + +Deze was geteekend en uitgevaardigd door de Staten van Gelderland en +bevatte een bevel aan Peter Maanvreter, Wachtmeester, om op te sporen +en te vatten den persoon van Ambrosio, Priester, zich bevorens genoemd +hebbende Godard van Reede tot Sonheuvel (hier volgde de aanduiding) +en aan alle overheden, schouten en magistraten om gemelden Peter +Maanvreter de noodige hulp en assistentie te verleenen enz. enz., +alles ingevolge de in den jare 1598 uitgeschreven en later hernieuwde +plakkaten. + +"Ik zal hierop slechts ééne aanmerking maken," zeide de Baron, nadat +hij de lezing van het stuk in stilte had volbracht: "gij zijt hier +niet in Gelderland, maar op Stichtschen grond: en uw lastbrief heeft +hier zijn kracht verloren. Hadt gij onderzoek willen doen, gij hadt +u bij den Schout moeten vervoegen, maar geenszins op eigen gezag hier +moeten komen." + +"De Jonker heeft ons zelf hier gebracht," antwoordde de wachtmeester. + +"Gij zijt een te oude roofvogel om u door zulk een jong spreeuwtje +van den rechten weg te laten afbrengen.--Doch heeft de Jonker die +buitenposten uitgezet, die mij den toegang hebben afgesneden?" + +"Het spreekt van zelf, dat mijn last UEd. niet gold; en UEd. ware +niet opgehouden geweest, indien men mij niet had opgesloten; doch ik +had stellig naricht, dat de man, dien wij zochten, zich hier bevond, +en nam daarom de noodige voorzorg, dat hij niet ontsnapte. Mag ik +UEd. wel een woordje in 't vertrouwen onder vier oogen mededeelen!" + +"'t Is wel: doch maak het kort. Heer Schout, met uw verlof! Bouke, +verlaat de kamer met uw volk.--Nu zijn wij alleen: wat hebt gij nu +te zeggen?" + +"Heer Baron," zeide de wachtmeester: "wees zoo goed en zie dit +papiertje eens in." Meteen toonde hij het aan Reede, terwijl hij het +zorgvuldig met de beide handen onder en boven bleef vasthouden uit +vrees dat het hem ontscheurd zoude worden. Het was een blaadje uit +een getijboek, en wel het eerste: bovenop stond geschreven: _hic +liber est Fr. Ambrosii, abb. Dom._ [31]. + +"Welnu! wat zal dit?" vroeg Reede, nadat hij het aandachtig beschouwd +had. + +"Dit blaadje vond ik in mijn gevangenis. Het bewijst ten duidelijkste, +dat daar vóór ons nog iemand geweest was, en dat de abt, uw oom, daar +òf gescholen heeft òf nog in de een of anderen hoek schuilt.--Wat +dunkt UEd.? Zouden de Staten het met welgevallen zien, dat UEd. een +man, wien de justitie opspoort, schuilplaats verleent?" + +Van Reede zweeg en streek zich over 't gezicht. + +"Mij dunkt, Uwe Edelheid!" vervolgde de wachtmeester, ziende dat +zijn gezegden niet geheel zonder uitwerking bleven, "mij dunkt, +wij moesten de geheele geschiedenis maar blauw blauw laten. Want, +zoo UEd. over mij klaagt, zal ik, ja, misschien gestraft worden; +doch ik heb altijd een middel om UEd. een poets te bakken, die +UEd. waarschijnlijk hoogst onaangenaam zijn zoude." + +"Gij hebt gelijk, schurk!" zeide de Baron, "gelukkig, dat alles +zich nog zoo schikken kan: want de man, dien gij zoekt, is reeds +in veiligheid. Inderdaad, het zal best zijn, dat wij de zaak +schikken. Heer Schout! gij kunt weer binnenkomen." + +De Schout kwam terug met de overigen. "Ik ben over de inlichtingen +voldaan, mij door den wachtmeester gegeven," zeide Reede, "en +hij kan in vrede met zijn volk vertrekken, mits zulks dadelijk +geschiede. Bouke! roep Joan! want ik moet eens hooren, hoe hij het toch +geklaard heeft, om die knapen boven op dat kamertje te krijgen. Tot +wederziens, Heer Schout."--Men gaf den ruiters hun wapenen terug, +waarop zij vertrokken. Ondanks de vermaningen van den Schout konden +zij het dorp niet verlaten, zonder een menigte scheldwoorden en +uitjouwingen van de goede gemeente, die hen gevolgd was, te moeten +verduwen: dit getroostten zij zich totdat zij buiten het dorp gekomen +waren: toen gelastte Maanvreter aan zijn onderhoorigen rechts-om-keert +te maken, en meteen zwoer hij, dat de eerste, die zich verstouten +dorst, hem verder lastig te wezen, kennis zoude maken met zijn ijzeren +kling. Deze bedreiging, de vaste toon, waarop zij was uitgesproken, en +het barsche uitzicht van den wachtmeester maakten indruk op den hoop, +en de ruiters mochten ongestoord hun weg naar Gelderland vervolgen. + +Aldus liep deze geschiedenis ten einde, waarvan eigenlijk niemand met +eer was afgekomen, dan Joan, wiens verhaal door zijn pleegvader onder +een aanhoudend gelach werd aangehoord en wiens gedrag door Bouke ten +hemel werd verheven. + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + + Van mijne bruiloft af, van dat ik zat verlooft, + Wat stormen waeiden my niet sedert over 't hooft: + Wat toren is zoo hoog, van waer mijn oogh de baren + Der zee kan overzien van al mijn wedervaeren. + + _Vondel_, Gysbrecht van Aemstel. + + +Wij springen thans, volgens het voorrecht van romanschrijvers en +nieuwerwetsche Fransche _vaudevillisten_, wederom eenige onbeduidende +jaren stilzwijgend over, om tot een voorval te komen, hetgeen plaats +greep, toen Joan zestien jaren bereikt had, en dat op zijn volgende +loopbaan meer invloed had, dan men er in het eerst van had kunnen +verwachten. + +Schoon Joan op dien leeftijd een geoefend ruiter was, en den fraaien +vos, hem door zijn pleegvader geschonken, met zwier bereed, wanneer +hij met vlugge hazenwinden den reebok of de hazen op het uitgestrekte +heideveld najoeg, kende hij echter geen grooter genoegen, dan om +alleen, zonder gezelschap buiten zijn trouwen hond Veltman, met het +jachtmes op zijde en den kruisboog in de hand, de omliggende velden +te doorkruisen: dan trok hij, in 't eenvoudigste gewaad, tegen weer +en wind gehard, bij zonsopgang met vollen knapzak en ledige weitasch +het slot uit om er niet zelden eerst tegen het vallen van den avond +met ledigen knapzak en volle weitasch terug te keeren. Rusteloos en +onvermoeid zette hij zich alleen uit vriendschap voor zijn viervoetigen +tochtgenoot somtijds neder, om de boterhammen, welke de zorgvolle +Ulrica 's avonds te voren had toebereid en in papier gewikkeld, +met den edelen hond te deelen, en aan dezen de verkwikking te doen +erlangen, die hij benoodigd had om met nieuwe krachten de wandeling +voort te zetten. + +Eens keerde hij, met wild beladen en vroolijk neuriënde onder 't +gaan over de breede heiden, die zich ten noordoosten van het dorp +Sonheuvel bevinden, met zijn trouwen Veltman weder huiswaarts. Het was +een dier schoone herfstavonden, waarin de hemel met zulke heerlijke +schakeeringen van goud en purperrood ontgloeid is: liefelijk werden de +dampen, die over de vochtige velden gleden, door de breede zonnestralen +verlicht; in vollen bloei stonden de ontelbare erica's en bedekten +het grauwe mostapijt als met purperen vlekken: van alle kanten +stegen de geuren van thym en rosemarijn naar boven en verspreidden +zich heinde en ver op den adem van het suisend avondwindje. Blakend +van den schemerenden gloed der ondergaande zon, lagen Sonheuvel en +de omliggende dorpen aan den voet des heuvels, midden tusschen het +donkere groen te prijken: trotsch en statig verhieven zich de hooge +kerkspits, en daarachter, de daken van het vaderlijk slot: linksaf +stak, in 't verschiet, de dom van Reenen somber af tegen het heldere +zwerk, en aan de rechterzijde rezen de torens van twintig adellijke +huizen uit de donkere bosschages. Voor hem rolde de Rijn met effen, +stillen stroom, door vette weiden of geurige boomgaarden, en kaatste +als een spiegel den blozenden hemel terug. Hoe vaak Joan dit prachtige +natuurtooneel aanschouwd had, telkens deed het nieuwe en streelender +gewaarwordingen bij hem oprijzen: want dit voorrecht bezit de natuur, +dat hare schoonheid nimmer den gevoeligen toeschouwer vermoeien noch +verzadigen kan, en dat de indrukselen, welke zij teweegbrengt, met de +jaren eer versterkt dan verzwakt worden. Onwillekeurig bleef Joan op +de helling des heuvels staan, niet ver van de plaats, waar het pad, +dat hij volgde, zich met den bovenweg vereenigde, om zijn oogen aan +een treffend en bevallig schouwspel te verlustigen. Daar stond hij, +als ware hij alleen in de natuur. Slechts de rook, die uit het dorp +in dunne wolkkolommen opsteeg, het verwijderd geloei der runderen, +die naar de stallen keerden, en het eentonig geluid der klinkende +schelletjes van de witgewolde kudden kondigden hem de nabijheid +van menschen aan. Verzonken in aandacht en verrukking, gevoelde +hij zich, zonder zelf de reden te kunnen bevroeden, diep bewogen +en wischte een traan uit het oog, toen de onverwachte verschijning +van een naderend rijtuig aan zijn gedachten een afleiding bezorgde, +door zijn nieuwsgierigheid gaande te maken. + +Langs den bovenweg, den eenigen, die in dit jaargetijde berijdbaar +was, kwam van den kant van Reenen, een zware koets aanrollen, door +vier stevige paarden getrokken. Een fraai uitgedoste koerier ging +het rijtuig voor, gaf, zoodra hij ter plaatse gekomen was, waar de +weg nederwaarts op het dorp aanliep, zijn paard de sporen en reed +op een vluggen draf de straat van Sonheuvel in. Met snelle schreden +aanstappende, bereikte Joan nu spoedig den landweg en zette zich op +een dijkje van plaggen neder, om het rijtuig, dat langzaam den heuvel +afkwam, te zien voorbijrijden. Het was een prachtige koetswagen, met +wapens en blazoenen beschilderd. De hemel, op vier stijlen rustend, +was met gordijnen behangen van oranje laken, met blauw en zilver +geborduurd. Op de trede zat een page, tegen de avondlucht gewapend +met een paarsen mantel, waarin hij zich geheel had gewikkeld. Achterop +bungelden drie lange slungels van lakeien, sierlijk uitgedost en met +vuurroeren gewapend. De koetsier, die de strengen der achterpaarden +hield, was een lang, deftig man, met een hoogen, breedgeranden hoed, +een kastanjebruinen rok vol linten en strikken, hooge laarzen met +zilveren franjes en bijzonder net geplooiden kraag. Deze keurige +kleeding stak bijster af tegen het gewaad des postiljons, die op +het bijdehandsche voorpaard gezeten was, zijnde een Geldersche boer, +met ongedekten hoofde, aschgrauw, ongekamd en stijf afhangend haar, +linnen pij en holsblokken aan de bloote voeten. + +Langen tijd bleef de wagen even langzaam voortrollen, en Joan werd +ongeduldig, toen hij op eens verwarring om het rijtuig zag ontstaan, +terwijl de paarden hollende op hem afkwamen. + +Het linkerachterwiel had een zwaren steen ontmoet, die, onder 't zand +begraven, en door een vooruitschietenden denneboomswortel gesteund, +het voortgaan van het rijtuig verhinderde. Driemalen klapte de lange +zweep des koetsiers door de lucht: driemalen voelden de voorpaarden het +touw met de dikke knoopen der postiljons, zonder dat de koets verwikte: +eindelijk deed het bijdehandsche voorpaard zulk een geweldigen ruk, +dat een der touwen, waaraan het gebonden was, in stukken sprong: dit +was oorzaak, dat het dier op zijn nevenman aandrong: het geheele span +ontving een zijdelingschen schok, waardoor het rijtuig met zooveel +geweld over den steen gehaald werd, dat het wiel omhoog en tegen +den bak aansnorde; de postiljon verloor zijn tegenwoordigheid van +geest, en in plaats van zijn paarden des te steviger vast te houden, +poogde hij af te klimmen en tuimelde hals over kop in 't zand: de +paarden, schichtig geworden, sloegen aan 't hollen en waren niet +door de inmiddels afgestegen dienaars te wederhouden. De page, die +mede van het rijtuig gesprongen was, lag midden in een doornstruik +te spartelen, en een in 't zwart gekleede vrouw, die de gordijnen +had opengeschoven, (want men wist toen nog van geen portieren) en +al gillende hulp vroeg, scheen in beraad om ook den sprong te wagen, +toen er hulp verschaft werd. + +Zooras Joan het ongeval ontdekt had, begreep hij, dat de paarden +gestuit dienden te worden, eer zij in het bestraatte dorp aankwamen, +alwaar zij het rijtuig gemakkelijk tegen een huis of stoep zouden +kunnen verbrijzelen: haastig zag hij om zich heen, hoe er hulp kon +bewezen worden, en wierp inmiddels boog en weitasch van zich af. Aan +den weg lag een hoop afgehouwen dennestammen: een daarvan tilde hij +op, stak dien dwars over den weg, met de punt in het dijkje en ging +zelf aan de andere zijde van het spoor staan, het dikke einde van den +boom vasthoudende, en op die wijze een slagboom improviseerende. Bijna +op hetzelfde oogenblik waren de voorpaarden bij hem: zij struikelden +over den hinderpaal en stortten neder, waarop het den koetsier niet +moeilijk viel, de achterpaarden op te houden en het rijtuig te doen +stilstaan. Men begrijpt, dat dit alles in minderen tijd geschiedde, +dan ik noodig heb om het te verhalen. + +Een der dienaars naderde het rijtuig en hielp er zijn meesteres uit, +benevens hare twee verschrikte kamerjuffers. Zonder een woord te +spreken, en met een gelaat, waar de uitgestane angst nog duidelijk +op te lezen was, wandelde de deftige vrouw den weg af, toen haar +page, een knaap, die tusschen de twintig en vijf en twintig jaren +oud scheen en wiens kleeding en gelaat deerlijk van de doornen +gehavend waren, met honderd buigingen haar op zijde kwam snellen, +en met tallooze dienstbetooning vroeg, of Mevrouw ook eenig letsel +bekomen had. Zijn meesteres vergenoegde zich met van neen te schudden +en wendde zich vervolgens tot den koetsier, die van den bok geklommen +was en de paarden ophielp, en wien zij vroeg of hij alleen, dan wel met +behulp van anderen, de paarden had kunnen stuiten.--"Ich? Genädige +Frau!" antwoordde de koetsier: "nein waaraftig nicht: das ware +onmöglich; want ich hold allein die afterste knollen: ohne ein +jungen jäger, die mit eine kantsch prave tegenwortigkeid von keist +die dennetak for die perten kehalt had, ware euer Gnäde er so gefällig +niet afjekomen: er ware ein hupscher knabe, und Ludwig (vervolgde hij, +den page schuins aanziende) mag ein beispiel aan ihm nemen, wie sich +te ketraken in eine sortkelike kelekenheid." + +"Ik zou hetzelfde gedaan hebben," antwoordde de page: "kan ik het +helpen, dat ik in die hatelijke doornen te land kwam?" + +"Neen," zeide de vreemde Dame, op een gestrengen toon: "doch gij +kunt het wel helpen, dat gij de gordijnen niet losmaaktet, toen ik +zulks verzocht: wel is waar, elk is zich zelf het naast, en de vrees, +die u beving, is uw beste verschooning." + +Het gelaat van den page, dat op het verwijt van den koetsier rood +van toorn geworden was, werd op de beschuldiging zijner meesteres +bleek van spijt: hij wilde antwoorden, doch wederhield zich intijds, +beet op de lippen, wendde zich af en ging naar de paarden, als om te +helpen; doch de koetsier stootte hem eenigszins ruw van zich af met +de verklaring, dat hij hem hinderde. + +Nog maar half van haar schrik bekomen, plaatste zich de adellijke vrouw +op den stapel boomstammen, en vroeg aan de landlieden en dorpelingen, +die in menigte, door de nieuwsgierigheid gelokt, waren toegeschoten, +wie hunner den kloeken jongeling kende, die zich zoo moedig en behendig +voor haar behoud geweerd had. + +"Er was ein jongen jäger," zeide de koetsier: "ein hupscher borst." + +"Een jonge jager", zeiden de boeren, de schouders ophalende: "wie +kan dat zijn? hier jaagt niemand dan de Jonker." + +"Of het moest Teun Wezer zijn," mompelde de vrouw van den metselaar +tegen den barbier. + +"Die zal zoo mal niet wezen om zich hier te vertoonen," zeide de +barbier, sedert Bouke hem rottingolie heeft toebedeeld, omdat hij +zijn nichtje Klaartje zocht te verleiden." + +"Wat praat jelui van Teun Wezer?" liet zich een stem achter de koets +hooren: "bemoei je met je eigen duiveljagerijen." + +Hij, die deze woorden uitte, was dezelfde boerenknaap, die als +postiljon de koets gemend had en bij Reenen te huis behoorde: hij +stond in den geheelen omtrek in slechten reuk, wegens gepleegde +strooperijen en boevenstukken; doch omdat hij een vrij goed ruiter +was, werd hij wel eens door den boerenstalmeester als postiljon aan +reizenden medegegeven. + +"Zie je nou, buurman?" hernam de metselaarsvrouw: "daar is hij al zelf: +ja, ik had zoo mis niet gezien. Het spijt mij maar, dat ik kwaad van +hem gesproken heb: als hij het gehoord heeft, zou hij wel eens uit +wraak mijn kippen stelen." + +Inmiddels naderde de postiljon en bezichtigde de paarden: waarna hij +met een zwaren vloek verzekerde, dat het eene in de borst gewond, +en het andere aan 't been gekneusd was, een schade, welke de genadige +vrouw, al ware zij nog zoo genadig, hem betalen zou. + +"Spreek maar zoo bout niet, Teun!" sprak iemand achter hem: "het +geheele geval is uw eigen schuld en zou niet gebeurd zijn, indien +gij, in plaats van af te springen, waart blijven zitten: gij verdient +smeer in stede van betaling." + +Teun Wezer zag vloekend om, doch zweeg op het gezicht van den Jonker +van Sonheuvel, die, met zijn hond aan zijn zijde, bedaard naar hem +toekwam. + +Joan had, als wij verhaald hebben, op het zien van het dreigend +ongeval, boog en weitasch weggeworpen: de boog was aan de andere +zijde van het dijkje in een greppel neergevallen: de weitasch was nog +verder heengevlogen: de hazen en patrijzen, daaruit gerold, lagen +op de heide verspreid. Zoodra hij de paarden gestuit had, was zijn +eerste werk geweest, om de gansche rommelzooi weder bijeen te gaan +zoeken, 't geen hij met behulp van Veltman ten uitvoer bracht. Daar +dit bukkende geschiedde, was hij tot nu toe door het dijkje aan aller +oogen onttrokken gebleven. + +"Ziedaêr, Genädige Frau," zeide de koetsier, "ziedaêr den knabe, +die ons keret heeft." + +Met een vriendelijken, dankbaren blik keerde zich de genadige Vrouw +naar Joan, die met de muts in de hand voor haar stond: "Ik bedank +u, knaap!" zeide zij: "gij hebt u, naar ik hoor, niet alleen met +kloekheid, maar ook met gevaar van uw leven, gedragen; u is immers +geen letsel overkomen?" + +"Als Uwe Genade er even weinig van gedeerd is, als ik, zal het niet erg +zijn," antwoordde Joan lachende: "doch waar is mijn matten fleschje +gebleven?" vroeg hij, zich plotseling omwendende: "dat is zeker aan +den boog blijven haken en zoo weggeraakt! Veltman! zoek! verloren!" en +Veltman, zijn vermoeidheid vergetende, vloog over het dijkje terug. + +Deze bekommernis van Joan over zijn matten fleschje was zeker niet naar +de regels der strikte beleefdheid; doch hij was op 't land opgebracht, +waar hij nooit dan met zijn minderen verkeerd had en nooit met lieden +van hoogen rang, als deze Mevrouw scheen te zijn, in gezelschap geweest +was; de vreemde Dame nam hem zijn vrijpostigheid ook niet kwalijk af; +doch de page vond goed zich daarover gebelgd te toonen. + +"Goede vriend," zeide hij, "gij stelt zeker veel belang in uw fleschje, +dat gij er de tegenwoordigheid van Mevrouw de Gravin door vergeet: +gij moest liever die brave lieden een handje helpen, om de paarden +uit te spannen." + +Dit gezegde veroorzaakte een verontwaardiging, die algemeen was en +ook bijna gelijktijdig werd uitgedrukt door al de aanwezigen. + +"Zwijg Ludwig!" zeide de Gravin, "en schaam u! zoo die knaap iets +verloren heeft, was het, door dat hij ons hulp betoonde, en gij deedt +beter hem in 't zoeken bij te staan, indien zulks uw fraaie broek +niet sleet, dan hem onbeleefdheden te zeggen." + +"De page mocht den bek wel halten," zeide de koetsier, terwijl hij +Joan met hartelijkheid de hand schudde: "du bist bei meine seele ein +gutter burst, en koen wie ein keporen Deutscher." + +"Bewaar ons!" zeide de vrouw van den metselaar, Ludwig schuins +aanziende: "hoe durft die bonte aap zoo tegen onzen Jonker spieken?" + +"Wat jonker?" zeide Ludwig, zich tot haar keerende: "van welken jonker +spreekt gij? en wat meent ge met uw bonten aap?" + +"De bonte aap ben jij!" hervatte de vrouw, de armen in de zijde +zettende: "en dat is onze Jonker, de Jonker van Sonheuvel, versta +je, moesjanker? kijk maar zoo zuur niet: we geven hier niets om je +moffegezwets." + +De page zag haar een oogenblik als versteend aan, wendde vervolgens +het oog op Joan, mat hem met een somberen blik van het hoofd tot +de voeten, en vroeg daarna nogmaals zeer bedaard: "Is dat de Jonker +van Sonheuvel?" + +"En wie had je hier anders verwacht?" antwoordde de barbier. + +"Zoo!" zeide Ludwig, en met dit woord trad hij terug en floot een +deuntje tusschen de tanden. + +De gravin, die, door het geraas en gepruttel der dorpelingen, van +deze woordenwisseling niets verstaan had, trad weder naar Joan, en, +terwijl zij met de eene hand Veltman streelde, bood zij hem met de +andere eenig goud aan. + +"Dat gij mijn hond streelt, Mevrouw, doet mij vermaak," zeide Joan, +achteruittredende: "maar geld behoef ik niet. Mijn vader is rijk +genoeg, om...." + +Doch de Gravin liet hem geen tijd om uit te spreken. Den hond +streelende, beschouwde zij het dier met meer opmerkzaamheid, en +eensklaps riep zij, als door een pijlsnelle gedachte getroffen: +"Mijn God! juist zulk een dier was onze Fenix! Knaap! vanwaar hebt +gij dien hond?" + +"Die hond," zeide Joan met eenige trotschheid, "is op mijns vaders +slot geboren: hij is de jongste en eenig overgeblevene zoon van den +ouden, getrouwen, die nu lang dood is en die in zijn tijd aan den +Graaf van Falckestein had toebehoord, maar hem door de Spanjaards +ontnomen was. Mijn vader heeft hem herwonnen." + +"Uw vader?.... De Graaf van Falckestein.... Knaap! wie zijt gij?" + +"Joan van Reede tot Sonheuvel, en mijn vader is Heer van dit dorp: +ginds achter de boomen ziet gij ons kasteel. Vergun mij u daar te +brengen: gij zult mijn vader veel genoegen doen.... en verder zult +gij van avond toch niet willen reizen." + +"Met blijdschap zal ik met u gaan, Jonker!" zeide de Gravin, op wier +gelaat een diepe ontroering leesbaar was: "met onuitsprekelijk veel +genoegen zal ik uw vader zien. Verschoon mij, indien ik u onbekend +beleedigd heb, en laat deze kus u het vermaak uitdrukken, dat mij deze +ontmoeting verschaft. Zooals mijn onvergetelijke Ulrich mij uw vader +meermalen geschilderd heeft, evenzoo kloek en dienstvaardig vind ik +thans zijn zoon.... Goede Fenix," vervolgde zij, Veltman nogmaals +streelende, "gij zijt gelukkiger geweest dan uw meester. Uw kroost +is gespaard gebleven, en het mijne...." hier stroomde een tranenvloed +langs hare van hartzeer vermagerde wangen. + +De paarden waren nu uitgespannen en de boeren stonden gereed om de +koets naar den kort daarbij wonenden wagenmaker te brengen, toen +zich de postiljon, met een half koppig, half beteuterd gezicht, +bij de Gravin vervoegde. + +"Met uw verlof, Mevrouw!" zeide hij, "en met dat van den Jonker, +zou ik Uwe Genade wel willen verzoeken om eenige schadevergoeding +voor mijn arme beesten. Zij willen wel, met verlof van den Jonker, +al de schuld van het geval op mij schuiven, maar ik verklaar Uwe +Genade, dat het alleen van dien d....schen steen komt, en dat ik er +zoo onschuldig aan ben als een pasgeboren kind! Zoo Mevrouw dus zoo +goed wilde zijn,... ik zelf heb een zwaren val van 't paard gedaan +in dienst van Uwe Genade." + +"Ja, in 't warme zand," zeide Joan, hem in de rede vallende: "dat +zal u weinig letsel gedaan hebben. Het verwondert mij, dat gij nog +zoo onbeschaamd zijt, u hier te vertoonen. Als mijn vader u zag, +zoudt gij de knuppelslagen niet ontgaan, gij strooper!" + +"Ik heb Mevrouw toch wel bediend," zeide Teun Wezer, het hoofd op +den schouder leggende als een bok die stooten wil. + +"Genoeg hiervan," sprak de Gravin: "Ludwig, betaal den man en laat +hem in 's Hemels naam maar wegrijden." + +Ludwig trok den postiljon ter zijde en betaalde hem. Vervolgens gaf +hij hem nog een daalder boven zijn eisch en vroeg hem, of hij hem +een dienst bewijzen wilde. + +"Tien voor één, genadige Jonker Page!" was het antwoord. + +"Stil! spreek zachter! zijt gij met de buurt sinds lang bekend?" + +"Sedert mijn geboorte ken ik al den omtrek op mijn duim." + +"Goed! rij dan weg; doch tracht u morgen te zeven uren weder hier +ter plaatse te bevinden; dan zal er nog meer voor u te verdienen +vallen. Voort hier vandaan." Hier keerde Ludwig zich om: de postiljon +oogde hem verbaasd na en reed toen met vier losse paarden naar +Reenen terug. + +Terwijl voerde men het rijtuig naar het dorp en bood Joan zijn +rechterarm aan de Gravin om haar slotwaarts te leiden. + +"Verschoon mij, Jonker!" zeide deze, hem beleefdelijk afwijzende: "gij +hebt genoeg te dragen, om met geen oude vrouw als ik belast te worden." + +"Indien de Jonker het mij toestaat," zeide Ludwig, beleefdelijk +toeschietende, "dan zal ik zijn jachtgereedschap gaarne dragen, en nog +aangenamer zal het mij wezen, zoo de Jonker mij mijn onbescheidenheid +van zooeven vergeeft." + +"Die vergeef ik u gaarne", antwoordde Joan: "en zult gij dit jachtgerij +voor uw rekening nemen? Daar is al de brui; doch pas op dat de hoenders +niet uit de weitasch vliegen." Dit zeggende hing hij die om den hals +van den page. + +"En pas op," vervolgde de Gravin, spotachtig, "dat uwe fraaie kleeren +niet bederven." + +Al pratende trad zij met den Jonker het dorp in, en nu nam deze de +vrijheid te vragen, wie hij aan zijn vader voor moest stellen. + +"Helaas!" antwoordde de Gravin, "al mijn namen veroorzaken mij droevige +herinneringen, zoo dikwijls ik die melden moet. Misschien heeft uw +vader u wel eens gesproken van Anna van Manderscheid, laatstelijk +weduwe van Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, en vroeger van Graaf +Ulrich von Daun?...." + +"Is 't mogelijk.... naar wien mijn zuster Ulrica genoemd werd?" + +"Werd zij waarlijk?.... Gaf uw vader haar den naam van mijn +echtgenoot? Ach, hoe verlang ik dat meisje te zien en te omhelzen." + +"Mijn vader heeft mij wel eens van uw ongelukken verhaald, Mevrouw! gij +moet veel hebben doorgestaan." + +"Meer dan iemand ooit mogelijk gedacht had te kunnen overleven. Mijn +beide gemaals vielen door het staal: mijn jongste zoontje kwam met +zijn vader om, en mijn oudste, mijn eenigst overgeblevene.... ook +hij werd voor weinige jaren gruwzaam vermoord." + +"Mijn vader hield veel van den Graaf van Falckestein: dikwijls spreekt +hij van hem, en altijd geraakt hij in drift, als hij gewag maakt...." + +"Van de rampzalige wijze waarop hij omkwam, nietwaar? Vrees niet, +mij door te sterke uitdrukkingen zeer te doen: ik heb zooveel geleden, +dat ik bijna verstompt ben voor aandoeningen. Helaas! al wat mij waard +was, werd het slachtoffer van den Spaanschen haat: en allen zijn nog +ongewroken. Slechts Velasco viel ten offer, en of deze de schuldige +was, durf ik op goede gronden betwijfelen." + +"Velasco! daarvan heeft mijn vader mij nooit verhaald." + +"Niet? dit zal hem zijn zedigheid misschien belet hebben. Uw vader +heeft in Velasco's bloed den dood van zijn vriend willen wreken: +het was de eenige wraak, ik herhaal het! Toen die aartsdwingeland +Mendoza in Den Haag gevangen zat, nu dertien jaren geleden, leverde +ik een aanklacht tegen hem in: mijn verzoek werd van de hand gewezen, +mijn brave echtgenoot nog door dien booswicht van verraad en eedbreuk +beticht, terwijl hij.... doch genoeg hiervan: ik wil uw vader een +vriendelijk gelaat toonen." + +"Daar komt hij ons met Ulrica te gemoet," riep Joan verheugd uit, +op het zien van den Baron, die, van de komst der Gravin verwittigd, +met zijn dochter haar zijn diensten aan kwam bieden. + +Onder wederzijdsche beleefdheden, welke de lezer zich gemakkelijk kan +voorstellen, en nadat de Gravin Joans gedrag ten hoogste geprezen +had, kwamen zij gezamenlijk binnen het kasteel, waar de Baron zijn +adellijke gast met een handkus welkom heette, en bevelen gaf om een +prachtigen avondmaaltijd aan te richten, aan welken echter, buiten +Joan, door niemand veel eer gedaan werd. Op het nagerecht, toen Ulrica, +in wier bevallig uiterlijke en minnelijke hoedanigheden de Gravin een +groot welgevallen scheen te hebben, zich ter ruste had begeven, viel +het gesprek wederom op de lotgevallen dezer laatste. Twee jaren na +den dood van haar eersten man huwde zij den Graaf van Nassau, die het +volgende jaar in den krijg sneuvelde; de Gravin, weder in 't bezit van +haar goederen geraakt, dacht nu haar dagen zonder verdere rampen door +te brengen; dan vergeefs: haar oudste en thans eenige zoon werd in de +nabijheid van het slot Bruck, werwaarts hij met Ludwig en den ouden +Beckman heenreisde, door Spanjaards overvallen en omgebracht. Een +jaar later werd ook de broeder der Gravin door een doodelijk lood +getroffen: en thans, nu Kleef en Berg haar hatelijk geworden waren, +ging zij ver van het tooneel der geleden rampen in Den Haag haar +woonplaats vestigen, alwaar zij hoopte, dat een spoedige dood een +einde aan zoovele rampen maken zoude. + +"Mevrouw!" riep Joan, na het aanhooren van dit alles, in geestdrift +uit: "ik hoop dat ik eens in staat zal wezen, al uw ongelijk te +wreken. Zoo ik ooit dien Mendoza, dien Lopez, dien Velasco, een van +die schelmen, die uw ongelukken berokkend hebben, ontmoeten mocht, +mijn zwaard zal...." + +"Zwijg knaap!" viel Reede haastig in: "gij weet niet wat gij begeert." + +"Laat hem spreken," zeide de Gravin: "het doet mij goed hem te hooren." + +"En waarom mag ik dat niet zeggen, vader!" hervatte de knaap: "gij +hebt zelf mij geleerd, dat een waar ridder, zooals er thans weinig +meer te vinden zijn, aan zijn God, zijn vaderland en aan de verdrukte +onschuld zijn degen moet wijden: en volg ik dus uw voorschrift niet, +wanneer ik Mevrouw wil wreken, wier echtgenooten voor God en de goede +zaak zijn gevallen?" + +"Ja!" zeide de Gravin, ontroerd, terwijl zij den knaap met welgevallen +beschouwde; "gij zult mijn wreker zijn, Joan! van nu af maak ik u tot +ridder." Dit zeggende, maakte zij haar gouden halsketen los en sloeg +die om den nek van den jongeling. Dankbaar en verlegen over zulk een +fraai geschenk, wilde Joan hare hand kussen; doch hem oprichtende, +kuste zij hem op het voorhoofd: "als mijn ridder kus ik u," vervolgde +zij: "maak u meer en meer waardig dien naam te dragen, en, zoo gij +de u ingeprente beginselen moedig vast blijft houden, zal hij meer +dan een bloote titel zijn." + +"Gij ziet het, vader!" riep Joan verheugd uit: "de Genadige Vrouw +acht mijn woorden zoo gering niet." + +Reede zweeg, schudde het hoofd en keek in 't vuur. Zwaar drukte +hem het denkbeeld, door Joans uitroep in hem opgerezen, dat deze, +eenmaal den wapenhandel kiezende, tegen zijn eigen landgenooten, +ja tegen zijn hem onbekende naastbestaanden, de wapenen voeren +zoude. "Mevrouw!" zeide hij, na lang zwijgen: "ik trachtte altijd +aan Joan te leeren, dat het Christenplicht is, aan onze vijanden te +vergeven: uwe goedheid jegens hem heeft mij diep getroffen: doch zoo +hij eens de wapenen voert, waaraan ik nog twijfel, zal hij, hoop ik, +voor de algemeene zaak, niet voor bijzondere wraak strijden." + +De Gravin sloeg op hare beurt de oogen neder en beet zich op de lippen: +de uitval des Barons mishaagde haar, en gaarne had zij dien beantwoord; +doch zij had te veel gevoel van welvoeglijkheid, om zich een scherpe +uitdrukking tegen een voor 't overige zoo vriendelijken gastheer te +veroorloven. Nadat zij dus eenige oogenblikken met de franjes van het +Atrechtsche tafelkleed gespeeld had, wendde zij zich tot den page, die +achter haar stond, en gelastte zij hem, te gaan zien of haar bagage in +orde was en of men het benoodigde voor haar nachtverblijf had ontpakt. + +"Die knaap heeft een schrander uitzicht," zeide de Baron, toen Ludwig +vertrokken was: "doch hij schijnt wat teer van maaksel en ongeschikt +voor zware vermoeienis." + +"Ik ben op een zonderlinge wijze aan hem gekomen," antwoordde de +Gravin: "zijn moeder heeft mij het leven gered, toen ik uit Bruck +vluchtte. Eenigen tijd na mijn tweede huwelijk, kwam zij weder +tot mij en verzocht bescherming voor haar zoon. Zij was, zooals +ik toen hoorde, een Geldersch meisje en door een Spanjaard verleid +geworden. Den knaap liet ik opvoeden, en nam hem tot page, na den +dood van Graaf Lodewijk. Hij beantwoordde mijn zorgen wel; want, +ondanks een zekere poppigheid en keurigheid op uiterlijke vormen, die +aan kleingeestigheid grenst, is hij getrouw, nauwgezet en uitmuntend +geschikt om te volbrengen wat hem wordt opgedragen, ook hetgeen +niet tot zijn vak behoort. Hij was getuige van den dood mijns zoons, +ontkwam niet dan met moeite aan de handen der Spanjaards en kondigde +mij de treurige tijding aan met een voorzichtigheid en gevoeligheid, +die beide aan zijn verstand en hart eer deden." + +"Als hij van Spaansch bloed is, zou ik hem toch maar half vertrouwen," +zeide Joan halfluid: "onze Bouke zou zeggen: 't wil muizen wat van +katten komt." + +"Alweder!" zeide de Baron: "hebt gij niet gehoord, wat ik zooeven +zeide, dat gij u van aanmerkingen te onthouden hebt?" + +"Ik zal geen woord meer spreken," mompelde Joan: "doch ik houd niet +van dien page." + +"Niet? Gij zult van hem houden, als ik het verkies. Ik begeer, dat +gij zeer vriendelijk tegen hem wezen zult en hem morgen, zoo hij het +verlangt, het kasteel, de tuinen en de omstreek zien laten." + +"Nu," viel de Gravin in: "het spijt mij, dat mijn page aanleiding +geeft tot misnoegen van onzen waardigen gastheer op mijn braven ridder; +doch ik moet den goeden Ludwig in zijn eer herstellen. Hij kent zijn +Spaansche afkomst niet en legt in al zijn gesprekken en handelingen +afkeer voor onze vijanden en een innige gehechtheid aan onzen landaard +aan den dag." + +Hier eindigde het gesprek, en weldra begaf men zich ter ruste; doch +de Heer van Sonheuvel kon den slaap niet vatten: de gelijkheid, die +tusschen het lot van Joan en dat van den page bestond, verbaasde en +ontzette hem; en zijn eerlijk hart werd hoe langer hoe meer bedrukt +door de gedachte dat zijn pleegzoon, zoolang hij van zijn afkomst +niet vergewist ware, gevaar liep, onwetend zijn magen te haten, +te vloeken, te bestrijden. Tot dezen tijd toe had de Baron er nooit +bepaaldelijk over nagedacht, hoe en wanneer hij den jongeling het +geheim zijner geboorte bekend zou maken: hij had gehoopt, dat de tijd +en de omstandigheden hiertoe een gepaste aanleiding zouden geven, en +zijn bekommering hieromtrent naar een verwijderde toekomst verschoven; +doch thans was die verwachte aanleiding gekomen, en zij vervulde hem +met angst en zorgen: een gezegde van Joan had het hem tot een plicht +gemaakt, den jongeling alles te ontdekken: en die plicht scheen hem +zijn krachten te boven te gaan. Zijn boezem schokte op het denkbeeld, +dat hij den knaap, wien hij als zoon had aangenomen en opgevoed, op +eenmaal zou moeten verloochenen: en wat kon niet bij den gevoeligen +jongeling het gevolg zijn eener ontijdige bekentenis? Misschien +radeloosheid, vertwijfeling of nog erger. Zou niet de ongelukkige, in +Nederland om zijn afkomst over den nek aangezien, door de Spanjaards +als een gelukzoeker verstooten worden? Wellicht ellendig en zonder +troost de wereld moeten rondzwerven en zijn pleegvader verwenschen, +die zijn kindsche jaren met ijdele begoochelingen gevleid had?--Als +vreeselijke spoken drongen zich deze benauwende gedachten voor den +geest des Barons, totdat hij eindelijk besloot, nog den volgenden +morgen een einde aan alle onzekerheid te maken, door met den Predikant +Raesfelt de middelen te beramen, geschikt om de zaak tot effenheid +te brengen, en deze dan hoe eer hoe beter in 't werk te stellen. + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + + Je suis, dit-on, un orphelin. + Entres les bras de Dieu jeté dès ma naissance. + Et qui de mes parents n'eus jamals connaissance. + + _Racine_, Athalie. + + +Nauwlijks was de dageraad aangebroken, of Joan, verlangende nog voor +het ontbijt eenige hoenders te schieten, maakte zijn jachtgeweer in +gereedheid en begaf zich naar buiten. Aan de steenen poort gekomen, +waar de oude portier zijn slaapplaats had (die hij niet zelden al +grommende verliet, wanneer hem de Jonker zoo vroeg kwam wekken om de +poort te ontsluiten), vond hij tot zijn verwondering, den grijsaard +reeds geheel aangekleed in de opene poort gezeten, terwijl Bouke, die +naast hem stond, zich met hem over vroegere krijgsbedrijven onderhield. + +"Wel zoo Frans!" zeide Joan: "al zoo vroeg bij de werken?" "Ja +Jonker! ditmaal heb ik het jou afgewonnen: en daarbij moet je niet +eens denken, dat je de eerste man zijt, die de poort uitgaat: het is +al een half uur geleden dat ik gewekt ben geweest: en raad ereis door +wien? door dien mooien pop van de vreemde Mevrouw. Ja! hoe noemt men +zoo'n lintejongen?" + +"Door den page? wat had die zoo vroeg buiten te doen?" "Dat weet +Joost--Gisteren was het met dat vreemde volk alles loât op stok. Ik was +blij toen ik er om één oere in lag; want ik had op de lakeien moeten +wachten, die nog na het avondeten naar het dorp waren gegaan en God +beter ze, in de kroeg in sloap gevallen waren. Blij was ik, zooals +ik zei, dat ik er om één oere in lag, en met de ongewoonte van zoo +loat naar kooi te goan, kon ik den sloâp niet voor vijf oere vatten: +dan kijk, pas sloâp ik een oer, of wie stoât doâr veur mien bed?--Die +hansworst van een roodrok: en met een stem alsof hij zelf een prins +of een groâf was, zeit hij tegen mij, die er nog nooit door groâf of +heer of boer op zoo'n manier ben oetgeport: "Vrindje! stoâ op en moâk +open." Vrindje! en dat tegen mij? Kon hij niet zeggen: Poortier! of: +goede vriend! of Frans! zoo hij mijn noam anders kende. Moâr, +om kort te goan: hê! zei ik, toen ik zoo half wakker was, jonker +Melkmuil! is het nou tijd van oet te goân! Goâ nog wat noâr je bed: +je zult moe wezen van je reis.--En wat denkje dat zoo'n vlegel me +antwoordde? Joâ! zoo iets heb je nooit beleefd! "Kom," zei hij zoo: +"stoâ op! anders goâ ik zelf de poort opensluiten:" en meteen greep hij +moâr zoo familjoâr naar de sleutels, die noâst me lagen. Moâr ik zei: +heb ik jou doâr? dat zal mis wezen: as je brutoâl wordt, komje der in +'t geheel niet oet! Want ik werd driftig op mijn manier: moâr zoo'n +moesjanker deed krek alsof hij er zich niet oan stoorde: hij vouwde +de armen over mekoâr en keek mij heel bedoârd an: "kom," zei hij zoo: +"doe moâr gauw open, anders goâ ik Mijnheer den Baron roepen en vroâg +hem, of hij jou hieten wil; want ik heb last van Mevrouw de Gravin: en +ik moet oet."--Hebje ooit zoo'n onbeschoâmden snotneus gezien? Ja! hij +zou noâr je voâder goân? jawel mergen! Moâr ik dacht: de jongen spreekt +zoo bout, wie weet of hij geen verlof heit van Mijnheer?--en zoo van +'t ien op 't oâr komende, dacht ik zoo bij mijn aigen: joâ! het is +toch de bediende van een groote Mevrouw en hij is zoo veul als kind +in huis: ik zal moâr de minste wezen; en zoo stond ik op en liet hem +oet, en toen zag ik dat hij twee brieven in de hand had." + +"Gij hebt wel gedaan, Frans!" zeide Joan: "die page is een verwaande +zotskap; doch de Gravin heeft veel met hem op: dus moeten wij hem +maar wat toegeven, zoolang hij hier is. En gij ook al zoo vroeg +op?" vervolgde hij, zich tot Bouke keerende. + +"Ja!" zeide deze: "de page had mij gisteren bij 't naar bed gaan +gevraagd of hij vroeg het kasteel uit kon: en daar ik weet, dat er van +zulk volkje niet veel goeds te verwachten is, was ik eens opgestaan +om te zien, wat hij voor dag en dauw doen moest; maar de vogel was +al gevlogen. 't Is een rare snaak, de eigenste page: aan wie denk je, +dat hij gisterenavond zijn hof maakte?" + +"Wel aan Klaartje," antwoordde Joan: "dat is de mooiste meid uit de +buurt, en men zeit dat de pages daar altijd op afgaan." + +"Aan Klaartje?" Ja hij moest eens beginnen! al is hij nog zoo in dienst +van een gravin, ik zou hem gravinnen: ik ben oom en voogd van Klaartje, +en ik zal wel oppassen dat hij haar zelfs geen onnoozelen zoen geeft: +ik denk altoos; met kleine lapjes leert de hond leêr eten: vuur en +stroo dient niet alzoo: geef den duim, dan...." + +"Nu, maar met wie vrijde hij dan?" vroeg Joan, dien vloed van +spreekwoorden stuitende. + +"Naar wie?--hij heeft twee uren lang in een hoekje van de keuken +zitten flikvlooien met de oude Geert." + +"Zijt gij dol, Bouke! Of verkoopt ge flausen? Wat zou hij aan die +oude totebel verteld hebben?" + +"Dat heb ik haar ook gevraagd: doch oele! ze was zoo dicht als een +kruitvaatje en zoo geheim als een jonge meid, die voor 't eerst onder +vier oogen met haar vrijer gezeten heeft: zij zei mij, ze kon er niets +van oververtellen en ik mocht er aan geen sterveling van spreken, +dat zij zoolang met den page geredeneerd had;--maar jawel! ik breek er +mijn hoofd mee: ik ruilde toch mijn olde kruitdoos tegen een nieuwe, om +te weten wat hij aan die babbelkous al zoo op de mouw heeft gespeld." + +"De oude Geert en de jonge page!" hernam Joan: "dat zou al een fraai +paar geven!" + +"'t Zou nog de vraag wezen, wie van de twee 't eerst genoeg had an +de andere," merkte Frans aan. + +"Nu!" zeide Joan, "ik trek af: anders wordt het mij te laat. Goeden +morgen samen!" + +"Goê mergen en goê jacht, Jonker!" zeide de Portier: "zie den page +maar voor geen fezantenhoân an: je mocht anders dien sinjeur kakelbont +ereis een pijl bij vergissing in zijn dikste vleesch zenden." + +Nog lachende over hetgeen Bouke hem verhaald had, was Joan alras, +van Veltman vergezeld, op het pad gekomen, hetwelk aan den voet van +het dorp, door moeslanden en boomgaarden, op de heide aanliep en +gemeenschap had met den grooten weg, niet verre van de plaats, waar +Joan 's avonds te voren zijn welberadenheid en moed getoond had. Reeds +was de Jonker op de opene plaats gekomen, waar een groote houten galg +(gelukkig in jaren niet gebruikt) midden tusschen de roodekoolstruiken +oprees en des Barons hooge jurisdictie binnen de grenspalen van zijn +heerlijkheid aantoonde, toen Veltman, die al snuffelende vooruit was +geloopen, stokstijf staan bleef en op deze wijze de tegenwoordigheid +van een koppel patrijzen verried, hetwelk inderdaad niet lang daarna +klapwiekend opsteeg en vooruitvloog. Sneller echter vloog de pijl +des Jonkers het achterna, en deed een der hoenders in het hakhout +storten. Spoedig bracht Veltman het dier aan zijn meester, die, na +het in zijn weitasch verborgen te hebben, zich aan den voet der galg +plaatste om den boog opnieuw te wapenen. + +Het koolveld, waarop zich de jongeling bevond, was van den weg door +een smalle strook kreupelhout afgescheiden, hetwelk, schoon reeds aan +'t verdorren, echter dicht genoeg was om het doorzien te beletten: +hoewel Joan dus niet zag, wie zich op den weg bevond, kon hij echter +duidelijk hooren, dat er eene stem, welke hem niet vreemd was, van +die zijde kwam. Met jeugdige nieuwsgierigheid sloop hij dus van onder +de galg naar het hakhout toe, haalde de berketakken op zijde, keek +door de opening, en zag.... in 't eerst niets; want de rijmdroppelen, +die van den tak vielen, hadden hem de oogen doen sluiten;--dan, zoodra +hij die uitgewreven had, ontdekte hij, dat hij zich niet vergiste, en +dat werkelijk de page der Gravin, in zijn paarsen mantel gewikkeld, +midden op den weg stond, en iemand, die van den kant van Reenen aan +kwam wandelen, aldus toeriep: + +"Zoo! zijt gij daar eindelijk! ik heb al bijkans een uur op u staan +wachten." + +"Vergeef mij, Jonker!" antwoordde de nieuwgekomene, die door Joan voor +Teun Wezer werd herkend: "moâr, op den weg ontmoette ik een poâr van +mijn kennissen hier uit het dorp, die mij een kwoad hart toedragen +uit uithoofde van een kip twee drie, die ik ereis onderweg evonden +heb, en die ze zeggen dat hun toekomen: en om die knoâpen te mijden, +heb ik de bijpoâdjes enomen, anders ware ik hier al eer eweest. Wat +is er nou van 's Jonkers believen?" + +"Hier zijn een paar brieven;..., maar eerst moet ik u nog een vraag +doen: kent gij den Heer van Sonheuvel sedert lang?" + +"Langer dan mij lief is, Sinjeur!" zeide Teun: "toen ik acht jaren +oud was, heit hij me ereis laten afranselen, omdat ik valschelijk +beticht was geworden van zijn eieren te hebben met enomen. Kon ik +het gebeteren, dat zijn kippen niet leggen wolden?--En naderhand...." + +"Goed! dan kunt gij mij wel verhalen wat u heugt van de geboorte des +jonkers? Is daaromtrent niets opmerkelijks voorgevallen?" Hier werd +Joan dubbel opmerkzaam. + +"Om je de woârheid te vertellen heerschop!" antwoordde Teun Wezer, +"heel veel weet ik er niet van. Moâr je mot weten, ik vrijd zoo wat +noâr het nichtje van Bouke, den olden knecht op 't slot: en dat meiske +heit me wel verteld, dat hoâr heugt, en ze was ook nog moâr een kind, +dat het zeuntje van den Baron begraven werd, en dat deze Jonker, +dien we nou hebben, op een blauw-maandag te Amsterdam is aangekomen, +zonder dat iemand weet hoe of wanneer: en als ze haar oom er naar +vroâgt, dan zeit deze, ze mot moâr zwijgen; moâr nou is er ook wel, +die zeggen, dat het zoo'n stuk van een buitenbeentje is van den olden +Heer, en dat de Barones er van hartzeer over ekrepeerd is; maar het +fijne van de mis weet ik zoowoâr niet." + +"Dan zal ik u ook niet meer vragen," hervatte de page: "hoor! hier hebt +ge twee brieven, beide zonder opschrift: dezen, waar ik het kruis op +gemaakt heb, om hem te onderscheiden, bezorgt gij te Tiel, ten huize +van Klaas Meinertz den schrijnwerker. Gij behoeft niet te zeggen van +wien hij komt, maar gij moet hem aan den man zelven overhandigen: +hij zal u voor 't bestellen twee kronen geven, dat staat in den brief." + +"Wat?" zeide Teun Wezer: "Klaas Meinertz! die ijzegrim, die femelaar, +die den geheelen dag bidt en psalmen balkt, en mij al meer dan eens +noâr de diepste diepte van de hel ewenscht heit, zal die mij twee +kronen geven?.... Stichtelijke vloeken naar mijn kop, alsof ik...." + +"Hij zal u twee kronen geven, als ik zeg," hernam Ludwig, droogjes. + +"Nou! ik zal 't bezorgen," zeide Teun, grinnekende. + +"En dezen brief," vervolgde Ludwig, "brengt gij aan den Ambtman Mom, +die op dit oogenblik in Tiel is: mede eigenhandig. Zoo men u niet +bij hem in wil laten, zegt gij maar, dat gij van de Gravin van +Nassau komt." + +"Ja moâr," zeide Teun, terwijl hij zijdelings naar de galg keek, +die men over het hakhout heen kon zien: "ik ben juist niet zwoâr op +een bezoek bij den Ambtman gesteld: ik tracht zoomin mogelijk met de +heeren van den Gerechte in kennis te komen, want zij hebben allen, ik +weet niet woârom, een hekel aan mij gekregen, en ik heb geen lust om +dat gindsche veld met rooiekool eens uit de hoogte te bekijken." Hier +maakte hij de beweging van hangen. + +"De brief, dien gij brengen zult, zal uw beste aanbeveling bij den +Ambtman zijn," hervatte Ludwig; "doch gij zult het diepste stilzwijgen +omtrent de u toevertrouwde boodschappen in acht moeten nemen, of..., +uw vrees zou verwezenlijkt kunnen worden!" + +"Wees gerust! voor geld en kwaê woorden zwijg ik als een kikker bij +winterdag: is er nog iets van je bevelen?" + +"Niets meer! rep je en maak bijtijds in Tiel te wezen: hier hebt ge +nog wat drinkgeld en iets om het veer te betalen." + +"Duizendmoâl dank, heerschop!" zeide Teun: "nou snij ik dat zijpad moâr +in; want het dorp ga ik liefst niet deur, om redenen mij bekend. Leef +gezond Sinjeur!"--Met dit afscheid sloeg hij het zijpad in, liep +Joan voorbij zonder hem te zien en verwijderde zich naar den kant +der rivier. + +Deze zonderlinge samenspraak had Joan zoodanig verbijsterd, dat +hij zijn boog, de hoenders, ja de jacht zelve vergeten was, en nog +luisterde toen de boerenknaap reeds lang uit het gezicht was.--Toen +hij omtrent de echtheid zijner geboorte bedenkingen had hooren +opperen, was hij in den wil geweest, zich aan den onbeschaamden +lasteraar te vertoonen en hem eens heftig door te halen; doch +de vrees had hem teruggehouden: schoon moeds genoeg bezittende, +achtte hij het geen gelijk spel om zich te wagen tegen Teun Wezer, +een forschen, ruwen knaap, die niets te verliezen had, dadelijk met +het mes gereed was en hem bovendien een kwaad hart toedroeg; den page +betrouwde hij zoo weinig, dat hij niet wist, of hij hem als vriend +of vijand beschouwen moest, en van dezen kant wachtte hij dus geen +bijstand. Voorzichtigheidshalve was hij daarom in zijn schuilhoek +blijven zitten tot na den afloop van 't gesprek: over de boodschap +der brieven had hij maar half nagedacht, meenende, dat de bezorging +daarvan een geheim was, dat de Gravin raakte en naar 't welk hij +zelfs niet gissen mocht; want van zijn jeugd af was hem ingeprent, +dat het schandelijk is, te willen indringen in hetgeen iemand zoekt +te bedekken. Ziende dat de page langs den rijweg weder naar het dorp +ging, kroop hij het hakhout uit en volgde hem, met oogmerk om hem +met een tik op de schouders en den gewonen morgengroet te verrassen; +doch Veltman, die nu lang genoeg naar zijn zin aan de zijde zijns +meesters had stilgezeten, snelde hem met drift vooruit en verraadde +Joans nabijheid aan den page. Deze keek om en zag Joan achter hem, +die hem een frisschen morgen toewenschte. + +"Goeden morgen, Jonker!" zeide Ludwig, even den hoed aflichtende en +vervolgens gelijken tred met Joan aannemende: "reeds zoo vroeg in +'t veld?" + +"Mij dunkt," zeide Joan, "ik moest u die vraag doen; doch zoo gaat +elk voor zijn eigen aangelegenheid uit: ik voor mijn vermaak, gij om +Mevrouw de Gravin te believen." + +De page zweeg een oogenblik en hield zijn kleine gitzwarte oogen +op Joan gevestigd, als wilde hij op het open gelaat des jongelings +lezen, of zijn gezegde niet meer dan een loutere veronderstelling, +dan wel of het een geheimen zin bevatte; vervolgens hernam hij: + +"Wat doet u denken, Jonker! dat ik voor Mevrouw de Gravin ben +uitgeweest?" + +"Omdat ik niet geloof," gaf Joan ten antwoord, "dat gij voor uw eigen +vermaak, na gisteren den ganschen dag gereisd te hebben, zoo vroeg +het warme bed, voor de koude hei verlaten hebt; en dan die brieven, +die gij aan Teun Wezer gegeven hebt en die ik vrees dat slecht bezorgd +zullen worden: want hij is een groote schavuit....." + +"Gij hebt ons dan gezien?" viel Ludwig haastig in. + +"En gehoord," zei Joan. + +Ludwig zweeg, zag somber voor zich heen, nam zijn slinkerhandschoen +in de rechterhand en begon er op te knabbelen, totdat Joan hem +glimlachende vroeg, wat de arme handschoen gedaan had, dat hij dien +zoo slecht behandelde. + +Na een poos gezwegen te hebben, zeide de page, met een ernstig gelaat: +"Jonker! de boodschap, welke ik aan dien boerenknaap gegeven heb en +waarvan zijn baatzucht mij de goede bestelling waarborgt, is van het +hoogste belang, en Mevrouw de Gravin had mij op het hart gedrukt, +dat ik er niemand iets van zoude laten blijken. Dewijl UEd. echter +getuige geweest zijt van de uitvoering van den mij gegeven last, +hoewel ik niet verwacht had, dat UEd. ons beluisteren zoude...." + +"Geheel onwillekeurig," zeide Joan blozende: "ik dacht, dat uw +ontmoeting met Teun Wezer toevallig was, en ik sloop naderbij uit +loutere nieuwsgierigheid om te weten wat die schurk u vertellen +ging:--wat die brieven betreft, daarvan zal nooit een woord over +mijn lippen komen: nooit heb ik iemands geheimen verraden, of zij mij +aangaan of niet;--doch ik wilde wel eens weten, hoe het te pas kwam, +dat gij dat logenbeest van een Teun over mijn geboorte ondervraagdet, +om zulke lastersprookjes uit te lokken als hij u op de mouw spelde." + +"Jonker!" antwoordde de page met een nog ernstiger gelaat en op een +langzamen toon: "ik wilde wel, dat gij mij deze vraag niet gedaan +hadt: daar mijne handelwijs u echter met reden vreemd moet voorkomen, +zal ik u openhartig zeggen, dat er zonderlinge geruchten omtrent uw +geboorte loopen;.... geruchten, welke, wijd en zijd verspreid zijnde, +mij ter ooren zijn gekomen.... hoewel ik er de zegsman niet van wezen +wil.... waardoor de nieuwsgierigheid van Mevrouw de Gravin.... gij +weet, dat vrouwen veeltijds nieuwsgierig vallen;.... doch ik zelf +wist niets van dat geval af." + +"Joost haal me, als ik iets uit geheel uw openhartig antwoord begrijp," +hervatte Joan. + +"Indien UEd," zeide Ludwig, "nader onderricht begeert, kan UEd. immers +met den Heer Baron spreken? Die zal best weten, hoe het met uw geboorte +zit," voegde hij er lachend bij. + +Joan stond stil, knikte eenige reizen met het hoofd, loosde een diepen +zucht, wenschte den page vaarwel en sloeg een zijweg in, die naar de +heide bracht, terwijl Ludwig slotwaarts keerde. + +In den morgen van dien dag viel er op het kasteel niets belangrijks +voor: tegen den middag keerde Joan van de jacht, met de tijding uit het +dorp, dat het rijtuig der Gravin weder in orde gebracht was en na den +eten zou voorrijden. Aan tafel was hij, zoowel als zijn pleegvader, +peinzend en stil: na den afloop van den maaltijd kwam de koetswagen +de slotbrug oprijden: de Gravin nam beleefdelijk afscheid van den +gastheer en zijn gezin, reed met haar gevolg af en kwam, zonder +verdere tegenspoeden, twee dagen later, behouden in 's Hage. + +"Een schoone vrouw!" zeide Geertrui tegen Bouke, die bezig was de +valken te voederen: "en zoo minzaam jegens een iegelijk. Waarlijk, +zij heeft veel van Mevrouw zaliger: even vriendelijk en voorkomend, +als die was: en zij weet van het huishouden al vrij wat af voor zoo +een groote Mevrouw! zij maakte zelfs de aanmerking, dat de kussens +in de groote ridderzaal veel meer hun kleur verloren hebben dan +de gordijnen, schoon ze van hetzelfde damast zijn. Ja! zei ik zoo, +genadige vrouw Gravin! toen onze lieve Mevrouw zaliger nog leefde, +was het niet geoorloofd op die kussens te gaan zitten: toen hielden +zij beter hun kleur; maar zij zei, nu, ik heb toch liever de kussens +om op te zitten, zei zij, dan alleen voor de pronk; en toen zei ik: +ja Mevrouw! dat is ook waar, maar het is toch wat erg, dat nu die +stinkende honden op die kussens gaan liggen; en toen lachte zij." + +"Maar vertel mij liever eens, Geert," zeide Bouke, haar in de rede +vallende: "wat heeft die lanterfant van een page je toch verteld? Je +hadt het bijster druk met hem." + +Op deze vraag hield de oude dienstmaagd eensklaps met lachen op en +zette haar gelaat in een meer ernstige plooi. + +"Zeker heeft hij je onderhouden over je blozende kleur," vervolgde +Bouke, "en over je betooverende oogen, hoewel men die slechts vinden +kan door den bril heen." + +"Een bril! nu kijk!" hernam Geertrui, gebelgd: "en wanneer draag ik +een bril? niet dan om in Gods woord te lezen en om kousen te mazen; +en dan draag ik hem nog maar op de punt van mijn neus, zoodat ieder +mijn oogen zien kan. Ja! ik wilde wel eens zien, dat iemand kousen +maasde zonder bril. Daar was onze lieve Mevrouw zaliger, die droeg +immers ook wel een bril." + +"Alleen wanneer jij gebroddeld hadt, Geert! en zij de verloren steken +moest opnemen." + +"Wel heb je van je leven," riep Geertrui toornig uit: "Wat weet jij +van verloren steken en van broddelen af?" + +"Neen, daar versta jij je beter op, oudje!.... doch dat +daargelaten:--Wat heeft je de page verteld? dat is maar het punt in +quaestie; want dat hij jou zijn hof gemaakt heeft, is zeker." + +"Ja!" zuchtte Geertrui: "ik vrees, dat ik te veel met hem gepraat heb." + +"Te veel!" riep Bouke, schaterend van lachen, "te veel met hem +gepraat?--De droes! heeft hij in ernst je hartje gestolen!" + +"Och neen! malle gek! loop heen met je grollen! maar mijn rust heeft +hij toch meegenomen," vervolgde zij, half huilende: "ik heb van dezen +nacht geen oog toegedaan." + +"Daar hebben wij 't al. Wat voert zoo een page niet al uit? Daar +berooft hij de eerzame Geertrui Claassens, die in de eerste dertig +jaren geen vrijer heeft willen hebben, en in de laatste drie kruisjes +geen vrijer heeft kunnen hebben, zoo maar op eens van haar nachtrust." + +"Spot maar niet," antwoordde Geertrui: "het is waarachtig geen ding +om mee te spotten: hoor eens, Bouke! Het heugt je nog, toen Mevrouw +zaliger nog leefde...." + +"Als ik het vergeten was, zou jij het mij wel herinneren," viel Bouke +haar in de rede. + +"Neen, maar hoor!" vervolgde zij, "of ik spreek geen woord meer: +toen Mevrouw zaliger nog leefde, en te Amsterdam was, en toen jij +met Mijnheer van 't leger kwaamt met den kleinen Joan?" + +"Ja gewis!" antwoordde Bouke, die nu op zijn beurt ook donker begon +te kijken: "maar je weet ook wel, dat wij Mijnheer bij eede beloofd +hebben, nooit aan iemand iets daarvan te zullen navertellen." + +"Dat heb ik beloofd, Bouke! en het spijt mij genoeg; want het is de +eenige reis in mijn leven, dat ik Gods naam zoo ijdellijk gebruikt +heb." + +"Foei!" zeide Bouke: "spijt het jou een eed gedaan te hebben, +Geert? ben je menist geworden? Je weet, wat Dominee alle weken +zeit: de wederdoopers, zeit hij, zijn Belialskinderen, vijanden van +Z. Doorluchtigheid en van den lande, die niet zweren willen, noch de +ronde doen, noch de wacht betrekken, noch de heilige predestinatie +gelooven: en wat zegt het rijmpje? + + + Aenmerct wel hun begheeren breedt, + Wat quaet bescheet--sy doch uitgheven, + Als dat men niet mach sweeren eedt. + Daert soo ghereet--doch staet beschreven: + Ja van Godt end' Christo verheven, + Van Paulo end' ander gheschiet. + Ooc is den eedt hier in dit leven + 't Eynde van allen twiste ziet. + + +Doch dat tusschen twee haakjes, Geert! wat doet dit tot uw gesprek +met den page?" + +"Dat doet er zooveel toe," zeide Geertrui, hem naar zich toetrekkende +en zoo zacht mogelijk sprekende, "als dat die page evenzoo goed wist +als jij en ik, dat Joan Mijnheers kind niet is." + +"Bewaar ons," riep Bouke, achteruitspringende: "dan moet jij het hem +verteld hebben." + +"Hoor maar eens, of ik het helpen kan," zeide Geertrui; "de page begon +met mij te vragen of ik hier lang in huis had gewoond: en toen sprak +hij mij over Mijnheer en Mevrouw zaliger...." + +"En toen was jij op je praatstoel!--Ja, hij is ook fijn, die page. Hij +zal wel niet met de deur bij jou in huis zijn gevallen; want men +vangt geen hazen met trommels, dat is klaar." + +"Vervolgens vertelde ik hem onder anderen, dat ik baker geweest was +van freule Ulrica, en daarop vroeg hij mij, of ik Jonker Joan ook +gebakerd had." + +"Zoo vraagt men den boeren de kunst af: en wat gaf je hem ten +antwoord?" + +"Ik zei: Mijnheers zoontje heb ik gebakerd, en dat is ook waar: +het lieve kind is nog op mijn arm gestorven." + +"Zoo!" zeide Bouke: "nogal fijn van jou bedacht: weet je wel, +Geert! dat het erg met jou staat! dat was weer een Menist +antwoord! Geert! Geert! doch verder!" + +"Toen zei hij: ja maar dat zoontje is immers dood, daar je van +spreekt?" + +"Welnu," hernam Bouke: "al had je nu eens neen gezeid, een leugen om +bestwil is geen zonde." + +"Ja!" hervatte Geert, "ware ik maar zoo wijs geweest; maar ik dacht: + + + Dat ons ja, moet ja zijn waerachtigh + En ons neen moet wesen neen: + + +en daarom zei ik eenvoudig van ja: en toen dacht ik, hij zou tevreden +zijn; maar jawel! toen vroeg hij mij, of Mevrouw zaliger niet op een +rare wijs aan Jonker Joan geraakt was, en of ik niet zoogoed wist als +hij, dat de Jonker geen droppel Duitsch bloed in zijn aderen had? en +toen werd ik zoo angstig, dat ik hem verzocht, er niet meer en met +niemand over te spreken, en toen liep ik weg." + +"Dat heb je al heel dom behandeld voor een verstandig mensch," bromde +Bouke: "'t is met jou ook: hoe alder hoe malder. Ik zou het maar niet +aan Mijnheer vertellen; want dan zag het er slecht met je uit." + +"Ik heb mij toch niet versproken, zooveel ik weet," zeide Geertrui +verlegen. + +"Nu! gedane zaken hebben geen keer! en het best dat ik je raden kan, +is dat je op een anderen tijd voorzichtiger zijt en altijd denkt: +verzint eer je begint! vroeg gedaan en laat bedacht heeft menigeen +ten val gebracht: heden doen, morgen bloên: vandaag de tong gevierd, +morgen den rug gesmierd." + +"Ja, als je mij geen beter troost weet te geven, dan je stomme +spreekwoorden, Bouke! dan...." + +"Nu! ga dan maar naar Ds. Raesfelt, en die zal je zeggen, dat je +lezen moet den Brief van Jakobus cap. III vs. 3; doch het wordt tijd, +weer aan 't werk te gaan en mijn valken zitten met open bekken! die +stomme dieren kunnen het weinig helpen of jij al geklapt hebt, en +zij moeten er niet door lijden.--Nu! zooals gezegd is, oudje! wees in +'t vervolg voorzichtiger." + +En hiermede liep dit merkwaardig gesprek tusschen Bouke Boukes en +Geertrui Claassens ten einde. + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + + Gommer en Armyn te hoof + Twisten om het recht geloof. + + _Vondel_. + + +Terwijl de gemoederen der ingezetenen van het slot door de plaats gehad +hebbende omstandigheden alzoo verontrust werden, ging de Predikant +Raesfelt mede onder zijn eigene, waarschijnlijk nog zwaardere +bekommernissen gebukt. De kerkelijke twisten waren op het tijdstip, +waarvan wij thans gewagen, binnen de Nederlanden ten top gestegen. De +nimmer rustende tweedracht, die natuurlijke heerscheres overal waar +menschen wonen, had nauwelijks den buitenlandschen krijg door een +te langdurig bestand zien staken, of zij stookte die binnenlandsche +twisten aan, die zoolang en met zooveel felheid gewoed hebben, +ja, wier einde het verste nageslacht misschien niet aanschouwen +zal. Twee der geleerdste mannen van Europa, de belezene, vernuftige, +oordeelkundige Arminius en de groothartige, onverzettelijke, van +ijver brandende Gomarus hadden zich aan de spits van twee partijen +geplaatst, die, na hun naam genoemd, elkaar een onverzoenlijken +haat hadden gezworen. In den beginne dolf Arminius met de zijnen het +onderspit, althans bij de predikanten en gemeenten; want de meeste +wethouders en zoogenaamde politieken hadden zijn zijde gekozen; +na zijn dood echter wisten Vorstius en Episcopius, die hem in +'t Hoogleeraarsambt te Leiden hadden opgevolgd, gesteund door de +geleerdheid van De Groot, de welsprekendheid van Schryver en vooral +den toen alvermogenden invloed van Oldenbarneveld, hun partij met +een luister te bekleeden, waardoor de glans hunner tegenstanders een +tijd lang verdonkerd werd. De jonge lieden, die te Leiden voor den +kansel werden opgeleid, schaarden zich voor een groot gedeelte aan +de zijde der bovendrijvende partij; anderen echter kleefden de oude +leer aan, en stonden Gomarus of Polyander voor. Niet zelden gebeurde +het, dat bij onderlinge, tot oefening begonnen _disputationes_ over +punten van controvers, de argumentaties wederzijds op scheldwoorden +en vervolgens op vechtpartijen uitliepen, waarbij de vuist vragen, +den Godsdienst betreffende, beslissen moest. + +Raesfelt had zijn beide oudste zonen, Koenraad en Hendrik, nadat zij +de school verlaten hadden, naar Leiden gezonden, en, daar hij een echt +voorstander was van de oude leerstelsels, hen ernstig aangemaand, +de lessen van Episcopius te verzuimen, en zich zooveel mogelijk bij +het onderwijs van diens ambtgenoot Polyander te bepalen.--Koenraad, +wien de stoute en ridderlijke voordracht van laatstgemelden geleerde +behaagde, gehoorzaamde zijn vader met nadruk en toonde zich, zoo in +zijn brieven aan dezen, als op de Hoogeschool, een ijverig voorstander +der Contra-Remonstranten. Zoo met woorden als met daden was hij overal +de voornaamste onder de verdedigers van het ouderwetsch gevoelen: +niet zelden had de kracht zijner sterkgespierde vuisten aan zijn +tegenstrevers, zoo niet de menschelijke, althans hunne onmacht +duidelijk doen gevoelen, en menigeen had zich overtuigd gevonden, +dat hij gepraedestineerd was om van Koenraad Raesfelt te worden +afgeklopt. Omtrent den stillen en zachtmoedigen Hendrik won vader min +gunstige berichten in: deze was door de geleerdheid en smaakvolle +onderwijzing der andersdenkenden ingenomen en stond aldra voor een +Arminiaan te boek.--Koenraad, die bovendien nooit op den besten +voet met zijn broeder geleefd had, was over deze zijn afdwaling +sterk gebelgd, en al de brieven, die hij aan zijn vader schreef, +schilderden Hendrik af als een verloren schaap, reeds met den wargeest +niet alleen van Arminianismus, maar ook van Socianismus besmet. Diep +hadden deze beschuldigingen den braven Predikant gegriefd, en zijn +epistelen aan Hendrik droegen telkens hernieuwde bewijzen, hoezeer hem +diens gedrag en meeningen tegen de borst stonden. De aangeklaagde zoon +beantwoordde zijns vaders minzame verwijten meestal met bezadigdheid, +doch tevens met vrijmoedigheid: hij beweerde, dat hij, naar Leiden +gegaan zijnde om in de leerstukken van den godsdienst onderwijs te +ontvangen, zijn meening van onderzoek en overtuiging wilde laten +afhangen. Daar de jongeling door deze antwoorden blijken gaf, dat hij +meer aan menschelijke rede en vrije beoordeeling, dan aan geloof en +onderwerping hechtte, stelden zij zijn vader lang niet gerust. Echter, +en door een in de menschelijke natuur niet ongewone tegenstrijdigheid, +bleef het hart van Raesfelt, ondanks hem zelven, meer den in zijn +oog verdoolden, dan den rechtzinnigen zoon genegen. De wijs, waarop +Koenraad van zijn broeder sprak, de toon, waarin zijne beschuldigingen +vervat waren, mishaagden den zachtmoedigen vader, schoon hij zulks zich +zelven niet bekennen wilde, nog meer dan de beschuldigingen zelven. + +Op den achtermiddag van den dag, dat de Gravin van Nassau Sonheuvel +verlaten had, was de Predikant op zijn zolderkamertje in diep +gepeins gezeten: de zwarte kalot was hem te warm geworden en lag +voor hem op de tafel, terwijl de met konijnevellen gevoerde pij over +den rug des leunstoels hing. Onbeweeglijk scheen Raesfelt op zijn +plaats gespijkerd, terwijl zijn oogen strak en stijf op het voor hem +liggend papier gevestigd bleven, zoodat hij veel geleek op een dier +aangekleede gedaanten, welke in het Amsterdamsche doolhof voor den +vanouds gestelden prijs van een stuiver zich _hedenmiddag te vier uren_ +laten bezichtigen. + +Eindelijk echter scheen de beweging bij den Predikant terug te +keeren: hij beet zich op de lippen, zag opwaarts, zuchtte diep en +zeide vervolgens hardop tegen zich zelven: "Neen! _zoo_ kan het +niet langer gaan! er dient een kloek besluit genomen, of de knaap is +onherstelbaar ongelukkig." + +"Onherstelbaar ongelukkig!" herhaalde een stem achter hem: "denkt ge +dat waarlijk, Dominee?" + +Als door een donderslag getroffen, richtte de Predikant zich op en +keerde zich naar de plaats, van waar de stem gekomen was, en waar hij +niemand dacht te zien dan den Booze in persoon, die hem van zijn kloeke +voornemens zoude pogen af te brengen: dan hij werd gerustgesteld bij +het herkennen van zijn vriend, den niet min dan hij bezorgden Baron +van Sonheuvel. + +Deze, als wij verhaalden, besloten hebbende met den geestelijke te +rade te gaan over de beste wijze hoe met Joan te handelen, had zich, +na het vertrek zijner doorluchte gast, naar de pastorie begeven: +de deur open gevonden hebbende, was hij, om niet door het gesnap +der Pastoorsche verveeld te worden, de trap opgeloopen, nadat hij +zijn laarzen in de gang had uitgedaan, eensdeels opdat Mejuffrouw +Raesfelt bij het gezicht van vuile voetstappen niet naar boven zou +komen hollen, anderdeels opdat zij, de laarzen des Barons herkennende, +zich wachten zou, de samenspraak der beide heeren te storen. Aan het +studeervertrek was geen deur: men besteeg het langs een trap, die +midden in het kamertje uitkwam. Raesfelt had den Baron dus niet hooren +inkomen: en deze, zijn raadsman zoo diep in gedachten vindende, had +hem niet willen storen, maar zich naast den ingang op een boekentrapje +nedergezet en was mede aan 't peinzen geraakt, hoe hij het gesprek +zoude aanvangen, toen hem de uitroep van Raesfelt als uit een droom +ontwaken deed. Deze uitroep kwam zoo volkomen met de gedachten overeen, +welke hem op dit oogenblik vervulden, dat hij dien aanmerkte als tegen +hem, of in zijnen geest gesproken, en, toen de Predikant hem aanzag, +zijn gezegde herhaalde en nogmaals vroeg of hij het stellig meende. + +"UEd. hier, heer Baron!" vroeg Raesfelt, vol verbazing, "wel wie +kon UEd. hier verwachten! ei! wees zoo goed en neem uw gemak:--ja +waarlijk!" vervolgde hij, rondziende: "ik geloof niet, dat er een +stoel meer in de kamer is: wacht ik zal roepen, dat men den armstoel +boven brenge." + +"Doe geen moeite, Dominee!" zeide de Baron; "hier is immers een +zitplaats." + +De stoel, waarop hij doelde, kon waarlijk op den naam van zitplaats +weinig aanspraak maken. Hij was oorspronkelijk van matwerk geweest +met pooten en leuning van stevig grenenhout; doch Joan, die hem +in zijn leeruren altijd gebruikte, en de slechte gewoonte had, van +weinig stil te zitten, had den rug merkelijk doen uitwijken: met zijn +snoeimes had hij, wanneer de les te lang viel, de kloeke pooten op +de helft van haar dikte gebracht en zich ook met de _anatomie_ der +matten zitting beziggehouden: zoodat de stoel in den volsten zin van +'t woord een _chaise percée_ geworden was. + +"Het is hier niet warm, Dominee!" zeide de Baron, toen hij zich +voorzichtiglijk op den rand van den door ons beschreven zetel +nederzette. + +"Dunkt UEd. dat, heer Baron? Dan moest UEd. mijn pels aantrekken: +ik heb het van 't peinzen en studeeren overvloedig warm gekregen." + +"_Cedant arma togae_," [32] zeide Reede, aan dit voorstel gehoor +gevende: "gij ziet Dominee! dat ik ook nog een mondje vol Latijn +kan spreken.--Zoodat gij zegt," vervolgde hij, na zich in den pels +gewikkeld en zijn plaats hernomen te hebben, "dat een kloek besluit +alleen in staat is, het ongeluk van den armen jongen te voorkomen?" + +"Ongetwijfeld, heer Baron! het vaderhart zal bloeden door de +opoffering; doch het zal naderhand geruster slaan! en wat zegt de +Psalmist? Welzalig hij, + + + In wiens geest niet woont eenige schalkheyt + Noch geen bedrogh ofte geveynsdigheyt. + + +Want wat zou het baten, een jongeling tot een bestemming op te leiden, +welke hij nimmer naar behooren vervullen kan?" + +"Ach! gij spreekt wel als ik het verwachtte, Dominee! en toch is +het een pijnlijk gevoel, om tegen hem, dien men tot nog toe als zoon +bemind heeft, te moeten zeggen: knaap! ik ben uw vader niet meer." + +"Het vaderhart zal daarom zijn rechten niet verliezen," antwoordde +Raesfelt: "want als in den Honderdsten Psalm staat: + + + Gelijck een vader hem pleegh te erbarmen, enz. + + +De vurigste wensch van het hart zal er door teleurgesteld worden; doch +het zal in zich zelf de belooner eener zoo groote opoffering vinden: +ware er een andere weg mogelijk geweest, ik had dien gaarne ingeslagen, +doch ik heb alles onderzocht en beproefd, vergeefs: niets blijft +er over, dan ruiterlijk en moedig, gelijk het een Christen betaamt, +de zegepraal te behalen op een aardsche en valsche liefde, en alleen +op het geestelijk en waarachtig belang van den ongelukkige te zien." + +"Zoo hebt gij er reeds lang over nagedacht, gelijk ik uit uw redenen +bemerk. Ik was al verwonderd, dat gij juist bezig waart over dat +onderwerp te peinzen, toen ik binnenkwam." + +"Over nagedacht, heer Baron? slapelooze nachten, ledige uren, verlies +van eetlust en genoegens heeft het mij gekost: het zoet mijns levens +is er door verbitterd." + +"Met mij gaat het ook zoo, lieve Dominee: ik heb van de enkele +gedachte, dat de knaap misschien tegen zijn eigen gezin het harnas +zoude aangespen, nog van dezen nacht schier geen oog toegedaan, en +van middag geen mond aan de patrijzenpastij gezet, hoewel dat mijn +geliefdste schotel is." + +"Hebt gij heer Baron? daarvoor beloone u de Hemel; want uw deelneming + + + Is ganschelijk gelijck een balsem soet, + Die op het hoofd Aärons was zeer claer, + Uitgestortet in 't openbaar, + + +als David zegt. Och! UEd. is altijd zoo vriendelijk en goed geweest." + +"Hm! hm! zoo heel goed niet; maar ik heb toch den knaap altijd wel +behandeld en hartelijk liefgehad." + +"Hij houdt ook veel van u, heer Baron: daar heb ik doorslaande +bewijzen van." + +"En van u niet minder, Dominee, schoon hij wel eens bij de _exegesen_ +in slaap viel." + +"De _exegesen_! helaas! die heeft hij maar al te veel bestudeerd voor +zijne en mijne rust," hervatte Raesfelt zuchtende. + +"Te veel! Dat had ik nooit gedacht, dat daar zijn liefhebberij op +gevallen ware." + +"Liefhebberij! een razende drift, heer Baron! _delectatio triumphans_ +[33] als Augustinus zegt." + +"In waarheid?--Nu! het is mij nooit voorgekomen. Toen ik hem vroeg, +of Paulus ééne of twee reizen naar Rome gedaan had, waarover ik het +met de oude Geert oneens was, zeide hij mij daarover nooit te hebben +nagedacht, en toen hij het op mijn verzoek onderzocht had, was zijn +uitkomst, dat hij het niet wist." + +"Is het mogelijk?" zeide Raesfelt, de handen angstig wringende; "en +ik heb een _disputanionem_ van hem liggen, juist over dat onderwerp, +en waarin hij betoogt, dat de Apostel wel driemaal te Rome is +geweest. Moet ik hem dan een huichelaar zien worden? Was het niet +genoeg, dat hij een Sociniaan werd?" + +"Wat!" riep Reede: "wat zegt gij, Dominee! een Sociniaan? Hij! Gij +jaagt mij de koorts op 't lijf, Dominee! Dat hebt gij mij nog nooit +verteld." + +"Ach ja, ik had mij te voren gevleid, dat hij nog maar alleen de +begrippen Arminii, Vorstii en Episcopii aankleefde, doch het is wel +als in den Eersten Psalm gezegd wordt; welgelukzalig + + + Die op den wegh der sondaers niet en gaet + En niet en sit by de spotters onreyne, + + +want, eens op dit pad gekomen, vordert men met reuzenschreden: ik heb +de bewijzen zijner ketterij in handen: daar op de tafel liggen zij." + +"Maar waarom hebt gij mij daar nooit iets van gezegd, Dominee? Dan +had ik hem eens duchtig de ooren gewasschen." + +"Wat zou dit gebaat hebben, heer Baron? daar ook mijne vermaning, +nu vaderlijk, dan meesterachtig, nu gestreng, dan zachtelijk, den +verdoolde niet op het rechte spoor heeft kunnen terugbrengen." + +"Kijk Dominee! het is maar zooals de jongen zelf gezegd heeft: over +zich heeft hij het oordeel geveld, zeggende, dat al wat van Spaansch +bloed kwam, niet te vertrouwen was." + +"Dat zegt hij!" zeide Raesfelt: "en daarom volgt hij den edelen Gomarum +niet na, die van Spaansche afkomst is. Doch hoe velt hij zijn eigen +oordeel hiermede, dit begrijp ik niet." + +"O! ik begrijp mij zelven heel wel, Dominee! ik zal u dat alles +uitleggen! die rekel! een nagel aan mijn doodkist! doch ik zal hem +leeren! ik zal hem leeren!" + +Met deze woorden sprong hij op en ging voort weder zitten, doch +ongelukkig kwam hij midden op de zitting te land en wel met zulk een +kracht, dat er hij doorheenzakte en met armen en beenen in de lucht, +in den pels bedolven, tusschen de vier pooten steken bleef. Vergeefs +zocht Raesfelt hem uit dien benauwden toestand te verlossen: +de arme Baron zat zoo vast, dat hij zich roeren noch buigen kon, +zoodat alle aangewende moeite slechts diende om hem nog erger in +de klem te brengen. Op dit oogenblik werd het vertrek door drie +nieuwe getuigen van zijn ongeluk bezocht. De eerste was Veltman, +Joans jachthond, die met eene van de uitgetogen laarzen de trap +op kwam snellen. Hij legde zijn vracht aan de voeten des Barons, +of liever bij de pooten des stoels af, waarna hij zoowel tegen den +predikant als op zijn beknelden Heer sprong; met groote teekenen +van blijdschap. Kort op den hond volgde, als een razende furie, +de zachtaardige wederhelft van den Predikant, met een kamerbezem +gewapend, dien zij in een dreigende houding ophief. "Waar is dat +stinkende dier?" riep zij met een verbolgen stem: "wat springt het +daar tegen Dominees kostelijke pels op met zijn vuile klauwen? Waarom +jaag je hem niet weg, Dominee? En wie zit daar in je pels? Hoe heb ik +het met je? Leen je jou pels zoo maar aan iedereen, die je bezoeken +komt? Toe, maak maar gauw dat je uit dien stoel komt, dien je aan +stukken gebroken hebt! Bewaar ons! het is Mijnheer van Sonheuvel!" + +"Ja Juffer!" zeide deze, het hoofd van onder den pels uitstekende: +"ik ben het. Help mij hier toch uit, want ik breek mijn lenden nog." + +Op dit oogenblik sprong Veltman op en liep, zoo spoedig als hij +gekomen was, de trappen af. + +"Joan zal waarschijnlijk in de buurt wezen," merkte Dominee aan: +"Is dat uw laars, heer Baron! welke de hond u gebracht heeft?--dan +hadt gij, vrouw liefste! het arme dier met geen straf voor zijn +getrouwheid moeten dreigen." + +"Ja! kon ik het weten?" zeide Barbara, terwijl zij mede hare krachten +aanwendde om den Baron te verlossen: "die hond snuffelt altijd bij +mij in de keuken. Laatst heeft hij een hoentje knap opgepeuzeld, +dat ik in de soep wilde doen." + +"Daarvoor zal het eerste haas, dat ik vang, voor u zijn, +Juffrouw!" zeide Joan, binnenkomende: "bij voorraad heb ik Veltman +aan de voordeur vastgelegd, maar hoe! is dat vader, die daar tusschen +vier pooten vastzit? Wacht! ik zal u wel helpen. Het trekken baat +niet, Dominee! wij zullen een anderen weg inslaan."--Dit zeggende +wierp hij den stoel op zijde en sneed met zijn jachtmes het matwerk, +dat den Baron als met weerhaken belette zich op te geven, rondom +aan stukken; dit had de verlossing des gevangenen ten gevolge; doch, +tot aller verbazing, was het eerste gebruik, dat de Baron van zijn +herkregen vrijheid maakte, dat hij Joan een geduchten oorveeg gaf. + +"Wat is dat, vader?" riep Joan, achteruitspringende met een kleur +als bloed. "Waaraan heb ik dat verdiend?" + +"Vraag je dat nog, onbeschaamde huichelaar?" snauwde hem de verstoorde +Heer van Sonheuvel toe: "ik heb schoone berichten van u ontvangen, +sinjeur!" + +"Ik begrijp er niets van, vader!" zeide Joan; "ik weet niet, wat ik +gedaan heb, om een dusdanige behandeling te veroorzaken." + +"Niet, verstokte zondaar? vraag het dan maar aan Dominee: die zal +jou de les anders leeren." + +"Ik?" vroeg Raesfelt verwonderd: "ik weet van den Jonker hoegenaamd +geen kwaad." + +Reede, meenende dat de Predikant vrees koesterde voor Joan, werd nu +even toornig op genen, als hij op dezen geweest was. "Hoe!" zeide +hij: "past het een leeraar, menschenvrees te hebben, en te aarzelen, +iemand in 't aangezicht zijn feilen en dwalingen aan te kondigen?" + +"Heer Baron!" antwoordde Raesfelt, geraakt: "ik ken mijn plicht en zou +niet schromen, voor koningen en keizers de waarheid te spreken, gelijk +Nathan en Elias deden; maar ik weet niet, waaraan zich bepaaldelijk +de Jonker heeft schuldig gemaakt, noch over welk feit ik hem zoude +toeroepen, meer dan aan anderen: gij zijt die man!" + +"Niet!" hervatte de Baron: "nu, dan weet ik het: gij zijt een +Arminiaan, Joan!" + +"Goede hemel!" riep Barbara, de handen boven 't hoofd ineenslaande; +"een Arminiaan!" + +"En wat nog erger is, een Sociniaan!" vervolgde Reede. + +"Een Sociniaan! Dat verhoede de Heer!" zeide Mejuffrouw Raesfelt, +met dezelfde gebaarden. + +"En wat het ergst van alles is, een huichelaar." + +"Een huichelaar ook al! bewaar ons!" herhaalde de Pastoorsche. + +"En wie heeft u al dien zotteklap verteld, vader?" vroeg Joan met +drift. + +"Wat! zult gij het nog loochenen? doch zoo ge den zegsman weten wilt: +daar staat hij: schaam u in zijn tegenwoordigheid te ontkennen, +wat hij u bewijzen kan." + +"Wien meent gij, vader?" vroeg Joan, meer en meer verwonderd. + +"Wien? wel wien anders dan Dominee," antwoordde de Heer van Sonheuvel. + +"Mij?" vroeg Raesfelt, ten toppunt van verbazing: "spot UEd. niet mij, +heer Baron?" + +"Het is of gij beiden gezworen hebt, mij dol te maken," riep de +Baron stampvoetende: "wat duivel! Dominee, hebt gij mij niet zoo +op het oogenblik gezegd, dat gij er de bewijzen van in handen hadt, +zwart op wit?" + +"O!" zeide Raesfelt, die lont begon te ruiken: "is het er zóó mede +gelegen? Ja dat heb ik gezegd; maar...." + +"Gij hoort het Joan!" viel Reede in. + +"Maar ik sprak niet van den Jonker," vervolgde Raesfelt. + +"Niet! en van wien dan?" vroeg de Baron, op zijne beurt verbaasd. + +"Vergun mij, dat ik UEd. zulks onder vier oogen verklare, zonder +getuigen." + +"Toegestaan! Marsch Joan!" + +Joan deed eenige stappen om zich te verwijderen; doch bleef vervolgens +staan, den Baron aanziende. + +"Hebt ge mij niet gehoord?" vroeg deze: "marsch! van hier!" + +"Maar ben ik dan gerechtvaardigd in uwe oogen, vader?" vroeg Joan, +op den toon der beleedigde onschuld. + +"Daarover spreken wij nader," was het antwoord. + +"Dat behoeft niet," merkte de Predikant aan: "UEd. kan uwen zoon +gerustelijk een toestemmend antwoord geven; want hij is onschuldig, en +uw gramschap op den jongeling is uit een misverstand voortgesproten." + +Reede was ontevreden op zich zelven, dat hij zich zooverre door zijn +driften had laten vermeesteren en zich daardoor jegens zijn zoon in +'t ongelijk gesteld: hij aarzelde echter nog, uit valsche schaamte, om +hem genoegdoening te geven; doch, toen hij den knaap in een smeekende +houding naar zich toe zag treden, terwijl de tranen hem in de oogen +stonden, verkreeg het gevoel van billijkheid de overhand boven zijn +valsche schaamte, en hij omhelsde hem hartelijk, waarna Joan het +vertrek verliet. + +"Maar gij, liefste schat!" zeide de Predikant tot zijn huisvrouw, +die nog vol nieuwsgierigheid boven om de trap stond te draaien: "gij +moest ons ook alleen laten en aan Kaatje zeggen, dat zij den armstoel +boven brenge. Ik heb met den Heer Baron iets af te handelen, dat...." + +"Dat ik niet hooren mag," zeide zij spijtig: "nu 't is goed, +Dominee! ik ga al: neem maar niet kwalijk, dat ik dit kostelijk vertrek +door mijn tegenwoordigheid verontheiligd heb. 't Zal wel voor 't eerst +en 't laatst zijn; doch zoo gij denkt, dat het u wel bekomen zal, +mij buiten alles te houden, hebt gij het mis."--Met deze en dergelijke +woorden trok zij grommende af en begaf zich op staanden voet naar de +vrouw van den schout, waar zij nog drie of vier buurtklapsters vond, +aan welke zij onder belofte van geheimhouding verhaalde, hoe Dominee +ontdekt had, dat de Jonker een Sociniaan ware en het aan den Baron +verteld had, doch het nu weder introk uit vrees voor Joan: hoe de +Baron door een stoel gevallen was, en hoe de hond met zijn morsige +pooten haar huis bevuild had, enz. welke stichtelijke praatjes den +volgenden dag door het gansche dorp liepen. + +"Wat heb je mij dan aan 't oor liggen reutelen, Dominee?" vroeg de +Baron, zooras hij met den Predikant alleen was. + +"Ik sprak UEd. van mijn zoon Hendrik," antwoordde deze, "die te +Leiden studeert en mij, door zijn nieuwerwetsche begrippen omtrent den +godsdienst, dwingen zal, hem van de Hoogeschool terug te nemen, eer +hij onzer Gereformeerde Kerk, en mij, zijn vader en leermeester, tot +schande verstrekke. Hoe UEd. dit alles op den Jonker hebt toegepast, +verklaar ik niet te begrijpen." + +"Is het er zoo mede gelegen?" hernam de Baron: "dan spijt het mij, +dat ik den armen Joan zoo heb afgejakkerd, doch ik zal hem zeggen +hoe de vork ik den steel zit." + +"Ik bid u," smeekte Raesfelt, "laat mijns zoons gedrag tusschen +ons blijven: mijn vrouw zelve weet nog niets van het geval af, en, +zooals Salomo zegt: + + + "Een dwaze zoon is zijn moeders droefenis." + + +"Ik beklaag u van harte, Dominee," zeide Reede: "doch gij zijt +de eenige niet, die zwaren strijd met zich zelven voert. De reden, +waarom ik u verkeerd verstond, zal zich voor u ophelderen, wanneer ik +u mijn tegenwoordig bezwaar ontdek. Gij herinnert u," vervolgde hij, +zijn leunstoel, welken hem Kaatje intusschen gebracht had, dichter +bij dien van Raesfelt aanschuivende, "dat Joan mijn zoon niet is." + +"Met uw verlof!" zeide de Predikant, zich met den wijsvinger langs den +neus strijkende: "Ja, waarlijk, nu gij het zegt, herinner ik mij dat; +doch in ernst, ik was het vergeten." + +"Welnu, de knaap heeft thans de jaren van onderscheid bereikt: tot +heden toe heb ik altijd het onaangename denkbeeld van hem met zijn ware +geboorte bekend te moeten maken, ver van mij afgeschoven: ik beminde +hem als mijn zoon, en, zoo ik mijn genegenheid alleen moest volgen, +zou ik hem als zoodanig blijven beschouwen; doch nu de tijd daar is, +dat hij aan den naam van Reede eenigen luister zou kunnen bijzetten, +begint mijn geweten tegen mijn teederheid op te komen. Ik begin te +bedenken, dat ik mijn eenige dochter niet mag versteken van haar wettig +erf (dat bovendien om redenen, welke ik thans niet melden zal, vrij +schraler is, dan menigeen denken zou), dat ik bovendien geen vreemde +plant op den stam der Sonheuvels enten mag. Hierbij komt de vrees, +dat Joan, die zulk een onverzoenlijken haat tegen de Spanjaards heeft, +veellicht, na het eindigen der _trêves_, de wapenen tegen zijn eigene +betrekkingen, tegen zijn bloedverwanten zou voeren--en ik vraag mij +zelven af, of ik Joan omtrent zijn geboorte de geheele waarheid moet +openbaren. Gij herinnert u, Dominee! dat Velasco, Joans vader, door +mijn ruiters wreed vermoord werd!" + +Hier eindigde Reede. De Predikant zweeg, en lang zaten beiden over +elkander in diep gepeins verzonken, bij hen zelven overleggende, op +welke wijze de zwarigheden, die zoowel het verborgen houden als het +ontdekken van het geheim met zich bracht, uit den weg zouden kunnen +geruimd worden. Eindelijk verzocht de Predikant, dat de Baron hem den +nacht ter overdenking zoude vergunnen, belovende hij aan Z. Edelheid +den volgenden morgen een stellig antwoord te brengen. Reede willigde +dit verzoek in, en de conferentie werd op _reces_ gescheiden. + +Het was reeds duister, toen de Baron op het slot terugkwam. Het +avondmaal werd opgedischt en was haastig afgeloopen: de Baron en +Joan waren beiden vol gedachten en spraken weinig of niet. Ulrica +daarentegen snapte onophoudelijk door over de schoone Gravin, haar +page, haar koetsier met zijn groote knevels en de fraaie wapens op de +koets. Toen de oude Geertrui haar, na het avondeten, was komen halen, +stond haar vader insgelijks op, met oogmerk om naar zijn kamer te gaan; +doch Joan sprong op, als uit een droom ontwakende en hield hem tegen. + +"Vader!" riep hij: "kan ik nog een oogenblik met u spreken?" + +"Heeft het zooveel haast, Joan?" vroeg de Baron: "ik heb thans het +hoofd vol." + +"Een oogenblik slechts, vader!" herhaalde Joan, en bleef toen een +poos al weifelende staan. + +"Nu! komt er wat?" vroeg Reede, ongeduldig. + +"Ja vader! ik wilde u vragen.... ik wilde maar weten.... wie mijn +moeder was." + +Deze laatste woorden sprak hij zeer schielijk uit, als had hij +gevreesd, dat ze hem in de keel zouden hebben blijven steken, indien +hij nog een oogenblik gedraald had. + +De Baron sprong achteruit, alsof de bliksem voor zijn voeten ware +gevallen: "Jongen!" riep hij: "Zijt gij dol? hoe komt gij aan die +vraag?" + +De bleekheid, welke des Barons gelaat bedekt had bij de onverwachte +vraag van zijn pleegzoon, ging over op de wangen van dezen, zooras +hij, aan de uitwerking, die zijn woorden gemaakt hadden, bespeurde, +dat alles niet geheel zuiver was met zijn geboorte. Nadat hij den +Baron een tijdlang sprakeloos had aangezien, berstte hij in tranen +uit en herhaalde met angst: "Vader! in Gods naam! zeg mij, wie was +mijn moeder?" + +"Ik weet het niet," zuchtte Reede en wierp zich in een stoel, het +gelaat met de handen bedekt houdende. + +"Gij weet het niet," herhaalde Joan, als versteend. "Ach vader!" kreet +hij, zich voor den Baron nederwerpende en diens handen met kussen +bedekkende: "zeg mij toch! wanneer, waar, hoe ik geboren ben, wie +mijn moeder was: gij zult het immers weten. Och! ik vrees, dat het +maar al te waar is, hetgeen ik van morgen gehoord heb." + +"Wat hebt gij gehoord?" vroeg Reede, opziende. + +"Dat ik een basterd ben," antwoordde Joan, zijn hoofd in den schoot +des Barons verbergende. Een lange pauze volgde. + +"Vader!" riep Joan eindelijk, onder herhaalde omhelzingen en tranen: +"Vader! ik bid u, martel mij zoo niet! Spot niet met een ongelukkigen +knaap. Zoo ik een basterd ben, heb ik toch een moeder gehad. O! leeft +zij nog? wie was zij toch?" + +"Ik weet het niet, waarachtig niet, lieve beste Joan!--Maar," +vervolgde de Baron na eenige oogenblikken stilte, "van wien hebt gij +toch gehoord, dat gij mijn zoon niet zijt?" + +"God zegen mij!" gilde Joan opspringende: "zijt gij mijn vader +niet? Heb ik dan noch vader noch moeder! O ik ongelukkige!" + +"Geene anderen dan God in den Hemel, beste jongen!" zeide de Heer +van Sonheuvel, snikkende. + +"Maar ik heb toch ouders gehad," vervolgde hij, met een dringende stem. + +"Hoor Joan! wees bedaard! ik zal u alles verhalen: alles.... wat ik +u verhalen kan. Ga zitten en wees bedaard; ik zal u alles zeggen: +drink een roemer wijn: gij zijt ongesteld." + +De Baron vulde twee roemers, leegde den zijnen in één teug en schoof +den anderen naar Joan, die hem met bevende lippen, bij tusschenpoozen +uitdronk. Vervolgens plaatsten beiden zich dicht bij elkander; de +Baron nam Joans hand tusschen de zijne, en ving aldus aan met spreken: + +"Uw vraag, Joan! lokt een gesprek uit, dat wij toch vroeg of laat +moesten hebben. Neen! gij zijt mijn zoon niet, noch die mijner zalige +vrouw; doch eer ik u eenige inlichting geve omtrent het geheim uwer +geboorte, wilde ik vernemen, wat tot den twijfel aan de echtheid +daarvan aanleiding heeft gegeven." + +Joan vertelde hem de ontmoeting met Teun Wezer en den page. + +"Ik heb u nooit op leugens betrapt, Joan!" zeide de Baron, verwonderd +over dat verhaal: "anders zou ik denken, dat gij door Bouke of Geert +waart ingelicht, onder voorwaarde van hen niet te noemen, en dat gij +daarom dat historietje bedacht hadt."--Joan bevestigde de waarheid +van zijn verhaal met den meesten nadruk. + +"Ik geloof u," hervatte Reede, "ofschoon ik er niets van begrijp: +echter kan ik Bouke en Geert niet verdenken, dat zij zich zooverre +versproken zouden hebben.... wel is waar, de oude vrouw valt wat +praatziek, vooral omtrent den tijd van Mevrouw zaliger: doch gij +ziet mij met ongeduld aan en ik begrijp u. Hoor toe: de geschiedenis +zal ongelukkig kort genoeg zijn. In 1598 lichtte ik een Spaansch +konvooi op: onder de lijken der gesneuvelde Spanjaarden vond ik +een schreiend kind: dat waart gij; uit medelijden trok ik mij uwer +aan en bracht u bij mijn brave vrouw: wij besloten u op te voeden, +en zij deelde haar teederheid tusschen u en Ulrica, totdat zij ons, +helaas te vroeg! ontviel. Sedert beminde ik u als zoon: dit hebt +gij ondervonden: gij weet of ik ooit eenig onderscheid gemaakt heb +tusschen u en Ulrica. Gij zwijgt?--Gij schudt het hoofd?--Is het om +de oorveeg, die ik u straks gegeven heb? Ach! zoo ik geen vaderlijk +hart voor u had, zou ik mij dan uw gewaande Arminianerij zoo sterk +hebben aangetrokken?" + +"Spreek daarvan toch niet langer, vader!" zeide Joan: "ik dacht in +dit oogenblik alleen aan de goedheid, die gij mij bewezen hebt en +aan mijn ongeluk, dat ik u niet langer den naam van vader geven mag." + +"Dat moogt gij, zoolang ik leef, Joan, want mijn liefde voor u blijft +altijd dezelfde." + +"En hebt gij niets meer omtrent mijn geboorte kunnen ontdekken, +dan hetgeen gij mij verhaald hebt?" + +"Niets: al mijn nasporingen zijn vruchteloos afgeloopen. Ik betuig u, +niets onbeproefd te hebben gelaten, om naar uw ouderen te vernemen; +doch niemand buiten ons heeft zich uwer aan willen trekken." + +Lang nog zaten zij over elkanderen, schoon zij weinig of niets meer +spraken. Joan scheen het beeld der droefheid: hij bleef in gepeinzen +verdiept, en dacht meer na, wat hij vragen wilde, dan hij werkelijk +vroeg. Met den Baron had het tegenovergestelde plaats. Deze scheen +beducht voor vragen en trachtte die zooveel mogelijk te ontwijken: +het voorgevallene bij de overrompeling van 't Spaansche konvooi stond +hem nu weder zoo levendig voor den geest, als op 't oogenblik, toen het +werkelijk voorviel, en gedurig zweefde hem de stervende Velasco voor +oogen. Met opzet had hij diens dood, ja diens naam in zijn verhaal niet +gemeld, en wist niet hoe hij het klaren zou om hem maar geheel buiten +'t spel te laten. Eindelijk stond hij op, drukte Joan aan zijn hart, +beval hem aan, bedaard te zijn en van al wat hij gehoord had aan +niemand, vooral aan Ulrica, geen woord te reppen, wenschte hem een +goede nachtrust en begaf zich naar zijn slaapvertrek, waar Bouke, +die reeds lang het laat opblijven zijns meesters verwenscht had, +half slapende binnentrad. Zonder een woord te zeggen liet de Baron +zich ontkleeden, trok naar bed, bleef nog lang peinzen en malen en +geraakte niet dan met den nanacht in slaap. + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + + Het kiezen en verkiezen is een groot verscheel. + + _Spieghel_. + + +"Wel Mijnheer!" zeide Bouke, toen hij den volgenden morgen het +slaapvertrek des Barons voor de derde maal binnentrad; "UEd. schijnt +het spreekwoord vergeten te hebben: ""beslapen is uw morgenwerk, +bedorven is uw dagwerk."" + +"Hoe laat is het dan?" vroeg de Baron, het hoofd oprichtende. + +"Maar effentjes negen uren, als 't UEd. blieft, en ik ben reeds twee +keeren hier geweest." + +"Is 't mogelijk? Ja ik ben eerst laat in slaap geraakt." + +"Waarachtig, Mijnheer! het huishouden is in de war: het was geloof +ik halféén, eer de Jonker in bed lag: hij, die daarenboven met den +jachttijd zoo vroeg bij de werken is." + +"Hoe heeft Joan geslapen?" vroeg Reede, terwijl hij zijn kousen opbond. + +"Ja! dat durf ik niet beloven dat goed geweest is: UEd. moet hem dan +gisteravond geweldig onderhanden gehad hebben. Van morgen te zeven +uren ging hij op de jacht en had oogen als potten zoo dik en als +aalbessen zoo rood. Schort er wat aan, Jonker! zeide ik--neen! zeide +hij en drukte mij de hand; maar de tranen rolden hem als dikke +Meiregendruppelen langs de wangen. Toen draaide hij mij opeens den +rug toe en liep met groote stappen het slot uit." + +"Die arme jongen!" zuchtte Reede: "doch het heeft zoo moeten wezen!" + +"Is het dan wezenlijk waar, heer Baron! dat hij een Arminiaan +geworden is!" + +"Droom je? wie heeft dat zotte praatje in de wereld gebracht?" + +"Dat weet ik niet, maar gisteravond was het heele dorp er vol van." + +"Men deed beter den bek te houden, dan zulke grollen te vertellen," +zeide de Baron met bitsheid, vergetende, hoe hij zelf den vorigen +dag wegens dezelfde aantijging tegen Joan was uitgevaren. + +"Maar Bouke!" vervolgde hij: "ik wilde wel eens weten, wie van u +beiden, Geert of gij, uit de school geklapt heeft en aan Joan het, +geheim zijner geboorte ontdekt?" + +"Weet hij er iets van?" vroeg Bouke, verbaasd een stap terugtredende: +"ik althans heb gezwegen als een mof." + +"Heeft Geert dan gebabbeld? want dat sprookje wegens den page is +te gek." + +"Daar hebben wij 't al," zeide Bouke: "ja die page is een duivel van +een vent. Heeft hij niet eergisteravond zijn hof aan de oude Geert +gemaakt, alsof zij een jonge deern ware?" + +"En heeft zij den lafbek onze geheimen overgebriefd?" vroeg Reede +met drift. + +"Geert is oud en wijs genoeg, om voor haar zelve te antwoorden," +zeide Bouke, zich buigende. + +"Dat is een Menist antwoord, Bouke! zeg mij spoedig wat gij van de +zaak af weet." + +"Met UEds. verlof, dat kan ik niet. Elk weet waar hem de hoos +schuurt, en op alle reên eigent geen antwoord. Zoo UEd. liever over +dat onderwerp met Geertrui zelve geliefde te redekavelen;.... maar +ik heb vergeten UEd. te zeggen, dat Dominee al sedert een uur in de +benedenzaal zit en verlangt UEd. te spreken." + +"De Dominee beneden? Dat hadt gij mij wel eerder mogen zeggen. En +waarmede heeft die goede man al den tijd zoek gebracht?" + +"O! op een zeer aangename wijze: hij heeft met de freule over de +opvoeding van haar kippen en met de oude Geert over de zedelijke +verbastering der eeuw gepraat. Het was stichtelijk om aan te hooren." + +"Hij had Geert liever over haar babbelen moeten onderhouden." + +"Met UEds. verlof, Mijnheer! UEd. heeft van mij niet gehoord, dat Geert +gebabbeld heeft: onder dienstboden is men niet gaarne de zegsman van +dergelijke praatjes: wat er van de zaak is, weet ik niet precies; +doch met den Jonker heeft zij er niet over gesproken, daarop kan +UEd. gerust zijn." + +"Nu! wij zullen zien. Breng het ontbijt maar boven en verzoek Dominee +hier te komen. Gij moet aan Ulrica maar zeggen, dat ik niet afkom, +dat ik wat pijn in 't hoofd heb.... of dat ik wat jichtig ben." + +"Pijn in 't hoofd! Dat zal immers niemand gelooven! UEd. is immers +altijd gezond.--Jichtig! daar geeft UEd. ook wat om! Als ik zoo iets +verhaalde, dan ging van avond het praatje door 't dorp, dat UEd. ('t +geen God verhoede) op sterven ligt." + +"Bedenk dan wat anders! doch breng Dominee en het ontbijt hierboven: +of liever, breng maar geen ontbijt: ik heb geen honger en zal wel +fluiten als ik iets noodig heb." + +"Geen honger!" herhaalde Bouke: "nu begin ik waarlijk te gelooven +dat UEd. niet wel is!" + +"Doe wat ik u heet, Bouke! en haast u. Ik begeer geen woord meer," +zeide Reede wrevelig. Bouke haalde de schouders op en vertrok. + +"Wat duivel is dat?" mompelde hij tegen zich zelven: "gisteren avond +over twaalven naar bed gegaan? een gat in den dag geslapen! geen +honger! mij ouden dienstknecht een grauw te geven alsof ik een losse +jongen ware van een braspenning in de week! de oude Heer zeker is +niet wel." + +Het leed niet lang, eer de Predikant boven kwam: hij trad met een +ongemeene plechtigheid de slaapkamer in: een nieuwe kalot bedekte zijn +hoofd, en de Zondagsche rok versierde zijn leden: met den grootsten +ernst sloot hij de deur achter zich toe, klemde den hoed met den +linker-elleboog stijf tegen de borst aan, liep recht op den Baron toe, +leunde de twee duimen op de tafel, zag den Heer van Sonheuvel vlak in +'t gezicht en zeide vervolgens: "gij zijt als een Christen verplicht, +Joan alles te zeggen." + +"Dat behoeft niet Dominee," was het antwoord: "want ik heb hem reeds +alles gezegd." + +"Alles? is het mogelijk?" + +"Alles! dat is te zeggen, op eenige uitzonderingen na. Doch neem een +stoel Dominee: ik zal u mijn onderhoud met den knaap verhalen. Ga +gerust zitten. Door dien stoel zult gij zoo licht niet heen zakken, +als ik gisteren door den uwen." + +Hierin had de Baron gelijk: want de stoelen, die op zijn kamer stonden, +waren van zwaar eikenhout, met groote beelden en loofwerk versierd. De +zware armleunsels pronkten met bruine hertenkoppen en stonden wijd +genoeg van elkander om een verliefd paar te omvatten: de zitting en de +rug waren met tapijtwerk bekleed, waarop een jachtpartij was afgebeeld: +hetzelfde patroon werd op de drie-dubbele kussens, op het behangsel der +wanden en op de sprei van het bed teruggevonden.--De overige meubelen +hadden minder overeenstemming. Vlak over het onmetelijke ledikant, +'t geen in eene naar evenredigheid vrij nauwe alkoof stond, hing +een rek, met armbussen, bogen, pijlen, zinkroeren, hartsvangers, +pistolen enz. beladen: daarnaast het afbeeldsel der Barones, ten +voeten uit in haar trouwgewaad voorgesteld; want de mode om zich in +een _allegorisch_ of herderlijk gewaad te laten portretteeren was +toen nog niet in zwang gekomen. Aan weerszijden der kamer was een +raam met kleine beschilderde ruiten, waardoor de zon slechts flauwe +stralen schoot. Onder een dier ramen stond een zware tafel, waarop een +bijbel lag, benevens een psalmboek, een exemplaar van de Utrechtsche +Unie, keurig ingebonden, het jachtrecht van Gelderland, de kroniek +van Gheraert Leeuw, eenige vlugschriften en een paar godvruchtige +boekskens, uitmakende de gansche lectuur van den Baron. De andere +tafel, waaraan hij met den Predikant gezeten was, was ledig. Over de +deur stond een vervaarlijk groot kabinet, waarop eenige zeer kleine +wassenbeeldjes onder glazenstolpen: daarnaast hingen de kleederen +des Barons en een fraai schoonschrift van omstreeks een voet in 't +vierkant, met houten lijst en snijwerk van anderhalf voet breedte +en dikte; welk schoonschrift den naam des Barons voorstelde in +figuren, alsmede het wapen van Sonheuvel, zijnde een zilveren balk +met zes dergelijke leliën op een rood veld: alles fraai met kleuren +afgezet. Onder dit kunststuk stond een tafeltje met glazen deuren, dat +gevuld was met roemers, bokalen, fluiten en kroezen van onderscheidene +grootten en vormen. Wanneer de teekenaar of graveur, die in later +tijden zijn talenten aan een prachtuitgave dezer geschiedenis zal +ten koste leggen, zich hierbij den Baron voorstelt, gezeten in een +zorgstoel, die al de overige stoelen in omvang overtreft, en gekleed +in een zwart fluweelen tabberd met afhangende open mouwen, waaronder +een geelzijden overrok met zwarte bloemen, een broek van zwarte zijde, +roode kousen en pantoffels met zwart fluweel, dan zal hij bouwstoffen +genoeg hebben tot het vervaardigen van een aangenaam _vignet_, het +gesprek van den Baron met den Predikant voorstellende: en hij zal +daarentegen, als _pendant_, het bezoek van Reede bij Raesfelt, door +ons in 't vorige hoofdstuk verhaald, kunnen overstellen. Dan, 't is +tijd, dat wij opgeven, wat in deze tweede samenkomst verhandeld werd. + +Nadat door Reede aan den Predikant vrij omstandig het onderhoud +verhaald was, dat hij 's avonds te voren met Joan had gehad, en dat +Raesfelt, die opmerkzaam luisterde en voor 't eerst de kerkelijke zaken +ten gevalle van dit belangrijk punt scheen uit het hoofd te hebben +gezet, het door den Baron gehouden gedrag volkomen had goedgekeurd, +ontstond het zwaarwichtig vraagpunt, wat er nu met den jongeling ware +aan te vangen. Nadere pogingen bij zijn vermoedelijk gezin te doen, +scheen nutteloos en ongeraden; hem zelven derwaarts te zenden, nog +dwazer en onvoegzamer: daarenboven kon de Baron (als reeds gezegd +is) er niet toe besluiten, om den knaap zijn betrekking tot Velasco +mede te deelen; terwijl Raesfelt begreep, dat een jong mensch, +door hem in de echte gereformeerde religie, en door den Baron van +Sonheuvel in de liefde voor het Gemeenebest opgevoed, nimmer onder +de Spanjaards zou kunnen aarden, ook al wilde Don Louis de Velasco +hem als neef erkennen. Joan daarentegen een rang bij het leger, de +vloot, het hof of zelfs de Compagnie te doen bekleeden, was aan even +groote, zoo niet grootere zwarigheden onderhevig. De Baron wilde het +niet op zijn rekening hebben, dat hij hem tegen vijanden zenden zou, +die met hem van ééne afkomst en met zijn vader van één geloove waren, +terwijl Raesfelt aanmerkte, dat men zich alsdan in de verlegenheid zou +bevinden, waarin David zich bevond, toen hij aan het hof van Koning +Achis leefde en door dezen tegen zijn eigen landgenooten gezonden werd. + +"Ik zoek raad bij u, Dominee!" zeide eindelijk de Baron: "en gij +brengt mij hoe langer hoe meer in de war. Ik weet waarlijk niet, +wat met hem aan te vangen." + +"Is er geen mogelijkheid, hem ergens heen te sturen, waar hij zich een +vast bestaan kan maken?" vroeg Raesfelt: "zou hij niet in Engeland +of in Duitschland zijn geluk kunnen beproeven, tot hij rijper jaren +en oordeel heeft. Dan kan hij naderhand zelf kiezen." + +"Hem wegsturen?" riep Reede met droefheid: "hem naar vreemde landen +sturen? Dominee! welk een wreeden raad geeft gij mij daar! Ik zou hem +niet meer onder mijn leiding hebben! Hij zoude uw goede lessen missen, +onder vreemd krijgsvolk vreemde zeden en gevoelens aannemen! Neen +dat nooit, Dominee!" + +"Ik geef raad naar mijn beste weten," zeide de Predikant, de schouders +ophalende. + +"Weet gij niets anders?" vroeg de Baron. + +"Neen!" zeide Raesfelt, zuchtende en het hoofd droevig schuddende, +terwijl hij de handen voor de borst vouwde en zijn knokkels bekeek: +"denk er eens over na, heer Baron!" vervolgde hij, na een oogenblik +zwijgens. Een wijl daarna hief Raesfelt weder het hoofd op en vroeg, +eenigszins schroomvallig, of Joan ook naar Leiden zou gaan en in de +rechten studeeren. + +"Is de jongen dan voor advocaat in de wieg gelegd?" hernam de Baron: +"hij heeft een edelmansopvoeding genoten: rijden, rossen, jagen, +met den dag in 't veld zijn, de paarden temmen en de honden bekwaam +maken, dat kan hij; maar op zijn kamer te zitten blokken, daartoe is +hij niet opgevoed." + +"De _humaniora_, dat zijn de beginselen der taal, verstaat hij echter +door Gods zegen," zeide Raesfelt: "en wat het blokken betreft, heeft +hij niet, meer dan eens, uren achtereen op mijn kamer doorgebracht?" + +"Ja, dat geloof ik, Dominee," zeide de Baron, lachende: "in dien stoel +zonder zitting: dat is ook een gevangenis, waar men niet uitkomt, +als men er zich eens heeft ingewerkt. Doch wij zullen zien: ik zal er +den knaap over spreken en hem tusschen twee voorstellen laten kiezen, +zoolang er zich geen derde opdoet." + +"God geve, dat het tot zijn tijdelijken en eeuwigen voorspoed gedije," +zeide Raesfelt. + +"Amen!" zuchtte de Baron hem na, de muts afnemende. "Maar," vervolgde +hij, van toon veranderende: "zullen wij niets gebruiken? Hebt gij reeds +iets genuttigd, Dominee?" Dit zeggende nam hij een zilveren fluitje, +dat naast hem aan den wand hing, en floot twee reizen achtereen. + +"Ik dank UEd. vriendelijk," antwoordde de Predikant: "ik ben reeds +lang verzadigd." + +"Maar ik niet, Dominee; en daarenboven, gij moet een glas +Rijnschen wijn met mij drinken op den goeden uitslag onzer +pogingen. Bouke!" vervolgde hij tegen zijn ouden dienaar, die de kamer +binnentrad: "breng een kan wijn binnen en zet twee roemers op tafel." + +"Welken wijn zal UEd. drinken?" vroeg Bouke, met een stemmig gelaat: +"waarschijnlijk van dien zoeten wijn, welken UEd. van den koopman +Knipvisch uit Rotterdam hebt ontvangen." + +"Droom je, Bouke? Drink ik ooit van dat laffe goed? Dat heeft hij +immers gestuurd voor zwakke en zieke menschen. Haal van dien ouden +Hochheimer van het vat aan de linkerhand!" + +"Maar durft UEd. daar wel van te drinken? Ik dacht...." + +"Gij dacht als een gek!--En breng toch wat ontbijt: ik rammel van +den honger." + +"Ik zal zien wat er is," hernam Bouke, altijd even stemmig van wezen: +"belieft UEd. een paar sneden wittebrood en een hoendervlerk?" + +"Welzeker niet," antwoordde de Baron, driftig: "weg met die +liflaffen. Breng een paar hompen ham of een worst, zooals gewoonlijk." + +"Zoo!" zeide Bouke, die er een schalksch vermaak in schepte, zijn +Heer een weinig te plagen: "ik dacht anders dat UEd. niet wel waart +en hoofdpijn hadt." + +"Hoofdpijn? Heb ik dat gezegd? heb ik ooit hoofdpijn? Is de kerel dol?" + +"Of jichtig? weet ik het? voor de jicht althans deugt de ham +niet-met-al." + +"Jichtig! geef ik daar wat om? Haal wat ik zeg en reutel niet meer." + +"Ik meende, dat UEd. straks anders gesproken had; maar Bouke zal +het wel missen: het past mij niet, UEd. tegen te spreken; want wiens +brood ik eet, diens woord ik spreek;.... dan ik ga al, ik ga al." Dit +zeggende, vertrok hij en kwam spoedig terug met den wijn. De Predikant +moest tegen wil en dank een paar roemers ledigen en nam vervolgens +zijn afscheid: de Baron bleef zitten peinzen, totdat de kan ledig was. + +"Zal ik U een andere brengen?" vroeg Bouke: "op één been kan niemand +staan." + +"Dat behoeft niet: ik heb voor ditmaal genoeg. Zeg eens, Bouke! gij +kunt mij misschien goeden raad geven. Wat zal ik van Joan maken? een +officier of een advocaat?" + +Bouke schoot luidkeels in een lach: "een advocaat," riep hij: +"UEd. schertst er mede." + +"Volstrekt niet: ik ben in lang zoo ernstig niet geweest." + +"Een advocaat! is de Jonker van het deeg, daar men advocaten van +kneedt? zulk een knap, fiksch jonkman! Kom dat kan UEd. niet meenen." + +"Hij zal toch iets dergelijks moeten worden," hernam de Baron: +"zoo hij niet liever verkiest in vreemde landen te gaan dienen." + +"Welnu! laat hij dat doen," zeide Bouke: "dan kan er iets grootsch van +hem groeien: zoo de mensch hem zet, waait hij in zijn net, en die 't +hoofd te beurt valt, die scheert den baard: wie weet het? Misschien +wordt hij met den tijd kolonel of nog meer en draagt een sjerp en +een halsberg: dat zal hem anders staan dan een bef of mantel." + +"Maar bedenk toch, Bouke! een knaap van zijne jaren zoo maar zonder +leiding naar een vreemd land te sturen! Wat moet er van hem worden?" + +"Alleen kan hij niet gaan," hernam Bouke: "kalfvleis, halfvleis: +jongelui, domme lui. UEd. moet naar een geschikt persoon omzien, +die hem op reis verzellen kan." + +"En wien zal ik met de zorg van zulk een wildebras belasten? Hij +moet iemand bij zich hebben, die niet van hem afwijkt, hem vermaant +en leidt en onderricht." + +"Zoodanig een zal UEd. moeilijk vinden, of UEd. moest zelf medegaan." + +"Daarom juist wil ik hem niet van de hand sturen: en echter geloof ik, +dat Dominee in den grond gelijk heeft, en dat er weinig anders opzit." + +"Dominee! heeft Dominee dat aangeraden? en is het UEd. die er, niet +aan wil? Ik had eer gedacht dat Zijn Weleerwaarde nog een preeker van +den jongen had willen maken of ten minste een geleerde; want ieder +zot zijn marot, elk meent zijn uil een valk te zijn, en de koekoek +en sijs zingen twee wijs: doch hier is het andersom;.... maar, in 't +voorbijgaan gezegd: de oude Geert heeft mij verzocht UEd. te zeggen, +dat de page van het geheim wegens Joan onderricht scheen en haar +eenige vragen gedaan heeft, die zij met behoedzaamheid beantwoord +heeft: zij verzoekt UEd. haar deswege niet hard te vallen, vermits +zij over het weinige, dat zij gezeid heeft, zooveel berouw heeft als +haren op haar hoofd." + +"Nu, dan zal het berouw niet groot zijn," viel Reede lachend in: +"want haar kapsel is grootendeels uitgevallen." + +"In één woord, het spijt haar zeer," vervolgde Bouke, "en het zou +haar innig grieven, indien UEd. haar, die bij Mevrouw zaliger zoo in +achting was...." + +"Ik weet al genoeg, Bouke! het is de oude Geert of zij sprak: nu, +laat zij in 't vervolg voorzichtiger zijn; dan zullen wij hierover +niet verder spreken. Dan, om weer tot de zaak te komen: gij zeidet, +ik zou naar een vertrouwd mensch uitzien, om Joan naar den oorlog te +vergezellen, nietwaar?" + +"Om UEd. te dienen, ja! dat zeg ik nog." + +"Welnu! ik bedenk daar wat: ik ken maar één man, van wiens geschiktheid +tot zulk een post de ondervinding mij overtuigd heeft en die man +zijt gij." + +"Ik Mijnheer!" zeide Bouke, verbaasd terugtredende; "UEd. zou toch +niet verlangen...." + +"Dat gij en niemand anders den Jonker op reis vergezeldet, als +kamerdienaar, onderwijzer, schildknaap, paedagoog, zedenmeester, +raadsman, vriend, in één woord, met volmacht om hem door de wereld +te krijgen, zoodat hij naar lichaam en ziel even gezond en braaf +terugkeere als hij heen zal gaan." + +"En zou UEd.," hernam Bouke, het hoofd schuddende en zich een traan +uit de oogen vegende, "uwen ouden getrouwen Bouke, die u nooit een +dag verlaten heeft, zoo maar op een bof heenzenden? Hoe zal Bouke +het zonder UEd., en UEd. het zonder Bouke maken?--Wie zal uw paarden +knap houden, uw honden probeeren, uw valken africhten, uw kleeren +afschuieren, uw kerse-, vinke- en snippenetten breien, uw geweren +schoonmaken, uw...." + +"Ik weet het allemaal wel, Bouke! maar denk eens om den armen Joan. Gij +houdt immers veel van hem?" + +"Dat doe ik: ik liep voor hem door een vuur: doch UEd. kan niet buiten +mij, en ik niet...." + +"Denk eens na, Bouke! Hier muft gij uw tijd weg. Gij wordt voorzeker +tien jaren jonger als gij in 't leger komt." + +"Nu! nu! daar is wel wat aan! doch het bestand zal niet eeuwig +duren en op de Spanjaards klop ik nog liever dan op anderen, die mij +niet raken." + +"Tegen het einde van het bestand keert gij terug: dan is Joan in +staat zelf een keus te doen, wat hij verder uit wil voeren." + +"Verbeeld u eens, Mijnheer! Ik, die oud en stram word, zou zulk een +wildzang onder mijn appèl moeten houden. Ongelijke schotelen maakten +slinksche oogen: de ezel en de drijver denken niet ééns: dan zou +hij een jonge deern, dan een half vendel musketiers, dan een fraai +rijpaard, dan een reebok nazitten, en eer ik met mijn oude beenen +een tiende gedeelte van den weg had afgeleid, zou hij er al wezen: +en dan ware het: fluit maar! neen, dat gaat nooit." + +"Gij spreekt er met zooveel vuur over, Bouke! dat ik in mijn meening +versterkt word: ik verzeker u, het zal u beter bevallen dan gij denkt: +en gij, die altijd met uw spreekwoorden in de weer zijt, moest ook +eens bedenken, dat een oude voerman gaarne het klappen van de zweep +hoort. Doch ik wil u niet op 't lijf vallen: ook weten wij nog niet, +waar Joan zelf zin in heeft: denk er intusschen eens over na: morgen +zal ik uw besluit vernemen.--Geef mij nu mijn hengel: het is te +laat om te gaan jagen: ik zal zien of er nog karpers in den vijver +zijn. Zoodra Joan van de jacht komt, moet ik hem spreken." + +De Baron ging uit, zette zich op een groote tuinbank aan den vijver +neder en wierp den hengel in 't water. Zijn bekommeringen beletteden +hem echter, eenige aandacht aan zijn verrichting te schenken: achteloos +hield hij den rietstok vast en liet de karpers ongestoord het aas +van den angel halen. Nadat hij een uur ongeveer aldus gezeten had, +kwam Bouke hem zeggen, dat Joan terug was en verzocht, Zijn Edelheid +te mogen spreken. + +Hoezeer de Baron zelf dit onderhoud verlangd had, zag hij er nu tegen +op en duwde Bouke toe, dat hij thans aan 't visschen was en dat Joan +een gelegener tijdstip moest afwachten. + +"Ik zal zeggen dat UEd. den hengel in handen heeft," zeide Bouke, +"want visschen mag het niet heeten." + +"Ei, en waarom niet?" + +"Ziet UEd. niet, dat de lijn om den dobber is geslagen en in een +waterlelie verward zit? Wat drommel is dat?" vervolgde hij, de lijn +uithalende, "de hoek is geheel kaalgegeten. Op zulk een wijze zal +UEd. niet veel vangen." + +"Ik heb nergens trek in," zeide Reede, de angelroede verstoord tegen +den grond werpende. + +"Daar komt de Jonker zelf aan. Wil ik den hengel maar naar huis +brengen?" + +"Neen! ja, ja toch, en laat Joan maar komen: ik zal hem toch moeten +spreken," zeide de Baron, half beschaamd over zijn onzekerheden. + +Bouke vertrok en de Baron zette zich onrustig neder en zag voor +zich; nu en dan echter keek hij steelsgewijze naar Joan, die eerst +wankelende, vervolgens met een vasten stap op hem afkwam. "Waarlijk," +dacht Reede: "hij is toch een knappe jongen: het zou jammer zijn, +indien er niets beter dan een geleerde van worden moest." + +"Vader!" zeide Joan, toen hij den Baron genaderd was: "ons gesprek van +gisteren heeft mij stof gegeven tot velerlei overdenkingen. De slotsom +daarvan is geweest, dat ik, eenmaal mijn waren toestand kennende, +geen recht heb, hier langer een onnutte kostganger te wezen: ik heb +geen ouders, geen betrekkingen, geen vaderland, niets dat ik mijn +kan noemen...." hier stroomden heete tranen uit zijn oogen: "vergun, +o vergun mij die te gaan verwerven. In verscheidene landen wordt er +gestreden. Sta mij toe, dat ik bij deze of gene vreemde Mogendheid +dienst neme en mijn fortuin beproeve: geef mij uw vaderlijken zegen op +reis mede en wees verzekerd, dat mijn gedrag dien nimmer onteeren zal." + +Bij het uiten dezer woorden knielde hij voor zijn pleegvader neder. Tot +in de ziel geroerd over het edel gedrag des jongelings, sloeg Reede +met luide snikken de armen om diens hals en drukte hem in vervoering +tegen zijn hart. Te aangenamer was de Baron aangedaan, omdat hij, +nu Joan zelf gesproken had van dienst te nemen, ontslagen was van den +last om hem daartoe het voorstel te doen. "Mijn zegen en mijn beste +wenschen," zeide hij, "zullen u altijd vergezellen, mijn zoon! waar gij +u moogt begeven: ik ben zeker, dat ik mij uwer nimmer zal behoeven te +schamen. Doch," vervolgde hij, geen misbruik willende maken van Joans +grootmoedige opwelling: "waarom zoudt gij ons nu verlaten? Kunt gij +niet blijven, tot gij ouder van jaren zijt en een keuze doen kunt: +of zoudt gij ook willen studeeren?.... zeg openhartig uw zin." + +"Vergeef mij, vader! onder mijn valschen naam kan noch wil ik langer +hier blijven: ik heb reeds lang genoeg rechten uitgeoefend, die mij +niet toekomen, en mijn gevoel zou er tegen aandruischen om langer +de Jonker van Sonheuvel genaamd te worden. En om als een gevonden +kind, als een basterd, hier of te Leiden bekend te zijn, daartoe, +vergeef het mij vader! ben ik te eergierig; misschien is dat dwaas +van mij, en zal ik met de jaren mijn hoogmoed leeren onderdrukken; +doch nu kan ik het denkbeeld niet verdragen, dat ik, die in geheel +de omstreek altijd als de erfgenaam van Sonheuvel heb doorgegaan, +opeens door den kleinsten boerenjongen met den vinger zou worden +nagewezen. Ik moet onder een vreemden naam een vreemd land opzoeken, +en dáár mijn bevordering aan mijzelven dank weten." + +"De Dominee en Bouke hebben u recht beoordeeld, mijn zoon!" zeide +de Baron: "ik zal over uwen voorslag nadenken; staken wij thans +dit gesprek en laten wij ons niet als kinderen aan onze droefheid +overgeven. De etensbel roept ons aan tafel. Kom! geef mij uw arm en +verzetten wij ons leed met een goed stuk reevleesch en een roemer +wijn." + +Den volgenden morgen was Bouke in de diergaarde zijn gewoon werk +gaan verrichten: reeds had hij aan de valken hun dagelijksch rantsoen +toebedeeld en begaf zich naar de fazanten, die al klokkende naar hem +toe kwamen om het brood op te pikken, dat hij uit zijn voorschoot +schudde, toen Ulrica de omheining intrad, om, zooals zij dagelijks +deed, deze verrichting met hem te deelen. Het meisje scheen geweend +te hebben: althans haar oogen waren rood en haar lief rond gezichtje +stond treurig. + +"Helaas!" dacht Bouke, "men moet huilen met de wolven: die met pek +omgaat wordt beklad: het arme kind schreit zeker uit gezelschap +mee. Goemorgen Freule!" vervolgde hij overluid: "komt ge het jonge +goedje eens bezien? Zie eens welk een honger die stomme dieren +hebben! kijk hoe zij pikken: wacht! daar komen de _Joanna_ en _Ulrica_ +aan: die zullen ook wel wat lusten."--_Joanna_ en _Ulrica_ waren +twee kalkoentjes, die, alleen van een groot broedsel overgebleven, +dat de prooi van een vos geworden was, door de twee kinderen aldus +naar hun namen genoemd waren. + +"Ach Bouke! geef mij uw mandje en laat ik die voeren," zeide Ulrica. + +"Zeer gaarne!" zeide Bouke. "Maar wat zie ik," vervolgde hij. nadat +hij het mandje aan het meisje overhandigd had, "gij geeft alles aan die +schrokster van een _Joanna_, en uw naamgenootje krijgt bijna niets." + +Weenend verbeterde Ulrica haar ongelijke toebedeeling, gaf het +mandje aan Bouke terug en bedekte haar gezicht met een tip van haar +voorschoot. + +"Hoe heb ik het met u, Freule?" vroeg Bouke: "schort er wat aan? Is +UEd. niet recht fiksch?" + +"'t Is niets Bouke! ik dacht om dat kalkoentje, en...." hier begon +zij weder te schreien. + +"Welnu! dat kalkoentje wordt dik en vet, en ik zie geen reden om zoo +bedroefd daarover te wezen." + +"Ja maar, ik huil, omdat het Joans kalkoentje is en dat hij zich zulk +een pret voorstelde, het eens groot te zien, en dat hij het nu niet +zien zal als het groot is." + +"O wee!" dacht Bouke: "Zij weet ook al van den moord af.--En waarom +niet?" vroeg hij overluid. + +"Vader heeft mij gezegd, dat Joan een reis zal gaan doen: en vader +en Joan zijn er bedroefd om: en ik ben ook zoo bedroefd: want wie +zal nu met hem spelen en hem oppassen als hij ziek wordt en hem +gezelschap houden!" + +"Ja!" zeide Bouke "dat weet ik niet. Mijnheer wenschte wel, dat ik +met hem ging, maar dat gaat op mijn jaren zoo gemakkelijk niet meer." + +Staroogend zag Ulrica hem aan, greep zijn breede hand tusschen +haar kleine poezele handjes en sprak: "En waarom zoudt gij het niet +doen? Ei toch, Bouke! gij moest meegaan: dan zal ik veel geruster +wezen, en vader ook, dat verzeker ik u." + +"Gij zijt een kleine vleister, Freule Ulrica!" zeide Bouke: "maar +denk eens, of een oude sagrijn zou voegen bij een jongen bloed als +Joan? dat ware immers lood bij kwikzilver: de uil is nog niet wijs +genoeg om een hond zijn biecht te hooren. Doch, wat zei de Jonker er +wel van? van zijn reis meen ik." + +"Ja, ik vroeg hem waarom hij toch van hier moest? en toen schreide +hij en zeide: "lieve Ulrica! dat kan nu niet anders," en zoende en +streelde mij:--en anders zeide hij niets." + +"Hm! hm!" dacht Bouke: "dan is 't misschien zoo kwaad niet. dat hij +van hier gaat: want vuur en stroo dient niet alzoo, en de oude Heer +zou misschien ongaarne zien...." + +"Wat praat gij toch in u zelven, Bouke?--Denkt gij er over na of +gij met Joan mede zult gaan of niet? Och! doe het toch, ik zal u ook +liefhebben: en dan kunt gij hem helpen onthouden op toch dikwijls te +schrijven: want als ik niets van hem hoor, ga ik vast en zeker dood." + +"Nu Freule, wij zullen zien! Ik wil er wel over denken, maar...." + +"Geen _maren_, Bouke! gij moet het vast doen; ik laat u niet los, +voordat gij het mij beloofd hebt." + +"Wie weet of hij wel eens vertrekt," zeide Bouke, en haar zachtjes van +zich afzettende, ging hij slotwaarts. Aan de brug stond Joan en naast +hem Veltman, die aanstonds op Bouke aansnelde en vroolijk blaffende +tegen hem opsprong. "Terug! marsch!" zeide Bouke op een verdrietigen +toon: "ik heb vandaag geen spelenstrek." + +"Waarom zijt gij boos op mijn hond?" vroeg Joan, naderende: "ik dacht +dat gij beste maats waart." + +"Dat zijn wij ook," zeide Bouke: "maar sinds gisteren is mij alles +onaangenaam en ik heb nergens trek in: evenwel zoo het u leed doet, +dat ik Veltman niet vriendelijk behandelde, wil ik het goede dier +wel om verschooning vragen en den ganschen dag met hem spelen." + +"Dat behoeft niet, Bouke! gij zult genoeg tijd daartoe hebben als ik +weg ben." + +"Is het dan vast besloten, Jonker? Denkt gij stellig van hier te gaan?" + +"Oordeel zelf, Bouke! of het mijn plicht niet is?" + +Bouke zweeg en streelde zuchtend de lange haren van den jachthond. + +"Arm dier!" hervatte Joan: "van morgen had hij geen lucht, maar +liep gestadig aan mijn zijde, als had hij een voorgevoel, dat ik hem +verlaten moest." + +"En waarom neemt gij hem niet mede? Er valt overal in de wereld +te jagen." + +"Wat zou ik meenemen?" vroeg Joan: "heb ik iets, dat ik het mijne +noemen kan?" + +"Kom kom! Jonker. Veltman is uw eigendom. De Baron had hem u al beloofd +eer hij geboren was, en gij hebt de eer, er een goeden jachthond van +gemaakt te hebben. Ik althans zou er mijn leven geen beteren begeeren." + +"Nu Bouke: bewaar hem dan als een aandenken van mij; doch gij moet +hem wel behandelen." + +"Is het u ernst, Jonker!" zeide Bouke, wien de tranen in de oogen +schoten: "men mag zijn hemd niet weggeven als men van zijn rok niet +zeker is, zegt het spreekwoord." + +"Ik zal u een beter spreekwoord leeren," zeide Joan: "die geeft van +wat hij heeft is waard dat hij leeft." + +"Maar bedenk toch, Jonker! die hond is veertig kronen waard, als gij +hem verkoopen wilt." + +"Des te meer eer zal hij u doen, Bouke! doch gij moet om mij denken +als gij met hem jaagt." + +Nu kon Bouke het niet langer uithouden: "neen Jonker," riep hij: +"ik wil den hond niet hebben en ik wil niet met hem jagen! ik ga met +u waarheen gij trekt: nu mag ik het u zeggen: ik kan u niet verlaten." + +"O dat is goed!" riep Ulrica, die inmiddels genaderd was: "dat is +goed! daarvoor moet ik u kussen. Wacht! dat loop ik gauw aan vader +vertellen." En zij snelde het slot in. Met warmte drukte Joan +Bouke de handen, hem zijn erkentenis over zijn hartelijk aanbod +betuigende. Echter stelde hij hem eenige zwarigheden voor, hem +vragende of hij die wel overwogen had; doch Bouke, die, nu eens het +ijs gebroken was, hoe langer hoe meer smaak in het reisplan kreeg, +versterkte zich met al de gronden, die hem de Baron had voorgelegd +om hem over te halen, en die hij eerst zoo krachtig bestreden had, +terwijl hij aan diezelfde gronden thans door het aanwenden van +toepasselijke spreekwoorden een dubbel gewicht bijzette. + +Onder een drok gesprek traden zij het slot binnen. In de ondergang +ontmoette hen de oude Frans, die van den Baron kwam, en hun verzocht +dadelijk binnen te gaan, vermits Zijn Edelheid hen spreken moest. + +"Wij komen al," zeide Joan: "wacht ik zal even Veltman gaan +vastleggen." + +"Heden neen!" zeide Bouke: "Veltman moet medegaan en aan Mijnheer +vertellen, dat hij de oorzaak is dat ik met u op reis ga." + +"Dunkt u dat, Bouke?" zeide Joan, lachende: "welnu dan Veltman! de +trap op!" + +Onbesuisd snelde de hond naar boven en liep de oude Geertrui, die +hem tegen kwam, bijna omver. + +"Help! Bouke! help!" riep deze: "de hond is los!" + +"Welnu! wat is daaraan verbeurd?" vroegen Joan en Bouke, de trap +opkomende. + +"Wat daaraan verbeurd is? Wel! dat het stinkende beest met zijn vuile +pooten tegen mijn schoone bouwen is opgesprongen: is dat manier van +doen? waarom ligt het niet aan den ketting, zoo als Diaan en Juno en de +Hemel weet hoe die heidensche dieren meer heeten. Ja! dat zou bij het +leven van Mevrouw zaliger niet gebeurd zijn. Toen mocht geen hond...." + +"Knor maar niet, Geert," zeide Bouke: "gij zult heel spoedig van den +hond ontslagen wezen." + +"Ja! alsof er niet een ander in de plaats zou komen?.... En jij hadt +ook je voeten wel mogen vegen, Bouke! eer je de marmeren trappen +bevuilde." + +"Erm daar ook maar niet over! binnen veertien dagen ben ik op reis +en weg." + +"Op reis? en waarheen dat?" + +"Met den Jonker, naar Amerika, naar Turkije of de Noordpool; weet ik +het? waar maar te vechten valt." + +"Is het gekscheren?" vroeg Geert, bleek wordende. + +"In allen ernst meent hij het," hervatte Joan: "maar ik beloof je +een goede welkomthuis als ik weerkom." + +"Ik ook," zeide Bouke: "ik zal je een knipje meebrengen of een gouden +slootje: dat kunt ge altijd voor uw mond doen, als je 't niet beter +gebruiken kunt." + +"Och kom! loop heen met je gekheid! Alsof ik een babbelkous ware!--Maar +toch: dat moet ik aan de vrouw van Dominee eens gaan vertellen, +dat jijlui reizen gaat." + +"Zou het slootje nu niet goed te pas komen?" vroeg Bouke: "dadelijk +weer oververtellen; maar 't zal oele zijn. Dominee en zijn vrouw en +'t gansche dorp weten het al." + +"Weten het al! En ik niet?" hernam de oude vrouw, hoogstens gebelgd: +"en ik niet, aan wie Mevrouw zaliger al haar vertrouwen schonk: ik, +die altijd de nieuwtjes wist, zelfs vóór Mijnheer." + +"Ja! als jij thuis waart en Mijnheer in 't leger, dan wist jij de +nieuwtjes van de binnenplaats en de bierhuizen 't eerst; doch praat +maar niet te veel van het vertrouwen, dat men u schonk: vooral niet," +fluisterde Bouke, haar op den schouder kloppende, "als er een jonge +knaap met gouden lussen in 't spel komt. Een goed verstaander heeft +aan een half woord genoeg, nietwaar?--Nu, tot weerziens Geert!" + +Geertrui zuchtte, maar antwoordde op deze schampere aanmerking niet. + +Nu traden Joan, Bouke en Veltman de eetzaal binnen, waar de Baron +naast een helderbrandend vuur onder den breeden schoorsteenmantel +nederzat. Voor hem stonden twee flesschen Rijnschen wijn met de noodige +roemers op tafel. Ulrica zat op een der vensterbanken te borduren +en zag Bouke bij zijn binnenkomen met kinderlijke erkentenis aan: +de Baron liep naar zijn dienaar toe, schudde hem met hartelijkheid +de hand en zeide: + +"Dat was zooals ik het van u verwachtte, Bouke! nu een vollen roemer +op uw voorspoedige reis geledigd." + +Dit gezegd en gedaan zijnde, plaatste de Baron zich weder in zijn +armstoel en gaf nu zijn meening te kennen, dat, nu men het over +de groote zaak toch eens was, het van belang ware, spoedig te +beslissen onder welk legerhoofd Joan zijn krijgskundige opvoeding +zoude erlangen. "Er waren er geen," zeide Reede, "die op éénen +dag met Zijn Hoogheid of met Broos Spinola te noemen waren: doch +deze of gene zijner Haagsche vrienden zou hem wel een goeden raad +geven. Intusschen," vervolgde hij, "een aanstaand krijgsman moet zich +een rusting aanschaffen: daartoe is geld benoodigd. Ziedaar!" Hier +wierp hij een beurs met pistoletten wel voorzien op de tafel. + +"Maar vader!" zeide Joan: "al dat geld zal ik u immers nooit terug +kunnen geven." + +"Wie drommel spreekt er van teruggeven? Ik schenk het u, en het zal +er niet bij blijven. Denk dat Ulrica in de kamer is," voegde de Baron +er zachtjes bij. + +"Palm maar in, Jonker!" zeide Bouke: "met ijle handen is 't kwaad +haviken lokken: en 't is zwaar kammen waar geen haar is. De ruimte +schaadt nooit, al is 't maar in geld." + +"Ik zou het veel liever eerst verdiend hebben," antwoordde Joan, +de beurs langzaam opstekende. + +In dit oogenblik werd de Predikant, die door Reede ontboden was, +aangediend: hij trad binnen met een gelaat, dat zoo treurig en strak +stond, als had hij de mis in zijn kerk hooren lezen: hij boog, zonder +een trek van zijn aangezicht te verroeren, voor den Baron, knikte +even stemmig Joan en de Freule toe en zette zich onder het loozen +van diepe zuchten in den stoel neder, welken Bouke hem bijschoof. + +"Ik heb u laten ontbieden, Dominee!" zeide de Baron, "om u een tijding +mede te deelen, die uw belangstelling wekken zal. Het besluit is +genomen! de kogel is door de kerk." + +"Is het waarlijk zooverre gekomen?" vroeg Raesfelt, angstig rondziende: +vervolgens trok hij de voeten onder den stoel bijeen, legde de platte +handen op de ver van één verwijderde knieën en keek strak voor zich, +het hoofd langzaam schuddende. + +"Ja 't is er door!" hervatte de Baron: "'t zal zeker in den beginne +oorzaak tot vele droefenis geven; doch beter een mannelijk besluit +dan in 't geheel geen." + +"Jawel zal het droefenis geven," antwoordde Raesfelt, zonder van +houding te veranderen: "droefenis bij allen, die voor de waarheid +streden. Ik had het al gevreesd: sinds onze brave Prins (God zegene +Zijn Hoogheid) aan die listige hofslang, dien Uittenbogaert, zijn +vertrouwen ontzeide, heeft al wat der goede zaak vijandig is, zich tot +Sint-Jan [34] gewend, en van dien tijd af is hun invloed al hooger +en hooger gestegen: vooral nadat hun vice-patroon, Huig de Groot, +Sint-Jans handlanger, zich aan het hoofd der Rotterdamsche inquisitie +gesteld heeft." + +"Maar voor Sint-Felten, Dominee!" barstte Reede uit, nadat hij een +geruimen tijd den Predikant en al de aanwezigen met verbazing had +aangekeken, en eindelijk in een schaterend gelach was uitgebarsten: +"wat brust ons Sint-Jan of de Inquisitie? waar dolen uw zinnen, +man? Is het weer de eigenste malerij van eergisteren, die u in den +bol zit? En begrijpt gij niet, waarom ik u heb doen roepen?" + +"Ik dacht," zeide Raesfelt eenigszins verlegen, "dat UEd. mij verhalen +wilde, dat er reeds antwoord van de Staten van Holland gekomen +is op het laatste vertoog Hugonis Grotii, hetwelk al de vorige in +onbeschaamdheid en listigheid voorbijstreeft, ja zelfs nog erger is +dan het boekske, hetwelk hij getiteld heeft: "de godsdienstigheid +der Staten van Holland en West-Friesland," en 't welk gericht is +tegen mijn vriend en medearbeider in 's Heeren wijngaard, den door +en door geleerden Sibrandum Lubbertum, _Franekero s. s. Theologiae +antecessorem_, welke gemelde Sibrandus Lubbertus echter, in een +voortreffelijk werkje, ten titel voerende...." + +"Neen Dominee, honderdmaal neen! Denkt gij dat wij u zouden laten +roepen, om u kerknieuws te vertellen? Als ik dat weten wil, kom ik +het bij u hooren." + +"Elk moet zijn eigen beesten weiden," merkte Bouke als in _parenthesi_ +aan. + +"Juist," hernam de Leeraar: "_navita de ventis, de tauris narrat +orator_; [35] doch ik luister aandachtig naar hetgeen ik van Ed. te +vernemen heb." + +"Mij dunkt, dat dit nogal klaar is: wat was het onderwerp van +ons laatste gesprek? waarover hebben wij dezen nacht gepeinsd en +nagedacht? wat is hier gaande?" + +"'t Is waar ook," zeide Raesfelt, zich langzaam opheffende en de +beenen voor zich uitstekende; "doch dat werkje Lubberti heeft mij alle +wereldsche zaken doen vergeten, om alleen te denken aan het dierbaar +belang onzer waarde en zwaar bedreigde Kerk; welk belang ook wel +hooger zijn moet dan al onze aardsche aangelegenheden, weshalve ik...." + +"Gij raakt weder van 't pad, Dominee! kort en goed, gij moet weten, +dat ik zoo spoedig mogelijk naar Den Haag ga, om met mijn vrienden +te raadplegen, waar ik dezen knaap zal laten dienen." + +"Dienen! en zoo ik vragen mag, met welke wapenen? religieuze, politieke +of militaire? + +"Dat zal Dominee spoedig begrijpen," viel Bouke in, "als Uw Weleer +waarde weet, dat de Jonker onder mijn protectie heengaat: want ik deug +tot weinig anders als tot een krijgsmakker; ofschoon ik zorgen zal, +dat de Jonker geen Arminiaansche begrippen....."' + +"Arminiaansche begrippen zijn nog niet in andere landen doorgedrongen, +Bouke!" zeide de Predikant; "doch men heeft er ketters van allerlei +aard; als daar zijn in Engeland de Bisschopsgezinden, in Hongarije de +Brandradisten, in Polen de Gentilisten, in Italië, Spanje en Frankrijk +de Papisten, en verder overal verspreid de Socinianen, Pelagianen, +Arianen, Macedonianen...." + +Hier viel Reede den Predikant in de rede en verzocht hem, eindelijk +eens te willen luisteren naar 't geen hij hem te vertellen had: +de Predikant verleende nu ten minste een schijnbare aandacht aan +zijn redenen, en de Baron droeg zijn voornemens ongestoord voor; +doch toen de Baron zijn reisplan naar Den Haag wederom vermeldde, +gaf de Predikant, die nu geheel bij de zaak was, hem zijn verlangen +te kennen, om mede van den tocht te zijn. Hij had onder de Haagsche +Predikanten verscheidene kennissen, die hij gaarne eens zien zou: hij +wenschte met een boekverkooper te spreken, over de uitgave van zijn +boekske over Psalm CXLIV. en ten derde verlangde hij de gelegenheid +waar te nemen om naar Leiden te gaan en aldaar te zien, hoe het met +zijn zoons geschapen stond. + +Dit verzoek werd door den Baron gretig toegestaan, en onder een +vroolijk onderhoud over het aanstaand reistochtje liep het middagmaal, +waar de Predikant bleef aanzitten, ten einde. + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + + Il dit fort posément ce dont on n'a que faire + Et court le grand galop quand il est à son fait. + + _Racine_, Les plaideurs. + + +De reis naar Den Haag liep ten genoegen van de belanghebbende partijen +af. De Baron verkreeg door middel van zijn vrienden, brieven van +aanbeveling voor den beroemden Krijgsoverste Bethlem Gabor, den +bevrijder van Transilvanië, wiens heldhaftige daden de aandacht van +Europa trokken en onderscheidene jongelingen van edelen huize uit +de Protestantsche landen uitlokten om onder zulk een wakker Overste +de oorlogskunst te leeren.--Raesfelt had het geluk, op den eersten +Zondagmorgen na zijn komst in Den Haag, een beurt in de Groote Kerk +te mogen waarnemen, welke hem zijn geleerde vriend Ds. Lamotius had +afgestaan: en bij die gelegenheid genoot de Leeraar van Sonheuvel +de zonderlinge eer, Prins Maurits zelf onder zijn toehoorders te +tellen. Van Den Haag keerde de Predikant over Leiden terug, bevond dat +zijn zoon Hendrik een onverbeterlijke, verstokte Arminiaan geworden +was, nam hem van de Hoogeschool af en bezorgde hem bij een koopman +in edelgesteenten te Amsterdam, ten einde aldaar de negotie te leeren. + +Zoodra de winter geweken was en de eerste lentedagen het reizen, vooral +naar een warmer luchtstreek, niet meer tot een lastige of moeilijke, +maar veeleer tot een aangename zaak gemaakt hadden, vertrokken onze +twee krijgsmakkers. Het afscheid was aandoenlijk, gelijk de lezer +beseffen zal, aan wiens verbeeldingskracht wij overlaten, zich voor +te stellen, hoe de Baron en Joan zich vruchteloos poogden goed te +houden, hoe Ulrica in tranen wegsmolt en duizend kussen aan haar +broeder medegaf, hoe Raesfelt en Geertrui een schat van zedenlessen +aan den jongen knaap schonken, hoe Bouke zich maar op een afstand +hield en nu en dan met den handschoen een traan uit de oogen wipte, +al mompelend in zich zelven: men scheurt geen oud papier en geen oude +vrienden vanéén zonder geluid te geven. + +De tocht der wapenbroeders was voorspoedig; de onderscheidene brieven, +welke Joan, zoo regelmatig als mogelijk was, aan zijn achtergebleven +vrienden schreef, en waarvan wij er tot ons leedwezen geen hebben +kunnen terugvinden, getuigden van zijn voortdurende gezondheid, van +zijn smaak in 't leven dat hij leidde, van zijn tevredenheid over +zijn overste en over zijn waarden krijgsmakker, van zijn gehechtheid +vooral en gestadig denken aan de opgezetenen van Sonheuvel. Dezen, +van hunnen kant, gevoelden diep het verlies van twee leden van het +huisgezin, die zooveel tot het genot der samenleving medegewerkt +hadden. Ulrica was in 't eerst als troosteloos: haar smart werd door +den tijd en het ontvangen van goede berichten wel eenigszins gelenigd; +doch met het vorderen der jaren groeide ook het besef van het eenige, +het ledige van haar toestand. + +De Baron verveelde zich doodelijk en wist met de lange dagen hoegenaamd +geen weg meer, sedert hij van het gezelschap, waaraan hij zoo gewoon +was geworden, verstoken was. Te voren, als de stem van Bouke hem uit +den slaap gewekt had, vond hij zijn kleederen, netjes naar zijn zin +opgeschuierd, op den armstoel naast zijn bed liggen; tegenwoordig +moest hij drie a vier keeren fluiten, eer hem zijn ochtendgewaad was +bovengebracht. Bouke wist altijd welken morgenwijn Mijnheer bij het +ontbijt nam: zijn nieuwe dienaar bracht hem altijd van het verkeerde +merk. Met Bouke praatte hij onder 't aankleeden en ontbijten over +vroegere heldenfeiten: zijn tegenwoordige dienaar wist op zijn best +een paar bekkesnijdershistorietjes.--Ging hij te voren wandelen, +bezocht hij zijn diergaarde, wilde hij visschen of jagen, altijd vond +hij alles naar behooren: de beesten gevoederd, de netten gemaasd, +de jachtsprieten gladgewreven:--thans moest hij een paar dagen vooraf +bepalen waar hij trek in zou hebben, anders waren de valken onklaar, +de netten gescheurd, de wapenen verroest. Bouke en Joan wisten overal +waar het wild lag, op welk veld de meeste hoenders gespeurd waren, +tegen welke boomen het hert zijn hoornen gewet had; zijn nieuwe +jachtgezellen waren der streek onkundig. Aan tafel strekten voorheen de +vroolijke scherts en vernuftige invallen van Joan tot een saus bij het +maal: thans was ook de geestige kout en het meer en meer belangrijk +onderhoud van Ulrica niet in staat den Baron uit zijn gemelijke, +verdrietige luim te krijgen. + +Het gevolg van dit alles was, dat Reede, om hetgeen hij verloren had +te vergoeden, nieuw gezelschap zocht en met verscheidene naburen, +meest onbesuisde drinkers en jagers, die hij te voren nauwelijks +zou hebben willen aanzien, en althans niet op zijn slot verzocht, +betrekkingen aanknoopte. Van toen werd het kasteel van Sonheuvel, +waar tot dien tijd altijd geschiktheid en orde hadden plaats gevonden, +niet zelden een tooneel van woeste brasserijen, die meermalen tot laat +in den nacht werden voortgezet, zoodat Reede veel van de hooge achting +verloor, die hij tot dien tijd bij alle fatsoenlijke en beschaafde +lieden genoten had. Dit was echter jammer, want, ofschoon hij nu +en dan de waarheid ondervond van de spreuk, dat kwaad gezelschap +dolen doet, en zich wel eens te verre aan drank te buiten ging, zoo +bleef hij echter zijn maatschappelijken zoowel als zijn vaderplicht +indachtig, en behield hij oordeel genoeg om de verstrooiingen, die +hij zich verschafte, verre beneden de onschuldiger genietingen van +vroeger tijden te stellen. Hij luisterde zelfs bereidwillig naar de +vermaningen, die de Predikant Raesfelt zich somtijds verplicht vond hem +in gemoede te maken, en antwoordde dan maar meteen: "Ja Dominee! maar +ik kan mijn leven toch niet moêrziel alleen doorbrengen. Als Bouke en +Joan maar weerom zijn, dan zal alles wel weer te recht komen." Wanneer +echter de oude Geert somtijds haar klaagliederen aanhief, en vroeg +wat Mevrouw zaliger wel gezegd zou hebben van het leven, dat nu op +het slot gevoerd werd, maakte hij zich driftig, en dreigde haar, +dat hij, zoo zij zich niet van aanmerkingen onthield, wel eens een +andere huishoudster zou kunnen nemen, die wat minder praats had. + +Intusschen zag hij duidelijk in, dat de levenswijze, welke Ulrica thans +leidde, weinig geschikt was om een aankomend meisje die genoegens te +verschaffen, welke haar leeftijd voegen, noch die kundigheden, welke +eener fatsoenlijke jonkvrouw betamen. Hij zelf bedankte er voor, om +nog op zijn leeftijd zich in de hofplaats te gaan nederzetten en aldaar +zeden en gewoonten aan te nemen, die hij lang verleerd was. Hij zag dus +om naar een gelegenheid om haar in staat te stellen meer overeenkomstig +haar stand en jaren te leven; en hierover begreep hij niemand beter +te kunnen raadplegen dan Mevrouw de Douairière L. G. van Nassau, aan +welke hij zich bij zijn reize naar Den Haag weder had doen voorstellen +(en bij die gelegenheid zijdelings naar Ludwig, haar page gevraagd, +doch vernomen had, dat deze met een gezantschap als klerk of schrijver +naar Engeland was vertrokken). De Gravin bood hem haar diensten aan +en verzocht Ulrica voorloopig eenigen tijd bij zich te hebben. Gaarne +voldeed de Baron aan dit verlangen, en nu verliet het lieve meisje +voor de eerste reize, en niet zonder hartkloppingen en angsten, +het stille, eenvoudige land voor de deftige, woelige, schitterende +hofplaats. Spoedig echter ontving Reede bericht van de Douairière, dat +het weinig moeite zou kosten, om aan Ulrica de laatste hand te leggen +en haar tot eene in allen deele volmaakte jonkvrouw te maken, daar de +natuur haar niet alleen wat vernuft, karakter en schoonheid betrof, +moederlijk bedeeld had, maar haar bovendien een zeker iets geschonken +had, hetwelk anderen niet dan na jaren oefening verkrijgen kunnen; een +zeker aangeboren gevoel, dat op zijn pas zwijgen en spreken doet, dat +over alle daden en gezegden een fijn waas van bevalligheid, van smaak, +van welvoeglijkheid weet te verspreiden, dat de houding gemakkelijk +en los zonder wildheid, zedig en bescheiden zonder stijfheid maakt: +een zeker iets, een _ick en weet niet wat_, hetgeen behaaglijk en +beminnelijk maakt en het eenige is dat ook nu nog, in onze eeuw van +gelijkheid, een kennelijk en onoverkomelijk onderscheid maakt tusschen +de wel_geboren_ en wel_opgevoede_ vrouw. + +In denzelfden brief meldde de Gravin aan den Heer van Sonheuvel, dat +zijn dochter reeds de keuze had, tusschen verscheidene partijen, +die zich opdeden, door haar schoonheid, door haar verstand of +door haar middelen uitgelokt. Geen echter dier minnaars had zich +nog durven verklaren, zoodat de Baron aan Ulrica bij voorraad +alleen voorzichtigheid behoefde aan te bevelen, schoon zij (de +Gravin) overtuigd was, dat het daaraan bij het jonge meisje niet +zou mangelen. Onder de _pretendenten_ noemde Mevrouw van Nassau +voornamelijk den Heer Mom, Ambtman van 't land tusschen Maas en Waal, +een welgezeten, bemiddeld ridder, van middelbare jaren en in groot +aanzien ten hove staande. + +Kort na de ontvangst van dezen brief, die den goeden Baron in +allerlei verlegenheden stortte, kwam er een onzer oude bekenden op +'t onverwachts op Sonheuvel aan. Deze was niemand anders dan de +strooper en kippendief Teun Wezer; _sed quantum mutatus ab illo_ +[36]. Het voorheen nederhangend haar was sierlijk opgekruld en +met een vederhoed bedekt: de boerenpij was tegen een fraai groen +lakensch buis verwisseld, vol koorden en lussen: hij droeg een +degen op zijde, had halve laarsjes aan, en reed op een fraai paard, +dat kostelijk was opgetoomd. Alleen het fonkelend oog van Klaartje, +Boukes nicht, herkende haar voormaligen vrijer: en het nieuwe gewaad, +waarin zij hem weder zag, strekte niet weinig om haar achting voor zijn +persoon te vermeerderen: ja zij werd grootsch op haar eigen doorzicht: +want reeds lang geleden, toen iedereen zeide, dat Teun Wezer voor de +galg opgroeide, had zij alleen staande gehouden, dat men hem onrecht +aandeed en dat hij in tegendeel zeer wel zou voortkomen. + +Hij werd dan nu ook niet weggejaagd, maar zeer vriendelijk ontvangen, +vooral toen men zijn boodschap vernam. Hij kwam dan van den Ambtman Mom +(in wiens dienst hij getreden was ten gevolge van, of na de boodschap, +die Ludwig hem aan dezen had gegeven) en verzocht voor zijn Heer de +eer van een bijzonder onderhoud met den heer Baron. + +De Baron haastte zich hiertoe zijn bereidwilligheid te kennen te geven, +en weldra verscheen de Ambtman bij hem en vroeg hem zonder veel omwegen +om de hand van zijn dochter. Zijn gesprek, zijn toon, zijn ronde en te +gelijk hoffelijke manieren behaagden den Heer van Sonheuvel evenzeer +als het voorstel dat hij deed, hetwelk ook vele schoone zijden had, +en zoover men gissen of nagaan kon, niet ééne slechte. Hij ontweek +echter, vooralsnog het geven van een stellig antwoord, zeide dat zijn +dochter nog te jong was om aan een huwelijk te denken, dat hij zelf +niets tegen den Ambtman had, maar zich integendeel door diens aanbod +vereerd vond, doch dat hij haar in geen geval buiten haar volkomene +toestemming zou uittrouwen. + +De Ambtman nam genoegen in dit antwoord: althans hij betuigde er geen +gunstiger te hebben kunnen verwachten; en dit was inderdaad waar. Hij +vertrok, verlof vragende om spoedig terug te komen, hetwelk hem +beleefdelijk werd toegestaan. Hiervan kwam echter vooreerst niets, +omdat hij wegens politieke aangelegenheden genoodzaakt werd een +geruimen tijd in Oost-Friesland door te brengen. + +Intusschen was de beminnelijke Ulrica bij haar vader teruggekomen; +beiden hadden reeds een geruimen tijd sterk naar elkander verlangd en +waren recht verheugd en gelukkig van zich weder te zamen te vinden. Hun +blijdschap was niet weinig vermeerderd, toen eerlang onze beide +reizigers van hunne lange tochten in 't vaderland terugkwamen. Was het +afscheid aandoenlijk geweest, het wederzien was hartelijk en roerend, +echter minder dan men, uit hetgeen tot nog toe van de hoofdpersonen +dezer geschiedenis verhaald is, zou kunnen opmaken. Er waren jaren +verloopen. Joan en Ulrica waren geen kinderen meer: de betrekking, +die tusschen hen bestaan had, en die nu ook Ulrica wist dat op een +valschen grond gesteund had, was verbroken. Ook de Baron, en dit +bemerkte zijn pleegzoon al spoedig, was dezelfde niet meer: hij was +nog altijd hartelijk, welmeenend en goed; doch hij had een zekere +ongedurigheid, een zekere kregelheid aangenomen, die hem te voren +minder eigen was. Hij scheen thans een al te groote gemeenzaamheid +tusschen de beide jonge lieden te schromen: hij bracht Joan veel op +groote partijen, gaf zelf feest op feest en liet Ulrica zoomin mogelijk +met haar gewezen broeder alléén. "Bouke!" zeide de jongeling meermalen +tegen zijn wapenbroeder: "de oude Heer is niet meer wat hij geweest +is. Gij moet hem vooral niet weer verlaten: er zal kunst noodig zijn om +hem weer tot de oude bedaardheid en gemakkelijkheid terug te brengen." + +Bouke was ook niet erg tevreden: eensdeels omdat hij zijn Heer +zoo veranderd zag sinds hij hem niet meer onder handen gehad had: +anderdeels omdat hij zich verveelde, daar de meeste bedieningen, +die hij te voren vervulde, op anderen waren overgegaan en ten derde, +omdat Teun Wezer, (die nu een post van den Ambtman gekregen had) +zijn nicht Klaartje staande zijn afwezigheid getrouwd had. Hij begreep +echter, dat Joan gelijk had en, toen deze na verloop van eenigen tijd, +weder naar het leger, dat hij slechts als verlofganger verlaten had, +terugkeerde, bleef Bouke zijn ouden Heer gezelschap houden. + +Wellicht zal de lezer zich te dezer plaatse verwonderen, dat +ik, die in de laatste hoofdstukken met een langzamen tred ben +voortgegaan, en schijnbaar min belangrijke gebeurtenissen tot in de +kleinste bijzonderheden toe verhaald heb, over voorvallen van meer +aangelegenheden, als b. v. de vrijage van den Heer Mom en de terugkomst +van Joan, zoo los heenloop: ja vreeze ik dat men de woorden, die ik als +motto voor dit hoofdstuk gebruikt heb, op mij zal toepassen, en mij +teffens de reden van mijn vreemd gedrag te dezen opzichte vragen. Ik +zal antwoorden, dat het, in 't algemeen, niet van een schrijver afhangt +lang of kort te zijn naar behooren: dat een schijnbaar min geschikt +onderwerp hem een wijdloopige behandeling noodzakelijk maken zal: +terwijl hij zich buiten staat zal bevinden, de gewichtigste zaken +en de belangrijkste stoffe met gepaste woorden uiteen te zetten en +in de noodige orde te verhalen:--terwijl ik tevens zal aanmerken, +dat hetgeen ik hier heb overgeslagen, alleen is geschied om niet +genoodzaakt te worden van tweemalen hetzelfde te zeggen, vermits +het in het vervolg dezer geschiedenis te zijner gelegenheid, nader +opgehaald zal worden. Wij zullen dus de jaren, die er verliepen tot +aan den tijd, waarop wij den draad van het verhaal weder opvatten, +om dien onafgebroken tot aan het slot vast te houden, zonder verdere +beschouwing overslaan, alleen verzoekende, dat de lezer, tot beter +verstand van het vervolg, met ons een oog gelieve te slaan op den +staat der Nederlanden, tegen het einde van het twaalfjarig Bestand. + +Prins Maurits had, sedert dat de zege der zich rechtzinnig noemende +Kerk op de Remonstranten beslist was, het zenith zijner macht +en grootheid bereikt. Zijn diepe ervarenis, zijn onverzettelijke +vastheid, zijn nooit verkloekt beleid en zijn onvergelijkbare kunde +als legerhoofd, hadden hem voorlang de schrik zijner vijanden, de roem +der zijnen, het wonder van Europa en de spiegel aller krijgslieden +doen worden. Misschien had men hem als staatsman niet minder groot +geacht, ware niet Willem de Eerste zijn vader geweest. Dan ondanks de +vergelijking, die men zich somtijds gedrongen gevoelde ten voordeele +des laatsten te maken, gaf de invloed, welken de aanwassende rijkdom +en macht der Vereenigde Gewesten op den politieken toestand van +Europa verkregen, aan Maurits eene ruime gelegenheid om te toonen, +hoe hoog een rang hij ook ten dezen opzichte bekleedde. En, was tot +voor weinige jaren het pad, dat zijn staatkunde hem voorschreef, +oneffen gemaakt door de hinderpalen, die hem de bekwame, doch +onbuigzame Oldenbarneveldt had in den weg gelegd, de val van dezen +en zijn aanhang had den Stadhouder in zijn bestiering over de Zeven +Gewesten een bijna onbepaald gezag gelaten. Het behoort niet tot onze +taak, over de maatregelen, door hem gebezigd tot bereiking van dat +gezag, eenig oordeel te vellen. Wij moeten echter aanmerken, en het +zal uit het vervolg dezer geschiedenis blijken, dat de triomfeerende +Contra-Remonstranten de terging en onderdrukking, welke zij te voren +ondervonden hadden, op een geduchte en zeker weinig Christelijke wijze +aan hun tegenpartij betaald zetteden. Door het geheele grondgebied der +Nederlanden was al, wat maar Remonstrantsch scheen, aan de hardste en +grievendste behandelingen onderworpen. De hoofden der onderliggende +partij waren gebannen, gevangengezet of in zware boeten beslagen: +de kerkedienaren afgezet en tot armoede gebracht, de leeken uit alle +posten en bedieningen gestooten. + +Niet vreemd was het dus, dat velen hunner, door deze vervolging +verbitterd en in hun begrippen versterkt, zich tegen de in hun oog +onrechtmatige overheden niet zelden poogden te verzetten, en alle, +ook de minst geoorloofde middelen bij de hand namen om hun verdrukte, +doch talrijke medebroeders aan te zetten tot afschudding van het juk +der synodale dwingelandij; ja zelfs het goud van Spanje en Frankrijk en +de hulp der Roomschgezinden tot schraging hunner oogmerken verzochten. + +Het bestand met Spanje stond ondertusschen te eindigen, en, hoe wel +die Mogendheid de hoop had verloren, om de Nederlanden te runnen +aanvallen op een tijdstip, dat de beide partijen nog even machtig +en ongeneigd tot vereeniging waren, bleef zij echter het vuur +van tweedracht en muiterij aanstoken en liet zij niet na, al wat +bedektelijk Remonstrantschgezind bleef, door beloften en geschenken +uit te lokken om zich tegen des Prinsen bestier te verzetten. Gelukkig +echter voor Nederland en tot eer der natie waren er slechts weinigen, +zelfs onder de verdrukte partij, die aan de uitlokselen gehoor +verleenden en den naam van landverraders verdienden. + +Wij laten na deze korte beschouwing aan den lezer over te beslissen, +tot welke klasse de beide nieuwe sprekers behoorden, welke wij met +den aanvang van het volgende hoofdstuk ten tooneele voeren. + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + + Der papen kist is leegh. + Sijn krijgs-volck blijft verswackt: sijn wissel achterweegh. + + Terwijl was Spinola om gelt belaân te hoof: + Hy leende hier op borgh en daar op goet geloof. + + _Vondel_. + + +Buiten het bevallig gelegen Tiel strekt zich, langs den oever van +de sombere Waal, een vroolijk bosschage uit, dat onderscheidene, +alle zeer schilderachtige uitzichten oplevert. Het genieten der +aangename natuur scheen echter de drijfveer niet te wezen, welke de +twee personen, die het bezochten op den fraaien Meiavond, waarmede wij +onze geschiedenis hervatten, derwaarts gelokt had. Noch de lentezang +van het kwinkeleerend gevogelte, noch het bekoorlijk schouwspel der +lieflijk bloeiende boomgaarden, noch zelfs de majestueuze vloed, die +zijn wateren voortrolde aan den voet van den zwaren dijk, waarover het +boschje zich uitstrekte, schenen hun aandacht bezig te houden. Van de +bank, op welke zij onder het lommer eener zware linde gezeten waren, +staroogden zij onophoudelijk op een veerschuit, die tegen wind en +stroom van de overzijde langzaam aan kwam stevenen. + +"Ik weet niet," zeide de een, "of het door de spiegeling der zon in +'t water komt of door den verren afstand, of dat mijn oogen er schuld +aan hebben; maar ik kan nog niemand van de opvarenden herkennen." + +Die deze woorden sprak was een man van middelbare jaren, gezet van +gelaat en lichaam, hoog van rug en met grijsachtig haar en baard. Hij +droeg een nieuw zijden manteltje over een jachtgewaad, waarvan de +oorspronkelijk groene kleur verschoten en de eens gouden passementen +zwart geworden waren. Zijn metgezel was kleiner doch netter van +postuur en eenvoudig, doch sierlijk in 't zwart gekleed. Zijn geestige +oogopslag, de bevallige en wakkere levendigheid zijner bewegingen, +en de zorg, waarmede haar en baard gekamd en gebalsemd waren, gaven +hem een nog jeugdig voorkomen; doch eenige rimpels, die zich aan de +slapen van het hoofd vertoonden, deden bij den opmerkzamen beschouwer +het vermoeden ontstaan, dat de Ambtman van 't Land tusschen Maas en +Waal (deze was het) zijn eerste jeugd had zien voorbijgaan. + +"Het is zeker onaangenaam," zeide hij, "te moeten wachten, wanneer +men zooals wij, in pijnlijke onzekerheid den tijd doorbrengt." + +"Kom! kom!" hernam degene die eerst gesproken had: "zoo gij den moed +laat zakken, weet ik niet wat UEd. dienstwillige dienaar wel doen zal; +want ik ben er toch in allen gevalle de ergste aan toe." + +"Den moed zult gij althans nimmer verliezen, mijn waarde +Botbergen!" zeide Mom. + +"Neen," hervatte deze, "maar wat helpt deze, wanneer...." + +"Zoo meen ik het niet," viel hem de Ambtman in de rede:--"men kan +niet verliezen wat men nooit gehad heeft." + +"_Was zum henker_!" riep Botbergen uit, de hand aan het gevest van +den degen slaande, "indien een ander dan Jakobus Mom mij zulk een +beleediging zeide." + +"Maar gelukkig voor u is het Jakobus Mom en geen ander," zeide deze: +"nu, kijk mij maar zoo grimmig niet aan; gij weet immers, dat uw +fratsen bij mij geen opgeld doen. Zeg mij liever eens, waarom gij +begrijpt er erger aan toe te zijn dan ik." + +"Ei hoe dom, dat gij dat niet beseft. Jakobus Mom, over Maas en Waal +machtig en gezien, en die op trouwen staat met het schoonste en rijkste +meisje van den omtrek: die, zoo de aanslag lukt, misschien Stadhouder +van de geheele Provincie wordt, en zoo die mislukt, zich wel zal weten +te dekken, zou die een ongerustheid kunnen voeden, gelijk aan die +van Elbert van Botbergen, die zich in geval van een goeden uitslag, +met een schraal ambtje, misschien wel met een "God loone u" zal zien +betalen, en zoo de boel in de war loopt, een kop korter gemaakt wordt." + +"Dwaas!" zeide Mom: "juist daarom zou uw lot gunstiger staan dan het +mijne, omdat gij niets te verliezen hebt, terwijl ik veel op het spel +zet;--echter is het met mijn huwelijk nog lang zoo zeker niet; mijn +krediet is sedert eenigen tijd aanmerkelijk gedaald, en zoo er heden +geen geld van Grobbendonck komt, laat ik den aanslag varen;.... doch +zie eens toe, Elbert! heeft Teun Wezer niet twee vreemde passagiers +aan boord?" + +"Gij hebt scherper gezicht dan ik," antwoordde Botbergen: "mijn oog +is niet genoeg geoefend om op zulk een afstand inlanders van vreemden +te onderkennen." + +"'t Is waar, ik herinner mij gehoord te hebben, dat gij in den krijg +nooit een vijand zijt aangevallen, uit vrees van door misverstand +een vriend te deren." + +"Gij schijnt er heden smaak in te vinden om mij zotheden te zeggen," +antwoordde Botbergen, de borst opzettende: "doch ik denk er niet op +te antwoorden." + +"Niet? Gij waart anders altijd beroemd wegens uw vlugge +antwoorden.... met den mond namelijk.... Doch nu herken ik dien éénen +passagier: het is Gerard Preys, en die andere is Leendert Leendertz: +maar wie is die derde, die naast den veerman zit?" + +"Ja!" zeide Botbergen: "hoe wil men een vent herkennen, die een hoed +met breede randen draagt en in een mantel gebakerd zit? Kijk, daar +staat hij op. Wie duivel mag die lange spergie wezen. Hij lijkt wel +den koning uit het kegelspel. + +"Wij zullen nu ten minste vernemen hoe de vork in den steel zit," zeide +Mom, oprijzende. "Doch laten wij stadwaarts gaan en de aankomenden +verbeiden. Ik weet waarlijk niet, welke tijding ik liever had, dat +zij mij aanbrachten." + +"Foei!" zeide Botbergen: "zult ge achteruitkrabben, nu wij zooverre +gevorderd zijn? Doch ik gis de reden al: gij zult uw jonge vrouw geen +droefheid willen veroorzaken, door den vijand uit te noodigen om uw +wittebroodsdagen te helpen vieren." + +"Dat ware het minste," antwoordde Mom: "doch mijn huwelijk moet +voltrokken zijn, eer de vijandelijkheden beginnen; anders komt er, +gelijk vanzelf spreekt, niets van." + +"Dan zult ge u zeker moeten haasten." + +"Ja! en het ergste is, dat de Freule, gelijk ik uit alles bespeur, +een tegenzin in mij heeft opgevat, waarvan ik de oorzaak niet weet, +doch daarin meen te vinden, dat een zekere knaap, een frissche jongen, +die met haar is opgevoed, waarschijnlijk het hartje van dat bloemzoete +maagdeke met zich genomen heeft naar de Palts, waar hij zich, geloof +ik, thans bevindt." + +"Zoo! en hoelang is het wel geleden, dat zij den knaap gezien heeft?" + +"Dat zal nu ongeveer twee jaren zijn" antwoordde Mom: "hij is, meen +ik, in 19 van hier vertrokken." + +"Zoo! dan vat ik de kneep! en ik geloof inderdaad, dat een vergelijking +tusschen een frisschen speelmakker en een deftigen heer als de +Ambtman Mom, nooit gunstig uit kan vallen voor den laatste. Doch +misschien is het meisje wel van haar liefde te genezen! vooreerst, +wij hebben de afwezigheid van den minnaar in ons voordeel, en dat +zegt veel: en, dan in de tweede plaats.... hoe heet die knaap? ik +zal hem waarschijnlijk wel kennen; want ik heb een blauwen Maandag +onder dien Spotkoning Frederik gestreden." + +"De wapens gevoerd, meent gij; want gestreden, dat kan ik van u niet +gelooven.--Des jongelings ware naam is mij nog onbekend; want zoo ik +wel onderricht ben, is hij van Spaansche afkomst. Doch de Heer van +Sonheuvel heeft hem onder den naam van Joan van Craeihorst laten +inschrijven op de krijgsrollen, en ik geloof dat zijn oogmerk is, +hem dat landgoed, 't welk onder Sonheuvel ligt, bij zijn afsterven +te legateeren." + +"Joan van Craeihorst! o! dien heb ik zeer goed gekend, en waarlijk, +dan besef ik uw vrees: want het is een jongen als een kool.... wat +opvliegend en driftig; ik heb eens een hevigen twist met hem gehad; +want wij dienden onder één vaandel." + +"Zoo! dat zal dan misschien de reden geweest zijn, dat gij zoo spoedig +het leger verlaten hebt om uw haardsteden weder op te zoeken?" zeide +Mom, spottende. + +"Juist! ik had hem gewond, en zoo ik meende doodelijk: en om die +reden ontvlood ik de straf, op het tweegevecht gesteld; doch dat +blijft onder ons." + +"Natuurlijk!" zeide Mom: "ik zou u zelfs raden het voor u te houden, +eer men u in 't aangezicht logenstrafte!.... doch dat is om 't even: +gij hebt dus nog een oude veete tegen dien Jonker?" + +"Ongetwijfeld," antwoordde Botbergen: "en zoo ik hem kwaad kan doen, +zal ik het niet nalaten." + +"Voortreffelijk! dus zoude het voorvalletje, betreffende uw krakeel, +behendiglijk en op zijn plaats verhaald...." + +"Dat was net wat ik in de tweede plaats wilde aanvoeren," zeide +Botbergen: "een beetje kwaadsprekendheid en de belasterde wijd van +hier.... daarmede komen wij ver, geloof dat vrij." + +Onder dit gesprek hadden zij het boschje verlaten en waren, binnen +de stad, aan de deur eener burgerwoning gekomen, van welke zij het +woonhuis binnentraden. In den winkel bevond zich een bejaard man, +met een klein knipbrilletje op de punt van den neus, een grijze kalot +op het hoofd, een stemmig gelaat en een bijbeltje naast hem. Deze +man was een schrijnwerker, gelijk de meubelen, die hem omringden, +aanduidden. Hij was bezig met het afschaven van een kabinet, +welke bezigheid hij verlichtte door met een holle stem psalmen te +zingen. Toen de beide heeren binnenkwamen, lichtte hij den bril +af, zag hen even aan, zonder zijn werk noch zijn gezang te staken, +en wendde terstond weder zijn oogen op de nooteboom-houten plank, +die hij voor zich had. + +"Is de achterkamer ledig, Klaas Meinertz?"--was de vraag, welke hem +de Ambtman deed. + +De oude man knikte toestemmend, zonder op te zien. + +"En heeft men u gewaarschuwd, dat ik eenige kennissen spreken moet? En +weet ge het woord?" + +De schrijnwerker beantwoordde deze vragen op dezelfde wijze, zonder +zijn arbeid te staken. + +"Zou men niet zeggen," merkte Mom aan, zooras hij zich in het +achterkamertje met Botbergen alleen bevond: "dat diezelfde Klaas +Meinertz de botste, eenvoudigste ezel ware, dien men ooit gezien +had? En echter is er misschien niemand, die er zich beter op verstaat +een komplot aan den gang te houden. Het is nu zestien jaren dat hij +de Spanjaards als spion dient, en altijd ongemoeid en zonder ontdekt +te worden." + +"Dat geloof ik wel," zeide Botbergen: "daar de Ambtman van Maas en Waal +in 't geheim was, die hem ongestoord zijn weggetje gaan liet. Doch +men zal op dien Meinertz een wakend oog dienen te houden: hij dient +de Spaansche zijde, ja; doch alleen voor geld: en voor geld zou hij +die even gereedelijk verraden." + +"Men moet op hem evengoed letten als op Teun Wezer, op Daen Duyfs, +op Eyndhouts, ja--op u zelven, Elbert! Is niet die verbetering uwer +middelen het eenige doel, waarom gij den Staatschen afbreuk doen wilt?" + +"UEd. wordt al te scherp," zeide Botbergen: "indien, hetgeen gij zegt, +waar is, mocht gij wat meer zorg dragen, iemand, die, zooals ik, +u om hals kan brengen, door dergelijke aanmerkingen niet te kwetsen." + +Mom gevoelde de kracht van dit argument, en ten einde zijn vorige +uitvallen weder goed te maken, nam hij een vriendelijker toon aan. "Nu, +Elbert," zeide hij: "maak u niet boos. Wij hebben elkaar niet veel te +verwijten. Ik zelf, ik wil u gaarne bekennen, dat ik, zoo er kans voor +mij overbleef om mijn verwarde fortuin in den dienst mijns vaderlands +weder goed te maken, geen Spanjaards zou inroepen." + +Nauwelijks had hij deze woorden geëindigd, of de schrijnwerker trad +binnen en gaf op zijn gewone geheimzinnige wijze te kennen, dat er +iemand aan de deur was, die Zijn Edelheid wenschte te spreken. + +"Is hij van die wij verwachten?" vroeg Mom. + +"Hij weet het wachtwoord," antwoordde Meinertz, de schouders ophalende. + +"Dan zal het Preys wezen of Leendertz. Laat maar binnenkomen." + +De grijsaard vertrok: doch scheen niet terug te komen. + +"Wat dralen zij nu?" riep Mom, ongeduldig het vertrek op en neder +gaande. "Elbert! ga eens zien waar zij blijven."--Botbergen opende +de deur. + +"_Pax vobiscum_!" [37] zeide een lange zwarte gedaante, die juist +binnentrad. + +"Wie duivel?" riepen de beide edellieden, verbaasd terugtredende en +de hand aan hun degens slaande. + +"Eilaas! Sint-Jan is dood," zeide de onbekende, zacht. + +"Maar alle hoop nog niet ontvlood," antwoordde Mom op denzelfden +toon. "Dat is nu volkomen goed en wel; maar met wien spreken wij?" + +"Heb ik de eer den aanstaanden Stedehouder van Gelderland voor mij +te zien?" vroeg de vreemdeling, met eene nederige buiging. + +"Dat zal veel afhangen van de tijdingen, welke ik heden ontvang," +antwoordde de Ambtman: "kort en goed, wie zijt gij?" + +"Zijne Hoogheid de Prins Kardinaal zendt mij tot UEdele, om +over belangrijke onderwerpen met UEdele te spreken. Ik ben zijn +vertrouweling, zijn biechtheer." + +"Zijn Hoogheid doet ons veel eer aan," hervatte Mom: "neem plaats, +eerwaarde Pater, UEd. zal hoogstwaarschijnlijk vermoeid wezen van de +reis. Waarmede kan men u gerieven?--Meinertz!" + +"Meinertz is uitgegaan," zeide de biechtvader: "ik heb hem eenige +boodschappen gegeven; doch hij zal zoo straks terugkomen. Bekommer +u inmiddels niet over mij. _Panis meus est ut faciam voluntatem eius +qui me misit._" [38] + +"Ja maar!" zeide Mom, zich eenigszins verwonderd tot Botbergen +wendende: "als nu Preys en Leendertz komen...." + +"Die zullen vooreerst niet komen," hernam de geestelijke heer: "die +heb ik ook van de hand gezonden; Mijnheer van Botbergen zal wel zoo +goed zijn, beneden in het voorhuis te gaan zorgen, dat niemand het +gesprek kome storen, 't welk ik met Zijne Edelheid hebben moet." + +Verwonderd over den meesterachtigen toon, dien de vreemdeling zich +aanmatigde, zagen Botbergen en de Ambtman elkander besluiteloos aan. + +"Mij dunkt," zeide de laatste, na eenig stilzwijgen: "dat de Heer +van Botbergen wel hier zou kunnen blijven. Voor hem heb ik althans +geen geheimen...." + +"Maar ik wel," zeide de onbekende, "ik vertrouw nooit iemand, dan +dengene, wien ik door de omstandigheden genoodzaakt ben, dat vertrouwen +te moeten schenken; en, zoo ik de moeite neem, van Brussel te komen om +den Heer Mom alleen te spreken, dan kan deze, dunkt mij, de moeite op +zich nemen van te zorgen, dat ons gesprek ongestoord blijve. Met dit +al," (voegde hij er bij, daar Elbert nogal staan bleef) "ik kan den +Heer van Botbergen beloven, dat zoo mijn onderhandeling met den Heer +Mom naar wensch uitvalt, wij den uitslag onzer beraadslagingen aan +hem, zoowel als aan al de vrome dienaars zijner Katholieke Majesteit, +die zich hier bevinden, zoo spoedig mogelijk zullen bekend maken." + +"Nu ga dan, Botbergen!" zeide Mom, "en laat mij met den Eerwaarden +Pater alleen." + +Botbergen gehoorzaamde. "Waar blijft nu," dacht hij bij zich zelven: +"onze arme Ambtman? Hij dacht eerst de beleider van 't gansche spel +te wezen, en daar komt een Spaansche Monnik aanwaaien, die ons allen +naar zijn pijpen zal laten dansen." + +"Zal ik," zeide Mom, zoodra zijn handlanger het vertrek verlaten had: +"thans de redenen vernemen, Pater! welke mij de eer van uw bezoek +verschaffen?" + +"Mij dunkt," antwoordde de Monnik: "dat die nogal licht te raden +zijn. UEd. zond Preys en Leendertz aan Grobbendonck: deze, geen +volmacht hebbende om met hen te handelen, verwees hen tot den +Aartshertog: en daar Zijne Hoogheid zich zeer ongesteld gevoelde, +werd ik gelast, uw zendelingen te onderhouden. Uit hetgeen ik van hen +vernam, begreep ik, dat het voor de belangen van de goede zaak, zoowel +als voor de uwe, noodzakelijk was, dat ik zelf mij herwaarts begave: +en daarom ziet gij mij hier, gereed al uw bedenkingen of zwarigheden +op te lossen." + +"Ik heb u slechts ééne vraag te doen," zeide Mom, "brengt gij geld +mede?" + +"De kinderen der Heilige Kerk," antwoordde de biechtvader, zijn armen +deemoedig over de borst kruisende, "zijn niet gewoon, zich met de +schatten dezer wereld te beladen, gedachtig aan het voorschrift: +"_nolite possidere aurum neque argentum neque pecuniam in zonis +vestris_." [39] + +"Dan behoef ik u niet langer aan te hooren," zeide Mom, hem in drift +den rug toekeerende. + +"UEd. spot er mede," hervatte de vreemdeling: "maar...." + +"Vaarwel Pater! Goede reis naar Brussel! en mijn gebiedenis aan den +Aartshertog," zeide de Ambtman, willende heengaan. + +"Sta! gij dwaas!" zeide de Pater, hem met een forsche vuist +terughoudende: "gij zijt immers te ver gegaan om terug te +krabben. Welke andere keus is u gelaten, dan die tusschen het +Stedehouderschap in Gelderland en een schavot in Den Haag?" + +"Dreigt gij mij?" vroeg Mom, toornig: "keer tot hem, die u afzond, +of ik laat u als een staatsvijand opknoopen, eer het jaar een dag +ouder is." + +"Gaat dat hier zoo vlug in zijn werk?" vroeg de Monnik, lachende: +"dan beschaamt men waarlijk de vierschaar der Heilige Inquisitie. Kom, +kom, Heer Ambtman! tot zulke uitersten zal UEd. niet komen: er wordt +immers maar één woord van mij vereischt, en gij komt met mij op de +gerichtsplaats: wel is waar, ik word opgehangen, en UEd. onthoofd: +dat is niet meer dan billijk en een privilege, dat u rechtmatig +toekomt. En wat zal uw aanstaande bruid dan wel zeggen?" voegde hij +er bij, hem met een doordringenden, scherpen blik aanziende. + +"Er zijn geen bewijzen voorhanden van mijn voornemens," zeide Mom, +zich wrevelig nederzettende. + +"Niet?--En uw briefwisseling met Grobbendonck en Ludwig, welke +gedurende zoovele jaren volgehouden werd en waarvan ik al de materialen +kan aanwijzen. En de bekentenissen, welke de vrome Klaas Meinertz en +de eerlijke Teun Wezer en de achtenswaardige Elbert van Botbergen en +zooveel anderen meer, wanneer zulks door mij gerequireerd mocht worden, +buiten pijn en banden zouden afleggen? Telt gij die voor niets?--Al +ware het alleen het onderhoud, dat gij op dit oogenblik met mij voert, +en wel in een plaats, waar gij zelfs de gevaren niet van kent. Uw lot +is in mijn handen, edele Heer, en Pater Eugenio, van de Orde Jesu, +komt niet geheel uit Brussel herwaarts, om met de kous op 't hoofd +weder huiswaarts te keeren, of--'t geen nog erger zou wezen--om de +markt van Tiel uit de hoogte te bekijken." + +Deze woorden sprak de Jezuïet, wien mijn lezers reeds voorlang herkend +zullen hebben, op een langzamen, vasten toon, van tijd tot tijd +ophoudende en den edelman met een snellen blik aanziende, om gade +te slaan, welken indruk zijn redeneering op hem teweegbracht. De +Ambtman scheen door de meerdere zielskracht van den afgezondene +geheel verplet; zonder antwoord te geven bleef hij zitten en keek +ontevreden voor zich. De Jezuïet nam plaats aan zijn zijde, greep op +een vriendelijke wijze zijn hand, welke Mom noch gaf noch terugtrok, +en vervolgde in voege: + +"Kom, edele Heer! wees goedsmoeds! ik zie u nog liever verstoord en +opvliegend, gelijk zooeven, dan bedrukt en uit het veld geslagen, +zooals thans. Laten wij een dwazen twist--of hoe zal ik het noemen, +'t geen tusschen ons voorviel?--vergeten, en woorden van gezonden zin +tot elkander spreken. Zoude UEd., na zoolang voor Zijn Hoogloffelijke +Katholieke Majesteit geijverd te hebben, de goede zaak, zonder eenige +billijke reden, op eenmaal verlaten?" + +"Ik ben het niet, die haar verlaat," antwoordde Mom: "het zijn de +Aartshertog en Spinola, die mij laten zitten. Wat kan ik, al wilde +ik ook, zonder geld, ten dienste Zijner Majesteit uitrichten?" + +"Het zal hier geld en ambten regenen," zeide Eugenio, "als maar eerst +de zaak haar beslag heeft." + +"Ja, als wij het eerst aan Spanje brengen, zal Spanje er ons naderhand +mede beschenken," zeide Mom, met bitterheid: "Is het zoo niet? Ik weet +den toestand, waarin gij verkeert: uw krijgskas is uitgeput, Spinola +berooid en de geestelijke orden zijn, zooals altijd, niet scheutig." + +"Daar is misschien wat van aan," antwoordde de Jezuïet, altijd met +dezelfde koelbloedigheid; "doch weet ge wat de voornaamste reden is, +waarom men u thans geen geld zendt?--Men vertrouwt u maar half." + +Mom schoof zijn stoel een eind achteruit en zag den Jezuïet met een +oog van verbazing aan: "nu geloof ik, Pater!" zeide hij, "dat gij +voor de eerste maal in uw leven oprecht zijt." + +"Dat ben ik, want, gelijk de waardige Fonseca zeer juist aanmerkt: +men moet altijd oprecht zijn wanneer men geen belang bij een logen +heeft.--Zooals ik zeide, Don Ambrosio Spinola en Don Louis de Velasco, +twee ruwe en ronde krijgslieden, die van al wat de staatkunde betreft +hoegenaamd geen verstand hebben, mistrouwen u en denken, dat gij, +omdat gij de Staatschen misleidt, ook de Spaanschen zoudt kunnen +misleiden. Eenvoudiglijk daarom wil men u geen geld sturen." + +"En daarom eenvoudiglijk wil ik u ook niet helpen! Ik herhaal het: +zonder geld kan ik de eedgenooten niet tevreden stellen.... en +voorschotten doe ik niet." + +"UEd. heeft volmaakt gelijk," hernam de zoon van Lojola; "doch van +wat anders gesproken: mag ik UEd. dit geschrift ter hand stellen?" + +Bij het uiten dezer woorden haalde hij een perkament uit zijn boezem +en bood het den Ambtman aan, die het met een koele onverschilligheid +opende en doorlas. Het behelsde een aanstelling van Jacobus Mom +enz. tot Stedehouder van Gelderland in naam des Aartshertogen, en +was door Albertus onderteekend en met diens zegel bekrachtigd. + +"Welnu!" zeide de Jezuïet, "dit is meer dan een belofte, nietwaar?" + +"Het is nog veel minder," antwoordde Mom, droogjes: "de Aartshertog +verdeelt de berenhuid, voordat de beer dood is; hij wil niet eens +geld verschaffen tot den aankoop van wapens om het beest te vellen." + +"Wapens zullen u overvloedig verschaft worden," hervatte Eugenio: +"daarvoor sta ik u borg." + +"Maar bekwame medehelpers, waar ik op rekenen kan," vervolgde Mom: +"want alleen...." + +"Preys, Leendertz en Eyndhouts zijn door aanzienlijke toezeggingen van +geld en ambten bereid alles voor de goede zaak te wagen. Botbergen +hangt slechts van u af. Slatius, Groenhovius en hun Arminianen +zijn, uit wraakzucht en haat alleen, volkomen bereid zich bij ons +te voegen. De wederdoopers, die niet vechten mogen, hebben ons van +geldelijken onderstand verzekerd. De Kornetten van Grobbendonck +hebben last gekregen, om, dadelijk bij het einde van het Bestand, +vaardig te wezen tot de ondersteuning uwer pogingen. En," voegde hij +er zacht en langzaam bij, "Graaf Hendrik Frederik...." + +"Is toch niet op onze zijde?" vroeg de Ambtman, hem haastig in de +rede vallende. + +"Dat juist niet," antwoordde Eugenio met een spotachtigen glimlach: +"maar hij werkt ons volkomen in de hand. Door de gunst, welke hij +tot nog toe aan de verdrukte Remonstranten betoond heeft, door de +verkeerde wijze, waarop Ludwig, die hem met open oogen bedriegt, +hem de zaken beschouwen laat, door de verwijdering, die tusschen +hem en zijn broeder ontstaan is, zijn de oogen van alle misnoegden +in Holland op hem gevestigd. Maurits is van dit laatste bewust: en +het oogenblik is daar, dat broedertwist en binnenlandsche tweespalt, +de ontwerpen van Spanje in de hand werkende, ons in staat zullen +stellen over al de nog overig zijnde zwarigheden te zegevieren." + +"Gij leert mij veel en merkwaardig nieuws," zeide Mom; "doch gij +neemt mijn voorname zwarigheid niet volkomen weg. Hoe kan ik hier +mijn plannen tot rijpheid brengen, zonder...." + +"Daarom juist kom ik hier," hervatte Eugenio: "Ik, die vijf en +twintig jaren lang geen moeite, geen opofferingen heb ontzien, +om het heerlijk doel te bevorderen, dat ik eenmaal zwoer te zullen +bereiken: ik, die gedurende al dien tijd, met raad en daad, met pen +en zwaard, met goud en list, de goede zaak heb gediend: ik, die al +de hier ontbrande twisten heb gesticht, onderhouden of aangeblazen: +ik, zonder wien geen samenzweringen, aanslagen noch eedverbonden +zijn uitgedacht, verlevendigd of voortgezet: ik, die den arm wapende +van Panne en Micault, die den Graaf van Falckestein en zijn beide +kinderen om hals liet brengen, die Ludwig, ten dienste van Spanje, +in alle staatsgeheimen dringen deed, die waardgelders, predikanten en +aristocraten tot muiterij en tweedracht aanzette, die, in één woord +alles aanwendde, om dit land het onderstboven te keeren,--ik zal ook in +dit geval het door u zoo heerlijk aangegeven ontwerp besturen en tot +rijpheid brengen. Nog dezen nacht (want andere bezigheden vereischen +mij voor het einde van 't Bestand in 's-Bosch en in 's-Hage), nog +dezen nacht zal een aanzienlijk getal eedgenooten, door mij intijds +verwittigd en bijeengeroepen, in dit huis vergaderen. Hier zult +gij Spaanschgezinden, Roomschen, Arminianen, Menisten, ja orthodoxe +Protestanten bijeen zien. De middelen zullen hier beraamd worden om +tot ons doel te geraken: en van de uitvoering zal ik al de moeite, +gij al de eer hebben.--Ik heb gezegd! en thans staat het aan u te +beoordeelen, of gij u aan 't hoofd dier schaar plaatsen wilt, dan +of gij hen allen, maar ook u zelven nevens hen, aan het zwaard des +beuls ter prooi wilt geven." + +Meer overreed dan overtuigd door de woorden van den Jezuïet, begreep +de Ambtman niettemin, dat er wel niets anders voor hem opzat, +dat het voorstel aan te nemen. "In Gods naam," zeide hij, hem de +hand toereikende: "de teerling is geworpen, en ik geef mij aan uw +leiding over." + +"Gij doet wel," zeide Eugenio: "en uw keuze zal u niet +berouwen;--intusschen, wat ik vooreerst van u te vragen heb, +is dat gij ons gesprek geheim houdt: alleen Preys en Leendertz, +met wie ik herwaarts gekomen ben, benevens Botbergen, kennen mijn +betrekkingen: ook Klaas Meinertz: doch die is een oude kennis en het +kanaal, waardoor ik altijd kondschap ontving; voor de overigen ben +ik Van Dijk, inwoner van 's-Hertogenbosch, en...." + +Op dit oogenblik stoof Botbergen de kamer in. + +"Daar is de kamenier van de Freule van Sonheuvel," zeide hij, "die +den Heer Mom verlangt te spreken." + +"De kamenier van de Freule;" riep Mom verwonderd uit; "en hoe wist +zij dat ik hier was?" + +"Zij wist meer dan dat," antwoordde Botbergen: "want toen ik haar +vroeg, wat zij hier deed, antwoordde zij: de wind loopt zuidwest." + +"Daar schuilt verraad onder," riep Mom; "doch wij zullen dadelijk...." + +"Bedaar!" zeide de Jezuïet, hem terughoudende: "Magdalena is van +de onzen!" + +"Zij van de onzen?" herhaalde de Ambtman, verbaasd: "hoe langer hoe +vreemder! Ik bemerk wel, dat ik, schoon de hoofdaanlegger, niet meer +doe dan de kaarten te geven, die een ander geschud heeft." Hier zag +hij Eugenio veelbeduidend aan. + +"Nu, als zij van de onzen is," hervatte Botbergen: "moet zij dan maar +hier komen?" + +"Ongetwijfeld," zeide Mom: "zij heeft misschien een boodschap van +haar meesteres." + +"Die is althans niet van de onzen," zeide Elbert, meesmuilende: +"als zij maar de uwe wordt, dan zult gij wel tevreden zijn?" Dit +zeggende verliet hij het vertrek. + +Hij keerde na eenige oogenblikken terug met de kamenier der Freule +van Sonheuvel, een rijzige, deftig doch eenvoudig gekleede vrouw, +wier gelaat, hoe vervallen ook, bewees, dat zij in haar jeugd ongemeen +bevallig geweest moest zijn. Sedert de gebreken van een vergevorderden +leeftijd de oude Geertrui beletteden, haar bediening op het slot langer +waar te nemen, was Magdalena, door de voorspraak van Klaas Meinertz, +die den Baron van Sonheuvel onder zijn klanten telde, haar plaats op +het slot komen vervullen en had zij zich, door haar bekwaamheid in +'t bestieren van de huishouding en door haar geschikt en ordelijk +gedrag, de achting van den Baron en het vertrouwen zijner dochter +weten te verwerven. + +"Goeden morgen, Magdalena!" sprak Mom, zoodra zij binnentrad. "Gij +brengt, hoop ik, goede tijding. Is alles wel op het slot? uw +Heer?.... en de Freule?" + +"Beiden zijn in goeden welstand, mijnheer!" antwoordde de kamenier. "De +Freule heeft mij verlof gegeven om mijn oom Klaas Meinertz te komen +bezoeken, daar de hovenier juist naar Tiel moest om gereedschappen +te koopen: en de Heer Baron gelastte mij eens naar den welstand Uwer +Edelheid te gaan vernemen en meteen te vragen of UEd. ook genegen +zijt, morgen na den middag op het slot te komen. Er zal een groote +kegelpartij wezen." + +"Mijn onderdanige groete aan den waarden Heer Baron, en wees zoo goed +aan ZEd. te zeggen, dat er op Sonheuvel geen kegelpartij behoeft te +wezen, om mij daarheen te lokken. En," vervolgde hij, haar een stuk +goud aanbiedende, "vergeet ook vooral niet, lieve Magdalena! mij in +de gunst uwer engelachtige meesteresse aan te bevelen." + +"Ik dank u," zeide de kamenier: "de Baron van Sonheuvel alleen heeft +het recht, mijn diensten te betalen: aan anderen bewijs ik die zonder +loon." Dit zeggende wees zij het geld met een trotsche wending af, +doch op datzelfde oogenblik ontdekte zij den Jezuïet, die zich bij +haar komst achterwaarts begeven had, en gaf een gil. + +"Wat schort er aan? wat deert u?" riepen Mom en Botbergen, als uit +één mond. + +"Gij waart misschien niet van mijn tegenwoordigheid in deze woning +verwittigd?" vroeg Eugenio, vooruittredende. + +"Neen!" antwoordde Magdalena, met een onzekere stem: "mijn oom, wien +ik op straat ontmoette, had mij alleen gezegd, dat ik den Heer Mom +hier zou vinden en mij het wachtwoord gegeven, maar...." + +"Een wachtwoord!" viel de Ambtman in, die toch nieuwsgierig was, +in hoeverre de kamenier van Ulrica tot het eedgespan in betrekking +stond. "En hoe kondt gij op de gedachte komen, dat er een wachtwoord +noodig ware, om mij te spreken?" + +"Omdat ik u ken, Stedehouder van Gelderland!" antwoordde Magdalena, het +hoofd met fierheid oprichtende: "omdat uw bedoelingen en aanslagen mij +bekend zijn, en omdat ik overtuigd ben, dat de eerwaarde Pater Eugenio +zich aan geen gevaren zou blootstellen zonder de noodige voorzorgen +te hebben genomen. Vrees intusschen van mij niets," vervolgde zij, +de hand aan den van verbazing sprakeloozen Ambtman toereikende: "waar +ik kan en vermag, zal ik u tot een vriendin en helpster verstrekken, +en u allen, die voor onze Heilige Moederkerk goed en bloed in de +waagschaal stellen. Ik groet u, Mijneheeren! en u ook, Pater! gij +hebt mij waarschijnlijk geen bevelen te geven?" vroeg zij, dezen +laatste met een trotschen, eenigszins verachtelijken blik aanziende. + +"Magdalena!" zeide de Jezuïet, terwijl een waas van weemoed of +aandoening zijn gestrenge, gele gelaatstrekken overdekte: "moeten +wij, na een afwezigheid van vijf en twintig jaren...., doch, gij hebt +gelijk, het is hier de geschikte plaats niet...." + +"Vaarwel, Pater Eugenio!" herhaalde Magdalena en verliet het vertrek. + +"Joost haal mij, zoo ik er iets van begrijp," zeide Elbert, zooras +zij weg was. + +"Ik sta als versteend," zeide Mom: "zult gij ons ook van dit raadsel +de oplossing verkiezen te geven, Pater?" + +"Ik heet Van Dyk," zeide Eugenio koeltjes, "en ben een verjaagde +Remonstrant, die in Den Bosch woont; want, zoo mijn gezicht mij niet +bedriegt, zie ik aan het eind der straat Klaas Meinertz met twee +Arminianen komen." + +"Juist," zeide Botbergen, zich naast hem aan het raam begevende, +"dat zijn twee vreemdelingen, die in den _Gouden Ooievaar_ zoo straks +zijn gekomen, maar ik wist niet, dat het Arminianen waren." + +"Alles loopt naar wensch," hervatte de Jezuïet, en, Elbert zachtjes +naar zich toetrekkende, fluisterde hij hem in 't oor: "De Aartshertog +heeft u een compagnie toegezegd en tweehonderd guldens tot een +geschenk;.... maar blijf u thans maar beneden ophouden en zorg dat +Preys en Leendertz ons niet komen storen, terwijl wij met dit paar +ketters bezig zijn. Klaas Meindertz zal u wel wat Rijnschen wijn +schenken. De man heeft een goeden kelder." + +"Tot uw dienst Pater.... Van Dyk," zeide Botbergen en vertrok. "En +wat moet er nu gedaan worden?" vroeg Mom, die zich, maar half tevreden +en met blijkbare ongerustheid, in een stoel had nedergeworpen. + +"Laat mij maar begaan, Heer Stedehouder! en bevestig mijn gezegden. Wij +moeten thans twee hoofden der misnoegden tot onze zijde overhalen. Een +hunner zult gij, bij name althans, kennen. Hij is de zoon van den +Predikant te Sonheuvel.... Hendrik Raesfelt. + +"Ik heb van hem hooren spreken," zeide Mom; "maar zorg toch, mij niet +bloot te stellen aan de onaangename gevolgen, welke eene herkenning +zou kunnen hebben." + +"Hier zijn de twee heeren uit den Gouden Ooievaar," zeide Klaas +Meinertz, zijn neus door de even geopende deur stekende. + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + + Maar gij, die hier het woord voert in 't gezantschap, + Wie zijt ge? + + _Bilderdijk_, Floris de Vijfde. + + +De twee nieuwe personages, die nu op vergunning van den Ambtman +het vertrek binnenkwamen, leverden in hun uiterlijk voorkomen een +paar volkomen tegenbeelden op. De een was een log, dik mensch, met +een gemeen, dom en leelijk gelaat, een grooten rooden neus, die, van +menigvuldige uitwassen en puisten voorzien, getuigde, dat de brandewijn +niet zelden den vromen man te stade kwam, als hij zijn zorgen begeerde +te verzetten. Zijn gewaad was versleten en armoedig, en men kon zien, +dat het niet voor zijn lijf gemaakt was. Zijn lompe, grove handen en +voeten schenen eer geschikt om de zware klei te bewerken of turf te +trappen, dan om geschikte gebaarden van den kansel te maken. Zijn +heesche, wanluidende stem duidde meer den oproerkraaier dan den +leeraar aan, en zijn waggelende gang verraadde eer den Bachusdienaar +dan den zedenpreker. Of de waard in den _Gouden Ooievaar_ hem bij +deze gelegenheid zijn wijn te veel had aangeprezen, is ons onbewust: +zeker is het, dat hij het vertrek, waar Meinertz hem binnenleidde, +waggelend inschoof en zijn morgengroet stotterende uitbracht. + +Zijn metgezel was een schoon rijzig jonkman, met fraaie blonde +haren, zwarte sprekende oogen, en mannelijke, door de zon eenigszins +verbrande gelaatstrekken. Hij had een geel lederen reiskolder aan, +met koperen knoopjes vastgehecht, en een hartsvanger op zijde, in +een breeden groenen bandelier hangende. Een hoed zonder pluimage, +een paar bestoven halve laarsjes met groote sporen en breede +ruitershandschoenen kondigden in hem veeleer een ruiter dan een +predikant aan. Met een open gelaat en een ongedwongen houding trad +hij binnen, half voortgetrokken door zijn ouderen reismakker, die hem +met de volgende bewoordingen aan Van Dyk (want onder dien naam alleen +kende hij Eugenio) voorstelde: "_Eruditissime vir! Dominé_ Van Dyk, +_vel melius Ab Aggere!_ Ik ben uw onderdanige Dienaar, _humillimus +servus!_ Groote dingen zullen door UEd. in Israël uitgericht worden. Ik +heb de eer UEd. hiernevens aan te bieden.... _virum juvenem egregium, +magno ingenio vel magni ingenii_, want beide zegt men, _teste Gerardo +Joanne, viro celeberrimo_.... een voortreffelijk jong mensch, den +Heer.... ja hoe heet hij,.... Van der Hummes of zoo een naam, _sed +nominum vana curiositas_.--_Sufficiat_, dat hij de feniks van alle +reisgezellen is, _nec minus bonus potator_.... he! he! kastelein! een +glas karnemelk met een scheutje brandewijn er in." + +Na deze fraaie proeve van welsprekendheid liet Groenhovius (zoo heette +de leeraar) zijn reisgenoot los, knikte nogmaals Meinertz toe, dat +hij hem het gevraagde brengen zou, zette zich in een armstoel neder, +vouwde de handen over den buik ineen, en zag het gezelschap met een +wijdopgesparden mond aan. + +"Wat moeten wij met dien dronken gek beginnen?" vroeg Mom halfluid +aan Eugenio. + +"Hem laten slapen tot hij nuchter wordt," antwoordde deze op denzelfden +toon: "hier althans kan hij hoegenaamd geen kwaad uitrichten, al +verspreekt hij zich." + +"Is U Eerwaarde reeds lang met dien dronkaard opgescheept +geweest?" vroeg Mom, zich beleefdelijk tot den jongeling wendende, +die met een verlegene houding zijn reisgenoot beschouwde. + +"Hedenmorgen ben ik hem, van Nijmegen aankomende, achteropgereden. Hij +heeft mij verzocht, onder mijn geleide te mogen voortreizen, en +heeft niet losgelaten, of ik moest nog in den _Gouden Ooievaar_ een +tijdlang vertoeven om een glaasje van afscheid te drinken; UEd. is, +naar ik vermoede, de Ambtman Mom, op wiens last ik hier geroepen ben." + +"Dat is te zeggen," zeide Mom, Eugenio zijdelings aanziende: "op +mijn last.... ja, in een zekeren zin. Eigenlijk heeft mijn vriend +Van Dijk het een en ander met UEd. te overleggen. Wat mij betreft, +ik ben uw dienaar tot hedenavond: dan hoop ik u weder te zien." + +"Met uw verlof," hernam de jongeling: "hedenavond was het mijn +voornemen, om...." + +"Tot straks," hernam de Ambtman, hem beschermenderwijze met de hand +groetende en zich vervolgens tot den Jezuïet wendende: "ik ga naar +Preys en Leendertz," zeide hij: "gij zult het noodige met deze Heeren +wel afhandelen."--Dit gezegd hebbende vertrok hij. + +"Maar!" vervolgde de vreemdeling, zich naar Eugenio keerende "ik moet +hedenavond naar Sonheuvel, en ik zie niet, welke redenen men hebben +kan, mij hier op te houden." + +"Hoe!" vroeg de Jezuïet: "vertrekt gij naar uw vader? Ik dacht, +dat hij u niet meer voor zijn zoon erkennen wilde." + +"Dat kan hij ook niet," hernam de reiziger: "dat verbieden de +omstandigheden." + +"Zeer natuurlijk!" merkte Eugenio aan: "wanneer men geheel andere +grondbeginselen heeft:--daarenboven, wat zegt de Schrift: _si quis +non odit_...." [40] + +"Wie haalt daar de Paapsche overzetting aan?" vroeg Groenhof uit de +sluimering opschietende, waarin hij geraakt was. + +"Ik!" antwoordde Eugenio bedaard: "gij weet, ik ben een Bosschenaar, +en daar hoort men zelden anders als uit de _Vulgata_ praten:--daar +is nimmer gelegenheid om een geestelijk woord te hooren, tenzij +van papen en paapsgelijken. Hoe velen smachten aldaar met mij naar +het waarachtige manna van geestelijk onderricht, met een dauw der +geleerdheid doorvoed en gestoofd in de zon der gezonde rede.... daarvan +gesproken, Dominee! ik hoop dat UEerwaarde morgen in staat zal zijn, +voor de dierbare kudde, welke zich hier verzamelen zal, een predikatie +te houden.--Of anders, uw jonge ambtgenoot misschien...." + +"Ik?" riep de jongeling, die de vreemde redenen van den gewaanden +Bosschenaar met verwondering had aangehoord: "en voor wien ziet +UEd. mij aan?" + +"Zoo!" zeide Groenhof: "is mijn jonge reismakker ook een Nazireër! _en +collega_? waarlijk _valdegaudeo_, een geleerde, een broeder, een +medeverdrukte, een medearbeider in 's Heeren wijngaard in hem te +ontmoeten. Ik dacht aan zijn kleeding eerder, dat hij een _miles +gloriosus, de quo Plautus_, dan een _miles Christianus, de quo Paulus +habet_, ware." + +"Wat collega! wat verdrukte!" riep de vreemdeling uit, terwijl hij +rood werd van drift: "ik heb Plautus ook gelezen, en ik ben niet op +de malle vergelijking tusschen mij en zijn Thraso gesteld.--Hoe is +het? een misverstand? of scheren wij elkaar?" + +"Ik prijs de achterhoudendheid," zeide Eugenio: "doch hier is zij +althans overbodig. Bij ons behoeft gij uw naam en bediening niet te +verbloemen, daar uw komst te dezer plaats genoegzaam bewijst, welk +vertrouwen gij in mij gesteld hebt: en de zegepraal der goede zaak, +de val onzer hoogmoedige verdrukkers, de vrijheid der kerk zullen +tot zoovele bewijzen strekken, dat dit vertrouwen aan geen onwaardige +geschonken werd." + +"Ik u vertrouwen geschonken?" vroeg de onbekende, hoe langer hoe meer +verwonderd: "en door wien dan ben ik hier ontboden?" + +"Door wien?--Door mij, door Van Dyk," antwoordde Eugenio: "ik ben +degeen, die u te Mulheim schreef en u verzocht, dadelijk herwaarts +te spoeden, om de middelen te beramen, ter uitvoering van dat groote +en godzalige voornemen, waartoe wij...." + +"Ik ben te Mulheim niet geweest," viel hem de jongeling in: "ik heb +geen brief van Van Dyk noch van iemand anders ontvangen: ik weet +van uw voornemen niets, en ik zou niet in dit huis gekomen zijn, +ware ik niet door den Ambtman ontboden geweest." + +Eugenio zweeg, zijn trekken bleven onbeweeglijk en zijn oog stond +strak op den vreemdeling gevestigd; zijn hand alleen scheen, door +een werktuiglijke, krampachtige beweging het moordtuig te zoeken, +dat onder zijn kleed verborgen en reeds meer zijn antwoord geweest +was. De vreemdeling scheen het oogmerk dier beweging te raden: +althans, hij zette zich schrap en sloeg de hand aan 't gevest van +zijn hartsvanger. Doch de Jezuïet liet na een oogenblik zwijgen den +arm weder zakken en vroeg zeer bedaard: "zoo, is UEd. dan niet de +persoon van Hendrik Raesfelt, proponent?" + +"Hendrik Raesfelt?--neen;.... doch! wat is er, wat weet gij van +Hendrik Raesfelt?" vroeg de jongeling met levendige deelneming. + +"Niets! UEd. schijnt hem te kennen?" hernam Eugenio, volgens zijn +gewoonte een vraag met een andere beantwoordende. + +"Of ik hem ken?--Wij waren speelkameraads, en ik heb altijd veel +belang in hem gesteld." + +"Zoo!--Welnu, zoo gij hem nader wilt zien, hij komt eerstdaags +hier;.... UEd. is dus vreemdeling hier en weet waarschijnlijk niet, dat +er maatregelen worden in 't werk gesteld om de gebannen predikanten, +die onderwerping beloven, weder te herstellen in hun bedieningen: +hierover wilde men ook met Raesfelt spreken, wiens dwalingen zijn +jeugd en de verleiding van anderen verschoonlijk maakten; doch daar +UEd. die persoon niet zijt...." + +"Kan ik weder vertrekken, is het niet zoo?" viel de reiziger in: +"ik moet u echter bekennen," vervolgde hij, "dat, bijaldien de +tegenwoordigheid van den Heer Ambtman in dit huis, en uw betuiging, +dat er een misverstand plaats heeft gehad, mij niet tevreden moesten +stellen, ik niet zoo lichtelijk genoegen zou nemen met een oponthoud, +dat mij misschien beletten zal, heden nog de stad te verlaten; want +naar allen schijn zullen de poorten reeds gesloten zijn." + +"Gij ons verlaten!" riep Groenhof uit, terwijl hij eensklaps weder +toetrad en met uitgebreide armen den jongeling omvatte. "Wilt gij mij +verlaten, gelijk Demas Paulum verliet? Gij, die een medestrijder zijt +voor de goede zaak, gij moet blijven en met ons strijden of afwachten +de groote dingen, die er geschieden zullen. _Manendum est et fortiter +pugnandum!_" [41] + +"Stil!" zeide Eugenio, die bevreesd werd, dat de onvoorzichtige +toespraak van Groenhof de ware redenen der bijeenkomst aan den +jongeling zou bekend maken: "stil Dominee! het is noodeloos hierover +met dien heer te spreken." + +"Ja, mijn waarde vriend en reisgenoot," zeide Groenhof, die, zonder +acht te geven op de onverduldige wenken van Eugenio, den jongen +vreemdeling bij de hand bleef houden: "ja, mijn broeder! hij zal +vallen, die Achab, die vervolger van Gods heilige profeten...." + +"Wilt gij zoo goed zijn, mij te volgen?" vroeg Eugenio aan +den onbekende, hem haastig uit de omhelzingen van Groenhof +losrukkende. Doch de jongeling had te veel gehoord en werd nu door +de nieuwsgierigheid aangezet om te blijven waar hij was. + +"Het is alles gereed, _omnia parata sunt_," [42] vervolgde de +Predikant: "de dwingeland kan den strik niet ontkomen." + +"Van welken dwingeland spreekt gij toch?" vroeg de onbekende, haastig. + +Op dit oogenblik sloeg de torenklok acht uren. + +"Het is te laat!" zeide Eugenio; en opeens den jongeling loslatende, +verliet hij met spoed het vertrek en draaide het slot achter zich toe. + +"Om 's Hemels naam, wien bedoelt gij?" herhaalde de vreemdeling, +zonder op het vertrek van den Jezuïet bijzondere aandacht te slaan. + +"Wien ik bedoel?" herhaalde Groenhof, die nog even nuchter genoeg was +om uit deze vraag te bemerken, dat hij zich deerlijk versproken had: +"ik bedoel den Koning van Spanje, _Hispanarum regem, inimicum nostrum +communem_." [43] + +"Zoo!" zeide zijn metgezel, het hoofd met een schijn van ongeloovigheid +schuddende: "doch waar is onze gastheer? of hoe moet ik den man +noemen, die ons hier ontvangen heeft?--hij zou mij uitbrengen, en +hij verlaat ons." + +"Hij zal wel zoo terugkomen," zeide Groenhof, die inmiddels weder was +gaan zitten. "Wacht maar een oogenblikje; het is toch te laat om de +poort uit te komen." + +"Er zal wel niet veel anders opzitten, dan geduldig af te wachten, +wat hierop volgen zal," zeide zijn makker, zich verdrietig in een +stoel werpende. + +Toen hij echter een groot kwartieruurs gezeten had over den Predikant, +die inmiddels weder in een diepen slaap gevallen was, begon het toeven +hem hartelijk te vervelen. "'t Is recht vermakelijk om hier voor gek +te blijven zitten," riep hij uit, terwijl hij wrevelig opstond en +zijn stoel van zich afstootte: "en wat het fraaist is," mompelde hij +er op zachteren toon bij: "alles is mijn eigen schuld. Wat behoefde +ik zulk een dronken Arminiaanschen weetniet te vergunnen, onder mijn +geleide naar Tiel te reizen? mijn oude vriend zou zeggen: met wie je +verkeert wordje geëerd. Wist ik maar hoe er uit te komen!" + +"Mij dunkt, de Heer Van Dyk blijft lang weg," zeide Groenhof, +ontwakende en zich de oogen uitwrijvende: "en de kastelein of de baas +van 't huis, wie hij wezen moog', schijnt het zoopje ook te vergeten, +dat hij mij beloofd had.... juist, ik heb geen haast." + +"Maar ik wel," viel zijn min geduldige reisgenoot hem in de rede: +"en, zoo men mij niet spoedig de deur komt openen, zal ik zien, +of ik mij zelven geen uitgang kan verschaffen." + +Deze woorden geuit hebbende, begon hij op de deur te bonzen met +al de krachten, die de natuur hem gegeven had; doch de dikke eiken +planken stelden zijn pogingen teleur en de Predikant, die, nu redelijk +ontnuchterd zijnde, het belang besefte, dat er voor zijn oogmerken +in gelegen was, geen noodelooze opschudding te maken, stond op en +weerhield hem, toen hij, zijn mes trekkende, zich gereedmaakte, +de deur met geweld open te breken. + +"Bedaar! bedaar! mijn waarde reismakker!" zeide hij: "men zal wel +dadelijk hier komen: de Heer Ambtman zit nog ongetwijfeld in groote +besognes. _Paululum exspecta_. [44] + +"'t Is een verbruid werk," riep de jongeling, "ik zit hier als een +muis in de val. Ware het niet om voor geen dief te worden aangezien, +zoo sprong ik het venster uit." Dit zeggende keerde hij zich om, +met oogmerk om het raam, dat vrij hoog was, te openen, toen zijn +voet een ijzeren ring ontmoette, welke diende om een valluik +open te maken. "Aha!" zeide hij, "die gelegenheid had ik nog niet +opgemerkt. Die uitgang zal mij althans ergens heen brengen." + +"Ja! naar den een of anderen wijnkelder," zeide Groenhof. + +"Zoo dat het geval is," hernam de vreemdeling, "zult gij er mij zonder +weerzin volgen willen." + +"_Bone Deus!_ wat doet gij!" vroeg de Predikant, ziende dat hij het +valluik, 't welk van onderen gesloten was, met geweld openrukte. + +"Ik baan mij een doortocht," antwoordde zijn makker: "ik heb +altijd geleerd, dat een waarlijk bekwaam krijgsman zich zoowel op +het retireeren, als op het attakeeren verstaan moest. Voelt gij u +genegen mij te volgen, 't is mij wel: ik ga u voor." Dit zeggende, +klom hij het trapje af, dat naar beneden geleidde. + +"Ik moet toch zien, waar die vent belandt." dacht Groenhof: "hij +mocht ons eens gaan verklikken, zoo hij ontsnapte." Met dit oogmerk +volgde hij zijn reisgenoot in een klein, donker vertrekje, 't welk +op het eerste oog geen anderen toegang scheen te hebben, dan langs +de opening, waardoor zij gekomen waren. Het ontving ook van dien +kant al zijn licht, en de flauwe schemering, die er in doordrong, +veroorloofde nauwelijks aan het meest geoefend oog, eenige kleine +vaatjes te zien, welke tegen de naakte wanden waren opgestapeld. + +"Het gelijkt hier wel een kruitmagazijn," merkte de jongeling aan. + +"De Hemel zij ons genadig!" zeide Groenhof: "zouden wij dan niet +liever terugkeeren en het luik weder in orde brengen zoo goed wij +kunnen? Er is hier toch geen andere uitgang." + +"Dat zegt gij," hervatte de andere gevangene: "doch ik stel vast dat +er een andere uitgang wezen moet. Het valluik was van binnen gesloten: +die het gesloten heeft, moet dus een ander heenkomen gehad hebben: +want hier is hij niet meer: indien het slechts zoo verbruid donker +niet ware!.... wacht! ik weet al, welken weg wij uit moeten." Dit +zeggende, wees hij op een reet in een hoek van het kamertje, en +zich op zijn knieën latende vallen, beschouwde hij den wand met een +opmerkzaam oog. Spoedig ontdekte hij een kleine vierkante opening, +met een luikje van buiten gesloten, welke opening waarschijnlijk +dienen moest om de vaatjes uit te werken. Door zijn vingers met +kracht tusschen het houtwerk en den muur in te brengen, deed hij +het luikje wijken en weldra aan stukken splijten. De opening kwam op +een gewelfde gang uit en was ruim zes voet boven den grond verheven, +zoodat men die niet dan met een ladder of trap beklimmen kon. + +"Goddank!" zeide hij, zich bukkende en met gretige oogen door het +gat kijkende: "hebt ge nu lust mij te volgen, Dominee? dan zullen +wij wel ergens te land komen." + +"_An stultus es?_" [45] vroeg de Predikant, toen ook hij de +hoogte gezien had, vanwaar zij af moesten glijden. "Het is me +_hercule_! halsbrekens werk, om zich daar af te laten vallen." + +"Zooals gij wilt," hernam zijn reisgezel: "ik waag den sprong!" en +meteen zijn makker van de opening aftrekkende, gespte hij zijn +hartsvanger los, stak de beenen door het gat en liet er zich ter +halverlijve doorheen zakken. Dan, tot zijn groote teleurstelling, +was de opening niet ruim genoeg om het bovenlijf door te laten, +zoodat hij steken bleef en er zich weldra door vruchtelooze pogingen +zoo vastwerkte, dat hij noch voor- noch achteruit kon. Weldra werd +de benauwde toestand, waarin hij zich bevond, nog vergroot, doordien +hij de deur van het vertrek, waarin hij zich kort te voren bevonden +had, boven zijn hoofd hoorde opengaan en aan het verwarde geluid en +geroep van "waar steekt de guit? waar zit de spion?" ontdekte, dat +verscheidene personen de bovenkamer waren binnengetreden, en althans +geen zeer vriendelijke oogmerken jegens hem koesterden. + +"Dominee!" zeide hij met een gesmoorde stem; "maak dat onderste +plankje los." + +"Ik bedank u," zeide Groenhof: "hier!" vervolgde hij, zijn stem +verheffende tot die, welke boven waren: "hier moet gij wezen." + +"Schurk!" riep de jongeling en gaf met zijn hartsvanger den Predikant +een geduchten slag voor de schenen, zoodat de waardige man schreeuwende +terugstoof. + +De angst verdubbelde nu de krachten van den jongeling, en het geluk +diende hem. Het luik, dat de opening gesloten had, bestond uit twee +deelen: het bovenste, dat het grootste was, was uitgeweken en aan +stukken gesprongen: het onderste, een plankje van twee duim breedte, +dat het luik van den vloer scheidde en met twee knippen aan weerszijden +gesloten werd, was blijven zitten. Door de geweldige pogingen, die +hij in dit oogenblik van benauwdheid in 't werk stelde, gelukte het +den gevangene, dit plankje te doen losbersten, waardoor de opening +ruim genoeg werd en hij in de gang viel. Ongedeerd sprong de vlugge +jongeling op en snelde, zonder om te zien, de gang af, terwijl hij +in de eene hand zijn blooten hartsvanger zwaaide en met de andere +de scheede weder vasthechtte.--Aan het einde van de gang gekomen, +sloeg hij rechtsaf een andere gaanderij in en stuitte aldaar tegen +een ijzeren deur, met de noodige grendels dichtgesloten. Vol spijt +deed hij een paar stappen terug en bemerkte toen, dat hij in de +verwarring van het oogenblik en ook wegens de duisternis, die in de +gang heerschte, een ander deurtje was voorbijgeloopen, hetwelk onder +een zwaar gewelfden, met Gothisch snij- en loofwerk voorzienen boog was +verborgen. Dit deurtje stond aan, en onze vluchteling aarzelde niet het +binnen te treden. Dan, nauwelijks had hij een blik inwaarts geworpen, +of hij bleef bewusteloos staan, in de onzekerheid, of hij niet, door +Scylla te vermijden, op Charybdis gestrand ware: dermate verbaasde hem +de onverwachte vertooning, welke bij het binnentreden zijn oogen trof. + +Hij bevond zich namelijk in een vrij ruime zaal, die haar licht +ontving uit in de zoldering geplaatste ramen, met geschilderde +ruitjes voorzien, en met zware zonder smaak gevormde pilasters +omzet was, welke een gewelfd dak onderschraagden. Tusschen de +pilasters bevonden zich nissen, die, voormaals, naar 't scheen, +tot plaatsing van beelden der heiligen gediend hadden: althans de +uitgerukte stukken kalk en metselwerk, zoowel als de overgebleven +ijzeren bouten toonden aan, dat men de oorspronkelijke bewoners dier +nissen met geweld had weggenomen. Aan de beide einden der zaal waren +twee hooge dubbele deuren, met breede posten en Gothisch snijwerk, +welke sedert lang ongebruikt schenen te zijn; want de zware grendels +waren geheel verroest en de sloten met spinrag bedekt. Behalve deze +hoofduitgangen was het vertrek voorzien van vier zijdeurtjes, door +een van welke onze onbekende vriend was binnengekomen. Midden in de +zaal, welke overigens geen meubelen bezat, stond een zware, langwerpig +vierkante tafel, met een oud, verschoten, doch voorheen kostbaar tapijt +overdekt. Aan het einde dier tafel was op een ouderwetschen zetel met +hoogen rug en snijwerk, een deftig man gezeten; zijn vierkant mutsje en +witte onderkleederen, zijn manteltje en gouden halskruis duidden een +Roomsch-Katholieken geestelijke, en wel van geen geringe waardigheid, +aan. Voor hem stond een ebbenhouten kruis, waar een zilveren +christusbeeld aan vastgehecht was en aan welks voet een doodshoofd +lag van hetzelfde metaal. Aan elke zijde van den voorzitter zaten op +houten schabellen vier, en over hem twee personen, deels in geestelijk, +deels in wereldlijk gewaad. De tafel was overdekt met papier en +schrijfgereedschappen, en al de aanwezigen schenen aandachtig te +luisteren naar hetgeen een jong geestelijke, die naast den voorzitter +stond, hun voorlas uit een brief, op perkament geschreven en met drie +zegels van groen was voorzien. Bij het gerucht, dat de deur maakte, +toen zij krakende openging voor den binnentredenden vreemdeling, +werd de lezing gestaakt, en al de aanwezigen wendden het hoofd naar +den onverwachten en onwelkomen stoorder hunner samenkomst. Toen zij +den gewapende ontdekten (want de vreemdeling hield den hartsvanger +nog stijf in de vuist gekneld) stoven allen gelijkelijk op: sommigen +grepen hun schabellen, om zich desnoods daarmede te verdedigen, en +anderen zochten onder hun opperkleed naar gevaarlijker wapenen. De +voorzitter alleen bleef bedaard; met een majestueuse beweging gebood +hij stilte en trad vervolgens den jongeling te gemoet, wien hij aldus, +op een vriendelijken toon, aansprak: + +"Wie zijt ge, mijn zoon? en wat is de oorzaak van uw onverwachte +komst?" + +"Verschoon mij," antwoordde de vreemdeling, eenigszins verlegen +zijn geweer opstekende: "ik ben verdwaald in dit gebouw, ik weet +zelf niet hoe, en gaarne wenschte ik een deur te vinden, die mij op +straat bracht." + +De aanwezigen mompelden onderling, en de meesten schudden het hoofd. + +"Het komt mij vreemd voor," zeide de voorzitter, "dat gij, alleen +omdat gij een uitgang zoekt, met het bloot rapier als een dolleman +hier binnen komt stuiven," + +"Ik beken," was het antwoord, "dat de schijn tegen mij is; doch +openhartig zal ik u mijn geval verhalen. Ik kom van Nijmegen: een +zekere Predikant, die, op een vrij slechten knol gezeten, denzelfden +dijk volgde als ik, hield mij gezelschap. Aan den _Gouden Ooievaar_ +stapten wij af: vandaar liet de heer Ambtman ons ontbieden; men bracht +ons in de woning van een schrijnwerker, welke woning, naar ik zie, +al vrij ruim is en toen ontdekte zekere Heer Van Dyk, dat ik niet +diegene ben, dien hij te wachten was;.... maar daar zit hij zelf: +laat hij het ontkennen, zoo hij goedvindt." + +Hier vestigden zich al de oogen op Eugenio, die, in zijn mantel +gewikkeld, alleen, met zijn gewone bedaardheid, aan de tafel was +blijven zitten. + +"Ik ontken niets," zeide hij, opstaande: "het geheele voorval berust +op een misverstand." + +"Zulke misverstanden moesten geen plaats hebben, en wij hadden die +althans van u niet verwacht, Pater!" bromde een der aanwezigen. + +"Dwaas!" antwoordde Eugenio halfluid: "is de vogel niet in de knip, +en staat het niet aan ons, hem naar bevind van zaken de wieken te +korten of den hals om te draaien?" + +"Stil!" zeide de voorzitter: "wat aanleiding tot de komst van dezen +jongeling heeft gegeven, is noodeloos op dit oogenblik te onderzoeken: +daartoe is onze tijd te kostbaar. Jonkman! antwoord mij openhartig; +dit alleen zal mij doen zien, of gij waardig zijt de vrijheid weder +te erlangen." + +"Ik wist niet, dat ik gevangen ware," antwoordde de vreemdeling met +fierheid de hand op het gevest van het geweer slaande. + +"Spaar die snorkerijen," hernam de deftige grijsaard: "ik zie gaarne, +dat een jonkman als zoodanig spreekt; doch hij moet het op gepaste +tijden doen. Antwoord mij, hoe is uw naam?" + +"Sta ik hier voor een rechtbank?" vroeg op zijn beurt de jongeling "Ik +ben een Protestant, en erken op dit oogenblik geen heer noch meester +op deze aarde. Gij derhalve hebt geen recht hoe ook genaamd, mij in +'t gehoor te nemen.... of sedert wanneer is Tiel aan een papenrecht +onderworpen?" + +"Wij zullen u ons gezag wel doen erkennen," zeide een der aanwezigen, +die, ongemerkt vertrokken zijnde, nu met twee welgewapende lieden +terugkeerde. + +De vreemdeling antwoordde niet; maar, zijn degen trekkende, stelde +hij zich in staat van verdediging. + +"Hoogwaardigste!" zeide nu Eugenio tegen den voorzitter: "het komt +mij voor, dat deze dolleman ongenegen is, om eenig verder bescheid +te geven. Het ware misschien best, indien hij werkelijk een man van +eer is, zooals zijn voorkomen aanduidt, hem vrij en onverhinderd +te laten vertrekken, onder beding en belofte, dat hij, niets van al +wat hem is overkomen sedert hij de herberg van den _Gouden Ooievaar_ +verlaten heeft tot zijn terugkomst in die plaats, aan niemand, wie +hij ook zijn moge, immer met een woord gewag make." + +De gansche vergadering zweeg op dit voorstel, en de jongeling zag den +Jezuïet met scherpe blikken aan, als wilde hij diens geheime oogmerken +doorgronden; want hij stelde weinig vertrouwen in den zonderlingen +man, die zich eerst bij hem voor een Remonstrant had uitgegeven en +zich nu in 't gezelschap van Roomsche geestelijken bevond. + +Nadat de voorzitter een tijdlang het voorstel van Eugenio scheen +overwogen te hebben, wendde hij zich tot den reiziger en vroeg hem, +of hij in zoodanige voorwaarden, als de geachte spreker had opgenoemd, +genoegen zoude nemen, bijaldien zij hem werden opgelegd. De jongeling +antwoordde, bereid te zijn zich te verbinden, dat hij niets van al +hetgeen hij gezien of gehoord had, zou verhalen, tenware zijn plicht, +of de wettige Landsoverheid hem daartoe last gaven. + +"Die uitdrukkingen omvatten wat veel," merkte de voorzitter aan; +"want hoe kunnen wij de grenslijnen kennen, welke uw plichtgevoel +beperken? en welke nadeelige gevolgtrekkingen zou niet de overheid +uit uw verhaal kunnen trekken? Door u op zulke losse gronden vrij te +laten, zouden wij ons geheel aan uw bescheidenheid moeten overgeven, +en gij gevoelt wel, dat dit wat veel van ons gevergd ware." + +"Het doet mij leed," hernam de reiziger; "doch ik kan geen andere +voorwaarden aannemen." + +"Dan zult gij u moeten getroosten, onze gevangene te blijven," zeide +de grijsaard, een wenk gevende aan de omstanders en in 't bijzonder +aan de twee gewapende dienaars, om den stoutmoedigen vreemdeling in +verzekerde bewaring te nemen. Deze echter was er geenszins op gesteld, +om zich te laten knippen: hij had zich steeds in de nabijheid gehouden +van de deur, door welke hij was binnengekomen, met oogmerk om zich een +vrijen terugtocht voor te behouden. Zooras derhalve de aanwezigen op +hem aftraden, deed hij een stap rugwaarts, beschreef een halven cirkel +in de lucht met zijn hartsvanger, om zijn vijanden op den noodigen +afstand te houden, maakte eensklaps rechts-om-keert, wierp een der +gewapenden, die hem den weg wilde afsnijden, met een vuistslag op +den grond, stoof de deur uit, trok die zoo geweldig achter zich toe, +dat het slot dichtsprong en ijlde vervolgens weder terug langs den +weg dien hij gekomen was, de gewelfde gang weder door en het vierkante +gat van het kruitkamertje voorbij. Aan het einde van die gang gekomen, +stootte hij een ongesloten deur open en bevond zich nu tot zijn groote +vreugd in de open lucht. + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + + Gy meught van nacht by ons wel blyven rusten + Wy hebben t'huis rype app'len, zoo ze u lusten, + De nieuwe vrucht, kastanje en stremsel. + + _Virgilius_, Ecl. I. Vert. van Vondel. + + +De blijdschap van onzen reiziger verminderde spoedig, toen +hij bemerkte, dat hij er nog weinig bij gewonnen had, met zich +buitenshuis te bevinden, daar de deur, welke hij uitgetreden was en +dadelijk achter zich had dichtgetrokken, nergens anders heenbracht +dan op een steigertje, dat tusschen hooge muren aan den kant der +stadsgracht gebouwd was. Hoewel de vluchteling weinig trek gevoelde +om, zoo gekleed als hij was, te water te gaan, begreep hij, na een +kort beraad, dat er toch voor hem niets beter opzat dan een spoedige +vlucht. Het was reeds donker geworden, en de duisternis belette de +schildwachten, die ver van daar op de stadswallen geplaatst waren, +hem gewaar te worden bij zijn overtocht. Hij liet zich dus zachtjes +in 't water glijden en zwom, met zoo weinig gerucht mogelijk, naar de +overzijde. Daar gekomen, kroop hij op handen en voeten de buitenwerken +der stad langs en over, en kwam eindelijk behouden op een voetpad aan, +dat hem, achter de voorstad om, op den weg naar den Rijn bracht. Het +was omstreeks negen uren en dus zoogoed als duister, toen hij zich, +nu buiten het gezicht van iedereen, aan den voet van een wilgeboom +nederzette om zich, zoogoed hij kon af te drogen en tevens eens te +overleggen, wat hem te doen stond. Dat hij door een misverstand +in het huis van Klaas Meinertz geraakt was, scheen hem duidelijk +genoeg toe; doch dat de woning eens eerwaardigen schrijnwerkers vol +zou wezen van lieden van dat slag als hij er in gevonden had, dit +kwam hem zonderling voor. Spoedig echter hielp hem zijn plaatselijke +kennis, om dat raadsel gedeeltelijk op te lossen. Aan den stadswal, +dat wist hij, stonden nog onderscheidene gebouwen, welke eertijds tot +mannen- en vrouwenkloosters gediend hadden, doch bij de Hervorming +meerendeels door 't gemeen vernield of althans uitgeplunderd waren: +en het was wellicht met een van die gestichten, dat het huis van +Meinertz gemeenschap had. Doch, dat zulk een gebouw nog bewoond zou +wezen, dat er menschen van zoo verschillende geloofsbelijdenis in +vergaderden en vooral dat er zich een kruitkamer in bevond, dit kwam +hem onverklaarbaar voor en wekte in hem vermoedens op, dat er verraad +achter school. De voorzitter vooral dier geheime vergadering herinnerde +hem iemand, dien hij in lang verloopen jaren nogmaals ontmoet had, +waar en wanneer wist hij niet; doch het kwam hem voor, alsof die man +ook toen in een zaak van hoogverraad betrokken ware geweest en zijn +hulp had ingeroepen. Doch, aan wien zoude hij al wat hij gezien had, +gaan verklaren? De Ambtman zelf scheen dan toch in het geheim te wezen; +daarenboven, waren zijn vermoedens wel gegrond?--hij was zoolang in +vreemde landen geweest, en in zijn afwezigheid kon er zooveel in zijn +vaderland gebeurd zijn. En toch! het geheimzinnige, waarmede zich al +de personen, die hij aangetroffen had, omhulden!.... + +Hij begreep eindelijk, dat het in allen gevalle geen zaak was, terug +te keeren, wijl men niemand, na zonsondergang, de poort meer inliet: +en daar hij om zijn doornatte kleederen niet langer stil kon blijven, +vervolgde hij zijn voetreis, hoewel hij in Tiel paard en mantelzak +achterliet; doch daarvoor zou, naar zijn meening, de waard in den +_Gouden Ooievaar_ de noodige zorg dragen. Zijn besluit dus genomen +hebbende, wandelde hij langs den zwaren zandweg noordwaarts op. De +lucht was helder en gebalsemd door den geur van duizenden welriekende +kruiden, als de kamille, het pijpenkruid en dergelijke, die tusschen +het wilgenhout in aan de slootkanten groeiden. Vriendelijk zag de +opkomende maan in vollen luister neder over de wijduitgestrekte +weilanden, of over de heerlijke boomgaarden, die met millioenen +ontlokene bloesems als met een sneeuwwit laken schenen overdekt te +wezen. Van verre hoorde men, schoon verflauwd door den afstand, +de zuivere tonen der nachtegalen uit de omliggende boschjes +weerklinken. Dichterbij werd het oor min aangenaam getroffen door het, +ja buitenachtig, doch niet vermakelijk gerikkik der vorschen. Dan +ook de muziek van deze poelbewoners, het eentonige _brekkekekez +coax coax_, was den reiziger welkom; het had iets nationaals, iets +harmonisch voor zijn gehoor. + +Omtrent een uur had hij met een stevigen tred doorgestapt, toen hij +op een kleinen afstand een vroolijk liedje door een heldere stem +hoorde opzingen, en kort daarna een landbouwer voor zich gaan zag, +onder de vracht van eenige hammen gebukt, welke hij aan een stok +gebonden op den schouder droeg. Het viel onzen reiziger niet moeilijk, +den veldeling eerlang op zijde te komen, en de woorden van het liedje +van Starter te onderkennen, welke aldus luidden: + + + Wy syn in 't soetste van ons jeught, + In 't allerschoonste van ons tijt, + En dat wy die niet sonder vreught + Dus klackloos worden quijt. + Wanneer den grijsen ouderdom + De groente van ons jeught verdort, + Dan komen all' ons lusten om + De vreught wordt opgeschort. + + Dus wel an. + Laat ons dan, + Wijl men magh + En de tijt + Sullix lijdt + Met verdrag + Recht lustigh wesen, + Vreught wort gepresen, + En lachen in 't gelach. + + +"Gij schijnt vroolijk, landman!" zeide de reiziger, nadat de dorpeling +zijn lied geëindigd en zijn groet met een wederkeerig _gen avond_ +beantwoord had. + +"Dat ben ik ook, koopman!" was het antwoord: "en wie zou ook niet +vroolijk wezen op zoo een schoonen avond? en althans as men zoo een +goede welkomt'huis met brengt, alhoewel de vracht zwaôr enoeg is." + +"Het lijken wel hammen, die gij daar in uw mars hebt," merkte de +reiziger aan. + +"Dat raodt ge de koekoek, koopman!" hervatte de dorpsbewoner: "het +zijn Westfaolingers en dus zullen ze er wel op lijkenen. Ik heb ze bij +occasie ekregen, en blij toe! want ze zeggen het zal haast weer oorlog +wezen en dan: hadie vreemde producten.... is 't nietwaôr, koopman?" + +"Maar ziet ge dan niet, vriendlief," zeide zijn reisgenoot, "dat ik +geen koopman ben?" Hier wees hij op zijn degen. + +"Dat oe de pikken!.... wat zijt ge dan? toch geen soldaôt, hoop ik: +want dan zeg ik: _beso los manos. Bonsoer mon frinte, adiu!_ en gaat oe +rechts, ik slaô linksom; want de soldaôten zijn maôr boerenplaôgen. Hoe +zeit het liedeken? + + + _Tire le vin!_ 't sa spoelt de glazen! + _Faictes grand chère_, laet droefheyt staen + En laet ons roepen, tieren, rasen, + _Vive la guerre!_ de krijg gaet aen. + + 't Sa lustigh! 't sa, laet het glas omgaen. + Ick moet nu pooien, want ick sal weer + De boeren plagen, 't kan nu niet dragen, + Of ick een daeldertje meer verteer." + + +"Ik ben een afgedankt krijgsman," zeide de officier, lachende: "ge +hebt dus van mij niets te vreezen, noch voor u noch voor uw hammen." + +"Warentig! nou, dan is 't alles zeven," zeide de boer, zijn reisgenoot +op den schouder kloppende: "maôr wat pots honderd tausent slapferment +is dat? oe kleeren zijn zoo nat as er an toe! waôr het oe gezeten? het +oe in de sloot elegen?" + +"Zoo half en half," was het antwoord van zijn reisgenoot. + +"Wel me dunkt wel hiel ende al," hernam de landman, hem van top tot +teen in oogenschouw nemende: "en mot je nog ver loopen, eer je oe +voor een viertje drogen kunt?" + +"Nog een goede stond. Ik ga naar Sonheuvel." + +"En zal oe met dat natte pak den Rijn overvaren? Dat zal _pardienne_ +niet beuren. Eerst kan je in onze keuken oe wat wermen, man!" + +"Van harte gaarne: en dan wil ik de onkosten van een flesch wijn +dragen om samen uit te drinken," zeide de officier. + +"Jij bent een nobele baôs!" hernam de boer: "maôr niemand zal van +Gheryt Maessen ooit zeggen, dat ie zich in zijn eigen woning heeft +laten trakteeren: wijn zal ik oe geven, zonder dat hij oe een duit +kost; want de mensch moet zich zoowel van binnen als van buiten +verwermen." + +"Daar zegt ge wel an, landman!--en om u te toonen, dat ik ook liedekens +weet, zoowel als gij: + + + Is 't weer te guur, + By Knelisbuur + Daar stookt men 't vuur + En warmt men sich de leden. + Vat kou ons bij 't lijf, + Dan stelt zijn wijf + Tot ons gerijf + Met lekkeren wijn ons tevreden. + En wie dan met tang en met glazen kan schermen, + Die kan zich van buite en van binne verwermen." + + +"Een klettig lied, en wel ezongen," zeide de landman: "ik loof +warentig, als je niet zoo nat waôrt, oe zoude zingen as onze +dorpszanger, en die is bylo gien prul!" + +"Wat is uw dorp?" vroeg de reiziger. + +"Ik woon te Rijming," antwoordde de boer: "even oet het dorp en +krek aan de rivier. 't Is wel te zien, dat oe een vreemdeling zijt, +anders zoude oe Gheryt Maessen wel kennen, den vroolijksten knaap +van de hiele waard." + +"Ik ben verscheidene jaren buitenslands geweest," zeide de officier: +"doch gij moet in dien tusschentijd hier zijn komen wonen; want te +voren kende ik al de landluiden uit den omtrek zoogoed als mij zelven." + +"Dat ben ik," hernam Gheryt Maessen: "van te voren woonde ik aan gene +zijde van Tiel en was veerman over de Waal; een goede bediening en +een gemakkelijk postje; maôr ik ben om de religie vervolgd eworden." + +"Om de religie?" vroeg de officier verbaasd. + +"Jaô! jaô! mag een gemeen niet evengoed om de religie vervolgd worden +as een edelman?" vroeg de landbewoner, eenigszins gebelgd: "ik zeg oe +man, ik werd van Arminianerij beschuldigd en te gelijk met de schepens +Tymen Tymenz en Leendert Leendertz van mijn post afgezet, en die werd +aan Teun Wezer egeven, dat een vent is, die boven Arminiaansch boven +al in 't geheel maôr van geen godsdienst afweet. Ja, zoo gaôt het al +in de wereld. Wat zal men doen? Patientie is goed kruid." + +"Teun Wezer!" herhaalde de jongeling: "die placht een groote strooper +te zijn, zoo ik mij wel herinner." + +"Dat heit oe recht, sinjeur! en dat was zoo wat zijn eenige +treftigheid. Maôr wat was het? de vent had veul voorspraak bij de +groote lui: men zeit wel, dat hum nou en dan wel ereis boodschappen +liep naôr den overkant, die zoo maôr half in den haôk waren; maôr +wie kan 't bewijzen? 't is maôr, die 't laôst verteld heit, leeft nog." + +"Zoo gij te Tiel zoo welbekend zijt, weet ge voorzeker ook, wie Klaas +Meinertz is?" vroeg de vreemdeling. + +"Of ik Klaas Meinertz ken," antwoordde Gheryt: "pots dit en dat, +wie kent hem niet? of liever, wie kent hum?--Ik kom zoo van den vent +vandaôn: hum heit mij bij occasie die hammen bezorgd; want hum doet +negotie in allerlei...." + +"Zoo! komt ge van hem vandaan?" vroeg de officier, wiens +nieuwsgierigheid door deze omstandigheid werd gaande gemaakt: "het +was vol tot zijnent, niet?" + +"Vol! met kisten en kasten, in 't voorhuis, ja, dat gaôt wel an." + +"Maar met menschen?" vervolgde de reiziger. + +"Met menschen!" herhaalde zijn reismakker: "dat kan ik juist niet +zeggen. Ik heb niemand buiten hem in 't voorhuis ezien." + +"Nu ja, in 't voorhuis; maar zijn woning is groot." + +"Zijn woning groot! dat kan ik ook alweder niet gaôf toestemmen: want +behalve den winkel is er niets dan een opkamertje: en zijn werkplaots +is nog aôn de overzijde van de straôt." + +"Ik meende echter vernomen te hebben," hervatte de officier, "dat +zijn huis gemeenschap had met het oude konvent van.... van...." Hier +poosde hij om zijn reisgenoot het slot van zijn rede te doen aanvullen. + +"Van Sinte-Cecilja, meent oe?--Ja, dat was zoo in vroegeren tijd: +maôr die is al lang toeëstopt." + +"Van Sinte-Cecilia, juist! zoo ik mij wel herinner was er een +vrouwenklooster van dien naam, waarvan de nonnen nog niet uitgestorven +zijn zullen, sedert zij her- en derwaarts verhuisd zijn;--en woonden +naast dat klooster geen Dominicaner monniken?" + +"Dat heit oe recht. De laatste Prior van de Dominicaners was, +gelijk men mij wel verteld heit, van de namaôgschap van den Heer +van Sonheuvel." + +"Van den heer van Sonheuvel?.... zou het mogelijk wezen, dat.... maar +neen!...." en de reiziger verzonk in diep gepeins. + +"Jaô," vervolgde zijn makker, zonder daarop acht te geven: "hum was ien +vroom man of is het nog, want ik weet niet of hum nog leeft, althans +naar 't zeggen van de Paôpschen: ze vertellen al raôre historietjes +van hum." + +"Zoo!" zeide de officier, wiens nieuwsgierigheid door dit gezegde +werd opgewekt: "en wat zegt men dan van dien vromen Prior?" + +"Jaô," antwoordde Gheryt Maessen: "voor de waôrheid van het geval +staô ik niet in, dat riekt mij zoo paôpsch; maar mijn grootje heit +het mij meermalen verteld. Eens zei een klein onnoozel duvelken +tegen ien grooten leepen duvel: kent oe den Prior van Sint-Dominicus +te Tiel?--"jaô, zei de groote duvel weer; nou, zei het duvelken, ik +verwed er vijfhonderd stokslagen onder, dat ik hum van puren schrik +zijn stoedeerkamer oetdrijf. Top! zeide daarop de groote duvel: zoo +ezeid zoo edaôn: het duvelken springt in een wip voor den Prior op +de tafel, waôrvoor hum bij de keerse te lezen zat, en maôkt honderd +kromme sprongen vlak voor zijn neus; maôr het raôkte den Prior niet +eenemaôl aan zijn kouwe kleeren: het duvelken weêr van voren of an: +maôr wat zeit toen de Prior? Duvelken! zeit hum: ik beveel oe, houdy +mijn keerse vast:--en het duvelken was zoo veraltereerd en perflext, +dat hum de keerse oet den kandelaôr nam en den Prior lichtte. Nu liep +de keerse sterk of en het smeer droop het duvelken op de vingers, +zoodat hum wel ebulkt en ekreten zoude hebben, maar hum dorst +niet om den Prior. Eindelijk brandde de keerse hiel en al weg, en +duvelkenmaôt kreeg van den Prior verlof om heen te gaôn; maôr zijn +poot was deerlijk verbrand en daôr hum de weddingschap verloren had, +kreeg hum nog vijfhonderd stokslaôgen toe." + +"Ik heb die klucht meer gehoord," zeide de vreemdeling: "doch zij is +mij altijd van een veel ouderen Heer van Sonheuvel verhaald geweest, +die lang voor de Reformatie leefde;.... doch dat daargelaten! Kent +gij den Heer van Sonheuvel?" + +"Of ik hum ken?--dat geloof ik! een nobel heer, bij mijn zolen, +en zijn dochter is een pronte meid en een goede buur, dat moet ik +zeggen: sinds mijn wijf laôst een kwaôde kraôm ehad heit, komt ze om +den aôren dag naar heur kijken en brengt altijd zoo wat een liflafje +met, als kostelijken zoeten wijn en aftreksel van lindebloeisels met +een mengsel er bij, dat zij zelvers maakt, en zoo voort: ik hoop maôr, +dat we heur niet kwijtraôken; want zij zeggen, ze gaôt trouwen met den +Ambtman Mom, en misselijken pottentaôt, die heur vaôder wel wezen kon: +ik mag hum niet best zetten: misschien wel omdat hum mij mijn post +van veerman het afënomen." + +"En denkt men," vroeg de officier op een toon van stem, dien hij +luchtig zocht te maken, "dat zij zin in hem heeft?" + +"Of zij zin in hem heeft?" herhaalde Gheryt Maessen, een stemmig +gelaat trekkende: "nu vraôgt oe mij ook meer dan ik oe antwoorden +kan. Wat zegt het lied: + + + Wie weet ooit, wat een meisken wil? + Nooit zeit ze, hoe ze 't mient. + Dan heeft ze deuzen tot heur vriend, + Dan heeft ze weer een aôren gril: + 't Valt zwaôr, in 't stuk der min, + Te weten wat een vrijster dient, + Te kennen heuren zin. + + +En daôr heeft de maôker van dit referijnken wel deugdelijk elijk in." + +"Nu ja, dat is zoo," zeide de reiziger: "doch wat denkt men in +'t algemeen? Zou de Ambtman nogal kans hebhen om te slagen in zijn +vrijage?" + +"Kans?" hernam Maessen, verbaasd opziende: "wel man, hoe kan oe zoo +iets onnoozels vraôgen? Als men een schoonen naam, een goed fortuin en +een hoogen post heeft, en als men daarbij dan niet oetermate leelijk, +niet oetermate dom, niet oetermate old, niet oetermate boos is, +wel dan heeft men, naôr mijn slechte verstand, alle kansen voor zich +en maôr een kleintje tegen: wel is waôr, dat iene kleintje doet de +schaôl wel iens overslaôn." + +"En wat is dat eene kleintje?" vroeg de officier, op een toon, die te +kennen gaf, dat hij het antwoord op zijn vraag zeer wel voorzag, doch +aan Gheryt Maessen het genoegen niet ontnemen wilde van het te geven. + +"Dat is," zeide de boer, "wanneer een klein, klein kuipedootje zich +in de aôre schaôl plaatst." + +De vreemdeling antwoordde niet op deze grap. Een gedachte, wij kunnen +voor 't oogenblik niet beslissen welke, had hem geheel vermeesterd, +en met een diep stilzwijgen verzelde hij den eerlijken Gheryt, totdat +deze, op een linksafslaand paadje wijzende, hem uit zijn mijmering +riep met deze woorden: "hier langs gaôn wij naôr mijn woning." + +De reiziger zag op en trad zijn vroolijken makker na langs het zandige +voetpad. Slechts eenige minuten gaans hadden zij afgelegd. toen zij, +een dijk opkomende, die den vrijen uitkijk belemmerd had. de zilveren +stroomen van den Rijn aan hun zijde vloeien zagen: slechts even bewoog +een zachte wind het langzaam vlietend water, en niet meer dan genoeg +om op elk golfje den zuiveren schijn der maan te doen glinsteren. Aan +de overzijde der rivier vertoonde zich de lachende oever, met +boomgaarden en boomen en bosschages dicht beplant, welke in de verte +zich verbindende en tegen den rijzenden grond oploopende, bij avond +de gedaante van een dicht en majestueus bosch opleverden. Prachtig +blakend van den helderen glans der maan, rees de kerktoren van +Sonheuvel uit het geboomte, en daarnevens blonken de leien daken +van het slot tusschen de kruinen der lindeboomen. De goede Maessen, +die den rook van zijn schoorsteen voor zich uit zag omhoogstijgen, +verwaardigde het hier beschreven schouwspel met geen enkelen blik, +en stapte, nu hij, zoo hij meende, de keuken reeds begon te ruiken +en den welkomstgroet van zijn hofhond hoorde, met verdubbelden spoed +vooruit. Zijn reisgenoot scheen meer gevoel voor de schoone natuur +te bezitten; althans hij volgde met trager schreden en hield het oog +onafgebroken op de overzijde der rivier gevestigd, zoolang totdat +het pad weder nederwaarts afliep en de dijk hem opnieuw belette, zich +in de beschouwing van dat prachtig natuurtooneel te verlustigen. En, +zonderlinge wisseling der menschelijke gedachten!--nauwelijks was de +in hooggestemde mijmeringen verdiepte jongeling verplicht geweest, +den dijk voor het lagere pad te verlaten, of de sombere denkbeelden, +die zijn ziel vervulden, verlieten hem: het ideale maakte plaats +voor het wezenlijke, en, met een genoegen, bijna gelijk aan dat +van zijn boerschen reisgenoot, zag hij de woning voor zich staan, +welke het doel van hun tocht was: ook hij begon zich in de gedachte +te verlustigen, van welhaast bij een warm vuur, onder het gebruik +van een goed glas wijn, zijn zorgen te kunnen verzetten, en zoowel +den innerlijken als den uiterlijken mensch te verwarmen. Met deze +aangename gewaarwordingen doordrongen, stapten beiden lustig verder +en bevonden zich weldra aan het hek van des huismans nederige, doch +niet geheel onaanzienlijke hoeve. + +Hartelijk was de verwelkomst, die Gheryt Maessen van zijn gezin +ontving, toen hij, met een vroolijk: "gen avond samen!" zijn woning +binnentrad. Zijn bejaarde moeder stond van achter de tafel op, waaraan +zij gezeten was, sloeg den huisbijbel, die voor haar lag, toe, na +alvorens haar bril te hebben afgezet en bij de plaats gelegd waar +zij gebleven was, en maakte zich gereed haar zoon te omhelzen. Een +eenigszins vermagerde arm richtte het gordijn op eener in den hoek der +kamer aanwezige bedstede, waaruit op een flauwen, doch niet minder +hartelijken toon, een: "gen avond vader!" zich liet hooren. Drie +kloeke, wel doorvoede kinderen, waren hun vader reeds in 't gemoet +geschoten en de jongste hing hem om den hals; doch de twee anderen, +den vreemdeling nu bemerkende, die aan vaders zijde binnenkwam, traden +beteuterd achteruit en bleven, den wijsvinger der linkerhand over de +benedentanden gekromd houdende, op een afstand staan, van waar zij nu +en dan het waagden, de oogen op te slaan, om den vreemdeling van ter +zijde te bekijken. Een keffertje, dat eerst met een geweldige drift +op den reiziger was aangetogen en vervolgens al grommend en knorrend +tusschen diens beenen gesnuffeld had, als wilde hij aan de kuiten de +plaats uitzoeken, waar het beste vleesch te happen ware, scheen over +zijn onderzoek voldaan: althans het keerde terug en vlijde zich weder +bedaard op de warme plaat ter ruste. + +"Gen avond, Gheryt!" zeide moeder: "kom, Klaôske! zet een bank voor +vaôder als een man. Nu! hoe staôt oe zoo te lanterfanten?--Maôr kijk, +daôr het onze Gheryt nog iemand bij hum, dien ik niet eens ezien had." + +"Gen avond vader! gen avond Gherytman!" herhaalde de vrouw des huizes, +haar bedgordijn al verder opschuivende en zich half oprichtende: +"komt oe mij niet eens een toet geven?" + +"Hier ben ik al, vrouwke!" zeide Gheryt, na zijn moeder gekust te +hebben: "hier ben ik: hoe staôt het er met sinds van mergen?" En +meteen trad hij toe en drukte zijn vrouw hartelijk in zijn armen. + +"Dat's maôr zoo passelijk met onze Els," zeide moeder: "ze heit weer +wat koorts ehad, maôr het eten lijkt er toch nogal esmaôkt te hebben, +nietwaôr ook, Elske?" + +"Nu, zoolang de appetijt er maôr is, zal het zoo spaôk niet loopen," +merkte de luchthartige Gheryt aan: "ik heb teugen dat oe weer trek +in stevigen kost krijgt, een viertal kostelijke hammen met ebracht: +zij zijn puik puik, vrouwke! daar kan oe staôt op maôken. Maôr kom, +Klaôske! zet me fluks eens als een man een bankje an den haôrd en leg +mij wat takkebossen op het vuur: want hier heb ik een wilden vogel +bij mij, die aôrs licht verkouen zou raken, nietwaôr ook, man?" Hier +klopte hij zijn gast vriendelijk op den schouder. + +"En wie heit oe dan met ebracht?" vroeg de moeder, terwijl zij haar +bril weer voor den dag haalde en opzette, om den vreemdeling beter +te kunnen zien: "wie is dat heerschop?" + +"Dat heb ik hum nog niet evraôgd," antwoordde de zoon met een gullen +lach: "de man is doornat, en ik wil hum niet toelaten, den Rijn over +te vaôren eer hum zich eerst wat ewarmd heit." + +"Ik hoop niet, moeder!" zeide de vreemdeling, toetredende, "dat ik u +eenig ongerijf zal veroorzaken: ik heb mijn gezelschap uw zoon niet +opgedrongen; maar hij heeft mij gulhartig verzocht en even gulhartig +heb ik zijn aanbod aangenomen." + +"Oe is welkom, heerschop!" zeide de oude vrouw: "men zeun doet wel: +want wat zeit de schrift: _ik was vreemdeling en ghij hebt mij +geherbergd_." + +"Bewaôr ons!" riep Gheryt uit, toen de reiziger zich op een houten +drievoet naast het nu helder brandend vuur had nedergezet: "man! wat +is oe nat! waôr drommel heit oe ezeten?" + +"'t Ware best," zeide de oude vrouw, "dat het heerschop zijn natte +kleeren ging uittrekken en een wammes en broek van oe antrok, +Gheryt! want zoo kan de man niet blijven." + +"Jaô waôrlijk moeder, dat eloof ik ook;--ei Klaôske! haôl iens ezwind +mijn fluweelen wammes en mijn fulpen broek oet de kleêrkas: en oe +Sijmen, krijg eens de brandewijnflesch! een hartversterking zal den +man goeddoen!" + +De reiziger bracht tegen de vriendelijke en zoo wel gemeende +verplegingen van zijn gastheer geen bedenkingen in: alleen zeide +hij zoo wat binnensmonds, dat het hem speet, dat men om zijnentwil +zooveel omslag maakte; het was echter geen gebrek aan hoffelijkheid, +dat hem belette, iets meer tegen die verzorging in te brengen, maar +hij gevoelde zich, door de uitgestane vermoeienis, schrik en koude, +zoodanig verward en versoezeld, dat het hem moeite kostte menige +woorden geregeld uit te brengen. Zoolang hij geloopen en gepraat had, +was hij in een staat van overspanning gebleven, die hem nu des te +duurder te staan kwam. Trillend en bevend, en als geheel zonder besef +van hetgeen er gebeurde, liet hij zich door den braven huisman en +den oudsten zoon den natten overrok van 't lijf, en de niet minder +natte laarzen en broek van de beenen halen, welke kleedingstukken +vervolgens plaats maakten voor het zondagsgewaad van Gheryt, waarin +de vreemdeling een vrij zonderling voorkomen had. + +"Zal oe nu niet wat met eten?" vroeg hem zijn gastheer, nadat beiden +zich met een goede teug brandewijn verfrischt hadden. "Kijk, dat +lacht oe toe!" en hier wees hij op een grooten schotel rijstebrij, +dien de oude vrouw had opgebracht. + +"Hartelijk dank!" zeide de vreemdeling, met het hoofd op de hand +leunende: "gij zijt al te vriendelijk! maar ik zou nu op 't oogenblik +niet in staat zijn, een brok eten door de keel te krijgen. Het best +zal wezen, dat ik, zoodra mijn kleeren wat gedroogd zijn, mij maar +weer op reis begeef."--Met deze woorden rees hij op en poogde een +paar stappen te doen; doch zijn knieën knikten hem onder het lijf, +en hij viel weer op zijn bankje neder. + +"Droomt oe man?" zeide Gheryt: "oe zult van dezen nacht geen stap +verder doen, hoor!--Ik loof waarachtig, dat oe niet vrij van koorts +is: blijf oe van dezen nacht maôr hier: wij zullen het wel schikken, +dat oe het warmpjes enoeg zult hebben: en dan kan oe morgen zoo vroeg +en laôt weder heentrekken als oe wilt." + +"Ik hier blijven?" vroeg de reiziger: "dat zal u immers hinderen?" + +"Niet het minst! niet het minst! breek daôr oe hoofd maôr niet met. Wat +zegt oe moeder? er kunnen immers schoone laôkens in de bedstee van +het opkaômerke worden ebracht, en dan, klaar is Kees!" + +"De sloopen van de kussens liggen op het rechtsche plankje in het +kabinet," zeide de zieke vrouw, welke uit hare bedstede het gesprek +gehoord had. + +Nu haastte zich de moeder, het noodige bijeen te zoeken en begaf +zich vervolgens naar het opkamertje, alwaar zij het nachtverblijf +van den vreemdeling gereed maakte. Onderwijl stonden de kinderen, +met de vertraging, welke dit oponthoud in hun avondeten bracht, +weinig tevreden, om de tafel te nagelbijten, hun oogen strak gevestigd +houdende op den rijstebrijschotel. + +"Het doet mij van harte leed," zeide de vreemdeling tegen Gheryt, +"dat uw moeder zich om mijnentwille zooveel moeite geeft.... waarom +niet gewacht tot na den eten? Uw kinderen zullen kwaad op mij wezen, +dat ik hen in die verrichting storen kom." + +"Bekommer oe niet," riep de vrouw des huizes uit hare bedstede: +"'t spijt mij maôr, dat ik oe niet helpen kan en dat ik juist op mijn +bed moet liggen: nu, als oe op een aôre keer wederom komt...." + +"Dan hoop ik u fiks en gezond te vinden," zeide de reiziger, haar +volzin voleindigende; "maar daar komt moeder al weder terug; houdt +u toch niet langer om mijnentwille op, goede vrienden! Ik zal verder +wel alleen klaarkomen." + +De oude vrouw meldde nu, dat alles op het bovenkamertje in orde was; +waarop Gheryt, de lamp uit haar hand nemende, zijn gast voorlichtte, +en naar het slaapvertrek geleidde, waar hij, na stellig bescheid +ontvangen te hebben dat de reiziger niets meer noodig had en het +verder wel alleen zou klaren, hem onder het toewenschen eener aangename +nachtrust alleenliet. + +"Het was toch wat ewaôgd van oe, Gheryt!" zeide de moeder, toen +het gansche huisgezin aan den disch was nedergezeten: "het was toch +ewaôgd, dien vreemden man zoo maôr bij ons te noodigen. Ik loof toch, +dat hum een hupsche borst is; maôr hum kon toch ook wel een dief of +een moordenaar zijn: hoe kwam hum zoo nat? dat heit hum niet iens +willen vertellen!" + +"Ja moeder!" zeide Grheryt: "dat weet ik niet recht: genoeg was het +voor mij, dat de man nat was en ook niet sprak als een schelm of +vagebond. Had de man kwaôd in 't zin ehad, dan had hum mij immers +kunnen doorsteken met 't braôdmes, dat hum op zijde heeft, en mij +mijn hammen afnemen eer ik er om dacht. En dan, heit oe niet ezien +wat een kostelijke goldene keten hum onder zijn wammes droeg en watte +schoone goldene ringen hum aan de hand had?" + +"God geve," zeide de meer ergdenkende oude vrouw, "dat hum daôr +eerlijk is an ekomen. Doch we meugen onzen naôsten niet oordeelen: +ik wil gaôrne het beste van hum elooven." + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + + Het zwoegende ingewant, ontstoken als een oven, + Dreef met benaeuden damp de vlammen op naar boven, + En schilderde averechts met een verward penseel + Gemengde vormen en de deelen voor 't geheel. + Gelijk het kunstglas, naar zijne eigenschap geslepen + En in een werktuig, naar den eisch van 't ligt, begrepen, + In eene donkere zaal, op 't wit paneel der want + Ons beelden maelt, maar alle in omgekeerden stant. + + _Antonides_. + + +Terwijl de gulle en eerlijke landbewoners hun eenvoudig avondmaal +nuttigden en Gheryt zijn wedervaren te Tiel aan het naar hem +luisterend gezin verhaalde, had zich de vreemdeling in het klein, +maar zindelijk opkamertje, dat hem tot nachtverblijf was aangewezen, +geheel ontkleed. Het was geen gemakkelijke zaak, de bedstede te +genaken, welke hem tot rustplaats verstrekken moest; zij was ruim +zes voet boven den grond verheven en kon niet dan door middel van +een ladder bereikt worden. Aan onzen reiziger echter, die meermalen +welverdedigde vestingen bestormd had, viel deze beklimming niet zwaar, +en weldra zag hij zich in de legerstede als een arend in zijn nest +verheven. Hij vleide zich nu met het aangename vooruitzicht van een +goede nachtrust te genieten, sloeg zich de dekens dubbel om 't lijf +en rolde zich zelven als een kluwen ineen, om des te eerder warm +te worden: dan, ondanks zijn vermoeienis, ondanks het hagelwitte +beddegoed, ondanks de gemakkelijke ligging, welke hij gekozen had, +hij zag zich in zijn hoop teleurgesteld. De overmaat der afgematheid +zelve, de koortsachtige aandoening, welke hij gevoelde en de invloed, +welken de gebeurtenissen van den dag op zijn hersenen en zenuwgestel +maakten, beletteden zulks. Hierbij kwam, dat het opkamertje lang +was gesloten gebleven, waardoor de lucht verdikt en bedorven was, +vooral in de hooge en bijna aan den zolder reikende bedstede. Uren +verliepen er, en het gansche huisgezin des landbewoners was reeds in +een diepen slaap gedompeld, toen de vreemdeling nog in zijn lakens +lag te woelen. Eerst met het aanbreken van den dag gelukte het hem, +in te sluimeren: doch de pijnlijke en benauwde droomen, welke hem +overvielen maakten dat de slaap, wel verre van eenige verkwikking +aan te brengen, het brandend hoofd en de tintelende leden nog meer +vermoeiden dan het waken zelf. + +Een droom vooral, welke hem later, in den morgenstond overviel +op dat tijdstip, waarin, gelijk men beweert, de droomen een meer +stellige beduidenis hebben en meer dadelijke gevolgen zijn van de +werking onzer verbeeldingskracht op onze gedachten, verdient om +zijn zonderlingen aard een meer bijzondere vermelding. De jongeling +verbeeldde zich, dat hij op den Rijndijk was neergezeten, bij het pad, +dat hij den avond te voren was langs gekomen om des huismans woning te +bereiken. De verbeelding zet bij al wat zij ons schildert nog sterkere +kleuren bij dan de waarheid geven kan: zoo was ook het maangezicht, +waarop onze reiziger in zijn droom bleef staren, nog heerlijker dan +de wezenlijkheid zelve. Terwijl hij nu in gepeins aan den oever der +rivier gezeten was, bezag hij zijn gewaad en bevond tot zijn verbazing, +dat hij een geestelijk kleed aanhad, en wel dat van den Prior, van +wiens wondere heiligheid hem door Gheryt was verhaald geworden. Dan, +opziende, zag hij nu met geen mindere bevreemding, het duiveltje +met de kaars in de hand naast hem zitten, en wel zoo dicht, dat het +schijnsel der vlam hem belette de overzijde te zien. Dat duiveltje +had volkomen de gelaatstrekken van den zoo raadselachtigen Van Dyk, of +hoe hij heeten mocht. Terwijl hij er over peinsde, hoe zich best van +het bijzijn eens zoo zonderlingen lichtblakers te ontslaan, ontdekte +hij een jonkvrouw, welke in een fraaie zeeschelp gezeten en omstuwd +door een drom van monniken, predikanten en edellieden, waaronder +zich Mom en Groenhof bevonden, de rivier kwam afvaren en recht op hem +aanhield. Zonder dat hij het gelaat der jonkvrouw onderscheiden kon, +herkende hij haar (gelijk zulks in droomen meer geschiedt) aan een +zekere ingeving, voor de Freule van Sonheuvel. Dadelijk stond hij op +om haar te gemoet te gaan; doch ook het duiveltje stond te gelijk op +en bleef hem de kaars voor de oogen zwaaien als met oogmerk om hem +het gezicht der aankomenden te ontnemen. Woedend wilde de officier +zijn degen trekken om het lastige nikkertje te doorboren; doch in +de plaats van een lemmer haalde hij niets dan een lange haneveder +uit de scheede en bleef verbijsterd staan. Het satannetje sprong +nu, luidkeels lachende, van zijn zijde weg en op de schelp, welke, +zich uit het water opheffende, met de jonkvrouw en het duiveltje +verdween, terwijl de gansche hoop, die de schoone verzeld had, op +den ongewapenden reiziger aanviel. Tegen de menigte niet bestand, +vluchtte hij, kwam weder binnen het klooster der heilige Cecilia, +doorkruiste het in alle richtingen, altijd op de hielen door de op +hem verbitterde vijanden nagezeten, en ontmoette eindelijk een page, +die hem beleefdelijk bij de hand nam en in een zijvertrek geleidde, +alwaar hij een bejaarde, deftige dame vond, welke hem zoo teeder +omarmde, dat hij, van aandoening overstelpt, in tranen uitbarstte en +op dat tijdstip ontwaakte. + +Spoedig echter sliep hij weder in, en de nachtmerrie, welke hem +nu plaagde, was van nog erger natuur dan de vorige. Thans lag hij +achterover in de breede gracht der stad Tiel, en op zijn borst zat de +eerzame Klaas Meinertz te paard, die hem met de knieën de ademhaling +belette, terwijl Teun Wezer, de veerman aan de Waal, den armen lijder +met een schuitriem op het hoofd sloeg. Hij wist echter tusschen de +beenen van den ouden schrijnwerker door te kruipen en wilde tegen +een muur opklauteren, toen de hem onbekende Abdis van Sinte Cecilia +toetrad en hem achteroversmeet, zoodat hij tuimelde en van een vrij +aanmerkelijke hoogte nederviel; want bij het ontwaken bevond hij +zich op den vloer van het vertrek aan den voet der bedstede liggen, +en de pijn, welke hij in de lenden gevoelde, belette hem wel, ook +dit voor een droom aan te zien. + +Hij stond op en wierp het venster open. De zuivere en aangename +morgenlucht, die hem tegenkwam en het vertrek vervulde, bracht hem +de verfrissching aan, welke hij vruchteloos in den slaap gezocht +had. Nadat hij een lange wijl de oogen had doen weiden over het +bevallige landtooneel, dat zich voor hem opdeed, en hetwelk reeds +gestoffeerd werd door onderscheidene arbeiders, die hun dagwerk +verrichten gingen, begon zijn hoofd weder te hangen en zijn oogen +sloten zich. Overtuigd, dat vooral de bedomptheid van het vertrek +zijn droomen zoo zwaarmoedig gemaakt had, besloot hij het raam open +te laten, en zich weder in het bed te begeven. Nu eindelijk genoot +hij een rustige, verkwikkende sluimering, en, bij zijn ontwaken, +gevoelde hij zich weder een geheel ander mensch, in staat om nieuwe +vermoeienissen te doorstaan. + +Opgerezen, schoot hij de kleeren van Gheryt Maessen weder aan, daar +zijn eigene bij den haard in het benedenvertrek waren gebleven, +en maakte hij zich gereed derwaarts te gaan, toen hij uit dat +benedenvertrek een vrouwenstem hoorde komen, welke hem bekend voorkwam, +ofschoon zij aan geen der inwoners van de boerderij behoorde. Hij +plaatste, om zich van de waarheid zijner opmerking te overtuigen, +het oog voor het sleutelgat, en werd het volgende tooneel gewaar. + +Naast de bedstede, waarin de zieke vrouw gezeten was, bevond zich +een jonge, welgekleede juffer, die de eene hand der lijderesse in +de hare hield, en, op een deelnemenden toon, naar den staat van haar +gezondheid vroeg. Bevalliger voorwerp dan deze jeugdige schoonheid was +ongetwijfeld zelden in hut of hof gezien geweest. Over haar sprekende, +groote blauwe oogen, wier gewone majesteit in dit oogenblik door den +zachten invloed van medelijden en deelneming getemperd werd, vertoonden +zich twee gitzwarte wenkbrauwen, sierlijk afgeteekend op het spierwit, +met blauwe adertjes doorkronkeld voorhoofd. Twee golvende haarvlechten +vielen naar de toenmaals heerschende manier langs den blanken hals +op den zwellenden boezem af, wiens heerlijke vormen zich slechts +gissen lieten onder het hooge ochtendkleed en den breeden kraag, +welke de jonkvrouw tegen de morgenlucht beveiligden. Het rozerood +mondje, ten halve tot een vriendelijk lachje geopend, vertoonde +twee rijen van hagelwitte en in grootte volkomen gelijke tandjes: +het eirond kinnetje en de anders misschien wat al te bleeke, doch +thans door de beweging met een frissche kleur geverfde wangen, +waren met kuiltjes voorzien, die de droefgeestige tint, welke op het +gelaat verspreid was, op een bevallige wijze afbraken: in 't kort, +het geheel leverde een alleraanminnigst voorkomen op, waarin ernst +en minzaamheid, droefheid om eigen leed en belangstelling in den +toestand van anderen zoo duidelijk te lezen waren, dat de Freule +(want dit was de rang der schoone) ongetwijfeld ware gekozen geweest, +indien men een natuurlijk afbeeldsel der Christelijke hoofddeugd, +de liefdadigheid, had willen daarstellen. + +Naast de Jonkvrouw stond Gheryt Maessen, die reeds zijn vroege +ochtendwerk verricht had en voor het ontbijt was teruggekeerd: hij +staarde, terwijl hij over een stoel leunde, de weldoenster van zijn +huisgezin met een open mond en een gullen blik aan. De oude vrouw +was bezig het ochtendeten te bereiden, waar de kinderen reeds naar +hunkerden, en inmiddels was zij in een druk gesprek gewikkeld met de +kamenier der Jonkvrouw, welke bij haar stond, en waarvan wij onzen +lezer niets zullen zeggen, vermits hij reeds lang met haar bekend is. + +"Zoodat gij u, over 't geheel, beter bevindt dan laatst," zeide de +Jonkvrouw met een zachte en vriendelijke stem tegen de bedlegerige +vrouw. + +"Ongelijk beter, Freule!" was het antwoord: "en ik mag het wel +voornamelijk dankweten aan oe vriendelijkheid. Ik hoop morgen op te +komen, zoo alles welgaôt: en dan, met Gods hulp, aanstaônden Zundag +mijn iersten kerkgang te doen." + +"Wij zijn zooveel in oe schuld, mijn lieve Freule!" zeide Gheryt, +terwijl hij zich een traan uit het oog wischte, "dat wij oe nooit +zullen kunnen vergelden." + +"Spreek daar niet van," hernam de Freule, "voor eenige nietige +drankjes, die ik u heb laten klaarmaken." + +"Neen, Freule!" zeide Gheryt met warmte: "het is niet alleen voor die +drankskes, dat ik oe dankbaôr ben: 't is voor oe vriendelijkheid, +om mijn goede vrouw van het eerste oogenblik van heur ziekte zoo +trouw te komen bezoeken, alsof ze oe maôgschap waôre; 't is voor +oe dienstigheid en zorg, om alles wat heur laven en helpen kost, +oet te denken en heur te doen eworden: 't is voor de eer, die oe aan +mijn nederige woning hebt edaôn, dat ik oe dankbaôr ben. Vaôder moge +zooveel hum wil, spreken van zijn ongelijkelijke Mevrouw van Nassau, +ik zeg maôr, dat onze lieve Freule van Sonheuvel gaôr zoo goed is." + +"Woont uw vader bij de Gravin van Nassau?" vroeg de jonkvrouw met +eenige bevreemding: "dat heb ik nooit geweten." + +"Dat is te zeggen, Elskes vaôder, Feurich, die dient er als koetsier." + +"Feurich!" herhaalde Ulrica: "o! dien ken ik zeer goed: hij heeft +mij dikwijls in 't bosch rond laten rijden. Een goede, brave, ronde +Bergsman! En is hij uw vader, Elske?" + +"Jaô, lieve Freule!" gaf deze ten antwoord: "en hum heit in zijn +leven ook ander werk edaôn dan paôrden mennen. Hum was in zijn tijd, +toen de olde Graôf van Falckestein nog leefde, de aanvoerder van +zijn Haôneveeren en een wakker ruiter, dat beloof ik oe. Daôr op den +schoorsteenmantel in die porseleinen pot staôt nog de haôneveer, die +hum op zijn helm droeg en die hum mij egeven heit om an de kinderen +te wijzen en hun te zeggen, dat zij altijd braôf en trouw zijn moeten +als hun grootvaôder." + +Hier wendde de officier het oog, dat tot nog toe op de Freule was +gevestigd geweest, naar den schoorsteenmantel, en nu herinnerde hij +zich die haneveder ook den vorigen avond opgemerkt te hebben, waaruit +hij de omstandigheid verklaarde, dat hij juist van een dergelijke +veder gedroomd had. + +"En waar hebt gij dan kennis met de dochter van Feurich gemaakt?" vroeg +de Freule, zich weder tot Gheryt keerende. + +"Jaô, dat is nu tien, twaôlf jaôren eleden, of daaromtrent," zeide +Gheryt: "toen was ik bij Duisburg boerewerk gaôn doen, want mijn vaôder +woonde tusschen Maôs en Waôl; Mevrouw van Nassau was ook weer op heur +slot te Bruck ekomen en zoo maôkte ik door de nabuurschap kennis met +Elske. Na ons trouwen kwam ik, omdat vaôder estorven was en ik moeder +niet alleen kon laôten zitten, weer bij haôr en werd al spoedig tot +veerman anësteld: maôr oe weet, dat die vreugd kort eduurd heeft." + +"Jaô," zeide de oude vrouw: "Gheryt heeft al wat ezien in zijn leven, +en wat met moeder moeten optrekken en rondzwerven. Had hum mij niet +ehad als een blok aan 't been, hum had wel verder voortkomen: maôr +hij is altijd een vrome zoon eweest en heit zijn moeder niet willen +alleen laôten zitten." + +"Zoo ik moeder had laôten zitten," hernam Gheryt, "dan ware ik immers +geen knip voor den neus waôrdig eweest. Heit moeder mij laôten zitten, +toen ik een klein en hulpeloos knaôpje was? Ik kan heur immers niets +doen, dan 't geen zij mij duizendmaôlen edaôn heeft." + +"Kom! kom!" zeide de oude vrouw: "ik mag oe wel prijzen: er zijn +zooveel zoons, die nooit naôr heur moeder omzien; maôr oe zult er +oe loon voor hebben: oe zoons zollen oe ook wel behandelen als zij +groot zijn, althans ik hoop het: en oe ook, Freule! wensch ik, als +oe eens trouwen meugt, zoo'n braôven zoon als mijn Gheryt." + +"Wel, moeder!" hervatte Gheryt: "oe zoudt mij konfuis maôken. En wat +zoude de Freule met zoo'n lomperd van een zoon maôken?" + +"Nu! ik meen, wat de getrouwigheid en dankbaôrheid betreft," zei de +moeder: "wat denkt er de Freule van?" + +"Een brave zoon als de uwe zou alle moeders gelukkig maken," antwoordde +de Freule: "maar daar denken wij nog niet aan: eerst moet ik zoo +een braven man hebben zooals hij is, en komen die tijden, dan komen +die plagen." + +"Nu, die tijd is misschien zoover niet af," hernam de oude vrouw: +"ik heb al zoo wat hooren mompelen. Kleur maôr niet, Freule! Ik hoop +de goede God zal alles ten beste keeren." + +"Amen!" zeide de Freule zuchtende. + +"Draagt gij die kleeren 's Zondags, Gheryt?" vroeg de kamenier, met +een schamperen lach op het lederen buis en de hozen des vreemdelings +wijzende, die nog voor het vuur te drogen hingen. + +"Die kleeren daôr?--neen, die zijn van een reiziger, die den nacht +bij mij is over ebleven: hum leit daôr nog op dat bovenkaômerke +te snorken." + +"Dan zullen wij maken weg te komen, eer hij wakker wordt en ons hier +vindt," zeide de Freule: "kom, Magdalena!" + +"Tot uw dienst, Freule!" zeide deze: "het zal onze tijd ook worden: +de bloemvazen moeten nog opgesierd worden eer de gasten komen, die +Mijnheer van morgen verwacht." + +"Nu! dat is voor u het werk van een oogenblik, Leentje!" zeide de +jonkvrouw: "er is niemand die zich op het bloemenschikken zoo verstaat +als gij." + +"Ook heb ik het veel gedaan in mijn jeugd," hervatte Magdalena: +"maar," voegde zij er zachtkens bij, terwijl zij ten hemel opzag, +en zuchtte: "voor wie?" + +"Gaôt gij al heen, Freule?" vroeg Gheryt: "en dat zonder mijn verken +te zien!" + +"Uw varken!" zeide Ulrica lachende: "mijn goede Gheryt, ik heb zooveel +varkens in mijn leven gezien, dat ik naar het uwe niet nieuwsgierig +ben." + +"Jaô maôr, Freule!" hernam Gheryt, op een toon, die aanwees hoeveel +prijs hij er op stelde, dat zijn verzoek hem werd toegestaan: +"ons verken is geen verken als een aôr: weet oe wel, dat het 560 +pond weegt: en dan.... als oe het gezien had, zoude oe er met eigen +oogen van ewagen kunnen;--want ik had nogal hoop om.... ik zoude +gaôrne.... weet oe?...." + +"Ik begrijp er niets van," hernam Ulrica: "of gij moest verlangen +het mij te verkoopen?" + +"Neen, dat is het niet, Freule!.... alleen maôr.... oe weet, dat de +Utrechtschen binnenkort een hofbeer naôr Den Haôg sturen: als ik nu +zoo gelukkig mocht zijn, dat mijn verken daôrtoe ekozen werd, en oe +wolde mijn voorspraôk zijn; want de verkooper van het verken mag het +naôr Den Haôg brengen en wordt kost- en schadeloos esteld." + +"Aha! nu begrijp ik, waarom ik het varken moest zien, doch waarlijk +mijn krediet is zeer gering, en althans in zulke omstandigheden ben +ik geen zaakkundige." + +"O!" vervolgde Gheryt: "ik heb juist hammen ekocht om niet aan mijn +fraaien hof beer te raken: en als oe er maôr een woord met den heer +Ambtman van sprak, dan ben ik overtuigd, dat....." + +"Op een anderen tijd, Gheryt!" zeide de Jonkvrouw, zich omdraaiende, +om de kleur te verbergen, welke haar gelaat bedekte. Door deze +lichaamswending vielen haar oogen op de kleeren des reizigers en +voornaamlijk op den groenen bandelier die, van nabij beschouwd, +zeer aardig geborduurd bleek te zijn met tien verschillende kleuren +van groen. "Ja, Freule:" zeide Magdalena, het in de hand nemende: +"dat werk is zoo net en keurig gedaan of het uw eigen ware." + +De Jonkvrouw naderde en beschouwde den bandelier eerst met +onverschilligheid, vervolgens met aandacht, eindelijk, als uit haar +geheele houding bleek, met ontsteltenis. Haar kleur verschoot, zij +kneep Magdalena bevend in de hand, keerde zich om, wenschte den +huisgenooten vaarwel en spoedde zich, zonder naar hun herhaalde +dankbetuiging en heilwenschen te hooren, de deur uit met een zoo +overhaasten stap, dat Magdalena haar nauwelijks volgen kon. + +"Mijn hemel, Freule!" zeide deze, terwijl zij zich, den dijk langs, +naar het veer begaven: "wat schort u? Gij zijt ontsteld! gij +beeft! welke plotselinge schrik heeft u bevangen?" + +"'t Is niets, Leentje! 't is niets!" antwoordde Ulrica, stilstaande +en op Magdalena's arm leunende: "'t gaat alweder over: 't was de +benauwdheid: er was wat rook in mijn keel geslagen....." en zij +berstte in tranen uit. + +"Ik heb wel gehoord, dat men schreit, als er rook in de oogen komt," +merkte de deftige kamenier aan: "maar niet dat men in tranen uitberst, +althans niet als de rook enkel in den mond komt. Daarenboven brandde, +zooveel ik gezien heb, het vuur zeer helder, en steeg de rook zeer +goed naar boven." + +"Ik ben kinderachtig," zeide de Jonkvrouw, haar tranen afwisschende, +doch met snikken voortgaande: "ik ben kinderachtig: doch waarlijk, +ik kon het niet helpen: ik gevoelde mij opeens zoo zonderling te +moede.... misschien heeft het bezoek mijn zenuwen aangedaan." + +"Willen wij niet terugkeeren en u een glas water geven?" vroeg +Magdalena. + +"O neen! voor geen geld van de wereld," zeide Ulrica haastig: "ik +zou mij dood schamen: het wandelen zal mij goeddoen. Geef mij uwen +arm en laat ons wat aanstappen: ik zal spoedig weder beter zijn." + +"Was het ook," zeide de kamenier, nadat zij een poosje zonder te +spreken waren voortgewandeld en de Jonkvrouw eenigszins bedaarder +scheen: "was de rook, die u hinderde, ook bijgeval de wasem, die uit +den groenen bandelier opsteeg? Gij zucht, Freule! Zou ik het waarlijk +geraden hebben? Ik begrijp niet...." + +"Ja, Leentje!" antwoordde Ulrica, beschaamd de oogen nederslaande: +"het was die groene bandelier: ik moet het u wel bekennen, omdat +gij het zoo dadelijk raadt, en omdat ik het voel, dat mijn kleur mij +verraden heeft. Ach! die bandelier herinnert mij een soortgelijken, +dien ik, toen mijn neef.... weet gij, Leentje! die wees, die met mij +opgevoed is.... die...." + +"Ik weet al wie UEd. bedoelt: dien Spaanschen voedsterling van +Mijnheer, die naar Bohemen vertrokken is, eenige jaren nu geleden." + +"Dezelfde!--Bij dat vertrek vervaardigde ik voor hem een degenhanger, +juist gelijk aan dengenen, dien wij daar zagen en ik kon niet nalaten, +mij zulks te herinneren, en daarbij al de genoegens, die ik met dien +besten jongen gesmaakt heb.... en de hartelijkste vriendschap, die +ik hem toedr....oeg.... toen wij kinderen waren...." + +"UEd. heeft gelijk er dit laatste bij te voegen," zeide Magdalena: +"het zou thans weinig passen hem genegen te zijn, nadat UEd. de +overtuiging heeft, dat hij een Spanjaard, althans van Spaansch ras is." + +"Kan hij het helpen, Magdalena? Heeft hij zich zelven zijn +ouders kunnen kiezen? O! zoo gij hem gekend hadt, gij ook hadt hem +liefgehad. Iedereen op het slot, in het dorp, in het leger, had hem +lief. Zingen onze goede Dominee, de oude Geert en Bouke niet om strijd +zijn lof? Bemint mijn vader hem niet alsof hij zijn eigen zoon ware? en +kan mij iemand ten kwade duiden, dat ik hem met zuster-teerheid bemin?" + +"Ik weet niet, Freule!" merkte de kamenier met nadruk aan: "of die +zusterlijke liefde den Heer Ambtman erg aan zou staan!" + +"En ik weet niet," hervatte Ulrica op een scherpen toon, "met welk +recht zich de Heer Ambtman over mijn gevoelens zou bekommeren." + +"Verschoon mij, Freule!" zeide Magdalena: "ik beken, dat zijn +ambtsgericht zich niet over de neigingen evenals over de bezittingen +van anderen uitstrekt; maar ik dacht, dat hij als uw aanstaande +echtgenoot ten minste eenige aanspraak mocht hebben op uw onverdeelde +liefde." + +"En wie zegt, dat hij mijn aanstaande echtgenoot is?" vroeg Ulrica. + +"Wie?--de gansche wereld." + +"Zoo!--ik dacht, dat ik de eenige persoon was, die hieromtrent +beslissend spreken kon; doch het is hieromtrent als met meer dingen: +elk weet, wat van de zaak is en spreekt er op stelligen toon over, +behalve degene, wien zij aangaat." + +Hier werd heur gesprek afgebroken, doordat zij aan het veer gekomen +waren, alwaar de oude veerman haar reeds in zijn boot verbeidde, +terwijl zijn knecht wat verder aan de groote veerschuit stond te +wachten op eenige ruiters, die hij in de verte van de zijde van Tiel +zag aankomen. Met kracht van riemen bracht de grijsaard de beide +vrouwen naar de overzijde, en dankte zeer beleefdelijk de Freule +(toen deze bij 't uitstappen hem een driedubbel veergeld betaalde) +voor de eer, die zij aan zijn bootje had bewezen. + +"Is het waar, wat ik gehoord heb, Freule?" vroeg, toen zij verder +opwandelden, de kamenier, die het gesprek scheen te willen terugbrengen +op het punt waar zij gebleven waren, "is het waar, dat de Koning van +Bohemen hals over kop herwaarts komt?" + +"Men zegt zoo." + +"Dan zal misschien ook uw.... hoe zal ik hem noemen?.... uw vriend +weldra terugkeeren.... maar wat praat ik?.... alsof hij UEd. niet zou +geschreven hebben, wanneer hij weder hier dacht te wezen."--Hier zag +zij haar meesteres vragend aan. Deze antwoordde op een onverschilligen +toon: + +"De laatste brief, dien mijn vader van hem ontvangen heeft, meldde, +dat hij gezond en wel was: sedert zijn er, althans hier, geen boden +uit het leger gekomen." + +"Dan zal hij UEd. misschien zelf komen verrassen; ware het nu niet +beter, Freule (verschoon mijn vrijpostigheid; maar ik heb meer jaren, +en helaas! meer ondervinding dan UEd.) dat men hem vooreerst niet te +lang op het slot vertoeven liet om de jaloezie van den Heer Ambtman +niet op te wekken? want deze is jaloersch, gelijk iedereen die waarlijk +verliefd is." + +Ulrica zag, op het hooren van dezen zonderlingen en ongevergden +raad, haar kamenier aan met een ontevreden en verwonderden +blik, haalde de schouders op en vervolgde haar weg zonder +een woord te spreken. Magdalena liet zich echter hierdoor niet +afschrikken. "Verbeeld u, Freule!" ging zij voort: "dat die Spanjaard +en de Heer Ambtman elkander bij uw vader aantroffen. Het kan niet +missen, of de tegenwoordigheid van een jongeling, die vertrouwelijk, +ja broederlijk, met u omgaat en aan wien UEd. wederkeerig blijken +van genegenheid geeft, zal den naijverigen minnaar, die tot nog toe +alleen de begunstigde was, grieven: onrust, nijd, twist en de hemel +weet wat meer, kunnen hiervan de gevolgen wezen." + +"Magdalena!" zeide de Freule, het hoofd met waardigheid opheffende: +"gij kent mij. Ik ben niet trotsch, niet hoog jegens mijn minderen. Ik +schuw geen gesprek ook met de dienstboden, en leg iemand noode het +zwijgen op, hoeveel meer aan u, voor wie ik achting heb. Maar thans +ben ik verplicht u te verbieden verder een woord te reppen over het +onderwerp, dat gij zoo allerongelukkigst tot stof onzer samenspraak +gekozen hebt. Het past u niet, zulks te behandelen; niet omdat gij +mijn kamenier zijt; maar omdat het niemand, behalve mijn vader, +voegt, mij op een dergelijke wijze over een zaak van zoo teederen +aard te onderhouden." + +"Verschoon mij, Freule!" hervatte Magdalena op een koelen toon, die +van bitsheid niet vrij was: "verschoon mijn dwaasheid van te denken, +dat de erfdochter van Sonheuvel boven haar gelijken verheven was, +en dat zij somwijlen het oor aan goeden raad wilde leenen. Ik zie, +dat ik mij bedrogen heb in deze omstandigheid; maar ik hoop slechts, +dat UEd. nimmer mijn vrees bewaarheid moge zien." + +Het verwijt trof Ulrica; doch zij hield zich overtuigd, welgedaan +te hebben, en antwoordde dus niet. Ook zweeg Magdalena, 't zij dat +zij geen trek had zich aan een nieuwe bestraffing te wagen, 't zij +dat zij de uitwerking, welke haar gezegde gehad had, wel verwacht of +zelfs verlangd had. + +Nadat zij eenige schreden waren voortgetreden, deed een gerucht van +naderende ruiters beiden omzien, en zij ontdekten den Ambtman met +zijn _fidus Achates_, Elbert van Botbergen, benevens eenige dienaars, +die heur op een goeden draf achterop kwamen rijden. + +"Is 't mogelijk?" riep Mom, die, zooras hij Ulrica gewaarwerd, zijn +paard intoomde, gelijk de overigen deden: "kan 't zijn, dat het eerste +voorwerp, dat zich aan deze zijde des Rijns aan mijne oogen voordoet, +onze bevallige gastvrouw zijn moet? Mag ik reeds zoo vroeg het doel +mijner reis, het toppunt mijner wenschen bereiken?" + +"Het voegt mij, UEd. om verschooning te vragen, dat UEd. mij hier +nog ontmoet, daar ik reeds op het slot moest wezen om alles voor uw +ontvangst in gereedheid te brengen." + +"Ik voel dien zet," zeide de Ambtman met een buiging: "Ik kom te vroeg; +doch het verlangen om u te zien, mijn waarde Freule!".... + +"In 's Hemels naam, Heer Ambtman," zeide Ulrica lachende: "laat ons +geen _euphuïsme_ beginnen in den smaak van sommige Haagsche hofheeren, +die in Engeland fraaie manieren geleerd hebben. Wij zijn hier op het +land: wij moesten de plichtplegingen daarlaten." + +"Gewis!" zeide Botbergen, die van de gansche samenspraak niets gehoord +had en alleen op de laatste woorden lette van Ulrica, die hem nog +onbekend was: "al die snorrepijpen en tilerantijntjes dienen nergens +toe: ik zeg daarom eenvoudig: goên dag, meiske! ik had niet gedacht, +dat wij nog zoo een knappe deerne zouden zijn tegengekomen, na de +varkens, die ons van morgen aan de poort ontmoet hebben, daar zulks +anders zelden iets goeds beduidt. Nu, dit geeft weder goeden moed; +doch laat ons wat voortjassen, Ambtman! anders komen wij te laat op +het slot;.... maar pots honderd tausent slapferment!" riep hij uit, +Magdalena herkennend: "Wie is daar?" + +"Wat rammelt gij toch, Botbergen?" vroeg Mom: "merkt gij niet wie +gij voorhebt? dit is de Freule van Sonheuvel, het pronkjuweel van 't +Sticht. Freule! ik stel u den Heer van Botbergen voor, een Geldersch +edelman, mijn bijzonderen vriend." + +"Dat is zijn beste aanbeveling," zeide Ulrica, onder 't voortgaan +een hoofdbuiging makende. + +"Ik verzoek verschooning in dit geval," zeide Botbergen, "dat ik +zoo wat ongepast gesproken heb. Ik kende de Jonkvrouw niet: ook +had mijn bijzondere vriend, de Heer Ambtman, mij wel wat vroeger +mogen waarschuwen. Geloof, lieve Freule, dat ik, toen ik daareven +van varkens sprak, geen gedachten had met wie ik sprak:.... gelieft +UEd. ook op te zitten? mijn paard is zeer mak en er is plaats genoeg +achter mij! dan kan de Freule gemakkelijker en spoediger te huis zijn." + +"Zijt gij dol, Elbert?" riepde Ambtman wrevelig uit: "is dat nu een +voorstel? Wij zullen afstijgen en de Freule naar het slot begeleiden, +indien zij ons zulk een groote eer vergunnen wil." + +"De weg is vrij," zeide Ulrica: "doch het zou mij leed doen, indien +de heeren om mijnentwil afstegen. De heeren zullen misschien verlangen +spoedig op het slot te zijn en zich wat te ververschen." + +"Is er een genoegen," zeide Mom, terwijl hij afsteeg, "dat bij het +geluk mag halen, van u te vergezellen?" Dit zeggende, gaf hij de +teugels van zijn paard aan een bediende over, veegde zich met den +handschoen het stof van 't aangezicht af en kuste Ulrica beleefdelijk +de hand. + +"Ik verzoek nogmaals om verschooning," zeide hij, "indien ik zoo vroeg +gekomen ben; doch UEd. begrijpt, dat, als men van zoo ver komt, men den +tijd wat ruim neemt, vooral als het doel der reis zoo aangenaam is." + +"Ik wist niet," zeide Ulrica, "dat UEd. zulk een liefhebber was van +het kegelspel." + +"UEd. begrijpt mij niet, of liever UEd. verkiest mij niet te begrijpen: +het is geenszins het kegelspel, noch zelfs het altijd vleiend en +gul onthaal van den Heer Baron, dat mij voor den dag van heden +zulk een genoegen belooft. Het geluk dat ik verlangde, ben ik reeds +machtig geworden sinds ik UEd. mocht ontmoeten: en het staat aan u, +Freule! dat geluk nog boven verwachting en hoop te vermeerderen, +door mij op heden de verzekering te schenken, dat mijn vurigste +zielswensch u niet geheel ongevallig is." + +"Waarlijk, Heer Ambtman! UEd. spreekt vandaag zoo hoofsch, dat een +eenvoudig landmeisje als ik u niet verstaan kan." + +"De Freule heeft wel deugdelijk gelijk," riep Botbergen uit, "de +droes haal mij, als ik iets uit die opgesmukte woorden wijs kan +worden. Waarom niet eenvoudig gezegd. + + + Dus eenigh + Alleenigh + Te zijn + Is pijn. + Dus laat ons beyd. + O soete meyd! + Versamen eens in vrolickheyd. + + +en 't geen er verder volgt, zooals de Dominees zeggen als zij den +Psalm opgeven." + +"Hoe weet gij wat de Dominees zeggen?" vroeg Mom, "gij, die nooit in +kerk of kapel komt!" + +"Uwe Hoogloffelijke Edelheid bedriegt zich," antwoordde Elbert met +inzicht; "ik ben gisteravond nog in de oefening geweest: daar waren +leeraars en geestelijke personen bij de vleet." + +"Dan begrijp ik," zeide Magdalena, zonder op te zien, doch luid genoeg +om van elk gehoord te worden, "dat het met de ware religie zoo slecht +gesteld is, als zulk een slag van lieden de oefeningen bijwonen." + +"Magdalena!" zeide op een bestraffenden toon de Jonkvrouw, die hoewel +de geestigheden van den Gelderschman zeer ongepast oordeelende, +het evenmin goedkeurde, dat haar kamenier zich in 't gesprek mengde: +"het wordt u immers niet gevraagd!" + +"Foei! foei! mijn waarde Freule!" riep Elbert: "frons dat lieve +voorhoofdje zoo niet en trek die wenkbrauwen wat minder te zamen. Laat +dat meiske dat bij u is, zeggen wat zij wil: mij deert het niet. en +UEd. moet er niet boos om worden: of zoo UEd. zuur wil kijken, zie +dan mijn vriend den Ambtman zuur aan, hê! hê! hê!" + +"En waarom moet ik zuur aangezien worden?" vroeg Mom, bevreemd +opziende: "ik, die mijn leven voor een vriendelijken lach van dien +bevalligen mond zoude geven." + +"Wel!" zeide Botbergen, "omdat + + + Ziet u een maeght + Wat toornig an, + Als gij haar vraegt, + Denk dan, goê man! + Dat g'haar behaegt: + Hoe zuurder dat een meisje kijkt, + Hoe meer dat uw gevrij haar lijckt." + + +"Ik moet bekennen, Mijnheer!" zeide Ulrica, glimlachende, "dat uw +brein wel met rijmpjes gestoffeerd is. UEd. is zekerlijk lid van de +eene of andere Rederijkerskamer?" + +"Ik, Freule? de hemel beware mij! Neen! al wat ik in 't vak van +liedekens weet, heb ik in 't leger geleerd. Doch ik zing nooit recht +zuiver als ik nuchter ben. De stem en de maag staan bij mij in nauw +verband, en dit is natuurlijk: de goede dingen, dat is bij voorbeeld +de wijn, gaan mijn keelgat in en dan eerst komen de goede dingen, +dat zijn de fraaie liedekens, mijn keelgat uit, zoodat...." + +"Verwar u toch in geen redeneeringen, Elbert!" viel de Ambtman in: +"daar komt ge nooit tot uw eer af." + +"UEd. heeft dan in 't leger gediend?" vroeg de Freule. + +"Dat heb ik," antwoordde Botbergen: "bij den Koning van Bohemen: +en al zeg ik het zelf, niet zonder glorie en lof." + +"Zijnde zijn grootste lof en glorie," merkte Mom aan, "dat hij een +maagd met zich gevoerd heeft, welke hij ongerept en ongedeerd terug +heeft gebracht in het vaderland." + +"Waarlijk iets ongewoons," zeide Ulrica: "en wie was die gelukkige?" + +"Zijn degen, Freule!" antwoordde de Ambtman. + +"Pots honderd tausent slapferment!" riep Botbergen, de hand aan 't +gevest slaande: "indien ik niet wist, dat UEd. spotswijze sprak en +het beter meende, ik zou deze schande al dadelijk uitwisschen en...." + +"En mijn bloed zou het eerste zijn, dat uw degen bevlekte, wilt gij +zeggen, nietwaar?" vroeg Mom lachende. + +"En ik zou u de punt van mijn staal doen voelen," vervolgde Botbergen, +"gelijk ik dien jongen snoeshaan deed, die in 't leger...." + +"Wel foei, Mijneheeren! gaat gij kijven in mijn +tegenwoordigheid!" zeide Ulrica. + +"Deze alleen ontwapent mijn rechtmatigen toorn," zeide Botbergen, +op een kluchtige wijze zijn lemmer half uithalende en weder in de +scheede latende vallen. + +"En wat hebt gij dien jongen snoeshaan gedaan, van wien gij +spreekt?" vroeg Mom. "Hebt gij hem doorregen als een hoentje aan +'t spit of hem als een os den hals afgestoken?" + +"Neen!" antwoordde de snorker: "neen, vriendje! het was maar bij manier +van spreken, dat ik van de punt van 't staal sprak: mijn kling was +veel te edel om die anders dan op het slagveld te gebruiken; doch wat +den pochenden windbuil betreft, van wien gij gewaagt, zoo heb ik hem, +daar hij mij op een onbeschaamde wijze dorst hoonen, het gewicht mijns +rottings doen voelen, zoodat hij, gelijk een haan, wien de kam is +afgebeten, zich wegpakte en nooit weder in het kamp verschijnen dorst." + +"En hoe heette die windmaker?" vroeg Mom. + +"Hij droeg een naam," antwoordde Elbert, terwijl hij de Jonkvrouw +aanzag met denzelfden blik, dien de hardvochtige heelmeester werpt +op den ongelukkige, wiens arm hij af komt zetten: "waarop hij +waarschijnlijk geen recht had, vermits de heerlijkheid, waarvan hij +zich den titel aanmatigde, aan onzen edelen gastheer behoort. Hij +stond op de monsterrol ingeschreven als Jonker Joan van Craeihorst." + +"Jonker Joan van Craeihorst!" herhaalde Ulrica, verbleekende. + +"Is hij UEd. bekend?" vroeg Botbergen haastig, "dan spijt het mij +iets te zijnen nadeele gezegd te hebben." + +"Onvoorzichtige!" riep Mom, een ontevreden houding aannemende: +"die heer van wien gij spreekt, is de voedsterbroeder van onze +waardige Freule!" + +"Och, dat spijt mij.... ik verzoek duizendmalen om verschooning, +waarde Freule!" zeide Elbert: "had ik dat kunnen denken, +ik had hem in der tijd wel gespaard en er nu althans niet van +gesproken. Nogmaals! vergeef mij deze onbedachtzaamheid; maar waarlijk, +ik was verre van te denken...." + +"Indien het een onbedachtzaamheid was," zeide Ulrica, "waarom zou ik +die dan niet vergeven?" + +"UEd. denkt toch niet, dat ik het opzettelijk verhaalde?" vroeg +Botbergen, door het gezegde der Jonkvrouw een weinig uit het veld +geslagen. + +Deze ontijdige en ongepaste verontschuldiging versterkte Ulrica +in het vermoeden, dat zij reeds niet alleen omtrent het boosaardig +opzet van Botbergen, maar ook omtrent de waarheid van zijn verhaal, +had opgevat. "Mijnheer!" zeide zij tot den Gelderschman: "ik wist wel, +dat men hem, die uit verre landen kwam, het voorrecht moest gunnen, +zijn verhalen naar verkiezing op te sieren; doch die verzinselen +moesten nimmer de eer gelden van iemand, die niets anders dan die +eer bezit--en die telken dage wederom kan komen, om geleden hoon +te wreken." + +"Hoe Freule!" riep Botbergen, de handen als van verbaasdheid +ineenslaande. "Ben ik ongelukkig genoeg om voor een logenaar te worden +aangezien? Mijn vriend, de Ambtman, kent mij te wel om geen getuigenis +voor mij af te leggen, dat ik niets zou aanvoeren, 't welk bezijden de +waarheid was." Dit zeggende, zag hij Mom met een scheeven blik aan, +als wilde hij zeggen: "ik ben er om uwentwil in geraakt: het is nu +uw zaak, mij er weer uit te helpen." + +Dan Mom had hier vooreerst geen zin in. Hij zag, dat de list, die +Botbergen volgens een tusschen hen gemaakte afspraak in 't werk had +gesteld, haar doel bij Ulrica miste, en hij vreesde, dat, indien hij +de partij van Botbergen nam, de Jonkvrouw de volle waarheid gissen +zou, het gemaakte plan doorzien en hem al haar achting ontnemen, +waardoor hij de kans op haar hand verbeuren moest. Hij begreep dus, +dat het zaak ware, van batterij geheel te veranderen en de partij +van den afwezigen Joan te nemen: dit moest hem, naar zijn oordeel, +bij Ulrica den naam van een grootmoedigen medeminnaar doen verwerven, +haar vertrouwen in zijn betuigingen inboezemen en haar geloof doen +hechten aan de lasteringen, die hij in later tijd tegen Joan, onder +den schijn van welwillendheid, zou doen hooren. + +"Kom! kom! Elbert," zeide hij: "gij zult u in den naam vergissen. Ik +kan niet denken, dat een jongeling, die door den Heer Baron van +Sonheuvel is opgevoed en wien de beminnelijke Freule met haar achting +vereert, zulk een lafbek zoude zijn, dat hij zich door u zou laten +af kloppen. Ik zou dat sprookje maar niet verder uitkramen; want het +mocht u eens kwalijk bekomen, als de Jonker van Craeihorst terugkomt." + +"Maar pots tausent!" riep Botbergen, die den Ambtman in den beginne +met een oog vol verbazing had aangekeken, doch thans zijn doel begon +te raden: "ik zweer u, dat ik geen woord terugneem van al wat ik +gezegd heb: al wat ik tot verschooning van dien Jonker kan bijbrengen, +is dat hij dronken was, toen hij mij beleedigde." + +"Geen woord meer over de gansche geschiedenis," zeide Mom, op een +gebiedenden toon: "ik kan niet verdragen dat men kwaad spreekt +van een afwezige, die zich niet verdedigen kan. Ik begrijp het +geval niet recht," vervolgde hij zacht tegen Ulrica, op een gullen +toon: "Botbergen is een snorder, dat is waar, doch niet van moed +ontbloot;--want dat ik hem zooeven wat plaagde, geschiedde slechts uit +een oude gewoonte:--ik kan niet denken, dat hij het geheele verhaal +opzettelijk verzonnen heeft. Misschien was het zoo erg niet: ik zal +het eens trachten uit te vorschen; want op den voedsterbroeder mijner +Ulrica mag geen smet blijven kleven." + +"Gij zult mij vermaak doen," zeide Ulrica, met een minzame +hoofdbuiging, terwijl dankbaarheid in haar oogen flonkerde; "doch +wij zijn aan het achterhek: hier, Mijneheeren! zullen wij u verlaten." + +Dit zeggende, trad zij, na een beleefde buiging voor den Ambtman, +het bruggetje over, dat haar op het grondgebied des Barons bracht, +en vervolgde haar weg met Magdalena door de tuinen van het slot, +terwijl de edellieden, hun rossen weder bestegen hebbende, langs +den zijweg voortstapten, om, verder op, de hoofdpoort in te gaan, +inmiddels overleggende, hoe zij hun duistere voornemens tegen den +goeden naam van Joan best zouden ten einde brengen. + +De Jonkvrouw, op wier teeder gemoed de vergiftigde taal van Elbert +meer indruk had gemaakt dan zij zich zelve wilde bekennen, gaf, zoodra +een slingerboschje haar aan het gezicht van het waardig vriendenpaar +onttrokken had, aan haar boezem lucht en stortte zulke bittere tranen, +dat zelfs de arbeiders, die, met Bouke aan 't hoofd, bezig waren aan +'t versieren der kegelbaan, het opmerkten toen zij er langs ging, +en de oude dienaar haar naderde, om te vragen wat haar deerde. + +"O! zijt gij het Bouke!" riep Ulrica: "u kan ik het zeggen; want +Magdalena heeft het toch ook gehoord; het zal u bedroeven, gelijk +het mij bedroeft. Men vertelt mij daar zooeven, dat Joan zich als +een lafaard met stokslagen uit het leger had laten drijven." + +"Dat is een verd...de leugen, met verlof gezegd," zeide Bouke: "wie +zegt dat? ik zal hem zelven op zijn rug touwen, dat het hem jaar en +dag heugen zal." + +"St! Bouke! niet al te driftig! het is de heer van Botbergen, een +edelman, die met hem gediend heeft; die heeft het, naar zijn zeggen, +zelf gedaan." + +"Hij liegt het, Freule! bij mijn ziel. Joan zich laten kloppen? 't +kan niet wezen." + +"Ik ken uw jonker niet," zeide Magdalena: "maar ik kan toch niet inzien +welk belang de Heer van Botbergen er in hebben zou, hem te belasteren." + +"Wat weet gij daarvan, Juffer Lena?" vroeg Joans oude krijgsmakker, +driftig: "het spreekwoord zegt: alle koopers zijn geen kenners, en die +haast koopt is haast bedrogen. Ge meugt dien Sinjeur van Boanberg zoo +weinig belang toeschrijven als ge wilt: wanneer hij kwaad van onzen +jonker spreekt, dan is hij geen knip voor zijn neus waard.--Wat hamer +Sijmen!" riep hij, zich in de rede vallende om een der werklieden te +recht te wijzen: "nu zet je de geut immers vlak verkeerd.... wacht ik +zal bij je komen, als je 't niet beter weet!--nu, zooals gezegd is, +Freule! stel je hartje maar gerust: ik heb te lang met den Jonker over +land en zee gezwalkt en gezworven, om niet te weten, dat hij geen kat +is, die men zonder handschoen aan kan vatten: hij zal zich niet op +den rug laten trommelen, en wie daar tegen spreekt, dien draai ik den +hals om, al was hij nog zoo een groot heer." Met deze woorden keerde +hij weder naar de werklieden, die, nu geëindigd hebbende met het +versieren der kegelbaan, bezig waren om die tot het spel behoorlijk +in gereedheid te brengen. Ulrica begaf zich zuchtende naar het slot, +alwaar zij, gevolgd door Magdalena, keuken en kelders bezocht, om, +tot onthaal van haars vaders gasten de noodige voorzieningen te maken. + + + + + +TWINGTIGSTE HOOFDSTUK. + + Menigh wil by dranck en spijs + Wesen wijs, + Schoon hy is van wijn beschonken, + Daar doch yeder kan bespiën, + Dat dees liên + Sijn van sotte grillen droncken. + + _Pers_. + + +Inmiddels waren Mom en Botbergen op het slotplein verwelkomd geworden +door den Baron van Sonheuvel, verzeld van den oude jachthond Veltman, +die, nu blind en onbekwaam hem in 't veld te volgen, den Baron +binnenshuis altijd ter zijde bleef. Nadat hij de beide heeren met de +hem eigen gulhartigheid goeden morgen had gewenscht en last gegeven, +dat de paarden wel verzorgd zouden worden, geleidde hij hen naar de +benedenzaal, vermits de groote ridderzaal, waar men spijzen zoude, +nog niet geheel in gereedheid was. Binnengekomen, wilde Mom nog eenige +verontschuldigingen bijbrengen wegens zijn vroege komst; doch de Baron +wilde daarvan geen woord meer hooren reppen, alvorens de heeren zich +met een teug goeden wijn, die hun in groene fluiten op een zilveren +schenkblad werd toegediend, ververscht hadden. Toen eerst was het, +dat Elbert de gelegenheid vond, zich door zijn patroon aan den Baron +te laten voorstellen en dezen te verzoeken, hem zijn vrijpostigheid +te willen ten goede houden, dat hij, zonder den Heer van Sonheuvel +te kennen, niet geaarzeld had zijn vriend Mom, op diens verzoek, +bij deze gelegenheid te vergezellen. + +"Een hupsch edelman, als UEd. schijnt, heeft op mijn slot geen +aanbeveling noodig," zeide Reede: "en daarenboven! mag een vriend +niet altijd een vriend medebrengen?" + +"Ik hoop die spreuk dan ook op mij te mogen toepassen," zeide Mom +tegen zijn gastheer: "want er is geen naam, waar ik meer prijs op stel, +dan op dien van uw vriend." + +"Zoo!" zeide Reede: "ik dacht dat er een andere titel ware, dien gij +mij nog liever geven zoudt, hê! hê!" en hij begon hartelijk over zijn +geestigheid te lachen. + +"Gij hebt dubbel gelijk, Heer Baron!" antwoordde de Ambtman, met een +bevallige buiging: "en hoewel het een het ander niet uitsluit, beken +ik, dat ik mij kwalijk heb uitgedrukt, en dat mij in dit oogenblik +de naam van uw schoonzoon boven alles dierbaar zou wezen;.... doch +ziedaar een geluk, waarop ik niet hopen durf." + +"En waarom niet, Heer Ambtman?" vroeg de Baron op een gulhartigen toon: +"gij weet, dat ik u hartelijk genegen ben en u hooge achting toedraag." + +"Ik ben u daarvoor hoogst dankbaar, Heer Baron! maar, daar is nog +iemand, die in dit geval geraadpleegd dient te worden, en aan welke +ik vrees, voor 't minst onverschillig te zijn." + +"Mijn dochter meent gij?--Zij draagt u hoogachting toe: zij weet, +dat haar huwelijk met u mij hoogst aangenaam zoude wezen; zij heeft +nog geen vooringenomenheid voor eenig man: wat wilt gij meer? wat +nog ontbreekt moet gij zelf zien te verkrijgen." + +"Is UEd. wel zeker," vroeg Mom, zijn woorden wegende, "dat zij nog +niemand met een meer bijzondere onderscheiding heeft gezien?" + +"Wel ja! zoo zeker althans als men van de gevoelens van een +twintigjarig meisje wezen kan." + +"Dat zegt juist niet veel," merkte Botbergen lachende aan. "In een +meisjeshart te willen lezen is evengoed, als bij nacht op zee uit het +venster te willen kijken of het nog stormt. Men ziet niets en de wind +blaast onze muts nog af op den koop toe." + +"Zeer juist! zeer juist!" zeide de Baron, den Gelderschman op den +schouder kloppende: "alleen met dit onderscheid, dat het in het hartje +van mijn Ulrica geen stormachtige nacht is. Doch, wat er ook van zij, +Heer Ambtman! de liefde mijner dochter te verkrijgen is uw zaak: +zoo gij eens haar toestemming hebt, zal de mijne niet achterblijven: +wat kan een vader meer doen?--Ulrica moet vrij handelen: het staat +dus aan u, uw best te doen om haar genegenheid te winnen." + +"Zij is lang in Den Haag geweest," zeide Mom, het hoofd schuddende. + +"Daarover kunt gij u toch niet beklagen," hernam Reede: "daar hebt +gij haar het eerst leeren kennen." + +"Ik vrees maar, dat de een of ander hoofsche Jonker...." + +"Gekheid, gekheid, Heer Ambtman! Zij hield veel van de Gravin van +Nassau, en huisde er gaarne; maar ik heb haar toch altijd vroolijk en +weltevreden gezien, als zij weder bij mij op het slot keerde. Er is wel +een zwarigheid," vervolgde de Baron, opeens het voorhoofd fronsende; +"doch die is van geheel anderen aard." + +"Een zwarigheid!" herhaalde Mom, van kleur veranderende: "ik bid +u!...." + +"Ik zal u die verhalen, zoodra wij een geschikt oogenblik vinden om ons +zonder getuigen te onderhouden," zeide Reede op den deftigen toon, dien +hij slechts in zeer bijzondere gevallen aannam: "ik hoor hoefgetrappel +op de slotbrug; en ik ga onze nieuwe gasten welkom heeten." + +"De oude Heer schijnt sterk met u ingenomen," zeide Elbert, terwijl hij +met Mom den Baron, die de nieuwaangekomenen ontvangen ging, langzaam +volgde: "hoe het met de dochter is, zal nog te bezien staan. Mij dunkt, +zij vatte nogal vuur op mijn verhaal: en haar hart schijnt meer dan +wel noodig is aan haar ouden schoolkameraad gehecht." + +"Des te beter," zeide Mom: "des te eer zal zij uit spijt een anderen +trouwen, mits het ons maar eens gelukke, haar te overtuigen; doch +genoeg hiervan, daar komt de Baron met zijn gasten aan." + +De nieuwaangekomenen werden alras door eenige andere genoodigden +gevolgd, zoodat het gezelschap na verloop van een half uur voltallig +was en uit een twaalftal edellieden bestond. Van de gesprekken, +welke na het afloopen der eerste verwelkoming en daaraan verknochte +plichtplegingen volgden, zullen wij geen melding maken; zij waren +onbeduidend, gelijk gewoonlijk bij den aanvang van alle feesten en +partijen het geval is. Toen de klok elf geslagen had, kwam de oude +Bouke den Baron verwittigen, dat het ontbijt gereed was: waarop Reede +zijn gasten verzocht, hem naar de groote ridderzaal te volgen. + +Deze bood den genoodigden een aangenaam en recht verkwikkelijk +schouwspel aan, zoowel wegens haar fraaiheid en den opschik, dien +men er bewonderde, als wegens de aantrekkelijkheden van een meer +zelfstandigen aard, waarmede zij vermoeide gasten uitlokte. Zij +was ruim en langwerpig van gedaante: twee vervaarlijk breede +en hooge haardsteden, waarin, ondanks het lenteseizoen een goed +onderhouden vuur brandde, stonden aan de beide einden over elkaar +te prijken. De vooruitspringende schoorsteenmantels, van kostbaar +Egyptisch marmer vervaardigd, schraagden een menigte antieke vazen +(bij deze gelegenheid met de eerste voorjaarsbloemen gevuld) en rustten +aan elken hoek op twee spierwitte kolommen, sierlijk met groene hulst +omslingerd. Kostbare basrelieven, uit een andere marmersoort gehouwen, +versierden het lijstwerk en de voetstukken: de liefdesgevallen van +Venus en Adonis waren op de schoorsteenen zelven op witten steen +afgebeeld. Aan wederzijden der haardsteden bevond zich een deur, +welker kroonlijst, insgelijks op kolommen rustende, zich met de +schoorsteenmantels vereenigde, zijnde de vakken boven de deuren, +de basementen en plinten mede met snijwerk en beelden versierd en +opgetooid met bloemen en loof. In de lengte was de zaal ter eener +zijde met acht vensters voorzien, wier bovenste afdeelingen met +allerlei wapens beschilderd waren; terwijl de benedenste glasruiten +een vroolijk uitzicht opleverden over de tuinen van het slot en de +omliggende landouwen. De vakken tusschen de glasramen waren om en +om met familieportretten en wapenrustingen behangen; het middelste +vak alleen was ledig, zijnde daarop in fraai Parisch marmer het +geslachtswapen des eigenaars uitgebeeld. De tegenzijde der zaal was +over haar geheele lengte onafgewisseld met allerlei soorten van jacht- +en wapentuig bekleed, hetwelk op een zeer aardige wijze onder het +opzicht der bevallige Freule met sparretakken, hulst en bloemfestoenen +aaneengestrikt was; 't geen een vroolijke vertooning maakte en de oogen +aangenaam streelde; doch wat aan de gasten, gelijk ik hierboven met +een enkel woord reeds aanmerkte, een nog blijder schouwspel opleverde, +was de lange tafel, welke midden in de zaal stond, en waarop een +prachtig en voedzaam ontbijt was gereedgemaakt, dat niet uit de thee, +de koffie, de vruchtenstroop of al de uitvindingen van latere dagen +bestond, maar uit de stevige spijzen en dranken, die onzen goeden +voorvaderen op alle uren van den dag welkom waren. + +De gasten namen plaats op bankjes of schabellen voor twee personen, met +zachte kussens overdekt. Spoedig viel men aan 't eten: de hoendersoep, +in zilveren kommen opgedischt, maakte weldra voor een zwijnskop +plaats, verzeld van kippen, kapoenen, duiven, versche kropsalade, +in 't kort van al wat het jaargetijde medebracht en op een kostbaar +ontbijt kon gevorderd worden. De edellieden deden eer aan deze spijzen, +zoowel als aan de voortreffelijke wijnen, die hun onder het opzicht +van Bouke, die als bottelier optrad, werden toegediend. Alleen de +Ambtman scheen weinig smaak te vinden in 't geen hem aangeboden werd: +de gewichtige plannen en de daaruit ontsprotene bekommernissen, +welke zijn brein vervulden, ontnamen hem allen eetlust: en verre +van in een onmatig gebruik van drank eenige verstrooiing te zoeken, +trachtte hij zich, zoolang zulks in zijn macht was, van het volle +gezag over zijn verstandelijke vermogens te verzekeren door niet, +dan bij het instellen van gezondheden of dergelijke gelegenheden, +den beker aan den mond te brengen. Hij zag met angstvalligheid, hoe +Botbergen de hem aangeboden roemers nooit afsloeg, maar altijd dadelijk +tot den bodem ledigdronk. Zijn bezorgdheid was echter overtollig; want +de Gelderschman was aan tafel voor geen klein weinigje vervaard en had +een maag, die zeer gevoegelijk, naar verkiezing, de eigenschap van een +spons of van een handschoen kon aannemen, zonder dat zijn hoofd er iets +door leed; de eenige invloed, welken de wijn op hem uitoefende, was +die, van hem nog opgeblazener en laatdunkerder dan gewoonlijk te maken. + +"Gij zijt bijster stil vandaag, Ambtman!" zeide Reede: "hapert er +wat aan? of smaakt u mijn wijn niet?" + +"Het gastereeren deugt mij niet,"' zeide Mom: "ik ben geen man, +die voor festijnen geschikt is; en ik wensch gaarne een juist oog te +behouden, om den kegel niet mis te raken," voegde hij er glimlachend +bij. + +"Ei! ei!" zeide de Jonker van Scherpenzeel: "dat is geen echt spel. Wil +UEd. ons een roes laten drinken en zelf nuchteren blijven? dat zou +slecht gelijk staan!--doch ik weet wat er aan schort. Een gezelschap +van enkel heeren kan UEd. niet meer lijken, is 't niet zoo?" + +"Ik beken," zeide Mom, "dat het gezelschap van de schoone kunne het +genoegen der gezellige kringen altijd bevorderen moet." + +"En vooral dat van onze edele gastvrouw, die, hoewel afwezig, in +elke bloem, die het vertrek versiert, te vinden is," riep de Heer van +Helmenhorst: "lang moge zij leven! lang!" vervolgde hij, oprijzende +en een roemer omhoogheffende: "lang leve de schoone Freule Ulrica +van Sonheuvel!" + +"Lang leve de dochter van onzen braven gastheer!" riep Botbergen, zijn +voorbeeld dadelijk volgende, gelijk ook het overige gezelschap deed. + +Ik dank u voor mijn dochter, Mijne Heeren!" zeide de Baron, op zijn +beurt een roemer vullende: "en moge zij nog vaak de eer gemeten, +de toebereidselen voor Ulieder onthaal te bestieren." + +"Mits niet in dit vertrek," zeide Botbergen. + +"En waarom hier niet?" vroeg Reede met een verwonderd gelaat. "Staat +u deze zaal niet aan?" + +"De zaal is prachtig en geriefelijk," antwoordde Elbert: "maar, +aangezien wij allen hopen, dat de Jonkvrouw spoedig de keuze van een +waardigen echtgenoot moge doen, en zij dan haars vaders huis verlaten +zal, meen ik haar geen kwaden wensch te doen, wanneer ik Haaredele +de bezorging van een feest in een ander lokaal toewensche." + +"Wel gevonden!" zeide de Heer van Lievendaal: "Mijnheer van +Botbergen! ik heb de eer hem u te brengen voor dien goeden wensch." + +"En ik zou u gaarne in gelijke munt betalen," hervatte de Gelderschman: +"maar ik heb geen wijn van deze soort meer, en het ware een misdaad +van gekwetste majesteit, indien ik UEds. beleefdheid met een ander +wijntje beantwoordde, dan hetgeen UEd. mij toegedronken heeft." + +"Er is toch meer van die soort in mijn kelder," zeide de Baron: +"Bouke! geef den Heer van Botbergen;.... maar waar is Bouke?" + +"Hij is zooeven uit de kamer geroepen," antwoordde een der dienaars: +"er was iemand beneden om hem te spreken." + +"Zoo! een gelegen tijd voorwaar; doch gij kunt het even goed +bezorgen als hij: vraag maar aan mijn dochter van dien wijn van +Nº. 3. Ja Mijne Heeren! ik moet dien ouden Bouke wat toegeven; er +leeft op de wereld geen braver kerel dan hij; wij zijn ook zooveel +jaren achtereen samen geweest en hebben zooveel overbracht: en dan, +hij heeft wat te vertellen! hij heeft in Turkije geoorloogd en meer +gezien dan één van ons allen." + +"Zoover ben ik niet geweest," zeide Elbert: "mijn krijgsverrichtingen +waren alleen in Bohemen; en daar zal men, gelijk ik mij zonder +grootspraak vlei, nog wel van mij gewagen." + +"In Bohemen zegt UEd.? En dat onder welke vanen?" vroeg Reede. + +"Ik heb onder den Spotkoning Frederik gestreden; maar ik heb hem +laten zitten; want er was niets met hem uit te richten. Ik zeide +hem dikwijls: (Zijne Majesteit deed mij somtijds de eer aan, mij +te raadplegen) Uwe Majesteit, zeide ik geeft gehoor aan oorblazers, +aan belangzoekers, aan domkoppen. Zooals Uwe Majesteit het aanvangt, +zal het nimmer lukken: en dan ontwikkelde ik de redenen, die ik +daartoe vinden kon. Dan, vergeefsche moeite! Zijne Majesteit sloeg +mijn woorden in den wind; en wat is het gevolg er van geweest? Zooras +ik vertrokken was uit het leger (want zulke dwaasheden als men daar +deed, kon ik met geen droge oogen meer aanzien), liep alles in de war, +en nu komt hij met de kous op het hoofd terug." + +"En hebt gij," vroeg Reede, zich bij voorraad de handen wrijvende, +als verheugd over het antwoord, dat hij verwachtte: "hebt gij den +Jonker van Craeihorst gekend?" + +"Gekend?" herhaalde Botbergen: "ja, een weinig, schoon het geen eer +was hem te kennen!" + +De Baron zag zijn gast verwonderd aan, zette zijn roemer neder en +vroeg met bevreemding, wat door deze uitdrukking gemeend werd. + +"Wel!" vervolgde Elbert: "Ik had geen omgang met hem, omdat hij +een liederlijke knaap was, een dronkaard, een lafbek, een valsche +dobbelaar...." + +"Onmogelijk," riep de Baron met hevigheid uit: en op hetzelfde +oogenblik sprong de oude Veltman, alsof hij die lasteringen tegen +zijn voormaligen meester niet langer wilde aanhooren, met een luid +geblaf van onder de zitbank des Barons op, en liep, sneller dan hij +in de laatste drie jaren gedaan had, de deur uit, en Bouke, die juist +binnenkwam, bijna omver. + +"Ja! ja! loop maar, Veltman!" zeide Bouke, met een vroolijke stem, +terwijl hij de tafel naderde met een gelaat, waar de vreugd op +geschilderd stond. "Mijnheer!" vervolgde hij: "bodenbrood! daar is +een oude kennis...." + +"Zwijg Bouke!" zeide de Baron, zonder bijna naar hem te luisteren: +Mijnheer van Botbergen! ik bid u! verklaar mij eens wat gij van mijn +Joan gezegd hebt.... Ik bedoel van dien Jonker van Craeihorst." + +"Kende UEd. hem?" vroeg Elbert, zich verwonderd veinzende: "vergeef +mij dan, zoo ik kwalijk van hem sprak: maar ik dacht niet, dat een +knaap in UEds. gunst zoude deelen, wien ik, om zijn schandelijk gedrag, +met rottingslagen genoodzaakt heb het leger te verlaten." + +"Dat is een leugen, een onbeschaamde leugen!" zeide met luider stem +de getrouwe Bouke, die de beschuldiging, door Botbergen aangevoerd, +opmerkzaam had aangehoord. + +"Wie spreekt daar?" vroeg Elbert, met trotschheid opziende; maar zijn +oogen zagen verlegen voor zich, toen zij den vrijen blik ontmoetten +van Joans ouden krijgsmakker, die, met de armen over elkaar geslagen, +achter de zitplaats des gastheers stond. + +"Dat ben ik, met uw verlof," zeide Bouke: "en wat ik niet vol kan +houden, zal een ander voor mij doen." + +"Bouke! riep de Baron, terwijl hij aan zijn gezegde den toon der +bestraffing poogde te geven: "denk wie gij zijt en waar gij zijt!" + +"Zoo doe ik," antwoordde Bouke, zonder verlegen te worden: "ik denk, +dat ik Jonker Joans oude wapenbroeder ben, en dat ik over een lasteraar +sta, die...." + +"Vlegel!" riep Botbergen, door het verwijt des Barons bemoedigd: "denkt +ge dat ik mij met u zal meten? Zoo een edelman mij het millioenste part +had gezegd van 't geen gij mij durft zeggen, hij leefde niet meer!" + +"Is er geen der edellieden, hier tegenwoordig, die de partij eens +afwezigen opneemt?" vroeg Bouke. + +Botbergen zag beangst in 't rond; doch zijn gelaat helderde spoedig +op, dewijl al de gasten, ziende dat de Heer van Sonheuvel zelf zijn +zoon niet verdedigen wilde, geen partij voor hem begrepen te moeten +trekken. Zooras de opgeblazen Gelderschman zich hiervan overtuigd +hield, smeet hij den handschoen midden in de zaal, en riep tevens uit: +"hiermede daag ik iederen edelman uit, die, als ik, zestien kwartieren +bewijzen kan, om mijn woorden te komen logenstraffen." + +"Ik neem de uitdaging aan en zal u spoedig een kamper brengen, die +je zestien-honderd kwartieren in je tronie snijden zal," zeide Bouke, +den handschoen oprapende, waarna hij de zaal verliet. + +"Mijnheer van Botbergen!" zeide Reede, die al dien tijd had zitten +stampvoeten en op zijn mouwen bijten van kwaadheid: "ik kon voor den +goeden Bouke geen partij kiezen tegen iemand, dien ik op mijn eigen +slot als gast ontvang; maar bij mijn zaligheid! zoo UEd. elders dan +op het huis te Sonheuvel in mijn bijzijn kwaad had gesproken van +mijn goeden Joan, ik had u mijn roemer op 't aangezicht aan stukken +geslagen!" + +"Indien UEd. het mij vergunt, Heer Baron!" zeide Mom: "zoo zal ik +de eer van den Jonker van Craeihorst handhaven en met den Heer van +Botbergen, hoe bevriend wij ook zijn, op dood en leven kampen." + +Elbert zag zijn patroon vragenderwijze aan, als wilde hij op dien +aangezicht lezen of het hem ernst ware. Een schampere trek, die zich +aan des Ambtmans neusvleugel en aan de hoeken van zijn oog vertoonde, +was genoeg om hem de zekerheid te verschaffen, dat Mom, door dit +aanbod, het gevaar voorkomen wilde, dat zich een ander kampvechter +opdeed.--In dit oogenblik trad Bouke weder binnen en zeide, de deur +wijd openzettende: "Mijnheer van Bokkenbergen! hier breng ik u een +tegenstander, als ik beloofd heb." + +Aller oogen wendden zich nu naar de deur, waar een jongeling +binnentrad, wiens verschijning een algemeene verbazing teweegbracht. De +Baron en het meerendeel der gasten sprongen op. Botbergen schoof +zijn zitbank wel drie voeten achteruit, werd doodsbleek, sloeg +klappertandend een bevende hand aan 't gevest van zijn degen, doch was +buiten staat om het lemmer de scheede te doen verlaten. Mom staarde +den onbekende met open mond aan het was de vreemdeling, dien hij bij +Klaas Meinertz voor een Remonstrantschen Proponent had aangezien. + +"Joan!" riep de Baron met een luiden kreet en sloot zijn pleegzoon, +die, van den getrouwen Veltman vergezeld, naar hem toe trad, met +hartelijke vreugd in zijn armen: maar bijna dadelijk wikkelde hij +zich weder uit zijn omhelzing los. "Joan!" herhaalde hij: "ik moest u +niet omarmd hebben, eer ik wist of gij het waardig zijt. Men verhaalt +schandelijke dingen van u." + +"Dat heb ik van Bouke vernomen," antwoordde Joan: "wie van de Heeren +noemt zich de Heer van Botbergen?" + +"Wat! Kent gij hem niet eens?" vroeg de Baron verbaasd: "hoe hangt +dit samen?" + +"Nu, Mijnheer!" zeide Bouke tegen den verslagen snoever, die met +hangende armen en stijf opeengesloten tanden als vastgenageld zitten +bleef: "wat dunkt u? is het niet mij: een man een man, een woord +een woord?" + +"Zijt gij het, die u de Heer van Botbergen noemt?" vroeg Joan met +bevreemding. "In het leger van den Koning van Bohemen droegt gij een +anderen naam." + +"Wat zal ik u zeggen, Jonker!" antwoordde Elbert, zich door een grap +zoekende te redden: "Wij droegen geen van beiden onzen waren naam." + +"'t Zij ik recht hebbe op den mijnen of niet," hernam Joan met +fierheid, "hij is te schoon om hem te zien bezwalken: en na hetgeen +er tusschen ons is voorgevallen, had ik niet gedacht, dat gij mij, +in tegenwoordigheid van dit aanzienlijk gezelschap...." + +"Van die rottingslagen, meent gij?" vroeg Botbergen, opstaande: +"ja, ik had daarvan misschien niet moeten spreken;.... wij zijn geen +beste vrienden gescheiden, dat is waar; maar wij kunnen altijd tot +een verklaring komen." + +"Tot uw dienst, al wilt gij dadelijk," zeide Joan, de hand aam 't +geweer slaande. + +"De Heer Ambtman zal mij wel tot getuige willen dienen," vervolgde +Botbergen, zich tot dezen wendende. + +Nu volgden de oogen van Joan de richting, welke die van zijn weerpartij +genomen hadden, en hij herkende in den Ambtman den persoon, die hem +in het opkamertje bij Klaas Meinertz ontvangen had. Dit onverwacht +gezicht deed hem, verwonderd, een stap terugtreden, en bracht zijn +gedachten opeens van den twist met Botbergen op het voorgevallene +van den vorigen avond terug. Met niet minder nadruk, schoon met +een kwalijk verborgene verlegenheid, staarde Mom den jongeling aan +en peinsde hij op de houding, die hij bij deze gelegenheid moest +aannemen. Botbergen, die, zooras Joan hem niet meer toesprak noch +met zijn verwoeden blik bedreigde, zijn moed weder voelde herleven, +had een fiere en onversaagde houding aangenomen en mompelde, doch +zeer binnensmonds, allerlei dreigementen. De overigen, die een kring +om de belanghebbende partijen gemaakt hadden, zagen vreemd op over +Joans plotseling zwijgen, en nog meer, toen deze naar Mom toestapte +en met een eenigszins verzachte stem, doch op vasten toon, hem de +volgende vraag deed, welke, schoon op haar zelve zeer eenvoudig, in +de omstandigheden van den Ambtman vrij geschikt was om hem van zijn +stuk te brengen: "heb ik gisteravond niet de eer gehad UEd. te zien?" + +Schoon Mom reeds tijd gehad had om zich op een antwoord voor te +bereiden, hetwelk hij al dadelijk had begrepen dat hem afgevorderd +zou worden, was hij het nog niet met zichzelven eens, hoe hij dit +antwoord op de meest voldoende wijze zou inrichten. Het scheen hem +dus best toe, geen antwoord te geven en zich van de zaak, gelijk men +het noemt, met een Jantje van Leiden af te maken. + +"Is UEd. die langgewenschte en ter goeder uur gekeerde pleegzoon van +onzen besten gastheer?'" vroeg hij, opstaande en Joans beide handen +vattende: "wel het verheugt mij, als vriend van den huize, recht +zeer u te mogen leeren kennen. Wat zal uw komst hier levendigheid op +het slot brengen! Wat zal de bevallige Freule verheugd zijn, zij, +die u zoo liefheeft!" Hier zag Mom met spijt, hoe een hevige blos +het gelaat des jongelings overstroomde. "Nu ik ben recht gelukkig u +te zien: gij vindt mij met lijf en ziel tot uw dienst, beschik over +mij, zoo dikwijls gij wilt. Ik heb zooveel goeds van u gehoord, dat +ik verlang uw vriendschap te verwerven. Sta mij toe, dat ik u omhelze." + +Met deze woorden drukte hij den jongeling, die beteuterd en +verbaasd over dien vloed van woorden voor hem stond, in zijn armen +en fluisterde hem bij die gelegenheid in 't oor: "hadt ge u maar +genoemd gisteravond! Nu! ik moet over dit alles een nader gesprek met +u hebben, ter opheldering. Ik hoor, dat gij daar zonderling te pas +zijt gekomen."--En toen, eer Joan van zijn bevreemding kon bekomen, +trad hij terug en nam Reede bij de hand. "Mijn vriend!" zeide hij: +"wat zou het jammer zijn, indien op een heuglijken dag als deze, de +vreugd door oneenigheid of hooge woorden verstoord werd. Vereenig u met +mij, om uw waardigen voedsterling, alsook mijn vriend van Botbergen, +die zonder reden en waarschijnlijk ten gevolge van een misverstand op +elkaar gebeten zijn, tot bedaren te brengen. Voor Sint-Felten met al +die langer twist wil zoeken. Ik drink op de gelukkige toekomst van +den edelen Jonker Joan van Craeihorst, Kapitein in dienst van Zijne +Majesteit den Koning van Bohemen: en die mijn voorbeeld niet volgt, +is waarachtig geen knip voor den neus waard."--Bij het uitspreken +dezer laatste zinsnede had hij zich een vollen roemer geschonken, +dien hij nu tot den bodem ledigdronk. Zoowel Reede als de gasten +volgden zijn voorbeeld. + +"Kom, Elbert!" vervolgde Mom, zijn makker een vollen beker in de hand +wringende: "gij moet mededrinken; want de terugkomst des Jonkers kan u +nooit anders dan stof tot blijdschap geven. Heldert alles zich op en +wordt het misverstand weggeruimd, des te beter; zoo niet, dan hebt +gij t' avond of morgen gelegenheid om uw dapperheid aan den dag te +leggen. Dus, man! drink uit! en denk vooreerst maar niet meer aan +het gekke geval." + +"Pots honderd tausent slapferment!" zeide Botbergen, den roemer +aannemende: "mijn dapperheid is alom genoeg bekend en heeft geen nieuwe +gelegenheden noodig om zich te toonen. De Jonker en ik hebben elkander +over en weder beleedigd;--dus zijn wij kamp; en hapert er nog iets +aan, dan zal dit zich spoedig oplossen. Ik drink dus gaarne op de +gezondheid van den Jonker van Craeihorst, en dat hij zulk een lang +leven moge genieten, als ik hem toewensen."--Dit zeggende, ledigde +hij zijn glas en hernam zijn plaats bij de nu weder aanzittende gasten. + +"Ik dank al de Heeren voor hun vriendelijke toewenschingen," zeide +Joan, op zijn beurt een roemer vullende: "wat den Heer van Botbergen +betreft, ik bedank ook hem, en het zal mij aangenaam zijn, indien hij +mij in den loop van dezen dag een oogenblik schenken wil, daar ik het +met den Heer Ambtman eens ben, dat wij het genoegen der gasten thans +niet storen moeten."--Dit gezegd hebbende, ledigde hij zijn kelk en +nam aan de tafel plaats. + +Men hervatte den maaltijd: doch vruchteloos zocht de Ambtman het +gesprek weder te verlevendigen; de Baron was, zonder het te willen doen +blijken, ontevreden dat de twist gesust was, en had liever gezien, +dat Joan zijn wederpartij de trappen had afgesmeten. Joans hoofd was +zoo vol gedachten, dat hij de aanwezigen vergat, ja, voor den drommel +wenschte. Hij ondervond ten volle de onaangename gewaarwording van +iemand, die na een lang afwezen versoezeld en verwaaid te huis komt, +en, in plaats van zijn gezin alleen, een huis vol gasten vindt, die +niets van zijn vermoeidheid, van zijn verstrooidheid van gedachten +begrijpen. Nu eens maalden hem de geheimzinnige voorvallen in Tiel +door het hoofd; dan weder dacht hij aan de bekoorlijke Ulrica, welke +hij zoo vurig verlangde en toch vreesde weder te zien. Zijn twist met +Botbergen hield hem het minst bezig; want hij was overtuigd, dat hij +van dien snoever, zoodra hij zulks verlangde, de noodige voldoening +verkrijgen zou; daar het geval in het Boheemsche leger zich juist had +toegedragen als Elbert het verteld had, met dit kleine onderscheid +echter, dat het Joan geweest was, die den anderen met stokslagen had +weggejaagd. Hij bekommerde zich dus weinig over Botbergens lastertaal, +alleen voor zooverre hij zich bij Ulrica nog rechtvaardigen moest: want +Bouke had hem (zoodra hij op het slot gekomen was, en vernemende dat +het vol gasten was, naar dien ouden vriend gevraagd had) verwittigd, +hoe Elbert zijn goeden naam een schandelijke kladde had aangewreven +in tegenwoordigheid der Jonkvrouw. Reeds dadelijk zou Joan zich over +dezen hoon zijn komen beklagen, had hij niet gemeend eerst zijn nog +vochtige kleeren tegen andere te moeten verwisselen. + +De overige gasten hadden, evenals de Baron, weinig genoegen genomen +met de wijze, waarop de twist gesust was; daar zij, niet zonder grond, +oordeelden, dat een van de twee partijen een lafaard wezen moest, +die niet in hun gezelschap voegde; het misnoegen bracht dus stilte te +weeg: zelfs de Ambtman, hoewel hij de anderen aan 't praten zocht te +krijgen, had het hoofd te vol, dan dat hem zulks wel afging, en het zou +een opmerkzamen bijstander niet ontgaan zijn, dat de goede houding, +die hij aanwendde, alleszins gedwongen was. De heerschende stilte +deed den Baron dus spoedig besluiten om het gezelschap te verzoeken, +een einde aan het ontbijt te maken en zich met hem naar de kegelbaan +te begeven. Dit voorstel scheen een verlossing toe aan de gansche +vergadering: en allen haastten zich daaraan te voldoen, behalve Joan, +die, zijn pleegvader ter zijde trekkende, van hem verlof verzocht om +zich af te zonderen en Ulrica te gaan groeten. + +"Hoe is 't Joan?" zeide de Baron: "zoekt gij een gelegenheid om +van dien Botbergen af te raken? Ik had van u meer vuur verwacht, +vriendlief! Ware ik in uw plaats geweest, die verwaande pochhans had +al lang op 't plein gelegen." + +"Ik beloof u, Vader! dat uitstel geen achterstel, worden zal," +zeide Joan: "ik zal met dien knaap nog een appeltje schillen, dat +hem slecht zal smaken. Stel u daaromtrent gerust; maar, dunkt mij, +mijn verlangen om Ulrica te zien, is nogal natuurlijk." + +"Nu, ga maar, ga maar," zeide de Baron, knorrig: "lieve deugd! in +mijn tijd waren de knapen anders! thans zijn zij zoo koel als +winterperen. Wat zullen de oude lui dan zijn als de jeugd geen warm +bloed meer heeft!"--Na deze wrevelige aanmerking keerde de Baron zich +weder tot zijn gasten en geleidde hen buiten het slot, naar den hof, +waar de frissche lucht en de balsemgeuren van het voorjaarsgebloemte +de wandelaars op een lieflijke wijze tegenkwamen en de dampen, door +den wijn veroorzaakt, vervingen. Langs een lommerrijke lindenlaan +begaf men zich naar de kegelbaan, die aan het achtereinde van den hof +tusschen hooge hagen gelegen, en met een planken beschot, laag genoeg +om er overheen te zien, omzet was. De baan, waaraan Bouke gedurende +de vorige dagen al zijn vlijt besteed had, was spiegelglad: op twee +derden van hare lengte stonden de prachtige ebbenhouten kegels, +met zilveren randen en ringen beslagen en wel drie voet hoog, op +daartoe op gelijke afstanden getrokken kringen, te prijken. Langs het +schot liep ter linkerzijde van de baan, een houten goot af, waarbij +een tuinjongen geplaatst was, om na den worp, den bal weder aan de +spelers toe te zenden. Bouke stond aan de rechterzijde, bij de kegels, +gereed om de tusschen de spelers gerezene oneenigheden te beslissen, +en den uitslag van elken worp met krijt aan te teekenen op een zwart +bord, dat aan een paal hing, die boven het beschot uitstak. Aan +het begin der baan stonden twee andere dienaars bij een tafel, +waarop bier en brandewijn gereedstonden tot lafenis der spelers: +en daarover een kastje met laden, waarin de kegelballen lagen, +benevens een bord met dobbelsteenen; de nommers, die aan de spelers +uitgedeeld moesten worden, de handleien, waarop elk zijn _poincten_ +of verliezen voor zich kon opteekenen, in één woord, al wat noodig +kon geacht worden. Onderscheiden lijnen, evenwijdig over de breedte +der baan getrokken, duidden de plaats aan, vanwaar men werpen moest en +welke de speler, wien het slotnummer te beurt viel, doorgaans aanwees. + +Met veel plechtigheid naderde Bouke het gezelschap, zooras het de +kegelbaan nadertrad, haalde de dobbelsteenen voor den dag en reikte ze +den Jonker van Scherpenzeel toe, die, na geworpen te hebben, ze aan +zijn buurman overgaf en zoo vervolgens. Bouke teekende de geworpen +getallen op en liet de gelijkstaande weder overgooien, totdat elk +zijn nommer had. Toen begaf hij zich weder naar zijn standplaats bij +het groote bord, en Botbergen, wien het laatste nommer te beurt was +gevallen, duidde aan, van welke streep men beginnen moest. De heer +van Lievendaal, die den eersten worp moest doen, zette den linkervoet +op de streep, bracht den rechtervoet een schrede achterwaarts, nam +den zwaren bal op en deed hem over de baan vliegen. De bal wierp een +kegel om en schudde den tweeden, doch hij had zijn kracht verloren +en rolde al draaiende het spel uit zonder iets verder te verrichten, +De tuinknaap zette dadelijk den gevallen kegel weder op en zond den +bal terug. + +"Hij was goed gemeend!" zeide een der spelers. + +"De baan is niet glad genoeg," antwoordde Lievendaal: "anders ware +de tweede ook gevallen: zaagt ge wel hoe hij wiggelde? Dan komaan, +Helmenhorst! laat eens zien, of gij beter zult slagen." + +Met meer bedaardheid dan zijn voorganger dreef de tweede speler den +bal voort en wierp ook een kegel om, terwijl de bal stil liggen bleef. + +"Dat is ongelukkig!" riep hij uit: "wie kan zoo iets helpen? De kegel +valt juist voor mijn bal en snijdt hem den weg af: anders waren er +nog wel drie of vier omgeworpen geweest." + +Haastig, gelijk hij alles deed, wierp Reede op zijn beurt den bal. Doch +door de drift draaide zijn hand onder 't werpen, en de bal, na eerst +rechtuit te zijn gerold, nam, kort voor 't spel een zijdelingsche +wending en liep de kegels voorbij. + +"Wat satan is dat!" schreeuwde hij hoogst ontevreden: "Bouke! de baan +is niet gelijk! hoe kan een bal zoo mal rollen?" + +"De baan is al gelijk!" antwoordde Bouke, terwijl hij met veel +bedaardheid den misslag opteekende: "Ik kan niet helpen, dat +UEd. scheef gooit." + +"Kom, Heer Ambtman! het is uw beurt! Laat ons eens zien of UEd., die +niet gedronken heeft, scherper gooien zult dan een van ons allen," +zeide de Jonker van Scherpenzeel. + +"Gij ziet, van dat weinigje beef ik reeds," zeide Mom, en wierp +den bal wel een voet buiten 't spel. Met ongelijk gevolg speelden +diegenen, die na hem kwamen. Toen de beurt aan Botbergen kwam, die +reeds luide gesnoefd had over de menigvuldige partijen, door hem +bij andere gelegenheden gewonnen, keken de spelers nieuwsgierig toe; +maar de Gelderschman voldeed slecht aan hun verwachting en deed den +bal midden door de kegels heen vliegen. + +Na op deze wijze eenige toeren afgespeeld te hebben, werd Reede, die +bij deze gelegenheid slecht, of, zoo 't heette, ongelukkig speelde, +wrevelig, en den Ambtman, wiens kans niet fraai stond, onder den arm +nemende, verzocht hij hem, het spel maar te laten varen en met hem +plaats te nemen op een bank, buiten den ingang der baan geplaatst, +waar men ongestoord zat en echter het spel overzien kon. Na een wijl +over onverschillige dingen gesproken te hebben, begon de Ambtman weder +zijn liefde voor Ulrica tot onderwerp van hun gesprek te maken; en +toen was het, dat de Baron, wiens oprecht en rondborstig gemoed door +den Rijnschen wijn nog openhartiger geworden was, het gepast oordeelde, +den Ambtman een geheim te vertrouwen, dat hij voor elk ander zorgvuldig +bewaard hield, doch 't geen hij als eerlijk man zich verplicht achtte, +zijn aanstaanden schoonzoon mede te deelen. + +"Vriend Mom!" zeide hij: "Ik ben overtuigd, dat het alleen uit +genegenheid voor haar persoon is, dat gij mijn dochter gevraagd hebt; +dat geen andere drijfveer u handelen deed, en dat gij haar van mijn +hand zoudt willen nemen, al ware zij niet machtig u een penning als +huwelijksgoed mede te brengen. Doch, daar ik nimmer den schijn van +karigheid zou willen toonen, en niet gaarne de beschuldiging verdienen, +van u omtrent den waren staat mijner zaken misleid te hebben, daar +er bovendien nog een zwarigheid bestaat, als ik van ochtend zeide, +acht ik het billijk, u dienaangaande nader in te lichten." + +"Heer Baron!" zeide Mom, zijn verwondering over zulk een voorafspraak +onder een vriendelijken glimlach verbergende: "uw beleefdheid is al te +groot. Geloof vrij, dat geen inzicht om mij te verrijken mij noopt, uw +bevallige dochter ten huwelijk te vragen. Ik ben, Goddank! rijk genoeg, +en, zoo ik een gade wensch, zoek ik slechts een lieve gezellin, die den +avond van mijn leven verheuge. Echter, zoo UEd. noodig oordeelt, mij, +na deze betuiging, nog de eer aan te doen van mij uw familiegeheimen +mede te deelen, ben ik bereid naar u te luisteren." + +"Juist! juist, Heer Ambtman!" antwoordde Reede: "gij moet alles weten, +want al zijn uw gevoelens omtrent mijn Ulrica nog zoo edel, omtrent +mij zoudt gij wellicht van meening veranderen, zoo ik niet met open +kaarten speelde. Dan ter zake.--Ik moet, om u mijn omstandigheden +te verduidelijken, de geschiedenis wat hooger ophalen.--Mijn +overgrootvader Godard van Reede had, gelijk u bekend is, zijn meeste +goederen, waaronder deze heerlijkheid, ter leen van het Bisdom van +Utrecht, en stond, daar hij een devoot Katholiek was, in hooge gunst +bij den Bisschop. Op aanzoek van dezen, en onder belofte van diens +protectie, liet hij zijn tweeden zoon Frederik voor den geestelijken +stand opvoeden, en wel bij de Dominicanen te Tiel. De jonge geestelijke +bracht het ver.... ja, Roomsch of Onroomsch, wij zijn altoos bijbelvast +en fiksch in de leer geweest.... nu, dat is tot daaraan toe: hij +maakte groote vorderingen, en de oude heer had het genoegen hem voor +zijn dood tot Prior van datzelfde convent der Dominicanen te zien +verheffen.... dat moet een vet ambtje geweest zijn!" + +"Zoo vet," zeide Mom, "dat ik er mijn ambtsmanschap dadelijk voor +geven zou, mits het mij maar niet belette uw schoone dochter te huwen." + +"Ja! men moet kiezen of deelen;.... doch waar waren wij gebleven?.... " + +"Bij uw oudoom den Prior; is hij het niet, die, wanneer hij zat te +lezen, een duiveltje de kaars liet houden?"' + +"Juist! zijn beeltenis hangt op het slot; doch ter zake.--Borre, +Frederiks oudste broeder en mijn grootvader, niet minder goed +Roomsch dan zijn broeder, vertrouwde hem de opvoeding van zijn +oudsten zoon Godard, terwijl Karel, de jongste, voor de wapenhandel +werd opgeleid.--Intusschen had de omwenteling plaats en de oorlog +met de Spanjaards. Mijn grootvader, toen Heer van Sonheuvel, zijn +broeder de Prior en mijn oom Godard hielden, als men denken kon, +ijverig de zijde van den Koning; doch mijn vader, die reeds jong +aan hun opzicht onttrokken was, koos des Prinsen zijde, en zwoer, +evenals deze den Paapschen Godsdienst af." + +"Dat zal den ouden Heer weinig gesmaakt hebben," merkte Mom aan, om te +toonen dat hij luisterde naar een verhaal, waar hij de belangrijkheid +nog niet van inzag. + +"Het gedrag van zijn zoon belgde hem zoozeer," vervolgde de Baron, +"dat hij mijn vader onterfde en zijn bezittingen aan mijn oom Godard +maakte, die een weinig later de eenige erfgenaam werd der machtige +nalatenschap van den Prior." + +"Zoo" riep Mom, voor wien de geschiedenis opeens een belangrijker +gedaante verkreeg: dan heeft oom Godard alles ingepalmd." + +"Zooals gij wel aanmerkt. Mijn vader had zich wel tegen het een en +ander kunnen verzetten; doch dit wilde hij uit kinderlijken eerbied +niet doen. Hij had bovendien een vrij gegoed meisje getrouwd. Zoodra +mijn grootvader gestorven was, riep mijn oom Godard mijn vader +weder tot zich en stelde hem voor, samen als broeders op Sonheuvel +te leven. Dit aanbod was met hartelijkheid gedaan: het werd met +dankbaarheid aangenomen. Dan, niet lang had die samenwoning geduurd, +toen de vrouw van mijn oom stierf. Hij was over dit verlies diep +getroffen; de vermaken der wereld werden hem walgelijk, hij liet +aan mijn vader het opzicht over al zijn goederen, trok naar Tiel, +nam het geestelijk gewaad aan, verkreeg, als zijn oom, de waardigheid +van Prior, en zou tot hooger waardigheid gestegen zijn, ware hij niet +met een groot gedeelte der Roomsche geestelijkheid van oproerigheid +beschuldigd geweest, en ten lande uitgebannen. Nu deed mijn vader iets, +dat ik niet weet of ik mij wel zou hebben durven veroorloven." + +"En dat was?" vroeg Mom, bij wien het verhaal hoe langer hoe meer +belangstelling wekte. + +"Dat zult gij hooren. Mijn oom had zijn eenigste dochter bij de +geestelijke zusters van Sinte-Cecilia laten opbrengen. Nu gebeurde +er in dat klooster een schandaal: namelijk, dat, een non en een +Jezuïetschen pater, die hier door 't land reisde, samen opdrosten. Het +volk, dat al niet zeer op de hand der nonnetjes was, plunderde toen +het gansche convent en joeg de nonnen weg. Toen stuurde mijn oom +zijn Maria aan mijn vader, met verzoek haar naar Kampen te sturen, +waar een vrome zuster voor haar opvoeding zoude zorgen. Dat deed mijn +vader niet, en daar deed hij, mijns inziens, verkeerd aan." + +"Hij wilde de rijke erfgename onder zijn bereik houden," zeide Mom. + +"Neen, dat niet," zeide Reede, terwijl zijn kleine oogen van +verontwaardiging fonkelden: "hoe komt ge op die gedachte! Hij handelde +misschien verkeerd; maar geenszins uit baatzuchtige oogmerken." + +"Dan kan ik niet inzien, uit welken hoofde zijn gedrag laakbaar was," +zeide Mom: "noch zelfs wat zijn oogmerk geweest kan zijn." + +"Ziet gij dat niet?" vroeg Reede: "hij wilde een zieltje winnen en +hield de kleine Maria bij zich, om haar, tegen de begeerte haars +vaders aan, in de Hervormde leer te laten opvoeden. Ziet ge! dat was +niet zooals 't hoorde." + +"Vindt gij?" vroeg Mom op zijn beurt, met eenige verbaasdheid: +"al onze Dominees zullen u het tegendeel zeggen." + +"Dat is wel mogelijk, ofschoon mijn goede vriend Raesfelt er niet +volkomen zeker van is," zeide Reede: "maar, naar mijn inzien, +kunnen de middelen het doel nooit wettigen, zooals de Jezuïeten +beweren;.... doch, dat daargelaten: Maria bleef dan bij ons en werd, +toen zij huwbaar was, mijn vrouw.--Mijn vader stierf--ik bleef. voor +het oog der wereld, de Heer van Sonheuvel: doch inderdaad, niet meer +dan de rentmeester van mijn oom." + +"En heeft die oom niets meer van zich laten hooren?" vroeg Mom. + +"Slechts eens heb ik hem sedert gezien: en toen had zijn +onvoorzichtigheid hem bijna doen vatten: met moeite deed ik hem +ontsnappen. Hij verzocht mij toen, het bestuur der bezittingen te +blijven behouden en de interessen als een eigendom te beschouwen." + +"Die vrek!" zeide Mom: "hij had u alles even goed kunnen overdoen; +want, vooreerst heeft hij aan die rijkdommen niets, en ten tweede +zoude er op zijn recht van eigendom vrij wat aan te merken zijn." + +"Geen woord daarvan!" hernam de Baron: "wie hem ooit in zijn recht +verkort, ik zal het blijven handhaven.--Dan, nu is er nog iets: mijn +oom was ter oorzake der nauwe verwantschap tusschen Maria en mij, tegen +ons huwelijk geweest. Leedwezen daarover voerde mijn lieve vrouw ten +grave. Zij deed, ik geloof gedreven door een soort van zucht om een +zoenoffer aan den toorn haars vaders te brengen, mij op haar sterfbed +beloven, dat ik Ulrica, ons eenigst kind, niet zoude uithuwelijken, +dan met de toestemming van mijn schoonvader.... Zij was stervende, ik +zwoer dit, om haar gerust te stellen:--en toch, ik had zoo lichtvaardig +niet moeten zweren: want waar vinde ik nu den ouden Heer?" + +"Hoe laat hij zich noemen?" vroeg Mom. + +"De Paapschen noemen hem vader Ambrosius," antwoordde Reede: "doch +het zal moeilijk zijn, zijn verblijfplaats uit te vorschen. Er zijn +zoovelen van dien naam." + +"Wij zullen zien," zeide Mom, opstaande en zijn knevel wrijvende om +een onwillekeurigen glimlach te verbergen: "misschien is hij wel op +te sporen. Ik heb overal nogal betrekkingen: en ik vleie mij, dat +zoo hij met mijn wenschen bekend is, hij er niets tegen zal hebben +in te brengen." + +"Mijn mededeelingen hebben dus geen invloed op uw voornemens?" vroeg +Reede, terwijl een waas van tevredenheid zich over zijn gelaat +verspreidde. "Gij blijft de hand mijner dochter vragen?" + +"Heer Baron," zeide Mom: "uw openhartig, ja edelmoedig gedrag te +mijwaarts treft mij, vervult mij met bewondering voor u; doch het +verbaast mij niet. Gij hebt mij wel beoordeeld, toen gij genoeg +vertrouwen in mij steldet, om mij deze gewichtige geheimen mede te +deelen. Ik bemin Ulrica: haar vraag ik, en haar alleen." + +"Bedenk u wel," zeide de Baron: "Ik bezit niets, dat ik mijn eigendom +kan noemen, dan mijn moeders erfdeel: op mijn ouden dag bekrimp ik mij +niet meer, en van wat ik heb, heb ik vast besloten de helft aan Joan +te geven; ik heb dien armen jongen niet opgevoed om hem naderhand +armoede te laten lijden. Ulrica weet dit, en zij is tevreden met +het weinige dat ik haar medegeef; doch gij!...." Hier schudde hij +bedenkelijk het hoofd. + +"Ik ben met Ulrica tevreden, en begeer niets meer," hernam Mom. + +"Heel wel! dat zijn jongelui's betuigingen, als zij vrijen. Doch +naderhand komt het berouw, en dan is het te laat." + +"Ik ben geen knaap meer," zeide Mom "die zijn geluk op een paar +schoone oogen verspeelt. Ik ben rijk genoeg om een vrouw naar mijn zin +te huwen, ook zonder bruidsschat. Veroorloof mij, tot nader bewijs +van mijn betuiging, dat ik mij naar uw dochter begeve en haar mijn +hulde brenge." + +"Zeer gaarne," zeide de Baron, zich verheugd de handen wrijvende: +"en zend mij Joan hier, indien hij zich nog bij haar bevindt.--Nu! kijk +maar niet zwart: zij zijn samen opgebracht: daar steekt geen kwaad in." + +Mom glimlachte weder; doch deze reis was zijn lach gemaakt, en zich +buigende, begaf hij zich naar het slot. + + + + + +EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + Ulrica, de eer en 't leven van deez' boorden. + + Juffr. _Koolaert_. + + +Ulrica was in de benedenzaal met Magdalena bezig met borduren, toen +Joan binnentrad, toesnelde en haar met al de onstuimige driften eens +jongelings in de armen drukte. Schoon zij reeds door een der dienaars +van zijn terugkomst verwittigd was geweest, en door de verwarring, +waarin die tijding haar gebracht had, niets meer deed dan broddelen, +was zij nog niet genoeg voorbereid om hem te zien en deed zijn +plotselinge verschijning haar ontstellen. Magdalena rees met hare +gewone deftigheid op, groette den Jonker met eene diepe neiging, +bood hem haar zetel naast Ulrica aan en plaatste zich op eenigen +afstand bij een ander venster. + +De jonge lieden bleven eenigen tijd als sprakeloos naast elkander +zitten: Joan hield de eene hand zijner pleegzuster in de zijne geklemd +en zag haar aan met een gloeiend gelaat en fonkelende oogen, terwijl +de Jonkvrouw verward en blozend voor zich keek. Dan, toen de eerste +zielsbedwelming voorbij was, scheen een denkbeeld beiden op eens te +treffen: Ulrica trok met schrik haar hand terug en schoof haar stoel +achteruit, en Joan liet de armen vallen, zuchtte diep en zag voor zich. + +"Alles is hier zeer veranderd, Ulrica!" zeide hij eindelijk, "sedert +ik laatst vertrokken ben." + +"Ik begrijp u niet," antwoordde zij met een flauwe stem, schoon zij +hem zeer wel begreep. + +Joan zuchtte, zweeg wederom en streelde de grauwe haren van Veltman, +die hem gevolgd was en voor zijn voeten lag. Na eenige oogenblikken +poogde hij het gesprek te hervatten, en vroeg met schroomvalligheid: +"zullen wij u welhaast Mevrouw Mom kunnen heeten?" + +"Daar is nog niets over bepaald," antwoordde zij, opnieuw van kleur +veranderende: "ik weet niet, of dat wel ooit zal gebeuren." + +"Nu! wij willen hopen.... van ja, nietwaar?" vroeg Joan, op een toon, +die het tegendeel zeide. Hij ontving geen antwoord, en beiden bewaarden +gedurende eenige oogenblikken een diep stilzwijgen. Ulrica brak dit +het eerst. + +"Wanneer zijt ge hier in 't land teruggekomen?" + +"Gistermorgen van Nijmegen." + +"Waar hebt gij dan vannacht geslapen?" + +"Bij Gheryt Maessen zekerlijk," antwoordde Magdalena; "althans +daar hing diezelfde degenhanger in den schoorsteen welke UEd. thans +aanheeft." + +Ulrica bloosde opnieuw zeer sterk, en Joan keek weder voor zich. + +"Heden, Joan!" zeide Ulrica: "waarom zijt gij gisteravond niet hier +gekomen?" + +"Ik was.... ik had.... ik zal dat wel eens nader vertellen." zeide +Joan, een zijdelingschen blik op Magdalena werpende. In deze beweging +viel zijn oog op het afbeeldsel van den Prior Frederik van Sonheuvel, +dat aan den wand hing. + +"Nu weet ik het!" riep hij uit, sprong op en ging de schilderij +aandachtig beschouwen. + +"Wat weet gij?" vroeg Ulrica verwonderd. + +"Ja, hij is het!" vervolgde Joan: "het is dezelfde, die.... ja hij +is het wel!" + +"Joan! zijt gij mal geworden?" vroeg Ulrica, angstig opstaande en +zich aan zijn zijde voegende. + +"Gij hebt gelijk," hernam hij: "Ik moet den schijn hebben van +ijlhoofdig te zijn: nu, dat zal zich wel oplossen: ik moet uws +vaders oordeel hierover eens weten; doch laten wij van iets anders +spreken, lieve Ulrica!" vervolgde hij, haar weder naar haar zitplaats +geleidende: "zeg mij toch: hoe varen Dominee en zijn vrouw? en hoe +maakt Geert het toch?" + +Ulrica voldeed aan zijn vragen: haar antwoorden lokten wederom nieuwe +vragen uit, en het onderhoud verlevendigde zich, totdat Ulrica +eindelijk vroeg, wat er toch, een oogenblik na Joans terugkomst, +in de zaal had plaats gehad. + +Joan voldeed aan hare nieuwsgierigheid. + +"Gij zult u toch aan geen gevaren blootstellen?" vroeg zij. + +Deze woorden werden door een zoo beminnelijk lachje vergezeld en de +oogen der bevallige schoone vestigden een zoo deelnemenden blik op den +jongeling, dat hij, innig geroerd, haar hand weder in de zijne sloot. + +"Lieve Ulrica!" zeide hij: "ik zal doen wat ik als man van eer +verplicht ben." + +Hier stond Magdalena, die uit het venster in den tuin had gezien, +op, en verliet het vertrek. + +"Ulrica!" riep Joan, zoodra zij vertrokken was: "is het in ernst +waar? Zal de Ambtman Mom uw man worden?" + +"Mijn vader verlangt dat huwelijk," antwoordde zij bevende. + +"Uw vader;.... maar gij?" + +"Het is misschien de beste keus, die ik in mijn omstandigheden doen +kan. Mijn vader is er op gesteld, dat ik een goed huwelijk doe: en...." + +"En gij bemint hem?" + +"Ik houd hem voer een eerlijk, achtenswaardig man." + +"En daarom alleen zult gij hem huwen? Ulrica! speel niet met uw geluk!" + +"Joan!" hernam zij op een zachten, weemoedigen toon: "ik had u bij +uw terugkomst geheel anders verwacht. Zijn dit de beloften, die gij +mij bij uw vertrek van hier hebt gedaan?" + +"Ik herinner mij die belofte te wel, om die ooit te verbreken," +zeide Joan: "ja, ik heb u beloofd, dat ik een dwaze en hopelooze +liefde zou pogen te onderdrukken, dat ik u voortaan, gelijk in onze +kindsche dagen, alleen als zuster zou beschouwen: aan dat gegeven +woord zal ik gestand blijven, en niemand dan gij zal immer weten, +dat ik u eenmaal met een andere dan broederlijke teerheid liefhad, +dat ik u nog heden met diezelfde...." + +"Stil!" viel hem Ulrica met een gestrengen blik in de rede: "gij zijt +weder opweg om dat woord te breken." + +"Welnu!" hervatte hij: "die dwaze liefde daargelaten, geeft mij de +naam van broeder, dien gij mij vergunt te behouden, dan geen recht +om in het geluk mijner zuster het teederst belang te stellen? Gij +bemint den Ambtman niet, gij koestert alleen achting voor zijn +karakter: gij neemt hem, ik moet u openhartig mijn gedachte zeggen, +alleen om mij alle hoop voor de toekomst af te snijden, om u zelve te +behoeden tegen een genegenheid, die u schuldig voorkomt. Doch ik ben +verplicht, als broeder verplicht, u te waarschuwen, dat uw huwelijk +nimmer gelukkig kan uitvallen, wanneer het alleen gesloten wordt, +om een ander dieper ingeworteld gevoel uit te roeien of te verdooven." + +"Onbarmhartige!" zeide Ulrica, terwijl zij haar tranen poogde te +bedwingen: "ga voort, het staat u schoon, mijn droefheid te vergrooten +door zulke onwaardige veronderstellingen. Ik had niet verwacht Joan, +dat gij het eerste uur, dat wij ons na zoo een lange afwezigheid, +terugzien, zoudt besteden, met mij een beschuldiging te doen hooren, +die mij, zoo zij gegrond ware, in mijn eigen oogen vernederen zou." + +Joan gevoelde dit verwijt, stond op en wandelde de zaal op en +neder. "Ulrica!" zeide hij, na eenige oogenblikken zwijgens: "die +Ambtman is u niet waardig!" + +"Joan! Joan!" herhaalde zij met aandoening: "eerst gisteren zijt gij +hier in 't land gekomen. Heden ziet gij den Ambtman voor 't eerst, zoo +gij hem al met kennis gezien hebt. Hoe kunt gij dus zoo lichtvaardig +oordeel vellen over iemand, die misschien eenmaal recht zal hebben +op mijn eerbied, op mijn gehoorzaamheid, op mijn liefde. Is deze +handelwijze billijk, is zij grootmoedig, is zij vriendelijk ten +opzichte van hem--en van mij?" + +"Ik ben misschien te ver gegaan," zeide hij. "Geloof mij, ik gevoel uw +toestand, ik schat de opoffering, die gij wellicht zult doen, op haar +waarde; doch ik bezweer u, bij uw geluk, overdenk den stap dien men u +wil laten doen, nog eenmaal ernstig en bedaard: en vooral.... tracht +berichten in te winnen omtrent den Ambtman, nauwkeuriger dan gij +tot nu toe hebt kunnen bekomen. Want," vervolgde hij met nadruk, +terwijl hij haar hand vatte en haar recht broederlijk in de oogen zag: +"ik zou ongaarne zien, dat gij uw lot verbondt aan iemand, wiens +inborst en gedrag mij althans nog te geheimzinnig voorkomen, om...." + +Op dit oogenblik trad de man, van wien hij sprak, de kamer in. + +Als een schuldige liet Joan de hand der Jonkvrouw varen, en trad +achteruit, terwijl zijn gelaat zich met een hoogrood overdekte. Ulrica +werd bleek, schoof haar zetel terug en wischte haastig haar tranen weg. + +"Laat ik u niet storen," zeide Mom, zich buigende en zijn mond tot +een spotachtig lachje samentrekkende: "ik ga terstond weder heen en +laat u samen. Ik begrijp, dat men, na zulk een lange afwezigheid, +elkaar veel te vertellen heeft." Hier hield hij zich, als wilde hij +weder vertrekken. + +"Wees zoo goed en blijf, Heer Ambtman!" zeide Ulrica hem een zetel +aanwijzende: "mijn broeder en ik zullen nog genoeg gelegenheid hebben +elkander te spreken: daarenboven hebben wij thans niets te zeggen, +dat geen derde hooren mag." + +"Al te beleefd, al te vriendelijk," hernam Mom, altijd met een +glimlach op de lippen: "wijl UEd. het verkiest zal ik blijven; doch +ik zou misschien vrijpostiger zijn dan de Jonker: want ik (hier boog +hij zich diep) heb UEd. veel te zeggen, dat een derde niet hooren mag." + +"Ik zal u van mijn tegenwoordigheid ontslaan," zeide Joan. + +"De Heer Baron heeft mij gelast, UEd. te vragen, of hij u niet aan +de kegelbaan zou zien," hervatte de Ambtman. + +"Ik ga mij bij het gezelschap vervoegen," zeide Joan, zich +verwijderende: "doch," vervolgde hij, terugkomende en den Ambtman +bij de hand nemende: "vergun mij UEd. een vraag te doen, een enkele." + +"Tot uw dienst," zeide Mom. + +"Kent UEd. den man, die hier afgebeeld is?" vroeg Joan, hem op de +schilderij wijzende. + +De Ambtman vertrok geen gelaat, maar zeide zeer bedaard: + +"Dat verbeeldt, zoo ik wel heb, den Prior Frederik van Reede." + +"Gewis; doch heeft UEd. nooit iemand gezien, die tot model dezer +beeltenis zou hebben kunnen dienen?" + +"Neen," antwoordde Mom, droogjes: "en UEd.?" + +"Ik wel," zeide Joan: en met een diepe buiging verliet hij de zaal, +terwijl hem Ulrica, met bevreemding, ja met een soort van angst, of +het hem ook in het hoofd schortte, en de Ambtman, met den spotachtigen +blik, die hem sedert zijn komst niet verlaten had, en met een innerlijk +genoegen van den jongeling verschalkt te hebben, naoogden. + +Joan verliet het kasteel en begaf zich naar de kegelbaan, waar de +gasten nog altijd met spelen bezig waren. Toen hij kwam, was de toer +juist uit, en werd hij verzocht, het getal der spelers te vermeerderen +en zijn geluk te beproeven. Hij voldeed aan het voorstel en nam zijn +bal uit de handen van Bouke aan. + +"Dat zal wezen: oppassen is de boodschap!" zeide deze tegen de +spelers. "Zoo onze Jonker het nog niet verleerd is, zal hij de Heeren +spoedig de baas zijn." + +"Ik twijfel er aan," zeide Joan: "ik heb in lang niet gespeeld en ben +heden nog te verweerd van de reis, om naar behooren te spelen." Dit +zeggende, plaatste hij zich naast den Baron, die zich weder aan het +spel begeven had en wachtte zijn beurt af. + +Van de aanwezige gasten hadden de Jonker van Scherpenzeel en Botbergen +tot nog toe het meeste voordeel behaald: de eerste omdat hij goed, +de laatste omdat hij buiten zijn eersten misworp, gelukkig gespeeld +had. Toen nu Joan zou spelen, zagen al de omstanders scherp toe, +omdat zij, na Boukes gezegde, een meesterlijken worp verwachtten. Joan +zette den voet op de streep, keek even naar de kegels en wierp toen +den bal over de baan op een zoo onverschillige wijze en met zooveel +onoplettendheid, dat geen der aanwezenden dacht dat hij een kegel +raken zoude. De bal rolde langzaam voort: doch toen hij bij het spel +kwam, was het, of hij opeens een andere richting verkreeg: hij draaide +zich tusschen de voorkegels door, wierp den koning omver en wentelde, +zonder een anderen kegel te raken, weder buiten het spel. + +"De koning! de koning!" riepen de spelers. + +"Dat telt negen punten," zeide Bouke: "nu, Mijneheeren! wat heb ik +u gezegd? Ja, ik wist wel, dat de Jonker niet zoolang voor niet met +mij gekegeld had." + +"'t Is meer geluk dan wijsheid," zeide de Baron. "Kom, +Jonker!" vervolgde hij, zich tot Scherpenzeel wendende, lachende: "gij +zijt tot nog toe de bol. Toon uw kunst nog eens, opdat de knaap niet +denke, dat hij, omdat hij uit verre landen komt, ons allen de baas is." + +Scherpenzeel stelde zich in postuur, keek en mikte lang, en was even +gelukkig als Joan: en Botbergen, die het laatste nommer had, wierp +insgelijks den koning om. Nu moesten zij drieën, volgens de wet van +'t spel, weder overspelen, om te zien wie den algemeenen inleg en de +boeten, bij dezen toer betaald, zou ontvangen. + +Even achteloos als de vorige reis, deed Joan den bal over de baan +rollen, en wierp, evenals de vorige reis, den koning om. + +"Zie mij zulk een geluksvogel eens aan!" riep de Jonker van +Scherpenzeel uit: "hij raakt slag op slag, zonder er eens naar om +te zien." + +Hij speelde; maar zoowel hij als Botbergen misten hun worp en Joan +werd als overwinnaar begroet. Nu moest hij bij den volgenden toer +het eerst spelen. + +"Het is waarlijk voor goede spelers geen kunst," zeide hij, "om +te werpen wie de meeste kegels omwerpt. Men moet te voren bepalen, +welke kegels men om moet werpen. Zoo spelen de Franschen en Brabanders +dit spel." + +"Dat heb ik nooit gehoord," zeide Scherpenzeel; "doch ik wil gaarne +gelooven, dat het daardoor nog belangwekkender wordt." + +"Welnu," vervolgde Joan: "dan moet de voorste middelkegel er aan, +met den koning: daar gaan zij!" En, met meer oplettendheid dan te +voren zijn worp verrichtende, volbracht hij zijn opgave volkomen. De +overige spelers poogden hem dit na te doen; doch er was er geen onder +hen, wien het gelukte. + +"Pots tausent!" riep Botbergen: "zoude ik dat ook niet kunnen doen?" en +deed den bal over de baan rollen. De beide opgegeven kegels vielen +werkelijk om. + +"Dat is gewonnen!" riep hij. + +"Neen!" zeide Bouke: "dat is verloren. Gij hebt den koning niet met +den bal geraakt: hij is alleen gevallen, omdat de voorste kegel er +tegen aan geworpen werd." + +"Dat is onwaar," hernam Botbergen, zich bij de kegels begevende: +"de bal heeft wel degelijk allebei de kegels aangeraakt en omgegooid." + +"En ik zeg van neen," zei Bouke. + +"Pots dit en dat!" vloekte Elbert: "zult gij het mij heeten liegen?" + +"Dat zal ik," hernam Bouke: "als de maan vol is schijnt zij overal." + +"Houdaar!" zeide de vergramde speler, die door den drank was +opgewonden; en, een der kegels opnemende, sloeg hij er den ouden +dienaar zoo geweldig mede op 't hoofd, dat hij wankelde. + +Joan kon zijn getrouwen vriend Bouke niet straffeloos zien mishandelen; +als een pijl van den boog schoot hij op Botbergen toe, greep hem met +de eene hand bij den kraag en met de andere in den gordel, lichtte +hem als een kind op en smeet hem over het houten schot buiten de baan, +onder toejuiching der aanschouwers. Woedend stond Botbergen weder op, +trok zijn degen, kwam de baan weder inloopen en snelde regelrecht op +Joan aan; doch deze sloeg hem met een kegel het lemmer uit de hand. + +"Gij zult mij voldoening geven voor zoo groot een beleediging," +brulde Elbert. + +"Zeer gaarne," antwoordde Joan; "doch thans niet. Wanneer gij morgen +nuchter zijt," fluisterde hij hem zachtjes in 't oor, "en u te zeven +uren in 't Lischboschje hierover bevinden wilt, ben ik bereid, u met +pistool of degen af te wachten." + +"Ik zal er wezen," antwoordde Elbert, op denzelfden toon: "Heer +Baron!" zeide hij hardop, zich tot Reede wendende, die hem met de +andere Heeren stond uit te lachen: "wanneer ik hier voor spot en +mishandeling niet vrij ben, kan ik niet langer uw gast wezen. Vergun +mij, dat ik mijn afscheid neme." + +Dit gezegd hebbende, raapte hij, zonder antwoord te wachten, zijn +degen op, en begaf zich met zoo fieren tred als zijn wankelende +beenen het hem vergunden, naar het slot, waar hij zijn paard liet +zadelen om weder naar Tiel te rijden. Opgestegen zijnde en den stal +uitrijdende, ontmoette hij op het voorplein den Ambtman, die zooeven +Ulrica verlaten had. + +"Wat is dat, Elbert? verlaat gij ons weer?" vroeg Mom met bevreemding. + +"Ik moet wel," zeide Elbert: "ik gevoel weinig lust om door dat +bezopen gespuis van ginder overhoop gestoken of in de gracht gesmeten +te worden. Ik heb het ook fiks gezeid aan den Baron, dat ik het +eeuwig verd...." + +"Ja! gij zijt de ware held om iets fiks te zeggen," viel hem de +Ambtman met een schamperen lach in de rede: "gij hebt mij fraaie +angsten op mijn dak gejaagd met uw zot gezwets. Ik was maar bang, +dat het een of ander uit zou lekken van.... gij verstaat mij." + +"Pots honderd tausent slapferment! Kon ik het gebeteren, dat die +weerlichtsche knaap juist vandaag weerom zou komen. Ik had hem liever +onderweg afgewacht en aan honderd piesjes gehakt, dan dat ik zoo +gelogenstraft ware geworden." + +"Ja! gij hadt wat: nu! wilt ge een van mijn dienaars met u hebben? Ge +zijt misschien bang alleen op den weg." + +"Ik ben heden niet geschikt om uw zotte schimpscheuten aan te hooren," +zeide Botbergen, gemelijk: en zijn paard de sporen gevende, draafde +hij weg. + +"Ga maar!" zeide Mom, terwijl hij hem naoogde. "Had ik ooit zulk +een uiterste van bloohartigheid bij u vermoed, nooit waart gij +mijn vertrouweling geworden. Gij zijt alleen geschikt, om, evenals +de laffe jakhals, den leeuw op zijn tocht te vergezellen, hem zijn +vijand aan te wijzen, en de brokken na te kauwen, die de koning des +wouds wil achterlaten." + +Terwijl hij aldus den teugel vierde aan zijn ontevredenheid, was hij +de brug overgegaan en trad den hof in. Hier ontmoette hem Magdalena. + +"Welnu?" vroeg zij. + +"Welnu!" herhaalde Mom: "ik heb uw raad gevolgd en geen verwondering +laten blijken, toen hij mij de schilderij vertoonde. Ik heb zelfs +jegens Ulrica de edelmoedige gespeeld en haar gezegd, dat ik mijn +aanzoeken terug zou nemen, bijaldien een ander de voorkeur in haar +hart bezat. Zij weigerde met aandoening het door mij gedane voorstel, +om haar vader te bewegen, haar hand aan Joan te schenken: het zoude mij +verwonderen, indien ik door deze handelwijze geen groote vorderingen +in haar achting gedaan had. Tracht dit wat aan te wakkeren, en ik +zal mij niet ondankbaar jegens u betoonen." + +"Ik begeer geen loon," zeide Magdalena, op een verachtelijken toon: +"denk slechts op de voorwaarden, waaraan de hulp, welke ik u bewijs, +verknocht is. Ulrica zal de uwe zijn; doch gij moet haar verdienen, +door de goede zaak te doen zegevieren." + +"Daaraan zijn wij bezig," hervatte Mom, "gij kunt aan Pater Eugenio, +die toch een kennis van u schijnt, bij gelegenheid wel eens vragen, wat +ik al gedaan heb om die zaak bevorderlijk te zijn. Hij zal u zeggen, +dat er in Tiel reeds meer dan honderd lieden bijeen zijn, die...." + +"Die niets zullen uitrichten," viel Magdalena hem in de rede: +"omdat hun oogmerken en wenschen geheel uiteenloopen niet alleen, +maar ook tegen de onze aandruischen. Wat zal de hulp van een dronken +Groenhof met zijn oproerkraaiende Arminianen, van een Essius met zijn +lafhartige Wederdoopers, van een wraakzuchtigen Stoutenburg, die van +God noch zijn gebod weet, en van zoovele anderen doen, om het zuiver +oud geloof weder op te richten? Hun doel is, herstel hunner eigene +grieven of wraak over geleden hoon te erlangen: en, daar dit werk +niet van God is, zal het verbroken worden! In u stelt de verdrukte +gemeente een andere hoop. Dan, wat waarborgt mij, dat gij zelf, +wanneer Ulrica de uwe wezen zal, uw woord niet verbreken zult en, +tevreden met den verkregenen bruidsschat uw dagen onbekommerd zult +gaan doorbrengen en u onzer niet langer aantrekken." + +"Ik ben reeds te ver gegaan om weder terug te keeren," hernam de +Ambtman: "en wat mijn woord betreft, dat heb ik nooit gebroken." + +"Niet?" zeide Magdalena, op een gestrengen toon: "en den eed, dien +gij aan den lande deedt, hebt gij dien behouden, toen gij uw trouw +naderhand aan den Aartshertog verpanddet?" + +"Ik ben van dien eed door een Priester ontslagen geworden," antwoordde +Mom. + +"En een kettersche Predikant zal u van het aan Spanje gegeven woord +even gaarne ontslaan willen.--Doch gij spreekt wel; gij zijt te ver +gegaan om terug te keeren, en de overtuiging daarvan stelt mij meer +gerust dan al uw eeden. Dan laat ons scheiden eer iemand ons samen +vindt, en wees zoo goed, mij aan de gebeden van den eerwaardigen +Vicaris aan te bevelen." Met deze woorden verliet zij hem. + +"Den Vicaris!" mompelde de Ambtman: "dat satansche wijf weet alles! 't +is en blijft, zooals ik gisteren zeide: ik heet de leider van het +eedgespan, en ik ben alleen de houten pop, die, met onzichtbare +koorden, ten dienste van anderen her- en derwaarts getrokken wordt." + +Aldus peinzende, vervolgde hij zijn weg. Hij was het met zichzelven nog +niet eens, of hij over de bescherming van Ulrica's kamenier tevreden +moest zijn of niet. Zij toonde zich bereid, zijn inzichten omtrent haar +meesteres te bevorderen; doch van een anderen kant had zij in zijn hart +gelezen en hem niet onduidelijk te kennen gegeven, hoe zij inzag, dat, +zoo hij met de hand van Ulrica rijke bezittingen kon machtig worden, +hij om de ijdele belofte van den Aartshertog weinig meer zou geven en +sterk overhellen om een aanslag te laten varen, die hem toch nimmer +eer kon aanbrengen. Dan, de bezittingen, waarop hij vlamde, kon hij +door de nauwgezette braafheid des Barons niet verkrijgen, tenware een +derde zulks goedkeurde; en om dezen derde, dezen noodlottigen oom +in zijn belang te winnen, begreep hij de Spaansche zijde te moeten +blijven houden. Het voornaamste van alles scheen hem echter toe, Joan +te verwijderen. De wederzijdsche genegenheid, die tusschen dezen en +Ulrica bestond, was hem te duidelijk gebleken, dan dat hij zulk een +medeminnaar niet gevaarlijk zoude achten. Hij voedde echter de bijna +zekere hoop, dat de Baron nimmer zijn toestemming zou geven tot het +huwelijk zijner dochter met iemand van een ongewisse geboorte, al +ware het ook zijn geliefde pleegzoon: dit was hem uit de kennis, welke +hij van de inborst des Heeren van Sonheuvel had, genoegzaam gebleken. + +Hij vond den Baron en zijn gasten in goede harmonie bijeen, sinds +de twiststoker verdwenen was. Nadat hij zich jegens het gezelschap +verontschuldigd had, van een gast te hebben ingeleid, die zich zoo +onwelvoeglijk had gedragen, en Botbergen had zoeken te verschoonen door +zijn buitensporigheden aan den drank toe te schrijven, verzocht hij +Reede en diens pleegzoon, hem een oogenblik gehoor te willen verleenen, +en plaatste zich met hen op een tuinbank, terwijl de overige gasten, +wien het kegelspel begon te vervelen, zich met wandelen, praten en +tabakrooken vermaakten. + +"Heer Baron!" ving hij aan: "Ik heb zooeven een gesprek met uw +bekoorlijke dochter gevoerd." Hier stond Joan op en wilde zich +verwijderen.--"Verschoon mij, Jonker!" vervolgde de Ambtman: "uw +bijzijn is hier noodzakelijk: ik zeg, ik heb aan de beminnelijke +Ulrica mijn hoop, mijn inzichten te kennen gegeven. Zij heeft mij +volmondig erkend achting voor mij te koesteren;.... doch ik heb +duidelijk meenen te ontdekken, dat haar hart niet meer vrij was." + +Hier bloosde Joan sterk, en de Baron sprong driftig op: "Wat! haar +hart niet meer vrij?" riep hij met verbazing en ergernis uit: "waar +haalt gij de zotheid vandaan, Ambtman? En ik zou daar niets van weten." + +"Verschoon mij, Heer Baron!" hernam Mom met veel bedaardheid: +"een vader is doorgaans de laatste, die zoo iets verneemt. Doch ik +kan licht bevroeden, dat een zoo beminnenswaardige Jonkvrouw als +uw dochter, op haar jaren reeds een keuze gedaan heeft: en, wat +meer zegt," vervolgde hij langzaam, terwijl hij Joan scherp aanzag, +"het zou mij zeer verwonderd hebben, indien zij die _niet_ gedaan had." + +"Wat!" herhaalde de Baron, wiens oogen de beweging van die des Ambtmans +gevolgd waren: "versta ik u wel? en is...."--Hier zweeg hij, als +wilde hij de invulling van den volzin aan Mom overlaten: doch zijn +vinger wees zijn pleegzoon aan, die bleek en stijf als een steenen +beeld voor de bank bleef staan en de oogen nauwelijks durfde opheffen. + +"Zoo ik mij niet bedrogen heb, ja!" antwoordde de Ambtman. + +De Baron zag Mom en den jongeling eenige oogenblikken beurtelings aan, +terwijl eerst verbazing en vervolgens ongeloovigheid op zijn gelaat +geschilderd waren. Eindelijk kreeg deze laatste de overhand en hij +brak het stilzwijgen. + +"Maar zij hebben elkaar in geen drie jaren en langer gezien!" + +"Ik begeer niet, dat gij aan mijn betuiging geloof hecht," zeide Mom: +"doch vraag aan hemzelven af, welke gevoelens ook thans nog ten +opzichte uwer dochter zijn hart beheerschen?" + +"Joan!" riep Reede in gramschap uit: "is het waarheid wat de Ambtman +zegt? hebt gij mijn weldaden beloond, door mijn dochter te verleiden?" + +Joan zag den Baron een oogenblik met teederheid aan, sloeg de ogen +weder neder en zweeg, terwijl een gloeiend rood zijn wangen opnieuw +bedekte. + +"Is het mogelijk! Joan!" herhaalde de Baron: "Joan! ik verheugde +mij zoo u terug te zien: maar nu.... ja! nu had ik liever, dat gij +op het slagveld.... of ten minste," zeide hij, zich hervattende, +"dat gij hier ver vandaan gebleven waart." + +"Bedaar, edele vriend!" zeide Mom: "hoe kan een zoo natuurlijke +genegenheid, welke UEd. zelf heeft opgewekt, u verstoren." + +"Die ik opgewekt heb?" herhaalde Reede, met drift: "nu ja, +misschien! maar kan een valkenier het helpen, dat de valk, dien hij +van jong opvoedde, hem de oogen uitsteekt?--Wilt gij, dat ik mijn +dochter geve aan.... aan...." Hier zweeg hij opeens, ziende dat hij +te ver ging. + +"Aan den Jonker van Craeihorst," hernam de Ambtman, altijd even bedaard +blijvende: "is daar wat op te zeggen? Is zijn geslacht niet edel? is +zijn adel niet zuiver?" + +"Wat geslacht? wat adel?" zeide de Baron: "ja! als dat bewezen ware." + +"Hoe!" zeide Mom, zich hoogst verbaasd veinzende: "is de Jonker niet +uw neef? hebt gij zelf niet verhaald, dat gij hem tot u genomen hadt, +omdat hij als hulpelooze wees overgebleven was?" + +"Een fraaie neef!" bromde de Heer van Sonheuvel: "een Spanjoolsch +kind!" + +"Wat hoor ik?" riep Mom: "is de Jonker een Spanjaard?" + +"Wie ik ook wezen moge," riep Joan, zich een traan uitwisschende, +"een ondankbare zal ik nimmer zijn; en zoolang ik leve, heer +Baron! zal erkentenis voor uw vaderlijke weldaden mijn boezem +vervullen. Neen!" vervolgde hij, terwijl zijn stem, die in den +beginne zwak en stamelend was, onder 't spreken vaster en fierder +werd: "neen, mijn vader! gij hebt uw mildheid aan geen ondankbare +verspild. Verre is het van mij geweest, dat ik ooit voedsel zou +gegeven hebben aan de dwaze hoop, die gij, Mijneheeren! in mij +veronderstelt. Neen! eenmaal, ik beken het, heeft een ongelukkig +toeval mij een geheim doen openbaren, dat voor eeuwig in dit hart +had verborgen moeten blijven; doch de eenvoudige gedachte aan 't geen +ik u, Heer Baron! verschuldigd was, heeft mij belet van het spoor te +wijken, dat plicht en dankbaarheid en eer mij voorschreven. Onttrek +mij dus uw achting niet: want het gemis daarvan zou den laatsten +slag toebrengen aan een bestaan, dat, reeds van mijn geboorte af, +bestemd om zonder doel of uitzicht voortgesleept te worden, alleen +door die achting nog draaglijk bleef." + +Joan had deze woorden met vuur gesproken, en bij het eindigen der +laatste zinsnede de handen des Barons gegrepen en daarop een teederen +kus gedrukt. Reede voelde de hand des jongelings niet zonder aandoening +in de zijne geklemd, en kon niet nalaten, die met hartelijkheid, +schoon onder het mompelen van eenige onverstaanbare woorden, die +ontevredenheid moesten aanduiden, te drukken. Schoon het denkbeeld +hem stuitte, dat zijn dochter aan iemand van een onbekende geboorte +haar hart zou geschonken hebben, had hij echter Joan van harte lief en +begeerde althans op den dag zijner terugkomst niet met hem in onmin te +geraken wegens een onvoorzichtigheid, die jaren geleden bedreven was. + +"Nu, nu!" zeide hij, "jongelief! wat gedaan is, is gedaan, en gij +kunt het ook niet helpen, dat wij uw familie nooit hebben kunnen +opschommelen. Gij weet immers, mijn beste jongen! dat ik altoos +veel van u gehouden heb! maar om u Ulrica te geven, dat zou wat kras +geweest zijn, en gij deedt wel, dat gij u die geschiedenis uit het +hoofd hebt gezet. Ook begrijp ik nog niet, vriend Mom! hoe gij aan +dit alles gekomen zijt?".... Hier zag hij dezen vragende aan. + +"En ik," zeide Joan, den Ambtman ernstig aanziende, "ben u, +Ambtman! kleinen dank verschuldigd, dat gij, dus ongevergd, +hartsgeheimen niet alleen hebt uitgelokt, maar zelfs aan den dag +hebt gebracht, welke èn de Freule van Sonheuvel èn ik in de eeuwige +vergetelheid hadden gewenscht te begraven." + +"Ik gevoel dat ik dit verwijt verdien," zeide Mom, zich buigende op +een vriendelijken toon: "doch ik wist niet, dat er redenen bestonden, +welke den Baron beletten konden, zijn goedkeuring te weigeren aan +een echt tusschen de Freule en u! Ik werd toevallig gewaar, dat gij +misschien de bevoorrechte, geliefde minnaar wezen kondt, en in dit +geval wilde ik geen hinderpaal voor uw wenschen zijn. Ook thans nog," +vervolgde hij met ernst, "ook thans nog ben ik bereid, zoo de Heer +van Sonheuvel omtrent dien echt van gedachten veranderen mocht, +mij te verwijderen, ja, met een bloedend hart, doch tevens met de +overtuiging van mijn plicht gedaan te hebben." + +"In dat geval heb ik u verkeerd beoordeeld," zeide Joan, "en verzoek +u om verschooning." + +"Nu!" zeide de Baron, die vol blijdschap een dienaar zag naderen, +welke de gasten aan den disch kwam roepen en hem uit de verlegenheid +redde, waar hij zich in bevond, "wij zullen over dit gansche geval +wel eens nader spreken. Mijn lieve Hemel! Pas is Joan teruggekomen, +en hij heeft mijn huis op stelten gebracht! Eerst valt hij als een bom +uit de lucht en krijgt hij ruzie met den vriend van u, Ambtman! (die +waarlijk ook geen lievert is) en vervolgens hoor ik, dat hij sinds +jaar en dag naar mijn dochter zou vrijen. Kom! kom! laten wij van +middag om niets anders denken, dan om ons wel te vermaken. Ik heb +nog anderen wijn van onze Duitsche buren gekregen, dan dien gij +van dezen middag gezien hebt, en gij zult er mij uw gedachten eens +over zeggen. Intusschen," voegde hij er zachtjes bij, terwijl hij den +Ambtman onder den arm nam en met hem slotwaarts wandelde: "hetgeen ik u +eens gezegd heb, blijft gezegd: Joan is een beste jongen, dat is waar; +doch mijn dochter hem te geven ware al te belachelijk! ik heb haar +aan u beloofd, en zoo gij het met haar eens kunt worden, dan is alles +in orde. Gij zult haar die liefdegrillen ook wel uit den kop praten, +zoo ze er al ooit in gezeten hebben, 't geen ik niet gelooven kan; +want zij heeft er mij nooit een woord van gezegd." + +Joan oogde beide Heeren zuchtend na. Nog wist hij niet recht, hoe +hij over den Ambtman moest denken, noch aan welke beweegredenen hij +diens vreemde handelwijze moest toeschrijven. Zij had den schijn van +grootmoedigheid voor zich; dit kon hij niet ontkennen; en toch lag er +iets spotachtigs in het gelaat des Ambtmans, dat hem kwalijk beviel en +hem, vooral als hij nadacht over het gebeurde te Tiel, met wantrouwen +omtrent zijn bedoelingen vervulde. Wel is waar, de proef, die hij met +Mom had genomen, toen hij hem voor het afbeeldsel des Priors bracht, +was met glans doorgestaan: doch het was mogelijk, dat de Ambtman +minder dan Joan door de gelijkenis getroffen was geweest, of dat hij +de schilderij meer gezien had en dus op de vraag voorbereid ware. Joan +besloot eindelijk met den gevreesden man zoo spoedig mogelijk een +onderhoud te hebben, ten einde al hetgeen hem nog duister voorkwam +tot helderheid te brengen, en inmiddels niets onbeproefd te laten +om zijn gedragingen en gezegden met de meeste oplettendheid na te +gaan. Hij gevoelde, dat dit hem eenige moeite zou kosten en dat hij +met voorzichtigheid zou moeten te werk gaan, daar de Ambtman hem slim +genoeg voorkwam om zich niet licht te ontmaskeren; doch het geluk van +Ulrica hing er van af, en de gedachte, dat het meisje, 't welk hij zoo +hartstochtelijk beminde, en dat zoozeer verdiende bemind te worden, +zou kunnen worden opgeofferd aan iemand, die haar liefde onwaardig +was, trof hem te zeer, dan dat hij niet al zijn krachten zou inspannen +om zijn onderzoek te bewerkstellingen. Dit besluit gevormd hebbende, +begaf hij zich naar het slot en voegde zich bij de gasten. + +Van het maal, dat vervolgens plaats had, zullen wij niets melden. dan +alleen, dat de aanwezigen eer deden aan den lekkeren wijn des Barons, +en proefondervindelijk bewezen, dat hij dien niet ten onrechte +geprezen had, daar zij, de een vroeger de ander later, wel beschonken +huiswaarts keerden. Slechts de Ambtman en Joan waren nuchter gebleven; +de eerste was onder voorwendsel van gewichtige bezigheden, vroegtijdig +vertrokken, en Joan, die geen voorwendsel behoefde, daar hij zich +werkelijk nog ongesteld bevond, kort daarna naar zijn kamer gegaan, +terwijl de Baron, die mede wat diep in de flesch gekeken had, niet lang +vertoefde, na het vertrek der gasten, om in een aangename sluimering +de drukten van den dag te vergeten. + + + + + +TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + Ons afscheit was, hy zou + Verzeker op dees uur alhier zich laten vinden. + + _Vondel_, Gysbrecht van Aemstel. + + +Het was reeds schemeravond, eer de Ambtman, van zijn tocht naar +Sonheuvel te Tiel terugkwam. Nauwelijks had hij den feestelijken dos, +dien hij ter eere des Barons en de schoone Freule had aangehad, voor +den huispels verwisseld, toen Pater Eugenio, na zich onder den naam +van Van Dyk te hebben doen aanmelden, het vertrek, waarin hij bij +den haard gezeten was, binnentrad. + +"Ik verlangde reeds u te zien, Pater!" zeide Mom: "om van u te +vernemen, wat hier sedert mijn afwezigheid al is voorgevallen." + +"En ik," zeide Eugenio, "ben begeerig om te hooren, of UEd. met den +zoogenaamden Jonker van Craeihorst tot een verklaring hebt moeten +komen." + +"Hoe! gij wist dan reeds?...." + +"Dat de man, dien wij gisteren voor een Remonstrantschen Proponent +hielden, de pleegzoon van uw aanstaanden schoonvader was? Ja, dat +wist ik reeds, voordat uw heldhaftige vriend Elbert van Botbergen +mij zulks kwam vertellen." + +"Alles is wel afgeloopen, zonder verdere opheldering van het +voorgevallene." + +"En hoe was de schoone Jonkvrouw te moede?" vroeg Eugenio: +"betoonde zij geen blijdschap over de terugkomst van haar vriend +en voedsterbroeder?" + +"Meer dan mij lief was, heeft haar die terugkomst +aangedaan." antwoordde Mom, verwonderd opziende, dat Eugenio ook +de betrekkingen scheen te kennen, die er tusschen Joan en Ulrica +bestonden. + +"Alzoo een medevrijer!" + +"Ja, en die vrij ontijdig opkomt. Ik vlei mij echter dat ik bij +den vader een witten voet heb en dat de dochter achting voor mij +heeft. Niettemin ware het mij aangenaam, zoo die knaap van hier +was. Botbergen heeft zich met het geval bemoeid, en bijna had hij de +zaak verkorven." + +"Laat die zorg aan mij over," hernam de Jezuïet: "eer vier weken ten +einde zijn, moet gij de echtgenoot der Freule van Sonheuvel wezen." + +"Ja, doch er is nog een _maar_...." + +"Wat de bezittingen des Barons betreft?--nu ja, die zwarigheid zal ook +wel opgeheven worden: de oom, of liever de schoonvader in _quaestie_, +zal gaarne zijn schriftelijke toestemming geven tot een huwelijk met +den Heer Ambtman." + +"Gij zijt, dunkt mij, van alles onderricht, en ik zie hoe langer +hoe meer in, dat ik best zal doen, u blindelings al mijn zaken te +laten besturen." + +"Met raad en daad sta ik mijn vrienden altijd ten dienste," zeide +Eugenio, zich buigende. + +"Ik erken die goedheid dankbaar," herman de Ambtman: "gij kent dan +dien schoonvader?" + +"Of ik hem ken? ik ben gisteren en heden met hem in _conferentie_ +geweest." + +"Hij is hier!" riep de Ambtman: "en waar vinde ik hem? Zoo haast ik +mij, hem op te zoeken en mij in zijn bescherming aan te bevelen." + +"Dan ware alles verkorven. De Vicaris weet niet, dat gij aan het +hoofd van het eedverbond staat: en indien hij van deze omstandigheid +kennis droeg, ware die genoegzaam om hem zijn toestemming te doen +weigeren. De goede Vicaris gaat nog verder dan Filippus van Macedonië: +hij bemint noch het verraad, noch de verraders." + +"Hoe!" riep Mom, opvliegende: "wat bedoelt gij? Zoo het niet uit +eerbied voor uw stand ware, Pater! ik wierp u het venster uit." + +"Dat zou een slechte belooning zijn voor de getrouwe diensten, die ik u +bewezen heb en nog denk te bewijzen," zeide Eugenio met veel koelheid: +"ik had ook geen voornemen om u te beleedigen; ik wilde u alleen +den Vicaris beter leeren kennen. Laat alles gerust aan mij over, en, +ik herhaal het: binnen vier weken is alles naar uw wensch geschikt." + +"Was die Vicaris, wien ik oogluikend zijn broederen heb laten +vergaderen in het klooster, de grootvader van Ulrica? Hoe vreemd loopt +alles samen! En wat heeft de vrome man aan de broederen verhaald?" + +"Hij heeft hun gisteren zijn _Credentialen_ getoond en heden heeft +hij hun een predikatie voorgedragen om hen tot lijdzaamheid en +onderwerping aan te manen. Gelukkig had hij weinig toehoorders en +luisterde niemand naar zijn ontijdige zedenlessen, Zijn doel was, +geloof ik, den indruk van mijn aansporingen tot afschudding van het +juk krachteloos te maken." + +"Was het? ik meende, dat hij juist afgevaardigd ware, om door zijn +invloed al de Roomschgezinden te nopen, het hunne bij te dragen om +de bestaande orde van zaken om te keeren." + +"Zijn invloed!" herhaalde Eugenio met een verachtelijken glimlach: +"die heeft nooit iets te beduiden gehad. Pater Ambrosio is een van +die kleingeestige dwazen, die, hoezeer zij hetzelfde doel wenschen +te bereiken, dat wij ons voorstellen, tegen de middelen schrikken, +wanneer zij niet volkomen strooken met hun nauwgezette denkbeelden +van rechtvaardigheid en eerlijkheid. Zij laten hun handelwijze van +hun zedenkunde afhangen, in de plaats van deze aan hun oogmerken +ondergeschikt te maken." + +"En," vroeg Mom, na eenige oogenblikken zwijgens: "hoe heeft die +bezopen Predikant het gemaakt?" + +"Groenhof?--O! die heeft voor zijn toehoorders een uitmuntend sermoen +gehouden, doorspekt met bijbelsche aanhalingen, zoo fijn bijeengehaald, +dat ik bij mij zelven dacht, hoe het toch mogelijk was, dat men zoovele +aanmaningen tot moord, roof en muiterij kon halen uit een boek, +'t welk liefde prediken moet. Onze kerk heeft wijselijk gehandeld, +dacht ik, toen zij verbood dat de bijbel in alle handen kwame; want +men kan met de letter van de Schrift toch alles goedmaken." + +"Waarlijk," zeide Mom met een schamperen lach: "ik dacht niet, dat +gij bijwijlen zulke goede gedachten hebben kondt." + +"Zulke mannen als Groenhof zijn goud waard," vervolgde Eugenio, +veinzende de aanmerking van den Ambtman niet te hooren: "waarlijk, +ik zou gaarne zulk een medelid in onze Sociëteit hebben, mits hij +wat minder aan den drank verslaafd ware." + +"Nu genoeg van hem.--En Stoutenburg?" + +"Daar heb ik een taai gesprek mede gehad. Hij heeft in Den Haag, +Rotterdam en Leiden aanhangers genoeg, meest warme vrienden van den +Advocaat, en mannen, waar men in tijd van nood op rekenen kan. Doch +hij wil, alvorens iets te beginnen, zijn broeder Groenevelt en zijn +zwager Van der Myle tot zijn zijde overhalen. Zoo 't echter wezen +moet, maakte hij, ook zonder hun hulp, zich sterk, om de goede zaak op +'t krachtigst voor te staan, door den vijand in folio te vermoorden." + +"Een stout voornemen!--En de Wederdoopers?" + +"Dat zijn zotten, die geen knip voor den neus waard zijn. Zij willen +geen zwaard opnemen en zouden zich, als de Joden onder Antiochus op den +sabbat, zonder zich te verdedigen, laten vermoorden. Hier kunnen zij +ons geen dienst doen; doch ik heb hen het land rondgestuurd om door +ingevingen en boetpreeken het gemeene volk tegen het bestuur op te +ruien. Op zulk een wijze doen zij ons hetzelfde nut als de ballingen, +die inmiddels uit Antwerpen en Brussel het land met blauwboekjes +beschieten.--Ondertusschen heb ik al de eedgenooten, waar ik zeker +van ben, naar huis gestuurd: zij kunnen ons daar veel meer nut doen, +door nieuwe hulp aan te werven, dan hier, waar zij slechts vermoedens +opwekken. Wat de zwakken betreft, die houde ik hier om hen door Preys, +Leendertz en Groenhof te laten opwinden." + +"En gij zelf?" + +"Ik moet morgen weder van hier. Mijn tegenwoordigheid in Den Bosch +zal weldra noodzakelijk zijn: want zooeven ontvang ik de tijding, +dat de Aartshertog overleden is." + +"Overleden! En zijn beloften? Wie waarborgt mij, dat zij zullen +worden nagekomen?" + +"Ik," antwoordde de Jezuïet: "ik, die niet gewoon ben, mijn plannen te +laten varen; doch daarom juist worde ik in Den Bosch vereischt.--Dan, +van wat anders: mij is bericht, dat de Spotkoning van Bohemen +herwaarts komt: Graaf Hendrik Frederik moet hem halverwegen +gaan ontvangen. Tracht dezen onder 't een of ander voorwendsel +hier ter stede te lokken, of maak, dat ge in allen gevalle een +geheim mondgesprek met hem houdt: dat zal genoeg zijn om aan onze +Remonstrantsche medeverbondenen de vaste overtuiging te geven, dat hij, +gelijk ik hun verhaald heb, aan het hoofd van den aanslag staat." + +"Uitmuntend gedacht! doch hoe dit best overlegd? Gij weet, dat de +Nassausche Vorsten altijd bij verrassing reizen, en dat men zelden +hoort, dat zij er geweest zijn, voordat zij weder zijn vertrokken." + +"Vergeet gij dan mijn kwaden Engel, die ons van alles +onderricht?--Vrees niets, eer 't jaar een dag ouder is, zal deze u +een middel aan de hand doen, of zelf misschien den Graaf herwaarts +leiden. Is hij eens hier, dan wordt hij zoodanig met Arminiaansche +smeekschriften bestormd, ja zoowel in den schuurzak gebracht, dat, +al mislukte onze geheele onderneming, de beide broeders in gezworen +vijandschap geraken moeten." + +"Gij blijft de spreuk getrouw, Pater, die men zegt dat uw genootschap +voert: divide et impera [46]. Maar, is er van dezen nacht nog iets +voor mij te verrichten?" + +"Niets anders dan gerust naar bed te gaan, Heer Ambtman!--Morgen te +elf uren spreken wij elkander nader bij Klaas Meinertz. Thans hebben +wij beiden rust noodig. UEd. is vermoeid, en ik moet morgen nog uit +op een geheimen tocht voor uw belang.... en voor mijn wraak," voegde +hij er grijnzend bij. + +"Ik begrijp niet, hoe die samengepaard kunnen gaan," zeide Mom, +met verwondering, ja met een soort van angst de afzichtelijke +uitdrukking bespeurende, welke Eugenio's trekken aannamen: "doch ik +twijfel niet of beide zijn u wel aanbetrouwd. Tot wederziens dan," +voegde hij er bij, den Pater naar de deur geleidende. Deze verliet +hem en Mom begaf zich naar bed, met een mengeling van gevoelens, +die, zoo zij hem al niet uit den slaap hielden, hem zeker beletteden, +de rust des rechtvaardigen te smaken. + +Sliep Joan geruster op het slot te Sonheuvel? Wij mogen, na al het +gebeurde van den dag, daaraan twijfelen. Hoe het zij, te zes uren had +hij zijn legerstede reeds verlaten en zich, geheel gekleed, naar de +wapenkamer begeven. Na te dier plaatse eenige oogenblikken vertoefd +te hebben, wikkelde hij zich in een grooten mantel, trok ongemerkt +het kasteel uit, en ging den tuin door, met oogmerk om zich door het +achterpoortje naar het Lischbosch te begeven. + +In het derwaarts gaan moest hij de kegelbaan voorbij, en een niet +onnatuurlijke zielsopwelling deed hem het oog wenden naar de plaats, +waar hij zijn vijand had uitgedaagd: dan op datzelfde oogenblik voelde +hij zich bij zijn mantel trekken, en zich omkeerende, zag hij Bouke +voor zich staan. Deze was reeds vroeger uitgegaan om de kegels weg te +gaan sluiten, 't welk den vorigen avond vergeten was. In alle andere +oogenblikken zou Joan door zijn ouden vriend met genoegen aldus zijn +verrast geweest; doch thans veroorzaakte de ontmoeting van Bouke +bij Joan eenige verlegenheid. Hij gevoelde dat het scherpziend oog +van den ouden dienaar het oogmerk van zijn geheimzinnigen uittocht +licht doorgronden zoude, en gaarne had hij een onderhoud vermeden, +'t welk hij nu voorzag, dat noodzakelijk plaats moest hebben. Hij +beantwoordde dus Boukes morgengroet kortaf en zag met een verstrooiden +blik in 't rond. + +"Wel kijk!" zeide Bouke: "geen jager zoo vroeg in 't veld, of de +strooper was er nog vroeger. Moet je al zoo vroeg er op uit, Jonker?" + +"Laat mij gaan," zeide Joan: "laat mij gaan Bouke! ik heb haast." + +"Hei! hei! die haast wordt, haast ontwordt," hernam de oude dienaar: +"'t zijn goê spillekens, die zacht draaien en lang loopen. Weet je +wat, Jonker? Je meugt zooveel haast hebben als je wilt, je zult toch +moeten lijden, dat mijn olde beenen met je jonge beenen pas houden." + +"Ik moet alleen uit, beste vriend," zeide Joan, zich los willende +maken. + +"Kom!" zeide Bouke: "met goê gemak raakt men ook voort: ijlen maakt +uilen, en men zal zoo haast gaan als loopen. Alleen laat ik je niet +gaan; dat is eens vooral bij mij bepaald; want je hebt nu zoo lang +op je eigen beenen rondgezwalkt, Jonker! dat ik voor den tijd, dat +je hier zijt, je kameraad wel weder wezen mag." + +"En ik herhaal nogmaals ernstig, Bouke! dat ik u verzoeken moet, +mij te verlaten, ik moet iemand alleen gaan spreken." + +"Dat weet ik," zeide Bouke: "denk je, dat ik die degens en pistolen +onder je mantel niet voel? Dat ik niet weten zou wat je in 't schild +voert? Men ziet aan 't been wel, waar de hoos gescheurd is." + +"Zoo gij mijn voornemen raadt, zult gij ook best begrijpen, waarom +ik niemand kan medenemen." + +"Dat begrijp ik heel wel," hernam de onverzettelijke Bouke: "maar ik +begrijp ook heel wel, waarom ik meê wil gaan. Je wilt met Botbergen +gaan vechten, en daar heb ik niet tegen; dat schoelje verdient wel +een por in de huid; maar denk je, dat zoo een bloode schelm alleen +zal komen? Jawel, of hij 't laten zal. Hij zal ook denken: beter +blood Jan als dood Jan: en opdat je niet in ongelegenheid raakt, +zal en wil ik met je gaan." + +"Bouke! voor de eerste reis van mijn leven zult gij mij toornig op +u maken." + +"Praat maar, praat maar en ga uw weg! ik ga met: goed voorgaan doet +goed volgen. Je zult mij hier op de plaats moeten doodschieten eer +ik je verlaat. Die schelm mocht je verlakken: en een blindeman schiet +ook wel eens raak." + +"Als het dan zoo wezen moet, ga dan in 's Hemels naam met mij: +doch onder één voorwaarde: vinden wij mijn partij alleen, dan ga je +terstond weder terug." + +"Dat 's afgesproken!" riep Bouke verheugd: "en nu er maar op los +gegaan. Ik zal mij wel luikes houden: die een schurk wil vaên, daar +moet er een achter de deur staan." + +Stilzwijgend trad nu onze held, gevolgd van zijn ouden en getrouwen +vriend, het achterpoortje uit en begaf hij zich den weg op naar den +Rijnkant. Na verloop van eenige minuten waren zij aan het Lischboschje +gekomen, zijnde de plaats, waar onze lezers zich herinneren, dat Joan +zijn partij bescheiden had. Dit boschje bestond uit een paar morgen +gronds met elzen en wilgen beplant, en die, 's winters meestal onder +water staande, met lisch en biezen waren opgevuld en hierdoor tot +een geliefkoosd verblijf aan de eenden en watersnippen verstrekten; +waarom de plek ook in den jachttijd alleen bezocht werd en men er +in het voorjaar zonder vrees van gestoord te worden een samenkomst +kon houden. Een laan deelde het boschje in twee gelijke deelen, +terwijl andere smalle paadjes het in verschillende richtingen +doorslingerden. Men kwam er langs een pad, breed genoeg om aan een +ruiter den vrijen toegang te vergunnen. Op dit pad ontdekte Joan +de nog versche sporen van een paard, hetwelk van den Rijnkant moest +gekomen zijn. + +"Hij moet reeds binnen zijn," zeide Joan tot zijn metgezel: "en +klaarblijkelijk is hij alleen. Gij kunt dus weder vertrekken." + +"Niet voordat ik overtuigd ben, dat er geen twee op het paard gezeten +hebben," antwoordde Bouke, en het pad opgaande wilde hij in zijn +drift den Jonker vooruitsnellen. + +"Niet alzoo, Bouke!" zeide Joan: "wilt gij volstrekt zien, hoe het +er mede staat, verberg u dan hier of daar; doch draag zorg, dat men +u niet zie. Ik wil geen vermoeden bij mijn vijand doen ontstaan, +dat ik een helper met mij genomen heb." + +"Daar staat die lange slungel al aan 't einde van de laan," zeide Bouke +zachtjes: "ga hem maar te gemoet: ik verschuil mij hier." Dit gezegd +hebbende, sloop hij tusschen het hakhout, en, een der hem bekende +slingerpaadjes ingaande, kwam hij weldra niet verre van de plaats, +waar Joans wederpartij, in een grooten mantel gewikkeld, tegen zijn +paard stond te leunen. Joan, de rechte laan, welke hij ingeslagen +was, volgende, naderde den ruiter, groette hem beleefdelijk en wilde +hem aanspreken, toen deze hem, bij 't afnemen van zijn hoed niet de +gevulde trekken van Elbert van Botbergen, maar het mager gelaat van +den Arminiaan Van Dyk deed herkennen. + +"Wat heeft dit te beduiden?" vroeg Joan, verbaasd terugtredende: +"ik dacht hier...."' + +"Gij dacht hier den Heer van Botbergen te vinden," zeide de Jezuïet: +"en het is u leed, dat gij buiten de mogelijkheid gesteld wordt, +het bloed van uwen naaste te plengen." + +"Ik had zeker moeten begrijpen," hervatte Joan: "dat de laffe schurk +geen moeds genoeg zou bezitten om zijn logens hier met het zwaard +te komen staande houden; maar ik dacht weinig dat hij een zetsman in +zijn plaats zou sturen: en althans u niet, die, gelijk ik eergisteren +meen ontdekt te hebben, tot den geestelijken stand behoort.--Doch, +waarom u niet? Eerst noemdet gij u een Remonstrant: toen vond ik u +in gezelschap van Roomsche priesters: nu treedt gij misschien als +spadassijn op en komt u met mij meten. Is dit laatste het geval, +zoo ben ik tot uw dienst." Hier opende Joan zijn mantel en haalde +twee gelijke degens en een koppel pistolen voor den dag. + +"Gij misduidt mij, jongeling!" zeide Eugenio, de wapens afwijzende, +welke hem werden aangeboden, "als geestelijke kom ik hier, om woorden +van vrede tot u te spreken." + +"Woorden van vrede!" herhaalde Joan, met een verachtelijker +glimlach: "gevoelt de Heer van Botbergen berouw over de mij aangedane +beleedigingen, zoo laat hij op het slot des Barons komen, en aldaar, +in tegenwoordigheid van al de edele Heeren, die er gisteren te gast +waren, zijn logens intrekken en mij verschooning vragen. Ziedaar +de eenige voorwaarden, waarop ik den ellendigen bloodaard zijn +welverdiende straf zal laten ontgaan." + +"Ik vrees," hernam de zoon van Lojola, "dat de Heer van Botbergen +moeilijk aan zulke voorstellen zal gehoor verleenen." + +"Waarom dan is hij zelf niet gekomen" vroeg Joan: "hij heeft mij nu het +recht gegeven, door de gansche wereld te gaan verbreiden, dat hij een +laffe logenaar is, die noch moeds genoeg heeft om zijn woorden staande +te houden, noch eerlijkheids genoeg, om te bekennen, dat hij schuld +gehad heeft. Gij hebt nu mijn voorwaarden gehoord. Mijnheer! en wij +hebben verder niets af te handelen. Ik heb de eer u te groeten." Dit +zeggende, lichtte hij den hoed af en wilde zich verwijderen. + +"Een oogenblik, jongeling!" zeide Eugenio, hem den weg afsnijdende: +"ons gesprek is nog niet afgeloopen." + +"Hebt gij mij niet verstaan?" vroeg Joan, hem met fierheid aanziende. + +"Zeer wel," hernam de Pater: "maar gij hebt mij nog niet verstaan. Ik +heb over zaken van meer gewicht met u te spreken, dan over een +ellendige dronkenmanskibbelarij." + +"Gij schijnt den oorsprong van den twist niet te kennen," zeide Joan, +terwijl zijn oogen van drift fonkelden, "of gij hadt er een anderen +naam aan gegeven. Weet gij de schandelijke praatjes, welke die lafbek +omtrent mij heeft durven houden in tegenwoordigheid van menschen, op +wier achting ik prijs stel? Weet gij, dat hij met boosaardigen laster +mijn goeden naam, het eenigst dat ik op aarde het mijne kan noemen, +heeft aangerand?" + +"Ik weet dit alles," zeide Eugenio: "doch ik weet ook, dat de wijze +zich aan geen zotteklap stoort." + +"Ik maak geen aanspraak op den naam van wijze," hernam de jongeling: +"maar ik ben een man van eer en draag een degen op zijde: dit had +die lage knaap moeten bedenken, eer hij mij hoonen durfde." + +"Ik ben geen _casuïst_," zeide Eugenio: "en verlang dus in geen +redetwist met u te komen over een punt, dat mij tamelijk onverschillig +is. Iemand van mijn stand kan moeilijk bepalen, in welke gevallen +het plichtmatig of slechts geoorloofd is, het staal tegen zijn naaste +te ontblooten." + +"Gij zijt dus een geestelijke?" hernam Joan: "doch tot welke Kerk gij +behoort is mij nog duister, daar ik u in verschillende betrekkingen +heb gezien." + +"Ik behoor tot de eenige ware Kerk," zeide de Jezuïet. + +"Dat zeggen alle geestelijken," hernam Joan: "doch wat u betreft, +gij komt in tweeledige opzichten voor den dag." + +"Gij spot met mij, jongeling! dit heb ik aan u niet verdiend. Dit +hadde uw vader niet gedaan," zeide Eugenio, met een ernstigen blik. + +"Mijn vader!" riep Joan: "Kent gij den Baron van Sonheuvel dan?" + +"Wie spreekt van dien moordenaar?" vroeg de Jezuïet, terwijl hij zijn +stem op eens tot haar vollen omvang verhief, als een woedende stier +door de neusgaten blies en de groote oogen strak op den jongeling +gevestigd hield, om den indruk te ontdekken, dien zijn woorden maken +zouden: "ik spreek van uw vader, uw wezenlijken, natuurlijken vader?" + +"Mijn God! kent gij hem?" vroeg Joan, terwijl hij met siddering den +Jezuïet naderde en diens handen in de zijne drukte. + +"Hij was mijn vriend," zeide Eugenio, den jongeling aan zijn boezem +sluitende. + +"Hij was!.... hij is dan niet meer?" vroeg Joan, de armen latende +vallen. + +"In den bloei van zijn roemvol leven, na de edelste en heldhaftigste +bedrijven verricht te hebben, werd de brave Velasco als een weerloos +lam op de schendigste wijze vermoord." + +"Velasco mijn vader!" riep Joan: "en op een schendige wijze +vermoord? O! noem mij den moordenaar, en deze hand zal in zijn bloed +de schande uitwisschen, die mij drukt, dat ik hem zoolang ongestraft +liet." + +"De jager, die den ouden leeuw in zijn kuil heeft omgebracht," hernam +de Jezuïet, "laat somtijds den leeuwenwelp in 't leven en voedt hem +op uit zucht naar gewin. De booswicht, die Velasco bij zijn leven +niet in de oogen durfde zien en hem na zijn dood bespotte, bracht +den zoon op, die eenmaal des vaders moord hem vergelden zal." + +"O God!" riep Joan, de handen wringende; "zegt gij waar? was de Baron +van Sonheuvel...." + +"Uws vaders moordenaar.--Twijfelt gij aan de waarheid mijner woorden, +er bestaan levende getuigen, die haar kunnen bevestigen." + +"Neen!" zeide Joan: "de edele, deugdvolle man, die mij nooit anders +dan goede lessen gaf, die mij altijd als kind beminde, kan geen moord +hebben gepleegd! De oorlog maakte hem en mijn vader tot vijanden: +en de dood van dezen zou door een ongelukkig samentreffen kunnen zijn +veroorzaakt: doch een moord!.... onmogelijk." + +"Lees de geschiedenissen van zijn tijd," zeide Eugenio met koelheid: +"daar staat het gedrukt, hoe het lijk van Velasco door een +bloeddorstigen en wraakgierigen overwinnaar mishandeld werd. Doch, +ik begrijp licht," voegde hij er bij, met een verachtelijken blik, +"dat de oogen van den minnaar der schoone Ulrica de bloedvlek niet +kunnen zien, die haars vaders handen bezoedelt." + +"Mensch!" riep Joan radeloos uit: "martel mij niet op een zoo +verschrikkelijke wijze." + +"Zoo zijn de dwaze stervelingen altijd," hernam Eugenio: "even +onmachtig om de tegenheden als om de vreugde te dragen: eerst waart +gij opgetogen en verrukt van blijdschap, omdat gij het geheim uwer +geboorte hooptet te leeren kennen; ongelukkig legt de kennis van +dit geheim u een lastigen plicht op, en dadelijk verwenscht gij hem, +die de moeite nam, het u te ontvouwen." + +"Ik weet niet," zeide Joan, terwijl hij de hevige gemoedsbewegingen, +welke bij hem oprezen, poogde te onderdrukken, om in een zoo +verscheurend oogenblik den vreeselijken onbekende met eenige +bedaardheid te kunnen aanhooren: "ik weet niet wat gij bedoelt, +noch welken plicht gij mij wilt opleggen." + +"Ik leg u geen plicht op," zeide de Jezuïet: "ik heb u reeds gezegd, +dat ik slecht kan beoordeelen wat uw eer en uw naam, waarvan gij +den mond zoo vol hebt, van u vorderen: wel is waar, een ander, die +minder met woorden schermde en wat meer innerlijk gevoel bezat, zou +de vraag, welke gij mij doet, niet behoeven op te werpen. Gij zelf +hebt die reeds beantwoord, toen gij een oogenblik geleden den dood +zwoert aan uws vaders moordenaar. Toen sprak uw hart: toen hoorde ik +de taal, welke den zoon, den man van eer betaamde. Die kreet was in +overeenstemming met de laatste woorden uws vaders, wanneer hij, op +last van den laaghartigen Reede vermoord, in mijn armen nederzeeg, +het brekend oog op u sloeg en mij met stervende lippen toevoegde: +voed hem op tot mijn wreker. Het eerste gedeelte van dat bevel kon ik +verrichten: het laatste: die uiterste wensch van een stervenden vader, +staat aan u te vervullen: en wee den zoon die aan 's vaders laatsten +wensch niet wil voldoen." + +"Kan ik," vroeg Joan, "mijn zwaard opheffen tegen den man, die mij +met zijn brood heeft gevoed?" + +"Gij stelt het vraagpunt verkeerd," zeide Eugenio: "vraag liever: +kan ik den man als vijand behandelen, wiens dochter ik liefheb?--dan +zult gij beter uw wezenlijke meening uitdrukken. Doch ik heb u +geheel verkeerd beoordeeld, en tot mijn leedwezen; want de bijdragen +tot menschenkennis, die men op dusdanige wijze vergadert, zijn niet +van de aangenaamste. Mijn boodschap aan u is verricht, en ik moet u +verlaten met den wensch, dat gij met een gerust geweten de weldaden +van uws vaders moordenaar moogt blijven aannemen." + +"Een oogenblik!" riep Joan, hem met drift terughoudende: "tegen hem, +die mij van mijn kindsheid af heeft welgedaan en als vader behandeld, +mag ik geen onbewezene beschuldigingen aannemen. Welke waarborgen +geeft gij mij voor de echtheid van uw verhaal?" + +"Welke waarborgen?" herhaalde de Jezuïet: "dan, gij hebt gelijk: +het is in den tegenwoordigen tijd voorzichtig, niemand op zijn +woord te gelooven, althans geen vreemdeling. Doch, vraag het aan +den moordenaar zelven, vraag het aan zijn bloeddorstige medehelpers, +vraag het aan uw oom, den ook in Nederland hooggeachten Don Louis; +lees het in uw historieschrijvers, die op dit punt ten minste der +waarheid zijn getrouw gebleven;.... doch ik spreek in den wind: voor +hem, die liefst niet overtuigd wil wezen, helpen geen bewijsgronden." + +"Zóó laat ik u niet gaan," zeide Joan, terwijl hij den Jezuïet +tegenhield, die zich zocht te verwijderen: "gij zijt mij meerdere +opheldering schuldig." + +"Tot uw dienst," hervatte Eugenio: "doch maak het kort. Mijn tijd is +kostbaar, en mijn leven is hier niet zeker." + +"Ik sta voor uw leven in," zeide Joan haastig: "doch antwoord mij. Gij +noemdet zooeven mijn oom? Waarom heeft hij mij tot heden geweigerd +te erkennen?" + +"Vraag hem dit zelf," antwoordde de Jezuïet: "hij is in Den Bosch, +en zal u geenszins weigeren, u zijn gedrag op te helderen." + +"Het is dan Don Louis, die u tot mij gezonden heeft?" + +"Don Louis weet dat ik u zou opzoeken: doch herinner u hetgeen ik +u gezegd heb: ik had van uw vader zelven een last bekomen, dien ik +vervullen moest." + +"En waarom draaldet gij hiermede dan zoo lang?" + +"Ik ben u omtrent mijn gedrag geen rekenschap verschuldigd," antwoordde +Eugenio met hoogheid: "en al wilde ik dit, de tijd laat mij zulks +niet toe." + +"Waar kan ik u dan nader spreken? Waar vind ik u weder?" + +"In Den Bosch, bij uw oom: vraag hem daar slechts naar Pater +Eugenio. Vroeger ziet gij mij niet terug. Denk intusschen eens na +over hetgeen ik u zeide, onderzoek alles en overweeg uw plicht." + +Dit zeggende, sloeg de Jezuïet, zijn paard bij den toom leidende, +de laan in, die hem buiten het boschje voeren moest. Joan bleef, +als door den donder getroffen, eenige oogenblikken staan. Dan opeens +rees in zijn ziel een gedachte op, welke hij zelf niet besefte dat +nu eerst bij hem opkwam. Hij snelde den Jezuïet achterna, en, hem +bij den arm grijpende, riep hij uit: + +"En mijn moeder?" + +"In Den Bosch zal aan uw nieuwsgierigheid voldaan worden," antwoordde +Eugenio, terwijl hij zich losrukte en verder voortstapte. Dan +nauwelijks was hij buiten het boschje en op den weg gekomen, of +een stevige vuist greep hem in den nek en deed hem tegen zijn paard +aantuimelen. + +Het was Bouke, die hem op een zoo onvriendelijke wijs begroette. Deze +had zich, gelijk boven verhaald is, niet ver van de plaats, waar het +onderhoud voorviel, in 't boschje verscholen. De wind had hem wel +belet om juist te verstaan alles wat er gezegd werd; doch eenige +weinige woorden, luider dan de overige gesproken, hadden hem doen +beseffen, dat er een kwaad opzet tegen zijn Heer gebrouwen werd. En +dit vermoeden sloeg tot overtuiging over, toen hij, na lang op het +gelaat van den vreemdeling getuurd, en op het einde der samenspraak +zich een weinig naderbij begeven te hebben, den Jezuïet van de +Katholieke Hofstede herkende; want schoon er sinds dien tijd twintig +en meer jaren verloopen waren, behoorden de gelaatstrekken van Eugenio +onder diegene, welke men niet licht vergeet, na ze eens aanschouwd te +hebben. Met ijzing en afschuw zag hij den gevreesden booswicht aan; +dan nog bleef hij twijfelen; want hij had gezien, hoe zijn Joan, zijn +vriend en leerling, op den toon der vertrouwelijkheid met den onbekende +gesproken, ja, hem zelfs de handen gedrukt had. Eindelijk werd zijn +onzekerheid weggenomen, toen de Pater, bij het afscheid nemen, zijn +naam noemde, dien naam, welke den braven Bouke zoo verfoeilijk was. Hij +nam nu het vast besluit, deze reis den booswicht niet, gelijk de vorige +keeren, te laten ontkomen. Zorgvuldig gleed hij door het kreupelhout +terug en nam juist het oogenblik waar, dat Eugenio zijn paard wilde +beklimmen, om voor den dag te springen en hem, gelijk wij gemeld +hebben, met kracht aan te grijpen. "Ja," riep hij, "loontje komt +om zijn boontje! Deze reis zult gij mij niet ontsnappen!" Eugenio, +schoon doorgaans op zijn hoede, en altijd tegen een aanval gewapend, +was niettemin op zulk een plotselijke aanranding niet bedacht. Hij +herstelde zich echter spoedig, en daar Bouke, die de armen hem om 't +lijf hield, hem belette, de hand bij zijn pistolen te brengen, greep +hij dezen onder de okselen en trachtte hem op te tillen om hem van +zich af te werpen, terwijl hij hem terzelfder tijd voor struikroover +uitschold.--Joan, zelf onthutst over hetgeen hij geschieden zag, +wierp zich tusschen de beide strijders, die met dezelfde woede en +met schier gelijke krachten worstelden: en het gelukte hem, Bouke +van zijn weerpartij af te scheuren. Doch de oude dienaar des Barons, +door deze tusschenkomst nog feller verbitterd, trok zijn mes en zou +Eugenio een steek hebben toegebracht, had Joan zijn arm niet met +geweld teruggehouden. + +"Zijt ge ijlhoofdig, Bouke?" vroeg de jongeling, "wat is dit voor +een razende dolheid?" + +"Laat mij begaan, Jonker!" brulde Bouke: "dood bloed geen nood doet!" + +"Gij ziet, hoe een ontrust geweten ontwaakt," zeide de Jezuïet tegen +Joan, meteen een pistool voor den dag halende: "deze man heeft mij +herkend: hij behoorde ook onder de moordenaars." + +"Dat mag ik van jou wel zeggen, schurk!" galmde Bouke: "Jonker laat +mij los: want zoo die schelm los komt, is het land in nood." + +"Gij hebt voor mijn veiligheid ingestaan," zeide Eugenio, Joan scherp +aanziende. + +"Dat heb ik," zeide Joan: "doch maak u weg, eer 't te laat is; want, +bij den hemel! ik zie iemand naderen, die u niet hier moet vinden." + +"Ha! daar komt versterking," riep Bouke: "Jonker! bij je ziel! laat +den schelm niet ontsnappen!--Mijnheer! Mijnheer! kom toch hier!" + +"Wat is hier te doen?" vroeg de Baron van Sonheuvel, die, om de dampen +van den wijn te doen vervliegen, een ochtendwandeling deed en toevallig +den weg naar het boschje genomen had. + +"Wat gebeurt er?" riep hij, met spoed aan komende loopen. + +"Een zonderling geval, Mijnheer!" antwoordde Eugenio: "die kerel valt +mij op 't onverwachtst met een mes op 't lijf, zonder dat ik hem in +'t minst beleedigd heb: ik geloof dat de vent dronken is." + +"Kent UEd. hem niet?" riep Bouke, zich aan Joans handen ontworstelende: +"het is de Jezuïet van Panne, die toen met UEds. paarden wegliep!" + +"Wat Jezuïet? wat Panne?" vroeg Eugenio, met een glimlach: "de vent +is razend." + +"Waarlijk!" zeide de Baron, terwijl hij Eugenio met een scherpen +blik aanzag en langzamerhand zijn hartsvanger uithaalde: "ik heb dat +gezicht meer gezien: ja hij is het!" + +"Ben ik het?" hernam de Jezuïet: "weg dan met alle vermomming! Ja, +gij hebt mij nog eenmaal gezien, nadat gij mijn trouwsten vriend +baldadig hadt vermoord." + +Deze woorden overtuigden den Baron, dat de vreemdeling werkelijk de +medeplichtige van Panne was geweest, daar hij, gelijk onze lezers zich +misschien zullen herinneren, werkelijk op dien avond een Jezuïet had +neergeschoten; doch Joan bracht het gezegde van Eugenio in verband +met hetgeen deze hem het oogenblik te voren had verhaald, en begreep, +dat het op den moord van Velasco sloeg. Waarschijnlijk had zich de +Jezuïet ook met dit inzicht van een uitdrukking bediend, die voor +onderscheiden uitleggingen vatbaar was. + +"Welnu schelm!" zeide de Baron: "zoo gij het zelf bekent, geef u +dan over." + +"Dat niet," hernam Eugenio, "zoolang ik hier nog een vriend heb, +die mij beschermen zal!" Dit zeggende wierp hij een veelbeteekenenden +blik op Joan. + +"Laat hem gaan! laat hem gaan! Heer Baron!" riep Joan, in een hevige +gemoedsbeweging: "hij was de vriend mijns vaders." + +"Joan, ga ter zijde!" riep de Baron: "zult gij met dien moordenaar één +lijn trekken? Gij weet niet welk een vervloekte booswicht daar staat." + +"Wie hij zijn moge," zeide Joan: "ik heb voor zijn veiligheid +ingestaan." + +"Ha! worde ik van mijn voedsterling verraden?" vroeg Reede met +verwoedheid: "om 't even! geef u over schurk van een Jezuïet!" + +Bij het uiten dezer woorden liep hij met drift op Eugenio aan, die, +achteruittredende, hem de tromp van zijn pistool voorhield. Bouke +poogde terzelfder tijd den Jezuïet van achteren aan te vatten; +doch deze had zich reeds achter zijn paard om begeven, was behendig +opgestegen en poogde nu, den teugel wendende, zijn aanvallers te +ontrijden, toen hij door een nieuw aangekomen vijand wederhouden +werd. Deze was niemand anders dan Gheryt Maessen, die met een mandje +vol kostelijke eieren, door hem tot een dankbaar geschenk voor Freule +Ulrica bestemd, van den Rijnkant afkwam. Zoodra hij het gevecht van +verre aanschouwde, zette hij zijn mandje neder, nam, bij gebrek van +ander wapentuig, een ei in de linkerhand en kwam Eugenio achterop, +wien hij met de rechtervuist aangreep en van het paard zocht te +trekken. Deze poging ware hem bijna duur te staan gekomen; want de +Jezuïet legde reeds het geladen pistool op Maessen aan, toen deze hem +het ei vlak tegen het voorhoofd wierp, zoodat de struif hem over de +oogen stroomde. Eugenio, die geen doodwond zou ontzien hebben, was +door deze zonderlinge ontmoeting een oogenblik onthutst. Hij brandde +los; doch in den blinde en zonder iemand te deren; terwijl Gheryt, +van zijn verbaasdheid gebruik makende, hem met een ruk achterover +en van 't paard haalde, waarop de Baron en Bouke, genaderd zijnde, +zich van hem trachtten meester te maken, en hem te binden: "want," +zeide de Baron: "de schelm moet aan mijn galg en niet door mijn +degen sterven."--Eugenio was echter even spoedig weder opgestaan +als hij gevallen was en sloeg zoo geweldig van zich af, dat het aan +de drie aanvallers onmogelijk ware geweest, zich levend van hem +te verzekeren, zoo niet eenige boeren, van den Rijnkant komende, +den Baron de behulpzame hand waren komen bieden. De eerste en wel +de ijverigste onder deze nieuwe medehelpers was de bij den lezer +welbekende Teun Wezer, die zich (wij zullen nader zien om welke reden) +op dat tijdstip in de kroeg aan den overhaal bevond en met de overigen +op het vallen van het schot en op het hooren van het geschreeuw was +toegesneld.--Op het zien dier menigte staakte Eugenio allen wederstand +en gaf zich vrijwillig gevangen, alleen verzoekende, zoodra mogelijk +op het slot te worden gebracht. + +En Joan, hoe had hij gedurende den strijd zich gedragen? Bleek als +een doode, met de armen los bij het lijf nederhangende, zonder een +voet te verzetten, had hij het schouwspel aangestaard. Strak en akelig +stonden zijn oogen; maar duizend ontzettende gedachten bestormden zijn +ziel. Het was hem nu duidelijk gebleken uit de woorden van den Baron, +van Bouke, van Eugenio, dat de beide eersten de moordenaars, de laatste +de vriend van zijn vader geweest waren. Doch aan genen was hij tot nog +toe alles, aan den laatste niets verschuldigd geweest. Wien moest, +wien mocht hij bestand bieden, nu zij elkander als woedende tijgers +aanvielen? Besluiteloos was hij blijven staan, en het was hem een +gerustheid, toen hij bij den uitslag zag, dat de strijd aan niemand +het leven gekost had. Toen eerst deed hij een stap voorwaarts, doch +hernam terstond zijn vorige houding, zoodra hij zag, dat de Baron, na +aan de zijnen gelast te hebben. Eugenio naar het kasteel te brengen, +naar hem toetrad met een gelaat, waarop verbazing, gramschap en +droefheid onderling in strijd schenen. + +"Welnu, Joan!" zeide Reede: "uw vriend is geknipt, en niemand heeft +eenig letsel bekomen. Zult ge mij nu ook gelieven te zeggen, waarom +gij de partij van dien bloedhond getrokken hebt en ons in den pekel +hebt laten zitten?" + +"Heer Baron!...." zeide Joan sidderende en naar woorden zoekende om +zijn aandoening uit te drukken; doch in dit oogenblik wierp Eugenio, +in 't heengaan, een doordringenden blik op hem. "Denk aan uw eed," +zeide de Jezuïet, met een helderklinkende stem. + +De Baron zag Eugenio en Joan beurtelings aan met oogen, die van +gramschap fonkelden, en vond in beider houding een nieuw bewijs +hunner verstandhouding. Hij was naar Joan toegetreden met het oogmerk +om vertrouwelijk met hem te spreken en de oorzaak zijner vreemde +handelwijze op te sporen. Thans echter nam de toorn in zijn ziel de +overhand boven de vriendschap, die hij voor zijn pleegzoon gevoelde, +en met den gestrengen toon eens rechters gelastte hij dezen, hem op +het kasteel te volgen. + + + + + +DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + Om in dien schijn te gaen + Zijn vyanden bespiên, en letten hoe men 't maakte. + + _Vondel_, Gysbrecht van Aemstel. + + +Ulrica zat in een der bovenkamers van het slot, en was bezig om +aan de oude Geertrui, die, half blind en half lam geworden zijnde, +zelden de trappen afkwam, een hoofdstuk uit den Bijbel voor te lezen, +een taak, welke die goede vrouw in vroeger dagen voor haar Freule +verricht had en welke deze thans met evenveel bereidwilligheid +voor haar vervulde. Achter Ulrica was Magdalena gezeten, en hield, +schijnbaar aandachtig, de handen onder het voorschoot te zamen +gevouwen; doch haar vingeren doorliepen ongemerkt de korrelen van +een bedesnoer en haar lippen prevelden onhoorbare gebeden. Geertrui +zat met gevouwen handen over haar meesteres, met het hoofd een weinig +op zijde gedraaid, om beter te kunnen hooren: nu en dan toonde zij, +bij dezen of genen tekst, dien zij op het huisgezin toepasselijk +oordeelde, haar welgevallen door een hoofdknik, en somtijds zelfs +maakte zij binnensmonds een noot of aanmerking op het gelezene. + +Dan, eer de morgenoefening was afgeloopen, werd de aandacht der +Jonkvrouw van haar lezing afgetrokken door een ongewoon en verward +gedruisch, dat zich van den grooten weg liet hooren. Ulrica sloeg +haar oogen naar het venster, en zag een menigte lieden in een dichten +drom van den Rijnkant komen, waaronder zij al spoedig haar vader +herkende. Verwonderd over dezen ongewonen toeloop, zoo vroeg in den +morgen, gelastte zij Magdalena, naar de oorzaak te vernemen, en deze, +haar bereidwilligheid met een stijven knik te kennen gevende, verliet +het vertrek. + +"Kijk mij zoo een malle prinses eens aan," zeide Geertrui: "knikt ze +je niet toe, alsof zij de Freule en UEd. de kamenier was. Die madam +heeft ook vast reis gedroomd, dat zij heel wat was." + +"Zij is niet voor dienstbaarheid geboren," antwoordde Ulrica: "en +mij dunkt Geert! dat, als ik geduld met haar heb, gij u niet over +haar behoeft te beklagen." + +"Geduld! geduld! ja, dat is goed en wel," zeide Geert: "maar UEd. moet +denken, tegen UEd. toont zij haar heerschzuchtigen aard maar half. Je +moest eens zien hoe zij met de booien spreekt: altijd uit de hoogte: +als UEd. dat nog deedt, UEd. is de meesteres; maar zoo een madam, +die hier zoo kaal als een neet gekomen is en die nu de bazin wil +spelen en met elk den spot drijven en voor elk den neus opsteken, +tot voor Dominee toe, wanneer hij hier komt." + +"Nu, nu Geert!" viel haar Ulrica in de rede: "gij zijt ook niet altijd +even goede vrienden met Dominee. Ik heb u ook wel eens met hem hooren +twisten; en, wat betreft den toon, dien zij aanneemt, het heugt mij +wel, dat in vroegere dagen de dienstboden even bang waren voor u, +als thans voor haar." + +"Dat's waar," zeide Geert: "ik hield mijn fatsoen onder 't volk; +maar hoe lang had ik ook het huis gekend en bestierd; en dan Mevrouw +zaliger, die vertrouwde mij alles, en die wist ook wel, wat zij +deed, maar zoo een malle Leen: want zoo heeten haar de booien in +de wandeling...." + +"Geert!" zeide Ulrica: "ik hou niet van die bijnamen. Ik weet, +zoogoed als iemand, dat Magdalena, voor een dienstmaagd, wel eens +wat veel spreekt; maar ik herhaal het, zij is niet voor dien staat +opgeleid, en haar opvoeding maakt het gezelschap van boerenknapen, +zooals hier op het slot komen, ongeschikt voor haar." + +"Dan moest zij er zich in schikken," hernam Geertrui, zich ontevreden +op haar stoel nederzettende: "maar als UEd. _per fors_ gelijk wil +hebben, dan zal ik zwijgen, gelijk mij betaamt: schoon ik geloof, dat +Mevrouw zaliger er anders over zou gedacht hebben. Nu! ik hoop maar, +dat zij nooit erger kwaad zal doen: indien het slechts niet waar is, +hetgeen Roelof Teeuwiszoon vertelt, dat hij haar laatst een kruis op +de knie heeft zien maken, en dat zij een ivoren afgoodje onder haar +bed verborgen heeft." + +Ulrica was op het punt van een heftig antwoord op deze beschuldiging +te geven; doch zij bedwong zich, daar zij de koppigheid van haar oude +Baker kende, en begreep, aan haar hooge jaren inschikkelijkheid te +moeten betoonen. Zij wendde dus het gesprek af en vroeg aan Geertrui, +of zij den Jonker al sedert zijn terugkomst gezien had. + +"Onzen besten Jonker Joan!" herhaalde Geertrui, terwijl zich over +haar gelaat eensklaps een ongewone opgeruimdheid verspreidde: "och +neen! gisteren had hij het zeker te druk met u allen, om aan de oude +Geert te denken." + +"Dit heeft hij toch gedaan," hernam Ulrica: "hij heeft naar u gevraagd; +doch, zooals gij wel zegt, de drukten van het huis zullen hem belet +hebben u te gaan omhelzen." + +"Die goede jongen!" zeide Geert: "heeft hij waarlijk naar mij +gevraagd? nu, ik hoop straks mijn schade in te halen. Hij was een +knappe Jonker, toen hij nu voor drie jaren.... laat eens zien, was het +drie jaren.... ja, met Pinkster is het drie jaren geweest.... toen +hij naar het veld trok, meen ik. En hij zal er nu wel op gebeterd +zijn; kijk! dat Mevrouw zaliger hem nog eens zien kon!.... en u ook, +Freule Ulrica!--Als ik nog denk, toen ik met u in de bakermat zat +en toen Mijnheer met hem binnenkwam; of neen.... Bouke kwam met +hem binnen.... ja wat ik toen niet al dacht!.... niet veel goeds, +Freule! God vergeve het mij! maar ik bezondigde mij en beoordeelde +Mijnheer al vrij lichtvaardig.... nu, het verheugt mij toch, dat de +Jonker de oude Geert nog niet vergeten heeft.--Wat verlang ik hem +weder te zien!.... Doch vindt gij niet, Freule! dat Magdaleentje +lang uitblijft!" + +"Mij dunkt, ik hoor haar komen," zeide Ulrica: "mijn hemel! wat is +er gebeurd?" + +Deze laatste vraag was tot Magdalena gericht, die juist binnentrad, +met een gezicht, nog strakker en zwaarmoediger dan naar gewoonte. + +"Is er een ongeluk voorgevallen, dat gij zoo donker kijkt?" vervolgde +Ulrica. + +"Alsof zij ooit vriendelijk uit haar oogen zag," mompelde Geertrui. + +"Er is geen ongeluk voorgevallen, Freule!" zeide Magdalena: +"doch er heeft een soort van schermutseling plaats gehad bij het +Lischboschje, met een verkleeden monnik, of zoo iemand, dien zij +gevangen medebrengen." + +"Een schermutseling!" riep Ulrica: "er is toch niemand gewond?" + +"Daar heb ik niets van gehoord," antwoordde Magdalena. + +"Mij dunkt," merkte Geert aan, "dat je ook het fijne van de mis niet +weet. Bouke zou zeggen: zend de poes naar Rome, zij zegt _miaauw_ +als ze weeromkomt.... nu, ik hoop, dat zij dien monnik gauw zullen +ophangen." + +"Ja, als uw oude oogen nog zoo iets mochten zien," hernam de kamenier +met bitterheid, hoogst ontsticht over de spreekwijze van Geertrui, +welke een vernis van spotternij spreidde over voorwerpen van haar +vereering. "Wat zou Heer Godard van Reede zeggen, indien hij u hoorde +spreken?" + +"Heer Godard!" riep Geert, van verbazing de handen ineenslaande. + +"Kent gij mijn oom?" vroeg Ulrica verwonderd. + +"'t Is al één rommelzoo, net zooals ik wel vermoedde," zeide Geert: +"lieve Hemel! wat zou Mevrouw zaliger...." hier werd het geluid van +haar stem onverstaanbaar, doch zij bleef in haar zelve voortpraten. + +"Er heeft nog een zonderlinge omstandigheid bij dat gevecht plaats +gehad," vervolgde Magdalena: "men zegt dat de Jonker van Craeihorst +de partij van dien Monnik genomen heeft tegen den Heer Baron." + +"Magdalena! deze aardigheden gaan te ver!" riep Ulrica, met een +ontroerde stem. + +"Wat zeg je? Ben ik doof of versta ik verkeerd?" vroeg Geert, terwijl +zij met moeite opstond en naar de kamenier toeschoof: "wat durf je +van Jonker Joan vertellen?" + +"Ik herhaal wat ik gehoord heb," antwoordde Magdalena, de schouders +ophalende: "ik kan het niet helpen, indien de berichten. welke ik +breng, u niet bevallen. Misschien ook is er geen woord waar aan: ik +heb uit het gereutel dier domme boeren niet half wijs kunnen worden." + +"Ja, je zijt maar al te wijs," zeide Geert; "maar zulke praatjes!" + +"Geert heeft gelijk," zeide Ulrica: "men moet zonder goede waarborgen +geen uitstrooisels van dien aard vertellen." + +"UEd. zal spoedig de gansche toedracht der zaak vernemen!" hernam +de kamenier. + +"Ja, ik wil haar vernemen en dadelijk," riep Ulrica, en snelde naar +beneden. + +"En ik ook, ik wil weten hoe de vork in den steel zit," zeide Geert, +terwijl zij strompelende den vluggen tred van haar meesteres navolgde; +"lieve Hemel! had ik ooit gedacht, dat ik na den dood van Mevrouw +zaliger nog zoo iets beleven zoude?" + +Op het binnenplein gekomen, vond Ulrica alles in opschudding. De +eerste, dien zij onder de aanwezigen herkende, was Gheryt Maessen, die +den Jezuïet bij den arm vasthield. "Zoo gaôt het, Freule!" zeide hij: +"ik dacht oe een ben goede eieren met te brengen, en daôr breng ik +oe een gevangen man met. De eieren staôn nog op den weg: die zol de +kat opvretten." + +Huiverend wendde Ulrica bij deze toespraak een zijdelingschen blik +op Eugenio; deze groette haar beleefd: "het spijt mij, schoone +Freule!"' zeide hij: "dat de Jonker van Craeihorst om mijnentwille +misschien in ongelegenheid zal komen." + +"Om uwentwille?" herhaalde Ulrica, verbleekende: zij zag rond, en +nu eerst ontdekte zij Joan, die, van de menigte afgezonderd, met het +hoofd in de hand, tegen een staldeur leunde, de oogen nedergeslagen +houdende, en bleek als een doode. + +"Joan!" riep zij, angstig naar hem toesnellende: "Joan! wat hebt gij +gedaan? wat verhaalt men van u? Is het waar, dat....?" + +"Wat doet gij hier?" zeide de Baron, naar haar toetredende, en haar +eenigszins onzacht terugtrekkende: "ga naar uw kamer: hier althans +hebt ge niets noodig." + +"O God! het is dan waar?" zeide Ulrica, sidderend: en haar +aangezicht met de handen bedekkende, trad zij snikkend terug. Aan +de trap ontmoette zij Geertrui, welke zij dringend verzocht, naar +de ware toedracht der zaak te vernemen en haar het gehoorde te komen +mededeelen. + +"En gij," vervolgde de Baron tegen Joan: "begeef u naar uw vertrek, +en wacht daar, tot ik u laat roepen."--Joan gehoorzaamde. "Welnu, +Bouke, hebt gij den Schout laten ontbieden?" + +"Ik ben er zelf geweest," zeide Bouke: "Zijn edele zal dadelijk +hier zijn." + +"Goed," hernam Reede: "er moet terstond iemand te paard naar Tiel +gaan om den Ambtman van alles bericht te geven:--breng den Jezuïet +in den kelder rechts af, en laten al de brave lieden, die het hunne +hebben gedaan om hem te krijgen, bij mij in de benedenzaal komen: +laat Roelof mij daar wat papier en pennen brengen." + +De bevelen van den Baron werden opgevolgd. Hij plaatste zich in +de benedenzaal en wachtte in zijn groote leunstoel de boeren af, +die één voor één verschenen, en wier namen hij opschreef, opdat +zij als getuigen in rechten zouden kunnen strekken, terwijl hij +een goede belooning aan elk hunner beloofde voor de aan hem bewezen +goede diensten. + +Eindelijk kwam de beurt aan Gheryt Maessen, die, ofschoon hij van +Ulrica verscheidene gunstbewijzen ontvangen had, den Baron slechts +bij name bekend was. Daar hij de eerste was geweest, die door zijn +tijdige komst, de gevangenneming van Eugenio bewerkt had, bewees hem +de Baron nog meer vriendelijkheid dan aan de anderen. + +"Gij hebt u als een kerel geweerd," zeide Reede, "en als de schelm +hangt, zult ge een mooien kermisduit van mij hebben." + +"Dat hoeft niet," zeide Gheryt; "maôr als oe Genade mij een dienst +wilde bewijzen, dan had ik gaôrne dat oe een woordeke aôn den Heer +Ambtman zeide, dat ik den hofbeer bezorgen mocht, die naôr Den Haôg +moet gaôn. Ik heb er aôn de Freule al van esproken." + +"Wij zullen zien," zeide de Baron: "de Heer Ambtman komt hier, dan +kunt gij zelf uw verzoek doen. Verlangt gij Den Haag te zien?" + +"Mijn vrouws vaôder woont er, bij de Gravin van Falckestein." + +Deze naam deed een tooverachtige uitwerking op den Baron en helderde +zijn wezen nog meer op: "Wij zullen zien," herhaalde hij, zich +de handen wrijvende: "en als gij bij uw schoonvader komt, kunt +gij hem vertellen, dat wij den schoelje gehangen hebben, die zijn +vorigen meester eens zoo leelijk de kool gestoofd heeft.--Nu, goeden +morgen! gij kunt gaan; maar hou u in de buurt, hoor! Is er nog iemand?" + +"Ja," antwoordde Bouke: "daar is nog een stuk van een neef van mij: +maar ik zag hem liever de ribben smeren dan een belooning krijgen: +'t is een van die klanten, die denken: ontgaat u de wal, hou u aan +'t vlotgras. Ik heb een olden hekel aan hem, en op old ijs vriest +het licht. Ware ik niet in Hongarije geweest met den Jonker, hij had +Klaartje-nicht nooit getrouwd." + +"Om 't even, " zeide de Baron: "laat hem binnenkomen." + +Bouke opende deur, en liet, half tegen zijn zin, Teun Wezer in. + +"Aha!" zeide Reede, zoodra zij alleen waren: "gij hebt u best gekweten, +kameraad!" + +"Dat verheugt mij, dat UEd. die getuigenis van mij geeft," antwoordde +Teun, met een grappige buiging: "voor tien a twaalf jaren zoude +UEd. zoo iets niet gezegd hebben." + +"Wel mogelijk," hernam de Baron: "nu, een goed man, die zich +betert. Gij zult getuigenis moeten afleggen: daarom moet ik uw naam +en woonplaats opschrijven." + +"Niemand zal beter daartoe in staat zijn, dan ik," zeide Teun: "die Van +Dyk is met mij tot aan den Rijn gekomen. Ik heb hem den weg gewezen." + +"Van Dyk? zoo! heet de schurk Van Dyk? Nu, het zal hem om een naam +meer of minder niet te doen zijn--En hebt gij hem den weg gewezen? Dan +zal uw getuigenis zeker nogal belangrijk zijn. Dan ware het misschien +beter dat gij hier bleeft, tot de Schout kwam." + +"Ik ben veerman te Tiel, Heer baron!" + +"Ja, dat is wel mogelijk; maar als gij dien vent den weg gewezen hebt +hier naar toe, kunt gij ook blijven om te zien waar hij verder naar toe +zal gaan. Wacht dus maar in de keuken, tot ik u roepen laat.--Bouke!" + +Bouke verscheen en de Baron gelastte hem, al de boeren wel te +onthalen en goede wacht voor de gevangenis van den Jezuïet te laten +houden. Inmiddels maakte Teun Wezer een buiging, nam zijn afscheid +en vertrok. Aan het einde van het voorportaal voelde hij zich op +den schouder tikken, en zich omkeerende, zag hij Magdalena voor zich +staan, die hem in een zijvertrek riep, waarvan zij terstond de deur +met behoedzaamheid achter zich sloot. + +"Vlegel!" zeide zij, hem verstoord aanziende: "waarom hebt ge niet +beter opgepast en den eerwaarden Pater tegen die ketters bijgestaan?" + +"Gehoorzame dienaar, Mevrouw!" zeide Teun: "ik dank oe hartelijk. De +Pater was al geknipt, eer ik er bijkwam: waarom is hij zoo gek geweest, +den wolf in den bek te loopen. Ik heb hem helpen binden en met voeren, +om door dien weg een oog in 't zeil te houden, 't gunt mij zoo wel +elukt is, dat de Baron mij elast heeft, hier te blijven." + +"'t Is wel," hernam Magdalena, "en oordeelt gij u zelven behendig +genoeg, om den Pater uit den benauwden toestand te redden, waar hij +in gebleven is?" + +"Hm! hm!" zeide Wezer, "met oe hulp en die van een paôr knaôpen hier +dicht bij, die niets beters verlangen, dan een goed handgeld te +verdienen.... maôr er moet niets van kunnen oetlekken, dat ik met +eholpen heb. Ik ben landsambtenaar en heb geen zin om voor _lezum +majestatum_ op'eknoopt te worden." + +"Gek!" zeide Magdalena, hem verachtelijk aanziende: "alsof er +iets aan een ellendig leven, als het uwe, verbeurd ware;--doch, om +'t even! hier!" vervolgde zij, hem een beursje ter hand stellende: +"hier is de zenuw van den aanslag: deel uit en beschik wat gij wilt: +doch wees spaarzaam en voorzichtig." + +"Ze zullen de helft er niet van hebben, dat beloof ik oe!" zeide Teun, +het geld op de vlakke hand wegende: "oe is bylo milder dan de Ambtman +zelf. Doch wat moet verder edaôn worden?" + +"Laten uw makkers dezen nacht te een uur een wagen of een paard aan +de achtertuinpoort klaarhouden. Ik zal voor de rest zorgen. Tegen +twaalf uren wacht ik u boven aan de zoldertrap. Maak nu zooveel haast +als ge kunt, en zorg dat ge uw kameraden opschommelt. Doch!... wee u, +zoo gij ons verraadt!" + +"Papperlepap!" zeide Teun: "zoo eindigen zij allemaôl, en het zou +eigenlijk niet meer dan billijk wezen, dat hij, die zijn leven slijt +met anderen te bedriegen, ook eens zijn loon wegkreeg. Doch, zooals oe +weet, voor geld en kwaie woorden ben ik altijd te vinden. Hadie dan +mevrouw! tot van nacht.--Dat jaloersche vel, mijn wijf," vervolgde +hij bij zichzelven onder 't weggaan, "zou juist van deuze afspraak +niet geërgerd worden." + +Laat ons nu terugkeeren tot Joan, die, op last van den Baron, zich naar +zijn kamer begeven had. Geen bevel had hem in deze tijdsomstandigheid +meer welkom kunnen zijn; want niets scheen hem noodzakelijker, dan in +de eenzaamheid over het gebeurde van den dag en den weg, dien hij moest +inslaan, na te denken. Wij zullen echter geen poging aanwenden, om de +onderscheidene overdenkingen na te gaan, die zijn geest beurtelings +vermoeiden, noch de verschillende besluiten op te noemen, welke +daarvan de gevolgen waren, en bijna even spoedig verworpen als +gevormd werden. Hij, die het voorgaande met eenige oplettendheid +heeft nagegaan, zal klaar kunnen beseffen, hoe zonderling hij te +moede was. Dan, bij al de akelige denkbeelden, welke de voorvallen en +mededeelingen van deze en de vorige dagen in hem hadden doen ontstaan, +was er toch een, dat hem welkom en streelend was als de zonnegloed, +die in den kerker des gevangenen nederdaalt en hem in 't midden van +zijn lijden een flauwe verkwikking komt aanbieden. De onbekende, die +zich de vriend zijns vaders genoemd had, had hem wel geen stellige, +maar toch ook geen geheel verwerpelijke hoop gegeven, dat zijn moeder +nog leefde, en dat hij die wellicht in Den Bosch zou kunnen vinden: +en het hart des jongelings, hoe gefolterd ook en benepen, ontsloot +zich voor deze zoete verwachting. Hij bevond zich in den toestand +van een reiziger, die, bij nacht op een eenzame heide verdwaald, +zich van moerassen en kloven omringd vindt en onbewust is, welken +weg hij zal kiezen, daar alle paden hem even moeilijk en gevaarlijk +voorkomen, totdat hij de oogen slaat op het schemerend lichtje, dat +hij in de verte ziet gloren, en waarheen hij, onbewust nog of die +flauwe glans een waarheid, dan een ijdele luchtverheveling zal zijn, +de schreden eindelijk wendt. Nadat hij gedurende een paar uren in +gedurige gemoedsbeweging de kamer had op en neder geloopen, zag hij +zijn deur opengaan, en de oude Geertrui, zich met moeite op haar +krukje voortwerkende, trad de kamer in. + +"Wel mijn beste Geertrui!" zeide Joan, terwijl hij zich haastte +haar zijn arm aan te bieden, en haar naar een stoel te geleiden, +waarna hij haar met hartelijkheid kuste: "dat is recht hupsch van u, +dat gij mij thans komt bezoeken. Hoe gaat het u op den ouden dag?" + +"Op mijn ouden dag, ja dat moogt gij wel zeggen Jonker!--'t Is nu +met Pinkster vijf en twintig jaren geweest, dat Mevrouw zaliger +overleden is, en toen was ik twee en vijftig jaren: dus 't is geen +wonder, dat de gebreken komen!--Maar Jonker! Jonker! wat ben je +een kerel geworden! Zoo waar ik leef, ik zou je bijna niet herkend +hebben;.... maar laat ik eens uitblazen; want al dat trappen klimmen +lijkt mij niet meer, en ik ben doodaf." Hier zweeg zij en zat eenige +oogenblikken te hijgen, terwijl zij Joan van top tot teen beschouwde. + +"Waarlijk, beste, Geert!" zeide Joan, haar vriendelijk de hand +drukkende, "ik weet bijna niemand, wiens bezoek mij op dit oogenblik +aangenamer zou kunnen zijn dan het uwe." + +De trekken der oude dienstmaagd namen op het hooren van dit gezegde +een min vroolijke uitdrukking aan. "Ja!" zeide zij: "dat geloof ik wel, +want als de Baron hier kwam, die zou je minder vriendelijk aankijken, +dan ik gedaan heb: hij is dan _miserabel_ boos op je, en Bouke ook, +dat beloof ik je. Je hebt het dan leelijk bij hen verkorven. Maar, +Jonker! waar waren toch je zinnen, om dien stinkenden monnik tegen +je pleegvader, die je van kind af heeft opgebracht, te gaan bijstaan?" + +"Ik heb hem niet bijgestaan: ik heb slechts een gevecht willen +voorkomen, dat voor mij niet dan noodlottig kon uitvallen." + +"Noodlottig!" herhaalde Geert, hem verbaasd aanziende: "wat kon u +toch dien leelijken Jezuïet schelen?" + +Joan zweeg eenige oogenblikken, en liep de kamer op en neder; +vervolgens kwam hij weder bij Geertrui terug en zeide: "die Jezuïet +was de vriend mijns vaders, en door zijn hulp kan ik mijn moeder +misschien terugvinden." + +"Je vader! je moeder!--Och, denk je nog om die Spanjoolsche ouders, +die je verzaakt en vergeten hebben. Is de Baron u niet altijd meer +dan een vader geweest, en was Mevrouw zaliger, in den korten tijd dat +het mensch u nog bij haar heeft gehad, niet een trouwe moeder voor u?" + +Joan streek zich de hand over 't voorhoofd, als wilde hij de treurige +gedachten verdrijven, welke de aanmerking der oude dienstmaagd +bij hem deed ontstaan. Hij begreep, dat het moeilijk zoude zijn, +haar te doen gevoelen, dat dankbaarheid aan den Baron de liefde, +die hij zijn wezenlijken ouders verschuldigd was, niet behoefde uit +te sluiten. Hij vergenoegde zich dus met te zeggen: "Denkt gij dan +niet goede Geert! dat die moeder verlangt haar zoon terug te zien, +van wien zij zoolang gescheiden is?" + +"Dat geloof ik," zeide Geert: "en zoo een knappen zoon! Maar wie weet, +wat voor een vrouwmensch het is," voegde zij er bij met een gelaat, +dat haren afkeer toonde van al wat tot de Spaanschen betrekking had. + +"Geert!" zeide Joan, wrevelig: "gij komt mij uit vriendschap +bezoeken!".... + +"Dat doe ik," hernam zij, eenigszins berouw gevoelende over hare +overijlde woorden: "en ik meende het ook zoo kwaad niet. Maar nu, +die Spanjoolsche daargelaten, ik bid je, maak toch, dat je weer bij +Mijnheer in genade wordt aangenomen; want waarlijk, het loopt anders +slecht met je af. Ik geloof niet aan al die praatjes, die over u gaan, +en Freule Ulrica ook niet, meen ik...." + +"Ulrica's hart rechtvaardigt mij," zeide Joan, terwijl zijn +oogen fonkelden en hij met drift de hand van Geertrui greep. "Dan +ach!" vervolgde hij, de armen weder latende vallen, op een somberen +toon: "wat is de meening van Ulrica voortaan voor mij?" + +"Zeg dat niet, Jonker! Wij zullen, Ulrica en ik, den Baron zoo lang +bidden en smeeken, dat hij de geheele zaak maar blauw blauw laat." + +Joan zweeg eenige oogenblikken. "Geert!" zeide hij eindelijk: "gij +kunt mij misschien een dienst bewijzen.--Waar zit de gevangene?" + +"In het oude turfhok, beneden, weet gij?" + +"En zoude er geen mogelijkheid wezen, dat ik hem een oogenblik sprak?" + +"Heer beware ons! wel Jonker! Jonker! hoe kunt ge zulke dingen in je +hoofd halen? Den gevangene spreken? Ja! de Baron zou je zien komen...." + +"Geert! ik bid u, en smeek u! doe uw best en maak dat ik den gevangene +spreke!" + +"Zet dat uit het hoofd, Jonker! Er staan schildwachten voor de deur +van het hok met vuurroers op schouder, en Bouke heeft, hoor ik, +last gekregen van Mijnheer, om niemand bij den schelm toe te laten, +'t geen ook niet gemakkelijk gaan zou, al wilde hij, want Mijnheer +heeft den sleutel in den zak." + +"In 's Hemels naam," zeide Joan, met een diepen zucht: "dan zal ik +moeten wachten tot ik mijn vad.... tot ik den Heer Baron zelf spreke." + +"Nu!" zeide Geert: "ik durf niet langer hier blijven: ik heb hier +al lang genoeg mijn tijd verpraat. Kijk!" vervolgde zij, terwijl zij +opstond en zich langzaam naar de deur begaf: "als ik in den tijd van +Mevrouw zaliger zoo lang.... maar wacht, daar vergeet ik nog iets: +onze Freule, dat lieve kind! heeft mij dit kleine briefje medegegeven, +om u ter hand te stellen: ei zie! daar had ik haast niet om gedacht!" + +"Ulrica!" riep Joan verrast, de hand uitstekende. "Geef toch +Geert! geef toch!" + +"Ja! ja! mijn memorie wordt ook slecht! dat zou er mooi uitgezien +hebben, als ik bij de Freule weerom gekomen was, zonder mijn boodschap +gedaan te hebben!" + +"Geef!" herhaalde Joan, haastig haar het briefje uit de hand trekkende +en het openbrekende. Met gretige oogen verslond hij het geschrift, +'t welk luidde als volgt: + +"Het is mij verboden een woord met u te wisselen. Men beschuldigt u +een aanslag tegen het leven van uw weldoener te hebben gesmeed. Wat +mij betreft, ik kan noch wil dit gelooven; doch verdedig u, leg +uw onschuld aan den dag en laten geen onteerende vermoedens op u +rusten. Wees bedaard en kalm, geef geen gehoor aan ontijdige drift: +want denk dat indien mijn _broeder_ (dit woord was tweewerf onderhaald) +door den toorn mijns vaders op te wekken, zich buiten staat stelde hem +van zijn onschuld te overtuigen, hij de innigste smart zou veroorzaken +aan zijn zuster en vriendin. + +U." + +Tot in de ziel getroffen over dit sprekend bewijs, dat zij althans, +op wier achting hij meer prijs stelde dan op de meening der gansche +wereld, hem niet alleen voor onschuldig hield aan het misdrijf dat +hem te laste gelegd werd, maar hem ook in zijn ongeluk haar teedere +belangstelling betoonde, riep hij uit, terwijl hij het briefje tegen +zijn hart drukte: "goede, edele ziel! dit is de tweede reis, dat ik op +last van uw vader gevangen zit, en de tweede reis, dat gij mij in mijn +droeve omstandigheden zoekt op te beuren. Dan, toen lachte alles mij +toe, en thans.... o! 't ware beter dat ik nooit geboren geweest ware." + +"Foei!" zeide Geert: "dat zeide onze Heer van den boozen Judas; +maar zulk een aarstverrader hoop ik, dat gij niet geworden zijt!" + +"Dat hoop ik ook niet," riep Bouke, die op dit oogenblik met een mand +met eten de kamer binnenkwam; "maar wat doe jij hier, Geert? Als +Mijnheer het hoort, dan stuurt hij je nog op je ouwen dag op +marsch." Dit zeggende, schoof hij de goede oude dienstmaagd de deur +uit, terwijl zij al zuchtend onder 't weggaan zich beklaagde, dat +haar in den tijd van Mevrouw zaliger nooit iets dergelijks gebeurd was. + +"Hoe!" zeide Joan met sombere blikken tegen Bouke, die zich, zoodra +Geertrui vertrokken was, haastte zijn mand uit te pakken en het +middagmaal op tafel te zetten: "zijn de bevelen zoo streng? zit ik +hier buiten toegang?" + +Bouke zette zwijgend zijn bezigheid voort: doch de zware zuchten, welke +zijn borst slaakte, en de krachtige vloeken, welke hij binnensmonds +bromde, toonden hoeveel het hem kostte, dat hij aan zijn ouden vriend +geen antwoord geven kon. + +"Bouke!" hernam Joan, terwijl een traan langs zijn wangen rolde: +"is uw oude vriend u geen antwoord meer waardig?" + +"Voor den duivel!" zeide Bouke, zich niet langer kunnende bedwingen; +"dat je ook met dien satanschen Jezuïet moest komplotteeren!" + +"Ik heb niet met hem gekomplotteerd! zeide Joan: "_wie_ was de vriend +mijns vaders, en...." + +"De vriend des duivels, en.... doch ik kan nu niet met je spreken; +mijn gemoed is vol." Dit zeggende, keerde Bouke zich om en liep de +kamer uit, terwijl hij de deur met drift achter zich toesloeg. + +Joan bleef lang met donkere blikken als op den grond genageld staan, +en wierp zich eindelijk zuchtend op een stoel. Men begrijpt lichtelijk, +dat hij in de tegenwoordige oogenblikken weinig eetlust had; echter +plaatste hij zich aan tafel en poogde eenige mondvollen door te +krijgen; dan ras wierp hij mes en lepel weder van zich, stond op en +ging als te voren de kamer in haar geheele lengte op en neder wandelen; +vervolgens bleef hij weder bij den etensbak staan, nam de bierkan +op en dronk of liever zwolg die in eenige teugen geheel uit, waarna +hij zijn marsch weder aannam. Eindelijk haalde hij het briefje van +Ulrica, dat hij bij Boukes komst verborgen had, weder voor den dag, +las en herlas het, scheurde bij mangel aan schrijfgereedschappen een +blaadje uit zijn zakboek en wilde met potlood een antwoord aan Ulrica +gaan schrijven, toen de deur zich opnieuw opende en iemand binnenliet, +die hem in deze oogenblikken boven allen welkom wezen moest, namelijk +den Predikant Raesfelt. Deze was in het geval en te zijnen opzichte +geheel onpartijdig: van hem had hij nooit anders dan goede lessen +ontvangen: en met hem alleen begreep hij thans geheel vrijmoedig en +openhartig te kunnen spreken. + +De Predikant had, zoodra het gerucht van het spiegelgevecht aan het +Lischboschje in zijn eenzaam studeervertrek was doorgedrongen, zich +naar het kasteel begeven, alwaar hem de Baron met al het voorgevallene +bekend gemaakt had en geraadpleegd over de wijze, waarop hij omtrent +Joan zou handelen. Raesfelt vond het geval duister en geheimzinnig, +en besloot zijn aanmerkingen op het gebeurde met den raad, toch vooral +behoedzaam en niet overijld te werk te gaan, opdat het den Baron niet +mocht berouwen, dat hij Joan zijn gunst onttrokken had, gelijk het +David berouwde, dat hij Mephiboseth onschuldig had veroordeeld. + +"Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt," zeide hij: "en schort +uw meening op omtrent een jongeling, die u tot nog toe alleen stof van +blijdschap en verheuging gegeven heeft. Ik kan niet gelooven, dat hij, +die zoo dikwijls met warmte en gevoel over de groote weldaden sprak, +welke hij van UEd. ontvangen heeft, op eenmaal alle erkentelijkheid, +alle beginselen van plicht en godsdienst met voeten zou treden, om, +gelijk een tweede Absalom, met Achitophels te heulen en zijn vader +baldadig aan te randen. Vergun mij, heer Baron! dat ik zelf hem ga +spreken; en ik twijfel niet, of hij zal zijn hart voor mij blootleggen, +gelijk Koning David deed voor Nathan den Profeet!" + +De Baron keurde dezen raad volkomen goed, en Raesfelt begaf zich naar +de kamer van zijn gewezen leerling. Met een ernstig en bedrukt gelaat +trad hij binnen; doch de tevredenheid klaarde zijn wezen weder op, +toen Joan hem verheugd te gemoet snelde, hem dubbel welkom heette, +de hand drukte en een zetel aanbood. + +"Kom, Joan!" zeide de Predikant, nadat zij zich kortelijk hun +wederzijdsche vreugde, van elkander in gezondheid weder te zien, +hadden betoond: "Laat ik u eens scherp in de oogen zien, gelijk +Petrus Ananiam en Saphiram aanzag, toen zij zich van den prijs des +lands onttrokken.--Gij blikt mij openhartig tegen en slaat uw oogen +niet neder: dan heb ik mijn vriend, mijn Joan, nog niet verloren." + +Joan drukte hem met warmte nogmaals de hand en verzekerde hem van +zijn blijdschap, dat Dominee althans hem niet vergat, 't geen hem +tot een blijk strekte, dat hij zich nog niet als geheel ongelukkig +moest beschouwen. + +"Geheel ongelukkig!" herhaalde Raesfelt: "en wie leeft er op aarde, die +zich alzoo durft noemen? Het zal met u zijn, gelijk de Psalmist zegt: + + + De stricken des Doods hadden mij omvaên. + Ick was beladen met anghsten der hellen, + Ick was in noodt, in zuchten en in quellen. + Doch ik riep des Heeren naem alsoe aan: + O Heer verlost mijn siel uyt desen noodt! + En ick bevondt dat hy was seer weldadigh, + Seer vriendelijck en oock seere genadigh, + Die wel behoedt d'eenvoudige seer bloot; + Want als ick ter neder lagh onder voet, + Geholpen heeft my onsen Godt almachtigh, + Dies weest te vreden o mijn siele klachtig + Nadien dat de Heer u dees weldaet doet. + + +En strekt deze liefderijke hand zich niet uit over allen, wie +zij wezen mogen? Laat niet God zijn zon opgaan over de goeden en +over de goddeloozen? en valt er een haar van uw hoofd buiten Zijn +beschikking? Alleen hij, die van de liefde en verzorging onzes +Hemelschen Vaders verstoken ware, zou zich geheel ongelukkig mogen +noemen: en niemand kan zich beschouwen in dat geval te verkeeren. Hij, +die derhalve tot wanhoop vervalt, begaat de grootste zonde, die te +begaan is: want hij wantrouwt de goedheid van Hem, die gezegd heeft: +al wie tot mij komen, zullen niet beschaamd worden." + +"God verhoede, dat ik Zijn goedheid ooit betwijfele," zeide Joan, +de oogen eerbiedig opheffende: "tot Hem alleen kan ik mij keeren: +van Hem alleen troost in mijn lijden verwachten;--doch hier op aard +is de poort des heils voor mij gesloten." + +"En wat zegt het aardsche heil voor hem, die een beter vaderland +verwacht?" zeide Raesfelt: "alle vleesch is als gras, en alle +heerlijkheid des menschen is als een bloem des velds: het gras is +verdord en zijn bloem is afgevallen: want hoedanig is het leven? het is +een damp, die voor weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt.--Is +niet eens ieders leven een samenweefsel van korten voorspoed en +duurzame ellende? weet ik zelf niet bij ondervinding, wat het zegt, +wederwaardigheden te lijden, welke alleen door een vast geloof kunnen +worden doorstaan? Heeft niet mijn eigen zoon, gelijk Nadab en Abihu, +de zonen Aärons, vreemd vuur op het altaar gebracht? en mijn haren +van hartzeer doen grijs worden voor den tijd, gelijk Simeon en Levi, +de zonen Jacobs, huns vaders haren grijzen deden?" + +"Uw zoon!" riep Joan haastig uit: "hij wil uw gunst weder verwerven: +hij...." + +"Hoe nu!" zeide de Predikant: "wat weet ge van hem? hebt ge hem +gezien? Ach! hoe is het met den jongeling, met...." + +"Neen," zeide Joan, eenigszins verlegen: "maar eergisteren zag men +mij voor hem aan.... de man, die hier gevangen zit.... die weet meer +van hem.... hij scheen hem te kennen." + +"Die Jezuïet?" vroeg Raesfelt: "zijn de zoodanigen de bekenden mijns +zoons? O mijn ongelukkige Hendrik! is het niet genoeg dat gij uwen God +verliet? moet gij ook den Baäl nahoereeren? Ach! wel mag ik met Jacob +zeggen: het is mijns zoons rok: een wild dier heeft hem verslonden!" + +"Dat niet: die gevangene is een Remonstrant, een.... maar neen, +dat kan toch niet...." + +"Hoe!" zeide Raesfelt, een gestrengen blik op Joan werpende: "weet +gij niet, wie en wat die gevangene is?" + +"Ik zag hem eergisteren voor 't eerst en toen onder een anderen +schijn dan heden? maar wie hij is?...." Hier schudde hij het hoofd, +zag voor zich en haalde de schouders op. + +"Joan!" zeide de Predikant: "de Paapschen hebben een instelling, +welke zij een sacrament achten te zijn, door een verkeerde toepassing +namelijk van Jacobi V vs. 16. Hun priesters hebben zich het recht +aangematigd, 't geen Gode alleen behoort, om, na gedane biecht, +de zonden aan den boeteling kwijt te schelden. Dit zeide ik is een +valsche verklaring, want de Apostel leert niet ter aangehaalde plaatse, +dat men zijn zonden aan een kerkelijk persoon moet belijden ten einde +daarvan vergeving te ontvangen; maar hij spreekt uitdrukkelijk van +een belijdenis, die men elkander moet doen, dat is de eene geloovige +aan den ander, en vooral van die zaken, waardoor de liefde des +naasten verbroken en twist zou ontstaan zijn:--zoodat het in de +meeste gevallen niet alleen geoorloofd, maar zelfs noodzakelijk en +plichtmatig is, in het hart van een getrouwen vriend, van een man +van ondervinding, vooral van een evangeliedienaar, zijn geheime +gedachten en verrichtingen uit te storten, ten einde raad, hulp of +vertroosting te ontvangen. In zulk een geval bevindt gij u thans, +en de vriend, de leeraar, die uw vertrouwen genieten en u met raad, +hulp en vertroosting dienen wil, ben ik. Spreek vrijelijk tot mij, +Joan! gelijk Paulus tot den wijzen Ananiam sprak, nadat hij hiertoe +door een gezichte was vermaand, en ik zal u hooren en u onderwijzen +met de onderwijzing, die ik vermag te geven. Doch verberg mij niets; +want om uw toestand wel te beseffen, is het noodig dat ik alles wete." + +"Reeds voor uw verzoek," zeide Joan, "had ik besloten u mede te +deelen wat de reden is van het zonderling gedrag, dat ik heden heb +moeten houden. Doch eer ik begin, moet ik u de stipste geheimhouding +verzoeken omtrent al wat ik u zeggen ga." + +"Een oogenblik," zeide Raesfelt: "geheimhouding te beloven!.... dat +zou mij onder de verplichting leggen, die een priester heeft aangegaan +bij zijn ordening, en van ons gesprek een biecht te maken.... daarover +moet ik even nadenken!" + +Nadat de brave man eenige oogenblikken gepeinsd had, zegevierde zijn +zucht om nuttig te wezen aan de belanghebbende partijen over zijn te +ver getrokkene nauwgezetheid, en hij beloofde Joan, dat niets van hun +gesprek buiten zijn toestemming zou uitlekken. "In allen gevalle," +zeide hij, "kan ik de biecht wel hooren, als er toch geen _absolutie_ +op volgt; want daar staat geschreven: belijdt malkanderen de misdaden +en bidt voor malkanderen, opdat gij gezond wordet: sprekende de +Apostel hier van gezondheid der ziel, gelijk in de vorige verzen van +gezondheid des lichaams." + +En hierop begon Joan, zonder te spreken van hetgeen hem te Tiel met +Van Dyk overkomen was, de oorzaak, welke hem naar het Lischboschje +gevoerd had en zijn ontmoeting van den morgen te verhalen. Toen de +Predikant van het voorgenomen tweegevecht hoorde gewagen, schudde hij +het hoofd en had moeite om den spreker niet in de rede te vallen; doch +zooras Joan hem begon te vertellen, dat Van Dyk hem van zijn vader had +gesproken, lieten zijn gedachten elk ander onderwerp varen om zich +hierbij te bepalen, en bleef hij met gespannen aandacht luisteren +naar het vervolg. Joan ging voort en zag den Predikant vlak in 't +aangezicht, om den indruk gade te slaan, dien zijn woorden op hem +zouden maken. Met open mond en strak gevestigde oogen zat Raesfelt over +hem, zijn adem inhoudende uit vrees van een woord te verliezen, en zijn +knieën stijf met de handen vastknijpende als beducht, een beweging te +maken. Doch toen Joan eindelijk Velasco zijn vader en den Baron zijns +vaders moordenaar noemde, trok de Predikant haastig de handen terug, +vouwde die samen voor 't gezicht, hief het hoofd naar boven en sloot +de oogen stijf toe, als wilde hij òf een gebed doen, òf zich iets, +dat lang geleden en het geheugen reeds ontgaan was, herinneren. Na +eenige oogenblikken in die houding te hebben doorgebracht, liet hij +de handen weder vallen, zakte als 't ware ineen, sloeg de oogen op +den grond en zweeg. + +Dat zwijgen scheen Joan toe, wat het werkelijk was: een bevestiging van +het verhaal van Van Dyk: nog altijd had hij de hoop blijven voeden, dat +deze een logenaar geweest ware: thans echter bleek hem het tegendeel, +en zoo diep werkte die overtuiging op zijn gemoed, dat hij niet met +spreken voort kon gaan, maar op zijn beurt den Predikant zwijgend +aanzag, met oogen, waaruit vertwijfeling straalde. + +Nadat die wederzijdsche stilte een geruimen tijd geduurd had, stond +Raesfelt op, schudde het hoofd, stak de beide handen naar Joan toe +en zeide: "Gij bevindt u waarlijk in een toestand zoo rampzalig als +weinig menschen ondervinden; doch alle dingen moeten medewerken tot +zaligheid voor hem die gelooft." + +Dit gesproken hebbende, ging hij weder zitten en peinsde weder +eenige oogenblikken over hetgeen hij gehoord had. Nu brak Joan op +zijn beurt het stilzwijgen en vroeg op een angstvalligen toon, of +Dominee werkelijk met het geheim zijner geboorte bekend was, en of +dit strookte met het verhaal van den vreemdeling. + +"Over 't geheel genomen, ja!" antwoordde Raesfelt: "en gij kunt het +ook leeren kennen: want het staat, ofschoon niet volkomen juist, +in de geschiedenissen te lezen, welke in de afgeloopen jaren gedrukt +zijn. Doch dat de Heer Baron uw vader zou vermoord hebben, of zelfs +den moord gelast, daarvan is mij nooit iets gebleken, en ik geloof het +ook niet:.... waarschijnlijk is dat een bijvoegsel van den gevangene, +om u haat tegen Zijn Edelheid in te boezemen: een schelm als hij, +een sluikmoordenaar, kan lichtelijk zoo iets verzinnen, om...." + +"Waarlijk! zoudt gij reden hebben om dit punt in twijfel te +trekken? Het zou mijn hart van een geweldig pak ontlasten." + +De Predikant herhaalde zijn verzekeringen en bracht alles te berde, +wat zijn geheugen hem omtrent de omstandigheden van Velasco's dood te +binnen bracht, om klem daaraan bij te zetten. Hij besefte nu, waarom +en hoe innig zijn gewezen leerling lijden moest, en poogde hem dus ook +met godsdienstige troostgronden op te beuren, doch om goeden raad te +verschaffen, daarmede vond hij zich meer verlegen. Eindelijk kwamen +zij overeen, dat Raesfelt den Baron zou verzekeren, dat Joan geen boos +opzet hoegenaamd tegen hem had gevormd, en alle mogelijke middelen +in 't werk stellen, om een onderhoud met den Jezuïet te hebben, ten +einde van dezen de waarheid betreffende Joans afkomst te verstaan; +en dat Joan zich hoe eer hoe beter naar Den Bosch zoude begeven, om +zijn oom Don Louis te bezoeken, en met dezen te overleggen, wat hem +te doen stond. Aan het eerste gedeelte dezer afspraak werd dadelijk +door den Predikant voldaan, nadat hij afscheid van Joan genomen +had. In korte bewoordingen verklaarde Raesfelt aan den Baron, dat +Joan zijn vriendschap altijd waardig gebleven was, doch dat hij de +redenen van zijn geheimzinnig gedrag nog niet vermocht te openbaren, +waarop Reede, tevreden over de voorloopige verzekering van de onschuld +van zijn pleegzoon, besloot hem den volgenden morgen te gaan spreken, +ten einde alles op te helderen wat nog duister was. + +Intusschen was er een boodschap van den Ambtman Mom aan den Heer +van Sonheuvel gekomen, waarin eerstgemelde zich verschoonde, om bij +deze gelegenheid op het slot te komen, vermits de Koning van Bohemen +dagelijks verwacht werd; 't geen de tegenwoordigheid aller ambtenaren +in de plaats hunner residentie noodzakelijk maakte. De Baron had gaarne +zijne tegenwoordigheid genoten, vermits Eugenio, die eindelijk mede +een verhoor had ondergaan, voorgewend had een Bosschenaar te zijn en +door den Heer van Botbergen gezonden, om zijn verschil met Joan bij +te leggen. De Schout, die het verhoor deed, was van oordeel, dat men, +om de waarheid van dit voorgeven te kennen, zoowel het bijzijn van +den Heer van Botbergen als dat van den Ambtman Mom vereischte. Men +besloot dus, daar de avond reeds gedaald was, den gevangene wederom +weg te voeren en de getuigen naar huis te laten gaan, hen tegen den +volgenden morgen terug bescheidende. + + + + + +VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + Daar's niets dan 't zwoord en 't been: al 't spek is geëclipseerd. + + _Langendyk_, de Wiskunstenaars. + + +Den volgenden morgen was de Schout reeds vroegtijdig aan het kasteel +terug en stelde hij den Heer van Sonheuvel voor, Joan te laten voor +hem komen, om de aanleiding van zijn gesprek, met den gevangene in +'t Lischboschje gehouden, op te geven. De Baron, zulks goedgekeurd +hebbende, zond Roelof naar het vertrek van den Jonker, om diens +tegenwoordigheid te verzoeken; dan al spoedig kwam deze terug met +het bericht, dat de Jonker niet in zijn kamer te vinden was, 't welk +bevestigd werd, toen de Baron, na gevraagde inlichting, vernam, dat +Joan reeds vroeg in den morgen den hof was ingewandeld. "Hij zal wat +zijn gaan kuieren om zijn leed te verzetten," zeide Reede: "welnu! men +spore hem op en verzoeke hem, terstond hier te komen: wij zullen dan +beginnen, met den gevangene nog eens te ondervragen. Dienaars! brengt +hem binnen!" + +De gerechtsdienaars, door Bouke geleid, begaven zich naar Eugenio's +kerker, die wel met grendels, bouten en kettingen voorzien en +gesloten was. Het was Bouke zelf, die nu de zwaar beslagene deur +opende met een gedruisch, dat geheel het kasteel door kon vernomen +worden. "Klink! klank!" zeide de Baron tegen den Schout, toen hij +het hoorde: "die bewaarplaats is een weinig zekerder dan de kamer te +Loevestein, waaruit de Heer De Groot voor veertien dagen ontsnapt is: +van hier zal die vermaledijde Jezuïet niet wegkomen, of hij moest +kunnen vliegen." + +"Dat moet hij dan kunnen," zeide Bouke, stampvoetende en vloekende +binnenkomende: "want weg is hij!" + +"Wie? wat? wie is weg?" zeide de Baron. + +"De gevangene." + +"Ben je dol, kerel?" en de Baron stoof met hem de trappen af, terwijl +de Schout en de Secretaris, na elkander aangegaapt te hebben, de +schouders ophaalden en volgden, vrij ontevreden, dat de eer hun +ontgaan zoude, zulk een belangrijken misdadiger te hebben ingeleverd. + +"Maar voor Sint-Felten, Bouke!" riep Reede, toen hij met hem voor +den ledigen kerker stond: "hebt ge den boel dan niet dichtgesloten?" + +"Gesloten?--Dat kunnen deze lieden getuigen, die er bij stonden; +het spreekwoord zegt wel: groote visschen springen uit den ketel; +maar hoe deze er uitgesprongen is, vat ik bij mijn ziel niet." + +"De vent is wis een toovenaar," zeide een der dienaars. "Zou de +Heer Baron niet goedvinden, dat wij hem wogen: de schaal is nog op +het gemeentehuis." + +"Dat mag ik wel lijden," zeide de Baron: "maar wij moeten hem eerst +hebben." + +"Met uw verlof, Heer Baron!" zeide de Schout, de gevangenis +binnentredende: "is hier geen andere uitgang dan door de deur?" + +"Door dat gat kan hij niet weggegaan zijn," zeide de Baron, op een +rond luchtgaatje wijzende, waar geen mensch door kon kruipen, en dat +bovendien met ijzeren traliewerk voorzien was: "en bij het luik, dat de +pijp sluit, die op den zolder uitkomt, kan men van hier niet reiken." + +"Dat zal het toch wezen," zeide de Schout, naar boven ziende en het +luik met de punt der hellebaard van een der dienaars opstootende: +"door die opening kan iemand wegkomen, met behulp van een ander, +die bovenstaat." + +De pijp namelijk geleidde naar den zolder, en had te voren gediend om +de turf, welke eertijds boven bewaard werd, naar gelang men die noodig +had, naar beneden te werpen; toen diende de kerker voor een turfhok; +doch zooals Geert aan Magdalena 's daags te voren verhaald had, +"nog bij 't leven van Mevrouw zaliger had men een turfloods naast de +keuken gebouwd, en dit hok tot een gevangenis ingericht voor dieven +en stroopers of voor groote schelmen, zooals deze paap was."--De pijp +was sedert dien tijd van boven en van onderen met een luik gesloten +geweest, en dit nog wel behoorlijk toegegrendeld. Bij nauwkeurige +beschouwing bleek het echter, dat men die grendels had doen springen: +en er bleef dus geen twijfel over of de gevangene had langs dien weg +een uitkomst verkregen. + +"Joost haal me!" zeide de Baron, na gedaan onderzoek: "ik dacht ik +had hem zoo wis." + +"Ja!" zeide Bouke: "gissen is missen en gehad is een arm man; maar hoe +kwam hij weg? alleen zeker niet: want de duivel heeft altoos een maat." + +"Men moet het gaan onderzoeken," zeide de Schout. + +"Eerst den schelm weerom gekregen!" riep de Baron: "zit op mannen! en +jaag hem achterna, tot gij hem vindt." + +"Dat is gemakkelijk gezeid," merkte Bouke aan: "maar waar vinden wij +hem? want alle muiske heeft zijn kluiske." + +"Waar? wel wis is hij naar Tiel toe, den weg op, waar hij vandaan +kwam." + +"Naar het veer dan," zeide Bouke: "daar hooren wij zeker wat van hem: +want vaart men over een sloot, men laat er een brood; vaart men over +een veer, men laat er nog meer." + +"Met verlof!" hernam de Schout: "zoude UEd. niet eerst het kasteel +laten doorzoeken? wellicht zit hij nog hier of daar verscholen." + +Deze raad werd gevolgd; men trok het kasteel in alle richtingen door en +ondervroeg alle bedienden. Niemand had iets van den Jezuïet gemerkt; +doch Geert verhaalde, hoe de Jonker 's daags te voren bij haar had +aangedrongen, om den gevangene te spreken. Dit deed het vermoeden +ontstaan, dat Joan de hand had gehad in zijn ontsnapping. Zooras +de Baron dit denkbeeld opvatte, begaf hij zich met al de overigen +naar het vertrek van den jongeling; het werd nauwkeurig omgehaald, +en men vond eindelijk in het ledikant, tusschen de lakens, een wigge +en een eind touw verborgen, die aan den Baron werden voorgesteld. Bij +onderzoek bleek het, dat die wigge gediend moest hebben om de grendels +op te lichten van de luiken, die de pijp sloten, door welke de Jezuïet +ontsnapt was. + +"Die wigge en dat touw hebben tot de vlucht gediend, Heer Baron!" zeide +de Schout: "ik zal ze dus als bewijsstukken medenemen, en de Heer +Secretaris verzoeken, die te nummeren."--Dit zeggende, beschouwde hij +nogmaals de wigge, om den naam van den fabrikant te lezen, welke daarop +gegrift stond, doch door roest en ouderdom uitgesleten was. Ten einde +den roest eenigszins weg te wrijven, raapte hij een papiertje op, dat +voor hem lag, toen de Baron, die naast hem stond, hem met den uitroep: +"dat is de hand van Joan!" ontrukte. + +Het bleek een gedeelte van een briefje te zijn, waaraan twee hoeken +ontbraken, en liet de volgende afgebroken woorden lezen: + + + "Het bewijs uwer . . . . . . . . . . + . . . . . . . . . . . . . deed toekomen . . . . . . . + . . . . . . . . . . . verlost door mij . . . . . . . . . + . . . . . . . . . . . . den boezem aan . . . . . . . . + . . . . . . . . . . . . . . . de beschuldiging . . . . . + . . . . . . . . . . . . . . . alle geloof blijft wei . . . . + . . . . . . . . . . den naam van uw vriend . . . . . . . + . . . . . . . . . . vollen uwer waardig . . . . . . . . . + . . . . . . . . . . . . eerst bezwaarlijk vallen. . . . . + . . . . . . . . . . de vermoedens te ont . . . . . . . . + . . . . . . . . . . ekerd, de tijd zal mij. . . . . . . . + . . . . . . . . . . . doen vallen, die . . . . . . . . + . . . . . . . . . . . . moet, en aan de . . . . . . . . + . . . . . . . . . . . . . van Sonheuvel . . . . . . . . + . . . . . . . . . . . . . zijn moordenaar. . . . . . . . + . . . . . . . . . . . . . . geheel de uwe . . . . . . . + + J." + + +"Welk verder bewijs hebben wij nog noodig?" riep de Baron uit, zoodra +hij deze onzamenhangende woorden gelezen had: "blijkt het niet uit +dit geschrijf volledig, dat Joan, en niemand anders, den Jezuïet +heeft verlost? Let eens, Heer Schout! op de woorden: _deed toekomen_, +_verlost door mij_, _Van Sonheuvel_, _zijn moordenaar_.... O! het is +niet moeilijk, de tusschenruimten in te vullen. Joan! Joan! had ik +dat aan u verdiend? aan u, wien ik zoo hartelijk liefhad? Moest gij +de Judas worden, die mij verraadde!" Hier bedekte de brave man zijn +gelaat met beide handen en snikte luid. + +"Wat beveelt UEd.?" zeide de Schout, na een oogenblik zwijgens, +'t welke hij zich ten nutte gemaakt had, om het briefje nogmaals na +te lezen. "Zal men den Jonker nazitten?" + +"Neen!" zeide Reede, terwijl hij zijn oogen afwischte: "Laat den +ongelukkige gaan, waar hem zijn gesternte brengen wil. In den oorlog +werd zijn vader door mijn soldaten vermoord: en ik wil het bloed +zijns zoons niet op mijn gemoed hebben. Hij ga en leve in vrede, +indien zijn geweten het hem toelaat." + +"Wat den Jezuïet betreft dien moeten wij echter niet laten wegkuieren," +zeide de Schout. "Hij is aan hoogverraad schuldig, en het zou mij +spijten, indien ik dien vogel niet weder in de kooi kreeg." + +Dit gezegd hebbende, gaf hij de noodige bevelen om Eugenio na te +sporen. Alle vervolging was vruchteloos; echter ontdekte men, na +een nauwkeurig onderzoek, dat iemand, wiens beschrijving zeer wel +met die van den Pater overeenkwam, den weg op naar Wijk te Duurstede +was ingeslagen en aldaar de rivier was overgestoken; terwijl andere +berichten vermeldden, dat Joan, met een vermomden grijsaard, de Waal +te Tiel was overgevaren. + +Inmiddels had Reede zijn dochter doen ontbieden. Zij kwam met rood +bekreten oogen en een bleek gelaat de kamer in. Zwijgend wees de Baron +haar een zitplaats aan, keek een poos voor zich en begon toen aldus: + +"Lieve meid! ik weet, gij hebt altijd Joan als een broeder liefgehad; +ja zelfs meer dan eigenlijk behoorde.... ja, schrei maar niet: +ik wil u daarvoor thans niet beknorren: 't was ook eenigszins +mijn schuld.... maar ik zelf had den knaap lief, en zoo hij geen +Spaansche basterd geweest ware.... doch dat daargelaten! over het +verledene zullen wij zwijgen: ik wilde alleen u waarschuwen, dat ge +voor de toekomst hem geheel uit uw gedachten bannen moet. Hij is een +onwaardig, een slecht voorwerp, ja slechter dan ik u zeggen kan: mij, +zijn weldoener, wilde hij om hals brengen, met behulp van een schoft, +dien hij nu heeft doen ontsnappen. Zie mij niet zoo ongeloovig aan. Ik +zelf zou het niet hebben geloofd, had ik de bewijzen niet in handen." + +"Was hij een verrader," zeide Ulrica met kracht, "dan is hij de +grootste huichelaar, die ooit bestaan heeft; doch ook op uw getuigenis, +mijn vader! kan ik hem daar niet voor houden." + +"Welnu dan," hernam de Baron: "wat dunkt u van zijn ontsnapping, te +gelijk met den Jezuïet? van deze wigge en dat touw? van dit briefje?" + +Ulrica nam het papier met een sidderende hand op en las het, terwijl +haar vader voortging met de bezwaren, op te sommen, die tegen Joan +konden worden aangevoerd. Een wijl bleef het meisje als versteend +staan en berstte toen uit in tranen. + +"Welnu!" zeide de Baron: "en aan dien slechthoofd wilde de brave +Ambtman u afstaan. Hoe zult gij 's mans edelheid beloonen?" + +"Laat hij komen, wanneer het hem goeddunkt," zeide Ulrica, opstaande +en haar tranen wegvegende: "ik ben bereid, zijn gade te worden." + +"God zegene u, beste meid!" zeide de Baron, haar omhelzende. "Gij +verheugt mij onbeschrijfelijk, door zulk een kloek besluit te nemen. De +liefde van mijn waardigen vriend Mom zal best geschikt zijn om de +tranen te drogen, die gij over den onwaardigen Joan nog storten mocht!" + +"De smart was in staat er nog eenige te doen vlieten," zeide zijn +dochter: "maar de verachting heeft er geene: en die alleen vervult +thans mijn boezem voor den booswicht!" + +Terwijl deze gebeurtenissen op het slot te Sonheuvel voorvielen, +was Joan, die vroeg in den morgen van daar vertrokken was, de +poort van Tiel reeds binnengetreden en had zich naar den Gouden +Ooievaar begeven, om zijn paard en mantelzak, welke hij aldaar +bij zijn vertrek had achtergelaten, terug te eischen. Verscheidene +personen van allerlei stand en rang zaten in het voorhuis te praten, +te rooken of te drinken: soldaten doorkruisten het in onderscheidene +richtingen: werklieden waren bezig een opkamertje aan te +bouwen: in één woord, het huis was met drukte, verwarring en gewoel +vervuld. Dit liet niet na bij Joan, die hiervan de reden niet besefte, +eenige verwondering te baren: doch deze hield op, toen men +hem verhaalde, dat de meeste der aanwezigen dien dag te Tiel gekomen +waren om den Koning van Bohemen de stad te zien voorbijvaren, +terwijl die krijgslieden zich aldaar bevonden om Z. M. een +eerewacht te vormen. Intusschen veroorzaakte het plaatshebbend +rumoer, dat Joan onderscheidene reizen zijn stem verheffen moest, +eer hij van den waard gehoor kon verkrijgen. Deze was eerst sinds +weinige jaren bij aankoop eigenaar van dien stand geworden en had +onzen held nooit gezien dan drie dagen te voren, toen hij zich aldaar +in gezelschap van Groenhovius vertoond had. + +"Wat is er van je dienst, heerschop?" vroeg hij, zijn breeden +vooruitpuilenden buik naar den kant van Joan wendende. "Ai mij! wat +zie ik? is oe niet dat heerschop, die laatst met dien zwartrok hier +ekomen zijt?" + +"Ik zelf!" zeide Joan: "geef mij een snede brood en een kan bier, +en laat mijn paard opgezadeld worden: ik moet spoedig verder." + +"Wel is 't mij bijzonder aangenaam, oe te zien," hervatte de waard. "Ai +mij! de luiden zeiden al, je waart verzopen: jaô, een snee brood +en een kan bier, daôr kan ik oe an helpen, en aan oe mantelzak ook, +die leit nog boven achter 't slot, wel bewaôrd; ai mij! 't zou mij +pijn doen, als iemand iets bij mij te kort kwam; maôr oe paôrd, +man! dat is marsch!" + +"Hoe!" riep Joan, opvliegende: "wat heeft dat te beduiden?" + +"Ai mij! maôk u niet driftig, heerschop! 't Is dat...." + +"Ik wil mij driftig maken," hernam Joan: "wat is er met mijn paard +gebeurd?" + +"Oe paôrd, heerschop! jaô! oe paôrd! Ai mij dat.... het is geprest +voor de lichting, en deur dien weg is het marsch." En hij vergezelde +deze woorden met een zeer beduidende gebaarde. + +"Larie!" zeide Joan, den herbergier vrij onzacht bij den arm grijpende: +"mijn paard weerom, òf ik klaag u zoo dadelijk aan bij het gerecht." + +"Ai mij!" hernam de waard, terwijl hij zich uit de handen van een +zoo geweldige weerpartij zocht los te maken. + +"Geen aimijen meer! mijn paard weerom, en terstond!" + +"Wel daôr speult Sint-Felten mee," riep de waard, half boos, half +bevreesd, "kijk mij zoo een vent het eens roeren! Kan ik het ebeteren, +dat je zonder betaôlen aftrekt en oe verzuipt, zoodat elk oe veur +dood houdt en dat oe paôrd geprest wordt en dat je nou weer levend +veur mij staôt? Zie dat jij oe paôrd van den ritmeester weer krijgt, +die het met enomen heeft: aôrs, honderd daôlders heeft hij er veur +elaôten, die zijn tot oe dienst: ze liggen boven, en zooals ik oe +zeide, niemand moet iets bij mij te kort komen." + +De soldaten hadden gedurende dit gesprek de herberg langzamerhand +verlaten; doch de overige klanten, nieuwsgierig naar den uitslag van +dezen twist, waren opgestaan en hadden zich om de beide sprekers in +een engen kring verzameld, zich met de gramschap des jongelings en +den angst des kasteleins vermakende. + +"Honderd daalders!" riep Joan verontwaardigd: "die Jood! die Griek! een +paard, dat de helft meer waard is." + +"Weeg uw woorden wat, vriendje!"' voegde hem een officier toe +(die met een anderen krijgsman het voorhuis ingetreden was, en de +laatste woorden gehoord had), terwijl hij Joan op den schouder klopte: +"die Griek ben ik, en ik heb er voor gegeven wat de Staten als prijs +hebben vastgesteld voor officiers-paarden." + +"De Staten hebben, met verlof gezegd, over mij noch over mijn paard +iets te beschikken," hernam Joan op een zachteren toon: "beiden zijn +wij in dienst van den Koning van Bohemen." + +"De Koning van Bohemen" zeide de officier met een spotachtigen lach: +"pshaw! brrr! als hij hier komt, wordt hij er nog bij geprest ook, +de arme man! Nu, trek u zijn zaak maar niet te veel aan," vervolgde +hij, ziende dat Joan de hand aan 't rapier sloeg: "ge schijnt mij een +goed kalf van een jongen! en zijt ge om vijftig daalders verlegen, ik +zal ze er wel bijleggen: dan hou ik het paard voor mij; want zuiver, +de knol bevalt mij." + +"Verplicht!" zeide Joan: "ik begeer noch uw geld te ontvangen, noch +uw jokkernij aan te hooren: en verzoek u zelfs aardigheden te sparen, +die ik niet dulden mag. Ik verlang alleen mijn paard terug: want ik +moet nog heden verder." + +Al de omstanders zagen den officier aan, nieuwsgierig om te hooren, +hoe hij de fiere taal van den jongeling beantwoorden zoude; want zij +beschouwden den krijgsman als iemand, die, voor zooverre men het uit +zijn kloek en mannelijk voorkomen, uit zijn valkenblik en uit zijn +door lange diensten sterk geteekend gelaat zou opmaken, zich niet +gemakkelijk op de teenen zou laten trappen; doch hun verwachtingen, +wellicht de heimelijke hoop van sommigen, dat er een krakeel zoude +ontstaan, werd niet vervuld. De officier beschouwde Joan een wijl +met heldere, vriendelijke oogen, draaide zich toen een weinig om, +zag de omstanders aan en vroeg op een vrij forschen toon: "welnu! wat +hebt gijlieden daarmede te maken? Denkt gijlieden dat wij, op zijn +Engelsch, een hanengevecht gaan houden?" + +Deze onverwachte toespraak, de toon, waarop zij werd uitgesproken, +en vooral de barsche houding van den krijgsman deed de omstanders +beteuterd ter zijde treden: en als kinderen, die eene bestraffing +ontvangen hebben, bleven zij op een afstand het verder onderhoud +gadeslaan. + +"Hoor eens, kameraad!" vervolgde de officier, Joan vriendelijk onder +den arm nemende: "antwoord mij eens oprecht: wie heeft het _model_ +opgegeven, volgens 't welk uw paard getoomd en geteugeld is?" + +"Wel ik zelf!--Maar wat zal deze vraag?" + +"Omdat ik dan bij waarheid getuigen moet," hernam de ritmeester, +altijd bedaard en vriendelijk, "dat meester Symen, die een bol in de +toomprangkunst was, de goede man, het u niet verbeteren zou. En daarom +juist, lieve vriend! kunt ge uw paard niet weerom krijgen; want ik +heb het met toom en al naar Graaf Hendrik Frederik gestuurd tot model." + +"Verplicht voor de eer," hernam Joan; "maar dat helpt mij weinig." + +"Gij moest met mij naar Zijn Hoogheid gaan," zeide de officier, +zonder zich aan den driftigen toon van Joan te storen: "ik sta u borg, +dat gij spoedig vooruit zoudt komen. Wat dunkt u daarvan, Kapitein +Schwanck?" vervolgde hij, zich tot den anderen officier wendende. + +"Dat zult gij best weten, Kapitein Holtvast!" antwoordde deze. + +"Uw naam," vervolgde de andere tot Joan, "uw naam is, zoo ik mij niet +bedrieg.... Ulrich.... neen.... Joan van.... van....! Ja waarlijk, +volkomen herinner ik mij uw naam niet, schoon ik u meer gezien heb." + +Bij deze woorden werd Joan beurtelings rood van verlegenheid en +bleek van gramschap; doch de gulle lach, waarmede Kapitein Holtvast +ze vergezelde, ontwapende zijn drift, vooral toen hij bemerkte, dat +Holtvast zelf een kleur kreeg, gelijk meermalen gebeurt, wanneer men +die bij een ander heeft doen opstijgen. + +"Ja!" hernam hij: "nu herinner ik mij!.... doch gij behoeft u +daarvoor niet te schamen, jongeling!--ik voorspel u, gij zult een naam +verwerven, zoo gij er nog geen hebt;--althans het zal uw schuld niet +zijn, indien gij een brekebeen blijft. Wat zegt ge? neemt ge dienst +bij ons?" + +"Ik kan noch mag daarop antwoorden", zeide Joan, "voor 't oogenblik +moet ik naar Den Bosch; misschien zal ik naderhand van uw vriendelijke +uitnoodiging gebruik kunnen maken." + +"Hm! hm!" zeide Holtvast, terwijl hij eenigszins misnoegd het hoofd +schudde: "die reis naar Den Bosch bevalt mij maar half: schoon ik +er ook eens hoop te komen.--Wat drommel moet ge in dat Paapsche +land uitrichten?" + +"Ik weet niet dat ik u eenige rekenschap verschuldigd ben," zeide Joan. + +"Misschien!" antwoordde Schwanck: "het moet ons vreemd voorkomen, +dat iemand, die voorgeeft Koning Frederik te dienen, naar Den Bosch +reist op het oogenblik, dat Zijn Majesteit hier verwacht wordt." + +"Bedaar, kapitein Schwanck, bedaar!" zeide zijn krijgsmakker. "De +Jonker heeft vast wijze redenen, die het ons niet past te +onderzoeken. Ook zal Koning Frederik hier dienaars genoeg hebben, +en misschien meer, dan wij in den kost kunnen houden; doch het is +onze tijd, verder te gaan: nu, Jonker! zoo gij iets naders van ons +begeert, verneem dan maar naar mijn makker, dien gij hier ziet, +Kapitein Schwanck, van de garde. En ik noem mij Holtvast, om u te +dienen. Zoo ge bij ons wilt komen dienen, beloof ik u, dat ik u +aan een paard zal helpen, ruim zoogoed als hetgeen wij u ontnomen +hebben;.... doch waarom hieldt gij u ook dood?" + +Deze toespraak geëindigd hebbende, draaide hij zich om, zonder verder +antwoord af te wachten, en ging naar den stal, vergezeld van Kapitein +Schwanck. "Bij mijn degen," zeide hij tegen dezen in 't uitgaan: "die +knaap herinnert mij volkomen een dapperen Kleefschen Graaf.... doch +dien hebt gij nooit gekend, Schwanck!" + +Joan staarde den ritmeester met verbaasdheid na en bleef een wijl +wrevelig en ontevreden staan, knorrig op den waard, die zijn paard +verkocht had, op Holtvast, die hem had doen zwichten voor een invloed, +waaraan hij geen verklaring geven kon, en op zich zelven, daar hij +begreep een gekke rol gespeeld te hebben. Terwijl hij besluiteloos +voor zich keek, rees een der aanwezigen, die zich met den ganschen +twist niet bemoeid had, maar stil in een hoekje was blijven zitten, +van zijn bank op, naderde hem, en zeide in een vreemden tongval, dat +hij een wagentje gehuurd had, om hem naar Den Bosch te laten brengen, +en dat het hem aangenaam zou wezen, indien de Jonker hem de eer van +zijn gezelschap wilde verschaffen. + +Joan wierp een vluchtigen blik op den man, die hem dezen voorslag +deed. Hij had het uiterlijk van een Duitschen of Poolschen Jood, droeg +een lange blauwe samaar met een hoogen kraag, die hem over de ooren +stak, een diep ingedrukte bonten muts en een bruinen baard. Schoon +onze held zich van zulk een reisgezel weinig vermaak kon beloven, +begreep hij echter, de gelegenheid niet te moeten versmaden, weshalve +hij den vreemdeling een toestemmend antwoord gaf, hem tevens vragende, +wanneer hij dacht te vertrekken. + +"Zoo op het oogenblik," antwoordde de Jood: "indien UEd. uw pakkage +gelieft te halen: ik zal UEd. hier blijven wachten." + +Beseffende, dat hij toch vergeefsche moeite zou doen om zijn paard +terug te krijgen, voldeed Joan aan het verzoek en vergezelde den +waard naar een achterkamer, waar deze hem zijn valies ter hand +stelde en hem het geld toetelde, dat voor zijn paard betaald was, +daarvan, als vanzelf spreekt, de som afhoudende, welke Joan hem voor +zijn vertering schuldig was: waarna onze held terugkeerde naar het +voorhuis, en met den Jood de stad verliet. Weldra waren zij aan de +Waal en in de veerschuit gestapt. + +De rivier leverde op dit oogenblik een belangwekkend schouwspel op: +zij was gevuld met groote en kleine vaartuigen, van wier stengen +en achtersteven vlaggen wapperden, en welke passagiers inhielden, +die op den stroom de aankomst van Koning Frederik verbeidden. De +beide oevers waren met scharen toeschouwers bedekt, en voor de stad +lag een prachtig versierd jacht, dat zoowel de Prinsenvlag als het +wapen van Oranje-Nassau voerde, en waarop zich Prins Maurits met +zijn gevolg, waaronder de Ambtman Mom en meer hoofdbeambten van het +gewest, bevonden. Onder de muren van Tiel stond krijgsvolk onder de +wapenen, om den doorluchtigen gast van Nederland bij zijn doortocht +verschuldigde krijgseer te bewijzen: en twee schuiten, met soldaten +bemand, gingen den Koning te gemoet, wiens vaartuig, rijk met vlaggen +versierd, men van verre onder het schaterend gejuich der menigte den +vloed zag afkomen. Joan kon, ondanks de bekommering, die zijn ziel +vervulde, niet nalaten zijn oog over dit prachtig schouwspel te doen +weiden, waarvan de beschouwing hem gedurende den tijd der overvaart +geheel vervulde. Eerst toen hij aan de andere zijde gekomen was en +toevallig opzag, herkende hij in een der veerlieden zijn oude kennis, +Teun Wezer. Niet verlangende, met dezen in gesprek te treden, wendde +hij het gelaat om; doch de veerman, een halven cirkel om hem heen +beschrijvende, stond dadelijk weder vlak voor zijn gezicht, en sprak +hem met de volgende woorden aan: + +"Goemorgen, Jonker! wie deksel dacht u hier te zien? gisteraôvend +liet ik u immers nog op Sonheuvel." + +"Gij moet van daar nog vroeger zijn vertrokken dan ik, Teun!" hernam +Joan: "en moet gij er niet weder naar toe?" + +"Vandaôg en morgen niet," antwoordde Teun: "ik moet eerst dien +Poolschen Jood naar Den Bosch brengen, dat je 't vat." + +"Ei! en mij bijgevolg ook; want wij reizen samen." + +"Zoo!" hervatte de veerman, wiens gelaat op dit bericht betrok; "nu +ja! maôr ik weet niet of het zich wel schikken zal.... Patientie! wij +zullen zien.--Haalt aan, jongens! haalt aan!" + +Aan de overzijde aan wal gestapt en den dijk opgewandeld zijnde, +zag Joan in de laagte een soort van huifkar staan, met twee kloeke +paarden bespannen, welke een jonge vrouw vasthield. + +"Ziedaôr uw rijtuig," zeide Teun, hem op de kar wijzende: "wil ik +er de bagage maar inbrengen?" Dit zeggende, nam hij de valiezen der +beide reizigers en smeet die in de kar, waarna hij zich vloekende +en tierende bij de jonge vrouw begaf, haar verwijtende, dat zij de +paarden averechts gespannen had. + +"Maar zij staan immers altijd zoo," zeide de jonge vrouw. + +"Houd den bek, wijf!" grauwde Teun haar halfluid toe, "of ik zal oe +een muilpeer geven, die oe de lust tot snaôteren wel benemen zal. Ik +zeg, ze staôn verkeerd om, en dan is het zoo!" + +Tegen dit _martiaal argument_ was niets in te brengen: de goede vrouw +haalde met een zucht de schouders op, en riep toen, Joan ziende, +verwonderd uit: "Lieve deugd! is dat onze Jonker niet?" + +"Ja! dat is onze Jonker: ga je maôr naôr hem toe, je staôt mij hier +meer in dan uit den weg," antwoordde Teun op denzelfden vriendelijken +toon. "Heerschoppen!" vervolgde hij, zich tot Joan en diens reisgezel +wendende: "blijf daôr zoolang niet in den wind staôn. Gaôt in dat +kapelleke, terwijl ik de paarden verspan." + +De reizigers volgden dien raad en gingen in een kroegje dat vlak aan +den weg stond, gevolgd door de vrouw van Teun Wezer, in dewelke Joan +nu zijn speelkarnuit Klaartje, Boukes nicht, herkende. + +"Wel Klaartje!" vroeg hij haar na de eerste groete, "hoe maakt gij +het al in den echten staat?" + +"Ja," antwoordde zij, terwijl twee dikke tranen haar langs de wangen +liepen: "als men alles van te voren wist!.... doch ik geloof waarlijk, +dat mijn man mij roept om hem te komen helpen;.... maar neen," zeide +zij, terugkeerende: "hij kan mij wel missen: trouwens, dat kan hij +altijd wel.... daar is hij!" + +Teun Wezer trad het kroegje binnen, en in 't voorbijgaan een +vreeselijken blik op zijn vrouw werpende, begaf hij zich naar de +toonbank en zwolg een kelk brandewijn in, welken een oude Megeer, +die aldaar voor tapster speelde, hem toegereikt had; waarna hij zich +tot de reizigers wendde met een: "'t is klaôr, heerschoppen!" + +In 't uitgaan der kroeg bemerkte Teun, dat zijn vrouw Joan, die +reeds buiten was, toewenkte, dat zij hem nog iets te zeggen had: +bij het zien dezer beweging stootte hij haar ruwelijk achter zich +weg; dan Joan, wien de gebaarden van Klaartje niet ontsnapt waren, +keerde terug, draaide om den voerman heen en stak aan diens vrouw de +hand ten afscheid toe. Veinzende te struikelen, nam zij dit oogenblik +waar om hem schielijk in te fluisteren: "uw pistolen!" waarna zij +zich haastig omwendde en een luid vaarwel toeriep. + +De Jood had intusschen plaats op de kar genomen: Joan volgde hem, over +de geheimzinnige waarschuwing, welke hij ontvangen had, nadenkende: +en op de bank gezeten, was zijn eerste werk om naar zijn pistolen om +te zien; doch hij vond die, zooals hij ze gelaten had, aan weerszijden +in zijn mantelzak gestoken. + +Teun Wezer, zich op een soort van bok of vooropbank gesteld hebbende, +greep nu de teugels, of liever de touwen, welke dien rang bekleedden, +in de hand en deed zijn zweep driewerf de lucht doorklieven; +waarop de paarden op een redelijken draf vertrokken en het rijtuig +door een aangename landouw, met boomgaarden en koornvelden bedekt, +voorttrokken. Met weemoedige deelneming staarde onze held op die +welvarende en vruchtbare streken: en diep trof hem de gedachte, hoe +weldra, na het eindigen van het Bestand, de oorlogsfakkel opnieuw +in dit gedeelte van Nederland zoude blaken, de hoop des veldmans +verteren en wellicht vele dier thans zoo fraaie en rijke woningen in +asch leggen: hoe de zwaarden der krijgsliên het graan zouden maaien, +'t welk de hand des nijveren landmans hier gezaaid had. De sombere +stemming, waarin hem deze overdenkingen brachten en de nog dieper +zwaarmoedigheid, waarin hij verviel, als hij soms weder over zijn eigen +toestand nadacht en zich de ontdekkingen en gebeurtenissen der vorige +dagen voor den geest bracht, en eindelijk het gering genoegen, dat hij +uit een gesprek met zijn vreemden reismakker verwachten kon, deden hem +over den weg een diep en onafgebroken stilzwijgen bewaren. Wat den Jood +betrof, ook deze scheen geen onderhoud te verlangen: hij had zich, +'t zij uit voorzorg tegen den wind, 't zij omdat hij van tandpijn +gekweld was, een zijden doek om de kin gebonden, welke het gedeelte +van zijn gelaat, dat nog zichtbaar gebleven was, ten volle bedekte. De +voerman was insgelijks stil en afgetrokkener van gedachten, dan men +van iemand uit zijn stand verwachten zoude: somtijds poogde hij een +liedje te neuriën, doch al spoedig verzwakte zijn stem, hij zweeg, +zakte ineen en verviel weder als in een dommeling, en als dit een +korte poos geduurd had, richtte hij zich wederom op, begon opnieuw +te fluiten en te zingen, liet de zweep aan de paarden voelen en hen +draven tot aan de naastbij gelegene kroeg, waar bij nooit naliet het +zoopje te aanvaarden, dat de maagd, die voor den deurpost wachtte, +hem reeds van verre had staan toereiken. + +Over Drummel naar de Maas gereden, staken onze reizigers die rivier +over, en kwamen weldra te Kessel, alwaar Teun Wezer begreep zijn +paarden eenige rust en voeder te mogen doen genieten; welke gelegenheid +zoowel Joan als de Jood zich ten nutte maakten om in de herberg een +sober ontbijt te gebruiken. + +Terwijl Joan hiermede bezig was, zag hij uit het raam, waaraan hij +gezeten was, dat zijn voerman op de binnenplaats in gesprek stond +met twee kerels van een alleronaangenaamst voorkomen, die na eenige +woordenwisseling de herberg verlieten. Deze omstandigheid wekte opnieuw +eenig kwaad vermoeden op bij onzen held, zoodat hij het raadzaam +oordeelde, zich nogmaals van den toestand, waarin zijn wapenen zich +bevonden, te gaan verzekeren. Hij begaf zich met dat oogmerk naar den +stal, alwaar hij op dat oogenblik niemand vond, vermits Teun Wezer +zich naar de keuken had begeven om te ontbijten, en de staljongen +voeder was gaan halen. Onverhinderd en onopgemerkt kon hij dus de beide +pistolen uit den mantelzak halen en onderzoeken; waarop hij tot zijn +verbazing ontdekte, dat men de kogels uit de loopen had gehaald. Hij +zelf had de pistolen des morgens op Sonheuvel geladen en te Tiel +gestoken in zijn mantelzak, welke hij sedert niet uit het oog had +verloren, dan alleen gedurende den korten tijd, toen hij op verzoek +van Teun Wezer het kroegje aan het veer was ingegaan. Hij begreep nu, +dat die schelm zich deze gelegenheid had ten nutte gemaakt om, onder +voorwendsel van de paarden te verspannen, de geweren buiten staat +te stellen eenig letsel te doen, welk bedrijf Klaartje ongetwijfeld +had opgemerkt. Zijn reisgenoot niet buiten noodzakelijkheid willende +verschrikken, en onbewust of deze geen medeplichtige aan een tegen +zijn leven of vrijheid gesmeden aanslag ware, hield hij dezen onkundig +van de gedane ontdekking, laadde de pistolen opnieuw, bracht die op +hun plaats terug en verliet wederom even ongemerkt het wagenhuis. + +Kort daarna kwam Teun Wezer de reisgenooten waarschuwen, dat het tijd +was weder op reis te gaan: zij vervolgden dan hun weg door een zwaar, +slijkerig spoor, hetgeen de paarden noodzaakte stapvoets voort te +gaan. Hoe meer zij vorderden, hoe vetter en hinderlijker de modder +werd, zoodat zij, eer zij Kessel nog uit het oog verloren hadden, +tot de helft der wielen in het moeras zaten. + +Het oord was hier eenzaam en verlaten: nergens vertoonde zich +eenig levend wezen, en de rook alleen, die hier en daar in de verte +uit het kreupelhout opging, verraadde de nabijheid van dorpen en +gehuchten. Eindelijk ontdekte Joan verre voor zich uit, doch aan +den rijweg, met welgevallen een gebouw, dat vrij aanzienlijk scheen: +doch met teleurstelling ontwaarde hij bij 't naderen, dat het alleen +uit de vier muren bestond, zijnde het droevig overblijfsel eener nog +vóór den aanvang van het Bestand uitgebrande huizinge, welke thans +uitmuntend geschikt was tot een verblijfplaats van uilen en kraaien, +en misschien van nog gevaarlijker roofgedierte. Ook ontging het Joan, +die oplettend was op al wat zijn vermoedens op kon wekken, geenszins, +dat zich tusschen die vervallen muren een paar menschen bevonden, +die even uitkwamen, doch bij het zien van het rijtuig dadelijk +terugtraden. Zooras onze held dit bemerkte, haalde hij in stilte zijn +pistolen uit den mantelzak en stak zijn handen onder de bank, eer +zijn reisgenoot of de voerman deze beweging bespeurd hadden. Zij reden +echter de bouwvallen voorbij, zonder dat er iemand te voorschijn kwam; +doch nauwelijks was men een twintig roeden verder gekomen of Teun Wezer +liet, als bij toeval, zijn zweep vallen, hield de paarden staande en +sprong af, als wilde hij die gaan oprapen. "Met uw verlof!" zeide Joan, +die al zijn bewegingen aandachtig gade had geslagen, "dat zal ik wel +voor u doen;" en, meteen sprong hij op het voetpad, dat, veel hooger +dan de weg, niet zoo zwaar bemodderd en bewandelbaar was. Dan terstond +haalde Teun Wezer, zonder een woord te spreken, de houten pen uit, +welke het karretje (hetwelk in den smaak der hedendaagsche asch-, +mest- of vuilniskarren gemaakt was), tegenhield, waardoor het met +Jood en al achterover en in de modder sloeg. Op datzelfde tijdstip +sprongen de twee personen uit het vervallen gebouw, dezelfden, die +Joan in de herberg gezien had, met het mes in de vuist, voor den dag, +en snelden op de kar aan. + +"Staat!" riep Joan, hun de pistolen voorhoudende: "of ik brand los." + +"Loop maar toe!" riep Teun, terwijl hij zijn mes trok en Joan van +achteren aangreep: "zij zijn niet eladen." + +"Dat zult gij anders ondervinden! zeide Joan, en zich omkeerende, +schoot hij den booswicht neder, die vloekende tusschen de paarden +rolde. Vervolgens zijn degen trekkende, stelde de moedige jongeling +zich in postuur om de beide anderen af te wachten: dezen, door het +gezicht van den gewonden voerman ontzet, verkozen geen poging te doen +om met levensgevaar te naderen en bliezen den aftocht, met den meesten +spoed hun weg weer naar den kant van Kessel nemende. Joan volgde hen +een klein eind weegs, doch slechts langzaam, daar hij zich niet te +ver van de kar verwijderen wilde; doch hij verloor hen weldra uit +het oog. Toen keerde hij terug om te onderzoeken, in welken toestand +zich de arme Jood en de gekwetste bevonden. Dan, wie schildert zijn +verbazing, toen hij bij 't naderen geen Jood noch Joodsgelijke meer +zag, maar, naast den onder zijn eigene paarden in de modder geraakten +voerman, de edele, eerwaardige gestalte van Godard van Reede, zooals +hij zich in het klooster te Tiel aan hem vertoond had, herkende. + +"Wat zie ik?" riep Joan, verbaasd achteruittredende. + +"Stil!" zeide de geestelijke: "die ongelukkige leeft nog: hij is +misschien nog te helpen." + +"Gij wilt dien ellendige bijstaan?" hernam Joan, een vertoornden blik +op Teun Wezer werpende. + +"Hij heeft mijn bijstand ingeroepen," antwoordde de grijsaard: +"en dit heeft nooit een sterveling te vergeefs gedaan." + +Dit zeggende, trachtte Pater Ambrosius, gelijk de geestelijke, als men +weet, genoemd werd, den gekwetste op te helpen; doch het machteloos +lichaam gaf niets mede en zat diep in het slijk. + +"Wacht!" zeide Joan: "laat mij die taak over: ik zal hem wel op vasten +grond brengen!" En meteen zette hij de voeten vast aaneengesloten in +het slijk, greep Teun Wezer met beide handen om het lijf en tilde +hem op het voetpad. De gewonde opende nu de oogen en zeide met een +schorre en gebroken stem: "o wee! het is met mij gedaan.... laat de +Vicaris.... een gebed.... voor mijn ziel.... o wee!" Deze woorden +met moeite hebbende geuit, liet hij het hoofd op den schouder vallen +en sloot de oogen, terwijl de doodskleur zich weder over zijn gelaat +verspreidde. + +"Hier is geen hulp in den omtrek," zeide de geestelijke: "laten wij +hem in de kar leggen en met ons voeren: indien ik slechts iets had +om het bloed te stelpen, dat uit zijn wond stroomt.... wacht! in de +kar ligt de doek, waarmede ik mijn gezicht verborgen hield." + +"Hoe!" riep Joan, terwijl hij snel den doek uit de kar haalde: +"gij waart dan werkelijk die Jood, mijn reisgenoot?" + +"Ik ben een ongelukkige zwerver," antwoordde Ambrosius: "die nergens +veilig, door allen vervolgd, bij allen gehaat, niet dan door Gods +vaderlijke hulp, die u tot mijn redder beschikte, aan den moorddolk +ontsnapt ben, die mij dreigde." + +"Het was dan tegen u, dat de aanslag gesmeed was?" + +"Gewis! en ik ken hen, die dezen arm tegen mij gewapend hebben." + +"En gij bewijst uw menschlievende hulp aan den booswicht?" + +"Leert men in uwe Kerk," vroeg de geestelijke, den jongeling met +ernst en waardigheid aanziende, "dan het heilige voorschrift niet: +""doe wel aan die u haten?"" + +"Voorzeker," zeide Joan blozende: "doch, verschoon mij, ik had het +voorbeeld, dat mij door u gegeven wordt, niet van een Roomschgezinde +verwacht." + +"Slechts één hielp den gekwetsten koopman, waar de schriftuur ons +van verhaalt, en die was een Samaritaan," zeide Ambrosius met nadruk. + +Onder dit gesprek hadden zij den gekwetste verbonden zoogoed hun +mogelijk was: vervolgens plaatste Joan hem in de kar: de grijsaard +ging naast hem zitten en hield hem vast, om het zwakke lichaam tegen +de al te sterke schokken van het rijtuig te bewaren. Joan nam de +teugels in de hand, zette zich op het vooropje en liet de paarden +hun weg vervolgen. + +"Zou het niet te vrijpostig wezen," vroeg Ambrosius, na eenige +oogenblikken zwijgens, "om te vragen, welke zaken den Jonker van +Craeihorst in Den Bosch roepen?" + +"Gij kent mij!.... Doch waarom zou mij dit bevreemden? Ik heb in de +laatste dagen het recht verloren om mij ergens over te verwonderen." + +"Ja! ik ken u. Reeds toen ik u voor eenige dagen te Tiel zag, trof +mij uw gelaat; sedert vernam ik, wie gij waart, en ik herinnerde +mij, u als knaap bij uw pleegvader te hebben ontmoet, en u den ring +geschonken te hebben, welken ik aan uw vinger zie." + +"Welnu, zoo UEd. mij kent," zeide Joan: "zal uw verwondering over +mijn reis naar Den Bosch niet zoo groot wezen; want dan zult ge ook +de betrekkingen kennen, welke ik aldaar ga opzoeken: ten minste, +ik moet dit veronderstellen, na u in 't gezelschap van Van Dyk te +hebben ontmoet." + +"Van Van Dyk?" hernam Ambrosius: "was hij de man die u derwaarts +zond? En welke redenen heeft hij u gegeven, sterk genoeg, om u een +huisgezin, dat u liefheeft, te doen verlaten?" + +Joan was op het punt zijn vertrouwen te schenken aan zijn reisgenoot, +wiens achtbaar en tevens vriendelijk voorkomen hem bereids had +ingenomen; doch hij weerhield zich, indachtig aan de nauwe betrekking, +die tusschen Vader Ambrosius en den Baron bestond. Daarenboven was +hem de gedachte niet vreemd, dat de grijsaard, van hetgeen hij hem +zou kunnen verhalen, beter en vollediger onderricht ware, dan hij zelf. + +"Ik weet niet," antwoordde hij, "of ik vooralsnog vrijheid heb, +UEd. die redenen mede te deelen. Wat echter den persoon betreft, dien +ik zoek, het is Don Louis de Velasco, en het zou mij aangenaam zijn, +indien UEd. mij behulpzaam wilde wezen om een mond gesprek met hem +te verkrijgen." + +"Jongeling!" hervatte Ambrosius: "versta ik u wel? Zijt gij niet in +dienst van den verjaagden Paltsgraaf, die zich koning van Bohemen +noemt? Wat hebt ge dan met zijn vijand uit te richten?" + +Joan zweeg. + +"En draagt de Baron van Sonheuvel kennis van deze reis?" + +Joan schudde het hoofd en zuchtte. + +"Jongeling!" zeide de grijsaard met een ernstig en weemoedig +gelaat: "ik ben een ijverig en getrouw, schoon onwaardig dienaar +der Moederkerk, en zou mijn leven gewillig prijsgeven, zoo +ik de Nederlanden van ketterij verlost en tot de zuivere leer +zag teruggebracht; maar verachting en smaad is in mijn oogen de +Nederlander waardig, die de zijnen, lafhartig, om wereldsch goed, +verlaten en verraden zou." + +"Die smet mag mij niet aangewreven worden," riep Joan uit, terwijl een +hoogrood zijn wangen overdekte: "God weet hoe zuiver mijn bedoelingen +zijn!" + +"En toch!" hernam Ambrosius: "het is Van Dyk, die u naar Den Bosch +zendt!.... slechts één verontschuldiging kan uw gedrag hebben: dat gij +namelijk uw kettersche gevoelens af wilt zweren en een heilige steê +gaat zoeken, waar gij u aan den dienst Godes wijden moogt;.... doch +het is niet Don Louis, welke u die verschaffen zal." + +"Ook dit is mijn bedoeling niet: en echter is in deze mijn gedrag +onberispelijk." + +"Zoo dit waar is, gelijk ik op uw herhaalde verzekering gelooven wil, +maak dan staat op mijn diensten, die ik u van harte aanbiedt; doch, +nogmaals, weiger mij uw vertrouwen niet: ik ben het waardig;--en, +geloof mij, geen laakbare nieuwsgierigheid drijft mij aan; maar de +zucht om u nuttig te zijn, u, mijnen redder." + +"Ik heb geen recht op uw dankbaarheid," hernam Joan: "gaarne had ik +voor u in de bres gesprongen; doch ik dacht, dat het slechts op mij +gemunt was, en dat het alleen mijn eigen leven was, dat ik verdedigde." + +"Geenszins! Teun Wezer kende mij, en de vermomming, waarin ik stak, +moest mij alleen dienen, om bij anderen onbekend te blijven. Het is, +helaas! niet de eerste reis, dat ik ondervinden moet, hoe verre de +haat en nijd mijner vijanden gaan kunnen; doch nooit had ik gedacht, +dat men die tot zulk een uiterste zou durven voeren." + +Na deze aanmerking, welke tot pijnlijke herinneringen aanleiding scheen +te geven, verviel de geestelijke in een diepe mijmering, waarin Joan, +die aan zijn eigene bekommernissen daarenboven genoeg had, hem niet +wenschte te storen. Nadat zij, op deze wijze, gedurende eenigen tijd +door de modder hadden voortgesukkeld, kwamen zij op een gullen zandweg, +die hen in korten tijd tot bij een wetering bracht, bij welke zich +voor een boerenherberg eenige lakeien bevonden, in deftige livreien +uitgedost en allen te paard gezeten, welke, zoo 't scheen, dit of +dat voornaam personage stonden af te wachten. Zoodra zij de kar in +'t oog kregen, reed een van hen haar op een goeden draf te gemoet, +sprong af toen hij haar genaderd was, en bleef met ongedekten hoofde +eerbiedig de bevelen afwachten, die men hem geven zoude; toen stak +tot Joans verwondering, Ambrosius het hoofd buiten en vroeg of alles +in orde was, 't geen de lakei met een diepe buiging beantwoordde. + +"Welnu!" hernam de grijsaard: "laat dan mijn muilezel oprijden; +want ik verlang hartelijk uit dit ongemakkelijke rijtuig te zijn: +laat een uwer, die het beste paard berijdt, afstijgen en het aan +dezen edelman geven, die zich te onpas heeft genoodzaakt gezien, +voor koetsier te spelen. Wat die kar betreft, die moet, met dien +gewonden man medegevoerd worden, en ik beveel, dat er nauwe zorg voor +den ongelukkige gedragen worde. Jonker! wees zoo goed, af te klimmen +en een voegzamer gelegenheid aan te nemen om uw reis voort te zetten." + +Joan maakte met blijdschap van deze aanbieding gebruik, en klom +af, terwijl de overige lakeien, inmiddels genaderd, den ouden man +uit de kar hielpen. Een fraai getoomd muildier werd voorgebracht, +waar Ambrosius opsteeg, terwijl Joan een kloek rijpaard bekwam. Twee +dienaars plaatsten zich in de kar bij den gekwetste, en volgden, met +een langzamer tred den trein, welke zich nu verder, op een vlugger +draf, naar Den Bosch begaf. + + + + + +VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + Mathan! d'un prétre est-ce là le langage? + + Is dit eens priesters taal, o Mathan? + + _Racine_, Athalie. + + +Op den avond van denzelfden dag, op welken Joan in Den Bosch was +gekomen, zat de Grootmeester der artillerie, Don Louis de Velasco, +met een ontrust gemoed een brief te herlezen, welke hij reeds +meermalen met gemelijkheid had nedergeworpen. Het overlijden van den +Aartshertog, op een zoo ongunstig tijdstip als het einde des Bestands +voorgevallen, had onder de Spaansche legerhoofden een niet geringe +verlegenheid teweeggebracht, behalve dat het Velasco, als een der +vertrouwde vrienden van het doorluchtig vorstenpaar, meer bijzonder +getroffen had. Er waren geen nadere tijdingen uit Brussel gekomen, +hoe zich in deze omstandigheden te gedragen; het tijdstip naderde +met rassche schreden, waarop de twaalf jaren, welke het bestand +geduurd had, zouden verloopen wezen, en Velasco was beducht, dat, +zoo de bevelen van zijn overheden langer uitbleven, hij niet in +staat zoude zijn, bijtijds tot den oorlog gereed te wezen, voor +zooverre althans het vak betrof, dat aan zijn kunde en ervarenheid +was toevertrouwd. Het laatste bevel, hetwelk hem de Aartshertog +had doen toekomen, was van een zoodanigen aard, dat het veeleer +staat- dan krijgskundige overpeinzingen van hem vorderde; hem werd +namelijk gelast, drie voorname Hollandsche ballingen, te weten Huig +De Groot, Uyttenbogaert en Grevinkhoven, die zich op dat tijdstip in +'s-Hertogenbosch bevonden, door beloften, geschenken of anderszins +over te halen om de Spaansche zijde te kiezen en met hun ongemeene +begaafdheden te sterken. Hoe weinig deze taak ook naar den smaak +van Velasco was, begreep hij echter die niet te mogen verzuimen, +ofschoon het hem naar zijn dom krijgsmansbegrip toescheen, dat twee +verloopen Dominees en een verwaande papierbekladder juist zulk een +groote aanwinst niet zouden zijn voor de Spaansche partij. Zijn eigene +begaafdheid in 't behandelen eener zoo teedere zaak mistrouwende, +had hij den Heer Van Grobbendonck, een listigen, behendigen man, +en tot dusdanige onderhandelingen bij uitnemendheid geschikt, doen +verzoeken, de samenkomst te willen bijwonen. In afwachting van dezen, +las hij den brief des Aartshertogs nog eens over, toen de Vicaris +zich bij hem liet aandienen. + +"De Vicaris!" riep hij uit, terwijl een glans van vergenoegen zich +op zijn gelaat verspreidde: "voorwaar de man kan nooit op gelegener +tijdstip komen! ik had juist een welbespraakte noodig: geleerde +tegen geleerde dat's kamp.--Maar de duivel!" vervolgde hij, zich +achter 't oor krabbende: "zoo hij eens te nauwgezet ware, en dacht: +_non tali auxilio, non talibus defensoribus_.... of hoe zeide mijn +hoogloffelijke leermeester te Salamanca ook?".... [47] + +"Zal ik Zijner Hoogwaardigheid zeggen, dat UEd. belet is?".... vroeg +de ordonnans, zijn overste in onzekerheid ziende. + +"Vooral niet, Vlascamp! vooral niet!--laat Zijn Hoogwaardigheid +boven komen. Hij komt juist van pas: en laat de kok op een persoon +meer rekenen: ik moet zien dat ik hem te gast hou: toe, haast u: +ik verlang al hem te spreken." + +Vlascamp vertrok en liet een oogenblik later Pater Ambrosius +in. "_Salve: celsissime vir!_" zeide Velasco, zich nederig buigende en +den grijsaard de hand kussende: "nogmaals _salve_! en van harte welkom +in de stad. Sinds wanneer hebben wij het geluk, Uw Hoogwaardigheid +binnen onze muren terug te bezitten?" + +"Ik ben heden van Tiel teruggekeerd," antwoordde de Vicaris, na +beleefde groete, plaats genomen hebbende: "en hoe gedraagt UEd. zich +in de droeve omstandigheden welke wij beleven?" + +Velasco zuchtte en schudde het hoofd, waarna zij eenige woorden +wisselden over het afsterven van den Aartshertog en de veranderingen, +welke hieruit zouden ontspruiten. + +"Mag ik Uw Hoogwaardigheid vragen," zeide Velasco, toen eindelijk het +gesprek een andere wending genomen had, hoe zij het kuddeke gevonden +heeft, dat aan haar zorgen is toevertrouwd?" + +"Daarover," zeide Ambrosius, "valt, helaas! weinig te roemen. Wanneer +ik door mijn eigen geloofsgenooten, door hen, wier gestadige arbeid het +wezen moest, met mij tot hetzelfde einde mede te werken, onophoudelijk +word gedwarsboomd, dan valt het zwaar, die plichten jegens mijn kudde +te vervullen, welke de hooge bediening, van mij eischt, waartoe ik +mij geroepen zie." + +"Uw eigen geloofsgenooten," riep Velasco verbaasd uit: "over wie hebt +gij te klagen?" + +"Mijn klachten," hernam Ambrosius, "hoop ik eerstdaags bij den Nuntius +in te leveren; ware ik alleen de vervolgde, het doel, waarop zij +hun pijlen spillen, dan zoude ik mij om Christi wille die smaadheid +getroosten; doch ik moet mijn schapen voorstaan, en het treft de +scheuring in de Kerke meer dan mij. Tenzij de God des vredes, die de +goede Herder is, de boozen beteugele en Zijn Heiligheid intijds nog +den banbliksem op 't hoofd der schuldigen nederwerpe, hebben wij in +alle dingen verwarring en meer gevaar van de huisgenooten, dan van +de vijanden des geloofs te vreezen." + +"En wie zijn zij, die huisgenooten, welke verwarring veroorzaken?" + +"Wie?--het zijn die heerschzuchtigen, die onze zuivere leer door Europa +doen vloeken en verfoeien: het zijn die onverzoenlijke vijanden van +alle oprechte aanbidding in nederigheid, hoop en liefde, die, onwillig +onder mijn gezag gesteld, geen andere bevelen volgen, dan die, welke +uit den boezem hunner Sociëteit voortkomen." + +"Hoogwaardigste!" zeide Velasco, verbleekende: "gij bedoelt toch de +Jezuïeten niet!" + +"Zie," hernam de Vicaris: "den indruk, dien het noemen alleen +van hun naam bij u teweegbrengt, bewerken zij overal; met banden +van vrees kluisteren zij de wereld, die hen verfoeit: hun macht, +bij alle volkeren, aan alle hoven verspreid, is even geducht als +ontzettend. Onverzettelijk gaan zij voort ter bereiking van het +eenigste doel dat zij bejagen, en waartoe alle middelen hun even +geschikt voorkomen:--en wat is dat doel? Niet de vestiging van de +echt Katholieke beginselen; niet de toebrenging van alle volkeren +tot het heilig en onvervalscht geloof:--neen, alleen de tijdelijke, +geheel aardsche heerschappij hunner eigene Sociëteit over de geheele +wereld is het wit, dat zij bejagen, en aan 't welk zij alle belangen, +alle plichten, alle menschelijke banden, ja het welzijn van hun +onsterfelijke zielen zonder wroeging blijven opofferen." + +"Mijn waarde Heer Vicaris!" zeide Velasco, nadat hij vruchteloos +dien stroom van woorden had pogen te stuiten: "laat ons liever +van dat onderwerp afstappen: het is teeder, ja in de tegenwoordige +omstandigheden te gevaarlijk. Sta mij liever een verzoek toe, dat ik +u te doen had, en deel hedenavond mijn eenvoudig maal. Ik verwacht +hier, behalve den Heer Van Grobbendonck, nog drie heeren, van welke +Uwe H. waarschijnlijk heeft hooren spreken: de Heeren De Groot, +Uyttenbogaert en Grevinkhoven. Uwe H. zal mij grooten dienst doen, +door te blijven en het gesprek wat levendig te houden: want ik ben +geen geleerde, gelijk Uwe H. bekend is." + +De Vicaris nam dit voorstel met welwillendheid aan; en, terwijl +Velasco hem de redenen ontwikkelde, waarom juist deze drie heeren +bij hem genoodigd waren, verscheen de Heer Van Grobbendonck, en, +kort daarna, de drie Hollandsche ballingen. + +"Het is met veel erkentenis voor de hooge onderscheiding, welke mij te +beurt valt," zeide De Groot tot Velasco, "dat wij van UEds. beleefde +uitnoodiging hebben gebruik gemaakt." + +"Geen plichtplegingen," was het antwoord van den gastheer: "het is aan +mij op de eer te roemen, van zulke vermaarde gasten te mogen ontvangen: +ik hoop maar, dat de heeren met mij wat toegeeflijkheid gebruiken +zullen; want ik ben geen geleerde, maar een krijgsman: _artium +liberalium expertus_, zooals mijn leermeester te Salamanca zeide." + +"_Expers_ meent UEd. voorzeker," zeide De Groot: "maar zoo heeft elk +zijn eigene bediening hier beneden; en UEd. voert den degen, gelijk +ik de pen voere." + +"Ik weet niet, dat mij in mijn leven zoo iets vleiends gezegd +is," hernam Velasco: "het verheugt mij intusschen, dat ik u, Mijn +Heeren! het bijzijn kan verschaffen van iemand, die meer dan de Heer +Van Grobbendonck en ik met de geleerde wereld bekend is, namelijk +van den Heer Vicaris Ambrosius, hier tegenwoordig, een doorkundig +en bekwaam...." + +"Aangenaam is het ook mij," zeide De Groot, dadelijk naar den Vicaris +toetredende, "in de gelegenheid te zijn van in kennis te geraken met +een man, in de Nederlanden zoo hoog geacht als de Heer Vicaris. Vergun +mij, Heer Vicaris, Uwe H. te mogen omhelzen. Eer hebbe de Geleerdheid, +welke ons, die geenszins met oorlogen gediend zijn, het recht geeft, +de vriendschap te genieten en te oefenen, welke de heiligste van alle +menschelijke zaken is." + +Ambrosius beantwoordde deze beleefde toespraak op de minzaamste +wijze en trad nu zoo met hem als met de Predikanten in een zeer +onderhoudend gesprek, waarvan echter de beide Bevelhebbers weinig +begrepen. Intusschen had Velasco laten opdisschen: de gasten +plaatsten zich, en het gesprek werd meer algemeen. De Groot gaf, +op het verzoek van Grobbendonck, een omstandig verhaal van zijn +zonderlinge ontkoming uit den Loevesteinschen kerker: waaruit, +die laatstgenoemde krijgsoverste aanleiding nam, om hevig uit te +varen tegen de ondankbaarheid der Staatschen, die hun braafste en +verdienstelijkste mannen op zoo onrechtvaardige wijze behandelden. + +"Verschoon mij, Mijnheer!" hernam De Groot: "Ik wijt mijn ongeval +geenszins aan mijn landgenooten, onder welke ik mij beroeme, hooge +achting en deelneming jegens mij te hebben ondervonden. Een vervolging +als die, welke ik lijden moet, is alleen het gevolg van den nijd +en haat, welke het gemeene lot der ware verdiensten zijn, en waarin +ik mij dus verheugen mag. Werd niet Miltiades door zijn medeburgers +in den kerker geworpen, Themistocles verbannen, Metellus verjaagd, +Cicero onthalsd, de groote Cato genoodzaakt zichzelf van het leven +te berooven?" + +"Waren die Heeren ook Remonstranten?" vroeg Velasco, jegens wien De +Groot nutteloos zijn geleerdheid verspilde. + +"Gewis, Mijnheer!" antwoordde Uyttenbogaert: "in zooverre als zij +remonstreerden tegen de verkeerdheden van hun tijd." + +"UEd.," zeide De Groot met verbazing, "heeft toch den goddelijken +Cicero wel hooren noemen." + +"Buiten twijfel," hernam Velasco: "mijn leermeester te Salamanca, +gelijk ik mij nu herinner, heeft mij wel eens van hem gesproken: +dat was immers de man, die zeide; "_Quousque tandem Catalina_...." + +"_Catilina_," verbeterde De Groot. + +"Juist, _Catilina_.--Ik geraakte in de war: Catalina was een meisje, +waar onze geëerde Corregidor te Salamanca veel werk van maakte, en +daarom lag mij die naam in 't hoofd. Gelijk ik de eer had UEd. te +zeggen, ik ben geen geleerde, en _non omnes omnia_...." + +"_Non omnia possumus, omnes_, [48] als UEd. te recht aanmerkt. Welnu, +Mijnheer! de mannen, welke ik zooeven noemde, werden voor hun groote +en gewichtige diensten door hun medeburgers met ondank beloond, +en echter bleven zij allen hun vaderland teeder beminnen en gaven +daar herhaalde bewijzen van: gelijk Camillus, die Rome van het juk +der Galliërs verloste, Cicero, die zijn goed en leven veil had voor +het gemeenebest, Cato, die den val van Rome niet overleven wilde, +Themistocles, die zich, als sommigen willen, met vergif ombracht, +om niet tegen zijn vaderland te strijden: en zooveel in mij is, +moet ik het voorbeeld volgen, mij door die groote mannen gegeven." + +"Ik heb slechts eene aanmerking te maken op hetgeen UEd. gelieft te +zeggen," zeide Grobbendonck: "de meeste der helden, die UEd. ons +opnoemt, leden van persoonlijken haat; doch de vervolging tegen +ulieden in 't werk gesteld, is meer gericht tegen een gevreesde +partij, dan tegen uw personen, voor wier geleerdheid en verdiensten +elk Nederlander, hoe ook in staatkundige of godsdienstige gevoelens +van u verschillend, den hoogsten eerbied voeden blijft." + +"Ja, Mijne Heeren!" zeide Velasco: "het is niet zoozeer om uwentwil, +als om de zaak, welke gij zoo moedig en belangeloos hebt voorgestaan, +dat ik UEd. zou aanraden, de aanbiedingen der Aartshertogin +te aanvaarden. Men staat UEd. toe om, in een der Brabantsche of +Vlaamsche steden, een kerk te stichten, waarom uw verdrukte gemeente +zich verzamelen mag: en onder geen andere voorwaarden, dan dat gij uw +bekwame pennen zult blijven versnijden ter bevordering van den vrede, +het uitzicht en de hoop van alle brave lieden." + +"De vrede zou mij dierbaar zijn," riep De Groot uit: "doch zoo ik +daartoe rade, moet zulks uit eigene overtuiging, geenszins op verzoek +harer Doorluchtigheid geschieden." + +"Ik eer uw nauwgezetheid," antwoordde Grobbendonck: "wij begeeren ook, +dat UEd. alleen naar die overtuiging zult handelen: het zal ons zelfs +aangenaam zijn, indien UEd. onvoorwaardelijk 's Konings gunsten wilt +aannemen; want daardoor zal de wereld zien, hoe ons Hof, ook zonder +hoop op de wedervergelding, deugd en bekwaamheid weet te loonen en +voor te staan; doch wij willen UEd. geenszins overrompelen: denkt +over ons voorstel na, Mijne Heeren! raadpleegt, zoo 't u goeddunkt, +uw geloofsgenooten, uw Hollandsche vrienden, ja voornamelijk uw +verstandigen en doorluchtigen beschermheer." + +"Onzen beschermheer?" vroeg De Groot, verwonderd: "wien kan +UEd. bedoelen?" + +"Graaf Hendrik Frederik," antwoordde Grobbendonck: "zoo ik wel +onderricht ben, is hij uwer partij geheel toegedaan, en is hij in +Nederland de voorname hoop der verdrukte Remonstranten." + +De Remonstrantsche Heeren zagen elkander aan met dien blik van +besluiteloosheid, welke natuurlijk is, wanneer men iets gezamenlijk +zou moeten beantwoorden en beslissen, maar door het bijzijn van +derden daarin verhinderd wordt.--Grobbendonck redde hen echter uit die +verlegenheid, door hun nogmaals te verzekeren, dat zij zich vooreerst +niet behoefden te verklaren, en dat hun de noodige tijd en vrijheid +gegeven werd, om zich over de aanbiedingen van het Spaansche hof +te beraden. + +Terwijl het gesprek, dank zij den Vicaris, die de gasten over hun +werken onderhield, weder een letterkundige wending nam, ontstond er +plotseling een onverwacht gerucht en herhaald geklop aan de huisdeur, +waarop, na het openen daarvan, een verward geluid van stemmen volgde +en voetstappen gehoord werden van nieuwaangekomenen, die de trappen +haastig kwamen opgeloopen. En eer nog Velasco was opgestaan om naar de +reden van dit gedruisch te vernemen, traden twee heeren in reisgewaad +binnen, die, hun mantels aan de dienaars toewerpende, zich dadelijk +deden herkennen voor den vermaarden Veldheer Spinola en den Kanselier +van Brabant, Pieter Pekkius. + +"Waarlijk," riep Velasco uit: "hoe later op den dag, hoe schooner +volk! Wie had deze verrassing kunnen vermoeden? Vanwaar komen de +vrienden met zulk een drift?" + +"Spoorslags van Brussel," zeide Spinola: "ik heb den Heer Kanselier +laten draven zooals hij zijn leven niet gedaan heeft." + +"Noch in mijn leven weder hoop te doen," zeide Pekkius, Spinola's +gezegde met een knik en een zucht bevestigende. + +"Zoo gaat het," merkte Grobbendonck lachende aan: "die met Spinola +gaat, moet immer voorwaarts; dat is zijn oude gewoonte. Laat ik u +een roemer wijn vullen, Heer Kanselier." + +"Hoe staat het gelaat zoo bedrukt, Generaal?" vroeg Velasco: "zijn +er slechte tijdingen?" + +"Van belang," antwoordde Spinola: "doch vergun mij te vragen, wie +zijn die Heeren?" + +Velasco stelde hem zijn gasten voor, waarop Spinola betuigde, dat het +hem bijzonder aangenaam zou wezen, nadere kennis met hen te maken: +doch dat hij voor 't oogenblik zaken van gewicht met den Spaanschen +Overste af moest handelen en dienvolgens hun verzocht, zich wel te +willen verwijderen: ten gevolge van welke _injunctie_ De Groot en +zijn medeballingen vertrokken. + +"Voor Uwe H. heb ik dat niet gezegd," zeide Spinola, ziende dat +Ambrosius insgelijks vertrekken wilde: "UEd. mag de tijding gerust +vernemen, welke wij met ons brengen." + +"En welke is die?" vroeg Velasco, hoogst nieuwsgierig. + +"Zijne Majesteit...." antwoordde Spinola, de schouders ophalende. + +"Is toch niet overleden," viel Grobbendonck in, met drift. + +"Is overleden," antwoordde Pekkius. + +"Is overleden," herhaalde de Generaal: "en zonder mij ooit te hebben +zien strijden, zonder zelfs vernomen te hebben, hoe ik zijn wapenen +in den Neder-Paltz heb doen zegepralen." + +"Waarlijk, gewichtige en droevige slagen," hernam Velasco, "en dat +juist met het einde van 't Bestand." + +"En wat dient er nu gedaan?" vroeg Grobbendonck. + +"De Heer Kanselier en ik reizen naar Den Haag, om voorstellen van +vrede te doen," zeide Spinola, somber voor zich ziende. + +"God geve dat hij gesloten worde!" riep Ambrosius uit. + +"Daar is geen nood voor," hervatte de Veldheer: "de voorwaarden +zijn juist niet zeer aannemelijk. Oorlog moet er wezen, en ondanks +de zware verliezen, die wij leden, staan onze zaken thans vrij wat +voordeeliger dan die der Staatschen. De neerlaag van Frederik zal wat +schrik onder den vijand gebracht hebben en daarvan dient een nuttig +gebruik te worden gemaakt. Drie dagen geleden kwam ik uit het leger +terug in Brussel. Alles was er in verslagenheid: alles had den moed +laten zakken: dan, de hemel zij gedankt, ik heb dien flauwhartigen +Raden een hart onder den riem gestoken, en ik twijfel niet, of ik +zal de beloften vervullen, die ik hun deed, om binnen het jaar den +Staatschen zulk een geweldigen knak te geven, dat zij het hoofd in +den schoot zullen leggen;--doch van wat anders! Hoe is het met de +Tielsche samenzwering gelegen? is er van dien kant wat te verwachten?" + +"Mij onbewust," antwoordde Grobbendonck: "ik wacht Pater Eugenio +dagelijks terug om mij kennis van het aldaar verrichte te geven. Doch +misschien zal de Heer Vicaris, die heden van Tiel kwam, UEd. meer +licht kunnen geven." + +"Ik ben voor de belangen der kerk in Tiel geweest, en geenszins om met +landverraders en schelmen te raadplegen; doch zoo de Heeren bericht +verlangen, ik heb een vertrouweling van den Jezuïet Eugenio gewond bij +mij aan huis: die zal u zeker kunnen vertellen, wat hij er van weet." + +"Gewond!" riepen al de aanwezigen uit: "en hoe is het mogelijk...." + +"Men had het op mijn leven toegelegd," antwoordde de Vicaris; "doch +de Heer heeft de plannen van schaamtelooze booswichten verijdeld en +schikte mij een helper toe. Over dezen eigenlijk wilde ik den Heer +Grootmeester komen onderhouden." + +"Uw leven was in gevaar!" riepen de aanwezigen uit: "wij bidden u, +verhaal ons...." + +"Het verhaal is kort en eenvoudig," zeide Ambrosius, en hij gaf in +weinige woorden op, wat 's middags gebeurd was. + +"En op wie vallen uw vermoedens?" vroeg Pekkius haastig. + +"Ik heb geen vermoedens," hernam de Vicaris op een drogen toon. + +"Uw redder moet een kloek jongeling geweest zijn," merkte Spinola aan. + +"Geen wonder," hervatte Ambrosius; "hij is (of meent zulks althans +te zijn) een bloedverwant van Don Louis." + +"Van mij?" vroeg Velasco verwonderd. + +"Hij werd bij den Heer Van Sonheuvel opgevoed." + +"Oho! nu vat ik de geschiedenis: dat zal de knaap wezen, wien men +mij met alle geweld tot neef wil opdringen. Nu, ik ben nieuwsgierig +hem eens te zien: ik verzoek Uwe H. hem te willen melden, dat ik hem +morgen te tien uren zal afwachten." + +De Vicaris beloofde deze boodschap aan den jongeling, die, gelijk +hij zeide, ten zijnent gehuisvest was, te zullen overbrengen, en nam +afscheid van het gezelschap. + +Den dag daarna, toen Velasco van zijn dagelijksch bezoek op de citadel +was teruggekeerd en zich aan het ontbijt bevond, werd hem geboodschapt, +dat de jongeling, waarover de Heer Vicaris hem 's avonds te voren +gesproken had, in de benedenkamer zijn bevelen afwachtte. + +"De jongeling, die van den Heer Vicaris komt, Vlascamp?" zeide de +Grootmeester, zich bezinnende: "ha ja, nu herinner ik mij: eilieve +hoe ziet hij er uit?.... Een frissche knaap, zoo men zegt.... nu +laat hem binnenkomen, en wees beleefd met hem! Ik zit hier in een +mal parket. Pater Eugenio had zich de moeite wel kunnen sparen, +mijn familie dus ongevergd te vergrooten." + +Terwijl hij deze woorden mompelde, trad Joan binnen en bleef in een +eerbiedige doch verlegene houding aan de deur staan. Niet minder +bedremmeld stond Velasco op, zag hem zijdelings aan, deed een paar +stappen naar hem toe, hield toen weder stand, oneens met zichzelven +over de houding, die hij moest aannemen, en zeide eindelijk op een +weifelenden toon: "mag ik weten wien ik de eer heb..." + +"Dat is juist, wat ik vernemen kwam," was het antwoord, dat met een +gebroken stem gegeven werd. + +"Juist zoo!.... dus zijt gij door Pater Eugenio gezonden?".... + +"Door Pater Eugenio!" herhaalde Joan, verbleekende. "En was de man, +die zich Van Dyk noemde, werkelijk Pater Eugenio?".... + +"Van Dyk.... Eugenio...." stamelde Velasco, hoe langer hoe meer in +de war: "nu ja, gij zijt dan toch die jongeling, die bij den Heer +Van Sonheuvel is opgevoed...." + +"En die thans," vervolgde Joan, "de bevestiging komt vernemen van +een verhaal, mij onlangs gedaan, dat ik de zoon zou zijn van uw +overleden broeder." + +"Juist," hernam Velasco: "dezelfde: doch, neem plaats!" + +Beiden gingen zitten en zagen een tijdlang als sprakeloos voor +zich. Ten laatste hervatte de Grootmeester op deze wijze het gesprek: + +"Ik moet bekennen, Mijnheer! dat ik, na al wat ik gehoord heb, na al +hetgeen de Heer Baron, uw pleegvader, mij voor vele jaren geschreven +heeft, na de berichten, welke ik onlangs heb ingewonnen, geen redenen +meer heb om te twijfelen aan den graad van bloedverwantschap, die ons +verbindt: en ik beken tevens," voegde hij er met welwillendheid bij, +"dat, indien uw inborst en bekwaamheid slechts gedeeltelijk den +gunstigen indruk evenaren, dien uw uiterlijk op mij gemaakt heeft, +ik het mij als een bijzonder geluk zal rekenen, een man als neef te +omhelzen, die aan ons geslacht allen luister kan bijzetten." + +"Ik was verre," zeide Joan, zich buigende, "zulk een onthaal van +UEd. te verwachten. Wees overtuigd, edele Heer! dat mijn dankbaarheid +zich in mijn daden zal vertoonen, en dat mijn gehoorzaamheid aan +uw begeerten zoo uitgebreid zal wezen als mijn plichten mij zulks +veroorloven." + +"En mag ik thans vragen," zeide Velasco, "waarin ik u van dienst +kan zijn!" + +"Voor 't oogenblik verlang ik niets," antwoordde Joan, "dan een mij +beloofde inlichting omtrent mijn geboorte." + +"Natuurlijk, zeer natuurlijk!" zeide Velasco, zich over de kin +strijkende: "ofschoon ik gedacht had, dat ik die van u zoude +ontvangen." + +"Men had mij ten halve met de hoop gevleid, dat ik hier mijn moeder +zoude vinden." + +"Zoo.... ei! Dat wist ik niet.... dat geloof ik ook niet,--Zoo +Pater.... zoo Van Dyk hier ware, hij zou u meer kunnen +vertellen.... nu, hij zal spoedig hier zijn! _vindice nodus_, zooals +mijn leermeester te Salamanca zeide." + +"Daar twijfel ik aan: zoo hij den knoop ontwarren moet, vrees ik dat +de zaak eeuwig geheimzinnig blijven zal; want hij zit op het slot te +Sonheuvel gevangen." + +"Wat zegt gij?" riep Don Louis verschrikt: "hij gevangen! voorwaar, +alles loopt samen om onzen neteligen toestand te verergeren." + +Vlascamp trad onder dezen uitroep binnen en meldde den Generaal, +den Kanselier en den Overste Grobbendonck aan. + +"Slechte tijding!" zeide hun Velasco, toen zij binnentraden: "deze +Heer meldt mij, dat Pater Eugenio op Sonheuvel gevangen zit." + +"Gevangen zat," zeide de man, van wien hij sprak, binnentredende: +"_Pax Vobiscum!_" [49] + +"Voor den duivel!" riep Velasco, een stap terugtredende: "de Staatschen +zijn wel ongelukkig met hun gevangenen. Niet één kunnen zij bewaren." + +"_Angelus Domini per noctem aperuit ianuas carceris_," [50] zeide +de Jezuïet: "ik kwam u bericht geven van mijn bedrijven binnen +Tiel.... maar zie ik ginds mijn goeden vriend niet, die om mijnentwille +in ongeval gekomen is? wees hartelijk welkom in Den Bosch, mijn waaide +Jonker! Edele Heeren! vergunt mij, dat ik u Don Diego de Velasco +voorstelle, den zoon van mijn waardigsten vriend, die voor ongeveer +twintig jaren jammerlijk vermoord werd."--Dit zeggende, nam hij Joan +bij de hand en stelde hem aan Spinola en de overige Heeren voor, die +hem met vele plichtplegingen gelukwenschten. Toen echter wendde zich +Joan tot Eugenio en betuigde, dat hij, ondanks zijn verzekeringen +en de vriendschap, welke hem betoond werd, nog aan de echtheid der +mededeeling twijfelen moest, zoolang hem niet volkomen gemeld werd, +wie zijn moeder geweest ware. + +"Ik zelf," antwoordde Eugenio, "heb in den jare 1597 uw vader in den +echt verbonden met Jonkvrouw Charlotte von Helmstadt, een adellijke +Duitsche Freule. Dit huwelijk bleef toen geheim, omdat zich de ouders +uwer moeder daartegen verzet hadden. Een jaar na de verbintenis beviel +de gade mijns edelen vriends van een zoon, wiens geboorte haar het +leven kostte. Die zoon waart gij." + +"Zoo heb ik dan geen moeder," zeide Joan met een zucht: "en waarom mij +dan met de ijdele hoop gevleid, dat ik haar in Den Bosch zoude vinden?" + +"Ik heb u alleen gezegd," hernam de Jezuïet, "dat men u hier de +noodige inlichtingen geven zou: wat gij verder verkeerd hebt gelieven +te verstaan, daarvoor behoef ik mij niet te verantwoorden." + +"Welaan, mijn waarde neef!" zeide Velasco: "sinds alles opgehelderd +is, hoop ik, dat voortaan alle stijfheid tusschen ons verbannen +zal wezen. Dezen middag verwacht ik u bij mij aan tafel, indien uw +waarde gastheer, aan wien ik mijn nederige groete verzoek, u af wil +staan.--Thans zult gij mij verschoonen, en mij wel met deze Heeren +alleen willen laten." + +"Wat mij betreft, volgaarne zou ik van uw uitnoodiging gebruik maken," +zeide Joan: "doch de Heer Vicaris is, na mij verzocht te hebben van +zijn terugkomst af te wachten, heden morgen voor eenige dagen naar +Brussel vertrokken." + +"Zijt gij bij den Vicaris gehuisvest?" vroeg Eugenio met eenige drift, +terwijl zich een trek van bevreemding over zijn gelaat verspreidde. + +"Verwondert u dat?" vroeg Pekkius, hem met een scherpen blik +aanziende. "Een woord met u, Pater!" en tegelijk, hem om den arm +nemende, trok hij hem met zich in het naaste vertrek. + +"Gij weet dus ook niet," vervolgde de Kanselier, "dat de Vicaris op +den weg is aangerand geweest." + +"Ik kom pas in Den Bosch." + +"Dat is geen stellig antwoord op mijn vraag.--Gij zijt geen vriend +van den Vicaris. Zijn ambt was u vroeger toegezegd." + +"Men zal mij toch niet betichten, hem te hebben aangerand," hernam +de Jezuïet met trotschheid. + +"Wat de Vicaris doen zal is mij onbewust.--Dit alleen weet ik, dat +de aanrander, zekere veerman over de Waal, een bekend werktuig is +van Pater Eugenio." + +"Heeft de schoft geklapt?" vroeg deze met een woesten blik. + +"Dat geloof ik niet," antwoordde de Kanselier, "daar hij gisteren +buiten staat was te spreken en hedenmorgen aan zijn wonden overleden +is. Zoo u dit gerust kan stellen, zal 't mij aangenaam zijn: doch +als vriend raad ik u, in 't vervolg behoedzaam te werk te gaan, want +anders zou noch uw Sociëteit, noch uw diensten, den lande bewezen, +u voor straf behoeden." + +"Men moest eerst iets kunnen bewijzen," hernam Eugenio, wiens gelaat +weder de gewone kalmte vertoonde. "Intusschen dank ik UEd. voor +'t bericht." + +Na dit gesprek keerden zij naar de kamer van Don Louis. Zij vonden +Joan reeds vertrokken.--"Mag ik nu weten," zeide Velasco, naar Eugenio +toetredende, "waar ons de klucht moet brengen, die wij spelen?" + +"Hoe dan," vroeg Spinola; "is die jongeling dan uw neef niet?" + +"Zoomin als UEd.," antwoordde Velasco: "het is een zeer gekke +vertooning, welke de Pater mij laat maken: hij kwam juist van pas, om +mij uit het vaarwater te helpen: de jonkman deed mij hoogstnatuurlijke +vragen over zijn familie, daar ik geen antwoord op wist te geven." + +"Mijn doel is niet naar wensch gelukt," zeide Eugenio: "Ik had gehoopt, +dat die knaap, om zijn gewaanden vader te wreken, zijn pleegvader om +den hals zou brengen;.... doch daar heeft hij niet aan gewild." + +"Santa Maria!" riep Velasco: "dus wildet gij dien armen Baron door zijn +voedsterzoon laten vermoorden? En ik moest u in zulk een boevenstuk +de hand bieden?" + +"Is dit de handelwijze eens geestelijken?" vroeg Spinola met afgrijzen. + +"Waarom niet?" antwoordde Eugenio met koelheid: "elk heeft het recht, +wegens geleden hoon zijn beleediger om te brengen: en het is, gelijk +de wijze Tanner zeer juist aanmerkt, ons geestelijken geoorloofd, +niet alleen tot lijfsbehoud, maar ook ter bevordering van het nut +der gemeente, hem te doen sneven, die daaraan eenig nadeel kan +teweegbrengen." + +"Ik herken in deze taal den gewezen beleider der aanslagen tegen het +leven van mijn doorluchtigen vijand gesmeed," zeide Spinola. + +"Wat hoor ik!" zeide Eugenio: "zal een voorvechter der ware Kerk die +aanslagen misprijzen?--en dat in mij, die tegen alle ketters den +eed van vijandschap en verdelging gezworen heeft. Is 't u bewust, +Heer Marquis! dat al wat ik hier verricht, ingevolge de bevelen der +Hoven van Rome en Madrid wordt ten uitvoer gebracht?" + +"Ook de voldoening van personeelen wrok?" vroeg de Generaal. + +"De op mij verstrekte last bevrijd mij van alle verantwoording: wat +mij voorkomt tot nadeel der ketters te kunnen geschieden, moet in +'t werk gesteld worden en de dood van een gevaarlijken vijand als +Sonheuvel zou een ware dienst aan onze Kerk geweest zijn." + +"De leer der Kerk luidt: _non occides_," [51] zeide Spinola. + +"Een leer, die een krijgsman dagelijks overschrijdt!" + +"Wilt gij zijn sabelslagen bij den dolksteek des sluikmoordenaars +vergelijken?" vroeg de verontwaardigde Veldheer. + +"Een sluikmoordenaar," antwoordde Eugenio, altijd met dezelfde +bedaardheid, "is alleen de zoodanige, die voor zijn verraad geld +of loon ontvangt; doch zij, die zulks ten dienste der goede zaak +verrichten, kunnen dien naam geenszins verdienen; dit leeren onze +statuten, met pauselijke en koninklijke goedkeuring bekrachtigd." + +"Laat ons," zeide Pekkius, "een gesprek staken, dat alleen tot onnutte +verbittering aanleiding kan geven. De eerwaarde Pater heeft zooveel +diensten aan den Staat bewezen, dat wij hem gerust naar zijn begrip +kunnen laten handelen. Elk heeft op deze wereld zijn bijzondere taak te +vervullen: de dappere Spinola moet de wapenen Zijner Majesteit wijd en +zijd doen zegevieren: mijn ambt is, mijn Vorsten door onderhandelingen +te dienen: de verbreiding van het echt geloof en de verdeeling der +ketters is aan den eerwaarden Pater toevertrouwd. Elk volge zijn eigen +weg en vervulle de hem opgelegde plichten, zonder de bedrijven eens +anderen te veroordeelen, omdat zij schijnbaar afwijken van de regelen, +die men zichzelven heeft voorgesteld." + +Spinola zweeg; schoon weinig tevreden gesteld met de drogredenen des +Kanseliers, begreep hij reeds genoeg te hebben gezegd, en achtte +het gevaarlijk, den haat van een zoo machtig lichaam, als dat der +Jezuïeten, op zich te laden. Hij schoof dus zijn zetel een weinig +terug, speelde met de lissen zijner sjerp en mengde zich verder niet in +'t gesprek. + +Velasco opperde nu wederom de vraag, wat er met zijn zoogenaamden +neef moest worden aangevangen. + +"Hij kan ons op dit oogenblik van onbeschrijfelijk veel nut zijn," +zeide Eugenio: "ik zag naar een geschikt werktuig om, dat de +achterdocht, die Maurits tegen zijn broeder heeft opgevat, kon +verlevendigen, en daardoor haat en vijandschap tusschen hen beiden +en verdeeldheid in den Staat teweegbrengen. Dit werktuig heb ik in +hem gevonden. Met weinige woorden zal ik u in staat stellen, mijn +plan te beoordeelen." + +Hij legde hun hierop zijn oogmerk voor, waarvan wij den uitslag nader +in ons verhaal ontwikkeld zien zullen, en hetwelk wij dus hier niet +behoeven te vermelden. + + + + + +ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + Geluckt de voor-genomen daed, + 't Loon zal een hand vol wind zijn; + Loftuyting en een eeren-praet + Van die met u gezint zijn. + + Maar zoo ghy 't voornemen sneeft, + Ghy blijft en zelfs verlegen; + En die 't geluck maer tegen heeft, + Krijght heel de werelt tegen. + + Den algemeynen haet en spot + Hebt ge in ellendt te wachten. + Of overboos of al te bot + Zal u een yeder achten. + + _Camphuisen_. + + +Ten einde ons verhaal regelmatiger te kunnen voortzetten, moeten wij +thans onzen lezers verzoeken, zich met ons te willen verplaatsen in +het vorstelijk 's. Gravenhage en aldaar in de zoogenaamde Huizinge +van Brandwyk (thans het paleis des Konings), toen algemeen bekend +onder den naam van het Oude Hof, en bewoond door Zijne Doorl. Graaf +Frederik Hendrik. In het tijdvak, hetwelk wij behandelen, begon +de edele Vorst, (die tot nu toe slechts een ondergeschikte rol had +gespeeld, en wiens verdiensten, hoe heerlijk die in andere landen +zouden hebben uitgeblonken, in Nederland verduisterd werden door die +van zijn broeder), de aandacht der landzaten op zich te vestigen en de +noordstar te worden, waarnaar al wie de binnenlandsche tweespalten +moede werd, de oogen richtte. Zijn bekende gematigde denkwijze, +de zachtheid en weldadigheid van zijn inborst, zijn geboorte vooral +uit een vrouw, die tot aan haar dood toe de verdrukte Remonstranten +had beschermd en voorgesproken, en wier handelwijze omtrent hen +hij, schoon van haar in godsdienstige en staatkundige beginselen en +inzichten verschillend, bedektelijk volgen bleef, dit alles, gevoegd +bij de toenemende verzwakking van den Stadhouder en de verwachting, +dat het Stadhouderschap weldra in andere handen geraken zoude, +had Frederik Hendrik tot het brandpunt gemaakt, waarin zich al de +wenschen der gematigden en de uitzichten der Remonstrantschgezinden +vereenigden. Op welke wijze hij de op hem gevestigde hoop wist gaande +te houden en hoe daaraan door hem beantwoord werd, zal uit het vervolg +dezer geschiedenis genoegzaam blijken: terwijl wij zijn bedoelingen +zullen moeten opmaken uit het navolgende gesprek tusschen hem en zijn +geheimschrijver gehouden. + +"Wel Ludwig!" zeide de Graaf, terwijl hij in een eenvoudig huisgewaad +het vertrek binnentrad, waarin de persoon, tot wien hij sprak, aan +een tafel vol papieren gezeten was: "wat nieuws is er hedenmorgen?" + +"De huisvrouw van den Predikant Bysterus is hier geweest," antwoordde +de Secretaris, "om Uwe Doorluchtigheid te bedanken voor de genoten +ondersteuning. Ik had werk om haar weg te krijgen. Zij wilde zich +met alle geweld voor de knieën van Uwe Doorl. gaan werpen om haar +vol gemoed en haar erkentenis uit te storten." + +"Zoo! wat is dat voor zotheid? Mijnheer heeft zeker uit de school +geklapt. Had ik u niet gelast, haar de som, die zij hebben moest, +op een bedekte wijze te doen geworden?" + +"Gelijk door mij is verricht," antwoordde Ludwig: "doch zoo bedekte +giften van ambtelooze burgers gelijk zijn aan de flikkering eener +verschietende ster, welker oorsprong niet te raden is, de geheime +weldaden der grooten zijn als de zonnestralen, die haar herkomst +vanzelf verraden." + +"Vrij poëtisch," zeide Frederik Hendrik: "op mijn eer! bij Paai Priaap +[52] af; doch de vergelijking verontschuldigt u niet. Gij hebt geklapt, +vriend! gij hebt gebabbeld." + +"Uwe Doorl. moest meer op mijn bescheidenheid bouwen; doch zoo zij +maar gelieft na te denken, dat de vrouw wel geen anderen gever raden +kon. De _arme_ Remonstranten _hebben niets_ en de _rijken geven niets_: +daarenboven wist zij, dat haar vrienden de hulp Uwer Doorl. hadden +ingeroepen." + +"Al genoeg, al genoeg," zeide de Graaf, ongeduldig: "wanneer gaat +zij op reis?" + +"Zij denkt in de volgende week zich naar Gorkum te begeven, waar men +voor haar een kamertje aan de haven gehuurd heeft, met het uitzicht +op Loevestein. Zooras zij bevallen is, zal zij een verzoekschrift +inleveren om bij haar man te worden opgesloten." + +"'t Welk waarschijnlijk zal afgeslagen worden, zoo ik den Raad wél +ken.--Is er niets meer?" + +"Er zijn twee uitnoodigingen gekomen voor Uwe Doorl.: de eene, om +de plechtige hulde van den Hofbeer te komen bijwonen; de andere, +om den ondertrouw van Jonkheer Jacob Mom met Jonkvrouwe Ulrica Van +Reede tot Sonheuvel met uw tegenwoordigheid te vereeren. De Heer +Baron zal zijn verzoek in persoon bij Uwe Doorl. komen herhalen, +en de Ambtman verzocht ook, zijn opwachting te mogen maken." + +"Is de bruid bevallig?" + +"Ik heb haar eens als kind gezien," antwoordde Ludwig, "en toen +beloofde zij zeer schoon te worden; doch Uwe Doorl. kent haar zeker: +zij huist altijd, en ook nu, bij mijn voormalige meesteresse, de +Gravin Douarière." + +"Aha zoo! dan ken ik haar wel: nu: zij is gansch niet verwerpelijk: +hoe komt haar vader er toe, om haar aan een man van de jaren des +Ambtmans uit te trouwen!--Is er nog iets?" + +"Een brief voor Uwe Doorl. zelve: zoo ik mij niet bedrieg in de +hand van het opschrift, is hij van de Inlandsche Directeuren der +Remonstrantsche Sociëteit, _Niellius cum suis_." + +"Ja waarlijk!" zeide Frederik Hendrik, nadat hij den brief haastig +had opengebroken: "onderteekend door het machtige Driemanschap. Hoe +komen die lieden zoo dwaas! mij openlijk te gaan schrijven en mijn +ondersteuning en voorspraak te vragen!"--Dit zeggende, smeet hij den +brief gramstorig op tafel; doch, zich bezinnende, nam hij dien als in +verstrooiing weder op, vouwde hem zorgvuldig toe en stak hem bij zich. + +"Wat zal ik zeggen?" hervatte Ludwig: "de Remonstranten zien Uwe +Doorl. aan als een baak in zee, waar zij allen op aanstevenen." + +"Ik weet niet, wat ik gedaan heb om die eer te verwerven," zeide de +Graaf op een gemelijken toon. + +"Met verlof," zeide Ludwig: "Uwe Doorl. heeft er nogal eenigen +geholpen, en het is geen wonder, dat zij, de goedheid van Uwe +Doorl. kennende, die als een milde regen...." + +"Gij zijt een gek met uw vergelijkingen," hernam de Graaf: "ik ben +niet goed, ik help geen Arminianen, en verlang deswege níet geprezen +te worden." + +Deze verklaring geuit hebbende, stond hij op en maakte zich gereed +om te vertrekken; doch, zich nogmaals omwendende, viel zijn blik +op het gelaat van den schrijver, wiens spotachtige kleine oogen, +veelbeteekenend hoofdschudden en kwalijk bedwongen glimlach genoegzaam +aanduidden, dat hij aan de betuigingen zijns meesters weinig geloof +hechtte. De uitdrukking van Ludwigs gebaren had op dat oogenblik zoo +iets grappigs, dat de Graaf niet kon nalaten, nadat hij een wijl op +hem gestaard had, in een luid gelach uit te bersten, waarop hij de +vraag spoedig deed volgen: "gelooft ge mij niet?" + +Ludwig antwoordde niets; maar een kasboek van de tafel nemende, waarin +de geheime uitgaven des Graven stonden uitgedrukt, legde hij hem dit +open voor, met den vinger die posten aanwijzende, waar de verborgene +giften aan verdrukte Remonstranten waren opgeteekend, giften, die, +te zamen gerekend, een vrij aanmerkelijke som beliepen. + +Hoewel in 't algemeen weinig dingen onaangenamer zijn, dan, na iets +plechtig verzekerd te hebben, van het tegendeel overtuigd te worden, +vooral, wanneer zulks door ondergeschikte personen geschiedt, nam +Frederik Hendrik niettemin de vrijmoedigheid zijns dienaars niet euvel +op. Hoe toch kon hij op dezen toornig zijn? Daar het den Vorst echter +uit de hem voorgelegde nota's bleek, dat zijn gehouden gedrag jegens +de Remonstranten tot verkeerde uitleggingen kon aanleiding geven, +begreep hij, te dezen opzichte openhartig met Ludwig te moeten omgaan, +volgens den regel, dat het beter is, iemand in zijn geheel vertrouwen +te doen deelen, dan hem half onderricht te laten, wijl hij in 't +eerste geval (zoo hij geen schurk is) zwijgen zal, en in het laatste +uit onwetendheid of verkeerd begrip zondigen kan. Zich wederom bij +de tafel nederzettende en het voorhoofd met de hand ondersteunende, +schoof hij zijn stoel vertrouwelijk naar des geheimschrijvers zetel +toe en sprak hem aan in dezer voege: + +"Gij hebt gelijk, Ludwig! en ik zou om geen Konings schepter willen, +dat gij ongelijk hadt, wanneer gij mij, door het openslaan van dit +boekske, bewijzen wilt, dat ik meer hulp aan de Remonstranten betoond +heb, dan ik beken. Ja, ik behandel hen wèl. Zij deelen in mijn gunst +en weldaden, en zulks geschiedt op goede gronden; doch ik wil, dat het +onbekend blijve: en ook hiervoor heb ik gezonde redenen. Die redenen +acht ik het, om niet miskend en veroordeeld te worden, noodig u te +ontvouwen. Reeds sinds jaren ondervonden de Remonstrantschgezinden, +zoo om hun geloof als om hun staatkundige begrippen en gehechtheid +aan wijlen den Heer Advocaat, de ongenade van Zijne Hoogheid, +wiens gedrag ten deze ik niet beoordeele ja wiens misprijzing ik +als een grove persoonlijke beleediging zou beschouwen. Ik, jonger +en minder in staatszaken gemoeid dan mijn broeder, bekreunde mij +weinig aan de heerschende geschillen, en gaf er althans luttel om, +op wat wijze verschillende sekten hunnen Heer zochten te dienen. Dan, +mijn moeder zaliger was, vooral door de vriendschap, welke zij voor +haar Franschen Predikant Uyttenbogaert koesterde, de verdrukte partij +genegen en bewees haar al die diensten en hulp, waartoe zij door +haar invloed en vermogen in staat was gesteld. Om haar te believen, +zoowel als uit medelijden, en geenszins omdat ik eenige geneigdheid +tot hun leer gevoelde, volgde ik haar voorbeeld en ondersteunde nu +en dan de Remonstranten, doch bedektelijk, uit vrees voor mijns +broeders ongenoegen. Eindelijk, meer deel aan het staatsbestuur +verkrijgende, begon ik er mijn hoofdstudie van te maken, om de +verschillende drijfveeren na te sporen van de partijen, welke ons +Gemeenebest op een zoo geduchte wijze aan binnenlandsche onlusten ter +prooi geven, en nu leerde ik oorzaken en uitwerkselen kennen, welke +ik te voren nooit vermoed had. Dan, ik ging verder: ik sloeg een oog +in de toekomst, en het verschiet, 't welk zich voor mij opdeed, was +zoo duister en vreesverwekkend, dat ik dadelijk inzag, hoe alleen de +uiterste voorzichtigheid en nauwlettendheid in mijn handelingen dien +zwarten gezichteinder zou kunnen verhelderen. Ik had de krachten der +wederzijdsche partijen leeren kennen en op prijs stellen, en ik had +met schrik bemerkt, hoeveel het scheelde, dat de in schijn verplette +Aristocratie en Remonstrantschgezindheid ten onder was gebracht: +hoe die integendeel met een gunstig gevolg het hoofd weer zou kunnen +opheffen, wanneer eens het fiksche brein mijns broeders (wien God nog +lang in 't leven spare) den Staat niet meer bestuurde. Ik beefde terug +tegen den tijd, waarin ik, de vermoedelijke opvolger van Z. Hoogheid +in 't Stadhouderlijk bewind, het roer zou moeten aanvaarden van een +zoo geschokten en verdeelden Staat, en ik achtte mijn krachten niet +geëvenredigd aan de taak, die mij zou kunnen worden opgelegd. + +"Het was daarom, dat ik besloot, mijn uiterste pogingen daarheen te +leiden, om, tegen den tijd, waarin het bestuur mij werd opgedragen, +het Gemeenebest, zooveel in mij was, van ontevredene en twistzoekende +geesten te zuiveren: en tot bereiking van dit oogmerk schreef +ik mij een weg voor, welke ik tot heden toe zonder afwijkingen +bewandeld heb. De partij der Remonstranten openlijk te kiezen, +streed zoowel tegen mijn gevoelens als tegen mijn inzichten: +van een anderen kant wilde ik haar niet tot radeloosheid gebracht +zien, uit vrees eener noodlottige uitbarsting: ik begreep dus in +'t openbaar de Contra-Remonstranten te moeten voorstaan, en in 't +geheim hun tegenstanders zooveel ondersteuning te bieden, als noodig +is om hen voor volstrekte armoede en daaruit voortkomende wanhoop +te bewaren. Zoolang mijn moeder leefde, werden die giften als uit +haren naam uitgedeeld; doch na haar dood zag ik mij verplicht andere +middelen te kiezen, om mijn oogmerken te bereiken. Ik openbaarde dus +mijn geheim aan eenige weinigen, op wier trouw ik mij, als op de uwe, +verlaat. Door hunnen invloed en het door mij verstrekte goud is aan +menigen Remonstrant de gelegenheid bewaard gebleven, om op gezette +tijden onverhinderd zijn godsdienstoefeningen te blijven houden: de +verstandigste onder hun tegenstanders beginnen aan die vergadering zich +reeds te gewennen en zelfs de heethoofden achten het onnoodig, die met +geweld te verstoren: de haat en vervolgingen beginnen te verflauwen: +de bezadigdheid en zucht naar rust winnen hoe langer hoe meer veld: de +gebannen of afgezette Predikanten zien betere tijden te gemoet, leeren +geduld oefenen en zich een onderdrukking getroosten, die niet lang +meer duren kan: ja, de Regeering zelve vermindert haar gestrengheid, +ziet met oogluiking aan wat zij beletten kon, is minder ijverig in +het vastzetten en verbannen, laat zorgeloos haar gevangenen ontsnappen +en draalt in hen te achterhalen: in één woord, alles bevestigt mij in +'t denkbeeld, dat de tijd niet ver af is, wanneer haat en tweedracht +uit dit Gemeenebest verbannen zullen worden en regenten en burgerij +zich weder als voorheen zullen beijveren, om, met aflegging van +onderlingen wrok, hun pogingen alleen aan te wenden tot verdediging +van den lande en tot beschaming der vijandelijke machten." + +Hier zweeg Frederik Hendrik; maar nog een geruimen tijd bleef hij in +dezelfde houding zitten, en zijn groote, vriendelijke oogen, waarin +zijn menschlievende en waarlijk edele ziel geheel leesbaar was, +flikkerden van tevredenheid over het schoon verschiet, 't welk hij +zich in de toekomst voorspelde. + +"Ik bewonder de wijsheid, welke uitblinkt in al de daden Uwer Doorl.," +zeide Ludwig: "hoe gaarne zou ik wenschen, dat de hoop, welke Uwe +Doorl. streelt, eenmaal vervuld mocht worden; dan, helaas! daar is, +thans, naar mijn oordeel weinig kans op." + +"Hoe dan!" riep de Graaf uit: "wat doet u vreezen?" + +"Het nieuwe decreet, dat eerlang genomen zal worden," antwoordde +Ludwig: "waarbij de plakkaten tegen de Arminianen versterking +ontvangen: men zegt dat zelfs op het herbergen, ja op het ondersteunen +alleen van een Remonstrant, eeuwige ballingschap zal gesteld worden." + +"Wie heeft u die zotheid in 't hoofd gebracht?" vroeg Frederik +Hendrik, veinzende een gezegde in den wind te slaan, dat hem innerlijk +verontrustte. + +"De commies van den Procureur-Generaal. Het is een zaak, naar +men zegt, beklonken tusschen den Heer Raadpensionaris, den Heer +Procureur-Generaal, den Heer van Sommelsdyk, en een paar razende +Predikanten: ook is mij verhaald, dat daartoe aanleiding gegeven +hebben de oproerige en woeste conventikelen, welke onlangs, ja zelfs +hier ter stede, onder de Arminianen gehouden zijn." + +"Wat gij zegt!" hernam de Graaf op denzelfden toon als te voren. + +"Uwe Doorl. zal aan de uitkomst kunnen beoordeelen, of ik al dan +niet waarheid heb gesproken. Dit is zeker, dat er ten huize van een +kastelein alhier, wien ik niet noemen mag, wat al te grove dingen +gepredikt zijn." + +"Praatjes!" riep Frederik Hendrik met een gemaakten glimlach. + +"Ik heb iemand gesproken, die 't zelf gehoord heeft, den jongen +Bleiswyk, die overal met den neus bij is; die heeft het mij verteld." + +"Zoo!--Nu, ik wenschte wel zulk een oproerige vergadering eens bij +te wonen. Dat moet er al zonderling toegaan." + +"Niets is gemakkelijker: ik neem aan, Uwe Doorl. naar een bijeenkomst +te geleiden, waar niemand haar kennen zal." + +"Ik zou bijkans trek gevoelen om u aan uw woord te houden," zeide +Frederik Hendrik: "indien ik niet begreep aan mijn waardigheid te +kort te doen, door uw voorstel aan te nemen." + +"En ik," zeide Ludwig, met een buiging, "zou Uwe Doorl. sterk +aanraden zulks te doen. Het zou Uwe Doorl. voor eeuwig van alle +vooringenomenheid met de Arminianen genezen." + +"Wij zullen zien," hervatte de Graaf, lachende: "doch het wordt +mijn tijd. Zijne Hoogheid wacht mij voor de laatste onderhandeling: +met de Spaansche gezanten: wellicht hoor ik nog iets van dat nieuwe +decreet. Tot wederziens."--Dit zeggende, wilde hij vertrekken. + +"Met verlof!" zeide Ludwig: "Uwe Doorl. weet wel, dat zij den brief +der Remonstrantsche Directeuren bij zich gestoken heeft. Zal ik daar +geen kopie van houden?" + +Zonder te antwoorden, trad de Graaf toe, leide den brief op tafel +en vertrok. + +Alleen gebleven zijnde, haastte zich de Secretaris, van dien brief +een dubbele kopie te maken, waarvan hij de eene bij de papieren zijns +meesters voegde, en de andere een geruimen tijd in de hand hield, +als besluiteloos, wat er mede te verrichten. Eindelijk rukte hij +een verborgen lade uit de schrijftafel, schoof de kopie er haastig +in en begon eenige andere schriften en papieren, welke in die +lade gelegen waren, te lezen, zonder die er uit te nemen, ze met +beide handen vasthoudende, ten einde ze bij de minste stoornis te +kunnen inschuiven. Na deze verrichting sloot hij de lade weder en +wandelde in hevigen gemoedsangst de kamer op en neder, somtijds de +zweetdroppelen afvegende, die langs zijn wangen liepen. "Ben ik geen +groote gek?" vroeg hij zichzelven: "en den hond gelijk, die zijn prooi +voor den schijn in 't water vallen liet? En echter, een post als die +van Pensionaris!.... of een kop korter!.... kom! kom! ik ben te ver +gegaan om kinderachtig te worden." + +Een bode kwam zijn verdere overdenking storen, door hem een onbekende +vrouw aan te melden, welke den Heer Secretaris verlangde te spreken. + +"Een onbekende vrouw!" mompelde Ludwig: "hm! hm! zeker weder de eene +of andere onbestorven Arminiaansche weêuw. Laat zij komen." + +De bode verliet het vertrek en leidde, terugkeerende, een vrouw binnen, +van een groote en deftige gestalte, doch geheel onder haar huif bedekt: +vervolgens, een stoel gezet hebbende, vertrok hij. + +"Wat is er van uw dienst, vrouwtje?" vroeg Ludwig, haar een teeken +gevende om te gaan zitten. + +"Kent gij mij niet meer, Ludwig?" vroeg de kamenier der Freule Van +Sonheuvel, haar huif oplichtende en op hem een vriendelijker blik +werpende, dan waarmede zij gewoon was iemand te verwaardigen. + +"Moeder!" riep Ludwig, een stap achteruittredende. + +"Stil!" hernam Magdalena: "dien naam mag ik niet hooren.... en +toch! waarom treedt gij terug op mijn gezicht? waarom vind ik u zoo +koud na een zoo lange afwezigheid? Bemint mijn zoon mij niet meer?" + +"Kunt gij daaraan twijfelen?" vroeg Ludwig, haar de hand +kussende: "doch uw plotselinge verschijning verraste mij:--hoe +onvoorzichtig! indien iemand u hier zag...." + +"Dan zoudt gij u schamen, nietwaar, dat men u in een vertrouwelijk +gesprek zag met de kamenier der Freule Van Sonheuvel?--Zoek u niet te +verontschuldigen: ik ken sedert lang dat ijskoud hart, hetwelk zich +alleen voor het eigenbelang opent: ik weet, dat gij u zelven tot het +eenige doel maakt van al uw wenschen, verwachtingen en handelingen." + +"Integendeel, moeder: ik ben verheugd u zoo wel geplaatst te zien." + +Eene hevige verontwaardiging deed, bij 't hooren dezer woorden, de +kaken van Magdalena gloeien, en haar oogen wierpen vlammende, toornige +blikken op haar ongevoeligen zoon. "Ellendige belangzoeker!" zeide zij: +"waarover verheugt gij u? Dat de dochter des Graven van Wertheim in den +lagen en verachtelijken stand van dienstbode verkeert?--of dat gij, +nu zij voor haar onderhoud niet meer bekommerd is, ontslagen zijt +van den plicht, die op u rustte, en waarvan gij u altijd zoo slecht +gekweten hebt, om haar het dagelijksch brood te schenken? Wee mij! de +vloek mijner moeder drukt mij zwaar op 't hoofd, nu ik door mijn +eigen zoon, voor wiens welzijn ik zooveel heb uitgestaan, veracht en +verstooten worde." + +"Ik zie geen reden om zoo heftig in drift te geraken," zeide Ludwig, +ongeduldig op zijn pen knauwende: "gij hebt u immers over niets +te beklagen? dat gij kamenier zijt geworden is uw eigen verkiezing +geweest: dat ik u niet meer geld zond, toen gij nooddruft leedt, is +mijn schuld niet: men wist nooit waar gij u bevondt, en ik zelf had +niet veel te geven, daar ik de grootste helft mijner verdiensten voor +de goede zaak heb opgeofferd. En wat de weldaden betreft, die ik van +u zou genoten hebben, ik beken dat ik werk heb, die te ontdekken. Ik +ben u weinig verschuldigd, die mij als een basterd de wereld hebt +ingestuurd, om een leven vol zorg en kommer te leiden." + +De ongelukkige moeder wilde antwoorden; doch de koude, gevoellooze taal +haars zoons deed de stem haar in den gorgel stikken, en voor het eerst, +na lange jaren, berstte zij, de hooghartige vrouw, in tranen uit. + +"Ween niet, moeder!" zeide Ludwig, haar naderende, schoon zij hem +terugstootte: "ween niet en vergeef mij mijn harde woorden: ik +zou die nooit gebruikt hebben, zoo uw verwijtingen ze niet hadden +uitgelokt. Ween niet en vergeef mij wat ik in drift gezegd heb. Ik +weet, dat gij mij bemint en uw zorg mij nooit hebt onttrokken, ook +toen ik in vreemde handen mijn opvoeding genoot en mijn eigen loopbaan +volgen moest. Laat ik die tranen afdrogen en herken uwen Ludwig nog." + +Welke moeder wederstaat de smeekingen van haar zoon, ook op het +oogenblik dat hij haar hart verscheurd heeft? Magdalena weerde den +boetwaardige af; doch met mindere strengheid: en zich herstellende, +sprak zij: + +"Ik dacht, Ludwig! dat ik geen tranen meer had, en echter zie ik +dat gij die nog kunt doen vlieten. Ondankbare! gij zegt, dat gij +mij niets verschuldigd zijt? en wie anders, dan ik, heeft u bij de +Gravin van Nassau geplaatst, wier voorspraak u naderhand tot hoogere +posten heeft doen geraken? wie anders, dan ik, heeft u, te midden van +ketters, voor 't ware geloof doen leven? wie anders deed u de heilige +bestemming erlangen om, in dit vijandig land, de eer te genieten van +uwen geloofsgenooten ten dienst te staan? wie zal de eerste oorzaak +genoemd worden, dat gij eenmaal, wanneer de dierbare Moederkerk +hier zegepraalt, tot de hoogste waardigheden geroepen, den dank van +allen zult ontvangen, als de man, aan wien Rome en Spanje het meest +verschuldigd zijn!" + +"Ik wil u niet weder bedroeven, moeder!" zeide de Secretaris, op +den minzaamsten toon; "doch waarlijk, ik beschouw het als zulk een +groot geluk niet, dat ik, mijn gansche leven door, de weinig geachte +rol van verspieder spelen moet, en hen gedurig bedriegen, die mij de +meeste gunst bewijzen." + +"Wijt dit aan de omstandigheden, die ons de list tot plicht +hebben voorgeschreven, en niet aan mij," antwoordde zijn +moeder. "Noodzakelijkheid drijft u en mij." + +"Ik stem u dit toe," zeide Ludwig: "doch," vervolgde hij met een +flauwe stem: "was het ook noodzakelijkheid, toen ik, om aan de +bijzondere wraak van Pater Eugenio te voldoen, den jeugdigen Graaf +van Falckestein, den oudsten zoon mijner weldoenster, aan het staal +der moordenaren opofferde?" + +Magdalena zweeg en zag zuchtende voor zich. + +"Was het ook noodzakelijkheid," vervolgde hij, "dat ik in dit +afschuwelijk eedverbond tegen uw meester, den Baron Van Sonheuvel, +heb moeten treden, ten gevalle van dienzelfden vervloekten Jezuïet?" + +"Zwijg stil om Godes wil," zeide Magdalena, hem snel de hand op den +mond leggende: "gij weet niet wien gij vloekt." + +"Ik weet zeer wel," hernam hij, "dat ik van eenen, in uw oogen +eerwaardigen man spreek, aan wiens leiding en bevelen gij mij gelast +hebt, onbepaald gehoor te geven, en die mij eens een plaatsje op het +rad aan zijn zijde bezorgen zal. Ik weet wat zijne, en, vergeef mij, +wat uwe inzichten zijn. Dan reeds al te lang ben ik hem gehoorzaam +geweest, zonder andere vrucht voor mijzelven dan onrust hier," de +hand op het hart leggende, "en vrij twijfelachtige verwachtingen in +de toekomst." + +"Onrust!" herhaalde Magdalena verbaasd: "wat kan u ontrusten, wanneer +gij voor uw Kerk en uw wettige Vorsten uw plicht volbrengt? of zoudt +gij thans, om eenig gewin en zekerheid voor u zelven, de partij, +waaraan gij zoolang zijt getrouw geweest, verraden, en een plasdank +bij uw kettersche meesters af gaan bedelen?" + +"Ik weet het niet," antwoordde haar zoon, terwijl hij zuchtende +de schouders optrok: "Ik kan zelf niet beoordeelen, wat in de +tegenwoordige omstandigheden voor mij het beste zou zijn." + +"O!" zeide Magdalena, "die beslissing kan u niet zwaar vallen. Wanneer +gij alles met den maatstaf uwer baatzuchtige inzichten afmeet, dan moet +gij u haasten, al de opofferingen, welke gij tot heden toe gedaan hebt, +al de vruchten van uw tot nog toe verrichten arbeid, als nutteloos en +nietig te vergeten en uw geloofsgenooten, met al die tot ons verheven +doel werkzaam waren, bij uw meesters te gaan verraden. Want, is de +hooge belooning, die Spanje en Rome u schenken zouden, nog onzeker, de +bloedprijs voor het overleveren onzer bondgenooten kan u niet ontgaan." + +"Overleg eens ernstig, lieve moeder! in welk geval ik het meest den +naam van verrader verdien." + +"Kortzichtige! die uw plicht alleen met de oogen des vleesches +beschouwt, en die geen andere vierschaar kent, waar onze daden +beoordeeld worden, dan de denkwijze van 't algemeen. En acht gij dan +het misnoegen niet van Hem, wiens wijsheid u tot het heerlijk werk der +verlossing heeft verkoren? en acht gij den vloek uwer moeder niet, +die op uw schedel dalen zoude, indien uw dagen door afval geteekend +werden? Zie deze haren, mijn zoon! die vóór den tijd vergrijsd zijn +geworden, zult gij ze met schande bedekken of met eere kronen?--Het +hangt van u af, van u alleen. O mijn Ludwig! toen ik u, nog een teedere +knaap, uit mijn gezicht verwijderde en in vreemde handen overgaf, +toen smeekte ik den Hemel, dat hij in u den held zou kiezen, die te +midden der ketters zijn geloofsgenooten dienen mocht. Toen waande +ik, verblinde, dat gij eenmaal het werktuig wezen zoudt, dat deze +heerlijke, maar verdoolde gewesten onder den staf des eenigen Herders +terug moest brengen. Toen streelde een, misschien zondige, hoogmoed +mijn ziel, dat ik eenmaal uwen naam als dien van Romes getrouwsten +en ijverigsten dienaar zou hooren prijzen. Helaas! hoe fel worde +ik gestraft voor dien vermetelen waan! Hoe weinig beantwoordt gij +aan de heerlijke vooruitzichten, welke mij uw daden in den beginne +beloofden ... dan genoeg! ik lees in het ongeduld, dat zich in al uw +trekken vertoont, de bekrompenheid uwer ziel. Welaan dan, ik wil, +u ten gevalle, alles uit een bloot menschelijk oogpunt beschouwen: +dan nog vordert uw eer, ja uw belang, dat gij niet afwijkt van den +eenmaal ingeslagen weg. Want, stel eens, dat gij aan den trotschen +dwingeland of aan zijn flauwhartigen broeder onze geheimen verraadt: +wat zal dan uw volgend lot wezen? waar zult gij het goud, den prijs +uwer schande, gaan verteren? In al die landen, waar het zuivere licht +der waarheid straalt, zou uw leven niet veilig zijn, en bij hen, wier +kettersche gunst u beloonen moest, zult gij, als een verspieder, +veracht en geschuwd worden. Waar gij u zult willen nederzetten, +overal zullen vloek, haat en verfoeiing uw deel zijn, en met Kaïns +merk op het voorhoofd zult gij, ellendig, vervolgd en ontweken, als +banneling op aarde moeten rondzwerven, totdat gij eindelijk met den +vloek der wereld beladen, in het graf een schuilplaats zoeken zult, +die u nog voor den toorn des Eeuwigen niet bevrijden kan." + +"Na al hetgeen ik reeds gedaan heb," zeide de geheimschrijver op +den bedaardsten toon der wereld, "verdien ik zooveel gestrengheid +niet. Wees gerust, moeder! ik zal geen besluit nemen dat u +bedroeven zou; doch niemand misprijze het, indien ik mijn daden door +voorzichtigheid besturen laat. Vergeten wij al het over en weder +gezegde, en laten wij voortaan in onze gesprekken geen anderen toon +voeren, dan dien, welke onze nauwe betrekking voegt." + +"Dat zal van uw gedragingen afhangen," zeide Magdalena, en stak hem +tot verzoeningsteeken haar hand toe, welke hij kuste. Op dit oogenblik +trad de bode binnen en meldde een vreemdeling aan. + +"Laat hij een oogenblik vertoeven," zeide Ludwig.--"Welnu, +moeder!" vervolgde hij, na het vertrek des bedienden: "hebt gij nog +iets te bevelen? Gij ziet, dat mijn oogenblikken mij niet toebehooren." + +"Dit pakket," zeide Magdalena, een dik pak uit haar boezem te +voorschijn halende, "moet aan den Kanselier bezorgd worden. Het bevat +rapporten van onderscheidene geloofsgenooten over den staat van zaken +hier te lande." + +"Het zal bezorgd worden," hernam Ludwig, het pakket aannemende: +"ik moet de gezanten toch nog spreken vóór hun vertrek uit Den Haag." + +"En deze brief," vervolgde zij, "is voor den Veldheer Spinola." + +"Waarschijnlijk van den Ambtman," hernam hij: "ja, ik herken die +hand. 't Is wel: ik hoop slechts, dat ik hem te zien zal krijgen. Is +er nog iets?" + +Magdalena beantwoordde deze vraag ontkennend, drukte hem de hand, +trok haar falie weder over 't gezicht en verwijderde zich; waarna +Ludwig, de brieven zorgvuldig verborgen hebbende, den bode riep en +hem gelastte, den vreemdeling binnen te laten. + +"Ik heb daar een zwaren post gehad," mompelde hij bij zichzelven, +terwijl hij het nieuwe bezoek verwachtte; "nu, alles zal afhangen +van mijn gesprek met de gezanten. Praatjes helpen niet meer. Ik moet +zekerheid hebben!--Wat verlangt UEd.!" vervolgde hij overluid, zich +tot een jongeling wendende, die, eenvoudig doch smaakvol gekleed, +binnentrad. + +"Mijn boodschap was eigenlijk aan Zijne Doorl. in persoon gericht," +zeide de vreemdeling, "doch, daar UEd., naar ik verneme, de vertrouwde +geheimschrijver Zijner Doorl. zijt, geloof ik, mij van mijn plicht +genoegzaam te kwijten door mijn boodschap aan UEd. te doen." + +"Zooals UEd. verkiest; wat ik ontvang, ontvangt Zijne Doorluchtigheid." + +Terwijl de andere zijn buis ontknoopte om de daarin verborgene papieren +voor den dag te halen, en de Secretaris opgerezen was om die te +ontvangen, zagen beiden elkander gedurig steelswijze aan; want beiden +herinnerden zich, elkander meer gezien te hebben; doch waar en wanneer, +dit wisten zij zich niet zoo oogenblikkelijk te binnen te brengen. + +"Ik ben uit Den Bosch gekomen," zeide de onbekende, eenige brieven +voor den dag halende. + +"Uit Den Bosch," zeide Ludwig haastig: "ga zitten: schuif wat +naderbij, als 't u belieft. Gij komt toch niet van.... van, gij weet +wel wien...." Dit zeggende, zag hij hem scherp in 't gezicht, als +wilde hij de aanvulling van den volzin aan den vreemdeling overlaten, +wien hij voor een der medegenooten van Pater Eugenio hield. + +"Ja, ik weet zeer wel van wien ik kom," antwoordde de ander, op een +toon, die Ludwigs vermoeden versterkte. + +"Van den zwarten vos misschien?" zeide Ludwig, den Jezuïet bedoelende. + +"Ik geloof van ja," antwoordde de vreemdeling, die in den waan +verkeerde, dat de geheimschrijver een der verbannen Predikanten +bedoelde. + +"Ik had mij gevleid," hernam Ludwig, fluisterend, "dat hij zelf hier +zou komen snuffelen." + +"Hij zou er wel op passen," zeide de ander: "hij zou hier slecht +ontvangen worden." + +"Als gij denkt, dat hem zulks zoude afschrikken, dan kent gij den Pater +niet. Doch, wat mij verwondert," vervolgde Ludwig, wiens vermoedens +op dit oogenblik tot zekerheid oversloegen, "is dat hij den pleegzoon +van den Baron Van Sonheuvel tot zijn zendeling uitkipt." + +"Met uw verlof," zeide Joan, die van zijn kant den geheimschrijver +herkende: "ik heb wel eens zendelingen zien uitkiezen, waarop men +minder reden had van te vertrouwen.... ik geloof, dat ik vroeger de +eer had, u te ontmoeten." + +"Verheugd u weer te zien," zeide Ludwig, zich buigende: "doch hoe +duivel komt Pater Eugenio....? ik vat er niets van." + +"Gij kent Pater Eugenio?" hernam Joan verbaasd: "doch waarover +verwonder ik mij? Nu ik mij wel herinner, uw brief indertijd aan +Klaas Meinertz gezonden.... de kennis, die gij aan mijn geboorte +hadt.... ik geloof, dat u meer zaken bekend zijn, dan menig ander." + +"Ik ken Don Diego de Velasco, en dit moet u genoeg zijn om mij al +die berichten mede te deelen, welke gij geraden oordeelt." + +"Is mijn nieuwe naam reeds herwaarts overgewaaid?" vroeg Joan: "doch +gij kendet dien sedert lang. Welnu, mijn boodschap is zeer eenvoudig +en zal geen lang betoog behoeven. Dit pakket vervat ettelijke brieven, +alsook een paar handschriften van de Remonstrantsche ballingen, die +zich thans in Brabant bevinden, en aan Zijne Doorl. Graaf Frederik +Hendrik toegezonden, om daarmede naar goedvinden te handelen. Gemelde +Heeren waren van oordeel, dat niets de oprechtheid hunner bedoelingen +meer zou aantoonen, dan wanneer zij hun zaak in handen stelden van +zulk een voornamen en onpartijdigen Vorst als Zijne Doorluchtigheid." + +"Aha!" zeide Ludwig: "gij komt dus van de Remonstrantsche Heeren? dat +verandert de zaak; ofschoon het mij verwondert, dat de kweekeling +van Ds. Raesfelt zich met Arminianen ophoudt." + +"Het was het verlangen van Don Louis," antwoordde Joan, wiens ronde +oprechtheid geen strikvragen vermoeden kon, "het was het verlangen +mijns ooms, aan wiens tafel ik den Heer De Groot en diens vrienden +ontmoette, dat ik mij met de waarneming hunner belangen zou ophouden +en mij op die wijze tot een mogelijke herstelling der rust laten +gebruiken. Terwijl de Gezanten des Konings van Spanje met Prins Maurits +aan een vredesverdrag werkzaam zijn, zou ik het mij tot een waar +genoegen rekenen, hier den binnenlandschen krijg te helpen smoren." + +"Gij zijt dus met de Gezanten gekomen?--En hoe komt het dan, dat ik +u thans eerst hier zie?" + +"Eerst gisteren kwam ik hier. Ik heb zoolang in Den Bosch gewacht tot +deze brieven vaardig waren. Doch ik heb ook een mondelinge boodschap +aan Z. D. Wanneer zou ik bij Haar kunnen worden toegelaten?" + +"Zoo! hebt gij een mondelinge boodschap?--Ja, heden zal er moeilijk +kans voor u zijn, die af te leggen. Wanneer vertrekt gij?" + +"Morgenmiddag naar alle gedachten, met de Heeren van het Gezantschap." + +"Welnu! keer dan morgenochtend te negen uren hier terug, en ik +zal Z. D. van uw komst verwittigen; maar wees zoo goed, dit papier +weder bij u te steken: ik heb liever, dat gij het in eigen persoon +aan Z. D. overhandigt. Ik ben om goede reden een weinig huiverig, +om mij met een dusdanige commissie te belasten." + +"Zooals gij verkiest," hernam Joan, het pakket weder bij zich stekende: +"gij zegt dan, morgenochtend...." + +"Te negen uren. Vaar intusschen wel, Heer Gezant." + +"Ik heb de eer u te groeten, Heer Secretaris!" zeide Joan en vertrok. + +"Morgenochtend te negen uren!" herhaalde Ludwig, zoodra hij alleen +was. "Tegen dien tijd zit gij, waar men u zoo licht niet vandaan laat +vliegen. De haas is in den strik geloopen, waar hem niets uit redden +zal. Was nu Eugenio maar hier.... dan kom! heb ik geen eigen genie +genoeg om thans den weg te zien, dien ik volgen moet? Spoedig de +brieven aan de Gezanten bezorgd en dan.... Doorluchtig Broederpaar, +gij zult mij al te slim zijn, indien ik hier niet voor morgen een +Thebaïs van tweedracht en vijandschap verwek." + + + + + +ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + Dat's er éen, dat's er een, + Ter waereld schoonder geen, + Dat yder moet belijen. + Ontgin hem maar eens, heen en weêr, + En denk dat uit een anders leêr, + Goed riemen is te snijen. + + _Jan de Regt_. + + +Het was op den volgenden morgen, dat, omstreeks acht uren, de +plechtige overdracht van den Hofbeer, door die van Utrecht aan den +Hove van Holland geschieden zou. Deze zoogenaamde Hofbeer was niets +anders dan een mannetjes-varken, het grootste en vetste dat in de +provincie Utrecht te vinden ware en hetwelk jaarlijks op zekeren +bepaalden dag als een hulde en tot een teeken van onderdanigheid met +de noodige plechtigheden werd aangeboden. De oorsprong van dit gebruik +is bij geen schrijver aangeteekend en ligt derhalve in het duister; +hoewel sommigen beweren, dat de oorzaak daarvan gezocht moet worden +in de overrompeling en plundering van Den Haag, in den jare 1528, +door de Gelderschen onder Maarten Van Rossem, en dat, vermits die +geschied was door toedoen van die van Utrecht, Keizer Karel, wanneer +hij in het volgende jaar de stad bij verrassing innam en namaals de +_temporaliteit_ of het wereldlijk bestier daarvan bij verdrag bekwam, +hun tot straf en eeuwige gedachtenis van een zoo stout bestaan zou +opgelegd hebben het leveren van een beer of mannetjes-varken aan +den Hove van Holland. Hoe 't zij, zeker is het, dat de Magistraat +van Utrecht verplicht was, alle jaren op zekeren gezetten dag aan +den Hove op te brengen zoodanigen beer of zwijn, dat alsdan aan een +paal, staande op het Binnenhof, eenige dagen werd tentoongesteld, +vervolgens geslacht en onder den Stadhouder (die 't hoofd kreeg) +en zijn Raden verdeeld. + +Reeds een uur voor de plechtigheid waren het Binnenhof en de straten, +welke het ongure dier moest doortrekken, met toeschouwers gevuld. De +schutterij der stad, bij deze gelegenheid in de wapenen gekomen, +maakte hier en daar de bezetting uit, welke de orde bewaren moest: +de winkels, welke te dien tijde de Groote Zaal op het Binnenhof +omringden, en waar men alle voorwerpen van galanterie verkrijgen kon, +stalden hun beste waren uit: in één woord, het gansche plein leverde +een bijzonder vroolijk en levendig voorkomen op. + +Onder de toeschouwers bevond zich, als natuurlijk was, de Jonker van +Bleiswyk, dezelfde, van wien Ludwig (in het vorige hoofdstuk) had +aangemerkt, dat hij overal met den neus bij was. Hij had zich, ook +thans een der beste plaatsen uitgekozen, om alles wel te aanschouwen +en op te nemen. Hij stond namelijk tegen een der torens van het groote +gebouw geleund, van waar hij èn den weg waar het zwijn langs moest +komen, èn de paal, en eindelijk de ramen van het Hof op zijn gemak +kon zien. + +"Ik hoop," zeide hij tegen een deftigen, in 't zwart gekleeden Heer, +die naast hem stond, "dat Utrecht van 't jaar een fatsoenlijker varken +sturen zal, dan dat van verleden jaar." + +"En wat haperde daaraan?" vroeg de ander. + +"Weet UEd. dat niet?--Wel het beest was zoo slecht onderwezen, dat het, +zoodra het aan de paal lag, allerlei onbeleefdheden beging; ik zelf +stond er vlak bij: de rozen van mijn schoenen waren glad bedorven." + +"Wat deedt gij er ook zoo dicht bij te staan? laat dat aan de +straatjongens over," zeide de deftige man. + +"Met uw verlof! ik had gewed dat het dier niet deugde, en wilde +mij daarvan verzekeren; ook had ik niet misgeraden; want toen de +Rentmeester des Espargne het slachten liet, werd het gortig en vuil +bevonden, zoodat de Raden aan den Magistraat van Utrecht om een ander +schreven: ik heb den brief zelf gelezen: hij begon met het varken en +eindigde met een Christelijk gebed!.... nu, er kwam een ander beest, +en toen waren onze lekkerbekken uit den brand, Ik heb zelf bij Zijne +Doorluchtigheid van den kop gegeten. Hij was puik puik!" + +"Ik denk toch, dat dit zotte gebruik van de min verlichte tijden niet +lang meer duren zal," hervatte de andere spreker. + +"Daar zal eens een hartig woordje bij de aanstaande vergadering over +gewisseld worden," zeide Bleiswyk: "Ik heb het zelf van den Heer Duyk +gehoord. Nu, die van Utrecht hebben ook heftige klachten ingeleverd, +en waarover, denkt gij? Niet over den last van den beer te leveren; +maar omdat de eer van het lieve beestje hun zoo nauw aan 't hart ligt, +dat zij niet verduwen kunnen, dat het aan de kaak gelegd wordt en dat +er de jongens baldadigheden mede bedrijven, let wel, tot hun schimp en +spot: zoo luidt hun missive, die ik zelf gelezen heb. Daarom heeft men +heden den ring en 't ijzer van den paal afgeslagen, opdat het geen kaak +zou gelijken. Ten minste zoo heb ik zelf van den griffier gehoord." + +"Het schijnt mij toe, dat UEd. van alles bijzonder wel onderricht is." + +"Dat placht zoo te zijn, mijn waarde Heer! dat placht zoo te zijn; ten +tijde van wijlen den Heer Advocaat was ik spoediger achter de zaken +dan tegenwoordig. Z.Ed. had veel goedheid voor mij: alles vertelde +hij mij eer iemand het wist; ik maakte ook veel werks van den ouden +man: nu! ik heb hem ook tot aan zijn dood toe eer bewezen: ik heb +zelfs geen vier treden van hem afgestaan, toen hij onthoofd werd: +ik had een treffelijk plaatsje op 't schavot, vlak achter den Fiskaal." + +"UEd. wilde hem zeker in het uiterst bijstaan." + +"Dat juist niet, mijn beste! dat liet ik aan Lamotius over; maar +als men zulke goede vrienden geweest is! ... en daarenboven.... ik +zie gaarne alles... UEd. heeft zeker gisteren de Spaansche gezanten +zien wegreizen." + +"Gisteren!" zeide een welgekleed jongeling die aan zijn andere zijde +stond: "ik dacht dat zij hedenmiddag...." + +"Abuis, mijn vriend! gisteravond te halfnegen zijn zij de poort +uitgereden. Ik heb hen zelf van Z. H. afscheid zien nemen.... Zijne +Hoogheid schudde hartelijk de hand van Spinola bij 't vertrekken: +nu Generaal! zeide Z. H., waar zien wij elkander weder? En de +Marquis antwoordde: ik hoop Uwe H. bij Bergen-op-Zoom. welgewapend te +ontmoeten.... nu denkt Z. H., dat Spinola ons juist van een anderen +kant aan zal vallen: maar de Marquis vertelt altijd aan een elk wat +hij in 't zin heeft, opdat men het tegendeel zou gelooven; dat heeft +Z. H. mij dikwijls zelve gezegd." + +"Wij zullen dus oorlog hebben," zeide de zwarte man. + +"Natuurlijk," hervatte Bleiswyk: "dat was lang van te voren beslist, +gelijk mij al die van de zaak weten gezegd hebben; maar het leger +zal er vrij wat minder uitzien dan voor twintig jaren: toen was het +een andere troep als thans!" + +"Dat heeft men UEd. zeker ook gezegd," zeide de deftige Heer spottende: +"want ik twijfel of UEd. het gezien heeft." + +"Ik was toen nog een knaap," hervatte Bleiswyk; "doch ik hield veel +van alles te zien en te vernemen; maar eilieve zie eens.... kent +gij dien man met zijn rooden neus wel, die daar ginds door de +schaar heendringt?--Niet?--Dat is de Arminiaansche Predikant +Groenhovius;.... maar waar loopt UEd. zoo haastig naar toe?" + +Hier verliet de zwarte man zonder te antwoorden zijn plaats en verloor +zich weldra in de menigte, gelijk ook de Predikant. + +"Ik verwed mijn vederbos tegen een oude beddekwast, dat die zwartrok +een Arminiaan of een spion van 't gerecht is!" vervolgde Bleiswyk, +zich tot den jongen onbekende wendende: "UEd. ziet dien Dominee na: +ja, die is eigenlijk gebannen, maar hij wil 't niet weten.--Heeft +UEd. wel ooit een Arminiaansche predikatie bijgewoond?" + +"Ik dacht dat het verboden was, op die bijeenkomsten te gaan," +zeide deze. + +"Dat is te zeggen," hernam Bleiswyk op een gewichtigen toon: "het +is verboden er te gaan uit godsdienstige oogmerken; maar om zijn +nieuwsgierigheid te voldoen, mag men er gerust heen trekken, en met +dat oogmerk alleen ben ik er heen geweest." + +"Een fijne distinctie!--En was UEd. nogal voldaan over de predikatie?" + +"Denk je dat ik naar het gerammel van dien kwijlbaard geluisterd +heb? om geen geld; maar naast mij zat een zoet zusje, dat de moeite +wel waard was, om gezien te worden: ik zeg ook niet, dat ik er een +volgende reis niet weer heen trek; ik wil die kennis gaarne aanhouden." + +"Ik zou het u niet raden, Jonker," zeide een deftig gekleed Heer, +(die, kort te voren de trappen van de Groote Zaal afgekomen, zich +juist achter Bleiswyk bevond en zijn laatste woorden gehoord had), +terwijl hij hem op den schouder tikte. + +"Aha! zijt gij het, mijn waarde Heer Fiskaal," zeide Bleiswyk, zonder +van kleur te veranderen: "en waarom zou UEd. mij dat niet raden?" + +"Omdat het UEd. een fiksche som gelds zou kunnen kosten," hernam +de Fiskaal. + +"Eilieve, zie eens!" zeide Bleiswyk, met een onveranderlijke +koelbloedigheid zijn halskraag in orde schikkende; "zou de Justitie +mij beletten, mij op een onschuldige wijze te vermaken, hoe en waar +het mij belieft?--Ik wil u de boete wel daags te voren te huis sturen; +maar er heen gaan zal ik.... of wil UEd. ook voor 't halfje met mij +accordeeren?" + +"De Justitie treedt in geen akkoorden," zeide de Fiskaal op een +strengen toon. + +"Kom! kom! Mijnheer Van Kinschot!" hernam Bleiswyk, lachende: "ik ga +naar de mis, naar de oefeningen, naar de Arminiaansche conventikels, +naar de synagoge, naar de moskee desnoods, overal waar het mij bevalt, +en 't zal een kerel zijn die het mij belet." + +"Pas op, dat mijn dienaars er u niet vandaan halen," hernam de Fiskaal. + +"Pas maar zelf op, oude Heer!" zeide Bleiswyk, de deftige houding +des Fiskaals op een koddige wijze nabootsende: "of 't zal u gaan als +'t uwen confrater Van der Duyn ging, toen hij die Rotterdamsche +samenkomst bespiedde en met zijn dikken kop tusschen de tralies, +waar hij doorkeek, vast bleef zitten." + +Dit antwoord verwekte een luid gelach bij al de omstanders: alleen zij, +die het dichtst bij den Fiskaal stonden, en hem niet gaarne tot vijand +wilden hebben, stopten de punten hunner mantels in den mond, of hielden +er de hand voor om niet uit te bersten. De Fiskaal antwoordde niet, +doch, den onbescheiden jongeling met een ontevreden blik aanziende, +trad hij eenige stappen terug in 't gedrang. + +"Ziet gij, zoo moet men met die Heeren van 't Gerecht omspringen," +vervolgde Bleiswyk, zich tot zijn buurman wendende, die sinds eenige +minuten, zonder naar het gesprek met den Fiskaal te luisteren, de +oogen op een der vensterramen van het Hof gevestigd had gehouden: +"doch waar kijkt UEd. naar?--Aha! ik zie het al: het vorstelijk gezin +is aan de ramen gekomen: zie eens, die aan dat middelste venster +met dien hoed met gele en roode veeren is Zijne Hoogheid: die met dat +botte uitzicht, die naast hem staat, is de Koning van Bohemen;.... maar +gij kijkt naar een geheel verkeerd raam.... ho ja! daar valt ook wat +meer bezienswaardig te aanschouwen, ik geef u geen ongelijk: die jonge +Dame, die naast de Gravin Douairière Lodewijk Gunther zit, is gansch +niet onooglijk. Het is de Freule Van Sonheuvel, en die deftige Heer, +die achter haar staat, is de Ambtman Mom, die eerstdaags met haar +trouwen zal. Ik ben zelf op de partijen genoodigd; men zegt: het +staat haar maar half aan, een man te trouwen, die zooveel ouder is; +doch zijn jaren zijn de ware reden niet van haar tegenzin: ik heb +zelf van goederhand gehoord, dat de Baron een knaap had opgevoed, +wien zij liefgekregen had en met wien zij had willen doorgaan." + +"Dat is niet waar," riep de ander uit, terwijl zijn oogen fonkelden +en zijn hand het gevest van zijn degen greep. Bleiswyk, die de reden +van dit opvliegen niet bevroedde, trad eenigszins verzet achteruit, +doch herstelde zich spoedig. + +"Wat drommel gaat het u aan?" zeide hij: "maak u om die Freule niet +dik; zij gaat toch met een ander in 't schuitje." + +"Geen beleedigingen meer!" zeide Joan (want niemand anders was de +onbekende jongeling) en hief de vuist op om den onbedachtzamen Jonker +op eene gevoelige wijze zijn misnoegen te toonen, toen een algemeene +kreet van: _ruim baan! ruim baan! daar komt hij! daar is hij!_ de +menigte uiteen deed stuiven en hem van zijn tegenpartij afdrong. Alras +vertoonde zich nu een vendel schutters, 'twelk de noodige ruimte op het +Binnenhof maakte voor den optocht, die volgde. De trein werd geopend +door twee hellebaardiers, die den Schout en Burgemeesteren begeleidden; +op dezen volgden de Procureur-Generaal, de Raadpensionaris en de Leden +van den Provincialen Hove. Na dezen kwamen wederom eenige burgers en +vervolgens het voorname doel van het gejuich der menigte, het voorwerp +van het luid opstijgend hoezee en verdoovend handgeklap, de Hofbeer, +met bloemen opgeschikt als een paaschlam en statig voortkuierende +(zoo statig als het een varken mogelijk is) tusschen twee Boden van +de Utrechtsche Magistraat, die de twee einden vasthielden van een +sierlijk lint, dat aan den hals van het beest vastgestrikt was; doch +dit was slechts _pro forma_! want degene, die de gangen van het varken +werkelijk bestuurde, was een kloek landman, zindelijk naar zijn stand +gekleed; deze was de voormalige eigenaar van het beest en Joan herkende +alras in hem zijn gullen gastheer Gheryt Maessen. Nadat de trein, die +door eenige burgers gesloten werd, het Binnenhof was rondgewandeld, +geschiedde de overdracht, daarin bestaande, dat de Utrechtsche Boden +de einden van het lint, die zij vasthielden, aan de Boden van den Hove +overgaven. Nadat dit geschied was, bond men het dier aan den daartoe +bestemden paal vast en ging de optocht ter zijde, om plaats te maken +voor de doorluchtige toeschouwers, die het vette dier van dichtbij +bezien kwamen. De Vorsten vertoonden zich al spoedig op het Binnenhof, +van een aanzienlijken stoet hofjonkers en dames vergezeld; dan hun +nadering scheen weinig indruk op den onhoffelijken Hofbeer te maken, +die tegen den Stadhouder knorde, aan Z. M. van Bohemen de tanden wees, +en aan de Gravin van Nassau den rug toedraaide met groote blijken +van ongeduld. Dan, toen het trompetgeschal nogmaals herhaald werd, +scheen het varken gramstorig te worden en eindelijk te begrijpen, +dat het een voor hem zeer vernederende rol speelde, waarop het met +hevigheid een zijsprong nemende, het touw ('t geen, als Bleiswyk +verhaald had, den ijzeren ketting en ring vervangen had), losrukte +en, zonder aanzien des persoons, op de doorluchte toeschouwers +aansnelde. Men beseft lichtelijk, welk een verwarring door dien +onverwachten misslag van den slecht onderwezen Hofbeer ontstond: +de adel vloog op zijde en tusschen het gemeen in: de Raadsheeren +trapten in 't vluchten op hun tabbaarden en rolden onder de schutters: +'t gemeen vluchtte de hoftrappen op: de mannen schreeuwden: de dames +gilden: de jongens lachten of raapten steenen op om er het varken mede +te smijten: enkele onverschrokken lieden poogden den beer te keeren; +doch het varken, door geen tegenstand afgeschrikt, liep twee of drie +menschen onder den voet en juist op de Freule Van Sonheuvel aan, +die waarschijnlijk mede door het woedende dier ware vertrapt geweest, +ware niet haar trouwe minnaar nabij haar geweest. Joan was, toen het +dier losbrak, dadelijk tot bescherming zijner geliefde toegesneld: hij +wierp zich snel als de wind op het dier en greep het bij de ooren met +zooveel kracht, dat het stilstond en weldra door Maessen en anderen, +die toegeschoten waren, in bedwang gehouden werd. + +"Ulrica! mijn kind!" schreeuwde de Baron, naar zijn doodsbleeke +dochter toesnellende: "zijt gij gewond?" + +"Het is niets, mijn vader!" antwoordde zij, met een gebroken stem: +"laten wij van hier gaan."--Deze woorden uitsprekende, zocht zij half +buiten haar zelve, den arm haars vaders te nemen; doch zij miste haar +greep en zou ter aarde gestort zijn, had niet Joan haar opgevangen. + +"Duizend kanonnen!" riep de Baron; "hij ook hier!" + +"Had ik geweten, Heer Baron!" zeide Joan, de oogen nederslaande, +"dat ik UEd. hier ontmoeten zoude, ik had UEd. mijn tegenwoordigheid +gespaard; schoon ik mij jegens UEd. niets te verwijten heb." + +"Met uw verlof," zeide Mom, hem naderende en Ulrica den arm biedende: +"ik zal wel voor de Freule zorgen." + +"UEd. had zulks wat vroeger moeten doen," zeide Joan eenigszins +geraakt, en, den hoed aflichtende, maakte hij een statige buiging +voor den Baron, waarna hij zich buiten den kring begaf en met een +haastigen tred het Binnenhof verliet. Nauwelijks was hij echter op het +Buitenhof gekomen, met oogmerk om zich naar de huizinge van Brandwijk +te begeven en daar de terugkomst van Frederik Hendrik af te wachten, +toen hij door iemand achterhaald werd, die hem op den schouder tikte +en zich voor den Jonker van Bleiswyk herkennen deed. + +"Verschoon mij," zeide deze: "Ik ben zooeven wat van u afgeraakt; +echter niet zoo ver, of ik ben ooggetuige geweest van uw +heldendaad. Mag ik nu vernemen, welke betrekking er bestaat tusschen +UEd. en de Freule, wier partij UEd. zoo hevig genomen hebt, _re et +verbis_, als de geleerden zeggen." + +"Vermoedelijk wilt gij dit alleen weten," hernam Joan, hem met een +toornigen blik aanziende, "om het hedenavond te kunnen rondvertellen, +en er bij te voegen, dat gij het van goederhand vernomen hebt." + +"Misschien wel" hernam Bleiswyk lachende: "nieuwsgierigheid is +mijn zwak." + +"En mijn zwak is," zeide Joan, "geen onbeschaamdheid te dulden: +ik zou u dus raden mij alleen te laten, of het kan u slecht bekomen." + +Deze taal geuit hebbende, sloeg hij de hand aan zijn degen: +doch Bleiswyk, hem tegenhoudende, nam beleefdelijk den hoed af en +verzocht hem, geen rumoer op straat te maken. "Zoo 't UEd. gelieft, +uw behendigheid tegen de mijne te meten," vervolgde hij, "zoo vindt +gij mij tot uw dienst bereid; doch laten wij dan naar het Bosch gaan, +daar kunnen wij elkander gevoeglijk een lating geven: ik wil daar +met UEd. vechten tot den middag, mits ik naderhand uw geschiedenis +maar verneme." + +"Ha! dat is te veel!" riep Joan. "Ik volg u terstond." + +"Met verlof!" riep een barsche stem achter hem: "dat zal nu niet +gebeuren. Dienaars, treedt voor." + +"Houdt! wat!" zeide Bleiswyk, zich omkeerende, tegen den Fiskaal, +die degene was, welke gesproken had: "UEd. legt het er vandaag op toe, +om mij in mijn vermaken te storen." + +"Zwijg Jonker!" hernam de Fiskaal: "uw aardigheden zijn thans hoogst +ongepast. Mijnheer!" vervolgde hij, zich tot Joan wendende: "gij zijt +mijn gevangene: uw degen, als 't u gelieft." + +"In geenen deele," zeide Bleiswyk, terwijl hij Joan, die den +Fiskaal verbaasd aanzag, bij de hand nam: "wat is dat voor een malle +grap? ik zal niet dulden, dat een wakker gezel als deze edelman, +door diefleiders achteraf gebracht worde." + +"Jonker Van Bleiswyk!" hernam de Fiskaal met een ontzaggebiedende stem: +"gij, die zooveel weet, weet gij niet, dat hij, die schuldigen aan +hoogverraad aan de Justitie onttrekken wil, zelf aan hoogverraad +schuldig wordt?" + +"Aan hoogverraad!" zeide Bleiswyk, de armen latende vallen en de +oogen half sluitende, terwijl hij op een theatralen toon declameerde: + + + "Waar is zoo verre een plaats, zoo woest een wildernis, + Die voor u, o mijn zoon! een zekere schuilhoek is?" [53] + + +"Aan hoogverraad!" herhaalde Joan, met verbazing: "wat is mijn +misdaad?" + +"Die zal nader onderzocht worden," antwoordde de Fiskaal: "geef uw +degen over en volg mij. Ik zie u niet voor onwillig aan, anders liet +ik u knevelen, dat gij niet gaan kondet." + +"Dat zou zeker de beste manier zijn om iemand te doen voortmarcheeren," +merkte Bleiswyk aan, die nooit zijn blijgeestigheid verloor. "Mijn +goede vriend," vervolgde hij tegen Joan: "of liever mijn mislukte +vijand! Ik ruilde graag mijn nieuwen hoed tegen de smerige kalot van +Ds. Lamotius, dat ik u niet in zulke handen liet. De Gevangenpoort +is voorzeker geen vermakelijk verblijf; althans daarin komen al wie +er gezeten hebben overeen: ik zelf heb er nooit gelogeerd; anders...." + +"Zoo UEd. niet verkiest te zwijgen, zal ik u die ondervinding +bezorgen," zeide de Fiskaal. + +"Boe! boe! ik ga al heen," riep de onverbeterlijke snapper uit: +"ik ga al heen, wees maar niet boos!" + +Dit zeggende, verwijderde hij zich eenige stappen; doch terstond +wederkeerende, greep hij Joan, die tusschen de twee dienaren in +stond, bij de hand en zeide hem met drift, ja met gevoel: "vaarwel, +Mijnheer! En zoo ge iets behoeft of verlangt, laat het dan maar weten +bij Willem Van Bleiswyk, in 't Voorhout, die u helpen zal, waar hij +kan en mag, ja, al mag hij niet." + +Na het uiten dezer woorden draaide hij zich om en snelde als een +pijl uit een boog weder naar het Binnenhof om te vertellen aan ieder +die 't hooren wilde, hoe de redder der Freule Van Sonheuvel wegens +hoogverraad was vastgezet. + +"Lichtzinnig, maar goedhartig," zeide Joan, hem naoogende. "Heer +Fiskaal! ik volg u waar het wezen moet: breng mij waar gij wilt. Sedert +lang is mijn verblijf mij onverschillig." + +"Wij zullen niet ver gaan," zeide de Fiskaal: "Mijnheer! hier is +uw weg." + +Dit zeggende, toonde de Fiskaal aan Joan den ingang van den kerker +boven de Gevangenpoort, waar zij zich voor bevonden. + +De gevangene kon de huivering niet bedwingen, die hem beving, toen +hij, ingetreden zijnde, de zware deur achter zich hoorde toesluiten +en de ijzeren grendels vastschuiven; daar hij zichzelven echter geen +kwaad bewust was en nog altijd hoopte, dat een bloot misverstand +tot zijn gevangenneming had aanleiding gegeven, herkreeg hij weldra +zijn vorigen moed en volgde onbeschroomd zijn geleider. De cipier, +of gelijk men toen nog zeide stokbewaarder, bracht zijn gasten in een +vrij ruim vertrek, hetwelk voor het verhooren was ingericht en welks +wanden versierd waren met de bevallige stoffage van allerlei soorten +van boeien, kettingen, straf- en foltertuigen, blokken, schroeven +enz., benevens eenige prenten en een paar oude schilderijen, beruchte +strafoefeningen voorstellende, en andere voorwerpen, alle bestemd +en geschikt om een akeligen indruk te maken op het gemoed van al wie +tegen zijn wil die plaats betrad. Achter een soort van balie waren, +gelijk aan Joan naderhand bleek, twee Gecommitteerden van den Hove +gezeten, bezig met het verhoor van een gevangene, die met den rug +naar de binnenkomenden gewend stond en wiens antwoorden de Griffier, +die aan een bijzonder tafeltje gezeten was, vlijtig opteekende. + +"Mijne Heeren!" zeide Van Kinschot bij 't inkomen: "hier is de man, +in quaestie." + +"Één oogenblik slechts, Heer Fiskaal!" zeide een der Gecommitteerden, +een dik, log mannetje, wiens lomp en opgezet gelaat van verwaandheid +en trotschheid glom: "wij hebben met dezen zoo dadelijk afgedaan." + +De Fiskaal zette zich en Joan bleef tusschen twee dienaars staan, +niet ontevreden over dit oogenblik respijt, hetwelk hem veroorloofde +zijn toestand een wijl te overdenken en zich voor te bereiden, zoo +op de vragen, die hem gedaan zouden kunnen worden, als op de wijze, +waarop hij antwoorden moest. + +"Gij blijft dus bij uw hardnekkige ontkentenis van sedert uw terugkomst +hier te lande eenige predikatie gedaan of Arminiaansche vergadering +bijgewoond te hebben?" vroeg de Raadsheer, die zooeven gesproken had, +den gevangene. + +"Ik blijf dit ontkennen," antwoordde deze, met een vaste stem, welke +aan Joan niet onbekend voorkwam. + +"Vriendje! vriendje!" hernam de Raadsheer, het hoofd schuddende: +"Ik zou u raden, liever te bekennen: het kon anders slecht met u +afloopen. Hebt gij het hok gezien, waar Bysterus en Lindenius in +gezeten hebben, die even koppig waren als gij?" + +"God is mijn getuige, dat ik alleen de waarheid spreek," zeide de +gevangene. + +"Wat doet des Heeren naam," vroeg de Raadsheer, "in den mond van +een schelm als gij, die gelooft dat een kind voor zijn geboorte al +verdoemd is?" + +"Dat is _ons_ geloof niet," antwoordde de gevangene, die een +Remonstrant was, verbaasd over des Raadheers onkunde: "UEd. Achtbare +meent...." + +"Wil je 't mij leeren, vlegel?" bromde de gewichtige man: "heb ik den +_gepraedestineerden_ dief niet gelezen, en heeft dat geen Arminiaan +als jij geschreven?" + +"UEd. Achtbare gelieve op te merken," hernam de Remonstrant, "dat +dit werkje Slatii, met wiens gevoelens ik daarenboven geenszins +overeenstemme, alleen _ironice_ geschreven is, en er dus...." + +"_Erotice!_" hernam de Raadsheer: "wat rammel je? ik heb er niets +verliefds in gezien: kort en goed: dit kan ik je zeggen: overmorgen +wordt je sententie gelezen: voor je leven naar Loevestein, zoo ik +iets in te brengen heb: daar zal je _mores_ leeren: onze haan kraait +koning! wij zijn 't vet, wij drijven boven." + +"Dan zijt gijlieden 't schuim," viel de gevangene in, "dat drijft boven +'t vet." + +"Onbeschaamde vlegel!" riep de Raadsheer, heftig op de tafel slaande: +"is het aan uw Rechter, dat gij zulke antwoorden geven durft!" + +"Wanneer de Rechter zich niet schaamt zijn gevangene te beschimpen, +dan passen hem zulke antwoorden," zeide de Remonstrant. + +"Mijnheer de Vlaere," zeide de andere Raadsheer, die een bedaard, +ernstig man scheen te zijn, tot zijn ambtgenoot: "wij hebben nog veel +te verrichten, en uit dezen gevangene is niets meer te halen. Ware +het niet verkieslijker, het verhoor te staken en den Heer Fiskaal +niet langer op te houden?" + +"Zooals gij wilt, Mijnheer Sartor!" antwoordde De Vlaere, zeer tevreden +van een goede aanleiding te hebben om een twist te eindigen, waarin hij +de gelukkigste rol niet speelde. "Dienaars! leidt den gevangene weg!" + +De dienaars traden toe en geleidden den Remonstrant weg, zonder dat het +Joan gelukt was, diens gelaatstrekken te zien. Zoodra hij vertrokken +was, gaf de Raadsheer Sartor aan onzen held een wenk, om de tafel, +waaraan zij gezeten waren, te naderen. + +Terwijl Joan aan dit bevel voldeed, stond ook de Fiskaal op en trad +aan de tafel, waarop het ondervragen een begin nam. + +"Uw naam?" vroeg De Vlaere. + +Joan zweeg en zag voor zich. De eerste vraag was voor hem de +moeilijkste. + +"Wees niet beteuterd," vervolgde Sartor, dit stilzwijgen aan vrees +toeschrijvende: "geef ons openhartig antwoord. Hoe heet gij?" + +"Don Diego de Velasco." + +"Zijt gij daar zeker van?" vroeg de Fiskaal, Joan scherp in 't +gezicht ziende. + +"Deze naam is de laatste, die mij gegeven werd. Vroeger noemde men +mij Joan Van Craeihorst." + +"Zeer wel!" zeide Van Kinschot, tegen de Raadsheeren langzaam met +het hoofd knikkende, ten teeken van tevredenheid. De Vlaere zette +het verhoor intusschen voort. + +"Waar zijt gij geboren?" + +"Ik weet het niet." + +"Gij weet het niet?--Wat is dat voor een antwoord!" Hier trad de +Fiskaal toe en fluisterde hem iets in 't oor: "aha ja! _filius +illegitimus!_--Waar opgevoed?" + +"Op den huize Sonheuvel? + +"_Recte_. Waar laatst woonachtig?" + +"Ik heb nu 't laatst eenige dagen in Den Bosch doorgebracht: het +vorige jaar heb ik in 't leger van Z. M. van Bohemen gediend." + +"Dat komt juist uit," zeide de Fiskaal, een geschreven papier +doorloopende, dat hij in de hand hield. "Doch! indien de Heeren mij +vergunnen, een vraag te doen: waarom heeft de gevangene voor vier +weken het slot te Sonheuvel op een zoo vreemde wijze verlaten?" + +"Ten einde mij naar Den Bosch te begeven." + +"En met wien hebt ge daar omgang gehad?" + +"Met mijn oom, Don Louis de Velasco, met den Heer Vicaris, met den +Heer Van Grobbendonck en met eenige Remonstrantsche uitgewekenen." + +"Zoo! En hebt gij ook voor die Heeren eenige boodschappen opgenomen +te verrichten?" + +"Is dat mijn gansche misdrijf?" vroeg Joan verbaasd: "ja, dat heb +ik: en hier is het pakket, 't welk ik op mij had genomen te bezorgen +aan...." + +"Zwijg!" riep de Fiskaal met een donderende stem, hem het pakket uit +de handen rukkende. "Dit pakket," vervolgde hij langzaam, terwijl +hij het met somber oog van alle kanten beschouwde en eindelijk voor +de Raadsheeren nederleide, "zal meer onheil brouwen, dan ooit eenig +ander hier te lande gedaan heeft. Uw leven zal afhangen van hetgeen +hierin gevonden wordt." + +"Ik kan niet begrijpen," zeide Joan, "welk kwaad er in steekt, brieven +te bezorgen aan Zijne Doorluchtigheid.--Of is dit ook een _suspecte_ +persoon?" + +De Fiskaal wierp hem een vreeselijken blik toe. "Het zal noodig zijn," +zeide hij vervolgens tegen de Raadsheeren, "dat dit verhoor zonder +eenige getuige afloope. UEd. Achtbare zult hiervan het belang met +mij gevoelen." + +"Ongetwijfeld!" zeide De Vlaere, en gaf last aan de dienaars, buiten te +staan, waarna hij aan Joan een nauwkeurig verhaal afvroeg van, alles, +wat zijn kennis met de Heeren, die hij in Den Bosch gesproken had, +had voorbereid. Het gewicht eener openhartige bekentenis gevoelende, +voldeed de gevangene vrij omstandig aan dit verzoek: zijn verhaal +duurde des te langer, daar de Griffier, die alles nauwkeurig +opteekende, hem zijne gezegden meer dan eens herhalen deed. + +Toen hij geëindigd had, deden hem de Gecommitteerden eenige vragen +betreffende de Arminiaansche ballingen, als b. v. of Uyttenbogaert +ter misse ging, of hij kennis met de Jezuïeten hield, of hij raadsman +van Pekkius was, of De Groot dikwijls bij Velasco aan huis kwam, +en dergelijke meer: de meeste dezer beantwoordde Joan ontkennend: +op sommige verklaarde hij niet te kunnen antwoorden. + +"Zullen wij thans het pakket niet openen?" vroeg eindelijk De Vlaere +aan zijn ambtgenoot. + +"Vooraf," zeide deze, "wenschte ik den gevangene te vragen of hem de +inhoud bekend is." + +"Zoover ik weet," antwoordde Joan, "zijn het brieven, waarin de +verbannen Heeren zich in de bescherming Zijner Doorl. aanbevelen." + +"Het bevreemdt mij," merkte de Fiskaal aan, op een straffen toon, +"dat gij zulke sprookjes vertellen durft op het oogenblik, dat wij de +stukken in handen hebben, welke u van logentaal zullen overtuigen, +of mijn berichten zijn valsch, of er moet geheel wat anders in die +brieven staan." + +"Dan zou ik bedrogen zijn geweest," zeide Joan, de schouders ophalende. + +"Waarlijk!" zeide Van Kinschot, hem verachtelijk aanziende: "wij +zullen zien, wie hier de bedrogene is." Het pakket werd nu geopend +en de inhoud onderzocht. + +"Mijn God!" riep Sartor met verbaasdheid uit, toen hij den eersten +brief den besten gelezen had: "wie kon dat ooit gelooven?" + +"Welk een afschuwelijk samenweefsel van verraad en list en +huichelarij!" riep De Vlaere. + +"Laat ons voorzichtig zijn," zeide hem zachtjes zijn ambtgenoot: +"deze brief is aan geen gemeen persoon gericht, noch tot iemand, die +op losse gronden beticht mag worden. De brieven kunnen zeer wel zijn +opgesteld uit list, met het oogmerk om kwade vermoedens te werpen op +hem aan wien het opschrift luidt. Jongeling, wie stelde u dit pakket +in handen?" + +"Mijn oom, Louis de Velasco." + +"Onbeschaamde!" zeide De Vlaere: "en gij zeidet, dat het brieven van +de Remonstrantsche ballingen waren. Wat had uw oom daarmede te maken?" + +"Hij gaf mij die uit hun naam: ik had geen reden, zijn oprechtheid in +twijfel te trekken. Heeft hij mij misleid, ik ben er onschuldig aan." + +"Deze brieven," hernam Sartor, zich tot den Fiskaal wendende, "zijn +van zulk een aard, dat wij, naar mijn gedachten, buiten voorkennis +Zijner Hoogheid geen stap verder in deze doen kunnen." + +De Fiskaal stemde zulks toe, en nu deed de Griffier de brieven weder +in het pakket, hetwelk behoorlijk gesloten en verzegeld werd. + +"Was het overbrengen van dit pakket," vroeg toen Van Kinschot aan de +gevangene, "de eenige reden van uw reis herwaarts?" + +"Onbewimpeld gesproken, neen: de Vicaris beloofde mij, dat, zoo ik +hier eenige dagen bleef, zich veel ontwikkelen zou, dat thans nog +duister voor mij lag." + +"Gij erkent dus een zendeling van den Vicaris te zijn.--Wie hebt gij +sedert uw komst hier in Den Haag opgezocht?" + +Joan verhaalde zijn vruchteloozen gang naar het Paleis van Zijne +Doorluchtigheid. + +"Waarom hebt gij u niet aangemeld bij Z. M. den Koning van Bohemen, +onder wien gij voorgeeft te hebben gediend?" + +"Ik vreesde dat mijn nieuwe naam mij minder welkom zou maken." + +"Waarom niet bij den Baron Van Reede, uw pleegvader?" + +"Omdat ik onbewust was van zijn verblijf alhier en Zijn Ed. bovendien +tegen mij ingenomen is, uithoofde van een ongelukkig misverstand...." + +"Een ongelukkig misverstand! En gij hebt tegen zijn leven +samengespannen met zekeren booswicht, die.... doch dit misdrijf, als in +de provincie Utrecht geschied en van geen staatkundigen aard zijnde, +valt niet onder 's Hofs jurisdictie.--Ik vrees, dat het slecht met +u af zal loopen! alles toont duidelijk, dat gij u hier hebt zoeken +schuil te houden." + +"Dan ware ik hedenmorgen niet op het Binnenhof gekomen, waar iedereen +mij zien kon," zeide Joan met drift: "doch, men zal zich nog bedenken, +eer men mij op losse gronden verwijst. De Spaansche Gezanten zullen +niet dulden, dat de neef van Don Louis de Velasco...." + +"Ongelukkige logenaar! gij vleit u vergeefs," viel hem Van Kinschot in: +"gisteren sprak mij de Kanselier Pekkius, kort voor zijn vertrek, +en stellig betuigde hij mij, dat de Gezanten zich uwer niet zouden +aantrekken, vermits men u voor een gelukzoeker hield." + +"Dan is het beter, dat ik zwijge," zeide Joan: "ik zie dat mijn +verderf vastbesloten is!" + +"Het verhoor heeft nu lang genoeg geduurd," zeide De Vlaere, +oprijzende: "stokbewaarder!" + +De stokbewaarder en de dienaars traden binnen. + +"Breng dezen gevangene in goede verzekering. Zijn persoon is van het +uiterste gewicht." + +"Ja! om hem alleen te plakken, dat zal bezwaarlijk gaan," antwoordde +de stokbewaarder: "doch ik zal hem bij dien Arminiaan zetten, die +zooeven hier geweest is." + +"Mijn eenig verzoek is," zeide Joan, "dat mijn reiszak, die in +de herberg het Zotje ligt, mij hier geleverd worde. Er zit eenige +verschooning in, die ik wellicht zal noodig hebben." + +"Die is hier al gekomen," zeide de cipier; "ik had vergeten zulks +aan de Heeren te zeggen." + +De reiszak werd terstond aangebracht, op de tafel gelegd en door +den Fiskaal stuk voor stuk geledigd. Het eerste dat zich vertoonde, +was een prachtige gouden keten. + +"Ei! ei!" zeide De Vlaere: "een kostbaar stuk werks, genoeg om een +geheel boevenhuis om te koopen. Hoe komt Mijnheer aan dat pronkstuk?" + +"Het werd mij in mijn jeugd door de Gravin van Nassau vereerd." + +"Waarlijk! Nu, dit zal licht te bewaarheden vallen.--Maar wat is +dat voor een boeltje? voor wien is dat poppengoed?" vroeg De Vlaere, +toen hij zag dat de Fiskaal een pakje uithaalde, 't welk een volkomen, +schoon wat ouderwetsch, kindergewaad behelsde. + +"Een stellig bewijs van hoogverraad," zeide Joan, met een bitteren +glimlach. + +"Wat doet gij met kindergoed in uw valies?" vroeg De Vlaere. + +"Het zijn de kleederen, die ik aanhad, toen de Barones Van Reede mij +tot kind aannam. Ik had die met mij naar 's-Bosch gevoerd, om ze aan +mijn oom te vertoonen." + +"Voeg die kleertjes bij de _preciosa_," zeide De Vlaere tegen +den Griffier: "de Baron Van Sonheuvel is bij Mevrouw van Nassau +gehuisvest, en wij zullen ons van de waarheid van 't een en ander +gaan verzekeren.--Is er niets meer?" + +"Het komt mij voor," zeide de Fiskaal, "dat wij het overige veilig aan +dien jongeling laten kunnen. Stokbewaarder! breng uwen gevangene weg." + +Joan groette de Raadsheeren en den Fiskaal, en volgde zijn leidsman, +die hem langs eenige trappen en gangen naar het kleine vertrekje +bracht, dat hem tot kerker bestemd was. Toen de deur openging, zag +Joan denzelfden gevangene, wiens stem hem bekend was voorgekomen, +aan een tafel zitten, bezig met in een klein bijbeltje te lezen. Hij +rees op toen hij een deelgenoot zijner gevangenschap zag binnenkomen, +en trad naar Joan toe. Beiden zagen elkander strak in 't gezicht; +doch eer men tien had kunnen tellen, vielen zij met den uitroep van +Joan!--Hendrik--in elkanders armen. + + + + + +ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + Of zoo ick schuldigh ben en heeft het my gemist, + 't Is uit onnozelheit en zonder argh of list. + + _Vondel_, Gysbrecht van Aemstel. + + +"_Dies albo notanda lapillo!_" [54] zeide Hendrik Raesfelt; want deze +was het, welke Joan zoo onverwachts begroette. + +"Moet ik mijn ouden speelmakker op zulk een plaats terugvinden?" zeide +Joan. + +"Maar hoe toch wist gij, dat ik hier gevangen zat?" vroeg Hendrik. + +"Waarlijk, mijn beste vriend!" antwoordde Joan: "ik was dezen morgen +even weinig voornemens deze plaats als u te bezoeken." + +"Gij komt dan niet vrijwillig?--Neen waarlijk, nu zie ik eerst, dat gij +uw degen mist. Hoe, mijn beste stokbewaarder!.... moet deze Heer...." + +"Uw maat zijn," zeide de cipier: "juist geraden: en het doet mij +genoegen, dat gij oude kennissen zijt. Hebt gij mij verder niets +te zeggen?--Niet!--Dan wensch ik u een vroolijken dag samen."--Dit +zeggende, vertrok hij. + +"Ik kan niet van mijn verbazing terugkomen," hernam Raesfelt: "wat +kan den Jonker Van Sonheuvel op de Gevangenpoort brengen?" + +"Noem mij met dien naam niet meer," zeide Joan: "dien heb ik reeds +lang verloren." + +"Verloren? En door welk toeval?--Doch, ik bid u, neem plaats." + +Beiden gingen zitten en Joan gaf aan zijn vriend een beknopt verslag +van zijn lotgevallen, waarna hij wederkeerig zijn verlangen te kennen +gaf, om te weten wat Hendrik op deze plaats gebracht had. Raesfelt +voldeed aan dit verzoek en vertelde omstandig wat hem overkomen +was. Wij zullen van dit verhaal alleen de hoofdpunten aan onze lezers +mededeelen. Hendrik was, gelijk wij vroeger gezien hebben, te Amsterdam +bij een juwelier geplaatst geworden om de negotie te leeren. Hij had +aldaar zijn betrekkingen met de Remonstranten geenszins afgebroken, +doch zijn studiën voortgezet en de geheime samenkomsten bijgewoond. Tot +proponent aangesteld en de predikbeurten somtijds waarnemende, was +hij gevangengezet, en later, wegens herhaling, gebannen: sinds had +hij lang op de grenzen gezworven, tot hij eindelijk te Mulheim een +briefje kreeg van zekeren Van Dyk, die hem verzocht te Tiel te komen, +ten einde aldaar over de belangen der Remonstranten te handelen. Wij +hebben vroeger gezien dat dit briefje door Eugenio geschreven was +en aanleiding gaf tot het misverstand, dat Joan te Tiel bijna zoo +duur was te staan gekomen. Te Nijmegen echter was Raesfelt reeds +gevangengenomen en dadelijk naar Den Haag gezonden, waar hij sedert +dien tijd op de Gevangenpoort gezeten had. + +"En," zeide Joan, "zooals ik heden meen gehoord te hebben, zult gij +dezen kerker niet verlaten dan voor de Loevesteinsche gevangenis." + +"Ik ben niet gelijk degenen, die geen hoop hebben," antwoordde +Raesfelt: "God heeft de drie mannen in den vurigen oven niet vergeten: +en Hij vergat ook mij niet, toen ik uit de diepte tot Hem riep. Hij +zond mij een engel." + +"Of een engelin?" viel Joan in, glimlachende om de opgewondenheid, +welke zich in de blauwe oogen des proponents en op zijn zachte +wezenstrekken vertoonde. + +"De zachte Rachel was de dochter des norschen Labans: God vermurwde +het hart van des stokbewaarders dochter, en deed mij in haar een +geloofsgenoot vinden." + +"Wat nu!" vroeg Joan: "is de dochter van onzen vriendelijken huisbaas +een Remonstrantinnetje, en verliefd op een gevangene, die daarenboven +een Remonstrantsche proponent is! Nu waarlijk! dan moet ik zeggen, +dat de Justitie wel dubbel waakzaam worden mag. En is die liefde zoo +plotseling in den kerker ontstaan?" + +"Om u de waarheid te zeggen, neen. Ik kende haar reeds in Amsterdam, +waar zij bij de zuster van mijn Patroon het mutsenmaken leerde: +zij is hier eerst sedert een paar maanden teruggekomen en bezorgt de +huishouding van dit gesticht. Somtijds brengt zij den gevangenen hun +eten: wij zagen elkander weder: de oude betrekking keerde, en...." + +"En binnen weinige dagen verliest de stokbewaarder zijn dochter en +zijn gevangene!" + +"Zij heeft mij stellig beloofd, dat, zoo ik veroordeeld werd naar +Loevestein te worden overgebracht, zij alles in het werk zou stellen, +om mij voor dien tijd te doen ontsnappen.--Doch nu gij de deelgenoot +mijner ellende geworden zijt," vervolgde Hendrik, Joan met warmte de +hand drukkende, "zal ik dezen kerker niet verlaten, zonder dat gij +mij vergezelt." + +"Ik stel dat blijk van vriendschap op hoogen prijs," zeide Joan; +"maar verlang er geen gebruik van te maken: ik hoop alleen dat mijn +zaak onderzocht worde; dan kan het niet missen of mijn onschuld moet +erkend en ik in vrijheid gesteld worden." + +"Vlei u daar niet mede," zeide Hendrik: "vurig zou ik wenschen u +eenige de minste hoop op vrijspraak te kunnen geven, doch, naar +hetgeen gij mij verhaald hebt, zijn alle bewijzen tegen u: en gij +bezit hier geen vriend, geen raadsman, die u den minsten bijstand +zou willen verleenen of eenigszins voor u in de bres springen. De +Baron beschuldigt u van een aanslag op zijn leven te hebben gesmeed: +de Ambtman heeft zich koel en afkeerig tegen u betoond: uw Brabantsche +betrekkingen werken in uw nadeel: de stokbewaarder, die getuige was +van onze wederzijdsche blijdschap, zal niet nalaten te vertellen, +dat gij in mij weder een Arminiaanschen medeplichtige hebt gevonden: +in 't kort, alles loopt tegen u samen. Geloof mij, en vertrouw niet te +veel op uw onschuld. Men spot hier te lande niet met de beschuldigingen +wegens hoogverraad. Zij, die zich niet ontzagen het eerwaardig hoofd +van onzen grootsten staatsman te doen vallen, zullen er waarlijk +geen gewetenszaak van maken, iemand te veroordeelen, die, als gij, +noch bewezen diensten, noch groote betrekkingen, noch hooge jaren +voor zich kan doen pleiten." + +"Mij dunkt, hier is een groot verschil," zeide Joan: "de Advocaat +had het land verraden, en ik...." + +"Zoo zegt gij, Contra-Remonstranten!" zeide Hendrik: "wij oordeelen +er anders over; doch dat daargelaten. Nog eens, verzuim de gelegenheid +ter ontkoming niet, indien zij u eenmaal wordt aangeboden." + +"Wij zullen zien;.... doch zeg mij, zal ik uw schoone niet zien?" + +"Zij zal mij niet bezoeken," antwoordde Hendrik, "ten einde geen +vermoedens op te wekken, voordat het uur mijner redding daar is." + +Hier werd het gesprek der beide vrienden gestoord door het binnenkomen +van een der suppoosten, die het middageten bracht, uit een schotel +brij en een brood bestaande. Dadelijk na zijn vertrek, sprak Hendrik +een kort gebed uit en zette zich aan 't eten, niet een gretigheid, +die Joan, wiens eetlust door de omstandigheden merkelijk verminderd +was, met verbazing sloeg. + +"O, indien gij eenige dagen hier doorgebracht hadt," zeide Hendrik, +"zou het u niet verwonderen, dat men ook op de Gevangenpoort tegen den +middag honger kan hebben; maar ik heb nog een andere reden, waarom ik +dien schotel ledig wilde hebben. Ik verlang nog meer dien van onderen, +dan van boven te zien." + +"En waarom dat?" vroeg Joan, verwonderd over deze verkiezing. + +"Raadt gij het niet? Die tinnen schotel is de zwijgende bode, waarvan +mijn Truitje en ik ons bedienen, om ons mede te deelen wat van belang +voor ons kan zijn." + +"Heerlijk bedacht," zeide Joan, opspringende: "dan zal ik u helpen om +het adres van den brief open te maken." Dit zeggende, begon hij mede te +eten, en binnen weinige oogenblikken was de schotel ledig. Toen draaide +Hendrik hem haastig om, en ontcijferde, na een wijl zoekens, de letters +S. 12 M., welke met de punt van een mes daarop gegriffeld waren. + +"Een zeer duidelijke missive," zeide Joan: "de drommel haal mij, +zoo ik er iets van begrijp. Het heeft veel van het merk van een hemd." + +"Ik begrijp die des te beter," hernam zijn vriend: S. is Sondag, +dat is morgen: M. beteekent Maandag, en 12 is middernacht: zijnde +het uur tusschen die beide dagen, waarop ik mij tot de vlucht zal +moeten gereedhouden." + +"Waarlijk!" zeide Joan: "indien de middelen ter ontkoming even +schrander zijn uitgedacht als de wijze van briefwisseling te houden, +dan durf ik u een goeden uitslag voorspellen!" + +Het geschrevene werd wederom zoogoed mogelijk uitgewreven, opdat +de bediende des cipiers het niet lezen zoude; en weldra keerde deze +terug, om den ledigen schotel te halen, en tevens om een bezoeker +bij de gevangenen in te leiden, welken zij met de grootste blijdschap +voor den Predikant Raesfelt herkenden. + +"Gij hier, mijn vader!" riep Hendrik: "o nu is alle hoop nog niet +voor mij verloren." + +"Ik herleef, nu ik u wederzie," zeide Joan: "gij althans kunt +getuigen, dat mijn vertrek van Sonheuvel mij door mijn plicht werd +voorgeschreven." + +"Ik dacht niet," zeide de Predikant, terwijl hij de vochtige oogen +ten hemel hief, "dat, toen ik mij bewegen liet om den Heer Baron +naar deze plaats te vergezellen, alwaar ik tevens de hoop koesterde +van een drukker te vinden voor mijn werk over Psalm CXLVII, mij hier +zulk een treurige plicht verbeidde als het vertroosting bieden aan +twee deerniswaardige gevangenen, waarvan de een mijn vleeschelijke, +en de ander, zijnde mijn leerling, mijn geestelijke zoon is." + +"Onze gevangenneming was u dus bekend?" vroeg Joan. + +"Die van mijn zoon vernam ik dezen morgen van mijn godvreezenden +ambtgenoot Dm. Lamotium, en de uwe, Joan! van den Heer Baron, aan +wien zekere Jonker Van Bleiswyk, die als een Petrus tegen u opstond, +haar verhaald moet hebben." + +"Hij heeft mij een weldaad bewezen," zeide Joan, hem de hand drukkende, +"door mij het bezoek te verschaffen van een raadsman als u. Doch +Hendrik heeft oudere en nadere rechten, en ik wil, u niet alleen laten, +want ik zie geen kans om mij te verwijderen, maar althans uw onderhoud +niet storen."--Dit zeggende, ging hij in een hoek van het vertrek +zitten, zonder zich in het gesprek tusschen vader en zoon te mengen. + +"Zoover," zeide Raesfelt tegen Hendrik, "heeft uw kettersche afval +u dan gebracht?" + +"Strekt mij mijn gevangenis tot schande, lieve vader?" vroeg deze: +"heeft niet Daniël, hebben niet de Apostelen op gelijke wijze in den +kerker gezeten en om Christi wille smaadheid geleden?" + +"Vergelijkt gij, gij afvallige! u bij die heilige mannen Gods?--Ach! ik +vleide mij nog, dat aan u, die als een Manasse den Baäl gediend +hebt, de kerker, evenals aan hem, tot bekeering en boetedoening zou +aanleiding geven; dan ik zie te wel, hoezeer ik mij bedrogen heb." + +"Lieve vader!" zeide Hendrik, met aandoening, terwijl hij den +slinkerarm om zijns vaders hals sloeg en met de rechterhand zijn +beide handen drukte: "lieve vader, laat ons een onderwerp vermijden, +dat niets dan bitterheid in stede van liefde, en verwijdering voor +toenadering geven kan. De oogenblikken zijn kostbaar. God weet, of +ik u immer wederzie: overmorgen wellicht vertrek ik voor mijn leven +naar Loevestein. O! dat wij ons dan de oogenblikken ten nutte maken: +misschien is het de laatste reize, dat ik u om uw zegen smeeken mag." + +"Mijn zegen hebt gij, mijn zoon!" zeide Raesfelt, opstaande en de beide +handen boven het hoofd zijns zoons uitstrekkende: "ach! mocht hij de +kracht bezitten, om u af te leiden van het verderfelijke doolpad, +dat gij gekozen hebt. Dan God alleen kent de harten: niemand kan +tot Hem komen, dan die door den Geest tot Hem geleid wordt. Hij zal +aan duizend geslachten lankmoedigheid betoonen: dit was Zijn belofte +aan Zijn bondsvolk: en ook in u, mijn zoon! moge die om mijnentwille +bewaarheid worden!" + +"God loone u, mijn vader!" zeide Hendrik, zijn handen met kussen +bedekkende: "de God des vredes en der genade bevestige deze uwe +woorden. Hij moge mij, indien ik feile, genadiglijk vergeven, gelijk +gij mij vergeeft; want zoo ik dwale, is het uit onwetendheid en niet +uit boozen wil." + +Toen de aandoening, die hen wederzijds beklemde, eenigszins bedaard +was, vonden beiden kracht genoeg, om met meer bedaardheid elkanders +weetlust te voldoen omtrent de lotgevallen, die hun sedert hun +scheiding waren overkomen, in welk gesprek Joan zich spoedig mengen +kon. + +Nadat deze ook van zijn lotgevallen aan den Predikant een kort bericht +gegeven had, verzocht hij van hem te mogen weten, of het waar was, +dat, gelijk Bleiswyk verhaald had, Ulrica eerlang verloofd zou +worden. Raesfelt bevestigde zulks. + +"En is de Baron altijd evenzeer op mij vertoornd?" + +"Ongetwijfeld!" antwoordde de Predikant: "niet zoozeer omdat gij +den Jezuïet hebt laten ontvluchten, als om dat ongelukkige briefje, +dat gij geschreven hebt." + +"Ik heb geen Jezuïet laten ontvluchten en ook geen briefje geschreven," +zeide Joan: "aan wien was dat briefje gericht?" + +"Waarschijnlijk aan uw boozen medemakker," zeide Raesfelt. + +"Het was nagemaakt! Ik herinner mij niet, iets geschreven te hebben." + +"Het was duidelijk uw hand: ik heb die te lang gezien om ze niet +dadelijk te herkennen. Wat het briefje betreft, ik heb er, meen ik, +een kopie van gehouden."--Dit zeggende, haalde hij zijn brieventasch +voor den dag, zette zijn bril op en vond, na lang zoeken, een afschrift +van het fragment, 't welk in Joans kamer op het huis te Sonheuvel +ontdekt was. + +"Is dat alles?" vroeg Joan, toen hij het gelezen had: "welk een geluk, +dat ik u kan overtuigen dat dit briefje, in zijn geheel gelezen, +niets misdadigs bevat."--Dit zeggende, opende hij zijn zakboekje en +nam er een paar blaadjes uit, welke hij den Predikant overhandigde. + +"Men passe deze stukken bij het fragment," zeide hij, "en het zal +dadelijk blijken, of de inhoud van mijn briefje misdadig was." + +De Predikant beloofde, dat hij den volgenden dag reeds zich bij +den Baron zou aanmelden, om de vereischte ophelderingen te geven +omtrent een punt, dat hem zoo diep getroffen had. Kort daarop kwam +de stokbewaarder en gaf hem te kennen, dat zijn bezoek volgens de +voorschriften van het gevangenhuis niet langer duren mocht. + +"Vaartwel dan, mijn kinderen!" zeide de vrome man, de beide jongelingen +omhelzende. + +"God schenke u kracht in uw beproevingen: op morgen ziet gij mij niet +weder! want er staat mij een gewichtig werk te doen, waar ik u eerst +na den uitslag kennis van zal mogen geven. Ik hoop, dat ik den dag des +Heeren niet ontwijden zal, door er eenige uren aan te besteden: want +daar staat geschreven, dat men wèl moet doen ook op den Sabbat." Met +deze woorden liet hij de beide vrienden, na een herhaald en aandoenlijk +afscheid, alleen; terwijl hij zich naar den Predikant Lamotius begaf, +bij wien hij gedurende zijn verblijf te 's-Hage huisvesting genoot. + +Na zijn vertrek viel er niets vermeldingswaardig meer in de gevangenis +voor: Joan en Hendrik bleven laat zitten praten en gingen eindelijk +welgemoed ter ruste. Wij zullen hen voor een wijl in hun kerker +laten, om onzen ouden vriend, den Baron Van Sonheuvel, te bezoeken, +die met zijn dochter en gevolg zijn intrek bij de Gravin van Nassau +had genomen. + +De dag, die op Joans gevangenneming volgde, was, gelijk Raesfelt had +aangemerkt, een Zondag. Na den afloop der kerktijden, zat de Baron, +daar het weder regenachtig was en hem het wandelen door de stad niet +behaagde, in de door hem betrokkene kamer met zijn getrouwen Bouke +te praten. + +"Ziezoo!" zeide deze: "aan alle dingen komt een eind. Morgen zal dan +de verlovingsdag zijn. De booien hier wenschen al, dat het twaalf +uren in den nacht ware." + +"En dat waarom?" vroeg hem de Baron. + +"Wel! dan was de Sabbat om, en zij zouden kunnen beginnen om het +huis onderstboven te keeren en overal bloemkransen, eerepoorten, +festoenen en loovertakken te plaatsen." + +"Ik wou ook dat ik het al zag," zeide Reede: "Ik weet niet wat er aan +hapert, maar ik ben niet op mijn gemak. Die satansche brief maalt +mij door 't hoofd. Toen ik hem kreeg, vond ik hem zeer duidelijk, +en nu begrijp ik er geen stom woord van." + +"Welke brief is het, die UEd. kwelt?'" + +"Weet je dat niet?--Ja, 't is waar, ik heb je niet verteld, dat ik +door middel van den Ambtman, die hem bezorgd heeft, een epistel aan +wijlen mijn vrouws vader, mijn oom, den Priester geschreven heb om +zijn toestemming tot Ulrica's huwelijk." + +"Welnu?" + +"Welnu! daar is antwoord op gekomen, nu ruim veertien dagen geleden: +ik heb den brief bij mij: luister eens hoe het klinkt: + + + ""Mijn waarde neef! + + Indien ik, door mijn goed- of afkeuring te schenken aan het + huwelijk uwer dochter geacht moest worden een mij van nature + toekomend recht te vervullen, zoo zou ik weigeren mijn stem ten + deze uit te brengen; want de banden des vleesches, welke mij + aan u en de uwen hechtten, zijn verbroken en te niet gegaan, + sedert ik den geestelijken staat omhelsd heb. Doch vermits het, + gelijk ik het uit uw missive verneme, de uiterste begeerte + van Ulrica's stervende moeder geweest is, dat zij niet dan + met mijn toestemming huwen zoude, en ik derhalve niet als + bloedverwant, maar krachtens beschikking der overledene mij + voor of tegen haar echt verklare, zoo meen ik mij daartoe + gerechtigd te kunnen houden.--Ik, Ambrosius, Groot-Vicaris van + den Heiligen Stoel in de Nederlanden, verklare bij deze, dat, + indien Jonkheer Jacobus Mom, Ambtman in Maas en Waal, zich + geschikt acht om Jonkvrouwe Ulrica Van Reede tot Sonheuvel + gelukkig te maken, en indien gezegde Jonkvrouwe Ulrica met + haar vrijen wil gezegden Jonkheer J. Mom tot man wil aannemen, + ik mij geenszins tegen hun huwelijk verzet; maar daaraan mijn + volle toestemming verleene, mits de verloving niet vroeger + plaats hebbe dan op Maandag den 28sten Juni des jaars 1621. + + _Ambrosius_, + Gr.-Vicaris."" + + +"Welnu! wat zegt ge van dat duidelijke stuk?" vroeg de Baron, na het +ten einde gelezen te hebben. + +"Had UEd. mij dat eerder laten lezen," antwoordde Bouke, het hoofd +schuddende, "ik zou er nogal reden in gevonden hebben, om dat huwelijk +vooreerst niet te laten doorgaan." + +"Zoo?" + +"Wel ja! want UEd. kan toch niet ontkennen, dat de Ambtman, al is +hij nog zoo een best braaf man, toch niet best geschikt is om een +vrouw gelukkig te maken: en ten tweede (behalve dat het Paapsch is +om van een vrijen wil te praten) zoo geloof ik, dat, als dat malle +stuk schrift van Joan niet gevonden ware, freule Ulrica liever op +haar bloote voeten van hier naar Sonheuvel ware geloopen, dan haar +hand te geven aan al de ambtlieden van de wereld." + +"Zwijg Bouke! en spreek van dien schavuit niet meer, die nog al zoo +onbeschaamd is, zich op licht-klaren dag hier in Den Haag voor onze +oogen te vertoonen, op een plaats, die zoo vol menschen is als deze." + +"Neem het mij niet kwalijk, Heer Baron! Ik kan het maar niet verduwen, +dat UEd. dien armen jongen zoo hard behandelt! wat weergaas, dat hij +zich hier vertoont is een bewijs, dat hij het licht niet schroomt. Als +hij zoo groote schuld had, kwam hij niet waar menschen zijn. Steek uw +vinger in de aard, zie in wat land ge zijt: 't beste brood leit men op +'t venster en er vliegen geen uilen bij valken." + +"Zot! zou hij niet op Sonheuvel zijn gebleven, indien hij geen kwade +consciëntie had bezeten? Zou hij dien vervloekten Jezuïet wel verlost +hebben, indien zij geen maatjes waren geweest?" + +"Praatjes! dat hij hem verlost heeft is nog zoo zeker niet. UEd. weet, +dat Teun Wezer dien nacht ook op het slot is geweest en sinds +nooit weer voor den dag is gekomen: de ekster kan haar hippelen +niet laten! lam! lam! is des wolfs vesperklok: eens een strooper, +altijd een strooper, en al is hij mijn neef, zoo houd ik hem toch +voor een groote schoelje--en wat betreft, dat Joan weggereisd is, +zonder boe en ba te zeggen,--Dominee zegt immers zelf, dat hij niets +anders doen kon, omdat hij u voor den moordenaar zijns vaders hield." + +"Ei wat! Dominee weet op dat stuk niet wat hij zegt: de schuld van +den jongen is zonneklaar: hij zit immers nu alweer achter de tralies: +ik denk hem er niet vandaan te halen.... en dan zoo een lafbek! heeft +hij wel eens op de plaats, waar hem de Heer Van Botbergen wachtte, +durven verschijnen?" + +"Dat was wel deugdelijk zijn voornemen, toen hij naar het Lischboschje +ging." + +"Dat maakte hij jou en de ganzen wijs; maar hij loog door zijn ziel: +want Botbergen had hem op een andere plaats bescheiden, waar hij den +ganschen dag vruchteloos op hem gewacht heeft." + +"Een knapuiltje van Botbergen, daar UEd. geen geloof aan slaan +moet. Heeft die pochhans zich gisteren wel eens bij den Hofbeer durven +vertoonen, omdat hij bang was, dat de Koning van Bohemen. hem zien +zou, ofschoon de heele Koning van Bohemen met een blaas met boonen +is weg te krijgen." + +"Wat leuter je toch? Is de gansche wereld niet overtuigd, dat Joan +een schelm en een lafbek is?" + +"De gansche wereld is niet overtuigd; want _ik_ geloof het niet, +en Dominee en de Freule ook niet: dat heb ik gisteren gemerkt, toen +zij van het Hof terugkwam." + +"Zoo! waar heb je dat aan gezien?" + +"Tut! tut! Heer Baron! men ziet aan 't been wel, waar de hoos gescheurd +is; had ze geen rood bekreten oogen en bleeke wangen toen zij van Joan +sprak? en heeft de Ambtman wel een zoet woordje van haar gekregen?" + +"Kom! kom! gekheid!" + +"Ik wil wedden, Heer Baron! dat als ik naar hem toeging en zeide: +Jonker! de oude Heer heeft berouw over zijn drift en...." + +"Ik er berouw over hebben?--Ge raast, Bouke!" + +"En wil u gaarne eens weder zien: en, zoo hij uw vader heeft +doodgeslagen, dat was in een wettigen strijd.--En als hij dan hier +kwam...." + +"Hij zal hier wel vandaan blijven," zeide de Baron: "zit hij niet in +een kast daar hij niet zoo licht uit kan raken?" + +"En als hij dan hier kwam," vervolgde Bouke, zonder zich aan zijns +meesters gezegden te storen, "en voor UEd. stond met de tranen in de +oogen en dat vriendelijk, innemend gelaat, dat hij altoos gehad heeft, +en tot UEd. zeide...." + +"Hij zou den bek wel houden!--Is de kerel dol?" + +"En tot UEd. zeide: Mijnheer Van Sonheuvel! ik heb UEd. altijd geëerd +en liefgehad en ben uw achting nooit onwaardig geweest: en die anders +spreken zijn schelmen: en als hij zich dan voor UEd. nederwierp en...." + +"Het zal nimmer zoover komen," zeide Reede, zich met zijn stoel +omdraaiende. + +"En UEd. de hand kuste en die met heete tranen bevochtigde.... wat +zou UEd. dan doen?" + +"Dan zou ik.... dan zou ik.... maar dat zal nimmer gebeuren?" + +"Dan zou UEd. de armen om zijn hals slaan, Heer Baron! en tegen hem +zeggen: knaap, laten wij alles vergeten en vergeven, en weder als +voorheen leven gelijk vader en zoon." + +De Baron rees op zonder een woord te spreken en liep eenige reizen +het vertrek op en neder, terwijl zijn gelaat duidelijk blijken droeg +van een gemoedsstrijd, die in zijn binnenste kampte. + +"Maar die satansche brief!" zeide hij eindelijk, stilstaande. + +"Aha!" zeide Bouke: "die brief! ja dien heeft hij geschreven, dat +kan niemand loochenen!" + +"Welnu?--En levert die geen genoegzaam bewijs op?" + +"Als hij in zijn geheel werd gelezen dan misschien!" + +"Ja! wie kan hem in zijn geheel doen lezen?" + +"Dat kan ik," zeide Bouke met een zegevierenden blik, en haalde twee +stukjes papier voor den dag. + +"Wat zijn dat?" vroeg de Baron, een daarvan haastig opnemende: +"is dat niet Joans hand en hoe kom je daaraan?" + +"Dat zal ik UEd. zeggen; straks, toen UEd. aan 't kuieren was, is +Dominee hier geweest. Die heeft Joan in zijn gevangenis bezocht en +zijn zoon ook, die er voor Arminianerij zit." + +"Zijn zoon? Die arme Hendrik! ik beklaag hem." + +"Ik ook; maar dat doet niets ter zake: toen Dominee het hoorde, dat +UEd. er niet was, zei hij, dat het hem bijzonder leed deed, omdat hij +niet wachten kon; want hij had nog druk werk: en toen vroeg hij mij, +om u deze stukjes te geven, die naar zijn zeggen, bij den gevonden +brief behooren." + +"Dan kunnen wij terstond den ganschen inhoud weten," zeide de Baron, +en haalde het fragment voor den dag, hetwelk in Joans kamer op +Sonheuvel gevonden was. De stukken, welke Dominee had medegebracht, +werden aan weerskanten gelegd en leverden te zamen een geheel op, +van den volgenden inhoud: + + + "Het bewijs uwer nooit volprezen goedheid, dat +ge mij heden deedt toekomen, heeft mij ten minste +van een smart verlost, door mij de zekerheid te +geven, dat uw e dele boezem aan de zoo ongerijmde +als onverdien de beschuldiging en, welke tegen mij +worden ingebracht, alle geloof blijft wei geren. Neen, +mijn Ulrica! hij, die den naam van uw vriend verdienen +mocht, hij is nog ten volle uwer waardig. Misschien +zal het mij in het eerst bezwaarlijk vallen aan den +waarden Heer Baron de vermoedens te ont nemen; doch +houd u des verz ekerd, de tijd zal mij rechtvaardigen, +en den sluier doen vallen, die mijn handelingen +nog bedekken moet, en aan de geheele wereld +toonen, dat de Heer Van Sonheuvel in mij geenszins +zijn vijand, veelmin zijn moordenaar heeft grootgebracht. + +geheel de uwe +J." + + +"Wat drommel!" riep Reede, na gelezen te hebben, "dat briefje luidt +aan Ulrica. Wat hebben wij daarmede noodig?" + +"Is dat de toon van een schelm?" vroeg Bouke. + +"Ik weet niet," zeide de Baron: "doch wat doet hij aan Ulrica te +schrijven?" + +"Wel kijk! heeft hij niet honderdmalen aan de Freule geschreven? Is +dat zijn eenigste kwaad? Heer Baron! wie een hond wil slaan, vindt +licht een stok: maar ik begin waarachtig te gelooven, dat UEd. lust +hebt, een stok te vinden." + +"Zwijg Bouke!.... weet je wat,--morgen komt Zijne Hoogheid hier; dan +zal ik, dat beloof ik u, over Joan spreken: en heeft hij geen schuld, +dan zal hem alles dubbel en dwars vergoed worden." + +Terwijl hij sprak, trad een der dienaars der gravin binnen, en zeide +hem dat de Heer Fiskaal Van Kinschot bij Mevrouw Douairière was en +op ZEd. wachtte. + +"De Fiskaal!" zeide Reede, terwijl hij den bediende volgde: "wat +moet die?.... aha! nu begrijp ik het.... hij zal mij over Joan komen +ondervragen." + +Op deze wijze bij zichzelf mompelende, trad hij in het zijvertrek, +waarin de Douairière met den Fiskaal nederzaten. + +"Mijnheer Van Sonheuvel!" riep deze: "ik ben zoo vrij geweest, mij +bij Mevrouw de Gravin te laten aanmelden, om haar zoowel als UEd. te +vragen, of UEd. ook kennis dragen aan eenige voorwerpen, gevonden bij +zekeren jongeling, onder den naam van Joan door UEd., Heer Baron, +op den huize Sonheuvel grootgebracht."--Dit zeggende leide hij een +pak op de tafel en opende het. + +"Dezen ketting," vervolgde hij, "beweert gemelde jongeling van Mevrouw +de Gravin te hebben ontvangen." + +"Ik herken die," zeide de Gravin: "zij was het loon voor den +gewichtigen dienst, dien hij mij, nog een knaap zijnde, bewezen heeft." + +"En deze kinderkleeren,".... vervolgde Van Kinschot. + +"O! die herken ik," zeide Reede: "het is het pakje, dat hij aanhad, +toen ik hem vond. Hij neemt het altoos met zich, even alsof hem dat +wat helpen zou." + +"Ik herken het fatsoen," zeide de Gravin, terwijl een traan in haar +oogen blonk. "Juist zulke kleedertjes droegen de kinderen in dien +tijd. Mijn kleine Ulrich had een soortgelijk jurkje.... Is het mij +vergund?" Dit zeggende, nam zij het pakje op, ontrolde het, bekeek +het eerst met belangstelling, vervolgens met aandacht en eindelijk +met een scherpe nauwkeurigheid. + +"Indien Mevrouw het pakje nog wat houden wil," zeide de Fiskaal, "zoo +heb ik er niets tegen. De Justitie stelt er geen verder belang in, het +kan dus aan den eigenaar worden teruggegeven. UEd. zal mij verschoonen, +indien ik thans van hier moet vertrekken. Ik heb hedenavond nog zaken +te verrichten, welke geen uitstel kunnen lijden." + +"Mijn God! wat is dat? wat scheelt Mevrouw?" riep de Baron eensklaps +verschrikt uit. + +De Gravin had het jurkje uit haar handen laten vallen: een doodelijke +bleekheid had zich over haar gelaat verspreid en zij was bewusteloos +in haar stoel gezegen. + +Op het gefluit en geroep van den Baron schoten de ontstelde +huisgenooten toe: het duurde niet lang, of de Gravin kwam weder bij +haar zelve. + +"Om Gods wil!" waren haar eerste woorden: "waar is die knaap? hoe +komt hij aan dat jurkje?" + +"Die knaap zit in de gevangenis, Mevrouw," zeide de Baron. + +"Dan wil ik terstond naar die gevangenis toe. Laat Feurich dadelijk +inspannen, en...." + +"Mevrouw! men laat niemand bij de gevangenen," hernam Reede: +"zonder verlof van den Fiskaal, en die is zoo aanstonds vertrokken, +mij verzoekende, UEd. zijn verontschuldiging...." + +"Om 't even! dan wil ik naar den Fiskaal. Dien gevangene wil en moet +ik spreken. O mijn God! zou het mogelijk zijn?" + +"Ik bid UEd. bedaar!" hernam de Baron: "ik wil gaarne zelf naar den +Fiskaal gaan en verlof vragen. Ulrica zal UEd. intusschen gezelschap +houden. Waar is Ulrica?" + +"De Freule is zooeven naar bed gegaan, met zware hoofdpijn," zeide +de kamenier der Gravin: "Leentje is bij haar." + +"Ja, men heeft altijd hoofdpijn den dag voor de verloving," merkte de +Baron aan: "dat weet ik vanouds. Maar ik bid u, Mevrouw de Gravin! zeg +ons toch, vanwaar UEd. opeens zoo aangedaan zijt geworden. Zijn het +die kleedertjes, wier gezicht alleen u zoo getroffen heeft?" + +"Dat jurkje heb ik geborduurd, en niemand anders," zeide de Gravin, +terwijl zij het opnam en met strakke oogen beschouwde. + +"Die gele stof, die roode en groene bloemen.... ik zie den kramer nog, +van wien ik de wol kocht.... O mijn hoofd! mijn hoofd!" + +"Maar Mevrouw! om 's hemels wil," zeide de Baron: "hoe kan UEd. zoo +spreken? dat Jurkje droeg Joan: hoe kan UEd. het dan gemaakt hebben?" + +"Joan.... Joan!...." herhaalde zij op een verwilderden toon: "wie +is Joan?" + +"Joan, mijn pleegzoon," antwoordde Reede; "of zoo UEd. liever wil, +de zoon van den gesneuvelden Velasco." + +"Velasco!.... Een zoon van Velasco zou een kleedje gedragen hebben, +door mijn handen vervaardigd?.... Een kleedje, voor mijn zoontje, +mijn lieveling, mijn Ulrich geborduurd?" + +"Waarom niet, Mevrouw? evengoed als hij den jachthond van den Graaf +van Falckestein zich toeëigende, kon hij zijn kind met den roof van +het uwe optooien." + +"'t Is waar!" zeide de Gravin, strak voor zich heen ziende: +"'t is waar, wat gij daar zegt: en ik was een zottin, om mij te +vleien met een hoop, die nimmer verwezenlijkt kon worden.--Nietwaar, +Beckman!" vervolgde zij tegen haar ouden rentmeester, die insgelijks +in het vertrek was gekomen: "nietwaar, gij hebt het met eigen oogen +gezien, dat een verfoeilijke booswicht het kind...." Hier zweeg zij, +als was de volzin te vreeselijk om uitgebracht te worden. + +"Mevrouw! ich heb het, eilaas! seyen mussen, dat den teifelschen +Jezuïet das kleinen kinde in 's wasser worf," antwoordde Beckman. + +"Ik heb mij door een ijdele begoocheling van 't spoor laten voeren," +hernam de Gravin: "verschoon, Mijnheer Van Sonheuvel! het bespottelijke +tooneel, waar gij getuige van geweest zijt." + +Dit gezegd hebbende, groette zij den Baron met een buiging vol +waardigheid, en verliet het vertrek om zich naar haar slaapsalet +te begeven. + + + + + +NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + Het zal den Vorst believen, + Te vorschen naer 't geheim. + + _Vondel_, Palamedes. + + +Terwijl dit alles voorviel ten huize van de Gravin van Nassau, zaten +Joan en Hendrik Raesfelt, die den geheelen dag, zonder eenig bezoek, +in groote verveling hadden doorgebracht, op den nacht te wachten, welke +verlossing aan moest brengen, toen de knecht des cipiers hun gevangenis +binnenkwam en Joan verzocht hem te volgen, vermits er iemand beneden +was, die hem verlangde te spreken. Deze boodschap verwonderde den +beiden vrienden; want het uur, waarop de poort zich niet meer opende, +was reeds voor een geruimen tijd verstreken; dit belette echter niet, +dat Joan zijn leidsman volgde, die hem in een spreekvertrek bracht, +en hem met een vreemdeling alleen liet. + +Het begon reeds duister te worden en de laatste schemering viel slechts +even in de kamer waar hij zich bevond, zoodat Joan in 't eerst den man +niet herkende, die in een gemakkelijken leunstoel aan een tafel zat +met het eene been over 't andere en de armen gekruist: te meer daar +een hoed met breede randen en donkere veeren hem het hoofd en een +groote mantel de leden bedekte. Eenige oogenblikken gingen voorbij, +waarin de vreemdeling, zonder een woord te spreken, Joan sterk in +'t aangezicht bleef zien. + +"Ben ik het, wien UEd. verlangt te spreken?" vroeg deze eindelijk, +eenigszins geraakt: "of heeft hier een misverstand plaats?" + +"Geen misverstand, volstrekt geen," antwoordde de ander: "gij schijnt +mij niet te herkennen, jonkman, wij hebben elkander toch vroeger +gezien." + +"'t Is waar," zeide Joan "uw stem is mij niet onbekend: doch het is +hier zoo verbaasd duister, dat...." + +"Kapitein Holtvast, van de Garde, om u te dienen: wij hebben elkander +voor vier weken te Tiel ontmoet." + +"Juist, nu herinner ik mij volkomen.... doch hoe wist UEd. dat ik +mij in Den Haag en wel in dezen kerker bevond?" + +"Even alsof ik u gisteren niet op 't Binnenhof gezien had?.... Gij +hebt uw oogen op mij niet willen wenden; het scheen dat er een ander +voorwerp was, hetwelk beter uw beschouwing verdiende.... nu! dat +is billijk,--doch ik zag en herkende u terstond: en om te weten, +dat gij hier geplakt werdt, dat was spoedig ruchtbaar." + +"En UEd. komt mij bezoeken!--Dat is recht hupsch van u." + +"Nietwaar? Ja, ik kom meer doen;.... doch kom wat naderbij en zet +u!.... ik kom meer doen; ik kom u de middelen bieden om u uit dezen +kerker te redden." + +"Waarlijk!" zeide Joan, den kapitein haastig bij de hand nemende: +"geloof, dat mijn dankbaarheid...." + +"Dankbaarheid!" herhaalde de kapitein: "ja, reken op dankbaarheid: +dankbaarheid is klokspijs voor gekken: ik heb nooit meer betalingen +ontvangen dan in betuigingen van dankbaarheid:.... dankbaarheid is +de schil van den citroen, welke men u toewerpt, nadat men het sap +heeft genoten. Dankbaarheid! ja voor den duivel! ha! ha! ha!"--Hier +begon Holtvast op een gemaakte wijze te lachen en scheen toen opeens +in mijmeringen verdiept. + +"Men schijnt uw goed vertrouwen misbruikt te hebben," zeide Joan, +met een eenigzins beschroomde stem. + +"Wat zegt gij, knaap?" vroeg Holtvast met een bulderende stem, +terwijl hij opstond en zijn mantel over zijn schouder sloeg: "wie zou +dat hebben durven doen? of liever: aan wien zou ik mijn vertrouwen +geschonken hebben?" + +Joan zweeg, en zag den kapitein verwonderd aan. + +"Doch dit alles komt hier niet te pas," zeide deze, wederom gaande +zitten: "ik heb u heel wat anders te zeggen: hoor knaap!" vervolgde +hij, terwijl hij zijn kin met beide handen ondersteunde "weet gij wel, +dat het schavot voor u opgericht wordt?" + +Ik geloof, dat er niemand op aarde bestaat, die bij een dergelijke +mededeeling zijn gewone kalmte van ziel bewaren zou. Ook onze held +voelde een kille huivering door al zijn leden gaan, en zag den brenger +dier slechte tijding met strakke oogen aan. + +"Morgen uw laatste verhoor, man!--en dan uw vonnis: de galg kunt gij +niet ontgaan," vervolgde Holtvast met de meeste bedaardheid. + +"Zou UEd. waarlijk denken, dat men zoo spoedig.... en zoo onbarmhartig +te werk zou gaan?" + +"Spoedig!--Ja! misschien nog te langzaam," zeide Holtvast, weder +in zich zelven sprekende: "Onbarmhartig!--maar wat is grooter +barmhartigheid, schelmen te hangen, of schelmen te laten loopen?" + +"Indien deze laatste woorden mij gelden," riep Joan uit, "dan zouden +zij u duur te staan kunnen komen." Bij het uiten dezer woorden sloeg +hij de hand met drift op de plaats, waar hij het gevest van zijn degen +verwachtte. "Ach!" zeide hij: "'t is waar: er is geen degen meer; doch +des te laffer is het van u gehandeld, een ongewapende te beleedigen." + +"Er bestaat hoegenaamd geen oogmerk tot beleediging," zeide Holtvast +met koelheid: "ik sprak met mij zelven.... ik bevind mij dikwijls in +de gelegenheid van alleen mij zelven te kunnen raadplegen;.... doch het +is zooals ik zeide: morgen of uiterlijk overmorgen wordt gij gehangen." + +"Onmogelijk! ik heb niets misdreven, en zonder schuld...." + +"Dat doet niets ter zake, vriend!" zeide Holtvast: "ha! ha! als men +alleen den schuldige hing;.... doch mijn vraag is niet, of gij schuldig +of onschuldig zijt, ik wilde u helpen, lieve vriend, anders niet." + +"Gij zult mij toch niet willen helpen, zoo gij mij schuldig acht?" + +"Hoor!" zeide Holtvast, lachende, en hem tot zich trekkende: "het is +juist, omdat ik u schuldig acht aan hetgeen u ten laste gelegd wordt, +dat ik u redden wil. Ik weet zeer wel, dat gij de agent zijt, door +wien Graaf Frederik Hendrik en Grobbendonck samenspannen." + +"Wel mogelijk," antwoordde Joan, met koelheid: "doch buiten mijn +weten." + +"Wat!" riep de kapitein, opvliegende: "wel mogelijk? houdt gij het +voor mogelijk, dat Graaf Frederik Hendrik...." + +"Waarom niet?" vroeg Joan: "de rechters, die mij ondervroegen, +schenen het wel voor mogelijk te houden." + +"Om 't even," zeide de kapitein, die weder zijn bedaardheid hernomen +had: "doch het kan u niet onbewust zijn," vervolgde hij, fluisterende, +"dat er een plan bestaat om Frederik Hendrik hier aan 't hoofd der +zaken te stellen." + +"'t Is voor 't eerst dat ik er van hoor," antwoordde Joan. + +"Gij behoeft met mij niet te veinzen," hernam de kapitein: "ik weet +alles: ik weet, dat gij van Grobbendonck gezonden zijt om met den +Graaf te onderhandelen:--Ik vermoedde reeds, toen ik u te Tiel zag, +dat gij mede tot het eedverwantschap behoordet." + +"En waarom hieldt ge mij dan toen niet aan?" vroeg Joan, die hem +wilde laten praten, in de hoop van eenige inlichtingen betreffende +zijn zoogenaamde medeplichtigheid aan hoogverraad te erlangen. + +"Of ik gek was?--Ik ben zelf ook in 't geheim, zeide ik u immers. Volg +gij maar letterlijk mijn voorschriften, en ik help u hier uit, eer +het jaar een dag ouder is;.... doch zeg mij vooraf: heeft Grobbendonck +de laatste brieven des Graven wel ontvangen?" + +"Ik herhaal u, ik weet van Graaf, van Grobbendonck, noch van +brieven. Ik heb een pakket vanwege de Remonstrantsche Heeren +medegebracht, zonder te weten wat er inzat: ziedaar mijn heele +misdaad." + +"Gij houdt dus den Graaf voor onschuldig?" vroeg Holtvast, met +overhaasting. + +"Ik hou mijzelf voor bedrogen en vel verder geen oordeel over iemand." + +"Gij wilt dus mijn bijstand niet aannemen om deze droevige gevangenis +en een wissen dood te ontgaan." + +"Ik heb nog niet gehoord, op welke voorwaarden mij uw bijstand +verleend wordt." + +"Vooreerst, dat gij onbewimpeld met mij spreken zult en niet langer +een onbekendheid met de zaken voorwenden, welke u niets baten kan; +ten tweede, dat gij deel neemt in den aanslag.... welken gij kent." + +"Zoo gij volhoudt, niet dan in raadselen te willen spreken, zal het +beter zijn, dat wij ons gesprek eindigen," zeide Joan, zich omwendende. + +"Welnu dan! Ik meen den aanslag.... Begrijpt gij mij nu?" vroeg +Holtvast, met de hand de gebaarde makende van iemand die een dolksteek +toebrengt. + +"Wat! een aanslag om Prins Maurits te vermoorden?" vroeg Joan, +verontwaardigd. + +"En waarom niet?" vroeg Holtvast: "men heeft zijn vader wel vermoord." + +"En gij, een kapitein bij de Garde! Schurk! dit zult gij boeten! Hier +stokbewaarder! dienaars hier! deze wil den Prins vermoorden!--Onder het +uiten dezer woorden was Joan den kapitein aangevlogen en had hem in +de borst gegrepen; doch Holtvast slingerde hem op een onzachte wijze +van zich en wierp hem in den armstoel. Op hetzelfde oogenblik trad de +stokbewaarder binnen op het geroep, en eer Joan weder opgestaan was, +was de kapitein verdwenen. + +"Zacht wat!" zeide de cipier; "wat wil dat gedruisch?" + +"Die schurk wilde den Prins vermoorden," herhaalde Joan. + +"Kom! zotteklap!" hernam de cipier: "ga maar weder naar uw kooi en +slaap uw roes uit, opdat gij morgen verstandig moogt antwoorden, +wanneer gij verhoord wordt." + +"Maar ik verzeker u, dat die guit...." + +"Volgt gij gewillig? of moet ik u laten voortslepen en de boeien +aanzetten?" vroeg de cipier, altijd even koel. + +"Ik ga al," zeide Joan, oordeelende dat de stokbewaarder aan zijn +aanklacht toch geen geloof zou slaan. + +Hendrik hoorde met verwondering naar het verhaal, hetwelk zijn vriend +hem, na zijn terugkomst in de gevangenis, van het zonderlinge gesprek +met den vreemdeling deed. De meest waarschijnlijke veronderstelling +kwam den proponent voor, deze te zijn, dat die kapitein een spion +was van den Fiskaal, die hem kwam uithooren. + +"Dat dacht ik ook een oogenblik," zeide Joan: "doch te Tiel was hij +stellig een kapitein en geen spion.... Het spijt mij, dat ik mij zoo +in 's mans gelaatstrekken en ronde taal vergist heb. Te Tiel beviel +hij mij zoo uitnemend wel, niettegenstaande wij zwaren twist hadden." + +"En hier, waar hij u bijstand kwam aanbieden, beviel hij u niemendal," +merkte Hendrik aan. + +"Gij hebt gelijk," zeide Joan: "maar met dit al zijn de tijdingen, die +hij mij bracht, niet onbelangrijk: en ik begin waarlijk te gelooven, +dat ik wijselijk zal doen, door mij, zoo er eenige mogelijkheid toe +bestaat, aan het gevaar te onttrekken, dat mij boven 't hoofd hangt." + +Raesfelt, die niets liever verlangde, dan Joan tot metgezel in zijn +vlucht te hebben, wendde al zijn welsprekendheid aan om hem in dit +voornemen te versterken. + +"Maar!" zeide Joan eindelijk: "alles is goed en wel: doch is het +gezegd, dat uw Dulcinea, die zeer geneigd is om u te verlossen, +evenzeer er op gesteld zal wezen, om mij aan mijn kerker te laten +ontsnappen?" + +"Ach!" zeide Hendrik, "zou zij weigeren, u, die zoo geheel onschuldig +lijdt, te helpen?" + +"Zal zij aan mijn gezicht zien, dat ik onschuldig ben?" vroeg Joan: +"en daarenboven, wat gaat haar mijn schuld of onschuld aan?" + +"'t Is waar," zeide Hendrik: "doch geen zorgen voor den tijd! laat +ons alles aan Gods bestuur overlaten." + +"Recht zoo!" hernam Joan: "en, ofschoon een Arminiaan," voegde hij er +glimlachend bij: "zult gij toch moeten toestemmen, dat wij ontkomen +zullen, indien het in Gods raad besloten is, dat wij ontkomen moeten." + +"Ik heb tegen dat argument niets in te brengen," antwoordde Hendrik: +"wij zullen intusschen Zijn hulp en zegen bij onze onderneming +afsmeeken." + +Dit geschiedde en de beide vrienden wachtten nu getroost en gelaten +het uur der redding af. + +De klok van den grooten kerktoren had reeds twaalf slagen van zich +gegeven: een doodsche stilte heerschte door heel het gesticht; en nog +hadden de beide vrienden geen gerucht gehoord, dat hun een schijn van +redding aankondigde. Verscheidene minuten verliepen er: nog liet zich +niets hooren: een kwartier: alles was stil als in het graf. + +"Er is zeker iets in den weg gekomen," zeide Hendrik al zuchtende. + +"Of gij hebt de hiëroglyphen, die op het bord stonden, kwalijk +verstaan," fluisterde Joan hem in. + +Op hetzelfde oogenblik hoorden zij opeens een geluid, alsof het slot +der gevangenisdeur opensprong. + +Noch Joan, noch Hendrik spraken een woord; maar zij drukten elkaar +onwillekeurig de hand. Een lang stilzwijgen volgde. + +"Hoe!" zeide Hendrik eindelijk: "ik meende toch gehoord te hebben...." + +"Stil!" zeide Joan, begrijpende, dat degene die buiten was, vreesde dat +het omdraaien van 't slot gehoord geweest ware en eenigen tijd wachtte +met het opendoen der deur, om niet weder opnieuw aandacht te verwekken. + +Eindelijk sprong nogmaals het slot om, en de deur ging open. + +Hendrik trad dadelijk toe, terwijl Joan achter hem bleef. De +duisternis, welke zoowel in de gang als in hun kamer heerschte, +belette hun echter te zien of gezien te worden. + +"Doe uw schoenen uit!" zeide een zachte stem. + +"Dit is geschied," antwoordde Hendrik, die reeds met de zijne, gelijk +Joan met zijn laarzen, in de hand stond. + +"Stil!" antwoordde dezelfde stem: "hier.... reik mij uw hand. Neem +deze twee pistolen." + +Hendrik aanvaardde de beide pistolen en stak er dadelijk een aan +Joan toe. + +"Volg mij nu en spreek geen woord." + +Dit zeggende nam de jeugdige geleidster den gevangenen Hendrik bij de +hand en voerde hem achter zich uit het vertrek waar zij zich bevonden, +de gang door, naar een trap, en voor een venster, hetwelk zij opende: +Joan was hen met zachte schreden gevolgd. + +"Klim hier onbevreesd uit," zeide zij tegen Hendrik: "het regent +buiten: de lucht is bewolkt: niemand zal u zien." + +Hendrik had den linkervoet reeds buiten het venster gestoken, terwijl +hij, den rechterarm om den hals van het lieve meisje slaande, haar +den vaarwelkus op den rozenmond drukte. Dan in hetzelfde oogenblik +vertoonde een gemoedsbezwaar, dat hem reeds vroeger gehinderd had, +zich als een dreigend spook voor zijn geest. Hij trok het been terug. + +"Maar Truitje!" zeide hij: "indien uw vader onze.... ik wil zeggen +mijn ontkoming bemerkt, zal hij dan niet verstoord op u zijn?" + +"Laat dat aan mij over, en haast u," fluisterde Truitje: "nu, hoe is +'t? vertrekt gij of niet? moet ik hier staan wachten tot vader ons +hoort.... dan, ja dan!...." + +"Maar op wie anders zoude zijn vermoeden rusten als op u?" + +"Gek! op u zelve! Zoodra gij weg zijt, ga ik naar uw gevangenis terug +en breek het slot." + +Joan stond op heete kolen. + +"Maar mogen wij uw vader aldus bedriegen?" vroeg Raesfelt. Op dit +oogenblik hoorde men gerucht in het benedenhuis. + +"Voort! voort!" zeide Truitje, "of alle hoop is voor ons +verloren."--Dit zeggende, greep zij, in de duisternis tastende, +Joan bij de hand. Deze liet zich geen tweemalen tot de vlucht +aanmoedigen. Hij stapte naar buiten, voelde een ladder onder zijn +voeten, klom af en stond, weldra op vrijen grond. + +"Goddank!" zeide Truitje: "hij is gered." + +"Ik geloof, dat gij gelijk hebt en dat ik hem volgen moet," zeide +Hendrik. + +"Hoe!" riep Truitje met een gil van verbazing. "Heb ik u het raam +niet zien uitklimmen? Wie was dan die ander?" + +"De deelgenoot mijner gevangenis, mijn vriend, een onschuldige +jongeling, die...." + +"Om 't even: hij heeft althans tienmaal meer gezond verstand dan gij; +want hij weet van de gelegenheid gebruik te maken." + +Hendrik antwoordde geen syllabe; doch Truitje nog eenmaal vaarwel +kussende, nam hij denzelfden weg, dien Joan gevolgd was en stond +weldra beneden op straat. + +Naast de ladder wachtte hem Joan af, benevens een lange stevige knaap, +met een grooten mantel om, die de ladder had vastgehouden. Deze laatste +raapte nu een zwarten mantel van den grond, welken hij Hendrik omsloeg, +en gaf, na een kort fluisteren met dezen, zijn eigen mantel aan Joan; +vervolgens nam hij de ladder onder den arm en wenkte den vluchtelingen, +dat zij hem volgen zouden. + +"Waar brengt gij ons?" vroeg Hendrik hem, zoodra zij een eindweegs +waren opgewandeld. + +"Stil!" gaf hij ten antwoord: "Volg mij slechts: ik breng u bij uw +vrienden.--Wacht! hier zullen wij de ladder nederzetten: die haar +vindt, mag haar aan den eigenaar terugbezorgen."--Dit zeggende, +plaatste hij de ladder tegen een afdak, en voortwandelende, sloeg +hij met zijn volgers een steegje in, midden in hetwelk hun een +manspersoon tegenkwam, die dadelijk op den leidsman aanstapte en hem +met een nauwelijks hoorbare stem toefluisterde: "moeten die Heeren +bij ons zijn?" + +"Ik meen van ja, Jan _Doodeklok_!" [55] zeide de sjouwerman; (want +hooger in rang scheen de geleider der beide vluchtelingen niet te +wezen;) "Mijne Heeren!" vervolgde hij, zich tot dezen wendende: +"Ik groet u. Deze man zal u verder brengen waar gij wezen moet." Met +deze woorden en zonder antwoord of dank te wachten, keerde hij zich +om en haastte zich weg, Joan en Hendrik overlatende aan de zorg der +zoogenaamde _Doodeklok_, die, met een beleefde buiging, doch zonder +den mond te openen, een nauw gangetje insloeg, aan welks einde een +deur was, welke op zijn tikken geopend werd. Dan nauwelijks wilden de +vluchtelingen binnengaan toen zij achter zich de vlugge voetstappen +hoorden van iemand, die hen in het gangetje gevolgd was. Reeds sidderde +Raesfelt op de gedachte, dat hun ontkoming verraden ware: reeds had +Joan de haan van zijn pistool overgehaald, gereed op tegenweer, toen +de nieuwaangekomene het liedje afbrak dat hij binnensmonds neuriede, +en, de _Doodeklok_ gemeenzaam op den schouder tikkende, vroeg of de +vromen al vergaderd waren. + +De _Doodeklok_ beantwoordde deze vraag toestemmend, waarop de onbekende +binnentrad en Joan, die in den donkeren ingang stond, bij den arm nam: +"vergun mij, Mijnheer!" zeide hij: "dat ik mij aan u vasthoude; +want ofschoon ik hier meer geweest ben, zoo ben ik altijd bang, +om in dit donkere gat armen of beenen te breken." + +Joan stond niet weinig ontzet: want hij had de stem van Bleiswyk +herkend en was hoogst beducht voor een ontdekking; echter hield hij +zich bedaard en trad, evenals Hendrik, met hun nieuwen leidsman +de duistere gang ten einde, waarna zij een slecht verlichte trap +beklommen, en voorts weder een lange trap afliepen tot aan een deur, +welke zich op het aankloppen van Bleiswyk opende. Dan welk een schrik +beving de vluchtelingen, toen zij een verlichte zaal en een groote +schaar van menschen voor zich zagen. Beiden verzetteden en wilde +terugtreden; doch het was te laat. Bleiswyk had Joan reeds met zich +naar binnengetrokken, en Hendrik, die niet van zijn vriend wilde +scheiden, volgde hen. + +Het vertrek, waar zij zich thans in bevonden, was ruim, doch laag +en bedompt en met weinige lampen verlicht, welke eene onaangenamen +damp en geen minderen stank verspreidden. Op stoelen en banken van +verschillende grootten en vormen, en welke kenmerken droegen van +overal vandaan geraapt en geleend te zijn, waren onderscheidene +lieden van beiderlei kunne gezeten, meest vermomd of althans wel +dicht in hun mantels en huiken gewikkeld, hoewel sommigen onder hen +hun gewone kleeding droegen en de hoofden vrijmoedig uitstaken, als +wilden zij daardoor toonen, dat zij zich des noods voor hun zaak het +martelaarschap getroosten zouden. Midden in de zaal was een soort +van predikstoel opgericht, waarin een redenaar in 't zwart gekleed, +en wien Joan al dadelijk voor Groenhovius herkende, met de gebaren +eens bezetenen stond te galmen: dichter bij hem zaten eenige lieden, +die in deze vergadering den boventoon schenen te houden: onder dezen +stak uit een lang, deftig gekleed man met spierwitten baard en een +zwarte fluweelen muts op het hoofd. + +Bij het inkomen van Bleiswyk en zijn twee gezellen, schikten zij, +die het naast aan de deur gezeten waren, dadelijk in, en wenkten hun +beleefdelijk toe, dat zij plaats hadden te nemen.--Voordat Bleiswyk +aan deze uitnoodiging verkoos te voldoen, stak hij de handen in de +zijde, wierp den rug achterover en liet in die houding het oog over +de gansche vergadering weiden, waarschijnlijk om de schoone te zoeken, +die hem derwaarts gelokt had. 't Zij dat hij haar niet ontdekken kon, +'t zij dat zij er waarlijk niet aanwezig ware, hij nam een ontevreden +houding aan, wierp zich meer dan hij zitten ging op de hem aangeboden +bank, snoot zich met geweld, stak vervolgens de handen in de zakken en +liet zijn donkerkleurigen mantel openvallen, waardoor zijn prachtige +onderkleedij zichtbaar werd, terwijl hij trotsch om zich heen zag, +als wilde hij zeggen: ik lach wat om ulieden, en het bruit mij weinig, +of gij mij kent of niet. Daarna gaapte hij den redenaar aan en begon +aandachtig naar diens woorden te luisteren. + +Wat Joan en Hendrik betrof, dezen, althans de laatste, begrepen +dat zij, niettegenstaande de kans van ontdekt te worden, hier +misschien hulp zouden vinden onder de Remonstrantsche broederschap; +en daar zij toch te ver gekomen waren om ongemerkt weder te kunnen +vertrekken, plaatsten zij zich naast Bleiswyk, echter zorg dragende, +hun gelaat met hoed en mantel te bedekken; dan hoe ontstelde Joan, +toen hij niet ver van zich af een heer zag zitten, die, schoon hij +ook vermomd was, bijna terstond door hem voor den Fiskaal Van Kinschot +herkend werd. Vol angst van door dezen gezien te worden, trok nu Joan +den hoed nog dieper in de oogen, en verborg de punt van zijn neus +(alles wat er van zijn persoon nog zichtbaar was) achter de holte +zijner hand, terwijl hij als een zoutzak in elkander kroop. Hendrik, +die den Fiskaal niet herkend had, leende dadelijk zulk een aandacht +aan de predikatie, dat hij daardoor al spoedig vergat de noodige +voorzorgen te nemen, welke hem konden verbergen. Groenhovius had, +naar het bleek, tot tekst zijner redevoering genomen de woorden des +heiligen geschiedschrijvers Lucas, wanneer hij de bekeering van Saulus +verhaald hebbende, van de Apostelen zegt: "zij vreesden hem allen, +niet geloovende dat hij een discipel was."--Met veel arglistigheid +wist hij, zonder iemand te noemen, in den loop zijner predikatie, +den tekst in zijn geheel verband toepasselijk te maken op Graaf +Frederik Hendrik, terwijl hij door zijn zijdelingsche aanduidingen +aan de gemeente zocht diets te maken, dat zij van dien vorst alleen +haar hulp en verlossing te wachten had.--"Ja," riep hij uit met een +vervaarlijke stem, terwijl hij gedurig met de breede vuist op den voor +hem liggenden Bijbel sloeg: "hoor mijn stemme, gij kuddeke Israëls, en +geloof mijn woorden, niet aan hen gelijk zijnde, die ooren hebbende, +niet hooren, en, oogen hebbende, niet zien willen. Want weet, uit +Edom, uit Galilea der volkeren, uit de landpale der vijanden is hij +voortgekomen, die de groote verlossinge Israëls teweeg zal brengen, +en zijn naam is Wonderlijk! Zegt niet in uw harte: kan er iets goeds +uit Nazareth komen? Want hier geschiedt meer, en uit dat geslachte +Pharaonis, uit den huize Sauls, is deze reize het licht opgegaan: +uit Egypte heb ik mijnen Zoon geroepen, en het is wonderlijk in onze +oogen; en de Heer heeft hem met kracht bekleed en tot hem gezegd: +ik ben met u, gij strijdbare held! ga henen in uwe kracht, en gij +zult Israël uit der Midianieten hand verlossen: dus wantrouw niet +meer, gij huize Davids! en wees niet ongeloovig; want gij zult uwe +vijanden zien vertreden in den grooten wijnpersbak des toorns Gods, +en daar zal bloed uitkomen tot aan de toornen der peerden, duizend +zeshonderd stadiën verre! en als men vraagt en zeggen zal de een +tot den anderen: wie heeft dat stuk gedaan? dan zal men antwoorden: +Gideon de zoon van Joas, heeft dat stuk gedaan. Doch wie is nu Gideon +de zoon van Joas? Vraagt gij het nog? Begeert gij nog een teeken, +gij kleingeloovigen? en weet gij nog niet, wie de ware Jozef zijn +zal? Ziet, ik zal nog duidelijker spreken. Jacob, de aartsvader, +Jozefs vader, was uit een grooten en machtigen stam;--en ook de vader +van onzen Jozef was van aanzienlijken huize. Jacob heeft gestreden +met machtiger dan hij, en overmocht hem:--en de vader van onzen Jozef +heeft van gelijken gedaan. Jacob heeft een zwervend leven geleid:--en +de vader van onzen Jozef niet minder. Jacob heeft vier wijven gehad; +doch Rachel had hij lief en zij baarde Jozef:--onze Jacob had ook vier +wijven; doch zijn Rachel heeft hem onzen beschermer gebaard. Jozefs +oudere broeders hebben het bloed der rechtvaardigheid geplengd, hun +handelingen zijn werktuigen van geweld geweest; en ook de ouder broeder +van onzen Jozef heeft in zijnen toorn de mannen doodgeslagen, die den +vaderlande dierbaar waren; doch onze Jozef zal het afgebrokene weder +oprichten en de verdorde takken weder bloeien doen. Dus waakt! want +de ure is nabij, waarin deze dingen geschieden moeten! Gordt aan het +zwaard ten strijde, versterkt de lendenen zeer!" + +Met een verbazende vlugheid en kracht van stem had Groenhovius tot +dusverre een voorstel uitgebracht, hetwelk, ofschoon het thans in +vele opzichten wartaal zal schijnen te behelzen, echter niet naliet, +op dat tijdstip en bij zulke toehoorders een verwonderlijken indruk te +maken, toen hij opeens in het vervolgen zijner rede belet en door een +anderen spreker vervangen werd. Hendrik Raesfelt had namelijk niet +dan met ongeduld en verontwaardiging de oproerige en doldriftige +taal des Predikants aangehoord; doch toen deze in het laatste +gedeelte der door ons aangehaalde toespraak de gemeente kennelijk +tot burgeroorlog aanspoorde, was hij buiten staat zich langer te +bedwingen; driftig opgesprongen zijnde, drong hij door de menigte +heen tot voor den kansel, en greep Groenhovius heftig bij den arm: +"Van hier, gij Beliäls zoon!" riep hij driftig uit: "wie geeft u last +en commissie tot het voeren eener zoo gruwelijke taal? Durft gij, +de leeraar des vredes, de ongelukkige gemeente tot oproer manen?" + +"Braaf gesproken!" zeide Bleiswyk overluid: "dat is taal, die men +verstaat: dat andere was zoo diep, dat niemand het vatten kon, die +niet gestudeerd had." + +"Wat onvoorzichtigheid!" zeide Joan tot zich zelven: en meteen +gebruik makende van de algemeene opschudding, welke dit voorval +had te weeggebracht, drong hij zich dichter bij den predikstoel, om, +ingeval van nood, Hendrik bij te kunnen springen. Voorzichtiger had hij +misschien gedaan met het voorbeeld te volgen, dat eenige der aanwezigen +gaven, die zich bij de eerste verwarring uit de zaal maakten. + +"Jonkman! wie zijt gij, die mij zoo stout het woord durft +afnemen?" vroeg Groenhovius: "ben ik niet de gezondene en geroepene +van omhoog, die den volke leeren moet, wat het noodig heeft te weten?" + +"Leugenprofeet!" riep Hendrik, Groenhovius overschreeuwende: "is dit +het Christendom, dat gij leert? al wat gij zegt is uit den Booze!" + +"Afvallige!" brulde de Predikant, aan wien een der bijstanders Hendriks +naam had in het oor geblazen: "_scelerate! nonne Raesfeldii filius?_ +[56] Gelooft hem niet, broeders! hij is de zoon van den boozen +Raesfeldii, en als hij een verdrukker der gemeente, die welbehagen +heeft in onzen dood." + +"Jongeling!" zeide nu de man met de fluweelen muts, die +naast Groenhovius gezeten had, terwijl hij opstond en Hendrik +terugstootte! "laat af van den vromen man; want hij spreekt de woorden +der waarheid: zie om u heen: de groote verlosser Israëls, wien hij +bedoelde, is onder u, is in deze vergadering gekomen, om uwe valsche +beschuldiging te logenstraffen." + +"Ha! wien hebben wij hier!" riep Joan, die deze stem herkende, voor den +dag springende en den onbekende zijn valschen witten baard afrukkende: +"Pater Eugenio in dezen kring!" + +Aller oogen wendden zich op den Jezuïet, die dus ontdekt in hun midden +stond; doch op hetzelfde oogenblik werd de aandacht wederom afgetrokken +en op een anderen bijstander gevestigd, die, zijn mantel openslaande, +zich voor graaf Frederik Hendrik kennen deed. + +"Ja, ik ben hier gekomen," zeide deze: "doch geenszins...." + +"Wat onvoorzichtigheid! om 's Hemels wil! Uwe Doorluchtigheid," zeide +Ludwig, die nevens hem stond, terwijl hij zijn best deed om hem zijn +mantel weder om te slaan. + +"Laat af, Ludwig!" riep de Graaf: "ik moet redenen van mijn gedrag +geven: ik moet aan deze onberaden lieden zeggen, dat...." + +"Die redenen zult ge mij geven," zeide, op een half gesmoorden, +doch strengen toon, iemand, die, in een grooten mantel gewikkeld, +achter hem oprees en hem op den schouder tikte. + +"Maurits!" zeide de Graaf, zich verschrikt omwendende. + +"Stil!" beet de Prins hem in 't oor: "ik wacht u tot mijnent. Kom, +Van Kinschot! laat ons gaan."--Na het uiten dezer woorden drong hij +in hevige gemoedsbeweging de kamer uit. De Fiskaal volgde hem: ook +verscheidene der aanwezigen, die den Prins herkend hadden en voor +de gevolgen begonnen te vreezen, welke hun tegenwoordigheid in deze +vergadering hebben kon. Frederik Hendrik was als versteend blijven +staan; totdat Ludwig hem zijn mantel omsloeg en hem bijna als een kind +de kamer uitgeleidde. Inmiddels had Eugenio zich door een zijdeur +weggemaakt. Groenhof had mantel en bef van zich gesmeten en zich +onder de menigte begeven. Hendrik Raesfelt, zijn onvoorzichtigheid +bespeurende, begon ook naar een goed heenkomen te verlangen en zocht +Joan, doch vruchteloos, onder de nog aanwezige personen, toen een +zijner geloofsgenooten, wien hij te Amsterdam gekend had, hem met +zich nam, met belofte van hem een veilige schuilplaats te bezorgen. + + + + + +DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + De brief was toegezegelt + Met 's Konings eigen ringh, doch 't wapen is misluckt + In 't zeeglen, en de hant in 't schrijven wat gedruckt. + + _Vondel_, Palamedes. + + +"O Van Kinschot!" riep de Stadhouder uit, toen hij met den Fiskaal +aan het Hof teruggekeerd was, zich weemoedig in een armstoel werpende: +"en hij, die mij verried, was mijn broeder." + +De Fiskaal zuchtte en antwoordde niet: hij wist, dat niets ongevalliger +en van minder uitwerking is, dan troostwoorden, wanneer de geslagen +wonde te diep is om door andere geneesmiddelen dan tijd en geduld te +worden geheeld. + +"Die ondankbare!" vervolgde Maurits: "en op welk een oogenblik +verraadt hij mij? nu ik zijn diensten het meest zoude behoeven! O +hemel! zou ik nog eens met een bloedend hart moeten straffen en den +arm der gerechtigheid inroepen op hem, die mij dierbaar was. O mijn +vader! toen gij uw jongsten zoon aan mijn zorgen zoo teederlijk hebt +aanbevolen, dacht gij weinig, dat ik in hem een slang zou opvoeden, +die mij eenmaal naar de hartader steken moest." + +"Welke bevelen zal Uwe Hoogheid mij geven?" vroeg Van Kinschot, +met een droefgeestig oog den Stadhouder aanstarende. + +"Geene!--volstrekt geene!--zoo er nog één vonk gevoel in den verrader +is overgebleven, zal hij mij om vergiffenis komen smeeken;.... in +het omgekeerd geval wil ik hem den tijd laten, zich door de vlucht +te redden." + +"Doch zijn aanhangelingen?" hernam de Fiskaal: "doch die schandelijke +oproerprediker? moet die niet gevat worden?" + +"Dat was uw zaak geweest," antwoordde Maurits: "zoo laag kan mijn +toorn nu niet dalen." + +"Uwe Hoogheid had mij verboden, eenige bezetting rondom de +vergaderplaats te stellen: ware dit gebeurd, geen muis zou het +ontkomen zijn." + +"En morgen had geheel 's-Gravenhage geweten," viel de Prins driftig +in, "dat ik mij vermomd onder die schelmen begeven heb, ten einde een +broeder te bespieden;... doch zullen zij dit toch niet vernemen?.... ik +ben overtuigd, dat menigeen mij herkend heeft." + +"Daarom juist wilde ik hen allen gevat hebben, om de zaak geheel +te versmoren." + +"En mijn schande voor de rechtbanken bekend te maken?--Neen, Van +Kinschot! deze zaak is tusschen mijn broeder en mij alleen; daarom +wilde ik, slechts van u vergezeld, mij gaan overtuigen van de waarheid +der bij u ingekomene berichten; daarom ondervroeg ik zelf den brenger +van het noodlottige pakket; want hoe kon ik hem voor schuldig houden +op de enkele bewijzen der aan hem gerichte brieven?" + +"Misschien," zeide Van Kinschot op een weifelenden toon, "had de +tegenwoordigheid van Zijne Doorluchtigheid in die vergadering eene +zeer billijke reden, die...." + +"Paai mij niet met zulke praatjes," zeide Maurits, hem met drift +in de rede vallende; "zou hij zich dan openlijk aan die vergadering +vertoond hebben, om de gezegden van dien schurk te bevestigen?.... De +Hemel gave, dat ik twijfelen mocht." + +In dit oogenblik trad de kamerdienaar des Prinsen in en meldde Zijne +Doorl. Graaf Frederik Hendrik aan. Een kille huivering beving den +Prins; doch, zich spoedig herstellende, gaf hij last zijn broeder te +laten bovenkomen, verzocht den Fiskaal, zich in een ander vertrek +te begeven, en wachtte toen, niet zonder van angst en droefheid te +beven, de komst des Graven af, terwijl hij in zichzelven mompelde: +"Zijne Doorluchtigheid! ja, wel doorluchtig! ik zie hem door en door." + +Frederik Hendrik trad binnen met dien weifelenden stap, die verbleekte +en ontstelde wezenstrekken en die onzekere houding, welke zoowel het +kenmerk zijn van den onschuldig betichte, die geen kans ziet om zijn +onschuld aan den dag te brengen, als van den overtuigden booswicht: en, +in waarheid, nooit had hij zich in zulk een moeilijke, ja gevaarlijke +omstandigheid bevonden. De rechter, voor wien hij verschijnen moest, +was, wel is waar, zijn broeder, die hem steeds liefde, achting en +vertrouwen betoond had; doch die nauwe graad van bloedverwantschap, +welke tusschen den klager en den beschuldigde bestond, maakte 's +Graven toestand des te beklagenswaardiger, door zijn droefheid te +vermeerderen, dat hij een voorwerp van verachting en afschuw in de +oogen zijner nauwste betrekking geworden was. Daarenboven kende +hij Maurits, die, hoe oprecht en goedhartig van nature, door de +omstandigheden, door het bedrog en de vijandschap van hen, die hij +als vrienden had aangemerkt en door de menigvuldige tegen hem gesmede +aanslagen, opvliegend en achterdochtig geworden was. Wij hebben uit +de mededeeling van de inzichten en voornemens, die Frederik Hendrik +aan zijn Secretaris gedaan had, gezien, dat deze Vorst, schoon uit +edele en onbelangzuchtige beginselen handelende, niet vrij was, +van de Remonstranten meer dan eens ondersteund te hebben, somtijds +tegen het uitgedrukt verlangen zijns broeders; en thans zag hij +duidelijk in, hoe deze handelwijze, welke niet te ontkennen viel, +gevoegd bij zijn tegenwoordigheid op de nachtelijke bijeenkomst, +de tegen hem opgevatte vermoedens in kracht moest doen toenemen, +en hoe bezwaarlijk, zoo niet onmogelijk, een verontschuldiging hem +zou vallen. Hij mocht, ja, nog op de liefde, op de toegenegenheid +zijns broeders rekenen! doch hij wilde zijn onschuld erkend, niet +zijn schuld vergeven zien: en, zoo dit laatste al gebeuren mocht, +het eerste scheen hem toe bezwaarlijk te kunnen geschieden. + +Toen hij de zaal ingetreden en Maurits eenige stappen genaderd was, +bleef hij, ontzet door den strengen en doordringenden blik, welken zijn +broeder op hem gevestigd hield, plotseling staan en zag voor zich naar +den grond als een arme aangeklaagde, die voor de vierschaar verschijnt, +aan welke de uitspraak van zijn lot verbleven is.--Maurits liet hem +eenige oogenblikken in die houding staan, alsof hij verwachtte, dat +de Graaf het eerst zou spreken: hij hoopte, dat deze, van schuldbesef +doordrongen, zich aan zijn voeten werpen en om vergiffenis bidden +zou; hiertoe wilde hij hem de gelegenheid laten; doch toen hij zag +dat Frederik Hendrik als in den grond genageld staan bleef, vroeg +hij met een flauwe en toch ernstige stem: "welnu! wat wilt ge?" + +De toon, waarop deze vraag gedaan werd, deed het hart des Graven +sidderen als met een electrieken schok. Hij herkende daarin de +stem van den gestrengen rechter en tevens die van den diep gewonden +broeder. Zich niettemin met moed wapenende, richtte hij het naar den +grond gebogen voorhoofd op en zeide met een afgebrokene stem, welke +de onrust zijner ziel aanduidde: "gij hebt mij bescheiden, Maurits!" + +"En is dat de reden uwer komst?" vroeg Maurits, met hevigheid +losberstende: "en zoo ik u niet bescheiden had, zoudt gij dan niet +gekomen zijn?--Dan heb ik u niet noodig." + +"Maurits!" zeide de Graaf, naar zijn broeder toetredende en de +beweging makende, alsof hij zijn handen wilde vatten: "zoo moeten +wij niet tot elkander spreken." + +"Terug!" zeide de Prins, zijn stoel achteruitschuivende: "geen stap +verder! Ik wil u niet in de gelegenheid stellen, een broedermoord te +kunnen begaan." + +"Almachtige God!" riep Frederik Hendrik met ijzing uit: "wie kon u +zulke denkbeelden van mij inboezemen?" + +"Wie?--uw gedrag:--hij, die zoo diep ontaard is, dat hij, met den +huichelachtigen lach der onschuld op het wezen, zijn broeder, zijn +vorst misleiden kan, zijn Godsdienst verloochenen, zijn vaderland +verraden en met snoode dienaars en schelmen heulen, is even goed tot +een broedermoord in staat." + +"Maurits!" zeide met nadruk de Graaf, in wiens gemoed de +verontwaardiging over zulk een opeenstapeling van onverdiende +betichtingen de overhand nam boven droefheid en angst: "durft gij +uws vaders zoon van zulke boosheden verdenken?" + +"Ik verdenk u niet meer," antwoordde de Prins met een verachtenden +glimlach: "dat deed ik dezen morgen: waar de zekerheid bestaat, +houden de vermoedens op." + +"Gij zult mij dan onverhoord verwijzen?" vroeg Frederik Hendrik; +"gij zult mij, uw broeder, die billijkheid weigeren, die gij den +laagsten booswicht niet ontzeggen zoudt?--Is dat de rechtvaardigheid, +waarop Maurits roem durft dragen?" + +"Ik luister," zeide Maurits: "wat hebt gij tot uw verschooning in +te brengen?" + +"Ik dien eerst te weten waarvan ik beticht worde," antwoordde zijn +broeder met de fierheid van een rein geweten. + +"Ellendige!" riep Maurits, vol gramschap opspringende;--doch spoedig +de verloren zelfbeheersching terugnemende, vervolgde hij op een +zachteren, ofschoon bitteren toon: "doch gij hebt gelijk; men moet u +niet van den aard uwer schuld onbewust laten.--Dan, waarmede zullen +wij beginnen? de bezwaren zijn zoovele in getal."--Hier zweeg hij, +bezig met te overdenken, op welke wijze hij het best in de ziel zijns +broeders grijpen kon. + +"Ik ben gereed alles op te helderen," zeide Frederik Hendrik. + +"Hebt gij," vroeg eensklaps zijn broeder, "de vrouw van Bysterus niet +met geld ondersteund?" + +"En sedert wanneer," vroeg de Graaf op zijn beurt, "kan een aalmoes +iemand tot misdrijf worden aangerekend?" + +"Bewimpel uwe gedragingen niet met den mantel van godsvrucht," zeide +de Prins: "gij hebt haar niet alleen, maar honderd anderen van haar +sekte, ja zelfs bannelingen en door de wet veroordeelden met raad +en daad bijgestaan. De bewijzen hiervan zijn in mijn handen. Had +uw medelijdend hart alleen u daartoe vervoerd, ik zou mij wachten +u deswege een verwijt te doen hooren: alleen zou ik u in dit geval +tegen de gevolgen waarschuwen; doch de wijze, waarop de weldaden, of +liever die giften en raadgevingen zijn uitgedeeld, maken uw gedrag +strafwaardig en toonen genoegzaam aan, dat zucht om scheuring te +verwekken en oproer aan te hitsen uw eenige bedoeling was." + +"God kent mijn hart en de reinheid mijner oogmerken," zeide de Graaf, +terwijl hij de oogen ten hemel sloeg en de hand op zijn hart legde. + +"En uw komst op de Arminiaansche vergadering, was die ook door een +rein oogmerk bestuurd?" vervolgde Maurits, zich op de lippen van +gramschap bijtende. + +"Mijn tegenwoordigheid aldaar," hernam zijn broeder, "was een dwaasheid +en niet meer.--Ik was gewaarschuwd, dat op soortgelijke vergaderingen +nu en dan door de predikers slechte en oproerige aansporingen tot +muiterij aan de broederschap gegeven werden: en ik wilde mij met eigen +ooren van de waarheid dier woorden overtuigen en mij verzekeren of +ik inderdaad mijn weldaden aan onwaardigen verspild had." + +"Gij weet een schoonen glimp aan uw handelingen te geven. Op de +vergaderingen te gaan om te zien hoe het aldaar gesteld is!.... Uit +loutere nieuwsgierigheid om met eigen ooren te vernemen of.... geef +liever geene, dan zulke antwoorden, Mijnheer!" + +"Zoo Uwe Hoogheid," hernam Frederik Hendrik met waardigheid, +"vooraf besloten heeft, mijn verschooningen niet te willen aannemen, +dan acht ik het noodeloos, verdere moeite tot mijn verdediging te +doen. Ik had gehoopt, gewaand, dat in den boezem van Uwe Hoogheid +nog een broederhart voor mij klopte; doch ik vind alleen een koelen, +onbarmhartigen rechter, wien ik, vermits hij onbevoegd is mij als +_zoodanig_ te verhooren, geen verder antwoord behoef te geven." + +"Frits!" zeide de Prins, zijn stoel haastig naderbij trekkende: "de +Hemel weet, dat ik niets liever zou wenschen, dan uw onschuld helder +aan het licht te hebben gebracht;--doch antwoord mij, in den naam +des Eeuwigen Rechters, voor Wien wij allen eens verschijnen zullen, +wat deedt gij in dat Arminianenhol?" + +"Ik heb u de waarheid gezegd," antwoordde zijn broeder, "de zuivere, +onvervalschte waarheid." + +"Frits! Frits!" hernam Maurits, het hoofd op de vlakke hand leunende, +en eenige tranen stortende, die van oprechtheid zijns harten +getuigden: "hoe kunt gij uw broeder, uw liefhebbenden broeder, aldus +behandelen! Waarlijk, ik zag u met meer vermaak aan 't hoofd van +een Spaansch leger Den Haag insluiten en mij bevechten, dan dat ik +u tot zulke ellendige spreukjes de toevlucht nemen zie. Heb ik niet +alles gehoord en gezien? Zijt gij niet midden in de zaal gaan staan +om de woorden van een dier schelmen te bevestigen, en aan te toonen, +dat gij u werkelijk in die vergadering bevondt?" + +"Om den oproerkraaier te logenstraffen en de aanwezigen omtrent mijn +bedoelingen uit den waan te brengen," antwoordde de Graaf. + +"Waarachtig," zeide Maurits met bitterheid: "ik heb u niet laten +uitspreken; 't is waar: men had anders ongetwijfeld wat schoons +gehoord." + +"Met uw verlof," zeide Frederik Hendrik, in de hoop van de kracht +der beschuldiging te verminderen, door haar op zijn broeder te doen +terugkaatsen: "waarvan beticht ge mij? Hebt gij zelf niet zoowel als +ik die bijeenkomst met uw tegenwoordigheid vereerd?" + +Hij deed deze vraag op een half schertsenden, althans gemeenzamen toon, +terwijl hij, de tafel, waaraan de Prins gezeten was, naderende, met +de eene hand daarop leunde en zijn broeder vriendelijk aanzag: doch +zijn vraag had een geheel andere uitwerking dan die, waarmede hij zich +gevleid had. De Stadhouder, wanende, dat zijn broeder hem een listigen +strik wilde spreiden om hem, naar gelang van zijn antwoord, in zijn +eigene woorden te vatten, sprong in losgebarsten gramschap op, evenals +een lijder, wien de heelmeester bij het verbinden eener pijnlijke wond, +onwillekeurig, met de speld, welke de windsels vast moet hechten, +in de gevoelige deelen treft. Zijn gelaat werd purperkleurig: zijn +handen beefden als popelbladen en zijn stem geleek aan het rauw geluid +des tijgers, die zich in de kuil des jagers begraven vindt. + +"Ha, slang!" brulde hij: "is dit uw helsche list? mijn oogmerken mij af +te vragen om daardoor de uwe te bedekken! Ja, ik ben daar ook gekomen: +ik ben daar, evenals gij, gekomen omdat ik gewaarschuwd was, dat er +oproer gepredikt werd, en dat mijn.... broeder er mede deel in had." + +"Gij kwaamt dus om mij te bespieden?" vroeg Frederik Hendrik, bedaard +achteruittredende: "een ware trek van broederliefde!" + +"Beleedigt ge mij nog, verrader!" grauwde Maurits, wiens gramschap nu +den hoogsten top bereikt had, hem toe: "sidder voor mijn toorn!" Met +het zeggen van deze woorden sloeg hij de rechterhand aan het gevest +van zijn degen, terwijl hij de linkervuist ophief en er zijn broeder +mede dreigde. + +"Maurits!" zeide deze, innig geroerd: "keer tot u zelven." + +De Graaf had nog niet uitgesproken, of de woede des Prinsen was reeds +bedaard. In de zaal, en recht over de plaats, waar Maurits gezeten had, +hing een volkomen gelijkend afbeeldsel van zijn doorluchten vader, den +stichter der Nederlandsche vrijheid. De Prins was op het laatst zijns +levens uitgeschilderd, en droeg niet de wapenrusting, waarmede hij +zich zoo dikwijls aan het hoofd zijner wakkere scharen vertoond had, +maar den eenvoudigen huispels, welken hij aanhad, als hij des avonds +bij zijn beminde gade en in 't midden zijner waardste panden gezeten +was. De kunstenaar had meesterlijk die uitdrukking van reine kalmte +des harten, van dankbare tevredenheid en van onwrikbare gelatenheid +getroffen, welke op het innemend gelaat van vader Willem te lezen +was en de strenge diepzinnigheid des ondoordringbaren staatsmans +temperde. Op het oogenblik dat Maurits, door de onstuimige opwelling +der gemoedsaandoeningen weggesleept, zijn broeder tegentrad, viel +zijn verwilderd oog onwillekeurig op dat afbeeldsel, en hij waande, +in dien ernstigen en toch liefderijken blik, in de trekken van den +mond, waarin weemoed en gulheid uitgedrukt waren, een stil verwijt te +lezen. Het was hem, of zijn vader gereed was, de lippen te openen en +hem op een hartroerende wijze over een drift te berispen, die hem +de hand tegen zijn broeder deed opheffen: tegen een broeder, wien +hij zoo plechtig beloofd had, een getrouw en standvastig vriend en +beschermer te strekken. Het hart van Maurits, dat niet alleen + + + Achilles heldenmoed en kinderlijke oprechtheid + + +ten toon spreidde, doch ook, als het hart van Achilles, even spoedig +tot vergiffenis als tot toorn geneigd was, deed zich op 't zelfde +oogenblik een nog grievender verwijt dan 't geen uit 's vaders oogen +sprak. Beschaamd trad Maurits terug, bukte het hoofd als een edele +windhond doet, wanneer hem zijn meester bestraft heeft, ontgespte +zijn degen en liet dien met bandelier en al op den grond vallen, +waarna hij zich in zijn stoel wierp en het gelaat in beide handen +verborg. Zijn broeder, door dien onverwachten omkeer niet min bewogen +dan door de drift waarvan die het gevolg was, trad dadelijk toe en +trachtte door vleiende woorden en uitboezemingen vol trouwhartigheid +en broederliefde, het ontsteld gemoed des Prinsen weder tot bedaardheid +te brengen, + +Dan deze, schoon hij op zichzelven ontevreden was, had geenszins de +overtuiging van 's Graven verraderij verloren. Zoodra zijn droefheid +over de aan den dag gelegde hevigheid bedaard was, keerden al zijn +denkbeelden weder tot het punt, waarvan zij waren uitgegaan, de +ontrouw zijns broeders. Het hoofd wederom oprichtende, maakte hij met +de rechterhand een afwijzende beweging, en wenkte Frederik Hendrik, dat +zijn plaats niet bij hem, maar aan het benedeneinde der tafel was. De +schouders zuchtend ophalende, hernam de Graaf zijn vorige plaats. + +"Gij misduidt mij," zeide Maurits, "zoo gij denkt, dat mijn ontroering +aanduidde, dat mij uw veinzerij had verblind. Zoo ik op mijzelven +toornig ben, het is, omdat ik mij zooverre liet vervoeren, dat ik +een ambt ging verrichten, hetwelk alleen den scherprechter toekomt." + +"Ongelukkige!" hernam de Graaf: "ik beklaag u, zoo gij er berouw +over kunt gevoelen van een oogenblik naar de stem van natuur en +menschelijkheid te hebben geluisterd." + +"Frits!" riep de Prins, terwijl de tranen hem langs de kaken +stroomden; "denkt gij dan in ernst, dat het mij niets zou kosten, +mijn broeder, wien ik van zijn kindsheid af bemind en verzorgd heb, +als een staatsverrader aan de geschonden wetten prijs te geven? Bloed +zal ik schreien; doch ik zal rechtvaardig zijn:--hoor, Frits! weet +gij wat het is, rechtvaardig te _moeten_ wezen? hebt gij, als ik, +u ooit in de omstandigheid bevonden, dat de veiligheid, het belang, +ja, het geheele welzijn van dit arme volk het vorderen, een ouden +Staatsdienaar, een grijsaard, die met den voet in 't graf stond, een +man, die oneindige diensten aan mij en aan het Gemeenebest bewezen had, +en die, ter dood veroordeeld, geen genade vragen wilde, te _moeten_ +overgeven aan de wraak dier gehoonde wet? Weet gij, wat het zegt, een +wel verdienden en met moeite verkregen roem van rechtvaardigheid te +hebben opgeofferd om der rechtvaardigheid wille?--Ik heb het vonnis +van Oldenbarneveldt bekrachtigd, omdat hij schuldig was: ik heb het +bekrachtigd, omdat ik hem haatte, den ouden heerschzuchtige! ik +zou het evenzeer bekrachtigd hebben al had ik hem liefgehad. Nu +weet ik dat men binnens- en buitenslands mij van wreedheid, van +ondankbaarheid beschuldigt: dat het niet altijd billijk nageslacht, +op de daad meer dan op de drijfveeren lettende, mijne vijanden na +zal praten, en, zich vermetel als rechter mijner daden opwerpende, in +mijn grootste zelfopoffering niets dan zelfbelang en vuige staatzucht +zien zal. Ik weet dit: nog meer: ik wist dit alles, toen ik schreiend +het doodsbevel onderteekende: en echter, ik heb de zorg voor mijn +roem, voor mijn eer bij de nakomelingschap, laten varen, en alleen +het belang des lands en de handhaving der wet geraadpleegd. Thans, +oordeel over mijn tegenwoordigen toestand! nu ik u, die mij dierbaar +zijt, oneindig schuldiger vind, dan de Advocaat geweest is. Overweeg +nu, welk een vreeselijke taak uw handelingen mij voorschrijven en of +ik gronden heb om mij diep ongelukkig te noemen! Want, zoo ik toen +rechtvaardig was, toen het mijn vijand gold, ik zal het ook heden +zijn nu het mijn broeder gelden moet." + +Vermoeid van deze rede, welke hij met een krachtige stem had +uitgebracht, zweeg de Prins en zag zijn broeder aan, om den indruk +gade te slaan, welken zijn taal op hem had teweeggebracht. + +"Ik weet, dat gij rechtvaardig zijt," zeide Frederik Hendrik, na +eenige oogenblikken zwijgens: "en daarom verwondert het mij, dat gij, +alleen wegens een geldelijken onderstand, aan ongelukkigen uitgereikt, +en wegens eene, ik herhaal het, geheel onschuldige bijwoning van een +Arminiaansche vergadering, mij van hoogverraad beticht." + +Hier zag de Stadhouder hem eerst met eenige verwondering en vervolgens +met zulke scherpe blikken aan, alsof hij de verborgenste kuilen +zijns harten doorschouwen wilde. "Frits!" zeide hij ten laatste: +"gij zijt òf de miskende onnoozelheid in persoon, òf de grootste +huichelaar die ooit bestaan heeft:--hebt gij u dan niets anders te +verwijten dan hetgeen gij daar opnoemt? Hoegenaamd niets?" + +"Tegen u en den Staat?--Hoegenaamd niets." + +"Niets?" herhaalde Maurits: "welaan, wij zullen zien:--Heer +Fiskaal! wees zoo goed eens binnen te komen." Dit zeggende, stond +hij op en sloeg met de gesloten vuist ongeduldig op de tafel. Op +het oogenblik trad de Fiskaal binnen; doch bleef eerbiedig in de +deur staan. + +"Heer Fiskaal!" vervolgde de Prins: "haal mij eens al die processale +stukken hier.--Gij weet immers wat ik bedoel?" + +Van Kinschot maakte een buiging en vertrok. Gedurende zijn afwezigheid +liep Maurits met groote stappen en zichtbare blijken van ongedurigheid +de zaal op en neder, terwijl zijn broeder, met gevouwen handen en +gesloten oogen, in een biddende houding staan bleef. + +"Ja!" zeide Maurits, toen Frederik Hendrik zijn gebed, zoo 't scheen +voleindigd had, "gij zoudt ook wel, geloof ik, als _vetter_ Lodewijk, +een bedevaart naar Scherpenheuvel doen, zoo ge uit dit pas gered waart; +doch dat is niet genoeg," vervolgde hij, zich op het hart slaande: +"men moet Scherpenheuvel hier hebben." + +Van Kinschot keerde terug, beladen met een pakket brieven; na deze, +zonder spreken, op de tafel gelegd te hebben, boog hij zich en verliet +de zaal. + +"Nu, Frits!" zeide Maurits: "neem plaats: wij zullen dit pakket eens +gezamenlijk doorloopen: neem maar den eersten brief den besten en +lees hem: gij zult er mij naderhand uw gedachten over zeggen." + +De Graaf nam een der brieven op en leide dien, na gedane lezing, +stilzwijgend naast zich neder: hij was van Uyttenbogaert, en de +Predikant bedankte hem daarin voor ettelijke diensten, aan de +Remonstranten bewezen: een volgende was van De Groot, die zijn +huisvrouw aan de bescherming Zijner Doorl. aanbeval, en tevens, +evenals Uyttenbogaert, 's Graven raad vroeg over de aanbiedingen, +vanwege den koning van Spanje gedaan: na het lezen van dezen zag +Frederik Hendrik den Prins met vragende oogen aan. + +"Lees verder, Frits! lees verder!" zeide Maurits, hem een derden +brief voorleggende. + +Frederik Hendrik opende dien;--doch nauwelijks had hij eenige regelen +gelezen, of zijn kleur verschoot en een hevige verontwaardiging +kleurde zijn voorhoofd. + +"Aha! de brief van Grobbendonck!" zeide Maurits! over zijns broeders +schouder heen ziende: "welnu! wat zegt gij?" + +Grobbendonck verzocht in dezen brief, die in antwoord op een missive +des Graven geschreven scheen, aan Frederik Hendrik, dat deze, ingevolge +zijn belofte, zorg zou dragen, dat zekere Staatsche Kapiteins (die +hij noemde en welke hij deed voorkomen, als aan Spanje verkocht) in +de grenssteden gezet werden, opdat zij, na een schijnbare tegenweer, +die aan den vijand mochten overleveren: verder vernam hij, of de +Remonstranten, volgens afspraak, gereed waren tot den voorgenomen +opstand; hij eindigde, met Z. Doorl. van de toegenegenheid van den +Hove van Spanje te verzekeren, hetwelk hem, als de omkeer van zaken +gelukkig tot stand gebracht was, het Stadhouderschap zou opdragen, +benevens een zwaar pensioen en andere voorrechten. + +"Ik zeg," antwoordde Frederik Hendrik op de vraag zijns broeders, dat +die afschuwelijke brief niets tegen mij bewijst: dat de vijand zoo +iets uitdenkt om mijn trouw verdacht te maken, laat zich lichtelijk +beseffen; dat is meer gebeurd: doch dat mijn broeder aan zulk bedrog +geloof hecht, bevreemdt mij:--let eens op, dat in dit geschrift juist +uw getrouwste legerhoofden genoemd worden." + +"Denkt gij," zeide Maurits, hem scherp aanziende, "denkt gij waarlijk, +dat dezen mijn getrouwste legerhoofden zijn?--Doch lees verder." + +De volgende brieven, door andere voorname Spaansche oversten +onderteekend, luidden in denzelfden toon als die van Grobbendonck, +en gaven aanleiding tot soortgelijke aanmerkingen van weerszijden. + +"Ik wilde maar," zeide eindelijk de Graaf, dat men in plaats van al +het _aan_ mij geschrevene, iets _door_ mij geschreven kon voor den dag +brengen: dat zou een weinig meer afdoen om mijn schuld te bewijzen." + +"Het grieft mij," hernam de Prins, "dat ik aan uw onvoorzichtigen +wensch voldoen kan." Dit zeggende, reikte hij den Graaf een anderen +brief toe, welke niet in het pakket van Joan gevonden, maar den +Fiskaal op een andere wijze in de hand gespeeld was. Hij was in +cijfers geschreven, door Frederik Hendrik zelven onderteekend, met +zijn bijzonder zegel bekrachtigd en aan den Kanselier Pekkius gericht. + +"Ik weet niet wat die teekens beduiden," zeide de Graaf: "doch dit +weet ik, dat mijn handteekening is nagemaakt: want ik draag aan dit +prulschrift geen kennis." + +"Fijn uitgedacht!" zeide Maurits: "het ééne is niet door +Z. D. geschreven en van het andere draagt Z. D. geen kennis. Wij +zullen er maar niet verder over spreken. Onverhoord zal ik u niet +veroordeelen, wees daar verzekerd van; doch ik wil u tijd geven, +om een weinig nader te peinzen over het uitvinden van betere +verontschuldigingen dan deze. Gij ziet intusschen, dat mijn argwaan +niet zoo geheel op losse gronden steunde, als gij wel gedacht en +gewenscht hadt." + +"Ik zie," zeide Frederik Hendrik, "dat ik het slachtoffer ben van +een verfoeilijk bedrog." + +"'t Is wel," hernam de Prins: "wij zullen dit nader onderzoeken, +Van Kinschot! kom binnen!" + +De Fiskaal verscheen. + +"Zijn de wachten aan het Hof afgelost?" + +"Dat kan niet lang meer duren," antwoordde Van Kinschot: "het is +reeds klaar dag." + +"Zeer goed: de nieuwe wacht weet niet, wie zich hier bevindt. Zeg +aan den wachthebbenden officier, dat hij een gevangene te +bewaken zal hebben, voor wien nauwkeurig zorg zal moeten gedragen +worden.--Graaf! geef mij uw degen: ik zal zelf uw stokbewaarder +zijn:--uw kerker, de naaste kamer." + +Frederik Hendrik reikte hem, zonder een woord te spreken zijn degen. + +"Is het rijtuig van Zijn Doorluchtigheid nog beneden?" vervolgde +Maurits, zich tot Van Kinschot wendende. + +"Ik ben hier te voet gekomen met mijn geheimschrijver," zeide de Graaf: +"en dien heb ik weggezonden naar het oude Hof, met het bericht dat ik +hier den nacht zou doorbrengen, en dat ik wel in een uwer rijtuigen +zou komen." + +"Dan is die zwarigheid opgelost," vervolgde de Prins: "Heer +Fiskaal! gij zult zorgen, dat niemand, behalve de Raadsheeren, die +den gevangene ondervraagd hebben, iets van de beschuldiging verneme, +welke tegen den Graaf is ingebracht." + +"Door middel van onze Heeren zal er niets van de zaak uitlekken," +antwoordde de Fiskaal: "doch...." + +"Welnu?" + +Van Kinschot antwoordde niets, doch sloeg een zijdelingschen blik op +Frederik Hendrik. + +"Als Uwe Doorl. gereed is," zeide Maurits, die dit gebarenspel raadde, +terwijl hij de deur van het zijvertrek opende. + +"Broeder!" zeide de Graaf: "rust wel, en God opene uw oogen voor de +kracht der waarheid."--Met deze woorden begaf hij zich in de kamer, +welke Maurits wederom sloot. + +"Wat wildet gij zeggen," vroeg de Prins aan Van Kinschot, zoodra zij +alleen waren. + +"Dat, zoo iemand iets verklapt, het geenszins een der Raadsheeren +zijn zal; maar veeleer de brenger dezer brieven, die aan zijn kerker +ontsnapt is." + +"Ontsnapt!.... niet mogelijk." + +"Ik heb hem duidelijk herkend op de bijeenkomst van dezen nacht, +evenals de Remonstrantsche Proponent Raesfelt. Zoo Uwe Hoogheid mij +vergunnen wil mij eenige oogenblikken te verwijderen, dan zal ik +dadelijk de noodige maatregelen nemen, dat zij opgespoord en weder +_geïncarcereerd_ worden." + +"Laat hen naar den duivel loopen," zeide Maurits: "die Joan, of hoe +hij ook heeten moge, is een goede, eerlijke jongen, die mij bijna +doodgeknepen had om een aanslag tegen mijn leven te voorkomen: en de +andere.... dat was immers de jongeling die Groenhof tegensprak?" + +"Dezelfde, Uwe Hoogheid!" + +"Welnu! dien moet vooral geen haar gekrenkt worden. Laat hem _zoeken_, +zooveel gij wilt; maar gevonden moet hij niet worden! Waren al de +Arminianen zoo, ik zou zelf lust krijgen, Arminiaan te worden." + +"Zal ik deze papieren met mij nemen?" vroeg de Fiskaal, ze willende +opnemen. + +"Een oogenblik," zeide Maurits, weder naar de tafel gaande, en den +brief, die in cijfers geschreven was, opnemende: "hadden wij," +vervolgde hij, "slechts een sleutel, om dit geschrift te kunnen +spellen." Dit zeggende, ging hij zitten en bleef een geruimen tijd, +zonder te spreken, op den brief turen; terwijl Van Kinschot, die +hem niet storen dorst, zwijgend achter hem stond en moeite had zijn +ongeduld te verbergen. + +"Is er dan geen mogelijkheid, die cijfers te raden?" vroeg eindelijk +de Prins. + +"Uwe Hoogheid heeft mij verboden, het kabinet van Zijne Doorluchtigheid +te doen verzegelen: ik had mij anders van de papieren kunnen meester +maken, en...." + +"Hoe!" riep Maurits, opstuivende: "gij zoudt uw rakkers de handen +laten slaan aan de papieren van een Nassau? Gij zoudt op een bloot +vermoeden de geheimen mijns broeders onderzoeken gaan? van een Vorst +van Prinselijken bloede? Dat ten eeuwigen dage niet! dat past alleen +aan mij." + +Van Kinschot haalde de schouders op: "_qui vult finem, vult media_," +[57] zeide hij: "dit zal Uwe Hoogheid zich nog wel van den academietijd +herinneren." + +"Iets anders!" zeide Maurits!--"wacht! daar schiet mij wat te +binnen. De Secretaris des Graven, was die niet met Z. D.?" + +"Hij zou reeds lang in zekerheid gebracht zijn, indien Uwe Hoogheid +zulks verkozen had." + +"Laat hem hier komen!" + +"Zou het niet beter zijn, daarmede te wachten, totdat het dag +ware? Zijn opontbod in het midden van den nacht zou opschudding baren, +en ook Uwe Hoogheid heeft rust noodig." + +"Laat hem halen: en zoo gij slaap hebt, ga dan naar bed," zeide +Maurits wrevelig. + +De Fiskaal zweeg, boog zich en vertrok. + + + + + +EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + ô Die bedrieger! ô wat ben ik nu verblijd! + Hadt gy het niet ontdekt, ik was mijn dochter quijt. + + _Langendyk_, de Zwetser. + + +Gedurende denzelfden nacht, waarin al de door ons in de laatste +Hoofdstukken verhaalde omstandigheden hadden plaats gehad, waren +ten huize van de Gravin Douairière van Nassau de bewoners voor 't +meerendeel niet minder in onrust en beweging geweest, dan diegenen, +waarvan wij gesproken hebben; schoon de oorzaak dier drukte geheel +andere beweegredenen had. De dienstboden hadden hun bed niet gezien, +daar zij den tijd, waarin hun meesters ter rust lagen, hadden +waargenomen, om de zalen, voorportalen en deuren, welke de aanstaande +bruid gerekend kon worden door of in te zullen gaan, met bloem- en +looverkransen te versieren. De goede smaak van Magdalena zat bij deze +verrichtingen voor: de bedienden der Gravin beijverden zich de hun +gedane aanwijzingen naar eisch te volgen: allen beminden en eerden +Freule Ulrica, wier gulle vriendelijkheid en gemeenzaamheid in den +omgang telken reize, dat zij de Gravin bezocht had, aller harten tot +zich getrokken had: en zij wisten daarenboven, dat zij hun meesteres +beliefden, door de Jonkvrouw Van Sonheuvel te vereeren. Feurich en +Gheryt Maessen (welke laatste in Den Haag niet veel beters te doen had) +droegen met al hun vermogen bij tot opluistering der toebereidselen: +terwijl eindelijk de oude Rentmeester Beckman, te stram en te zwak +om mede de hand uit de mouw te steken, niettemin met de deftigheid, +welke wij in hem vanouds gekend hebben, rondwandelde om zijn hoogwijs +advies over den wel- of misstand van het vervaardigde te geven. + +Reeds was de dag al een geruimen tijd doorgebroken, toen Bouke, over +wiens afwezigheid men zich verwonderd had, de zaal binnentrad, welke +men nu bezig was te versieren, de toebereidselen met een enkelen blik +overzag en vervolgens zich met een knorrig gelaat in een stoel wierp. + +"Wie nun!" zeide Beckman: "bist du nicht froh, kamrad nun deiner +fraulein heiratht?" + +"Vroolijk," zeide Bouke: "ja men is niet vroolijk of men moet er +reden voor hebben; men ziet aan 't been waar de hoos gescheurd is +en het dofferken zingt niet als 't gaiken gevaên is.... Wie had het +ooit kunnen denken, toen Joan boven op den toren zat gesloten en de +kleine Ulrica hem het eten bracht, dat zij uit haar mondje gespaard +had, dat zij eens haar verloving vieren zou, daar Joan in een erger +gevangenis zat? Maar zoo zijn de vrouwen altemaal als het op trouwen +aankomt. Wel zegt het spreekwoord: een bruidskrans, een blinddoek." + +"Het verwondert mij, Bouke," merkte Magdalena met scherpheid aan, +dat gij zooveel belang stelt in dien liederlijken knaap, dat gij +er niet om wilt deelen in de vreugde uwer meesteres. De Freule Van +Sonheuvel is u toch nader dan de Spaansche basterd, die...." + +"Wees toch niet als de ezel van Bileam, die sprak voordat hem gevraagd +werd," zeide Bouke: "wat basterd?--wat liederlijk?--Er leeft geen +beter knaap op de geheele wijde wereld dan die eigenste Joan: en ik +laat mij villen, als ik niet met den middag naar zijn gevangenis toega +en den achternoen bij hem doorbreng en u allen hier laat fluiten en +pijpen en zingen, zooveel ge wilt." + +"Ga in vrede," zeide Magdalena: "niemand zal uw ijzegrimmen gezicht +hier missen." + +"Neen!" hernam Bouke: "dat zullen ze net niet, vooral als uw effen +tronie hun overblijft." + +"Waaraftig!" zeide Feurich: "Herr Bouke spriecht wohl! dem Jonker +Joan ist ein hupscher bursche: das heb ik gesehen, nun sechs oder +sieben jaren geleden, toen er dem kutsche deed stille stän." + +"Een beste Jonker!" voegde Gheryt Maessen er bij: "zoo gul en +goedhartig! ik 'loof nooit, dat hij eenig kwaôd opzet teugen den Heer +Baron in 't zin had." + +"Dat gelooft de Baron ook niet meer," zeide Bouke, "en Z.Ed. zal er +met Zijn Hoogheid een ernstig woordeke over spreken. Wie weet of de +Jonker nog niet in volle glorie op het trouwfeest komt." + +Wij zullen over het vervolg van dit gesprek, hetwelk den lezer weinig +verscheidenheid zou aanbieden, heenstappen en ons de zaal voorstellen, +nu evenals de portalen en deuren op het fraaist versierd. Reeds +vroeg in den morgen trad de Baron, in zijn beste staatsiekleederen +uitgedost, binnen, en bezag met innerlijk genoegen de gemaakte +toebereidselen. "Jammer maar!" zeide hij, terwijl hij zich in de +handen wreef, "dat onze goede Joan er niet bij is! doch ik zal hemel +en aarde bewegen om hem op het trouwfeest te krijgen." + +"Daar zal UEd. wel aan doen," zeide Bouke, die zich op dat oogenblik +alleen met zijn meester bevond: "ik ga hem straks opzoeken; heeft +UEd. hem ook wat te zeggen?" + +"Ja, zeg hem, dat ik hoop, dat hij op de bruiloft.... maar hij zal +toch niet willen!.... hij denkt immers dat ik zijn vader vermoord +heb!--Hoor Bouke! bedui hem toch, hoe dat in zijn werk is gegaan: en +zeg hem, dat ik hoop, dat hij zich van alle schuld vrij zal pleiten, +en als hij een Advocaat noodig heeft, hier staat de man, die 't wel +betalen zal." + +"Ik zal 't alles overbrengen, zooals UEd. 't zegt," zeide Bouke. + +"Maar van wat anders: is de bruid al op?" + +"Er is zooeven om Magdalena geluid of gebeld, zooals ze dat hier +noemen," zeide Bouke: "alweer een nieuwe uitvinding: om de menschen +op te bellen of het schapen waren!" + +"De gasten zullen niet lang meer toeven," hernam de Baron: "mij dunkt, +ik hoor reeds iemand komen: ha! het is onze goede Dominee. Hoe zoo +bedrukt, Weleerwaarde? Je brengt waarachtig geen gezicht voor een +bruiloft mede." + +"Ik heb dezen nacht in ontroering en kwelling des geestes +doorgebracht," antwoordde Raesfelt. "Het was met mij als de Psalmist +zegt, Ps. 77: + + + Al hebb' ik van gantscher herten + Gebeden in anghst en smerten, + Soo blijft doch mijn hert eenpaer + Vol benauwtheit en anghst swaer. + + +Ik bid u, Heer Baron!" vervolgde hij, een lang geschrift uit der zak +halende: "zeg mij, komt Zijne Hoogheid nog op de verloving gelijk +beloofd was en gehoopt werd?" + +"Ten minste ik weet niet beter dan ja," antwoordde de Baron "doch +waartoe deze vraag?" + +"Ik had.... ik wilde aan +Z. H. overhandigen.... deze.... dit...." mompelde de Predikant, +zijn papier openvouwende. + +"Wat drommel is dat?" vroeg de Baron, lachende: "denkt ge aan Z. H. een +geheele preek voor te lezen?" + +"Het is geen preek, het is...." + +"Een gedicht misschien op het jonge paar?--Nu, dat verwachtten +wij ook." + +"Met uw verlof, het is een smeekschrift," hernam de Predikant, +angstig het oog op zijn werk slaande en met de rechterhand de gewone +en den Baron welbekende beweging makende, welke aanduidde, dat hij +het ging voordragen. + +"Zoo! een smeekschrift," zeide de Baron, hem het woord afnemende: +"en wat hamer hebt gij toch te smeeken?" + +"Mijn zoon," zuchtte de beklagenswaardige Predikant: "mijn +Hendrik, de hoop mijns ouderdoms, is zijn woonstede niet bij de +onrechtvaardigen? is hij niet in de tijdelijke Gehenna, waar weeninge +is ende knersinge der tanden? en moet ik mij niet nederbuigen voor +den machtige, opdat zijn banden verscheurd worden, gelijk David zegt +in den tweeden Psalm: + + + Laat ons breken met een + Zijn banden al, daer med' sy ons verstricken." + + +"Uw zoon! mijn goede Hendrik! 't is waar.... nu, wij willen het +beste hopen." + +"Ach!" zeide Raesfelt; hij is medegerekend onder diegenen, die in +den kuil dalen, zooals Psalm 88 het heeft! en wie zal hem verlossen?" + +"Mij dunkt," zeide Reede, "dat uw stuk wat lang is, Dominee! en den +Prins wel eens zou kunnen vervelen en in kwade luim brengen;.... doch +ik heb geen kennis van zulke zaken. Met uw verlof.... ik ga eens even +zien of de bruid al op is." Dit zeggende liep hij de zaal uit. + +"Wat lang?" zeide Dominee: "mij dunkt er staat niets in, dan hetgeen +er in moet staan.--Laat ons zien," vervolgde hij, bij zich zelven, het +stuk nogmaals met luider stemme overlezende: "wat zou daaruit kunnen +genomen worden: geen spreuk, geen tekst, geen woord? Heb ik er dan +vruchteloos een halven Sabbat en dezen geheelen nacht over geblokt?" + +Hoe meer zijn Wel-Eerwaarde las, hoe warmer hij werd: eindelijk +geraakte hij zoover buiten zijn gewone bedaardheid en stelde zich zoo +volkomen voor, in de tegenwoordigheid van Zijne Hoogheid te staan, +dat hij met de woorden: "handelt sachtkens met den jongelingh, met +Absalom," welke het geschrift besloten, de rolle onder het maken +eener diepe buiging overhandigde aan iemand, die binnentrad, en het +stuk met een verbaasde houding aannam en inzag. + +"Arminiaansche wanbegrippen.... hm, hm!.... booswichten.... tegen Uwe +Hoogheid aangekant.... te duivel!.... moorddadige en verraderlijke +ontwerpen.... vergiffenis.... Pots honderd tausent slapverment, +Dominee! wat meent ge daarmet?" en de Heer Van Botbergen (want deze +was het, die binnen gekomen was) werd bleek als een doek. + +"O! ik vraag verschooning, Mijnheer Van Botbergen!" zeide de Predikant +onthutst en verlegen: "ik was verstrooid van gedachten: UEd. is zeker +heden of gisteren alhier aangekomen." + +"Om de verloving van mijn vriend den Ambtman te vieren," hervatte +Elbert: "doch wat moet deze schriftuur?" + +"Die was eigenlijk voor Z. H. bestemd," zeide Raesfelt: "doch daar +UEd. aan de Hoven geweest zijt, zoude UEd. mij waarschijnlijk wel +met raad kunnen dienen en mij zeggen, of het zoo goed is." + +"Hm! hm!" zeide Botbergen, het geschrift haastig doorloopende: +"wat lang, wat gerekt; doch de stijl is keurig en hoogdravend: +eilieve! waar handelt het eigenlijk over?" + +"Mij dunkt," zeide de Predikant gebelgd, het smeekschrift weder +terugnemende, "die vraag is vrij onnoodig, als men het stuk gelezen +heeft." + +Op dit oogenblik traden sommige andere genoodigden de zaal in, en +niet lang daarna ook de Ambtman, op 't kostelijkst als bruidegom +uitgedost. Na de aanwezigen beleefdelijk gegroet te hebben, nam hij, +zoodra het gesprek algemeen was geworden en hij zulks onopgemerkt +doen kon, Botbergen ter zijde en fluisterde hem in 't oor: "welnu?" + +"Alles is in gereedheid," antwoordde deze: "Zondag over veertien dagen +maken wij ons tusschen kerktijd meester van de stad; onze vrienden +zijn vol courage en wachten met ongeduld uw terugkomst af." + +"Uitmuntend!" zeide Mom; "welnu, Mijne Heeren!" vervolgde hij, zich +tot het gezelschap wendende: "wat nieuws is er vandaag? Mijnheer +Van Bleiswyk! is er niets gaande? UEd. heeft anders altijd iets te +verhalen.--Mij dunkt, uw gelaat staat minder opgeruimd dan gewoonlijk." + +"Ik heb dezen nacht slecht gerust," antwoordde Bleiswyk. + +"Ik dacht niet dat UEd. immer rusten kon," merkte Mom aan met een +spotachtigen glimlach; "doch waar of mijn goede aanstaande schoonvader +blijven mag?" + +"ZijnEdele zal zoo aanstonds hier zijn," zeide Bleiswyk: "ik heb zelf, +toen ik het voorportaal doorging, den Heer Baron in het spreekvertrek +gezien met den Fiskaal." + +"Den Fiskaal," herhaalde Botbergen, verschrikt. + +"Welnu ja, den Fiskaal!" zeide Mom, zich met een hoogmoediger +blik naar hem omwendende: "heeft uw heldhaftigheid iets met +Z.-Ed.-Gest. uitstaande?" + +"De Heer Fiskaal," zeide een der gasten, "is, naar ik hoor, gisteren +den geheelen dag in touw geweest." + +"Men spreekt van hoogst zonderlinge gebeurtenissen," zeide een ander. + +"Men verhaalt, het Hof van Graaf Frederik Hendrik is hedenmorgen +ongenaakbaar," zeide een der gasten, op den schroomvalligen toon van +iemand, die niet weet hoe zijn mededeeling zal worden opgenomen. + +"Men zegt, er zijn gevangenen ontsnapt," mompelde een ander. + +"Ontsnapt!" herhaalde de Predikant: "UEd. gelieve...." + +"Ei wat!" zeide Bleiswyk, die niet langer zwijgen kon, en op wiens +gelaat de lust van zijn nieuws te vertellen strijd voerde met de +voorzichtigheid, die hem het zwijgen gebood: "wat beduidt al dat +gebabbel? Ik zou u de waarheid van al die geruchten haarklein kunnen +vertellen: want ik heb zelf.... doch ik wil niet."--Dit zeggende, +sloeg hij zich de hand voor den mond. + +"Stilte, Mijne Heeren!" zeide een der gasten: "daar is Hare Genade." + +De dubbele middeldeur opende zich, en de Gravin Douairière trad binnen +in een deftig feestgewaad, haar jonge vriendin aan de hand geleidende +en door een vroolijken stoet adellijke en hoffelijke jonkvrouwen +gevolgd. Zoowel Mevrouw van Nassau als de aanstaande bruid zagen +bleek en betrokken, en haar rood bekreten oogen toonden aan, dat +beiden geweend hadden. De Gravin had den nacht slapeloos doorgebracht +en onophoudelijk nagedacht over de zonderlinge verschijning der +kinderkleertjes, welke haar de Fiskaal had voorgesteld. Het wederzien +daarvan had het verledene bij haar teruggeroepen, de treurigste +herinneringen opgewekt en haar zelfs bijna geheel ongeschikt gemaakt +om aan het feest van den dag die deelneming te schenken, welke zij +anders zou betoond hebben. + +Wat Ulrica betrof, pijnlijke en kwellende gedachten hadden +den slaap van haar sponde doen wijken. Die echt, waartoe zij +vrijwillig en ongedwongen haar woord gegeven had, scheen haar, nu +het tijdstip der voltrekking er van naderde, verschrikkelijk, ja, +noodlottig toe. Zoolang zij nog, door valsche blijken misleid, Joan +voor een laaghartigen moordenaar had moeten houden, hadden spijt, +verontwaardiging en maagdelijke fierheid haar doen toestemmen in een +echtverbintenis met een alom geachten, deftigen en haar liefde volkomen +waardigen echtgenoot, gelijk de Baron haar den Ambtman beschreven had, +en waarvoor zij dezen ook te goedertrouw bleef houden;--maar thans, +nu Joans onschuld bleek, kwamen de waarschuwingen en zijdelingsche +wenken, welke haar voedsterbroeder tegen Mom gedaan had, haar met +hernieuwd gewicht voor den geest spelen: nu kwam het beeld van hem, +die haar twee dagen te voren van een dreigend gevaar verlost had, +zich voor haar geest stellen, en het kloppend hart verried maar al te +zeer partijdige liefde voor den verwijderden--koele onverschilligheid +voor den begunstigden--minnaar. Hevig was Ulrica te moede, toen zij, +na een ernstig zelfonderzoek, tot slotsom van haar overdenkingen, +inzag, hoe de teederheid voor Joan, wiens beeltenis zij geheel uit +haar boezem waande te hebben uitgedelgd, sterker dan ooit te voren +was teruggekomen. Alleen de gedachte, dat zij, door den Ambtman te +huwen, aan een kinderplicht voldeed, en dat het offer, 't welk zij +bracht, Gode welbehaaglijk wezen zou, was in staat geweest, haar het +opgewonden gestel tot bedaren te brengen en haar het vaste voornemen te +doen opvatten, zich gedurende de verlovingsdagen zoodanig te gedragen, +dat haar aanstaande gemaal geen redenen hebben mocht, over haar gedrag +ontevreden te zijn. + +"Welkom, mijn beminde bruid!" zeide Mom, tot haar toetredende en haar +de hand kussende: "doch hoe! gij schijnt geweend te hebben." + +"Daar moet gij zoo nauw niet op zien," viel de Baron, die met den +Fiskaal binnen was getreden, hem in: "dat doen de meisjes altijd den +nacht voor haar verloving, om op den dag zelven des te helderder te +kunnen lachen." + +"Juist," zeide Bleiswyk: "en hoe zouden wij anders bruidstraantjes +kunnen schenken?" + +"De heer Fiskaal deelt ons een slechte tijding mede," zeide de Baron, +zich tot de Gravin wendende: "de Prinsen komen niet!" + +"Wat heb ik gezegd?" vroegen nu de nieuwsvertellers zachtjes: ofschoon +zij eigenlijk niets gezegd hadden. + +"Is de reden, waarom Hun Hoogheden niet komen, aan den Heer Fiskaal +bewust?" vroeg Mom, naar hem toetredende. + +"Die zal zich misschien nader ontwikkelen," zeide Van Kinschot met +een koele buiging: "Heer van Bleiswyk! een woord als 't u belieft." + +"Tot UEd. dienst," zeide deze, met hem ter zijde gaande. + +"Gij spreekt geen woord over al wat er dezen nacht is voorgevallen," +beet hem de Fiskaal in 't oor: "of het zal u duur te staan komen." + +"Wilt gij het geld voor de verbeurde boete?" zeide de Jonker halfluid, +terwijl hij lachende een goudbeurs voor den dag haalde: "doch er zijn +er meer, die haar verbeurd hebben, door op de bijeenk...." + +"Zwijg!" viel hem de Fiskaal op een strengen toon in de rede: +"zwijg ongelukkige spotter! het kon u slechts goud, doch anderen +kan het den kop kosten. Wees voorzichtig, of...."--Hier hield hij +den vinger dreigend op, en een buiging in 't rond gemaakt hebbende, +wilde hij vertrekken. + +"Een oogenblik, Mijnheer Van Kinschot!" zeide de Gravin, hem +terughoudende: "die gevangene, waarvan UEd. mij gisteravond gesproken +heeft.... de Pleegzoon van den Heer Baron...." + +"Vergeef mij," zeide Van Kinschot: "doch ik heb bezigheden, welke +mij een langer vertoeven verbieden. Ik zal nader de eer hebben," +vervolgde hij met een veelbeteekenenden blik, "mijn gelukwenschingen +aan den Heer Baron te komen doen."--Dit zeggende nam hij zijn afscheid. + +"Wat heeft dit alles toch te beduiden?" zeide een der aanwezigen: +"de Fiskaal is zoo raadselachtig." + +"Hij heeft dezen nacht slecht geslapen," zeide Bleiswyk: "doch mondje +dicht: ik moet zijn bevel niet vergeten." + +Op dit oogenblik trad Bouke de kamer in. + +"Alweer wat anders!" zeide deze: "ja! ja! groote visschen springen +uit den ketel! 't vogelken is ontsnapt!" + +"Ontsnapt!" herhaalde de Baron verbaasd. "Is Joan...." + +"Nergens te vinden!" vervolgde Bouke: "ja! het is tegenwoordig een +kunst van belang om een gevangene te houden;.... maar dat is nog +niets! er is mij daar op straat nog iemand op zij gekomen, die hier +ook op 't feest moet wezen;.... doch laat ik maar zwijgen; hij zal +gauw genoeg komen." + +"Wien bedoelt gij?" vroeg de Baron, rondziende: "al de gasten die +wij verwachten, zijn gekomen." + +"Nu! nu!" zeide Bouke: "late haver komt ook op: hoe later op den dag, +hoe schooner volk: 't einde zal den last dragen." + +"O! het is onze Notaris!" zeide de Gravin, die den Practicus de zaal +met een deftigen stap zag binnentreden. + +"Jawel morgen de Notaris," zeide Bouke meesmuilende: "doch ik zwijg; +maar zij zullen staan te kijken, geloof ik!" Dit zeggende, verliet +hij opnieuw het vertrek. + +"Kom!" zeide Reede: "laat ons nu aan niets anders denken dan aan +de plechtigheid van het oogenblik. Wij moeten den Heer Notaris niet +laten wachten." + +"Een aangenaam woord," zeide Mom, toetredende, en zijn bruid, +wier bleekheid in dit oogenblik nog vermeerderd was, naar de tafel +geleidende, waaraan zich de Notaris geplaatst had: "ja waarlijk, +thans moeten ons alleen gelukkige gedachten bezig houden." + +Nadat de aanstaanden, de Gravin, de Baron en de gasten hadden +plaats genomen, begon de Notaris met de noodige deftigheid het +huwelijkscontract voor te lezen; doch nauwelijks was hij aan de +gewone clausule gekomen: "met wederzijdsche toestemming van ouders +en bloedverwanten," of iemand trad de zaal binnen en zeide, met een +zachte, doch doordringende stem: "ik heb de mijne nog niet gegeven." + +"Wie? wat? wat is dat?" riepen al de aanwezigen als uit éénen mond, +en zagen naar de deur, waarin een grijsaard stond, door Bouke +binnengeleid. + +"Ik Godard van Reede van Sonheuvel," hernam de onbekende, "heb mijn +toestemming niet gegeven tot het huwelijk van Jonkheer Jacob Mom met +Jonkvrouwe Ulrica van Reede tot Sonheuvel, mijn kleindochter." + +"Met welk recht....?" riep Mom, driftig opspringende; doch zoodra +hij in den nadertredenden grijsaard Vader Ambrosius herkende, trad +hij ontzet achteruit. + +"Met uw verlof, oom!" zeide de Baron, terwijl hij wrevelig den brief +uit den zak haalde, dien hem de Vicaris geschreven had: "vervat dit +stuk papier uw toestemming niet?" + +"Die was slechts voorwaardelijk," hernam de Vicaris: "indien de +Ambtman zich geschikt achtte om mijn pleegdochter gelukkig te maken." + +"Welnu? en dit heeft hij plechtig beloofd," zeide Reede. + +"Beloofd?" herhaalde Vader Ambrosius: "Heer Ambtman! durft gij in mijn +tegenwoordigheid die belofte herhalen?--Bedenk u wel! en luister naar +hetgeen ik u vraag.--Hebt gij het voornemen, van Ulrica's geluk door +dezen echt, in _deze_ omstandigheden te bevorderen?" + +"Zeker ben ik niet voornemens haar ongelukkig te maken," zeide Mom, +met zichtbare verlegenheid. + +"Geen omwegen! ik vraag eenvoudig, ja of neen." + +"Nu.... ja!" antwoordde Mom. + +"Doch kunt gij dit?"' hernam de Vicaris: "zijt gij niet overtuigd, +dat dit huwelijk voor haar een bron van ellende zijn zal?" + +"Voor den duivel!" riep Mom, door dit ondervragen van de wijs gebracht: +"wat meent gij daarmede?" + +"Mijnheer!" zeide nu de Gravin, zich tot den Vicaris wendende: "ik moet +u verzoeken, dergelijke tooneelen in mijn huis te vermijden. De Heer +Ambtman heeft uw vraag beantwoord, en, naar mijn begrip, kan geen +betrekking van bloedverwantschap, geen gezag u het recht geven tot +zulke vragen. Wat kan u nopen, onze blijdschap bij een zoo algemeen +toegejuichte echtverbintenis op een zoo onhebbelijke wijze te komen +storen?" + +"Mijn recht noch mijn deel zullen den Heer Ambtman raadselachtig +voorkomen," zeide Ambrosius. + +"Ik heb in mijn leven zooveel _incidenten_ niet bijgewoond," zeide +Bleiswyk, zich van vermaak de handen wrijvende. + +"Ik verzoek Uwe Genade nederig om verschooning," vervolgde de Vicaris, +met een eerbiedige buiging, tegen de Gravin: "doch ik moet hier mijn +plicht vervullen. Jonkheer Jacob Mom! gij hebt mijn laatste vraag +nog niet beantwoord." + +Aller oogen vestigden zich weder op den Ambtman, van wien men +verwachtte, dat hij eindelijk door een krachtig antwoord den +vreemdeling uit het veld zoude slaan; doch hij scheen zijn gewone +tegenwoordigheid van geest geheel verloren te hebben, en met +wankelenden gang trad hij naar den Vicaris toe. + +"Mag ik u," vroeg hij met een bevende stem, "om een oogenblik +onderhoud verzoeken? Ik geloof, dat wij deze zaak best afzonderlijk +zullen afhandelen." + +"Een redelijke vraag sla ik niet af," antwoordde Ambrosius, zich naar +een venster begevende: "welke opheldering verlangt gij?" + +"Wat is uw doel?" vroeg Mom zacht en schielijk: "waarom mij dus +tentoongesteld op een oogenblik, dat ik alles voor uw geloofsgenooten +doe?" + +"Met uw geheim verdrag met Grobbendonck heb ik niet te maken," +antwoordde de Vicaris: "doch geen landverrader mag zich met ons +geslacht vermengen; ik had mij gevleid, dat gij, na het lezen van +mijn brief, mij zoudt begrepen hebben en van Ulrica afstand gedaan; +dan ware dit tooneel vermeden geweest. Tree nog terug, zoo zwijg ik; +doch volhardt gij bij uw voornemen, zoo maak ik alles bekend." + +"En hoe denkt gij, dat men uw gedrag in Spanje en te Rome zal +opnemen?'" + +"Noch Spanje, noch Rome kunnen van mij vergen, dat ik in een +echtverbintenis stem, die mijn kleindochter in handen eens verraders +overlevert." + +"Is uw besluit onherroepelijk?" + +"Onherroepelijk." + +"Bedenk, dat ik uw rang hier bekend kan maken, u gevangen doen nemen, +u...." + +"Ik bedenk alles; doch bedenk zelf, wie hier de meest gevaarlijke +openbaringen zou kunnen geven." + +"In 's duivels naam dan," zeide Mom, zich van hem afwendende. "Heer +Baron!" vervolgde hij luid: "het spijt mij; doch ik vind uw schoonvader +hardnekkiger dan ik gehoopt had. Wij zullen de voorgenomen verbintenis +moeten uitstellen, tot Zijn Hoogwaardigheid in een betere luim is. Kom, +Botbergen! laat ons weder naar Tiel vertrekken, ten einde hier niet +tot voorwerp van spot aan de Haagsche Jonkers te verstrekken." + +Deze woorden geuit hebbende, maakte hij een deftige buiging voor het +geheele gezelschap en keerde zich om met oogmerk van te vertrekken; +dan eer hij nog aan de deur gekomen was, eer nog de aanwezigen van hun +verbaasdheid waren teruggekomen, was de Fiskaal Van Kinschot binnen. + +"Jonkheer Jacob Mom," zeide deze, naar hem toetredende: "gij zijt +mijn gevangene." + +"Bewaar ons!" zeide Bleiswyk: "wat heeft Zijn-Edel-Gestrenge het +tegenwoordig volhandig!" + +"Alle duivels!" mompelde Botbergen, en, het oogenblik waarnemende, +dat alle blikken op Mom gevestigd waren, sprong hij een venster uit +dat openstond, en nam de vlucht. + +"Gevangen!" riep Mom, die als versteend bleef staan. + +"Gevangen!" herhaalden al de aanwezigen: "is het mogelijk!" + +"Ha! vervloekte grijskop! dat is uw werk!" brulde de Ambtman, eensklaps +als uit een sluimering ontwakende en met de gesloten vuist den Vicaris +dreigende: "doch beef! gij zult mijn wraak niet ontgaan." + +"Dat is mijn werk niet," zeide Pater Ambrosius met koelheid: "had +ik deze ontknooping kunnen voorzien, mijn tegenwoordigheid hier ware +overbodig geweest." + +"Nietwaar?" grauwde hem de Ambtman toe: "Mijnheer Van +Kinschot! verzeker u ook van dezen booswicht. Hij noemt zich +Vicaris-Generaal in de Nederlanden...." + +"Zoo noemde hij zich," hernam de grijsaard: "thans heet hij eenvoudig +Pater Ambrosius, gelijk voorheen. Indien UEd.-Gestr.," vervolgde +hij, zich tot den Fiskaal wendende, "echter begrijpt, dat ik hier +in gevangenschap moet blijven, zoo wees overtuigd, dat ik niet zal +trachten te ontsnappen." + +"Zeer gelukkig," zeide Bleiswyk: "er zijn er ook genoeg ontsnapt in +de laatste dagen." + +"Mag men niet weten," vroeg de Gravin, "waarvan de Heer Ambtman +beschuldigd wordt?" + +"Van hoogverraad, Mevrouw!" antwoordde Van Kinschot: "Mijn +Heeren!" vervolgde hij tot de gerechtsdienaars: "leidt uwen gevangene +weg." + +"Arme! lieve Ulrica!" zeide de Gravin tegen Ulrica, die als versteend +en van verschillende aandoeningen vervuld aan een tafel nederzat: +"had iemand kunnen denken, dat uw verlovingsdag zoo ongelukkig ten +einde zoude loopen? Kom," vervolgde zij, haar onder den arm nemende: +"verwijderen wij ons: de eenzaamheid zal u thans het meest welkom +zijn." + +Deze woorden zeggende, wilde zij Ulrica de zaal uitgeleiden, toen de +deur wijd openvloog en een dienaar de Prinsen aanmeldde. + +Prins Maurits trad binnen met een gelaat, waarop de aandoeningen, welke +hem gedurende de laatste uren hadden vermeesterd, nog zichtbaar waren: +hij hield zijn broeder onder den arm, en de blik van dezen teekende +een opgeruimdheid, welke aan het scherpziend oog van Bleiswyk niet +verborgen bleef, en waaruit deze laatste ontwaarde, dat het misverstand +tusschen beide broeders was opgehelderd. + +"Ik bid u om verschooning," zeide Prins Maurits, zich tot de +huisgenooten wendende, "zoo ik mij thans hier nog kom vertoonen, +nadat ik mij genoodzaakt heb gezien, uw vreugde in droefheid te doen +verkeeren. Doch zoo ik hier in geen blijdschap kan deelen, zoo kan +ik ten minste troost aanbrengen. Ik kan meer doen, Heer Baron! ik +kan u zelfs gelukwenschen, dat de Almachtige uw dochter van den rand +des afgronds heeft gered, waarin een onwaardige echtverbintenis haar +zou gestort hebben. Weet, dat ik zooeven de duidelijkste bewijzen +ontvangen heb, dat de Ambtman Mom het voornemen had, na het einde +van het Bestand de stad Tiel in de handen des Spanjaards te leveren." + +"Jawel mogen wij God danken, indien dit het geval is," zeide Reede. + +"Wel is het, als de Psalmist zegt," zeide Raesfelt, "Ps. 76: + + + Gy sult ombrengen 't gansche rot + Der woedende boosdaders quaet. + + +"Doch, dit is niet de eenige reden mijner komst," hernam de Prins. "Er +is iemand, die belangrijke mededeelingen betreffende de gevormde +samenzwering gedaan heeft, doch die nog meerder ontdekkingen doen kan, +welke hij in dit geëerd gezelschap, en nergens anders, verlangt aan +'t licht te brengen." + +"Nog meer ontdekkingen?" zeide Bleiswyk bij zich zelven: "welk een +heerlijke dag! die geeft voor een maand stof tot onderhoud." + +Nu plaatsten zich de vorstelijke personages en al de aanwezigen in +het rond: de deur werd geopend en met bleek gelaat en wankelende +schreden trad Ludwig, van twee wachten gevolgd, de zaal binnen. Doch, +om zijn verschijning hier ter plaatse te verklaren, is het noodig, +dat wij de geschiedenis weder wat hooger ophalen. + + + + + +TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + Aan wien behoore ik dan? wien word ik tot verrader? + Wat kan, wat moet ik doen, aan alle zijde omzet? + Wie voert my strafloos, wie onschuldig uit dit net? + ô Zwakke, ô weeke ziel! wat liet ge u dus verwrikken + Wat kan ik, hoe 't ook ga, dan voor mij-zelven schrikken? + + _Bilderdyk_, Floris de Vijfde. + + +Ludwig had zijn Doorluchtigen meester verlaten, toen deze het Binnenhof +was opgetreden; met driftigen spoed had hij eenige straten en stegen +doorkruist en eindelijk geklopt aan een kleine woning, in het minst +bezochte gedeelte der stad gelegen. Eene oude vrouw, welke al het +uiterlijke eener tooverheks had, opende hem de deur en geleidde hem, +na een soort van wachtwoord met hem gewisseld te hebben, in een +berookte, en dompige kamer, waar, aan een groote, met papieren, +plannen en landkaarten overdekte tafel, een manspersoon bij het +flauwe schijnsel eener lamp zat te lezen. Voor de tafel stond een +groote opene kist, zoodanig geplaatst, dat men, door de tafel aan de +tegenzijde op te lichten, al wat daar op lag in de kist kon werpen +en dus aan de oogen van een onverhoopten bezoeker onttrekken. Wat +verder stonden twee andere opene koffers, gevuld met rollen papier, +ijzeren werktuigen, vermommingen en maskers, valsche baarden en andere +dergelijke voorwerpen. Onder het bereik des lezers lagen op een stoel +twee zakpistolen, een dolk, een paar gereformeerde bijbels en een +_vulgata_. Op de tafel stond een waterkruik met een tinnen kroes, +een zandlooper en het noodige schrijfgereedschap. + +In het midden van al die vreemdslachtige voorwerpen zat, in een +grooten leunstoel, met leder voorzien, en die desnoods tot rustbank +had kunnen strekken, de persoon, welken Ludwig kwam zoeken, een man, +die, zooals hij daar geplaatst was, alleen de tooverroede miste, +om voor een wichelaar te worden aangezien; want zijn sterk gerimpeld +voorhoofd, waarvan slechts eenige grauwende haren ongekamd afhingen, +kenteekende zorgen en vermoeienissen van den geweldigsten aard. Onder +de zware grijze wenkbrauwen waren twee gitzwarte oogen zoo diep in +de kassen verscholen, dat zij niet oneigenaardig konden vergeleken +worden bij fakkels, welke men aan het einde van een donker verwulf +ziet glimmen. Op de vale wangen waren de groeven der onthouding met +diepe voren ingedrukt; en de dikke onderlip, met een uitdrukking van +algemeene verachting en wrevel tot aan den grauwen knevel opgeheven, +zette aan de vervallen trekken des gelaats iets Satanachtigs bij. De +dorre hand liet, bij de intrede des geheimschrijvers, het geschrift +varen, dat zij vasthield, en strekte zich langzaam uit naar een +der binnen haar bereik gelegen pistolen, terwijl al de pezen van het +aangezicht zich samentrokken en de oogen blauwe vlammen schoten; doch, +zoodra de grijsaard bij de stralen der lamp, die op het aangezicht van +Ludwig vielen, ontdekt had, wie de verstoorder zijner overdenkingen +was, leide hij het moordtuig weder neder en hernam zijn vorige houding. + +"Gij ziet mij reeds terug, Pater!" zeide Ludwig: "alles heeft een +spoediger wending genomen dan wij gedacht hadden!" + +"Gij hebt uw rol meesterlijk gespeeld," zeide Eugenio, wien onze +lezers ongetwijfeld uit de bovenstaande beschrijving reeds zullen +herkend hebben: "ik ben zeer over u voldaan." + +"Doch ik niet over u! wat moet er van dit alles worden?" + +"Hoe nu! is alles niet juist afgeloopen gelijk wij gewenscht hadden?" + +"Gelijk gij gewenscht hadt, Pater!" zeide Ludwig, zich op een stoel +werpende. + +"Uw taal bevreemdt mij," zeide Eugenio, de lamp zoodanig opnemende, +dat het licht den Secretaris vlak op het gezicht scheen: "doch +ja, uw verwilderd oog, uw meer dan gewone bleekheid, uw bevende +lippen.... wat hebt gij toch gezien, dat u de bedaardheid ontnomen +heeft, welke ik u tot heden altijd toegekend heb?"--Dit zeggende, +plaatste hij de lamp weder voor zich en wachtte met een koel gelaat +het antwoord des jongelings af. + +"Vraagt gij nog, wat mij ontzet heeft?" riep Ludwig uit, weder +opstaande en met groote schreden de kamer op en neder wandelende: +"Heb ik niet, als een andere Judas, mijn meester verkocht?" + +"Hmm!" bromde de Jezuïet: "uw meester is de Koning van Spanje." + +"De Koning van Spanje!" herhaalde Ludwig: "heeft de Koning van Spanje +mij gevoed, gekleed, zijn gunst, ja zijn innig vertrouwen geschonken?" + +"Gij zijt een gek," zeide Eugenio, "na al hetgeen gij verricht hebt, +zoudt gij thans, nu wij op het punt zijn van het doel te bereiken, +waarvoor wij zooveel jaren gezwoegd hebben, door een bespottelijk, +kinderachtig en volkomen onnut berouw gedreven, aan de deur des +heils stilstaan, en alsof er niets gedaan ware, op uw voetstappen +terugkeeren! Gij zijt als een schipper, die, een rijke lading van +verre kusten, spijt storm en zeeroovers aangebracht hebbende, die in +de haven overboord zoude werpen." + +"Gave de Hemel, dat ik alles als niet gedaan beschouwen mocht," zeide +Ludwig, met een diepen zucht: "dan zou het bloed van den jongen Graaf +van Falckestein niet op mijn hoofd wegen." + +"Laat dat bloed voor rekening van hen, die het vergoten hebben," +bromde Eugenio. + +"Dan zou de huichelachtige rol, welke ik twintig jaren gespeeld heb, +mijn boezem niet drukken," vervolgde Ludwig, meer en meer ontsteld. + +"Voor al die leugens is u vergiffenis bezorgd," merkte de Jezuïet, aan. + +"Dan zou ik," vervolgde Ludwig, zonder acht te geven op de woorden +van den Pater, "mij niet te verwijten hebben, op een lage wijze +het vertrouwen van den goeden, edelen Graaf misbruikt, zijn hand +valschelijk nagemaakt, zijn eer vuig beklad en hem zelven met eigen +handen aan de wraak eens driftigen broeders te hebben overgeleverd." + +"Gij hebt alleen mijn voorschriften gevolgd, en volgens de getuigenis +van kundige godgeleerden, is de dienaar nimmer verantwoordelijk voor +de daden, welke hij op last zijns meesters bedrijft." + +Ludwig stond stil en wierp een smadelijken blik op den +Jezuïet. "Ziedaar wat mij het meeste hindert, dat ik op mijn jaren +nog heb kunnen toestemmen, de houten pop te blijven, die geen andere +bewegingen deed, dan die òf gij òf Magdalena mij toelieten te doen, +dat ik de slaaf moest wezen van een paap en een geestdrijvende vrouw." + +"Die slavernij houdt voortaan op," zeide Eugenio: "eens ons doel +bereikt hebbende, wordt gij uw eigen meester, en een ouderdom +van weelde en onafhankelijkheid zal u de gehoorzaamheid van jaren +vergoeden." + +"En wie betaalt mij mijn verloren zielsrust?" vroeg Ludwig. + +"Ik heb u reeds gezegd," hernam Eugenio, "dat uw zonden u vergeven +zijn. Wat kan u dan nog kwellen?" + +"Al genoeg," zeide de geheimschrijver, "al genoeg heb ik de +afschuwelijke drogredenen, welke uw Sociëteit kenmerken, aangewend, +om in mijn benepen hart de kalmte te doen terugkeeren: gisteren nog +hadden uw grondbeginselen indruk op mijn geest; doch thans, nu het +misdrijf gepleegd is, zie ik met ijzing op mijn gedrag. terug." + +"Er is niets dwazer," zeide Eugenio, met de uiterste koelheid, +"dan zich gepleegde daden te verwijten. Wat onherstelbaar is, kan +niet herdaan worden: en evenals men de geheugenis van hetgeen men +uit verkeerde beginselen bedreef, uit zijn geest moest wisschen, +dient men ook het berouw deswege, als ondienstig en overtollig, +uit zijn hart te verbannen: deze leer heb ik geheel mijn leven door +in praktijk gebracht en er mij steeds wel bij bevonden. Geloof mij, +Ludwig! ik behartig, door zoo te spreken, alleen uw rust en welzijn; +in beide stel ik belang, meer dan gij denken of vermoeden kunt. Van +uw kindsheid af zijt gij het voorwerp mijner trouwhartigste zorg en +genegenheid geweest: en het grootste bewijs hiervan ligt daarin, dat +ik u, in wien ik het afdruksel van mij zelven waande te beschouwen, +tot het heerlijk werk heb verkozen, hetwelk gij tot nog toe met zooveel +beleid en trouw vervuld, ja, 't welk gij ten einde gebracht hebt. Na +gedanen arbeid is de rust dubbel zoet, en, ofschoon ik, wiens leven +aan de eer mijns Konings toegewijd geweest is, die rust nooit gesmaakt, +ja nooit verlangd heb, wil ik u die laten genieten. De keuze waar, en +in welken rang gij die wilt smaken, laat ik aan u over, en ik twijfel +niet, of mijn invloed zal u den rang of de bediening doen verkrijgen, +welke gij verlangen zult." + +Eugenio hoopte, door deze vooruitzichten aan den geldzuchtigen +jongeling voor te stellen, de vlagen van een lastig, en in zijn oogen +hoogst ontijdig berouw te verdrijven; doch Ludwig was te sterk ontroerd +en buiten zichzelven, om thans gehoor te geven aan de koude drogredenen +van den man, wiens hatelijke raadgevingen hem zoover op den weg van +het misdrijf gebracht hadden. Ziende, dat de geheimschrijver zich +niet langer door schoone beloften paaien liet, en dat zijn ontwaakt +geweten door geen hoop op belooning meer tot rust zou kunnen gebracht +worden, wendde hij het over een anderen boeg, en trachtte met klem van +redeneering te betoogen, dat Ludwig in allen gevalle te ver gegaan was +om weder terug te keeren: dat het zaad van tweedracht, door hem in een +vruchtbaren akker geworpen, hoog was opgeschoten, diepe wortels gevat +had en niet meer kon uitgeroeid worden: dat het Bestand met de week +eindigde, waarna het vuur der muiterij alom stond uit te bersten, in +één woord, dat het uur gekomen was, waarop men de vrucht van zoovele +moeite en opofferingen smaken zoude. "En zoudt gij," vervolgde hij, +"dwaas genoeg zijn, om, in één oogenblik, ter voldoening van eenige +belachelijke zwarigheden, den arbeid van jaren, niet voor anderen, +maar voor u zelven om te stooten? Hebt gij nooit de fabel gelezen van +den hond, die, zijns meesters spijskorf dragende, door andere honden +werd overvallen, die hem de spijs trachtten te ontweldigen. Toen +hij zag, dat hij tegen de menigte toch niet was opgewassen, maakte +hij wijselijk van den nood een deugd, nam het beste deel en liet +het overschot van den buit aan de hongerige aanvallers. Ziedaar +een navolgenswaardig voorbeeld. Al treedt gij terug, gij kunt ons +niet meer beletten, ons doel te bereiken. Het Stadhouderlijk gezag +is aan het wankelen. Verraad, omkooping en wantrouwen beheerschen +de raadsvergaderingen. Gelderland en het Sticht zijn den dag na het +hervatten der vijandelijkheden in de handen der Spanjaards: de zonen +van den Advocaat slijpen den dolk, die Maurits' hart doorboren zal--en +waar blijft gij dan met uw ontijdig berouw? Breng, zooals men zich +in dit land uitdrukt, uw koetjes op 't droge, eer de overstrooming +hier have en huis komt wegspoelen, en blijf niet als een onberaden +zot naakt en berooid op de deerlijke overblijfselen staan, omdat gij +geen moeds genoeg bezit om u datgene vooruit te verzekeren, waarop +gij bij deeling wettige aanspraak hadt." + +De welbespraaktheid des Paters was dezen keer geheel vruchteloos +verspild, ja zelfs deed zij een tegenovergestelde uitwerking dan +die, welke Eugenio er van verwachtte. Ludwig, die van nature een +vreesachtige en lafhartige geaardheid bezat, en die thans minder +door een oprecht berouw gedreven werd dan wel door den angst voor de +straffen der hel, welke hij, in weerwil van 's Paters geruststellende +woorden, voor zijn voeten geopend zag, Ludwig voelde zich gedurig +meer benauwd door de voorstellingen, die hem Eugenio deed, en welke +hem hoe langer hoe meer het onvergoedbare van het door hem verrichte +kwaad lieten zien. Zijn gemoedsangst had hem naar Eugenio gejaagd; +zijn gemoedsangst deed hem weder verlangen in de opene lucht terug +te keeren, en, zonder een woord te spreken, zou hij de kamer verlaten +hebben, toen Eugenio hem, op den welbekenden strengen toon, aan welken +bij altoos was gewend geweest gehoorzaam te zijn, gelastte te blijven. + +Ludwig trad dan ook een stap terug; doch zijn hand verliet de kruk +der deur niet. + +"Wat gaat gij doen?" vroeg Eugenio. + +Ludwig zweeg. + +"Beken het veilig: gij gaat den Stadhouder opzoeken en alles aan +hem verklappen." + +Ludwig sloeg de oogen neder, doch antwoordde niet. + +"Hoe edel! hoe aandoenlijk!" zeide Eugenio, met een bitteren +glimlach: "gij zult mij, die u, van kindsbeen af, heb voortgeleid +en liefgehad, gij zult uw moeder, uw moeder, die alleen voor u zich +zooveel opofferingen getroostte, die alleen voor u leeft, gij zult +vrienden, die op uw trouw steunen, aan de beulen eens dwingelands +prijsgeven.--Voorwaar, een schitterende heldendaad, en welke uw +politieke loopbaan op een prachtige wijze besluiten zal." + +Ludwig wierp zich op een stoel en verborg zijn gezicht in zijn handen. + +"En denkt gij," vervolgde Eugenio, "dat deze trage bekentenis u baten +zal?--Dat gij u daardoor voor straf zult vrijwaren?--Neen! neen! wij +zullen op het schavot komen, doch gij zult er ons vergezellen. Welk +een aandoenlijk familietafereel zal dat geven, als gij tusschen uw +moeder en mij op het rad zult uitgestrekt zijn! ha! ha! ha! ik zie +reeds, hoe de beul zijn vuurtje stookt en u met gloeiende tangen het +vleesch uit het lijf haalt, om u voor uw waarheidspreken te beloonen." + +De akeligheid dezer voorstelling joeg Ludwig een kille huivering aan, +die al zijn leden beven deed. + +"Doch ik zie al," zeide Eugenio, zijn stem verzachtende, "dat gij +wijzer zijn zult en tot betere gedachten zijt teruggekeerd. Kom! wees +een man, Ludwig! en geef u aan geen dwaze wanhoop over. Hoor! ik +heb u lief," vervolgde hij, Ludwig tot zich trekkende, "anders ware +het vermoeden alleen, dat gij mij verraden wildet, genoegzaam om +mij zonder verdere omwegen van u te ontslaan. Was uw leven niet aan +het eind van dit pistool! En had het niet in mijn macht gestaan, u, +eer gij een stap verder deedt, buiten de mogelijkheid te stellen, +uw oogmerk te volvoeren? Wees bedaard! tracht wat te slapen! Na een +goede nachtrust zult gij geheel anders denken." + +"Misschien," zeide Ludwig, oprijzende: "ik zal 't beproeven; doch +hier in dit benauwde kot kan ik niet langer blijven; 't is of ik +stikken zal."--Dit zeggende ontknoopte hij zijn buis. + +"Ik zal u laten gaan, Ludwig! op één voorwaarde. Beloof mij, dat +gij geen onberaden stap zult doen, dat gij nu naar uw nachtverblijf +keeren en ter rust zult gaan. Morgenochtend kunt gij doen wat gij wilt: +doch beloof mij thans te gaan slapen." + +"Ik beloof het u," hernam de Secretaris, terwijl hij angstig het +vertrek op en neder liep: "nog meer, ik beloof u, dat wat er ook +geschiede, ik u niet betichten zal." + +"Gij zult noch mij, noch u zelven betichten, daar ben ik overtuigd +van; doch, drink wat: uw zenuwen zijn aangedaan: een teug wijns zal +u goeddoen"--Dit zeggende, ging de Pater naar het kabinetje, dat hem +tot slaapvertrek diende, en kwam spoedig met een kan wijns en twee +glazen terug. + +Hoe hangen dikwijls de grootste gebeurtenissen van kleine +omstandigheden af! Had Eugenio zich met de beloften van Ludwig tevreden +gesteld en daarop vertrouwd, wellicht waren de Vereenigde Nederlanden, +door binnenlandschen twist verscheurd, door verraad verkocht, opnieuw +een deel van Spanje geworden. Doch de wantrouwende ziel des booswichts +deed hem vreezen, dat Ludwig wellicht zijn woord niet houden zoude, +en om zeker te zijn, dat deze hem dien nacht althans niet verraden +zoude, had hij een slaapdrank onder dien wijn gemengd. Die slaapdrank +redde de Nederlanden. + +"Hier," zeide hij, terwijl hij inschonk: "drink Ludwig! _damus vinum +his qui amaro sunt animo ut doloris sui non recordentur amplius_, +[58] gelijk de _vulgata_ zegt." + +Doch de geheimschrijver was niet minder wantrouwend dan zijn +leermeester in de kunst van veinzerij. Eer hij dronk, hield hij het +glas voor het licht en ontdekte dat de wijn bijzonder troebel en +schijnbaar met een vreemd vocht vermengd was. + +"Die wijn is vergiftigd!" riep hij, den Jezuïet met een vreeselijken +blik aanziende. + +"Zoo! de wijn is bedorven," zeide Eugenio, en goot haastig het +glas ledig. + +"Dat zal ik gaan onderzoeken," hernam Ludwig, en, de kan van de tafel +nemende, wilde hij vertrekken. + +"Sta!" riep Eugenio, hem met een ijzersterke vuist aangrijpende: +"niet van uw plaats. Hoor mij eerst!" + +Doch eer hij nog een woord tot verklaring van zijn gedrag had kunnen +bijvoegen, sloeg Ludwig, dien de vreeselijke blik zoowel als de +beweging van den Pater voor een moorddadigen aanval op zijn leven +deden vreezen, hem met de wijnkan zoo geweldig in 't gezicht, dat +het bloed hem uit neus en mond sprong. + +Bedwelmd van pijn tastte de Jezuïet naar zijn pistolen; doch Ludwig +voorkwam hem, en, zijn mes uithalende, stootte hij het Eugenio tot +het heft toe in de zijde. De gewonde stortte ruglings achterover: +hij poogde te spreken; doch alleen door een afschuwelijken lach kon +hij zijn zielsgevoelens uitdrukken. + +Ter dood toe ontsteld, ijlde Ludwig, zoodra hij hem vallen zag, +de deur uit, en nam, schier zonder te weten, den weg naar het oude Hof. + +"Wie daar?" vroeg een onderofficier, die juist met eenige soldaten +het paleis uitkwam, toen Ludwig het binnen wilde gaan. + +"Ik ben de Secretaris van Z. D.", gaf deze ten antwoord. + +"Dan zijt gij juist de man dien wij zoeken: Z. Hoogh. verlangt u zoo +dadelijk te spreken." + +"Ha! welkom!" riep de jongeling: "ik ook, ik moet Zijn Hoogheid +spreken!--Alles in orde. Ik volg u, Mijn Heeren!" + + + + + +DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + Wat zien we? Duinrijcks merek, een knijn in duin, een knijn, + Dit komt op waerheit uit: hier liegt geen valsche schijn, + 't Verhael hangt hecht aen een: hier mangelt niet een schakel. + + _Vondel_, Leeuwendalers. + + +Ludwig trad, gelijk wij gezegd hebben, met een wankelenden stap de +zaal bij de Gravin van Nassau binnen, en bleef met nedergeslagen +oogen staan, totdat de Prins hem last gaf, alsnu te openbaren wat +hij nog te zeggen had. + +Toen eerst boog hij zich, zag langzaam en deemoedig de Vorsten, +de Gravin en den Baron aan, huiverde op het gezicht van Magdalena, +die bleek als een steen achter haar jonge meesteres stond, en begon +toen op de volgende wijze: + +"Ofschoon ik beken, dat ik op de schandelijkste wijze het vertrouwen +mijns doorluchtigen meesters misbruikt heb...." + +"Sla dat maar over," zeide Maurits, haastig: "ter zake!" + +"Verschoon mij, Uwe Hoogheid!" vervolgde de Secretaris: "ik wilde +alleen zeggen, dat, hoe slecht ik ook heb kunnen handelen, ik echter +thans een geheim aan 't licht wil brengen, hetwelk mij wellicht, +zoo het mij niet voor straf vrijwaart, de dankbaarheid van sommige +personen uit dit luisterrijk gezelschap zal mogen verwerven." + +"Ga zonder omwegen voort," zeide de Prins op een strengen toon. + +"Ik moet dan beginnen," hernam Ludwig met een zucht, "aan den heer van +Sonheuvel te verhalen hetgeen ik bereids aan den Heer Fiskaal verhaald +heb, dat zijn pleegzoon Joan al zijn liefde en achting nog volkomen +waardig is, en dat deze in geen aanslag noch tegen zijn pleegvader, +noch tegen den lande gedeeld heeft." + +"Dat kan ik bevestigen," zeide Vader Ambrosius op een plechtigen toon. + +"Wie valt den deposant in de rede?" vroeg de Prins, verstoord +rondziende. "Wie is die grijskop?" vroeg hij zacht aan Van Kinschot, +toen zijn oog het eerwaardig gelaat van den Vicaris ontdekte. Het +antwoord van den Fiskaal deed hem bevreemd opzien; doch hij gaf +terstond weder een wenk aan Ludwig om te vervolgen. + +"Ik moet deze getuigenis nopens den Jonker van Craeihorst afleggen," +vervolgde Ludwig, die langzamerhand meer bedaardheid en gemak herkreeg, +terwijl hij op zijn woorden dacht: "omdat het van belang is, dat er +geen vlek ruste op den stam, waar hij toe behoort. + +"Mijn geslacht was altijd onbesproken," viel de Baron in met drift. + +"Ik spreek niet van uw geslacht, Heer Baron: ik spreek van uw pleegzoon +Joan," zeide Ludwig, met nadruk. + +"Wat gaan ons de Velasco's aan?" vroeg Reede. + +"Joan is geen Velasco, er is nooit eenig Spaansch bloed met het zijne +vermengd geweest." + +"Kent gij zijn ouders dan?" vroeg Maurits. + +"Dat de Heer van Sonheuvel zich slechts herinnere hoe hij aan hem +gekomen is, en wat hij bij hem gevonden heeft." + +"Mijn God!" riep de Gravin van Nassau uit, terwijl zij doodsbleek +opstond en naar den jongeling toesnelde: "die kleederen, die +jachthond...." + +"Zijn bewijzen genoeg, Mevrouw!" vervolgde Ludwig: "Joan van Craeihorst +is uw zoon, Graaf Ulrich von Daun." + +"Mijn zoon!" gilde de Gravin, terwijl zij haar handen wrong en schier +onmachtig in de armen van de nabijstaande dames viel: "mijn Ulrich! o +God! is het mogelijk!" + +"Joan de zoon van mijn trouwen vriend Falckestein!" riep de Baron. + +"Ach!" zeide de oude Beckman, door de menigte heendringende: "hij +liegt, die schelm van een Ludwig! heb ik niet het kind van den Heer +Graaf voor mijne augen zien in 't wasser wirfen?" + +"Wat? wie twijfelt daar aan de waarheid van zijn verhaal?" vroeg de +Gravin, angstig en snel opziende: "spreek Ludwig! antwoord op hetgeen +de oude man zegt." + +"Antwoord dien ouden man," zeide Maurits: "en wee u, zoo gij niet +bewijst wat gij verklaard hebt, en zoo uw vertelling slechts een +armhartig verdichtsel is, waarmede gij de voorspraak der Gravin zoekt +te verwerven." + +"'t Is waar," antwoordde Ludwig; "de oude man heeft het kind in +het water zien werpen; doch wat hij niet kon zien, omdat de hoek +van den toren het hem belette, is, dat de hond des Graven, die in +het nabijgelegen vertrek bij mijn moeder en bij mij gezeten was, +uit een zijraam in de gracht sprong en den knaap het leven redde. De +hond zwom het slot om, terwijl de oude Beckman zich met het schuitje +begaf naar de plaats waar het kind gevallen was. Het was mijn moeder, +aan wie het getrouwe dier zijn jongen meester bracht, en die hem voor +den moorddolk behoeden bleef. Zij verliet terstond het slot met ons +beiden en stelde zich onder de bescherming van Velasco." + +"O Voorzienigheid! hoe wonderbaar zijn uw wegen," zeide Vader +Ambrosius, de handen ten hemel heffende. + +"Er blijft nog iets duisters in uw verhaal," zeide de Prins tegen +Ludwig: "leeft er iemand, die de waarheid daarvan bevestigen kan? Leeft +uw moeder nog?" + +"Zij leeft nog," zeide Magdalena, met statigheid vooruittredende. + +"Hoe!" riep de Baron: "gij de moeder van dien knaap?" + +"De tijd en het verdriet hebben mij veranderd," hernam zij: "doch +Mevrouw de Gravin zal zich wellicht nog herinneren, dat zij mij te +Bruck gezien heeft." + +"Is het mogelijk?" hernam de Gravin: "ja, ik herinner mij thans +duidelijk.... reeds waren uw trekken mij bekend voorgekomen. Doch in +'s Hemels naam, zeg mij, heeft Ludwig de waarheid gezegd?" + +"In allen deele," antwoordde Magdalena, haar zoon verachtelijk +aanziende. + +"O God!" riep de Gravin: "mijn zoon, mijn Ulrich leeft nog! doch waar +is hij? wie brengt hem tot mij?" + +"Hij is ontsnapt," zeide de Fiskaal, "doch ik vlei mij, dat wij hem +vinden zullen." + +"Dat hoop ik ook," dacht Bleiswyk: "doch waar hij zit, weet slechts +één mensch...; en die alleen kan de ontknooping van dit spel maken." En +meteen sloop hij de zaal en het huis uit. + +"Doch er leeft nog een getuige, die licht in deze zaak kan aanbrengen," +zeide de Baron: "die schelmsche Jezuïet, die in mijn slot heeft +opgesloten gezeten.... ja, zoo wij die hadden, hij zou ons kunnen +vertellen...." + +"Hij ligt reeds in boeien; doch hij is buiten staat een woord te +getuigen," merkte Van Kinschot aan. + +"Hoe!" zeide Magdalena tegen Ludwig: "gij heb den Pater verraden!" + +"Ik heb meer gedaan," antwoordde deze op een somberen toon: "ik hem +hem naar de hel gezonden waarin hij te huis behoort." + +"Wee u! gij hebt uwen vader vermoord!" riep Magdalena, terwijl zij +zich wanhopend met de vuisten voor 't voorhoofd sloeg en de zaal met +wilde blikken op en neder liep. + +Ludwig bleef versteend staan: een rilling beving hem, en half onmachtig +zonk hij op een stoel neder. + +"Kind der schande! kind der verdoemenis!" vervolgde de radelooze +vrouw, terwijl zij elk terugstootte, die haar naderen wilde: "in zonde +ontvangen, om in zonde te leven en in zonde te sterven! Ziedaar de +straf, die het misdrijf wacht! o wee mij! wee u! wee ons allen!" + +"Breng die ongelukkige weg," zeide Maurits: "dit tooneel is te ijselijk +om door vrouwenoogen gezien te worden." + +Verscheidene onder de aanwezigen traden naar Magdalena toe, met +oogmerk om haar weg te leiden; doch op eens bleef zij staan, wees +alle hulp af, hief het hoofd met waardigheid op en zag de omstanders +met fierheid aan. + +"Dat zich ieder wachte, de hand aan de Bruid des Heeren te +slaan. Zooverre is het nog niet gekomen, dat Zuster Klara, de Abdis der +Karmelieten te Tiel, de hulp van onheilige ketters noodig heeft. Freule +van Sonheuvel! de rol, die ik bij u gespeeld heb, is afgeloopen. Uw +verloofde wordt ter dood gebracht: gij kunt uw minnaar huwen." + +"Het is haar in het hoofd geslagen," zeide de Prins: "nogmaals breng +haar weg." + +"Verschoon mij," zeide Vader Ambrosius: "zoo iemand, zal ik invloed +op haar hebben. Zuster Klara!" vervolgde hij, zijn stem verheffende: +"Zuster Klara! kent gij mij?" + +Een bevestigende hoofdknik was het antwoord. + +"Gij zegt wel, Zuster Klara! uw rol is hier uitgespeeld. Ik ken de +gelofte, die gij gedaan hebt; ik wist ook, waarom gij bij mijn neef +geplaatst waart: ik ontsla u van haar verdere vervulling: verlaat +dit land en ga in een klooster uw overtredingen beweenen." + +"Ik gehoorzaam," zeide Magdalena, en, zonder er een woord bij te +voegen, zonder zelfs een blik te werpen op haar ellendigen zoon, +verliet zij het vertrek. + +"Ik had geen Roomschen prelaat _hier_ verwacht," zeide Maurits, +zich met bevreemding en ontevredenheid tot Vader Ambrosius wendende. + +"Een heilige plicht riep mij herwaarts," zeide deze: "de ontwerpen +van Mom waren mij bekend en ik moest voorkomen, dat mijn nicht zich +met dien booswicht in 't huwelijk begaf. Met een andere boodschap had +ik mij voor Mevrouw de Gravin belast. Don Diego de Velasco had een +beminde binnen Brussel, aan welke hij vrij regelmatig zijn lotgevallen +schreef. Deze vrouw bezocht ik in de afgeloopen week, ten einde haar +van geestelijken raad te dienen. Nieuwsgierig om te weten, of Joan +werkelijk de zoon van Don Diego wezen kon, ondervroeg ik haar omtrent +dit onderwerp. Zij ontkende stellig, dat haar voormalige minnaar immer +getrouwd geweest ware, en haalde de brieven voor den dag, welke zij +van hem ontvangen had. In den laatsten dier brieven wordt de redding +van het kind des Graven van Falckestein opgegeven, juist gelijk het +zooeven vermeld werd, en geeft Velasco meteen zijn oogmerk te kennen, +om het weder aan zijn moeder te zenden. De Brusselsche dame dacht, +dat Velasco dit plan volvoerd had, waarin het blijkt dat hij door den +dood is belet geworden. Van dezen brief ontving ik een afschrift, +hetwelk ik hierbij met genoegen aan Mevrouw de Gravin overhandig, +en dat, mijns inziens, allen twijfel doet ophouden." + +"Uw oogmerk was edel," zeide Maurits: "doch gij hebt wat veel op onze +edelmoedigheid gerekend, Heer Vicaris, dat gij zonder vergunning u +hier vertoont." + +"De naam van Vicaris voegt mij niet langer, Uwe Hoogheid. Toen ik +ontdekte, dat diezelfde Eugenio, wiens bloeddorst zooveel rampen +baarde, ook mij naar 't leven stond, daar hij mij verdacht hield +van zijn oogmerken tegen te werken, reisde ik naar Brussel, om +hem aan te klagen. Ik merkte ras, dat men hem meer dan mij scheen +noodig te hebben, en hem dus ongaarne aan mij zou opofferen. Dit +deed mij besluiten, mijn ontslag te nemen. Mijn voornemen is thans, +naar Amerika te reizen en in de nieuwe wereld de zaden van het echt +geloof te gaan voortplanten." + +"En de rampzalige Indianen tegen de verdrukking der Spanjaards te +beschermen," zeide Frederik Hendrik. + +Op dit oogenblik trad Bouke, die het vertrek kort te voren verlaten +had, weder binnen. De tegenwoordigheid der hooge personages kon hem +niet beletten op te springen, zijn muts in de hoogte te werpen en +uit te roepen: "het eind goed al goed! daar is hij! daar is hij!" + +"Wie? wie is er?" riepen alle aanwezigen als uit eenen mond. + +"Ulrich von Daun, Graaf van Falckestein!" zeide Bleiswyk, +binnentredende. Onze held volgde hem, hij zag vreemd op, toen hij +zich in zulk een luisterrijk gezelschap bevond; doch nog vreemder, +toen hem de Gravin om den hals viel, en onder den uitroep van: +"mijn zoon! mijn zoon!" de teederste moederkussen gaf. + +"Ik heb hem niets gezeid," zeide Bleiswyk, half dansende van vreugd: +"Ja, Heer Fiskaal! kijk zoo zuinig als UEd. wil; ik heb hem dezen +nacht mede naar huis genomen en hem verstopt. Nu heb ik hem verteld, +dat hij vrij was, doch verder niets! ja, ik kan ook zwijgen!" + +Dit zeggende, huppelde hij om en drukte den Fiskaal, de gasten, +ja den Predikant Raesfelt in de armen. + +Intusschen ontving Joan (want zoo zullen wij hem uit gewoonte blijven +noemen) de gelukwenschingen der aanwezigen en de omhelzingen van den +Baron, van Bouke, van den ouden Beckman en van al zijn betrekkingen, +zonder dat hij zelf nog iets begreep van het verward verhaal, dat hem +de omstanders allen te gelijk deden: eindelijk nam de Prins zelf hem +bij de hand. + +"Wij hebben elkander voordezen meer ontmoet," zeide deze, hem met +welgevallen aanziende. + +"Kapitein Holtvast!" zeide Joan verrast. + +"Dat was ik te Tiel," hervatte Maurits: "hier noemt men mij Maurits +van Nassau." + +"Uwe Hoogheid!--O ik verzoek verschooning voor hetgeen ik onwillig...." + +"Geen verschooning is noodig, waar geen wil tot beleediging bestaan +heeft," hernam de Prins: "ik heb u toen mijn diensten aangeboden, en +ik wil heden mijn woord gestand doen, door u het geheim uwer geboorte +te ontwikkelen."--Dit gezegd hebbende, gaf hij hem in korte woorden +zijn geluk te verstaan. Bedwelmd en schier sprakeloos zeeg nu de +jongeling weder aan 't hart zijner dankbare moeder. + +En Ulrica! Vergat ik haar?--Neen! maar ik zag op tegen de +onmogelijkheid om den toestand te beschrijven, waarin zooveel +verrassende voorvallen haar gebracht hadden. Zij was ontslagen +van een huwelijk, waar zij tegen ijsde; de beminde van haar +hart was harer waardig: hij was niet meer een arme, onbekende +vondeling; maar integendeel door rang en geboorte ver boven haar +verheven. Dankbaarheid, verbazing, verrukking, ontzetting hadden haar +aandoenlijk zenuwgestel zoodanig geschokt, dat het haar onmogelijk +was, één woord uit te brengen. Lang was zij als op de plaats genageld +blijven staan, eer zij kracht genoeg vond om haar voedsterbroeder te +naderen, hem de hand toe te reiken en met een flauwe stem tot hem te +zeggen: "ik behoef u niet te zeggen, of ik in uw geluk deel neem." + +"O Ulrica!" zeide de jongeling en drukte een vlammenden kus op haar +lippen, doch terstond terugtredende: "verschoon mij," zeide hij, +"ik vergat u geluk te wenschen: het is heden immers uw verlovingsdag?" + +"Wat verlovingsdag!" riep de Baron: "zij zal met u haren verlovingsdag +vieren, of maagd sterven, niet waar Riekje?" + +"Vader!" zeide Ulrica, blozend, terugtredende: "Mevrouw de Gravin...." + +"'t Is waar ook," hernam de Baron, verlegen: "Joan is nu geen Joan +meer, maar een te hoog personage voor een arme landfreule als gij +zijt." + +"Beminnen zij elkander?" vroeg de Gravin, terwijl een glans van +vergenoegen zich over haar gelaat verspreidde. "O! hoe gelukkig zou +ik zijn, indien Ulrica mijn dochter wezen wil." + +Noch Ulrica, noch haar minnaar gaven eenig antwoord; doch zij omhelsden +beiden de Gravin. + +"_Gratulor_!" zeide Raesfelt, toetredende: "Ik wensch u van harte +geluk, mijn zoon. Gij ziet het: God heeft alles ten beste gekeerd, +en het is, zooals de Psalmist zegt in Psalm 128: + + + U doen zal wel beklijven + Spoedig met overvloet. + + +Ach! dat ik ook mijnen zoon, mijnen Henricum, alzoo wederom vond!"--En +zich eensklaps bedenkende, haalde hij zijn smeekschrift voor den dag +en bood het den Prins aan. + +"Hendrik Raesfelt!" zeide de Prins, terwijl hij het vluchtig inzag: +"Van Kinschot, is dat die jongeling niet, die dezen nacht...." + +"Dezelfde!" antwoordde de Fiskaal. + +"Uw zoon is een verharde Arminiaan," zeide Maurits lachende tegen +Raesfelt. + +"Een nagel aan mijn doodkist," antwoordde deze: "doch ik ben vader." + +".... doch hij is vrij, en kan zich nederzetten waar hij wil," hernam +de Prins. + + + +"En is het nu uit?" vroeg op een verdrietigen toon een der lieve +kleinen, toen zij mij hier het handschrift zag toevouwen en oprollen. + +"En wat moest er nog komen, volgens uw gedachte?" vroeg ik op mijn +beurt. + +"Wel zeer veel," hernam zij, mij met groote oogen aanziende, en op haar +vingers tellende: "vooreerst had ik gehoopt, dat wij de beschrijving +der bruiloft zouden gehad hebben." + +"Gij begrijpt, zusje-lief, dat er in Den Haag geen bruiloft +gevierd werd. Het zou kwalijk gepast hebben, feesten te houden, +terwijl de gemanqueerde bruidegom, de Ambtman, terecht gesteld en +ter dood gebracht werd, gelijk men zulks in de gedrukte sententie +lezen kan.--Maar, "eer nog de takken van groen loof beroofd waren," +vervolgde ik op een declameerenden toon, "was de hooge feestlantaren +op den slottoren te Bruck geheschen en brandde de pekton op het plein: +kannen met Rijnschen wijn werden ten beste gegeven aan de vroolijke +landjeugd, die in 't zondagspak uitgedost, den burcht in- en uitliep +en op het pleingras in de rondte danste. Een koets rolde de slotbrug +over: een jeugdig edelman trad er uit en bood de hand om af te stijgen +aan twee dames, waarvan de eene den middelbaren tijd des levens reeds +bereikt had en de andere van jeugd en schoonheid bloeide: op hetzelfde +oogenblik duidden de vreugdeschoten, uit vijftig musketten gelost, +de komst aan van den Graaf van Falckestein op zijn erfelijk slot." + +"En trouwden zij toen?" + +"Zij waren te Sonheuvel getrouwd geworden door den vromen Predikant +Raesfelt: en jaarlijks gingen zij in 't vervolg aldaar eenige maanden +doorbrengen bij den waardigen Baron, die alsdan geen drinkpartijen +meer noodig had om den tijd aangenaam door te brengen." + +"En Bouke?...." + +"Had het genoegen van aan de Kinderen van Ulrich en Ulrica dezelfde +kunsten te leeren, die hij eertijds aan Joan had medegedeeld, terwijl +de oude Geert dan gestadig uitriep, wat of Mevrouw zaliger wel gezegd +zou hebben, als zij dat alles beleefd had." + +"Goed! en vader Ambrosius?" + +"Deze volvoerde zijn plan en stierf, hoogbejaard, in Amerika, alwaar +hij als een tweede Las Casas de zegeningen van al wie hem gekend had +met zich in 't graf voerde." + +"En Ludwig? en Magdalena?" + +"De ongelukkige vadermoorder stierf in een krankzinnigenhuis: zijn +moeder begaf zich naar Frankrijk, trachtte er door de strengste +boetedoening, des Hemels gerechtigheid te verzoenen, en stierf in +reuk van heiligheid." + +"En trouwde Hendrik Raesfelt met de dochter van den Cipier?" + +"Ja, doch slechts na den dood van Prins Maurits, toen hij tot Predikant +bij de Remonstrantsche Sociëteit in een onzer voornaamste steden was +aangesteld. Nu weet gij, geloof ik, alles." + +"Volstrekt niet," zeide een mijner broeders, met een schalkschen +lach: "gij hebt den Heer Van Botbergen uit een raam laten springen: +ligt hij daar nog met gebroken armen en beenen? of is hij naar het +gasthuis gebracht?" + +"Gij oolijke gauwdief, gij hebt waarachtig gelijk:--het venster was +niet hoog en hij kwam op de beenen te land; hij vluchtte de stad +uit, begaf zich naar Tiel, verborg zich bij Klaas Meinertz, merkte +dat deze den aanslag verraden had en hem nu overleveren wilde, stak +den ouden booswicht overhoop, doch werd zelf gepakt, en evenals zijn +medestanders in den Haag gerecht." + +"Wij bedanken u wel voor de voorlezing, lieve broeder!" + +"Ik bedank u voor uw aandacht, en zoo ooit mijn lezers evenveel +belangstelling in mijn verhaal en toegevendheid voor den verhaler +betoonen, zal ik mijn arbeid dubbel beloond achten." + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] "_Vondel bekroond door het dankbaar nageslacht. Eene herinnering +aan de oprichting van het standbeeld en de Vondelsfeesten in de +hoofdstad op 17, 18 en 19 Oktober 1867_." Arnhem, D. A. _Thieme_, +1868, gr. 8o. + +[2] Aftreden van het 1ste ministerie _Heemskerk_, Februari +1868. Mr. C. _Fock_ vormt een nieuw ministerie. + +[3] Van Lennep doelt op zijne brochure: "_Het Podagra en het Manifest +van Burgerpligt_," Amsterdam, 1868. + +[4] Gedurende de jaren 1868 en 1869 schreef ik in het tijdschrift +"_Nederland_" letterkundige artikelen onder den titel: "_Letterkundig +Intermezzo_." + +[5] _Gids_, December, 1864. Later in het II deel, _Litterarische +Fantasien_, 1 Reeks. + +[6] Deze op den hoed geplaatste veertjes noemde men met een Fransch +woord, dat sedert een meer algemeene toepassing verkregen heeft, +_coquardes_. + +[7] Ende de Koningen der aerde, die met haer gehoereert hebben, +sullense beweenen ende rouwe over haer bedrijven. Openb. 18:9. + +[8] Hendrik de Vierde, Elizabeth en Graaf Maurits. + +[9] Ik zal seventighmaal sevenmael gewroken worden. Gen. 4:24. + +[10] Als één man. + +[11] Ik zal u den rechten weg leeren. + +[12] Zeventigmaal zevenmaal. + +[13] Mijne ure is nog niet gekomen. + +[14] Zeventigmaal zevenmalen. + +[15] In den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. + +[16] De mensch wikt en God beschikt. + +[17] Zeventigmaal zevenmalen. + +[18] _Confiteor_ beteekent: ik belijde, en wordt voor de belijdenis +zelve gebruikt, omdat men de biecht met dat woord aanvangt. + +[19] Ik heb gezondigd, vader. + +[20] Zeventigmaal zevenmalen. + +[21] Voorwaar, een fraaie vrouw! + +[22] Was hij uw vriend? O! vergeef mij: ik kende uw betrekking niet +tot hem. + +[23] Men moet zien of hij geld heeft. + +[24] Wij hebben een ander beest gevonden: eenen verrader. + +[25] De vossen hebben kuilen en de vogelen des hemels nesten: maar +ik heb niet waar ik mijn hoofd kan nederleggen. + +[26] Opdat in den naam Jesu zich buige, enz. + +[27] Heere! Heere! hebben wij niet in Uwen name geprofeteerd? + +[28] Ik heb u nooit gekend: gaat weg van mij, die ongerechtigheid +werkt. + +[29] De dag der wrake. + +[30] Deze rede is hard en wie kan die hooren? + +[31] Dit boek behoort aan broeder Ambrosius, abt der Dominicanen. + +[32] De wapenen moeten onderdoen voor de toga. + +[33] Zegevierende verrukking. + +[34] Oldenbarneveldt. + +[35] De zeeman vertelt van de stormen, de bouwman van de stieren. + +[36] Doch hoezeer veranderd van hetgeen hij geweest was. + +[37] Vrede zij met u. + +[38] Mijn brood is dat ik doe den wille desgenen, die mij gezonden +heeft. + +[39] Draagt geen goud, noch zilver, noch geld in uw gordels. + +[40] Zoo iemand niet haat. + +[41] Wij moeten blijven en kloekmoedig strijden. + +[42] Alles is gereed. + +[43] Den koning van Spanje, onzen gemeenen vijand. + +[44] Wacht een weinig. + +[45] Zijt gij dwaas? + +[46] Verdeel en heersch. + +[47] Daar de goede Grootmeester de lessen van zijn hoogloffelijken +leermeester meestal verminkt en onvatbaar ter vertaling maakt, hebben +wij deze ook gemeend te moeten achterwege laten. + +[48] Niet allen kunnen wij alles. + +[49] Vrede zij met u. + +[50] De Engel des Heeren heeft bij nacht de deuren der gevangenis +geopend. + +[51] Gij zult niet doodslaan. + +[52] Cats. + +[53] _Vondel_, de Amsterdamsche Hecuba, bl. 28. + +[54] Deze dag moet met een witten steen geteekend worden! + +[55] Zoo noemde men de boden, die de Remonstranten heimelijk +waarschuwden wanneer en waar er een bijeenkomst zou plaats hebben. + +[56] Schelm! zijt gij niet de zoon van Raesfelt? + +[57] Die het einde wil, wil de middelen. + +[58] Wij geven wijn aan hen, wier ziel met bitterheid vervuld is, +opdat zij hunner droefheid niet meer indachtig zijn zouden. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De Pleegzoon, by J. van Lennep + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PLEEGZOON *** + +***** This file should be named 24467-8.txt or 24467-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/4/4/6/24467/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/24467-8.zip b/24467-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5c6badf --- /dev/null +++ b/24467-8.zip diff --git a/24467-h.zip b/24467-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..576f48d --- /dev/null +++ b/24467-h.zip diff --git a/24467-h/24467-h.htm b/24467-h/24467-h.htm new file mode 100644 index 0000000..c098e4a --- /dev/null +++ b/24467-h/24467-h.htm @@ -0,0 +1,19331 @@ + +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> + +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1"> + +<title>De Pleegzoon</title> +<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="Jacob van Lennep"> +<meta name="DC.Creator" content="Jacob van Lennep"> +<meta name="DC.Title" content="De Pleegzoon"> +<meta name="DC.Date" content="#####"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css"> +/* Standard CSS stylesheet */ + + + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} + +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +} + +h1.docTitle +{ +font-size:1.6em; +line-height:2em; +} + +h2.byline +{ +font-size:1.1em; +font-weight:normal; +line-height:1.44em; +} + +span.docAuthor +{ +font-size:1.2em; +font-weight:bold; +} + +h2.docImprint +{ +font-size:1.2em; +font-weight:normal; +} + +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} + +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} + +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} + +.index +{ +font-size: 80%; +} + +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} + +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} + +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} + +h3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} + +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} + +h4.lghead +{ +margin-left:10%; +margin-right:10%; + +} + +.alignleft +{ +text-align:left; +} + +.alignright +{ +text-align:right; +} + +.alignblock +{ +text-align:justify; +} + +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} + +p.poetry +{ +margin:0 10% 1.58em; +} + +p.line +{ +margin:0 10%; +} + +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} + +p.argument, p.tocArgument +{ +margin:1.58em 10%; +} + +p.tocChapter +{ +margin:1.58em 0%; +} + +p.tocSection +{ +margin:0.7em 5%; +} + + +div.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} + +.epigraph .bibl +{ +text-align: right; +} + +.epigraph .poem +{ +margin-left: 0; +} + +.epigraph .line +{ +margin-left: 0; +text-indent: 0; +} + +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} + +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} + +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} + +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} + +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} + +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} + +span.parnum +{ +font-weight: bold; +} + +.leftnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} + +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} + +a.noteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} + + +.red +{ +color: red; +} + +.displayfootnote +{ +display: none; +} + +div.footnotes +{ +margin-top: 1em; +padding: 0; +} + +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} + +p.footnote +{ +font-size: 80%; +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} + +p.footnote .label +{ +float: left; +text-align:left; +width:2em; +} + +.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption +{ +font-size: 80%; +} + + +.poem +{ +margin-left:5%; +position:relative; +text-align:left; +width:90%; +} + +.poem h4 +{ +font-weight:normal; +margin-left:5em; +} + +.poem .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left:-2.5em; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} + +.versenum +{ +font-weight:bold; +} + +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum +{ +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +} + +.footnotes .line +{ +font-size:80%; +margin:0 5%; +} + +.poem .i0 +{ +display:block; +margin-left:2em; +} + +.poem .i1 +{ +display:block; +margin-left:3em; +} + +.poem .i2 +{ +display:block; +margin-left:4em; +} + +.poem .i3 +{ +display:block; +margin-left:5em; +} + +.poem .i4 +{ +display:block; +margin-left:6em; +} + +.poem .i5 +{ +display:block; +margin-left:7em; +} + +.poem .i6 +{ +display:block; +margin-left:8em; +} + +.poem .i7 +{ +display:block; +margin-left:9em; +} + +.poem .i8 +{ +display:block; +margin-left:10em; +} + +.poem .i9 +{ +display:block; +margin-left:11em; +} + +span.corr +{ +border-bottom:1px dotted red; +} + +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} + +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} + +.letterspaced +{ +letter-spacing:0.2em; +} + +.smallcaps +{ +font-variant:small-caps; +} + + +.caps +{ +text-transform:uppercase; +} + +.fraktur +{ +font-family: 'Walbaum-Fraktur'; +} + +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} + +h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure +{ +text-align:center; +} + +h1,h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} + +h1.label,h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h5,h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} + +p,p.initial +{ +text-indent:0; +} + +p.firstlinecaps:first-line +{ +text-transform: uppercase; +} + +p.dropcap:first-letter +{ +float: left; +clear: left; +margin: 0em 0.05em 0 0; +padding: 0px; +line-height: 0.8em; +font-size: 420%; +vertical-align:super; +} + +.poem +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} + +p.quote,div.blockquote,div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} + +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} + + +ul { list-style-type: disc; } +ol { list-style-type: decimal; } +ol.AL { list-style-type: lower-alpha; } +ol.AU { list-style-type: upper-alpha; } +ol.RU { list-style-type: upper-roman; } +ol.RL { list-style-type: lower-roman; } +.lsoff { list-style-type: none; } + +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } + + + + + +/* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml +" */ + + + +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} + +body, a.hidden +{ +color: black; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} + +p.byline +{ +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} + +.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage +{ +color: #001FA4; +} + +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} + +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} + +p.dropcap:first-letter +{ +color: #001FA4; +font-weight: bold; +} + + + +</style></head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of De Pleegzoon, by J. van Lennep + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Pleegzoon + +Author: J. van Lennep + +Release Date: January 31, 2008 [EBook #24467] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PLEEGZOON *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + +</pre> + + +<div class="front"> +<div class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/frontcover.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="496" height="720"></div><p> + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="720" height="106"></div><p> + + +</p> +</div> +<div class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><p class="aligncenter">De Pleegzoon. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/frontispiece.jpg" alt="Frontispiece: afbeelding van Jacob van Lennep met handtekening." width="495" height="720"></div><p> + +</p> +</div> +<div class="titlePage"> +<h1 class="docTitle">De Pleegzoon</h1> +<h2 class="byline">Door +<br> +Mr. J. van Lennep. +</h2> +<div class="figure"><img border="0" src="images/logo.jpg" alt="Uitgeverslogo A. W. Sijthoff met motto “Altijt Waek Saem”." width="147" height="175"></div> +<h2 class="docImprint">Leiden.—A. W. Sijthoff.</h2> +</div><a id="d0e126"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e126">I</a>]</span><div id="d0e127" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Mr. Jacob van Lennep.</h2> +<div class="epigraph"> +<p>“Van Lennep was onze prettigste litteraire gestalte, die de kunst verstond vijftig jaren lang amusant te blijven.” + +</p> +<p><span class="letterspaced">Cd. Busken Huet</span>. +</p> +</div> +<div class="div2" id="d0e137"> +<h3 class="normal">I.</h3> +<p>’t Was een plezier <span class="letterspaced">Van Lennep</span> persoonlijk te ontmoeten. + +</p> +<p>Toen hij in Augustus 1865 ter vergaderzaal van het achtste Taal- en Letterkundig Congres te Rotterdam verscheen, geheel in +een grijs zomercostuum, het fraaie zilveren hair om de slapen golvend, kwam ieder hem blij groetend te gemoet. Aan de tafel +van het bestuur plaats nemend, de guitige, donkere oogen naar het publiek, vooral naar de dames richtend, zat hij met een +bijna onmerkbaren glimlach te luisteren. De vrij drooge beraadslaging over de spelling der bastaardwoorden werd plotseling +door hem met een handvol aardigheden afgebroken. Wie herinnert zich niet, hoe daar door hem geijverd werd, om de ph door de +f te vervangen—hoe hij vertelde, dat hij als jonkman een zangspel “<span class="letterspaced">Saffo</span>” geschreven had, maar, dat de regisseur zijne spelling in <span class="letterspaced">Sapho</span> gewijzigd had, zoodat de acteurs: “O, Sap, ho, wees gegroet!” zongen; hoe hij er bijvoegde, dat eene Amsterdamsche dienstmaagd, +uitgezonden door hare mevrouw, om te zien of er een vroolijk stuk op het Leidsche Plein zou gespeeld worden, terugkwam met +het bericht: “Ze spelen de Mophondjes,” terwijl in werkelijkheid “<span class="letterspaced">Demophontes</span>,” het classiek treurspel van <span class="letterspaced">Metastasio</span>, vertaald door <span class="letterspaced">Westerwijk</span>, werd vertoond; hoe <a id="d0e162"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e162">II</a>]</span>hij besloot met de mededeeling eener jonge dame, die hem in zijne waardigheid van vrijmetselaar vroeg, wat de orde toch bedoelde +met de woorden <span class="letterspaced">prop hanen</span>, waarop hij antwoordde, dat daarmeê waarschijnlijk de mannetjes van prop hennen gemeend werden. + +</p> +<p>Een zonneschijn van vroolijkheid schitterde plotseling over de vergadering, die vóór <span class="letterspaced">Van Lennep’s</span> komst in deftige dommeling zachtkens afdreef op den stroom der verveling. + +</p> +<p>In het huis op de Keizersgracht, in zijne ruime studeerkamer, aan zijne schrijftafel, maakte hij geen minderen indruk. Gekleed +met zijn grijzen kamerjapon—als op het groote gesteendrukte portret naar de voortreffelijke schilderij van <span class="letterspaced">Schwarze</span>—de snuifdoos in de linkerhand, de rechter op een arm van zijn leunstoel, zat hij daar met zijn prettig gezicht en fonkelende +oogen naar de woorden van zijn bezoeker te luisteren, de gelegenheid afwachtend, om met een fijnen zet of een luimig verhaal +zelf het woord te nemen. Onder vier oogen kwam daarenboven de natuurlijke goedheid van zijn hart uit, daar hij geene moeite +te zwaar vond, om aan eenig verzoek zijner vrienden te voldoen. Zijne wetenschap, zijne bibliotheek, zijn invloed stonden +hun ten dienste, zoo vaak zij zijne hulp inriepen. + +</p> +<p>Te Gent zag men hem, ter gelegenheid van het negende Letterkundig Congres, in het voorportaal van den schoonen schouwburg, +op een Augustusavond van 1867 in zijn licht reiscostuum—hij was uit Zwitserland overgekomen—terwijl hij met hartelijkheid +de hand drukte van E. <span class="letterspaced">Douwes Dekker</span>, die hem kort te voren in een vlugschrift zijne hulpvaardigheid bij het uitgeven van den “<span class="letterspaced">Max Havelaar</span>” als een misdrijf voor de voeten had geworpen. De Congresleden omringden hem van alle kanten. En uit de rijen der Zuid-Nederlanders +ging een luid gejuich op. Zooveel grootmoedigheid, zooveel zelfbeheersching, zooveel rustige heuschheid mochten niet onopgemerkt +blijven. + +</p> +<p><span class="letterspaced">Van Lennep’s</span> persoon was overal bekend. Overal werden hoeden afgenomen, handdrukken gewisseld. In alle Nederlandsche steden had hij vrienden +of ten minste goede kennissen. Zelfs onder den eenvoudigen, maar nuttigen, stand der sjouwerlieden was zijn naam en persoon +bekend. En niet alleen te Amsterdam. Het gebeurde in 1867, dat te Rotterdam aan het station van den Rhijnspoorweg bij het +aankomen van een trein uit Utrecht, een aardig, knap juffertje stond bij eene geopende deur aan het plankier. Dat juffertje +was eene Rotterdamsche, die dagelijks vrij wat menschen zag, daar zij haar guitig wipneusje sedert een jaar achter het buffet +deed bewonderen door wereldwijze handelsreizigers en roodgeblakerde tweede-luitenants, <a id="d0e189"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e189">III</a>]</span>die op transport waren. Toen de reizigers uit den trein zich over het plankier verspreidden, zag zij te midden van eene groep +luidsprekende heeren een grijsaard met ongemeen vriendelijken glimlach en golvende witte hairen. Telkens hield iemand hem +staande, om hem met een levendigen uitroep van verrassing, van ingenomenheid, eenige snelle woorden toe te spreken, die door +den wellevenden man onuitputtelijk geduldig werden beantwoord. Ieder beijverde zich met liefde den weg open te houden voor +den uiterlijk reeds zoo achtbaren man, wiens tred door den last van vijfenzestig jaren reeds vrij wat van vroegere veerkracht +miste. De knappe buffetjuffrouw verwonderde zich, dat één oude heer zoo ontzettend veel kennissen om zich heen verzamelde. +En daar Hein, de witgekielde sjouwerman van het goederenbureel, juist voorbijkwam, vroeg ze: + +</p> +<p>—“Wie is die grijze heer?” + +</p> +<p>—“Wie? Wel nou, jij bent ook een beste! Ken-je onzen Van Lennep dan niet?” + +</p> +<p>’t Feit is historisch en werd door een ooggetuige verteld. Ik kom er weldra op terug. + +</p> +<p>Toen ik <span class="letterspaced">Van Lennep</span> voor het laatst zag, doorleefde hij den gelukkigsten dag van zijn ouderdom. Het was Vrijdag 18 October 1867, den dag, waarop +te Amsterdam het standbeeld van <span class="letterspaced">Joost van den Vondel</span> zou worden onthuld. Eene groote menigte stroomde naar de Nieuwe Kerk, om zich rondom <span class="letterspaced">Vondel’s</span> grafsteê te vereenigen. De blauwe zerk was zorgvuldig van stof gezuiverd en prijkte met eene krans van gele immortellen. +Een dichte drom geletterden schaarde zich eerbiedig om deze heilige plek, terwijl boven onze hoofden de zon door de hooge +kerkvensters scheen en schoven van goud licht over het hoog gewelf uitgoot. Plotseling stond <span class="letterspaced">Van Lennep</span> vóór ons, het witte hoofd ontbloot, de oogen tintelend van geestdrift, na zeven jaren zwoegens eindelijk triumfeerend door +de oprichting van het standbeeld. Hij sprak enkele eenvoudige woorden over <span class="letterspaced">Vondel</span>’s graf en noodigde de feestgenooten naar het park, waar het schoone monument van <span class="letterspaced">Royer</span> en <span class="letterspaced">Cuypers</span> zou worden onthuld. + +</p> +<p>Een uur later verscheen hij in het spreekgestoelte bij het standbeeld en sprak daar met duidelijk verstaanbare stem zijne +feestrede. Niemand was meer gerechtigd dan hij tot deze taak, daar hij een vierde van zijn reeds gevorderden leeftijd aan +het verhaal van <span class="letterspaced">Vondel</span>’s leven, en aan het verklaren van zijne werken had besteed. Uit aller keelen klonk daarom een aanhoudend bravo, toen de welsprekende +staatsman, die destijds aan het hoofd van het departement van Binnenlandsche Zaken stond, toen Mr. J. <span class="letterspaced">Heemskerk Az</span>., <a id="d0e228"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e228">IV</a>]</span><span class="letterspaced">Van Lennep</span> met een hartelijk woord van gelukwensching, namens Z. M. den Koning, het commandeurskruis der orde van den Nederlandschen +Leeuw aanbood. + +</p> +<p>Zóó zag ik hem voor het laatst. + +</p> +<p>Eens nog schreef hij mij (8 Februari 1868), zeven maanden vóór zijn dood (26 Augustus 1868). Ik geloof, dat men mij de vrijheid +vergunnen zal dezen brief hier meê te deelen, men zal er uit zien, dat mijn verhaal van Hein, den kruier, volmaakt historisch +is. + +</p> +<div class="blockquote"> +<div class="body"> +<div class="div1"> +<p>“Amice! + + +</p> +<p>“Ik zeg u grooten dank voor het exemplaar van den <span class="letterspaced">bekroonden</span> Vondel<a id="d0e247src" href="#d0e247" class="noteref">1</a>.... waarmede mijn vrouw, die gedurende de feesten ziek was en dus niets van de pret gezien of gehoord had, zich bijzonder +vermaakt heeft.... Ik zal er maar niets van zeggen, want ik krijg er zooveel mooie kompl. in, dat ik uw stuk niet prijzen +durf, zonder den schijn op mij te laden, alsof ik het daarom zoo naar mijn zin vind.... + +</p> +<p>“Het doet mij plezier, dat Gij die pret op ’t slot te Muiden zoo con amore geschilderd en de aandacht weder op dit slot gevestigd +hebt. De Hr. Heemskerk had, onmiddellijk na het feest, zijn voornemen te kennen gegeven, om een wet voor te stellen tot restauratie +van het slot, zich vleiende, dat daarvoor nu juist in deze oogenblikken veel sympathie zijn zou;—doch nu is juist die vervelende +krizis tusschen beiden gekomen—<a id="d0e261src" href="#d0e261" class="noteref">2</a>. Van die krizis gesproken, <span class="letterspaced">podagra</span> heb ik deze reize niet gehad, maar dewijl ’t een kwaal is, daar ik best mee bekend ben sedert 30 jaren, heb ik haar bij voorkeur +in mijn brochure gebracht—<a id="d0e273src" href="#d0e273" class="noteref">3</a> als onschuldig middel om de attentie te trekken—.... + +</p> +<p>“Maar ik heb zes maanden lang gesukkeld aan leewater in de knie en laatstelijk aan doofheid. Dat is nu Goddank weer over en +mijne gezondheid is door de Vondelsfeesten geheel gekureerd. + +</p> +<p>“Zijt gij ’t, of is het een ander, die de <span class="letterspaced">Letterkundige Intermezzoos</span> <a id="d0e286"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e286">V</a>]</span>in Nederland schrijft<a id="d0e288src" href="#d0e288" class="noteref">4</a>. De schrijver, wie dan ook, heeft in zijn eerste artikel eene beschuldiging tegen onze natie gericht, als zou zij haar schrijvers, +mij b. v., niet kennen of liever geen notitie van hen nemen. Ik zou hem, daar ik er ook als voorbeeld bij gehaald ben, een +dozijn voorbeelden kunnen geven van het tegendeel. Toen Hofdijk voor een paar jaren bij mij aan de Steeg logeeren zou, was +er in beide herbergen al een groote vreugde en verwachting vooruit—en onlangs, dat ik te Rotterdam uit den trein stapte en +de juffrouw van ’t buffet zei: “He, wie of die grijskop is met zijn lange haren!” riep een sjouwerman van ’t goederenbureau +verontwaardigd uit: “Wat, ken-je onzen Van Lennep niet?” Dit werd mij later medegedeeld door den Hr. Van Alphen, die ’t gehoord +had. + +</p> +<p>“Indien gij nu de bedoelde schrijver niet zijt, laat die anecdote—die in dat geval een kale bluf zou schijnen—maar liever +ongelezen. + + +</p> +<p>“Vale, faveque + +</p> +<p>“Amst. 8 febr. 1868. T. T. + +</p> +<p>“J. v. <span class="smallcaps">Lennep</span>.” +</p> +</div> +</div> +</div><p> + + +</p> +<p>Van mijn edelmoedigen vriend, die zich, helaas! te vergeefs vleide met herstel zijner gezondheid, heb ik dus de mededeeling +omtrent het feit, dat wellicht bij de eerste vermelding wat onwaarschijnlijk mocht klinken. + +</p> +<p>De vreugde aan de Steeg in 1866 betoond bij <span class="letterspaced">Hofdijk</span>’s komst schijnt mij tevens in nauw verband te staan met de blijde opgewektheid, die de viering van zijn zeventigsten jaardag +(27 Juni 1886) heeft gekenmerkt. + + + + +</p> +</div> +<div class="div2" id="d0e316"> +<h3 class="normal">II.</h3> +<p>Zonder eenige overdrijving mag beweerd worden, dat <span class="letterspaced">Van Lennep</span> als dichter, als romanschrijver, vele jaren lang de populairste onzer auteurs is geweest. Als voorbeeld zijner populariteit +heeft Cd. <span class="letterspaced">Busken Huet</span> in 1864<a id="d0e327src" href="#d0e327" class="noteref">5</a> verhaald, dat eene Zandvoortsche vischvrouw <a id="d0e335"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e335">VI</a>]</span>al de veertien deelen van zijn exemplaar der romantische werken van <span class="letterspaced">Van Lennep</span> had geleend en gelezen. + +</p> +<p>Doch niet alleen in visschersstulpen ook in de huizen onzer gegoede burgerij, in de woningen onzer patriciërs op de Keizers- +en Heerengrachten, was <span class="letterspaced">Van Lennep</span> steeds een welkome gast. Zijne “<span class="letterspaced">Idyllen</span>” maakten hem populair bij de studenten, zijne “<span class="letterspaced">Legenden</span>” wonnen hem het hart van al wat jong was, vooral de harten der Hollandsche jonge meisjes, eene verovering <span class="letterspaced">Van Lennep</span> tot op den laatsten dag zijner vriendelijke grijsheid dierbaar. Oud en jong, stedeling en dorper, edelman en burger, schonken +hem hunne genegenheid, toen “de Pleegzoon” verscheen, toen “<span class="letterspaced">Ferdinand Huyck</span>,” zijn beste roman, “<span class="letterspaced">de Roos van Dekama</span>” opvolgde, toen de breed ontworpen “<span class="letterspaced">Voorouders</span>” het licht zagen, en eindelijk, toen de niet het minst besproken, aangevallen, geprezen en gelezen “<span class="letterspaced">Lotgevallen van Klaasjen Zevenster</span>” geheel de letterkundige wereld in den winter van 1865 op 1866 in rep en roer brachten. + +</p> +<p><span class="letterspaced">Van Lennep</span>’s romans blijven leven, zoo goed als die van <span class="letterspaced">Walter Scott</span>, en worden herhaaldelijk herdrukt, gelijk ook deze steeds opnieuw worden uitgegeven. “<span class="letterspaced">De Pleegzoon</span>” verscheen in 1829 en zag sedert dat jaar tot heden met al zijne opvolgers, telkens in nieuwen vorm het licht. Omtrent “<span class="letterspaced">de(n) Pleegzoon</span>” schreef de auteur mij (4 Augustus 1867): + +</p> +<p>“Ik heb mijn Pleegzoon ongeveer 40 jaren geleden geschreven (1827); hij heeft eenige jaren in de lade gelegen; geen boekverkoper +wou er aan. Eerst toen ik met mijne Legenden wat naam gemaakt had, wou P. Meijer Warnars er zich wel over ontfermen. Van honorarium +kon nog geen sprake zijn, en ik geloof niet, dat Drost voor zijn “Pestilentie te Katwijk” heel veel meer gehad heeft. Oltmans +kwam iets later, wanneer weet ik niet. Eerst na 1840 heb ik honorarium bedongen....” + +</p> +<p>De eerste historische roman van Mr. <span class="letterspaced">Jacob van Lennep</span> moest <span class="letterspaced">twee jaren</span> wachten, voordat hij bij wijze van genade door den druk werd algemeen gemaakt! + +</p> +<p>Dit leerzaam feit voor de geschiedenis onzer letteren zal balsem gieten in de wonden van hen, die met onuitgegeven handschriften +naar een uitgever blijven zoeken, en tevens in die der lofredenaars van ’t verledene, welke er zich aan ergeren, dat onze +boekenmarkt op het huidige oogenblik te veel overvoerd is. + +</p> +<p>De drukken van <span class="letterspaced">Van Lennep</span>’s historische romans volgden elkander spoedig, een bewijs, dat P. <span class="letterspaced">Meijer Warnars</span> weinig oog had op letterkundige kunst. ’t Meest bekend werden: de Rotterdamsche uitgaaf van 1855 in dertien blauwe deelen +en de vier <a id="d0e399"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e399">VII</a>]</span>deelen, klein folio, door <span class="letterspaced">Nijhoff</span>, <span class="letterspaced">Sijthoff</span> en <span class="letterspaced">Thieme</span> van 1867 tot 1869 in het licht gezonden. Zonder profeet te zijn, durf ik ook der tegenwoordige volkseditie in elf deelen +de vruchtbaarste toekomst voorspellen. + +</p> +<p>De historische romans van <span class="letterspaced">Van Lennep</span> hebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit. Voordat ik dit met een enkel woord +staaf, doet zich de vraag op, of <span class="letterspaced">Van Lennep</span> chronologisch inderdaad onze <span class="letterspaced">eerste</span> historische romanschrijver is. Meestal stelt men het zoo vóór, alsof in 1829 door “<span class="letterspaced">De(n) Pleegzoon</span>” in de geschiedenis der Nederlandsche letteren een datum gevormd wordt; alsof <span class="letterspaced">Van Lennep</span>’s eerste roman, tevens de eerste <span class="letterspaced">historische</span> roman in Nederland geweest is. Dit is alleen in <span class="letterspaced">zekeren</span> zin juist. <span class="letterspaced">Van Lennep</span> schreef in 1827—hij zelf verzekerde het ons reeds—zijn eersten historischen roman. Als zoodanig is de chronologie in orde. +Doch om nauwkeurig te spreken, had men moeten vermelden, dat in 1827 eene Amsterdamsche patricische schrijfster, Mejuffrouw +<span class="letterspaced">Maria Jacoba de Neufville</span>, het beproefd had een historischen roman samen te stellen, die evenals “<span class="letterspaced">De Pleegzoon</span>,”[komma achter ”?] maar eenigen tijd vóór “<span class="letterspaced">De(n) Pleegzoon</span>”, in 1829 het licht zag onder den titel: “D<span class="letterspaced">e Schildknaap. Iets uit den ouden tijd. Een oorspronkelijk historisch romantisch verhaal</span>.” (Staalgravure van D. <span class="letterspaced">Veelwaard</span>). Te Amsterdam bij P. <span class="letterspaced">den Hengst en Zoon</span>. 1829, gr. 8<sup>o</sup>. + +</p> +<p>De poging van Mejuffrouw <span class="letterspaced">De Neufville</span> is volkomen dezelfde als die van Mr. J. <span class="letterspaced">van Lennep</span>. Zij vloeit uit dezelfde bron. Zij getuigt het in haar “<span class="letterspaced">Voorberigt</span>,” als zij verklaart: + +</p> +<p>“Aan de Verhandeling van den Hooggeleerden Heer D. J. <span class="smallcaps">van Lennep</span>, <span class="letterspaced">Over het belangrijke van Holland’s grond en oudheden voor gevoel en verbeelding</span>, welke Verhandeling ik op den 30<sup>e</sup> Januarij 1827 het genoegen had, door den opsteller te hooren voordragen, is het werk, hetwelk ik thans mijnen landgenooten +aanbied, deszelfs wording verschuldigd. Altijd met warme liefde voor mijn zoo dikwijls ten onregte verguisd en beschimpt vaderland +vervuld, groeide die liefde in mij tot geestdrift aan, door de zoo welsprekende taal des Hoogleeraars en kwam al <span class="letterspaced">aanstonds</span> de lust in mij op, om te beproeven of het mogelijk wezen zou, een romantisch tafereel te schetsen, in den smaak van dezulke, +als wij aangaande de zeden en gewoonten van andere volken bezitten, iets waarmede (en hierover betuigt de Heer <span class="smallcaps">Van Lennep</span>, in meergemelde Verhandeling zijne verwondering) zich aangaande onze voorvaderen nog niemand beziggehouden had.” + +</p> +<p>Uit deze woorden blijkt duidelijk, dat “<span class="letterspaced">de Pleegzoon</span>” en “<span class="letterspaced">de <a id="d0e492"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e492">VIII</a>]</span>Schildknaap</span>” bijna terzelfder tijd en onder dezelfde invloeden ontstaan zijn. De hoogleeraar <span class="letterspaced">D. J. van Lennep</span> gaf aan beiden dezelfde opwekking; hij leende zelfs wetenschappelijke boeken aan Mejuffrouw <span class="letterspaced">De Neufville</span>, zooals zij in datzelfde “<span class="letterspaced">Voorberigt</span>” vermeldt, als zij getuigt: “Voor het overige hebben andere schrijvers, wier werken ik, of zelve bezit, of die mij door den +heer <span class="smallcaps">Van Lennep</span>.... goedgunstiglijk geleend werden, mij tot leidslieden verstrekt.” + +</p> +<p>Het is duidelijk, dat vóór 1827 in Nederland geen historische romans zijn geschreven, daar de nauwkeurige <span class="letterspaced">D. J. van Lennep</span> in dat geval zeker niet zou gezegd hebben, dat zich “<span class="letterspaced">nog niemand</span>” met dit kunstvak in Nederland had “beziggehouden”. Tevens blijkt uit het “<span class="letterspaced">Voorberigt</span>”, dat men den buitenlandschen historischen roman kent, zoodat “<span class="letterspaced">Pleegzoon</span>” en “<span class="letterspaced">Schildknaap</span>” beiden uit de school van Sir <span class="letterspaced">Walter Scott</span> stammen—<span class="letterspaced">Scott</span>, die in 1814 met “<span class="letterspaced">Waverley</span>” begon, en tot aan zijn dood (1832) met zijn “<span class="letterspaced">Count Robert of Paris</span>” volhardde. Het behoeft niet nader gestaafd, dat de historische roman juist een kolfje was naar de hand dezer twee, tot eene +zeer behoudende wereldbeschouwing overhellende naturen—<span class="letterspaced">Maria Jacoba de Neufville</span> en <span class="letterspaced">Jacob van Lennep</span>. <span class="letterspaced">Scott</span> had den historischen roman het eerst in zijn modernen vorm te voorschijn geroepen, <span class="letterspaced">Scott</span> was de apostel zijner nationale glorie, gekant tegen het Fransch classicisme, gekant tegen de omwentelingen van 1789 en 1793. + +</p> +<p>Dat het opwekkend woord van den hoogleeraar <span class="letterspaced">D. J. van Lennep</span> in 1827 terstond goede diensten deed aan de vaderlandsche letteren, blijkt niet alleen aan “<span class="letterspaced">Schildknaap</span>” en “<span class="letterspaced">Pleegzoon</span>,” maar daarenboven nog aan eene enkele zwakke poging in 1828 door <span class="letterspaced">J. C. Appenzeller</span> beproefd, die in dat jaar een, nu geheel vergeten, historischen roman schreef onder den titel: “<span class="letterspaced">Geertruida Van Wart, of trouw tot in den dood. Eene ware geschiedenis uit de 14<sup>e</sup> eeuw.</span>” Amsterdam, 1828. 8<sup>o</sup>. + +</p> +<p>Onze Nederlandsche historische roman begint—daar <span class="letterspaced">Adriaan Loosjes</span>, wegens gebrek aan historischen zin, niet mag medetellen—met Mejuffrouw <span class="letterspaced">De Neufville</span> en <span class="letterspaced">Jacob van Lennep</span> in 1829, om dan onder invloed van dezen laatste—en natuurlijk van diens meester <span class="letterspaced">Walter Scott</span>—rijkelijk te bloeien. <span class="letterspaced">Van Limburg Brouwer</span> gaf in 1831: “<span class="letterspaced">Charicles en Euphorion</span>,” in 1838: “<span class="letterspaced">Diofanes</span>.” <span class="letterspaced">Bakhuizen Van den Brink</span> volgde in 1834 en 1835 met historische novellen in de “<span class="letterspaced">Muzen</span>,” het tijdschrift van <span class="letterspaced">Potgieter</span>, <span class="letterspaced">Heije</span> en <span class="letterspaced">Drost</span>; deze laatste schreef in 1831 zijn “<span class="letterspaced">Hermingard van de Eikenterpen</span>;” <span class="letterspaced">Oltmans</span> volgde in 1834 <a id="d0e615"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e615">IX</a>]</span>met “<span class="letterspaced">Het slot Loevestein</span>,” in 1838 met “<span class="letterspaced">De(n) Schaapherder</span>;” eindelijk verscheen Mejuffrouw <span class="letterspaced">A. L. G. Toussaint</span>, met haar “<span class="letterspaced">Almagro</span>” (1837), haar “<span class="letterspaced">Graaf van Devonshire</span>” (1838) en haar “<span class="letterspaced">Lauernesse</span>” (1840). + +</p> +<p>Stellen wij dus de te veel vergeten <span class="letterspaced">De Neufville</span> naast onzen <span class="letterspaced">Van Lennep</span>, dan mogen wij aan beiden de eer geven den historischen roman in Nederland te hebben begonnen. + + + +</p> +</div> +<div class="div2" id="d0e643"> +<h3 class="normal">III.</h3> +<p>De historische romans van <span class="letterspaced">Van Lennep</span> hebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit—zeide ik. Hunne kracht ligt in de +uitnemende helderheid van stijl en voorstelling. <span class="letterspaced">Van Lennep</span> heeft behoefte aan juistheid, nauwkeurigheid, duidelijkheid. Zijne vertelling zweeft nooit in een duisteren nevel van onoplosbare +geheimzinnigheid. Aan <span class="letterspaced">Walter Scott</span>, misschien ook aan den ouden <span class="letterspaced">Dumas</span>, heeft hij de kunst afgezien een belangwekkenden knoop te leggen, welken hij zonder kunst- of vliegwerk zeer behendig oplost. +Het is niet te ontkennen, dat hij een geliefkoosd schema van roman—de held of de heldin van onbekende afstamming, zoekend +naar vader of moeder—somtijds herhaalt. Dit denkbeeld ligt ten grondslag aan “<span class="letterspaced">De(n) Pleegzoon</span>,” komt terug in de “<span class="letterspaced">Roos van Dekama</span>,” en is op breede schaal bewerkt in “<span class="letterspaced">Klaasjen Zevenster</span>”. + +</p> +<p>Eene zwakheid van <span class="letterspaced">Van Lennep’s</span> kunst ligt in zekere ongegeneerdheid ten opzichte van historische gegevens, zoodat zijn roman “<span class="letterspaced">Elisabeth Musch</span>”, als verhaal op zich zelf aangenaam te lezen, als historische roman volkomen mislukt is. In degelijkheid van historische +wetenschap, in psychologische fijnheid van karakteropvatting staat Mevrouw <span class="letterspaced">Bosboom-Toussaint</span> boven hem. Deze laat zich niet afschrikken door een vermoeiend historisch onderzoek, dringt bij hare helden en heldinnen +door in de diepten van de binnenborst, en schept karakters, die, psychologisch geheel afgewerkt, een onvergetelijken indruk +achterlaten. <span class="letterspaced">Van Lennep</span> wil het den lezer naar den zin maken, wil behagen; hij bekreunt zich meer om hetgeen met zijne personen geschiedt, dan wat +in hun hart en hoofd omgaat. Hij wil een boeiend verteller zijn, die, zonder de geschiedenis opzettelijk in het aangezicht +te slaan, zijn lezer steeds in spanning houdt. +<a id="d0e683"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e683">X</a>]</span></p> +<p>Bij Mevrouw <span class="letterspaced">Bosboom-Toussaint</span> ontstaat uit de degelijkheid der historische wetenschap en de fijnheid der zielkundige analyse somtijds eene overlading en +eene uitvoerigheid, die naar langdradigheid zou kunnen zweemen; bij <span class="letterspaced">Van Lennep</span> neemt het verhaal een vluggen, levendigen gang, die het hart van den gewonen lezer steelt, maar dikwijls dreigt in oppervlakkigheid +te verloopen. Mevrouw <span class="letterspaced">Bosboom-Toussaint</span> heeft <span class="letterspaced" lang="fr">les défauts de ses qualités</span>, <span class="letterspaced">Van Lennep</span> <span class="letterspaced" lang="fr">les qualités de ses défauts</span>. + +</p> +<p>Het best gelukt is zijn “<span class="letterspaced">Ferdinand Huyck</span>,” een voortreffelijk boek in vele opzichten. Evenals in zijn “<span class="letterspaced">Klaasjen Zevenster</span>” is hier zoowel historisch als psychologisch het schoonste geleverd van alles wat <span class="letterspaced">Van Lennep</span> zou voltooien. Hij had de achttiende eeuw lief. Hij kende haar en hare beschaving, vooral het achttiende eeuwsche patriciaat +te Amsterdam. Opgevoed naar de overleveringen van zijn oud geslacht, naar de classieke wijsbegeerte van zijn vader <span class="letterspaced">David Jacobus</span>, moest hij zich het naast verwant gevoelen aan een juist vervlogen tijdvak, dat door goede manieren, vlug vernuft en letterkundigen +smaak uitmuntte. <span class="letterspaced">Van Lennep</span>, dien men te recht voor een der aanvoerders der Romantische beweging in Nederland hield, was in zijn hart het classicisme +der achttiende eeuw nog meer genegen. + +</p> +<p>Een bewijs van deze laatste stelling put ik uit een zijner vriendelijke brieven. + +</p> +<p>Naar aanleiding eener opmerking tegen Engelsche romanschrijvers, die misbruik maken van Latijnsche citaten, schreef hij mij +(5 April 1860): + +</p> +<p>“Ik moet er bijvoegen, dat hetgeen u thands.... tegenstaat, u misschien niet zou hebben tegengestaan, indien gij een 30 jaren +ouder waart en u den tijd herinnerdet, toen het klassicisme ook hier te lande meer algemeen was en men zich niet geneerde +aan tafel in tegenwoordigheid van dames Ovidius of Horatius aan te halen. De konversatie, zoo als ik mij die in mijn jeugd +herinner, had altijd een klassieke tint en wie die bij uitnemendheid wist aan te brengen—en daarom ook in Engeland zoo geacht +en gezien was—was A. R. Falck!—en toch belette dit niet, dat de dames toen doodelijk van hem waren.... ja, dat, toen zijn +Brieven 3 jaar geleden (1857) in ’t licht kwamen, al de exemplaren bij Amsterdamsche boekverkoopers aanwezig, tot groote verbazing +van Nijhoff, den eersten avond reeds waren opgehaald—meest alle door dames tusschen de 60 en 80 jaren (die zeker wilden weten +of zij er ook in voorkwamen). ’t Is waar, Falck citeerde ook Fransch, Engelsch, Hoogduitsch, enz.—maar had niets, dat op pedanterie +geleek, en nimmer heb ik aangenamer mensch ontmoet.” +<a id="d0e727"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e727">XI</a>]</span></p> +<p>Zij, die <span class="letterspaced">Van Lennep</span> gekend hebben, zien met mij den schalkschen glimlach om den mond en in het oog beide, waarmeê hij deze regelen schreef! + +</p> +<p>Zijne genegenheid voor het Fransche classicisme der achttiende eeuw paarde zich hoogst eigenaardig aan eene vrij groote geringschatting +der middeleeuwen en al wat met middeleeuwsche studiën in verband stond. Zijne “<span class="letterspaced">Legenden</span>,” zijne “<span class="letterspaced">Roos van Dekama</span>”, zijne “<span class="letterspaced">Voorouders</span>” verraden op menige plaats, dat hij trots zijne verwonderlijke vlugheid, ondanks eene verbazende gemakkelijkheid, om alle +zwarigheden te boven te komen, toch zijn meester <span class="letterspaced">Walter Scott</span> in kennis en opvatting der middeleeuwen niet evenaarde. + +</p> +<p>Omtrent dit punt schreef hij mij een zeer karakteristieken brief (4 Augustus 1867), toen ik hem de eerste aflevering mijner +“<span class="letterspaced">Schets eener geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde</span>,” handelende over de middeleeuwen, aanbood: + +</p> +<p>“Ik las uw boek <span class="letterspaced">voor</span> mij <span class="letterspaced">zelf</span> met veel belangstelling; doch het zou mij spijten, indien uw wensch vervuld werd, en dit boekje op een H. Burgerschool werd +gebruikt. Mij dunkt, zij hebben daar al ongare kost genoeg te slikken dan om nog op Middel-Nederlandsch getrakteerd te worden. + +</p> +<p>“Het is een mooie ontdekking. + +</p> +<p>“Maar ik lees liever Fransch. + +</p> +<p>“Indertijd, toen ik Curator van ’t Gymnasium was, had <span class="letterspaced">Hofdijk</span> ook zoo’n boekje geschreven.... doch ik zei, dat hij aangesteld was, om aan de jongelui de Hollandsche taal te leeren en +niet het Middel-Nederlandsche <span class="letterspaced">patois</span> en ik verbood het gebruik van dat boekske. Die studiën van Gothisch, Angel-Saksisch, Middel-Nederlandsch enz. mogen zeer +goed zijn voor filologen, maar zij kunnen er niet toe strekken om onzen stijl of onzen smaak te vormen, en die zoogenaamde +naïveteit er van—’t eenige wat dan nog ’t gebrek aan vorm, rhythmus, kadans, maat, rijm, enz. vergoeden moet, geef ik graag +present en.... lees liever Fransch. + +</p> +<p>“Verder is er, althans in de eerste helft van uw boek bijna geen bladzijde, waarover ik geen lust zou hebben met u te twisten. +’t Schijnt, dat bij u, even als bij velen, heden ten dage de <span class="letterspaced">vorm</span>, de <span class="letterspaced">dictie</span>, <span class="smallcaps">niets</span> is en alles zich moet bepalen tot de gedachte. Maar <span class="letterspaced">poëtische</span> gedachten heeft bijna iedereen, dunkt mij, en de kunst bestaat juist daarin, dat men ze in een cierlijken, welluidenden, +bevalligen vorm giet, die door het oor het hart treft en den geest bevredigt. En daarom, hoe groot en verbazend een genie +Shakespere geweest is, ik mis herhaaldelijk bij hem die harmonie, die eenheid, die zuiverheid van vorm, die samen moesten +werken <a id="d0e786"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e786">XII</a>]</span>om een wezenlijk schoon geheel te verkrijgen. Dat ik hoog met hem loop, blijkt wel daaruit, dat ik zoowel op mijn tiende, +als op mijn 50<sup>ste</sup> en 60<sup>ste</sup> jaar stukken van hem vertaald heb, maar hoe meer ik hem vereerde en bewonderde in zijn reusachtige grootheid, hoe meer het +mij hinderde, als ik zoovele euphuïsmen, platheden en laffe aardigheden naast de verhevenste brokken vond. Ik houd machtig +veel van Jan Steen en ik bewonder <span id="d0e794" class="corr" title="Bron: Rubbens">Rubens</span>; maar het zou mij stuiten, als ik op den achtergrond eener schilderij, die Christus met de Apostelen voorstelde, een boeren +bruiloft zag. ’t Moge het menschelijk leven zijn naar waarheid geschetst, maar “bloemen”—als <span class="letterspaced">Bredero</span> zegt—is ook menschelijk; en toch hoort het op het tooneel niet thuis. En daarom al mocht ik eens toegeven, dat de stukken +van Shakespere meer schoons bevatten dan eenig ander stuk, zoo is er niet een onder zijne treurspelen, hetwelk door harmonische +eenheid voldoet aan ’t geen ik in een treurspel vorder en b. v. terugvind in den Edipus van Sofokles, in den Cid, in de Iphigénie +en de Athalie, in den Lucifer en in den Jozef in Dothan. Ik laat natuurlijk ieder vrij anders te denken: <span class="letterspaced" lang="la">hanc veniam damus, petimusque vicissim</span>; maar ik kan niet goedkeuren, dat gij zoo bepaald als lofredenaar van Shakespere optreedt. Onze voorouders zondigden in een +tegenovergesteld uiterste en bij hen was Shakespere een barbaar. Nu liggen de groote schrijvers van de eeuw van Lodewijk XIV +achter de bank, en mogen alleen Shakespere en Goethe bewierookt worden. Ik heb voor een paar jaar diens “Egmond” zien vertoonen. +“’t Moet mooi zijn,” dacht ik, “omdat het van Goethe is; was ’t van een onbekende, ik zou zeggen, wat een godsjammerlijk prul +is dit.” Er is een mode in alles; maar omdat men nu een voorstander is van de italiaansche muziek, moet men daarom de Euryanthe +leelijk vinden.” + +</p> +<p>Ik behoef der schim van mijn vaderlijken vriend en beschermer geen vergiffenis te vragen voor de vrijmoedigheid, waarmeê ik +hem na zijn dood nog eens het woord geef. + +</p> +<p>In 1867 sprak <span class="letterspaced">Van Lennep</span> aldus met volle overtuiging. Uiterst merkwaardig schijnt het mij het contrast te bestudeeren tusschen den als hoofd der Romantische +School gehuldigden auteur van “<span class="letterspaced">Ferdinand Huyck</span>” en zijn eigene zuiver classieke, zuiver achttiende eeuwsche, zuiver Fransche aesthetiek. + +</p> +<p>Hadde <span class="letterspaced">Van Lennep</span> tot in onzen tijd kunnen leven, hij zou zich verheugd hebben in de zich langzaam ontwikkelende nieuwe <span class="letterspaced">Renaissance</span>, die nog nauwelijks wordt opgemerkt, maar toch eene schoone toekomst te gemoet gaat. <span class="letterspaced">Van Lennep</span>, schrander en helder ziende <a id="d0e824"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e824">XIII</a>]</span>in de toekomst, zou begrepen hebben, dat de Nederlandsche Letteren haar voordeel zouden kunnen doen met het Fransche Naturalisme, +maar dat zij nimmer tot eene slaafsche navolging dezer school zouden kunnen afdalen. Hij zou tevens begrepen hebben, dat de +afgoderij met <span id="d0e826" class="corr" title="Bron: sonetten">sonnetten</span> en raadselachtige verstandspoëzie evenmin tot het gewenschte doel: verjonging onzer nationale muzen, zou kunnen leiden. Zijn +eigen standpunt moge dan voor ouderwetsch doorgaan, hij vertegenwoordigt in elk geval de classieke, smaakvolle denkwijze, +door zijn vader <span class="letterspaced">David Jacobus</span> zoo welsprekend verdedigd. Hij moge reeds in zijne jongensjaren <span class="letterspaced">Shakespere</span> vertalen, wetgevers op kunstgebied blijven voor hem alleen <span class="letterspaced">Boileau</span> en <span class="letterspaced">Horatius</span>. Ademend in de classieke atmosfeer zijns vaders, van zijne vroegste jeugd met Latijnsche verzen begroet, zou hij de overwinnende +Romantiek alleen onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden. De algemeene geestdrift voor <span class="letterspaced">Walter Scott</span> en <span class="letterspaced">Byron</span> bracht hem tot zijne “<span class="letterspaced">Legenden</span>” en zijne <span class="letterspaced">historische romans</span>. De bijval, hem geschonken, stuwde hem verder voort, dan hij misschien wel wilde, naar de kusten der Romantiek, immer vasthoudend +aan de classieke beginselen, die hem als knaap en student waren ingeprent. + +</p> +<p>De “groote schrijvers” der eeuw van <span class="letterspaced">Louis XIV</span> lagen hem na aan het hart. Hij begreep de schoonheden van <span class="letterspaced">Shakespere</span> en Goethe, maar was in den grond der zaak geen voorstander der Romantische School van 1830. Dit bleek mij uit den reeds aangehaalden +brief van 1867, waarin hij mij berispte, omdat ik mij veroorloofd had met zekere koelheid over het <span class="letterspaced">Leerdicht</span> te spreken. + +</p> +<p>“Ik zie niet in”—schreef hij mij—“waarom het <span class="letterspaced">Leerdicht</span> een banvloek verdient, als gij er over uitspreekt. <span class="letterspaced">Bone Deus</span>, de [Greek: Erga chai êrerai], de <span class="letterspaced">Georgica</span>, de <span class="letterspaced">Ars poetica</span> (’t zij van Horatius, ’t zij van Boileau), de <span class="letterspaced">Ziekte der geleerden</span>, zooveel heerlijks en liefelijks, met een pennestreek weggecijferd: wel, mij dunkt, zoo als Bilderdijk zeer te recht zegt: + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Geen veld is dor, waar dichtkunst zich vertreedt!”</span></p> +</div> +<p>“en juist dit is haar privilegie, om uit den schijnbaar dorren bodem de heerlijkste vruchten te doen uitspruiten. Ook hier +wederom zeg ik: + + +</p> +<div class="
 poem
 " lang="fr"> +<p class="line" style=""><span>“Tous les genres sont bons, hors le genre ennuyeux.”</span></p> +</div> +<p>Vader <span class="letterspaced">Van Lennep</span> maakte zich hier wat al te snel van de zaak af. Maar zijn gevoel brengt hem niet op een dwaalweg. De <a id="d0e894"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e894">XIV</a>]</span>didactische poëzie heeft haar voor en tegen. Juist in deze laatste jaren zijn vele hoeden en mutsen afgenomen voor de Muze +der Didactiek. De roman, afhankelijk gesteld van grondige studie der anthropologie, psychologie en sociologie; de lyrische +poëzie in dienst van alle wetenschappen en elke wijsbegeerte—mij dunkt deze teekenen der tijden zouden <span class="letterspaced">Van Lennep</span> niet al te zeer hebben mishaagd. + +</p> +<p>Nog een kenmerkend hoofdstuk zijner aesthetische wereldbeschouwing, draagt tot opschrift: “Verdiensten der achttiende eeuw.” +Aan het slot van den zooeven aangehaalden brief, vermaant hij mij nogmaals: + +</p> +<p>“Het gerijmel der 18<sup>de</sup> eeuw vindt geen genade in uw oogen. ’t Spijt mij, want ik ken een menigte brokken van buiten uit Poot, uit den <span class="letterspaced">Achilles</span>, uit den <span class="letterspaced">Monzongo</span>, uit het <span class="letterspaced">Beleg van Haarlem</span>, uit den <span class="letterspaced">Agon Sultan van Bantam</span>, uit de vertalingen door Doornik en door Nomsz gemaakt, en ik zet het onzen hedendaagschen poëten—ten Kate uitgezonderd—om +zulke vaerzen te schrijven. ’t Is net hier als in Frankrijk, waar men zich—een Victor Hugo aan ’t hoofd—volstrekt niet meer +stoort aan censuur of kadans. Ik las dezer dagen....... van onzen vriend H. Lieve Hemel, bijna geen bladzijde, waar ik niet +een vers aantref, dat een voet te veel of te weinig heeft. Bij S. ad idem. Als er dat nu niet op aankomt, ’t is mij wel; maar +voor mij is het niet genoeg, dat een lied muzikale gedachten bevat; om mij te behagen moet het speeltuig behoorlijk gestemd +en de zangstem zuiver zijn, anders verscheuren zij mij de ooren....” + +</p> +<p>Uit het graf klinke deze vermaning vrij in onze woelige letterkundige wereld van 1886. Slechts oppervlakkigheid en verwaandheid, +vruchten van halve wetenschap en geheele zelfmisleiding, zullen den fijngevoelenden <span class="letterspaced">Van Lennep</span> een antwoord onwaardig keuren. + + +</p> +</div> +<div class="div2" id="d0e923"> +<h3 class="normal">IV.</h3> +<p>De auteur van “<span class="letterspaced">Ferdinand Huyck</span>” dankt zijne populariteit niet uitsluitend aan zijne romans. + +</p> +<p>Behalve dezen deed hij zich als echt <span class="letterspaced">Nederlandsch dichter</span> kennen. Heel zijn leven lang zorgde hij er voor, dat bij elke plechtige gelegenheid eenige toepasselijke regelen van zijne +hand voor zijne vrienden het licht zagen. In den huiselijken kring of in het <a id="d0e936"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e936">XV</a>]</span>maatschappelijk leven werd elke belangrijke gebeurtenis door hem met hartelijke woorden herdacht. Van zijne “<span class="letterspaced">Academische Idyllen</span>” (1826) tot aan zijne “<span class="letterspaced">Vermakelijke Spraakkunst</span>” (1865) bleek hij zoo niet de geestigste, dan toch zeker de opgeruimdste en levenslustigste zanger, die onder ons, deftige +lieden, te vinden was. Een snaaksche glimlach was om zijne lippen als bestorven, zoodat, toen hij de koddige grappen van zijn +vriend <span class="letterspaced">Gerrit van de Linde</span> in zijn almanak “<span class="letterspaced">Holland</span>” deed afdrukken, ieder geloofde, dat hij zelf ze geschreven had. + +</p> +<p>Er is in de laatste vijfentwintig jaren geene bloemlezing onzer hedendaagsche dichters, waarin niet op de eereplaats aangetroffen +wordt <span class="letterspaced">Van Lennep’s</span>: + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Mijn waarde Neef! ik durf het wagen +</span></p> +<p class="line" style=""><span>U twee kommissies op te dragen: +</span></p> +<p class="line" style=""><span>’t Is, in ’t Verkoophuis, voor Papa, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Vier doosjes Lucifers te koopen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>En op de Bloemmarkt voor Mama, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Wat lentebloemzaad op te loopen: +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Dan voor broêr Kees, een nieuwen tol. +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Voorts zendt Gij mij, ’k durf daarop reeknen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Een boek papier om op te teekenen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>En ook vier strengen zwarte wol.<span id="d0e976" class="corr" title="Bron: ”"></span></span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Wil voorts een kistjen Rencurrellen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Bij Reynvaan, voor oom Piet bestellen; +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En wip dan bij Verschuur eens aan, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Om Lizes bracelet te halen; +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Van daar kunt gij bij Holters gaan, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>En onze rekening betalen. +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Voorts wacht ons Mietje een trommelvol +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Met biesjensdeeg en drabbelkoeken: +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Zend mij wat nieuwe Fransche boeken, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En dan, vooral, vier strengen wol.</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Laat Sacher, met den beurtman, morgen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Wat versche bloemen ons bezorgen, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En koop meteen, op ’t Muiderplein, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Voor tante Saar wat Lange-Lijzen: +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Gij kent haar smaak voor porcelein; +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Zend voorts een kooitjen voor haar sijzen, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Een aanzetleder voor Oom Nol, +<a id="d0e1013"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1013">XVI</a>]</span></span></p> +<p class="line" style=""><span>Een verschen pot met tamarinden, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Die gij bij Gerber wel zult vinden, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En dan, voor mij, wat zwarte wol.”</span></p> +</div> +<p>Voorts het gedicht aan een zijner kleinzoons: + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Teeder en aanvallig wichtjen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Dat zoo geestig om u heen kijkt +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Uit uw (niet meer schom’lend) wiegjen: +</span></p> +<p class="line" style=""><span>(Schomlende zijn uit de mode)!</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Dat nog van de tegenspoeden, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Die ons hier beneden kwellen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Geen ervaring hebt verkregen +</span></p> +<p class="line" style=""><span>—Dan door ’t steken van de muggen!—</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Dat, nog zuiver van de driften, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Die op rijper leeftijd woelen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Nimmer boos wordt—dan alleen maar +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Als men niet terstond uw zin doet!</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Dat, nog vrij van dwaze wenschen +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Vrij van zondige aardsche lusten, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Uw begeerten blijft beperken +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Tot een trek naar soep of bloemkool!</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Dierbaar kind! gij zijt onkundig +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Van uw laatre lotsbestemming, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Ik, in spijt van grijze ervaring, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Weet daarvan zooveel als gij weet.</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Maar, zoo gij nog naar de toekomst +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Geen vermeetle blikken heenwendt, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Of althans niet verder uitziet +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Dan naar ’t heerlijk etens-uurtjen;</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Ik—en ’k durf geenszins bepalen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Of het dwaas is dan verstandig— +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Ik, ik kan mij niet weêrhouden, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Naar die toekomst vaak te gissen.</span></p> +</div><a id="d0e1085"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1085">XVII</a>]</span><div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Zult ge een pleitbezorger worden? +</span></p> +<p class="line" style=""><span>In den handel u begeven? +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Of, uw ooms tot voorbeeld kiezend, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Uw fortuin in de Oost gaan zoeken?</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Zult gij in de koffijhuizen +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Aan ’t biljard uw dagen slijten, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Altijd wachten op een postjen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Dat u nimmer wordt gegeven?</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Of zult gij den krijgsdienst kiezen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>En u krijgstrofeën vormen +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Van sjakoos, nog voor ’t verslijten +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Door een nieuw model vervangen?</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>”’t Is mij, in den grond, om ’t even; +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Want men kan in elken werkkring, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Al naar ’t valt, carrière maken +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Of een bittre sukkel blijven.</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Maar, lief kind, wat hier beneden +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Ooit het doel zij van uw streven, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Tracht toch—wat ik u mag bidden— +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Nimmer naar den naam van dichter....”</span></p> +</div> +<p>Dan zijne “<span class="letterspaced">Lente-Mijmeringen</span>, 21 Juni 1855,” + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Mij heugt, toen ik een knaapjen was, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En Mei in ’t land gekomen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Wij zaten ’s avonds op ’t terras +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>In schaaûw der lindeboomen,</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Dan sprong ik als een jonge ree +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En plukte mij een ruiker, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>De Gouvernante schonk ons thee +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Ik kreeg dien zonder suiker.</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“O, ’t blijkt uit alles zonneklaar, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Men mocht in vroeger dagen +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Op Lente reeknen ieder jaar; +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Wat kon haar toch verjagen?</span></p> +</div><a id="d0e1163"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1163">XVIII</a>]</span><div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Hoe meenge winter ging voorbij, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Dat wij begeerig smachtten +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Naar ’t lieve Lentejaargetij, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En vruchtloos bleven wachten.</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Met ieder jaar bleef ’t winterijs +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Wat langer in het water, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>En bleef de lucht wat langer grijs, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En kwam de zomer later.</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“En nu—’t is reeds de langste dag: +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Reeds moest de zomer komen; +</span></p> +<p class="line" style=""><span>En ’k heb in Neêrland, waar ik zag, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Geen voorjaar nog vernomen.”</span></p> +</div> +<p>Eindelijk zoo menig lied vol prettigen kortswijl uit zijn Almanak “<span class="letterspaced">Holland</span>,” of uit zijne “<span class="letterspaced">Zeemansliedjes</span>,” alles zuiver Hollandsch veldgebloemte, nederig, eenvoudig, gezond. + +</p> +<p>Critiek, die gaarne overvraagt, heeft <span class="letterspaced">Van Lennep</span> verweten, dat zijne scherts te weinig fierheid bezat, dat hij met zijne anecdoten en kwinkslagen, ook in het dagelijksch +gesprek, tot lager kringen afdaalde, dan tot welke hij zelf behoorde. Zijne snakerijen met de geschiedenis des Vaderlands +berokkenden hem zelfs dichterlijke boetpredikatiën van verontwaardigde, maar minder geestige kunstvrienden. Het is mogelijk, +dat hij het soms wat bont maakte, maar ontkend mag het niet worden, dat juist deze trek van zijn karakter, deze zijde van +zijn talent hem tot den meest Nederlandschen, tot den populairsten dichter en romanschrijver van zijn tijd gemaakt hebben. + +</p> +<p>In de geschiedenis der Letterkunde van een klein volk is het niet zoo gemakkelijk de eigenaardige trekken van het nationale +karakter terug te vinden. De classieke en moderne Letteren oefenen grooteren invloed, omdat kleine volken, wier taal niet +algemeen gesproken wordt, zich letterkundig minder zelfstandig ontwikkelen kunnen. Trots deze beletselen zal het den historieschrijver +onzer litteratuur toch mogelijk blijken het <span class="letterspaced">nationaal-Nederlandsche</span> op het spoor te komen. <span class="letterspaced">Van Lennep</span> drukte in zijn persoon en in zijn werk dat nationaal-Nederlandsche voortreffelijk uit. + +</p> +<p>Kwinkslagen, scherts en kortswijl; een goed oog op het comische in het leven en in de kunst; belangstelling in het blijspel, +soms dalend tot de platte klucht, soms stijgend tot vlijmende satire of teederen humor—zie daar de meest in het oogvallenden +karaktertrekken <a id="d0e1214"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1214">XIX</a>]</span>onzer letterkundige kunst, die tevens worden teruggevonden in de geschiedenis onzer schilderschool. In de middeleeuwen, in +de XVI en XVII eeuwen valt het niet moeilijk dit telkens met luidsprekende feiten te staven. Het is onnoodig op den <span class="letterspaced">Reinaert</span>, op de “schoone boerden,” op de “sotternien,” op de volksliederen en volksromans te wijzen; overbodig te herinneren aan den +gullen lach van den ronden <span class="letterspaced">Roemer</span>, aan de vroolijkheid van <span class="letterspaced">Jan van Hout</span>, aan de drink- en minneliederen van <span class="letterspaced">Bredero</span> en <span class="letterspaced">Starter</span>, aan <span class="letterspaced">Hooft’s</span> “<span class="letterspaced">Warenar</span>,” aan <span class="letterspaced">Vondels</span> “<span class="letterspaced">Rommelpot</span>,” aan de maaltijden van <span class="letterspaced">Jan Steen</span>, de boerenkermissen van <span class="letterspaced">Ostade</span>, de <span class="letterspaced">Teniersen</span> en <span class="letterspaced">Rubens</span>, aan de kroegen van <span class="letterspaced">Adriaen de Brouwer</span>, aan de schaterlachende zangers, drinkers en vischwijven van <span class="letterspaced">Frans Hals</span>—dit alles is meermalen uitdrukkelijk in het licht gesteld. + +</p> +<p>Mocht ook in latere tijden de goedronde lach onzer vaderen verstommen, mocht het kille Calvinisme zich paren aan het practisch +streven naar Nuttige, Voordeelige, Bruikbare dingen, toch ging de overlevering van onze nationale luim in de geschiedenis +onzer letteren niet verloren. <span class="letterspaced">Langendijk</span>, <span class="letterspaced">Troost</span>, <span class="letterspaced">Asselijn</span> en <span class="letterspaced">Bernagie</span> bleven onzen ouden volksaard getrouw; aan het slot der vorige eeuw triomfeerden twee geniale vrouwen in “<span class="letterspaced">Sara Burgerhart</span>” en “<span class="letterspaced">Willem Leevend</span>” op al de booze geesten, die der Nederlandsche Muzen onverzoenlijken haat hadden gezworen. <span class="letterspaced">Van Lennep</span> was inzonderheid een echt Nederlander door zijne kunst. Zijne patricische Amsterdamsche stemming, zijne bewonderenswaardige +wetenschappelijke vlijt in de uitgave van <span class="letterspaced">Vondel’s</span> werken gebleken, zijne veelzijdige letterkundige en historische kennis, werden altijd verhelderd door eene zonnestraal van +vriendelijke geestigheid; zijne deftige betoogen afgewisseld door een vroolijken zet, zijne ernstige buien opgehelderd door +eene grappige anecdote. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Bij <span class="letterspaced">Sijthoff’s</span> nieuwe uitgaaf van <span class="letterspaced">Van Lennep’s</span> romantische werken een hartelijk woord te voegen, was het doel van dit eenvoudig opstel. <span class="letterspaced">Van Lennep’s</span> leven is het best en uitvoerigst beschreven door <span class="letterspaced">A. J. de Bull</span> in de “<span class="letterspaced">Levensberichten</span>” der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Daarbij is eene lijst van geschriften gevoegd, die de wenschen +van den lastigsten bibliograaf overtreft. Verschillende mannen van naam: <span class="letterspaced">Jonckbleet</span>, <a id="d0e1309"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1309">XX</a>]</span><span class="letterspaced">Réville</span>, <span class="letterspaced">Busken Huet</span>, <span class="letterspaced">Schimmel</span> en <span class="letterspaced">Nicolaas Beets</span> hebben hunne meening over <span class="letterspaced">Van Lennep</span> gezegd; toch ontbreekt nog de monographie, die zijne geheele persoonlijkheid, zijne veelzijdige werkzaamheid, zijne beteekenis +voor de geschiedenis onzer Letteren te zaam vat, en met wetenschappelijke nauwkeurigheid beschrijft. Eene nieuwe uitgaaf zijner +romantische werken kan misschien aanleiding worden tot vervulling dezer behoefte, althans de gedachte verlevendigen, dat een +dergelijk boek nog altijd moet geschreven worden. + + +</p> +<p class="alignright">Dr. <span class="smallcaps">Jan ten Brink.</span> + + + + +</p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e247" href="#d0e247src" class="noteref">1</a></span> “<span class="letterspaced">Vondel bekroond door het dankbaar nageslacht. Eene herinnering aan de oprichting van het standbeeld en de Vondelsfeesten in +de hoofdstad op 17, 18 en 19 Oktober 1867</span>.” Arnhem, D. A. <span class="letterspaced">Thieme</span>, 1868, gr. 8<sup>o</sup>. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e261" href="#d0e261src" class="noteref">2</a></span> Aftreden van het 1ste ministerie <span class="letterspaced">Heemskerk</span>, Februari 1868. Mr. C. <span class="letterspaced">Fock</span> vormt een nieuw ministerie. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e273" href="#d0e273src" class="noteref">3</a></span> Van Lennep doelt op zijne brochure: “<span class="letterspaced">Het Podagra en het Manifest van Burgerpligt</span>,” Amsterdam, 1868. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e288" href="#d0e288src" class="noteref">4</a></span> Gedurende de jaren 1868 en 1869 schreef ik in het tijdschrift “<span class="letterspaced">Nederland</span>” letterkundige artikelen onder den titel: “<span class="letterspaced">Letterkundig Intermezzo</span>.” +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e327" href="#d0e327src" class="noteref">5</a></span> <span class="letterspaced">Gids</span>, December, 1864. Later in het II deel, <span class="letterspaced">Litterarische Fantasien</span>, 1 Reeks. +</p> +</div> +</div> +</div><a id="d0e1330"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1330">1</a>]</span><div class="body"> +<div id="d0e1332" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="super">De Pleegzoon.</h2> +<h2 class="normal">Eerste Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Ghy die by vreemde lieden koomt, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Het is u nut te sijn beschroomt.</span></p> +</div> +<p>Cats.</p> +</div> +<p>Het was op den vier-en-twintigsten van Bloeimaand des jaren 1598, dat de beroemde Filips van Marnix, Heer van Sint-Aldegonde, +een zijner dochteren aan den Vrijheer van Asperen uithuwelijkte. Het hooge aanzien, waarin ’s bruids Vader ten hove stond, +de welverdiende roem, welken hem zijn uitmuntende bedrijven zoo in vredes- als in oorlogstijden verworven hadden, de hartelijke +genegenheid en ongeveinsde achting, hem door de hoofden van ’s Lands bestuur niet alleen, maar ook door de lagere standen +toegedragen, hadden de plechtigheid, die zijn geslacht aan een der edelste huizen van den lande verbond, tot een bijna nationaal +vreugdefeest verheven. Menschen van allen rang, staat en beroep stroomden naar Leiden, waar de inzegening der verloofden in +de Waalsche kerk zoude plaats hebben: men vleide zich daarenboven, de plechtigheid te zien opgeluisterd door de tegenwoordigheid +van Graaf Maurits, die, zoo als het gerucht liep, bereids zijn woord aan den Heer van Aldegonde gegeven had, om met geheel +zijn hof het trouwfeest te zullen bijwonen. + +</p> +<p>Was de menigte groot, die, alleen uit nieuwsgierigheid, en zonder nog te weten, hoe daaraan best voldaan zou worden, naar +de Academiestad gelokt werd, menigvuldig waren ook de opzettelijk genoodigden, ten wier gevalle men voor geschikte plaatsen +in de kerk de vereischte zorg had gedragen en al de tuinen, die men reeds rondom Leiden begon aan te leggen, van bloemen beroofd, +om hun ten blijke hunner hoedanigheid van speelnooten, fraaie ruikers, met kleurige linten versierd, te overhandigen. + +</p> +<p>Onder die genoodigden bevonden zich twee edellieden van voornamen huize, door de banden eener langdurige en trouwe vriendschap +verbonden, met namen Ulrich von Daun, Graaf van Falckestein, <a id="d0e1351"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1351">2</a>]</span>en Hendrik van Reede, Heer van Sonheuvel. De eerste, een vreemdeling in deze oorden, had zijn goederen in Bergsland gelegen, +alwaar hij op het slot van Bruck, aan de oevers der Roer, zijn gewoon verblijf hield. Hij was thans vanwege de Hertogelijke +Raden van Kleef aan de Staten-Generaal der Vereenigde Provinciën gezonden, om voor het door de Spaansche legers bedreigde +Kleefsland hun beschermende hulp in te roepen. Hij was een kloek, manhaftig Ridder, wiens gelaat en houding rustige dapperheid +teekenden: zijn gestalte was rijzig en vol majesteit: zijn opslag kalm en onversaagd: zijn bewegingen gemakkelijk en zwierig: +in één woord, men kon in hem, bij het eerste aanschouwen, den man van geboorte en opvoeding herkennen, wien zoowel in het +kabinet als in het heir een der voornaamste plaatsen wettig toebehoorde. Sinds eenige jaren met Anna Margareta, Gravinne van +Manderscheid, gehuwd, zag hij zijn echt gezegend met twee knaapjes, waarvan het oudste bij den aanvang dezer geschiedenis +zeven en het jongste ongeveer twee jaren bereikt had. + +</p> +<p>Een geheel anderen aard als de Bergsche Graaf bezat de Heer van Sonheuvel. Zoo voorzichtig en bedaard als zich Falckestein +betoonde, zoo haastig en driftig was zijn vriend; niet minder dapper dan Ulrich, bedierf Hendrik meestal zijn zaak door al +te grooten spoed en overijling: in den strijd had hij meer dan eens zijn moed op een schitterende wijze doen blijken; doch +ook niet zelden, de bevelen zijns opperhoofds niet inwachtende, zich onnoodig in gevaar begeven en daardoor ondank, ja bestraffing, +in stede van roem en prijs behaald. Zijn postuur was eerder klein dan middelmatig: zijn grijze, doch levendige oogen waren +altijd in beweging: stil te staan, lang dezelfde houding te bewaren, waren bij hem onmogelijke dingen: voor geheime diplomatieke +onderhandelingen was hij ten eenenmale ongeschikt; doch zijn onwederstaanbare ijver, zijn gulhartigheid en welwillendheid +jegens een iegelijk, zijn onverschilligheid voor het gevaar hadden hem in waarde doen houden bij zijne oversten, vooral wanneer +het op de uitvoering aankwam eener gewaagde krijgsverrichting. Dan ook, als anderen voor het gevaar terugdeinsden, nam hij +de hem opgedragen taak blijmoedig aan, ontzag zijn leven niet, trotseerde kogels en speren, en keerde, altijd met nieuwe wonden, +doch ook veeltijds met de zege, terug. Indien men den Graaf van Falckestein bij den edelmoedigen, fieren en onversaagden leeuw +konde vergelijken, de heer van Sonheuvel was evenals de trouwe wachthond, die, altijd gereed op de wenken zijns meesters, +ter nakoming van het gegeven bevel volvaardig heensnelt en ter verdediging van het hem aanvertrouwde pand geen ongemak, geen +dood zelfs ontziet. Thans bekleedde hij den rang van Ritmeester en diende onder de bevelen van Graaf Hendrik van Nassau. Ook +hij was gehuwd en had zijn vrouw, die zich voor de tweede reize zwanger bevond, te Amsterdam, waar hij tijdelijk verblijf +hield, in ziekelijken toestand achtergelaten. + +</p> +<p>Het was dan op den morgen van den vier-en-twintigsten Mei, dat deze beide vrienden, op kloeke Friesche paarden gezeten en +door <a id="d0e1357"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1357">3</a>]</span>hun lijfknechten vergezeld, het vorstelijk ’s-Gravenhage verlieten, om zich naar Leiden te begeven. Beider kleeding was sierlijk +en zoowel aan den staat der ruiters als aan de deftigheid van het feest, dat zij gingen bijwonen, geëvenredigd; in zooverre +echter onderscheiden, als verschil van vaderland en karakter met zich bracht. De Graaf droeg een zwart fluweelen buis, dicht +aan het lijf gesloten en reikend tot aan de heupen, waar het met een breeden, van goud gestikten gordel, als het ware omzoomd +was. Aan weerszijden van de knoopenrij, die van de kin tot op het middellijf daalde, blonken gouden passementen, gelijk ook +op de naden der mouwen, die, in de buiging der ellebogen geopend, het hagelwit linnen onderscheiden lieten. De zwaargeplooide +broek, mede van zwart fluweel, reikte niet verder dan een handbreedte boven de knie, waar de met goud geborduurde banden haar +van de lange bruine hozen schenen af te scheiden. Gele halve laarsjes, met afhangende, van binnen met rood leder voorziene +en met zware gouden franjes omzoomde kappen, dekten de voeten: aan een breeden lederen bandelier, met gouden knoppen bezet, +hing een lang rapier met verguld gevest: de handschoenen waren zwart met gouden naden: op den rechterschouder zwierde een +zeer kort zwart zijden manteltje met witte zoomen, over de borst met witte kwasten vastgestrikt: de net geplooide kraag, waarop +het hoofd als op een tafelbord rustte, stak wel een halven voet (oude maat) naar alle kanten uit. De baard hing, naar den +toenmaligen smaak, als een smalle geknotte kegel van de punt der kin, terwijl de knevels opwaarts stonden: in één woord, de +gansche kleedij was volgens de laatste Duitsche mode; alleen de witte hoed stak af bij dien tooi: de Graaf, die het bevel +voerde over een bende Kleefsche ruiters, toen <span class="letterspaced">Hanevederen</span> genaamd, droeg, ten teeken zijner waardigheid, geen andere pluimage dan een paar kleine veertjes, aan den staart des morgenwekkers +ontrukt<a id="d0e1362src" href="#d0e1362" class="noteref">1</a>. + +</p> +<p>Schoon de Heer van Sonheuvel op zijn fraaist gekleed was, stak hij echter bij zijn netten reisgezel merkelijk af. Zijn zwarte +hoed was van ouderwetschen vorm en aan de linkerzijde opgetoomd: de vederbos hing van achteren af: de <span class="letterspaced">radius</span> van den kraag was twee duimen te klein en de laarzen waren twee duimen te lang. De sjerp, het teeken zijner waardigheid, +was een weinig verschoten van kleur, doch de stalen greep van zijn zijdgeweer blonk des te meer, als zijnde door de zorgen +van zijn lijfknecht Bouke altijd net gepolijst. Voor het overige droeg Reede handschoenen en buis van geel leder: de eersten +met franjes en het laatste met knoopjes versierd: een roodlakenschen mantel met goud geboord en roode hozen voltooiden zijn +kleedij. De sporen van beide ruiters waren verguld en liepen in de gedaante eener slang tot aan den rand der laars op; en +reeds rinkinkte in die sporen het stalen wieltje, dat de beroemde bastaard van Mansfeld kort geleden had ingevoerd. Bij het +uitrijden van het Haagsche Bosch, verzocht de Graaf zijn vriend <a id="d0e1373"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1373">4</a>]</span>den draf voor het stappen te verruilen, daar het nog vroeg genoeg was, om tijdig te Leiden te komen en zich aldaar voor het +aanvangen der plechtigheid te verfrisschen. De Heer van Sonheuvel bewilligde in dit voorstel, en nu ontstond tusschen de beide +vrienden het volgende gesprek. + +</p> +<p>“Hebt gij,” vroeg Falckestein, “in de laatste dagen eenige tijding van uwe Huisvrouw bekomen?” + +</p> +<p>“Ja,” antwoordde Reede, “doch die was weinig geruststellend. Ik ben eenigszins over haar toestand bekommerd!” + +</p> +<p>“Gij hebt toch,” hernam Falckestein op een goedhartigen toon, “geen bijzondere redenen om u te verontrusten? De staat, waarin +zij zich bevindt, is nooit zonder gevaar; doch de meeste voorbeelden zijn altijd geruststellend.” + +</p> +<p>“Ik weet het,” zeide Reede: “dan, bij de ongemakken, aan dien staat verbonden, voegt zich een geheime kwelling, een hartzeer, +dat haar gedurig sterker pijnt, en hetwelk ik vrees, dat nimmer geheel zal kunnen worden weggenomen.” + +</p> +<p>“En welk hartzeer,” vroeg zijn vriend, “kan haar kwellen? Zij is jong, geacht, bemind, door al wie haar kent, zij is verbonden +aan den man, dien zij liefheeft, en die het tot zijn hoogste geluk rekent, al haar wenschen te bevredigen.” + +</p> +<p>“Ach! het is juist dat laatste,” zeide de Heer van Sonheuvel: “zij had mij nooit moeten trouwen!” + +</p> +<p>“Gij spreekt raadsels, beste vriend!” + +</p> +<p>“Ik zal u die ophelderen: aan u kan ik die mededeelen; zij is mijne vrouw geworden tegen den wil haars vaders.” + +</p> +<p>Falckestein zag zijn vriend aan met den ongerusten blik van iemand, die een nadere verklaring verwacht om zijn goed- of afkeuring +te doen blijken. Reede ging voort: + +</p> +<p>“En echter, waarde Falckestein, zij is geheel onschuldig aan eenig vergrijp. Het is u misschien niet bewust, dat zij mijne +volle nicht is: haar vader, mijn oom, was even ijverig Roomschgezind als de mijne Protestant was: na den dood zijner gade +koos hij den geestelijken stand en bracht het weldra zooverre, dat hij uit de zeven Provinciën verbannen werd. Hij vertrok +van hier: mijn vader, de natuurlijke voogd van zijns broeders eenige dochter, voedde haar met mij op: een niet onnatuurlijke +zucht om de goederen, die ons huis vanouds bezeten had, onder zijn nageslacht te bewaren, deed hem den wensch koesteren, mij +aan mijne nicht te verbinden. Onze wederzijdsche liefde maakte de bereiking van dat doel te lichter: nooit had mijn Maria +iets van haar vader vernomen, sinds deze haar, nog een kind zijnde, verlaten had: zij stemde in mijn verlangen en werd mijne +vrouw. Niet lang daarna overleed mijn vader, en onder zijn papieren vond Maria ter kwader uur een brief van den haren, een +brief, dien ik nooit gezien had, waarin deze zijn broeder stellig berichtte, dat hij een huwelijk tusschen zijn dochter en +mij als bloedschending af moest keuren en mij nimmer als zijn schoonzoon zou erkennen. Sedert dien tijd, helaas! wordt die +arme Maria door een boezemsmart gefolterd, die, vrees ik, haar teeder <a id="d0e1395"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1395">5</a>]</span>gestel een knak gegeven heeft, waarvan het moeilijk zal genezen.” + +</p> +<p>“Waarlijk,” zeide Falckestein, nadat Reede zijn verhaal (waartoe hij nog meer woorden gebruikt had. dan wij hem in den mond +hebben gelegd, en ’t welk hij doorzult had met aanmerkingen, die wij hebben meenen te kunnen daarlaten), had geëindigd: “waarlijk +ik beklaag haar van harte.” + +</p> +<p>“Ja,” zeide Reede, “ik-zelf ben ook met het geval verlegen: en weet gij, wat mij ook nog hindert? Al hetgeen ik met mijn vrouw +betrouwd heb, behoort eigenlijk niet aan haar, maar aan haar vader: nu is bij mij dikwijls de vraag ontstaan: moet ik hem +dat alles maar sturen, of mag ik het houden als het eigendom mijner vrouw, waarvan haar vader, door zijn vertrek en afval +van ons geloof, heeft afgezien?” + +</p> +<p>“Mij dunkt,” antwoordde Falckestein, “het blijft onbetwistbaar zijn eigendom, en als eerlijk man zijt gij verplicht, hem alles, +wat hem behoort, terug te geven.” + +</p> +<p>“En dat zal ik doen,” bromde Reede, “zoodra ik maar weet, waar hij zich bevindt; want ik heb geen tijding, of hij in Rusland +dan wel in Amerika zit. Sedert dien ongelukkigen brief heeft hij niets van zich doen hooren. Doch opsporen zal ik hem, in +weerwil van ’t geen mijn advocaat Mr. Joannes Schalckius zeggen moge, die mij maar aanraadt, alles te houden; want, zegt hij, +’t gaat toch maar aan vreemde papen en conventen, tot prejuditie van de ware leer. Aan personen van een vreemd geloof, zegt +hij, is men zulk een nauwgezetheid niet verplicht. Hij spreekt er van evenals Ds. Uyttenbogaert, schoon deze ’t anders meende, +weet gij, in zijn preek van laatstleden Zondag, toen hij zeide.... ja wat zeide hij ook?.... In die schoone leerrede, toen.... +wat duivel zeide hij toch?”.... Hier richtte de goede Ritmeester zich op in den zadel, nam den hoed af en hield dien tusschen +duim en wijsvinger, terwijl hij met de andere hand zich het achterhoofd wreef, zette vervolgens den hoed weder op, bracht +de hand voorwaarts, rolde zich den knevel om den wijsvinger, hoestte, hemde en mompelde eenige reizen achtereen: “ja, wat +duivel zeide hij toch?” + +</p> +<p>Falckestein, die te wellevend was om ook zijn vertrouwdsten vriend wegens een geheugenfeil te bespotten, zweeg eenige oogenblikken +stil; doch, bemerkende dat Reede hoe langer hoe ongeduldiger en verstoorder op zichzelven raakte, zich de lippen beet en zijn +paard zoo strak tusschen de ooren keek, alsof de geheele preek van Uyttenbogaert daar geschreven stond, zocht hij een wending +aan het gesprek te geven, door hem opmerkzaam te maken op een kleine, van weilanden omringde, huizinge of hofstede, welke, +tusschen zware lindeboomen, een eind verder aan den weg gelegen was. + +</p> +<p>“Dat erf heeft een gelukkige ligging,” merkte hij aan. + +</p> +<p>“Gelukkig!” riep de Heer van Sonheuvel uit, als uit een droom ontwakende, terwijl hij zijn hoed diep in de oogen drukte: “dat +erf is een duivels erf, een Babel van ongerechtigheid, een kapel van den Antichrist, die al lang had moeten uitgeroeid en +geslecht worden.” + +</p> +<p>“Dat zou jammer zijn!” zeide Falckestein glimlachende: “en waarom dat alles? Is de bewoner zulk een booswicht?” +<a id="d0e1413"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1413">6</a>]</span></p> +<p>“De bewoner is mij, Goddank! onbekend,” antwoordde Reede, den hoed aflichtende: “en ook verlang ik hem nimmer te kennen; doch +het erf zelf wordt gemeenlijk de <span class="letterspaced">Katholieke Hofstede</span> genaamd.” + +</p> +<p>“En is die naam nu alleen de reden van uw verwensching?” vroeg Falckestein, met een spottenden blik, die zelfs iets medelijdends +had. + +</p> +<p>“Op dat erf,” vervolgde Reede, “zegt men, dat somtijds Jezuïeten vergaderen en, ’t welk gruwelijk is om aan te hooren, geheime +beraadslagingen maken tegen de hooge regeering en tegen Zijn Excellentie.” + +</p> +<p>“Men zegt!.... dus is de geheele vervloeking op een volkspraatje gegrond?” + +</p> +<p>“Geheel niet: zoo mij de Griffier Pots verhaalde, bestaan er zelfs menschen van krediet, die er Jezuïeten gezien hebben.” + +</p> +<p>“Welke zij waarschijnlijk aan hun gelaat voor zoodanigen erkend hebben,” viel de Graaf in, “want het zou geen Jezuïetenpolitiek +geweest zijn, zich hier in het gewaad der orde te vertoonen:—voorwaar groote gelaatkundigen!—Nu, ik wenschte wel, eens eenige +van die Baälsdienaars te zien verschijnen, alleen maar om te ontdekken, of zij hun hoedanigheden op ’t voorhoofd geschreven +ronddragen.” + +</p> +<p>Aldus sprekende, waren zij het erf genaderd, dat het onderwerp hunner tweespraak uitmaakte. Het was een gebouw van blauwe +steenen, dat naar allen schijn een eeuw oud kon wezen en uit twee aan-een-gebouwde huisjes met blauwe dakpannen bestond: de +gevels liepen trapsgewijze op, naar de toenmalige bouworde: slechts weinig in getal waren de ramen, en nog meestal met planken +dichtgespijkerd: de ingang was aan de zijde van het weiland en voor den voorbijganger niet zichtbaar: ook was er van den rijweg +geen toegang tot het erf, daar de voormalige brug afgebroken en het stuk gronds door een breede sloot omringd was. Een enkele +vrij smalle plank vereenigde het met het daarachter liggend kamp. Verscheidene oude lindeboomen, rondom het huis geplant, +die hun schaduw wierpen over het hoog opgegroeide gras, gaven aan het geheel een schilderachtig, eenigszins eerwaardig, schoon +verwaarloosd uitzien. + +</p> +<p>Juist toen onze ruiters voorbijreden, zagen zij twee lieden, in de gewone volksdracht, de plank overgaan, welke van het erf +op het weiland bracht, en een pad volgen, dat, dwars door het veld, een paar honderd roeden verder op den rijweg uitkwam. +Zoodra Falckestein deze lieden bemerkte, toonde hij die al lachend aan zijn reisgezel, zich meteen beklagende, dat hij hen +niet in ’t aangezicht zien konde, om zijn gelaatkunde te beproeven. “Daartoe zal u de gelegenheid verschaft worden,” antwoordde +Reede: “hun pad brengt hen op den rijweg en indien zij dien niet verlaten, zullen wij hen spoedig inhalen.... Wist ik mij +die preek maar te herinneren!.... doch ik zal er het mijne van hebben, wat het ook kosten moge.” + +</p> +<p>Zoo sprekende gaf hij, met hernieuwde blijken van ongeduld, zijn paard de sporen, en Falckestein, die het gesprek verloren +zag, en wien de eenzelvigheid der landgezichten begon te vervelen, volgde <a id="d0e1435"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1435">7</a>]</span>zijn voorbeeld. Spoedig bevonden zij zich, als Reede gezegd had, ter plaatse waar het pad, dat de voetgangers gevolgd waren, +op den rijweg uitliep en zagen hen beiden omtrent honderd passen voor zich uitloopen. Nu lieten zij hun paarden weder stappen +en sloegen op de onbekenden, toen zij hen voorbijkwamen, onder het wenschen van een goeden morgen, een nieuwsgierig oog. De +achterste der twee (want zij liepen op het voetpad achter elkander) was bleek, kort en vrij gezet, had een ongemeen groot +hoofd, bolle wangen, doffe halfgesloten oogen, lang ros haar en baard en een scheeven mond: de voorste voetganger was een +man in de kracht zijns levens, en onderscheidde zich door een rijzige en kloeke gestalte: slechts eene krul gitzwart haar +vertoonde zich van onder den grauwen hoed: even zwart waren zijn oogen en baard: het mager gelaat teekende onrust, vermoeienis +of onthouding<span id="d0e1437" class="corr" title="Bron: .">,</span> zoo niet alle drie te gelijk. Hij zou onder de schoone mannen kunnen geteld zijn geweest, doch zijn terugstootende blik, +zijn wijd uitstaande neusgaten en opgetrokken onderlip, ontnamen aan het gelaat alle aanspraak op het behaaglijke, en lieten +bij den beschouwer een onaangenamen indruk achter. + +</p> +<p>“Ik begin waarlijk te gelooven dat gij gelijk hebt,” fluisterde Falckestein zijn vriend in ’t oor: “de achterste heeft veel +van een beurzenknipper en de voorste van een struikroover.” + +</p> +<p>“Vindt gij?” vroeg Reede: “ik weet niet, maar ik heb die gezichten meer gezien.” + +</p> +<p>Nu zouden zij verder gereden zijn, zonder meer aandacht op de onbekenden te slaan, toen de langste van de twee in goed Hollandsch +aan Falckestein vroeg of zijn Edelheid naar Leiden te feest ging. Falckestein beantwoordde deze vraag kortaf met ja, en liet +zijn paard harder voortstappen om een verder gesprek te ontgaan; dan de zwartoogige vreemdeling versterkte zijn tred zoodanig, +dat hij in een gelid met den ruiter bleef voortwandelen, wien hij deze nieuwe vraag deed: + +</p> +<p>“Zal Zijn Excellentie ook op de plechtigheid komen?” + +</p> +<p>“Vermoedelijk ja.” + +</p> +<p>“Ik had gehoord, dat Zijn Excellentie in ’s-Hage bleef om de groote zaken af te handelen, die met den Aartshertog op ’t tapijt +zijn.” + +</p> +<p>”’t Is ook mogelijk.” + +</p> +<p>“Dus weet Uw Edelheid het niet zeker, maar UEd. denkt dat Zijn Excellentie komen zal?” vervolgde de lastige vrager. + +</p> +<p>”’t Is mij onbewust. Kom Reede, laat ons voortrijden!” + +</p> +<p>Doch Reede had hierin op dit oogenblik weinig zin. + +</p> +<p>Hij was bezig den achtersten der voetgangers in oogenschouw te nemen en zag hem zóó strak aan, dat deze verlegen begon te +worden en het gelaat afwendde. + +</p> +<p>“Zoo ik mij niet bedrieg,” vroeg eindelijk de heer van Sonheuvel aan den onbekende, “heb ik u laatstleden Zondag in ’s-Hage +gezien bij het uitgaan der kerk, toen Ds. Uyttenbogaert gepreekt had.” + +</p> +<p>Hoe eenvoudig deze vraag ware, zij scheen den vreemdeling van zijn stuk te brengen: bedremmeld antwoordde hij: “jawel, Uwe +Edelheid! ik ben daar geweest.” +<a id="d0e1466"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1466">8</a>]</span></p> +<p>“Uitmuntend!” hervatte Reede “en weet ge u ook het hoofdzakelijke te herinneren? Ik was juist bezig met Zijn Genade over een +punt te spreken, dat Ds. Uyttenbogaert.... dat ik hoor,” voegde hij er bij, zich hervattende, “dat ik hoor, dat Ds. Uyttenbogaert +heeft aangeroerd.” + +</p> +<p>“Hij predikte,” antwoordde de bleeke vreemdeling, “uit Genesis XXXI vs. 24 en volgende, zijnde het verhaal hoe Rachel de beelden +haars vaders Laban verborg en hoe Jakob vervolgens met Laban verdrag maakte. Hij bewees uit een en ander, dat men niet gehouden +is aan afgodendienaars de voorwerpen hunner afgoderij terug te geven, ook al had men, volgens burgerlijke wetten, geen recht +op het bezit daarvan.” + +</p> +<p>“Het verwondert mij,” zeide nu de voorste der voetgangers, terwijl hij Reede scherp aanzag, “dat UEd. mijn makker die vraag +doet. Of UEd. moet verleden Zondag slecht geluisterd hebben, òf mijn oogen hebben mij bedrogen, toen ik gemeend heb, UEd. +mede onder Domini Uyttenbogaerts gehoor te zien zitten.” + +</p> +<p>Falckestein glimlachte en Reede beet zich op de lippen. “Ik zeide niet,” merkte hij aan, “dat ik er niet was geweest; ook +herinner ik mij hetgeen uw makker verhaalt; doch ik zocht mij te binnen te brengen, hetgeen de Predikant in het slot zijner +rede meer bepaaldelijk gezegd heeft, omtrent de teruggave van het eigendom van papen en afgodendienaars, omtrent....” + +</p> +<p>“Juist toen ben ik ook wat slaperig geweest,” antwoordde de lange man. “Dit alleen heb ik er van onthouden, dat men nimmer, +ook jegens papen, bedrog mag plegen, noch een glimp aan zijn daden geven, noch zich met draaierijen behelpen, al moest het +waarheid spreken ons beschaamd maken. Voorts liet hij ons zingen uit den Honderdtwintigsten Psalm, het tweede vers.” En hierop +begon de vreemdeling, met een zware stem, naar de berijming van Datheen, de volgende woorden te zingen: + + +</p> +<div class="
 poem
 " lang="nl-1600"> +<p class="line" style=""><span>“Wat kan de valsche tonge stichten? +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Wat kan de leugenaar uytrichten? +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Wat sullen syn listige zinnen +</span></p> +<p class="line" style=""><span>En valsche tonge toch gewinnen?”</span></p> +</div> +<p>Reede zag den stekeligen vreemdeling met een heftigen blik aan; doch deze bleef, zonder eenig ontzag noch vrees te toonen, +volstandig doorzingen, het oog gedurig met zooveel bedaardheid op den Ritmeester gevestigd houdende, dat deze, vreezende zijn +fatsoen door een langer gesprek te zullen in de waagschaal stellen, aan Falckestein voorstelde, die lastige landlieden te +ontrijden. Nauwelijks waren zij een eindweegs vooruitgedraafd, of de zwarte man riep Reede achterna: “Ik wensch dat UEd. de +preek van hedenmorgen beter dan die der vorige week onthouden moge.” + +</p> +<p>Reede, deze uitdrukking hoorende, hield vol drift zijn paard staande en zou den teugel op den vreemdeling gewend hebben, bijaldien +Falckestein, die begreep dat zijn vriend zich te veel had <a id="d0e1490"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1490">9</a>]</span>afgegeven, hem niet weerhouden had en genoodzaakt mede voort te rijden. De lange man scheen echter den aanval van Reede bedaard +af te wachten, en had bij diens eerste beweging van onder zijn mantel een lang pistool voor den dag gehaald. Toen hij de ruiters +hun weg zag vervolgen, liet hij de hand weer zakken, bracht het vuurtuig op zijn plaats en stapte bedaard verder. + +</p> +<p>Het is geenszins ons doel een verhaal te geven der feesten en plechtigheden, welke het huwelijk van Aldegondes dochter vergezelden: +alleen dient hier gemeld, dat de zwarte man wèl gegist had: dat Graaf Maurits door onvoorziene bezigheden, of liever door +een bijzondere bestiering van het Opperwezen, verhinderd werd, zich te Leiden te bevinden. + +</p> +<p>De predikatie en de inzegening werd door den Hofprediker Uyttenbogaert in de Fransche taal volbracht en de gemeente zeer gesticht; +doch hetgeen Reede niet stichtte, was een vraag, hem, toen hij in den trein van vrienden en bruiloftsgasten de kerkdeur uittrad, +door een der omstanders in ’t oor geblazen, “of hij namelijk de preek zoo goed in zijn geheugen had als die van de vorige +week.” Driftig zag hij om naar de zijde van waar het gefluister kwam; doch de man met het zwarte haar, de vreemdeling uit +de <span class="letterspaced">Katholieke Hofstede</span>, was reeds in den volkshoop teruggetreden en verloor zich in de menigte. + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1362" href="#d0e1362src" class="noteref">1</a></span> Deze op den hoed geplaatste veertjes noemde men met een Fransch woord, dat sedert een meer algemeene toepassing verkregen +heeft, <span class="letterspaced">coquardes</span>. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e1499" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Tweede Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="
 poem
 " lang="nl-1600"> +<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Ben ik de beste dan,</span></p> +<p class="line" style=""><span>Die d’afgront tot dit snoot bedrijf uitbraken kan?</span></p> +<p class="line" style=""><span>Is niemant meer bequaem tot schelmery gevonden.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Palamedes. +</p> +</div> +<p>Eenige dagen later was Falckestein onverzeld, den weg naar Haarlem opgereden, in de hoop van zijn vriend Reede, die, ter volvoering +van een bevel zijner Doorluchtigheid, derwaarts gegaan was, bij zijn terugkomst te ontmoeten en zoo gezamenlijk weder huiswaarts +te rijden. De weg van Den Haag naar Haarlem was toen al zeer verschillend van hetgeen die thans is, en niet meer hetgeen die +eenmaal geweest was. Men zag er, wel is waar, de luchtige tilbury’s, de prachtige landauers, de sierlijke caricles en de nog +bevalliger Noord-Hollandsche sjeezen van lateren tijd niet heen en weder rollen: men zag er geen tallooze diligences over +een gladden gemakkelijken straatweg de reizigers als met vleugelsnelheid door dien tuin van Europa voeren: men zag er geen +nette, gewitte, vroolijke buitenverblijven elkander aaneengeschakeld achtervolgen:—doch men zag er ook niet meer den luister +van vroegere dagen, den prachtigen hofstoet der Graven en Baanrotsen, de jachtgezellen der Heeren van Wassenaar, van Teylingen, +van Heemstede en van <a id="d0e1516"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1516">10</a>]</span>zoovele andere heerlijkheden, die zich in luisterlijken dos vereenigden, noch de luchtige nonnen der Rijnsburgsche abdij in +een geestelijken tooi, met wereldschen opschik vermengd, verzeld van de galantste edellieden uit den omtrek, op kostbare paarden +heen en weder dravend:—de oude weelde was verdwenen: de weelde van latere dagen was nog niet doorgekomen. Nu en dan een ouderwetsche, +lompgemaakte wagen, die met moeite en paardenkracht door het gulle zand werd voortgekruid, enkele huif-, mest- of voederkarren, +ruiters, die hun vaandels gingen zoeken, reizigers te voet en te paard, marskramers, die hun koopwaren de kermissen rondvoerden, +waren de eenige voorwerpen, die men in het tijdsgewricht, waarin onze geschiedenis een aanvang neemt, op dien weg ontmoeten +kon. Doch Falckestein was schier de eenige, die op dat tijdstip alleen vermaakshalve en om de ledige uren, welke hem zijn +verrichtingen in Den Haag overlieten, aangenaam door te brengen, tot zijn uitspanning die heerlijke landstreek doorreed. Ons +Gemeenebest was toen in een tusschenstaat: de oude grootheid, de vorige fortuinen waren niet meer: men begon geld te winnen, +doch men was nog niet op de hoogte van het te verteren: veelmin dacht er eenig inboorling aan, om in ledigheid den grooten +weg op en neder te draven. + +</p> +<p>De avond was liefelijk en stil, gelijk de lenteavond, dichterlijk gesproken, behoort te zijn, en het inderdaad zoo zelden +is. De nachtegaal zong zijn afscheidstonen uit het loover der hooge iepeboomen, die aan de beide zijden van den rijweg geplant +waren: de leeuwerik vloog fluitend van de groene weiden op: de vinkjes wipten zingende door het eiken hakhout en de statige +ooievaar stond onbeweeglijk aan den kant des poels te slapen. De schaduw der hooge zeeduinen begon zich reeds over de grasrijke +velden te verlengen: het rundvee verdween in den dichten dauw, dien voorbode van een fraaien morgen, voor het oog des wandelaars, +en de pannen der verspreide boerenwoningen zoowel als de burgtinnen der achtbare sloten kaatsten het goud van den avond weder. +Nog had Falckestein zijn vriend niet ontmoet, en de vrees van te laat in Den Haag terug te zijn, deed hem, schoon noode, tot +den terugtocht besluiten. Dan, nauwelijks had hij dien aangenomen, of hij bemerkte, dat zijn paard een ijzer had verloren +en zoodanig kwalijk ging, dat een spoedige hulp noodzakelijk ware. Het meest nabijgelegen dorp was Voorschoten: en derwaarts +begaf hij zich, teneinde door den hoefsmid het ongemak te doen verhelpen. De smidse was reeds gesloten en niet dan na herhaald +kloppen verkreeg de Graaf gehoor: de vrouw van den dorpsvulkaan stak het hoofd boven de onderdeur, en liet zich na lang praten, +bewegen om haren man, die aan het einde van het dorp in de kroeg zat te politiseeren, te gaan waarschuwen, dat er zich nog +zoo laat een gelegenheid had opgedaan, om zijn kunst aan den dag te leggen. Nadat Falckestein omtrent een half uur tegen een +der palen van de smederij had staan leunen (want de vrouw des huizes had den ruiter met zijn bestoven en bemodderde laarzen +niet in haar knappe en nette woning willen binnenlaten) kwam de baas <a id="d0e1520"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1520">11</a>]</span>met eenen langzamen tred aanstappen, groette Falckestein met een deftige hoofdbuiging en begon zijn toebereidselen te maken; +doch eerst nadat hij zijn rok afgelegd en zijn smidsgewaad weder had aangetrokken. Hiermede en met het beslaan verliep een +uur, zoodat het, eer de graaf zijn weg vervolgen kon, volslagen donker geworden was: de heldere lucht deed hem echter dit +bezwaar gering achten en lustig voortdraven: dan, het leed niet lang, of hij bemerkte dat zijn ros, ’t welk tot nu toe weder +fiks geloopen had, aan denzelfden voet, waaraan het beslagen was, weder zwaar kreupel was geworden, ’t zij door de onhandigheid +van den smid, ’t zij omdat het arme dier een stuk glas of steen in den voet had gekregen. Daar hij zijn paard niet onnut vermoeien +wilde en echter niet te laat in ’s-Hage wenschte te zijn, zag hij rond naar een woning, waar hij zich licht verschaffen konde, +om de kwetsuur na te zien, ten einde die zoo mogelijk verholpen werd. Het geluk diende hem zoo ’t scheen, in zijn nasporing: +want bij de eerste kromte, die de weg maakte, zag hij aan zijn linkerhand een gebouw liggen, aanzienlijk genoeg op ’t oog, +om hem een goed onthaal te beloven. Schoon hij het bij ’t naderen voor de Katholieke Hofstede herkende, veranderde zulks niets +in zijn voornemen; vooral toen hij zag, dat het erf nu ook van den rijweg genaakbaar was, door een plank, welke op de fondamenten +der voormalige brug rustte. Hij steeg af, bond zijn paard aan een boom en liep vlug den smallen vondel over. Nauw was hij +aan de overzijde der sloot, of het scheen hem toe, dat hij verscheidene personen een vrij levendig gesprek hoorde voeren. +Behoedzaam trad hij door het hooge gras op het huis toe, en hoorde bij zijn naderen het gedruisch vermeerderen. Aan het gebouw +gekomen, liep hij het langs om den ingang te zoeken, toen hij, een der met planken dichtgespijkerde ramen voorbijgaande, een +reet vond, groot genoeg om naar binnen te doen zien. Onwillekeurig bleef hij staan: de slechte reuk waarin, volgens zijn vriend +Reede, het huis stond, oefende voor ’t eerst eenigen invloed op hem uit: ’t was of een geheime stem in zijn binnenste hem +aanspoorde voorzichtig te zijn en zich niet onbedacht in gevaar te storten. Hij volgde die inspraak, bracht de oogen voor +de opening en zag hetgeen wij verhalen zullen. + +</p> +<p>In een vrij groot, met blauwe steenen geplaveid vertrek, stond, recht tegenover de plaats waar hij zich bevond, een klein +tafeltje, hetwelk men tot een outer scheen te hebben gebezigd. Een tapijt, een kruisbeeld, twee kaarsen en eenige gewijde +teekenen van eeredienst versierden het. Boven dit eenvoudig outer hing een klein vermolmd schilderijtje, den moord der Baälspriesteren +voorstellende of voorgesteld hebbende. Om een andere groote tafel, waarop twee bierkannen en vier tinnen maatjes stonden, +waren vier personen gezeten, als landlieden gekleed, hoewel een hunner boven zijn wambuis een wit hemd en een soort van stool +had geslagen. Noch dezen noch zijn buurman herinnerde zich Falckestein ooit gezien te hebben; doch in de twee anderen herkende +hij terstond de lieden, met welke hij eenige dagen te voren op den weg naar Leiden de <a id="d0e1524"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1524">12</a>]</span>door ons verhaalde ontmoeting had gehad. De kleinste van deze twee was druk bezig met het prevelen van paternosters; zijn +vingeren doorliepen onophoudelijk het bedesnoer, dat hij in de hand hield, en op het gesprek der overigen scheen hij geen +aandacht te slaan. + +</p> +<p>Op het oogenblik dat Falckestein naar binnen keek, sloeg de lange zwarte man met de gesloten vuist op de tafel, terwijl zijn +samengetrokken wenkbrauwen een sombere uitdrukking aan zijn gelaat gaven: “neen! (zeide hij) indien Panne (hier wees hij op +den man met het bedesnoer) op morgen het stuk niet volvoert, dan is onze geheele reis onnut en de kosten in ’t water gesmeten. +Zoo ik wel onderricht ben, dan vertrekt de Ketterkoning morgen naar ’t leger, en het zou een geheel nieuwe wijze van behandeling +vereischen, om hem dáár te treffen.” + +</p> +<p>“Welnu,” zeide diegene, welke de stool aanhad, “Panne is immers bereid om zijn aanslag morgen in weerwil van allen tegenstand +uit te voeren: de volkomen vergeving van al zijn zonden is hem geschonken: moedig en onbevreesd kan hij zijn gezegend besluit +volbrengen, vroolijk en blijhartig pijn en dood trotseeren, en de eeuwige gelukzaligheid vrij en schuldeloos binnentreden. +Wij hebben immers hem geleerd, dat de beulen wel zijn lichaam kunnen martelen, doch dat zijn ziel evenals die des Heiligen +Stephani, midden onder de pijnigingen een voorsmaak der eeuwige gelukzaligheid genieten zal: het is hem immers gezegd, hoe, +toen de zalige Balthazar Gerardi den glorierijksten marteldood moest lijden, een welriekende balsemgeur hem op het schavot +reeds tegenkwam, en belette de pijn der gloeiende tangen te voelen: hoe zijn ziel in wierookwalmen ten hemel steeg, verzeld +door duizend engelen, en hoe hem, in het rijk van ’t licht gekomen, de glorierijke kroon werd opgezet.” + +</p> +<p>“Dat alles weet hij,” viel de zwarte man in, verdrietig opstaande, “en nog vrij wat meer daarenboven; doch hij behoeft slechts +dezen of genen ketter in zijn buurt te hebben, die hem wat scherp in de oogen kijkt, of hij druipt weg als een bassend keffertje +voor een bandrekel. Hoe ging het laatst in de kerk te ’s-Hage? De kans stond schoon: de Graaf zat in zijn bank en was zoo +licht te treffen als een haas in ’t leger; doch wat gebeurde er? de preek verveelt den Ritmeester van Sonheuvel, en omdat +deze half duttend voor zich keek als een hen op een streep, en omdat toevallig Panne aan ’t eind van die streep zit, zoo pakt +die bloodaard zich weg, voordat de zegen nog is uitgesproken. Had hij toen vuur gegeven, wij hadden die zotte reis naar Leiden +niet behoeven te doen, waar wij Maurits toch niet vonden, gelijk ik ook had durven wedden, en waar ik al mijn onbeschaamdheid +noodig had om twee Belialskinderen weg te krijgen en hun hun kwaad vermoeden te ontnemen, dat de bedremmeldheid van mijn makker +bij hen had doen oprijzen.” + +</p> +<p>“Ik hoop,” sprak Panne, opziende en zijne devote bezigheid stakende, “dat de lieve maagd Maria en mijn heilige Patroon de +kracht mij zullen verleenen om naar eisch het heerlijk doel te bereiken, waartoe uwe welwillendheid, eerwaarde Vaders! mij +armen zondaar verkoren heeft! Och! hoe dankbaar ben ik aan ulieder goedheid, <a id="d0e1534"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1534">13</a>]</span>die mij ellendige uit het stof geroepen heeft om mij uit te kiezen tot een daad, welke mij der eeuwige vreugde deelachtig +maken zal en mij gelijk maken aan Ehud, die der Moabiten Koning sloeg, en aan Judith, die de Overste Holophernes het hoofd +afsneed, en aan den heiligen Balthazar, die den ketter Willem van Nassau doodschoot!”—Dit gezegd hebbende, sloeg hij de oogen +weder neer en vervolgde met ijver zijne gebeden. + +</p> +<p>“Wanneer kan Eduard in Engeland wezen?” vroeg nu een der anderen aan den langen man; “gij, broeder Eugenio, hebt hem het laatst +gezien!” + +</p> +<p>“Morgen ten allervroegste, Broeder Melchior,” gaf Eugenio ten antwoord: “en zoo hij dan een goede gelegenheid vindt, zal de +tijding alras door Europa weergalmen: “zij is gevallen, die groote Hoer, die op de Theems zit, die Jesabel van Engeland! gevallen +door het lemmer der gerechtigheid.” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="la">Et flebunt, et plangent se super illam reges terrae, qui cumilla fornic ati sunt</span>,<a id="d0e1545src" href="#d0e1545" class="noteref">1</a> gelijk de Schrift zegt,” voegde Broeder Melchior er bij, terwijl hij de handen samenvouwde en de oogen sterk dichtkneep. + +</p> +<p>“Hebt gij, Broeder Eugenio!” vroeg nu de vierde der aanzittenden, “volgens uw oogmerk aan onze Broeders te Douai geschreven, +om intusschen den onvermijdelijken dood van het kettersch Drietal<a id="d0e1550src" href="#d0e1550" class="noteref">2</a> te doen profeteeren?” + +</p> +<p>“Ik ben van gedachten veranderd,” antwoordde Broeder Eugenio: “vooreerst schrijf ik ongaarne: een brief getuigt nooit dan +ten nadeele des schrijvers; ten tweede is een profetie uitmuntend in ’t algemeen; doch hier in specie deugt ze niet: want, +mislukt de aanslag, dan is onze profetie valsch: gelukt hij, dan is het de Sociëteit die alles voor haar rekening krijgt en,”.... +hier begon hij, eensklaps op Panne wijzende, tot zijn broeders zeer zacht te spreken, zoodat Falckestein althans geen woord +meer van het gesprek kon opvangen. + +</p> +<p>Doch deze had ook reeds genoeg gehoord om tot zijn ontzetting overtuigd te wezen, dat drie dezer schelmen Jezuïeten waren +uit Douai en dat de ellendige Panne door hen was opgezet om Graaf Maurits moorddadig van ’t leven te berooven. Na bij zich +zelven God vurig gedankt te hebben, dat hij door een zoo bijzondere bestiering derwaarts geleid was om het boos opzet dier +aterlingen te verijdelen, begon hij over een middel te peinzen om hen in de handen des gerechts over te leveren. Te vertrekken +en hulp te vragen was gewaagd en onzeker, daar hij vreesde hen niet te zullen wedervinden Hen aan te tasten ware dwaasheid +geweest; want de drie Jezuïeten, vooral Broeder Eugenio, schenen onverschrokken kerels te zijn. Uit deze onzekerheid werd +de Graaf weldra gered, door een gerucht van paarden, die in vollen draf aan kwamen rijden. In de hoop dat de aankomenden hem +hulp zouden kunnen verschaffen, <a id="d0e1557"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1557">14</a>]</span>verliet hij de plaats waar hij post gevat had, begaf zich naar den rijweg, en herkende al spoedig in de naderende ruiters +den Heer van Sonheuvel met zijn rijknecht, die op hun terugtocht naar Den Haag waren. Reede, niet wanende zijn vriend Ulrich +aldaar te voet te zullen aantreffen, lette weinig op diens wenken en reed hem voorbij, zoodat de Graaf zich genoodzaakt vond, +hoe ongaarne hij ook gedruisch wenschte te maken, hem bij zijn naam na te roepen. Dit had uitwerking: Heer en knecht stonden +stil, en de Ritmeester reed verbaasd naar <span id="d0e1559" class="corr" title="Bron: Falckenstein">Falckestein</span> terug..... + +</p> +<p>“Wat duivel brengt u hier, alleen, en te voet, en in den nacht en bij dat Satansch erf?” + +</p> +<p>“Spreek zacht! Geen duivel, veeleer een heilige beschermengel, ja Gods bestier voert mij en u hier om Prins en Land te redden.” + +</p> +<p>“Gij spreekt raadsels.” + +</p> +<p>“Stil! Kom nader! Gij ook, Jonkman! en luister!”—Hier vertelde hij hun in weinige woorden ’t geen hem was voorgekomen. + +</p> +<p>“En durven die beesten dat nog met den mantel van godsdienst bedekken?” zeide Reede, op de tanden knersende: “wij zullen hun +dat afleeren. Voorwaarts marsch, Bouke!” + +</p> +<p>“Voorzichtig om ’s hemels wil, of gij bederft alles,” zeide Falckestein, zijn te voortvarenden vriend met stem en gebaarden +terughoudende; “gij kunt te paard niet op het erf komen. Stijg af en bind uw paard vast. Gij zijt gewapend?” + +</p> +<p>“Met sabel en pistolen.” + +</p> +<p>“En uw bediende?” + +</p> +<p>“Zooals ik: nietwaar Bouke?” + +</p> +<p>“Altijd, gelijk uwe Edelheid weet: want zoo de Heer zoo de Knecht, en men moet huilen met....” + +</p> +<p>“Houd den mond met uw spreekwoorden,” grauwde Reede hem toe, terwijl hij, afgestegen zijnde, zijn paard vastbond. + +</p> +<p>“En nu,” zeide Falckestein: “hoor mijn plan: gij, Reede, loopt de deur in met een pistool in de hand: ik volg u met een ontbloot +geweer, en wij gelasten hun zich gevangen te geven. Uw knecht houdt post aan de deur en schiet overhoop al wie vluchten wil.” + +</p> +<p>“Ja,” viel Bouke in, “tot zooverre is ’t goed. Overleg is ’t halve werk; maar naar mijn dom verstand zullen zij zich zoo licht +niet laten knevelen. Hoe krijgen wij ze mee? de laatste loodjes wegen het zwaarst. Ik heb maar een klein end touw, en om er +vier te binden, vooral als zij zich verweren....” + +</p> +<p>“Praatjes!” mompelde Reede: “wij nemen de toomen onzer paarden.” + +</p> +<p>“En onze paarden loopen haroet,” zeide Bouke. + +</p> +<p>“Die jonkman heeft gelijk,” sprak Falckestein: “het ware misschien beter, dat wij om het huis de wacht bleven houden en hem +inmiddels naar het naaste dorp stuurden om hulp te halen.” + +</p> +<p>“Mij dunkt,” zeide Bouke, “dat ik daarginds een deur hoor opengaan. Zouden zij ons geroken hebben? Kwâe doen geeft kwâe vermoên.” + +</p> +<p>“Dat vervloekte talmen!” riep de heer van Sonheuvel en snelde in drift de plank over die naar het erf geleidde. +<a id="d0e1598"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1598">15</a>]</span></p> +<p>Het was als Bouke gedacht had. Die binnen waren hadden het paardengetrappel gehoord en opgemerkt hoe er voor de hofstede halt +was gemaakt: dit had hun doen besluiten, te gaan ontdekken wat er aan de hand ware. Broeder Melchior was de deur uitgetreden +en sloeg den hoek van het huis om, toen hij, een gewapend manspersoon op zich af ziende komen, in allerijl terugkeerde. Zonder +te bedenken, dat het tijdstip nog niet daar was, loste Reede een pistool en deed den Jezuïet, gewond, ter nederstorten. Op +dit geluid kwamen nu ook de anderen het huis uit. “Redt u,” zeide Eugenio schielijk tegen zijn makkers: “redt u over de plank +en trekt die achter u weg! ik zal de sloot wel overspringen.” + +</p> +<p>De Jezuïet, die met hem was, volgde dien raad en liep als een haas de plank over, die naar de weide bracht, en het veld in. +Panne wilde hem volgen, doch Bouke, die zijn heer spoedig nagesneld was had het doel des vluchtelings geraden, sneed hem bijtijds +den weg af en greep hem met een gespierde Geldersche vuist in den kraag, terwijl hij met de andere hand een pistool op den +ontsnapten vloekverwant loste; doch vruchteloos, want Panne, wiens krachten door den angst verdubbeld waren, belette hem, +door de pogingen, die hij deed om zich los te maken, een juiste richting aan zijn schot te geven. Terwijl zij worstelden, +waren de beide edellieden Eugenio genaderd, die hen in een rustige en onverschrokken houding afwachtte. Als uit één mond klonk +nu het bevel: “geef u over, of gij zijt een kind des doods!” + +</p> +<p>“Aan wie en waarom zoude ik mij overgeven?” vroeg Eugenio: “zijt gij roovers of moordenaars, gij, die zonder recht of reden +dus gewapend dit erf binnendringt?” + +</p> +<p>“Het voegt u wel dus te spreken,” brulde Reede: “vervloekte Jezuïet! geef u over of het gaat er door, zoo waar als ik Reede +heet.” + +</p> +<p>“Met uw verlof, dan heb ik aan elk van u nog een woordje.” Dus sprekende, loste hij een pistool op Reede; de kogel floot zijn +haren door en wierp den vederhoed in ’t gras. + +</p> +<p><span id="d0e1610" class="corr" title="Niet in bron">“</span>Wilt gij niet goedschiks, dan met dwang,” zeide Falckestein, hem met zijn degen in de zijde kwetsende. + +</p> +<p>“En dat is voor u,” grinnikte Eugenio, terwijl hij met de gesloten vuist aan Falckestein een zoo geweldigen slag op het hoofd +toebracht, dat de Graaf bedwelmd ter aarde stortte. Als ongedeerd liep toen Eugenio naar de plank, die op den rijweg bracht, +en wilde die oversnellen, toen Reede hem in den gordel greep. Doch met evenveel gemak, als had hij een kind opgenomen, slingerde +de Jezuïet zijn weerpartij van zich af, wierp de arme Heer van Sonheuvel midden in de sloot, ijlde de plank over, trok die +achter zich weg en riep, terwijl hij het paard van den Ritmeester losmaakte en besteeg, dezen toe: “denk nu op uw gemak eens +na of gij u de preek van Uyttenbogaert niet herinneren kunt.” + +</p> +<p>“Ziedaar! dat is om u aan mij te herinneren,” schreeuwde Reede, zijn tweede pistool op hem losbrandende. + +</p> +<p>“Die is raak!” riep Eugenio: “van elk een wond; <span class="letterspaced" lang="la">sed ultio dabitur septuagies septies</span>,<a id="d0e1622src" href="#d0e1622" class="noteref">3</a> als de Schrift zegt.”—Met deze <a id="d0e1625"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1625">16</a>]</span>woorden reed hij met losse teugels weg en verloor zich ras in de duisternis. + +</p> +<p>Inmiddels was Falckestein weder bijgekomen: opgestaan zijnde, hielp hij den Ritmeester, die vast vloekte en tierde, uit de +sloot. Bouke had zijn weerpartij nu geheel onder den voet en was bezig den armen Panne met een end touw vast te knevelen, +terwijl hij hem intusschen eenige troostvolle spreekwoorden opdischte, als b. v.: “ja kereltje, zoo gaat het: boontje komt +om zijn loontje: die kwaad doet, kwaad ontmoet: ’t is alle dagen geen vastenavond!” enz. + +</p> +<p>Aan het achterhalen der vluchtelingen was niet te denken; men besloot dus Panne wel te bewaren en Bouke om den schout te zenden; +dan, hoe keek de goede lijfknecht op, toen hij de planken overal teruggetrokken vond en de drie paarden weg; want Eugenio +had, uit vrees van achtervolgd te worden, de rijdieren alle losgebonden. Hij begaf zich nu naar den kant van het weiland, +doch ontdekte tot zijn spijt, dat de in ’t begin gewonde Jezuïet, op wien men geen acht geslagen had, was opgestaan en van +die zijde ontsnapt, na ook die plank achter zich weggehaald te hebben. + +</p> +<p>Dus opgesloten op het erf, zouden zij zich genoodzaakt hebben gezien, den dag af te wachten, indien niet eenige boeren uit +den omtrek het schieten gehoord hebbende, den schout waren gaan waarschuwen, die na een paar uren toevens met zijn dienaars +verscheen en allen, zoo de bewaarders als den gevangene, met zich naar het dorp voerde. De gevluchte Jezuïeten werden niet +gevonden; doch de paarden, welke Eugenio waarschijnlijk, bij het aanbreken van den dag, uit vrees van herkend te worden, in +vrijheid had gesteld, werden door het landvolk opgehouden en den eigenaars teruggegeven. + +</p> +<p>Bij het verhoor bekende Panne, dat hij van Yperen in Vlaanderen geboortig en beurtelings kruier, koopman en makelaar geweest +was. Tot armoede vervallen, hadden hem de Jezuïeten van Douai, aan welke hij zijn nood klaagde, vermaand iets groots te verrichten, +waardoor hij, al kwam hij er bij om, duizend zielen verlossen en zelf den hemel verdienen zoude. Hem werden, zoo hij de straf +ontsnapte, 200 £vl. vanwege den Prefect Provinciaal en Rector der Jezuïeten toegezegd, alsmede het stadsbodenambt van Yperen. +Op deze belofte had hij zich naar Den Haag begeven, waar verschillende omstandigheden zijn oogmerk verijdeld hadden. De Katholieke +Hofstede, die aan zekeren Melchior, een geheimen Jezuïet, toebehoorde, had gedurende dien tijd tot de plaats der bijeenkomsten +gediend. + +</p> +<p>Niet lang na de gevangenneming van Panne, kwam uit Engeland de tijding, dat zekere Edward Squire, mede door Jezuïeten opgemaakt, +wegens een aanslag op het leven der Koningin en des Graven van Essex gevat was; zoowel deze, als Panne, werden met den dood +gestraft, toonende deze laatste op het schavot groot berouw. + + + + +<a id="d0e1637"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1637">17</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote" lang="nl-1600"><span class="label"><a id="d0e1545" href="#d0e1545src" class="noteref">1</a></span> Ende de Koningen der aerde, die met haer gehoereert hebben, sullense beweenen ende rouwe over haer bedrijven. Openb. 18:9. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1550" href="#d0e1550src" class="noteref">2</a></span> Hendrik de Vierde, Elizabeth en Graaf Maurits. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1622" href="#d0e1622src" class="noteref">3</a></span> Ik zal seventighmaal sevenmael gewroken worden. Gen. 4:24. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e1638" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Derde Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph" lang="nl-1600"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Gelyck een ingeborsten stroom +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Zal ’t ingelaten heir +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Verdrencken al den Duitschen boôm +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En bruizen als een meir.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, op de tweedraght der Christen Princen. +</p> +</div> +<p>Nadat de Graaf van Falckestein bij Graaf Maurits en de Staten het doel zijner zending verkregen had, keerde hij in den zomer +deszelfden jaars 1598 naar zijn kasteel van Bruck, waar hij, kort daarna, den nieuwen Vorst van Kleef, die zijn gebied rondreisde +om zich te laten inhuldigen, luisterrijk ontving. + +</p> +<p>Intusschen had de Koning van Spanje aan zijn dochter Izabella Clara Eugenia de Nederlanden en Bourgondië overgedragen onder +de voorwaarde, dat zij haar vollen neef, den Prins Kardinaal Albertus van Oostenrijk, zou huwen, waartoe de Paus alreeds de +vrijheid verleend had. Deze opdracht, welke door den Infant Filips, ’s <span id="d0e1659" class="corr" title="Bron: Koniugs">Konings</span> erfopvolger, bevestigd en goedgekeurd was, geschiedde op Woensdag 6 Mei 1598. + +</p> +<p>De Infante, die te Madrid bleef, gaf aan haar aanstaanden echtgenoot volmacht om deze landen in haren naam te aanvaarden, +’t geen hij op den 22<sup>sten</sup> Augustus te Brussel verrichtte, waarna hij het geestelijk gewaad aflegde en den Amirant van Arragon, Don Francisco de Mendoza, +tot Opperbevelhebber van een machtig leger aanstelde; hem Graaf Frederik van den Bergh als Veldmaarschalk toevoegende. Dit +aldus beschikt hebbende, vertrok hij naar Spanje, en liet den Kardinaal Andreas van Oostenrijk achter als Gouverneur-Generaal. + +</p> +<p>Dadelijk besloot deze, met overleg van den Raad van State, tot een tocht in Kleef, Gulik en Westfalen, om deze landen onder +den naam van beschermheer te vermeesteren: want hij begreep, dat de Vereenigde Nederlanden nergens beter dan uit deze gebuurlanden +besprongen en in bedwang gehouden konden worden. Voor deze en dergelijke aanvallen hadden de Staten-Generaal den Raad van +Kleef reeds meermalen gewaarschuwd, en Falckestein had zijn landslieden, bij zijn terugkomst, sterk tot waakzaamheid aangemaand; +doch de invloed van eenige Spaanschgezinde Raadsheeren had, tot nog toe, alle dadelijke gereedmaking tot verwering tegengehouden. +Alleen hadden, op verzoek des Vorsten van Kleef, de Hanevederen van den dapperen Ulrich van Daun sommige plaatsen bezet. + +</p> +<p>Het was in den beginne der maand September, dat Mendoza en Bergh met een ontzettend heir de Maas bij Roermond overstaken en +hunne wapenen tegen Orsoy wendden. Vergeefs weigerde de Maarschalk Horst met zijn Hanevederen hun den doortocht, op grond +dat Orsoy op onzijdig grondgebied gelegen was: de stad werd beklommen en, spijt allen wederstand, bemachtigd. Op het hooren +dezer tijdingen <a id="d0e1671"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1671">18</a>]</span>verzamelde Maurits zijn leger te Arnhem, zond bezetting in Zutfen, Lingen en Oldenzaal, en bracht zijn hoofdkwartier te Zevenaar. + +</p> +<p>De Vorst van Kleef, niet minder bedacht voor de groote onheilen, die zijn landen bedreigden, en wenschende, zoo ’t eenigszins +mogelijk ware, het naderend onweder te stuiten, riep op den 25<sup>sten</sup> September den Landdag bijeen: het was, wel is waar, niet dan met schroom dat hij hiertoe besloot, zoo wegens de Spaanschgezindheid +van sommige, als om de weifelende gemoedsgesteldheid der meeste edellieden; dan hij steunde veel op den drang van het oogenblik +en op de welsprekendheid van den Graaf van Falckestein, die hem beloofd had, alles te zullen aanwenden, om den Raad tot het +uitschrijven van een veldtocht te nopen. + +</p> +<p>De uitkomst echter liet zich gunstig aanzien. Uit een zware ziekte kortelings hersteld en nog bij de minste aandoening bedremmeld +en sprakeloos, was de Vorst niet in staat zijn voordracht ten einde te brengen: de Spaanschgezinde Raadsheeren, door ’s Voorzitters +stilzwijgen aangemoedigd, droegen met klem van redeneering voor, hoe dwaas en ijdel aan de eene zijde de wederstand zoude +wezen, tegen zoo geducht een vijand als den Amirant: en hoe voordeelig van den anderen kant een vast verbond ware, dat aan +Kleef de vriendschap van Spanje en Oostenrijk verwierf. Met een smeekend oog, waar tranen van spijt en droefheid in zwommen, +zag de Vorst zijn getrouwen Ulrich aan, doch wat de Graaf ook tegen de drogredenen der andersdenkenden mocht invoeren, het +scheen op de vergadering weinig of geen invloed uit te oefenen; waarop hij eindelijk, over hun slaphartigheid vertoornd, in +drift oprees en zwoer, zich aan alle verdere beraadslagingen te zullen onttrekken en op zijn eigen slot met zijne Hanevederen +de vijanden gaan afwachten. Dan, op dit oogenblik werd de vergadering verrast door het binnentreden eener vrouw van middelbare +jaren, trotsche en majestueuse houding, op wier gelaat de kommer geschreven stond, terwijl een somber rouwgewaad aan haar +weemoedigen blik nog meer treurigheid bijzette. Deze vrouw was Sibille, ’s Vorsten zuster en vertrouwde. Met ernst en stoutmoedigheid +ving zij aan, den Raad zijn lafheid en verwaarloozing van ’s lands belangen in een zoo gevaarlijk tijdstip te verwijten: met +zwarte kleuren schilderde zij de ontrouw en de list af der Spanjaards en vergeleek Mendoza’s bescherming bij die van den wolf, +onder wiens hoede zich, als de fabel meldt, de onnoozele schapen begaven. Op deze en dergelijke redenen, meest geschikt om +een diepen indruk te verwekken, volgden nadrukkelijke smeekgebeden, met bittere tranen gepaard, welke, langs de kaken eener +schoone en algemeen geachte vrouw afvlietende, niet konden nalaten, ook de verhardste gemoederen te roeren. De Ridderschap +wist zij in haar eer, de Raden en Landsafgevaardigden in hun belang zoo verstandig te treffen, dat men, zoo al niet tot oorlogvoeren, +ten minste tot verdediging besloot; aan den Graaf van der Lippe werd bevel gegeven, zooveel volks tot bescherming van den +lande te werven als hem mogelijk was, en te Dortmond de vijf Nederkreitsen saam te roepen om over de algemeene belangen te +<a id="d0e1680"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1680">19</a>]</span>raadplegen. Bovendien schreef de Vorst aan den Keizer en al de Rijksgrooten, om zich over het hem aangedaan geweld te beklagen +en spoedige hulp te verzoeken. In ’t laatst derzelfde maand werd de Nederwestfaalsche Kreits te Dortmond vergaderd, waar Falckestein +aan al de aanwezigen zulk een moed in ’t lijf sprak, dat er eenparig besloten werd, den Graaf van der Lippe naar Mendoza te +zenden, Orsoy wederom te eischen en bij weigering het geschonden recht met de wapenen terug te vorderen. + +</p> +<p>Het was na het scheiden dezer vergadering, op een schoonen herfstmorgen, dat Falckestein met een twintigtal ruiters de Roer +langs reed om zich naar zijn slot van Bruck te begeven, het oogenblik reikhalzend te gemoet ziende, waarin hij zijn beminde +gade en lieve kinderen weder aan zijn hart zou drukken. Reeds zag hij de donkere torens van zijn voorouderlijk slot tegen +de heldere lucht afsteken, en zijn boezem klopte van genoegen op de gedachte, dat ook dit aloud verblijf van vaderlandlievende +helden geen Spanjaards tot beschermheeren zou behoeven te dulden. Dan, toen hij naderbij kwam, zag hij met verwondering op +een der torens een aantal krijgslieden vergaderd, die met drift schenen te spreken en naar den Rijnkant te wijzen. Terwijl +hij bepeinsde wat hiervan de oorzaak wezen mocht, kwam hem een ruiter, die zooeven het slot was uitgesneld, in vollen draf +te gemoet rennen. + +</p> +<p>“Wel Hensken!” sprak de Graaf: “wat komt gij ons met zulk een spoed boodschappen? Hoe varen Mevrouw en de kleinen?” + +</p> +<p>“Zeer wel Goddank, Uwe Genade! en waarschijnlijk zeer verheugd over uwe terugkomst,” gaf de Haneveder in zijn Platduitsch +ten antwoord: “voorwaar! Uwe Genade had nooit op een beter tijdstip kunnen terugkomen.” + +</p> +<p>“Wat is er dan gaande? Ik wil niet hopen, dat er onraad op het slot zij?” + +</p> +<p>“Nog niet, Uwe Genade; doch het zal niet lang meer duren. Wij hebben dezen morgen van de burchttinne twee vendels Spaansche +ruiters gezien, die hierop aanhouden en voorzeker niets goeds in den zin hebben. Mevrouw gelastte mij, Uwe Genade te gemoet +te rijden en te verzoeken, zooveel spoed te maken als de nood vereischt. Goddank, dat Uwe Genade hier tijdig genoeg is om +ons allen uit de verlegenheid te helpen.” + +</p> +<p>Aldus sprekende waren zij de ophaalbrug genaderd en het slot binnengetreden. Niettegenstaande zijn geest door het ontvangen +bericht weinig tot vroolijkheid gestemd was, kon Falckestein echter den onwillekeurigen lach niet bedwingen, die bij hem oprees +op het vreemde schouwspel dat zich hier vertoonde. Alles was op het binnenplein in beweging: de rentmeester, een deftig, lang, +mager persoon, liep met een ouden stormhoed en een rapier van twee ellen lang gewapend, op en neder, en hield het toevoorzicht +over de maatregelen, die de burchtzaten ter hunner verdediging namen: in het spreekvertrek werden kogels opgestapeld en vaatjes +buskruit binnengewenteld: op de plaats ontlaadde men hooi- en mestkarren: hier bracht men vier veldstukjes in orde: daar maakte +men vuurroeren en lansen <a id="d0e1694"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1694">20</a>]</span>schoon: ginds droeg men meelzakken naar de zolders: in den stal hinnikten de paarden: in de groote benedenzaal, welke nu mede +voor stal dienen moest, liepen loeiende runddieren, blatende schapen en knorrende varkens door elkander. Hier hoorde men het +rollen van wagens, ginds het kletteren van wapenen: wat verder het geblaf der honden, het gekakel der kalkoenen en het schril +gekwaak der ganzen: en in ’t midden van dit alles zette de oude rentmeester zijn piepende en schorre stem uit om al dat geraas +te overschreeuwen. + +</p> +<p>Dan, nauwelijks was het hoefgetrappel van ’s Graven ruiters op de brug gehoord geworden over het plein, of het verward geschreeuw: +“daar is de vijand!” liet zich van alle zijden hooren. De rentmeester zocht vergeefs zijn rapier uit de verroeste scheede +te halen en viel in ’t achteruittreden over een logge gans, met de beide beenen in de lucht. De overigen, die hem al doodgestoken +waanden, zochten overal naar een goed heenkomen, wanneer de juichtoon: “het is zijn Genade!” den algemeenen schrik <span id="d0e1698" class="corr" title="Bron: iu">in</span> luide blijdschap veranderde. + +</p> +<p>“Hoe!” zeide Falckestein, bij ’t afstijgen, tot den Rentmeester: “begint gij den strijd tegen de ganzen, om te beproeven hoe +het naderhand tegen de Spanjaards gaan zal?” + +</p> +<p>“Met verlof,” zeide de Rentmeester, terwijl hij opstond en zich de ruggestreng wreef: “die duivelsche degen zit zoo vast in +de scheede, dat ik hem voor betooverd houde.” + +</p> +<p>“Zoo ik wel zie, is het de degen van mijn bet-overgrootvader Werner: ik wil gelooven, dat hij de scheede ongaarne verlaat, +waarmede hij nu ruim een eeuw in een zoo nauwe betrekking heeft gestaan;.... doch daar is Mevrouw!”.... + +</p> +<p>“God zij geprezen dat ik u wederzie, mijn beminde!” riep de Gravin, die op dat oogenblik, met haar oudsten zoon aan de hand +en het jongste knaapje op den arm, de slottrap afkwam en haar gemaal tegentrad. + +</p> +<p>“Ik bemerk,” zeide de Graaf, terwijl hij haar en de kinderen met aandoening omhelsde, “dat ik op een gelegen tijdstip terugkom: +dan, de oogenblikken zijn kostbaar en moeten niet verwaarloosd worden: laten wij binnengaan en gij zult mij alles verhalen, +wat tot deze aanstalten aanleiding geeft. Gij, Feurich!” (deze was aan het hoofd der met hem gekomen ruiters) “zult den ouden +Beckman bijstaan in het gereedmaken der verdedigingsmiddelen: Hensken, laat de poorten sluiten en de brug ophalen: ik zal +terstond weder hier zijn.” + +</p> +<p>Zoo sprekende, geleidde hij zijn vrouw naar een binnenvertrek en verzocht haar, hem nauwkeurig te verhalen, wat haar voor +een aanval vreezen deed. + +</p> +<p>Na eenige diepe zuchten en tranen, sprak zij aldus: “Helaas! sedert uw vertrek naar Dortmond, nu acht dagen geleden, hebben +wij geen oogenblik rust gehad. Gij waart nog geen twee uren weg, toen verscheiden boeren onze bescherming kwamen verzoeken, +bitter klagende, dat de Spanjaards hun woningen verbrand en hun vee geroofd hadden: ditzelfde verzoek, diezelfde klachten +werden van toen af dagelijks door anderen herhaald, zoodat ik, eindelijk bemerkende dat, door die lieden te onderhouden, de +leeftocht van het <a id="d0e1715"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1715">21</a>]</span>slot te spoedig zou verteerd zijn, mij genoodzaakt zag, hun mijns ondanks allen verderen bijstand te weigeren. Dan, eergisteren +verscheen hier een Spanjaard, zich noemende Fernando Lopez, die, op last van den Amirant, zoo hij voorgaf, u des Veldheers +bescherming aan kwam bieden, mits gij u bereid toondet de Spaansche zijde te kiezen en den Roomschen Godsdienst te omhelzen. +Tijd hopende te winnen, verzocht ik hem uw terugkomst af te wachten; doch dit verkoos hij niet: hij reed, naar mij voorkwam +vrij onvoldaan, naar Orsoy terug. Hedenmorgen berichtte mij de torenwachter, dat hij in ’t westen krijgsvolk had zien overvaren: +ik gaf dadelijk aan Beckman last eens na te zien, welken voorraad en krijgsbehoeften wij hadden, en begaf mij naar de tinne, +om met eigen oogen te zien wat er gaande was: ofschoon mijn mingeoefend gezicht niet zoo dadelijk ontwaarde hetgeen Peter +zoo vervaard had, bespeurde ik echter langzamerhand, dat er werkelijk manschappen in aantocht waren. Naar zijn gissing kunnen +zij echter niet voor den nacht hier zijn, ten minste zoo zij geschut bij zich hebben omdat zij de hoogte en het bosch moeten +omtrekken.” + +</p> +<p>“Dan is het nog tijd alles tot afweer in gereedheid te brengen,” hervatte de Graaf: “wat u betreft, mijn beste, ik mag u niet +aan de wisselvalligheden van eenig beleg blootstellen: deernis met uw lot en dat onzer kinderen zouden mij misschien beletten +mij zoo kloekhartig te gedragen, als mijn plicht mij gebiedt. Ik zou om uwentwil een slot opgeven, dat ik zonder u tot den +laatsten droppel bloeds verdedigen kan; ook voegt het mij, bij de weinige mondbehoeften, die wij bezitten, mij van alle onnutte +monden te ontslaan.—Geen tegenspraak! het is mijn vast besluit: omhels mij en ga alles tot uw vertrek gereedmaken.” + +</p> +<p>De Gravin, schoon even teederhartig als Badeloch, had niets van het heldhaftige, dat Gysbrechts echtgenoote kenmerkte. Onder +het storten van een vloed van tranen omhelsde zij haar gemaal, en beloofde hem zijn last te zullen volgen. “Helaas!” voegde +zij er schreiend bij, “moet ik u na een zoo langdurige afwezigheid enkel terugzien om weder afscheid te nemen?” + +</p> +<p>“Afscheid nemen!” herhaalde een stem: “en waarom afscheid nemen?” + +</p> +<p>Met het uiten dezer woorden trad een vrouw in burgerkleeding binnen, een knaapje van acht of negen jaren aan de hand houdende. + +</p> +<p>“Ja mijn goede vrouw,” zeide de Gravin; “wij vertrekken. Het slot van Bruck levert geen veilige wijkplaats meer op aan vrouwen +zooals wij.” + +</p> +<p>“Niet?” vroeg de vreemdelinge met verbazing: “en sedert wanneer zijn vaste sterkten minder veilig dan het open veld?” + +</p> +<p>“Mijn echtgenoot beveelt,” zeide de Gravin: “en ik gehoorzaam.” + +</p> +<p>“Wie is die vrouw?” vroeg de Graaf halfluid aan zijn vrouw. + +</p> +<p>“Een vluchteling,” antwoordde deze, “wier huis door de Spanjaards vernield is.” + +</p> +<p>“En gij zoudt u opnieuw aan hun woede willen blootstellen?” zeide Falckestein, op een bevreemden en ontevreden toon tegen +de vreemde. +<a id="d0e1737"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1737">22</a>]</span></p> +<p>“Dat zou ik, door af te reizen,” antwoordde deze: “hier valt niets voor mij te vreezen.” + +</p> +<p>”’t Kan zijn,” hernam Falckestein koel: “doch het strookt niet met mijn oogmerken, dat vrouwen hier blijven. Een goed geleide +zal de Gravin naar een veilige wijkplaats voeren: gij moogt daarvan, naar verkiezing, al of niet gebruik maken; doch hier +kunt gij niet blijven.” + +</p> +<p>“Welnu!” zeide de vrouw: “de Gravin van Falckestein heeft de arme Magdalena, toen zij om bescherming smeeken kwam, die niet +geweigerd: Magdalena zal de Gravin thans ook niet verlaten. Wellicht is het oogenblik niet verre af, dat zij mijne hulp zal +noodig hebben.” Met deze woorden wendde zij zich om en verliet het vertrek. + +</p> +<p>Binnen twee uren waren alle vrouwen en kinderen reisvaardig. Acht kloeke ruiters, onder het bevel van den wakkeren Hensken, +en een gelijk getal gewapende landlieden, ontvingen last, de vluchtelingen naar Kleef te geleiden en aldaar van den Vorst +bescherming en huisvesting voor hen te verzoeken. Met den middag vertrokken zij. + +</p> +<p>Ondertusschen had zich de Graaf verscheidene reizen naar den toren begeven en vandaar de nadering der Spaansche benden bespeurd, +die langzaam, in benden afgedeeld, in aantocht waren. Tegen den avond belette hem zoo de duisternis als de hoogte, die de +vijand om moest trekken, iets meer van hem te onderscheiden. Het vertrek zijner gemalin had zijn hart van een groote zorg +ontslagen, zoodat hij met koel beleid zijn maatregelen kon bewerkstelligen. Hij bevond, dat de bezetting thans bestond uit +zestig ruiters, twintig musketiers en een veertigtal zoo gewapende als ongewapende landlieden uit den omtrek, van welke laatsten +het getal nog gedurig aangroeide. Tot onderhoud dezer menigte had hij leeftocht voor een maand: de vier veldstukken waren +in een goeden staat: voorraad aan kruit was er genoegzaam: van achteren was het slot door de rivier en aan de drie andere +zijden door breede grachten verdedigd en de wallen waren in volkomen orde. De overtuiging van dit alles vervulde hem met een +moed, welken hij zonder moeite ook aan de zijnen wist mede te deelen. De hemel had echter besloten dat de wederstand vruchteloos +zijn zoude, en dat juist zijn bezorgdheid omtrent zijn vrouw hem ten verderve zou wezen. + +</p> +<p>Met het doorbreken der eerste zonnestralen zag men van het slot de twee Spaansche vendelen op den afstand van ongeveer twee +kanonschoten aan de wederzijden van een klein boschje halt maken: en het leed geen half uur, of een ruiter, in volle wapenrusting +uitgedost en van een trompetter vergezeld, naderde de valbrug en verzocht, tot een mondgesprek te worden toegelaten. Het verzoek +werd ingewilligd en de Graaf reed den zendeling te gemoet, die opgaf te zijn Diego de Velasco, Hopman in Spaanschen dienst, +afgezonden door Fernando Lopez, Kapitein, met last om het slot van Bruck in naam van de Infante op te eischen, en de overlevering +te vorderen van tien Hanevederen, die tegen de Spaanschen, zooals hij voorgaf, geweld hadden uitgeoefend, bij gebreken waarvan +hij, Fernando Lopez, het slot zou doen beschieten en bestormen. +<a id="d0e1750"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1750">23</a>]</span></p> +<p>Met beleefdheid toonde de Graaf hem aan, dat het kasteel van Bruck een leen was van den Hertog van Berg, met wien de Koning +van Spanje op een voet van vrede leefde: dat hij dus aan geen zoo vreemde als onbillijke eischen kon voldoen; maar het kasteel +zijner vaderen tegen geweld en overlast verdedigen zou. + +</p> +<p>“Ik verwachtte geen ander antwoord van zoo braaf een edelman als de Graaf van Falckestein,” zeide Don Diego: “het doet mij +echter leed, Heer Graaf! dat uw koenheid u noodlottig zal moeten wezen: binnen weinig tijd zien wij elkander weder.” Deze +woorden geuit hebbende, groette de Hopman hem beleefdelijk, wendde den teugel en reed in vollen draf naar zijn vendel terug, +terwijl de Graaf, in zijn slot gekeerd, de brug liet inhalen en alles tot afweer gereedmaken. + +</p> +<p>Het duurde niet lang, of de vijand begon de noodige toebereidselen tot den aanval te maken. Het eene vendel, in vier benden +afgedeeld, trok regelrecht op het slot aan, richtte zijn geschut op den voormuur en begon weldra eenige kogels op de wallen +af te zenden, zonder echter eenige schade aan te richten. Reeds begon de Graaf te denken, dat dit beschieten alleen moest +dienen om hem vrees aan te jagen én tot de overgave te nopen, toen hij bericht ontving, dat het tweede vendel, hetwelk inmiddels +de Roer was overgevaren, van den kant der rivier een aanval scheen te zullen wagen. + +</p> +<p>“Indien zij volks genoeg hebben, kunnen zij gemakkelijk in den tuin komen,” zeide Feurich, die deze tijding bracht: “de vischkaar +en de steiger steken zoover in ’t water uit, dat zij in een oogenblik de rivier over zijn.” + +</p> +<p>“Gij hebt gelijk,” antwoordde de Graaf, die, den omgang aan de voorpoort op en neder wandelende, de op de slotbrug aanrukkende +vijanden inmiddels in ’t oog hield: “doch wij hopen het hun te beletten. Wordt het geschut op den achterwal goed bediend?” + +</p> +<p>“Voortreffelijk,” hernam Feurich: “maar wat vermag één veldstukje tegen een menigte, die verspreid en op verschillende zijden +de rivier oversteekt?” + +</p> +<p>“Welnu!” zeide de Graaf, na een oogenblik beraad: “neem tien boeren en even zooveel scherpschutters met u: verdeel deze laatsten +in den tuin en op het vischhuisje en doe de boeren den steiger bezetten: laten de schutters hun kruit en lood niet verspillen, +maar vijf aan vijf vuren en beurtelings weer laden. Vooral moet er geschoten worden op die Spanjaards, die werkelijk te water +gaan. Deinst de vijand, zoo wacht gij mijn naderen last; zetten zij den aanval door, zoo plaatst gij al uw volk op den kant +van ’t water, laat algemeen vuur geven en zendt mij er bericht van: dan zal ik u met de helft der Hanevederen komen versterken.—Ik +vermoed, dat de aanval, die hier op den voormuur gedaan wordt, slechts dienen moet om ons te misleiden; doch tot ik daarvan +de zekerheid heb, dien ik hier te blijven.... wacht, Rudolf! richt het geschut eens tegen dat hoopje, dat daar linksaf uit +het boschje aankomt.—Juist zoo! nu vuur, mijn vriend!—heerlijk getroffen! Zaagt gij dien langen schelm met zijn roode pluimage +nederstorten en over den <a id="d0e1765"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1765">24</a>]</span>kop in ’t zand buitelen?—Hier gij knapen! aan de poort! houdt uw bussen klaar; doch schiet niet voordat gij mijn bevel verneemt.” + +</p> +<p>Intusschen was Feurich de bevelen van zijn heer nagekomen en had hij zijn manschappen, in den tuin, op de hem voorgeschreven +wijze post doen vatten. Deze tuin en de daarbij behoorende boomgaard waren geplant in de ruimte, bevat tusschen twee sterk +vooruitspringende, met bolwerken en torens voorziene, achtervleugels van het gebouw. De rivier, die het slot bespoelde, en +een steenen borstwering, die er langs liep, waren de enige hinderpalen, welke de vijand te overwinnen had om in dien tuin +te geraken, en de, gelijk Feurich had aangemerkt, ver vooruitspringende steiger en vischkaar konden hem den overtocht nog +gemakkelijker maken. Wel is waar, het veroveren van den tuin maakte den vijand nog geenszins meester van het slot, waar hij +niet dan na het overrompelen van verscheiden sterke en wel bewaakte ingangen kon binnendringen; doch het was niettemin van +het hoogste belang hem te beletten een post te bemachtigen, van waar hij den belegerden den grootsten last en ongerustheid +baren kon. + +</p> +<p>Stil als de dood, dien zij zenden moesten, stonden de musketiers, elk achter een boomstam beschut, op het sein te wachten; +terwijl de boeren, op den steiger geschaard, hun knuppels en vorken met drift in ’t rond zwaaiden en met woorden en gebaarden +den aanrukkenden vijand sarden, als wilden zij hem tot den overtocht bewegen. Velasco, die dit vendel der belegeraars aanvoerde +en achter een dijkje aan de overzijde der rivier voor het geschut beveiligd lag, bedwong hun drift, tot al zijn manschappen +vereenigd waren. Toen liet hij de twee kleine schuitjes, waarmede hij de overvaart gedaan en die hij met zich gevoerd had, +met zooveel soldaten bemannen, als de zwakke vaartuigen dragen konden, en gaf bevel aan diegenen onder zijn krijgsknechten, +die de beste zwemmers waren, zich van hun bovenkleederen te ontdoen en het water te doorwaden, ten einde den aanval alzoo +gelijktijdig op verscheidene punten te bewerkstelligen en de belegerden in verlegenheid te brengen. Het overschot zijner manschappen +bleef op den oever in ’t gras liggen en poogde, door een wel onderhouden vuur, den overtocht te dekken en de landlieden van +hun post op den steiger te verdrijven. + +</p> +<p>Feurich, die op de vischkaar stond, liet de aanvallers tot op halverwegen naderen en gaf toen het sein aan zijn musketiers, +door zelf een pistool op een der Spaansche onderofficieren te lossen, die, doodelijk getroffen, uit de boot in ’t water plompte. +Vijf musketschoten vielen, en even zoovele Spanjaards stortten gewond achterwaarts of rolden kermend uit de schuiten. De zwemmenden +kozen den terugtocht, gelijk ook een der vaartuigen, dat, toen er nogmaals uit den boomgaard vuur gegeven was, meer gekwetsten +dan gezonden aan boord had. Het andere schuitje naderde echter den steiger; het was met kloeke en nog ongedeerde kerels bemand, +die nu van hunne zijde op de boeren met goed gevolg vuur begonnen te geven. + +</p> +<p>“Hier Heinrich! Walter! hier!” riep Feurich: “helpt mij die schurken <a id="d0e1775"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1775">25</a>]</span>eens begroeten.” Dit zeggende had hij met de twee boeren een balk opgeraapt, die naast den steiger lag. Zij brachten die met +vereende krachten vooruit om het vaartuig te keeren: een goede uitslag bekroonde hun pogingen: het schuitje werd niet alleen +afgeweerd, doch het kantelde, wierp zijn manschap overboord en dreef ledig naar den overkant terug. + +</p> +<p>Een luid gejuich bekroonde deze welgeslaagde verrichting, en de boeren zonden bitse spotternijen tot de belegeraars, die doornat +en meerendeels gewond tot de hunnen waren teruggedropen. Dan Velasco gaf het niet op, en wilde zijn volk nogmaals den aanval +op dezelfde wijze doen beproeven. + +</p> +<p>“Zoo zal het nooit gaan,” zeide een monnik, die naast den aanvoerder stond: “zij moeten allen te water, en gelijktijdig, <span class="letterspaced" lang="la">quasi vir unus</span>,<a id="d0e1784src" href="#d0e1784" class="noteref">1</a> gelijk de Vulgata zegt.” + +</p> +<p>“Ik weet, eerwaarde Vader!” zeide Velasco, “dat gij een begenadigd man zijt, die door een hoogeren geest geleid wordt: doch +veroorloof mij in krijgszaken van u te mogen verschillen. Wie zullen den overtocht dekken, zoo allen te water gaan?” + +</p> +<p>“En wat hebben die manschappen, die den overtocht dekken moesten, thans uitgericht?” vroeg de monnik: “door ons te verdeelen, +zullen wij de belegerden in de war brengen. Geloof mij, jongeling, en gehoorzaam aan mijn ondervinding! Zend de helft van +uw volk op den steiger af, en de andere op den boomgaard, en ik sta u borg voor een goeden uitslag.” + +</p> +<p>“Uw borg zal mij veel baten, als ik mijn Oversten rekenschap moet geven van het bloed der dapperen, die ik ter slachtbank +voer,” hernam Velasco. + +</p> +<p>“Jongeling!” zeide de monnik ernstig en den vinger opheffende: “Gij kent de waardigheid, die ik hier bekleed: leer daaraan +te gehoorzamen. Het zal geschieden zooals ik zeg.” + +</p> +<p>Velasco beet zich op de lippen van toorn. “Het zal dan geschieden,” zeide hij “doch niet op mijn last.”—“Spitsbroeders!” vervolgde +hij, terwijl hij zich tot zijn manschappen wendde en op den monnik wees: “ik ben uw geleider niet meer. Ziet hier den man, +die u ten zege voeren zal. De eerwaarde Pater wordt uw Hopman.”—Dit gezegd hebbende, ontdeed hij zich van zijn sjerp, smeet +die den monnik voor de voeten en trad terug. + +</p> +<p>De soldaten zagen elkander verwonderd en besluiteloos aan. “<span class="letterspaced" lang="la">Docebo vos viam rectam</span>!”<a id="d0e1802src" href="#d0e1802" class="noteref">2</a> riep de geestelijke, een zwaard uit de handen van een der manschappen grijpende: “Ik zal u zelf het voorbeeld geven en u +aantoonen, hoe de zege behaald kan worden.” + +</p> +<p>Onder het uiten dezer woorden stapte hij in een der schuiten, gaf last aan een viertal schutters hem te vergezellen, liet +het andere vaartuig met vijf van de kloekste Spanjaards bemannen, gebood aan al, wie moed had en toonen wilde, dat het hem +ernst was roem <a id="d0e1807"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1807">26</a>]</span>en prijs te behalen, zich te water te begeven, en stak van wal. De soldaten, door zijn voorbeeld aangemoedigd, schenen hun +vorigen tegenspoed vergeten te zijn en zwommen hem spoedig na, zoodat Velasco schier alleen aan den oever staan bleef. Deze +bevond zich nu in den toestand van een kind, dat, met zijn ouders wandelende, hen niet heeft durven vergezellen voorbij het +een of ander schrikbarend voorwerp, b. v. een hondenhok of een oude bedelaarster, en, nu, daar zijn ouders, hem uitlachende, +zijn voortgewandeld, niet weet of het wel op dezelfde plaats zal blijven staan, of het terugkeeren dan wel of het zijn ouders +inhalen en alzoo het voorwerp van zijn angst zal voorbijgaan, tot welk laatste het echter eindelijk al bevende besluit. In +zooverre echter gaat deze vergelijking kwalijk, dat Velasco niet uit vrees, maar alleen uit wrevel tegen den monnik was blijven +staan. Toen hij echter de uitwerking zag, welke diens toespraak en voorbeeld op de krijgsknechten maakte, begreep hij, zonder +zijn eer te krenken, als vrijwilliger te kunnen doen, hetgeen hij als Hopman moest nalaten en laken; hij sprong in de rivier +en zwom weldra al de overigen voorbij. + +</p> +<p>Ongeveer in ’t midden van den stroom gekomen zijnde, gaf de monnik aan zijn musketiers bevel, niet op de landlieden, maar +op de schutters, die achter de boomen in den tuin half verscholen bleven, te vuren, ’t geen ten gevolge had, dat een paar +van deze laatsten gewond en buiten staat gesteld werden eenigen verderen dienst te doen. + +</p> +<p>Feurich wachtte intusschen met zijn twee medehelpers het vaartuig als te voren af: de zware balk viel weder op de plecht; +doch daar de schuit nu niet zoo volgeladen was als de vorige reis, kantelde zij niet; met forsche armen klemde de monnik den +balk tegen zijn borst, trok hierdoor zelf het schuitje nabij den wal, sprong toe, greep een der kettingen van de vischkaar +en slingerde zich er boven op. In hetzelfde oogenblik kwam Falckestein, die de belegeraars aan de voorpoort reeds had afgeslagen, +met eenige Hanevederen in den tuin. Zijn komst verlevendigde den moed der zijnen. Al de musketiers snelden naar de borstwering: +de Spanjaards, die om den boomgaard waren aangerukt, werden teruggedreven, het tweede schuitje omgeslagen en Velasco met de +zijnen tot den terugtocht genoodzaakt. + +</p> +<p>Doch de andere helft der bende, die met den monnik gekomen of aan den kant des steigers de gracht doorwaad had, wist nog van +geen wijken. De ijzeren stormhoeden tartten de knuppelslagen, en de rustelooze volharding der Spaansche veteranen verwekte +een doodschen schrik bij de ongeoefende landlieden. De monnik vuurde hen met taal en voorbeeld aan. Vreeselijk stond hij op +de kaar, met de eene hand om den ketting gekneld, terwijl hij met de andere den sabel zwaaide. De verweerders, waaronder sommige +Roomschen waren, ontzagen zoowel zijn kleed als zijn reuzenarm, en weken. Nu op den steiger gekomen, wierp hij zich met leeuwenwoede +tusschen de Duitschers en sabelde er twee ter neder. Op dit oogenblik kwam Falckestein, die voor deze zijde van den tuin beducht +was, ter <a id="d0e1815"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1815">27</a>]</span>ondersteuning der landlieden toegeschoten. Zooras de monnik hem in ’t oog had, drong hij met geweld door, liep op den Graaf +toe en gaf hem een zoo geweldigen slag op den kolder, dat hij hem had nedergeveld, zoo niet het zwaard in zijn hand gedraaid +had. + +</p> +<p>Onder het toeslaan duwde hij hem deze woorden toe: “<span class="letterspaced" lang="la">septuagies septies</span>!”<a id="d0e1822src" href="#d0e1822" class="noteref">3</a> + +</p> +<p>“Ik herken u, vervloekte Jezuïet!” was het antwoord van Falckestein: “doch heden zult gij mij zoo gemakkelijk niet ontkomen.” + +</p> +<p>Deze woordenwisseling ging met verdubbelde zwaardslagen gepaard, toen eenige Hanevederen, die den Graaf gevolgd waren, gezamenlijk +op den booswicht aandrongen. Zonder zich te ontzetten, weerde deze hun slagen af en zocht den oever te bereiken, doch de boeren, +wien het gelukt was, den vijand overal te doen deinzen, sneden hem alom den pas af en dreigden hem den dood. + +</p> +<p>“Grijpt hem levend!” riep Falckestein: “de schelm moet geen krijgsmansdood sterven. Aan de galg met den vorstenmoorder!” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="la">Nondum venit hora mea</span>,”<a id="d0e1836src" href="#d0e1836" class="noteref">4</a> zeide Eugenio, die, schoon hij zich omsingeld zag van vijanden, zijn moed noch zijn tegenwoordigheid van geest verloren had. +Evenals de forsche bulhond, die in een weide geraakt, zich door de dreigende hoornen der runddieren van alle kanten bestookt +ziet, en zich echter uit het gevaar weet te redden, zoo ontkwam ook de onversaagde monnik. Grimmig sloeg hij den blik in ’t +rond: hij koos de plek, waar hij een bres wilde maken, in den levenden muur, die hem omringde, en noodlottig was die keuze +voor den ongelukkigen boer, die er het voorwerp van geworden was. Eugenio deed een sprong, en de huisman, tegen wiens borst +hij belandde, lag zieltogend in het gras. Van de verbazing van het oogenblik gebruik makende, snelde de Jezuïet van den steiger, +plofte als een molensteen in het water, dook onder voor de op hem geloste schoten en kwam behouden aan de overzijde. + +</p> +<p>“Welnu,” zeide Velasco: “gij ziet den heerlijken uitslag van uw onmisbaren aanval!” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced">Me deseruerunt omnes</span>!” zeide Eugenio: “zij hebben mij allen verlaten; maar, dit beloof ik u, morgen zullen wij in het slot zijn; vandaag genoeg! +Laat nu maar den aftocht blazen.” + +</p> +<p>Falckestein, wel overtuigd, dat hij dien dag geen nieuwen aanval te wachten had, liet aan de bezetting de noodige ververschingen +toedienen en maakte toebereidselen om tegen den volgenden morgen den vijand te kunnen verwachten. + + + + +<a id="d0e1848"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1848">28</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1784" href="#d0e1784src" class="noteref">1</a></span> Als één man. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1802" href="#d0e1802src" class="noteref">2</a></span> Ik zal u den rechten weg leeren. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1822" href="#d0e1822src" class="noteref">3</a></span> Zeventigmaal zevenmaal. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1836" href="#d0e1836src" class="noteref">4</a></span> Mijne ure is nog niet gekomen. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e1849" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Vierde Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Zie hier uw gemalin. +</span></p> +<p class="line" style=""><span>’k Geleid haar thands bij u, gelijk uw hofknaap, in,</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Bilderdijk</span>, Floris de Vijfde. +</p> +</div> +<p>Een nieuwe dag was aangebroken: reeds met zonsopgang stond de Graaf met Feurich en den rentmeester op den torentrans om de +bewegingen der vijanden gade te slaan; dan alles bleef rustig en stil in het leger: het was acht uren geslagen, en nog deed +niets het voornemen tot eenigen aanval vermoeden. “Waarlijk,” zeide Feurich, “ik zou beginnen te gelooven, dat zij van hun +onderneming afzien en eieren voor hun geld kiezen: zij zullen zich, met het ontbijt van gisteren vergenoegen en willen zeker +het middagmaal van heden niet afwachten.” + +</p> +<p>“Zoo zij wilden vertrekken,” zeide de Graaf, “hadden wij hun daartoe reeds toebereidselen zien maken; doch neen: de meesten +ronken nog onder hun tenten: alleen de toegangen zijn bezet; waarschijnlijk wachten zij versterking uit het hoofdleger, of +willen zij ons door honger tot de overgave dwingen; maar bij mijn zwaard! zij zullen alleen over mijn lichaam in het slot +mijns vaders komen.” + +</p> +<p>“Heer Graaf!” riep nu Peter de torenwachter: “ziet Uwe Genade die stofwolk van den kant van Duisburg?” + +</p> +<p>“Ach hemel!” zuchtte Beckman: “dat zijn voorzeker de schapen van Göbel, welke zij hebben ontvoerd om zich proviand te verschaffen: +een kudde van zeshonderd vette beestjes, waarvan Uwe Genade de tienden had: dat zulke onbekeerde schelmen die in hun keukens +zullen braden!” + +</p> +<p>“Wat schapen!” hernam de torenwachter: “ik zie duidelijk helmen en lansen glinsteren: het zijn versche benden die aanrukken.” + +</p> +<p>“Inderdaad,” sprak de Graaf: “doch wat is het? vriend of vijand? Kunt gij het vendel niet onderscheiden?” + +</p> +<p>“Nog niet, Uwe Genade!” antwoordde Peter, “doch ja.... het zijn Spanjaarden: ik herken hen aan hun legertrein en orde van +aanmarsch.” + +</p> +<p>“Dus nieuwe aanvallers!.... Ha! daar wordt de marsch geblazen en Lopez trekt hen met zijn ruiters te gemoet.” + +</p> +<p>“Ik ben maar blijde dat het de schapen van Göbel niet zijn,” zeide Beckman: “doch hoe zullen wij al dat volk wederstaan?” + +</p> +<p>“Met Gods hulp en onze dapperheid, Beckman!” antwoordde zijn Heer: “wat zegt de spreuk: <span class="letterspaced">werkt</span> en <span class="letterspaced">bidt</span>! ga allen aanzeggen, dat zij zich in de groote zaal vereenigen; de Pastor is met Mevrouw vertrokken, doch ik zal zelf het +gebed doen, en wij zullen den drie-en-twintigsten Psalm zingen, die op onze omstandigheden toepasselijk is.” + +</p> +<p>De bevelen van den vromen Graaf werden ten uitvoer gebracht: al wie in het slot der Hervormden geloofsbelijdenis was toegedaan, +<a id="d0e1890"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1890">29</a>]</span>ja, ook sommige der Roomschgezinden, verschenen in de groote ridderzaal. Met ernst, godsvrucht en klem sprak Falckestein Hem +aan, van Wien alleen zij hun redding verwachten konden, en smeekte Hem, voor en met hen te strijden en hen niet beschaamd +te maken in de groote beproeving, die zij om Zijnentwille en uit liefde voor hun dierbaar vaderland doorstonden. “Of,” zeide +hij, en hiermede besloot hij zijn aanroeping, “indien het Uw wil is, dat wij het getal vergrooten van zoovele vrome martelaars, +die voor de verdediging van hun vaderland, voor de rechten van hunne Overheden, ja wat meer zegt, voor Uwen heiligen Naam +en ter bewaring Uwer onvervalschte leer, hun bloed hebben vergoten, zoo schenk ons lijdzaamheid, volharding en vertroosting +in de ure des lijdens, opdat wij getrouw den goeden strijd volstrijden mogen en dat ook tot ons, als wij ons voor Uwen troon +vertoonen om rekenschap af te leggen van hetgeen wij op aarde verricht hebben, moge gezegd worden; <span class="letterspaced">gij goede dienstknechten: over veel heb Ik u gezet: over veel zijt gij getrouw gebleven: gaat in de vreugde uwes Heeren</span>!” + +</p> +<p>Plechtig klonk, na dit gebed, het Psalmgezang door de hooge slotgewelven: en geen was er onder de aanwezigen, die na den afloop +der plechtigheid niet bemoedigd en als ’t ware meteen nieuw leven bezield, de zaal weder verliet. Alleen hij, die de overigen +bemoedigd had, ondervond zelf die kalmte, die opgewektheid niet, welke het hem gelukt was, aan anderen in te boezemen. Falckestein +gevoelde, niettegenstaande de voordeelen, die hij behaald had, en de gunstiger wending, die de zaken voor hem schenen te nemen, +zijn boezem beklemd en zwaarmoedig, en spoedig keerde hij, om nogmaals te onderzoeken welk lot hij te wachten had, met Beckman +en Feurich naar den toren. + +</p> +<p>“Ik zie hun nog geen toebereidselen maken,” zeide Peter de wachter: “de krijgsknechten zijn bij elkaar op het gras gelegen, +en vermaken zich met dobbelen en zuipen, die luie varkens als zij zijn! alles is nog doodstil...dan ginds komen er soldaten +uit het bosch en voeren hout mede dat zij gekapt hebben.” + +</p> +<p>“Die schurken,” riep Beckman verontwaardigd uit, “het bosch van Uwe Genade, daar wij jaarlijks voor tweehonderd kronen aan +timmerhout uit hakten voor den scheepstimmerman Luiken Luikes te Amsterdam.” + +</p> +<p>“En wat moeten zij op die hoogte bouwen,” vervolgde Peter, “daar die twee ezels die stammen naar toe sleepen?” + +</p> +<p>“Och ja!” viel Beckman weemoedig in: “dat zijn de ezels van Lottchen Weissmilch: die arme dieren hadden voorzeker niet gedroomd +ooit een ander werk te zullen verrichten dan koren naar Uwer Genades molen te brengen. Wat zal die goede weduwe nu beginnen? +En daar, de kleinste van de twee, is nog wel met volen: en zulk een arm dier moet paardenwerk doen! doch dat heidensch volk +heeft deernis met mensch noch beest.” + +</p> +<p>“Gelukkig nog zijn die arme beesten,” zeide Falckestein, wien, bij de sombere gemoedsgesteldheid waarin hij verkeerde, ook +de vrij kluchtig uitgedrukte klachten van den goeden rentmeester geen <a id="d0e1907"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1907">30</a>]</span>glimlach konden afpersen: “gelukkig nog, dat zij slechts een lichamelijk lijden te dragen hebben en voor geen zedelijke kwelling +vatbaar zijn.” + +</p> +<p>“Maar wat gaan zij nu verrichten?” vroeg Feurich, de oogen strak op de werkzaamheden der Spanjaards gericht houdende. + +</p> +<p>“Zeker,” zeide Beckman, “is het hun voornemen een stormgevaarte te maken, zooals de Pastor mij wel verhaald heeft, dat Civilis +gebruikte om het Valkenhof te Nijmegen te bestormen, toen Karel de Groote aldaar voor Paus Julius Cesar het bevel voerde.” + +</p> +<p>“Ziet!” vervolgde Feurich, zonder de geschiedkundige aanmerking des Rentmeesters te beantwoorden: “Zij zetten twee balken +recht overeind!” + +</p> +<p>“En spijkeren er een derde boven op,” voegde Peter er bij; “dat lijkt als twee droppels water op een galg.” + +</p> +<p>“Zij willen mij toch niet ophangen eer zij mij hebben,” zeide de Graaf, wien dit schouwspel een half wreveligen, half vroolijken +lach afdwong: “of moet dit een schrikvertooning verbeelden, gelijk aan die, waarmede zij de bezetting van Orsoy hebben bang +gemaakt? Die vlieger zal bij mij niet opgaan.” + +</p> +<p>“Ziet!” vervolgde Feurich: “daar komen de Oversten te paard de hoogte oprijden; er wordt een kring om de galg gevormd.” + +</p> +<p>“Luistert!” hernam Falckestein, “daar klinkt de trompet, zeker om onze aandacht op dit spel te vestigen.” + +</p> +<p>“En nu hoor ik een doffe trom, als bij halsrecht,” zeide Peter, het oor tegen het vloersteen houdende om beter te hooren. + +</p> +<p>“Ik zie vrouwen uit het leger komen,” zeide Feurich schielijk, “vrouwen en kinderen: men brengt die tusschen soldaten den +heuvel op.” + +</p> +<p>“Waar? waar?” riep Falckestein.—“Almachtige God! wat zie ik daar?” en zijn gelaat werd witter dan de borstwering, waar hij +over leunde. Het onbedriegelijk oog der liefde had hem in een dier vrouwen zijn Anna doen herkennen, die met haar twee zoontjes +den heuvel werd opgestuwd. + +</p> +<p>“Mijn vrouw!” gilde hij: “mijn kinderen! Zij moeten gered worden! Feurich! haast u! laten al de Hanevederen opzitten! maak +alles tot een uitval gereed! Mijn Anna! ik word radeloos!” + +</p> +<p>Men heeft meermalen opgemerkt, dat lieden, die doorgaans en over ’t geheel een kalme, bedaarde gemoedsgesteldheid bezitten, +en niet dan zeer traag tot drift vervoerd worden, in die bijzondere gevallen, waarin zij door eene onwederstaanbare zielsaandoening +overmeesterd worden, hun tegenwoordigheid van geest nog meer verliezen dan anderen, aan wie een minder bedaard gestel te beurt +viel. Falckestein strekte tot een voorbeeld der waarheid van deze opmerking. Zonder eenige kansen te berekenen, zonder in +te zien, hoe de macht, die hij wilde tegengaan, de zijne twintigvoud overtrof, hoe hij zich en de zijnen in een wis verderf +zou storten, stormde hij de wenteltrap af, vloog naar den paardenstal, zat in een oogenblik in een zadel en beschuldigde zijn +getrouwe dienaars van traagheid, omdat zij niet dadelijk gereed waren om hem in ’t veld te volgen. +<a id="d0e1933"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1933">31</a>]</span></p> +<p>Reeds haalden echter de getrouwe Hanevederen hun paarden den stal uit, toen zich het trompetgeschal voor de slotbrug hooren +liet, en, na een kort verwijl, twee afgevaardigden uit het leger om gehoor verzochten. + +</p> +<p>Deze omstandigheid was genoegzaam om Falckestein tot zichzelven te doen keeren: hij voorzag een schikking, een vergelijk, +hoe was hem nog bijna hetzelfde; doch het was duidelijk, dat de strafoefening, waarvoor hij vreesde, geschorst was; de hoop +herrees in zijn gemoed, en met deze keerden weldra de bedaardheid en tegenwoordigheid van geest. Spoedig liet hij de valbrug +uitwerpen en reed met Feurich en twee ruiters de afgezondenen te gemoed. + +</p> +<p>Een hunner (het was Velasco) was ongeharnast; een vederhoed met smaak opgetoomd, dekte zijn bevallig, manlijk gelaat: een +zijden wambuis, rijk met strikken en borduursels versierd, sloot om zijn lichaam, en een pronkdegen hing van den breeden gordel. +In den anderen herkende Falckestein met afgrijzen den Jezuïet Eugenio, gedost in ’t gewaad zijner orde. De Hopman voerde het +woord: + +</p> +<p>“Na de verdediging, die gij, Heer Graaf! u verstout hebt op gisteren tegen onze troepen in ’t werk te stellen, zal het u bevreemden, +dat wij nogmaals woorden van vrede tot u spreken: te meer, daar onze legermacht meer dan verdubbeld is; doch de Spanjaard +heeft een walg van noodelooze bloedstorting en weet geleden hoon te vergeven zoowel als te straffen. Wij eischen dus nogmaals, +en, bedenk u wel! wij eischen het voor ’t laatst, de overgave van het slot, u een vrijen, een eerlijken uittocht aanbiedende, +voor u en voor de uwen.” + +</p> +<p>“Ik dacht, Hopman!” zeide de Graaf, “dat de wijze, waarop ik u gisteren ontvangen heb, u den lust tot het hernieuwen van een +dergelijk aanbod zou ontnomen hebben. Zoo gij geen ander voorstel hebt, verzoek ik u alle verdere moeite omtrent mij te sparen +en u naar uw kamp terug te begeven, waar ik juist van oogmerk was, u te komen bezoeken.” + +</p> +<p>“Dat rade ik u sterk aan,” zeide Eugenio: “gij zult op een vermakelijk schouwspel vergast worden.” + +</p> +<p>“Met den sluipmoordenaar spreek ik niet,” zeide Falckestein, den Jezuïet verachtelijk met de oogen metende. + +</p> +<p>“Graaf!” hervatte Velasco: “ik moet u onder ’t oog brengen, welk leed gij u berokkent, door ons aanbod af te slaan. Genade +voor al wie zich onderwerpt: dood aan al wie wederstand biedt. Heb deernis, Graaf! met u zelven, met de uwen, met uw vrouw +en kinderen,” voegde hij er langzaam bij. + +</p> +<p>“Met mijn vrouw en kinderen!” herhaalde Falckestein sidderende. + +</p> +<p>“Met uw vrouw en kinderen, die de krijgskans in onze handen vallen deed, die aan den voet van gindsche galg uw keus afwachten, +welke hun lot beslissen moet.” + +</p> +<p>“Hoe moet die zijn?” vroeg Eugenio: “<span class="letterspaced" lang="la">septuagies septies...</span>”<a id="d0e1959src" href="#d0e1959" class="noteref">1</a><span id="d0e1961" class="corr" title="Bron: ,"></span> + +</p> +<p>“Ziet!” zeide Falckestein, naar het slot wijzende: “op dat voorplein <a id="d0e1965"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1965">32</a>]</span>staan mijn dappere ruiters geschaard: zij wachten slechts één woord en volgen mij naar uw leger. De God, die mij gisteren +de zege gaf, zal mij ook heden kracht genoeg verleenen om mijn lievelingen aan uw tijgerwoede te ontscheuren.” + +</p> +<p>Hoe innerlijk verscheurd van ziel, hoe overtuigd dat een poging als die, welke hij voorgaf te zullen doen, vruchteloos af +moest loopen, hoopte Falckestein echter, dat de mededeeling van een dergelijk voornemen eenigen indruk op de gezanten zoude +maken..... zijn doel was echter gemist. + +</p> +<p>“De Hemel zij dan hun zielen genadig,” zeide Eugenio. Met deze woorden haalde hij een pistool uit en schoot het in de lucht +af. + +</p> +<p>“Wat zal dit?” riep Falckestein, de hand aan ’t zwaard slaande. + +</p> +<p>“Het is een sein,” antwoordde de Jezuïet, om hun de stroppen om de halzen te doen: indien ik ook dit pistool losbrand (hier +haalde, hij een tweede voor den dag) dan hebt gij vrouw noch kroost meer.” En, om aan zijn woorden nog meer klem bij te zetten, +haalde hij den haan over. + +</p> +<p>“Om Gods wil!” gilde de Graaf, wien het klamme zweet aan alle kanten uitbrak. “Welke menschen, Feurich! Mijn vrienden!” + +</p> +<p>“Beraad u kort,” herhaalde Eugenio en hief het pistool omhoog. + +</p> +<p>“Wel!” zeide Falckestein: “ik heb voor mijn eer gedaan, wat ik konde; doch de natuur heeft ook haar rechten: spaar de mijnen +en handel met mijn slot naar uw verkiezing.” + +</p> +<p>“Gij wordt redelijk, Graaf,” hernam Eugenio, en verborg het moordtuig weder in zijn gewaad. + +</p> +<p>“Trompetter, blaas!” riep Velasco: “Graaf! binnen weinige oogenblikken zult gij uw lievelingen hier zien verschijnen.” + +</p> +<p>“Komt dan in Gods naam binnen,” zeide de Graaf, “opdat wij over de voorwaarden der overgave spreken mogen.” + +</p> +<p>Dit zeggende wendde hij zijn paard om en reed met de beide afgezondenen de valbrug over.—Velasco bekleedde ’s Graven rechterhand, +doch in zijn gitzwart oog was geen verwinnaarsvreugde te lezen: hij zag, bijna even somber als Falckestein deed, naar den +grond, want zijn edelmoedige ziel had een tegenzin in een overwinning, welke op zulk een wijze gekocht was geweest. Eugenio’s +gelaat stond strak; doch onder zijn zware wenkbrauwen blonk een schelmsche vreugde, die hij, hoezeer hij ook meester over +zijn aandoeningen was, moeite had om te verbergen. + +</p> +<p>Op het slotplein gekomen, steeg Falckestein af, bood den Hopman, die zijn voorbeeld volgde, beleefdelijk de hand, en zeide, +terwijl een traan hem in de oogen blonk: + +</p> +<p>“Ik heet u welkom op het slot van Bruck: ik mag, helaas! niet meer zeggen op mijn slot. Uw komst alhier belaadt mij met eeuwige +schande.” + +</p> +<p>“Hoe wij hier ook binnenkomen,” antwoordde Velasco met eene buiging: “het kan u nimmer tot schande verstrekken.” + +</p> +<p>“Wat u betreft,” vervolgde de Graaf tot Eugenio: “ik kan u niet ontveinzen, dat gij mij heden nog minder welkom zijt dan gisteren.” + +</p> +<p>“Dat verwondert mij,” zeide Eugenio met veel koelheid: “want <a id="d0e1999"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1999">33</a>]</span>gisteren had mijn komst u bijna het leven gekost en heden redt zij dat van uw vrouw en kinderen.” + +</p> +<p>“En belaadt mij met dubbele oneer,” zeide Falckestein, “dat ik u gisteren als krijgsman en heden als gezant beschouwen moet.” + +</p> +<p>“Ik bid u, Mijne Heeren!” zeide Velasco: “laat ons eene reeds uit haar aard onaangename onderhandeling niet door onnutte verwijtingen +verbitteren.” + +</p> +<p>Onder het gesprek waren zij een der zalen ingetreden. Een kan met ouden Hochheimer en drie bekers werden voor den Graaf nedergezet; +het noodige schrijfgereedschap werd aangebracht, en na een morgendronk plaatste men zich en begon men de voorwaarden der overgave +onderling te overleggen. + +</p> +<p>Niet weinig was de graaf verwonderd, toen hij bemerkte dat niet alleen Velasco, maar ook Eugenio, van wien hij na het jegens +hem gehouden gedrag geen inschikkelijkheid verwachten konde, hem bij het opmaken van net verdrag de billijkste en ruimste +voorwaarden toestonden: de schampere lach van den Jezuïet gaf wel aan zijn toegevendheid een zweem van spotternij, doch de +uitslag bleef gunstig voor den Graaf. Na eenige woordenwisselingen kwam men overeen, dat het kasteel op staanden voet zou +overgaan aan de Infante, dat de bezetting met krijgseer, slaande trom, aangestoken lont en vliegend vaandel zoude uittrekken: +dat de rentmeester, schout, schenker, kok, molenaar, en verdere dienaars van het kasteel en de onderhoorige plaatsen hun bedieningen +zouden blijven behouden: en dat het aan de landlieden, die op het kasteel waren, zou vrijstaan, onverlet tot hunnent terug +te keeren. De rentmeester, binnengeroepen zijnde, maakte van dit verdrag twee eensluidende afschriften, welke door de overeenkomende +partijen geteekend en aan weerskanten overgenomen werden. + +</p> +<p>Dit in orde gebracht hebbende, vertrokken de gezanten weder naar het leger, en het leed geen half uur, of Velasco keerde aan +het hoofd van zijn vendel terug, om bij voorraad bezit van het slot te nemen. Aan zijn zijde was, op een fraai rijpaard, de +Gravin van Falckestein gezeten: zij hield haar jongste zoontje op den arm. De gevangene vrouwen volgden met het oudste knaapje, +te voet: en boven dezen stak de rijzige gestalte uit van Magdalena, die mede haar zoontje bij de hand geleidde. De trein hield +op een afstand van het kasteel stil, en, nadat de trompetter, welke den Hopman vergezelde, driemalen geblazen had, trad Falckestein, +te voet en met ongedekten hoofde, de poort uit, verzeld van Beckman, welke de sleutels op een schenkblad droeg en die met +een buiging aan Velasco bood. “Ik vervul,” zeide deze, terwijl hij de kenteekenen der overdracht aannam, “de eerste voorwaarde +onzer overeenkomst, Heer Graaf! en breng u uwe echtgenoote en kinderen terug, alsmede deze vrouwen en dat andere knaapje, +die mede in onze macht gevallen zijn. Het doet mij leed, dat ik ook de dappere krijgsknechten, die door de slagen mijner wapenbroeders +gevallen zijn, u niet terug kan geven.”—Met deze woorden steeg hij af, hielp met bevallige beleefdheid de Gravin van het paard +en stelde haar aan haren gemaal voor. +<a id="d0e2011"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2011">34</a>]</span></p> +<p>Welke redenen de Graaf ook hebben mocht tot dankbare vreugde over de verlossing van zijn gade, zoo werd deze echter in dit +oogenblik onderdrukt door het pijnlijk gevoel, dat de gedwongen overgave van een slot, hetwelk hij nog lang met kracht had +kunnen verdedigen, bij hem verwekte. Zwijgend, en met een traan in ’t oog, drukte hij de hand zijner gemalin, kuste en liefkoosde +zijn kinderen en vergezelde met een nedergeslagen blik de Spanjaards in het slot. + +</p> +<p>“Gij zijt van meester verwisseld, goede oude!” zeide hij in ’t gaan tegen Beckman: “tracht u bij uw nieuwen Heer aangenaam +te maken.” + +</p> +<p>De grijsaard snikte luid: “Ik die booswichten dienen, goede Heer? neen: ik zal Uwe Genade volgen waar zij gaat: heeft Uwe +Genade elders geen brood voor den ouden Beckman, hij heeft genoeg in vroeger jaren overgewonnen om zijn weinige levensdagen +nog te kunnen doorbrengen zonder voor honger te vreezen.... Helaas! toen uw genadige Heer vader stierf, was ik diep bedroefd; +maar het denkbeeld troostte mij, dat Uw Genade mijn Heer en Meester werd. + +</p> +<p>Toen aan Mevrouw haar eersteling geboren werd, verheugde ik mij, dat een Falckestein Bruck zou beërven; maar thans”.... hier +beletteden de tranen hem te spreken. + +</p> +<p>“Droog uw oogen, mijn vriend!” zeide Falckestein, “niets is wisselvalliger dan de krijgskans: de vreemde vlag zal niet altoos +van gindschen torentop blijven waaien.—Doch laat ons binnengaan en zorgen, dat onze manschappen zich betamelijk jegens de +nieuwe bezitters gedragen.” + +</p> +<p>In de voorzaal vond de Graaf zijn echtgenoote en kinderen met Velasco bijeen. “Heer Graaf!” zeide deze: “Het zal u wellicht +aangenaam zijn, u eenige oogenblikken met de Gravin ongestoord te onderhouden. Vergun mij dus, mij inmiddels door uw Rentmeester +het slot te doen rondleiden, om de noodige, u bekende, schikkingen te maken.”—Falckestein gaf hiertoe, onder dankbetuiging +voor Velasco’s beleefdheid, verlof: en de Hopman ging met Beckman het kasteel rond, ten einde, ingevolge de gemaakte voorwaarden, +al wat zich binnen het slot bevond op te schrijven, opdat er niets, dan hetgeen door het verdrag veroorloofd was, door de +bezetting kon worden uitgevoerd. + +</p> +<p>Zoodra zij zich met hem alleen bevond, viel de Gravin haar echtgenoot schreiende om den hals: “Ach!” riep zij uit: “dat <span class="letterspaced">ik</span> u onder zulke omstandigheden moet wederzien! Hadt gij mij maar laten sterven! dit slot had geen vreemden meester gekend.” + +</p> +<p>“En uw kinderen!” zeide Falckestein: “Anna, waren ook niet uw kinderen ter dood gedoemd?” + +</p> +<p>“Mijn kinderen!” zeide zij, terwijl zij die angstig aan haar hart drukte: “doch neen! zoo bloeddorstig wreed zouden die Barbaren +niet geweest zijn! En echter, als ik aan hun gruwelen denk!.... Nog ijze ik, Ulrich!—Die arme Pastor! die wakkere Hanevederen! +Zij allen zijn dood!.... en zonder die vreemde vrouw, die met ons trok, ware ik zelve met mijn kinderen en vrouwen het slachtoffer +der baldadigste wreedheid geworden.” + +</p> +<p>“Doch hoe zijt gij in de handen dier booswichten gevallen?” +<a id="d0e2035"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2035">35</a>]</span></p> +<p>“Wij waren geen half uur van het Kleefsche grondgebied verwijderd en dachten om geen gevaar, toen wij opeens uit onze gerustheid +werden opgewekt door eenige musketschoten, die zich van de zijde der Kleefsche grenzen lieten hooren: dit geluid deed ons +stilstaan om raad te plegen wat ons te doen stond. Wij besloten een der ruiters op kondschap vooruit te zenden; doch ’t zij +dat hij in vijandelijke handen viel, ’t zij dat hij, op eigen lijfsbehoud bedacht, zich wegmaakte, wij zagen hem niet wederkeeren. +Inmiddels viel de avond en wij vormden reeds, daar wij niets meer hoorden en wederom moed hadden gevat, het voornemen van +verder op te trekken, toen wij opeens aan verscheidene zijden geweldige vlammen zagen oprijzen, die ons het verbranden van +ettelijke boerenwoningen, en meteen de nabijheid van den vijand verkondigden. En, eer wij van onzen nieuwen schrik bekomen +waren, zagen wij twee Spaansche ruiterbenden in vollen draf van verschillende zijden op ons aankomen. Wat er toen voorviel, +kan ik, die van angst voor mijn lieve kinderen bedwelmd was, mij ternauwernood herinneren. Dit weet ik, dat wij in overhaasting +de teugels wendden; doch de kogels uit de Spaansche pistolen vlogen sneller dan onze paarden. Wij werden achterhaald. Uwe +Haneveeren vochten als leeuwen; doch wat hielp de moed tegen de overmacht? Ik zag den braven Hensken, die zich gedurig voor +mij had gesteld om met zijn lichaam het mijne te bedekken, door een sabelhouw op het hoofd getroffen, met gespleten stormhoed, +dood aan mijn zijde vallen. Al de Haneveeren, al de landlieden, ook de brave Pastor, die vergeefs verschooning bad voor zijn +grijze haren, werden tot eenen toe afgemaakt, geplunderd, naakt uitgeschud: en met een helschen lach zeide de aanvoerder der +bende, na het einde van het gevecht, dat hij de gevangene schoonheden, als een behaaglijken buit, aan zijn soldaten prijsgaf. +Reeds poogde mij een dier booswichten van ’t paard te rukken, toen Magdalena opeens boven het woest getier der vijanden en +het noodgeschrei der vrouwen haar stem verhief en den Spaanschen Overste toeriep: + +</p> +<p>“Don Estevan de Nunez! is het schoon op weerlooze vrouwen te woeden?” + +</p> +<p>“Ik ken die stem,” zeide de Overste: en, zijn paard de sporen gevende, reed hij op Magdalena aan. Snel en zacht, en zooverre +ik hooren kon, in de Spaansche taal, sprak zij hem toe. Hij antwoordde op denzelfden toon: hun gesprek was kort, doch levendig: +herhaalde reizen schudde hij ontevreden het hoofd, en even heftig scheen zij bij hem te blijven aanhouden. Inmiddels hadden +de soldaten op zijn bevel van ons afgehouden, en wij verbeidden met pijnlijken angst den uitslag van Magdalena’s welsprekendheid. +Zij scheen hem te overreden; want eensklaps gaf hij last ons geen verdere ongelegenheid aan te doen, liet ons door een sterk +geleide omsingelen en den aftocht blazen. Schier bewusteloos werd ik weggevoerd; nauwelijks had ik het besef om mijnen kleinen +Ulrich op den schoot te houden, en alleen zijn gestadig geween en geschreeuw, hield mij, geloof ik, bij mij zelve. Werner +was intusschen door een der ruiters op ’t paard genomen: de knaap schreide luid en hield alleen op, toen de Spanjaard <a id="d0e2042"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2042">36</a>]</span>dreigde, hem in ’t water te zullen werpen, indien hij zich niet stilhield. Wij reden een groot gedeelte van den nacht door, +en kwamen eindelijk te Duisburg, waar de Spanjaards hun hoofdkwartier schenen te houden. Hier stegen wij af, en ik bracht +er met de overige gevangenen in een groote schuur het overschot van den nacht, wel bewaakt, doch ongestoord door. Tegen het +aanbreken van den dag werd er weder bevel gegeven tot den afmarsch. De krijgsbende was aanzienlijk vermeerderd; in volkomen +orde trok zij met ons af. Het leed niet lang, of ik kreeg den toren van Bruck weder in ’t gezicht, en bevroedde nu terstond, +wat het oogmerk van Nunez was, en hoe men zich van mij bedienen wilde om u tot de overgave te dwingen. Ware het niet om mijn +kinderen geweest, ik had mij zelve van kant gemaakt:—de kleine Ulrich zag uw vlag van den toren wapperen; blijmoedig stak +hij zijn kleine armpjes uit en riep met kinderlijke vreugde: “Bruck! Bruck!”—Wij kwamen in de legerplaats van Lopez: de legerhoofden +hielden een kort gesprek en.... het overige is u bekend!” + +</p> +<p>Hier eindigde de Gravin haar verhaal, hetwelk meer dan eens, zoo door haar zuchten en tranen als door de vragen van haar echtgenoot +was afgebroken. “Er is iets vreemds,” zeide deze, het hoofd bedenkelijk schuddende, “in het gedrag van die Magdalena! zij +heeft u waarschijnlijk het leven gered.... en echter weet ik nog niet, of ik haar als vriendin of als vijandin beschouwen +moet.” + +</p> +<p>Het overschot van dezen dag werd van de zijde der bezetting doorgebracht in het maken der noodige toebereidselen voor den +uittocht, die den volgenden morgen plaats moest hebben, terwijl de Spaansche krijgsknechten de posten innamen en de wachten +betrokken. + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1959" href="#d0e1959src" class="noteref">1</a></span> Zeventigmaal zevenmalen. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e2048" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Vijfde Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<p lang="nl-1600">Mijn Graeflijc bloet besprenght mijn erfelijken acker. + +</p> +<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Brief aan den Drost van Muiden. +</p> +</div> +<p>Met den volgenden morgen was de bezetting ten uittocht gereed. Inmiddels hadden Don Fernando Lopez en Don Estevan de Nunez +hun benden laten aanrukken en aan weerszijden van den weg, die naar het kasteel geleidde, geschaard, om het slot, zoodra het +ontruimd was, binnen te rukken. Velasco bleef aan ’t hoofd van zijn vendel, dat op het binnenplein in orde van parade stond. +Met de gewone krijgseer trok nu de bezetting uit, terwijl de Graaf met zijn gezin den trein besloot. Het scheen, dat alles, +gelijk men reden had van te verwachten, in de beste orde zoude afloopen; doch Falckestein had niet gerekend op de kwade trouw +der Spaansche verraders. Dezelfde geest, die Romero had bezield, toen Naarden het slachtoffer zijner helsche eedbreuk werd, +had ook thans bij den raad der trouwelooze legerhoofden voorgezeten. Nog was de geheele <a id="d0e2060"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2060">37</a>]</span>trein de slotpoort niet uitgetrokken, of Lopez wierp zijn staf in de lucht: dit was het sein van den moord. Van weerszijden +gaven de Spaansche musketiers vuur op de uittrekkende bezetting, die, op zoo schelmschen aanval niet verdacht, buiten staat +was, in de verwarring van het oogenblik eenigen wederstand te bieden. Dood of gewond stortten paarden en ruiters door elkander, +en eer iemand schier tijd had zich te herkennen, was de helft der bezetting door de handen der bloeddorstigen afgemaakt.—Schier +tot razernij vervoerd over zulk een ongehoord bestaan, reed Falckestein de brug over en wierp zich met uitgetogen zwaard onder +de moordenaars; doch zijn paard stortte doodelijk gewond neder, en hij ware het slachtoffer van de woede der Spanjaards geworden, +ware niet Velasco, die hem gevolgd was, ijlings toegeschoten. Deze weerde de slagen van zijn hoofd af, vatte hem moedig bij +de hand en trok hem met zich naar binnen, terwijl hij aan zijn manschappen gelastte de poort te sluiten en geen Spanjaard +binnen te laten. Intusschen had het paard der Gravin, verschrikt door het schieten, een geweldigen zijsprong genomen en was +dwars door de gelederen der Spanjaards heen het veld ingehold. Feurich, die het oudste zoontje van den Graaf bij zich op ’t +paard had, volgde haar met eenige Hanevederen; en ’t zij dat de Spanjaards nog eenig mededoogen voor de vluchtenden overhielden, +’t zij dat de algemeene verwarring hun het vervolgen belette, het gelukte althans den vluchtelingen te ontkomen aan het moordtooneel. + +</p> +<p>Zoodra Velasco met den Graaf op het binnenplein gekeerd was, begon hij zich met de duurste eeden van alle medeplichtigheid +aan het gepleegd verraad te verschoonen, zwoer, dat hij, in spijt van allen, den Graaf tegen alle geweld zoude beschermen, +en bracht dezen vervolgens in een kamertje bij de poort. Weinige oogenblikken daarna verschenen de Spaansche Oversten, op +wier gloeiend gelaat een hevige gramschap te lezen was. Lopez stapte dadelijk naar Velasco toe, zonder een blik op den Graaf +te slaan. + +</p> +<p>“Wie,” vroeg hij, “heeft aan Don Diego de Velasco last gegeven, deze doemlingen aan hun welverdiende straf te onttrekken? +Ternauwernood wilde men ons binnen dit slot laten!” + +</p> +<p>“En wie,” vroeg Velasco, met een edele verontwaardiging, “heeft aan Don Fernando Lopez last gegeven, met eer en eed te spelen, +een geteekend verdrag te breken en het recht der volkeren te schenden?” + +</p> +<p>“Ik ben u van mijn daden geen verantwoording verschuldigd, jongeling!” zeide Lopez. “Tracht nooit te vergeten, dat gij onder +mijn bevel zijt uitgetogen en slechts daaraan moet gehoorzamen. Wat u betreft, Ulrich von Daun! gij kunt u ter dood bereiden.” + +</p> +<p>“Niet, zoolang ik hem verdedigen kan,” riep Velasco, terwijl hij den Graaf bij de hand vatte en zijn zwaard voor de oogen +der legerhoofden blinken liet. + +</p> +<p>“Wij zullen zien, wie hier meester is,” riep Nunez; en beide de kapiteins snelden de trappen af. + +</p> +<p>“Toef hier slechts een oogenblik,” zeide Velasco tegen den Graaf: “ik moet het uiterste wagen.” Onder het uiten dezer woorden +volgde <a id="d0e2076"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2076">38</a>]</span>hij de Oversten naar het slotplein, en herhaalde aan zijn krijgsknechten het bevel om de slotbrug op te halen, de poorten +gesloten te houden en niemand in te laten. Beckman en sommige dienaars, die nog binnen het slot gebleven waren, voegden zich +bij hem. + +</p> +<p>“Wat moet dit kluchtspel beduiden?” vroeg Lopez, die vergeefs zijn gezag had willen doen gelden. + +</p> +<p>“Niet anders,” zeide Velasco, “dan dat ik, die het verdrag met den Graaf van Falckestein geteekend heb, plechtig bezit van +zijn slot neem en er alle verraders en moordenaars buiten zal houden.” + +</p> +<p>“Soldaten!” brulde Lopez: “zult gij ten gerieve van ketters uw Oversten verlaten?” + +</p> +<p>De soldaten zagen elkander besluiteloos aan; doch geen hunner dorst zich uit het gelid begeven. Een doodsche pauze had plaats. + +</p> +<p>“Wakkere spitsbroeders!” riep toen Velasco: “uw naam en die van uw Hopman zijn geschandvlekt, zoo gij mijn last overtreedt. +Door mij is een plechtig verdrag met de bezetting van dit slot gemaakt en bezworen: niet door mij, niet door u is dit verdrag +geschonden. Onze handen zijn rein van het bloed der vermoorden! De Amirant zal aan het vendel van Velasco geen gruweldaad +verwijten, die op het geweten van anderen wegen zal gelijk een molensteen. Houdt hen buiten, die moordenaren! Geen gemeenschap +tusschen ons en de schelmen, die den Spaanschen naam door schanddaden bezwalken! ’t Is niet onder Velasco’s vendel, dat de +bloeddorst en ’t verraad hun beulen zoeken moeten!” + +</p> +<p>Juichend riepen de meesten; “Voor Velasco!” en zij die anders dachten, zwegen uit voorzichtigheid. + +</p> +<p>“Men misleidt u, soldaten!”’ zeide Lopez: “en gij, Velasco! geloof niet, dat al de invloed uws broeders u van straf zal vrijwaren! +Kom, Nunez! volg mij en roepen wij onze wakkere manschappen binnen, om dien oproerlingen hun loon te geven!” + +</p> +<p>Op dit oogenblik trad Eugenio voorwaarts. Deze was de Oversten in ’t slot gevolgd en had tot nu toe als toeschouwer in een +der hoeken van het plein gestaan. Hij weerhield de Oversten, die het kasteel verlaten wilden. “Welk een schande!” zeide hij: +“Spanjaards tegen Spanjaards! Geloovigen tegen geloovigen! Zult gij op deze wijze de goede zaak bevorderen, door als honden +om een been te vechten? Velasco! laat mij met deze Oversten slechts een paar woorden spreken, en ik ben overtuigd, dat alles +naar wensch zal afloopen.” + +</p> +<p>“Doe zooals gij wilt,” antwoordde Velasco: “uw eer lijdt evenzeer als de mijne door de inbreuk, op het verdrag gemaakt. Ik +laat derhalve gaarne de zaak aan uw beslissing over.” + +</p> +<p>De Jezuïet nam hierop de beide Oversten ter zijde, en hield met hen een kort, doch levendig gesprek. + +</p> +<p>“Ik heb hoop,” zeide hij, na eenige oogenblikken terugkeerende: “dat gij tevreden zult wezen. Deze beide Heeren zijn bereid, +om niet alleen het gebeurde te vergeten, maar zelfs om met hun vendelen af te trekken, mits de buit naar billijkheid verdeeld +worde. Wat den Graaf betreft, deze zal hier onder uw bewaring blijven, totdat <a id="d0e2100"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2100">39</a>]</span>de Amirant zelf over zijn lot zal beschikt hebben: ik bied mij aan, hier met u te blijven, ten einde een goeden geest onder +het krijgsvolk te handhaven, de slotkapel in te wijden en de godsdienstoefeningen te volbrengen.” + +</p> +<p>Ofschoon dit voorstel aan Velasco, die het in vrijheid stellen van den Graaf beoogd had, maar weinig behaagde, begreep hij +echter, dat een weigering de nadeeligste gevolgen zou met zich brengen, dewijl hij alsdan gevaar liep, niet alleen tegen de +kapiteins en hun legerbenden, maar ook tegen den geduchten invloed van Pater Eugenio te moeten kampen. Hij zwichtte dus, gaf +zijn toestemming aan den voorslag en omhelsde de beide Oversten tot een teeken van verzoening. + +</p> +<p>Straks werd al wat hand- en tastbaar was in het slot buiten de poorten gebracht en aldaar naar evenredigheid onder het krijgsvolk +verdeeld, waarna, volgens de overeenkomst, die deze reis niet geschonden werd, Lopez en Nunez met hun krijgsbenden aftrokken. + +</p> +<p>Het eerste werk, dat Velasco na hun aftocht verrichtte, was om Falckestein, die nog steeds in het vertrek bij de poort met +angst den uitslag verbeidde, te gaan geruststellen. “Ik wensch u geluk,” zeide hij: “voor ’t oogenblik is het gevaar geweken +en bevindt gij u onder mijn bescherming. Nog heden schrijf ik aan den Amirant en aan mijn broeder, den Grootmeester der Artillerie; +ik twijfel niet, of mijn vertoogen zullen weldra uw geheele verlossing bewerken.” + +</p> +<p>“Eeuwige dankbaarheid ben ik u verschuldigd, edele Velasco!” zeide de Graaf: “doch mijn vrouw! mijn kinderen! O! is u iets +van hun lot bewust?” + +</p> +<p>“Uw gade is het gelukt, met haar oudsten lieveling te ontsnappen,” zeide Velasco. + +</p> +<p>“En hier is de jongste,” zeide Magdalena, die op dit oogenblik tot hen trad, met haar zoon aan de hand en den kleinen Ulrich +op den arm. “De Gravin had mij verzocht voor dit kleintje zorg te dragen, en daar ik nog niet buiten was, toen de moord begon, +heb ik niets voor mij zelve, noch voor het kind te duchten gehad.” + +</p> +<p>“Edele vrienden!” zeide Falckestein, hun de hand drukkende: “God moge uw trouwhartigheid loonen. Mij is zulks onmogelijk. +Ik kan slechts danken.” En vurig kuste hij het kind, dat de hemel zoo wonderdadig gespaard had. + +</p> +<p>Zes dagen verliepen er, zonder dat er iets voorviel, hetgeen in deze geschiedenis verdient te worden opgeteekend. Velasco +bleef zijn gevangene met de meeste onderscheiding en beleefdheid behandelen, liet niet af, hem moed in te spreken, hem over +de geleden onheilen zooveel hij kon te troosten, en hem al de diensten te bewijzen, welke in staat waren zijn toestand draaglijk +te maken. Eugenio betoonde wel geen buitengewone vriendelijkheid jegens den Graaf, doch nam de uiterlijke beleefdheid in acht. +Zijn dagelijksche tegenwoordigheid echter aan het middagmaal verwekte bij Falckestein, gelijk men licht beseffen zal, een +gevoel van afschuw en verontwaardiging, hetwelk hem belette aan het gesprek eenig deel te nemen. “Ik zou moed kunnen vatten,” +zeide hij eens tegen Velasco, daar zij zich alleen bevonden, “ik zou hoop kunnen voeden, indien <a id="d0e2118"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2118">40</a>]</span>ik dien verfoeilijken Jezuïet niet gedurig voor mijn oogen had. De tegenwoordigheid van dien vorstenmoorder, zijn verblijf +op dit slot kunnen mij niets dan kwaad voorspellen. Van hem kan niets, dat goed is, geboren worden.” + +</p> +<p>“Ik geloof,” zeide Velasco, “dat gij den eerwaarden Vader verkeerdelijk beoordeelt. Als Protestant, als bondgenoot en vriend +van Graaf Maurits moet gij hem haten, dit besef ik; doch als zoodanig gaat gij, verschoon mijn vrijmoedigheid, niet onpartijdig +te werk. Pater Eugenio is een wijs en godvruchtig man, die bij ons leger en den Raad zeer gezien is: van kindsbeen af bindt +hem een plechtige gelofte, om, waar en hoe hij kan, de zaak van onzen Heiligen Godsdienst voor te staan. Moed, vroomheid, +zelfopoffering en haat tegen de ketters maken de hoofdtrekken uit van zijn karakter. De middelen, die hij in ’t werk stelt +om de eer van onze Moederkerk te bevorderen, mag ik niet beoordeelen, veelmin misprijzen; want ik veronderstel, dat hij nimmer +handelt dan naar de voorschriften, hem door de vorsten dier Kerk gegeven. Zijn doel is heilig en Gode welbehaaglijk: en welk +sterveling zoude de middelen wraken, die dat doel kunnen doen bereiken?” + +</p> +<p>“Wat is een Godsdienst,” antwoordde Falckestein, “welke leert, dat het doel de middelen wettigt? Mag men het kwade doen, opdat +het goede daaruit voortkome? Zegt Paulus niet....” + +</p> +<p>“Gij gaat <span class="letterspaced">argumenteeren</span>,” hernam Velasco, glimlachende: “ik weet, dit is de gewoonte der Protestanten, altijd met den Bijbel in de weer te zijn en +met teksten te schermen. Doch vergun mij, die een krijgsman ben, en bovendien stellig verbod ontvangen heb om immer over godsdienstige +punten met ketters te redekavelen, dat ik liefst dien strijd ontwijke.”—Falckestein boog zich en zweeg, waarmede dit gesprek +ten einde liep. + +</p> +<p>Op den morgen van den zesden dag na het vertrek der twee veldoversten, meldde zich een renbode van Mendoza bij Velasco aan, +en het leed niet lang, of deze liet den Graaf bij zich ontbieden. Falckestein vond Velasco alleen, en zoo ’t scheen, in hevige +ongedurigheid de kamer op en neder wandelende. “Graaf!” zeide hij, zoodra hij hem zag binnentreden, “ik weet niet hoe het +met onze zaken staat, noch wat ik van den Amirant moet denken. Gij zijt een man van moed: ik wil dus geenszins voor u veinzen. +Verbeeld u, dat de bode, die dezen morgen van Orsoy herwaarts gekomen is, niets anders medebrengt, ten minste mij niets anders +heeft ter hand gesteld, dan een bevel van Mendoza, om terstond in ’t hoofdkwartier terug te keeren en mijn vendel alhier achter +te laten. Van u noch van de gansche handeling, die hier heeft plaats gehad, spreekt de lastbrief een woord. Op mijn brieven +heb ik geen antwoord bekomen: het schijnt dat Nunez en Lopez zich bevlijtigd hebben, mijn gedrag in een donker daglicht te +stellen. Volgde ik thans alleen de inspraak van mijn hart, ik voerde u zelf naar een veilige plaats; doch ook dit is niet +meer in mijn macht; er heerscht onder mijn manschappen een geest van wederspannigheid, dien ik niet meer kan uitdooven. Na +den moord heb ik gebruik gemaakt van de geestdrift <a id="d0e2131"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2131">41</a>]</span>van het oogenblik, om u te redden; doch hun toen betoonde gehoorzaamheid schijnt hun thans te berouwen: mijn bevelen worden +in den wind geslagen, mijn vermaningen bespot, mijn gezag miskend. Dit is zooverre gegaan, dat mijn soldaten ronduit geweigerd +hebben, de straf te volbrengen aan een hunner kameraden, die een overrok aan uw Rentmeester ontstolen had. Ik vrees derhalve, +dat ik, in plaats van u hulp te kunnen betoonen, uw ondergang berokkenen zoude.” + +</p> +<p>“De dood staat reeds lang voor mijn oogen,” zeide Falckestein: “doch bij den God, dien wij beiden op onze wijs vereeren, Velasco, +ik smeek u, red zoo ’t u mogelijk is, red mijn kind! zend het aan zijn troostelooze moeder terug.” + +</p> +<p>“Ik hoop ook den vader te redden,” zeide Velasco met waardigheid: “daarom heb ik zelf het schuitje, dat aan de voorpoort lag, +aan den steiger doen vastleggen. Begeef u dus hedenavond met de uwen derwaarts en tracht de rivier over te komen, terwijl +ik aftrek met mijn volk. Red u, en schenk mij het genoegen, de laffe wraakzucht uwer haters verijdeld te zien.” + +</p> +<p>“En gij,” hernam de Graaf: “zult gij den toorn des Amirants, de bestraffing uws broeders niet vreezen, dat gij verwezene ketters +aan de straf onttrokken hebt?” + +</p> +<p>“Laat dit voor mijne rekening, Mendoza zal op geen Velasco het gewicht zijner gramschap doen vallen; en Don Louis zal zijn +broeder met des te meer genoegen omhelzen, wanneer hij verneemt dat de eer des Spaanschen naams door hem gehandhaafd is.” + +</p> +<p>“Wel!” sprak Falckestein, hem de hand met warmte drukkende: “ik ga mijn trouwen Beckman voorbereiden; God zegene u en verhoore +uw beste wenschen!” + +</p> +<p>Na het uiten dezer dankbetuiging haastte zich Falckestein naar het vertrek, waar hij zijn kind hoopte te vinden. Hij vond +er Magdalena, bezig aan het herstellen der weinige kleedingstukken, die de plunderzieke Spanjaards nog overig hadden gelaten. +De kleine Ludwig, de zoon van Magdalena, speelde met Fenix, ’s Graven grootsten en fraaisten jachthond. Dit dier was bij de +verdeeling aan Velasco te beurt gevallen, die het edelmoediglijk weder aan zijn vorigen meester had afgestaan. + +</p> +<p>“Waar is Ulrich?” vroeg Falckestein met angstvalligheid, toen hij, rondziende, zijn zoontje niet bemerkte. + +</p> +<p>“Die is met Beckman naar den tuin gegaan,” antwoordde Magdalena. “Wij hebben in lang zulk een fraaien dag niet gehad, en het +is voor het knaapje goed, de versche lucht te scheppen.” + +</p> +<p>“Het is wel,” zeide de Graaf: “hetgeen ik u moet mededeelen is van het uiterste gewicht: ik wilde u gaarne spreken.” + +</p> +<p>Hierop ging hij zitten en ontvouwde haar hetgeen hij van Velasco vernomen had, en wat deze had uitgedacht om hen te redden. + +</p> +<p>“Ik vrees, dat het op deze wijze kwalijk gelukken zal,” zeide Magdalena, het hoofd schuddende, nadat hij zijn verhaal geëindigd +had: “Velasco kan u niet redden: er is iemand anders hier, die daarvoor zorgt. Ik alleen ben in staat, u van dienst te zijn.” +<a id="d0e2155"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2155">42</a>]</span></p> +<p>“Gij?” zeide Falckestein, haar bedenkelijk en wantrouwend aanziende. “Welken invloed kunt gij op de Spaansche beulen uitoefenen?” + +</p> +<p>“Dit moet u onverschillig zijn, Graaf!” zeide Magdalena met trotschheid, mits ik u redde, u en uw kind. De zwakke muis doorknaagt +het net, dat de leeuw vergeefs poogt vaneen te scheuren. Laat mij begaan en bekommer u verder met niets.” + +</p> +<p>“Beproeven wij eerst het middel, dat Velasco ons heeft aangewezen,” hernam Falckestein, die door de redenen van <span id="d0e2162" class="corr" title="Bron: Magdelena">Magdalena</span> kwalijk overtuigd werd: “wij zullen naderhand tot uwe bescherming de toevlucht nemen.” + +</p> +<p>“Zooals gij wilt,” zeide Magdalena: “aan u, Graaf! heb ik geen verplichting, en het zal mij niet verweten worden, indien stijfhoofdigheid +uw ondergang berokkent.” + +</p> +<p>“Hoe!” riep Falckestein verbaasd: “en wat kan u zoo zeker doen spreken?”.... + +</p> +<p>Op dit oogenblik ging de deur open en onaangemeld trad Eugenio met een statigen stap de kamer in. Hij boog zich even onder +’t naderen, en bleef vervolgens voor Falckestein staan, de armen kruislings over de borst geslagen, en een perkamenten rol, +waarvan een opengescheurd zegel afhing, in de rechterhand vastgeklemd houdende. + +</p> +<p>“Graaf,” zeide hij: “ik weet dat mijn bijzijn u niet behagen kan; doch ik ben verplicht u over hoogst belangrijke zaken te +onderhouden: wees dus zoogoed mij in den tuin voor te gaan, daar wij onverhinderd zullen kunnen spreken.” + +</p> +<p>“Is dit zoo noodzakelijk?” vroeg Magdalena met drift: “en waarom kunt gij dit hier niet?” + +</p> +<p>“Vrouwe! wat is er tusschen u en mij? <span class="letterspaced" lang="la">Quid inter me et te?</span>” zeide Eugenio, haar vergramd aanziende: “Heer Graaf! een oogenblik slechts,” vervolgde hij, zich tot dezen wendende. + +</p> +<p>“Ik zal u volgen,” zeide Falckestein, bevreesd van eenig vermoeden bij den Jezuïet te verwekken. + +</p> +<p>Beiden verlieten het vertrek: met weerzin volgde de Graaf zijn hatelijken leidsman, en dacht onderweg na, wat deze hem toch +zou te vermelden hebben. In den tuin gekomen, vonden zij er Beckman met het kind, dat zich met plukken van grasplantjes en +het oprapen van eenige rotte appelen, in de plondering gespaard, vermaakte. Wat verder waren twee soldaten bezig met de lanen +te harken. + +</p> +<p>“Verwijder u, Beckman!” zeide de Graaf: “de Pater heeft mij iets te zeggen.” + +</p> +<p>“Laat den ouden man maar blijven,” zeide Eugenio: “ik ben verheugd zulk een eerwaarden getuige bij ons gesprek te hebben. +Wat zegt de Vulgata? <span class="letterspaced" lang="la">In ore duorum vel trium testium stabit omne verbum</span>.”<a id="d0e2191src" href="#d0e2191" class="noteref">1</a> + +</p> +<p>De Graaf plaatste zich op eene steenen bank, terwijl Eugenio over hem stond, tegen een appelboom geleund. Falckestein, die +weinig trek gevoelde om het gesprek te beginnen, keek strak voor <a id="d0e2196"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2196">43</a>]</span>zijn voeten uit naar een spin, die over de dorre bladeren liep, speelde met de vingers der rechterhand een marsch op de knie +en krulde met de slinke zijn knevels op. Beckman dreef met een pereboomtakje de rondvliegende wespen van het kind, en de Jezuïet +sloeg met de rol perkament op het vlak der linkerhand op en neder, terwijl hij zijn groote oogen beurtelings van het kind +op de steenen trap, die om den toren liep, en vandaar naar de soldaten wendde. Eindelijk brak hij het stilzwijgen af en sprak +den Graaf in dezer voege aan: + +</p> +<p>“Don Diego de Velasco heeft voorzeker reeds afscheid van Uwe Genade genomen?” + +</p> +<p>“Afscheid genomen?” zeide Falckestein verrast. + +</p> +<p>“Ongetwijfeld!” hernam de Jezuïet, met een schamperen lach: “uw vriend (met nadruk, op het woord: vriend) uw vriend Velasco +gaat nog heden, of is misschien reeds weg. Heeft hij Uwe Genade geen kennis van zijn vertrek gegeven?” + +</p> +<p>“Het smart mij, dat hij ons verlaat,” zeide Falckestein, die het antwoord op Eugenio’s vraag wenschte te ontwijken. + +</p> +<p>“Luister!” zeide Eugenio: “hoort gij daarginds geen hoefgetrappel op de brug?” + +</p> +<p>“Inderdaad,” antwoordde de Graaf. “Wat beduidt dit gerucht?” + +</p> +<p>“Het is uw vriend, die wegrijdt,” hernam de Jezuïet met koelheid. “Hij heeft lang gehoopt, u te kunnen beschermen; doch <span class="letterspaced" lang="la">Homo proponit et Deus disponit</span>!<a id="d0e2215src" href="#d0e2215" class="noteref">2</a> gelijk de spreuk zegt.” + +</p> +<p>“Hij heeft gedaan, wat de plicht der menschelijkheid hem gebood,” hernam Falckestein: “God vergezelle hem!” + +</p> +<p><span id="d0e2221" class="corr" title="Niet in bron">”</span>Amen!” zeide de Jezuïet, zich kruisende.—“Ik twijfel niet, of +Uw Genade zal thans verlangend zijn eindelijk eens het lot te vernemen, +dat haar en de haren boven ’t hoofd hangt? Ik ben zoo +gelukkig aan dat verlangen te kunnen voldoen. De bode, die hier +dezen morgen aankwam, heeft allen twijfel hieromtrent doen ophouden.” + +</p> +<p>“Indien ik van u mijn lot vernemen moet,” zeide Falckestein, “dan weet ik reeds, wat mij te wachten staat; want van u kon +ik niets hopen, dat mij gunstig zou zijn; doch ik vleide mij, dat Velasco mij de bevelen omtrent mij gegeven zou kenbaar maken.” + +</p> +<p>“Dat was ook de meening van Velasco,” zeide de Jezuïet: “doch de Amirant heeft er anders over gedacht. Lees slechts dit perkament, +waaruit gij alle noodige opheldering zult ontvangen.” + +</p> +<p>De Graaf nam den brief uit zijn hand; hij behelsde een volmacht door Mendoza gegeven aan broeder Eugenio van de orde Jesu, +om met den persoon van Ulrich von Daun, zich noemende Grave van Falckestein en Overstein en Heere van Bruck, naar goeddunken +te handelen. Bedaard las hij het uit, en reikte het vervolgens, zonder er een woord bij te voegen, aan Eugenio over. + +</p> +<p>“Gij ziet dus,” vervolgde deze, op elk zijner woorden een bijzonderen nadruk leggende, terwijl zijn oogen van helsche blijdschap +<a id="d0e2232"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2232">44</a>]</span>vonkelden, “gij ziet, dat de kans tusschen ons beiden eenigszins gekeerd is. Eenmaal ware ik bijna uw slachtoffer geworden; +thans hangt de beschikking over uw lot aan mij alleen.” + +</p> +<p>“En waant gij, dat Velasco immer dulden zal?....” + +</p> +<p>“Wat Velasco dulden zal of niet, is mij volkomen onverschillig. Van mij moet gij genade afsmeeken, en van mij alleen.” + +</p> +<p>“Van u?” antwoordde Ulrich, hem met verontwaardiging aanziende: “liever stierf ik duizend dooden.” + +</p> +<p>“Juist! <span class="letterspaced" lang="la">septuagies septies</span><a id="d0e2244src" href="#d0e2244" class="noteref">3</a>; doch gij zijt niet alleen! of heeft het niets van mij te vreezen, dat zorgelooze knaapje, daar?” + +</p> +<p>“God in den hemel! Mijn Ulrich!” gilde Falckestein, opspringende. Doch Eugenio was hem reeds voor geweest. Met de linkerhand +het kind omhoogtillende was hij den boomgaard door, en de trap, die aan de zijde van het kasteel naar den hoektoren geleidde, +opgesneld. Daar gekomen hief hij het kind over de borstwering, ruim tien voeten boven de zijgracht, terwijl de twee soldaten, +eensklaps toegeschoten, den Graaf, die hem volgen wilde, tegenhielden. “Geen stap verder!” riep Eugenio, “of gij zijt de moordenaar +van uw kind!” + +</p> +<p>Falckestein bleef doodsbleek staan. + +</p> +<p>“Graaf!” vervolgde de Jezuïet, terwijl hij met de rechterhand zijn boezem ontblootte: “hoor naar mij en beschouw dit litteeken: +het is dat van de wonde, mij door u toegebracht in dien noodlottigen nacht toen de ongelukkige Panne, door uw toedoen, het +slachtoffer zijner getrouwheid aan de Moederkerk is geworden. Dacht gij, dat men zulke beleedigingen vergeten konde?” + +</p> +<p>“Wreek u; doch op mij alleen: spaar het leven van een ongelukkig, onnoozel kind. Geef het terug aan zijn moeder....” + +</p> +<p>“Dwaas! alsof uw dood mij wraak genoeg verschaffen kon? Gij zijt een krijgsman, een dapper krijgsman; gij kunt den dood niet +vreezen. Van dien kant kan ik u niet deren; doch, gij hebt een vaderhart en dat weet ik te treffen; dat vaderhart moet vaneengereten +worden. Ziedaar een wraak, mijner waardig.” + +</p> +<p>“IJselijk mensch!.... doch bedenk hoe gij u zult verantwoorden. Dat bevelschrift geeft u alleen volmacht over mij.” + +</p> +<p>“Wien de koe behoort, behoort ook het kalf,” zeide Eugenio grijnzende. + +</p> +<p>“Al wat ik bezit, al wat mij overbleef is het uwe; doch spaar mijn kind!” + +</p> +<p>“Zoo is het! zoo moest ik u doen smeeken; maar neen; de dood van het knaapje is besloten: en voor de muren van uw slot zult +gij het met het water zien spartelen.” + +</p> +<p>“Onmensch! ik bezweer u.” + +</p> +<p>“Vruchteloos!” + +</p> +<p>“Welnu! zie mij vernederd: ik werp mij voor u in ’t stof, doch spaar mijn kind!” + +</p> +<p>“Heerlijk, verrukkelijk schouwspel! De trotsche Graaf van Falckestein, <a id="d0e2273"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2273">45</a>]</span>de hoogmoedige vijand van Rome en Madrid, voor een armen Jezuïet in het zand geknield. Kom! begin uw <span class="letterspaced" lang="la">confiteor</span>!<a id="d0e2278src" href="#d0e2278" class="noteref">4</a> wel moogt gij zeggen: “<span class="letterspaced" lang="la">Pater peccavi</span>.<a id="d0e2286src" href="#d0e2286" class="noteref">5</a> Doch het ware al om niet: ik voldoe mijn wensch; en ziedaar de ontknooping van het spel: <span class="letterspaced" lang="la">septuagies septies</span>!<a id="d0e2292src" href="#d0e2292" class="noteref">6</a>” + +</p> +<p>Deze woorden uitende, liet hij het kind los. Falckestein sprong met een vreeselijke gil toe: hij had den plof gehoord en meteen +den noodkreet van zijn zoontje in het uiterste levensuur. In vreeselijke gemoedsaandoening vloog hij naar den waterkant om +in de rivier te springen en te trachten het arme kind te redden; doch op een wenk van Eugenio gaf hem een der Spanjaards met +zijn hark zulk een slag op den slaap van het hoofd, dat hij met den kreet van: <span class="letterspaced" lang="la">o Jezu</span>! ter aarde stortte. + +</p> +<p>Beckman was, zoodra hij het kind in het water had hooren ploffen, met al den spoed, dien zijn jaren toelieten, naar den vischslag +geloopen, alwaar, volgens Velasco’s belofte, het schuitje werkelijk lag vastgemaakt. Met kracht van riemen haastte hij zich +naar de plaats waar het kind gezonken was, ’tgeen aan de andere zijde van den hoektoren en buiten zijn gezicht had plaats +gehad. Langs de rivier in de zijgracht gekomen, zag hij wel een mutsje drijven; doch het kind zelf was nergens te bespeuren: +alleen de kringen in het water verrieden de plek, waar het verdwenen was. Terwijl hij aldaar rondzwalkte, gonsde hem een steen +om de ooren, hem uit den boomgaard nageworpen; waarop hij, op eigen levensbehoud bedacht, naar de overzijde voer en zich redde +met de vlucht. + +</p> +<p>Ruim drie uren had de grijsaard langs de heuvelen en dalen rondgezworven, terwijl de schrikbeelden van het laatste oogenblik +hem beletteden, over het gebeurde na te denken, toen hij van verre iemand naderen zag in boerengewaad, doch met sabel en pistolen +gewapend. Beckman wilde hem ontwijken; doch met een kreet van blijdschap snelde de vreemdeling op hem af. Het was Feurich, +wien de Gravin, die behouden te Dortmond was aangekomen, had afgezonden om naar het lot van haar echtgenoot te vernemen. Men +beseft de droefheid des braven ruiters, toen Beckman hem den nieuwen moord, die te Bruck had plaats gehad, berichtte. Deze +tijding deed hem echter van zijn voornemen niet afzien. Hij verzocht dus aan Beckman, hem bij een boer, dien hij hem noemde, +te wachten, en reisde voort naar Bruck. + +</p> +<p>Het was reeds nacht, toen hij in het gezicht kwam van het slot: dan welke verbazing beving hem, toen hij het in dikke rookwolken +gehuld zag, terwijl de spiegeling der vlammen in de rivier teruggekaatst werd. Met ontzetting naderde hij: dan al spoedig +werd hij gewaar, dat alleen het vischhuisje en de tuinloods in brand stonden. Dit deed hem besluiten zijn oogmerk te volvoeren: +hij ontdeed zich <a id="d0e2306"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2306">46</a>]</span>van zijn bovenkleederen, greep de sabel tusschen de tanden, zwom de rivier over en klom, tegen den steiger, aan de overzijde +aan wal. + +</p> +<p>Het was hier stil; doch een ondraaglijke hette vervulde den boomgaard: de flikkering der vlam, die allengskens afnam, deed +hem alle voorwerpen duidelijk onderscheiden: dan wat schouwspel deed zich aan zijn oogen voor, toen hij de zwartgerooste balken +en steenen genaderd was: een twaalftal verbrande en gerooste lijken, allen naakt uitgeschud en onkenbaar! Met ijzing treedt +hij terug; doch keert zijns ondanks weder. Met de punt van ’t geweer draait hij hen om, zij vallen in asch uiteen. Eindelijk +vindt hij een lichaam, waarvan alleen de beenen verteerd waren, terwijl het hoofd, in ’t natte gras rustende, nog volkomen +gaaf was. Hij trekt het naar zich toe, veegt met de hemdsmouwen het gelaat schoon, en.... zwijmt neder naast het deerniswaardig +overschot van zijn ontzielden meester. + +</p> +<p>Wenden wij de oogen van dit schriktooneel af en begeven wij ons naar het leger der Staatschen, waar de doorluchtige held, +die er het opperbevel voerde, met nimmer verkloekt beleid zich beijverde om de verachterde zaken van den Nederkreits te herstellen. + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2191" href="#d0e2191src" class="noteref">1</a></span> In den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2215" href="#d0e2215src" class="noteref">2</a></span> De mensch wikt en God beschikt. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2244" href="#d0e2244src" class="noteref">3</a></span> Zeventigmaal zevenmalen. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2278" href="#d0e2278src" class="noteref">4</a></span> <span class="letterspaced">Confiteor</span> beteekent: ik belijde, en wordt voor de belijdenis zelve gebruikt, omdat men de biecht met dat woord aanvangt. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2286" href="#d0e2286src" class="noteref">5</a></span> Ik heb gezondigd, vader. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2292" href="#d0e2292src" class="noteref">6</a></span> Zeventigmaal zevenmalen. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e2312" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Zesde Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph" lang="nl-1600"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Maer dat en is het niet, waerop de veltheer loert. +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Wie zich derf onderwinden +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Een’ aenslagh, vol gevaers, moet passen op zijn tijt.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Gysbrecht van Aemstel. +</p> +</div> +<p>Mendoza had, min door beleid of dapperheid, dan door de medewerking der pestziekte, die de bezetting wegrukte, en der vlam, +die het buskruit der Staatschen springen deed, de stad Rijnberk in zijn macht gekregen, en kort daarna Wezel, Rees en Emmerik +bezet. Maurits, nu zeker onderricht, dat al die krijgsbedrijven zeer tegen den zin der Duitsche vorsten geschiedden en door +de Kleefsche Regeering opnieuw om hulp aangeroepen, had zich van Zevenaar, Heussen en Lobith verzekerd, en die grensplaatsen +van de noodige versterking voorzien. Hierdoor waren de vijandelijke legers zoo dicht bij elkander, dat het niet missen kon, +of er moesten gedurig schutgevechten voorvallen. De Spanjaarden schoten hierbij doorgaans te kort, daar het verwoesten der +landerijen in het leger van Mendoza een hongersnood had doen ontstaan, die zoo geweldig woedde, dat de overloopers en gevangenen +dikwijls verklaarden, in geen vijf dagen brood geproefd te hebben. Het hoofdkwartier van Graaf Maurits was te Oud-Zevenaar +gevestigd, en zijn sterkste legermacht aldaar verzameld, eensdeels op het vasteland, en anderdeels op den <a id="d0e2329"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2329">47</a>]</span>Weert of eiland, voor de kerk liggende, en den Gelderschen Weert genaamd, welke met den vasten wal aan weerszijden door schipbruggen +vereenigd was, en waardoor een andere schipbrug van honderd roeden lang een veiligen weg bood aan de ruiterij en den legertrein. +Ook hier hadden kunst, beleid en volharding over de weerbarstige natuur gezegevierd, en het schijnbaar ongunstig gelegen oord +had, door de bekwaamheid van den veldheer, een sterke, gemakkelijke en wel voorziene legerplaats verschaft. + +</p> +<p>Het was op een frisschen najaarsmorgen, dat de veldheer, van zijn dappere legerhoofden en bekwame krijgsbouwmeesters vergezeld, +van den Weert, alwaar hij een krijgsschouwe gedaan had, naar Oud-Zevenaar terugkeerde. De legers van dien tijd—vooral dat +der Staten—leverden een Babel op van de meest verschillende volkeren en tongen, van oorlogslieden, door win- of eerzucht uitgelokt, +om voor de zaak te strijden van een natie, die hun vreemd en onverschillig was, en het is nog te verwonderen, hoe een legerhoofd +niet alleen de vereischte orde, ondergeschiktheid en rust kon bewaren in een lichaam, uit zulke vreemdsoortige deelen samengesteld, +maar zich daarvan met eenig voordeel konde bedienen. Zoo iemand, verstond Maurits deze kunst, hem door zijn grooten vader +en voorganger ten erfdeel gelaten: en het ware de moeite dubbel waardig, dat een bekwame pen zich bevlijtigde, meer opzettelijk +de bekwaamheden aan te toonen, welke die beide Vorsten hebben aan den dag gelegd in het te boven komen van hinderpalen, niet +uit de macht der vijanden, maar uit de samenstelling hunner natuurlijke bondgenooten en medestrijders ontstaan. Men zegt vrij +algemeen en men kraait het elkander na, dat onze voorvaderen ons land hebben vrijgevochten; doch de door hen betoonde dapperheid +en volharding heeft zich meer bepaald tot het verdedigen van eigen Haardsteden, gelijk te Leiden, Haarlem en Alkmaar het geval +was, dan tot het wezenlijk oorlogvoeren. Zonder de groote legerhoofden, die voor ons vaderland gestreden hebben, ware het +nog lang een machtig deel van Spanje gebleven, en het gezegend licht der Hervorming had er niet dan flauwe en onder de koornmate +verborgen stralen geschoten. + +</p> +<p>De legers van dien tijd waren uit verschillende bestanddeelen samengesteld, gelijk ik aanmerkte vóór deze uitweiding, voor +dewelke ik den lezer verschooning verzoek: en de stoet, die Graaf Maurits vergezelde, bood in een klein begrip stof tot een +beschouwing als bovenstaande. + +</p> +<p>Naast den Graaf reed een der bekwaamste officieren van zijn tijd, de Generaal Sir Francis Vere, die de Engelsche benden aanvoerde; +aan zijn andere zijde de groote Vlaamsche Wiskunstenaar Simon Stevyn, ’s Vorsten vriend en leermeester, die hem in ’t veld +als Kwartiermeester-Generaal diende, en achter hem de Waalsche Hoofdman Marquette. Wat verder reden ’s Vorsten neven, Graaf +Ernst van Nassau, die aan ’t hoofd der Duitschers stond, en Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, welke beiden moeite deden om +een geregeld gesprek te onderhouden met den Markgraaf van Bethune, <a id="d0e2337"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2337">48</a>]</span>den Kolonel der Fransche hulpbenden. Hen volgden andere stafofficieren, waaronder zich de Schot aan zijn geruiten mantel, +de Milanees aan zijn gitzwart haar en geestigen oogopslag, de Deen aan zijn vierkante kloeke gestalte en de Zwitser aan zijn +breede knevels onderscheiden lieten. Eenige kapiteins van de Garde, waaronder de Ritmeester van Reede van Sonheuvel, waren +met dezen trein vermengd. + +</p> +<p>Aan het hoofdkwartier gekomen, vernam de Graaf, dat de Gravin Douairière van Falckestein zich aldaar had aangemeld en een +gehoor bij Zijne Doorluchtigheid dringend verzocht. + +</p> +<p>“De Gravin van Falckestein!” zeide Maurits met aandoening: “zij moet vooral niet worden afgewezen. Vergunt mij eenige oogenblikken +aan haar te schenken, Mijne Heeren! ik ben straks weder tot uw dienst. <span class="letterspaced">Vetter</span>!” vervolgde hij, zich tot Graaf Lodewijk Gunther wendende. “Ga Mevrouw verwelkomen en zeg haar, dat ik haar verwacht.” + +</p> +<p>Dit zeggende, begaf zich Maurits naar zijn tent, terwijl de officieren, van hunne paarden afgestegen, zich aan den ingang +in onderscheidene groepen verzamelden. Nieuwsgierig sloegen zij de oogen naar de zijde, van waar de Gravin moest komen, met +dat verlangen, hetwelk men gemeenlijk koestert om iemand te zien, die zich, hetzij door groote daden, hetzij door groote onheilen +heeft beroemd gemaakt. Weldra naderde zij, door Graaf Lodewijk Gunther voortgeleid; zij was in zwaar rouwgewaad gehuld, doch +de diepe weedom, op haar bevallig nu verbleekt gelaat verspreid, duidde nog meer dan het rouwgewaad het lijden aan, dat haar +ten deel gevallen was. Zij had haar nu eenig zoontje bij de hand, en trad met nedergeslagen oogen en wankelenden gang de rijen +der edelen door. Beckman en Feurich, die haar vergezeld hadden, bleven op een kleinen afstand van ’s Veldheers legertent eerbiedig +staan. + +</p> +<p>Met een oog vol deernis staarden de krijgsoversten op die rampzalige weduwe, en aan meer dan een, die haar vermoorden echtgenoot +gekend had en hooggeacht, ontrolde een droevige traan. <span id="d0e2350" class="corr" title="Bron: Horiato">Horatio</span> Vere echter kon niet nalaten tegen Reede, die naast hem stond, aan te merken: “<span class="letterspaced" lang="en">a fine lady, to be sure</span><a id="d0e2355src" href="#d0e2355" class="noteref">1</a>, nietwaar?” “Ik heb er niet op gelet,” antwoordde de Ritmeester: “ik heb alleen het rouwgewaad gezien, dat mij den dood van +een onvergetelijken vriend herinnert.” Dit zeggende, wendde hij zijn gelaat af en bedekte het met de linkerhand. + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="en">He was your friend? Ah! forgive me: I did not know the relation</span>....”<a id="d0e2363src" href="#d0e2363" class="noteref">2</a> + +</p> +<p>Inmiddels was de gravin de legertent des Vorsten ingetreden en bevond zich met dezen en haar zoontje alleen; dan, vruchteloos +poogde zij haar rede te beginnen: het gewicht van haar smarten onderdrukte haar, en zij kon, terwijl zij aan Maurits het knaapje +voorstelde en zich als smeekeling voor hem nederboog, niet anders <a id="d0e2368"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2368">49</a>]</span>uitbrengen dan deze woorden: “Uwe Doorluchtigheid bescherme mij en dit ongelukkige weeskind!” + +</p> +<p>“Sta op, Mevrouw! en neem plaats,” zeide Maurits, haar opheffende en naar een zitplaats geleidende: “gij komt hier bij een +vriend, die hartelijk deelt in uw lot. Waarmede kan ik u die deelneming betoonen? want Maurits is een slecht redenaar en doet +zijn medelijden liever door daden spreken. Beveel over mij; doch, ik bid u, kom tot u zelve, gij zijt diep ontroerd!” + +</p> +<p>Nadat de Gravin door een vloed van tranen lucht had ontvangen en genoeg bedaardheid van geest herkregen om een aaneengeschakelde +rede te beginnen, schilderde zij haar ongelukkigen toestand aan den Vorst, betuigde hem, dat zij niet in den Nederkreits blijven +wilde, noch haar nu eenigen zoon aan de rampen des oorlogs blootstellen en eindigde met aan Maurits te verzoeken, dat hij +haar in een der Hollandsche steden een veilige wijkplaats wilde aanwijzen, waar zij, verre van het oorlogsrumoer, haar dagen +in stilte zou kunnen doorbrengen, totdat de krijg, van den Neder-Rijn geweken, haar weder vergunde, in het bezit van haar +goederen te keeren en zich aldaar neder te zetten. + +</p> +<p>Met vriendelijk geduld en oplettendheid luisterde de Graaf naar haar verzoek, en gaf haar vervolgens zijn woord van voor haar +en haren zoon als voor de leden van zijn huisgezin te zullen zorgen. Vervolgens riep hij graaf Lodewijk Gunther binnen. + +</p> +<p>”<span class="letterspaced">Vetter</span>!” zeide hij: “maak u gereed om de genadige vrouw naar Arnhem te geleiden en haar het beste logies te bezorgen, dat gij voor +haar vinden kunt. Ik zal intusschen aan de Staten schrijven en van Hunne Hoogmogenden verzoeken, Hare Genade een geschikte +woonplaats in Den Haag aan te wijzen. De Graaf van Falckestein heeft genoeg voor ons gedaan, dat zijn weduwe wel eenige aanspraak +op onze dankbaarheid mag behouden<span id="d0e2381" class="corr" title="Niet in bron">.</span>”—Dit zeggende, geleidde hij zelf de Gravin tot aan de legerpoort terug, en nam afscheid, haar nogmaals aan de zorgen van +zijn bloedverwant aanbevelende. “Kwijt u wel van uw post, <span class="letterspaced">Vetter</span>!” fluisterde hij hem in ’t oor, “en verlies uw roem niet, van een getrouw dienaar der dames te zijn.” + +</p> +<p>Bij zijn terugkomst aan het hoofdkwartier vond de Graaf al zijn officieren van geestdrift opgewonden. Zij hadden van Beckman +en Feurich de afgrijselijke omstandigheden van den moord vernomen en waren in felle woede op de bloeddorstige moordenaars +ontstoken. “<span class="letterspaced" lang="fr">De par tous les diables</span>!” riep Bethune uit: “Sel die Spanjool op onkestoor sulke moordadikheden pleeken? <span class="letterspaced" lang="fr">et sans vengeance</span>? Permetteere ons Son Excellence om te kaan <span class="letterspaced">venger</span> so skendikke skelmstukke?” + +</p> +<p>“Op wie?” vroeg Stevyn glimlachende. + +</p> +<p>“Oppe wie? Parbleu! <span class="letterspaced" lang="fr">Monsieur le Quartiermaître</span>! dat isse eene vraak van een <span class="letterspaced">mathématicien</span>. <span class="letterspaced">Diable</span>! <span class="letterspaced">sur tout le monde, pour l’honneur de l’humanité</span>.” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced">Revenge on die damnd</span> vermorderers!” riep Vere. + +</p> +<p>“Ich sol den ersten Spanjool, dien ich antreffe, die kopf afschlagen vor eine rache,” zeide Graaf Ernst. +<a id="d0e2421"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2421">50</a>]</span></p> +<p>“Hoe nu, Mijne Heeren!” zeide Maurits: “wat is uw oogmerk? als ware Amadissen de wapenen op te vatten en mij te verlaten om +een schoone vrouw te gaan wreken?” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="fr">Pardon, votre Excellence</span>!!” zeide Bethune; “maar ik bekrijp, <span class="letterspaced" lang="fr">en vrai chevalier Français</span>, te moeten omhels <span class="letterspaced">la cause</span> van de bedrukte <span class="letterspaced">beauté</span>.” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="en">A child murdered</span>!” riep Vere: “het roept om wraak <span class="letterspaced" lang="en">to the Lord</span>!” + +</p> +<p>“Ein vertrag zu erbrechen!” hernam Graaf Ernst. + +</p> +<p>“Recht zoo!” zeide Graaf Maurits: “dit alles roept om wraak! en de straf zal eenmaal het misdrijf volgen. Mendoza zal spoedig +de vruchten van zijn spelen met eed en beloften ondervinden, in het wantrouwen van allen, wier hulp hij behoeft en in de verachting +van al wat wèl denkt, ook bij den Spanjaard. Wat ons betreft, Mijne Heeren! laat ons deze nieuwe bijdrage tot de geschiedenis +der Spaansche tirannen in aandenken houden; doch alleen om met des te meer ijver het groote verlossingswerk voort te zetten, +waartoe wij ons vereenigen, en wachten wij ons om, bij het wreken van dergelijke wandaden, ze na te volgen. De oude regel +<span class="letterspaced">tand voor tand</span> en <span class="letterspaced">oog voor oog</span> is door een betere, zachtere leer vervangen, en Spaansche gruwelen mogen nimmer worden aangehaald om de onze te wettigen.—En +thans genoeg hierover: Mijn beste Stevyn! de Grootmeester der Artillerie Kessel, wacht ons aan de stallen: ik heb nu een twintigtal +toomen laten maken volgens de teekening, die ik er laatst van ontworpen heb, en ik durf vast gaan, dat zij, wiskunstig gesproken, +de gebitten niet meer prangen kunnen. Tot noen dan, Mijne Heeren! ik verwacht ulieden en wensch u inmiddels vaarwel.” Dit +gezegd hebbende, boog hij zich rond en vertrok met Stevyn. + +</p> +<p>“Wiskunstige toomen! <span class="letterspaced">ne sont-ce pas comme qui dirait des brides mathématiques</span>?” vroeg Bethune met een spottenden glimlach. + +</p> +<p>”<span class="letterspaced">The same</span>,” antwoordde Vere; “doch laat u dit niet verwonderen. Gij zijt nog maar kort bij ons,” (vervolgde hij in gebroken Fransch, +hetgeen ik hier liever in verstaanbaar Nederlandsch overbreng); “maar gij zult meer hooren dan dit. Bij zijne Excellentie +gaat alles wiskunstig toe, en het is er niet te minder om. Onlangs had ik, ter bemachtiging van een verschansing, schuiten +uitgedacht met opstaande ladders; doch Zijne Excellentie bewees mij zeer goed, dat mijn schuiten niets deugden, en bij het +beklimmen der ladders, door de zwaarte zouden kantelen en omslaan: en toen maakte Stevyn op zijn last een vertoog, ’t welk +hij noemde.... hoe duivel heette het ook?.... o ja: <span class="letterspaced">vlietende topswaerheit</span>: en hij bewees daarin hoe men schuiten moest inrichten, die nimmer kantelen konden, maar evenals Indiaansche duikelaartjes +zich altijd weder herstelden!” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="fr">Ah! c’est un grand génie, quo son Excellence</span>,” zeide Bethune: “<span class="letterspaced" lang="fr">mais pourtant, des brides mathématiques</span>! <span class="letterspaced">c’est plaisant</span>! <span class="letterspaced" lang="fr">je doute que cela prenne</span>.” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="fr">Et cela prendra cependant</span>,” zeide de Adjudant Marquette tot den ginnegappenden Franschman: ik ben <span class="letterspaced">certein</span>, dat ge den <a id="d0e2491"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2491">51</a>]</span>ierste zijn zult, dien ze in awe roitery zult nemen, zoodrao ge ze gezien hebt.” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="fr">Je n’ en doute pas, puisque vous affirmez, mais cependant</span>....” + +</p> +<p>“Komt <span class="letterspaced" lang="de">meine Herren</span>!” riep graaf Ernst hun toe: “wollen sie nicht met kaan nach die maliebaan om onze etlust anzuwacheren?”—Dit voorstel vond +goedkeuring: de krijgsoversten begaven zich naar een open plein, dat, achter ’s Veldheers tent gelegen, de geschikste gelegenheid +aanbood tot dergelijke vermakelijkheden. Hier besteedden zij den tijd, die hun tot het etensuur overbleef, met het balslaan +of met het kegelspel. Alleen de Heer van Sonheuvel schudde ontevreden het hoofd en begaf zich naar zijn kwartier.—“Zijn dat +mannen?” mompelde hij onder ’t voortgaan: “in ’t eene oogenblik bestormen zij Zijne Excellentie om verlof tot een uitval, +ten einde wraak te gaan nemen over dien gruwelijken moord, en in het volgende loopen zij als kinderen naar de maliebaan en +kaatsen en kegelen en lachen en zuipen, alsof er nooit een Ulrich von Daun in de wereld geweest ware. Dan, laten zij hem vergeten, +ik vergeet hem zoo licht niet!” + +</p> +<p>Nog vervuld van deze gedachten, trad hij zijn tent binnen, waar hij den getrouwen Bouke bezig vond met het opwitten van zijns +meesters handschoenen en degenhanger. + +</p> +<p>“Ik hoor,” zeide deze, “dat de genadige vrouw van Falckestein in het leger geweest is.” + +</p> +<p>“Dat is zij, Bouke! en tot mijn verdriet! Toen hebben de Oversten een boel poha gemaakt quasi om haar te gaan wreken, en het +was Fransche wind en Duitsche larie en Engelsche vloeken wat men hoorde; en per slot van rekening zijn zij allen loopen spelen; +maar, wat mij betreft, ik beloof dat ik den eersten Spanjool, dien ik in handen krijg, den kop zal afhouwen tot een exempel +voor al zulke woordbrekers en verraders.” + +</p> +<p>“Die arme Graaf!” zeide Bouke: “doch wat kon hij anders van zulke schelmen verwachten? ’t zijn allen fielten en rabauwen: +heugt het UEd. nog van die Satansche Jezuïeten? Ja, gelijke monniken, gelijke kappen! De Graaf had zich nooit met hen in moeten +laten, want geef je den duim, ze nemen je de heele hand.” + +</p> +<p>“Nu,” hernam Reede: “ik zal hun duim noch hand, maar wel een paar fiksche vuisten toonen, dat beloof ik. Ja, ik moet en wil +Zijne Excellentie spreken; misschien zal Maurits als ik hem alleen vinde, mij wel toestaan een tochtje te ondernemen: hij +is hier achter in de stallen: ik zal hem maar terstond gaan opzoeken.” + +</p> +<p>“Juist,” merkte Bouke aan: “men moet het ijzer smeden als ’t warm is.” + +</p> +<p>De Ritmeester trad zijn tent weder uit en wandelde naar de straten achter de legerplaats, waar zich de paardenstallen bevonden. +Het leed niet lang, of hij zag den Graaf met zijn jongen broeder Hendrik Frederik, den Generaal der artillerie Kessel en de +beide Kwartiermeesters-Generaal Stevyn en Lieven Cys bij een fraai merriepaard staan, aan hetwelk zij onderscheidene gebitten +pasten. + +</p> +<p>“Gij ziet dus, Kessel!” zeide de Graaf, “dat onze leer op goede <a id="d0e2519"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2519">52</a>]</span>gronden steunt, en dat de keeren aan een stang noch meer noch minder tot de strakheid doen.” + +</p> +<p>“Zooals Uwe Excellentie het berekent, neen,” antwoordde Kessel; “doch het zij mij vergund aan te merken, dat men elk in zijn +ambacht gelooven moet, en dat alle pikeurs en stalmeesters van oordeel zijn, dat de keeren veel toebrengen tot de strak- of +slapheid.” + +</p> +<p>“Ten iersten,” zeide Stevyn, “zijn de pikeurs giene wiskunstenaors, en kunnen dus van gewichtige gedaonte niet eurdeelen: +ten twieden moeten zij oit de ondervinding hun veurgeven bewijzen, of ik ben niet verplicht hen te geleuven.” + +</p> +<p>“Eilieve zie eens!” zeide Lieven Cys, “hoe bedrukt de kapitein Reede daar aan komt wandelen: ’t is of hij vandaag niet ontbeten +heeft zoo kauwt hij op zijn hoed.” + +</p> +<p>“Hij is misschien bij Mendoza te gast geweest,” merkte Stevyn aan, al lachende: “daor, heur ik, volgt men het oude veurschrift +van den philosoof, om, naomelijk, altijd met honger van taofel te gaon.” + +</p> +<p>“Gij zult zien,” zeide de Graaf, “dat hij mij een verzoek te doen heeft, waarmede hij niet durft aankomen: wij zullen hem +uit de verlegenheid helpen.—Kapitein Reede! een woordje met u, als ’t u gelegen komt!” + +</p> +<p>Met een loop, die veel naar een sprong zweemde, bevond zich de Ritmeester aan ’s Graven zijde. Deze verwijderde zich een weinig +van de Oversten, waarna hij, Reede vlak in ’t gezicht ziende, hem aldus toesprak: “Gij hebt iets op uw hart, Kapitein, en +gij schroomt het uw Overste te verhalen. Is dat vriendschappelijk gehandeld? Gij weet hoe Maurits de openhartigheid bemint.... +wanneer het geen staatszaken betreft.” + +</p> +<p>“Uwe Excellentie is al te goed,” was het antwoord des Ritmeesters: “en echter vrees ik mijn verzoek niet te zullen verkrijgen: +ik wilde Uwe Excellentie spreken over.... over.... de treurige tijdingen, die heden....” + +</p> +<p>“Hoe!” vroeg Maurits: “is uw gade erger? Ik weet, dat zij zich in zeer zwakken staat bevindt.” + +</p> +<p>”’t Is waar, Uwe Excellentie! de dood van ons eenig zoontje heeft haar in haar zwangeren toestand zeer getroffen; doch ik +bedoelde thans de nieuwe berichten, die ik heden ontving, over den moord van iemand, die zoowel de vriend Uwer Excellentie +was als de mijne, den waardigen Ulrich von Daun.” + +</p> +<p>“Welnu?” zeide Maurits: “en gij wilt?....” + +</p> +<p>“Wraak nemen op de moordenaars, waar ik hen vinde,” was het antwoord. + +</p> +<p>“Ik versta u,” hernam de Graaf met veel koelheid<span id="d0e2545" class="corr" title="Niet in bron">,</span> “doch een expeditie ligt niet in mijn plan.” + +</p> +<p>“Uwe Excellentie!....” + +</p> +<p>“Misduid mij niet! niemand verdenke mij van hardvochtigheid of ongevoeligheid omtrent het lot van den edelen Graaf! Ik ben +geen weekhart, en echter hebben deze oogen droevige tranen gestort om zijn verlies, en ben ik er wellicht dieper over getroffen +dan al die Heeren, die mij zoo luidkeels tot wraak aanspoorden. +<a id="d0e2552"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2552">53</a>]</span></p> +<p>“Mag ik,” hernam Reede met aandrang, “mag ik op dat getal geen uitzondering maken? Ik was de boezemvriend van den Graaf: ik +ken zijn moordenaars.” + +</p> +<p>“Doch waar zult gij hen vinden?” + +</p> +<p>“Wellicht nog te Bruck; doch hetzelfde waar zij zich ophouden, al zaten zij, met verlof gezegd, in de voorpoort der hel, ik +zal hen vinden met hulp van God en mijn zwaard. Daarenboven weet Uwe Excellentie dat ik een oud eigen op den moordenaar heb, +zoowel als Uwe Excellentie. Hij was een der opstokers van Pieter Panne, wie ik....” + +</p> +<p>“Ik versta u: en uit dankbaarheid, dat gij toen mijn leven gered hebt, moet ik u thans, na de rol van meester Knipschaar, +die van meester Hans laten spelen. Hoor eens Ritmeester!” vervolgde hij, hem met gemeenzaamheid de hand op den schouder leggende: +“gij zijt een dapper man, kloek en handig met het zwaard, altijd de eerste in het veld; doch of gij de noodige koelbloedigheid +bezit om een expeditie als die van welke gij spreekt te bestieren, dit laat ik, beste vriend! gaarne aan uw eigen oordeel +over. Ik mag thans mijn leger van geen man ontblooten en wil niemand in gevaar brengen door met u herom te dolen bij nacht +en ontijde om een mageren Jezuïet te zoeken; want dat zoudt gij dan moeten, vermits Pater Eugenio niet meer te Bruck is.” + +</p> +<p>“Niet? O! in ’s Hemels naam, Uwe Excellentie! waar bevindt hij zich dan?” + +</p> +<p>“Kunt gij een geheim bewaren, Kapitein?” + +</p> +<p>“Als goud, Uwe Excellentie.” + +</p> +<p>“Dat voorrecht bezit ik ook, tot mijn geluk. Geloof mij, het ware eene onnutte poging, te willen kennen hetgeen ik bedekt +wil houden: indien mijn hemd achter een mijner geheimen kwam, smeet ik het dadelijk op het vuur.” + +</p> +<p>“Dan zal ik zorgen mij niet te branden,” zeide Reede, met een koele buiging en terwijl hij een gezicht trok alsof hij een +drankje innam: “het doet mij innig leed, dat Uwe Excellentie aan mijn verzoek niet voldoen kan.” + +</p> +<p>Met deze woorden nam hij afscheid en keerde naar zijn tent, als een patrijshond, die aan den ketting ligt en zijn meester +ter jacht ziet gaan zonder hem mede te nemen. + +</p> +<p>De mensch loopt de fortuin na en deze komt hem dikwijls in zijn bed opzoeken: dit spreekwoord, dat Bouke dikwijls bezigde, +werd kort na het gesprek, dat de Graaf met Reede gevoerd had, aan dezen laatsten bevestigd. Hij lag te halftien des avonds +op zijn legerstede te ronken, toen zijn dienaar Bouke opeens half naakt voor hem verscheen, en hem wekte met dit spreekwoord: +“hoe later op den dag, hoe schooner volk! daar is iemand vanwege Zijne Excellentie, om UEd. te spreken.” + +</p> +<p>“Zoo!” zeide de Ritmeester, de oogen wrijvende: “ja het is niet anders: kom de vorsten iets vragen, dan is ’t zelden te huis, +hebben zij ons noodig, men moet op elk uur van den dag of nacht klaar zijn: doch dat is tot daar aan toe; breng den bode hier, +Bouke!.... of wacht! geef mij eerst mijn pels.” + +</p> +<p>Bouke reikte hem den pels aan, dien hij over het hemd aantrok, <a id="d0e2579"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2579">54</a>]</span>terwijl hij al rillende en klappertandende zich naast zijn bed nederzette. Een Luitenant van de Garde werd binnengeleid, die +hem aldus toesprak: “Zijne Excellentie verzoekt u, Heer Ritmeester! mij op staanden voet in volle wapenrusting te willen volgen, +met uw dienaar.” + +</p> +<p>“Waartoe? waarheen? waarop is ’t gemunt?” vroeg Reede, terwijl hij zijn oogen wijd opspalkte en het hoofd schudde om recht +wakker te worden. + +</p> +<p>“Dat zal Zijne Excellentie UEd. ongetwijfeld zelve verklaren willen,” antwoordde de Luitenant: “UEd weet dat zijn geheimen....” + +</p> +<p>“Genoeg!” hernam de Ritmeester, die nu geheel wakker was, met blijdschap: “ik geloof dat ik het oogmerk al raden kan;.... +doch laat ik niet te veel zeggen, anders mocht hij een <span class="letterspaced" lang="fr">autoda-fé</span> van mij maken, zooals van mijn hemd: gij hebt het gehoord, Bouke! geef mij mijn wapenen, en ga dan spoedig de paarden opzadelen.” + +</p> +<p>“Welk paard zal UEd. berijden?” vroeg Bouke. + +</p> +<p>“Om ’t even: neem ’t grauwtje maar!” + +</p> +<p>“Neem het zwartste paard dat gij hebt, Heer Ritmeester!” zeide de Luitenant: “de nacht is wel donker, maar een wit paard wordt +ook bij duister gezien.” + +</p> +<p>“Bij nacht zijn alle katten grauw,” merkte Bouke aan, terwijl hij zijn meester diens wapenen aanbracht. + +</p> +<p>“Gekheid, Bouke,” zei deze: “de Luitenant heeft gelijk. Zie eens, Heer Luitenant! mijn borstkuras is zoo helder gepolijst, +alsof ik te voren geweten had, dat het dezen nacht zou moeten dienen.... ’t is maar om u te toonen, dat men altijd zorgen +moet, zijn spullen in orde te hebben!.... ik zal er met dat al maar een buis over aantrekken; vooreerst om de koude, en ten +tweede om niet gezien te worden;.... het zou toch nogal aardig zijn, indien ik juist geraden had!.... Ook zal ik maar een +helm zonder vederbos opzetten.... ja, Zijne Excellentie zegt wel, dat ik geen bedaardheid bezitte.... wat hamer Bouke! rep +u dan toch wat!.... maar ik hoop u te toonen!.... Zie zoo! ga nu maar de paarden halen: ik zal zelf mijn degen wel krijgen +en mijn pistolen laden.... ik wil wedden, dat wij dien Jezuïet in handen krijgen!.... Gaat gij ook mede, Heer Luitenant?—Niet!.... +dat spijt mij; anders zoudt gij een kluchtspel zien: een Jezuïet, dien wij zullen vangen!.... waar zijn mijn handschoenen?.... +och ik heb ze al aangetrokken!.... wat talmt Bouke nu weer?” + +</p> +<p>Op het einde dezer alleenspraak, welke de Luitenant zich wel gewacht had te storen, daar hij er niets van begreep, en het +praten over het hemd van Zijne Excellentie en den te vangen Jezuïet daar aan toeschreef, dat Reede nog door den slaap bevangen +was, verscheen Bouke met de paarden voor de tent. Heer en dienaar stegen op, voorafgegaan door den Luitenant, die hen met +een handlantarentje voorlichtte. Zij trokken de brug over, die naar den Weert geleidde, de lange brug, die er overheen voerde, +en de derde, welke den Weert met de overzijde vereenigde, totdat zij in ’t open veld waren gekomen. Aldaar kondigde het gebriesch +van paarden de nabijheid aan eener ruiterbende, welke door de duisternis niet kon worden onderscheiden. Nu floot de Luitenant +een paar malen, en zijn sein <a id="d0e2602"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2602">55</a>]</span>werd op gelijke wijze beantwoord: een man in een zwaren mantel gewikkeld en met een breedgeranden hoed op ’t hoofd, trad voorwaarts: +het was Graaf Maurits. + +</p> +<p>“Heer Ritmeester!” sprak deze: “de tijd is kostbaar; doch een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg: achter mij +staan honderd ruiters<span id="d0e2606" class="corr" title="Bron: .">,</span> uit alle benden uitgelezen. Gij trekt met hen een konvooi te gemoet, dat heden uit Gelder naar het hoofdkwartier van Mendoza +getrokken moet zijn.—Geen kwartier voor al wie wederstand biedt!—Geene onmenschelijkheden na de overwinning. Een der moordenaren +vindt gij zeker: zorg, dat hij niet ontsnappe! een gids, die u verzellen moet, zal u alles nader verklaren. God geleide u!” + +</p> +<p>“Ik kus de handen uwer Excellentie duizendmalen,” zeide Reede vol blijdschap: “dat had ik niet durven verwachten, na het laatste +gesprek, dat ik de eer had met uwe Excellentie te houden.... God zegene Uwe Excellentie!”—En hiermede gaf hij zijn paard de +sporen en voegde zich bij de ruiterbende, terwijl Maurits met den Luitenant naar het kamp terugkeerde. + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2355" href="#d0e2355src" class="noteref">1</a></span> Voorwaar, een fraaie vrouw! +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2363" href="#d0e2363src" class="noteref">2</a></span> Was hij uw vriend? O! vergeef mij: ik kende uw betrekking niet tot hem. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e2611" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Zevende Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph" lang="nl-1600"> +<p>Hij is met krijghsmans eere in ’t harrenas gestorven. + +</p> +<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Gijsbrecht van Aemstel. +</p> +</div> +<p>Moedig trok Reede, aan ’t hoofd zijner bende, de duistere heide over, terwijl de gids, een oud onderofficier, in die streken +welbekend, en die zich terstond aan zijne zijde gevoegd had, hem nader omtrent den weg onderrichtte, welken de vijand volgens +de ingekomen berichten en naar alle waarschijnlijkheid nemen moest, om van Gelder naar het hoofdkwartier van den Amirant te +trekken. De Ritmeester beraamde dienvolgens zijn plan om het konvooi zeker te ontmoeten en te onderscheppen, en toen men eenige +uren had voortgereden, gebood hij dat men halt zoude maken en steeg hij met de officieren af, om te beraadslagen wat hun te +doen stond. Men was nu in de nabijheid van een volkrijk dorp gekomen, hetwelk de Spanjaards ongetwijfeld moesten doortrekken, +en de gids begreep, dat het onvoorzichtig ware, verder voort te gaan, uit vreeze van het konvooi mis te loopen, en evenzeer +onveilig, het dorp te bezetten, daar men de gezindheid der ingezetenen niet kende en het te vreezen was, dat de Spanjaards +gewaarschuwd mochten worden en een anderen weg inslaan, of terugtrekken. Men besloot dus, te blijven waar men was, en inmiddels +naar het dorp iemand op kondschap uit te zenden, om te onderzoeken, of er zich ook een Spaansche bezetting bevond, ten einde, +voor men een aanval op het naderend konvooi deed, den vijand buiten staat te stellen, het opzet te doen falen. Het was Bouke, +<a id="d0e2623"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2623">56</a>]</span>die de eer genoot met deze zending belast te zijn: zijn meester kende hem als een sluwe ondernemende kerel, die zich niet +licht zou laten beknippen, en wien in dat geval geen bedreiging, geen doodsangst zelfs zou dwingen, iets van het ontwerp te +verraden. + +</p> +<p>“Wees gerust, Uwe Edelheid!” zeide Bouke, terwijl hij zich van zijn krijgstoerusting ontdeed en in een gemeene boerenpij zich +vermomde. “Bouke zal zich niet verpraten, want wie veel kalt veel ontvalt: indien ik niet binnen ’t uur weerom ben, en alles +haarklein weet te vertellen, hoe het in ’t dorp geschapen staat, dan mag ik gaarne lijden, dat UEd. mij in ’t vervolg voor +den grootsten stoffel houde, die ooit een snippennet gebreid heeft.” + +</p> +<p>Dit zeggende nam hij haastig afscheid en verliet de ruiterbende, welke inmiddels in de vlakte, waar zij zich bevond, halt +bleef houden. Onverschrokken en blijmoedig volgde Bouke een klein zijpad, dat hem, volgens de aanduiding van den gids, op +den gewonen rijweg, die vlak op ’t dorp aanliep, brengen moest. De Novembernacht was koud en donker, en de grond hard bevroren: +zoodat Bouke, die in den beginne met forsche stappen was afgetrokken, al spoedig, uit vrees van den grond met zijn geheele +lengte te meten, zich genoodzaakt zag een langzamer tred aan te nemen: te meer, daar het pad niet rechtuit liep, maar in menigvuldige +bochten en oneffenheden, nu tusschen hakhout, dan weder over afgemaaide graanvelden slingerde. Hoewel nu de afstand, dien +hij af te leggen had, inderdaad langer was dan de gids hem had opgegeven, en de duisternis van den nacht zoowel als het ongeduld +van onzen verspieder dien nog langer deden schijnen, bemerkte deze al spoedig, uit het geloei van runderen, het gebriesch +van paarden en het geblaf van honden, die zich verward dooreen lieten hooren, dat hij de plaats zijner bestemming naderde: +en weldra herkende hij, in menige donkere gedaanten, die tegen de grauwe lucht ongelijkvormig afstaken, de onderscheiden huizen, +waaruit het dorp was samengesteld. Reeds verblijdde hij zich in de gedachte, dat hij nu welhaast aan den grooten weg en dus +bij den ingang van het dorp moest wezen, toen hij opeens bemerkte, dat het pad zich in tweeën scheidde. Terwijl hij onzeker +stond, welke zijde hij volgen zoude, hoorde hij links van zich af een haan zijn morgenlied met luider keel aanheffen. Straks +zijn keuze gedaan; hij sloeg linksaf en bespeurde, toen hij de kronkelingen van het pad volgde, dat hij werkelijk op het dorp +aanhield. Met dat al was hij den verkeerden weg ingeslagen, gelijk straks blijken zal. Opeens liep het pad eene hoogte op, +van waar het aan de andere zijde zoo schielijk en zoo steil afdaalde, dat Bouke, die hier niet op verdacht was, over een steen +struikelde, en vrij onzacht nederviel tegen het beschot eener schuur; het was namelijk op een hoeve midden in het dorp, en +niet op den rijweg, dat het door hem gekozen pad geleidde. Dit ware hem hetzelfde geweest in gewone tijden; doch in deze oogenblikken +strekte dit abuis hem bijna ten verderve; want nauwelijks was hij weder opgestaan, toen hij zich van zes of zeven soldaten +zag omringd. Dezen waren namelijk kort te voren aan de schuur gekomen, waar zich een aantal ossen en paarden <a id="d0e2629"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2629">57</a>]</span>vonden besloten, toen zij opeens ontzetteden door den val van een zwaar lichaam, dat, van de hoogte af, midden tusschen hen +nedertuimelde. “Santa Maria!” riep de een, “wat is dat?” “San Yago!” riep een tweede. “<span class="letterspaced">Ein betrunkener kerl</span>!” riep een derde. En toen zij allen, van hun schrik bekomen, ontwaarden, dat deze laatste althans in zooverre gelijk had, +als de nedervallende gedaante die van een levend manspersoon was, schoten zij toe en grepen onzen Bouke vrij onzacht in den +kraag. + +</p> +<p>“Hei! hei wat!” zeide Bouke, die zich vruchteloos poogde los te rukken: “voorzichtig wat: ik heb geen kleeren te bederven +buiten deze!” + +</p> +<p>“Wat heb je hier te doen; jou dronken lap?” vroeg een van de soldaten, met een forsche stem. + +</p> +<p>“Met je verlof,” antwoordde Bouke: “ik heb een boodschap in ’t dorp en ben het verkeerde pad opgegaan.” + +</p> +<p>“Welnu! keer dan terug van waar je gekomen bent,” zeide een uit den troep, hem van zich afstootende. + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="de">Nein! nein!</span>” riep een Oostenrijker, hem wederhoudende: “<span class="letterspaced" lang="de">so leicht kommst du nicht frei!</span>” + +</p> +<p>“Vooral niet,” zeide een Parmezaan: <span id="d0e2652" class="corr" title="Niet in bron">“</span><span class="letterspaced" lang="it">bisogna vedere, se ha danaro</span>.”<a id="d0e2657src" href="#d0e2657" class="noteref">1</a> + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="it">Danaro! danaro!</span>” mompelde een vierde: “wie zal er bij nacht met geld in de tasch loopen. ’t Is zeker een strooper, die meer nood dan brood +heeft.” + +</p> +<p>“Om ’t even” zeide een ander: “ongemoeid moet hij niet vertrekken: zijn kasak is in allen gevalle nog goed, en misschien draagt +hij wel een paar hoentjes of een haas onder ’t wammes.” + +</p> +<p>Dit zeggende begonnen de soldaten de kleederen van Bouke te betasten, ondanks zijn tegenspartelen; en aldra ontdekten zij, +wel geen wild en ook geen geld, maar ’t geen erger voor hem was, een lang pistool in een zijner broekspijpen verborgen. + +</p> +<p>“Aha!” zeide de vinder in ’t Spaansch, terwijl hij met een zegepralend oog het moordtuig in de hoogte hief: “dragen de boeren +hier te lande zulk ontbijt in den zak?” + +</p> +<p>“Men kent den vogel aan zijn veeren,” zeide Bouke, in zich zelven de voorzorg verwenschende, welke hij gebruikt had door het +pistool mede te nemen. + +</p> +<p>“Dat moet de sergeant hooren”, zeide een ander: “hier steekt verraad achter, en er is reden genoeg om het geheele dorp uit +te plunderen.” + +</p> +<p>“Wat is er gaande, mannen?” vroeg de sergeant, die op hetzelfde oogenblik de schuur naderde: “en waarom zijn de beesten nog +niet buitengebracht?” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="it">Abbiamo trovato una altra bestia,</span>” riep de Parmezaan: “<span class="letterspaced" lang="it">un traditore!</span>”<a id="d0e2685src" href="#d0e2685" class="noteref">2</a> + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="de">Ein bewaffneter bube!</span>” riep een ander: en terstond werd <a id="d0e2693"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2693">58</a>]</span>het voorgevallene aan den verbaasden onderofficier medegedeeld. + +</p> +<p>“Stil wat!” zeide deze: “laat ik den spitsboef eens ondervragen. Zeg eens, kerel!” vervolgde hij tegen Bouke, terwijl hij +de linkervuist in de zijde zettede en zich met de rechterhand de kin wreef: “wat was je oogmerk met dat moordtuig daar?” + +</p> +<p>“Zooals ik reeds aan die brave lui gezegd heb,” antwoordde Bouke: “alleen uit veiligheid; maar, als iedereen zeit: ik ben +een varken, dan moet ik in ’t hok!” + +</p> +<p>“En wat heeft zoo een schooier, zoo een landlooper te vreezen?” hernam de krijgsman: “ik geloof eerder dat het tegen de veiligheid +van anderen gemunt was; doch we zullen het den kapitein laten onderzoeken. Hier Pedro en Cuno, brengt hem zoolang in huis +en bindt hem op de tafel vast, dan kan hem Velasco zelf ondervragen, als hij uitgeslapen heeft. En voort allen weer aan ’t +werk. Voor zonsopgang moeten wij reisvaardig zijn!” + +</p> +<p>Volgens den gegeven last werd Bouke, na eerst welgekneveld te zijn, door de twee daartoe benoemde manschappen weggeleid naar +een boerenwoning, die kort daarbij op hetzelfde erf gelegen was: het was, zooverre hij dit bij nacht kon opmerken, een groot +gebouw, ’t welk verscheidene vertrekken scheen te bevatten. Hij werd door een achterdeur binnengebracht en zag in een vrij +ruime schuur, volgepropt met een menigte karren, welke, voor zooverre hij zulks bij het flauwe schijnsel eener lamp, die van +den zolder hing, kon onderscheiden, hem toeschenen kruitvaatjes, voederzakken, brooden en andere krijgs- en mondbehoeften +te bevatten, te meer, daar een schildwacht er heen en weder liep, die ook dadelijk den soldaten in de Spaansche taal naar +de reden hunner komst vroeg. Na een korte woordenwisseling, in gebroken Spaansch, Duitsch en Italiaansch gehouden, en waarvan +Bouke niet één woord verstond, werd deze in een hok gebracht, aan het einde van ’t vertrek. Men dwong hem, plat op den buik +neder te gaan liggen: zijn voeten werden gebonden, en hem de verzekering gegeven, dat hij, bij de minste poging om los te +komen, een kind des doods ware: waarna de soldaten hem verlieten en de deur achter zich sloten. + +</p> +<p>“Ik ben de domste ezel, die er leeft,” gromde Bouke bij zich zelven, zoodra hij zich alleen bevond: “mij zoo te laten beknippen! +ik ben immers waard, dat men mij een kogel door den kop jaagt! Hoe kon ik ook zoo lomp zijn, om daar midden tusschen die schavuiten +te tuimelen? Wel is waar, ik weet nu al wat ik weten wou: het konvooi, dat mijn meester wacht, is hier al lang; maar hoe hem +dit nu te berichten! dat is het ongemakkelijke van ’t geval.” + +</p> +<p>Terwijl hij hierover lag te peinzen, en bedenkelijk het hoofd schudde, ’t geen dan ook het eenige deel van zijn lichaam was, +dat hij vrij had, zag hij een flauwen lichtstraal, die door een reet in het hok viel, en hoorde te gelijker tijd aan de andere +zijde van het vertrek praten. Hij begreep terstond, dat hij in zijn tegenwoordige omstandigheden niets beter te doen had, +dan te luisteren, rolde zich om en bracht, zoo goed hij kon, eerst het oog en vervolgens het oor voor de opening van het schot. +De eerste dier bewegingen deed hem <a id="d0e2707"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2707">59</a>]</span>in een klein kamertje zien, waarin een fraaie, rijzige vrouw, reeds geheel gekleed, bezig was met eenig goed te pakken; zij +bleef echter met den rug naar hem toegekeerd, zoodat hij haar gelaat niet onderscheiden kon. Naast haar stond een monnik, +en in ’t verschiet lagen twee kinderen in een bedstede te slapen, waarvoor een groote fraaie hond lag, alsof hij ze bewaken +moest. Bij de tweede beweging hoorde Bouke de twee volwassene personen het volgende gesprek voeren. + +</p> +<p>“Gij wilt het kind mij dan niet teruggeven?” vroeg de monnik. + +</p> +<p>“Het is Velasco’s eigendom,” antwoordde de vrouw: “doch gij weet wat ik u gezworen heb.” + +</p> +<p>“Een fraaie wijze van eeden te bewaren,” mompelde de eerste spreker. + +</p> +<p>“Het ware geen wonder,” antwoordde zij fluisterende, “al had ik van u geleerd, hoe men te gelijk zijn woord moet houden en +breken; doch”.... hier sprak zij zoo zachtjes, dat Bouke haar niet verstaan kon. + +</p> +<p>“Trotseer mij niet,” zeide de monnik; “gij weet, dat, indien ik wil....” + +</p> +<p>“Indien gij wilt,” herhaalde zij, hem driftig in de rede vallende: “zwijg daarvan, of ik zou u toonen, hoe ik middelen bezit, +om u beschaamd te maken voor ’t oog van geheel het leger.” + +</p> +<p>“Magdalena!” riep de monnik met een van spijt gesmoorde stem. + +</p> +<p>“Ik ken die stem, dunkt mij,” dacht Bouke: en nogmaals toeziende, overtuigde hij zich, dat de spreker niemand anders was dan +de Jezuïet, dien hij met zijn meester op den weg naar Leiden eens had ontmoet en met wien hij slaags geweest was. + +</p> +<p>“Stil!” vervolgde de vrouw: “Velasco ontwaakt!—en zoo hij u hier vond....” + +</p> +<p>“Welnu!” zeide Eugenio met een schamperen lach: “welk kwaad kon hij er in vinden, dat, in een huis, als dit, waarin wij als +haring in een ton gepakt zijn, de biechtvader vroeg opstaat van de vochtige steenen in het vertrekje hiernaast, en in een +kinderkamer, zooals deze, zijn troost zoekt? Doch wees gerust: hij slaapt den krijgsmansslaap, en zal niet wakker worden voordat +hij gewekt wordt. Hoor Magdalena! ik heb u nog veel te zeggen, en God weet wanneer wij elkander wederzien.” + +</p> +<p>“Hoe!” hernam zij, een vragenden blik op hem werpende. + +</p> +<p>“Gewis,” vervolgde hij, “ik moet met den dag van hier en verlaat het konvooi: alleen om mij met u te onderhouden ging ik tot +hiertoe mede. Hoor! ik moet recht ernstig met u spreken.—Gij hebt zondig en dwaas gehandeld, Magdalena!” + +</p> +<p>“Ik weet het,” zeide zij, de oogen met somberheid nederslaande: “doch zijt gij het, die mij zulks verwijten moet?” + +</p> +<p>“Dat ben <span class="letterspaced">ik</span>!” hernam hij, “ik, die u in ellende en jammer gedacht heb, ik, die de wroegingen, de kwellingen van uw hart veroorzaakt heb, +ik moet ook de medicijnmeester zijn, die u den vrede teruggeeft, die u een betere hoop en betere uitzichten verschaft.” + +</p> +<p>“Gij?” zeide zij, hem met een scherpen, veelbeteekenenden blik aanziende, en te gelijk het hoofd op een ongeloovige wijze +schuddende: “Eugenio! het is acht jaren geleden, dat uwe taal en uwe verzekeringen eenige macht op mij bezaten.” +<a id="d0e2742"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2742">60</a>]</span></p> +<p>“En denkt gij dan niet, goede Magdalena!” vervolgde hij, als bemerkte hij haar wantrouw in zijn betuigingen niet, “dat ook +mijne ziel door gemoedsangst verscheurd, dat mijn hart door berouw over mijn misdaad gepijnigd werd? Volgens de kerkelijke +wetten had mijn heiligschennis mij den ban, ja den dood doen verdienen; doch onze Heilige Moeder is lankmoedig en genadig: +zij begeerde den dood des zondaars niet: zij schonk mij vergiffenis: zij verwierf die ook voor u.<span id="d0e2745" class="corr" title="Niet in bron">”</span>—Zonder een woord te uiten, bleef zij hem aanstaren, in afwachting van hetgeen er volgen zoude. + +</p> +<p>“U werd echter een boetedoening opgelegd,” ging hij voort: “een boetedoening, die gestreng, doch rechtmatig is. Gij moest +namelijk nimmer terugkeeren in het oord, waar uw vergrijp ergernis verwekte....” + +</p> +<p>“Is dit een boete?” vroeg zij haastig: “ik beschouw dit als een gunstbewijs.” + +</p> +<p>“Val mij niet in de rede,” vervolgde hij; “gij moet, van nu af, uw woonplaats vestigen bij hen, die van den geloove zijn afgeweken: +gij moet in schijn uw leer verzaken, en daar, onder ketters, tot opbouwing onzer Kerk werkzaam zijn. Geheel uw leven moet +dit alleen ten doel hebben, dat weder de ware leer in de afvallige Nederlanden heersche: geene zelfverloochening moet u daartoe +te groot, geene moeite te lastig wezen. Een verhevener dan ik zal u den weg aanwijzen, dien gij te bewandelen hebt, de middelen, +die gij aan moet wenden, om dat doel te bereiken. Kunt gij deze boete voldoen, zoo zijn u uwe zonden vergeven, en uw loon +zal heerlijk wezen!” + +</p> +<p>“Ik ben bereid,” zeide Magdalena, haar handen opwaarts heffende: “tot het vervullen dezer plichten had ik bijna geen vermaning +noodig. Van nu af behoort mijn leven aan Hem, wien ik eenmaal verlaten heb. Mocht Hij mij, als aan mijn Heilige naamgenoot, +weder zijn liefdearmen openen!” + +</p> +<p>“Amen!” zeide de Jezuïet, zich kruisende: “o Magdalena! als het eens door onze vereende krachten gebeuren mocht, dat het kettergeslacht +weder van de aarde verdelgd werde gelijk de afgodendienaars, die den lande Kanaäns bewoonden, toen Jozua tegen hen optrok! +Als het ons weder gelukte, de neergeplofte kruizen alom te herstellen en de verbrokene beelden der heiligen uit het stof te +doen herrijzen. Hoe blijde zou dan niet onze mond het <span class="letterspaced">Hosanna</span> aanheffen!—Wij zijn arbeiders in den wijngaard des Heeren! Vervullen wij blijmoedig onze taak, werwaarts ons Zijn wil ook +heenleide.” + +</p> +<p>“Ik herhaal het u, zoo helpe mij de Heilige Maagd!” hernam zij: “ik ben bereid alles te verrichten, wat mijne Moeder de Kerk +mij voorschrijft:—doch.... Eugenio! wat zal er van Ludwig worden?” + +</p> +<p>“Ludwig,” zeide de volgeling van Lojola, snel naar het bed ziende. “Ook hij zal een nuttig werktuig worden in de hand des +Meesters, die ons bestiert. Volg slechts blindelings wat men u voor zal schrijven, en al wat eerst duister zijn mag, zal naderhand +te heerlijker voor uw verhelderde oogen schijnen.” + +</p> +<p>“Ik bewonder u ondanks mij zelve,” hervatte zij: “wanneer ik u de echte taal eens Priesters spreken hoor; doch, als ik dan +<a id="d0e2767"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2767">61</a>]</span>aan de bloeddorst herdenk, waarmede gij onnoozele vrouwen en kinderen....” + +</p> +<p>“Gij kleingeloovige!” zeide de Jezuïet: “roeit niet de tuinman, als hij het onkruid wiedt, ook de wortels uit?—Laat de jager +de tijgerwelpen in ’t leven, als hij de ouders in hun nest geveld heeft? Liet Mozes niet de vrouwen en kinderen der oproerigen +tegen God met den zwaarde dooden?.... Doch genoeg! ook dat dwaas gevoel van valsche menschlievendheid moet en zult gij overmeesteren:—en +thans vaarwel: de haan heeft reeds ten tweedenmale gekraaid: men bereidt alles tot den aftocht; het is tijd dat ik u verlate;.... +doch gij schijnt verlegen.... hebt gij mij nog iets te vragen?.... zoo maak het kort.” + +</p> +<p>“Zult gij van Ludwig geen afscheid nemen?”.... vroeg zij op een zachten toon: “zult gij hem uw zegen niet geven, eer gij voor +langen tijd, misschien voor eeuwig, van hem scheidt?” + +</p> +<p>De Jezuïet zag met een donkeren blik naar de bedstede, waar de knaapjes in sliepen, schudde het hoofd, wendde zich haastig +om en vertrok zonder een woord te spreken. + +</p> +<p>“Als ik nu van dat geheele gesprek iets anders begrijp,” dacht Bouke, “dan dat het een paar is, dat aan mekaar gewaagd is, +mag ik lijden, dat ik mijn geheele leven in dit hok slijte. Zulk vee van den Satan durft nog woorden uit de Schrift aanhalen +en van Godsdienst en Kerk spreken!.... ik wou, dat ik dat wijf maar eens in haar bakkes kon kijken; want als zij zulke fielterige +voornemens heeft, is ’t niet kwaad vooruit te weten hoe zij er uitziet, om iedereen tegen haar te waarschuwen: men kan aan +’t been best zien, waar de hoos gescheurd is.”—Terwijl hij dus lag te peinzen, werd er in de naaste kamer aan een binnendeur +getikt. Magdalena opende die, en een Spaansch officier trad in volle wapenrusting binnen. + +</p> +<p>“Maak de kinderen wakker,” zeide hij: “over een kwartieruurs vertrekken wij. Waar is Antonio?” + +</p> +<p>“Hij wacht voor de deur,” antwoordde Magdalena, terwijl zij de kinderen uit het bed haalde, die zich, nu wakker gemaakt, den +vaak uit de oogen wreven. + +</p> +<p>“Ga, roep hem,” zeide Velasco (want hij was het), terwijl hij het kleinste kind opnam en kuste: het knaapje beantwoordde zijn +liefkoozingen, noemde hem <span class="letterspaced">lieve vader</span> en speelde met zijn halskraag en vederbos. Intusschen had Magdalena de buitendeur geopend en denzelfden sergeant binnengelaten, +die Bouke had laten gevangenzetten. Een groote, fraaie hond schoot te gelijk de deur in en sprong vroolijk om Velasco en de +kinderen heen. De Kapitein wendde zich nu tot den onderofficier, en sprak met hem een poos in ’t Spaansch. + +</p> +<p>“Nu zal het mijne beurt worden,” dacht Bouke, en inmiddels overlegde hij, wat hem te doen stond en hoe hij zich bij een verhoor +gedragen zoude. Dat zijn leven op ’t spel stond, kwam hem niet eenmaal in de gedachte, of liever, hij bekommerde er zich weinig +over, en hij peinsde alleen op een geschikt middel om zijn ambt van verspieder te kunnen vervullen en aan zijn heer kondschap +te bezorgen van hetgeen hij ontdekt had. Zijn grootste vrees was, dat <a id="d0e2788"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2788">62</a>]</span>het konvooi het dorp zou verlaten, aleer Reede van de nabijheid daarvan verwittigd ware, in welk geval de beide benden elkander +mis zouden loopen en de geheele onderneming mislukken. Terwijl hij aan het overwegen was, ging de deur van het hok open en +een paar soldaten traden binnen, die hem zijn voeten zooveel losbonden, dat hij gaan kon, en hem vervolgens met zich voerden. +Het ruime voorvertrek doorgaande, vond hij het met soldaten gevuld, die bezig waren, de karren buiten te brengen. Hij volgde +zijn leidslieden door een andere deur dan die waardoor hij eerst gekomen was, en bevond zich toen op den publieken weg, die +hier ter weerszijden met woningen omzoomd was. Het begon reeds te schemeren en hij onderscheidde dus duidelijk de krijgsbenden, +die zich hier van alle kanten verzamelden, een aanzienlijk getal ossen, schapen, varkens en voederwagens met zich aanvoerende.—Dezelfde +sergeant, die Bouke gevangen had, stond in het midden van den weg en gaf zijn bevelen, toen er opeens een boer door de menigte +kwam dringen en zich met luider stem bij hem beklaagde, dat de soldaten, die bij hem gehuisvest hadden, zijn ossen hadden +medegevoerd en hem, op zijn beklag hierover, met slagen en scheldwoorden hadden betaald, schoon hij stellig wist, dat de Overste +dergelijke plunderingen verboden had. De Sergeant, die dit laatste zeer wel wist, en echter zijn makkers voor straf wilde +behoeden niet alleen, maar hun den gemaakten buit laten behouden, gaf den armen boer een slecht bescheid. “Wat bruit mij zoo’n +schoft,” zeide hij: “hebt ge bewijzen, kerel? anders kunt ge maken, dat ge wegkomt, of ik zal het uw huid laten heugen, dat +ge de soldaten van de Aartshertogin dus belastert. Hier mannen! smijt me dien kinkel uit den kring.” Dit was aan geen dooven +gezegd: vrij onzacht grepen eenige soldaten den jammerenden en vloekenden huisman bij ’t wambuis en slingerden hem buiten +den kring, zoodat hij vlak tegen Bouke aantuimelde. Deze was terstond bedacht om van deze omstandigheid gebruik te maken, +en, hopende dat de omstanders geen Nederduitsch verstaan zouden, trok hij den boer naar zich toe en sprak hem in deze taal +aan: + +</p> +<p>“Wou je graag je beestjes weerom hebben, vrindje?” + +</p> +<p>“Of ik ze weerom wou hebben!” antwoordde de boer, “maar die rekels....” + +</p> +<p>“Stil: luister! in het boschje ten westen van het dorp, zijn diegenen bijeen, die u daaraan helpen zullen: loop er als de +wind naar toe en vertel al wat hier voorvalt.... gij zult uw ossen weerom hebben en nog twee goudstukken daarenboven.” + +</p> +<p>De boer zag hem verwonderd aan en wilde nog meer vragen; doch een der leidslieden van Bouke, die het gesprek begon te bemerken, +draaide zich om en gaf den huisman een slag met het platte van zijn degen, waarop de sukkel begreep, dat een onverwijld vertrek +het beste voor hem zou wezen. + +</p> +<p>Met het inpakken, het uithalen der karren en het maken der verdere toebereidselen tot het vertrek verliep nog een geruime +tijd, tot groote vreugde voor Bouke, die, als wij reeds aanmerkten, niets <a id="d0e2800"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2800">63</a>]</span>ergers duchtte, dan dat men te ras vertrekken zoude. Velasco was inmiddels uit zijn nachtverblijf gekomen, nam alles in oogenschouw, +deelde zijn bevelen uit, en gelastte ook dat men den gevangene voor hem geleiden zou. Het verhoor was kort. Schoon men tegen +Bouke niets anders had in te brengen, dan dat hij met een pistool de schuur genaderd was, scheen deze omstandigheid echter +van zulk gewicht, dat Velasco begreep hem gevangen met zich te moeten voeren, om hem bij geschikter gelegenheid een langer +verhoor te laten ondergaan. Men bracht hem nu ter zijde, ten einde hem aan den staart van een paard te binden en zoo bij den +aftocht mede te voeren. Hiertoe werd de koord, die hem de voeten gebonden hield, geheel losgemaakt, en de soldaten ontdeden +hem ook van den strik, die hem de handen bond, met oogmerk om het eene einde van het touw aan den paardenstaart vast te maken, +toen zich op eens een schelklinkend trompetgeschal liet hooren, gevolgd van het losbranden van schietgeweer, het getrappel +van paarden en het krijgsgeschreeuw eener aanrukkende bende. “Verraad! verraad!” klonk het door het dorp, en eer men tijd +had om te ontdekken van waar de aanval komen zoude, zagen de Spanjaards een Staatsche ruiterbende van twee kanten binnenrijden. +De boer, dien Bouke gezonden had, had aan zijn wensch voldaan; hij had den Heer van Sonheuvel, die vast vloekte en raasde +over het niet verschijnen van zijn dienaar, ter bepaalde plaats gevonden, en deze had, dadelijk na het vernemen, dat het konvooi +in het dorp was, bevel tot den aanval gegeven. + +</p> +<p>Nauwelijks had Bouke het krijgsgeluid gehoord, of hij rukte zich los uit de handen die hem vast hielden, nam van een daarbij +staanden wagen, waarop schansgraverstuig lag, een zware spade en sloeg daarmede zoo geducht in ’t rond, dat hem in de eerste +oogenblikken niemand naderen dorst. + +</p> +<p>“Schiet den schelm ter neder, die ons verraden heeft!” riep de sergeant, terwijl hij woedend een pistool op Bouke loste. + +</p> +<p>“Oranje! oranje! <span class="letterspaced" lang="fr"><span id="d0e2809" class="corr" title="Bron: á">à</span> bas</span> de Spanjolen!” riep Bouke, terwijl hij met een geduchten slag den sergeant helm en hoofd verbrijzelde. “Hoezee! hoezee! al +gewonnen!” + +</p> +<p>“Op mannen!” klonk nu de stem van Velasco: “hier Pedro! Berti, Mülhoff! Verzamelt uw manschappen en verspert de straat aan +weerszijden. Blijft slechts als palen staan, totdat wij herkennen, hoe sterk de vijand is. Doch!.... Schiet niemand dien verrader +neder?” + +</p> +<p>De bevelen van Velasco werden opgevolgd en zijn nu vereende bende trachtte de toegangen te bezetten, de wagens en het vee +tusschen zich besloten houdende. Doch aan den wensch, dien de hoofdman geuit had, was niet voldaan geworden: Bouke was door +de menigte heen gebroken, had zich, te midden der verwarring, die er heerschte, over een heining gered, en zich, door een +omweg, met zijn bende vereenigd. + +</p> +<p>Het gevecht was nu begonnen, en hoe dapper ook de Spanjaards zich verdedigden, waren zij echter te onvoorbereid om den geduchten +aanval der Staatschen te kunnen wederstaan. Zoolang echter hun wakkere bevelhebber hun bleef aanvoeren, weken zij geen duimbreed; +<a id="d0e2819"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2819">64</a>]</span>doch toen deze, zwaar gekwetst door een pistoolschot, van zijn paard stortte en weggevoerd werd, begon de moed der verweerders +te verflauwen in dezelfde mate als die der aanvallers wies. Al spoedig zochten sommigen een goed heenkomen en poogden in de +boerenwoningen de vlucht te nemen; doch de huislieden, die in den nacht overlast genoeg van die rauwe gasten geleden hadden, +ziende dat de kans dezen tegenliep, vatteden post tegen hunne huisdeuren en dreven al wie er schuilen wilde met knuppelslagen +terug. Dit vermeerderde den schrik der Spaanschen: verscheidene wierpen de wapenen weg en gaven zich over, terwijl anderen +in alle richtingen, tusschen de huizen door, over het veld de vlucht namen. + +</p> +<p>“Waar is de Kapitein der bende?” vroeg de Ritmeester van Reede, zoodra hij zich van de overwinning verzekerd zag. + +</p> +<p>“Ik denk,” zeide Bouke, “dat men hem in gindsche woning gebracht heeft; daar heeft hij zijn nachtverblijf gehouden.” + +</p> +<p>“Naar de hel met hem! Wraak over den moord te Bruck,” riepen eenige voormalige Haneveeren, die zich mede bevonden onder de +ruiters, welke Reede verzeld hadden. En ijlings afgestegen zijnde, snelden zij de boerenwoning in, welke Bouke zijnen Heer +had aangewezen. + +</p> +<p>Terwijl de Ritmeester de noodige bevelen gaf om de gewonden te bezorgen en de gevangenen te binden, kwam Bouke op eens naar +hem toeloopen. “Heer Baron!” riep hij toornig uit: “zij vermoorden den weerloozen Overste.” + +</p> +<p>“Dat zal hun de duivel!” schreeuwde Reede, driftig naar de boerenwoning loopende: “willen zij, spijt mijn last en dien zijner +Excellentie, de Spaansche gruwelen nabootsen?” + +</p> +<p>Haastig trad hij de woning binnen, waar zich een vreeselijk schouwspel aan zijn oogen vertoonde. Met wonden overdekt lag de +dappere Velasco in ’t midden van de schuur op den vloer uitgestrekt, omringd van ruiters, die hem nog gedurig houwen en steken +toebrachten. Om hem lagen verscheidene Spaanschen, die hem in ’t uiterste hadden bijgestaan, nedergesabeld. Een fraaie jachthond +stond er nevens en scheen zich alleen te bekommeren over een klein kind, dat nevens hem op den grond lag te jammeren. Wat +verder stond Magdalena en hield haar zoontje aan haar borst geklemd, als wilde zij het tegen alle boosheid beveiligen. + +</p> +<p>“Terug! gij laffe moordenaars!” brulde Reede, met een vervaarlijke stem: “ik houw den eerste ter neder, die zich weder onderstaat, +een weerlooze aan te vallen.”—Op het hooren van deze bedreiging, en op het zien van de woede, die in zijn oogen flikkerde, +traden de ruiters terug. De Ritmeester naderde Velasco: deze poogde zich op te richten, dan vruchteloos. Reede en Bouke ondersteunden +hem het hoofd. Hij sloeg het half gebroken oog op het kleine knaapje, dat angstig schreiend naar hem toe kroop: wendde vervolgens +den blik op Reede en poogde te spreken. Hij kon echter niet anders uitbrengen dan de woorden: “dit kind!.... zijn vader.... +vermoord.... O Heer! wees mij genadig!”—Met deze woorden zeeg hij achterover en gaf den geest. +<a id="d0e2835"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2835">65</a>]</span></p> +<p>“Het is gedaan!” zeide de Ritmeester, een traan wegwisschende: “zijn dood zal mij eeuwig rouwen. Hij werd vermoord, en ik, +die het had moeten beletten!.... Doch het kind ... Vrouw!” vervolgde hij tegen Magdalena: “behooren die twee kinderen aan +den verslagen Overste?” + +</p> +<p>“Deze is mijn zoon,” antwoordde Magdalena, op Ludwig wijzende. + +</p> +<p>“En deze kleine?” hernam Reede. + +</p> +<p>“Heeft de ongelukkige het u in zijn laatsten levensstond niet gezegd?” vroeg Magdalena, hem met een somberen blik aanziende: +“het is de zoon van den vermoorden Overste.” + +</p> +<p>“En zijn moeder?” vroeg de Ritmeester. + +</p> +<p>“Ik kan u geen verder bericht doen erlangen,” hervatte Magdalena: “wat beveelt gij? moet ik met mijn zoon mede ten prooi strekken +aan den bloeddorst uwer volgelingen? of is het aan een arme weduwe, die met den krijg niets gemeens heeft, vergund, dat zij +vertrekke?” + +</p> +<p>“Houd dat wijf, Heer Baron!” zeide Bouke: “het is een feeks, die met den Jezuïet van de Katholieke Hofstede samenspant, en +zooals UEd! weet, gelijke monniken, gelijke kappen!” + +</p> +<p>“Foei Bouke! een arme vrouw en haar kind,” zeide Reede: “zij mogen in vrede heengaan.” + +</p> +<p>Magdalena wachtte geen nadere vergunning af; doch, Ludwig aan de hand houdende, trok zij, zonder iemand te groeten, dadelijk +de achterdeur uit en verwijderde zich met haar zoon. + +</p> +<p>“En wat zullen deze?” vroeg Bouke, het kleine kind opnemende en te gelijk den hond streelende, alsof hij hem wilde verzekeren, +dat hij geen boos opzet had tegen zijn beschermeling. + +</p> +<p>“Wij zullen daarover nader spreken,” antwoordde de Ritmeester: “thans moeten wij zorgen, dat de aftocht zoodra mogelijk geschiede.” + +</p> +<p>“Juist,” zeide Bouke, hem buiten de schuur volgende, “wel zegt het spreekwoord, dat al wat gaat ook terugkeeren moet.” + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2657" href="#d0e2657src" class="noteref">1</a></span> Men moet zien of hij geld heeft. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2685" href="#d0e2685src" class="noteref">2</a></span> Wij hebben een ander beest gevonden: eenen verrader. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e2860" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Achtste Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph" lang="nl-1600"> +<p>Godlof! het is mijn heer! ik heb zijn stem gehoort. + +</p> +<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Gijsbrecht van Aemstel. +</p> +</div> +<p>Het zal mijn Lezers en vooral mijn Lezeressen waarschijnlijk niet dan aangenaam zijn, dat ik, bij ’t begin van dit achtste +Hoofdstuk, van krijgsveld, legerplaatsen en wapenfeiten voorgoed afscheid neme, om hun een meer bevallig, meer huiselijk tooneel +te schilderen en hen niet alleen in de kleine woning, welke de Heer van Reede binnen Amsterdam bezat, maar zelfs binnen de +kraamkamer der edele vrouw te geleiden, welke met haren zuigeling op den schoot, in ’t gezelschap van den Predikant Raesfelt +en van haar Baker, de terugkomst verbeidde van haar beminden echtgenoot. Deze had, nu <a id="d0e2872"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2872">66</a>]</span>de legers de winterkwartieren betrokken, verlof ontvangen om de wintermaanden in den schoot zijns huisgezins door te brengen +en zijn wederhelft op zijn aanstaande terugkomst voorbereid. + +</p> +<p>Mevrouw van Sonheuvel was een kleine, tengere blonde, met zachtblauwe oogen en regelmatige gelaatstrekken, die in vroegeren +leeftijd, toen zij nog met den blos der schoonheid overtogen waren, menigen edelen aanbidder bekoord hadden. Doch sedert haar +echt met den Baron van Reede, of liever sedert de weigering van haar vader om dat huwelijk te bekrachtigen, had een diepe +smart aan haar fijngevoelig hart geknaagd en haar levenskrachten langzamerhand aangetast. Een teringachtige ongesteldheid +sloopte haar zwak en aandoenlijk lichaamsgestel: de rozen der wangen verbleekten: de hoogzwellende boezem vermagerde en de +eens zoo bevallige schoone was niet meer dan een schaduw van wat zij eenmaal geweest was. Op raad van zijn geneesheer, die +de fijne lucht, welke men op het kasteel van Sonheuvel, hetwelk de Barones betrok, inademde, voor haar gestel nadeelig schatte, +had Reede besloten binnen Amsterdam een kleine woning te betrekken, die vanouds aan zijn geslacht behoorde. Die verhuizing +scheen echter weinig of geen invloed ten goede op de gezondheid zijner beminde gade uit te oefenen, terwijl daarentegen de +plotselinge dood van haar zoontje, dat aan hevige stuipen overleed, haar een nieuwen, hoogst nadeeligen schok had toegebracht<span id="d0e2876" class="corr" title="Bron: ,">.</span> Het was niet dan door de uiterste zorgen aan te wenden, en door zich van alles wat eenigszins schaden kon te onthouden, dat +zij zoo gelukkig was geweest, de uitzichten te zien vervullen, welke een tweede zwangerschap haar had aangeboden: schoon pijnlijk +en ziekelijk, had zij echter dien tijd doorgestaan en was vrij voorspoedig van een wel tenger en klein, doch gezond meisje +verlost geworden, aan ’t welk zij nu hare moederteerheid toe mocht wijden, en dat haar bijwijlen de diepe smart vergeten deed, +die haar ziel had ingenomen. + +</p> +<p>Zij was dan op een avond van de maand December, bij het helder lichtend turvenvuur, in een lagen, wel met kussens gedekten +en met fluweel gevoerden leunstoel gezeten: tusschen haar en den haard was de thans in onbruik geraakte bakermat, omringd +van de benoodigde korfjes en rekken, waarin de onmisbaarste kleedingstukken van het kleine poppetje net gevouwen lagen of +waarop die hingen te drogen. De Baker zelve, een vrouw van zekere jaren, die, sedert zij als min bij de kleine Maria van Sonheuvel +gekomen was, haar nooit verlaten en dus langzamerhand een vrij groote mate van invloed op het huisbestier bekomen had, zat +echter thans niet op haar nederigen troon bij den haard; zij had het kind aan Mevrouw gegeven, liet de pap door het daartoe +bestemde zeefje gaan, hield een wakend oog over het kokend kandeeltje, en vond nog tijd genoeg tusschenbeide om voor den predikant +een kan ouden Rijnschen wijn en een fraaien roemer neder te zetten. + +</p> +<p>Den Predikant Raesfelt zullen wij uit het vervolg dezer geschiedenis nader kennen leeren: het zij ons, met besparing van verdere +uitweidingen over ’s mans begaafdheden en karakter, alleen vergund <a id="d0e2883"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2883">67</a>]</span>hier aan te merken, dat hij, sedert kort op het dorp Sonheuvel beroepen zijnde van Ransdorp, waar hij tot dien tijd gestaan +had, op zijn reize door Amsterdam zijner nieuwe Vrouwe een beleefdheidsbezoek was komen geven. + +</p> +<p>“Ik hoop,” zeide Mevrouw tegen den Predikant, terwijl deze met een zilveren staafje het klontje suiker verbrijzelde, dat in +den hollen voet des roemers lag, “dat mijn gezondheid genoeg in beterschap zal toenemen, om mij te vergunnen een gedeelte +van den zomertijd te Sonheuvel door te brengen. Dan zult gij, Dominee! ook nadere kennis maken met mijn man. Ik ben benieuwd +te weten hoe hij u bevallen zal. Gij begrijpt, hij is geen geleerde, maar een krijgsman: echter is hij zijn gezelschap dubbel +waardig<span id="d0e2887" class="corr" title="Bron: ,">.</span>” + +</p> +<p>“Ik ben onderricht, Mevrouw!” antwoordde Raesfelt, “dat de Baron van Sonheuvel een ijverig voorstander is van onze dierbare +Hervormde geloofsbelijdenis: dat hij geen geleerde is, vermindert zijn waardij geenszins in mijne oogen. Wie zoude ons dierbare +Vaderland en onze Kerk beschermen, indien wij geen ander wapen voerden, dan de pen? wel is waar, Psalm 33 zegt, naar de berijming +Datheni: + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Krijgsknechten met hoopen +</span></p> +<p class="line" style=""><span>In stormen en loopen. +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Konden door haar macht, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Koningen noch helden +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Helpen in de velden +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Sonder ’s Heeren kracht</span></p> +</div> +<p>Maar het spreekt van zelf, dat, daar de Heere voor ons, voor het Hollandsch Israël strijdt, deze regels alleen op de Spanjaards +moeten toegepast worden, gelijk zulks ook bewezen is geworden door de vernietiging van hun onverwinnelijke <span class="letterspaced">Armada</span> of vloot; doch, met dat al, gelijk ik ging aanmerken, ben ik onderricht, dat de Heer Baron de <span class="letterspaced">controverse</span> onder zijn geliefkoosde uitspanningen telt. Ik twijfel dus niet, of wij zullen over deze en gene punten nu en dan, bij nadere +bekendheid, belangrijke gesprekken mogen voeren.” + +</p> +<p>“Zeker,” hernam Mevrouw, “voor een soldaat houdt hij veel van een ernstig gesprek: als men hem vergelijkt bij zoovele oorlogsteden, +die niets van de Schrift weten, en nooit om hun zaligheid denken, dan steekt hij gunstig bij hen af.” + +</p> +<p>“Ja!” voegde de Baker er bij, om het gezegde te bevestigen: “zijn Edelheid is een goed theologant en kent de Schrift op zijn +duimpje en alles wat daartoe betrekking heeft. Heugt het UEd. nog, hoe spoedig hij, toen hij nog een kleine jongen was, dat +versje van buiten wist, dat ik hem leerde, en waarin al de Boeken van het Oude en Nieuwe Testament naar rang vermeld worden, +en hoe hij het altijd opzei in bed, als hij den slaap niet kon vatten?” + +</p> +<p>“Ook heeft hij veel smaak in de Psalmen,” hernam Mevrouw, en kent er vele van buiten, zoowel volgens de berijming van wijlen +den Heer van Sint-Aldegonde, als volgens die van Datheen.” + +</p> +<p>“Heeft hij smaak in de Psalmen?” vroeg de Predikant met blijdschap: <a id="d0e2921"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2921">68</a>]</span>“o dan zullen wij het bijzonder goed samen vinden, als zijnde deze ook mijne geliefkoosde studie. Ik hoop ZijnEd. dan mijn +werk voor te lezen over den honderd-zeven-en-veertigsten Psalm, waarin ik wederlegge de dwalingen Ingelhoffii, die hem Esdrae, +en Colsonni, die hem den Asaph toeschrijft (zijnde de eerste een Saksische, en de tweede een Schotsche uitlegger), en zonneklaar +bewijze, dat hij door niemand anders kan vervaardigd zijn dan door Salomonem. Een bondig stuk! drie honderd bladzijden folio.” + +</p> +<p>“Heden Dominee!” zeide de Baker, terwijl zij verbaasd het hoofd ophief en met den paplepel in de hand als het beeld der verwondering +staan bleef: “ik dacht, dat de Psalmen alle Davids waren, zooals er voorstaat.” + +</p> +<p>“Stil Baker!” zeide Mevrouw: “Zijn Weleerwaarde zal het immers beter weten dan gij.” + +</p> +<p>“Ja! dat is wel mogelijk, dat Dominee zich beter op de uitlegkunde verstaat; doch ik houd mij aan den tekst: wat helpt het +mij, of ik al hoor wat er zou kunnen of moeten staan? ik vraag wat er staat. Het is de Booze, die al die uitleggingen en verfraaiingen +van de Schrifture heeft uitgevonden. Mijn Dominee was de oude Rammelbonzium, die heeft Calvino nog als zijn broertje gekend +en is voor den geloove verbrand in ’t jaar van gratie 65 ... of ... laat eens zien!.... ’t kan ook wel in 68 geweest zijn.... +Neen toch, want het was net in dien kouden winter.... ei wanneer was het ook weer?... Ja.... Mevrouw!.... het zoude den ouden +Heer Baron nog wel heugen; maar....” + +</p> +<p>“Baker!” zeide Mevrouw met een treurigen blik: “denk waar gij spreekt en wat gij zegt!” + +</p> +<p>“Maar Baker!” zeide Raesfelt: “hebt gij dan niet gelezen, dat de letter doodt, maar dat de geest levendig maakt?” + +</p> +<p>“Juist Dominee! en daarom moeten wij niet over de doode letter twisten! want wat zegt de Schrift: zalig zijn de armen van +geeste....” + +</p> +<p>“Zwijg, Geertrui!” zeide Mevrouw op een gebiedenden toon: “en breng mij de kandeel. Zoo gij met Dominee wilt hakketeeren, +zal ik u altijd uit de kamer sturen, als Zijn Weleerwaarde ons bezoeken komt.” + +</p> +<p>“Wacht u daarvoor, Mevrouw!” hervatte de Predikant: “zij heeft een ijver voor de goede zaak, ofschoon niet met verstand, en +UEd. moet haar aan de onderwijzinge, die uit de waarheid is, geenszins onttrekken. Het zal mij altijd aangenaam en goed zijn, +dergelijke gesprekken met haar te voeren, schoon ik hope, dat zij niet de versenen tegen de prikkelen slaan zal, noch zich +tegen de leeringe hares leeraars verzetten.” + +</p> +<p>“Leeraar! hm! hm!” mompelde de oude Geertrui met al de kwade luim eener bedorven dienstbode, zonder acht te geven op de ontevredenheid +van hare meesteres. “Wist men van leeraars in de dagen van den vromen Rammelbonzio! Leeraars! zoo noemt de Schrift de Farizeën!” + +</p> +<p>“Om weder op den Heer Baron te komen,” zeide de Predikant, die de aanmerkingen van de verstoorde Geertrui niet hoorde, of +althans <a id="d0e2943"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2943">69</a>]</span>veinsde die niet te hooren; “het moet wel bedroevend zijn voor UEd. hem zoolang te moeten missen; doch tevens troostrijk, +dat ZEd. in den verleidingsvollen krijgsmansstand met zulke oprechte vroomheid en godvruchtigheid is toegerecht, zoodat hij +niet alleen de wapenrusting, die het vleesch bedekt, heeft aangegord, maar ook die, welke den Christenstrijder voegt, en de +ziel tegen de listen des ronddwalenden Satans beschermt.” + +</p> +<p>“Gewis, Dominee!” antwoordde Mevrouw: “mijn echtgenoot mag in dit opzicht tot een voorbeeld strekken aan alle krijgslieden. +Ja, dachten allen als hij, dan zou de hand des Heeren ijveriger zijn voor ons land. Altijd is hij even trouw en kuisch, en +hoelang hij van mij verwijderd zij, geen vreemde vrouw zal hij aanzien.” + +</p> +<p>“Ja! die vreemde vrouwen!” zuchtte Raesfelt: “wel zegt Salomo: ““al wie tot haar ingaan, zullen niet wederkomen.”” + +</p> +<p>Op dit oogenblik hoorde men een verward gedruisch op de straat, door een luid geklop aan de voordeur gevolgd: en weldra liet +zich de stem van den Heer des huizes kennelijk onderscheiden. + +</p> +<p>“Godlof!” riep Mevrouw: “daar is mijn man! Baker! neem even het kind! ik moet hem spoedig te gemoet gaan!” Dit zeggende, rees +zij haastig op en wilde de kamer uitsnellen; doch halverwegen verlieten haar hare krachten, en zij moest zich aan de Baker +vasthouden, die haar weder naar haar zitplaats terugvoerde. + +</p> +<p>“Wel Engel!” zeide de Baker: “waar waren je gedachten? pas een maand oudkraams en dan in die tochtige gang loopen. Heden neen, +dat niet, lieve kind! Daar zou Mijnheer wat aan hebben, aan een verkouden vrouw.” + +</p> +<p>“Nu is het als in Psalm negentien,” riep de Predikant: + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Daar uyt reyst hy seer claer</span></p> +</div> +<p>en wat er verder volgt; schoon de vergelijking niet volkomen juist zij: want de Heer Baron komt niet <span class="letterspaced">uit</span> maar <span class="letterspaced">in</span> zijn slaapzale.” + +</p> +<p>Terwijl hij deze aanmerking maakte, was Reede binnengetreden. Met aandoening en blijdschap omhelsde hij zijn vrouw, die hem +haar zuigeling aanbood. Verrukt op het gezicht van het bevallige kind, nam hij het uit de armen der moeder op, zette zich +in den stoel, dien de Baker hem had aangeschoven, wipte het kind over zijn knieën, tot grooten angst der Baker, op en neder +en tikte het op de zachte wangetjes met den breeden handschoen, waarmede hij nu en dan de tranen wegwreef, die hem langs den +knevel dropen. Met zalig genot zag zijn gade hem aan, terwijl de oude Geertrui, die hem het wichtje slecht vertrouwde, bezorgd +naast den stoel stond en zich gedurig voorwaarts boog en de handen uitstak, als hield zij zich gereed, het meisje op te vangen, +ingeval hij het mocht laten glippen. Nadat dit zwijgend tooneel eenige oogenblikken geduurd had, werd hij den Predikant gewaar, +die aan de overzijde der stond te buigen als een knipmes. + +</p> +<p>“Wie is die zwartrok?” vroeg hij zachtjes aan zijn vrouw. +<a id="d0e2972"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2972">70</a>]</span></p> +<p><span id="d0e2974" class="corr" title="Bron: “"></span>“St! Hendrik! dat is de eerwaarde Predikant Raesfeldius, die in uwe afwezendheid te Sonheuvel beroepen is.” + +</p> +<p>“Ei! zoo! Uw dienaar Dominee! men heeft mij zooveel goeds geschreven van uwe bekwaamheid en vroomheid, dat ik onnoodig geoordeeld +heb u in persoon te komen hooren, aleer wij u bij ons beriepen. Ik verlang zeer, nadere kennis met u te maken.” + +</p> +<p>“De Heere moge u <span class="letterspaced">segenen</span> met <span class="letterspaced">allerlei goet</span>, gelijk Psalm honderd-vier-en-dertig het heeft, naar de berijming Datheni. Ik wensch mij geluk en verblijd mij over UEd. +terugkomste, gelijk Paulus hem verblijdde over de wederkomste Titi, als er geschreven staat II <span class="letterspaced">Corinthen</span> VII, en wederom in ’t zelfde kapittel: <span class="letterspaced">wij zijn vertroost over uwe vertroostinge</span>. Ik dank den Heere, dat Hij mij heeft waardig geoordeeld in uw woonstede het Evangelium te verkondigen, en een medearbeider +in zijnen wijngaard te worden van UEd., die zoo ijverig de dingen bedenkt, die des Koninkrijks zijn. Wel moge ik met den Psalmist +uitroepen, wat hij in den honderd-twee-en-twintigsten Psalm zingt: + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Binnen uw mueren woonen sal +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Liefde, vrede met eenigheyt; +</span></p> +<p class="line" style=""><span>De huysen en paleysen breydt +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Sijn vol van Gods segeningh al.<span id="d0e3001" class="corr" title="Bron: ’">”</span></span></p> +</div> +<p>“Amen!” zeide Reede, den hoed afnemende. “Nu, ik hoop, dat wij van dezen zomer nadere kennis zullen maken.... Maar zeg eens +liefste! gij hebt ons kind laten doopen, nietwaar?” + +</p> +<p>“Gewis mijn schat! Het is Maria gedoopt: dat was immers de afspraak.” + +</p> +<p>“Ja! dat weet ik wel; doch het moet nog een naam hebben. Ulrica moet het heeten. Ulrica Maria, zoo gij wilt.” + +</p> +<p>“Ulrica?—maar allerliefste! er is niemand in de geheele familie die zoo heet! Ulrica! wat is dat voor een rare naam?” + +</p> +<p>“Raar zooveel gij wilt; doch ik ben er zeer op gesteld. Ik zal u nader wel eens zeggen waarom; doch, daarvan gesproken, ik +breng u een klein geschenk mede.—Heidaar! Bouke! Geert! roep Bouke eens!.... doch wacht, Geert! steek eerst die twee kronen +in uw tasch en dat stuk kant, dat ik u voor een welkomthuis heb medegebracht.” + +</p> +<p>“Duizendmaal dank, Uwe Edelheid! God zegene UEd.,” zeide de Baker, “en doe UEd. en Mevrouw veel vreugde aan de lieve kleine +beleven.... een fraaie kant voorwaar.... echt Brusselsch werk.... UEd. heeft het immers bij geen plundering gewonnen?” + +</p> +<p>“Neen, Geert: het is eerlijk van mijn penningen betaald; doch kom! haal Bouke hier!.... doch daar bedenk ik iets: blijf nog +even. Wanneer denkt Uw Eerwaarde naar Sonheuvel te verkassen, Dominee?” + +</p> +<p>“In de volgende week gaat een wagen van hier,” zeide de Predikant, “die ons derwaarts zal voeren.” + +</p> +<p>“Welnu! Dominee! Dan zal het mij aangenaam zijn, Uw Eerwaarde morgen op het middagmaal bij mij te zien met de Juffer. Uw <a id="d0e3021"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3021">71</a>]</span>Eerwaarde is immers getrouwd, nietwaar? Alle Dominees zijn getrouwd? + +</p> +<p>“Ik zal, wat mij betreft, gaarne UEds. vriendelijk aanbod aannemen,” antwoordde Raesfelt: “doch ik verzoek UEd. mijn Huisvrouw +te verschoonen, aangezien zij voor de kinderen moet zorgen. die....” + +</p> +<p>“Wel! dat moet geen hindernis teweegbrengen. Breng de gansche poppenkraam dan maar mede. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd, +zou Bouke zeggen; doch met uw verlof, ik heb thans met mijn vrouw iets gewichtigs af te handelen.... dus tot morgen!—Uw Eerwaarde +neemt het immers niet kwalijk?”—Dit zeide Reede, den Predikant vriendelijk en met gulheid de hand schuddende. + +</p> +<p>“Zeer natuurlijk,” zeide Raesfelt: “ik groet UEd. vriendelijk in den Heere!” + +</p> +<p>De Predikant vertrok. Kort daarna verscheen Bouke. + +</p> +<p>“Wat is er van UEds. dienst? Hoe vaart Mevrouw en de kleine? De Heere beware ons wat een schoon kindje: net Mevrouw! ja wel +mag men zeggen: zoo de hen zoo de ven, en de ekster kan het hippelen niet laten!” + +</p> +<p>“Bouke!” zeide de Baron: “haal den kleine boven!” + +</p> +<p>“Dat zal bezwaarlijk gaan, mijnheer! die heeft UEds. helm beetgekregen en wil hem volstrekt niet laten varen: ja, ’t wil al +muizen, wat van katten komt.” + +</p> +<p>“Doe zooals ik u zeg!” hernam Reede. Bouke vertrok. + +</p> +<p>“Maar van welken kleine spreekt ge toch, Hendrik,” vroeg Mevrouw. + +</p> +<p>“Kijk maar zoo verheerd niet: dat zal zich wel ophelderen: daar komt Bouke al met hem aan. Bij mijn degen! een schoone jongen, +al is het een Spanjool!” + +</p> +<p>Bouke kwam binnen met een knaapje van ongeveer twee jaren op den arm, dat luid schreeuwde en tegenspartelde. + +</p> +<p>“Hier is hij, mijnheer; doch hij blaart als een kalf, omdat ik hem den helm heb afgenomen: ’t was tijd, hij scheurde de veders +aan stukken.” + +</p> +<p>“Bewaar ons, Hendrik!” zeide Mevrouw: “wat is dat voor een kind? Ik wil niet hopen.... zooeven nog heb ik bij Dominee uw vroomheid +geprezen.” + +</p> +<p>“Kom! kom! gekheid, wijfje-lief! is het geen mooi kind? Kijk eens, wat schoone blonde krullen!.... en die schelmsche zwarte +kijkers, die hij zeker van zijn vader heeft.... Kom jongen! huil niet: hier is lekkers!” + +</p> +<p>“Niet lekkers! naar beneden!” riep het kind. + +</p> +<p>“Maar vertel mij dan toch,” herhaalde mevrouw, “wien dat schaap toebehoort.” + +</p> +<p>“Wien?.... Aan niemand, of liever, aan dengenen, die zich zijner erbarmen zal. Luister! in de vorige maand heb ik een konvooi +opgelicht, dat van Gelder naar Mendoza gestuurd werd. De commanderende officier van het geleide werd gruwzaam door mijn volk +omgebracht, uit wraak voor den moord, aan mijn vriend Falckestein gepleegd. Ik had dit moeten voorzien en beletten; doch wat +was <a id="d0e3057"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3057">72</a>]</span>er aan te doen? het feit was gepleegd.—Nu was er bij het lijk een vreemde vrouw met twee kinderen, en een fraaie jachthond.... +Nietwaar Bouke! een kostelijk schoon dier? Ik heb hem in ’t voorbijgaan op Sonheuvel gelaten. Nu, die vrouw moet al een rare +mamsel geweest zijn, althans zoo Bouke vertelt. Kort en goed, zij liep met het eene kind weg, en liet mij met dezen schreeuwerd +zitten, die een zoontje van den vermoorden Overste is. Hoewel ik weinig lust had om mij met dit <span id="d0e3059" class="corr" title="Bron: 8paansche">Spaansche</span> gewrochtje te belasten, zoo nam ik het echter mede, half uit medelijden, en half omdat zijn vader, eer hij stierf, het mij +had aanbevolen en ik toch door de zorg voor het kind het een weinig goed dacht te maken, dat ik voor den vader zoo slecht +gezorgd had. Ik schreef, bij mijn terugkomst in ’t leger, aan Don Louis de Velasco, die een eigen broeder is van den overledene, +hoe het schaap in mijn handen geraakt was, en vroeg, hoe ik het hem best zou oversturen: en wat denk je, dat mij die Spanjool +ten antwoord gaf?—Dat zijn broeder nooit getrouwd geweest was, en dat hij geen lust had, zich met de basterds, die hij bij +zijn leven verwekt mocht hebben te bemoeien: dat ik het buit had gemaakt, en er nu zelf voor zorgen kon.—Wat zou ik doen? +Ik bewaarde het arme wicht: en thans vraag ik u op uwe beurt, schatlief! wat zullen wij doen met het lieve schaap?” + +</p> +<p>“Wij zullen het bij ons houden, Hendrik!” zeide Mevrouw, het kind op het voorhoofd kussende: “wij zullen het als ons eigen +kind behandelen, tot de moeder zich aanmeldt, of de bloedverwanten zich zijner aantrekken. Wie weet, Hendrik! of God het ons +niet gezonden heeft om de plaats te vervullen van het lieve engeltje, dat wij verloren hebben.” + +</p> +<p>“Hm! hm! zoo gauw niet!” zeide Reede: “zoo zijt gij vrouwen altijd! van ’t eene uiterste in ’t andere. Straks schriktet ge +er van, toen ik het binnenbracht, en nu wilt ge het kind als zoon aannemen!—Doch daarover later! Ik zal er intusschen nog +eens over schrijven aan den Spaanschen Grootmeester, hoe weinig trek ik er toe gevoele. Zie eens! de knaap schijnt zich met +de familie bekend te willen maken: hij poogt al kusjes aan zijn kleine zusje te geven.” + +</p> +<p>“Een lief kind waarlijk,” zeide de Barones: “nietwaar, lieve jongen! gij zult veel van mij houden en mij wel moeder willen +noemen?” + +</p> +<p>“Moeder!” zeide de knaap, haar scherp in ’t gezicht ziende: “Moeder weg!” + +</p> +<p>“Arm kind,” hernam de brave vrouw, het kind aan haar hart drukkende: “gij zult in mij haar wederom vinden, die gij verloren +hebt;.... indien gij mij maar ook niet verliest!” voegde zij er zuchtend bij. + +</p> +<p>“Foei, lieve engel!” zeide de Baron, haar kussende: “welke treurige gedachten! zoo iets moogt gij niet zeggen.” + +</p> +<p>“Maar toch wel denken,” hernam zij. “Het zal niet lang meer met mij duren, Hendrik! ik word alle dagen zwakker.” En tot bevestiging +van dit gezegde zette zij den kleine neder, en gaf hem over aan de zorg van Geertrui, die de zuigeling intusschen in de wieg +had gelegd. Smakelijk nuttigde het knaapje een boterham, en <a id="d0e3076"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3076">73</a>]</span>liet zich vervolgens door Geertrui naar zijn bedje brengen, hetwelk voor het overleden zoontje des Barons gediend had en nu +voor zijn voedsterling in gereedheid gemaakt werd. + +</p> +<p>“Ik hoop u dezen zomer buiten te brengen,” zei inmiddels de Baron tegen zijn vrouw: “die benauwde stad deugt u niets. Dat +geleuter van de Dokters beduidt geen zier. De frissche buitenlucht zal u goeddoen. Dat beloof ik u!” + +</p> +<p>Treurig schudde de Barones het hoofd. “Ik wil u niet bedroeven, Hendrik!” zeide zij: “doch het is zooals ik zeg. Mocht ik +slechts met mijn vader verzoend zijn vóór mijn dood: dan zou ik meer gerust het hoofd nederleggen, hoe hard het mij ook valle +van u te scheiden. Dan, Gods wille geschiede.” + +</p> +<p>Dezen troost mocht de ongelukkige lijderes niet bekomen. Hartzeer deed haar, ongeveer twee maanden na de terugkomst van den +Baron, ten grave gaan, betreurd door allen, die haar beminnelijke hoedanigheden gekend hadden, maar vooral door haar echtgenoot. +Deze haastte zich, het huishouden op te breken, Amsterdam, dat hem niets dan smartelijke herinneringen gaf, te verlaten en +zich weder op zijn kasteel van Sonheuvel te vestigen, gedurende den tijd, dien hij niet in het leger doorbracht. + +</p> +<p>Inmiddels had hij zich met vaderliefde gehecht aan den kleinen vondeling, wien hij den naam van Joan had gegeven. Vruchteloos +waren al zijn nasporingen geweest: onbeantwoord waren al zijn nadere brieven aan Velasco gebleven. Hij besloot eindelijk het +kind als het zijne op te voeden en bij voorbaat zelfs voor het zijne te laten doorgaan; terwijl hij, voor zijn vertrek uit +Amsterdam, aan Bouke en Geertrui plechtig liet zweren, dat zij aan niemand de ware toedracht der zaak zouden bekend maken. +“Het kind moet, mag nooit weten,” dacht hij, “dat ik zijn vader heb laten vermoorden: anders zou het mij eens vloeken in de +plaats van mij te zegenen. Komt het eens tot rijper jaren, dan zullen wij zien, wat wij er van maken kunnen.” + +</p> +<p>Eenigen tijd na zijn aankomst op Sonheuvel, vernam de Baron van een reizenden koopman in honden, dat dit fraaie dier, hetwelk +hij bij Velasco gevonden had, door hem een paar jaren te voren aan den Grave van Falckestein was verkocht geweest. De Baron +begreep terstond, dat Velasco het zich tijdens de plundering van Bruck had toegeëigend, en daar het hem een aangename gedachte +was, de Gravin Douairière in het bezit te herstellen van iets, dat haar gemaal had behoord, zoo haastte hij zich haar, die +nu in Den Haag haar verblijf had gevestigd, een beleefden brief te schrijven, waarbij hij haar kennis gaf van zijn ontdekking +en haar verzocht hem te melden, wanneer zij den hond zou ontvangen. Tot zijn groote verwondering ontving hij in antwoord den +volgenden brief, in ’t Hoogduitsch geschreven: + + +</p> +<div class="blockquote"> +<div class="body"> +<div class="div1"> +<p>“Heer Baron! + + +</p> +<p>UEds. geëerde Missive is bij groot geluk niet in handen van Mevrouw de Douairière van Falckestein, maar in de mijne gekomen. +<a id="d0e3096"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3096">74</a>]</span>Het zou mij leed doen, indien Haar Genades gestel, hetwelk door zoovele en zoo zware rampen reeds sterk geleden heeft, een +nieuwen schok ontving door de treurige herinneringen, welke het ontvangen van het geschenk, dat UEd. voornemens was Hare Genade +te doen, bij Hare Genade zou verwekken. Ik heb de eer UEd. bij dezen kennis te geven, dat het mijn voornemen is, met Hare +Genade, dadelijk na het einde van haren rouwtijd, een wettige verbintenis aan te knoopen (waarop God zijnen zegen geve). Ik +twijfel niet, of UEd zal wel eenig deel willen nemen in mijn rechtmatige vreugde over dat blijde vooruitzicht.—Intusschen +verzoek ik UEd. Mevrouw de Douairière over het bewuste onderwerp niet meer te schrijven, daar UEd. zelf de noodzakelijkheid +zal inzien van haar alle dergelijke treurige aandoeningen, opgewekt door het herdenken aan vervlogen genoegens, te sparen. + + +</p> +<p>Ik heb intusschen de eer mij nederig in UEds. vriendschap aan te bevelen, en UEd. te verzekeren, dat ik onveranderlijk ben, + + + +</p> +<p>Heer Baron! + + +</p> +<p>UEd. toegenegen Vriend, en +<br>Dienstwillige Dienaar, + + +</p> +<p><span class="smallcaps">Lodewijk Gunther van Nassau</span>.” + +</p> +</div> +</div> +</div><p> + + +</p> +<p>“Die vrouwen! die vrouwen!” riep Reede stampvoetend uit, nadat hij den brief tweemalen met verbazing gelezen had: “kan men +zich zoo iets voorstellen? Nauwelijks is de asch van haar man koud.... (en welk een man was hij, dien zij verloor!).... of +zij gaat met een ander in ’t huwelijksbootje!.... Haar over ’t bewuste onderwerp te schrijven! ... Neen waarachtig niet. Geen +taal of teeken zal ik haar ooit meer sturen, dat beloof ik haar. Ik zal moeite hebben mij in te houden, als ik dien Graaf +van Nassau weder onder de oogen krijg. Foei! foei!”—En hij scheurde in drift den ontvangen epistel in duizend stukjes. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e3113" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Negende Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="
 poem
 " lang="en"> +<p class="line" style=""><span>The knowledge of my birth secured +</span></p> +<p class="line" style=""><span>From all and each, but most from me.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Byron</span>, the Bride of Abydos. + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Mijn afkomst werd voor elk, vooral voor mij, verholen</span></p> +</div> +<p>De Abydeensche Verloofde.</p> +</div> +<p>Evenals een beekje, dat, van den top der Alpen ontweld, lange tallooze omwegen voortgevloeid, verscheidene kronkelingen en +bochten beschrijvende, een geruimen tijd naamloos en als onbewust waarheen, <a id="d0e3133"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3133">75</a>]</span>over rotsen en klippen, door velden en akkers dwaalt, en den wandelaar, die zijn boorden volgen wil, in de onzekerheid laat, +waarheen zijn reis zal geleiden, totdat het eindelijk, door den toevloed van andere beken en den aanvoer des bergwaters gezwollen, +zijn oevers verbreeden ziet, en over een dieper bedding onder een bepaalden naam zijn weg vervolgt, zoo ook is ons verhaal, +dat tot nu toe niet de lotgevallen van een bijzonderen hoofdpersoon, maar de wederwaardigheden van verschillende personages +heeft geschetst, eindelijk zooverre gevorderd, dat het zich niet meer ter rechter- of ter linkerzijde behoeft af te wenden, +maar onafgebroken met de daden van den wezenlijken held der geschiedenis de aandacht des lezers kan bezighouden. Het voegt +ons dus, ter dezer plaatse, waar de geschiedenis, die wij beschrijven, eigenlijk een aanvang neemt, den Lezer dank te zeggen +voor het geduld, betoond in het ten einde brengen onzer vrij lange inleiding, die hij misschien bij zich zelven reeds zal +vergeleken hebben met den Brijberg, waar men moest dooreten, alvorens men in Luilekkerland aankwam, afgebeeld op het oude +prentje, in mijne kindsheid voor de som van een oortje alom verkrijgbaar, en thans, nu er geen oortjes meer afgepast kunnen +worden en de kinderen veel te verstandig zijn, dan dat zij zich met Luilekkerland, Jan de Wasscher en dergelijke grollen zouden +bezighouden, wellicht niet meer te bekomen. Men wane echter niet, dat ik, mijn inleiding bij den Brijberg vergelijkende, de +gelijkenis verder zou willen trekken en het verhaal zelf voor Luilekkerland laten doorgaan. Hiertoe ben ik, ik zal niet zeggen +te nederig (want die verontschuldiging is afgezaagd), maar te trotsch; want ik wil, uit loutere trotschheid, nimmer iets beloven, +dat ik vooruit zeker weet, niet te kunnen geven. + +</p> +<p><span id="d0e3136" class="corr" title="Bron: Iudien">Indien</span> er nu een Lezer vragen mocht (want het is een vragend geslacht, dat der lezers, en vooral dat der Recensenten), waarom ik +niet liever al hetgene ik nu in mijn inleiding heb te boek gesteld, naderhand bijwijze van herinnering of verhaal in mijn +geschiedenis heb ingelascht, zoo zou ik hem antwoorden, niet alleen dat het mij altijd vermoeiend en lastig is voorgekomen, +wanneer in werken van deze soort de draad der geschiedenis werd afgebroken, om te vertellen hetgeen voor de geboorte van den +hoofdpersoon, althans lang voor den tijd van het verhaal, was voorgevallen; maar ook, dat ik in deze geschiedenis van den +ouden tijd, het voorbeeld heb willen volgen van de legerhoofden van dien tijd. Dezen trokken niet, zooals thans geschiedt, +dadelijk op de hoofdstad aan, om, na deze bemachtigd te hebben, door dezen of genen Generaal de mindere steden en vestingen +aan hun wapenen te onderwerpen, maar zij belegerden eerst de grenskasteelen, vervolgens de schansen en vestingen, die zij +op hun weg ontmoetten en eerst na de verovering van die alle, drongen zij in het hart van het land door. + +</p> +<p>De kleine Joan werd dan, gelijk wij in het slot van het vorige Hoofdstuk hebben verhaald, op het kasteel te Sonheuvel opgevoed, +en ging er voor den zoon van zijn pleegvader door. Alleen de predikant Raesfelt, wien Reede zijn vertrouwen geschonken had, +en <a id="d0e3141"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3141">76</a>]</span>die het door zijn braafheid verdiende, de getrouwe Bouke en de oude Geertrui kenden het geheim van zijn geboorte. De Baron, +zoowel als Raesfelt, beducht dat het Spaansche bloed eenmaal in de aderen des jongelings mocht spreken, boezemden hem, van +kindsbeen af, een vreeselijken haat in tegen zijn landgenooten, en een groote liefde en achting voor het huis van Oranje, +vooral voor Graaf Maurits, zijn meest schitterende ster. Zij deden meer: zij zochten hem, onder de aanwakkerende godsdiensttwisten, +tot een ijverigen voorstander der oude rechtzinnige leer te maken: en het was vooral de Predikant, die hiertoe zijn uiterste +best deed. + +</p> +<p>De Predikant Raesfelt (want wij moeten den man nader leeren kennen) was, gelijk de meeste godgeleerden van dien tijd, een +man vol groote bekwaamheden, en met enkele lichte gebreken, doch die niet zelden beletteden, dat hij op zijn waren prijs geschat +werd. Koelheid, lauwheid in de zaak van den godsdienst was toenmaals onbekend: men was gedwongen, zoo niet uit overtuiging, +althans uit noodzakelijkheid, voor deze of gene gevoelens partij te trekken, Raesfelt, met hart en ziel gehecht aan de leerwijze, +die Bogerman, Gomarus, Lubbertus en hun medestanders predikten, paarde aan de denkbeelden van dezen ook hun staatkundige beginsels. +Evenals de genoemde schrijvers was hij een door en door geleerd man, doorvoed met de lezing der oude, vooral der godgeleerde +schrijvers. De zucht tot onderzoek en kennis wies gestadig bij hem aan, en het stille studeervertrek was voor hem het meest +geliefkoosd verblijf. Aldaar arbeidde hij onvermoeid en onafgebroken aan de voortzetting zijner studiën, terwijl oprechte +waarheidsbegeerte en zucht om veel goeds en nuttigs te stichten, niet minder dan een brandende weetgierigheid, de spoorslagen +waren, die hem het werken zoo gemakkelijk, ja tot zijn dagelijksch brood maakten. Zijns ondanks echter en niettegenstaande +deze drijfveeren leidde de bij den mensch ingeschapen lust om hetgeen hij eens voor goed en waar heeft gehouden te blijven +aankleven, hem steeds daartoe, dat al zijn oefeningen de strekking hadden om het godsdienstig stelsel, dat hij zich eenmaal +gevormd had, te versterken: al de schriftuurplaatsen, al de bewijzen en verklaringen, die aan zijne denkwijze kracht bijzetteden, +verkregen in zijn oog een dubbel gewicht; en al de uitleggingen of vertalingen, die niet met zijne meeningen strookten, werden +door hem veel spoediger dan hij zelf dacht, voor valsch, of ten minste voor dom verklaard: zoodat hij, hoe onpartijdig hij +meende en wenschte te zijn, dikwijls en zonder het te weten tot sterke partijdigheid verleid werd. + +</p> +<p>Schoon zijn verstand dus somtijds dwalen mocht, zijn edel en oprecht hart dwaalde niet. Zijn wandel was onergerlijk voor God +en voor de menschen: zijn gedrag een voorbeeld van Christelijke liefde en zachtmoedigheid. Liefde tot den naaste was bij hem +geen theorie, maar een deugd, die hij, waar en wanneer hij kon, in praktijk bracht, en zoo zijn verstand hem somtijds verleidde +om den andersdenkende te beschouwen als iemand, wien men, naar het voorschrift des Apostels, niet in zijn huis mocht ontvangen, +noch tot hem zeggen: <a id="d0e3147"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3147">77</a>]</span>“wees gegroet,” zijn hart bleef ook voor den in zijn oog verdoolden broeder nimmer gesloten. Zijn huisvrouw had hij, ondanks +haar weinig aangenamen aard, van harte lief, en met zijn kinderen was hij recht mal, gelijk men zegt. Ook de inwoners van +het slot en het dorp Sonheuvel waren aan hun Herder bij uitstek gehecht, want zij vonden in hem altijd een oprechten, deelnemenden, +getrouwen vriend en somtijds voortreffelijken raadsman. + +</p> +<p>De zorg voor zijn huishouden en voor zijn gezin, dat langzamerhand vrij talrijk was geworden, liet hij geheel aan zijn wederhelft +over: hem vonden de eerste ochtendstralen reeds in zijn studeervertrek, ’t welk hij alleen om te middagmalen verliet en waar +hij, na een korte wandeling door het dorp, het overige van den dag in doorbracht. De Zondag alleen bracht in deze levenswijze +eenige verandering teweeg: dan ontbeet hij met zijn gezin, verruilde den huispels tegen den zwarten rok, ging, na de predikatie, +doorgaans op het kasteel het middagmaal gebruiken en deed, als de namiddagdienst was afgeloopen, met Joan en zijn zoons een +wandeling in den omtrek: terwijl hij den avond, wel niet met studeeren, doch met het lezen van de nieuw uitgekomen werken +over controverse punten, ten einde bracht. + +</p> +<p>Ondanks zijn zittend leven had hij een zeer rechte gestalte: zijn gelaat had de zoogenaamde kamerkleur verkregen en getuigde +van onthouding en inspanning. Zijn neus was ver vooruitgebogen, als ware die bij de wording bestemd geworden tot het snuffelen +in boeken en papieren. Van onder zijn zwarte kalot slipten eenige weinige lichtblonde haren uit, terwijl zijn ooren als de +vleugels van een Cherubijntje zich van het hoofd verwijderden. Zijn blauwe oogen blikten doorgaans strak en afgetrokken voor +zich uit; doch hun gewone dofheid werd verlevendigd, wanneer de aard van het onderhoud de deelneming van den Predikant gaande +maakte, of wanneer zijn gemoed door het vernemen van iets belangrijks, zijn geliefde studiën betreffende, bijzonder was aangedaan. + +</p> +<p>Zijn huisvrouw verschilde aanmerkelijk in verstand en karakter met haar echtgenoot. Deze had haar gehuwd, omdat een Predikant +in dien tijd trouwen moest, wilde hij niet voor een Roomschgezinde aangezien worden, en omdat zij een ordentlijken stuiver +bezat; doch hij had gewis een betere keuze kunnen doen. Behalve dat zij scheel zag, dat haar gelaat met sproeten en puisten, +met een rooden neus, scherpe kin en vale kleur versierd was, bezat zij een inborst, niet ongelijk aan die der beminnelijke +echtgenoote van den vlijtigen Trommius, welke, (zoo men verhaalt) het handschrift van het ontzettend werk der Concordantiën, +toen het ter helft door haar man voleindigd was, op het vuur smeet, en het zoo bont maakte, dat de arme leeraar, die geduldig +zijn arbeid van nieuws af aan weder begonnen was, bij haar overlijden uitriep: “God zij geloofd! nu heb ik rust en kan mijn +werk ten einde brengen!”—Ook Mejuffrouw Raesfelt was een soortgelijke heks; doch haar man had minder van haar boozen aard +te lijden dan eenig ander, ja zelfs had hij het zoover weten te brengen, dat hij met haar leefde als hij met de zachtzinnigste +vrouw in de <a id="d0e3155"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3155">78</a>]</span>wereld zou gedaan hebben. Dit geluk was het gevolg zijner levens wijze. Hij zag haar nooit dan aan het middagmaal, waar hij +den mond alleen opende tot bidden en eten; zijnde hij voor ’t overige zoozeer in gedachten verdiept, dat hij niets vernam +van ’t geen om hem gebeurde—en in bed, waar het vroege opstaan van den man en de drukke vermoeienissen, welke de vrouw zich +door loopen en praten, en kijven veroorzaakte, beiden alras deden inslapen. Daarenboven was, bij hun huwelijk, als een plechtige +voorwaarde door den Predikant bepaald, dat Barbara nooit in de studeerkamer zou verschijnen, noch er eenig gezag uitoefenen, +’t zij in eigen persoon, ’t zij door middel van meid of kinderen. Alleen de oudste dochter, Kaatje, bracht ’s morgens aan +haar vader een kan bier en een snede brood met kaas voor zijn ontbijt boven; doch dit verrichtte zij met inachtneming der +uiterste stilte; niet zelden vond zij des avonds, als zij het bord kwam afhalen om er het avondeten op te plaatsen, het ontbijt +nog onaangeroerd staan: eens zelfs was het niet te vinden; en geen wonder! Dominee had het in gedachten met papieren en boeken +in zijn schrijflade gesloten, waaruit het na verloop van ettelijke dagen weder te voorschijn kwam. + +</p> +<p><span id="d0e3158" class="corr" title="Bron: Do">De</span> zoons van den Predikant, althans toen zij tot die jaren gevorderd waren, waarop de onderwijzing van hun vader hun van dienst +kon zijn, hadden, als vanzelf spreekt, hoewel op gezette uren, den toegang tot het <span class="letterspaced" lang="la">Sanctum Sanctorum</span>, alwaar zij in die wetenschappen onderwezen werden, welke hun noodig waren te kennen om de Academische lessen eenmaal te +kunnen bijwonen. Koenraad en Hendrik (dus waren de beide oudsten genoemd) beantwoordden de moeite, die hun vader zich gaf, +met aanmerkelijke vorderingen in de oude talen, zoowel als in de eerste gronden der theologische studiën, en met vreugde herhaalde +de Predikant dikwijls de woorden van den Psalmist, uit Psalm negentig: + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Laet over ons’ kinderen schijnen uwe eere,</span></p> +</div> +<p>wanneer hij zich voorstelde, dat zij eenmaal tot steunpilaren van de Vaderlandsche Kerk zouden opgroeien en deze tegen de +aanvallen van Paapsgezinden, Socinianen, Arrianen, Pelagianen of Arminianen zouden verdedigen. + +</p> +<p>Behalve deze twee, genoot ook Joan welhaast het voorrecht om de lessen des leeraars te hooren. Viermalen ’s weeks wandelde +hij naar de Pastorie, om er in ’t Latijn, het Grieksch en de Godgeleerdheid onderwezen te worden: deze lessen duurden doorgaans +drie uren achtereen en verveelden hem veelal doodelijk: dan bestond het eenig genoegen van den knaap, uit het zoldervenster +(want het studeervertrek was onder de dakpannen) de kraaien, die om den kerktoren fladderden, met het oog te volgen, of met +een snoeimes zijn naam op de tafel te snijden, iets dat Raesfelt òf niet bemerkte, òf door de vingeren zag. Ook gebeurde het +wel, wanneer de Predikant in diepe bespiegelingen omtrent het een of ander moeielijk vraagpunt verdiept was, en tekst op tekst +aanhaalde, zonder het voorgestelde <a id="d0e3171"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3171">79</a>]</span>bevattelijker te maken, dat Joan al een groot uur zat te slapen, eer Dominee, die nog altijd de oogen op zijn bestoven en +met geschreven aanteekeningen zwart gekrabbeld Grieksch Testament gevestigd hield, er iets van gewaar was geworden. + +</p> +<p>Een leermeester, wiens lessen den knaap beter aanstonden, en wien hij meer eer aandeed, was Bouke, die voorheen den Baron +als lijfknecht gediend had, en thans, nu de Heer van Sonheuvel sedert het sluiten van het twaalfjarig bestand zijn tijd onafgebroken +op zijn kasteel doorbracht, de ambten van kamerdienaar, jager, visscher, valkenier en nog eenige andere <span class="letterspaced">cumuleerde</span>. Van dezen leerde Joan al spoedig de bekwaamheden, welke den toenmaligen adel kenschetsten. Weldra overtrof hij hem in al +die oefeningen, waartoe lichaamskracht en behendigheid vereischt werden: hij kon lang, zonder vermoeid te worden, tegen den +stroom op zwemmen, wipte de breedste slooten vaardig over, bracht zooveel hoenders van de jacht terug als men begeerde, verstond +de kunst om valken en honden af te richten en zag met een oogopslag aan welken kant van ’t water de meeste visch te vinden +zou wezen. + +</p> +<p>Men wane echter niet, dat hij van het onderwijs des Predikants niets mededroeg: daartoe was hij te vlug van vernuft en bevatting; +en ofschoon hij niet leerde, wat hij bij meerderen ijver en leerlust zich had kunnen eigen maken, zoo onthield hij ten minste +zooveel van het geleerde, dat hij op zijn zeventiende jaar in het vak der letterkunde althans zoover gevorderd was als eenig +jonker in den omtrek, en dat hij de godsdienststelsels genoegzaam kende, om bij de droevige scheuringen, die toen het vaderland +verdeelden, gesprekken, over dat onderwerp gevoerd, met belangstelling te kunnen hooren. + +</p> +<p>Van zijn pleegvader leerde Joan den wapenhandel en de wiskunst, ja zelfs de voorbereidende kundigheden tot den vestingbouw, +in welke vakken Reede geheel niet onbedreven was:—ook het paardrijden, zoowel in theorie als in praktijk, zoodat hij mede +over den toomprang kon spreken en de lengte der stangen naar ’t maaksel van ’t gebit wist te berekenen. Hartelijk beminde +hem de Baron, die geen onderscheid maakte tusschen hem en de kleine Ulrica. Ook de huisgenooten van Joan zoowel als de dorpsbewoners +hadden hem lief: want hij was beleefd, gul en dienstvaardig jegens allen. Ja zelfs had hij, ’t geen iets ongehoords scheen, +de gunst der schrikkelijke Predikantsvrouw verworven, door haar nu en dan wildbraad te schenken en een bunsingfamilie uit +te roeien, die zich kort achter de Pastorie genesteld had en een vernielingsoorlog aan de kippen van Mejuffrouw Raesfelt had +verklaard. + +</p> +<p>Doch niemand was zoo sterk aan Joan gehecht, als de zachtzinnige en lieftallige Ulrica. Hij had zijn kleine zusje van harte +lief; doch zij verafgoodde hem. Zijn karakter, hoe beminnelijk ook, was opvliegend en hooghartig, hetgeen de Baron aan het +Spaansche bloed toeschreef; deed hij eens kattekwaad en was hij te trotsch om verschooning te vragen, dan sprak zij hem voor: +werd hij gestraft, zij leed er meer onder dan hij. Verrichtte hij iets goeds, hemelhoog <a id="d0e3184"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3184">80</a>]</span>werd het door haar geprezen, en zij vertelde het aan al wie er naar luisteren wilde. Nooit was zij gelukkiger dan in zijn +gezelschap, nooit droevig dan wanneer hij wat langer dan naar gewoonte was uitgebleven. In één woord, haar genegenheid te +hemwaart had zoo diep wortels gevat en was met de jaren zoo sterk aangegroeid, dat de oude Geertrui niet nalaten kon, dikwijls +aan te merken: “ja! zoo Mevrouw zaliger dat moest beleven, dat haar dochter dat Spanjoolsche kind zoo lief zou hebben! wat +zoude het mensch er wel van zeggen!”—Het was alleen tegen Bouke, dat zij op deze wijze van tijd tot tijd haar hart lucht durfde +te geven; doch dan legde haar deze altijd de breede hand op den mond, zeggende: “Stil Geert! die veel kalt veel ontvalt! beter +gezwegen dan van veel spreken hinder gekregen: noem dat woord van Spanjool toch nooit; want men wordt voor mondhouên gevangen, +voor praten gehangen!”—“Ja! ja:” zuchtte Geert: “ik zal wel zwijgen, maar, om ook eens spreekwoorden te gebruiken, het einde +zal den last dragen en de laatste loodjes wegen ’t zwaarst.” + +</p> +<p>Een hoofdtrek in Joans karakter was, al van zijn kindsheid af; een hevige afkeer van alle onrechtvaardigheid geweest. Deze +was zoo sterk, dat hij zijn toorn of wrevel niet bedwingen kon, ook jegens menschen van meer gevorderden leeftijd, wanneer +hun handelingen hem onbillijk toeschenen. Wij zullen hiervan een voorbeeld bijbrengen, hetwelk meteen zal kunnen strekken +om de karakters der in dit verhaal betrokkene personen nader te ontwikkelen. + +</p> +<p>Op een zomerschen morgen (Joan was toen een twaalfjarige knaap) kwam hij van den Predikant, bij wien hij het gewone onderwijs +genoten had, en wandelde langs de heining van diens tuin terug. In dien tuin stond een fraaie abrikozeboom op stam, wiens +blozende vruchten reeds dikwijls, bij ’t voorbijgaan, zijn lust hadden opgewekt. De kinderen van Raesfelt hadden met niet +minder verlangen het ooft zien rijpen; doch vooral had de oudste, Koenraad, er zijn zinnen op gezet, om daarvan eens recht +op zijn gemak te snoepen, en hij zat, op het oogenblik dat Joan den tuin langs ging, in den boom, waar hij bezig was, de rijpste +vruchten van wespen te zuiveren, zooals hij het noemde, doch eigenlijk, die voor zich zelven te bewaren. Dit bemerkende, hield +Joan stil en riep den snoeper toe: “zoo Koen! als moeder op het mat komt, zal je er slecht afkomen.” + +</p> +<p>“Dat heb ik ook al gezeid,” zeide Koenraads broeder Hendrik, die in een hoek des tuins zat te lezen, “maar hij wil het maar +niet laten.” + +</p> +<p>“Wel dan moet jij het hem beletten,” hernam Joan. + +</p> +<p>“Jawél! om slaag te krijgen! hij is grooter en sterker dan ik.” + +</p> +<p>“Hij moest ereis komen,” zeide Koenraad, spottende, terwijl hij een abrikoos in den mond stak: “dat zou hem geraden wezen; +daar Hein! dat ’s voor jou!” en hij wierp hem den steen toe. + +</p> +<p>Hierover verontwaardigd, sprong Joan over de heining, liep op Koenraad af, en greep hem bij het been. “Je meugt niet stelen!” +riep hij, “en veel minder Hein uitlachen, die veel beter is dan gij. Kom Hein! help mij eens, dan zullen wij hem daar afhalen.” +<a id="d0e3200"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3200">81</a>]</span></p> +<p>Hendrik, toegeschoten zijnde, vereenigde zijn krachten met die van Joan, om Koenraad naar omlaag te trekken: deze begroette +hen met eenige schoppen en trappen, en klemde zich zoo vast om den boom, dat, toen het aan de beide kinderen eindelijk gelukte, +hem op den grond te krijgen, hij een gansche tak met zich medenam. Aanstonds krabbelde hij op en pakte zich weg, terwijl de +beide knapen verbaasd bleven staan en den tak opnamen. Dan, op dit oogenblik was de Pastoorsche den tuin ingekomen. Spoedig +zag zij wat er aan de hand was, en als een razende heks liep zij op Hendrik aan, wien zij hare vuisten voelen deed, terwijl +zij Joan zoowel als hem met de namen van snoepers, vernielers, dieven enz. begroette. + +</p> +<p>Huilend zocht Hendrik zich te verontschuldigen en Joan riep. herhaalde reizen: “Juffrouw! je moet Hein niet straffen. Hij +heeft niet meegesnoept.” + +</p> +<p>“Wat! ik hem niet straffen!” riep de vertoornde vrouw, den armen knaap des te feller slaande en knijpende: “en zou jij me +dat beletten, jou snotneus? Ga maar naar ’t kasteel, ik zal er je vader over spreken, dat zal ik!” + +</p> +<p>Woedend over deze, in zijne oogen althans hoogst onrechtvaardige handelwijs, wierp Joan zich tusschen moeder en zoon, zocht +dezen laatsten uit hare handen te scheuren en deed zijn pogingen met krabben en beten verzeld gaan; doch Barbara greep hem +in den halskraag, gaf hem een duchtige oorvijg, en zette hem vrij onzacht de heining over op den weg, waarna zij, onder vele +scheldwoorden tegen de beide knapen, Hendrik met eenige schoppen in huis joeg. + +</p> +<p>Bleek van toorn bleef Joan eenige minuten voor de heining staan nagelbijten; vervolgens veegde hij zich de tranen van spijt +van de wangen en keerde met fonkelende oogen naar het kasteel. + +</p> +<p>Het slot te Sonheuvel (want wij moeten onzen lezer bij deze gelegenheid en tot beter verstand van hetgeen later volgen zal, +met de localiteiten bekend maken) was een eind wegs buiten het dorp van dien naam, niet verre van de grenzen van Gelderland +gelegen. Een rijweg, die zich met den gemeenen landweg van Arnhem naar Utrecht in het dorp vereenigde, liep langs den slottuin +zuidwaarts af naar het veer, waar men den Rijn overstak. Het kasteel, met den daarbij behoorenden moeshof, pleinen, boomgaarden +en wandelperken, had een omtrek van tien of twaalf morgen, door een tamelijk breede sloot omringd. Men genaakte het van den +binnenweg door twee ingangen: de eene was de hoofdpoort en bevatte de woning van den portier: de andere was een hek met een +smal bruggetje voor voetgangers bestemd, en naar de zuidzijde gelegen. Het slot zelf stond midden op het grondgebied, en was +insgelijks door een tweede gracht omringd. Een steenen brug, die naar het voorplein geleidde, vertoonde, aan zijn vier hoeken, +de wapenen der Heeren van Sonheuvel, in witten steen uitgehouwen. Het gebouw was ruim en naar den tijd vrij modern, daar het +door den grootvader van den tegenwoordigen Heer was gesticht. Het bevatte een fraai heerenhuis, met een prachtige stoep, mede +van wapens voorzien: voorts stallen voor paarden en honden, kleinere woningen voor den tuinman en de dienstboden en <a id="d0e3213"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3213">82</a>]</span>eenige schuren of bergplaatsen. Het heerenhuis had verscheidene fraaie vertrekken: vooral waren de benedenzaal, waarin de +afbeeldsels der Heeren en Vrouwen van Sonheuvel prijkten, en de groote zoogenaamde ridderzaal in een goeden smaak gebouwd +en wel bezienswaardig. Een lommerrijke laan, met zware beukeboomen beplant, geleidde van de hoofdpoort naar het slot. In deze +ontmoette Joan, toen hij na de slechte ontmoeting, waarvan wij gesproken hebben, van de pastorie terugkeerde, de kleine Ulrica, +die hem, met een vischnetje in de hand, vroolijk tegenhuppelde. + +</p> +<p>“Goeden morgen, lieve Joan!” riep zij, zoo ras zij hem ontwaard had: “zie eens! terwijl gij bij Dominee waart, heb ik uw vischnetje +afgemaasd: nu zullen de snoeken er niet meer doorheenspringen, zooals laatst. Maar wat scheelt er aan? heb je gehuild? uw +oogen zijn zoo rood als vuur.” + +</p> +<p>“Huil ik ooit, Ulrica! weet je niet? toen ik laatst uit den boom sloeg, waar ik dat vogelnestje voor u krijgen zou, toen deed +ik mij braaf zeer: maar ik huilde toch niet.” + +</p> +<p>“Neen! lieve Joan! als je je zeer doet, huil je niet: dat mogen alleen de meisjes doen; doch toen vader u laatst beknorde, +omdat je het achterhek hadt opengelaten, toen huilde je wel.” + +</p> +<p>“Ja! dat was ook onbillijk van vader; want het was de schuld van Frans den Portier: en als ik nu gehuild heb, is het om een +soortgelijke reden geweest;” en hierop vertelde hij haar wat er had plaats gehad. + +</p> +<p>Ulrica troostte hem met woorden en kusjes, bracht hem in haar tuintje, achter het slot bij den moeshof gelegen en wees hem +hare besseboompjes. Weldra had hij, met haar spelende, de abrikozen, den armen Hendrik, ja den toorn der ruwe Pastoorsche, +geheel vergeten. + +</p> +<p>Dan deze had onze knaap geenszins vergeten. Na verloop van een uur kwam Bouke Joan roepen: de Baron moest hem noodzakelijk +spreken: “daar zal wat voor je opzitten, jongelief!” zeide hij: “ja, kijk maar zoo onnoozel niet: borgen is geen kwijtschelden, +en wat men dronken doet, moet men nuchteren ontgelden. De Pastoorsche staat al op je te wachten, en die is zoo mak als een +bunsing, waar men het hol van uitdelft.” + +</p> +<p>Nu herinnerde zich Joan de bedreiging van Mejuffrouw Raesfelt, en schoorvoetende begaf hij zich naar het slot. Hij trad de +voorzaal in, waar hij den Baron in zijn leunstoel als rechter gezeten vond, met een gerimpeld voorhoofd en strakke oogen, +die weinig goeds beloofden. Midden in het vertrek stond de Predikantsvrouw, met de armen in de zijden, terwijl zij, ongeduldig +met het bovenlijf waggelende, op de lippen beet en stijf op den grond keek als iemand, die, van den uitslag eener zaak onzeker, +zich niet op zijn gemak bevindt. Aan de deur gekomen, bevond zich Joan niet minder dan zij met de houding verlegen, die hij +aan moest nemen. Hij meende dat het zaak was, zich zeer opgeruimd en luchthartig te veinzen: hij huppelde dus naar binnen, +terwijl hij zich de vuisten tegen elkander wreef en zijn vader aanzag met een gelaat, waarop wezenlijke angst en voorgewende +vroolijkheid kamp voerden. + +</p> +<p>“Wees maar zoo dartel niet, sinjeur!” zeide de Baron: “het kon <a id="d0e3231"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3231">83</a>]</span>wel eens slecht met u afloopen: nu kijk maar niet naar den zolder: zie mij in de oogen: de Juffer klaagt over u: zij zegt, +dat gij haar gebeten en gekrabt hebt: (hier stroopte de Pastoorsche haar mouwen op, ter bevestiging van dit punt der beschuldiging) +en dat gij haar vruchten snoept en haar eigen kinderen tegen haar opruit. Fraaie zaken! en wat hebt ge nu daartegen in te +brengen?” + +</p> +<p>Op het hooren dezer aantijgingen voelde Joan, dat zijn drift wederkeerde. “Zij liegt het allemaal, vader!” antwoordde hij: +“behalve van het bijten en krabben; maar dat was omdat zij Hein sloeg!” + +</p> +<p>“Wel heb je van je leven! Mag ik dan mijn eigen kinderen niet slaan als ik verkies, en zal zoo’n snotjongen mij dat beletten?” +“Een snotjongen ben ik niet, leelijke feeks!” riep Joan, huilende en met de voeten stampende. + +</p> +<p>“Nu hoort UEd. het zelf, hoe hij mij behandelt.” + +</p> +<p>“Joan!” zeide Reede op een gestrengen toon: “wilt gij op staanden voet de Juffrouw om vergeving vragen?” + +</p> +<p>“Neen, vader! want ik heb gelijk en zij ongelijk.” + +</p> +<p>“Niet,” riep de Baron, hem in drift aangrijpende en voor Barbara op de knieën werpende: “vraag terstond om verschooning of +ik zal er op ranselen, dat....” Joan wentelde zich op den grond om en om, al roepende, dat hij het niet deed. + +</p> +<p>“Hei Bouke!” riep de Baron: “breng mij de hondenzweep eens hier.... of neen! Neem den knaap op, en sluit hem in den toren +op water en brood: daar kan hij blijven totdat hij zijne stijfhoofdigheid aflegt.” + +</p> +<p>“Maar mijnheer,” zeide Bouke: “UEd. weet, dat op den toren....” + +</p> +<p>“Doe wat ik u zeg!” herhaalde de Baron, zonder naar iets te luisteren. Bouke nam den knaap op, zonder dat deze eenige beweging +maakte. + +</p> +<p>“Hoe is ’t, stijfkop?” vervolgde de Baron: “zult gij om vergeving bidden?—Niet?—Welnu Bouke, breng hem dan maar weg, waar +ik gezegd heb.” + +</p> +<p>Zonder te kikken liet Joan zich naar boven brengen en in een kamertje sluiten, ’t welk zich onder ’t torentje bevond, dat +uit het dak oprees. Eerst toen hij alleen was gelaten, wierp hij zich met het gezicht plat op den vloer en snikte luid. + +</p> +<p>Een uur daarna keerde Bouke terug met een kom water en een stuk brood. Joan lag nog in dezelfde houding. + +</p> +<p>“Jonker! jonker Joan!—Slaap je?”—Geen antwoord.—“Jonker, je vader laat vragen of je gehoorzamen zult.”—Geen antwoord.— + +</p> +<p>“Het spijt me van u, jonker! denk toch dat het plicht is, je vader te gehoorzamen. Wacht niet, tot het te laat is: ’t beste +berouw is het vroegste: narouw is wijvenrouw. Wil je niet? nu, dan moèt je hier den nacht doorbrengen. Nog geen antwoord?—Ja, +als ’t kalf verdronken is, zal je den put dempen. Zie mij zulk een stijfkop eens aan....” en hij vertrok. + +</p> +<p>De krachten van Joan waren thans uitgeput; zonder aan de hem gebrachte spijzen geraakt te hebben, viel hij in een diepen slaap: +tegen den avond wekte hem de honger, en hij was bezig zijn <span id="d0e3263" class="corr" title="Bron: eeuvoudig">eenvoudig</span> maal te nuttigen, toen de deur, die slechts van buiten met <a id="d0e3266"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3266">84</a>]</span>een grendel gesloten was, zachtjes openging en Ulrica binnentrad. + +</p> +<p>Weenende kwam zij naar hem toe, zette zich naast hem op den grond, sloeg het poezelige armpje om zijn hals en kuste hem op +het voorhoofd. Beschaamd en wrevelig stootte haar Joan van zich af. + +</p> +<p>“Foei, Joan! heb ik dat aan u verdiend?—Zie eens, wat ik u heb meegebracht; maar zeg het vooral aan niemand: want dan zou +ik knorren krijgen, schoon het mijn eigen eten is en ik er dus mee doen mag wat ik wil.” + +</p> +<p>Al sprekende haalde zij een hengselmandje van onder haar voorschootje en bood hem haar voorraad aan, bestaande uit een patrijzenboutje: +eenige trossen bessen en gedroogde confituren. + +</p> +<p>Snikkende viel Joan het lieve kind om den hals en verborg toen zijn hoofd in haar schoot. In deze gestalte bleven zij eenige +oogenblikken zitten. + +</p> +<p>“Kom Joan! zeide eindelijk Ulrica, hem met schroomvalligheid aanziende: “je moest de juffrouw maar om vergeving vragen.” + +</p> +<p>Joan zweeg en schudde het hoofd. + +</p> +<p>“Och lieve Joan! doe het toch: anders wordt vader zeker nooit weer goed op u.—Och het is hier zoo akelig om ’s nachts te blijven. +Hier vliegen zeker vleermuizen en uilen. Och Joan! doe het toch om mijnentwille: dat kan je mij toch niet weigeren; ik zal +je zoo liefhebben als je het doet.” + +</p> +<p>“Neen!” zeide Joan: “ik kan het niet, ik mag het niet doen: het is een heks van een wijf: dien armen Hein zoo te slaan. Als +het Koen nog geweest ware, dan....” + +</p> +<p>“Och, spreek zoo niet, Joan! Hein zal toch wel wat verdiend hebben, anders....” + +</p> +<p>Hier stoof de knaap driftig op: “Hein wat verdiend? niets had de arme jongen gedaan, zoomin als gij of ik. Hoor maar eens +hoe het gebeurd is. Ik ging....” + +</p> +<p>“Ik geloof u wel, lieve Joan! je hebt het mij van morgen al verteld; maar je had je er niet mee moeten bemoeien: dat was altijd +verkeerd van u.” + +</p> +<p>“Wat! moest ik als een lafbek zijn blijven staan kijken, hoe kwalijk zij haar kind behandelde! neen! al moest ik er een jaar +voor zitten op water en brood, en ik zag het haar weer doen, ik zou evenzoo handelen als ik gedaan heb.” + +</p> +<p>Deze belijdenis legde Joan af met de armen over elkaar geslagen, de tanden stijf gesloten, de onderlip opgetrokken en met +het hoofd knikkende. Hij meende gewis, daardoor aan Ulrica een gedeelte van zijn standvastigheid of liever hardnekkigheid +mede te deelen: doch de uitwerking was geheel anders dan hij zich had voorgesteld. Toen het goedhartige meisje hem zoo vastbesloten +zag, op den verkeerden weg, dien hij had ingeslagen, voort te gaan, werd zij bleek als een doek, vouwde de handen stijf tegen +haar borst, zag hem een geruimen tijd met wilde oogen aan, en viel toen eensklaps onmachtig naast hem neder. + +</p> +<p>Dikwijls is de mensch, op het oogenblik dat hij zich het sterkst bestand waant tegen alle aanvechting, het naast aan het oogenblik +<a id="d0e3296"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3296">85</a>]</span>van toegevendheid en zwakheid: dit althans was ’t geval bij Joan: zooras hij Ulrica door zijne schuld in dien toestand gebracht +zag, wierp hij zich bij haar neder, klemde haar in de armen en bedekte haar bleek gelaat met kussen. “Ulrica!” riep hij: “lieve +Ulrica! huil toch niet: lieve beste zusje! ik zal alles doen wat ge wilt: och! kom toch bij u zelve.” Dan zijn roepen was +vergeefs en het meisje bleef stokstijf in zijn armen liggen. Vreeselijk kwam hem nu de gedachte voor den geest: “zij leeft +niet meer! Ik ben de oorzaak van haren dood.—“Ulrica!” gilde hij angstig uit: “lieve beste Ulrica! help! help! ik heb haar +gedood! Komt er dan geen mensch! Bouke! Geert! help! help!” + +</p> +<p>Op dat oogenblik ging de muur open en er trad iemand in het vertrek, wiens onverwachte verschijning de ontsteltenis van den +beangsten knaap niet weinig vermeerderde. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e3300" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Tiende Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Dat ’s een jonge, om zoo te spreken, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Die elk na de kroon zal steken, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Dat ’s een knaapje met een bol.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Greenwood</span>. +</p> +</div> +<p>De persoon, die nu binnentrad, was een mager, bleek man, over den middelbaren leeftijd: zijn hoofd was bloot en slechts van +weinige grauwe haren voorzien, terwijl de kruin kaal geschoren was: zijn kleeding was allereenvoudigst en bestond uit een +grauwen overrok: van zijn linkerarm hing een bedesnoer af en in de hand hield hij een klein getijboek. + +</p> +<p>De schrik van den knaap groeide meer en meer aan, toen de vreemdeling hem naderde en hem dezelfde gelaatstrekken en houding, +ja bijna hetzelfde gewaad deed aanschouwen, door hem dagelijks in de groote benedenzaal opgemerkt op de schilderij, welke +de beeltenis van den oudoom des Barons, Frederik van Reede tot Sonheuvel, voorstelde. Joan dacht niet anders, dan dat de geest +van zijn voorzaat hem over zijn stoutigheid bestraffen kwam, en gillende viel hij op de knieën, zijn gezicht met beide handen +bedekkende. Dit scheen echter het oogmerk van het spook niet te wezen, daar het, naar Ulrica toegaande, haar keurslijf losmaakte +en vervolgens haar gelaat met eenige waterdroppelen besprenkelde. Zoodra zij eenig blijk van leven gaf, nam de gedaante haar +op, droeg haar buiten het vertrek en stelde haar in de handen van Bouke, die het gegil van Joan gehoord had en daarop boven +gekomen was. + +</p> +<p>“Goede hemel!” zeide deze: “wat is er met het lieve kind gebeurd? Wat zal mijnheer wel zeggen? en de oude Geert? die zocht +haar al het heele kasteel door. Ja, omdat zij altijd op haar stoel zit, denkt zij dat die kleine meid ook zoo zal blijven +koekeloeren. Nu, <a id="d0e3321"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3321">86</a>]</span>zooals de waard is, betrouwt hij zijn gasten. Maar....” vervolgde hij snel tot den onbekende: “pak u weg; want daar klotst +zij de trappen op.” + +</p> +<p>De gestalte verdween.... door een zijdeur, terwijl de oude Geertrui boven kwam. + +</p> +<p>“Bewaar ons! Bouke! wat is met dat lieve schaap gebeurd?” + +</p> +<p>“Dat weet ik niet. Zij was boven bij Joan: en daar is zij flauw gevallen.” + +</p> +<p>“Och dat hartje! toe! geef haar aan mij, je draagt haar zoo onhandig. Nu, mijn engeltje!” vervolgde zij, het kind met de vlakke +hand op den rug tikkende: “huil maar, dat zal u goeddoen. Lieve Hemel! dat had Mevrouw zaliger moeten zien....—maar wat is +er toch gebeurd, schatje?” + +</p> +<p>“Och Geert!” snikte het kind: “het was Joan, die....” + +</p> +<p>“Joan is stout, mijn diefje; daar moet je niet om grienen.” + +</p> +<p>“Neen Geert! maar hij zal weer zoet zijn: hij heeft het mij beloofd.” + +</p> +<p>“Wat beduidt dit geweld?” vroeg Reede, die inmiddels was boven gekomen: “wat is hier gebeurd?” + +</p> +<p>“Zij was bij den jonker,” zeide Bouke, “en....” + +</p> +<p>“Bij Joan?—En wat deed zij daar? Daar hebt gij haar toch niet gebracht, Geert?” + +</p> +<p>“Ik? de hemel beware mij, Uw Edelheid! om naar dat kraaiennest te gaan. Sinds Mevrouw zaliger laatst buiten was, ben ik er +nooit geweest; en dan zegt men dat het er spookt.—Het kleine hartje is naar boven geloopen, terwijl ik....” + +</p> +<p>“Terwijl gij in uw stoel laagt te dutten, als naar gewoonte: dat gebeurde ook niet, toen Mevrouw zaliger nog leefde, nietwaar?” + +</p> +<p>“Ja men wordt alle dagen wat ouder maar....” + +</p> +<p>“Genoeg. Nu, droog uw traantjes, Ulrica! en vertel mij wat gij boven deedt.” + +</p> +<p>Met veel tranen en snikken gaf Ulrica het gevraagde verslag, er vooral bijvoegende, dat Joans laatste woorden, die zij gehoord +had toen zij haar bewustheid verloor, een verklaring behelsden, dat hij om vergeving vragen zou. + +</p> +<p>“Zoo!” hernam de Baron: “dan zijt gij minder strafbaar dan ik dacht; maar ongehoorzaam zijt gij toch geweest, dat gij zoo +in ’t geheim naar boven zijt geloopen: en daarom zult gij zonder avondeten naar bed gaan, ’t geen voor uw gezondheid ook niet +anders dan heilzaam wezen kan. Kom, geef mij een zoen, droog uw traantjes af en toon mij uw lief en vriendelijk gezichtje +weder.” + +</p> +<p>“En zult gij niet meer boos zijn op Joan?” vroeg het lieve meisje, de wangen haars vaders streelende. + +</p> +<p>“Wij zullen zien, hoe hij is,” zeide de Baron. “Wees gij maar heel zoet, dan gaat gij morgen mede naar Tiel met de nieuwe +paardjes.” + +</p> +<p>Na haar vader omhelsd te hebben, vertrok Ulrica met Geertrui. Vervolgens gaf de Baron aan Bouke het bevel om Joan te halen +en ging in een zijvertrek. + +</p> +<p>Bouke vond Joan nog op zijn knieën liggen, in dezelfde houding als toen het spook de kamer had verlaten. “Jonker!” zeide hij: +“uw vader verlangt u te spreken.” +<a id="d0e3363"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3363">87</a>]</span></p> +<p>“Zijt gij alleen, Bouke?” vroeg Joan, zich met een sprong oprichtende. + +</p> +<p>“Wel ja, wie zou er meer wezen?” antwoordde Bouke. + +</p> +<p>“En Ulrica?” + +</p> +<p>“Die is weer beter en al naar bed.” + +</p> +<p>“En het spook?” vervolgde Joan met een zachte stem, terwijl hij angstig rondzag. + +</p> +<p>“Het spook! Welk spook?” + +</p> +<p>“Het spook van grootoom: ik heb het spook van grootoom gezien met een bijbeltje en een <span class="letterspaced">paternoster</span>, net als in de benedenzaal.” + +</p> +<p>“Zoo!” hervatte Bouke een weinig verlegen: “neen het spook is weg: kom maar met mij en wees wijs.” + +</p> +<p>“Wel Joan!” vroeg de Baron, zoodra de knaap met hem alleen was, “zijt gij nu eindelijk tot betere gedachten gekomen, en zult +gij Mejuffrouw Raesfelt om verschooning vragen?” + +</p> +<p>“Ja vader!” + +</p> +<p>“Dus bekent gij, dat gij zeer dwaas of verkeerd tegen haar gehandeld hebt?” + +</p> +<p>“Neen, vader, dat niet.” + +</p> +<p>“Hoe! ben je dol, knaap! of spot gij met uw vader?” + +</p> +<p>“Ik doe het alleen omdat Ulrica anders zoo bedroefd is,” antwoordde Joan, den Baron met een openhartigen blik aanziende. + +</p> +<p>Hoewel Reede Joans inkeer wel aan deze reden had toegeschreven, stond hij echter een weinig over de gulle bekentenis verslagen. +Hij was een trouwhartig en teeder vader, doch geen hoogvlieger in ’t vak van opvoeding, en was nu meer dan ooit verlegen welke +handelwijze hem in dit geval betaamde. Joans oprechtheid en gevoel van billijkheid hadden hem behaagd, en thans wist hij niet, +hoe den knaap te beduiden, dat, bijaldien de drijfveer onzer handelingen niet plichtmatig is, de daad zelve dien naam ook +niet verdient. Uit deze verlegenheid werd hij echter gered, doch door een bezoek, dat bij hem een andere ongerustheid verwekte: +de gedaante namelijk, welke aan Joan zooveel schrik had aangejaagd, trad de kamer binnen. + +</p> +<p>“Help! daar is grootoom weer!” riep Joan, zich aan den Baron vastklemmende. + +</p> +<p>“Wat onvoorzichtigheid!” zeide Reede tegen den onbekende: “hoe waagt gij het, hier te verschijnen, en wel in dit gewaad, terwijl....” +hier wees hij op Joan. + +</p> +<p>“Juist daarom kom ik binnen,” antwoordde de vreemdeling, “opdat hij zich overtuigen zou, dat ik geen spook ben, maar een schepsel +van vleesch en been. Toen ik zooeven uw lief dochtertje hoorde nedervallen, en hem een akelig gegil aanheffen, schoot ik ter +hulp toe, en de knaap zag mij waarschijnlijk voor een bietebauw aan, die hem over zijn koppigheid straffen kwam. Is het niet +zoo mijn jongen?” + +</p> +<p>Joan richtte zich half op, knikte hem een toestemmend antwoord toe en vatte moeds genoeg om de gelijkenis van den ouden grootoom +aan te staren. +<a id="d0e3405"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3405">88</a>]</span></p> +<p>“En gij vergeet, dat de zucht om mijn zoon van een ingebeelden schrik te genezen, u misschien, zoo hij maar iets verhaalt, +in ’t uiterste gevaar brengt,” zeide Reede. + +</p> +<p>“De knaap zal zwijgen,” hervatte de onbekende, “zoo hij het wil doen: hiervoor waarborgt mij zijn vastheid van inborst. Hoor +eens, knaap,” vervolgde hij, Joan vriendelijk tot zich trekkende: “gij zijt een verstandige jongen, aan wien men wel een geheim +kan toevertrouwen. Ik ben, ik zal niet zeggen een groot vriend, doch zeker in nauwe betrekking met uw vader. Ofschoon ik geen +kwaad deed, willen booze menschen mij gevangennemen en leed aandoen, misschien wel om hals brengen. Nu is uw vader zoo goed +mij een schuilplaats te leveren in zijn kasteel, buiten weten van iemand, dan alleen van Bouke: en nu zijt gij de derde in +het geheim. Durft gij nu aannemen, mij te beloven, aan niemand ook aan Ulrica niet, te vertellen, dat gij mij hier gezien +hebt, zoo zult gij mij levenslang aan u verplichten.” + +</p> +<p>“Dat beloof ik u op mijn woord,” zeide Joan, hem de hand gevende. + +</p> +<p>“Dan is ’t genoeg en ik maak er staat op,” hervatte de vreemdeling. “Mijn naam noem ik u niet: in lateren tijd zult gij dien +misschien vernemen: dan, om uw stilzwijgendheid niet geheel en al onbeloond te laten, en opdat gij u dit voorval altijd zoudt +kunnen herinneren, schenk ik u deze kleinigheid.”—Dit zeggende, trok hij een kostbaar gewerkten ring van zijn vinger en reikte +dien aan Joan over. + +</p> +<p>“Duizendmaal dank, mijnheer!” zeide Joan, rood van blijdschap wordende. “Zie eens vader! welk een schoone ring! het wapen +van Sonheuvel is er opgesneden. Daar zal ik mijn brieven mede kunnen verzegelen als ik grooter word, evenals vader.” + +</p> +<p>“Een lieve knaap!” zeide de onbekende, met Joans blonde lokken spelende: “doch hij herinnert mij mijn Maria niet!” + +</p> +<p>“Neen,” zeide Reede met verlegenheid; “doch hierover nader. Ga nu maar heen, Joan! het is van avond te laat om nog naar juffrouw +Raesfelt te gaan; gij zult haar morgenochtend wel om verschooning vragen.” + +</p> +<p>Op dit bevel vertrok Joan, na een beleefde buiging voor het spook, en begaf zich naar zijn slaapkamer, om aldaar in een zoete +rust de bekommernissen van den dag te vergeten. + +</p> +<p>“En gij,” vervolgde de Baron tot den onbekende: “houd u morgen tegen acht uren gereed, dan zal Bouke u een vermomming bezorgen +en wij rijden samen met mijn dochtertje, die ik medeneem, om geen argwaan te verwekken, naar Tiel, alwaar een schuitje u wacht, +dat u veilig naar de overzijde zal voeren. Begeef u thans weder naar uw schuilhoek; ik durf niet langer hier blijven, men +mocht ons komen storen.” + +</p> +<p>“God loone u,” zeide de vreemdeling de hand zijns beschermers drukkende. “Hij vergelde u uwe grootmoedigheid en geve, dat +zij u nimmer berouwe, noch in ongelegenheid brenge.” + +</p> +<p>“Wel!” zeide Reede: “dat was toch het minste dat ik doen kon dat ik u een schuilplaats gaf in uw eigen kasteel.” +<a id="d0e3428"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3428">89</a>]</span></p> +<p>“In mijn eigen kasteel,” zuchtte de vreemdeling, terwijl hij treurig om zich heen zag: “helaas! ik mag met onzen Gezegenden +Heer zeggen: <span class="letterspaced" lang="la">Vulpes foveas habent et volucres coeli nidos: ego autem non habeo ubi caput reclinem</span>!”<a id="d0e3434src" href="#d0e3434" class="noteref">1</a> + +</p> +<p>Reede haalde de schouders op, als wilde hij te kennen geven, dat de vreemdeling zich zelven dien onaangenamen toestand berokkend +had. + +</p> +<p>“Dan, om ’t even!” vervolgde deze, terwijl hij zonder de beweging des Barons op te merken, het vertrek met groote schreden +op en neder ging: “wat zou ik klagen, wat mij bekommeren! Moet ik mij niet verheugen, als de Apostelen deden, zoo ik om Zijnentwille +smaadheid lijde?—Is er niet geschreven, dat de geloovigen zouden vervolgd en gemarteld worden? En moet niet de Kerk van Christus +in het bloed der Heiligen gegrondvest worden? Maar niet vergeefs zal Rachel haar vermoorde kinderen beweend hebben, en niet +vruchteloos zal het geschrei te Rama op de straten gehoord zijn! Hij zal komen, de groote dag, die Israël van zijn verdrukking +bevrijden zal: de dag, waarop de afgedwaalde schapen door den Eenigen Herder tot den stal zullen worden teruggeroepen en dat +de ketterij zal uitgeroeid worden over den aardbodem, <span class="letterspaced" lang="la">ut in nomine Jesu flectatur omne genu coelestium, terrestrium et infernorum</span>!”<a id="d0e3444src" href="#d0e3444" class="noteref">2</a> + +</p> +<p>“Om ’s Hemels wil,” zeide Reede: “matig u en bedenk toch....” + +</p> +<p>“Dan zullen zij kermen en weeklagen en tandeknersen,” vervolgde de vreemdeling: “zij, die de roepstem niet gehoord en aan +de zorgende liefde wederstand geboden hebben, welke hen wilde verzamelen, gelijk de klokhen hare kiekens verzamelt onder hare +vleugelen. Dan zullen zij roepen: <span class="letterspaced" lang="la">Domine, Domine, nonne in nomine tuo prophetavimus</span>?<a id="d0e3454src" href="#d0e3454" class="noteref">3</a> maar de stem van boven zal antwoorden: <span class="letterspaced" lang="la">nunquam novi vos: discedite ame, qui operamini iniquitatem</span>.<a id="d0e3460src" href="#d0e3460" class="noteref">4</a> Hendrik!—gij zult wellicht dien dag beleven, dat de triomf der ware Kerk, van welke de Heere gezegd heeft, dat de poorten +der Helle haar niet zouden overweldigen, over het aardrijk zal gevierd worden. O bekeer u voor dien tijd! voordat die schrikkelijke +dag, de <span class="letterspaced" lang="la">dies irae</span>,<a id="d0e3466src" href="#d0e3466" class="noteref">5</a> komen moge! Gij hebt kinderen, lieve, beminnelijke kinderen, in wie het goede zaad nog niet verstikt is door het koude ongeloof +dezer dagen: o! breng hen niet op den weg, die ter verderfenis leidt: laat hen terugkeeren tot het zuiver, oud geloof, de +vlek uitwisschen, die op hun geboorte kleeft, evenals de wijsheid van Salomo de smet zijner overspelige afkomst vergeten deed!” + +</p> +<p>“Gij zijt te veel opgewonden,” zeide Reede, “gij vergeet dat uwe, dat mijne veiligheid er van afhangt, dat u niemand gewaarworde.” +<a id="d0e3471"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3471">90</a>]</span></p> +<p>“Het is waar,” zeide de onbekende, stilstaande: “ik vergat dat gij onder hen behoort, die zeggen: <span class="letterspaced" lang="la">durus est hic sermo et quis dotest eum audire</span>;<a id="d0e3477src" href="#d0e3477" class="noteref">6</a> en echter, God zegene u en opene uwe oogen voor het licht; want gij zijt waardig het te ontvangen, omdat gij mij niet overgeleverd +hebt in de handen van hen, die mijn verderf zoeken.—En nu, vaarwel! ik begeef mij naar mijn eenzaam verblijf. Mochten de gebeden, +die ik thans en namaals voor u en de uwen zal opzenden tot de moeder Gods, hare voorbidding bewerken, opdat ook gij eenmaal +het licht moogt ontvangen, dat in de duisternis schijnt en een lamp aan onzen voet is.” + +</p> +<p>Dit gezegd hebbende begaf hij zich naar zijn schuilplaats, zijnde een verborgen kamertje, dat, in de dikte van den muur gemetseld, +twee onderscheidene, van buiten bedekte, uitgangen had. Een dier uitgangen had gemeenschap met de gevangenis, waarin Joan +gezeten had, en had den onbekende in de gelegenheid gesteld, om het gesprek der kinderen aan te hooren. + +</p> +<p>“Wat is dat voor een gereutel?” mompelde Reede, terwijl hij grommende de trappen weder afging. “Dominus Raesfelt is ook somtijds +wat duister en ingewikkeld in zijn uitdrukkingen, doch hij spreekt ten minste verstaanbaar Neêrduitsch, en zoo hij al nu en +dan een Latijnsch of Grieksch woordje bezigt, vertolkt hij het altijd oogenblikkelijk; maar uit die Paapsche aanhalingen mag +Joost wijs worden. Nu, ik denk er mijn hoofd ook niet veel mede te breken; ’t spijt mij maar, dat hij het weder over de geboorte +van die kinderen had!” + +</p> +<p>Toen Joan den volgenden morgen vroegtijdig opstond, woog hem de belofte, die hij ’s avonds te voren aan zijn vader had gedaan, +van de Pastoorsche om verschooning te gaan vragen, oneindig zwaar op het hart; zooals het gemeenlijk gaat, wanneer men een +lastigen plicht heeft uitgesteld. Onder het aankleeden, schikte hij in zijn geest de woorden, welke den verzoenenden volzin +moesten uitmaken. Met trage stappen ging hij naar de benedenzaal, waar zijn vader en Ulrica weldra verschenen. Na het ontbijt +kwam Bouke den Baron verwittigen, dat het rijtuig gereed stond. Reede vertrok hierop met Ulrica, na aan Joan last te hebben +gegeven van hen niet te volgen. Deze echter, des te nieuwsgieriger na zulk een ongewoon verbod, ging uit een der achterramen +liggen en zag van daar, tusschen de boomen door, het rijtuig voor het kleine bruggetje op den rijweg staan, met een persoon +er in, als een boer gekleed, doch wien Joans scherpziende oogen dadelijk voor den vreemdeling, die hem den ring gegeven had, +herkenden. De Baron, bij het wagentje gekomen, plaatste zich naast den vluchteling, terwijl Bouke op de achterste bank ging +zitten met Ulrica: waarna Reede de zweep over de paarden legde en den weg naar den Rijn opreed. + +</p> +<p>Na hen een wijl nagestaard en vervolgens zijn taak voor den Predikant te hebben afgewerkt, begaf zich Joan, wien de valsche +schaamte hoe langer hoe meer begon te kwellen, naar de Pastorie. <a id="d0e3488"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3488">91</a>]</span>Als lood woog hem nu zijn verplichting op het hart. Dan eens wenschte hij, dat de juffrouw maar uit ware: dan weder dat zij +aan de deur zoude staan, in welk geval hij terstond door het ergste heen zou wezen. Aldus peinzend en zich zelven vruchteloos +moed insprekend, ging hij langzaam voort, bleef dikwijls staan, plukte nu en dan de bloemen, die langs den weg groeiden, en +wierp ze weder weg, keek de koppels vinken na, die over zijn hoofd vlogen, en beschouwde eindelijk een bende ruiters, die +op een snellen draf van den kant van Gelderland de hoogte afkwam, en die, zoodra zij bij het dorp was gekomen, halt hield, +vervolgens regelrecht op hem aanreed en hem omsingelde. Een hunner, die de hoofdman scheen en even als de anderen, welke acht +in getal waren, met vuurroer en degen gewapend was, sprak hem, even den hoed oplichtende, in dier voege aan: + +</p> +<p>“Zeg eens, knechtske! hoort ge in de buurt te huis?” + +</p> +<p>“Om u te dienen!” antwoordde Joan: “ik ben de Jonker van Sonheuvel.” + +</p> +<p>“Zoo! dan zijt ge waarschijnlijk best in staat, ons in te lichten. Hebt ge hier gisteren of vandaag ook een landlooper gezien, +die een schuilplaats vroeg of om onderstand verzocht?” + +</p> +<p>“Jawel! die komen er dagelijks. Laat zien.... Gisteren was het smerige Gijs, en dien gaf ik niets, omdat hij niet werken wil: +en eergisteren Kees Keessen met het stompje, en dien gaf ik een oortje, omdat hij niet werken kan; want hij heeft maar ééne +hand.” + +</p> +<p>“Met verlof! Jonker! Dien wij zoeken is geen gewone bedelaar: hij is een man met een deftig uitzicht, en in ’t zwart gekleed, +met een kale kruin en....” + +</p> +<p>“Neen! die is hier in de buurt niet geweest,” antwoordde Joan, die nu begon te begrijpen, dat het spook van grootoom de persoon +wel wezen kon, dien men zocht. + +</p> +<p>“Ja! die is hier wel geweest,” klonk de schrille stem van Mejuffrouw Raesfelt achter hem: “ik heb den man, dien gij beschrijft, +met Bouke door het achterhek op Sonheuvel zien komen, toen ik gisteren naar huis ging over de steenen brug.” + +</p> +<p>“Zoo!” zeide de aanvoerder der bende, terwijl hij den beslissenden toon, dien de juffrouw aannam, vergeleek met de bedremmelde +wijze, waarop Joan geantwoord had: “Jonker! mij dunkt, gij weet meer dan gij zeggen wilt.” + +</p> +<p>Joan beefde als een blad: dan, of zulks veroorzaakt werd door de onverwachte verschijning der Predikantsvrouw, dan wel door +de vrees, die de ruiters hem aanjoegen, is ons niet bekend. Spoedig echter vatte hij weder moed; en, het gewicht ten deele +beseffende, dat in het bewaren van des vreemdelings geheim was gelegen, besloot hij de ruiters zoolang op te houden, tot de +Baron weder terug en de vluchteling in zekerheid ware. + +</p> +<p>“Wacht!” zeide hij, zich tot den Hoofdman wendende, evenals bezon hij zich: “draagt de persoon, dien gij zoekt, niet een zwart +manteltje, een omvallenden kraag en een dichtgeknoopt buis? Heeft hij niet een gebedenboek en een <span class="letterspaced">paternoster</span> bij zich?” + +</p> +<p>“Dat zal wel zoo wezen,” antwoordde de ruiter: “maar waar is hij?” +<a id="d0e3515"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3515">92</a>]</span></p> +<p>“In het kasteel, en ik zal u terstond wijzen waar; doch eerst moet ik de juffrouw even spreken. Juffrouw!” vervolgde hij stil +en snel, terwijl hij haar ter zijde trok: “ik vraag u om verschooning: mijn vergrijp is mij van harte leed: wees zoo goed +aan Dominee te zeggen, dat ik vandaag geen les kan komen nemen.”—Na deze woorden op éénen toon en in éénen adem achter elkaar +te hebben uitgerabbeld, keerde hij zich weder tot de ruiters en zeide: “Komt nu maar mede, Heeren! ik zal u voorgaan.” + +</p> +<p>“Ja, maar!” zeide de hoofdman, zooras zij de steenen voorbrug over waren gekomen: “is hij stellig op ’t kasteel?”—Joan knikte +met het hoofd.—“Welnu, opdat hij niet ontvluchte, zullen wij eerst de uittochten bezetten. Gij Roelof Sla-der-op, Peter Keinkenate +en Hans Knipper, aan het achterhek! niemand uit of in te laten!—Gij, Joost Steek-maar-toe, Karl Blutzaufer en Melis Pif-paf, +aan de slotpoort! Niemand er uit! Niemand er in! Frans Smijter en Meeuwis Kriegelkop volgen mij naar binnen.” + +</p> +<p>Terwijl deze bevelen volvoerd werden en zich de ruiters naar de hun aangewezen posten begaven, volgde de wachtmeester met +twee ruiters Joan binnen het slot; op het plein stegen zij af en gaven hun paarden aan de verbaasde dienstboden te bewaren. + +</p> +<p>“Als de Heeren mij maar volgen willen,” zeide Joan, die moeite had een schalkschen lach te bedwingen, terwijl hij de ruiters +vooruitging naar de benedenzaal. Onder ’t voortgaan haalde de wachtmeester een papier uit de borst en las het <span class="letterspaced">signalement</span> van den voortvluchtige overluid op: “blauwe oogen, gebogen neus, ronde kin, grijsachtig haar, zware wenkbrauwen....” + +</p> +<p>“En een paternoster in de hand,” zeide Joan, terwijl hij den ruiter bij den arm nam en hem omdraaide, zoodat hij vlak over +het afbeeldsel van den ouden Frederik van Reede tot Sonheuvel stond: “daar is de man dien gij zoekt: of ik heb abuis.” + +</p> +<p>“Ja! dat lijkt hem op een haar; waar is hij nu?” + +</p> +<p>“Wel, daar!” + +</p> +<p>“Waar?” + +</p> +<p>“Daar op de schilderij. Anders is er geen zoodanige hier te vinden. Ik dacht, dat gij het portret zocht.” + +</p> +<p>“Wat henker! jou oolijke schalk! houdje ons voor de mallen! Ik zal je leeren....” + +</p> +<p>Joan, die in het kasteel zijns vaders voor niemand vreesde, daar hij zeer wel wist, dat geen mensch er ongestraft eenig geweld +zou mogen uitoefenen, zag den wachtmeester spotachtig aan, maakte een diepe buiging en liep de zaal uit. + +</p> +<p>“Dat ’s een satansche gauwdief!” riep de wachtmeester: “naar boven mannen! het slot doorzocht! de paap zit zeker hier of daar +verscholen.” Dit zeggende, liep hij, gevolgd van zijn twee handlangers, de trappen op, vermoedende, dat de vluchteling in +een der bovenvertrekken zoude wezen. In de eerste kamer, die hij opensloot, zag hij een kruik, nog half vol water, een brok +brood en de lekkernijen, die Ulrica ’s avonds te voren aan Joan gebracht had, en waar hij niet aan geraakt had, gelijk men +zich herinneren zal. +<a id="d0e3543"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3543">93</a>]</span></p> +<p>“Hier zal hij wezen!” riep de wachtmeester, “binnen mannen! en draagt zorg, dat niemand er uitkome.” + +</p> +<p>“Dat zal ik,” riep Joan, die hen stil gevolgd was, en smeet meteen de deur achter hen toe. “Veel pleizier, vriendjes! slaap +daar nu maar wat uit.” Dit gezegd hebbende, snelde hij onder een schaterend gelach de trappen af, riep den Bottelier, den +Palfrenier, den Tuinier, de oude Geert en al de zoo mannelijke als vrouwelijke dienst- en werkboden bijeen, en vertelde hun, +dat hij drie gevangenen gemaakt had, over wier lot de Baron zoude beschikken. Dan, terwijl hij nog sprak, en de oude Geertrui +al gedurig uitriep, wat Mevrouw zaliger wel van zulk een geval gezegd zou hebben, hoorde men zulk een geweld aan de voorpoort, +dat allen naar buiten stoven. + +</p> +<p>Dit rumoer had een zeer natuurlijke reden. De Baron kwam met Ulrica en Bouke in het wagentje van zijn reis naar Tiel terug +en vond zich nu voor de brug van zijn eigen slot den ingang ontzegd door de drie aldaar geposteerde ruiters, die hem niet +verstonden of niet wilden verstaan. + +</p> +<p>“Ik ben de Baron van Sonheuvel,” schreeuwde hij. + +</p> +<p>“Ick kenne kein Baron,” zeide Karl Blutzaufer: “potstauzend, du sollst nicht drinn kommen!” + +</p> +<p>De Baron lichtte de zweep op, om hem een duchtigen slag om de ooren te geven, en er ware veellicht een vechtpartij ontstaan, +indien niet Ulrica, vol angst en ontsteltenis, haar vader weerhouden had, door zich zoo vast aan hem te klemmen, dat hij zich +bijna niet verroeren kon. Intusschen was Bouke, die meer bedaardheid van geest bezat dan zijn Heer, uit den wagen geklommen +en naar de ruiters toegestapt, aan welke hij vroeg, wie en waar hun hoofdman was, daar het toch billijk scheen te zijn, dat +men aan den heer des huizes reden gaf, waarom hem de toegang tot zijn eigen slot ontzegd werd, althans in vredestijd en door +soldaten in dienst van den lande. Na eenige woordenwisselingen begrepen de schildwachten, dat zij aan het verzoek van Bouke +voldoen moesten, en ging Melis Pif-paf naar binnen om den wachtmeester te halen. Op het voorplein ontmoetten hem de bedienden, +allen welgewapend. + +</p> +<p>“Waar ist der Wachtmeister?” vroeg Melis: “ik muss hem sogleich spreken!” + +</p> +<p>“Dat weet ik niet,” antwoordde de Bottelier; “ik heb geen wachtmeester gezien noch geroken; maar dat weet ik, dat jijlui je +biezen moeten pakken en Zijne Edelheid ongemoeid laten oprijden, of dat het slecht met je zal afloopen.” Terwijl hij sprak, +grepen eenige tuinlieden den ruiter aan en ontwapenden hem. + +</p> +<p>“Hilf! Jost! Karl! Hilf! Staôt bi kerlen!” riep Melis, zich vruchteloos verzettende. Dan Jost noch Karl konden hem te hulp +komen: want verscheidene dorpelingen, waaraan Juffrouw Raesfelt verhaald had, dat er ruiters op het kasteel gekomen waren, +hadden zich inmiddels aan den buitensten ingang vertoond en hielden er de twee ruiters in bedwang; de drie anderen, die aan +het achterhek post gevat hadden, kwamen op het gerucht aanrijden, om hun makkers bij te springen; en het ware tot een algemeen +gevecht gekomen, <a id="d0e3562"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3562">94</a>]</span>bijaldien niet de Baron op de bank van zijn rijtuig geklommen was en van daar uit de hoogte een algemeene stilte geboden had. + +</p> +<p>“Staat, menschen! ik ben hier op mijn grond alleen heer en meester, en verlang te weten, wat aanleiding tot deze malle historie +gegeven heeft. Is er een onder die knapen, die verstaanbaar Neerduitsch spreken kan, zoo ben ik bereid te hooren, op wat grond +men zich verstout, in mijn afwezigheid mijn slot te bezetten.” + +</p> +<p>Roelof Sla-der-op reed tot naast den wagen, nam den hoed in de hand en sprak: + +</p> +<p>“Wij volgen slechts onzen last, Heer Ritmeester! U WelEd. is zelf soldaat geweest en weet dus, dat wij gehoorzamen moeten +aan hen, die boven ons gesteld zijn.” + +</p> +<p>“Recht zoo,” antwoordde de Baron: “maar wie gaf u dan last?” + +</p> +<p>“De wachtmeester, heer Ritmeester, die binnen het kasteel is.” + +</p> +<p>“Laat hem dan hier komen,” riep Reede, ongeduldig wordende: “waar zit hij?” + +</p> +<p>“Ik heb hem op den toren gevangengezet,” zeide Joan, die met zijn kruisboog op schouder, uit den hoop hervoor stapte: “hem +en zijn makkers!” + +</p> +<p>“Geen gekscheren, Joan!” zeide de Baron, gramstorig: “zulke malligheden komen nu niet te pas. En breng dat geweer weg. Als +er uilen geschoten moeten worden, zal ik u roepen.” + +</p> +<p>“De Jonker heeft gelijk,” zeide de Bottelier: “hij heeft drie ruiters in de steenenkamer opgesloten.” + +</p> +<p>“Ja! hier zitten wij!” riep een stem, die uit de lucht scheen te komen. Allen keken naar boven en zagen aan een klein venstertje +het hoofd van den wachtmeester, die op de schouders zijner twee kameraden geklommen was om het te bereiken en hulp te vragen. +Op dit gezicht berstte iedereen uit in een schaterend gelach; zelfs de ruiters, die beneden stonden, moesten glimlachen op +het denkbeeld van de poets, door een knaapje als Joan aan hun sluwen hoofdman en zijn makkers gespeeld. + +</p> +<p>“Zoo!” zeide de Baron, toen het gejuich een weinig bedaard was: “zitten die vogels zoo hoog in de kooi? Hoort eens mannen,” +vervolgde hij tegen de ruiters, die beneden waren, en die thans wat minder hoog spraken, sedert dat de Schout met een nieuwen +troep gewapende boerenknapen den stoet vergroot had, “zit af en geeft de wapens ordentelijk over, terwijl ik uw wachtmeester +ga onderhouden. Heer Schout! wees zoo goed, mij te volgen.” Dit geschiedde. + +</p> +<p>De Baron reed nu onverlet zijn kasteel in, vertrouwde Ulrica aan de zorgen van Geertrui, en begaf zich met den Schout naar +de groote benedenzaal, terwijl Bouke met eenige dienaars de gevangenen ging verlossen en vervolgens den nu ontwapenden wachtmeester +binnenbracht. + +</p> +<p>“Wat is uw last, wachtmeester?” vroeg Reede: “en hoe durft gij zoo onbeschaamd in mijn kasteel den baas komen spelen? Spreek +de waarheid, of ik laat u ophangen.” + +</p> +<p>“Dat zoude UEd. moeten verantwoorden,” antwoordde de wachtmeester, op vrij hoogen toon: “wat mij betreft, hier is mijne verantwoording” +en hij reikte den Baron zijn lastbrief over. +<a id="d0e3592"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3592">95</a>]</span></p> +<p>Deze was geteekend en uitgevaardigd door de Staten van Gelderland en bevatte een bevel aan Peter Maanvreter, Wachtmeester, +om op te sporen en te vatten den persoon van Ambrosio, Priester, zich bevorens genoemd hebbende Godard van Reede tot Sonheuvel +(hier volgde de aanduiding) en aan alle overheden, schouten en magistraten om gemelden Peter Maanvreter de noodige hulp en +assistentie te verleenen enz. enz., alles ingevolge de in den jare 1598 uitgeschreven en later hernieuwde plakkaten. + +</p> +<p>“Ik zal hierop slechts ééne aanmerking maken,” zeide de Baron, nadat hij de lezing van het stuk in stilte had volbracht: “gij +zijt hier niet in Gelderland, maar op Stichtschen grond: en uw lastbrief heeft hier zijn kracht verloren. Hadt gij onderzoek +willen doen, gij hadt u bij den Schout moeten vervoegen, maar geenszins op eigen gezag hier moeten komen.” + +</p> +<p>“De Jonker heeft ons zelf hier gebracht,” antwoordde de wachtmeester. + +</p> +<p>“Gij zijt een te oude roofvogel om u door zulk een jong spreeuwtje van den rechten weg te laten afbrengen.—Doch heeft de Jonker +die buitenposten uitgezet, die mij den toegang hebben afgesneden?” + +</p> +<p>“Het spreekt van zelf, dat mijn last UEd. niet gold; en UEd. ware niet opgehouden geweest, indien men mij niet had opgesloten; +doch ik had stellig naricht, dat de man, dien wij zochten, zich hier bevond, en nam daarom de noodige voorzorg, dat hij niet +ontsnapte. Mag ik UEd. wel een woordje in ’t vertrouwen onder vier oogen mededeelen!” + +</p> +<p>”’t Is wel: doch maak het kort. Heer Schout, met uw verlof! Bouke, verlaat de kamer met uw volk.—Nu zijn wij alleen: wat hebt +gij nu te zeggen?” + +</p> +<p>“Heer Baron,” zeide de wachtmeester: “wees zoo goed en zie dit papiertje eens in.” Meteen toonde hij het aan Reede, terwijl +hij het zorgvuldig met de beide handen onder en boven bleef vasthouden uit vrees dat het hem ontscheurd zoude worden. Het +was een blaadje uit een getijboek, en wel het eerste: bovenop stond geschreven: <span class="letterspaced" lang="la">hic liber est Fr. Ambrosii, abb. Dom.</span><a id="d0e3609src" href="#d0e3609" class="noteref">7</a>. + +</p> +<p>“Welnu! wat zal dit?” vroeg Reede, nadat hij het aandachtig beschouwd had. + +</p> +<p>“Dit blaadje vond ik in mijn gevangenis. Het bewijst ten duidelijkste, dat daar vóór ons nog iemand geweest was, en dat de +abt, uw oom, daar òf gescholen heeft òf nog in de een of anderen hoek schuilt.—Wat dunkt UEd.? Zouden de Staten het met welgevallen +zien, dat UEd. een man, wien de justitie opspoort, schuilplaats verleent?” + +</p> +<p>Van Reede zweeg en streek zich over ’t gezicht. + +</p> +<p>“Mij dunkt, Uwe Edelheid!” vervolgde de wachtmeester, ziende dat zijn gezegden niet geheel zonder uitwerking bleven, “mij +dunkt, wij moesten de geheele geschiedenis maar blauw blauw laten. Want, zoo UEd. over mij klaagt, zal ik, ja, misschien gestraft +worden; <a id="d0e3620"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3620">96</a>]</span>doch ik heb altijd een middel om UEd. een poets te bakken, die UEd. waarschijnlijk hoogst onaangenaam zijn zoude.” + +</p> +<p>“Gij hebt gelijk, schurk!” zeide de Baron, “gelukkig, dat alles zich nog zoo schikken kan: want de man, dien gij zoekt, is +reeds in veiligheid. Inderdaad, het zal best zijn, dat wij de zaak schikken. Heer Schout! gij kunt weer binnenkomen.” + +</p> +<p>De Schout kwam terug met de overigen. “Ik ben over de inlichtingen voldaan, mij door den wachtmeester gegeven,” zeide Reede, +“en hij kan in vrede met zijn volk vertrekken, mits zulks dadelijk geschiede. Bouke! roep Joan! want ik moet eens hooren, +hoe hij het toch geklaard heeft, om die knapen boven op dat kamertje te krijgen. Tot wederziens, Heer Schout.”—Men gaf den +ruiters hun wapenen terug, waarop zij vertrokken. Ondanks de vermaningen van den Schout konden zij het dorp niet verlaten, +zonder een menigte scheldwoorden en uitjouwingen van de goede gemeente, die hen gevolgd was, te moeten verduwen: dit getroostten +zij zich totdat zij buiten het dorp gekomen waren: toen gelastte Maanvreter aan zijn onderhoorigen rechts-om-keert te maken, +en meteen zwoer hij, dat de eerste, die zich verstouten dorst, hem verder lastig te wezen, kennis zoude maken met zijn ijzeren +kling. Deze bedreiging, de vaste toon, waarop zij was uitgesproken, en het barsche uitzicht van den wachtmeester maakten indruk +op den hoop, en de ruiters mochten ongestoord hun weg naar Gelderland vervolgen. + +</p> +<p>Aldus liep deze geschiedenis ten einde, waarvan eigenlijk niemand met eer was afgekomen, dan Joan, wiens verhaal door zijn +pleegvader onder een aanhoudend gelach werd aangehoord en wiens gedrag door Bouke ten hemel werd verheven. + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3434" href="#d0e3434src" class="noteref">1</a></span> De vossen hebben kuilen en de vogelen des hemels nesten: maar ik heb niet waar ik mijn hoofd kan nederleggen. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3444" href="#d0e3444src" class="noteref">2</a></span> Opdat in den naam Jesu zich buige, enz. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3454" href="#d0e3454src" class="noteref">3</a></span> Heere! Heere! hebben wij niet in Uwen name geprofeteerd? +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3460" href="#d0e3460src" class="noteref">4</a></span> Ik heb u nooit gekend: gaat weg van mij, die ongerechtigheid werkt. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3466" href="#d0e3466src" class="noteref">5</a></span> De dag der wrake. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3477" href="#d0e3477src" class="noteref">6</a></span> Deze rede is hard en wie kan die hooren? +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3609" href="#d0e3609src" class="noteref">7</a></span> Dit boek behoort aan broeder Ambrosius, abt der Dominicanen. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e3628" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Elfde Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Van mijne bruiloft af, van dat ik zat verlooft, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Wat stormen waeiden my niet sedert over ’t hooft: +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Wat toren is zoo hoog, van waer mijn oogh de baren +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Der zee kan overzien van al mijn wedervaeren.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Gysbrecht van Aemstel. +</p> +</div> +<p>Wij springen thans, volgens het voorrecht van romanschrijvers en nieuwerwetsche Fransche <span class="letterspaced">vaudevillisten</span>, wederom eenige onbeduidende jaren stilzwijgend over, om tot een voorval te komen, hetgeen plaats greep, toen Joan zestien +jaren bereikt had, en dat op zijn volgende loopbaan meer invloed had, dan men er in het eerst van had kunnen verwachten. + +</p> +<p>Schoon Joan op dien leeftijd een geoefend ruiter was, en den fraaien vos, hem door zijn pleegvader geschonken, met zwier bereed, +wanneer hij met vlugge hazenwinden den reebok of de hazen op het uitgestrekte heideveld najoeg, kende hij echter geen grooter +genoegen, dan om alleen, zonder gezelschap buiten zijn trouwen <a id="d0e3652"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3652">97</a>]</span>hond Veltman, met het jachtmes op zijde en den kruisboog in de hand, de omliggende velden te doorkruisen: dan trok hij, in +’t eenvoudigste gewaad, tegen weer en wind gehard, bij zonsopgang met vollen knapzak en ledige weitasch het slot uit om er +niet zelden eerst tegen het vallen van den avond met ledigen knapzak en volle weitasch terug te keeren. Rusteloos en onvermoeid +zette hij zich alleen uit vriendschap voor zijn viervoetigen tochtgenoot somtijds neder, om de boterhammen, welke de zorgvolle +Ulrica ’s avonds te voren had toebereid en in papier gewikkeld, met den edelen hond te deelen, en aan dezen de verkwikking +te doen erlangen, die hij benoodigd had om met nieuwe krachten de wandeling voort te zetten. + +</p> +<p>Eens keerde hij, met wild beladen en vroolijk neuriënde onder ’t gaan over de breede heiden, die zich ten noordoosten van +het dorp Sonheuvel bevinden, met zijn trouwen Veltman weder huiswaarts. Het was een dier schoone herfstavonden, waarin de +hemel met zulke heerlijke schakeeringen van goud en purperrood ontgloeid is: liefelijk werden de dampen, die over de vochtige +velden gleden, door de breede zonnestralen verlicht; in vollen bloei stonden de ontelbare erica’s en bedekten het grauwe mostapijt +als met purperen vlekken: van alle kanten stegen de geuren van thym en rosemarijn naar boven en verspreidden zich heinde en +ver op den adem van het suisend avondwindje. Blakend van den schemerenden gloed der ondergaande zon, lagen Sonheuvel en de +omliggende dorpen aan den voet des heuvels, midden tusschen het donkere groen te prijken: trotsch en statig verhieven zich +de hooge kerkspits, en daarachter, de daken van het vaderlijk slot: linksaf stak, in ’t verschiet, de dom van Reenen somber +af tegen het heldere zwerk, en aan de rechterzijde rezen de torens van twintig adellijke huizen uit de donkere bosschages. +Voor hem rolde de Rijn met effen, stillen stroom, door vette weiden of geurige boomgaarden, en kaatste als een spiegel den +blozenden hemel terug. Hoe vaak Joan dit prachtige natuurtooneel aanschouwd had, telkens deed het nieuwe en streelender gewaarwordingen +bij hem oprijzen: want dit voorrecht bezit de natuur, dat hare schoonheid nimmer den gevoeligen toeschouwer vermoeien noch +verzadigen kan, en dat de indrukselen, welke zij teweegbrengt, met de jaren eer versterkt dan verzwakt worden. Onwillekeurig +bleef Joan op de helling des heuvels staan, niet ver van de plaats, waar het pad, dat hij volgde, zich met den bovenweg vereenigde, +om zijn oogen aan een treffend en bevallig schouwspel te verlustigen. Daar stond hij, als ware hij alleen in de natuur. Slechts +de rook, die uit het dorp in dunne wolkkolommen opsteeg, het verwijderd geloei der runderen, die naar de stallen keerden, +en het eentonig geluid der klinkende schelletjes van de witgewolde kudden kondigden hem de nabijheid van menschen aan. Verzonken +in aandacht en verrukking, gevoelde hij zich, zonder zelf de reden te kunnen bevroeden, diep bewogen en wischte een traan +uit het oog, toen de onverwachte verschijning van een naderend rijtuig aan zijn gedachten een afleiding bezorgde, door zijn +nieuwsgierigheid gaande te maken. +<a id="d0e3656"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3656">98</a>]</span></p> +<p>Langs den bovenweg, den eenigen, die in dit jaargetijde berijdbaar was, kwam van den kant van Reenen, een zware koets aanrollen, +door vier stevige paarden getrokken. Een fraai uitgedoste koerier ging het rijtuig voor, gaf, zoodra hij ter plaatse gekomen +was, waar de weg nederwaarts op het dorp aanliep, zijn paard de sporen en reed op een vluggen draf de straat van Sonheuvel +in. Met snelle schreden aanstappende, bereikte Joan nu spoedig den landweg en zette zich op een dijkje van plaggen neder, +om het rijtuig, dat langzaam den heuvel afkwam, te zien voorbijrijden. Het was een prachtige koetswagen, met wapens en blazoenen +beschilderd. De hemel, op vier stijlen rustend, was met gordijnen behangen van oranje laken, met blauw en zilver geborduurd. +Op de trede zat een page, tegen de avondlucht gewapend met een paarsen mantel, waarin hij zich geheel had gewikkeld. Achterop +bungelden drie lange slungels van lakeien, sierlijk uitgedost en met vuurroeren gewapend. De koetsier, die de strengen der +achterpaarden hield, was een lang, deftig man, met een hoogen, breedgeranden hoed, een kastanjebruinen rok vol linten en strikken, +hooge laarzen met zilveren franjes en bijzonder net geplooiden kraag. Deze keurige kleeding stak bijster af tegen het gewaad +des postiljons, die op het bijdehandsche voorpaard gezeten was, zijnde een Geldersche boer, met ongedekten hoofde, aschgrauw, +ongekamd en stijf afhangend haar, linnen pij en holsblokken aan de bloote voeten. + +</p> +<p>Langen tijd bleef de wagen even langzaam voortrollen, en Joan werd ongeduldig, toen hij op eens verwarring om het rijtuig +zag ontstaan, terwijl de paarden hollende op hem afkwamen. + +</p> +<p>Het linkerachterwiel had een zwaren steen ontmoet, die, onder ’t zand begraven, en door een vooruitschietenden denneboomswortel +gesteund, het voortgaan van het rijtuig verhinderde. Driemalen klapte de lange zweep des koetsiers door de lucht: driemalen +voelden de voorpaarden het touw met de dikke knoopen der postiljons, zonder dat de koets verwikte: eindelijk deed het bijdehandsche +voorpaard zulk een geweldigen ruk, dat een der touwen, waaraan het gebonden was, in stukken sprong: dit was oorzaak, dat het +dier op zijn nevenman aandrong: het geheele span ontving een zijdelingschen schok, waardoor het rijtuig met zooveel geweld +over den steen gehaald werd, dat het wiel omhoog en tegen den bak aansnorde; de postiljon verloor zijn tegenwoordigheid van +geest, en in plaats van zijn paarden des te steviger vast te houden, poogde hij af te klimmen en tuimelde hals over kop in +’t zand: de paarden, schichtig geworden, sloegen aan ’t hollen en waren niet door de inmiddels afgestegen dienaars te wederhouden. +De page, die mede van het rijtuig gesprongen was, lag midden in een doornstruik te spartelen, en een in ’t zwart gekleede +vrouw, die de gordijnen had opengeschoven, (want men wist toen nog van geen portieren) en al gillende hulp vroeg, scheen in +beraad om ook den sprong te wagen, toen er hulp verschaft werd. + +</p> +<p>Zooras Joan het ongeval ontdekt had, begreep hij, dat de paarden gestuit dienden te worden, eer zij in het bestraatte dorp +aankwamen, <a id="d0e3665"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3665">99</a>]</span>alwaar zij het rijtuig gemakkelijk tegen een huis of stoep zouden kunnen verbrijzelen: haastig zag hij om zich heen, hoe er +hulp kon bewezen worden, en wierp inmiddels boog en weitasch van zich af. Aan den weg lag een hoop afgehouwen dennestammen: +een daarvan tilde hij op, stak dien dwars over den weg, met de punt in het dijkje en ging zelf aan de andere zijde van het +spoor staan, het dikke einde van den boom vasthoudende, en op die wijze een slagboom improviseerende. Bijna op hetzelfde oogenblik +waren de voorpaarden bij hem: zij struikelden over den hinderpaal en stortten neder, waarop het den koetsier niet moeilijk +viel, de achterpaarden op te houden en het rijtuig te doen stilstaan. Men begrijpt, dat dit alles in minderen tijd geschiedde, +dan ik noodig heb om het te verhalen. + +</p> +<p>Een der dienaars naderde het rijtuig en hielp er zijn meesteres uit, benevens hare twee verschrikte kamerjuffers. Zonder een +woord te spreken, en met een gelaat, waar de uitgestane angst nog duidelijk op te lezen was, wandelde de deftige vrouw den +weg af, toen haar page, een knaap, die tusschen de twintig en vijf en twintig jaren oud scheen en wiens kleeding en gelaat +deerlijk van de doornen gehavend waren, met honderd buigingen haar op zijde kwam snellen, en met tallooze dienstbetooning +vroeg, of Mevrouw ook eenig letsel bekomen had. Zijn meesteres vergenoegde zich met van neen te schudden en wendde zich vervolgens +tot den koetsier, die van den bok geklommen was en de paarden ophielp, en wien zij vroeg of hij alleen, dan wel met behulp +van anderen, de paarden had kunnen stuiten.—“<span lang="de">Ich? Genädige Frau!</span>” antwoordde de koetsier: “<span lang="de">nein waaraftig nicht: das ware onmöglich; want ich hold allein die afterste knollen: ohne ein jungen jäger, die mit eine kantsch +prave tegenwortigkeid von keist die dennetak for die perten kehalt had, ware euer Gnäde er so gefällig niet afjekomen: er +ware ein hupscher knabe, und Ludwig (<span lang="nl-1900">vervolgde hij, den page schuins aanziende</span>) mag ein beispiel aan ihm nemen, wie sich te ketraken in eine sortkelike kelekenheid.</span>” + +</p> +<p>“Ik zou hetzelfde gedaan hebben,” antwoordde de page: “kan ik het helpen, dat ik in die hatelijke doornen te land kwam?” + +</p> +<p>“Neen,” zeide de vreemde Dame, op een gestrengen toon: “doch gij kunt het wel helpen, dat gij de gordijnen niet losmaaktet, +toen ik zulks verzocht: wel is waar, elk is zich zelf het naast, en de vrees, die u beving, is uw beste verschooning.” + +</p> +<p>Het gelaat van den page, dat op het verwijt van den koetsier rood van toorn geworden was, werd op de beschuldiging zijner +meesteres bleek van spijt: hij wilde antwoorden, doch wederhield zich intijds, beet op de lippen, wendde zich af en ging naar +de paarden, als om te helpen; doch de koetsier stootte hem eenigszins ruw van zich af met de verklaring, dat hij hem hinderde. + +</p> +<p>Nog maar half van haar schrik bekomen, plaatste zich de adellijke vrouw op den stapel boomstammen, en vroeg aan de landlieden +en dorpelingen, die in menigte, door de nieuwsgierigheid gelokt, waren toegeschoten, wie hunner den kloeken jongeling kende, +die zich zoo moedig en behendig voor haar behoud geweerd had. +<a id="d0e3686"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3686">100</a>]</span></p> +<p>“Er was ein jongen jäger,” zeide de koetsier: “ein hupscher borst.” + +</p> +<p>“Een jonge jager”, zeiden de boeren, de schouders ophalende: “wie kan dat zijn? hier jaagt niemand dan de Jonker.” + +</p> +<p>“Of het moest Teun Wezer zijn,” mompelde de vrouw van den metselaar tegen den barbier. + +</p> +<p>“Die zal zoo mal niet wezen om zich hier te vertoonen,” zeide de barbier, sedert Bouke hem rottingolie heeft toebedeeld, omdat +hij zijn nichtje Klaartje zocht te verleiden.” + +</p> +<p>“Wat praat jelui van Teun Wezer?” liet zich een stem achter de koets hooren: “bemoei je met je eigen duiveljagerijen.” + +</p> +<p>Hij, die deze woorden uitte, was dezelfde boerenknaap, die als postiljon de koets gemend had en bij Reenen te huis behoorde: +hij stond in den geheelen omtrek in slechten reuk, wegens gepleegde strooperijen en boevenstukken; doch omdat hij een vrij +goed ruiter was, werd hij wel eens door den boerenstalmeester als postiljon aan reizenden medegegeven. + +</p> +<p>“Zie je nou, buurman?” hernam de metselaarsvrouw: “daar is hij al zelf: ja, ik had zoo mis niet gezien. Het spijt mij maar, +dat ik kwaad van hem gesproken heb: als hij het gehoord heeft, zou hij wel eens uit wraak mijn kippen stelen.” + +</p> +<p>Inmiddels naderde de postiljon en bezichtigde de paarden: waarna hij met een zwaren vloek verzekerde, dat het eene in de borst +gewond, en het andere aan ’t been gekneusd was, een schade, welke de genadige vrouw, al ware zij nog zoo genadig, hem betalen +zou. + +</p> +<p>“Spreek maar zoo bout niet, Teun!” sprak iemand achter hem: “het geheele geval is uw eigen schuld en zou niet gebeurd zijn, +indien gij, in plaats van af te springen, waart blijven zitten: gij verdient smeer in stede van betaling.” + +</p> +<p>Teun Wezer zag vloekend om, doch zweeg op het gezicht van den Jonker van Sonheuvel, die, met zijn hond aan zijn zijde, bedaard +naar hem toekwam. + +</p> +<p>Joan had, als wij verhaald hebben, op het zien van het dreigend ongeval, boog en weitasch weggeworpen: de boog was aan de +andere zijde van het dijkje in een greppel neergevallen: de weitasch was nog verder heengevlogen: de hazen en patrijzen, daaruit +gerold, lagen op de heide verspreid. Zoodra hij de paarden gestuit had, was zijn eerste werk geweest, om de gansche rommelzooi +weder bijeen te gaan zoeken, ’t geen hij met behulp van Veltman ten uitvoer bracht. Daar dit bukkende geschiedde, was hij +tot nu toe door het dijkje aan aller oogen onttrokken gebleven. + +</p> +<p>“Ziedaêr, Genädige Frau,” zeide de koetsier, “ziedaêr den knabe, die ons keret heeft.” + +</p> +<p>Met een vriendelijken, dankbaren blik keerde zich de genadige Vrouw naar Joan, die met de muts in de hand voor haar stond: +“Ik bedank u, knaap!” zeide zij: “gij hebt u, naar ik hoor, niet alleen met kloekheid, maar ook met gevaar van uw leven, gedragen; +u is immers geen letsel overkomen?” + +</p> +<p>“Als Uwe Genade er even weinig van gedeerd is, als ik, zal het niet erg zijn,” antwoordde Joan lachende: “doch waar is mijn +matten <a id="d0e3715"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3715">101</a>]</span>fleschje gebleven?” vroeg hij, zich plotseling omwendende: “dat is zeker aan den boog blijven haken en zoo weggeraakt! Veltman! +zoek! verloren!” en Veltman, zijn vermoeidheid vergetende, vloog over het dijkje terug. + +</p> +<p>Deze bekommernis van Joan over zijn matten fleschje was zeker niet naar de regels der strikte beleefdheid; doch hij was op +’t land opgebracht, waar hij nooit dan met zijn minderen verkeerd had en nooit met lieden van hoogen rang, als deze Mevrouw +scheen te zijn, in gezelschap geweest was; de vreemde Dame nam hem zijn vrijpostigheid ook niet kwalijk af; doch de page vond +goed zich daarover gebelgd te toonen. + +</p> +<p>“Goede vriend,” zeide hij, “gij stelt zeker veel belang in uw fleschje, dat gij er de tegenwoordigheid van Mevrouw de Gravin +door vergeet: gij moest liever die brave lieden een handje helpen, om de paarden uit te spannen.” + +</p> +<p>Dit gezegde veroorzaakte een verontwaardiging, die algemeen was en ook bijna gelijktijdig werd uitgedrukt door al de aanwezigen. + +</p> +<p>“Zwijg Ludwig!” zeide de Gravin, “en schaam u! zoo die knaap iets verloren heeft, was het, door dat hij ons hulp betoonde, +en gij deedt beter hem in ’t zoeken bij te staan, indien zulks uw fraaie broek niet sleet, dan hem onbeleefdheden te zeggen.” + +</p> +<p>“De page mocht den bek wel halten,” zeide de koetsier, terwijl hij Joan met hartelijkheid de hand schudde: “du bist bei meine +seele ein gutter burst, en koen wie ein keporen Deutscher.” + +</p> +<p>“Bewaar ons!” zeide de vrouw van den metselaar, Ludwig schuins aanziende: “hoe durft die bonte aap zoo tegen onzen Jonker +spieken?” + +</p> +<p>“Wat jonker?” zeide Ludwig, zich tot haar keerende: “van welken jonker spreekt gij? en wat meent ge met uw bonten aap?” + +</p> +<p>“De bonte aap ben jij!” hervatte de vrouw, de armen in de zijde zettende: “en dat is onze Jonker, de Jonker van Sonheuvel, +versta je, moesjanker? kijk maar zoo zuur niet: we geven hier niets om je moffegezwets.” + +</p> +<p>De page zag haar een oogenblik als versteend aan, wendde vervolgens het oog op Joan, mat hem met een somberen blik van het +hoofd tot de voeten, en vroeg daarna nogmaals zeer bedaard: “Is dat de Jonker van Sonheuvel?” + +</p> +<p>“En wie had je hier anders verwacht?” antwoordde de barbier. + +</p> +<p>“Zoo!” zeide Ludwig, en met dit woord trad hij terug en floot een deuntje tusschen de tanden. + +</p> +<p>De gravin, die, door het geraas en gepruttel der dorpelingen, van deze woordenwisseling niets verstaan had, trad weder naar +Joan, en, terwijl zij met de eene hand Veltman streelde, bood zij hem met de andere eenig goud aan. + +</p> +<p>“Dat gij mijn hond streelt, Mevrouw, doet mij vermaak,” zeide Joan, achteruittredende: “maar geld behoef ik niet. Mijn vader +is rijk genoeg, om....” + +</p> +<p>Doch de Gravin liet hem geen tijd om uit te spreken. Den hond streelende, beschouwde zij het dier met meer opmerkzaamheid, +en <a id="d0e3745"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3745">102</a>]</span>eensklaps riep zij, als door een pijlsnelle gedachte getroffen: “Mijn God! juist zulk een dier was onze Fenix! Knaap! vanwaar +hebt gij dien hond?” + +</p> +<p>“Die hond,” zeide Joan met eenige trotschheid, “is op mijns vaders slot geboren: hij is de jongste en eenig overgeblevene +zoon van den ouden, getrouwen, die nu lang dood is en die in zijn tijd aan den Graaf van Falckestein had toebehoord, maar +hem door de Spanjaards ontnomen was. Mijn vader heeft hem herwonnen.” + +</p> +<p>“Uw vader?.... De Graaf van Falckestein.... Knaap! wie zijt gij?” + +</p> +<p>“Joan van Reede tot Sonheuvel, en mijn vader is Heer van dit dorp: ginds achter de boomen ziet gij ons kasteel. Vergun mij +u daar te brengen: gij zult mijn vader veel genoegen doen.... en verder zult gij van avond toch niet willen reizen.” + +</p> +<p>“Met blijdschap zal ik met u gaan, Jonker!” zeide de Gravin, op wier gelaat een diepe ontroering leesbaar was: “met onuitsprekelijk +veel genoegen zal ik uw vader zien. Verschoon mij, indien ik u onbekend beleedigd heb, en laat deze kus u het vermaak uitdrukken, +dat mij deze ontmoeting verschaft. Zooals mijn onvergetelijke Ulrich mij uw vader meermalen geschilderd heeft, evenzoo kloek +en dienstvaardig vind ik thans zijn zoon.... Goede Fenix,” vervolgde zij, Veltman nogmaals streelende, “gij zijt gelukkiger +geweest dan uw meester. Uw kroost is gespaard gebleven, en het mijne....” hier stroomde een tranenvloed langs hare van hartzeer +vermagerde wangen. + +</p> +<p>De paarden waren nu uitgespannen en de boeren stonden gereed om de koets naar den kort daarbij wonenden wagenmaker te brengen, +toen zich de postiljon, met een half koppig, half beteuterd gezicht, bij de Gravin vervoegde. + +</p> +<p>“Met uw verlof, Mevrouw!” zeide hij, “en met dat van den Jonker, zou ik Uwe Genade wel willen verzoeken om eenige schadevergoeding +voor mijn arme beesten. Zij willen wel, met verlof van den Jonker, al de schuld van het geval op mij schuiven, maar ik verklaar +Uwe Genade, dat het alleen van dien d....schen steen komt, en dat ik er zoo onschuldig aan ben als een pasgeboren kind! Zoo +Mevrouw dus zoo goed wilde zijn,... ik zelf heb een zwaren val van ’t paard gedaan in dienst van Uwe Genade.” + +</p> +<p>“Ja, in ’t warme zand,” zeide Joan, hem in de rede vallende: “dat zal u weinig letsel gedaan hebben. Het verwondert mij, dat +gij nog zoo onbeschaamd zijt, u hier te vertoonen. Als mijn vader u zag, zoudt gij de knuppelslagen niet ontgaan, gij strooper!” + +</p> +<p>“Ik heb Mevrouw toch wel bediend,” zeide Teun Wezer, het hoofd op den schouder leggende als een bok die stooten wil. + +</p> +<p>“Genoeg hiervan,” sprak de Gravin: “Ludwig, betaal den man en laat hem in ’s Hemels naam maar wegrijden.” + +</p> +<p>Ludwig trok den postiljon ter zijde en betaalde hem. Vervolgens gaf hij hem nog een daalder boven zijn eisch en vroeg hem, +of hij hem een dienst bewijzen wilde. + +</p> +<p>“Tien voor één, genadige Jonker Page!” was het antwoord. + +</p> +<p>“Stil! spreek zachter! zijt gij met de buurt sinds lang bekend?” + +</p> +<p>“Sedert mijn geboorte ken ik al den omtrek op mijn duim.” +<a id="d0e3773"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3773">103</a>]</span></p> +<p>“Goed! rij dan weg; doch tracht u morgen te zeven uren weder hier ter plaatse te bevinden; dan zal er nog meer voor u te verdienen +vallen. Voort hier vandaan.” Hier keerde Ludwig zich om: de postiljon oogde hem verbaasd na en reed toen met vier losse paarden +naar Reenen terug. + +</p> +<p>Terwijl voerde men het rijtuig naar het dorp en bood Joan zijn rechterarm aan de Gravin om haar slotwaarts te leiden. + +</p> +<p>“Verschoon mij, Jonker!” zeide deze, hem beleefdelijk afwijzende: “gij hebt genoeg te dragen, om met geen oude vrouw als ik +belast te worden.” + +</p> +<p>“Indien de Jonker het mij toestaat,” zeide Ludwig, beleefdelijk toeschietende, “dan zal ik zijn jachtgereedschap gaarne dragen, +en nog aangenamer zal het mij wezen, zoo de Jonker mij mijn onbescheidenheid van zooeven vergeeft.” + +</p> +<p>“Die vergeef ik u gaarne”, antwoordde Joan: “en zult gij dit jachtgerij voor uw rekening nemen? Daar is al de brui; doch pas +op dat de hoenders niet uit de weitasch vliegen.” Dit zeggende hing hij die om den hals van den page. + +</p> +<p>“En pas op,” vervolgde de Gravin, spotachtig, “dat uwe fraaie kleeren niet bederven.” + +</p> +<p>Al pratende trad zij met den Jonker het dorp in, en nu nam deze de vrijheid te vragen, wie hij aan zijn vader voor moest stellen. + +</p> +<p>“Helaas!” antwoordde de Gravin, “al mijn namen veroorzaken mij droevige herinneringen, zoo dikwijls ik die melden moet. Misschien +heeft uw vader u wel eens gesproken van Anna van Manderscheid, laatstelijk weduwe van Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, en +vroeger van Graaf Ulrich von Daun?....” + +</p> +<p>“Is ’t mogelijk.... naar wien mijn zuster Ulrica genoemd werd?” + +</p> +<p>“Werd zij waarlijk?.... Gaf uw vader haar den naam van mijn echtgenoot? Ach, hoe verlang ik dat meisje te zien en te omhelzen.” + +</p> +<p>“Mijn vader heeft mij wel eens van uw ongelukken verhaald, Mevrouw! gij moet veel hebben doorgestaan.” + +</p> +<p>“Meer dan iemand ooit mogelijk gedacht had te kunnen overleven. Mijn beide gemaals vielen door het staal: mijn jongste zoontje +kwam met zijn vader om, en mijn oudste, mijn eenigst overgeblevene.... ook hij werd voor weinige jaren gruwzaam vermoord.” + +</p> +<p>“Mijn vader hield veel van den Graaf van Falckestein: dikwijls spreekt hij van hem, en altijd geraakt hij in drift, als hij +gewag maakt....” + +</p> +<p>“Van de rampzalige wijze waarop hij omkwam, nietwaar? Vrees niet, mij door te sterke uitdrukkingen zeer te doen: ik heb zooveel +geleden, dat ik bijna verstompt ben voor aandoeningen. Helaas! al wat mij waard was, werd het slachtoffer van den Spaanschen +haat: en allen zijn nog ongewroken. Slechts Velasco viel ten offer, en of deze de schuldige was, durf ik op goede gronden +betwijfelen.” + +</p> +<p>“Velasco! daarvan heeft mijn vader mij nooit verhaald.” + +</p> +<p>“Niet? dit zal hem zijn zedigheid misschien belet hebben. Uw vader heeft in Velasco’s bloed den dood van zijn vriend willen +wreken: het was de eenige wraak, ik herhaal het! Toen die aartsdwingeland <a id="d0e3806"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3806">104</a>]</span>Mendoza in Den Haag gevangen zat, nu dertien jaren geleden, leverde ik een aanklacht tegen hem in: mijn verzoek werd van de +hand gewezen, mijn brave echtgenoot nog door dien booswicht van verraad en eedbreuk beticht, terwijl hij.... doch genoeg hiervan: +ik wil uw vader een vriendelijk gelaat toonen.” + +</p> +<p>“Daar komt hij ons met Ulrica te gemoet,” riep Joan verheugd uit, op het zien van den Baron, die, van de komst der Gravin +verwittigd, met zijn dochter haar zijn diensten aan kwam bieden. + +</p> +<p>Onder wederzijdsche beleefdheden, welke de lezer zich gemakkelijk kan voorstellen, en nadat de Gravin Joans gedrag ten hoogste +geprezen had, kwamen zij gezamenlijk binnen het kasteel, waar de Baron zijn adellijke gast met een handkus welkom heette, +en bevelen gaf om een prachtigen avondmaaltijd aan te richten, aan welken echter, buiten Joan, door niemand veel eer gedaan +werd. Op het nagerecht, toen Ulrica, in wier bevallig uiterlijke en minnelijke hoedanigheden de Gravin een groot welgevallen +scheen te hebben, zich ter ruste had begeven, viel het gesprek wederom op de lotgevallen dezer laatste. Twee jaren na den +dood van haar eersten man huwde zij den Graaf van Nassau, die het volgende jaar in den krijg sneuvelde; de Gravin, weder in +’t bezit van haar goederen geraakt, dacht nu haar dagen zonder verdere rampen door te brengen; dan vergeefs: haar oudste en +thans eenige zoon werd in de nabijheid van het slot Bruck, werwaarts hij met Ludwig en den ouden Beckman heenreisde, door +Spanjaards overvallen en omgebracht. Een jaar later werd ook de broeder der Gravin door een doodelijk lood getroffen: en thans, +nu Kleef en Berg haar hatelijk geworden waren, ging zij ver van het tooneel der geleden rampen in Den Haag haar woonplaats +vestigen, alwaar zij hoopte, dat een spoedige dood een einde aan zoovele rampen maken zoude. + +</p> +<p>“Mevrouw!” riep Joan, na het aanhooren van dit alles, in geestdrift uit: “ik hoop dat ik eens in staat zal wezen, al uw ongelijk +te wreken. Zoo ik ooit dien Mendoza, dien Lopez, dien Velasco, een van die schelmen, die uw ongelukken berokkend hebben, ontmoeten +mocht, mijn zwaard zal....” + +</p> +<p>“Zwijg knaap!” viel Reede haastig in: “gij weet niet wat gij begeert.” + +</p> +<p>“Laat hem spreken,” zeide de Gravin: “het doet mij goed hem te hooren.” + +</p> +<p>“En waarom mag ik dat niet zeggen, vader!” hervatte de knaap: “gij hebt zelf mij geleerd, dat een waar ridder, zooals er thans +weinig meer te vinden zijn, aan zijn God, zijn vaderland en aan de verdrukte onschuld zijn degen moet wijden: en volg ik dus +uw voorschrift niet, wanneer ik Mevrouw wil wreken, wier echtgenooten voor God en de goede zaak zijn gevallen?” + +</p> +<p>“Ja!” zeide de Gravin, ontroerd, terwijl zij den knaap met welgevallen beschouwde; “gij zult mijn wreker zijn, Joan! van nu +af maak ik u tot ridder.” Dit zeggende, maakte zij haar gouden halsketen los en sloeg die om den nek van den jongeling. Dankbaar +en verlegen over zulk een fraai geschenk, wilde Joan hare hand kussen; <a id="d0e3822"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3822">105</a>]</span>doch hem oprichtende, kuste zij hem op het voorhoofd: “als mijn ridder kus ik u,” vervolgde zij: “maak u meer en meer waardig +dien naam te dragen, en, zoo gij de u ingeprente beginselen moedig vast blijft houden, zal hij meer dan een bloote titel zijn.” + +</p> +<p>“Gij ziet het, vader!” riep Joan verheugd uit: “de Genadige Vrouw acht mijn woorden zoo gering niet.” + +</p> +<p>Reede zweeg, schudde het hoofd en keek in ’t vuur. Zwaar drukte hem het denkbeeld, door Joans uitroep in hem opgerezen, dat +deze, eenmaal den wapenhandel kiezende, tegen zijn eigen landgenooten, ja tegen zijn hem onbekende naastbestaanden, de wapenen +voeren zoude. “Mevrouw!” zeide hij, na lang zwijgen: “ik trachtte altijd aan Joan te leeren, dat het Christenplicht is, aan +onze vijanden te vergeven: uwe goedheid jegens hem heeft mij diep getroffen: doch zoo hij eens de wapenen voert, waaraan ik +nog twijfel, zal hij, hoop ik, voor de algemeene zaak, niet voor bijzondere wraak strijden.” + +</p> +<p>De Gravin sloeg op hare beurt de oogen neder en beet zich op de lippen: de uitval des Barons mishaagde haar, en gaarne had +zij dien beantwoord; doch zij had te veel gevoel van welvoeglijkheid, om zich een scherpe uitdrukking tegen een voor ’t overige +zoo vriendelijken gastheer te veroorloven. Nadat zij dus eenige oogenblikken met de franjes van het Atrechtsche tafelkleed +gespeeld had, wendde zij zich tot den page, die achter haar stond, en gelastte zij hem, te gaan zien of haar bagage in orde +was en of men het benoodigde voor haar nachtverblijf had ontpakt. + +</p> +<p>“Die knaap heeft een schrander uitzicht,” zeide de Baron, toen Ludwig vertrokken was: “doch hij schijnt wat teer van maaksel +en ongeschikt voor zware vermoeienis.” + +</p> +<p>“Ik ben op een zonderlinge wijze aan hem gekomen,” antwoordde de Gravin: “zijn moeder heeft mij het leven gered, toen ik uit +Bruck vluchtte. Eenigen tijd na mijn tweede huwelijk, kwam zij weder tot mij en verzocht bescherming voor haar zoon. Zij was, +zooals ik toen hoorde, een Geldersch meisje en door een Spanjaard verleid geworden. Den knaap liet ik opvoeden, en nam hem +tot page, na den dood van Graaf Lodewijk. Hij beantwoordde mijn zorgen wel; want, ondanks een zekere poppigheid en keurigheid +op uiterlijke vormen, die aan kleingeestigheid grenst, is hij getrouw, nauwgezet en uitmuntend geschikt om te volbrengen wat +hem wordt opgedragen, ook hetgeen niet tot zijn vak behoort. Hij was getuige van den dood mijns zoons, ontkwam niet dan met +moeite aan de handen der Spanjaards en kondigde mij de treurige tijding aan met een voorzichtigheid en gevoeligheid, die beide +aan zijn verstand en hart eer deden.” + +</p> +<p>“Als hij van Spaansch bloed is, zou ik hem toch maar half vertrouwen,” zeide Joan halfluid: “onze Bouke zou zeggen: ’t wil +muizen wat van katten komt.” + +</p> +<p>“Alweder!” zeide de Baron: “hebt gij niet gehoord, wat ik zooeven zeide, dat gij u van aanmerkingen te onthouden hebt?” + +</p> +<p>“Ik zal geen woord meer spreken,” mompelde Joan: “doch ik houd niet van dien page.” +<a id="d0e3840"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3840">106</a>]</span></p> +<p>“Niet? Gij zult van hem houden, als ik het verkies. Ik begeer, dat gij zeer vriendelijk tegen hem wezen zult en hem morgen, +zoo hij het verlangt, het kasteel, de tuinen en de omstreek zien laten.” + +</p> +<p>“Nu,” viel de Gravin in: “het spijt mij, dat mijn page aanleiding geeft tot misnoegen van onzen waardigen gastheer op mijn +braven ridder; doch ik moet den goeden Ludwig in zijn eer herstellen. Hij kent zijn Spaansche afkomst niet en legt in al zijn +gesprekken en handelingen afkeer voor onze vijanden en een innige gehechtheid aan onzen landaard aan den dag.” + +</p> +<p>Hier eindigde het gesprek, en weldra begaf men zich ter ruste; doch de Heer van Sonheuvel kon den slaap niet vatten: de gelijkheid, +die tusschen het lot van Joan en dat van den page bestond, verbaasde en ontzette hem; en zijn eerlijk hart werd hoe langer +hoe meer bedrukt door de gedachte dat zijn pleegzoon, zoolang hij van zijn afkomst niet vergewist ware, gevaar liep, onwetend +zijn magen te haten, te vloeken, te bestrijden. Tot dezen tijd toe had de Baron er nooit bepaaldelijk over nagedacht, hoe +en wanneer hij den jongeling het geheim zijner geboorte bekend zou maken: hij had gehoopt, dat de tijd en de omstandigheden +hiertoe een gepaste aanleiding zouden geven, en zijn bekommering hieromtrent naar een verwijderde toekomst verschoven; doch +thans was die verwachte aanleiding gekomen, en zij vervulde hem met angst en zorgen: een gezegde van Joan had het hem tot +een plicht gemaakt, den jongeling alles te ontdekken: en die plicht scheen hem zijn krachten te boven te gaan. Zijn boezem +schokte op het denkbeeld, dat hij den knaap, wien hij als zoon had aangenomen en opgevoed, op eenmaal zou moeten verloochenen: +en wat kon niet bij den gevoeligen jongeling het gevolg zijn eener ontijdige bekentenis? Misschien radeloosheid, vertwijfeling +of nog erger. Zou niet de ongelukkige, in Nederland om zijn afkomst over den nek aangezien, door de Spanjaards als een gelukzoeker +verstooten worden? Wellicht ellendig en zonder troost de wereld moeten rondzwerven en zijn pleegvader verwenschen, die zijn +kindsche jaren met ijdele begoochelingen gevleid had?—Als vreeselijke spoken drongen zich deze benauwende gedachten voor den +geest des Barons, totdat hij eindelijk besloot, nog den volgenden morgen een einde aan alle onzekerheid te maken, door met +den Predikant Raesfelt de middelen te beramen, geschikt om de zaak tot effenheid te brengen, en deze dan hoe eer hoe beter +<span id="d0e3847" class="corr" title="Bron: n">in</span> ’t werk te stellen. + + + +<a id="d0e3850"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3850">107</a>]</span></p> +</div> +<div id="d0e3851" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Twaalfde Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="
 poem
 " lang="fr"> +<p class="line" style=""><span>Je suis, dit-on, un orphelin. +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Entres les bras de Dieu jeté dès ma naissance. +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Et qui de mes parents n’eus jamals connaissance.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Racine</span>, Athalie. +</p> +</div> +<p>Nauwlijks was de dageraad aangebroken, of Joan, verlangende nog voor het ontbijt eenige hoenders te schieten, maakte zijn +jachtgeweer in gereedheid en begaf zich naar buiten. Aan de steenen poort gekomen, waar de oude portier zijn slaapplaats had +(die hij niet zelden al grommende verliet, wanneer hem de Jonker zoo vroeg kwam wekken om de poort te ontsluiten), vond hij +tot zijn verwondering, den grijsaard reeds geheel aangekleed in de opene poort gezeten, terwijl Bouke, die naast hem stond, +zich met hem over vroegere krijgsbedrijven onderhield. + +</p> +<p>“Wel zoo Frans!” zeide Joan: “al zoo vroeg bij de werken?” “Ja Jonker! ditmaal heb ik het jou afgewonnen: en daarbij moet +je niet eens denken, dat je de eerste man zijt, die de poort uitgaat: het is al een half uur geleden dat ik gewekt ben geweest: +en raad ereis door wien? door dien mooien pop van de vreemde Mevrouw. Ja! hoe noemt men zoo’n lintejongen?” + +</p> +<p>“Door den page? wat had die zoo vroeg buiten te doen?” “Dat weet Joost—Gisteren was het met dat vreemde volk alles loât op +stok. Ik was blij toen ik er om één oere in lag; want ik had op de lakeien moeten wachten, die nog na het avondeten naar het +dorp waren gegaan en God beter ze, in de kroeg in sloap gevallen waren. Blij was ik, zooals ik zei, dat ik er om één oere +in lag, en met de ongewoonte van zoo loat naar kooi te goan, kon ik den sloâp niet voor vijf oere vatten: dan kijk, pas sloâp +ik een oer, of wie stoât doâr veur mien bed?—Die hansworst van een roodrok: en met een stem alsof hij zelf een prins of een +groâf was, zeit hij tegen mij, die er nog nooit door groâf of heer of boer op zoo’n manier ben oetgeport: “Vrindje! stoâ op +en moâk open.” Vrindje! en dat tegen mij? Kon hij niet zeggen: Poortier! of: goede vriend! of Frans! zoo hij mijn noam anders +kende. Moâr, om kort te goan: hê! zei ik, toen ik zoo half wakker was, jonker Melkmuil! is het nou tijd van oet te goân! Goâ +nog wat noâr je bed: je zult moe wezen van je reis.—En wat denkje dat zoo’n vlegel me antwoordde? Joâ! zoo iets heb je nooit +beleefd! “Kom,” zei hij zoo: “stoâ op! anders goâ ik zelf de poort opensluiten:” en meteen greep hij moâr zoo familjoâr naar +de sleutels, die noâst me lagen. Moâr ik zei: heb ik jou doâr? dat zal mis wezen: as je brutoâl wordt, komje der in ’t geheel +niet oet! Want ik werd driftig op mijn manier: moâr zoo’n moesjanker deed krek alsof hij er zich niet oan stoorde: hij vouwde +de armen over mekoâr en <a id="d0e3872"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3872">108</a>]</span>keek mij heel bedoârd an: “kom,” zei hij zoo: “doe moâr gauw open, anders goâ ik Mijnheer den Baron roepen en vroâg hem, of +hij jou hieten wil; want ik heb last van Mevrouw de Gravin: en ik moet oet.”—Hebje ooit zoo’n onbeschoâmden snotneus gezien? +Ja! hij zou noâr je voâder goân? jawel mergen! Moâr ik dacht: de jongen spreekt zoo bout, wie weet of hij geen verlof heit +van Mijnheer?—en zoo van ’t ien op ’t oâr komende, dacht ik zoo bij mijn aigen: joâ! het is toch de bediende van een groote +Mevrouw en hij is zoo veul als kind in huis: ik zal moâr de minste wezen; en zoo stond ik op en liet hem oet, en toen zag +ik dat hij twee brieven in de hand had.” + +</p> +<p>“Gij hebt wel gedaan, Frans!” zeide Joan: “die page is een verwaande zotskap; doch de Gravin heeft veel met hem op: dus moeten +wij hem maar wat toegeven, zoolang hij hier is. En gij ook al zoo vroeg op?” vervolgde hij, zich tot Bouke keerende. + +</p> +<p>“Ja!” zeide deze: “de page had mij gisteren bij ’t naar bed gaan gevraagd of hij vroeg het kasteel uit kon: en daar ik weet, +dat er van zulk volkje niet veel goeds te verwachten is, was ik eens opgestaan om te zien, wat hij voor dag en dauw doen moest; +maar de vogel was al gevlogen. ’t Is een rare snaak, de eigenste page: aan wie denk je, dat hij gisterenavond zijn hof maakte?” + +</p> +<p>“Wel aan Klaartje,” antwoordde Joan: “dat is de mooiste meid uit de buurt, en men zeit dat de pages daar altijd op afgaan.” + +</p> +<p>“Aan Klaartje?” Ja hij moest eens beginnen! al is hij nog zoo in dienst van een gravin, ik zou hem gravinnen: ik ben oom en +voogd van Klaartje, en ik zal wel oppassen dat hij haar zelfs geen onnoozelen zoen geeft: ik denk altoos; met kleine lapjes +leert de hond leêr eten: vuur en stroo dient niet alzoo: geef den duim, dan....” + +</p> +<p>“Nu, maar met wie vrijde hij dan?” vroeg Joan, dien vloed van spreekwoorden stuitende. + +</p> +<p>“Naar wie?—hij heeft twee uren lang in een hoekje van de keuken zitten flikvlooien met de oude Geert.” + +</p> +<p>“Zijt gij dol, Bouke! Of verkoopt ge flausen? Wat zou hij aan die <span id="d0e3888" class="corr" title="Bron: onde">oude</span> totebel verteld hebben?” + +</p> +<p>“Dat heb ik haar ook gevraagd: doch oele! ze was zoo dicht als een kruitvaatje en zoo geheim als een jonge meid, die voor +’t eerst onder vier oogen met haar vrijer gezeten heeft: zij zei mij, ze kon er niets van oververtellen en ik mocht er aan +geen sterveling van spreken, dat zij zoolang met den page geredeneerd had;—maar jawel! ik breek er mijn hoofd mee: ik ruilde +toch mijn olde kruitdoos tegen een nieuwe, om te weten wat hij aan die babbelkous al zoo op de mouw heeft gespeld.” + +</p> +<p>“De oude Geert en de jonge page!” hernam Joan: “dat zou al een fraai paar geven!” + +</p> +<p>”’t Zou nog de vraag wezen, wie van de twee ’t eerst genoeg had an de andere,” merkte Frans aan. + +</p> +<p>“Nu!” zeide Joan, “ik trek af: anders wordt het mij te laat. Goeden morgen samen!” +<a id="d0e3899"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3899">109</a>]</span></p> +<p>“Goê mergen en goê jacht, Jonker!” zeide de Portier: “zie den page maar voor geen fezantenhoân an: je mocht anders dien sinjeur +kakelbont ereis een pijl bij vergissing in zijn dikste vleesch zenden.” + +</p> +<p>Nog lachende over hetgeen Bouke hem verhaald had, was Joan alras, van Veltman vergezeld, op het pad gekomen, hetwelk aan den +voet van het dorp, door moeslanden en boomgaarden, op de heide aanliep en gemeenschap had met den grooten weg, niet verre +van de plaats, waar Joan ’s avonds te voren zijn welberadenheid en moed getoond had. Reeds was de Jonker op de opene plaats +gekomen, waar een groote houten galg (gelukkig in jaren niet gebruikt) midden tusschen de roodekoolstruiken oprees en des +Barons hooge jurisdictie binnen de grenspalen van zijn heerlijkheid aantoonde, toen Veltman, die al snuffelende vooruit was +geloopen, stokstijf staan bleef en op deze wijze de tegenwoordigheid van een koppel patrijzen verried, hetwelk inderdaad niet +lang daarna klapwiekend opsteeg en vooruitvloog. Sneller echter vloog de pijl des Jonkers het achterna, en deed een der hoenders +in het hakhout storten. Spoedig bracht Veltman het dier aan zijn meester, die, na het in zijn weitasch verborgen te hebben, +zich aan den voet der galg plaatste om den boog opnieuw te wapenen. + +</p> +<p>Het koolveld, waarop zich de jongeling bevond, was van den weg door een smalle strook kreupelhout afgescheiden, hetwelk, schoon +reeds aan ’t verdorren, echter dicht genoeg was om het doorzien te beletten: hoewel Joan dus niet zag, wie zich op den weg +bevond, kon hij echter duidelijk hooren, dat er eene stem, welke hem niet vreemd was, van die zijde kwam. Met jeugdige nieuwsgierigheid +sloop hij dus van onder de galg naar het hakhout toe, haalde de berketakken op zijde, keek door de opening, en zag.... in +’t eerst niets; want de rijmdroppelen, die van den tak vielen, hadden hem de oogen doen sluiten;—dan, zoodra hij die uitgewreven +had, ontdekte hij, dat hij zich niet vergiste, en dat werkelijk de page der Gravin, in zijn paarsen mantel gewikkeld, midden +op den weg stond, en iemand, die van den kant van Reenen aan kwam wandelen, aldus toeriep: + +</p> +<p>“Zoo! zijt gij daar eindelijk! ik heb al bijkans een uur op u staan wachten.” + +</p> +<p>“Vergeef mij, Jonker!” antwoordde de nieuwgekomene, die door Joan <span id="d0e3910" class="corr" title="Bron: vooor">voor</span> Teun Wezer werd herkend: “moâr, op den weg ontmoette ik een poâr van mijn kennissen hier uit het dorp, die mij een kwoad +hart toedragen uit uithoofde van een kip twee drie, die ik ereis onderweg evonden heb, en die ze zeggen dat hun toekomen: +en om die knoâpen te mijden, heb ik de bijpoâdjes enomen, anders ware ik hier al eer eweest. Wat is er nou van ’s Jonkers +believen?” + +</p> +<p>“Hier zijn een paar brieven;..., maar eerst moet ik u nog een vraag doen: kent gij den Heer van Sonheuvel sedert lang?” + +</p> +<p>“Langer dan mij lief is, Sinjeur!” zeide Teun: “toen ik acht jaren oud was, heit hij me ereis laten afranselen, omdat ik valschelijk +beticht was geworden van zijn eieren te hebben met enomen. Kon <a id="d0e3917"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3917">110</a>]</span>ik het gebeteren, dat zijn kippen niet leggen wolden?—En naderhand....” + +</p> +<p>“Goed! dan kunt gij mij wel verhalen wat u heugt van de geboorte des jonkers? Is daaromtrent niets opmerkelijks voorgevallen?” +Hier werd Joan dubbel opmerkzaam. + +</p> +<p>“Om je de woârheid te vertellen heerschop!” antwoordde Teun Wezer, “heel veel weet ik er niet van. Moâr je mot weten, ik vrijd +zoo wat noâr het nichtje van Bouke, den olden knecht op ’t slot: en dat meiske heit me wel verteld, dat hoâr heugt, en ze +was ook nog moâr een kind, dat het zeuntje van den Baron begraven werd, en dat deze Jonker, dien we nou hebben, op een blauw-maandag +te Amsterdam is aangekomen, zonder dat iemand weet hoe of wanneer: en als ze haar oom er naar vroâgt, dan zeit deze, ze mot +moâr zwijgen; moâr nou is er ook wel, die zeggen, dat het zoo’n stuk van een buitenbeentje is van den olden Heer, en dat de +Barones er van hartzeer over ekrepeerd is; maar het fijne van de mis weet ik zoowoâr niet.” + +</p> +<p>“Dan zal ik u ook niet meer vragen,” hervatte de page: “hoor! hier hebt ge twee brieven, beide zonder opschrift: dezen, waar +ik het kruis op gemaakt heb, om hem te onderscheiden, bezorgt gij te Tiel, ten huize van Klaas Meinertz den schrijnwerker. +Gij behoeft niet te zeggen van wien hij komt, maar gij moet hem aan den man zelven overhandigen: hij zal u voor ’t bestellen +twee kronen geven, dat staat in den brief.” + +</p> +<p>“Wat?” zeide Teun Wezer: “Klaas Meinertz! die ijzegrim, die femelaar, die den geheelen dag bidt en psalmen balkt, en mij al +meer dan eens noâr de diepste diepte van de hel ewenscht heit, zal die mij twee kronen geven?.... Stichtelijke vloeken naar +mijn kop, alsof ik....” + +</p> +<p>“Hij zal u twee kronen geven, als ik zeg,” hernam Ludwig, droogjes. + +</p> +<p>“Nou! ik zal ’t bezorgen,” zeide Teun, grinnekende. + +</p> +<p>“En dezen brief,” vervolgde Ludwig, “brengt gij aan den Ambtman Mom, die op dit oogenblik in Tiel is: mede eigenhandig. Zoo +men u niet bij hem in wil laten, zegt gij maar, dat gij van de Gravin van Nassau komt.” + +</p> +<p>“Ja moâr,” zeide Teun, terwijl hij zijdelings naar de galg keek, die men over het hakhout heen kon zien: “ik ben juist niet +zwoâr op een bezoek bij den Ambtman gesteld: ik tracht zoomin mogelijk met de heeren van den Gerechte in kennis te komen, +want zij hebben allen, ik weet niet woârom, een hekel aan mij gekregen, en ik heb geen lust om dat gindsche veld met rooiekool +eens uit de hoogte te bekijken.” Hier maakte hij de beweging van hangen. + +</p> +<p>“De brief, dien gij brengen zult, zal uw beste aanbeveling bij den Ambtman zijn,” hervatte Ludwig; “doch gij zult het diepste +stilzwijgen omtrent de u toevertrouwde boodschappen in acht moeten nemen, of..., uw vrees zou verwezenlijkt kunnen worden!” + +</p> +<p>“Wees gerust! voor geld en kwaê woorden zwijg ik als een kikker bij winterdag: is er nog iets van je bevelen?” +<a id="d0e3939"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3939">111</a>]</span></p> +<p>“Niets meer! rep je en maak bijtijds in Tiel te wezen: hier hebt ge nog wat drinkgeld en iets om het veer te betalen.” + +</p> +<p>“Duizendmoâl dank, heerschop!” zeide Teun: “nou snij ik dat zijpad moâr in; want het dorp ga ik liefst niet deur, om redenen +mij bekend. Leef gezond Sinjeur!”—Met dit afscheid sloeg hij het zijpad in, liep Joan voorbij zonder hem te zien en verwijderde +zich naar den kant der rivier. + +</p> +<p>Deze zonderlinge samenspraak had Joan zoodanig verbijsterd, dat hij zijn boog, de hoenders, ja de jacht zelve vergeten was, +en nog luisterde toen de boerenknaap reeds lang uit het gezicht was.—Toen hij omtrent de echtheid zijner geboorte bedenkingen +had hooren opperen, was hij in den wil geweest, zich aan den onbeschaamden lasteraar te vertoonen en hem eens heftig door +te halen; doch de vrees had hem teruggehouden: schoon moeds genoeg bezittende, achtte hij het geen gelijk spel om zich te +wagen tegen Teun Wezer, een forschen, ruwen knaap, die niets te verliezen had, dadelijk met het mes gereed was en hem bovendien +een kwaad hart toedroeg; den page betrouwde hij zoo weinig, dat hij niet wist, of hij hem als vriend of vijand beschouwen +moest, en van dezen kant wachtte hij dus geen bijstand. Voorzichtigheidshalve was hij daarom in zijn schuilhoek blijven zitten +tot na den afloop van ’t gesprek: over de boodschap der brieven had hij maar half nagedacht, meenende, dat de bezorging daarvan +een geheim was, dat de Gravin raakte en naar ’t welk hij zelfs niet gissen mocht; want van zijn jeugd af was hem ingeprent, +dat het schandelijk is, te willen indringen in hetgeen iemand zoekt te bedekken. Ziende dat de page langs den rijweg weder +naar het dorp ging, kroop hij het hakhout uit en volgde hem, met oogmerk om hem met een tik op de schouders en den gewonen +morgengroet te verrassen; doch Veltman, die nu lang genoeg naar zijn zin aan de zijde zijns meesters had stilgezeten, snelde +hem met drift vooruit en verraadde Joans nabijheid aan den page. Deze keek om en zag Joan achter hem, die hem een frisschen +morgen toewenschte. + +</p> +<p>“Goeden morgen, Jonker!” zeide Ludwig, even den hoed aflichtende en vervolgens gelijken tred met Joan aannemende: “reeds zoo +vroeg in ’t veld?” + +</p> +<p>“Mij dunkt,” zeide Joan, “ik moest u die vraag doen; doch zoo gaat elk voor zijn eigen aangelegenheid uit: ik voor mijn vermaak, +gij om Mevrouw de Gravin te believen.” + +</p> +<p>De page zweeg een oogenblik en hield zijn kleine gitzwarte oogen op Joan gevestigd, als wilde hij op het open gelaat des jongelings +lezen, of zijn gezegde niet meer dan een loutere veronderstelling, dan wel of het een geheimen zin bevatte; vervolgens hernam +hij: + +</p> +<p>“Wat doet u denken, Jonker! dat ik voor Mevrouw de Gravin ben uitgeweest?” + +</p> +<p>“Omdat ik niet geloof,” gaf Joan ten antwoord, “dat gij voor uw eigen vermaak, na gisteren den ganschen dag gereisd te hebben, +zoo vroeg het warme bed, voor de koude hei verlaten hebt; en dan <a id="d0e3956"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3956">112</a>]</span>die brieven, die gij aan Teun Wezer gegeven hebt en die ik vrees dat slecht bezorgd zullen worden: want hij is een groote +schavuit.....” + +</p> +<p>“Gij hebt ons dan gezien?” viel Ludwig haastig in. + +</p> +<p>“En gehoord,” zei Joan. + +</p> +<p>Ludwig zweeg, zag somber voor zich heen, nam zijn slinkerhandschoen in de rechterhand en begon er op te knabbelen, totdat +Joan hem glimlachende vroeg, wat de arme handschoen gedaan had, dat hij dien zoo slecht behandelde. + +</p> +<p>Na een poos gezwegen te hebben, zeide de page, met een ernstig gelaat: “Jonker! de boodschap, welke ik aan dien boerenknaap +gegeven heb en waarvan zijn baatzucht mij de goede bestelling waarborgt, is van het hoogste belang, en Mevrouw de Gravin had +mij op het hart gedrukt, dat ik er niemand iets van zoude laten blijken. Dewijl UEd. echter getuige geweest zijt van de uitvoering +van den mij gegeven last, hoewel ik niet verwacht had, dat UEd. ons beluisteren zoude....” + +</p> +<p>“Geheel onwillekeurig,” zeide Joan blozende: “ik dacht, dat uw ontmoeting met Teun Wezer toevallig was, en ik sloop naderbij +uit loutere nieuwsgierigheid om te weten wat die schurk u vertellen ging:—wat die brieven betreft, daarvan zal nooit een woord +over mijn lippen komen: nooit heb ik iemands geheimen verraden, of zij mij aangaan of niet;—doch ik wilde wel eens weten, +hoe het te pas kwam, dat gij dat logenbeest van een Teun over mijn geboorte ondervraagdet, om zulke lastersprookjes uit te +lokken als hij u op de mouw spelde.” + +</p> +<p>“Jonker!” antwoordde de page met een nog ernstiger gelaat en op een langzamen toon: “ik wilde wel, dat gij mij deze vraag +niet gedaan hadt: daar mijne handelwijs u echter met reden vreemd moet voorkomen, zal ik u openhartig zeggen, dat er zonderlinge +geruchten omtrent uw geboorte loopen;.... geruchten, welke, wijd en zijd verspreid zijnde, mij ter ooren zijn gekomen.... +hoewel ik er de zegsman niet van wezen wil.... waardoor de nieuwsgierigheid van Mevrouw de Gravin.... gij weet, dat vrouwen +veeltijds nieuwsgierig vallen;.... doch ik zelf wist niets van dat geval af.” + +</p> +<p>“Joost haal me, als ik iets uit geheel uw openhartig antwoord begrijp,” hervatte Joan. + +</p> +<p>“Indien UEd,” zeide Ludwig, “nader onderricht begeert, kan UEd. immers met den Heer Baron spreken? Die zal best weten, hoe +het met uw geboorte zit,” voegde hij er lachend bij. + +</p> +<p>Joan stond stil, knikte eenige reizen met het hoofd, loosde een diepen zucht, wenschte den page vaarwel en sloeg een zijweg +in, die naar de heide bracht, terwijl Ludwig slotwaarts keerde. + +</p> +<p>In den morgen van dien dag viel er op het kasteel niets belangrijks voor: tegen den middag keerde Joan van de jacht, met de +tijding uit het dorp, dat het rijtuig der Gravin weder in orde gebracht was en na den eten zou voorrijden. Aan tafel was hij, +zoowel als zijn pleegvader, peinzend en stil: na den afloop van den maaltijd kwam de koetswagen de slotbrug oprijden: de Gravin +nam beleefdelijk afscheid van den gastheer en zijn gezin, reed met haar gevolg <a id="d0e3978"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3978">113</a>]</span>af en kwam, zonder verdere tegenspoeden, twee dagen later, behouden in ’s Hage. + +</p> +<p>“Een schoone vrouw!” zeide Geertrui tegen Bouke, die bezig was de valken te voederen: “en zoo minzaam jegens een iegelijk. +Waarlijk, zij heeft veel van Mevrouw zaliger: even vriendelijk en voorkomend, als die was: en zij weet van het huishouden +al vrij wat af voor zoo een groote Mevrouw! zij maakte zelfs de aanmerking, dat de kussens in de groote ridderzaal veel meer +hun kleur verloren hebben dan de gordijnen, schoon ze van hetzelfde damast zijn. Ja! zei ik zoo, genadige vrouw Gravin! toen +onze lieve Mevrouw zaliger nog leefde, was het niet geoorloofd op die kussens te gaan zitten: toen hielden zij beter hun kleur; +maar zij zei, nu, ik heb toch liever de kussens om op te zitten, zei zij, dan alleen voor de pronk; en toen zei ik: ja Mevrouw! +dat is ook waar, maar het is toch wat erg, dat nu die stinkende honden op die kussens gaan liggen; en toen lachte zij.” + +</p> +<p>“Maar vertel mij liever eens, Geert,” zeide Bouke, haar in de rede vallende: “wat heeft die lanterfant van een page je toch +verteld? Je hadt het bijster <span id="d0e3984" class="corr" title="Bron: drok mef">druk met</span> hem.” + +</p> +<p>Op deze vraag hield de oude dienstmaagd eensklaps met lachen op en zette haar gelaat in een meer ernstige plooi. + +</p> +<p>“Zeker heeft hij je onderhouden over je blozende kleur,” vervolgde Bouke, “en over je betooverende oogen, hoewel men die slechts +vinden kan door den bril heen.” + +</p> +<p>“Een bril! nu kijk!” hernam Geertrui, gebelgd: “en wanneer draag ik een bril? niet dan om in Gods woord te lezen en om kousen +te mazen; en dan draag ik hem nog maar op de punt van mijn neus, zoodat ieder mijn oogen zien kan. Ja! ik wilde wel eens zien, +dat iemand kousen maasde zonder bril. Daar was onze lieve Mevrouw zaliger, die droeg immers ook wel een bril.” + +</p> +<p>“Alleen wanneer jij gebroddeld hadt, Geert! en zij de verloren steken moest opnemen.” + +</p> +<p>“Wel heb je van je leven,” riep Geertrui toornig uit: “Wat weet jij van verloren steken en van broddelen af?” + +</p> +<p>“Neen, daar versta jij je beter op, oudje!.... doch dat daargelaten:—Wat heeft je de page verteld? dat is maar het punt in +quaestie; want dat hij jou zijn hof gemaakt heeft, is zeker.” + +</p> +<p>“Ja!” zuchtte Geertrui: “ik vrees, dat ik te veel met hem gepraat heb.” + +</p> +<p>“Te veel!” riep Bouke, schaterend van lachen, “te veel met hem gepraat?—De droes! heeft hij in ernst je hartje gestolen!” + +</p> +<p>“Och neen! malle gek! loop heen met je grollen! maar mijn rust heeft hij toch meegenomen,” vervolgde zij, half huilende: “ik +heb van dezen nacht geen oog toegedaan.” + +</p> +<p>“Daar hebben wij ’t al. Wat voert zoo een page niet al uit? Daar berooft hij de eerzame Geertrui Claassens, die in de eerste +dertig jaren geen vrijer heeft willen hebben, en in de laatste drie kruisjes geen vrijer heeft kunnen hebben, zoo maar op +eens van haar nachtrust.” + +</p> +<p>“Spot maar niet,” antwoordde Geertrui: “het is waarachtig geen <a id="d0e4009"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4009">114</a>]</span>ding om mee te spotten: hoor eens, Bouke! Het heugt je nog, toen Mevrouw zaliger nog leefde....” + +</p> +<p>“Als ik het vergeten was, zou jij het mij wel herinneren,” viel Bouke haar in de rede. + +</p> +<p>“Neen, maar hoor!” vervolgde zij, “of ik spreek geen woord meer: toen Mevrouw zaliger nog leefde, en te Amsterdam was, en +toen jij met Mijnheer van ’t leger kwaamt met den kleinen Joan?” + +</p> +<p>“Ja gewis!” antwoordde Bouke, die nu op zijn beurt ook donker begon te kijken: “maar je weet ook wel, dat wij Mijnheer bij +eede beloofd hebben, nooit aan iemand iets daarvan te zullen navertellen.” + +</p> +<p>“Dat heb ik beloofd, Bouke! en het spijt mij genoeg; want het is de eenige reis in mijn leven, dat ik Gods naam zoo ijdellijk +gebruikt heb.” + +</p> +<p>“Foei!” zeide Bouke: “spijt het jou een eed gedaan te hebben, Geert? ben je menist geworden? Je weet, wat Dominee alle weken +zeit: de wederdoopers, zeit hij, zijn Belialskinderen, vijanden van Z. Doorluchtigheid en van den lande, die niet zweren willen, +noch de ronde doen, noch de wacht betrekken, noch de heilige predestinatie gelooven: en wat zegt het rijmpje? + + +</p> +<div class="
 poem
 " lang="nl-1700"> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Aenmerct wel hun begheeren breedt, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Wat quaet bescheet—sy doch uitgheven, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Als dat men niet mach sweeren eedt. +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Daert soo ghereet—doch staet beschreven: +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Ja van Godt end’ Christo verheven, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Van Paulo end’ ander gheschiet. +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Ooc is den eedt hier in dit leven +</span></p> +<p class="line" style=""><span>’t Eynde van allen twiste ziet.</span></p> +</div> +<p>Doch dat tusschen twee haakjes, Geert! wat doet dit tot uw gesprek met den page?” + +</p> +<p>“Dat doet er zooveel toe,” zeide Geertrui, hem naar zich toetrekkende en zoo zacht mogelijk sprekende, “als dat die page evenzoo +goed wist als jij en ik, dat Joan Mijnheers kind niet is.” + +</p> +<p>“Bewaar ons,” riep Bouke, achteruitspringende: “dan moet jij het hem verteld hebben.” + +</p> +<p>“Hoor maar eens, of ik het helpen kan,” zeide Geertrui; “de page begon met mij te vragen of ik hier lang in huis had gewoond: +en toen sprak hij mij over Mijnheer en Mevrouw zaliger....” + +</p> +<p>“En toen was jij op je praatstoel!—Ja, hij is ook fijn, die page. Hij zal wel niet met de deur bij jou in huis zijn gevallen; +want men vangt geen hazen met trommels, dat is klaar.” + +</p> +<p>“Vervolgens vertelde ik hem onder anderen, dat ik baker geweest was van freule Ulrica, en daarop vroeg hij mij, of ik Jonker +Joan ook gebakerd had.” + +</p> +<p>“Zoo vraagt men den boeren de kunst af: en wat gaf je hem ten antwoord?” + +</p> +<p>“Ik zei: Mijnheers zoontje heb ik gebakerd, en dat is ook waar: het lieve kind is nog op mijn arm gestorven.” + +</p> +<p>“Zoo!” zeide Bouke: “nogal fijn van jou bedacht: weet je wel, <a id="d0e4056"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4056">115</a>]</span>Geert! dat het erg met jou staat! dat was weer een Menist antwoord! Geert! Geert! doch verder!” + +</p> +<p>“Toen zei hij: ja maar dat zoontje is immers dood, daar je van spreekt?” + +</p> +<p>“Welnu,” hernam Bouke: “al had je nu eens neen gezeid, een leugen om bestwil is geen zonde.” + +</p> +<p>“Ja!” hervatte Geert, “ware ik maar zoo wijs geweest; maar ik dacht: + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Dat ons ja, moet ja zijn waerachtigh +</span></p> +<p class="line" style=""><span>En ons neen moet wesen neen:</span></p> +</div> +<p>en daarom zei ik eenvoudig van ja: en toen dacht ik, hij zou tevreden zijn; maar jawel! toen vroeg hij mij, of Mevrouw zaliger +niet op een rare wijs aan Jonker Joan geraakt was, en of ik niet zoogoed wist als hij, dat de Jonker geen droppel Duitsch +bloed in zijn aderen had? en toen werd ik zoo angstig, dat ik hem verzocht, er niet meer en met niemand over te spreken, en +toen liep ik weg.” + +</p> +<p>“Dat heb je al heel dom behandeld voor een verstandig mensch,” bromde Bouke: “’t is met jou ook: hoe alder hoe malder. Ik +zou het maar niet aan Mijnheer vertellen; want dan zag het er slecht met je uit.” + +</p> +<p>“Ik heb mij toch niet versproken, zooveel ik weet,” zeide Geertrui verlegen. + +</p> +<p>“Nu! gedane zaken hebben geen keer! en het best dat ik je raden kan, is dat je op een anderen tijd voorzichtiger zijt en altijd +denkt: verzint eer je begint! vroeg gedaan en laat bedacht heeft menigeen ten val gebracht: heden doen, morgen bloên: vandaag +de tong gevierd, morgen den rug gesmierd.” + +</p> +<p>“Ja, als je mij geen beter troost weet te geven, dan je stomme spreekwoorden, Bouke! dan....” + +</p> +<p>“Nu! ga dan maar naar Ds. Raesfelt, en die zal je zeggen, dat je lezen moet den Brief van Jakobus cap. III vs. 3; doch het +wordt tijd, weer aan ’t werk te gaan en mijn valken zitten met open bekken! die stomme dieren kunnen het weinig helpen of +jij al geklapt hebt, en zij moeten er niet door lijden.—Nu! zooals gezegd is, oudje! wees in ’t vervolg voorzichtiger.” + +</p> +<p>En hiermede liep dit merkwaardig gesprek tusschen Bouke Boukes en Geertrui Claassens ten einde. + + + +</p> +</div> +<div id="d0e4083" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Dertiende Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Gommer en Armyn te hoof +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Twisten om het recht geloof.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Vondel</span>. +</p> +</div> +<p>Terwijl de gemoederen der ingezetenen van het slot door de plaats gehad hebbende omstandigheden alzoo verontrust werden, ging +de Predikant Raesfelt mede onder zijn eigene, waarschijnlijk nog zwaardere <a id="d0e4098"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4098">116</a>]</span>bekommernissen gebukt. De kerkelijke twisten waren op het tijdstip, waarvan wij thans gewagen, binnen de Nederlanden ten top +gestegen. De nimmer rustende tweedracht, die natuurlijke heerscheres overal waar menschen wonen, had nauwelijks den buitenlandschen +krijg door een te langdurig bestand zien staken, of zij stookte die binnenlandsche twisten aan, die zoolang en met zooveel +felheid gewoed hebben, ja, wier einde het verste nageslacht misschien niet aanschouwen zal. Twee der geleerdste mannen van +Europa, de belezene, vernuftige, oordeelkundige Arminius en de groothartige, onverzettelijke, van ijver brandende Gomarus +hadden zich aan de spits van twee partijen geplaatst, die, na hun naam genoemd, elkaar een onverzoenlijken haat hadden gezworen. +In den beginne dolf Arminius met de zijnen het onderspit, althans bij de predikanten en gemeenten; want de meeste wethouders +en zoogenaamde politieken hadden zijn zijde gekozen; na zijn dood echter wisten Vorstius en Episcopius, die hem in ’t Hoogleeraarsambt +te Leiden hadden opgevolgd, gesteund door de geleerdheid van De Groot, de welsprekendheid van Schryver en vooral den toen +alvermogenden invloed van Oldenbarneveld, hun partij met een luister te bekleeden, waardoor de glans hunner tegenstanders +een tijd lang verdonkerd werd. De jonge lieden, die te Leiden voor den kansel werden opgeleid, schaarden zich voor een groot +gedeelte aan de zijde der bovendrijvende partij; anderen echter kleefden de oude leer aan, en stonden Gomarus of Polyander +voor. Niet zelden gebeurde het, dat bij onderlinge, tot oefening begonnen <span class="letterspaced">disputationes</span> over punten van controvers, de argumentaties wederzijds op scheldwoorden en vervolgens op vechtpartijen uitliepen, waarbij +de vuist vragen, den Godsdienst betreffende, beslissen moest. + +</p> +<p>Raesfelt had zijn beide oudste zonen, Koenraad en Hendrik, nadat zij de school verlaten hadden, naar Leiden gezonden, en, +daar hij een echt voorstander was van de oude leerstelsels, hen ernstig aangemaand, de lessen van Episcopius te verzuimen, +en zich zooveel mogelijk bij het onderwijs van diens ambtgenoot Polyander te bepalen.—Koenraad, wien de stoute en ridderlijke +voordracht van laatstgemelden geleerde behaagde, gehoorzaamde zijn vader met nadruk en toonde zich, zoo in zijn brieven aan +dezen, als op de Hoogeschool, een ijverig voorstander der Contra-Remonstranten. Zoo met woorden als met daden was hij overal +de voornaamste onder de verdedigers van het ouderwetsch gevoelen: niet zelden had de kracht zijner sterkgespierde vuisten +aan zijn tegenstrevers, zoo niet de menschelijke, althans hunne onmacht duidelijk doen gevoelen, en menigeen had zich overtuigd +gevonden, dat hij gepraedestineerd was om van Koenraad Raesfelt te worden afgeklopt. Omtrent den stillen en zachtmoedigen +Hendrik won vader min gunstige berichten in: deze was door de geleerdheid en smaakvolle onderwijzing der andersdenkenden ingenomen +en stond aldra voor een Arminiaan te boek.—Koenraad, die bovendien nooit op den besten voet met zijn broeder geleefd had, +was over deze zijn afdwaling sterk gebelgd, en al de brieven, die hij aan zijn vader schreef, schilderden Hendrik af als een +verloren <a id="d0e4105"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4105">117</a>]</span>schaap, reeds met den wargeest niet alleen van Arminianismus, maar ook van Socianismus besmet. Diep hadden deze beschuldigingen +den braven Predikant gegriefd, en zijn epistelen aan Hendrik droegen telkens hernieuwde bewijzen, hoezeer hem diens gedrag +en meeningen tegen de borst stonden. De aangeklaagde zoon beantwoordde zijns vaders minzame verwijten meestal met bezadigdheid, +doch tevens met vrijmoedigheid: hij beweerde, dat hij, naar Leiden gegaan zijnde om in de leerstukken van den godsdienst onderwijs +te ontvangen, zijn meening van onderzoek en overtuiging wilde laten afhangen. Daar de jongeling door deze antwoorden blijken +gaf, dat hij meer aan menschelijke rede en vrije beoordeeling, dan aan geloof en onderwerping hechtte, stelden zij zijn vader +lang niet gerust. Echter, en door een in de menschelijke natuur niet ongewone tegenstrijdigheid, bleef het hart van Raesfelt, +ondanks hem zelven, meer den in zijn oog verdoolden, dan den rechtzinnigen zoon genegen. De wijs, waarop Koenraad van zijn +broeder sprak, de toon, waarin zijne beschuldigingen vervat waren, mishaagden den zachtmoedigen vader, schoon hij zulks zich +zelven niet bekennen wilde, nog meer dan de beschuldigingen zelven. + +</p> +<p>Op den achtermiddag van den dag, dat de Gravin van Nassau Sonheuvel verlaten had, was de Predikant op zijn zolderkamertje +in diep gepeins gezeten: de zwarte kalot was hem te warm geworden en lag voor hem op de tafel, terwijl de met konijnevellen +gevoerde pij over den rug des leunstoels hing. Onbeweeglijk scheen Raesfelt op zijn plaats gespijkerd, terwijl zijn oogen +strak en stijf op het voor hem liggend papier gevestigd bleven, zoodat hij veel geleek op een dier aangekleede gedaanten, +welke in het Amsterdamsche doolhof voor den vanouds gestelden prijs van een stuiver zich <span class="letterspaced">hedenmiddag te vier uren</span> laten bezichtigen. + +</p> +<p>Eindelijk echter scheen de beweging bij den Predikant terug te keeren: hij beet zich op de lippen, zag opwaarts, zuchtte diep +en zeide vervolgens hardop tegen zich zelven: “Neen! <span class="letterspaced">zoo</span> kan het niet langer gaan! er dient een kloek besluit genomen, of de knaap is onherstelbaar ongelukkig.” + +</p> +<p>“Onherstelbaar ongelukkig!” herhaalde een stem achter hem: “denkt ge dat waarlijk, Dominee?” + +</p> +<p>Als door een donderslag getroffen, richtte de Predikant zich op en keerde zich naar de plaats, van waar de stem gekomen was, +en waar hij niemand dacht te zien dan den Booze in persoon, die hem van zijn kloeke voornemens zoude pogen af te brengen: +dan hij werd gerustgesteld bij het herkennen van zijn vriend, den niet min dan hij bezorgden Baron van Sonheuvel. + +</p> +<p>Deze, als wij verhaalden, besloten hebbende met den geestelijke te rade te gaan over de beste wijze hoe met Joan te handelen, +had zich, na het vertrek zijner doorluchte gast, naar de pastorie begeven: de deur open gevonden hebbende, was hij, om niet +door het gesnap der Pastoorsche verveeld te worden, de trap opgeloopen, nadat hij zijn laarzen in de gang had uitgedaan, eensdeels +opdat Mejuffrouw Raesfelt bij het gezicht van vuile voetstappen niet naar boven zou <a id="d0e4123"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4123">118</a>]</span>komen hollen, anderdeels opdat zij, de laarzen des Barons herkennende, zich wachten zou, de samenspraak der beide heeren te +storen. Aan het studeervertrek was geen deur: men besteeg het langs een trap, die midden in het kamertje uitkwam. Raesfelt +had den Baron dus niet hooren inkomen: en deze, zijn raadsman zoo diep in gedachten vindende, had hem niet willen storen, +maar zich naast den ingang op een boekentrapje nedergezet en was mede aan ’t peinzen geraakt, hoe hij het gesprek zoude aanvangen, +toen hem de uitroep van Raesfelt als uit een droom ontwaken deed. Deze uitroep kwam zoo volkomen met de gedachten overeen, +welke hem op dit oogenblik vervulden, dat hij dien aanmerkte als tegen hem, of in zijnen geest gesproken, en, toen de Predikant +hem aanzag, zijn gezegde herhaalde en nogmaals vroeg of hij het stellig meende. + +</p> +<p>“UEd. hier, heer Baron!” vroeg Raesfelt, vol verbazing, “wel wie kon UEd. hier verwachten! ei! wees zoo goed en neem uw gemak:—ja +waarlijk!” vervolgde hij, rondziende: “ik geloof niet, dat er een stoel meer in de kamer is: wacht ik zal roepen, dat men +den armstoel boven brenge.” + +</p> +<p>“Doe geen moeite, Dominee!” zeide de Baron; “hier is immers een zitplaats.” + +</p> +<p>De stoel, waarop hij doelde, kon waarlijk op den naam van zitplaats weinig aanspraak maken. Hij was oorspronkelijk van matwerk +geweest met pooten en leuning van stevig grenenhout; doch Joan, die hem in zijn leeruren altijd gebruikte, en de slechte gewoonte +had, van weinig stil te zitten, had den rug merkelijk doen uitwijken: met zijn snoeimes had hij, wanneer de les te lang viel, +de kloeke pooten op de helft van haar dikte gebracht en zich ook met de <span class="letterspaced">anatomie</span> der matten zitting beziggehouden: zoodat de stoel in den volsten zin van ’t woord een <span class="letterspaced" lang="fr">chaise percée</span> geworden was. + +</p> +<p>“Het is hier niet warm, Dominee!” zeide de Baron, toen hij zich voorzichtiglijk op den rand van den door ons beschreven zetel +nederzette. + +</p> +<p>“Dunkt UEd. dat, heer Baron? Dan moest UEd. mijn pels aantrekken: ik heb het van ’t peinzen en studeeren overvloedig warm +gekregen.” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="la">Cedant arma togae</span>,”<a id="d0e4146src" href="#d0e4146" class="noteref">1</a> zeide Reede, aan dit voorstel gehoor gevende: “gij ziet Dominee! dat ik ook nog een mondje vol Latijn kan spreken.—Zoodat +gij zegt,” vervolgde hij, na zich in den pels gewikkeld en zijn plaats hernomen te hebben, “dat een kloek besluit alleen in +staat is, het ongeluk van den armen jongen te voorkomen?” + +</p> +<p>“Ongetwijfeld, heer Baron! het vaderhart zal bloeden door de opoffering; doch het zal naderhand geruster slaan! en wat zegt +de Psalmist? Welzalig hij, + + +</p> +<div class="
 poem
 " lang="nl-1600"> +<p class="line" style=""><span>In wiens geest niet woont eenige schalkheyt +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Noch geen bedrogh ofte geveynsdigheyt.</span></p> +</div><a id="d0e4156"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4156">119</a>]</span><p>Want wat zou het baten, een jongeling tot een bestemming op te leiden, welke hij nimmer naar behooren vervullen kan?” + +</p> +<p>“Ach! gij spreekt wel als ik het verwachtte, Dominee! en toch is het een pijnlijk gevoel, om tegen hem, dien men tot nog toe +als zoon bemind heeft, te moeten zeggen: knaap! ik ben uw vader niet meer.” + +</p> +<p>“Het vaderhart zal daarom zijn rechten niet verliezen,” antwoordde Raesfelt: “want als in den Honderdsten Psalm staat: + + +</p> +<div class="
 poem
 " lang="nl-1600"> +<p class="line" style=""><span>Gelijck een vader hem pleegh te erbarmen, enz.</span></p> +</div> +<p>De vurigste wensch van het hart zal er door teleurgesteld worden; doch het zal in zich zelf de belooner eener zoo groote opoffering +vinden: ware er een andere weg mogelijk geweest, ik had dien gaarne ingeslagen, doch ik heb alles onderzocht en beproefd, +vergeefs: niets blijft er over, dan ruiterlijk en moedig, gelijk het een Christen betaamt, de zegepraal te behalen op een +aardsche en valsche liefde, en alleen op het geestelijk en waarachtig belang van den ongelukkige te zien.” + +</p> +<p>“Zoo hebt gij er reeds lang over nagedacht, gelijk ik uit uw redenen bemerk. Ik was al verwonderd, dat gij juist bezig waart +over dat onderwerp te peinzen, toen ik binnenkwam.” + +</p> +<p>“Over nagedacht, heer Baron? slapelooze nachten, ledige uren, verlies van eetlust en genoegens heeft het mij gekost: het zoet +mijns levens is er door verbitterd.” + +</p> +<p>“Met mij gaat het ook zoo, lieve Dominee: ik heb van de enkele gedachte, dat de knaap misschien tegen zijn eigen gezin het +harnas zoude aangespen, nog van dezen nacht schier geen oog toegedaan, en van middag geen mond aan de patrijzenpastij gezet, +hoewel dat mijn geliefdste schotel is.” + +</p> +<p>“Hebt gij heer Baron? daarvoor beloone u de Hemel; want uw deelneming + + +</p> +<div class="
 poem
 " lang="nl-1600"> +<p class="line" style=""><span>Is ganschelijk gelijck een balsem soet, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Die op het hoofd Aärons was zeer claer, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Uitgestortet in ’t openbaar,</span></p> +</div> +<p>als David zegt. Och! UEd. is altijd zoo vriendelijk en goed geweest.” + +</p> +<p>“Hm! hm! zoo heel goed niet; maar ik heb toch den knaap altijd wel behandeld en hartelijk liefgehad.” + +</p> +<p>“Hij houdt ook veel van u, heer Baron: daar heb ik doorslaande bewijzen van.” + +</p> +<p>“En van u niet minder, Dominee, schoon hij wel eens bij de <span class="letterspaced">exegesen</span> in slaap viel.” + +</p> +<p>“De <span class="letterspaced">exegesen</span>! helaas! die heeft hij maar al te veel bestudeerd voor zijne en mijne rust,” hervatte Raesfelt zuchtende. + +</p> +<p>“Te veel! Dat had ik nooit gedacht, dat daar zijn liefhebberij op gevallen ware.” +<a id="d0e4201"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4201">120</a>]</span></p> +<p>“Liefhebberij! een razende drift, heer Baron! <span class="letterspaced" lang="la">delectatio triumphans</span><a id="d0e4206src" href="#d0e4206" class="noteref">2</a> als Augustinus zegt.” + +</p> +<p>“In waarheid?—Nu! het is mij nooit voorgekomen. Toen ik hem vroeg, of Paulus ééne of twee reizen naar Rome gedaan had, waarover +ik het met de oude Geert oneens was, zeide hij mij daarover nooit te hebben nagedacht, en toen hij het op mijn verzoek onderzocht +had, was zijn uitkomst, dat hij het niet wist.” + +</p> +<p>“Is het mogelijk?” zeide Raesfelt, de handen angstig wringende; “en ik heb een <span class="letterspaced">disputanionem</span> van hem liggen, juist over dat onderwerp, en waarin hij betoogt, dat de Apostel wel driemaal te Rome is geweest. Moet ik +hem dan een huichelaar zien worden? Was het niet genoeg, dat hij een Sociniaan werd?” + +</p> +<p>“Wat!” riep Reede: “wat zegt gij, Dominee! een Sociniaan? Hij! Gij jaagt mij de koorts op ’t lijf, Dominee! Dat hebt gij mij +nog nooit verteld.” + +</p> +<p>“Ach ja, ik had mij te voren gevleid, dat hij nog maar alleen de begrippen Arminii, Vorstii en Episcopii aankleefde, doch +het is wel als in den Eersten Psalm gezegd wordt; welgelukzalig + + +</p> +<div class="
 poem
 " lang="nl-1600"> +<p class="line" style=""><span>Die op den wegh der sondaers niet en gaet +</span></p> +<p class="line" style=""><span>En niet en sit by de spotters onreyne,</span></p> +</div> +<p>want, eens op dit pad gekomen, vordert men met reuzenschreden: ik heb de bewijzen zijner ketterij in handen: daar op de tafel +liggen zij.” + +</p> +<p>“Maar waarom hebt gij mij daar nooit iets van gezegd, Dominee? Dan had ik hem eens duchtig de ooren gewasschen.” + +</p> +<p>“Wat zou dit gebaat hebben, heer Baron? daar ook mijne vermaning, nu vaderlijk, dan meesterachtig, nu gestreng, dan zachtelijk, +den verdoolde niet op het rechte spoor heeft kunnen terugbrengen.” + +</p> +<p>“Kijk Dominee! het is maar zooals de jongen zelf gezegd heeft: over zich heeft hij het oordeel geveld, zeggende, dat al wat +van Spaansch bloed kwam, niet te vertrouwen was.” + +</p> +<p>“Dat zegt hij!” zeide Raesfelt: “en daarom volgt hij den edelen Gomarum niet na, die van Spaansche afkomst is. Doch hoe velt +hij zijn eigen oordeel hiermede, dit begrijp ik niet.” + +</p> +<p>“O! ik begrijp mij zelven <span id="d0e4237" class="corr" title="Bron: heelwel">heel wel</span>, Dominee! ik zal u dat alles uitleggen! die rekel! een nagel aan mijn doodkist! doch ik zal hem leeren! ik zal hem leeren!” + +</p> +<p>Met deze woorden sprong hij op en ging voort weder zitten, doch ongelukkig kwam hij midden op de zitting te land en wel met +zulk een kracht, dat er hij doorheenzakte en met armen en beenen in de lucht, in den pels bedolven, tusschen de vier pooten +steken bleef. Vergeefs zocht Raesfelt hem uit dien benauwden toestand te verlossen: de arme Baron zat zoo vast, dat hij zich +roeren noch buigen kon, zoodat alle aangewende moeite slechts diende om hem nog <a id="d0e4242"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4242">121</a>]</span>erger in de klem te brengen. Op dit oogenblik werd het vertrek door drie nieuwe getuigen van zijn ongeluk bezocht. De eerste +was Veltman, Joans jachthond, die met eene van de uitgetogen laarzen de trap op kwam snellen. Hij legde zijn vracht aan de +voeten des Barons, of liever bij de pooten des stoels af, waarna hij zoowel tegen den predikant als op zijn beknelden Heer +sprong; met groote teekenen van blijdschap. Kort op den hond volgde, als een razende furie, de zachtaardige wederhelft van +den Predikant, met een kamerbezem gewapend, dien zij in een dreigende houding ophief. “Waar is dat stinkende dier?” riep zij +met een verbolgen stem: “wat springt het daar tegen Dominees kostelijke pels op met zijn vuile klauwen? Waarom jaag je hem +niet weg, Dominee? En wie zit daar in je pels? Hoe heb ik het met je? Leen je jou pels zoo maar aan iedereen, die je bezoeken +komt? Toe, maak maar gauw dat je uit dien stoel komt, dien je aan stukken gebroken hebt! Bewaar ons! het is Mijnheer van Sonheuvel!” + +</p> +<p>“Ja Juffer!” zeide deze, het hoofd van onder den pels uitstekende: “ik ben het. Help mij hier toch uit, want ik breek mijn +lenden nog.” + +</p> +<p>Op dit oogenblik sprong Veltman op en liep, zoo spoedig als hij gekomen was, de trappen af. + +</p> +<p>“Joan zal waarschijnlijk in de buurt wezen,” merkte Dominee aan: “Is dat uw laars, heer Baron! welke de hond u gebracht heeft?—dan +hadt gij, vrouw liefste! het arme dier met geen straf voor zijn getrouwheid moeten dreigen.” + +</p> +<p>“Ja! kon ik het weten?” zeide Barbara, terwijl zij mede hare krachten aanwendde om den Baron te verlossen: “die hond snuffelt +altijd bij mij in de keuken. Laatst heeft hij een hoentje knap opgepeuzeld, dat ik in de soep wilde doen.” + +</p> +<p>“Daarvoor zal het eerste haas, dat ik vang, voor u zijn, Juffrouw!” zeide Joan, binnenkomende: “bij voorraad heb ik Veltman +aan de voordeur vastgelegd, maar hoe! is dat vader, die daar tusschen vier pooten vastzit? Wacht! ik zal u wel helpen. Het +trekken baat niet, Dominee! wij zullen een anderen weg inslaan.”—Dit zeggende wierp hij den stoel op zijde en sneed met zijn +jachtmes het matwerk, dat den Baron als met weerhaken belette zich op te geven, rondom aan stukken; dit had de verlossing +des gevangenen ten gevolge; doch, tot aller verbazing, was het eerste gebruik, dat de Baron van zijn herkregen vrijheid maakte, +dat hij Joan een geduchten oorveeg gaf. + +</p> +<p>“Wat is dat, vader?” riep Joan, achteruitspringende met een kleur als bloed. “Waaraan heb ik dat verdiend?” + +</p> +<p>“Vraag je dat nog, onbeschaamde huichelaar?” snauwde hem de verstoorde Heer van Sonheuvel toe: “ik heb schoone berichten van +u ontvangen, sinjeur!” + +</p> +<p>“Ik begrijp er niets van, vader!” zeide Joan; “ik weet niet, wat ik gedaan heb, om een dusdanige behandeling te veroorzaken.” + +</p> +<p>“Niet, verstokte zondaar? vraag het dan maar aan Dominee: die zal jou de les anders leeren.” + +</p> +<p>“Ik?” vroeg Raesfelt verwonderd: “ik weet van den Jonker hoegenaamd geen kwaad.” +<a id="d0e4264"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4264">122</a>]</span></p> +<p>Reede, meenende dat de Predikant vrees koesterde voor Joan, werd nu even toornig op genen, als hij op dezen geweest was. “Hoe!” +zeide hij: “past het een leeraar, menschenvrees te hebben, en te aarzelen, iemand in ’t aangezicht zijn feilen en dwalingen +aan te kondigen?” + +</p> +<p>“Heer Baron!” antwoordde Raesfelt, geraakt: “ik ken mijn plicht en zou niet schromen, voor koningen en keizers de waarheid +te spreken, gelijk Nathan en Elias deden; maar ik weet niet, waaraan zich bepaaldelijk de Jonker heeft schuldig gemaakt, noch +over welk feit ik hem zoude toeroepen, meer dan aan anderen: gij zijt die man!” + +</p> +<p>“Niet!” hervatte de Baron: “nu, dan weet ik het: gij zijt een Arminiaan, Joan!” + +</p> +<p>“Goede hemel!” riep Barbara, de handen boven ’t hoofd ineenslaande; “een Arminiaan!” + +</p> +<p>“En wat nog erger is, een Sociniaan!” vervolgde Reede. + +</p> +<p>“Een Sociniaan! Dat verhoede de Heer!” zeide Mejuffrouw Raesfelt, met dezelfde gebaarden. + +</p> +<p>“En wat het ergst van alles is, een huichelaar.” + +</p> +<p>“Een huichelaar ook al! bewaar ons!” herhaalde de Pastoorsche. + +</p> +<p>“En wie heeft u al dien zotteklap verteld, vader?” vroeg Joan met drift. + +</p> +<p>“Wat! zult gij het nog loochenen? doch zoo ge den zegsman weten wilt: daar staat hij: schaam u in zijn tegenwoordigheid te +ontkennen, wat hij u bewijzen kan.” + +</p> +<p>“Wien meent gij, vader?” vroeg Joan, meer en meer verwonderd. + +</p> +<p>“Wien? wel wien anders dan Dominee,” antwoordde de Heer van Sonheuvel. + +</p> +<p>“Mij?” vroeg Raesfelt, ten toppunt van verbazing: “spot UEd. niet mij, heer Baron?” + +</p> +<p>“Het is of gij beiden gezworen hebt, mij dol te maken,” riep de Baron stampvoetende: “wat duivel! Dominee, hebt gij mij niet +zoo op het oogenblik gezegd, dat gij er de bewijzen van in handen hadt, zwart op wit?” + +</p> +<p>“O!” zeide Raesfelt, die lont begon te ruiken: “is het er zóó mede gelegen? Ja dat heb ik gezegd; maar....” + +</p> +<p>“Gij hoort het Joan!” viel Reede in. + +</p> +<p>“Maar ik sprak niet van den Jonker,” vervolgde Raesfelt. + +</p> +<p>“Niet! en van wien dan?” vroeg de Baron, op zijne beurt verbaasd. + +</p> +<p>“Vergun mij, dat ik UEd. zulks onder vier oogen verklare, zonder getuigen.” + +</p> +<p>“Toegestaan! Marsch Joan!” + +</p> +<p>Joan deed eenige stappen om zich te verwijderen; doch bleef vervolgens staan, den Baron aanziende. + +</p> +<p>“Hebt ge mij niet gehoord?” vroeg deze: “marsch! van hier!” + +</p> +<p>“Maar ben ik dan gerechtvaardigd in uwe oogen, vader?” vroeg Joan, op den toon der beleedigde onschuld. + +</p> +<p>“Daarover spreken wij nader,” was het antwoord. + +</p> +<p>“Dat behoeft niet,” merkte de Predikant aan: “UEd. kan uwen zoon gerustelijk een toestemmend antwoord geven; want hij is onschuldig, +<a id="d0e4315"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4315">123</a>]</span>en uw gramschap op den jongeling is uit een misverstand voortgesproten.” + +</p> +<p>Reede was ontevreden op zich zelven, dat hij zich zooverre door zijn driften had laten vermeesteren en zich daardoor jegens +zijn zoon in ’t ongelijk gesteld: hij aarzelde echter nog, uit valsche schaamte, om hem genoegdoening te geven; doch, toen +hij den knaap in een smeekende houding naar zich toe zag treden, terwijl de tranen hem in de oogen stonden, verkreeg het gevoel +van billijkheid de overhand boven zijn valsche schaamte, en hij omhelsde hem hartelijk, waarna Joan het vertrek verliet. + +</p> +<p>“Maar gij, liefste schat!” zeide de Predikant tot <span id="d0e4321" class="corr" title="Bron: ziju">zijn</span> huisvrouw, die nog vol nieuwsgierigheid boven om de trap stond te draaien: “gij moest ons ook alleen laten en aan Kaatje +zeggen, dat zij den armstoel boven brenge. Ik heb met den Heer Baron iets af te handelen, dat....” + +</p> +<p>“Dat ik niet hooren mag,” zeide zij spijtig: “nu ’t is goed, Dominee! ik ga al: neem maar niet kwalijk, dat ik dit kostelijk +vertrek door mijn tegenwoordigheid verontheiligd heb. ’t Zal wel voor ’t eerst en ’t laatst zijn; doch zoo gij denkt, dat +het u wel bekomen zal, mij buiten alles te houden, hebt gij het mis.”—Met deze en dergelijke woorden trok zij grommende af +en begaf zich op staanden voet naar de vrouw van den schout, waar zij nog drie of vier buurtklapsters vond, aan welke zij +onder belofte van geheimhouding verhaalde, hoe Dominee ontdekt had, dat de Jonker een Sociniaan ware en het aan den Baron +verteld had, doch het nu weder introk uit vrees voor Joan: hoe de Baron door een stoel gevallen was, en hoe de hond met zijn +morsige pooten haar huis bevuild had, enz. welke stichtelijke praatjes den volgenden dag door het gansche dorp liepen. + +</p> +<p>“Wat heb je mij dan aan ’t oor liggen reutelen, Dominee?” vroeg de Baron, zooras hij met den Predikant alleen was. + +</p> +<p>“Ik sprak UEd. van mijn zoon Hendrik,” antwoordde deze, “die te Leiden studeert en mij, door zijn nieuwerwetsche begrippen +omtrent den godsdienst, dwingen zal, hem van de Hoogeschool terug te nemen, eer hij onzer Gereformeerde Kerk, en mij, zijn +vader en leermeester, tot schande verstrekke. Hoe UEd. dit alles op den Jonker hebt toegepast, verklaar ik niet te begrijpen.” + +</p> +<p>“Is het er zoo mede gelegen?” hernam de Baron: “dan spijt het mij, dat ik den armen Joan zoo heb afgejakkerd, doch ik zal +hem zeggen hoe de vork ik den steel zit.” + +</p> +<p>“Ik bid u,” smeekte Raesfelt, “laat mijns zoons gedrag tusschen ons blijven: mijn vrouw zelve weet nog niets van het geval +af, en, zooals Salomo zegt: + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Een dwaze zoon is zijn moeders droefenis.”</span></p> +</div> +<p>“Ik beklaag u van harte, Dominee,” zeide Reede: “doch gij zijt de eenige niet, die zwaren strijd met zich zelven voert. De +reden, <a id="d0e4339"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4339">124</a>]</span>waarom ik u verkeerd verstond, zal zich voor u ophelderen, wanneer ik u mijn tegenwoordig bezwaar ontdek. Gij herinnert u,” +vervolgde hij, zijn leunstoel, welken hem Kaatje intusschen gebracht had, dichter bij dien van Raesfelt aanschuivende, “dat +Joan mijn zoon niet is.” + +</p> +<p>“Met uw verlof!” zeide de Predikant, zich met den wijsvinger langs den neus strijkende: “Ja, waarlijk, nu gij het zegt, herinner +ik mij dat; doch in ernst, ik was het vergeten.” + +</p> +<p>“Welnu, de knaap heeft thans de jaren van onderscheid bereikt: tot heden toe heb ik altijd het onaangename denkbeeld van hem +met zijn ware geboorte bekend te moeten maken, ver van mij afgeschoven: ik beminde hem als mijn zoon, en, zoo ik mijn genegenheid +alleen moest volgen, zou ik hem als zoodanig blijven beschouwen; doch nu de tijd daar is, dat hij aan den naam van Reede eenigen +luister zou kunnen bijzetten, begint mijn geweten tegen mijn teederheid op te komen. Ik begin te bedenken, dat ik mijn eenige +dochter niet mag versteken van haar wettig erf (dat bovendien om redenen, welke ik thans niet melden zal, vrij schraler is, +dan menigeen denken zou), dat ik bovendien geen vreemde plant op den stam der Sonheuvels enten mag. Hierbij komt de vrees, +dat Joan, die zulk een onverzoenlijken haat tegen de Spanjaards heeft, veellicht, na het eindigen der <span class="letterspaced">trêves</span>, de wapenen tegen zijn eigene betrekkingen, tegen zijn bloedverwanten zou voeren—en ik vraag mij zelven af, of ik Joan omtrent +zijn geboorte de geheele waarheid moet openbaren. Gij herinnert u, Dominee! dat Velasco, Joans vader, door mijn ruiters wreed +vermoord werd!” + +</p> +<p>Hier eindigde Reede. De Predikant zweeg, en lang zaten beiden over elkander in diep gepeins verzonken, bij hen zelven overleggende, +op welke wijze de zwarigheden, die zoowel het verborgen houden als het ontdekken van het geheim met zich bracht, uit den weg +zouden kunnen geruimd worden. Eindelijk verzocht de Predikant, dat de Baron hem den nacht ter overdenking zoude vergunnen, +belovende hij aan Z. Edelheid den volgenden morgen een stellig antwoord te brengen. Reede willigde dit verzoek in, en de conferentie +werd op <span class="letterspaced">reces</span> gescheiden. + +</p> +<p>Het was reeds duister, toen de Baron op het slot terugkwam. Het avondmaal werd opgedischt en was haastig afgeloopen: de Baron +en Joan waren beiden vol gedachten en spraken weinig of niet. Ulrica daarentegen snapte onophoudelijk door over de schoone +Gravin, haar page, haar koetsier met zijn groote knevels en de fraaie wapens op de koets. Toen de oude Geertrui haar, na het +avondeten, was komen halen, stond haar vader insgelijks op, met oogmerk om naar zijn kamer te gaan; doch Joan sprong op, als +uit een droom ontwakende en hield hem tegen. + +</p> +<p>“Vader!” riep hij: “kan ik nog een oogenblik met u spreken?” + +</p> +<p>“Heeft het zooveel haast, Joan?” vroeg de Baron: “ik heb thans het hoofd vol.” + +</p> +<p>“Een oogenblik slechts, vader!” herhaalde Joan, en bleef toen een poos al weifelende staan. + +</p> +<p>“Nu! komt er wat?” vroeg Reede, ongeduldig. +<a id="d0e4363"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4363">125</a>]</span></p> +<p>“Ja vader! ik wilde u vragen.... ik wilde maar weten.... wie mijn moeder was.” + +</p> +<p>Deze laatste woorden sprak hij zeer schielijk uit, als had hij gevreesd, dat ze hem in de keel zouden hebben blijven steken, +indien hij nog een oogenblik gedraald had. + +</p> +<p>De Baron sprong achteruit, alsof de bliksem voor zijn voeten ware gevallen: “Jongen!” riep hij: “Zijt gij dol? hoe komt gij +aan die vraag?” + +</p> +<p>De bleekheid, welke des Barons gelaat bedekt had bij de onverwachte vraag van zijn pleegzoon, ging over op de wangen van dezen, +zooras hij, aan de uitwerking, die zijn woorden gemaakt hadden, bespeurde, dat alles niet geheel zuiver was met zijn geboorte. +Nadat hij den Baron een tijdlang sprakeloos had aangezien, berstte hij in tranen uit en herhaalde met angst: “Vader! in Gods +naam! zeg mij, wie was mijn moeder?” + +</p> +<p>“Ik weet het niet,” zuchtte Reede en wierp zich in een stoel, het gelaat met de handen bedekt houdende. + +</p> +<p>“Gij weet het niet,” herhaalde Joan, als versteend. “Ach vader!” kreet hij, zich voor den Baron nederwerpende en diens handen +met kussen bedekkende: “zeg mij toch! wanneer, waar, hoe ik geboren ben, wie mijn moeder was: gij zult het immers weten. Och! +ik vrees, dat het maar al te waar is, hetgeen ik van morgen gehoord heb.” + +</p> +<p>“Wat hebt gij gehoord?” vroeg Reede, opziende. + +</p> +<p>“Dat ik een basterd ben,” antwoordde Joan, zijn hoofd in den schoot des Barons verbergende. Een lange pauze volgde. + +</p> +<p>“Vader!” riep Joan eindelijk, onder herhaalde omhelzingen en tranen: “Vader! ik bid u, martel mij zoo niet! Spot niet met +een ongelukkigen knaap. Zoo ik een basterd ben, heb ik toch een moeder gehad. O! leeft zij nog? wie was zij toch?” + +</p> +<p>“Ik weet het niet, waarachtig niet, lieve beste Joan!—Maar,” vervolgde de Baron na eenige oogenblikken stilte, “van wien hebt +gij toch gehoord, dat gij mijn zoon niet zijt?” + +</p> +<p>“God zegen mij!” gilde Joan opspringende: “zijt gij mijn vader niet? Heb ik dan noch vader noch moeder! O ik ongelukkige!” + +</p> +<p>“Geene anderen dan God in den Hemel, beste jongen!” zeide de Heer van Sonheuvel, snikkende. + +</p> +<p>“Maar ik heb toch ouders gehad,” vervolgde hij, met een dringende stem. + +</p> +<p>“Hoor Joan! wees bedaard! ik zal u alles verhalen: alles.... wat ik u verhalen kan. Ga zitten en wees bedaard; ik zal u alles +zeggen: drink een roemer wijn: gij zijt ongesteld.” + +</p> +<p>De Baron vulde twee roemers, leegde den zijnen in één teug en schoof den anderen naar Joan, die hem met bevende lippen, bij +tusschenpoozen uitdronk. Vervolgens plaatsten beiden zich dicht bij elkander; de Baron nam Joans hand tusschen de zijne, en +ving aldus aan met spreken: + +</p> +<p>“Uw vraag, Joan! lokt een gesprek uit, dat wij toch vroeg of laat moesten hebben. Neen! gij zijt mijn zoon niet, noch die +mijner zalige vrouw; doch eer ik u eenige <span id="d0e4396" class="corr" title="Bron: inlichttng">inlichting</span> geve omtrent het geheim <a id="d0e4399"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4399">126</a>]</span>uwer geboorte, wilde ik vernemen, wat tot den twijfel aan de echtheid daarvan aanleiding heeft gegeven.” + +</p> +<p>Joan vertelde hem de ontmoeting met Teun Wezer en den page. + +</p> +<p>“Ik heb u nooit op leugens betrapt, Joan!” zeide de Baron, verwonderd over dat verhaal: “anders zou ik denken, dat gij door +Bouke of Geert waart ingelicht, onder voorwaarde van hen niet te noemen, en dat gij daarom dat historietje bedacht hadt.”—Joan +bevestigde de waarheid van zijn verhaal met den meesten nadruk. + +</p> +<p>“Ik geloof u,” hervatte Reede, “ofschoon ik er niets van begrijp: echter kan ik Bouke en Geert niet verdenken, dat zij zich +zooverre versproken zouden hebben.... wel is waar, de oude vrouw valt wat praatziek, vooral omtrent den tijd van Mevrouw zaliger: +doch gij ziet mij met ongeduld aan en ik begrijp u. Hoor toe: de geschiedenis zal ongelukkig kort genoeg zijn. In 1598 lichtte +ik een Spaansch konvooi op: onder de lijken der gesneuvelde Spanjaarden vond ik een schreiend kind: dat waart gij; uit medelijden +trok ik mij uwer aan en bracht u bij mijn brave vrouw: wij besloten u op te voeden, en zij deelde haar teederheid tusschen +u en Ulrica, totdat zij ons, helaas te vroeg! ontviel. Sedert beminde ik u als zoon: dit hebt gij ondervonden: gij weet of +ik ooit eenig onderscheid gemaakt heb tusschen u en Ulrica. Gij zwijgt?—Gij schudt het hoofd?—Is het om de oorveeg, die ik +u straks gegeven heb? Ach! zoo ik geen vaderlijk hart voor u had, zou ik mij dan uw gewaande Arminianerij zoo sterk hebben +aangetrokken?” + +</p> +<p>“Spreek daarvan toch niet langer, vader!” zeide Joan: “ik dacht in dit oogenblik alleen aan de goedheid, die gij mij bewezen +hebt en aan mijn ongeluk, dat ik u niet langer den naam van vader geven mag.” + +</p> +<p>“Dat moogt gij, zoolang ik leef, Joan, want mijn liefde voor u blijft altijd dezelfde.” + +</p> +<p>“En hebt gij niets meer omtrent mijn geboorte kunnen ontdekken, dan hetgeen gij mij verhaald hebt?” + +</p> +<p>“Niets: al mijn nasporingen zijn vruchteloos afgeloopen. Ik betuig u, niets onbeproefd te hebben gelaten, om naar uw ouderen +te vernemen; doch niemand buiten ons heeft zich uwer aan willen trekken.” + +</p> +<p>Lang nog zaten zij over elkanderen, schoon zij weinig of niets meer spraken. Joan scheen het beeld der droefheid: hij bleef +in gepeinzen verdiept, en dacht meer na, wat hij vragen wilde, dan hij werkelijk vroeg. Met den Baron had het tegenovergestelde +plaats. Deze scheen beducht voor vragen en trachtte die zooveel mogelijk te ontwijken: het voorgevallene bij de overrompeling +van ’t Spaansche konvooi stond hem nu weder zoo levendig voor den geest, als op ’t oogenblik, toen het werkelijk voorviel, +en gedurig zweefde hem de stervende Velasco voor oogen. Met opzet had hij diens dood, ja diens naam in zijn verhaal niet gemeld, +en wist niet hoe hij het klaren zou om hem maar geheel buiten ’t spel te laten. Eindelijk stond hij op, drukte Joan aan zijn +hart, beval hem aan, bedaard te zijn en van al wat hij gehoord had aan niemand, vooral aan Ulrica, geen woord te reppen, wenschte +hem een goede nachtrust en begaf <a id="d0e4417"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4417">127</a>]</span>zich naar zijn slaapvertrek, waar Bouke, die reeds lang het laat opblijven zijns meesters verwenscht had, half slapende binnentrad. +Zonder een woord te zeggen liet de Baron zich ontkleeden, trok naar bed, bleef nog lang peinzen en malen en geraakte niet +dan met den nanacht in slaap. + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4146" href="#d0e4146src" class="noteref">1</a></span> De wapenen moeten onderdoen voor de toga. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4206" href="#d0e4206src" class="noteref">2</a></span> Zegevierende verrukking. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e4419" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Veertiende Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<p>Het kiezen en verkiezen is een groot verscheel. + +</p> +<p><span class="letterspaced">Spieghel</span>. +</p> +</div> +<p>“Wel Mijnheer!” zeide Bouke, toen hij den volgenden morgen het slaapvertrek des Barons voor de derde maal binnentrad; “UEd. +schijnt het spreekwoord vergeten te hebben: ”“beslapen is uw morgenwerk, bedorven is uw dagwerk.”” + +</p> +<p>“Hoe laat is het dan?” vroeg de Baron, het hoofd oprichtende. + +</p> +<p>“Maar effentjes negen uren, als ’t UEd. blieft, en ik ben reeds twee keeren hier geweest.” + +</p> +<p>“Is ’t mogelijk? Ja ik ben eerst laat in slaap geraakt.” + +</p> +<p>“Waarachtig, Mijnheer! het huishouden is in de war: het was geloof ik halféén, eer de Jonker in bed lag: hij, die daarenboven +met den jachttijd zoo vroeg bij de werken is.” + +</p> +<p>“Hoe heeft Joan geslapen?” vroeg Reede, terwijl hij zijn kousen opbond. + +</p> +<p>“Ja! dat durf ik niet beloven dat goed geweest is: UEd. moet hem dan gisteravond geweldig onderhanden gehad hebben. Van morgen +te zeven uren ging hij op de jacht en had oogen als potten zoo dik en als aalbessen zoo rood. Schort er wat aan, Jonker! zeide +ik—neen! zeide hij en drukte mij de hand; maar de tranen rolden hem als dikke Meiregendruppelen langs de wangen. Toen draaide +hij mij opeens den rug toe en liep met groote stappen het slot uit.” + +</p> +<p>“Die arme jongen!” zuchtte Reede: “doch het heeft zoo moeten wezen!” + +</p> +<p>“Is het dan wezenlijk waar, heer Baron! dat hij een Arminiaan geworden is!” + +</p> +<p>“Droom je? wie heeft dat zotte praatje in de wereld gebracht?” + +</p> +<p>“Dat weet ik niet, maar gisteravond was het heele dorp er vol van.” + +</p> +<p>“Men deed beter den bek te houden, dan zulke grollen te vertellen,” zeide de Baron met bitsheid, vergetende, hoe hij zelf +den vorigen dag wegens dezelfde aantijging tegen Joan was uitgevaren. + +</p> +<p>“Maar Bouke!” vervolgde hij: “ik wilde wel eens weten, wie van u beiden, Geert of gij, uit de school geklapt heeft en aan +Joan het, geheim zijner geboorte ontdekt?” +<a id="d0e4455"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4455">128</a>]</span></p> +<p>“Weet hij er iets van?” vroeg Bouke, verbaasd een stap terugtredende: “ik althans heb gezwegen als een mof.” + +</p> +<p>“Heeft Geert dan gebabbeld? want dat sprookje wegens den page is te gek.” + +</p> +<p>“Daar hebben wij ’t al,” zeide Bouke: “ja die page is een duivel van een vent. Heeft hij niet eergisteravond zijn hof aan +de oude Geert gemaakt, alsof zij een jonge deern ware?” + +</p> +<p>“En heeft zij den lafbek onze geheimen overgebriefd?” vroeg Reede met drift. + +</p> +<p>“Geert is oud en wijs genoeg, om voor haar zelve te antwoorden,” zeide Bouke, zich buigende. + +</p> +<p>“Dat is een Menist antwoord, Bouke! zeg mij spoedig wat gij van de zaak af weet.” + +</p> +<p>“Met UEds. verlof, dat kan ik niet. Elk weet waar hem de hoos schuurt, en op alle reên eigent geen antwoord. Zoo UEd. liever +over dat onderwerp met Geertrui zelve geliefde te redekavelen;.... maar ik heb vergeten UEd. te zeggen, dat Dominee al sedert +een uur in de benedenzaal zit en verlangt UEd. te spreken.” + +</p> +<p>“De Dominee beneden? Dat hadt gij mij wel eerder mogen zeggen. En waarmede heeft die goede man al den tijd zoek gebracht?” + +</p> +<p>“O! op een zeer aangename wijze: hij heeft met de freule over de opvoeding van haar kippen en met de oude Geert over de zedelijke +verbastering der eeuw gepraat. Het was stichtelijk om aan te hooren.” + +</p> +<p>“Hij had Geert liever over haar babbelen moeten onderhouden.” + +</p> +<p>“Met UEds. verlof, Mijnheer! UEd. heeft van mij niet gehoord, dat Geert gebabbeld heeft: onder dienstboden is men niet gaarne +de zegsman van dergelijke praatjes: wat er van de zaak is, weet ik niet precies; doch met den Jonker heeft zij er niet over +gesproken, daarop kan UEd. gerust zijn.” + +</p> +<p>“Nu! wij zullen zien. Breng het ontbijt maar boven en verzoek Dominee hier te komen. Gij moet aan Ulrica maar zeggen, dat +ik niet afkom, dat ik wat pijn in ’t hoofd heb.... of dat ik wat jichtig ben.” + +</p> +<p>“Pijn in ’t hoofd! Dat zal immers niemand gelooven! UEd. is immers altijd gezond.—Jichtig! daar geeft UEd. ook wat om! Als +ik zoo iets verhaalde, dan ging van avond het praatje door ’t dorp, dat UEd. (’t geen God verhoede) op sterven ligt.” + +</p> +<p>“Bedenk dan wat anders! doch breng Dominee en het ontbijt hierboven: of liever, breng maar geen ontbijt: ik heb geen honger +en zal wel fluiten als ik iets noodig heb.” + +</p> +<p>“Geen honger!” herhaalde Bouke: “nu begin ik waarlijk te gelooven dat UEd. niet wel is!” + +</p> +<p>“Doe wat ik u heet, Bouke! en haast u. Ik begeer geen woord meer,” zeide Reede wrevelig. Bouke haalde de schouders op en vertrok. + +</p> +<p>“Wat duivel is dat?” mompelde hij tegen zich zelven: “gisteren avond over twaalven naar bed gegaan? een gat in den dag geslapen! +geen honger! mij ouden dienstknecht een grauw te geven alsof ik <a id="d0e4490"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4490">129</a>]</span>een losse jongen ware van een braspenning in de week! de oude Heer zeker is niet wel.” + +</p> +<p>Het leed niet lang, eer de Predikant boven kwam: hij trad met een ongemeene plechtigheid de slaapkamer in: een nieuwe kalot +bedekte zijn hoofd, en de Zondagsche rok versierde zijn leden: met den grootsten ernst sloot hij de deur achter zich toe, +klemde den hoed met den linker-elleboog stijf tegen de borst aan, liep recht op den Baron toe, leunde de twee duimen op de +tafel, zag den Heer van Sonheuvel vlak in ’t gezicht en zeide vervolgens: “gij zijt als een Christen verplicht, Joan alles +te zeggen.” + +</p> +<p>“Dat behoeft niet Dominee,” was het antwoord: “want ik heb hem reeds alles gezegd.” + +</p> +<p>“Alles? is het mogelijk?” + +</p> +<p>“Alles! dat is te zeggen, op eenige uitzonderingen na. Doch neem een stoel Dominee: ik zal u mijn onderhoud met den knaap +verhalen. Ga gerust zitten. Door dien stoel zult gij zoo licht niet heen zakken, als ik gisteren door den uwen.” + +</p> +<p>Hierin had de Baron gelijk: want de stoelen, die op zijn kamer stonden, waren van zwaar eikenhout, met groote beelden en loofwerk +versierd. De zware armleunsels pronkten met bruine hertenkoppen en stonden wijd genoeg van elkander om een verliefd paar te +omvatten: de zitting en de rug waren met tapijtwerk bekleed, waarop een jachtpartij was afgebeeld: hetzelfde patroon werd +op de drie-dubbele kussens, op het behangsel der wanden en op de sprei van het bed teruggevonden.—De overige meubelen hadden +minder overeenstemming. Vlak over het onmetelijke ledikant, ’t geen in eene naar evenredigheid vrij nauwe alkoof stond, hing +een rek, met armbussen, bogen, pijlen, zinkroeren, hartsvangers, pistolen enz. beladen: daarnaast het afbeeldsel der Barones, +ten voeten uit in haar trouwgewaad voorgesteld; want de mode om zich in een <span class="letterspaced">allegorisch</span> of herderlijk gewaad te laten portretteeren was toen nog niet in zwang gekomen. Aan weerszijden der kamer was een raam met +kleine beschilderde ruiten, waardoor de zon slechts flauwe stralen schoot. Onder een dier ramen stond een zware tafel, waarop +een bijbel lag, benevens een psalmboek, een exemplaar van de Utrechtsche Unie, keurig ingebonden, het jachtrecht van Gelderland, +de kroniek van Gheraert Leeuw, eenige vlugschriften en een paar godvruchtige boekskens, uitmakende de gansche lectuur van +den Baron. De andere tafel, waaraan hij met den Predikant gezeten was, was ledig. Over de deur stond een vervaarlijk groot +kabinet, waarop eenige zeer kleine wassenbeeldjes onder glazenstolpen: daarnaast hingen de kleederen des Barons en een fraai +schoonschrift van omstreeks een voet in ’t vierkant, met houten lijst en snijwerk van anderhalf voet breedte en dikte; welk +schoonschrift den naam des Barons voorstelde in figuren, alsmede het wapen van Sonheuvel, zijnde een zilveren balk met zes +dergelijke leliën op een rood veld: alles fraai met kleuren afgezet. Onder dit kunststuk stond een tafeltje met glazen deuren, +dat gevuld was met roemers, bokalen, fluiten en kroezen van onderscheidene grootten en vormen. Wanneer de teekenaar of <a id="d0e4505"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4505">130</a>]</span>graveur, die in later tijden zijn talenten aan een prachtuitgave dezer geschiedenis zal ten koste leggen, zich hierbij den +Baron voorstelt, gezeten in een zorgstoel, die al de overige stoelen in omvang overtreft, en gekleed in een zwart fluweelen +tabberd met afhangende open mouwen, waaronder een geelzijden overrok met zwarte bloemen, een broek van zwarte zijde, roode +kousen en pantoffels met zwart fluweel, dan zal hij bouwstoffen genoeg hebben tot het vervaardigen van een aangenaam <span class="letterspaced">vignet</span>, het gesprek van den Baron met den Predikant voorstellende: en hij zal daarentegen, als <span class="letterspaced">pendant</span>, het bezoek van Reede bij Raesfelt, door ons in ’t vorige hoofdstuk verhaald, kunnen overstellen. Dan, ’t is tijd, dat wij +opgeven, wat in deze tweede samenkomst verhandeld werd. + +</p> +<p>Nadat door Reede aan den Predikant vrij omstandig het onderhoud verhaald was, dat hij ’s avonds te voren met Joan had gehad, +en dat Raesfelt, die opmerkzaam luisterde en voor ’t eerst de kerkelijke zaken ten gevalle van dit belangrijk punt scheen +uit het hoofd te hebben gezet, het door den Baron gehouden gedrag volkomen had goedgekeurd, ontstond het zwaarwichtig vraagpunt, +wat er nu met den jongeling ware aan te vangen. Nadere pogingen bij zijn vermoedelijk gezin te doen, scheen nutteloos en ongeraden; +hem zelven derwaarts te zenden, nog dwazer en onvoegzamer: daarenboven kon de Baron (als reeds gezegd is) er niet toe besluiten, +om den knaap zijn betrekking tot Velasco mede te deelen; terwijl Raesfelt begreep, dat een jong mensch, door hem in de echte +gereformeerde religie, en door den Baron van Sonheuvel in de liefde voor het Gemeenebest opgevoed, nimmer onder de Spanjaards +zou kunnen aarden, ook al wilde Don Louis de Velasco hem als neef erkennen. Joan daarentegen een rang bij het leger, de vloot, +het hof of zelfs de Compagnie te doen bekleeden, was aan even groote, zoo niet grootere zwarigheden onderhevig. De Baron wilde +het niet op zijn rekening hebben, dat hij hem tegen vijanden zenden zou, die met hem van ééne afkomst en met zijn vader van +één geloove waren, terwijl Raesfelt aanmerkte, dat men zich alsdan in de verlegenheid zou bevinden, waarin David zich bevond, +toen hij aan het hof van Koning Achis leefde en door dezen tegen zijn eigen landgenooten gezonden werd. + +</p> +<p>“Ik zoek raad bij u, Dominee!” zeide eindelijk de Baron: “en gij brengt mij hoe langer hoe meer in de war. Ik weet waarlijk +niet, wat met hem aan te vangen.” + +</p> +<p>“Is er geen mogelijkheid, hem ergens heen te sturen, waar hij zich een vast bestaan kan maken?” vroeg Raesfelt: “zou hij niet +in Engeland of in Duitschland zijn geluk kunnen beproeven, tot hij rijper jaren en oordeel heeft. Dan kan hij naderhand zelf +kiezen.” + +</p> +<p>“Hem wegsturen?” riep Reede met droefheid: “hem naar vreemde landen sturen? Dominee! welk een wreeden raad geeft gij mij daar! +Ik zou hem niet meer onder mijn leiding hebben! Hij zoude uw goede lessen missen, onder vreemd krijgsvolk vreemde zeden en +gevoelens aannemen! Neen dat nooit, Dominee!” + +</p> +<p>“Ik geef raad naar mijn beste weten,” zeide de Predikant, de schouders ophalende. +<a id="d0e4523"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4523">131</a>]</span></p> +<p>“Weet gij niets anders?” vroeg de Baron. + +</p> +<p>“Neen!” zeide Raesfelt, zuchtende en het hoofd droevig schuddende, terwijl hij de handen voor de borst vouwde en zijn knokkels +bekeek: “denk er eens over na, heer Baron!” vervolgde hij, na een oogenblik zwijgens. Een wijl daarna hief Raesfelt weder +het hoofd op en vroeg, eenigszins schroomvallig, of Joan ook naar Leiden zou gaan en in de rechten studeeren. + +</p> +<p>“Is de jongen dan voor advocaat in de wieg gelegd?” hernam de Baron: “hij heeft een edelmansopvoeding genoten: rijden, rossen, +jagen, met den dag in ’t veld zijn, de paarden temmen en de honden bekwaam maken, dat kan hij; maar op zijn kamer te zitten +blokken, daartoe is hij niet opgevoed.” + +</p> +<p>“De <span class="letterspaced">humaniora</span>, dat zijn de beginselen der taal, verstaat hij echter door Gods zegen,” zeide Raesfelt: “en wat het blokken betreft, heeft +hij niet, meer dan eens, uren achtereen op mijn kamer doorgebracht?” + +</p> +<p>“Ja, dat geloof ik, Dominee,” zeide de Baron, lachende: “in dien stoel zonder zitting: dat is ook een gevangenis, waar men +niet uitkomt, als men er zich eens heeft ingewerkt. Doch wij zullen zien: ik zal er den knaap over spreken en hem tusschen +twee voorstellen laten kiezen, zoolang er zich geen derde opdoet.” + +</p> +<p>“God geve, dat het tot zijn tijdelijken en eeuwigen voorspoed gedije,” zeide Raesfelt. + +</p> +<p>“Amen!” zuchtte de Baron hem na, de muts afnemende<span id="d0e4541" class="corr" title="Bron: ,">.</span> “Maar,” vervolgde hij, van toon veranderende: “zullen wij niets gebruiken? Hebt gij reeds iets genuttigd, Dominee?” Dit zeggende +nam hij een zilveren fluitje, dat naast hem aan den wand hing, en floot twee reizen achtereen. + +</p> +<p>“Ik dank UEd. vriendelijk,” antwoordde de Predikant: “ik ben reeds lang verzadigd.” + +</p> +<p>“Maar ik niet, Dominee; en daarenboven, gij moet een glas Rijnschen wijn met mij drinken op den goeden uitslag onzer pogingen. +Bouke!” vervolgde hij tegen zijn ouden dienaar, die de kamer binnentrad: “breng een kan wijn binnen en zet twee roemers op +tafel.” + +</p> +<p>“Welken wijn zal UEd. drinken?” vroeg Bouke, met een stemmig gelaat: “waarschijnlijk van dien zoeten wijn, welken UEd. van +den koopman Knipvisch uit Rotterdam hebt ontvangen.” + +</p> +<p>“Droom je, Bouke? Drink ik ooit van dat laffe goed? Dat heeft hij immers gestuurd voor zwakke en zieke menschen. Haal van +dien ouden Hochheimer van het vat aan de linkerhand!” + +</p> +<p>“Maar durft UEd. daar wel van te drinken? Ik dacht....” + +</p> +<p>“Gij dacht als een gek!—En breng toch wat ontbijt: ik rammel van den honger.” + +</p> +<p>“Ik zal zien wat er is,” hernam Bouke, altijd even stemmig van wezen: “belieft UEd. een paar sneden wittebrood en een hoendervlerk?” + +</p> +<p>“Welzeker niet,” antwoordde de Baron, driftig: “weg met die liflaffen. Breng een paar hompen ham of een worst, zooals gewoonlijk.” +<a id="d0e4560"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4560">132</a>]</span></p> +<p>“Zoo!” zeide Bouke, die er een schalksch vermaak in schepte, zijn Heer een weinig te plagen: “ik dacht anders dat UEd. niet +wel waart en hoofdpijn hadt.” + +</p> +<p>“Hoofdpijn? Heb ik dat gezegd? heb ik ooit hoofdpijn? Is de kerel dol?” + +</p> +<p>“Of jichtig? weet ik het? voor de jicht althans deugt de ham niet-met-al.” + +</p> +<p>“Jichtig! geef ik daar wat om? Haal wat ik zeg en reutel niet meer.” + +</p> +<p>“Ik meende, dat UEd. straks anders gesproken had; maar Bouke zal het wel missen: het past mij niet, UEd. tegen te spreken; +want wiens brood ik eet, diens woord ik spreek;.... dan ik ga al, ik ga al.” Dit zeggende, vertrok hij en kwam spoedig terug +met den wijn. De Predikant moest tegen wil en dank een paar roemers ledigen en nam vervolgens zijn afscheid: de Baron bleef +zitten peinzen, totdat de kan ledig was. + +</p> +<p>“Zal ik U een andere brengen?” vroeg Bouke: “op één been kan niemand staan.” + +</p> +<p>“Dat behoeft niet: ik heb voor ditmaal genoeg. Zeg eens, Bouke! gij kunt mij misschien goeden raad geven. Wat zal ik van Joan +maken? een officier of een advocaat?” + +</p> +<p>Bouke schoot luidkeels in een lach: “een advocaat,” riep hij: “UEd. schertst er mede.” + +</p> +<p>“Volstrekt niet: ik ben in lang zoo ernstig niet geweest.” + +</p> +<p>“Een advocaat! is de Jonker van het deeg, daar men advocaten van kneedt? zulk een knap, fiksch jonkman! Kom dat kan UEd. niet +meenen.” + +</p> +<p>“Hij zal toch iets dergelijks moeten worden,” hernam de Baron: “zoo hij niet liever verkiest in vreemde landen te gaan dienen.” + +</p> +<p>“Welnu! laat hij dat doen,” zeide Bouke: “dan kan er iets grootsch van hem groeien: zoo de mensch hem zet, waait hij in zijn +net, en die ’t hoofd te beurt valt, die scheert den baard: wie weet het? Misschien wordt hij met den tijd kolonel of nog meer +en draagt een sjerp en een halsberg: dat zal hem anders staan dan een bef of mantel.” + +</p> +<p>“Maar bedenk toch, Bouke! een knaap van zijne jaren zoo maar zonder leiding naar een vreemd land te sturen! Wat moet er van +hem worden?” + +</p> +<p>“Alleen kan hij niet gaan,” hernam Bouke: “kalfvleis, halfvleis: jongelui, domme lui. UEd. moet naar een geschikt persoon +omzien, die hem op reis verzellen kan.” + +</p> +<p>“En wien zal ik met de zorg van zulk een wildebras belasten? Hij moet iemand bij zich hebben, die niet van hem afwijkt, hem +vermaant en leidt en onderricht.” + +</p> +<p>“Zoodanig een zal UEd. moeilijk vinden, of UEd. moest zelf medegaan.” + +</p> +<p>“Daarom juist wil ik hem niet van de hand sturen: en echter geloof ik, dat Dominee in den grond gelijk heeft, en dat er weinig +anders opzit.” + +</p> +<p>“Dominee! heeft Dominee dat aangeraden? en is het UEd. die er, <a id="d0e4597"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4597">133</a>]</span>niet aan wil? Ik had eer gedacht dat Zijn Weleerwaarde nog een preeker van den jongen had willen maken of ten minste een geleerde; +want ieder zot zijn marot, elk meent zijn uil een valk te zijn, en de koekoek en sijs zingen twee wijs: doch hier is het andersom;.... +maar, in ’t voorbijgaan gezegd: de oude Geert heeft mij verzocht UEd. te zeggen, dat de page van het geheim wegens Joan onderricht +scheen en haar eenige vragen gedaan heeft, die zij met behoedzaamheid beantwoord heeft: zij verzoekt UEd. haar deswege niet +hard te vallen, vermits zij over het weinige, dat zij gezeid heeft, zooveel berouw heeft als haren op haar hoofd.” + +</p> +<p>“Nu, dan zal het berouw niet groot zijn,” viel Reede lachend in: “want haar kapsel is grootendeels uitgevallen.” + +</p> +<p>“In één woord, het spijt haar zeer,” vervolgde Bouke, “en het zou haar innig grieven, indien UEd. haar, die bij Mevrouw zaliger +zoo in achting was....” + +</p> +<p>“Ik weet al genoeg, Bouke! het is de oude Geert of zij sprak: nu, laat zij in ’t vervolg voorzichtiger zijn; dan zullen wij +hierover niet verder spreken. Dan, om weer tot de zaak te komen: gij zeidet, ik zou naar een vertrouwd mensch uitzien, om +Joan naar den oorlog te vergezellen, nietwaar?” + +</p> +<p>“Om UEd. te dienen, ja! dat zeg ik nog.” + +</p> +<p>“Welnu! ik bedenk daar wat: ik ken maar één man, van wiens geschiktheid tot zulk een post de ondervinding mij overtuigd heeft +en die man zijt gij.” + +</p> +<p>“Ik Mijnheer!” zeide Bouke, verbaasd terugtredende; “UEd. zou toch niet verlangen....” + +</p> +<p>“Dat gij en niemand anders den Jonker op reis vergezeldet, als kamerdienaar, onderwijzer, schildknaap, paedagoog, zedenmeester, +raadsman, vriend, in één woord, met volmacht om hem door de wereld te krijgen, zoodat hij naar lichaam en ziel even gezond +en braaf terugkeere als hij heen zal gaan.” + +</p> +<p>“En zou UEd.,” hernam Bouke, het hoofd schuddende en zich een traan uit de oogen vegende, “uwen ouden getrouwen Bouke, die +u nooit een dag verlaten heeft, zoo maar op een bof heenzenden? Hoe zal Bouke het zonder UEd., en UEd. het zonder Bouke maken?—Wie +zal uw paarden knap houden, uw honden probeeren, uw valken africhten, uw kleeren afschuieren, uw kerse-, vinke- en snippenetten +breien, uw geweren schoonmaken, uw....” + +</p> +<p>“Ik weet het allemaal wel, Bouke! maar denk eens om den armen Joan. Gij houdt immers veel van hem?” + +</p> +<p>“Dat doe ik: ik liep voor hem door een vuur: doch UEd. kan niet buiten mij, en ik niet....” + +</p> +<p>“Denk eens na, Bouke! Hier muft gij uw tijd weg. Gij wordt voorzeker tien jaren jonger als gij in ’t leger komt.” + +</p> +<p>“Nu! nu! daar is wel wat aan! doch het bestand zal niet eeuwig duren en op de Spanjaards klop ik nog liever dan op anderen, +die mij niet raken<span id="d0e4623" class="corr" title="Niet in bron">.</span>” + +</p> +<p>“Tegen het einde van het bestand keert gij terug: dan is Joan in staat zelf een keus te doen, wat hij verder uit wil voeren.” +<a id="d0e4628"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4628">134</a>]</span></p> +<p>“Verbeeld u eens, Mijnheer! Ik, die oud en stram word, zou zulk een wildzang onder mijn appèl moeten houden. Ongelijke schotelen +maakten slinksche oogen: de ezel en de drijver denken niet ééns: dan zou hij een jonge deern, dan een half vendel musketiers, +dan een fraai rijpaard, dan een reebok nazitten, en eer ik met mijn oude beenen een tiende gedeelte van den weg had afgeleid, +zou hij er al wezen: en dan ware het: fluit maar! neen, dat gaat nooit.” + +</p> +<p>“Gij spreekt er met zooveel vuur over, Bouke! dat ik in mijn meening versterkt word: ik verzeker u, het zal u beter bevallen +dan gij denkt: en gij, die altijd met uw spreekwoorden in de weer zijt, moest ook eens bedenken, dat een oude voerman gaarne +het klappen van de zweep hoort. Doch ik wil u niet op ’t lijf vallen: ook weten wij nog niet, waar Joan zelf zin in heeft: +denk er intusschen eens over na: morgen zal ik uw besluit vernemen.—Geef mij nu mijn hengel: het is te laat om te gaan jagen: +ik zal zien of er nog karpers in den vijver zijn. Zoodra Joan van de jacht komt, moet ik hem spreken.” + +</p> +<p>De Baron ging uit, zette zich op een groote tuinbank aan den vijver neder en wierp den hengel in ’t water. Zijn bekommeringen +beletteden hem echter, eenige aandacht aan zijn verrichting te schenken: achteloos hield hij den rietstok vast en liet de +karpers ongestoord het aas van den angel halen. Nadat hij een uur ongeveer aldus gezeten had, kwam Bouke hem zeggen, dat Joan +terug was en verzocht, Zijn Edelheid te mogen spreken. + +</p> +<p>Hoezeer de Baron zelf dit onderhoud verlangd had, zag hij er nu tegen op en duwde Bouke toe, dat hij thans aan ’t visschen +was en dat Joan een gelegener tijdstip moest afwachten. + +</p> +<p>“Ik zal zeggen dat UEd. den hengel in handen heeft,” zeide Bouke, “want visschen mag het niet heeten.” + +</p> +<p>“Ei, en waarom niet?” + +</p> +<p>“Ziet UEd. niet, dat de lijn om den dobber is geslagen en in een waterlelie verward zit? Wat drommel is dat?” vervolgde hij, +de lijn uithalende, “de hoek is geheel kaalgegeten. Op zulk een wijze zal UEd. niet veel vangen.” + +</p> +<p>“Ik heb nergens trek in,” zeide Reede, de angelroede verstoord tegen den grond werpende. + +</p> +<p>“Daar komt de Jonker zelf aan. Wil ik den hengel maar naar huis brengen?” + +</p> +<p>“Neen! ja, ja toch, en laat Joan maar komen: ik zal hem toch moeten spreken,” zeide de Baron, half beschaamd over zijn onzekerheden. + +</p> +<p>Bouke vertrok en de Baron zette zich onrustig neder en zag voor zich; nu en dan echter keek hij steelsgewijze naar Joan, die +eerst wankelende, vervolgens met een vasten stap op hem afkwam. “Waarlijk,” dacht Reede: “hij is toch een knappe jongen: het +zou jammer zijn, indien er niets beter dan een geleerde van worden moest.” + +</p> +<p>“Vader!” zeide Joan, toen hij den Baron genaderd was: “ons gesprek van gisteren heeft mij stof gegeven tot velerlei overdenkingen. +<a id="d0e4653"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4653">135</a>]</span>De slotsom daarvan is geweest, dat ik, eenmaal mijn waren toestand kennende, geen recht heb, hier langer een onnutte kostganger +te wezen: ik heb geen ouders, geen betrekkingen, geen vaderland, niets dat ik mijn kan noemen....” hier stroomden heete tranen +uit zijn oogen: “vergun, o vergun mij die te gaan verwerven. In verscheidene landen wordt er gestreden. Sta mij toe, dat ik +bij deze of gene vreemde Mogendheid dienst neme en mijn fortuin beproeve: geef mij uw vaderlijken zegen op reis mede en wees +verzekerd, dat mijn gedrag dien nimmer onteeren zal.” + +</p> +<p>Bij het uiten dezer woorden knielde hij voor zijn pleegvader neder. Tot in de ziel geroerd over het edel gedrag des jongelings, +sloeg Reede met luide snikken de armen om diens hals en drukte hem in vervoering tegen zijn hart. Te aangenamer was de Baron +aangedaan, omdat hij, nu Joan zelf gesproken had van dienst te nemen, ontslagen was van den last om hem daartoe het voorstel +te doen. “Mijn zegen en mijn beste wenschen,” zeide hij, “zullen u altijd vergezellen, mijn zoon! waar gij u moogt begeven: +ik ben zeker, dat ik mij uwer nimmer zal behoeven te schamen. Doch,” vervolgde hij, geen misbruik willende maken van Joans +grootmoedige opwelling: “waarom zoudt gij ons nu verlaten? Kunt gij niet blijven, tot gij ouder van jaren zijt en een keuze +doen kunt: of zoudt gij ook willen studeeren?.... zeg openhartig uw zin.” + +</p> +<p>“Vergeef mij, vader! onder mijn valschen naam kan noch wil ik langer hier blijven: ik heb reeds lang genoeg rechten uitgeoefend, +die mij niet toekomen, en mijn gevoel zou er tegen aandruischen om langer de Jonker van Sonheuvel genaamd te worden. En om +als een gevonden kind, als een basterd, hier of te Leiden bekend te zijn, daartoe, vergeef het mij vader! ben ik te eergierig; +misschien is dat dwaas van mij, en zal ik met de jaren mijn hoogmoed leeren onderdrukken; doch nu kan ik het denkbeeld niet +verdragen, dat ik, die in geheel de omstreek altijd als de erfgenaam van Sonheuvel heb doorgegaan, opeens door den kleinsten +boerenjongen met den vinger zou worden nagewezen. Ik moet onder een vreemden naam een vreemd land opzoeken, en dáár mijn bevordering +aan mijzelven dank weten.” + +</p> +<p>“De Dominee en Bouke hebben u recht beoordeeld, mijn zoon!” zeide de Baron: “ik zal over uwen voorslag nadenken; staken wij +thans dit gesprek en laten wij ons niet als kinderen aan onze droefheid overgeven. De etensbel roept ons aan tafel. Kom! geef +mij uw arm en verzetten wij ons leed met een goed stuk reevleesch en een roemer wijn.” + +</p> +<p>Den volgenden morgen was Bouke in de diergaarde zijn gewoon werk gaan verrichten: reeds had hij aan de valken hun dagelijksch +rantsoen toebedeeld en begaf zich naar de fazanten, die al klokkende naar hem toe kwamen om het brood op te pikken, dat hij +uit zijn voorschoot schudde, toen Ulrica de omheining intrad, om, zooals zij dagelijks deed, deze verrichting met hem te deelen. +Het meisje scheen geweend te hebben: althans haar oogen waren rood en haar lief rond gezichtje stond treurig. +<a id="d0e4663"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4663">136</a>]</span></p> +<p>“Helaas!” dacht Bouke, “men moet huilen met de wolven: die met pek omgaat wordt beklad: het arme kind schreit zeker uit gezelschap +mee. Goemorgen Freule!” vervolgde hij overluid: “komt ge het jonge goedje eens bezien? Zie eens welk een honger die stomme +dieren hebben! kijk hoe zij pikken: wacht! daar komen de <span class="letterspaced">Joanna</span> en <span class="letterspaced">Ulrica</span> aan: die zullen ook wel wat lusten.”—<span class="letterspaced">Joanna</span> en <span class="letterspaced">Ulrica</span> waren twee kalkoentjes, die, alleen van een groot broedsel overgebleven, dat de prooi van een vos geworden was, door de twee +kinderen aldus naar hun namen genoemd waren. + +</p> +<p>“Ach Bouke! geef mij uw mandje en laat ik die voeren,” zeide Ulrica. + +</p> +<p>“Zeer gaarne!” zeide Bouke. “Maar wat zie ik,” vervolgde hij. nadat hij het mandje aan het meisje overhandigd had, “gij geeft +alles aan die schrokster van een <span class="letterspaced">Joanna</span>, en uw naamgenootje krijgt bijna niets.” + +</p> +<p>Weenend verbeterde Ulrica haar ongelijke toebedeeling, gaf het mandje aan Bouke terug en bedekte haar gezicht met een tip +van haar voorschoot. + +</p> +<p>“Hoe heb ik het met u, Freule?” vroeg Bouke: “schort er wat aan? Is UEd. niet recht fiksch?” + +</p> +<p>”’t Is niets Bouke! ik dacht om dat kalkoentje, en....” hier begon zij weder te schreien. + +</p> +<p>“Welnu! dat kalkoentje wordt dik en vet, en ik zie geen reden om zoo bedroefd daarover te wezen.” + +</p> +<p>“Ja maar, ik huil, omdat het Joans kalkoentje is en dat hij zich zulk een pret voorstelde, het eens groot te zien, en dat +hij het nu niet zien zal als het groot is.” + +</p> +<p>“O wee!” dacht Bouke: “Zij weet ook al van den moord af.—En waarom niet?” vroeg hij overluid. + +</p> +<p>“Vader heeft mij gezegd, dat Joan een reis zal gaan doen: en vader en Joan zijn er bedroefd om: en ik ben ook zoo bedroefd: +want wie zal nu met hem spelen en hem oppassen als hij ziek wordt en hem gezelschap houden!” + +</p> +<p>“Ja!” zeide Bouke “dat weet ik niet. Mijnheer wenschte wel, dat ik met hem ging, maar dat gaat op mijn jaren zoo gemakkelijk +niet meer.” + +</p> +<p>Staroogend zag Ulrica hem aan, greep zijn breede hand tusschen haar kleine poezele handjes en sprak: “En waarom zoudt gij +het niet doen? Ei toch, Bouke! gij moest meegaan: dan zal ik veel geruster wezen, en vader ook, dat verzeker ik u.” + +</p> +<p>“Gij zijt een kleine vleister, Freule Ulrica!” zeide Bouke: “maar denk eens, of een oude sagrijn zou voegen bij een jongen +bloed als Joan? dat ware immers lood bij kwikzilver: de uil is nog niet wijs genoeg om een hond zijn biecht te hooren. Doch, +wat zei de Jonker er wel van? van zijn reis meen ik.” + +</p> +<p>“Ja, ik vroeg hem waarom hij toch van hier moest? en toen schreide hij en zeide: “lieve Ulrica! dat kan nu niet anders,” en +zoende en streelde mij:—en anders zeide hij niets.” + +</p> +<p>“Hm! hm!” dacht Bouke: “dan is ’t misschien zoo kwaad niet. <a id="d0e4709"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4709">137</a>]</span>dat hij van hier gaat: want vuur en stroo dient niet alzoo, en de oude Heer zou misschien ongaarne zien....” + +</p> +<p>“Wat praat gij toch in u zelven, Bouke?—Denkt gij er over na of gij met Joan mede zult gaan of niet? Och! doe het toch, ik +zal u ook liefhebben: en dan kunt gij hem helpen onthouden op toch dikwijls te schrijven: want als ik niets van hem hoor, +ga ik vast en zeker dood.” + +</p> +<p>“Nu Freule, wij zullen zien! Ik wil er wel over denken, maar....” + +</p> +<p>“Geen <span class="letterspaced">maren</span>, Bouke! gij moet het vast doen; ik laat u niet los, voordat gij het mij beloofd hebt.” + +</p> +<p>“Wie weet of hij wel eens vertrekt,” zeide Bouke, en haar zachtjes van zich afzettende, ging hij slotwaarts. Aan de brug stond +Joan en naast hem Veltman, die aanstonds op Bouke aansnelde en vroolijk blaffende tegen hem opsprong. “Terug! marsch!” zeide +Bouke op een verdrietigen toon: “ik heb vandaag geen spelenstrek.” + +</p> +<p>“Waarom zijt gij boos op mijn hond?” vroeg Joan, naderende: “ik dacht dat gij beste maats waart.” + +</p> +<p>“Dat zijn wij ook,” zeide Bouke: “maar sinds gisteren is mij alles onaangenaam en ik heb nergens trek in: evenwel zoo het +u leed doet, dat ik Veltman niet vriendelijk behandelde, wil ik het goede dier wel om verschooning vragen en den ganschen +dag met hem spelen.” + +</p> +<p>“Dat behoeft niet, Bouke! gij zult genoeg tijd daartoe hebben als ik weg ben.” + +</p> +<p>“Is het dan vast besloten, Jonker? Denkt gij stellig van hier te gaan?” + +</p> +<p>“Oordeel zelf, Bouke! of het mijn plicht niet is?” + +</p> +<p>Bouke zweeg en streelde zuchtend de lange haren van den jachthond. + +</p> +<p>“Arm dier!” hervatte Joan: “van morgen had hij geen lucht, maar liep gestadig aan mijn zijde, als had hij een voorgevoel, +dat ik hem verlaten moest.” + +</p> +<p>“En waarom neemt gij hem niet mede? Er valt overal in de wereld te jagen.” + +</p> +<p>“Wat zou ik meenemen?” vroeg Joan: “heb ik iets, dat ik het mijne noemen kan?” + +</p> +<p>“Kom kom! Jonker. Veltman is uw eigendom. De Baron had hem u al beloofd eer hij geboren was, en gij hebt de eer, er een goeden +jachthond van gemaakt te hebben. Ik althans zou er mijn leven geen beteren begeeren.” + +</p> +<p>“Nu Bouke: bewaar hem dan als een aandenken van mij; doch gij moet hem wel behandelen.” + +</p> +<p>“Is het u ernst, Jonker!” zeide Bouke, wien de tranen in de oogen schoten: “men mag zijn hemd niet weggeven als men van zijn +rok niet zeker is, zegt het spreekwoord.” + +</p> +<p>“Ik zal u een beter spreekwoord leeren,” zeide Joan: “die geeft van wat hij heeft is waard dat hij leeft.” + +</p> +<p>“Maar bedenk toch, Jonker! die hond is veertig kronen waard, als gij hem verkoopen wilt.” + +</p> +<p>“Des te meer eer zal hij u doen, Bouke! doch gij moet om mij denken als gij met hem jaagt.” +<a id="d0e4752"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4752">138</a>]</span></p> +<p>Nu kon Bouke het niet langer uithouden: “neen Jonker,” riep hij: “ik wil den hond niet hebben en ik wil niet met hem jagen! +ik ga met u waarheen gij trekt: nu mag ik het u zeggen: ik kan u niet verlaten.” + +</p> +<p>“O dat is goed!” riep Ulrica, die inmiddels genaderd was: “dat is goed! daarvoor moet ik u kussen. Wacht! dat loop ik gauw +aan vader vertellen.” En zij snelde het slot in. Met warmte drukte Joan Bouke de handen, hem zijn erkentenis over zijn hartelijk +aanbod betuigende. Echter stelde hij hem eenige zwarigheden voor, hem vragende of hij die wel overwogen had; doch Bouke, die, +nu eens het ijs gebroken was, hoe langer hoe meer smaak in het reisplan kreeg, versterkte zich met al de gronden, die hem +de Baron had voorgelegd om hem over te halen, en die hij eerst zoo krachtig bestreden had, terwijl hij aan diezelfde gronden +thans door het aanwenden van toepasselijke spreekwoorden een dubbel gewicht bijzette. + +</p> +<p>Onder een drok gesprek traden zij het slot binnen. In de ondergang ontmoette hen de oude Frans, die van den Baron kwam, en +hun verzocht dadelijk binnen te gaan, vermits Zijn Edelheid hen spreken moest. + +</p> +<p>“Wij komen al,” zeide Joan: “wacht ik zal even Veltman gaan vastleggen.” + +</p> +<p>“Heden neen!” zeide Bouke: “Veltman moet medegaan en aan Mijnheer vertellen, dat hij de oorzaak is dat ik met u op reis ga.” + +</p> +<p>“Dunkt u dat, Bouke?” zeide Joan, lachende: “welnu dan Veltman! de trap op!” + +</p> +<p>Onbesuisd snelde de hond naar boven en liep de oude Geertrui, die hem tegen kwam, bijna omver. + +</p> +<p>“Help! Bouke! help!” riep deze: “de hond is los!” + +</p> +<p>“Welnu! wat is daaraan verbeurd?” vroegen Joan en Bouke, de trap opkomende. + +</p> +<p>“Wat daaraan verbeurd is? Wel! dat het stinkende beest met zijn vuile pooten tegen mijn schoone bouwen is opgesprongen: is +dat manier van doen? waarom ligt het niet aan den ketting, zoo als Diaan en Juno en de Hemel weet hoe die heidensche dieren +meer heeten. Ja! dat zou bij het leven van Mevrouw zaliger niet gebeurd zijn. Toen mocht geen hond....” + +</p> +<p>“Knor maar niet, Geert,” zeide Bouke: “gij zult heel spoedig van den hond ontslagen wezen.” + +</p> +<p>“Ja! alsof er niet een ander in de plaats zou komen?.... En jij hadt ook je voeten wel mogen vegen, Bouke! eer je de marmeren +trappen bevuilde.” + +</p> +<p>“Erm daar ook maar niet over! binnen veertien dagen ben ik op reis en weg.” + +</p> +<p>“Op reis? en waarheen dat?” + +</p> +<p>“Met den Jonker, naar Amerika, naar Turkije of de Noordpool; weet ik het? waar maar te vechten valt.” + +</p> +<p>“Is het gekscheren?” vroeg Geert, bleek wordende. + +</p> +<p>“In allen ernst meent hij het,” hervatte Joan: “maar ik beloof je een goede welkomthuis als ik weerkom.” +<a id="d0e4787"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4787">139</a>]</span></p> +<p>“Ik ook,” zeide Bouke: “ik zal je een knipje meebrengen of een gouden slootje: dat kunt ge altijd voor uw mond doen, als je +’t niet beter gebruiken kunt.” + +</p> +<p>“Och kom! loop heen met je gekheid! Alsof ik een babbelkous ware!—Maar toch: dat moet ik aan de vrouw van Dominee eens gaan +vertellen, dat jijlui reizen gaat.” + +</p> +<p>“Zou het slootje nu niet goed te pas komen?” vroeg Bouke: “dadelijk weer oververtellen; maar ’t zal oele zijn. Dominee en +zijn vrouw en ’t gansche dorp weten het al.” + +</p> +<p>“Weten het al! En ik niet?” hernam de oude vrouw, hoogstens gebelgd: “en ik niet, aan wie Mevrouw zaliger al haar vertrouwen +schonk: ik, die altijd de nieuwtjes wist, zelfs vóór Mijnheer.” + +</p> +<p>“Ja! als jij thuis waart en Mijnheer in ’t leger, dan wist jij de nieuwtjes van de binnenplaats en de bierhuizen ’t eerst; +doch praat maar niet te veel van het vertrouwen, dat men u schonk: vooral niet,” fluisterde Bouke, haar op den schouder kloppende, +“als er een jonge knaap met gouden lussen in ’t spel komt. Een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg, nietwaar?—Nu, +tot weerziens Geert!” + +</p> +<p>Geertrui zuchtte, maar antwoordde op deze schampere aanmerking niet. + +</p> +<p>Nu traden Joan, Bouke en Veltman de eetzaal binnen, waar de Baron naast een helderbrandend vuur onder den breeden schoorsteenmantel +nederzat. Voor hem stonden twee flesschen Rijnschen wijn met de noodige roemers op tafel. Ulrica zat op een der vensterbanken +te borduren en zag Bouke bij zijn binnenkomen met kinderlijke erkentenis aan: de Baron liep naar zijn dienaar toe, schudde +hem met hartelijkheid de hand en zeide: + +</p> +<p>“Dat was zooals ik het van u verwachtte, Bouke! nu een vollen roemer op uw voorspoedige reis geledigd.” + +</p> +<p>Dit gezegd en gedaan zijnde, plaatste de Baron zich weder in zijn armstoel en gaf nu zijn meening te kennen, dat, nu men het +over de groote zaak toch eens was, het van belang ware, spoedig te beslissen onder welk legerhoofd Joan zijn krijgskundige +opvoeding zoude erlangen. “Er waren er geen,” zeide Reede, “die op éénen dag met Zijn Hoogheid of met Broos Spinola te noemen +waren: doch deze of gene zijner Haagsche vrienden zou hem wel een goeden raad geven. Intusschen,” vervolgde hij, “een aanstaand +krijgsman moet zich een rusting aanschaffen: daartoe is geld benoodigd. Ziedaar!” Hier wierp hij een beurs met pistoletten +wel voorzien op de tafel. + +</p> +<p>“Maar vader!” zeide Joan: “al dat geld zal ik u immers nooit terug kunnen geven.” + +</p> +<p>“Wie drommel spreekt er van teruggeven? Ik schenk het u, en het zal er niet bij blijven. Denk dat Ulrica in de kamer is,” +voegde de Baron er zachtjes bij. + +</p> +<p>“Palm maar in, Jonker!” zeide Bouke: “met ijle handen is ’t kwaad haviken lokken: en ’t is zwaar kammen waar geen haar is. +De ruimte schaadt nooit, al is ’t maar in geld.” +<a id="d0e4812"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4812">140</a>]</span></p> +<p>“Ik zou het veel liever eerst verdiend hebben,” antwoordde Joan, de beurs langzaam opstekende. + +</p> +<p>In dit oogenblik werd de Predikant, die door Reede ontboden was, aangediend: hij trad binnen met een gelaat, dat zoo treurig +en strak stond, als had hij de mis in zijn kerk hooren lezen: hij boog, zonder een trek van zijn aangezicht te verroeren, +voor den Baron, knikte even stemmig Joan en de Freule toe en zette zich onder het loozen van diepe zuchten in den stoel neder, +welken Bouke hem bijschoof. + +</p> +<p>“Ik heb u laten ontbieden, Dominee!” zeide de Baron, “om u een tijding mede te deelen, die uw belangstelling wekken zal. Het +besluit is genomen! de kogel is door de kerk.” + +</p> +<p>“Is het waarlijk zooverre gekomen?” vroeg Raesfelt, angstig rondziende: vervolgens trok hij de voeten onder den stoel bijeen, +legde de platte handen op de ver van één verwijderde knieën en keek strak voor zich, het hoofd langzaam schuddende. + +</p> +<p>“Ja ’t is er door!” hervatte de Baron: “’t zal zeker in den beginne oorzaak tot vele droefenis geven; doch beter een mannelijk +besluit dan in ’t geheel geen.” + +</p> +<p>“Jawel zal het droefenis geven,” antwoordde Raesfelt, zonder van houding te veranderen: “droefenis bij allen, die voor de +waarheid streden<span id="d0e4825" class="corr" title="Bron: ,">.</span> Ik had het al gevreesd: sinds onze brave Prins (God zegene Zijn Hoogheid) aan die listige hofslang, dien Uittenbogaert, zijn +vertrouwen ontzeide, heeft al wat der goede zaak vijandig is, zich tot Sint-Jan<a id="d0e4828src" href="#d0e4828" class="noteref">1</a> gewend, en van dien tijd af is hun invloed al hooger en hooger gestegen: vooral nadat hun vice-patroon, Huig de Groot, Sint-Jans +handlanger, zich aan het hoofd der Rotterdamsche inquisitie gesteld heeft.” + +</p> +<p>“Maar voor Sint-Felten, Dominee!” barstte Reede uit, nadat hij een geruimen tijd den Predikant en al de aanwezigen met verbazing +had aangekeken, en eindelijk in een schaterend gelach was uitgebarsten: “wat brust ons Sint-Jan of de Inquisitie? waar dolen +uw zinnen, man? Is het weer de eigenste malerij van eergisteren, die u in den bol zit? En begrijpt gij niet, waarom ik u heb +doen roepen?” + +</p> +<p>“Ik dacht,” zeide Raesfelt eenigszins verlegen, “dat UEd. mij verhalen wilde, dat er reeds antwoord van de Staten van Holland +gekomen is op het laatste vertoog Hugonis Grotii, hetwelk al de vorige in onbeschaamdheid en listigheid voorbijstreeft, ja +zelfs nog erger is dan het boekske, hetwelk hij getiteld heeft: “de godsdienstigheid der Staten van Holland en West-Friesland,” +en ’t welk gericht is tegen mijn vriend en medearbeider in ’s Heeren wijngaard, den door en door geleerden Sibrandum Lubbertum, +<span class="letterspaced" lang="la">Franekero s. s. Theologiae antecessorem</span>, welke gemelde Sibrandus Lubbertus echter, in een voortreffelijk werkje, ten titel voerende....” + +</p> +<p>“Neen Dominee, honderdmaal neen! Denkt gij dat wij u zouden laten roepen, om u kerknieuws te vertellen? Als ik dat weten wil, +kom ik het bij u hooren.” +<a id="d0e4840"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4840">141</a>]</span></p> +<p>“Elk moet zijn eigen beesten weiden,” merkte Bouke als in <span class="letterspaced">parenthesi</span> aan<span id="d0e4846" class="corr" title="Bron: ,">.</span> + +</p> +<p>“Juist,” hernam de Leeraar: “<span class="letterspaced" lang="la">navita de ventis, de tauris narrat orator</span>;<a id="d0e4854src" href="#d0e4854" class="noteref">2</a> doch ik luister aandachtig naar hetgeen ik van Ed. te vernemen heb.” + +</p> +<p>“Mij dunkt, dat dit nogal klaar is: wat was het onderwerp van ons laatste gesprek? waarover hebben wij dezen nacht gepeinsd +en nagedacht? wat is hier gaande?” + +</p> +<p>”’t Is waar ook,” zeide Raesfelt, zich langzaam opheffende en de beenen voor zich uitstekende; “doch dat werkje Lubberti heeft +mij alle wereldsche zaken doen vergeten, om alleen te denken aan het dierbaar belang onzer waarde en zwaar bedreigde Kerk; +welk belang ook wel hooger zijn moet dan al onze aardsche aangelegenheden, weshalve ik....” + +</p> +<p>“Gij raakt weder van ’t pad, Dominee! kort en goed, gij moet weten, dat ik zoo spoedig mogelijk naar Den Haag ga, om met mijn +vrienden te raadplegen, waar ik dezen knaap zal laten dienen.” + +</p> +<p>“Dienen! en zoo ik vragen mag, met welke wapenen? religieuze, politieke of militaire? + +</p> +<p>“Dat zal Dominee spoedig begrijpen,” viel Bouke in, “als Uw Weleer waarde weet, dat de Jonker onder mijn protectie heengaat: +want ik deug tot weinig anders als tot een krijgsmakker; ofschoon ik zorgen zal, dat de Jonker geen Arminiaansche begrippen.....”’ + +</p> +<p>“Arminiaansche begrippen zijn nog niet in andere landen doorgedrongen, Bouke!” zeide de Predikant; “doch men heeft er ketters +van allerlei aard; als daar zijn in Engeland de Bisschopsgezinden, in Hongarije de Brandradisten, in Polen de Gentilisten, +in <span id="d0e4869" class="corr" title="Bron: Italie">Italië</span>, Spanje en Frankrijk de Papisten, en verder overal verspreid de Socinianen, Pelagianen, Arianen, Macedonianen....” + +</p> +<p>Hier viel Reede den Predikant in de rede en verzocht hem, eindelijk eens te willen luisteren naar ’t geen hij hem te vertellen +had: de Predikant verleende nu ten minste een schijnbare aandacht aan zijn redenen, en de Baron droeg zijn voornemens ongestoord +voor; doch toen de Baron zijn reisplan naar Den Haag wederom vermeldde, gaf de Predikant, die nu geheel bij de zaak was, hem +zijn verlangen te kennen, om mede van den tocht te zijn. Hij had onder de Haagsche Predikanten verscheidene kennissen, die +hij gaarne eens zien zou: hij wenschte met een boekverkooper te spreken, over de uitgave van zijn boekske over Psalm CXLIV. +en ten derde verlangde hij de gelegenheid waar te nemen om naar Leiden te gaan en aldaar te zien, hoe het met zijn zoons geschapen +stond. + +</p> +<p>Dit verzoek werd door den Baron gretig toegestaan, en onder een vroolijk onderhoud over het aanstaand reistochtje liep het +middagmaal, waar de Predikant bleef aanzitten, ten einde. + + +<a id="d0e4876"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4876">142</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4828" href="#d0e4828src" class="noteref">1</a></span> Oldenbarneveldt. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4854" href="#d0e4854src" class="noteref">2</a></span> De zeeman vertelt van de stormen, de bouwman van de stieren. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e4877" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Vijftiende Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph" lang="fr"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Il dit fort posément ce dont on n’a que faire +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Et court le grand galop quand il est à son fait.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Racine</span>, Les plaideurs. +</p> +</div> +<p>De reis naar Den Haag liep ten genoegen van de belanghebbende partijen af. De Baron verkreeg door middel van zijn vrienden, +brieven van aanbeveling voor den beroemden Krijgsoverste Bethlem Gabor, den bevrijder van Transilvanië, wiens heldhaftige +daden de aandacht van Europa trokken en onderscheidene jongelingen van edelen huize uit de Protestantsche landen uitlokten +om onder zulk een wakker Overste de oorlogskunst te leeren.—Raesfelt had het geluk, op den eersten Zondagmorgen na zijn komst +in Den Haag, een beurt in de Groote Kerk te mogen waarnemen, welke hem zijn geleerde vriend Ds. Lamotius had afgestaan: en +bij die gelegenheid genoot de Leeraar van Sonheuvel de zonderlinge eer, Prins Maurits zelf onder zijn toehoorders te tellen. +Van Den Haag keerde de Predikant over Leiden terug, bevond dat zijn zoon Hendrik een onverbeterlijke, verstokte Arminiaan +geworden was, nam hem van de Hoogeschool af en bezorgde hem bij een koopman in edelgesteenten te Amsterdam, ten einde aldaar +de negotie te leeren. + +</p> +<p>Zoodra de winter geweken was en de eerste lentedagen het reizen, vooral naar een warmer luchtstreek, niet meer tot een lastige +of moeilijke, maar veeleer tot een aangename zaak gemaakt hadden, vertrokken onze twee krijgsmakkers. Het afscheid was aandoenlijk, +gelijk de lezer beseffen zal, aan wiens verbeeldingskracht wij overlaten, zich voor te stellen, hoe de Baron en Joan zich +vruchteloos poogden goed te houden, hoe Ulrica in tranen wegsmolt en duizend kussen aan haar broeder medegaf, hoe Raesfelt +en Geertrui een schat van zedenlessen aan den jongen knaap schonken, hoe Bouke zich maar op een afstand hield en nu en dan +met den handschoen een traan uit de oogen wipte, al mompelend in zich zelven: men scheurt geen oud papier en geen oude vrienden +vanéén zonder geluid te geven. + +</p> +<p>De tocht der wapenbroeders was voorspoedig; de onderscheidene brieven, welke Joan, zoo regelmatig als mogelijk was, aan zijn +achtergebleven vrienden schreef, en waarvan wij er tot ons leedwezen geen hebben kunnen terugvinden, getuigden van zijn voortdurende +gezondheid, van zijn smaak in ’t leven dat hij leidde, van zijn tevredenheid over zijn overste en over zijn waarden krijgsmakker, +van zijn gehechtheid vooral en gestadig denken aan de opgezetenen van Sonheuvel. Dezen, van hunnen kant, gevoelden diep het +verlies van twee leden van het huisgezin, die zooveel tot het genot der samenleving medegewerkt hadden. Ulrica was in ’t eerst +als troosteloos: haar smart werd door den tijd en het ontvangen van goede berichten wel eenigszins gelenigd; doch met het +vorderen der <a id="d0e4896"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4896">143</a>]</span>jaren groeide ook het besef van het eenige, het ledige van haar toestand. + +</p> +<p>De Baron verveelde zich doodelijk en wist met de lange dagen hoegenaamd geen weg meer, sedert hij van het gezelschap, waaraan +hij zoo gewoon was geworden, verstoken was. Te voren, als de stem van Bouke hem uit den slaap gewekt had, vond hij zijn kleederen, +netjes naar zijn zin opgeschuierd, op den armstoel naast zijn bed liggen; tegenwoordig moest hij drie a vier keeren fluiten, +eer hem zijn ochtendgewaad was bovengebracht. Bouke wist altijd welken morgenwijn Mijnheer bij het ontbijt nam: zijn nieuwe +dienaar bracht hem altijd van het verkeerde merk. Met Bouke praatte hij onder ’t aankleeden en ontbijten over vroegere heldenfeiten: +zijn tegenwoordige dienaar wist op zijn best een paar bekkesnijdershistorietjes.—Ging hij te voren wandelen, bezocht hij zijn +diergaarde, wilde hij visschen of jagen, altijd vond hij alles naar behooren: de beesten gevoederd, de netten gemaasd, de +jachtsprieten gladgewreven:—thans moest hij een paar dagen vooraf bepalen waar hij trek in zou hebben, anders waren de valken +onklaar, de netten gescheurd, de wapenen verroest. Bouke en Joan wisten overal waar het wild lag, op welk veld de meeste hoenders +gespeurd waren, tegen welke boomen het hert zijn hoornen gewet had; zijn nieuwe jachtgezellen waren der streek onkundig. Aan +tafel strekten voorheen de vroolijke scherts en vernuftige invallen van Joan tot een saus bij het maal: thans was ook de geestige +kout en het meer en meer belangrijk onderhoud van Ulrica niet in staat den Baron uit zijn gemelijke, verdrietige luim te krijgen. + +</p> +<p>Het gevolg van dit alles was, dat Reede, om hetgeen hij verloren had te vergoeden, nieuw gezelschap zocht en met verscheidene +naburen, meest onbesuisde drinkers en jagers, die hij te voren nauwelijks zou hebben willen aanzien, en althans niet op zijn +slot verzocht, betrekkingen aanknoopte. Van toen werd het kasteel van Sonheuvel, waar tot dien tijd altijd geschiktheid en +orde hadden plaats gevonden, niet zelden een tooneel van woeste brasserijen, die meermalen tot laat in den nacht werden voortgezet, +zoodat Reede veel van de hooge achting verloor, die hij tot dien tijd bij alle fatsoenlijke en beschaafde lieden genoten had. +Dit was echter jammer, want, ofschoon hij nu en dan de waarheid ondervond van de spreuk, dat kwaad gezelschap dolen doet, +en zich wel eens te verre aan drank te buiten ging, zoo bleef hij echter zijn maatschappelijken zoowel als zijn vaderplicht +indachtig, en behield hij oordeel genoeg om de verstrooiingen, die hij zich verschafte, verre beneden de onschuldiger genietingen +van vroeger tijden te stellen. Hij luisterde zelfs bereidwillig naar de vermaningen, die de Predikant Raesfelt zich somtijds +verplicht vond hem in gemoede te maken, en antwoordde dan maar meteen: “Ja Dominee! maar ik kan mijn leven toch niet moêrziel +alleen doorbrengen. Als Bouke en Joan maar weerom zijn, dan zal alles wel weer te recht komen.” Wanneer echter de oude Geert +somtijds haar klaagliederen aanhief, en vroeg wat Mevrouw zaliger wel gezegd zou hebben van het leven, dat nu op het slot +gevoerd <a id="d0e4902"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4902">144</a>]</span>werd, maakte hij zich driftig, en dreigde haar, dat hij, zoo zij zich niet van aanmerkingen onthield, wel eens een andere +huishoudster zou kunnen nemen, die wat minder praats had. + +</p> +<p>Intusschen zag hij duidelijk in, dat de levenswijze, welke Ulrica thans leidde, weinig geschikt was om een aankomend meisje +die genoegens te verschaffen, welke haar leeftijd voegen, noch die kundigheden, welke eener fatsoenlijke jonkvrouw betamen. +Hij zelf bedankte er voor, om nog op zijn leeftijd zich in de hofplaats te gaan nederzetten en aldaar zeden en gewoonten aan +te nemen, die hij lang verleerd was. Hij zag dus om naar een gelegenheid om haar in staat te stellen meer overeenkomstig haar +stand en jaren te leven; en hierover begreep hij niemand beter te kunnen raadplegen dan Mevrouw de Douairière L. G. van Nassau, +aan welke hij zich bij zijn reize naar Den Haag weder had doen voorstellen (en bij die gelegenheid zijdelings naar Ludwig, +haar page gevraagd, doch vernomen had, dat deze met een gezantschap als klerk of schrijver naar Engeland was vertrokken). +De Gravin bood hem haar diensten aan en verzocht Ulrica voorloopig eenigen tijd bij zich te hebben. Gaarne voldeed de Baron +aan dit verlangen, en nu verliet het lieve meisje voor de eerste reize, en niet zonder hartkloppingen en angsten, het stille, +eenvoudige land voor de deftige, woelige, schitterende hofplaats. Spoedig echter ontving Reede bericht van de Douairière, +dat het weinig moeite zou kosten, om aan Ulrica de laatste hand te leggen en haar tot eene in allen deele volmaakte jonkvrouw +te maken, daar de natuur haar niet alleen wat vernuft, karakter en schoonheid betrof, moederlijk bedeeld had, maar haar bovendien +een zeker iets geschonken had, hetwelk anderen niet dan na jaren oefening verkrijgen kunnen; een zeker aangeboren gevoel, +dat op zijn pas zwijgen en spreken doet, dat over alle daden en gezegden een fijn waas van bevalligheid, van smaak, van welvoeglijkheid +weet te verspreiden, dat de houding gemakkelijk en los zonder wildheid, zedig en bescheiden zonder stijfheid maakt: een zeker +iets, een <span class="letterspaced">ick en weet niet wat</span>, hetgeen behaaglijk en beminnelijk maakt en het eenige is dat ook nu nog, in onze eeuw van gelijkheid, een kennelijk en onoverkomelijk +onderscheid maakt tusschen de wel<span class="letterspaced">geboren</span> en wel<span class="letterspaced">opgevoede</span> vrouw. + +</p> +<p>In denzelfden brief meldde de Gravin aan den Heer van Sonheuvel, dat zijn dochter reeds de keuze had, tusschen verscheidene +partijen, die zich opdeden, door haar schoonheid, door haar verstand of door haar middelen uitgelokt. Geen echter dier minnaars +had zich nog durven verklaren, zoodat de Baron aan Ulrica bij voorraad alleen voorzichtigheid behoefde aan te bevelen, schoon +zij (de Gravin) overtuigd was, dat het daaraan bij het jonge meisje niet zou mangelen. Onder de <span class="letterspaced">pretendenten</span> noemde Mevrouw van Nassau voornamelijk den Heer Mom, Ambtman van ’t land tusschen Maas en Waal, een welgezeten, bemiddeld +ridder, van middelbare jaren en in groot aanzien ten hove staande. + +</p> +<p>Kort na de ontvangst van dezen brief, die den goeden Baron in allerlei verlegenheden stortte, kwam er een onzer oude bekenden +<a id="d0e4922"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4922">145</a>]</span>op ’t onverwachts op Sonheuvel aan. Deze was niemand anders dan de strooper en kippendief Teun Wezer; <span class="letterspaced" lang="la">sed quantum mutatus ab illo</span><a id="d0e4926src" href="#d0e4926" class="noteref">1</a>. Het voorheen nederhangend haar was sierlijk opgekruld en met een vederhoed bedekt: de boerenpij was tegen een fraai groen +lakensch buis verwisseld, vol koorden en lussen: hij droeg een degen op zijde, had halve laarsjes aan, en reed op een fraai +paard, dat kostelijk was opgetoomd. Alleen het fonkelend oog van Klaartje, Boukes nicht, herkende haar voormaligen vrijer: +en het nieuwe gewaad, waarin zij hem weder zag, strekte niet weinig om haar achting voor zijn persoon te vermeerderen: ja +zij werd grootsch op haar eigen doorzicht: want reeds lang geleden, toen iedereen zeide, dat Teun Wezer voor de galg opgroeide, +had zij alleen staande gehouden, dat men hem onrecht aandeed en dat hij in tegendeel zeer wel zou voortkomen. + +</p> +<p>Hij werd dan nu ook niet weggejaagd, maar zeer vriendelijk ontvangen, vooral toen men zijn boodschap vernam. Hij kwam dan +van den Ambtman Mom (in wiens dienst hij getreden was ten gevolge van, of na de boodschap, die Ludwig hem aan dezen had gegeven) +en verzocht voor zijn Heer de eer van een bijzonder onderhoud met den heer Baron. + +</p> +<p>De Baron haastte zich hiertoe zijn bereidwilligheid te kennen te geven, en weldra verscheen de Ambtman bij hem en vroeg hem +zonder veel omwegen om de hand van zijn dochter. Zijn gesprek, zijn toon, zijn ronde en te gelijk hoffelijke manieren behaagden +den Heer van Sonheuvel evenzeer als het voorstel dat hij deed, hetwelk ook vele schoone zijden had, en zoover men gissen of +nagaan kon, niet ééne slechte. Hij ontweek echter, vooralsnog het geven van een stellig antwoord, zeide dat zijn dochter nog +te jong was om aan een huwelijk te denken, dat hij zelf niets tegen den Ambtman had, maar zich integendeel door diens aanbod +vereerd vond, doch dat hij haar in geen geval buiten haar volkomene toestemming zou uittrouwen. + +</p> +<p>De Ambtman nam genoegen in dit antwoord: althans hij betuigde er geen gunstiger te hebben kunnen verwachten; en dit was inderdaad +waar. Hij vertrok, verlof vragende om spoedig terug te komen, hetwelk hem beleefdelijk werd toegestaan. Hiervan kwam echter +vooreerst niets, omdat hij wegens politieke aangelegenheden genoodzaakt werd een geruimen tijd in Oost-Friesland door te brengen. + +</p> +<p>Intusschen was de beminnelijke Ulrica bij haar vader teruggekomen; beiden hadden reeds een geruimen tijd sterk naar elkander +verlangd en waren recht verheugd en gelukkig van zich weder te zamen te vinden. Hun blijdschap was niet weinig vermeerderd, +toen eerlang onze beide reizigers van hunne lange tochten in ’t vaderland terugkwamen. Was het afscheid aandoenlijk geweest, +het wederzien was hartelijk en roerend, echter minder <a id="d0e4937"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4937">146</a>]</span>dan men, uit hetgeen tot nog toe van de hoofdpersonen dezer geschiedenis verhaald is, zou kunnen opmaken. Er waren jaren verloopen. +Joan en Ulrica waren geen kinderen meer: de betrekking, die tusschen hen bestaan had, en die nu ook Ulrica wist dat op een +valschen grond gesteund had, was verbroken. Ook de Baron, en dit bemerkte zijn pleegzoon al spoedig, was dezelfde niet meer: +hij was nog altijd hartelijk, welmeenend en goed; doch hij had een zekere ongedurigheid, een zekere kregelheid aangenomen, +die hem te voren minder eigen was. Hij scheen thans een al te groote gemeenzaamheid tusschen de beide jonge lieden te schromen: +hij bracht Joan veel op groote partijen, gaf zelf feest op feest en liet Ulrica zoomin mogelijk met haar gewezen broeder alléén. +“Bouke!” zeide de jongeling meermalen tegen zijn wapenbroeder: “de oude Heer is niet meer wat hij geweest is. Gij moet hem +vooral niet weer verlaten: er zal kunst noodig zijn om hem weer tot de oude bedaardheid en gemakkelijkheid terug te brengen.” + +</p> +<p>Bouke was ook niet erg tevreden: eensdeels omdat hij zijn Heer zoo veranderd zag sinds hij hem niet meer onder handen gehad +had: anderdeels omdat hij zich verveelde, daar de meeste bedieningen, die hij te voren vervulde, op anderen waren overgegaan +en ten derde, omdat Teun Wezer, (die nu een post van den Ambtman gekregen had) zijn nicht Klaartje staande zijn afwezigheid +getrouwd had. Hij begreep echter, dat Joan gelijk had en, toen deze na verloop van eenigen tijd, weder naar het leger, dat +hij slechts als verlofganger verlaten had, terugkeerde, bleef Bouke zijn ouden Heer gezelschap houden. + +</p> +<p>Wellicht zal de lezer zich te dezer plaatse verwonderen, dat ik, die in de laatste hoofdstukken met een langzamen tred ben +voortgegaan, en schijnbaar min belangrijke gebeurtenissen tot in de kleinste bijzonderheden toe verhaald heb, over voorvallen +van meer aangelegenheden, als b. v. de vrijage van den Heer Mom en de terugkomst van Joan, zoo los heenloop: ja vreeze ik +dat men de woorden, die ik als motto voor dit hoofdstuk gebruikt heb, op mij zal toepassen, en mij teffens de reden van mijn +vreemd gedrag te dezen opzichte vragen. Ik zal antwoorden, dat het, in ’t algemeen, niet van een schrijver afhangt lang of +kort te zijn naar behooren: dat een schijnbaar min geschikt onderwerp hem een wijdloopige behandeling noodzakelijk maken zal: +terwijl hij zich buiten staat zal bevinden, de gewichtigste zaken en de belangrijkste stoffe met gepaste woorden uiteen te +zetten en in de noodige orde te verhalen:—terwijl ik tevens zal aanmerken, dat hetgeen ik hier heb overgeslagen, alleen is +geschied om niet genoodzaakt te worden van tweemalen hetzelfde te zeggen, vermits het in het vervolg dezer geschiedenis te +zijner gelegenheid, nader opgehaald zal worden. Wij zullen dus de jaren, die er verliepen tot aan den tijd, waarop wij den +draad van het verhaal weder opvatten, om dien onafgebroken tot aan het slot vast te houden, zonder verdere beschouwing overslaan, +alleen verzoekende, dat de lezer, tot beter verstand van <a id="d0e4943"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4943">147</a>]</span>het vervolg, met ons een oog gelieve te slaan op den staat der Nederlanden, tegen het einde van het twaalfjarig Bestand. + +</p> +<p>Prins Maurits had, sedert dat de zege der zich rechtzinnig noemende Kerk op de Remonstranten beslist was, het zenith zijner +macht en grootheid bereikt. Zijn diepe ervarenis, zijn onverzettelijke vastheid, zijn nooit verkloekt beleid en zijn onvergelijkbare +kunde als legerhoofd, hadden hem voorlang de schrik zijner vijanden, de roem der zijnen, het wonder van Europa en de spiegel +aller krijgslieden doen worden. Misschien had men hem als staatsman niet minder groot geacht, ware niet Willem de Eerste zijn +vader geweest. Dan ondanks de vergelijking, die men zich somtijds gedrongen gevoelde ten voordeele des laatsten te maken, +gaf de invloed, welken de aanwassende rijkdom en macht der Vereenigde Gewesten op den politieken toestand van Europa verkregen, +aan Maurits eene ruime gelegenheid om te toonen, hoe hoog een rang hij ook ten dezen opzichte bekleedde. En, was tot voor +weinige jaren het pad, dat zijn staatkunde hem voorschreef, oneffen gemaakt door de hinderpalen, die hem de bekwame, doch +onbuigzame Oldenbarneveldt had in den weg gelegd, de val van dezen en zijn aanhang had den Stadhouder in zijn bestiering over +de Zeven Gewesten een bijna onbepaald gezag gelaten. Het behoort niet tot onze taak, over de maatregelen, door hem gebezigd +tot bereiking van dat gezag, eenig oordeel te vellen. Wij moeten echter aanmerken, en het zal uit het vervolg dezer geschiedenis +blijken, dat de triomfeerende Contra-Remonstranten de terging en onderdrukking, welke zij te voren ondervonden hadden, op +een geduchte en zeker weinig Christelijke wijze aan hun tegenpartij betaald zetteden. Door het geheele grondgebied der Nederlanden +was al, wat maar Remonstrantsch scheen, aan de hardste en grievendste behandelingen onderworpen. De hoofden der onderliggende +partij waren gebannen, gevangengezet of in zware boeten beslagen: de kerkedienaren afgezet en tot armoede gebracht, de leeken +uit alle posten en bedieningen gestooten. + +</p> +<p>Niet vreemd was het dus, dat velen hunner, door deze vervolging verbitterd en in hun begrippen versterkt, zich tegen de in +hun oog onrechtmatige overheden niet zelden poogden te verzetten, en alle, ook de minst geoorloofde middelen bij de hand namen +om hun verdrukte, doch talrijke medebroeders aan te zetten tot afschudding van het juk der synodale dwingelandij; ja zelfs +het goud van Spanje en Frankrijk en de hulp der Roomschgezinden tot schraging hunner oogmerken verzochten. + +</p> +<p>Het bestand met Spanje stond ondertusschen te eindigen, en, hoe wel die Mogendheid de hoop had verloren, om de Nederlanden +te runnen aanvallen op een tijdstip, dat de beide partijen nog even machtig en ongeneigd tot vereeniging waren, bleef zij +echter het vuur van tweedracht en muiterij aanstoken en liet zij niet na, al wat bedektelijk Remonstrantschgezind bleef, door +beloften en geschenken uit te lokken om zich tegen des Prinsen bestier te verzetten. Gelukkig echter voor Nederland en tot +eer der natie waren er slechts weinigen, zelfs onder de verdrukte partij, die aan de uitlokselen <a id="d0e4951"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4951">148</a>]</span>gehoor verleenden en den naam van landverraders verdienden. + +</p> +<p>Wij laten na deze korte beschouwing aan den lezer over te beslissen, tot welke klasse de beide nieuwe sprekers behoorden, +welke wij met den aanvang van het volgende hoofdstuk ten tooneele voeren. + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4926" href="#d0e4926src" class="noteref">1</a></span> Doch hoezeer veranderd van hetgeen hij geweest was. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e4955" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Zestiende Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="
 poem
 " lang="nl-1600"> +<p class="line" style=""><span>Der papen kist is leegh. +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Sijn krijgs-volck blijft verswackt: sijn wissel achterweegh.</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 " lang="nl-1600"> +<p class="line" style=""><span>Terwijl was Spinola om gelt belaân te hoof: +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Hy leende hier op borgh en daar op goet geloof.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Vondel</span>. +</p> +</div> +<p>Buiten het bevallig gelegen Tiel strekt zich, langs den oever van de sombere Waal, een vroolijk bosschage uit, dat onderscheidene, +alle zeer schilderachtige uitzichten oplevert. Het genieten der aangename natuur scheen echter de drijfveer niet te wezen, +welke de twee personen, die het bezochten op den fraaien Meiavond, waarmede wij onze geschiedenis hervatten, derwaarts gelokt +had. Noch de lentezang van het kwinkeleerend gevogelte, noch het bekoorlijk schouwspel der lieflijk bloeiende boomgaarden, +noch zelfs de majestueuze vloed, die zijn wateren voortrolde aan den voet van den zwaren dijk, waarover het boschje zich uitstrekte, +schenen hun aandacht bezig te houden. Van de bank, op welke zij onder het lommer eener zware linde gezeten waren, staroogden +zij onophoudelijk op een veerschuit, die tegen wind en stroom van de overzijde langzaam aan kwam stevenen. + +</p> +<p>“Ik weet niet,” zeide de een, “of het door de spiegeling der zon in ’t water komt of door den verren afstand, of dat mijn +oogen er schuld aan hebben; maar ik kan nog niemand van de opvarenden herkennen.” + +</p> +<p>Die deze woorden sprak was een man van middelbare jaren, gezet van gelaat en lichaam, hoog van rug en met grijsachtig haar +en baard. Hij droeg een nieuw zijden manteltje over een jachtgewaad, waarvan de oorspronkelijk groene kleur verschoten en +de eens gouden passementen zwart geworden waren. Zijn metgezel was kleiner doch netter van postuur en eenvoudig, doch sierlijk +in ’t zwart gekleed. Zijn geestige oogopslag, de bevallige en wakkere levendigheid zijner bewegingen, en de zorg, waarmede +haar en baard gekamd en gebalsemd waren, gaven hem een nog jeugdig voorkomen; doch eenige rimpels, die zich aan de slapen +van het hoofd vertoonden, deden bij den opmerkzamen beschouwer het vermoeden ontstaan, dat de Ambtman van ’t Land tusschen +Maas en Waal (deze was het) zijn eerste jeugd had zien voorbijgaan. +<a id="d0e4979"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4979">149</a>]</span></p> +<p>“Het is zeker onaangenaam,” zeide hij, “te moeten wachten, wanneer men zooals wij, in pijnlijke onzekerheid den tijd doorbrengt.” + +</p> +<p>“Kom! kom!” hernam degene die eerst gesproken had: “zoo gij den moed laat zakken, weet ik niet wat UEd. dienstwillige dienaar +wel doen zal; want ik ben er toch in allen gevalle de ergste aan toe.” + +</p> +<p>“Den moed zult gij althans nimmer verliezen, mijn waarde Botbergen!” zeide Mom. + +</p> +<p>“Neen,” hervatte deze, “maar wat helpt deze, wanneer....” + +</p> +<p>“Zoo meen ik het niet,” viel hem de Ambtman in de rede:—“men kan niet verliezen wat men nooit gehad heeft.” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced">Was zum henker</span>!” riep Botbergen uit, de hand aan het gevest van den degen slaande, “indien een ander dan Jakobus Mom mij zulk een beleediging +zeide.” + +</p> +<p>“Maar gelukkig voor u is het Jakobus Mom en geen ander,” zeide deze: “nu, kijk mij maar zoo grimmig niet aan; gij weet immers, +dat uw fratsen bij mij geen opgeld doen. Zeg mij liever eens, waarom gij begrijpt er erger aan toe te zijn dan ik.” + +</p> +<p>“Ei hoe dom, dat gij dat niet beseft. Jakobus Mom, over Maas en Waal machtig en gezien, en die op trouwen staat met het schoonste +en rijkste meisje van den omtrek: die, zoo de aanslag lukt, misschien Stadhouder van de geheele Provincie wordt, en zoo die +mislukt, zich wel zal weten te dekken, zou die een ongerustheid kunnen voeden, gelijk aan die van Elbert van Botbergen, die +zich in geval van een goeden uitslag, met een schraal ambtje, misschien wel met een “God loone u” zal zien betalen, en zoo +de boel in de war loopt, een kop korter gemaakt wordt.” + +</p> +<p>“Dwaas!” zeide Mom: “juist daarom zou uw lot gunstiger staan dan het mijne, omdat gij niets te verliezen hebt, terwijl ik +veel op het spel zet;—echter is het met mijn huwelijk nog lang zoo zeker niet; mijn krediet is sedert eenigen tijd aanmerkelijk +gedaald, en zoo er heden geen geld van Grobbendonck komt, laat ik den aanslag varen;.... doch zie eens toe, Elbert! heeft +Teun Wezer niet twee vreemde passagiers aan boord?” + +</p> +<p>“Gij hebt scherper gezicht dan ik,” antwoordde Botbergen: “mijn oog is niet genoeg geoefend om op zulk een afstand inlanders +van vreemden te onderkennen.” + +</p> +<p>”’t Is waar, ik herinner mij gehoord te hebben, dat gij in den krijg nooit een vijand zijt aangevallen, uit vrees van door +misverstand een vriend te deren.” + +</p> +<p>“Gij schijnt er heden smaak in te vinden om mij zotheden te zeggen,” antwoordde Botbergen, de borst opzettende: “doch ik denk +er niet op te antwoorden.” + +</p> +<p>“Niet? Gij waart anders altijd beroemd wegens uw vlugge antwoorden.... met den mond namelijk.... Doch nu herken ik dien éénen +passagier: het is Gerard Preys, en die andere is Leendert Leendertz: maar wie is die derde, die naast den veerman zit?” + +</p> +<p>“Ja!” zeide Botbergen: “hoe wil men een vent herkennen, die een hoed met breede randen draagt en in een mantel gebakerd zit? +Kijk, daar staat hij op. Wie duivel mag die lange spergie wezen. Hij lijkt wel den koning uit het kegelspel. +<a id="d0e5011"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5011">150</a>]</span></p> +<p>“Wij zullen nu ten minste vernemen hoe de vork in den steel zit,” zeide Mom, oprijzende. “Doch laten wij stadwaarts gaan en +de aankomenden verbeiden. Ik weet waarlijk niet, welke tijding ik liever had, dat zij mij aanbrachten.” + +</p> +<p>“Foei!” zeide Botbergen: “zult ge achteruitkrabben, nu wij zooverre gevorderd zijn? Doch ik gis de reden al: gij zult uw jonge +vrouw geen droefheid willen veroorzaken, door den vijand uit te noodigen om uw wittebroodsdagen te helpen vieren.” + +</p> +<p>“Dat ware het minste,” antwoordde Mom: “doch mijn huwelijk moet voltrokken zijn, eer de vijandelijkheden beginnen; anders +komt er, gelijk vanzelf spreekt, niets van.” + +</p> +<p>“Dan zult ge u zeker moeten haasten.” + +</p> +<p>“Ja! en het ergste is, dat de Freule, gelijk ik uit alles bespeur, een tegenzin in mij heeft opgevat, waarvan ik de oorzaak +niet weet, doch daarin meen te vinden, dat een zekere knaap, een frissche jongen, die met haar is opgevoed, waarschijnlijk +het hartje van dat bloemzoete maagdeke met zich genomen heeft naar de Palts, waar hij zich, geloof ik, thans bevindt.” + +</p> +<p>“Zoo! en hoelang is het wel geleden, dat zij den knaap gezien heeft?” + +</p> +<p>“Dat zal nu ongeveer twee jaren zijn” antwoordde Mom: “hij is, meen ik, in 19 van hier vertrokken.” + +</p> +<p>“Zoo! dan vat ik de kneep! en ik geloof inderdaad, dat een vergelijking tusschen een frisschen speelmakker en een deftigen +heer als de Ambtman Mom, nooit gunstig uit kan vallen voor den laatste. Doch misschien is het meisje wel van haar liefde te +genezen! vooreerst, wij hebben de afwezigheid van den minnaar in ons voordeel, en dat zegt veel: en, dan in de tweede plaats.... +hoe heet die knaap? ik zal hem waarschijnlijk wel kennen; want ik heb een blauwen Maandag onder dien Spotkoning Frederik gestreden.” + +</p> +<p>“De wapens gevoerd, meent gij; want gestreden, dat kan ik van u niet gelooven.—Des jongelings ware naam is mij nog onbekend; +want zoo ik wel onderricht ben, is hij van Spaansche afkomst. Doch de Heer van Sonheuvel heeft hem onder den naam van Joan +van Craeihorst laten inschrijven op de krijgsrollen, en ik geloof dat zijn oogmerk is, hem dat landgoed, ’t welk onder Sonheuvel +ligt, bij zijn afsterven te legateeren.” + +</p> +<p>“Joan van Craeihorst! o! dien heb ik zeer goed gekend, en waarlijk, dan besef ik uw vrees: want het is een jongen als een +kool.... wat opvliegend en driftig; ik heb eens een hevigen twist met hem gehad; want wij dienden onder één vaandel.” + +</p> +<p>“Zoo! dat zal dan misschien de reden geweest zijn, dat gij zoo spoedig het leger verlaten hebt om uw haardsteden weder op +te zoeken?” zeide Mom, spottende. + +</p> +<p>“Juist! ik had hem gewond, en zoo ik meende doodelijk: en om die reden ontvlood ik de straf, op het tweegevecht gesteld; doch +dat blijft onder ons.” + +</p> +<p>“Natuurlijk!” zeide Mom: “ik zou u zelfs raden het voor u te houden, eer men u in ’t aangezicht logenstrafte!.... doch dat +is <a id="d0e5038"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5038">151</a>]</span>om ’t even: gij hebt dus nog een oude veete tegen dien Jonker?” + +</p> +<p>“Ongetwijfeld,” antwoordde Botbergen: “en zoo ik hem kwaad kan doen, zal ik het niet nalaten.” + +</p> +<p>“Voortreffelijk! dus zoude het voorvalletje, betreffende uw krakeel, behendiglijk en op zijn plaats verhaald....” + +</p> +<p>“Dat was net wat ik in de tweede plaats wilde aanvoeren,” zeide Botbergen: “een beetje kwaadsprekendheid en de belasterde +wijd van hier.... daarmede komen wij ver, geloof dat vrij.” + +</p> +<p>Onder dit gesprek hadden zij het boschje verlaten en waren, binnen de stad, aan de deur eener burgerwoning gekomen, van welke +zij het woonhuis binnentraden. In den winkel bevond zich een bejaard man, met een klein knipbrilletje op de punt van den neus, +een grijze kalot op het hoofd, een stemmig gelaat en een bijbeltje naast hem. Deze man was een schrijnwerker, gelijk de meubelen, +die hem omringden, aanduidden. Hij was bezig met het afschaven van een kabinet, welke bezigheid hij verlichtte door met een +holle stem psalmen te zingen. Toen de beide heeren binnenkwamen, lichtte hij den bril af, zag hen even aan, zonder zijn werk +noch zijn gezang te staken, en wendde terstond weder zijn oogen op de nooteboom-houten plank, die hij voor zich had. + +</p> +<p>“Is de achterkamer ledig, Klaas Meinertz?”—was de vraag, welke hem de Ambtman deed. + +</p> +<p>De oude man knikte toestemmend, zonder op te zien. + +</p> +<p>“En heeft men u gewaarschuwd, dat ik eenige kennissen spreken moet? En weet ge het woord?” + +</p> +<p>De schrijnwerker beantwoordde deze vragen op dezelfde wijze, zonder zijn arbeid te staken. + +</p> +<p>“Zou men niet zeggen,” merkte Mom aan, zooras hij zich in het achterkamertje met Botbergen alleen bevond: “dat diezelfde Klaas +Meinertz de botste, eenvoudigste ezel ware, dien men ooit gezien had? En echter is er misschien niemand, die er zich beter +op verstaat een komplot aan den gang te houden. Het is nu zestien jaren dat hij de Spanjaards als spion dient, en altijd ongemoeid +en zonder ontdekt te worden.” + +</p> +<p>“Dat geloof ik wel,” zeide Botbergen: “daar de Ambtman van Maas en Waal in ’t geheim was, die hem ongestoord zijn weggetje +gaan liet. Doch men zal op dien Meinertz een wakend oog dienen te houden: hij dient de Spaansche zijde, ja; doch alleen voor +geld: en voor geld zou hij die even gereedelijk verraden.” + +</p> +<p>“Men moet op hem evengoed letten als op Teun Wezer, op Daen Duyfs, op Eyndhouts, ja—op u zelven, Elbert! Is niet die verbetering +uwer middelen het eenige doel, waarom gij den Staatschen afbreuk doen wilt?” + +</p> +<p>“UEd. wordt al te scherp,” zeide Botbergen: “indien, hetgeen gij zegt, waar is, mocht gij wat meer zorg dragen, iemand, die, +zooals ik, u om hals kan brengen, door dergelijke aanmerkingen niet te kwetsen.” + +</p> +<p>Mom gevoelde de kracht van dit argument, en ten einde zijn vorige uitvallen weder goed te maken, nam hij een vriendelijker +<a id="d0e5066"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5066">152</a>]</span>toon aan. “Nu, Elbert,” zeide hij: “maak u niet boos. Wij hebben elkaar niet veel te verwijten. Ik zelf, ik wil u gaarne bekennen, +dat ik, zoo er kans voor mij overbleef om mijn verwarde fortuin in den dienst mijns vaderlands weder goed te maken, geen Spanjaards +zou inroepen.” + +</p> +<p>Nauwelijks had hij deze woorden geëindigd, of de schrijnwerker trad binnen en gaf op zijn gewone geheimzinnige wijze te kennen, +dat er iemand aan de deur was, die Zijn Edelheid wenschte te spreken. + +</p> +<p>“Is hij van die wij verwachten?” vroeg Mom. + +</p> +<p>“Hij weet het wachtwoord,” antwoordde Meinertz, de schouders ophalende. + +</p> +<p>“Dan zal het Preys wezen of Leendertz. Laat maar binnenkomen.” + +</p> +<p>De grijsaard vertrok: doch scheen niet terug te komen. + +</p> +<p>“Wat dralen zij nu?” riep Mom, ongeduldig het vertrek op en neder gaande. “Elbert! ga eens zien waar zij blijven.”—Botbergen +opende de deur. + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="la">Pax vobiscum</span>!”<a id="d0e5085src" href="#d0e5085" class="noteref">1</a> zeide een lange zwarte gedaante, die juist binnentrad. + +</p> +<p>“Wie duivel?” riepen de beide edellieden, verbaasd terugtredende en de hand aan hun degens slaande. + +</p> +<p>“Eilaas! Sint-Jan is dood,” zeide de onbekende, zacht. + +</p> +<p>“Maar alle hoop nog niet ontvlood,” antwoordde Mom op denzelfden toon. “Dat is nu volkomen goed en wel; maar met wien spreken +wij?” + +</p> +<p>“Heb ik de eer den aanstaanden Stedehouder van Gelderland voor mij te zien?” vroeg de vreemdeling, met eene nederige buiging. + +</p> +<p>“Dat zal veel afhangen van de tijdingen, welke ik heden ontvang,” antwoordde de Ambtman: “kort en goed, wie zijt gij?” + +</p> +<p>“Zijne Hoogheid de Prins Kardinaal zendt mij tot UEdele, om over belangrijke onderwerpen met UEdele te spreken. Ik ben zijn +vertrouweling, zijn biechtheer.” + +</p> +<p>“Zijn Hoogheid doet ons veel eer aan,” hervatte Mom: “neem plaats, eerwaarde Pater, UEd. zal hoogstwaarschijnlijk vermoeid +wezen van de reis. Waarmede kan men u gerieven?—Meinertz!” + +</p> +<p>“Meinertz is uitgegaan,” zeide de biechtvader: “ik heb hem eenige boodschappen gegeven; doch hij zal zoo straks terugkomen. +Bekommer u inmiddels niet over mij. <span class="letterspaced" lang="la">Panis meus est ut faciam voluntatem eius qui me misit.</span>”<a id="d0e5107src" href="#d0e5107" class="noteref">2</a> + +</p> +<p>“Ja maar!” zeide Mom, zich eenigszins verwonderd tot Botbergen wendende: “als nu Preys en Leendertz komen....” + +</p> +<p>“Die zullen vooreerst niet komen,” hernam de geestelijke heer: “die heb ik ook van de hand gezonden; Mijnheer van Botbergen +zal wel zoo goed zijn, beneden in het voorhuis te gaan zorgen, dat niemand het gesprek kome storen, ’t welk ik met Zijne Edelheid +hebben moet.” +<a id="d0e5114"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5114">153</a>]</span></p> +<p>Verwonderd over den meesterachtigen toon, dien de vreemdeling zich aanmatigde, zagen Botbergen en de Ambtman elkander besluiteloos +aan. + +</p> +<p>“Mij dunkt,” zeide de laatste, na eenig stilzwijgen: “dat de Heer van Botbergen wel hier zou kunnen blijven. Voor hem heb +ik althans geen geheimen....” + +</p> +<p>“Maar ik wel,” zeide de onbekende, “ik vertrouw nooit iemand, dan dengene, wien ik door de omstandigheden genoodzaakt ben, +dat vertrouwen te moeten schenken; en, zoo ik de moeite neem, van Brussel te komen om den Heer Mom alleen te spreken, dan +kan deze, dunkt mij, de moeite op zich nemen van te zorgen, dat ons gesprek ongestoord blijve. Met dit al,” (voegde hij er +bij, daar Elbert nogal staan bleef) “ik kan den Heer van Botbergen beloven, dat zoo mijn onderhandeling met den Heer Mom naar +wensch uitvalt, wij den uitslag onzer beraadslagingen aan hem, zoowel als aan al de vrome dienaars zijner Katholieke Majesteit, +die zich hier bevinden, zoo spoedig mogelijk zullen bekend maken.” + +</p> +<p>“Nu ga dan, Botbergen!” zeide Mom, “en laat mij met den Eerwaarden Pater alleen.” + +</p> +<p>Botbergen gehoorzaamde. “Waar blijft nu,” dacht hij bij zich zelven: “onze arme Ambtman? Hij dacht eerst de beleider van ’t +gansche spel te wezen, en daar komt een Spaansche Monnik aanwaaien, die ons allen naar zijn pijpen zal laten dansen.” + +</p> +<p>“Zal ik,” zeide Mom, zoodra zijn handlanger het vertrek verlaten had: “thans de redenen vernemen, Pater! welke mij de eer +van uw bezoek verschaffen?” + +</p> +<p>“Mij dunkt,” antwoordde de Monnik: “dat die nogal licht te raden zijn. UEd. zond Preys en Leendertz aan Grobbendonck: deze, +geen volmacht hebbende om met hen te handelen, verwees hen tot den Aartshertog: en daar Zijne Hoogheid zich zeer ongesteld +gevoelde, werd ik gelast, uw zendelingen te onderhouden. Uit hetgeen ik van hen vernam, begreep ik, dat het voor de belangen +van de goede zaak, zoowel als voor de uwe, noodzakelijk was, dat ik zelf mij herwaarts begave: en daarom ziet gij mij hier, +gereed al uw bedenkingen of zwarigheden op te lossen.” + +</p> +<p>“Ik heb u slechts ééne vraag te doen,” zeide Mom, “brengt gij geld mede?” + +</p> +<p>“De kinderen der Heilige Kerk,” antwoordde de biechtvader, zijn armen deemoedig over de borst kruisende, “zijn niet gewoon, +zich met de schatten dezer wereld te beladen, gedachtig aan het voorschrift: “<span class="letterspaced" lang="la">nolite possidere aurum neque argentum neque pecuniam in zonis vestris</span>.”<a id="d0e5136src" href="#d0e5136" class="noteref">3</a> + +</p> +<p>“Dan behoef ik u niet langer aan te hooren,” zeide Mom, hem in drift den rug toekeerende. + +</p> +<p>“UEd. spot er mede,” hervatte de vreemdeling: “maar....” + +</p> +<p>“Vaarwel Pater! Goede reis naar Brussel! en mijn gebiedenis aan den Aartshertog,” zeide de Ambtman, willende heengaan. +<a id="d0e5145"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5145">154</a>]</span></p> +<p>“Sta! gij dwaas!” zeide de Pater, hem met een forsche vuist terughoudende: “gij zijt immers te ver gegaan om terug te krabben. +Welke andere keus is u gelaten, dan die tusschen het Stedehouderschap in Gelderland en een schavot in Den Haag?” + +</p> +<p>“Dreigt gij mij?” vroeg Mom, toornig: “keer tot hem, die u afzond, of ik laat u als een staatsvijand opknoopen, eer het jaar +een dag ouder is.” + +</p> +<p>“Gaat dat hier zoo vlug in zijn werk?” vroeg de Monnik, lachende: “dan beschaamt men waarlijk de vierschaar der Heilige Inquisitie. +Kom, kom, Heer Ambtman! tot zulke uitersten zal UEd. niet komen: er wordt immers maar één woord van mij vereischt, en gij +komt met mij op de gerichtsplaats: wel is waar, ik word opgehangen, en UEd. onthoofd: dat is niet meer dan billijk en een +privilege, dat u rechtmatig toekomt. En wat zal uw aanstaande bruid dan wel zeggen?” voegde hij er bij, hem met een doordringenden, +scherpen blik aanziende. + +</p> +<p>“Er zijn geen bewijzen voorhanden van mijn voornemens,” zeide Mom, zich wrevelig nederzettende. + +</p> +<p>“Niet?—En uw briefwisseling met Grobbendonck en Ludwig, welke gedurende zoovele jaren volgehouden werd en waarvan ik al de +materialen kan aanwijzen. En de bekentenissen, welke de vrome Klaas Meinertz en de eerlijke Teun Wezer en de achtenswaardige +Elbert van Botbergen en zooveel anderen meer, wanneer zulks door mij gerequireerd mocht worden, buiten pijn en banden zouden +afleggen? Telt gij die voor niets?—Al ware het alleen het onderhoud, dat gij op dit oogenblik met mij voert, en wel in een +plaats, waar gij zelfs de gevaren niet van kent. Uw lot is in mijn handen, edele Heer, en Pater Eugenio, van de Orde Jesu, +komt niet geheel uit Brussel herwaarts, om met de kous op ’t hoofd weder huiswaarts te keeren, of—’t geen nog erger zou wezen—om +de markt van Tiel uit de hoogte te bekijken.” + +</p> +<p>Deze woorden sprak de Jezuïet, wien mijn lezers reeds voorlang herkend zullen hebben, op een langzamen, vasten toon, van tijd +tot tijd ophoudende en den edelman met een snellen blik aanziende, om gade te slaan, welken indruk zijn redeneering op hem +teweegbracht. De Ambtman scheen door de meerdere zielskracht van den afgezondene geheel verplet; zonder antwoord te geven +bleef hij zitten en keek ontevreden voor zich. De Jezuïet nam plaats aan zijn zijde, greep op een vriendelijke wijze zijn +hand, welke Mom noch gaf noch terugtrok, en vervolgde in voege: + +</p> +<p>“Kom, edele Heer! wees goedsmoeds! ik zie u nog liever verstoord en opvliegend, gelijk zooeven, dan bedrukt en uit het veld +geslagen, zooals thans. Laten wij een dwazen twist—of hoe zal ik het noemen, ’t geen tusschen ons voorviel?—vergeten, en woorden +van gezonden zin tot elkander spreken. Zoude UEd., na zoolang voor Zijn Hoogloffelijke Katholieke Majesteit geijverd te hebben, +de goede zaak, zonder eenige billijke reden, op eenmaal verlaten?” + +</p> +<p>“Ik ben het niet, die haar verlaat,” antwoordde Mom: “het zijn de Aartshertog en Spinola, die mij laten zitten. Wat kan ik, +al wilde ik ook, zonder geld, ten dienste Zijner Majesteit uitrichten?” +<a id="d0e5162"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5162">155</a>]</span></p> +<p>“Het zal hier geld en ambten regenen,” zeide Eugenio, “als maar eerst de zaak haar beslag heeft.” + +</p> +<p>“Ja, als wij het eerst aan Spanje brengen, zal Spanje er ons naderhand mede beschenken,” zeide Mom, met bitterheid: “Is het +zoo niet? Ik weet den toestand, waarin gij verkeert: uw krijgskas is uitgeput, Spinola berooid en de geestelijke orden zijn, +zooals altijd, niet scheutig.” + +</p> +<p>“Daar is misschien wat van aan,” antwoordde de Jezuïet, altijd met dezelfde koelbloedigheid; “doch weet ge wat de voornaamste +reden is, waarom men u thans geen geld zendt?—Men vertrouwt u maar half.” + +</p> +<p>Mom schoof zijn stoel een eind achteruit en zag den Jezuïet met een oog van verbazing aan: “nu geloof ik, Pater!” zeide hij, +“dat gij voor de eerste maal in uw leven oprecht zijt.” + +</p> +<p>“Dat ben ik, want, gelijk de waardige Fonseca zeer juist aanmerkt: men moet altijd oprecht zijn wanneer men geen belang bij +een logen heeft.—Zooals ik zeide, Don Ambrosio Spinola en Don Louis de Velasco, twee ruwe en ronde krijgslieden, die van al +wat de staatkunde betreft hoegenaamd geen verstand hebben, mistrouwen u en denken, dat gij, omdat gij de Staatschen misleidt, +ook de Spaanschen zoudt kunnen misleiden. Eenvoudiglijk daarom wil men u geen geld sturen.” + +</p> +<p>“En daarom eenvoudiglijk wil ik u ook niet helpen! Ik herhaal het: zonder geld kan ik de eedgenooten niet tevreden stellen.... +en voorschotten doe ik niet.” + +</p> +<p>“UEd. heeft volmaakt gelijk,” hernam de zoon van Lojola; “doch van wat anders gesproken: mag ik UEd. dit geschrift ter hand +stellen?” + +</p> +<p>Bij het uiten dezer woorden haalde hij een perkament uit zijn boezem en bood het den Ambtman aan, die het met een koele onverschilligheid +opende en doorlas. Het behelsde een aanstelling van Jacobus Mom enz. tot Stedehouder van Gelderland in naam des Aartshertogen, +en was door Albertus onderteekend en met diens zegel bekrachtigd. + +</p> +<p>“Welnu!” zeide de Jezuïet, “dit is meer dan een belofte, nietwaar?” + +</p> +<p>“Het is nog veel minder,” antwoordde Mom, droogjes: “de Aartshertog verdeelt de berenhuid, voordat de beer dood is; hij wil +niet eens geld verschaffen tot den aankoop van wapens om het beest te vellen.” + +</p> +<p>“Wapens zullen u overvloedig verschaft worden,” hervatte Eugenio: “daarvoor sta ik u borg.” + +</p> +<p>“Maar bekwame medehelpers, waar ik op rekenen kan,” vervolgde Mom: “want alleen....” + +</p> +<p>“Preys, Leendertz en Eyndhouts zijn door aanzienlijke toezeggingen van geld en ambten bereid alles voor de goede zaak te wagen. +Botbergen hangt slechts van u af. Slatius, Groenhovius en hun Arminianen zijn, uit wraakzucht en haat alleen, volkomen bereid +zich bij ons te voegen. De wederdoopers, die niet vechten mogen, hebben ons van geldelijken onderstand verzekerd. De Kornetten +van Grobbendonck hebben last gekregen, om, dadelijk bij het einde van het Bestand, vaardig te wezen tot de ondersteuning uwer +pogingen. En,” voegde hij er zacht en langzaam bij, “Graaf Hendrik Frederik....” +<a id="d0e5189"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5189">156</a>]</span></p> +<p>“Is toch niet op onze zijde?” vroeg de Ambtman, hem haastig in de rede vallende. + +</p> +<p>“Dat juist niet,” antwoordde Eugenio met een spotachtigen glimlach: “maar hij werkt ons volkomen in de hand. Door de gunst, +welke hij tot nog toe aan de verdrukte Remonstranten betoond heeft, door de verkeerde wijze, waarop Ludwig, die hem met open +oogen bedriegt, hem de zaken beschouwen laat, door de verwijdering, die tusschen hem en zijn broeder ontstaan is, zijn de +oogen van alle misnoegden in Holland op hem gevestigd. Maurits is van dit laatste bewust: en het oogenblik is daar, dat broedertwist +en binnenlandsche tweespalt, de ontwerpen van Spanje in de hand werkende, ons in staat zullen stellen over al de nog overig +zijnde zwarigheden te zegevieren.” + +</p> +<p>“Gij leert mij veel en merkwaardig nieuws,” zeide Mom; “doch gij neemt mijn voorname zwarigheid niet volkomen weg. Hoe kan +ik hier mijn plannen tot rijpheid brengen, zonder....” + +</p> +<p>“Daarom juist kom ik hier,” hervatte Eugenio: “Ik, die vijf en twintig jaren lang geen moeite, geen opofferingen heb ontzien, +om het heerlijk doel te bevorderen, dat ik eenmaal zwoer te zullen bereiken: ik, die gedurende al dien tijd, met raad en daad, +met pen en zwaard, met goud en list, de goede zaak heb gediend: ik, die al de hier ontbrande twisten heb gesticht, onderhouden +of aangeblazen: ik, zonder wien geen samenzweringen, aanslagen noch eedverbonden zijn uitgedacht, verlevendigd of voortgezet: +ik, die den arm wapende van Panne en Micault, die den Graaf van Falckestein en zijn beide kinderen om hals liet brengen, die +Ludwig, ten dienste van Spanje, in alle staatsgeheimen dringen deed, die waardgelders, predikanten en aristocraten tot muiterij +en tweedracht aanzette, die, in één woord alles aanwendde, om dit land het onderstboven te keeren,—ik zal ook in dit geval +het door u zoo heerlijk aangegeven ontwerp besturen en tot rijpheid brengen. Nog dezen nacht (want andere bezigheden vereischen +mij voor het einde van ’t Bestand in ’s-Bosch en in ’s-Hage), nog dezen nacht zal een aanzienlijk getal eedgenooten, door +mij intijds verwittigd en bijeengeroepen, in dit huis vergaderen. Hier zult gij Spaanschgezinden, Roomschen, Arminianen, Menisten, +ja orthodoxe Protestanten bijeen zien. De middelen zullen hier beraamd worden om tot ons doel te geraken: en van de uitvoering +zal ik al de moeite, gij al de eer hebben.—Ik heb gezegd! en thans staat het aan u te beoordeelen, of gij u aan ’t hoofd dier +schaar plaatsen wilt, dan of gij hen allen, maar ook u zelven nevens hen, aan het zwaard des beuls ter prooi wilt geven.” + +</p> +<p>Meer overreed dan overtuigd door de woorden van den Jezuïet, begreep de Ambtman niettemin, dat er wel niets anders voor hem +opzat, dat het voorstel aan te nemen. “In Gods naam,” zeide hij, hem de hand toereikende: “de teerling is geworpen, en ik +geef mij aan uw leiding over.” + +</p> +<p>“Gij doet wel,” zeide Eugenio: “en uw keuze zal u niet berouwen;—intusschen, wat ik vooreerst van u te vragen heb, is dat +gij ons gesprek geheim houdt: alleen Preys en Leendertz, met wie <a id="d0e5202"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5202">157</a>]</span>ik herwaarts gekomen ben, benevens Botbergen, kennen mijn betrekkingen: ook Klaas Meinertz: doch die is een oude kennis en +het kanaal, waardoor ik altijd kondschap ontving; voor de overigen ben ik Van Dijk, inwoner van ’s-Hertogenbosch, en....” + +</p> +<p>Op dit oogenblik stoof Botbergen de kamer in. + +</p> +<p>“Daar is de kamenier van de Freule van Sonheuvel,” zeide hij, “die den Heer Mom verlangt te spreken.” + +</p> +<p>“De kamenier van de Freule;” riep Mom verwonderd uit; “en hoe wist zij dat ik hier was?” + +</p> +<p>“Zij wist meer dan dat,” antwoordde Botbergen: “want toen ik haar vroeg, wat zij hier deed, antwoordde zij: de wind loopt +zuidwest.” + +</p> +<p>“Daar schuilt verraad onder,” riep Mom; “doch wij zullen dadelijk....” + +</p> +<p>“Bedaar!” zeide de Jezuïet, hem terughoudende: “Magdalena is van de onzen!” + +</p> +<p>“Zij van de onzen?” herhaalde de Ambtman, verbaasd: “hoe langer hoe vreemder! Ik bemerk wel, dat ik, schoon de hoofdaanlegger, +niet meer doe dan de kaarten te geven, die een ander geschud heeft.” Hier zag hij Eugenio veelbeduidend aan. + +</p> +<p>“Nu, als zij van de onzen is,” hervatte Botbergen: “moet zij dan maar hier komen?” + +</p> +<p>“Ongetwijfeld,” zeide Mom: “zij heeft misschien een boodschap van haar meesteres.” + +</p> +<p>“Die is althans niet van de onzen,” zeide Elbert, meesmuilende: “als zij maar de uwe wordt, dan zult gij wel tevreden zijn?” +Dit zeggende verliet hij het vertrek. + +</p> +<p>Hij keerde na eenige oogenblikken terug met de kamenier der Freule van Sonheuvel, een rijzige, deftig doch eenvoudig gekleede +vrouw, wier gelaat, hoe vervallen ook, bewees, dat zij in haar jeugd ongemeen bevallig geweest moest zijn. Sedert de gebreken +van een vergevorderden leeftijd de oude Geertrui beletteden, haar bediening op het slot langer waar te nemen, was Magdalena, +door de voorspraak van Klaas Meinertz, die den Baron van Sonheuvel onder zijn <span id="d0e5226" class="corr" title="Bron: kalanten">klanten</span> telde, haar plaats op het slot komen vervullen en had zij zich, door haar bekwaamheid in ’t bestieren van de huishouding +en door haar geschikt en ordelijk gedrag, de achting van den Baron en het vertrouwen zijner dochter weten te verwerven. + +</p> +<p>“Goeden morgen, Magdalena!” sprak Mom, zoodra zij binnentrad. “Gij brengt, hoop ik, goede tijding. Is alles wel op het slot? +uw Heer?.... en de Freule?” + +</p> +<p>“Beiden zijn in goeden welstand, mijnheer!” antwoordde de kamenier. “De Freule heeft mij verlof gegeven om mijn oom Klaas +Meinertz te komen bezoeken, daar de hovenier juist naar Tiel moest om gereedschappen te koopen: en de Heer Baron gelastte +mij eens naar den welstand Uwer Edelheid te gaan vernemen en meteen te vragen of UEd. ook genegen zijt, morgen na den middag +op het slot te komen. Er zal een groote kegelpartij wezen.” + +</p> +<p>“Mijn onderdanige groete aan den waarden Heer Baron, en wees zoo goed aan ZEd. te zeggen, dat er op Sonheuvel geen kegelpartij +<a id="d0e5235"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5235">158</a>]</span>behoeft te wezen, om mij daarheen te lokken. En,” vervolgde hij, haar een stuk goud aanbiedende, “vergeet ook vooral niet, +lieve Magdalena! mij in de gunst uwer engelachtige meesteresse aan te bevelen.” + +</p> +<p>“Ik dank u,” zeide de kamenier: “de Baron van Sonheuvel alleen heeft het recht, mijn diensten te betalen: aan anderen bewijs +ik die zonder loon.” Dit zeggende wees zij het geld met een trotsche wending af, doch op datzelfde oogenblik ontdekte zij +den Jezuïet, die zich bij haar komst achterwaarts begeven had, en gaf een gil. + +</p> +<p>“Wat schort er aan? wat deert u?” riepen Mom en Botbergen, als uit één mond. + +</p> +<p>“Gij waart misschien niet van mijn tegenwoordigheid in deze woning verwittigd?” vroeg Eugenio, vooruittredende. + +</p> +<p>“Neen!” antwoordde Magdalena, met een onzekere stem: “mijn oom, wien ik op straat ontmoette, had mij alleen gezegd, dat ik +den Heer Mom hier zou vinden en mij het wachtwoord gegeven, maar....” + +</p> +<p>“Een wachtwoord!” viel de Ambtman in, die toch nieuwsgierig was, in hoeverre de kamenier van Ulrica tot het eedgespan in betrekking +stond. “En hoe kondt gij op de gedachte komen, dat er een wachtwoord noodig ware, om mij te spreken?” + +</p> +<p>“Omdat ik u ken, Stedehouder van Gelderland!” antwoordde Magdalena, het hoofd met fierheid oprichtende: “omdat uw bedoelingen +en aanslagen mij bekend zijn, en omdat ik overtuigd ben, dat de eerwaarde Pater Eugenio zich aan geen gevaren zou blootstellen +zonder de noodige voorzorgen te hebben genomen. Vrees intusschen van mij niets,” vervolgde zij, de hand aan den van verbazing +sprakeloozen Ambtman toereikende: “waar ik kan en vermag, zal ik u tot een vriendin en helpster verstrekken, en u allen, die +voor onze Heilige Moederkerk goed en bloed in de waagschaal stellen. Ik groet u, Mijneheeren! en u ook, Pater! gij hebt mij +waarschijnlijk geen bevelen te geven?” vroeg zij, dezen laatste met een trotschen, eenigszins verachtelijken blik aanziende. + +</p> +<p>“Magdalena!” zeide de Jezuïet, terwijl een waas van weemoed of aandoening zijn gestrenge, gele gelaatstrekken overdekte: “moeten +wij, na een afwezigheid van vijf en twintig jaren...., doch, gij hebt gelijk, het is hier de geschikte plaats niet....” + +</p> +<p>“Vaarwel, Pater Eugenio!” herhaalde Magdalena en verliet het vertrek. + +</p> +<p>“Joost haal mij, zoo ik er iets van begrijp,” zeide Elbert, zooras zij weg was. + +</p> +<p>“Ik sta als versteend,” zeide Mom: “zult gij ons ook van dit raadsel de oplossing verkiezen te geven, Pater?” + +</p> +<p>“Ik heet Van Dyk,” zeide Eugenio koeltjes, “en ben een verjaagde Remonstrant, die in Den Bosch woont; want, zoo mijn gezicht +mij niet bedriegt, zie ik aan het eind der straat Klaas Meinertz met twee Arminianen komen.” + +</p> +<p>“Juist,” zeide Botbergen, zich naast hem aan het raam begevende, “dat zijn twee vreemdelingen, die in den <span class="letterspaced">Gouden Ooievaar</span> zoo <a id="d0e5264"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5264">159</a>]</span>straks zijn gekomen, maar ik wist niet, dat het Arminianen waren.” + +</p> +<p>“Alles loopt naar wensch,” hervatte de Jezuïet, en, Elbert zachtjes naar zich toetrekkende, fluisterde hij hem in ’t oor: +“De Aartshertog heeft u een compagnie toegezegd en tweehonderd guldens tot een geschenk;.... maar blijf u thans maar beneden +ophouden en zorg dat Preys en Leendertz ons niet komen storen, terwijl wij met dit paar ketters bezig zijn. Klaas Meindertz +zal u wel wat Rijnschen wijn schenken. De man heeft een goeden kelder.” + +</p> +<p>“Tot uw dienst Pater.... Van Dyk,” zeide Botbergen en vertrok. “En wat moet er nu gedaan worden?” vroeg Mom, die zich, maar +half tevreden en met blijkbare ongerustheid, in een stoel had nedergeworpen. + +</p> +<p>“Laat mij maar begaan, Heer Stedehouder! en bevestig mijn gezegden. Wij moeten thans twee hoofden der misnoegden tot onze +zijde overhalen. Een hunner zult gij, bij name althans, kennen. Hij is de zoon van den Predikant te Sonheuvel.... Hendrik +Raesfelt. + +</p> +<p>“Ik heb van hem hooren spreken,” zeide Mom; “maar zorg toch, mij niet bloot te stellen aan de onaangename gevolgen, welke +eene herkenning zou kunnen hebben.” + +</p> +<p>“Hier zijn de twee heeren uit den Gouden Ooievaar,” zeide Klaas Meinertz, zijn neus door de even geopende deur stekende. + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5085" href="#d0e5085src" class="noteref">1</a></span> Vrede zij met u. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5107" href="#d0e5107src" class="noteref">2</a></span> Mijn brood is dat ik doe den wille desgenen, die mij gezonden heeft. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5136" href="#d0e5136src" class="noteref">3</a></span> Draagt geen goud, noch zilver, noch geld in uw gordels. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e5276" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Zeventiende Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Maar gij, die hier het woord voert in ’t gezantschap, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Wie zijt ge?</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Bilderdijk</span>, Floris de Vijfde. +</p> +</div> +<p>De twee nieuwe personages, die nu op vergunning van den Ambtman het vertrek binnenkwamen, leverden in hun uiterlijk voorkomen +een paar volkomen tegenbeelden op. De een was een log, dik mensch, met een gemeen, dom en leelijk gelaat, een grooten rooden +neus, die, van menigvuldige uitwassen en puisten voorzien, getuigde, dat de brandewijn niet zelden den vromen man te stade +kwam, als hij zijn zorgen begeerde te verzetten. Zijn gewaad was versleten en armoedig, en men kon zien, dat het niet voor +zijn lijf gemaakt was. Zijn lompe, grove handen en voeten schenen eer geschikt om de zware klei te bewerken of turf te trappen, +dan om geschikte gebaarden van den kansel te maken. Zijn heesche, wanluidende stem duidde meer den oproerkraaier dan den leeraar +aan, en zijn waggelende gang verraadde eer den Bachusdienaar dan den zedenpreker. Of de waard in den <span class="letterspaced">Gouden Ooievaar</span> hem bij deze gelegenheid zijn wijn te veel had aangeprezen, is ons onbewust: zeker is het, <a id="d0e5294"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5294">160</a>]</span>dat hij het vertrek, waar Meinertz hem binnenleidde, waggelend inschoof en zijn morgengroet stotterende uitbracht. + +</p> +<p>Zijn metgezel was een schoon rijzig jonkman, met fraaie blonde haren, zwarte sprekende oogen, en mannelijke, door de zon eenigszins +verbrande gelaatstrekken. Hij had een geel lederen reiskolder aan, met koperen knoopjes vastgehecht, en een hartsvanger op +zijde, in een breeden groenen bandelier hangende. Een hoed zonder pluimage, een paar bestoven halve laarsjes met groote sporen +en breede ruitershandschoenen kondigden in hem veeleer een ruiter dan een predikant aan. Met een open gelaat en een ongedwongen +houding trad hij binnen, half voortgetrokken door zijn ouderen reismakker, die hem met de volgende bewoordingen aan Van Dyk +(want onder dien naam alleen kende hij Eugenio) voorstelde: “<span class="letterspaced" lang="la">Eruditissime vir! Dominé</span> Van Dyk, <span class="letterspaced" lang="la">vel melius Ab Aggere!</span> Ik ben uw onderdanige Dienaar, <span class="letterspaced" lang="la">humillimus servus!</span> Groote dingen zullen door UEd. in Israël uitgericht worden. Ik heb de eer UEd. hiernevens aan te bieden.... <span class="letterspaced" lang="la">virum juvenem egregium, magno ingenio vel magni ingenii</span>, want beide zegt men, <span class="letterspaced" lang="la">teste Gerardo Joanne, viro celeberrimo</span>.... een voortreffelijk jong mensch, den Heer.... ja hoe heet hij,.... Van der Hummes of zoo een naam, <span class="letterspaced" lang="la">sed <span id="d0e5315" class="corr" title="Bron: moninum">nominum</span> vana curiositas</span>.—<span class="letterspaced" lang="la">Sufficiat</span>, dat hij de feniks van alle reisgezellen is, <span class="letterspaced" lang="la">nec minus bonus potator</span>.... he! he! kastelein! een glas karnemelk met een scheutje brandewijn er in.” + +</p> +<p>Na deze fraaie proeve van welsprekendheid liet Groenhovius (zoo heette de leeraar) zijn reisgenoot los, knikte nogmaals Meinertz +toe, dat hij hem het gevraagde brengen zou, zette zich in een armstoel neder, vouwde de handen over den buik ineen, en zag +het gezelschap met een wijdopgesparden mond aan. + +</p> +<p>“Wat moeten wij met dien dronken gek beginnen?” vroeg Mom halfluid aan Eugenio. + +</p> +<p>“Hem laten slapen tot hij nuchter wordt,” antwoordde deze op denzelfden toon: “hier althans kan hij hoegenaamd geen kwaad +uitrichten, al verspreekt hij zich.” + +</p> +<p>“Is U Eerwaarde reeds lang met dien dronkaard opgescheept geweest?” vroeg Mom, zich beleefdelijk tot den jongeling wendende, +die met een verlegene houding zijn reisgenoot beschouwde. + +</p> +<p>“Hedenmorgen ben ik hem, van Nijmegen aankomende, achteropgereden. Hij heeft mij verzocht, onder mijn geleide te mogen voortreizen, +en heeft niet losgelaten, of ik moest nog in den <span class="letterspaced">Gouden Ooievaar</span> een tijdlang vertoeven om een glaasje van afscheid te drinken; UEd. is, naar ik vermoede, de Ambtman Mom, op wiens last ik +hier geroepen ben.” + +</p> +<p>“Dat is te zeggen,” zeide Mom, Eugenio zijdelings aanziende: “op mijn last.... ja, in een zekeren zin. Eigenlijk heeft mijn +vriend Van Dijk het een en ander met UEd. te overleggen. Wat mij betreft, ik ben uw dienaar tot hedenavond: dan hoop ik u +weder te zien.” + +</p> +<p>“Met uw verlof,” hernam de jongeling: “hedenavond was het mijn voornemen, om....” + +</p> +<p>“Tot straks,” hernam de Ambtman, hem beschermenderwijze met <a id="d0e5344"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5344">161</a>]</span>de hand groetende en zich vervolgens tot den Jezuïet wendende: “ik ga naar Preys en Leendertz,” zeide hij: “gij zult het noodige +met deze Heeren wel afhandelen.”—Dit gezegd hebbende vertrok hij. + +</p> +<p>“Maar!” vervolgde de vreemdeling, zich naar Eugenio keerende “ik moet hedenavond naar Sonheuvel, en ik zie niet, welke redenen +men hebben kan, mij hier op te houden.” + +</p> +<p>“Hoe!” vroeg de Jezuïet: “vertrekt gij naar uw vader? Ik dacht, dat hij u niet meer voor zijn zoon erkennen wilde.” + +</p> +<p>“Dat kan hij ook niet,” hernam de reiziger: “dat verbieden de omstandigheden.” + +</p> +<p>“Zeer natuurlijk!” merkte Eugenio aan: “wanneer men geheel andere grondbeginselen heeft:—daarenboven, wat zegt de Schrift: +<span class="letterspaced" lang="la">si quis non odit</span>....”<a id="d0e5357src" href="#d0e5357" class="noteref">1</a> + +</p> +<p>“Wie haalt daar de Paapsche overzetting aan?” vroeg Groenhof uit de sluimering opschietende, waarin hij geraakt was. + +</p> +<p>“Ik!” antwoordde Eugenio bedaard: “gij weet, ik ben een Bosschenaar, en daar hoort men zelden anders als uit de <span class="letterspaced">Vulgata</span> praten:—daar is nimmer gelegenheid om een geestelijk woord te hooren, tenzij van papen en paapsgelijken. Hoe velen smachten +aldaar met mij naar het waarachtige manna van geestelijk onderricht, met een dauw der geleerdheid doorvoed en gestoofd in +de zon der gezonde rede.... daarvan gesproken, Dominee! ik hoop dat UEerwaarde morgen in staat zal zijn, voor de dierbare +kudde, welke zich hier verzamelen zal, een predikatie te houden.—Of anders, uw jonge ambtgenoot misschien....” + +</p> +<p>“Ik?” riep de jongeling, die de vreemde redenen van den gewaanden Bosschenaar met verwondering had aangehoord: “en voor wien +ziet UEd. mij aan?” + +</p> +<p>“Zoo!” zeide Groenhof: “is mijn jonge reismakker ook een Nazireër! <span class="letterspaced"><span id="d0e5372" class="corr" title="Bron: an">en</span> collega</span>? waarlijk <span class="letterspaced">valdegaudeo</span>, een geleerde, een broeder, een medeverdrukte, een medearbeider in ’s Heeren wijngaard in hem te ontmoeten. Ik dacht aan +zijn kleeding eerder, dat hij een <span class="letterspaced" lang="la">miles gloriosus, de quo Plautus</span>, dan een <span class="letterspaced" lang="la">miles Christianus, de quo Paulus habet</span>, ware.” + +</p> +<p>“Wat collega! wat verdrukte!” riep de vreemdeling uit, terwijl hij rood werd van drift<span id="d0e5387" class="corr" title="Niet in bron">:</span> “ik heb Plautus ook gelezen, en ik ben niet op de malle vergelijking tusschen mij en zijn Thraso gesteld.—Hoe is het? een +misverstand? of scheren wij elkaar?” + +</p> +<p>“Ik prijs de achterhoudendheid,” zeide Eugenio: “doch hier is zij althans overbodig. Bij ons behoeft gij uw naam en bediening +niet te verbloemen, daar uw komst te dezer plaats genoegzaam bewijst, welk vertrouwen gij in mij gesteld hebt: en de zegepraal +der goede zaak, de val onzer hoogmoedige verdrukkers, de vrijheid der kerk zullen tot zoovele bewijzen strekken, dat dit vertrouwen +aan geen onwaardige geschonken werd.” +<a id="d0e5392"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5392">162</a>]</span></p> +<p>“Ik u vertrouwen geschonken?” vroeg de onbekende, hoe langer hoe meer verwonderd: “en door wien dan ben ik hier ontboden?” + +</p> +<p>“Door wien?—Door mij, door Van Dyk,” antwoordde Eugenio: “ik ben degeen, die u te Mulheim schreef en u verzocht, dadelijk +herwaarts te spoeden, om de middelen te beramen, ter uitvoering van dat groote en godzalige voornemen, waartoe wij....” + +</p> +<p>“Ik ben te Mulheim niet geweest,” viel hem de jongeling in: “ik heb geen brief van Van Dyk noch van iemand anders ontvangen: +ik weet van uw voornemen niets, en ik zou niet in dit huis gekomen zijn, ware ik niet door den Ambtman ontboden geweest.” + +</p> +<p>Eugenio zweeg, zijn trekken bleven onbeweeglijk en zijn oog stond strak op den vreemdeling gevestigd; zijn hand alleen scheen, +door een werktuiglijke, krampachtige beweging het moordtuig te zoeken, dat onder zijn kleed verborgen en reeds meer zijn antwoord +geweest was. De vreemdeling scheen het oogmerk dier beweging te raden: althans, hij zette zich schrap en sloeg de hand aan +’t gevest van zijn hartsvanger. Doch de Jezuïet liet na een oogenblik zwijgen den arm weder zakken en vroeg zeer bedaard: +“zoo, is UEd. dan niet de persoon van Hendrik Raesfelt, proponent?” + +</p> +<p>“Hendrik Raesfelt?—neen;.... doch! wat is er, wat weet gij van Hendrik Raesfelt?” vroeg de jongeling met levendige deelneming. + +</p> +<p>“Niets! UEd. schijnt hem te kennen?” hernam Eugenio, volgens zijn gewoonte een vraag met een andere beantwoordende. + +</p> +<p>“Of ik hem ken?—Wij waren speelkameraads, en ik heb altijd veel belang in hem gesteld.” + +</p> +<p>“Zoo!—Welnu, zoo gij hem nader wilt zien, hij komt eerstdaags hier;.... UEd. is dus vreemdeling hier en weet waarschijnlijk +niet, dat er maatregelen worden in ’t werk gesteld om de gebannen predikanten, die onderwerping beloven, weder te herstellen +in hun bedieningen: hierover wilde men ook met Raesfelt spreken, wiens dwalingen zijn jeugd en de verleiding van anderen verschoonlijk +maakten; doch daar UEd. die persoon niet zijt....” + +</p> +<p>“Kan ik weder vertrekken, is het niet zoo?” viel de reiziger in: “ik moet u echter bekennen,” vervolgde hij, “dat, bijaldien +de tegenwoordigheid van den Heer Ambtman in dit huis, en uw betuiging, dat er een misverstand plaats heeft gehad, mij niet +tevreden moesten stellen, ik niet zoo lichtelijk genoegen zou nemen met een oponthoud, dat mij misschien beletten zal, heden +nog de stad te verlaten; want naar allen schijn zullen de poorten reeds gesloten zijn.” + +</p> +<p>“Gij ons verlaten!” riep Groenhof uit, terwijl hij eensklaps weder toetrad en met uitgebreide armen den jongeling omvatte. +“Wilt gij mij verlaten, gelijk Demas Paulum verliet? Gij, die een medestrijder zijt voor de goede zaak, gij moet blijven en +met ons strijden of afwachten de groote dingen, die er geschieden zullen. <span class="letterspaced" lang="la">Manendum est et fortiter pugnandum!</span>”<a id="d0e5416src" href="#d0e5416" class="noteref">2</a> +<a id="d0e5419"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5419">163</a>]</span></p> +<p>“Stil!” zeide Eugenio, die bevreesd werd, dat de onvoorzichtige toespraak van Groenhof de ware redenen der bijeenkomst aan +den jongeling zou bekend maken: “stil Dominee! het is noodeloos hierover met dien heer te spreken.” + +</p> +<p>“Ja, mijn waarde vriend en reisgenoot,” zeide Groenhof, die, zonder acht te geven op de onverduldige wenken van Eugenio, den +jongen vreemdeling bij de hand bleef houden: “ja, mijn broeder! hij zal vallen, die Achab, die vervolger van Gods heilige +profeten....” + +</p> +<p>“Wilt gij zoo goed zijn, mij te volgen?” vroeg Eugenio aan den onbekende, hem haastig uit de omhelzingen van Groenhof losrukkende. +Doch de jongeling had te veel gehoord en werd nu door de nieuwsgierigheid aangezet om te blijven waar hij was. + +</p> +<p>“Het is alles gereed, <span class="letterspaced" lang="la">omnia parata sunt</span>,”<a id="d0e5431src" href="#d0e5431" class="noteref">3</a> vervolgde de Predikant: “de dwingeland kan den strik niet ontkomen.” + +</p> +<p>“Van welken dwingeland spreekt gij toch?” vroeg de onbekende, haastig. + +</p> +<p>Op dit oogenblik sloeg de torenklok acht uren. + +</p> +<p>“Het is te laat!” zeide Eugenio; en opeens den jongeling loslatende, verliet hij met spoed het vertrek en draaide het slot +achter zich toe. + +</p> +<p>“Om ’s Hemels naam, wien bedoelt gij?” herhaalde de vreemdeling, zonder op het vertrek van den Jezuïet bijzondere aandacht +te slaan. + +</p> +<p>“Wien ik bedoel?” herhaalde Groenhof, die nog even nuchter genoeg was om uit deze vraag te bemerken, dat hij zich deerlijk +versproken had: “ik bedoel den Koning van Spanje, <span class="letterspaced" lang="la">Hispanarum regem, inimicum nostrum communem</span>.”<a id="d0e5447src" href="#d0e5447" class="noteref">4</a> + +</p> +<p>“Zoo!” zeide zijn metgezel, het hoofd met een schijn van ongeloovigheid schuddende: “doch waar is onze gastheer? of hoe moet +ik den man noemen, die ons hier ontvangen heeft?—hij zou mij uitbrengen, en hij verlaat ons.” + +</p> +<p>“Hij zal wel zoo terugkomen,” zeide Groenhof, die inmiddels weder was gaan zitten. “Wacht maar een oogenblikje; het is toch +te laat om de poort uit te komen.” + +</p> +<p>“Er zal wel niet veel anders opzitten, dan geduldig af te wachten, wat hierop volgen zal,” zeide zijn makker, zich verdrietig +in een stoel werpende. + +</p> +<p>Toen hij echter een groot kwartieruurs gezeten had over den Predikant, die inmiddels weder in een diepen slaap gevallen was, +begon het toeven hem hartelijk te vervelen. “’t Is recht vermakelijk om hier voor gek te blijven zitten,” riep hij uit, terwijl +hij wrevelig opstond en zijn stoel van zich afstootte: “en wat het fraaist is,” mompelde hij er op zachteren toon bij: “alles +is mijn eigen schuld. Wat behoefde ik zulk een dronken Arminiaanschen weetniet te vergunnen, onder mijn geleide naar Tiel +te reizen? mijn oude <a id="d0e5458"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5458">164</a>]</span>vriend zou zeggen: met wie je verkeert wordje geëerd. Wist ik maar hoe er uit te komen!” + +</p> +<p>“Mij dunkt, de Heer Van Dyk blijft lang weg,” zeide Groenhof, ontwakende en zich de oogen uitwrijvende: “en de kastelein of +de baas van ’t huis, wie hij wezen moog’, schijnt het zoopje ook te vergeten, dat hij mij beloofd had.... juist, ik heb geen +haast.” + +</p> +<p>“Maar ik wel,” viel zijn min geduldige reisgenoot hem in de rede: “en, zoo men mij niet spoedig de deur komt openen, zal ik +zien, of ik mij zelven geen uitgang kan verschaffen.” + +</p> +<p>Deze woorden geuit hebbende, begon hij op de deur te bonzen met al de krachten, die de natuur hem gegeven had; doch de dikke +eiken planken stelden zijn pogingen teleur en de Predikant, die, nu redelijk ontnuchterd zijnde, het belang besefte, dat er +voor zijn oogmerken in gelegen was, geen noodelooze opschudding te maken, stond op en weerhield hem, toen hij, zijn mes trekkende, +zich gereedmaakte, de deur met geweld open te breken. + +</p> +<p>“Bedaar! bedaar! mijn waarde reismakker!” zeide hij: “men zal wel dadelijk hier komen: de Heer Ambtman zit nog ongetwijfeld +in groote besognes. <span class="letterspaced" lang="la">Paululum exspecta</span>.<a id="d0e5471src" href="#d0e5471" class="noteref">5</a> + +</p> +<p>”’t Is een verbruid werk,” riep de jongeling, “ik zit hier als een muis in de val. Ware het niet om voor geen dief te worden +aangezien, zoo sprong ik het venster uit.” Dit zeggende keerde hij zich om, met oogmerk om het raam, dat vrij hoog was, te +openen, toen zijn voet een ijzeren ring ontmoette, welke diende om een valluik open te maken. “Aha!” zeide hij, “die gelegenheid +had ik nog niet opgemerkt. Die uitgang zal mij althans ergens heen brengen.” + +</p> +<p>“Ja! naar den een of anderen wijnkelder,” zeide Groenhof. + +</p> +<p>“Zoo dat het geval is,” hernam de vreemdeling, “zult gij er mij zonder weerzin volgen willen.” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced">Bone Deus!</span> wat doet gij!” vroeg de Predikant, ziende dat hij het valluik, ’t welk van onderen gesloten was, met geweld openrukte. + +</p> +<p>“Ik baan mij een doortocht,” antwoordde zijn makker: “ik heb altijd geleerd, dat een waarlijk bekwaam krijgsman zich zoowel +op het retireeren, als op het attakeeren verstaan moest. Voelt gij u genegen mij te volgen, ’t is mij wel: ik ga u voor.” +Dit zeggende, klom hij het trapje af, dat naar beneden geleidde. + +</p> +<p>“Ik moet toch zien, waar die vent belandt.” dacht Groenhof: “hij mocht ons eens gaan verklikken, zoo hij ontsnapte.” Met dit +oogmerk volgde hij zijn reisgenoot in een klein, donker vertrekje, ’t welk op het eerste oog geen anderen toegang scheen te +hebben, dan langs de opening, waardoor zij gekomen waren. Het ontving ook van dien kant al zijn licht, en de flauwe schemering, +die er in doordrong, veroorloofde nauwelijks aan het meest geoefend oog, eenige kleine vaatjes te zien, welke tegen de naakte +wanden waren opgestapeld. +<a id="d0e5489"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5489">165</a>]</span></p> +<p>“Het gelijkt hier wel een kruitmagazijn,” merkte de jongeling aan. + +</p> +<p>“De Hemel zij ons genadig!” zeide Groenhof: “zouden wij dan niet liever terugkeeren en het luik weder in orde brengen zoo +goed wij kunnen? Er is hier toch geen andere uitgang.” + +</p> +<p>“Dat zegt gij,” hervatte de andere gevangene: “doch ik stel vast dat er een andere uitgang wezen moet. Het valluik was van +binnen gesloten: die het gesloten heeft, moet dus een ander heenkomen gehad hebben: want hier is hij niet meer: indien het +slechts zoo verbruid donker niet ware!.... wacht! ik weet al, welken weg wij uit moeten.” Dit zeggende, wees hij op een reet +in een hoek van het kamertje, en zich op zijn knieën latende vallen, beschouwde hij den wand met een opmerkzaam oog. Spoedig +ontdekte hij een kleine vierkante opening, met een luikje van buiten gesloten, welke opening waarschijnlijk dienen moest om +de vaatjes uit te werken. Door zijn vingers met kracht tusschen het houtwerk en den muur in te brengen, deed hij het luikje +wijken en weldra aan stukken splijten. De opening kwam op een gewelfde gang uit en was ruim zes voet boven den grond verheven, +zoodat men die niet dan met een ladder of trap beklimmen kon. + +</p> +<p>“Goddank!” zeide hij, zich bukkende en met gretige oogen door het gat kijkende: “hebt ge nu lust mij te volgen, Dominee? dan +zullen wij wel ergens te land komen.” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="la">An stultus es?</span>”<a id="d0e5503src" href="#d0e5503" class="noteref">6</a> vroeg de Predikant, toen ook hij de hoogte gezien had, vanwaar zij af moesten glijden. “Het is me <span class="letterspaced">hercule</span>! halsbrekens werk, om zich daar af te laten vallen.” + +</p> +<p>“Zooals gij wilt,” hernam zijn reisgezel: “ik waag den sprong!” en meteen zijn makker van de opening aftrekkende, gespte hij +zijn hartsvanger los, stak de beenen door het gat en liet er zich ter halverlijve doorheen zakken. Dan, tot zijn groote teleurstelling, +was de opening niet ruim genoeg om het bovenlijf door te laten, zoodat hij steken bleef en er zich weldra door vruchtelooze +pogingen zoo vastwerkte, dat hij noch voor- noch achteruit kon. Weldra werd de benauwde toestand, waarin hij zich bevond, +nog vergroot, doordien hij de deur van het vertrek, waarin hij zich kort te voren <span id="d0e5511" class="corr" title="Bron: bevonnen">bevonden</span> had, boven zijn hoofd hoorde opengaan en aan het verwarde geluid en geroep van “waar steekt de guit? waar zit de spion?” +ontdekte, dat verscheidene personen de bovenkamer waren binnengetreden, en althans geen zeer vriendelijke oogmerken jegens +hem koesterden. + +</p> +<p>“Dominee!” zeide hij met een gesmoorde stem; “maak dat onderste plankje los.” + +</p> +<p>“Ik bedank u,” zeide Groenhof: “hier!” vervolgde hij, zijn stem verheffende tot die, welke boven waren: “hier moet gij wezen.” + +</p> +<p>“Schurk!” riep de jongeling en gaf met zijn hartsvanger den Predikant een geduchten slag voor de schenen, zoodat de waardige +man schreeuwende terugstoof. +<a id="d0e5520"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5520">166</a>]</span></p> +<p>De angst verdubbelde nu de krachten van den jongeling, en het geluk diende hem. Het luik, dat de opening gesloten had, bestond +uit twee deelen: het bovenste, dat het grootste was, was uitgeweken en aan stukken gesprongen: het onderste, een plankje van +twee duim breedte, dat het luik van den vloer scheidde en met twee knippen aan weerszijden gesloten werd, was blijven zitten. +Door de geweldige pogingen, die hij in dit oogenblik van benauwdheid in ’t werk stelde, gelukte het den gevangene, dit plankje +te doen losbersten, waardoor de opening ruim genoeg werd en hij in de gang viel. Ongedeerd sprong de vlugge jongeling op en +snelde, zonder om te zien, de gang af, terwijl hij in de eene hand zijn blooten hartsvanger zwaaide en met de andere de scheede +weder vasthechtte.—Aan het einde van de gang gekomen, sloeg hij rechtsaf een andere gaanderij in en stuitte aldaar tegen een +ijzeren deur, met de noodige grendels dichtgesloten. Vol spijt deed hij een paar stappen terug en bemerkte toen, dat hij in +de verwarring van het oogenblik en ook wegens de duisternis, die in de gang heerschte, een ander deurtje was voorbijgeloopen, +hetwelk onder een zwaar gewelfden, met Gothisch snij- en loofwerk voorzienen boog was verborgen. Dit deurtje stond aan, en +onze vluchteling aarzelde niet het binnen te treden. Dan, nauwelijks had hij een blik inwaarts geworpen, of hij bleef bewusteloos +staan, in de onzekerheid, of hij niet, door Scylla te vermijden, op Charybdis gestrand ware: dermate verbaasde hem de onverwachte +vertooning, welke bij het binnentreden zijn oogen trof. + +</p> +<p>Hij bevond zich namelijk in een vrij ruime zaal, die haar licht ontving uit in de zoldering geplaatste ramen, met geschilderde +ruitjes voorzien, en met zware zonder smaak gevormde pilasters omzet was, welke een gewelfd dak onderschraagden. Tusschen +de pilasters bevonden zich nissen, die, voormaals, naar ’t scheen, tot plaatsing van beelden der heiligen gediend hadden: +althans de uitgerukte stukken kalk en metselwerk, zoowel als de overgebleven ijzeren bouten toonden aan, dat men de oorspronkelijke +bewoners dier nissen met geweld had weggenomen. Aan de beide einden der zaal waren twee hooge dubbele deuren, met breede posten +en Gothisch snijwerk, welke sedert lang ongebruikt schenen te zijn; want de zware grendels waren geheel verroest en de sloten +met spinrag bedekt. Behalve deze hoofduitgangen was het vertrek voorzien van vier zijdeurtjes, door een van welke onze onbekende +vriend was binnengekomen. Midden in de zaal, welke overigens geen meubelen bezat, stond een zware, langwerpig vierkante tafel, +met een oud, verschoten, doch voorheen kostbaar tapijt overdekt. Aan het einde dier tafel was op een ouderwetschen zetel met +hoogen rug en snijwerk, een deftig man gezeten; zijn vierkant mutsje en witte onderkleederen, zijn manteltje en gouden halskruis +duidden een Roomsch-Katholieken geestelijke, en wel van geen geringe waardigheid, aan. Voor hem stond een ebbenhouten kruis, +waar een zilveren christusbeeld aan vastgehecht was en aan welks voet een doodshoofd lag van hetzelfde metaal. Aan elke zijde +van den voorzitter zaten op houten schabellen vier, en over hem twee personen, deels in geestelijk, deels in <a id="d0e5525"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5525">167</a>]</span>wereldlijk gewaad. De tafel was overdekt met papier en schrijfgereedschappen, en al de aanwezigen schenen aandachtig te luisteren +naar hetgeen een jong geestelijke, die naast den voorzitter stond, hun voorlas uit een brief, op perkament geschreven en met +drie zegels van groen was voorzien. Bij het gerucht, dat de deur maakte, toen zij krakende openging voor den binnentredenden +vreemdeling, werd de lezing gestaakt, en al de aanwezigen wendden het hoofd naar den onverwachten en onwelkomen stoorder hunner +samenkomst. Toen zij den gewapende ontdekten (want de vreemdeling hield den hartsvanger nog stijf in de vuist gekneld) stoven +allen gelijkelijk op: sommigen grepen hun schabellen, om zich desnoods daarmede te verdedigen, en anderen zochten onder hun +opperkleed naar gevaarlijker wapenen. De voorzitter alleen bleef bedaard; met een majestueuse beweging gebood hij stilte en +trad vervolgens den jongeling te gemoet, wien hij aldus, op een vriendelijken toon, aansprak: + +</p> +<p>“Wie zijt ge, mijn zoon? en wat is de oorzaak van uw onverwachte komst?” + +</p> +<p>“Verschoon mij,” antwoordde de vreemdeling, eenigszins verlegen zijn geweer opstekende: “ik ben verdwaald in dit gebouw, ik +weet zelf niet hoe, en gaarne wenschte ik een deur te vinden, die mij op straat bracht.” + +</p> +<p>De aanwezigen mompelden onderling, en de meesten schudden het hoofd. + +</p> +<p>“Het komt mij vreemd voor,” zeide de voorzitter, “dat gij, alleen omdat gij een uitgang zoekt, met het bloot rapier als een +dolleman hier binnen komt stuiven,” + +</p> +<p>“Ik beken,” was het antwoord, “dat de schijn tegen mij is; doch openhartig zal ik u mijn geval verhalen. Ik kom van Nijmegen: +een zekere Predikant, die, op een vrij slechten knol gezeten, denzelfden dijk volgde als ik, hield mij gezelschap. Aan den +<span class="letterspaced">Gouden Ooievaar</span> stapten wij af: vandaar liet de heer Ambtman ons ontbieden; men bracht ons in de woning van een schrijnwerker, welke woning, +naar ik zie, al vrij ruim is en toen ontdekte zekere Heer Van Dyk, dat ik niet diegene ben, dien hij te wachten was;.... maar +daar zit hij zelf: laat hij het ontkennen, zoo hij goedvindt.” + +</p> +<p>Hier vestigden zich al de oogen op Eugenio, die, in zijn mantel gewikkeld, alleen, met zijn gewone bedaardheid, aan de tafel +was blijven zitten. + +</p> +<p>“Ik ontken niets,” zeide hij, opstaande: “het geheele voorval berust op een misverstand.” + +</p> +<p>“Zulke misverstanden moesten geen plaats hebben, en wij hadden die althans van u niet verwacht, Pater!” bromde een der aanwezigen. + +</p> +<p>“Dwaas!” antwoordde Eugenio halfluid: “is de vogel niet in de knip, en staat het niet aan ons, hem naar bevind van zaken de +wieken te korten of den hals om te draaien?” + +</p> +<p>“Stil!” zeide de voorzitter: “wat aanleiding tot de komst van dezen jongeling heeft gegeven, is noodeloos op dit oogenblik +te onderzoeken: daartoe is onze tijd te kostbaar. Jonkman! antwoord mij openhartig; <a id="d0e5550"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5550">168</a>]</span>dit alleen zal mij doen zien, of gij waardig zijt de vrijheid weder te erlangen.” + +</p> +<p>“Ik wist niet, dat ik gevangen ware,” antwoordde de vreemdeling met fierheid de hand op het gevest van het geweer slaande. + +</p> +<p>“Spaar die snorkerijen,” hernam de deftige grijsaard: “ik zie gaarne, dat een jonkman als zoodanig spreekt; doch hij moet +het op gepaste tijden doen. Antwoord mij, hoe is uw naam?” + +</p> +<p>“Sta ik hier voor een rechtbank?” vroeg op zijn beurt de jongeling “Ik ben een Protestant, en erken op dit oogenblik geen +heer noch meester op deze aarde. Gij derhalve hebt geen recht hoe ook genaamd, mij in ’t gehoor te nemen.... of sedert wanneer +is Tiel aan een papenrecht onderworpen?” + +</p> +<p>“Wij zullen u ons gezag wel doen erkennen,” zeide een der aanwezigen, die, ongemerkt vertrokken zijnde, nu met twee welgewapende +lieden terugkeerde. + +</p> +<p>De vreemdeling antwoordde niet; maar, zijn degen trekkende, stelde hij zich in staat van verdediging. + +</p> +<p>“Hoogwaardigste!” zeide nu Eugenio tegen den voorzitter: “het komt mij voor, dat deze dolleman ongenegen is, om eenig verder +bescheid te geven. Het ware misschien best, indien hij werkelijk een man van eer is, zooals zijn voorkomen aanduidt, hem vrij +en onverhinderd te laten vertrekken, onder beding en belofte, dat hij, niets van al wat hem is overkomen sedert hij de herberg +van den <span class="letterspaced">Gouden Ooievaar</span> verlaten heeft tot zijn terugkomst in die plaats, aan niemand, wie hij ook zijn moge, immer met een woord gewag make.” + +</p> +<p>De gansche vergadering zweeg op dit voorstel, en de jongeling zag den Jezuïet met scherpe blikken aan, als wilde hij diens +geheime oogmerken doorgronden; want hij stelde weinig vertrouwen in den zonderlingen man, die zich eerst bij hem voor een +Remonstrant had uitgegeven en zich nu in ’t gezelschap van Roomsche geestelijken bevond. + +</p> +<p>Nadat de voorzitter een tijdlang het voorstel van Eugenio scheen overwogen te hebben, wendde hij zich tot den reiziger en +vroeg hem, of hij in zoodanige voorwaarden, als de geachte spreker had opgenoemd, genoegen zoude nemen, bijaldien zij hem +werden opgelegd. De jongeling antwoordde, bereid te zijn zich te verbinden, dat hij niets van al hetgeen hij gezien of gehoord +had, zou verhalen, tenware <span id="d0e5571" class="corr" title="Bron: ziju">zijn</span> plicht, of de wettige Landsoverheid hem daartoe last gaven. + +</p> +<p>“Die uitdrukkingen omvatten wat veel,” merkte de voorzitter aan; “want hoe kunnen wij de grenslijnen kennen, welke uw plichtgevoel +beperken? en welke nadeelige gevolgtrekkingen zou niet de overheid uit uw verhaal kunnen trekken? Door u op zulke losse gronden +vrij te laten, zouden wij ons geheel aan uw bescheidenheid moeten overgeven, en gij gevoelt wel, dat dit wat veel van ons +gevergd ware.” + +</p> +<p>“Het doet mij leed,” hernam de reiziger; “doch ik kan geen andere voorwaarden aannemen.” + +</p> +<p>“Dan zult gij u moeten getroosten, onze gevangene te blijven,” <a id="d0e5580"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5580">169</a>]</span>zeide de grijsaard, een wenk gevende aan de omstanders en in ’t bijzonder aan de twee gewapende dienaars, om den stoutmoedigen +vreemdeling in verzekerde bewaring te nemen. Deze echter was er geenszins op gesteld, om zich te laten knippen: hij had zich +steeds in de nabijheid gehouden van de deur, door welke hij was binnengekomen, met oogmerk om zich een vrijen terugtocht voor +te behouden. Zooras derhalve de aanwezigen op hem aftraden, deed hij een stap rugwaarts, beschreef een halven cirkel in de +lucht met zijn hartsvanger, om zijn vijanden op den noodigen afstand te houden, maakte eensklaps rechts-om-keert, wierp een +der gewapenden, die hem den weg wilde afsnijden, met een vuistslag op den grond, stoof de deur uit, trok die zoo geweldig +achter zich toe, dat het slot dichtsprong en ijlde vervolgens weder terug langs den weg dien hij gekomen was, de gewelfde +gang weder door en het vierkante gat van het kruitkamertje voorbij. Aan het einde van die gang gekomen, stootte hij een ongesloten +deur open en bevond zich nu tot zijn groote vreugd in de open lucht. + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5357" href="#d0e5357src" class="noteref">1</a></span> Zoo iemand niet haat. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5416" href="#d0e5416src" class="noteref">2</a></span> Wij moeten blijven en kloekmoedig strijden. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5431" href="#d0e5431src" class="noteref">3</a></span> Alles is gereed. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5447" href="#d0e5447src" class="noteref">4</a></span> Den koning van Spanje, onzen gemeenen vijand. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5471" href="#d0e5471src" class="noteref">5</a></span> Wacht een weinig. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5503" href="#d0e5503src" class="noteref">6</a></span> Zijt gij dwaas? +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e5582" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Achttiende Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph" lang="nl-1600"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Gy meught van nacht by ons wel blyven rusten +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Wy hebben t’huis rype app’len, zoo ze u lusten, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>De nieuwe vrucht, kastanje en stremsel.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Virgilius</span>, Ecl. I. Vert. van Vondel. +</p> +</div> +<p>De blijdschap van onzen reiziger verminderde spoedig, toen hij bemerkte, dat hij er nog weinig bij gewonnen had, met zich +buitenshuis te bevinden, daar de deur, welke hij uitgetreden was en dadelijk achter zich had dichtgetrokken, nergens anders +heenbracht dan op een steigertje, dat tusschen hooge muren aan den kant der stadsgracht gebouwd was. Hoewel de vluchteling +weinig trek gevoelde om, zoo gekleed als hij was, te water te gaan, begreep hij, na een kort beraad, dat er toch voor hem +niets beter opzat dan een spoedige vlucht. Het was reeds donker geworden, en de duisternis belette de schildwachten, die ver +van daar op de stadswallen geplaatst waren, hem gewaar te worden bij zijn overtocht. Hij liet zich dus zachtjes in ’t water +glijden en zwom, met zoo weinig gerucht mogelijk, naar de overzijde. Daar gekomen, kroop hij op handen en voeten de buitenwerken +der stad langs en over, en kwam eindelijk behouden op een voetpad aan, dat hem, achter de voorstad om, op den weg naar den +Rijn bracht. Het was omstreeks negen uren en dus zoogoed als duister, toen hij zich, nu buiten het gezicht van iedereen, aan +den voet van een wilgeboom nederzette om zich, zoogoed hij kon af te drogen en tevens eens te overleggen, wat hem te <a id="d0e5599"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5599">170</a>]</span>doen stond. Dat hij door een misverstand in het huis van Klaas Meinertz geraakt was, scheen hem duidelijk genoeg toe; doch +dat de woning eens eerwaardigen schrijnwerkers vol zou wezen van lieden van dat slag als hij er in gevonden had, dit kwam +hem zonderling voor. Spoedig echter hielp hem zijn plaatselijke kennis, om dat raadsel gedeeltelijk op te lossen. Aan den +stadswal, dat wist hij, stonden nog onderscheidene gebouwen, welke eertijds tot mannen- en vrouwenkloosters gediend hadden, +doch bij de Hervorming meerendeels door ’t gemeen vernield of althans uitgeplunderd waren: en het was wellicht met een van +die gestichten, dat het huis van Meinertz gemeenschap had. Doch, dat zulk een gebouw nog bewoond zou wezen, dat er menschen +van zoo verschillende geloofsbelijdenis in vergaderden en vooral dat er zich een kruitkamer in bevond, dit kwam hem onverklaarbaar +voor en wekte in hem vermoedens op, dat er verraad achter school. De voorzitter vooral dier geheime vergadering herinnerde +hem iemand, dien hij in lang verloopen jaren nogmaals ontmoet had, waar en wanneer wist hij niet; doch het kwam hem voor, +alsof die man ook toen in een zaak van hoogverraad betrokken ware geweest en zijn hulp had ingeroepen. Doch, aan wien zoude +hij al wat hij gezien had, gaan verklaren? De Ambtman zelf scheen dan toch in het geheim te wezen; daarenboven, waren zijn +vermoedens wel gegrond?—hij was zoolang in vreemde landen geweest, en in zijn afwezigheid kon er zooveel in zijn vaderland +gebeurd zijn. En toch! het geheimzinnige, waarmede zich al de personen, die hij aangetroffen had, omhulden!.... + +</p> +<p>Hij begreep eindelijk, dat het in allen gevalle geen zaak was, terug te keeren, wijl men niemand, na zonsondergang, de poort +meer inliet: en daar hij om zijn doornatte kleederen niet langer stil kon blijven, vervolgde hij zijn voetreis, hoewel hij +in Tiel paard en mantelzak achterliet; doch daarvoor zou, naar zijn meening, de waard in den <span class="letterspaced">Gouden Ooievaar</span> de noodige zorg dragen. Zijn besluit dus genomen hebbende, wandelde hij langs den zwaren zandweg noordwaarts op. De lucht +was helder en gebalsemd door den geur van duizenden welriekende kruiden, als de kamille, het pijpenkruid en dergelijke, die +tusschen het wilgenhout in aan de slootkanten groeiden. Vriendelijk zag de opkomende maan in vollen luister neder over de +wijduitgestrekte weilanden, of over de heerlijke boomgaarden, die met millioenen ontlokene bloesems als met een sneeuwwit +laken schenen overdekt te wezen. Van verre hoorde men, schoon verflauwd door den afstand, de zuivere tonen der nachtegalen +uit de omliggende boschjes weerklinken. Dichterbij werd het oor min aangenaam getroffen door het, ja buitenachtig, doch niet +vermakelijk gerikkik der vorschen. Dan ook de muziek van deze poelbewoners, het eentonige <span class="letterspaced">brekkekekez coax coax</span>, was den reiziger welkom; het had iets nationaals, iets harmonisch voor zijn gehoor. + +</p> +<p>Omtrent een uur had hij met een stevigen tred doorgestapt, toen hij op een kleinen afstand een vroolijk liedje door een heldere +stem hoorde opzingen, en kort daarna een landbouwer voor zich gaan zag, onder de vracht van eenige hammen gebukt, welke hij +aan een <a id="d0e5611"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5611">171</a>]</span>stok gebonden op den schouder droeg. Het viel onzen reiziger niet moeilijk, den veldeling eerlang op zijde te komen, en de +woorden van het liedje van Starter te onderkennen, welke aldus luidden: + + +</p> +<div class="
 poem
 " lang="nl-1600"> +<p class="line" style=""><span>Wy syn in ’t soetste van ons jeught, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>In ’t allerschoonste van ons tijt, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>En dat wy die niet sonder vreught +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Dus klackloos worden quijt. +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Wanneer den grijsen ouderdom +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>De groente van ons jeught verdort, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Dan komen all’ ons lusten om +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>De vreught wordt opgeschort.</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 " lang="nl-1600"> +<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Dus wel an. +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Laat ons dan, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Wijl men magh +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>En de tijt +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Sullix lijdt +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Met verdrag +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Recht lustigh wesen, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Vreught wort gepresen, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En lachen in ’t gelach.</span></p> +</div> +<p>“Gij schijnt vroolijk, landman!” zeide de reiziger, nadat de dorpeling zijn lied <span id="d0e5651" class="corr" title="Bron: geeindigd">geëindigd</span> en zijn groet met een wederkeerig <span class="letterspaced">gen avond</span> beantwoord had. + +</p> +<p>“Dat ben ik ook, koopman!” was het antwoord: “en wie zou ook niet vroolijk wezen op zoo een schoonen avond? en althans as +men zoo een goede welkomt’huis met brengt, alhoewel de vracht zwaôr enoeg is.” + +</p> +<p>“Het lijken wel hammen, die gij daar in uw mars hebt,” merkte de reiziger aan. + +</p> +<p>“Dat raodt ge de koekoek, koopman!” hervatte de dorpsbewoner: “het zijn Westfaolingers en dus zullen ze er wel op lijkenen. +Ik heb ze bij occasie ekregen, en blij toe! want ze zeggen het zal haast weer oorlog wezen en dan: hadie vreemde producten.... +is ’t nietwaôr, koopman?” + +</p> +<p>“Maar ziet ge dan niet, vriendlief,” zeide zijn reisgenoot, “dat ik geen koopman ben?” Hier wees hij op zijn degen. + +</p> +<p>“Dat oe de pikken!.... wat zijt ge dan? toch geen soldaôt, hoop ik: want dan zeg ik: <span class="letterspaced" lang="fr">beso los manos. Bonsoer mon frinte, adiu!</span> en gaat oe rechts, ik slaô linksom; want de soldaôten zijn maôr boerenplaôgen. Hoe zeit het liedeken? + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span><span class="letterspaced" lang="fr">Tire le vin!</span> ’t sa spoelt de glazen! +</span></p> +<p class="line" style=""><span><span class="letterspaced" lang="fr">Faictes grand chère</span>, laet droefheyt staen +</span></p> +<p class="line" style=""><span>En laet ons roepen, tieren, rasen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span><span class="letterspaced" lang="fr">Vive la guerre!</span> de krijg gaet aen.</span></p> +</div><a id="d0e5685"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5685">172</a>]</span><div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>’t Sa lustigh! ’t sa, laet het glas omgaen. +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Ick moet nu pooien, want ick sal weer +</span></p> +<p class="line" style=""><span>De boeren plagen, ’t kan nu niet dragen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Of ick een daeldertje meer verteer.”</span></p> +</div> +<p>“Ik ben een afgedankt krijgsman,” zeide de officier, lachende: “ge hebt dus van mij niets te vreezen, noch voor u noch voor +uw hammen.” + +</p> +<p>“Warentig! nou, dan is ’t alles zeven,” zeide de boer, zijn reisgenoot op den schouder kloppende: “maôr wat pots honderd tausent +slapferment is dat? oe kleeren zijn zoo nat as er an toe! waôr het oe gezeten? het oe in de sloot elegen?” + +</p> +<p>“Zoo half en half,” was het antwoord van zijn reisgenoot. + +</p> +<p>“Wel me dunkt wel hiel ende al,” hernam de landman, hem van top tot teen in oogenschouw nemende: “en mot je nog ver loopen, +eer je oe voor een viertje drogen kunt?” + +</p> +<p>“Nog een goede stond. Ik ga naar Sonheuvel.” + +</p> +<p>“En zal oe met dat natte pak den Rijn overvaren? Dat zal <span class="letterspaced">pardienne</span> niet beuren. Eerst kan je in onze keuken oe wat wermen, man!” + +</p> +<p>“Van harte gaarne: en dan wil ik de onkosten van een flesch wijn dragen om samen uit te drinken,” zeide de officier. + +</p> +<p>“Jij bent een nobele baôs!” hernam de boer: “maôr niemand zal van Gheryt Maessen ooit zeggen, dat ie zich in zijn eigen woning +heeft laten trakteeren: wijn zal ik oe geven, zonder dat hij oe een duit kost; want de mensch moet zich zoowel van binnen +als van buiten verwermen.” + +</p> +<p>“Daar zegt ge wel an, landman!—en om u te toonen, dat ik ook liedekens weet, zoowel als gij: + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Is ’t weer te guur, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>By Knelisbuur +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Daar stookt men ’t vuur +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En warmt men sich de leden. +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Vat kou ons bij ’t lijf, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Dan stelt zijn wijf +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Tot ons gerijf +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Met lekkeren wijn ons tevreden. +</span></p> +<p class="line" style=""><span>En wie dan met tang en met glazen kan schermen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Die kan zich van buite en van binne verwermen.”</span></p> +</div> +<p>“Een klettig lied, en wel ezongen,” zeide de landman: “ik loof warentig, als je niet zoo nat waôrt, oe zoude zingen as onze +dorpszanger, en die is bylo gien prul!” + +</p> +<p>“Wat is uw dorp?” vroeg de reiziger. + +</p> +<p>“Ik woon te Rijming,” antwoordde de boer: “even oet het dorp en krek aan de rivier. ’t Is wel te zien, dat oe een vreemdeling +zijt, anders zoude oe Gheryt Maessen wel kennen, den vroolijksten knaap van de hiele waard.” + +</p> +<p>“Ik ben verscheidene jaren buitenslands geweest,” zeide de officier: <a id="d0e5745"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5745">173</a>]</span>“doch gij moet in dien tusschentijd hier zijn komen wonen; want te voren kende ik al de landluiden uit den omtrek zoogoed +als mij zelven.” + +</p> +<p>“Dat ben ik,” hernam Gheryt Maessen: “van te voren woonde ik aan gene zijde van Tiel en was veerman over de Waal; een goede +bediening en een gemakkelijk postje; maôr ik ben om de religie vervolgd eworden.” + +</p> +<p>“Om de religie?” vroeg de officier verbaasd. + +</p> +<p>“Jaô! jaô! mag een gemeen niet evengoed om de religie vervolgd worden as een edelman?” vroeg de landbewoner, eenigszins gebelgd: +“ik zeg oe man, ik werd van Arminianerij beschuldigd en te gelijk met de schepens Tymen Tymenz en Leendert Leendertz van mijn +post afgezet, en die werd aan Teun Wezer egeven, dat een vent is, die boven Arminiaansch boven al in ’t geheel maôr van geen +godsdienst afweet. Ja, zoo gaôt het al in de wereld. Wat zal men doen? Patientie is goed kruid.” + +</p> +<p>“Teun Wezer!” herhaalde de jongeling: “die placht een groote strooper te zijn, zoo ik mij wel herinner.” + +</p> +<p>“Dat heit oe recht, sinjeur! en dat was zoo wat zijn eenige treftigheid. Maôr wat was het? de vent had veul voorspraak bij +de groote lui: men zeit wel, dat hum nou en dan wel ereis boodschappen liep naôr den overkant, die zoo maôr half in den haôk +waren; maôr wie kan ’t bewijzen? ’t is maôr, die ’t laôst verteld heit, leeft nog.” + +</p> +<p>“Zoo gij te Tiel zoo welbekend zijt, weet ge voorzeker ook, wie Klaas Meinertz is?” vroeg de vreemdeling. + +</p> +<p>“Of ik Klaas Meinertz ken,” antwoordde Gheryt: “pots dit en dat, wie kent hem niet? of liever, wie kent hum?—Ik kom zoo van +den vent vandaôn: hum heit mij bij occasie die hammen bezorgd; want hum doet negotie in allerlei....” + +</p> +<p>“Zoo! komt ge van hem vandaan?” vroeg de officier, wiens nieuwsgierigheid door deze omstandigheid werd gaande gemaakt: “het +was vol tot zijnent, niet?” + +</p> +<p>“Vol! met kisten en kasten, in ’t voorhuis, ja, dat gaôt wel an.” + +</p> +<p>“Maar met menschen?” vervolgde de reiziger. + +</p> +<p>“Met menschen!” herhaalde zijn reismakker: “dat kan ik juist niet zeggen. Ik heb niemand buiten hem in ’t voorhuis ezien.” + +</p> +<p>“Nu ja, in ’t voorhuis; maar zijn woning is groot.” + +</p> +<p>“Zijn woning groot! dat kan ik ook alweder niet gaôf toestemmen: want behalve den winkel is er niets dan een opkamertje: en +zijn werkplaots is nog aôn de overzijde van de straôt.” + +</p> +<p>“Ik meende echter vernomen te hebben,” hervatte de officier, “dat zijn huis gemeenschap had met het oude konvent van.... van....” +Hier poosde hij om zijn reisgenoot het slot van zijn rede te doen aanvullen. + +</p> +<p>“Van Sinte-Cecilja, meent oe?—Ja, dat was zoo in vroegeren tijd: maôr die is al lang toeëstopt.” + +</p> +<p>“Van Sinte-Cecilia, juist! zoo ik mij wel herinner was er een vrouwenklooster van dien naam, waarvan de nonnen nog niet uitgestorven +zijn zullen, sedert zij her- en derwaarts verhuisd zijn;—en woonden naast dat klooster geen Dominicaner monniken?” +<a id="d0e5779"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5779">174</a>]</span></p> +<p>“Dat heit oe recht. De laatste Prior van de Dominicaners was, gelijk men mij wel verteld heit, van de namaôgschap van den +Heer van Sonheuvel.” + +</p> +<p>“Van den heer van Sonheuvel?.... zou het mogelijk wezen, dat.... maar neen!....” en de reiziger verzonk in diep gepeins. + +</p> +<p>“Jaô,” vervolgde zijn makker, zonder daarop acht te geven: “hum was ien vroom man of is het nog, want ik weet niet of hum +nog leeft, althans naar ’t zeggen van de Paôpschen: ze vertellen al raôre historietjes van hum.” + +</p> +<p>“Zoo!” zeide de officier, wiens nieuwsgierigheid door dit gezegde werd opgewekt: “en wat zegt men dan van dien vromen Prior?” + +</p> +<p>“Jaô,” antwoordde Gheryt Maessen: “voor de waôrheid van het geval staô ik niet in, dat riekt mij zoo paôpsch; maar mijn grootje +heit het mij meermalen verteld. Eens zei een klein onnoozel duvelken tegen ien grooten leepen duvel: kent oe den Prior van +Sint-Dominicus te Tiel?—”jaô, zei de groote duvel weer; nou, zei het duvelken, ik verwed er vijfhonderd stokslagen onder, +dat ik hum van puren schrik zijn stoedeerkamer oetdrijf. Top! zeide daarop de groote duvel: zoo ezeid zoo edaôn: het duvelken +springt in een wip voor den Prior op de tafel, waôrvoor hum bij de keerse te lezen zat, en maôkt honderd kromme sprongen vlak +voor zijn neus; maôr het raôkte den Prior niet eenemaôl aan zijn kouwe kleeren: het duvelken weêr van voren of an: maôr wat +zeit toen de Prior? Duvelken! zeit hum: ik beveel oe, houdy mijn keerse vast:—en het duvelken was zoo veraltereerd en perflext, +dat hum de keerse oet den kandelaôr nam en den Prior lichtte. Nu liep de keerse sterk of en het smeer droop het duvelken op +de vingers, zoodat hum wel ebulkt en ekreten zoude hebben, maar hum dorst niet om den Prior. Eindelijk brandde de keerse hiel +en al weg, en duvelkenmaôt kreeg van den Prior verlof om heen te gaôn; maôr zijn poot was deerlijk verbrand en daôr hum de +weddingschap verloren had, kreeg hum nog vijfhonderd stokslaôgen toe.” + +</p> +<p>“Ik heb die klucht meer gehoord,” zeide de vreemdeling: “doch zij is mij altijd van een veel ouderen Heer van Sonheuvel verhaald +geweest, die lang voor de Reformatie leefde;.... doch dat daargelaten! Kent gij den Heer van Sonheuvel?” + +</p> +<p>“Of ik hum ken?—dat geloof ik! een nobel heer, bij mijn zolen, en zijn dochter is een pronte meid en een goede buur, dat moet +ik zeggen: sinds mijn wijf laôst een kwaôde kraôm ehad heit, komt ze om den aôren dag naar heur kijken en brengt altijd zoo +wat een liflafje met, als kostelijken zoeten wijn en aftreksel van lindebloeisels met een mengsel er bij, dat zij zelvers +maakt, en zoo voort: ik hoop maôr, dat we heur niet kwijtraôken; want zij zeggen, ze gaôt trouwen met den Ambtman Mom, en +misselijken pottentaôt, die heur vaôder wel wezen kon: ik mag hum niet best zetten: misschien wel omdat hum mij mijn post +van veerman het afënomen.” + +</p> +<p>“En denkt men,” vroeg de officier op een toon van stem, dien hij luchtig zocht te maken, “dat zij zin in hem heeft?” + +</p> +<p>“Of zij zin in hem heeft?” herhaalde Gheryt Maessen, een stemmig <a id="d0e5798"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5798">175</a>]</span>gelaat trekkende: “nu vraôgt oe mij ook meer dan ik oe antwoorden kan. Wat zegt het lied: + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Wie weet ooit, wat een meisken wil? +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Nooit zeit ze, hoe ze ’t mient. +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Dan heeft ze deuzen tot heur vriend, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Dan heeft ze weer een aôren gril: +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>’t Valt zwaôr, in ’t stuk der min, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Te weten wat een vrijster dient, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Te kennen heuren zin.</span></p> +</div> +<p>En daôr heeft de maôker van dit referijnken wel deugdelijk elijk in.” + +</p> +<p>“Nu ja, dat is zoo,” zeide de reiziger: “doch wat denkt men in ’t algemeen? Zou de Ambtman nogal kans hebhen om te slagen +in zijn vrijage?” + +</p> +<p>“Kans?” hernam Maessen, verbaasd opziende: “wel man, hoe kan oe zoo iets onnoozels vraôgen? Als men een schoonen naam, een +goed fortuin en een hoogen post heeft, en als men daarbij dan niet oetermate leelijk, niet oetermate dom, niet oetermate old, +niet oetermate boos is, wel dan heeft men, naôr mijn slechte verstand, alle kansen voor zich en maôr een kleintje tegen: wel +is waôr, dat iene kleintje doet de schaôl wel iens overslaôn.” + +</p> +<p>“En wat is dat eene kleintje?” vroeg de officier, op een toon, die te kennen gaf, dat hij het antwoord op zijn vraag zeer +wel voorzag, doch aan Gheryt Maessen het genoegen niet ontnemen wilde van het te geven. + +</p> +<p>“Dat is,” zeide de boer, “wanneer een klein, klein kuipedootje zich in de aôre schaôl plaatst.” + +</p> +<p>De vreemdeling antwoordde niet op deze grap. Een gedachte, wij kunnen voor ’t oogenblik niet beslissen welke, had hem geheel +vermeesterd, en met een diep stilzwijgen verzelde hij den eerlijken Gheryt, totdat deze, op een linksafslaand paadje wijzende, +hem uit zijn mijmering riep met deze woorden: “hier langs gaôn wij naôr mijn woning.” + +</p> +<p>De reiziger zag op en trad zijn vroolijken makker na langs het zandige voetpad. Slechts eenige minuten gaans hadden zij afgelegd. +toen zij, een dijk opkomende, die den vrijen uitkijk belemmerd had. de zilveren stroomen van den Rijn aan hun zijde vloeien +zagen: slechts even bewoog een zachte wind het langzaam vlietend water, en niet meer dan genoeg om op elk golfje den zuiveren +schijn der maan te doen glinsteren. Aan de overzijde der rivier vertoonde zich de lachende oever, met boomgaarden en boomen +en bosschages dicht beplant, welke in de verte zich verbindende en tegen den rijzenden grond oploopende, bij avond de gedaante +van een dicht en majestueus bosch opleverden. Prachtig blakend van den helderen glans der maan, rees de kerktoren van Sonheuvel +uit het geboomte, en daarnevens blonken de leien daken van het slot tusschen de kruinen der lindeboomen. De goede Maessen, +die den rook van zijn <a id="d0e5829"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5829">176</a>]</span>schoorsteen voor zich uit zag omhoogstijgen, verwaardigde het hier beschreven schouwspel met geen enkelen blik, en stapte, +nu hij, zoo hij meende, de keuken reeds begon te ruiken en den welkomstgroet van zijn hofhond hoorde, met verdubbelden spoed +vooruit. Zijn reisgenoot scheen meer gevoel voor de schoone natuur te bezitten; althans hij volgde met trager schreden en +hield het oog onafgebroken op de overzijde der rivier gevestigd, zoolang totdat het pad weder nederwaarts afliep en de dijk +hem opnieuw belette, zich in de beschouwing van dat prachtig natuurtooneel te verlustigen. En, zonderlinge wisseling der menschelijke +gedachten!—nauwelijks was de in hooggestemde mijmeringen verdiepte jongeling verplicht geweest, den dijk voor het lagere pad +te verlaten, of de sombere denkbeelden, die zijn ziel vervulden, verlieten hem: het ideale maakte plaats voor het wezenlijke, +en, met een genoegen, bijna gelijk aan dat van zijn boerschen reisgenoot, zag hij de woning voor zich staan, welke het doel +van hun tocht was: ook hij begon zich in de gedachte te verlustigen, van welhaast bij een warm vuur, onder het gebruik van +een goed glas wijn, zijn zorgen te kunnen verzetten, en zoowel den innerlijken als den uiterlijken mensch te verwarmen. Met +deze aangename gewaarwordingen doordrongen, stapten beiden lustig verder en bevonden zich weldra aan het hek van des huismans +nederige, doch niet geheel onaanzienlijke hoeve. + +</p> +<p>Hartelijk was de verwelkomst, die Gheryt Maessen van zijn gezin ontving, toen hij, met een vroolijk: “gen avond samen!” zijn +woning binnentrad. Zijn bejaarde moeder stond van achter de tafel op, waaraan zij gezeten was, sloeg den huisbijbel, die voor +haar lag, toe, na alvorens haar bril te hebben afgezet en bij de plaats gelegd waar zij gebleven was, en maakte zich gereed +haar zoon te omhelzen. Een eenigszins vermagerde arm richtte het gordijn op eener in den hoek der kamer aanwezige bedstede, +waaruit op een flauwen, doch niet minder hartelijken toon, een: “gen avond vader!” zich liet hooren. Drie kloeke, wel doorvoede +kinderen, waren hun vader reeds in ’t gemoet geschoten en de jongste hing hem om den hals; doch de twee anderen, den vreemdeling +nu bemerkende, die aan vaders zijde binnenkwam, traden beteuterd achteruit en bleven, den wijsvinger der linkerhand over de +benedentanden gekromd houdende, op een afstand staan, van waar zij nu en dan het waagden, de oogen op te slaan, om den vreemdeling +van ter zijde te bekijken. Een keffertje, dat eerst met een geweldige drift op den reiziger was aangetogen en vervolgens al +grommend en knorrend tusschen diens beenen gesnuffeld had, als wilde hij aan de kuiten de plaats uitzoeken, waar het beste +vleesch te happen ware, scheen over zijn onderzoek voldaan: althans het keerde terug en vlijde zich weder bedaard op de warme +plaat ter ruste. + +</p> +<p>“Gen avond, Gheryt!” zeide moeder: “kom, Klaôske! zet een bank voor vaôder als een man. Nu! hoe staôt oe zoo te lanterfanten?—Maôr +kijk, daôr het onze Gheryt nog iemand bij hum, dien ik niet eens ezien had.” + +</p> +<p>“Gen avond vader! gen avond Gherytman!” herhaalde de vrouw <a id="d0e5837"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5837">177</a>]</span>des huizes, haar bedgordijn al verder opschuivende en zich half oprichtende: “komt oe mij niet eens een toet geven?” + +</p> +<p>“Hier ben ik al, vrouwke!” zeide Gheryt, na zijn moeder gekust te hebben: “hier ben ik: hoe staôt het er met sinds van mergen?” +En meteen trad hij toe en drukte zijn vrouw hartelijk in zijn armen. + +</p> +<p>“Dat’s maôr zoo passelijk met onze Els,” zeide moeder: “ze heit weer wat koorts ehad, maôr het eten lijkt er toch nogal esmaôkt +te hebben, nietwaôr ook, Elske?” + +</p> +<p>“Nu, zoolang de appetijt er maôr is, zal het zoo spaôk niet loopen,” merkte de luchthartige Gheryt aan: “ik heb teugen dat +oe weer trek in stevigen kost krijgt, een viertal kostelijke hammen met ebracht: zij zijn puik puik, vrouwke! daar kan oe +staôt op maôken. Maôr kom, Klaôske! zet me fluks eens als een man een bankje an den haôrd en leg mij wat takkebossen op het +vuur: want hier heb ik een wilden vogel bij mij, die aôrs licht verkouen zou raken, nietwaôr ook, man?” Hier klopte hij zijn +gast vriendelijk op den schouder. + +</p> +<p>“En wie heit oe dan met ebracht?” vroeg de moeder, terwijl zij haar bril weer voor den dag haalde en opzette, om den vreemdeling +beter te kunnen zien: “wie is dat heerschop?” + +</p> +<p>“Dat heb ik hum nog niet evraôgd,” antwoordde de zoon met een gullen lach: “de man is doornat, en ik wil hum niet toelaten, +den Rijn over te vaôren eer hum zich eerst wat ewarmd heit.” + +</p> +<p>“Ik hoop niet, moeder!” zeide de vreemdeling, toetredende, “dat ik u eenig ongerijf zal veroorzaken: ik heb mijn gezelschap +uw zoon niet opgedrongen; maar hij heeft mij gulhartig verzocht en even gulhartig heb ik zijn aanbod aangenomen.” + +</p> +<p>“Oe is welkom, heerschop!” zeide de oude vrouw: “men zeun doet wel: want wat zeit de schrift: <span class="letterspaced">ik was vreemdeling en ghij hebt mij geherbergd</span>.” + +</p> +<p>“Bewaôr ons!” riep Gheryt uit, toen de reiziger zich op een houten drievoet naast het nu helder brandend vuur had nedergezet: +“man! wat is oe nat! waôr drommel heit oe ezeten?” + +</p> +<p>”’t Ware best,” zeide de oude vrouw, “dat het heerschop zijn natte kleeren ging uittrekken en een wammes en broek van oe antrok, +Gheryt! want zoo kan de man niet blijven.” + +</p> +<p>“Jaô waôrlijk moeder, dat eloof ik ook;—ei Klaôske! haôl iens ezwind mijn fluweelen wammes en mijn fulpen broek oet de kleêrkas: +en oe Sijmen, krijg eens de brandewijnflesch! een hartversterking zal den man goeddoen!” + +</p> +<p>De reiziger bracht tegen de vriendelijke en zoo wel gemeende verplegingen van zijn gastheer geen bedenkingen in: alleen zeide +hij zoo wat binnensmonds, dat het hem speet, dat men om zijnentwil zooveel omslag maakte; het was echter geen gebrek aan hoffelijkheid, +dat hem belette, iets meer tegen die verzorging in te brengen, maar hij gevoelde zich, door de uitgestane vermoeienis, schrik +en koude, zoodanig verward en versoezeld, dat het hem moeite kostte menige woorden geregeld uit te brengen. Zoolang hij geloopen +en gepraat had, was hij in een staat van overspanning gebleven, <a id="d0e5864"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5864">178</a>]</span>die hem nu des te duurder te staan kwam. Trillend en bevend, en als geheel zonder besef van hetgeen er gebeurde, liet hij +zich door den braven huisman en den oudsten zoon den natten overrok van ’t lijf, en de niet minder natte laarzen en broek +van de beenen halen, welke kleedingstukken vervolgens plaats maakten voor het zondagsgewaad van Gheryt, waarin de vreemdeling +een vrij zonderling voorkomen had. + +</p> +<p>“Zal oe nu niet wat met eten?” vroeg hem zijn gastheer, nadat beiden zich met een goede teug brandewijn verfrischt hadden. +“Kijk, dat lacht oe toe!” en hier wees hij op een grooten schotel rijstebrij, dien de oude vrouw had opgebracht. + +</p> +<p>“Hartelijk dank!” zeide de vreemdeling, met het hoofd op de hand leunende: “gij zijt al te vriendelijk! maar ik zou nu op +’t oogenblik niet in staat zijn, een brok eten door de keel te krijgen. Het best zal wezen, dat ik, zoodra mijn kleeren wat +gedroogd zijn, mij maar weer op reis begeef.”—Met deze woorden rees hij op en poogde een paar stappen te doen; doch zijn knieën +knikten hem onder het lijf, en hij viel weer op zijn bankje neder. + +</p> +<p>“Droomt oe man?” zeide Gheryt: “oe zult van dezen nacht geen stap verder doen, hoor!—Ik loof waarachtig, dat oe niet vrij +van koorts is: blijf oe van dezen nacht maôr hier: wij zullen het wel schikken, dat oe het warmpjes enoeg zult hebben: en +dan kan oe morgen zoo vroeg en laôt weder heentrekken als oe wilt.” + +</p> +<p>“Ik hier blijven?” vroeg de reiziger: “dat zal u immers hinderen?” + +</p> +<p>“Niet het minst! niet het minst! breek daôr oe hoofd maôr niet met. Wat zegt oe moeder? er kunnen immers schoone laôkens in +de bedstee van het opkaômerke worden ebracht, en dan, klaar is Kees!” + +</p> +<p>“De sloopen van de kussens liggen op het rechtsche plankje in het kabinet,” zeide de zieke vrouw, welke uit hare bedstede +het gesprek gehoord had. + +</p> +<p>Nu haastte zich de moeder, het noodige bijeen te zoeken en begaf zich vervolgens naar het opkamertje, alwaar zij het nachtverblijf +van den vreemdeling gereed maakte. Onderwijl stonden de kinderen, met de vertraging, welke dit oponthoud in hun avondeten +bracht, weinig tevreden, om de tafel te nagelbijten, hun oogen strak gevestigd houdende op den rijstebrijschotel. + +</p> +<p>“Het doet mij van harte leed,” zeide de vreemdeling tegen Gheryt, “dat uw moeder zich om mijnentwille zooveel moeite geeft.... +waarom niet gewacht tot na den eten? Uw kinderen zullen kwaad op mij wezen, dat ik hen in die verrichting storen kom.” + +</p> +<p>“Bekommer oe niet,” riep de vrouw des huizes uit hare bedstede: “’t spijt mij maôr, dat ik oe niet helpen kan en dat ik juist +op mijn bed moet liggen: nu, als oe op een aôre keer wederom komt....” + +</p> +<p>“Dan hoop ik u fiks en gezond te vinden,” zeide de reiziger, haar volzin voleindigende; “maar daar komt moeder al weder terug; +houdt u toch niet langer om mijnentwille op, goede vrienden! Ik zal verder wel alleen klaarkomen.” + +</p> +<p>De oude vrouw meldde nu, dat alles op het bovenkamertje in orde <a id="d0e5888"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5888">179</a>]</span>was; waarop Gheryt, de lamp uit haar hand nemende, zijn gast voorlichtte, en naar het slaapvertrek geleidde, waar hij, na +stellig bescheid ontvangen te hebben dat de reiziger niets meer noodig had en het verder wel alleen zou klaren, hem onder +het toewenschen eener aangename nachtrust alleenliet. + +</p> +<p>“Het was toch wat ewaôgd van oe, Gheryt!” zeide de moeder, toen het gansche huisgezin aan den disch was nedergezeten: “het +was toch ewaôgd, dien vreemden man zoo maôr bij ons te noodigen. Ik loof toch, dat hum een hupsche borst is; maôr hum kon +toch ook wel een dief of een moordenaar zijn: hoe kwam hum zoo nat? dat heit hum niet iens willen vertellen!” + +</p> +<p>“Ja moeder!” zeide Grheryt: “dat weet ik niet recht: genoeg was het voor mij, dat de man nat was en ook niet sprak als een +schelm of vagebond. Had de man kwaôd in ’t zin ehad, dan had hum mij immers kunnen doorsteken met ’t braôdmes, dat hum op +zijde heeft, en mij mijn hammen afnemen eer ik er om dacht. En dan, heit oe niet ezien wat een kostelijke goldene keten hum +onder zijn wammes droeg en watte schoone goldene ringen hum aan de hand had?” + +</p> +<p>“God geve,” zeide de meer ergdenkende oude vrouw, “dat hum daôr eerlijk is an ekomen. Doch we meugen onzen naôsten niet oordeelen: +ik wil gaôrne het beste van hum elooven.” + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e5896" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Negentiende Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Het zwoegende ingewant, ontstoken als een oven, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Dreef met benaeuden damp de vlammen op naar boven, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>En schilderde averechts met een verward penseel +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Gemengde vormen en de deelen voor ’t geheel. +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Gelijk het kunstglas, naar zijne eigenschap geslepen +</span></p> +<p class="line" style=""><span>En in een werktuig, naar den eisch van ’t ligt, begrepen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>In eene donkere zaal, op ’t wit paneel der want +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Ons beelden maelt, maar alle in omgekeerden stant.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Antonides</span>. +</p> +</div> +<p>Terwijl de gulle en eerlijke landbewoners hun eenvoudig avondmaal nuttigden en Gheryt zijn wedervaren te Tiel aan het naar +hem luisterend gezin verhaalde, had zich de vreemdeling in het klein, maar zindelijk opkamertje, dat hem tot nachtverblijf +was aangewezen, geheel ontkleed. Het was geen gemakkelijke zaak, de bedstede te genaken, welke hem tot rustplaats verstrekken +moest; zij was ruim zes voet boven den grond verheven en kon niet dan door middel van een ladder bereikt worden. Aan onzen +reiziger echter, die meermalen welverdedigde vestingen bestormd had, viel deze beklimming niet zwaar, en weldra zag hij zich +in de legerstede als een arend in zijn nest verheven. Hij vleide zich nu met het aangename vooruitzicht van een goede nachtrust +te genieten, sloeg zich de dekens <a id="d0e5923"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5923">180</a>]</span>dubbel om ’t lijf en rolde zich zelven als een kluwen ineen, om des te eerder warm te worden: dan, ondanks zijn vermoeienis, +ondanks het hagelwitte beddegoed, ondanks de gemakkelijke ligging, welke hij gekozen had, hij zag zich in zijn hoop teleurgesteld. +De overmaat der afgematheid zelve, de koortsachtige aandoening, welke hij gevoelde en de invloed, welken de gebeurtenissen +van den dag op zijn hersenen en zenuwgestel maakten, beletteden zulks. Hierbij kwam, dat het opkamertje lang was gesloten +gebleven, waardoor de lucht verdikt en bedorven was, vooral in de hooge en bijna aan den zolder reikende bedstede. Uren verliepen +er, en het gansche huisgezin des landbewoners was reeds in een diepen slaap gedompeld, toen de vreemdeling nog in zijn lakens +lag te woelen. Eerst met het aanbreken van den dag gelukte het hem, in te sluimeren: doch de pijnlijke en benauwde droomen, +welke hem overvielen maakten dat de slaap, wel verre van eenige verkwikking aan te brengen, het brandend hoofd en de tintelende +leden nog meer vermoeiden dan het waken zelf. + +</p> +<p>Een droom vooral, welke hem later, in den morgenstond overviel op dat tijdstip, waarin, gelijk men beweert, de droomen een +meer stellige beduidenis hebben en meer dadelijke gevolgen zijn van de werking onzer verbeeldingskracht op onze gedachten, +verdient om zijn zonderlingen aard een meer bijzondere vermelding. De jongeling verbeeldde zich, dat hij op den Rijndijk was +neergezeten, bij het pad, dat hij den avond te voren was langs gekomen om des huismans woning te bereiken. De verbeelding +zet bij al wat zij ons schildert nog sterkere kleuren bij dan de waarheid geven kan: zoo was ook het maangezicht, waarop onze +reiziger in zijn droom bleef staren, nog heerlijker dan de wezenlijkheid zelve. Terwijl hij nu in gepeins aan den oever der +rivier gezeten was, bezag hij zijn gewaad en bevond tot zijn verbazing, dat hij een geestelijk kleed aanhad, en wel dat van +den Prior, van wiens wondere heiligheid hem door Gheryt was verhaald geworden. Dan, opziende, zag hij nu met geen mindere +bevreemding, het duiveltje met de kaars in de hand naast hem zitten, en wel zoo dicht, dat het schijnsel der vlam hem belette +de overzijde te zien. Dat duiveltje had volkomen de gelaatstrekken van den zoo raadselachtigen Van Dyk, of hoe hij heeten +mocht. Terwijl hij er over peinsde, hoe zich best van het bijzijn eens zoo zonderlingen lichtblakers te ontslaan, ontdekte +hij een jonkvrouw, welke in een fraaie zeeschelp gezeten en omstuwd door een drom van monniken, predikanten en edellieden, +waaronder zich Mom en Groenhof bevonden, de rivier kwam afvaren en recht op hem aanhield. Zonder dat hij het gelaat der jonkvrouw +onderscheiden kon, herkende hij haar (gelijk zulks in droomen meer geschiedt) aan een zekere ingeving, voor de Freule van +Sonheuvel. Dadelijk stond hij op om haar te gemoet te gaan; doch ook het duiveltje stond te gelijk op en bleef hem de kaars +voor de oogen zwaaien als met oogmerk om hem het gezicht der aankomenden te ontnemen. Woedend wilde de officier zijn degen +trekken om het lastige nikkertje te doorboren; doch in de plaats van een lemmer haalde hij niets dan een lange haneveder <a id="d0e5927"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5927">181</a>]</span>uit de scheede en bleef verbijsterd staan. Het satannetje sprong nu, luidkeels lachende, van zijn zijde weg en op de schelp, +welke, zich uit het water opheffende, met de jonkvrouw en het duiveltje verdween, terwijl de gansche hoop, die de schoone +verzeld had, op den ongewapenden reiziger aanviel. Tegen de menigte niet bestand, vluchtte hij, kwam weder binnen het klooster +der heilige Cecilia, doorkruiste het in alle richtingen, altijd op de hielen door de op hem verbitterde vijanden nagezeten, +en ontmoette eindelijk een page, die hem beleefdelijk bij de hand nam en in een zijvertrek geleidde, alwaar hij een bejaarde, +deftige dame vond, welke hem zoo teeder omarmde, dat hij, van aandoening overstelpt, in tranen uitbarstte en op dat tijdstip +ontwaakte. + +</p> +<p>Spoedig echter sliep hij weder in, en de nachtmerrie, welke hem nu plaagde, was van nog erger natuur dan de vorige. Thans +lag hij achterover in de breede gracht der stad Tiel, en op zijn borst zat de eerzame Klaas Meinertz te paard, die hem met +de knieën de ademhaling belette, terwijl Teun Wezer, de veerman aan de Waal, den armen lijder met een schuitriem op het hoofd +sloeg. Hij wist echter tusschen de beenen van den ouden schrijnwerker door te kruipen en wilde tegen een muur opklauteren, +toen de hem onbekende Abdis van Sinte Cecilia toetrad en hem achteroversmeet, zoodat hij tuimelde en van een vrij aanmerkelijke +hoogte nederviel; want bij het ontwaken bevond hij zich op den vloer van het vertrek aan den voet der bedstede liggen, en +de pijn, welke hij in de lenden gevoelde, belette hem wel, ook dit voor een droom aan te zien. + +</p> +<p>Hij stond op en wierp het venster open. De zuivere en aangename morgenlucht, die hem tegenkwam en het vertrek vervulde, bracht +hem de verfrissching aan, welke hij vruchteloos in den slaap gezocht had. Nadat hij een lange wijl de oogen had doen weiden +over het bevallige landtooneel, dat zich voor hem opdeed, en hetwelk reeds gestoffeerd werd door onderscheidene arbeiders, +die hun dagwerk verrichten gingen, begon zijn hoofd weder te hangen en zijn oogen sloten zich. Overtuigd, dat vooral de bedomptheid +van het vertrek zijn droomen zoo zwaarmoedig gemaakt had, besloot hij het raam open te laten, en zich weder in het bed te +begeven. Nu eindelijk genoot hij een rustige, verkwikkende sluimering, en, bij zijn ontwaken, gevoelde hij zich weder een +geheel ander mensch, in staat om nieuwe vermoeienissen te doorstaan. + +</p> +<p>Opgerezen, schoot hij de kleeren van Gheryt Maessen weder aan, daar zijn eigene bij den haard in het benedenvertrek waren +gebleven, en maakte hij zich gereed derwaarts te gaan, toen hij uit dat benedenvertrek een vrouwenstem hoorde komen, welke +hem bekend voorkwam, ofschoon zij aan geen der inwoners van de boerderij behoorde. Hij plaatste, om zich van de waarheid zijner +opmerking te overtuigen, het oog voor het sleutelgat, en werd het volgende tooneel gewaar. + +</p> +<p>Naast de bedstede, waarin de zieke vrouw gezeten was, bevond zich een jonge, welgekleede juffer, die de eene hand der lijderesse +in de hare hield, en, op een deelnemenden toon, naar den staat van <a id="d0e5937"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5937">182</a>]</span>haar gezondheid vroeg. Bevalliger voorwerp dan deze jeugdige schoonheid was ongetwijfeld zelden in hut of hof gezien geweest. +Over haar sprekende, groote blauwe oogen, wier gewone majesteit in dit oogenblik door den zachten invloed van medelijden en +deelneming getemperd werd, vertoonden zich twee gitzwarte wenkbrauwen, sierlijk afgeteekend op het spierwit, met blauwe adertjes +doorkronkeld voorhoofd. Twee golvende haarvlechten vielen naar de toenmaals heerschende manier langs den blanken hals op den +zwellenden boezem af, wiens heerlijke vormen zich slechts gissen lieten onder het hooge ochtendkleed en den breeden kraag, +welke de jonkvrouw tegen de morgenlucht beveiligden. Het rozerood mondje, ten halve tot een vriendelijk lachje geopend, vertoonde +twee rijen van hagelwitte en in grootte volkomen gelijke tandjes: het eirond kinnetje en de anders misschien wat al te bleeke, +doch thans door de beweging met een frissche kleur geverfde wangen, waren met kuiltjes voorzien, die de droefgeestige tint, +welke op het gelaat verspreid was, op een bevallige wijze afbraken: in ’t kort, het geheel leverde een alleraanminnigst voorkomen +op, waarin ernst en minzaamheid, droefheid om eigen leed en belangstelling in den toestand van anderen zoo duidelijk te lezen +waren, dat de Freule (want dit was de rang der schoone) ongetwijfeld ware gekozen geweest, indien men een natuurlijk afbeeldsel +der Christelijke hoofddeugd, de liefdadigheid, had willen daarstellen. + +</p> +<p>Naast de Jonkvrouw stond Gheryt Maessen, die reeds zijn vroege ochtendwerk verricht had en voor het ontbijt was teruggekeerd: +hij staarde, terwijl hij over een stoel leunde, de weldoenster van zijn huisgezin met een open mond en een gullen blik aan. +De oude vrouw was bezig het ochtendeten te bereiden, waar de kinderen reeds naar hunkerden, en inmiddels was zij in een druk +gesprek gewikkeld met de kamenier der Jonkvrouw, welke bij haar stond, en waarvan wij onzen lezer niets zullen zeggen, vermits +hij reeds lang met haar bekend is. + +</p> +<p>“Zoodat gij u, over ’t geheel, beter bevindt dan laatst,” zeide de Jonkvrouw met een zachte en vriendelijke stem tegen de +bedlegerige vrouw. + +</p> +<p>“Ongelijk beter, Freule!” was het antwoord: “en ik mag het wel voornamelijk dankweten aan oe vriendelijkheid. Ik hoop morgen +op te komen, zoo alles welgaôt: en dan, met Gods hulp, aanstaônden Zundag mijn iersten kerkgang te doen.” + +</p> +<p>“Wij zijn zooveel in oe schuld, mijn lieve Freule!” zeide Gheryt, terwijl hij zich een traan uit het oog wischte, “dat wij +oe nooit zullen kunnen vergelden.” + +</p> +<p>“Spreek daar niet van,” hernam de Freule, “voor eenige nietige drankjes, die ik u heb laten klaarmaken.” + +</p> +<p>“Neen, Freule!” zeide Gheryt met warmte: “het is niet alleen voor die drankskes, dat ik oe dankbaôr ben: ’t is voor oe vriendelijkheid, +om mijn goede vrouw van het eerste oogenblik van heur ziekte zoo trouw te komen bezoeken, alsof ze oe maôgschap waôre; ’t +is voor oe dienstigheid en zorg, om alles wat heur laven en <a id="d0e5951"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5951">183</a>]</span>helpen kost, oet te denken en heur te doen eworden: ’t is voor de eer, die oe aan mijn nederige woning hebt edaôn, dat ik +oe dankbaôr ben. Vaôder moge zooveel hum wil, spreken van zijn ongelijkelijke Mevrouw van Nassau, ik zeg maôr, dat onze lieve +Freule van Sonheuvel gaôr zoo goed is.” + +</p> +<p>“Woont uw vader bij de Gravin van Nassau?” vroeg de jonkvrouw met eenige bevreemding: “dat heb ik nooit geweten.” + +</p> +<p>“Dat is te zeggen, Elskes vaôder, Feurich, die dient er als koetsier.” + +</p> +<p>“Feurich!” herhaalde Ulrica: “o! dien ken ik zeer goed: hij heeft mij dikwijls in ’t bosch rond laten rijden. Een goede, brave, +ronde Bergsman! En is hij uw vader, Elske?” + +</p> +<p>“Jaô, lieve Freule!” gaf deze ten antwoord: “en hum heit in zijn leven ook ander werk edaôn dan paôrden mennen. Hum was in +zijn tijd, toen de olde Graôf van Falckestein nog leefde, de aanvoerder van zijn Haôneveeren en een wakker ruiter, dat beloof +ik oe. Daôr op den schoorsteenmantel in die porseleinen pot staôt nog de haôneveer, die hum op zijn helm droeg en die hum +mij egeven heit om an de kinderen te wijzen en hun te zeggen, dat zij altijd braôf en trouw zijn moeten als hun grootvaôder.” + +</p> +<p>Hier wendde de officier het oog, dat tot nog toe op de Freule was gevestigd geweest, naar den schoorsteenmantel, en nu herinnerde +hij zich die haneveder ook den vorigen avond opgemerkt te hebben, waaruit hij de omstandigheid verklaarde, dat hij juist van +een dergelijke veder gedroomd had. + +</p> +<p>“En waar hebt gij dan kennis met de dochter van Feurich gemaakt?” vroeg de Freule, zich weder tot Gheryt keerende. + +</p> +<p>“Jaô, dat is nu tien, twaôlf jaôren eleden, of daaromtrent,” zeide Gheryt: “toen was ik bij Duisburg boerewerk gaôn doen, +want mijn vaôder woonde tusschen Maôs en Waôl; Mevrouw van Nassau was ook weer op heur slot te Bruck ekomen en zoo maôkte +ik door de nabuurschap kennis met Elske. Na ons trouwen kwam ik, omdat vaôder estorven was en ik moeder niet alleen kon laôten +zitten, weer bij haôr en werd al spoedig tot veerman anësteld: maôr oe weet, dat die vreugd kort eduurd heeft.” + +</p> +<p>“Jaô,” zeide de oude vrouw: “Gheryt heeft al wat ezien in zijn leven, en wat met moeder moeten optrekken en rondzwerven. Had +hum mij niet ehad als een blok aan ’t been, hum had wel verder voortkomen: maôr hij is altijd een vrome zoon eweest en heit +zijn moeder niet willen alleen laôten zitten.” + +</p> +<p>“Zoo ik moeder had laôten zitten,” hernam Gheryt, “dan ware ik immers geen knip voor den neus waôrdig eweest. Heit moeder +mij laôten zitten, toen ik een klein en hulpeloos knaôpje was? Ik kan heur immers niets doen, dan ’t geen zij mij duizendmaôlen +edaôn heeft.” + +</p> +<p>“Kom! kom!” zeide de oude vrouw: “ik mag oe wel prijzen: er zijn zooveel zoons, die nooit naôr heur moeder omzien; maôr oe +zult er oe loon voor hebben: oe zoons zollen oe ook wel behandelen als zij groot zijn, althans ik hoop het: en oe ook, Freule! +wensch ik, als oe eens trouwen meugt, zoo’n braôven zoon als mijn Gheryt.” +<a id="d0e5973"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5973">184</a>]</span></p> +<p>“Wel, moeder!” hervatte Gheryt: “oe zoudt mij konfuis maôken. En wat zoude de Freule met zoo’n lomperd van een zoon maôken?” + +</p> +<p>“Nu! ik meen, wat de getrouwigheid en dankbaôrheid betreft,” zei de moeder: “wat denkt er de Freule van?” + +</p> +<p>“Een brave zoon als de uwe zou alle moeders gelukkig maken,” antwoordde de Freule: “maar daar denken wij nog niet aan: eerst +moet ik zoo een braven man hebben zooals hij is, en komen die tijden, dan komen die plagen.” + +</p> +<p>“Nu, die tijd is misschien zoover niet af,” hernam de oude vrouw: “ik heb al zoo wat hooren mompelen. Kleur maôr niet, Freule! +Ik hoop de goede God zal alles ten beste keeren.” + +</p> +<p>“Amen!” zeide de Freule zuchtende. + +</p> +<p>“Draagt gij die kleeren ’s Zondags, Gheryt?” vroeg de kamenier, met een schamperen lach op het lederen buis en de hozen des +vreemdelings wijzende, die nog voor het vuur te drogen hingen. + +</p> +<p>“Die kleeren daôr?—neen, die zijn van een reiziger, die den nacht bij mij is over ebleven: hum leit daôr nog op dat bovenkaômerke +te snorken.” + +</p> +<p>“Dan zullen wij maken weg te komen, eer hij wakker wordt en ons hier vindt,” zeide de Freule: “kom, Magdalena!” + +</p> +<p>“Tot uw dienst, Freule!” zeide deze: “het zal onze tijd ook worden: de bloemvazen moeten nog opgesierd worden eer de gasten +komen, die Mijnheer van morgen verwacht.” + +</p> +<p>“Nu! dat is voor u het werk van een oogenblik, Leentje!” zeide de jonkvrouw: “er is niemand die zich op het bloemenschikken +zoo verstaat als gij.” + +</p> +<p>“Ook heb ik het veel gedaan in mijn jeugd,” hervatte Magdalena: “maar,” voegde zij er zachtkens bij, terwijl zij ten hemel +opzag, en zuchtte: “voor wie?” + +</p> +<p>“Gaôt gij al heen, Freule?” vroeg Gheryt: “en dat zonder mijn verken te zien!” + +</p> +<p>“Uw varken!” zeide Ulrica lachende: “mijn goede Gheryt, ik heb zooveel varkens in mijn leven gezien, dat ik naar het uwe niet +nieuwsgierig ben.” + +</p> +<p>“Jaô maôr, Freule!” hernam Gheryt, op een toon, die aanwees hoeveel prijs hij er op stelde, dat zijn verzoek hem werd toegestaan: +“ons verken is geen verken als een aôr: weet oe wel, dat het 560 pond weegt: en dan.... als oe het gezien had, zoude oe er +met eigen oogen van ewagen kunnen;—want ik had nogal hoop om.... ik zoude gaôrne.... weet oe?....” + +</p> +<p>“Ik begrijp er niets van,” hernam Ulrica: “of gij moest verlangen het mij te verkoopen?” + +</p> +<p>“Neen, dat is het niet, Freule!.... alleen maôr.... oe weet, dat de Utrechtschen binnenkort een hofbeer naôr Den Haôg sturen: +als ik nu zoo gelukkig mocht zijn, dat mijn verken daôrtoe ekozen werd, en oe wolde mijn voorspraôk zijn; want de verkooper +van het verken mag het naôr Den Haôg brengen en wordt kost- en schadeloos esteld.” + +</p> +<p>“Aha! nu begrijp ik, waarom ik het varken moest zien, doch <a id="d0e6008"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6008">185</a>]</span>waarlijk mijn krediet is zeer gering, en althans in zulke omstandigheden ben ik geen zaakkundige.” + +</p> +<p>“O!” vervolgde Gheryt: “ik heb juist hammen ekocht om niet aan mijn fraaien hof beer te raken: en als oe er maôr een woord +met den heer Ambtman van sprak, dan ben ik overtuigd, dat.....” + +</p> +<p>“Op een anderen tijd, Gheryt!” zeide de Jonkvrouw, zich omdraaiende, om de kleur te verbergen, welke haar gelaat bedekte. +Door deze lichaamswending vielen haar oogen op de kleeren des reizigers en voornaamlijk op den groenen bandelier die, van +nabij beschouwd, zeer aardig geborduurd bleek te zijn met tien verschillende kleuren van groen. “Ja, Freule:” zeide Magdalena, +het in de hand nemende: “dat werk is zoo net en keurig gedaan of het uw eigen ware.” + +</p> +<p>De Jonkvrouw naderde en beschouwde den bandelier eerst met onverschilligheid, vervolgens met aandacht, eindelijk, als uit +haar geheele houding bleek, met ontsteltenis. Haar kleur verschoot, zij kneep Magdalena bevend in de hand, keerde zich om, +wenschte den huisgenooten vaarwel en spoedde zich, zonder naar hun herhaalde dankbetuiging en heilwenschen te hooren, de deur +uit met een zoo overhaasten stap, dat Magdalena haar nauwelijks volgen kon. + +</p> +<p>“Mijn hemel, Freule!” zeide deze, terwijl zij zich, den dijk langs, naar het veer begaven: “wat schort u? Gij zijt ontsteld! +gij beeft! welke plotselinge schrik heeft u bevangen?” + +</p> +<p>”’t Is niets, Leentje! ’t is niets!” antwoordde Ulrica, stilstaande en op Magdalena’s arm leunende: “’t gaat alweder over: +’t was de benauwdheid: er was wat rook in mijn keel geslagen.....” en zij berstte in tranen uit. + +</p> +<p>“Ik heb wel gehoord, dat men schreit, als er rook in de oogen komt,” merkte de deftige kamenier aan: “maar niet dat men in +tranen uitberst, althans niet als de rook enkel in den mond komt. Daarenboven brandde, zooveel ik gezien heb, het vuur zeer +helder, en steeg de rook zeer goed naar boven.” + +</p> +<p>“Ik ben kinderachtig,” zeide de Jonkvrouw, haar tranen afwisschende, doch met snikken voortgaande: “ik ben kinderachtig: doch +waarlijk, ik kon het niet helpen: ik gevoelde mij opeens zoo zonderling te moede.... misschien heeft het bezoek mijn zenuwen +aangedaan.” + +</p> +<p>“Willen wij niet terugkeeren en u een glas water geven?” vroeg Magdalena. + +</p> +<p>“O neen! voor geen geld van de wereld,” zeide Ulrica haastig: “ik zou mij dood schamen: het wandelen zal mij goeddoen. Geef +mij uwen arm en laat ons wat aanstappen: ik zal spoedig weder beter zijn.” + +</p> +<p>“Was het ook,” zeide de kamenier, nadat zij een poosje zonder te spreken waren voortgewandeld en de Jonkvrouw eenigszins bedaarder +scheen: “was de rook, die u hinderde, ook bijgeval de wasem, die uit den groenen bandelier opsteeg? Gij zucht, Freule! Zou +ik het waarlijk geraden hebben? Ik begrijp niet....” + +</p> +<p>“Ja, Leentje!” antwoordde Ulrica, beschaamd de oogen nederslaande: <a id="d0e6032"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6032">186</a>]</span>“het was die groene bandelier: ik moet het u wel bekennen, omdat gij het zoo dadelijk raadt, en omdat ik het voel, dat mijn +kleur mij verraden heeft. Ach! die bandelier herinnert mij een soortgelijken, dien ik, toen mijn neef.... weet gij, Leentje! +die wees, die met mij opgevoed is.... die....” + +</p> +<p>“Ik weet al wie UEd. bedoelt: dien Spaanschen voedsterling van Mijnheer, die naar Bohemen vertrokken is, eenige jaren nu geleden.” + +</p> +<p>“Dezelfde!—Bij dat vertrek vervaardigde ik voor hem een degenhanger, juist gelijk aan dengenen, dien wij daar zagen en ik +kon niet nalaten, mij zulks te herinneren, en daarbij al de genoegens, die ik met dien besten jongen gesmaakt heb.... en de +hartelijkste vriendschap, die ik hem toedr....oeg.... toen wij kinderen waren....” + +</p> +<p>“UEd. heeft gelijk er dit laatste bij te voegen,” zeide Magdalena: “het zou thans weinig passen hem genegen te zijn, nadat +UEd. de overtuiging heeft, dat hij een Spanjaard, althans van Spaansch ras is.” + +</p> +<p>“Kan hij het helpen, Magdalena? Heeft hij zich zelven zijn ouders kunnen kiezen? O! zoo gij hem gekend hadt, gij ook hadt +hem liefgehad. Iedereen op het slot, in het dorp, in het leger, had hem lief. Zingen onze goede Dominee, de oude Geert en +Bouke niet om strijd zijn lof? Bemint mijn vader hem niet alsof hij zijn eigen zoon ware? en kan mij iemand ten kwade duiden, +dat ik hem met zuster-teerheid bemin?” + +</p> +<p>“Ik weet niet, Freule!” merkte de kamenier met nadruk aan: “of die zusterlijke liefde den Heer Ambtman erg aan zou staan!” + +</p> +<p>“En ik weet niet,” hervatte Ulrica op een scherpen toon, “met welk recht zich de Heer Ambtman over mijn gevoelens zou bekommeren.” + +</p> +<p>“Verschoon mij, Freule!” zeide Magdalena: “ik beken, dat zijn ambtsgericht zich niet over de neigingen evenals over de bezittingen +van anderen uitstrekt; maar ik dacht, dat hij als uw aanstaande echtgenoot ten minste eenige aanspraak mocht hebben op uw +onverdeelde liefde.” + +</p> +<p>“En wie zegt, dat hij mijn aanstaande echtgenoot is?” vroeg Ulrica. + +</p> +<p>“Wie?—de gansche wereld.” + +</p> +<p>“Zoo!—ik dacht, dat ik de eenige persoon was, die hieromtrent beslissend spreken kon; doch het is hieromtrent als met meer +dingen: elk weet, wat van de zaak is en spreekt er op stelligen toon over, behalve degene, wien zij aangaat.” + +</p> +<p>Hier werd heur gesprek afgebroken, doordat zij aan het veer gekomen waren, alwaar de oude veerman haar reeds in zijn boot +verbeidde, terwijl zijn knecht wat verder aan de groote veerschuit stond te wachten op eenige ruiters, die hij in de verte +van de zijde van Tiel zag aankomen. Met kracht van riemen bracht de grijsaard de beide vrouwen naar de overzijde, en dankte +zeer beleefdelijk de Freule (toen deze bij ’t uitstappen hem een driedubbel veergeld betaalde) voor de eer, die zij aan zijn +bootje had bewezen. + +</p> +<p>“Is het waar, wat ik gehoord heb, Freule?” vroeg, toen zij verder opwandelden, de kamenier, die het gesprek scheen te willen +terugbrengen <a id="d0e6058"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6058">187</a>]</span>op het punt waar zij gebleven waren, “is het waar, dat de Koning van Bohemen hals over kop herwaarts komt?” + +</p> +<p>“Men zegt zoo.” + +</p> +<p>“Dan zal misschien ook uw.... hoe zal ik hem noemen?.... uw vriend weldra terugkeeren.... maar wat praat ik?.... alsof hij +UEd. niet zou geschreven hebben, wanneer hij weder hier dacht te wezen.”—Hier zag zij haar meesteres vragend aan. Deze antwoordde +op een onverschilligen toon: + +</p> +<p>“De laatste brief, dien mijn vader van hem ontvangen heeft, meldde, dat hij gezond en wel was: sedert zijn er, althans hier, +geen boden uit het leger gekomen.” + +</p> +<p>“Dan zal hij UEd. misschien zelf komen verrassen; ware het nu niet beter, Freule (verschoon mijn vrijpostigheid; maar ik heb +meer jaren, en helaas! meer ondervinding dan UEd.) dat men hem vooreerst niet te lang op het slot vertoeven liet om de jaloezie +van den Heer Ambtman niet op te wekken? want deze is jaloersch, gelijk iedereen die waarlijk verliefd is.” + +</p> +<p>Ulrica zag, op het hooren van dezen zonderlingen en ongevergden raad, haar kamenier aan met een ontevreden en verwonderden +blik, haalde de schouders op en vervolgde haar weg zonder een woord te spreken. Magdalena liet zich echter hierdoor niet afschrikken. +“Verbeeld u, Freule!” ging zij voort: “dat die Spanjaard en de Heer Ambtman elkander bij uw vader aantroffen. Het kan niet +missen, of de tegenwoordigheid van een jongeling, die vertrouwelijk, ja broederlijk, met u omgaat en aan wien UEd. wederkeerig +blijken van genegenheid geeft, zal den naijverigen minnaar, die tot nog toe alleen de begunstigde was, grieven: onrust, nijd, +twist en de hemel weet wat meer, kunnen hiervan de gevolgen wezen.” + +</p> +<p>“Magdalena!” zeide de Freule, het hoofd met waardigheid opheffende: “gij kent mij. Ik ben niet trotsch, niet hoog jegens mijn +minderen. Ik schuw geen gesprek ook met de dienstboden, en leg iemand noode het zwijgen op, hoeveel meer aan u, voor wie ik +achting heb. Maar thans ben ik verplicht u te verbieden verder een woord te reppen over het onderwerp, dat gij zoo allerongelukkigst +tot stof onzer samenspraak gekozen hebt. Het past u niet, zulks te behandelen; niet omdat gij mijn kamenier zijt; maar omdat +het niemand, behalve mijn vader, voegt, mij op een dergelijke wijze over een zaak van zoo teederen aard te onderhouden.” + +</p> +<p>“Verschoon mij, Freule!” hervatte Magdalena op een koelen toon, die van bitsheid niet vrij was: “verschoon mijn dwaasheid +van te denken, dat de erfdochter van Sonheuvel boven haar gelijken verheven was, en dat zij somwijlen het oor aan goeden raad +wilde leenen. Ik zie, dat ik mij bedrogen heb in deze omstandigheid; maar ik hoop slechts, dat UEd. nimmer mijn vrees bewaarheid +moge zien.” + +</p> +<p>Het verwijt trof Ulrica; doch zij hield zich overtuigd, welgedaan te hebben, en antwoordde dus niet. Ook zweeg Magdalena, +’t zij dat zij geen trek had zich aan een nieuwe bestraffing te wagen, ’t zij dat zij de uitwerking, welke haar gezegde gehad +had, wel verwacht of zelfs verlangd had. +<a id="d0e6076"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6076">188</a>]</span></p> +<p>Nadat zij eenige schreden waren voortgetreden, deed een gerucht van naderende ruiters beiden omzien, en zij ontdekten den +Ambtman met zijn <span class="letterspaced">fidus Achates</span>, Elbert van Botbergen, benevens eenige dienaars, die heur op een goeden draf achterop kwamen rijden. + +</p> +<p>“Is ’t mogelijk?” riep Mom, die, zooras hij Ulrica gewaarwerd, zijn paard intoomde, gelijk de overigen deden: “kan ’t zijn, +dat het eerste voorwerp, dat zich aan deze zijde des Rijns aan mijne oogen voordoet, onze bevallige gastvrouw zijn moet? Mag +ik reeds zoo vroeg het doel mijner reis, het toppunt mijner wenschen bereiken?” + +</p> +<p>“Het voegt mij, UEd. om verschooning te vragen, dat UEd. mij hier nog ontmoet, daar ik reeds op het slot moest wezen om alles +voor uw ontvangst in gereedheid te brengen.” + +</p> +<p>“Ik voel dien zet,” zeide de Ambtman met een buiging: “Ik kom te vroeg; doch het verlangen om u te zien, mijn waarde Freule!”.... + +</p> +<p>“In ’s Hemels naam, Heer Ambtman,” zeide Ulrica lachende: “laat ons geen <span class="letterspaced">euphuïsme</span> beginnen in den smaak van sommige Haagsche hofheeren, die in Engeland fraaie manieren geleerd hebben. Wij zijn hier op het +land: wij moesten de plichtplegingen daarlaten.” + +</p> +<p>“Gewis!” zeide Botbergen, die van de gansche samenspraak niets gehoord had en alleen op de laatste woorden lette van Ulrica, +die hem nog onbekend was: “al die snorrepijpen en tilerantijntjes dienen nergens toe: ik zeg daarom eenvoudig: goên dag, meiske! +ik had niet gedacht, dat wij nog zoo een knappe deerne zouden zijn tegengekomen, na de varkens, die ons van morgen aan de +poort ontmoet hebben, daar zulks anders zelden iets goeds beduidt. Nu, dit geeft weder goeden moed; doch laat ons wat voortjassen, +Ambtman! anders komen wij te laat op het slot;.... maar pots honderd tausent slapferment!” riep hij uit, Magdalena herkennend: +“Wie is daar?” + +</p> +<p>“Wat rammelt gij toch, Botbergen?” vroeg Mom: “merkt gij <span id="d0e6097" class="corr" title="Bron: uiet">niet</span> wie gij voorhebt? dit is de Freule van Sonheuvel, het pronkjuweel van ’t Sticht. Freule! ik stel u den Heer van Botbergen +voor, een Geldersch edelman, mijn bijzonderen vriend.” + +</p> +<p>“Dat is zijn beste aanbeveling,” zeide Ulrica, onder ’t voortgaan een hoofdbuiging makende. + +</p> +<p>“Ik verzoek verschooning in dit geval,” zeide Botbergen, “dat ik zoo wat ongepast gesproken heb. Ik kende de Jonkvrouw niet: +ook had mijn bijzondere vriend, de Heer Ambtman, mij wel wat vroeger mogen waarschuwen. Geloof, lieve Freule, dat ik, toen +ik daareven van varkens sprak, geen gedachten had met wie ik sprak:.... gelieft UEd. ook op te zitten? mijn paard is zeer +mak en er is plaats genoeg achter mij! dan kan de Freule gemakkelijker en spoediger te huis zijn.” + +</p> +<p>“Zijt gij dol, Elbert?” riepde Ambtman wrevelig uit: “is dat nu een voorstel? Wij zullen afstijgen en de Freule naar het slot +begeleiden, indien zij ons zulk een groote eer vergunnen wil.” + +</p> +<p>“De weg is vrij,” zeide Ulrica: “doch het zou mij leed doen, indien de heeren om mijnentwil afstegen. De heeren zullen misschien +verlangen spoedig op het slot te zijn en zich wat te ververschen.” +<a id="d0e6108"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6108">189</a>]</span></p> +<p>“Is er een genoegen,” zeide Mom, terwijl hij afsteeg, “dat bij het geluk mag halen, van u te vergezellen?” Dit zeggende, gaf +hij de teugels van zijn paard aan een bediende over, veegde zich met den handschoen het stof van ’t aangezicht af en kuste +Ulrica beleefdelijk de hand. + +</p> +<p>“Ik verzoek nogmaals om verschooning,” zeide hij, “indien ik zoo vroeg gekomen ben; doch UEd. begrijpt, dat, als men van zoo +ver komt, men den tijd wat ruim neemt, vooral als het doel der reis zoo aangenaam is.” + +</p> +<p>“Ik wist niet,” zeide Ulrica, “dat UEd. zulk een liefhebber was van het kegelspel.” + +</p> +<p>“UEd. begrijpt mij niet, of liever UEd. verkiest mij niet te begrijpen: het is geenszins het kegelspel, noch zelfs het altijd +vleiend en gul onthaal van den Heer Baron, dat mij voor den dag van heden zulk een genoegen belooft. Het geluk dat ik verlangde, +ben ik reeds machtig geworden sinds ik UEd. mocht ontmoeten: en het staat aan u, Freule! dat geluk nog boven verwachting en +hoop te vermeerderen, door mij op heden de verzekering te schenken, dat mijn vurigste zielswensch u niet geheel ongevallig +is.” + +</p> +<p>“Waarlijk, Heer Ambtman! UEd. spreekt vandaag zoo hoofsch, dat een eenvoudig landmeisje als ik u niet verstaan kan.” + +</p> +<p>“De Freule heeft wel deugdelijk gelijk,” riep Botbergen uit<span id="d0e6121" class="corr" title="Niet in bron">,</span> “de droes haal mij, als ik iets uit die opgesmukte woorden wijs kan worden. Waarom niet eenvoudig gezegd. + + +</p> +<div class="
 poem
 " lang="nl-1600"> +<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Dus eenigh +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Alleenigh +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Te zijn +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Is pijn. +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Dus laat ons beyd. +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>O soete meyd! +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Versamen eens in vrolickheyd.</span></p> +</div> +<p>en ’t geen er verder volgt, zooals de Dominees zeggen als zij den Psalm opgeven.” + +</p> +<p>“Hoe weet gij wat de Dominees zeggen?” vroeg Mom, “gij, die nooit in kerk of kapel komt!” + +</p> +<p>“Uwe Hoogloffelijke Edelheid bedriegt zich,” antwoordde Elbert met inzicht; “ik ben gisteravond nog in de oefening geweest: +daar waren leeraars en geestelijke personen bij de vleet.” + +</p> +<p>“Dan begrijp ik,” zeide Magdalena, zonder op te zien, doch luid genoeg om van elk gehoord te worden, “dat het met de ware +religie zoo slecht gesteld is, als zulk een slag van lieden de oefeningen bijwonen.” + +</p> +<p>“Magdalena!” zeide op een bestraffenden toon de Jonkvrouw, die hoewel de geestigheden van den Gelderschman zeer ongepast oordeelende, +het evenmin goedkeurde, dat haar kamenier zich in ’t gesprek mengde: “het wordt u immers niet gevraagd!” + +</p> +<p>“Foei! foei! mijn waarde Freule!” riep Elbert: “frons dat lieve <a id="d0e6151"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6151">190</a>]</span>voorhoofdje zoo niet en trek die wenkbrauwen wat minder te zamen. Laat dat meiske dat bij u is, zeggen wat zij wil: mij deert +het niet. en UEd. moet er niet boos om worden: of zoo UEd. zuur wil kijken, zie dan mijn vriend den Ambtman zuur aan, hê! +hê! hê!” + +</p> +<p>“En waarom moet ik zuur aangezien worden?” vroeg Mom, bevreemd opziende: “ik, die mijn leven voor een vriendelijken lach van +dien bevalligen mond zoude geven.” + +</p> +<p>“Wel!” zeide Botbergen, “omdat + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Ziet u een maeght +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Wat toornig an, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Als gij haar vraegt, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Denk dan, goê man! +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Dat g’haar behaegt: +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Hoe zuurder dat een meisje kijkt, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Hoe meer dat uw gevrij haar lijckt.”</span></p> +</div> +<p>“Ik moet bekennen, Mijnheer!” zeide Ulrica, glimlachende, “dat uw brein wel met rijmpjes gestoffeerd is. UEd. is zekerlijk +lid van de eene of andere Rederijkerskamer?” + +</p> +<p>“Ik, Freule? de hemel beware mij! Neen! al wat ik in ’t vak van liedekens weet, heb ik in ’t leger geleerd. Doch ik zing nooit +recht zuiver als ik nuchter ben. De stem en de maag staan bij mij in nauw verband, en dit is natuurlijk: de goede dingen, +dat is bij voorbeeld de wijn, gaan mijn keelgat in en dan eerst komen de goede dingen, dat zijn de fraaie liedekens, mijn +keelgat uit, zoodat....” + +</p> +<p>“Verwar u toch in geen redeneeringen, Elbert!” viel de Ambtman in: “daar komt ge nooit tot uw eer af.” + +</p> +<p>“UEd. heeft dan in ’t leger gediend?” vroeg de Freule. + +</p> +<p>“Dat heb ik,” antwoordde Botbergen: “bij den Koning van Bohemen: en al zeg ik het zelf, niet zonder glorie en lof.” + +</p> +<p>“Zijnde zijn grootste lof en glorie,” merkte Mom aan, “dat hij een maagd met zich gevoerd heeft, welke hij ongerept en ongedeerd +terug heeft gebracht in het vaderland.” + +</p> +<p>“Waarlijk iets ongewoons,” zeide Ulrica: “en wie was die gelukkige?” + +</p> +<p>“Zijn degen, Freule!” antwoordde de Ambtman. + +</p> +<p>“Pots honderd tausent slapferment!” riep Botbergen, de hand aan ’t gevest slaande: “indien ik niet wist, dat UEd. spotswijze +sprak en het beter meende, ik zou deze schande al dadelijk uitwisschen en....” + +</p> +<p>“En mijn bloed zou het eerste zijn, dat uw degen bevlekte, wilt gij zeggen, nietwaar?” vroeg Mom lachende. + +</p> +<p>“En ik zou u de punt van mijn staal doen voelen,” vervolgde Botbergen, “gelijk ik dien jongen snoeshaan deed, die in ’t leger....” + +</p> +<p>“Wel foei, Mijneheeren! gaat gij kijven in mijn tegenwoordigheid!” zeide Ulrica. + +</p> +<p>“Deze alleen ontwapent mijn rechtmatigen toorn,” zeide Botbergen, <a id="d0e6198"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6198">191</a>]</span>op een kluchtige wijze zijn lemmer half uithalende en weder in de scheede latende vallen.<span id="d0e6200" class="corr" title="Bron: ”"></span> + +</p> +<p>“En wat hebt gij dien jongen snoeshaan gedaan, van wien gij spreekt?” vroeg Mom. “Hebt gij hem doorregen als een hoentje aan +’t spit of hem als een os den hals afgestoken?” + +</p> +<p>“Neen!” antwoordde de snorker: “neen, vriendje! het was maar bij manier van spreken, dat ik van de punt van ’t staal sprak: +mijn kling was veel te edel om die anders dan op het slagveld te gebruiken; doch wat den pochenden windbuil betreft, van wien +gij gewaagt, zoo heb ik hem, daar hij mij op een onbeschaamde wijze dorst hoonen, het gewicht mijns rottings doen voelen, +zoodat hij, gelijk een haan, wien de kam is afgebeten, zich wegpakte en nooit weder in het kamp verschijnen dorst.” + +</p> +<p>“En hoe heette die windmaker?” vroeg Mom. + +</p> +<p>“Hij droeg een naam,” antwoordde Elbert, terwijl hij de Jonkvrouw aanzag met denzelfden blik, dien de hardvochtige heelmeester +werpt op den ongelukkige, wiens arm hij af komt zetten: “waarop hij waarschijnlijk geen recht had, vermits de heerlijkheid, +waarvan hij zich den titel aanmatigde, aan onzen edelen gastheer behoort. Hij stond op de monsterrol ingeschreven als Jonker +Joan van Craeihorst.” + +</p> +<p>“Jonker Joan van Craeihorst!” herhaalde Ulrica, verbleekende. + +</p> +<p>“Is hij UEd. bekend?” vroeg Botbergen haastig, “dan spijt het mij iets te zijnen nadeele gezegd te hebben.” + +</p> +<p>“Onvoorzichtige!” riep Mom, een ontevreden houding aannemende: “die heer van wien gij spreekt, is de voedsterbroeder van onze +waardige Freule!” + +</p> +<p>“Och, dat spijt mij.... ik verzoek duizendmalen om verschooning, waarde Freule!” zeide Elbert: “had ik dat kunnen denken, +ik had hem in der tijd wel gespaard en er nu althans niet van gesproken. Nogmaals! vergeef mij deze onbedachtzaamheid; maar +waarlijk, ik was verre van te denken....” + +</p> +<p>“Indien het een onbedachtzaamheid was,” zeide Ulrica, “waarom zou ik die dan niet vergeven?” + +</p> +<p>“UEd. denkt toch niet, dat ik het opzettelijk verhaalde?” vroeg Botbergen, door het gezegde der Jonkvrouw een weinig uit het +veld geslagen. + +</p> +<p>Deze ontijdige en ongepaste verontschuldiging versterkte Ulrica in het vermoeden, dat zij reeds niet alleen omtrent het boosaardig +opzet van Botbergen, maar ook omtrent de waarheid van zijn verhaal, had opgevat. “Mijnheer!” zeide zij tot den Gelderschman: +“ik wist wel, dat men hem, die uit verre landen kwam, het voorrecht moest gunnen, zijn verhalen naar verkiezing op te sieren; +doch die verzinselen moesten nimmer de eer gelden van iemand, die niets anders dan die eer bezit—en die telken dage wederom +kan komen, om geleden hoon te wreken.” + +</p> +<p>“Hoe Freule!” riep Botbergen, de handen als van verbaasdheid ineenslaande. “Ben ik ongelukkig genoeg om voor een logenaar +te worden aangezien? Mijn vriend, de Ambtman, kent mij te wel om geen getuigenis voor mij af te leggen, dat ik niets zou aanvoeren, +<a id="d0e6226"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6226">192</a>]</span>’t welk bezijden de waarheid was.” Dit zeggende, zag hij Mom met een scheeven blik aan, als wilde hij zeggen: “ik ben er om +uwentwil in geraakt: het is nu uw zaak, mij er weer uit te helpen.” + +</p> +<p>Dan Mom had hier vooreerst geen zin in. Hij zag, dat de list, die Botbergen volgens een tusschen hen gemaakte afspraak in +’t werk had gesteld, haar doel bij Ulrica miste, en hij vreesde, dat, indien hij de partij van Botbergen nam, de Jonkvrouw +de volle waarheid gissen zou, het gemaakte plan doorzien en hem al haar achting ontnemen, waardoor hij de kans op haar hand +verbeuren moest. Hij begreep dus, dat het zaak ware, van batterij geheel te veranderen en de partij van den afwezigen Joan +te nemen: dit moest hem, naar zijn oordeel, bij Ulrica den naam van een grootmoedigen medeminnaar doen verwerven, haar vertrouwen +in zijn betuigingen inboezemen en haar geloof doen hechten aan de lasteringen, die hij in later tijd tegen Joan, onder den +schijn van welwillendheid, zou doen hooren. + +</p> +<p>“Kom! kom! Elbert,” zeide hij: “gij zult u in den naam vergissen. Ik kan niet denken, dat een jongeling, die door den Heer +Baron van Sonheuvel is opgevoed en wien de beminnelijke Freule met haar achting vereert, zulk een lafbek zoude zijn, dat hij +zich door u zou laten af kloppen. Ik zou dat sprookje maar niet verder uitkramen; want het mocht u eens kwalijk bekomen, als +de Jonker van Craeihorst terugkomt.” + +</p> +<p>“Maar pots tausent!” riep Botbergen, die den Ambtman in den beginne met een oog vol verbazing had aangekeken, doch thans zijn +doel begon te raden: “ik zweer u, dat ik geen woord terugneem van al wat ik gezegd heb: al wat ik tot verschooning van dien +Jonker kan bijbrengen, is dat hij dronken was, toen hij mij beleedigde.” + +</p> +<p>“Geen woord meer over de gansche geschiedenis,” zeide Mom, op een gebiedenden toon: “ik kan niet verdragen dat men kwaad spreekt +van een afwezige, die zich niet verdedigen kan. Ik begrijp het geval niet recht,” vervolgde hij zacht tegen Ulrica, op een +gullen toon: “Botbergen is een snorder, dat is waar, doch niet van moed ontbloot;—want dat ik hem zooeven wat plaagde, geschiedde +slechts uit een oude gewoonte:—ik kan niet denken, dat hij het geheele verhaal opzettelijk verzonnen heeft. Misschien was +het zoo erg niet: ik zal het eens trachten uit te vorschen; want op den voedsterbroeder mijner Ulrica mag geen smet blijven +kleven.” + +</p> +<p>“Gij zult mij vermaak doen,” zeide Ulrica, met een minzame hoofdbuiging, terwijl dankbaarheid in haar oogen flonkerde; “doch +wij zijn aan het achterhek: hier, Mijneheeren! zullen wij u verlaten.” + +</p> +<p>Dit zeggende, trad zij, na een beleefde buiging voor den Ambtman, het bruggetje over, dat haar op het grondgebied des Barons +bracht, en vervolgde haar weg met Magdalena door de tuinen van het slot, terwijl de edellieden, hun rossen weder bestegen +hebbende, langs den zijweg voortstapten, om, verder op, de hoofdpoort in te gaan, inmiddels overleggende, hoe zij hun duistere +voornemens tegen den goeden naam van Joan best zouden ten einde brengen. + +</p> +<p>De Jonkvrouw, op wier teeder gemoed de vergiftigde taal van <a id="d0e6242"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6242">193</a>]</span>Elbert meer indruk had gemaakt dan zij zich zelve wilde bekennen, gaf, zoodra een slingerboschje haar aan het gezicht van +het waardig vriendenpaar onttrokken had, aan haar boezem lucht en stortte zulke bittere tranen, dat zelfs de arbeiders, die, +met Bouke aan ’t hoofd, bezig waren aan ’t versieren der kegelbaan, het opmerkten toen zij er langs ging, en de oude dienaar +haar naderde, om te vragen wat haar deerde. + +</p> +<p>“O! zijt gij het Bouke!” riep Ulrica: “u kan ik het zeggen; want Magdalena heeft het toch ook gehoord; het zal u bedroeven, +gelijk het mij bedroeft. Men vertelt mij daar zooeven, dat Joan zich als een lafaard met stokslagen uit het leger had laten +drijven.” + +</p> +<p>“Dat is een verd...de leugen, met verlof gezegd,” zeide Bouke: “wie zegt dat? ik zal hem zelven op zijn rug touwen, dat het +hem jaar en dag heugen zal.” + +</p> +<p>“St! Bouke! niet al te driftig! het is de heer van Botbergen, een edelman, die met hem gediend heeft; die heeft het, naar +zijn zeggen, zelf gedaan.” + +</p> +<p>“Hij liegt het, Freule! bij mijn ziel. Joan zich laten kloppen? ’t kan niet wezen.” + +</p> +<p>“Ik ken uw jonker niet,” zeide Magdalena: “maar ik kan toch niet inzien welk belang de Heer van Botbergen er in hebben zou, +hem te belasteren.” + +</p> +<p>“Wat weet gij daarvan, Juffer Lena?” vroeg Joans oude krijgsmakker, driftig: “het spreekwoord zegt: alle koopers zijn geen +kenners, en die haast koopt is haast bedrogen. Ge meugt dien Sinjeur van Boanberg zoo weinig belang toeschrijven als ge wilt: +wanneer hij kwaad van onzen jonker spreekt, dan is hij geen knip voor zijn neus waard.—Wat hamer Sijmen!” riep hij, zich in +de rede vallende om een der werklieden te recht te wijzen: “nu zet je de geut immers vlak verkeerd.... wacht ik zal bij je +komen, als je ’t niet beter weet!—nu, zooals gezegd is, Freule! stel je hartje maar gerust: ik heb te lang met den Jonker +over land en zee gezwalkt en gezworven, om niet te weten, dat hij geen kat is, die men zonder handschoen aan kan vatten: hij +zal zich niet op <span id="d0e6256" class="corr" title="Bron: deu">den</span> rug laten trommelen, en wie daar tegen spreekt, dien draai ik den hals om, al was hij nog zoo een groot heer.” Met deze woorden +keerde hij weder naar de werklieden, die, nu geëindigd hebbende met het versieren der kegelbaan, bezig waren om die tot het +spel behoorlijk in gereedheid te brengen. Ulrica begaf zich zuchtende naar het slot, alwaar zij, gevolgd door Magdalena, keuken +en kelders bezocht, om, tot onthaal van haars vaders gasten de noodige voorzieningen te maken. + + + + +<a id="d0e6259"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6259">194</a>]</span></p> +</div> +<div id="d0e6260" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Twingtigste Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Menigh wil by dranck en spijs +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Wesen wijs, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Schoon hy is van wijn beschonken, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Daar doch yeder kan bespiën, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Dat dees liên +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Sijn van sotte grillen droncken.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Pers</span>. +</p> +</div> +<p><span id="d0e6282" class="corr" title="Bron: Inmiddelds">Inmiddels</span> waren Mom en Botbergen op het slotplein verwelkomd geworden door den Baron van Sonheuvel, verzeld van den oude jachthond +Veltman, die, nu blind en onbekwaam hem in ’t veld te volgen, den Baron binnenshuis altijd ter zijde bleef. Nadat hij de beide +heeren met de hem eigen gulhartigheid goeden morgen had gewenscht en last gegeven, dat de paarden wel verzorgd zouden worden, +geleidde hij hen naar de benedenzaal, vermits de groote ridderzaal, waar men spijzen zoude, nog niet geheel in gereedheid +was. Binnengekomen, wilde Mom nog eenige verontschuldigingen bijbrengen wegens zijn vroege komst; doch de Baron wilde daarvan +geen woord meer hooren reppen, alvorens de heeren zich met een teug goeden wijn, die hun in groene fluiten op een zilveren +schenkblad werd toegediend, ververscht hadden. Toen eerst was het, dat Elbert de gelegenheid vond, zich door zijn patroon +aan den Baron te laten voorstellen en dezen te verzoeken, hem zijn vrijpostigheid te willen ten goede houden, dat hij, zonder +den Heer van Sonheuvel te kennen, niet geaarzeld had zijn vriend Mom, op diens verzoek, bij deze gelegenheid te vergezellen. + +</p> +<p>“Een hupsch edelman, als UEd. schijnt, heeft op mijn slot geen aanbeveling noodig,” zeide Reede: “en daarenboven! mag een +vriend niet altijd een vriend medebrengen?” + +</p> +<p>“Ik hoop die spreuk dan ook op mij te mogen toepassen,” zeide Mom tegen zijn gastheer: “want er is geen naam, waar ik meer +prijs op stel, dan op dien van uw vriend.” + +</p> +<p>“Zoo!” zeide Reede: “ik dacht dat er een andere titel ware, dien gij mij nog liever geven zoudt, hê! hê!” en hij begon hartelijk +over zijn geestigheid te lachen. + +</p> +<p>“Gij hebt dubbel gelijk, Heer Baron!” antwoordde de Ambtman, met een bevallige buiging: “en hoewel het een het ander niet +uitsluit, beken ik, dat ik mij kwalijk heb uitgedrukt, en dat mij in dit oogenblik de naam van uw schoonzoon boven alles dierbaar +zou wezen;.... doch ziedaar een geluk, waarop ik niet hopen durf.” + +</p> +<p>“En waarom niet, Heer Ambtman?” vroeg de Baron op een gulhartigen toon: “gij weet, dat ik u hartelijk genegen ben en u hooge +achting toedraag.” + +</p> +<p>“Ik ben u daarvoor hoogst dankbaar, Heer Baron! maar, daar is <a id="d0e6297"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6297">195</a>]</span>nog iemand, die in dit geval geraadpleegd dient te worden, en aan welke ik vrees, voor ’t minst onverschillig te zijn.” + +</p> +<p>“Mijn dochter meent gij?—Zij draagt u hoogachting toe: zij weet, dat haar huwelijk met u mij hoogst aangenaam zoude wezen; +zij heeft nog geen vooringenomenheid voor eenig man: wat wilt gij meer? wat nog ontbreekt moet gij zelf zien te verkrijgen.” + +</p> +<p>“Is UEd. wel zeker,” vroeg Mom, zijn woorden wegende, “dat zij nog niemand met een meer bijzondere onderscheiding heeft gezien?” + +</p> +<p>“Wel ja! zoo zeker althans als men van de gevoelens van een twintigjarig meisje wezen kan.” + +</p> +<p>“Dat zegt juist niet veel,” merkte Botbergen lachende aan. “In een meisjeshart te willen lezen is evengoed, als bij nacht +op zee uit het venster te willen kijken of het nog stormt. Men ziet niets en de wind blaast onze muts nog af op den koop toe.” + +</p> +<p>“Zeer juist! zeer juist!” zeide de Baron, den Gelderschman op den schouder kloppende: “alleen met dit onderscheid, dat het +in het hartje van mijn Ulrica geen stormachtige nacht is. Doch, wat er ook van zij, Heer Ambtman! de liefde mijner dochter +te verkrijgen is uw zaak: zoo gij eens haar toestemming hebt, zal de mijne niet achterblijven: wat kan een vader meer doen?—Ulrica +moet vrij handelen: het staat dus aan u, uw best te doen om haar genegenheid te winnen.” + +</p> +<p>“Zij is lang in Den Haag geweest,” zeide Mom, het hoofd schuddende. + +</p> +<p>“Daarover kunt gij u toch niet beklagen,” hernam Reede: “daar hebt gij haar het eerst leeren kennen.” + +</p> +<p>“Ik vrees maar, dat de een of ander hoofsche Jonker....” + +</p> +<p>“Gekheid, gekheid, Heer Ambtman! Zij hield veel van de Gravin van Nassau, en huisde er gaarne; maar ik heb haar toch altijd +vroolijk en weltevreden gezien, als zij weder bij mij op het slot keerde. Er is wel een zwarigheid,” vervolgde de Baron, opeens +het voorhoofd fronsende; “doch die is van geheel anderen aard.” + +</p> +<p>“Een zwarigheid!” herhaalde Mom, van kleur veranderende: “ik bid u!....” + +</p> +<p>“Ik zal u die verhalen, zoodra wij een geschikt oogenblik vinden om ons zonder getuigen te onderhouden,” zeide Reede op den +deftigen toon, dien hij slechts in zeer bijzondere gevallen aannam: “ik hoor hoefgetrappel op de slotbrug; en ik ga onze nieuwe +gasten welkom heeten.” + +</p> +<p>“De oude Heer schijnt sterk met u ingenomen,” zeide Elbert, terwijl hij met Mom den Baron, die de nieuwaangekomenen ontvangen +ging, langzaam volgde: “hoe het met de dochter is, zal nog te bezien staan. Mij dunkt, zij vatte nogal vuur op mijn verhaal: +en haar hart schijnt meer dan wel noodig is aan haar ouden schoolkameraad gehecht.” + +</p> +<p>“Des te beter,” zeide Mom: “des te eer zal zij uit spijt een anderen trouwen, mits het ons maar eens gelukke, haar te overtuigen; +doch genoeg hiervan, daar komt de Baron met zijn gasten aan.” + +</p> +<p>De nieuwaangekomenen werden alras door eenige andere genoodigden <a id="d0e6327"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6327">196</a>]</span>gevolgd, zoodat het gezelschap na verloop van een half uur voltallig was en uit een twaalftal edellieden bestond. Van de gesprekken, +welke na het afloopen der eerste verwelkoming en daaraan verknochte plichtplegingen volgden, zullen wij geen melding maken; +zij waren onbeduidend, gelijk gewoonlijk bij den aanvang van alle feesten en partijen het geval is. Toen de klok elf geslagen +had, kwam de oude Bouke den Baron verwittigen, dat het ontbijt gereed was: waarop Reede zijn gasten verzocht, hem naar de +groote ridderzaal te volgen. + +</p> +<p>Deze bood den genoodigden een aangenaam en recht verkwikkelijk schouwspel aan, zoowel wegens haar fraaiheid en den opschik, +dien men er bewonderde, als wegens de aantrekkelijkheden van een meer zelfstandigen aard, waarmede zij vermoeide gasten uitlokte. +Zij was ruim en langwerpig van gedaante: twee vervaarlijk breede en hooge haardsteden, waarin, ondanks het lenteseizoen een +goed onderhouden vuur brandde, stonden aan de beide einden over elkaar te prijken. De vooruitspringende schoorsteenmantels, +van kostbaar Egyptisch marmer vervaardigd, schraagden een menigte antieke vazen (bij deze gelegenheid met de eerste voorjaarsbloemen +gevuld) en rustten aan elken hoek op twee spierwitte kolommen, sierlijk met groene hulst omslingerd. Kostbare basrelieven, +uit een andere marmersoort gehouwen, versierden het lijstwerk en de voetstukken: de liefdesgevallen van Venus en Adonis waren +op de schoorsteenen zelven op witten steen afgebeeld. Aan wederzijden der haardsteden bevond zich een deur, welker kroonlijst, +insgelijks op kolommen rustende, zich met de schoorsteenmantels vereenigde, zijnde de vakken boven de deuren, de basementen +en plinten mede met snijwerk en beelden versierd en opgetooid met bloemen en loof. In de lengte was de zaal ter eener zijde +met acht vensters voorzien, wier bovenste afdeelingen met allerlei wapens beschilderd waren; terwijl de benedenste glasruiten +een vroolijk uitzicht opleverden over de tuinen van het slot en de omliggende landouwen. De vakken tusschen de glasramen waren +om en om met familieportretten en wapenrustingen behangen; het middelste vak alleen was ledig, zijnde daarop in fraai Parisch +marmer het geslachtswapen des eigenaars uitgebeeld. De tegenzijde der zaal was over haar geheele lengte onafgewisseld met +allerlei soorten van jacht- en wapentuig bekleed, hetwelk op een zeer aardige wijze onder het opzicht der bevallige Freule +met sparretakken, hulst en bloemfestoenen aaneengestrikt was; ’t geen een vroolijke vertooning maakte en de oogen aangenaam +streelde; doch wat aan de gasten, gelijk ik hierboven met een enkel woord reeds aanmerkte, een nog blijder schouwspel opleverde, +was de lange tafel, welke midden in de zaal stond, en waarop een prachtig en voedzaam ontbijt was gereedgemaakt, dat niet +uit de thee, de koffie, de vruchtenstroop of al de uitvindingen van latere dagen bestond, maar uit de stevige spijzen en dranken, +die onzen goeden voorvaderen op alle uren van den dag welkom waren. + +</p> +<p>De gasten namen plaats op bankjes of schabellen voor twee personen, met zachte kussens overdekt. Spoedig viel men aan ’t eten: +<a id="d0e6333"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6333">197</a>]</span>de hoendersoep, in zilveren kommen opgedischt, maakte weldra voor een zwijnskop plaats, verzeld van kippen, kapoenen, duiven, +versche kropsalade, in ’t kort van al wat het jaargetijde medebracht en op een kostbaar ontbijt kon gevorderd worden. De edellieden +deden eer aan deze spijzen, zoowel als aan de voortreffelijke wijnen, die hun onder het opzicht van Bouke, die als bottelier +optrad, werden toegediend. Alleen de Ambtman scheen weinig smaak te vinden in ’t geen hem aangeboden werd: de gewichtige plannen +en de daaruit ontsprotene bekommernissen, welke zijn brein vervulden, ontnamen hem allen eetlust: en verre van in een onmatig +gebruik van drank eenige verstrooiing te zoeken, trachtte hij zich, zoolang zulks in zijn macht was, van het volle gezag over +zijn verstandelijke vermogens te verzekeren door niet, dan bij het instellen van gezondheden of dergelijke gelegenheden, den +beker aan den mond te brengen. Hij zag met angstvalligheid, hoe Botbergen de hem aangeboden roemers nooit afsloeg, maar altijd +dadelijk tot den bodem ledigdronk. Zijn bezorgdheid was echter overtollig; want de Gelderschman was aan tafel voor geen klein +weinigje vervaard en had een maag, die zeer gevoegelijk, naar verkiezing, de eigenschap van een spons of van een handschoen +kon aannemen, zonder dat zijn hoofd er iets door leed; de eenige invloed, welken de wijn op hem uitoefende, was die, van hem +nog opgeblazener en laatdunkerder dan gewoonlijk te maken. + +</p> +<p>“Gij zijt bijster stil vandaag, Ambtman!” zeide Reede: “hapert er wat aan? of smaakt u mijn wijn niet?” + +</p> +<p>“Het gastereeren deugt mij niet,”’ zeide Mom: “ik ben geen man, die voor festijnen geschikt is; en ik wensch gaarne een juist +oog te behouden, om den kegel niet mis te raken,” voegde hij er glimlachend bij. + +</p> +<p>“Ei! ei!” zeide de Jonker van Scherpenzeel: “dat is geen echt spel. Wil UEd. ons een roes laten drinken en zelf nuchteren +blijven? dat zou slecht gelijk staan!—doch ik weet wat er aan schort. Een gezelschap van enkel heeren kan UEd. niet meer lijken, +is ’t niet zoo?” + +</p> +<p>“Ik beken,” zeide Mom, “dat het gezelschap van de schoone kunne het genoegen der gezellige kringen altijd bevorderen moet.” + +</p> +<p>“En vooral dat van onze edele gastvrouw, die, hoewel afwezig, in elke bloem, die het vertrek versiert, te vinden is,” riep +de Heer van Helmenhorst: “lang moge zij leven! lang!” vervolgde hij, oprijzende en een roemer omhoogheffende: “lang leve de +schoone Freule Ulrica van Sonheuvel!” + +</p> +<p>“Lang leve de dochter van onzen braven gastheer!” riep Botbergen, zijn voorbeeld dadelijk volgende, gelijk ook het overige +gezelschap deed. + +</p> +<p>Ik dank u voor mijn dochter, Mijne Heeren!” zeide de Baron, op zijn beurt een roemer vullende: “en moge zij nog vaak de eer +gemeten, de toebereidselen voor Ulieder onthaal te bestieren.” + +</p> +<p>“Mits niet in dit vertrek,” zeide Botbergen. + +</p> +<p>“En waarom hier niet?” vroeg Reede met een verwonderd gelaat. “Staat u deze zaal niet aan?” +<a id="d0e6353"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6353">198</a>]</span></p> +<p>“De zaal is prachtig en geriefelijk,” antwoordde Elbert: “maar, aangezien wij allen hopen, dat de Jonkvrouw spoedig de keuze +van een waardigen echtgenoot moge doen, en zij dan haars vaders huis verlaten zal, meen ik haar geen kwaden wensch te doen, +wanneer ik Haaredele de bezorging van een feest in een ander lokaal toewensche.” + +</p> +<p>“Wel gevonden!” zeide de Heer van Lievendaal: “Mijnheer van Botbergen! ik heb de eer hem u te brengen voor dien goeden wensch.” + +</p> +<p>“En ik zou u gaarne in gelijke munt betalen,” hervatte de Gelderschman: “maar ik heb geen wijn van deze soort meer, en het +ware een misdaad van gekwetste majesteit, indien ik UEds. beleefdheid met een ander wijntje beantwoordde, dan hetgeen UEd. +mij toegedronken heeft.” + +</p> +<p>“Er is toch meer van die soort in mijn kelder,” zeide de Baron: “Bouke! geef den Heer van Botbergen;.... maar waar is Bouke?” + +</p> +<p>“Hij is zooeven uit de kamer geroepen,” antwoordde een der dienaars: “er was iemand beneden om hem te spreken.” + +</p> +<p>“Zoo! een gelegen tijd voorwaar; doch gij kunt het even goed bezorgen als hij: vraag maar aan mijn dochter van dien wijn van +Nº. 3. Ja Mijne Heeren! ik moet dien ouden Bouke wat toegeven; er leeft op de wereld geen braver kerel dan hij; wij zijn ook +zooveel jaren achtereen samen geweest en hebben zooveel overbracht: en dan, hij heeft wat te vertellen! hij heeft in Turkije +geoorloogd en meer gezien dan één van ons allen.” + +</p> +<p>“Zoover ben ik niet geweest,” zeide Elbert: “mijn krijgsverrichtingen waren alleen in Bohemen; en daar zal men, gelijk ik +mij zonder grootspraak vlei, nog wel van mij gewagen.” + +</p> +<p>“In Bohemen zegt UEd.? En dat onder welke vanen?” vroeg Reede. + +</p> +<p>“Ik heb onder den Spotkoning Frederik gestreden; maar ik heb hem laten zitten; want er was niets met hem uit te richten. Ik +zeide hem dikwijls: (Zijne Majesteit deed mij somtijds de eer aan, mij te raadplegen) Uwe Majesteit, zeide ik geeft gehoor +aan oorblazers, aan belangzoekers, aan domkoppen. Zooals Uwe Majesteit het aanvangt, zal het nimmer lukken: en dan ontwikkelde +ik de redenen, die ik daartoe vinden kon. Dan, vergeefsche moeite! Zijne Majesteit sloeg mijn woorden in den wind; en wat +is het gevolg er van geweest? Zooras ik vertrokken was uit het leger (want zulke dwaasheden als men daar deed, kon ik met +geen droge oogen meer aanzien), liep alles in de war, en nu komt hij met de kous op het hoofd terug.” + +</p> +<p>“En hebt gij,” vroeg Reede, zich bij voorraad de handen wrijvende, als verheugd over het antwoord, dat hij verwachtte: “hebt +gij den Jonker van Craeihorst gekend?” + +</p> +<p>“Gekend?” herhaalde Botbergen: “ja, een weinig, schoon het geen eer was hem te kennen!” + +</p> +<p>De Baron zag zijn gast verwonderd aan, zette zijn roemer neder en vroeg met bevreemding, wat door deze uitdrukking gemeend +werd. +<a id="d0e6378"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6378">199</a>]</span></p> +<p>“Wel!” vervolgde Elbert: “Ik had geen omgang met hem, omdat hij een liederlijke knaap was, een dronkaard, een lafbek, een +valsche dobbelaar....” + +</p> +<p>“Onmogelijk,” riep de Baron met hevigheid uit: en op hetzelfde oogenblik sprong de oude Veltman, alsof hij die lasteringen +tegen zijn voormaligen meester niet langer wilde aanhooren, met een luid geblaf van onder de zitbank des Barons op, en liep, +sneller dan hij in de laatste drie jaren gedaan had, de deur uit, en Bouke, die juist binnenkwam, bijna omver. + +</p> +<p>“Ja! ja! loop maar, Veltman!” zeide Bouke, met een vroolijke stem, terwijl hij de tafel naderde met een gelaat, waar de vreugd +op geschilderd stond. “Mijnheer!” vervolgde hij: “bodenbrood! daar is een oude kennis....” + +</p> +<p>“Zwijg Bouke!” zeide de Baron, zonder bijna naar hem te luisteren: Mijnheer van Botbergen! ik bid u! verklaar mij eens wat +gij van mijn Joan gezegd hebt.... Ik bedoel van dien Jonker van Craeihorst.” + +</p> +<p>“Kende UEd<span id="d0e6389" class="corr" title="Bron: :">.</span> hem?” vroeg Elbert, zich verwonderd veinzende: “vergeef mij dan, zoo ik kwalijk van hem sprak: maar ik dacht niet, dat een +knaap in UEds. gunst zoude deelen, wien ik, om zijn schandelijk gedrag, met rottingslagen genoodzaakt heb het leger te verlaten.” + +</p> +<p>“Dat is een leugen, een onbeschaamde leugen!” zeide met luider stem de getrouwe Bouke, die de beschuldiging, door Botbergen +aangevoerd, opmerkzaam had aangehoord. + +</p> +<p>“Wie spreekt daar?” vroeg Elbert, met trotschheid opziende; maar zijn oogen zagen verlegen voor zich, toen zij den vrijen +blik ontmoetten van Joans ouden krijgsmakker, die, met de armen over elkaar geslagen, achter de zitplaats des gastheers stond. + +</p> +<p>“Dat ben ik, met uw verlof,” zeide Bouke: “en wat ik niet vol kan houden, zal een ander voor mij doen.” + +</p> +<p>“Bouke! riep de Baron, terwijl hij aan zijn gezegde den toon der bestraffing poogde te geven: “denk wie gij zijt en waar gij +zijt!” + +</p> +<p>“Zoo doe ik,” antwoordde Bouke, zonder verlegen te worden: “ik denk, dat ik Jonker Joans oude wapenbroeder ben, en dat ik +over een lasteraar sta, die....” + +</p> +<p>“Vlegel!” riep Botbergen, door het verwijt des Barons bemoedigd: “denkt ge dat ik mij met u zal meten? Zoo een edelman mij +het millioenste part had gezegd van ’t geen gij mij durft zeggen, hij leefde niet meer!” + +</p> +<p>“Is er geen der edellieden, hier tegenwoordig, die de partij eens afwezigen opneemt?” vroeg Bouke. + +</p> +<p>Botbergen zag beangst in ’t rond; doch zijn gelaat helderde spoedig op, dewijl al de gasten, ziende dat de Heer van Sonheuvel +zelf zijn zoon niet verdedigen wilde, geen partij voor hem begrepen te moeten trekken. Zooras de opgeblazen Gelderschman zich +hiervan overtuigd hield, smeet hij den handschoen midden in de zaal, en riep tevens uit: “hiermede daag ik iederen edelman +uit, die, als ik, zestien kwartieren bewijzen kan, om mijn woorden te komen logenstraffen.” +<a id="d0e6408"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6408">200</a>]</span></p> +<p>“Ik neem de uitdaging aan en zal u spoedig een kamper brengen, die je zestien-honderd kwartieren in je tronie snijden zal,” +zeide Bouke, den handschoen oprapende, waarna hij de zaal verliet. + +</p> +<p>“Mijnheer van Botbergen!” zeide Reede, die al dien tijd had zitten stampvoeten en op zijn mouwen bijten van kwaadheid: “ik +kon voor den goeden Bouke geen partij kiezen tegen iemand, dien ik op mijn eigen slot als gast ontvang; maar bij mijn zaligheid! +zoo UEd. elders dan op het huis te Sonheuvel in mijn bijzijn kwaad had gesproken van mijn goeden Joan, ik had u mijn roemer +op ’t aangezicht aan stukken geslagen!” + +</p> +<p>“Indien UEd. het mij vergunt, Heer Baron!” zeide Mom: “zoo zal ik de eer van den Jonker van Craeihorst handhaven en met den +Heer van Botbergen, hoe bevriend wij ook zijn, op dood en leven kampen.” + +</p> +<p>Elbert zag zijn patroon vragenderwijze aan, als wilde hij op dien aangezicht lezen of het hem ernst ware. Een schampere trek, +die zich aan des Ambtmans neusvleugel en aan de hoeken van zijn oog vertoonde, was genoeg om hem de zekerheid te verschaffen, +dat Mom, door dit aanbod, het gevaar voorkomen wilde, dat zich een ander kampvechter opdeed.—In dit oogenblik trad Bouke weder +binnen en zeide, de deur wijd openzettende: “Mijnheer van Bokkenbergen! hier breng ik u een tegenstander, als ik beloofd heb.” + +</p> +<p>Aller oogen wendden zich nu naar de deur, waar een jongeling binnentrad, wiens verschijning een algemeene verbazing teweegbracht. +De Baron en het meerendeel der gasten sprongen op. Botbergen schoof zijn zitbank wel drie voeten achteruit, werd doodsbleek, +sloeg klappertandend een bevende hand aan ’t gevest van zijn degen, doch was buiten staat om het lemmer de scheede te doen +verlaten. Mom staarde den onbekende met open mond aan het was de vreemdeling, dien hij bij Klaas Meinertz voor een Remonstrantschen +Proponent had aangezien. + +</p> +<p>“Joan!” riep de Baron met een luiden kreet en sloot zijn pleegzoon, die, van den getrouwen Veltman vergezeld, naar hem toe +trad, met hartelijke vreugd in zijn armen: maar bijna dadelijk wikkelde hij zich weder uit zijn omhelzing los. “Joan!” herhaalde +hij: “ik moest u niet omarmd hebben, eer ik wist of gij het waardig zijt. Men verhaalt schandelijke dingen van u.” + +</p> +<p>“Dat heb ik van Bouke vernomen,” antwoordde Joan: “wie van de Heeren noemt zich de Heer van Botbergen?” + +</p> +<p>“Wat! Kent gij hem niet eens?” vroeg de Baron verbaasd: “hoe hangt dit samen?” + +</p> +<p>“Nu, Mijnheer!” zeide Bouke tegen den verslagen snoever, die met hangende armen en stijf opeengesloten tanden als vastgenageld +zitten bleef: “wat dunkt u? is het niet mij: een man een man, een woord een woord?” + +</p> +<p>“Zijt gij het, die u de Heer van Botbergen noemt?” vroeg Joan met bevreemding. “In het leger van den Koning van Bohemen droegt +gij een anderen naam.” + +</p> +<p>“Wat zal ik u zeggen, Jonker!” antwoordde Elbert, zich door een <a id="d0e6431"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6431">201</a>]</span>grap zoekende te redden: “Wij droegen geen van beiden onzen waren naam.” + +</p> +<p>”’t Zij ik recht hebbe op den mijnen of niet,” hernam Joan met fierheid, “hij is te schoon om hem te zien bezwalken: en na +hetgeen er tusschen ons is voorgevallen, had ik niet gedacht, dat gij mij, in tegenwoordigheid van dit aanzienlijk gezelschap....” + +</p> +<p>“Van die rottingslagen, meent gij?” vroeg Botbergen, opstaande: “ja, ik had daarvan misschien niet moeten spreken;.... wij +zijn geen beste vrienden gescheiden, dat is waar; maar wij kunnen altijd tot een verklaring komen.” + +</p> +<p>“Tot uw dienst, al wilt gij dadelijk,” zeide Joan, de hand aam ’t geweer slaande. + +</p> +<p>“De Heer Ambtman zal mij wel tot getuige willen dienen,” vervolgde Botbergen, zich tot dezen wendende. + +</p> +<p>Nu volgden de oogen van Joan de richting, welke die van zijn weerpartij genomen hadden, en hij herkende in den Ambtman den +persoon, die hem in het opkamertje bij Klaas Meinertz ontvangen had. Dit onverwacht gezicht deed hem, verwonderd, een stap +terugtreden, en bracht zijn gedachten opeens van den twist met Botbergen op het voorgevallene van den vorigen avond terug. +Met niet minder nadruk, schoon met een kwalijk verborgene verlegenheid, staarde Mom den jongeling aan en peinsde hij op de +houding, die hij bij deze gelegenheid moest aannemen. Botbergen, die, zooras Joan hem niet meer toesprak noch met zijn verwoeden +blik bedreigde, zijn moed weder voelde herleven, had een fiere en onversaagde houding aangenomen en mompelde, doch zeer binnensmonds, +allerlei dreigementen. De overigen, die een kring om de belanghebbende partijen gemaakt hadden, zagen vreemd op over Joans +plotseling zwijgen, en nog meer, toen deze naar Mom toestapte en met een eenigszins verzachte stem, doch op vasten toon, hem +de volgende vraag deed, welke, schoon op haar zelve zeer eenvoudig, in de omstandigheden van den Ambtman vrij geschikt was +om hem van zijn stuk te brengen: “heb ik gisteravond niet de eer gehad UEd. te zien?” + +</p> +<p>Schoon Mom reeds tijd gehad had om zich op een antwoord voor te bereiden, hetwelk hij al dadelijk had begrepen dat hem afgevorderd +zou worden, was hij het nog niet met zichzelven eens, hoe hij dit antwoord op de meest voldoende wijze zou inrichten. Het +scheen hem dus best toe, geen antwoord te geven en zich van de zaak, gelijk men het noemt, met een Jantje van Leiden af te +maken. + +</p> +<p>“Is UEd. die langgewenschte en ter goeder uur gekeerde pleegzoon van onzen besten gastheer?’” vroeg hij, opstaande en Joans +beide handen vattende: “wel het verheugt mij, als vriend van den huize, recht zeer u te mogen leeren kennen. Wat zal uw komst +hier levendigheid op het slot brengen! Wat zal de bevallige Freule verheugd zijn, zij, die u zoo liefheeft!” Hier zag Mom +met spijt, hoe een hevige blos het gelaat des jongelings overstroomde. “Nu ik ben recht gelukkig u te zien: gij vindt mij +met lijf en ziel tot uw dienst, beschik over mij, zoo dikwijls gij wilt. Ik heb zooveel goeds van u gehoord, <a id="d0e6447"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6447">202</a>]</span>dat ik verlang uw vriendschap te verwerven. Sta mij toe, dat ik u omhelze.” + +</p> +<p>Met deze woorden drukte hij den jongeling, die beteuterd en verbaasd over dien vloed van woorden voor hem stond, in zijn armen +en fluisterde hem bij die gelegenheid in ’t oor: “hadt ge u maar genoemd gisteravond! Nu! ik moet over dit alles een nader +gesprek met u hebben, ter opheldering. Ik hoor, dat gij daar zonderling te pas zijt gekomen.”—En toen, eer Joan van zijn bevreemding +kon bekomen, trad hij terug en nam Reede bij de hand. “Mijn vriend!” zeide hij: “wat zou het jammer zijn, indien op een heuglijken +dag als deze, de vreugd door oneenigheid of hooge woorden verstoord werd. Vereenig u met mij, om uw waardigen voedsterling, +alsook mijn vriend van Botbergen, die zonder reden en waarschijnlijk ten gevolge van een misverstand op elkaar gebeten zijn, +tot bedaren te brengen. Voor Sint-Felten met al die langer twist wil zoeken. Ik drink op de gelukkige toekomst van den edelen +Jonker Joan van Craeihorst, Kapitein in dienst van Zijne Majesteit den Koning van Bohemen: en die mijn voorbeeld niet volgt, +is waarachtig geen knip voor den neus waard.”—Bij het uitspreken dezer laatste zinsnede had hij zich een vollen roemer geschonken, +dien hij nu tot den bodem ledigdronk. Zoowel Reede als de gasten volgden zijn voorbeeld. + +</p> +<p>“Kom, Elbert!” vervolgde Mom, zijn makker een vollen beker in de hand wringende: “gij moet mededrinken; want de terugkomst +des Jonkers kan u nooit anders dan stof tot blijdschap geven. Heldert alles zich op en wordt het misverstand weggeruimd, des +te beter; zoo niet, dan hebt gij t’ avond of morgen gelegenheid om uw dapperheid aan den dag te leggen. Dus, man! drink uit! +en denk vooreerst maar niet meer aan het gekke geval.” + +</p> +<p>“Pots honderd tausent slapferment!” zeide Botbergen, den roemer aannemende: “mijn dapperheid is alom genoeg bekend en heeft +geen nieuwe gelegenheden noodig om zich te toonen. De Jonker en ik hebben elkander over en weder beleedigd;—dus zijn wij kamp; +en hapert er nog iets aan, dan zal dit zich spoedig oplossen. Ik drink dus gaarne op de gezondheid van den Jonker van Craeihorst, +en dat hij zulk een lang leven moge genieten, als ik hem toewensen.”—Dit zeggende, ledigde hij zijn glas en hernam zijn plaats +bij de nu weder aanzittende gasten. + +</p> +<p>“Ik dank al de Heeren voor hun vriendelijke toewenschingen,” zeide Joan, op zijn beurt een roemer vullende: “wat den Heer +van Botbergen betreft, ik bedank ook hem, en het zal mij aangenaam zijn, indien hij mij in den loop van dezen dag een oogenblik +schenken wil, daar ik het met den Heer Ambtman eens ben, dat wij het genoegen der gasten thans niet storen moeten.”—Dit gezegd +hebbende, ledigde hij zijn kelk en nam aan de tafel plaats. + +</p> +<p>Men hervatte den maaltijd: doch vruchteloos zocht de Ambtman het gesprek weder te verlevendigen; de Baron was, zonder het +te willen doen blijken, ontevreden dat de twist gesust was, en had liever gezien, dat Joan zijn wederpartij de trappen had +afgesmeten. <a id="d0e6459"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6459">203</a>]</span>Joans hoofd was zoo vol gedachten, dat hij de aanwezigen vergat, ja, voor den drommel wenschte. Hij ondervond ten volle de +onaangename gewaarwording van iemand, die na een lang afwezen versoezeld en verwaaid te huis komt, en, in plaats van zijn +gezin alleen, een huis vol gasten vindt, die niets van zijn vermoeidheid, van zijn verstrooidheid van gedachten begrijpen. +Nu eens maalden hem de geheimzinnige voorvallen in Tiel door het hoofd; dan weder dacht hij aan de bekoorlijke Ulrica, welke +hij zoo vurig verlangde en toch vreesde weder te zien. Zijn twist met Botbergen hield hem het minst bezig; want hij was overtuigd, +dat hij van dien snoever, zoodra hij zulks verlangde, de noodige voldoening verkrijgen zou; daar het geval in het Boheemsche +leger zich juist had toegedragen als Elbert het verteld had, met dit kleine onderscheid echter, dat het Joan geweest was, +die den anderen met stokslagen had weggejaagd. Hij bekommerde zich dus weinig over Botbergens lastertaal, alleen voor zooverre +hij zich bij Ulrica nog rechtvaardigen moest: want Bouke had hem (zoodra hij op het slot gekomen was, en vernemende dat het +vol gasten was, naar dien ouden vriend gevraagd had) verwittigd, hoe Elbert zijn goeden naam een schandelijke kladde had aangewreven +in tegenwoordigheid der Jonkvrouw. Reeds dadelijk zou Joan zich over dezen hoon zijn komen beklagen, had hij niet gemeend +eerst zijn nog vochtige kleeren tegen andere te moeten verwisselen. + +</p> +<p>De overige gasten hadden, evenals de Baron, weinig genoegen genomen met de wijze, waarop de twist gesust was; daar zij, niet +zonder grond, oordeelden, dat een van de twee partijen een lafaard wezen moest, die niet in hun gezelschap voegde; het misnoegen +bracht dus stilte te weeg: zelfs de Ambtman, hoewel hij de anderen aan ’t praten zocht te krijgen, had het hoofd te vol, dan +dat hem zulks wel afging, en het zou een opmerkzamen bijstander niet ontgaan zijn, dat de goede houding, die hij aanwendde, +alleszins gedwongen was. De heerschende stilte deed den Baron dus spoedig besluiten om het gezelschap te verzoeken, een einde +aan het ontbijt te maken en zich met hem naar de kegelbaan te begeven. Dit voorstel scheen een verlossing toe aan de gansche +vergadering: en allen haastten zich daaraan te voldoen, behalve Joan, die, zijn pleegvader ter zijde trekkende, van hem verlof +verzocht om zich af te zonderen en Ulrica te gaan groeten. + +</p> +<p>“Hoe is ’t Joan?” zeide de Baron: “zoekt gij een gelegenheid om van dien Botbergen af te raken? Ik had van u meer vuur verwacht, +vriendlief! Ware ik in uw plaats geweest, die verwaande pochhans had al lang op ’t plein gelegen.” + +</p> +<p>“Ik beloof u, Vader! dat uitstel geen achterstel, worden zal,” zeide Joan: “ik zal met dien knaap nog een appeltje schillen, +dat hem slecht zal smaken. Stel u daaromtrent gerust; maar, dunkt mij, mijn verlangen om Ulrica te zien, is nogal natuurlijk.” + +</p> +<p>“Nu, ga maar, ga maar,” zeide de Baron, knorrig: “lieve deugd! in mijn tijd waren de knapen anders! thans zijn zij zoo koel +als winterperen. Wat zullen de oude lui dan zijn als de jeugd geen warm <a id="d0e6469"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6469">204</a>]</span>bloed meer heeft!”—Na deze wrevelige aanmerking keerde de Baron zich weder tot zijn gasten en geleidde hen buiten het slot, +naar den hof, waar de frissche lucht en de balsemgeuren van het voorjaarsgebloemte de wandelaars op een lieflijke wijze tegenkwamen +en de dampen, door den wijn veroorzaakt, vervingen. Langs een lommerrijke lindenlaan begaf men zich naar de kegelbaan, die +aan het achtereinde van den hof tusschen hooge hagen gelegen, en met een planken beschot, laag genoeg om er overheen te zien, +omzet was. De baan, waaraan Bouke gedurende de vorige dagen al zijn vlijt besteed had, was spiegelglad: op twee derden van +hare lengte stonden de prachtige ebbenhouten kegels, met zilveren randen en ringen beslagen en wel drie voet hoog, op daartoe +op gelijke afstanden getrokken kringen, te prijken. Langs het schot liep ter linkerzijde van de baan, een houten goot af, +waarbij een tuinjongen geplaatst was, om na den worp, den bal weder aan de spelers toe te zenden. Bouke stond aan de rechterzijde, +bij de kegels, gereed om de tusschen de spelers gerezene oneenigheden te beslissen, en den uitslag van elken worp met krijt +aan te teekenen op een zwart bord, dat aan een paal hing, die boven het beschot uitstak. Aan het begin der baan stonden twee +andere dienaars bij een tafel, waarop bier en brandewijn gereedstonden tot lafenis der spelers: en daarover een kastje met +laden, waarin de kegelballen lagen, benevens een bord met dobbelsteenen; de nommers, die aan de spelers uitgedeeld moesten +worden, de handleien, waarop elk zijn <span class="letterspaced">poincten</span> of verliezen voor zich kon opteekenen, in één woord, al wat noodig kon geacht worden. Onderscheiden lijnen, evenwijdig over +de breedte der baan getrokken, duidden de plaats aan, vanwaar men werpen moest en welke de speler, wien het slotnummer te +beurt viel, doorgaans aanwees. + +</p> +<p>Met veel plechtigheid naderde Bouke het gezelschap, zooras het de kegelbaan nadertrad, haalde de dobbelsteenen voor den dag +en reikte ze den Jonker van Scherpenzeel toe, die, na geworpen te hebben, ze aan zijn buurman overgaf en zoo vervolgens. Bouke +teekende de geworpen getallen op en liet de gelijkstaande weder overgooien, totdat elk zijn nommer had. Toen begaf hij zich +weder naar zijn standplaats bij het groote bord, en Botbergen, wien het laatste nommer te beurt was gevallen, duidde aan, +van welke streep men beginnen moest. De heer van Lievendaal, die den eersten worp moest doen, zette den linkervoet op de streep, +bracht den rechtervoet een schrede achterwaarts, nam den zwaren bal op en deed hem over de baan vliegen. De bal wierp een +kegel om en schudde den tweeden, doch hij had zijn kracht verloren en rolde al draaiende het spel uit zonder iets verder te +verrichten, De tuinknaap zette dadelijk den gevallen kegel weder op en zond den bal terug. + +</p> +<p>“Hij was goed gemeend!” zeide een der spelers. + +</p> +<p>“De baan is niet glad genoeg,” antwoordde Lievendaal: “anders ware de tweede ook gevallen: zaagt ge wel hoe hij wiggelde? +Dan komaan, Helmenhorst! laat eens zien, of gij beter zult slagen.” + +</p> +<p>Met meer bedaardheid dan zijn voorganger dreef de tweede speler <a id="d0e6482"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6482">205</a>]</span>den bal voort en wierp ook een kegel om, terwijl de bal stil liggen bleef. + +</p> +<p>“Dat is ongelukkig!” riep hij uit: “wie kan zoo iets helpen? De kegel valt juist voor mijn bal en snijdt hem den weg af: anders +waren er nog wel drie of vier omgeworpen geweest.” + +</p> +<p>Haastig, gelijk hij alles deed, wierp Reede op zijn beurt den bal. Doch door de drift draaide zijn hand onder ’t werpen, en +de bal, na eerst rechtuit te zijn gerold, nam, kort voor ’t spel een zijdelingsche wending en liep de kegels voorbij. + +</p> +<p>“Wat satan is dat!” schreeuwde hij hoogst ontevreden: “Bouke! de baan is niet gelijk! hoe kan een bal zoo mal rollen?” + +</p> +<p>“De baan is al gelijk!” antwoordde Bouke, terwijl hij met veel bedaardheid den misslag opteekende: “Ik kan niet helpen, dat +UEd. scheef gooit.” + +</p> +<p>“Kom, Heer Ambtman! het is uw beurt! Laat ons eens zien of UEd., die niet gedronken heeft, scherper gooien zult dan een van +ons allen,” zeide de Jonker van Scherpenzeel. + +</p> +<p>“Gij ziet, van dat weinigje beef ik reeds,” zeide Mom, en wierp den bal wel een voet buiten ’t spel. Met ongelijk gevolg speelden +diegenen, die na hem kwamen. Toen de beurt aan Botbergen kwam, die reeds luide gesnoefd had over de menigvuldige partijen, +door hem bij andere gelegenheden gewonnen, keken de spelers nieuwsgierig toe; maar de Gelderschman voldeed slecht aan hun +verwachting en deed den bal midden door de kegels heen vliegen. + +</p> +<p>Na op deze wijze eenige toeren afgespeeld te hebben, werd Reede, die bij deze gelegenheid slecht, of, zoo ’t heette, ongelukkig +speelde, wrevelig, en den Ambtman, wiens kans niet fraai stond, onder den arm nemende, verzocht hij hem, het spel maar te +laten varen en met hem plaats te nemen op een bank, buiten den ingang der baan geplaatst, waar men ongestoord zat en echter +het spel overzien kon. Na een wijl over onverschillige dingen gesproken te hebben, begon de <span id="d0e6498" class="corr" title="Bron: Ambtmam">Ambtman</span> weder zijn liefde voor Ulrica tot onderwerp van hun gesprek te maken; en toen was het, dat de Baron, wiens oprecht en rondborstig +gemoed door den Rijnschen wijn nog openhartiger geworden was, het gepast oordeelde, den Ambtman een geheim te vertrouwen, +dat hij voor elk ander zorgvuldig bewaard hield, doch ’t geen hij als eerlijk man zich verplicht achtte, zijn aanstaanden +schoonzoon mede te deelen. + +</p> +<p>“Vriend Mom!” zeide hij: “Ik ben overtuigd, dat het alleen uit genegenheid voor haar persoon is, dat gij mijn dochter gevraagd +hebt; dat geen andere drijfveer u handelen deed, en dat gij haar van mijn hand zoudt willen nemen, al ware zij niet machtig +u een penning als huwelijksgoed mede te brengen. Doch, daar ik nimmer den schijn van karigheid zou willen toonen, en niet +gaarne de beschuldiging verdienen, van u omtrent den waren staat mijner zaken misleid te hebben, daar er bovendien nog een +zwarigheid bestaat, als ik van ochtend zeide, acht ik het billijk, u dienaangaande nader in te lichten.” + +</p> +<p>“Heer Baron!” zeide Mom, zijn verwondering over zulk een voorafspraak <a id="d0e6505"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6505">206</a>]</span>onder een vriendelijken glimlach verbergende: “uw beleefdheid is al te groot. Geloof vrij, dat geen inzicht om mij te verrijken +mij noopt, uw bevallige dochter ten huwelijk te vragen. Ik ben, Goddank! rijk genoeg, en, zoo ik een gade wensch, zoek ik +slechts een lieve gezellin, die den avond van mijn leven verheuge. Echter, zoo UEd. noodig oordeelt, mij, na deze betuiging, +nog de eer aan te doen van mij uw familiegeheimen mede te deelen, ben ik bereid naar u te luisteren.” + +</p> +<p>“Juist! juist, Heer Ambtman!” antwoordde Reede: “gij moet alles weten, want al zijn uw gevoelens omtrent mijn Ulrica nog zoo +edel, omtrent mij zoudt gij wellicht van meening veranderen, zoo ik niet met open kaarten speelde. Dan ter zake.—Ik moet, +om u mijn omstandigheden te verduidelijken, de geschiedenis wat hooger ophalen.—Mijn overgrootvader Godard van Reede had, +gelijk u bekend is, zijn meeste goederen, waaronder deze heerlijkheid, ter leen van het Bisdom van Utrecht, en stond, daar +hij een devoot Katholiek was, in hooge gunst bij den Bisschop. Op aanzoek van dezen, en onder belofte van diens protectie, +liet hij zijn tweeden zoon Frederik voor den geestelijken stand opvoeden, en wel bij de Dominicanen te Tiel. De jonge geestelijke +bracht het ver.... ja, Roomsch of Onroomsch, wij zijn altoos bijbelvast en fiksch in de leer geweest.... nu, dat is tot daaraan +toe: hij maakte groote vorderingen, en de oude heer had het genoegen hem voor zijn dood tot Prior van datzelfde convent der +Dominicanen te zien verheffen.... dat moet een vet ambtje geweest zijn!” + +</p> +<p>“Zoo vet,” zeide Mom, “dat ik er mijn ambtsmanschap dadelijk voor geven zou, mits het mij maar niet belette uw schoone dochter +te huwen.” + +</p> +<p>“Ja! men moet kiezen of deelen;.... doch waar waren wij gebleven?.... ” + +</p> +<p>“Bij uw oudoom den Prior; is hij het niet, die, wanneer hij zat te lezen, een duiveltje de kaars liet houden?”’ + +</p> +<p>“Juist! zijn beeltenis hangt op het slot; doch ter zake.—Borre, Frederiks oudste broeder en mijn grootvader, niet minder goed +Roomsch dan zijn broeder, vertrouwde hem de opvoeding van zijn oudsten zoon Godard, terwijl Karel, de jongste, voor de wapenhandel +werd opgeleid.—Intusschen had de omwenteling plaats en de oorlog met de Spanjaards. Mijn grootvader, toen Heer van Sonheuvel, +zijn broeder de Prior en mijn oom Godard hielden, als men denken kon, ijverig de zijde van den Koning; doch mijn vader, die +reeds jong aan hun opzicht onttrokken was, koos des Prinsen zijde, en zwoer, evenals deze den Paapschen Godsdienst af.” + +</p> +<p>“Dat zal den ouden Heer weinig gesmaakt hebben,” merkte Mom aan, om te toonen dat hij luisterde naar een verhaal, waar hij +de belangrijkheid nog niet van inzag. + +</p> +<p>“Het gedrag van zijn zoon belgde hem zoozeer,” vervolgde de Baron, “dat hij mijn vader onterfde en zijn bezittingen aan mijn +oom Godard maakte, die een weinig later de eenige erfgenaam werd der machtige nalatenschap van den Prior.” + +</p> +<p>“Zoo” riep Mom, voor wien de geschiedenis opeens een <a id="d0e6523"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6523">207</a>]</span><span id="d0e6524" class="corr" title="Bron: be-belangrijker">belangrijker</span> gedaante verkreeg: dan heeft oom Godard alles ingepalmd.” + +</p> +<p>“Zooals gij wel aanmerkt. Mijn vader had zich wel tegen het een en ander kunnen verzetten; doch dit wilde hij uit kinderlijken +eerbied niet doen. Hij had bovendien een vrij gegoed meisje getrouwd. Zoodra mijn grootvader gestorven was, riep mijn oom +Godard mijn vader weder tot zich en stelde hem voor, samen als broeders op Sonheuvel te leven. Dit aanbod was met hartelijkheid +gedaan: het werd met dankbaarheid aangenomen. Dan, niet lang had die samenwoning geduurd, toen de vrouw van mijn oom stierf. +Hij was over dit verlies diep getroffen; de vermaken der wereld werden hem walgelijk, hij liet aan mijn vader het opzicht +over al zijn goederen, trok naar Tiel, nam het geestelijk gewaad aan, verkreeg, als zijn oom, de waardigheid van Prior, en +zou tot hooger waardigheid gestegen zijn, ware hij niet met een groot gedeelte der Roomsche geestelijkheid van oproerigheid +beschuldigd geweest, en ten lande uitgebannen. Nu deed mijn vader iets, dat ik niet weet of ik mij wel zou hebben durven veroorloven.” + +</p> +<p>“En dat was?” vroeg Mom, bij wien het verhaal hoe langer hoe meer belangstelling wekte. + +</p> +<p>“Dat zult gij hooren. Mijn oom had zijn eenigste dochter bij de geestelijke zusters van Sinte-Cecilia laten opbrengen. Nu +gebeurde er in dat klooster een schandaal: namelijk, dat, een non en een Jezuïetschen pater, die hier door ’t land reisde, +samen opdrosten. Het volk, dat al niet zeer op de hand der nonnetjes was, plunderde toen het gansche convent en joeg de nonnen +weg. Toen stuurde mijn oom zijn Maria aan mijn vader, met verzoek haar naar Kampen te sturen, waar een vrome zuster voor haar +opvoeding zoude zorgen. Dat deed mijn vader niet, en daar deed hij, mijns inziens, verkeerd aan.” + +</p> +<p>“Hij wilde de rijke erfgename onder zijn bereik houden,” zeide Mom. + +</p> +<p>“Neen, dat niet,” zeide Reede, terwijl zijn kleine oogen van verontwaardiging fonkelden: “hoe komt ge op die gedachte! Hij +handelde misschien verkeerd; maar geenszins uit baatzuchtige oogmerken.” + +</p> +<p>“Dan kan ik niet inzien, uit welken hoofde zijn gedrag laakbaar was,” zeide Mom: “noch zelfs wat zijn oogmerk geweest kan +zijn.” + +</p> +<p>“Ziet gij dat niet?” vroeg Reede: “hij wilde een zieltje winnen en hield de kleine Maria bij zich, om haar, tegen de begeerte +haars vaders aan, in de Hervormde leer te laten opvoeden. Ziet ge! dat was niet zooals ’t hoorde.” + +</p> +<p>“Vindt gij?” vroeg Mom op zijn beurt, met eenige verbaasdheid: “al onze Dominees zullen u het tegendeel zeggen.” + +</p> +<p>“Dat is wel mogelijk, ofschoon mijn goede vriend Raesfelt er niet volkomen zeker van is,” zeide Reede: “maar, naar mijn inzien, +kunnen de middelen het doel nooit wettigen, zooals de Jezuïeten beweren;.... doch, dat daargelaten: Maria bleef dan bij ons +en werd, toen zij huwbaar was, mijn vrouw.—Mijn vader stierf—ik bleef. voor het oog der wereld, de Heer van Sonheuvel: doch +inderdaad, niet meer dan de rentmeester van mijn oom.” +<a id="d0e6545"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6545">208</a>]</span></p> +<p>“En heeft die oom niets meer van zich laten hooren?” vroeg Mom. + +</p> +<p>“Slechts eens heb ik hem sedert gezien: en toen had zijn onvoorzichtigheid hem bijna doen vatten: met moeite deed ik hem ontsnappen. +Hij verzocht mij toen, het bestuur der bezittingen te blijven behouden en de interessen als een eigendom te beschouwen.” + +</p> +<p>“Die vrek!” zeide Mom: “hij had u alles even goed kunnen overdoen; want, vooreerst heeft hij aan die rijkdommen niets, en +ten tweede zoude er op zijn recht van eigendom vrij wat aan te merken zijn.” + +</p> +<p>“Geen woord daarvan!” hernam de Baron: “wie hem ooit in zijn recht verkort, ik zal het blijven handhaven.—Dan, nu is er nog +iets: mijn oom was ter oorzake der nauwe verwantschap tusschen Maria en mij, tegen ons huwelijk geweest. Leedwezen daarover +voerde mijn lieve vrouw ten grave. Zij deed, ik geloof gedreven door een soort van zucht om een zoenoffer aan den toorn haars +vaders te brengen, mij op haar sterfbed beloven, dat ik Ulrica, ons eenigst kind, niet zoude uithuwelijken, dan met de toestemming +van mijn schoonvader.... Zij was stervende, ik zwoer dit, om haar gerust te stellen:—en toch, ik had zoo lichtvaardig niet +moeten zweren: want waar vinde ik nu den ouden Heer?” + +</p> +<p>“Hoe laat hij zich noemen?” vroeg Mom. + +</p> +<p>“De Paapschen noemen hem vader Ambrosius,” antwoordde Reede: “doch het zal moeilijk zijn, zijn verblijfplaats uit te vorschen. +Er zijn zoovelen van dien naam.” + +</p> +<p>“Wij zullen zien,” zeide Mom, opstaande en zijn knevel wrijvende om een onwillekeurigen glimlach te verbergen: “misschien +is hij wel op te sporen. Ik heb overal nogal betrekkingen: en ik vleie mij, dat zoo hij met mijn wenschen bekend is, hij er +niets tegen zal hebben in te brengen.” + +</p> +<p>“Mijn mededeelingen hebben dus geen invloed op uw voornemens?” vroeg Reede, terwijl een waas van tevredenheid zich over zijn +gelaat verspreidde. “Gij blijft de hand mijner dochter vragen?” + +</p> +<p>“Heer Baron,” zeide Mom: “uw openhartig, ja edelmoedig gedrag te mijwaarts treft mij, vervult mij met bewondering voor u; +doch het verbaast mij niet. Gij hebt mij wel beoordeeld, toen gij genoeg vertrouwen in mij steldet, om mij deze gewichtige +geheimen mede te deelen. Ik bemin Ulrica: haar vraag ik, en haar alleen.” + +</p> +<p>“Bedenk u wel,” zeide de Baron: “Ik bezit niets, dat ik mijn eigendom kan noemen, dan mijn moeders erfdeel: op mijn ouden +dag bekrimp ik mij niet meer, en van wat ik heb, heb ik vast besloten de helft aan Joan te geven; ik heb dien armen jongen +niet opgevoed om hem naderhand armoede te laten lijden. Ulrica weet dit, en zij is tevreden met het weinige dat ik haar medegeef; +doch gij!....” Hier schudde hij bedenkelijk het hoofd. + +</p> +<p>“Ik ben met Ulrica tevreden, en begeer niets meer,” hernam Mom. + +</p> +<p>“Heel wel! dat zijn jongelui’s betuigingen, als zij vrijen. Doch naderhand komt het berouw, en dan is het te laat.” + +</p> +<p>“Ik ben geen knaap meer,” zeide Mom “die zijn geluk op een paar schoone oogen verspeelt. Ik ben rijk genoeg om een vrouw <a id="d0e6572"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6572">209</a>]</span>naar mijn zin te huwen, ook zonder bruidsschat. Veroorloof mij, tot nader bewijs van mijn betuiging, dat ik mij naar uw dochter +begeve en haar mijn hulde brenge.” + +</p> +<p>“Zeer gaarne,” zeide de Baron, zich verheugd de handen wrijvende: “en zend mij Joan hier, indien hij zich nog bij haar bevindt.—Nu! +kijk maar niet zwart: zij zijn samen opgebracht: daar steekt geen kwaad in.” + +</p> +<p>Mom glimlachte weder; doch deze reis was zijn lach gemaakt, en zich buigende, begaf hij zich naar het slot. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e6578" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Een-en-twintigste Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<p>Ulrica, de eer en ’t leven van deez’ boorden. + +</p> +<p>Juffr. <span class="letterspaced">Koolaert</span>. +</p> +</div> +<p>Ulrica was in de benedenzaal met Magdalena bezig met borduren, toen Joan binnentrad, toesnelde en haar met al de onstuimige +driften eens jongelings in de armen drukte. Schoon zij reeds door een der dienaars van zijn terugkomst verwittigd was geweest, +en door de verwarring, waarin die tijding haar gebracht had, niets meer deed dan broddelen, was zij nog niet genoeg voorbereid +om hem te zien en deed zijn plotselinge verschijning haar ontstellen. Magdalena rees met hare gewone deftigheid op, groette +den Jonker met eene diepe neiging, bood hem haar zetel naast Ulrica aan en plaatste zich op eenigen afstand bij een ander +venster. + +</p> +<p>De jonge lieden bleven eenigen tijd als sprakeloos naast elkander zitten: Joan hield de eene hand zijner pleegzuster in de +zijne geklemd en zag haar aan met een gloeiend gelaat en fonkelende oogen, terwijl de Jonkvrouw verward en blozend voor zich +keek. Dan, toen de eerste zielsbedwelming voorbij was, scheen een denkbeeld beiden op eens te treffen: Ulrica trok met schrik +haar hand terug en schoof haar stoel achteruit, en Joan liet de armen vallen, zuchtte diep en zag voor zich. + +</p> +<p>“Alles is hier zeer veranderd, Ulrica!” zeide hij eindelijk, “sedert ik laatst vertrokken ben.” + +</p> +<p>“Ik begrijp u niet,” antwoordde zij met een flauwe stem, schoon zij hem zeer wel begreep. + +</p> +<p>Joan zuchtte, zweeg wederom en streelde de grauwe haren van Veltman, die hem gevolgd was en voor zijn voeten lag. Na eenige +oogenblikken poogde hij het gesprek te hervatten, en vroeg met schroomvalligheid: “zullen wij u welhaast Mevrouw Mom kunnen +heeten?” + +</p> +<p>“Daar is nog niets over bepaald,” antwoordde zij, opnieuw van kleur veranderende: “ik weet niet, of dat wel ooit zal gebeuren.” +<a id="d0e6601"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6601">210</a>]</span></p> +<p>“Nu! wij willen hopen.... van ja, nietwaar?” vroeg Joan, op een toon, die het tegendeel zeide. Hij ontving geen antwoord, +en beiden bewaarden gedurende eenige oogenblikken een diep stilzwijgen. Ulrica brak dit het eerst. + +</p> +<p>“Wanneer zijt ge hier in ’t land teruggekomen?” + +</p> +<p>“Gistermorgen van Nijmegen.” + +</p> +<p>“Waar hebt gij dan vannacht geslapen?” + +</p> +<p>“Bij Gheryt Maessen zekerlijk,” antwoordde Magdalena; “althans daar hing diezelfde degenhanger in den schoorsteen welke UEd. +thans aanheeft.” + +</p> +<p>Ulrica bloosde opnieuw zeer sterk, en Joan keek weder voor zich. + +</p> +<p>“Heden, Joan!” zeide Ulrica: “waarom zijt gij gisteravond niet hier gekomen?” + +</p> +<p>“Ik was.... ik had.... ik zal dat wel eens nader vertellen.” zeide Joan, een zijdelingschen blik op Magdalena werpende. In +deze beweging viel zijn oog op het afbeeldsel van den Prior Frederik van Sonheuvel, dat aan den wand hing. + +</p> +<p>“Nu weet ik het!” riep hij uit, sprong op en ging de schilderij aandachtig beschouwen. + +</p> +<p>“Wat weet gij?” vroeg Ulrica verwonderd. + +</p> +<p>“Ja, hij is het!” vervolgde Joan: “het is dezelfde, die.... ja hij is het wel!” + +</p> +<p>“Joan! zijt gij mal geworden?” vroeg Ulrica, angstig opstaande en zich aan zijn zijde voegende. + +</p> +<p>“Gij hebt gelijk,” hernam hij: “Ik moet den schijn hebben van ijlhoofdig te zijn: nu, dat zal zich wel oplossen: ik moet uws +vaders oordeel hierover eens weten; doch laten wij van iets anders spreken, lieve Ulrica!” vervolgde hij, haar weder naar +haar zitplaats geleidende: “zeg mij toch: hoe varen Dominee en zijn vrouw? en hoe maakt Geert het toch?” + +</p> +<p>Ulrica voldeed aan zijn vragen: haar antwoorden lokten wederom nieuwe vragen uit, en het onderhoud verlevendigde zich, totdat +Ulrica eindelijk vroeg, wat er toch, een oogenblik na Joans terugkomst, in de zaal had plaats gehad. + +</p> +<p>Joan voldeed aan hare nieuwsgierigheid. + +</p> +<p>“Gij zult u toch aan geen gevaren blootstellen?” vroeg zij. + +</p> +<p>Deze woorden werden door een zoo beminnelijk lachje vergezeld en de oogen der bevallige schoone vestigden een zoo deelnemenden +blik op den jongeling, dat hij, innig geroerd, haar hand weder in de zijne sloot. + +</p> +<p>“Lieve Ulrica!” zeide hij: “ik zal doen wat ik als man van eer verplicht ben.” + +</p> +<p>Hier stond Magdalena, die uit het venster in den tuin had gezien, op, en verliet het vertrek. + +</p> +<p>“Ulrica!” riep Joan, zoodra zij vertrokken was: “is het in ernst waar? Zal de Ambtman Mom uw man worden?” + +</p> +<p>“Mijn vader verlangt dat huwelijk,” antwoordde zij bevende. + +</p> +<p>“Uw vader;.... maar gij?” + +</p> +<p>“Het is misschien de beste keus, die ik in mijn omstandigheden <a id="d0e6648"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6648">211</a>]</span>doen kan. Mijn vader is er op gesteld, dat ik een goed huwelijk doe: en....” + +</p> +<p>“En gij bemint hem?” + +</p> +<p>“Ik houd hem voer een eerlijk, achtenswaardig man.” + +</p> +<p>“En daarom alleen zult gij hem huwen? Ulrica! speel niet met uw geluk!” + +</p> +<p>“Joan!” hernam zij op een zachten, weemoedigen toon: “ik had u bij uw terugkomst geheel anders verwacht. Zijn dit de beloften, +die gij mij bij uw vertrek van hier hebt gedaan?” + +</p> +<p>“Ik herinner mij die belofte te wel, om die ooit te verbreken,” zeide Joan: “ja, ik heb u beloofd, dat ik een dwaze en hopelooze +liefde zou pogen te onderdrukken, dat ik u voortaan, gelijk in onze kindsche dagen, alleen als zuster zou beschouwen: aan +dat gegeven woord zal ik gestand blijven, en niemand dan gij zal immer weten, dat ik u eenmaal met een andere dan broederlijke +teerheid liefhad, dat ik u nog heden met diezelfde....” + +</p> +<p>“Stil!” viel hem Ulrica met een gestrengen blik in de rede: “gij zijt weder opweg om dat woord te breken.” + +</p> +<p>“Welnu!” hervatte hij: “die dwaze liefde daargelaten, geeft mij de naam van broeder, dien gij mij vergunt te behouden, dan +geen recht om in het geluk mijner zuster het teederst belang te stellen? Gij bemint den Ambtman niet, gij koestert alleen +achting voor zijn karakter: gij neemt hem, ik moet u openhartig mijn gedachte zeggen, alleen om mij alle hoop voor de toekomst +af te snijden, om u zelve te behoeden tegen een genegenheid, die u schuldig voorkomt. Doch ik ben verplicht, als broeder verplicht, +u te waarschuwen, dat uw huwelijk nimmer gelukkig kan uitvallen, wanneer het alleen gesloten wordt, om een ander dieper ingeworteld +gevoel uit te roeien of te verdooven.” + +</p> +<p>“Onbarmhartige!” zeide Ulrica, terwijl zij haar tranen poogde te bedwingen: “ga voort, het staat u schoon, mijn droefheid +te vergrooten door zulke onwaardige veronderstellingen. Ik had niet verwacht Joan, dat gij het eerste uur, dat wij ons na +zoo een lange afwezigheid, terugzien, zoudt besteden, met mij een beschuldiging te doen hooren, die mij, zoo zij gegrond ware, +in mijn eigen oogen vernederen zou.” + +</p> +<p>Joan gevoelde dit verwijt, stond op en wandelde de zaal op en neder. “Ulrica!” zeide hij, na eenige oogenblikken zwijgens: +“die Ambtman is u niet waardig!” + +</p> +<p>“Joan! Joan!” herhaalde zij met aandoening: “eerst gisteren zijt gij hier in ’t land gekomen. Heden ziet gij den Ambtman voor +’t eerst, zoo gij hem al met kennis gezien hebt. Hoe kunt gij dus zoo lichtvaardig oordeel vellen over iemand, die misschien +eenmaal recht zal hebben op mijn eerbied, op mijn gehoorzaamheid, op mijn liefde. Is deze handelwijze billijk, is zij grootmoedig, +is zij vriendelijk ten opzichte van hem—en van mij?” + +</p> +<p>“Ik ben misschien te ver gegaan,” zeide hij. “Geloof mij, ik gevoel uw toestand, ik schat de opoffering, die gij wellicht +zult doen, op haar waarde; doch ik bezweer u, bij uw geluk, overdenk den stap <a id="d0e6672"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6672">212</a>]</span>dien men u wil laten doen, nog eenmaal ernstig en bedaard: en vooral.... tracht berichten in te winnen omtrent den Ambtman, +nauwkeuriger dan gij tot nu toe hebt kunnen bekomen. Want,” vervolgde hij met nadruk, terwijl hij haar hand vatte en haar +recht broederlijk in de oogen zag: “ik zou ongaarne zien, dat gij uw lot verbondt aan iemand, wiens inborst en gedrag mij +althans nog te geheimzinnig voorkomen, om....” + +</p> +<p>Op dit oogenblik trad de man, van wien hij sprak, de kamer in. + +</p> +<p>Als een schuldige liet Joan de hand der Jonkvrouw varen, en trad achteruit, terwijl zijn gelaat zich met een hoogrood overdekte. +Ulrica werd bleek, schoof haar zetel terug en wischte haastig haar tranen weg. + +</p> +<p>“Laat ik u niet storen,” zeide Mom, zich buigende en zijn mond tot een spotachtig lachje samentrekkende: “ik ga terstond weder +heen en laat u samen. Ik begrijp, dat men, na zulk een lange afwezigheid, elkaar veel te vertellen heeft.” Hier hield hij +zich, als wilde hij weder vertrekken. + +</p> +<p>“Wees zoo goed en blijf, Heer Ambtman!” zeide Ulrica hem een zetel aanwijzende: “mijn broeder en ik zullen nog genoeg gelegenheid +hebben elkander te spreken: daarenboven hebben wij thans niets te zeggen, dat geen derde hooren mag.” + +</p> +<p>“Al te beleefd, al te vriendelijk,” hernam Mom, altijd met een glimlach op de lippen: “wijl UEd. het verkiest zal ik blijven; +doch ik zou misschien vrijpostiger zijn dan de Jonker: want ik (hier boog hij zich diep) heb UEd. veel te zeggen, dat een +derde niet hooren mag.” + +</p> +<p>“Ik zal u van mijn tegenwoordigheid ontslaan,” zeide Joan. + +</p> +<p>“De Heer Baron heeft mij gelast, UEd. te vragen, of hij u niet aan de kegelbaan zou zien,” hervatte de Ambtman. + +</p> +<p>“Ik ga mij bij het gezelschap vervoegen,” zeide Joan, zich verwijderende: “doch,” vervolgde hij, terugkomende en den Ambtman +bij de hand nemende: “vergun mij UEd. een vraag te doen, een enkele.” + +</p> +<p>“Tot uw dienst,” zeide Mom. + +</p> +<p>“Kent UEd. den man, die hier afgebeeld is?” vroeg Joan, hem op de schilderij wijzende. + +</p> +<p>De Ambtman vertrok geen gelaat, maar zeide zeer bedaard: + +</p> +<p>“Dat verbeeldt, zoo ik wel heb, den Prior Frederik van Reede.” + +</p> +<p>“Gewis; doch heeft UEd. nooit iemand gezien, die tot model dezer beeltenis zou hebben kunnen dienen?” + +</p> +<p>“Neen,” antwoordde Mom, droogjes: “en UEd.?” + +</p> +<p>“Ik wel,” zeide Joan: en met een diepe buiging verliet hij de zaal, terwijl hem Ulrica, met bevreemding, ja met een soort +van angst, of het hem ook in het hoofd schortte, en de Ambtman, met den spotachtigen blik, die hem sedert zijn komst niet +verlaten had, en met een innerlijk genoegen van den jongeling verschalkt te hebben, naoogden. + +</p> +<p>Joan verliet het kasteel en begaf zich naar de kegelbaan, waar de gasten nog altijd met spelen bezig waren. Toen hij kwam, +was <a id="d0e6706"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6706">213</a>]</span>de toer juist uit, en werd hij verzocht, het getal der spelers te vermeerderen en zijn geluk te beproeven. Hij voldeed aan +het voorstel en nam zijn bal uit de handen van Bouke aan. + +</p> +<p>“Dat zal wezen: oppassen is de boodschap!” zeide deze tegen de spelers. “Zoo onze Jonker het nog niet verleerd is, zal hij +de Heeren spoedig de baas zijn.” + +</p> +<p>“Ik twijfel er aan,” zeide Joan: “ik heb in lang niet gespeeld en ben heden nog te verweerd van de reis, om naar behooren +te spelen.” Dit zeggende, plaatste hij zich naast den Baron, die zich weder aan het spel begeven had en wachtte zijn beurt +af. + +</p> +<p>Van de aanwezige gasten hadden de Jonker van Scherpenzeel en Botbergen tot nog toe het meeste voordeel behaald: de eerste +omdat hij goed, de laatste omdat hij buiten zijn eersten misworp, gelukkig gespeeld had. Toen nu Joan zou spelen, zagen al +de omstanders scherp toe, omdat zij, na Boukes gezegde, een meesterlijken worp verwachtten. Joan zette den voet op de streep, +keek even naar de kegels en wierp toen den bal over de baan op een zoo onverschillige wijze en met zooveel onoplettendheid, +dat geen der aanwezenden dacht dat hij een kegel raken zoude. De bal rolde langzaam voort: doch toen hij bij het spel kwam, +was het, of hij opeens een andere richting verkreeg: hij draaide zich tusschen de voorkegels door, wierp den koning omver +en wentelde, zonder een anderen kegel te raken, weder buiten het spel. + +</p> +<p>“De koning! de koning!” riepen de spelers. + +</p> +<p>“Dat telt negen punten,” zeide Bouke: “nu, Mijneheeren! wat heb ik u gezegd? Ja, ik wist wel, dat de Jonker niet zoolang voor +niet met mij gekegeld had.” + +</p> +<p>”’t Is meer geluk dan wijsheid,” zeide de Baron. “Kom, Jonker!” vervolgde hij, zich tot Scherpenzeel wendende, lachende: “gij +zijt tot nog toe de bol. Toon uw kunst nog eens, opdat de knaap niet denke, dat hij, omdat hij uit verre landen komt, ons +allen de baas is.” + +</p> +<p>Scherpenzeel stelde zich in postuur, keek en mikte lang, en was even gelukkig als Joan: en Botbergen, die het laatste nommer +had, wierp insgelijks den koning om. Nu moesten zij drieën, volgens de wet van ’t spel, weder overspelen, om te zien wie den +algemeenen inleg en de boeten, bij dezen toer betaald, zou ontvangen. + +</p> +<p>Even achteloos als de vorige reis, deed Joan den bal over de baan rollen, en wierp, evenals de vorige reis, den koning om. + +</p> +<p>“Zie mij zulk een geluksvogel eens aan!” riep de Jonker van Scherpenzeel uit: “hij raakt slag op slag, zonder er eens naar +om te zien.” + +</p> +<p>Hij speelde; maar zoowel hij als Botbergen misten hun worp en Joan werd als overwinnaar begroet. Nu moest hij bij den volgenden +toer het eerst spelen. + +</p> +<p>“Het is waarlijk voor goede spelers geen kunst,” zeide hij, “om te werpen wie de meeste kegels omwerpt. Men moet te voren +bepalen, welke kegels men om moet werpen. Zoo spelen de Franschen en Brabanders dit spel.” + +</p> +<p>“Dat heb ik nooit gehoord,” zeide Scherpenzeel; “doch ik wil <a id="d0e6732"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6732">214</a>]</span>gaarne gelooven, dat het daardoor nog belangwekkender wordt.” + +</p> +<p>“Welnu,” vervolgde Joan: “dan moet de voorste middelkegel er aan, met den koning: daar gaan zij!” En, met meer oplettendheid +dan te voren zijn worp verrichtende, volbracht hij zijn opgave volkomen. De overige spelers poogden hem dit na te doen; doch +er was er geen onder hen, wien het gelukte. + +</p> +<p>“Pots tausent!” riep Botbergen: “zoude ik dat ook niet kunnen doen?” en deed den bal over de baan rollen. De beide opgegeven +kegels vielen werkelijk om. + +</p> +<p><span id="d0e6739" class="corr" title="Niet in bron">”</span>Dat is gewonnen!” riep hij. + +</p> +<p>“Neen!” zeide Bouke: “dat is verloren. Gij hebt den koning niet met den bal geraakt: hij is alleen gevallen, omdat de voorste +kegel er tegen aan geworpen werd.” + +</p> +<p>“Dat is onwaar,” hernam Botbergen, zich bij de kegels begevende: “de bal heeft wel degelijk allebei de kegels aangeraakt en +omgegooid.” + +</p> +<p>“En ik zeg van neen,” zei Bouke. + +</p> +<p>“Pots dit en dat!” vloekte Elbert: “zult gij het mij heeten liegen?” + +</p> +<p>“Dat zal ik,” hernam Bouke: “als de maan vol is schijnt zij overal.” + +</p> +<p>“Houdaar!” zeide de vergramde speler, die door den drank was opgewonden; en, een der kegels opnemende, sloeg hij er den ouden +dienaar zoo geweldig mede op ’t hoofd, dat hij wankelde. + +</p> +<p>Joan kon zijn getrouwen vriend Bouke niet straffeloos zien mishandelen; als een pijl van den boog schoot hij op Botbergen +toe, greep hem met de eene hand bij den kraag en met de andere in den gordel, lichtte hem als een kind op en smeet hem over +het houten schot buiten de baan, onder toejuiching der aanschouwers. Woedend stond Botbergen weder op, trok zijn degen, kwam +de baan weder inloopen en snelde regelrecht op Joan aan; doch deze sloeg hem met een kegel het lemmer uit de hand. + +</p> +<p>“Gij zult mij voldoening geven voor zoo groot een beleediging,” brulde Elbert. + +</p> +<p>“Zeer gaarne,” antwoordde Joan; “doch thans niet. Wanneer gij morgen nuchter zijt,” fluisterde hij hem zachtjes in ’t oor, +“en u te zeven uren in ’t Lischboschje hierover bevinden wilt, ben ik bereid, u met pistool of degen af te wachten.” + +</p> +<p>“Ik zal er wezen,” antwoordde Elbert, op denzelfden toon: “Heer Baron!” zeide hij hardop, zich tot Reede wendende, die hem +met de andere Heeren stond uit te lachen: “wanneer ik hier voor spot en mishandeling niet vrij ben, kan ik niet langer uw +gast wezen. Vergun mij, dat ik mijn afscheid neme.” + +</p> +<p>Dit gezegd hebbende, raapte hij, zonder antwoord te wachten, zijn degen op, en begaf zich met zoo fieren tred als zijn wankelende +beenen het hem vergunden, naar het slot, waar hij zijn paard liet zadelen om weder naar Tiel te rijden. Opgestegen zijnde +en den stal uitrijdende, ontmoette hij op het voorplein den Ambtman, die zooeven Ulrica verlaten had. + +</p> +<p>“Wat is dat, Elbert? verlaat gij ons weer?” vroeg Mom met bevreemding. +<a id="d0e6766"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6766">215</a>]</span></p> +<p>“Ik moet wel,” zeide Elbert: “ik gevoel weinig lust om door dat bezopen gespuis van ginder overhoop gestoken of in de gracht +gesmeten te worden. Ik heb het ook fiks gezeid aan den Baron, dat ik het eeuwig verd....” + +</p> +<p>“Ja! gij zijt de ware held om iets fiks te zeggen,” viel hem de Ambtman met een schamperen lach in de rede: “gij hebt mij +fraaie angsten op mijn dak gejaagd met uw zot gezwets. Ik was maar bang, dat het een of ander uit zou lekken van.... gij verstaat +mij.” + +</p> +<p>“Pots honderd tausent slapferment! Kon ik het gebeteren, dat die weerlichtsche knaap juist vandaag weerom zou komen. Ik had +hem liever onderweg afgewacht en aan honderd piesjes gehakt, dan dat ik zoo gelogenstraft ware geworden.” + +</p> +<p>“Ja! gij hadt wat: nu! wilt ge een van mijn dienaars met u hebben? Ge zijt misschien bang alleen op den weg.” + +</p> +<p>“Ik ben heden niet geschikt om uw zotte schimpscheuten aan te hooren,” zeide Botbergen, gemelijk: en zijn paard de sporen +gevende, draafde hij weg. + +</p> +<p>“Ga maar!” zeide Mom, terwijl hij hem naoogde. “Had ik ooit zulk een uiterste van bloohartigheid bij u vermoed, nooit waart +gij mijn vertrouweling geworden. Gij zijt alleen geschikt, om, evenals de laffe jakhals, den leeuw op zijn tocht te vergezellen, +hem zijn vijand aan te wijzen, en de brokken na te kauwen, die de koning des wouds wil achterlaten.” + +</p> +<p>Terwijl hij aldus den teugel vierde aan zijn ontevredenheid, was hij de brug overgegaan en trad den hof in. Hier ontmoette +hem Magdalena. + +</p> +<p>“Welnu?” vroeg zij. + +</p> +<p>“Welnu!” herhaalde Mom: “ik heb uw raad gevolgd en geen verwondering laten blijken, toen hij mij de schilderij vertoonde. +Ik heb zelfs jegens Ulrica de edelmoedige gespeeld en haar gezegd, dat ik mijn aanzoeken terug zou nemen, bijaldien een ander +de voorkeur in haar hart bezat. Zij weigerde met aandoening het door mij gedane voorstel, om haar vader te bewegen, haar hand +aan Joan te schenken: het zoude mij verwonderen, indien ik door deze handelwijze geen groote vorderingen in haar achting gedaan +had. Tracht dit wat aan te wakkeren, en ik zal mij niet ondankbaar jegens u betoonen.” + +</p> +<p>“Ik begeer geen loon,” zeide Magdalena, op een verachtelijken toon: “denk slechts op de voorwaarden, waaraan de hulp, welke +ik u bewijs, verknocht is. Ulrica zal de uwe zijn; doch gij moet haar verdienen, door de goede zaak te doen zegevieren.” + +</p> +<p>“Daaraan zijn wij bezig,” hervatte Mom, “gij kunt aan Pater Eugenio, die toch een kennis van u schijnt, bij gelegenheid wel +eens vragen, wat ik al gedaan heb om die zaak bevorderlijk te zijn. Hij zal u zeggen, dat er in Tiel reeds meer dan honderd +lieden bijeen zijn, die....” + +</p> +<p>“Die niets zullen uitrichten,” viel Magdalena hem in de rede: “omdat hun oogmerken en wenschen geheel uiteenloopen niet alleen, +maar ook tegen de onze aandruischen. Wat zal de hulp van een dronken <a id="d0e6791"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6791">216</a>]</span>Groenhof met zijn oproerkraaiende Arminianen, van een Essius met zijn lafhartige Wederdoopers, van een wraakzuchtigen Stoutenburg, +die van God noch zijn gebod weet, en van zoovele anderen doen, om het zuiver oud geloof weder op te richten? Hun doel is, +herstel hunner eigene grieven of wraak over geleden hoon te erlangen: en, daar dit werk niet van God is, zal het verbroken +worden! In u stelt de verdrukte gemeente een andere hoop. Dan, wat waarborgt mij, dat gij zelf, wanneer Ulrica de uwe wezen +zal, uw woord niet verbreken zult en, tevreden met den verkregenen bruidsschat uw dagen onbekommerd zult gaan doorbrengen +en u onzer niet langer aantrekken.” + +</p> +<p>“Ik ben reeds te ver gegaan om weder terug te keeren,” hernam de Ambtman: “en wat mijn woord betreft, dat heb ik nooit gebroken.” + +</p> +<p>“Niet?” zeide Magdalena, op een gestrengen toon: “en den eed, dien gij aan den lande deedt, hebt gij dien behouden, toen gij +uw trouw naderhand aan den Aartshertog verpanddet?” + +</p> +<p>“Ik ben van dien eed door een Priester ontslagen geworden,” antwoordde Mom. + +</p> +<p>“En een kettersche Predikant zal u van het aan Spanje gegeven woord even gaarne ontslaan willen.—Doch gij spreekt wel<span id="d0e6801" class="corr" title="Bron: ,">;</span> gij zijt te ver gegaan om terug te keeren, en de overtuiging daarvan stelt mij meer gerust dan al uw eeden. Dan laat ons +scheiden eer iemand ons samen vindt, en wees zoo goed, mij aan de gebeden van den eerwaardigen Vicaris aan te bevelen.” Met +deze woorden verliet zij hem. + +</p> +<p>“Den Vicaris!” mompelde de Ambtman: “dat satansche wijf weet alles! ’t is en blijft, zooals ik gisteren zeide: ik heet de +leider van het eedgespan, en ik ben alleen de houten pop, die, met onzichtbare koorden, ten dienste van anderen her- en derwaarts +getrokken wordt.” + +</p> +<p>Aldus peinzende, vervolgde hij zijn weg. Hij was het met zichzelven nog niet eens, of hij over de bescherming van Ulrica’s +kamenier tevreden moest zijn of niet. Zij toonde zich bereid, zijn inzichten omtrent haar meesteres te bevorderen; doch van +een anderen kant had zij in zijn hart gelezen en hem niet onduidelijk te kennen gegeven, hoe zij inzag, dat, zoo hij met de +hand van Ulrica rijke bezittingen kon machtig worden, hij om de ijdele belofte van den Aartshertog weinig meer zou geven en +sterk overhellen om een aanslag te laten varen, die hem toch nimmer eer kon aanbrengen. Dan, de bezittingen, waarop hij vlamde, +kon hij door de nauwgezette braafheid des Barons niet verkrijgen, tenware een derde zulks goedkeurde; en om dezen derde, dezen +noodlottigen oom in zijn belang te winnen, begreep hij de Spaansche zijde te moeten blijven houden. Het voornaamste van alles +scheen hem echter toe, Joan te verwijderen. De wederzijdsche genegenheid, die tusschen dezen en Ulrica bestond, was hem te +duidelijk gebleken, dan dat hij zulk een medeminnaar niet gevaarlijk zoude achten. Hij voedde echter de bijna zekere hoop, +dat de Baron nimmer zijn toestemming zou geven <a id="d0e6808"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6808">217</a>]</span>tot het huwelijk zijner dochter met iemand van een ongewisse geboorte, al ware het ook zijn geliefde pleegzoon: dit was hem +uit de kennis, welke hij van de inborst des Heeren van Sonheuvel had, genoegzaam gebleken. + +</p> +<p>Hij vond den Baron en zijn gasten in goede harmonie bijeen, sinds de twiststoker verdwenen was. Nadat hij zich jegens het +gezelschap verontschuldigd had, van een gast te hebben ingeleid, die zich zoo onwelvoeglijk had gedragen, en Botbergen had +zoeken te verschoonen door zijn buitensporigheden aan den drank toe te schrijven, verzocht hij Reede en diens pleegzoon, hem +een oogenblik gehoor te willen verleenen, en plaatste zich met hen op een tuinbank, terwijl de overige gasten, wien het kegelspel +begon te vervelen, zich met wandelen, praten en tabakrooken vermaakten. + +</p> +<p>“Heer Baron!” ving hij aan: “Ik heb zooeven een gesprek met uw bekoorlijke dochter gevoerd.” Hier stond Joan op en wilde zich +verwijderen.—“Verschoon mij, Jonker!” vervolgde de Ambtman: “uw bijzijn is hier noodzakelijk: ik zeg, ik heb aan de beminnelijke +Ulrica mijn hoop, mijn inzichten te kennen gegeven. Zij heeft mij volmondig erkend achting voor mij te koesteren;.... doch +ik heb duidelijk meenen te ontdekken, dat haar hart niet meer vrij was.” + +</p> +<p>Hier bloosde Joan sterk, en de Baron sprong driftig op: “Wat! haar hart niet meer vrij?” riep hij met verbazing en ergernis +uit: “waar haalt gij de zotheid vandaan, Ambtman? En ik zou daar niets van weten.” + +</p> +<p>“Verschoon mij, Heer Baron!” hernam Mom met veel bedaardheid: “een vader is doorgaans de laatste, die zoo iets verneemt. Doch +ik kan licht bevroeden, dat een zoo beminnenswaardige Jonkvrouw als uw dochter, op haar jaren reeds een keuze gedaan heeft: +en, wat meer zegt,” vervolgde hij langzaam, terwijl hij Joan scherp aanzag, “het zou mij zeer verwonderd hebben, indien zij +die <span class="letterspaced">niet</span> gedaan had.” + +</p> +<p>“Wat!” herhaalde de Baron, wiens oogen de beweging van die des Ambtmans gevolgd waren: “versta ik u wel? en is....”—Hier zweeg +hij, als wilde hij de invulling van den volzin aan Mom overlaten: doch zijn vinger wees zijn pleegzoon aan, die bleek en stijf +als een steenen beeld voor de bank bleef staan en de oogen nauwelijks durfde opheffen. + +</p> +<p>“Zoo ik mij niet bedrogen heb, ja!” antwoordde de Ambtman. + +</p> +<p>De Baron zag Mom en den jongeling eenige oogenblikken beurtelings aan, terwijl eerst verbazing en vervolgens ongeloovigheid +op zijn gelaat geschilderd waren. Eindelijk kreeg deze laatste de overhand en hij brak het stilzwijgen. + +</p> +<p>“Maar zij hebben elkaar in geen drie jaren en langer gezien!” + +</p> +<p>“Ik begeer niet, dat gij aan mijn betuiging geloof hecht,” zeide Mom: “doch vraag aan hemzelven af, welke gevoelens ook thans +nog ten opzichte uwer dochter zijn hart beheerschen?” + +</p> +<p>“Joan!” riep Reede in gramschap uit: “is het waarheid wat de Ambtman zegt? hebt gij mijn weldaden beloond, door mijn dochter +te verleiden?” +<a id="d0e6833"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6833">218</a>]</span></p> +<p>Joan zag den Baron een oogenblik met teederheid aan, sloeg de ogen weder neder en zweeg, terwijl een gloeiend rood zijn wangen +opnieuw bedekte. + +</p> +<p>“Is het mogelijk! Joan!” herhaalde de Baron: “Joan! ik verheugde mij zoo u terug te zien: maar nu.... ja! nu had ik liever, +dat gij op het slagveld.... of ten minste,” zeide hij, zich hervattende, “dat gij hier ver vandaan gebleven waart.” + +</p> +<p>“Bedaar, edele vriend!” zeide Mom: “hoe kan een zoo natuurlijke genegenheid, welke UEd. zelf heeft opgewekt, u verstoren.” + +</p> +<p>“Die ik opgewekt heb?” herhaalde Reede, met drift: “nu ja, misschien! maar kan een valkenier het helpen, dat de valk, dien +hij van jong opvoedde, hem de oogen uitsteekt?—Wilt gij, dat ik mijn dochter geve aan.... aan....” Hier zweeg hij opeens, +ziende dat hij te ver ging. + +</p> +<p>“Aan den Jonker van Craeihorst,” hernam de Ambtman, altijd even bedaard blijvende: “is daar wat op te zeggen? Is zijn geslacht +niet edel? is zijn adel niet zuiver?” + +</p> +<p>“Wat geslacht? wat adel?” zeide de Baron: “ja! als dat bewezen ware.” + +</p> +<p>“Hoe!” zeide Mom, zich hoogst verbaasd veinzende: “is de Jonker niet uw neef? hebt gij zelf niet verhaald, dat gij hem tot +u genomen hadt, omdat hij als hulpelooze wees overgebleven was?” + +</p> +<p>“Een fraaie neef!” bromde de Heer van Sonheuvel: “een Spanjoolsch kind!” + +</p> +<p>“Wat hoor ik?” riep Mom: “is de Jonker een Spanjaard?” + +</p> +<p>“Wie ik ook wezen moge,” riep Joan, zich een traan uitwisschende, “een ondankbare zal ik nimmer zijn; en zoolang ik leve, +heer Baron! zal erkentenis voor uw vaderlijke weldaden mijn boezem vervullen. Neen!” vervolgde hij, terwijl zijn stem, die +in den beginne zwak en stamelend was, onder ’t spreken vaster en fierder werd: “neen, mijn vader! gij hebt uw mildheid aan +geen ondankbare verspild. Verre is het van mij geweest, dat ik ooit voedsel zou gegeven hebben aan de dwaze hoop, die gij, +Mijneheeren! in mij veronderstelt. Neen! eenmaal, ik beken het, heeft een ongelukkig toeval mij een geheim doen openbaren, +dat voor eeuwig in dit hart had verborgen moeten blijven; doch de eenvoudige gedachte aan ’t geen ik u, Heer Baron! verschuldigd +was, heeft mij belet van het spoor te wijken, dat plicht en dankbaarheid en eer mij voorschreven. Onttrek mij dus uw achting +niet: want het gemis daarvan zou den laatsten slag toebrengen aan een bestaan, dat, reeds van mijn geboorte af, bestemd om +zonder doel of uitzicht voortgesleept te worden, alleen door die achting nog draaglijk bleef.” + +</p> +<p>Joan had deze woorden met vuur gesproken, en bij het eindigen der laatste zinsnede de handen des Barons gegrepen en daarop +een teederen kus gedrukt. Reede voelde de hand des jongelings niet zonder aandoening in de zijne geklemd, en kon niet nalaten, +die met hartelijkheid, schoon onder het mompelen van eenige onverstaanbare woorden, die ontevredenheid moesten aanduiden, +te drukken. Schoon het denkbeeld hem stuitte, dat zijn dochter aan iemand van een onbekende <a id="d0e6856"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6856">219</a>]</span>geboorte haar hart zou geschonken hebben, had hij echter Joan van harte lief en begeerde althans op den dag zijner terugkomst +niet met hem in onmin te geraken wegens een onvoorzichtigheid, die jaren geleden bedreven was. + +</p> +<p>“Nu, nu!” zeide hij, “jongelief! wat gedaan is, is gedaan, en gij kunt het ook niet helpen, dat wij uw familie nooit hebben +kunnen opschommelen. Gij weet immers, mijn beste jongen! dat ik altoos veel van u gehouden heb! maar om u Ulrica te geven, +dat zou wat kras geweest zijn, en gij deedt wel, dat gij u die geschiedenis uit het hoofd hebt gezet. Ook begrijp ik nog niet, +vriend Mom! hoe gij aan dit alles gekomen zijt?”.... Hier zag hij dezen vragende aan. + +</p> +<p>“En ik,” zeide Joan, den Ambtman ernstig aanziende, “ben u, Ambtman! kleinen dank verschuldigd, dat gij, dus ongevergd, hartsgeheimen +niet alleen hebt uitgelokt, maar zelfs aan den dag hebt gebracht, welke èn de Freule van Sonheuvel èn ik in de eeuwige vergetelheid +hadden gewenscht te begraven.” + +</p> +<p>“Ik gevoel dat ik dit verwijt verdien,” zeide Mom, zich buigende op een vriendelijken toon: “doch ik wist niet, dat er redenen +bestonden, welke den Baron beletten konden, zijn goedkeuring te weigeren aan een echt tusschen de Freule en u! Ik werd toevallig +gewaar, dat gij misschien de bevoorrechte, geliefde minnaar wezen kondt, en in dit geval wilde ik geen hinderpaal voor uw +wenschen zijn. Ook thans nog,” vervolgde hij met ernst, <span id="d0e6864" class="corr" title="Niet in bron">”</span>ook thans nog ben ik bereid, zoo de Heer van Sonheuvel omtrent dien echt van gedachten veranderen mocht, mij te verwijderen, +ja, met een bloedend hart, doch tevens met de overtuiging van mijn plicht gedaan te hebben.” + +</p> +<p>“In dat geval heb ik u verkeerd beoordeeld,” zeide Joan, “en verzoek u om verschooning.” + +</p> +<p>“Nu!” zeide de Baron, die vol blijdschap een dienaar zag naderen, welke de gasten aan den disch kwam roepen en hem uit de +verlegenheid redde, waar hij zich in bevond, “wij zullen over dit gansche geval wel eens nader spreken. Mijn lieve Hemel! +Pas is Joan teruggekomen, en hij heeft mijn huis op stelten gebracht! Eerst valt hij als een bom uit de lucht en krijgt hij +ruzie met den vriend van u, Ambtman! (die waarlijk ook geen lievert is) en vervolgens hoor ik, dat hij sinds jaar en dag naar +mijn dochter zou vrijen. Kom! kom! laten wij van middag om niets anders denken, dan om ons wel te vermaken. Ik heb nog anderen +wijn van onze Duitsche buren gekregen, dan dien gij van dezen middag gezien hebt, en gij zult er mij uw gedachten eens over +zeggen. Intusschen,” voegde hij er zachtjes bij, terwijl hij den Ambtman onder den arm nam en met hem slotwaarts wandelde: +“hetgeen ik u eens gezegd heb, blijft gezegd: Joan is een beste jongen, dat is waar; doch mijn dochter hem te geven ware al +te belachelijk! ik heb haar aan u beloofd, en zoo gij het met haar eens kunt worden, dan is alles in orde. Gij zult haar die +liefdegrillen ook wel uit den kop praten, zoo ze er al ooit in gezeten hebben, ’t geen ik niet gelooven kan; want zij heeft +er mij nooit een woord van gezegd.” +<a id="d0e6871"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6871">220</a>]</span></p> +<p>Joan oogde beide Heeren zuchtend na. Nog wist hij niet recht, hoe hij over den Ambtman moest denken, noch aan welke beweegredenen +hij diens vreemde handelwijze moest toeschrijven. Zij had den schijn van grootmoedigheid voor zich; dit kon hij niet ontkennen; +en toch lag er iets spotachtigs in het gelaat des Ambtmans, dat hem kwalijk beviel en hem, vooral als hij nadacht over het +gebeurde te Tiel, met wantrouwen omtrent zijn bedoelingen vervulde. Wel is waar, de proef, die hij met Mom had genomen, toen +hij hem voor het afbeeldsel des Priors bracht, was met glans doorgestaan: doch het was mogelijk, dat de Ambtman minder dan +Joan door de gelijkenis getroffen was geweest, of dat hij de schilderij meer gezien had en dus op de vraag voorbereid ware. +Joan besloot eindelijk met den gevreesden man zoo spoedig mogelijk een onderhoud te hebben, ten einde al hetgeen hem nog duister +voorkwam tot helderheid te brengen, en inmiddels niets onbeproefd te laten om zijn gedragingen en gezegden met de meeste oplettendheid +na te gaan. Hij gevoelde, dat dit hem eenige moeite zou kosten en dat hij met voorzichtigheid zou moeten te werk gaan, daar +de Ambtman hem slim genoeg voorkwam om zich niet licht te ontmaskeren; doch het geluk van Ulrica hing er van af, en de gedachte, +dat het meisje, ’t welk hij zoo hartstochtelijk beminde, en dat zoozeer verdiende bemind te worden, zou kunnen worden opgeofferd +aan iemand, die haar liefde onwaardig was, trof hem te zeer, dan dat hij niet al zijn krachten zou inspannen om zijn onderzoek +te bewerkstellingen. Dit besluit gevormd hebbende, begaf hij zich naar het slot en voegde zich bij de gasten. + +</p> +<p>Van het maal, dat vervolgens plaats had, zullen wij niets melden. dan alleen, dat de aanwezigen eer deden aan den lekkeren +wijn des Barons, en proefondervindelijk bewezen, dat hij dien niet ten onrechte geprezen had, daar zij, de een vroeger de +ander later, wel beschonken huiswaarts keerden. Slechts de Ambtman en Joan waren nuchter gebleven; de eerste was onder voorwendsel +van gewichtige bezigheden, vroegtijdig vertrokken, en Joan, die geen voorwendsel behoefde, daar hij zich werkelijk nog ongesteld +bevond, kort daarna naar zijn kamer gegaan, terwijl de Baron, die mede wat diep in de flesch gekeken had, niet lang vertoefde, +na het vertrek der gasten, om in een aangename sluimering de drukten van den dag te vergeten. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e6876" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Twee-en-twintigste Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Ons afscheit was, hy zou +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Verzeker op dees uur alhier zich laten vinden.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Gysbrecht van Aemstel. +</p> +</div> +<p>Het was reeds schemeravond, eer de Ambtman, van zijn tocht naar Sonheuvel te Tiel terugkwam. Nauwelijks had hij den feestelijken +dos, dien hij ter eere des Barons en de schoone Freule had aangehad, <a id="d0e6891"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6891">221</a>]</span>voor den huispels verwisseld, toen Pater Eugenio, na zich onder den naam van Van Dyk te hebben doen aanmelden, het vertrek, +waarin hij bij den haard gezeten was, binnentrad. + +</p> +<p>“Ik verlangde reeds u te zien, Pater!” zeide Mom: “om van u te vernemen, wat hier sedert mijn afwezigheid al is voorgevallen.” + +</p> +<p>“En ik,” zeide Eugenio, “ben begeerig om te hooren, of UEd. met den zoogenaamden Jonker van Craeihorst tot een verklaring +hebt moeten komen.” + +</p> +<p>“Hoe! gij wist dan reeds?....” + +</p> +<p>“Dat de man, dien wij gisteren voor een Remonstrantschen Proponent hielden, de pleegzoon van uw aanstaanden schoonvader was? +Ja, dat wist ik reeds, voordat uw heldhaftige vriend Elbert van Botbergen mij zulks kwam vertellen.” + +</p> +<p>“Alles is wel afgeloopen, zonder verdere opheldering van het voorgevallene.” + +</p> +<p>“En hoe was de schoone Jonkvrouw te moede?” vroeg Eugenio: “betoonde zij geen blijdschap over de terugkomst van haar vriend +en voedsterbroeder?” + +</p> +<p>“Meer dan mij lief was, heeft haar die terugkomst aangedaan.” antwoordde Mom, verwonderd opziende, dat Eugenio ook de betrekkingen +scheen te kennen, die er tusschen Joan en Ulrica bestonden. + +</p> +<p>“Alzoo een medevrijer!” + +</p> +<p>“Ja, en die vrij ontijdig opkomt. Ik vlei mij echter dat ik bij den vader een witten voet heb en dat de dochter achting voor +mij heeft. Niettemin ware het mij aangenaam, zoo die knaap van hier was. Botbergen heeft zich met het geval bemoeid, en bijna +had hij de zaak verkorven.” + +</p> +<p>“Laat die zorg aan mij over,” hernam de Jezuïet: “eer vier weken ten einde zijn, moet gij de echtgenoot der Freule van Sonheuvel +wezen.” + +</p> +<p>“Ja, doch er is nog een <span class="letterspaced">maar</span>....” + +</p> +<p>“Wat de bezittingen des Barons betreft?—nu ja, die zwarigheid zal ook wel opgeheven worden: de oom, of liever de schoonvader +in <span class="letterspaced">quaestie</span>, zal gaarne zijn schriftelijke toestemming geven tot een huwelijk met den Heer Ambtman.” + +</p> +<p>“Gij zijt, dunkt mij, van alles onderricht, en ik zie hoe langer hoe meer in, dat ik best zal doen, u blindelings al mijn +zaken te laten besturen.” + +</p> +<p>“Met raad en daad sta ik mijn vrienden altijd ten dienste,” zeide Eugenio, zich buigende. + +</p> +<p>“Ik erken die goedheid dankbaar,” herman de Ambtman: “gij kent dan dien schoonvader?” + +</p> +<p>“Of ik hem ken? ik ben gisteren en heden met hem in <span class="letterspaced">conferentie</span> geweest.” + +</p> +<p>“Hij is hier!” riep de Ambtman: “en waar vinde ik hem? Zoo haast ik mij, hem op te zoeken en mij in zijn bescherming aan te +bevelen.” + +</p> +<p>“Dan ware alles verkorven. De Vicaris weet niet, dat gij aan het hoofd van het eedverbond staat: en indien hij van deze omstandigheid +<a id="d0e6938"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6938">222</a>]</span>kennis droeg, ware die genoegzaam om hem zijn toestemming te doen weigeren. De goede Vicaris gaat nog verder dan Filippus +van Macedonië: hij bemint noch het verraad, noch de verraders.” + +</p> +<p>“Hoe!” riep Mom, opvliegende: “wat bedoelt gij? Zoo het niet uit eerbied voor uw stand ware, Pater! ik wierp u het venster +uit.” + +</p> +<p>“Dat zou een slechte belooning zijn voor de getrouwe diensten, die ik u bewezen heb en nog denk te bewijzen,” zeide Eugenio +met veel koelheid: “ik had ook geen voornemen om u te beleedigen; ik wilde u alleen den Vicaris beter leeren kennen. Laat +alles gerust aan mij over, en, ik herhaal het: binnen vier weken is alles naar uw wensch geschikt.” + +</p> +<p>“Was die Vicaris, wien ik oogluikend zijn broederen heb laten vergaderen in het klooster, de grootvader van Ulrica? Hoe vreemd +loopt alles samen! En wat heeft de vrome man aan de broederen verhaald?” + +</p> +<p>“Hij heeft hun gisteren zijn <span class="letterspaced">Credentialen</span> getoond en heden heeft hij hun een predikatie voorgedragen om hen tot lijdzaamheid en onderwerping aan te manen. Gelukkig +had hij weinig toehoorders en luisterde niemand naar zijn ontijdige zedenlessen, Zijn doel was, geloof ik, den indruk van +mijn aansporingen tot afschudding van het juk krachteloos te maken.” + +</p> +<p>“Was het? ik meende, dat hij juist afgevaardigd ware, om door zijn invloed al de Roomschgezinden te nopen, het hunne bij te +dragen om de bestaande orde van zaken om te keeren.” + +</p> +<p>“Zijn invloed!” herhaalde Eugenio met een verachtelijken glimlach: “die heeft nooit iets te beduiden gehad. Pater Ambrosio +is een van die kleingeestige dwazen, die, hoezeer zij hetzelfde doel wenschen te bereiken, dat wij ons voorstellen, tegen +de middelen schrikken, wanneer zij niet volkomen strooken met hun nauwgezette denkbeelden van rechtvaardigheid en eerlijkheid. +Zij laten hun handelwijze van hun zedenkunde afhangen, in de plaats van deze aan hun oogmerken ondergeschikt te maken.” + +</p> +<p>“En,” vroeg Mom, na eenige oogenblikken zwijgens: “hoe heeft die bezopen Predikant het gemaakt?” + +</p> +<p>“Groenhof?—O! die heeft voor zijn toehoorders een uitmuntend sermoen gehouden, doorspekt met bijbelsche aanhalingen, zoo fijn +bijeengehaald, dat ik bij mij zelven dacht, hoe het toch mogelijk was, dat men zoovele aanmaningen tot moord, roof en muiterij +kon halen uit een boek, ’t welk liefde prediken moet. Onze kerk heeft wijselijk gehandeld, dacht ik, toen zij verbood dat +de bijbel in alle handen kwame; want men kan met de letter van de Schrift toch alles goedmaken.” + +</p> +<p>“Waarlijk,” zeide Mom met een schamperen lach: “ik dacht niet, dat gij bijwijlen zulke goede gedachten hebben kondt.” + +</p> +<p>“Zulke mannen als Groenhof zijn goud waard,” vervolgde Eugenio, veinzende de aanmerking van den Ambtman niet te hooren: “waarlijk, +ik zou gaarne zulk een medelid in onze Sociëteit hebben, mits hij wat minder aan den drank verslaafd ware.” +<a id="d0e6963"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6963">223</a>]</span></p> +<p>“Nu genoeg van hem.—En Stoutenburg?” + +</p> +<p>“Daar heb ik een taai gesprek mede gehad. Hij heeft in Den Haag, Rotterdam en Leiden aanhangers genoeg, meest warme vrienden +van den Advocaat, en mannen, waar men in tijd van nood op rekenen kan. Doch hij wil, alvorens iets te beginnen, zijn broeder +Groenevelt en zijn zwager Van der Myle tot zijn zijde overhalen. Zoo ’t echter wezen moet, maakte hij, ook zonder hun hulp, +zich sterk, om de goede zaak op ’t krachtigst voor te staan, door den vijand in folio te vermoorden.” + +</p> +<p>“Een stout voornemen!—En de Wederdoopers?” + +</p> +<p>“Dat zijn zotten, die geen knip voor den neus waard zijn. Zij willen geen zwaard opnemen en zouden zich, als de Joden onder +Antiochus op den sabbat, zonder zich te verdedigen, laten vermoorden. Hier kunnen zij ons geen dienst doen; doch ik heb hen +het land rondgestuurd om door ingevingen en boetpreeken het gemeene volk tegen het bestuur op te ruien. Op zulk een wijze +doen zij ons hetzelfde nut als de ballingen, die inmiddels uit Antwerpen en Brussel het land met blauwboekjes beschieten.—Ondertusschen +heb ik al de eedgenooten, waar ik zeker van ben, naar huis gestuurd: zij kunnen ons daar veel meer nut doen, door nieuwe hulp +aan te werven, dan hier, waar zij slechts vermoedens opwekken. Wat de zwakken betreft, die houde ik hier om hen door Preys, +Leendertz en Groenhof te laten opwinden.” + +</p> +<p>“En gij zelf?” + +</p> +<p>“Ik moet morgen weder van hier. Mijn tegenwoordigheid in Den Bosch zal weldra noodzakelijk zijn: want zooeven ontvang ik de +tijding, dat de Aartshertog overleden is<span id="d0e6976" class="corr" title="Bron: ,">.</span>” + +</p> +<p>“Overleden! En zijn beloften? Wie waarborgt mij, dat zij zullen worden nagekomen?” + +</p> +<p>“Ik,” antwoordde de Jezuïet: “ik, die niet gewoon ben, mijn plannen te laten varen; doch daarom juist worde ik in Den Bosch +vereischt.—Dan, van wat anders: mij is bericht, dat de Spotkoning van Bohemen herwaarts komt: Graaf Hendrik Frederik moet +hem halverwegen gaan ontvangen. Tracht dezen onder ’t een of ander voorwendsel hier ter stede te lokken, of maak, dat ge in +allen gevalle een geheim mondgesprek met hem houdt: dat zal genoeg zijn om aan onze Remonstrantsche medeverbondenen de vaste +overtuiging te geven, dat hij, gelijk ik hun verhaald heb, aan het hoofd van den aanslag staat.” + +</p> +<p>“Uitmuntend gedacht! doch hoe dit best overlegd? Gij weet, dat de Nassausche Vorsten altijd bij verrassing reizen, en dat +men zelden hoort, dat zij er geweest zijn, voordat zij weder zijn vertrokken.” + +</p> +<p>“Vergeet gij dan mijn kwaden Engel, die ons van alles onderricht?—Vrees niets, eer ’t jaar een dag ouder is, zal deze u een +middel aan de hand doen, of zelf misschien den Graaf herwaarts leiden. Is hij eens hier, dan wordt hij zoodanig met Arminiaansche +smeekschriften bestormd, ja zoowel in den schuurzak gebracht, dat, al mislukte onze geheele onderneming, de beide broeders +in gezworen vijandschap geraken moeten.” +<a id="d0e6987"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6987">224</a>]</span></p> +<p>“Gij blijft de spreuk getrouw, Pater, die men zegt dat uw genootschap voert: <span lang="la">divide et impera</span><a id="d0e6992src" href="#d0e6992" class="noteref">1</a>. Maar, is er van dezen nacht nog iets voor mij te verrichten?” + +</p> +<p>“Niets anders dan gerust naar bed te gaan, Heer Ambtman!—Morgen te elf uren spreken wij elkander nader bij Klaas Meinertz. +Thans hebben wij beiden rust noodig. UEd. is vermoeid, en ik moet morgen nog uit op een geheimen tocht voor uw belang.... +en voor mijn wraak,” voegde hij er grijnzend bij. + +</p> +<p>“Ik begrijp niet, hoe die samengepaard kunnen gaan,” zeide Mom, met verwondering, ja met een soort van angst de afzichtelijke +uitdrukking bespeurende, welke Eugenio’s trekken aannamen: “doch ik twijfel niet of beide zijn u wel aanbetrouwd. Tot wederziens +dan,” voegde hij er bij, den Pater naar de deur geleidende. Deze verliet hem en Mom begaf zich naar bed, met een mengeling +van gevoelens, die, zoo zij hem al niet uit den slaap hielden, hem zeker beletteden, de rust des rechtvaardigen te smaken. + +</p> +<p>Sliep Joan geruster op het slot te Sonheuvel? Wij mogen, na al het gebeurde van den dag, daaraan twijfelen. Hoe het zij, te +zes uren had hij zijn legerstede reeds verlaten en zich, geheel gekleed, naar de wapenkamer begeven. Na te dier plaatse eenige +oogenblikken vertoefd te hebben, wikkelde hij zich in een grooten mantel, trok ongemerkt het kasteel uit, en ging den tuin +door, met oogmerk om zich door het achterpoortje naar het Lischbosch te begeven. + +</p> +<p>In het derwaarts gaan moest hij de kegelbaan voorbij, en een niet onnatuurlijke zielsopwelling deed hem het oog wenden naar +de plaats, waar hij zijn vijand had uitgedaagd: dan op datzelfde oogenblik voelde hij zich bij zijn mantel trekken, en zich +omkeerende, zag hij Bouke voor zich staan. Deze was reeds vroeger uitgegaan om de kegels weg te gaan sluiten, ’t welk den +vorigen avond vergeten was. In alle andere oogenblikken zou Joan door zijn ouden vriend met genoegen aldus zijn verrast geweest; +doch thans veroorzaakte de ontmoeting van Bouke bij Joan eenige verlegenheid. Hij gevoelde dat het scherpziend oog van den +ouden dienaar het oogmerk van zijn geheimzinnigen uittocht licht doorgronden zoude, en gaarne had hij een onderhoud vermeden, +’t welk hij nu voorzag, dat noodzakelijk plaats moest hebben. Hij beantwoordde dus Boukes morgengroet kortaf en zag met een +verstrooiden blik in ’t rond. + +</p> +<p>“Wel kijk!” zeide Bouke: “geen jager zoo vroeg in ’t veld, of de strooper was er nog vroeger. Moet je al zoo vroeg er op uit, +Jonker?” + +</p> +<p>“Laat mij gaan,” zeide Joan: “laat mij gaan Bouke! ik heb haast.” + +</p> +<p>“Hei! hei! die haast wordt, haast ontwordt,” hernam de oude dienaar: <span id="d0e7009" class="corr" title="Niet in bron">“</span>’t zijn goê spillekens, die zacht draaien en lang loopen. Weet je wat, Jonker? Je meugt zooveel haast hebben als je wilt, +je zult toch moeten lijden, dat mijn olde beenen met je jonge beenen pas houden.” + +</p> +<p>“Ik moet alleen uit, beste vriend,” zeide Joan, zich los willende maken.<span id="d0e7014" class="corr" title="Bron: ”"></span> +<a id="d0e7016"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7016">225</a>]</span></p> +<p>“Kom!” zeide Bouke: “met goê gemak raakt men ook voort: ijlen maakt uilen, en men zal zoo haast gaan als loopen. Alleen laat +ik je niet gaan; dat is eens vooral bij mij bepaald; want je hebt nu zoo lang op je eigen beenen rondgezwalkt, Jonker! dat +ik voor den tijd, dat je hier zijt, je kameraad wel weder wezen mag.” + +</p> +<p>“En ik herhaal nogmaals ernstig, Bouke! dat ik u verzoeken moet, mij te verlaten, ik moet iemand alleen gaan spreken.” + +</p> +<p>“Dat weet ik,” zeide Bouke: “denk je, dat ik die degens en pistolen onder je mantel niet voel? Dat ik niet weten zou wat je +in ’t schild voert? Men ziet aan ’t been wel, waar de hoos gescheurd is.” + +</p> +<p>“Zoo gij mijn voornemen raadt, zult gij ook best begrijpen, waarom ik niemand kan medenemen.” + +</p> +<p>“Dat begrijp ik heel wel,” hernam de onverzettelijke Bouke: “maar ik begrijp ook heel wel, waarom ik meê wil gaan. Je wilt +met Botbergen gaan vechten, en daar heb ik niet tegen; dat schoelje verdient wel een por in de huid; maar denk je, dat zoo +een bloode schelm alleen zal komen? Jawel, of hij ’t laten zal. Hij zal ook denken: beter blood Jan als dood Jan: en opdat +je niet in ongelegenheid raakt, zal en wil ik met je gaan.” + +</p> +<p>“Bouke! voor de eerste reis van mijn leven zult gij mij toornig op u maken.” + +</p> +<p>“Praat maar, praat maar en ga uw weg! ik ga met: goed voorgaan doet goed volgen. Je zult mij hier op de plaats moeten doodschieten +eer ik je verlaat. Die schelm mocht je verlakken: en een blindeman schiet ook wel eens raak.” + +</p> +<p>“Als het dan zoo wezen moet, ga dan in ’s Hemels naam met mij: doch onder één voorwaarde: vinden wij mijn partij alleen, dan +ga je terstond weder terug.” + +</p> +<p>“Dat ’s afgesproken!” riep Bouke verheugd: “en nu er maar op los gegaan. Ik zal mij wel luikes houden: die een schurk wil +vaên, daar moet er een achter de deur staan.” + +</p> +<p>Stilzwijgend trad nu onze held, gevolgd van zijn ouden en getrouwen vriend, het achterpoortje uit en begaf hij zich den weg +op naar den Rijnkant. Na verloop van eenige minuten waren zij aan het Lischboschje gekomen, zijnde de plaats, waar onze lezers +zich herinneren, dat Joan zijn partij bescheiden had. Dit boschje bestond uit een paar morgen gronds met elzen en wilgen beplant, +en die, ’s winters meestal onder water staande, met lisch en biezen waren opgevuld en hierdoor tot een geliefkoosd verblijf +aan de eenden en watersnippen verstrekten; waarom de plek ook in den jachttijd alleen bezocht werd en men er in het voorjaar +zonder vrees van gestoord te worden een samenkomst kon houden. Een laan deelde het boschje in twee gelijke deelen, terwijl +andere smalle paadjes het in verschillende richtingen doorslingerden. Men kwam er langs een pad, breed genoeg om aan een ruiter +den vrijen toegang te vergunnen. Op dit pad ontdekte Joan de nog versche sporen van een paard, hetwelk van den Rijnkant moest +gekomen zijn. + +</p> +<p>“Hij moet reeds binnen zijn,” zeide Joan tot zijn metgezel: “en klaarblijkelijk is hij alleen. Gij kunt dus weder vertrekken.” +<a id="d0e7039"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7039">226</a>]</span></p> +<p>“Niet voordat ik overtuigd ben, dat er geen twee op het paard gezeten hebben,” antwoordde Bouke, en het pad opgaande wilde +hij in zijn drift den Jonker vooruitsnellen. + +</p> +<p>“Niet alzoo, Bouke!” zeide Joan: “wilt gij volstrekt zien, hoe het er mede staat, verberg u dan hier of daar; doch draag zorg, +dat men u niet zie. Ik wil geen vermoeden bij mijn vijand doen ontstaan, dat ik een helper met mij genomen heb.” + +</p> +<p>“Daar staat die lange slungel al aan ’t einde van de laan,” zeide Bouke zachtjes: “ga hem maar te gemoet: ik verschuil mij +hier.” Dit gezegd hebbende, sloop hij tusschen het hakhout, en, een der hem bekende slingerpaadjes ingaande, kwam hij weldra +niet verre van de plaats, waar Joans wederpartij, in een grooten mantel gewikkeld, tegen zijn paard stond te leunen. Joan, +de rechte laan, welke hij ingeslagen was, volgende, naderde den ruiter, groette hem beleefdelijk en wilde hem aanspreken, +toen deze hem, bij ’t afnemen van zijn hoed niet de gevulde trekken van Elbert van Botbergen, maar het mager gelaat van den +Arminiaan Van Dyk deed herkennen. + +</p> +<p>“Wat heeft dit te beduiden?” vroeg Joan, verbaasd terugtredende: “ik dacht hier....”’ + +</p> +<p>“Gij dacht hier den Heer van Botbergen te vinden,” zeide de Jezuïet: “en het is u leed, dat gij buiten de mogelijkheid gesteld +wordt, het bloed van uwen naaste te plengen.” + +</p> +<p>“Ik had zeker moeten begrijpen,” hervatte Joan: “dat de laffe schurk geen moeds genoeg zou bezitten om zijn logens hier met +het zwaard te komen staande houden; maar ik dacht weinig dat hij een zetsman in zijn plaats zou sturen: en althans u niet, +die, gelijk ik eergisteren meen ontdekt te hebben, tot den geestelijken stand behoort.—Doch, waarom u niet? Eerst noemdet +gij u een Remonstrant: toen vond ik u in gezelschap van Roomsche priesters: nu treedt gij misschien als spadassijn op en komt +u met mij meten. Is dit laatste het geval, zoo ben ik tot uw dienst.” Hier opende Joan zijn mantel en haalde twee gelijke +degens en een koppel pistolen voor den dag. + +</p> +<p>“Gij misduidt mij, jongeling!” zeide Eugenio, de wapens afwijzende, welke hem werden aangeboden, “als geestelijke kom ik hier, +om woorden van vrede tot u te spreken.” + +</p> +<p>“Woorden van vrede!” herhaalde Joan, met een verachtelijker glimlach: “gevoelt de Heer van Botbergen berouw over de mij aangedane +beleedigingen, zoo laat hij op het slot des Barons komen, en aldaar, in tegenwoordigheid van al de edele Heeren, die er gisteren +te gast waren, zijn logens intrekken en mij verschooning vragen. Ziedaar de eenige voorwaarden, waarop ik den ellendigen bloodaard +zijn welverdiende straf zal laten ontgaan.” + +</p> +<p>“Ik vrees,” hernam de zoon van Lojola, “dat de Heer van Botbergen moeilijk aan zulke voorstellen zal gehoor verleenen.” + +</p> +<p>“Waarom dan is hij zelf niet gekomen” vroeg Joan: “hij heeft mij nu het recht gegeven, door de gansche wereld te gaan verbreiden, +dat hij een laffe logenaar is, die noch moeds genoeg heeft om zijn woorden staande te houden, noch eerlijkheids genoeg, om +te bekennen, <a id="d0e7060"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7060">227</a>]</span>dat hij schuld gehad heeft. Gij hebt nu mijn voorwaarden gehoord. Mijnheer! en wij hebben verder niets af te handelen. Ik +heb de eer u te groeten.” Dit zeggende, lichtte hij den hoed af en wilde zich verwijderen. + +</p> +<p>“Een oogenblik, jongeling!” zeide Eugenio, hem den weg afsnijdende: “ons gesprek is nog niet afgeloopen.” + +</p> +<p>“Hebt gij mij niet verstaan?” vroeg Joan, hem met fierheid aanziende. + +</p> +<p>“Zeer wel,” hernam de Pater: “maar gij hebt mij nog niet verstaan. Ik heb over zaken van meer gewicht met u te spreken, dan +over een ellendige dronkenmanskibbelarij.” + +</p> +<p>“Gij schijnt den oorsprong van den twist niet te kennen,” zeide Joan, terwijl zijn oogen van drift fonkelden, “of gij hadt +er een anderen naam aan gegeven. Weet gij de schandelijke praatjes, welke die lafbek omtrent mij heeft durven houden in tegenwoordigheid +van menschen, op wier achting ik prijs stel? Weet gij, dat hij met boosaardigen laster mijn goeden naam, het eenigst dat ik +op aarde het mijne kan noemen, heeft aangerand?” + +</p> +<p>“Ik weet dit alles,” zeide Eugenio: “doch ik weet ook, dat de wijze zich aan geen zotteklap stoort.” + +</p> +<p>“Ik maak geen aanspraak op den naam van wijze,” hernam de jongeling: “maar ik ben een man van eer en draag een degen op zijde: +dit had die lage knaap moeten bedenken, eer hij mij hoonen durfde.” + +</p> +<p>“Ik ben geen <span class="letterspaced">casuïst</span>,” zeide Eugenio: “en verlang dus in geen redetwist met u te komen over een punt, dat mij tamelijk onverschillig is. Iemand +van mijn stand kan moeilijk bepalen, in welke gevallen het plichtmatig of slechts geoorloofd is, het staal tegen zijn naaste +te ontblooten.” + +</p> +<p>“Gij zijt dus een geestelijke?” hernam Joan: “doch tot welke Kerk gij behoort is mij nog duister, daar ik u in verschillende +betrekkingen heb gezien.” + +</p> +<p>“Ik behoor tot de eenige ware Kerk,” zeide de Jezuïet. + +</p> +<p>“Dat zeggen alle geestelijken,” hernam Joan: “doch wat u betreft, gij komt in tweeledige opzichten voor den dag.” + +</p> +<p>“Gij spot met mij, jongeling! dit heb ik aan u niet verdiend. Dit hadde uw vader niet gedaan,” zeide Eugenio, met een ernstigen +blik. + +</p> +<p>“Mijn vader!” riep Joan: “Kent gij den Baron van Sonheuvel dan?” + +</p> +<p>“Wie spreekt van dien moordenaar?” vroeg de Jezuïet, terwijl hij zijn stem op eens tot haar vollen omvang verhief, als een +woedende stier door de neusgaten blies en de groote oogen strak op den jongeling gevestigd hield, om den indruk te ontdekken, +dien zijn woorden maken zouden: “ik spreek van uw vader, uw wezenlijken, natuurlijken vader?” + +</p> +<p>“Mijn God! kent gij hem?” vroeg Joan, terwijl hij met siddering den Jezuïet naderde en diens handen in de zijne drukte. + +</p> +<p>“Hij was mijn vriend,” zeide Eugenio, den jongeling aan zijn boezem sluitende. + +</p> +<p>“Hij was!.... hij is dan niet meer?” vroeg Joan, de armen latende vallen. +<a id="d0e7097"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7097">228</a>]</span></p> +<p>“In den bloei van zijn roemvol leven, na de edelste en heldhaftigste bedrijven verricht te hebben, werd de brave Velasco als +een weerloos lam op de schendigste wijze vermoord<span id="d0e7100" class="corr" title="Niet in bron">.</span>” + +</p> +<p>“Velasco mijn vader!” riep Joan: “en op een schendige wijze vermoord? O! noem mij den moordenaar, en deze hand zal in zijn +bloed de schande uitwisschen, die mij drukt, dat ik hem zoolang ongestraft liet.” + +</p> +<p>“De jager, die den ouden leeuw in zijn kuil heeft omgebracht,” hernam de Jezuïet, “laat somtijds den leeuwenwelp in ’t leven +en voedt hem op uit zucht naar gewin. De booswicht, die Velasco bij zijn leven niet in de oogen durfde zien en hem na zijn +dood bespotte, bracht den zoon op, die eenmaal des vaders moord hem vergelden zal.” + +</p> +<p>“O God!” riep Joan, de handen wringende; “zegt gij waar? was de Baron van Sonheuvel....” + +</p> +<p>“Uws vaders moordenaar.—Twijfelt gij aan de waarheid mijner woorden, er bestaan levende getuigen, die haar kunnen bevestigen.” + +</p> +<p>“Neen!” zeide Joan: “de edele, deugdvolle man, die mij nooit anders dan goede lessen gaf, die mij altijd als kind beminde, +kan geen moord hebben gepleegd! De oorlog maakte hem en mijn vader tot vijanden: en de dood van dezen zou door een ongelukkig +samentreffen kunnen zijn veroorzaakt: doch een moord!.... onmogelijk.” + +</p> +<p>“Lees de geschiedenissen van zijn tijd,” zeide Eugenio met koelheid: “daar staat het gedrukt, hoe het lijk van Velasco door +een bloeddorstigen en wraakgierigen overwinnaar mishandeld werd. Doch, ik begrijp licht,” voegde hij er bij, met een verachtelijken +blik, “dat de oogen van den minnaar der schoone Ulrica de bloedvlek niet kunnen zien, die haars vaders handen bezoedelt.” + +</p> +<p>“Mensch!” riep Joan radeloos uit: “martel mij niet op een zoo verschrikkelijke wijze.” + +</p> +<p>“Zoo zijn de dwaze stervelingen altijd,” hernam Eugenio: “even onmachtig om de tegenheden als om de vreugde te dragen: eerst +waart gij opgetogen en verrukt van blijdschap, omdat gij het geheim uwer geboorte hooptet te leeren kennen; ongelukkig legt +de kennis van dit geheim u een lastigen plicht op, en dadelijk verwenscht gij hem, die de moeite nam, het u te ontvouwen.” + +</p> +<p>“Ik weet niet,” zeide Joan, terwijl hij de hevige gemoedsbewegingen, welke bij hem oprezen, poogde te onderdrukken, om in +een zoo verscheurend oogenblik den vreeselijken onbekende met eenige bedaardheid te kunnen aanhooren: “ik weet niet wat gij +bedoelt, noch welken plicht gij mij wilt opleggen.” + +</p> +<p>“Ik leg u geen plicht op,” zeide de Jezuïet: “ik heb u reeds gezegd, dat ik slecht kan beoordeelen wat uw eer en uw naam, +waarvan gij den mond zoo vol hebt, van u vorderen: wel is waar, een ander, die minder met woorden schermde en wat meer innerlijk +gevoel bezat, zou de vraag, welke gij mij doet, niet behoeven op te werpen. Gij zelf hebt die reeds beantwoord, toen gij een +oogenblik geleden den dood zwoert aan uws vaders moordenaar. Toen sprak <a id="d0e7123"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7123">229</a>]</span>uw hart: toen hoorde ik de taal, welke den zoon, den man van eer betaamde. Die kreet was in overeenstemming met de laatste +woorden uws vaders, wanneer hij, op last van den laaghartigen Reede vermoord, in mijn armen nederzeeg, het brekend oog op +u sloeg en mij met stervende lippen toevoegde: voed hem op tot mijn wreker. Het eerste gedeelte van dat bevel kon ik verrichten: +het laatste: die uiterste wensch van een stervenden vader, staat aan u te vervullen: en wee den zoon die aan ’s vaders laatsten +wensch niet wil voldoen.” + +</p> +<p>“Kan ik,” vroeg Joan, “mijn zwaard opheffen tegen den man, die mij met zijn brood heeft gevoed?” + +</p> +<p>“Gij stelt het vraagpunt verkeerd,” zeide Eugenio: “vraag liever: kan ik den man als vijand behandelen, wiens dochter ik liefheb?—dan +zult gij beter uw wezenlijke meening uitdrukken. Doch ik heb u geheel verkeerd beoordeeld, en tot mijn leedwezen; want de +bijdragen tot menschenkennis, die men op dusdanige wijze vergadert, zijn niet van de aangenaamste. Mijn boodschap aan u is +verricht, en ik moet u verlaten met den wensch, dat gij met een gerust geweten de weldaden van uws vaders moordenaar moogt +blijven aannemen.” + +</p> +<p>“Een oogenblik!” riep Joan, hem met drift terughoudende: “tegen hem, die mij van mijn kindsheid af heeft welgedaan en als +vader behandeld, mag ik geen onbewezene beschuldigingen aannemen. Welke waarborgen geeft gij mij voor de echtheid van uw verhaal?” + +</p> +<p>“Welke waarborgen?” herhaalde de Jezuïet: “dan, gij hebt gelijk: het is in den tegenwoordigen tijd voorzichtig, niemand op +zijn woord te gelooven, althans geen vreemdeling. Doch, vraag het aan den moordenaar zelven, vraag het aan zijn bloeddorstige +medehelpers, vraag het aan uw oom, den ook in Nederland hooggeachten Don Louis; lees het in uw historieschrijvers, die op +dit punt ten minste der waarheid zijn getrouw gebleven;.... doch ik spreek in den wind: voor hem, die liefst niet overtuigd +wil wezen, helpen geen bewijsgronden.” + +</p> +<p>“Zóó laat ik u niet gaan,” zeide Joan, terwijl hij den Jezuïet tegenhield, die zich zocht te verwijderen: “gij zijt mij meerdere +opheldering schuldig.” + +</p> +<p>“Tot uw dienst,” hervatte Eugenio: “doch maak het kort. Mijn tijd is kostbaar, en mijn leven is hier niet zeker.” + +</p> +<p>“Ik sta voor uw leven in,” zeide Joan haastig: “doch antwoord mij. Gij noemdet zooeven mijn oom? Waarom heeft hij mij tot +heden geweigerd te erkennen?” + +</p> +<p>“Vraag hem dit zelf,” antwoordde de Jezuïet: “hij is in Den Bosch, en zal u geenszins weigeren, u zijn gedrag op te helderen.” + +</p> +<p>“Het is dan Don Louis, die u tot mij gezonden heeft?” + +</p> +<p>“Don Louis weet dat ik u zou opzoeken: doch herinner u hetgeen ik u gezegd heb: ik had van uw vader zelven een last bekomen, +dien ik vervullen moest.” + +</p> +<p>“En waarom draaldet gij hiermede dan zoo lang?” + +</p> +<p>“Ik ben u omtrent mijn gedrag geen rekenschap verschuldigd,” <a id="d0e7149"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7149">230</a>]</span>antwoordde Eugenio met hoogheid: “en al wilde ik dit, de tijd laat mij zulks niet toe.” + +</p> +<p>“Waar kan ik u dan nader spreken? Waar vind ik u weder?” + +</p> +<p>“In Den Bosch, bij uw oom: vraag hem daar slechts naar Pater Eugenio. Vroeger ziet gij mij niet terug. Denk intusschen eens +na over hetgeen ik u zeide, onderzoek alles en overweeg uw plicht.” + +</p> +<p>Dit zeggende, sloeg de Jezuïet, zijn paard bij den toom leidende, de laan in, die hem buiten het boschje voeren moest. Joan +bleef, als door den donder getroffen, eenige oogenblikken staan. Dan opeens rees in zijn ziel een gedachte op, welke hij zelf +niet besefte dat nu eerst bij hem opkwam. Hij snelde den Jezuïet achterna, en, hem bij den arm grijpende, riep hij uit: + +</p> +<p>“En mijn moeder?” + +</p> +<p>“In Den Bosch zal aan uw nieuwsgierigheid voldaan worden,” antwoordde Eugenio, terwijl hij zich losrukte en verder voortstapte. +Dan nauwelijks was hij buiten het boschje en op den weg gekomen, of een stevige vuist greep hem in den nek en deed hem tegen +zijn paard aantuimelen. + +</p> +<p>Het was Bouke, die hem op een zoo onvriendelijke wijs begroette. Deze had zich, gelijk boven verhaald is, niet ver van de +plaats, waar het onderhoud voorviel, in ’t boschje verscholen. De wind had hem wel belet om juist te verstaan alles wat er +gezegd werd; doch eenige weinige woorden, luider dan de overige gesproken, hadden hem doen beseffen, dat er een kwaad opzet +tegen zijn Heer gebrouwen werd. En dit vermoeden sloeg tot overtuiging over, toen hij, na lang op het gelaat van den vreemdeling +getuurd, en op het einde der samenspraak zich een weinig naderbij begeven te hebben, den Jezuïet van de Katholieke Hofstede +herkende; want schoon er sinds dien tijd twintig en meer jaren verloopen waren, behoorden de gelaatstrekken van Eugenio onder +diegene, welke men niet licht vergeet, na ze eens aanschouwd te hebben. Met ijzing en afschuw zag hij den gevreesden booswicht +aan; dan nog bleef hij twijfelen; want hij had gezien, hoe zijn Joan, zijn vriend en leerling, op den toon der vertrouwelijkheid +met den onbekende gesproken, ja, hem zelfs de handen gedrukt had. Eindelijk werd zijn onzekerheid weggenomen, toen de Pater, +bij het afscheid nemen, zijn naam noemde, dien naam, welke den braven Bouke zoo verfoeilijk was. Hij nam nu het vast besluit, +deze reis den booswicht niet, gelijk de vorige keeren, te laten ontkomen. Zorgvuldig gleed hij door het kreupelhout terug +en nam juist het oogenblik waar, dat Eugenio zijn paard wilde beklimmen, om voor den dag te springen en hem, gelijk wij gemeld +hebben, met kracht aan te grijpen. “Ja,” riep hij, “loontje komt om zijn boontje! Deze reis zult gij mij niet ontsnappen!” +Eugenio, schoon doorgaans op zijn hoede, en altijd tegen een aanval gewapend, was niettemin op zulk een plotselijke aanranding +niet bedacht. Hij herstelde zich echter spoedig, en daar Bouke, die de armen hem om ’t lijf hield, hem belette, de hand bij +zijn pistolen te brengen, greep hij dezen onder de okselen en trachtte hem op te tillen om hem van zich af te werpen, terwijl +hij <a id="d0e7163"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7163">231</a>]</span>hem terzelfder tijd voor struikroover uitschold.—Joan, zelf onthutst over hetgeen hij geschieden zag, wierp zich tusschen +de beide strijders, die met dezelfde woede en met schier gelijke krachten worstelden: en het gelukte hem, Bouke van zijn weerpartij +af te scheuren. Doch de oude dienaar des Barons, door deze tusschenkomst nog feller verbitterd, trok zijn mes en zou Eugenio +een steek hebben toegebracht, had Joan zijn arm niet met geweld teruggehouden. + +</p> +<p>“Zijt ge ijlhoofdig, Bouke?” vroeg de jongeling, “wat is dit voor een razende dolheid?” + +</p> +<p>“Laat mij begaan, Jonker<span id="d0e7169" class="corr" title="Bron: ?">!</span>” brulde Bouke: “dood bloed geen nood doet<span id="d0e7172" class="corr" title="Bron: ?">!</span>” + +</p> +<p>“Gij ziet, hoe een ontrust geweten ontwaakt,” zeide de Jezuïet tegen Joan, meteen een pistool voor den dag halende: “deze +man heeft mij herkend: hij behoorde ook onder de moordenaars.” + +</p> +<p>“Dat mag ik van jou wel zeggen, schurk!” galmde Bouke: “Jonker laat mij los: want zoo die schelm los komt, is het land in +nood.” + +</p> +<p>“Gij hebt voor mijn veiligheid ingestaan,” zeide Eugenio, Joan scherp aanziende. + +</p> +<p>“Dat heb ik,” zeide Joan: “doch maak u weg, eer ’t te laat is; want, bij den hemel! ik zie iemand naderen, die u niet hier +moet vinden.” + +</p> +<p>“Ha! daar komt versterking,” riep Bouke: “Jonker! bij je ziel! laat den schelm niet ontsnappen!—Mijnheer! Mijnheer! kom toch +hier!” + +</p> +<p>“Wat is hier te doen?” vroeg de Baron van Sonheuvel, die, om de dampen van den wijn te doen vervliegen, een ochtendwandeling +deed en toevallig den weg naar het boschje genomen had. + +</p> +<p>“Wat gebeurt er?” riep hij, met spoed aan komende loopen. + +</p> +<p>“Een zonderling geval, Mijnheer!” antwoordde Eugenio: “die kerel valt mij op ’t onverwachtst met een mes op ’t lijf, zonder +dat ik hem in ’t minst beleedigd heb: ik geloof dat de vent dronken is.” + +</p> +<p>“Kent UEd. hem niet?” riep Bouke, zich aan Joans handen ontworstelende: “het is de Jezuïet van Panne, die toen met UEds. paarden +wegliep!” + +</p> +<p>“Wat Jezuïet? wat Panne?” vroeg Eugenio, met een <span id="d0e7195" class="corr" title="Bron: grimlach">glimlach</span>: “de vent is razend.” + +</p> +<p>“Waarlijk!” zeide de Baron, terwijl hij Eugenio met een scherpen blik aanzag en langzamerhand zijn hartsvanger uithaalde: +“ik heb dat gezicht meer gezien: ja hij is het!” + +</p> +<p>“Ben ik het?” hernam de Jezuïet: “weg dan met alle vermomming! Ja, gij hebt mij nog eenmaal gezien, nadat gij mijn trouwsten +vriend baldadig hadt vermoord.” + +</p> +<p>Deze woorden overtuigden den Baron, dat de vreemdeling werkelijk de medeplichtige van Panne was geweest, daar hij, gelijk +onze lezers zich misschien zullen herinneren, werkelijk op dien avond een Jezuïet had neergeschoten; doch Joan bracht het +gezegde van Eugenio in verband met hetgeen deze hem het oogenblik te voren had verhaald, en begreep, dat het op den moord +van Velasco sloeg. <a id="d0e7204"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7204">232</a>]</span>Waarschijnlijk had zich de Jezuïet ook met dit inzicht van een uitdrukking bediend, die voor onderscheiden uitleggingen vatbaar +was. + +</p> +<p>“Welnu schelm!” zeide de Baron: “zoo gij het zelf bekent, geef u dan over.” + +</p> +<p>“Dat niet,” hernam Eugenio, “zoolang ik hier nog een vriend heb, die mij beschermen zal!” Dit zeggende wierp hij een veelbeteekenenden +blik op Joan. + +</p> +<p>“Laat hem gaan! laat hem gaan! Heer Baron!” riep Joan, in een hevige gemoedsbeweging: “hij was de vriend mijns vaders.” + +</p> +<p>“Joan, ga ter zijde!” riep de Baron: “zult gij met dien moordenaar één lijn trekken? Gij weet niet welk een vervloekte booswicht +daar staat.” + +</p> +<p>“Wie hij zijn moge,” zeide Joan: “ik heb voor zijn veiligheid ingestaan.” + +</p> +<p>“Ha! worde ik van mijn voedsterling verraden?” vroeg Reede met verwoedheid: “om ’t even! geef u over schurk van een Jezuïet!” + +</p> +<p>Bij het uiten dezer woorden liep hij met drift op Eugenio aan, die, achteruittredende, hem de tromp van zijn pistool voorhield. +Bouke poogde terzelfder tijd den Jezuïet van achteren aan te vatten; doch deze had zich reeds achter zijn paard om begeven, +was behendig opgestegen en poogde nu, den teugel wendende, zijn aanvallers te ontrijden, toen hij door een nieuw aangekomen +vijand wederhouden werd. Deze was niemand anders dan Gheryt Maessen, die met een mandje vol kostelijke eieren, door hem tot +een dankbaar geschenk voor Freule Ulrica bestemd, van den Rijnkant afkwam. Zoodra hij het gevecht van verre aanschouwde, zette +hij zijn mandje neder, nam, bij gebrek van ander wapentuig, een ei in de linkerhand en kwam Eugenio achterop, wien hij met +de rechtervuist aangreep en van het paard zocht te trekken. Deze poging ware hem bijna duur te staan gekomen; want de Jezuïet +legde reeds het geladen pistool op Maessen aan, toen deze hem het ei vlak tegen het voorhoofd wierp, zoodat de struif hem +over de oogen stroomde. Eugenio, die geen doodwond zou ontzien hebben, was door deze zonderlinge ontmoeting een oogenblik +onthutst. Hij brandde los; doch in den blinde en zonder iemand te deren; terwijl Gheryt, van zijn verbaasdheid gebruik makende, +hem met een ruk achterover en van ’t paard haalde, waarop de Baron en Bouke, genaderd zijnde, zich van hem trachtten meester +te maken, en hem te binden: “want,” zeide de Baron: “de schelm moet aan mijn galg en niet door mijn degen sterven.”—Eugenio +was echter even spoedig weder opgestaan als hij gevallen was en sloeg zoo geweldig van zich af, dat het aan de drie aanvallers +onmogelijk ware geweest, zich levend van hem te verzekeren, zoo niet eenige boeren, van den Rijnkant komende, den Baron de +behulpzame hand waren komen bieden. De eerste en wel de ijverigste onder deze nieuwe medehelpers was de bij den lezer welbekende +Teun Wezer, die zich (wij zullen nader zien om welke reden) op dat tijdstip in de kroeg aan den overhaal bevond en met de +overigen op het vallen van het schot en op het hooren van het geschreeuw was toegesneld.—Op het zien dier menigte staakte +<a id="d0e7220"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7220">233</a>]</span>Eugenio allen wederstand en gaf zich vrijwillig gevangen, alleen verzoekende, zoodra mogelijk op het slot te worden gebracht. + +</p> +<p>En Joan, hoe had hij gedurende den strijd zich gedragen? Bleek als een doode, met de armen los bij het lijf nederhangende, +zonder een voet te verzetten, had hij het schouwspel aangestaard. Strak en akelig stonden zijn oogen; maar duizend ontzettende +gedachten bestormden zijn ziel. Het was hem nu duidelijk gebleken uit de woorden van den Baron, van Bouke, van Eugenio, dat +de beide eersten de moordenaars, de laatste de vriend van zijn vader geweest waren. Doch aan genen was hij tot nog toe alles, +aan den laatste niets verschuldigd geweest. Wien moest, wien mocht hij bestand bieden, nu zij elkander als woedende tijgers +aanvielen? Besluiteloos was hij blijven staan, en het was hem een gerustheid, toen hij bij den uitslag zag, dat de strijd +aan niemand het leven gekost had. Toen eerst deed hij een stap voorwaarts, doch hernam terstond zijn vorige houding, zoodra +hij zag, dat de Baron, na aan de zijnen gelast te hebben. Eugenio naar het kasteel te brengen, naar hem toetrad met een gelaat, +waarop verbazing, gramschap en droefheid onderling in strijd schenen. + +</p> +<p>“Welnu, Joan!” zeide Reede: “uw vriend is geknipt, en niemand heeft eenig letsel bekomen. Zult ge mij nu ook gelieven te zeggen, +waarom gij de partij van dien bloedhond getrokken hebt en ons in den pekel hebt laten zitten?” + +</p> +<p>“Heer Baron!....” zeide Joan sidderende en naar woorden zoekende om zijn aandoening uit te drukken; doch in dit oogenblik +wierp Eugenio, in ’t heengaan, een doordringenden blik op hem. “Denk aan uw eed,” zeide de Jezuïet, met een helderklinkende +stem. + +</p> +<p>De Baron zag Eugenio en Joan beurtelings aan met oogen, die van gramschap fonkelden, en vond in beider houding een nieuw bewijs +hunner verstandhouding. Hij was naar Joan toegetreden met het oogmerk om vertrouwelijk met hem te spreken en de oorzaak zijner +vreemde handelwijze op te sporen. Thans echter nam de toorn in zijn ziel de overhand boven de vriendschap, die hij voor zijn +pleegzoon gevoelde, en met den gestrengen toon eens rechters gelastte hij dezen, hem op het kasteel te volgen. + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6992" href="#d0e6992src" class="noteref">1</a></span> Verdeel en heersch. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e7230" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Drie-en-twintigste Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph" lang="nl-1600"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Om in dien schijn te gaen +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Zijn vyanden bespiên, en letten hoe men ’t maakte.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Gysbrecht van Aemstel. +</p> +</div> +<p>Ulrica zat in een der bovenkamers van het slot, en was bezig om aan de oude Geertrui, die, half blind en half lam geworden +zijnde, zelden de trappen afkwam, een hoofdstuk uit den Bijbel voor <a id="d0e7245"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7245">234</a>]</span>te lezen, een taak, welke die goede vrouw in vroeger dagen voor haar Freule verricht had en welke deze thans met evenveel +bereidwilligheid voor haar vervulde. Achter Ulrica was Magdalena gezeten, en hield, schijnbaar aandachtig, de handen onder +het voorschoot te zamen gevouwen; doch haar vingeren doorliepen ongemerkt de korrelen van een bedesnoer en haar lippen prevelden +onhoorbare gebeden. Geertrui zat met gevouwen handen over haar meesteres, met het hoofd een weinig op zijde gedraaid, om beter +te kunnen hooren: nu en dan toonde zij, bij dezen of genen tekst, dien zij op het huisgezin toepasselijk oordeelde, haar welgevallen +door een hoofdknik, en somtijds zelfs maakte zij binnensmonds een noot of aanmerking op het gelezene. + +</p> +<p>Dan, eer de morgenoefening was afgeloopen, werd de aandacht der Jonkvrouw van haar lezing afgetrokken door een ongewoon en +verward gedruisch, dat zich van den grooten weg liet hooren. Ulrica sloeg haar oogen naar het venster, en zag een menigte +lieden in een dichten drom van den Rijnkant komen, waaronder zij al spoedig haar vader herkende. Verwonderd over dezen ongewonen +toeloop, zoo vroeg in den morgen, gelastte zij Magdalena, naar de oorzaak te vernemen, en deze, haar bereidwilligheid met +een stijven knik te kennen gevende, verliet het vertrek. + +</p> +<p>“Kijk mij zoo een malle prinses eens aan,” zeide Geertrui: “knikt ze je niet toe, alsof zij de Freule en UEd. de kamenier +was. Die madam heeft ook vast reis gedroomd, dat zij heel wat was.” + +</p> +<p>“Zij is niet voor dienstbaarheid geboren,” antwoordde Ulrica: “en mij dunkt Geert! dat, als ik geduld met haar heb, gij u +niet over haar behoeft te beklagen.” + +</p> +<p>“Geduld! geduld! ja, dat is goed en wel,” zeide Geert: “maar UEd. moet denken, tegen UEd. toont zij haar heerschzuchtigen +aard maar half. Je moest eens zien hoe zij met de booien spreekt: altijd uit de hoogte: als UEd. dat nog deedt, UEd. is de +meesteres; maar zoo een madam, die hier zoo kaal als een neet gekomen is en die nu de bazin wil spelen en met elk den spot +drijven en voor elk den neus opsteken, tot voor Dominee toe, wanneer hij hier komt.” + +</p> +<p>“Nu, nu Geert!” viel haar Ulrica in de rede: “gij zijt ook niet altijd even goede vrienden met Dominee. Ik heb u ook wel eens +met hem hooren twisten; en, wat betreft den toon, dien zij aanneemt, het heugt mij wel, dat in vroegere dagen de dienstboden +even bang waren voor u, als thans voor haar.” + +</p> +<p>“Dat’s waar,” zeide Geert: “ik hield mijn fatsoen onder ’t volk; maar hoe lang had ik ook het huis gekend en bestierd; en +dan Mevrouw zaliger, die vertrouwde mij alles, en die wist ook wel, wat zij deed, maar zoo een malle Leen: want zoo heeten +haar de booien in de wandeling....” + +</p> +<p>“Geert!” zeide Ulrica: “ik hou niet van die bijnamen. Ik weet, zoogoed als iemand, dat Magdalena, voor een dienstmaagd, wel +eens wat veel spreekt; maar ik herhaal het, zij is niet voor dien staat opgeleid, en haar opvoeding maakt het gezelschap van +boerenknapen, zooals hier op het slot komen, ongeschikt voor haar.” +<a id="d0e7261"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7261">235</a>]</span></p> +<p>“Dan moest zij er zich in schikken,” hernam Geertrui, zich ontevreden op haar stoel nederzettende: “maar als UEd. <span class="letterspaced">per fors</span> gelijk wil hebben, dan zal ik zwijgen, gelijk mij betaamt: schoon ik geloof, dat Mevrouw zaliger er anders over zou gedacht +hebben. Nu! ik hoop maar, dat zij nooit erger kwaad zal doen: indien het slechts niet waar is, hetgeen Roelof Teeuwiszoon +vertelt, dat hij haar laatst een kruis op de knie heeft zien maken, en dat zij een ivoren afgoodje onder haar bed verborgen +heeft.” + +</p> +<p>Ulrica was op het punt van een heftig antwoord op deze beschuldiging te geven; doch zij bedwong zich, daar zij de koppigheid +van haar oude Baker kende, en begreep, aan haar hooge jaren inschikkelijkheid te moeten betoonen. Zij wendde dus het gesprek +af en vroeg aan Geertrui, of zij den Jonker al sedert zijn terugkomst gezien had. + +</p> +<p>“Onzen besten Jonker Joan!” herhaalde Geertrui, terwijl zich over haar gelaat eensklaps een ongewone opgeruimdheid verspreidde: +“och neen! gisteren had hij het zeker te druk met u allen, om aan de oude Geert te denken.” + +</p> +<p>“Dit heeft hij toch gedaan,” hernam Ulrica: “hij heeft naar u gevraagd; doch, zooals gij wel zegt, de drukten van het huis +zullen hem belet hebben u te gaan omhelzen.” + +</p> +<p>“Die goede jongen!” zeide Geert: “heeft hij waarlijk naar mij gevraagd? nu, ik hoop straks mijn schade in te halen. Hij was +een knappe Jonker, toen hij nu voor drie jaren.... laat eens zien, was het drie jaren.... ja, met Pinkster is het drie jaren +geweest.... toen hij naar het veld trok, meen ik. En hij zal er nu wel op gebeterd zijn; kijk! dat Mevrouw zaliger hem nog +eens zien kon!.... en u ook, Freule Ulrica!—Als ik nog denk, toen ik met u in de bakermat zat en toen Mijnheer met hem binnenkwam; +of neen.... Bouke kwam met hem binnen.... ja wat ik toen niet al dacht!.... niet veel goeds, Freule! God vergeve het mij! +maar ik bezondigde mij en beoordeelde Mijnheer al vrij lichtvaardig.... nu, het verheugt mij toch, dat de Jonker de oude Geert +nog niet vergeten heeft.—Wat verlang ik hem weder te zien!.... Doch vindt gij niet, Freule! dat Magdaleentje lang uitblijft!” + +</p> +<p>“Mij dunkt, ik hoor haar komen,” zeide Ulrica: “mijn hemel! wat is er gebeurd?” + +</p> +<p>Deze laatste vraag was tot Magdalena gericht, die juist binnentrad, met een gezicht, nog strakker en zwaarmoediger dan naar +gewoonte. + +</p> +<p>“Is er een ongeluk voorgevallen, dat gij zoo donker kijkt?” vervolgde Ulrica. + +</p> +<p>“Alsof zij ooit vriendelijk uit haar oogen zag,” mompelde Geertrui. + +</p> +<p>“Er is geen ongeluk voorgevallen, Freule!” zeide Magdalena: “doch er heeft een soort van schermutseling plaats gehad bij het +Lischboschje, met een verkleeden monnik, of zoo iemand, dien zij gevangen medebrengen.” + +</p> +<p>“Een schermutseling!” riep Ulrica: “er is toch niemand gewond?” +<a id="d0e7287"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7287">236</a>]</span></p> +<p>“Daar heb ik niets van gehoord,” antwoordde Magdalena. + +</p> +<p>“Mij dunkt,” merkte Geert aan, “dat je ook het fijne van de mis niet weet. Bouke zou zeggen: zend de poes naar Rome, zij zegt +<span class="letterspaced">miaauw</span> als ze weeromkomt.... nu, ik hoop, dat zij dien monnik gauw zullen ophangen.” + +</p> +<p>“Ja, als uw oude oogen nog zoo iets mochten zien,” hernam de kamenier met bitterheid, hoogst ontsticht over de spreekwijze +van Geertrui, welke een vernis van spotternij spreidde over voorwerpen van haar vereering. “Wat zou Heer Godard van Reede +zeggen, indien hij u hoorde spreken?” + +</p> +<p>“Heer Godard!” riep Geert, van verbazing de handen ineenslaande. + +</p> +<p>“Kent gij mijn oom?” vroeg Ulrica verwonderd. + +</p> +<p>”’t Is al één rommelzoo, net zooals ik wel vermoedde,” zeide Geert: “lieve Hemel! wat zou Mevrouw zaliger....” hier werd het +geluid van haar stem onverstaanbaar, doch zij bleef in haar zelve voortpraten. + +</p> +<p>“Er heeft nog een zonderlinge omstandigheid bij dat gevecht plaats gehad,” vervolgde Magdalena: “men zegt dat de Jonker van +Craeihorst de partij van dien Monnik genomen heeft tegen den Heer Baron.” + +</p> +<p>“Magdalena! deze aardigheden gaan te ver!” riep Ulrica, met een ontroerde stem. + +</p> +<p>“Wat zeg je? Ben ik doof of versta ik verkeerd?” vroeg Geert, terwijl zij met moeite opstond en naar de kamenier toeschoof: +“wat durf je van Jonker Joan vertellen?” + +</p> +<p>“Ik herhaal wat ik gehoord heb,” antwoordde Magdalena, de schouders ophalende: “ik kan het niet helpen, indien de berichten. +welke ik breng, u niet bevallen. Misschien ook is er geen woord waar aan: ik heb uit het gereutel dier domme boeren niet half +wijs kunnen worden.” + +</p> +<p>“Ja, je zijt maar al te wijs,” zeide Geert; “maar zulke praatjes!” + +</p> +<p>“Geert heeft gelijk,” zeide Ulrica: “men moet zonder goede waarborgen geen uitstrooisels van dien aard vertellen.” + +</p> +<p>“UEd. zal spoedig de gansche toedracht der zaak vernemen!” hernam de kamenier. + +</p> +<p>“Ja, ik wil haar vernemen en dadelijk,” riep Ulrica, en snelde naar beneden. + +</p> +<p>“En ik ook, ik wil weten hoe de vork in den steel zit,” zeide Geert, terwijl zij strompelende den vluggen tred van haar meesteres +navolgde; “lieve Hemel! had ik ooit gedacht, dat ik na den dood van Mevrouw zaliger nog zoo iets beleven zoude?” + +</p> +<p>Op het binnenplein gekomen, vond Ulrica alles in opschudding. De eerste, dien zij onder de aanwezigen herkende, was Gheryt +Maessen, die den Jezuïet bij den arm vasthield. “Zoo gaôt het, Freule!” zeide hij: “ik dacht oe een ben goede eieren met te +brengen, en daôr breng ik oe een gevangen man met. De eieren staôn nog op den weg: die zol de kat opvretten.” + +</p> +<p>Huiverend wendde Ulrica bij deze toespraak een zijdelingschen <a id="d0e7325"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7325">237</a>]</span>blik op Eugenio; deze groette haar beleefd: “het spijt mij, schoone Freule!”’ zeide hij: “dat de Jonker van Craeihorst om +mijnentwille misschien in ongelegenheid zal komen.” + +</p> +<p>“Om uwentwille?” herhaalde Ulrica, verbleekende: zij zag rond, en nu eerst ontdekte zij Joan, die, van de menigte afgezonderd, +met het hoofd in de hand, tegen een staldeur leunde, de oogen nedergeslagen houdende, en bleek als een doode. + +</p> +<p>“Joan!” riep zij, angstig naar hem toesnellende: “Joan! wat hebt gij gedaan? wat verhaalt men van u? Is het waar, dat....?” + +</p> +<p>“Wat doet gij hier?” zeide de Baron, naar haar toetredende, en haar eenigszins onzacht terugtrekkende: “ga naar uw kamer: +hier althans hebt ge niets noodig.” + +</p> +<p>“O God! het is dan waar?” zeide Ulrica, sidderend: en haar aangezicht met de handen bedekkende, trad zij snikkend terug. Aan +de trap ontmoette zij Geertrui, welke zij dringend verzocht, naar de ware toedracht der zaak te vernemen en haar het gehoorde +te komen mededeelen. + +</p> +<p>“En gij,” vervolgde de Baron tegen Joan: “begeef u naar uw vertrek, en wacht daar, tot ik u laat roepen.”—Joan gehoorzaamde. +“Welnu, Bouke, hebt gij den Schout laten ontbieden?” + +</p> +<p>“Ik ben er zelf geweest,” zeide Bouke: “Zijn edele zal dadelijk hier zijn.” + +</p> +<p>“Goed,” hernam Reede: “er moet terstond iemand te paard naar Tiel gaan om den Ambtman van alles bericht te geven:—breng den +Jezuïet in den kelder rechts af, en laten al de brave lieden, die het hunne hebben gedaan om hem te krijgen, bij mij in de +benedenzaal komen: laat Roelof mij daar wat papier en pennen brengen.” + +</p> +<p>De bevelen van den Baron werden opgevolgd. Hij plaatste zich in de benedenzaal en wachtte in zijn groote leunstoel de boeren +af, die één voor één verschenen, en wier namen hij opschreef, opdat zij als getuigen in rechten zouden kunnen strekken, terwijl +hij een goede belooning aan elk hunner beloofde voor de aan hem bewezen goede diensten. + +</p> +<p>Eindelijk kwam de beurt aan Gheryt Maessen, die, ofschoon hij van Ulrica verscheidene gunstbewijzen ontvangen had, den Baron +slechts bij name bekend was. Daar hij de eerste was geweest, die door zijn tijdige komst, de gevangenneming van Eugenio bewerkt +had, bewees hem de Baron nog meer vriendelijkheid dan aan de anderen. + +</p> +<p>“Gij hebt u als een kerel geweerd,” zeide Reede, “en als de schelm hangt, zult ge een mooien kermisduit van mij hebben.” + +</p> +<p>“Dat hoeft niet,” zeide Gheryt; “maôr als oe Genade mij een dienst wilde bewijzen, dan had ik gaôrne dat oe een woordeke aôn +den Heer Ambtman zeide, dat ik den hofbeer bezorgen mocht, die naôr Den Haôg moet gaôn. Ik heb er aôn de Freule al van esproken.” + +</p> +<p>“Wij zullen zien,” zeide de Baron: “de Heer Ambtman komt hier, dan kunt gij zelf uw verzoek doen. Verlangt gij Den Haag te +zien?” + +</p> +<p>“Mijn vrouws vaôder woont er, bij de Gravin van Falckestein.” +<a id="d0e7353"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7353">238</a>]</span></p> +<p>Deze naam deed een tooverachtige uitwerking op den Baron en helderde zijn wezen nog meer op: “Wij zullen zien,” herhaalde +hij, zich de handen wrijvende: “en als gij bij uw schoonvader komt, kunt gij hem vertellen, dat wij den schoelje gehangen +hebben, die zijn vorigen meester eens zoo leelijk de kool gestoofd heeft.—Nu, goeden morgen! gij kunt gaan; maar hou u in +de buurt, hoor! Is er nog iemand?” + +</p> +<p>“Ja,” antwoordde Bouke: “daar is nog een stuk van een neef van mij: maar ik zag hem liever de ribben smeren dan een belooning +krijgen: ’t is een van die klanten, die denken: ontgaat u de wal, hou u aan ’t vlotgras. Ik heb een olden hekel aan hem, en +op old ijs vriest het licht. Ware ik niet in Hongarije geweest met den Jonker, hij had Klaartje-nicht nooit getrouwd.” + +</p> +<p>“Om ’t even, ” zeide de Baron: “laat hem binnenkomen.” + +</p> +<p>Bouke opende deur, en liet, half tegen zijn zin, Teun Wezer in. + +</p> +<p>“Aha!” zeide Reede, zoodra zij alleen waren: “gij hebt u best gekweten, kameraad!” + +</p> +<p>“Dat verheugt mij, dat UEd. die getuigenis van mij geeft,” antwoordde Teun, met een grappige buiging: “voor tien a twaalf +jaren zoude UEd. zoo iets niet gezegd hebben.” + +</p> +<p>“Wel mogelijk,” hernam de Baron: “nu, een goed man, die zich betert. Gij zult getuigenis moeten afleggen: daarom moet ik uw +naam en woonplaats opschrijven.” + +</p> +<p>“Niemand zal beter daartoe in staat zijn, dan ik,” zeide Teun: “die Van Dyk is met mij tot aan den Rijn gekomen. Ik heb hem +den weg gewezen.” + +</p> +<p>“Van Dyk? zoo! heet de schurk Van Dyk? Nu, het zal hem om een naam meer of minder niet te doen zijn—En hebt gij hem den weg +gewezen? Dan zal uw getuigenis zeker nogal belangrijk zijn. Dan ware het misschien beter dat gij hier bleeft, tot de Schout +kwam.” + +</p> +<p>“Ik ben veerman te Tiel, Heer baron!” + +</p> +<p>“Ja, dat is wel mogelijk; maar als gij dien vent den weg gewezen hebt hier naar toe, kunt gij ook blijven om te zien waar +hij verder naar toe zal gaan. Wacht dus maar in de keuken, tot ik u roepen laat.—Bouke!” + +</p> +<p>Bouke verscheen en de Baron gelastte hem, al de boeren wel te onthalen en goede wacht voor de gevangenis van den Jezuïet te +laten houden. Inmiddels maakte Teun Wezer een buiging, nam zijn afscheid en vertrok. Aan het einde van het voorportaal voelde +hij zich op den schouder tikken, en zich omkeerende, zag hij Magdalena voor zich staan, die hem in een zijvertrek riep, waarvan +zij terstond de deur met behoedzaamheid achter zich sloot. + +</p> +<p>“Vlegel!” zeide zij, hem verstoord aanziende: “waarom hebt ge niet beter opgepast en den eerwaarden Pater tegen die ketters +bijgestaan?” + +</p> +<p>“Gehoorzame dienaar, Mevrouw!” zeide Teun: “ik dank oe hartelijk. De Pater was al geknipt, eer ik er bijkwam: waarom is hij +zoo gek geweest, den wolf in den bek te loopen. Ik heb hem helpen binden en met voeren, om door dien weg een oog in ’t zeil +te houden, <a id="d0e7382"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7382">239</a>]</span>’t gunt mij zoo wel elukt is, dat de Baron mij elast heeft, hier te blijven.” + +</p> +<p>”’t Is wel,” hernam Magdalena, “en oordeelt gij u zelven behendig genoeg, om den Pater uit den benauwden toestand te redden, +waar hij in gebleven is?” + +</p> +<p>“Hm! hm!” zeide Wezer, “met oe hulp en die van een paôr knaôpen hier dicht bij, die niets beters verlangen, dan een goed handgeld +te verdienen.... maôr er moet niets van kunnen oetlekken, dat ik met eholpen heb. Ik ben landsambtenaar en heb geen zin om +voor <span class="letterspaced">lezum majestatum</span> op’eknoopt te worden.” + +</p> +<p>“Gek!” zeide Magdalena, hem verachtelijk aanziende: “alsof er iets aan een ellendig leven, als het uwe, verbeurd ware;—doch, +om ’t even! hier!” vervolgde zij, hem een beursje ter hand stellende: “hier is de zenuw van den aanslag: deel uit en beschik +wat gij wilt: doch wees spaarzaam en voorzichtig.” + +</p> +<p>“Ze zullen de helft er niet van hebben, dat beloof ik oe!” zeide Teun, het geld op de vlakke hand wegende: “oe is bylo milder +dan de Ambtman zelf. Doch wat moet verder edaôn worden?” + +</p> +<p>“Laten uw makkers dezen nacht te een uur een wagen of een paard aan de achtertuinpoort klaarhouden. Ik zal voor de rest zorgen. +Tegen twaalf uren wacht ik u boven aan de zoldertrap. Maak nu zooveel haast als ge kunt, en zorg dat ge uw kameraden opschommelt. +Doch!... wee u, zoo gij ons verraadt!” + +</p> +<p>“Papperlepap!” zeide Teun: “zoo eindigen zij allemaôl, en het zou eigenlijk niet meer dan billijk wezen, dat hij, die zijn +leven slijt met anderen te bedriegen, ook eens zijn loon wegkreeg. Doch, zooals oe weet, voor geld en kwaie woorden ben ik +altijd te vinden. Hadie dan mevrouw! tot van nacht.—Dat jaloersche vel, mijn wijf,” vervolgde hij bij zichzelven onder ’t +weggaan, “zou juist van deuze afspraak niet geërgerd worden.” + +</p> +<p>Laat ons nu terugkeeren tot Joan, die, op last van den Baron, zich naar zijn kamer begeven had. Geen bevel had hem in deze +tijdsomstandigheid meer welkom kunnen zijn; want niets scheen hem noodzakelijker, dan in de eenzaamheid over het gebeurde +van den dag en den weg, dien hij moest inslaan, na te denken. Wij zullen echter geen poging aanwenden, om de onderscheidene +overdenkingen na te gaan, die zijn geest beurtelings vermoeiden, noch de verschillende besluiten op te noemen, welke daarvan +de gevolgen waren, en bijna even spoedig verworpen als gevormd werden. Hij, die het voorgaande met eenige oplettendheid heeft +nagegaan, zal klaar kunnen beseffen, hoe zonderling hij te moede was. Dan, bij al de akelige denkbeelden, welke de voorvallen +en mededeelingen van deze en de vorige dagen in hem hadden doen ontstaan, was er toch een, dat hem welkom en streelend was +als de zonnegloed, die in den kerker des gevangenen nederdaalt en hem in ’t midden van zijn lijden een flauwe verkwikking +komt aanbieden. De onbekende, die zich de vriend zijns vaders genoemd had, had hem wel geen stellige, maar toch ook geen geheel +verwerpelijke hoop gegeven, dat zijn moeder nog leefde, en dat hij die wellicht in Den Bosch zou kunnen vinden: en het hart +des jongelings, hoe gefolterd ook en <a id="d0e7401"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7401">240</a>]</span>benepen, ontsloot zich voor deze zoete verwachting. Hij bevond zich in den toestand van een reiziger, die, bij nacht op een +eenzame heide verdwaald, zich van moerassen en kloven omringd vindt en onbewust is, welken weg hij zal kiezen, daar alle paden +hem even moeilijk en gevaarlijk voorkomen, totdat hij de oogen slaat op het schemerend lichtje, dat hij in de verte ziet gloren, +en waarheen hij, onbewust nog of die flauwe glans een waarheid, dan een ijdele luchtverheveling zal zijn, de schreden eindelijk +wendt. Nadat hij gedurende een paar uren in gedurige gemoedsbeweging de kamer had op en neder geloopen, zag hij zijn deur +opengaan, en de oude Geertrui, zich met moeite op haar krukje voortwerkende, trad de kamer in. + +</p> +<p>“Wel mijn beste Geertrui!” zeide Joan, terwijl hij zich haastte haar zijn arm aan te bieden, en haar naar een stoel te geleiden, +waarna hij haar met hartelijkheid kuste: “dat is recht hupsch van u, dat gij mij thans komt bezoeken. Hoe gaat het u op den +ouden dag?” + +</p> +<p>“Op mijn ouden dag, ja dat moogt gij wel zeggen Jonker!—’t Is nu met Pinkster vijf en twintig jaren geweest, dat Mevrouw zaliger +overleden is, en toen was ik twee en vijftig jaren: dus ’t is geen wonder, dat de gebreken komen!—Maar Jonker! Jonker! wat +ben je een kerel geworden! Zoo waar ik leef, ik zou je bijna niet herkend hebben;.... maar laat ik eens uitblazen; want al +dat trappen klimmen lijkt mij niet meer, en ik ben doodaf.” Hier zweeg zij en zat eenige oogenblikken te hijgen, terwijl zij +Joan van top tot teen beschouwde. + +</p> +<p>“Waarlijk, beste, Geert!” zeide Joan, haar vriendelijk de hand drukkende, “ik weet bijna niemand, wiens bezoek mij op dit +oogenblik aangenamer zou kunnen zijn dan het uwe.” + +</p> +<p>De trekken der oude dienstmaagd namen op het hooren van dit gezegde een min vroolijke uitdrukking aan. “Ja!” zeide zij: “dat +geloof ik wel, want als de Baron hier kwam, die zou je minder vriendelijk aankijken, dan ik gedaan heb: hij is dan <span class="letterspaced">miserabel</span> boos op je, en Bouke ook, dat beloof ik je. Je hebt het dan leelijk bij hen verkorven. Maar, Jonker! waar waren toch je zinnen, +om dien stinkenden monnik tegen je pleegvader, die je van kind af heeft opgebracht, te gaan bijstaan?” + +</p> +<p>“Ik heb hem niet bijgestaan: ik heb slechts een gevecht willen voorkomen, dat voor mij niet dan noodlottig kon uitvallen.” + +</p> +<p>“Noodlottig!” herhaalde Geert, hem verbaasd aanziende: “wat kon u toch dien leelijken Jezuïet schelen?” + +</p> +<p>Joan zweeg eenige oogenblikken, en liep de kamer op en neder; vervolgens kwam hij weder bij Geertrui terug en zeide: “die +Jezuïet was de vriend mijns vaders, en door zijn hulp kan ik mijn moeder misschien terugvinden.” + +</p> +<p>“Je vader! je moeder!—Och, denk je nog om die Spanjoolsche ouders, die je verzaakt en vergeten hebben. Is de Baron u niet +altijd meer dan een vader geweest, en was Mevrouw zaliger, in den korten tijd dat het mensch u nog bij haar heeft gehad, niet +een trouwe moeder voor u?” +<a id="d0e7422"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7422">241</a>]</span></p> +<p>Joan streek zich de hand over ’t voorhoofd, als wilde hij de treurige gedachten verdrijven, welke de aanmerking der oude dienstmaagd +bij hem deed ontstaan. Hij begreep, dat het moeilijk zoude zijn, haar te doen gevoelen, dat dankbaarheid aan den Baron de +liefde, die hij zijn wezenlijken ouders verschuldigd was, niet behoefde uit te sluiten. Hij vergenoegde zich dus met te zeggen: +“Denkt gij dan niet goede Geert! dat die moeder verlangt haar zoon terug te zien, van wien zij zoolang gescheiden is?” + +</p> +<p>“Dat geloof ik,” zeide Geert: “en zoo een knappen zoon! Maar wie weet, wat voor een vrouwmensch het is,” voegde zij er bij +met een gelaat, dat haren afkeer toonde van al wat tot de Spaanschen betrekking had. + +</p> +<p>“Geert!” zeide Joan, wrevelig: “gij komt mij uit vriendschap bezoeken!”.... + +</p> +<p>“Dat doe ik,” hernam zij, eenigszins berouw gevoelende over hare overijlde woorden: “en ik meende het ook zoo kwaad niet. +Maar nu, die Spanjoolsche daargelaten, ik bid je, maak toch, dat je weer bij Mijnheer in genade wordt aangenomen; want waarlijk, +het loopt anders slecht met je af. Ik geloof niet aan al die praatjes, die over u gaan, en Freule Ulrica ook niet, meen ik....” + +</p> +<p>“Ulrica’s hart rechtvaardigt mij,” zeide Joan, terwijl zijn oogen fonkelden en hij met drift de hand van Geertrui greep. “Dan +ach!” vervolgde hij, de armen weder latende vallen, op een somberen toon: “wat is de meening van Ulrica voortaan voor mij?” + +</p> +<p>“Zeg dat niet, Jonker! Wij zullen, Ulrica en ik, den Baron zoo lang bidden en smeeken, dat hij de geheele zaak maar blauw +blauw laat.” + +</p> +<p>Joan zweeg eenige oogenblikken. “Geert!” zeide hij eindelijk: “gij kunt mij misschien een dienst bewijzen.—Waar zit de gevangene?” + +</p> +<p>“In het oude turfhok, beneden, weet gij?” + +</p> +<p>“En zoude er geen mogelijkheid wezen, dat ik hem een oogenblik sprak?” + +</p> +<p>“Heer beware ons! wel Jonker! Jonker! hoe kunt ge zulke dingen in je hoofd halen? Den gevangene spreken? Ja! de Baron zou +je zien komen....” + +</p> +<p>“Geert! ik bid u, en smeek u! doe uw best en maak dat ik den gevangene spreke!” + +</p> +<p>“Zet dat uit het hoofd, Jonker! Er staan schildwachten voor de deur van het hok met vuurroers op schouder, en Bouke heeft, +hoor ik, last gekregen van Mijnheer, om niemand bij den schelm toe te laten, ’t geen ook niet gemakkelijk gaan zou, al wilde +hij, want Mijnheer heeft den sleutel in den zak.” + +</p> +<p>“In ’s Hemels naam,” zeide Joan, met een diepen zucht: “dan zal ik moeten wachten tot ik mijn vad.... tot ik den Heer Baron +zelf spreke.” + +</p> +<p>“Nu!” zeide Geert: “ik durf niet langer hier blijven: ik heb hier al lang genoeg mijn tijd verpraat. Kijk!” vervolgde zij, +terwijl zij opstond en zich langzaam naar de deur begaf: “als ik in den tijd <a id="d0e7451"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7451">242</a>]</span>van Mevrouw zaliger zoo lang.... maar wacht, daar vergeet ik nog iets: onze Freule, dat lieve kind! heeft mij dit kleine briefje +medegegeven, om u ter hand te stellen: ei zie! daar had ik haast niet om gedacht!” + +</p> +<p>“Ulrica!” riep Joan verrast, de hand uitstekende. “Geef toch Geert! geef toch!” + +</p> +<p>“Ja! ja! mijn memorie wordt ook slecht! dat zou er mooi uitgezien hebben, als ik bij de Freule weerom gekomen was, zonder +mijn boodschap gedaan te hebben!” + +</p> +<p>“Geef!” herhaalde Joan, haastig haar het briefje uit de hand trekkende en het openbrekende. Met gretige oogen verslond hij +het geschrift, ’t welk luidde als volgt: + +</p> +<p>“Het is mij verboden een woord met u te wisselen. Men beschuldigt u een aanslag tegen het leven van uw weldoener te hebben +gesmeed. Wat mij betreft, ik kan noch wil dit gelooven; doch verdedig u, leg uw onschuld aan den dag en laten geen onteerende +vermoedens op u rusten. Wees bedaard en kalm, geef geen gehoor aan ontijdige drift: want denk dat indien mijn <span class="letterspaced">broeder</span> (dit woord was tweewerf onderhaald) door den toorn mijns vaders op te wekken, zich buiten staat stelde hem van zijn onschuld +te overtuigen, hij de innigste smart zou veroorzaken aan zijn zuster en vriendin. + +</p> +<p class="alignright">U.” + +</p> +<p>Tot in de ziel getroffen over dit sprekend bewijs, dat zij althans, op wier achting hij meer prijs stelde dan op de meening +der gansche wereld, hem niet alleen voor onschuldig hield aan het misdrijf dat hem te laste gelegd werd, maar hem ook in zijn +ongeluk haar teedere belangstelling betoonde, riep hij uit, terwijl hij het briefje tegen zijn hart drukte: “goede, edele +ziel! dit is de tweede reis, dat ik op last van uw vader gevangen zit, en de tweede reis, dat gij mij in mijn droeve omstandigheden +zoekt op te beuren. Dan, toen lachte alles mij toe, en thans.... o! ’t ware beter dat ik nooit geboren geweest ware.” + +</p> +<p>“Foei!” zeide Geert: “dat zeide onze Heer van den boozen Judas; maar zulk een aarstverrader hoop ik, dat gij niet geworden +zijt!” + +</p> +<p>“Dat hoop ik ook niet,” riep Bouke, die op dit oogenblik met een mand met eten de kamer binnenkwam; “maar wat doe jij hier, +Geert? Als Mijnheer het hoort, dan stuurt hij je nog op je ouwen dag op marsch.” Dit zeggende, schoof hij de goede oude dienstmaagd +de deur uit, terwijl zij al zuchtend onder ’t weggaan zich beklaagde, dat haar in den tijd van Mevrouw zaliger nooit iets +dergelijks gebeurd was. + +</p> +<p>“Hoe!” zeide Joan met sombere blikken tegen Bouke, die zich, zoodra Geertrui vertrokken was, haastte zijn mand uit te pakken +en het middagmaal op tafel te zetten: “zijn de bevelen zoo streng? zit ik hier buiten toegang?” + +</p> +<p>Bouke zette zwijgend zijn bezigheid voort: doch de zware zuchten, welke zijn borst slaakte, en de krachtige vloeken, welke +hij binnensmonds bromde, toonden hoeveel het hem kostte, dat hij aan zijn ouden vriend geen antwoord geven kon. +<a id="d0e7476"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7476">243</a>]</span></p> +<p>“Bouke!” hernam Joan, terwijl een traan langs zijn wangen rolde: “is uw oude vriend u geen antwoord meer waardig?” + +</p> +<p>“Voor den duivel!” zeide Bouke, zich niet langer kunnende bedwingen; “dat je ook met dien satanschen Jezuïet moest komplotteeren!” + +</p> +<p>“Ik heb niet met hem gekomplotteerd! zeide Joan: “<span class="letterspaced">wie</span> was de vriend mijns vaders, en....” + +</p> +<p>“De vriend des duivels, en.... doch ik kan nu niet met je spreken; mijn gemoed is vol.” Dit zeggende, keerde Bouke zich om +en liep de kamer uit, terwijl hij de deur met drift achter zich toesloeg. + +</p> +<p>Joan bleef lang met donkere blikken als op den grond genageld staan, en wierp zich eindelijk zuchtend op een stoel. Men begrijpt +lichtelijk, dat hij in de tegenwoordige oogenblikken weinig eetlust had; echter plaatste hij zich aan tafel en poogde eenige +mondvollen door te krijgen; dan ras wierp hij mes en lepel weder van zich, stond op en ging als te voren de kamer in haar +geheele lengte op en neder wandelen; vervolgens bleef hij weder bij den etensbak staan, nam de bierkan op en dronk of liever +zwolg die in eenige teugen geheel uit, waarna hij zijn marsch weder aannam. Eindelijk haalde hij het briefje van Ulrica, dat +hij bij Boukes komst verborgen had, weder voor den dag, las en herlas het, scheurde bij mangel aan schrijfgereedschappen een +blaadje uit zijn zakboek en wilde met potlood een antwoord aan Ulrica gaan schrijven, toen de deur zich opnieuw opende en +iemand binnenliet, die hem in deze oogenblikken boven allen welkom wezen moest, namelijk den Predikant Raesfelt. Deze was +in het geval en te zijnen opzichte geheel onpartijdig: van hem had hij nooit anders dan goede lessen ontvangen: en met hem +alleen begreep hij thans geheel vrijmoedig en openhartig te kunnen spreken. + +</p> +<p>De Predikant had, zoodra het gerucht van het spiegelgevecht aan het Lischboschje in zijn eenzaam studeervertrek was doorgedrongen, +zich naar het kasteel begeven, alwaar hem de Baron met al het voorgevallene bekend gemaakt had en geraadpleegd over de wijze, +waarop hij omtrent Joan zou handelen. Raesfelt vond het geval duister en geheimzinnig, en besloot zijn aanmerkingen op het +gebeurde met den raad, toch vooral behoedzaam en niet overijld te werk te gaan, opdat het den Baron niet mocht berouwen, dat +hij Joan zijn gunst onttrokken had, gelijk het David berouwde, dat hij Mephiboseth onschuldig had veroordeeld. + +</p> +<p>“Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt,” zeide hij: “en schort uw meening op omtrent een jongeling, die u tot nog +toe alleen stof van blijdschap en verheuging gegeven heeft. Ik kan niet gelooven, dat hij, die zoo dikwijls met warmte en +gevoel over de groote weldaden sprak, welke hij van UEd. ontvangen heeft, op eenmaal alle erkentelijkheid, alle beginselen +van plicht en godsdienst met voeten zou treden, om, gelijk een tweede Absalom, met Achitophels te heulen en zijn vader baldadig +aan te randen. Vergun mij, heer Baron! dat ik zelf hem ga spreken; en ik twijfel niet, of hij zal zijn hart voor mij blootleggen, +gelijk Koning David deed voor Nathan den Profeet!” +<a id="d0e7494"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7494">244</a>]</span></p> +<p>De Baron keurde dezen raad volkomen goed, en Raesfelt begaf zich naar de kamer van zijn gewezen leerling. Met een ernstig +en bedrukt gelaat trad hij binnen; doch de tevredenheid klaarde zijn wezen weder op, toen Joan hem verheugd te gemoet snelde, +hem dubbel welkom heette, de hand drukte en een zetel aanbood. + +</p> +<p>“Kom, Joan!” zeide de Predikant, nadat zij zich kortelijk hun wederzijdsche vreugde, van elkander in gezondheid weder te zien, +hadden betoond: “Laat ik u eens scherp in de oogen zien, gelijk Petrus Ananiam en Saphiram aanzag, toen zij zich van den prijs +des lands onttrokken.—Gij blikt mij openhartig tegen en slaat uw oogen niet neder: dan heb ik mijn vriend, mijn Joan, nog +niet verloren.” + +</p> +<p>Joan drukte hem met warmte nogmaals de hand en verzekerde hem van zijn blijdschap, dat Dominee althans hem niet vergat, ’t +geen hem tot een blijk strekte, dat hij zich nog niet als geheel ongelukkig moest beschouwen. + +</p> +<p>“Geheel ongelukkig!” herhaalde Raesfelt: “en wie leeft er op aarde, die zich alzoo durft noemen? Het zal met u zijn, gelijk +de Psalmist zegt: + + +</p> +<div class="
 poem
 " lang="nl-1600"> +<p class="line" style=""><span>De stricken des Doods hadden mij omvaên. +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Ick was beladen met anghsten der hellen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Ick was in noodt, in zuchten en in quellen. +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Doch ik riep des Heeren naem alsoe aan: +</span></p> +<p class="line" style=""><span>O Heer verlost mijn siel uyt desen noodt! +</span></p> +<p class="line" style=""><span>En ick bevondt dat hy was seer weldadigh, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Seer vriendelijck en oock seere genadigh, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Die wel behoedt d’eenvoudige seer bloot; +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Want als ick ter neder lagh onder voet, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Geholpen heeft my onsen Godt almachtigh, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Dies weest te vreden o mijn siele klachtig +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Nadien dat de Heer u dees weldaet doet.</span></p> +</div> +<p>En strekt deze liefderijke hand zich niet uit over allen, wie zij wezen mogen? Laat niet God zijn zon opgaan over de goeden +en over de goddeloozen? en valt er een haar van uw hoofd buiten Zijn beschikking? Alleen hij, die van de liefde en verzorging +onzes Hemelschen Vaders verstoken ware, zou zich geheel ongelukkig mogen noemen: en niemand kan zich beschouwen in dat geval +te verkeeren. Hij, die derhalve tot wanhoop vervalt, begaat de grootste zonde, die te begaan is: want hij wantrouwt de goedheid +van Hem, die gezegd heeft: al wie tot mij komen, zullen niet beschaamd worden.” + +</p> +<p>“God verhoede, dat ik Zijn goedheid ooit betwijfele,” zeide Joan, de oogen eerbiedig opheffende: “tot Hem alleen kan ik mij +keeren: van Hem alleen troost in mijn lijden verwachten;—doch hier op aard is de poort des heils voor mij gesloten.” + +</p> +<p>“En wat zegt het aardsche heil voor hem, die een beter vaderland verwacht?” zeide Raesfelt: “alle vleesch is als gras, en +alle heerlijkheid des menschen is als een bloem des velds: het gras is verdord en zijn bloem is afgevallen: want hoedanig +is het leven? <a id="d0e7534"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7534">245</a>]</span>het is een damp, die voor weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt.—Is niet eens ieders leven een samenweefsel van korten +voorspoed en duurzame ellende? weet ik zelf niet bij ondervinding, wat het zegt, wederwaardigheden te lijden, welke alleen +door een vast geloof kunnen worden doorstaan? Heeft niet mijn eigen zoon, gelijk Nadab en Abihu, de zonen Aärons, vreemd vuur +op het altaar gebracht? en mijn haren van hartzeer doen grijs worden voor den tijd, gelijk Simeon en Levi, de zonen Jacobs, +huns vaders haren grijzen deden?” + +</p> +<p>“Uw zoon!” riep Joan haastig uit: “hij wil uw gunst weder verwerven: hij....” + +</p> +<p>“Hoe nu!” zeide de Predikant: “wat weet ge van hem? hebt ge hem gezien? Ach! hoe is het met den jongeling, met....” + +</p> +<p>“Neen,” zeide Joan, eenigszins verlegen: “maar eergisteren zag men mij voor hem aan.... de man, die hier gevangen zit.... +die weet meer van hem.... hij scheen hem te kennen.” + +</p> +<p>“Die Jezuïet?” vroeg Raesfelt: “zijn de zoodanigen de bekenden mijns zoons? O mijn ongelukkige Hendrik! is het niet genoeg +dat gij uwen God verliet? moet gij ook den Baäl nahoereeren? Ach! wel mag ik met Jacob zeggen: het is mijns zoons rok: een +wild dier heeft hem verslonden!” + +</p> +<p>“Dat niet: die gevangene is een Remonstrant, een.... maar neen, dat kan toch niet....” + +</p> +<p>“Hoe!” zeide Raesfelt, een gestrengen blik op Joan werpende: “weet gij niet, wie en wat die gevangene is?” + +</p> +<p>“Ik zag hem eergisteren voor ’t eerst en toen onder een anderen schijn dan heden? maar wie hij is?....” Hier schudde hij het +hoofd, zag voor zich en haalde de schouders op. + +</p> +<p>“Joan!” zeide de Predikant: “de Paapschen hebben een instelling, welke zij een sacrament achten te zijn, door een verkeerde +toepassing namelijk van Jacobi V vs. 16. Hun priesters hebben zich het recht aangematigd, ’t geen Gode alleen behoort, om, +na gedane biecht, de zonden aan den boeteling kwijt te schelden. Dit zeide ik is een valsche verklaring, want de Apostel leert +niet ter aangehaalde plaatse, dat men zijn zonden aan een kerkelijk persoon moet belijden ten einde daarvan vergeving te ontvangen; +maar hij spreekt uitdrukkelijk van een belijdenis, die men elkander moet doen, dat is de eene geloovige aan den ander, en +vooral van die zaken, waardoor de liefde des naasten verbroken en twist zou ontstaan zijn:—zoodat het in de meeste gevallen +niet alleen geoorloofd, maar zelfs noodzakelijk en plichtmatig is, in het hart van een getrouwen vriend, van een man van ondervinding, +vooral van een evangeliedienaar, zijn geheime gedachten en verrichtingen uit te storten, ten einde raad, hulp of vertroosting +te ontvangen. In zulk een geval bevindt gij u thans, en de vriend, de leeraar, die uw vertrouwen genieten en u met raad, hulp +en vertroosting dienen wil, ben ik. Spreek vrijelijk tot mij, Joan! gelijk Paulus tot den wijzen Ananiam sprak, nadat hij +hiertoe door een gezichte was vermaand, en ik zal u hooren en u onderwijzen met de onderwijzing, die ik vermag te geven. <a id="d0e7552"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7552">246</a>]</span>Doch verberg mij niets; want om uw toestand wel te beseffen, is het noodig dat ik alles wete.” + +</p> +<p>“Reeds voor uw verzoek,” zeide Joan, “had ik besloten u mede te deelen wat de reden is van het zonderling gedrag, dat ik heden +heb moeten houden. Doch eer ik begin, moet ik u de stipste geheimhouding verzoeken omtrent al wat ik u zeggen ga.” + +</p> +<p>“Een oogenblik,” zeide Raesfelt: “geheimhouding te beloven!.... dat zou mij onder de verplichting leggen, die een priester +heeft aangegaan bij zijn ordening, en van ons gesprek een biecht te maken.... daarover moet ik even nadenken!” + +</p> +<p>Nadat de brave man eenige oogenblikken gepeinsd had, zegevierde zijn zucht om nuttig te wezen aan de belanghebbende partijen +over zijn te ver getrokkene nauwgezetheid, en hij beloofde Joan, dat niets van hun gesprek buiten zijn toestemming zou uitlekken. +“In allen gevalle,” zeide hij, “kan ik de biecht wel hooren, als er toch geen <span class="letterspaced">absolutie</span> op volgt; want daar staat geschreven: belijdt malkanderen de misdaden en bidt voor malkanderen, opdat gij gezond wordet: +sprekende de Apostel hier van gezondheid der ziel, gelijk in de vorige verzen van gezondheid des lichaams.” + +</p> +<p>En hierop begon Joan, zonder te spreken van hetgeen hem te Tiel met Van Dyk overkomen was, de oorzaak, welke hem naar het +Lischboschje gevoerd had en zijn ontmoeting van den morgen te verhalen. Toen de Predikant van het voorgenomen tweegevecht +hoorde gewagen, schudde hij het hoofd en had moeite om den spreker niet in de rede te vallen; doch zooras Joan hem begon te +vertellen, dat Van Dyk hem van zijn vader had gesproken, lieten zijn gedachten elk ander onderwerp varen om zich hierbij te +bepalen, en bleef hij met gespannen aandacht luisteren naar het vervolg. Joan ging voort en zag den Predikant vlak in ’t aangezicht, +om den indruk gade te slaan, dien zijn woorden op hem zouden maken. Met open mond en strak gevestigde oogen zat Raesfelt over +hem, zijn adem inhoudende uit vrees van een woord te verliezen, en zijn knieën stijf met de handen vastknijpende als beducht, +een beweging te maken. Doch toen Joan eindelijk Velasco zijn vader en den Baron zijns vaders moordenaar noemde, trok de Predikant +haastig de handen terug, vouwde die samen voor ’t gezicht, hief het hoofd naar boven en sloot de oogen stijf toe, als wilde +hij òf een gebed doen, <span id="d0e7565" class="corr" title="Bron: of">òf</span> zich iets, dat lang geleden en het geheugen reeds ontgaan was, herinneren. Na eenige oogenblikken in die houding te hebben +doorgebracht, liet hij de handen weder vallen, zakte als ’t ware ineen, sloeg de oogen op den grond en zweeg. + +</p> +<p>Dat zwijgen scheen Joan toe, wat het werkelijk was: een bevestiging van het verhaal van Van Dyk: nog altijd had hij de hoop +blijven voeden, dat deze een logenaar geweest ware: thans echter bleek hem het tegendeel, en zoo diep werkte die overtuiging +op zijn gemoed, dat hij niet met spreken voort kon gaan, maar op zijn beurt den Predikant zwijgend aanzag, met oogen, waaruit +vertwijfeling straalde. + +</p> +<p>Nadat die wederzijdsche stilte een geruimen tijd geduurd had, <a id="d0e7572"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7572">247</a>]</span>stond Raesfelt op, schudde het hoofd, stak de beide handen naar Joan toe en zeide: “Gij bevindt u waarlijk in een toestand +zoo rampzalig als weinig menschen ondervinden; doch alle dingen moeten medewerken tot zaligheid voor hem die gelooft.” + +</p> +<p>Dit gesproken hebbende, ging hij weder zitten en peinsde weder eenige oogenblikken over hetgeen hij gehoord had. Nu brak Joan +op zijn beurt het stilzwijgen en vroeg op een angstvalligen toon, of Dominee werkelijk met het geheim zijner geboorte bekend +was, en of dit strookte met het verhaal van den vreemdeling. + +</p> +<p>“Over ’t geheel genomen, ja!” antwoordde Raesfelt: “en gij kunt het ook leeren kennen: want het staat, ofschoon niet volkomen +juist, in de geschiedenissen te lezen, welke in de afgeloopen jaren gedrukt zijn. Doch dat de Heer Baron uw vader zou vermoord +hebben, of zelfs den moord gelast, daarvan is mij nooit iets gebleken, en ik geloof het ook niet:.... waarschijnlijk is dat +een bijvoegsel van den gevangene, om u haat tegen Zijn Edelheid in te boezemen: een schelm als hij, een sluikmoordenaar, kan +lichtelijk zoo iets verzinnen, om....” + +</p> +<p>“Waarlijk! zoudt gij reden hebben om dit punt in twijfel te trekken? Het zou mijn hart van een geweldig pak ontlasten.” + +</p> +<p>De Predikant herhaalde zijn verzekeringen en bracht alles te berde, wat zijn geheugen hem omtrent de omstandigheden van Velasco’s +dood te binnen bracht, om klem daaraan bij te zetten. Hij besefte nu, waarom en hoe innig zijn gewezen leerling lijden moest, +en poogde hem dus ook met godsdienstige troostgronden op te beuren, doch om goeden raad te verschaffen, daarmede vond hij +zich meer verlegen. Eindelijk kwamen zij overeen, dat Raesfelt den Baron zou verzekeren, dat Joan geen boos opzet hoegenaamd +tegen hem had gevormd, en alle mogelijke middelen in ’t werk stellen, om een onderhoud met den Jezuïet te hebben, ten einde +van dezen de waarheid betreffende Joans afkomst te verstaan; en dat Joan zich hoe eer hoe beter naar Den Bosch zoude begeven, +om zijn oom Don Louis te bezoeken, en met dezen te overleggen, wat hem te doen stond. Aan het eerste gedeelte dezer afspraak +werd dadelijk door den Predikant voldaan, nadat hij afscheid van Joan genomen had. In korte bewoordingen verklaarde Raesfelt +aan den Baron, dat Joan zijn vriendschap altijd waardig gebleven was, doch dat hij de redenen van zijn geheimzinnig gedrag +nog niet vermocht te openbaren, waarop Reede, tevreden over de voorloopige verzekering van de onschuld van zijn pleegzoon, +besloot hem den volgenden morgen te gaan spreken, ten einde alles op te helderen wat nog duister was. + +</p> +<p>Intusschen was er een boodschap van den Ambtman Mom aan den Heer van Sonheuvel gekomen, waarin eerstgemelde zich verschoonde, +om bij deze gelegenheid op het slot te komen, vermits de Koning van Bohemen dagelijks verwacht werd; ’t geen de tegenwoordigheid +aller ambtenaren in de plaats hunner residentie noodzakelijk maakte. De Baron had gaarne zijne tegenwoordigheid genoten, vermits +Eugenio, die eindelijk mede een verhoor had ondergaan, voorgewend had een Bosschenaar te zijn en door den Heer <a id="d0e7584"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7584">248</a>]</span>van Botbergen gezonden, om zijn verschil met Joan bij te leggen. De Schout, die het verhoor deed, was van oordeel, dat men, +om de waarheid van dit voorgeven te kennen, zoowel het bijzijn van den Heer van Botbergen als dat van den Ambtman Mom vereischte. +Men besloot dus, daar de avond reeds gedaald was, den gevangene wederom weg te voeren en de getuigen naar huis te laten gaan, +hen tegen den volgenden morgen terug bescheidende. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e7586" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Vier-en-twintigste Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph" lang="nl-1700"> +<p>Daar’s niets dan ’t zwoord en ’t been: al ’t spek is geëclipseerd. + +</p> +<p><span class="letterspaced">Langendyk</span>, de Wiskunstenaars. +</p> +</div> +<p>Den volgenden morgen was de Schout reeds vroegtijdig aan het kasteel terug en stelde hij den Heer van Sonheuvel voor, Joan +te laten voor hem komen, om de aanleiding van zijn gesprek, met den gevangene in ’t Lischboschje gehouden, op te geven. De +Baron, zulks goedgekeurd hebbende, zond Roelof naar het vertrek van den Jonker, om diens tegenwoordigheid te verzoeken; dan +al spoedig kwam deze terug met het bericht, dat de Jonker niet in zijn kamer te vinden was, ’t welk bevestigd werd, toen de +Baron, na gevraagde inlichting, vernam, dat Joan reeds vroeg in den morgen den hof was ingewandeld. “Hij zal wat zijn gaan +kuieren om zijn leed te verzetten,” zeide Reede: “welnu! men spore hem op en verzoeke hem, terstond hier te komen: wij zullen +dan beginnen, met den gevangene nog eens te ondervragen. Dienaars! brengt hem binnen!” + +</p> +<p>De gerechtsdienaars, door Bouke geleid, begaven zich naar Eugenio’s kerker, die wel met grendels, bouten en kettingen voorzien +en gesloten was. Het was Bouke zelf, die nu de zwaar beslagene deur opende met een gedruisch, dat geheel het kasteel door +kon vernomen worden. “Klink! klank!” zeide de Baron tegen den Schout, toen hij het hoorde: “die bewaarplaats is een weinig +zekerder dan de kamer te Loevestein, waaruit de Heer De Groot voor veertien dagen ontsnapt is: van hier zal die vermaledijde +Jezuïet niet wegkomen, of hij moest kunnen vliegen.” + +</p> +<p>“Dat moet hij dan kunnen,” zeide Bouke, stampvoetende en vloekende binnenkomende: “want weg is hij!” + +</p> +<p>“Wie? wat? wie is weg?” zeide de Baron. + +</p> +<p>“De gevangene.” + +</p> +<p>“Ben je dol, kerel?” en de Baron stoof met hem de trappen af, terwijl de Schout en de Secretaris, na elkander aangegaapt te +hebben, de schouders ophaalden en volgden, vrij ontevreden, dat de <a id="d0e7608"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7608">249</a>]</span>eer hun ontgaan zoude, zulk een belangrijken misdadiger te hebben ingeleverd. + +</p> +<p>“Maar voor Sint-Felten, Bouke!” riep Reede, toen hij met hem voor den ledigen kerker stond: “hebt ge den boel dan niet dichtgesloten?” + +</p> +<p>“Gesloten?—Dat kunnen deze lieden getuigen, die er bij stonden; het spreekwoord zegt wel: groote visschen springen uit den +ketel; maar hoe deze er uitgesprongen is, vat ik bij mijn ziel niet.” + +</p> +<p>“De vent is wis een toovenaar,” zeide een der dienaars. “Zou de Heer Baron niet goedvinden, dat wij hem wogen: de schaal is +nog op het gemeentehuis.” + +</p> +<p>“Dat mag ik wel lijden,” zeide de Baron: “maar wij moeten hem eerst hebben.” + +</p> +<p>“Met uw verlof, Heer Baron!” zeide de Schout, de gevangenis binnentredende: “is hier geen andere uitgang dan door de deur?” + +</p> +<p>“Door dat gat kan hij niet weggegaan zijn,” zeide de Baron, op een rond luchtgaatje wijzende, waar geen mensch door kon kruipen, +en dat bovendien met ijzeren traliewerk voorzien was: “en bij het luik, dat de pijp sluit, die op den zolder uitkomt, kan +men van hier niet reiken.” + +</p> +<p>“Dat zal het toch wezen,” zeide de Schout, naar boven ziende en het luik met de punt der hellebaard van een der dienaars opstootende: +“door die opening kan iemand wegkomen, met behulp van een ander, die bovenstaat.” + +</p> +<p>De pijp namelijk geleidde naar den zolder, en had te voren gediend om de turf, welke eertijds boven bewaard werd, naar gelang +men die noodig had, naar beneden te werpen; toen diende de kerker voor een turfhok; doch zooals Geert aan Magdalena ’s daags +te voren verhaald had, “nog bij ’t leven van Mevrouw zaliger had men een turfloods naast de keuken gebouwd, en dit hok tot +een gevangenis ingericht voor dieven en stroopers of voor groote schelmen, <span id="d0e7626" class="corr" title="Bron: “"></span>zooals deze paap was.”—De pijp was sedert dien tijd van boven en van onderen met een luik gesloten geweest, en dit nog wel +behoorlijk toegegrendeld. Bij nauwkeurige beschouwing bleek het echter, dat men die grendels had doen springen: en er bleef +dus geen twijfel over of de gevangene had langs dien weg een uitkomst verkregen. + +</p> +<p>“Joost haal me!” zeide de Baron, na gedaan onderzoek: “ik dacht ik had hem zoo wis.” + +</p> +<p>“Ja!” zeide Bouke: “gissen is missen en gehad is een arm man; maar hoe kwam hij weg? alleen zeker niet: want de duivel heeft +altoos een maat.” + +</p> +<p>“Men moet het gaan onderzoeken,” zeide de Schout. + +</p> +<p>“Eerst den schelm weerom gekregen!” riep de Baron: “zit op mannen! en jaag hem achterna, tot gij hem vindt.” + +</p> +<p>“Dat is gemakkelijk gezeid,” merkte Bouke aan: “maar waar vinden wij hem? want alle muiske heeft zijn kluiske.” + +</p> +<p>“Waar? wel wis is hij naar Tiel toe, den weg op, waar hij vandaan kwam.” +<a id="d0e7640"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7640">250</a>]</span></p> +<p>“Naar het veer dan,” zeide Bouke: “daar hooren wij zeker wat van hem: want vaart men over een sloot, men laat er een brood; +vaart men over een veer, men laat er nog meer.” + +</p> +<p>“Met verlof!” hernam de Schout: “zoude UEd. niet eerst het kasteel laten doorzoeken? wellicht zit hij nog hier of daar verscholen.” + +</p> +<p>Deze raad werd gevolgd; men trok het kasteel in alle richtingen door en ondervroeg alle bedienden. Niemand had iets van den +Jezuïet gemerkt; doch Geert verhaalde, hoe de Jonker ’s daags te voren bij haar had aangedrongen, om den gevangene te spreken. +Dit deed het vermoeden ontstaan, dat Joan de hand had gehad in zijn ontsnapping. Zooras de Baron dit denkbeeld opvatte, begaf +hij zich met al de overigen naar het vertrek van den jongeling; het werd nauwkeurig omgehaald, en men vond eindelijk in het +ledikant, tusschen de lakens, een wigge en een eind touw verborgen, die aan den Baron werden voorgesteld. Bij onderzoek bleek +het, dat die wigge gediend moest hebben om de grendels op te lichten van de luiken, die de pijp sloten, door welke de Jezuïet +ontsnapt was. + +</p> +<p>“Die wigge en dat touw hebben tot de vlucht gediend, Heer Baron!” zeide de Schout: “ik zal ze dus als bewijsstukken medenemen, +en de Heer Secretaris verzoeken, die te nummeren.”—Dit zeggende, beschouwde hij nogmaals de wigge, om den naam van den fabrikant +te lezen, welke daarop gegrift stond, doch door roest en ouderdom uitgesleten was. Ten einde den roest eenigszins weg te wrijven, +raapte hij een papiertje op, dat voor hem lag, toen de Baron, die naast hem stond, hem met den uitroep: “dat is de hand van +Joan!” ontrukte. + +</p> +<p>Het bleek een gedeelte van een briefje te zijn, waaraan twee hoeken ontbraken, en liet de volgende afgebroken woorden lezen: + + +</p> +<div class="blockquote"> +<p> “Het bewijs uwer . . . . . . . . . .<br> +. . . . . . . . . . . . . deed toekomen . . . . . . .<br> +. . . . . . . . . . . verlost door mij . . . . . . . . .<br> +. . . . . . . . . . . . den boezem aan . . . . . . . .<br> +. . . . . . . . . . . . . . . de beschuldiging . . . . .<br> +. . . . . . . . . . . . . . . alle geloof blijft wei . . . .<br> +. . . . . . . . . . den naam van uw vriend . . . . . . .<br> +. . . . . . . . . . vollen uwer waardig . . . . . . . . .<br> +. . . . . . . . . . . . eerst bezwaarlijk vallen. . . . .<br> +. . . . . . . . . . de vermoedens te ont . . . . . . . .<br> +. . . . . . . . . . ekerd, de tijd zal mij. . . . . . . .<br> +. . . . . . . . . . . doen vallen, die . . . . . . . .<br> +. . . . . . . . . . . . moet, en aan de . . . . . . . .<br> +. . . . . . . . . . . . . van Sonheuvel . . . . . . . .<br> +. . . . . . . . . . . . . zijn moordenaar. . . . . . . .<br> +. . . . . . . . . . . . . . geheel de uwe . . . . . . . + +</p> +<p>J.” </p> +</div><p> + +<a id="d0e7687"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7687">251</a>]</span></p> +<p>“Welk verder bewijs hebben wij nog noodig?” riep de Baron uit, zoodra hij deze onzamenhangende woorden gelezen had: “blijkt +het niet uit dit geschrijf volledig, dat Joan, en niemand anders, den Jezuïet heeft verlost? Let eens, Heer Schout! op de +woorden: <span class="letterspaced">deed toekomen</span>, <span class="letterspaced">verlost door mij</span>, <span class="letterspaced">Van Sonheuvel</span>, <span class="letterspaced">zijn moordenaar</span>.... O! het is niet moeilijk, de tusschenruimten in te vullen. Joan! Joan! had ik dat aan u verdiend? aan u, wien ik zoo hartelijk +liefhad? Moest gij de Judas worden, die mij verraadde!” Hier bedekte de brave man zijn gelaat met beide handen en snikte luid. + +</p> +<p>“Wat beveelt UEd.?” zeide de Schout, na een oogenblik zwijgens, ’t welke hij zich ten nutte gemaakt had, om het briefje nogmaals +na te lezen. “Zal men den Jonker nazitten?” + +</p> +<p>“Neen!” zeide Reede, terwijl hij zijn oogen afwischte: “Laat den ongelukkige gaan, waar hem zijn gesternte brengen wil. In +den oorlog werd zijn vader door mijn soldaten vermoord: en ik wil het bloed zijns zoons niet op mijn gemoed hebben. Hij ga +en leve in vrede, indien zijn geweten het hem toelaat.” + +</p> +<p>“Wat den Jezuïet betreft dien moeten wij echter niet laten wegkuieren,” zeide de Schout. “Hij is aan hoogverraad schuldig, +en het zou mij spijten, indien ik dien vogel niet weder in de kooi kreeg.” + +</p> +<p>Dit gezegd hebbende, gaf hij de noodige bevelen om Eugenio na te sporen. Alle vervolging was vruchteloos; echter ontdekte +men, na een nauwkeurig onderzoek, dat iemand, wiens beschrijving zeer wel met die van den Pater overeenkwam, den weg op naar +Wijk te Duurstede was ingeslagen en aldaar de rivier was overgestoken; terwijl andere berichten vermeldden, dat Joan, met +een vermomden grijsaard, de Waal te Tiel was overgevaren. + +</p> +<p>Inmiddels had Reede zijn dochter doen ontbieden. Zij kwam met rood bekreten oogen en een bleek gelaat de kamer in. Zwijgend +wees de Baron haar een zitplaats aan, keek een poos voor zich en begon toen aldus: + +</p> +<p>“Lieve meid! ik weet, gij hebt altijd Joan als een broeder liefgehad; ja zelfs meer dan eigenlijk behoorde.... ja, schrei +maar niet: ik wil u daarvoor thans niet beknorren: ’t was ook eenigszins mijn schuld.... maar ik zelf had den knaap lief, +en zoo hij geen Spaansche basterd geweest ware.... doch dat daargelaten! over het verledene zullen wij zwijgen: ik wilde alleen +u waarschuwen, dat ge voor de toekomst hem geheel uit uw gedachten bannen moet. Hij is een onwaardig, een slecht voorwerp, +ja slechter dan ik u zeggen kan: mij, zijn weldoener, wilde hij om hals brengen, met behulp van een schoft, dien hij nu heeft +doen ontsnappen. Zie mij niet zoo ongeloovig aan. Ik zelf zou het niet hebben geloofd, had ik de bewijzen niet in handen.” + +</p> +<p>“Was hij een verrader,” zeide Ulrica met kracht, “dan is hij de grootste huichelaar, die ooit bestaan heeft; doch ook op uw +getuigenis, mijn vader! kan ik hem daar niet voor houden.” + +</p> +<p>“Welnu dan,” hernam de Baron: “wat dunkt u van zijn ontsnapping, te gelijk met den Jezuïet? van deze wigge en dat touw? van +dit briefje?” +<a id="d0e7718"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7718">252</a>]</span></p> +<p>Ulrica nam het papier met een sidderende hand op en las het, terwijl haar vader voortging met de bezwaren, op te sommen, die +tegen Joan konden worden aangevoerd. Een wijl bleef het meisje als versteend staan en berstte toen uit in tranen. + +</p> +<p>“Welnu!” zeide de Baron: “en aan dien slechthoofd wilde de brave Ambtman u afstaan. Hoe zult gij ’s mans edelheid beloonen?” + +</p> +<p>“Laat hij komen, wanneer het hem goeddunkt,” zeide Ulrica, opstaande en haar tranen wegvegende: “ik ben bereid, zijn gade +te worden.” + +</p> +<p>“God zegene u, beste meid!” zeide de Baron, haar omhelzende. “Gij verheugt mij onbeschrijfelijk, door zulk een kloek besluit +te nemen. De liefde van mijn waardigen vriend Mom zal best geschikt zijn om de tranen te drogen, die gij over den onwaardigen +Joan nog storten mocht!” + +</p> +<p>“De smart was in staat er nog eenige te doen vlieten,” zeide zijn dochter: “maar de verachting heeft er geene: en die alleen +vervult thans mijn boezem voor den booswicht!” + +</p> +<p>Terwijl deze gebeurtenissen op het slot te Sonheuvel voorvielen, +was Joan, die vroeg in den morgen van daar vertrokken was, de +poort van Tiel reeds binnengetreden en had zich naar den <span class="letterspaced">Gouden +Ooievaar</span> begeven, om zijn paard en mantelzak, welke hij aldaar +bij zijn vertrek had achtergelaten, terug te eischen. Verscheidene +personen van allerlei stand en rang zaten in het voorhuis te praten, +te rooken of te drinken: soldaten doorkruisten het in onderscheidene +richtingen: werklieden waren bezig een opkamertje aan te +bouwen: in één woord, het huis was met drukte, verwarring en gewoel +vervuld. Dit liet niet na bij Joan, die hiervan de reden niet besefte, +eenige verwondering te baren: doch deze hield op, toen men +hem verhaalde, dat de meeste der aanwezigen dien dag te Tiel gekomen +waren om den Koning van Bohemen de stad te zien voorbijvaren, +terwijl die krijgslieden zich aldaar bevonden om Z. M. een +eerewacht te vormen. Intusschen veroorzaakte het plaatshebbend +rumoer, dat Joan onderscheidene reizen zijn stem verheffen moest, +eer hij van den waard gehoor kon verkrijgen. Deze was eerst sinds +weinige jaren bij aankoop eigenaar van dien stand geworden en had +onzen held nooit gezien dan drie dagen te voren, toen hij zich aldaar +in gezelschap van Groenhovius vertoond had. + +</p> +<p>“Wat is er van je dienst, heerschop?” vroeg hij, zijn breeden vooruitpuilenden buik naar den kant van Joan wendende. “Ai mij! +wat zie ik? is oe niet dat heerschop, die laatst met dien zwartrok hier ekomen zijt?” + +</p> +<p>“Ik zelf!” zeide Joan: “geef mij een snede brood en een kan bier, en laat mijn paard opgezadeld worden: ik moet spoedig verder.” + +</p> +<p>“Wel is ’t mij bijzonder aangenaam, oe te zien,” hervatte de waard. “Ai mij! de luiden zeiden al, je waart verzopen: jaô, +een snee brood en een kan bier, daôr kan ik oe an helpen, en aan oe mantelzak ook, die leit nog boven achter ’t slot, wel +bewaôrd; ai mij! ’t zou mij pijn doen, als iemand iets bij mij te kort kwam; maôr oe paôrd, man! dat is marsch!” +<a id="d0e7740"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7740">253</a>]</span></p> +<p>“Hoe!” riep Joan, opvliegende: “wat heeft dat te beduiden?” + +</p> +<p>“Ai mij! maôk u niet driftig, heerschop! ’t Is dat....” + +</p> +<p>“Ik wil mij driftig maken,” hernam Joan: “wat is er met mijn paard gebeurd?” + +</p> +<p>“Oe paôrd, heerschop! jaô! oe paôrd! Ai mij dat.... het is geprest voor de lichting, en deur dien weg is het marsch.” En hij +vergezelde deze woorden met een zeer beduidende gebaarde. + +</p> +<p>“Larie!” zeide Joan, den herbergier vrij onzacht bij den arm grijpende: “mijn paard weerom, òf ik klaag u zoo dadelijk aan +bij het gerecht.” + +</p> +<p>“Ai mij!” hernam de waard, terwijl hij zich uit de handen van een zoo geweldige weerpartij zocht los te maken. + +</p> +<p>“Geen aimijen meer! mijn paard weerom, en terstond!” + +</p> +<p>“Wel daôr speult Sint-Felten mee,” riep de waard, half boos, half bevreesd, “kijk mij zoo een vent het eens roeren! Kan ik +het ebeteren, dat je zonder betaôlen aftrekt en oe verzuipt, zoodat elk oe veur dood houdt en dat oe paôrd geprest wordt en +dat je nou weer levend veur mij staôt? Zie dat jij oe paôrd van den ritmeester weer krijgt, die het met enomen heeft: aôrs, +honderd daôlders heeft hij er veur elaôten, die zijn tot oe dienst: ze liggen boven, en zooals ik oe zeide, niemand moet iets +bij mij te kort komen.” + +</p> +<p>De soldaten hadden gedurende dit gesprek de herberg langzamerhand verlaten; doch de overige klanten, nieuwsgierig naar den +uitslag van dezen twist, waren opgestaan en hadden zich om de beide sprekers in een engen kring verzameld, zich met de gramschap +des jongelings en den angst des kasteleins vermakende. + +</p> +<p>“Honderd daalders!” riep Joan verontwaardigd: “die Jood! die Griek! een paard, dat de helft meer waard is.” + +</p> +<p>“Weeg uw woorden wat, vriendje!”’ voegde hem een officier toe (die met een anderen krijgsman het voorhuis ingetreden was, +en de laatste woorden gehoord had), terwijl hij Joan op den schouder klopte: “die Griek ben ik, en ik heb er voor gegeven +wat de Staten als prijs hebben vastgesteld voor officiers-paarden.” + +</p> +<p>“De Staten hebben, met verlof gezegd, over mij noch over mijn paard iets te beschikken,” hernam Joan op een zachteren toon: +“beiden zijn wij in dienst van den Koning van Bohemen.” + +</p> +<p>“De Koning van Bohemen” zeide de officier met een spotachtigen lach: “pshaw! brrr! als hij hier komt, wordt hij er nog bij +geprest ook, de arme man! Nu, trek u zijn zaak maar niet te veel aan,” vervolgde hij, ziende dat Joan de hand aan ’t rapier +sloeg: “ge schijnt mij een goed kalf van een jongen! en zijt ge om vijftig daalders verlegen, ik zal ze er wel bijleggen: +dan hou ik het paard voor mij; want zuiver, de knol bevalt mij.” + +</p> +<p>“Verplicht!” zeide Joan: “ik begeer noch uw geld te ontvangen, noch uw jokkernij aan te hooren: en verzoek u zelfs aardigheden +te sparen, die ik niet dulden mag. Ik verlang alleen mijn paard terug: want ik moet nog heden verder.” + +</p> +<p>Al de omstanders zagen den officier aan, nieuwsgierig om te hooren, hoe hij de fiere taal van den jongeling beantwoorden zoude; +<a id="d0e7771"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7771">254</a>]</span>want zij beschouwden den krijgsman als iemand, die, voor zooverre men het uit zijn kloek en mannelijk voorkomen, uit zijn +valkenblik en uit zijn door lange diensten sterk geteekend gelaat zou opmaken, zich niet gemakkelijk op de teenen zou laten +trappen; doch hun verwachtingen, wellicht de heimelijke hoop van sommigen, dat er een krakeel zoude ontstaan, werd niet vervuld. +De officier beschouwde Joan een wijl met heldere, vriendelijke oogen, draaide zich toen een weinig om, zag de omstanders aan +en vroeg op een vrij forschen toon: “welnu! wat hebt gijlieden daarmede te maken? Denkt gijlieden dat wij, op zijn Engelsch, +een hanengevecht gaan houden?” + +</p> +<p>Deze onverwachte toespraak, de toon, waarop zij werd uitgesproken, en vooral de barsche houding van den krijgsman deed de +omstanders beteuterd ter zijde treden: en als kinderen, die eene bestraffing ontvangen hebben, bleven zij op een afstand het +verder onderhoud gadeslaan. + +</p> +<p>“Hoor eens, kameraad!” vervolgde de officier, Joan vriendelijk onder den arm nemende: “antwoord mij eens oprecht: wie heeft +het <span class="letterspaced">model</span> opgegeven, volgens ’t welk uw paard getoomd en geteugeld is?” + +</p> +<p>“Wel ik zelf!—Maar wat zal deze vraag?” + +</p> +<p>“Omdat ik dan bij waarheid getuigen moet,” hernam de ritmeester, altijd bedaard en vriendelijk, “dat meester Symen, die een +bol in de toomprangkunst was, de goede man, het u niet verbeteren zou. En daarom juist, lieve vriend! kunt ge uw paard niet +weerom krijgen; want ik heb het met toom en al naar Graaf Hendrik Frederik gestuurd tot model.” + +</p> +<p>“Verplicht voor de eer,” hernam Joan; “maar dat helpt mij weinig.” + +</p> +<p>“Gij moest met mij naar Zijn Hoogheid gaan,” zeide de officier, zonder zich aan den driftigen toon van Joan te storen: “ik +sta u borg, dat gij spoedig vooruit zoudt komen. Wat dunkt u daarvan, Kapitein Schwanck?” vervolgde hij, zich tot den anderen +officier wendende. + +</p> +<p>“Dat zult gij best weten, Kapitein Holtvast!” antwoordde deze. + +</p> +<p>“Uw naam,” vervolgde de andere tot Joan, “uw naam is, zoo ik mij niet bedrieg.... Ulrich.... neen.... Joan van.... van....! +Ja waarlijk, volkomen herinner ik mij uw naam niet, schoon ik u meer gezien heb.” + +</p> +<p>Bij deze woorden werd Joan beurtelings rood van verlegenheid en bleek van gramschap; doch de gulle lach, waarmede Kapitein +Holtvast ze vergezelde, ontwapende zijn drift, vooral toen hij bemerkte, dat Holtvast zelf een kleur kreeg, gelijk meermalen +gebeurt, wanneer men die bij een ander heeft doen opstijgen. + +</p> +<p>“Ja!” hernam hij: “nu herinner ik mij!.... doch gij behoeft u daarvoor niet te schamen, jongeling!—ik voorspel u, gij zult +een naam verwerven, zoo gij er nog geen hebt;—althans het zal uw schuld niet zijn, indien gij een brekebeen blijft. Wat zegt +ge? neemt ge dienst bij ons?” + +</p> +<p>“Ik kan noch mag daarop antwoorden”, zeide Joan, “voor ’t oogenblik moet ik naar Den Bosch; misschien zal ik naderhand van +uw vriendelijke uitnoodiging gebruik kunnen maken.” +<a id="d0e7798"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7798">255</a>]</span></p> +<p>“Hm! hm!” zeide Holtvast, terwijl hij eenigszins misnoegd het hoofd schudde: “die reis naar Den Bosch bevalt mij maar half: +schoon ik er ook eens hoop te komen.—Wat drommel moet ge in dat Paapsche land uitrichten?” + +</p> +<p>“Ik weet niet dat ik u eenige rekenschap verschuldigd ben,” zeide Joan. + +</p> +<p>“Misschien!” antwoordde Schwanck: “het moet ons vreemd voorkomen, dat iemand, die voorgeeft Koning Frederik te dienen, naar +Den Bosch reist op het oogenblik, dat Zijn Majesteit hier verwacht wordt.” + +</p> +<p>“Bedaar, kapitein Schwanck, bedaar!” zeide zijn krijgsmakker. “De Jonker heeft vast wijze redenen, die het ons niet past te +onderzoeken. Ook zal Koning Frederik hier dienaars genoeg hebben, en misschien meer, dan wij in den kost kunnen houden; doch +het is onze tijd, verder te gaan: nu, Jonker! zoo gij iets naders van ons begeert, verneem dan maar naar mijn makker, dien +gij hier ziet, Kapitein Schwanck, van de garde. En ik noem mij Holtvast, om u te dienen. Zoo ge bij ons wilt komen dienen, +beloof ik u, dat ik u aan een paard zal helpen, ruim zoogoed als hetgeen wij u ontnomen hebben;.... doch waarom hieldt gij +u ook dood?” + +</p> +<p>Deze toespraak geëindigd hebbende, draaide hij zich om, zonder verder antwoord af te wachten, en ging naar den stal, vergezeld +van Kapitein Schwanck. “Bij mijn degen,” zeide hij tegen dezen in ’t uitgaan: “die knaap herinnert mij volkomen een dapperen +Kleefschen Graaf.... doch dien hebt gij nooit gekend, Schwanck!” + +</p> +<p>Joan staarde den ritmeester met verbaasdheid na en bleef een wijl wrevelig en ontevreden staan, knorrig op den waard, die +zijn paard verkocht had, op Holtvast, die hem had doen zwichten voor een invloed, waaraan hij geen verklaring geven kon, en +op zich zelven, daar hij begreep een gekke rol gespeeld te hebben. Terwijl hij besluiteloos voor zich keek, rees een der aanwezigen, +die zich met den ganschen twist niet bemoeid had, maar stil in een hoekje was blijven zitten, van zijn bank op, naderde hem, +en zeide in een vreemden tongval, dat hij een wagentje gehuurd had, om hem naar Den Bosch te laten brengen, en dat het hem +aangenaam zou wezen, indien de Jonker hem de eer van zijn gezelschap wilde verschaffen. + +</p> +<p>Joan wierp een vluchtigen blik op den man, die hem dezen voorslag deed. Hij had het uiterlijk van een Duitschen of Poolschen +Jood, droeg een lange blauwe samaar met een hoogen kraag, die hem over de ooren stak, een diep ingedrukte bonten muts en een +bruinen baard. Schoon onze held zich van zulk een reisgezel weinig vermaak kon beloven, begreep hij echter, de gelegenheid +niet te moeten versmaden, weshalve hij den vreemdeling een toestemmend antwoord gaf, hem tevens vragende, wanneer hij dacht +te vertrekken. + +</p> +<p>“Zoo op het oogenblik,” antwoordde de Jood: “indien UEd. uw pakkage gelieft te halen: ik zal UEd. hier blijven wachten.” + +</p> +<p>Beseffende, dat hij toch vergeefsche moeite zou doen om zijn paard terug te krijgen, voldeed Joan aan het verzoek en vergezelde +<a id="d0e7817"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7817">256</a>]</span>den waard naar een achterkamer, waar deze hem zijn valies ter hand stelde en hem het geld toetelde, dat voor zijn paard betaald +was, daarvan, als vanzelf spreekt, de som afhoudende, welke Joan hem voor zijn vertering schuldig was: waarna onze held terugkeerde +naar het voorhuis, en met den Jood de stad verliet. Weldra waren zij aan de Waal en in de veerschuit gestapt. + +</p> +<p>De rivier leverde op dit oogenblik een belangwekkend schouwspel op: zij was gevuld met groote en kleine vaartuigen, van wier +stengen en achtersteven vlaggen wapperden, en welke passagiers inhielden, die op den stroom de aankomst van Koning Frederik +verbeidden. De beide oevers waren met scharen toeschouwers bedekt, en voor de stad lag een prachtig versierd jacht, dat zoowel +de Prinsenvlag als het wapen van Oranje-Nassau voerde, en waarop zich Prins Maurits met zijn gevolg, waaronder de Ambtman +Mom en meer hoofdbeambten van het gewest, bevonden. Onder de muren van Tiel stond krijgsvolk onder de wapenen, om den doorluchtigen +gast van Nederland bij zijn doortocht verschuldigde krijgseer te bewijzen: en twee schuiten, met soldaten bemand, gingen den +Koning te gemoet, wiens vaartuig, rijk met vlaggen versierd, men van verre onder het schaterend gejuich der menigte den vloed +zag afkomen. Joan kon, ondanks de bekommering, die zijn ziel vervulde, niet nalaten zijn oog over dit prachtig schouwspel +te doen weiden, waarvan de beschouwing hem gedurende den tijd der overvaart geheel vervulde. Eerst toen hij aan de andere +zijde gekomen was en toevallig opzag, herkende hij in een der veerlieden zijn oude kennis, Teun Wezer. Niet verlangende, met +dezen in gesprek te treden, wendde hij het gelaat om; doch de veerman, een halven cirkel om hem heen beschrijvende, stond +dadelijk weder vlak voor zijn gezicht, en sprak hem met de volgende woorden aan: + +</p> +<p>“Goemorgen, Jonker! wie deksel dacht u hier te zien? gisteraôvend liet ik u immers nog op Sonheuvel.” + +</p> +<p>“Gij moet van daar nog vroeger zijn vertrokken dan ik, Teun!” hernam Joan: “en moet gij er niet weder naar toe?” + +</p> +<p>“Vandaôg en morgen niet,” antwoordde Teun: “ik moet eerst dien Poolschen Jood naar Den Bosch brengen, dat je ’t vat.” + +</p> +<p>“Ei! en mij bijgevolg ook; want wij reizen samen.” + +</p> +<p>“Zoo!” hervatte de veerman, wiens gelaat op dit bericht betrok; “nu ja! maôr ik weet niet of het zich wel schikken zal.... +Patientie! wij zullen zien.—Haalt aan, jongens! haalt aan!” + +</p> +<p>Aan de overzijde aan wal gestapt en den dijk opgewandeld zijnde, zag Joan in de laagte een soort van huifkar staan, met twee +kloeke paarden bespannen, welke een jonge vrouw vasthield. + +</p> +<p>“Ziedaôr uw rijtuig,” zeide Teun, hem op de kar wijzende: “wil ik er de bagage maar inbrengen?” Dit zeggende, nam hij de valiezen +der beide reizigers en smeet die in de kar, waarna hij zich vloekende en tierende bij de jonge vrouw begaf, haar verwijtende, +dat zij de paarden averechts gespannen had. + +</p> +<p>“Maar zij staan immers altijd zoo,” zeide de jonge vrouw. + +</p> +<p>“Houd den bek, wijf!” grauwde Teun haar halfluid toe, “of ik zal <a id="d0e7839"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7839">257</a>]</span>oe een muilpeer geven, die oe de lust tot snaôteren wel benemen zal. Ik zeg, ze staôn verkeerd om, en dan is het zoo!” + +</p> +<p>Tegen dit <span class="letterspaced">martiaal argument</span> was niets in te brengen: de goede vrouw haalde met een zucht de schouders op, en riep toen, Joan ziende, verwonderd uit: +“Lieve deugd! is dat onze Jonker niet?” + +</p> +<p>“Ja! dat is onze Jonker: ga je maôr naôr hem toe, je staôt mij hier meer in dan uit den weg,” antwoordde Teun op denzelfden +vriendelijken toon. “Heerschoppen!” vervolgde hij, zich tot Joan en diens reisgezel wendende: “blijf daôr zoolang niet in +den wind staôn. Gaôt in dat kapelleke, terwijl ik de paarden verspan.” + +</p> +<p>De reizigers volgden dien raad en gingen in een kroegje dat vlak aan den weg stond, gevolgd door de vrouw van Teun Wezer, +in dewelke Joan nu zijn speelkarnuit Klaartje, Boukes nicht, herkende. + +</p> +<p>“Wel Klaartje!” vroeg hij haar na de eerste groete, “hoe maakt gij het al in den echten staat?” + +</p> +<p>“Ja,” antwoordde zij, terwijl twee dikke tranen haar langs de wangen liepen: “als men alles van te voren wist!.... doch ik +geloof waarlijk, dat mijn man mij roept om hem te komen helpen;.... maar neen,” zeide zij, terugkeerende: “hij kan mij wel +missen: trouwens, dat kan hij altijd wel.... daar is hij!” + +</p> +<p>Teun Wezer trad het kroegje binnen, en in ’t voorbijgaan een vreeselijken blik op zijn vrouw werpende, begaf hij zich naar +de toonbank en zwolg een kelk brandewijn in, welken een oude Megeer, die aldaar voor tapster speelde, hem toegereikt had; +waarna hij zich tot de reizigers wendde met een: “’t is klaôr, heerschoppen!” + +</p> +<p>In ’t uitgaan der kroeg bemerkte Teun, dat zijn vrouw Joan, die reeds buiten was, toewenkte, dat zij hem nog iets te zeggen +had: bij het zien dezer beweging stootte hij haar ruwelijk achter zich weg; dan Joan, wien de gebaarden van Klaartje niet +ontsnapt waren, keerde terug, draaide om den voerman heen en stak aan diens vrouw de hand ten afscheid toe. Veinzende te struikelen, +nam zij dit oogenblik waar om hem schielijk in te fluisteren: “uw pistolen!” waarna zij zich haastig omwendde en een luid +vaarwel toeriep. + +</p> +<p>De Jood had intusschen plaats op de kar genomen: Joan volgde hem, over de geheimzinnige waarschuwing, welke hij ontvangen +had, nadenkende: en op de bank gezeten, was zijn eerste werk om naar zijn pistolen om te zien; doch hij vond die, zooals hij +ze gelaten had, aan weerszijden in zijn mantelzak gestoken. + +</p> +<p>Teun Wezer, zich op een soort van bok of vooropbank gesteld hebbende, greep nu de teugels, of liever de touwen, welke dien +rang bekleedden, in de hand en deed zijn zweep driewerf de lucht doorklieven; waarop de paarden op een redelijken draf vertrokken +en het rijtuig door een aangename landouw, met boomgaarden en koornvelden bedekt, voorttrokken. Met weemoedige deelneming +staarde onze held op die welvarende en vruchtbare streken: en diep trof hem de gedachte, hoe weldra, na het eindigen van het +Bestand, de oorlogsfakkel opnieuw in dit gedeelte van Nederland zoude blaken, de hoop <a id="d0e7862"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7862">258</a>]</span>des veldmans verteren en wellicht vele dier thans zoo fraaie en rijke woningen in asch leggen: hoe de zwaarden der krijgsliên +het graan zouden maaien, ’t welk de hand des nijveren landmans hier gezaaid had. De sombere stemming, waarin hem deze overdenkingen +brachten en de nog dieper zwaarmoedigheid, waarin hij verviel, als hij soms weder over zijn eigen toestand nadacht en zich +de ontdekkingen en gebeurtenissen der vorige dagen voor den geest bracht, en eindelijk het gering genoegen, dat hij uit een +gesprek met zijn vreemden reismakker verwachten kon, deden hem over den weg een diep en onafgebroken stilzwijgen bewaren. +Wat den Jood betrof, ook deze scheen geen onderhoud te verlangen: hij had zich, ’t zij uit voorzorg tegen den wind, ’t zij +omdat hij van tandpijn gekweld was, een zijden doek om de kin gebonden, welke het gedeelte van zijn gelaat, dat nog zichtbaar +gebleven was, ten volle bedekte. De voerman was insgelijks stil en afgetrokkener van gedachten, dan men van iemand uit zijn +stand verwachten zoude: somtijds poogde hij een liedje te neuriën, doch al spoedig verzwakte zijn stem, hij zweeg, zakte ineen +en verviel weder als in een dommeling, en als dit een korte poos geduurd had, richtte hij zich wederom op, begon opnieuw te +fluiten en te zingen, liet de zweep aan de paarden voelen en hen draven tot aan de naastbij gelegene kroeg, waar bij nooit +naliet het zoopje te aanvaarden, dat de maagd, die voor den deurpost wachtte, hem reeds van verre had staan toereiken. + +</p> +<p>Over Drummel naar de Maas gereden, staken onze reizigers die rivier over, en kwamen weldra te Kessel, alwaar Teun Wezer begreep +zijn paarden eenige rust en voeder te mogen doen genieten; welke gelegenheid zoowel Joan als de Jood zich ten nutte maakten +om in de herberg een sober ontbijt te gebruiken. + +</p> +<p>Terwijl Joan hiermede bezig was, zag hij uit het raam, waaraan hij gezeten was, dat zijn voerman op de binnenplaats in gesprek +stond met twee kerels van een alleronaangenaamst voorkomen, die na eenige woordenwisseling de herberg verlieten. Deze omstandigheid +wekte opnieuw eenig kwaad vermoeden op bij onzen held, zoodat hij het raadzaam oordeelde, zich nogmaals van den toestand, +waarin zijn wapenen zich bevonden, te gaan verzekeren. Hij begaf zich met dat oogmerk naar den stal, alwaar hij op dat oogenblik +niemand vond, vermits Teun Wezer zich naar de keuken had begeven om te ontbijten, en de staljongen voeder was gaan halen. +Onverhinderd en onopgemerkt kon hij dus de beide pistolen uit den mantelzak halen en onderzoeken; waarop hij tot zijn verbazing +ontdekte, dat men de kogels uit de loopen had gehaald. Hij zelf had de pistolen des morgens op Sonheuvel geladen en te Tiel +gestoken in zijn mantelzak, welke hij sedert niet uit het oog had verloren, dan alleen gedurende den korten tijd, toen hij +op verzoek van Teun Wezer het kroegje aan het veer was ingegaan. Hij begreep nu, dat die schelm zich deze gelegenheid had +ten nutte gemaakt om, onder voorwendsel van de paarden te verspannen, de geweren buiten staat te stellen eenig letsel te doen, +welk bedrijf Klaartje ongetwijfeld had opgemerkt. Zijn reisgenoot niet buiten noodzakelijkheid willende verschrikken, en onbewust +<a id="d0e7868"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7868">259</a>]</span>of deze geen medeplichtige aan een tegen zijn leven of vrijheid gesmeden aanslag ware, hield hij dezen onkundig van de gedane +ontdekking, laadde de pistolen opnieuw, bracht die op hun plaats terug en verliet wederom even ongemerkt het wagenhuis. + +</p> +<p>Kort daarna kwam Teun Wezer de reisgenooten waarschuwen, dat het tijd was weder op reis te gaan: zij vervolgden dan hun weg +door een zwaar, slijkerig spoor, hetgeen de paarden noodzaakte stapvoets voort te gaan. Hoe meer zij vorderden, hoe vetter +en hinderlijker de modder werd, zoodat zij, eer zij Kessel nog uit het oog verloren hadden, tot de helft der wielen in het +moeras zaten. + +</p> +<p>Het oord was hier eenzaam en verlaten: nergens vertoonde zich eenig levend wezen, en de rook alleen, die hier en daar in de +verte uit het kreupelhout opging, verraadde de nabijheid van dorpen en gehuchten. Eindelijk ontdekte Joan verre voor zich +uit, doch aan den rijweg, met welgevallen een gebouw, dat vrij aanzienlijk <span id="d0e7874" class="corr" title="Bron: seheen">scheen</span>: doch met teleurstelling ontwaarde hij bij ’t naderen, dat het alleen uit de vier muren bestond, zijnde het droevig overblijfsel +eener nog vóór den aanvang van het Bestand uitgebrande huizinge, welke thans uitmuntend geschikt was tot een verblijfplaats +van uilen en kraaien, en misschien van nog gevaarlijker roofgedierte. Ook ontging het Joan, die oplettend was op al wat zijn +vermoedens op kon wekken, geenszins, dat zich tusschen die vervallen muren een paar menschen bevonden, die even uitkwamen, +doch bij het zien van het rijtuig dadelijk terugtraden. Zooras onze held dit bemerkte, haalde hij in stilte zijn pistolen +uit den mantelzak en stak zijn handen onder de bank, eer zijn reisgenoot of de voerman deze beweging bespeurd hadden. Zij +reden echter de bouwvallen voorbij, zonder dat er iemand te voorschijn kwam; doch nauwelijks was men een twintig roeden verder +<span id="d0e7877" class="corr" title="Bron: gekomeu">gekomen</span> of Teun Wezer liet, als bij toeval, zijn zweep vallen, hield de paarden staande en sprong af, als wilde hij die gaan oprapen. +“Met uw verlof!” zeide Joan, die al zijn bewegingen aandachtig gade had geslagen, “dat zal ik wel voor u doen;” en, meteen +sprong hij op het voetpad, dat, veel hooger dan de weg, niet zoo zwaar bemodderd en bewandelbaar was. Dan terstond haalde +Teun Wezer, zonder een woord te spreken, de houten pen uit, welke het karretje (hetwelk in den smaak der hedendaagsche asch-, +mest- of vuilniskarren gemaakt was), tegenhield, waardoor het met Jood en al achterover en in de modder sloeg. Op datzelfde +tijdstip sprongen de twee personen uit het vervallen gebouw, dezelfden, die Joan in de herberg gezien had, met het mes in +de vuist, voor den dag, en snelden op de kar aan. + +</p> +<p>“Staat!” riep Joan, hun de pistolen voorhoudende: “of ik brand los.” + +</p> +<p>“Loop maar toe!” riep Teun, terwijl hij zijn mes trok en Joan van achteren aangreep: “zij zijn niet eladen.” + +</p> +<p>“Dat zult gij anders ondervinden! zeide Joan, en zich omkeerende, schoot hij den booswicht neder, die vloekende tusschen de +paarden rolde. Vervolgens zijn degen trekkende, stelde de moedige jongeling zich in postuur om de beide anderen af te wachten: +dezen, door het gezicht van den gewonden voerman ontzet, verkozen geen <a id="d0e7886"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7886">260</a>]</span>poging te doen om met levensgevaar te naderen en bliezen den aftocht, met den meesten spoed hun weg weer naar den kant van +Kessel nemende. Joan volgde hen een klein eind weegs, doch slechts langzaam, daar hij zich niet te ver van de kar verwijderen +wilde; doch hij verloor hen weldra uit het oog. Toen keerde hij terug om te onderzoeken, in welken toestand zich de arme Jood +en de gekwetste bevonden. Dan, wie schildert zijn verbazing, toen hij bij ’t naderen geen Jood noch Joodsgelijke meer zag, +maar, naast den onder zijn eigene paarden in de modder geraakten voerman, de edele, eerwaardige gestalte van Godard van Reede, +zooals hij zich in het klooster te Tiel aan hem vertoond had, herkende. + +</p> +<p>“Wat zie ik?” riep Joan, verbaasd achteruittredende. + +</p> +<p>“Stil!” zeide de geestelijke: “die ongelukkige leeft nog: hij is misschien nog te helpen.” + +</p> +<p>“Gij wilt dien ellendige bijstaan?” hernam Joan, een vertoornden blik op Teun Wezer werpende. + +</p> +<p>“Hij heeft mijn bijstand ingeroepen,” antwoordde de grijsaard: “en dit heeft nooit een sterveling te vergeefs gedaan.” + +</p> +<p>Dit zeggende, trachtte Pater Ambrosius, gelijk de geestelijke, als men weet, genoemd werd, den gekwetste op te helpen; doch +het machteloos lichaam gaf niets mede en zat diep in het slijk. + +</p> +<p>“Wacht!” zeide Joan: “laat mij die taak over: ik zal hem wel op vasten grond brengen!” En meteen zette hij de voeten vast +aaneengesloten in het slijk, greep Teun Wezer met beide handen om het lijf en tilde hem op het voetpad. De gewonde opende +nu de oogen en zeide met een schorre en gebroken stem: “o wee! het is met mij gedaan.... laat de Vicaris.... een gebed.... +voor mijn ziel.... o wee!” Deze woorden met moeite hebbende geuit, liet hij het hoofd op den schouder vallen en sloot de oogen, +terwijl de doodskleur zich weder over zijn gelaat verspreidde. + +</p> +<p>“Hier is geen hulp in den omtrek,” zeide de geestelijke: “laten wij hem in de kar leggen en met ons voeren: indien ik slechts +iets had om het bloed te stelpen, dat uit zijn wond stroomt.... wacht! in de kar ligt de doek, waarmede ik mijn gezicht verborgen +hield<span id="d0e7902" class="corr" title="Bron: ,">.</span>” + +</p> +<p>“Hoe!” riep Joan, terwijl hij snel den doek uit de kar haalde: “gij waart dan werkelijk die Jood, mijn reisgenoot?” + +</p> +<p>“Ik ben een ongelukkige zwerver,” antwoordde Ambrosius: “die nergens veilig, door allen vervolgd, bij allen gehaat, niet dan +door Gods vaderlijke hulp, die u tot mijn redder beschikte, aan den moorddolk ontsnapt ben, die mij dreigde.” + +</p> +<p>“Het was dan tegen u, dat de aanslag gesmeed was?” + +</p> +<p>“Gewis! en ik ken hen, die dezen arm tegen mij gewapend hebben.” + +</p> +<p>“En gij bewijst uw menschlievende hulp aan den booswicht?” + +</p> +<p>“Leert men in uwe Kerk,” vroeg de geestelijke, den jongeling met ernst en waardigheid aanziende, “dan het heilige voorschrift +niet: ““doe wel aan die u haten?”” + +</p> +<p>“Voorzeker,” zeide Joan blozende: “doch, verschoon mij, ik had het voorbeeld, dat mij door u gegeven wordt, niet van een Roomschgezinde +verwacht.” +<a id="d0e7919"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7919">261</a>]</span></p> +<p>“Slechts één hielp den gekwetsten koopman, waar de schriftuur ons van verhaalt, en die was een Samaritaan,” zeide Ambrosius +met nadruk. + +</p> +<p>Onder dit gesprek hadden zij den gekwetste verbonden zoogoed hun mogelijk was: vervolgens plaatste Joan hem in de kar: de +grijsaard ging naast hem zitten en hield hem vast, om het zwakke lichaam tegen de al te sterke schokken van het rijtuig te +bewaren. Joan nam de teugels in de hand, zette zich op het vooropje en liet de paarden hun weg vervolgen.<span id="d0e7924" class="corr" title="Bron: ”"></span> + +</p> +<p>“Zou het niet te vrijpostig wezen,” vroeg Ambrosius, na eenige oogenblikken zwijgens, “om te vragen, welke zaken den Jonker +van Craeihorst in Den Bosch roepen?” + +</p> +<p>“Gij kent mij!.... Doch waarom zou mij dit bevreemden? Ik heb in de laatste dagen het recht verloren om mij ergens over te +verwonderen.” + +</p> +<p>“Ja! ik ken u. Reeds toen ik u voor eenige dagen te Tiel zag, trof mij uw gelaat; sedert vernam ik, wie gij waart, en ik herinnerde +mij, u als knaap bij uw pleegvader te hebben ontmoet, en u den ring geschonken te hebben, welken ik aan uw vinger zie.” + +</p> +<p>“Welnu, zoo UEd. mij kent,” zeide Joan: “zal uw verwondering over mijn reis naar Den Bosch niet zoo groot wezen; want dan +zult ge ook de betrekkingen kennen, welke ik aldaar ga opzoeken: ten minste, ik moet dit veronderstellen, na u in ’t gezelschap +van Van Dyk te hebben ontmoet.” + +</p> +<p>“Van Van Dyk?” hernam Ambrosius: “was hij de man die u derwaarts zond? En welke redenen heeft hij u gegeven, sterk genoeg, +om u een huisgezin, dat u liefheeft, te doen verlaten?” + +</p> +<p>Joan was op het punt zijn vertrouwen te schenken aan zijn reisgenoot, wiens achtbaar en tevens vriendelijk voorkomen hem bereids +had ingenomen; doch hij weerhield zich, indachtig aan de nauwe betrekking, die tusschen Vader Ambrosius en den Baron bestond. +Daarenboven was hem de gedachte niet vreemd, dat de grijsaard, van hetgeen hij hem zou kunnen verhalen, beter en vollediger +onderricht ware, dan hij zelf. + +</p> +<p>“Ik weet niet,” antwoordde hij, “of ik vooralsnog vrijheid heb, UEd. die redenen mede te deelen. Wat echter den persoon betreft, +dien ik zoek, het is Don Louis de Velasco, en het zou mij aangenaam zijn, indien UEd. mij behulpzaam wilde wezen om een mond +gesprek met hem te verkrijgen.” + +</p> +<p>“Jongeling!” hervatte Ambrosius: “versta ik u wel? Zijt gij niet in dienst van den verjaagden Paltsgraaf, die zich koning +van Bohemen noemt? Wat hebt ge dan met zijn vijand uit te richten?” + +</p> +<p>Joan zweeg. + +</p> +<p>“En draagt de Baron van Sonheuvel kennis van deze reis?” + +</p> +<p>Joan schudde het hoofd en zuchtte. + +</p> +<p>“Jongeling!” zeide de grijsaard met een ernstig en weemoedig gelaat: “ik ben een ijverig en getrouw, schoon onwaardig dienaar +der Moederkerk, en zou mijn leven gewillig prijsgeven, zoo ik de Nederlanden van ketterij verlost en tot de zuivere leer zag +teruggebracht; <a id="d0e7950"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7950">262</a>]</span>maar verachting en smaad is in mijn oogen de Nederlander waardig, die de zijnen, lafhartig, om wereldsch goed, verlaten en +verraden zou.” + +</p> +<p>“Die smet mag mij niet aangewreven worden,” riep Joan uit, terwijl een hoogrood zijn wangen overdekte: “God weet hoe zuiver +mijn bedoelingen zijn!” + +</p> +<p>“En toch!” hernam Ambrosius: “het is Van Dyk, die u naar Den Bosch zendt!.... slechts één verontschuldiging kan uw gedrag +hebben: dat gij namelijk uw kettersche gevoelens af wilt zweren en een heilige steê gaat zoeken, waar gij u aan den dienst +Godes wijden moogt;.... doch het is niet Don Louis, welke u die verschaffen zal.” + +</p> +<p>“Ook dit is mijn bedoeling niet: en echter is in deze mijn gedrag onberispelijk.” + +</p> +<p>“Zoo dit waar is, gelijk ik op uw herhaalde verzekering gelooven wil, maak dan staat op mijn diensten, die ik u van harte +aanbiedt; doch, nogmaals, weiger mij uw vertrouwen niet: ik ben het waardig;—en, geloof mij, geen laakbare nieuwsgierigheid +drijft mij aan; maar de zucht om u nuttig te zijn, u, mijnen redder.” + +</p> +<p>“Ik heb geen recht op uw dankbaarheid,” hernam Joan: “gaarne had ik voor u in de bres gesprongen; doch ik dacht, dat het slechts +op mij gemunt was, en dat het alleen mijn eigen leven was, dat ik verdedigde.” + +</p> +<p>“Geenszins! Teun Wezer kende mij, en de vermomming, waarin ik stak, moest mij alleen dienen, om bij anderen onbekend te blijven. +Het is, helaas! niet de eerste reis, dat ik ondervinden moet, hoe verre de haat en nijd mijner vijanden gaan kunnen; doch +nooit had ik gedacht, dat men die tot zulk een uiterste zou durven voeren.” + +</p> +<p>Na deze aanmerking, welke tot pijnlijke herinneringen aanleiding scheen te geven, verviel de geestelijke in een diepe mijmering, +waarin Joan, die aan zijn eigene bekommernissen daarenboven genoeg had, hem niet wenschte te storen. Nadat zij, op deze wijze, +gedurende eenigen tijd door de modder hadden voortgesukkeld, kwamen zij op een gullen zandweg, die hen in korten tijd tot +bij een wetering bracht, bij welke zich voor een boerenherberg eenige lakeien bevonden, in deftige livreien uitgedost en allen +te paard gezeten, welke, zoo ’t scheen, dit of dat voornaam personage stonden af te wachten. Zoodra zij de kar in ’t oog kregen, +reed een van hen haar op een goeden draf te gemoet, sprong af toen hij haar genaderd was, en bleef met ongedekten hoofde eerbiedig +de bevelen afwachten, die men hem geven zoude; toen stak tot Joans verwondering, Ambrosius het hoofd buiten en vroeg of alles +in orde was, ’t geen de lakei met een diepe buiging beantwoordde. + +</p> +<p>“Welnu!” hernam de grijsaard: “laat dan mijn muilezel oprijden; want ik verlang hartelijk uit dit ongemakkelijke rijtuig te +zijn: laat een uwer, die het beste paard berijdt, afstijgen en het aan dezen edelman geven, die zich te onpas heeft genoodzaakt +gezien, voor koetsier te spelen. Wat die kar betreft, die moet, met dien gewonden <a id="d0e7968"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7968">263</a>]</span>man medegevoerd worden, en ik beveel, dat er nauwe zorg voor den ongelukkige gedragen worde. Jonker! wees zoo goed, af te +klimmen en een voegzamer gelegenheid aan te nemen om uw reis voort te zetten.” + +</p> +<p>Joan maakte met blijdschap van deze aanbieding gebruik, en klom af, terwijl de overige lakeien, inmiddels genaderd, den ouden +man uit de kar hielpen. Een fraai getoomd muildier werd voorgebracht, waar Ambrosius opsteeg, terwijl Joan een kloek rijpaard +bekwam. Twee dienaars plaatsten zich in de kar bij den gekwetste, en volgden, met een langzamer tred den trein, welke zich +nu verder, op een vlugger draf, naar Den Bosch begaf. + + + + +</p> +</div> +<div id="d0e7972" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Vijf-en-twintigste Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<p lang="fr">Mathan! d’un prétre est-ce là le langage? + +</p> +<p>Is dit eens priesters taal, o Mathan? + +</p> +<p><span class="letterspaced">Racine</span>, Athalie. +</p> +</div> +<p>Op den avond van denzelfden dag, op welken Joan in Den Bosch was gekomen, zat de Grootmeester der artillerie, Don Louis de +Velasco, met een ontrust gemoed een brief te herlezen, welke hij reeds meermalen met gemelijkheid had nedergeworpen. Het overlijden +van den Aartshertog, op een zoo ongunstig tijdstip als het einde des Bestands voorgevallen, had onder de Spaansche legerhoofden +een niet geringe verlegenheid teweeggebracht, behalve dat het Velasco, als een der vertrouwde vrienden van het doorluchtig +vorstenpaar, meer bijzonder getroffen had. Er waren geen nadere tijdingen uit Brussel gekomen, hoe zich in deze omstandigheden +te gedragen; het tijdstip naderde met rassche schreden, waarop de twaalf jaren, welke het bestand geduurd had, zouden verloopen +wezen, en Velasco was beducht, dat, zoo de bevelen van zijn overheden langer uitbleven, hij niet in staat zoude zijn, bijtijds +tot den oorlog gereed te wezen, voor zooverre althans het vak betrof, dat aan zijn kunde en ervarenheid was toevertrouwd. +Het laatste bevel, hetwelk hem de Aartshertog had doen toekomen, was van een zoodanigen aard, dat het veeleer staat- dan krijgskundige +overpeinzingen van hem vorderde; hem werd namelijk gelast, drie voorname Hollandsche ballingen, te weten Huig De Groot, Uyttenbogaert +en Grevinkhoven, die zich op dat tijdstip in ’s-Hertogenbosch bevonden, door beloften, geschenken of anderszins over te halen +om de Spaansche zijde te kiezen en met hun ongemeene begaafdheden te sterken. Hoe weinig deze taak ook naar den smaak van +Velasco was, begreep hij echter die niet te mogen verzuimen, ofschoon het hem naar zijn dom krijgsmansbegrip <a id="d0e7986"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7986">264</a>]</span>toescheen, dat twee verloopen Dominees en een verwaande papierbekladder juist zulk een groote aanwinst niet zouden zijn voor +de Spaansche partij. Zijn eigene begaafdheid in ’t behandelen eener zoo teedere zaak mistrouwende, had hij den Heer Van Grobbendonck, +een listigen, behendigen man, en tot dusdanige onderhandelingen bij uitnemendheid geschikt, doen verzoeken, de samenkomst +te willen bijwonen. In afwachting van dezen, las hij den brief des Aartshertogs nog eens over, toen de Vicaris zich bij hem +liet aandienen. + +</p> +<p>“De Vicaris!” riep hij uit, terwijl een glans van vergenoegen zich op zijn gelaat verspreidde: “voorwaar de man kan nooit +op gelegener tijdstip komen! ik had juist een welbespraakte noodig: geleerde tegen geleerde dat’s kamp.—Maar de duivel!” vervolgde +hij, zich achter ’t oor krabbende: “zoo hij eens te nauwgezet ware, en dacht: <span class="letterspaced" lang="la">non tali auxilio, non talibus defensoribus</span>.... of hoe zeide mijn hoogloffelijke leermeester te Salamanca ook?”....<a id="d0e7993src" href="#d0e7993" class="noteref">1</a> + +</p> +<p>“Zal ik Zijner Hoogwaardigheid zeggen, dat UEd. belet is?”.... vroeg de ordonnans, zijn overste in onzekerheid ziende. + +</p> +<p>“Vooral niet, Vlascamp! vooral niet!—laat Zijn Hoogwaardigheid boven komen. Hij komt juist van pas: en laat de kok op een +persoon meer rekenen: ik moet zien dat ik hem te gast hou: toe, haast u: ik verlang al hem te spreken.” + +</p> +<p>Vlascamp vertrok en liet een oogenblik later Pater Ambrosius in. “<span class="letterspaced" lang="la">Salve: celsissime vir!</span>” zeide Velasco, zich nederig buigende en den grijsaard de hand kussende: “nogmaals <span class="letterspaced" lang="la">salve</span>! en van harte welkom in de stad. Sinds wanneer hebben wij het geluk, Uw Hoogwaardigheid binnen onze muren terug te bezitten?” + +</p> +<p>“Ik ben heden van Tiel teruggekeerd,” antwoordde de Vicaris, na beleefde groete, plaats genomen hebbende: “en hoe gedraagt +UEd. zich in de droeve omstandigheden welke wij beleven?” + +</p> +<p>Velasco zuchtte en schudde het hoofd, waarna zij eenige woorden wisselden over het afsterven van den Aartshertog en de veranderingen, +welke hieruit zouden ontspruiten. + +</p> +<p>“Mag ik Uw Hoogwaardigheid vragen,” zeide Velasco, toen eindelijk het gesprek een andere wending genomen had, hoe zij het +kuddeke gevonden heeft, dat aan haar zorgen is toevertrouwd?” + +</p> +<p>“Daarover,” zeide Ambrosius, “valt, helaas! weinig te roemen. Wanneer ik door mijn eigen geloofsgenooten, door hen, wier gestadige +arbeid het wezen moest, met mij tot hetzelfde einde mede te werken, onophoudelijk word gedwarsboomd, dan valt het zwaar, die +plichten jegens mijn kudde te vervullen, welke de hooge bediening, van mij eischt, waartoe ik mij geroepen zie.” + +</p> +<p>“Uw eigen geloofsgenooten,” riep Velasco verbaasd uit: “over wie hebt gij te klagen?” +<a id="d0e8018"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8018">265</a>]</span></p> +<p>“Mijn klachten,” hernam Ambrosius, “hoop ik eerstdaags bij den Nuntius in te leveren; ware ik alleen de vervolgde, het doel, +waarop zij hun pijlen spillen, dan zoude ik mij om Christi wille die smaadheid getroosten; doch ik moet mijn schapen voorstaan, +en het treft de scheuring in de Kerke meer dan mij. Tenzij de God des vredes, die de goede Herder is, de boozen beteugele +en Zijn Heiligheid intijds nog den banbliksem op ’t hoofd der schuldigen nederwerpe, hebben wij in alle dingen verwarring +en meer gevaar van de huisgenooten, dan van de vijanden des geloofs te vreezen.” + +</p> +<p>“En wie zijn zij, die huisgenooten, welke verwarring veroorzaken?” + +</p> +<p>“Wie?—het zijn die heerschzuchtigen, die onze zuivere leer door Europa doen vloeken en verfoeien: het zijn die onverzoenlijke +vijanden van alle oprechte aanbidding in nederigheid, hoop en liefde, die, onwillig onder mijn gezag gesteld, geen andere +bevelen volgen, dan die, welke uit den boezem hunner Sociëteit voortkomen.” + +</p> +<p>“Hoogwaardigste!” zeide Velasco, verbleekende: “gij bedoelt toch de Jezuïeten niet!” + +</p> +<p>“Zie,” hernam de Vicaris: “den indruk, dien het noemen alleen van hun naam bij u teweegbrengt, bewerken zij overal; met banden +van vrees kluisteren zij de wereld, die hen verfoeit: hun macht, bij alle volkeren, aan alle hoven verspreid, is even geducht +als ontzettend. Onverzettelijk gaan zij voort ter bereiking van het eenigste doel dat zij bejagen, en waartoe alle middelen +hun even geschikt voorkomen:—en wat is dat doel? Niet de vestiging van de echt Katholieke beginselen; niet de toebrenging +van alle volkeren tot het heilig en onvervalscht geloof:—neen, alleen de tijdelijke, geheel aardsche heerschappij hunner eigene +Sociëteit over de geheele wereld is het wit, dat zij bejagen, en aan ’t welk zij alle belangen, alle plichten, alle menschelijke +banden, ja het welzijn van hun onsterfelijke zielen zonder wroeging blijven opofferen.” + +</p> +<p>“Mijn waarde Heer Vicaris!” zeide Velasco, nadat hij vruchteloos dien stroom van woorden had pogen te stuiten: “laat ons liever +van dat onderwerp afstappen: het is teeder, ja in de tegenwoordige omstandigheden te gevaarlijk. Sta mij liever een verzoek +toe, dat ik u te doen had, en deel hedenavond mijn eenvoudig maal. Ik verwacht hier, behalve den Heer Van Grobbendonck, nog +drie heeren, van welke Uwe H. waarschijnlijk heeft hooren spreken: de Heeren De Groot, Uyttenbogaert en Grevinkhoven. Uwe +H. zal mij grooten dienst doen, door te blijven en het gesprek wat levendig te houden: want ik ben geen geleerde, gelijk Uwe +H. bekend is.” + +</p> +<p>De Vicaris nam dit voorstel met welwillendheid aan; en, terwijl Velasco hem de redenen ontwikkelde, waarom juist deze drie +heeren bij hem genoodigd waren, verscheen de Heer Van Grobbendonck, en, kort daarna, de drie Hollandsche ballingen. + +</p> +<p>“Het is met veel erkentenis voor de hooge onderscheiding, welke mij te beurt valt,” zeide De Groot tot Velasco, “dat wij van +UEds. beleefde uitnoodiging hebben gebruik gemaakt.” + +</p> +<p>“Geen plichtplegingen,” was het antwoord van den gastheer: “het is aan mij op de eer te roemen, van zulke vermaarde gasten +te <a id="d0e8037"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8037">266</a>]</span>mogen ontvangen: ik hoop maar, dat de heeren met mij wat toegeeflijkheid gebruiken zullen; want ik ben geen geleerde, maar +een krijgsman: <span class="letterspaced" lang="la">artium liberalium expertus</span>, zooals mijn leermeester te Salamanca zeide.” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="la">Expers</span> meent UEd. voorzeker,” zeide De Groot: “maar zoo heeft elk zijn eigene bediening hier beneden; en UEd. voert den degen, gelijk +ik de pen voere.” + +</p> +<p>“Ik weet niet, dat mij in mijn leven zoo iets vleiends gezegd is,” hernam Velasco: “het verheugt mij intusschen, dat ik u, +Mijn Heeren! het bijzijn kan verschaffen van iemand, die meer dan de Heer Van Grobbendonck en ik met de geleerde wereld bekend +is, namelijk van den Heer Vicaris Ambrosius, hier tegenwoordig, een doorkundig en bekwaam....” + +</p> +<p>“Aangenaam is het ook mij,” zeide De Groot, dadelijk naar den Vicaris toetredende, “in de gelegenheid te zijn van in kennis +te geraken met een man, in de Nederlanden zoo hoog geacht als de Heer Vicaris. Vergun mij, Heer Vicaris, Uwe H. te mogen omhelzen. +Eer hebbe de Geleerdheid, welke ons, die geenszins met oorlogen gediend zijn, het recht geeft, de vriendschap te genieten +en te oefenen, welke de heiligste van alle menschelijke zaken is.” + +</p> +<p>Ambrosius beantwoordde deze beleefde toespraak op de minzaamste wijze en trad nu zoo met hem als met de Predikanten in een +zeer onderhoudend gesprek, waarvan echter de beide Bevelhebbers weinig begrepen. Intusschen had Velasco laten opdisschen: +de gasten plaatsten zich, en het gesprek werd meer algemeen. De Groot gaf, op het verzoek van Grobbendonck, een omstandig +verhaal van zijn zonderlinge ontkoming uit den Loevesteinschen kerker: waaruit, die laatstgenoemde krijgsoverste aanleiding +nam, om hevig uit te varen tegen de ondankbaarheid der Staatschen, die hun braafste en verdienstelijkste mannen op zoo onrechtvaardige +wijze behandelden. + +</p> +<p>“Verschoon mij, Mijnheer!” hernam De Groot: “Ik wijt mijn ongeval geenszins aan mijn landgenooten, onder welke ik mij beroeme, +hooge achting en deelneming jegens mij te hebben ondervonden. Een vervolging als die, welke ik lijden moet, is alleen het +gevolg van den nijd en haat, welke het gemeene lot der ware verdiensten zijn, en waarin ik mij dus verheugen mag. Werd niet +Miltiades door zijn medeburgers in den kerker geworpen, Themistocles verbannen, Metellus verjaagd, Cicero onthalsd, de groote +Cato genoodzaakt zichzelf van het leven te berooven?” + +</p> +<p>“Waren die Heeren ook Remonstranten?” vroeg Velasco, jegens wien De Groot nutteloos zijn geleerdheid verspilde. + +</p> +<p>“Gewis, Mijnheer!” antwoordde Uyttenbogaert: “in zooverre als zij remonstreerden tegen de verkeerdheden van hun tijd.” + +</p> +<p>“UEd.,” zeide De Groot met verbazing, “heeft toch den goddelijken Cicero wel hooren noemen.” + +</p> +<p>“Buiten twijfel,” hernam Velasco: “mijn leermeester te Salamanca, gelijk ik mij nu herinner, heeft mij wel eens van hem gesproken: +dat was immers de man, die zeide; “<span class="letterspaced" lang="la">Quousque tandem Catalina</span>....” +<a id="d0e8066"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8066">267</a>]</span></p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="la">Catilina</span>,” verbeterde De Groot. + +</p> +<p>“Juist, <span class="letterspaced" lang="la">Catilina</span>.—Ik geraakte in de war: Catalina was een meisje, waar onze geëerde Corregidor te Salamanca veel werk van maakte, en daarom +lag mij die naam in ’t hoofd. Gelijk ik de eer had UEd. te zeggen, ik ben geen geleerde, en <span class="letterspaced">non omnes omnia</span>....” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="la">Non omnia possumus, omnes</span>,<a id="d0e8085src" href="#d0e8085" class="noteref">2</a> als UEd. te recht aanmerkt. Welnu, Mijnheer! de mannen, welke ik zooeven noemde, werden voor hun groote en gewichtige diensten +door hun medeburgers met ondank beloond, en echter bleven zij allen hun vaderland teeder beminnen en gaven daar herhaalde +bewijzen van: gelijk Camillus, die Rome van het juk der Galliërs verloste, Cicero, die zijn goed en leven veil had voor het +gemeenebest, Cato, die den val van Rome niet overleven wilde, Themistocles, die zich, als sommigen willen, met vergif ombracht, +om niet tegen zijn vaderland te strijden: en zooveel in mij is, moet ik het voorbeeld volgen, mij door die groote mannen gegeven.” + +</p> +<p>“Ik heb slechts eene aanmerking te maken op hetgeen UEd. gelieft te zeggen,” zeide Grobbendonck: “de meeste der helden, die +UEd. ons opnoemt, leden van persoonlijken haat; doch de vervolging tegen ulieden in ’t werk gesteld, is meer gericht tegen +een gevreesde partij, dan tegen uw personen, voor wier geleerdheid en verdiensten elk Nederlander, hoe ook in staatkundige +of godsdienstige gevoelens van u verschillend, den hoogsten eerbied voeden blijft.” + +</p> +<p>“Ja, Mijne Heeren!” zeide Velasco: “het is niet zoozeer om uwentwil, als om de zaak, welke gij zoo moedig en belangeloos hebt +voorgestaan, dat ik UEd. zou aanraden, de aanbiedingen der Aartshertogin te aanvaarden. Men staat UEd. toe om, in een der +Brabantsche of Vlaamsche steden, een kerk te stichten, waarom uw verdrukte gemeente zich verzamelen mag: en onder geen andere +voorwaarden, dan dat gij uw bekwame pennen zult blijven versnijden ter bevordering van den vrede, het uitzicht en de hoop +van alle brave lieden.” + +</p> +<p>“De vrede zou mij dierbaar zijn,” riep De Groot uit: “doch zoo ik daartoe rade, moet zulks uit eigene overtuiging, geenszins +op verzoek harer Doorluchtigheid geschieden.” + +</p> +<p>“Ik eer uw nauwgezetheid,” antwoordde Grobbendonck: “wij begeeren ook, dat UEd. alleen naar die overtuiging zult handelen: +het zal ons zelfs aangenaam zijn, indien UEd. onvoorwaardelijk ’s Konings gunsten wilt aannemen; want daardoor zal de wereld +zien, hoe ons Hof, ook zonder hoop op de wedervergelding, deugd en bekwaamheid weet te loonen en voor te staan; doch wij willen +UEd. geenszins overrompelen: denkt over ons voorstel na, Mijne Heeren! raadpleegt, zoo ’t u goeddunkt, uw geloofsgenooten, +uw Hollandsche vrienden, ja voornamelijk uw verstandigen en doorluchtigen beschermheer.” +<a id="d0e8096"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8096">268</a>]</span></p> +<p>“Onzen beschermheer?” vroeg De Groot, verwonderd: “wien kan UEd. bedoelen?” + +</p> +<p>“Graaf Hendrik Frederik,” antwoordde Grobbendonck: “zoo ik wel onderricht ben, is hij uwer partij geheel toegedaan, en is +hij in Nederland de voorname hoop der verdrukte Remonstranten.” + +</p> +<p>De Remonstrantsche Heeren zagen elkander aan met dien blik van besluiteloosheid, welke natuurlijk is, wanneer men iets gezamenlijk +zou moeten beantwoorden en beslissen, maar door het bijzijn van derden daarin verhinderd wordt.—Grobbendonck redde hen echter +uit die verlegenheid, door hun nogmaals te verzekeren, dat zij zich vooreerst niet behoefden te verklaren, en dat hun de noodige +tijd en vrijheid gegeven werd, om zich over de aanbiedingen van het Spaansche hof te beraden. + +</p> +<p>Terwijl het gesprek, dank zij den Vicaris, die de gasten over hun werken onderhield, weder een letterkundige wending nam, +ontstond er plotseling een onverwacht gerucht en herhaald geklop aan de huisdeur, waarop, na het openen daarvan, een verward +geluid van stemmen volgde en voetstappen gehoord werden van nieuwaangekomenen, die de trappen haastig kwamen opgeloopen. En +eer nog Velasco was opgestaan om naar de reden van dit gedruisch te vernemen, traden twee heeren in reisgewaad binnen, die, +hun mantels aan de dienaars toewerpende, zich dadelijk deden herkennen voor den vermaarden Veldheer Spinola en den Kanselier +van Brabant, Pieter Pekkius. + +</p> +<p>“Waarlijk,” riep Velasco uit: “hoe later op den dag, hoe schooner volk! Wie had deze verrassing kunnen vermoeden? Vanwaar +komen de vrienden met zulk een drift?” + +</p> +<p>“Spoorslags van Brussel,” zeide Spinola: “ik heb den Heer Kanselier laten draven zooals hij zijn leven niet gedaan heeft.” + +</p> +<p>“Noch in mijn leven weder hoop te doen,” zeide Pekkius, Spinola’s gezegde met een knik en een zucht bevestigende. + +</p> +<p>“Zoo gaat het,” merkte Grobbendonck lachende aan: “die met Spinola gaat, moet immer voorwaarts; dat is zijn oude gewoonte. +Laat ik u een roemer wijn vullen, Heer Kanselier.” + +</p> +<p>“Hoe staat het gelaat zoo bedrukt, Generaal?” vroeg Velasco: “zijn er slechte tijdingen?” + +</p> +<p>“Van belang,” antwoordde Spinola: “doch vergun mij te vragen, wie zijn die Heeren?” + +</p> +<p>Velasco stelde hem zijn gasten voor, waarop Spinola betuigde, dat het hem bijzonder aangenaam zou wezen, nadere kennis met +hen te maken: doch dat hij voor ’t oogenblik zaken van gewicht met den Spaanschen Overste af moest handelen en dienvolgens +hun verzocht, zich wel te willen verwijderen: ten gevolge van welke <span class="letterspaced">injunctie</span> De Groot en zijn medeballingen vertrokken. + +</p> +<p>“Voor Uwe H. heb ik dat niet gezegd,” zeide Spinola, ziende dat Ambrosius insgelijks vertrekken wilde: “UEd. mag de tijding +gerust vernemen, welke wij met ons brengen.” + +</p> +<p>“En welke is die?” vroeg Velasco, hoogst nieuwsgierig. + +</p> +<p>“Zijne Majesteit....” antwoordde Spinola, de schouders ophalende. +<a id="d0e8128"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8128">269</a>]</span></p> +<p>“Is toch niet overleden,” viel Grobbendonck in, met drift. + +</p> +<p>“Is overleden,” antwoordde Pekkius. + +</p> +<p>“Is overleden,” herhaalde de Generaal: “en zonder mij ooit te hebben zien strijden, zonder zelfs vernomen te hebben, hoe ik +zijn wapenen in den Neder-Paltz heb doen zegepralen.” + +</p> +<p>“Waarlijk, gewichtige en droevige slagen,” hernam Velasco, “en dat juist met het einde van ’t Bestand.” + +</p> +<p>“En wat dient er nu gedaan?” vroeg Grobbendonck. + +</p> +<p>“De Heer Kanselier en ik reizen naar Den Haag, om voorstellen van vrede te doen,” zeide Spinola, somber voor zich ziende. + +</p> +<p>“God geve dat hij gesloten worde!” riep Ambrosius uit. + +</p> +<p>“Daar is geen nood voor,” hervatte de Veldheer: “de voorwaarden zijn juist niet zeer aannemelijk. Oorlog moet er wezen, en +ondanks de zware verliezen, die wij leden, staan onze zaken thans vrij wat voordeeliger dan die der Staatschen. De neerlaag +van Frederik zal wat schrik onder den vijand gebracht hebben en daarvan dient een nuttig gebruik te worden gemaakt. Drie dagen +geleden kwam ik uit het leger terug in Brussel. Alles was er in verslagenheid: alles had den moed laten zakken: dan, de hemel +zij gedankt, ik heb dien flauwhartigen Raden een hart onder den riem gestoken, en ik twijfel niet, of ik zal de beloften vervullen, +die ik hun deed, om binnen het jaar den Staatschen zulk een geweldigen knak te geven, dat zij het hoofd in den schoot zullen +leggen;—doch van wat anders! Hoe is het met de Tielsche samenzwering gelegen? is er van dien kant wat te verwachten?” + +</p> +<p>“Mij onbewust,” antwoordde Grobbendonck: “ik wacht Pater Eugenio dagelijks terug om mij kennis van het aldaar verrichte te +geven. Doch misschien zal de Heer Vicaris, die heden van Tiel kwam, UEd. meer licht kunnen geven.” + +</p> +<p>“Ik ben voor de belangen der kerk in Tiel geweest, en geenszins om met landverraders en schelmen te raadplegen; doch zoo de +Heeren bericht verlangen, ik heb een vertrouweling van den Jezuïet Eugenio gewond bij mij aan huis: die zal u zeker kunnen +vertellen, wat hij er van weet.” + +</p> +<p>“Gewond!” riepen al de aanwezigen uit: “en hoe is het mogelijk....” + +</p> +<p>“Men had het op mijn leven toegelegd,” antwoordde de Vicaris; “doch de Heer heeft de plannen van schaamtelooze booswichten +verijdeld en schikte mij een helper toe. Over dezen eigenlijk wilde ik den Heer Grootmeester komen onderhouden.” + +</p> +<p>“Uw leven was in gevaar!” riepen de aanwezigen uit: “wij bidden u, verhaal ons....” + +</p> +<p>“Het verhaal is kort en eenvoudig,” zeide Ambrosius, en hij gaf in weinige woorden op, wat ’s middags gebeurd was. + +</p> +<p>“En op wie vallen uw vermoedens?” vroeg Pekkius haastig. + +</p> +<p>“Ik heb geen vermoedens<span id="d0e8161" class="corr" title="Bron: ?">,</span>” hernam de Vicaris op een drogen toon. + +</p> +<p>“Uw redder moet een kloek jongeling geweest zijn,” merkte Spinola aan. + +</p> +<p>“Geen wonder,” hervatte Ambrosius; “hij is (of meent zulks althans te zijn) een bloedverwant van Don Louis.” +<a id="d0e8168"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8168">270</a>]</span></p> +<p>“Van mij?” vroeg Velasco verwonderd. + +</p> +<p>“Hij werd bij den Heer Van Sonheuvel opgevoed.” + +</p> +<p>“Oho! nu vat ik de geschiedenis: dat zal de knaap wezen, wien men mij met alle geweld tot neef wil opdringen. Nu, ik ben nieuwsgierig +hem eens te zien: ik verzoek Uwe H. hem te willen melden, dat ik hem morgen te tien uren zal afwachten.” + +</p> +<p>De Vicaris beloofde deze boodschap aan den jongeling, die, gelijk hij zeide, ten zijnent gehuisvest was, te zullen overbrengen, +en nam afscheid van het gezelschap. + +</p> +<p>Den dag daarna, toen Velasco van zijn dagelijksch bezoek op de citadel was teruggekeerd en zich aan het ontbijt bevond, werd +hem geboodschapt, dat de jongeling, waarover de Heer Vicaris hem ’s avonds te voren gesproken had, in de benedenkamer zijn +bevelen afwachtte. + +</p> +<p>“De jongeling, die van den Heer Vicaris komt, Vlascamp?” zeide de Grootmeester, zich bezinnende: “ha ja, nu herinner ik mij: +eilieve hoe ziet hij er uit?.... Een frissche knaap, zoo men zegt.... nu laat hem binnenkomen, en wees beleefd met hem! Ik +zit hier in een mal parket. Pater Eugenio had zich de moeite wel kunnen sparen, mijn familie dus ongevergd te vergrooten.” + +</p> +<p>Terwijl hij deze woorden mompelde, trad Joan binnen en bleef in een eerbiedige doch verlegene houding aan de deur staan. Niet +minder bedremmeld stond Velasco op, zag hem zijdelings aan, deed een paar stappen naar hem toe, hield toen weder stand, oneens +met zichzelven over de houding, die hij moest aannemen, en zeide eindelijk op een weifelenden toon: “mag ik weten wien ik +de eer heb...” + +</p> +<p>“Dat is juist, wat ik vernemen kwam,” was het antwoord, dat met een gebroken stem gegeven werd. + +</p> +<p>“Juist zoo!.... dus zijt gij door Pater Eugenio gezonden?”.... + +</p> +<p>“Door Pater Eugenio!” herhaalde Joan, verbleekende. “En was de man, die zich Van Dyk noemde, werkelijk Pater Eugenio?”.... + +</p> +<p>“Van Dyk.... Eugenio....” stamelde Velasco, hoe langer hoe meer in de war: “nu ja, gij zijt dan toch die jongeling, die bij +den Heer Van Sonheuvel is opgevoed....” + +</p> +<p>“En die thans,” vervolgde Joan, “de bevestiging komt vernemen van een verhaal, mij onlangs gedaan, dat ik de zoon zou zijn +van uw overleden broeder<span id="d0e8193" class="corr" title="Bron: ,">.</span>” + +</p> +<p>“Juist,” hernam Velasco: “dezelfde: doch, neem plaats!” + +</p> +<p>Beiden gingen zitten en zagen een tijdlang als sprakeloos voor zich. Ten laatste hervatte de Grootmeester op deze wijze het +gesprek: + +</p> +<p>“Ik moet bekennen, Mijnheer! dat ik, na al wat ik gehoord heb, na al hetgeen de Heer Baron, uw pleegvader, mij voor vele jaren +geschreven heeft, na de berichten, welke ik onlangs heb ingewonnen, geen redenen meer heb om te twijfelen aan den graad van +bloedverwantschap, die ons verbindt: en ik beken tevens,” voegde hij er met welwillendheid bij, “dat, indien uw inborst en +bekwaamheid slechts gedeeltelijk den gunstigen indruk evenaren, dien uw uiterlijk op mij gemaakt heeft, ik het mij als een +bijzonder geluk zal rekenen, een man als neef te omhelzen, die aan ons geslacht allen luister kan bijzetten.” +<a id="d0e8202"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8202">271</a>]</span></p> +<p>“Ik was verre,” zeide Joan, zich buigende, “zulk een onthaal van UEd. te verwachten. Wees overtuigd, edele Heer! dat mijn +dankbaarheid zich in mijn daden zal vertoonen, en dat mijn gehoorzaamheid aan uw begeerten zoo uitgebreid zal wezen als mijn +plichten mij zulks veroorloven.” + +</p> +<p>“En mag ik thans vragen,” zeide Velasco, “waarin ik u van dienst kan zijn!” + +</p> +<p>“Voor ’t oogenblik verlang ik niets,” antwoordde Joan, “dan een mij beloofde inlichting omtrent mijn geboorte.” + +</p> +<p>“Natuurlijk, zeer natuurlijk!” zeide Velasco, zich over de kin strijkende: “ofschoon ik gedacht had, dat ik die van u zoude +ontvangen.” + +</p> +<p>“Men had mij ten halve met de hoop gevleid, dat ik hier mijn moeder zoude vinden.” + +</p> +<p>“Zoo.... ei! Dat wist ik niet.... dat geloof ik ook niet,—Zoo Pater.... zoo Van Dyk hier ware, hij zou u meer kunnen vertellen.... +nu, hij zal spoedig hier zijn! <span class="letterspaced">vindice nodus</span>, zooals mijn leermeester te Salamanca zeide.” + +</p> +<p>“Daar twijfel ik aan: zoo hij den knoop ontwarren moet, vrees ik dat de zaak eeuwig geheimzinnig blijven zal; want hij zit +op het slot te Sonheuvel gevangen.” + +</p> +<p>“Wat zegt gij?” riep Don Louis verschrikt: “hij gevangen! voorwaar, alles loopt samen om onzen neteligen toestand te verergeren.” + +</p> +<p>Vlascamp trad onder dezen uitroep binnen en meldde den Generaal, den Kanselier en den Overste Grobbendonck aan. + +</p> +<p>“Slechte tijding!” zeide hun Velasco, toen zij binnentraden: “deze Heer meldt mij, dat Pater Eugenio op Sonheuvel gevangen +zit.” + +</p> +<p><span id="d0e8227" class="corr" title="Niet in bron">“</span>Gevangen zat,” zeide de man, van wien hij sprak, binnentredende: “<span class="letterspaced" lang="la">Pax Vobiscum!</span>”<a id="d0e8233src" href="#d0e8233" class="noteref">3</a> + +</p> +<p>“Voor den duivel!” riep Velasco, een stap terugtredende: “de Staatschen zijn wel ongelukkig met hun gevangenen. Niet één kunnen +zij bewaren.” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced" lang="la">Angelus Domini per noctem aperuit ianuas carceris</span>,”<a id="d0e8243src" href="#d0e8243" class="noteref">4</a> zeide de Jezuïet: “ik kwam u bericht geven van mijn bedrijven binnen Tiel.... maar zie ik ginds mijn goeden vriend niet, +die om mijnentwille in ongeval gekomen is? wees hartelijk welkom in Den Bosch, mijn waaide Jonker! Edele Heeren! vergunt mij, +dat ik u Don Diego de Velasco voorstelle, den zoon van mijn waardigsten vriend, die voor ongeveer twintig jaren jammerlijk +vermoord werd.”—Dit zeggende, nam hij Joan bij de hand en stelde hem aan Spinola en de overige Heeren voor, die hem met vele +plichtplegingen gelukwenschten. Toen echter wendde zich Joan tot Eugenio en betuigde, dat hij, ondanks zijn verzekeringen +en de vriendschap, welke hem betoond werd, nog aan de echtheid der mededeeling twijfelen moest, zoolang hem niet volkomen +gemeld werd, wie zijn moeder geweest ware. +<a id="d0e8246"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8246">272</a>]</span></p> +<p>“Ik zelf,” antwoordde Eugenio, “heb in den jare 1597 uw vader in den echt verbonden met Jonkvrouw Charlotte von Helmstadt, +een adellijke Duitsche Freule. Dit huwelijk bleef toen geheim, omdat zich de ouders uwer moeder daartegen verzet hadden. Een +jaar na de verbintenis beviel de gade mijns edelen vriends van een zoon, wiens geboorte haar het leven kostte. Die zoon waart +gij.” + +</p> +<p>“Zoo heb ik dan geen moeder,” zeide Joan met een zucht: “en waarom mij dan met de ijdele hoop gevleid, dat ik haar in Den +Bosch zoude vinden?” + +</p> +<p>“Ik heb u alleen gezegd,” hernam de Jezuïet, “dat men u hier de noodige inlichtingen geven zou: wat gij verder verkeerd hebt +gelieven te verstaan, daarvoor behoef ik mij niet te verantwoorden.” + +</p> +<p>“Welaan, mijn waarde neef!” zeide Velasco: “sinds alles opgehelderd is, hoop ik, dat voortaan alle stijfheid tusschen ons +verbannen zal wezen. Dezen middag verwacht ik u bij mij aan tafel, indien uw waarde gastheer, aan wien ik mijn nederige groete +verzoek, u af wil staan.—Thans zult gij mij verschoonen, en mij wel met deze Heeren alleen willen laten.” + +</p> +<p>“Wat mij betreft, volgaarne zou ik van uw uitnoodiging gebruik maken,” zeide Joan: “doch de Heer Vicaris is, na mij verzocht +te hebben van zijn terugkomst af te wachten, heden morgen voor eenige dagen naar Brussel vertrokken.” + +</p> +<p>“Zijt gij bij den Vicaris gehuisvest?” vroeg Eugenio met eenige drift, terwijl zich een trek van bevreemding over zijn gelaat +verspreidde. + +</p> +<p>“Verwondert u dat?” vroeg Pekkius, hem met een scherpen blik aanziende. “Een woord met u, Pater!” en tegelijk, hem om den +arm nemende, trok hij hem met zich in het naaste vertrek. + +</p> +<p>“Gij weet dus ook niet,” vervolgde de Kanselier, “dat de Vicaris op den weg is aangerand geweest.” + +</p> +<p>“Ik kom pas in Den Bosch.” + +</p> +<p>“Dat is geen stellig antwoord op mijn vraag.—Gij zijt geen vriend van den Vicaris. Zijn ambt was u vroeger toegezegd.” + +</p> +<p>“Men zal mij toch niet betichten, hem te hebben aangerand,” hernam de Jezuïet met trotschheid. + +</p> +<p>“Wat de Vicaris doen zal is mij onbewust.—Dit alleen weet ik, dat de aanrander, zekere veerman over de Waal, een bekend werktuig +is van Pater Eugenio.” + +</p> +<p>“Heeft de schoft geklapt?” vroeg deze met een woesten blik. + +</p> +<p>“Dat geloof ik niet,” antwoordde de Kanselier, “daar hij gisteren buiten staat was te spreken en hedenmorgen aan zijn wonden +overleden is. Zoo u dit gerust kan stellen, zal ’t mij aangenaam zijn: doch als vriend raad ik u, in ’t vervolg behoedzaam +te werk te gaan, want anders zou noch uw Sociëteit, noch uw diensten, den lande bewezen, u voor straf behoeden.” + +</p> +<p>“Men moest eerst iets kunnen bewijzen,” hernam Eugenio, wiens gelaat weder de gewone kalmte vertoonde. “Intusschen dank ik +UEd. voor ’t bericht.” + +</p> +<p>Na dit gesprek keerden zij naar de kamer van Don Louis. Zij <a id="d0e8279"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8279">273</a>]</span>vonden Joan reeds vertrokken.—“Mag ik nu weten,” zeide Velasco, naar Eugenio toetredende, “waar ons de klucht moet brengen, +die wij spelen?” + +</p> +<p>“Hoe dan,” vroeg Spinola; “is die jongeling dan uw neef niet?” + +</p> +<p>“Zoomin als UEd.,” antwoordde Velasco: “het is een zeer gekke vertooning, welke de Pater mij laat maken: hij kwam juist van +pas, om mij uit het vaarwater te helpen: de jonkman deed mij hoogstnatuurlijke vragen over zijn familie, daar ik geen antwoord +op wist te geven.” + +</p> +<p>“Mijn doel is niet naar wensch gelukt,” zeide Eugenio: “Ik had gehoopt, dat die knaap, om zijn gewaanden vader te wreken, +zijn pleegvader om den hals zou brengen;.... doch daar heeft hij niet aan gewild.” + +</p> +<p>“Santa Maria!” riep Velasco: “dus wildet gij dien armen Baron door zijn voedsterzoon laten vermoorden? En ik moest u in zulk +een boevenstuk de hand bieden?” + +</p> +<p>“Is dit de handelwijze eens geestelijken?” vroeg Spinola met afgrijzen. + +</p> +<p>“Waarom niet?” antwoordde Eugenio met koelheid: “elk heeft het recht, wegens geleden hoon zijn beleediger om te brengen: en +het is, gelijk de wijze Tanner zeer juist aanmerkt, ons geestelijken geoorloofd, niet alleen tot lijfsbehoud, maar ook ter +bevordering van het nut der gemeente, hem te doen sneven, die daaraan eenig nadeel kan teweegbrengen.” + +</p> +<p>“Ik herken in deze taal den gewezen beleider der aanslagen tegen het leven van mijn doorluchtigen vijand gesmeed,” zeide Spinola. + +</p> +<p>“Wat hoor ik!” zeide Eugenio: “zal een voorvechter der ware Kerk die aanslagen misprijzen?—en dat in mij, die tegen alle ketters +den eed van vijandschap en verdelging gezworen heeft. Is ’t u bewust, Heer Marquis! dat al wat ik hier verricht, ingevolge +de bevelen der Hoven van Rome en Madrid wordt ten uitvoer gebracht?” + +</p> +<p>“Ook de voldoening van personeelen wrok?” vroeg de Generaal. + +</p> +<p>“De op mij verstrekte last bevrijd mij van alle verantwoording: wat mij voorkomt tot nadeel der ketters te kunnen geschieden, +moet in ’t werk gesteld worden en de dood van een gevaarlijken vijand als Sonheuvel zou een ware dienst aan onze Kerk geweest +zijn.” + +</p> +<p>“De leer der Kerk luidt: <span class="letterspaced" lang="la">non occides</span>,”<a id="d0e8306src" href="#d0e8306" class="noteref">5</a> zeide Spinola. + +</p> +<p>“Een leer, die een krijgsman dagelijks overschrijdt!” + +</p> +<p>“Wilt gij zijn sabelslagen bij den dolksteek des sluikmoordenaars vergelijken?” vroeg de verontwaardigde Veldheer. + +</p> +<p>“Een sluikmoordenaar,” antwoordde Eugenio, altijd met dezelfde bedaardheid, “is alleen de zoodanige, die voor zijn verraad +geld of loon ontvangt; doch zij, die zulks ten dienste der goede zaak verrichten, kunnen dien naam geenszins verdienen; dit +leeren onze statuten, met pauselijke en koninklijke goedkeuring bekrachtigd.” +<a id="d0e8315"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8315">274</a>]</span></p> +<p>“Laat ons,” zeide Pekkius, “een gesprek staken, dat alleen tot onnutte verbittering aanleiding kan geven. De eerwaarde Pater +heeft zooveel diensten aan den Staat bewezen, dat wij hem gerust naar zijn begrip kunnen laten handelen. Elk heeft op deze +wereld zijn bijzondere taak te vervullen: de dappere Spinola moet de wapenen Zijner Majesteit wijd en zijd doen zegevieren: +mijn ambt is, mijn Vorsten door onderhandelingen te dienen: de verbreiding van het echt geloof en de verdeeling der ketters +is aan den eerwaarden Pater toevertrouwd. Elk volge zijn eigen weg en vervulle de hem opgelegde plichten, zonder de bedrijven +eens anderen te veroordeelen, omdat zij schijnbaar afwijken van de regelen, die men zichzelven heeft voorgesteld.” + +</p> +<p>Spinola zweeg; schoon weinig tevreden gesteld met de drogredenen des Kanseliers, begreep hij reeds genoeg te hebben gezegd, +en achtte het gevaarlijk, den haat van een zoo machtig lichaam, als dat der Jezuïeten, op zich te laden. Hij schoof dus zijn +zetel een weinig terug, speelde met de lissen zijner sjerp en mengde zich verder niet in ’t gesprek. + +</p> +<p>Velasco opperde nu wederom de vraag, wat er met zijn zoogenaamden neef moest worden aangevangen. + +</p> +<p>“Hij kan ons op dit oogenblik van onbeschrijfelijk veel nut zijn,” zeide Eugenio: “ik zag naar een geschikt werktuig om, dat +de achterdocht, die Maurits tegen zijn broeder heeft opgevat, kon verlevendigen, en daardoor haat en vijandschap tusschen +hen beiden en verdeeldheid in den Staat teweegbrengen. Dit werktuig heb ik in hem gevonden. Met weinige woorden zal ik u in +staat stellen, mijn plan te beoordeelen.” + +</p> +<p>Hij legde hun hierop zijn oogmerk voor, waarvan wij den uitslag nader in ons verhaal ontwikkeld zien zullen, en hetwelk wij +dus hier niet behoeven te vermelden. + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7993" href="#d0e7993src" class="noteref">1</a></span> Daar de goede Grootmeester de lessen van zijn hoogloffelijken leermeester meestal verminkt en onvatbaar ter vertaling maakt, +hebben wij deze ook gemeend te moeten achterwege laten. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e8085" href="#d0e8085src" class="noteref">2</a></span> Niet allen kunnen wij alles. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e8233" href="#d0e8233src" class="noteref">3</a></span> Vrede zij met u. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e8243" href="#d0e8243src" class="noteref">4</a></span> De Engel des Heeren heeft bij nacht de deuren der gevangenis geopend. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e8306" href="#d0e8306src" class="noteref">5</a></span> Gij zult niet doodslaan. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e8326" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Zes-en-twintigste Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph" lang="nl-1600"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Geluckt de voor-genomen daed, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>’t Loon zal een hand vol wind zijn; +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Loftuyting en een eeren-praet +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Van die met u gezint zijn.</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Maar zoo ghy ’t voornemen sneeft, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Ghy blijft en zelfs verlegen; +</span></p> +<p class="line" style=""><span>En die ’t geluck maer tegen heeft, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Krijght heel de werelt tegen.</span></p> +</div> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Den algemeynen haet en spot +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Hebt ge in ellendt te wachten. +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Of overboos of al te bot +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Zal u een yeder achten.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Camphuisen</span>. +</p> +</div> +<p>Ten einde ons verhaal regelmatiger te kunnen voortzetten, moeten wij thans onzen lezers verzoeken, zich met ons te willen +verplaatsen <a id="d0e8363"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8363">275</a>]</span>in het vorstelijk ’s. Gravenhage en aldaar in de zoogenaamde Huizinge van Brandwyk (thans het paleis des Konings), toen algemeen +bekend onder den naam van het Oude Hof, en bewoond door Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik. In het tijdvak, hetwelk wij behandelen, +begon de edele Vorst, (die tot nu toe slechts een ondergeschikte rol had gespeeld, en wiens verdiensten, hoe heerlijk die +in andere landen zouden hebben uitgeblonken, in Nederland verduisterd werden door die van zijn broeder), de aandacht der landzaten +op zich te vestigen en de noordstar te worden, waarnaar al wie de binnenlandsche tweespalten moede werd, de oogen richtte. +Zijn bekende gematigde denkwijze, de zachtheid en weldadigheid van zijn inborst, zijn geboorte vooral uit een vrouw, die tot +aan haar dood toe de verdrukte Remonstranten had beschermd en voorgesproken, en wier handelwijze omtrent hen hij, schoon van +haar in godsdienstige en staatkundige beginselen en inzichten verschillend, bedektelijk volgen bleef, dit alles, gevoegd bij +de toenemende verzwakking van den Stadhouder en de verwachting, dat het Stadhouderschap weldra in andere handen geraken zoude, +had Frederik Hendrik tot het brandpunt gemaakt, waarin zich al de wenschen der gematigden en de uitzichten der Remonstrantschgezinden +vereenigden. Op welke wijze hij de op hem gevestigde hoop wist gaande te houden en hoe daaraan door hem beantwoord werd, zal +uit het vervolg dezer geschiedenis genoegzaam blijken: terwijl wij zijn bedoelingen zullen moeten opmaken uit het navolgende +gesprek tusschen hem en zijn geheimschrijver gehouden. + +</p> +<p>“Wel Ludwig!” zeide de Graaf, terwijl hij in een eenvoudig huisgewaad het vertrek binnentrad, waarin de persoon, tot wien +hij sprak, aan een tafel vol papieren gezeten was: “wat nieuws is er hedenmorgen?” + +</p> +<p>“De huisvrouw van den Predikant Bysterus is hier geweest,” antwoordde de Secretaris, “om Uwe Doorluchtigheid te bedanken voor +de genoten ondersteuning. Ik had werk om haar weg te krijgen. Zij wilde zich met alle geweld voor de knieën van Uwe Doorl. +gaan werpen om haar vol gemoed en haar erkentenis uit te storten.” + +</p> +<p>“Zoo! wat is dat voor zotheid? Mijnheer heeft zeker uit de school geklapt. Had ik u niet gelast, haar de som, die zij hebben +moest, op een bedekte wijze te doen geworden?” + +</p> +<p>“Gelijk door mij is verricht,” antwoordde Ludwig: “doch zoo bedekte giften van ambtelooze burgers gelijk zijn aan de flikkering +eener verschietende ster, welker oorsprong niet te raden is, de geheime weldaden der grooten zijn als de zonnestralen, die +haar herkomst vanzelf verraden.” + +</p> +<p>“Vrij poëtisch,” zeide Frederik Hendrik: “op mijn eer! bij Paai Priaap<a id="d0e8375src" href="#d0e8375" class="noteref">1</a> af; doch de vergelijking verontschuldigt u niet. Gij hebt geklapt, vriend! gij hebt gebabbeld.” +<a id="d0e8378"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8378">276</a>]</span></p> +<p>“Uwe Doorl. moest meer op mijn bescheidenheid bouwen; doch zoo zij maar gelieft na te denken, dat de vrouw wel geen anderen +gever raden kon. De <span class="letterspaced">arme</span> Remonstranten <span class="letterspaced">hebben niets</span> en de <span class="letterspaced">rijken geven niets</span>: daarenboven wist zij, dat haar vrienden de hulp Uwer Doorl. hadden ingeroepen.” + +</p> +<p>“Al genoeg, al genoeg,” zeide de Graaf, ongeduldig: “wanneer gaat zij op reis?” + +</p> +<p>“Zij denkt in de volgende week zich naar Gorkum te begeven, waar men voor haar een kamertje aan de haven gehuurd heeft, met +het uitzicht op Loevestein. Zooras zij bevallen is, zal zij een verzoekschrift inleveren om bij haar man te worden opgesloten.” + +</p> +<p>”’t Welk waarschijnlijk zal afgeslagen worden, zoo ik den Raad wél ken.—Is er niets meer?” + +</p> +<p>“Er zijn twee uitnoodigingen gekomen voor Uwe Doorl.: de eene, om de plechtige hulde van den Hofbeer te komen bijwonen; de +andere, om den ondertrouw van Jonkheer Jacob Mom met Jonkvrouwe Ulrica Van Reede tot Sonheuvel met uw tegenwoordigheid te +vereeren. De Heer Baron zal zijn verzoek in persoon bij Uwe Doorl. komen herhalen, en de Ambtman verzocht ook, zijn opwachting +te mogen maken.” + +</p> +<p>“Is de bruid bevallig?” + +</p> +<p>“Ik heb haar eens als kind gezien,” antwoordde Ludwig, “en toen beloofde zij zeer schoon te worden; doch Uwe Doorl. kent haar +zeker: zij huist altijd, en ook nu, bij mijn voormalige meesteresse, de Gravin Douarière.” + +</p> +<p>“Aha zoo! dan ken ik haar wel: nu: zij is gansch niet verwerpelijk: hoe komt haar vader er toe, om haar aan een man van de +jaren des Ambtmans uit te trouwen!—Is er nog iets?” + +</p> +<p>“Een brief voor Uwe Doorl. zelve: zoo ik mij niet bedrieg in de hand van het opschrift, is hij van de Inlandsche Directeuren +der Remonstrantsche Sociëteit, <span class="letterspaced">Niellius cum suis</span>.” + +</p> +<p>“Ja waarlijk!” zeide Frederik Hendrik, nadat hij den brief haastig had opengebroken: “onderteekend door het machtige Driemanschap. +Hoe komen die lieden zoo dwaas! mij openlijk te gaan schrijven en mijn ondersteuning en voorspraak te vragen!”—Dit zeggende, +smeet hij den brief gramstorig op tafel; doch, zich bezinnende, nam hij dien als in verstrooiing weder op, vouwde hem zorgvuldig +toe en stak hem bij zich. + +</p> +<p>“Wat zal ik zeggen?” hervatte Ludwig: “de Remonstranten zien Uwe Doorl. aan als een baak in zee, waar zij allen op aanstevenen.” + +</p> +<p>“Ik weet niet, wat ik gedaan heb om die eer te verwerven,” zeide de Graaf op een gemelijken toon. + +</p> +<p>“Met verlof,” zeide Ludwig: “Uwe Doorl. heeft er nogal eenigen geholpen, en het is geen wonder, dat zij, de goedheid van Uwe +Doorl. kennende, die als een milde regen....” + +</p> +<p>“Gij zijt een gek met uw vergelijkingen,” hernam de Graaf: “ik ben niet goed, ik help geen Arminianen, en verlang deswege +níet geprezen te worden.” + +</p> +<p>Deze verklaring geuit hebbende, stond hij op en maakte zich gereed <a id="d0e8421"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8421">277</a>]</span>om te vertrekken; doch, zich nogmaals omwendende, viel zijn blik op het gelaat van den schrijver, wiens spotachtige kleine +oogen, veelbeteekenend hoofdschudden en kwalijk bedwongen glimlach genoegzaam aanduidden, dat hij aan de betuigingen zijns +meesters weinig geloof hechtte. De uitdrukking van Ludwigs gebaren had op dat oogenblik zoo iets grappigs, dat de Graaf niet +kon nalaten, nadat hij een wijl op hem gestaard had, in een luid gelach uit te bersten, waarop hij de vraag spoedig deed volgen: +“gelooft ge mij niet?” + +</p> +<p>Ludwig antwoordde niets; maar een kasboek van de tafel nemende, waarin de geheime uitgaven des Graven stonden uitgedrukt, +legde hij hem dit open voor, met den vinger die posten aanwijzende, waar de verborgene giften aan verdrukte Remonstranten +waren opgeteekend, giften, die, te zamen gerekend, een vrij aanmerkelijke som beliepen. + +</p> +<p>Hoewel in ’t algemeen weinig dingen onaangenamer zijn, dan, na iets plechtig verzekerd te hebben, van het tegendeel overtuigd +te worden, vooral, wanneer zulks door ondergeschikte personen geschiedt, nam Frederik Hendrik niettemin de vrijmoedigheid +zijns dienaars niet euvel op. Hoe toch kon hij op dezen toornig zijn? Daar het den Vorst echter uit de hem voorgelegde nota’s +bleek, dat zijn gehouden gedrag jegens de Remonstranten tot verkeerde uitleggingen kon aanleiding geven, begreep hij, te dezen +opzichte openhartig met Ludwig te moeten omgaan, volgens den regel, dat het beter is, iemand in zijn geheel vertrouwen te +doen deelen, dan hem half onderricht te laten, wijl hij in ’t eerste geval (zoo hij geen schurk is) zwijgen zal, en in het +laatste uit onwetendheid of verkeerd begrip zondigen kan. Zich wederom bij de tafel nederzettende en het voorhoofd met de +hand ondersteunende, schoof hij zijn stoel vertrouwelijk naar des geheimschrijvers zetel toe en sprak hem aan in dezer voege: + +</p> +<p>“Gij hebt gelijk, Ludwig! en ik zou om geen Konings schepter willen, dat gij ongelijk hadt, wanneer gij mij, door het openslaan +van dit boekske, bewijzen wilt, dat ik meer hulp aan de Remonstranten betoond heb, dan ik beken. Ja, ik behandel hen wèl. +Zij deelen in mijn gunst en weldaden, en zulks geschiedt op goede gronden; doch ik wil, dat het onbekend blijve: en ook hiervoor +heb ik gezonde redenen. Die redenen acht ik het, om niet miskend en veroordeeld te worden, noodig u te ontvouwen. Reeds sinds +jaren ondervonden de Remonstrantschgezinden, zoo om hun geloof als om hun staatkundige begrippen en gehechtheid aan wijlen +den Heer Advocaat, de ongenade van Zijne Hoogheid, wiens gedrag ten deze ik niet beoordeele ja wiens misprijzing ik als een +grove persoonlijke beleediging zou beschouwen. Ik, jonger en minder in staatszaken gemoeid dan mijn broeder, bekreunde mij +weinig aan de heerschende geschillen, en gaf er althans luttel om, op wat wijze verschillende sekten hunnen Heer zochten te +dienen. Dan, mijn moeder zaliger was, vooral door de vriendschap, welke zij voor haar Franschen Predikant Uyttenbogaert koesterde, +de verdrukte partij genegen en bewees haar al die diensten en hulp, waartoe zij door <a id="d0e8429"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8429">278</a>]</span>haar invloed en vermogen in staat was gesteld. Om haar te believen, zoowel als uit medelijden, en geenszins omdat ik eenige +geneigdheid tot hun leer gevoelde, volgde ik haar voorbeeld en ondersteunde nu en dan de Remonstranten, doch bedektelijk, +uit vrees voor mijns broeders ongenoegen. Eindelijk, meer deel aan het staatsbestuur verkrijgende, begon ik er mijn hoofdstudie +van te maken, om de verschillende drijfveeren na te sporen van de partijen, welke ons Gemeenebest op een zoo geduchte wijze +aan binnenlandsche onlusten ter prooi geven, en nu leerde ik oorzaken en uitwerkselen kennen, welke ik te voren nooit vermoed +had. Dan, ik ging verder: ik sloeg een oog in de toekomst, en het verschiet, ’t welk zich voor mij opdeed, was zoo duister +en vreesverwekkend, dat ik dadelijk inzag, hoe alleen de uiterste voorzichtigheid en nauwlettendheid in mijn handelingen dien +zwarten gezichteinder zou kunnen verhelderen. Ik had de krachten der wederzijdsche partijen leeren kennen en op prijs stellen, +en ik had met schrik bemerkt, hoeveel het scheelde, dat de in schijn verplette Aristocratie en Remonstrantschgezindheid ten +onder was gebracht: hoe die integendeel met een gunstig gevolg het hoofd weer zou kunnen opheffen, wanneer eens het fiksche +brein mijns broeders (wien God nog lang in ’t leven spare) den Staat niet meer bestuurde. Ik beefde terug tegen den tijd, +waarin ik, de vermoedelijke opvolger van Z. Hoogheid in ’t Stadhouderlijk bewind, het roer zou moeten aanvaarden van een zoo +geschokten en verdeelden Staat, en ik achtte mijn krachten niet geëvenredigd aan de taak, die mij zou kunnen worden opgelegd. + +</p> +<p>“Het was daarom, dat ik besloot, mijn uiterste pogingen daarheen te leiden, om, tegen den tijd, waarin het bestuur mij werd +opgedragen, het Gemeenebest, zooveel in mij was, van ontevredene en twistzoekende geesten te zuiveren: en tot bereiking van +dit oogmerk schreef ik mij een weg voor, welke ik tot heden toe zonder afwijkingen bewandeld heb. De partij der Remonstranten +openlijk te kiezen, streed zoowel tegen mijn gevoelens als tegen mijn inzichten: van een anderen kant wilde ik haar niet tot +radeloosheid gebracht zien, uit vrees eener noodlottige uitbarsting: ik begreep dus in ’t openbaar de Contra-Remonstranten +te moeten voorstaan, en in ’t geheim hun tegenstanders zooveel ondersteuning te bieden, als noodig is om hen voor volstrekte +armoede en daaruit voortkomende wanhoop te bewaren. Zoolang mijn moeder leefde, werden die giften als uit haren naam uitgedeeld; +doch na haar dood zag ik mij verplicht andere middelen te kiezen, om mijn oogmerken te bereiken. Ik openbaarde dus mijn geheim +aan eenige weinigen, op wier trouw ik mij, als op de uwe, verlaat. Door hunnen invloed en het door mij verstrekte goud is +aan menigen Remonstrant de gelegenheid bewaard gebleven, om op gezette tijden onverhinderd zijn godsdienstoefeningen te blijven +houden: de verstandigste onder hun tegenstanders beginnen aan die vergadering zich reeds te gewennen en zelfs de heethoofden +achten het onnoodig, die met geweld te verstoren: de haat en vervolgingen beginnen te verflauwen: de bezadigdheid en zucht +naar rust winnen hoe langer hoe meer veld: de <a id="d0e8433"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8433">279</a>]</span>gebannen of afgezette Predikanten zien betere tijden te gemoet, leeren geduld oefenen en zich een onderdrukking getroosten, +die niet lang meer duren kan: ja, de Regeering zelve vermindert haar gestrengheid, ziet met oogluiking aan wat zij beletten +kon, is minder ijverig in het vastzetten en verbannen, laat zorgeloos haar gevangenen ontsnappen en draalt in hen te achterhalen: +in één woord, alles bevestigt mij in ’t denkbeeld, dat de tijd niet ver af is, wanneer haat en tweedracht uit dit Gemeenebest +verbannen zullen worden en regenten en burgerij zich weder als voorheen zullen beijveren, om, met aflegging van onderlingen +wrok, hun pogingen alleen aan te wenden tot verdediging van den lande en tot beschaming der vijandelijke machten.” + +</p> +<p>Hier zweeg Frederik Hendrik; maar nog een geruimen tijd bleef hij in dezelfde houding zitten, en zijn groote, vriendelijke +oogen, waarin zijn menschlievende en waarlijk edele ziel geheel leesbaar was, flikkerden van tevredenheid over het schoon +verschiet, ’t welk hij zich in de toekomst voorspelde. + +</p> +<p>“Ik bewonder de wijsheid, welke uitblinkt in al de daden Uwer Doorl.,” zeide Ludwig: “hoe gaarne zou ik wenschen, dat de hoop, +welke Uwe Doorl. streelt, eenmaal vervuld mocht worden; dan, helaas! daar is, thans, naar mijn oordeel weinig kans op.” + +</p> +<p>“Hoe dan!” riep de Graaf uit: “wat doet u vreezen?” + +</p> +<p>“Het nieuwe decreet, dat eerlang genomen zal worden,” antwoordde Ludwig: “waarbij de plakkaten tegen de Arminianen versterking +ontvangen: men zegt dat zelfs op het herbergen, ja op het ondersteunen alleen van een Remonstrant, eeuwige ballingschap zal +gesteld worden.” + +</p> +<p>“Wie heeft u die zotheid in ’t hoofd gebracht?” vroeg Frederik Hendrik, veinzende een gezegde in den wind te slaan, dat hem +innerlijk verontrustte. + +</p> +<p>“De commies van den Procureur-Generaal. Het is een zaak, naar men zegt, beklonken tusschen den Heer Raadpensionaris, den Heer +Procureur-Generaal, den Heer van Sommelsdyk, en een paar razende Predikanten: ook is mij verhaald, dat daartoe aanleiding +gegeven hebben de oproerige en woeste conventikelen, welke onlangs, ja zelfs hier ter stede, onder de Arminianen gehouden +zijn.” + +</p> +<p>“Wat gij zegt!” hernam de Graaf op denzelfden toon als te voren. + +</p> +<p>“Uwe Doorl. zal aan de uitkomst kunnen beoordeelen, of ik al dan niet waarheid heb gesproken. Dit is zeker, dat er ten huize +van een kastelein alhier, wien ik niet noemen mag, wat al te grove dingen gepredikt zijn.” + +</p> +<p>“Praatjes!” riep Frederik Hendrik met een gemaakten glimlach. + +</p> +<p>“Ik heb iemand gesproken, die ’t zelf gehoord heeft, den jongen Bleiswyk, die overal met den neus bij is; die heeft het mij +verteld.” + +</p> +<p>“Zoo!—Nu, ik wenschte wel zulk een oproerige vergadering eens bij te wonen. Dat moet er al zonderling toegaan.” + +</p> +<p>“Niets is gemakkelijker: ik neem aan, Uwe Doorl. naar een bijeenkomst te geleiden, waar niemand haar kennen zal.” + +</p> +<p>“Ik zou bijkans trek gevoelen om u aan uw woord te houden<span id="d0e8461" class="corr" title="Niet in bron">,</span>” <a id="d0e8464"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8464">280</a>]</span>zeide Frederik Hendrik: “indien ik niet begreep aan mijn waardigheid te kort te doen, door uw voorstel aan te nemen.” + +</p> +<p>“En ik,” zeide Ludwig, met een buiging, “zou Uwe Doorl. sterk aanraden zulks te doen. Het zou Uwe Doorl. voor eeuwig van alle +vooringenomenheid met de Arminianen genezen.” + +</p> +<p>“Wij zullen zien,” hervatte de Graaf, lachende: “doch het wordt mijn tijd. Zijne Hoogheid wacht mij voor de laatste onderhandeling: +met de Spaansche gezanten: wellicht hoor ik nog iets van dat nieuwe decreet. Tot wederziens.”—Dit zeggende, wilde hij vertrekken. + +</p> +<p>“Met verlof!” zeide Ludwig: “Uwe Doorl. weet wel, dat zij den brief der Remonstrantsche Directeuren bij zich gestoken heeft. +Zal ik daar geen kopie van houden?” + +</p> +<p>Zonder te antwoorden, trad de Graaf toe, leide den brief op tafel en vertrok. + +</p> +<p>Alleen gebleven zijnde, haastte zich de Secretaris, van dien brief een dubbele kopie te maken, waarvan hij de eene bij de +papieren zijns meesters voegde, en de andere een geruimen tijd in de hand hield, als besluiteloos, wat er mede te verrichten. +Eindelijk rukte hij een verborgen lade uit de schrijftafel, schoof de kopie er haastig in en begon eenige andere schriften +en papieren, welke in die lade gelegen waren, te lezen, zonder die er uit te nemen, ze met beide handen vasthoudende, ten +einde ze bij de minste stoornis te kunnen inschuiven. Na deze verrichting sloot hij de lade weder en wandelde in hevigen gemoedsangst +de kamer op en neder, somtijds de zweetdroppelen afvegende, die langs zijn wangen liepen. “Ben ik geen groote gek?” vroeg +hij zichzelven: “en den hond gelijk, die zijn prooi voor den schijn in ’t water vallen liet? En echter, een post als die van +Pensionaris!.... of een kop korter!.... kom! kom! ik ben te ver gegaan om kinderachtig te worden.” + +</p> +<p>Een bode kwam zijn verdere overdenking storen, door hem een onbekende vrouw aan te melden, welke den Heer Secretaris verlangde +te spreken. + +</p> +<p>“Een onbekende vrouw!” mompelde Ludwig: “hm! hm! zeker weder de eene of andere onbestorven Arminiaansche weêuw. Laat zij komen.” + +</p> +<p>De bode verliet het vertrek en leidde, terugkeerende, een vrouw binnen, van een groote en deftige gestalte, doch geheel onder +haar huif bedekt: vervolgens, een stoel gezet hebbende, vertrok hij. + +</p> +<p>“Wat is er van uw dienst, vrouwtje?” vroeg Ludwig, haar een teeken gevende om te gaan zitten. + +</p> +<p>“Kent gij mij niet meer, Ludwig?” vroeg de kamenier der Freule Van Sonheuvel, haar huif oplichtende en op hem een vriendelijker +blik werpende, dan waarmede zij gewoon was iemand te verwaardigen. + +</p> +<p>“Moeder!” riep Ludwig, een stap achteruittredende. + +</p> +<p>“Stil!” hernam Magdalena: “dien naam mag ik niet hooren.... en toch! waarom treedt gij terug op mijn gezicht? waarom vind +ik u zoo koud na een zoo lange afwezigheid? Bemint mijn zoon mij niet meer?” + +</p> +<p>“Kunt gij daaraan twijfelen?” vroeg Ludwig, haar de hand kussende: <a id="d0e8492"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8492">281</a>]</span>“doch uw plotselinge verschijning verraste mij:—hoe onvoorzichtig! indien iemand u hier zag....” + +</p> +<p>“Dan zoudt gij u schamen, nietwaar, dat men u in een vertrouwelijk gesprek zag met de kamenier der Freule Van Sonheuvel?—Zoek +u niet te verontschuldigen: ik ken sedert lang dat ijskoud hart, hetwelk zich alleen voor het eigenbelang opent: ik weet, +dat gij u zelven tot het eenige doel maakt van al uw wenschen, verwachtingen en handelingen.” + +</p> +<p>“Integendeel, moeder: ik ben verheugd u zoo wel geplaatst te zien.” + +</p> +<p>Eene hevige verontwaardiging deed, bij ’t hooren dezer woorden, de kaken van Magdalena gloeien, en haar oogen wierpen vlammende, +toornige blikken op haar ongevoeligen zoon. “Ellendige belangzoeker!” zeide zij: “waarover verheugt gij u? Dat de dochter +des Graven van Wertheim in den lagen en verachtelijken stand van dienstbode verkeert?—of dat gij, nu zij voor haar onderhoud +niet meer bekommerd is, ontslagen zijt van den plicht, die op u rustte, en waarvan gij u altijd zoo slecht gekweten hebt, +om haar het dagelijksch brood te schenken? Wee mij! de vloek mijner moeder drukt mij zwaar op ’t hoofd, nu ik door mijn eigen +zoon, voor wiens welzijn ik zooveel heb uitgestaan, veracht en verstooten worde.” + +</p> +<p>“Ik zie geen reden om zoo heftig in drift te geraken,” zeide Ludwig, ongeduldig op zijn pen knauwende: “gij hebt u immers +over niets te beklagen? dat gij kamenier zijt geworden is uw eigen verkiezing geweest: dat ik u niet meer geld zond, toen +gij nooddruft leedt, is mijn schuld niet: men wist nooit waar gij u bevondt, en ik zelf had niet veel te geven, daar ik de +grootste helft mijner verdiensten voor de goede zaak heb opgeofferd. En wat de weldaden betreft, die ik van u zou genoten +hebben, ik beken dat ik werk heb, die te ontdekken. Ik ben u weinig verschuldigd, die mij als een basterd de wereld hebt ingestuurd, +om een leven vol zorg en kommer te leiden.” + +</p> +<p>De ongelukkige moeder wilde antwoorden; doch de koude, gevoellooze taal haars zoons deed de stem haar in den gorgel stikken, +en voor het eerst, na lange jaren, berstte zij, de hooghartige vrouw, in tranen uit. + +</p> +<p>“Ween niet, moeder!” zeide Ludwig, haar naderende, schoon zij hem terugstootte: “ween niet en vergeef mij mijn harde woorden: +ik zou die nooit gebruikt hebben, zoo uw verwijtingen ze niet hadden uitgelokt. Ween niet en vergeef mij wat ik in drift gezegd +heb. Ik weet, dat gij mij bemint en uw zorg mij nooit hebt onttrokken, ook toen ik in vreemde handen mijn opvoeding genoot +en mijn eigen loopbaan volgen moest. Laat ik die tranen afdrogen en herken uwen Ludwig nog.” + +</p> +<p>Welke moeder wederstaat de smeekingen van haar zoon, ook op het oogenblik dat hij haar hart verscheurd heeft? Magdalena weerde +den boetwaardige af; doch met mindere strengheid: en zich herstellende, sprak zij: + +</p> +<p>“Ik dacht, Ludwig! dat ik geen tranen meer had, en echter zie <a id="d0e8510"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8510">282</a>]</span>ik dat gij die nog kunt doen vlieten. Ondankbare! gij zegt, dat gij mij niets verschuldigd zijt? en wie anders, dan ik, heeft +u bij de Gravin van Nassau geplaatst, wier voorspraak u naderhand tot hoogere posten heeft doen geraken? wie anders, dan ik, +heeft u, te midden van ketters, voor ’t ware geloof doen leven? wie anders deed u de heilige bestemming erlangen om, in dit +vijandig land, de eer te genieten van uwen geloofsgenooten ten dienst te staan? wie zal de eerste oorzaak genoemd worden, +dat gij eenmaal, wanneer de dierbare Moederkerk hier zegepraalt, tot de hoogste waardigheden geroepen, den dank van allen +zult ontvangen, als de man, aan wien Rome en Spanje het meest verschuldigd zijn!” + +</p> +<p>“Ik wil u niet weder bedroeven, moeder!” zeide de Secretaris, op den minzaamsten toon; “doch waarlijk, ik beschouw het als +zulk een groot geluk niet, dat ik, mijn gansche leven door, de weinig geachte rol van verspieder spelen moet, en hen gedurig +bedriegen, die mij de meeste gunst bewijzen.” + +</p> +<p>“Wijt dit aan de omstandigheden, die ons de list tot plicht hebben voorgeschreven, en niet aan mij,” antwoordde zijn moeder. +“Noodzakelijkheid drijft u en mij.” + +</p> +<p>“Ik stem u dit toe,” zeide Ludwig: “doch,” vervolgde hij met een flauwe stem: “was het ook noodzakelijkheid, toen ik, om aan +de bijzondere wraak van Pater Eugenio te voldoen, den jeugdigen Graaf van <span id="d0e8518" class="corr" title="Bron: Falckenstein">Falckestein</span>, den oudsten zoon mijner weldoenster, aan het staal der moordenaren opofferde?” + +</p> +<p>Magdalena zweeg en zag zuchtende voor zich. + +</p> +<p>“Was het ook noodzakelijkheid<span id="d0e8525" class="corr" title="Niet in bron">,”</span> vervolgde hij, “dat ik in dit afschuwelijk eedverbond tegen uw meester, den Baron Van Sonheuvel, heb moeten treden, ten gevalle +van dienzelfden vervloekten Jezuïet?” + +</p> +<p>“Zwijg stil om Godes wil,” zeide Magdalena, hem snel de hand op den mond leggende: “gij weet niet wien gij vloekt.” + +</p> +<p>“Ik weet zeer wel,” hernam hij, “dat ik van eenen, in uw oogen eerwaardigen man spreek, aan wiens leiding en bevelen gij mij +gelast hebt, onbepaald gehoor te geven, en die mij eens een plaatsje op het rad aan zijn zijde bezorgen zal. Ik weet wat zijne, +en, vergeef mij, wat uwe inzichten zijn. Dan reeds al te lang ben ik hem gehoorzaam geweest, zonder andere vrucht voor mijzelven +dan onrust hier,” de hand op het hart leggende, “en vrij twijfelachtige verwachtingen in de toekomst.” + +</p> +<p>“Onrust!” herhaalde Magdalena verbaasd: “wat kan u ontrusten, wanneer gij voor uw Kerk en uw wettige Vorsten uw plicht volbrengt? +of zoudt gij thans, om eenig gewin en zekerheid voor u zelven, de partij, waaraan gij zoolang zijt getrouw geweest, verraden, +en een plasdank bij uw kettersche meesters af gaan bedelen?” + +</p> +<p>“Ik weet het niet,” antwoordde haar zoon, terwijl hij zuchtende de schouders optrok: “Ik kan zelf niet beoordeelen, wat in +de tegenwoordige omstandigheden voor mij het beste zou zijn.” + +</p> +<p>“O!” zeide Magdalena, “die beslissing kan u niet zwaar vallen. Wanneer gij alles met den maatstaf uwer baatzuchtige inzichten +afmeet, <a id="d0e8538"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8538">283</a>]</span>dan moet gij u haasten, al de opofferingen, welke gij tot heden toe gedaan hebt, al de vruchten van uw tot nog toe verrichten +arbeid, als nutteloos en nietig te vergeten en uw geloofsgenooten, met al die tot ons verheven doel werkzaam waren, bij uw +meesters te gaan verraden. Want, is de hooge belooning, die Spanje en Rome u schenken zouden, nog onzeker, de bloedprijs voor +het overleveren onzer bondgenooten kan u niet ontgaan.” + +</p> +<p>“Overleg eens ernstig, lieve moeder! in welk geval ik het meest den naam van verrader verdien.” + +</p> +<p>“Kortzichtige! die uw plicht alleen met de oogen des vleesches beschouwt, en die geen andere vierschaar kent, waar onze daden +beoordeeld worden, dan de denkwijze van ’t algemeen. En acht gij dan het misnoegen niet van Hem, wiens wijsheid u tot het +heerlijk werk der verlossing heeft verkoren? en acht gij den vloek uwer moeder niet, die op uw schedel dalen zoude, indien +uw dagen door afval geteekend werden? Zie deze haren, mijn zoon! die vóór den tijd vergrijsd zijn geworden, zult gij ze met +schande bedekken of met eere kronen?—Het hangt van u af, van u alleen. O mijn Ludwig! toen ik u, nog een teedere knaap, uit +mijn gezicht verwijderde en in vreemde handen overgaf, toen smeekte ik den Hemel, dat hij in u den held zou kiezen, die te +midden der ketters zijn geloofsgenooten dienen mocht. Toen waande ik, verblinde, dat gij eenmaal het werktuig wezen zoudt, +dat deze heerlijke, maar verdoolde gewesten onder den staf des eenigen Herders terug moest brengen. Toen streelde een, misschien +zondige, hoogmoed mijn ziel, dat ik eenmaal uwen naam als dien van Romes getrouwsten en ijverigsten dienaar zou hooren prijzen. +Helaas! hoe fel worde ik gestraft voor dien vermetelen waan! Hoe weinig beantwoordt gij aan de heerlijke vooruitzichten, welke +mij uw daden in den beginne beloofden ... dan genoeg! ik lees in het ongeduld, dat zich in al uw trekken vertoont, de bekrompenheid +uwer ziel. Welaan dan, ik wil, u ten gevalle, alles uit een bloot menschelijk oogpunt beschouwen: dan nog vordert uw eer, +ja uw belang, dat gij niet afwijkt van den eenmaal ingeslagen weg. Want, stel eens, dat gij aan den trotschen dwingeland of +aan zijn flauwhartigen broeder onze geheimen verraadt: wat zal dan uw volgend lot wezen? waar zult gij het goud, den prijs +uwer schande, gaan verteren? In al die landen, waar het zuivere licht der waarheid straalt, zou uw leven niet veilig zijn, +en bij hen, wier kettersche gunst u beloonen moest, zult gij, als een verspieder, veracht en geschuwd worden. Waar gij u zult +willen nederzetten, overal zullen vloek, haat en verfoeiing uw deel zijn, en met Kaïns merk op het voorhoofd zult gij, ellendig, +vervolgd en ontweken, als banneling op aarde moeten rondzwerven, totdat gij eindelijk met den vloek der wereld beladen, in +het graf een schuilplaats zoeken zult, die u nog voor den toorn des Eeuwigen niet bevrijden kan.” + +</p> +<p>“Na al hetgeen ik reeds gedaan heb,” zeide de geheimschrijver op den bedaardsten toon der wereld, “verdien ik zooveel gestrengheid +niet. Wees gerust, moeder! ik zal geen besluit nemen dat u bedroeven zou; doch niemand misprijze het, indien ik mijn daden +<a id="d0e8546"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8546">284</a>]</span>door voorzichtigheid besturen laat. Vergeten wij al het over en weder gezegde, en laten wij voortaan in onze gesprekken geen +anderen toon voeren, dan dien, welke onze nauwe betrekking voegt.” + +</p> +<p>“Dat zal van uw gedragingen afhangen,” zeide Magdalena, en stak hem tot verzoeningsteeken haar hand toe, welke hij kuste. +Op dit oogenblik trad de bode binnen en meldde een vreemdeling aan. + +</p> +<p>“Laat hij een oogenblik vertoeven,” zeide Ludwig.—“Welnu, moeder!” vervolgde hij, na het vertrek des bedienden: “hebt gij +nog iets te bevelen? Gij ziet, dat mijn oogenblikken mij niet toebehooren.” + +</p> +<p>“Dit pakket,” zeide Magdalena, een dik pak uit haar boezem te voorschijn halende, “moet aan den Kanselier bezorgd worden. +Het bevat rapporten van onderscheidene geloofsgenooten over den staat van zaken hier te lande.” + +</p> +<p>“Het zal bezorgd worden,” hernam Ludwig, het pakket aannemende: “ik moet de gezanten toch nog spreken vóór hun vertrek uit +Den Haag.” + +</p> +<p>“En deze brief,” vervolgde zij, “is voor den Veldheer Spinola.” + +</p> +<p>“Waarschijnlijk van den Ambtman,” hernam hij: “ja, ik herken die hand. ’t Is wel: ik hoop slechts, dat ik hem te zien zal +krijgen. Is er nog iets?” + +</p> +<p>Magdalena beantwoordde deze vraag ontkennend, drukte hem de hand, trok haar falie weder over ’t gezicht en verwijderde zich; +waarna Ludwig, de brieven zorgvuldig verborgen hebbende, den bode riep en hem gelastte, den vreemdeling binnen te laten. + +</p> +<p>“Ik heb daar een zwaren post gehad,” mompelde hij bij zichzelven, terwijl hij het nieuwe bezoek verwachtte; “nu, alles zal +afhangen van mijn gesprek met de gezanten. Praatjes helpen niet meer. Ik moet zekerheid hebben!—Wat verlangt UEd.!” vervolgde +hij overluid, zich tot een jongeling wendende, die, eenvoudig doch smaakvol gekleed, binnentrad. + +</p> +<p>“Mijn boodschap was eigenlijk aan Zijne Doorl. in persoon gericht,” zeide de vreemdeling, “doch, daar UEd., naar ik verneme, +de vertrouwde geheimschrijver Zijner Doorl. zijt, geloof ik, mij van mijn plicht genoegzaam te kwijten door mijn boodschap +aan UEd. te doen.” + +</p> +<p>“Zooals UEd. verkiest; wat ik ontvang, ontvangt Zijne Doorluchtigheid.” + +</p> +<p>Terwijl de andere zijn buis ontknoopte om de daarin verborgene papieren voor den dag te halen, en de Secretaris opgerezen +was om die te ontvangen, zagen beiden elkander gedurig steelswijze aan; want beiden herinnerden zich, elkander meer gezien +te hebben; doch waar en wanneer, dit wisten zij zich niet zoo oogenblikkelijk te binnen te brengen. + +</p> +<p>“Ik ben uit Den Bosch gekomen,” zeide de onbekende, eenige brieven voor den dag halende. + +</p> +<p>“Uit Den Bosch,” zeide Ludwig haastig: “ga zitten: schuif wat naderbij, als ’t u belieft. Gij komt toch niet van.... van, +gij weet wel wien....” Dit zeggende, zag hij hem scherp in ’t gezicht, <a id="d0e8574"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8574">285</a>]</span>als wilde hij de aanvulling van den volzin aan den vreemdeling overlaten, wien hij voor een der medegenooten van Pater Eugenio +hield. + +</p> +<p>“Ja, ik weet zeer wel van wien ik kom,” antwoordde de ander, op een toon, die Ludwigs vermoeden versterkte. + +</p> +<p>“Van den zwarten vos misschien?” zeide Ludwig, den Jezuïet bedoelende. + +</p> +<p>“Ik geloof van ja,” antwoordde de vreemdeling, die in den waan verkeerde, dat de geheimschrijver een der verbannen Predikanten +bedoelde. + +</p> +<p>“Ik had mij gevleid,” <span id="d0e8584" class="corr" title="Bron: herman">hernam</span> Ludwig, fluisterend, “dat hij zelf hier zou komen snuffelen.” + +</p> +<p>“Hij zou er wel op passen,” zeide de ander: “hij zou hier slecht ontvangen worden.” + +</p> +<p>“Als gij denkt, dat hem zulks zoude afschrikken, dan kent gij den Pater niet. Doch, wat mij verwondert,” vervolgde Ludwig, +wiens vermoedens op dit oogenblik tot zekerheid oversloegen, “is dat hij den pleegzoon van den Baron Van Sonheuvel tot zijn +zendeling uitkipt.” + +</p> +<p>“Met uw verlof,” zeide Joan, die van zijn kant den geheimschrijver herkende: “ik heb wel eens zendelingen zien uitkiezen, +waarop men minder reden had van te vertrouwen.... ik geloof, dat ik vroeger de eer had, u te ontmoeten.” + +</p> +<p>“Verheugd u weer te zien,” zeide Ludwig, zich buigende: “doch hoe duivel komt Pater Eugenio....? ik vat er niets van.” + +</p> +<p>“Gij kent Pater Eugenio?” hernam Joan verbaasd: “doch waarover verwonder ik mij? Nu ik mij wel herinner, uw brief indertijd +aan Klaas Meinertz gezonden.... de kennis, die gij aan mijn geboorte hadt.... ik geloof, dat u meer zaken bekend zijn, dan +menig ander.” + +</p> +<p>“Ik ken Don Diego de Velasco, en dit moet u genoeg zijn om mij al die berichten mede te deelen, welke gij geraden oordeelt.” + +</p> +<p>“Is mijn nieuwe naam reeds herwaarts overgewaaid?” vroeg Joan: “doch gij kendet dien sedert lang. Welnu, mijn boodschap is +zeer eenvoudig en zal geen lang betoog behoeven. Dit pakket vervat ettelijke brieven, alsook een paar handschriften van de +Remonstrantsche ballingen, die zich thans in Brabant bevinden, en aan Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik toegezonden, om +daarmede naar goedvinden te handelen. Gemelde Heeren waren van oordeel, dat niets de oprechtheid hunner bedoelingen meer zou +aantoonen, dan wanneer zij hun zaak in handen stelden van zulk een voornamen en onpartijdigen Vorst als Zijne Doorluchtigheid.” + +</p> +<p>“Aha!” zeide Ludwig: “gij komt dus van de Remonstrantsche Heeren? dat verandert de zaak; ofschoon het mij verwondert, dat +de kweekeling van Ds. Raesfelt zich met Arminianen ophoudt.” + +</p> +<p>“Het was het verlangen van Don Louis,” antwoordde Joan, wiens ronde oprechtheid geen strikvragen vermoeden kon, “het was het +verlangen mijns ooms, aan wiens tafel ik den Heer De Groot en diens vrienden ontmoette, dat ik mij met de waarneming hunner +belangen zou ophouden en mij op die wijze tot een mogelijke herstelling der rust laten gebruiken. Terwijl de Gezanten des +Konings <a id="d0e8605"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8605">286</a>]</span>van Spanje met Prins Maurits aan een vredesverdrag werkzaam zijn, zou ik het mij tot een waar genoegen rekenen, hier den binnenlandschen +krijg te helpen smoren.” + +</p> +<p>“Gij zijt dus met de Gezanten gekomen?—En hoe komt het dan, dat ik u thans eerst hier zie?” + +</p> +<p>“Eerst gisteren kwam ik hier. Ik heb zoolang in Den Bosch gewacht tot deze brieven vaardig waren. Doch ik heb ook een mondelinge +boodschap aan Z. D. Wanneer zou ik bij Haar kunnen worden toegelaten?” + +</p> +<p>“Zoo! hebt gij een mondelinge boodschap?—Ja, heden zal er moeilijk kans voor u zijn, die af te leggen. Wanneer vertrekt gij?” + +</p> +<p>“Morgenmiddag naar alle gedachten, met de Heeren van het Gezantschap.” + +</p> +<p>“Welnu! keer dan morgenochtend te negen uren hier terug, en ik zal Z. D. van uw komst verwittigen; maar wees zoo goed, dit +papier weder bij u te steken: ik heb liever, dat gij het in eigen persoon aan Z. D. overhandigt. Ik ben om goede reden een +weinig huiverig, om mij met een dusdanige commissie te belasten.” + +</p> +<p>“Zooals gij verkiest,” hernam Joan, het pakket weder bij zich stekende: “gij zegt dan, morgenochtend....” + +</p> +<p>“Te negen uren. Vaar intusschen wel, Heer Gezant.” + +</p> +<p>“Ik heb de eer u te groeten, Heer Secretaris!” zeide Joan en vertrok. + +</p> +<p>“Morgenochtend te negen uren!” herhaalde Ludwig, zoodra hij alleen was. “Tegen dien tijd zit gij, waar men u zoo licht niet +vandaan laat vliegen. De haas is in den strik geloopen, waar hem niets uit redden zal. Was nu Eugenio maar hier.... dan kom! +heb ik geen eigen genie genoeg om thans den weg te zien, dien ik volgen moet? Spoedig de brieven aan de Gezanten bezorgd en +dan.... Doorluchtig Broederpaar, gij zult mij al te slim zijn, indien ik hier niet voor morgen een Thebaïs van tweedracht +en vijandschap verwek.” + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e8375" href="#d0e8375src" class="noteref">1</a></span> Cats. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e8625" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Zeven-en-twintigste Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Dat’s er éen, dat’s er een, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Ter waereld schoonder geen, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Dat yder moet belijen. +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Ontgin hem maar eens, heen en weêr, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>En denk dat uit een anders leêr, +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Goed riemen is te snijen.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Jan de Regt</span>. +</p> +</div> +<p>Het was op den volgenden morgen, dat, omstreeks acht uren, de plechtige overdracht van den Hofbeer, door die van Utrecht aan +<a id="d0e8648"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8648">287</a>]</span>den Hove van Holland geschieden zou. Deze zoogenaamde Hofbeer was niets anders dan een mannetjes-varken, het grootste en vetste +dat in de provincie Utrecht te vinden ware en hetwelk jaarlijks op zekeren bepaalden dag als een hulde en tot een teeken van +onderdanigheid met de noodige plechtigheden werd aangeboden. De oorsprong van dit gebruik is bij geen schrijver aangeteekend +en ligt derhalve in het duister; hoewel sommigen beweren, dat de oorzaak daarvan gezocht moet worden in de overrompeling en +plundering van Den Haag, in den jare 1528, door de Gelderschen onder Maarten Van Rossem, en dat, vermits die geschied was +door toedoen van die van Utrecht, Keizer Karel, wanneer hij in het volgende jaar de stad bij verrassing innam en namaals de +<span class="letterspaced">temporaliteit</span> of het wereldlijk bestier daarvan bij verdrag bekwam, hun tot straf en eeuwige gedachtenis van een zoo stout bestaan zou +opgelegd hebben het leveren van een beer of mannetjes-varken aan den Hove van Holland. Hoe ’t zij, zeker is het, dat de Magistraat +van Utrecht verplicht was, alle jaren op zekeren gezetten dag aan den Hove op te brengen zoodanigen beer of zwijn, dat alsdan +aan een paal, staande op het Binnenhof, eenige dagen werd tentoongesteld, vervolgens geslacht en onder den Stadhouder (die +’t hoofd kreeg) en zijn Raden verdeeld. + +</p> +<p>Reeds een uur voor de plechtigheid waren het Binnenhof en de straten, welke het ongure dier moest doortrekken, met toeschouwers +gevuld. De schutterij der stad, bij deze gelegenheid in de wapenen gekomen, maakte hier en daar de bezetting uit, welke de +orde bewaren moest: de winkels, welke te dien tijde de Groote Zaal op het Binnenhof omringden, en waar men alle voorwerpen +van galanterie verkrijgen kon, stalden hun beste waren uit: in één woord, het gansche plein leverde een bijzonder vroolijk +en levendig voorkomen op. + +</p> +<p>Onder de toeschouwers bevond zich, als natuurlijk was, de Jonker van Bleiswyk, dezelfde, van wien Ludwig (in het vorige hoofdstuk) +had aangemerkt, dat hij overal met den neus bij was. Hij had zich, ook thans een der beste plaatsen uitgekozen, om alles wel +te aanschouwen en op te nemen. Hij stond namelijk tegen een der torens van het groote gebouw geleund, van waar hij èn den +weg waar het zwijn langs moest komen, èn de paal, en eindelijk de ramen van het Hof op zijn gemak kon zien. + +</p> +<p>“Ik hoop,” zeide hij tegen een deftigen, in ’t zwart gekleeden Heer, die naast hem stond, “dat Utrecht van ’t jaar een fatsoenlijker +varken sturen zal, dan dat van verleden jaar.” + +</p> +<p>“En wat haperde daaraan?” vroeg de ander. + +</p> +<p>“Weet UEd. dat niet?—Wel het beest was zoo slecht onderwezen, dat het, zoodra het aan de paal lag, allerlei onbeleefdheden +beging; ik zelf stond er vlak bij: de rozen van mijn schoenen waren glad bedorven.” + +</p> +<p>“Wat deedt gij er ook zoo dicht bij te staan? laat dat aan de straatjongens over,” zeide de deftige man. + +</p> +<p>“Met uw verlof! ik had gewed dat het dier niet deugde, en wilde <a id="d0e8667"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8667">288</a>]</span>mij daarvan verzekeren; ook had ik niet misgeraden; want toen de Rentmeester des Espargne het slachten liet, werd het gortig +en vuil bevonden, zoodat de Raden aan den Magistraat van Utrecht om een ander schreven: ik heb den brief zelf gelezen: hij +begon met het varken en eindigde met een Christelijk gebed!.... nu, er kwam een ander beest, en toen waren onze lekkerbekken +uit den brand, Ik heb zelf bij Zijne Doorluchtigheid van den kop gegeten. Hij was puik puik!” + +</p> +<p>“Ik denk toch, dat dit zotte gebruik van de min verlichte tijden niet lang meer duren zal,” hervatte de andere spreker. + +</p> +<p>“Daar zal eens een hartig woordje bij de aanstaande vergadering over gewisseld worden,” zeide Bleiswyk: “Ik heb het zelf van +den Heer Duyk gehoord. Nu, die van Utrecht hebben ook heftige klachten ingeleverd, en waarover, denkt gij? Niet over den last +van den beer te leveren; maar omdat de eer van het lieve beestje hun zoo nauw aan ’t hart ligt, dat zij niet verduwen kunnen, +dat het aan de kaak gelegd wordt en dat er de jongens baldadigheden mede bedrijven, let wel, tot hun schimp en spot: zoo luidt +hun missive, die ik zelf gelezen heb. Daarom heeft men heden den ring en ’t ijzer van den paal afgeslagen, opdat het geen +kaak zou gelijken. Ten minste zoo heb ik zelf van den griffier gehoord.” + +</p> +<p>“Het schijnt mij toe, dat UEd. van alles bijzonder wel onderricht is.” + +</p> +<p>“Dat placht zoo te zijn, mijn waarde Heer! dat placht zoo te zijn; ten tijde van wijlen den Heer Advocaat was ik spoediger +achter de zaken dan tegenwoordig. Z.Ed. had veel goedheid voor mij: alles vertelde hij mij eer iemand het wist; ik maakte +ook veel werks van den ouden man: nu! ik heb hem ook tot aan zijn dood toe eer bewezen: ik heb zelfs geen vier treden van +hem afgestaan, toen hij onthoofd werd: ik had een treffelijk plaatsje op ’t schavot, vlak achter den Fiskaal.” + +</p> +<p>“UEd. wilde hem zeker in het uiterst bijstaan.” + +</p> +<p>“Dat juist niet, mijn beste! dat liet ik aan Lamotius over; maar als men zulke goede vrienden geweest is! ... en daarenboven.... +ik zie gaarne alles... UEd. heeft zeker gisteren de Spaansche gezanten zien wegreizen.” + +</p> +<p>“Gisteren!” zeide een welgekleed jongeling die aan zijn andere zijde stond: “ik dacht dat zij hedenmiddag....” + +</p> +<p>“Abuis, mijn vriend! gisteravond te halfnegen zijn zij de poort uitgereden. Ik heb hen zelf van Z. H. afscheid zien nemen.... +Zijne Hoogheid schudde hartelijk de hand van Spinola bij ’t vertrekken: nu Generaal! zeide Z. H., waar zien wij elkander weder? +En de Marquis antwoordde: ik hoop Uwe H. bij Bergen-op-Zoom. welgewapend te ontmoeten.... nu denkt Z. H., dat Spinola ons +juist van een anderen kant aan zal vallen: maar de Marquis vertelt altijd aan een elk wat hij in ’t zin heeft, opdat men het +tegendeel zou gelooven; dat heeft Z. H. mij dikwijls zelve gezegd.” + +</p> +<p>“Wij zullen dus oorlog hebben,” zeide de zwarte man. + +</p> +<p>“Natuurlijk,” hervatte Bleiswyk: “dat was lang van te voren <a id="d0e8689"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8689">289</a>]</span>beslist, gelijk mij al die van de zaak weten gezegd hebben; maar het leger zal er vrij wat minder uitzien dan voor twintig +jaren: toen was het een andere troep als thans!” + +</p> +<p>“Dat heeft men UEd. zeker ook gezegd,” zeide de deftige Heer spottende: “want ik twijfel of UEd. het gezien heeft.” + +</p> +<p>“Ik was toen nog een knaap,” hervatte Bleiswyk; “doch ik hield veel van alles te zien en te vernemen; maar eilieve zie eens.... +kent gij dien man met zijn rooden neus wel, die daar ginds door de schaar heendringt?—Niet?—Dat is de Arminiaansche Predikant +Groenhovius;.... maar waar loopt UEd. zoo haastig naar toe?” + +</p> +<p>Hier verliet de zwarte man zonder te antwoorden zijn plaats en verloor zich weldra in de menigte, gelijk ook de Predikant. + +</p> +<p>“Ik verwed mijn vederbos tegen een oude beddekwast, dat die zwartrok een Arminiaan of een spion van ’t gerecht is!” vervolgde +Bleiswyk, zich tot den jongen onbekende wendende: “UEd. ziet dien Dominee na: ja, die is eigenlijk gebannen, maar hij wil +’t niet weten.—Heeft UEd. wel ooit een Arminiaansche predikatie bijgewoond?” + +</p> +<p>“Ik dacht dat het verboden was, op die bijeenkomsten te gaan,” zeide deze. + +</p> +<p>“Dat is te zeggen,” hernam Bleiswyk op een gewichtigen toon: “het is verboden er te gaan uit godsdienstige oogmerken; maar +om zijn nieuwsgierigheid te voldoen, mag men er gerust heen trekken, en met dat oogmerk alleen ben ik er heen geweest.” + +</p> +<p>“Een fijne distinctie!—En was UEd. nogal voldaan over de predikatie?” + +</p> +<p>“Denk je dat ik naar het gerammel van dien kwijlbaard geluisterd heb? om geen geld; maar naast mij zat een zoet zusje, dat +de moeite wel waard was, om gezien te worden: ik zeg ook niet, dat ik er een volgende reis niet weer heen trek; ik wil die +kennis gaarne aanhouden.” + +</p> +<p>“Ik zou het u niet raden, Jonker,” zeide een deftig gekleed Heer, (die, kort te voren de trappen van de Groote Zaal afgekomen, +zich juist achter Bleiswyk bevond en zijn laatste woorden gehoord had), terwijl hij hem op den schouder tikte. + +</p> +<p>“Aha! zijt gij het, mijn waarde Heer Fiskaal,” zeide Bleiswyk, zonder van kleur te veranderen: “en waarom zou UEd. mij dat +niet raden?” + +</p> +<p>“Omdat het UEd. een fiksche som gelds zou kunnen kosten,” hernam de Fiskaal. + +</p> +<p>“Eilieve, zie eens!” zeide Bleiswyk, met een onveranderlijke koelbloedigheid zijn halskraag in orde schikkende; “zou de Justitie +mij beletten, mij op een onschuldige wijze te vermaken, hoe en waar het mij belieft?—Ik wil u de boete wel daags te voren +te huis sturen; maar er heen gaan zal ik.... of wil UEd. ook voor ’t halfje met mij accordeeren?” + +</p> +<p>“De Justitie treedt in geen akkoorden,” zeide de Fiskaal op een strengen toon. + +</p> +<p>“Kom! kom! Mijnheer Van Kinschot!” hernam Bleiswyk, lachende: <a id="d0e8719"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8719">290</a>]</span>“ik ga naar de mis, naar de oefeningen, naar de Arminiaansche conventikels, naar de synagoge, naar de moskee desnoods, overal +waar het mij bevalt, en ’t zal een kerel zijn die het mij belet.” + +</p> +<p>“Pas op, dat mijn dienaars er u niet vandaan halen,” hernam de Fiskaal. + +</p> +<p>“Pas maar zelf op, oude Heer!” zeide Bleiswyk, de deftige houding des Fiskaals op een koddige wijze nabootsende: “of ’t zal +u gaan als ’t uwen confrater Van der Duyn ging, toen hij die Rotterdamsche samenkomst bespiedde en met zijn dikken kop tusschen +de tralies, waar hij doorkeek, vast bleef zitten.” + +</p> +<p>Dit antwoord verwekte een luid gelach bij al de omstanders: alleen zij, die het dichtst bij den Fiskaal stonden, en hem niet +gaarne tot vijand wilden hebben, stopten de punten hunner mantels in den mond, of hielden er de hand voor om niet uit te bersten. +De Fiskaal antwoordde niet, doch, den onbescheiden jongeling met een ontevreden blik aanziende, trad hij eenige stappen terug +in ’t gedrang. + +</p> +<p>“Ziet gij, zoo moet men met die Heeren van ’t Gerecht omspringen,” vervolgde Bleiswyk, zich tot zijn buurman wendende, die +sinds eenige minuten, zonder naar het gesprek met den Fiskaal te luisteren, de oogen op een der vensterramen van het Hof gevestigd +had gehouden: “doch waar kijkt UEd. naar?—Aha! ik zie het al: het vorstelijk gezin is aan de ramen gekomen: zie eens, die +aan dat middelste venster met dien hoed met gele en roode veeren is Zijne Hoogheid: die met dat botte uitzicht, die naast +hem staat, is de Koning van Bohemen;.... maar gij kijkt naar een geheel verkeerd raam.... ho ja! daar valt ook wat meer bezienswaardig +te aanschouwen, ik geef u geen ongelijk: die jonge Dame, die naast de Gravin Douairière Lodewijk Gunther zit, is gansch niet +onooglijk. Het is de Freule Van Sonheuvel, en die deftige Heer, die achter haar staat, is de Ambtman Mom, die eerstdaags met +haar trouwen zal. Ik ben zelf op de partijen genoodigd; men zegt: het staat haar maar half aan, een man te trouwen, die zooveel +ouder is; doch zijn jaren zijn de ware reden niet van haar tegenzin: ik heb zelf van goederhand gehoord, dat de Baron een +knaap had opgevoed, wien zij liefgekregen had en met wien zij had willen doorgaan.” + +</p> +<p>“Dat is niet waar,” riep de ander uit, terwijl zijn oogen fonkelden en zijn hand het gevest van zijn degen greep. Bleiswyk, +die de reden van dit opvliegen niet bevroedde, trad eenigszins verzet achteruit, doch herstelde zich spoedig. + +</p> +<p>“Wat drommel gaat het u aan?” zeide hij: “maak u om die Freule niet dik; zij gaat toch met een ander in ’t schuitje.” + +</p> +<p>“Geen beleedigingen meer!” zeide Joan (want niemand anders was de onbekende jongeling) en hief de vuist op om den onbedachtzamen +Jonker op eene gevoelige wijze zijn misnoegen te toonen, toen een algemeene kreet van: <span class="letterspaced">ruim baan! ruim baan! daar komt hij! daar is hij!</span> de menigte uiteen deed stuiven en hem van zijn tegenpartij afdrong. Alras vertoonde zich nu een vendel schutters, ’twelk +de noodige ruimte op het Binnenhof maakte voor den optocht, die volgde. De trein werd geopend door twee hellebaardiers, die +den <a id="d0e8738"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8738">291</a>]</span>Schout en Burgemeesteren begeleidden; op dezen volgden de Procureur-Generaal, de Raadpensionaris en de Leden van den Provincialen +Hove. Na dezen kwamen wederom eenige burgers en vervolgens het voorname doel van het gejuich der menigte, het voorwerp van +het luid opstijgend hoezee en verdoovend handgeklap, de Hofbeer, met bloemen opgeschikt als een paaschlam en statig voortkuierende +(zoo statig als het een varken mogelijk is) tusschen twee Boden van de Utrechtsche Magistraat, die de twee einden vasthielden +van een sierlijk lint, dat aan den hals van het beest vastgestrikt was; doch dit was slechts <span class="letterspaced">pro forma</span>! want degene, die de gangen van het varken werkelijk bestuurde, was een kloek landman, zindelijk naar zijn stand gekleed; +deze was de voormalige eigenaar van het beest en Joan herkende alras in hem zijn gullen gastheer Gheryt Maessen. Nadat de +trein, die door eenige burgers gesloten werd, het Binnenhof was rondgewandeld, geschiedde de overdracht, daarin bestaande, +dat de Utrechtsche Boden de einden van het lint, die zij vasthielden, aan de Boden van den Hove overgaven. Nadat dit geschied +was, bond men het dier aan den daartoe bestemden paal vast en ging de optocht ter zijde, om plaats te maken voor de doorluchtige +toeschouwers, die het vette dier van dichtbij bezien kwamen. De Vorsten vertoonden zich al spoedig op het Binnenhof, van een +aanzienlijken stoet hofjonkers en dames vergezeld; dan hun nadering scheen weinig indruk op den onhoffelijken Hofbeer te maken, +die tegen den Stadhouder knorde, aan Z. M. van Bohemen de tanden wees, en aan de Gravin van Nassau den rug toedraaide met +groote blijken van ongeduld. Dan, toen het trompetgeschal nogmaals herhaald werd, scheen het varken gramstorig te worden en +eindelijk te begrijpen, dat het een voor hem zeer vernederende rol speelde, waarop het met hevigheid een zijsprong nemende, +het touw (’t geen, als Bleiswyk verhaald had, den ijzeren ketting en ring vervangen had), losrukte en, zonder aanzien des +persoons, op de doorluchte toeschouwers aansnelde. Men beseft lichtelijk, welk een verwarring door dien onverwachten misslag +van den slecht onderwezen Hofbeer ontstond: de adel vloog op zijde en tusschen het gemeen in: de Raadsheeren trapten in ’t +vluchten op hun tabbaarden en rolden onder de schutters: ’t gemeen vluchtte de hoftrappen op: de mannen schreeuwden: de dames +gilden: de jongens lachten of raapten steenen op om er het varken mede te smijten: enkele onverschrokken lieden poogden den +beer te keeren; doch het varken, door geen tegenstand afgeschrikt, liep twee of drie menschen onder den voet en juist op de +Freule Van Sonheuvel aan, die waarschijnlijk mede door het woedende dier ware vertrapt geweest, ware niet haar trouwe minnaar +nabij haar geweest. Joan was, toen het dier losbrak, dadelijk tot bescherming zijner geliefde toegesneld: hij wierp zich snel +als de wind op het dier en greep het bij de ooren met zooveel kracht, dat het stilstond en weldra door Maessen en anderen, +die toegeschoten waren, in bedwang gehouden werd. + +</p> +<p>“Ulrica! mijn kind!” schreeuwde de Baron, naar zijn doodsbleeke dochter toesnellende: “zijt gij gewond?” + +</p> +<p>“Het is niets, mijn vader!” antwoordde zij, met een gebroken stem: <a id="d0e8747"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8747">292</a>]</span>“laten wij van hier gaan.”—Deze woorden uitsprekende, zocht zij half buiten haar zelve, den arm haars vaders te nemen; doch +zij miste haar greep en zou ter aarde gestort zijn, had niet Joan haar opgevangen. + +</p> +<p>“Duizend kanonnen!” riep de Baron; “hij ook hier!” + +</p> +<p>“Had ik geweten, Heer Baron!” zeide Joan, de oogen nederslaande, “dat ik UEd. hier ontmoeten zoude, ik had UEd. mijn <span id="d0e8753" class="corr" title="Bron: tegenwoorheid">tegenwoordigheid</span> gespaard; schoon ik mij jegens UEd. niets te verwijten heb.” + +</p> +<p>“Met uw verlof,” zeide Mom, hem naderende en Ulrica den arm biedende: “ik zal wel voor de Freule zorgen.” + +</p> +<p>“UEd. had zulks wat vroeger moeten doen,” zeide Joan eenigszins geraakt, en, den hoed aflichtende, maakte hij een statige +buiging voor den Baron, waarna hij zich buiten den kring begaf en met een haastigen tred het Binnenhof verliet. Nauwelijks +was hij echter op het Buitenhof gekomen, met oogmerk om zich naar de huizinge van Brandwijk te begeven en daar de terugkomst +van Frederik Hendrik af te wachten, toen hij door iemand achterhaald werd, die hem op den schouder tikte en zich voor den +Jonker van Bleiswyk herkennen deed. + +</p> +<p>“Verschoon mij,” zeide deze: “Ik ben zooeven wat van u afgeraakt; echter niet zoo ver, of ik ben ooggetuige geweest van uw +heldendaad. Mag ik nu vernemen, welke betrekking er bestaat tusschen UEd. en de Freule, wier partij UEd. zoo hevig genomen +hebt, <span class="letterspaced" lang="la">re et verbis</span>, als de geleerden zeggen.” + +</p> +<p>“Vermoedelijk wilt gij dit alleen weten,” hernam Joan, hem met een toornigen blik aanziende, “om het hedenavond te kunnen +rondvertellen, en er bij te voegen, dat gij het van goederhand vernomen hebt.” + +</p> +<p>“Misschien wel” hernam Bleiswyk lachende: “nieuwsgierigheid is mijn zwak.” + +</p> +<p>“En mijn zwak is,” zeide Joan, “geen onbeschaamdheid te dulden: ik zou u dus raden mij alleen te laten, of het kan u slecht +bekomen.” + +</p> +<p>Deze taal geuit hebbende, sloeg hij de hand aan zijn degen: doch Bleiswyk, hem tegenhoudende, nam beleefdelijk den hoed af +en verzocht hem, geen rumoer op straat te maken. “Zoo ’t UEd. gelieft, uw behendigheid tegen de mijne te meten,” vervolgde +hij, “zoo vindt gij mij tot uw dienst bereid; doch laten wij dan naar het Bosch gaan, daar kunnen wij elkander gevoeglijk +een lating geven: ik wil daar met UEd. vechten tot den middag, mits ik naderhand uw geschiedenis maar verneme.” + +</p> +<p>“Ha! dat is te veel!” riep Joan. “Ik volg u terstond.” + +</p> +<p>“Met verlof!” riep een barsche stem achter hem: “dat zal nu niet gebeuren. Dienaars, treedt voor.” + +</p> +<p>“Houdt! wat!” zeide Bleiswyk, zich omkeerende, tegen den Fiskaal, die degene was, welke gesproken had: “UEd. legt het er vandaag +op toe, om mij in mijn vermaken te storen.” + +</p> +<p>“Zwijg Jonker!” hernam de Fiskaal: “uw aardigheden zijn thans hoogst ongepast. Mijnheer!” vervolgde hij, zich tot Joan wendende: +“gij zijt mijn gevangene: uw degen, als ’t u gelieft.” +<a id="d0e8781"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8781">293</a>]</span></p> +<p>“In geenen deele,” zeide Bleiswyk, terwijl hij Joan, die den Fiskaal verbaasd aanzag, bij de hand nam: “wat is dat voor een +malle grap? ik zal niet dulden, dat een wakker gezel als deze edelman, door diefleiders achteraf gebracht worde.” + +</p> +<p>“Jonker Van <span id="d0e8786" class="corr" title="Bron: Bleiswijk">Bleiswyk</span>!” hernam de Fiskaal met een ontzaggebiedende stem: “gij, die zooveel weet, weet gij niet, dat hij, die schuldigen aan hoogverraad +aan de Justitie onttrekken wil, zelf aan hoogverraad schuldig wordt?” + +</p> +<p>“Aan hoogverraad!” zeide Bleiswyk, de armen latende vallen en de oogen half sluitende, terwijl hij op een theatralen toon +declameerde: + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>“Waar is zoo verre een plaats, zoo woest een wildernis, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Die voor u, o mijn zoon! een zekere schuilhoek is?”<a id="d0e8796src" href="#d0e8796" class="noteref">1</a></span></p> +</div> +<p>“Aan hoogverraad!” herhaalde Joan, met verbazing: “wat is mijn misdaad?” + +</p> +<p>“Die zal nader onderzocht worden,” antwoordde de Fiskaal: “geef uw degen over en volg mij. Ik zie u niet voor onwillig aan, +anders liet ik u knevelen, dat gij niet gaan kondet.” + +</p> +<p>“Dat zou zeker de beste manier zijn om iemand te doen voortmarcheeren,” merkte Bleiswyk aan, die nooit zijn blijgeestigheid +verloor. “Mijn goede vriend,” vervolgde hij tegen Joan: “of liever mijn mislukte vijand! Ik ruilde graag mijn nieuwen hoed +tegen de smerige kalot van Ds. Lamotius, dat ik u niet in zulke handen liet. De Gevangenpoort is voorzeker geen vermakelijk +verblijf; althans daarin komen al wie er gezeten hebben overeen: ik zelf heb er nooit gelogeerd; anders....” + +</p> +<p>“Zoo UEd. niet verkiest te zwijgen, zal ik u die ondervinding bezorgen,” zeide de Fiskaal. + +</p> +<p>“Boe! boe! ik ga al heen,” riep de onverbeterlijke snapper uit: “ik ga al heen, wees maar niet boos!” + +</p> +<p>Dit zeggende, verwijderde hij zich eenige stappen; doch terstond wederkeerende, greep hij Joan, die tusschen de twee dienaren +in stond, bij de hand en zeide hem met drift, ja met gevoel: “vaarwel, Mijnheer! En zoo ge iets behoeft of verlangt, laat +het dan maar weten bij Willem Van Bleiswyk, in ’t Voorhout, die u helpen zal, waar hij kan en mag, ja, al mag hij niet.” + +</p> +<p>Na het uiten dezer woorden draaide hij zich om en snelde als een pijl uit een boog weder naar het Binnenhof om te vertellen +aan ieder die ’t hooren wilde, hoe de redder der Freule Van Sonheuvel wegens hoogverraad was vastgezet. + +</p> +<p>“Lichtzinnig, maar goedhartig,” zeide Joan, hem naoogende. “Heer Fiskaal! ik volg u waar het wezen moet: breng mij waar gij +wilt. Sedert lang is mijn verblijf mij onverschillig.” + +</p> +<p>“Wij zullen niet ver gaan,” zeide de Fiskaal: “Mijnheer! hier is uw weg.” + +</p> +<p>Dit zeggende, toonde de Fiskaal aan Joan den ingang van den kerker boven de Gevangenpoort, waar zij zich voor bevonden. +<a id="d0e8820"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8820">294</a>]</span></p> +<p>De gevangene kon de huivering niet bedwingen, die hem beving, toen hij, ingetreden zijnde, de zware deur achter zich hoorde +toesluiten en de ijzeren grendels vastschuiven; daar hij zichzelven echter geen kwaad bewust was en nog altijd hoopte, dat +een bloot misverstand tot zijn gevangenneming had aanleiding gegeven, herkreeg hij weldra zijn vorigen moed en volgde onbeschroomd +zijn geleider. De cipier, of gelijk men toen nog zeide stokbewaarder, bracht zijn gasten in een vrij ruim vertrek, hetwelk +voor het verhooren was ingericht en welks wanden versierd waren met de bevallige stoffage van allerlei soorten van boeien, +kettingen, straf- en foltertuigen, blokken, schroeven enz., benevens eenige prenten en een paar oude schilderijen, beruchte +strafoefeningen voorstellende, en andere voorwerpen, alle bestemd en geschikt om een akeligen indruk te maken op het gemoed +van al wie tegen zijn wil die plaats betrad. Achter een soort van balie waren, gelijk aan Joan naderhand bleek, twee Gecommitteerden +van den Hove gezeten, bezig met het verhoor van een gevangene, die met den rug naar de binnenkomenden gewend stond en wiens +antwoorden de Griffier, die aan een bijzonder tafeltje gezeten was, vlijtig opteekende. + +</p> +<p>“Mijne Heeren!” zeide Van Kinschot bij ’t inkomen: “hier is de man, in quaestie.” + +</p> +<p>“Één oogenblik slechts, Heer Fiskaal!” zeide een der Gecommitteerden, een dik, log mannetje, wiens lomp en opgezet gelaat +van verwaandheid en trotschheid glom: “wij hebben met dezen zoo dadelijk afgedaan.” + +</p> +<p>De Fiskaal zette zich en Joan bleef tusschen twee dienaars staan, niet ontevreden over dit oogenblik respijt, hetwelk hem +veroorloofde zijn toestand een wijl te overdenken en zich voor te bereiden, zoo op de vragen, die hem gedaan zouden kunnen +worden, als op de wijze, waarop hij antwoorden moest. + +</p> +<p>“Gij blijft dus bij uw hardnekkige ontkentenis van sedert uw terugkomst hier te lande eenige predikatie gedaan of Arminiaansche +vergadering bijgewoond te hebben?” vroeg de Raadsheer, die zooeven gesproken had, den gevangene. + +</p> +<p>“Ik blijf dit ontkennen,” antwoordde deze, met een vaste stem, welke aan Joan niet onbekend voorkwam. + +</p> +<p>“Vriendje! vriendje!” hernam de Raadsheer, het hoofd schuddende: “Ik zou u raden, liever te bekennen: het kon anders slecht +met u afloopen. Hebt gij het hok gezien, waar Bysterus en Lindenius in gezeten hebben, die even koppig waren als gij?” + +</p> +<p>“God is mijn getuige, dat ik alleen de waarheid spreek,” zeide de gevangene. + +</p> +<p>“Wat doet des Heeren naam,” vroeg de Raadsheer, “in den mond van een schelm als gij, die gelooft dat een kind voor zijn geboorte +al verdoemd is?” + +</p> +<p>“Dat is <span class="letterspaced">ons</span> geloof niet,” antwoordde de gevangene, die een Remonstrant was, verbaasd over des Raadheers onkunde: “UEd. Achtbare meent....” + +</p> +<p>“Wil je ’t mij leeren, vlegel?” bromde de gewichtige man: “heb <a id="d0e8846"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8846">295</a>]</span>ik den <span class="letterspaced">gepraedestineerden</span> dief niet gelezen, en heeft dat geen Arminiaan als jij geschreven?” + +</p> +<p>“UEd. Achtbare gelieve op te merken,” hernam de Remonstrant, “dat dit werkje Slatii, met wiens gevoelens ik daarenboven geenszins +overeenstemme, alleen <span class="letterspaced">ironice</span> geschreven is, en er dus....” + +</p> +<p>”<span class="letterspaced">Erotice!</span>” hernam de Raadsheer: “wat rammel je? ik heb er niets verliefds in gezien: kort en goed: dit kan ik je zeggen: overmorgen +wordt je sententie gelezen: voor je leven naar Loevestein, zoo ik iets in te brengen heb: daar zal je <span class="letterspaced">mores</span> leeren: onze haan kraait koning! wij zijn ’t vet, wij drijven boven.” + +</p> +<p>“Dan zijt gijlieden ’t schuim,” viel de gevangene in, “dat drijft boven ’t vet.” + +</p> +<p>“Onbeschaamde vlegel!” riep de Raadsheer, heftig op de tafel slaande: “is het aan uw Rechter, dat gij zulke antwoorden geven +durft!” + +</p> +<p>“Wanneer de Rechter zich niet schaamt zijn gevangene te beschimpen, dan passen hem zulke antwoorden,” zeide de Remonstrant. + +</p> +<p>“Mijnheer de Vlaere,” zeide de andere Raadsheer, die een bedaard, ernstig man scheen te zijn, tot zijn ambtgenoot: “wij hebben +nog veel te verrichten, en uit dezen gevangene is niets meer te halen. Ware het niet verkieslijker, het verhoor te staken +en den Heer Fiskaal niet langer op te houden?” + +</p> +<p>“Zooals gij wilt, Mijnheer Sartor!” antwoordde De Vlaere, zeer tevreden van een goede aanleiding te hebben om een twist te +eindigen, waarin hij de gelukkigste rol niet speelde. “Dienaars! leidt den gevangene weg!” + +</p> +<p>De dienaars traden toe en geleidden den Remonstrant weg, zonder dat het Joan gelukt was, diens gelaatstrekken te zien. Zoodra +hij vertrokken was, gaf de Raadsheer Sartor aan onzen held een wenk, om de tafel, waaraan zij gezeten waren, te naderen. + +</p> +<p>Terwijl Joan aan dit bevel voldeed, stond ook de Fiskaal op en trad aan de tafel, waarop het ondervragen een begin nam. + +</p> +<p>“Uw naam?” vroeg De Vlaere. + +</p> +<p>Joan zweeg en zag voor zich. De eerste vraag was voor hem de moeilijkste. + +</p> +<p>“Wees niet beteuterd,” vervolgde Sartor, dit stilzwijgen aan vrees toeschrijvende: “geef ons openhartig antwoord. Hoe heet +gij?” + +</p> +<p>“Don Diego de Velasco.” + +</p> +<p>“Zijt gij daar zeker van?” vroeg de Fiskaal, Joan scherp in ’t gezicht ziende. + +</p> +<p>“Deze naam is de laatste, die mij gegeven werd. Vroeger noemde men mij Joan Van Craeihorst.” + +</p> +<p>“Zeer wel!” zeide Van Kinschot, tegen de Raadsheeren langzaam met het hoofd knikkende, ten teeken van tevredenheid. De Vlaere +zette het verhoor intusschen voort. + +</p> +<p>“Waar zijt gij geboren?” + +</p> +<p>“Ik weet het niet.” +<a id="d0e8896"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8896">296</a>]</span></p> +<p>“Gij weet het niet?—Wat is dat voor een antwoord!” Hier trad de Fiskaal toe en fluisterde hem iets in ’t oor: “aha ja! <span class="letterspaced">filius illegitimus!</span>—Waar opgevoed?” + +</p> +<p>“Op den huize Sonheuvel? + +</p> +<p>”<span class="letterspaced">Recte</span>. Waar laatst woonachtig?” + +</p> +<p>“Ik heb nu ’t laatst eenige dagen in Den Bosch doorgebracht: het vorige jaar heb ik in ’t leger van Z. M. van Bohemen gediend.” + +</p> +<p>“Dat komt juist uit,” zeide de Fiskaal, een geschreven papier doorloopende, dat hij in de hand hield. “Doch! indien de Heeren +mij vergunnen, een vraag te doen: waarom heeft de gevangene voor vier weken het slot te Sonheuvel op een zoo vreemde wijze +verlaten?” + +</p> +<p>“Ten einde mij naar Den Bosch te begeven.” + +</p> +<p>“En met wien hebt ge daar omgang gehad?” + +</p> +<p>“Met mijn oom, Don Louis de Velasco, met den Heer Vicaris, met den Heer Van Grobbendonck en met eenige Remonstrantsche uitgewekenen.” + +</p> +<p>“Zoo! En hebt gij ook voor die Heeren eenige boodschappen opgenomen te verrichten?” + +</p> +<p>“Is dat mijn gansche misdrijf?” vroeg Joan verbaasd: “ja, dat heb ik: en hier is het pakket, ’t welk ik op mij had genomen +te bezorgen aan....” + +</p> +<p>“Zwijg!” riep de Fiskaal met een donderende stem, hem het pakket uit de handen rukkende. “Dit pakket,” vervolgde hij langzaam, +terwijl hij het met somber oog van alle kanten beschouwde en eindelijk voor de Raadsheeren nederleide, “zal meer onheil brouwen, +dan ooit eenig ander hier te lande gedaan heeft. Uw leven zal afhangen van hetgeen hierin gevonden wordt.” + +</p> +<p>“Ik kan niet begrijpen,” zeide Joan, “welk kwaad er in steekt, brieven te bezorgen aan Zijne Doorluchtigheid.—Of is dit ook +een <span class="letterspaced">suspecte</span> persoon?” + +</p> +<p>De Fiskaal wierp hem een vreeselijken blik toe. “Het zal noodig zijn,” zeide hij vervolgens tegen de Raadsheeren, “dat dit +verhoor zonder eenige getuige afloope. UEd. Achtbare zult hiervan het belang met mij gevoelen.” + +</p> +<p>“Ongetwijfeld!” zeide De Vlaere, en gaf last aan de dienaars, buiten te staan, waarna hij aan Joan een nauwkeurig verhaal +afvroeg van, alles, wat zijn kennis met de Heeren, die hij in Den Bosch gesproken had, had voorbereid. Het gewicht eener openhartige +bekentenis gevoelende, voldeed de gevangene vrij omstandig aan dit verzoek: zijn verhaal duurde des te langer, daar de Griffier, +die alles nauwkeurig opteekende, hem zijne gezegden meer dan eens herhalen deed. + +</p> +<p>Toen hij geëindigd had, deden hem de Gecommitteerden eenige vragen betreffende de Arminiaansche ballingen, als b. v. of Uyttenbogaert +ter misse ging, of hij kennis met de Jezuïeten hield, of hij raadsman van Pekkius was, of De Groot dikwijls bij Velasco aan +huis kwam, en dergelijke meer: de meeste dezer beantwoordde Joan ontkennend: op sommige verklaarde hij niet te kunnen antwoorden. +<a id="d0e8936"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8936">297</a>]</span></p> +<p>“Zullen wij thans het pakket niet openen?” vroeg eindelijk De Vlaere aan zijn ambtgenoot. + +</p> +<p>“Vooraf,” zeide deze, “wenschte ik den gevangene te vragen of hem de inhoud bekend is.” + +</p> +<p>“Zoover ik weet,” antwoordde Joan, “zijn het brieven, waarin de verbannen Heeren zich in de bescherming Zijner Doorl. aanbevelen.” + +</p> +<p>“Het bevreemdt mij,” merkte de Fiskaal aan, op een straffen toon, “dat gij zulke sprookjes vertellen durft op het oogenblik, +dat wij de stukken in handen hebben, welke u van logentaal zullen overtuigen, of mijn berichten zijn valsch, of er moet geheel +wat anders in die brieven staan.” + +</p> +<p>“Dan zou ik bedrogen zijn geweest,” zeide Joan, de schouders ophalende. + +</p> +<p>“Waarlijk!” zeide Van Kinschot, hem verachtelijk aanziende: “wij zullen zien, wie hier de bedrogene is.” Het pakket werd nu +geopend en de inhoud onderzocht. + +</p> +<p>“Mijn God!” riep Sartor met verbaasdheid uit, toen hij den eersten brief den besten gelezen had: “wie kon dat ooit gelooven?” + +</p> +<p>“Welk een afschuwelijk samenweefsel van verraad en list en huichelarij!” riep De Vlaere. + +</p> +<p>“Laat ons voorzichtig zijn,” zeide hem zachtjes zijn ambtgenoot: “deze brief is aan geen gemeen persoon gericht, noch tot +iemand, die op losse gronden beticht mag worden. De brieven kunnen zeer wel zijn opgesteld uit list, met het oogmerk om kwade +vermoedens te werpen op hem aan wien het opschrift luidt. Jongeling, wie stelde u dit pakket in handen?” + +</p> +<p>“Mijn oom, Louis de Velasco.” + +</p> +<p>“Onbeschaamde!” zeide De Vlaere: “en gij zeidet, dat het brieven van de Remonstrantsche ballingen waren. Wat had uw oom daarmede +te maken?” + +</p> +<p>“Hij gaf mij die uit hun naam: ik had geen reden, zijn oprechtheid in twijfel te trekken. Heeft hij mij misleid, ik ben er +onschuldig aan.” + +</p> +<p>“Deze brieven,” hernam Sartor, zich tot den Fiskaal wendende, “zijn van zulk een aard, dat wij, naar mijn gedachten, buiten +voorkennis Zijner Hoogheid geen stap verder in deze doen kunnen.” + +</p> +<p>De Fiskaal stemde zulks toe, en nu deed de Griffier de brieven weder in het pakket, hetwelk behoorlijk gesloten en verzegeld +werd. + +</p> +<p>“Was het overbrengen van dit pakket,” vroeg toen Van Kinschot aan de gevangene, “de eenige reden van uw reis herwaarts?” + +</p> +<p>“Onbewimpeld gesproken, neen: de Vicaris beloofde mij, dat, zoo ik hier eenige dagen bleef, zich veel ontwikkelen zou, dat +thans nog duister voor mij lag.” + +</p> +<p>“Gij erkent dus een zendeling van den Vicaris te zijn.—Wie hebt gij sedert uw komst hier in Den Haag opgezocht?” + +</p> +<p>Joan verhaalde zijn vruchteloozen gang naar het Paleis van Zijne Doorluchtigheid. + +</p> +<p>“Waarom hebt gij u niet aangemeld bij Z. M. den Koning van Bohemen, onder wien gij voorgeeft te hebben gediend?” + +</p> +<p>“Ik vreesde dat mijn nieuwe naam mij minder welkom zou maken.” +<a id="d0e8977"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8977">298</a>]</span></p> +<p>“Waarom niet bij den Baron Van Reede, uw pleegvader?” + +</p> +<p>“Omdat ik onbewust was van zijn verblijf alhier en Zijn Ed. bovendien tegen mij ingenomen is, uithoofde van een ongelukkig +misverstand....” + +</p> +<p>“Een ongelukkig misverstand! En gij hebt tegen zijn leven samengespannen met zekeren booswicht, die.... doch dit misdrijf, +als in de provincie Utrecht geschied en van geen staatkundigen aard zijnde, valt niet onder ’s Hofs jurisdictie.—Ik vrees, +dat het slecht met u af zal loopen! alles toont duidelijk, dat gij u hier hebt zoeken schuil te houden.” + +</p> +<p>“Dan ware ik hedenmorgen niet op het Binnenhof gekomen, waar iedereen mij zien kon,” zeide Joan met drift: “doch, men zal +zich nog bedenken, eer men mij op losse gronden verwijst. De Spaansche Gezanten zullen niet dulden, dat de neef van Don Louis +de Velasco....” + +</p> +<p>“Ongelukkige logenaar! gij vleit u vergeefs,” viel hem Van Kinschot in: “gisteren sprak mij de Kanselier Pekkius, kort voor +zijn vertrek, en stellig betuigde hij mij, dat de Gezanten zich uwer niet zouden aantrekken, vermits men u voor een gelukzoeker +hield.” + +</p> +<p>“Dan is het beter, dat ik zwijge,” zeide Joan: “ik zie dat mijn verderf vastbesloten is!” + +</p> +<p>“Het verhoor heeft nu lang genoeg geduurd,” zeide De Vlaere, oprijzende: “stokbewaarder!” + +</p> +<p>De stokbewaarder en de dienaars traden binnen. + +</p> +<p>“Breng dezen gevangene in goede verzekering. Zijn persoon is van het uiterste gewicht.” + +</p> +<p>“Ja! om hem alleen te plakken, dat zal bezwaarlijk gaan,” antwoordde de stokbewaarder: “doch ik zal hem bij dien Arminiaan +zetten, die zooeven hier geweest is.” + +</p> +<p>“Mijn eenig verzoek is,” zeide Joan, “dat mijn reiszak, die in de herberg het Zotje ligt, mij hier geleverd worde. Er zit +eenige verschooning in, die ik wellicht zal noodig hebben.” + +</p> +<p>“Die is hier al gekomen,” zeide de cipier; “ik had vergeten zulks aan de Heeren te zeggen.” + +</p> +<p>De reiszak werd terstond aangebracht, op de tafel gelegd en door den Fiskaal stuk voor stuk geledigd. Het eerste dat zich +vertoonde, was een prachtige gouden keten. + +</p> +<p>“Ei! ei!” zeide De Vlaere: “een kostbaar stuk werks, genoeg om een geheel boevenhuis om te koopen. Hoe komt Mijnheer aan dat +pronkstuk?” + +</p> +<p>“Het werd mij in mijn jeugd door de Gravin van Nassau vereerd.” + +</p> +<p>“Waarlijk! Nu, dit zal licht te bewaarheden vallen.—Maar wat is dat voor een boeltje? voor wien is dat poppengoed?” vroeg +De Vlaere, toen hij zag dat de Fiskaal een pakje uithaalde, ’t welk een volkomen, schoon wat ouderwetsch, kindergewaad behelsde. + +</p> +<p>“Een stellig bewijs van hoogverraad,” zeide Joan, met een bitteren glimlach. + +</p> +<p>“Wat doet gij met kindergoed in uw valies?” vroeg De Vlaere. + +</p> +<p>“Het zijn de kleederen, die ik aanhad, toen de Barones Van Reede <a id="d0e9016"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9016">299</a>]</span>mij tot kind aannam. Ik had die met mij naar ’s-Bosch gevoerd, om ze aan mijn oom te vertoonen.” + +</p> +<p>“Voeg die kleertjes bij de <span class="letterspaced">preciosa</span>,” zeide De Vlaere tegen den Griffier: “de Baron Van Sonheuvel is bij Mevrouw van Nassau gehuisvest, en wij zullen ons van +de waarheid van ’t een en ander gaan verzekeren.—Is er niets meer?” + +</p> +<p>“Het komt mij voor,” zeide de Fiskaal, “dat wij het overige veilig aan dien jongeling laten kunnen. Stokbewaarder! breng uwen +gevangene weg.” + +</p> +<p>Joan groette de Raadsheeren en den Fiskaal, en volgde zijn leidsman, die hem langs eenige trappen en gangen naar het kleine +vertrekje bracht, dat hem tot kerker bestemd was. Toen de deur openging, zag Joan denzelfden gevangene, wiens stem hem bekend +was voorgekomen, aan een tafel zitten, bezig met in een klein bijbeltje te lezen. Hij rees op toen hij een deelgenoot zijner +gevangenschap zag binnenkomen, en trad naar Joan toe. Beiden zagen elkander strak in ’t gezicht; doch eer men tien had kunnen +tellen, vielen zij met den uitroep van Joan!—Hendrik—in elkanders armen. + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e8796" href="#d0e8796src" class="noteref">1</a></span> <span class="letterspaced">Vondel</span>, de Amsterdamsche Hecuba, bl. 28. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e9027" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Acht-en-twintigste Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph" lang="nl-1600"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Of zoo ick schuldigh ben en heeft het my gemist, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>’t Is uit onnozelheit en zonder argh of list.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Gysbrecht van Aemstel. +</p> +</div> +<p>”<span class="letterspaced" lang="la">Dies albo notanda lapillo!</span>”<a id="d0e9045src" href="#d0e9045" class="noteref">1</a> zeide Hendrik Raesfelt; want deze was het, welke Joan zoo onverwachts begroette. + +</p> +<p>“Moet ik mijn ouden speelmakker op zulk een plaats terugvinden?” zeide Joan. + +</p> +<p>“Maar hoe toch wist gij, dat ik hier gevangen zat?” vroeg Hendrik. + +</p> +<p>“Waarlijk, mijn beste vriend!” antwoordde Joan: “ik was dezen morgen even weinig voornemens deze plaats als u te bezoeken.” + +</p> +<p>“Gij komt dan niet vrijwillig?—Neen waarlijk, nu zie ik eerst, dat gij uw degen mist. Hoe, mijn beste stokbewaarder!.... moet +deze Heer....” + +</p> +<p>“Uw maat zijn,” zeide de cipier: “juist geraden: en het doet mij genoegen, dat gij oude kennissen zijt. Hebt gij mij verder +niets te zeggen?—Niet!—Dan wensch ik u een vroolijken dag samen.”—Dit zeggende, vertrok hij. + +</p> +<p>“Ik kan niet van mijn verbazing terugkomen,” hernam Raesfelt: <a id="d0e9060"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9060">300</a>]</span>“wat kan den Jonker Van Sonheuvel op de Gevangenpoort brengen?” + +</p> +<p>“Noem mij met dien naam niet meer,” zeide Joan: “dien heb ik reeds lang verloren.” + +</p> +<p>“Verloren? En door welk toeval?—Doch, ik bid u, neem plaats.” + +</p> +<p>Beiden gingen zitten en Joan gaf aan zijn vriend een beknopt verslag van zijn lotgevallen, waarna hij wederkeerig zijn verlangen +te kennen gaf, om te weten wat Hendrik op deze plaats gebracht had. Raesfelt voldeed aan dit verzoek en vertelde omstandig +wat hem overkomen was. Wij zullen van dit verhaal alleen de hoofdpunten aan onze lezers mededeelen. Hendrik was, gelijk wij +vroeger gezien hebben, te Amsterdam bij een juwelier geplaatst geworden om de negotie te leeren. Hij had aldaar zijn betrekkingen +met de Remonstranten geenszins afgebroken, doch zijn studiën voortgezet en de geheime samenkomsten bijgewoond. Tot proponent +aangesteld en de predikbeurten somtijds waarnemende, was hij gevangengezet, en later, wegens herhaling, gebannen: sinds had +hij lang op de grenzen gezworven, tot hij eindelijk te Mulheim een briefje kreeg van zekeren Van Dyk, die hem verzocht te +Tiel te komen, ten einde aldaar over de belangen der Remonstranten te handelen. Wij hebben vroeger gezien dat dit briefje +door Eugenio geschreven was en aanleiding gaf tot het misverstand, dat Joan te Tiel bijna zoo duur was te staan gekomen. Te +Nijmegen echter was Raesfelt reeds gevangengenomen en dadelijk naar Den Haag gezonden, waar hij sedert dien tijd op de Gevangenpoort +gezeten had. + +</p> +<p>“En,” zeide Joan, “zooals ik heden meen gehoord te hebben, zult gij dezen kerker niet verlaten dan voor de Loevesteinsche +gevangenis.” + +</p> +<p>“Ik ben niet gelijk degenen, die geen hoop hebben,” antwoordde Raesfelt: “God heeft de drie mannen in den vurigen oven niet +vergeten: en Hij vergat ook mij niet, toen ik uit de diepte tot Hem riep. Hij zond mij een engel.” + +</p> +<p>“Of een engelin?” viel Joan in, glimlachende om de opgewondenheid, welke zich in de blauwe oogen des proponents en op zijn +zachte wezenstrekken vertoonde. + +</p> +<p>“De zachte Rachel was de dochter des norschen Labans: God vermurwde het hart van des stokbewaarders dochter, en deed mij in +haar een geloofsgenoot vinden.” + +</p> +<p>“Wat nu!” vroeg Joan: “is de dochter van onzen vriendelijken huisbaas een Remonstrantinnetje, en verliefd op een gevangene, +die daarenboven een Remonstrantsche proponent is! Nu waarlijk! dan moet ik zeggen, dat de Justitie wel dubbel waakzaam worden +mag. En is die liefde zoo plotseling in den kerker ontstaan?” + +</p> +<p>“Om u de waarheid te zeggen, neen. Ik kende haar reeds in Amsterdam, waar zij bij de zuster van mijn Patroon het mutsenmaken +leerde: zij is hier eerst sedert een paar maanden teruggekomen en bezorgt de huishouding van dit gesticht. Somtijds brengt +zij den gevangenen hun eten: wij zagen elkander weder: de oude betrekking keerde, en....” + +</p> +<p>“En binnen weinige dagen verliest de stokbewaarder zijn dochter en zijn gevangene!” +<a id="d0e9082"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9082">301</a>]</span></p> +<p>“Zij heeft mij stellig beloofd, dat, zoo ik veroordeeld werd naar Loevestein te worden overgebracht, zij alles in het werk +zou stellen, om mij voor dien tijd te doen ontsnappen.—Doch nu gij de deelgenoot mijner ellende geworden zijt,” vervolgde +Hendrik, Joan met warmte de hand drukkende, “zal ik dezen kerker niet verlaten, zonder dat gij mij vergezelt.” + +</p> +<p>“Ik stel dat blijk van vriendschap op hoogen prijs,” zeide Joan; “maar verlang er geen gebruik van te maken: ik hoop alleen +dat mijn zaak onderzocht worde; dan kan het niet missen of mijn onschuld moet erkend en ik in vrijheid gesteld worden.” + +</p> +<p>“Vlei u daar niet mede,” zeide Hendrik: “vurig zou ik wenschen u eenige de minste hoop op vrijspraak te kunnen geven, doch, +naar hetgeen gij mij verhaald hebt, zijn alle bewijzen tegen u: en gij bezit hier geen vriend, geen raadsman, die u den minsten +bijstand zou willen verleenen of eenigszins voor u in de bres springen. De Baron beschuldigt u van een aanslag op zijn leven +te hebben gesmeed: de Ambtman heeft zich koel en afkeerig tegen u betoond: uw Brabantsche betrekkingen werken in uw nadeel: +de stokbewaarder, die getuige was van onze wederzijdsche blijdschap, zal niet nalaten te vertellen, dat gij in mij weder een +Arminiaanschen medeplichtige hebt gevonden: in ’t kort, alles loopt tegen u samen. Geloof mij, en vertrouw niet te veel op +uw onschuld. Men spot hier te lande niet met de beschuldigingen wegens hoogverraad. Zij, die zich niet ontzagen het eerwaardig +hoofd van onzen grootsten staatsman te doen vallen, zullen er waarlijk geen gewetenszaak van maken, iemand te veroordeelen, +die, als gij, noch bewezen diensten, noch groote betrekkingen, noch hooge jaren voor zich kan doen pleiten.” + +</p> +<p>“Mij dunkt, hier is een groot verschil,” zeide Joan: “de Advocaat had het land verraden, en ik....” + +</p> +<p>“Zoo zegt gij, Contra-Remonstranten!” zeide Hendrik: “wij oordeelen er anders over; doch dat daargelaten. Nog eens, verzuim +de gelegenheid ter ontkoming niet, indien zij u eenmaal wordt aangeboden.” + +</p> +<p>“Wij zullen zien;.... doch zeg mij, zal ik uw schoone niet zien?” + +</p> +<p>“Zij zal mij niet bezoeken,” antwoordde Hendrik, “ten einde geen vermoedens op te wekken, voordat het uur mijner redding daar +is.” + +</p> +<p>Hier werd het gesprek der beide vrienden gestoord door het binnenkomen van een der suppoosten, die het middageten bracht, +uit een schotel brij en een brood bestaande. Dadelijk na zijn vertrek, sprak Hendrik een kort gebed uit en zette zich aan +’t eten, niet een gretigheid, die Joan, wiens eetlust door de omstandigheden merkelijk verminderd was, met verbazing sloeg. + +</p> +<p>“O, indien gij eenige dagen hier doorgebracht hadt,” zeide Hendrik, “zou het u niet verwonderen, dat men ook op de Gevangenpoort +tegen den middag honger kan hebben; maar ik heb nog een andere reden, waarom ik dien schotel ledig wilde hebben. Ik verlang +nog meer dien van onderen, dan van boven te zien.” + +</p> +<p>“En waarom dat?” vroeg Joan, verwonderd over deze verkiezing. + +</p> +<p>“Raadt gij het niet? Die tinnen schotel is de zwijgende bode, waarvan <a id="d0e9105"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9105">302</a>]</span>mijn Truitje en ik ons bedienen, om ons mede te deelen wat van belang voor ons kan zijn.” + +</p> +<p>“Heerlijk bedacht,” zeide Joan, opspringende: “dan zal ik u helpen om het adres van den brief open te maken.” Dit zeggende, +begon hij mede te eten, en binnen weinige oogenblikken was de schotel ledig. Toen draaide Hendrik hem haastig om, en ontcijferde, +na een wijl zoekens, de letters S. <sup>12</sup> M., welke met de punt van een mes daarop gegriffeld waren. + +</p> +<p>“Een zeer duidelijke missive,” zeide Joan: “de drommel haal mij, zoo ik er iets van begrijp. Het heeft veel van het merk van +een hemd.” + +</p> +<p>“Ik begrijp die des te beter,” hernam zijn vriend: S. is Sondag, dat is morgen: M. beteekent Maandag, en 12 is middernacht: +zijnde het uur tusschen die beide dagen, waarop ik mij tot de vlucht zal moeten gereedhouden.” + +</p> +<p>“Waarlijk!” zeide Joan: “indien de middelen ter ontkoming even schrander zijn uitgedacht als de wijze van briefwisseling te +houden, dan durf ik u een goeden uitslag voorspellen!” + +</p> +<p>Het geschrevene werd wederom zoogoed mogelijk uitgewreven, opdat de bediende des cipiers het niet lezen zoude; en weldra keerde +deze terug, om den ledigen schotel te halen, en tevens om een bezoeker bij de gevangenen in te leiden, welken zij met de grootste +blijdschap voor den Predikant Raesfelt herkenden. + +</p> +<p>“Gij hier, mijn vader!” riep Hendrik: “o nu is alle hoop nog niet voor mij verloren.” + +</p> +<p>“Ik herleef, nu ik u wederzie,” zeide Joan: “gij althans kunt getuigen, dat mijn vertrek van Sonheuvel mij door mijn plicht +werd voorgeschreven.” + +</p> +<p>“Ik dacht niet,” zeide de Predikant, terwijl hij de vochtige oogen ten hemel hief, “dat, toen ik mij bewegen liet om den Heer +Baron naar deze plaats te vergezellen, alwaar ik tevens de hoop koesterde van een drukker te vinden voor mijn werk over Psalm +CXLVII, mij hier zulk een treurige plicht verbeidde als het vertroosting bieden aan twee deerniswaardige gevangenen, waarvan +de een mijn vleeschelijke, en de ander, zijnde mijn leerling, mijn geestelijke zoon is.” + +</p> +<p>“Onze gevangenneming was u dus bekend?” vroeg Joan. + +</p> +<p>“Die van mijn zoon vernam ik dezen morgen van mijn godvreezenden ambtgenoot D<sup>m</sup>. Lamotium, en de uwe, Joan! van den Heer Baron, aan wien zekere Jonker Van Bleiswyk, die als een Petrus tegen u opstond, +haar verhaald moet hebben.” + +</p> +<p>“Hij heeft mij een weldaad bewezen,” zeide Joan, hem de hand drukkende, “door mij het bezoek te verschaffen van een raadsman +als u. Doch Hendrik heeft oudere en nadere rechten, en ik wil, u niet alleen laten, want ik zie geen kans om mij te verwijderen, +maar althans uw onderhoud niet storen.”—Dit zeggende, ging hij in een hoek van het vertrek zitten, zonder zich in het gesprek +tusschen vader en zoon te mengen. + +</p> +<p>“Zoover,” zeide Raesfelt tegen Hendrik, “heeft uw kettersche afval u dan gebracht?” +<a id="d0e9137"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9137">303</a>]</span></p> +<p>“Strekt mij mijn gevangenis tot schande, lieve vader?” vroeg deze: “heeft niet Daniël, hebben niet de Apostelen op gelijke +wijze in den kerker gezeten en om Christi wille smaadheid geleden?” + +</p> +<p>“Vergelijkt gij, gij afvallige! u bij die heilige mannen Gods?—Ach! ik vleide mij nog, dat aan u, die als een Manasse den +Baäl gediend hebt, de kerker, evenals aan hem, tot bekeering en boetedoening zou aanleiding geven; dan ik zie te wel, hoezeer +ik mij bedrogen heb.” + +</p> +<p>“Lieve vader!” zeide Hendrik, met aandoening, terwijl hij den slinkerarm om zijns vaders hals sloeg en met de rechterhand +zijn beide handen drukte: “lieve vader, laat ons een onderwerp vermijden, dat niets dan bitterheid in stede van liefde, en +verwijdering voor toenadering geven kan. De oogenblikken zijn kostbaar. God weet, of ik u immer wederzie: overmorgen wellicht +vertrek ik voor mijn leven naar Loevestein. O! dat wij ons dan de oogenblikken ten nutte maken: misschien is het de laatste +reize, dat ik u om uw zegen smeeken mag.” + +</p> +<p>“Mijn zegen hebt gij, mijn zoon!” zeide Raesfelt, opstaande en de beide handen boven het hoofd zijns zoons uitstrekkende: +“ach! mocht hij de kracht bezitten, om u af te leiden van het verderfelijke doolpad, dat gij gekozen hebt. Dan God alleen +kent de harten: niemand kan tot Hem komen, dan die door den Geest tot Hem geleid wordt. Hij zal aan duizend geslachten lankmoedigheid +betoonen: dit was Zijn belofte aan Zijn bondsvolk: en ook in u, mijn zoon! moge die om mijnentwille bewaarheid worden!” + +</p> +<p>“God loone u, mijn vader!” zeide Hendrik, zijn handen met kussen bedekkende: “de God des vredes en der genade bevestige deze +uwe woorden. Hij moge mij, indien ik feile, genadiglijk vergeven, gelijk gij mij vergeeft; want zoo ik dwale, is het uit onwetendheid +en niet uit boozen wil.” + +</p> +<p>Toen de aandoening, die hen wederzijds beklemde, eenigszins bedaard was, vonden beiden kracht genoeg, om met meer bedaardheid +elkanders weetlust te voldoen omtrent de lotgevallen, die hun sedert hun scheiding waren overkomen, in welk gesprek Joan zich +spoedig mengen kon. + +</p> +<p>Nadat deze ook van zijn lotgevallen aan den Predikant een kort bericht gegeven had, verzocht hij van hem te mogen weten, of +het waar was, dat, gelijk Bleiswyk verhaald had, Ulrica eerlang verloofd zou worden. Raesfelt bevestigde zulks. + +</p> +<p>“En is de Baron altijd evenzeer op mij vertoornd?” + +</p> +<p>“Ongetwijfeld!” antwoordde de Predikant: “niet zoozeer omdat gij den Jezuïet hebt laten ontvluchten, als om dat ongelukkige +briefje, dat gij geschreven hebt.” + +</p> +<p>“Ik heb geen Jezuïet laten ontvluchten en ook geen briefje geschreven,” zeide Joan: “aan wien was dat briefje gericht?” + +</p> +<p>“Waarschijnlijk aan uw boozen medemakker,” zeide Raesfelt. + +</p> +<p>“Het was nagemaakt! Ik herinner mij niet, iets geschreven te hebben.” + +</p> +<p>“Het was duidelijk uw hand: ik heb die te lang gezien om ze niet dadelijk te herkennen. Wat het briefje betreft, ik heb er, +meen <a id="d0e9164"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9164">304</a>]</span>ik, een kopie van gehouden.”—Dit zeggende, haalde hij zijn brieventasch voor den dag, zette zijn bril op en vond, na lang +zoeken, een afschrift van het fragment, ’t welk in Joans kamer op het huis te Sonheuvel ontdekt was. + +</p> +<p>“Is dat alles?” vroeg Joan, toen hij het gelezen had: “welk een geluk, dat ik u kan overtuigen dat dit briefje, in zijn geheel +gelezen, niets misdadigs bevat.”—Dit zeggende, opende hij zijn zakboekje en nam er een paar blaadjes uit, welke hij den Predikant +overhandigde. + +</p> +<p>“Men passe deze stukken bij het fragment,” zeide hij, “en het zal dadelijk blijken, of de inhoud van mijn briefje misdadig +was.” + +</p> +<p>De Predikant beloofde, dat hij den volgenden dag reeds zich bij den Baron zou aanmelden, om de vereischte ophelderingen te +geven omtrent een punt, dat hem zoo diep getroffen had. Kort daarop kwam de stokbewaarder en gaf hem te kennen, dat zijn bezoek +volgens de voorschriften van het gevangenhuis niet langer duren mocht. + +</p> +<p>“Vaartwel dan, mijn kinderen!” zeide de vrome man, de beide jongelingen omhelzende. + +</p> +<p>“God schenke u kracht in uw beproevingen: op morgen ziet gij mij niet weder! want er staat mij een gewichtig werk te doen, +waar ik u eerst na den uitslag kennis van zal mogen geven. Ik hoop, dat ik den dag des Heeren niet ontwijden zal, door er +eenige uren aan te besteden: want daar staat geschreven, dat men wèl moet doen ook op den Sabbat.” Met deze woorden liet hij +de beide vrienden, na een herhaald en aandoenlijk afscheid, alleen; terwijl hij zich naar den Predikant Lamotius begaf, bij +wien hij gedurende zijn verblijf te ’s-Hage huisvesting genoot. + +</p> +<p>Na zijn vertrek viel er niets vermeldingswaardig meer in de gevangenis voor: Joan en Hendrik bleven laat zitten praten en +gingen eindelijk welgemoed ter ruste. Wij zullen hen voor een wijl in hun kerker laten, om onzen ouden vriend, den Baron Van +Sonheuvel, te bezoeken, die met zijn dochter en gevolg zijn intrek bij de Gravin van Nassau had genomen. + +</p> +<p>De dag, die op Joans gevangenneming volgde, was, gelijk Raesfelt had aangemerkt, een Zondag. Na den afloop der kerktijden, +zat de Baron, daar het weder regenachtig was en hem het wandelen door de stad niet behaagde, in de door hem betrokkene kamer +met zijn getrouwen Bouke te praten. + +</p> +<p>“Ziezoo!” zeide deze: “aan alle dingen komt een eind. Morgen zal dan de verlovingsdag zijn. De booien hier wenschen al, dat +het twaalf uren in den nacht ware.” + +</p> +<p>“En dat waarom?” vroeg hem de Baron. + +</p> +<p>“Wel! dan was de Sabbat om, en zij zouden kunnen beginnen om het huis onderstboven te keeren en overal bloemkransen, eerepoorten, +festoenen en loovertakken te plaatsen.” + +</p> +<p>“Ik wou ook dat ik het al zag,” zeide Reede: “Ik weet niet wat er aan hapert, maar ik ben niet op mijn gemak. Die satansche +brief maalt mij door ’t hoofd. Toen ik hem kreeg, vond ik hem zeer duidelijk, en nu begrijp ik er geen stom woord van.” +<a id="d0e9188"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9188">305</a>]</span></p> +<p>“Welke brief is het, die UEd. kwelt?’” + +</p> +<p>“Weet je dat niet?—Ja, ’t is waar, ik heb je niet verteld, dat ik door middel van den Ambtman, die hem bezorgd heeft, een +epistel aan wijlen mijn vrouws vader, mijn oom, den Priester geschreven heb om zijn toestemming tot Ulrica’s huwelijk.” + +</p> +<p>“Welnu?” + +</p> +<p>“Welnu! daar is antwoord op gekomen, nu ruim veertien dagen geleden: ik heb den brief bij mij: luister eens hoe het klinkt: + + +</p> +<div class="blockquote"> +<div class="body"> +<div class="div1"> +<p>”“Mijn waarde neef! + + + +</p> +<p>Indien ik, door mijn goed- of afkeuring te schenken aan het huwelijk uwer dochter geacht moest worden een mij van nature toekomend +recht te vervullen, zoo zou ik weigeren mijn stem ten deze uit te brengen; want de banden des vleesches, welke mij aan u en +de uwen hechtten, zijn verbroken en te niet gegaan, sedert ik den geestelijken staat omhelsd heb. Doch vermits het, gelijk +ik het uit uw missive verneme, de uiterste begeerte van Ulrica’s stervende moeder geweest is, dat zij niet dan met mijn toestemming +huwen zoude, en ik derhalve niet als bloedverwant, maar krachtens beschikking der overledene mij voor of tegen haar echt verklare, +zoo meen ik mij daartoe gerechtigd te kunnen houden.—Ik, Ambrosius, Groot-Vicaris van den Heiligen Stoel in de Nederlanden, +verklare bij deze, dat, indien Jonkheer Jacobus Mom, Ambtman in Maas en Waal, zich geschikt acht om Jonkvrouwe Ulrica Van +Reede tot Sonheuvel gelukkig te maken, en indien gezegde Jonkvrouwe Ulrica met haar vrijen wil gezegden Jonkheer J. Mom tot +man wil aannemen, ik mij geenszins tegen hun huwelijk verzet; maar daaraan mijn volle toestemming verleene, mits de verloving +niet vroeger plaats hebbe dan op Maandag den 28<sup>sten</sup> Juni des jaars 1621. + + + +</p> +<p><span class="letterspaced">Ambrosius</span>, +<br>Gr.-Vicaris.”” + +</p> +</div> +</div> +</div><p> + + +</p> +<p>“Welnu! wat zegt ge van dat duidelijke stuk?” vroeg de Baron, na het ten einde gelezen te hebben. + +</p> +<p>“Had UEd. mij dat eerder laten lezen,” antwoordde Bouke, het hoofd schuddende, “ik zou er nogal reden in gevonden hebben, +om dat huwelijk vooreerst niet te laten doorgaan.” + +</p> +<p>“Zoo?” + +</p> +<p>“Wel ja! want UEd. kan toch niet ontkennen, dat de Ambtman, al is hij nog zoo een best braaf man, toch niet best geschikt +is om een vrouw gelukkig te maken: en ten tweede (behalve dat het Paapsch is om van een vrijen wil te praten) zoo geloof ik, +dat, als dat malle stuk schrift van Joan niet gevonden ware, freule Ulrica liever op haar bloote voeten van hier naar Sonheuvel +ware geloopen, dan haar hand te geven aan al de ambtlieden van de wereld.” + +</p> +<p>“Zwijg Bouke! en spreek van dien schavuit niet meer, die nog al <a id="d0e9225"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9225">306</a>]</span>zoo onbeschaamd is, zich op licht-klaren dag hier in Den Haag voor onze oogen te vertoonen, op een plaats, die zoo vol menschen +is als deze.” + +</p> +<p>“Neem het mij niet kwalijk, Heer Baron! Ik kan het maar niet verduwen, dat UEd. dien armen jongen zoo hard behandelt! wat +weergaas, dat hij zich hier vertoont is een bewijs, dat hij het licht niet schroomt. Als hij zoo groote schuld had, kwam hij +niet waar menschen zijn. Steek uw vinger in de aard, zie in wat land ge zijt: ’t beste brood leit men op ’t venster en er +vliegen geen uilen bij valken.” + +</p> +<p>“Zot! zou hij niet op Sonheuvel zijn gebleven, indien hij geen kwade <span id="d0e9231" class="corr" title="Bron: conscientie">consciëntie</span> had bezeten? Zou hij dien vervloekten Jezuïet wel verlost hebben, indien zij geen maatjes waren geweest?” + +</p> +<p>“Praatjes! dat hij hem verlost heeft is nog zoo zeker niet. UEd. weet, dat Teun Wezer dien nacht ook op het slot is geweest +en sinds nooit weer voor den dag is gekomen: de ekster kan haar hippelen niet laten! lam! lam! is des wolfs vesperklok: eens +een strooper, altijd een strooper, en al is hij mijn neef, zoo houd ik hem toch voor een groote schoelje—en wat betreft, dat +Joan weggereisd is, zonder boe en ba te zeggen,—Dominee zegt immers zelf, dat hij niets anders doen kon, omdat hij u voor +den moordenaar zijns vaders hield.” + +</p> +<p>“Ei wat! Dominee weet op dat stuk niet wat hij zegt: de schuld van den jongen is zonneklaar: hij zit immers nu alweer achter +de tralies: ik denk hem er niet vandaan te halen.... en dan zoo een lafbek! heeft hij wel eens op de plaats, waar hem de Heer +Van Botbergen wachtte, durven verschijnen?” + +</p> +<p>“Dat was wel deugdelijk zijn voornemen, toen hij naar het Lischboschje ging.” + +</p> +<p>“Dat maakte hij jou en de ganzen wijs; maar hij loog door zijn ziel: want Botbergen had hem op een andere plaats bescheiden, +waar hij den ganschen dag vruchteloos op hem gewacht heeft.” + +</p> +<p>“Een knapuiltje van Botbergen, daar UEd. geen geloof aan slaan moet. Heeft die pochhans zich gisteren wel eens bij den Hofbeer +durven vertoonen, omdat hij bang was, dat de Koning van Bohemen. hem zien zou, ofschoon de heele Koning van Bohemen met een +blaas met boonen is weg te krijgen.” + +</p> +<p>“Wat leuter je toch? Is de gansche wereld niet overtuigd, dat Joan een schelm en een lafbek is?” + +</p> +<p>“De gansche wereld is niet overtuigd; want <span class="letterspaced">ik</span> geloof het niet, en Dominee en de Freule ook niet: dat heb ik gisteren gemerkt, toen zij van het Hof terugkwam.” + +</p> +<p>“Zoo! waar heb je dat aan gezien?” + +</p> +<p>“Tut! tut! Heer Baron! men ziet aan ’t been wel, waar de hoos gescheurd is; had ze geen rood bekreten oogen en bleeke wangen +toen zij van Joan sprak? en heeft de Ambtman wel een zoet woordje van haar gekregen?” + +</p> +<p>“Kom! kom! gekheid!” + +</p> +<p>“Ik wil wedden, Heer Baron! dat als ik naar hem toeging en <a id="d0e9259"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9259">307</a>]</span>zeide: Jonker! de oude Heer heeft berouw over zijn drift en....” + +</p> +<p>“Ik er berouw over hebben?—Ge raast, Bouke!” + +</p> +<p>“En wil u gaarne eens weder zien: en, zoo hij uw vader heeft doodgeslagen, dat was in een wettigen strijd.—En als hij dan +hier kwam....” + +</p> +<p>“Hij zal hier wel vandaan blijven,” zeide de Baron: “zit hij niet in een kast daar hij niet zoo licht uit kan raken?” + +</p> +<p>“En als hij dan hier kwam,” vervolgde Bouke, zonder zich aan zijns meesters gezegden te storen, “en voor UEd. stond met de +tranen in de oogen en dat vriendelijk, innemend gelaat, dat hij altoos gehad heeft, en tot UEd. zeide....” + +</p> +<p>“Hij zou den bek wel houden!—Is de kerel dol?” + +</p> +<p>“En tot UEd. zeide: Mijnheer Van Sonheuvel! ik heb UEd. altijd geëerd en liefgehad en ben uw achting nooit onwaardig geweest: +en die anders spreken zijn schelmen: en als hij zich dan voor UEd. nederwierp en....” + +</p> +<p>“Het zal nimmer zoover komen,” zeide Reede, zich met zijn stoel omdraaiende. + +</p> +<p>“En UEd. de hand kuste en die met heete tranen bevochtigde.... wat zou UEd. dan doen?” + +</p> +<p>“Dan zou ik.... dan zou ik.... maar dat zal nimmer gebeuren?” + +</p> +<p>“Dan zou UEd. de armen om zijn hals slaan, Heer Baron! en tegen hem zeggen: knaap, laten wij alles vergeten en vergeven, en +weder als voorheen leven gelijk vader en zoon.” + +</p> +<p>De Baron rees op zonder een woord te spreken en liep eenige reizen het vertrek op en neder, terwijl zijn gelaat duidelijk +blijken droeg van een gemoedsstrijd, die in zijn binnenste kampte. + +</p> +<p>“Maar die satansche brief!” zeide hij eindelijk, stilstaande. + +</p> +<p>“Aha!” zeide Bouke: “die brief! ja dien heeft hij geschreven, dat kan niemand loochenen!” + +</p> +<p>“Welnu?—En levert die geen genoegzaam bewijs op?” + +</p> +<p>“Als hij in zijn geheel werd gelezen dan misschien!” + +</p> +<p>“Ja! wie kan hem in zijn geheel doen lezen?” + +</p> +<p>“Dat kan ik,” zeide Bouke met een zegevierenden blik, en haalde twee stukjes papier voor den dag. + +</p> +<p>“Wat zijn dat?” vroeg de Baron, een daarvan haastig opnemende: “is dat niet Joans hand en hoe kom je daaraan?” + +</p> +<p>“Dat zal ik UEd. zeggen; straks, toen UEd. aan ’t kuieren was, is Dominee hier geweest. Die heeft Joan in zijn gevangenis +bezocht en zijn zoon ook, die er voor Arminianerij zit.” + +</p> +<p>“Zijn zoon? Die arme Hendrik! ik beklaag hem.” + +</p> +<p>“Ik ook; maar dat doet niets ter zake: toen Dominee het hoorde, dat UEd. er niet was, zei hij, dat het hem bijzonder leed +deed, omdat hij niet wachten kon; want hij had nog druk werk: en toen vroeg hij mij, om u deze stukjes te geven, die naar +zijn zeggen, bij den gevonden brief behooren.” + +</p> +<p>“Dan kunnen wij terstond den ganschen inhoud weten,” zeide de Baron, en haalde het fragment voor den dag, hetwelk in Joans +kamer op Sonheuvel gevonden was. De stukken, welke Dominee had <a id="d0e9305"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9305">308</a>]</span>medegebracht, werden aan weerskanten gelegd en leverden te zamen een geheel op, van den volgenden inhoud: + + +</p> +<div class="blockquote"> +<p> “Het bewijs uwer nooit volprezen goedheid, dat +<br>ge mij heden deedt toekomen, heeft mij ten minste +<br>van een smart verlost, door mij de zekerheid te +<br>geven, dat uw e dele boezem aan de zoo ongerijmde +<br>als onverdien de beschuldiging en, welke tegen mij +<br>worden ingebracht, alle geloof blijft wei geren. Neen, +<br>mijn Ulrica! hij, die den naam van uw vriend verdienen +<br>mocht, hij is nog ten volle uwer waardig. Misschien +<br>zal het mij in het eerst bezwaarlijk vallen aan den +<br>waarden Heer Baron de vermoedens te ont nemen; doch +<br>houd u des verz ekerd, de tijd zal mij rechtvaardigen, +<br>en den sluier doen vallen, die mijn handelingen +<br>nog bedekken moet, en aan de geheele wereld +<br>toonen, dat de Heer Van Sonheuvel in mij geenszins +<br>zijn vijand, veelmin zijn moordenaar heeft grootgebracht. + + +</p> +<p>geheel de uwe +<br>J.” + +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>“Wat drommel!” riep Reede, na gelezen te hebben, “dat briefje luidt aan Ulrica. Wat hebben wij daarmede noodig?” + +</p> +<p>“Is dat de toon van een schelm?” vroeg Bouke. + +</p> +<p>“Ik weet niet,” zeide de Baron: “doch wat doet hij aan Ulrica te schrijven?” + +</p> +<p>“Wel kijk! heeft hij niet honderdmalen aan de Freule geschreven? Is dat zijn eenigste kwaad? Heer Baron! wie een hond wil +slaan, vindt licht een stok: maar ik begin waarachtig te gelooven, dat UEd. lust hebt, een stok te vinden.” + +</p> +<p>“Zwijg Bouke!.... weet je wat,—morgen komt Zijne Hoogheid hier; dan zal ik, dat beloof ik u, over Joan spreken: en heeft hij +geen schuld, dan zal hem alles dubbel en dwars vergoed worden.” + +</p> +<p>Terwijl hij sprak, trad een der dienaars der gravin binnen, en zeide hem dat de Heer Fiskaal Van Kinschot bij Mevrouw Douairière +was en op ZEd<span id="d0e9355" class="corr" title="Niet in bron">.</span> wachtte. + +</p> +<p>“De Fiskaal!” zeide Reede, terwijl hij den bediende volgde: “wat moet die?.... aha! nu begrijp ik het.... hij zal mij over +Joan komen ondervragen.” + +</p> +<p>Op deze wijze bij zichzelf mompelende, trad hij in het zijvertrek, waarin de Douairière met den Fiskaal nederzaten. + +</p> +<p>“Mijnheer Van Sonheuvel!” riep deze: “ik ben zoo vrij geweest, mij bij Mevrouw de Gravin te laten aanmelden, om haar zoowel +als UEd. te vragen, of UEd. ook kennis dragen aan eenige voorwerpen, gevonden bij zekeren jongeling, onder den naam van Joan +door UEd., Heer Baron, op den huize Sonheuvel grootgebracht.”—Dit zeggende leide hij een pak op de tafel en opende het. +<a id="d0e9364"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9364">309</a>]</span></p> +<p>“Dezen ketting,” vervolgde hij, “beweert gemelde jongeling van Mevrouw de Gravin te hebben ontvangen.” + +</p> +<p>“Ik herken die,” zeide de Gravin: “zij was het loon voor den gewichtigen dienst, dien hij mij, nog een knaap zijnde, bewezen +heeft.” + +</p> +<p>“En deze kinderkleeren,”.... vervolgde Van Kinschot. + +</p> +<p>“O! die herken ik,” zeide Reede: “het is het pakje, dat hij aanhad, toen ik hem vond. Hij neemt het altoos met zich, even +alsof hem dat wat helpen zou.” + +</p> +<p>“Ik herken het fatsoen,” zeide de Gravin, terwijl een traan in haar oogen blonk. “Juist zulke kleedertjes droegen de kinderen +in dien tijd. Mijn kleine Ulrich had een soortgelijk jurkje.... Is het mij vergund?” Dit zeggende, nam zij het pakje op, ontrolde +het, bekeek het eerst met belangstelling, vervolgens met aandacht en eindelijk met een scherpe nauwkeurigheid. + +</p> +<p>“Indien Mevrouw het pakje nog wat houden wil,” zeide de Fiskaal, “zoo heb ik er niets tegen. De Justitie stelt er geen verder +belang in, het kan dus aan den eigenaar worden teruggegeven. UEd. zal mij verschoonen, indien ik thans van hier moet vertrekken. +Ik heb hedenavond nog zaken te verrichten, welke geen uitstel kunnen lijden.” + +</p> +<p>“Mijn God! wat is dat? wat scheelt Mevrouw?” riep de Baron eensklaps verschrikt uit. + +</p> +<p>De Gravin had het jurkje uit haar handen laten vallen: een doodelijke bleekheid had zich over haar gelaat verspreid en zij +was bewusteloos in haar stoel gezegen. + +</p> +<p>Op het gefluit en geroep van den Baron schoten de ontstelde huisgenooten toe: het duurde niet lang, of de Gravin kwam weder +bij haar zelve. + +</p> +<p>“Om Gods wil!” waren haar eerste woorden: “waar is die knaap? hoe komt hij aan dat jurkje?” + +</p> +<p>“Die knaap zit in de gevangenis, Mevrouw,” zeide de Baron. + +</p> +<p>“Dan wil ik terstond naar die gevangenis toe. Laat Feurich dadelijk inspannen, en....” + +</p> +<p>“Mevrouw! men laat niemand bij de gevangenen,” hernam Reede: “zonder verlof van den Fiskaal, en die is zoo aanstonds vertrokken, +mij verzoekende, UEd. zijn verontschuldiging....” + +</p> +<p>“Om ’t even! dan wil ik naar den Fiskaal. Dien gevangene wil en moet ik spreken. O mijn God! zou het mogelijk zijn?” + +</p> +<p>“Ik bid UEd. bedaar!” hernam de Baron: “ik wil gaarne zelf naar den Fiskaal gaan en verlof vragen. Ulrica zal UEd. intusschen +gezelschap houden. Waar is Ulrica?” + +</p> +<p>“De Freule is zooeven naar bed gegaan, met zware hoofdpijn,” zeide de kamenier der Gravin: “Leentje is bij haar.” + +</p> +<p>“Ja, men heeft altijd hoofdpijn den dag voor de verloving,” merkte de Baron aan: “dat weet ik vanouds. Maar ik bid u, Mevrouw +de Gravin! zeg ons toch, vanwaar UEd. opeens zoo aangedaan zijt geworden. Zijn het die kleedertjes, wier gezicht alleen u +zoo getroffen heeft?” + +</p> +<p>“Dat jurkje heb ik geborduurd, en niemand anders,” zeide de Gravin, terwijl zij het opnam en met strakke oogen beschouwde. +<a id="d0e9401"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9401">310</a>]</span></p> +<p>“Die gele stof, die roode en groene bloemen.... ik zie den kramer nog, van wien ik de wol kocht.... O mijn hoofd! mijn hoofd!” + +</p> +<p>“Maar Mevrouw! om ’s hemels wil,” zeide de Baron: “hoe kan UEd. zoo spreken? dat Jurkje droeg Joan: hoe kan UEd. het dan gemaakt +hebben?” + +</p> +<p>“Joan.... Joan!....” herhaalde zij op een verwilderden toon: “wie is Joan?” + +</p> +<p>“Joan, mijn pleegzoon,” antwoordde Reede; “of zoo UEd. liever wil, de zoon van den gesneuvelden Velasco.” + +</p> +<p>“Velasco!.... Een zoon van Velasco zou een kleedje gedragen hebben, door mijn handen vervaardigd?.... Een kleedje, voor mijn +zoontje, mijn lieveling, mijn Ulrich geborduurd?” + +</p> +<p>“Waarom niet, Mevrouw? evengoed als hij den jachthond van den Graaf van Falckestein zich toeëigende, kon hij zijn kind met +den roof van het uwe optooien.” + +</p> +<p>”’t Is waar!” zeide de Gravin, strak voor zich heen ziende: “’t is waar, wat gij daar zegt: en ik was een zottin, om mij te +vleien met een hoop, die nimmer verwezenlijkt kon worden.—Nietwaar, Beckman!” vervolgde zij tegen haar ouden rentmeester, +die insgelijks in het vertrek was gekomen: “nietwaar, gij hebt het met eigen oogen gezien, dat een verfoeilijke booswicht +het kind....” Hier zweeg zij, als was de volzin te vreeselijk om uitgebracht te worden. + +</p> +<p>“Mevrouw! ich heb het, eilaas! seyen mussen, dat den teifelschen Jezuïet das kleinen kinde in ’s wasser worf,” antwoordde +Beckman. + +</p> +<p>“Ik heb mij door een ijdele begoocheling van ’t spoor laten voeren,” hernam de Gravin: “verschoon, Mijnheer Van Sonheuvel! +het bespottelijke tooneel, waar gij getuige van geweest zijt.” + +</p> +<p>Dit gezegd hebbende, groette zij den Baron met een buiging vol waardigheid, en verliet het vertrek om zich naar haar slaapsalet +te begeven. + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e9045" href="#d0e9045src" class="noteref">1</a></span> Deze dag moet met een witten steen geteekend worden! +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e9422" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Negen-en-twintigste Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Het zal den Vorst believen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Te vorschen naer ’t geheim.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Palamedes. +</p> +</div> +<p>Terwijl dit alles voorviel ten huize van de Gravin van Nassau, zaten Joan en Hendrik Raesfelt, die den geheelen dag, zonder +eenig bezoek, in groote verveling hadden doorgebracht, op den nacht te wachten, welke verlossing aan moest brengen, toen de +knecht des cipiers hun gevangenis binnenkwam en Joan verzocht hem te volgen, vermits er iemand beneden was, die hem verlangde +te spreken. <a id="d0e9437"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9437">311</a>]</span>Deze boodschap verwonderde den beiden vrienden; want het uur, waarop de poort zich niet meer opende, was reeds voor een geruimen +tijd verstreken; dit belette echter niet, dat Joan zijn leidsman volgde, die hem in een spreekvertrek bracht, en hem met een +vreemdeling alleen liet. + +</p> +<p>Het begon reeds duister te worden en de laatste schemering viel slechts even in de kamer waar hij zich bevond, zoodat Joan +in ’t eerst den man niet herkende, die in een gemakkelijken leunstoel aan een tafel zat met het eene been over ’t andere en +de armen gekruist: te meer daar een hoed met breede randen en donkere veeren hem het hoofd en een groote mantel de leden bedekte. +Eenige oogenblikken gingen voorbij, waarin de vreemdeling, zonder een woord te spreken, Joan sterk in ’t aangezicht bleef +zien. + +</p> +<p>“Ben ik het, wien UEd. verlangt te spreken?” vroeg deze eindelijk, eenigszins geraakt: “of heeft hier een misverstand plaats?” + +</p> +<p>“Geen misverstand, volstrekt geen,” antwoordde de ander: “gij schijnt mij niet te herkennen, jonkman, wij hebben elkander +toch vroeger gezien.” + +</p> +<p>”’t Is waar,” zeide Joan “uw stem is mij niet onbekend: doch het is hier zoo verbaasd duister, dat....” + +</p> +<p>“Kapitein Holtvast, van de Garde, om u te dienen: wij hebben elkander voor vier weken te Tiel ontmoet.” + +</p> +<p>“Juist, nu herinner ik mij volkomen.... doch hoe wist UEd. dat ik mij in Den Haag en wel in dezen kerker bevond?” + +</p> +<p>“Even alsof ik u gisteren niet op ’t Binnenhof gezien had?.... Gij hebt uw oogen op mij niet willen wenden; het scheen dat +er een ander voorwerp was, hetwelk beter uw beschouwing verdiende.... nu! dat is billijk,—doch ik zag en herkende u terstond: +en om te weten, dat gij hier geplakt werdt, dat was spoedig ruchtbaar.” + +</p> +<p>“En UEd. komt mij bezoeken!—Dat is recht hupsch van u.” + +</p> +<p>“Nietwaar? Ja, ik kom meer doen;.... doch kom wat naderbij en zet u!.... ik kom meer doen; ik kom u de middelen bieden om +u uit dezen kerker te redden.” + +</p> +<p>“Waarlijk!” zeide Joan, den kapitein haastig bij de hand nemende: “geloof, dat mijn dankbaarheid....” + +</p> +<p>“Dankbaarheid!” herhaalde de kapitein: “ja, reken op dankbaarheid: dankbaarheid is klokspijs voor gekken: ik heb nooit meer +betalingen ontvangen dan in betuigingen van dankbaarheid:.... dankbaarheid is de schil van den citroen, welke men u toewerpt, +nadat men het sap heeft genoten. Dankbaarheid! ja voor den duivel! ha! ha! ha!”—Hier begon Holtvast op een gemaakte wijze +te lachen en scheen toen opeens in mijmeringen verdiept. + +</p> +<p>“Men schijnt uw goed vertrouwen misbruikt te hebben,” zeide Joan, met een eenigzins beschroomde stem. + +</p> +<p>“Wat zegt gij, knaap?” vroeg Holtvast met een bulderende stem, terwijl hij opstond en zijn mantel over zijn schouder sloeg: +“wie zou dat hebben durven doen? of liever: aan wien zou ik mijn vertrouwen geschonken hebben?” +<a id="d0e9465"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9465">312</a>]</span></p> +<p>Joan zweeg, en zag den kapitein verwonderd aan. + +</p> +<p>“Doch dit alles komt hier niet te pas,” zeide deze, wederom gaande zitten: “ik heb u heel wat anders te zeggen: hoor knaap!” +vervolgde hij, terwijl hij zijn kin met beide handen ondersteunde “weet gij wel, dat het schavot voor u opgericht wordt?” + +</p> +<p>Ik geloof, dat er niemand op aarde bestaat, die bij een dergelijke mededeeling zijn gewone kalmte van ziel bewaren zou. Ook +onze held voelde een kille huivering door al zijn leden gaan, en zag den brenger dier slechte tijding met strakke oogen aan. + +</p> +<p>“Morgen uw laatste verhoor, man!—en dan uw vonnis: de galg kunt gij niet ontgaan,” vervolgde Holtvast met de meeste bedaardheid. + +</p> +<p>“Zou UEd. waarlijk denken, dat men zoo spoedig.... en zoo onbarmhartig te werk zou gaan?” + +</p> +<p>“Spoedig!—Ja! misschien nog te langzaam,” zeide Holtvast, weder in zich zelven sprekende: “Onbarmhartig!—maar wat is grooter +barmhartigheid, schelmen te hangen, of schelmen te laten loopen?” + +</p> +<p>“Indien deze laatste woorden mij gelden,” riep Joan uit, “dan zouden zij u duur te staan kunnen komen.” Bij het uiten dezer +woorden sloeg hij de hand met drift op de plaats, waar hij het gevest van zijn degen verwachtte. “Ach!” zeide hij: “’t is +waar: er is geen degen meer; doch des te laffer is het van u gehandeld, een ongewapende te beleedigen.” + +</p> +<p>“Er bestaat hoegenaamd geen oogmerk tot beleediging,” zeide Holtvast met koelheid: “ik sprak met mij zelven.... ik bevind +mij dikwijls in de gelegenheid van alleen mij zelven te kunnen raadplegen;.... doch het is zooals ik zeide: morgen of uiterlijk +overmorgen wordt gij gehangen.” + +</p> +<p>“Onmogelijk! ik heb niets misdreven, en zonder schuld....” + +</p> +<p>“Dat doet niets ter zake, vriend!” zeide Holtvast: “ha! ha! als men alleen den schuldige hing;.... doch mijn vraag is niet, +of gij schuldig of onschuldig zijt, ik wilde u helpen, lieve vriend, anders niet<span id="d0e9486" class="corr" title="Bron: ,">.</span>” + +</p> +<p>“Gij zult mij toch niet willen helpen, zoo gij mij schuldig acht?” + +</p> +<p>“Hoor!” zeide Holtvast, lachende, en hem tot zich trekkende: “het is juist, omdat ik u schuldig acht aan hetgeen u ten laste +gelegd wordt, dat ik u redden wil. Ik weet zeer wel, dat gij de agent zijt, door wien Graaf Frederik Hendrik en Grobbendonck +samenspannen.” + +</p> +<p>“Wel mogelijk,” antwoordde Joan, met koelheid: “doch buiten mijn weten.” + +</p> +<p>“Wat!” riep de kapitein, opvliegende: “wel mogelijk? houdt gij het voor mogelijk, dat Graaf Frederik Hendrik....” + +</p> +<p>“Waarom niet?” vroeg Joan: “de rechters, die mij ondervroegen, schenen het wel voor mogelijk te houden.” + +</p> +<p>“Om ’t even,” zeide de kapitein, die weder zijn bedaardheid hernomen had: “doch het kan u niet onbewust zijn,” vervolgde hij, +fluisterende, “dat er een plan bestaat om Frederik Hendrik hier aan ’t hoofd der zaken te stellen.” + +</p> +<p>”’t Is voor ’t eerst dat ik er van hoor,” antwoordde Joan. +<a id="d0e9503"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9503">313</a>]</span></p> +<p>“Gij behoeft met mij niet te veinzen,” hernam de kapitein: “ik weet alles: ik weet, dat gij van Grobbendonck gezonden zijt +om met den Graaf te onderhandelen:—Ik vermoedde reeds, toen ik u te Tiel zag, dat gij mede tot het eedverwantschap behoordet.” + +</p> +<p>“En waarom hieldt ge mij dan toen niet aan?” vroeg Joan, die hem wilde laten praten, in de hoop van eenige inlichtingen betreffende +zijn zoogenaamde medeplichtigheid aan hoogverraad te erlangen. + +</p> +<p>“Of ik gek was?—Ik ben zelf ook in ’t geheim, zeide ik u immers. Volg gij maar letterlijk mijn voorschriften, en ik help u +hier uit, eer het jaar een dag ouder is;.... doch zeg mij vooraf: heeft Grobbendonck de laatste brieven des Graven wel ontvangen?” + +</p> +<p>“Ik herhaal u, ik weet van Graaf, van Grobbendonck, noch van brieven. Ik heb een pakket vanwege de Remonstrantsche Heeren +medegebracht, zonder te weten wat er inzat: ziedaar mijn heele misdaad.” + +</p> +<p>“Gij houdt dus den Graaf voor onschuldig?” vroeg Holtvast, met overhaasting. + +</p> +<p>“Ik hou mijzelf voor bedrogen en vel verder geen oordeel over iemand.” + +</p> +<p>“Gij wilt dus mijn bijstand niet aannemen om deze droevige gevangenis en een wissen dood te ontgaan.” + +</p> +<p>“Ik heb nog niet gehoord, op welke voorwaarden mij uw bijstand verleend wordt.” + +</p> +<p>“Vooreerst, dat gij onbewimpeld met mij spreken zult en niet langer een onbekendheid met de zaken voorwenden, welke u niets +baten kan; ten tweede, dat gij deel neemt in den aanslag.... welken gij kent.” + +</p> +<p>“Zoo gij volhoudt, niet dan in raadselen te willen spreken, zal het beter zijn, dat wij ons gesprek eindigen,” zeide Joan, +zich omwendende. + +</p> +<p>“Welnu dan! Ik meen den aanslag.... Begrijpt gij mij nu?” vroeg Holtvast, met de hand de gebaarde makende van iemand die een +dolksteek toebrengt. + +</p> +<p>“Wat! een aanslag om Prins Maurits te vermoorden?” vroeg Joan, verontwaardigd. + +</p> +<p>“En waarom niet?” vroeg Holtvast: “men heeft zijn vader wel vermoord.” + +</p> +<p>“En gij, een kapitein bij de Garde! Schurk! dit zult gij boeten! Hier stokbewaarder! dienaars hier! deze wil den Prins vermoorden!—Onder +het uiten dezer woorden was Joan den kapitein aangevlogen en had hem in de borst gegrepen; doch Holtvast slingerde hem op +een onzachte wijze van zich en wierp hem in den armstoel. Op hetzelfde oogenblik trad de stokbewaarder binnen op het geroep, +en eer Joan weder opgestaan was, was de kapitein verdwenen. + +</p> +<p>“Zacht wat!” zeide de cipier; “wat wil dat gedruisch?” + +</p> +<p>“Die schurk wilde den Prins vermoorden,” herhaalde Joan. + +</p> +<p>“Kom! zotteklap!” hernam de cipier: “ga maar weder naar uw kooi en slaap uw roes uit, opdat gij morgen verstandig moogt antwoorden, +wanneer gij verhoord wordt.” +<a id="d0e9538"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9538">314</a>]</span></p> +<p>“Maar ik verzeker u, dat die guit....” + +</p> +<p>“Volgt gij gewillig? of moet ik u laten voortslepen en de boeien aanzetten?” vroeg de cipier, altijd even koel. + +</p> +<p>“Ik ga al,” zeide Joan, oordeelende dat de stokbewaarder aan zijn aanklacht toch geen geloof zou slaan. + +</p> +<p>Hendrik hoorde met verwondering naar het verhaal, hetwelk zijn vriend hem, na zijn terugkomst in de gevangenis, van het zonderlinge +gesprek met den vreemdeling deed. De meest waarschijnlijke veronderstelling kwam den proponent voor, deze te zijn, dat die +kapitein een spion was van den Fiskaal, die hem kwam uithooren. + +</p> +<p>“Dat dacht ik ook een oogenblik,” zeide Joan: “doch te Tiel was hij stellig een kapitein en geen spion.... Het spijt mij, +dat ik mij zoo in ’s mans gelaatstrekken en ronde taal vergist heb. Te Tiel beviel hij mij zoo uitnemend wel, niettegenstaande +wij zwaren twist hadden.” + +</p> +<p>“En hier, waar hij u bijstand kwam aanbieden, beviel hij u niemendal,” merkte Hendrik aan. + +</p> +<p>“Gij hebt gelijk,” zeide Joan: “maar met dit al zijn de tijdingen, die hij mij bracht, niet onbelangrijk: en ik begin waarlijk +te gelooven, dat ik wijselijk zal doen, door mij, zoo er eenige mogelijkheid toe bestaat, aan het gevaar te onttrekken, dat +mij boven ’t hoofd hangt.” + +</p> +<p>Raesfelt, die niets liever verlangde, dan Joan tot metgezel in zijn vlucht te hebben, wendde al zijn welsprekendheid aan om +hem in dit voornemen te versterken. + +</p> +<p>“Maar!” zeide Joan eindelijk: “alles is goed en wel: doch is het gezegd, dat uw Dulcinea, die zeer geneigd is om u te verlossen, +evenzeer er op gesteld zal wezen, om mij aan mijn kerker te laten ontsnappen?” + +</p> +<p>“Ach!” zeide Hendrik, “zou zij weigeren, u, die zoo geheel onschuldig lijdt, te helpen?” + +</p> +<p>“Zal zij aan mijn gezicht zien, dat ik onschuldig ben?” vroeg Joan: “en daarenboven, wat gaat haar mijn schuld of onschuld +aan?” + +</p> +<p>”’t Is waar,” zeide Hendrik: “doch geen zorgen voor den tijd! laat ons alles aan Gods bestuur overlaten.” + +</p> +<p>“Recht zoo!” hernam Joan: “en, ofschoon een Arminiaan,” voegde hij er glimlachend bij: “zult gij toch moeten toestemmen, dat +wij ontkomen zullen, indien het in Gods raad besloten is, dat wij ontkomen moeten.” + +</p> +<p>“Ik heb tegen dat argument niets in te brengen,” antwoordde Hendrik: “wij zullen intusschen Zijn hulp en zegen bij onze onderneming +afsmeeken.” + +</p> +<p>Dit geschiedde en de beide vrienden wachtten nu getroost en gelaten het uur der redding af. + +</p> +<p>De klok van den grooten kerktoren had reeds twaalf slagen van zich gegeven: een doodsche stilte heerschte door heel het gesticht; +en nog hadden de beide vrienden geen gerucht gehoord, dat hun een schijn van redding aankondigde. Verscheidene minuten verliepen +er: nog liet zich niets hooren: een kwartier: alles was stil als in het graf. +<a id="d0e9571"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9571">315</a>]</span></p> +<p>“Er is zeker iets in den weg gekomen,” zeide Hendrik al zuchtende. + +</p> +<p>“Of gij hebt de hiëroglyphen, die op het bord stonden, kwalijk verstaan,” fluisterde Joan hem in. + +</p> +<p>Op hetzelfde oogenblik hoorden zij opeens een geluid, alsof het slot der gevangenisdeur opensprong. + +</p> +<p>Noch Joan, noch Hendrik spraken een woord; maar zij drukten elkaar onwillekeurig de hand. Een lang stilzwijgen volgde. + +</p> +<p>“Hoe!” zeide Hendrik eindelijk: “ik meende toch gehoord te hebben....” + +</p> +<p>“Stil!” zeide Joan, begrijpende, dat degene die buiten was, vreesde dat het omdraaien van ’t slot gehoord geweest ware en +eenigen tijd wachtte met het opendoen der deur, om niet weder opnieuw aandacht te verwekken. + +</p> +<p>Eindelijk sprong nogmaals het slot om, en de deur ging open. + +</p> +<p>Hendrik trad dadelijk toe, terwijl Joan achter hem bleef. De duisternis, welke zoowel in de gang als in hun kamer heerschte, +belette hun echter te zien of gezien te worden. + +</p> +<p>“Doe uw schoenen uit!” zeide een zachte stem. + +</p> +<p>“Dit is geschied,” antwoordde Hendrik, die reeds met de zijne, gelijk Joan met zijn laarzen, in de hand stond. + +</p> +<p>“Stil!” antwoordde dezelfde stem: “hier.... reik mij uw hand. Neem deze twee pistolen.” + +</p> +<p>Hendrik aanvaardde de beide pistolen en stak er dadelijk een aan Joan toe. + +</p> +<p>“Volg mij nu en spreek geen woord.” + +</p> +<p>Dit zeggende nam de jeugdige geleidster den gevangenen Hendrik bij de hand en voerde hem achter zich uit het vertrek waar +zij zich bevonden, de gang door, naar een trap, en voor een venster, hetwelk zij opende: Joan was hen met zachte schreden +gevolgd. + +</p> +<p>“Klim hier onbevreesd uit,” zeide zij tegen Hendrik: “het regent buiten: de lucht is bewolkt: niemand zal u zien.” + +</p> +<p>Hendrik had den linkervoet reeds buiten het venster gestoken, terwijl hij, den rechterarm om den hals van het lieve meisje +slaande, haar den vaarwelkus op den rozenmond drukte. Dan in hetzelfde oogenblik vertoonde een gemoedsbezwaar, dat hem reeds +vroeger gehinderd had, zich als een dreigend spook voor zijn geest. Hij trok het been terug. + +</p> +<p>“Maar Truitje!” zeide hij: “indien uw vader onze.... ik wil zeggen mijn ontkoming bemerkt, zal hij dan niet verstoord op u +zijn?” + +</p> +<p>“Laat dat aan mij over, en haast u,” fluisterde Truitje: “nu, hoe is ’t? vertrekt gij of niet? moet ik hier staan wachten +tot vader ons hoort.... dan, ja dan!....” + +</p> +<p>“Maar op wie anders zoude zijn vermoeden rusten als op u?” + +</p> +<p>“Gek! op u zelve! Zoodra gij weg zijt, ga ik naar uw gevangenis terug en breek het slot.” + +</p> +<p>Joan stond op heete kolen. + +</p> +<p>“Maar mogen wij uw vader aldus bedriegen?” vroeg Raesfelt. Op dit oogenblik hoorde men gerucht in het benedenhuis. +<a id="d0e9616"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9616">316</a>]</span></p> +<p>“Voort! voort!” zeide Truitje, “of alle hoop is voor ons verloren.”—Dit zeggende, greep zij, in de duisternis tastende, Joan +bij de hand. Deze liet zich geen tweemalen tot de vlucht aanmoedigen. Hij stapte naar buiten, voelde een ladder onder zijn +voeten, klom af en stond, weldra op vrijen grond. + +</p> +<p>“Goddank!” zeide Truitje: “hij is gered.” + +</p> +<p>“Ik geloof, dat gij gelijk hebt en dat ik hem volgen moet,” zeide Hendrik. + +</p> +<p>“Hoe!” riep Truitje met een gil van verbazing. “Heb ik u het raam niet zien uitklimmen? Wie was dan die ander?” + +</p> +<p>“De deelgenoot mijner gevangenis, mijn vriend, een onschuldige jongeling, die....” + +</p> +<p>“Om ’t even: hij heeft althans tienmaal meer gezond verstand dan gij; want hij weet van de gelegenheid gebruik te maken.” + +</p> +<p>Hendrik antwoordde geen syllabe; doch Truitje nog eenmaal vaarwel kussende, nam hij denzelfden weg, dien Joan gevolgd was +en stond weldra beneden op straat. + +</p> +<p>Naast de ladder wachtte hem Joan af, benevens een lange stevige knaap, met een grooten mantel om, die de ladder had vastgehouden. +Deze laatste raapte nu een zwarten mantel van den grond, welken hij Hendrik omsloeg, en gaf, na een kort fluisteren met dezen, +zijn eigen mantel aan Joan; vervolgens nam hij de ladder onder den arm en wenkte den vluchtelingen, dat zij hem volgen zouden. + +</p> +<p>“Waar brengt gij ons?” vroeg Hendrik hem, zoodra zij een eindweegs waren opgewandeld. + +</p> +<p>“Stil!” gaf hij ten antwoord: “Volg mij slechts: ik breng u bij uw vrienden.—Wacht! hier zullen wij de ladder nederzetten: +die haar vindt, mag haar aan den eigenaar terugbezorgen.”—Dit zeggende, plaatste hij de ladder tegen een afdak, en voortwandelende, +sloeg hij met zijn volgers een steegje in, midden in hetwelk hun een manspersoon tegenkwam, die dadelijk op den leidsman aanstapte +en hem met een nauwelijks hoorbare stem toefluisterde: “moeten die Heeren bij ons zijn?” + +</p> +<p>“Ik meen van ja, Jan <span class="letterspaced">Doodeklok</span>!”<a id="d0e9642src" href="#d0e9642" class="noteref">1</a> zeide de sjouwerman; (want hooger in rang scheen de geleider der beide vluchtelingen niet te wezen;) “Mijne Heeren!” vervolgde +hij, zich tot dezen wendende: “Ik groet u. Deze man zal u verder brengen waar gij wezen moet.” Met deze woorden en zonder +antwoord of dank te wachten, keerde hij zich om en haastte zich weg, Joan en Hendrik overlatende aan de zorg der zoogenaamde +<span class="letterspaced">Doodeklok</span>, die, met een beleefde buiging, doch zonder den mond te openen, een nauw gangetje insloeg, aan welks einde een deur was, +welke op zijn tikken geopend werd. Dan nauwelijks wilden de vluchtelingen binnengaan toen zij achter zich de vlugge voetstappen +hoorden van iemand, die hen in het gangetje gevolgd was. Reeds sidderde Raesfelt op de gedachte, dat hun ontkoming verraden +ware: reeds had Joan de haan van <a id="d0e9648"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9648">317</a>]</span>zijn pistool overgehaald, gereed op tegenweer, toen de nieuwaangekomene het liedje afbrak dat hij binnensmonds neuriede, en, +de <span class="letterspaced">Doodeklok</span> gemeenzaam op den schouder tikkende, vroeg of de vromen al vergaderd waren. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Doodeklok</span> beantwoordde deze vraag toestemmend, waarop de onbekende binnentrad en Joan, die in den donkeren ingang stond, bij den arm +nam: “vergun mij, Mijnheer!” zeide hij: “dat ik mij aan u vasthoude; want ofschoon ik hier meer geweest ben, zoo ben ik altijd +bang, om in dit donkere gat armen of beenen te breken.” + +</p> +<p>Joan stond niet weinig ontzet: want hij had de stem van Bleiswyk herkend en was hoogst beducht voor een ontdekking; echter +hield hij zich bedaard en trad, evenals Hendrik, met hun nieuwen leidsman de duistere gang ten einde, waarna zij een slecht +verlichte trap beklommen, en voorts weder een lange trap afliepen tot aan een deur, welke zich op het aankloppen van Bleiswyk +opende. Dan welk een schrik beving de vluchtelingen, toen zij een verlichte zaal en een groote schaar van menschen voor zich +zagen. Beiden verzetteden en wilde terugtreden; doch het was te laat. Bleiswyk had Joan reeds met zich naar binnengetrokken, +en Hendrik, die niet van zijn vriend wilde scheiden, volgde hen. + +</p> +<p>Het vertrek, waar zij zich thans in bevonden, was ruim, doch laag en bedompt en met weinige lampen verlicht, welke eene onaangenamen +damp en geen minderen stank verspreidden. Op stoelen en banken van verschillende grootten en vormen, en welke kenmerken droegen +van overal vandaan geraapt en geleend te zijn, waren onderscheidene lieden van beiderlei kunne gezeten, meest vermomd of althans +wel dicht in hun mantels en huiken gewikkeld, hoewel sommigen onder hen hun gewone kleeding droegen en de hoofden vrijmoedig +uitstaken, als wilden zij daardoor toonen, dat zij zich des noods voor hun zaak het martelaarschap getroosten zouden. Midden +in de zaal was een soort van predikstoel opgericht, waarin een redenaar in ’t zwart gekleed, en wien Joan al dadelijk voor +Groenhovius herkende, met de gebaren eens bezetenen stond te galmen: dichter bij hem zaten eenige lieden, die in deze vergadering +den boventoon schenen te houden: onder dezen stak uit een lang, deftig gekleed man met spierwitten baard en een zwarte fluweelen +muts op het hoofd. + +</p> +<p>Bij het inkomen van Bleiswyk en zijn twee gezellen, schikten zij, die het naast aan de deur gezeten waren, dadelijk in, en +wenkten hun beleefdelijk toe, dat zij plaats hadden te nemen.—Voordat Bleiswyk aan deze uitnoodiging verkoos te voldoen, stak +hij de handen in de zijde, wierp den rug achterover en liet in die houding het oog over de gansche vergadering weiden, waarschijnlijk +om de schoone te zoeken, die hem derwaarts gelokt had. ’t Zij dat hij haar niet ontdekken kon, ’t zij dat zij er waarlijk +niet aanwezig ware, hij nam een ontevreden houding aan, wierp zich meer dan hij zitten ging op de hem aangeboden bank, snoot +zich met geweld, stak vervolgens de handen in de zakken en liet zijn donkerkleurigen mantel <a id="d0e9664"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9664">318</a>]</span>openvallen, waardoor zijn prachtige onderkleedij zichtbaar werd, terwijl hij trotsch om zich heen zag, als wilde hij zeggen: +ik lach wat om ulieden, en het bruit mij weinig, of gij mij kent of niet. Daarna gaapte hij den redenaar aan en begon aandachtig +naar diens woorden te luisteren. + +</p> +<p>Wat Joan en Hendrik betrof, dezen, althans de laatste, begrepen dat zij, niettegenstaande de kans van ontdekt te worden, hier +misschien hulp zouden vinden onder de Remonstrantsche broederschap; en daar zij toch te ver gekomen waren om ongemerkt weder +te kunnen vertrekken, plaatsten zij zich naast Bleiswyk, echter zorg dragende, hun gelaat met hoed en mantel te bedekken; +dan hoe ontstelde Joan, toen hij niet ver van zich af een heer zag zitten, die, schoon hij ook vermomd was, bijna terstond +door hem voor den Fiskaal Van Kinschot herkend werd. Vol angst van door dezen gezien te worden, trok nu Joan den hoed nog +dieper in de oogen, en verborg de punt van zijn neus (alles wat er van zijn persoon nog zichtbaar was) achter de holte zijner +hand, terwijl hij als een zoutzak in elkander kroop. Hendrik, die den Fiskaal niet herkend had, leende dadelijk zulk een aandacht +aan de predikatie, dat hij daardoor al spoedig vergat de noodige voorzorgen te nemen, welke hem konden verbergen. Groenhovius +had, naar het bleek, tot tekst zijner redevoering genomen de woorden des heiligen geschiedschrijvers Lucas, wanneer hij de +bekeering van Saulus verhaald hebbende, van de Apostelen zegt: “zij vreesden hem allen, niet geloovende dat hij een discipel +was.”—Met veel arglistigheid wist hij, zonder iemand te noemen, in den loop zijner predikatie, den tekst in zijn geheel verband +toepasselijk te maken op Graaf Frederik Hendrik, terwijl hij door zijn zijdelingsche aanduidingen aan de gemeente zocht diets +te maken, dat zij van dien vorst alleen haar hulp en verlossing te wachten had.—“Ja,” riep hij uit met een vervaarlijke stem, +terwijl hij gedurig met de breede vuist op den voor hem liggenden Bijbel sloeg: “hoor mijn stemme, gij kuddeke Israëls, en +geloof mijn woorden, niet aan hen gelijk zijnde, die ooren hebbende, niet hooren, en, oogen hebbende, niet zien willen. Want +weet, uit Edom, uit Galilea der volkeren, uit de landpale der vijanden is hij voortgekomen, die de groote verlossinge Israëls +teweeg zal brengen, en zijn naam is Wonderlijk! Zegt niet in uw harte: kan er iets goeds uit Nazareth komen? Want hier geschiedt +meer, en uit dat geslachte Pharaonis, uit den huize Sauls, is deze reize het licht opgegaan: uit Egypte heb ik mijnen Zoon +geroepen, en het is wonderlijk in onze oogen; en de Heer heeft hem met kracht bekleed en tot hem gezegd: ik ben met u, gij +strijdbare held! ga henen in uwe kracht, en gij zult Israël uit der Midianieten hand verlossen: dus wantrouw niet meer, gij +huize Davids! en wees niet ongeloovig; want gij zult uwe vijanden zien vertreden in den grooten wijnpersbak des toorns Gods, +en daar zal bloed uitkomen tot aan de toornen der peerden, duizend zeshonderd stadiën verre! en als men vraagt en zeggen zal +de een tot den anderen: wie heeft dat stuk gedaan? dan zal men antwoorden: Gideon de zoon van Joas, heeft dat stuk gedaan<span id="d0e9668" class="corr" title="Bron: ?">.</span> Doch wie is nu Gideon de <a id="d0e9671"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9671">319</a>]</span>zoon van Joas? Vraagt gij het nog? Begeert gij nog een teeken, gij kleingeloovigen? en weet gij nog niet, wie de ware Jozef +zijn zal? Ziet, ik zal nog duidelijker spreken. Jacob, de aartsvader, Jozefs vader, was uit een grooten en machtigen stam;—en +ook de vader van onzen Jozef was van aanzienlijken huize. Jacob heeft gestreden met machtiger dan hij, en overmocht hem:—en +de vader van onzen Jozef heeft van gelijken gedaan. Jacob heeft een zwervend leven geleid:—en de vader van onzen Jozef niet +minder. Jacob heeft vier wijven gehad; doch Rachel had hij lief en zij baarde Jozef:—onze Jacob had ook vier wijven; doch +zijn Rachel heeft hem onzen beschermer gebaard. Jozefs oudere broeders hebben het bloed der rechtvaardigheid geplengd, hun +handelingen zijn werktuigen van geweld geweest; en ook de ouder broeder van onzen Jozef heeft in zijnen toorn de mannen doodgeslagen, +die den vaderlande dierbaar waren; doch onze Jozef zal het afgebrokene weder oprichten en de verdorde takken weder bloeien +doen. Dus waakt! want de ure is nabij, waarin deze dingen geschieden moeten! Gordt aan het zwaard ten strijde, <span id="d0e9673" class="corr" title="Bron: Versterkt">versterkt</span> de lendenen zeer!” + +</p> +<p>Met een verbazende vlugheid en kracht van stem had Groenhovius tot dusverre een voorstel uitgebracht, hetwelk, ofschoon het +thans in vele opzichten wartaal zal schijnen te behelzen, echter niet naliet, op dat tijdstip en bij zulke toehoorders een +verwonderlijken indruk te maken, toen hij opeens in het vervolgen zijner rede belet en door een anderen spreker vervangen +werd. Hendrik Raesfelt had namelijk niet dan met ongeduld en verontwaardiging de oproerige en doldriftige taal des Predikants +aangehoord; doch toen deze in het laatste gedeelte der door ons aangehaalde toespraak de gemeente kennelijk tot burgeroorlog +aanspoorde, was hij buiten staat zich langer te bedwingen; driftig opgesprongen zijnde, drong hij door de menigte heen tot +voor den kansel, en greep Groenhovius heftig bij den arm: “Van hier, gij Beliäls zoon!” riep hij driftig uit: “wie geeft u +last en commissie tot het voeren eener zoo gruwelijke taal? Durft gij, de leeraar des vredes, de ongelukkige gemeente tot +oproer manen?” + +</p> +<p>“Braaf gesproken!” zeide Bleiswyk overluid: “dat is taal, die men verstaat: dat andere was zoo diep, dat niemand het vatten +kon, die niet gestudeerd had.” + +</p> +<p>“Wat onvoorzichtigheid!” zeide Joan tot zich zelven: en meteen gebruik makende van de algemeene opschudding, welke dit voorval +had te weeggebracht, drong hij zich dichter bij den predikstoel, om, ingeval van nood, Hendrik bij te kunnen springen. Voorzichtiger +had hij misschien gedaan met het voorbeeld te volgen, dat eenige der aanwezigen gaven, die zich bij de eerste verwarring uit +de zaal maakten. + +</p> +<p>“Jonkman! wie zijt gij, die mij zoo stout het woord durft afnemen?” vroeg Groenhovius: “ben ik niet de gezondene en geroepene +van omhoog, die den volke leeren moet, wat het noodig heeft te weten?” + +</p> +<p>“Leugenprofeet!” riep Hendrik, Groenhovius overschreeuwende: “is <a id="d0e9686"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9686">320</a>]</span>dit het Christendom, dat gij leert? al wat gij zegt is uit den Booze!” + +</p> +<p>“Afvallige!” brulde de Predikant, aan wien een der bijstanders Hendriks naam had in het oor geblazen: “<span class="letterspaced" lang="la">scelerate! nonne Raesfeldii filius?</span><a id="d0e9692src" href="#d0e9692" class="noteref">2</a> Gelooft hem niet, broeders! hij is de zoon van den boozen Raesfeldii, en als hij een verdrukker der gemeente, die welbehagen +heeft in onzen dood.” + +</p> +<p>“Jongeling!” zeide nu de man met de fluweelen muts, die naast Groenhovius gezeten had, terwijl hij opstond en Hendrik terugstootte! +“laat af van den vromen man; want hij spreekt de woorden der waarheid: zie om u heen: de groote verlosser Israëls, wien hij +bedoelde, is onder u, is in deze vergadering gekomen, om uwe valsche beschuldiging te logenstraffen.” + +</p> +<p>“Ha! wien hebben wij hier!” riep Joan, die deze stem herkende, voor den dag springende en den onbekende zijn valschen witten +baard afrukkende: “Pater Eugenio in dezen kring!” + +</p> +<p>Aller oogen wendden zich op den Jezuïet, die dus ontdekt in hun midden stond; doch op hetzelfde oogenblik werd de aandacht +wederom afgetrokken en op een anderen bijstander gevestigd, die, zijn mantel openslaande, zich voor graaf Frederik Hendrik +kennen deed. + +</p> +<p>“Ja, ik ben hier gekomen,” zeide deze: “doch geenszins....” + +</p> +<p>“Wat onvoorzichtigheid! om ’s Hemels wil! Uwe Doorluchtigheid,” zeide Ludwig, die nevens hem stond, terwijl hij zijn best +deed om hem zijn mantel weder om te slaan. + +</p> +<p>“Laat af, Ludwig!” riep de Graaf: “ik moet redenen van mijn gedrag geven: ik moet aan deze onberaden lieden zeggen, dat....” + +</p> +<p>“Die redenen zult ge mij geven,” zeide, op een half gesmoorden, doch strengen toon, iemand, die, in een grooten mantel gewikkeld, +achter hem oprees en hem op den schouder tikte. + +</p> +<p>“Maurits!” zeide de Graaf, zich verschrikt omwendende. + +</p> +<p>“Stil!” beet de Prins hem in ’t oor: “ik wacht u tot mijnent. Kom, Van Kinschot! laat ons gaan.”—Na het uiten dezer woorden +drong hij in hevige gemoedsbeweging de kamer uit. De Fiskaal volgde hem: ook verscheidene der aanwezigen, die den Prins herkend +hadden en voor de gevolgen begonnen te vreezen, welke hun tegenwoordigheid in deze vergadering hebben kon. Frederik Hendrik +was als versteend blijven staan; totdat Ludwig hem zijn mantel omsloeg en hem bijna als een kind de kamer uitgeleidde. Inmiddels +had Eugenio zich door een zijdeur weggemaakt. Groenhof had mantel en bef van zich gesmeten en zich onder de menigte begeven. +Hendrik Raesfelt, zijn onvoorzichtigheid bespeurende, begon ook naar een goed heenkomen te verlangen en zocht Joan, doch vruchteloos, +onder de nog aanwezige personen, toen een zijner geloofsgenooten, wien hij te Amsterdam gekend had, hem met zich nam, met +belofte van hem een veilige schuilplaats te bezorgen. + + + +<a id="d0e9713"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9713">321</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e9642" href="#d0e9642src" class="noteref">1</a></span> Zoo noemde men de boden, die de Remonstranten heimelijk waarschuwden wanneer en waar er een bijeenkomst zou plaats hebben. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e9692" href="#d0e9692src" class="noteref">2</a></span> Schelm! zijt gij niet de zoon van Raesfelt? +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e9714" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Dertigste Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>De brief was toegezegelt +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Met ’s Konings eigen ringh, doch ’t wapen is misluckt +</span></p> +<p class="line" style=""><span>In ’t zeeglen, en de hant in ’t schrijven wat gedruckt.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Palamedes. +</p> +</div> +<p>“O Van Kinschot!” riep de Stadhouder uit, toen hij met den Fiskaal aan het Hof teruggekeerd was, zich weemoedig in een armstoel +werpende: “en hij, die mij verried, was mijn broeder.” + +</p> +<p>De Fiskaal zuchtte en antwoordde niet: hij wist, dat niets ongevalliger en van minder uitwerking is, dan troostwoorden, wanneer +de geslagen wonde te diep is om door andere geneesmiddelen dan tijd en geduld te worden geheeld. + +</p> +<p>“Die ondankbare!” vervolgde Maurits: “en op welk een oogenblik verraadt hij mij? nu ik zijn diensten het meest zoude behoeven! +O hemel! zou ik nog eens met een bloedend hart moeten straffen en den arm der gerechtigheid inroepen op hem, die mij dierbaar +was. O mijn vader! toen gij uw jongsten zoon aan mijn zorgen zoo teederlijk hebt aanbevolen, dacht gij weinig, dat ik in hem +een slang zou opvoeden, die mij eenmaal naar de hartader steken moest.” + +</p> +<p>“Welke bevelen zal Uwe Hoogheid mij geven?” vroeg Van Kinschot, met een droefgeestig oog den Stadhouder aanstarende. + +</p> +<p>“Geene!—volstrekt geene!—zoo er nog één vonk gevoel in den verrader is overgebleven, zal hij mij om vergiffenis komen smeeken;.... +in het omgekeerd geval wil ik hem den tijd laten, zich door de vlucht te redden.” + +</p> +<p>“Doch zijn aanhangelingen?” hernam de Fiskaal: “doch die schandelijke oproerprediker? moet die niet gevat worden?” + +</p> +<p>“Dat was uw zaak geweest,” antwoordde Maurits: “zoo laag kan mijn toorn nu niet dalen.” + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid had mij verboden, eenige bezetting rondom de vergaderplaats te stellen: ware dit gebeurd, geen muis zou het +ontkomen zijn.” + +</p> +<p>“En morgen had geheel ’s-Gravenhage geweten,” viel de Prins driftig in, “dat ik mij vermomd onder die schelmen begeven heb, +ten einde een broeder te bespieden;... doch zullen zij dit toch niet vernemen?.... ik ben overtuigd, dat menigeen mij herkend +heeft.” + +</p> +<p>“Daarom juist wilde ik hen allen gevat hebben, om de zaak geheel te versmoren.” + +</p> +<p>“En mijn schande voor de rechtbanken bekend te maken?—Neen, Van Kinschot! deze zaak is tusschen mijn broeder en mij alleen; +daarom wilde ik, slechts van u vergezeld, mij gaan overtuigen van de waarheid der bij u ingekomene berichten; daarom ondervroeg +<a id="d0e9751"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9751">322</a>]</span>ik zelf den brenger van het noodlottige pakket; want hoe kon ik hem voor schuldig houden op de enkele bewijzen der aan hem +gerichte brieven?” + +</p> +<p>“Misschien,” zeide Van Kinschot op een weifelenden toon, “had de tegenwoordigheid van Zijne Doorluchtigheid in die vergadering +eene zeer billijke reden, die....” + +</p> +<p>“Paai mij niet met zulke praatjes,” zeide Maurits, hem met drift in de rede vallende; “zou hij zich dan openlijk aan die vergadering +vertoond hebben, om de gezegden van dien schurk te bevestigen?.... De Hemel gave, dat ik twijfelen mocht.” + +</p> +<p>In dit oogenblik trad de kamerdienaar des Prinsen in en meldde Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik aan. Een kille huivering +beving den Prins; doch, zich spoedig herstellende, gaf hij last zijn broeder te laten bovenkomen, verzocht den Fiskaal, zich +in een ander vertrek te begeven, en wachtte toen, niet zonder van angst en droefheid te beven, de komst des Graven af, terwijl +hij in zichzelven mompelde: “Zijne Doorluchtigheid! ja, wel doorluchtig! ik zie hem door en door.” + +</p> +<p>Frederik Hendrik trad binnen met dien weifelenden stap, die verbleekte en ontstelde wezenstrekken en die onzekere houding, +welke zoowel het kenmerk zijn van den onschuldig betichte, die geen kans ziet om zijn onschuld aan den dag te brengen, als +van den overtuigden booswicht: en, in waarheid, nooit had hij zich in zulk een moeilijke, ja gevaarlijke omstandigheid bevonden. +De rechter, voor wien hij verschijnen moest, was, wel is waar, zijn broeder, die hem steeds liefde, achting en vertrouwen +betoond had; doch die nauwe graad van bloedverwantschap, welke tusschen den klager en den beschuldigde bestond, maakte ’s +Graven toestand des te beklagenswaardiger, door zijn droefheid te vermeerderen, dat hij een voorwerp van verachting en afschuw +in de oogen zijner nauwste betrekking geworden was. Daarenboven kende hij Maurits, die, hoe oprecht en goedhartig van nature, +door de omstandigheden, door het bedrog en de vijandschap van hen, die hij als vrienden had aangemerkt en door de menigvuldige +tegen hem gesmede aanslagen, opvliegend en achterdochtig geworden was. Wij hebben uit de mededeeling van de inzichten en voornemens, +die Frederik Hendrik aan zijn Secretaris gedaan had, gezien, dat deze Vorst, schoon uit edele en onbelangzuchtige beginselen +handelende, niet vrij was, van de Remonstranten meer dan eens ondersteund te hebben, somtijds tegen het uitgedrukt verlangen +zijns broeders; en thans zag hij duidelijk in, hoe deze handelwijze, welke niet te ontkennen viel, gevoegd bij zijn tegenwoordigheid +op de nachtelijke bijeenkomst, de tegen hem opgevatte vermoedens in kracht moest doen toenemen, en hoe bezwaarlijk, zoo niet +onmogelijk, een verontschuldiging hem zou vallen. Hij mocht, ja, nog op de liefde, op de toegenegenheid zijns broeders rekenen! +doch hij wilde zijn onschuld erkend, niet zijn schuld vergeven zien: en, zoo dit laatste al gebeuren mocht, het eerste scheen +hem toe bezwaarlijk te kunnen geschieden. + +</p> +<p>Toen hij de zaal ingetreden en Maurits eenige stappen genaderd <a id="d0e9763"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9763">323</a>]</span>was, bleef hij, ontzet door den strengen en doordringenden blik, welken zijn broeder op hem gevestigd hield, plotseling staan +en zag voor zich naar den grond als een arme aangeklaagde, die voor de vierschaar verschijnt, aan welke de uitspraak van zijn +lot verbleven is.—Maurits liet hem eenige oogenblikken in die houding staan, alsof hij verwachtte, dat de Graaf het eerst +zou spreken: hij hoopte, dat deze, van schuldbesef doordrongen, zich aan zijn voeten werpen en om vergiffenis bidden zou; +hiertoe wilde hij hem de gelegenheid laten; doch toen hij zag dat Frederik Hendrik als in den grond genageld staan bleef, +vroeg hij met een flauwe en toch ernstige stem: “welnu! wat wilt ge?” + +</p> +<p>De toon, waarop deze vraag gedaan werd, deed het hart des Graven sidderen als met een electrieken schok. Hij herkende daarin +de stem van den gestrengen rechter en tevens die van den diep gewonden broeder. Zich niettemin met moed wapenende, richtte +hij het naar den grond gebogen voorhoofd op en zeide met een afgebrokene stem, welke de onrust zijner ziel aanduidde: “gij +hebt mij bescheiden, Maurits!” + +</p> +<p>“En is dat de reden uwer komst?” vroeg Maurits, met hevigheid losberstende: “en zoo ik u niet bescheiden had, zoudt gij dan +niet gekomen zijn?—Dan heb ik u niet noodig.” + +</p> +<p>“Maurits!” zeide de Graaf, naar zijn broeder toetredende en de beweging makende, alsof hij zijn handen wilde vatten: “zoo +moeten wij niet tot elkander spreken.” + +</p> +<p>“Terug!” zeide de Prins, zijn stoel achteruitschuivende: “geen stap verder! Ik wil u niet in de gelegenheid stellen, een broedermoord +te kunnen begaan.” + +</p> +<p>“Almachtige God!” riep Frederik Hendrik met ijzing uit: “wie kon u zulke denkbeelden van mij inboezemen?” + +</p> +<p>“Wie?—uw gedrag:—hij, die zoo diep ontaard is, dat hij, met den huichelachtigen lach der onschuld op het wezen, zijn broeder, +zijn vorst misleiden kan, zijn Godsdienst verloochenen, zijn vaderland verraden en met snoode dienaars en schelmen heulen, +is even goed tot een broedermoord in staat.” + +</p> +<p>“Maurits!” zeide met nadruk de Graaf, in wiens gemoed de verontwaardiging over zulk een opeenstapeling van onverdiende betichtingen +de overhand nam boven droefheid en angst: “durft gij uws vaders zoon van zulke boosheden verdenken?” + +</p> +<p>“Ik verdenk u niet meer,” antwoordde de Prins met een verachtenden glimlach: “dat deed ik dezen morgen: waar de zekerheid +bestaat, houden de vermoedens op.” + +</p> +<p>“Gij zult mij dan onverhoord verwijzen?” vroeg Frederik Hendrik; “gij zult mij, uw broeder, die billijkheid weigeren, die +gij den laagsten booswicht niet ontzeggen zoudt?—Is dat de rechtvaardigheid, waarop Maurits roem durft dragen?” + +</p> +<p>“Ik luister,” zeide Maurits: “wat hebt gij tot uw verschooning in te brengen?” + +</p> +<p>“Ik dien eerst te weten waarvan ik beticht worde,” antwoordde zijn broeder met de fierheid van een rein geweten. + +</p> +<p>“Ellendige!” riep Maurits, vol gramschap opspringende;—doch <a id="d0e9789"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9789">324</a>]</span>spoedig de verloren zelfbeheersching terugnemende, vervolgde hij op een zachteren, ofschoon bitteren toon: “doch gij hebt +gelijk; men moet u niet van den aard uwer schuld onbewust laten.—Dan, waarmede zullen wij beginnen? de bezwaren zijn zoovele +in getal.”—Hier zweeg hij, bezig met te overdenken, op welke wijze hij het best in de ziel zijns broeders grijpen kon. + +</p> +<p>“Ik ben gereed alles op te helderen,” zeide Frederik Hendrik. + +</p> +<p>“Hebt gij,” vroeg eensklaps zijn broeder, “de vrouw van Bysterus niet met geld ondersteund?” + +</p> +<p>“En sedert wanneer,” vroeg de Graaf op zijn beurt, “kan een aalmoes iemand tot misdrijf worden aangerekend?” + +</p> +<p>“Bewimpel uwe gedragingen niet met den mantel van godsvrucht,” zeide de Prins: “gij hebt haar niet alleen, maar honderd anderen +van haar sekte, ja zelfs bannelingen en door de wet veroordeelden met raad en daad bijgestaan. De bewijzen hiervan zijn in +mijn handen. Had uw medelijdend hart alleen u daartoe vervoerd, ik zou mij wachten u deswege een verwijt te doen hooren: alleen +zou ik u in dit geval tegen de gevolgen waarschuwen; doch de wijze, waarop de weldaden, of liever die giften en raadgevingen +zijn uitgedeeld, maken uw gedrag strafwaardig en toonen genoegzaam aan, dat zucht om scheuring te verwekken en oproer aan +te hitsen uw eenige bedoeling was.” + +</p> +<p>“God kent mijn hart en de reinheid mijner oogmerken,” zeide de Graaf, terwijl hij de oogen ten hemel sloeg en de hand op zijn +hart legde. + +</p> +<p>“En uw komst op de Arminiaansche vergadering, was die ook door een rein oogmerk bestuurd?” vervolgde Maurits, zich op de lippen +van gramschap bijtende. + +</p> +<p>“Mijn tegenwoordigheid aldaar,” hernam zijn broeder, “was een dwaasheid en niet meer.—Ik was gewaarschuwd, dat op soortgelijke +vergaderingen nu en dan door de predikers slechte en oproerige aansporingen tot muiterij aan de broederschap gegeven werden: +en ik wilde mij met eigen ooren van de waarheid dier woorden overtuigen en mij verzekeren of ik inderdaad mijn weldaden aan +onwaardigen verspild had.” + +</p> +<p>“Gij weet een schoonen glimp aan uw handelingen te geven. Op de vergaderingen te gaan om te zien hoe het aldaar gesteld is!.... +Uit loutere nieuwsgierigheid om met eigen ooren te vernemen of.... geef liever geene, dan zulke antwoorden, Mijnheer!” + +</p> +<p>“Zoo Uwe Hoogheid,” hernam Frederik Hendrik met waardigheid, “vooraf besloten heeft, mijn verschooningen niet te willen aannemen, +dan acht ik het noodeloos, verdere moeite tot mijn verdediging te doen. Ik had gehoopt, gewaand, dat in den boezem van Uwe +Hoogheid nog een broederhart voor mij klopte; doch ik vind alleen een koelen, onbarmhartigen rechter, wien ik, vermits hij +onbevoegd is mij als <span class="letterspaced">zoodanig</span> te verhooren, geen verder antwoord behoef te geven.” + +</p> +<p>“Frits!” zeide de Prins, zijn stoel haastig naderbij trekkende: “de Hemel weet, dat ik niets liever zou wenschen, dan uw onschuld +helder aan het licht te hebben gebracht;—doch antwoord mij, in <a id="d0e9814"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9814">325</a>]</span>den naam des Eeuwigen Rechters, voor Wien wij allen eens verschijnen zullen, wat deedt gij in dat Arminianenhol?” + +</p> +<p>“Ik heb u de waarheid gezegd,” antwoordde zijn broeder, “de zuivere, onvervalschte waarheid.” + +</p> +<p>“Frits! Frits!” hernam Maurits, het hoofd op de vlakke hand leunende, en eenige tranen stortende, die van oprechtheid zijns +harten getuigden: “hoe kunt gij uw broeder, uw liefhebbenden broeder, aldus behandelen! Waarlijk, ik zag u met meer vermaak +aan ’t hoofd van een Spaansch leger Den Haag insluiten en mij bevechten, dan dat ik u tot zulke ellendige spreukjes de toevlucht +nemen zie. Heb ik niet alles gehoord en gezien? Zijt gij niet midden in de zaal gaan staan om de woorden van een dier schelmen +te bevestigen, en aan te toonen, dat gij u werkelijk in die vergadering bevondt?” + +</p> +<p>“Om den oproerkraaier te logenstraffen en de aanwezigen omtrent mijn bedoelingen uit den waan te brengen,” antwoordde de Graaf. + +</p> +<p>“Waarachtig,” zeide Maurits met bitterheid: “ik heb u niet laten uitspreken; ’t is waar: men had anders ongetwijfeld wat schoons +gehoord.” + +</p> +<p>“Met uw verlof,” zeide Frederik Hendrik, in de hoop van de kracht der beschuldiging te verminderen, door haar op zijn broeder +te doen terugkaatsen: “waarvan beticht ge mij? Hebt gij zelf niet zoowel als ik die bijeenkomst met uw tegenwoordigheid vereerd?” + +</p> +<p>Hij deed deze vraag op een half schertsenden, althans gemeenzamen toon, terwijl hij, de tafel, waaraan de Prins gezeten was, +naderende, met de eene hand daarop leunde en zijn broeder vriendelijk aanzag: doch zijn vraag had een geheel andere uitwerking +dan die, waarmede hij zich gevleid had. De Stadhouder, wanende, dat zijn broeder hem een listigen strik wilde spreiden om +hem, naar gelang van zijn antwoord, in zijn eigene woorden te vatten, sprong in losgebarsten gramschap op, evenals een lijder, +wien de heelmeester bij het verbinden eener pijnlijke wond, onwillekeurig, met de speld, welke de windsels vast moet hechten, +in de gevoelige deelen treft. Zijn gelaat werd purperkleurig: zijn handen beefden als popelbladen en zijn stem geleek aan +het rauw geluid des tijgers, die zich in de kuil des jagers begraven vindt. + +</p> +<p>“Ha, slang!” brulde hij: “is dit uw helsche list? mijn oogmerken mij af te vragen om daardoor de uwe te bedekken! Ja, ik ben +daar ook gekomen: ik ben daar, evenals gij, gekomen omdat ik gewaarschuwd was, dat er oproer gepredikt werd, en dat mijn.... +broeder er mede deel in had.” + +</p> +<p>“Gij kwaamt dus om mij te bespieden?” vroeg Frederik Hendrik, bedaard achteruittredende: “een ware trek van broederliefde!” + +</p> +<p>“Beleedigt ge mij nog, verrader!” grauwde Maurits, wiens gramschap nu den hoogsten top bereikt had, hem toe: “sidder voor +mijn toorn!” Met het zeggen van deze woorden sloeg hij de rechterhand aan het gevest van zijn degen, terwijl hij de linkervuist +ophief en er zijn broeder mede dreigde. + +</p> +<p>“Maurits!” zeide deze, innig geroerd: “keer tot u zelven.” +<a id="d0e9836"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9836">326</a>]</span></p> +<p>De Graaf had nog niet uitgesproken, of de woede des Prinsen was reeds bedaard. In de zaal, en recht over de plaats, waar Maurits +gezeten had, hing een volkomen gelijkend afbeeldsel van zijn doorluchten vader, den stichter der Nederlandsche vrijheid. De +Prins was op het laatst zijns levens uitgeschilderd, en droeg niet de wapenrusting, waarmede hij zich zoo dikwijls aan het +hoofd zijner wakkere scharen vertoond had, maar den eenvoudigen huispels, welken hij aanhad, als hij des avonds bij zijn beminde +gade en in ’t midden zijner waardste panden gezeten was. De kunstenaar had meesterlijk die uitdrukking van reine kalmte des +harten, van dankbare tevredenheid en van onwrikbare gelatenheid getroffen, welke op het innemend gelaat van vader Willem te +lezen was en de strenge diepzinnigheid des ondoordringbaren staatsmans temperde. Op het oogenblik dat Maurits, door de onstuimige +opwelling der gemoedsaandoeningen weggesleept, zijn broeder tegentrad, viel zijn verwilderd oog onwillekeurig op dat afbeeldsel, +en hij waande, in dien ernstigen en toch liefderijken blik, in de trekken van den mond, waarin weemoed en gulheid uitgedrukt +waren, een stil verwijt te lezen. Het was hem, of zijn vader gereed was, de lippen te openen en hem op een hartroerende wijze +over een drift te berispen, die hem de hand tegen zijn broeder deed opheffen: tegen een broeder, wien hij zoo plechtig beloofd +had, een getrouw en standvastig vriend en beschermer te strekken. Het hart van Maurits, dat niet alleen + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Achilles heldenmoed en kinderlijke oprechtheid</span></p> +</div> +<p>ten toon spreidde, doch ook, als het hart van Achilles, even spoedig tot vergiffenis als tot toorn geneigd was, deed zich +op ’t zelfde oogenblik een nog grievender verwijt dan ’t geen uit ’s vaders oogen sprak. Beschaamd trad Maurits terug, bukte +het hoofd als een edele windhond doet, wanneer hem zijn meester bestraft heeft, ontgespte zijn degen en liet dien met bandelier +en al op den grond vallen, waarna hij zich in zijn stoel wierp en het gelaat in beide handen verborg. Zijn broeder, door dien +onverwachten omkeer niet min bewogen dan door de drift waarvan die het gevolg was, trad dadelijk toe en trachtte door vleiende +woorden en uitboezemingen vol trouwhartigheid en broederliefde, het ontsteld gemoed des Prinsen weder tot bedaardheid te brengen, + +</p> +<p>Dan deze, schoon hij op zichzelven ontevreden was, had geenszins de overtuiging van ’s Graven verraderij verloren. Zoodra +zijn droefheid over de aan den dag gelegde hevigheid bedaard was, keerden al zijn denkbeelden weder tot het punt, waarvan +zij waren uitgegaan, de ontrouw zijns broeders. Het hoofd wederom oprichtende, maakte hij met de rechterhand een afwijzende +beweging, en wenkte Frederik Hendrik, dat zijn plaats niet bij hem, maar aan het benedeneinde der tafel was. De schouders +zuchtend ophalende, hernam de Graaf zijn vorige plaats. + +</p> +<p>“Gij misduidt mij,” zeide Maurits, “zoo gij denkt, dat mijn ontroering aanduidde, dat mij uw veinzerij had verblind. Zoo ik +op mijzelven <a id="d0e9848"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9848">327</a>]</span>toornig ben, het is, omdat ik mij zooverre liet vervoeren, dat ik een ambt ging verrichten, hetwelk alleen den scherprechter +toekomt.” + +</p> +<p>“Ongelukkige!” hernam de Graaf: “ik beklaag u, zoo gij er berouw over kunt gevoelen van een oogenblik naar de stem van natuur +en menschelijkheid te hebben geluisterd.” + +</p> +<p>“Frits!” riep de Prins, terwijl de tranen hem langs de kaken stroomden; “denkt gij dan in ernst, dat het mij niets zou kosten, +mijn broeder, wien ik van zijn kindsheid af bemind en verzorgd heb, als een staatsverrader aan de geschonden wetten prijs +te geven? Bloed zal ik schreien; doch ik zal rechtvaardig zijn:—hoor, Frits! weet gij wat het is, rechtvaardig te <span class="letterspaced">moeten</span> wezen? hebt gij, als ik, u ooit in de omstandigheid bevonden, dat de veiligheid, het belang, ja, het geheele welzijn van +dit arme volk het vorderen, een ouden Staatsdienaar, een grijsaard, die met den voet in ’t graf stond, een man, die oneindige +diensten aan mij en aan het Gemeenebest bewezen had, en die, ter dood veroordeeld, geen genade vragen wilde, te <span class="letterspaced">moeten</span> overgeven aan de wraak dier gehoonde wet? Weet gij, wat het zegt, een wel verdienden en met moeite verkregen roem van rechtvaardigheid +te hebben opgeofferd om der rechtvaardigheid wille?—Ik heb het vonnis van Oldenbarneveldt bekrachtigd, omdat hij schuldig +was: ik heb het bekrachtigd, omdat ik hem haatte, den ouden heerschzuchtige! ik zou het evenzeer bekrachtigd hebben al had +ik hem liefgehad. Nu weet ik dat men binnens- en buitenslands mij van wreedheid, van ondankbaarheid beschuldigt: dat het niet +altijd billijk nageslacht, op de daad meer dan op de drijfveeren lettende, mijne vijanden na zal praten, en, zich vermetel +als rechter mijner daden opwerpende, in mijn grootste zelfopoffering niets dan zelfbelang en vuige staatzucht zien zal. Ik +weet dit: nog meer: ik wist dit alles, toen ik schreiend het doodsbevel onderteekende: en echter, ik heb de zorg voor mijn +roem, voor mijn eer bij de nakomelingschap, laten varen, en alleen het belang des lands en de handhaving der wet geraadpleegd. +Thans, oordeel over mijn tegenwoordigen toestand! nu ik u, die mij dierbaar zijt, oneindig schuldiger vind, dan de Advocaat +geweest is. Overweeg nu, welk een vreeselijke taak uw handelingen mij voorschrijven en of ik gronden heb om mij diep ongelukkig +te noemen! Want, zoo ik toen rechtvaardig was, toen het mijn vijand gold, ik zal het ook heden zijn nu het mijn broeder gelden +moet.” + +</p> +<p>Vermoeid van deze rede, welke hij met een krachtige stem had uitgebracht, zweeg de Prins en zag zijn broeder aan, om den indruk +gade te slaan, welken zijn taal op hem had teweeggebracht. + +</p> +<p>“Ik weet, dat gij rechtvaardig zijt,” zeide Frederik Hendrik, na eenige oogenblikken zwijgens: “en daarom verwondert het mij, +dat gij, alleen wegens een geldelijken onderstand, aan ongelukkigen uitgereikt, en wegens eene, ik herhaal het, geheel onschuldige +bijwoning van een Arminiaansche vergadering, mij van hoogverraad beticht.” + +</p> +<p>Hier zag de Stadhouder hem eerst met eenige verwondering en vervolgens met zulke scherpe blikken aan, alsof hij de verborgenste +<a id="d0e9866"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9866">328</a>]</span>kuilen zijns harten doorschouwen wilde. “Frits!” zeide hij ten laatste: “gij zijt òf de miskende onnoozelheid in persoon, +òf de grootste huichelaar die ooit bestaan heeft:—hebt gij u dan niets anders te verwijten dan hetgeen gij daar opnoemt? Hoegenaamd +niets?” + +</p> +<p>“Tegen u en den Staat?—Hoegenaamd niets.” + +</p> +<p>“Niets?” herhaalde Maurits: “welaan, wij zullen zien:—Heer Fiskaal! wees zoo goed eens binnen te komen.” Dit zeggende, stond +hij op en sloeg met de gesloten vuist ongeduldig op de tafel. Op het oogenblik trad de Fiskaal binnen; doch bleef eerbiedig +in de deur staan. + +</p> +<p>“Heer Fiskaal!” vervolgde de Prins: “haal mij eens al die processale stukken hier.—Gij weet immers wat ik bedoel?” + +</p> +<p>Van Kinschot maakte een buiging en vertrok. Gedurende zijn afwezigheid liep Maurits met groote stappen en zichtbare blijken +van ongedurigheid de zaal op en neder, terwijl zijn broeder, met gevouwen handen en gesloten oogen, in een biddende houding +staan bleef. + +</p> +<p>“Ja!” zeide Maurits, toen Frederik Hendrik zijn gebed, zoo ’t scheen voleindigd had, “gij zoudt ook wel, geloof ik, als <span class="letterspaced">vetter</span> Lodewijk, een bedevaart naar Scherpenheuvel doen, zoo ge uit dit pas gered waart; doch dat is niet genoeg,” vervolgde hij, +zich op het hart slaande: “men moet Scherpenheuvel hier hebben.” + +</p> +<p>Van Kinschot keerde terug, beladen met een pakket brieven; na deze, zonder spreken, op de tafel gelegd te hebben, boog hij +zich en verliet de zaal. + +</p> +<p>“Nu, Frits!” zeide Maurits: “neem plaats: wij zullen dit pakket eens gezamenlijk doorloopen: neem maar den eersten brief den +besten en lees hem: gij zult er mij naderhand uw gedachten over zeggen.” + +</p> +<p>De Graaf nam een der brieven op en leide dien, na gedane lezing, stilzwijgend naast zich neder: hij was van Uyttenbogaert, +en de Predikant bedankte hem daarin voor ettelijke diensten, aan de Remonstranten bewezen: een volgende was van De Groot, +die zijn huisvrouw aan de bescherming Zijner Doorl. aanbeval, en tevens, evenals Uyttenbogaert, ’s Graven raad vroeg over +de aanbiedingen, vanwege den koning van Spanje gedaan: na het lezen van dezen zag Frederik Hendrik den Prins met vragende +oogen aan. + +</p> +<p>“Lees verder, Frits! lees verder!” zeide Maurits, hem een derden brief voorleggende. + +</p> +<p>Frederik Hendrik opende dien;—doch nauwelijks had hij eenige regelen gelezen, of zijn kleur verschoot en een hevige verontwaardiging +kleurde zijn voorhoofd. + +</p> +<p>“Aha! de brief van Grobbendonck!” zeide Maurits! over zijns broeders schouder heen ziende: “welnu! wat zegt gij?” + +</p> +<p>Grobbendonck verzocht in dezen brief, die in antwoord op een missive des Graven geschreven scheen, aan Frederik Hendrik, dat +deze, ingevolge zijn belofte, zorg zou dragen, dat zekere Staatsche Kapiteins (die hij noemde en welke hij deed voorkomen, +als aan Spanje verkocht) in de grenssteden gezet werden, opdat zij, na een schijnbare tegenweer, die aan den vijand mochten +overleveren: verder <a id="d0e9895"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9895">329</a>]</span>vernam hij, of de Remonstranten, volgens afspraak, gereed waren tot den voorgenomen opstand; hij eindigde, met Z. Doorl. van +de toegenegenheid van den Hove van Spanje te verzekeren, hetwelk hem, als de omkeer van zaken gelukkig tot stand gebracht +was, het Stadhouderschap zou opdragen, benevens een zwaar pensioen en andere voorrechten. + +</p> +<p>“Ik zeg,” antwoordde Frederik Hendrik op de vraag zijns broeders, dat die afschuwelijke brief niets tegen mij bewijst: dat +de vijand zoo iets uitdenkt om mijn trouw verdacht te maken, laat zich lichtelijk beseffen; dat is meer gebeurd: doch dat +mijn broeder aan zulk bedrog geloof hecht, bevreemdt mij:—let eens op, dat in dit geschrift juist uw getrouwste legerhoofden +genoemd worden.” + +</p> +<p>“Denkt gij,” zeide Maurits, hem scherp aanziende, “denkt gij waarlijk, dat dezen mijn getrouwste legerhoofden zijn?—Doch lees +verder.” + +</p> +<p>De volgende brieven, door andere voorname Spaansche oversten onderteekend, luidden in denzelfden toon als die van Grobbendonck, +en gaven aanleiding tot soortgelijke aanmerkingen van weerszijden. + +</p> +<p>“Ik wilde maar,” zeide eindelijk de Graaf, dat men in plaats van al het <span class="letterspaced">aan</span> mij geschrevene, iets <span class="letterspaced">door</span> mij geschreven kon voor den dag brengen: dat zou een weinig meer afdoen om mijn schuld te bewijzen.” + +</p> +<p>“Het grieft mij,” hernam de Prins, “dat ik aan uw onvoorzichtigen wensch voldoen kan.” Dit zeggende, reikte hij den Graaf +een anderen brief toe, welke niet in het pakket van Joan gevonden, maar den Fiskaal op een andere wijze in de hand gespeeld +was. Hij was in cijfers geschreven, door Frederik Hendrik zelven onderteekend, met zijn bijzonder zegel bekrachtigd en aan +den Kanselier Pekkius gericht. + +</p> +<p>“Ik weet niet wat die teekens beduiden,” zeide de Graaf: “doch dit weet ik, dat mijn handteekening is nagemaakt: want ik draag +aan dit prulschrift geen kennis.” + +</p> +<p>“Fijn uitgedacht!” zeide Maurits: “het ééne is niet door Z. D. geschreven en van het andere draagt Z. D. geen kennis. Wij +zullen er maar niet verder over spreken. Onverhoord zal ik u niet veroordeelen, wees daar verzekerd van; doch ik wil u tijd +geven, om een weinig nader te peinzen over het uitvinden van betere verontschuldigingen dan deze. Gij ziet intusschen, dat +mijn argwaan niet zoo geheel op losse gronden steunde, als gij wel gedacht en gewenscht hadt.” + +</p> +<p>“Ik zie,” zeide Frederik Hendrik, “dat ik het slachtoffer ben van een verfoeilijk bedrog.” + +</p> +<p>”’t Is wel,” hernam de Prins: “wij zullen dit nader onderzoeken, Van Kinschot! kom binnen!” + +</p> +<p>De Fiskaal verscheen. + +</p> +<p>“Zijn de wachten aan het Hof afgelost?” + +</p> +<p>“Dat kan niet lang meer duren,” antwoordde Van Kinschot: “het is reeds klaar dag.” + +</p> +<p>“Zeer goed: de nieuwe wacht weet niet, wie zich hier bevindt. <a id="d0e9929"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9929">330</a>]</span>Zeg aan den wachthebbenden officier, dat hij een gevangene te bewaken zal hebben, voor wien nauwkeurig zorg zal moeten gedragen +worden.—Graaf! geef mij uw degen: ik zal zelf uw stokbewaarder zijn:—uw kerker, de naaste kamer.” + +</p> +<p>Frederik Hendrik reikte hem, zonder een woord te spreken zijn degen. + +</p> +<p>“Is het rijtuig van Zijn Doorluchtigheid nog beneden?” vervolgde Maurits, zich tot Van Kinschot wendende. + +</p> +<p>“Ik ben hier te voet gekomen met mijn geheimschrijver,” zeide de Graaf: “en dien heb ik weggezonden naar het oude Hof, met +het bericht dat ik hier den nacht zou doorbrengen, en dat ik wel in een uwer rijtuigen zou komen.” + +</p> +<p>“Dan is die zwarigheid opgelost,” vervolgde de Prins: “Heer Fiskaal! gij zult zorgen, dat niemand, behalve de Raadsheeren, +die den gevangene ondervraagd hebben, iets van de beschuldiging verneme, welke tegen den Graaf is ingebracht.” + +</p> +<p>“Door middel van onze Heeren zal er niets van de zaak uitlekken,” antwoordde de Fiskaal: “doch....” + +</p> +<p>“Welnu?” + +</p> +<p>Van Kinschot antwoordde niets, doch sloeg een zijdelingschen blik op Frederik Hendrik. + +</p> +<p>“Als Uwe Doorl. gereed is,” zeide Maurits, die dit gebarenspel raadde, terwijl hij de deur van het zijvertrek opende. + +</p> +<p>“Broeder!” zeide de Graaf: “rust wel, en God opene uw oogen voor de kracht der waarheid.”—Met deze woorden begaf hij zich +in de kamer, welke Maurits wederom sloot. + +</p> +<p>“Wat wildet gij zeggen,” vroeg de Prins aan Van Kinschot, zoodra zij alleen waren. + +</p> +<p>“Dat, zoo iemand iets verklapt, het geenszins een der Raadsheeren zijn zal; maar veeleer de brenger dezer brieven, die aan +zijn kerker ontsnapt is.” + +</p> +<p>“Ontsnapt!.... niet mogelijk.” + +</p> +<p>“Ik heb hem duidelijk herkend op de bijeenkomst van dezen nacht, evenals de Remonstrantsche Proponent Raesfelt. Zoo Uwe Hoogheid +mij vergunnen wil mij eenige oogenblikken te verwijderen, dan zal ik dadelijk de noodige maatregelen nemen, dat zij opgespoord +en weder <span class="letterspaced">geïncarcereerd</span> worden.” + +</p> +<p>“Laat hen naar den duivel loopen,” zeide Maurits: “die Joan, of hoe hij ook heeten moge, is een goede, eerlijke jongen, die +mij bijna doodgeknepen had om een aanslag tegen mijn leven te voorkomen: en de andere.... dat was immers de jongeling die +Groenhof tegensprak?” + +</p> +<p>“Dezelfde, Uwe Hoogheid!” + +</p> +<p>“Welnu! dien moet vooral geen haar gekrenkt worden. Laat hem <span class="letterspaced">zoeken</span>, zooveel gij wilt; maar gevonden moet hij niet worden! Waren al de Arminianen zoo, ik zou zelf lust krijgen, Arminiaan te +worden.” + +</p> +<p>“Zal ik deze papieren met mij nemen?” vroeg de Fiskaal, ze willende opnemen. +<a id="d0e9971"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9971">331</a>]</span></p> +<p>“Een oogenblik,” zeide Maurits, weder naar de tafel gaande, en den brief, die in cijfers geschreven was, opnemende: “hadden +wij,” vervolgde hij, “slechts een sleutel, om dit geschrift te kunnen spellen.” Dit zeggende, ging hij zitten en bleef een +geruimen tijd, zonder te spreken, op den brief turen; terwijl Van Kinschot, die hem niet storen dorst, zwijgend achter hem +stond en moeite had zijn ongeduld te verbergen. + +</p> +<p>“Is er dan geen mogelijkheid, die cijfers te raden?” vroeg eindelijk de Prins. + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid heeft mij verboden, het kabinet van Zijne Doorluchtigheid te doen verzegelen: ik had mij anders van de papieren +kunnen meester maken, en....” + +</p> +<p>“Hoe!” riep Maurits, opstuivende: “gij zoudt uw rakkers de handen laten slaan aan de papieren van een Nassau? Gij zoudt op +een bloot vermoeden de geheimen mijns broeders onderzoeken gaan? van een Vorst van Prinselijken bloede? Dat ten eeuwigen dage +niet! dat past alleen aan mij.” + +</p> +<p>Van Kinschot haalde de schouders op: “<span class="letterspaced" lang="la">qui vult finem, vult media</span>,”<a id="d0e9985src" href="#d0e9985" class="noteref">1</a> zeide hij: “dit zal Uwe Hoogheid zich nog wel van den academietijd herinneren.” + +</p> +<p>“Iets anders!” zeide Maurits!—“wacht! daar schiet mij wat te binnen. De Secretaris des Graven, was die niet met Z. D.?” + +</p> +<p>“Hij zou reeds lang in zekerheid gebracht zijn, indien Uwe Hoogheid zulks verkozen had.” + +</p> +<p>“Laat hem hier komen!” + +</p> +<p>“Zou het niet beter zijn, daarmede te wachten, totdat het dag ware? Zijn opontbod in het midden van den nacht zou opschudding +baren, en ook Uwe Hoogheid heeft rust noodig.” + +</p> +<p>“Laat hem halen: en zoo gij slaap hebt, ga dan naar bed,” zeide Maurits wrevelig. + +</p> +<p>De Fiskaal zweeg, boog zich en vertrok. + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e9985" href="#d0e9985src" class="noteref">1</a></span> Die het einde wil, wil de middelen. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e10000" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Een-en-dertigste Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph" lang="nl-1700"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>ô Die bedrieger! ô wat ben ik nu verblijd! +</span></p> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Hadt gy het niet ontdekt, ik was mijn dochter quijt.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Langendyk</span>, de Zwetser. +</p> +</div> +<p>Gedurende denzelfden nacht, waarin al de door ons in de laatste Hoofdstukken verhaalde omstandigheden hadden plaats gehad, +waren ten huize van de Gravin Douairière van Nassau de bewoners voor ’t meerendeel niet minder in onrust en beweging geweest, +dan diegenen, <a id="d0e10015"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10015">332</a>]</span>waarvan wij gesproken hebben; schoon de oorzaak dier drukte geheel andere beweegredenen had. De dienstboden hadden hun bed +niet gezien, daar zij den tijd, waarin hun meesters ter rust lagen, hadden waargenomen, om de zalen, voorportalen en deuren, +welke de aanstaande bruid gerekend kon worden door of in te zullen gaan, met bloem- en looverkransen te versieren. De goede +smaak van Magdalena zat bij deze verrichtingen voor: de bedienden der Gravin beijverden zich de hun gedane aanwijzingen naar +eisch te volgen: allen beminden en eerden Freule Ulrica, wier gulle vriendelijkheid en gemeenzaamheid in den omgang telken +reize, dat zij de Gravin bezocht had, aller harten tot zich getrokken had: en zij wisten daarenboven, dat zij hun meesteres +beliefden, door de Jonkvrouw Van Sonheuvel te vereeren. Feurich en Gheryt Maessen (welke laatste in Den Haag niet veel beters +te doen had) droegen met al hun vermogen bij tot opluistering der toebereidselen: terwijl eindelijk de oude Rentmeester Beckman, +te stram en te zwak om mede de hand uit de mouw te steken, niettemin met de deftigheid, welke wij in hem vanouds gekend hebben, +rondwandelde om zijn hoogwijs advies over den wel- of misstand van het vervaardigde te geven. + +</p> +<p>Reeds was de dag al een geruimen tijd doorgebroken, toen Bouke, over wiens afwezigheid men zich verwonderd had, de zaal binnentrad, +welke men nu bezig was te versieren, de toebereidselen met een enkelen blik overzag en vervolgens zich met een knorrig gelaat +in een stoel wierp. + +</p> +<p>“Wie nun!” zeide Beckman: “bist du nicht froh, kamrad nun deiner fraulein heiratht?” + +</p> +<p>“Vroolijk,” zeide Bouke: “ja men is niet vroolijk of men moet er reden voor hebben; men ziet aan ’t been waar de hoos gescheurd +is en het dofferken zingt niet als ’t gaiken gevaên is.... Wie had het ooit kunnen denken, toen Joan boven op den toren zat +gesloten en de kleine Ulrica hem het eten bracht, dat zij uit haar mondje gespaard had, dat zij eens haar verloving vieren +zou, daar Joan in een erger gevangenis zat? Maar zoo zijn de vrouwen altemaal als het op trouwen aankomt. Wel zegt het spreekwoord: +een bruidskrans, een blinddoek.” + +</p> +<p>“Het verwondert mij, Bouke,” merkte Magdalena met scherpheid aan, dat gij zooveel belang stelt in dien liederlijken knaap, +dat gij er niet om wilt deelen in de vreugde uwer meesteres. De Freule Van Sonheuvel is u toch nader dan de Spaansche basterd, +die....” + +</p> +<p>“Wees toch niet als de ezel van Bileam, die sprak voordat hem gevraagd werd,” zeide Bouke: “wat basterd?—wat liederlijk?—Er +leeft geen beter knaap op de geheele wijde wereld dan die eigenste Joan: en ik laat mij villen, als ik niet met den middag +naar zijn gevangenis toega en den achternoen bij hem doorbreng en u allen hier laat fluiten en pijpen en zingen, zooveel ge +wilt.” + +</p> +<p>“Ga in vrede,” zeide Magdalena: “niemand zal uw ijzegrimmen gezicht hier missen.” + +</p> +<p>“Neen!” hernam Bouke: “dat zullen ze net niet, vooral als uw effen tronie hun overblijft.” +<a id="d0e10031"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10031">333</a>]</span></p> +<p>“Waaraftig!” zeide Feurich: “Herr Bouke spriecht wohl! dem Jonker Joan ist ein hupscher bursche: das heb ik gesehen, nun sechs +oder sieben jaren geleden, toen er dem kutsche deed stille stän.” + +</p> +<p>“Een beste Jonker!” voegde Gheryt Maessen er bij: “zoo gul en goedhartig! ik ’loof nooit, dat hij eenig kwaôd opzet teugen +den Heer Baron in ’t zin had.” + +</p> +<p>“Dat gelooft de Baron ook niet meer,” zeide Bouke, “en Z.Ed. zal er met Zijn Hoogheid een ernstig woordeke over spreken. Wie +weet of de Jonker nog niet in volle glorie op het trouwfeest komt.” + +</p> +<p>Wij zullen over het vervolg van dit gesprek, hetwelk den lezer weinig verscheidenheid zou aanbieden, heenstappen en ons de +zaal voorstellen, nu evenals de portalen en deuren op het fraaist versierd. Reeds vroeg in den morgen trad de Baron, in zijn +beste staatsiekleederen uitgedost, binnen, en bezag met innerlijk genoegen de gemaakte toebereidselen. “Jammer maar!” zeide +hij, terwijl hij zich in de handen wreef, “dat onze goede Joan er niet bij is! doch ik zal hemel en aarde bewegen om hem op +het trouwfeest te krijgen.” + +</p> +<p>“Daar zal UEd. wel aan doen,” zeide Bouke, die zich op dat oogenblik alleen met zijn meester bevond: “ik ga hem straks opzoeken; +heeft UEd. hem ook wat te zeggen?” + +</p> +<p>“Ja, zeg hem, dat ik hoop, dat hij op de bruiloft.... maar hij zal toch niet willen!.... hij denkt immers dat ik zijn vader +vermoord heb!—Hoor Bouke! bedui hem toch, hoe dat in zijn werk is gegaan: en zeg hem, dat ik hoop, dat hij zich van alle schuld +vrij zal pleiten, en als hij een Advocaat noodig heeft, hier staat de man, die ’t wel betalen zal.” + +</p> +<p>“Ik zal ’t alles overbrengen, zooals UEd. ’t zegt,” zeide Bouke. + +</p> +<p>“Maar van wat anders: is de bruid al op?” + +</p> +<p>“Er is zooeven om Magdalena geluid of gebeld, zooals ze dat hier noemen,” zeide Bouke: “alweer een nieuwe uitvinding: om de +menschen op te bellen of het schapen waren!” + +</p> +<p>“De gasten zullen niet lang meer toeven,” hernam de Baron: “mij dunkt, ik hoor reeds iemand komen: ha! het is onze goede Dominee. +Hoe zoo bedrukt, Weleerwaarde? Je brengt waarachtig geen gezicht voor een bruiloft mede.” + +</p> +<p>“Ik heb dezen nacht in ontroering en kwelling des geestes doorgebracht,” antwoordde Raesfelt. “Het was met mij als de Psalmist +zegt, Ps. 77: + + +</p> +<div class="
 poem
 " lang="nl-1600"> +<p class="line" style=""><span>Al hebb’ ik van gantscher herten +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Gebeden in anghst en smerten, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Soo blijft doch mijn hert eenpaer +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Vol benauwtheit en anghst swaer.</span></p> +</div> +<p>Ik bid u, Heer Baron!” vervolgde hij, een lang geschrift uit der zak halende: “zeg mij, komt Zijne Hoogheid nog op de verloving +gelijk beloofd was en gehoopt werd?” + +</p> +<p>“Ten minste ik weet niet beter dan ja,” antwoordde de Baron “doch waartoe deze vraag?” +<a id="d0e10067"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10067">334</a>]</span></p> +<p>“Ik had.... ik wilde aan Z. H. overhandigen.... deze.... dit....” mompelde de Predikant, zijn papier openvouwende. + +</p> +<p>“Wat drommel is dat?” vroeg de Baron, lachende: “denkt ge aan Z. H. een geheele preek voor te lezen?” + +</p> +<p>“Het is geen preek, het is....” + +</p> +<p>“Een gedicht misschien op het jonge paar?—Nu, dat verwachtten wij ook.” + +</p> +<p>“Met uw verlof, het is een smeekschrift,” hernam de Predikant, angstig het oog op zijn werk slaande en met de rechterhand +de gewone en den Baron welbekende beweging makende, welke aanduidde, dat hij het ging voordragen.<span id="d0e10078" class="corr" title="Bron: ”"></span> + +</p> +<p>“Zoo! een smeekschrift,” zeide de Baron, hem het woord afnemende: “en wat hamer hebt gij toch te smeeken?” + +</p> +<p>“Mijn zoon,” zuchtte de beklagenswaardige Predikant: “mijn Hendrik, de hoop mijns ouderdoms, is zijn woonstede niet bij de +onrechtvaardigen? is hij niet in de tijdelijke Gehenna, waar weeninge is ende knersinge der tanden? en moet ik mij niet nederbuigen +voor den machtige, opdat zijn banden verscheurd worden, gelijk David zegt in den tweeden Psalm: + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Laat ons breken met een</span></p> +<p class="line" style=""><span>Zijn banden al, daer med’ sy ons verstricken.”</span></p> +</div> +<p>“Uw zoon! mijn goede Hendrik! ’t is waar.... nu, wij willen het beste hopen.” + +</p> +<p>“Ach!” zeide Raesfelt; hij is medegerekend onder diegenen, die in den kuil dalen, zooals Psalm 88 het heeft! en wie zal hem +verlossen?” + +</p> +<p>“Mij dunkt,” zeide Reede, “dat uw stuk wat lang is, Dominee! en den Prins wel eens zou kunnen vervelen en in kwade luim brengen;.... +doch ik heb geen kennis van zulke zaken. Met uw verlof.... ik ga eens even zien of de bruid al op is.” Dit zeggende liep hij +de zaal uit. + +</p> +<p>“Wat lang?” zeide Dominee: “mij dunkt er staat niets in, dan hetgeen er in moet staan.—Laat ons zien,” vervolgde hij, bij +zich zelven, het stuk nogmaals met luider stemme overlezende: “wat zou daaruit kunnen genomen worden: geen spreuk, geen tekst, +geen woord? Heb ik er dan vruchteloos een halven Sabbat en dezen geheelen nacht over geblokt?” + +</p> +<p>Hoe meer zijn Wel-Eerwaarde las, hoe warmer hij werd: eindelijk geraakte hij zoover buiten zijn gewone bedaardheid en stelde +zich zoo volkomen voor, in de tegenwoordigheid van Zijne Hoogheid te staan, dat hij met de woorden: <span id="d0e10099" class="corr" title="Niet in bron">“</span>handelt sachtkens met den jongelingh, met Absalom,” welke het geschrift besloten, de rolle onder het maken eener diepe buiging +overhandigde aan iemand, die binnentrad, en het stuk met een verbaasde houding aannam en inzag. + +</p> +<p>“Arminiaansche wanbegrippen.... hm, hm!.... booswichten.... tegen Uwe Hoogheid aangekant.... te duivel!.... moorddadige en +<a id="d0e10104"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10104">335</a>]</span>verraderlijke ontwerpen.... vergiffenis.... Pots honderd tausent slapverment, Dominee! wat meent ge daarmet?” en de Heer Van +Botbergen (want deze was het, die binnen gekomen was) werd bleek als een doek. + +</p> +<p>“O! ik vraag verschooning, Mijnheer Van Botbergen!” zeide de Predikant onthutst en verlegen: “ik was verstrooid van gedachten: +UEd. is zeker heden of gisteren alhier aangekomen.” + +</p> +<p>“Om de verloving van mijn vriend den Ambtman te vieren,” hervatte Elbert: “doch wat moet deze schriftuur?” + +</p> +<p>“Die was eigenlijk voor Z. H. bestemd,” zeide Raesfelt: “doch daar UEd. aan de Hoven geweest zijt, zoude UEd. mij waarschijnlijk +wel met raad kunnen dienen en mij zeggen, of het zoo goed is.” + +</p> +<p>“Hm! hm!” zeide Botbergen, het geschrift haastig doorloopende: “wat lang, wat gerekt; doch de stijl is keurig en hoogdravend: +eilieve! waar handelt het eigenlijk over?” + +</p> +<p>“Mij dunkt,” zeide de Predikant gebelgd, het smeekschrift weder terugnemende, “die vraag is vrij onnoodig, als men het stuk +gelezen heeft.” + +</p> +<p>Op dit oogenblik traden sommige andere genoodigden de zaal in, en niet lang daarna ook de Ambtman, op ’t kostelijkst als bruidegom +uitgedost. Na de aanwezigen beleefdelijk gegroet te hebben, nam hij, zoodra het gesprek algemeen was geworden en hij zulks +onopgemerkt doen kon, Botbergen ter zijde en fluisterde hem in ’t oor: “welnu?” + +</p> +<p>“Alles is in gereedheid,” antwoordde deze: “Zondag over veertien dagen maken wij ons tusschen kerktijd meester van de stad; +onze vrienden zijn vol courage en wachten met ongeduld uw terugkomst af.” + +</p> +<p>“Uitmuntend!” zeide Mom; “welnu, Mijne Heeren!” vervolgde hij, zich tot het gezelschap wendende: “wat nieuws is er vandaag? +Mijnheer Van Bleiswyk! is er niets gaande? UEd. heeft anders altijd iets te verhalen.—Mij dunkt, uw gelaat staat minder opgeruimd +dan gewoonlijk.” + +</p> +<p>“Ik heb dezen nacht slecht gerust,” antwoordde Bleiswyk. + +</p> +<p>“Ik dacht niet dat UEd. immer rusten kon,” merkte Mom aan met een spotachtigen glimlach; “doch waar of mijn goede aanstaande +schoonvader blijven mag?” + +</p> +<p>“ZijnEdele zal zoo aanstonds hier zijn,” zeide Bleiswyk: “ik heb zelf, toen ik het voorportaal doorging, den Heer Baron in +het spreekvertrek gezien met den Fiskaal.” + +</p> +<p>“Den Fiskaal,” herhaalde Botbergen, verschrikt. + +</p> +<p>“Welnu ja, den Fiskaal!” zeide Mom, zich met een hoogmoediger blik naar hem omwendende: “heeft uw heldhaftigheid iets met +Z.-Ed.-Gest. uitstaande?” + +</p> +<p>“De Heer Fiskaal,” zeide een der gasten, “is, naar ik hoor, gisteren den geheelen dag in touw geweest.” + +</p> +<p>“Men spreekt van hoogst zonderlinge gebeurtenissen,” zeide een ander. + +</p> +<p>“Men verhaalt, het Hof van Graaf Frederik Hendrik is hedenmorgen ongenaakbaar,” zeide een der gasten, op den schroomvalligen +<a id="d0e10138"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10138">336</a>]</span>toon van iemand, die niet weet hoe zijn mededeeling zal worden opgenomen. + +</p> +<p>“Men zegt, er zijn gevangenen ontsnapt,” mompelde een ander. + +</p> +<p>“Ontsnapt!” herhaalde de Predikant: “UEd. gelieve....” + +</p> +<p>“Ei wat!” zeide Bleiswyk, die niet langer zwijgen kon, en op wiens gelaat de lust van zijn nieuws te vertellen strijd voerde +met de voorzichtigheid, die hem het zwijgen gebood: “wat beduidt al dat gebabbel? Ik zou u de waarheid van al die geruchten +haarklein kunnen vertellen: want ik heb zelf.... doch ik wil niet.”—Dit zeggende, sloeg hij zich de hand voor den mond. + +</p> +<p>“Stilte, Mijne Heeren!” zeide een der gasten: “daar is Hare Genade.” + +</p> +<p>De dubbele middeldeur opende zich, en de Gravin Douairière trad binnen in een deftig feestgewaad, haar jonge vriendin aan +de hand geleidende en door een vroolijken stoet adellijke en hoffelijke jonkvrouwen gevolgd. Zoowel Mevrouw van Nassau als +de aanstaande bruid zagen bleek en betrokken, en haar rood bekreten oogen toonden aan, dat beiden geweend hadden. De Gravin +had den nacht slapeloos doorgebracht en onophoudelijk nagedacht over de zonderlinge verschijning der kinderkleertjes, welke +haar de Fiskaal had voorgesteld. Het wederzien daarvan had het verledene bij haar teruggeroepen, de treurigste herinneringen +opgewekt en haar zelfs bijna geheel ongeschikt gemaakt om aan het feest van den dag die deelneming te schenken, welke zij +anders zou betoond hebben. + +</p> +<p>Wat Ulrica betrof, pijnlijke en kwellende gedachten hadden den slaap van haar sponde doen wijken. Die echt, waartoe zij vrijwillig +en ongedwongen haar woord gegeven had, scheen haar, nu het tijdstip der voltrekking er van naderde, verschrikkelijk, ja, noodlottig +toe. Zoolang zij nog, door valsche blijken misleid, Joan voor een laaghartigen moordenaar had moeten houden, hadden spijt, +verontwaardiging en maagdelijke fierheid haar doen toestemmen in een echtverbintenis met een alom geachten, deftigen en haar +liefde volkomen waardigen echtgenoot, gelijk de Baron haar den Ambtman beschreven had, en waarvoor zij dezen ook te goedertrouw +bleef houden;—maar thans, nu Joans onschuld bleek, kwamen de waarschuwingen en zijdelingsche wenken, welke haar voedsterbroeder +tegen Mom gedaan had, haar met hernieuwd gewicht voor den geest spelen: nu kwam het beeld van hem, die haar twee dagen te +voren van een dreigend gevaar verlost had, zich voor haar geest stellen, en het kloppend hart verried maar al te zeer partijdige +liefde voor den verwijderden—koele onverschilligheid voor den begunstigden—minnaar. Hevig was Ulrica te moede, toen zij, na +een ernstig zelfonderzoek, tot slotsom van haar overdenkingen, inzag, hoe de teederheid voor Joan, wiens beeltenis zij geheel +uit haar boezem waande te hebben uitgedelgd, sterker dan ooit te voren was teruggekomen. Alleen de gedachte, dat zij, door +den Ambtman te huwen, aan een kinderplicht voldeed, en dat het offer, ’t welk zij bracht, Gode welbehaaglijk wezen zou, was +in staat geweest, haar het opgewonden gestel tot bedaren te brengen en haar het vaste voornemen te doen opvatten, zich gedurende +de verlovingsdagen zoodanig <a id="d0e10152"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10152">337</a>]</span>te gedragen, dat haar aanstaande gemaal geen redenen hebben mocht, over haar gedrag ontevreden te zijn. + +</p> +<p>“Welkom, mijn beminde bruid!” zeide Mom, tot haar toetredende en haar de hand kussende: “doch hoe! gij schijnt geweend te +hebben.” + +</p> +<p>“Daar moet gij zoo nauw niet op zien,” viel de Baron, die met den Fiskaal binnen was getreden, hem in: “dat doen de meisjes +altijd den nacht voor haar verloving, om op den dag zelven des te helderder te kunnen lachen.” + +</p> +<p>“Juist,” zeide Bleiswyk: “en hoe zouden wij anders bruidstraantjes kunnen schenken?” + +</p> +<p>“De heer Fiskaal deelt ons een slechte tijding mede,” zeide de Baron, zich tot de Gravin wendende: “de Prinsen komen niet!” + +</p> +<p>“Wat heb ik gezegd?” vroegen nu de nieuwsvertellers zachtjes: ofschoon zij eigenlijk niets gezegd hadden. + +</p> +<p>“Is de reden, waarom Hun Hoogheden niet komen, aan den Heer Fiskaal bewust?” vroeg Mom, naar hem toetredende. + +</p> +<p>“Die zal zich misschien nader ontwikkelen,” zeide Van Kinschot met een koele buiging: “Heer van Bleiswyk! een woord als ’t +u belieft.” + +</p> +<p>“Tot UEd. dienst,” zeide deze, met hem ter zijde gaande. + +</p> +<p>“Gij spreekt geen woord over al wat er dezen nacht is voorgevallen,” beet hem de Fiskaal in ’t oor: “of het zal u duur te +staan komen.” + +</p> +<p>“Wilt gij het geld voor de verbeurde boete?” zeide de Jonker halfluid, terwijl hij lachende een goudbeurs voor den dag haalde: +“doch er zijn er meer, die haar verbeurd hebben, door op de bijeenk....” + +</p> +<p>“Zwijg!” viel hem de Fiskaal op een strengen toon in de rede: “zwijg ongelukkige spotter! het kon u slechts goud, doch anderen +kan het den kop kosten. Wees voorzichtig, of....”—Hier hield hij den vinger dreigend op, en een buiging in ’t rond gemaakt +hebbende, wilde hij vertrekken. + +</p> +<p>“Een oogenblik, Mijnheer Van Kinschot!” zeide de Gravin, hem terughoudende: “die gevangene, waarvan UEd. mij gisteravond gesproken +heeft.... de Pleegzoon van den Heer Baron....” + +</p> +<p>“Vergeef mij,” zeide Van Kinschot: “doch ik heb bezigheden, welke mij een langer vertoeven verbieden. Ik zal nader de eer +hebben,” vervolgde hij met een veelbeteekenenden blik, “mijn gelukwenschingen aan den Heer Baron te komen doen.”—Dit zeggende +nam hij zijn afscheid. + +</p> +<p>“Wat heeft dit alles toch te beduiden?” zeide een der aanwezigen: “de Fiskaal is zoo raadselachtig.” + +</p> +<p>“Hij heeft dezen nacht slecht geslapen,” zeide Bleiswyk: “doch mondje dicht: ik moet zijn bevel niet vergeten.” + +</p> +<p>Op dit oogenblik trad Bouke de kamer in. + +</p> +<p>“Alweer wat anders!” zeide deze: “ja! ja! groote visschen springen uit den ketel! ’t vogelken is ontsnapt!” + +</p> +<p>“Ontsnapt!” herhaalde de Baron verbaasd. “Is Joan....” + +</p> +<p>“Nergens te vinden!” vervolgde Bouke: “ja! het is tegenwoordig een kunst van belang om een gevangene te houden;.... maar dat +is nog niets! er is mij daar op straat nog iemand op zij gekomen, <a id="d0e10192"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10192">338</a>]</span>die hier ook op ’t feest moet wezen;.... doch laat ik maar zwijgen; hij zal gauw genoeg komen.” + +</p> +<p>“Wien bedoelt gij?” vroeg de Baron, rondziende: “al de gasten die wij verwachten, zijn gekomen.” + +</p> +<p>“Nu! nu!” zeide Bouke: “late haver komt ook op: hoe later op den dag, hoe schooner volk: ’t einde zal den last dragen.” + +</p> +<p>“O! het is onze Notaris!” zeide de Gravin, die den Practicus de zaal met een deftigen stap zag binnentreden. + +</p> +<p>“Jawel morgen de Notaris,” zeide Bouke meesmuilende: “doch ik zwijg; maar zij zullen staan te kijken, geloof ik!” Dit zeggende, +verliet hij opnieuw het vertrek. + +</p> +<p>“Kom!” zeide Reede: “laat ons nu aan niets anders denken dan aan de plechtigheid van het oogenblik. Wij moeten den Heer Notaris +niet laten wachten.” + +</p> +<p>“Een aangenaam woord,” zeide Mom, toetredende, en zijn bruid, wier bleekheid in dit oogenblik nog vermeerderd was, naar de +tafel geleidende, waaraan zich de Notaris geplaatst had: “ja waarlijk, thans moeten ons alleen gelukkige gedachten bezig houden.” + +</p> +<p>Nadat de aanstaanden, de Gravin, de Baron en de gasten hadden plaats genomen, begon de Notaris met de noodige deftigheid het +huwelijkscontract voor te lezen; doch nauwelijks was hij aan de gewone clausule gekomen: “met wederzijdsche toestemming van +ouders en bloedverwanten,” of iemand trad de zaal binnen en zeide, met een zachte, doch doordringende stem: “ik heb de mijne +nog niet gegeven.” + +</p> +<p>“Wie? wat? wat is dat?” riepen al de aanwezigen als uit éénen mond, en zagen naar de deur, waarin een grijsaard stond, door +Bouke binnengeleid. + +</p> +<p>“Ik Godard van Reede van Sonheuvel,” hernam de onbekende, “heb mijn toestemming niet gegeven tot het huwelijk van Jonkheer +Jacob Mom met Jonkvrouwe Ulrica van Reede tot Sonheuvel, mijn kleindochter.” + +</p> +<p>“Met welk recht....?” riep Mom, driftig opspringende; doch zoodra hij in den nadertredenden grijsaard Vader Ambrosius herkende, +trad hij ontzet achteruit. + +</p> +<p>“Met uw verlof, oom!” zeide de Baron, terwijl hij wrevelig den brief uit den zak haalde, dien hem de Vicaris geschreven had: +“vervat dit stuk papier uw toestemming niet?” + +</p> +<p>“Die was slechts voorwaardelijk,” hernam de Vicaris: “indien de Ambtman zich geschikt achtte om mijn pleegdochter gelukkig +te maken.” + +</p> +<p>“Welnu? en dit heeft hij plechtig beloofd,” zeide Reede. + +</p> +<p>“Beloofd?” herhaalde Vader Ambrosius: “Heer Ambtman! durft gij in mijn tegenwoordigheid die belofte herhalen?—Bedenk u wel! +en luister naar hetgeen ik u vraag.—Hebt gij het voornemen, van Ulrica’s geluk door dezen echt, in <span class="letterspaced">deze</span> omstandigheden te bevorderen?” + +</p> +<p>“Zeker ben ik niet voornemens haar ongelukkig te maken,” zeide Mom, met zichtbare verlegenheid. + +</p> +<p>“Geen omwegen! ik vraag eenvoudig, ja of neen.” +<a id="d0e10229"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10229">339</a>]</span></p> +<p>“Nu.... ja!” antwoordde Mom. + +</p> +<p>“Doch kunt gij dit?”’ hernam de Vicaris: “zijt gij niet overtuigd, dat dit huwelijk voor haar een bron van ellende zijn zal?” + +</p> +<p>“Voor den duivel!” riep Mom, door dit ondervragen van de wijs gebracht: “wat meent gij daarmede?” + +</p> +<p>“Mijnheer!” zeide nu de Gravin, zich tot den Vicaris wendende: “ik moet u verzoeken, dergelijke tooneelen in mijn huis te +vermijden. De Heer Ambtman heeft uw vraag beantwoord, en, naar mijn begrip, kan geen betrekking van bloedverwantschap, geen +gezag u het recht geven tot zulke vragen. Wat kan u nopen, onze blijdschap bij een zoo algemeen toegejuichte echtverbintenis +op een zoo onhebbelijke wijze te komen storen?” + +</p> +<p>“Mijn recht noch mijn deel zullen den Heer Ambtman raadselachtig voorkomen,” zeide Ambrosius. + +</p> +<p>“Ik heb in mijn leven zooveel <span class="letterspaced">incidenten</span> niet bijgewoond,” zeide Bleiswyk, zich van vermaak de handen wrijvende. + +</p> +<p>“Ik verzoek Uwe Genade nederig om verschooning,” vervolgde de Vicaris, met een eerbiedige buiging, tegen de Gravin: “doch +ik moet hier mijn plicht vervullen. Jonkheer Jacob Mom! gij hebt mijn laatste vraag nog niet beantwoord.” + +</p> +<p>Aller oogen vestigden zich weder op den Ambtman, van wien men verwachtte, dat hij eindelijk door een krachtig antwoord den +vreemdeling uit het veld zoude slaan; doch hij scheen zijn gewone tegenwoordigheid van geest geheel verloren te hebben, en +met wankelenden gang trad hij naar den Vicaris toe. + +</p> +<p>“Mag ik u,” vroeg hij met een bevende stem, “om een oogenblik onderhoud verzoeken? Ik geloof, dat wij deze zaak best afzonderlijk +zullen afhandelen.” + +</p> +<p>“Een redelijke vraag sla ik niet af,” antwoordde Ambrosius, zich naar een venster begevende: “welke opheldering verlangt gij?” + +</p> +<p>“Wat is uw doel?” vroeg Mom zacht en schielijk: “waarom mij dus tentoongesteld op een oogenblik, dat ik alles voor uw geloofsgenooten +doe?” + +</p> +<p>“Met uw geheim verdrag met Grobbendonck heb ik niet te maken,” antwoordde de Vicaris: “doch geen landverrader mag zich met +ons geslacht vermengen; ik had mij gevleid, dat gij, na het lezen van mijn brief, mij zoudt begrepen hebben en van Ulrica +afstand gedaan; dan ware dit tooneel vermeden geweest. Tree nog terug, zoo zwijg ik; doch volhardt gij bij uw voornemen, zoo +maak ik alles bekend.” + +</p> +<p>“En hoe denkt gij, dat men uw gedrag in Spanje en te Rome zal opnemen?’” + +</p> +<p>“Noch Spanje, noch Rome kunnen van mij vergen, dat ik in een echtverbintenis stem, die mijn kleindochter in handen eens verraders +overlevert.” + +</p> +<p>“Is uw besluit onherroepelijk?” + +</p> +<p>“Onherroepelijk.” + +</p> +<p>“Bedenk, dat ik uw rang hier bekend kan maken, u gevangen doen nemen, u....” +<a id="d0e10267"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10267">340</a>]</span></p> +<p>“Ik bedenk alles; doch bedenk zelf, wie hier de meest gevaarlijke openbaringen zou kunnen geven.” + +</p> +<p>“In ’s duivels naam dan,” zeide Mom, zich van hem afwendende. “Heer Baron!” vervolgde hij luid: “het spijt mij; doch ik vind +uw schoonvader hardnekkiger dan ik gehoopt had. Wij zullen de voorgenomen verbintenis moeten uitstellen, tot Zijn Hoogwaardigheid +in een betere luim is. Kom, Botbergen! laat ons weder naar Tiel vertrekken, ten einde hier niet tot voorwerp van spot aan +de Haagsche Jonkers te verstrekken.” + +</p> +<p>Deze woorden geuit hebbende, maakte hij een deftige buiging voor het geheele gezelschap en keerde zich om met oogmerk van +te vertrekken; dan eer hij nog aan de deur gekomen was, eer nog de aanwezigen van hun verbaasdheid waren teruggekomen, was +de Fiskaal Van Kinschot binnen. + +</p> +<p>“Jonkheer Jacob Mom,” zeide deze, naar hem toetredende: “gij zijt mijn gevangene.” + +</p> +<p>“Bewaar ons!” zeide Bleiswyk: “wat heeft Zijn-Edel-Gestrenge het tegenwoordig volhandig!” + +</p> +<p>“Alle duivels!” mompelde Botbergen, en, het oogenblik waarnemende, dat alle blikken op Mom gevestigd waren, sprong hij een +venster uit dat openstond, en nam de vlucht. + +</p> +<p>“Gevangen!” riep Mom, die als versteend bleef staan. + +</p> +<p>“Gevangen!” herhaalden al de aanwezigen: “is het mogelijk!” + +</p> +<p>“Ha! vervloekte grijskop! dat is uw werk!” brulde de Ambtman, eensklaps als uit een sluimering ontwakende en met de gesloten +vuist den Vicaris dreigende: “doch beef! gij zult mijn wraak niet ontgaan.” + +</p> +<p>“Dat is mijn werk niet,” zeide Pater Ambrosius met koelheid: “had ik deze ontknooping kunnen voorzien, mijn tegenwoordigheid +hier ware overbodig geweest.” + +</p> +<p>“Nietwaar?” grauwde hem de Ambtman toe: “Mijnheer Van Kinschot! verzeker u ook van dezen booswicht. Hij noemt zich Vicaris-Generaal +in de Nederlanden....” + +</p> +<p>“Zoo noemde hij zich,” hernam de grijsaard: “thans heet hij eenvoudig Pater Ambrosius, gelijk voorheen. Indien UEd.-Gestr.,” +vervolgde hij, zich tot den Fiskaal wendende, “echter begrijpt, dat ik hier in gevangenschap moet blijven, zoo wees overtuigd, +dat ik niet zal trachten te ontsnappen.” + +</p> +<p>“Zeer gelukkig,” zeide Bleiswyk: “er zijn er ook genoeg ontsnapt in de laatste dagen.” + +</p> +<p>“Mag men niet weten,” vroeg de Gravin, “waarvan de Heer Ambtman beschuldigd wordt?” + +</p> +<p>“Van hoogverraad, Mevrouw!” antwoordde Van Kinschot: “Mijn Heeren!” vervolgde hij tot de gerechtsdienaars: “leidt uwen gevangene +weg.” + +</p> +<p>“Arme! lieve Ulrica!” zeide de Gravin tegen Ulrica, die als versteend en van verschillende aandoeningen vervuld aan een tafel +nederzat: “had iemand kunnen denken, dat uw verlovingsdag zoo ongelukkig ten einde zoude loopen? Kom,” vervolgde zij, haar +onder <a id="d0e10300"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10300">341</a>]</span>den arm nemende: “verwijderen wij ons: de eenzaamheid zal u thans het meest welkom zijn.” + +</p> +<p>Deze woorden zeggende, wilde zij Ulrica de zaal uitgeleiden, toen de deur wijd openvloog en een dienaar de Prinsen aanmeldde. + +</p> +<p>Prins Maurits trad binnen met een gelaat, waarop de aandoeningen, welke hem gedurende de laatste uren hadden vermeesterd, +nog zichtbaar waren: hij hield zijn broeder onder den arm, en de blik van dezen teekende een opgeruimdheid, welke aan het +scherpziend oog van Bleiswyk niet verborgen bleef, en waaruit deze laatste ontwaarde, dat het misverstand tusschen beide broeders +was opgehelderd. + +</p> +<p>“Ik bid u om verschooning,” zeide Prins Maurits, zich tot de huisgenooten wendende, “zoo ik mij thans hier nog kom vertoonen, +nadat ik mij genoodzaakt heb gezien, uw vreugde in droefheid te doen verkeeren. Doch zoo ik hier in geen blijdschap kan deelen, +zoo kan ik ten minste troost aanbrengen. Ik kan meer doen, Heer Baron! ik kan u zelfs gelukwenschen, dat de Almachtige uw +dochter van den rand des afgronds heeft gered, waarin een onwaardige echtverbintenis haar zou gestort hebben. Weet, dat ik +zooeven de duidelijkste bewijzen ontvangen heb, dat de Ambtman Mom het voornemen had, na het einde van het Bestand de stad +Tiel in de handen des Spanjaards te leveren.” + +</p> +<p>“Jawel mogen wij God danken, indien dit het geval is,” zeide Reede. + +</p> +<p>“Wel is het, als de Psalmist zegt,” zeide Raesfelt, “Ps. 76: + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Gy sult ombrengen ’t gansche rot +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Der woedende boosdaders quaet.</span></p> +</div> +<p>“Doch, dit is niet de eenige reden mijner komst,” hernam de Prins. “Er is iemand, die belangrijke mededeelingen betreffende +de gevormde samenzwering gedaan heeft, doch die nog meerder ontdekkingen doen kan, welke hij in dit geëerd gezelschap, en +nergens anders, verlangt aan ’t licht te brengen.” + +</p> +<p>“Nog meer ontdekkingen?” zeide Bleiswyk bij zich zelven: “welk een heerlijke dag! die geeft voor een maand stof tot onderhoud.” + +</p> +<p>Nu plaatsten zich de vorstelijke personages en al de aanwezigen in het rond: de deur werd geopend en met bleek gelaat en wankelende +schreden trad Ludwig, van twee wachten gevolgd, de zaal binnen. Doch, om zijn verschijning hier ter plaatse te verklaren, +is het noodig, dat wij de geschiedenis weder wat hooger ophalen. + + + +<a id="d0e10323"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10323">342</a>]</span></p> +</div> +<div id="d0e10324" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Twee-en-dertigste Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Aan wien behoore ik dan? wien word ik tot verrader? +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Wat kan, wat moet ik doen, aan alle zijde omzet? +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Wie voert my strafloos, wie onschuldig uit dit net? +</span></p> +<p class="line" style=""><span>ô Zwakke, ô weeke ziel! wat liet ge u dus verwrikken +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Wat kan ik, hoe ’t ook ga, dan voor mij-zelven schrikken?</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Bilderdyk</span>, Floris de Vijfde. +</p> +</div> +<p>Ludwig had zijn Doorluchtigen meester verlaten, toen deze het Binnenhof was opgetreden; met driftigen spoed had hij eenige +straten en stegen doorkruist en eindelijk geklopt aan een kleine woning, in het minst bezochte gedeelte der stad gelegen. +Eene oude vrouw, welke al het uiterlijke eener tooverheks had, opende hem de deur en geleidde hem, na een soort van wachtwoord +met hem gewisseld te hebben, in een berookte, en dompige kamer, waar, aan een groote, met papieren, plannen en landkaarten +overdekte tafel, een manspersoon bij het flauwe schijnsel eener lamp zat te lezen. Voor de tafel stond een groote opene kist, +zoodanig geplaatst, dat men, door de tafel aan de tegenzijde op te lichten, al wat daar op lag in de kist kon werpen en dus +aan de oogen van een onverhoopten bezoeker onttrekken. Wat verder stonden twee andere opene koffers, gevuld met rollen papier, +ijzeren werktuigen, vermommingen en maskers, valsche baarden en andere dergelijke voorwerpen. Onder het bereik des lezers +lagen op een stoel twee zakpistolen, een dolk, een paar gereformeerde bijbels en een <span class="letterspaced">vulgata</span>. Op de tafel stond een waterkruik met een tinnen kroes, een zandlooper en het noodige schrijfgereedschap. + +</p> +<p>In het midden van al die vreemdslachtige voorwerpen zat, in een grooten leunstoel, met leder voorzien, en die desnoods tot +rustbank had kunnen strekken, de persoon, welken Ludwig kwam zoeken, een man, die, zooals hij daar geplaatst was, alleen de +tooverroede miste, om voor een wichelaar te worden aangezien; want zijn sterk gerimpeld voorhoofd, waarvan slechts eenige +grauwende haren ongekamd afhingen, kenteekende zorgen en vermoeienissen van den geweldigsten aard. Onder de zware grijze wenkbrauwen +waren twee gitzwarte oogen zoo diep in de kassen verscholen, dat zij niet oneigenaardig konden vergeleken worden bij fakkels, +welke men aan het einde van een donker verwulf ziet glimmen. Op de vale wangen waren de groeven der onthouding met diepe voren +ingedrukt; en de dikke onderlip, met een uitdrukking van algemeene verachting en wrevel tot aan den grauwen knevel opgeheven, +zette aan de vervallen trekken des gelaats iets Satanachtigs bij. De dorre hand liet, bij de intrede des geheimschrijvers, +het geschrift varen, dat zij vasthield, en strekte zich langzaam uit naar een der binnen <a id="d0e10350"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10350">343</a>]</span>haar bereik gelegen pistolen, terwijl al de pezen van het aangezicht zich samentrokken en de oogen blauwe vlammen schoten; +doch, zoodra de grijsaard bij de stralen der lamp, die op het aangezicht van Ludwig vielen, ontdekt had, wie de verstoorder +zijner overdenkingen was, leide hij het moordtuig weder neder en hernam zijn vorige houding. + +</p> +<p>“Gij ziet mij reeds terug, Pater!” zeide Ludwig: “alles heeft een spoediger wending genomen dan wij gedacht hadden!” + +</p> +<p>“Gij hebt uw rol meesterlijk gespeeld,” zeide Eugenio, wien onze lezers ongetwijfeld uit de bovenstaande beschrijving reeds +zullen herkend hebben: “ik ben zeer over u voldaan.” + +</p> +<p>“Doch ik niet over u! wat moet er van dit alles worden?” + +</p> +<p>“Hoe nu! is alles niet juist afgeloopen gelijk wij gewenscht hadden?” + +</p> +<p>“Gelijk gij gewenscht hadt, Pater!” zeide Ludwig, zich op een stoel werpende. + +</p> +<p>“Uw taal bevreemdt mij,” zeide Eugenio, de lamp zoodanig opnemende, dat het licht den Secretaris vlak op het gezicht scheen: +“doch ja, uw verwilderd oog, uw meer dan gewone bleekheid, uw bevende lippen.... wat hebt gij toch gezien, dat u de bedaardheid +ontnomen heeft, welke ik u tot heden altijd toegekend heb?”—Dit zeggende, plaatste hij de lamp weder voor zich en wachtte +met een koel gelaat het antwoord des jongelings af. + +</p> +<p>“Vraagt gij nog, wat mij ontzet heeft?” riep Ludwig uit, weder opstaande en met groote schreden de kamer op en neder wandelende: +“Heb ik niet, als een andere Judas, mijn meester verkocht?” + +</p> +<p>“Hmm!” bromde de Jezuïet: “uw meester is de Koning van Spanje.” + +</p> +<p>“De Koning van Spanje!” herhaalde Ludwig: “heeft de Koning van Spanje mij gevoed, gekleed, zijn gunst, ja zijn innig vertrouwen +geschonken?” + +</p> +<p>“Gij zijt een gek,” zeide Eugenio, “na al hetgeen gij verricht hebt, zoudt gij thans, nu wij op het punt zijn van het doel +te bereiken, waarvoor wij zooveel jaren gezwoegd hebben, door een bespottelijk, kinderachtig en volkomen onnut berouw gedreven, +aan de deur des heils stilstaan, en alsof er niets gedaan ware, op uw voetstappen terugkeeren! Gij zijt als een schipper, +die, een rijke lading van verre kusten, spijt storm en zeeroovers aangebracht hebbende, die in de haven overboord zoude werpen.” + +</p> +<p>“Gave de Hemel, dat ik alles als niet gedaan beschouwen mocht,” zeide Ludwig, met een diepen zucht: “dan zou het bloed van +den jongen Graaf van Falckestein niet op mijn hoofd wegen.” + +</p> +<p>“Laat dat bloed voor rekening van hen, die het vergoten hebben,” bromde Eugenio. + +</p> +<p>“Dan zou de huichelachtige rol, welke ik twintig jaren gespeeld heb, mijn boezem niet drukken,” vervolgde Ludwig, meer en +meer ontsteld. + +</p> +<p>“Voor al die leugens is u vergiffenis bezorgd,” merkte de Jezuïet, aan. + +</p> +<p>“Dan zou ik,” vervolgde Ludwig, zonder acht te geven op de woorden van den Pater, “mij niet te verwijten hebben, op een lage +<a id="d0e10382"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10382">344</a>]</span>wijze het vertrouwen van den goeden, edelen Graaf misbruikt, zijn hand valschelijk nagemaakt, zijn eer vuig beklad en hem +zelven met eigen handen aan de wraak eens driftigen broeders te hebben overgeleverd.” + +</p> +<p>“Gij hebt alleen mijn voorschriften gevolgd, en volgens de getuigenis van kundige godgeleerden, is de dienaar nimmer verantwoordelijk +voor de daden, welke hij op last zijns meesters bedrijft.” + +</p> +<p>Ludwig stond stil en wierp een smadelijken blik op den Jezuïet. “Ziedaar wat mij het meeste hindert, dat ik op mijn jaren +nog heb kunnen toestemmen, de houten pop te blijven, die geen andere bewegingen deed, dan die òf gij òf Magdalena mij toelieten +te doen, dat ik de slaaf moest wezen van een paap en een geestdrijvende vrouw.” + +</p> +<p>“Die slavernij houdt voortaan op,” zeide Eugenio: “eens ons doel bereikt hebbende, wordt gij uw eigen meester, en een ouderdom +van weelde en onafhankelijkheid zal u de gehoorzaamheid van jaren vergoeden.” + +</p> +<p>“En wie betaalt mij mijn verloren zielsrust?” vroeg Ludwig. + +</p> +<p>“Ik heb u reeds gezegd,” hernam Eugenio, “dat uw zonden u vergeven zijn. Wat kan u dan nog kwellen?” + +</p> +<p>“Al genoeg,” zeide de geheimschrijver, “al genoeg heb ik de afschuwelijke drogredenen, welke uw Sociëteit kenmerken, aangewend, +om in mijn benepen hart de kalmte te doen terugkeeren: gisteren nog hadden uw grondbeginselen indruk op mijn geest; doch thans, +nu het misdrijf gepleegd is, zie ik met ijzing op mijn gedrag. terug.” + +</p> +<p>“Er is niets dwazer,” zeide Eugenio, met de uiterste koelheid, “dan zich gepleegde daden te verwijten. Wat onherstelbaar is, +kan niet herdaan worden: en evenals men de geheugenis van hetgeen men uit verkeerde beginselen bedreef, uit zijn geest moest +wisschen, dient men ook het berouw deswege, als ondienstig en overtollig, uit zijn hart te verbannen: deze leer heb ik geheel +mijn leven door in praktijk gebracht en er mij steeds wel bij bevonden. Geloof mij, Ludwig! ik behartig, door zoo te spreken, +alleen uw rust en welzijn; in beide stel ik belang, meer dan gij denken of vermoeden kunt. Van uw kindsheid af zijt gij het +voorwerp mijner trouwhartigste zorg en genegenheid geweest: en het grootste bewijs hiervan ligt daarin, dat ik u, in wien +ik het afdruksel van mij zelven waande te beschouwen, tot het heerlijk werk heb verkozen, hetwelk gij tot nog toe met zooveel +beleid en trouw vervuld, ja, ’t welk gij ten einde gebracht hebt. Na gedanen arbeid is de rust dubbel zoet, en, ofschoon ik, +wiens leven aan de eer mijns Konings toegewijd geweest is, die rust nooit gesmaakt, ja nooit verlangd heb, wil ik u die laten +genieten. De keuze waar, en in welken rang gij die wilt smaken, laat ik aan u over, en ik twijfel niet, of mijn invloed zal +u den rang of de bediening doen verkrijgen, welke gij verlangen zult.” + +</p> +<p>Eugenio hoopte, door deze vooruitzichten aan den geldzuchtigen jongeling voor te stellen, de vlagen van een lastig, en in +zijn oogen <a id="d0e10400"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10400">345</a>]</span>hoogst ontijdig berouw te verdrijven; doch Ludwig was te sterk ontroerd en buiten zichzelven, om thans gehoor te geven aan +de koude drogredenen van den man, wiens hatelijke raadgevingen hem zoover op den weg van het misdrijf gebracht hadden. Ziende, +dat de geheimschrijver zich niet langer door schoone beloften paaien liet, en dat zijn ontwaakt geweten door geen hoop op +belooning meer tot rust zou kunnen gebracht worden, wendde hij het over een anderen boeg, en trachtte met klem van redeneering +te betoogen, dat Ludwig in allen gevalle te ver gegaan was om weder terug te keeren: dat het zaad van tweedracht, door hem +in een vruchtbaren akker geworpen, hoog was opgeschoten, diepe wortels gevat had en niet meer kon uitgeroeid worden: dat het +Bestand met de week eindigde, waarna het vuur der muiterij alom stond uit te bersten, in één woord, dat het uur gekomen was, +waarop men de vrucht van zoovele moeite en opofferingen smaken zoude. “En zoudt gij,” vervolgde hij, “dwaas genoeg zijn, om, +in één oogenblik, ter voldoening van eenige belachelijke zwarigheden, den arbeid van jaren, niet voor anderen, maar voor u +zelven om te stooten? Hebt gij nooit de fabel gelezen van den hond, die, zijns meesters spijskorf dragende, door andere honden +werd overvallen, die hem de spijs trachtten te ontweldigen. Toen hij zag, dat hij tegen de menigte toch niet was opgewassen, +maakte hij wijselijk van den nood een deugd, nam het beste deel en liet het overschot van den buit aan de hongerige aanvallers. +Ziedaar een navolgenswaardig voorbeeld. Al treedt gij terug, gij kunt ons niet meer beletten, ons doel te bereiken. Het Stadhouderlijk +gezag is aan het wankelen. Verraad, omkooping en wantrouwen beheerschen de raadsvergaderingen. Gelderland en het Sticht zijn +den dag na het hervatten der vijandelijkheden in de handen der Spanjaards: de zonen van den Advocaat slijpen den dolk, die +Maurits’ hart doorboren zal—en waar blijft gij dan met uw ontijdig berouw? Breng, zooals men zich in dit land uitdrukt, uw +koetjes op ’t droge, eer de overstrooming hier have en huis komt wegspoelen, en blijf niet als een onberaden zot naakt en +berooid op de deerlijke overblijfselen staan, omdat gij geen moeds genoeg bezit om u datgene vooruit te verzekeren, waarop +gij bij deeling wettige aanspraak hadt.” + +</p> +<p>De welbespraaktheid des Paters was dezen keer geheel vruchteloos verspild, ja zelfs deed zij een tegenovergestelde uitwerking +dan die, welke Eugenio er van verwachtte. Ludwig, die van nature een vreesachtige en lafhartige geaardheid bezat, en die thans +minder door een oprecht berouw gedreven werd dan wel door den angst voor de straffen der hel, welke hij, in weerwil van ’s +Paters geruststellende woorden, voor zijn voeten geopend zag, Ludwig voelde zich gedurig meer benauwd door de voorstellingen, +die hem Eugenio deed, en welke hem hoe langer hoe meer het onvergoedbare van het door hem verrichte kwaad lieten zien. Zijn +gemoedsangst had hem naar Eugenio gejaagd; zijn gemoedsangst deed hem weder verlangen in de opene lucht terug te keeren, en, +zonder een woord te spreken, zou hij de kamer verlaten hebben, toen Eugenio hem, op <a id="d0e10404"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10404">346</a>]</span>den welbekenden strengen toon, aan welken bij altoos was gewend geweest gehoorzaam te zijn, gelastte te blijven. + +</p> +<p>Ludwig trad dan ook een stap terug; doch zijn hand verliet de kruk der deur niet. + +</p> +<p>“Wat gaat gij doen?” vroeg Eugenio. + +</p> +<p>Ludwig zweeg. + +</p> +<p>“Beken het veilig: gij gaat den Stadhouder opzoeken en alles aan hem verklappen.” + +</p> +<p>Ludwig sloeg de oogen neder, doch antwoordde niet. + +</p> +<p>“Hoe edel! hoe aandoenlijk!” zeide Eugenio, met een bitteren glimlach: “gij zult mij, die u, van kindsbeen af, heb voortgeleid +en liefgehad, gij zult uw moeder, uw moeder, die alleen voor u zich zooveel opofferingen getroostte, die alleen voor u leeft, +gij zult vrienden, die op uw trouw steunen, aan de beulen eens dwingelands prijsgeven.—Voorwaar, een schitterende heldendaad, +en welke uw politieke loopbaan op een prachtige wijze besluiten zal.” + +</p> +<p>Ludwig wierp zich op een stoel en verborg zijn gezicht in zijn handen. + +</p> +<p>“En denkt gij,” vervolgde Eugenio, “dat deze trage bekentenis u baten zal?—Dat gij u daardoor voor straf zult vrijwaren?—Neen! +neen! wij zullen op het schavot komen, doch gij zult er ons vergezellen. Welk een aandoenlijk familietafereel zal dat geven, +als gij tusschen uw moeder en mij op het rad zult uitgestrekt zijn! ha! ha! ha! ik zie reeds, hoe de beul zijn vuurtje stookt +en u met gloeiende tangen het vleesch uit het lijf haalt, om u voor uw waarheidspreken te beloonen.” + +</p> +<p>De akeligheid dezer voorstelling joeg Ludwig een kille huivering aan, die al zijn leden beven deed. + +</p> +<p>“Doch ik zie al,” zeide Eugenio, zijn stem verzachtende, “dat gij wijzer zijn zult en tot betere gedachten zijt teruggekeerd. +Kom! wees een man, Ludwig! en geef u aan geen dwaze wanhoop over. Hoor! ik heb u lief,” vervolgde hij, Ludwig tot zich trekkende, +“anders ware het vermoeden alleen, dat gij mij verraden wildet, genoegzaam om mij zonder verdere omwegen van u te ontslaan. +Was uw leven niet aan het eind van dit pistool! En had het niet in mijn macht gestaan, u, eer gij een stap verder deedt, buiten +de mogelijkheid te stellen, uw oogmerk te volvoeren? Wees bedaard! tracht wat te slapen! Na een goede nachtrust zult gij geheel +anders denken.” + +</p> +<p>“Misschien,” zeide Ludwig, oprijzende: “ik zal ’t beproeven; doch hier in dit benauwde kot kan ik niet langer blijven; ’t +is of ik stikken zal.”—Dit zeggende ontknoopte hij zijn buis. + +</p> +<p>“Ik zal u laten gaan, Ludwig! op één voorwaarde. Beloof mij, dat gij geen onberaden stap zult doen, dat gij nu naar uw nachtverblijf +keeren en ter rust zult gaan. Morgenochtend kunt gij doen wat gij wilt: doch beloof mij thans te gaan slapen.” + +</p> +<p>“Ik beloof het u,” hernam de Secretaris, terwijl hij angstig het vertrek op en neder liep: “nog meer, ik beloof u, dat wat +er ook geschiede, ik u niet betichten zal.” + +</p> +<p>“Gij zult noch mij, noch u zelven betichten, daar ben ik overtuigd van; doch, drink wat: uw zenuwen zijn aangedaan: een teug +<a id="d0e10434"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10434">347</a>]</span>wijns zal u goeddoen”—Dit zeggende, ging de Pater naar het kabinetje, dat hem tot slaapvertrek diende, en kwam spoedig met +een kan wijns en twee glazen terug. + +</p> +<p>Hoe hangen dikwijls de grootste gebeurtenissen van kleine omstandigheden af! Had Eugenio zich met de beloften van Ludwig tevreden +gesteld en daarop vertrouwd, wellicht waren de Vereenigde Nederlanden, door binnenlandschen twist verscheurd, door verraad +verkocht, opnieuw een deel van Spanje geworden. Doch de wantrouwende ziel des booswichts deed hem vreezen, dat Ludwig wellicht +zijn woord niet houden zoude, en om zeker te zijn, dat deze hem dien nacht althans niet verraden zoude, had hij een slaapdrank +onder dien wijn gemengd. Die slaapdrank redde de Nederlanden. + +</p> +<p>“Hier,” zeide hij, terwijl hij inschonk: “drink Ludwig! <span class="letterspaced" lang="la">damus vinum his qui amaro sunt animo ut doloris sui non recordentur amplius</span>,<a id="d0e10443src" href="#d0e10443" class="noteref">1</a> gelijk de <span class="letterspaced">vulgata</span> zegt.” + +</p> +<p>Doch de geheimschrijver was niet minder wantrouwend dan zijn leermeester in de kunst van veinzerij. Eer hij dronk, hield hij +het glas voor het licht en ontdekte dat de wijn bijzonder troebel en schijnbaar met een vreemd vocht vermengd was. + +</p> +<p>“Die wijn is vergiftigd!” riep hij, den Jezuïet met een vreeselijken blik aanziende. + +</p> +<p>“Zoo! de wijn is bedorven,” zeide Eugenio, en goot haastig het glas ledig. + +</p> +<p>“Dat zal ik gaan onderzoeken,” hernam Ludwig, en, de kan van de tafel nemende, wilde hij vertrekken. + +</p> +<p>“Sta!” riep Eugenio, hem met een ijzersterke vuist aangrijpende: “niet van uw plaats. Hoor mij eerst!” + +</p> +<p>Doch eer hij nog een woord tot verklaring van zijn gedrag had kunnen bijvoegen, sloeg Ludwig, dien de vreeselijke blik zoowel +als de beweging van den Pater voor een moorddadigen aanval op zijn leven deden vreezen, hem met de wijnkan zoo geweldig in +’t gezicht, dat het bloed hem uit neus en mond sprong. + +</p> +<p>Bedwelmd van pijn tastte de Jezuïet naar zijn pistolen; doch Ludwig voorkwam hem, en, zijn mes uithalende, stootte hij het +Eugenio tot het heft toe in de zijde. De gewonde stortte ruglings achterover: hij poogde te spreken; doch alleen door een +afschuwelijken lach kon hij zijn zielsgevoelens uitdrukken. + +</p> +<p>Ter dood toe ontsteld, ijlde Ludwig, zoodra hij hem vallen zag, de deur uit, en nam, schier zonder te weten, den weg naar +het oude Hof. + +</p> +<p>“Wie daar?” vroeg een onderofficier, die juist met eenige soldaten het paleis uitkwam, toen Ludwig het binnen wilde gaan. + +</p> +<p>“Ik ben de Secretaris van Z. D.”, gaf deze ten antwoord. + +</p> +<p>“Dan zijt gij juist de man dien wij zoeken: Z. Hoogh. verlangt u zoo dadelijk te spreken.” +<a id="d0e10471"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10471">348</a>]</span></p> +<p>“Ha! welkom!” riep de jongeling: “ik ook, ik moet Zijn Hoogheid spreken!—Alles in orde. Ik volg u, Mijn Heeren!” + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e10443" href="#d0e10443src" class="noteref">1</a></span> Wij geven wijn aan hen, wier ziel met bitterheid vervuld is, opdat zij hunner droefheid niet meer indachtig zijn zouden. +</p> +</div> +</div> +<div id="d0e10474" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><h2 class="normal">Drie-en-dertigste Hoofdstuk.</h2> +<div class="epigraph" lang="nl-1600"> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>Wat zien we? Duinrijcks merek, een knijn in duin, een knijn, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Dit komt op waerheit uit: hier liegt geen valsche schijn, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>’t Verhael hangt hecht aen een: hier mangelt niet een schakel.</span></p> +</div> +<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Leeuwendalers. +</p> +</div> +<p>Ludwig trad, gelijk wij gezegd hebben, met een wankelenden stap de zaal bij de Gravin van Nassau binnen, en bleef met nedergeslagen +oogen staan, totdat de Prins hem last gaf, alsnu te openbaren wat hij nog te zeggen had. + +</p> +<p>Toen eerst boog hij zich, zag langzaam en deemoedig de Vorsten, de Gravin en den Baron aan, huiverde op het gezicht van Magdalena, +die bleek als een steen achter haar jonge meesteres stond, en begon toen op de volgende wijze: + +</p> +<p>“Ofschoon ik beken, dat ik op de schandelijkste wijze het vertrouwen mijns doorluchtigen meesters misbruikt heb....” + +</p> +<p>“Sla dat maar over,” zeide Maurits, haastig: “ter zake!” + +</p> +<p>“Verschoon mij, Uwe Hoogheid!” vervolgde de Secretaris: “ik wilde alleen zeggen, dat, hoe slecht ik ook heb kunnen handelen, +ik echter thans een geheim aan ’t licht wil brengen, hetwelk mij wellicht, zoo het mij niet voor straf vrijwaart, de dankbaarheid +van sommige personen uit dit luisterrijk gezelschap zal mogen verwerven.” + +</p> +<p>“Ga zonder omwegen voort,” zeide de Prins op een strengen toon. + +</p> +<p>“Ik moet dan beginnen,” hernam Ludwig met een zucht, “aan den heer van Sonheuvel te verhalen hetgeen ik bereids aan den Heer +Fiskaal verhaald heb, dat zijn pleegzoon Joan al zijn liefde en achting nog volkomen waardig is, en dat deze in geen aanslag +noch tegen zijn pleegvader, noch tegen den lande gedeeld heeft.” + +</p> +<p>“Dat kan ik bevestigen,” zeide Vader Ambrosius op een plechtigen toon. + +</p> +<p>“Wie valt den deposant in de rede?” vroeg de Prins, verstoord rondziende. “Wie is die grijskop?” vroeg hij zacht aan Van Kinschot, +toen zijn oog het eerwaardig gelaat van den Vicaris ontdekte. Het antwoord van den Fiskaal deed hem bevreemd opzien; doch +hij gaf terstond weder een wenk aan Ludwig om te vervolgen. + +</p> +<p>“Ik moet deze getuigenis nopens den Jonker van Craeihorst afleggen,” vervolgde Ludwig, die langzamerhand meer bedaardheid +en gemak herkreeg, terwijl hij op zijn woorden dacht: “omdat het van belang is, dat er geen vlek ruste op den stam, waar hij +toe behoort. + +</p> +<p>“Mijn geslacht was altijd onbesproken,” viel de Baron in met drift. +<a id="d0e10511"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10511">349</a>]</span></p> +<p>“Ik spreek niet van uw geslacht, Heer Baron: ik spreek van uw pleegzoon Joan,” zeide Ludwig, met nadruk. + +</p> +<p>“Wat gaan ons de Velasco’s aan?” vroeg Reede. + +</p> +<p>“Joan is geen Velasco, er is nooit eenig Spaansch bloed met het zijne vermengd geweest.” + +</p> +<p>“Kent gij zijn ouders dan?” vroeg Maurits. + +</p> +<p>“Dat de Heer van Sonheuvel zich slechts herinnere hoe hij aan hem gekomen is, en wat hij bij hem gevonden heeft.” + +</p> +<p>“Mijn God!” riep de Gravin van Nassau uit, terwijl zij doodsbleek opstond en naar den jongeling toesnelde: “die kleederen, +die jachthond....” + +</p> +<p>“Zijn bewijzen genoeg, Mevrouw!” vervolgde Ludwig: “Joan van Craeihorst is uw zoon, Graaf Ulrich von Daun.” + +</p> +<p>“Mijn zoon!” gilde de Gravin, terwijl zij haar handen wrong en schier onmachtig in de armen van de nabijstaande dames viel: +“mijn Ulrich! o God! is het mogelijk!” + +</p> +<p>“Joan de zoon van mijn trouwen vriend Falckestein!” riep de Baron. + +</p> +<p>“Ach!” zeide de oude Beckman, door de menigte heendringende: “hij liegt, die schelm van een Ludwig! heb ik niet het kind van +den Heer Graaf voor mijne augen zien in ’t wasser wirfen?” + +</p> +<p>“Wat? wie twijfelt daar aan de waarheid van zijn verhaal?” vroeg de Gravin, angstig en snel opziende: “spreek Ludwig! antwoord +op hetgeen de oude man zegt.” + +</p> +<p>“Antwoord dien ouden man,” zeide Maurits: “en wee u, zoo gij niet bewijst wat gij verklaard hebt, en zoo uw vertelling slechts +een armhartig verdichtsel is, waarmede gij de voorspraak der Gravin zoekt te verwerven.” + +</p> +<p>”’t Is waar,” antwoordde Ludwig; “de oude man heeft het kind in het water zien werpen; doch wat hij niet kon zien, omdat de +hoek van den toren het hem belette, is, dat de hond des Graven, die in het nabijgelegen vertrek bij mijn moeder en bij mij +gezeten was, uit een zijraam in de gracht sprong en den knaap het leven redde. De hond zwom het slot om, terwijl de oude Beckman +zich met het schuitje begaf naar de plaats waar het kind gevallen was. Het was mijn moeder, aan wie het getrouwe dier zijn +jongen meester bracht, en die hem voor den moorddolk behoeden bleef. Zij verliet terstond het slot met ons beiden en stelde +zich onder de bescherming van Velasco.” + +</p> +<p>“O Voorzienigheid! hoe wonderbaar zijn uw wegen,” zeide Vader Ambrosius, de handen ten hemel heffende. + +</p> +<p>“Er blijft nog iets duisters in uw verhaal,” zeide de Prins tegen Ludwig: “leeft er iemand, die de waarheid daarvan bevestigen +kan? Leeft uw moeder nog?” + +</p> +<p>“Zij leeft nog,” zeide Magdalena, met statigheid vooruittredende. + +</p> +<p>“Hoe!” riep de Baron: “gij de moeder van dien knaap?” + +</p> +<p>“De tijd en het verdriet hebben mij veranderd,” hernam zij: “doch Mevrouw de Gravin zal zich wellicht nog herinneren, dat +zij mij te Bruck gezien heeft.” +<a id="d0e10548"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10548">350</a>]</span></p> +<p>“Is het mogelijk?” hernam de Gravin: “ja, ik herinner mij thans duidelijk.... reeds waren uw trekken mij bekend voorgekomen. +Doch in ’s Hemels naam, zeg mij, heeft Ludwig de waarheid gezegd?” + +</p> +<p>“In allen deele,” antwoordde Magdalena, haar zoon verachtelijk aanziende. + +</p> +<p>“O God!” riep de Gravin: “mijn zoon, mijn Ulrich leeft nog! doch waar is hij? wie brengt hem tot mij?” + +</p> +<p>“Hij is ontsnapt,” zeide de Fiskaal, “doch ik vlei mij, dat wij hem vinden zullen.” + +</p> +<p>“Dat hoop ik ook,” dacht Bleiswyk: “doch waar hij zit, weet slechts één mensch...; en die alleen kan de ontknooping van dit +spel maken.” En meteen sloop hij de zaal en het huis uit. + +</p> +<p>“Doch er leeft nog een getuige, die licht in deze zaak kan aanbrengen,” zeide de Baron: “die schelmsche Jezuïet, die in mijn +slot heeft opgesloten gezeten.... ja, zoo wij die hadden, hij zou ons kunnen vertellen....” + +</p> +<p>“Hij ligt reeds in boeien; doch hij is buiten staat een woord te getuigen,” merkte Van Kinschot aan. + +</p> +<p>“Hoe!” zeide Magdalena tegen Ludwig: “gij heb den Pater verraden!” + +</p> +<p>“Ik heb meer gedaan,” antwoordde deze op een somberen toon: “ik hem hem naar de hel gezonden waarin hij te huis behoort.” + +</p> +<p>“Wee u! gij hebt uwen vader vermoord!” riep Magdalena, terwijl zij zich wanhopend met de vuisten voor ’t voorhoofd sloeg en +de zaal met wilde blikken op en neder liep. + +</p> +<p>Ludwig bleef versteend staan: een rilling beving hem, en half onmachtig zonk hij op een stoel neder. + +</p> +<p>“Kind der schande! kind der verdoemenis!” vervolgde de radelooze vrouw, terwijl zij elk terugstootte, die haar naderen wilde: +“in zonde ontvangen, om in zonde te leven en in zonde te sterven! Ziedaar de straf, die het misdrijf wacht! o wee mij! wee +u! wee ons allen!” + +</p> +<p>“Breng die ongelukkige weg,” zeide Maurits: “dit tooneel is te ijselijk om door vrouwenoogen gezien te worden.” + +</p> +<p>Verscheidene onder de aanwezigen traden naar Magdalena toe, met oogmerk om haar weg te leiden; doch op eens bleef zij staan, +wees alle hulp af, hief het hoofd met waardigheid op en zag de omstanders met fierheid aan. + +</p> +<p>“Dat zich ieder wachte, de hand aan de Bruid des Heeren te slaan. Zooverre is het nog niet gekomen, dat Zuster Klara, de Abdis +der Karmelieten te Tiel, de hulp van onheilige ketters noodig heeft. Freule van Sonheuvel! de rol, die ik bij u gespeeld heb, +is afgeloopen. Uw verloofde wordt ter dood gebracht: gij kunt uw minnaar huwen.” + +</p> +<p>“Het is haar in het hoofd geslagen,” zeide de Prins: “nogmaals breng haar weg.” + +</p> +<p>“Verschoon mij,” zeide Vader Ambrosius: “zoo iemand, zal ik invloed op haar hebben. Zuster Klara!” vervolgde hij, zijn stem +verheffende: “Zuster Klara! kent gij mij?” +<a id="d0e10583"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10583">351</a>]</span></p> +<p>Een bevestigende hoofdknik was het antwoord. + +</p> +<p>“Gij zegt wel, Zuster Klara! uw rol is hier uitgespeeld. Ik ken de gelofte, die gij gedaan hebt; ik wist ook, waarom gij bij +mijn neef geplaatst waart: ik ontsla u van haar verdere vervulling: verlaat dit land en ga in een klooster uw overtredingen +beweenen.” + +</p> +<p>“Ik gehoorzaam,” zeide Magdalena, en, zonder er een woord bij te voegen, zonder zelfs een blik te werpen op haar ellendigen +zoon, verliet zij het vertrek. + +</p> +<p>“Ik had geen Roomschen prelaat <span class="letterspaced">hier</span> verwacht,” zeide Maurits, zich met bevreemding en ontevredenheid tot Vader Ambrosius wendende. + +</p> +<p>“Een heilige plicht riep mij herwaarts,” zeide deze: “de ontwerpen van Mom waren mij bekend en ik moest voorkomen, dat mijn +nicht zich met dien booswicht in ’t huwelijk begaf. Met een andere boodschap had ik mij voor Mevrouw de Gravin belast. Don +Diego de Velasco had een beminde binnen Brussel, aan welke hij vrij regelmatig zijn lotgevallen schreef. Deze vrouw bezocht +ik in de afgeloopen week, ten einde haar van geestelijken raad te dienen. Nieuwsgierig om te weten, of Joan werkelijk de zoon +van Don Diego wezen kon, ondervroeg ik haar omtrent dit onderwerp. Zij ontkende stellig, dat haar voormalige minnaar immer +getrouwd geweest ware, en haalde de brieven voor den dag, welke zij van hem ontvangen had. In den laatsten dier brieven wordt +de redding van het kind des Graven van Falckestein opgegeven, juist gelijk het zooeven vermeld werd, en geeft Velasco meteen +zijn oogmerk te kennen, om het weder aan zijn moeder te zenden. De Brusselsche dame dacht, dat Velasco dit plan volvoerd had, +waarin het blijkt dat hij door den dood is belet geworden. Van dezen brief ontving ik een afschrift, hetwelk ik hierbij met +genoegen aan Mevrouw de Gravin overhandig, en dat, mijns inziens, allen twijfel doet ophouden.” + +</p> +<p>“Uw oogmerk was edel,” zeide Maurits: “doch gij hebt wat veel op onze edelmoedigheid gerekend, Heer Vicaris, dat gij zonder +vergunning u hier vertoont.” + +</p> +<p>“De naam van Vicaris voegt mij niet langer, Uwe Hoogheid. Toen ik ontdekte, dat diezelfde Eugenio, wiens bloeddorst zooveel +rampen baarde, ook mij naar ’t leven stond, daar hij mij verdacht hield van zijn oogmerken tegen te werken, reisde ik naar +Brussel, om hem aan te klagen. Ik merkte ras, dat men hem meer dan mij scheen noodig te hebben, en hem dus ongaarne aan mij +zou opofferen. Dit deed mij besluiten, mijn ontslag te nemen. Mijn voornemen is thans, naar Amerika te reizen en in de nieuwe +wereld de zaden van het echt geloof te gaan voortplanten.” + +</p> +<p>“En de rampzalige Indianen tegen de verdrukking der Spanjaards te beschermen,” zeide Frederik Hendrik. + +</p> +<p>Op dit oogenblik trad Bouke, die het vertrek kort te voren verlaten had, weder binnen. De tegenwoordigheid der hooge personages +kon hem niet beletten op te springen, zijn muts in de hoogte te werpen en uit te roepen: “het eind goed al goed! daar is hij! +daar is hij!” +<a id="d0e10605"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10605">352</a>]</span></p> +<p>“Wie? wie is er?” riepen alle aanwezigen als uit eenen mond. + +</p> +<p>“Ulrich von Daun, Graaf van Falckestein!” zeide Bleiswyk, binnentredende. Onze held volgde hem, hij zag vreemd op, toen hij +zich in zulk een luisterrijk gezelschap bevond; doch nog vreemder, toen hem de Gravin om den hals viel, en onder den uitroep +van: “mijn zoon! mijn zoon!” de teederste moederkussen gaf. + +</p> +<p>“Ik heb hem niets gezeid,” zeide Bleiswyk, half dansende van vreugd: “Ja, Heer Fiskaal! kijk zoo zuinig als UEd. wil; ik heb +hem dezen nacht mede naar huis genomen en hem verstopt. Nu heb ik hem verteld, dat hij vrij was, doch verder niets! ja, ik +kan ook zwijgen!” + +</p> +<p>Dit zeggende, huppelde hij om en drukte den Fiskaal, de gasten, ja den Predikant Raesfelt in de armen. + +</p> +<p>Intusschen ontving Joan (want zoo zullen wij hem uit gewoonte blijven noemen) de gelukwenschingen der aanwezigen en de omhelzingen +van den Baron, van Bouke, van den ouden Beckman en van al zijn betrekkingen, zonder dat hij zelf nog iets begreep van het +verward verhaal, dat hem de omstanders allen te gelijk deden: eindelijk nam de Prins zelf hem bij de hand. + +</p> +<p>“Wij hebben elkander voordezen meer ontmoet,” zeide deze, hem met welgevallen aanziende. + +</p> +<p>“Kapitein Holtvast!” zeide Joan verrast. + +</p> +<p>“Dat was ik te Tiel,” hervatte Maurits: “hier noemt men mij Maurits van Nassau.” + +</p> +<p>“Uwe Hoogheid!—O ik verzoek verschooning voor hetgeen ik onwillig....” + +</p> +<p>“Geen verschooning is noodig, waar geen wil tot beleediging bestaan heeft,” hernam de Prins: “ik heb u toen mijn diensten +aangeboden, en ik wil heden mijn woord gestand doen, door u het geheim uwer geboorte te ontwikkelen.”—Dit gezegd hebbende, +gaf hij hem in korte woorden zijn geluk te verstaan. Bedwelmd en schier sprakeloos zeeg nu de jongeling weder aan ’t hart +zijner dankbare moeder. + +</p> +<p>En Ulrica! Vergat ik haar?—Neen! maar ik zag op tegen de onmogelijkheid om den toestand te beschrijven, waarin zooveel verrassende +voorvallen haar gebracht hadden. Zij was ontslagen van een huwelijk, waar zij tegen ijsde; de beminde van haar hart was harer +waardig: hij was niet meer een arme, onbekende vondeling; maar integendeel door rang en geboorte ver boven haar verheven. +Dankbaarheid, verbazing, verrukking, ontzetting hadden haar aandoenlijk zenuwgestel zoodanig geschokt, dat het haar onmogelijk +was, één woord uit te brengen. Lang was zij als op de plaats genageld blijven staan, eer zij kracht genoeg vond om haar voedsterbroeder +te naderen, hem de hand toe te reiken en met een flauwe stem tot hem te zeggen: “ik behoef u niet te zeggen, of ik in uw geluk +deel neem.” + +</p> +<p>“O Ulrica!” zeide de jongeling en drukte een vlammenden kus op haar lippen, doch terstond terugtredende: “verschoon mij,” +zeide hij, “ik vergat u geluk te wenschen: het is heden immers uw verlovingsdag?” +<a id="d0e10630"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10630">353</a>]</span></p> +<p>“Wat verlovingsdag!” riep de Baron: “zij zal met u haren verlovingsdag vieren, of maagd sterven, niet waar Riekje?” + +</p> +<p>“Vader!” zeide Ulrica, blozend, terugtredende: “Mevrouw de Gravin....” + +</p> +<p>”’t Is waar ook,” hernam de Baron, verlegen: “Joan is nu geen Joan meer, maar een te hoog personage voor een arme landfreule +als gij zijt.” + +</p> +<p>“Beminnen zij elkander?” vroeg de Gravin, terwijl een glans van vergenoegen zich over haar gelaat verspreidde. “O! hoe gelukkig +zou ik zijn, indien Ulrica mijn dochter wezen wil.” + +</p> +<p>Noch Ulrica, noch haar minnaar gaven eenig antwoord; doch zij omhelsden beiden de Gravin. + +</p> +<p>”<span class="letterspaced">Gratulor</span>!” zeide Raesfelt, toetredende: “Ik wensch u van harte geluk, mijn zoon. Gij ziet het: God heeft alles ten beste gekeerd, +en het is, zooals de Psalmist zegt in Psalm 128: + + +</p> +<div class="
 poem
 "> +<p class="line" style=""><span>U doen zal wel beklijven +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Spoedig met overvloet.</span></p> +</div> +<p>Ach! dat ik ook mijnen zoon, mijnen Henricum, alzoo wederom vond!”—En zich eensklaps bedenkende, haalde hij zijn smeekschrift +voor den dag en bood het den Prins aan. + +</p> +<p>“Hendrik Raesfelt!” zeide de Prins, terwijl hij het vluchtig inzag: “Van Kinschot, is dat die jongeling niet, die dezen nacht....” + +</p> +<p>“Dezelfde!” antwoordde de Fiskaal. + +</p> +<p>“Uw zoon is een verharde Arminiaan,” zeide Maurits lachende tegen Raesfelt. + +</p> +<p>“Een nagel aan mijn doodkist,” antwoordde deze: “doch ik ben vader.” + +</p> +<p>”.... doch hij is vrij, en kan zich nederzetten waar hij wil,” hernam de Prins. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>“En is het nu uit?” vroeg op een verdrietigen toon een der lieve kleinen, toen zij mij hier het handschrift zag toevouwen +en oprollen. + +</p> +<p>“En wat moest er nog komen, volgens uw gedachte?” vroeg ik op mijn beurt. + +</p> +<p>“Wel zeer veel,” hernam zij, mij met groote oogen aanziende, en op haar vingers tellende: “vooreerst had ik gehoopt, dat wij +de beschrijving der bruiloft zouden gehad hebben.” + +</p> +<p>“Gij begrijpt, zusje-lief, dat er in Den Haag geen bruiloft gevierd werd. Het zou kwalijk gepast hebben, feesten te houden, +terwijl de gemanqueerde bruidegom, de Ambtman, terecht gesteld en ter dood gebracht werd, gelijk men zulks in de gedrukte +sententie lezen kan.—Maar, “eer nog de takken van groen loof beroofd waren,” vervolgde ik op een declameerenden toon, “was +de hooge feestlantaren op den slottoren te Bruck geheschen en brandde de pekton op het plein: <a id="d0e10673"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10673">354</a>]</span>kannen met Rijnschen wijn werden ten beste gegeven aan de vroolijke landjeugd, die in ’t zondagspak uitgedost, den burcht +in- en uitliep en op het pleingras in de rondte danste. Een koets rolde de slotbrug over: een jeugdig edelman trad er uit +en bood de hand om af te stijgen aan twee dames, waarvan de eene den middelbaren tijd des levens reeds bereikt had en de andere +van jeugd en schoonheid bloeide: op hetzelfde oogenblik duidden de vreugdeschoten, uit vijftig musketten gelost, de komst +aan van den Graaf van Falckestein op zijn erfelijk slot.” + +</p> +<p>“En trouwden zij toen?” + +</p> +<p>“Zij waren te Sonheuvel getrouwd geworden door den vromen Predikant Raesfelt: en jaarlijks gingen zij in ’t vervolg aldaar +eenige maanden doorbrengen bij den waardigen Baron, die alsdan geen drinkpartijen meer noodig had om den tijd aangenaam door +te brengen.” + +</p> +<p>“En Bouke?....” + +</p> +<p>“Had het genoegen van aan de Kinderen van Ulrich en Ulrica dezelfde kunsten te leeren, die hij eertijds aan Joan had medegedeeld, +terwijl de oude Geert dan gestadig uitriep, wat of Mevrouw zaliger wel gezegd zou hebben, als zij dat alles beleefd had.” + +</p> +<p>“Goed! en vader Ambrosius?” + +</p> +<p>“Deze volvoerde zijn plan en stierf, hoogbejaard, in Amerika, alwaar hij als een tweede Las Casas de zegeningen van al wie +hem gekend had met zich in ’t graf voerde.” + +</p> +<p>“En Ludwig? en Magdalena?” + +</p> +<p>“De ongelukkige vadermoorder stierf in een krankzinnigenhuis: zijn moeder begaf zich naar Frankrijk, trachtte er door de strengste +boetedoening, des Hemels gerechtigheid te verzoenen, en stierf in reuk van heiligheid.” + +</p> +<p>“En trouwde Hendrik Raesfelt met de dochter van den Cipier?” + +</p> +<p>“Ja, doch slechts na den dood van Prins Maurits, toen hij tot Predikant bij de Remonstrantsche Sociëteit in een onzer voornaamste +steden was aangesteld. Nu weet gij, geloof ik, alles.” + +</p> +<p>“Volstrekt niet,” zeide een mijner broeders, met een schalkschen lach: “gij hebt den Heer Van Botbergen uit een raam laten +springen: ligt hij daar nog met gebroken armen en beenen? of is hij naar het gasthuis gebracht?” + +</p> +<p>“Gij oolijke gauwdief, gij hebt waarachtig gelijk:—het venster was niet hoog en hij kwam op de beenen te land; hij vluchtte +de stad uit, begaf zich naar Tiel, verborg zich bij Klaas Meinertz, merkte dat deze den aanslag verraden had en hem nu overleveren +wilde, stak den ouden booswicht overhoop, doch werd zelf gepakt, en evenals zijn medestanders in den Haag gerecht.” + +</p> +<p>“Wij bedanken u wel voor de voorlezing, lieve broeder!” + +</p> +<p>“Ik bedank u voor uw aandacht, en zoo ooit mijn lezers evenveel belangstelling in mijn verhaal en toegevendheid voor den verhaler +betoonen, zal ik mijn arbeid dubbel beloond achten.” + + +</p> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>] +</span><p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/backcover.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="494" height="720"></div><p> + +</p> +<div class="div1" id="d0e10710"> +<h2 class="normal">Inhoudsopgave</h2> +<ul> +<li><a href="#d0e127">Mr. Jacob van Lennep.</a><ul> +<li><a href="#d0e137">I.</a></li> +<li><a href="#d0e316">II.</a></li> +<li><a href="#d0e643">III.</a></li> +<li><a href="#d0e923">IV.</a></li> +</ul> +</li> +<li><a href="#d0e1332">Eerste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e1499">Tweede Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e1638">Derde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e1849">Vierde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e2048">Vijfde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e2312">Zesde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e2611">Zevende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e2860">Achtste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e3113">Negende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e3300">Tiende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e3628">Elfde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e3851">Twaalfde Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e4083">Dertiende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e4419">Veertiende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e4877">Vijftiende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e4955">Zestiende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e5276">Zeventiende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e5582">Achttiende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e5896">Negentiende Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e6260">Twingtigste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e6578">Een-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e6876">Twee-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e7230">Drie-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e7586">Vier-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e7972">Vijf-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e8326">Zes-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e8625">Zeven-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e9027">Acht-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e9422">Negen-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e9714">Dertigste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e10000">Een-en-dertigste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e10324">Twee-en-dertigste Hoofdstuk.</a></li> +<li><a href="#d0e10474">Drie-en-dertigste Hoofdstuk.</a></li> +</ul> +</div> +<div class="transcribernote"> +<h2>Colofon</h2> +<h3>Beschikbaarheid</h3> +<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. + +</p> +<p>Dit eBoek is geproduceerd door Jeroen Hellingman en het on-line gedistribueerd correctie team op <a href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. + +</p> +<p lang="en">This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give +it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. + +</p> +<p lang="en">This eBook is produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at <a href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. + +</p> +<h3>Codering</h3> +<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde +van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn +gemarkeerd met het corr-element. + +</p> +<p>Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste +dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens. + +</p> +<h3>Documentgeschiedenis</h3> +<ol class="lsoff"> +<li>14-DEC-2007 begonnen. + +</li> +</ol> +<h3>Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%"> +<tr> +<th>Plaats</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e794">Bladzijde XII</a></td> +<td width="40%">Rubbens</td> +<td width="40%">Rubens</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e826">Bladzijde XIII</a></td> +<td width="40%">sonetten</td> +<td width="40%">sonnetten</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e976">Bladzijde XV</a></td> +<td width="40%">”</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1437">Bladzijde 7</a></td> +<td width="40%">.</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1559">Bladzijde 14</a></td> +<td width="40%">Falckenstein</td> +<td width="40%">Falckestein</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1610">Bladzijde 15</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1659">Bladzijde 17</a></td> +<td width="40%">Koniugs</td> +<td width="40%">Konings</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1698">Bladzijde 20</a></td> +<td width="40%">iu</td> +<td width="40%">in</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1961">Bladzijde 31</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2162">Bladzijde 42</a></td> +<td width="40%">Magdelena</td> +<td width="40%">Magdalena</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2221">Bladzijde 43</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2350">Bladzijde 48</a></td> +<td width="40%">Horiato</td> +<td width="40%">Horatio</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2381">Bladzijde 49</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2545">Bladzijde 52</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2606">Bladzijde 55</a></td> +<td width="40%">.</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2652">Bladzijde 57</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2745">Bladzijde 60</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2809">Bladzijde 63</a></td> +<td width="40%">á</td> +<td width="40%">à</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2876">Bladzijde 66</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2887">Bladzijde 67</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2974">Bladzijde 70</a></td> +<td width="40%">“</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3001">Bladzijde 70</a></td> +<td width="40%">’</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3059">Bladzijde 72</a></td> +<td width="40%">8paansche</td> +<td width="40%">Spaansche</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3136">Bladzijde 75</a></td> +<td width="40%">Iudien</td> +<td width="40%">Indien</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3158">Bladzijde 78</a></td> +<td width="40%">Do</td> +<td width="40%">De</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3263">Bladzijde 83</a></td> +<td width="40%">eeuvoudig</td> +<td width="40%">eenvoudig</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3847">Bladzijde 106</a></td> +<td width="40%">n</td> +<td width="40%">in</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3888">Bladzijde 108</a></td> +<td width="40%">onde</td> +<td width="40%">oude</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3910">Bladzijde 109</a></td> +<td width="40%">vooor</td> +<td width="40%">voor</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3984">Bladzijde 113</a></td> +<td width="40%">drok mef</td> +<td width="40%">druk met</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e4237">Bladzijde 120</a></td> +<td width="40%">heelwel</td> +<td width="40%">heel wel</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e4321">Bladzijde 123</a></td> +<td width="40%">ziju</td> +<td width="40%">zijn</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e4396">Bladzijde 125</a></td> +<td width="40%">inlichttng</td> +<td width="40%">inlichting</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e4541">Bladzijde 131</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e4623">Bladzijde 133</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e4825">Bladzijde 140</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e4846">Bladzijde 141</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e4869">Bladzijde 141</a></td> +<td width="40%">Italie</td> +<td width="40%">Italië</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5226">Bladzijde 157</a></td> +<td width="40%">kalanten</td> +<td width="40%">klanten</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5315">Bladzijde 160</a></td> +<td width="40%">moninum</td> +<td width="40%">nominum</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5372">Bladzijde 161</a></td> +<td width="40%">an</td> +<td width="40%">en</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5387">Bladzijde 161</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">:</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5511">Bladzijde 165</a></td> +<td width="40%">bevonnen</td> +<td width="40%">bevonden</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5571">Bladzijde 168</a></td> +<td width="40%">ziju</td> +<td width="40%">zijn</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e5651">Bladzijde 171</a></td> +<td width="40%">geeindigd</td> +<td width="40%">geëindigd</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6097">Bladzijde 188</a></td> +<td width="40%">uiet</td> +<td width="40%">niet</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6121">Bladzijde 189</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6200">Bladzijde 191</a></td> +<td width="40%">”</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6256">Bladzijde 193</a></td> +<td width="40%">deu</td> +<td width="40%">den</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6282">Bladzijde 194</a></td> +<td width="40%">Inmiddelds</td> +<td width="40%">Inmiddels</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6389">Bladzijde 199</a></td> +<td width="40%">:</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6498">Bladzijde 205</a></td> +<td width="40%">Ambtmam</td> +<td width="40%">Ambtman</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6524">Bladzijde 207</a></td> +<td width="40%">be-belangrijker</td> +<td width="40%">belangrijker</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6739">Bladzijde 214</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6801">Bladzijde 216</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">;</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6864">Bladzijde 219</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e6976">Bladzijde 223</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e7009">Bladzijde 224</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e7014">Bladzijde 224</a></td> +<td width="40%">”</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e7100">Bladzijde 228</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e7169">Bladzijde 231</a></td> +<td width="40%">?</td> +<td width="40%">!</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e7172">Bladzijde 231</a></td> +<td width="40%">?</td> +<td width="40%">!</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e7195">Bladzijde 231</a></td> +<td width="40%">grimlach</td> +<td width="40%">glimlach</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e7565">Bladzijde 246</a></td> +<td width="40%">of</td> +<td width="40%">òf</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e7626">Bladzijde 249</a></td> +<td width="40%">“</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e7874">Bladzijde 259</a></td> +<td width="40%">seheen</td> +<td width="40%">scheen</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e7877">Bladzijde 259</a></td> +<td width="40%">gekomeu</td> +<td width="40%">gekomen</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e7902">Bladzijde 260</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e7924">Bladzijde 261</a></td> +<td width="40%">”</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e8161">Bladzijde 269</a></td> +<td width="40%">?</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e8193">Bladzijde 270</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e8227">Bladzijde 271</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e8461">Bladzijde 279</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e8518">Bladzijde 282</a></td> +<td width="40%">Falckenstein</td> +<td width="40%">Falckestein</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e8525">Bladzijde 282</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">,”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e8584">Bladzijde 285</a></td> +<td width="40%">herman</td> +<td width="40%">hernam</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e8753">Bladzijde 292</a></td> +<td width="40%">tegenwoorheid</td> +<td width="40%">tegenwoordigheid</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e8786">Bladzijde 293</a></td> +<td width="40%">Bleiswijk</td> +<td width="40%">Bleiswyk</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e9231">Bladzijde 306</a></td> +<td width="40%">conscientie</td> +<td width="40%">consciëntie</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e9355">Bladzijde 308</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e9486">Bladzijde 312</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e9668">Bladzijde 318</a></td> +<td width="40%">?</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e9673">Bladzijde 319</a></td> +<td width="40%">Versterkt</td> +<td width="40%">versterkt</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e10078">Bladzijde 334</a></td> +<td width="40%">”</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e10099">Bladzijde 334</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De Pleegzoon, by J. van Lennep + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PLEEGZOON *** + +***** This file should be named 24467-h.htm or 24467-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/4/4/6/24467/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/24467-h/images/backcover.jpg b/24467-h/images/backcover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..67a79eb --- /dev/null +++ b/24467-h/images/backcover.jpg diff --git a/24467-h/images/frontcover.jpg b/24467-h/images/frontcover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9f59a83 --- /dev/null +++ b/24467-h/images/frontcover.jpg diff --git a/24467-h/images/frontispiece.jpg b/24467-h/images/frontispiece.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ebb319c --- /dev/null +++ b/24467-h/images/frontispiece.jpg diff --git a/24467-h/images/logo.jpg b/24467-h/images/logo.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8c4ef02 --- /dev/null +++ b/24467-h/images/logo.jpg diff --git a/24467-h/images/spine.jpg b/24467-h/images/spine.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f5c751c --- /dev/null +++ b/24467-h/images/spine.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..1b550b1 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #24467 (https://www.gutenberg.org/ebooks/24467) |
