summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:13:25 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:13:25 -0700
commitd06aac1d477bd22d0f183494df8f30d2e9d03daa (patch)
tree99897b6895dc3f5d0a8d2108e6d052a0b8361557
initial commit of ebook 24467HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--24467-8.txt21269
-rw-r--r--24467-8.zipbin0 -> 414512 bytes
-rw-r--r--24467-h.zipbin0 -> 701830 bytes
-rw-r--r--24467-h/24467-h.htm19331
-rw-r--r--24467-h/images/backcover.jpgbin0 -> 57901 bytes
-rw-r--r--24467-h/images/frontcover.jpgbin0 -> 97780 bytes
-rw-r--r--24467-h/images/frontispiece.jpgbin0 -> 83109 bytes
-rw-r--r--24467-h/images/logo.jpgbin0 -> 9786 bytes
-rw-r--r--24467-h/images/spine.jpgbin0 -> 14336 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
12 files changed, 40616 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/24467-8.txt b/24467-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..a22f226
--- /dev/null
+++ b/24467-8.txt
@@ -0,0 +1,21269 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Pleegzoon, by J. van Lennep
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Pleegzoon
+
+Author: J. van Lennep
+
+Release Date: January 31, 2008 [EBook #24467]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PLEEGZOON ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ DE PLEEGZOON
+
+
+ DOOR
+
+ MR. J. VAN LENNEP.
+
+
+
+
+
+
+ Leiden.--A. W. Sijthoff.
+
+
+
+
+
+
+
+MR. JACOB VAN LENNEP.
+
+
+ "Van Lennep was onze prettigste litteraire gestalte,
+ die de kunst verstond vijftig jaren lang amusant te
+ blijven."
+
+ _Cd. Busken Huet_.
+
+
+
+
+
+I.
+
+
+'t Was een plezier _Van Lennep_ persoonlijk te ontmoeten.
+
+Toen hij in Augustus 1865 ter vergaderzaal van het achtste Taal-
+en Letterkundig Congres te Rotterdam verscheen, geheel in een grijs
+zomercostuum, het fraaie zilveren hair om de slapen golvend, kwam
+ieder hem blij groetend te gemoet. Aan de tafel van het bestuur
+plaats nemend, de guitige, donkere oogen naar het publiek, vooral
+naar de dames richtend, zat hij met een bijna onmerkbaren glimlach
+te luisteren. De vrij drooge beraadslaging over de spelling der
+bastaardwoorden werd plotseling door hem met een handvol aardigheden
+afgebroken. Wie herinnert zich niet, hoe daar door hem geijverd werd,
+om de ph door de f te vervangen--hoe hij vertelde, dat hij als jonkman
+een zangspel "_Saffo_" geschreven had, maar, dat de regisseur zijne
+spelling in _Sapho_ gewijzigd had, zoodat de acteurs: "O, Sap, ho,
+wees gegroet!" zongen; hoe hij er bijvoegde, dat eene Amsterdamsche
+dienstmaagd, uitgezonden door hare mevrouw, om te zien of er een
+vroolijk stuk op het Leidsche Plein zou gespeeld worden, terugkwam
+met het bericht: "Ze spelen de Mophondjes," terwijl in werkelijkheid
+"_Demophontes_," het classiek treurspel van _Metastasio_, vertaald door
+_Westerwijk_, werd vertoond; hoe hij besloot met de mededeeling eener
+jonge dame, die hem in zijne waardigheid van vrijmetselaar vroeg,
+wat de orde toch bedoelde met de woorden _prop hanen_, waarop hij
+antwoordde, dat daarmeê waarschijnlijk de mannetjes van prop hennen
+gemeend werden.
+
+Een zonneschijn van vroolijkheid schitterde plotseling over de
+vergadering, die vóór _Van Lennep's_ komst in deftige dommeling
+zachtkens afdreef op den stroom der verveling.
+
+In het huis op de Keizersgracht, in zijne ruime studeerkamer, aan
+zijne schrijftafel, maakte hij geen minderen indruk. Gekleed met
+zijn grijzen kamerjapon--als op het groote gesteendrukte portret
+naar de voortreffelijke schilderij van _Schwarze_--de snuifdoos in
+de linkerhand, de rechter op een arm van zijn leunstoel, zat hij daar
+met zijn prettig gezicht en fonkelende oogen naar de woorden van zijn
+bezoeker te luisteren, de gelegenheid afwachtend, om met een fijnen
+zet of een luimig verhaal zelf het woord te nemen. Onder vier oogen
+kwam daarenboven de natuurlijke goedheid van zijn hart uit, daar hij
+geene moeite te zwaar vond, om aan eenig verzoek zijner vrienden te
+voldoen. Zijne wetenschap, zijne bibliotheek, zijn invloed stonden
+hun ten dienste, zoo vaak zij zijne hulp inriepen.
+
+Te Gent zag men hem, ter gelegenheid van het negende Letterkundig
+Congres, in het voorportaal van den schoonen schouwburg, op een
+Augustusavond van 1867 in zijn licht reiscostuum--hij was uit
+Zwitserland overgekomen--terwijl hij met hartelijkheid de hand drukte
+van E. _Douwes Dekker_, die hem kort te voren in een vlugschrift
+zijne hulpvaardigheid bij het uitgeven van den "_Max Havelaar_" als
+een misdrijf voor de voeten had geworpen. De Congresleden omringden
+hem van alle kanten. En uit de rijen der Zuid-Nederlanders ging een
+luid gejuich op. Zooveel grootmoedigheid, zooveel zelfbeheersching,
+zooveel rustige heuschheid mochten niet onopgemerkt blijven.
+
+_Van Lennep's_ persoon was overal bekend. Overal werden hoeden
+afgenomen, handdrukken gewisseld. In alle Nederlandsche steden had hij
+vrienden of ten minste goede kennissen. Zelfs onder den eenvoudigen,
+maar nuttigen, stand der sjouwerlieden was zijn naam en persoon
+bekend. En niet alleen te Amsterdam. Het gebeurde in 1867, dat te
+Rotterdam aan het station van den Rhijnspoorweg bij het aankomen
+van een trein uit Utrecht, een aardig, knap juffertje stond bij eene
+geopende deur aan het plankier. Dat juffertje was eene Rotterdamsche,
+die dagelijks vrij wat menschen zag, daar zij haar guitig wipneusje
+sedert een jaar achter het buffet deed bewonderen door wereldwijze
+handelsreizigers en roodgeblakerde tweede-luitenants, die op transport
+waren. Toen de reizigers uit den trein zich over het plankier
+verspreidden, zag zij te midden van eene groep luidsprekende heeren
+een grijsaard met ongemeen vriendelijken glimlach en golvende witte
+hairen. Telkens hield iemand hem staande, om hem met een levendigen
+uitroep van verrassing, van ingenomenheid, eenige snelle woorden
+toe te spreken, die door den wellevenden man onuitputtelijk geduldig
+werden beantwoord. Ieder beijverde zich met liefde den weg open te
+houden voor den uiterlijk reeds zoo achtbaren man, wiens tred door den
+last van vijfenzestig jaren reeds vrij wat van vroegere veerkracht
+miste. De knappe buffetjuffrouw verwonderde zich, dat één oude heer
+zoo ontzettend veel kennissen om zich heen verzamelde. En daar Hein,
+de witgekielde sjouwerman van het goederenbureel, juist voorbijkwam,
+vroeg ze:
+
+--"Wie is die grijze heer?"
+
+--"Wie? Wel nou, jij bent ook een beste! Ken-je onzen Van Lennep
+dan niet?"
+
+'t Feit is historisch en werd door een ooggetuige verteld. Ik kom er
+weldra op terug.
+
+Toen ik _Van Lennep_ voor het laatst zag, doorleefde hij den
+gelukkigsten dag van zijn ouderdom. Het was Vrijdag 18 October 1867,
+den dag, waarop te Amsterdam het standbeeld van _Joost van den Vondel_
+zou worden onthuld. Eene groote menigte stroomde naar de Nieuwe Kerk,
+om zich rondom _Vondel's_ grafsteê te vereenigen. De blauwe zerk
+was zorgvuldig van stof gezuiverd en prijkte met eene krans van gele
+immortellen. Een dichte drom geletterden schaarde zich eerbiedig om
+deze heilige plek, terwijl boven onze hoofden de zon door de hooge
+kerkvensters scheen en schoven van goud licht over het hoog gewelf
+uitgoot. Plotseling stond _Van Lennep_ vóór ons, het witte hoofd
+ontbloot, de oogen tintelend van geestdrift, na zeven jaren zwoegens
+eindelijk triumfeerend door de oprichting van het standbeeld. Hij
+sprak enkele eenvoudige woorden over _Vondel_'s graf en noodigde de
+feestgenooten naar het park, waar het schoone monument van _Royer_
+en _Cuypers_ zou worden onthuld.
+
+Een uur later verscheen hij in het spreekgestoelte bij het standbeeld
+en sprak daar met duidelijk verstaanbare stem zijne feestrede. Niemand
+was meer gerechtigd dan hij tot deze taak, daar hij een vierde van
+zijn reeds gevorderden leeftijd aan het verhaal van _Vondel_'s leven,
+en aan het verklaren van zijne werken had besteed. Uit aller keelen
+klonk daarom een aanhoudend bravo, toen de welsprekende staatsman,
+die destijds aan het hoofd van het departement van Binnenlandsche
+Zaken stond, toen Mr. J. _Heemskerk Az_., _Van Lennep_ met een
+hartelijk woord van gelukwensching, namens Z. M. den Koning, het
+commandeurskruis der orde van den Nederlandschen Leeuw aanbood.
+
+Zóó zag ik hem voor het laatst.
+
+Eens nog schreef hij mij (8 Februari 1868), zeven maanden vóór zijn
+dood (26 Augustus 1868). Ik geloof, dat men mij de vrijheid vergunnen
+zal dezen brief hier meê te deelen, men zal er uit zien, dat mijn
+verhaal van Hein, den kruier, volmaakt historisch is.
+
+
+
+"Amice!
+
+
+"Ik zeg u grooten dank voor het exemplaar van den _bekroonden_ Vondel
+[1].... waarmede mijn vrouw, die gedurende de feesten ziek was en
+dus niets van de pret gezien of gehoord had, zich bijzonder vermaakt
+heeft.... Ik zal er maar niets van zeggen, want ik krijg er zooveel
+mooie kompl. in, dat ik uw stuk niet prijzen durf, zonder den schijn
+op mij te laden, alsof ik het daarom zoo naar mijn zin vind....
+
+"Het doet mij plezier, dat Gij die pret op 't slot te Muiden zoo con
+amore geschilderd en de aandacht weder op dit slot gevestigd hebt. De
+Hr. Heemskerk had, onmiddellijk na het feest, zijn voornemen te kennen
+gegeven, om een wet voor te stellen tot restauratie van het slot, zich
+vleiende, dat daarvoor nu juist in deze oogenblikken veel sympathie
+zijn zou;--doch nu is juist die vervelende krizis tusschen beiden
+gekomen-- [2]. Van die krizis gesproken, _podagra_ heb ik deze reize
+niet gehad, maar dewijl 't een kwaal is, daar ik best mee bekend ben
+sedert 30 jaren, heb ik haar bij voorkeur in mijn brochure gebracht--
+[3] als onschuldig middel om de attentie te trekken--....
+
+"Maar ik heb zes maanden lang gesukkeld aan leewater in de knie
+en laatstelijk aan doofheid. Dat is nu Goddank weer over en mijne
+gezondheid is door de Vondelsfeesten geheel gekureerd.
+
+"Zijt gij 't, of is het een ander, die de _Letterkundige Intermezzoos_
+in Nederland schrijft [4]. De schrijver, wie dan ook, heeft in zijn
+eerste artikel eene beschuldiging tegen onze natie gericht, als zou
+zij haar schrijvers, mij b. v., niet kennen of liever geen notitie van
+hen nemen. Ik zou hem, daar ik er ook als voorbeeld bij gehaald ben,
+een dozijn voorbeelden kunnen geven van het tegendeel. Toen Hofdijk
+voor een paar jaren bij mij aan de Steeg logeeren zou, was er in beide
+herbergen al een groote vreugde en verwachting vooruit--en onlangs, dat
+ik te Rotterdam uit den trein stapte en de juffrouw van 't buffet zei:
+"He, wie of die grijskop is met zijn lange haren!" riep een sjouwerman
+van 't goederenbureau verontwaardigd uit: "Wat, ken-je onzen Van
+Lennep niet?" Dit werd mij later medegedeeld door den Hr. Van Alphen,
+die 't gehoord had.
+
+"Indien gij nu de bedoelde schrijver niet zijt, laat die anecdote--die
+in dat geval een kale bluf zou schijnen--maar liever ongelezen.
+
+
+"Vale, faveque
+
+"Amst. 8 febr. 1868. T. T.
+
+"J. v. Lennep."
+
+
+Van mijn edelmoedigen vriend, die zich, helaas! te vergeefs vleide
+met herstel zijner gezondheid, heb ik dus de mededeeling omtrent
+het feit, dat wellicht bij de eerste vermelding wat onwaarschijnlijk
+mocht klinken.
+
+De vreugde aan de Steeg in 1866 betoond bij _Hofdijk_'s komst schijnt
+mij tevens in nauw verband te staan met de blijde opgewektheid, die de
+viering van zijn zeventigsten jaardag (27 Juni 1886) heeft gekenmerkt.
+
+
+
+
+
+II.
+
+
+Zonder eenige overdrijving mag beweerd worden, dat _Van Lennep_
+als dichter, als romanschrijver, vele jaren lang de populairste onzer
+auteurs is geweest. Als voorbeeld zijner populariteit heeft Cd. _Busken
+Huet_ in 1864 [5] verhaald, dat eene Zandvoortsche vischvrouw al de
+veertien deelen van zijn exemplaar der romantische werken van _Van
+Lennep_ had geleend en gelezen.
+
+Doch niet alleen in visschersstulpen ook in de huizen onzer
+gegoede burgerij, in de woningen onzer patriciërs op de Keizers-
+en Heerengrachten, was _Van Lennep_ steeds een welkome gast. Zijne
+"_Idyllen_" maakten hem populair bij de studenten, zijne "_Legenden_"
+wonnen hem het hart van al wat jong was, vooral de harten der
+Hollandsche jonge meisjes, eene verovering _Van Lennep_ tot op den
+laatsten dag zijner vriendelijke grijsheid dierbaar. Oud en jong,
+stedeling en dorper, edelman en burger, schonken hem hunne genegenheid,
+toen "de Pleegzoon" verscheen, toen "_Ferdinand Huyck_," zijn beste
+roman, "_de Roos van Dekama_" opvolgde, toen de breed ontworpen
+"_Voorouders_" het licht zagen, en eindelijk, toen de niet het minst
+besproken, aangevallen, geprezen en gelezen "_Lotgevallen van Klaasjen
+Zevenster_" geheel de letterkundige wereld in den winter van 1865 op
+1866 in rep en roer brachten.
+
+_Van Lennep_'s romans blijven leven, zoo goed als die van _Walter
+Scott_, en worden herhaaldelijk herdrukt, gelijk ook deze steeds
+opnieuw worden uitgegeven. "_De Pleegzoon_" verscheen in 1829 en zag
+sedert dat jaar tot heden met al zijne opvolgers, telkens in nieuwen
+vorm het licht. Omtrent "_de(n) Pleegzoon_" schreef de auteur mij
+(4 Augustus 1867):
+
+"Ik heb mijn Pleegzoon ongeveer 40 jaren geleden geschreven (1827);
+hij heeft eenige jaren in de lade gelegen; geen boekverkoper wou
+er aan. Eerst toen ik met mijne Legenden wat naam gemaakt had, wou
+P. Meijer Warnars er zich wel over ontfermen. Van honorarium kon nog
+geen sprake zijn, en ik geloof niet, dat Drost voor zijn "Pestilentie
+te Katwijk" heel veel meer gehad heeft. Oltmans kwam iets later,
+wanneer weet ik niet. Eerst na 1840 heb ik honorarium bedongen...."
+
+De eerste historische roman van Mr. _Jacob van Lennep_ moest _twee
+jaren_ wachten, voordat hij bij wijze van genade door den druk werd
+algemeen gemaakt!
+
+Dit leerzaam feit voor de geschiedenis onzer letteren zal balsem
+gieten in de wonden van hen, die met onuitgegeven handschriften naar
+een uitgever blijven zoeken, en tevens in die der lofredenaars van
+'t verledene, welke er zich aan ergeren, dat onze boekenmarkt op het
+huidige oogenblik te veel overvoerd is.
+
+De drukken van _Van Lennep_'s historische romans volgden elkander
+spoedig, een bewijs, dat P. _Meijer Warnars_ weinig oog had op
+letterkundige kunst. 't Meest bekend werden: de Rotterdamsche uitgaaf
+van 1855 in dertien blauwe deelen en de vier deelen, klein folio,
+door _Nijhoff_, _Sijthoff_ en _Thieme_ van 1867 tot 1869 in het
+licht gezonden. Zonder profeet te zijn, durf ik ook der tegenwoordige
+volkseditie in elf deelen de vruchtbaarste toekomst voorspellen.
+
+De historische romans van _Van Lennep_ hebben eene blijvende waarde,
+die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit. Voordat ik
+dit met een enkel woord staaf, doet zich de vraag op, of _Van Lennep_
+chronologisch inderdaad onze _eerste_ historische romanschrijver
+is. Meestal stelt men het zoo vóór, alsof in 1829 door "_De(n)
+Pleegzoon_" in de geschiedenis der Nederlandsche letteren een datum
+gevormd wordt; alsof _Van Lennep_'s eerste roman, tevens de eerste
+_historische_ roman in Nederland geweest is. Dit is alleen in _zekeren_
+zin juist. _Van Lennep_ schreef in 1827--hij zelf verzekerde het ons
+reeds--zijn eersten historischen roman. Als zoodanig is de chronologie
+in orde. Doch om nauwkeurig te spreken, had men moeten vermelden,
+dat in 1827 eene Amsterdamsche patricische schrijfster, Mejuffrouw
+_Maria Jacoba de Neufville_, het beproefd had een historischen roman
+samen te stellen, die evenals "_De Pleegzoon_,"[komma achter "?] maar
+eenigen tijd vóór "_De(n) Pleegzoon_", in 1829 het licht zag onder den
+titel: "D_e Schildknaap. Iets uit den ouden tijd. Een oorspronkelijk
+historisch romantisch verhaal_." (Staalgravure van D. _Veelwaard_). Te
+Amsterdam bij P. _den Hengst en Zoon_. 1829, gr. 8o.
+
+De poging van Mejuffrouw _De Neufville_ is volkomen dezelfde als die
+van Mr. J. _van Lennep_. Zij vloeit uit dezelfde bron. Zij getuigt
+het in haar "_Voorberigt_," als zij verklaart:
+
+"Aan de Verhandeling van den Hooggeleerden Heer D. J. van Lennep,
+_Over het belangrijke van Holland's grond en oudheden voor gevoel
+en verbeelding_, welke Verhandeling ik op den 30e Januarij 1827 het
+genoegen had, door den opsteller te hooren voordragen, is het werk,
+hetwelk ik thans mijnen landgenooten aanbied, deszelfs wording
+verschuldigd. Altijd met warme liefde voor mijn zoo dikwijls
+ten onregte verguisd en beschimpt vaderland vervuld, groeide die
+liefde in mij tot geestdrift aan, door de zoo welsprekende taal des
+Hoogleeraars en kwam al _aanstonds_ de lust in mij op, om te beproeven
+of het mogelijk wezen zou, een romantisch tafereel te schetsen,
+in den smaak van dezulke, als wij aangaande de zeden en gewoonten
+van andere volken bezitten, iets waarmede (en hierover betuigt de
+Heer Van Lennep, in meergemelde Verhandeling zijne verwondering)
+zich aangaande onze voorvaderen nog niemand beziggehouden had."
+
+Uit deze woorden blijkt duidelijk, dat "_de Pleegzoon_" en "_de
+Schildknaap_" bijna terzelfder tijd en onder dezelfde invloeden
+ontstaan zijn. De hoogleeraar _D. J. van Lennep_ gaf aan beiden
+dezelfde opwekking; hij leende zelfs wetenschappelijke boeken aan
+Mejuffrouw _De Neufville_, zooals zij in datzelfde "_Voorberigt_"
+vermeldt, als zij getuigt: "Voor het overige hebben andere schrijvers,
+wier werken ik, of zelve bezit, of die mij door den heer Van
+Lennep.... goedgunstiglijk geleend werden, mij tot leidslieden
+verstrekt."
+
+Het is duidelijk, dat vóór 1827 in Nederland geen historische
+romans zijn geschreven, daar de nauwkeurige _D. J. van Lennep_ in
+dat geval zeker niet zou gezegd hebben, dat zich "_nog niemand_" met
+dit kunstvak in Nederland had "beziggehouden". Tevens blijkt uit het
+"_Voorberigt_", dat men den buitenlandschen historischen roman kent,
+zoodat "_Pleegzoon_" en "_Schildknaap_" beiden uit de school van
+Sir _Walter Scott_ stammen--_Scott_, die in 1814 met "_Waverley_"
+begon, en tot aan zijn dood (1832) met zijn "_Count Robert of Paris_"
+volhardde. Het behoeft niet nader gestaafd, dat de historische roman
+juist een kolfje was naar de hand dezer twee, tot eene zeer behoudende
+wereldbeschouwing overhellende naturen--_Maria Jacoba de Neufville_
+en _Jacob van Lennep_. _Scott_ had den historischen roman het eerst
+in zijn modernen vorm te voorschijn geroepen, _Scott_ was de apostel
+zijner nationale glorie, gekant tegen het Fransch classicisme, gekant
+tegen de omwentelingen van 1789 en 1793.
+
+Dat het opwekkend woord van den hoogleeraar _D. J. van Lennep_ in 1827
+terstond goede diensten deed aan de vaderlandsche letteren, blijkt
+niet alleen aan "_Schildknaap_" en "_Pleegzoon_," maar daarenboven
+nog aan eene enkele zwakke poging in 1828 door _J. C. Appenzeller_
+beproefd, die in dat jaar een, nu geheel vergeten, historischen roman
+schreef onder den titel: "_Geertruida Van Wart, of trouw tot in den
+dood. Eene ware geschiedenis uit de 14e_ eeuw." Amsterdam, 1828. 8o.
+
+Onze Nederlandsche historische roman begint--daar _Adriaan Loosjes_,
+wegens gebrek aan historischen zin, niet mag medetellen--met
+Mejuffrouw _De Neufville_ en _Jacob van Lennep_ in 1829, om dan onder
+invloed van dezen laatste--en natuurlijk van diens meester _Walter
+Scott_--rijkelijk te bloeien. _Van Limburg Brouwer_ gaf in 1831:
+"_Charicles en Euphorion_," in 1838: "_Diofanes_." _Bakhuizen Van den
+Brink_ volgde in 1834 en 1835 met historische novellen in de "_Muzen_,"
+het tijdschrift van _Potgieter_, _Heije_ en _Drost_; deze laatste
+schreef in 1831 zijn "_Hermingard van de Eikenterpen_;" _Oltmans_
+volgde in 1834 met "_Het slot Loevestein_," in 1838 met "_De(n)
+Schaapherder_;" eindelijk verscheen Mejuffrouw _A. L. G. Toussaint_,
+met haar "_Almagro_" (1837), haar "_Graaf van Devonshire_" (1838)
+en haar "_Lauernesse_" (1840).
+
+Stellen wij dus de te veel vergeten _De Neufville_ naast onzen _Van
+Lennep_, dan mogen wij aan beiden de eer geven den historischen roman
+in Nederland te hebben begonnen.
+
+
+
+
+
+III.
+
+
+De historische romans van _Van Lennep_ hebben eene blijvende
+waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid
+spruit--zeide ik. Hunne kracht ligt in de uitnemende helderheid van
+stijl en voorstelling. _Van Lennep_ heeft behoefte aan juistheid,
+nauwkeurigheid, duidelijkheid. Zijne vertelling zweeft nooit in een
+duisteren nevel van onoplosbare geheimzinnigheid. Aan _Walter Scott_,
+misschien ook aan den ouden _Dumas_, heeft hij de kunst afgezien een
+belangwekkenden knoop te leggen, welken hij zonder kunst- of vliegwerk
+zeer behendig oplost. Het is niet te ontkennen, dat hij een geliefkoosd
+schema van roman--de held of de heldin van onbekende afstamming,
+zoekend naar vader of moeder--somtijds herhaalt. Dit denkbeeld ligt
+ten grondslag aan "_De(n) Pleegzoon_," komt terug in de "_Roos van
+Dekama_," en is op breede schaal bewerkt in "_Klaasjen Zevenster_".
+
+Eene zwakheid van _Van Lennep's_ kunst ligt in zekere ongegeneerdheid
+ten opzichte van historische gegevens, zoodat zijn roman "_Elisabeth
+Musch_", als verhaal op zich zelf aangenaam te lezen, als historische
+roman volkomen mislukt is. In degelijkheid van historische wetenschap,
+in psychologische fijnheid van karakteropvatting staat Mevrouw
+_Bosboom-Toussaint_ boven hem. Deze laat zich niet afschrikken
+door een vermoeiend historisch onderzoek, dringt bij hare helden en
+heldinnen door in de diepten van de binnenborst, en schept karakters,
+die, psychologisch geheel afgewerkt, een onvergetelijken indruk
+achterlaten. _Van Lennep_ wil het den lezer naar den zin maken,
+wil behagen; hij bekreunt zich meer om hetgeen met zijne personen
+geschiedt, dan wat in hun hart en hoofd omgaat. Hij wil een boeiend
+verteller zijn, die, zonder de geschiedenis opzettelijk in het
+aangezicht te slaan, zijn lezer steeds in spanning houdt.
+
+Bij Mevrouw _Bosboom-Toussaint_ ontstaat uit de degelijkheid der
+historische wetenschap en de fijnheid der zielkundige analyse somtijds
+eene overlading en eene uitvoerigheid, die naar langdradigheid zou
+kunnen zweemen; bij _Van Lennep_ neemt het verhaal een vluggen,
+levendigen gang, die het hart van den gewonen lezer steelt,
+maar dikwijls dreigt in oppervlakkigheid te verloopen. Mevrouw
+_Bosboom-Toussaint_ heeft _les défauts de ses qualités_, _Van Lennep_
+_les qualités de ses défauts_.
+
+Het best gelukt is zijn "_Ferdinand Huyck_," een voortreffelijk
+boek in vele opzichten. Evenals in zijn "_Klaasjen Zevenster_" is
+hier zoowel historisch als psychologisch het schoonste geleverd
+van alles wat _Van Lennep_ zou voltooien. Hij had de achttiende
+eeuw lief. Hij kende haar en hare beschaving, vooral het achttiende
+eeuwsche patriciaat te Amsterdam. Opgevoed naar de overleveringen
+van zijn oud geslacht, naar de classieke wijsbegeerte van zijn vader
+_David Jacobus_, moest hij zich het naast verwant gevoelen aan een
+juist vervlogen tijdvak, dat door goede manieren, vlug vernuft en
+letterkundigen smaak uitmuntte. _Van Lennep_, dien men te recht voor
+een der aanvoerders der Romantische beweging in Nederland hield,
+was in zijn hart het classicisme der achttiende eeuw nog meer genegen.
+
+Een bewijs van deze laatste stelling put ik uit een zijner vriendelijke
+brieven.
+
+Naar aanleiding eener opmerking tegen Engelsche romanschrijvers, die
+misbruik maken van Latijnsche citaten, schreef hij mij (5 April 1860):
+
+"Ik moet er bijvoegen, dat hetgeen u thands.... tegenstaat, u misschien
+niet zou hebben tegengestaan, indien gij een 30 jaren ouder waart en
+u den tijd herinnerdet, toen het klassicisme ook hier te lande meer
+algemeen was en men zich niet geneerde aan tafel in tegenwoordigheid
+van dames Ovidius of Horatius aan te halen. De konversatie, zoo
+als ik mij die in mijn jeugd herinner, had altijd een klassieke
+tint en wie die bij uitnemendheid wist aan te brengen--en daarom
+ook in Engeland zoo geacht en gezien was--was A. R. Falck!--en toch
+belette dit niet, dat de dames toen doodelijk van hem waren.... ja,
+dat, toen zijn Brieven 3 jaar geleden (1857) in 't licht kwamen, al
+de exemplaren bij Amsterdamsche boekverkoopers aanwezig, tot groote
+verbazing van Nijhoff, den eersten avond reeds waren opgehaald--meest
+alle door dames tusschen de 60 en 80 jaren (die zeker wilden weten
+of zij er ook in voorkwamen). 't Is waar, Falck citeerde ook Fransch,
+Engelsch, Hoogduitsch, enz.--maar had niets, dat op pedanterie geleek,
+en nimmer heb ik aangenamer mensch ontmoet."
+
+Zij, die _Van Lennep_ gekend hebben, zien met mij den schalkschen
+glimlach om den mond en in het oog beide, waarmeê hij deze regelen
+schreef!
+
+Zijne genegenheid voor het Fransche classicisme der achttiende eeuw
+paarde zich hoogst eigenaardig aan eene vrij groote geringschatting
+der middeleeuwen en al wat met middeleeuwsche studiën in verband
+stond. Zijne "_Legenden_," zijne "_Roos van Dekama_", zijne
+"_Voorouders_" verraden op menige plaats, dat hij trots zijne
+verwonderlijke vlugheid, ondanks eene verbazende gemakkelijkheid, om
+alle zwarigheden te boven te komen, toch zijn meester _Walter Scott_
+in kennis en opvatting der middeleeuwen niet evenaarde.
+
+Omtrent dit punt schreef hij mij een zeer karakteristieken brief
+(4 Augustus 1867), toen ik hem de eerste aflevering mijner "_Schets
+eener geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde_," handelende over
+de middeleeuwen, aanbood:
+
+"Ik las uw boek _voor_ mij _zelf_ met veel belangstelling; doch het
+zou mij spijten, indien uw wensch vervuld werd, en dit boekje op een
+H. Burgerschool werd gebruikt. Mij dunkt, zij hebben daar al ongare
+kost genoeg te slikken dan om nog op Middel-Nederlandsch getrakteerd
+te worden.
+
+"Het is een mooie ontdekking.
+
+"Maar ik lees liever Fransch.
+
+"Indertijd, toen ik Curator van 't Gymnasium was, had _Hofdijk_
+ook zoo'n boekje geschreven.... doch ik zei, dat hij aangesteld
+was, om aan de jongelui de Hollandsche taal te leeren en niet het
+Middel-Nederlandsche _patois_ en ik verbood het gebruik van dat
+boekske. Die studiën van Gothisch, Angel-Saksisch, Middel-Nederlandsch
+enz. mogen zeer goed zijn voor filologen, maar zij kunnen er niet toe
+strekken om onzen stijl of onzen smaak te vormen, en die zoogenaamde
+naïveteit er van--'t eenige wat dan nog 't gebrek aan vorm, rhythmus,
+kadans, maat, rijm, enz. vergoeden moet, geef ik graag present
+en.... lees liever Fransch.
+
+"Verder is er, althans in de eerste helft van uw boek bijna geen
+bladzijde, waarover ik geen lust zou hebben met u te twisten. 't
+Schijnt, dat bij u, even als bij velen, heden ten dage de _vorm_, de
+_dictie_, niets is en alles zich moet bepalen tot de gedachte. Maar
+_poëtische_ gedachten heeft bijna iedereen, dunkt mij, en de kunst
+bestaat juist daarin, dat men ze in een cierlijken, welluidenden,
+bevalligen vorm giet, die door het oor het hart treft en den geest
+bevredigt. En daarom, hoe groot en verbazend een genie Shakespere
+geweest is, ik mis herhaaldelijk bij hem die harmonie, die eenheid, die
+zuiverheid van vorm, die samen moesten werken om een wezenlijk schoon
+geheel te verkrijgen. Dat ik hoog met hem loop, blijkt wel daaruit,
+dat ik zoowel op mijn tiende, als op mijn 50ste en 60ste jaar stukken
+van hem vertaald heb, maar hoe meer ik hem vereerde en bewonderde in
+zijn reusachtige grootheid, hoe meer het mij hinderde, als ik zoovele
+euphuïsmen, platheden en laffe aardigheden naast de verhevenste brokken
+vond. Ik houd machtig veel van Jan Steen en ik bewonder Rubens; maar
+het zou mij stuiten, als ik op den achtergrond eener schilderij, die
+Christus met de Apostelen voorstelde, een boeren bruiloft zag. 't Moge
+het menschelijk leven zijn naar waarheid geschetst, maar "bloemen"--als
+_Bredero_ zegt--is ook menschelijk; en toch hoort het op het tooneel
+niet thuis. En daarom al mocht ik eens toegeven, dat de stukken van
+Shakespere meer schoons bevatten dan eenig ander stuk, zoo is er
+niet een onder zijne treurspelen, hetwelk door harmonische eenheid
+voldoet aan 't geen ik in een treurspel vorder en b. v. terugvind in
+den Edipus van Sofokles, in den Cid, in de Iphigénie en de Athalie,
+in den Lucifer en in den Jozef in Dothan. Ik laat natuurlijk ieder
+vrij anders te denken: _hanc veniam damus, petimusque vicissim_;
+maar ik kan niet goedkeuren, dat gij zoo bepaald als lofredenaar van
+Shakespere optreedt. Onze voorouders zondigden in een tegenovergesteld
+uiterste en bij hen was Shakespere een barbaar. Nu liggen de groote
+schrijvers van de eeuw van Lodewijk XIV achter de bank, en mogen
+alleen Shakespere en Goethe bewierookt worden. Ik heb voor een paar
+jaar diens "Egmond" zien vertoonen. "'t Moet mooi zijn," dacht ik,
+"omdat het van Goethe is; was 't van een onbekende, ik zou zeggen,
+wat een godsjammerlijk prul is dit." Er is een mode in alles; maar
+omdat men nu een voorstander is van de italiaansche muziek, moet men
+daarom de Euryanthe leelijk vinden."
+
+Ik behoef der schim van mijn vaderlijken vriend en beschermer geen
+vergiffenis te vragen voor de vrijmoedigheid, waarmeê ik hem na zijn
+dood nog eens het woord geef.
+
+In 1867 sprak _Van Lennep_ aldus met volle overtuiging. Uiterst
+merkwaardig schijnt het mij het contrast te bestudeeren tusschen den
+als hoofd der Romantische School gehuldigden auteur van "_Ferdinand
+Huyck_" en zijn eigene zuiver classieke, zuiver achttiende eeuwsche,
+zuiver Fransche aesthetiek.
+
+Hadde _Van Lennep_ tot in onzen tijd kunnen leven, hij zou zich
+verheugd hebben in de zich langzaam ontwikkelende nieuwe _Renaissance_,
+die nog nauwelijks wordt opgemerkt, maar toch eene schoone toekomst te
+gemoet gaat. _Van Lennep_, schrander en helder ziende in de toekomst,
+zou begrepen hebben, dat de Nederlandsche Letteren haar voordeel zouden
+kunnen doen met het Fransche Naturalisme, maar dat zij nimmer tot eene
+slaafsche navolging dezer school zouden kunnen afdalen. Hij zou tevens
+begrepen hebben, dat de afgoderij met sonnetten en raadselachtige
+verstandspoëzie evenmin tot het gewenschte doel: verjonging onzer
+nationale muzen, zou kunnen leiden. Zijn eigen standpunt moge dan
+voor ouderwetsch doorgaan, hij vertegenwoordigt in elk geval de
+classieke, smaakvolle denkwijze, door zijn vader _David Jacobus_
+zoo welsprekend verdedigd. Hij moge reeds in zijne jongensjaren
+_Shakespere_ vertalen, wetgevers op kunstgebied blijven voor hem
+alleen _Boileau_ en _Horatius_. Ademend in de classieke atmosfeer zijns
+vaders, van zijne vroegste jeugd met Latijnsche verzen begroet, zou hij
+de overwinnende Romantiek alleen onder voorrecht van boedelbeschrijving
+aanvaarden. De algemeene geestdrift voor _Walter Scott_ en _Byron_
+bracht hem tot zijne "_Legenden_" en zijne _historische romans_. De
+bijval, hem geschonken, stuwde hem verder voort, dan hij misschien
+wel wilde, naar de kusten der Romantiek, immer vasthoudend aan de
+classieke beginselen, die hem als knaap en student waren ingeprent.
+
+De "groote schrijvers" der eeuw van _Louis XIV_ lagen hem na aan het
+hart. Hij begreep de schoonheden van _Shakespere_ en Goethe, maar
+was in den grond der zaak geen voorstander der Romantische School
+van 1830. Dit bleek mij uit den reeds aangehaalden brief van 1867,
+waarin hij mij berispte, omdat ik mij veroorloofd had met zekere
+koelheid over het _Leerdicht_ te spreken.
+
+"Ik zie niet in"--schreef hij mij--"waarom het _Leerdicht_ een banvloek
+verdient, als gij er over uitspreekt. _Bone Deus_, de [Greek: Erga
+chai êrerai], de _Georgica_, de _Ars poetica_ ('t zij van Horatius,
+'t zij van Boileau), de _Ziekte der geleerden_, zooveel heerlijks
+en liefelijks, met een pennestreek weggecijferd: wel, mij dunkt,
+zoo als Bilderdijk zeer te recht zegt:
+
+
+ "Geen veld is dor, waar dichtkunst zich vertreedt!"
+
+
+"en juist dit is haar privilegie, om uit den schijnbaar dorren bodem
+de heerlijkste vruchten te doen uitspruiten. Ook hier wederom zeg ik:
+
+
+ "Tous les genres sont bons, hors le genre ennuyeux."
+
+
+Vader _Van Lennep_ maakte zich hier wat al te snel van de zaak
+af. Maar zijn gevoel brengt hem niet op een dwaalweg. De didactische
+poëzie heeft haar voor en tegen. Juist in deze laatste jaren zijn
+vele hoeden en mutsen afgenomen voor de Muze der Didactiek. De roman,
+afhankelijk gesteld van grondige studie der anthropologie, psychologie
+en sociologie; de lyrische poëzie in dienst van alle wetenschappen
+en elke wijsbegeerte--mij dunkt deze teekenen der tijden zouden _Van
+Lennep_ niet al te zeer hebben mishaagd.
+
+Nog een kenmerkend hoofdstuk zijner aesthetische wereldbeschouwing,
+draagt tot opschrift: "Verdiensten der achttiende eeuw." Aan het slot
+van den zooeven aangehaalden brief, vermaant hij mij nogmaals:
+
+"Het gerijmel der 18de eeuw vindt geen genade in uw oogen. 't Spijt
+mij, want ik ken een menigte brokken van buiten uit Poot, uit den
+_Achilles_, uit den _Monzongo_, uit het _Beleg van Haarlem_, uit
+den _Agon Sultan van Bantam_, uit de vertalingen door Doornik en
+door Nomsz gemaakt, en ik zet het onzen hedendaagschen poëten--ten
+Kate uitgezonderd--om zulke vaerzen te schrijven. 't Is net hier als
+in Frankrijk, waar men zich--een Victor Hugo aan 't hoofd--volstrekt
+niet meer stoort aan censuur of kadans. Ik las dezer dagen....... van
+onzen vriend H. Lieve Hemel, bijna geen bladzijde, waar ik niet een
+vers aantref, dat een voet te veel of te weinig heeft. Bij S. ad
+idem. Als er dat nu niet op aankomt, 't is mij wel; maar voor mij
+is het niet genoeg, dat een lied muzikale gedachten bevat; om mij te
+behagen moet het speeltuig behoorlijk gestemd en de zangstem zuiver
+zijn, anders verscheuren zij mij de ooren...."
+
+Uit het graf klinke deze vermaning vrij in onze woelige letterkundige
+wereld van 1886. Slechts oppervlakkigheid en verwaandheid, vruchten van
+halve wetenschap en geheele zelfmisleiding, zullen den fijngevoelenden
+_Van Lennep_ een antwoord onwaardig keuren.
+
+
+
+
+
+IV.
+
+
+De auteur van "_Ferdinand Huyck_" dankt zijne populariteit niet
+uitsluitend aan zijne romans.
+
+Behalve dezen deed hij zich als echt _Nederlandsch dichter_
+kennen. Heel zijn leven lang zorgde hij er voor, dat bij elke
+plechtige gelegenheid eenige toepasselijke regelen van zijne hand voor
+zijne vrienden het licht zagen. In den huiselijken kring of in het
+maatschappelijk leven werd elke belangrijke gebeurtenis door hem met
+hartelijke woorden herdacht. Van zijne "_Academische Idyllen_" (1826)
+tot aan zijne "_Vermakelijke Spraakkunst_" (1865) bleek hij zoo niet de
+geestigste, dan toch zeker de opgeruimdste en levenslustigste zanger,
+die onder ons, deftige lieden, te vinden was. Een snaaksche glimlach
+was om zijne lippen als bestorven, zoodat, toen hij de koddige grappen
+van zijn vriend _Gerrit van de Linde_ in zijn almanak "_Holland_"
+deed afdrukken, ieder geloofde, dat hij zelf ze geschreven had.
+
+Er is in de laatste vijfentwintig jaren geene bloemlezing onzer
+hedendaagsche dichters, waarin niet op de eereplaats aangetroffen
+wordt _Van Lennep's_:
+
+
+ "Mijn waarde Neef! ik durf het wagen
+ U twee kommissies op te dragen:
+ 't Is, in 't Verkoophuis, voor Papa,
+ Vier doosjes Lucifers te koopen,
+ En op de Bloemmarkt voor Mama,
+ Wat lentebloemzaad op te loopen:
+ Dan voor broêr Kees, een nieuwen tol.
+ Voorts zendt Gij mij, 'k durf daarop reeknen,
+ Een boek papier om op te teekenen,
+ En ook vier strengen zwarte wol.
+
+ "Wil voorts een kistjen Rencurrellen,
+ Bij Reynvaan, voor oom Piet bestellen;
+ En wip dan bij Verschuur eens aan,
+ Om Lizes bracelet te halen;
+ Van daar kunt gij bij Holters gaan,
+ En onze rekening betalen.
+ Voorts wacht ons Mietje een trommelvol
+ Met biesjensdeeg en drabbelkoeken:
+ Zend mij wat nieuwe Fransche boeken,
+ En dan, vooral, vier strengen wol.
+
+ "Laat Sacher, met den beurtman, morgen,
+ Wat versche bloemen ons bezorgen,
+ En koop meteen, op 't Muiderplein,
+ Voor tante Saar wat Lange-Lijzen:
+ Gij kent haar smaak voor porcelein;
+ Zend voorts een kooitjen voor haar sijzen,
+ Een aanzetleder voor Oom Nol,
+ Een verschen pot met tamarinden,
+ Die gij bij Gerber wel zult vinden,
+ En dan, voor mij, wat zwarte wol."
+
+
+Voorts het gedicht aan een zijner kleinzoons:
+
+
+ "Teeder en aanvallig wichtjen,
+ Dat zoo geestig om u heen kijkt
+ Uit uw (niet meer schom'lend) wiegjen:
+ (Schomlende zijn uit de mode)!
+
+ "Dat nog van de tegenspoeden,
+ Die ons hier beneden kwellen,
+ Geen ervaring hebt verkregen
+ --Dan door 't steken van de muggen!--
+
+ "Dat, nog zuiver van de driften,
+ Die op rijper leeftijd woelen,
+ Nimmer boos wordt--dan alleen maar
+ Als men niet terstond uw zin doet!
+
+ "Dat, nog vrij van dwaze wenschen
+ Vrij van zondige aardsche lusten,
+ Uw begeerten blijft beperken
+ Tot een trek naar soep of bloemkool!
+
+ "Dierbaar kind! gij zijt onkundig
+ Van uw laatre lotsbestemming,
+ Ik, in spijt van grijze ervaring,
+ Weet daarvan zooveel als gij weet.
+
+ "Maar, zoo gij nog naar de toekomst
+ Geen vermeetle blikken heenwendt,
+ Of althans niet verder uitziet
+ Dan naar 't heerlijk etens-uurtjen;
+
+ "Ik--en 'k durf geenszins bepalen,
+ Of het dwaas is dan verstandig--
+ Ik, ik kan mij niet weêrhouden,
+ Naar die toekomst vaak te gissen.
+
+ "Zult ge een pleitbezorger worden?
+ In den handel u begeven?
+ Of, uw ooms tot voorbeeld kiezend,
+ Uw fortuin in de Oost gaan zoeken?
+
+ "Zult gij in de koffijhuizen
+ Aan 't biljard uw dagen slijten,
+ Altijd wachten op een postjen,
+ Dat u nimmer wordt gegeven?
+
+ "Of zult gij den krijgsdienst kiezen,
+ En u krijgstrofeën vormen
+ Van sjakoos, nog voor 't verslijten
+ Door een nieuw model vervangen?
+
+ "'t Is mij, in den grond, om 't even;
+ Want men kan in elken werkkring,
+ Al naar 't valt, carrière maken
+ Of een bittre sukkel blijven.
+
+ "Maar, lief kind, wat hier beneden
+ Ooit het doel zij van uw streven,
+ Tracht toch--wat ik u mag bidden--
+ Nimmer naar den naam van dichter...."
+
+
+Dan zijne "_Lente-Mijmeringen_, 21 Juni 1855,"
+
+
+ "Mij heugt, toen ik een knaapjen was,
+ En Mei in 't land gekomen,
+ Wij zaten 's avonds op 't terras
+ In schaaûw der lindeboomen,
+
+ "Dan sprong ik als een jonge ree
+ En plukte mij een ruiker,
+ De Gouvernante schonk ons thee
+ Ik kreeg dien zonder suiker.
+
+ "O, 't blijkt uit alles zonneklaar,
+ Men mocht in vroeger dagen
+ Op Lente reeknen ieder jaar;
+ Wat kon haar toch verjagen?
+
+ "Hoe meenge winter ging voorbij,
+ Dat wij begeerig smachtten
+ Naar 't lieve Lentejaargetij,
+ En vruchtloos bleven wachten.
+
+ "Met ieder jaar bleef 't winterijs
+ Wat langer in het water,
+ En bleef de lucht wat langer grijs,
+ En kwam de zomer later.
+
+ "En nu--'t is reeds de langste dag:
+ Reeds moest de zomer komen;
+ En 'k heb in Neêrland, waar ik zag,
+ Geen voorjaar nog vernomen."
+
+
+Eindelijk zoo menig lied vol prettigen kortswijl uit zijn Almanak
+"_Holland_," of uit zijne "_Zeemansliedjes_," alles zuiver Hollandsch
+veldgebloemte, nederig, eenvoudig, gezond.
+
+Critiek, die gaarne overvraagt, heeft _Van Lennep_ verweten,
+dat zijne scherts te weinig fierheid bezat, dat hij met zijne
+anecdoten en kwinkslagen, ook in het dagelijksch gesprek, tot
+lager kringen afdaalde, dan tot welke hij zelf behoorde. Zijne
+snakerijen met de geschiedenis des Vaderlands berokkenden hem zelfs
+dichterlijke boetpredikatiën van verontwaardigde, maar minder geestige
+kunstvrienden. Het is mogelijk, dat hij het soms wat bont maakte, maar
+ontkend mag het niet worden, dat juist deze trek van zijn karakter,
+deze zijde van zijn talent hem tot den meest Nederlandschen, tot den
+populairsten dichter en romanschrijver van zijn tijd gemaakt hebben.
+
+In de geschiedenis der Letterkunde van een klein volk is het niet
+zoo gemakkelijk de eigenaardige trekken van het nationale karakter
+terug te vinden. De classieke en moderne Letteren oefenen grooteren
+invloed, omdat kleine volken, wier taal niet algemeen gesproken wordt,
+zich letterkundig minder zelfstandig ontwikkelen kunnen. Trots
+deze beletselen zal het den historieschrijver onzer litteratuur
+toch mogelijk blijken het _nationaal-Nederlandsche_ op het spoor
+te komen. _Van Lennep_ drukte in zijn persoon en in zijn werk dat
+nationaal-Nederlandsche voortreffelijk uit.
+
+Kwinkslagen, scherts en kortswijl; een goed oog op het comische in
+het leven en in de kunst; belangstelling in het blijspel, soms dalend
+tot de platte klucht, soms stijgend tot vlijmende satire of teederen
+humor--zie daar de meest in het oogvallenden karaktertrekken onzer
+letterkundige kunst, die tevens worden teruggevonden in de geschiedenis
+onzer schilderschool. In de middeleeuwen, in de XVI en XVII eeuwen
+valt het niet moeilijk dit telkens met luidsprekende feiten te
+staven. Het is onnoodig op den _Reinaert_, op de "schoone boerden,"
+op de "sotternien," op de volksliederen en volksromans te wijzen;
+overbodig te herinneren aan den gullen lach van den ronden _Roemer_,
+aan de vroolijkheid van _Jan van Hout_, aan de drink- en minneliederen
+van _Bredero_ en _Starter_, aan _Hooft's_ "_Warenar_," aan _Vondels_
+"_Rommelpot_," aan de maaltijden van _Jan Steen_, de boerenkermissen
+van _Ostade_, de _Teniersen_ en _Rubens_, aan de kroegen van _Adriaen
+de Brouwer_, aan de schaterlachende zangers, drinkers en vischwijven
+van _Frans Hals_--dit alles is meermalen uitdrukkelijk in het licht
+gesteld.
+
+Mocht ook in latere tijden de goedronde lach onzer vaderen verstommen,
+mocht het kille Calvinisme zich paren aan het practisch streven naar
+Nuttige, Voordeelige, Bruikbare dingen, toch ging de overlevering
+van onze nationale luim in de geschiedenis onzer letteren niet
+verloren. _Langendijk_, _Troost_, _Asselijn_ en _Bernagie_ bleven onzen
+ouden volksaard getrouw; aan het slot der vorige eeuw triomfeerden
+twee geniale vrouwen in "_Sara Burgerhart_" en "_Willem Leevend_" op
+al de booze geesten, die der Nederlandsche Muzen onverzoenlijken haat
+hadden gezworen. _Van Lennep_ was inzonderheid een echt Nederlander
+door zijne kunst. Zijne patricische Amsterdamsche stemming,
+zijne bewonderenswaardige wetenschappelijke vlijt in de uitgave
+van _Vondel's_ werken gebleken, zijne veelzijdige letterkundige en
+historische kennis, werden altijd verhelderd door eene zonnestraal
+van vriendelijke geestigheid; zijne deftige betoogen afgewisseld
+door een vroolijken zet, zijne ernstige buien opgehelderd door eene
+grappige anecdote.
+
+
+
+Bij _Sijthoff's_ nieuwe uitgaaf van _Van Lennep's_ romantische
+werken een hartelijk woord te voegen, was het doel van dit eenvoudig
+opstel. _Van Lennep's_ leven is het best en uitvoerigst beschreven
+door _A. J. de Bull_ in de "_Levensberichten_" der Maatschappij
+van Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Daarbij is eene lijst van
+geschriften gevoegd, die de wenschen van den lastigsten bibliograaf
+overtreft. Verschillende mannen van naam: _Jonckbleet_, _Réville_,
+_Busken Huet_, _Schimmel_ en _Nicolaas Beets_ hebben hunne meening
+over _Van Lennep_ gezegd; toch ontbreekt nog de monographie, die
+zijne geheele persoonlijkheid, zijne veelzijdige werkzaamheid,
+zijne beteekenis voor de geschiedenis onzer Letteren te zaam vat,
+en met wetenschappelijke nauwkeurigheid beschrijft. Eene nieuwe
+uitgaaf zijner romantische werken kan misschien aanleiding worden
+tot vervulling dezer behoefte, althans de gedachte verlevendigen,
+dat een dergelijk boek nog altijd moet geschreven worden.
+
+
+Dr. Jan ten Brink.
+
+
+
+
+
+
+DE PLEEGZOON.
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Ghy die by vreemde lieden koomt,
+ Het is u nut te sijn beschroomt.
+
+ Cats.
+
+
+Het was op den vier-en-twintigsten van Bloeimaand des jaren 1598, dat
+de beroemde Filips van Marnix, Heer van Sint-Aldegonde, een zijner
+dochteren aan den Vrijheer van Asperen uithuwelijkte. Het hooge
+aanzien, waarin 's bruids Vader ten hove stond, de welverdiende
+roem, welken hem zijn uitmuntende bedrijven zoo in vredes- als
+in oorlogstijden verworven hadden, de hartelijke genegenheid en
+ongeveinsde achting, hem door de hoofden van 's Lands bestuur niet
+alleen, maar ook door de lagere standen toegedragen, hadden de
+plechtigheid, die zijn geslacht aan een der edelste huizen van den
+lande verbond, tot een bijna nationaal vreugdefeest verheven. Menschen
+van allen rang, staat en beroep stroomden naar Leiden, waar de
+inzegening der verloofden in de Waalsche kerk zoude plaats hebben:
+men vleide zich daarenboven, de plechtigheid te zien opgeluisterd door
+de tegenwoordigheid van Graaf Maurits, die, zoo als het gerucht liep,
+bereids zijn woord aan den Heer van Aldegonde gegeven had, om met
+geheel zijn hof het trouwfeest te zullen bijwonen.
+
+Was de menigte groot, die, alleen uit nieuwsgierigheid, en zonder nog
+te weten, hoe daaraan best voldaan zou worden, naar de Academiestad
+gelokt werd, menigvuldig waren ook de opzettelijk genoodigden, ten wier
+gevalle men voor geschikte plaatsen in de kerk de vereischte zorg had
+gedragen en al de tuinen, die men reeds rondom Leiden begon aan te
+leggen, van bloemen beroofd, om hun ten blijke hunner hoedanigheid
+van speelnooten, fraaie ruikers, met kleurige linten versierd,
+te overhandigen.
+
+Onder die genoodigden bevonden zich twee edellieden van voornamen
+huize, door de banden eener langdurige en trouwe vriendschap verbonden,
+met namen Ulrich von Daun, Graaf van Falckestein, en Hendrik van Reede,
+Heer van Sonheuvel. De eerste, een vreemdeling in deze oorden, had
+zijn goederen in Bergsland gelegen, alwaar hij op het slot van Bruck,
+aan de oevers der Roer, zijn gewoon verblijf hield. Hij was thans
+vanwege de Hertogelijke Raden van Kleef aan de Staten-Generaal der
+Vereenigde Provinciën gezonden, om voor het door de Spaansche legers
+bedreigde Kleefsland hun beschermende hulp in te roepen. Hij was een
+kloek, manhaftig Ridder, wiens gelaat en houding rustige dapperheid
+teekenden: zijn gestalte was rijzig en vol majesteit: zijn opslag kalm
+en onversaagd: zijn bewegingen gemakkelijk en zwierig: in één woord,
+men kon in hem, bij het eerste aanschouwen, den man van geboorte en
+opvoeding herkennen, wien zoowel in het kabinet als in het heir een
+der voornaamste plaatsen wettig toebehoorde. Sinds eenige jaren met
+Anna Margareta, Gravinne van Manderscheid, gehuwd, zag hij zijn echt
+gezegend met twee knaapjes, waarvan het oudste bij den aanvang dezer
+geschiedenis zeven en het jongste ongeveer twee jaren bereikt had.
+
+Een geheel anderen aard als de Bergsche Graaf bezat de Heer van
+Sonheuvel. Zoo voorzichtig en bedaard als zich Falckestein betoonde,
+zoo haastig en driftig was zijn vriend; niet minder dapper dan
+Ulrich, bedierf Hendrik meestal zijn zaak door al te grooten spoed
+en overijling: in den strijd had hij meer dan eens zijn moed op een
+schitterende wijze doen blijken; doch ook niet zelden, de bevelen
+zijns opperhoofds niet inwachtende, zich onnoodig in gevaar begeven
+en daardoor ondank, ja bestraffing, in stede van roem en prijs
+behaald. Zijn postuur was eerder klein dan middelmatig: zijn grijze,
+doch levendige oogen waren altijd in beweging: stil te staan, lang
+dezelfde houding te bewaren, waren bij hem onmogelijke dingen: voor
+geheime diplomatieke onderhandelingen was hij ten eenenmale ongeschikt;
+doch zijn onwederstaanbare ijver, zijn gulhartigheid en welwillendheid
+jegens een iegelijk, zijn onverschilligheid voor het gevaar hadden
+hem in waarde doen houden bij zijne oversten, vooral wanneer het op
+de uitvoering aankwam eener gewaagde krijgsverrichting. Dan ook, als
+anderen voor het gevaar terugdeinsden, nam hij de hem opgedragen taak
+blijmoedig aan, ontzag zijn leven niet, trotseerde kogels en speren,
+en keerde, altijd met nieuwe wonden, doch ook veeltijds met de zege,
+terug. Indien men den Graaf van Falckestein bij den edelmoedigen,
+fieren en onversaagden leeuw konde vergelijken, de heer van Sonheuvel
+was evenals de trouwe wachthond, die, altijd gereed op de wenken zijns
+meesters, ter nakoming van het gegeven bevel volvaardig heensnelt en
+ter verdediging van het hem aanvertrouwde pand geen ongemak, geen dood
+zelfs ontziet. Thans bekleedde hij den rang van Ritmeester en diende
+onder de bevelen van Graaf Hendrik van Nassau. Ook hij was gehuwd
+en had zijn vrouw, die zich voor de tweede reize zwanger bevond,
+te Amsterdam, waar hij tijdelijk verblijf hield, in ziekelijken
+toestand achtergelaten.
+
+Het was dan op den morgen van den vier-en-twintigsten Mei, dat
+deze beide vrienden, op kloeke Friesche paarden gezeten en door hun
+lijfknechten vergezeld, het vorstelijk 's-Gravenhage verlieten, om
+zich naar Leiden te begeven. Beider kleeding was sierlijk en zoowel
+aan den staat der ruiters als aan de deftigheid van het feest, dat
+zij gingen bijwonen, geëvenredigd; in zooverre echter onderscheiden,
+als verschil van vaderland en karakter met zich bracht. De Graaf droeg
+een zwart fluweelen buis, dicht aan het lijf gesloten en reikend tot
+aan de heupen, waar het met een breeden, van goud gestikten gordel,
+als het ware omzoomd was. Aan weerszijden van de knoopenrij, die van de
+kin tot op het middellijf daalde, blonken gouden passementen, gelijk
+ook op de naden der mouwen, die, in de buiging der ellebogen geopend,
+het hagelwit linnen onderscheiden lieten. De zwaargeplooide broek,
+mede van zwart fluweel, reikte niet verder dan een handbreedte boven
+de knie, waar de met goud geborduurde banden haar van de lange bruine
+hozen schenen af te scheiden. Gele halve laarsjes, met afhangende,
+van binnen met rood leder voorziene en met zware gouden franjes
+omzoomde kappen, dekten de voeten: aan een breeden lederen bandelier,
+met gouden knoppen bezet, hing een lang rapier met verguld gevest:
+de handschoenen waren zwart met gouden naden: op den rechterschouder
+zwierde een zeer kort zwart zijden manteltje met witte zoomen, over de
+borst met witte kwasten vastgestrikt: de net geplooide kraag, waarop
+het hoofd als op een tafelbord rustte, stak wel een halven voet (oude
+maat) naar alle kanten uit. De baard hing, naar den toenmaligen smaak,
+als een smalle geknotte kegel van de punt der kin, terwijl de knevels
+opwaarts stonden: in één woord, de gansche kleedij was volgens de
+laatste Duitsche mode; alleen de witte hoed stak af bij dien tooi:
+de Graaf, die het bevel voerde over een bende Kleefsche ruiters,
+toen _Hanevederen_ genaamd, droeg, ten teeken zijner waardigheid,
+geen andere pluimage dan een paar kleine veertjes, aan den staart
+des morgenwekkers ontrukt [6].
+
+Schoon de Heer van Sonheuvel op zijn fraaist gekleed was, stak hij
+echter bij zijn netten reisgezel merkelijk af. Zijn zwarte hoed was
+van ouderwetschen vorm en aan de linkerzijde opgetoomd: de vederbos
+hing van achteren af: de _radius_ van den kraag was twee duimen te
+klein en de laarzen waren twee duimen te lang. De sjerp, het teeken
+zijner waardigheid, was een weinig verschoten van kleur, doch de
+stalen greep van zijn zijdgeweer blonk des te meer, als zijnde door
+de zorgen van zijn lijfknecht Bouke altijd net gepolijst. Voor het
+overige droeg Reede handschoenen en buis van geel leder: de eersten
+met franjes en het laatste met knoopjes versierd: een roodlakenschen
+mantel met goud geboord en roode hozen voltooiden zijn kleedij. De
+sporen van beide ruiters waren verguld en liepen in de gedaante
+eener slang tot aan den rand der laars op; en reeds rinkinkte in
+die sporen het stalen wieltje, dat de beroemde bastaard van Mansfeld
+kort geleden had ingevoerd. Bij het uitrijden van het Haagsche Bosch,
+verzocht de Graaf zijn vriend den draf voor het stappen te verruilen,
+daar het nog vroeg genoeg was, om tijdig te Leiden te komen en zich
+aldaar voor het aanvangen der plechtigheid te verfrisschen. De Heer
+van Sonheuvel bewilligde in dit voorstel, en nu ontstond tusschen de
+beide vrienden het volgende gesprek.
+
+"Hebt gij," vroeg Falckestein, "in de laatste dagen eenige tijding
+van uwe Huisvrouw bekomen?"
+
+"Ja," antwoordde Reede, "doch die was weinig geruststellend. Ik ben
+eenigszins over haar toestand bekommerd!"
+
+"Gij hebt toch," hernam Falckestein op een goedhartigen toon, "geen
+bijzondere redenen om u te verontrusten? De staat, waarin zij zich
+bevindt, is nooit zonder gevaar; doch de meeste voorbeelden zijn
+altijd geruststellend."
+
+"Ik weet het," zeide Reede: "dan, bij de ongemakken, aan dien staat
+verbonden, voegt zich een geheime kwelling, een hartzeer, dat haar
+gedurig sterker pijnt, en hetwelk ik vrees, dat nimmer geheel zal
+kunnen worden weggenomen."
+
+"En welk hartzeer," vroeg zijn vriend, "kan haar kwellen? Zij is jong,
+geacht, bemind, door al wie haar kent, zij is verbonden aan den man,
+dien zij liefheeft, en die het tot zijn hoogste geluk rekent, al haar
+wenschen te bevredigen."
+
+"Ach! het is juist dat laatste," zeide de Heer van Sonheuvel: "zij
+had mij nooit moeten trouwen!"
+
+"Gij spreekt raadsels, beste vriend!"
+
+"Ik zal u die ophelderen: aan u kan ik die mededeelen; zij is mijne
+vrouw geworden tegen den wil haars vaders."
+
+Falckestein zag zijn vriend aan met den ongerusten blik van iemand,
+die een nadere verklaring verwacht om zijn goed- of afkeuring te doen
+blijken. Reede ging voort:
+
+"En echter, waarde Falckestein, zij is geheel onschuldig aan eenig
+vergrijp. Het is u misschien niet bewust, dat zij mijne volle nicht
+is: haar vader, mijn oom, was even ijverig Roomschgezind als de mijne
+Protestant was: na den dood zijner gade koos hij den geestelijken
+stand en bracht het weldra zooverre, dat hij uit de zeven Provinciën
+verbannen werd. Hij vertrok van hier: mijn vader, de natuurlijke
+voogd van zijns broeders eenige dochter, voedde haar met mij op: een
+niet onnatuurlijke zucht om de goederen, die ons huis vanouds bezeten
+had, onder zijn nageslacht te bewaren, deed hem den wensch koesteren,
+mij aan mijne nicht te verbinden. Onze wederzijdsche liefde maakte de
+bereiking van dat doel te lichter: nooit had mijn Maria iets van haar
+vader vernomen, sinds deze haar, nog een kind zijnde, verlaten had:
+zij stemde in mijn verlangen en werd mijne vrouw. Niet lang daarna
+overleed mijn vader, en onder zijn papieren vond Maria ter kwader uur
+een brief van den haren, een brief, dien ik nooit gezien had, waarin
+deze zijn broeder stellig berichtte, dat hij een huwelijk tusschen
+zijn dochter en mij als bloedschending af moest keuren en mij nimmer
+als zijn schoonzoon zou erkennen. Sedert dien tijd, helaas! wordt die
+arme Maria door een boezemsmart gefolterd, die, vrees ik, haar teeder
+gestel een knak gegeven heeft, waarvan het moeilijk zal genezen."
+
+"Waarlijk," zeide Falckestein, nadat Reede zijn verhaal (waartoe hij
+nog meer woorden gebruikt had. dan wij hem in den mond hebben gelegd,
+en 't welk hij doorzult had met aanmerkingen, die wij hebben meenen te
+kunnen daarlaten), had geëindigd: "waarlijk ik beklaag haar van harte."
+
+"Ja," zeide Reede, "ik-zelf ben ook met het geval verlegen: en weet
+gij, wat mij ook nog hindert? Al hetgeen ik met mijn vrouw betrouwd
+heb, behoort eigenlijk niet aan haar, maar aan haar vader: nu is bij
+mij dikwijls de vraag ontstaan: moet ik hem dat alles maar sturen, of
+mag ik het houden als het eigendom mijner vrouw, waarvan haar vader,
+door zijn vertrek en afval van ons geloof, heeft afgezien?"
+
+"Mij dunkt," antwoordde Falckestein, "het blijft onbetwistbaar zijn
+eigendom, en als eerlijk man zijt gij verplicht, hem alles, wat hem
+behoort, terug te geven."
+
+"En dat zal ik doen," bromde Reede, "zoodra ik maar weet, waar hij
+zich bevindt; want ik heb geen tijding, of hij in Rusland dan wel in
+Amerika zit. Sedert dien ongelukkigen brief heeft hij niets van zich
+doen hooren. Doch opsporen zal ik hem, in weerwil van 't geen mijn
+advocaat Mr. Joannes Schalckius zeggen moge, die mij maar aanraadt,
+alles te houden; want, zegt hij, 't gaat toch maar aan vreemde papen en
+conventen, tot prejuditie van de ware leer. Aan personen van een vreemd
+geloof, zegt hij, is men zulk een nauwgezetheid niet verplicht. Hij
+spreekt er van evenals Ds. Uyttenbogaert, schoon deze 't anders meende,
+weet gij, in zijn preek van laatstleden Zondag, toen hij zeide.... ja
+wat zeide hij ook?.... In die schoone leerrede, toen.... wat duivel
+zeide hij toch?".... Hier richtte de goede Ritmeester zich op in den
+zadel, nam den hoed af en hield dien tusschen duim en wijsvinger,
+terwijl hij met de andere hand zich het achterhoofd wreef, zette
+vervolgens den hoed weder op, bracht de hand voorwaarts, rolde zich
+den knevel om den wijsvinger, hoestte, hemde en mompelde eenige reizen
+achtereen: "ja, wat duivel zeide hij toch?"
+
+Falckestein, die te wellevend was om ook zijn vertrouwdsten vriend
+wegens een geheugenfeil te bespotten, zweeg eenige oogenblikken stil;
+doch, bemerkende dat Reede hoe langer hoe ongeduldiger en verstoorder
+op zichzelven raakte, zich de lippen beet en zijn paard zoo strak
+tusschen de ooren keek, alsof de geheele preek van Uyttenbogaert daar
+geschreven stond, zocht hij een wending aan het gesprek te geven,
+door hem opmerkzaam te maken op een kleine, van weilanden omringde,
+huizinge of hofstede, welke, tusschen zware lindeboomen, een eind
+verder aan den weg gelegen was.
+
+"Dat erf heeft een gelukkige ligging," merkte hij aan.
+
+"Gelukkig!" riep de Heer van Sonheuvel uit, als uit een droom
+ontwakende, terwijl hij zijn hoed diep in de oogen drukte: "dat erf
+is een duivels erf, een Babel van ongerechtigheid, een kapel van den
+Antichrist, die al lang had moeten uitgeroeid en geslecht worden."
+
+"Dat zou jammer zijn!" zeide Falckestein glimlachende: "en waarom
+dat alles? Is de bewoner zulk een booswicht?"
+
+"De bewoner is mij, Goddank! onbekend," antwoordde Reede, den hoed
+aflichtende: "en ook verlang ik hem nimmer te kennen; doch het erf
+zelf wordt gemeenlijk de _Katholieke Hofstede_ genaamd."
+
+"En is die naam nu alleen de reden van uw verwensching?" vroeg
+Falckestein, met een spottenden blik, die zelfs iets medelijdends had.
+
+"Op dat erf," vervolgde Reede, "zegt men, dat somtijds Jezuïeten
+vergaderen en, 't welk gruwelijk is om aan te hooren, geheime
+beraadslagingen maken tegen de hooge regeering en tegen Zijn
+Excellentie."
+
+"Men zegt!.... dus is de geheele vervloeking op een volkspraatje
+gegrond?"
+
+"Geheel niet: zoo mij de Griffier Pots verhaalde, bestaan er zelfs
+menschen van krediet, die er Jezuïeten gezien hebben."
+
+"Welke zij waarschijnlijk aan hun gelaat voor zoodanigen erkend
+hebben," viel de Graaf in, "want het zou geen Jezuïetenpolitiek
+geweest zijn, zich hier in het gewaad der orde te vertoonen:--voorwaar
+groote gelaatkundigen!--Nu, ik wenschte wel, eens eenige van die
+Baälsdienaars te zien verschijnen, alleen maar om te ontdekken,
+of zij hun hoedanigheden op 't voorhoofd geschreven ronddragen."
+
+Aldus sprekende, waren zij het erf genaderd, dat het onderwerp hunner
+tweespraak uitmaakte. Het was een gebouw van blauwe steenen, dat
+naar allen schijn een eeuw oud kon wezen en uit twee aan-een-gebouwde
+huisjes met blauwe dakpannen bestond: de gevels liepen trapsgewijze op,
+naar de toenmalige bouworde: slechts weinig in getal waren de ramen,
+en nog meestal met planken dichtgespijkerd: de ingang was aan de zijde
+van het weiland en voor den voorbijganger niet zichtbaar: ook was
+er van den rijweg geen toegang tot het erf, daar de voormalige brug
+afgebroken en het stuk gronds door een breede sloot omringd was. Een
+enkele vrij smalle plank vereenigde het met het daarachter liggend
+kamp. Verscheidene oude lindeboomen, rondom het huis geplant, die hun
+schaduw wierpen over het hoog opgegroeide gras, gaven aan het geheel
+een schilderachtig, eenigszins eerwaardig, schoon verwaarloosd uitzien.
+
+Juist toen onze ruiters voorbijreden, zagen zij twee lieden, in
+de gewone volksdracht, de plank overgaan, welke van het erf op het
+weiland bracht, en een pad volgen, dat, dwars door het veld, een paar
+honderd roeden verder op den rijweg uitkwam. Zoodra Falckestein deze
+lieden bemerkte, toonde hij die al lachend aan zijn reisgezel, zich
+meteen beklagende, dat hij hen niet in 't aangezicht zien konde, om
+zijn gelaatkunde te beproeven. "Daartoe zal u de gelegenheid verschaft
+worden," antwoordde Reede: "hun pad brengt hen op den rijweg en indien
+zij dien niet verlaten, zullen wij hen spoedig inhalen.... Wist ik
+mij die preek maar te herinneren!.... doch ik zal er het mijne van
+hebben, wat het ook kosten moge."
+
+Zoo sprekende gaf hij, met hernieuwde blijken van ongeduld, zijn
+paard de sporen, en Falckestein, die het gesprek verloren zag, en
+wien de eenzelvigheid der landgezichten begon te vervelen, volgde
+zijn voorbeeld. Spoedig bevonden zij zich, als Reede gezegd had,
+ter plaatse waar het pad, dat de voetgangers gevolgd waren, op den
+rijweg uitliep en zagen hen beiden omtrent honderd passen voor zich
+uitloopen. Nu lieten zij hun paarden weder stappen en sloegen op de
+onbekenden, toen zij hen voorbijkwamen, onder het wenschen van een
+goeden morgen, een nieuwsgierig oog. De achterste der twee (want zij
+liepen op het voetpad achter elkander) was bleek, kort en vrij gezet,
+had een ongemeen groot hoofd, bolle wangen, doffe halfgesloten oogen,
+lang ros haar en baard en een scheeven mond: de voorste voetganger
+was een man in de kracht zijns levens, en onderscheidde zich door
+een rijzige en kloeke gestalte: slechts eene krul gitzwart haar
+vertoonde zich van onder den grauwen hoed: even zwart waren zijn
+oogen en baard: het mager gelaat teekende onrust, vermoeienis of
+onthouding, zoo niet alle drie te gelijk. Hij zou onder de schoone
+mannen kunnen geteld zijn geweest, doch zijn terugstootende blik,
+zijn wijd uitstaande neusgaten en opgetrokken onderlip, ontnamen
+aan het gelaat alle aanspraak op het behaaglijke, en lieten bij den
+beschouwer een onaangenamen indruk achter.
+
+"Ik begin waarlijk te gelooven dat gij gelijk hebt," fluisterde
+Falckestein zijn vriend in 't oor: "de achterste heeft veel van een
+beurzenknipper en de voorste van een struikroover."
+
+"Vindt gij?" vroeg Reede: "ik weet niet, maar ik heb die gezichten
+meer gezien."
+
+Nu zouden zij verder gereden zijn, zonder meer aandacht op de
+onbekenden te slaan, toen de langste van de twee in goed Hollandsch
+aan Falckestein vroeg of zijn Edelheid naar Leiden te feest
+ging. Falckestein beantwoordde deze vraag kortaf met ja, en liet
+zijn paard harder voortstappen om een verder gesprek te ontgaan;
+dan de zwartoogige vreemdeling versterkte zijn tred zoodanig, dat
+hij in een gelid met den ruiter bleef voortwandelen, wien hij deze
+nieuwe vraag deed:
+
+"Zal Zijn Excellentie ook op de plechtigheid komen?"
+
+"Vermoedelijk ja."
+
+"Ik had gehoord, dat Zijn Excellentie in 's-Hage bleef om de groote
+zaken af te handelen, die met den Aartshertog op 't tapijt zijn."
+
+"'t Is ook mogelijk."
+
+"Dus weet Uw Edelheid het niet zeker, maar UEd. denkt dat Zijn
+Excellentie komen zal?" vervolgde de lastige vrager.
+
+"'t Is mij onbewust. Kom Reede, laat ons voortrijden!"
+
+Doch Reede had hierin op dit oogenblik weinig zin.
+
+Hij was bezig den achtersten der voetgangers in oogenschouw te nemen
+en zag hem zóó strak aan, dat deze verlegen begon te worden en het
+gelaat afwendde.
+
+"Zoo ik mij niet bedrieg," vroeg eindelijk de heer van Sonheuvel aan
+den onbekende, "heb ik u laatstleden Zondag in 's-Hage gezien bij
+het uitgaan der kerk, toen Ds. Uyttenbogaert gepreekt had."
+
+Hoe eenvoudig deze vraag ware, zij scheen den vreemdeling van zijn
+stuk te brengen: bedremmeld antwoordde hij: "jawel, Uwe Edelheid! ik
+ben daar geweest."
+
+"Uitmuntend!" hervatte Reede "en weet ge u ook het hoofdzakelijke
+te herinneren? Ik was juist bezig met Zijn Genade over een punt
+te spreken, dat Ds. Uyttenbogaert.... dat ik hoor," voegde hij er
+bij, zich hervattende, "dat ik hoor, dat Ds. Uyttenbogaert heeft
+aangeroerd."
+
+"Hij predikte," antwoordde de bleeke vreemdeling, "uit Genesis XXXI
+vs. 24 en volgende, zijnde het verhaal hoe Rachel de beelden haars
+vaders Laban verborg en hoe Jakob vervolgens met Laban verdrag
+maakte. Hij bewees uit een en ander, dat men niet gehouden is aan
+afgodendienaars de voorwerpen hunner afgoderij terug te geven, ook al
+had men, volgens burgerlijke wetten, geen recht op het bezit daarvan."
+
+"Het verwondert mij," zeide nu de voorste der voetgangers, terwijl
+hij Reede scherp aanzag, "dat UEd. mijn makker die vraag doet. Of
+UEd. moet verleden Zondag slecht geluisterd hebben, òf mijn oogen
+hebben mij bedrogen, toen ik gemeend heb, UEd. mede onder Domini
+Uyttenbogaerts gehoor te zien zitten."
+
+Falckestein glimlachte en Reede beet zich op de lippen. "Ik zeide
+niet," merkte hij aan, "dat ik er niet was geweest; ook herinner ik mij
+hetgeen uw makker verhaalt; doch ik zocht mij te binnen te brengen,
+hetgeen de Predikant in het slot zijner rede meer bepaaldelijk
+gezegd heeft, omtrent de teruggave van het eigendom van papen en
+afgodendienaars, omtrent...."
+
+"Juist toen ben ik ook wat slaperig geweest," antwoordde de lange
+man. "Dit alleen heb ik er van onthouden, dat men nimmer, ook jegens
+papen, bedrog mag plegen, noch een glimp aan zijn daden geven, noch
+zich met draaierijen behelpen, al moest het waarheid spreken ons
+beschaamd maken. Voorts liet hij ons zingen uit den Honderdtwintigsten
+Psalm, het tweede vers." En hierop begon de vreemdeling, met een zware
+stem, naar de berijming van Datheen, de volgende woorden te zingen:
+
+
+ "Wat kan de valsche tonge stichten?
+ Wat kan de leugenaar uytrichten?
+ Wat sullen syn listige zinnen
+ En valsche tonge toch gewinnen?"
+
+
+Reede zag den stekeligen vreemdeling met een heftigen blik aan;
+doch deze bleef, zonder eenig ontzag noch vrees te toonen, volstandig
+doorzingen, het oog gedurig met zooveel bedaardheid op den Ritmeester
+gevestigd houdende, dat deze, vreezende zijn fatsoen door een
+langer gesprek te zullen in de waagschaal stellen, aan Falckestein
+voorstelde, die lastige landlieden te ontrijden. Nauwelijks waren zij
+een eindweegs vooruitgedraafd, of de zwarte man riep Reede achterna:
+"Ik wensch dat UEd. de preek van hedenmorgen beter dan die der vorige
+week onthouden moge."
+
+Reede, deze uitdrukking hoorende, hield vol drift zijn paard staande en
+zou den teugel op den vreemdeling gewend hebben, bijaldien Falckestein,
+die begreep dat zijn vriend zich te veel had afgegeven, hem niet
+weerhouden had en genoodzaakt mede voort te rijden. De lange man
+scheen echter den aanval van Reede bedaard af te wachten, en had
+bij diens eerste beweging van onder zijn mantel een lang pistool
+voor den dag gehaald. Toen hij de ruiters hun weg zag vervolgen,
+liet hij de hand weer zakken, bracht het vuurtuig op zijn plaats en
+stapte bedaard verder.
+
+Het is geenszins ons doel een verhaal te geven der feesten en
+plechtigheden, welke het huwelijk van Aldegondes dochter vergezelden:
+alleen dient hier gemeld, dat de zwarte man wèl gegist had: dat Graaf
+Maurits door onvoorziene bezigheden, of liever door een bijzondere
+bestiering van het Opperwezen, verhinderd werd, zich te Leiden te
+bevinden.
+
+De predikatie en de inzegening werd door den Hofprediker Uyttenbogaert
+in de Fransche taal volbracht en de gemeente zeer gesticht; doch
+hetgeen Reede niet stichtte, was een vraag, hem, toen hij in den
+trein van vrienden en bruiloftsgasten de kerkdeur uittrad, door
+een der omstanders in 't oor geblazen, "of hij namelijk de preek
+zoo goed in zijn geheugen had als die van de vorige week." Driftig
+zag hij om naar de zijde van waar het gefluister kwam; doch de man
+met het zwarte haar, de vreemdeling uit de _Katholieke Hofstede_,
+was reeds in den volkshoop teruggetreden en verloor zich in de menigte.
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Ben ik de beste dan,
+ Die d'afgront tot dit snoot bedrijf uitbraken kan?
+ Is niemant meer bequaem tot schelmery gevonden.
+
+ _Vondel_, Palamedes.
+
+
+Eenige dagen later was Falckestein onverzeld, den weg naar Haarlem
+opgereden, in de hoop van zijn vriend Reede, die, ter volvoering
+van een bevel zijner Doorluchtigheid, derwaarts gegaan was, bij
+zijn terugkomst te ontmoeten en zoo gezamenlijk weder huiswaarts te
+rijden. De weg van Den Haag naar Haarlem was toen al zeer verschillend
+van hetgeen die thans is, en niet meer hetgeen die eenmaal geweest
+was. Men zag er, wel is waar, de luchtige tilbury's, de prachtige
+landauers, de sierlijke caricles en de nog bevalliger Noord-Hollandsche
+sjeezen van lateren tijd niet heen en weder rollen: men zag er
+geen tallooze diligences over een gladden gemakkelijken straatweg
+de reizigers als met vleugelsnelheid door dien tuin van Europa
+voeren: men zag er geen nette, gewitte, vroolijke buitenverblijven
+elkander aaneengeschakeld achtervolgen:--doch men zag er ook niet
+meer den luister van vroegere dagen, den prachtigen hofstoet der
+Graven en Baanrotsen, de jachtgezellen der Heeren van Wassenaar,
+van Teylingen, van Heemstede en van zoovele andere heerlijkheden,
+die zich in luisterlijken dos vereenigden, noch de luchtige nonnen
+der Rijnsburgsche abdij in een geestelijken tooi, met wereldschen
+opschik vermengd, verzeld van de galantste edellieden uit den omtrek,
+op kostbare paarden heen en weder dravend:--de oude weelde was
+verdwenen: de weelde van latere dagen was nog niet doorgekomen. Nu
+en dan een ouderwetsche, lompgemaakte wagen, die met moeite en
+paardenkracht door het gulle zand werd voortgekruid, enkele huif-,
+mest- of voederkarren, ruiters, die hun vaandels gingen zoeken,
+reizigers te voet en te paard, marskramers, die hun koopwaren de
+kermissen rondvoerden, waren de eenige voorwerpen, die men in het
+tijdsgewricht, waarin onze geschiedenis een aanvang neemt, op dien
+weg ontmoeten kon. Doch Falckestein was schier de eenige, die op dat
+tijdstip alleen vermaakshalve en om de ledige uren, welke hem zijn
+verrichtingen in Den Haag overlieten, aangenaam door te brengen, tot
+zijn uitspanning die heerlijke landstreek doorreed. Ons Gemeenebest
+was toen in een tusschenstaat: de oude grootheid, de vorige fortuinen
+waren niet meer: men begon geld te winnen, doch men was nog niet op
+de hoogte van het te verteren: veelmin dacht er eenig inboorling aan,
+om in ledigheid den grooten weg op en neder te draven.
+
+De avond was liefelijk en stil, gelijk de lenteavond, dichterlijk
+gesproken, behoort te zijn, en het inderdaad zoo zelden is. De
+nachtegaal zong zijn afscheidstonen uit het loover der hooge
+iepeboomen, die aan de beide zijden van den rijweg geplant waren:
+de leeuwerik vloog fluitend van de groene weiden op: de vinkjes
+wipten zingende door het eiken hakhout en de statige ooievaar stond
+onbeweeglijk aan den kant des poels te slapen. De schaduw der hooge
+zeeduinen begon zich reeds over de grasrijke velden te verlengen: het
+rundvee verdween in den dichten dauw, dien voorbode van een fraaien
+morgen, voor het oog des wandelaars, en de pannen der verspreide
+boerenwoningen zoowel als de burgtinnen der achtbare sloten kaatsten
+het goud van den avond weder. Nog had Falckestein zijn vriend niet
+ontmoet, en de vrees van te laat in Den Haag terug te zijn, deed
+hem, schoon noode, tot den terugtocht besluiten. Dan, nauwelijks had
+hij dien aangenomen, of hij bemerkte, dat zijn paard een ijzer had
+verloren en zoodanig kwalijk ging, dat een spoedige hulp noodzakelijk
+ware. Het meest nabijgelegen dorp was Voorschoten: en derwaarts begaf
+hij zich, teneinde door den hoefsmid het ongemak te doen verhelpen. De
+smidse was reeds gesloten en niet dan na herhaald kloppen verkreeg
+de Graaf gehoor: de vrouw van den dorpsvulkaan stak het hoofd boven
+de onderdeur, en liet zich na lang praten, bewegen om haren man, die
+aan het einde van het dorp in de kroeg zat te politiseeren, te gaan
+waarschuwen, dat er zich nog zoo laat een gelegenheid had opgedaan,
+om zijn kunst aan den dag te leggen. Nadat Falckestein omtrent een
+half uur tegen een der palen van de smederij had staan leunen (want
+de vrouw des huizes had den ruiter met zijn bestoven en bemodderde
+laarzen niet in haar knappe en nette woning willen binnenlaten) kwam
+de baas met eenen langzamen tred aanstappen, groette Falckestein
+met een deftige hoofdbuiging en begon zijn toebereidselen te maken;
+doch eerst nadat hij zijn rok afgelegd en zijn smidsgewaad weder had
+aangetrokken. Hiermede en met het beslaan verliep een uur, zoodat het,
+eer de graaf zijn weg vervolgen kon, volslagen donker geworden was:
+de heldere lucht deed hem echter dit bezwaar gering achten en lustig
+voortdraven: dan, het leed niet lang, of hij bemerkte dat zijn ros,
+'t welk tot nu toe weder fiks geloopen had, aan denzelfden voet,
+waaraan het beslagen was, weder zwaar kreupel was geworden, 't zij
+door de onhandigheid van den smid, 't zij omdat het arme dier een stuk
+glas of steen in den voet had gekregen. Daar hij zijn paard niet onnut
+vermoeien wilde en echter niet te laat in 's-Hage wenschte te zijn,
+zag hij rond naar een woning, waar hij zich licht verschaffen konde,
+om de kwetsuur na te zien, ten einde die zoo mogelijk verholpen
+werd. Het geluk diende hem zoo 't scheen, in zijn nasporing: want
+bij de eerste kromte, die de weg maakte, zag hij aan zijn linkerhand
+een gebouw liggen, aanzienlijk genoeg op 't oog, om hem een goed
+onthaal te beloven. Schoon hij het bij 't naderen voor de Katholieke
+Hofstede herkende, veranderde zulks niets in zijn voornemen; vooral
+toen hij zag, dat het erf nu ook van den rijweg genaakbaar was, door
+een plank, welke op de fondamenten der voormalige brug rustte. Hij
+steeg af, bond zijn paard aan een boom en liep vlug den smallen vondel
+over. Nauw was hij aan de overzijde der sloot, of het scheen hem
+toe, dat hij verscheidene personen een vrij levendig gesprek hoorde
+voeren. Behoedzaam trad hij door het hooge gras op het huis toe, en
+hoorde bij zijn naderen het gedruisch vermeerderen. Aan het gebouw
+gekomen, liep hij het langs om den ingang te zoeken, toen hij, een
+der met planken dichtgespijkerde ramen voorbijgaande, een reet vond,
+groot genoeg om naar binnen te doen zien. Onwillekeurig bleef hij
+staan: de slechte reuk waarin, volgens zijn vriend Reede, het huis
+stond, oefende voor 't eerst eenigen invloed op hem uit: 't was of
+een geheime stem in zijn binnenste hem aanspoorde voorzichtig te zijn
+en zich niet onbedacht in gevaar te storten. Hij volgde die inspraak,
+bracht de oogen voor de opening en zag hetgeen wij verhalen zullen.
+
+In een vrij groot, met blauwe steenen geplaveid vertrek, stond,
+recht tegenover de plaats waar hij zich bevond, een klein tafeltje,
+hetwelk men tot een outer scheen te hebben gebezigd. Een tapijt, een
+kruisbeeld, twee kaarsen en eenige gewijde teekenen van eeredienst
+versierden het. Boven dit eenvoudig outer hing een klein vermolmd
+schilderijtje, den moord der Baälspriesteren voorstellende of
+voorgesteld hebbende. Om een andere groote tafel, waarop twee
+bierkannen en vier tinnen maatjes stonden, waren vier personen gezeten,
+als landlieden gekleed, hoewel een hunner boven zijn wambuis een wit
+hemd en een soort van stool had geslagen. Noch dezen noch zijn buurman
+herinnerde zich Falckestein ooit gezien te hebben; doch in de twee
+anderen herkende hij terstond de lieden, met welke hij eenige dagen
+te voren op den weg naar Leiden de door ons verhaalde ontmoeting had
+gehad. De kleinste van deze twee was druk bezig met het prevelen van
+paternosters; zijn vingeren doorliepen onophoudelijk het bedesnoer,
+dat hij in de hand hield, en op het gesprek der overigen scheen hij
+geen aandacht te slaan.
+
+Op het oogenblik dat Falckestein naar binnen keek, sloeg de
+lange zwarte man met de gesloten vuist op de tafel, terwijl zijn
+samengetrokken wenkbrauwen een sombere uitdrukking aan zijn gelaat
+gaven: "neen! (zeide hij) indien Panne (hier wees hij op den man
+met het bedesnoer) op morgen het stuk niet volvoert, dan is onze
+geheele reis onnut en de kosten in 't water gesmeten. Zoo ik wel
+onderricht ben, dan vertrekt de Ketterkoning morgen naar 't leger,
+en het zou een geheel nieuwe wijze van behandeling vereischen, om
+hem dáár te treffen."
+
+"Welnu," zeide diegene, welke de stool aanhad, "Panne is immers bereid
+om zijn aanslag morgen in weerwil van allen tegenstand uit te voeren:
+de volkomen vergeving van al zijn zonden is hem geschonken: moedig
+en onbevreesd kan hij zijn gezegend besluit volbrengen, vroolijk en
+blijhartig pijn en dood trotseeren, en de eeuwige gelukzaligheid vrij
+en schuldeloos binnentreden. Wij hebben immers hem geleerd, dat de
+beulen wel zijn lichaam kunnen martelen, doch dat zijn ziel evenals
+die des Heiligen Stephani, midden onder de pijnigingen een voorsmaak
+der eeuwige gelukzaligheid genieten zal: het is hem immers gezegd,
+hoe, toen de zalige Balthazar Gerardi den glorierijksten marteldood
+moest lijden, een welriekende balsemgeur hem op het schavot reeds
+tegenkwam, en belette de pijn der gloeiende tangen te voelen: hoe zijn
+ziel in wierookwalmen ten hemel steeg, verzeld door duizend engelen,
+en hoe hem, in het rijk van 't licht gekomen, de glorierijke kroon
+werd opgezet."
+
+"Dat alles weet hij," viel de zwarte man in, verdrietig opstaande, "en
+nog vrij wat meer daarenboven; doch hij behoeft slechts dezen of genen
+ketter in zijn buurt te hebben, die hem wat scherp in de oogen kijkt,
+of hij druipt weg als een bassend keffertje voor een bandrekel. Hoe
+ging het laatst in de kerk te 's-Hage? De kans stond schoon: de Graaf
+zat in zijn bank en was zoo licht te treffen als een haas in 't leger;
+doch wat gebeurde er? de preek verveelt den Ritmeester van Sonheuvel,
+en omdat deze half duttend voor zich keek als een hen op een streep,
+en omdat toevallig Panne aan 't eind van die streep zit, zoo pakt
+die bloodaard zich weg, voordat de zegen nog is uitgesproken. Had
+hij toen vuur gegeven, wij hadden die zotte reis naar Leiden niet
+behoeven te doen, waar wij Maurits toch niet vonden, gelijk ik ook had
+durven wedden, en waar ik al mijn onbeschaamdheid noodig had om twee
+Belialskinderen weg te krijgen en hun hun kwaad vermoeden te ontnemen,
+dat de bedremmeldheid van mijn makker bij hen had doen oprijzen."
+
+"Ik hoop," sprak Panne, opziende en zijne devote bezigheid stakende,
+"dat de lieve maagd Maria en mijn heilige Patroon de kracht mij
+zullen verleenen om naar eisch het heerlijk doel te bereiken,
+waartoe uwe welwillendheid, eerwaarde Vaders! mij armen zondaar
+verkoren heeft! Och! hoe dankbaar ben ik aan ulieder goedheid, die
+mij ellendige uit het stof geroepen heeft om mij uit te kiezen tot een
+daad, welke mij der eeuwige vreugde deelachtig maken zal en mij gelijk
+maken aan Ehud, die der Moabiten Koning sloeg, en aan Judith, die de
+Overste Holophernes het hoofd afsneed, en aan den heiligen Balthazar,
+die den ketter Willem van Nassau doodschoot!"--Dit gezegd hebbende,
+sloeg hij de oogen weder neer en vervolgde met ijver zijne gebeden.
+
+"Wanneer kan Eduard in Engeland wezen?" vroeg nu een der anderen aan
+den langen man; "gij, broeder Eugenio, hebt hem het laatst gezien!"
+
+"Morgen ten allervroegste, Broeder Melchior," gaf Eugenio ten antwoord:
+"en zoo hij dan een goede gelegenheid vindt, zal de tijding alras
+door Europa weergalmen: "zij is gevallen, die groote Hoer, die op
+de Theems zit, die Jesabel van Engeland! gevallen door het lemmer
+der gerechtigheid."
+
+"_Et flebunt, et plangent se super illam reges terrae, qui cumilla
+fornic ati sunt_, [7] gelijk de Schrift zegt," voegde Broeder Melchior
+er bij, terwijl hij de handen samenvouwde en de oogen sterk dichtkneep.
+
+"Hebt gij, Broeder Eugenio!" vroeg nu de vierde der aanzittenden,
+"volgens uw oogmerk aan onze Broeders te Douai geschreven, om
+intusschen den onvermijdelijken dood van het kettersch Drietal [8]
+te doen profeteeren?"
+
+"Ik ben van gedachten veranderd," antwoordde Broeder Eugenio:
+"vooreerst schrijf ik ongaarne: een brief getuigt nooit dan ten nadeele
+des schrijvers; ten tweede is een profetie uitmuntend in 't algemeen;
+doch hier in specie deugt ze niet: want, mislukt de aanslag, dan is
+onze profetie valsch: gelukt hij, dan is het de Sociëteit die alles
+voor haar rekening krijgt en,".... hier begon hij, eensklaps op Panne
+wijzende, tot zijn broeders zeer zacht te spreken, zoodat Falckestein
+althans geen woord meer van het gesprek kon opvangen.
+
+Doch deze had ook reeds genoeg gehoord om tot zijn ontzetting overtuigd
+te wezen, dat drie dezer schelmen Jezuïeten waren uit Douai en dat de
+ellendige Panne door hen was opgezet om Graaf Maurits moorddadig van
+'t leven te berooven. Na bij zich zelven God vurig gedankt te hebben,
+dat hij door een zoo bijzondere bestiering derwaarts geleid was om het
+boos opzet dier aterlingen te verijdelen, begon hij over een middel te
+peinzen om hen in de handen des gerechts over te leveren. Te vertrekken
+en hulp te vragen was gewaagd en onzeker, daar hij vreesde hen niet
+te zullen wedervinden Hen aan te tasten ware dwaasheid geweest; want
+de drie Jezuïeten, vooral Broeder Eugenio, schenen onverschrokken
+kerels te zijn. Uit deze onzekerheid werd de Graaf weldra gered, door
+een gerucht van paarden, die in vollen draf aan kwamen rijden. In de
+hoop dat de aankomenden hem hulp zouden kunnen verschaffen, verliet
+hij de plaats waar hij post gevat had, begaf zich naar den rijweg,
+en herkende al spoedig in de naderende ruiters den Heer van Sonheuvel
+met zijn rijknecht, die op hun terugtocht naar Den Haag waren. Reede,
+niet wanende zijn vriend Ulrich aldaar te voet te zullen aantreffen,
+lette weinig op diens wenken en reed hem voorbij, zoodat de Graaf zich
+genoodzaakt vond, hoe ongaarne hij ook gedruisch wenschte te maken, hem
+bij zijn naam na te roepen. Dit had uitwerking: Heer en knecht stonden
+stil, en de Ritmeester reed verbaasd naar Falckestein terug.....
+
+"Wat duivel brengt u hier, alleen, en te voet, en in den nacht en
+bij dat Satansch erf?"
+
+"Spreek zacht! Geen duivel, veeleer een heilige beschermengel, ja
+Gods bestier voert mij en u hier om Prins en Land te redden."
+
+"Gij spreekt raadsels."
+
+"Stil! Kom nader! Gij ook, Jonkman! en luister!"--Hier vertelde hij
+hun in weinige woorden 't geen hem was voorgekomen.
+
+"En durven die beesten dat nog met den mantel van godsdienst
+bedekken?" zeide Reede, op de tanden knersende: "wij zullen hun dat
+afleeren. Voorwaarts marsch, Bouke!"
+
+"Voorzichtig om 's hemels wil, of gij bederft alles," zeide
+Falckestein, zijn te voortvarenden vriend met stem en gebaarden
+terughoudende; "gij kunt te paard niet op het erf komen. Stijg af en
+bind uw paard vast. Gij zijt gewapend?"
+
+"Met sabel en pistolen."
+
+"En uw bediende?"
+
+"Zooals ik: nietwaar Bouke?"
+
+"Altijd, gelijk uwe Edelheid weet: want zoo de Heer zoo de Knecht,
+en men moet huilen met...."
+
+"Houd den mond met uw spreekwoorden," grauwde Reede hem toe, terwijl
+hij, afgestegen zijnde, zijn paard vastbond.
+
+"En nu," zeide Falckestein: "hoor mijn plan: gij, Reede, loopt de
+deur in met een pistool in de hand: ik volg u met een ontbloot geweer,
+en wij gelasten hun zich gevangen te geven. Uw knecht houdt post aan
+de deur en schiet overhoop al wie vluchten wil."
+
+"Ja," viel Bouke in, "tot zooverre is 't goed. Overleg is 't halve
+werk; maar naar mijn dom verstand zullen zij zich zoo licht niet
+laten knevelen. Hoe krijgen wij ze mee? de laatste loodjes wegen het
+zwaarst. Ik heb maar een klein end touw, en om er vier te binden,
+vooral als zij zich verweren...."
+
+"Praatjes!" mompelde Reede: "wij nemen de toomen onzer paarden."
+
+"En onze paarden loopen haroet," zeide Bouke.
+
+"Die jonkman heeft gelijk," sprak Falckestein: "het ware misschien
+beter, dat wij om het huis de wacht bleven houden en hem inmiddels
+naar het naaste dorp stuurden om hulp te halen."
+
+"Mij dunkt," zeide Bouke, "dat ik daarginds een deur hoor
+opengaan. Zouden zij ons geroken hebben? Kwâe doen geeft kwâe vermoên."
+
+"Dat vervloekte talmen!" riep de heer van Sonheuvel en snelde in
+drift de plank over die naar het erf geleidde.
+
+Het was als Bouke gedacht had. Die binnen waren hadden het
+paardengetrappel gehoord en opgemerkt hoe er voor de hofstede halt was
+gemaakt: dit had hun doen besluiten, te gaan ontdekken wat er aan de
+hand ware. Broeder Melchior was de deur uitgetreden en sloeg den hoek
+van het huis om, toen hij, een gewapend manspersoon op zich af ziende
+komen, in allerijl terugkeerde. Zonder te bedenken, dat het tijdstip
+nog niet daar was, loste Reede een pistool en deed den Jezuïet,
+gewond, ter nederstorten. Op dit geluid kwamen nu ook de anderen
+het huis uit. "Redt u," zeide Eugenio schielijk tegen zijn makkers:
+"redt u over de plank en trekt die achter u weg! ik zal de sloot
+wel overspringen."
+
+De Jezuïet, die met hem was, volgde dien raad en liep als een haas de
+plank over, die naar de weide bracht, en het veld in. Panne wilde hem
+volgen, doch Bouke, die zijn heer spoedig nagesneld was had het doel
+des vluchtelings geraden, sneed hem bijtijds den weg af en greep hem
+met een gespierde Geldersche vuist in den kraag, terwijl hij met de
+andere hand een pistool op den ontsnapten vloekverwant loste; doch
+vruchteloos, want Panne, wiens krachten door den angst verdubbeld
+waren, belette hem, door de pogingen, die hij deed om zich los te
+maken, een juiste richting aan zijn schot te geven. Terwijl zij
+worstelden, waren de beide edellieden Eugenio genaderd, die hen in
+een rustige en onverschrokken houding afwachtte. Als uit één mond
+klonk nu het bevel: "geef u over, of gij zijt een kind des doods!"
+
+"Aan wie en waarom zoude ik mij overgeven?" vroeg Eugenio: "zijt gij
+roovers of moordenaars, gij, die zonder recht of reden dus gewapend
+dit erf binnendringt?"
+
+"Het voegt u wel dus te spreken," brulde Reede: "vervloekte
+Jezuïet! geef u over of het gaat er door, zoo waar als ik Reede heet."
+
+"Met uw verlof, dan heb ik aan elk van u nog een woordje." Dus
+sprekende, loste hij een pistool op Reede; de kogel floot zijn haren
+door en wierp den vederhoed in 't gras.
+
+"Wilt gij niet goedschiks, dan met dwang," zeide Falckestein, hem
+met zijn degen in de zijde kwetsende.
+
+"En dat is voor u," grinnikte Eugenio, terwijl hij met de gesloten
+vuist aan Falckestein een zoo geweldigen slag op het hoofd toebracht,
+dat de Graaf bedwelmd ter aarde stortte. Als ongedeerd liep toen
+Eugenio naar de plank, die op den rijweg bracht, en wilde die
+oversnellen, toen Reede hem in den gordel greep. Doch met evenveel
+gemak, als had hij een kind opgenomen, slingerde de Jezuïet zijn
+weerpartij van zich af, wierp de arme Heer van Sonheuvel midden in de
+sloot, ijlde de plank over, trok die achter zich weg en riep, terwijl
+hij het paard van den Ritmeester losmaakte en besteeg, dezen toe:
+"denk nu op uw gemak eens na of gij u de preek van Uyttenbogaert niet
+herinneren kunt."
+
+"Ziedaar! dat is om u aan mij te herinneren," schreeuwde Reede,
+zijn tweede pistool op hem losbrandende.
+
+"Die is raak!" riep Eugenio: "van elk een wond; _sed ultio dabitur
+septuagies septies_, [9] als de Schrift zegt."--Met deze woorden reed
+hij met losse teugels weg en verloor zich ras in de duisternis.
+
+Inmiddels was Falckestein weder bijgekomen: opgestaan zijnde, hielp
+hij den Ritmeester, die vast vloekte en tierde, uit de sloot. Bouke
+had zijn weerpartij nu geheel onder den voet en was bezig den armen
+Panne met een end touw vast te knevelen, terwijl hij hem intusschen
+eenige troostvolle spreekwoorden opdischte, als b. v.: "ja kereltje,
+zoo gaat het: boontje komt om zijn loontje: die kwaad doet, kwaad
+ontmoet: 't is alle dagen geen vastenavond!" enz.
+
+Aan het achterhalen der vluchtelingen was niet te denken; men
+besloot dus Panne wel te bewaren en Bouke om den schout te zenden;
+dan, hoe keek de goede lijfknecht op, toen hij de planken overal
+teruggetrokken vond en de drie paarden weg; want Eugenio had, uit vrees
+van achtervolgd te worden, de rijdieren alle losgebonden. Hij begaf
+zich nu naar den kant van het weiland, doch ontdekte tot zijn spijt,
+dat de in 't begin gewonde Jezuïet, op wien men geen acht geslagen had,
+was opgestaan en van die zijde ontsnapt, na ook die plank achter zich
+weggehaald te hebben.
+
+Dus opgesloten op het erf, zouden zij zich genoodzaakt hebben gezien,
+den dag af te wachten, indien niet eenige boeren uit den omtrek het
+schieten gehoord hebbende, den schout waren gaan waarschuwen, die
+na een paar uren toevens met zijn dienaars verscheen en allen, zoo
+de bewaarders als den gevangene, met zich naar het dorp voerde. De
+gevluchte Jezuïeten werden niet gevonden; doch de paarden, welke
+Eugenio waarschijnlijk, bij het aanbreken van den dag, uit vrees van
+herkend te worden, in vrijheid had gesteld, werden door het landvolk
+opgehouden en den eigenaars teruggegeven.
+
+Bij het verhoor bekende Panne, dat hij van Yperen in Vlaanderen
+geboortig en beurtelings kruier, koopman en makelaar geweest was. Tot
+armoede vervallen, hadden hem de Jezuïeten van Douai, aan welke hij
+zijn nood klaagde, vermaand iets groots te verrichten, waardoor
+hij, al kwam hij er bij om, duizend zielen verlossen en zelf den
+hemel verdienen zoude. Hem werden, zoo hij de straf ontsnapte, 200
+£vl. vanwege den Prefect Provinciaal en Rector der Jezuïeten toegezegd,
+alsmede het stadsbodenambt van Yperen. Op deze belofte had hij zich
+naar Den Haag begeven, waar verschillende omstandigheden zijn oogmerk
+verijdeld hadden. De Katholieke Hofstede, die aan zekeren Melchior,
+een geheimen Jezuïet, toebehoorde, had gedurende dien tijd tot de
+plaats der bijeenkomsten gediend.
+
+Niet lang na de gevangenneming van Panne, kwam uit Engeland de tijding,
+dat zekere Edward Squire, mede door Jezuïeten opgemaakt, wegens een
+aanslag op het leven der Koningin en des Graven van Essex gevat was;
+zoowel deze, als Panne, werden met den dood gestraft, toonende deze
+laatste op het schavot groot berouw.
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Gelyck een ingeborsten stroom
+ Zal 't ingelaten heir
+ Verdrencken al den Duitschen boôm
+ En bruizen als een meir.
+
+ _Vondel_, op de tweedraght der Christen Princen.
+
+
+Nadat de Graaf van Falckestein bij Graaf Maurits en de Staten het
+doel zijner zending verkregen had, keerde hij in den zomer deszelfden
+jaars 1598 naar zijn kasteel van Bruck, waar hij, kort daarna, den
+nieuwen Vorst van Kleef, die zijn gebied rondreisde om zich te laten
+inhuldigen, luisterrijk ontving.
+
+Intusschen had de Koning van Spanje aan zijn dochter Izabella Clara
+Eugenia de Nederlanden en Bourgondië overgedragen onder de voorwaarde,
+dat zij haar vollen neef, den Prins Kardinaal Albertus van Oostenrijk,
+zou huwen, waartoe de Paus alreeds de vrijheid verleend had. Deze
+opdracht, welke door den Infant Filips, 's Konings erfopvolger,
+bevestigd en goedgekeurd was, geschiedde op Woensdag 6 Mei 1598.
+
+De Infante, die te Madrid bleef, gaf aan haar aanstaanden echtgenoot
+volmacht om deze landen in haren naam te aanvaarden, 't geen hij op
+den 22sten Augustus te Brussel verrichtte, waarna hij het geestelijk
+gewaad aflegde en den Amirant van Arragon, Don Francisco de Mendoza,
+tot Opperbevelhebber van een machtig leger aanstelde; hem Graaf
+Frederik van den Bergh als Veldmaarschalk toevoegende. Dit aldus
+beschikt hebbende, vertrok hij naar Spanje, en liet den Kardinaal
+Andreas van Oostenrijk achter als Gouverneur-Generaal.
+
+Dadelijk besloot deze, met overleg van den Raad van State, tot
+een tocht in Kleef, Gulik en Westfalen, om deze landen onder den
+naam van beschermheer te vermeesteren: want hij begreep, dat de
+Vereenigde Nederlanden nergens beter dan uit deze gebuurlanden
+besprongen en in bedwang gehouden konden worden. Voor deze en
+dergelijke aanvallen hadden de Staten-Generaal den Raad van Kleef
+reeds meermalen gewaarschuwd, en Falckestein had zijn landslieden,
+bij zijn terugkomst, sterk tot waakzaamheid aangemaand; doch de
+invloed van eenige Spaanschgezinde Raadsheeren had, tot nog toe, alle
+dadelijke gereedmaking tot verwering tegengehouden. Alleen hadden,
+op verzoek des Vorsten van Kleef, de Hanevederen van den dapperen
+Ulrich van Daun sommige plaatsen bezet.
+
+Het was in den beginne der maand September, dat Mendoza en Bergh
+met een ontzettend heir de Maas bij Roermond overstaken en hunne
+wapenen tegen Orsoy wendden. Vergeefs weigerde de Maarschalk Horst met
+zijn Hanevederen hun den doortocht, op grond dat Orsoy op onzijdig
+grondgebied gelegen was: de stad werd beklommen en, spijt allen
+wederstand, bemachtigd. Op het hooren dezer tijdingen verzamelde
+Maurits zijn leger te Arnhem, zond bezetting in Zutfen, Lingen en
+Oldenzaal, en bracht zijn hoofdkwartier te Zevenaar.
+
+De Vorst van Kleef, niet minder bedacht voor de groote onheilen,
+die zijn landen bedreigden, en wenschende, zoo 't eenigszins mogelijk
+ware, het naderend onweder te stuiten, riep op den 25sten September
+den Landdag bijeen: het was, wel is waar, niet dan met schroom dat
+hij hiertoe besloot, zoo wegens de Spaanschgezindheid van sommige,
+als om de weifelende gemoedsgesteldheid der meeste edellieden; dan hij
+steunde veel op den drang van het oogenblik en op de welsprekendheid
+van den Graaf van Falckestein, die hem beloofd had, alles te zullen
+aanwenden, om den Raad tot het uitschrijven van een veldtocht te nopen.
+
+De uitkomst echter liet zich gunstig aanzien. Uit een zware ziekte
+kortelings hersteld en nog bij de minste aandoening bedremmeld en
+sprakeloos, was de Vorst niet in staat zijn voordracht ten einde
+te brengen: de Spaanschgezinde Raadsheeren, door 's Voorzitters
+stilzwijgen aangemoedigd, droegen met klem van redeneering voor, hoe
+dwaas en ijdel aan de eene zijde de wederstand zoude wezen, tegen zoo
+geducht een vijand als den Amirant: en hoe voordeelig van den anderen
+kant een vast verbond ware, dat aan Kleef de vriendschap van Spanje
+en Oostenrijk verwierf. Met een smeekend oog, waar tranen van spijt en
+droefheid in zwommen, zag de Vorst zijn getrouwen Ulrich aan, doch wat
+de Graaf ook tegen de drogredenen der andersdenkenden mocht invoeren,
+het scheen op de vergadering weinig of geen invloed uit te oefenen;
+waarop hij eindelijk, over hun slaphartigheid vertoornd, in drift
+oprees en zwoer, zich aan alle verdere beraadslagingen te zullen
+onttrekken en op zijn eigen slot met zijne Hanevederen de vijanden
+gaan afwachten. Dan, op dit oogenblik werd de vergadering verrast
+door het binnentreden eener vrouw van middelbare jaren, trotsche
+en majestueuse houding, op wier gelaat de kommer geschreven stond,
+terwijl een somber rouwgewaad aan haar weemoedigen blik nog meer
+treurigheid bijzette. Deze vrouw was Sibille, 's Vorsten zuster en
+vertrouwde. Met ernst en stoutmoedigheid ving zij aan, den Raad zijn
+lafheid en verwaarloozing van 's lands belangen in een zoo gevaarlijk
+tijdstip te verwijten: met zwarte kleuren schilderde zij de ontrouw
+en de list af der Spanjaards en vergeleek Mendoza's bescherming
+bij die van den wolf, onder wiens hoede zich, als de fabel meldt,
+de onnoozele schapen begaven. Op deze en dergelijke redenen, meest
+geschikt om een diepen indruk te verwekken, volgden nadrukkelijke
+smeekgebeden, met bittere tranen gepaard, welke, langs de kaken eener
+schoone en algemeen geachte vrouw afvlietende, niet konden nalaten,
+ook de verhardste gemoederen te roeren. De Ridderschap wist zij in
+haar eer, de Raden en Landsafgevaardigden in hun belang zoo verstandig
+te treffen, dat men, zoo al niet tot oorlogvoeren, ten minste tot
+verdediging besloot; aan den Graaf van der Lippe werd bevel gegeven,
+zooveel volks tot bescherming van den lande te werven als hem mogelijk
+was, en te Dortmond de vijf Nederkreitsen saam te roepen om over de
+algemeene belangen te raadplegen. Bovendien schreef de Vorst aan den
+Keizer en al de Rijksgrooten, om zich over het hem aangedaan geweld
+te beklagen en spoedige hulp te verzoeken. In 't laatst derzelfde
+maand werd de Nederwestfaalsche Kreits te Dortmond vergaderd, waar
+Falckestein aan al de aanwezigen zulk een moed in 't lijf sprak,
+dat er eenparig besloten werd, den Graaf van der Lippe naar Mendoza
+te zenden, Orsoy wederom te eischen en bij weigering het geschonden
+recht met de wapenen terug te vorderen.
+
+Het was na het scheiden dezer vergadering, op een schoonen
+herfstmorgen, dat Falckestein met een twintigtal ruiters de Roer
+langs reed om zich naar zijn slot van Bruck te begeven, het oogenblik
+reikhalzend te gemoet ziende, waarin hij zijn beminde gade en lieve
+kinderen weder aan zijn hart zou drukken. Reeds zag hij de donkere
+torens van zijn voorouderlijk slot tegen de heldere lucht afsteken,
+en zijn boezem klopte van genoegen op de gedachte, dat ook dit
+aloud verblijf van vaderlandlievende helden geen Spanjaards tot
+beschermheeren zou behoeven te dulden. Dan, toen hij naderbij kwam,
+zag hij met verwondering op een der torens een aantal krijgslieden
+vergaderd, die met drift schenen te spreken en naar den Rijnkant te
+wijzen. Terwijl hij bepeinsde wat hiervan de oorzaak wezen mocht,
+kwam hem een ruiter, die zooeven het slot was uitgesneld, in vollen
+draf te gemoet rennen.
+
+"Wel Hensken!" sprak de Graaf: "wat komt gij ons met zulk een spoed
+boodschappen? Hoe varen Mevrouw en de kleinen?"
+
+"Zeer wel Goddank, Uwe Genade! en waarschijnlijk zeer verheugd over
+uwe terugkomst," gaf de Haneveder in zijn Platduitsch ten antwoord:
+"voorwaar! Uwe Genade had nooit op een beter tijdstip kunnen
+terugkomen."
+
+"Wat is er dan gaande? Ik wil niet hopen, dat er onraad op het
+slot zij?"
+
+"Nog niet, Uwe Genade; doch het zal niet lang meer duren. Wij hebben
+dezen morgen van de burchttinne twee vendels Spaansche ruiters
+gezien, die hierop aanhouden en voorzeker niets goeds in den zin
+hebben. Mevrouw gelastte mij, Uwe Genade te gemoet te rijden en te
+verzoeken, zooveel spoed te maken als de nood vereischt. Goddank,
+dat Uwe Genade hier tijdig genoeg is om ons allen uit de verlegenheid
+te helpen."
+
+Aldus sprekende waren zij de ophaalbrug genaderd en het slot
+binnengetreden. Niettegenstaande zijn geest door het ontvangen bericht
+weinig tot vroolijkheid gestemd was, kon Falckestein echter den
+onwillekeurigen lach niet bedwingen, die bij hem oprees op het vreemde
+schouwspel dat zich hier vertoonde. Alles was op het binnenplein
+in beweging: de rentmeester, een deftig, lang, mager persoon, liep
+met een ouden stormhoed en een rapier van twee ellen lang gewapend,
+op en neder, en hield het toevoorzicht over de maatregelen, die de
+burchtzaten ter hunner verdediging namen: in het spreekvertrek werden
+kogels opgestapeld en vaatjes buskruit binnengewenteld: op de plaats
+ontlaadde men hooi- en mestkarren: hier bracht men vier veldstukjes
+in orde: daar maakte men vuurroeren en lansen schoon: ginds droeg
+men meelzakken naar de zolders: in den stal hinnikten de paarden:
+in de groote benedenzaal, welke nu mede voor stal dienen moest,
+liepen loeiende runddieren, blatende schapen en knorrende varkens
+door elkander. Hier hoorde men het rollen van wagens, ginds het
+kletteren van wapenen: wat verder het geblaf der honden, het gekakel
+der kalkoenen en het schril gekwaak der ganzen: en in 't midden van
+dit alles zette de oude rentmeester zijn piepende en schorre stem
+uit om al dat geraas te overschreeuwen.
+
+Dan, nauwelijks was het hoefgetrappel van 's Graven ruiters op de
+brug gehoord geworden over het plein, of het verward geschreeuw:
+"daar is de vijand!" liet zich van alle zijden hooren. De rentmeester
+zocht vergeefs zijn rapier uit de verroeste scheede te halen en
+viel in 't achteruittreden over een logge gans, met de beide beenen
+in de lucht. De overigen, die hem al doodgestoken waanden, zochten
+overal naar een goed heenkomen, wanneer de juichtoon: "het is zijn
+Genade!" den algemeenen schrik in luide blijdschap veranderde.
+
+"Hoe!" zeide Falckestein, bij 't afstijgen, tot den Rentmeester:
+"begint gij den strijd tegen de ganzen, om te beproeven hoe het
+naderhand tegen de Spanjaards gaan zal?"
+
+"Met verlof," zeide de Rentmeester, terwijl hij opstond en zich de
+ruggestreng wreef: "die duivelsche degen zit zoo vast in de scheede,
+dat ik hem voor betooverd houde."
+
+"Zoo ik wel zie, is het de degen van mijn bet-overgrootvader Werner:
+ik wil gelooven, dat hij de scheede ongaarne verlaat, waarmede hij
+nu ruim een eeuw in een zoo nauwe betrekking heeft gestaan;.... doch
+daar is Mevrouw!"....
+
+"God zij geprezen dat ik u wederzie, mijn beminde!" riep de Gravin,
+die op dat oogenblik, met haar oudsten zoon aan de hand en het jongste
+knaapje op den arm, de slottrap afkwam en haar gemaal tegentrad.
+
+"Ik bemerk," zeide de Graaf, terwijl hij haar en de kinderen met
+aandoening omhelsde, "dat ik op een gelegen tijdstip terugkom: dan,
+de oogenblikken zijn kostbaar en moeten niet verwaarloosd worden:
+laten wij binnengaan en gij zult mij alles verhalen, wat tot deze
+aanstalten aanleiding geeft. Gij, Feurich!" (deze was aan het hoofd
+der met hem gekomen ruiters) "zult den ouden Beckman bijstaan in
+het gereedmaken der verdedigingsmiddelen: Hensken, laat de poorten
+sluiten en de brug ophalen: ik zal terstond weder hier zijn."
+
+Zoo sprekende, geleidde hij zijn vrouw naar een binnenvertrek en
+verzocht haar, hem nauwkeurig te verhalen, wat haar voor een aanval
+vreezen deed.
+
+Na eenige diepe zuchten en tranen, sprak zij aldus: "Helaas! sedert uw
+vertrek naar Dortmond, nu acht dagen geleden, hebben wij geen oogenblik
+rust gehad. Gij waart nog geen twee uren weg, toen verscheiden boeren
+onze bescherming kwamen verzoeken, bitter klagende, dat de Spanjaards
+hun woningen verbrand en hun vee geroofd hadden: ditzelfde verzoek,
+diezelfde klachten werden van toen af dagelijks door anderen herhaald,
+zoodat ik, eindelijk bemerkende dat, door die lieden te onderhouden, de
+leeftocht van het slot te spoedig zou verteerd zijn, mij genoodzaakt
+zag, hun mijns ondanks allen verderen bijstand te weigeren. Dan,
+eergisteren verscheen hier een Spanjaard, zich noemende Fernando
+Lopez, die, op last van den Amirant, zoo hij voorgaf, u des Veldheers
+bescherming aan kwam bieden, mits gij u bereid toondet de Spaansche
+zijde te kiezen en den Roomschen Godsdienst te omhelzen. Tijd hopende
+te winnen, verzocht ik hem uw terugkomst af te wachten; doch dit
+verkoos hij niet: hij reed, naar mij voorkwam vrij onvoldaan, naar
+Orsoy terug. Hedenmorgen berichtte mij de torenwachter, dat hij in
+'t westen krijgsvolk had zien overvaren: ik gaf dadelijk aan Beckman
+last eens na te zien, welken voorraad en krijgsbehoeften wij hadden,
+en begaf mij naar de tinne, om met eigen oogen te zien wat er gaande
+was: ofschoon mijn mingeoefend gezicht niet zoo dadelijk ontwaarde
+hetgeen Peter zoo vervaard had, bespeurde ik echter langzamerhand, dat
+er werkelijk manschappen in aantocht waren. Naar zijn gissing kunnen
+zij echter niet voor den nacht hier zijn, ten minste zoo zij geschut
+bij zich hebben omdat zij de hoogte en het bosch moeten omtrekken."
+
+"Dan is het nog tijd alles tot afweer in gereedheid te brengen,"
+hervatte de Graaf: "wat u betreft, mijn beste, ik mag u niet aan de
+wisselvalligheden van eenig beleg blootstellen: deernis met uw lot en
+dat onzer kinderen zouden mij misschien beletten mij zoo kloekhartig
+te gedragen, als mijn plicht mij gebiedt. Ik zou om uwentwil een slot
+opgeven, dat ik zonder u tot den laatsten droppel bloeds verdedigen
+kan; ook voegt het mij, bij de weinige mondbehoeften, die wij bezitten,
+mij van alle onnutte monden te ontslaan.--Geen tegenspraak! het is
+mijn vast besluit: omhels mij en ga alles tot uw vertrek gereedmaken."
+
+De Gravin, schoon even teederhartig als Badeloch, had niets van het
+heldhaftige, dat Gysbrechts echtgenoote kenmerkte. Onder het storten
+van een vloed van tranen omhelsde zij haar gemaal, en beloofde hem
+zijn last te zullen volgen. "Helaas!" voegde zij er schreiend bij,
+"moet ik u na een zoo langdurige afwezigheid enkel terugzien om weder
+afscheid te nemen?"
+
+"Afscheid nemen!" herhaalde een stem: "en waarom afscheid nemen?"
+
+Met het uiten dezer woorden trad een vrouw in burgerkleeding binnen,
+een knaapje van acht of negen jaren aan de hand houdende.
+
+"Ja mijn goede vrouw," zeide de Gravin; "wij vertrekken. Het slot van
+Bruck levert geen veilige wijkplaats meer op aan vrouwen zooals wij."
+
+"Niet?" vroeg de vreemdelinge met verbazing: "en sedert wanneer zijn
+vaste sterkten minder veilig dan het open veld?"
+
+"Mijn echtgenoot beveelt," zeide de Gravin: "en ik gehoorzaam."
+
+"Wie is die vrouw?" vroeg de Graaf halfluid aan zijn vrouw.
+
+"Een vluchteling," antwoordde deze, "wier huis door de Spanjaards
+vernield is."
+
+"En gij zoudt u opnieuw aan hun woede willen blootstellen?" zeide
+Falckestein, op een bevreemden en ontevreden toon tegen de vreemde.
+
+"Dat zou ik, door af te reizen," antwoordde deze: "hier valt niets
+voor mij te vreezen."
+
+"'t Kan zijn," hernam Falckestein koel: "doch het strookt niet met
+mijn oogmerken, dat vrouwen hier blijven. Een goed geleide zal de
+Gravin naar een veilige wijkplaats voeren: gij moogt daarvan, naar
+verkiezing, al of niet gebruik maken; doch hier kunt gij niet blijven."
+
+"Welnu!" zeide de vrouw: "de Gravin van Falckestein heeft de arme
+Magdalena, toen zij om bescherming smeeken kwam, die niet geweigerd:
+Magdalena zal de Gravin thans ook niet verlaten. Wellicht is het
+oogenblik niet verre af, dat zij mijne hulp zal noodig hebben." Met
+deze woorden wendde zij zich om en verliet het vertrek.
+
+Binnen twee uren waren alle vrouwen en kinderen reisvaardig. Acht
+kloeke ruiters, onder het bevel van den wakkeren Hensken, en een gelijk
+getal gewapende landlieden, ontvingen last, de vluchtelingen naar
+Kleef te geleiden en aldaar van den Vorst bescherming en huisvesting
+voor hen te verzoeken. Met den middag vertrokken zij.
+
+Ondertusschen had zich de Graaf verscheidene reizen naar den toren
+begeven en vandaar de nadering der Spaansche benden bespeurd, die
+langzaam, in benden afgedeeld, in aantocht waren. Tegen den avond
+belette hem zoo de duisternis als de hoogte, die de vijand om moest
+trekken, iets meer van hem te onderscheiden. Het vertrek zijner
+gemalin had zijn hart van een groote zorg ontslagen, zoodat hij met
+koel beleid zijn maatregelen kon bewerkstelligen. Hij bevond, dat de
+bezetting thans bestond uit zestig ruiters, twintig musketiers en een
+veertigtal zoo gewapende als ongewapende landlieden uit den omtrek,
+van welke laatsten het getal nog gedurig aangroeide. Tot onderhoud
+dezer menigte had hij leeftocht voor een maand: de vier veldstukken
+waren in een goeden staat: voorraad aan kruit was er genoegzaam:
+van achteren was het slot door de rivier en aan de drie andere zijden
+door breede grachten verdedigd en de wallen waren in volkomen orde. De
+overtuiging van dit alles vervulde hem met een moed, welken hij zonder
+moeite ook aan de zijnen wist mede te deelen. De hemel had echter
+besloten dat de wederstand vruchteloos zijn zoude, en dat juist zijn
+bezorgdheid omtrent zijn vrouw hem ten verderve zou wezen.
+
+Met het doorbreken der eerste zonnestralen zag men van het slot de
+twee Spaansche vendelen op den afstand van ongeveer twee kanonschoten
+aan de wederzijden van een klein boschje halt maken: en het leed
+geen half uur, of een ruiter, in volle wapenrusting uitgedost en van
+een trompetter vergezeld, naderde de valbrug en verzocht, tot een
+mondgesprek te worden toegelaten. Het verzoek werd ingewilligd en de
+Graaf reed den zendeling te gemoet, die opgaf te zijn Diego de Velasco,
+Hopman in Spaanschen dienst, afgezonden door Fernando Lopez, Kapitein,
+met last om het slot van Bruck in naam van de Infante op te eischen,
+en de overlevering te vorderen van tien Hanevederen, die tegen de
+Spaanschen, zooals hij voorgaf, geweld hadden uitgeoefend, bij gebreken
+waarvan hij, Fernando Lopez, het slot zou doen beschieten en bestormen.
+
+Met beleefdheid toonde de Graaf hem aan, dat het kasteel van Bruck
+een leen was van den Hertog van Berg, met wien de Koning van Spanje
+op een voet van vrede leefde: dat hij dus aan geen zoo vreemde als
+onbillijke eischen kon voldoen; maar het kasteel zijner vaderen tegen
+geweld en overlast verdedigen zou.
+
+"Ik verwachtte geen ander antwoord van zoo braaf een edelman als de
+Graaf van Falckestein," zeide Don Diego: "het doet mij echter leed,
+Heer Graaf! dat uw koenheid u noodlottig zal moeten wezen: binnen
+weinig tijd zien wij elkander weder." Deze woorden geuit hebbende,
+groette de Hopman hem beleefdelijk, wendde den teugel en reed in vollen
+draf naar zijn vendel terug, terwijl de Graaf, in zijn slot gekeerd,
+de brug liet inhalen en alles tot afweer gereedmaken.
+
+Het duurde niet lang, of de vijand begon de noodige toebereidselen
+tot den aanval te maken. Het eene vendel, in vier benden afgedeeld,
+trok regelrecht op het slot aan, richtte zijn geschut op den voormuur
+en begon weldra eenige kogels op de wallen af te zenden, zonder echter
+eenige schade aan te richten. Reeds begon de Graaf te denken, dat dit
+beschieten alleen moest dienen om hem vrees aan te jagen én tot de
+overgave te nopen, toen hij bericht ontving, dat het tweede vendel,
+hetwelk inmiddels de Roer was overgevaren, van den kant der rivier
+een aanval scheen te zullen wagen.
+
+"Indien zij volks genoeg hebben, kunnen zij gemakkelijk in den tuin
+komen," zeide Feurich, die deze tijding bracht: "de vischkaar en de
+steiger steken zoover in 't water uit, dat zij in een oogenblik de
+rivier over zijn."
+
+"Gij hebt gelijk," antwoordde de Graaf, die, den omgang aan de
+voorpoort op en neder wandelende, de op de slotbrug aanrukkende
+vijanden inmiddels in 't oog hield: "doch wij hopen het hun te
+beletten. Wordt het geschut op den achterwal goed bediend?"
+
+"Voortreffelijk," hernam Feurich: "maar wat vermag één veldstukje
+tegen een menigte, die verspreid en op verschillende zijden de rivier
+oversteekt?"
+
+"Welnu!" zeide de Graaf, na een oogenblik beraad: "neem tien boeren en
+even zooveel scherpschutters met u: verdeel deze laatsten in den tuin
+en op het vischhuisje en doe de boeren den steiger bezetten: laten de
+schutters hun kruit en lood niet verspillen, maar vijf aan vijf vuren
+en beurtelings weer laden. Vooral moet er geschoten worden op die
+Spanjaards, die werkelijk te water gaan. Deinst de vijand, zoo wacht
+gij mijn naderen last; zetten zij den aanval door, zoo plaatst gij al
+uw volk op den kant van 't water, laat algemeen vuur geven en zendt
+mij er bericht van: dan zal ik u met de helft der Hanevederen komen
+versterken.--Ik vermoed, dat de aanval, die hier op den voormuur gedaan
+wordt, slechts dienen moet om ons te misleiden; doch tot ik daarvan
+de zekerheid heb, dien ik hier te blijven.... wacht, Rudolf! richt
+het geschut eens tegen dat hoopje, dat daar linksaf uit het boschje
+aankomt.--Juist zoo! nu vuur, mijn vriend!--heerlijk getroffen! Zaagt
+gij dien langen schelm met zijn roode pluimage nederstorten en over
+den kop in 't zand buitelen?--Hier gij knapen! aan de poort! houdt
+uw bussen klaar; doch schiet niet voordat gij mijn bevel verneemt."
+
+Intusschen was Feurich de bevelen van zijn heer nagekomen en had
+hij zijn manschappen, in den tuin, op de hem voorgeschreven wijze
+post doen vatten. Deze tuin en de daarbij behoorende boomgaard waren
+geplant in de ruimte, bevat tusschen twee sterk vooruitspringende,
+met bolwerken en torens voorziene, achtervleugels van het gebouw. De
+rivier, die het slot bespoelde, en een steenen borstwering, die er
+langs liep, waren de enige hinderpalen, welke de vijand te overwinnen
+had om in dien tuin te geraken, en de, gelijk Feurich had aangemerkt,
+ver vooruitspringende steiger en vischkaar konden hem den overtocht nog
+gemakkelijker maken. Wel is waar, het veroveren van den tuin maakte
+den vijand nog geenszins meester van het slot, waar hij niet dan na
+het overrompelen van verscheiden sterke en wel bewaakte ingangen kon
+binnendringen; doch het was niettemin van het hoogste belang hem te
+beletten een post te bemachtigen, van waar hij den belegerden den
+grootsten last en ongerustheid baren kon.
+
+Stil als de dood, dien zij zenden moesten, stonden de musketiers,
+elk achter een boomstam beschut, op het sein te wachten; terwijl de
+boeren, op den steiger geschaard, hun knuppels en vorken met drift
+in 't rond zwaaiden en met woorden en gebaarden den aanrukkenden
+vijand sarden, als wilden zij hem tot den overtocht bewegen. Velasco,
+die dit vendel der belegeraars aanvoerde en achter een dijkje aan
+de overzijde der rivier voor het geschut beveiligd lag, bedwong hun
+drift, tot al zijn manschappen vereenigd waren. Toen liet hij de twee
+kleine schuitjes, waarmede hij de overvaart gedaan en die hij met zich
+gevoerd had, met zooveel soldaten bemannen, als de zwakke vaartuigen
+dragen konden, en gaf bevel aan diegenen onder zijn krijgsknechten,
+die de beste zwemmers waren, zich van hun bovenkleederen te ontdoen
+en het water te doorwaden, ten einde den aanval alzoo gelijktijdig op
+verscheidene punten te bewerkstelligen en de belegerden in verlegenheid
+te brengen. Het overschot zijner manschappen bleef op den oever in
+'t gras liggen en poogde, door een wel onderhouden vuur, den overtocht
+te dekken en de landlieden van hun post op den steiger te verdrijven.
+
+Feurich, die op de vischkaar stond, liet de aanvallers tot op
+halverwegen naderen en gaf toen het sein aan zijn musketiers, door
+zelf een pistool op een der Spaansche onderofficieren te lossen,
+die, doodelijk getroffen, uit de boot in 't water plompte. Vijf
+musketschoten vielen, en even zoovele Spanjaards stortten gewond
+achterwaarts of rolden kermend uit de schuiten. De zwemmenden kozen
+den terugtocht, gelijk ook een der vaartuigen, dat, toen er nogmaals
+uit den boomgaard vuur gegeven was, meer gekwetsten dan gezonden aan
+boord had. Het andere schuitje naderde echter den steiger; het was
+met kloeke en nog ongedeerde kerels bemand, die nu van hunne zijde
+op de boeren met goed gevolg vuur begonnen te geven.
+
+"Hier Heinrich! Walter! hier!" riep Feurich: "helpt mij die schurken
+eens begroeten." Dit zeggende had hij met de twee boeren een balk
+opgeraapt, die naast den steiger lag. Zij brachten die met vereende
+krachten vooruit om het vaartuig te keeren: een goede uitslag
+bekroonde hun pogingen: het schuitje werd niet alleen afgeweerd,
+doch het kantelde, wierp zijn manschap overboord en dreef ledig naar
+den overkant terug.
+
+Een luid gejuich bekroonde deze welgeslaagde verrichting, en de
+boeren zonden bitse spotternijen tot de belegeraars, die doornat en
+meerendeels gewond tot de hunnen waren teruggedropen. Dan Velasco
+gaf het niet op, en wilde zijn volk nogmaals den aanval op dezelfde
+wijze doen beproeven.
+
+"Zoo zal het nooit gaan," zeide een monnik, die naast den aanvoerder
+stond: "zij moeten allen te water, en gelijktijdig, _quasi vir unus_,
+[10] gelijk de Vulgata zegt."
+
+"Ik weet, eerwaarde Vader!" zeide Velasco, "dat gij een begenadigd man
+zijt, die door een hoogeren geest geleid wordt: doch veroorloof mij
+in krijgszaken van u te mogen verschillen. Wie zullen den overtocht
+dekken, zoo allen te water gaan?"
+
+"En wat hebben die manschappen, die den overtocht dekken moesten,
+thans uitgericht?" vroeg de monnik: "door ons te verdeelen, zullen wij
+de belegerden in de war brengen. Geloof mij, jongeling, en gehoorzaam
+aan mijn ondervinding! Zend de helft van uw volk op den steiger af, en
+de andere op den boomgaard, en ik sta u borg voor een goeden uitslag."
+
+"Uw borg zal mij veel baten, als ik mijn Oversten rekenschap moet
+geven van het bloed der dapperen, die ik ter slachtbank voer,"
+hernam Velasco.
+
+"Jongeling!" zeide de monnik ernstig en den vinger opheffende:
+"Gij kent de waardigheid, die ik hier bekleed: leer daaraan te
+gehoorzamen. Het zal geschieden zooals ik zeg."
+
+Velasco beet zich op de lippen van toorn. "Het zal dan geschieden,"
+zeide hij "doch niet op mijn last."--"Spitsbroeders!" vervolgde hij,
+terwijl hij zich tot zijn manschappen wendde en op den monnik wees:
+"ik ben uw geleider niet meer. Ziet hier den man, die u ten zege
+voeren zal. De eerwaarde Pater wordt uw Hopman."--Dit gezegd hebbende,
+ontdeed hij zich van zijn sjerp, smeet die den monnik voor de voeten
+en trad terug.
+
+De soldaten zagen elkander verwonderd en besluiteloos aan. "_Docebo
+vos viam rectam_!" [11] riep de geestelijke, een zwaard uit de handen
+van een der manschappen grijpende: "Ik zal u zelf het voorbeeld geven
+en u aantoonen, hoe de zege behaald kan worden."
+
+Onder het uiten dezer woorden stapte hij in een der schuiten, gaf
+last aan een viertal schutters hem te vergezellen, liet het andere
+vaartuig met vijf van de kloekste Spanjaards bemannen, gebood aan al,
+wie moed had en toonen wilde, dat het hem ernst was roem en prijs
+te behalen, zich te water te begeven, en stak van wal. De soldaten,
+door zijn voorbeeld aangemoedigd, schenen hun vorigen tegenspoed
+vergeten te zijn en zwommen hem spoedig na, zoodat Velasco schier
+alleen aan den oever staan bleef. Deze bevond zich nu in den toestand
+van een kind, dat, met zijn ouders wandelende, hen niet heeft durven
+vergezellen voorbij het een of ander schrikbarend voorwerp, b. v. een
+hondenhok of een oude bedelaarster, en, nu, daar zijn ouders, hem
+uitlachende, zijn voortgewandeld, niet weet of het wel op dezelfde
+plaats zal blijven staan, of het terugkeeren dan wel of het zijn
+ouders inhalen en alzoo het voorwerp van zijn angst zal voorbijgaan,
+tot welk laatste het echter eindelijk al bevende besluit. In zooverre
+echter gaat deze vergelijking kwalijk, dat Velasco niet uit vrees,
+maar alleen uit wrevel tegen den monnik was blijven staan. Toen hij
+echter de uitwerking zag, welke diens toespraak en voorbeeld op de
+krijgsknechten maakte, begreep hij, zonder zijn eer te krenken, als
+vrijwilliger te kunnen doen, hetgeen hij als Hopman moest nalaten en
+laken; hij sprong in de rivier en zwom weldra al de overigen voorbij.
+
+Ongeveer in 't midden van den stroom gekomen zijnde, gaf de monnik aan
+zijn musketiers bevel, niet op de landlieden, maar op de schutters,
+die achter de boomen in den tuin half verscholen bleven, te vuren,
+'t geen ten gevolge had, dat een paar van deze laatsten gewond en
+buiten staat gesteld werden eenigen verderen dienst te doen.
+
+Feurich wachtte intusschen met zijn twee medehelpers het vaartuig
+als te voren af: de zware balk viel weder op de plecht; doch daar
+de schuit nu niet zoo volgeladen was als de vorige reis, kantelde
+zij niet; met forsche armen klemde de monnik den balk tegen zijn
+borst, trok hierdoor zelf het schuitje nabij den wal, sprong toe,
+greep een der kettingen van de vischkaar en slingerde zich er boven
+op. In hetzelfde oogenblik kwam Falckestein, die de belegeraars aan
+de voorpoort reeds had afgeslagen, met eenige Hanevederen in den
+tuin. Zijn komst verlevendigde den moed der zijnen. Al de musketiers
+snelden naar de borstwering: de Spanjaards, die om den boomgaard waren
+aangerukt, werden teruggedreven, het tweede schuitje omgeslagen en
+Velasco met de zijnen tot den terugtocht genoodzaakt.
+
+Doch de andere helft der bende, die met den monnik gekomen of aan den
+kant des steigers de gracht doorwaad had, wist nog van geen wijken. De
+ijzeren stormhoeden tartten de knuppelslagen, en de rustelooze
+volharding der Spaansche veteranen verwekte een doodschen schrik bij
+de ongeoefende landlieden. De monnik vuurde hen met taal en voorbeeld
+aan. Vreeselijk stond hij op de kaar, met de eene hand om den ketting
+gekneld, terwijl hij met de andere den sabel zwaaide. De verweerders,
+waaronder sommige Roomschen waren, ontzagen zoowel zijn kleed als zijn
+reuzenarm, en weken. Nu op den steiger gekomen, wierp hij zich met
+leeuwenwoede tusschen de Duitschers en sabelde er twee ter neder. Op
+dit oogenblik kwam Falckestein, die voor deze zijde van den tuin
+beducht was, ter ondersteuning der landlieden toegeschoten. Zooras
+de monnik hem in 't oog had, drong hij met geweld door, liep op den
+Graaf toe en gaf hem een zoo geweldigen slag op den kolder, dat hij
+hem had nedergeveld, zoo niet het zwaard in zijn hand gedraaid had.
+
+Onder het toeslaan duwde hij hem deze woorden toe: "_septuagies
+septies_!" [12]
+
+"Ik herken u, vervloekte Jezuïet!" was het antwoord van Falckestein:
+"doch heden zult gij mij zoo gemakkelijk niet ontkomen."
+
+Deze woordenwisseling ging met verdubbelde zwaardslagen gepaard,
+toen eenige Hanevederen, die den Graaf gevolgd waren, gezamenlijk op
+den booswicht aandrongen. Zonder zich te ontzetten, weerde deze hun
+slagen af en zocht den oever te bereiken, doch de boeren, wien het
+gelukt was, den vijand overal te doen deinzen, sneden hem alom den
+pas af en dreigden hem den dood.
+
+"Grijpt hem levend!" riep Falckestein: "de schelm moet geen
+krijgsmansdood sterven. Aan de galg met den vorstenmoorder!"
+
+"_Nondum venit hora mea_," [13] zeide Eugenio, die, schoon hij zich
+omsingeld zag van vijanden, zijn moed noch zijn tegenwoordigheid van
+geest verloren had. Evenals de forsche bulhond, die in een weide
+geraakt, zich door de dreigende hoornen der runddieren van alle
+kanten bestookt ziet, en zich echter uit het gevaar weet te redden,
+zoo ontkwam ook de onversaagde monnik. Grimmig sloeg hij den blik in
+'t rond: hij koos de plek, waar hij een bres wilde maken, in den
+levenden muur, die hem omringde, en noodlottig was die keuze voor
+den ongelukkigen boer, die er het voorwerp van geworden was. Eugenio
+deed een sprong, en de huisman, tegen wiens borst hij belandde,
+lag zieltogend in het gras. Van de verbazing van het oogenblik
+gebruik makende, snelde de Jezuïet van den steiger, plofte als een
+molensteen in het water, dook onder voor de op hem geloste schoten
+en kwam behouden aan de overzijde.
+
+"Welnu," zeide Velasco: "gij ziet den heerlijken uitslag van uw
+onmisbaren aanval!"
+
+"_Me deseruerunt omnes_!" zeide Eugenio: "zij hebben mij allen
+verlaten; maar, dit beloof ik u, morgen zullen wij in het slot zijn;
+vandaag genoeg! Laat nu maar den aftocht blazen."
+
+Falckestein, wel overtuigd, dat hij dien dag geen nieuwen aanval te
+wachten had, liet aan de bezetting de noodige ververschingen toedienen
+en maakte toebereidselen om tegen den volgenden morgen den vijand te
+kunnen verwachten.
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Zie hier uw gemalin.
+ 'k Geleid haar thands bij u, gelijk uw hofknaap, in.
+
+ _Bilderdijk_, Floris de Vijfde.
+
+
+Een nieuwe dag was aangebroken: reeds met zonsopgang stond de Graaf
+met Feurich en den rentmeester op den torentrans om de bewegingen
+der vijanden gade te slaan; dan alles bleef rustig en stil in het
+leger: het was acht uren geslagen, en nog deed niets het voornemen
+tot eenigen aanval vermoeden. "Waarlijk," zeide Feurich, "ik zou
+beginnen te gelooven, dat zij van hun onderneming afzien en eieren
+voor hun geld kiezen: zij zullen zich, met het ontbijt van gisteren
+vergenoegen en willen zeker het middagmaal van heden niet afwachten."
+
+"Zoo zij wilden vertrekken," zeide de Graaf, "hadden wij hun daartoe
+reeds toebereidselen zien maken; doch neen: de meesten ronken nog
+onder hun tenten: alleen de toegangen zijn bezet; waarschijnlijk
+wachten zij versterking uit het hoofdleger, of willen zij ons door
+honger tot de overgave dwingen; maar bij mijn zwaard! zij zullen
+alleen over mijn lichaam in het slot mijns vaders komen."
+
+"Heer Graaf!" riep nu Peter de torenwachter: "ziet Uwe Genade die
+stofwolk van den kant van Duisburg?"
+
+"Ach hemel!" zuchtte Beckman: "dat zijn voorzeker de schapen van Göbel,
+welke zij hebben ontvoerd om zich proviand te verschaffen: een kudde
+van zeshonderd vette beestjes, waarvan Uwe Genade de tienden had:
+dat zulke onbekeerde schelmen die in hun keukens zullen braden!"
+
+"Wat schapen!" hernam de torenwachter: "ik zie duidelijk helmen en
+lansen glinsteren: het zijn versche benden die aanrukken."
+
+"Inderdaad," sprak de Graaf: "doch wat is het? vriend of vijand? Kunt
+gij het vendel niet onderscheiden?"
+
+"Nog niet, Uwe Genade!" antwoordde Peter, "doch ja.... het zijn
+Spanjaarden: ik herken hen aan hun legertrein en orde van aanmarsch."
+
+"Dus nieuwe aanvallers!.... Ha! daar wordt de marsch geblazen en
+Lopez trekt hen met zijn ruiters te gemoet."
+
+"Ik ben maar blijde dat het de schapen van Göbel niet zijn," zeide
+Beckman: "doch hoe zullen wij al dat volk wederstaan?"
+
+"Met Gods hulp en onze dapperheid, Beckman!" antwoordde zijn Heer:
+"wat zegt de spreuk: _werkt_ en _bidt_! ga allen aanzeggen, dat zij
+zich in de groote zaal vereenigen; de Pastor is met Mevrouw vertrokken,
+doch ik zal zelf het gebed doen, en wij zullen den drie-en-twintigsten
+Psalm zingen, die op onze omstandigheden toepasselijk is."
+
+De bevelen van den vromen Graaf werden ten uitvoer gebracht: al wie
+in het slot der Hervormden geloofsbelijdenis was toegedaan, ja, ook
+sommige der Roomschgezinden, verschenen in de groote ridderzaal. Met
+ernst, godsvrucht en klem sprak Falckestein Hem aan, van Wien alleen
+zij hun redding verwachten konden, en smeekte Hem, voor en met hen
+te strijden en hen niet beschaamd te maken in de groote beproeving,
+die zij om Zijnentwille en uit liefde voor hun dierbaar vaderland
+doorstonden. "Of," zeide hij, en hiermede besloot hij zijn aanroeping,
+"indien het Uw wil is, dat wij het getal vergrooten van zoovele
+vrome martelaars, die voor de verdediging van hun vaderland, voor de
+rechten van hunne Overheden, ja wat meer zegt, voor Uwen heiligen Naam
+en ter bewaring Uwer onvervalschte leer, hun bloed hebben vergoten,
+zoo schenk ons lijdzaamheid, volharding en vertroosting in de ure des
+lijdens, opdat wij getrouw den goeden strijd volstrijden mogen en dat
+ook tot ons, als wij ons voor Uwen troon vertoonen om rekenschap af te
+leggen van hetgeen wij op aarde verricht hebben, moge gezegd worden;
+_gij goede dienstknechten: over veel heb Ik u gezet: over veel zijt
+gij getrouw gebleven: gaat in de vreugde uwes Heeren_!"
+
+Plechtig klonk, na dit gebed, het Psalmgezang door de hooge
+slotgewelven: en geen was er onder de aanwezigen, die na den afloop
+der plechtigheid niet bemoedigd en als 't ware meteen nieuw leven
+bezield, de zaal weder verliet. Alleen hij, die de overigen bemoedigd
+had, ondervond zelf die kalmte, die opgewektheid niet, welke het
+hem gelukt was, aan anderen in te boezemen. Falckestein gevoelde,
+niettegenstaande de voordeelen, die hij behaald had, en de gunstiger
+wending, die de zaken voor hem schenen te nemen, zijn boezem beklemd
+en zwaarmoedig, en spoedig keerde hij, om nogmaals te onderzoeken
+welk lot hij te wachten had, met Beckman en Feurich naar den toren.
+
+"Ik zie hun nog geen toebereidselen maken," zeide Peter de wachter:
+"de krijgsknechten zijn bij elkaar op het gras gelegen, en vermaken
+zich met dobbelen en zuipen, die luie varkens als zij zijn! alles is
+nog doodstil...dan ginds komen er soldaten uit het bosch en voeren
+hout mede dat zij gekapt hebben."
+
+"Die schurken," riep Beckman verontwaardigd uit, "het bosch van Uwe
+Genade, daar wij jaarlijks voor tweehonderd kronen aan timmerhout
+uit hakten voor den scheepstimmerman Luiken Luikes te Amsterdam."
+
+"En wat moeten zij op die hoogte bouwen," vervolgde Peter, "daar die
+twee ezels die stammen naar toe sleepen?"
+
+"Och ja!" viel Beckman weemoedig in: "dat zijn de ezels van Lottchen
+Weissmilch: die arme dieren hadden voorzeker niet gedroomd ooit een
+ander werk te zullen verrichten dan koren naar Uwer Genades molen te
+brengen. Wat zal die goede weduwe nu beginnen? En daar, de kleinste van
+de twee, is nog wel met volen: en zulk een arm dier moet paardenwerk
+doen! doch dat heidensch volk heeft deernis met mensch noch beest."
+
+"Gelukkig nog zijn die arme beesten," zeide Falckestein, wien, bij de
+sombere gemoedsgesteldheid waarin hij verkeerde, ook de vrij kluchtig
+uitgedrukte klachten van den goeden rentmeester geen glimlach konden
+afpersen: "gelukkig nog, dat zij slechts een lichamelijk lijden te
+dragen hebben en voor geen zedelijke kwelling vatbaar zijn."
+
+"Maar wat gaan zij nu verrichten?" vroeg Feurich, de oogen strak op
+de werkzaamheden der Spanjaards gericht houdende.
+
+"Zeker," zeide Beckman, "is het hun voornemen een stormgevaarte te
+maken, zooals de Pastor mij wel verhaald heeft, dat Civilis gebruikte
+om het Valkenhof te Nijmegen te bestormen, toen Karel de Groote aldaar
+voor Paus Julius Cesar het bevel voerde."
+
+"Ziet!" vervolgde Feurich, zonder de geschiedkundige aanmerking des
+Rentmeesters te beantwoorden: "Zij zetten twee balken recht overeind!"
+
+"En spijkeren er een derde boven op," voegde Peter er bij; "dat lijkt
+als twee droppels water op een galg."
+
+"Zij willen mij toch niet ophangen eer zij mij hebben," zeide de Graaf,
+wien dit schouwspel een half wreveligen, half vroolijken lach afdwong:
+"of moet dit een schrikvertooning verbeelden, gelijk aan die, waarmede
+zij de bezetting van Orsoy hebben bang gemaakt? Die vlieger zal bij
+mij niet opgaan."
+
+"Ziet!" vervolgde Feurich: "daar komen de Oversten te paard de hoogte
+oprijden; er wordt een kring om de galg gevormd."
+
+"Luistert!" hernam Falckestein, "daar klinkt de trompet, zeker om
+onze aandacht op dit spel te vestigen."
+
+"En nu hoor ik een doffe trom, als bij halsrecht," zeide Peter,
+het oor tegen het vloersteen houdende om beter te hooren.
+
+"Ik zie vrouwen uit het leger komen," zeide Feurich schielijk,
+"vrouwen en kinderen: men brengt die tusschen soldaten den heuvel op."
+
+"Waar? waar?" riep Falckestein.--"Almachtige God! wat zie ik daar?" en
+zijn gelaat werd witter dan de borstwering, waar hij over leunde. Het
+onbedriegelijk oog der liefde had hem in een dier vrouwen zijn Anna
+doen herkennen, die met haar twee zoontjes den heuvel werd opgestuwd.
+
+"Mijn vrouw!" gilde hij: "mijn kinderen! Zij moeten gered
+worden! Feurich! haast u! laten al de Hanevederen opzitten! maak
+alles tot een uitval gereed! Mijn Anna! ik word radeloos!"
+
+Men heeft meermalen opgemerkt, dat lieden, die doorgaans en over 't
+geheel een kalme, bedaarde gemoedsgesteldheid bezitten, en niet dan
+zeer traag tot drift vervoerd worden, in die bijzondere gevallen,
+waarin zij door eene onwederstaanbare zielsaandoening overmeesterd
+worden, hun tegenwoordigheid van geest nog meer verliezen dan anderen,
+aan wie een minder bedaard gestel te beurt viel. Falckestein strekte
+tot een voorbeeld der waarheid van deze opmerking. Zonder eenige kansen
+te berekenen, zonder in te zien, hoe de macht, die hij wilde tegengaan,
+de zijne twintigvoud overtrof, hoe hij zich en de zijnen in een wis
+verderf zou storten, stormde hij de wenteltrap af, vloog naar den
+paardenstal, zat in een oogenblik in een zadel en beschuldigde zijn
+getrouwe dienaars van traagheid, omdat zij niet dadelijk gereed waren
+om hem in 't veld te volgen.
+
+Reeds haalden echter de getrouwe Hanevederen hun paarden den stal uit,
+toen zich het trompetgeschal voor de slotbrug hooren liet, en, na een
+kort verwijl, twee afgevaardigden uit het leger om gehoor verzochten.
+
+Deze omstandigheid was genoegzaam om Falckestein tot zichzelven te
+doen keeren: hij voorzag een schikking, een vergelijk, hoe was hem
+nog bijna hetzelfde; doch het was duidelijk, dat de strafoefening,
+waarvoor hij vreesde, geschorst was; de hoop herrees in zijn gemoed,
+en met deze keerden weldra de bedaardheid en tegenwoordigheid van
+geest. Spoedig liet hij de valbrug uitwerpen en reed met Feurich en
+twee ruiters de afgezondenen te gemoed.
+
+Een hunner (het was Velasco) was ongeharnast; een vederhoed met smaak
+opgetoomd, dekte zijn bevallig, manlijk gelaat: een zijden wambuis,
+rijk met strikken en borduursels versierd, sloot om zijn lichaam, en
+een pronkdegen hing van den breeden gordel. In den anderen herkende
+Falckestein met afgrijzen den Jezuïet Eugenio, gedost in 't gewaad
+zijner orde. De Hopman voerde het woord:
+
+"Na de verdediging, die gij, Heer Graaf! u verstout hebt op gisteren
+tegen onze troepen in 't werk te stellen, zal het u bevreemden,
+dat wij nogmaals woorden van vrede tot u spreken: te meer, daar onze
+legermacht meer dan verdubbeld is; doch de Spanjaard heeft een walg
+van noodelooze bloedstorting en weet geleden hoon te vergeven zoowel
+als te straffen. Wij eischen dus nogmaals, en, bedenk u wel! wij
+eischen het voor 't laatst, de overgave van het slot, u een vrijen,
+een eerlijken uittocht aanbiedende, voor u en voor de uwen."
+
+"Ik dacht, Hopman!" zeide de Graaf, "dat de wijze, waarop ik u gisteren
+ontvangen heb, u den lust tot het hernieuwen van een dergelijk aanbod
+zou ontnomen hebben. Zoo gij geen ander voorstel hebt, verzoek ik u
+alle verdere moeite omtrent mij te sparen en u naar uw kamp terug te
+begeven, waar ik juist van oogmerk was, u te komen bezoeken."
+
+"Dat rade ik u sterk aan," zeide Eugenio: "gij zult op een vermakelijk
+schouwspel vergast worden."
+
+"Met den sluipmoordenaar spreek ik niet," zeide Falckestein, den
+Jezuïet verachtelijk met de oogen metende.
+
+"Graaf!" hervatte Velasco: "ik moet u onder 't oog brengen, welk
+leed gij u berokkent, door ons aanbod af te slaan. Genade voor al
+wie zich onderwerpt: dood aan al wie wederstand biedt. Heb deernis,
+Graaf! met u zelven, met de uwen, met uw vrouw en kinderen," voegde
+hij er langzaam bij.
+
+"Met mijn vrouw en kinderen!" herhaalde Falckestein sidderende.
+
+"Met uw vrouw en kinderen, die de krijgskans in onze handen vallen
+deed, die aan den voet van gindsche galg uw keus afwachten, welke
+hun lot beslissen moet."
+
+"Hoe moet die zijn?" vroeg Eugenio: "_septuagies septies..._" [14]
+
+"Ziet!" zeide Falckestein, naar het slot wijzende: "op dat voorplein
+staan mijn dappere ruiters geschaard: zij wachten slechts één woord
+en volgen mij naar uw leger. De God, die mij gisteren de zege gaf,
+zal mij ook heden kracht genoeg verleenen om mijn lievelingen aan uw
+tijgerwoede te ontscheuren."
+
+Hoe innerlijk verscheurd van ziel, hoe overtuigd dat een poging als
+die, welke hij voorgaf te zullen doen, vruchteloos af moest loopen,
+hoopte Falckestein echter, dat de mededeeling van een dergelijk
+voornemen eenigen indruk op de gezanten zoude maken..... zijn doel
+was echter gemist.
+
+"De Hemel zij dan hun zielen genadig," zeide Eugenio. Met deze woorden
+haalde hij een pistool uit en schoot het in de lucht af.
+
+"Wat zal dit?" riep Falckestein, de hand aan 't zwaard slaande.
+
+"Het is een sein," antwoordde de Jezuïet, om hun de stroppen om de
+halzen te doen: indien ik ook dit pistool losbrand (hier haalde, hij
+een tweede voor den dag) dan hebt gij vrouw noch kroost meer." En, om
+aan zijn woorden nog meer klem bij te zetten, haalde hij den haan over.
+
+"Om Gods wil!" gilde de Graaf, wien het klamme zweet aan alle kanten
+uitbrak. "Welke menschen, Feurich! Mijn vrienden!"
+
+"Beraad u kort," herhaalde Eugenio en hief het pistool omhoog.
+
+"Wel!" zeide Falckestein: "ik heb voor mijn eer gedaan, wat ik konde;
+doch de natuur heeft ook haar rechten: spaar de mijnen en handel met
+mijn slot naar uw verkiezing."
+
+"Gij wordt redelijk, Graaf," hernam Eugenio, en verborg het moordtuig
+weder in zijn gewaad.
+
+"Trompetter, blaas!" riep Velasco: "Graaf! binnen weinige oogenblikken
+zult gij uw lievelingen hier zien verschijnen."
+
+"Komt dan in Gods naam binnen," zeide de Graaf, "opdat wij over de
+voorwaarden der overgave spreken mogen."
+
+Dit zeggende wendde hij zijn paard om en reed met de beide afgezondenen
+de valbrug over.--Velasco bekleedde 's Graven rechterhand, doch in
+zijn gitzwart oog was geen verwinnaarsvreugde te lezen: hij zag,
+bijna even somber als Falckestein deed, naar den grond, want zijn
+edelmoedige ziel had een tegenzin in een overwinning, welke op zulk
+een wijze gekocht was geweest. Eugenio's gelaat stond strak; doch onder
+zijn zware wenkbrauwen blonk een schelmsche vreugde, die hij, hoezeer
+hij ook meester over zijn aandoeningen was, moeite had om te verbergen.
+
+Op het slotplein gekomen, steeg Falckestein af, bood den Hopman,
+die zijn voorbeeld volgde, beleefdelijk de hand, en zeide, terwijl
+een traan hem in de oogen blonk:
+
+"Ik heet u welkom op het slot van Bruck: ik mag, helaas! niet meer
+zeggen op mijn slot. Uw komst alhier belaadt mij met eeuwige schande."
+
+"Hoe wij hier ook binnenkomen," antwoordde Velasco met eene buiging:
+"het kan u nimmer tot schande verstrekken."
+
+"Wat u betreft," vervolgde de Graaf tot Eugenio: "ik kan u niet
+ontveinzen, dat gij mij heden nog minder welkom zijt dan gisteren."
+
+"Dat verwondert mij," zeide Eugenio met veel koelheid: "want gisteren
+had mijn komst u bijna het leven gekost en heden redt zij dat van uw
+vrouw en kinderen."
+
+"En belaadt mij met dubbele oneer," zeide Falckestein, "dat ik u
+gisteren als krijgsman en heden als gezant beschouwen moet."
+
+"Ik bid u, Mijne Heeren!" zeide Velasco: "laat ons eene reeds uit
+haar aard onaangename onderhandeling niet door onnutte verwijtingen
+verbitteren."
+
+Onder het gesprek waren zij een der zalen ingetreden. Een kan met ouden
+Hochheimer en drie bekers werden voor den Graaf nedergezet; het noodige
+schrijfgereedschap werd aangebracht, en na een morgendronk plaatste men
+zich en begon men de voorwaarden der overgave onderling te overleggen.
+
+Niet weinig was de graaf verwonderd, toen hij bemerkte dat niet alleen
+Velasco, maar ook Eugenio, van wien hij na het jegens hem gehouden
+gedrag geen inschikkelijkheid verwachten konde, hem bij het opmaken
+van net verdrag de billijkste en ruimste voorwaarden toestonden:
+de schampere lach van den Jezuïet gaf wel aan zijn toegevendheid
+een zweem van spotternij, doch de uitslag bleef gunstig voor den
+Graaf. Na eenige woordenwisselingen kwam men overeen, dat het kasteel
+op staanden voet zou overgaan aan de Infante, dat de bezetting met
+krijgseer, slaande trom, aangestoken lont en vliegend vaandel zoude
+uittrekken: dat de rentmeester, schout, schenker, kok, molenaar,
+en verdere dienaars van het kasteel en de onderhoorige plaatsen hun
+bedieningen zouden blijven behouden: en dat het aan de landlieden,
+die op het kasteel waren, zou vrijstaan, onverlet tot hunnent terug te
+keeren. De rentmeester, binnengeroepen zijnde, maakte van dit verdrag
+twee eensluidende afschriften, welke door de overeenkomende partijen
+geteekend en aan weerskanten overgenomen werden.
+
+Dit in orde gebracht hebbende, vertrokken de gezanten weder naar het
+leger, en het leed geen half uur, of Velasco keerde aan het hoofd van
+zijn vendel terug, om bij voorraad bezit van het slot te nemen. Aan
+zijn zijde was, op een fraai rijpaard, de Gravin van Falckestein
+gezeten: zij hield haar jongste zoontje op den arm. De gevangene
+vrouwen volgden met het oudste knaapje, te voet: en boven dezen stak
+de rijzige gestalte uit van Magdalena, die mede haar zoontje bij de
+hand geleidde. De trein hield op een afstand van het kasteel stil, en,
+nadat de trompetter, welke den Hopman vergezelde, driemalen geblazen
+had, trad Falckestein, te voet en met ongedekten hoofde, de poort uit,
+verzeld van Beckman, welke de sleutels op een schenkblad droeg en die
+met een buiging aan Velasco bood. "Ik vervul," zeide deze, terwijl
+hij de kenteekenen der overdracht aannam, "de eerste voorwaarde onzer
+overeenkomst, Heer Graaf! en breng u uwe echtgenoote en kinderen terug,
+alsmede deze vrouwen en dat andere knaapje, die mede in onze macht
+gevallen zijn. Het doet mij leed, dat ik ook de dappere krijgsknechten,
+die door de slagen mijner wapenbroeders gevallen zijn, u niet terug kan
+geven."--Met deze woorden steeg hij af, hielp met bevallige beleefdheid
+de Gravin van het paard en stelde haar aan haren gemaal voor.
+
+Welke redenen de Graaf ook hebben mocht tot dankbare vreugde over
+de verlossing van zijn gade, zoo werd deze echter in dit oogenblik
+onderdrukt door het pijnlijk gevoel, dat de gedwongen overgave van
+een slot, hetwelk hij nog lang met kracht had kunnen verdedigen,
+bij hem verwekte. Zwijgend, en met een traan in 't oog, drukte hij de
+hand zijner gemalin, kuste en liefkoosde zijn kinderen en vergezelde
+met een nedergeslagen blik de Spanjaards in het slot.
+
+"Gij zijt van meester verwisseld, goede oude!" zeide hij in 't gaan
+tegen Beckman: "tracht u bij uw nieuwen Heer aangenaam te maken."
+
+De grijsaard snikte luid: "Ik die booswichten dienen, goede Heer? neen:
+ik zal Uwe Genade volgen waar zij gaat: heeft Uwe Genade elders
+geen brood voor den ouden Beckman, hij heeft genoeg in vroeger jaren
+overgewonnen om zijn weinige levensdagen nog te kunnen doorbrengen
+zonder voor honger te vreezen.... Helaas! toen uw genadige Heer vader
+stierf, was ik diep bedroefd; maar het denkbeeld troostte mij, dat
+Uw Genade mijn Heer en Meester werd.
+
+Toen aan Mevrouw haar eersteling geboren werd, verheugde ik mij, dat
+een Falckestein Bruck zou beërven; maar thans".... hier beletteden
+de tranen hem te spreken.
+
+"Droog uw oogen, mijn vriend!" zeide Falckestein, "niets is
+wisselvalliger dan de krijgskans: de vreemde vlag zal niet altoos
+van gindschen torentop blijven waaien.--Doch laat ons binnengaan
+en zorgen, dat onze manschappen zich betamelijk jegens de nieuwe
+bezitters gedragen."
+
+In de voorzaal vond de Graaf zijn echtgenoote en kinderen met Velasco
+bijeen. "Heer Graaf!" zeide deze: "Het zal u wellicht aangenaam zijn,
+u eenige oogenblikken met de Gravin ongestoord te onderhouden. Vergun
+mij dus, mij inmiddels door uw Rentmeester het slot te doen rondleiden,
+om de noodige, u bekende, schikkingen te maken."--Falckestein gaf
+hiertoe, onder dankbetuiging voor Velasco's beleefdheid, verlof: en
+de Hopman ging met Beckman het kasteel rond, ten einde, ingevolge
+de gemaakte voorwaarden, al wat zich binnen het slot bevond op te
+schrijven, opdat er niets, dan hetgeen door het verdrag veroorloofd
+was, door de bezetting kon worden uitgevoerd.
+
+Zoodra zij zich met hem alleen bevond, viel de Gravin haar echtgenoot
+schreiende om den hals: "Ach!" riep zij uit: "dat _ik_ u onder zulke
+omstandigheden moet wederzien! Hadt gij mij maar laten sterven! dit
+slot had geen vreemden meester gekend."
+
+"En uw kinderen!" zeide Falckestein: "Anna, waren ook niet uw kinderen
+ter dood gedoemd?"
+
+"Mijn kinderen!" zeide zij, terwijl zij die angstig aan haar hart
+drukte: "doch neen! zoo bloeddorstig wreed zouden die Barbaren niet
+geweest zijn! En echter, als ik aan hun gruwelen denk!.... Nog ijze
+ik, Ulrich!--Die arme Pastor! die wakkere Hanevederen! Zij allen
+zijn dood!.... en zonder die vreemde vrouw, die met ons trok, ware
+ik zelve met mijn kinderen en vrouwen het slachtoffer der baldadigste
+wreedheid geworden."
+
+"Doch hoe zijt gij in de handen dier booswichten gevallen?"
+
+"Wij waren geen half uur van het Kleefsche grondgebied verwijderd en
+dachten om geen gevaar, toen wij opeens uit onze gerustheid werden
+opgewekt door eenige musketschoten, die zich van de zijde der Kleefsche
+grenzen lieten hooren: dit geluid deed ons stilstaan om raad te plegen
+wat ons te doen stond. Wij besloten een der ruiters op kondschap
+vooruit te zenden; doch 't zij dat hij in vijandelijke handen viel,
+'t zij dat hij, op eigen lijfsbehoud bedacht, zich wegmaakte, wij
+zagen hem niet wederkeeren. Inmiddels viel de avond en wij vormden
+reeds, daar wij niets meer hoorden en wederom moed hadden gevat, het
+voornemen van verder op te trekken, toen wij opeens aan verscheidene
+zijden geweldige vlammen zagen oprijzen, die ons het verbranden
+van ettelijke boerenwoningen, en meteen de nabijheid van den vijand
+verkondigden. En, eer wij van onzen nieuwen schrik bekomen waren, zagen
+wij twee Spaansche ruiterbenden in vollen draf van verschillende zijden
+op ons aankomen. Wat er toen voorviel, kan ik, die van angst voor
+mijn lieve kinderen bedwelmd was, mij ternauwernood herinneren. Dit
+weet ik, dat wij in overhaasting de teugels wendden; doch de kogels
+uit de Spaansche pistolen vlogen sneller dan onze paarden. Wij werden
+achterhaald. Uwe Haneveeren vochten als leeuwen; doch wat hielp de
+moed tegen de overmacht? Ik zag den braven Hensken, die zich gedurig
+voor mij had gesteld om met zijn lichaam het mijne te bedekken, door
+een sabelhouw op het hoofd getroffen, met gespleten stormhoed, dood
+aan mijn zijde vallen. Al de Haneveeren, al de landlieden, ook de
+brave Pastor, die vergeefs verschooning bad voor zijn grijze haren,
+werden tot eenen toe afgemaakt, geplunderd, naakt uitgeschud: en met
+een helschen lach zeide de aanvoerder der bende, na het einde van het
+gevecht, dat hij de gevangene schoonheden, als een behaaglijken buit,
+aan zijn soldaten prijsgaf. Reeds poogde mij een dier booswichten van
+'t paard te rukken, toen Magdalena opeens boven het woest getier der
+vijanden en het noodgeschrei der vrouwen haar stem verhief en den
+Spaanschen Overste toeriep:
+
+"Don Estevan de Nunez! is het schoon op weerlooze vrouwen te woeden?"
+
+"Ik ken die stem," zeide de Overste: en, zijn paard de sporen gevende,
+reed hij op Magdalena aan. Snel en zacht, en zooverre ik hooren kon,
+in de Spaansche taal, sprak zij hem toe. Hij antwoordde op denzelfden
+toon: hun gesprek was kort, doch levendig: herhaalde reizen schudde
+hij ontevreden het hoofd, en even heftig scheen zij bij hem te
+blijven aanhouden. Inmiddels hadden de soldaten op zijn bevel van
+ons afgehouden, en wij verbeidden met pijnlijken angst den uitslag
+van Magdalena's welsprekendheid. Zij scheen hem te overreden; want
+eensklaps gaf hij last ons geen verdere ongelegenheid aan te doen, liet
+ons door een sterk geleide omsingelen en den aftocht blazen. Schier
+bewusteloos werd ik weggevoerd; nauwelijks had ik het besef om mijnen
+kleinen Ulrich op den schoot te houden, en alleen zijn gestadig
+geween en geschreeuw, hield mij, geloof ik, bij mij zelve. Werner was
+intusschen door een der ruiters op 't paard genomen: de knaap schreide
+luid en hield alleen op, toen de Spanjaard dreigde, hem in 't water
+te zullen werpen, indien hij zich niet stilhield. Wij reden een groot
+gedeelte van den nacht door, en kwamen eindelijk te Duisburg, waar de
+Spanjaards hun hoofdkwartier schenen te houden. Hier stegen wij af,
+en ik bracht er met de overige gevangenen in een groote schuur het
+overschot van den nacht, wel bewaakt, doch ongestoord door. Tegen het
+aanbreken van den dag werd er weder bevel gegeven tot den afmarsch. De
+krijgsbende was aanzienlijk vermeerderd; in volkomen orde trok zij
+met ons af. Het leed niet lang, of ik kreeg den toren van Bruck weder
+in 't gezicht, en bevroedde nu terstond, wat het oogmerk van Nunez
+was, en hoe men zich van mij bedienen wilde om u tot de overgave te
+dwingen. Ware het niet om mijn kinderen geweest, ik had mij zelve van
+kant gemaakt:--de kleine Ulrich zag uw vlag van den toren wapperen;
+blijmoedig stak hij zijn kleine armpjes uit en riep met kinderlijke
+vreugde: "Bruck! Bruck!"--Wij kwamen in de legerplaats van Lopez: de
+legerhoofden hielden een kort gesprek en.... het overige is u bekend!"
+
+Hier eindigde de Gravin haar verhaal, hetwelk meer dan eens,
+zoo door haar zuchten en tranen als door de vragen van haar
+echtgenoot was afgebroken. "Er is iets vreemds," zeide deze, het
+hoofd bedenkelijk schuddende, "in het gedrag van die Magdalena! zij
+heeft u waarschijnlijk het leven gered.... en echter weet ik nog niet,
+of ik haar als vriendin of als vijandin beschouwen moet."
+
+Het overschot van dezen dag werd van de zijde der bezetting
+doorgebracht in het maken der noodige toebereidselen voor den uittocht,
+die den volgenden morgen plaats moest hebben, terwijl de Spaansche
+krijgsknechten de posten innamen en de wachten betrokken.
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Mijn Graeflijc bloet besprenght mijn erfelijken acker.
+
+ _Vondel_, Brief aan den Drost van Muiden.
+
+
+Met den volgenden morgen was de bezetting ten uittocht
+gereed. Inmiddels hadden Don Fernando Lopez en Don Estevan de Nunez
+hun benden laten aanrukken en aan weerszijden van den weg, die naar
+het kasteel geleidde, geschaard, om het slot, zoodra het ontruimd
+was, binnen te rukken. Velasco bleef aan 't hoofd van zijn vendel,
+dat op het binnenplein in orde van parade stond. Met de gewone
+krijgseer trok nu de bezetting uit, terwijl de Graaf met zijn gezin
+den trein besloot. Het scheen, dat alles, gelijk men reden had van
+te verwachten, in de beste orde zoude afloopen; doch Falckestein had
+niet gerekend op de kwade trouw der Spaansche verraders. Dezelfde
+geest, die Romero had bezield, toen Naarden het slachtoffer zijner
+helsche eedbreuk werd, had ook thans bij den raad der trouwelooze
+legerhoofden voorgezeten. Nog was de geheele trein de slotpoort niet
+uitgetrokken, of Lopez wierp zijn staf in de lucht: dit was het sein
+van den moord. Van weerszijden gaven de Spaansche musketiers vuur op de
+uittrekkende bezetting, die, op zoo schelmschen aanval niet verdacht,
+buiten staat was, in de verwarring van het oogenblik eenigen wederstand
+te bieden. Dood of gewond stortten paarden en ruiters door elkander,
+en eer iemand schier tijd had zich te herkennen, was de helft der
+bezetting door de handen der bloeddorstigen afgemaakt.--Schier tot
+razernij vervoerd over zulk een ongehoord bestaan, reed Falckestein de
+brug over en wierp zich met uitgetogen zwaard onder de moordenaars;
+doch zijn paard stortte doodelijk gewond neder, en hij ware het
+slachtoffer van de woede der Spanjaards geworden, ware niet Velasco,
+die hem gevolgd was, ijlings toegeschoten. Deze weerde de slagen
+van zijn hoofd af, vatte hem moedig bij de hand en trok hem met zich
+naar binnen, terwijl hij aan zijn manschappen gelastte de poort te
+sluiten en geen Spanjaard binnen te laten. Intusschen had het paard
+der Gravin, verschrikt door het schieten, een geweldigen zijsprong
+genomen en was dwars door de gelederen der Spanjaards heen het veld
+ingehold. Feurich, die het oudste zoontje van den Graaf bij zich op
+'t paard had, volgde haar met eenige Hanevederen; en 't zij dat de
+Spanjaards nog eenig mededoogen voor de vluchtenden overhielden,
+'t zij dat de algemeene verwarring hun het vervolgen belette, het
+gelukte althans den vluchtelingen te ontkomen aan het moordtooneel.
+
+Zoodra Velasco met den Graaf op het binnenplein gekeerd was, begon hij
+zich met de duurste eeden van alle medeplichtigheid aan het gepleegd
+verraad te verschoonen, zwoer, dat hij, in spijt van allen, den Graaf
+tegen alle geweld zoude beschermen, en bracht dezen vervolgens in
+een kamertje bij de poort. Weinige oogenblikken daarna verschenen de
+Spaansche Oversten, op wier gloeiend gelaat een hevige gramschap te
+lezen was. Lopez stapte dadelijk naar Velasco toe, zonder een blik
+op den Graaf te slaan.
+
+"Wie," vroeg hij, "heeft aan Don Diego de Velasco last gegeven, deze
+doemlingen aan hun welverdiende straf te onttrekken? Ternauwernood
+wilde men ons binnen dit slot laten!"
+
+"En wie," vroeg Velasco, met een edele verontwaardiging, "heeft
+aan Don Fernando Lopez last gegeven, met eer en eed te spelen, een
+geteekend verdrag te breken en het recht der volkeren te schenden?"
+
+"Ik ben u van mijn daden geen verantwoording verschuldigd,
+jongeling!" zeide Lopez. "Tracht nooit te vergeten, dat gij onder
+mijn bevel zijt uitgetogen en slechts daaraan moet gehoorzamen. Wat
+u betreft, Ulrich von Daun! gij kunt u ter dood bereiden."
+
+"Niet, zoolang ik hem verdedigen kan," riep Velasco, terwijl hij den
+Graaf bij de hand vatte en zijn zwaard voor de oogen der legerhoofden
+blinken liet.
+
+"Wij zullen zien, wie hier meester is," riep Nunez; en beide de
+kapiteins snelden de trappen af.
+
+"Toef hier slechts een oogenblik," zeide Velasco tegen den Graaf:
+"ik moet het uiterste wagen." Onder het uiten dezer woorden volgde hij
+de Oversten naar het slotplein, en herhaalde aan zijn krijgsknechten
+het bevel om de slotbrug op te halen, de poorten gesloten te houden
+en niemand in te laten. Beckman en sommige dienaars, die nog binnen
+het slot gebleven waren, voegden zich bij hem.
+
+"Wat moet dit kluchtspel beduiden?" vroeg Lopez, die vergeefs zijn
+gezag had willen doen gelden.
+
+"Niet anders," zeide Velasco, "dan dat ik, die het verdrag met den
+Graaf van Falckestein geteekend heb, plechtig bezit van zijn slot
+neem en er alle verraders en moordenaars buiten zal houden."
+
+"Soldaten!" brulde Lopez: "zult gij ten gerieve van ketters uw
+Oversten verlaten?"
+
+De soldaten zagen elkander besluiteloos aan; doch geen hunner dorst
+zich uit het gelid begeven. Een doodsche pauze had plaats.
+
+"Wakkere spitsbroeders!" riep toen Velasco: "uw naam en die van uw
+Hopman zijn geschandvlekt, zoo gij mijn last overtreedt. Door mij
+is een plechtig verdrag met de bezetting van dit slot gemaakt en
+bezworen: niet door mij, niet door u is dit verdrag geschonden. Onze
+handen zijn rein van het bloed der vermoorden! De Amirant zal aan
+het vendel van Velasco geen gruweldaad verwijten, die op het geweten
+van anderen wegen zal gelijk een molensteen. Houdt hen buiten, die
+moordenaren! Geen gemeenschap tusschen ons en de schelmen, die den
+Spaanschen naam door schanddaden bezwalken! 't Is niet onder Velasco's
+vendel, dat de bloeddorst en 't verraad hun beulen zoeken moeten!"
+
+Juichend riepen de meesten; "Voor Velasco!" en zij die anders dachten,
+zwegen uit voorzichtigheid.
+
+"Men misleidt u, soldaten!"' zeide Lopez: "en gij, Velasco! geloof
+niet, dat al de invloed uws broeders u van straf zal vrijwaren! Kom,
+Nunez! volg mij en roepen wij onze wakkere manschappen binnen, om
+dien oproerlingen hun loon te geven!"
+
+Op dit oogenblik trad Eugenio voorwaarts. Deze was de Oversten
+in 't slot gevolgd en had tot nu toe als toeschouwer in een der
+hoeken van het plein gestaan. Hij weerhield de Oversten, die het
+kasteel verlaten wilden. "Welk een schande!" zeide hij: "Spanjaards
+tegen Spanjaards! Geloovigen tegen geloovigen! Zult gij op deze
+wijze de goede zaak bevorderen, door als honden om een been te
+vechten? Velasco! laat mij met deze Oversten slechts een paar woorden
+spreken, en ik ben overtuigd, dat alles naar wensch zal afloopen."
+
+"Doe zooals gij wilt," antwoordde Velasco: "uw eer lijdt evenzeer als
+de mijne door de inbreuk, op het verdrag gemaakt. Ik laat derhalve
+gaarne de zaak aan uw beslissing over."
+
+De Jezuïet nam hierop de beide Oversten ter zijde, en hield met hen
+een kort, doch levendig gesprek.
+
+"Ik heb hoop," zeide hij, na eenige oogenblikken terugkeerende:
+"dat gij tevreden zult wezen. Deze beide Heeren zijn bereid, om niet
+alleen het gebeurde te vergeten, maar zelfs om met hun vendelen af te
+trekken, mits de buit naar billijkheid verdeeld worde. Wat den Graaf
+betreft, deze zal hier onder uw bewaring blijven, totdat de Amirant
+zelf over zijn lot zal beschikt hebben: ik bied mij aan, hier met u te
+blijven, ten einde een goeden geest onder het krijgsvolk te handhaven,
+de slotkapel in te wijden en de godsdienstoefeningen te volbrengen."
+
+Ofschoon dit voorstel aan Velasco, die het in vrijheid stellen van
+den Graaf beoogd had, maar weinig behaagde, begreep hij echter,
+dat een weigering de nadeeligste gevolgen zou met zich brengen,
+dewijl hij alsdan gevaar liep, niet alleen tegen de kapiteins en hun
+legerbenden, maar ook tegen den geduchten invloed van Pater Eugenio
+te moeten kampen. Hij zwichtte dus, gaf zijn toestemming aan den
+voorslag en omhelsde de beide Oversten tot een teeken van verzoening.
+
+Straks werd al wat hand- en tastbaar was in het slot buiten de poorten
+gebracht en aldaar naar evenredigheid onder het krijgsvolk verdeeld,
+waarna, volgens de overeenkomst, die deze reis niet geschonden werd,
+Lopez en Nunez met hun krijgsbenden aftrokken.
+
+Het eerste werk, dat Velasco na hun aftocht verrichtte, was om
+Falckestein, die nog steeds in het vertrek bij de poort met angst
+den uitslag verbeidde, te gaan geruststellen. "Ik wensch u geluk,"
+zeide hij: "voor 't oogenblik is het gevaar geweken en bevindt gij
+u onder mijn bescherming. Nog heden schrijf ik aan den Amirant en
+aan mijn broeder, den Grootmeester der Artillerie; ik twijfel niet,
+of mijn vertoogen zullen weldra uw geheele verlossing bewerken."
+
+"Eeuwige dankbaarheid ben ik u verschuldigd, edele Velasco!" zeide
+de Graaf: "doch mijn vrouw! mijn kinderen! O! is u iets van hun
+lot bewust?"
+
+"Uw gade is het gelukt, met haar oudsten lieveling te ontsnappen,"
+zeide Velasco.
+
+"En hier is de jongste," zeide Magdalena, die op dit oogenblik tot
+hen trad, met haar zoon aan de hand en den kleinen Ulrich op den
+arm. "De Gravin had mij verzocht voor dit kleintje zorg te dragen,
+en daar ik nog niet buiten was, toen de moord begon, heb ik niets
+voor mij zelve, noch voor het kind te duchten gehad."
+
+"Edele vrienden!" zeide Falckestein, hun de hand drukkende: "God moge
+uw trouwhartigheid loonen. Mij is zulks onmogelijk. Ik kan slechts
+danken." En vurig kuste hij het kind, dat de hemel zoo wonderdadig
+gespaard had.
+
+Zes dagen verliepen er, zonder dat er iets voorviel, hetgeen in
+deze geschiedenis verdient te worden opgeteekend. Velasco bleef zijn
+gevangene met de meeste onderscheiding en beleefdheid behandelen, liet
+niet af, hem moed in te spreken, hem over de geleden onheilen zooveel
+hij kon te troosten, en hem al de diensten te bewijzen, welke in staat
+waren zijn toestand draaglijk te maken. Eugenio betoonde wel geen
+buitengewone vriendelijkheid jegens den Graaf, doch nam de uiterlijke
+beleefdheid in acht. Zijn dagelijksche tegenwoordigheid echter aan het
+middagmaal verwekte bij Falckestein, gelijk men licht beseffen zal,
+een gevoel van afschuw en verontwaardiging, hetwelk hem belette aan
+het gesprek eenig deel te nemen. "Ik zou moed kunnen vatten," zeide
+hij eens tegen Velasco, daar zij zich alleen bevonden, "ik zou hoop
+kunnen voeden, indien ik dien verfoeilijken Jezuïet niet gedurig
+voor mijn oogen had. De tegenwoordigheid van dien vorstenmoorder,
+zijn verblijf op dit slot kunnen mij niets dan kwaad voorspellen. Van
+hem kan niets, dat goed is, geboren worden."
+
+"Ik geloof," zeide Velasco, "dat gij den eerwaarden Vader verkeerdelijk
+beoordeelt. Als Protestant, als bondgenoot en vriend van Graaf
+Maurits moet gij hem haten, dit besef ik; doch als zoodanig gaat
+gij, verschoon mijn vrijmoedigheid, niet onpartijdig te werk. Pater
+Eugenio is een wijs en godvruchtig man, die bij ons leger en den Raad
+zeer gezien is: van kindsbeen af bindt hem een plechtige gelofte,
+om, waar en hoe hij kan, de zaak van onzen Heiligen Godsdienst voor
+te staan. Moed, vroomheid, zelfopoffering en haat tegen de ketters
+maken de hoofdtrekken uit van zijn karakter. De middelen, die hij in
+'t werk stelt om de eer van onze Moederkerk te bevorderen, mag ik
+niet beoordeelen, veelmin misprijzen; want ik veronderstel, dat hij
+nimmer handelt dan naar de voorschriften, hem door de vorsten dier Kerk
+gegeven. Zijn doel is heilig en Gode welbehaaglijk: en welk sterveling
+zoude de middelen wraken, die dat doel kunnen doen bereiken?"
+
+"Wat is een Godsdienst," antwoordde Falckestein, "welke leert, dat
+het doel de middelen wettigt? Mag men het kwade doen, opdat het goede
+daaruit voortkome? Zegt Paulus niet...."
+
+"Gij gaat _argumenteeren_," hernam Velasco, glimlachende: "ik weet,
+dit is de gewoonte der Protestanten, altijd met den Bijbel in de
+weer te zijn en met teksten te schermen. Doch vergun mij, die een
+krijgsman ben, en bovendien stellig verbod ontvangen heb om immer
+over godsdienstige punten met ketters te redekavelen, dat ik liefst
+dien strijd ontwijke."--Falckestein boog zich en zweeg, waarmede dit
+gesprek ten einde liep.
+
+Op den morgen van den zesden dag na het vertrek der twee veldoversten,
+meldde zich een renbode van Mendoza bij Velasco aan, en het leed
+niet lang, of deze liet den Graaf bij zich ontbieden. Falckestein
+vond Velasco alleen, en zoo 't scheen, in hevige ongedurigheid
+de kamer op en neder wandelende. "Graaf!" zeide hij, zoodra hij
+hem zag binnentreden, "ik weet niet hoe het met onze zaken staat,
+noch wat ik van den Amirant moet denken. Gij zijt een man van moed:
+ik wil dus geenszins voor u veinzen. Verbeeld u, dat de bode, die
+dezen morgen van Orsoy herwaarts gekomen is, niets anders medebrengt,
+ten minste mij niets anders heeft ter hand gesteld, dan een bevel
+van Mendoza, om terstond in 't hoofdkwartier terug te keeren en mijn
+vendel alhier achter te laten. Van u noch van de gansche handeling,
+die hier heeft plaats gehad, spreekt de lastbrief een woord. Op
+mijn brieven heb ik geen antwoord bekomen: het schijnt dat Nunez en
+Lopez zich bevlijtigd hebben, mijn gedrag in een donker daglicht te
+stellen. Volgde ik thans alleen de inspraak van mijn hart, ik voerde u
+zelf naar een veilige plaats; doch ook dit is niet meer in mijn macht;
+er heerscht onder mijn manschappen een geest van wederspannigheid, dien
+ik niet meer kan uitdooven. Na den moord heb ik gebruik gemaakt van de
+geestdrift van het oogenblik, om u te redden; doch hun toen betoonde
+gehoorzaamheid schijnt hun thans te berouwen: mijn bevelen worden in
+den wind geslagen, mijn vermaningen bespot, mijn gezag miskend. Dit
+is zooverre gegaan, dat mijn soldaten ronduit geweigerd hebben, de
+straf te volbrengen aan een hunner kameraden, die een overrok aan uw
+Rentmeester ontstolen had. Ik vrees derhalve, dat ik, in plaats van
+u hulp te kunnen betoonen, uw ondergang berokkenen zoude."
+
+"De dood staat reeds lang voor mijn oogen," zeide Falckestein:
+"doch bij den God, dien wij beiden op onze wijs vereeren, Velasco,
+ik smeek u, red zoo 't u mogelijk is, red mijn kind! zend het aan
+zijn troostelooze moeder terug."
+
+"Ik hoop ook den vader te redden," zeide Velasco met waardigheid:
+"daarom heb ik zelf het schuitje, dat aan de voorpoort lag, aan
+den steiger doen vastleggen. Begeef u dus hedenavond met de uwen
+derwaarts en tracht de rivier over te komen, terwijl ik aftrek met
+mijn volk. Red u, en schenk mij het genoegen, de laffe wraakzucht
+uwer haters verijdeld te zien."
+
+"En gij," hernam de Graaf: "zult gij den toorn des Amirants, de
+bestraffing uws broeders niet vreezen, dat gij verwezene ketters aan
+de straf onttrokken hebt?"
+
+"Laat dit voor mijne rekening, Mendoza zal op geen Velasco het gewicht
+zijner gramschap doen vallen; en Don Louis zal zijn broeder met des te
+meer genoegen omhelzen, wanneer hij verneemt dat de eer des Spaanschen
+naams door hem gehandhaafd is."
+
+"Wel!" sprak Falckestein, hem de hand met warmte drukkende: "ik
+ga mijn trouwen Beckman voorbereiden; God zegene u en verhoore uw
+beste wenschen!"
+
+Na het uiten dezer dankbetuiging haastte zich Falckestein naar
+het vertrek, waar hij zijn kind hoopte te vinden. Hij vond er
+Magdalena, bezig aan het herstellen der weinige kleedingstukken,
+die de plunderzieke Spanjaards nog overig hadden gelaten. De kleine
+Ludwig, de zoon van Magdalena, speelde met Fenix, 's Graven grootsten
+en fraaisten jachthond. Dit dier was bij de verdeeling aan Velasco te
+beurt gevallen, die het edelmoediglijk weder aan zijn vorigen meester
+had afgestaan.
+
+"Waar is Ulrich?" vroeg Falckestein met angstvalligheid, toen hij,
+rondziende, zijn zoontje niet bemerkte.
+
+"Die is met Beckman naar den tuin gegaan," antwoordde Magdalena. "Wij
+hebben in lang zulk een fraaien dag niet gehad, en het is voor het
+knaapje goed, de versche lucht te scheppen."
+
+"Het is wel," zeide de Graaf: "hetgeen ik u moet mededeelen is van
+het uiterste gewicht: ik wilde u gaarne spreken."
+
+Hierop ging hij zitten en ontvouwde haar hetgeen hij van Velasco
+vernomen had, en wat deze had uitgedacht om hen te redden.
+
+"Ik vrees, dat het op deze wijze kwalijk gelukken zal," zeide
+Magdalena, het hoofd schuddende, nadat hij zijn verhaal geëindigd had:
+"Velasco kan u niet redden: er is iemand anders hier, die daarvoor
+zorgt. Ik alleen ben in staat, u van dienst te zijn."
+
+"Gij?" zeide Falckestein, haar bedenkelijk en wantrouwend
+aanziende. "Welken invloed kunt gij op de Spaansche beulen uitoefenen?"
+
+"Dit moet u onverschillig zijn, Graaf!" zeide Magdalena met
+trotschheid, mits ik u redde, u en uw kind. De zwakke muis doorknaagt
+het net, dat de leeuw vergeefs poogt vaneen te scheuren. Laat mij
+begaan en bekommer u verder met niets."
+
+"Beproeven wij eerst het middel, dat Velasco ons heeft aangewezen,"
+hernam Falckestein, die door de redenen van Magdalena kwalijk overtuigd
+werd: "wij zullen naderhand tot uwe bescherming de toevlucht nemen."
+
+"Zooals gij wilt," zeide Magdalena: "aan u, Graaf! heb ik
+geen verplichting, en het zal mij niet verweten worden, indien
+stijfhoofdigheid uw ondergang berokkent."
+
+"Hoe!" riep Falckestein verbaasd: "en wat kan u zoo zeker doen
+spreken?"....
+
+Op dit oogenblik ging de deur open en onaangemeld trad Eugenio met
+een statigen stap de kamer in. Hij boog zich even onder 't naderen,
+en bleef vervolgens voor Falckestein staan, de armen kruislings over
+de borst geslagen, en een perkamenten rol, waarvan een opengescheurd
+zegel afhing, in de rechterhand vastgeklemd houdende.
+
+"Graaf," zeide hij: "ik weet dat mijn bijzijn u niet behagen kan;
+doch ik ben verplicht u over hoogst belangrijke zaken te onderhouden:
+wees dus zoogoed mij in den tuin voor te gaan, daar wij onverhinderd
+zullen kunnen spreken."
+
+"Is dit zoo noodzakelijk?" vroeg Magdalena met drift: "en waarom kunt
+gij dit hier niet?"
+
+"Vrouwe! wat is er tusschen u en mij? _Quid inter me et te?_" zeide
+Eugenio, haar vergramd aanziende: "Heer Graaf! een oogenblik slechts,"
+vervolgde hij, zich tot dezen wendende.
+
+"Ik zal u volgen," zeide Falckestein, bevreesd van eenig vermoeden
+bij den Jezuïet te verwekken.
+
+Beiden verlieten het vertrek: met weerzin volgde de Graaf zijn
+hatelijken leidsman, en dacht onderweg na, wat deze hem toch zou te
+vermelden hebben. In den tuin gekomen, vonden zij er Beckman met het
+kind, dat zich met plukken van grasplantjes en het oprapen van eenige
+rotte appelen, in de plondering gespaard, vermaakte. Wat verder waren
+twee soldaten bezig met de lanen te harken.
+
+"Verwijder u, Beckman!" zeide de Graaf: "de Pater heeft mij iets
+te zeggen."
+
+"Laat den ouden man maar blijven," zeide Eugenio: "ik ben verheugd
+zulk een eerwaarden getuige bij ons gesprek te hebben. Wat zegt de
+Vulgata? _In ore duorum vel trium testium stabit omne verbum_." [15]
+
+De Graaf plaatste zich op eene steenen bank, terwijl Eugenio over
+hem stond, tegen een appelboom geleund. Falckestein, die weinig trek
+gevoelde om het gesprek te beginnen, keek strak voor zijn voeten uit
+naar een spin, die over de dorre bladeren liep, speelde met de vingers
+der rechterhand een marsch op de knie en krulde met de slinke zijn
+knevels op. Beckman dreef met een pereboomtakje de rondvliegende
+wespen van het kind, en de Jezuïet sloeg met de rol perkament op
+het vlak der linkerhand op en neder, terwijl hij zijn groote oogen
+beurtelings van het kind op de steenen trap, die om den toren liep,
+en vandaar naar de soldaten wendde. Eindelijk brak hij het stilzwijgen
+af en sprak den Graaf in dezer voege aan:
+
+"Don Diego de Velasco heeft voorzeker reeds afscheid van Uwe Genade
+genomen?"
+
+"Afscheid genomen?" zeide Falckestein verrast.
+
+"Ongetwijfeld!" hernam de Jezuïet, met een schamperen lach: "uw vriend
+(met nadruk, op het woord: vriend) uw vriend Velasco gaat nog heden,
+of is misschien reeds weg. Heeft hij Uwe Genade geen kennis van zijn
+vertrek gegeven?"
+
+"Het smart mij, dat hij ons verlaat," zeide Falckestein, die het
+antwoord op Eugenio's vraag wenschte te ontwijken.
+
+"Luister!" zeide Eugenio: "hoort gij daarginds geen hoefgetrappel op
+de brug?"
+
+"Inderdaad," antwoordde de Graaf. "Wat beduidt dit gerucht?"
+
+"Het is uw vriend, die wegrijdt," hernam de Jezuïet met koelheid. "Hij
+heeft lang gehoopt, u te kunnen beschermen; doch _Homo proponit et
+Deus disponit_! [16] gelijk de spreuk zegt."
+
+"Hij heeft gedaan, wat de plicht der menschelijkheid hem gebood,"
+hernam Falckestein: "God vergezelle hem!"
+
+"Amen!" zeide de Jezuïet, zich kruisende.--"Ik twijfel niet, of
+Uw Genade zal thans verlangend zijn eindelijk eens het lot te vernemen,
+dat haar en de haren boven 't hoofd hangt? Ik ben zoo
+gelukkig aan dat verlangen te kunnen voldoen. De bode, die hier
+dezen morgen aankwam, heeft allen twijfel hieromtrent doen ophouden."
+
+"Indien ik van u mijn lot vernemen moet," zeide Falckestein, "dan weet
+ik reeds, wat mij te wachten staat; want van u kon ik niets hopen,
+dat mij gunstig zou zijn; doch ik vleide mij, dat Velasco mij de
+bevelen omtrent mij gegeven zou kenbaar maken."
+
+"Dat was ook de meening van Velasco," zeide de Jezuïet: "doch de
+Amirant heeft er anders over gedacht. Lees slechts dit perkament,
+waaruit gij alle noodige opheldering zult ontvangen."
+
+De Graaf nam den brief uit zijn hand; hij behelsde een volmacht door
+Mendoza gegeven aan broeder Eugenio van de orde Jesu, om met den
+persoon van Ulrich von Daun, zich noemende Grave van Falckestein en
+Overstein en Heere van Bruck, naar goeddunken te handelen. Bedaard
+las hij het uit, en reikte het vervolgens, zonder er een woord bij
+te voegen, aan Eugenio over.
+
+"Gij ziet dus," vervolgde deze, op elk zijner woorden een bijzonderen
+nadruk leggende, terwijl zijn oogen van helsche blijdschap vonkelden,
+"gij ziet, dat de kans tusschen ons beiden eenigszins gekeerd
+is. Eenmaal ware ik bijna uw slachtoffer geworden; thans hangt de
+beschikking over uw lot aan mij alleen."
+
+"En waant gij, dat Velasco immer dulden zal?...."
+
+"Wat Velasco dulden zal of niet, is mij volkomen onverschillig. Van
+mij moet gij genade afsmeeken, en van mij alleen."
+
+"Van u?" antwoordde Ulrich, hem met verontwaardiging aanziende:
+"liever stierf ik duizend dooden."
+
+"Juist! _septuagies septies_ [17]; doch gij zijt niet alleen! of
+heeft het niets van mij te vreezen, dat zorgelooze knaapje, daar?"
+
+"God in den hemel! Mijn Ulrich!" gilde Falckestein, opspringende. Doch
+Eugenio was hem reeds voor geweest. Met de linkerhand het kind
+omhoogtillende was hij den boomgaard door, en de trap, die aan de
+zijde van het kasteel naar den hoektoren geleidde, opgesneld. Daar
+gekomen hief hij het kind over de borstwering, ruim tien voeten boven
+de zijgracht, terwijl de twee soldaten, eensklaps toegeschoten, den
+Graaf, die hem volgen wilde, tegenhielden. "Geen stap verder!" riep
+Eugenio, "of gij zijt de moordenaar van uw kind!"
+
+Falckestein bleef doodsbleek staan.
+
+"Graaf!" vervolgde de Jezuïet, terwijl hij met de rechterhand zijn
+boezem ontblootte: "hoor naar mij en beschouw dit litteeken: het is
+dat van de wonde, mij door u toegebracht in dien noodlottigen nacht
+toen de ongelukkige Panne, door uw toedoen, het slachtoffer zijner
+getrouwheid aan de Moederkerk is geworden. Dacht gij, dat men zulke
+beleedigingen vergeten konde?"
+
+"Wreek u; doch op mij alleen: spaar het leven van een ongelukkig,
+onnoozel kind. Geef het terug aan zijn moeder...."
+
+"Dwaas! alsof uw dood mij wraak genoeg verschaffen kon? Gij zijt een
+krijgsman, een dapper krijgsman; gij kunt den dood niet vreezen. Van
+dien kant kan ik u niet deren; doch, gij hebt een vaderhart en dat
+weet ik te treffen; dat vaderhart moet vaneengereten worden. Ziedaar
+een wraak, mijner waardig."
+
+"IJselijk mensch!.... doch bedenk hoe gij u zult verantwoorden. Dat
+bevelschrift geeft u alleen volmacht over mij."
+
+"Wien de koe behoort, behoort ook het kalf," zeide Eugenio grijnzende.
+
+"Al wat ik bezit, al wat mij overbleef is het uwe; doch spaar mijn
+kind!"
+
+"Zoo is het! zoo moest ik u doen smeeken; maar neen; de dood van het
+knaapje is besloten: en voor de muren van uw slot zult gij het met
+het water zien spartelen."
+
+"Onmensch! ik bezweer u."
+
+"Vruchteloos!"
+
+"Welnu! zie mij vernederd: ik werp mij voor u in 't stof, doch spaar
+mijn kind!"
+
+"Heerlijk, verrukkelijk schouwspel! De trotsche Graaf van Falckestein,
+de hoogmoedige vijand van Rome en Madrid, voor een armen Jezuïet in het
+zand geknield. Kom! begin uw _confiteor_! [18] wel moogt gij zeggen:
+"_Pater peccavi_. [19] Doch het ware al om niet: ik voldoe mijn wensch;
+en ziedaar de ontknooping van het spel: _septuagies septies_! [20]"
+
+Deze woorden uitende, liet hij het kind los. Falckestein sprong
+met een vreeselijke gil toe: hij had den plof gehoord en meteen den
+noodkreet van zijn zoontje in het uiterste levensuur. In vreeselijke
+gemoedsaandoening vloog hij naar den waterkant om in de rivier te
+springen en te trachten het arme kind te redden; doch op een wenk
+van Eugenio gaf hem een der Spanjaards met zijn hark zulk een slag
+op den slaap van het hoofd, dat hij met den kreet van: _o Jezu_! ter
+aarde stortte.
+
+Beckman was, zoodra hij het kind in het water had hooren ploffen,
+met al den spoed, dien zijn jaren toelieten, naar den vischslag
+geloopen, alwaar, volgens Velasco's belofte, het schuitje werkelijk
+lag vastgemaakt. Met kracht van riemen haastte hij zich naar de
+plaats waar het kind gezonken was, 'tgeen aan de andere zijde van
+den hoektoren en buiten zijn gezicht had plaats gehad. Langs de
+rivier in de zijgracht gekomen, zag hij wel een mutsje drijven;
+doch het kind zelf was nergens te bespeuren: alleen de kringen in
+het water verrieden de plek, waar het verdwenen was. Terwijl hij
+aldaar rondzwalkte, gonsde hem een steen om de ooren, hem uit den
+boomgaard nageworpen; waarop hij, op eigen levensbehoud bedacht,
+naar de overzijde voer en zich redde met de vlucht.
+
+Ruim drie uren had de grijsaard langs de heuvelen en dalen
+rondgezworven, terwijl de schrikbeelden van het laatste oogenblik
+hem beletteden, over het gebeurde na te denken, toen hij van verre
+iemand naderen zag in boerengewaad, doch met sabel en pistolen
+gewapend. Beckman wilde hem ontwijken; doch met een kreet van
+blijdschap snelde de vreemdeling op hem af. Het was Feurich, wien de
+Gravin, die behouden te Dortmond was aangekomen, had afgezonden om
+naar het lot van haar echtgenoot te vernemen. Men beseft de droefheid
+des braven ruiters, toen Beckman hem den nieuwen moord, die te Bruck
+had plaats gehad, berichtte. Deze tijding deed hem echter van zijn
+voornemen niet afzien. Hij verzocht dus aan Beckman, hem bij een boer,
+dien hij hem noemde, te wachten, en reisde voort naar Bruck.
+
+Het was reeds nacht, toen hij in het gezicht kwam van het slot: dan
+welke verbazing beving hem, toen hij het in dikke rookwolken gehuld
+zag, terwijl de spiegeling der vlammen in de rivier teruggekaatst
+werd. Met ontzetting naderde hij: dan al spoedig werd hij gewaar,
+dat alleen het vischhuisje en de tuinloods in brand stonden. Dit deed
+hem besluiten zijn oogmerk te volvoeren: hij ontdeed zich van zijn
+bovenkleederen, greep de sabel tusschen de tanden, zwom de rivier
+over en klom, tegen den steiger, aan de overzijde aan wal.
+
+Het was hier stil; doch een ondraaglijke hette vervulde den
+boomgaard: de flikkering der vlam, die allengskens afnam, deed
+hem alle voorwerpen duidelijk onderscheiden: dan wat schouwspel
+deed zich aan zijn oogen voor, toen hij de zwartgerooste balken en
+steenen genaderd was: een twaalftal verbrande en gerooste lijken,
+allen naakt uitgeschud en onkenbaar! Met ijzing treedt hij terug;
+doch keert zijns ondanks weder. Met de punt van 't geweer draait hij
+hen om, zij vallen in asch uiteen. Eindelijk vindt hij een lichaam,
+waarvan alleen de beenen verteerd waren, terwijl het hoofd, in 't
+natte gras rustende, nog volkomen gaaf was. Hij trekt het naar zich
+toe, veegt met de hemdsmouwen het gelaat schoon, en.... zwijmt neder
+naast het deerniswaardig overschot van zijn ontzielden meester.
+
+Wenden wij de oogen van dit schriktooneel af en begeven wij ons
+naar het leger der Staatschen, waar de doorluchtige held, die er het
+opperbevel voerde, met nimmer verkloekt beleid zich beijverde om de
+verachterde zaken van den Nederkreits te herstellen.
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+ Maer dat en is het niet, waerop de veltheer loert.
+ Wie zich derf onderwinden
+ Een' aenslagh, vol gevaers, moet passen op zijn tijt.
+
+ _Vondel_, Gysbrecht van Aemstel.
+
+
+Mendoza had, min door beleid of dapperheid, dan door de medewerking
+der pestziekte, die de bezetting wegrukte, en der vlam, die het
+buskruit der Staatschen springen deed, de stad Rijnberk in zijn macht
+gekregen, en kort daarna Wezel, Rees en Emmerik bezet. Maurits, nu
+zeker onderricht, dat al die krijgsbedrijven zeer tegen den zin der
+Duitsche vorsten geschiedden en door de Kleefsche Regeering opnieuw om
+hulp aangeroepen, had zich van Zevenaar, Heussen en Lobith verzekerd,
+en die grensplaatsen van de noodige versterking voorzien. Hierdoor
+waren de vijandelijke legers zoo dicht bij elkander, dat het niet
+missen kon, of er moesten gedurig schutgevechten voorvallen. De
+Spanjaarden schoten hierbij doorgaans te kort, daar het verwoesten
+der landerijen in het leger van Mendoza een hongersnood had doen
+ontstaan, die zoo geweldig woedde, dat de overloopers en gevangenen
+dikwijls verklaarden, in geen vijf dagen brood geproefd te hebben. Het
+hoofdkwartier van Graaf Maurits was te Oud-Zevenaar gevestigd, en zijn
+sterkste legermacht aldaar verzameld, eensdeels op het vasteland,
+en anderdeels op den Weert of eiland, voor de kerk liggende, en den
+Gelderschen Weert genaamd, welke met den vasten wal aan weerszijden
+door schipbruggen vereenigd was, en waardoor een andere schipbrug
+van honderd roeden lang een veiligen weg bood aan de ruiterij en
+den legertrein. Ook hier hadden kunst, beleid en volharding over
+de weerbarstige natuur gezegevierd, en het schijnbaar ongunstig
+gelegen oord had, door de bekwaamheid van den veldheer, een sterke,
+gemakkelijke en wel voorziene legerplaats verschaft.
+
+Het was op een frisschen najaarsmorgen, dat de veldheer, van zijn
+dappere legerhoofden en bekwame krijgsbouwmeesters vergezeld, van
+den Weert, alwaar hij een krijgsschouwe gedaan had, naar Oud-Zevenaar
+terugkeerde. De legers van dien tijd--vooral dat der Staten--leverden
+een Babel op van de meest verschillende volkeren en tongen, van
+oorlogslieden, door win- of eerzucht uitgelokt, om voor de zaak te
+strijden van een natie, die hun vreemd en onverschillig was, en het
+is nog te verwonderen, hoe een legerhoofd niet alleen de vereischte
+orde, ondergeschiktheid en rust kon bewaren in een lichaam, uit
+zulke vreemdsoortige deelen samengesteld, maar zich daarvan met eenig
+voordeel konde bedienen. Zoo iemand, verstond Maurits deze kunst, hem
+door zijn grooten vader en voorganger ten erfdeel gelaten: en het ware
+de moeite dubbel waardig, dat een bekwame pen zich bevlijtigde, meer
+opzettelijk de bekwaamheden aan te toonen, welke die beide Vorsten
+hebben aan den dag gelegd in het te boven komen van hinderpalen,
+niet uit de macht der vijanden, maar uit de samenstelling hunner
+natuurlijke bondgenooten en medestrijders ontstaan. Men zegt vrij
+algemeen en men kraait het elkander na, dat onze voorvaderen ons
+land hebben vrijgevochten; doch de door hen betoonde dapperheid en
+volharding heeft zich meer bepaald tot het verdedigen van eigen
+Haardsteden, gelijk te Leiden, Haarlem en Alkmaar het geval was,
+dan tot het wezenlijk oorlogvoeren. Zonder de groote legerhoofden,
+die voor ons vaderland gestreden hebben, ware het nog lang een machtig
+deel van Spanje gebleven, en het gezegend licht der Hervorming had
+er niet dan flauwe en onder de koornmate verborgen stralen geschoten.
+
+De legers van dien tijd waren uit verschillende bestanddeelen
+samengesteld, gelijk ik aanmerkte vóór deze uitweiding, voor dewelke
+ik den lezer verschooning verzoek: en de stoet, die Graaf Maurits
+vergezelde, bood in een klein begrip stof tot een beschouwing als
+bovenstaande.
+
+Naast den Graaf reed een der bekwaamste officieren van zijn tijd, de
+Generaal Sir Francis Vere, die de Engelsche benden aanvoerde; aan zijn
+andere zijde de groote Vlaamsche Wiskunstenaar Simon Stevyn, 's Vorsten
+vriend en leermeester, die hem in 't veld als Kwartiermeester-Generaal
+diende, en achter hem de Waalsche Hoofdman Marquette. Wat verder
+reden 's Vorsten neven, Graaf Ernst van Nassau, die aan 't hoofd der
+Duitschers stond, en Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, welke beiden
+moeite deden om een geregeld gesprek te onderhouden met den Markgraaf
+van Bethune, den Kolonel der Fransche hulpbenden. Hen volgden andere
+stafofficieren, waaronder zich de Schot aan zijn geruiten mantel, de
+Milanees aan zijn gitzwart haar en geestigen oogopslag, de Deen aan
+zijn vierkante kloeke gestalte en de Zwitser aan zijn breede knevels
+onderscheiden lieten. Eenige kapiteins van de Garde, waaronder de
+Ritmeester van Reede van Sonheuvel, waren met dezen trein vermengd.
+
+Aan het hoofdkwartier gekomen, vernam de Graaf, dat de Gravin
+Douairière van Falckestein zich aldaar had aangemeld en een gehoor
+bij Zijne Doorluchtigheid dringend verzocht.
+
+"De Gravin van Falckestein!" zeide Maurits met aandoening: "zij
+moet vooral niet worden afgewezen. Vergunt mij eenige oogenblikken
+aan haar te schenken, Mijne Heeren! ik ben straks weder tot uw
+dienst. _Vetter_!" vervolgde hij, zich tot Graaf Lodewijk Gunther
+wendende. "Ga Mevrouw verwelkomen en zeg haar, dat ik haar verwacht."
+
+Dit zeggende, begaf zich Maurits naar zijn tent, terwijl de officieren,
+van hunne paarden afgestegen, zich aan den ingang in onderscheidene
+groepen verzamelden. Nieuwsgierig sloegen zij de oogen naar de zijde,
+van waar de Gravin moest komen, met dat verlangen, hetwelk men
+gemeenlijk koestert om iemand te zien, die zich, hetzij door groote
+daden, hetzij door groote onheilen heeft beroemd gemaakt. Weldra
+naderde zij, door Graaf Lodewijk Gunther voortgeleid; zij was in zwaar
+rouwgewaad gehuld, doch de diepe weedom, op haar bevallig nu verbleekt
+gelaat verspreid, duidde nog meer dan het rouwgewaad het lijden aan,
+dat haar ten deel gevallen was. Zij had haar nu eenig zoontje bij de
+hand, en trad met nedergeslagen oogen en wankelenden gang de rijen
+der edelen door. Beckman en Feurich, die haar vergezeld hadden, bleven
+op een kleinen afstand van 's Veldheers legertent eerbiedig staan.
+
+Met een oog vol deernis staarden de krijgsoversten op die rampzalige
+weduwe, en aan meer dan een, die haar vermoorden echtgenoot gekend
+had en hooggeacht, ontrolde een droevige traan. Horatio Vere echter
+kon niet nalaten tegen Reede, die naast hem stond, aan te merken:
+"_a fine lady, to be sure_ [21], nietwaar?" "Ik heb er niet op gelet,"
+antwoordde de Ritmeester: "ik heb alleen het rouwgewaad gezien, dat
+mij den dood van een onvergetelijken vriend herinnert." Dit zeggende,
+wendde hij zijn gelaat af en bedekte het met de linkerhand.
+
+"_He was your friend? Ah! forgive me: I did not know the
+relation_...." [22]
+
+Inmiddels was de gravin de legertent des Vorsten ingetreden en bevond
+zich met dezen en haar zoontje alleen; dan, vruchteloos poogde zij
+haar rede te beginnen: het gewicht van haar smarten onderdrukte haar,
+en zij kon, terwijl zij aan Maurits het knaapje voorstelde en zich als
+smeekeling voor hem nederboog, niet anders uitbrengen dan deze woorden:
+"Uwe Doorluchtigheid bescherme mij en dit ongelukkige weeskind!"
+
+"Sta op, Mevrouw! en neem plaats," zeide Maurits, haar opheffende
+en naar een zitplaats geleidende: "gij komt hier bij een vriend,
+die hartelijk deelt in uw lot. Waarmede kan ik u die deelneming
+betoonen? want Maurits is een slecht redenaar en doet zijn medelijden
+liever door daden spreken. Beveel over mij; doch, ik bid u, kom tot
+u zelve, gij zijt diep ontroerd!"
+
+Nadat de Gravin door een vloed van tranen lucht had ontvangen en
+genoeg bedaardheid van geest herkregen om een aaneengeschakelde rede
+te beginnen, schilderde zij haar ongelukkigen toestand aan den Vorst,
+betuigde hem, dat zij niet in den Nederkreits blijven wilde, noch haar
+nu eenigen zoon aan de rampen des oorlogs blootstellen en eindigde
+met aan Maurits te verzoeken, dat hij haar in een der Hollandsche
+steden een veilige wijkplaats wilde aanwijzen, waar zij, verre van
+het oorlogsrumoer, haar dagen in stilte zou kunnen doorbrengen,
+totdat de krijg, van den Neder-Rijn geweken, haar weder vergunde, in
+het bezit van haar goederen te keeren en zich aldaar neder te zetten.
+
+Met vriendelijk geduld en oplettendheid luisterde de Graaf naar haar
+verzoek, en gaf haar vervolgens zijn woord van voor haar en haren
+zoon als voor de leden van zijn huisgezin te zullen zorgen. Vervolgens
+riep hij graaf Lodewijk Gunther binnen.
+
+"_Vetter_!" zeide hij: "maak u gereed om de genadige vrouw naar Arnhem
+te geleiden en haar het beste logies te bezorgen, dat gij voor haar
+vinden kunt. Ik zal intusschen aan de Staten schrijven en van Hunne
+Hoogmogenden verzoeken, Hare Genade een geschikte woonplaats in Den
+Haag aan te wijzen. De Graaf van Falckestein heeft genoeg voor ons
+gedaan, dat zijn weduwe wel eenige aanspraak op onze dankbaarheid
+mag behouden."--Dit zeggende, geleidde hij zelf de Gravin tot aan
+de legerpoort terug, en nam afscheid, haar nogmaals aan de zorgen
+van zijn bloedverwant aanbevelende. "Kwijt u wel van uw post,
+_Vetter_!" fluisterde hij hem in 't oor, "en verlies uw roem niet,
+van een getrouw dienaar der dames te zijn."
+
+Bij zijn terugkomst aan het hoofdkwartier vond de Graaf al zijn
+officieren van geestdrift opgewonden. Zij hadden van Beckman en Feurich
+de afgrijselijke omstandigheden van den moord vernomen en waren
+in felle woede op de bloeddorstige moordenaars ontstoken. "_De par
+tous les diables_!" riep Bethune uit: "Sel die Spanjool op onkestoor
+sulke moordadikheden pleeken? _et sans vengeance_? Permetteere ons
+Son Excellence om te kaan _venger_ so skendikke skelmstukke?"
+
+"Op wie?" vroeg Stevyn glimlachende.
+
+"Oppe wie? Parbleu! _Monsieur le Quartiermaître_! dat isse eene vraak
+van een _mathématicien_. _Diable_! _sur tout le monde, pour l'honneur
+de l'humanité_."
+
+"_Revenge on die damnd_ vermorderers!" riep Vere.
+
+"Ich sol den ersten Spanjool, dien ich antreffe, die kopf afschlagen
+vor eine rache," zeide Graaf Ernst.
+
+"Hoe nu, Mijne Heeren!" zeide Maurits: "wat is uw oogmerk? als ware
+Amadissen de wapenen op te vatten en mij te verlaten om een schoone
+vrouw te gaan wreken?"
+
+"_Pardon, votre Excellence_!!" zeide Bethune; "maar ik bekrijp,
+_en vrai chevalier Français_, te moeten omhels _la cause_ van de
+bedrukte _beauté_."
+
+"_A child murdered_!" riep Vere: "het roept om wraak _to the Lord_!"
+
+"Ein vertrag zu erbrechen!" hernam Graaf Ernst.
+
+"Recht zoo!" zeide Graaf Maurits: "dit alles roept om wraak! en de
+straf zal eenmaal het misdrijf volgen. Mendoza zal spoedig de vruchten
+van zijn spelen met eed en beloften ondervinden, in het wantrouwen van
+allen, wier hulp hij behoeft en in de verachting van al wat wèl denkt,
+ook bij den Spanjaard. Wat ons betreft, Mijne Heeren! laat ons deze
+nieuwe bijdrage tot de geschiedenis der Spaansche tirannen in aandenken
+houden; doch alleen om met des te meer ijver het groote verlossingswerk
+voort te zetten, waartoe wij ons vereenigen, en wachten wij ons om,
+bij het wreken van dergelijke wandaden, ze na te volgen. De oude regel
+_tand voor tand_ en _oog voor oog_ is door een betere, zachtere leer
+vervangen, en Spaansche gruwelen mogen nimmer worden aangehaald om
+de onze te wettigen.--En thans genoeg hierover: Mijn beste Stevyn! de
+Grootmeester der Artillerie Kessel, wacht ons aan de stallen: ik heb
+nu een twintigtal toomen laten maken volgens de teekening, die ik er
+laatst van ontworpen heb, en ik durf vast gaan, dat zij, wiskunstig
+gesproken, de gebitten niet meer prangen kunnen. Tot noen dan, Mijne
+Heeren! ik verwacht ulieden en wensch u inmiddels vaarwel." Dit gezegd
+hebbende, boog hij zich rond en vertrok met Stevyn.
+
+"Wiskunstige toomen! _ne sont-ce pas comme qui dirait des brides
+mathématiques_?" vroeg Bethune met een spottenden glimlach.
+
+"_The same_," antwoordde Vere; "doch laat u dit niet verwonderen. Gij
+zijt nog maar kort bij ons," (vervolgde hij in gebroken Fransch,
+hetgeen ik hier liever in verstaanbaar Nederlandsch overbreng);
+"maar gij zult meer hooren dan dit. Bij zijne Excellentie gaat alles
+wiskunstig toe, en het is er niet te minder om. Onlangs had ik, ter
+bemachtiging van een verschansing, schuiten uitgedacht met opstaande
+ladders; doch Zijne Excellentie bewees mij zeer goed, dat mijn schuiten
+niets deugden, en bij het beklimmen der ladders, door de zwaarte zouden
+kantelen en omslaan: en toen maakte Stevyn op zijn last een vertoog,
+'t welk hij noemde.... hoe duivel heette het ook?.... o ja: _vlietende
+topswaerheit_: en hij bewees daarin hoe men schuiten moest inrichten,
+die nimmer kantelen konden, maar evenals Indiaansche duikelaartjes
+zich altijd weder herstelden!"
+
+"_Ah! c'est un grand génie, quo son Excellence_," zeide Bethune:
+"_mais pourtant, des brides mathématiques_! _c'est plaisant_! _je
+doute que cela prenne_."
+
+"_Et cela prendra cependant_," zeide de Adjudant Marquette tot den
+ginnegappenden Franschman: ik ben _certein_, dat ge den ierste zijn
+zult, dien ze in awe roitery zult nemen, zoodrao ge ze gezien hebt."
+
+"_Je n' en doute pas, puisque vous affirmez, mais cependant_...."
+
+"Komt _meine Herren_!" riep graaf Ernst hun toe: "wollen sie nicht met
+kaan nach die maliebaan om onze etlust anzuwacheren?"--Dit voorstel
+vond goedkeuring: de krijgsoversten begaven zich naar een open plein,
+dat, achter 's Veldheers tent gelegen, de geschikste gelegenheid
+aanbood tot dergelijke vermakelijkheden. Hier besteedden zij den
+tijd, die hun tot het etensuur overbleef, met het balslaan of met het
+kegelspel. Alleen de Heer van Sonheuvel schudde ontevreden het hoofd en
+begaf zich naar zijn kwartier.--"Zijn dat mannen?" mompelde hij onder
+'t voortgaan: "in 't eene oogenblik bestormen zij Zijne Excellentie
+om verlof tot een uitval, ten einde wraak te gaan nemen over dien
+gruwelijken moord, en in het volgende loopen zij als kinderen naar de
+maliebaan en kaatsen en kegelen en lachen en zuipen, alsof er nooit
+een Ulrich von Daun in de wereld geweest ware. Dan, laten zij hem
+vergeten, ik vergeet hem zoo licht niet!"
+
+Nog vervuld van deze gedachten, trad hij zijn tent binnen, waar hij
+den getrouwen Bouke bezig vond met het opwitten van zijns meesters
+handschoenen en degenhanger.
+
+"Ik hoor," zeide deze, "dat de genadige vrouw van Falckestein in het
+leger geweest is."
+
+"Dat is zij, Bouke! en tot mijn verdriet! Toen hebben de Oversten een
+boel poha gemaakt quasi om haar te gaan wreken, en het was Fransche
+wind en Duitsche larie en Engelsche vloeken wat men hoorde; en per
+slot van rekening zijn zij allen loopen spelen; maar, wat mij betreft,
+ik beloof dat ik den eersten Spanjool, dien ik in handen krijg, den kop
+zal afhouwen tot een exempel voor al zulke woordbrekers en verraders."
+
+"Die arme Graaf!" zeide Bouke: "doch wat kon hij anders van zulke
+schelmen verwachten? 't zijn allen fielten en rabauwen: heugt het
+UEd. nog van die Satansche Jezuïeten? Ja, gelijke monniken, gelijke
+kappen! De Graaf had zich nooit met hen in moeten laten, want geef
+je den duim, ze nemen je de heele hand."
+
+"Nu," hernam Reede: "ik zal hun duim noch hand, maar wel een paar
+fiksche vuisten toonen, dat beloof ik. Ja, ik moet en wil Zijne
+Excellentie spreken; misschien zal Maurits als ik hem alleen vinde,
+mij wel toestaan een tochtje te ondernemen: hij is hier achter in de
+stallen: ik zal hem maar terstond gaan opzoeken."
+
+"Juist," merkte Bouke aan: "men moet het ijzer smeden als 't warm is."
+
+De Ritmeester trad zijn tent weder uit en wandelde naar de straten
+achter de legerplaats, waar zich de paardenstallen bevonden. Het
+leed niet lang, of hij zag den Graaf met zijn jongen broeder
+Hendrik Frederik, den Generaal der artillerie Kessel en de beide
+Kwartiermeesters-Generaal Stevyn en Lieven Cys bij een fraai
+merriepaard staan, aan hetwelk zij onderscheidene gebitten pasten.
+
+"Gij ziet dus, Kessel!" zeide de Graaf, "dat onze leer op goede gronden
+steunt, en dat de keeren aan een stang noch meer noch minder tot de
+strakheid doen."
+
+"Zooals Uwe Excellentie het berekent, neen," antwoordde Kessel;
+"doch het zij mij vergund aan te merken, dat men elk in zijn ambacht
+gelooven moet, en dat alle pikeurs en stalmeesters van oordeel zijn,
+dat de keeren veel toebrengen tot de strak- of slapheid."
+
+"Ten iersten," zeide Stevyn, "zijn de pikeurs giene wiskunstenaors,
+en kunnen dus van gewichtige gedaonte niet eurdeelen: ten twieden
+moeten zij oit de ondervinding hun veurgeven bewijzen, of ik ben niet
+verplicht hen te geleuven."
+
+"Eilieve zie eens!" zeide Lieven Cys, "hoe bedrukt de kapitein Reede
+daar aan komt wandelen: 't is of hij vandaag niet ontbeten heeft zoo
+kauwt hij op zijn hoed."
+
+"Hij is misschien bij Mendoza te gast geweest," merkte Stevyn aan,
+al lachende: "daor, heur ik, volgt men het oude veurschrift van den
+philosoof, om, naomelijk, altijd met honger van taofel te gaon."
+
+"Gij zult zien," zeide de Graaf, "dat hij mij een verzoek te doen
+heeft, waarmede hij niet durft aankomen: wij zullen hem uit de
+verlegenheid helpen.--Kapitein Reede! een woordje met u, als 't u
+gelegen komt!"
+
+Met een loop, die veel naar een sprong zweemde, bevond zich de
+Ritmeester aan 's Graven zijde. Deze verwijderde zich een weinig van
+de Oversten, waarna hij, Reede vlak in 't gezicht ziende, hem aldus
+toesprak: "Gij hebt iets op uw hart, Kapitein, en gij schroomt het
+uw Overste te verhalen. Is dat vriendschappelijk gehandeld? Gij weet
+hoe Maurits de openhartigheid bemint.... wanneer het geen staatszaken
+betreft."
+
+"Uwe Excellentie is al te goed," was het antwoord des Ritmeesters:
+"en echter vrees ik mijn verzoek niet te zullen verkrijgen: ik wilde
+Uwe Excellentie spreken over.... over.... de treurige tijdingen,
+die heden...."
+
+"Hoe!" vroeg Maurits: "is uw gade erger? Ik weet, dat zij zich in
+zeer zwakken staat bevindt."
+
+"'t Is waar, Uwe Excellentie! de dood van ons eenig zoontje heeft haar
+in haar zwangeren toestand zeer getroffen; doch ik bedoelde thans de
+nieuwe berichten, die ik heden ontving, over den moord van iemand,
+die zoowel de vriend Uwer Excellentie was als de mijne, den waardigen
+Ulrich von Daun."
+
+"Welnu?" zeide Maurits: "en gij wilt?...."
+
+"Wraak nemen op de moordenaars, waar ik hen vinde," was het antwoord.
+
+"Ik versta u," hernam de Graaf met veel koelheid, "doch een expeditie
+ligt niet in mijn plan."
+
+"Uwe Excellentie!...."
+
+"Misduid mij niet! niemand verdenke mij van hardvochtigheid of
+ongevoeligheid omtrent het lot van den edelen Graaf! Ik ben geen
+weekhart, en echter hebben deze oogen droevige tranen gestort om zijn
+verlies, en ben ik er wellicht dieper over getroffen dan al die Heeren,
+die mij zoo luidkeels tot wraak aanspoorden.
+
+"Mag ik," hernam Reede met aandrang, "mag ik op dat getal geen
+uitzondering maken? Ik was de boezemvriend van den Graaf: ik ken
+zijn moordenaars."
+
+"Doch waar zult gij hen vinden?"
+
+"Wellicht nog te Bruck; doch hetzelfde waar zij zich ophouden, al zaten
+zij, met verlof gezegd, in de voorpoort der hel, ik zal hen vinden met
+hulp van God en mijn zwaard. Daarenboven weet Uwe Excellentie dat ik
+een oud eigen op den moordenaar heb, zoowel als Uwe Excellentie. Hij
+was een der opstokers van Pieter Panne, wie ik...."
+
+"Ik versta u: en uit dankbaarheid, dat gij toen mijn leven gered hebt,
+moet ik u thans, na de rol van meester Knipschaar, die van meester
+Hans laten spelen. Hoor eens Ritmeester!" vervolgde hij, hem met
+gemeenzaamheid de hand op den schouder leggende: "gij zijt een dapper
+man, kloek en handig met het zwaard, altijd de eerste in het veld; doch
+of gij de noodige koelbloedigheid bezit om een expeditie als die van
+welke gij spreekt te bestieren, dit laat ik, beste vriend! gaarne aan
+uw eigen oordeel over. Ik mag thans mijn leger van geen man ontblooten
+en wil niemand in gevaar brengen door met u herom te dolen bij nacht
+en ontijde om een mageren Jezuïet te zoeken; want dat zoudt gij dan
+moeten, vermits Pater Eugenio niet meer te Bruck is."
+
+"Niet? O! in 's Hemels naam, Uwe Excellentie! waar bevindt hij
+zich dan?"
+
+"Kunt gij een geheim bewaren, Kapitein?"
+
+"Als goud, Uwe Excellentie."
+
+"Dat voorrecht bezit ik ook, tot mijn geluk. Geloof mij, het ware
+eene onnutte poging, te willen kennen hetgeen ik bedekt wil houden:
+indien mijn hemd achter een mijner geheimen kwam, smeet ik het dadelijk
+op het vuur."
+
+"Dan zal ik zorgen mij niet te branden," zeide Reede, met een koele
+buiging en terwijl hij een gezicht trok alsof hij een drankje innam:
+"het doet mij innig leed, dat Uwe Excellentie aan mijn verzoek niet
+voldoen kan."
+
+Met deze woorden nam hij afscheid en keerde naar zijn tent, als een
+patrijshond, die aan den ketting ligt en zijn meester ter jacht ziet
+gaan zonder hem mede te nemen.
+
+De mensch loopt de fortuin na en deze komt hem dikwijls in zijn bed
+opzoeken: dit spreekwoord, dat Bouke dikwijls bezigde, werd kort na
+het gesprek, dat de Graaf met Reede gevoerd had, aan dezen laatsten
+bevestigd. Hij lag te halftien des avonds op zijn legerstede te
+ronken, toen zijn dienaar Bouke opeens half naakt voor hem verscheen,
+en hem wekte met dit spreekwoord: "hoe later op den dag, hoe schooner
+volk! daar is iemand vanwege Zijne Excellentie, om UEd. te spreken."
+
+"Zoo!" zeide de Ritmeester, de oogen wrijvende: "ja het is niet anders:
+kom de vorsten iets vragen, dan is 't zelden te huis, hebben zij ons
+noodig, men moet op elk uur van den dag of nacht klaar zijn: doch dat
+is tot daar aan toe; breng den bode hier, Bouke!.... of wacht! geef
+mij eerst mijn pels."
+
+Bouke reikte hem den pels aan, dien hij over het hemd aantrok, terwijl
+hij al rillende en klappertandende zich naast zijn bed nederzette. Een
+Luitenant van de Garde werd binnengeleid, die hem aldus toesprak:
+"Zijne Excellentie verzoekt u, Heer Ritmeester! mij op staanden voet
+in volle wapenrusting te willen volgen, met uw dienaar."
+
+"Waartoe? waarheen? waarop is 't gemunt?" vroeg Reede, terwijl hij zijn
+oogen wijd opspalkte en het hoofd schudde om recht wakker te worden.
+
+"Dat zal Zijne Excellentie UEd. ongetwijfeld zelve verklaren willen,"
+antwoordde de Luitenant: "UEd weet dat zijn geheimen...."
+
+"Genoeg!" hernam de Ritmeester, die nu geheel wakker was, met
+blijdschap: "ik geloof dat ik het oogmerk al raden kan;.... doch
+laat ik niet te veel zeggen, anders mocht hij een _autoda-fé_ van
+mij maken, zooals van mijn hemd: gij hebt het gehoord, Bouke! geef
+mij mijn wapenen, en ga dan spoedig de paarden opzadelen."
+
+"Welk paard zal UEd. berijden?" vroeg Bouke.
+
+"Om 't even: neem 't grauwtje maar!"
+
+"Neem het zwartste paard dat gij hebt, Heer Ritmeester!" zeide de
+Luitenant: "de nacht is wel donker, maar een wit paard wordt ook bij
+duister gezien."
+
+"Bij nacht zijn alle katten grauw," merkte Bouke aan, terwijl hij
+zijn meester diens wapenen aanbracht.
+
+"Gekheid, Bouke," zei deze: "de Luitenant heeft gelijk. Zie eens,
+Heer Luitenant! mijn borstkuras is zoo helder gepolijst, alsof ik
+te voren geweten had, dat het dezen nacht zou moeten dienen.... 't
+is maar om u te toonen, dat men altijd zorgen moet, zijn spullen
+in orde te hebben!.... ik zal er met dat al maar een buis over
+aantrekken; vooreerst om de koude, en ten tweede om niet gezien te
+worden;.... het zou toch nogal aardig zijn, indien ik juist geraden
+had!.... Ook zal ik maar een helm zonder vederbos opzetten.... ja,
+Zijne Excellentie zegt wel, dat ik geen bedaardheid bezitte.... wat
+hamer Bouke! rep u dan toch wat!.... maar ik hoop u te toonen!.... Zie
+zoo! ga nu maar de paarden halen: ik zal zelf mijn degen wel krijgen
+en mijn pistolen laden.... ik wil wedden, dat wij dien Jezuïet in
+handen krijgen!.... Gaat gij ook mede, Heer Luitenant?--Niet!.... dat
+spijt mij; anders zoudt gij een kluchtspel zien: een Jezuïet, dien
+wij zullen vangen!.... waar zijn mijn handschoenen?.... och ik heb
+ze al aangetrokken!.... wat talmt Bouke nu weer?"
+
+Op het einde dezer alleenspraak, welke de Luitenant zich wel gewacht
+had te storen, daar hij er niets van begreep, en het praten over
+het hemd van Zijne Excellentie en den te vangen Jezuïet daar aan
+toeschreef, dat Reede nog door den slaap bevangen was, verscheen Bouke
+met de paarden voor de tent. Heer en dienaar stegen op, voorafgegaan
+door den Luitenant, die hen met een handlantarentje voorlichtte. Zij
+trokken de brug over, die naar den Weert geleidde, de lange brug,
+die er overheen voerde, en de derde, welke den Weert met de overzijde
+vereenigde, totdat zij in 't open veld waren gekomen. Aldaar kondigde
+het gebriesch van paarden de nabijheid aan eener ruiterbende, welke
+door de duisternis niet kon worden onderscheiden. Nu floot de Luitenant
+een paar malen, en zijn sein werd op gelijke wijze beantwoord: een
+man in een zwaren mantel gewikkeld en met een breedgeranden hoed op
+'t hoofd, trad voorwaarts: het was Graaf Maurits.
+
+"Heer Ritmeester!" sprak deze: "de tijd is kostbaar; doch een
+goed verstaander heeft aan een half woord genoeg: achter mij staan
+honderd ruiters, uit alle benden uitgelezen. Gij trekt met hen een
+konvooi te gemoet, dat heden uit Gelder naar het hoofdkwartier van
+Mendoza getrokken moet zijn.--Geen kwartier voor al wie wederstand
+biedt!--Geene onmenschelijkheden na de overwinning. Een der moordenaren
+vindt gij zeker: zorg, dat hij niet ontsnappe! een gids, die u
+verzellen moet, zal u alles nader verklaren. God geleide u!"
+
+"Ik kus de handen uwer Excellentie duizendmalen," zeide Reede vol
+blijdschap: "dat had ik niet durven verwachten, na het laatste gesprek,
+dat ik de eer had met uwe Excellentie te houden.... God zegene Uwe
+Excellentie!"--En hiermede gaf hij zijn paard de sporen en voegde
+zich bij de ruiterbende, terwijl Maurits met den Luitenant naar het
+kamp terugkeerde.
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+ Hij is met krijghsmans eere in 't harrenas gestorven.
+
+ _Vondel_, Gijsbrecht van Aemstel.
+
+
+Moedig trok Reede, aan 't hoofd zijner bende, de duistere heide over,
+terwijl de gids, een oud onderofficier, in die streken welbekend,
+en die zich terstond aan zijne zijde gevoegd had, hem nader omtrent
+den weg onderrichtte, welken de vijand volgens de ingekomen berichten
+en naar alle waarschijnlijkheid nemen moest, om van Gelder naar het
+hoofdkwartier van den Amirant te trekken. De Ritmeester beraamde
+dienvolgens zijn plan om het konvooi zeker te ontmoeten en te
+onderscheppen, en toen men eenige uren had voortgereden, gebood hij
+dat men halt zoude maken en steeg hij met de officieren af, om te
+beraadslagen wat hun te doen stond. Men was nu in de nabijheid van
+een volkrijk dorp gekomen, hetwelk de Spanjaards ongetwijfeld moesten
+doortrekken, en de gids begreep, dat het onvoorzichtig ware, verder
+voort te gaan, uit vreeze van het konvooi mis te loopen, en evenzeer
+onveilig, het dorp te bezetten, daar men de gezindheid der ingezetenen
+niet kende en het te vreezen was, dat de Spanjaards gewaarschuwd
+mochten worden en een anderen weg inslaan, of terugtrekken. Men
+besloot dus, te blijven waar men was, en inmiddels naar het dorp
+iemand op kondschap uit te zenden, om te onderzoeken, of er zich ook
+een Spaansche bezetting bevond, ten einde, voor men een aanval op het
+naderend konvooi deed, den vijand buiten staat te stellen, het opzet te
+doen falen. Het was Bouke, die de eer genoot met deze zending belast te
+zijn: zijn meester kende hem als een sluwe ondernemende kerel, die zich
+niet licht zou laten beknippen, en wien in dat geval geen bedreiging,
+geen doodsangst zelfs zou dwingen, iets van het ontwerp te verraden.
+
+"Wees gerust, Uwe Edelheid!" zeide Bouke, terwijl hij zich van
+zijn krijgstoerusting ontdeed en in een gemeene boerenpij zich
+vermomde. "Bouke zal zich niet verpraten, want wie veel kalt veel
+ontvalt: indien ik niet binnen 't uur weerom ben, en alles haarklein
+weet te vertellen, hoe het in 't dorp geschapen staat, dan mag ik
+gaarne lijden, dat UEd. mij in 't vervolg voor den grootsten stoffel
+houde, die ooit een snippennet gebreid heeft."
+
+Dit zeggende nam hij haastig afscheid en verliet de ruiterbende,
+welke inmiddels in de vlakte, waar zij zich bevond, halt bleef
+houden. Onverschrokken en blijmoedig volgde Bouke een klein zijpad,
+dat hem, volgens de aanduiding van den gids, op den gewonen rijweg,
+die vlak op 't dorp aanliep, brengen moest. De Novembernacht was
+koud en donker, en de grond hard bevroren: zoodat Bouke, die in den
+beginne met forsche stappen was afgetrokken, al spoedig, uit vrees
+van den grond met zijn geheele lengte te meten, zich genoodzaakt zag
+een langzamer tred aan te nemen: te meer, daar het pad niet rechtuit
+liep, maar in menigvuldige bochten en oneffenheden, nu tusschen
+hakhout, dan weder over afgemaaide graanvelden slingerde. Hoewel nu
+de afstand, dien hij af te leggen had, inderdaad langer was dan de
+gids hem had opgegeven, en de duisternis van den nacht zoowel als
+het ongeduld van onzen verspieder dien nog langer deden schijnen,
+bemerkte deze al spoedig, uit het geloei van runderen, het gebriesch
+van paarden en het geblaf van honden, die zich verward dooreen
+lieten hooren, dat hij de plaats zijner bestemming naderde: en weldra
+herkende hij, in menige donkere gedaanten, die tegen de grauwe lucht
+ongelijkvormig afstaken, de onderscheiden huizen, waaruit het dorp
+was samengesteld. Reeds verblijdde hij zich in de gedachte, dat hij
+nu welhaast aan den grooten weg en dus bij den ingang van het dorp
+moest wezen, toen hij opeens bemerkte, dat het pad zich in tweeën
+scheidde. Terwijl hij onzeker stond, welke zijde hij volgen zoude,
+hoorde hij links van zich af een haan zijn morgenlied met luider keel
+aanheffen. Straks zijn keuze gedaan; hij sloeg linksaf en bespeurde,
+toen hij de kronkelingen van het pad volgde, dat hij werkelijk op het
+dorp aanhield. Met dat al was hij den verkeerden weg ingeslagen, gelijk
+straks blijken zal. Opeens liep het pad eene hoogte op, van waar het
+aan de andere zijde zoo schielijk en zoo steil afdaalde, dat Bouke,
+die hier niet op verdacht was, over een steen struikelde, en vrij
+onzacht nederviel tegen het beschot eener schuur; het was namelijk op
+een hoeve midden in het dorp, en niet op den rijweg, dat het door hem
+gekozen pad geleidde. Dit ware hem hetzelfde geweest in gewone tijden;
+doch in deze oogenblikken strekte dit abuis hem bijna ten verderve;
+want nauwelijks was hij weder opgestaan, toen hij zich van zes of zeven
+soldaten zag omringd. Dezen waren namelijk kort te voren aan de schuur
+gekomen, waar zich een aantal ossen en paarden vonden besloten, toen
+zij opeens ontzetteden door den val van een zwaar lichaam, dat, van
+de hoogte af, midden tusschen hen nedertuimelde. "Santa Maria!" riep
+de een, "wat is dat?" "San Yago!" riep een tweede. "_Ein betrunkener
+kerl_!" riep een derde. En toen zij allen, van hun schrik bekomen,
+ontwaarden, dat deze laatste althans in zooverre gelijk had, als de
+nedervallende gedaante die van een levend manspersoon was, schoten
+zij toe en grepen onzen Bouke vrij onzacht in den kraag.
+
+"Hei! hei wat!" zeide Bouke, die zich vruchteloos poogde los te rukken:
+"voorzichtig wat: ik heb geen kleeren te bederven buiten deze!"
+
+"Wat heb je hier te doen; jou dronken lap?" vroeg een van de soldaten,
+met een forsche stem.
+
+"Met je verlof," antwoordde Bouke: "ik heb een boodschap in 't dorp
+en ben het verkeerde pad opgegaan."
+
+"Welnu! keer dan terug van waar je gekomen bent," zeide een uit den
+troep, hem van zich afstootende.
+
+"_Nein! nein!_" riep een Oostenrijker, hem wederhoudende: "_so leicht
+kommst du nicht frei!_"
+
+"Vooral niet," zeide een Parmezaan: "_bisogna vedere, se ha
+danaro_." [23]
+
+"_Danaro! danaro!_" mompelde een vierde: "wie zal er bij nacht met
+geld in de tasch loopen. 't Is zeker een strooper, die meer nood dan
+brood heeft."
+
+"Om 't even" zeide een ander: "ongemoeid moet hij niet vertrekken:
+zijn kasak is in allen gevalle nog goed, en misschien draagt hij wel
+een paar hoentjes of een haas onder 't wammes."
+
+Dit zeggende begonnen de soldaten de kleederen van Bouke te betasten,
+ondanks zijn tegenspartelen; en aldra ontdekten zij, wel geen wild
+en ook geen geld, maar 't geen erger voor hem was, een lang pistool
+in een zijner broekspijpen verborgen.
+
+"Aha!" zeide de vinder in 't Spaansch, terwijl hij met een zegepralend
+oog het moordtuig in de hoogte hief: "dragen de boeren hier te lande
+zulk ontbijt in den zak?"
+
+"Men kent den vogel aan zijn veeren," zeide Bouke, in zich zelven de
+voorzorg verwenschende, welke hij gebruikt had door het pistool mede
+te nemen.
+
+"Dat moet de sergeant hooren", zeide een ander: "hier steekt verraad
+achter, en er is reden genoeg om het geheele dorp uit te plunderen."
+
+"Wat is er gaande, mannen?" vroeg de sergeant, die op hetzelfde
+oogenblik de schuur naderde: "en waarom zijn de beesten nog niet
+buitengebracht?"
+
+"_Abbiamo trovato una altra bestia,_" riep de Parmezaan: "_un
+traditore!_" [24]
+
+"_Ein bewaffneter bube!_" riep een ander: en terstond werd het
+voorgevallene aan den verbaasden onderofficier medegedeeld.
+
+"Stil wat!" zeide deze: "laat ik den spitsboef eens ondervragen. Zeg
+eens, kerel!" vervolgde hij tegen Bouke, terwijl hij de linkervuist
+in de zijde zettede en zich met de rechterhand de kin wreef: "wat
+was je oogmerk met dat moordtuig daar?"
+
+"Zooals ik reeds aan die brave lui gezegd heb," antwoordde Bouke:
+"alleen uit veiligheid; maar, als iedereen zeit: ik ben een varken,
+dan moet ik in 't hok!"
+
+"En wat heeft zoo een schooier, zoo een landlooper te vreezen?" hernam
+de krijgsman: "ik geloof eerder dat het tegen de veiligheid van anderen
+gemunt was; doch we zullen het den kapitein laten onderzoeken. Hier
+Pedro en Cuno, brengt hem zoolang in huis en bindt hem op de tafel
+vast, dan kan hem Velasco zelf ondervragen, als hij uitgeslapen
+heeft. En voort allen weer aan 't werk. Voor zonsopgang moeten wij
+reisvaardig zijn!"
+
+Volgens den gegeven last werd Bouke, na eerst welgekneveld te
+zijn, door de twee daartoe benoemde manschappen weggeleid naar
+een boerenwoning, die kort daarbij op hetzelfde erf gelegen was:
+het was, zooverre hij dit bij nacht kon opmerken, een groot gebouw,
+'t welk verscheidene vertrekken scheen te bevatten. Hij werd door een
+achterdeur binnengebracht en zag in een vrij ruime schuur, volgepropt
+met een menigte karren, welke, voor zooverre hij zulks bij het flauwe
+schijnsel eener lamp, die van den zolder hing, kon onderscheiden,
+hem toeschenen kruitvaatjes, voederzakken, brooden en andere krijgs-
+en mondbehoeften te bevatten, te meer, daar een schildwacht er heen
+en weder liep, die ook dadelijk den soldaten in de Spaansche taal
+naar de reden hunner komst vroeg. Na een korte woordenwisseling, in
+gebroken Spaansch, Duitsch en Italiaansch gehouden, en waarvan Bouke
+niet één woord verstond, werd deze in een hok gebracht, aan het einde
+van 't vertrek. Men dwong hem, plat op den buik neder te gaan liggen:
+zijn voeten werden gebonden, en hem de verzekering gegeven, dat hij,
+bij de minste poging om los te komen, een kind des doods ware: waarna
+de soldaten hem verlieten en de deur achter zich sloten.
+
+"Ik ben de domste ezel, die er leeft," gromde Bouke bij zich zelven,
+zoodra hij zich alleen bevond: "mij zoo te laten beknippen! ik ben
+immers waard, dat men mij een kogel door den kop jaagt! Hoe kon ik ook
+zoo lomp zijn, om daar midden tusschen die schavuiten te tuimelen? Wel
+is waar, ik weet nu al wat ik weten wou: het konvooi, dat mijn meester
+wacht, is hier al lang; maar hoe hem dit nu te berichten! dat is het
+ongemakkelijke van 't geval."
+
+Terwijl hij hierover lag te peinzen, en bedenkelijk het hoofd schudde,
+'t geen dan ook het eenige deel van zijn lichaam was, dat hij vrij
+had, zag hij een flauwen lichtstraal, die door een reet in het
+hok viel, en hoorde te gelijker tijd aan de andere zijde van het
+vertrek praten. Hij begreep terstond, dat hij in zijn tegenwoordige
+omstandigheden niets beter te doen had, dan te luisteren, rolde zich
+om en bracht, zoo goed hij kon, eerst het oog en vervolgens het
+oor voor de opening van het schot. De eerste dier bewegingen deed
+hem in een klein kamertje zien, waarin een fraaie, rijzige vrouw,
+reeds geheel gekleed, bezig was met eenig goed te pakken; zij bleef
+echter met den rug naar hem toegekeerd, zoodat hij haar gelaat niet
+onderscheiden kon. Naast haar stond een monnik, en in 't verschiet
+lagen twee kinderen in een bedstede te slapen, waarvoor een groote
+fraaie hond lag, alsof hij ze bewaken moest. Bij de tweede beweging
+hoorde Bouke de twee volwassene personen het volgende gesprek voeren.
+
+"Gij wilt het kind mij dan niet teruggeven?" vroeg de monnik.
+
+"Het is Velasco's eigendom," antwoordde de vrouw: "doch gij weet wat
+ik u gezworen heb."
+
+"Een fraaie wijze van eeden te bewaren," mompelde de eerste spreker.
+
+"Het ware geen wonder," antwoordde zij fluisterende, "al had ik
+van u geleerd, hoe men te gelijk zijn woord moet houden en breken;
+doch".... hier sprak zij zoo zachtjes, dat Bouke haar niet verstaan
+kon.
+
+"Trotseer mij niet," zeide de monnik; "gij weet, dat, indien ik
+wil...."
+
+"Indien gij wilt," herhaalde zij, hem driftig in de rede vallende:
+"zwijg daarvan, of ik zou u toonen, hoe ik middelen bezit, om u
+beschaamd te maken voor 't oog van geheel het leger."
+
+"Magdalena!" riep de monnik met een van spijt gesmoorde stem.
+
+"Ik ken die stem, dunkt mij," dacht Bouke: en nogmaals toeziende,
+overtuigde hij zich, dat de spreker niemand anders was dan de Jezuïet,
+dien hij met zijn meester op den weg naar Leiden eens had ontmoet en
+met wien hij slaags geweest was.
+
+"Stil!" vervolgde de vrouw: "Velasco ontwaakt!--en zoo hij u hier
+vond...."
+
+"Welnu!" zeide Eugenio met een schamperen lach: "welk kwaad kon hij
+er in vinden, dat, in een huis, als dit, waarin wij als haring in een
+ton gepakt zijn, de biechtvader vroeg opstaat van de vochtige steenen
+in het vertrekje hiernaast, en in een kinderkamer, zooals deze, zijn
+troost zoekt? Doch wees gerust: hij slaapt den krijgsmansslaap, en
+zal niet wakker worden voordat hij gewekt wordt. Hoor Magdalena! ik
+heb u nog veel te zeggen, en God weet wanneer wij elkander wederzien."
+
+"Hoe!" hernam zij, een vragenden blik op hem werpende.
+
+"Gewis," vervolgde hij, "ik moet met den dag van hier en verlaat
+het konvooi: alleen om mij met u te onderhouden ging ik tot hiertoe
+mede. Hoor! ik moet recht ernstig met u spreken.--Gij hebt zondig en
+dwaas gehandeld, Magdalena!"
+
+"Ik weet het," zeide zij, de oogen met somberheid nederslaande:
+"doch zijt gij het, die mij zulks verwijten moet?"
+
+"Dat ben _ik_!" hernam hij, "ik, die u in ellende en jammer gedacht
+heb, ik, die de wroegingen, de kwellingen van uw hart veroorzaakt
+heb, ik moet ook de medicijnmeester zijn, die u den vrede teruggeeft,
+die u een betere hoop en betere uitzichten verschaft."
+
+"Gij?" zeide zij, hem met een scherpen, veelbeteekenenden blik
+aanziende, en te gelijk het hoofd op een ongeloovige wijze schuddende:
+"Eugenio! het is acht jaren geleden, dat uwe taal en uwe verzekeringen
+eenige macht op mij bezaten."
+
+"En denkt gij dan niet, goede Magdalena!" vervolgde hij, als bemerkte
+hij haar wantrouw in zijn betuigingen niet, "dat ook mijne ziel door
+gemoedsangst verscheurd, dat mijn hart door berouw over mijn misdaad
+gepijnigd werd? Volgens de kerkelijke wetten had mijn heiligschennis
+mij den ban, ja den dood doen verdienen; doch onze Heilige Moeder
+is lankmoedig en genadig: zij begeerde den dood des zondaars niet:
+zij schonk mij vergiffenis: zij verwierf die ook voor u."--Zonder een
+woord te uiten, bleef zij hem aanstaren, in afwachting van hetgeen
+er volgen zoude.
+
+"U werd echter een boetedoening opgelegd," ging hij voort: "een
+boetedoening, die gestreng, doch rechtmatig is. Gij moest namelijk
+nimmer terugkeeren in het oord, waar uw vergrijp ergernis verwekte...."
+
+"Is dit een boete?" vroeg zij haastig: "ik beschouw dit als een
+gunstbewijs."
+
+"Val mij niet in de rede," vervolgde hij; "gij moet, van nu af, uw
+woonplaats vestigen bij hen, die van den geloove zijn afgeweken:
+gij moet in schijn uw leer verzaken, en daar, onder ketters, tot
+opbouwing onzer Kerk werkzaam zijn. Geheel uw leven moet dit alleen
+ten doel hebben, dat weder de ware leer in de afvallige Nederlanden
+heersche: geene zelfverloochening moet u daartoe te groot, geene
+moeite te lastig wezen. Een verhevener dan ik zal u den weg aanwijzen,
+dien gij te bewandelen hebt, de middelen, die gij aan moet wenden,
+om dat doel te bereiken. Kunt gij deze boete voldoen, zoo zijn u uwe
+zonden vergeven, en uw loon zal heerlijk wezen!"
+
+"Ik ben bereid," zeide Magdalena, haar handen opwaarts heffende: "tot
+het vervullen dezer plichten had ik bijna geen vermaning noodig. Van nu
+af behoort mijn leven aan Hem, wien ik eenmaal verlaten heb. Mocht Hij
+mij, als aan mijn Heilige naamgenoot, weder zijn liefdearmen openen!"
+
+"Amen!" zeide de Jezuïet, zich kruisende: "o Magdalena! als het eens
+door onze vereende krachten gebeuren mocht, dat het kettergeslacht
+weder van de aarde verdelgd werde gelijk de afgodendienaars, die
+den lande Kanaäns bewoonden, toen Jozua tegen hen optrok! Als het
+ons weder gelukte, de neergeplofte kruizen alom te herstellen en de
+verbrokene beelden der heiligen uit het stof te doen herrijzen. Hoe
+blijde zou dan niet onze mond het _Hosanna_ aanheffen!--Wij zijn
+arbeiders in den wijngaard des Heeren! Vervullen wij blijmoedig onze
+taak, werwaarts ons Zijn wil ook heenleide."
+
+"Ik herhaal het u, zoo helpe mij de Heilige Maagd!" hernam zij:
+"ik ben bereid alles te verrichten, wat mijne Moeder de Kerk mij
+voorschrijft:--doch.... Eugenio! wat zal er van Ludwig worden?"
+
+"Ludwig," zeide de volgeling van Lojola, snel naar het bed ziende. "Ook
+hij zal een nuttig werktuig worden in de hand des Meesters, die ons
+bestiert. Volg slechts blindelings wat men u voor zal schrijven,
+en al wat eerst duister zijn mag, zal naderhand te heerlijker voor
+uw verhelderde oogen schijnen."
+
+"Ik bewonder u ondanks mij zelve," hervatte zij: "wanneer ik u de echte
+taal eens Priesters spreken hoor; doch, als ik dan aan de bloeddorst
+herdenk, waarmede gij onnoozele vrouwen en kinderen...."
+
+"Gij kleingeloovige!" zeide de Jezuïet: "roeit niet de tuinman,
+als hij het onkruid wiedt, ook de wortels uit?--Laat de jager de
+tijgerwelpen in 't leven, als hij de ouders in hun nest geveld
+heeft? Liet Mozes niet de vrouwen en kinderen der oproerigen tegen
+God met den zwaarde dooden?.... Doch genoeg! ook dat dwaas gevoel van
+valsche menschlievendheid moet en zult gij overmeesteren:--en thans
+vaarwel: de haan heeft reeds ten tweedenmale gekraaid: men bereidt
+alles tot den aftocht; het is tijd dat ik u verlate;.... doch gij
+schijnt verlegen.... hebt gij mij nog iets te vragen?.... zoo maak
+het kort."
+
+"Zult gij van Ludwig geen afscheid nemen?".... vroeg zij op een zachten
+toon: "zult gij hem uw zegen niet geven, eer gij voor langen tijd,
+misschien voor eeuwig, van hem scheidt?"
+
+De Jezuïet zag met een donkeren blik naar de bedstede, waar de
+knaapjes in sliepen, schudde het hoofd, wendde zich haastig om en
+vertrok zonder een woord te spreken.
+
+"Als ik nu van dat geheele gesprek iets anders begrijp," dacht Bouke,
+"dan dat het een paar is, dat aan mekaar gewaagd is, mag ik lijden,
+dat ik mijn geheele leven in dit hok slijte. Zulk vee van den Satan
+durft nog woorden uit de Schrift aanhalen en van Godsdienst en Kerk
+spreken!.... ik wou, dat ik dat wijf maar eens in haar bakkes kon
+kijken; want als zij zulke fielterige voornemens heeft, is 't niet
+kwaad vooruit te weten hoe zij er uitziet, om iedereen tegen haar te
+waarschuwen: men kan aan 't been best zien, waar de hoos gescheurd
+is."--Terwijl hij dus lag te peinzen, werd er in de naaste kamer aan
+een binnendeur getikt. Magdalena opende die, en een Spaansch officier
+trad in volle wapenrusting binnen.
+
+"Maak de kinderen wakker," zeide hij: "over een kwartieruurs vertrekken
+wij. Waar is Antonio?"
+
+"Hij wacht voor de deur," antwoordde Magdalena, terwijl zij de
+kinderen uit het bed haalde, die zich, nu wakker gemaakt, den vaak
+uit de oogen wreven.
+
+"Ga, roep hem," zeide Velasco (want hij was het), terwijl hij
+het kleinste kind opnam en kuste: het knaapje beantwoordde zijn
+liefkoozingen, noemde hem _lieve vader_ en speelde met zijn
+halskraag en vederbos. Intusschen had Magdalena de buitendeur
+geopend en denzelfden sergeant binnengelaten, die Bouke had laten
+gevangenzetten. Een groote, fraaie hond schoot te gelijk de deur in en
+sprong vroolijk om Velasco en de kinderen heen. De Kapitein wendde zich
+nu tot den onderofficier, en sprak met hem een poos in 't Spaansch.
+
+"Nu zal het mijne beurt worden," dacht Bouke, en inmiddels overlegde
+hij, wat hem te doen stond en hoe hij zich bij een verhoor gedragen
+zoude. Dat zijn leven op 't spel stond, kwam hem niet eenmaal in
+de gedachte, of liever, hij bekommerde er zich weinig over, en hij
+peinsde alleen op een geschikt middel om zijn ambt van verspieder te
+kunnen vervullen en aan zijn heer kondschap te bezorgen van hetgeen
+hij ontdekt had. Zijn grootste vrees was, dat het konvooi het dorp
+zou verlaten, aleer Reede van de nabijheid daarvan verwittigd ware,
+in welk geval de beide benden elkander mis zouden loopen en de geheele
+onderneming mislukken. Terwijl hij aan het overwegen was, ging de
+deur van het hok open en een paar soldaten traden binnen, die hem
+zijn voeten zooveel losbonden, dat hij gaan kon, en hem vervolgens
+met zich voerden. Het ruime voorvertrek doorgaande, vond hij het met
+soldaten gevuld, die bezig waren, de karren buiten te brengen. Hij
+volgde zijn leidslieden door een andere deur dan die waardoor hij
+eerst gekomen was, en bevond zich toen op den publieken weg, die hier
+ter weerszijden met woningen omzoomd was. Het begon reeds te schemeren
+en hij onderscheidde dus duidelijk de krijgsbenden, die zich hier van
+alle kanten verzamelden, een aanzienlijk getal ossen, schapen, varkens
+en voederwagens met zich aanvoerende.--Dezelfde sergeant, die Bouke
+gevangen had, stond in het midden van den weg en gaf zijn bevelen,
+toen er opeens een boer door de menigte kwam dringen en zich met luider
+stem bij hem beklaagde, dat de soldaten, die bij hem gehuisvest hadden,
+zijn ossen hadden medegevoerd en hem, op zijn beklag hierover, met
+slagen en scheldwoorden hadden betaald, schoon hij stellig wist, dat
+de Overste dergelijke plunderingen verboden had. De Sergeant, die dit
+laatste zeer wel wist, en echter zijn makkers voor straf wilde behoeden
+niet alleen, maar hun den gemaakten buit laten behouden, gaf den armen
+boer een slecht bescheid. "Wat bruit mij zoo'n schoft," zeide hij:
+"hebt ge bewijzen, kerel? anders kunt ge maken, dat ge wegkomt, of ik
+zal het uw huid laten heugen, dat ge de soldaten van de Aartshertogin
+dus belastert. Hier mannen! smijt me dien kinkel uit den kring." Dit
+was aan geen dooven gezegd: vrij onzacht grepen eenige soldaten den
+jammerenden en vloekenden huisman bij 't wambuis en slingerden hem
+buiten den kring, zoodat hij vlak tegen Bouke aantuimelde. Deze was
+terstond bedacht om van deze omstandigheid gebruik te maken, en,
+hopende dat de omstanders geen Nederduitsch verstaan zouden, trok
+hij den boer naar zich toe en sprak hem in deze taal aan:
+
+"Wou je graag je beestjes weerom hebben, vrindje?"
+
+"Of ik ze weerom wou hebben!" antwoordde de boer, "maar die rekels...."
+
+"Stil: luister! in het boschje ten westen van het dorp, zijn diegenen
+bijeen, die u daaraan helpen zullen: loop er als de wind naar toe en
+vertel al wat hier voorvalt.... gij zult uw ossen weerom hebben en
+nog twee goudstukken daarenboven."
+
+De boer zag hem verwonderd aan en wilde nog meer vragen; doch een der
+leidslieden van Bouke, die het gesprek begon te bemerken, draaide
+zich om en gaf den huisman een slag met het platte van zijn degen,
+waarop de sukkel begreep, dat een onverwijld vertrek het beste voor
+hem zou wezen.
+
+Met het inpakken, het uithalen der karren en het maken der verdere
+toebereidselen tot het vertrek verliep nog een geruime tijd, tot
+groote vreugde voor Bouke, die, als wij reeds aanmerkten, niets
+ergers duchtte, dan dat men te ras vertrekken zoude. Velasco was
+inmiddels uit zijn nachtverblijf gekomen, nam alles in oogenschouw,
+deelde zijn bevelen uit, en gelastte ook dat men den gevangene voor
+hem geleiden zou. Het verhoor was kort. Schoon men tegen Bouke niets
+anders had in te brengen, dan dat hij met een pistool de schuur
+genaderd was, scheen deze omstandigheid echter van zulk gewicht,
+dat Velasco begreep hem gevangen met zich te moeten voeren, om hem
+bij geschikter gelegenheid een langer verhoor te laten ondergaan. Men
+bracht hem nu ter zijde, ten einde hem aan den staart van een paard te
+binden en zoo bij den aftocht mede te voeren. Hiertoe werd de koord,
+die hem de voeten gebonden hield, geheel losgemaakt, en de soldaten
+ontdeden hem ook van den strik, die hem de handen bond, met oogmerk
+om het eene einde van het touw aan den paardenstaart vast te maken,
+toen zich op eens een schelklinkend trompetgeschal liet hooren, gevolgd
+van het losbranden van schietgeweer, het getrappel van paarden en het
+krijgsgeschreeuw eener aanrukkende bende. "Verraad! verraad!" klonk
+het door het dorp, en eer men tijd had om te ontdekken van waar de
+aanval komen zoude, zagen de Spanjaards een Staatsche ruiterbende
+van twee kanten binnenrijden. De boer, dien Bouke gezonden had,
+had aan zijn wensch voldaan; hij had den Heer van Sonheuvel, die
+vast vloekte en raasde over het niet verschijnen van zijn dienaar,
+ter bepaalde plaats gevonden, en deze had, dadelijk na het vernemen,
+dat het konvooi in het dorp was, bevel tot den aanval gegeven.
+
+Nauwelijks had Bouke het krijgsgeluid gehoord, of hij rukte zich
+los uit de handen die hem vast hielden, nam van een daarbij staanden
+wagen, waarop schansgraverstuig lag, een zware spade en sloeg daarmede
+zoo geducht in 't rond, dat hem in de eerste oogenblikken niemand
+naderen dorst.
+
+"Schiet den schelm ter neder, die ons verraden heeft!" riep de
+sergeant, terwijl hij woedend een pistool op Bouke loste.
+
+"Oranje! oranje! _à bas_ de Spanjolen!" riep Bouke, terwijl
+hij met een geduchten slag den sergeant helm en hoofd
+verbrijzelde. "Hoezee! hoezee! al gewonnen!"
+
+"Op mannen!" klonk nu de stem van Velasco: "hier Pedro! Berti,
+Mülhoff! Verzamelt uw manschappen en verspert de straat aan
+weerszijden. Blijft slechts als palen staan, totdat wij herkennen,
+hoe sterk de vijand is. Doch!.... Schiet niemand dien verrader neder?"
+
+De bevelen van Velasco werden opgevolgd en zijn nu vereende bende
+trachtte de toegangen te bezetten, de wagens en het vee tusschen zich
+besloten houdende. Doch aan den wensch, dien de hoofdman geuit had,
+was niet voldaan geworden: Bouke was door de menigte heen gebroken,
+had zich, te midden der verwarring, die er heerschte, over een heining
+gered, en zich, door een omweg, met zijn bende vereenigd.
+
+Het gevecht was nu begonnen, en hoe dapper ook de Spanjaards zich
+verdedigden, waren zij echter te onvoorbereid om den geduchten aanval
+der Staatschen te kunnen wederstaan. Zoolang echter hun wakkere
+bevelhebber hun bleef aanvoeren, weken zij geen duimbreed; doch toen
+deze, zwaar gekwetst door een pistoolschot, van zijn paard stortte
+en weggevoerd werd, begon de moed der verweerders te verflauwen in
+dezelfde mate als die der aanvallers wies. Al spoedig zochten sommigen
+een goed heenkomen en poogden in de boerenwoningen de vlucht te nemen;
+doch de huislieden, die in den nacht overlast genoeg van die rauwe
+gasten geleden hadden, ziende dat de kans dezen tegenliep, vatteden
+post tegen hunne huisdeuren en dreven al wie er schuilen wilde met
+knuppelslagen terug. Dit vermeerderde den schrik der Spaanschen:
+verscheidene wierpen de wapenen weg en gaven zich over, terwijl
+anderen in alle richtingen, tusschen de huizen door, over het veld
+de vlucht namen.
+
+"Waar is de Kapitein der bende?" vroeg de Ritmeester van Reede,
+zoodra hij zich van de overwinning verzekerd zag.
+
+"Ik denk," zeide Bouke, "dat men hem in gindsche woning gebracht heeft;
+daar heeft hij zijn nachtverblijf gehouden."
+
+"Naar de hel met hem! Wraak over den moord te Bruck," riepen eenige
+voormalige Haneveeren, die zich mede bevonden onder de ruiters,
+welke Reede verzeld hadden. En ijlings afgestegen zijnde, snelden
+zij de boerenwoning in, welke Bouke zijnen Heer had aangewezen.
+
+Terwijl de Ritmeester de noodige bevelen gaf om de gewonden te
+bezorgen en de gevangenen te binden, kwam Bouke op eens naar hem
+toeloopen. "Heer Baron!" riep hij toornig uit: "zij vermoorden den
+weerloozen Overste."
+
+"Dat zal hun de duivel!" schreeuwde Reede, driftig naar de boerenwoning
+loopende: "willen zij, spijt mijn last en dien zijner Excellentie,
+de Spaansche gruwelen nabootsen?"
+
+Haastig trad hij de woning binnen, waar zich een vreeselijk schouwspel
+aan zijn oogen vertoonde. Met wonden overdekt lag de dappere Velasco in
+'t midden van de schuur op den vloer uitgestrekt, omringd van ruiters,
+die hem nog gedurig houwen en steken toebrachten. Om hem lagen
+verscheidene Spaanschen, die hem in 't uiterste hadden bijgestaan,
+nedergesabeld. Een fraaie jachthond stond er nevens en scheen zich
+alleen te bekommeren over een klein kind, dat nevens hem op den grond
+lag te jammeren. Wat verder stond Magdalena en hield haar zoontje aan
+haar borst geklemd, als wilde zij het tegen alle boosheid beveiligen.
+
+"Terug! gij laffe moordenaars!" brulde Reede, met een vervaarlijke
+stem: "ik houw den eerste ter neder, die zich weder onderstaat,
+een weerlooze aan te vallen."--Op het hooren van deze bedreiging,
+en op het zien van de woede, die in zijn oogen flikkerde, traden de
+ruiters terug. De Ritmeester naderde Velasco: deze poogde zich op
+te richten, dan vruchteloos. Reede en Bouke ondersteunden hem het
+hoofd. Hij sloeg het half gebroken oog op het kleine knaapje, dat
+angstig schreiend naar hem toe kroop: wendde vervolgens den blik op
+Reede en poogde te spreken. Hij kon echter niet anders uitbrengen dan
+de woorden: "dit kind!.... zijn vader.... vermoord.... O Heer! wees
+mij genadig!"--Met deze woorden zeeg hij achterover en gaf den geest.
+
+"Het is gedaan!" zeide de Ritmeester, een traan wegwisschende: "zijn
+dood zal mij eeuwig rouwen. Hij werd vermoord, en ik, die het had
+moeten beletten!.... Doch het kind ... Vrouw!" vervolgde hij tegen
+Magdalena: "behooren die twee kinderen aan den verslagen Overste?"
+
+"Deze is mijn zoon," antwoordde Magdalena, op Ludwig wijzende.
+
+"En deze kleine?" hernam Reede.
+
+"Heeft de ongelukkige het u in zijn laatsten levensstond niet
+gezegd?" vroeg Magdalena, hem met een somberen blik aanziende:
+"het is de zoon van den vermoorden Overste."
+
+"En zijn moeder?" vroeg de Ritmeester.
+
+"Ik kan u geen verder bericht doen erlangen," hervatte Magdalena:
+"wat beveelt gij? moet ik met mijn zoon mede ten prooi strekken
+aan den bloeddorst uwer volgelingen? of is het aan een arme weduwe,
+die met den krijg niets gemeens heeft, vergund, dat zij vertrekke?"
+
+"Houd dat wijf, Heer Baron!" zeide Bouke: "het is een feeks, die met
+den Jezuïet van de Katholieke Hofstede samenspant, en zooals UEd! weet,
+gelijke monniken, gelijke kappen!"
+
+"Foei Bouke! een arme vrouw en haar kind," zeide Reede: "zij mogen
+in vrede heengaan."
+
+Magdalena wachtte geen nadere vergunning af; doch, Ludwig aan de hand
+houdende, trok zij, zonder iemand te groeten, dadelijk de achterdeur
+uit en verwijderde zich met haar zoon.
+
+"En wat zullen deze?" vroeg Bouke, het kleine kind opnemende en te
+gelijk den hond streelende, alsof hij hem wilde verzekeren, dat hij
+geen boos opzet had tegen zijn beschermeling.
+
+"Wij zullen daarover nader spreken," antwoordde de Ritmeester:
+"thans moeten wij zorgen, dat de aftocht zoodra mogelijk geschiede."
+
+"Juist," zeide Bouke, hem buiten de schuur volgende, "wel zegt het
+spreekwoord, dat al wat gaat ook terugkeeren moet."
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+ Godlof! het is mijn heer! ik heb zijn stem gehoort.
+
+ _Vondel_, Gijsbrecht van Aemstel.
+
+
+Het zal mijn Lezers en vooral mijn Lezeressen waarschijnlijk niet
+dan aangenaam zijn, dat ik, bij 't begin van dit achtste Hoofdstuk,
+van krijgsveld, legerplaatsen en wapenfeiten voorgoed afscheid neme,
+om hun een meer bevallig, meer huiselijk tooneel te schilderen en
+hen niet alleen in de kleine woning, welke de Heer van Reede binnen
+Amsterdam bezat, maar zelfs binnen de kraamkamer der edele vrouw te
+geleiden, welke met haren zuigeling op den schoot, in 't gezelschap van
+den Predikant Raesfelt en van haar Baker, de terugkomst verbeidde van
+haar beminden echtgenoot. Deze had, nu de legers de winterkwartieren
+betrokken, verlof ontvangen om de wintermaanden in den schoot zijns
+huisgezins door te brengen en zijn wederhelft op zijn aanstaande
+terugkomst voorbereid.
+
+Mevrouw van Sonheuvel was een kleine, tengere blonde, met zachtblauwe
+oogen en regelmatige gelaatstrekken, die in vroegeren leeftijd, toen
+zij nog met den blos der schoonheid overtogen waren, menigen edelen
+aanbidder bekoord hadden. Doch sedert haar echt met den Baron van
+Reede, of liever sedert de weigering van haar vader om dat huwelijk te
+bekrachtigen, had een diepe smart aan haar fijngevoelig hart geknaagd
+en haar levenskrachten langzamerhand aangetast. Een teringachtige
+ongesteldheid sloopte haar zwak en aandoenlijk lichaamsgestel: de
+rozen der wangen verbleekten: de hoogzwellende boezem vermagerde en de
+eens zoo bevallige schoone was niet meer dan een schaduw van wat zij
+eenmaal geweest was. Op raad van zijn geneesheer, die de fijne lucht,
+welke men op het kasteel van Sonheuvel, hetwelk de Barones betrok,
+inademde, voor haar gestel nadeelig schatte, had Reede besloten
+binnen Amsterdam een kleine woning te betrekken, die vanouds aan
+zijn geslacht behoorde. Die verhuizing scheen echter weinig of geen
+invloed ten goede op de gezondheid zijner beminde gade uit te oefenen,
+terwijl daarentegen de plotselinge dood van haar zoontje, dat aan
+hevige stuipen overleed, haar een nieuwen, hoogst nadeeligen schok had
+toegebracht. Het was niet dan door de uiterste zorgen aan te wenden,
+en door zich van alles wat eenigszins schaden kon te onthouden,
+dat zij zoo gelukkig was geweest, de uitzichten te zien vervullen,
+welke een tweede zwangerschap haar had aangeboden: schoon pijnlijk en
+ziekelijk, had zij echter dien tijd doorgestaan en was vrij voorspoedig
+van een wel tenger en klein, doch gezond meisje verlost geworden,
+aan 't welk zij nu hare moederteerheid toe mocht wijden, en dat haar
+bijwijlen de diepe smart vergeten deed, die haar ziel had ingenomen.
+
+Zij was dan op een avond van de maand December, bij het helder lichtend
+turvenvuur, in een lagen, wel met kussens gedekten en met fluweel
+gevoerden leunstoel gezeten: tusschen haar en den haard was de thans in
+onbruik geraakte bakermat, omringd van de benoodigde korfjes en rekken,
+waarin de onmisbaarste kleedingstukken van het kleine poppetje net
+gevouwen lagen of waarop die hingen te drogen. De Baker zelve, een
+vrouw van zekere jaren, die, sedert zij als min bij de kleine Maria
+van Sonheuvel gekomen was, haar nooit verlaten en dus langzamerhand
+een vrij groote mate van invloed op het huisbestier bekomen had,
+zat echter thans niet op haar nederigen troon bij den haard; zij had
+het kind aan Mevrouw gegeven, liet de pap door het daartoe bestemde
+zeefje gaan, hield een wakend oog over het kokend kandeeltje, en vond
+nog tijd genoeg tusschenbeide om voor den predikant een kan ouden
+Rijnschen wijn en een fraaien roemer neder te zetten.
+
+Den Predikant Raesfelt zullen wij uit het vervolg dezer
+geschiedenis nader kennen leeren: het zij ons, met besparing van
+verdere uitweidingen over 's mans begaafdheden en karakter, alleen
+vergund hier aan te merken, dat hij, sedert kort op het dorp Sonheuvel
+beroepen zijnde van Ransdorp, waar hij tot dien tijd gestaan had, op
+zijn reize door Amsterdam zijner nieuwe Vrouwe een beleefdheidsbezoek
+was komen geven.
+
+"Ik hoop," zeide Mevrouw tegen den Predikant, terwijl deze met een
+zilveren staafje het klontje suiker verbrijzelde, dat in den hollen
+voet des roemers lag, "dat mijn gezondheid genoeg in beterschap
+zal toenemen, om mij te vergunnen een gedeelte van den zomertijd te
+Sonheuvel door te brengen. Dan zult gij, Dominee! ook nadere kennis
+maken met mijn man. Ik ben benieuwd te weten hoe hij u bevallen
+zal. Gij begrijpt, hij is geen geleerde, maar een krijgsman: echter
+is hij zijn gezelschap dubbel waardig."
+
+"Ik ben onderricht, Mevrouw!" antwoordde Raesfelt, "dat de Baron
+van Sonheuvel een ijverig voorstander is van onze dierbare Hervormde
+geloofsbelijdenis: dat hij geen geleerde is, vermindert zijn waardij
+geenszins in mijne oogen. Wie zoude ons dierbare Vaderland en onze
+Kerk beschermen, indien wij geen ander wapen voerden, dan de pen? wel
+is waar, Psalm 33 zegt, naar de berijming Datheni:
+
+
+ Krijgsknechten met hoopen
+ In stormen en loopen.
+ Konden door haar macht,
+ Koningen noch helden
+ Helpen in de velden
+ Sonder 's Heeren kracht
+
+
+Maar het spreekt van zelf, dat, daar de Heere voor ons, voor het
+Hollandsch Israël strijdt, deze regels alleen op de Spanjaards
+moeten toegepast worden, gelijk zulks ook bewezen is geworden door
+de vernietiging van hun onverwinnelijke _Armada_ of vloot; doch,
+met dat al, gelijk ik ging aanmerken, ben ik onderricht, dat de Heer
+Baron de _controverse_ onder zijn geliefkoosde uitspanningen telt. Ik
+twijfel dus niet, of wij zullen over deze en gene punten nu en dan,
+bij nadere bekendheid, belangrijke gesprekken mogen voeren."
+
+"Zeker," hernam Mevrouw, "voor een soldaat houdt hij veel van een
+ernstig gesprek: als men hem vergelijkt bij zoovele oorlogsteden,
+die niets van de Schrift weten, en nooit om hun zaligheid denken,
+dan steekt hij gunstig bij hen af."
+
+"Ja!" voegde de Baker er bij, om het gezegde te bevestigen:
+"zijn Edelheid is een goed theologant en kent de Schrift op zijn
+duimpje en alles wat daartoe betrekking heeft. Heugt het UEd. nog,
+hoe spoedig hij, toen hij nog een kleine jongen was, dat versje van
+buiten wist, dat ik hem leerde, en waarin al de Boeken van het Oude
+en Nieuwe Testament naar rang vermeld worden, en hoe hij het altijd
+opzei in bed, als hij den slaap niet kon vatten?"
+
+"Ook heeft hij veel smaak in de Psalmen," hernam Mevrouw, en kent er
+vele van buiten, zoowel volgens de berijming van wijlen den Heer van
+Sint-Aldegonde, als volgens die van Datheen."
+
+"Heeft hij smaak in de Psalmen?" vroeg de Predikant met blijdschap:
+"o dan zullen wij het bijzonder goed samen vinden, als zijnde deze
+ook mijne geliefkoosde studie. Ik hoop ZijnEd. dan mijn werk voor
+te lezen over den honderd-zeven-en-veertigsten Psalm, waarin ik
+wederlegge de dwalingen Ingelhoffii, die hem Esdrae, en Colsonni,
+die hem den Asaph toeschrijft (zijnde de eerste een Saksische, en de
+tweede een Schotsche uitlegger), en zonneklaar bewijze, dat hij door
+niemand anders kan vervaardigd zijn dan door Salomonem. Een bondig
+stuk! drie honderd bladzijden folio."
+
+"Heden Dominee!" zeide de Baker, terwijl zij verbaasd het hoofd
+ophief en met den paplepel in de hand als het beeld der verwondering
+staan bleef: "ik dacht, dat de Psalmen alle Davids waren, zooals
+er voorstaat."
+
+"Stil Baker!" zeide Mevrouw: "Zijn Weleerwaarde zal het immers beter
+weten dan gij."
+
+"Ja! dat is wel mogelijk, dat Dominee zich beter op de uitlegkunde
+verstaat; doch ik houd mij aan den tekst: wat helpt het mij, of ik al
+hoor wat er zou kunnen of moeten staan? ik vraag wat er staat. Het is
+de Booze, die al die uitleggingen en verfraaiingen van de Schrifture
+heeft uitgevonden. Mijn Dominee was de oude Rammelbonzium, die heeft
+Calvino nog als zijn broertje gekend en is voor den geloove verbrand in
+'t jaar van gratie 65 ... of ... laat eens zien!.... 't kan ook wel
+in 68 geweest zijn.... Neen toch, want het was net in dien kouden
+winter.... ei wanneer was het ook weer?... Ja.... Mevrouw!.... het
+zoude den ouden Heer Baron nog wel heugen; maar...."
+
+"Baker!" zeide Mevrouw met een treurigen blik: "denk waar gij spreekt
+en wat gij zegt!"
+
+"Maar Baker!" zeide Raesfelt: "hebt gij dan niet gelezen, dat de
+letter doodt, maar dat de geest levendig maakt?"
+
+"Juist Dominee! en daarom moeten wij niet over de doode letter
+twisten! want wat zegt de Schrift: zalig zijn de armen van geeste...."
+
+"Zwijg, Geertrui!" zeide Mevrouw op een gebiedenden toon: "en breng
+mij de kandeel. Zoo gij met Dominee wilt hakketeeren, zal ik u altijd
+uit de kamer sturen, als Zijn Weleerwaarde ons bezoeken komt."
+
+"Wacht u daarvoor, Mevrouw!" hervatte de Predikant: "zij heeft een
+ijver voor de goede zaak, ofschoon niet met verstand, en UEd. moet haar
+aan de onderwijzinge, die uit de waarheid is, geenszins onttrekken. Het
+zal mij altijd aangenaam en goed zijn, dergelijke gesprekken met haar
+te voeren, schoon ik hope, dat zij niet de versenen tegen de prikkelen
+slaan zal, noch zich tegen de leeringe hares leeraars verzetten."
+
+"Leeraar! hm! hm!" mompelde de oude Geertrui met al de kwade luim
+eener bedorven dienstbode, zonder acht te geven op de ontevredenheid
+van hare meesteres. "Wist men van leeraars in de dagen van den vromen
+Rammelbonzio! Leeraars! zoo noemt de Schrift de Farizeën!"
+
+"Om weder op den Heer Baron te komen," zeide de Predikant, die
+de aanmerkingen van de verstoorde Geertrui niet hoorde, of althans
+veinsde die niet te hooren; "het moet wel bedroevend zijn voor UEd. hem
+zoolang te moeten missen; doch tevens troostrijk, dat ZEd. in den
+verleidingsvollen krijgsmansstand met zulke oprechte vroomheid en
+godvruchtigheid is toegerecht, zoodat hij niet alleen de wapenrusting,
+die het vleesch bedekt, heeft aangegord, maar ook die, welke den
+Christenstrijder voegt, en de ziel tegen de listen des ronddwalenden
+Satans beschermt."
+
+"Gewis, Dominee!" antwoordde Mevrouw: "mijn echtgenoot mag in dit
+opzicht tot een voorbeeld strekken aan alle krijgslieden. Ja, dachten
+allen als hij, dan zou de hand des Heeren ijveriger zijn voor ons
+land. Altijd is hij even trouw en kuisch, en hoelang hij van mij
+verwijderd zij, geen vreemde vrouw zal hij aanzien."
+
+"Ja! die vreemde vrouwen!" zuchtte Raesfelt: "wel zegt Salomo:
+""al wie tot haar ingaan, zullen niet wederkomen.""
+
+Op dit oogenblik hoorde men een verward gedruisch op de straat, door
+een luid geklop aan de voordeur gevolgd: en weldra liet zich de stem
+van den Heer des huizes kennelijk onderscheiden.
+
+"Godlof!" riep Mevrouw: "daar is mijn man! Baker! neem even het
+kind! ik moet hem spoedig te gemoet gaan!" Dit zeggende, rees zij
+haastig op en wilde de kamer uitsnellen; doch halverwegen verlieten
+haar hare krachten, en zij moest zich aan de Baker vasthouden, die
+haar weder naar haar zitplaats terugvoerde.
+
+"Wel Engel!" zeide de Baker: "waar waren je gedachten? pas een maand
+oudkraams en dan in die tochtige gang loopen. Heden neen, dat niet,
+lieve kind! Daar zou Mijnheer wat aan hebben, aan een verkouden vrouw."
+
+"Nu is het als in Psalm negentien," riep de Predikant:
+
+
+ "Daar uyt reyst hy seer claer
+
+
+en wat er verder volgt; schoon de vergelijking niet volkomen juist zij:
+want de Heer Baron komt niet _uit_ maar _in_ zijn slaapzale."
+
+Terwijl hij deze aanmerking maakte, was Reede binnengetreden. Met
+aandoening en blijdschap omhelsde hij zijn vrouw, die hem haar
+zuigeling aanbood. Verrukt op het gezicht van het bevallige kind,
+nam hij het uit de armen der moeder op, zette zich in den stoel,
+dien de Baker hem had aangeschoven, wipte het kind over zijn knieën,
+tot grooten angst der Baker, op en neder en tikte het op de zachte
+wangetjes met den breeden handschoen, waarmede hij nu en dan de tranen
+wegwreef, die hem langs den knevel dropen. Met zalig genot zag zijn
+gade hem aan, terwijl de oude Geertrui, die hem het wichtje slecht
+vertrouwde, bezorgd naast den stoel stond en zich gedurig voorwaarts
+boog en de handen uitstak, als hield zij zich gereed, het meisje op
+te vangen, ingeval hij het mocht laten glippen. Nadat dit zwijgend
+tooneel eenige oogenblikken geduurd had, werd hij den Predikant gewaar,
+die aan de overzijde der stond te buigen als een knipmes.
+
+"Wie is die zwartrok?" vroeg hij zachtjes aan zijn vrouw.
+
+"St! Hendrik! dat is de eerwaarde Predikant Raesfeldius, die in uwe
+afwezendheid te Sonheuvel beroepen is."
+
+"Ei! zoo! Uw dienaar Dominee! men heeft mij zooveel goeds geschreven
+van uwe bekwaamheid en vroomheid, dat ik onnoodig geoordeeld heb u
+in persoon te komen hooren, aleer wij u bij ons beriepen. Ik verlang
+zeer, nadere kennis met u te maken."
+
+"De Heere moge u _segenen_ met _allerlei goet_, gelijk Psalm
+honderd-vier-en-dertig het heeft, naar de berijming Datheni. Ik
+wensch mij geluk en verblijd mij over UEd. terugkomste, gelijk Paulus
+hem verblijdde over de wederkomste Titi, als er geschreven staat II
+_Corinthen_ VII, en wederom in 't zelfde kapittel: _wij zijn vertroost
+over uwe vertroostinge_. Ik dank den Heere, dat Hij mij heeft waardig
+geoordeeld in uw woonstede het Evangelium te verkondigen, en een
+medearbeider in zijnen wijngaard te worden van UEd., die zoo ijverig de
+dingen bedenkt, die des Koninkrijks zijn. Wel moge ik met den Psalmist
+uitroepen, wat hij in den honderd-twee-en-twintigsten Psalm zingt:
+
+
+ Binnen uw mueren woonen sal
+ Liefde, vrede met eenigheyt;
+ De huysen en paleysen breydt
+ Sijn vol van Gods segeningh al."
+
+
+"Amen!" zeide Reede, den hoed afnemende. "Nu, ik hoop, dat wij van
+dezen zomer nadere kennis zullen maken.... Maar zeg eens liefste! gij
+hebt ons kind laten doopen, nietwaar?"
+
+"Gewis mijn schat! Het is Maria gedoopt: dat was immers de afspraak."
+
+"Ja! dat weet ik wel; doch het moet nog een naam hebben. Ulrica moet
+het heeten. Ulrica Maria, zoo gij wilt."
+
+"Ulrica?--maar allerliefste! er is niemand in de geheele familie die
+zoo heet! Ulrica! wat is dat voor een rare naam?"
+
+"Raar zooveel gij wilt; doch ik ben er zeer op gesteld. Ik zal u nader
+wel eens zeggen waarom; doch, daarvan gesproken, ik breng u een klein
+geschenk mede.--Heidaar! Bouke! Geert! roep Bouke eens!.... doch wacht,
+Geert! steek eerst die twee kronen in uw tasch en dat stuk kant,
+dat ik u voor een welkomthuis heb medegebracht."
+
+"Duizendmaal dank, Uwe Edelheid! God zegene UEd.," zeide de Baker, "en
+doe UEd. en Mevrouw veel vreugde aan de lieve kleine beleven.... een
+fraaie kant voorwaar.... echt Brusselsch werk.... UEd. heeft het
+immers bij geen plundering gewonnen?"
+
+"Neen, Geert: het is eerlijk van mijn penningen betaald; doch kom! haal
+Bouke hier!.... doch daar bedenk ik iets: blijf nog even. Wanneer
+denkt Uw Eerwaarde naar Sonheuvel te verkassen, Dominee?"
+
+"In de volgende week gaat een wagen van hier," zeide de Predikant,
+"die ons derwaarts zal voeren."
+
+"Welnu! Dominee! Dan zal het mij aangenaam zijn, Uw Eerwaarde morgen
+op het middagmaal bij mij te zien met de Juffer. Uw Eerwaarde is
+immers getrouwd, nietwaar? Alle Dominees zijn getrouwd?
+
+"Ik zal, wat mij betreft, gaarne UEds. vriendelijk aanbod aannemen,"
+antwoordde Raesfelt: "doch ik verzoek UEd. mijn Huisvrouw te
+verschoonen, aangezien zij voor de kinderen moet zorgen. die...."
+
+"Wel! dat moet geen hindernis teweegbrengen. Breng de gansche
+poppenkraam dan maar mede. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd, zou
+Bouke zeggen; doch met uw verlof, ik heb thans met mijn vrouw iets
+gewichtigs af te handelen.... dus tot morgen!--Uw Eerwaarde neemt het
+immers niet kwalijk?"--Dit zeide Reede, den Predikant vriendelijk en
+met gulheid de hand schuddende.
+
+"Zeer natuurlijk," zeide Raesfelt: "ik groet UEd. vriendelijk in
+den Heere!"
+
+De Predikant vertrok. Kort daarna verscheen Bouke.
+
+"Wat is er van UEds. dienst? Hoe vaart Mevrouw en de kleine? De Heere
+beware ons wat een schoon kindje: net Mevrouw! ja wel mag men zeggen:
+zoo de hen zoo de ven, en de ekster kan het hippelen niet laten!"
+
+"Bouke!" zeide de Baron: "haal den kleine boven!"
+
+"Dat zal bezwaarlijk gaan, mijnheer! die heeft UEds. helm beetgekregen
+en wil hem volstrekt niet laten varen: ja, 't wil al muizen, wat van
+katten komt."
+
+"Doe zooals ik u zeg!" hernam Reede. Bouke vertrok.
+
+"Maar van welken kleine spreekt ge toch, Hendrik," vroeg Mevrouw.
+
+"Kijk maar zoo verheerd niet: dat zal zich wel ophelderen: daar komt
+Bouke al met hem aan. Bij mijn degen! een schoone jongen, al is het
+een Spanjool!"
+
+Bouke kwam binnen met een knaapje van ongeveer twee jaren op den arm,
+dat luid schreeuwde en tegenspartelde.
+
+"Hier is hij, mijnheer; doch hij blaart als een kalf, omdat ik hem den
+helm heb afgenomen: 't was tijd, hij scheurde de veders aan stukken."
+
+"Bewaar ons, Hendrik!" zeide Mevrouw: "wat is dat voor een kind? Ik wil
+niet hopen.... zooeven nog heb ik bij Dominee uw vroomheid geprezen."
+
+"Kom! kom! gekheid, wijfje-lief! is het geen mooi kind? Kijk eens, wat
+schoone blonde krullen!.... en die schelmsche zwarte kijkers, die hij
+zeker van zijn vader heeft.... Kom jongen! huil niet: hier is lekkers!"
+
+"Niet lekkers! naar beneden!" riep het kind.
+
+"Maar vertel mij dan toch," herhaalde mevrouw, "wien dat schaap
+toebehoort."
+
+"Wien?.... Aan niemand, of liever, aan dengenen, die zich zijner
+erbarmen zal. Luister! in de vorige maand heb ik een konvooi opgelicht,
+dat van Gelder naar Mendoza gestuurd werd. De commanderende officier
+van het geleide werd gruwzaam door mijn volk omgebracht, uit wraak
+voor den moord, aan mijn vriend Falckestein gepleegd. Ik had dit
+moeten voorzien en beletten; doch wat was er aan te doen? het feit
+was gepleegd.--Nu was er bij het lijk een vreemde vrouw met twee
+kinderen, en een fraaie jachthond.... Nietwaar Bouke! een kostelijk
+schoon dier? Ik heb hem in 't voorbijgaan op Sonheuvel gelaten. Nu,
+die vrouw moet al een rare mamsel geweest zijn, althans zoo Bouke
+vertelt. Kort en goed, zij liep met het eene kind weg, en liet mij met
+dezen schreeuwerd zitten, die een zoontje van den vermoorden Overste
+is. Hoewel ik weinig lust had om mij met dit Spaansche gewrochtje
+te belasten, zoo nam ik het echter mede, half uit medelijden, en
+half omdat zijn vader, eer hij stierf, het mij had aanbevolen en
+ik toch door de zorg voor het kind het een weinig goed dacht te
+maken, dat ik voor den vader zoo slecht gezorgd had. Ik schreef,
+bij mijn terugkomst in 't leger, aan Don Louis de Velasco, die een
+eigen broeder is van den overledene, hoe het schaap in mijn handen
+geraakt was, en vroeg, hoe ik het hem best zou oversturen: en wat
+denk je, dat mij die Spanjool ten antwoord gaf?--Dat zijn broeder
+nooit getrouwd geweest was, en dat hij geen lust had, zich met de
+basterds, die hij bij zijn leven verwekt mocht hebben te bemoeien:
+dat ik het buit had gemaakt, en er nu zelf voor zorgen kon.--Wat zou
+ik doen? Ik bewaarde het arme wicht: en thans vraag ik u op uwe beurt,
+schatlief! wat zullen wij doen met het lieve schaap?"
+
+"Wij zullen het bij ons houden, Hendrik!" zeide Mevrouw, het kind
+op het voorhoofd kussende: "wij zullen het als ons eigen kind
+behandelen, tot de moeder zich aanmeldt, of de bloedverwanten zich
+zijner aantrekken. Wie weet, Hendrik! of God het ons niet gezonden
+heeft om de plaats te vervullen van het lieve engeltje, dat wij
+verloren hebben."
+
+"Hm! hm! zoo gauw niet!" zeide Reede: "zoo zijt gij vrouwen altijd! van
+'t eene uiterste in 't andere. Straks schriktet ge er van, toen ik
+het binnenbracht, en nu wilt ge het kind als zoon aannemen!--Doch
+daarover later! Ik zal er intusschen nog eens over schrijven aan
+den Spaanschen Grootmeester, hoe weinig trek ik er toe gevoele. Zie
+eens! de knaap schijnt zich met de familie bekend te willen maken:
+hij poogt al kusjes aan zijn kleine zusje te geven."
+
+"Een lief kind waarlijk," zeide de Barones: "nietwaar, lieve
+jongen! gij zult veel van mij houden en mij wel moeder willen noemen?"
+
+"Moeder!" zeide de knaap, haar scherp in 't gezicht ziende:
+"Moeder weg!"
+
+"Arm kind," hernam de brave vrouw, het kind aan haar hart drukkende:
+"gij zult in mij haar wederom vinden, die gij verloren hebt;.... indien
+gij mij maar ook niet verliest!" voegde zij er zuchtend bij.
+
+"Foei, lieve engel!" zeide de Baron, haar kussende: "welke treurige
+gedachten! zoo iets moogt gij niet zeggen."
+
+"Maar toch wel denken," hernam zij. "Het zal niet lang meer met mij
+duren, Hendrik! ik word alle dagen zwakker." En tot bevestiging
+van dit gezegde zette zij den kleine neder, en gaf hem over aan
+de zorg van Geertrui, die de zuigeling intusschen in de wieg had
+gelegd. Smakelijk nuttigde het knaapje een boterham, en liet zich
+vervolgens door Geertrui naar zijn bedje brengen, hetwelk voor het
+overleden zoontje des Barons gediend had en nu voor zijn voedsterling
+in gereedheid gemaakt werd.
+
+"Ik hoop u dezen zomer buiten te brengen," zei inmiddels de Baron
+tegen zijn vrouw: "die benauwde stad deugt u niets. Dat geleuter
+van de Dokters beduidt geen zier. De frissche buitenlucht zal u
+goeddoen. Dat beloof ik u!"
+
+Treurig schudde de Barones het hoofd. "Ik wil u niet bedroeven,
+Hendrik!" zeide zij: "doch het is zooals ik zeg. Mocht ik slechts met
+mijn vader verzoend zijn vóór mijn dood: dan zou ik meer gerust het
+hoofd nederleggen, hoe hard het mij ook valle van u te scheiden. Dan,
+Gods wille geschiede."
+
+Dezen troost mocht de ongelukkige lijderes niet bekomen. Hartzeer
+deed haar, ongeveer twee maanden na de terugkomst van den Baron, ten
+grave gaan, betreurd door allen, die haar beminnelijke hoedanigheden
+gekend hadden, maar vooral door haar echtgenoot. Deze haastte zich,
+het huishouden op te breken, Amsterdam, dat hem niets dan smartelijke
+herinneringen gaf, te verlaten en zich weder op zijn kasteel van
+Sonheuvel te vestigen, gedurende den tijd, dien hij niet in het
+leger doorbracht.
+
+Inmiddels had hij zich met vaderliefde gehecht aan den kleinen
+vondeling, wien hij den naam van Joan had gegeven. Vruchteloos waren
+al zijn nasporingen geweest: onbeantwoord waren al zijn nadere brieven
+aan Velasco gebleven. Hij besloot eindelijk het kind als het zijne
+op te voeden en bij voorbaat zelfs voor het zijne te laten doorgaan;
+terwijl hij, voor zijn vertrek uit Amsterdam, aan Bouke en Geertrui
+plechtig liet zweren, dat zij aan niemand de ware toedracht der zaak
+zouden bekend maken. "Het kind moet, mag nooit weten," dacht hij,
+"dat ik zijn vader heb laten vermoorden: anders zou het mij eens
+vloeken in de plaats van mij te zegenen. Komt het eens tot rijper
+jaren, dan zullen wij zien, wat wij er van maken kunnen."
+
+Eenigen tijd na zijn aankomst op Sonheuvel, vernam de Baron van
+een reizenden koopman in honden, dat dit fraaie dier, hetwelk hij
+bij Velasco gevonden had, door hem een paar jaren te voren aan den
+Grave van Falckestein was verkocht geweest. De Baron begreep terstond,
+dat Velasco het zich tijdens de plundering van Bruck had toegeëigend,
+en daar het hem een aangename gedachte was, de Gravin Douairière in
+het bezit te herstellen van iets, dat haar gemaal had behoord, zoo
+haastte hij zich haar, die nu in Den Haag haar verblijf had gevestigd,
+een beleefden brief te schrijven, waarbij hij haar kennis gaf van
+zijn ontdekking en haar verzocht hem te melden, wanneer zij den hond
+zou ontvangen. Tot zijn groote verwondering ontving hij in antwoord
+den volgenden brief, in 't Hoogduitsch geschreven:
+
+
+ "Heer Baron!
+
+ UEds. geëerde Missive is bij groot geluk niet in handen
+ van Mevrouw de Douairière van Falckestein, maar in de
+ mijne gekomen. Het zou mij leed doen, indien Haar Genades
+ gestel, hetwelk door zoovele en zoo zware rampen reeds sterk
+ geleden heeft, een nieuwen schok ontving door de treurige
+ herinneringen, welke het ontvangen van het geschenk, dat
+ UEd. voornemens was Hare Genade te doen, bij Hare Genade zou
+ verwekken. Ik heb de eer UEd. bij dezen kennis te geven,
+ dat het mijn voornemen is, met Hare Genade, dadelijk na
+ het einde van haren rouwtijd, een wettige verbintenis aan
+ te knoopen (waarop God zijnen zegen geve). Ik twijfel niet,
+ of UEd zal wel eenig deel willen nemen in mijn rechtmatige
+ vreugde over dat blijde vooruitzicht.--Intusschen verzoek
+ ik UEd. Mevrouw de Douairière over het bewuste onderwerp
+ niet meer te schrijven, daar UEd. zelf de noodzakelijkheid
+ zal inzien van haar alle dergelijke treurige aandoeningen,
+ opgewekt door het herdenken aan vervlogen genoegens, te sparen.
+
+ Ik heb intusschen de eer mij nederig in UEds. vriendschap aan
+ te bevelen, en UEd. te verzekeren, dat ik onveranderlijk ben,
+
+
+ Heer Baron!
+
+ UEd. toegenegen Vriend, en
+ Dienstwillige Dienaar,
+
+ Lodewijk Gunther van Nassau."
+
+
+"Die vrouwen! die vrouwen!" riep Reede stampvoetend uit, nadat hij
+den brief tweemalen met verbazing gelezen had: "kan men zich zoo
+iets voorstellen? Nauwelijks is de asch van haar man koud.... (en
+welk een man was hij, dien zij verloor!).... of zij gaat met een
+ander in 't huwelijksbootje!.... Haar over 't bewuste onderwerp
+te schrijven! ... Neen waarachtig niet. Geen taal of teeken zal
+ik haar ooit meer sturen, dat beloof ik haar. Ik zal moeite hebben
+mij in te houden, als ik dien Graaf van Nassau weder onder de oogen
+krijg. Foei! foei!"--En hij scheurde in drift den ontvangen epistel
+in duizend stukjes.
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+ The knowledge of my birth secured
+ From all and each, but most from me.
+
+ _Byron_, the Bride of Abydos.
+
+ Mijn afkomst werd voor elk, vooral voor mij, verholen
+
+ De Abydeensche Verloofde.
+
+
+Evenals een beekje, dat, van den top der Alpen ontweld, lange
+tallooze omwegen voortgevloeid, verscheidene kronkelingen en
+bochten beschrijvende, een geruimen tijd naamloos en als onbewust
+waarheen, over rotsen en klippen, door velden en akkers dwaalt, en
+den wandelaar, die zijn boorden volgen wil, in de onzekerheid laat,
+waarheen zijn reis zal geleiden, totdat het eindelijk, door den
+toevloed van andere beken en den aanvoer des bergwaters gezwollen,
+zijn oevers verbreeden ziet, en over een dieper bedding onder een
+bepaalden naam zijn weg vervolgt, zoo ook is ons verhaal, dat tot
+nu toe niet de lotgevallen van een bijzonderen hoofdpersoon, maar
+de wederwaardigheden van verschillende personages heeft geschetst,
+eindelijk zooverre gevorderd, dat het zich niet meer ter rechter-
+of ter linkerzijde behoeft af te wenden, maar onafgebroken met de
+daden van den wezenlijken held der geschiedenis de aandacht des
+lezers kan bezighouden. Het voegt ons dus, ter dezer plaatse, waar
+de geschiedenis, die wij beschrijven, eigenlijk een aanvang neemt,
+den Lezer dank te zeggen voor het geduld, betoond in het ten einde
+brengen onzer vrij lange inleiding, die hij misschien bij zich zelven
+reeds zal vergeleken hebben met den Brijberg, waar men moest dooreten,
+alvorens men in Luilekkerland aankwam, afgebeeld op het oude prentje,
+in mijne kindsheid voor de som van een oortje alom verkrijgbaar, en
+thans, nu er geen oortjes meer afgepast kunnen worden en de kinderen
+veel te verstandig zijn, dan dat zij zich met Luilekkerland, Jan de
+Wasscher en dergelijke grollen zouden bezighouden, wellicht niet
+meer te bekomen. Men wane echter niet, dat ik, mijn inleiding bij
+den Brijberg vergelijkende, de gelijkenis verder zou willen trekken
+en het verhaal zelf voor Luilekkerland laten doorgaan. Hiertoe ben
+ik, ik zal niet zeggen te nederig (want die verontschuldiging is
+afgezaagd), maar te trotsch; want ik wil, uit loutere trotschheid,
+nimmer iets beloven, dat ik vooruit zeker weet, niet te kunnen geven.
+
+Indien er nu een Lezer vragen mocht (want het is een vragend
+geslacht, dat der lezers, en vooral dat der Recensenten), waarom ik
+niet liever al hetgene ik nu in mijn inleiding heb te boek gesteld,
+naderhand bijwijze van herinnering of verhaal in mijn geschiedenis heb
+ingelascht, zoo zou ik hem antwoorden, niet alleen dat het mij altijd
+vermoeiend en lastig is voorgekomen, wanneer in werken van deze soort
+de draad der geschiedenis werd afgebroken, om te vertellen hetgeen voor
+de geboorte van den hoofdpersoon, althans lang voor den tijd van het
+verhaal, was voorgevallen; maar ook, dat ik in deze geschiedenis van
+den ouden tijd, het voorbeeld heb willen volgen van de legerhoofden
+van dien tijd. Dezen trokken niet, zooals thans geschiedt, dadelijk
+op de hoofdstad aan, om, na deze bemachtigd te hebben, door dezen
+of genen Generaal de mindere steden en vestingen aan hun wapenen te
+onderwerpen, maar zij belegerden eerst de grenskasteelen, vervolgens
+de schansen en vestingen, die zij op hun weg ontmoetten en eerst na
+de verovering van die alle, drongen zij in het hart van het land door.
+
+De kleine Joan werd dan, gelijk wij in het slot van het vorige
+Hoofdstuk hebben verhaald, op het kasteel te Sonheuvel opgevoed,
+en ging er voor den zoon van zijn pleegvader door. Alleen de
+predikant Raesfelt, wien Reede zijn vertrouwen geschonken had,
+en die het door zijn braafheid verdiende, de getrouwe Bouke en de
+oude Geertrui kenden het geheim van zijn geboorte. De Baron, zoowel
+als Raesfelt, beducht dat het Spaansche bloed eenmaal in de aderen
+des jongelings mocht spreken, boezemden hem, van kindsbeen af, een
+vreeselijken haat in tegen zijn landgenooten, en een groote liefde
+en achting voor het huis van Oranje, vooral voor Graaf Maurits, zijn
+meest schitterende ster. Zij deden meer: zij zochten hem, onder de
+aanwakkerende godsdiensttwisten, tot een ijverigen voorstander der
+oude rechtzinnige leer te maken: en het was vooral de Predikant,
+die hiertoe zijn uiterste best deed.
+
+De Predikant Raesfelt (want wij moeten den man nader leeren kennen)
+was, gelijk de meeste godgeleerden van dien tijd, een man vol groote
+bekwaamheden, en met enkele lichte gebreken, doch die niet zelden
+beletteden, dat hij op zijn waren prijs geschat werd. Koelheid,
+lauwheid in de zaak van den godsdienst was toenmaals onbekend: men
+was gedwongen, zoo niet uit overtuiging, althans uit noodzakelijkheid,
+voor deze of gene gevoelens partij te trekken, Raesfelt, met hart en
+ziel gehecht aan de leerwijze, die Bogerman, Gomarus, Lubbertus en
+hun medestanders predikten, paarde aan de denkbeelden van dezen ook
+hun staatkundige beginsels. Evenals de genoemde schrijvers was hij een
+door en door geleerd man, doorvoed met de lezing der oude, vooral der
+godgeleerde schrijvers. De zucht tot onderzoek en kennis wies gestadig
+bij hem aan, en het stille studeervertrek was voor hem het meest
+geliefkoosd verblijf. Aldaar arbeidde hij onvermoeid en onafgebroken
+aan de voortzetting zijner studiën, terwijl oprechte waarheidsbegeerte
+en zucht om veel goeds en nuttigs te stichten, niet minder dan een
+brandende weetgierigheid, de spoorslagen waren, die hem het werken
+zoo gemakkelijk, ja tot zijn dagelijksch brood maakten. Zijns ondanks
+echter en niettegenstaande deze drijfveeren leidde de bij den mensch
+ingeschapen lust om hetgeen hij eens voor goed en waar heeft gehouden
+te blijven aankleven, hem steeds daartoe, dat al zijn oefeningen de
+strekking hadden om het godsdienstig stelsel, dat hij zich eenmaal
+gevormd had, te versterken: al de schriftuurplaatsen, al de bewijzen
+en verklaringen, die aan zijne denkwijze kracht bijzetteden, verkregen
+in zijn oog een dubbel gewicht; en al de uitleggingen of vertalingen,
+die niet met zijne meeningen strookten, werden door hem veel spoediger
+dan hij zelf dacht, voor valsch, of ten minste voor dom verklaard:
+zoodat hij, hoe onpartijdig hij meende en wenschte te zijn, dikwijls
+en zonder het te weten tot sterke partijdigheid verleid werd.
+
+Schoon zijn verstand dus somtijds dwalen mocht, zijn edel en oprecht
+hart dwaalde niet. Zijn wandel was onergerlijk voor God en voor
+de menschen: zijn gedrag een voorbeeld van Christelijke liefde en
+zachtmoedigheid. Liefde tot den naaste was bij hem geen theorie,
+maar een deugd, die hij, waar en wanneer hij kon, in praktijk bracht,
+en zoo zijn verstand hem somtijds verleidde om den andersdenkende te
+beschouwen als iemand, wien men, naar het voorschrift des Apostels,
+niet in zijn huis mocht ontvangen, noch tot hem zeggen: "wees gegroet,"
+zijn hart bleef ook voor den in zijn oog verdoolden broeder nimmer
+gesloten. Zijn huisvrouw had hij, ondanks haar weinig aangenamen aard,
+van harte lief, en met zijn kinderen was hij recht mal, gelijk men
+zegt. Ook de inwoners van het slot en het dorp Sonheuvel waren aan
+hun Herder bij uitstek gehecht, want zij vonden in hem altijd een
+oprechten, deelnemenden, getrouwen vriend en somtijds voortreffelijken
+raadsman.
+
+De zorg voor zijn huishouden en voor zijn gezin, dat langzamerhand
+vrij talrijk was geworden, liet hij geheel aan zijn wederhelft over:
+hem vonden de eerste ochtendstralen reeds in zijn studeervertrek,
+'t welk hij alleen om te middagmalen verliet en waar hij, na een korte
+wandeling door het dorp, het overige van den dag in doorbracht. De
+Zondag alleen bracht in deze levenswijze eenige verandering teweeg:
+dan ontbeet hij met zijn gezin, verruilde den huispels tegen den
+zwarten rok, ging, na de predikatie, doorgaans op het kasteel het
+middagmaal gebruiken en deed, als de namiddagdienst was afgeloopen,
+met Joan en zijn zoons een wandeling in den omtrek: terwijl hij
+den avond, wel niet met studeeren, doch met het lezen van de nieuw
+uitgekomen werken over controverse punten, ten einde bracht.
+
+Ondanks zijn zittend leven had hij een zeer rechte gestalte:
+zijn gelaat had de zoogenaamde kamerkleur verkregen en getuigde
+van onthouding en inspanning. Zijn neus was ver vooruitgebogen,
+als ware die bij de wording bestemd geworden tot het snuffelen
+in boeken en papieren. Van onder zijn zwarte kalot slipten eenige
+weinige lichtblonde haren uit, terwijl zijn ooren als de vleugels
+van een Cherubijntje zich van het hoofd verwijderden. Zijn blauwe
+oogen blikten doorgaans strak en afgetrokken voor zich uit; doch hun
+gewone dofheid werd verlevendigd, wanneer de aard van het onderhoud de
+deelneming van den Predikant gaande maakte, of wanneer zijn gemoed door
+het vernemen van iets belangrijks, zijn geliefde studiën betreffende,
+bijzonder was aangedaan.
+
+Zijn huisvrouw verschilde aanmerkelijk in verstand en karakter met
+haar echtgenoot. Deze had haar gehuwd, omdat een Predikant in dien tijd
+trouwen moest, wilde hij niet voor een Roomschgezinde aangezien worden,
+en omdat zij een ordentlijken stuiver bezat; doch hij had gewis een
+betere keuze kunnen doen. Behalve dat zij scheel zag, dat haar gelaat
+met sproeten en puisten, met een rooden neus, scherpe kin en vale
+kleur versierd was, bezat zij een inborst, niet ongelijk aan die der
+beminnelijke echtgenoote van den vlijtigen Trommius, welke, (zoo men
+verhaalt) het handschrift van het ontzettend werk der Concordantiën,
+toen het ter helft door haar man voleindigd was, op het vuur smeet,
+en het zoo bont maakte, dat de arme leeraar, die geduldig zijn arbeid
+van nieuws af aan weder begonnen was, bij haar overlijden uitriep: "God
+zij geloofd! nu heb ik rust en kan mijn werk ten einde brengen!"--Ook
+Mejuffrouw Raesfelt was een soortgelijke heks; doch haar man had
+minder van haar boozen aard te lijden dan eenig ander, ja zelfs had
+hij het zoover weten te brengen, dat hij met haar leefde als hij met de
+zachtzinnigste vrouw in de wereld zou gedaan hebben. Dit geluk was het
+gevolg zijner levens wijze. Hij zag haar nooit dan aan het middagmaal,
+waar hij den mond alleen opende tot bidden en eten; zijnde hij voor
+'t overige zoozeer in gedachten verdiept, dat hij niets vernam van 't
+geen om hem gebeurde--en in bed, waar het vroege opstaan van den man en
+de drukke vermoeienissen, welke de vrouw zich door loopen en praten, en
+kijven veroorzaakte, beiden alras deden inslapen. Daarenboven was, bij
+hun huwelijk, als een plechtige voorwaarde door den Predikant bepaald,
+dat Barbara nooit in de studeerkamer zou verschijnen, noch er eenig
+gezag uitoefenen, 't zij in eigen persoon, 't zij door middel van meid
+of kinderen. Alleen de oudste dochter, Kaatje, bracht 's morgens aan
+haar vader een kan bier en een snede brood met kaas voor zijn ontbijt
+boven; doch dit verrichtte zij met inachtneming der uiterste stilte;
+niet zelden vond zij des avonds, als zij het bord kwam afhalen om er
+het avondeten op te plaatsen, het ontbijt nog onaangeroerd staan:
+eens zelfs was het niet te vinden; en geen wonder! Dominee had het
+in gedachten met papieren en boeken in zijn schrijflade gesloten,
+waaruit het na verloop van ettelijke dagen weder te voorschijn kwam.
+
+De zoons van den Predikant, althans toen zij tot die jaren gevorderd
+waren, waarop de onderwijzing van hun vader hun van dienst kon zijn,
+hadden, als vanzelf spreekt, hoewel op gezette uren, den toegang tot
+het _Sanctum Sanctorum_, alwaar zij in die wetenschappen onderwezen
+werden, welke hun noodig waren te kennen om de Academische lessen
+eenmaal te kunnen bijwonen. Koenraad en Hendrik (dus waren de beide
+oudsten genoemd) beantwoordden de moeite, die hun vader zich gaf,
+met aanmerkelijke vorderingen in de oude talen, zoowel als in de
+eerste gronden der theologische studiën, en met vreugde herhaalde de
+Predikant dikwijls de woorden van den Psalmist, uit Psalm negentig:
+
+
+ Laet over ons' kinderen schijnen uwe eere,
+
+
+wanneer hij zich voorstelde, dat zij eenmaal tot steunpilaren van
+de Vaderlandsche Kerk zouden opgroeien en deze tegen de aanvallen
+van Paapsgezinden, Socinianen, Arrianen, Pelagianen of Arminianen
+zouden verdedigen.
+
+Behalve deze twee, genoot ook Joan welhaast het voorrecht om de
+lessen des leeraars te hooren. Viermalen 's weeks wandelde hij naar
+de Pastorie, om er in 't Latijn, het Grieksch en de Godgeleerdheid
+onderwezen te worden: deze lessen duurden doorgaans drie uren achtereen
+en verveelden hem veelal doodelijk: dan bestond het eenig genoegen van
+den knaap, uit het zoldervenster (want het studeervertrek was onder
+de dakpannen) de kraaien, die om den kerktoren fladderden, met het
+oog te volgen, of met een snoeimes zijn naam op de tafel te snijden,
+iets dat Raesfelt òf niet bemerkte, òf door de vingeren zag. Ook
+gebeurde het wel, wanneer de Predikant in diepe bespiegelingen omtrent
+het een of ander moeielijk vraagpunt verdiept was, en tekst op tekst
+aanhaalde, zonder het voorgestelde bevattelijker te maken, dat Joan
+al een groot uur zat te slapen, eer Dominee, die nog altijd de oogen
+op zijn bestoven en met geschreven aanteekeningen zwart gekrabbeld
+Grieksch Testament gevestigd hield, er iets van gewaar was geworden.
+
+Een leermeester, wiens lessen den knaap beter aanstonden, en wien hij
+meer eer aandeed, was Bouke, die voorheen den Baron als lijfknecht
+gediend had, en thans, nu de Heer van Sonheuvel sedert het sluiten
+van het twaalfjarig bestand zijn tijd onafgebroken op zijn kasteel
+doorbracht, de ambten van kamerdienaar, jager, visscher, valkenier en
+nog eenige andere _cumuleerde_. Van dezen leerde Joan al spoedig de
+bekwaamheden, welke den toenmaligen adel kenschetsten. Weldra overtrof
+hij hem in al die oefeningen, waartoe lichaamskracht en behendigheid
+vereischt werden: hij kon lang, zonder vermoeid te worden, tegen den
+stroom op zwemmen, wipte de breedste slooten vaardig over, bracht
+zooveel hoenders van de jacht terug als men begeerde, verstond de
+kunst om valken en honden af te richten en zag met een oogopslag aan
+welken kant van 't water de meeste visch te vinden zou wezen.
+
+Men wane echter niet, dat hij van het onderwijs des Predikants
+niets mededroeg: daartoe was hij te vlug van vernuft en bevatting;
+en ofschoon hij niet leerde, wat hij bij meerderen ijver en leerlust
+zich had kunnen eigen maken, zoo onthield hij ten minste zooveel
+van het geleerde, dat hij op zijn zeventiende jaar in het vak der
+letterkunde althans zoover gevorderd was als eenig jonker in den
+omtrek, en dat hij de godsdienststelsels genoegzaam kende, om bij de
+droevige scheuringen, die toen het vaderland verdeelden, gesprekken,
+over dat onderwerp gevoerd, met belangstelling te kunnen hooren.
+
+Van zijn pleegvader leerde Joan den wapenhandel en de wiskunst, ja
+zelfs de voorbereidende kundigheden tot den vestingbouw, in welke
+vakken Reede geheel niet onbedreven was:--ook het paardrijden, zoowel
+in theorie als in praktijk, zoodat hij mede over den toomprang kon
+spreken en de lengte der stangen naar 't maaksel van 't gebit wist te
+berekenen. Hartelijk beminde hem de Baron, die geen onderscheid maakte
+tusschen hem en de kleine Ulrica. Ook de huisgenooten van Joan zoowel
+als de dorpsbewoners hadden hem lief: want hij was beleefd, gul en
+dienstvaardig jegens allen. Ja zelfs had hij, 't geen iets ongehoords
+scheen, de gunst der schrikkelijke Predikantsvrouw verworven, door haar
+nu en dan wildbraad te schenken en een bunsingfamilie uit te roeien,
+die zich kort achter de Pastorie genesteld had en een vernielingsoorlog
+aan de kippen van Mejuffrouw Raesfelt had verklaard.
+
+Doch niemand was zoo sterk aan Joan gehecht, als de zachtzinnige en
+lieftallige Ulrica. Hij had zijn kleine zusje van harte lief; doch zij
+verafgoodde hem. Zijn karakter, hoe beminnelijk ook, was opvliegend en
+hooghartig, hetgeen de Baron aan het Spaansche bloed toeschreef; deed
+hij eens kattekwaad en was hij te trotsch om verschooning te vragen,
+dan sprak zij hem voor: werd hij gestraft, zij leed er meer onder dan
+hij. Verrichtte hij iets goeds, hemelhoog werd het door haar geprezen,
+en zij vertelde het aan al wie er naar luisteren wilde. Nooit was
+zij gelukkiger dan in zijn gezelschap, nooit droevig dan wanneer hij
+wat langer dan naar gewoonte was uitgebleven. In één woord, haar
+genegenheid te hemwaart had zoo diep wortels gevat en was met de
+jaren zoo sterk aangegroeid, dat de oude Geertrui niet nalaten kon,
+dikwijls aan te merken: "ja! zoo Mevrouw zaliger dat moest beleven,
+dat haar dochter dat Spanjoolsche kind zoo lief zou hebben! wat zoude
+het mensch er wel van zeggen!"--Het was alleen tegen Bouke, dat zij
+op deze wijze van tijd tot tijd haar hart lucht durfde te geven;
+doch dan legde haar deze altijd de breede hand op den mond, zeggende:
+"Stil Geert! die veel kalt veel ontvalt! beter gezwegen dan van veel
+spreken hinder gekregen: noem dat woord van Spanjool toch nooit; want
+men wordt voor mondhouên gevangen, voor praten gehangen!"--"Ja! ja:"
+zuchtte Geert: "ik zal wel zwijgen, maar, om ook eens spreekwoorden te
+gebruiken, het einde zal den last dragen en de laatste loodjes wegen
+'t zwaarst."
+
+Een hoofdtrek in Joans karakter was, al van zijn kindsheid af;
+een hevige afkeer van alle onrechtvaardigheid geweest. Deze was zoo
+sterk, dat hij zijn toorn of wrevel niet bedwingen kon, ook jegens
+menschen van meer gevorderden leeftijd, wanneer hun handelingen hem
+onbillijk toeschenen. Wij zullen hiervan een voorbeeld bijbrengen,
+hetwelk meteen zal kunnen strekken om de karakters der in dit verhaal
+betrokkene personen nader te ontwikkelen.
+
+Op een zomerschen morgen (Joan was toen een twaalfjarige knaap)
+kwam hij van den Predikant, bij wien hij het gewone onderwijs genoten
+had, en wandelde langs de heining van diens tuin terug. In dien tuin
+stond een fraaie abrikozeboom op stam, wiens blozende vruchten reeds
+dikwijls, bij 't voorbijgaan, zijn lust hadden opgewekt. De kinderen
+van Raesfelt hadden met niet minder verlangen het ooft zien rijpen;
+doch vooral had de oudste, Koenraad, er zijn zinnen op gezet, om
+daarvan eens recht op zijn gemak te snoepen, en hij zat, op het
+oogenblik dat Joan den tuin langs ging, in den boom, waar hij bezig
+was, de rijpste vruchten van wespen te zuiveren, zooals hij het noemde,
+doch eigenlijk, die voor zich zelven te bewaren. Dit bemerkende,
+hield Joan stil en riep den snoeper toe: "zoo Koen! als moeder op
+het mat komt, zal je er slecht afkomen."
+
+"Dat heb ik ook al gezeid," zeide Koenraads broeder Hendrik, die in
+een hoek des tuins zat te lezen, "maar hij wil het maar niet laten."
+
+"Wel dan moet jij het hem beletten," hernam Joan.
+
+"Jawél! om slaag te krijgen! hij is grooter en sterker dan ik."
+
+"Hij moest ereis komen," zeide Koenraad, spottende, terwijl hij een
+abrikoos in den mond stak: "dat zou hem geraden wezen; daar Hein! dat
+'s voor jou!" en hij wierp hem den steen toe.
+
+Hierover verontwaardigd, sprong Joan over de heining, liep op Koenraad
+af, en greep hem bij het been. "Je meugt niet stelen!" riep hij,
+"en veel minder Hein uitlachen, die veel beter is dan gij. Kom
+Hein! help mij eens, dan zullen wij hem daar afhalen."
+
+Hendrik, toegeschoten zijnde, vereenigde zijn krachten met die van
+Joan, om Koenraad naar omlaag te trekken: deze begroette hen met
+eenige schoppen en trappen, en klemde zich zoo vast om den boom, dat,
+toen het aan de beide kinderen eindelijk gelukte, hem op den grond te
+krijgen, hij een gansche tak met zich medenam. Aanstonds krabbelde hij
+op en pakte zich weg, terwijl de beide knapen verbaasd bleven staan
+en den tak opnamen. Dan, op dit oogenblik was de Pastoorsche den
+tuin ingekomen. Spoedig zag zij wat er aan de hand was, en als een
+razende heks liep zij op Hendrik aan, wien zij hare vuisten voelen
+deed, terwijl zij Joan zoowel als hem met de namen van snoepers,
+vernielers, dieven enz. begroette.
+
+Huilend zocht Hendrik zich te verontschuldigen en Joan riep. herhaalde
+reizen: "Juffrouw! je moet Hein niet straffen. Hij heeft niet
+meegesnoept."
+
+"Wat! ik hem niet straffen!" riep de vertoornde vrouw, den armen knaap
+des te feller slaande en knijpende: "en zou jij me dat beletten, jou
+snotneus? Ga maar naar 't kasteel, ik zal er je vader over spreken,
+dat zal ik!"
+
+Woedend over deze, in zijne oogen althans hoogst onrechtvaardige
+handelwijs, wierp Joan zich tusschen moeder en zoon, zocht dezen
+laatsten uit hare handen te scheuren en deed zijn pogingen met krabben
+en beten verzeld gaan; doch Barbara greep hem in den halskraag, gaf
+hem een duchtige oorvijg, en zette hem vrij onzacht de heining over op
+den weg, waarna zij, onder vele scheldwoorden tegen de beide knapen,
+Hendrik met eenige schoppen in huis joeg.
+
+Bleek van toorn bleef Joan eenige minuten voor de heining staan
+nagelbijten; vervolgens veegde hij zich de tranen van spijt van de
+wangen en keerde met fonkelende oogen naar het kasteel.
+
+Het slot te Sonheuvel (want wij moeten onzen lezer bij deze gelegenheid
+en tot beter verstand van hetgeen later volgen zal, met de localiteiten
+bekend maken) was een eind wegs buiten het dorp van dien naam, niet
+verre van de grenzen van Gelderland gelegen. Een rijweg, die zich met
+den gemeenen landweg van Arnhem naar Utrecht in het dorp vereenigde,
+liep langs den slottuin zuidwaarts af naar het veer, waar men den Rijn
+overstak. Het kasteel, met den daarbij behoorenden moeshof, pleinen,
+boomgaarden en wandelperken, had een omtrek van tien of twaalf morgen,
+door een tamelijk breede sloot omringd. Men genaakte het van den
+binnenweg door twee ingangen: de eene was de hoofdpoort en bevatte de
+woning van den portier: de andere was een hek met een smal bruggetje
+voor voetgangers bestemd, en naar de zuidzijde gelegen. Het slot zelf
+stond midden op het grondgebied, en was insgelijks door een tweede
+gracht omringd. Een steenen brug, die naar het voorplein geleidde,
+vertoonde, aan zijn vier hoeken, de wapenen der Heeren van Sonheuvel,
+in witten steen uitgehouwen. Het gebouw was ruim en naar den tijd vrij
+modern, daar het door den grootvader van den tegenwoordigen Heer was
+gesticht. Het bevatte een fraai heerenhuis, met een prachtige stoep,
+mede van wapens voorzien: voorts stallen voor paarden en honden,
+kleinere woningen voor den tuinman en de dienstboden en eenige schuren
+of bergplaatsen. Het heerenhuis had verscheidene fraaie vertrekken:
+vooral waren de benedenzaal, waarin de afbeeldsels der Heeren en
+Vrouwen van Sonheuvel prijkten, en de groote zoogenaamde ridderzaal
+in een goeden smaak gebouwd en wel bezienswaardig. Een lommerrijke
+laan, met zware beukeboomen beplant, geleidde van de hoofdpoort naar
+het slot. In deze ontmoette Joan, toen hij na de slechte ontmoeting,
+waarvan wij gesproken hebben, van de pastorie terugkeerde, de kleine
+Ulrica, die hem, met een vischnetje in de hand, vroolijk tegenhuppelde.
+
+"Goeden morgen, lieve Joan!" riep zij, zoo ras zij hem ontwaard
+had: "zie eens! terwijl gij bij Dominee waart, heb ik uw vischnetje
+afgemaasd: nu zullen de snoeken er niet meer doorheenspringen, zooals
+laatst. Maar wat scheelt er aan? heb je gehuild? uw oogen zijn zoo
+rood als vuur."
+
+"Huil ik ooit, Ulrica! weet je niet? toen ik laatst uit den boom
+sloeg, waar ik dat vogelnestje voor u krijgen zou, toen deed ik mij
+braaf zeer: maar ik huilde toch niet."
+
+"Neen! lieve Joan! als je je zeer doet, huil je niet: dat mogen
+alleen de meisjes doen; doch toen vader u laatst beknorde, omdat je
+het achterhek hadt opengelaten, toen huilde je wel."
+
+"Ja! dat was ook onbillijk van vader; want het was de schuld van Frans
+den Portier: en als ik nu gehuild heb, is het om een soortgelijke
+reden geweest;" en hierop vertelde hij haar wat er had plaats gehad.
+
+Ulrica troostte hem met woorden en kusjes, bracht hem in haar
+tuintje, achter het slot bij den moeshof gelegen en wees hem hare
+besseboompjes. Weldra had hij, met haar spelende, de abrikozen,
+den armen Hendrik, ja den toorn der ruwe Pastoorsche, geheel vergeten.
+
+Dan deze had onze knaap geenszins vergeten. Na verloop van een uur
+kwam Bouke Joan roepen: de Baron moest hem noodzakelijk spreken: "daar
+zal wat voor je opzitten, jongelief!" zeide hij: "ja, kijk maar zoo
+onnoozel niet: borgen is geen kwijtschelden, en wat men dronken doet,
+moet men nuchteren ontgelden. De Pastoorsche staat al op je te wachten,
+en die is zoo mak als een bunsing, waar men het hol van uitdelft."
+
+Nu herinnerde zich Joan de bedreiging van Mejuffrouw Raesfelt, en
+schoorvoetende begaf hij zich naar het slot. Hij trad de voorzaal
+in, waar hij den Baron in zijn leunstoel als rechter gezeten vond,
+met een gerimpeld voorhoofd en strakke oogen, die weinig goeds
+beloofden. Midden in het vertrek stond de Predikantsvrouw, met de armen
+in de zijden, terwijl zij, ongeduldig met het bovenlijf waggelende,
+op de lippen beet en stijf op den grond keek als iemand, die, van
+den uitslag eener zaak onzeker, zich niet op zijn gemak bevindt. Aan
+de deur gekomen, bevond zich Joan niet minder dan zij met de houding
+verlegen, die hij aan moest nemen. Hij meende dat het zaak was, zich
+zeer opgeruimd en luchthartig te veinzen: hij huppelde dus naar binnen,
+terwijl hij zich de vuisten tegen elkander wreef en zijn vader aanzag
+met een gelaat, waarop wezenlijke angst en voorgewende vroolijkheid
+kamp voerden.
+
+"Wees maar zoo dartel niet, sinjeur!" zeide de Baron: "het kon wel
+eens slecht met u afloopen: nu kijk maar niet naar den zolder: zie mij
+in de oogen: de Juffer klaagt over u: zij zegt, dat gij haar gebeten
+en gekrabt hebt: (hier stroopte de Pastoorsche haar mouwen op, ter
+bevestiging van dit punt der beschuldiging) en dat gij haar vruchten
+snoept en haar eigen kinderen tegen haar opruit. Fraaie zaken! en
+wat hebt ge nu daartegen in te brengen?"
+
+Op het hooren dezer aantijgingen voelde Joan, dat zijn drift
+wederkeerde. "Zij liegt het allemaal, vader!" antwoordde hij:
+"behalve van het bijten en krabben; maar dat was omdat zij Hein sloeg!"
+
+"Wel heb je van je leven! Mag ik dan mijn eigen kinderen niet slaan
+als ik verkies, en zal zoo'n snotjongen mij dat beletten?" "Een
+snotjongen ben ik niet, leelijke feeks!" riep Joan, huilende en met
+de voeten stampende.
+
+"Nu hoort UEd. het zelf, hoe hij mij behandelt."
+
+"Joan!" zeide Reede op een gestrengen toon: "wilt gij op staanden
+voet de Juffrouw om vergeving vragen?"
+
+"Neen, vader! want ik heb gelijk en zij ongelijk."
+
+"Niet," riep de Baron, hem in drift aangrijpende en voor Barbara
+op de knieën werpende: "vraag terstond om verschooning of ik zal
+er op ranselen, dat...." Joan wentelde zich op den grond om en om,
+al roepende, dat hij het niet deed.
+
+"Hei Bouke!" riep de Baron: "breng mij de hondenzweep eens hier.... of
+neen! Neem den knaap op, en sluit hem in den toren op water en brood:
+daar kan hij blijven totdat hij zijne stijfhoofdigheid aflegt."
+
+"Maar mijnheer," zeide Bouke: "UEd. weet, dat op den toren...."
+
+"Doe wat ik u zeg!" herhaalde de Baron, zonder naar iets te
+luisteren. Bouke nam den knaap op, zonder dat deze eenige beweging
+maakte.
+
+"Hoe is 't, stijfkop?" vervolgde de Baron: "zult gij om vergeving
+bidden?--Niet?--Welnu Bouke, breng hem dan maar weg, waar ik gezegd
+heb."
+
+Zonder te kikken liet Joan zich naar boven brengen en in een kamertje
+sluiten, 't welk zich onder 't torentje bevond, dat uit het dak
+oprees. Eerst toen hij alleen was gelaten, wierp hij zich met het
+gezicht plat op den vloer en snikte luid.
+
+Een uur daarna keerde Bouke terug met een kom water en een stuk
+brood. Joan lag nog in dezelfde houding.
+
+"Jonker! jonker Joan!--Slaap je?"--Geen antwoord.--"Jonker, je vader
+laat vragen of je gehoorzamen zult."--Geen antwoord.--
+
+"Het spijt me van u, jonker! denk toch dat het plicht is, je vader te
+gehoorzamen. Wacht niet, tot het te laat is: 't beste berouw is het
+vroegste: narouw is wijvenrouw. Wil je niet? nu, dan moèt je hier den
+nacht doorbrengen. Nog geen antwoord?--Ja, als 't kalf verdronken is,
+zal je den put dempen. Zie mij zulk een stijfkop eens aan...." en
+hij vertrok.
+
+De krachten van Joan waren thans uitgeput; zonder aan de hem gebrachte
+spijzen geraakt te hebben, viel hij in een diepen slaap: tegen den
+avond wekte hem de honger, en hij was bezig zijn eenvoudig maal
+te nuttigen, toen de deur, die slechts van buiten met een grendel
+gesloten was, zachtjes openging en Ulrica binnentrad.
+
+Weenende kwam zij naar hem toe, zette zich naast hem op den grond,
+sloeg het poezelige armpje om zijn hals en kuste hem op het
+voorhoofd. Beschaamd en wrevelig stootte haar Joan van zich af.
+
+"Foei, Joan! heb ik dat aan u verdiend?--Zie eens, wat ik u heb
+meegebracht; maar zeg het vooral aan niemand: want dan zou ik knorren
+krijgen, schoon het mijn eigen eten is en ik er dus mee doen mag wat
+ik wil."
+
+Al sprekende haalde zij een hengselmandje van onder haar voorschootje
+en bood hem haar voorraad aan, bestaande uit een patrijzenboutje:
+eenige trossen bessen en gedroogde confituren.
+
+Snikkende viel Joan het lieve kind om den hals en verborg toen zijn
+hoofd in haar schoot. In deze gestalte bleven zij eenige oogenblikken
+zitten.
+
+"Kom Joan! zeide eindelijk Ulrica, hem met schroomvalligheid aanziende:
+"je moest de juffrouw maar om vergeving vragen."
+
+Joan zweeg en schudde het hoofd.
+
+"Och lieve Joan! doe het toch: anders wordt vader zeker nooit weer goed
+op u.--Och het is hier zoo akelig om 's nachts te blijven. Hier vliegen
+zeker vleermuizen en uilen. Och Joan! doe het toch om mijnentwille:
+dat kan je mij toch niet weigeren; ik zal je zoo liefhebben als je
+het doet."
+
+"Neen!" zeide Joan: "ik kan het niet, ik mag het niet doen: het is
+een heks van een wijf: dien armen Hein zoo te slaan. Als het Koen
+nog geweest ware, dan...."
+
+"Och, spreek zoo niet, Joan! Hein zal toch wel wat verdiend hebben,
+anders...."
+
+Hier stoof de knaap driftig op: "Hein wat verdiend? niets had de arme
+jongen gedaan, zoomin als gij of ik. Hoor maar eens hoe het gebeurd
+is. Ik ging...."
+
+"Ik geloof u wel, lieve Joan! je hebt het mij van morgen al verteld;
+maar je had je er niet mee moeten bemoeien: dat was altijd verkeerd
+van u."
+
+"Wat! moest ik als een lafbek zijn blijven staan kijken, hoe kwalijk
+zij haar kind behandelde! neen! al moest ik er een jaar voor zitten op
+water en brood, en ik zag het haar weer doen, ik zou evenzoo handelen
+als ik gedaan heb."
+
+Deze belijdenis legde Joan af met de armen over elkaar geslagen,
+de tanden stijf gesloten, de onderlip opgetrokken en met het hoofd
+knikkende. Hij meende gewis, daardoor aan Ulrica een gedeelte van
+zijn standvastigheid of liever hardnekkigheid mede te deelen: doch de
+uitwerking was geheel anders dan hij zich had voorgesteld. Toen het
+goedhartige meisje hem zoo vastbesloten zag, op den verkeerden weg,
+dien hij had ingeslagen, voort te gaan, werd zij bleek als een doek,
+vouwde de handen stijf tegen haar borst, zag hem een geruimen tijd
+met wilde oogen aan, en viel toen eensklaps onmachtig naast hem neder.
+
+Dikwijls is de mensch, op het oogenblik dat hij zich het sterkst
+bestand waant tegen alle aanvechting, het naast aan het oogenblik
+van toegevendheid en zwakheid: dit althans was 't geval bij Joan:
+zooras hij Ulrica door zijne schuld in dien toestand gebracht
+zag, wierp hij zich bij haar neder, klemde haar in de armen en
+bedekte haar bleek gelaat met kussen. "Ulrica!" riep hij: "lieve
+Ulrica! huil toch niet: lieve beste zusje! ik zal alles doen wat
+ge wilt: och! kom toch bij u zelve." Dan zijn roepen was vergeefs
+en het meisje bleef stokstijf in zijn armen liggen. Vreeselijk
+kwam hem nu de gedachte voor den geest: "zij leeft niet meer! Ik
+ben de oorzaak van haren dood.--"Ulrica!" gilde hij angstig uit:
+"lieve beste Ulrica! help! help! ik heb haar gedood! Komt er dan geen
+mensch! Bouke! Geert! help! help!"
+
+Op dat oogenblik ging de muur open en er trad iemand in het vertrek,
+wiens onverwachte verschijning de ontsteltenis van den beangsten
+knaap niet weinig vermeerderde.
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Dat 's een jonge, om zoo te spreken,
+ Die elk na de kroon zal steken,
+ Dat 's een knaapje met een bol.
+
+ _Greenwood_.
+
+
+De persoon, die nu binnentrad, was een mager, bleek man, over den
+middelbaren leeftijd: zijn hoofd was bloot en slechts van weinige
+grauwe haren voorzien, terwijl de kruin kaal geschoren was: zijn
+kleeding was allereenvoudigst en bestond uit een grauwen overrok:
+van zijn linkerarm hing een bedesnoer af en in de hand hield hij een
+klein getijboek.
+
+De schrik van den knaap groeide meer en meer aan, toen de vreemdeling
+hem naderde en hem dezelfde gelaatstrekken en houding, ja bijna
+hetzelfde gewaad deed aanschouwen, door hem dagelijks in de groote
+benedenzaal opgemerkt op de schilderij, welke de beeltenis van den
+oudoom des Barons, Frederik van Reede tot Sonheuvel, voorstelde. Joan
+dacht niet anders, dan dat de geest van zijn voorzaat hem over zijn
+stoutigheid bestraffen kwam, en gillende viel hij op de knieën, zijn
+gezicht met beide handen bedekkende. Dit scheen echter het oogmerk
+van het spook niet te wezen, daar het, naar Ulrica toegaande, haar
+keurslijf losmaakte en vervolgens haar gelaat met eenige waterdroppelen
+besprenkelde. Zoodra zij eenig blijk van leven gaf, nam de gedaante
+haar op, droeg haar buiten het vertrek en stelde haar in de handen van
+Bouke, die het gegil van Joan gehoord had en daarop boven gekomen was.
+
+"Goede hemel!" zeide deze: "wat is er met het lieve kind gebeurd? Wat
+zal mijnheer wel zeggen? en de oude Geert? die zocht haar al het
+heele kasteel door. Ja, omdat zij altijd op haar stoel zit, denkt
+zij dat die kleine meid ook zoo zal blijven koekeloeren. Nu, zooals
+de waard is, betrouwt hij zijn gasten. Maar...." vervolgde hij snel
+tot den onbekende: "pak u weg; want daar klotst zij de trappen op."
+
+De gestalte verdween.... door een zijdeur, terwijl de oude Geertrui
+boven kwam.
+
+"Bewaar ons! Bouke! wat is met dat lieve schaap gebeurd?"
+
+"Dat weet ik niet. Zij was boven bij Joan: en daar is zij flauw
+gevallen."
+
+"Och dat hartje! toe! geef haar aan mij, je draagt haar zoo
+onhandig. Nu, mijn engeltje!" vervolgde zij, het kind met de vlakke
+hand op den rug tikkende: "huil maar, dat zal u goeddoen. Lieve
+Hemel! dat had Mevrouw zaliger moeten zien....--maar wat is er toch
+gebeurd, schatje?"
+
+"Och Geert!" snikte het kind: "het was Joan, die...."
+
+"Joan is stout, mijn diefje; daar moet je niet om grienen."
+
+"Neen Geert! maar hij zal weer zoet zijn: hij heeft het mij beloofd."
+
+"Wat beduidt dit geweld?" vroeg Reede, die inmiddels was boven gekomen:
+"wat is hier gebeurd?"
+
+"Zij was bij den jonker," zeide Bouke, "en...."
+
+"Bij Joan?--En wat deed zij daar? Daar hebt gij haar toch niet
+gebracht, Geert?"
+
+"Ik? de hemel beware mij, Uw Edelheid! om naar dat kraaiennest te
+gaan. Sinds Mevrouw zaliger laatst buiten was, ben ik er nooit geweest;
+en dan zegt men dat het er spookt.--Het kleine hartje is naar boven
+geloopen, terwijl ik...."
+
+"Terwijl gij in uw stoel laagt te dutten, als naar gewoonte: dat
+gebeurde ook niet, toen Mevrouw zaliger nog leefde, nietwaar?"
+
+"Ja men wordt alle dagen wat ouder maar...."
+
+"Genoeg. Nu, droog uw traantjes, Ulrica! en vertel mij wat gij
+boven deedt."
+
+Met veel tranen en snikken gaf Ulrica het gevraagde verslag, er
+vooral bijvoegende, dat Joans laatste woorden, die zij gehoord had
+toen zij haar bewustheid verloor, een verklaring behelsden, dat hij
+om vergeving vragen zou.
+
+"Zoo!" hernam de Baron: "dan zijt gij minder strafbaar dan ik dacht;
+maar ongehoorzaam zijt gij toch geweest, dat gij zoo in 't geheim
+naar boven zijt geloopen: en daarom zult gij zonder avondeten naar
+bed gaan, 't geen voor uw gezondheid ook niet anders dan heilzaam
+wezen kan. Kom, geef mij een zoen, droog uw traantjes af en toon mij
+uw lief en vriendelijk gezichtje weder."
+
+"En zult gij niet meer boos zijn op Joan?" vroeg het lieve meisje,
+de wangen haars vaders streelende.
+
+"Wij zullen zien, hoe hij is," zeide de Baron. "Wees gij maar heel
+zoet, dan gaat gij morgen mede naar Tiel met de nieuwe paardjes."
+
+Na haar vader omhelsd te hebben, vertrok Ulrica met
+Geertrui. Vervolgens gaf de Baron aan Bouke het bevel om Joan te
+halen en ging in een zijvertrek.
+
+Bouke vond Joan nog op zijn knieën liggen, in dezelfde houding als
+toen het spook de kamer had verlaten. "Jonker!" zeide hij: "uw vader
+verlangt u te spreken."
+
+"Zijt gij alleen, Bouke?" vroeg Joan, zich met een sprong oprichtende.
+
+"Wel ja, wie zou er meer wezen?" antwoordde Bouke.
+
+"En Ulrica?"
+
+"Die is weer beter en al naar bed."
+
+"En het spook?" vervolgde Joan met een zachte stem, terwijl hij
+angstig rondzag.
+
+"Het spook! Welk spook?"
+
+"Het spook van grootoom: ik heb het spook van grootoom gezien met
+een bijbeltje en een _paternoster_, net als in de benedenzaal."
+
+"Zoo!" hervatte Bouke een weinig verlegen: "neen het spook is weg:
+kom maar met mij en wees wijs."
+
+"Wel Joan!" vroeg de Baron, zoodra de knaap met hem alleen was,
+"zijt gij nu eindelijk tot betere gedachten gekomen, en zult gij
+Mejuffrouw Raesfelt om verschooning vragen?"
+
+"Ja vader!"
+
+"Dus bekent gij, dat gij zeer dwaas of verkeerd tegen haar gehandeld
+hebt?"
+
+"Neen, vader, dat niet."
+
+"Hoe! ben je dol, knaap! of spot gij met uw vader?"
+
+"Ik doe het alleen omdat Ulrica anders zoo bedroefd is," antwoordde
+Joan, den Baron met een openhartigen blik aanziende.
+
+Hoewel Reede Joans inkeer wel aan deze reden had toegeschreven,
+stond hij echter een weinig over de gulle bekentenis verslagen. Hij
+was een trouwhartig en teeder vader, doch geen hoogvlieger in 't vak
+van opvoeding, en was nu meer dan ooit verlegen welke handelwijze hem
+in dit geval betaamde. Joans oprechtheid en gevoel van billijkheid
+hadden hem behaagd, en thans wist hij niet, hoe den knaap te beduiden,
+dat, bijaldien de drijfveer onzer handelingen niet plichtmatig is,
+de daad zelve dien naam ook niet verdient. Uit deze verlegenheid
+werd hij echter gered, doch door een bezoek, dat bij hem een andere
+ongerustheid verwekte: de gedaante namelijk, welke aan Joan zooveel
+schrik had aangejaagd, trad de kamer binnen.
+
+"Help! daar is grootoom weer!" riep Joan, zich aan den Baron
+vastklemmende.
+
+"Wat onvoorzichtigheid!" zeide Reede tegen den onbekende: "hoe waagt
+gij het, hier te verschijnen, en wel in dit gewaad, terwijl...." hier
+wees hij op Joan.
+
+"Juist daarom kom ik binnen," antwoordde de vreemdeling, "opdat
+hij zich overtuigen zou, dat ik geen spook ben, maar een schepsel
+van vleesch en been. Toen ik zooeven uw lief dochtertje hoorde
+nedervallen, en hem een akelig gegil aanheffen, schoot ik ter hulp
+toe, en de knaap zag mij waarschijnlijk voor een bietebauw aan, die
+hem over zijn koppigheid straffen kwam. Is het niet zoo mijn jongen?"
+
+Joan richtte zich half op, knikte hem een toestemmend antwoord toe
+en vatte moeds genoeg om de gelijkenis van den ouden grootoom aan
+te staren.
+
+"En gij vergeet, dat de zucht om mijn zoon van een ingebeelden schrik
+te genezen, u misschien, zoo hij maar iets verhaalt, in 't uiterste
+gevaar brengt," zeide Reede.
+
+"De knaap zal zwijgen," hervatte de onbekende, "zoo hij het wil
+doen: hiervoor waarborgt mij zijn vastheid van inborst. Hoor
+eens, knaap," vervolgde hij, Joan vriendelijk tot zich trekkende:
+"gij zijt een verstandige jongen, aan wien men wel een geheim kan
+toevertrouwen. Ik ben, ik zal niet zeggen een groot vriend, doch
+zeker in nauwe betrekking met uw vader. Ofschoon ik geen kwaad deed,
+willen booze menschen mij gevangennemen en leed aandoen, misschien
+wel om hals brengen. Nu is uw vader zoo goed mij een schuilplaats
+te leveren in zijn kasteel, buiten weten van iemand, dan alleen van
+Bouke: en nu zijt gij de derde in het geheim. Durft gij nu aannemen,
+mij te beloven, aan niemand ook aan Ulrica niet, te vertellen, dat gij
+mij hier gezien hebt, zoo zult gij mij levenslang aan u verplichten."
+
+"Dat beloof ik u op mijn woord," zeide Joan, hem de hand gevende.
+
+"Dan is 't genoeg en ik maak er staat op," hervatte de
+vreemdeling. "Mijn naam noem ik u niet: in lateren tijd zult gij
+dien misschien vernemen: dan, om uw stilzwijgendheid niet geheel en
+al onbeloond te laten, en opdat gij u dit voorval altijd zoudt kunnen
+herinneren, schenk ik u deze kleinigheid."--Dit zeggende, trok hij een
+kostbaar gewerkten ring van zijn vinger en reikte dien aan Joan over.
+
+"Duizendmaal dank, mijnheer!" zeide Joan, rood van blijdschap
+wordende. "Zie eens vader! welk een schoone ring! het wapen van
+Sonheuvel is er opgesneden. Daar zal ik mijn brieven mede kunnen
+verzegelen als ik grooter word, evenals vader."
+
+"Een lieve knaap!" zeide de onbekende, met Joans blonde lokken
+spelende: "doch hij herinnert mij mijn Maria niet!"
+
+"Neen," zeide Reede met verlegenheid; "doch hierover nader. Ga nu maar
+heen, Joan! het is van avond te laat om nog naar juffrouw Raesfelt
+te gaan; gij zult haar morgenochtend wel om verschooning vragen."
+
+Op dit bevel vertrok Joan, na een beleefde buiging voor het spook,
+en begaf zich naar zijn slaapkamer, om aldaar in een zoete rust de
+bekommernissen van den dag te vergeten.
+
+"En gij," vervolgde de Baron tot den onbekende: "houd u morgen tegen
+acht uren gereed, dan zal Bouke u een vermomming bezorgen en wij
+rijden samen met mijn dochtertje, die ik medeneem, om geen argwaan te
+verwekken, naar Tiel, alwaar een schuitje u wacht, dat u veilig naar
+de overzijde zal voeren. Begeef u thans weder naar uw schuilhoek;
+ik durf niet langer hier blijven, men mocht ons komen storen."
+
+"God loone u," zeide de vreemdeling de hand zijns beschermers
+drukkende. "Hij vergelde u uwe grootmoedigheid en geve, dat zij u
+nimmer berouwe, noch in ongelegenheid brenge."
+
+"Wel!" zeide Reede: "dat was toch het minste dat ik doen kon dat ik
+u een schuilplaats gaf in uw eigen kasteel."
+
+"In mijn eigen kasteel," zuchtte de vreemdeling, terwijl hij treurig
+om zich heen zag: "helaas! ik mag met onzen Gezegenden Heer zeggen:
+_Vulpes foveas habent et volucres coeli nidos: ego autem non habeo
+ubi caput reclinem_!" [25]
+
+Reede haalde de schouders op, als wilde hij te kennen geven, dat de
+vreemdeling zich zelven dien onaangenamen toestand berokkend had.
+
+"Dan, om 't even!" vervolgde deze, terwijl hij zonder de beweging des
+Barons op te merken, het vertrek met groote schreden op en neder ging:
+"wat zou ik klagen, wat mij bekommeren! Moet ik mij niet verheugen,
+als de Apostelen deden, zoo ik om Zijnentwille smaadheid lijde?--Is
+er niet geschreven, dat de geloovigen zouden vervolgd en gemarteld
+worden? En moet niet de Kerk van Christus in het bloed der Heiligen
+gegrondvest worden? Maar niet vergeefs zal Rachel haar vermoorde
+kinderen beweend hebben, en niet vruchteloos zal het geschrei te
+Rama op de straten gehoord zijn! Hij zal komen, de groote dag,
+die Israël van zijn verdrukking bevrijden zal: de dag, waarop de
+afgedwaalde schapen door den Eenigen Herder tot den stal zullen
+worden teruggeroepen en dat de ketterij zal uitgeroeid worden over
+den aardbodem, _ut in nomine Jesu flectatur omne genu coelestium,
+terrestrium et infernorum_!" [26]
+
+"Om 's Hemels wil," zeide Reede: "matig u en bedenk toch...."
+
+"Dan zullen zij kermen en weeklagen en tandeknersen," vervolgde de
+vreemdeling: "zij, die de roepstem niet gehoord en aan de zorgende
+liefde wederstand geboden hebben, welke hen wilde verzamelen, gelijk
+de klokhen hare kiekens verzamelt onder hare vleugelen. Dan zullen
+zij roepen: _Domine, Domine, nonne in nomine tuo prophetavimus_? [27]
+maar de stem van boven zal antwoorden: _nunquam novi vos: discedite
+ame, qui operamini iniquitatem_. [28] Hendrik!--gij zult wellicht dien
+dag beleven, dat de triomf der ware Kerk, van welke de Heere gezegd
+heeft, dat de poorten der Helle haar niet zouden overweldigen, over
+het aardrijk zal gevierd worden. O bekeer u voor dien tijd! voordat die
+schrikkelijke dag, de _dies irae_, [29] komen moge! Gij hebt kinderen,
+lieve, beminnelijke kinderen, in wie het goede zaad nog niet verstikt
+is door het koude ongeloof dezer dagen: o! breng hen niet op den weg,
+die ter verderfenis leidt: laat hen terugkeeren tot het zuiver, oud
+geloof, de vlek uitwisschen, die op hun geboorte kleeft, evenals de
+wijsheid van Salomo de smet zijner overspelige afkomst vergeten deed!"
+
+"Gij zijt te veel opgewonden," zeide Reede, "gij vergeet dat uwe,
+dat mijne veiligheid er van afhangt, dat u niemand gewaarworde."
+
+"Het is waar," zeide de onbekende, stilstaande: "ik vergat dat gij
+onder hen behoort, die zeggen: _durus est hic sermo et quis dotest
+eum audire_; [30] en echter, God zegene u en opene uwe oogen voor
+het licht; want gij zijt waardig het te ontvangen, omdat gij mij niet
+overgeleverd hebt in de handen van hen, die mijn verderf zoeken.--En
+nu, vaarwel! ik begeef mij naar mijn eenzaam verblijf. Mochten de
+gebeden, die ik thans en namaals voor u en de uwen zal opzenden tot
+de moeder Gods, hare voorbidding bewerken, opdat ook gij eenmaal het
+licht moogt ontvangen, dat in de duisternis schijnt en een lamp aan
+onzen voet is."
+
+Dit gezegd hebbende begaf hij zich naar zijn schuilplaats, zijnde
+een verborgen kamertje, dat, in de dikte van den muur gemetseld,
+twee onderscheidene, van buiten bedekte, uitgangen had. Een dier
+uitgangen had gemeenschap met de gevangenis, waarin Joan gezeten had,
+en had den onbekende in de gelegenheid gesteld, om het gesprek der
+kinderen aan te hooren.
+
+"Wat is dat voor een gereutel?" mompelde Reede, terwijl hij grommende
+de trappen weder afging. "Dominus Raesfelt is ook somtijds wat duister
+en ingewikkeld in zijn uitdrukkingen, doch hij spreekt ten minste
+verstaanbaar Neêrduitsch, en zoo hij al nu en dan een Latijnsch of
+Grieksch woordje bezigt, vertolkt hij het altijd oogenblikkelijk;
+maar uit die Paapsche aanhalingen mag Joost wijs worden. Nu, ik denk
+er mijn hoofd ook niet veel mede te breken; 't spijt mij maar, dat
+hij het weder over de geboorte van die kinderen had!"
+
+Toen Joan den volgenden morgen vroegtijdig opstond, woog hem de
+belofte, die hij 's avonds te voren aan zijn vader had gedaan,
+van de Pastoorsche om verschooning te gaan vragen, oneindig zwaar
+op het hart; zooals het gemeenlijk gaat, wanneer men een lastigen
+plicht heeft uitgesteld. Onder het aankleeden, schikte hij in zijn
+geest de woorden, welke den verzoenenden volzin moesten uitmaken. Met
+trage stappen ging hij naar de benedenzaal, waar zijn vader en Ulrica
+weldra verschenen. Na het ontbijt kwam Bouke den Baron verwittigen,
+dat het rijtuig gereed stond. Reede vertrok hierop met Ulrica, na
+aan Joan last te hebben gegeven van hen niet te volgen. Deze echter,
+des te nieuwsgieriger na zulk een ongewoon verbod, ging uit een
+der achterramen liggen en zag van daar, tusschen de boomen door,
+het rijtuig voor het kleine bruggetje op den rijweg staan, met een
+persoon er in, als een boer gekleed, doch wien Joans scherpziende
+oogen dadelijk voor den vreemdeling, die hem den ring gegeven had,
+herkenden. De Baron, bij het wagentje gekomen, plaatste zich naast
+den vluchteling, terwijl Bouke op de achterste bank ging zitten met
+Ulrica: waarna Reede de zweep over de paarden legde en den weg naar
+den Rijn opreed.
+
+Na hen een wijl nagestaard en vervolgens zijn taak voor den Predikant
+te hebben afgewerkt, begaf zich Joan, wien de valsche schaamte hoe
+langer hoe meer begon te kwellen, naar de Pastorie. Als lood woog
+hem nu zijn verplichting op het hart. Dan eens wenschte hij, dat de
+juffrouw maar uit ware: dan weder dat zij aan de deur zoude staan, in
+welk geval hij terstond door het ergste heen zou wezen. Aldus peinzend
+en zich zelven vruchteloos moed insprekend, ging hij langzaam voort,
+bleef dikwijls staan, plukte nu en dan de bloemen, die langs den weg
+groeiden, en wierp ze weder weg, keek de koppels vinken na, die over
+zijn hoofd vlogen, en beschouwde eindelijk een bende ruiters, die op
+een snellen draf van den kant van Gelderland de hoogte afkwam, en die,
+zoodra zij bij het dorp was gekomen, halt hield, vervolgens regelrecht
+op hem aanreed en hem omsingelde. Een hunner, die de hoofdman scheen en
+even als de anderen, welke acht in getal waren, met vuurroer en degen
+gewapend was, sprak hem, even den hoed oplichtende, in dier voege aan:
+
+"Zeg eens, knechtske! hoort ge in de buurt te huis?"
+
+"Om u te dienen!" antwoordde Joan: "ik ben de Jonker van Sonheuvel."
+
+"Zoo! dan zijt ge waarschijnlijk best in staat, ons in te lichten. Hebt
+ge hier gisteren of vandaag ook een landlooper gezien, die een
+schuilplaats vroeg of om onderstand verzocht?"
+
+"Jawel! die komen er dagelijks. Laat zien.... Gisteren was het smerige
+Gijs, en dien gaf ik niets, omdat hij niet werken wil: en eergisteren
+Kees Keessen met het stompje, en dien gaf ik een oortje, omdat hij
+niet werken kan; want hij heeft maar ééne hand."
+
+"Met verlof! Jonker! Dien wij zoeken is geen gewone bedelaar: hij is
+een man met een deftig uitzicht, en in 't zwart gekleed, met een kale
+kruin en...."
+
+"Neen! die is hier in de buurt niet geweest," antwoordde Joan, die nu
+begon te begrijpen, dat het spook van grootoom de persoon wel wezen
+kon, dien men zocht.
+
+"Ja! die is hier wel geweest," klonk de schrille stem van Mejuffrouw
+Raesfelt achter hem: "ik heb den man, dien gij beschrijft, met Bouke
+door het achterhek op Sonheuvel zien komen, toen ik gisteren naar
+huis ging over de steenen brug."
+
+"Zoo!" zeide de aanvoerder der bende, terwijl hij den beslissenden
+toon, dien de juffrouw aannam, vergeleek met de bedremmelde wijze,
+waarop Joan geantwoord had: "Jonker! mij dunkt, gij weet meer dan
+gij zeggen wilt."
+
+Joan beefde als een blad: dan, of zulks veroorzaakt werd door
+de onverwachte verschijning der Predikantsvrouw, dan wel door de
+vrees, die de ruiters hem aanjoegen, is ons niet bekend. Spoedig
+echter vatte hij weder moed; en, het gewicht ten deele beseffende,
+dat in het bewaren van des vreemdelings geheim was gelegen, besloot
+hij de ruiters zoolang op te houden, tot de Baron weder terug en de
+vluchteling in zekerheid ware.
+
+"Wacht!" zeide hij, zich tot den Hoofdman wendende, evenals bezon hij
+zich: "draagt de persoon, dien gij zoekt, niet een zwart manteltje,
+een omvallenden kraag en een dichtgeknoopt buis? Heeft hij niet een
+gebedenboek en een _paternoster_ bij zich?"
+
+"Dat zal wel zoo wezen," antwoordde de ruiter: "maar waar is hij?"
+
+"In het kasteel, en ik zal u terstond wijzen waar; doch eerst moet
+ik de juffrouw even spreken. Juffrouw!" vervolgde hij stil en snel,
+terwijl hij haar ter zijde trok: "ik vraag u om verschooning:
+mijn vergrijp is mij van harte leed: wees zoo goed aan Dominee te
+zeggen, dat ik vandaag geen les kan komen nemen."--Na deze woorden
+op éénen toon en in éénen adem achter elkaar te hebben uitgerabbeld,
+keerde hij zich weder tot de ruiters en zeide: "Komt nu maar mede,
+Heeren! ik zal u voorgaan."
+
+"Ja, maar!" zeide de hoofdman, zooras zij de steenen voorbrug over
+waren gekomen: "is hij stellig op 't kasteel?"--Joan knikte met
+het hoofd.--"Welnu, opdat hij niet ontvluchte, zullen wij eerst
+de uittochten bezetten. Gij Roelof Sla-der-op, Peter Keinkenate en
+Hans Knipper, aan het achterhek! niemand uit of in te laten!--Gij,
+Joost Steek-maar-toe, Karl Blutzaufer en Melis Pif-paf, aan de
+slotpoort! Niemand er uit! Niemand er in! Frans Smijter en Meeuwis
+Kriegelkop volgen mij naar binnen."
+
+Terwijl deze bevelen volvoerd werden en zich de ruiters naar de hun
+aangewezen posten begaven, volgde de wachtmeester met twee ruiters
+Joan binnen het slot; op het plein stegen zij af en gaven hun paarden
+aan de verbaasde dienstboden te bewaren.
+
+"Als de Heeren mij maar volgen willen," zeide Joan, die moeite had
+een schalkschen lach te bedwingen, terwijl hij de ruiters vooruitging
+naar de benedenzaal. Onder 't voortgaan haalde de wachtmeester een
+papier uit de borst en las het _signalement_ van den voortvluchtige
+overluid op: "blauwe oogen, gebogen neus, ronde kin, grijsachtig haar,
+zware wenkbrauwen...."
+
+"En een paternoster in de hand," zeide Joan, terwijl hij den ruiter
+bij den arm nam en hem omdraaide, zoodat hij vlak over het afbeeldsel
+van den ouden Frederik van Reede tot Sonheuvel stond: "daar is de
+man dien gij zoekt: of ik heb abuis."
+
+"Ja! dat lijkt hem op een haar; waar is hij nu?"
+
+"Wel, daar!"
+
+"Waar?"
+
+"Daar op de schilderij. Anders is er geen zoodanige hier te vinden. Ik
+dacht, dat gij het portret zocht."
+
+"Wat henker! jou oolijke schalk! houdje ons voor de mallen! Ik zal
+je leeren...."
+
+Joan, die in het kasteel zijns vaders voor niemand vreesde, daar hij
+zeer wel wist, dat geen mensch er ongestraft eenig geweld zou mogen
+uitoefenen, zag den wachtmeester spotachtig aan, maakte een diepe
+buiging en liep de zaal uit.
+
+"Dat 's een satansche gauwdief!" riep de wachtmeester: "naar
+boven mannen! het slot doorzocht! de paap zit zeker hier of
+daar verscholen." Dit zeggende, liep hij, gevolgd van zijn twee
+handlangers, de trappen op, vermoedende, dat de vluchteling in een der
+bovenvertrekken zoude wezen. In de eerste kamer, die hij opensloot, zag
+hij een kruik, nog half vol water, een brok brood en de lekkernijen,
+die Ulrica 's avonds te voren aan Joan gebracht had, en waar hij niet
+aan geraakt had, gelijk men zich herinneren zal.
+
+"Hier zal hij wezen!" riep de wachtmeester, "binnen mannen! en draagt
+zorg, dat niemand er uitkome."
+
+"Dat zal ik," riep Joan, die hen stil gevolgd was, en smeet meteen de
+deur achter hen toe. "Veel pleizier, vriendjes! slaap daar nu maar wat
+uit." Dit gezegd hebbende, snelde hij onder een schaterend gelach de
+trappen af, riep den Bottelier, den Palfrenier, den Tuinier, de oude
+Geert en al de zoo mannelijke als vrouwelijke dienst- en werkboden
+bijeen, en vertelde hun, dat hij drie gevangenen gemaakt had, over
+wier lot de Baron zoude beschikken. Dan, terwijl hij nog sprak, en de
+oude Geertrui al gedurig uitriep, wat Mevrouw zaliger wel van zulk een
+geval gezegd zou hebben, hoorde men zulk een geweld aan de voorpoort,
+dat allen naar buiten stoven.
+
+Dit rumoer had een zeer natuurlijke reden. De Baron kwam met Ulrica
+en Bouke in het wagentje van zijn reis naar Tiel terug en vond zich nu
+voor de brug van zijn eigen slot den ingang ontzegd door de drie aldaar
+geposteerde ruiters, die hem niet verstonden of niet wilden verstaan.
+
+"Ik ben de Baron van Sonheuvel," schreeuwde hij.
+
+"Ick kenne kein Baron," zeide Karl Blutzaufer: "potstauzend, du sollst
+nicht drinn kommen!"
+
+De Baron lichtte de zweep op, om hem een duchtigen slag om de ooren
+te geven, en er ware veellicht een vechtpartij ontstaan, indien niet
+Ulrica, vol angst en ontsteltenis, haar vader weerhouden had, door
+zich zoo vast aan hem te klemmen, dat hij zich bijna niet verroeren
+kon. Intusschen was Bouke, die meer bedaardheid van geest bezat dan
+zijn Heer, uit den wagen geklommen en naar de ruiters toegestapt, aan
+welke hij vroeg, wie en waar hun hoofdman was, daar het toch billijk
+scheen te zijn, dat men aan den heer des huizes reden gaf, waarom hem
+de toegang tot zijn eigen slot ontzegd werd, althans in vredestijd en
+door soldaten in dienst van den lande. Na eenige woordenwisselingen
+begrepen de schildwachten, dat zij aan het verzoek van Bouke voldoen
+moesten, en ging Melis Pif-paf naar binnen om den wachtmeester te
+halen. Op het voorplein ontmoetten hem de bedienden, allen welgewapend.
+
+"Waar ist der Wachtmeister?" vroeg Melis: "ik muss hem sogleich
+spreken!"
+
+"Dat weet ik niet," antwoordde de Bottelier; "ik heb geen wachtmeester
+gezien noch geroken; maar dat weet ik, dat jijlui je biezen moeten
+pakken en Zijne Edelheid ongemoeid laten oprijden, of dat het slecht
+met je zal afloopen." Terwijl hij sprak, grepen eenige tuinlieden
+den ruiter aan en ontwapenden hem.
+
+"Hilf! Jost! Karl! Hilf! Staôt bi kerlen!" riep Melis, zich vruchteloos
+verzettende. Dan Jost noch Karl konden hem te hulp komen: want
+verscheidene dorpelingen, waaraan Juffrouw Raesfelt verhaald had,
+dat er ruiters op het kasteel gekomen waren, hadden zich inmiddels
+aan den buitensten ingang vertoond en hielden er de twee ruiters in
+bedwang; de drie anderen, die aan het achterhek post gevat hadden,
+kwamen op het gerucht aanrijden, om hun makkers bij te springen; en
+het ware tot een algemeen gevecht gekomen, bijaldien niet de Baron
+op de bank van zijn rijtuig geklommen was en van daar uit de hoogte
+een algemeene stilte geboden had.
+
+"Staat, menschen! ik ben hier op mijn grond alleen heer en meester,
+en verlang te weten, wat aanleiding tot deze malle historie gegeven
+heeft. Is er een onder die knapen, die verstaanbaar Neerduitsch spreken
+kan, zoo ben ik bereid te hooren, op wat grond men zich verstout,
+in mijn afwezigheid mijn slot te bezetten."
+
+Roelof Sla-der-op reed tot naast den wagen, nam den hoed in de hand
+en sprak:
+
+"Wij volgen slechts onzen last, Heer Ritmeester! U WelEd. is zelf
+soldaat geweest en weet dus, dat wij gehoorzamen moeten aan hen,
+die boven ons gesteld zijn."
+
+"Recht zoo," antwoordde de Baron: "maar wie gaf u dan last?"
+
+"De wachtmeester, heer Ritmeester, die binnen het kasteel is."
+
+"Laat hem dan hier komen," riep Reede, ongeduldig wordende: "waar
+zit hij?"
+
+"Ik heb hem op den toren gevangengezet," zeide Joan, die met zijn
+kruisboog op schouder, uit den hoop hervoor stapte: "hem en zijn
+makkers!"
+
+"Geen gekscheren, Joan!" zeide de Baron, gramstorig: "zulke malligheden
+komen nu niet te pas. En breng dat geweer weg. Als er uilen geschoten
+moeten worden, zal ik u roepen."
+
+"De Jonker heeft gelijk," zeide de Bottelier: "hij heeft drie ruiters
+in de steenenkamer opgesloten."
+
+"Ja! hier zitten wij!" riep een stem, die uit de lucht scheen te
+komen. Allen keken naar boven en zagen aan een klein venstertje het
+hoofd van den wachtmeester, die op de schouders zijner twee kameraden
+geklommen was om het te bereiken en hulp te vragen. Op dit gezicht
+berstte iedereen uit in een schaterend gelach; zelfs de ruiters, die
+beneden stonden, moesten glimlachen op het denkbeeld van de poets, door
+een knaapje als Joan aan hun sluwen hoofdman en zijn makkers gespeeld.
+
+"Zoo!" zeide de Baron, toen het gejuich een weinig bedaard was: "zitten
+die vogels zoo hoog in de kooi? Hoort eens mannen," vervolgde hij tegen
+de ruiters, die beneden waren, en die thans wat minder hoog spraken,
+sedert dat de Schout met een nieuwen troep gewapende boerenknapen
+den stoet vergroot had, "zit af en geeft de wapens ordentelijk over,
+terwijl ik uw wachtmeester ga onderhouden. Heer Schout! wees zoo goed,
+mij te volgen." Dit geschiedde.
+
+De Baron reed nu onverlet zijn kasteel in, vertrouwde Ulrica aan de
+zorgen van Geertrui, en begaf zich met den Schout naar de groote
+benedenzaal, terwijl Bouke met eenige dienaars de gevangenen ging
+verlossen en vervolgens den nu ontwapenden wachtmeester binnenbracht.
+
+"Wat is uw last, wachtmeester?" vroeg Reede: "en hoe durft gij zoo
+onbeschaamd in mijn kasteel den baas komen spelen? Spreek de waarheid,
+of ik laat u ophangen."
+
+"Dat zoude UEd. moeten verantwoorden," antwoordde de wachtmeester,
+op vrij hoogen toon: "wat mij betreft, hier is mijne verantwoording"
+en hij reikte den Baron zijn lastbrief over.
+
+Deze was geteekend en uitgevaardigd door de Staten van Gelderland en
+bevatte een bevel aan Peter Maanvreter, Wachtmeester, om op te sporen
+en te vatten den persoon van Ambrosio, Priester, zich bevorens genoemd
+hebbende Godard van Reede tot Sonheuvel (hier volgde de aanduiding)
+en aan alle overheden, schouten en magistraten om gemelden Peter
+Maanvreter de noodige hulp en assistentie te verleenen enz. enz.,
+alles ingevolge de in den jare 1598 uitgeschreven en later hernieuwde
+plakkaten.
+
+"Ik zal hierop slechts ééne aanmerking maken," zeide de Baron, nadat
+hij de lezing van het stuk in stilte had volbracht: "gij zijt hier
+niet in Gelderland, maar op Stichtschen grond: en uw lastbrief heeft
+hier zijn kracht verloren. Hadt gij onderzoek willen doen, gij hadt
+u bij den Schout moeten vervoegen, maar geenszins op eigen gezag hier
+moeten komen."
+
+"De Jonker heeft ons zelf hier gebracht," antwoordde de wachtmeester.
+
+"Gij zijt een te oude roofvogel om u door zulk een jong spreeuwtje
+van den rechten weg te laten afbrengen.--Doch heeft de Jonker die
+buitenposten uitgezet, die mij den toegang hebben afgesneden?"
+
+"Het spreekt van zelf, dat mijn last UEd. niet gold; en UEd. ware
+niet opgehouden geweest, indien men mij niet had opgesloten; doch ik
+had stellig naricht, dat de man, dien wij zochten, zich hier bevond,
+en nam daarom de noodige voorzorg, dat hij niet ontsnapte. Mag ik
+UEd. wel een woordje in 't vertrouwen onder vier oogen mededeelen!"
+
+"'t Is wel: doch maak het kort. Heer Schout, met uw verlof! Bouke,
+verlaat de kamer met uw volk.--Nu zijn wij alleen: wat hebt gij nu
+te zeggen?"
+
+"Heer Baron," zeide de wachtmeester: "wees zoo goed en zie dit
+papiertje eens in." Meteen toonde hij het aan Reede, terwijl hij het
+zorgvuldig met de beide handen onder en boven bleef vasthouden uit
+vrees dat het hem ontscheurd zoude worden. Het was een blaadje uit
+een getijboek, en wel het eerste: bovenop stond geschreven: _hic
+liber est Fr. Ambrosii, abb. Dom._ [31].
+
+"Welnu! wat zal dit?" vroeg Reede, nadat hij het aandachtig beschouwd
+had.
+
+"Dit blaadje vond ik in mijn gevangenis. Het bewijst ten duidelijkste,
+dat daar vóór ons nog iemand geweest was, en dat de abt, uw oom, daar
+òf gescholen heeft òf nog in de een of anderen hoek schuilt.--Wat
+dunkt UEd.? Zouden de Staten het met welgevallen zien, dat UEd. een
+man, wien de justitie opspoort, schuilplaats verleent?"
+
+Van Reede zweeg en streek zich over 't gezicht.
+
+"Mij dunkt, Uwe Edelheid!" vervolgde de wachtmeester, ziende dat
+zijn gezegden niet geheel zonder uitwerking bleven, "mij dunkt,
+wij moesten de geheele geschiedenis maar blauw blauw laten. Want,
+zoo UEd. over mij klaagt, zal ik, ja, misschien gestraft worden;
+doch ik heb altijd een middel om UEd. een poets te bakken, die
+UEd. waarschijnlijk hoogst onaangenaam zijn zoude."
+
+"Gij hebt gelijk, schurk!" zeide de Baron, "gelukkig, dat alles
+zich nog zoo schikken kan: want de man, dien gij zoekt, is reeds
+in veiligheid. Inderdaad, het zal best zijn, dat wij de zaak
+schikken. Heer Schout! gij kunt weer binnenkomen."
+
+De Schout kwam terug met de overigen. "Ik ben over de inlichtingen
+voldaan, mij door den wachtmeester gegeven," zeide Reede, "en
+hij kan in vrede met zijn volk vertrekken, mits zulks dadelijk
+geschiede. Bouke! roep Joan! want ik moet eens hooren, hoe hij het toch
+geklaard heeft, om die knapen boven op dat kamertje te krijgen. Tot
+wederziens, Heer Schout."--Men gaf den ruiters hun wapenen terug,
+waarop zij vertrokken. Ondanks de vermaningen van den Schout konden
+zij het dorp niet verlaten, zonder een menigte scheldwoorden en
+uitjouwingen van de goede gemeente, die hen gevolgd was, te moeten
+verduwen: dit getroostten zij zich totdat zij buiten het dorp gekomen
+waren: toen gelastte Maanvreter aan zijn onderhoorigen rechts-om-keert
+te maken, en meteen zwoer hij, dat de eerste, die zich verstouten
+dorst, hem verder lastig te wezen, kennis zoude maken met zijn ijzeren
+kling. Deze bedreiging, de vaste toon, waarop zij was uitgesproken, en
+het barsche uitzicht van den wachtmeester maakten indruk op den hoop,
+en de ruiters mochten ongestoord hun weg naar Gelderland vervolgen.
+
+Aldus liep deze geschiedenis ten einde, waarvan eigenlijk niemand met
+eer was afgekomen, dan Joan, wiens verhaal door zijn pleegvader onder
+een aanhoudend gelach werd aangehoord en wiens gedrag door Bouke ten
+hemel werd verheven.
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+ Van mijne bruiloft af, van dat ik zat verlooft,
+ Wat stormen waeiden my niet sedert over 't hooft:
+ Wat toren is zoo hoog, van waer mijn oogh de baren
+ Der zee kan overzien van al mijn wedervaeren.
+
+ _Vondel_, Gysbrecht van Aemstel.
+
+
+Wij springen thans, volgens het voorrecht van romanschrijvers en
+nieuwerwetsche Fransche _vaudevillisten_, wederom eenige onbeduidende
+jaren stilzwijgend over, om tot een voorval te komen, hetgeen plaats
+greep, toen Joan zestien jaren bereikt had, en dat op zijn volgende
+loopbaan meer invloed had, dan men er in het eerst van had kunnen
+verwachten.
+
+Schoon Joan op dien leeftijd een geoefend ruiter was, en den fraaien
+vos, hem door zijn pleegvader geschonken, met zwier bereed, wanneer
+hij met vlugge hazenwinden den reebok of de hazen op het uitgestrekte
+heideveld najoeg, kende hij echter geen grooter genoegen, dan om
+alleen, zonder gezelschap buiten zijn trouwen hond Veltman, met het
+jachtmes op zijde en den kruisboog in de hand, de omliggende velden
+te doorkruisen: dan trok hij, in 't eenvoudigste gewaad, tegen weer
+en wind gehard, bij zonsopgang met vollen knapzak en ledige weitasch
+het slot uit om er niet zelden eerst tegen het vallen van den avond
+met ledigen knapzak en volle weitasch terug te keeren. Rusteloos en
+onvermoeid zette hij zich alleen uit vriendschap voor zijn viervoetigen
+tochtgenoot somtijds neder, om de boterhammen, welke de zorgvolle
+Ulrica 's avonds te voren had toebereid en in papier gewikkeld,
+met den edelen hond te deelen, en aan dezen de verkwikking te doen
+erlangen, die hij benoodigd had om met nieuwe krachten de wandeling
+voort te zetten.
+
+Eens keerde hij, met wild beladen en vroolijk neuriënde onder 't
+gaan over de breede heiden, die zich ten noordoosten van het dorp
+Sonheuvel bevinden, met zijn trouwen Veltman weder huiswaarts. Het was
+een dier schoone herfstavonden, waarin de hemel met zulke heerlijke
+schakeeringen van goud en purperrood ontgloeid is: liefelijk werden de
+dampen, die over de vochtige velden gleden, door de breede zonnestralen
+verlicht; in vollen bloei stonden de ontelbare erica's en bedekten
+het grauwe mostapijt als met purperen vlekken: van alle kanten
+stegen de geuren van thym en rosemarijn naar boven en verspreidden
+zich heinde en ver op den adem van het suisend avondwindje. Blakend
+van den schemerenden gloed der ondergaande zon, lagen Sonheuvel en
+de omliggende dorpen aan den voet des heuvels, midden tusschen het
+donkere groen te prijken: trotsch en statig verhieven zich de hooge
+kerkspits, en daarachter, de daken van het vaderlijk slot: linksaf
+stak, in 't verschiet, de dom van Reenen somber af tegen het heldere
+zwerk, en aan de rechterzijde rezen de torens van twintig adellijke
+huizen uit de donkere bosschages. Voor hem rolde de Rijn met effen,
+stillen stroom, door vette weiden of geurige boomgaarden, en kaatste
+als een spiegel den blozenden hemel terug. Hoe vaak Joan dit prachtige
+natuurtooneel aanschouwd had, telkens deed het nieuwe en streelender
+gewaarwordingen bij hem oprijzen: want dit voorrecht bezit de natuur,
+dat hare schoonheid nimmer den gevoeligen toeschouwer vermoeien noch
+verzadigen kan, en dat de indrukselen, welke zij teweegbrengt, met de
+jaren eer versterkt dan verzwakt worden. Onwillekeurig bleef Joan op
+de helling des heuvels staan, niet ver van de plaats, waar het pad,
+dat hij volgde, zich met den bovenweg vereenigde, om zijn oogen aan
+een treffend en bevallig schouwspel te verlustigen. Daar stond hij,
+als ware hij alleen in de natuur. Slechts de rook, die uit het dorp
+in dunne wolkkolommen opsteeg, het verwijderd geloei der runderen,
+die naar de stallen keerden, en het eentonig geluid der klinkende
+schelletjes van de witgewolde kudden kondigden hem de nabijheid
+van menschen aan. Verzonken in aandacht en verrukking, gevoelde
+hij zich, zonder zelf de reden te kunnen bevroeden, diep bewogen
+en wischte een traan uit het oog, toen de onverwachte verschijning
+van een naderend rijtuig aan zijn gedachten een afleiding bezorgde,
+door zijn nieuwsgierigheid gaande te maken.
+
+Langs den bovenweg, den eenigen, die in dit jaargetijde berijdbaar
+was, kwam van den kant van Reenen, een zware koets aanrollen, door
+vier stevige paarden getrokken. Een fraai uitgedoste koerier ging
+het rijtuig voor, gaf, zoodra hij ter plaatse gekomen was, waar de
+weg nederwaarts op het dorp aanliep, zijn paard de sporen en reed
+op een vluggen draf de straat van Sonheuvel in. Met snelle schreden
+aanstappende, bereikte Joan nu spoedig den landweg en zette zich op
+een dijkje van plaggen neder, om het rijtuig, dat langzaam den heuvel
+afkwam, te zien voorbijrijden. Het was een prachtige koetswagen, met
+wapens en blazoenen beschilderd. De hemel, op vier stijlen rustend,
+was met gordijnen behangen van oranje laken, met blauw en zilver
+geborduurd. Op de trede zat een page, tegen de avondlucht gewapend
+met een paarsen mantel, waarin hij zich geheel had gewikkeld. Achterop
+bungelden drie lange slungels van lakeien, sierlijk uitgedost en met
+vuurroeren gewapend. De koetsier, die de strengen der achterpaarden
+hield, was een lang, deftig man, met een hoogen, breedgeranden hoed,
+een kastanjebruinen rok vol linten en strikken, hooge laarzen met
+zilveren franjes en bijzonder net geplooiden kraag. Deze keurige
+kleeding stak bijster af tegen het gewaad des postiljons, die op
+het bijdehandsche voorpaard gezeten was, zijnde een Geldersche boer,
+met ongedekten hoofde, aschgrauw, ongekamd en stijf afhangend haar,
+linnen pij en holsblokken aan de bloote voeten.
+
+Langen tijd bleef de wagen even langzaam voortrollen, en Joan werd
+ongeduldig, toen hij op eens verwarring om het rijtuig zag ontstaan,
+terwijl de paarden hollende op hem afkwamen.
+
+Het linkerachterwiel had een zwaren steen ontmoet, die, onder 't zand
+begraven, en door een vooruitschietenden denneboomswortel gesteund,
+het voortgaan van het rijtuig verhinderde. Driemalen klapte de lange
+zweep des koetsiers door de lucht: driemalen voelden de voorpaarden het
+touw met de dikke knoopen der postiljons, zonder dat de koets verwikte:
+eindelijk deed het bijdehandsche voorpaard zulk een geweldigen ruk,
+dat een der touwen, waaraan het gebonden was, in stukken sprong: dit
+was oorzaak, dat het dier op zijn nevenman aandrong: het geheele span
+ontving een zijdelingschen schok, waardoor het rijtuig met zooveel
+geweld over den steen gehaald werd, dat het wiel omhoog en tegen
+den bak aansnorde; de postiljon verloor zijn tegenwoordigheid van
+geest, en in plaats van zijn paarden des te steviger vast te houden,
+poogde hij af te klimmen en tuimelde hals over kop in 't zand: de
+paarden, schichtig geworden, sloegen aan 't hollen en waren niet
+door de inmiddels afgestegen dienaars te wederhouden. De page, die
+mede van het rijtuig gesprongen was, lag midden in een doornstruik
+te spartelen, en een in 't zwart gekleede vrouw, die de gordijnen
+had opengeschoven, (want men wist toen nog van geen portieren) en
+al gillende hulp vroeg, scheen in beraad om ook den sprong te wagen,
+toen er hulp verschaft werd.
+
+Zooras Joan het ongeval ontdekt had, begreep hij, dat de paarden
+gestuit dienden te worden, eer zij in het bestraatte dorp aankwamen,
+alwaar zij het rijtuig gemakkelijk tegen een huis of stoep zouden
+kunnen verbrijzelen: haastig zag hij om zich heen, hoe er hulp kon
+bewezen worden, en wierp inmiddels boog en weitasch van zich af. Aan
+den weg lag een hoop afgehouwen dennestammen: een daarvan tilde hij
+op, stak dien dwars over den weg, met de punt in het dijkje en ging
+zelf aan de andere zijde van het spoor staan, het dikke einde van den
+boom vasthoudende, en op die wijze een slagboom improviseerende. Bijna
+op hetzelfde oogenblik waren de voorpaarden bij hem: zij struikelden
+over den hinderpaal en stortten neder, waarop het den koetsier niet
+moeilijk viel, de achterpaarden op te houden en het rijtuig te doen
+stilstaan. Men begrijpt, dat dit alles in minderen tijd geschiedde,
+dan ik noodig heb om het te verhalen.
+
+Een der dienaars naderde het rijtuig en hielp er zijn meesteres uit,
+benevens hare twee verschrikte kamerjuffers. Zonder een woord te
+spreken, en met een gelaat, waar de uitgestane angst nog duidelijk
+op te lezen was, wandelde de deftige vrouw den weg af, toen haar
+page, een knaap, die tusschen de twintig en vijf en twintig jaren
+oud scheen en wiens kleeding en gelaat deerlijk van de doornen
+gehavend waren, met honderd buigingen haar op zijde kwam snellen,
+en met tallooze dienstbetooning vroeg, of Mevrouw ook eenig letsel
+bekomen had. Zijn meesteres vergenoegde zich met van neen te schudden
+en wendde zich vervolgens tot den koetsier, die van den bok geklommen
+was en de paarden ophielp, en wien zij vroeg of hij alleen, dan wel met
+behulp van anderen, de paarden had kunnen stuiten.--"Ich? Genädige
+Frau!" antwoordde de koetsier: "nein waaraftig nicht: das ware
+onmöglich; want ich hold allein die afterste knollen: ohne ein
+jungen jäger, die mit eine kantsch prave tegenwortigkeid von keist
+die dennetak for die perten kehalt had, ware euer Gnäde er so gefällig
+niet afjekomen: er ware ein hupscher knabe, und Ludwig (vervolgde hij,
+den page schuins aanziende) mag ein beispiel aan ihm nemen, wie sich
+te ketraken in eine sortkelike kelekenheid."
+
+"Ik zou hetzelfde gedaan hebben," antwoordde de page: "kan ik het
+helpen, dat ik in die hatelijke doornen te land kwam?"
+
+"Neen," zeide de vreemde Dame, op een gestrengen toon: "doch gij
+kunt het wel helpen, dat gij de gordijnen niet losmaaktet, toen ik
+zulks verzocht: wel is waar, elk is zich zelf het naast, en de vrees,
+die u beving, is uw beste verschooning."
+
+Het gelaat van den page, dat op het verwijt van den koetsier rood
+van toorn geworden was, werd op de beschuldiging zijner meesteres
+bleek van spijt: hij wilde antwoorden, doch wederhield zich intijds,
+beet op de lippen, wendde zich af en ging naar de paarden, als om te
+helpen; doch de koetsier stootte hem eenigszins ruw van zich af met
+de verklaring, dat hij hem hinderde.
+
+Nog maar half van haar schrik bekomen, plaatste zich de adellijke vrouw
+op den stapel boomstammen, en vroeg aan de landlieden en dorpelingen,
+die in menigte, door de nieuwsgierigheid gelokt, waren toegeschoten,
+wie hunner den kloeken jongeling kende, die zich zoo moedig en behendig
+voor haar behoud geweerd had.
+
+"Er was ein jongen jäger," zeide de koetsier: "ein hupscher borst."
+
+"Een jonge jager", zeiden de boeren, de schouders ophalende: "wie
+kan dat zijn? hier jaagt niemand dan de Jonker."
+
+"Of het moest Teun Wezer zijn," mompelde de vrouw van den metselaar
+tegen den barbier.
+
+"Die zal zoo mal niet wezen om zich hier te vertoonen," zeide de
+barbier, sedert Bouke hem rottingolie heeft toebedeeld, omdat hij
+zijn nichtje Klaartje zocht te verleiden."
+
+"Wat praat jelui van Teun Wezer?" liet zich een stem achter de koets
+hooren: "bemoei je met je eigen duiveljagerijen."
+
+Hij, die deze woorden uitte, was dezelfde boerenknaap, die als
+postiljon de koets gemend had en bij Reenen te huis behoorde: hij
+stond in den geheelen omtrek in slechten reuk, wegens gepleegde
+strooperijen en boevenstukken; doch omdat hij een vrij goed ruiter
+was, werd hij wel eens door den boerenstalmeester als postiljon aan
+reizenden medegegeven.
+
+"Zie je nou, buurman?" hernam de metselaarsvrouw: "daar is hij al zelf:
+ja, ik had zoo mis niet gezien. Het spijt mij maar, dat ik kwaad van
+hem gesproken heb: als hij het gehoord heeft, zou hij wel eens uit
+wraak mijn kippen stelen."
+
+Inmiddels naderde de postiljon en bezichtigde de paarden: waarna hij
+met een zwaren vloek verzekerde, dat het eene in de borst gewond,
+en het andere aan 't been gekneusd was, een schade, welke de genadige
+vrouw, al ware zij nog zoo genadig, hem betalen zou.
+
+"Spreek maar zoo bout niet, Teun!" sprak iemand achter hem: "het
+geheele geval is uw eigen schuld en zou niet gebeurd zijn, indien
+gij, in plaats van af te springen, waart blijven zitten: gij verdient
+smeer in stede van betaling."
+
+Teun Wezer zag vloekend om, doch zweeg op het gezicht van den Jonker
+van Sonheuvel, die, met zijn hond aan zijn zijde, bedaard naar hem
+toekwam.
+
+Joan had, als wij verhaald hebben, op het zien van het dreigend
+ongeval, boog en weitasch weggeworpen: de boog was aan de andere
+zijde van het dijkje in een greppel neergevallen: de weitasch was nog
+verder heengevlogen: de hazen en patrijzen, daaruit gerold, lagen
+op de heide verspreid. Zoodra hij de paarden gestuit had, was zijn
+eerste werk geweest, om de gansche rommelzooi weder bijeen te gaan
+zoeken, 't geen hij met behulp van Veltman ten uitvoer bracht. Daar
+dit bukkende geschiedde, was hij tot nu toe door het dijkje aan aller
+oogen onttrokken gebleven.
+
+"Ziedaêr, Genädige Frau," zeide de koetsier, "ziedaêr den knabe,
+die ons keret heeft."
+
+Met een vriendelijken, dankbaren blik keerde zich de genadige Vrouw
+naar Joan, die met de muts in de hand voor haar stond: "Ik bedank
+u, knaap!" zeide zij: "gij hebt u, naar ik hoor, niet alleen met
+kloekheid, maar ook met gevaar van uw leven, gedragen; u is immers
+geen letsel overkomen?"
+
+"Als Uwe Genade er even weinig van gedeerd is, als ik, zal het niet erg
+zijn," antwoordde Joan lachende: "doch waar is mijn matten fleschje
+gebleven?" vroeg hij, zich plotseling omwendende: "dat is zeker aan
+den boog blijven haken en zoo weggeraakt! Veltman! zoek! verloren!" en
+Veltman, zijn vermoeidheid vergetende, vloog over het dijkje terug.
+
+Deze bekommernis van Joan over zijn matten fleschje was zeker niet naar
+de regels der strikte beleefdheid; doch hij was op 't land opgebracht,
+waar hij nooit dan met zijn minderen verkeerd had en nooit met lieden
+van hoogen rang, als deze Mevrouw scheen te zijn, in gezelschap geweest
+was; de vreemde Dame nam hem zijn vrijpostigheid ook niet kwalijk af;
+doch de page vond goed zich daarover gebelgd te toonen.
+
+"Goede vriend," zeide hij, "gij stelt zeker veel belang in uw fleschje,
+dat gij er de tegenwoordigheid van Mevrouw de Gravin door vergeet:
+gij moest liever die brave lieden een handje helpen, om de paarden
+uit te spannen."
+
+Dit gezegde veroorzaakte een verontwaardiging, die algemeen was en
+ook bijna gelijktijdig werd uitgedrukt door al de aanwezigen.
+
+"Zwijg Ludwig!" zeide de Gravin, "en schaam u! zoo die knaap iets
+verloren heeft, was het, door dat hij ons hulp betoonde, en gij deedt
+beter hem in 't zoeken bij te staan, indien zulks uw fraaie broek
+niet sleet, dan hem onbeleefdheden te zeggen."
+
+"De page mocht den bek wel halten," zeide de koetsier, terwijl hij
+Joan met hartelijkheid de hand schudde: "du bist bei meine seele ein
+gutter burst, en koen wie ein keporen Deutscher."
+
+"Bewaar ons!" zeide de vrouw van den metselaar, Ludwig schuins
+aanziende: "hoe durft die bonte aap zoo tegen onzen Jonker spieken?"
+
+"Wat jonker?" zeide Ludwig, zich tot haar keerende: "van welken jonker
+spreekt gij? en wat meent ge met uw bonten aap?"
+
+"De bonte aap ben jij!" hervatte de vrouw, de armen in de zijde
+zettende: "en dat is onze Jonker, de Jonker van Sonheuvel, versta
+je, moesjanker? kijk maar zoo zuur niet: we geven hier niets om je
+moffegezwets."
+
+De page zag haar een oogenblik als versteend aan, wendde vervolgens
+het oog op Joan, mat hem met een somberen blik van het hoofd tot
+de voeten, en vroeg daarna nogmaals zeer bedaard: "Is dat de Jonker
+van Sonheuvel?"
+
+"En wie had je hier anders verwacht?" antwoordde de barbier.
+
+"Zoo!" zeide Ludwig, en met dit woord trad hij terug en floot een
+deuntje tusschen de tanden.
+
+De gravin, die, door het geraas en gepruttel der dorpelingen, van
+deze woordenwisseling niets verstaan had, trad weder naar Joan, en,
+terwijl zij met de eene hand Veltman streelde, bood zij hem met de
+andere eenig goud aan.
+
+"Dat gij mijn hond streelt, Mevrouw, doet mij vermaak," zeide Joan,
+achteruittredende: "maar geld behoef ik niet. Mijn vader is rijk
+genoeg, om...."
+
+Doch de Gravin liet hem geen tijd om uit te spreken. Den hond
+streelende, beschouwde zij het dier met meer opmerkzaamheid, en
+eensklaps riep zij, als door een pijlsnelle gedachte getroffen:
+"Mijn God! juist zulk een dier was onze Fenix! Knaap! vanwaar hebt
+gij dien hond?"
+
+"Die hond," zeide Joan met eenige trotschheid, "is op mijns vaders
+slot geboren: hij is de jongste en eenig overgeblevene zoon van den
+ouden, getrouwen, die nu lang dood is en die in zijn tijd aan den
+Graaf van Falckestein had toebehoord, maar hem door de Spanjaards
+ontnomen was. Mijn vader heeft hem herwonnen."
+
+"Uw vader?.... De Graaf van Falckestein.... Knaap! wie zijt gij?"
+
+"Joan van Reede tot Sonheuvel, en mijn vader is Heer van dit dorp:
+ginds achter de boomen ziet gij ons kasteel. Vergun mij u daar te
+brengen: gij zult mijn vader veel genoegen doen.... en verder zult
+gij van avond toch niet willen reizen."
+
+"Met blijdschap zal ik met u gaan, Jonker!" zeide de Gravin, op wier
+gelaat een diepe ontroering leesbaar was: "met onuitsprekelijk veel
+genoegen zal ik uw vader zien. Verschoon mij, indien ik u onbekend
+beleedigd heb, en laat deze kus u het vermaak uitdrukken, dat mij deze
+ontmoeting verschaft. Zooals mijn onvergetelijke Ulrich mij uw vader
+meermalen geschilderd heeft, evenzoo kloek en dienstvaardig vind ik
+thans zijn zoon.... Goede Fenix," vervolgde zij, Veltman nogmaals
+streelende, "gij zijt gelukkiger geweest dan uw meester. Uw kroost
+is gespaard gebleven, en het mijne...." hier stroomde een tranenvloed
+langs hare van hartzeer vermagerde wangen.
+
+De paarden waren nu uitgespannen en de boeren stonden gereed om de
+koets naar den kort daarbij wonenden wagenmaker te brengen, toen
+zich de postiljon, met een half koppig, half beteuterd gezicht,
+bij de Gravin vervoegde.
+
+"Met uw verlof, Mevrouw!" zeide hij, "en met dat van den Jonker,
+zou ik Uwe Genade wel willen verzoeken om eenige schadevergoeding
+voor mijn arme beesten. Zij willen wel, met verlof van den Jonker,
+al de schuld van het geval op mij schuiven, maar ik verklaar Uwe
+Genade, dat het alleen van dien d....schen steen komt, en dat ik er
+zoo onschuldig aan ben als een pasgeboren kind! Zoo Mevrouw dus zoo
+goed wilde zijn,... ik zelf heb een zwaren val van 't paard gedaan
+in dienst van Uwe Genade."
+
+"Ja, in 't warme zand," zeide Joan, hem in de rede vallende: "dat
+zal u weinig letsel gedaan hebben. Het verwondert mij, dat gij nog
+zoo onbeschaamd zijt, u hier te vertoonen. Als mijn vader u zag,
+zoudt gij de knuppelslagen niet ontgaan, gij strooper!"
+
+"Ik heb Mevrouw toch wel bediend," zeide Teun Wezer, het hoofd op
+den schouder leggende als een bok die stooten wil.
+
+"Genoeg hiervan," sprak de Gravin: "Ludwig, betaal den man en laat
+hem in 's Hemels naam maar wegrijden."
+
+Ludwig trok den postiljon ter zijde en betaalde hem. Vervolgens gaf
+hij hem nog een daalder boven zijn eisch en vroeg hem, of hij hem
+een dienst bewijzen wilde.
+
+"Tien voor één, genadige Jonker Page!" was het antwoord.
+
+"Stil! spreek zachter! zijt gij met de buurt sinds lang bekend?"
+
+"Sedert mijn geboorte ken ik al den omtrek op mijn duim."
+
+"Goed! rij dan weg; doch tracht u morgen te zeven uren weder hier
+ter plaatse te bevinden; dan zal er nog meer voor u te verdienen
+vallen. Voort hier vandaan." Hier keerde Ludwig zich om: de postiljon
+oogde hem verbaasd na en reed toen met vier losse paarden naar
+Reenen terug.
+
+Terwijl voerde men het rijtuig naar het dorp en bood Joan zijn
+rechterarm aan de Gravin om haar slotwaarts te leiden.
+
+"Verschoon mij, Jonker!" zeide deze, hem beleefdelijk afwijzende: "gij
+hebt genoeg te dragen, om met geen oude vrouw als ik belast te worden."
+
+"Indien de Jonker het mij toestaat," zeide Ludwig, beleefdelijk
+toeschietende, "dan zal ik zijn jachtgereedschap gaarne dragen, en nog
+aangenamer zal het mij wezen, zoo de Jonker mij mijn onbescheidenheid
+van zooeven vergeeft."
+
+"Die vergeef ik u gaarne", antwoordde Joan: "en zult gij dit jachtgerij
+voor uw rekening nemen? Daar is al de brui; doch pas op dat de hoenders
+niet uit de weitasch vliegen." Dit zeggende hing hij die om den hals
+van den page.
+
+"En pas op," vervolgde de Gravin, spotachtig, "dat uwe fraaie kleeren
+niet bederven."
+
+Al pratende trad zij met den Jonker het dorp in, en nu nam deze de
+vrijheid te vragen, wie hij aan zijn vader voor moest stellen.
+
+"Helaas!" antwoordde de Gravin, "al mijn namen veroorzaken mij droevige
+herinneringen, zoo dikwijls ik die melden moet. Misschien heeft uw
+vader u wel eens gesproken van Anna van Manderscheid, laatstelijk
+weduwe van Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, en vroeger van Graaf
+Ulrich von Daun?...."
+
+"Is 't mogelijk.... naar wien mijn zuster Ulrica genoemd werd?"
+
+"Werd zij waarlijk?.... Gaf uw vader haar den naam van mijn
+echtgenoot? Ach, hoe verlang ik dat meisje te zien en te omhelzen."
+
+"Mijn vader heeft mij wel eens van uw ongelukken verhaald, Mevrouw! gij
+moet veel hebben doorgestaan."
+
+"Meer dan iemand ooit mogelijk gedacht had te kunnen overleven. Mijn
+beide gemaals vielen door het staal: mijn jongste zoontje kwam met
+zijn vader om, en mijn oudste, mijn eenigst overgeblevene.... ook
+hij werd voor weinige jaren gruwzaam vermoord."
+
+"Mijn vader hield veel van den Graaf van Falckestein: dikwijls spreekt
+hij van hem, en altijd geraakt hij in drift, als hij gewag maakt...."
+
+"Van de rampzalige wijze waarop hij omkwam, nietwaar? Vrees niet,
+mij door te sterke uitdrukkingen zeer te doen: ik heb zooveel geleden,
+dat ik bijna verstompt ben voor aandoeningen. Helaas! al wat mij waard
+was, werd het slachtoffer van den Spaanschen haat: en allen zijn nog
+ongewroken. Slechts Velasco viel ten offer, en of deze de schuldige
+was, durf ik op goede gronden betwijfelen."
+
+"Velasco! daarvan heeft mijn vader mij nooit verhaald."
+
+"Niet? dit zal hem zijn zedigheid misschien belet hebben. Uw vader
+heeft in Velasco's bloed den dood van zijn vriend willen wreken:
+het was de eenige wraak, ik herhaal het! Toen die aartsdwingeland
+Mendoza in Den Haag gevangen zat, nu dertien jaren geleden, leverde
+ik een aanklacht tegen hem in: mijn verzoek werd van de hand gewezen,
+mijn brave echtgenoot nog door dien booswicht van verraad en eedbreuk
+beticht, terwijl hij.... doch genoeg hiervan: ik wil uw vader een
+vriendelijk gelaat toonen."
+
+"Daar komt hij ons met Ulrica te gemoet," riep Joan verheugd uit,
+op het zien van den Baron, die, van de komst der Gravin verwittigd,
+met zijn dochter haar zijn diensten aan kwam bieden.
+
+Onder wederzijdsche beleefdheden, welke de lezer zich gemakkelijk kan
+voorstellen, en nadat de Gravin Joans gedrag ten hoogste geprezen
+had, kwamen zij gezamenlijk binnen het kasteel, waar de Baron zijn
+adellijke gast met een handkus welkom heette, en bevelen gaf om een
+prachtigen avondmaaltijd aan te richten, aan welken echter, buiten
+Joan, door niemand veel eer gedaan werd. Op het nagerecht, toen Ulrica,
+in wier bevallig uiterlijke en minnelijke hoedanigheden de Gravin een
+groot welgevallen scheen te hebben, zich ter ruste had begeven, viel
+het gesprek wederom op de lotgevallen dezer laatste. Twee jaren na
+den dood van haar eersten man huwde zij den Graaf van Nassau, die het
+volgende jaar in den krijg sneuvelde; de Gravin, weder in 't bezit van
+haar goederen geraakt, dacht nu haar dagen zonder verdere rampen door
+te brengen; dan vergeefs: haar oudste en thans eenige zoon werd in de
+nabijheid van het slot Bruck, werwaarts hij met Ludwig en den ouden
+Beckman heenreisde, door Spanjaards overvallen en omgebracht. Een
+jaar later werd ook de broeder der Gravin door een doodelijk lood
+getroffen: en thans, nu Kleef en Berg haar hatelijk geworden waren,
+ging zij ver van het tooneel der geleden rampen in Den Haag haar
+woonplaats vestigen, alwaar zij hoopte, dat een spoedige dood een
+einde aan zoovele rampen maken zoude.
+
+"Mevrouw!" riep Joan, na het aanhooren van dit alles, in geestdrift
+uit: "ik hoop dat ik eens in staat zal wezen, al uw ongelijk te
+wreken. Zoo ik ooit dien Mendoza, dien Lopez, dien Velasco, een van
+die schelmen, die uw ongelukken berokkend hebben, ontmoeten mocht,
+mijn zwaard zal...."
+
+"Zwijg knaap!" viel Reede haastig in: "gij weet niet wat gij begeert."
+
+"Laat hem spreken," zeide de Gravin: "het doet mij goed hem te hooren."
+
+"En waarom mag ik dat niet zeggen, vader!" hervatte de knaap: "gij
+hebt zelf mij geleerd, dat een waar ridder, zooals er thans weinig
+meer te vinden zijn, aan zijn God, zijn vaderland en aan de verdrukte
+onschuld zijn degen moet wijden: en volg ik dus uw voorschrift niet,
+wanneer ik Mevrouw wil wreken, wier echtgenooten voor God en de goede
+zaak zijn gevallen?"
+
+"Ja!" zeide de Gravin, ontroerd, terwijl zij den knaap met welgevallen
+beschouwde; "gij zult mijn wreker zijn, Joan! van nu af maak ik u tot
+ridder." Dit zeggende, maakte zij haar gouden halsketen los en sloeg
+die om den nek van den jongeling. Dankbaar en verlegen over zulk een
+fraai geschenk, wilde Joan hare hand kussen; doch hem oprichtende,
+kuste zij hem op het voorhoofd: "als mijn ridder kus ik u," vervolgde
+zij: "maak u meer en meer waardig dien naam te dragen, en, zoo gij
+de u ingeprente beginselen moedig vast blijft houden, zal hij meer
+dan een bloote titel zijn."
+
+"Gij ziet het, vader!" riep Joan verheugd uit: "de Genadige Vrouw
+acht mijn woorden zoo gering niet."
+
+Reede zweeg, schudde het hoofd en keek in 't vuur. Zwaar drukte
+hem het denkbeeld, door Joans uitroep in hem opgerezen, dat deze,
+eenmaal den wapenhandel kiezende, tegen zijn eigen landgenooten,
+ja tegen zijn hem onbekende naastbestaanden, de wapenen voeren
+zoude. "Mevrouw!" zeide hij, na lang zwijgen: "ik trachtte altijd
+aan Joan te leeren, dat het Christenplicht is, aan onze vijanden te
+vergeven: uwe goedheid jegens hem heeft mij diep getroffen: doch zoo
+hij eens de wapenen voert, waaraan ik nog twijfel, zal hij, hoop ik,
+voor de algemeene zaak, niet voor bijzondere wraak strijden."
+
+De Gravin sloeg op hare beurt de oogen neder en beet zich op de lippen:
+de uitval des Barons mishaagde haar, en gaarne had zij dien beantwoord;
+doch zij had te veel gevoel van welvoeglijkheid, om zich een scherpe
+uitdrukking tegen een voor 't overige zoo vriendelijken gastheer te
+veroorloven. Nadat zij dus eenige oogenblikken met de franjes van het
+Atrechtsche tafelkleed gespeeld had, wendde zij zich tot den page, die
+achter haar stond, en gelastte zij hem, te gaan zien of haar bagage in
+orde was en of men het benoodigde voor haar nachtverblijf had ontpakt.
+
+"Die knaap heeft een schrander uitzicht," zeide de Baron, toen Ludwig
+vertrokken was: "doch hij schijnt wat teer van maaksel en ongeschikt
+voor zware vermoeienis."
+
+"Ik ben op een zonderlinge wijze aan hem gekomen," antwoordde de
+Gravin: "zijn moeder heeft mij het leven gered, toen ik uit Bruck
+vluchtte. Eenigen tijd na mijn tweede huwelijk, kwam zij weder
+tot mij en verzocht bescherming voor haar zoon. Zij was, zooals
+ik toen hoorde, een Geldersch meisje en door een Spanjaard verleid
+geworden. Den knaap liet ik opvoeden, en nam hem tot page, na den
+dood van Graaf Lodewijk. Hij beantwoordde mijn zorgen wel; want,
+ondanks een zekere poppigheid en keurigheid op uiterlijke vormen, die
+aan kleingeestigheid grenst, is hij getrouw, nauwgezet en uitmuntend
+geschikt om te volbrengen wat hem wordt opgedragen, ook hetgeen
+niet tot zijn vak behoort. Hij was getuige van den dood mijns zoons,
+ontkwam niet dan met moeite aan de handen der Spanjaards en kondigde
+mij de treurige tijding aan met een voorzichtigheid en gevoeligheid,
+die beide aan zijn verstand en hart eer deden."
+
+"Als hij van Spaansch bloed is, zou ik hem toch maar half vertrouwen,"
+zeide Joan halfluid: "onze Bouke zou zeggen: 't wil muizen wat van
+katten komt."
+
+"Alweder!" zeide de Baron: "hebt gij niet gehoord, wat ik zooeven
+zeide, dat gij u van aanmerkingen te onthouden hebt?"
+
+"Ik zal geen woord meer spreken," mompelde Joan: "doch ik houd niet
+van dien page."
+
+"Niet? Gij zult van hem houden, als ik het verkies. Ik begeer, dat
+gij zeer vriendelijk tegen hem wezen zult en hem morgen, zoo hij het
+verlangt, het kasteel, de tuinen en de omstreek zien laten."
+
+"Nu," viel de Gravin in: "het spijt mij, dat mijn page aanleiding
+geeft tot misnoegen van onzen waardigen gastheer op mijn braven ridder;
+doch ik moet den goeden Ludwig in zijn eer herstellen. Hij kent zijn
+Spaansche afkomst niet en legt in al zijn gesprekken en handelingen
+afkeer voor onze vijanden en een innige gehechtheid aan onzen landaard
+aan den dag."
+
+Hier eindigde het gesprek, en weldra begaf men zich ter ruste; doch
+de Heer van Sonheuvel kon den slaap niet vatten: de gelijkheid, die
+tusschen het lot van Joan en dat van den page bestond, verbaasde en
+ontzette hem; en zijn eerlijk hart werd hoe langer hoe meer bedrukt
+door de gedachte dat zijn pleegzoon, zoolang hij van zijn afkomst
+niet vergewist ware, gevaar liep, onwetend zijn magen te haten,
+te vloeken, te bestrijden. Tot dezen tijd toe had de Baron er nooit
+bepaaldelijk over nagedacht, hoe en wanneer hij den jongeling het
+geheim zijner geboorte bekend zou maken: hij had gehoopt, dat de tijd
+en de omstandigheden hiertoe een gepaste aanleiding zouden geven, en
+zijn bekommering hieromtrent naar een verwijderde toekomst verschoven;
+doch thans was die verwachte aanleiding gekomen, en zij vervulde hem
+met angst en zorgen: een gezegde van Joan had het hem tot een plicht
+gemaakt, den jongeling alles te ontdekken: en die plicht scheen hem
+zijn krachten te boven te gaan. Zijn boezem schokte op het denkbeeld,
+dat hij den knaap, wien hij als zoon had aangenomen en opgevoed, op
+eenmaal zou moeten verloochenen: en wat kon niet bij den gevoeligen
+jongeling het gevolg zijn eener ontijdige bekentenis? Misschien
+radeloosheid, vertwijfeling of nog erger. Zou niet de ongelukkige, in
+Nederland om zijn afkomst over den nek aangezien, door de Spanjaards
+als een gelukzoeker verstooten worden? Wellicht ellendig en zonder
+troost de wereld moeten rondzwerven en zijn pleegvader verwenschen,
+die zijn kindsche jaren met ijdele begoochelingen gevleid had?--Als
+vreeselijke spoken drongen zich deze benauwende gedachten voor den
+geest des Barons, totdat hij eindelijk besloot, nog den volgenden
+morgen een einde aan alle onzekerheid te maken, door met den Predikant
+Raesfelt de middelen te beramen, geschikt om de zaak tot effenheid
+te brengen, en deze dan hoe eer hoe beter in 't werk te stellen.
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+ Je suis, dit-on, un orphelin.
+ Entres les bras de Dieu jeté dès ma naissance.
+ Et qui de mes parents n'eus jamals connaissance.
+
+ _Racine_, Athalie.
+
+
+Nauwlijks was de dageraad aangebroken, of Joan, verlangende nog voor
+het ontbijt eenige hoenders te schieten, maakte zijn jachtgeweer in
+gereedheid en begaf zich naar buiten. Aan de steenen poort gekomen,
+waar de oude portier zijn slaapplaats had (die hij niet zelden al
+grommende verliet, wanneer hem de Jonker zoo vroeg kwam wekken om de
+poort te ontsluiten), vond hij tot zijn verwondering, den grijsaard
+reeds geheel aangekleed in de opene poort gezeten, terwijl Bouke, die
+naast hem stond, zich met hem over vroegere krijgsbedrijven onderhield.
+
+"Wel zoo Frans!" zeide Joan: "al zoo vroeg bij de werken?" "Ja
+Jonker! ditmaal heb ik het jou afgewonnen: en daarbij moet je niet
+eens denken, dat je de eerste man zijt, die de poort uitgaat: het is
+al een half uur geleden dat ik gewekt ben geweest: en raad ereis door
+wien? door dien mooien pop van de vreemde Mevrouw. Ja! hoe noemt men
+zoo'n lintejongen?"
+
+"Door den page? wat had die zoo vroeg buiten te doen?" "Dat weet
+Joost--Gisteren was het met dat vreemde volk alles loât op stok. Ik was
+blij toen ik er om één oere in lag; want ik had op de lakeien moeten
+wachten, die nog na het avondeten naar het dorp waren gegaan en God
+beter ze, in de kroeg in sloap gevallen waren. Blij was ik, zooals
+ik zei, dat ik er om één oere in lag, en met de ongewoonte van zoo
+loat naar kooi te goan, kon ik den sloâp niet voor vijf oere vatten:
+dan kijk, pas sloâp ik een oer, of wie stoât doâr veur mien bed?--Die
+hansworst van een roodrok: en met een stem alsof hij zelf een prins
+of een groâf was, zeit hij tegen mij, die er nog nooit door groâf of
+heer of boer op zoo'n manier ben oetgeport: "Vrindje! stoâ op en moâk
+open." Vrindje! en dat tegen mij? Kon hij niet zeggen: Poortier! of:
+goede vriend! of Frans! zoo hij mijn noam anders kende. Moâr,
+om kort te goan: hê! zei ik, toen ik zoo half wakker was, jonker
+Melkmuil! is het nou tijd van oet te goân! Goâ nog wat noâr je bed:
+je zult moe wezen van je reis.--En wat denkje dat zoo'n vlegel me
+antwoordde? Joâ! zoo iets heb je nooit beleefd! "Kom," zei hij zoo:
+"stoâ op! anders goâ ik zelf de poort opensluiten:" en meteen greep hij
+moâr zoo familjoâr naar de sleutels, die noâst me lagen. Moâr ik zei:
+heb ik jou doâr? dat zal mis wezen: as je brutoâl wordt, komje der in
+'t geheel niet oet! Want ik werd driftig op mijn manier: moâr zoo'n
+moesjanker deed krek alsof hij er zich niet oan stoorde: hij vouwde
+de armen over mekoâr en keek mij heel bedoârd an: "kom," zei hij zoo:
+"doe moâr gauw open, anders goâ ik Mijnheer den Baron roepen en vroâg
+hem, of hij jou hieten wil; want ik heb last van Mevrouw de Gravin: en
+ik moet oet."--Hebje ooit zoo'n onbeschoâmden snotneus gezien? Ja! hij
+zou noâr je voâder goân? jawel mergen! Moâr ik dacht: de jongen spreekt
+zoo bout, wie weet of hij geen verlof heit van Mijnheer?--en zoo van
+'t ien op 't oâr komende, dacht ik zoo bij mijn aigen: joâ! het is
+toch de bediende van een groote Mevrouw en hij is zoo veul als kind
+in huis: ik zal moâr de minste wezen; en zoo stond ik op en liet hem
+oet, en toen zag ik dat hij twee brieven in de hand had."
+
+"Gij hebt wel gedaan, Frans!" zeide Joan: "die page is een verwaande
+zotskap; doch de Gravin heeft veel met hem op: dus moeten wij hem
+maar wat toegeven, zoolang hij hier is. En gij ook al zoo vroeg
+op?" vervolgde hij, zich tot Bouke keerende.
+
+"Ja!" zeide deze: "de page had mij gisteren bij 't naar bed gaan
+gevraagd of hij vroeg het kasteel uit kon: en daar ik weet, dat er van
+zulk volkje niet veel goeds te verwachten is, was ik eens opgestaan
+om te zien, wat hij voor dag en dauw doen moest; maar de vogel was
+al gevlogen. 't Is een rare snaak, de eigenste page: aan wie denk je,
+dat hij gisterenavond zijn hof maakte?"
+
+"Wel aan Klaartje," antwoordde Joan: "dat is de mooiste meid uit de
+buurt, en men zeit dat de pages daar altijd op afgaan."
+
+"Aan Klaartje?" Ja hij moest eens beginnen! al is hij nog zoo in dienst
+van een gravin, ik zou hem gravinnen: ik ben oom en voogd van Klaartje,
+en ik zal wel oppassen dat hij haar zelfs geen onnoozelen zoen geeft:
+ik denk altoos; met kleine lapjes leert de hond leêr eten: vuur en
+stroo dient niet alzoo: geef den duim, dan...."
+
+"Nu, maar met wie vrijde hij dan?" vroeg Joan, dien vloed van
+spreekwoorden stuitende.
+
+"Naar wie?--hij heeft twee uren lang in een hoekje van de keuken
+zitten flikvlooien met de oude Geert."
+
+"Zijt gij dol, Bouke! Of verkoopt ge flausen? Wat zou hij aan die
+oude totebel verteld hebben?"
+
+"Dat heb ik haar ook gevraagd: doch oele! ze was zoo dicht als een
+kruitvaatje en zoo geheim als een jonge meid, die voor 't eerst onder
+vier oogen met haar vrijer gezeten heeft: zij zei mij, ze kon er niets
+van oververtellen en ik mocht er aan geen sterveling van spreken,
+dat zij zoolang met den page geredeneerd had;--maar jawel! ik breek er
+mijn hoofd mee: ik ruilde toch mijn olde kruitdoos tegen een nieuwe, om
+te weten wat hij aan die babbelkous al zoo op de mouw heeft gespeld."
+
+"De oude Geert en de jonge page!" hernam Joan: "dat zou al een fraai
+paar geven!"
+
+"'t Zou nog de vraag wezen, wie van de twee 't eerst genoeg had an
+de andere," merkte Frans aan.
+
+"Nu!" zeide Joan, "ik trek af: anders wordt het mij te laat. Goeden
+morgen samen!"
+
+"Goê mergen en goê jacht, Jonker!" zeide de Portier: "zie den page
+maar voor geen fezantenhoân an: je mocht anders dien sinjeur kakelbont
+ereis een pijl bij vergissing in zijn dikste vleesch zenden."
+
+Nog lachende over hetgeen Bouke hem verhaald had, was Joan alras,
+van Veltman vergezeld, op het pad gekomen, hetwelk aan den voet van
+het dorp, door moeslanden en boomgaarden, op de heide aanliep en
+gemeenschap had met den grooten weg, niet verre van de plaats, waar
+Joan 's avonds te voren zijn welberadenheid en moed getoond had. Reeds
+was de Jonker op de opene plaats gekomen, waar een groote houten galg
+(gelukkig in jaren niet gebruikt) midden tusschen de roodekoolstruiken
+oprees en des Barons hooge jurisdictie binnen de grenspalen van zijn
+heerlijkheid aantoonde, toen Veltman, die al snuffelende vooruit was
+geloopen, stokstijf staan bleef en op deze wijze de tegenwoordigheid
+van een koppel patrijzen verried, hetwelk inderdaad niet lang daarna
+klapwiekend opsteeg en vooruitvloog. Sneller echter vloog de pijl
+des Jonkers het achterna, en deed een der hoenders in het hakhout
+storten. Spoedig bracht Veltman het dier aan zijn meester, die, na
+het in zijn weitasch verborgen te hebben, zich aan den voet der galg
+plaatste om den boog opnieuw te wapenen.
+
+Het koolveld, waarop zich de jongeling bevond, was van den weg door
+een smalle strook kreupelhout afgescheiden, hetwelk, schoon reeds aan
+'t verdorren, echter dicht genoeg was om het doorzien te beletten:
+hoewel Joan dus niet zag, wie zich op den weg bevond, kon hij echter
+duidelijk hooren, dat er eene stem, welke hem niet vreemd was, van
+die zijde kwam. Met jeugdige nieuwsgierigheid sloop hij dus van onder
+de galg naar het hakhout toe, haalde de berketakken op zijde, keek
+door de opening, en zag.... in 't eerst niets; want de rijmdroppelen,
+die van den tak vielen, hadden hem de oogen doen sluiten;--dan, zoodra
+hij die uitgewreven had, ontdekte hij, dat hij zich niet vergiste, en
+dat werkelijk de page der Gravin, in zijn paarsen mantel gewikkeld,
+midden op den weg stond, en iemand, die van den kant van Reenen aan
+kwam wandelen, aldus toeriep:
+
+"Zoo! zijt gij daar eindelijk! ik heb al bijkans een uur op u staan
+wachten."
+
+"Vergeef mij, Jonker!" antwoordde de nieuwgekomene, die door Joan voor
+Teun Wezer werd herkend: "moâr, op den weg ontmoette ik een poâr van
+mijn kennissen hier uit het dorp, die mij een kwoad hart toedragen
+uit uithoofde van een kip twee drie, die ik ereis onderweg evonden
+heb, en die ze zeggen dat hun toekomen: en om die knoâpen te mijden,
+heb ik de bijpoâdjes enomen, anders ware ik hier al eer eweest. Wat
+is er nou van 's Jonkers believen?"
+
+"Hier zijn een paar brieven;..., maar eerst moet ik u nog een vraag
+doen: kent gij den Heer van Sonheuvel sedert lang?"
+
+"Langer dan mij lief is, Sinjeur!" zeide Teun: "toen ik acht jaren
+oud was, heit hij me ereis laten afranselen, omdat ik valschelijk
+beticht was geworden van zijn eieren te hebben met enomen. Kon ik
+het gebeteren, dat zijn kippen niet leggen wolden?--En naderhand...."
+
+"Goed! dan kunt gij mij wel verhalen wat u heugt van de geboorte des
+jonkers? Is daaromtrent niets opmerkelijks voorgevallen?" Hier werd
+Joan dubbel opmerkzaam.
+
+"Om je de woârheid te vertellen heerschop!" antwoordde Teun Wezer,
+"heel veel weet ik er niet van. Moâr je mot weten, ik vrijd zoo wat
+noâr het nichtje van Bouke, den olden knecht op 't slot: en dat meiske
+heit me wel verteld, dat hoâr heugt, en ze was ook nog moâr een kind,
+dat het zeuntje van den Baron begraven werd, en dat deze Jonker,
+dien we nou hebben, op een blauw-maandag te Amsterdam is aangekomen,
+zonder dat iemand weet hoe of wanneer: en als ze haar oom er naar
+vroâgt, dan zeit deze, ze mot moâr zwijgen; moâr nou is er ook wel,
+die zeggen, dat het zoo'n stuk van een buitenbeentje is van den olden
+Heer, en dat de Barones er van hartzeer over ekrepeerd is; maar het
+fijne van de mis weet ik zoowoâr niet."
+
+"Dan zal ik u ook niet meer vragen," hervatte de page: "hoor! hier hebt
+ge twee brieven, beide zonder opschrift: dezen, waar ik het kruis op
+gemaakt heb, om hem te onderscheiden, bezorgt gij te Tiel, ten huize
+van Klaas Meinertz den schrijnwerker. Gij behoeft niet te zeggen van
+wien hij komt, maar gij moet hem aan den man zelven overhandigen:
+hij zal u voor 't bestellen twee kronen geven, dat staat in den brief."
+
+"Wat?" zeide Teun Wezer: "Klaas Meinertz! die ijzegrim, die femelaar,
+die den geheelen dag bidt en psalmen balkt, en mij al meer dan eens
+noâr de diepste diepte van de hel ewenscht heit, zal die mij twee
+kronen geven?.... Stichtelijke vloeken naar mijn kop, alsof ik...."
+
+"Hij zal u twee kronen geven, als ik zeg," hernam Ludwig, droogjes.
+
+"Nou! ik zal 't bezorgen," zeide Teun, grinnekende.
+
+"En dezen brief," vervolgde Ludwig, "brengt gij aan den Ambtman Mom,
+die op dit oogenblik in Tiel is: mede eigenhandig. Zoo men u niet
+bij hem in wil laten, zegt gij maar, dat gij van de Gravin van
+Nassau komt."
+
+"Ja moâr," zeide Teun, terwijl hij zijdelings naar de galg keek,
+die men over het hakhout heen kon zien: "ik ben juist niet zwoâr op
+een bezoek bij den Ambtman gesteld: ik tracht zoomin mogelijk met de
+heeren van den Gerechte in kennis te komen, want zij hebben allen, ik
+weet niet woârom, een hekel aan mij gekregen, en ik heb geen lust om
+dat gindsche veld met rooiekool eens uit de hoogte te bekijken." Hier
+maakte hij de beweging van hangen.
+
+"De brief, dien gij brengen zult, zal uw beste aanbeveling bij den
+Ambtman zijn," hervatte Ludwig; "doch gij zult het diepste stilzwijgen
+omtrent de u toevertrouwde boodschappen in acht moeten nemen, of...,
+uw vrees zou verwezenlijkt kunnen worden!"
+
+"Wees gerust! voor geld en kwaê woorden zwijg ik als een kikker bij
+winterdag: is er nog iets van je bevelen?"
+
+"Niets meer! rep je en maak bijtijds in Tiel te wezen: hier hebt ge
+nog wat drinkgeld en iets om het veer te betalen."
+
+"Duizendmoâl dank, heerschop!" zeide Teun: "nou snij ik dat zijpad moâr
+in; want het dorp ga ik liefst niet deur, om redenen mij bekend. Leef
+gezond Sinjeur!"--Met dit afscheid sloeg hij het zijpad in, liep
+Joan voorbij zonder hem te zien en verwijderde zich naar den kant
+der rivier.
+
+Deze zonderlinge samenspraak had Joan zoodanig verbijsterd, dat
+hij zijn boog, de hoenders, ja de jacht zelve vergeten was, en nog
+luisterde toen de boerenknaap reeds lang uit het gezicht was.--Toen
+hij omtrent de echtheid zijner geboorte bedenkingen had hooren
+opperen, was hij in den wil geweest, zich aan den onbeschaamden
+lasteraar te vertoonen en hem eens heftig door te halen; doch
+de vrees had hem teruggehouden: schoon moeds genoeg bezittende,
+achtte hij het geen gelijk spel om zich te wagen tegen Teun Wezer,
+een forschen, ruwen knaap, die niets te verliezen had, dadelijk met
+het mes gereed was en hem bovendien een kwaad hart toedroeg; den page
+betrouwde hij zoo weinig, dat hij niet wist, of hij hem als vriend
+of vijand beschouwen moest, en van dezen kant wachtte hij dus geen
+bijstand. Voorzichtigheidshalve was hij daarom in zijn schuilhoek
+blijven zitten tot na den afloop van 't gesprek: over de boodschap
+der brieven had hij maar half nagedacht, meenende, dat de bezorging
+daarvan een geheim was, dat de Gravin raakte en naar 't welk hij
+zelfs niet gissen mocht; want van zijn jeugd af was hem ingeprent,
+dat het schandelijk is, te willen indringen in hetgeen iemand zoekt
+te bedekken. Ziende dat de page langs den rijweg weder naar het dorp
+ging, kroop hij het hakhout uit en volgde hem, met oogmerk om hem
+met een tik op de schouders en den gewonen morgengroet te verrassen;
+doch Veltman, die nu lang genoeg naar zijn zin aan de zijde zijns
+meesters had stilgezeten, snelde hem met drift vooruit en verraadde
+Joans nabijheid aan den page. Deze keek om en zag Joan achter hem,
+die hem een frisschen morgen toewenschte.
+
+"Goeden morgen, Jonker!" zeide Ludwig, even den hoed aflichtende en
+vervolgens gelijken tred met Joan aannemende: "reeds zoo vroeg in
+'t veld?"
+
+"Mij dunkt," zeide Joan, "ik moest u die vraag doen; doch zoo gaat
+elk voor zijn eigen aangelegenheid uit: ik voor mijn vermaak, gij om
+Mevrouw de Gravin te believen."
+
+De page zweeg een oogenblik en hield zijn kleine gitzwarte oogen
+op Joan gevestigd, als wilde hij op het open gelaat des jongelings
+lezen, of zijn gezegde niet meer dan een loutere veronderstelling,
+dan wel of het een geheimen zin bevatte; vervolgens hernam hij:
+
+"Wat doet u denken, Jonker! dat ik voor Mevrouw de Gravin ben
+uitgeweest?"
+
+"Omdat ik niet geloof," gaf Joan ten antwoord, "dat gij voor uw eigen
+vermaak, na gisteren den ganschen dag gereisd te hebben, zoo vroeg
+het warme bed, voor de koude hei verlaten hebt; en dan die brieven,
+die gij aan Teun Wezer gegeven hebt en die ik vrees dat slecht bezorgd
+zullen worden: want hij is een groote schavuit....."
+
+"Gij hebt ons dan gezien?" viel Ludwig haastig in.
+
+"En gehoord," zei Joan.
+
+Ludwig zweeg, zag somber voor zich heen, nam zijn slinkerhandschoen
+in de rechterhand en begon er op te knabbelen, totdat Joan hem
+glimlachende vroeg, wat de arme handschoen gedaan had, dat hij dien
+zoo slecht behandelde.
+
+Na een poos gezwegen te hebben, zeide de page, met een ernstig gelaat:
+"Jonker! de boodschap, welke ik aan dien boerenknaap gegeven heb en
+waarvan zijn baatzucht mij de goede bestelling waarborgt, is van het
+hoogste belang, en Mevrouw de Gravin had mij op het hart gedrukt,
+dat ik er niemand iets van zoude laten blijken. Dewijl UEd. echter
+getuige geweest zijt van de uitvoering van den mij gegeven last,
+hoewel ik niet verwacht had, dat UEd. ons beluisteren zoude...."
+
+"Geheel onwillekeurig," zeide Joan blozende: "ik dacht, dat uw
+ontmoeting met Teun Wezer toevallig was, en ik sloop naderbij uit
+loutere nieuwsgierigheid om te weten wat die schurk u vertellen
+ging:--wat die brieven betreft, daarvan zal nooit een woord over
+mijn lippen komen: nooit heb ik iemands geheimen verraden, of zij mij
+aangaan of niet;--doch ik wilde wel eens weten, hoe het te pas kwam,
+dat gij dat logenbeest van een Teun over mijn geboorte ondervraagdet,
+om zulke lastersprookjes uit te lokken als hij u op de mouw spelde."
+
+"Jonker!" antwoordde de page met een nog ernstiger gelaat en op een
+langzamen toon: "ik wilde wel, dat gij mij deze vraag niet gedaan
+hadt: daar mijne handelwijs u echter met reden vreemd moet voorkomen,
+zal ik u openhartig zeggen, dat er zonderlinge geruchten omtrent uw
+geboorte loopen;.... geruchten, welke, wijd en zijd verspreid zijnde,
+mij ter ooren zijn gekomen.... hoewel ik er de zegsman niet van wezen
+wil.... waardoor de nieuwsgierigheid van Mevrouw de Gravin.... gij
+weet, dat vrouwen veeltijds nieuwsgierig vallen;.... doch ik zelf
+wist niets van dat geval af."
+
+"Joost haal me, als ik iets uit geheel uw openhartig antwoord begrijp,"
+hervatte Joan.
+
+"Indien UEd," zeide Ludwig, "nader onderricht begeert, kan UEd. immers
+met den Heer Baron spreken? Die zal best weten, hoe het met uw geboorte
+zit," voegde hij er lachend bij.
+
+Joan stond stil, knikte eenige reizen met het hoofd, loosde een diepen
+zucht, wenschte den page vaarwel en sloeg een zijweg in, die naar de
+heide bracht, terwijl Ludwig slotwaarts keerde.
+
+In den morgen van dien dag viel er op het kasteel niets belangrijks
+voor: tegen den middag keerde Joan van de jacht, met de tijding uit het
+dorp, dat het rijtuig der Gravin weder in orde gebracht was en na den
+eten zou voorrijden. Aan tafel was hij, zoowel als zijn pleegvader,
+peinzend en stil: na den afloop van den maaltijd kwam de koetswagen
+de slotbrug oprijden: de Gravin nam beleefdelijk afscheid van den
+gastheer en zijn gezin, reed met haar gevolg af en kwam, zonder
+verdere tegenspoeden, twee dagen later, behouden in 's Hage.
+
+"Een schoone vrouw!" zeide Geertrui tegen Bouke, die bezig was de
+valken te voederen: "en zoo minzaam jegens een iegelijk. Waarlijk,
+zij heeft veel van Mevrouw zaliger: even vriendelijk en voorkomend,
+als die was: en zij weet van het huishouden al vrij wat af voor zoo
+een groote Mevrouw! zij maakte zelfs de aanmerking, dat de kussens
+in de groote ridderzaal veel meer hun kleur verloren hebben dan
+de gordijnen, schoon ze van hetzelfde damast zijn. Ja! zei ik zoo,
+genadige vrouw Gravin! toen onze lieve Mevrouw zaliger nog leefde,
+was het niet geoorloofd op die kussens te gaan zitten: toen hielden
+zij beter hun kleur; maar zij zei, nu, ik heb toch liever de kussens
+om op te zitten, zei zij, dan alleen voor de pronk; en toen zei ik:
+ja Mevrouw! dat is ook waar, maar het is toch wat erg, dat nu die
+stinkende honden op die kussens gaan liggen; en toen lachte zij."
+
+"Maar vertel mij liever eens, Geert," zeide Bouke, haar in de rede
+vallende: "wat heeft die lanterfant van een page je toch verteld? Je
+hadt het bijster druk met hem."
+
+Op deze vraag hield de oude dienstmaagd eensklaps met lachen op en
+zette haar gelaat in een meer ernstige plooi.
+
+"Zeker heeft hij je onderhouden over je blozende kleur," vervolgde
+Bouke, "en over je betooverende oogen, hoewel men die slechts vinden
+kan door den bril heen."
+
+"Een bril! nu kijk!" hernam Geertrui, gebelgd: "en wanneer draag ik
+een bril? niet dan om in Gods woord te lezen en om kousen te mazen;
+en dan draag ik hem nog maar op de punt van mijn neus, zoodat ieder
+mijn oogen zien kan. Ja! ik wilde wel eens zien, dat iemand kousen
+maasde zonder bril. Daar was onze lieve Mevrouw zaliger, die droeg
+immers ook wel een bril."
+
+"Alleen wanneer jij gebroddeld hadt, Geert! en zij de verloren steken
+moest opnemen."
+
+"Wel heb je van je leven," riep Geertrui toornig uit: "Wat weet jij
+van verloren steken en van broddelen af?"
+
+"Neen, daar versta jij je beter op, oudje!.... doch dat
+daargelaten:--Wat heeft je de page verteld? dat is maar het punt in
+quaestie; want dat hij jou zijn hof gemaakt heeft, is zeker."
+
+"Ja!" zuchtte Geertrui: "ik vrees, dat ik te veel met hem gepraat heb."
+
+"Te veel!" riep Bouke, schaterend van lachen, "te veel met hem
+gepraat?--De droes! heeft hij in ernst je hartje gestolen!"
+
+"Och neen! malle gek! loop heen met je grollen! maar mijn rust heeft
+hij toch meegenomen," vervolgde zij, half huilende: "ik heb van dezen
+nacht geen oog toegedaan."
+
+"Daar hebben wij 't al. Wat voert zoo een page niet al uit? Daar
+berooft hij de eerzame Geertrui Claassens, die in de eerste dertig
+jaren geen vrijer heeft willen hebben, en in de laatste drie kruisjes
+geen vrijer heeft kunnen hebben, zoo maar op eens van haar nachtrust."
+
+"Spot maar niet," antwoordde Geertrui: "het is waarachtig geen ding
+om mee te spotten: hoor eens, Bouke! Het heugt je nog, toen Mevrouw
+zaliger nog leefde...."
+
+"Als ik het vergeten was, zou jij het mij wel herinneren," viel Bouke
+haar in de rede.
+
+"Neen, maar hoor!" vervolgde zij, "of ik spreek geen woord meer:
+toen Mevrouw zaliger nog leefde, en te Amsterdam was, en toen jij
+met Mijnheer van 't leger kwaamt met den kleinen Joan?"
+
+"Ja gewis!" antwoordde Bouke, die nu op zijn beurt ook donker begon
+te kijken: "maar je weet ook wel, dat wij Mijnheer bij eede beloofd
+hebben, nooit aan iemand iets daarvan te zullen navertellen."
+
+"Dat heb ik beloofd, Bouke! en het spijt mij genoeg; want het is de
+eenige reis in mijn leven, dat ik Gods naam zoo ijdellijk gebruikt
+heb."
+
+"Foei!" zeide Bouke: "spijt het jou een eed gedaan te hebben,
+Geert? ben je menist geworden? Je weet, wat Dominee alle weken
+zeit: de wederdoopers, zeit hij, zijn Belialskinderen, vijanden van
+Z. Doorluchtigheid en van den lande, die niet zweren willen, noch de
+ronde doen, noch de wacht betrekken, noch de heilige predestinatie
+gelooven: en wat zegt het rijmpje?
+
+
+ Aenmerct wel hun begheeren breedt,
+ Wat quaet bescheet--sy doch uitgheven,
+ Als dat men niet mach sweeren eedt.
+ Daert soo ghereet--doch staet beschreven:
+ Ja van Godt end' Christo verheven,
+ Van Paulo end' ander gheschiet.
+ Ooc is den eedt hier in dit leven
+ 't Eynde van allen twiste ziet.
+
+
+Doch dat tusschen twee haakjes, Geert! wat doet dit tot uw gesprek
+met den page?"
+
+"Dat doet er zooveel toe," zeide Geertrui, hem naar zich toetrekkende
+en zoo zacht mogelijk sprekende, "als dat die page evenzoo goed wist
+als jij en ik, dat Joan Mijnheers kind niet is."
+
+"Bewaar ons," riep Bouke, achteruitspringende: "dan moet jij het hem
+verteld hebben."
+
+"Hoor maar eens, of ik het helpen kan," zeide Geertrui; "de page begon
+met mij te vragen of ik hier lang in huis had gewoond: en toen sprak
+hij mij over Mijnheer en Mevrouw zaliger...."
+
+"En toen was jij op je praatstoel!--Ja, hij is ook fijn, die page. Hij
+zal wel niet met de deur bij jou in huis zijn gevallen; want men
+vangt geen hazen met trommels, dat is klaar."
+
+"Vervolgens vertelde ik hem onder anderen, dat ik baker geweest was
+van freule Ulrica, en daarop vroeg hij mij, of ik Jonker Joan ook
+gebakerd had."
+
+"Zoo vraagt men den boeren de kunst af: en wat gaf je hem ten
+antwoord?"
+
+"Ik zei: Mijnheers zoontje heb ik gebakerd, en dat is ook waar:
+het lieve kind is nog op mijn arm gestorven."
+
+"Zoo!" zeide Bouke: "nogal fijn van jou bedacht: weet je wel,
+Geert! dat het erg met jou staat! dat was weer een Menist
+antwoord! Geert! Geert! doch verder!"
+
+"Toen zei hij: ja maar dat zoontje is immers dood, daar je van
+spreekt?"
+
+"Welnu," hernam Bouke: "al had je nu eens neen gezeid, een leugen om
+bestwil is geen zonde."
+
+"Ja!" hervatte Geert, "ware ik maar zoo wijs geweest; maar ik dacht:
+
+
+ Dat ons ja, moet ja zijn waerachtigh
+ En ons neen moet wesen neen:
+
+
+en daarom zei ik eenvoudig van ja: en toen dacht ik, hij zou tevreden
+zijn; maar jawel! toen vroeg hij mij, of Mevrouw zaliger niet op een
+rare wijs aan Jonker Joan geraakt was, en of ik niet zoogoed wist als
+hij, dat de Jonker geen droppel Duitsch bloed in zijn aderen had? en
+toen werd ik zoo angstig, dat ik hem verzocht, er niet meer en met
+niemand over te spreken, en toen liep ik weg."
+
+"Dat heb je al heel dom behandeld voor een verstandig mensch," bromde
+Bouke: "'t is met jou ook: hoe alder hoe malder. Ik zou het maar niet
+aan Mijnheer vertellen; want dan zag het er slecht met je uit."
+
+"Ik heb mij toch niet versproken, zooveel ik weet," zeide Geertrui
+verlegen.
+
+"Nu! gedane zaken hebben geen keer! en het best dat ik je raden kan,
+is dat je op een anderen tijd voorzichtiger zijt en altijd denkt:
+verzint eer je begint! vroeg gedaan en laat bedacht heeft menigeen
+ten val gebracht: heden doen, morgen bloên: vandaag de tong gevierd,
+morgen den rug gesmierd."
+
+"Ja, als je mij geen beter troost weet te geven, dan je stomme
+spreekwoorden, Bouke! dan...."
+
+"Nu! ga dan maar naar Ds. Raesfelt, en die zal je zeggen, dat je
+lezen moet den Brief van Jakobus cap. III vs. 3; doch het wordt tijd,
+weer aan 't werk te gaan en mijn valken zitten met open bekken! die
+stomme dieren kunnen het weinig helpen of jij al geklapt hebt, en
+zij moeten er niet door lijden.--Nu! zooals gezegd is, oudje! wees in
+'t vervolg voorzichtiger."
+
+En hiermede liep dit merkwaardig gesprek tusschen Bouke Boukes en
+Geertrui Claassens ten einde.
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Gommer en Armyn te hoof
+ Twisten om het recht geloof.
+
+ _Vondel_.
+
+
+Terwijl de gemoederen der ingezetenen van het slot door de plaats gehad
+hebbende omstandigheden alzoo verontrust werden, ging de Predikant
+Raesfelt mede onder zijn eigene, waarschijnlijk nog zwaardere
+bekommernissen gebukt. De kerkelijke twisten waren op het tijdstip,
+waarvan wij thans gewagen, binnen de Nederlanden ten top gestegen. De
+nimmer rustende tweedracht, die natuurlijke heerscheres overal waar
+menschen wonen, had nauwelijks den buitenlandschen krijg door een
+te langdurig bestand zien staken, of zij stookte die binnenlandsche
+twisten aan, die zoolang en met zooveel felheid gewoed hebben,
+ja, wier einde het verste nageslacht misschien niet aanschouwen
+zal. Twee der geleerdste mannen van Europa, de belezene, vernuftige,
+oordeelkundige Arminius en de groothartige, onverzettelijke, van
+ijver brandende Gomarus hadden zich aan de spits van twee partijen
+geplaatst, die, na hun naam genoemd, elkaar een onverzoenlijken
+haat hadden gezworen. In den beginne dolf Arminius met de zijnen het
+onderspit, althans bij de predikanten en gemeenten; want de meeste
+wethouders en zoogenaamde politieken hadden zijn zijde gekozen;
+na zijn dood echter wisten Vorstius en Episcopius, die hem in
+'t Hoogleeraarsambt te Leiden hadden opgevolgd, gesteund door de
+geleerdheid van De Groot, de welsprekendheid van Schryver en vooral
+den toen alvermogenden invloed van Oldenbarneveld, hun partij met
+een luister te bekleeden, waardoor de glans hunner tegenstanders een
+tijd lang verdonkerd werd. De jonge lieden, die te Leiden voor den
+kansel werden opgeleid, schaarden zich voor een groot gedeelte aan
+de zijde der bovendrijvende partij; anderen echter kleefden de oude
+leer aan, en stonden Gomarus of Polyander voor. Niet zelden gebeurde
+het, dat bij onderlinge, tot oefening begonnen _disputationes_ over
+punten van controvers, de argumentaties wederzijds op scheldwoorden
+en vervolgens op vechtpartijen uitliepen, waarbij de vuist vragen,
+den Godsdienst betreffende, beslissen moest.
+
+Raesfelt had zijn beide oudste zonen, Koenraad en Hendrik, nadat zij
+de school verlaten hadden, naar Leiden gezonden, en, daar hij een echt
+voorstander was van de oude leerstelsels, hen ernstig aangemaand,
+de lessen van Episcopius te verzuimen, en zich zooveel mogelijk bij
+het onderwijs van diens ambtgenoot Polyander te bepalen.--Koenraad,
+wien de stoute en ridderlijke voordracht van laatstgemelden geleerde
+behaagde, gehoorzaamde zijn vader met nadruk en toonde zich, zoo in
+zijn brieven aan dezen, als op de Hoogeschool, een ijverig voorstander
+der Contra-Remonstranten. Zoo met woorden als met daden was hij overal
+de voornaamste onder de verdedigers van het ouderwetsch gevoelen:
+niet zelden had de kracht zijner sterkgespierde vuisten aan zijn
+tegenstrevers, zoo niet de menschelijke, althans hunne onmacht
+duidelijk doen gevoelen, en menigeen had zich overtuigd gevonden,
+dat hij gepraedestineerd was om van Koenraad Raesfelt te worden
+afgeklopt. Omtrent den stillen en zachtmoedigen Hendrik won vader min
+gunstige berichten in: deze was door de geleerdheid en smaakvolle
+onderwijzing der andersdenkenden ingenomen en stond aldra voor een
+Arminiaan te boek.--Koenraad, die bovendien nooit op den besten
+voet met zijn broeder geleefd had, was over deze zijn afdwaling
+sterk gebelgd, en al de brieven, die hij aan zijn vader schreef,
+schilderden Hendrik af als een verloren schaap, reeds met den wargeest
+niet alleen van Arminianismus, maar ook van Socianismus besmet. Diep
+hadden deze beschuldigingen den braven Predikant gegriefd, en zijn
+epistelen aan Hendrik droegen telkens hernieuwde bewijzen, hoezeer hem
+diens gedrag en meeningen tegen de borst stonden. De aangeklaagde zoon
+beantwoordde zijns vaders minzame verwijten meestal met bezadigdheid,
+doch tevens met vrijmoedigheid: hij beweerde, dat hij, naar Leiden
+gegaan zijnde om in de leerstukken van den godsdienst onderwijs te
+ontvangen, zijn meening van onderzoek en overtuiging wilde laten
+afhangen. Daar de jongeling door deze antwoorden blijken gaf, dat hij
+meer aan menschelijke rede en vrije beoordeeling, dan aan geloof en
+onderwerping hechtte, stelden zij zijn vader lang niet gerust. Echter,
+en door een in de menschelijke natuur niet ongewone tegenstrijdigheid,
+bleef het hart van Raesfelt, ondanks hem zelven, meer den in zijn
+oog verdoolden, dan den rechtzinnigen zoon genegen. De wijs, waarop
+Koenraad van zijn broeder sprak, de toon, waarin zijne beschuldigingen
+vervat waren, mishaagden den zachtmoedigen vader, schoon hij zulks zich
+zelven niet bekennen wilde, nog meer dan de beschuldigingen zelven.
+
+Op den achtermiddag van den dag, dat de Gravin van Nassau Sonheuvel
+verlaten had, was de Predikant op zijn zolderkamertje in diep
+gepeins gezeten: de zwarte kalot was hem te warm geworden en lag
+voor hem op de tafel, terwijl de met konijnevellen gevoerde pij over
+den rug des leunstoels hing. Onbeweeglijk scheen Raesfelt op zijn
+plaats gespijkerd, terwijl zijn oogen strak en stijf op het voor hem
+liggend papier gevestigd bleven, zoodat hij veel geleek op een dier
+aangekleede gedaanten, welke in het Amsterdamsche doolhof voor den
+vanouds gestelden prijs van een stuiver zich _hedenmiddag te vier uren_
+laten bezichtigen.
+
+Eindelijk echter scheen de beweging bij den Predikant terug te
+keeren: hij beet zich op de lippen, zag opwaarts, zuchtte diep en
+zeide vervolgens hardop tegen zich zelven: "Neen! _zoo_ kan het
+niet langer gaan! er dient een kloek besluit genomen, of de knaap is
+onherstelbaar ongelukkig."
+
+"Onherstelbaar ongelukkig!" herhaalde een stem achter hem: "denkt ge
+dat waarlijk, Dominee?"
+
+Als door een donderslag getroffen, richtte de Predikant zich op en
+keerde zich naar de plaats, van waar de stem gekomen was, en waar hij
+niemand dacht te zien dan den Booze in persoon, die hem van zijn kloeke
+voornemens zoude pogen af te brengen: dan hij werd gerustgesteld bij
+het herkennen van zijn vriend, den niet min dan hij bezorgden Baron
+van Sonheuvel.
+
+Deze, als wij verhaalden, besloten hebbende met den geestelijke te
+rade te gaan over de beste wijze hoe met Joan te handelen, had zich,
+na het vertrek zijner doorluchte gast, naar de pastorie begeven:
+de deur open gevonden hebbende, was hij, om niet door het gesnap
+der Pastoorsche verveeld te worden, de trap opgeloopen, nadat hij
+zijn laarzen in de gang had uitgedaan, eensdeels opdat Mejuffrouw
+Raesfelt bij het gezicht van vuile voetstappen niet naar boven zou
+komen hollen, anderdeels opdat zij, de laarzen des Barons herkennende,
+zich wachten zou, de samenspraak der beide heeren te storen. Aan het
+studeervertrek was geen deur: men besteeg het langs een trap, die
+midden in het kamertje uitkwam. Raesfelt had den Baron dus niet hooren
+inkomen: en deze, zijn raadsman zoo diep in gedachten vindende, had
+hem niet willen storen, maar zich naast den ingang op een boekentrapje
+nedergezet en was mede aan 't peinzen geraakt, hoe hij het gesprek
+zoude aanvangen, toen hem de uitroep van Raesfelt als uit een droom
+ontwaken deed. Deze uitroep kwam zoo volkomen met de gedachten overeen,
+welke hem op dit oogenblik vervulden, dat hij dien aanmerkte als tegen
+hem, of in zijnen geest gesproken, en, toen de Predikant hem aanzag,
+zijn gezegde herhaalde en nogmaals vroeg of hij het stellig meende.
+
+"UEd. hier, heer Baron!" vroeg Raesfelt, vol verbazing, "wel wie
+kon UEd. hier verwachten! ei! wees zoo goed en neem uw gemak:--ja
+waarlijk!" vervolgde hij, rondziende: "ik geloof niet, dat er een
+stoel meer in de kamer is: wacht ik zal roepen, dat men den armstoel
+boven brenge."
+
+"Doe geen moeite, Dominee!" zeide de Baron; "hier is immers een
+zitplaats."
+
+De stoel, waarop hij doelde, kon waarlijk op den naam van zitplaats
+weinig aanspraak maken. Hij was oorspronkelijk van matwerk geweest
+met pooten en leuning van stevig grenenhout; doch Joan, die hem
+in zijn leeruren altijd gebruikte, en de slechte gewoonte had, van
+weinig stil te zitten, had den rug merkelijk doen uitwijken: met zijn
+snoeimes had hij, wanneer de les te lang viel, de kloeke pooten op
+de helft van haar dikte gebracht en zich ook met de _anatomie_ der
+matten zitting beziggehouden: zoodat de stoel in den volsten zin van
+'t woord een _chaise percée_ geworden was.
+
+"Het is hier niet warm, Dominee!" zeide de Baron, toen hij zich
+voorzichtiglijk op den rand van den door ons beschreven zetel
+nederzette.
+
+"Dunkt UEd. dat, heer Baron? Dan moest UEd. mijn pels aantrekken:
+ik heb het van 't peinzen en studeeren overvloedig warm gekregen."
+
+"_Cedant arma togae_," [32] zeide Reede, aan dit voorstel gehoor
+gevende: "gij ziet Dominee! dat ik ook nog een mondje vol Latijn
+kan spreken.--Zoodat gij zegt," vervolgde hij, na zich in den pels
+gewikkeld en zijn plaats hernomen te hebben, "dat een kloek besluit
+alleen in staat is, het ongeluk van den armen jongen te voorkomen?"
+
+"Ongetwijfeld, heer Baron! het vaderhart zal bloeden door de
+opoffering; doch het zal naderhand geruster slaan! en wat zegt de
+Psalmist? Welzalig hij,
+
+
+ In wiens geest niet woont eenige schalkheyt
+ Noch geen bedrogh ofte geveynsdigheyt.
+
+
+Want wat zou het baten, een jongeling tot een bestemming op te leiden,
+welke hij nimmer naar behooren vervullen kan?"
+
+"Ach! gij spreekt wel als ik het verwachtte, Dominee! en toch is
+het een pijnlijk gevoel, om tegen hem, dien men tot nog toe als zoon
+bemind heeft, te moeten zeggen: knaap! ik ben uw vader niet meer."
+
+"Het vaderhart zal daarom zijn rechten niet verliezen," antwoordde
+Raesfelt: "want als in den Honderdsten Psalm staat:
+
+
+ Gelijck een vader hem pleegh te erbarmen, enz.
+
+
+De vurigste wensch van het hart zal er door teleurgesteld worden; doch
+het zal in zich zelf de belooner eener zoo groote opoffering vinden:
+ware er een andere weg mogelijk geweest, ik had dien gaarne ingeslagen,
+doch ik heb alles onderzocht en beproefd, vergeefs: niets blijft
+er over, dan ruiterlijk en moedig, gelijk het een Christen betaamt,
+de zegepraal te behalen op een aardsche en valsche liefde, en alleen
+op het geestelijk en waarachtig belang van den ongelukkige te zien."
+
+"Zoo hebt gij er reeds lang over nagedacht, gelijk ik uit uw redenen
+bemerk. Ik was al verwonderd, dat gij juist bezig waart over dat
+onderwerp te peinzen, toen ik binnenkwam."
+
+"Over nagedacht, heer Baron? slapelooze nachten, ledige uren, verlies
+van eetlust en genoegens heeft het mij gekost: het zoet mijns levens
+is er door verbitterd."
+
+"Met mij gaat het ook zoo, lieve Dominee: ik heb van de enkele
+gedachte, dat de knaap misschien tegen zijn eigen gezin het harnas
+zoude aangespen, nog van dezen nacht schier geen oog toegedaan, en
+van middag geen mond aan de patrijzenpastij gezet, hoewel dat mijn
+geliefdste schotel is."
+
+"Hebt gij heer Baron? daarvoor beloone u de Hemel; want uw deelneming
+
+
+ Is ganschelijk gelijck een balsem soet,
+ Die op het hoofd Aärons was zeer claer,
+ Uitgestortet in 't openbaar,
+
+
+als David zegt. Och! UEd. is altijd zoo vriendelijk en goed geweest."
+
+"Hm! hm! zoo heel goed niet; maar ik heb toch den knaap altijd wel
+behandeld en hartelijk liefgehad."
+
+"Hij houdt ook veel van u, heer Baron: daar heb ik doorslaande
+bewijzen van."
+
+"En van u niet minder, Dominee, schoon hij wel eens bij de _exegesen_
+in slaap viel."
+
+"De _exegesen_! helaas! die heeft hij maar al te veel bestudeerd voor
+zijne en mijne rust," hervatte Raesfelt zuchtende.
+
+"Te veel! Dat had ik nooit gedacht, dat daar zijn liefhebberij op
+gevallen ware."
+
+"Liefhebberij! een razende drift, heer Baron! _delectatio triumphans_
+[33] als Augustinus zegt."
+
+"In waarheid?--Nu! het is mij nooit voorgekomen. Toen ik hem vroeg,
+of Paulus ééne of twee reizen naar Rome gedaan had, waarover ik het
+met de oude Geert oneens was, zeide hij mij daarover nooit te hebben
+nagedacht, en toen hij het op mijn verzoek onderzocht had, was zijn
+uitkomst, dat hij het niet wist."
+
+"Is het mogelijk?" zeide Raesfelt, de handen angstig wringende; "en
+ik heb een _disputanionem_ van hem liggen, juist over dat onderwerp,
+en waarin hij betoogt, dat de Apostel wel driemaal te Rome is
+geweest. Moet ik hem dan een huichelaar zien worden? Was het niet
+genoeg, dat hij een Sociniaan werd?"
+
+"Wat!" riep Reede: "wat zegt gij, Dominee! een Sociniaan? Hij! Gij
+jaagt mij de koorts op 't lijf, Dominee! Dat hebt gij mij nog nooit
+verteld."
+
+"Ach ja, ik had mij te voren gevleid, dat hij nog maar alleen de
+begrippen Arminii, Vorstii en Episcopii aankleefde, doch het is wel
+als in den Eersten Psalm gezegd wordt; welgelukzalig
+
+
+ Die op den wegh der sondaers niet en gaet
+ En niet en sit by de spotters onreyne,
+
+
+want, eens op dit pad gekomen, vordert men met reuzenschreden: ik heb
+de bewijzen zijner ketterij in handen: daar op de tafel liggen zij."
+
+"Maar waarom hebt gij mij daar nooit iets van gezegd, Dominee? Dan
+had ik hem eens duchtig de ooren gewasschen."
+
+"Wat zou dit gebaat hebben, heer Baron? daar ook mijne vermaning,
+nu vaderlijk, dan meesterachtig, nu gestreng, dan zachtelijk, den
+verdoolde niet op het rechte spoor heeft kunnen terugbrengen."
+
+"Kijk Dominee! het is maar zooals de jongen zelf gezegd heeft: over
+zich heeft hij het oordeel geveld, zeggende, dat al wat van Spaansch
+bloed kwam, niet te vertrouwen was."
+
+"Dat zegt hij!" zeide Raesfelt: "en daarom volgt hij den edelen Gomarum
+niet na, die van Spaansche afkomst is. Doch hoe velt hij zijn eigen
+oordeel hiermede, dit begrijp ik niet."
+
+"O! ik begrijp mij zelven heel wel, Dominee! ik zal u dat alles
+uitleggen! die rekel! een nagel aan mijn doodkist! doch ik zal hem
+leeren! ik zal hem leeren!"
+
+Met deze woorden sprong hij op en ging voort weder zitten, doch
+ongelukkig kwam hij midden op de zitting te land en wel met zulk een
+kracht, dat er hij doorheenzakte en met armen en beenen in de lucht,
+in den pels bedolven, tusschen de vier pooten steken bleef. Vergeefs
+zocht Raesfelt hem uit dien benauwden toestand te verlossen:
+de arme Baron zat zoo vast, dat hij zich roeren noch buigen kon,
+zoodat alle aangewende moeite slechts diende om hem nog erger in
+de klem te brengen. Op dit oogenblik werd het vertrek door drie
+nieuwe getuigen van zijn ongeluk bezocht. De eerste was Veltman,
+Joans jachthond, die met eene van de uitgetogen laarzen de trap
+op kwam snellen. Hij legde zijn vracht aan de voeten des Barons,
+of liever bij de pooten des stoels af, waarna hij zoowel tegen den
+predikant als op zijn beknelden Heer sprong; met groote teekenen
+van blijdschap. Kort op den hond volgde, als een razende furie,
+de zachtaardige wederhelft van den Predikant, met een kamerbezem
+gewapend, dien zij in een dreigende houding ophief. "Waar is dat
+stinkende dier?" riep zij met een verbolgen stem: "wat springt het
+daar tegen Dominees kostelijke pels op met zijn vuile klauwen? Waarom
+jaag je hem niet weg, Dominee? En wie zit daar in je pels? Hoe heb ik
+het met je? Leen je jou pels zoo maar aan iedereen, die je bezoeken
+komt? Toe, maak maar gauw dat je uit dien stoel komt, dien je aan
+stukken gebroken hebt! Bewaar ons! het is Mijnheer van Sonheuvel!"
+
+"Ja Juffer!" zeide deze, het hoofd van onder den pels uitstekende:
+"ik ben het. Help mij hier toch uit, want ik breek mijn lenden nog."
+
+Op dit oogenblik sprong Veltman op en liep, zoo spoedig als hij
+gekomen was, de trappen af.
+
+"Joan zal waarschijnlijk in de buurt wezen," merkte Dominee aan:
+"Is dat uw laars, heer Baron! welke de hond u gebracht heeft?--dan
+hadt gij, vrouw liefste! het arme dier met geen straf voor zijn
+getrouwheid moeten dreigen."
+
+"Ja! kon ik het weten?" zeide Barbara, terwijl zij mede hare krachten
+aanwendde om den Baron te verlossen: "die hond snuffelt altijd bij
+mij in de keuken. Laatst heeft hij een hoentje knap opgepeuzeld,
+dat ik in de soep wilde doen."
+
+"Daarvoor zal het eerste haas, dat ik vang, voor u zijn,
+Juffrouw!" zeide Joan, binnenkomende: "bij voorraad heb ik Veltman
+aan de voordeur vastgelegd, maar hoe! is dat vader, die daar tusschen
+vier pooten vastzit? Wacht! ik zal u wel helpen. Het trekken baat
+niet, Dominee! wij zullen een anderen weg inslaan."--Dit zeggende
+wierp hij den stoel op zijde en sneed met zijn jachtmes het matwerk,
+dat den Baron als met weerhaken belette zich op te geven, rondom
+aan stukken; dit had de verlossing des gevangenen ten gevolge; doch,
+tot aller verbazing, was het eerste gebruik, dat de Baron van zijn
+herkregen vrijheid maakte, dat hij Joan een geduchten oorveeg gaf.
+
+"Wat is dat, vader?" riep Joan, achteruitspringende met een kleur
+als bloed. "Waaraan heb ik dat verdiend?"
+
+"Vraag je dat nog, onbeschaamde huichelaar?" snauwde hem de verstoorde
+Heer van Sonheuvel toe: "ik heb schoone berichten van u ontvangen,
+sinjeur!"
+
+"Ik begrijp er niets van, vader!" zeide Joan; "ik weet niet, wat ik
+gedaan heb, om een dusdanige behandeling te veroorzaken."
+
+"Niet, verstokte zondaar? vraag het dan maar aan Dominee: die zal
+jou de les anders leeren."
+
+"Ik?" vroeg Raesfelt verwonderd: "ik weet van den Jonker hoegenaamd
+geen kwaad."
+
+Reede, meenende dat de Predikant vrees koesterde voor Joan, werd nu
+even toornig op genen, als hij op dezen geweest was. "Hoe!" zeide
+hij: "past het een leeraar, menschenvrees te hebben, en te aarzelen,
+iemand in 't aangezicht zijn feilen en dwalingen aan te kondigen?"
+
+"Heer Baron!" antwoordde Raesfelt, geraakt: "ik ken mijn plicht en zou
+niet schromen, voor koningen en keizers de waarheid te spreken, gelijk
+Nathan en Elias deden; maar ik weet niet, waaraan zich bepaaldelijk
+de Jonker heeft schuldig gemaakt, noch over welk feit ik hem zoude
+toeroepen, meer dan aan anderen: gij zijt die man!"
+
+"Niet!" hervatte de Baron: "nu, dan weet ik het: gij zijt een
+Arminiaan, Joan!"
+
+"Goede hemel!" riep Barbara, de handen boven 't hoofd ineenslaande;
+"een Arminiaan!"
+
+"En wat nog erger is, een Sociniaan!" vervolgde Reede.
+
+"Een Sociniaan! Dat verhoede de Heer!" zeide Mejuffrouw Raesfelt,
+met dezelfde gebaarden.
+
+"En wat het ergst van alles is, een huichelaar."
+
+"Een huichelaar ook al! bewaar ons!" herhaalde de Pastoorsche.
+
+"En wie heeft u al dien zotteklap verteld, vader?" vroeg Joan met
+drift.
+
+"Wat! zult gij het nog loochenen? doch zoo ge den zegsman weten wilt:
+daar staat hij: schaam u in zijn tegenwoordigheid te ontkennen,
+wat hij u bewijzen kan."
+
+"Wien meent gij, vader?" vroeg Joan, meer en meer verwonderd.
+
+"Wien? wel wien anders dan Dominee," antwoordde de Heer van Sonheuvel.
+
+"Mij?" vroeg Raesfelt, ten toppunt van verbazing: "spot UEd. niet mij,
+heer Baron?"
+
+"Het is of gij beiden gezworen hebt, mij dol te maken," riep de
+Baron stampvoetende: "wat duivel! Dominee, hebt gij mij niet zoo
+op het oogenblik gezegd, dat gij er de bewijzen van in handen hadt,
+zwart op wit?"
+
+"O!" zeide Raesfelt, die lont begon te ruiken: "is het er zóó mede
+gelegen? Ja dat heb ik gezegd; maar...."
+
+"Gij hoort het Joan!" viel Reede in.
+
+"Maar ik sprak niet van den Jonker," vervolgde Raesfelt.
+
+"Niet! en van wien dan?" vroeg de Baron, op zijne beurt verbaasd.
+
+"Vergun mij, dat ik UEd. zulks onder vier oogen verklare, zonder
+getuigen."
+
+"Toegestaan! Marsch Joan!"
+
+Joan deed eenige stappen om zich te verwijderen; doch bleef vervolgens
+staan, den Baron aanziende.
+
+"Hebt ge mij niet gehoord?" vroeg deze: "marsch! van hier!"
+
+"Maar ben ik dan gerechtvaardigd in uwe oogen, vader?" vroeg Joan,
+op den toon der beleedigde onschuld.
+
+"Daarover spreken wij nader," was het antwoord.
+
+"Dat behoeft niet," merkte de Predikant aan: "UEd. kan uwen zoon
+gerustelijk een toestemmend antwoord geven; want hij is onschuldig, en
+uw gramschap op den jongeling is uit een misverstand voortgesproten."
+
+Reede was ontevreden op zich zelven, dat hij zich zooverre door zijn
+driften had laten vermeesteren en zich daardoor jegens zijn zoon in
+'t ongelijk gesteld: hij aarzelde echter nog, uit valsche schaamte, om
+hem genoegdoening te geven; doch, toen hij den knaap in een smeekende
+houding naar zich toe zag treden, terwijl de tranen hem in de oogen
+stonden, verkreeg het gevoel van billijkheid de overhand boven zijn
+valsche schaamte, en hij omhelsde hem hartelijk, waarna Joan het
+vertrek verliet.
+
+"Maar gij, liefste schat!" zeide de Predikant tot zijn huisvrouw,
+die nog vol nieuwsgierigheid boven om de trap stond te draaien: "gij
+moest ons ook alleen laten en aan Kaatje zeggen, dat zij den armstoel
+boven brenge. Ik heb met den Heer Baron iets af te handelen, dat...."
+
+"Dat ik niet hooren mag," zeide zij spijtig: "nu 't is goed,
+Dominee! ik ga al: neem maar niet kwalijk, dat ik dit kostelijk vertrek
+door mijn tegenwoordigheid verontheiligd heb. 't Zal wel voor 't eerst
+en 't laatst zijn; doch zoo gij denkt, dat het u wel bekomen zal,
+mij buiten alles te houden, hebt gij het mis."--Met deze en dergelijke
+woorden trok zij grommende af en begaf zich op staanden voet naar de
+vrouw van den schout, waar zij nog drie of vier buurtklapsters vond,
+aan welke zij onder belofte van geheimhouding verhaalde, hoe Dominee
+ontdekt had, dat de Jonker een Sociniaan ware en het aan den Baron
+verteld had, doch het nu weder introk uit vrees voor Joan: hoe de
+Baron door een stoel gevallen was, en hoe de hond met zijn morsige
+pooten haar huis bevuild had, enz. welke stichtelijke praatjes den
+volgenden dag door het gansche dorp liepen.
+
+"Wat heb je mij dan aan 't oor liggen reutelen, Dominee?" vroeg de
+Baron, zooras hij met den Predikant alleen was.
+
+"Ik sprak UEd. van mijn zoon Hendrik," antwoordde deze, "die te
+Leiden studeert en mij, door zijn nieuwerwetsche begrippen omtrent den
+godsdienst, dwingen zal, hem van de Hoogeschool terug te nemen, eer
+hij onzer Gereformeerde Kerk, en mij, zijn vader en leermeester, tot
+schande verstrekke. Hoe UEd. dit alles op den Jonker hebt toegepast,
+verklaar ik niet te begrijpen."
+
+"Is het er zoo mede gelegen?" hernam de Baron: "dan spijt het mij,
+dat ik den armen Joan zoo heb afgejakkerd, doch ik zal hem zeggen
+hoe de vork ik den steel zit."
+
+"Ik bid u," smeekte Raesfelt, "laat mijns zoons gedrag tusschen
+ons blijven: mijn vrouw zelve weet nog niets van het geval af, en,
+zooals Salomo zegt:
+
+
+ "Een dwaze zoon is zijn moeders droefenis."
+
+
+"Ik beklaag u van harte, Dominee," zeide Reede: "doch gij zijt
+de eenige niet, die zwaren strijd met zich zelven voert. De reden,
+waarom ik u verkeerd verstond, zal zich voor u ophelderen, wanneer ik
+u mijn tegenwoordig bezwaar ontdek. Gij herinnert u," vervolgde hij,
+zijn leunstoel, welken hem Kaatje intusschen gebracht had, dichter
+bij dien van Raesfelt aanschuivende, "dat Joan mijn zoon niet is."
+
+"Met uw verlof!" zeide de Predikant, zich met den wijsvinger langs den
+neus strijkende: "Ja, waarlijk, nu gij het zegt, herinner ik mij dat;
+doch in ernst, ik was het vergeten."
+
+"Welnu, de knaap heeft thans de jaren van onderscheid bereikt: tot
+heden toe heb ik altijd het onaangename denkbeeld van hem met zijn ware
+geboorte bekend te moeten maken, ver van mij afgeschoven: ik beminde
+hem als mijn zoon, en, zoo ik mijn genegenheid alleen moest volgen,
+zou ik hem als zoodanig blijven beschouwen; doch nu de tijd daar is,
+dat hij aan den naam van Reede eenigen luister zou kunnen bijzetten,
+begint mijn geweten tegen mijn teederheid op te komen. Ik begin te
+bedenken, dat ik mijn eenige dochter niet mag versteken van haar wettig
+erf (dat bovendien om redenen, welke ik thans niet melden zal, vrij
+schraler is, dan menigeen denken zou), dat ik bovendien geen vreemde
+plant op den stam der Sonheuvels enten mag. Hierbij komt de vrees,
+dat Joan, die zulk een onverzoenlijken haat tegen de Spanjaards heeft,
+veellicht, na het eindigen der _trêves_, de wapenen tegen zijn eigene
+betrekkingen, tegen zijn bloedverwanten zou voeren--en ik vraag mij
+zelven af, of ik Joan omtrent zijn geboorte de geheele waarheid moet
+openbaren. Gij herinnert u, Dominee! dat Velasco, Joans vader, door
+mijn ruiters wreed vermoord werd!"
+
+Hier eindigde Reede. De Predikant zweeg, en lang zaten beiden over
+elkander in diep gepeins verzonken, bij hen zelven overleggende, op
+welke wijze de zwarigheden, die zoowel het verborgen houden als het
+ontdekken van het geheim met zich bracht, uit den weg zouden kunnen
+geruimd worden. Eindelijk verzocht de Predikant, dat de Baron hem den
+nacht ter overdenking zoude vergunnen, belovende hij aan Z. Edelheid
+den volgenden morgen een stellig antwoord te brengen. Reede willigde
+dit verzoek in, en de conferentie werd op _reces_ gescheiden.
+
+Het was reeds duister, toen de Baron op het slot terugkwam. Het
+avondmaal werd opgedischt en was haastig afgeloopen: de Baron en
+Joan waren beiden vol gedachten en spraken weinig of niet. Ulrica
+daarentegen snapte onophoudelijk door over de schoone Gravin, haar
+page, haar koetsier met zijn groote knevels en de fraaie wapens op de
+koets. Toen de oude Geertrui haar, na het avondeten, was komen halen,
+stond haar vader insgelijks op, met oogmerk om naar zijn kamer te gaan;
+doch Joan sprong op, als uit een droom ontwakende en hield hem tegen.
+
+"Vader!" riep hij: "kan ik nog een oogenblik met u spreken?"
+
+"Heeft het zooveel haast, Joan?" vroeg de Baron: "ik heb thans het
+hoofd vol."
+
+"Een oogenblik slechts, vader!" herhaalde Joan, en bleef toen een
+poos al weifelende staan.
+
+"Nu! komt er wat?" vroeg Reede, ongeduldig.
+
+"Ja vader! ik wilde u vragen.... ik wilde maar weten.... wie mijn
+moeder was."
+
+Deze laatste woorden sprak hij zeer schielijk uit, als had hij
+gevreesd, dat ze hem in de keel zouden hebben blijven steken, indien
+hij nog een oogenblik gedraald had.
+
+De Baron sprong achteruit, alsof de bliksem voor zijn voeten ware
+gevallen: "Jongen!" riep hij: "Zijt gij dol? hoe komt gij aan die
+vraag?"
+
+De bleekheid, welke des Barons gelaat bedekt had bij de onverwachte
+vraag van zijn pleegzoon, ging over op de wangen van dezen, zooras
+hij, aan de uitwerking, die zijn woorden gemaakt hadden, bespeurde,
+dat alles niet geheel zuiver was met zijn geboorte. Nadat hij den
+Baron een tijdlang sprakeloos had aangezien, berstte hij in tranen
+uit en herhaalde met angst: "Vader! in Gods naam! zeg mij, wie was
+mijn moeder?"
+
+"Ik weet het niet," zuchtte Reede en wierp zich in een stoel, het
+gelaat met de handen bedekt houdende.
+
+"Gij weet het niet," herhaalde Joan, als versteend. "Ach vader!" kreet
+hij, zich voor den Baron nederwerpende en diens handen met kussen
+bedekkende: "zeg mij toch! wanneer, waar, hoe ik geboren ben, wie
+mijn moeder was: gij zult het immers weten. Och! ik vrees, dat het
+maar al te waar is, hetgeen ik van morgen gehoord heb."
+
+"Wat hebt gij gehoord?" vroeg Reede, opziende.
+
+"Dat ik een basterd ben," antwoordde Joan, zijn hoofd in den schoot
+des Barons verbergende. Een lange pauze volgde.
+
+"Vader!" riep Joan eindelijk, onder herhaalde omhelzingen en tranen:
+"Vader! ik bid u, martel mij zoo niet! Spot niet met een ongelukkigen
+knaap. Zoo ik een basterd ben, heb ik toch een moeder gehad. O! leeft
+zij nog? wie was zij toch?"
+
+"Ik weet het niet, waarachtig niet, lieve beste Joan!--Maar,"
+vervolgde de Baron na eenige oogenblikken stilte, "van wien hebt gij
+toch gehoord, dat gij mijn zoon niet zijt?"
+
+"God zegen mij!" gilde Joan opspringende: "zijt gij mijn vader
+niet? Heb ik dan noch vader noch moeder! O ik ongelukkige!"
+
+"Geene anderen dan God in den Hemel, beste jongen!" zeide de Heer
+van Sonheuvel, snikkende.
+
+"Maar ik heb toch ouders gehad," vervolgde hij, met een dringende stem.
+
+"Hoor Joan! wees bedaard! ik zal u alles verhalen: alles.... wat ik
+u verhalen kan. Ga zitten en wees bedaard; ik zal u alles zeggen:
+drink een roemer wijn: gij zijt ongesteld."
+
+De Baron vulde twee roemers, leegde den zijnen in één teug en schoof
+den anderen naar Joan, die hem met bevende lippen, bij tusschenpoozen
+uitdronk. Vervolgens plaatsten beiden zich dicht bij elkander; de
+Baron nam Joans hand tusschen de zijne, en ving aldus aan met spreken:
+
+"Uw vraag, Joan! lokt een gesprek uit, dat wij toch vroeg of laat
+moesten hebben. Neen! gij zijt mijn zoon niet, noch die mijner zalige
+vrouw; doch eer ik u eenige inlichting geve omtrent het geheim uwer
+geboorte, wilde ik vernemen, wat tot den twijfel aan de echtheid
+daarvan aanleiding heeft gegeven."
+
+Joan vertelde hem de ontmoeting met Teun Wezer en den page.
+
+"Ik heb u nooit op leugens betrapt, Joan!" zeide de Baron, verwonderd
+over dat verhaal: "anders zou ik denken, dat gij door Bouke of Geert
+waart ingelicht, onder voorwaarde van hen niet te noemen, en dat gij
+daarom dat historietje bedacht hadt."--Joan bevestigde de waarheid
+van zijn verhaal met den meesten nadruk.
+
+"Ik geloof u," hervatte Reede, "ofschoon ik er niets van begrijp:
+echter kan ik Bouke en Geert niet verdenken, dat zij zich zooverre
+versproken zouden hebben.... wel is waar, de oude vrouw valt wat
+praatziek, vooral omtrent den tijd van Mevrouw zaliger: doch gij
+ziet mij met ongeduld aan en ik begrijp u. Hoor toe: de geschiedenis
+zal ongelukkig kort genoeg zijn. In 1598 lichtte ik een Spaansch
+konvooi op: onder de lijken der gesneuvelde Spanjaarden vond ik
+een schreiend kind: dat waart gij; uit medelijden trok ik mij uwer
+aan en bracht u bij mijn brave vrouw: wij besloten u op te voeden,
+en zij deelde haar teederheid tusschen u en Ulrica, totdat zij ons,
+helaas te vroeg! ontviel. Sedert beminde ik u als zoon: dit hebt
+gij ondervonden: gij weet of ik ooit eenig onderscheid gemaakt heb
+tusschen u en Ulrica. Gij zwijgt?--Gij schudt het hoofd?--Is het om
+de oorveeg, die ik u straks gegeven heb? Ach! zoo ik geen vaderlijk
+hart voor u had, zou ik mij dan uw gewaande Arminianerij zoo sterk
+hebben aangetrokken?"
+
+"Spreek daarvan toch niet langer, vader!" zeide Joan: "ik dacht in
+dit oogenblik alleen aan de goedheid, die gij mij bewezen hebt en
+aan mijn ongeluk, dat ik u niet langer den naam van vader geven mag."
+
+"Dat moogt gij, zoolang ik leef, Joan, want mijn liefde voor u blijft
+altijd dezelfde."
+
+"En hebt gij niets meer omtrent mijn geboorte kunnen ontdekken,
+dan hetgeen gij mij verhaald hebt?"
+
+"Niets: al mijn nasporingen zijn vruchteloos afgeloopen. Ik betuig u,
+niets onbeproefd te hebben gelaten, om naar uw ouderen te vernemen;
+doch niemand buiten ons heeft zich uwer aan willen trekken."
+
+Lang nog zaten zij over elkanderen, schoon zij weinig of niets meer
+spraken. Joan scheen het beeld der droefheid: hij bleef in gepeinzen
+verdiept, en dacht meer na, wat hij vragen wilde, dan hij werkelijk
+vroeg. Met den Baron had het tegenovergestelde plaats. Deze scheen
+beducht voor vragen en trachtte die zooveel mogelijk te ontwijken:
+het voorgevallene bij de overrompeling van 't Spaansche konvooi stond
+hem nu weder zoo levendig voor den geest, als op 't oogenblik, toen het
+werkelijk voorviel, en gedurig zweefde hem de stervende Velasco voor
+oogen. Met opzet had hij diens dood, ja diens naam in zijn verhaal niet
+gemeld, en wist niet hoe hij het klaren zou om hem maar geheel buiten
+'t spel te laten. Eindelijk stond hij op, drukte Joan aan zijn hart,
+beval hem aan, bedaard te zijn en van al wat hij gehoord had aan
+niemand, vooral aan Ulrica, geen woord te reppen, wenschte hem een
+goede nachtrust en begaf zich naar zijn slaapvertrek, waar Bouke,
+die reeds lang het laat opblijven zijns meesters verwenscht had,
+half slapende binnentrad. Zonder een woord te zeggen liet de Baron
+zich ontkleeden, trok naar bed, bleef nog lang peinzen en malen en
+geraakte niet dan met den nanacht in slaap.
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Het kiezen en verkiezen is een groot verscheel.
+
+ _Spieghel_.
+
+
+"Wel Mijnheer!" zeide Bouke, toen hij den volgenden morgen het
+slaapvertrek des Barons voor de derde maal binnentrad; "UEd. schijnt
+het spreekwoord vergeten te hebben: ""beslapen is uw morgenwerk,
+bedorven is uw dagwerk.""
+
+"Hoe laat is het dan?" vroeg de Baron, het hoofd oprichtende.
+
+"Maar effentjes negen uren, als 't UEd. blieft, en ik ben reeds twee
+keeren hier geweest."
+
+"Is 't mogelijk? Ja ik ben eerst laat in slaap geraakt."
+
+"Waarachtig, Mijnheer! het huishouden is in de war: het was geloof
+ik halféén, eer de Jonker in bed lag: hij, die daarenboven met den
+jachttijd zoo vroeg bij de werken is."
+
+"Hoe heeft Joan geslapen?" vroeg Reede, terwijl hij zijn kousen opbond.
+
+"Ja! dat durf ik niet beloven dat goed geweest is: UEd. moet hem dan
+gisteravond geweldig onderhanden gehad hebben. Van morgen te zeven
+uren ging hij op de jacht en had oogen als potten zoo dik en als
+aalbessen zoo rood. Schort er wat aan, Jonker! zeide ik--neen! zeide
+hij en drukte mij de hand; maar de tranen rolden hem als dikke
+Meiregendruppelen langs de wangen. Toen draaide hij mij opeens den
+rug toe en liep met groote stappen het slot uit."
+
+"Die arme jongen!" zuchtte Reede: "doch het heeft zoo moeten wezen!"
+
+"Is het dan wezenlijk waar, heer Baron! dat hij een Arminiaan
+geworden is!"
+
+"Droom je? wie heeft dat zotte praatje in de wereld gebracht?"
+
+"Dat weet ik niet, maar gisteravond was het heele dorp er vol van."
+
+"Men deed beter den bek te houden, dan zulke grollen te vertellen,"
+zeide de Baron met bitsheid, vergetende, hoe hij zelf den vorigen
+dag wegens dezelfde aantijging tegen Joan was uitgevaren.
+
+"Maar Bouke!" vervolgde hij: "ik wilde wel eens weten, wie van u
+beiden, Geert of gij, uit de school geklapt heeft en aan Joan het,
+geheim zijner geboorte ontdekt?"
+
+"Weet hij er iets van?" vroeg Bouke, verbaasd een stap terugtredende:
+"ik althans heb gezwegen als een mof."
+
+"Heeft Geert dan gebabbeld? want dat sprookje wegens den page is
+te gek."
+
+"Daar hebben wij 't al," zeide Bouke: "ja die page is een duivel van
+een vent. Heeft hij niet eergisteravond zijn hof aan de oude Geert
+gemaakt, alsof zij een jonge deern ware?"
+
+"En heeft zij den lafbek onze geheimen overgebriefd?" vroeg Reede
+met drift.
+
+"Geert is oud en wijs genoeg, om voor haar zelve te antwoorden,"
+zeide Bouke, zich buigende.
+
+"Dat is een Menist antwoord, Bouke! zeg mij spoedig wat gij van de
+zaak af weet."
+
+"Met UEds. verlof, dat kan ik niet. Elk weet waar hem de hoos
+schuurt, en op alle reên eigent geen antwoord. Zoo UEd. liever over
+dat onderwerp met Geertrui zelve geliefde te redekavelen;.... maar
+ik heb vergeten UEd. te zeggen, dat Dominee al sedert een uur in de
+benedenzaal zit en verlangt UEd. te spreken."
+
+"De Dominee beneden? Dat hadt gij mij wel eerder mogen zeggen. En
+waarmede heeft die goede man al den tijd zoek gebracht?"
+
+"O! op een zeer aangename wijze: hij heeft met de freule over de
+opvoeding van haar kippen en met de oude Geert over de zedelijke
+verbastering der eeuw gepraat. Het was stichtelijk om aan te hooren."
+
+"Hij had Geert liever over haar babbelen moeten onderhouden."
+
+"Met UEds. verlof, Mijnheer! UEd. heeft van mij niet gehoord, dat Geert
+gebabbeld heeft: onder dienstboden is men niet gaarne de zegsman van
+dergelijke praatjes: wat er van de zaak is, weet ik niet precies;
+doch met den Jonker heeft zij er niet over gesproken, daarop kan
+UEd. gerust zijn."
+
+"Nu! wij zullen zien. Breng het ontbijt maar boven en verzoek Dominee
+hier te komen. Gij moet aan Ulrica maar zeggen, dat ik niet afkom,
+dat ik wat pijn in 't hoofd heb.... of dat ik wat jichtig ben."
+
+"Pijn in 't hoofd! Dat zal immers niemand gelooven! UEd. is immers
+altijd gezond.--Jichtig! daar geeft UEd. ook wat om! Als ik zoo iets
+verhaalde, dan ging van avond het praatje door 't dorp, dat UEd. ('t
+geen God verhoede) op sterven ligt."
+
+"Bedenk dan wat anders! doch breng Dominee en het ontbijt hierboven:
+of liever, breng maar geen ontbijt: ik heb geen honger en zal wel
+fluiten als ik iets noodig heb."
+
+"Geen honger!" herhaalde Bouke: "nu begin ik waarlijk te gelooven
+dat UEd. niet wel is!"
+
+"Doe wat ik u heet, Bouke! en haast u. Ik begeer geen woord meer,"
+zeide Reede wrevelig. Bouke haalde de schouders op en vertrok.
+
+"Wat duivel is dat?" mompelde hij tegen zich zelven: "gisteren avond
+over twaalven naar bed gegaan? een gat in den dag geslapen! geen
+honger! mij ouden dienstknecht een grauw te geven alsof ik een losse
+jongen ware van een braspenning in de week! de oude Heer zeker is
+niet wel."
+
+Het leed niet lang, eer de Predikant boven kwam: hij trad met een
+ongemeene plechtigheid de slaapkamer in: een nieuwe kalot bedekte zijn
+hoofd, en de Zondagsche rok versierde zijn leden: met den grootsten
+ernst sloot hij de deur achter zich toe, klemde den hoed met den
+linker-elleboog stijf tegen de borst aan, liep recht op den Baron toe,
+leunde de twee duimen op de tafel, zag den Heer van Sonheuvel vlak in
+'t gezicht en zeide vervolgens: "gij zijt als een Christen verplicht,
+Joan alles te zeggen."
+
+"Dat behoeft niet Dominee," was het antwoord: "want ik heb hem reeds
+alles gezegd."
+
+"Alles? is het mogelijk?"
+
+"Alles! dat is te zeggen, op eenige uitzonderingen na. Doch neem een
+stoel Dominee: ik zal u mijn onderhoud met den knaap verhalen. Ga
+gerust zitten. Door dien stoel zult gij zoo licht niet heen zakken,
+als ik gisteren door den uwen."
+
+Hierin had de Baron gelijk: want de stoelen, die op zijn kamer stonden,
+waren van zwaar eikenhout, met groote beelden en loofwerk versierd. De
+zware armleunsels pronkten met bruine hertenkoppen en stonden wijd
+genoeg van elkander om een verliefd paar te omvatten: de zitting en de
+rug waren met tapijtwerk bekleed, waarop een jachtpartij was afgebeeld:
+hetzelfde patroon werd op de drie-dubbele kussens, op het behangsel der
+wanden en op de sprei van het bed teruggevonden.--De overige meubelen
+hadden minder overeenstemming. Vlak over het onmetelijke ledikant,
+'t geen in eene naar evenredigheid vrij nauwe alkoof stond, hing
+een rek, met armbussen, bogen, pijlen, zinkroeren, hartsvangers,
+pistolen enz. beladen: daarnaast het afbeeldsel der Barones, ten
+voeten uit in haar trouwgewaad voorgesteld; want de mode om zich in
+een _allegorisch_ of herderlijk gewaad te laten portretteeren was
+toen nog niet in zwang gekomen. Aan weerszijden der kamer was een
+raam met kleine beschilderde ruiten, waardoor de zon slechts flauwe
+stralen schoot. Onder een dier ramen stond een zware tafel, waarop een
+bijbel lag, benevens een psalmboek, een exemplaar van de Utrechtsche
+Unie, keurig ingebonden, het jachtrecht van Gelderland, de kroniek
+van Gheraert Leeuw, eenige vlugschriften en een paar godvruchtige
+boekskens, uitmakende de gansche lectuur van den Baron. De andere
+tafel, waaraan hij met den Predikant gezeten was, was ledig. Over de
+deur stond een vervaarlijk groot kabinet, waarop eenige zeer kleine
+wassenbeeldjes onder glazenstolpen: daarnaast hingen de kleederen
+des Barons en een fraai schoonschrift van omstreeks een voet in 't
+vierkant, met houten lijst en snijwerk van anderhalf voet breedte
+en dikte; welk schoonschrift den naam des Barons voorstelde in
+figuren, alsmede het wapen van Sonheuvel, zijnde een zilveren balk
+met zes dergelijke leliën op een rood veld: alles fraai met kleuren
+afgezet. Onder dit kunststuk stond een tafeltje met glazen deuren, dat
+gevuld was met roemers, bokalen, fluiten en kroezen van onderscheidene
+grootten en vormen. Wanneer de teekenaar of graveur, die in later
+tijden zijn talenten aan een prachtuitgave dezer geschiedenis zal
+ten koste leggen, zich hierbij den Baron voorstelt, gezeten in een
+zorgstoel, die al de overige stoelen in omvang overtreft, en gekleed
+in een zwart fluweelen tabberd met afhangende open mouwen, waaronder
+een geelzijden overrok met zwarte bloemen, een broek van zwarte zijde,
+roode kousen en pantoffels met zwart fluweel, dan zal hij bouwstoffen
+genoeg hebben tot het vervaardigen van een aangenaam _vignet_, het
+gesprek van den Baron met den Predikant voorstellende: en hij zal
+daarentegen, als _pendant_, het bezoek van Reede bij Raesfelt, door
+ons in 't vorige hoofdstuk verhaald, kunnen overstellen. Dan, 't is
+tijd, dat wij opgeven, wat in deze tweede samenkomst verhandeld werd.
+
+Nadat door Reede aan den Predikant vrij omstandig het onderhoud
+verhaald was, dat hij 's avonds te voren met Joan had gehad, en dat
+Raesfelt, die opmerkzaam luisterde en voor 't eerst de kerkelijke zaken
+ten gevalle van dit belangrijk punt scheen uit het hoofd te hebben
+gezet, het door den Baron gehouden gedrag volkomen had goedgekeurd,
+ontstond het zwaarwichtig vraagpunt, wat er nu met den jongeling ware
+aan te vangen. Nadere pogingen bij zijn vermoedelijk gezin te doen,
+scheen nutteloos en ongeraden; hem zelven derwaarts te zenden, nog
+dwazer en onvoegzamer: daarenboven kon de Baron (als reeds gezegd
+is) er niet toe besluiten, om den knaap zijn betrekking tot Velasco
+mede te deelen; terwijl Raesfelt begreep, dat een jong mensch,
+door hem in de echte gereformeerde religie, en door den Baron van
+Sonheuvel in de liefde voor het Gemeenebest opgevoed, nimmer onder
+de Spanjaards zou kunnen aarden, ook al wilde Don Louis de Velasco
+hem als neef erkennen. Joan daarentegen een rang bij het leger, de
+vloot, het hof of zelfs de Compagnie te doen bekleeden, was aan even
+groote, zoo niet grootere zwarigheden onderhevig. De Baron wilde het
+niet op zijn rekening hebben, dat hij hem tegen vijanden zenden zou,
+die met hem van ééne afkomst en met zijn vader van één geloove waren,
+terwijl Raesfelt aanmerkte, dat men zich alsdan in de verlegenheid zou
+bevinden, waarin David zich bevond, toen hij aan het hof van Koning
+Achis leefde en door dezen tegen zijn eigen landgenooten gezonden werd.
+
+"Ik zoek raad bij u, Dominee!" zeide eindelijk de Baron: "en gij
+brengt mij hoe langer hoe meer in de war. Ik weet waarlijk niet,
+wat met hem aan te vangen."
+
+"Is er geen mogelijkheid, hem ergens heen te sturen, waar hij zich een
+vast bestaan kan maken?" vroeg Raesfelt: "zou hij niet in Engeland
+of in Duitschland zijn geluk kunnen beproeven, tot hij rijper jaren
+en oordeel heeft. Dan kan hij naderhand zelf kiezen."
+
+"Hem wegsturen?" riep Reede met droefheid: "hem naar vreemde landen
+sturen? Dominee! welk een wreeden raad geeft gij mij daar! Ik zou hem
+niet meer onder mijn leiding hebben! Hij zoude uw goede lessen missen,
+onder vreemd krijgsvolk vreemde zeden en gevoelens aannemen! Neen
+dat nooit, Dominee!"
+
+"Ik geef raad naar mijn beste weten," zeide de Predikant, de schouders
+ophalende.
+
+"Weet gij niets anders?" vroeg de Baron.
+
+"Neen!" zeide Raesfelt, zuchtende en het hoofd droevig schuddende,
+terwijl hij de handen voor de borst vouwde en zijn knokkels bekeek:
+"denk er eens over na, heer Baron!" vervolgde hij, na een oogenblik
+zwijgens. Een wijl daarna hief Raesfelt weder het hoofd op en vroeg,
+eenigszins schroomvallig, of Joan ook naar Leiden zou gaan en in de
+rechten studeeren.
+
+"Is de jongen dan voor advocaat in de wieg gelegd?" hernam de Baron:
+"hij heeft een edelmansopvoeding genoten: rijden, rossen, jagen,
+met den dag in 't veld zijn, de paarden temmen en de honden bekwaam
+maken, dat kan hij; maar op zijn kamer te zitten blokken, daartoe is
+hij niet opgevoed."
+
+"De _humaniora_, dat zijn de beginselen der taal, verstaat hij echter
+door Gods zegen," zeide Raesfelt: "en wat het blokken betreft, heeft
+hij niet, meer dan eens, uren achtereen op mijn kamer doorgebracht?"
+
+"Ja, dat geloof ik, Dominee," zeide de Baron, lachende: "in dien stoel
+zonder zitting: dat is ook een gevangenis, waar men niet uitkomt,
+als men er zich eens heeft ingewerkt. Doch wij zullen zien: ik zal er
+den knaap over spreken en hem tusschen twee voorstellen laten kiezen,
+zoolang er zich geen derde opdoet."
+
+"God geve, dat het tot zijn tijdelijken en eeuwigen voorspoed gedije,"
+zeide Raesfelt.
+
+"Amen!" zuchtte de Baron hem na, de muts afnemende. "Maar," vervolgde
+hij, van toon veranderende: "zullen wij niets gebruiken? Hebt gij reeds
+iets genuttigd, Dominee?" Dit zeggende nam hij een zilveren fluitje,
+dat naast hem aan den wand hing, en floot twee reizen achtereen.
+
+"Ik dank UEd. vriendelijk," antwoordde de Predikant: "ik ben reeds
+lang verzadigd."
+
+"Maar ik niet, Dominee; en daarenboven, gij moet een glas
+Rijnschen wijn met mij drinken op den goeden uitslag onzer
+pogingen. Bouke!" vervolgde hij tegen zijn ouden dienaar, die de kamer
+binnentrad: "breng een kan wijn binnen en zet twee roemers op tafel."
+
+"Welken wijn zal UEd. drinken?" vroeg Bouke, met een stemmig gelaat:
+"waarschijnlijk van dien zoeten wijn, welken UEd. van den koopman
+Knipvisch uit Rotterdam hebt ontvangen."
+
+"Droom je, Bouke? Drink ik ooit van dat laffe goed? Dat heeft hij
+immers gestuurd voor zwakke en zieke menschen. Haal van dien ouden
+Hochheimer van het vat aan de linkerhand!"
+
+"Maar durft UEd. daar wel van te drinken? Ik dacht...."
+
+"Gij dacht als een gek!--En breng toch wat ontbijt: ik rammel van
+den honger."
+
+"Ik zal zien wat er is," hernam Bouke, altijd even stemmig van wezen:
+"belieft UEd. een paar sneden wittebrood en een hoendervlerk?"
+
+"Welzeker niet," antwoordde de Baron, driftig: "weg met die
+liflaffen. Breng een paar hompen ham of een worst, zooals gewoonlijk."
+
+"Zoo!" zeide Bouke, die er een schalksch vermaak in schepte, zijn
+Heer een weinig te plagen: "ik dacht anders dat UEd. niet wel waart
+en hoofdpijn hadt."
+
+"Hoofdpijn? Heb ik dat gezegd? heb ik ooit hoofdpijn? Is de kerel dol?"
+
+"Of jichtig? weet ik het? voor de jicht althans deugt de ham
+niet-met-al."
+
+"Jichtig! geef ik daar wat om? Haal wat ik zeg en reutel niet meer."
+
+"Ik meende, dat UEd. straks anders gesproken had; maar Bouke zal
+het wel missen: het past mij niet, UEd. tegen te spreken; want wiens
+brood ik eet, diens woord ik spreek;.... dan ik ga al, ik ga al." Dit
+zeggende, vertrok hij en kwam spoedig terug met den wijn. De Predikant
+moest tegen wil en dank een paar roemers ledigen en nam vervolgens
+zijn afscheid: de Baron bleef zitten peinzen, totdat de kan ledig was.
+
+"Zal ik U een andere brengen?" vroeg Bouke: "op één been kan niemand
+staan."
+
+"Dat behoeft niet: ik heb voor ditmaal genoeg. Zeg eens, Bouke! gij
+kunt mij misschien goeden raad geven. Wat zal ik van Joan maken? een
+officier of een advocaat?"
+
+Bouke schoot luidkeels in een lach: "een advocaat," riep hij:
+"UEd. schertst er mede."
+
+"Volstrekt niet: ik ben in lang zoo ernstig niet geweest."
+
+"Een advocaat! is de Jonker van het deeg, daar men advocaten van
+kneedt? zulk een knap, fiksch jonkman! Kom dat kan UEd. niet meenen."
+
+"Hij zal toch iets dergelijks moeten worden," hernam de Baron:
+"zoo hij niet liever verkiest in vreemde landen te gaan dienen."
+
+"Welnu! laat hij dat doen," zeide Bouke: "dan kan er iets grootsch van
+hem groeien: zoo de mensch hem zet, waait hij in zijn net, en die 't
+hoofd te beurt valt, die scheert den baard: wie weet het? Misschien
+wordt hij met den tijd kolonel of nog meer en draagt een sjerp en
+een halsberg: dat zal hem anders staan dan een bef of mantel."
+
+"Maar bedenk toch, Bouke! een knaap van zijne jaren zoo maar zonder
+leiding naar een vreemd land te sturen! Wat moet er van hem worden?"
+
+"Alleen kan hij niet gaan," hernam Bouke: "kalfvleis, halfvleis:
+jongelui, domme lui. UEd. moet naar een geschikt persoon omzien,
+die hem op reis verzellen kan."
+
+"En wien zal ik met de zorg van zulk een wildebras belasten? Hij
+moet iemand bij zich hebben, die niet van hem afwijkt, hem vermaant
+en leidt en onderricht."
+
+"Zoodanig een zal UEd. moeilijk vinden, of UEd. moest zelf medegaan."
+
+"Daarom juist wil ik hem niet van de hand sturen: en echter geloof ik,
+dat Dominee in den grond gelijk heeft, en dat er weinig anders opzit."
+
+"Dominee! heeft Dominee dat aangeraden? en is het UEd. die er, niet
+aan wil? Ik had eer gedacht dat Zijn Weleerwaarde nog een preeker van
+den jongen had willen maken of ten minste een geleerde; want ieder
+zot zijn marot, elk meent zijn uil een valk te zijn, en de koekoek
+en sijs zingen twee wijs: doch hier is het andersom;.... maar, in 't
+voorbijgaan gezegd: de oude Geert heeft mij verzocht UEd. te zeggen,
+dat de page van het geheim wegens Joan onderricht scheen en haar
+eenige vragen gedaan heeft, die zij met behoedzaamheid beantwoord
+heeft: zij verzoekt UEd. haar deswege niet hard te vallen, vermits
+zij over het weinige, dat zij gezeid heeft, zooveel berouw heeft als
+haren op haar hoofd."
+
+"Nu, dan zal het berouw niet groot zijn," viel Reede lachend in:
+"want haar kapsel is grootendeels uitgevallen."
+
+"In één woord, het spijt haar zeer," vervolgde Bouke, "en het zou
+haar innig grieven, indien UEd. haar, die bij Mevrouw zaliger zoo in
+achting was...."
+
+"Ik weet al genoeg, Bouke! het is de oude Geert of zij sprak: nu,
+laat zij in 't vervolg voorzichtiger zijn; dan zullen wij hierover
+niet verder spreken. Dan, om weer tot de zaak te komen: gij zeidet,
+ik zou naar een vertrouwd mensch uitzien, om Joan naar den oorlog te
+vergezellen, nietwaar?"
+
+"Om UEd. te dienen, ja! dat zeg ik nog."
+
+"Welnu! ik bedenk daar wat: ik ken maar één man, van wiens geschiktheid
+tot zulk een post de ondervinding mij overtuigd heeft en die man
+zijt gij."
+
+"Ik Mijnheer!" zeide Bouke, verbaasd terugtredende; "UEd. zou toch
+niet verlangen...."
+
+"Dat gij en niemand anders den Jonker op reis vergezeldet, als
+kamerdienaar, onderwijzer, schildknaap, paedagoog, zedenmeester,
+raadsman, vriend, in één woord, met volmacht om hem door de wereld
+te krijgen, zoodat hij naar lichaam en ziel even gezond en braaf
+terugkeere als hij heen zal gaan."
+
+"En zou UEd.," hernam Bouke, het hoofd schuddende en zich een traan
+uit de oogen vegende, "uwen ouden getrouwen Bouke, die u nooit een
+dag verlaten heeft, zoo maar op een bof heenzenden? Hoe zal Bouke
+het zonder UEd., en UEd. het zonder Bouke maken?--Wie zal uw paarden
+knap houden, uw honden probeeren, uw valken africhten, uw kleeren
+afschuieren, uw kerse-, vinke- en snippenetten breien, uw geweren
+schoonmaken, uw...."
+
+"Ik weet het allemaal wel, Bouke! maar denk eens om den armen Joan. Gij
+houdt immers veel van hem?"
+
+"Dat doe ik: ik liep voor hem door een vuur: doch UEd. kan niet buiten
+mij, en ik niet...."
+
+"Denk eens na, Bouke! Hier muft gij uw tijd weg. Gij wordt voorzeker
+tien jaren jonger als gij in 't leger komt."
+
+"Nu! nu! daar is wel wat aan! doch het bestand zal niet eeuwig
+duren en op de Spanjaards klop ik nog liever dan op anderen, die mij
+niet raken."
+
+"Tegen het einde van het bestand keert gij terug: dan is Joan in
+staat zelf een keus te doen, wat hij verder uit wil voeren."
+
+"Verbeeld u eens, Mijnheer! Ik, die oud en stram word, zou zulk een
+wildzang onder mijn appèl moeten houden. Ongelijke schotelen maakten
+slinksche oogen: de ezel en de drijver denken niet ééns: dan zou
+hij een jonge deern, dan een half vendel musketiers, dan een fraai
+rijpaard, dan een reebok nazitten, en eer ik met mijn oude beenen
+een tiende gedeelte van den weg had afgeleid, zou hij er al wezen:
+en dan ware het: fluit maar! neen, dat gaat nooit."
+
+"Gij spreekt er met zooveel vuur over, Bouke! dat ik in mijn meening
+versterkt word: ik verzeker u, het zal u beter bevallen dan gij denkt:
+en gij, die altijd met uw spreekwoorden in de weer zijt, moest ook
+eens bedenken, dat een oude voerman gaarne het klappen van de zweep
+hoort. Doch ik wil u niet op 't lijf vallen: ook weten wij nog niet,
+waar Joan zelf zin in heeft: denk er intusschen eens over na: morgen
+zal ik uw besluit vernemen.--Geef mij nu mijn hengel: het is te
+laat om te gaan jagen: ik zal zien of er nog karpers in den vijver
+zijn. Zoodra Joan van de jacht komt, moet ik hem spreken."
+
+De Baron ging uit, zette zich op een groote tuinbank aan den vijver
+neder en wierp den hengel in 't water. Zijn bekommeringen beletteden
+hem echter, eenige aandacht aan zijn verrichting te schenken: achteloos
+hield hij den rietstok vast en liet de karpers ongestoord het aas
+van den angel halen. Nadat hij een uur ongeveer aldus gezeten had,
+kwam Bouke hem zeggen, dat Joan terug was en verzocht, Zijn Edelheid
+te mogen spreken.
+
+Hoezeer de Baron zelf dit onderhoud verlangd had, zag hij er nu tegen
+op en duwde Bouke toe, dat hij thans aan 't visschen was en dat Joan
+een gelegener tijdstip moest afwachten.
+
+"Ik zal zeggen dat UEd. den hengel in handen heeft," zeide Bouke,
+"want visschen mag het niet heeten."
+
+"Ei, en waarom niet?"
+
+"Ziet UEd. niet, dat de lijn om den dobber is geslagen en in een
+waterlelie verward zit? Wat drommel is dat?" vervolgde hij, de lijn
+uithalende, "de hoek is geheel kaalgegeten. Op zulk een wijze zal
+UEd. niet veel vangen."
+
+"Ik heb nergens trek in," zeide Reede, de angelroede verstoord tegen
+den grond werpende.
+
+"Daar komt de Jonker zelf aan. Wil ik den hengel maar naar huis
+brengen?"
+
+"Neen! ja, ja toch, en laat Joan maar komen: ik zal hem toch moeten
+spreken," zeide de Baron, half beschaamd over zijn onzekerheden.
+
+Bouke vertrok en de Baron zette zich onrustig neder en zag voor
+zich; nu en dan echter keek hij steelsgewijze naar Joan, die eerst
+wankelende, vervolgens met een vasten stap op hem afkwam. "Waarlijk,"
+dacht Reede: "hij is toch een knappe jongen: het zou jammer zijn,
+indien er niets beter dan een geleerde van worden moest."
+
+"Vader!" zeide Joan, toen hij den Baron genaderd was: "ons gesprek van
+gisteren heeft mij stof gegeven tot velerlei overdenkingen. De slotsom
+daarvan is geweest, dat ik, eenmaal mijn waren toestand kennende,
+geen recht heb, hier langer een onnutte kostganger te wezen: ik heb
+geen ouders, geen betrekkingen, geen vaderland, niets dat ik mijn
+kan noemen...." hier stroomden heete tranen uit zijn oogen: "vergun,
+o vergun mij die te gaan verwerven. In verscheidene landen wordt er
+gestreden. Sta mij toe, dat ik bij deze of gene vreemde Mogendheid
+dienst neme en mijn fortuin beproeve: geef mij uw vaderlijken zegen op
+reis mede en wees verzekerd, dat mijn gedrag dien nimmer onteeren zal."
+
+Bij het uiten dezer woorden knielde hij voor zijn pleegvader neder. Tot
+in de ziel geroerd over het edel gedrag des jongelings, sloeg Reede
+met luide snikken de armen om diens hals en drukte hem in vervoering
+tegen zijn hart. Te aangenamer was de Baron aangedaan, omdat hij,
+nu Joan zelf gesproken had van dienst te nemen, ontslagen was van den
+last om hem daartoe het voorstel te doen. "Mijn zegen en mijn beste
+wenschen," zeide hij, "zullen u altijd vergezellen, mijn zoon! waar gij
+u moogt begeven: ik ben zeker, dat ik mij uwer nimmer zal behoeven te
+schamen. Doch," vervolgde hij, geen misbruik willende maken van Joans
+grootmoedige opwelling: "waarom zoudt gij ons nu verlaten? Kunt gij
+niet blijven, tot gij ouder van jaren zijt en een keuze doen kunt:
+of zoudt gij ook willen studeeren?.... zeg openhartig uw zin."
+
+"Vergeef mij, vader! onder mijn valschen naam kan noch wil ik langer
+hier blijven: ik heb reeds lang genoeg rechten uitgeoefend, die mij
+niet toekomen, en mijn gevoel zou er tegen aandruischen om langer
+de Jonker van Sonheuvel genaamd te worden. En om als een gevonden
+kind, als een basterd, hier of te Leiden bekend te zijn, daartoe,
+vergeef het mij vader! ben ik te eergierig; misschien is dat dwaas
+van mij, en zal ik met de jaren mijn hoogmoed leeren onderdrukken;
+doch nu kan ik het denkbeeld niet verdragen, dat ik, die in geheel
+de omstreek altijd als de erfgenaam van Sonheuvel heb doorgegaan,
+opeens door den kleinsten boerenjongen met den vinger zou worden
+nagewezen. Ik moet onder een vreemden naam een vreemd land opzoeken,
+en dáár mijn bevordering aan mijzelven dank weten."
+
+"De Dominee en Bouke hebben u recht beoordeeld, mijn zoon!" zeide
+de Baron: "ik zal over uwen voorslag nadenken; staken wij thans
+dit gesprek en laten wij ons niet als kinderen aan onze droefheid
+overgeven. De etensbel roept ons aan tafel. Kom! geef mij uw arm en
+verzetten wij ons leed met een goed stuk reevleesch en een roemer
+wijn."
+
+Den volgenden morgen was Bouke in de diergaarde zijn gewoon werk
+gaan verrichten: reeds had hij aan de valken hun dagelijksch rantsoen
+toebedeeld en begaf zich naar de fazanten, die al klokkende naar hem
+toe kwamen om het brood op te pikken, dat hij uit zijn voorschoot
+schudde, toen Ulrica de omheining intrad, om, zooals zij dagelijks
+deed, deze verrichting met hem te deelen. Het meisje scheen geweend
+te hebben: althans haar oogen waren rood en haar lief rond gezichtje
+stond treurig.
+
+"Helaas!" dacht Bouke, "men moet huilen met de wolven: die met pek
+omgaat wordt beklad: het arme kind schreit zeker uit gezelschap
+mee. Goemorgen Freule!" vervolgde hij overluid: "komt ge het jonge
+goedje eens bezien? Zie eens welk een honger die stomme dieren
+hebben! kijk hoe zij pikken: wacht! daar komen de _Joanna_ en _Ulrica_
+aan: die zullen ook wel wat lusten."--_Joanna_ en _Ulrica_ waren
+twee kalkoentjes, die, alleen van een groot broedsel overgebleven,
+dat de prooi van een vos geworden was, door de twee kinderen aldus
+naar hun namen genoemd waren.
+
+"Ach Bouke! geef mij uw mandje en laat ik die voeren," zeide Ulrica.
+
+"Zeer gaarne!" zeide Bouke. "Maar wat zie ik," vervolgde hij. nadat
+hij het mandje aan het meisje overhandigd had, "gij geeft alles aan die
+schrokster van een _Joanna_, en uw naamgenootje krijgt bijna niets."
+
+Weenend verbeterde Ulrica haar ongelijke toebedeeling, gaf het
+mandje aan Bouke terug en bedekte haar gezicht met een tip van haar
+voorschoot.
+
+"Hoe heb ik het met u, Freule?" vroeg Bouke: "schort er wat aan? Is
+UEd. niet recht fiksch?"
+
+"'t Is niets Bouke! ik dacht om dat kalkoentje, en...." hier begon
+zij weder te schreien.
+
+"Welnu! dat kalkoentje wordt dik en vet, en ik zie geen reden om zoo
+bedroefd daarover te wezen."
+
+"Ja maar, ik huil, omdat het Joans kalkoentje is en dat hij zich zulk
+een pret voorstelde, het eens groot te zien, en dat hij het nu niet
+zien zal als het groot is."
+
+"O wee!" dacht Bouke: "Zij weet ook al van den moord af.--En waarom
+niet?" vroeg hij overluid.
+
+"Vader heeft mij gezegd, dat Joan een reis zal gaan doen: en vader
+en Joan zijn er bedroefd om: en ik ben ook zoo bedroefd: want wie
+zal nu met hem spelen en hem oppassen als hij ziek wordt en hem
+gezelschap houden!"
+
+"Ja!" zeide Bouke "dat weet ik niet. Mijnheer wenschte wel, dat ik
+met hem ging, maar dat gaat op mijn jaren zoo gemakkelijk niet meer."
+
+Staroogend zag Ulrica hem aan, greep zijn breede hand tusschen
+haar kleine poezele handjes en sprak: "En waarom zoudt gij het niet
+doen? Ei toch, Bouke! gij moest meegaan: dan zal ik veel geruster
+wezen, en vader ook, dat verzeker ik u."
+
+"Gij zijt een kleine vleister, Freule Ulrica!" zeide Bouke: "maar
+denk eens, of een oude sagrijn zou voegen bij een jongen bloed als
+Joan? dat ware immers lood bij kwikzilver: de uil is nog niet wijs
+genoeg om een hond zijn biecht te hooren. Doch, wat zei de Jonker er
+wel van? van zijn reis meen ik."
+
+"Ja, ik vroeg hem waarom hij toch van hier moest? en toen schreide
+hij en zeide: "lieve Ulrica! dat kan nu niet anders," en zoende en
+streelde mij:--en anders zeide hij niets."
+
+"Hm! hm!" dacht Bouke: "dan is 't misschien zoo kwaad niet. dat hij
+van hier gaat: want vuur en stroo dient niet alzoo, en de oude Heer
+zou misschien ongaarne zien...."
+
+"Wat praat gij toch in u zelven, Bouke?--Denkt gij er over na of
+gij met Joan mede zult gaan of niet? Och! doe het toch, ik zal u ook
+liefhebben: en dan kunt gij hem helpen onthouden op toch dikwijls te
+schrijven: want als ik niets van hem hoor, ga ik vast en zeker dood."
+
+"Nu Freule, wij zullen zien! Ik wil er wel over denken, maar...."
+
+"Geen _maren_, Bouke! gij moet het vast doen; ik laat u niet los,
+voordat gij het mij beloofd hebt."
+
+"Wie weet of hij wel eens vertrekt," zeide Bouke, en haar zachtjes van
+zich afzettende, ging hij slotwaarts. Aan de brug stond Joan en naast
+hem Veltman, die aanstonds op Bouke aansnelde en vroolijk blaffende
+tegen hem opsprong. "Terug! marsch!" zeide Bouke op een verdrietigen
+toon: "ik heb vandaag geen spelenstrek."
+
+"Waarom zijt gij boos op mijn hond?" vroeg Joan, naderende: "ik dacht
+dat gij beste maats waart."
+
+"Dat zijn wij ook," zeide Bouke: "maar sinds gisteren is mij alles
+onaangenaam en ik heb nergens trek in: evenwel zoo het u leed doet,
+dat ik Veltman niet vriendelijk behandelde, wil ik het goede dier
+wel om verschooning vragen en den ganschen dag met hem spelen."
+
+"Dat behoeft niet, Bouke! gij zult genoeg tijd daartoe hebben als ik
+weg ben."
+
+"Is het dan vast besloten, Jonker? Denkt gij stellig van hier te gaan?"
+
+"Oordeel zelf, Bouke! of het mijn plicht niet is?"
+
+Bouke zweeg en streelde zuchtend de lange haren van den jachthond.
+
+"Arm dier!" hervatte Joan: "van morgen had hij geen lucht, maar
+liep gestadig aan mijn zijde, als had hij een voorgevoel, dat ik hem
+verlaten moest."
+
+"En waarom neemt gij hem niet mede? Er valt overal in de wereld
+te jagen."
+
+"Wat zou ik meenemen?" vroeg Joan: "heb ik iets, dat ik het mijne
+noemen kan?"
+
+"Kom kom! Jonker. Veltman is uw eigendom. De Baron had hem u al beloofd
+eer hij geboren was, en gij hebt de eer, er een goeden jachthond van
+gemaakt te hebben. Ik althans zou er mijn leven geen beteren begeeren."
+
+"Nu Bouke: bewaar hem dan als een aandenken van mij; doch gij moet
+hem wel behandelen."
+
+"Is het u ernst, Jonker!" zeide Bouke, wien de tranen in de oogen
+schoten: "men mag zijn hemd niet weggeven als men van zijn rok niet
+zeker is, zegt het spreekwoord."
+
+"Ik zal u een beter spreekwoord leeren," zeide Joan: "die geeft van
+wat hij heeft is waard dat hij leeft."
+
+"Maar bedenk toch, Jonker! die hond is veertig kronen waard, als gij
+hem verkoopen wilt."
+
+"Des te meer eer zal hij u doen, Bouke! doch gij moet om mij denken
+als gij met hem jaagt."
+
+Nu kon Bouke het niet langer uithouden: "neen Jonker," riep hij:
+"ik wil den hond niet hebben en ik wil niet met hem jagen! ik ga met
+u waarheen gij trekt: nu mag ik het u zeggen: ik kan u niet verlaten."
+
+"O dat is goed!" riep Ulrica, die inmiddels genaderd was: "dat is
+goed! daarvoor moet ik u kussen. Wacht! dat loop ik gauw aan vader
+vertellen." En zij snelde het slot in. Met warmte drukte Joan
+Bouke de handen, hem zijn erkentenis over zijn hartelijk aanbod
+betuigende. Echter stelde hij hem eenige zwarigheden voor, hem
+vragende of hij die wel overwogen had; doch Bouke, die, nu eens het
+ijs gebroken was, hoe langer hoe meer smaak in het reisplan kreeg,
+versterkte zich met al de gronden, die hem de Baron had voorgelegd
+om hem over te halen, en die hij eerst zoo krachtig bestreden had,
+terwijl hij aan diezelfde gronden thans door het aanwenden van
+toepasselijke spreekwoorden een dubbel gewicht bijzette.
+
+Onder een drok gesprek traden zij het slot binnen. In de ondergang
+ontmoette hen de oude Frans, die van den Baron kwam, en hun verzocht
+dadelijk binnen te gaan, vermits Zijn Edelheid hen spreken moest.
+
+"Wij komen al," zeide Joan: "wacht ik zal even Veltman gaan
+vastleggen."
+
+"Heden neen!" zeide Bouke: "Veltman moet medegaan en aan Mijnheer
+vertellen, dat hij de oorzaak is dat ik met u op reis ga."
+
+"Dunkt u dat, Bouke?" zeide Joan, lachende: "welnu dan Veltman! de
+trap op!"
+
+Onbesuisd snelde de hond naar boven en liep de oude Geertrui, die
+hem tegen kwam, bijna omver.
+
+"Help! Bouke! help!" riep deze: "de hond is los!"
+
+"Welnu! wat is daaraan verbeurd?" vroegen Joan en Bouke, de trap
+opkomende.
+
+"Wat daaraan verbeurd is? Wel! dat het stinkende beest met zijn vuile
+pooten tegen mijn schoone bouwen is opgesprongen: is dat manier van
+doen? waarom ligt het niet aan den ketting, zoo als Diaan en Juno en de
+Hemel weet hoe die heidensche dieren meer heeten. Ja! dat zou bij het
+leven van Mevrouw zaliger niet gebeurd zijn. Toen mocht geen hond...."
+
+"Knor maar niet, Geert," zeide Bouke: "gij zult heel spoedig van den
+hond ontslagen wezen."
+
+"Ja! alsof er niet een ander in de plaats zou komen?.... En jij hadt
+ook je voeten wel mogen vegen, Bouke! eer je de marmeren trappen
+bevuilde."
+
+"Erm daar ook maar niet over! binnen veertien dagen ben ik op reis
+en weg."
+
+"Op reis? en waarheen dat?"
+
+"Met den Jonker, naar Amerika, naar Turkije of de Noordpool; weet ik
+het? waar maar te vechten valt."
+
+"Is het gekscheren?" vroeg Geert, bleek wordende.
+
+"In allen ernst meent hij het," hervatte Joan: "maar ik beloof je
+een goede welkomthuis als ik weerkom."
+
+"Ik ook," zeide Bouke: "ik zal je een knipje meebrengen of een gouden
+slootje: dat kunt ge altijd voor uw mond doen, als je 't niet beter
+gebruiken kunt."
+
+"Och kom! loop heen met je gekheid! Alsof ik een babbelkous ware!--Maar
+toch: dat moet ik aan de vrouw van Dominee eens gaan vertellen,
+dat jijlui reizen gaat."
+
+"Zou het slootje nu niet goed te pas komen?" vroeg Bouke: "dadelijk
+weer oververtellen; maar 't zal oele zijn. Dominee en zijn vrouw en
+'t gansche dorp weten het al."
+
+"Weten het al! En ik niet?" hernam de oude vrouw, hoogstens gebelgd:
+"en ik niet, aan wie Mevrouw zaliger al haar vertrouwen schonk: ik,
+die altijd de nieuwtjes wist, zelfs vóór Mijnheer."
+
+"Ja! als jij thuis waart en Mijnheer in 't leger, dan wist jij de
+nieuwtjes van de binnenplaats en de bierhuizen 't eerst; doch praat
+maar niet te veel van het vertrouwen, dat men u schonk: vooral niet,"
+fluisterde Bouke, haar op den schouder kloppende, "als er een jonge
+knaap met gouden lussen in 't spel komt. Een goed verstaander heeft
+aan een half woord genoeg, nietwaar?--Nu, tot weerziens Geert!"
+
+Geertrui zuchtte, maar antwoordde op deze schampere aanmerking niet.
+
+Nu traden Joan, Bouke en Veltman de eetzaal binnen, waar de Baron
+naast een helderbrandend vuur onder den breeden schoorsteenmantel
+nederzat. Voor hem stonden twee flesschen Rijnschen wijn met de noodige
+roemers op tafel. Ulrica zat op een der vensterbanken te borduren
+en zag Bouke bij zijn binnenkomen met kinderlijke erkentenis aan:
+de Baron liep naar zijn dienaar toe, schudde hem met hartelijkheid
+de hand en zeide:
+
+"Dat was zooals ik het van u verwachtte, Bouke! nu een vollen roemer
+op uw voorspoedige reis geledigd."
+
+Dit gezegd en gedaan zijnde, plaatste de Baron zich weder in zijn
+armstoel en gaf nu zijn meening te kennen, dat, nu men het over
+de groote zaak toch eens was, het van belang ware, spoedig te
+beslissen onder welk legerhoofd Joan zijn krijgskundige opvoeding
+zoude erlangen. "Er waren er geen," zeide Reede, "die op éénen
+dag met Zijn Hoogheid of met Broos Spinola te noemen waren: doch
+deze of gene zijner Haagsche vrienden zou hem wel een goeden raad
+geven. Intusschen," vervolgde hij, "een aanstaand krijgsman moet zich
+een rusting aanschaffen: daartoe is geld benoodigd. Ziedaar!" Hier
+wierp hij een beurs met pistoletten wel voorzien op de tafel.
+
+"Maar vader!" zeide Joan: "al dat geld zal ik u immers nooit terug
+kunnen geven."
+
+"Wie drommel spreekt er van teruggeven? Ik schenk het u, en het zal
+er niet bij blijven. Denk dat Ulrica in de kamer is," voegde de Baron
+er zachtjes bij.
+
+"Palm maar in, Jonker!" zeide Bouke: "met ijle handen is 't kwaad
+haviken lokken: en 't is zwaar kammen waar geen haar is. De ruimte
+schaadt nooit, al is 't maar in geld."
+
+"Ik zou het veel liever eerst verdiend hebben," antwoordde Joan,
+de beurs langzaam opstekende.
+
+In dit oogenblik werd de Predikant, die door Reede ontboden was,
+aangediend: hij trad binnen met een gelaat, dat zoo treurig en strak
+stond, als had hij de mis in zijn kerk hooren lezen: hij boog, zonder
+een trek van zijn aangezicht te verroeren, voor den Baron, knikte
+even stemmig Joan en de Freule toe en zette zich onder het loozen
+van diepe zuchten in den stoel neder, welken Bouke hem bijschoof.
+
+"Ik heb u laten ontbieden, Dominee!" zeide de Baron, "om u een tijding
+mede te deelen, die uw belangstelling wekken zal. Het besluit is
+genomen! de kogel is door de kerk."
+
+"Is het waarlijk zooverre gekomen?" vroeg Raesfelt, angstig rondziende:
+vervolgens trok hij de voeten onder den stoel bijeen, legde de platte
+handen op de ver van één verwijderde knieën en keek strak voor zich,
+het hoofd langzaam schuddende.
+
+"Ja 't is er door!" hervatte de Baron: "'t zal zeker in den beginne
+oorzaak tot vele droefenis geven; doch beter een mannelijk besluit
+dan in 't geheel geen."
+
+"Jawel zal het droefenis geven," antwoordde Raesfelt, zonder van
+houding te veranderen: "droefenis bij allen, die voor de waarheid
+streden. Ik had het al gevreesd: sinds onze brave Prins (God zegene
+Zijn Hoogheid) aan die listige hofslang, dien Uittenbogaert, zijn
+vertrouwen ontzeide, heeft al wat der goede zaak vijandig is, zich tot
+Sint-Jan [34] gewend, en van dien tijd af is hun invloed al hooger
+en hooger gestegen: vooral nadat hun vice-patroon, Huig de Groot,
+Sint-Jans handlanger, zich aan het hoofd der Rotterdamsche inquisitie
+gesteld heeft."
+
+"Maar voor Sint-Felten, Dominee!" barstte Reede uit, nadat hij een
+geruimen tijd den Predikant en al de aanwezigen met verbazing had
+aangekeken, en eindelijk in een schaterend gelach was uitgebarsten:
+"wat brust ons Sint-Jan of de Inquisitie? waar dolen uw zinnen,
+man? Is het weer de eigenste malerij van eergisteren, die u in den
+bol zit? En begrijpt gij niet, waarom ik u heb doen roepen?"
+
+"Ik dacht," zeide Raesfelt eenigszins verlegen, "dat UEd. mij verhalen
+wilde, dat er reeds antwoord van de Staten van Holland gekomen
+is op het laatste vertoog Hugonis Grotii, hetwelk al de vorige in
+onbeschaamdheid en listigheid voorbijstreeft, ja zelfs nog erger is
+dan het boekske, hetwelk hij getiteld heeft: "de godsdienstigheid
+der Staten van Holland en West-Friesland," en 't welk gericht is
+tegen mijn vriend en medearbeider in 's Heeren wijngaard, den door
+en door geleerden Sibrandum Lubbertum, _Franekero s. s. Theologiae
+antecessorem_, welke gemelde Sibrandus Lubbertus echter, in een
+voortreffelijk werkje, ten titel voerende...."
+
+"Neen Dominee, honderdmaal neen! Denkt gij dat wij u zouden laten
+roepen, om u kerknieuws te vertellen? Als ik dat weten wil, kom ik
+het bij u hooren."
+
+"Elk moet zijn eigen beesten weiden," merkte Bouke als in _parenthesi_
+aan.
+
+"Juist," hernam de Leeraar: "_navita de ventis, de tauris narrat
+orator_; [35] doch ik luister aandachtig naar hetgeen ik van Ed. te
+vernemen heb."
+
+"Mij dunkt, dat dit nogal klaar is: wat was het onderwerp van
+ons laatste gesprek? waarover hebben wij dezen nacht gepeinsd en
+nagedacht? wat is hier gaande?"
+
+"'t Is waar ook," zeide Raesfelt, zich langzaam opheffende en de
+beenen voor zich uitstekende; "doch dat werkje Lubberti heeft mij alle
+wereldsche zaken doen vergeten, om alleen te denken aan het dierbaar
+belang onzer waarde en zwaar bedreigde Kerk; welk belang ook wel
+hooger zijn moet dan al onze aardsche aangelegenheden, weshalve ik...."
+
+"Gij raakt weder van 't pad, Dominee! kort en goed, gij moet weten,
+dat ik zoo spoedig mogelijk naar Den Haag ga, om met mijn vrienden
+te raadplegen, waar ik dezen knaap zal laten dienen."
+
+"Dienen! en zoo ik vragen mag, met welke wapenen? religieuze, politieke
+of militaire?
+
+"Dat zal Dominee spoedig begrijpen," viel Bouke in, "als Uw Weleer
+waarde weet, dat de Jonker onder mijn protectie heengaat: want ik deug
+tot weinig anders als tot een krijgsmakker; ofschoon ik zorgen zal,
+dat de Jonker geen Arminiaansche begrippen....."'
+
+"Arminiaansche begrippen zijn nog niet in andere landen doorgedrongen,
+Bouke!" zeide de Predikant; "doch men heeft er ketters van allerlei
+aard; als daar zijn in Engeland de Bisschopsgezinden, in Hongarije de
+Brandradisten, in Polen de Gentilisten, in Italië, Spanje en Frankrijk
+de Papisten, en verder overal verspreid de Socinianen, Pelagianen,
+Arianen, Macedonianen...."
+
+Hier viel Reede den Predikant in de rede en verzocht hem, eindelijk
+eens te willen luisteren naar 't geen hij hem te vertellen had:
+de Predikant verleende nu ten minste een schijnbare aandacht aan
+zijn redenen, en de Baron droeg zijn voornemens ongestoord voor;
+doch toen de Baron zijn reisplan naar Den Haag wederom vermeldde,
+gaf de Predikant, die nu geheel bij de zaak was, hem zijn verlangen
+te kennen, om mede van den tocht te zijn. Hij had onder de Haagsche
+Predikanten verscheidene kennissen, die hij gaarne eens zien zou: hij
+wenschte met een boekverkooper te spreken, over de uitgave van zijn
+boekske over Psalm CXLIV. en ten derde verlangde hij de gelegenheid
+waar te nemen om naar Leiden te gaan en aldaar te zien, hoe het met
+zijn zoons geschapen stond.
+
+Dit verzoek werd door den Baron gretig toegestaan, en onder een
+vroolijk onderhoud over het aanstaand reistochtje liep het middagmaal,
+waar de Predikant bleef aanzitten, ten einde.
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Il dit fort posément ce dont on n'a que faire
+ Et court le grand galop quand il est à son fait.
+
+ _Racine_, Les plaideurs.
+
+
+De reis naar Den Haag liep ten genoegen van de belanghebbende partijen
+af. De Baron verkreeg door middel van zijn vrienden, brieven van
+aanbeveling voor den beroemden Krijgsoverste Bethlem Gabor, den
+bevrijder van Transilvanië, wiens heldhaftige daden de aandacht van
+Europa trokken en onderscheidene jongelingen van edelen huize uit
+de Protestantsche landen uitlokten om onder zulk een wakker Overste
+de oorlogskunst te leeren.--Raesfelt had het geluk, op den eersten
+Zondagmorgen na zijn komst in Den Haag, een beurt in de Groote Kerk
+te mogen waarnemen, welke hem zijn geleerde vriend Ds. Lamotius had
+afgestaan: en bij die gelegenheid genoot de Leeraar van Sonheuvel
+de zonderlinge eer, Prins Maurits zelf onder zijn toehoorders te
+tellen. Van Den Haag keerde de Predikant over Leiden terug, bevond dat
+zijn zoon Hendrik een onverbeterlijke, verstokte Arminiaan geworden
+was, nam hem van de Hoogeschool af en bezorgde hem bij een koopman
+in edelgesteenten te Amsterdam, ten einde aldaar de negotie te leeren.
+
+Zoodra de winter geweken was en de eerste lentedagen het reizen, vooral
+naar een warmer luchtstreek, niet meer tot een lastige of moeilijke,
+maar veeleer tot een aangename zaak gemaakt hadden, vertrokken onze
+twee krijgsmakkers. Het afscheid was aandoenlijk, gelijk de lezer
+beseffen zal, aan wiens verbeeldingskracht wij overlaten, zich voor
+te stellen, hoe de Baron en Joan zich vruchteloos poogden goed te
+houden, hoe Ulrica in tranen wegsmolt en duizend kussen aan haar
+broeder medegaf, hoe Raesfelt en Geertrui een schat van zedenlessen
+aan den jongen knaap schonken, hoe Bouke zich maar op een afstand
+hield en nu en dan met den handschoen een traan uit de oogen wipte,
+al mompelend in zich zelven: men scheurt geen oud papier en geen oude
+vrienden vanéén zonder geluid te geven.
+
+De tocht der wapenbroeders was voorspoedig; de onderscheidene brieven,
+welke Joan, zoo regelmatig als mogelijk was, aan zijn achtergebleven
+vrienden schreef, en waarvan wij er tot ons leedwezen geen hebben
+kunnen terugvinden, getuigden van zijn voortdurende gezondheid, van
+zijn smaak in 't leven dat hij leidde, van zijn tevredenheid over
+zijn overste en over zijn waarden krijgsmakker, van zijn gehechtheid
+vooral en gestadig denken aan de opgezetenen van Sonheuvel. Dezen,
+van hunnen kant, gevoelden diep het verlies van twee leden van het
+huisgezin, die zooveel tot het genot der samenleving medegewerkt
+hadden. Ulrica was in 't eerst als troosteloos: haar smart werd door
+den tijd en het ontvangen van goede berichten wel eenigszins gelenigd;
+doch met het vorderen der jaren groeide ook het besef van het eenige,
+het ledige van haar toestand.
+
+De Baron verveelde zich doodelijk en wist met de lange dagen hoegenaamd
+geen weg meer, sedert hij van het gezelschap, waaraan hij zoo gewoon
+was geworden, verstoken was. Te voren, als de stem van Bouke hem uit
+den slaap gewekt had, vond hij zijn kleederen, netjes naar zijn zin
+opgeschuierd, op den armstoel naast zijn bed liggen; tegenwoordig
+moest hij drie a vier keeren fluiten, eer hem zijn ochtendgewaad was
+bovengebracht. Bouke wist altijd welken morgenwijn Mijnheer bij het
+ontbijt nam: zijn nieuwe dienaar bracht hem altijd van het verkeerde
+merk. Met Bouke praatte hij onder 't aankleeden en ontbijten over
+vroegere heldenfeiten: zijn tegenwoordige dienaar wist op zijn best
+een paar bekkesnijdershistorietjes.--Ging hij te voren wandelen,
+bezocht hij zijn diergaarde, wilde hij visschen of jagen, altijd vond
+hij alles naar behooren: de beesten gevoederd, de netten gemaasd,
+de jachtsprieten gladgewreven:--thans moest hij een paar dagen vooraf
+bepalen waar hij trek in zou hebben, anders waren de valken onklaar,
+de netten gescheurd, de wapenen verroest. Bouke en Joan wisten overal
+waar het wild lag, op welk veld de meeste hoenders gespeurd waren,
+tegen welke boomen het hert zijn hoornen gewet had; zijn nieuwe
+jachtgezellen waren der streek onkundig. Aan tafel strekten voorheen de
+vroolijke scherts en vernuftige invallen van Joan tot een saus bij het
+maal: thans was ook de geestige kout en het meer en meer belangrijk
+onderhoud van Ulrica niet in staat den Baron uit zijn gemelijke,
+verdrietige luim te krijgen.
+
+Het gevolg van dit alles was, dat Reede, om hetgeen hij verloren had
+te vergoeden, nieuw gezelschap zocht en met verscheidene naburen,
+meest onbesuisde drinkers en jagers, die hij te voren nauwelijks
+zou hebben willen aanzien, en althans niet op zijn slot verzocht,
+betrekkingen aanknoopte. Van toen werd het kasteel van Sonheuvel,
+waar tot dien tijd altijd geschiktheid en orde hadden plaats gevonden,
+niet zelden een tooneel van woeste brasserijen, die meermalen tot laat
+in den nacht werden voortgezet, zoodat Reede veel van de hooge achting
+verloor, die hij tot dien tijd bij alle fatsoenlijke en beschaafde
+lieden genoten had. Dit was echter jammer, want, ofschoon hij nu
+en dan de waarheid ondervond van de spreuk, dat kwaad gezelschap
+dolen doet, en zich wel eens te verre aan drank te buiten ging, zoo
+bleef hij echter zijn maatschappelijken zoowel als zijn vaderplicht
+indachtig, en behield hij oordeel genoeg om de verstrooiingen, die
+hij zich verschafte, verre beneden de onschuldiger genietingen van
+vroeger tijden te stellen. Hij luisterde zelfs bereidwillig naar de
+vermaningen, die de Predikant Raesfelt zich somtijds verplicht vond hem
+in gemoede te maken, en antwoordde dan maar meteen: "Ja Dominee! maar
+ik kan mijn leven toch niet moêrziel alleen doorbrengen. Als Bouke en
+Joan maar weerom zijn, dan zal alles wel weer te recht komen." Wanneer
+echter de oude Geert somtijds haar klaagliederen aanhief, en vroeg
+wat Mevrouw zaliger wel gezegd zou hebben van het leven, dat nu op
+het slot gevoerd werd, maakte hij zich driftig, en dreigde haar,
+dat hij, zoo zij zich niet van aanmerkingen onthield, wel eens een
+andere huishoudster zou kunnen nemen, die wat minder praats had.
+
+Intusschen zag hij duidelijk in, dat de levenswijze, welke Ulrica thans
+leidde, weinig geschikt was om een aankomend meisje die genoegens te
+verschaffen, welke haar leeftijd voegen, noch die kundigheden, welke
+eener fatsoenlijke jonkvrouw betamen. Hij zelf bedankte er voor, om
+nog op zijn leeftijd zich in de hofplaats te gaan nederzetten en aldaar
+zeden en gewoonten aan te nemen, die hij lang verleerd was. Hij zag dus
+om naar een gelegenheid om haar in staat te stellen meer overeenkomstig
+haar stand en jaren te leven; en hierover begreep hij niemand beter
+te kunnen raadplegen dan Mevrouw de Douairière L. G. van Nassau, aan
+welke hij zich bij zijn reize naar Den Haag weder had doen voorstellen
+(en bij die gelegenheid zijdelings naar Ludwig, haar page gevraagd,
+doch vernomen had, dat deze met een gezantschap als klerk of schrijver
+naar Engeland was vertrokken). De Gravin bood hem haar diensten aan
+en verzocht Ulrica voorloopig eenigen tijd bij zich te hebben. Gaarne
+voldeed de Baron aan dit verlangen, en nu verliet het lieve meisje
+voor de eerste reize, en niet zonder hartkloppingen en angsten,
+het stille, eenvoudige land voor de deftige, woelige, schitterende
+hofplaats. Spoedig echter ontving Reede bericht van de Douairière, dat
+het weinig moeite zou kosten, om aan Ulrica de laatste hand te leggen
+en haar tot eene in allen deele volmaakte jonkvrouw te maken, daar de
+natuur haar niet alleen wat vernuft, karakter en schoonheid betrof,
+moederlijk bedeeld had, maar haar bovendien een zeker iets geschonken
+had, hetwelk anderen niet dan na jaren oefening verkrijgen kunnen; een
+zeker aangeboren gevoel, dat op zijn pas zwijgen en spreken doet, dat
+over alle daden en gezegden een fijn waas van bevalligheid, van smaak,
+van welvoeglijkheid weet te verspreiden, dat de houding gemakkelijk
+en los zonder wildheid, zedig en bescheiden zonder stijfheid maakt:
+een zeker iets, een _ick en weet niet wat_, hetgeen behaaglijk en
+beminnelijk maakt en het eenige is dat ook nu nog, in onze eeuw van
+gelijkheid, een kennelijk en onoverkomelijk onderscheid maakt tusschen
+de wel_geboren_ en wel_opgevoede_ vrouw.
+
+In denzelfden brief meldde de Gravin aan den Heer van Sonheuvel, dat
+zijn dochter reeds de keuze had, tusschen verscheidene partijen,
+die zich opdeden, door haar schoonheid, door haar verstand of
+door haar middelen uitgelokt. Geen echter dier minnaars had zich
+nog durven verklaren, zoodat de Baron aan Ulrica bij voorraad
+alleen voorzichtigheid behoefde aan te bevelen, schoon zij (de
+Gravin) overtuigd was, dat het daaraan bij het jonge meisje niet
+zou mangelen. Onder de _pretendenten_ noemde Mevrouw van Nassau
+voornamelijk den Heer Mom, Ambtman van 't land tusschen Maas en Waal,
+een welgezeten, bemiddeld ridder, van middelbare jaren en in groot
+aanzien ten hove staande.
+
+Kort na de ontvangst van dezen brief, die den goeden Baron in
+allerlei verlegenheden stortte, kwam er een onzer oude bekenden op
+'t onverwachts op Sonheuvel aan. Deze was niemand anders dan de
+strooper en kippendief Teun Wezer; _sed quantum mutatus ab illo_
+[36]. Het voorheen nederhangend haar was sierlijk opgekruld en
+met een vederhoed bedekt: de boerenpij was tegen een fraai groen
+lakensch buis verwisseld, vol koorden en lussen: hij droeg een
+degen op zijde, had halve laarsjes aan, en reed op een fraai paard,
+dat kostelijk was opgetoomd. Alleen het fonkelend oog van Klaartje,
+Boukes nicht, herkende haar voormaligen vrijer: en het nieuwe gewaad,
+waarin zij hem weder zag, strekte niet weinig om haar achting voor zijn
+persoon te vermeerderen: ja zij werd grootsch op haar eigen doorzicht:
+want reeds lang geleden, toen iedereen zeide, dat Teun Wezer voor de
+galg opgroeide, had zij alleen staande gehouden, dat men hem onrecht
+aandeed en dat hij in tegendeel zeer wel zou voortkomen.
+
+Hij werd dan nu ook niet weggejaagd, maar zeer vriendelijk ontvangen,
+vooral toen men zijn boodschap vernam. Hij kwam dan van den Ambtman Mom
+(in wiens dienst hij getreden was ten gevolge van, of na de boodschap,
+die Ludwig hem aan dezen had gegeven) en verzocht voor zijn Heer de
+eer van een bijzonder onderhoud met den heer Baron.
+
+De Baron haastte zich hiertoe zijn bereidwilligheid te kennen te geven,
+en weldra verscheen de Ambtman bij hem en vroeg hem zonder veel omwegen
+om de hand van zijn dochter. Zijn gesprek, zijn toon, zijn ronde en te
+gelijk hoffelijke manieren behaagden den Heer van Sonheuvel evenzeer
+als het voorstel dat hij deed, hetwelk ook vele schoone zijden had,
+en zoover men gissen of nagaan kon, niet ééne slechte. Hij ontweek
+echter, vooralsnog het geven van een stellig antwoord, zeide dat zijn
+dochter nog te jong was om aan een huwelijk te denken, dat hij zelf
+niets tegen den Ambtman had, maar zich integendeel door diens aanbod
+vereerd vond, doch dat hij haar in geen geval buiten haar volkomene
+toestemming zou uittrouwen.
+
+De Ambtman nam genoegen in dit antwoord: althans hij betuigde er geen
+gunstiger te hebben kunnen verwachten; en dit was inderdaad waar. Hij
+vertrok, verlof vragende om spoedig terug te komen, hetwelk hem
+beleefdelijk werd toegestaan. Hiervan kwam echter vooreerst niets,
+omdat hij wegens politieke aangelegenheden genoodzaakt werd een
+geruimen tijd in Oost-Friesland door te brengen.
+
+Intusschen was de beminnelijke Ulrica bij haar vader teruggekomen;
+beiden hadden reeds een geruimen tijd sterk naar elkander verlangd en
+waren recht verheugd en gelukkig van zich weder te zamen te vinden. Hun
+blijdschap was niet weinig vermeerderd, toen eerlang onze beide
+reizigers van hunne lange tochten in 't vaderland terugkwamen. Was het
+afscheid aandoenlijk geweest, het wederzien was hartelijk en roerend,
+echter minder dan men, uit hetgeen tot nog toe van de hoofdpersonen
+dezer geschiedenis verhaald is, zou kunnen opmaken. Er waren jaren
+verloopen. Joan en Ulrica waren geen kinderen meer: de betrekking,
+die tusschen hen bestaan had, en die nu ook Ulrica wist dat op een
+valschen grond gesteund had, was verbroken. Ook de Baron, en dit
+bemerkte zijn pleegzoon al spoedig, was dezelfde niet meer: hij was
+nog altijd hartelijk, welmeenend en goed; doch hij had een zekere
+ongedurigheid, een zekere kregelheid aangenomen, die hem te voren
+minder eigen was. Hij scheen thans een al te groote gemeenzaamheid
+tusschen de beide jonge lieden te schromen: hij bracht Joan veel op
+groote partijen, gaf zelf feest op feest en liet Ulrica zoomin mogelijk
+met haar gewezen broeder alléén. "Bouke!" zeide de jongeling meermalen
+tegen zijn wapenbroeder: "de oude Heer is niet meer wat hij geweest
+is. Gij moet hem vooral niet weer verlaten: er zal kunst noodig zijn om
+hem weer tot de oude bedaardheid en gemakkelijkheid terug te brengen."
+
+Bouke was ook niet erg tevreden: eensdeels omdat hij zijn Heer
+zoo veranderd zag sinds hij hem niet meer onder handen gehad had:
+anderdeels omdat hij zich verveelde, daar de meeste bedieningen,
+die hij te voren vervulde, op anderen waren overgegaan en ten derde,
+omdat Teun Wezer, (die nu een post van den Ambtman gekregen had)
+zijn nicht Klaartje staande zijn afwezigheid getrouwd had. Hij begreep
+echter, dat Joan gelijk had en, toen deze na verloop van eenigen tijd,
+weder naar het leger, dat hij slechts als verlofganger verlaten had,
+terugkeerde, bleef Bouke zijn ouden Heer gezelschap houden.
+
+Wellicht zal de lezer zich te dezer plaatse verwonderen, dat
+ik, die in de laatste hoofdstukken met een langzamen tred ben
+voortgegaan, en schijnbaar min belangrijke gebeurtenissen tot in de
+kleinste bijzonderheden toe verhaald heb, over voorvallen van meer
+aangelegenheden, als b. v. de vrijage van den Heer Mom en de terugkomst
+van Joan, zoo los heenloop: ja vreeze ik dat men de woorden, die ik als
+motto voor dit hoofdstuk gebruikt heb, op mij zal toepassen, en mij
+teffens de reden van mijn vreemd gedrag te dezen opzichte vragen. Ik
+zal antwoorden, dat het, in 't algemeen, niet van een schrijver afhangt
+lang of kort te zijn naar behooren: dat een schijnbaar min geschikt
+onderwerp hem een wijdloopige behandeling noodzakelijk maken zal:
+terwijl hij zich buiten staat zal bevinden, de gewichtigste zaken
+en de belangrijkste stoffe met gepaste woorden uiteen te zetten en
+in de noodige orde te verhalen:--terwijl ik tevens zal aanmerken,
+dat hetgeen ik hier heb overgeslagen, alleen is geschied om niet
+genoodzaakt te worden van tweemalen hetzelfde te zeggen, vermits
+het in het vervolg dezer geschiedenis te zijner gelegenheid, nader
+opgehaald zal worden. Wij zullen dus de jaren, die er verliepen tot
+aan den tijd, waarop wij den draad van het verhaal weder opvatten,
+om dien onafgebroken tot aan het slot vast te houden, zonder verdere
+beschouwing overslaan, alleen verzoekende, dat de lezer, tot beter
+verstand van het vervolg, met ons een oog gelieve te slaan op den
+staat der Nederlanden, tegen het einde van het twaalfjarig Bestand.
+
+Prins Maurits had, sedert dat de zege der zich rechtzinnig noemende
+Kerk op de Remonstranten beslist was, het zenith zijner macht
+en grootheid bereikt. Zijn diepe ervarenis, zijn onverzettelijke
+vastheid, zijn nooit verkloekt beleid en zijn onvergelijkbare kunde
+als legerhoofd, hadden hem voorlang de schrik zijner vijanden, de roem
+der zijnen, het wonder van Europa en de spiegel aller krijgslieden
+doen worden. Misschien had men hem als staatsman niet minder groot
+geacht, ware niet Willem de Eerste zijn vader geweest. Dan ondanks de
+vergelijking, die men zich somtijds gedrongen gevoelde ten voordeele
+des laatsten te maken, gaf de invloed, welken de aanwassende rijkdom
+en macht der Vereenigde Gewesten op den politieken toestand van
+Europa verkregen, aan Maurits eene ruime gelegenheid om te toonen,
+hoe hoog een rang hij ook ten dezen opzichte bekleedde. En, was tot
+voor weinige jaren het pad, dat zijn staatkunde hem voorschreef,
+oneffen gemaakt door de hinderpalen, die hem de bekwame, doch
+onbuigzame Oldenbarneveldt had in den weg gelegd, de val van dezen
+en zijn aanhang had den Stadhouder in zijn bestiering over de Zeven
+Gewesten een bijna onbepaald gezag gelaten. Het behoort niet tot onze
+taak, over de maatregelen, door hem gebezigd tot bereiking van dat
+gezag, eenig oordeel te vellen. Wij moeten echter aanmerken, en het
+zal uit het vervolg dezer geschiedenis blijken, dat de triomfeerende
+Contra-Remonstranten de terging en onderdrukking, welke zij te voren
+ondervonden hadden, op een geduchte en zeker weinig Christelijke wijze
+aan hun tegenpartij betaald zetteden. Door het geheele grondgebied der
+Nederlanden was al, wat maar Remonstrantsch scheen, aan de hardste en
+grievendste behandelingen onderworpen. De hoofden der onderliggende
+partij waren gebannen, gevangengezet of in zware boeten beslagen:
+de kerkedienaren afgezet en tot armoede gebracht, de leeken uit alle
+posten en bedieningen gestooten.
+
+Niet vreemd was het dus, dat velen hunner, door deze vervolging
+verbitterd en in hun begrippen versterkt, zich tegen de in hun oog
+onrechtmatige overheden niet zelden poogden te verzetten, en alle,
+ook de minst geoorloofde middelen bij de hand namen om hun verdrukte,
+doch talrijke medebroeders aan te zetten tot afschudding van het juk
+der synodale dwingelandij; ja zelfs het goud van Spanje en Frankrijk en
+de hulp der Roomschgezinden tot schraging hunner oogmerken verzochten.
+
+Het bestand met Spanje stond ondertusschen te eindigen, en, hoe wel
+die Mogendheid de hoop had verloren, om de Nederlanden te runnen
+aanvallen op een tijdstip, dat de beide partijen nog even machtig
+en ongeneigd tot vereeniging waren, bleef zij echter het vuur
+van tweedracht en muiterij aanstoken en liet zij niet na, al wat
+bedektelijk Remonstrantschgezind bleef, door beloften en geschenken
+uit te lokken om zich tegen des Prinsen bestier te verzetten. Gelukkig
+echter voor Nederland en tot eer der natie waren er slechts weinigen,
+zelfs onder de verdrukte partij, die aan de uitlokselen gehoor
+verleenden en den naam van landverraders verdienden.
+
+Wij laten na deze korte beschouwing aan den lezer over te beslissen,
+tot welke klasse de beide nieuwe sprekers behoorden, welke wij met
+den aanvang van het volgende hoofdstuk ten tooneele voeren.
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Der papen kist is leegh.
+ Sijn krijgs-volck blijft verswackt: sijn wissel achterweegh.
+
+ Terwijl was Spinola om gelt belaân te hoof:
+ Hy leende hier op borgh en daar op goet geloof.
+
+ _Vondel_.
+
+
+Buiten het bevallig gelegen Tiel strekt zich, langs den oever van
+de sombere Waal, een vroolijk bosschage uit, dat onderscheidene,
+alle zeer schilderachtige uitzichten oplevert. Het genieten der
+aangename natuur scheen echter de drijfveer niet te wezen, welke de
+twee personen, die het bezochten op den fraaien Meiavond, waarmede wij
+onze geschiedenis hervatten, derwaarts gelokt had. Noch de lentezang
+van het kwinkeleerend gevogelte, noch het bekoorlijk schouwspel der
+lieflijk bloeiende boomgaarden, noch zelfs de majestueuze vloed, die
+zijn wateren voortrolde aan den voet van den zwaren dijk, waarover het
+boschje zich uitstrekte, schenen hun aandacht bezig te houden. Van de
+bank, op welke zij onder het lommer eener zware linde gezeten waren,
+staroogden zij onophoudelijk op een veerschuit, die tegen wind en
+stroom van de overzijde langzaam aan kwam stevenen.
+
+"Ik weet niet," zeide de een, "of het door de spiegeling der zon in
+'t water komt of door den verren afstand, of dat mijn oogen er schuld
+aan hebben; maar ik kan nog niemand van de opvarenden herkennen."
+
+Die deze woorden sprak was een man van middelbare jaren, gezet van
+gelaat en lichaam, hoog van rug en met grijsachtig haar en baard. Hij
+droeg een nieuw zijden manteltje over een jachtgewaad, waarvan de
+oorspronkelijk groene kleur verschoten en de eens gouden passementen
+zwart geworden waren. Zijn metgezel was kleiner doch netter van
+postuur en eenvoudig, doch sierlijk in 't zwart gekleed. Zijn geestige
+oogopslag, de bevallige en wakkere levendigheid zijner bewegingen,
+en de zorg, waarmede haar en baard gekamd en gebalsemd waren, gaven
+hem een nog jeugdig voorkomen; doch eenige rimpels, die zich aan de
+slapen van het hoofd vertoonden, deden bij den opmerkzamen beschouwer
+het vermoeden ontstaan, dat de Ambtman van 't Land tusschen Maas en
+Waal (deze was het) zijn eerste jeugd had zien voorbijgaan.
+
+"Het is zeker onaangenaam," zeide hij, "te moeten wachten, wanneer
+men zooals wij, in pijnlijke onzekerheid den tijd doorbrengt."
+
+"Kom! kom!" hernam degene die eerst gesproken had: "zoo gij den moed
+laat zakken, weet ik niet wat UEd. dienstwillige dienaar wel doen zal;
+want ik ben er toch in allen gevalle de ergste aan toe."
+
+"Den moed zult gij althans nimmer verliezen, mijn waarde
+Botbergen!" zeide Mom.
+
+"Neen," hervatte deze, "maar wat helpt deze, wanneer...."
+
+"Zoo meen ik het niet," viel hem de Ambtman in de rede:--"men kan
+niet verliezen wat men nooit gehad heeft."
+
+"_Was zum henker_!" riep Botbergen uit, de hand aan het gevest van
+den degen slaande, "indien een ander dan Jakobus Mom mij zulk een
+beleediging zeide."
+
+"Maar gelukkig voor u is het Jakobus Mom en geen ander," zeide deze:
+"nu, kijk mij maar zoo grimmig niet aan; gij weet immers, dat uw
+fratsen bij mij geen opgeld doen. Zeg mij liever eens, waarom gij
+begrijpt er erger aan toe te zijn dan ik."
+
+"Ei hoe dom, dat gij dat niet beseft. Jakobus Mom, over Maas en Waal
+machtig en gezien, en die op trouwen staat met het schoonste en rijkste
+meisje van den omtrek: die, zoo de aanslag lukt, misschien Stadhouder
+van de geheele Provincie wordt, en zoo die mislukt, zich wel zal weten
+te dekken, zou die een ongerustheid kunnen voeden, gelijk aan die
+van Elbert van Botbergen, die zich in geval van een goeden uitslag,
+met een schraal ambtje, misschien wel met een "God loone u" zal zien
+betalen, en zoo de boel in de war loopt, een kop korter gemaakt wordt."
+
+"Dwaas!" zeide Mom: "juist daarom zou uw lot gunstiger staan dan het
+mijne, omdat gij niets te verliezen hebt, terwijl ik veel op het spel
+zet;--echter is het met mijn huwelijk nog lang zoo zeker niet; mijn
+krediet is sedert eenigen tijd aanmerkelijk gedaald, en zoo er heden
+geen geld van Grobbendonck komt, laat ik den aanslag varen;.... doch
+zie eens toe, Elbert! heeft Teun Wezer niet twee vreemde passagiers
+aan boord?"
+
+"Gij hebt scherper gezicht dan ik," antwoordde Botbergen: "mijn oog
+is niet genoeg geoefend om op zulk een afstand inlanders van vreemden
+te onderkennen."
+
+"'t Is waar, ik herinner mij gehoord te hebben, dat gij in den krijg
+nooit een vijand zijt aangevallen, uit vrees van door misverstand
+een vriend te deren."
+
+"Gij schijnt er heden smaak in te vinden om mij zotheden te zeggen,"
+antwoordde Botbergen, de borst opzettende: "doch ik denk er niet op
+te antwoorden."
+
+"Niet? Gij waart anders altijd beroemd wegens uw vlugge
+antwoorden.... met den mond namelijk.... Doch nu herken ik dien éénen
+passagier: het is Gerard Preys, en die andere is Leendert Leendertz:
+maar wie is die derde, die naast den veerman zit?"
+
+"Ja!" zeide Botbergen: "hoe wil men een vent herkennen, die een hoed
+met breede randen draagt en in een mantel gebakerd zit? Kijk, daar
+staat hij op. Wie duivel mag die lange spergie wezen. Hij lijkt wel
+den koning uit het kegelspel.
+
+"Wij zullen nu ten minste vernemen hoe de vork in den steel zit," zeide
+Mom, oprijzende. "Doch laten wij stadwaarts gaan en de aankomenden
+verbeiden. Ik weet waarlijk niet, welke tijding ik liever had, dat
+zij mij aanbrachten."
+
+"Foei!" zeide Botbergen: "zult ge achteruitkrabben, nu wij zooverre
+gevorderd zijn? Doch ik gis de reden al: gij zult uw jonge vrouw geen
+droefheid willen veroorzaken, door den vijand uit te noodigen om uw
+wittebroodsdagen te helpen vieren."
+
+"Dat ware het minste," antwoordde Mom: "doch mijn huwelijk moet
+voltrokken zijn, eer de vijandelijkheden beginnen; anders komt er,
+gelijk vanzelf spreekt, niets van."
+
+"Dan zult ge u zeker moeten haasten."
+
+"Ja! en het ergste is, dat de Freule, gelijk ik uit alles bespeur,
+een tegenzin in mij heeft opgevat, waarvan ik de oorzaak niet weet,
+doch daarin meen te vinden, dat een zekere knaap, een frissche jongen,
+die met haar is opgevoed, waarschijnlijk het hartje van dat bloemzoete
+maagdeke met zich genomen heeft naar de Palts, waar hij zich, geloof
+ik, thans bevindt."
+
+"Zoo! en hoelang is het wel geleden, dat zij den knaap gezien heeft?"
+
+"Dat zal nu ongeveer twee jaren zijn" antwoordde Mom: "hij is, meen
+ik, in 19 van hier vertrokken."
+
+"Zoo! dan vat ik de kneep! en ik geloof inderdaad, dat een vergelijking
+tusschen een frisschen speelmakker en een deftigen heer als de
+Ambtman Mom, nooit gunstig uit kan vallen voor den laatste. Doch
+misschien is het meisje wel van haar liefde te genezen! vooreerst,
+wij hebben de afwezigheid van den minnaar in ons voordeel, en dat
+zegt veel: en, dan in de tweede plaats.... hoe heet die knaap? ik
+zal hem waarschijnlijk wel kennen; want ik heb een blauwen Maandag
+onder dien Spotkoning Frederik gestreden."
+
+"De wapens gevoerd, meent gij; want gestreden, dat kan ik van u niet
+gelooven.--Des jongelings ware naam is mij nog onbekend; want zoo ik
+wel onderricht ben, is hij van Spaansche afkomst. Doch de Heer van
+Sonheuvel heeft hem onder den naam van Joan van Craeihorst laten
+inschrijven op de krijgsrollen, en ik geloof dat zijn oogmerk is,
+hem dat landgoed, 't welk onder Sonheuvel ligt, bij zijn afsterven
+te legateeren."
+
+"Joan van Craeihorst! o! dien heb ik zeer goed gekend, en waarlijk,
+dan besef ik uw vrees: want het is een jongen als een kool.... wat
+opvliegend en driftig; ik heb eens een hevigen twist met hem gehad;
+want wij dienden onder één vaandel."
+
+"Zoo! dat zal dan misschien de reden geweest zijn, dat gij zoo spoedig
+het leger verlaten hebt om uw haardsteden weder op te zoeken?" zeide
+Mom, spottende.
+
+"Juist! ik had hem gewond, en zoo ik meende doodelijk: en om die
+reden ontvlood ik de straf, op het tweegevecht gesteld; doch dat
+blijft onder ons."
+
+"Natuurlijk!" zeide Mom: "ik zou u zelfs raden het voor u te houden,
+eer men u in 't aangezicht logenstrafte!.... doch dat is om 't even:
+gij hebt dus nog een oude veete tegen dien Jonker?"
+
+"Ongetwijfeld," antwoordde Botbergen: "en zoo ik hem kwaad kan doen,
+zal ik het niet nalaten."
+
+"Voortreffelijk! dus zoude het voorvalletje, betreffende uw krakeel,
+behendiglijk en op zijn plaats verhaald...."
+
+"Dat was net wat ik in de tweede plaats wilde aanvoeren," zeide
+Botbergen: "een beetje kwaadsprekendheid en de belasterde wijd van
+hier.... daarmede komen wij ver, geloof dat vrij."
+
+Onder dit gesprek hadden zij het boschje verlaten en waren, binnen
+de stad, aan de deur eener burgerwoning gekomen, van welke zij het
+woonhuis binnentraden. In den winkel bevond zich een bejaard man,
+met een klein knipbrilletje op de punt van den neus, een grijze kalot
+op het hoofd, een stemmig gelaat en een bijbeltje naast hem. Deze
+man was een schrijnwerker, gelijk de meubelen, die hem omringden,
+aanduidden. Hij was bezig met het afschaven van een kabinet,
+welke bezigheid hij verlichtte door met een holle stem psalmen te
+zingen. Toen de beide heeren binnenkwamen, lichtte hij den bril
+af, zag hen even aan, zonder zijn werk noch zijn gezang te staken,
+en wendde terstond weder zijn oogen op de nooteboom-houten plank,
+die hij voor zich had.
+
+"Is de achterkamer ledig, Klaas Meinertz?"--was de vraag, welke hem
+de Ambtman deed.
+
+De oude man knikte toestemmend, zonder op te zien.
+
+"En heeft men u gewaarschuwd, dat ik eenige kennissen spreken moet? En
+weet ge het woord?"
+
+De schrijnwerker beantwoordde deze vragen op dezelfde wijze, zonder
+zijn arbeid te staken.
+
+"Zou men niet zeggen," merkte Mom aan, zooras hij zich in het
+achterkamertje met Botbergen alleen bevond: "dat diezelfde Klaas
+Meinertz de botste, eenvoudigste ezel ware, dien men ooit gezien
+had? En echter is er misschien niemand, die er zich beter op verstaat
+een komplot aan den gang te houden. Het is nu zestien jaren dat hij
+de Spanjaards als spion dient, en altijd ongemoeid en zonder ontdekt
+te worden."
+
+"Dat geloof ik wel," zeide Botbergen: "daar de Ambtman van Maas en Waal
+in 't geheim was, die hem ongestoord zijn weggetje gaan liet. Doch
+men zal op dien Meinertz een wakend oog dienen te houden: hij dient
+de Spaansche zijde, ja; doch alleen voor geld: en voor geld zou hij
+die even gereedelijk verraden."
+
+"Men moet op hem evengoed letten als op Teun Wezer, op Daen Duyfs,
+op Eyndhouts, ja--op u zelven, Elbert! Is niet die verbetering uwer
+middelen het eenige doel, waarom gij den Staatschen afbreuk doen wilt?"
+
+"UEd. wordt al te scherp," zeide Botbergen: "indien, hetgeen gij zegt,
+waar is, mocht gij wat meer zorg dragen, iemand, die, zooals ik,
+u om hals kan brengen, door dergelijke aanmerkingen niet te kwetsen."
+
+Mom gevoelde de kracht van dit argument, en ten einde zijn vorige
+uitvallen weder goed te maken, nam hij een vriendelijker toon aan. "Nu,
+Elbert," zeide hij: "maak u niet boos. Wij hebben elkaar niet veel te
+verwijten. Ik zelf, ik wil u gaarne bekennen, dat ik, zoo er kans voor
+mij overbleef om mijn verwarde fortuin in den dienst mijns vaderlands
+weder goed te maken, geen Spanjaards zou inroepen."
+
+Nauwelijks had hij deze woorden geëindigd, of de schrijnwerker trad
+binnen en gaf op zijn gewone geheimzinnige wijze te kennen, dat er
+iemand aan de deur was, die Zijn Edelheid wenschte te spreken.
+
+"Is hij van die wij verwachten?" vroeg Mom.
+
+"Hij weet het wachtwoord," antwoordde Meinertz, de schouders ophalende.
+
+"Dan zal het Preys wezen of Leendertz. Laat maar binnenkomen."
+
+De grijsaard vertrok: doch scheen niet terug te komen.
+
+"Wat dralen zij nu?" riep Mom, ongeduldig het vertrek op en neder
+gaande. "Elbert! ga eens zien waar zij blijven."--Botbergen opende
+de deur.
+
+"_Pax vobiscum_!" [37] zeide een lange zwarte gedaante, die juist
+binnentrad.
+
+"Wie duivel?" riepen de beide edellieden, verbaasd terugtredende en
+de hand aan hun degens slaande.
+
+"Eilaas! Sint-Jan is dood," zeide de onbekende, zacht.
+
+"Maar alle hoop nog niet ontvlood," antwoordde Mom op denzelfden
+toon. "Dat is nu volkomen goed en wel; maar met wien spreken wij?"
+
+"Heb ik de eer den aanstaanden Stedehouder van Gelderland voor mij
+te zien?" vroeg de vreemdeling, met eene nederige buiging.
+
+"Dat zal veel afhangen van de tijdingen, welke ik heden ontvang,"
+antwoordde de Ambtman: "kort en goed, wie zijt gij?"
+
+"Zijne Hoogheid de Prins Kardinaal zendt mij tot UEdele, om
+over belangrijke onderwerpen met UEdele te spreken. Ik ben zijn
+vertrouweling, zijn biechtheer."
+
+"Zijn Hoogheid doet ons veel eer aan," hervatte Mom: "neem plaats,
+eerwaarde Pater, UEd. zal hoogstwaarschijnlijk vermoeid wezen van de
+reis. Waarmede kan men u gerieven?--Meinertz!"
+
+"Meinertz is uitgegaan," zeide de biechtvader: "ik heb hem eenige
+boodschappen gegeven; doch hij zal zoo straks terugkomen. Bekommer
+u inmiddels niet over mij. _Panis meus est ut faciam voluntatem eius
+qui me misit._" [38]
+
+"Ja maar!" zeide Mom, zich eenigszins verwonderd tot Botbergen
+wendende: "als nu Preys en Leendertz komen...."
+
+"Die zullen vooreerst niet komen," hernam de geestelijke heer: "die
+heb ik ook van de hand gezonden; Mijnheer van Botbergen zal wel zoo
+goed zijn, beneden in het voorhuis te gaan zorgen, dat niemand het
+gesprek kome storen, 't welk ik met Zijne Edelheid hebben moet."
+
+Verwonderd over den meesterachtigen toon, dien de vreemdeling zich
+aanmatigde, zagen Botbergen en de Ambtman elkander besluiteloos aan.
+
+"Mij dunkt," zeide de laatste, na eenig stilzwijgen: "dat de Heer
+van Botbergen wel hier zou kunnen blijven. Voor hem heb ik althans
+geen geheimen...."
+
+"Maar ik wel," zeide de onbekende, "ik vertrouw nooit iemand, dan
+dengene, wien ik door de omstandigheden genoodzaakt ben, dat vertrouwen
+te moeten schenken; en, zoo ik de moeite neem, van Brussel te komen om
+den Heer Mom alleen te spreken, dan kan deze, dunkt mij, de moeite op
+zich nemen van te zorgen, dat ons gesprek ongestoord blijve. Met dit
+al," (voegde hij er bij, daar Elbert nogal staan bleef) "ik kan den
+Heer van Botbergen beloven, dat zoo mijn onderhandeling met den Heer
+Mom naar wensch uitvalt, wij den uitslag onzer beraadslagingen aan
+hem, zoowel als aan al de vrome dienaars zijner Katholieke Majesteit,
+die zich hier bevinden, zoo spoedig mogelijk zullen bekend maken."
+
+"Nu ga dan, Botbergen!" zeide Mom, "en laat mij met den Eerwaarden
+Pater alleen."
+
+Botbergen gehoorzaamde. "Waar blijft nu," dacht hij bij zich zelven:
+"onze arme Ambtman? Hij dacht eerst de beleider van 't gansche spel
+te wezen, en daar komt een Spaansche Monnik aanwaaien, die ons allen
+naar zijn pijpen zal laten dansen."
+
+"Zal ik," zeide Mom, zoodra zijn handlanger het vertrek verlaten had:
+"thans de redenen vernemen, Pater! welke mij de eer van uw bezoek
+verschaffen?"
+
+"Mij dunkt," antwoordde de Monnik: "dat die nogal licht te raden
+zijn. UEd. zond Preys en Leendertz aan Grobbendonck: deze, geen
+volmacht hebbende om met hen te handelen, verwees hen tot den
+Aartshertog: en daar Zijne Hoogheid zich zeer ongesteld gevoelde,
+werd ik gelast, uw zendelingen te onderhouden. Uit hetgeen ik van hen
+vernam, begreep ik, dat het voor de belangen van de goede zaak, zoowel
+als voor de uwe, noodzakelijk was, dat ik zelf mij herwaarts begave:
+en daarom ziet gij mij hier, gereed al uw bedenkingen of zwarigheden
+op te lossen."
+
+"Ik heb u slechts ééne vraag te doen," zeide Mom, "brengt gij geld
+mede?"
+
+"De kinderen der Heilige Kerk," antwoordde de biechtvader, zijn armen
+deemoedig over de borst kruisende, "zijn niet gewoon, zich met de
+schatten dezer wereld te beladen, gedachtig aan het voorschrift:
+"_nolite possidere aurum neque argentum neque pecuniam in zonis
+vestris_." [39]
+
+"Dan behoef ik u niet langer aan te hooren," zeide Mom, hem in drift
+den rug toekeerende.
+
+"UEd. spot er mede," hervatte de vreemdeling: "maar...."
+
+"Vaarwel Pater! Goede reis naar Brussel! en mijn gebiedenis aan den
+Aartshertog," zeide de Ambtman, willende heengaan.
+
+"Sta! gij dwaas!" zeide de Pater, hem met een forsche vuist
+terughoudende: "gij zijt immers te ver gegaan om terug te
+krabben. Welke andere keus is u gelaten, dan die tusschen het
+Stedehouderschap in Gelderland en een schavot in Den Haag?"
+
+"Dreigt gij mij?" vroeg Mom, toornig: "keer tot hem, die u afzond,
+of ik laat u als een staatsvijand opknoopen, eer het jaar een dag
+ouder is."
+
+"Gaat dat hier zoo vlug in zijn werk?" vroeg de Monnik, lachende:
+"dan beschaamt men waarlijk de vierschaar der Heilige Inquisitie. Kom,
+kom, Heer Ambtman! tot zulke uitersten zal UEd. niet komen: er wordt
+immers maar één woord van mij vereischt, en gij komt met mij op de
+gerichtsplaats: wel is waar, ik word opgehangen, en UEd. onthoofd:
+dat is niet meer dan billijk en een privilege, dat u rechtmatig
+toekomt. En wat zal uw aanstaande bruid dan wel zeggen?" voegde hij
+er bij, hem met een doordringenden, scherpen blik aanziende.
+
+"Er zijn geen bewijzen voorhanden van mijn voornemens," zeide Mom,
+zich wrevelig nederzettende.
+
+"Niet?--En uw briefwisseling met Grobbendonck en Ludwig, welke
+gedurende zoovele jaren volgehouden werd en waarvan ik al de materialen
+kan aanwijzen. En de bekentenissen, welke de vrome Klaas Meinertz en
+de eerlijke Teun Wezer en de achtenswaardige Elbert van Botbergen en
+zooveel anderen meer, wanneer zulks door mij gerequireerd mocht worden,
+buiten pijn en banden zouden afleggen? Telt gij die voor niets?--Al
+ware het alleen het onderhoud, dat gij op dit oogenblik met mij voert,
+en wel in een plaats, waar gij zelfs de gevaren niet van kent. Uw lot
+is in mijn handen, edele Heer, en Pater Eugenio, van de Orde Jesu,
+komt niet geheel uit Brussel herwaarts, om met de kous op 't hoofd
+weder huiswaarts te keeren, of--'t geen nog erger zou wezen--om de
+markt van Tiel uit de hoogte te bekijken."
+
+Deze woorden sprak de Jezuïet, wien mijn lezers reeds voorlang herkend
+zullen hebben, op een langzamen, vasten toon, van tijd tot tijd
+ophoudende en den edelman met een snellen blik aanziende, om gade
+te slaan, welken indruk zijn redeneering op hem teweegbracht. De
+Ambtman scheen door de meerdere zielskracht van den afgezondene
+geheel verplet; zonder antwoord te geven bleef hij zitten en keek
+ontevreden voor zich. De Jezuïet nam plaats aan zijn zijde, greep op
+een vriendelijke wijze zijn hand, welke Mom noch gaf noch terugtrok,
+en vervolgde in voege:
+
+"Kom, edele Heer! wees goedsmoeds! ik zie u nog liever verstoord en
+opvliegend, gelijk zooeven, dan bedrukt en uit het veld geslagen,
+zooals thans. Laten wij een dwazen twist--of hoe zal ik het noemen,
+'t geen tusschen ons voorviel?--vergeten, en woorden van gezonden zin
+tot elkander spreken. Zoude UEd., na zoolang voor Zijn Hoogloffelijke
+Katholieke Majesteit geijverd te hebben, de goede zaak, zonder eenige
+billijke reden, op eenmaal verlaten?"
+
+"Ik ben het niet, die haar verlaat," antwoordde Mom: "het zijn de
+Aartshertog en Spinola, die mij laten zitten. Wat kan ik, al wilde
+ik ook, zonder geld, ten dienste Zijner Majesteit uitrichten?"
+
+"Het zal hier geld en ambten regenen," zeide Eugenio, "als maar eerst
+de zaak haar beslag heeft."
+
+"Ja, als wij het eerst aan Spanje brengen, zal Spanje er ons naderhand
+mede beschenken," zeide Mom, met bitterheid: "Is het zoo niet? Ik weet
+den toestand, waarin gij verkeert: uw krijgskas is uitgeput, Spinola
+berooid en de geestelijke orden zijn, zooals altijd, niet scheutig."
+
+"Daar is misschien wat van aan," antwoordde de Jezuïet, altijd met
+dezelfde koelbloedigheid; "doch weet ge wat de voornaamste reden is,
+waarom men u thans geen geld zendt?--Men vertrouwt u maar half."
+
+Mom schoof zijn stoel een eind achteruit en zag den Jezuïet met een
+oog van verbazing aan: "nu geloof ik, Pater!" zeide hij, "dat gij
+voor de eerste maal in uw leven oprecht zijt."
+
+"Dat ben ik, want, gelijk de waardige Fonseca zeer juist aanmerkt:
+men moet altijd oprecht zijn wanneer men geen belang bij een logen
+heeft.--Zooals ik zeide, Don Ambrosio Spinola en Don Louis de Velasco,
+twee ruwe en ronde krijgslieden, die van al wat de staatkunde betreft
+hoegenaamd geen verstand hebben, mistrouwen u en denken, dat gij,
+omdat gij de Staatschen misleidt, ook de Spaanschen zoudt kunnen
+misleiden. Eenvoudiglijk daarom wil men u geen geld sturen."
+
+"En daarom eenvoudiglijk wil ik u ook niet helpen! Ik herhaal het:
+zonder geld kan ik de eedgenooten niet tevreden stellen.... en
+voorschotten doe ik niet."
+
+"UEd. heeft volmaakt gelijk," hernam de zoon van Lojola; "doch van
+wat anders gesproken: mag ik UEd. dit geschrift ter hand stellen?"
+
+Bij het uiten dezer woorden haalde hij een perkament uit zijn boezem
+en bood het den Ambtman aan, die het met een koele onverschilligheid
+opende en doorlas. Het behelsde een aanstelling van Jacobus Mom
+enz. tot Stedehouder van Gelderland in naam des Aartshertogen, en
+was door Albertus onderteekend en met diens zegel bekrachtigd.
+
+"Welnu!" zeide de Jezuïet, "dit is meer dan een belofte, nietwaar?"
+
+"Het is nog veel minder," antwoordde Mom, droogjes: "de Aartshertog
+verdeelt de berenhuid, voordat de beer dood is; hij wil niet eens
+geld verschaffen tot den aankoop van wapens om het beest te vellen."
+
+"Wapens zullen u overvloedig verschaft worden," hervatte Eugenio:
+"daarvoor sta ik u borg."
+
+"Maar bekwame medehelpers, waar ik op rekenen kan," vervolgde Mom:
+"want alleen...."
+
+"Preys, Leendertz en Eyndhouts zijn door aanzienlijke toezeggingen van
+geld en ambten bereid alles voor de goede zaak te wagen. Botbergen
+hangt slechts van u af. Slatius, Groenhovius en hun Arminianen
+zijn, uit wraakzucht en haat alleen, volkomen bereid zich bij ons
+te voegen. De wederdoopers, die niet vechten mogen, hebben ons van
+geldelijken onderstand verzekerd. De Kornetten van Grobbendonck
+hebben last gekregen, om, dadelijk bij het einde van het Bestand,
+vaardig te wezen tot de ondersteuning uwer pogingen. En," voegde hij
+er zacht en langzaam bij, "Graaf Hendrik Frederik...."
+
+"Is toch niet op onze zijde?" vroeg de Ambtman, hem haastig in de
+rede vallende.
+
+"Dat juist niet," antwoordde Eugenio met een spotachtigen glimlach:
+"maar hij werkt ons volkomen in de hand. Door de gunst, welke hij
+tot nog toe aan de verdrukte Remonstranten betoond heeft, door de
+verkeerde wijze, waarop Ludwig, die hem met open oogen bedriegt,
+hem de zaken beschouwen laat, door de verwijdering, die tusschen
+hem en zijn broeder ontstaan is, zijn de oogen van alle misnoegden
+in Holland op hem gevestigd. Maurits is van dit laatste bewust: en
+het oogenblik is daar, dat broedertwist en binnenlandsche tweespalt,
+de ontwerpen van Spanje in de hand werkende, ons in staat zullen
+stellen over al de nog overig zijnde zwarigheden te zegevieren."
+
+"Gij leert mij veel en merkwaardig nieuws," zeide Mom; "doch gij
+neemt mijn voorname zwarigheid niet volkomen weg. Hoe kan ik hier
+mijn plannen tot rijpheid brengen, zonder...."
+
+"Daarom juist kom ik hier," hervatte Eugenio: "Ik, die vijf en
+twintig jaren lang geen moeite, geen opofferingen heb ontzien,
+om het heerlijk doel te bevorderen, dat ik eenmaal zwoer te zullen
+bereiken: ik, die gedurende al dien tijd, met raad en daad, met pen
+en zwaard, met goud en list, de goede zaak heb gediend: ik, die al
+de hier ontbrande twisten heb gesticht, onderhouden of aangeblazen:
+ik, zonder wien geen samenzweringen, aanslagen noch eedverbonden
+zijn uitgedacht, verlevendigd of voortgezet: ik, die den arm wapende
+van Panne en Micault, die den Graaf van Falckestein en zijn beide
+kinderen om hals liet brengen, die Ludwig, ten dienste van Spanje,
+in alle staatsgeheimen dringen deed, die waardgelders, predikanten en
+aristocraten tot muiterij en tweedracht aanzette, die, in één woord
+alles aanwendde, om dit land het onderstboven te keeren,--ik zal ook in
+dit geval het door u zoo heerlijk aangegeven ontwerp besturen en tot
+rijpheid brengen. Nog dezen nacht (want andere bezigheden vereischen
+mij voor het einde van 't Bestand in 's-Bosch en in 's-Hage), nog
+dezen nacht zal een aanzienlijk getal eedgenooten, door mij intijds
+verwittigd en bijeengeroepen, in dit huis vergaderen. Hier zult
+gij Spaanschgezinden, Roomschen, Arminianen, Menisten, ja orthodoxe
+Protestanten bijeen zien. De middelen zullen hier beraamd worden om
+tot ons doel te geraken: en van de uitvoering zal ik al de moeite,
+gij al de eer hebben.--Ik heb gezegd! en thans staat het aan u te
+beoordeelen, of gij u aan 't hoofd dier schaar plaatsen wilt, dan
+of gij hen allen, maar ook u zelven nevens hen, aan het zwaard des
+beuls ter prooi wilt geven."
+
+Meer overreed dan overtuigd door de woorden van den Jezuïet, begreep
+de Ambtman niettemin, dat er wel niets anders voor hem opzat,
+dat het voorstel aan te nemen. "In Gods naam," zeide hij, hem de
+hand toereikende: "de teerling is geworpen, en ik geef mij aan uw
+leiding over."
+
+"Gij doet wel," zeide Eugenio: "en uw keuze zal u niet
+berouwen;--intusschen, wat ik vooreerst van u te vragen heb,
+is dat gij ons gesprek geheim houdt: alleen Preys en Leendertz,
+met wie ik herwaarts gekomen ben, benevens Botbergen, kennen mijn
+betrekkingen: ook Klaas Meinertz: doch die is een oude kennis en het
+kanaal, waardoor ik altijd kondschap ontving; voor de overigen ben
+ik Van Dijk, inwoner van 's-Hertogenbosch, en...."
+
+Op dit oogenblik stoof Botbergen de kamer in.
+
+"Daar is de kamenier van de Freule van Sonheuvel," zeide hij, "die
+den Heer Mom verlangt te spreken."
+
+"De kamenier van de Freule;" riep Mom verwonderd uit; "en hoe wist
+zij dat ik hier was?"
+
+"Zij wist meer dan dat," antwoordde Botbergen: "want toen ik haar
+vroeg, wat zij hier deed, antwoordde zij: de wind loopt zuidwest."
+
+"Daar schuilt verraad onder," riep Mom; "doch wij zullen dadelijk...."
+
+"Bedaar!" zeide de Jezuïet, hem terughoudende: "Magdalena is van
+de onzen!"
+
+"Zij van de onzen?" herhaalde de Ambtman, verbaasd: "hoe langer hoe
+vreemder! Ik bemerk wel, dat ik, schoon de hoofdaanlegger, niet meer
+doe dan de kaarten te geven, die een ander geschud heeft." Hier zag
+hij Eugenio veelbeduidend aan.
+
+"Nu, als zij van de onzen is," hervatte Botbergen: "moet zij dan maar
+hier komen?"
+
+"Ongetwijfeld," zeide Mom: "zij heeft misschien een boodschap van
+haar meesteres."
+
+"Die is althans niet van de onzen," zeide Elbert, meesmuilende:
+"als zij maar de uwe wordt, dan zult gij wel tevreden zijn?" Dit
+zeggende verliet hij het vertrek.
+
+Hij keerde na eenige oogenblikken terug met de kamenier der Freule
+van Sonheuvel, een rijzige, deftig doch eenvoudig gekleede vrouw,
+wier gelaat, hoe vervallen ook, bewees, dat zij in haar jeugd ongemeen
+bevallig geweest moest zijn. Sedert de gebreken van een vergevorderden
+leeftijd de oude Geertrui beletteden, haar bediening op het slot langer
+waar te nemen, was Magdalena, door de voorspraak van Klaas Meinertz,
+die den Baron van Sonheuvel onder zijn klanten telde, haar plaats op
+het slot komen vervullen en had zij zich, door haar bekwaamheid in
+'t bestieren van de huishouding en door haar geschikt en ordelijk
+gedrag, de achting van den Baron en het vertrouwen zijner dochter
+weten te verwerven.
+
+"Goeden morgen, Magdalena!" sprak Mom, zoodra zij binnentrad. "Gij
+brengt, hoop ik, goede tijding. Is alles wel op het slot? uw
+Heer?.... en de Freule?"
+
+"Beiden zijn in goeden welstand, mijnheer!" antwoordde de kamenier. "De
+Freule heeft mij verlof gegeven om mijn oom Klaas Meinertz te komen
+bezoeken, daar de hovenier juist naar Tiel moest om gereedschappen
+te koopen: en de Heer Baron gelastte mij eens naar den welstand Uwer
+Edelheid te gaan vernemen en meteen te vragen of UEd. ook genegen
+zijt, morgen na den middag op het slot te komen. Er zal een groote
+kegelpartij wezen."
+
+"Mijn onderdanige groete aan den waarden Heer Baron, en wees zoo goed
+aan ZEd. te zeggen, dat er op Sonheuvel geen kegelpartij behoeft te
+wezen, om mij daarheen te lokken. En," vervolgde hij, haar een stuk
+goud aanbiedende, "vergeet ook vooral niet, lieve Magdalena! mij in
+de gunst uwer engelachtige meesteresse aan te bevelen."
+
+"Ik dank u," zeide de kamenier: "de Baron van Sonheuvel alleen heeft
+het recht, mijn diensten te betalen: aan anderen bewijs ik die zonder
+loon." Dit zeggende wees zij het geld met een trotsche wending af,
+doch op datzelfde oogenblik ontdekte zij den Jezuïet, die zich bij
+haar komst achterwaarts begeven had, en gaf een gil.
+
+"Wat schort er aan? wat deert u?" riepen Mom en Botbergen, als uit
+één mond.
+
+"Gij waart misschien niet van mijn tegenwoordigheid in deze woning
+verwittigd?" vroeg Eugenio, vooruittredende.
+
+"Neen!" antwoordde Magdalena, met een onzekere stem: "mijn oom, wien
+ik op straat ontmoette, had mij alleen gezegd, dat ik den Heer Mom
+hier zou vinden en mij het wachtwoord gegeven, maar...."
+
+"Een wachtwoord!" viel de Ambtman in, die toch nieuwsgierig was,
+in hoeverre de kamenier van Ulrica tot het eedgespan in betrekking
+stond. "En hoe kondt gij op de gedachte komen, dat er een wachtwoord
+noodig ware, om mij te spreken?"
+
+"Omdat ik u ken, Stedehouder van Gelderland!" antwoordde Magdalena, het
+hoofd met fierheid oprichtende: "omdat uw bedoelingen en aanslagen mij
+bekend zijn, en omdat ik overtuigd ben, dat de eerwaarde Pater Eugenio
+zich aan geen gevaren zou blootstellen zonder de noodige voorzorgen
+te hebben genomen. Vrees intusschen van mij niets," vervolgde zij,
+de hand aan den van verbazing sprakeloozen Ambtman toereikende: "waar
+ik kan en vermag, zal ik u tot een vriendin en helpster verstrekken,
+en u allen, die voor onze Heilige Moederkerk goed en bloed in de
+waagschaal stellen. Ik groet u, Mijneheeren! en u ook, Pater! gij
+hebt mij waarschijnlijk geen bevelen te geven?" vroeg zij, dezen
+laatste met een trotschen, eenigszins verachtelijken blik aanziende.
+
+"Magdalena!" zeide de Jezuïet, terwijl een waas van weemoed of
+aandoening zijn gestrenge, gele gelaatstrekken overdekte: "moeten
+wij, na een afwezigheid van vijf en twintig jaren...., doch, gij hebt
+gelijk, het is hier de geschikte plaats niet...."
+
+"Vaarwel, Pater Eugenio!" herhaalde Magdalena en verliet het vertrek.
+
+"Joost haal mij, zoo ik er iets van begrijp," zeide Elbert, zooras
+zij weg was.
+
+"Ik sta als versteend," zeide Mom: "zult gij ons ook van dit raadsel
+de oplossing verkiezen te geven, Pater?"
+
+"Ik heet Van Dyk," zeide Eugenio koeltjes, "en ben een verjaagde
+Remonstrant, die in Den Bosch woont; want, zoo mijn gezicht mij niet
+bedriegt, zie ik aan het eind der straat Klaas Meinertz met twee
+Arminianen komen."
+
+"Juist," zeide Botbergen, zich naast hem aan het raam begevende,
+"dat zijn twee vreemdelingen, die in den _Gouden Ooievaar_ zoo straks
+zijn gekomen, maar ik wist niet, dat het Arminianen waren."
+
+"Alles loopt naar wensch," hervatte de Jezuïet, en, Elbert zachtjes
+naar zich toetrekkende, fluisterde hij hem in 't oor: "De Aartshertog
+heeft u een compagnie toegezegd en tweehonderd guldens tot een
+geschenk;.... maar blijf u thans maar beneden ophouden en zorg dat
+Preys en Leendertz ons niet komen storen, terwijl wij met dit paar
+ketters bezig zijn. Klaas Meindertz zal u wel wat Rijnschen wijn
+schenken. De man heeft een goeden kelder."
+
+"Tot uw dienst Pater.... Van Dyk," zeide Botbergen en vertrok. "En
+wat moet er nu gedaan worden?" vroeg Mom, die zich, maar half tevreden
+en met blijkbare ongerustheid, in een stoel had nedergeworpen.
+
+"Laat mij maar begaan, Heer Stedehouder! en bevestig mijn gezegden. Wij
+moeten thans twee hoofden der misnoegden tot onze zijde overhalen. Een
+hunner zult gij, bij name althans, kennen. Hij is de zoon van den
+Predikant te Sonheuvel.... Hendrik Raesfelt.
+
+"Ik heb van hem hooren spreken," zeide Mom; "maar zorg toch, mij niet
+bloot te stellen aan de onaangename gevolgen, welke eene herkenning
+zou kunnen hebben."
+
+"Hier zijn de twee heeren uit den Gouden Ooievaar," zeide Klaas
+Meinertz, zijn neus door de even geopende deur stekende.
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Maar gij, die hier het woord voert in 't gezantschap,
+ Wie zijt ge?
+
+ _Bilderdijk_, Floris de Vijfde.
+
+
+De twee nieuwe personages, die nu op vergunning van den Ambtman
+het vertrek binnenkwamen, leverden in hun uiterlijk voorkomen een
+paar volkomen tegenbeelden op. De een was een log, dik mensch, met
+een gemeen, dom en leelijk gelaat, een grooten rooden neus, die, van
+menigvuldige uitwassen en puisten voorzien, getuigde, dat de brandewijn
+niet zelden den vromen man te stade kwam, als hij zijn zorgen begeerde
+te verzetten. Zijn gewaad was versleten en armoedig, en men kon zien,
+dat het niet voor zijn lijf gemaakt was. Zijn lompe, grove handen en
+voeten schenen eer geschikt om de zware klei te bewerken of turf te
+trappen, dan om geschikte gebaarden van den kansel te maken. Zijn
+heesche, wanluidende stem duidde meer den oproerkraaier dan den
+leeraar aan, en zijn waggelende gang verraadde eer den Bachusdienaar
+dan den zedenpreker. Of de waard in den _Gouden Ooievaar_ hem bij
+deze gelegenheid zijn wijn te veel had aangeprezen, is ons onbewust:
+zeker is het, dat hij het vertrek, waar Meinertz hem binnenleidde,
+waggelend inschoof en zijn morgengroet stotterende uitbracht.
+
+Zijn metgezel was een schoon rijzig jonkman, met fraaie blonde
+haren, zwarte sprekende oogen, en mannelijke, door de zon eenigszins
+verbrande gelaatstrekken. Hij had een geel lederen reiskolder aan,
+met koperen knoopjes vastgehecht, en een hartsvanger op zijde, in
+een breeden groenen bandelier hangende. Een hoed zonder pluimage,
+een paar bestoven halve laarsjes met groote sporen en breede
+ruitershandschoenen kondigden in hem veeleer een ruiter dan een
+predikant aan. Met een open gelaat en een ongedwongen houding trad
+hij binnen, half voortgetrokken door zijn ouderen reismakker, die hem
+met de volgende bewoordingen aan Van Dyk (want onder dien naam alleen
+kende hij Eugenio) voorstelde: "_Eruditissime vir! Dominé_ Van Dyk,
+_vel melius Ab Aggere!_ Ik ben uw onderdanige Dienaar, _humillimus
+servus!_ Groote dingen zullen door UEd. in Israël uitgericht worden. Ik
+heb de eer UEd. hiernevens aan te bieden.... _virum juvenem egregium,
+magno ingenio vel magni ingenii_, want beide zegt men, _teste Gerardo
+Joanne, viro celeberrimo_.... een voortreffelijk jong mensch, den
+Heer.... ja hoe heet hij,.... Van der Hummes of zoo een naam, _sed
+nominum vana curiositas_.--_Sufficiat_, dat hij de feniks van alle
+reisgezellen is, _nec minus bonus potator_.... he! he! kastelein! een
+glas karnemelk met een scheutje brandewijn er in."
+
+Na deze fraaie proeve van welsprekendheid liet Groenhovius (zoo heette
+de leeraar) zijn reisgenoot los, knikte nogmaals Meinertz toe, dat
+hij hem het gevraagde brengen zou, zette zich in een armstoel neder,
+vouwde de handen over den buik ineen, en zag het gezelschap met een
+wijdopgesparden mond aan.
+
+"Wat moeten wij met dien dronken gek beginnen?" vroeg Mom halfluid
+aan Eugenio.
+
+"Hem laten slapen tot hij nuchter wordt," antwoordde deze op denzelfden
+toon: "hier althans kan hij hoegenaamd geen kwaad uitrichten, al
+verspreekt hij zich."
+
+"Is U Eerwaarde reeds lang met dien dronkaard opgescheept
+geweest?" vroeg Mom, zich beleefdelijk tot den jongeling wendende,
+die met een verlegene houding zijn reisgenoot beschouwde.
+
+"Hedenmorgen ben ik hem, van Nijmegen aankomende, achteropgereden. Hij
+heeft mij verzocht, onder mijn geleide te mogen voortreizen, en
+heeft niet losgelaten, of ik moest nog in den _Gouden Ooievaar_ een
+tijdlang vertoeven om een glaasje van afscheid te drinken; UEd. is,
+naar ik vermoede, de Ambtman Mom, op wiens last ik hier geroepen ben."
+
+"Dat is te zeggen," zeide Mom, Eugenio zijdelings aanziende: "op
+mijn last.... ja, in een zekeren zin. Eigenlijk heeft mijn vriend
+Van Dijk het een en ander met UEd. te overleggen. Wat mij betreft,
+ik ben uw dienaar tot hedenavond: dan hoop ik u weder te zien."
+
+"Met uw verlof," hernam de jongeling: "hedenavond was het mijn
+voornemen, om...."
+
+"Tot straks," hernam de Ambtman, hem beschermenderwijze met de hand
+groetende en zich vervolgens tot den Jezuïet wendende: "ik ga naar
+Preys en Leendertz," zeide hij: "gij zult het noodige met deze Heeren
+wel afhandelen."--Dit gezegd hebbende vertrok hij.
+
+"Maar!" vervolgde de vreemdeling, zich naar Eugenio keerende "ik moet
+hedenavond naar Sonheuvel, en ik zie niet, welke redenen men hebben
+kan, mij hier op te houden."
+
+"Hoe!" vroeg de Jezuïet: "vertrekt gij naar uw vader? Ik dacht,
+dat hij u niet meer voor zijn zoon erkennen wilde."
+
+"Dat kan hij ook niet," hernam de reiziger: "dat verbieden de
+omstandigheden."
+
+"Zeer natuurlijk!" merkte Eugenio aan: "wanneer men geheel andere
+grondbeginselen heeft:--daarenboven, wat zegt de Schrift: _si quis
+non odit_...." [40]
+
+"Wie haalt daar de Paapsche overzetting aan?" vroeg Groenhof uit de
+sluimering opschietende, waarin hij geraakt was.
+
+"Ik!" antwoordde Eugenio bedaard: "gij weet, ik ben een Bosschenaar,
+en daar hoort men zelden anders als uit de _Vulgata_ praten:--daar
+is nimmer gelegenheid om een geestelijk woord te hooren, tenzij
+van papen en paapsgelijken. Hoe velen smachten aldaar met mij naar
+het waarachtige manna van geestelijk onderricht, met een dauw der
+geleerdheid doorvoed en gestoofd in de zon der gezonde rede.... daarvan
+gesproken, Dominee! ik hoop dat UEerwaarde morgen in staat zal zijn,
+voor de dierbare kudde, welke zich hier verzamelen zal, een predikatie
+te houden.--Of anders, uw jonge ambtgenoot misschien...."
+
+"Ik?" riep de jongeling, die de vreemde redenen van den gewaanden
+Bosschenaar met verwondering had aangehoord: "en voor wien ziet
+UEd. mij aan?"
+
+"Zoo!" zeide Groenhof: "is mijn jonge reismakker ook een Nazireër! _en
+collega_? waarlijk _valdegaudeo_, een geleerde, een broeder, een
+medeverdrukte, een medearbeider in 's Heeren wijngaard in hem te
+ontmoeten. Ik dacht aan zijn kleeding eerder, dat hij een _miles
+gloriosus, de quo Plautus_, dan een _miles Christianus, de quo Paulus
+habet_, ware."
+
+"Wat collega! wat verdrukte!" riep de vreemdeling uit, terwijl hij
+rood werd van drift: "ik heb Plautus ook gelezen, en ik ben niet op
+de malle vergelijking tusschen mij en zijn Thraso gesteld.--Hoe is
+het? een misverstand? of scheren wij elkaar?"
+
+"Ik prijs de achterhoudendheid," zeide Eugenio: "doch hier is zij
+althans overbodig. Bij ons behoeft gij uw naam en bediening niet te
+verbloemen, daar uw komst te dezer plaats genoegzaam bewijst, welk
+vertrouwen gij in mij gesteld hebt: en de zegepraal der goede zaak,
+de val onzer hoogmoedige verdrukkers, de vrijheid der kerk zullen
+tot zoovele bewijzen strekken, dat dit vertrouwen aan geen onwaardige
+geschonken werd."
+
+"Ik u vertrouwen geschonken?" vroeg de onbekende, hoe langer hoe meer
+verwonderd: "en door wien dan ben ik hier ontboden?"
+
+"Door wien?--Door mij, door Van Dyk," antwoordde Eugenio: "ik ben
+degeen, die u te Mulheim schreef en u verzocht, dadelijk herwaarts
+te spoeden, om de middelen te beramen, ter uitvoering van dat groote
+en godzalige voornemen, waartoe wij...."
+
+"Ik ben te Mulheim niet geweest," viel hem de jongeling in: "ik heb
+geen brief van Van Dyk noch van iemand anders ontvangen: ik weet
+van uw voornemen niets, en ik zou niet in dit huis gekomen zijn,
+ware ik niet door den Ambtman ontboden geweest."
+
+Eugenio zweeg, zijn trekken bleven onbeweeglijk en zijn oog stond
+strak op den vreemdeling gevestigd; zijn hand alleen scheen, door
+een werktuiglijke, krampachtige beweging het moordtuig te zoeken,
+dat onder zijn kleed verborgen en reeds meer zijn antwoord geweest
+was. De vreemdeling scheen het oogmerk dier beweging te raden:
+althans, hij zette zich schrap en sloeg de hand aan 't gevest van
+zijn hartsvanger. Doch de Jezuïet liet na een oogenblik zwijgen den
+arm weder zakken en vroeg zeer bedaard: "zoo, is UEd. dan niet de
+persoon van Hendrik Raesfelt, proponent?"
+
+"Hendrik Raesfelt?--neen;.... doch! wat is er, wat weet gij van
+Hendrik Raesfelt?" vroeg de jongeling met levendige deelneming.
+
+"Niets! UEd. schijnt hem te kennen?" hernam Eugenio, volgens zijn
+gewoonte een vraag met een andere beantwoordende.
+
+"Of ik hem ken?--Wij waren speelkameraads, en ik heb altijd veel
+belang in hem gesteld."
+
+"Zoo!--Welnu, zoo gij hem nader wilt zien, hij komt eerstdaags
+hier;.... UEd. is dus vreemdeling hier en weet waarschijnlijk niet, dat
+er maatregelen worden in 't werk gesteld om de gebannen predikanten,
+die onderwerping beloven, weder te herstellen in hun bedieningen:
+hierover wilde men ook met Raesfelt spreken, wiens dwalingen zijn
+jeugd en de verleiding van anderen verschoonlijk maakten; doch daar
+UEd. die persoon niet zijt...."
+
+"Kan ik weder vertrekken, is het niet zoo?" viel de reiziger in:
+"ik moet u echter bekennen," vervolgde hij, "dat, bijaldien de
+tegenwoordigheid van den Heer Ambtman in dit huis, en uw betuiging,
+dat er een misverstand plaats heeft gehad, mij niet tevreden moesten
+stellen, ik niet zoo lichtelijk genoegen zou nemen met een oponthoud,
+dat mij misschien beletten zal, heden nog de stad te verlaten; want
+naar allen schijn zullen de poorten reeds gesloten zijn."
+
+"Gij ons verlaten!" riep Groenhof uit, terwijl hij eensklaps weder
+toetrad en met uitgebreide armen den jongeling omvatte. "Wilt gij mij
+verlaten, gelijk Demas Paulum verliet? Gij, die een medestrijder zijt
+voor de goede zaak, gij moet blijven en met ons strijden of afwachten
+de groote dingen, die er geschieden zullen. _Manendum est et fortiter
+pugnandum!_" [41]
+
+"Stil!" zeide Eugenio, die bevreesd werd, dat de onvoorzichtige
+toespraak van Groenhof de ware redenen der bijeenkomst aan den
+jongeling zou bekend maken: "stil Dominee! het is noodeloos hierover
+met dien heer te spreken."
+
+"Ja, mijn waarde vriend en reisgenoot," zeide Groenhof, die, zonder
+acht te geven op de onverduldige wenken van Eugenio, den jongen
+vreemdeling bij de hand bleef houden: "ja, mijn broeder! hij zal
+vallen, die Achab, die vervolger van Gods heilige profeten...."
+
+"Wilt gij zoo goed zijn, mij te volgen?" vroeg Eugenio aan
+den onbekende, hem haastig uit de omhelzingen van Groenhof
+losrukkende. Doch de jongeling had te veel gehoord en werd nu door
+de nieuwsgierigheid aangezet om te blijven waar hij was.
+
+"Het is alles gereed, _omnia parata sunt_," [42] vervolgde de
+Predikant: "de dwingeland kan den strik niet ontkomen."
+
+"Van welken dwingeland spreekt gij toch?" vroeg de onbekende, haastig.
+
+Op dit oogenblik sloeg de torenklok acht uren.
+
+"Het is te laat!" zeide Eugenio; en opeens den jongeling loslatende,
+verliet hij met spoed het vertrek en draaide het slot achter zich toe.
+
+"Om 's Hemels naam, wien bedoelt gij?" herhaalde de vreemdeling,
+zonder op het vertrek van den Jezuïet bijzondere aandacht te slaan.
+
+"Wien ik bedoel?" herhaalde Groenhof, die nog even nuchter genoeg was
+om uit deze vraag te bemerken, dat hij zich deerlijk versproken had:
+"ik bedoel den Koning van Spanje, _Hispanarum regem, inimicum nostrum
+communem_." [43]
+
+"Zoo!" zeide zijn metgezel, het hoofd met een schijn van ongeloovigheid
+schuddende: "doch waar is onze gastheer? of hoe moet ik den man
+noemen, die ons hier ontvangen heeft?--hij zou mij uitbrengen, en
+hij verlaat ons."
+
+"Hij zal wel zoo terugkomen," zeide Groenhof, die inmiddels weder was
+gaan zitten. "Wacht maar een oogenblikje; het is toch te laat om de
+poort uit te komen."
+
+"Er zal wel niet veel anders opzitten, dan geduldig af te wachten,
+wat hierop volgen zal," zeide zijn makker, zich verdrietig in een
+stoel werpende.
+
+Toen hij echter een groot kwartieruurs gezeten had over den Predikant,
+die inmiddels weder in een diepen slaap gevallen was, begon het toeven
+hem hartelijk te vervelen. "'t Is recht vermakelijk om hier voor gek
+te blijven zitten," riep hij uit, terwijl hij wrevelig opstond en
+zijn stoel van zich afstootte: "en wat het fraaist is," mompelde hij
+er op zachteren toon bij: "alles is mijn eigen schuld. Wat behoefde
+ik zulk een dronken Arminiaanschen weetniet te vergunnen, onder mijn
+geleide naar Tiel te reizen? mijn oude vriend zou zeggen: met wie je
+verkeert wordje geëerd. Wist ik maar hoe er uit te komen!"
+
+"Mij dunkt, de Heer Van Dyk blijft lang weg," zeide Groenhof,
+ontwakende en zich de oogen uitwrijvende: "en de kastelein of de baas
+van 't huis, wie hij wezen moog', schijnt het zoopje ook te vergeten,
+dat hij mij beloofd had.... juist, ik heb geen haast."
+
+"Maar ik wel," viel zijn min geduldige reisgenoot hem in de rede:
+"en, zoo men mij niet spoedig de deur komt openen, zal ik zien,
+of ik mij zelven geen uitgang kan verschaffen."
+
+Deze woorden geuit hebbende, begon hij op de deur te bonzen met
+al de krachten, die de natuur hem gegeven had; doch de dikke eiken
+planken stelden zijn pogingen teleur en de Predikant, die, nu redelijk
+ontnuchterd zijnde, het belang besefte, dat er voor zijn oogmerken
+in gelegen was, geen noodelooze opschudding te maken, stond op en
+weerhield hem, toen hij, zijn mes trekkende, zich gereedmaakte,
+de deur met geweld open te breken.
+
+"Bedaar! bedaar! mijn waarde reismakker!" zeide hij: "men zal wel
+dadelijk hier komen: de Heer Ambtman zit nog ongetwijfeld in groote
+besognes. _Paululum exspecta_. [44]
+
+"'t Is een verbruid werk," riep de jongeling, "ik zit hier als een
+muis in de val. Ware het niet om voor geen dief te worden aangezien,
+zoo sprong ik het venster uit." Dit zeggende keerde hij zich om,
+met oogmerk om het raam, dat vrij hoog was, te openen, toen zijn
+voet een ijzeren ring ontmoette, welke diende om een valluik
+open te maken. "Aha!" zeide hij, "die gelegenheid had ik nog niet
+opgemerkt. Die uitgang zal mij althans ergens heen brengen."
+
+"Ja! naar den een of anderen wijnkelder," zeide Groenhof.
+
+"Zoo dat het geval is," hernam de vreemdeling, "zult gij er mij zonder
+weerzin volgen willen."
+
+"_Bone Deus!_ wat doet gij!" vroeg de Predikant, ziende dat hij het
+valluik, 't welk van onderen gesloten was, met geweld openrukte.
+
+"Ik baan mij een doortocht," antwoordde zijn makker: "ik heb
+altijd geleerd, dat een waarlijk bekwaam krijgsman zich zoowel op
+het retireeren, als op het attakeeren verstaan moest. Voelt gij u
+genegen mij te volgen, 't is mij wel: ik ga u voor." Dit zeggende,
+klom hij het trapje af, dat naar beneden geleidde.
+
+"Ik moet toch zien, waar die vent belandt." dacht Groenhof: "hij
+mocht ons eens gaan verklikken, zoo hij ontsnapte." Met dit oogmerk
+volgde hij zijn reisgenoot in een klein, donker vertrekje, 't welk
+op het eerste oog geen anderen toegang scheen te hebben, dan langs
+de opening, waardoor zij gekomen waren. Het ontving ook van dien
+kant al zijn licht, en de flauwe schemering, die er in doordrong,
+veroorloofde nauwelijks aan het meest geoefend oog, eenige kleine
+vaatjes te zien, welke tegen de naakte wanden waren opgestapeld.
+
+"Het gelijkt hier wel een kruitmagazijn," merkte de jongeling aan.
+
+"De Hemel zij ons genadig!" zeide Groenhof: "zouden wij dan niet
+liever terugkeeren en het luik weder in orde brengen zoo goed wij
+kunnen? Er is hier toch geen andere uitgang."
+
+"Dat zegt gij," hervatte de andere gevangene: "doch ik stel vast dat
+er een andere uitgang wezen moet. Het valluik was van binnen gesloten:
+die het gesloten heeft, moet dus een ander heenkomen gehad hebben:
+want hier is hij niet meer: indien het slechts zoo verbruid donker
+niet ware!.... wacht! ik weet al, welken weg wij uit moeten." Dit
+zeggende, wees hij op een reet in een hoek van het kamertje, en
+zich op zijn knieën latende vallen, beschouwde hij den wand met een
+opmerkzaam oog. Spoedig ontdekte hij een kleine vierkante opening,
+met een luikje van buiten gesloten, welke opening waarschijnlijk
+dienen moest om de vaatjes uit te werken. Door zijn vingers met
+kracht tusschen het houtwerk en den muur in te brengen, deed hij
+het luikje wijken en weldra aan stukken splijten. De opening kwam op
+een gewelfde gang uit en was ruim zes voet boven den grond verheven,
+zoodat men die niet dan met een ladder of trap beklimmen kon.
+
+"Goddank!" zeide hij, zich bukkende en met gretige oogen door het
+gat kijkende: "hebt ge nu lust mij te volgen, Dominee? dan zullen
+wij wel ergens te land komen."
+
+"_An stultus es?_" [45] vroeg de Predikant, toen ook hij de
+hoogte gezien had, vanwaar zij af moesten glijden. "Het is me
+_hercule_! halsbrekens werk, om zich daar af te laten vallen."
+
+"Zooals gij wilt," hernam zijn reisgezel: "ik waag den sprong!" en
+meteen zijn makker van de opening aftrekkende, gespte hij zijn
+hartsvanger los, stak de beenen door het gat en liet er zich ter
+halverlijve doorheen zakken. Dan, tot zijn groote teleurstelling,
+was de opening niet ruim genoeg om het bovenlijf door te laten,
+zoodat hij steken bleef en er zich weldra door vruchtelooze pogingen
+zoo vastwerkte, dat hij noch voor- noch achteruit kon. Weldra werd
+de benauwde toestand, waarin hij zich bevond, nog vergroot, doordien
+hij de deur van het vertrek, waarin hij zich kort te voren bevonden
+had, boven zijn hoofd hoorde opengaan en aan het verwarde geluid en
+geroep van "waar steekt de guit? waar zit de spion?" ontdekte, dat
+verscheidene personen de bovenkamer waren binnengetreden, en althans
+geen zeer vriendelijke oogmerken jegens hem koesterden.
+
+"Dominee!" zeide hij met een gesmoorde stem; "maak dat onderste
+plankje los."
+
+"Ik bedank u," zeide Groenhof: "hier!" vervolgde hij, zijn stem
+verheffende tot die, welke boven waren: "hier moet gij wezen."
+
+"Schurk!" riep de jongeling en gaf met zijn hartsvanger den Predikant
+een geduchten slag voor de schenen, zoodat de waardige man schreeuwende
+terugstoof.
+
+De angst verdubbelde nu de krachten van den jongeling, en het geluk
+diende hem. Het luik, dat de opening gesloten had, bestond uit twee
+deelen: het bovenste, dat het grootste was, was uitgeweken en aan
+stukken gesprongen: het onderste, een plankje van twee duim breedte,
+dat het luik van den vloer scheidde en met twee knippen aan weerszijden
+gesloten werd, was blijven zitten. Door de geweldige pogingen, die
+hij in dit oogenblik van benauwdheid in 't werk stelde, gelukte het
+den gevangene, dit plankje te doen losbersten, waardoor de opening
+ruim genoeg werd en hij in de gang viel. Ongedeerd sprong de vlugge
+jongeling op en snelde, zonder om te zien, de gang af, terwijl hij
+in de eene hand zijn blooten hartsvanger zwaaide en met de andere
+de scheede weder vasthechtte.--Aan het einde van de gang gekomen,
+sloeg hij rechtsaf een andere gaanderij in en stuitte aldaar tegen
+een ijzeren deur, met de noodige grendels dichtgesloten. Vol spijt
+deed hij een paar stappen terug en bemerkte toen, dat hij in de
+verwarring van het oogenblik en ook wegens de duisternis, die in de
+gang heerschte, een ander deurtje was voorbijgeloopen, hetwelk onder
+een zwaar gewelfden, met Gothisch snij- en loofwerk voorzienen boog was
+verborgen. Dit deurtje stond aan, en onze vluchteling aarzelde niet het
+binnen te treden. Dan, nauwelijks had hij een blik inwaarts geworpen,
+of hij bleef bewusteloos staan, in de onzekerheid, of hij niet, door
+Scylla te vermijden, op Charybdis gestrand ware: dermate verbaasde hem
+de onverwachte vertooning, welke bij het binnentreden zijn oogen trof.
+
+Hij bevond zich namelijk in een vrij ruime zaal, die haar licht
+ontving uit in de zoldering geplaatste ramen, met geschilderde
+ruitjes voorzien, en met zware zonder smaak gevormde pilasters
+omzet was, welke een gewelfd dak onderschraagden. Tusschen de
+pilasters bevonden zich nissen, die, voormaals, naar 't scheen,
+tot plaatsing van beelden der heiligen gediend hadden: althans de
+uitgerukte stukken kalk en metselwerk, zoowel als de overgebleven
+ijzeren bouten toonden aan, dat men de oorspronkelijke bewoners dier
+nissen met geweld had weggenomen. Aan de beide einden der zaal waren
+twee hooge dubbele deuren, met breede posten en Gothisch snijwerk,
+welke sedert lang ongebruikt schenen te zijn; want de zware grendels
+waren geheel verroest en de sloten met spinrag bedekt. Behalve deze
+hoofduitgangen was het vertrek voorzien van vier zijdeurtjes, door
+een van welke onze onbekende vriend was binnengekomen. Midden in de
+zaal, welke overigens geen meubelen bezat, stond een zware, langwerpig
+vierkante tafel, met een oud, verschoten, doch voorheen kostbaar tapijt
+overdekt. Aan het einde dier tafel was op een ouderwetschen zetel met
+hoogen rug en snijwerk, een deftig man gezeten; zijn vierkant mutsje en
+witte onderkleederen, zijn manteltje en gouden halskruis duidden een
+Roomsch-Katholieken geestelijke, en wel van geen geringe waardigheid,
+aan. Voor hem stond een ebbenhouten kruis, waar een zilveren
+christusbeeld aan vastgehecht was en aan welks voet een doodshoofd
+lag van hetzelfde metaal. Aan elke zijde van den voorzitter zaten op
+houten schabellen vier, en over hem twee personen, deels in geestelijk,
+deels in wereldlijk gewaad. De tafel was overdekt met papier en
+schrijfgereedschappen, en al de aanwezigen schenen aandachtig te
+luisteren naar hetgeen een jong geestelijke, die naast den voorzitter
+stond, hun voorlas uit een brief, op perkament geschreven en met drie
+zegels van groen was voorzien. Bij het gerucht, dat de deur maakte,
+toen zij krakende openging voor den binnentredenden vreemdeling,
+werd de lezing gestaakt, en al de aanwezigen wendden het hoofd naar
+den onverwachten en onwelkomen stoorder hunner samenkomst. Toen zij
+den gewapende ontdekten (want de vreemdeling hield den hartsvanger
+nog stijf in de vuist gekneld) stoven allen gelijkelijk op: sommigen
+grepen hun schabellen, om zich desnoods daarmede te verdedigen, en
+anderen zochten onder hun opperkleed naar gevaarlijker wapenen. De
+voorzitter alleen bleef bedaard; met een majestueuse beweging gebood
+hij stilte en trad vervolgens den jongeling te gemoet, wien hij aldus,
+op een vriendelijken toon, aansprak:
+
+"Wie zijt ge, mijn zoon? en wat is de oorzaak van uw onverwachte
+komst?"
+
+"Verschoon mij," antwoordde de vreemdeling, eenigszins verlegen
+zijn geweer opstekende: "ik ben verdwaald in dit gebouw, ik weet
+zelf niet hoe, en gaarne wenschte ik een deur te vinden, die mij op
+straat bracht."
+
+De aanwezigen mompelden onderling, en de meesten schudden het hoofd.
+
+"Het komt mij vreemd voor," zeide de voorzitter, "dat gij, alleen
+omdat gij een uitgang zoekt, met het bloot rapier als een dolleman
+hier binnen komt stuiven,"
+
+"Ik beken," was het antwoord, "dat de schijn tegen mij is; doch
+openhartig zal ik u mijn geval verhalen. Ik kom van Nijmegen: een
+zekere Predikant, die, op een vrij slechten knol gezeten, denzelfden
+dijk volgde als ik, hield mij gezelschap. Aan den _Gouden Ooievaar_
+stapten wij af: vandaar liet de heer Ambtman ons ontbieden; men bracht
+ons in de woning van een schrijnwerker, welke woning, naar ik zie,
+al vrij ruim is en toen ontdekte zekere Heer Van Dyk, dat ik niet
+diegene ben, dien hij te wachten was;.... maar daar zit hij zelf:
+laat hij het ontkennen, zoo hij goedvindt."
+
+Hier vestigden zich al de oogen op Eugenio, die, in zijn mantel
+gewikkeld, alleen, met zijn gewone bedaardheid, aan de tafel was
+blijven zitten.
+
+"Ik ontken niets," zeide hij, opstaande: "het geheele voorval berust
+op een misverstand."
+
+"Zulke misverstanden moesten geen plaats hebben, en wij hadden die
+althans van u niet verwacht, Pater!" bromde een der aanwezigen.
+
+"Dwaas!" antwoordde Eugenio halfluid: "is de vogel niet in de knip,
+en staat het niet aan ons, hem naar bevind van zaken de wieken te
+korten of den hals om te draaien?"
+
+"Stil!" zeide de voorzitter: "wat aanleiding tot de komst van dezen
+jongeling heeft gegeven, is noodeloos op dit oogenblik te onderzoeken:
+daartoe is onze tijd te kostbaar. Jonkman! antwoord mij openhartig;
+dit alleen zal mij doen zien, of gij waardig zijt de vrijheid weder
+te erlangen."
+
+"Ik wist niet, dat ik gevangen ware," antwoordde de vreemdeling met
+fierheid de hand op het gevest van het geweer slaande.
+
+"Spaar die snorkerijen," hernam de deftige grijsaard: "ik zie gaarne,
+dat een jonkman als zoodanig spreekt; doch hij moet het op gepaste
+tijden doen. Antwoord mij, hoe is uw naam?"
+
+"Sta ik hier voor een rechtbank?" vroeg op zijn beurt de jongeling "Ik
+ben een Protestant, en erken op dit oogenblik geen heer noch meester
+op deze aarde. Gij derhalve hebt geen recht hoe ook genaamd, mij in
+'t gehoor te nemen.... of sedert wanneer is Tiel aan een papenrecht
+onderworpen?"
+
+"Wij zullen u ons gezag wel doen erkennen," zeide een der aanwezigen,
+die, ongemerkt vertrokken zijnde, nu met twee welgewapende lieden
+terugkeerde.
+
+De vreemdeling antwoordde niet; maar, zijn degen trekkende, stelde
+hij zich in staat van verdediging.
+
+"Hoogwaardigste!" zeide nu Eugenio tegen den voorzitter: "het komt
+mij voor, dat deze dolleman ongenegen is, om eenig verder bescheid
+te geven. Het ware misschien best, indien hij werkelijk een man van
+eer is, zooals zijn voorkomen aanduidt, hem vrij en onverhinderd
+te laten vertrekken, onder beding en belofte, dat hij, niets van al
+wat hem is overkomen sedert hij de herberg van den _Gouden Ooievaar_
+verlaten heeft tot zijn terugkomst in die plaats, aan niemand, wie
+hij ook zijn moge, immer met een woord gewag make."
+
+De gansche vergadering zweeg op dit voorstel, en de jongeling zag den
+Jezuïet met scherpe blikken aan, als wilde hij diens geheime oogmerken
+doorgronden; want hij stelde weinig vertrouwen in den zonderlingen
+man, die zich eerst bij hem voor een Remonstrant had uitgegeven en
+zich nu in 't gezelschap van Roomsche geestelijken bevond.
+
+Nadat de voorzitter een tijdlang het voorstel van Eugenio scheen
+overwogen te hebben, wendde hij zich tot den reiziger en vroeg hem,
+of hij in zoodanige voorwaarden, als de geachte spreker had opgenoemd,
+genoegen zoude nemen, bijaldien zij hem werden opgelegd. De jongeling
+antwoordde, bereid te zijn zich te verbinden, dat hij niets van al
+hetgeen hij gezien of gehoord had, zou verhalen, tenware zijn plicht,
+of de wettige Landsoverheid hem daartoe last gaven.
+
+"Die uitdrukkingen omvatten wat veel," merkte de voorzitter aan;
+"want hoe kunnen wij de grenslijnen kennen, welke uw plichtgevoel
+beperken? en welke nadeelige gevolgtrekkingen zou niet de overheid
+uit uw verhaal kunnen trekken? Door u op zulke losse gronden vrij te
+laten, zouden wij ons geheel aan uw bescheidenheid moeten overgeven,
+en gij gevoelt wel, dat dit wat veel van ons gevergd ware."
+
+"Het doet mij leed," hernam de reiziger; "doch ik kan geen andere
+voorwaarden aannemen."
+
+"Dan zult gij u moeten getroosten, onze gevangene te blijven," zeide
+de grijsaard, een wenk gevende aan de omstanders en in 't bijzonder
+aan de twee gewapende dienaars, om den stoutmoedigen vreemdeling in
+verzekerde bewaring te nemen. Deze echter was er geenszins op gesteld,
+om zich te laten knippen: hij had zich steeds in de nabijheid gehouden
+van de deur, door welke hij was binnengekomen, met oogmerk om zich een
+vrijen terugtocht voor te behouden. Zooras derhalve de aanwezigen op
+hem aftraden, deed hij een stap rugwaarts, beschreef een halven cirkel
+in de lucht met zijn hartsvanger, om zijn vijanden op den noodigen
+afstand te houden, maakte eensklaps rechts-om-keert, wierp een der
+gewapenden, die hem den weg wilde afsnijden, met een vuistslag op
+den grond, stoof de deur uit, trok die zoo geweldig achter zich toe,
+dat het slot dichtsprong en ijlde vervolgens weder terug langs den
+weg dien hij gekomen was, de gewelfde gang weder door en het vierkante
+gat van het kruitkamertje voorbij. Aan het einde van die gang gekomen,
+stootte hij een ongesloten deur open en bevond zich nu tot zijn groote
+vreugd in de open lucht.
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Gy meught van nacht by ons wel blyven rusten
+ Wy hebben t'huis rype app'len, zoo ze u lusten,
+ De nieuwe vrucht, kastanje en stremsel.
+
+ _Virgilius_, Ecl. I. Vert. van Vondel.
+
+
+De blijdschap van onzen reiziger verminderde spoedig, toen
+hij bemerkte, dat hij er nog weinig bij gewonnen had, met zich
+buitenshuis te bevinden, daar de deur, welke hij uitgetreden was en
+dadelijk achter zich had dichtgetrokken, nergens anders heenbracht
+dan op een steigertje, dat tusschen hooge muren aan den kant der
+stadsgracht gebouwd was. Hoewel de vluchteling weinig trek gevoelde
+om, zoo gekleed als hij was, te water te gaan, begreep hij, na een
+kort beraad, dat er toch voor hem niets beter opzat dan een spoedige
+vlucht. Het was reeds donker geworden, en de duisternis belette de
+schildwachten, die ver van daar op de stadswallen geplaatst waren,
+hem gewaar te worden bij zijn overtocht. Hij liet zich dus zachtjes
+in 't water glijden en zwom, met zoo weinig gerucht mogelijk, naar de
+overzijde. Daar gekomen, kroop hij op handen en voeten de buitenwerken
+der stad langs en over, en kwam eindelijk behouden op een voetpad aan,
+dat hem, achter de voorstad om, op den weg naar den Rijn bracht. Het
+was omstreeks negen uren en dus zoogoed als duister, toen hij zich,
+nu buiten het gezicht van iedereen, aan den voet van een wilgeboom
+nederzette om zich, zoogoed hij kon af te drogen en tevens eens te
+overleggen, wat hem te doen stond. Dat hij door een misverstand
+in het huis van Klaas Meinertz geraakt was, scheen hem duidelijk
+genoeg toe; doch dat de woning eens eerwaardigen schrijnwerkers vol
+zou wezen van lieden van dat slag als hij er in gevonden had, dit
+kwam hem zonderling voor. Spoedig echter hielp hem zijn plaatselijke
+kennis, om dat raadsel gedeeltelijk op te lossen. Aan den stadswal,
+dat wist hij, stonden nog onderscheidene gebouwen, welke eertijds tot
+mannen- en vrouwenkloosters gediend hadden, doch bij de Hervorming
+meerendeels door 't gemeen vernield of althans uitgeplunderd waren:
+en het was wellicht met een van die gestichten, dat het huis van
+Meinertz gemeenschap had. Doch, dat zulk een gebouw nog bewoond zou
+wezen, dat er menschen van zoo verschillende geloofsbelijdenis in
+vergaderden en vooral dat er zich een kruitkamer in bevond, dit kwam
+hem onverklaarbaar voor en wekte in hem vermoedens op, dat er verraad
+achter school. De voorzitter vooral dier geheime vergadering herinnerde
+hem iemand, dien hij in lang verloopen jaren nogmaals ontmoet had,
+waar en wanneer wist hij niet; doch het kwam hem voor, alsof die man
+ook toen in een zaak van hoogverraad betrokken ware geweest en zijn
+hulp had ingeroepen. Doch, aan wien zoude hij al wat hij gezien had,
+gaan verklaren? De Ambtman zelf scheen dan toch in het geheim te wezen;
+daarenboven, waren zijn vermoedens wel gegrond?--hij was zoolang in
+vreemde landen geweest, en in zijn afwezigheid kon er zooveel in zijn
+vaderland gebeurd zijn. En toch! het geheimzinnige, waarmede zich al
+de personen, die hij aangetroffen had, omhulden!....
+
+Hij begreep eindelijk, dat het in allen gevalle geen zaak was, terug
+te keeren, wijl men niemand, na zonsondergang, de poort meer inliet:
+en daar hij om zijn doornatte kleederen niet langer stil kon blijven,
+vervolgde hij zijn voetreis, hoewel hij in Tiel paard en mantelzak
+achterliet; doch daarvoor zou, naar zijn meening, de waard in den
+_Gouden Ooievaar_ de noodige zorg dragen. Zijn besluit dus genomen
+hebbende, wandelde hij langs den zwaren zandweg noordwaarts op. De
+lucht was helder en gebalsemd door den geur van duizenden welriekende
+kruiden, als de kamille, het pijpenkruid en dergelijke, die tusschen
+het wilgenhout in aan de slootkanten groeiden. Vriendelijk zag de
+opkomende maan in vollen luister neder over de wijduitgestrekte
+weilanden, of over de heerlijke boomgaarden, die met millioenen
+ontlokene bloesems als met een sneeuwwit laken schenen overdekt te
+wezen. Van verre hoorde men, schoon verflauwd door den afstand,
+de zuivere tonen der nachtegalen uit de omliggende boschjes
+weerklinken. Dichterbij werd het oor min aangenaam getroffen door het,
+ja buitenachtig, doch niet vermakelijk gerikkik der vorschen. Dan
+ook de muziek van deze poelbewoners, het eentonige _brekkekekez
+coax coax_, was den reiziger welkom; het had iets nationaals, iets
+harmonisch voor zijn gehoor.
+
+Omtrent een uur had hij met een stevigen tred doorgestapt, toen hij
+op een kleinen afstand een vroolijk liedje door een heldere stem
+hoorde opzingen, en kort daarna een landbouwer voor zich gaan zag,
+onder de vracht van eenige hammen gebukt, welke hij aan een stok
+gebonden op den schouder droeg. Het viel onzen reiziger niet moeilijk,
+den veldeling eerlang op zijde te komen, en de woorden van het liedje
+van Starter te onderkennen, welke aldus luidden:
+
+
+ Wy syn in 't soetste van ons jeught,
+ In 't allerschoonste van ons tijt,
+ En dat wy die niet sonder vreught
+ Dus klackloos worden quijt.
+ Wanneer den grijsen ouderdom
+ De groente van ons jeught verdort,
+ Dan komen all' ons lusten om
+ De vreught wordt opgeschort.
+
+ Dus wel an.
+ Laat ons dan,
+ Wijl men magh
+ En de tijt
+ Sullix lijdt
+ Met verdrag
+ Recht lustigh wesen,
+ Vreught wort gepresen,
+ En lachen in 't gelach.
+
+
+"Gij schijnt vroolijk, landman!" zeide de reiziger, nadat de dorpeling
+zijn lied geëindigd en zijn groet met een wederkeerig _gen avond_
+beantwoord had.
+
+"Dat ben ik ook, koopman!" was het antwoord: "en wie zou ook niet
+vroolijk wezen op zoo een schoonen avond? en althans as men zoo een
+goede welkomt'huis met brengt, alhoewel de vracht zwaôr enoeg is."
+
+"Het lijken wel hammen, die gij daar in uw mars hebt," merkte de
+reiziger aan.
+
+"Dat raodt ge de koekoek, koopman!" hervatte de dorpsbewoner: "het
+zijn Westfaolingers en dus zullen ze er wel op lijkenen. Ik heb ze bij
+occasie ekregen, en blij toe! want ze zeggen het zal haast weer oorlog
+wezen en dan: hadie vreemde producten.... is 't nietwaôr, koopman?"
+
+"Maar ziet ge dan niet, vriendlief," zeide zijn reisgenoot, "dat ik
+geen koopman ben?" Hier wees hij op zijn degen.
+
+"Dat oe de pikken!.... wat zijt ge dan? toch geen soldaôt, hoop ik:
+want dan zeg ik: _beso los manos. Bonsoer mon frinte, adiu!_ en gaat oe
+rechts, ik slaô linksom; want de soldaôten zijn maôr boerenplaôgen. Hoe
+zeit het liedeken?
+
+
+ _Tire le vin!_ 't sa spoelt de glazen!
+ _Faictes grand chère_, laet droefheyt staen
+ En laet ons roepen, tieren, rasen,
+ _Vive la guerre!_ de krijg gaet aen.
+
+ 't Sa lustigh! 't sa, laet het glas omgaen.
+ Ick moet nu pooien, want ick sal weer
+ De boeren plagen, 't kan nu niet dragen,
+ Of ick een daeldertje meer verteer."
+
+
+"Ik ben een afgedankt krijgsman," zeide de officier, lachende: "ge
+hebt dus van mij niets te vreezen, noch voor u noch voor uw hammen."
+
+"Warentig! nou, dan is 't alles zeven," zeide de boer, zijn reisgenoot
+op den schouder kloppende: "maôr wat pots honderd tausent slapferment
+is dat? oe kleeren zijn zoo nat as er an toe! waôr het oe gezeten? het
+oe in de sloot elegen?"
+
+"Zoo half en half," was het antwoord van zijn reisgenoot.
+
+"Wel me dunkt wel hiel ende al," hernam de landman, hem van top tot
+teen in oogenschouw nemende: "en mot je nog ver loopen, eer je oe
+voor een viertje drogen kunt?"
+
+"Nog een goede stond. Ik ga naar Sonheuvel."
+
+"En zal oe met dat natte pak den Rijn overvaren? Dat zal _pardienne_
+niet beuren. Eerst kan je in onze keuken oe wat wermen, man!"
+
+"Van harte gaarne: en dan wil ik de onkosten van een flesch wijn
+dragen om samen uit te drinken," zeide de officier.
+
+"Jij bent een nobele baôs!" hernam de boer: "maôr niemand zal van
+Gheryt Maessen ooit zeggen, dat ie zich in zijn eigen woning heeft
+laten trakteeren: wijn zal ik oe geven, zonder dat hij oe een duit
+kost; want de mensch moet zich zoowel van binnen als van buiten
+verwermen."
+
+"Daar zegt ge wel an, landman!--en om u te toonen, dat ik ook liedekens
+weet, zoowel als gij:
+
+
+ Is 't weer te guur,
+ By Knelisbuur
+ Daar stookt men 't vuur
+ En warmt men sich de leden.
+ Vat kou ons bij 't lijf,
+ Dan stelt zijn wijf
+ Tot ons gerijf
+ Met lekkeren wijn ons tevreden.
+ En wie dan met tang en met glazen kan schermen,
+ Die kan zich van buite en van binne verwermen."
+
+
+"Een klettig lied, en wel ezongen," zeide de landman: "ik loof
+warentig, als je niet zoo nat waôrt, oe zoude zingen as onze
+dorpszanger, en die is bylo gien prul!"
+
+"Wat is uw dorp?" vroeg de reiziger.
+
+"Ik woon te Rijming," antwoordde de boer: "even oet het dorp en
+krek aan de rivier. 't Is wel te zien, dat oe een vreemdeling zijt,
+anders zoude oe Gheryt Maessen wel kennen, den vroolijksten knaap
+van de hiele waard."
+
+"Ik ben verscheidene jaren buitenslands geweest," zeide de officier:
+"doch gij moet in dien tusschentijd hier zijn komen wonen; want te
+voren kende ik al de landluiden uit den omtrek zoogoed als mij zelven."
+
+"Dat ben ik," hernam Gheryt Maessen: "van te voren woonde ik aan gene
+zijde van Tiel en was veerman over de Waal; een goede bediening en
+een gemakkelijk postje; maôr ik ben om de religie vervolgd eworden."
+
+"Om de religie?" vroeg de officier verbaasd.
+
+"Jaô! jaô! mag een gemeen niet evengoed om de religie vervolgd worden
+as een edelman?" vroeg de landbewoner, eenigszins gebelgd: "ik zeg oe
+man, ik werd van Arminianerij beschuldigd en te gelijk met de schepens
+Tymen Tymenz en Leendert Leendertz van mijn post afgezet, en die werd
+aan Teun Wezer egeven, dat een vent is, die boven Arminiaansch boven
+al in 't geheel maôr van geen godsdienst afweet. Ja, zoo gaôt het al
+in de wereld. Wat zal men doen? Patientie is goed kruid."
+
+"Teun Wezer!" herhaalde de jongeling: "die placht een groote strooper
+te zijn, zoo ik mij wel herinner."
+
+"Dat heit oe recht, sinjeur! en dat was zoo wat zijn eenige
+treftigheid. Maôr wat was het? de vent had veul voorspraak bij de
+groote lui: men zeit wel, dat hum nou en dan wel ereis boodschappen
+liep naôr den overkant, die zoo maôr half in den haôk waren; maôr
+wie kan 't bewijzen? 't is maôr, die 't laôst verteld heit, leeft nog."
+
+"Zoo gij te Tiel zoo welbekend zijt, weet ge voorzeker ook, wie Klaas
+Meinertz is?" vroeg de vreemdeling.
+
+"Of ik Klaas Meinertz ken," antwoordde Gheryt: "pots dit en dat,
+wie kent hem niet? of liever, wie kent hum?--Ik kom zoo van den vent
+vandaôn: hum heit mij bij occasie die hammen bezorgd; want hum doet
+negotie in allerlei...."
+
+"Zoo! komt ge van hem vandaan?" vroeg de officier, wiens
+nieuwsgierigheid door deze omstandigheid werd gaande gemaakt: "het
+was vol tot zijnent, niet?"
+
+"Vol! met kisten en kasten, in 't voorhuis, ja, dat gaôt wel an."
+
+"Maar met menschen?" vervolgde de reiziger.
+
+"Met menschen!" herhaalde zijn reismakker: "dat kan ik juist niet
+zeggen. Ik heb niemand buiten hem in 't voorhuis ezien."
+
+"Nu ja, in 't voorhuis; maar zijn woning is groot."
+
+"Zijn woning groot! dat kan ik ook alweder niet gaôf toestemmen: want
+behalve den winkel is er niets dan een opkamertje: en zijn werkplaots
+is nog aôn de overzijde van de straôt."
+
+"Ik meende echter vernomen te hebben," hervatte de officier, "dat
+zijn huis gemeenschap had met het oude konvent van.... van...." Hier
+poosde hij om zijn reisgenoot het slot van zijn rede te doen aanvullen.
+
+"Van Sinte-Cecilja, meent oe?--Ja, dat was zoo in vroegeren tijd:
+maôr die is al lang toeëstopt."
+
+"Van Sinte-Cecilia, juist! zoo ik mij wel herinner was er een
+vrouwenklooster van dien naam, waarvan de nonnen nog niet uitgestorven
+zijn zullen, sedert zij her- en derwaarts verhuisd zijn;--en woonden
+naast dat klooster geen Dominicaner monniken?"
+
+"Dat heit oe recht. De laatste Prior van de Dominicaners was,
+gelijk men mij wel verteld heit, van de namaôgschap van den Heer
+van Sonheuvel."
+
+"Van den heer van Sonheuvel?.... zou het mogelijk wezen, dat.... maar
+neen!...." en de reiziger verzonk in diep gepeins.
+
+"Jaô," vervolgde zijn makker, zonder daarop acht te geven: "hum was ien
+vroom man of is het nog, want ik weet niet of hum nog leeft, althans
+naar 't zeggen van de Paôpschen: ze vertellen al raôre historietjes
+van hum."
+
+"Zoo!" zeide de officier, wiens nieuwsgierigheid door dit gezegde
+werd opgewekt: "en wat zegt men dan van dien vromen Prior?"
+
+"Jaô," antwoordde Gheryt Maessen: "voor de waôrheid van het geval
+staô ik niet in, dat riekt mij zoo paôpsch; maar mijn grootje heit
+het mij meermalen verteld. Eens zei een klein onnoozel duvelken
+tegen ien grooten leepen duvel: kent oe den Prior van Sint-Dominicus
+te Tiel?--"jaô, zei de groote duvel weer; nou, zei het duvelken, ik
+verwed er vijfhonderd stokslagen onder, dat ik hum van puren schrik
+zijn stoedeerkamer oetdrijf. Top! zeide daarop de groote duvel: zoo
+ezeid zoo edaôn: het duvelken springt in een wip voor den Prior op
+de tafel, waôrvoor hum bij de keerse te lezen zat, en maôkt honderd
+kromme sprongen vlak voor zijn neus; maôr het raôkte den Prior niet
+eenemaôl aan zijn kouwe kleeren: het duvelken weêr van voren of an:
+maôr wat zeit toen de Prior? Duvelken! zeit hum: ik beveel oe, houdy
+mijn keerse vast:--en het duvelken was zoo veraltereerd en perflext,
+dat hum de keerse oet den kandelaôr nam en den Prior lichtte. Nu liep
+de keerse sterk of en het smeer droop het duvelken op de vingers,
+zoodat hum wel ebulkt en ekreten zoude hebben, maar hum dorst
+niet om den Prior. Eindelijk brandde de keerse hiel en al weg, en
+duvelkenmaôt kreeg van den Prior verlof om heen te gaôn; maôr zijn
+poot was deerlijk verbrand en daôr hum de weddingschap verloren had,
+kreeg hum nog vijfhonderd stokslaôgen toe."
+
+"Ik heb die klucht meer gehoord," zeide de vreemdeling: "doch zij is
+mij altijd van een veel ouderen Heer van Sonheuvel verhaald geweest,
+die lang voor de Reformatie leefde;.... doch dat daargelaten! Kent
+gij den Heer van Sonheuvel?"
+
+"Of ik hum ken?--dat geloof ik! een nobel heer, bij mijn zolen,
+en zijn dochter is een pronte meid en een goede buur, dat moet ik
+zeggen: sinds mijn wijf laôst een kwaôde kraôm ehad heit, komt ze om
+den aôren dag naar heur kijken en brengt altijd zoo wat een liflafje
+met, als kostelijken zoeten wijn en aftreksel van lindebloeisels met
+een mengsel er bij, dat zij zelvers maakt, en zoo voort: ik hoop maôr,
+dat we heur niet kwijtraôken; want zij zeggen, ze gaôt trouwen met den
+Ambtman Mom, en misselijken pottentaôt, die heur vaôder wel wezen kon:
+ik mag hum niet best zetten: misschien wel omdat hum mij mijn post
+van veerman het afënomen."
+
+"En denkt men," vroeg de officier op een toon van stem, dien hij
+luchtig zocht te maken, "dat zij zin in hem heeft?"
+
+"Of zij zin in hem heeft?" herhaalde Gheryt Maessen, een stemmig
+gelaat trekkende: "nu vraôgt oe mij ook meer dan ik oe antwoorden
+kan. Wat zegt het lied:
+
+
+ Wie weet ooit, wat een meisken wil?
+ Nooit zeit ze, hoe ze 't mient.
+ Dan heeft ze deuzen tot heur vriend,
+ Dan heeft ze weer een aôren gril:
+ 't Valt zwaôr, in 't stuk der min,
+ Te weten wat een vrijster dient,
+ Te kennen heuren zin.
+
+
+En daôr heeft de maôker van dit referijnken wel deugdelijk elijk in."
+
+"Nu ja, dat is zoo," zeide de reiziger: "doch wat denkt men in
+'t algemeen? Zou de Ambtman nogal kans hebhen om te slagen in zijn
+vrijage?"
+
+"Kans?" hernam Maessen, verbaasd opziende: "wel man, hoe kan oe zoo
+iets onnoozels vraôgen? Als men een schoonen naam, een goed fortuin en
+een hoogen post heeft, en als men daarbij dan niet oetermate leelijk,
+niet oetermate dom, niet oetermate old, niet oetermate boos is,
+wel dan heeft men, naôr mijn slechte verstand, alle kansen voor zich
+en maôr een kleintje tegen: wel is waôr, dat iene kleintje doet de
+schaôl wel iens overslaôn."
+
+"En wat is dat eene kleintje?" vroeg de officier, op een toon, die te
+kennen gaf, dat hij het antwoord op zijn vraag zeer wel voorzag, doch
+aan Gheryt Maessen het genoegen niet ontnemen wilde van het te geven.
+
+"Dat is," zeide de boer, "wanneer een klein, klein kuipedootje zich
+in de aôre schaôl plaatst."
+
+De vreemdeling antwoordde niet op deze grap. Een gedachte, wij kunnen
+voor 't oogenblik niet beslissen welke, had hem geheel vermeesterd,
+en met een diep stilzwijgen verzelde hij den eerlijken Gheryt, totdat
+deze, op een linksafslaand paadje wijzende, hem uit zijn mijmering
+riep met deze woorden: "hier langs gaôn wij naôr mijn woning."
+
+De reiziger zag op en trad zijn vroolijken makker na langs het zandige
+voetpad. Slechts eenige minuten gaans hadden zij afgelegd. toen zij,
+een dijk opkomende, die den vrijen uitkijk belemmerd had. de zilveren
+stroomen van den Rijn aan hun zijde vloeien zagen: slechts even bewoog
+een zachte wind het langzaam vlietend water, en niet meer dan genoeg
+om op elk golfje den zuiveren schijn der maan te doen glinsteren. Aan
+de overzijde der rivier vertoonde zich de lachende oever, met
+boomgaarden en boomen en bosschages dicht beplant, welke in de verte
+zich verbindende en tegen den rijzenden grond oploopende, bij avond
+de gedaante van een dicht en majestueus bosch opleverden. Prachtig
+blakend van den helderen glans der maan, rees de kerktoren van
+Sonheuvel uit het geboomte, en daarnevens blonken de leien daken
+van het slot tusschen de kruinen der lindeboomen. De goede Maessen,
+die den rook van zijn schoorsteen voor zich uit zag omhoogstijgen,
+verwaardigde het hier beschreven schouwspel met geen enkelen blik,
+en stapte, nu hij, zoo hij meende, de keuken reeds begon te ruiken
+en den welkomstgroet van zijn hofhond hoorde, met verdubbelden spoed
+vooruit. Zijn reisgenoot scheen meer gevoel voor de schoone natuur
+te bezitten; althans hij volgde met trager schreden en hield het oog
+onafgebroken op de overzijde der rivier gevestigd, zoolang totdat
+het pad weder nederwaarts afliep en de dijk hem opnieuw belette, zich
+in de beschouwing van dat prachtig natuurtooneel te verlustigen. En,
+zonderlinge wisseling der menschelijke gedachten!--nauwelijks was de
+in hooggestemde mijmeringen verdiepte jongeling verplicht geweest,
+den dijk voor het lagere pad te verlaten, of de sombere denkbeelden,
+die zijn ziel vervulden, verlieten hem: het ideale maakte plaats
+voor het wezenlijke, en, met een genoegen, bijna gelijk aan dat
+van zijn boerschen reisgenoot, zag hij de woning voor zich staan,
+welke het doel van hun tocht was: ook hij begon zich in de gedachte
+te verlustigen, van welhaast bij een warm vuur, onder het gebruik
+van een goed glas wijn, zijn zorgen te kunnen verzetten, en zoowel
+den innerlijken als den uiterlijken mensch te verwarmen. Met deze
+aangename gewaarwordingen doordrongen, stapten beiden lustig verder
+en bevonden zich weldra aan het hek van des huismans nederige, doch
+niet geheel onaanzienlijke hoeve.
+
+Hartelijk was de verwelkomst, die Gheryt Maessen van zijn gezin
+ontving, toen hij, met een vroolijk: "gen avond samen!" zijn woning
+binnentrad. Zijn bejaarde moeder stond van achter de tafel op, waaraan
+zij gezeten was, sloeg den huisbijbel, die voor haar lag, toe, na
+alvorens haar bril te hebben afgezet en bij de plaats gelegd waar
+zij gebleven was, en maakte zich gereed haar zoon te omhelzen. Een
+eenigszins vermagerde arm richtte het gordijn op eener in den hoek der
+kamer aanwezige bedstede, waaruit op een flauwen, doch niet minder
+hartelijken toon, een: "gen avond vader!" zich liet hooren. Drie
+kloeke, wel doorvoede kinderen, waren hun vader reeds in 't gemoet
+geschoten en de jongste hing hem om den hals; doch de twee anderen,
+den vreemdeling nu bemerkende, die aan vaders zijde binnenkwam, traden
+beteuterd achteruit en bleven, den wijsvinger der linkerhand over de
+benedentanden gekromd houdende, op een afstand staan, van waar zij nu
+en dan het waagden, de oogen op te slaan, om den vreemdeling van ter
+zijde te bekijken. Een keffertje, dat eerst met een geweldige drift
+op den reiziger was aangetogen en vervolgens al grommend en knorrend
+tusschen diens beenen gesnuffeld had, als wilde hij aan de kuiten de
+plaats uitzoeken, waar het beste vleesch te happen ware, scheen over
+zijn onderzoek voldaan: althans het keerde terug en vlijde zich weder
+bedaard op de warme plaat ter ruste.
+
+"Gen avond, Gheryt!" zeide moeder: "kom, Klaôske! zet een bank voor
+vaôder als een man. Nu! hoe staôt oe zoo te lanterfanten?--Maôr kijk,
+daôr het onze Gheryt nog iemand bij hum, dien ik niet eens ezien had."
+
+"Gen avond vader! gen avond Gherytman!" herhaalde de vrouw des huizes,
+haar bedgordijn al verder opschuivende en zich half oprichtende:
+"komt oe mij niet eens een toet geven?"
+
+"Hier ben ik al, vrouwke!" zeide Gheryt, na zijn moeder gekust te
+hebben: "hier ben ik: hoe staôt het er met sinds van mergen?" En
+meteen trad hij toe en drukte zijn vrouw hartelijk in zijn armen.
+
+"Dat's maôr zoo passelijk met onze Els," zeide moeder: "ze heit weer
+wat koorts ehad, maôr het eten lijkt er toch nogal esmaôkt te hebben,
+nietwaôr ook, Elske?"
+
+"Nu, zoolang de appetijt er maôr is, zal het zoo spaôk niet loopen,"
+merkte de luchthartige Gheryt aan: "ik heb teugen dat oe weer trek
+in stevigen kost krijgt, een viertal kostelijke hammen met ebracht:
+zij zijn puik puik, vrouwke! daar kan oe staôt op maôken. Maôr kom,
+Klaôske! zet me fluks eens als een man een bankje an den haôrd en leg
+mij wat takkebossen op het vuur: want hier heb ik een wilden vogel
+bij mij, die aôrs licht verkouen zou raken, nietwaôr ook, man?" Hier
+klopte hij zijn gast vriendelijk op den schouder.
+
+"En wie heit oe dan met ebracht?" vroeg de moeder, terwijl zij haar
+bril weer voor den dag haalde en opzette, om den vreemdeling beter
+te kunnen zien: "wie is dat heerschop?"
+
+"Dat heb ik hum nog niet evraôgd," antwoordde de zoon met een gullen
+lach: "de man is doornat, en ik wil hum niet toelaten, den Rijn over
+te vaôren eer hum zich eerst wat ewarmd heit."
+
+"Ik hoop niet, moeder!" zeide de vreemdeling, toetredende, "dat ik u
+eenig ongerijf zal veroorzaken: ik heb mijn gezelschap uw zoon niet
+opgedrongen; maar hij heeft mij gulhartig verzocht en even gulhartig
+heb ik zijn aanbod aangenomen."
+
+"Oe is welkom, heerschop!" zeide de oude vrouw: "men zeun doet wel:
+want wat zeit de schrift: _ik was vreemdeling en ghij hebt mij
+geherbergd_."
+
+"Bewaôr ons!" riep Gheryt uit, toen de reiziger zich op een houten
+drievoet naast het nu helder brandend vuur had nedergezet: "man! wat
+is oe nat! waôr drommel heit oe ezeten?"
+
+"'t Ware best," zeide de oude vrouw, "dat het heerschop zijn natte
+kleeren ging uittrekken en een wammes en broek van oe antrok,
+Gheryt! want zoo kan de man niet blijven."
+
+"Jaô waôrlijk moeder, dat eloof ik ook;--ei Klaôske! haôl iens ezwind
+mijn fluweelen wammes en mijn fulpen broek oet de kleêrkas: en oe
+Sijmen, krijg eens de brandewijnflesch! een hartversterking zal den
+man goeddoen!"
+
+De reiziger bracht tegen de vriendelijke en zoo wel gemeende
+verplegingen van zijn gastheer geen bedenkingen in: alleen zeide
+hij zoo wat binnensmonds, dat het hem speet, dat men om zijnentwil
+zooveel omslag maakte; het was echter geen gebrek aan hoffelijkheid,
+dat hem belette, iets meer tegen die verzorging in te brengen, maar
+hij gevoelde zich, door de uitgestane vermoeienis, schrik en koude,
+zoodanig verward en versoezeld, dat het hem moeite kostte menige
+woorden geregeld uit te brengen. Zoolang hij geloopen en gepraat had,
+was hij in een staat van overspanning gebleven, die hem nu des te
+duurder te staan kwam. Trillend en bevend, en als geheel zonder besef
+van hetgeen er gebeurde, liet hij zich door den braven huisman en
+den oudsten zoon den natten overrok van 't lijf, en de niet minder
+natte laarzen en broek van de beenen halen, welke kleedingstukken
+vervolgens plaats maakten voor het zondagsgewaad van Gheryt, waarin
+de vreemdeling een vrij zonderling voorkomen had.
+
+"Zal oe nu niet wat met eten?" vroeg hem zijn gastheer, nadat beiden
+zich met een goede teug brandewijn verfrischt hadden. "Kijk, dat
+lacht oe toe!" en hier wees hij op een grooten schotel rijstebrij,
+dien de oude vrouw had opgebracht.
+
+"Hartelijk dank!" zeide de vreemdeling, met het hoofd op de hand
+leunende: "gij zijt al te vriendelijk! maar ik zou nu op 't oogenblik
+niet in staat zijn, een brok eten door de keel te krijgen. Het best
+zal wezen, dat ik, zoodra mijn kleeren wat gedroogd zijn, mij maar
+weer op reis begeef."--Met deze woorden rees hij op en poogde een
+paar stappen te doen; doch zijn knieën knikten hem onder het lijf,
+en hij viel weer op zijn bankje neder.
+
+"Droomt oe man?" zeide Gheryt: "oe zult van dezen nacht geen stap
+verder doen, hoor!--Ik loof waarachtig, dat oe niet vrij van koorts
+is: blijf oe van dezen nacht maôr hier: wij zullen het wel schikken,
+dat oe het warmpjes enoeg zult hebben: en dan kan oe morgen zoo vroeg
+en laôt weder heentrekken als oe wilt."
+
+"Ik hier blijven?" vroeg de reiziger: "dat zal u immers hinderen?"
+
+"Niet het minst! niet het minst! breek daôr oe hoofd maôr niet met. Wat
+zegt oe moeder? er kunnen immers schoone laôkens in de bedstee van
+het opkaômerke worden ebracht, en dan, klaar is Kees!"
+
+"De sloopen van de kussens liggen op het rechtsche plankje in het
+kabinet," zeide de zieke vrouw, welke uit hare bedstede het gesprek
+gehoord had.
+
+Nu haastte zich de moeder, het noodige bijeen te zoeken en begaf
+zich vervolgens naar het opkamertje, alwaar zij het nachtverblijf
+van den vreemdeling gereed maakte. Onderwijl stonden de kinderen,
+met de vertraging, welke dit oponthoud in hun avondeten bracht,
+weinig tevreden, om de tafel te nagelbijten, hun oogen strak gevestigd
+houdende op den rijstebrijschotel.
+
+"Het doet mij van harte leed," zeide de vreemdeling tegen Gheryt,
+"dat uw moeder zich om mijnentwille zooveel moeite geeft.... waarom
+niet gewacht tot na den eten? Uw kinderen zullen kwaad op mij wezen,
+dat ik hen in die verrichting storen kom."
+
+"Bekommer oe niet," riep de vrouw des huizes uit hare bedstede:
+"'t spijt mij maôr, dat ik oe niet helpen kan en dat ik juist op mijn
+bed moet liggen: nu, als oe op een aôre keer wederom komt...."
+
+"Dan hoop ik u fiks en gezond te vinden," zeide de reiziger, haar
+volzin voleindigende; "maar daar komt moeder al weder terug; houdt
+u toch niet langer om mijnentwille op, goede vrienden! Ik zal verder
+wel alleen klaarkomen."
+
+De oude vrouw meldde nu, dat alles op het bovenkamertje in orde was;
+waarop Gheryt, de lamp uit haar hand nemende, zijn gast voorlichtte,
+en naar het slaapvertrek geleidde, waar hij, na stellig bescheid
+ontvangen te hebben dat de reiziger niets meer noodig had en het
+verder wel alleen zou klaren, hem onder het toewenschen eener aangename
+nachtrust alleenliet.
+
+"Het was toch wat ewaôgd van oe, Gheryt!" zeide de moeder, toen
+het gansche huisgezin aan den disch was nedergezeten: "het was toch
+ewaôgd, dien vreemden man zoo maôr bij ons te noodigen. Ik loof toch,
+dat hum een hupsche borst is; maôr hum kon toch ook wel een dief of
+een moordenaar zijn: hoe kwam hum zoo nat? dat heit hum niet iens
+willen vertellen!"
+
+"Ja moeder!" zeide Grheryt: "dat weet ik niet recht: genoeg was het
+voor mij, dat de man nat was en ook niet sprak als een schelm of
+vagebond. Had de man kwaôd in 't zin ehad, dan had hum mij immers
+kunnen doorsteken met 't braôdmes, dat hum op zijde heeft, en mij
+mijn hammen afnemen eer ik er om dacht. En dan, heit oe niet ezien
+wat een kostelijke goldene keten hum onder zijn wammes droeg en watte
+schoone goldene ringen hum aan de hand had?"
+
+"God geve," zeide de meer ergdenkende oude vrouw, "dat hum daôr
+eerlijk is an ekomen. Doch we meugen onzen naôsten niet oordeelen:
+ik wil gaôrne het beste van hum elooven."
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Het zwoegende ingewant, ontstoken als een oven,
+ Dreef met benaeuden damp de vlammen op naar boven,
+ En schilderde averechts met een verward penseel
+ Gemengde vormen en de deelen voor 't geheel.
+ Gelijk het kunstglas, naar zijne eigenschap geslepen
+ En in een werktuig, naar den eisch van 't ligt, begrepen,
+ In eene donkere zaal, op 't wit paneel der want
+ Ons beelden maelt, maar alle in omgekeerden stant.
+
+ _Antonides_.
+
+
+Terwijl de gulle en eerlijke landbewoners hun eenvoudig avondmaal
+nuttigden en Gheryt zijn wedervaren te Tiel aan het naar hem
+luisterend gezin verhaalde, had zich de vreemdeling in het klein,
+maar zindelijk opkamertje, dat hem tot nachtverblijf was aangewezen,
+geheel ontkleed. Het was geen gemakkelijke zaak, de bedstede te
+genaken, welke hem tot rustplaats verstrekken moest; zij was ruim
+zes voet boven den grond verheven en kon niet dan door middel van
+een ladder bereikt worden. Aan onzen reiziger echter, die meermalen
+welverdedigde vestingen bestormd had, viel deze beklimming niet zwaar,
+en weldra zag hij zich in de legerstede als een arend in zijn nest
+verheven. Hij vleide zich nu met het aangename vooruitzicht van een
+goede nachtrust te genieten, sloeg zich de dekens dubbel om 't lijf
+en rolde zich zelven als een kluwen ineen, om des te eerder warm
+te worden: dan, ondanks zijn vermoeienis, ondanks het hagelwitte
+beddegoed, ondanks de gemakkelijke ligging, welke hij gekozen had,
+hij zag zich in zijn hoop teleurgesteld. De overmaat der afgematheid
+zelve, de koortsachtige aandoening, welke hij gevoelde en de invloed,
+welken de gebeurtenissen van den dag op zijn hersenen en zenuwgestel
+maakten, beletteden zulks. Hierbij kwam, dat het opkamertje lang
+was gesloten gebleven, waardoor de lucht verdikt en bedorven was,
+vooral in de hooge en bijna aan den zolder reikende bedstede. Uren
+verliepen er, en het gansche huisgezin des landbewoners was reeds in
+een diepen slaap gedompeld, toen de vreemdeling nog in zijn lakens
+lag te woelen. Eerst met het aanbreken van den dag gelukte het hem,
+in te sluimeren: doch de pijnlijke en benauwde droomen, welke hem
+overvielen maakten dat de slaap, wel verre van eenige verkwikking
+aan te brengen, het brandend hoofd en de tintelende leden nog meer
+vermoeiden dan het waken zelf.
+
+Een droom vooral, welke hem later, in den morgenstond overviel
+op dat tijdstip, waarin, gelijk men beweert, de droomen een meer
+stellige beduidenis hebben en meer dadelijke gevolgen zijn van de
+werking onzer verbeeldingskracht op onze gedachten, verdient om
+zijn zonderlingen aard een meer bijzondere vermelding. De jongeling
+verbeeldde zich, dat hij op den Rijndijk was neergezeten, bij het pad,
+dat hij den avond te voren was langs gekomen om des huismans woning te
+bereiken. De verbeelding zet bij al wat zij ons schildert nog sterkere
+kleuren bij dan de waarheid geven kan: zoo was ook het maangezicht,
+waarop onze reiziger in zijn droom bleef staren, nog heerlijker dan
+de wezenlijkheid zelve. Terwijl hij nu in gepeins aan den oever der
+rivier gezeten was, bezag hij zijn gewaad en bevond tot zijn verbazing,
+dat hij een geestelijk kleed aanhad, en wel dat van den Prior, van
+wiens wondere heiligheid hem door Gheryt was verhaald geworden. Dan,
+opziende, zag hij nu met geen mindere bevreemding, het duiveltje
+met de kaars in de hand naast hem zitten, en wel zoo dicht, dat het
+schijnsel der vlam hem belette de overzijde te zien. Dat duiveltje
+had volkomen de gelaatstrekken van den zoo raadselachtigen Van Dyk, of
+hoe hij heeten mocht. Terwijl hij er over peinsde, hoe zich best van
+het bijzijn eens zoo zonderlingen lichtblakers te ontslaan, ontdekte
+hij een jonkvrouw, welke in een fraaie zeeschelp gezeten en omstuwd
+door een drom van monniken, predikanten en edellieden, waaronder
+zich Mom en Groenhof bevonden, de rivier kwam afvaren en recht op hem
+aanhield. Zonder dat hij het gelaat der jonkvrouw onderscheiden kon,
+herkende hij haar (gelijk zulks in droomen meer geschiedt) aan een
+zekere ingeving, voor de Freule van Sonheuvel. Dadelijk stond hij op
+om haar te gemoet te gaan; doch ook het duiveltje stond te gelijk op
+en bleef hem de kaars voor de oogen zwaaien als met oogmerk om hem
+het gezicht der aankomenden te ontnemen. Woedend wilde de officier
+zijn degen trekken om het lastige nikkertje te doorboren; doch in
+de plaats van een lemmer haalde hij niets dan een lange haneveder
+uit de scheede en bleef verbijsterd staan. Het satannetje sprong
+nu, luidkeels lachende, van zijn zijde weg en op de schelp, welke,
+zich uit het water opheffende, met de jonkvrouw en het duiveltje
+verdween, terwijl de gansche hoop, die de schoone verzeld had, op
+den ongewapenden reiziger aanviel. Tegen de menigte niet bestand,
+vluchtte hij, kwam weder binnen het klooster der heilige Cecilia,
+doorkruiste het in alle richtingen, altijd op de hielen door de op
+hem verbitterde vijanden nagezeten, en ontmoette eindelijk een page,
+die hem beleefdelijk bij de hand nam en in een zijvertrek geleidde,
+alwaar hij een bejaarde, deftige dame vond, welke hem zoo teeder
+omarmde, dat hij, van aandoening overstelpt, in tranen uitbarstte en
+op dat tijdstip ontwaakte.
+
+Spoedig echter sliep hij weder in, en de nachtmerrie, welke hem
+nu plaagde, was van nog erger natuur dan de vorige. Thans lag hij
+achterover in de breede gracht der stad Tiel, en op zijn borst zat de
+eerzame Klaas Meinertz te paard, die hem met de knieën de ademhaling
+belette, terwijl Teun Wezer, de veerman aan de Waal, den armen lijder
+met een schuitriem op het hoofd sloeg. Hij wist echter tusschen de
+beenen van den ouden schrijnwerker door te kruipen en wilde tegen
+een muur opklauteren, toen de hem onbekende Abdis van Sinte Cecilia
+toetrad en hem achteroversmeet, zoodat hij tuimelde en van een vrij
+aanmerkelijke hoogte nederviel; want bij het ontwaken bevond hij
+zich op den vloer van het vertrek aan den voet der bedstede liggen,
+en de pijn, welke hij in de lenden gevoelde, belette hem wel, ook
+dit voor een droom aan te zien.
+
+Hij stond op en wierp het venster open. De zuivere en aangename
+morgenlucht, die hem tegenkwam en het vertrek vervulde, bracht hem
+de verfrissching aan, welke hij vruchteloos in den slaap gezocht
+had. Nadat hij een lange wijl de oogen had doen weiden over het
+bevallige landtooneel, dat zich voor hem opdeed, en hetwelk reeds
+gestoffeerd werd door onderscheidene arbeiders, die hun dagwerk
+verrichten gingen, begon zijn hoofd weder te hangen en zijn oogen
+sloten zich. Overtuigd, dat vooral de bedomptheid van het vertrek
+zijn droomen zoo zwaarmoedig gemaakt had, besloot hij het raam open
+te laten, en zich weder in het bed te begeven. Nu eindelijk genoot
+hij een rustige, verkwikkende sluimering, en, bij zijn ontwaken,
+gevoelde hij zich weder een geheel ander mensch, in staat om nieuwe
+vermoeienissen te doorstaan.
+
+Opgerezen, schoot hij de kleeren van Gheryt Maessen weder aan, daar
+zijn eigene bij den haard in het benedenvertrek waren gebleven,
+en maakte hij zich gereed derwaarts te gaan, toen hij uit dat
+benedenvertrek een vrouwenstem hoorde komen, welke hem bekend voorkwam,
+ofschoon zij aan geen der inwoners van de boerderij behoorde. Hij
+plaatste, om zich van de waarheid zijner opmerking te overtuigen,
+het oog voor het sleutelgat, en werd het volgende tooneel gewaar.
+
+Naast de bedstede, waarin de zieke vrouw gezeten was, bevond zich
+een jonge, welgekleede juffer, die de eene hand der lijderesse in
+de hare hield, en, op een deelnemenden toon, naar den staat van haar
+gezondheid vroeg. Bevalliger voorwerp dan deze jeugdige schoonheid was
+ongetwijfeld zelden in hut of hof gezien geweest. Over haar sprekende,
+groote blauwe oogen, wier gewone majesteit in dit oogenblik door den
+zachten invloed van medelijden en deelneming getemperd werd, vertoonden
+zich twee gitzwarte wenkbrauwen, sierlijk afgeteekend op het spierwit,
+met blauwe adertjes doorkronkeld voorhoofd. Twee golvende haarvlechten
+vielen naar de toenmaals heerschende manier langs den blanken hals
+op den zwellenden boezem af, wiens heerlijke vormen zich slechts
+gissen lieten onder het hooge ochtendkleed en den breeden kraag,
+welke de jonkvrouw tegen de morgenlucht beveiligden. Het rozerood
+mondje, ten halve tot een vriendelijk lachje geopend, vertoonde
+twee rijen van hagelwitte en in grootte volkomen gelijke tandjes:
+het eirond kinnetje en de anders misschien wat al te bleeke, doch
+thans door de beweging met een frissche kleur geverfde wangen,
+waren met kuiltjes voorzien, die de droefgeestige tint, welke op het
+gelaat verspreid was, op een bevallige wijze afbraken: in 't kort,
+het geheel leverde een alleraanminnigst voorkomen op, waarin ernst
+en minzaamheid, droefheid om eigen leed en belangstelling in den
+toestand van anderen zoo duidelijk te lezen waren, dat de Freule
+(want dit was de rang der schoone) ongetwijfeld ware gekozen geweest,
+indien men een natuurlijk afbeeldsel der Christelijke hoofddeugd,
+de liefdadigheid, had willen daarstellen.
+
+Naast de Jonkvrouw stond Gheryt Maessen, die reeds zijn vroege
+ochtendwerk verricht had en voor het ontbijt was teruggekeerd: hij
+staarde, terwijl hij over een stoel leunde, de weldoenster van zijn
+huisgezin met een open mond en een gullen blik aan. De oude vrouw
+was bezig het ochtendeten te bereiden, waar de kinderen reeds naar
+hunkerden, en inmiddels was zij in een druk gesprek gewikkeld met de
+kamenier der Jonkvrouw, welke bij haar stond, en waarvan wij onzen
+lezer niets zullen zeggen, vermits hij reeds lang met haar bekend is.
+
+"Zoodat gij u, over 't geheel, beter bevindt dan laatst," zeide de
+Jonkvrouw met een zachte en vriendelijke stem tegen de bedlegerige
+vrouw.
+
+"Ongelijk beter, Freule!" was het antwoord: "en ik mag het wel
+voornamelijk dankweten aan oe vriendelijkheid. Ik hoop morgen op te
+komen, zoo alles welgaôt: en dan, met Gods hulp, aanstaônden Zundag
+mijn iersten kerkgang te doen."
+
+"Wij zijn zooveel in oe schuld, mijn lieve Freule!" zeide Gheryt,
+terwijl hij zich een traan uit het oog wischte, "dat wij oe nooit
+zullen kunnen vergelden."
+
+"Spreek daar niet van," hernam de Freule, "voor eenige nietige
+drankjes, die ik u heb laten klaarmaken."
+
+"Neen, Freule!" zeide Gheryt met warmte: "het is niet alleen voor die
+drankskes, dat ik oe dankbaôr ben: 't is voor oe vriendelijkheid,
+om mijn goede vrouw van het eerste oogenblik van heur ziekte zoo
+trouw te komen bezoeken, alsof ze oe maôgschap waôre; 't is voor
+oe dienstigheid en zorg, om alles wat heur laven en helpen kost,
+oet te denken en heur te doen eworden: 't is voor de eer, die oe aan
+mijn nederige woning hebt edaôn, dat ik oe dankbaôr ben. Vaôder moge
+zooveel hum wil, spreken van zijn ongelijkelijke Mevrouw van Nassau,
+ik zeg maôr, dat onze lieve Freule van Sonheuvel gaôr zoo goed is."
+
+"Woont uw vader bij de Gravin van Nassau?" vroeg de jonkvrouw met
+eenige bevreemding: "dat heb ik nooit geweten."
+
+"Dat is te zeggen, Elskes vaôder, Feurich, die dient er als koetsier."
+
+"Feurich!" herhaalde Ulrica: "o! dien ken ik zeer goed: hij heeft
+mij dikwijls in 't bosch rond laten rijden. Een goede, brave, ronde
+Bergsman! En is hij uw vader, Elske?"
+
+"Jaô, lieve Freule!" gaf deze ten antwoord: "en hum heit in zijn
+leven ook ander werk edaôn dan paôrden mennen. Hum was in zijn tijd,
+toen de olde Graôf van Falckestein nog leefde, de aanvoerder van
+zijn Haôneveeren en een wakker ruiter, dat beloof ik oe. Daôr op den
+schoorsteenmantel in die porseleinen pot staôt nog de haôneveer, die
+hum op zijn helm droeg en die hum mij egeven heit om an de kinderen
+te wijzen en hun te zeggen, dat zij altijd braôf en trouw zijn moeten
+als hun grootvaôder."
+
+Hier wendde de officier het oog, dat tot nog toe op de Freule was
+gevestigd geweest, naar den schoorsteenmantel, en nu herinnerde hij
+zich die haneveder ook den vorigen avond opgemerkt te hebben, waaruit
+hij de omstandigheid verklaarde, dat hij juist van een dergelijke
+veder gedroomd had.
+
+"En waar hebt gij dan kennis met de dochter van Feurich gemaakt?" vroeg
+de Freule, zich weder tot Gheryt keerende.
+
+"Jaô, dat is nu tien, twaôlf jaôren eleden, of daaromtrent," zeide
+Gheryt: "toen was ik bij Duisburg boerewerk gaôn doen, want mijn vaôder
+woonde tusschen Maôs en Waôl; Mevrouw van Nassau was ook weer op heur
+slot te Bruck ekomen en zoo maôkte ik door de nabuurschap kennis met
+Elske. Na ons trouwen kwam ik, omdat vaôder estorven was en ik moeder
+niet alleen kon laôten zitten, weer bij haôr en werd al spoedig tot
+veerman anësteld: maôr oe weet, dat die vreugd kort eduurd heeft."
+
+"Jaô," zeide de oude vrouw: "Gheryt heeft al wat ezien in zijn leven,
+en wat met moeder moeten optrekken en rondzwerven. Had hum mij niet
+ehad als een blok aan 't been, hum had wel verder voortkomen: maôr
+hij is altijd een vrome zoon eweest en heit zijn moeder niet willen
+alleen laôten zitten."
+
+"Zoo ik moeder had laôten zitten," hernam Gheryt, "dan ware ik immers
+geen knip voor den neus waôrdig eweest. Heit moeder mij laôten zitten,
+toen ik een klein en hulpeloos knaôpje was? Ik kan heur immers niets
+doen, dan 't geen zij mij duizendmaôlen edaôn heeft."
+
+"Kom! kom!" zeide de oude vrouw: "ik mag oe wel prijzen: er zijn
+zooveel zoons, die nooit naôr heur moeder omzien; maôr oe zult er
+oe loon voor hebben: oe zoons zollen oe ook wel behandelen als zij
+groot zijn, althans ik hoop het: en oe ook, Freule! wensch ik, als
+oe eens trouwen meugt, zoo'n braôven zoon als mijn Gheryt."
+
+"Wel, moeder!" hervatte Gheryt: "oe zoudt mij konfuis maôken. En wat
+zoude de Freule met zoo'n lomperd van een zoon maôken?"
+
+"Nu! ik meen, wat de getrouwigheid en dankbaôrheid betreft," zei de
+moeder: "wat denkt er de Freule van?"
+
+"Een brave zoon als de uwe zou alle moeders gelukkig maken," antwoordde
+de Freule: "maar daar denken wij nog niet aan: eerst moet ik zoo
+een braven man hebben zooals hij is, en komen die tijden, dan komen
+die plagen."
+
+"Nu, die tijd is misschien zoover niet af," hernam de oude vrouw:
+"ik heb al zoo wat hooren mompelen. Kleur maôr niet, Freule! Ik hoop
+de goede God zal alles ten beste keeren."
+
+"Amen!" zeide de Freule zuchtende.
+
+"Draagt gij die kleeren 's Zondags, Gheryt?" vroeg de kamenier, met
+een schamperen lach op het lederen buis en de hozen des vreemdelings
+wijzende, die nog voor het vuur te drogen hingen.
+
+"Die kleeren daôr?--neen, die zijn van een reiziger, die den nacht
+bij mij is over ebleven: hum leit daôr nog op dat bovenkaômerke
+te snorken."
+
+"Dan zullen wij maken weg te komen, eer hij wakker wordt en ons hier
+vindt," zeide de Freule: "kom, Magdalena!"
+
+"Tot uw dienst, Freule!" zeide deze: "het zal onze tijd ook worden:
+de bloemvazen moeten nog opgesierd worden eer de gasten komen, die
+Mijnheer van morgen verwacht."
+
+"Nu! dat is voor u het werk van een oogenblik, Leentje!" zeide de
+jonkvrouw: "er is niemand die zich op het bloemenschikken zoo verstaat
+als gij."
+
+"Ook heb ik het veel gedaan in mijn jeugd," hervatte Magdalena:
+"maar," voegde zij er zachtkens bij, terwijl zij ten hemel opzag,
+en zuchtte: "voor wie?"
+
+"Gaôt gij al heen, Freule?" vroeg Gheryt: "en dat zonder mijn verken
+te zien!"
+
+"Uw varken!" zeide Ulrica lachende: "mijn goede Gheryt, ik heb zooveel
+varkens in mijn leven gezien, dat ik naar het uwe niet nieuwsgierig
+ben."
+
+"Jaô maôr, Freule!" hernam Gheryt, op een toon, die aanwees hoeveel
+prijs hij er op stelde, dat zijn verzoek hem werd toegestaan:
+"ons verken is geen verken als een aôr: weet oe wel, dat het 560
+pond weegt: en dan.... als oe het gezien had, zoude oe er met eigen
+oogen van ewagen kunnen;--want ik had nogal hoop om.... ik zoude
+gaôrne.... weet oe?...."
+
+"Ik begrijp er niets van," hernam Ulrica: "of gij moest verlangen
+het mij te verkoopen?"
+
+"Neen, dat is het niet, Freule!.... alleen maôr.... oe weet, dat de
+Utrechtschen binnenkort een hofbeer naôr Den Haôg sturen: als ik nu
+zoo gelukkig mocht zijn, dat mijn verken daôrtoe ekozen werd, en oe
+wolde mijn voorspraôk zijn; want de verkooper van het verken mag het
+naôr Den Haôg brengen en wordt kost- en schadeloos esteld."
+
+"Aha! nu begrijp ik, waarom ik het varken moest zien, doch waarlijk
+mijn krediet is zeer gering, en althans in zulke omstandigheden ben
+ik geen zaakkundige."
+
+"O!" vervolgde Gheryt: "ik heb juist hammen ekocht om niet aan mijn
+fraaien hof beer te raken: en als oe er maôr een woord met den heer
+Ambtman van sprak, dan ben ik overtuigd, dat....."
+
+"Op een anderen tijd, Gheryt!" zeide de Jonkvrouw, zich omdraaiende,
+om de kleur te verbergen, welke haar gelaat bedekte. Door deze
+lichaamswending vielen haar oogen op de kleeren des reizigers en
+voornaamlijk op den groenen bandelier die, van nabij beschouwd,
+zeer aardig geborduurd bleek te zijn met tien verschillende kleuren
+van groen. "Ja, Freule:" zeide Magdalena, het in de hand nemende:
+"dat werk is zoo net en keurig gedaan of het uw eigen ware."
+
+De Jonkvrouw naderde en beschouwde den bandelier eerst met
+onverschilligheid, vervolgens met aandacht, eindelijk, als uit haar
+geheele houding bleek, met ontsteltenis. Haar kleur verschoot, zij
+kneep Magdalena bevend in de hand, keerde zich om, wenschte den
+huisgenooten vaarwel en spoedde zich, zonder naar hun herhaalde
+dankbetuiging en heilwenschen te hooren, de deur uit met een zoo
+overhaasten stap, dat Magdalena haar nauwelijks volgen kon.
+
+"Mijn hemel, Freule!" zeide deze, terwijl zij zich, den dijk langs,
+naar het veer begaven: "wat schort u? Gij zijt ontsteld! gij
+beeft! welke plotselinge schrik heeft u bevangen?"
+
+"'t Is niets, Leentje! 't is niets!" antwoordde Ulrica, stilstaande
+en op Magdalena's arm leunende: "'t gaat alweder over: 't was de
+benauwdheid: er was wat rook in mijn keel geslagen....." en zij
+berstte in tranen uit.
+
+"Ik heb wel gehoord, dat men schreit, als er rook in de oogen komt,"
+merkte de deftige kamenier aan: "maar niet dat men in tranen uitberst,
+althans niet als de rook enkel in den mond komt. Daarenboven brandde,
+zooveel ik gezien heb, het vuur zeer helder, en steeg de rook zeer
+goed naar boven."
+
+"Ik ben kinderachtig," zeide de Jonkvrouw, haar tranen afwisschende,
+doch met snikken voortgaande: "ik ben kinderachtig: doch waarlijk,
+ik kon het niet helpen: ik gevoelde mij opeens zoo zonderling te
+moede.... misschien heeft het bezoek mijn zenuwen aangedaan."
+
+"Willen wij niet terugkeeren en u een glas water geven?" vroeg
+Magdalena.
+
+"O neen! voor geen geld van de wereld," zeide Ulrica haastig: "ik
+zou mij dood schamen: het wandelen zal mij goeddoen. Geef mij uwen
+arm en laat ons wat aanstappen: ik zal spoedig weder beter zijn."
+
+"Was het ook," zeide de kamenier, nadat zij een poosje zonder te
+spreken waren voortgewandeld en de Jonkvrouw eenigszins bedaarder
+scheen: "was de rook, die u hinderde, ook bijgeval de wasem, die uit
+den groenen bandelier opsteeg? Gij zucht, Freule! Zou ik het waarlijk
+geraden hebben? Ik begrijp niet...."
+
+"Ja, Leentje!" antwoordde Ulrica, beschaamd de oogen nederslaande:
+"het was die groene bandelier: ik moet het u wel bekennen, omdat
+gij het zoo dadelijk raadt, en omdat ik het voel, dat mijn kleur mij
+verraden heeft. Ach! die bandelier herinnert mij een soortgelijken,
+dien ik, toen mijn neef.... weet gij, Leentje! die wees, die met mij
+opgevoed is.... die...."
+
+"Ik weet al wie UEd. bedoelt: dien Spaanschen voedsterling van
+Mijnheer, die naar Bohemen vertrokken is, eenige jaren nu geleden."
+
+"Dezelfde!--Bij dat vertrek vervaardigde ik voor hem een degenhanger,
+juist gelijk aan dengenen, dien wij daar zagen en ik kon niet nalaten,
+mij zulks te herinneren, en daarbij al de genoegens, die ik met dien
+besten jongen gesmaakt heb.... en de hartelijkste vriendschap, die
+ik hem toedr....oeg.... toen wij kinderen waren...."
+
+"UEd. heeft gelijk er dit laatste bij te voegen," zeide Magdalena:
+"het zou thans weinig passen hem genegen te zijn, nadat UEd. de
+overtuiging heeft, dat hij een Spanjaard, althans van Spaansch ras is."
+
+"Kan hij het helpen, Magdalena? Heeft hij zich zelven zijn
+ouders kunnen kiezen? O! zoo gij hem gekend hadt, gij ook hadt hem
+liefgehad. Iedereen op het slot, in het dorp, in het leger, had hem
+lief. Zingen onze goede Dominee, de oude Geert en Bouke niet om strijd
+zijn lof? Bemint mijn vader hem niet alsof hij zijn eigen zoon ware? en
+kan mij iemand ten kwade duiden, dat ik hem met zuster-teerheid bemin?"
+
+"Ik weet niet, Freule!" merkte de kamenier met nadruk aan: "of die
+zusterlijke liefde den Heer Ambtman erg aan zou staan!"
+
+"En ik weet niet," hervatte Ulrica op een scherpen toon, "met welk
+recht zich de Heer Ambtman over mijn gevoelens zou bekommeren."
+
+"Verschoon mij, Freule!" zeide Magdalena: "ik beken, dat zijn
+ambtsgericht zich niet over de neigingen evenals over de bezittingen
+van anderen uitstrekt; maar ik dacht, dat hij als uw aanstaande
+echtgenoot ten minste eenige aanspraak mocht hebben op uw onverdeelde
+liefde."
+
+"En wie zegt, dat hij mijn aanstaande echtgenoot is?" vroeg Ulrica.
+
+"Wie?--de gansche wereld."
+
+"Zoo!--ik dacht, dat ik de eenige persoon was, die hieromtrent
+beslissend spreken kon; doch het is hieromtrent als met meer dingen:
+elk weet, wat van de zaak is en spreekt er op stelligen toon over,
+behalve degene, wien zij aangaat."
+
+Hier werd heur gesprek afgebroken, doordat zij aan het veer gekomen
+waren, alwaar de oude veerman haar reeds in zijn boot verbeidde,
+terwijl zijn knecht wat verder aan de groote veerschuit stond te
+wachten op eenige ruiters, die hij in de verte van de zijde van Tiel
+zag aankomen. Met kracht van riemen bracht de grijsaard de beide
+vrouwen naar de overzijde, en dankte zeer beleefdelijk de Freule
+(toen deze bij 't uitstappen hem een driedubbel veergeld betaalde)
+voor de eer, die zij aan zijn bootje had bewezen.
+
+"Is het waar, wat ik gehoord heb, Freule?" vroeg, toen zij verder
+opwandelden, de kamenier, die het gesprek scheen te willen terugbrengen
+op het punt waar zij gebleven waren, "is het waar, dat de Koning van
+Bohemen hals over kop herwaarts komt?"
+
+"Men zegt zoo."
+
+"Dan zal misschien ook uw.... hoe zal ik hem noemen?.... uw vriend
+weldra terugkeeren.... maar wat praat ik?.... alsof hij UEd. niet zou
+geschreven hebben, wanneer hij weder hier dacht te wezen."--Hier zag
+zij haar meesteres vragend aan. Deze antwoordde op een onverschilligen
+toon:
+
+"De laatste brief, dien mijn vader van hem ontvangen heeft, meldde,
+dat hij gezond en wel was: sedert zijn er, althans hier, geen boden
+uit het leger gekomen."
+
+"Dan zal hij UEd. misschien zelf komen verrassen; ware het nu niet
+beter, Freule (verschoon mijn vrijpostigheid; maar ik heb meer jaren,
+en helaas! meer ondervinding dan UEd.) dat men hem vooreerst niet te
+lang op het slot vertoeven liet om de jaloezie van den Heer Ambtman
+niet op te wekken? want deze is jaloersch, gelijk iedereen die waarlijk
+verliefd is."
+
+Ulrica zag, op het hooren van dezen zonderlingen en ongevergden
+raad, haar kamenier aan met een ontevreden en verwonderden
+blik, haalde de schouders op en vervolgde haar weg zonder
+een woord te spreken. Magdalena liet zich echter hierdoor niet
+afschrikken. "Verbeeld u, Freule!" ging zij voort: "dat die Spanjaard
+en de Heer Ambtman elkander bij uw vader aantroffen. Het kan niet
+missen, of de tegenwoordigheid van een jongeling, die vertrouwelijk,
+ja broederlijk, met u omgaat en aan wien UEd. wederkeerig blijken
+van genegenheid geeft, zal den naijverigen minnaar, die tot nog toe
+alleen de begunstigde was, grieven: onrust, nijd, twist en de hemel
+weet wat meer, kunnen hiervan de gevolgen wezen."
+
+"Magdalena!" zeide de Freule, het hoofd met waardigheid opheffende:
+"gij kent mij. Ik ben niet trotsch, niet hoog jegens mijn minderen. Ik
+schuw geen gesprek ook met de dienstboden, en leg iemand noode het
+zwijgen op, hoeveel meer aan u, voor wie ik achting heb. Maar thans
+ben ik verplicht u te verbieden verder een woord te reppen over het
+onderwerp, dat gij zoo allerongelukkigst tot stof onzer samenspraak
+gekozen hebt. Het past u niet, zulks te behandelen; niet omdat gij
+mijn kamenier zijt; maar omdat het niemand, behalve mijn vader,
+voegt, mij op een dergelijke wijze over een zaak van zoo teederen
+aard te onderhouden."
+
+"Verschoon mij, Freule!" hervatte Magdalena op een koelen toon, die
+van bitsheid niet vrij was: "verschoon mijn dwaasheid van te denken,
+dat de erfdochter van Sonheuvel boven haar gelijken verheven was,
+en dat zij somwijlen het oor aan goeden raad wilde leenen. Ik zie,
+dat ik mij bedrogen heb in deze omstandigheid; maar ik hoop slechts,
+dat UEd. nimmer mijn vrees bewaarheid moge zien."
+
+Het verwijt trof Ulrica; doch zij hield zich overtuigd, welgedaan
+te hebben, en antwoordde dus niet. Ook zweeg Magdalena, 't zij dat
+zij geen trek had zich aan een nieuwe bestraffing te wagen, 't zij
+dat zij de uitwerking, welke haar gezegde gehad had, wel verwacht of
+zelfs verlangd had.
+
+Nadat zij eenige schreden waren voortgetreden, deed een gerucht van
+naderende ruiters beiden omzien, en zij ontdekten den Ambtman met
+zijn _fidus Achates_, Elbert van Botbergen, benevens eenige dienaars,
+die heur op een goeden draf achterop kwamen rijden.
+
+"Is 't mogelijk?" riep Mom, die, zooras hij Ulrica gewaarwerd, zijn
+paard intoomde, gelijk de overigen deden: "kan 't zijn, dat het eerste
+voorwerp, dat zich aan deze zijde des Rijns aan mijne oogen voordoet,
+onze bevallige gastvrouw zijn moet? Mag ik reeds zoo vroeg het doel
+mijner reis, het toppunt mijner wenschen bereiken?"
+
+"Het voegt mij, UEd. om verschooning te vragen, dat UEd. mij hier
+nog ontmoet, daar ik reeds op het slot moest wezen om alles voor uw
+ontvangst in gereedheid te brengen."
+
+"Ik voel dien zet," zeide de Ambtman met een buiging: "Ik kom te vroeg;
+doch het verlangen om u te zien, mijn waarde Freule!"....
+
+"In 's Hemels naam, Heer Ambtman," zeide Ulrica lachende: "laat ons
+geen _euphuïsme_ beginnen in den smaak van sommige Haagsche hofheeren,
+die in Engeland fraaie manieren geleerd hebben. Wij zijn hier op het
+land: wij moesten de plichtplegingen daarlaten."
+
+"Gewis!" zeide Botbergen, die van de gansche samenspraak niets gehoord
+had en alleen op de laatste woorden lette van Ulrica, die hem nog
+onbekend was: "al die snorrepijpen en tilerantijntjes dienen nergens
+toe: ik zeg daarom eenvoudig: goên dag, meiske! ik had niet gedacht,
+dat wij nog zoo een knappe deerne zouden zijn tegengekomen, na de
+varkens, die ons van morgen aan de poort ontmoet hebben, daar zulks
+anders zelden iets goeds beduidt. Nu, dit geeft weder goeden moed;
+doch laat ons wat voortjassen, Ambtman! anders komen wij te laat op
+het slot;.... maar pots honderd tausent slapferment!" riep hij uit,
+Magdalena herkennend: "Wie is daar?"
+
+"Wat rammelt gij toch, Botbergen?" vroeg Mom: "merkt gij niet wie
+gij voorhebt? dit is de Freule van Sonheuvel, het pronkjuweel van 't
+Sticht. Freule! ik stel u den Heer van Botbergen voor, een Geldersch
+edelman, mijn bijzonderen vriend."
+
+"Dat is zijn beste aanbeveling," zeide Ulrica, onder 't voortgaan
+een hoofdbuiging makende.
+
+"Ik verzoek verschooning in dit geval," zeide Botbergen, "dat ik
+zoo wat ongepast gesproken heb. Ik kende de Jonkvrouw niet: ook
+had mijn bijzondere vriend, de Heer Ambtman, mij wel wat vroeger
+mogen waarschuwen. Geloof, lieve Freule, dat ik, toen ik daareven
+van varkens sprak, geen gedachten had met wie ik sprak:.... gelieft
+UEd. ook op te zitten? mijn paard is zeer mak en er is plaats genoeg
+achter mij! dan kan de Freule gemakkelijker en spoediger te huis zijn."
+
+"Zijt gij dol, Elbert?" riepde Ambtman wrevelig uit: "is dat nu een
+voorstel? Wij zullen afstijgen en de Freule naar het slot begeleiden,
+indien zij ons zulk een groote eer vergunnen wil."
+
+"De weg is vrij," zeide Ulrica: "doch het zou mij leed doen, indien
+de heeren om mijnentwil afstegen. De heeren zullen misschien verlangen
+spoedig op het slot te zijn en zich wat te ververschen."
+
+"Is er een genoegen," zeide Mom, terwijl hij afsteeg, "dat bij het
+geluk mag halen, van u te vergezellen?" Dit zeggende, gaf hij de
+teugels van zijn paard aan een bediende over, veegde zich met den
+handschoen het stof van 't aangezicht af en kuste Ulrica beleefdelijk
+de hand.
+
+"Ik verzoek nogmaals om verschooning," zeide hij, "indien ik zoo vroeg
+gekomen ben; doch UEd. begrijpt, dat, als men van zoo ver komt, men den
+tijd wat ruim neemt, vooral als het doel der reis zoo aangenaam is."
+
+"Ik wist niet," zeide Ulrica, "dat UEd. zulk een liefhebber was van
+het kegelspel."
+
+"UEd. begrijpt mij niet, of liever UEd. verkiest mij niet te begrijpen:
+het is geenszins het kegelspel, noch zelfs het altijd vleiend en
+gul onthaal van den Heer Baron, dat mij voor den dag van heden
+zulk een genoegen belooft. Het geluk dat ik verlangde, ben ik reeds
+machtig geworden sinds ik UEd. mocht ontmoeten: en het staat aan u,
+Freule! dat geluk nog boven verwachting en hoop te vermeerderen,
+door mij op heden de verzekering te schenken, dat mijn vurigste
+zielswensch u niet geheel ongevallig is."
+
+"Waarlijk, Heer Ambtman! UEd. spreekt vandaag zoo hoofsch, dat een
+eenvoudig landmeisje als ik u niet verstaan kan."
+
+"De Freule heeft wel deugdelijk gelijk," riep Botbergen uit, "de
+droes haal mij, als ik iets uit die opgesmukte woorden wijs kan
+worden. Waarom niet eenvoudig gezegd.
+
+
+ Dus eenigh
+ Alleenigh
+ Te zijn
+ Is pijn.
+ Dus laat ons beyd.
+ O soete meyd!
+ Versamen eens in vrolickheyd.
+
+
+en 't geen er verder volgt, zooals de Dominees zeggen als zij den
+Psalm opgeven."
+
+"Hoe weet gij wat de Dominees zeggen?" vroeg Mom, "gij, die nooit in
+kerk of kapel komt!"
+
+"Uwe Hoogloffelijke Edelheid bedriegt zich," antwoordde Elbert met
+inzicht; "ik ben gisteravond nog in de oefening geweest: daar waren
+leeraars en geestelijke personen bij de vleet."
+
+"Dan begrijp ik," zeide Magdalena, zonder op te zien, doch luid genoeg
+om van elk gehoord te worden, "dat het met de ware religie zoo slecht
+gesteld is, als zulk een slag van lieden de oefeningen bijwonen."
+
+"Magdalena!" zeide op een bestraffenden toon de Jonkvrouw, die hoewel
+de geestigheden van den Gelderschman zeer ongepast oordeelende,
+het evenmin goedkeurde, dat haar kamenier zich in 't gesprek mengde:
+"het wordt u immers niet gevraagd!"
+
+"Foei! foei! mijn waarde Freule!" riep Elbert: "frons dat lieve
+voorhoofdje zoo niet en trek die wenkbrauwen wat minder te zamen. Laat
+dat meiske dat bij u is, zeggen wat zij wil: mij deert het niet. en
+UEd. moet er niet boos om worden: of zoo UEd. zuur wil kijken, zie
+dan mijn vriend den Ambtman zuur aan, hê! hê! hê!"
+
+"En waarom moet ik zuur aangezien worden?" vroeg Mom, bevreemd
+opziende: "ik, die mijn leven voor een vriendelijken lach van dien
+bevalligen mond zoude geven."
+
+"Wel!" zeide Botbergen, "omdat
+
+
+ Ziet u een maeght
+ Wat toornig an,
+ Als gij haar vraegt,
+ Denk dan, goê man!
+ Dat g'haar behaegt:
+ Hoe zuurder dat een meisje kijkt,
+ Hoe meer dat uw gevrij haar lijckt."
+
+
+"Ik moet bekennen, Mijnheer!" zeide Ulrica, glimlachende, "dat uw
+brein wel met rijmpjes gestoffeerd is. UEd. is zekerlijk lid van de
+eene of andere Rederijkerskamer?"
+
+"Ik, Freule? de hemel beware mij! Neen! al wat ik in 't vak van
+liedekens weet, heb ik in 't leger geleerd. Doch ik zing nooit recht
+zuiver als ik nuchter ben. De stem en de maag staan bij mij in nauw
+verband, en dit is natuurlijk: de goede dingen, dat is bij voorbeeld
+de wijn, gaan mijn keelgat in en dan eerst komen de goede dingen,
+dat zijn de fraaie liedekens, mijn keelgat uit, zoodat...."
+
+"Verwar u toch in geen redeneeringen, Elbert!" viel de Ambtman in:
+"daar komt ge nooit tot uw eer af."
+
+"UEd. heeft dan in 't leger gediend?" vroeg de Freule.
+
+"Dat heb ik," antwoordde Botbergen: "bij den Koning van Bohemen:
+en al zeg ik het zelf, niet zonder glorie en lof."
+
+"Zijnde zijn grootste lof en glorie," merkte Mom aan, "dat hij een
+maagd met zich gevoerd heeft, welke hij ongerept en ongedeerd terug
+heeft gebracht in het vaderland."
+
+"Waarlijk iets ongewoons," zeide Ulrica: "en wie was die gelukkige?"
+
+"Zijn degen, Freule!" antwoordde de Ambtman.
+
+"Pots honderd tausent slapferment!" riep Botbergen, de hand aan 't
+gevest slaande: "indien ik niet wist, dat UEd. spotswijze sprak en
+het beter meende, ik zou deze schande al dadelijk uitwisschen en...."
+
+"En mijn bloed zou het eerste zijn, dat uw degen bevlekte, wilt gij
+zeggen, nietwaar?" vroeg Mom lachende.
+
+"En ik zou u de punt van mijn staal doen voelen," vervolgde Botbergen,
+"gelijk ik dien jongen snoeshaan deed, die in 't leger...."
+
+"Wel foei, Mijneheeren! gaat gij kijven in mijn
+tegenwoordigheid!" zeide Ulrica.
+
+"Deze alleen ontwapent mijn rechtmatigen toorn," zeide Botbergen,
+op een kluchtige wijze zijn lemmer half uithalende en weder in de
+scheede latende vallen.
+
+"En wat hebt gij dien jongen snoeshaan gedaan, van wien gij
+spreekt?" vroeg Mom. "Hebt gij hem doorregen als een hoentje aan
+'t spit of hem als een os den hals afgestoken?"
+
+"Neen!" antwoordde de snorker: "neen, vriendje! het was maar bij manier
+van spreken, dat ik van de punt van 't staal sprak: mijn kling was
+veel te edel om die anders dan op het slagveld te gebruiken; doch wat
+den pochenden windbuil betreft, van wien gij gewaagt, zoo heb ik hem,
+daar hij mij op een onbeschaamde wijze dorst hoonen, het gewicht mijns
+rottings doen voelen, zoodat hij, gelijk een haan, wien de kam is
+afgebeten, zich wegpakte en nooit weder in het kamp verschijnen dorst."
+
+"En hoe heette die windmaker?" vroeg Mom.
+
+"Hij droeg een naam," antwoordde Elbert, terwijl hij de Jonkvrouw
+aanzag met denzelfden blik, dien de hardvochtige heelmeester werpt
+op den ongelukkige, wiens arm hij af komt zetten: "waarop hij
+waarschijnlijk geen recht had, vermits de heerlijkheid, waarvan hij
+zich den titel aanmatigde, aan onzen edelen gastheer behoort. Hij
+stond op de monsterrol ingeschreven als Jonker Joan van Craeihorst."
+
+"Jonker Joan van Craeihorst!" herhaalde Ulrica, verbleekende.
+
+"Is hij UEd. bekend?" vroeg Botbergen haastig, "dan spijt het mij
+iets te zijnen nadeele gezegd te hebben."
+
+"Onvoorzichtige!" riep Mom, een ontevreden houding aannemende:
+"die heer van wien gij spreekt, is de voedsterbroeder van onze
+waardige Freule!"
+
+"Och, dat spijt mij.... ik verzoek duizendmalen om verschooning,
+waarde Freule!" zeide Elbert: "had ik dat kunnen denken,
+ik had hem in der tijd wel gespaard en er nu althans niet van
+gesproken. Nogmaals! vergeef mij deze onbedachtzaamheid; maar waarlijk,
+ik was verre van te denken...."
+
+"Indien het een onbedachtzaamheid was," zeide Ulrica, "waarom zou ik
+die dan niet vergeven?"
+
+"UEd. denkt toch niet, dat ik het opzettelijk verhaalde?" vroeg
+Botbergen, door het gezegde der Jonkvrouw een weinig uit het veld
+geslagen.
+
+Deze ontijdige en ongepaste verontschuldiging versterkte Ulrica
+in het vermoeden, dat zij reeds niet alleen omtrent het boosaardig
+opzet van Botbergen, maar ook omtrent de waarheid van zijn verhaal,
+had opgevat. "Mijnheer!" zeide zij tot den Gelderschman: "ik wist wel,
+dat men hem, die uit verre landen kwam, het voorrecht moest gunnen,
+zijn verhalen naar verkiezing op te sieren; doch die verzinselen
+moesten nimmer de eer gelden van iemand, die niets anders dan die
+eer bezit--en die telken dage wederom kan komen, om geleden hoon
+te wreken."
+
+"Hoe Freule!" riep Botbergen, de handen als van verbaasdheid
+ineenslaande. "Ben ik ongelukkig genoeg om voor een logenaar te worden
+aangezien? Mijn vriend, de Ambtman, kent mij te wel om geen getuigenis
+voor mij af te leggen, dat ik niets zou aanvoeren, 't welk bezijden de
+waarheid was." Dit zeggende, zag hij Mom met een scheeven blik aan,
+als wilde hij zeggen: "ik ben er om uwentwil in geraakt: het is nu
+uw zaak, mij er weer uit te helpen."
+
+Dan Mom had hier vooreerst geen zin in. Hij zag, dat de list, die
+Botbergen volgens een tusschen hen gemaakte afspraak in 't werk had
+gesteld, haar doel bij Ulrica miste, en hij vreesde, dat, indien hij
+de partij van Botbergen nam, de Jonkvrouw de volle waarheid gissen
+zou, het gemaakte plan doorzien en hem al haar achting ontnemen,
+waardoor hij de kans op haar hand verbeuren moest. Hij begreep dus,
+dat het zaak ware, van batterij geheel te veranderen en de partij
+van den afwezigen Joan te nemen: dit moest hem, naar zijn oordeel,
+bij Ulrica den naam van een grootmoedigen medeminnaar doen verwerven,
+haar vertrouwen in zijn betuigingen inboezemen en haar geloof doen
+hechten aan de lasteringen, die hij in later tijd tegen Joan, onder
+den schijn van welwillendheid, zou doen hooren.
+
+"Kom! kom! Elbert," zeide hij: "gij zult u in den naam vergissen. Ik
+kan niet denken, dat een jongeling, die door den Heer Baron van
+Sonheuvel is opgevoed en wien de beminnelijke Freule met haar achting
+vereert, zulk een lafbek zoude zijn, dat hij zich door u zou laten
+af kloppen. Ik zou dat sprookje maar niet verder uitkramen; want het
+mocht u eens kwalijk bekomen, als de Jonker van Craeihorst terugkomt."
+
+"Maar pots tausent!" riep Botbergen, die den Ambtman in den beginne
+met een oog vol verbazing had aangekeken, doch thans zijn doel begon
+te raden: "ik zweer u, dat ik geen woord terugneem van al wat ik
+gezegd heb: al wat ik tot verschooning van dien Jonker kan bijbrengen,
+is dat hij dronken was, toen hij mij beleedigde."
+
+"Geen woord meer over de gansche geschiedenis," zeide Mom, op een
+gebiedenden toon: "ik kan niet verdragen dat men kwaad spreekt
+van een afwezige, die zich niet verdedigen kan. Ik begrijp het
+geval niet recht," vervolgde hij zacht tegen Ulrica, op een gullen
+toon: "Botbergen is een snorder, dat is waar, doch niet van moed
+ontbloot;--want dat ik hem zooeven wat plaagde, geschiedde slechts uit
+een oude gewoonte:--ik kan niet denken, dat hij het geheele verhaal
+opzettelijk verzonnen heeft. Misschien was het zoo erg niet: ik zal
+het eens trachten uit te vorschen; want op den voedsterbroeder mijner
+Ulrica mag geen smet blijven kleven."
+
+"Gij zult mij vermaak doen," zeide Ulrica, met een minzame
+hoofdbuiging, terwijl dankbaarheid in haar oogen flonkerde; "doch
+wij zijn aan het achterhek: hier, Mijneheeren! zullen wij u verlaten."
+
+Dit zeggende, trad zij, na een beleefde buiging voor den Ambtman,
+het bruggetje over, dat haar op het grondgebied des Barons bracht,
+en vervolgde haar weg met Magdalena door de tuinen van het slot,
+terwijl de edellieden, hun rossen weder bestegen hebbende, langs
+den zijweg voortstapten, om, verder op, de hoofdpoort in te gaan,
+inmiddels overleggende, hoe zij hun duistere voornemens tegen den
+goeden naam van Joan best zouden ten einde brengen.
+
+De Jonkvrouw, op wier teeder gemoed de vergiftigde taal van Elbert
+meer indruk had gemaakt dan zij zich zelve wilde bekennen, gaf, zoodra
+een slingerboschje haar aan het gezicht van het waardig vriendenpaar
+onttrokken had, aan haar boezem lucht en stortte zulke bittere tranen,
+dat zelfs de arbeiders, die, met Bouke aan 't hoofd, bezig waren aan
+'t versieren der kegelbaan, het opmerkten toen zij er langs ging,
+en de oude dienaar haar naderde, om te vragen wat haar deerde.
+
+"O! zijt gij het Bouke!" riep Ulrica: "u kan ik het zeggen; want
+Magdalena heeft het toch ook gehoord; het zal u bedroeven, gelijk
+het mij bedroeft. Men vertelt mij daar zooeven, dat Joan zich als
+een lafaard met stokslagen uit het leger had laten drijven."
+
+"Dat is een verd...de leugen, met verlof gezegd," zeide Bouke: "wie
+zegt dat? ik zal hem zelven op zijn rug touwen, dat het hem jaar en
+dag heugen zal."
+
+"St! Bouke! niet al te driftig! het is de heer van Botbergen, een
+edelman, die met hem gediend heeft; die heeft het, naar zijn zeggen,
+zelf gedaan."
+
+"Hij liegt het, Freule! bij mijn ziel. Joan zich laten kloppen? 't
+kan niet wezen."
+
+"Ik ken uw jonker niet," zeide Magdalena: "maar ik kan toch niet inzien
+welk belang de Heer van Botbergen er in hebben zou, hem te belasteren."
+
+"Wat weet gij daarvan, Juffer Lena?" vroeg Joans oude krijgsmakker,
+driftig: "het spreekwoord zegt: alle koopers zijn geen kenners, en die
+haast koopt is haast bedrogen. Ge meugt dien Sinjeur van Boanberg zoo
+weinig belang toeschrijven als ge wilt: wanneer hij kwaad van onzen
+jonker spreekt, dan is hij geen knip voor zijn neus waard.--Wat hamer
+Sijmen!" riep hij, zich in de rede vallende om een der werklieden te
+recht te wijzen: "nu zet je de geut immers vlak verkeerd.... wacht ik
+zal bij je komen, als je 't niet beter weet!--nu, zooals gezegd is,
+Freule! stel je hartje maar gerust: ik heb te lang met den Jonker over
+land en zee gezwalkt en gezworven, om niet te weten, dat hij geen kat
+is, die men zonder handschoen aan kan vatten: hij zal zich niet op
+den rug laten trommelen, en wie daar tegen spreekt, dien draai ik den
+hals om, al was hij nog zoo een groot heer." Met deze woorden keerde
+hij weder naar de werklieden, die, nu geëindigd hebbende met het
+versieren der kegelbaan, bezig waren om die tot het spel behoorlijk
+in gereedheid te brengen. Ulrica begaf zich zuchtende naar het slot,
+alwaar zij, gevolgd door Magdalena, keuken en kelders bezocht, om,
+tot onthaal van haars vaders gasten de noodige voorzieningen te maken.
+
+
+
+
+
+TWINGTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ Menigh wil by dranck en spijs
+ Wesen wijs,
+ Schoon hy is van wijn beschonken,
+ Daar doch yeder kan bespiën,
+ Dat dees liên
+ Sijn van sotte grillen droncken.
+
+ _Pers_.
+
+
+Inmiddels waren Mom en Botbergen op het slotplein verwelkomd geworden
+door den Baron van Sonheuvel, verzeld van den oude jachthond Veltman,
+die, nu blind en onbekwaam hem in 't veld te volgen, den Baron
+binnenshuis altijd ter zijde bleef. Nadat hij de beide heeren met de
+hem eigen gulhartigheid goeden morgen had gewenscht en last gegeven,
+dat de paarden wel verzorgd zouden worden, geleidde hij hen naar de
+benedenzaal, vermits de groote ridderzaal, waar men spijzen zoude,
+nog niet geheel in gereedheid was. Binnengekomen, wilde Mom nog eenige
+verontschuldigingen bijbrengen wegens zijn vroege komst; doch de Baron
+wilde daarvan geen woord meer hooren reppen, alvorens de heeren zich
+met een teug goeden wijn, die hun in groene fluiten op een zilveren
+schenkblad werd toegediend, ververscht hadden. Toen eerst was het,
+dat Elbert de gelegenheid vond, zich door zijn patroon aan den Baron
+te laten voorstellen en dezen te verzoeken, hem zijn vrijpostigheid
+te willen ten goede houden, dat hij, zonder den Heer van Sonheuvel
+te kennen, niet geaarzeld had zijn vriend Mom, op diens verzoek,
+bij deze gelegenheid te vergezellen.
+
+"Een hupsch edelman, als UEd. schijnt, heeft op mijn slot geen
+aanbeveling noodig," zeide Reede: "en daarenboven! mag een vriend
+niet altijd een vriend medebrengen?"
+
+"Ik hoop die spreuk dan ook op mij te mogen toepassen," zeide Mom
+tegen zijn gastheer: "want er is geen naam, waar ik meer prijs op stel,
+dan op dien van uw vriend."
+
+"Zoo!" zeide Reede: "ik dacht dat er een andere titel ware, dien gij
+mij nog liever geven zoudt, hê! hê!" en hij begon hartelijk over zijn
+geestigheid te lachen.
+
+"Gij hebt dubbel gelijk, Heer Baron!" antwoordde de Ambtman, met een
+bevallige buiging: "en hoewel het een het ander niet uitsluit, beken
+ik, dat ik mij kwalijk heb uitgedrukt, en dat mij in dit oogenblik
+de naam van uw schoonzoon boven alles dierbaar zou wezen;.... doch
+ziedaar een geluk, waarop ik niet hopen durf."
+
+"En waarom niet, Heer Ambtman?" vroeg de Baron op een gulhartigen toon:
+"gij weet, dat ik u hartelijk genegen ben en u hooge achting toedraag."
+
+"Ik ben u daarvoor hoogst dankbaar, Heer Baron! maar, daar is nog
+iemand, die in dit geval geraadpleegd dient te worden, en aan welke
+ik vrees, voor 't minst onverschillig te zijn."
+
+"Mijn dochter meent gij?--Zij draagt u hoogachting toe: zij weet,
+dat haar huwelijk met u mij hoogst aangenaam zoude wezen; zij heeft
+nog geen vooringenomenheid voor eenig man: wat wilt gij meer? wat
+nog ontbreekt moet gij zelf zien te verkrijgen."
+
+"Is UEd. wel zeker," vroeg Mom, zijn woorden wegende, "dat zij nog
+niemand met een meer bijzondere onderscheiding heeft gezien?"
+
+"Wel ja! zoo zeker althans als men van de gevoelens van een
+twintigjarig meisje wezen kan."
+
+"Dat zegt juist niet veel," merkte Botbergen lachende aan. "In een
+meisjeshart te willen lezen is evengoed, als bij nacht op zee uit het
+venster te willen kijken of het nog stormt. Men ziet niets en de wind
+blaast onze muts nog af op den koop toe."
+
+"Zeer juist! zeer juist!" zeide de Baron, den Gelderschman op den
+schouder kloppende: "alleen met dit onderscheid, dat het in het hartje
+van mijn Ulrica geen stormachtige nacht is. Doch, wat er ook van zij,
+Heer Ambtman! de liefde mijner dochter te verkrijgen is uw zaak:
+zoo gij eens haar toestemming hebt, zal de mijne niet achterblijven:
+wat kan een vader meer doen?--Ulrica moet vrij handelen: het staat
+dus aan u, uw best te doen om haar genegenheid te winnen."
+
+"Zij is lang in Den Haag geweest," zeide Mom, het hoofd schuddende.
+
+"Daarover kunt gij u toch niet beklagen," hernam Reede: "daar hebt
+gij haar het eerst leeren kennen."
+
+"Ik vrees maar, dat de een of ander hoofsche Jonker...."
+
+"Gekheid, gekheid, Heer Ambtman! Zij hield veel van de Gravin van
+Nassau, en huisde er gaarne; maar ik heb haar toch altijd vroolijk en
+weltevreden gezien, als zij weder bij mij op het slot keerde. Er is wel
+een zwarigheid," vervolgde de Baron, opeens het voorhoofd fronsende;
+"doch die is van geheel anderen aard."
+
+"Een zwarigheid!" herhaalde Mom, van kleur veranderende: "ik bid
+u!...."
+
+"Ik zal u die verhalen, zoodra wij een geschikt oogenblik vinden om ons
+zonder getuigen te onderhouden," zeide Reede op den deftigen toon, dien
+hij slechts in zeer bijzondere gevallen aannam: "ik hoor hoefgetrappel
+op de slotbrug; en ik ga onze nieuwe gasten welkom heeten."
+
+"De oude Heer schijnt sterk met u ingenomen," zeide Elbert, terwijl hij
+met Mom den Baron, die de nieuwaangekomenen ontvangen ging, langzaam
+volgde: "hoe het met de dochter is, zal nog te bezien staan. Mij dunkt,
+zij vatte nogal vuur op mijn verhaal: en haar hart schijnt meer dan
+wel noodig is aan haar ouden schoolkameraad gehecht."
+
+"Des te beter," zeide Mom: "des te eer zal zij uit spijt een anderen
+trouwen, mits het ons maar eens gelukke, haar te overtuigen; doch
+genoeg hiervan, daar komt de Baron met zijn gasten aan."
+
+De nieuwaangekomenen werden alras door eenige andere genoodigden
+gevolgd, zoodat het gezelschap na verloop van een half uur voltallig
+was en uit een twaalftal edellieden bestond. Van de gesprekken,
+welke na het afloopen der eerste verwelkoming en daaraan verknochte
+plichtplegingen volgden, zullen wij geen melding maken; zij waren
+onbeduidend, gelijk gewoonlijk bij den aanvang van alle feesten en
+partijen het geval is. Toen de klok elf geslagen had, kwam de oude
+Bouke den Baron verwittigen, dat het ontbijt gereed was: waarop Reede
+zijn gasten verzocht, hem naar de groote ridderzaal te volgen.
+
+Deze bood den genoodigden een aangenaam en recht verkwikkelijk
+schouwspel aan, zoowel wegens haar fraaiheid en den opschik, dien
+men er bewonderde, als wegens de aantrekkelijkheden van een meer
+zelfstandigen aard, waarmede zij vermoeide gasten uitlokte. Zij
+was ruim en langwerpig van gedaante: twee vervaarlijk breede
+en hooge haardsteden, waarin, ondanks het lenteseizoen een goed
+onderhouden vuur brandde, stonden aan de beide einden over elkaar
+te prijken. De vooruitspringende schoorsteenmantels, van kostbaar
+Egyptisch marmer vervaardigd, schraagden een menigte antieke vazen
+(bij deze gelegenheid met de eerste voorjaarsbloemen gevuld) en rustten
+aan elken hoek op twee spierwitte kolommen, sierlijk met groene hulst
+omslingerd. Kostbare basrelieven, uit een andere marmersoort gehouwen,
+versierden het lijstwerk en de voetstukken: de liefdesgevallen van
+Venus en Adonis waren op de schoorsteenen zelven op witten steen
+afgebeeld. Aan wederzijden der haardsteden bevond zich een deur,
+welker kroonlijst, insgelijks op kolommen rustende, zich met de
+schoorsteenmantels vereenigde, zijnde de vakken boven de deuren,
+de basementen en plinten mede met snijwerk en beelden versierd en
+opgetooid met bloemen en loof. In de lengte was de zaal ter eener
+zijde met acht vensters voorzien, wier bovenste afdeelingen met
+allerlei wapens beschilderd waren; terwijl de benedenste glasruiten
+een vroolijk uitzicht opleverden over de tuinen van het slot en de
+omliggende landouwen. De vakken tusschen de glasramen waren om en
+om met familieportretten en wapenrustingen behangen; het middelste
+vak alleen was ledig, zijnde daarop in fraai Parisch marmer het
+geslachtswapen des eigenaars uitgebeeld. De tegenzijde der zaal was
+over haar geheele lengte onafgewisseld met allerlei soorten van jacht-
+en wapentuig bekleed, hetwelk op een zeer aardige wijze onder het
+opzicht der bevallige Freule met sparretakken, hulst en bloemfestoenen
+aaneengestrikt was; 't geen een vroolijke vertooning maakte en de oogen
+aangenaam streelde; doch wat aan de gasten, gelijk ik hierboven met
+een enkel woord reeds aanmerkte, een nog blijder schouwspel opleverde,
+was de lange tafel, welke midden in de zaal stond, en waarop een
+prachtig en voedzaam ontbijt was gereedgemaakt, dat niet uit de thee,
+de koffie, de vruchtenstroop of al de uitvindingen van latere dagen
+bestond, maar uit de stevige spijzen en dranken, die onzen goeden
+voorvaderen op alle uren van den dag welkom waren.
+
+De gasten namen plaats op bankjes of schabellen voor twee personen, met
+zachte kussens overdekt. Spoedig viel men aan 't eten: de hoendersoep,
+in zilveren kommen opgedischt, maakte weldra voor een zwijnskop
+plaats, verzeld van kippen, kapoenen, duiven, versche kropsalade,
+in 't kort van al wat het jaargetijde medebracht en op een kostbaar
+ontbijt kon gevorderd worden. De edellieden deden eer aan deze spijzen,
+zoowel als aan de voortreffelijke wijnen, die hun onder het opzicht
+van Bouke, die als bottelier optrad, werden toegediend. Alleen de
+Ambtman scheen weinig smaak te vinden in 't geen hem aangeboden werd:
+de gewichtige plannen en de daaruit ontsprotene bekommernissen,
+welke zijn brein vervulden, ontnamen hem allen eetlust: en verre
+van in een onmatig gebruik van drank eenige verstrooiing te zoeken,
+trachtte hij zich, zoolang zulks in zijn macht was, van het volle
+gezag over zijn verstandelijke vermogens te verzekeren door niet,
+dan bij het instellen van gezondheden of dergelijke gelegenheden,
+den beker aan den mond te brengen. Hij zag met angstvalligheid, hoe
+Botbergen de hem aangeboden roemers nooit afsloeg, maar altijd dadelijk
+tot den bodem ledigdronk. Zijn bezorgdheid was echter overtollig; want
+de Gelderschman was aan tafel voor geen klein weinigje vervaard en had
+een maag, die zeer gevoegelijk, naar verkiezing, de eigenschap van een
+spons of van een handschoen kon aannemen, zonder dat zijn hoofd er iets
+door leed; de eenige invloed, welken de wijn op hem uitoefende, was
+die, van hem nog opgeblazener en laatdunkerder dan gewoonlijk te maken.
+
+"Gij zijt bijster stil vandaag, Ambtman!" zeide Reede: "hapert er
+wat aan? of smaakt u mijn wijn niet?"
+
+"Het gastereeren deugt mij niet,"' zeide Mom: "ik ben geen man,
+die voor festijnen geschikt is; en ik wensch gaarne een juist oog te
+behouden, om den kegel niet mis te raken," voegde hij er glimlachend
+bij.
+
+"Ei! ei!" zeide de Jonker van Scherpenzeel: "dat is geen echt spel. Wil
+UEd. ons een roes laten drinken en zelf nuchteren blijven? dat zou
+slecht gelijk staan!--doch ik weet wat er aan schort. Een gezelschap
+van enkel heeren kan UEd. niet meer lijken, is 't niet zoo?"
+
+"Ik beken," zeide Mom, "dat het gezelschap van de schoone kunne het
+genoegen der gezellige kringen altijd bevorderen moet."
+
+"En vooral dat van onze edele gastvrouw, die, hoewel afwezig, in
+elke bloem, die het vertrek versiert, te vinden is," riep de Heer van
+Helmenhorst: "lang moge zij leven! lang!" vervolgde hij, oprijzende
+en een roemer omhoogheffende: "lang leve de schoone Freule Ulrica
+van Sonheuvel!"
+
+"Lang leve de dochter van onzen braven gastheer!" riep Botbergen, zijn
+voorbeeld dadelijk volgende, gelijk ook het overige gezelschap deed.
+
+Ik dank u voor mijn dochter, Mijne Heeren!" zeide de Baron, op zijn
+beurt een roemer vullende: "en moge zij nog vaak de eer gemeten,
+de toebereidselen voor Ulieder onthaal te bestieren."
+
+"Mits niet in dit vertrek," zeide Botbergen.
+
+"En waarom hier niet?" vroeg Reede met een verwonderd gelaat. "Staat
+u deze zaal niet aan?"
+
+"De zaal is prachtig en geriefelijk," antwoordde Elbert: "maar,
+aangezien wij allen hopen, dat de Jonkvrouw spoedig de keuze van een
+waardigen echtgenoot moge doen, en zij dan haars vaders huis verlaten
+zal, meen ik haar geen kwaden wensch te doen, wanneer ik Haaredele
+de bezorging van een feest in een ander lokaal toewensche."
+
+"Wel gevonden!" zeide de Heer van Lievendaal: "Mijnheer van
+Botbergen! ik heb de eer hem u te brengen voor dien goeden wensch."
+
+"En ik zou u gaarne in gelijke munt betalen," hervatte de Gelderschman:
+"maar ik heb geen wijn van deze soort meer, en het ware een misdaad
+van gekwetste majesteit, indien ik UEds. beleefdheid met een ander
+wijntje beantwoordde, dan hetgeen UEd. mij toegedronken heeft."
+
+"Er is toch meer van die soort in mijn kelder," zeide de Baron:
+"Bouke! geef den Heer van Botbergen;.... maar waar is Bouke?"
+
+"Hij is zooeven uit de kamer geroepen," antwoordde een der dienaars:
+"er was iemand beneden om hem te spreken."
+
+"Zoo! een gelegen tijd voorwaar; doch gij kunt het even goed
+bezorgen als hij: vraag maar aan mijn dochter van dien wijn van
+Nº. 3. Ja Mijne Heeren! ik moet dien ouden Bouke wat toegeven; er
+leeft op de wereld geen braver kerel dan hij; wij zijn ook zooveel
+jaren achtereen samen geweest en hebben zooveel overbracht: en dan,
+hij heeft wat te vertellen! hij heeft in Turkije geoorloogd en meer
+gezien dan één van ons allen."
+
+"Zoover ben ik niet geweest," zeide Elbert: "mijn krijgsverrichtingen
+waren alleen in Bohemen; en daar zal men, gelijk ik mij zonder
+grootspraak vlei, nog wel van mij gewagen."
+
+"In Bohemen zegt UEd.? En dat onder welke vanen?" vroeg Reede.
+
+"Ik heb onder den Spotkoning Frederik gestreden; maar ik heb hem
+laten zitten; want er was niets met hem uit te richten. Ik zeide
+hem dikwijls: (Zijne Majesteit deed mij somtijds de eer aan, mij
+te raadplegen) Uwe Majesteit, zeide ik geeft gehoor aan oorblazers,
+aan belangzoekers, aan domkoppen. Zooals Uwe Majesteit het aanvangt,
+zal het nimmer lukken: en dan ontwikkelde ik de redenen, die ik
+daartoe vinden kon. Dan, vergeefsche moeite! Zijne Majesteit sloeg
+mijn woorden in den wind; en wat is het gevolg er van geweest? Zooras
+ik vertrokken was uit het leger (want zulke dwaasheden als men daar
+deed, kon ik met geen droge oogen meer aanzien), liep alles in de war,
+en nu komt hij met de kous op het hoofd terug."
+
+"En hebt gij," vroeg Reede, zich bij voorraad de handen wrijvende,
+als verheugd over het antwoord, dat hij verwachtte: "hebt gij den
+Jonker van Craeihorst gekend?"
+
+"Gekend?" herhaalde Botbergen: "ja, een weinig, schoon het geen eer
+was hem te kennen!"
+
+De Baron zag zijn gast verwonderd aan, zette zijn roemer neder en
+vroeg met bevreemding, wat door deze uitdrukking gemeend werd.
+
+"Wel!" vervolgde Elbert: "Ik had geen omgang met hem, omdat hij
+een liederlijke knaap was, een dronkaard, een lafbek, een valsche
+dobbelaar...."
+
+"Onmogelijk," riep de Baron met hevigheid uit: en op hetzelfde
+oogenblik sprong de oude Veltman, alsof hij die lasteringen tegen
+zijn voormaligen meester niet langer wilde aanhooren, met een luid
+geblaf van onder de zitbank des Barons op, en liep, sneller dan hij
+in de laatste drie jaren gedaan had, de deur uit, en Bouke, die juist
+binnenkwam, bijna omver.
+
+"Ja! ja! loop maar, Veltman!" zeide Bouke, met een vroolijke stem,
+terwijl hij de tafel naderde met een gelaat, waar de vreugd op
+geschilderd stond. "Mijnheer!" vervolgde hij: "bodenbrood! daar is
+een oude kennis...."
+
+"Zwijg Bouke!" zeide de Baron, zonder bijna naar hem te luisteren:
+Mijnheer van Botbergen! ik bid u! verklaar mij eens wat gij van mijn
+Joan gezegd hebt.... Ik bedoel van dien Jonker van Craeihorst."
+
+"Kende UEd. hem?" vroeg Elbert, zich verwonderd veinzende: "vergeef
+mij dan, zoo ik kwalijk van hem sprak: maar ik dacht niet, dat een
+knaap in UEds. gunst zoude deelen, wien ik, om zijn schandelijk gedrag,
+met rottingslagen genoodzaakt heb het leger te verlaten."
+
+"Dat is een leugen, een onbeschaamde leugen!" zeide met luider stem
+de getrouwe Bouke, die de beschuldiging, door Botbergen aangevoerd,
+opmerkzaam had aangehoord.
+
+"Wie spreekt daar?" vroeg Elbert, met trotschheid opziende; maar zijn
+oogen zagen verlegen voor zich, toen zij den vrijen blik ontmoetten
+van Joans ouden krijgsmakker, die, met de armen over elkaar geslagen,
+achter de zitplaats des gastheers stond.
+
+"Dat ben ik, met uw verlof," zeide Bouke: "en wat ik niet vol kan
+houden, zal een ander voor mij doen."
+
+"Bouke! riep de Baron, terwijl hij aan zijn gezegde den toon der
+bestraffing poogde te geven: "denk wie gij zijt en waar gij zijt!"
+
+"Zoo doe ik," antwoordde Bouke, zonder verlegen te worden: "ik denk,
+dat ik Jonker Joans oude wapenbroeder ben, en dat ik over een lasteraar
+sta, die...."
+
+"Vlegel!" riep Botbergen, door het verwijt des Barons bemoedigd: "denkt
+ge dat ik mij met u zal meten? Zoo een edelman mij het millioenste part
+had gezegd van 't geen gij mij durft zeggen, hij leefde niet meer!"
+
+"Is er geen der edellieden, hier tegenwoordig, die de partij eens
+afwezigen opneemt?" vroeg Bouke.
+
+Botbergen zag beangst in 't rond; doch zijn gelaat helderde spoedig
+op, dewijl al de gasten, ziende dat de Heer van Sonheuvel zelf zijn
+zoon niet verdedigen wilde, geen partij voor hem begrepen te moeten
+trekken. Zooras de opgeblazen Gelderschman zich hiervan overtuigd
+hield, smeet hij den handschoen midden in de zaal, en riep tevens uit:
+"hiermede daag ik iederen edelman uit, die, als ik, zestien kwartieren
+bewijzen kan, om mijn woorden te komen logenstraffen."
+
+"Ik neem de uitdaging aan en zal u spoedig een kamper brengen, die
+je zestien-honderd kwartieren in je tronie snijden zal," zeide Bouke,
+den handschoen oprapende, waarna hij de zaal verliet.
+
+"Mijnheer van Botbergen!" zeide Reede, die al dien tijd had zitten
+stampvoeten en op zijn mouwen bijten van kwaadheid: "ik kon voor den
+goeden Bouke geen partij kiezen tegen iemand, dien ik op mijn eigen
+slot als gast ontvang; maar bij mijn zaligheid! zoo UEd. elders dan
+op het huis te Sonheuvel in mijn bijzijn kwaad had gesproken van
+mijn goeden Joan, ik had u mijn roemer op 't aangezicht aan stukken
+geslagen!"
+
+"Indien UEd. het mij vergunt, Heer Baron!" zeide Mom: "zoo zal ik
+de eer van den Jonker van Craeihorst handhaven en met den Heer van
+Botbergen, hoe bevriend wij ook zijn, op dood en leven kampen."
+
+Elbert zag zijn patroon vragenderwijze aan, als wilde hij op dien
+aangezicht lezen of het hem ernst ware. Een schampere trek, die zich
+aan des Ambtmans neusvleugel en aan de hoeken van zijn oog vertoonde,
+was genoeg om hem de zekerheid te verschaffen, dat Mom, door dit
+aanbod, het gevaar voorkomen wilde, dat zich een ander kampvechter
+opdeed.--In dit oogenblik trad Bouke weder binnen en zeide, de deur
+wijd openzettende: "Mijnheer van Bokkenbergen! hier breng ik u een
+tegenstander, als ik beloofd heb."
+
+Aller oogen wendden zich nu naar de deur, waar een jongeling
+binnentrad, wiens verschijning een algemeene verbazing teweegbracht. De
+Baron en het meerendeel der gasten sprongen op. Botbergen schoof
+zijn zitbank wel drie voeten achteruit, werd doodsbleek, sloeg
+klappertandend een bevende hand aan 't gevest van zijn degen, doch was
+buiten staat om het lemmer de scheede te doen verlaten. Mom staarde
+den onbekende met open mond aan het was de vreemdeling, dien hij bij
+Klaas Meinertz voor een Remonstrantschen Proponent had aangezien.
+
+"Joan!" riep de Baron met een luiden kreet en sloot zijn pleegzoon,
+die, van den getrouwen Veltman vergezeld, naar hem toe trad, met
+hartelijke vreugd in zijn armen: maar bijna dadelijk wikkelde hij
+zich weder uit zijn omhelzing los. "Joan!" herhaalde hij: "ik moest u
+niet omarmd hebben, eer ik wist of gij het waardig zijt. Men verhaalt
+schandelijke dingen van u."
+
+"Dat heb ik van Bouke vernomen," antwoordde Joan: "wie van de Heeren
+noemt zich de Heer van Botbergen?"
+
+"Wat! Kent gij hem niet eens?" vroeg de Baron verbaasd: "hoe hangt
+dit samen?"
+
+"Nu, Mijnheer!" zeide Bouke tegen den verslagen snoever, die met
+hangende armen en stijf opeengesloten tanden als vastgenageld zitten
+bleef: "wat dunkt u? is het niet mij: een man een man, een woord
+een woord?"
+
+"Zijt gij het, die u de Heer van Botbergen noemt?" vroeg Joan met
+bevreemding. "In het leger van den Koning van Bohemen droegt gij een
+anderen naam."
+
+"Wat zal ik u zeggen, Jonker!" antwoordde Elbert, zich door een grap
+zoekende te redden: "Wij droegen geen van beiden onzen waren naam."
+
+"'t Zij ik recht hebbe op den mijnen of niet," hernam Joan met
+fierheid, "hij is te schoon om hem te zien bezwalken: en na hetgeen
+er tusschen ons is voorgevallen, had ik niet gedacht, dat gij mij,
+in tegenwoordigheid van dit aanzienlijk gezelschap...."
+
+"Van die rottingslagen, meent gij?" vroeg Botbergen, opstaande:
+"ja, ik had daarvan misschien niet moeten spreken;.... wij zijn geen
+beste vrienden gescheiden, dat is waar; maar wij kunnen altijd tot
+een verklaring komen."
+
+"Tot uw dienst, al wilt gij dadelijk," zeide Joan, de hand aam 't
+geweer slaande.
+
+"De Heer Ambtman zal mij wel tot getuige willen dienen," vervolgde
+Botbergen, zich tot dezen wendende.
+
+Nu volgden de oogen van Joan de richting, welke die van zijn weerpartij
+genomen hadden, en hij herkende in den Ambtman den persoon, die hem
+in het opkamertje bij Klaas Meinertz ontvangen had. Dit onverwacht
+gezicht deed hem, verwonderd, een stap terugtreden, en bracht zijn
+gedachten opeens van den twist met Botbergen op het voorgevallene
+van den vorigen avond terug. Met niet minder nadruk, schoon met
+een kwalijk verborgene verlegenheid, staarde Mom den jongeling aan
+en peinsde hij op de houding, die hij bij deze gelegenheid moest
+aannemen. Botbergen, die, zooras Joan hem niet meer toesprak noch
+met zijn verwoeden blik bedreigde, zijn moed weder voelde herleven,
+had een fiere en onversaagde houding aangenomen en mompelde, doch
+zeer binnensmonds, allerlei dreigementen. De overigen, die een kring
+om de belanghebbende partijen gemaakt hadden, zagen vreemd op over
+Joans plotseling zwijgen, en nog meer, toen deze naar Mom toestapte
+en met een eenigszins verzachte stem, doch op vasten toon, hem de
+volgende vraag deed, welke, schoon op haar zelve zeer eenvoudig, in
+de omstandigheden van den Ambtman vrij geschikt was om hem van zijn
+stuk te brengen: "heb ik gisteravond niet de eer gehad UEd. te zien?"
+
+Schoon Mom reeds tijd gehad had om zich op een antwoord voor te
+bereiden, hetwelk hij al dadelijk had begrepen dat hem afgevorderd
+zou worden, was hij het nog niet met zichzelven eens, hoe hij dit
+antwoord op de meest voldoende wijze zou inrichten. Het scheen hem
+dus best toe, geen antwoord te geven en zich van de zaak, gelijk men
+het noemt, met een Jantje van Leiden af te maken.
+
+"Is UEd. die langgewenschte en ter goeder uur gekeerde pleegzoon van
+onzen besten gastheer?'" vroeg hij, opstaande en Joans beide handen
+vattende: "wel het verheugt mij, als vriend van den huize, recht
+zeer u te mogen leeren kennen. Wat zal uw komst hier levendigheid op
+het slot brengen! Wat zal de bevallige Freule verheugd zijn, zij,
+die u zoo liefheeft!" Hier zag Mom met spijt, hoe een hevige blos
+het gelaat des jongelings overstroomde. "Nu ik ben recht gelukkig u
+te zien: gij vindt mij met lijf en ziel tot uw dienst, beschik over
+mij, zoo dikwijls gij wilt. Ik heb zooveel goeds van u gehoord, dat
+ik verlang uw vriendschap te verwerven. Sta mij toe, dat ik u omhelze."
+
+Met deze woorden drukte hij den jongeling, die beteuterd en
+verbaasd over dien vloed van woorden voor hem stond, in zijn armen
+en fluisterde hem bij die gelegenheid in 't oor: "hadt ge u maar
+genoemd gisteravond! Nu! ik moet over dit alles een nader gesprek met
+u hebben, ter opheldering. Ik hoor, dat gij daar zonderling te pas
+zijt gekomen."--En toen, eer Joan van zijn bevreemding kon bekomen,
+trad hij terug en nam Reede bij de hand. "Mijn vriend!" zeide hij:
+"wat zou het jammer zijn, indien op een heuglijken dag als deze, de
+vreugd door oneenigheid of hooge woorden verstoord werd. Vereenig u met
+mij, om uw waardigen voedsterling, alsook mijn vriend van Botbergen,
+die zonder reden en waarschijnlijk ten gevolge van een misverstand op
+elkaar gebeten zijn, tot bedaren te brengen. Voor Sint-Felten met al
+die langer twist wil zoeken. Ik drink op de gelukkige toekomst van
+den edelen Jonker Joan van Craeihorst, Kapitein in dienst van Zijne
+Majesteit den Koning van Bohemen: en die mijn voorbeeld niet volgt,
+is waarachtig geen knip voor den neus waard."--Bij het uitspreken
+dezer laatste zinsnede had hij zich een vollen roemer geschonken,
+dien hij nu tot den bodem ledigdronk. Zoowel Reede als de gasten
+volgden zijn voorbeeld.
+
+"Kom, Elbert!" vervolgde Mom, zijn makker een vollen beker in de hand
+wringende: "gij moet mededrinken; want de terugkomst des Jonkers kan u
+nooit anders dan stof tot blijdschap geven. Heldert alles zich op en
+wordt het misverstand weggeruimd, des te beter; zoo niet, dan hebt
+gij t' avond of morgen gelegenheid om uw dapperheid aan den dag te
+leggen. Dus, man! drink uit! en denk vooreerst maar niet meer aan
+het gekke geval."
+
+"Pots honderd tausent slapferment!" zeide Botbergen, den roemer
+aannemende: "mijn dapperheid is alom genoeg bekend en heeft geen nieuwe
+gelegenheden noodig om zich te toonen. De Jonker en ik hebben elkander
+over en weder beleedigd;--dus zijn wij kamp; en hapert er nog iets
+aan, dan zal dit zich spoedig oplossen. Ik drink dus gaarne op de
+gezondheid van den Jonker van Craeihorst, en dat hij zulk een lang
+leven moge genieten, als ik hem toewensen."--Dit zeggende, ledigde
+hij zijn glas en hernam zijn plaats bij de nu weder aanzittende gasten.
+
+"Ik dank al de Heeren voor hun vriendelijke toewenschingen," zeide
+Joan, op zijn beurt een roemer vullende: "wat den Heer van Botbergen
+betreft, ik bedank ook hem, en het zal mij aangenaam zijn, indien hij
+mij in den loop van dezen dag een oogenblik schenken wil, daar ik het
+met den Heer Ambtman eens ben, dat wij het genoegen der gasten thans
+niet storen moeten."--Dit gezegd hebbende, ledigde hij zijn kelk en
+nam aan de tafel plaats.
+
+Men hervatte den maaltijd: doch vruchteloos zocht de Ambtman het
+gesprek weder te verlevendigen; de Baron was, zonder het te willen doen
+blijken, ontevreden dat de twist gesust was, en had liever gezien,
+dat Joan zijn wederpartij de trappen had afgesmeten. Joans hoofd was
+zoo vol gedachten, dat hij de aanwezigen vergat, ja, voor den drommel
+wenschte. Hij ondervond ten volle de onaangename gewaarwording van
+iemand, die na een lang afwezen versoezeld en verwaaid te huis komt,
+en, in plaats van zijn gezin alleen, een huis vol gasten vindt, die
+niets van zijn vermoeidheid, van zijn verstrooidheid van gedachten
+begrijpen. Nu eens maalden hem de geheimzinnige voorvallen in Tiel
+door het hoofd; dan weder dacht hij aan de bekoorlijke Ulrica, welke
+hij zoo vurig verlangde en toch vreesde weder te zien. Zijn twist met
+Botbergen hield hem het minst bezig; want hij was overtuigd, dat hij
+van dien snoever, zoodra hij zulks verlangde, de noodige voldoening
+verkrijgen zou; daar het geval in het Boheemsche leger zich juist had
+toegedragen als Elbert het verteld had, met dit kleine onderscheid
+echter, dat het Joan geweest was, die den anderen met stokslagen had
+weggejaagd. Hij bekommerde zich dus weinig over Botbergens lastertaal,
+alleen voor zooverre hij zich bij Ulrica nog rechtvaardigen moest: want
+Bouke had hem (zoodra hij op het slot gekomen was, en vernemende dat
+het vol gasten was, naar dien ouden vriend gevraagd had) verwittigd,
+hoe Elbert zijn goeden naam een schandelijke kladde had aangewreven
+in tegenwoordigheid der Jonkvrouw. Reeds dadelijk zou Joan zich over
+dezen hoon zijn komen beklagen, had hij niet gemeend eerst zijn nog
+vochtige kleeren tegen andere te moeten verwisselen.
+
+De overige gasten hadden, evenals de Baron, weinig genoegen genomen
+met de wijze, waarop de twist gesust was; daar zij, niet zonder grond,
+oordeelden, dat een van de twee partijen een lafaard wezen moest,
+die niet in hun gezelschap voegde; het misnoegen bracht dus stilte te
+weeg: zelfs de Ambtman, hoewel hij de anderen aan 't praten zocht te
+krijgen, had het hoofd te vol, dan dat hem zulks wel afging, en het zou
+een opmerkzamen bijstander niet ontgaan zijn, dat de goede houding,
+die hij aanwendde, alleszins gedwongen was. De heerschende stilte
+deed den Baron dus spoedig besluiten om het gezelschap te verzoeken,
+een einde aan het ontbijt te maken en zich met hem naar de kegelbaan
+te begeven. Dit voorstel scheen een verlossing toe aan de gansche
+vergadering: en allen haastten zich daaraan te voldoen, behalve Joan,
+die, zijn pleegvader ter zijde trekkende, van hem verlof verzocht om
+zich af te zonderen en Ulrica te gaan groeten.
+
+"Hoe is 't Joan?" zeide de Baron: "zoekt gij een gelegenheid om
+van dien Botbergen af te raken? Ik had van u meer vuur verwacht,
+vriendlief! Ware ik in uw plaats geweest, die verwaande pochhans had
+al lang op 't plein gelegen."
+
+"Ik beloof u, Vader! dat uitstel geen achterstel, worden zal,"
+zeide Joan: "ik zal met dien knaap nog een appeltje schillen, dat
+hem slecht zal smaken. Stel u daaromtrent gerust; maar, dunkt mij,
+mijn verlangen om Ulrica te zien, is nogal natuurlijk."
+
+"Nu, ga maar, ga maar," zeide de Baron, knorrig: "lieve deugd! in
+mijn tijd waren de knapen anders! thans zijn zij zoo koel als
+winterperen. Wat zullen de oude lui dan zijn als de jeugd geen warm
+bloed meer heeft!"--Na deze wrevelige aanmerking keerde de Baron zich
+weder tot zijn gasten en geleidde hen buiten het slot, naar den hof,
+waar de frissche lucht en de balsemgeuren van het voorjaarsgebloemte
+de wandelaars op een lieflijke wijze tegenkwamen en de dampen, door
+den wijn veroorzaakt, vervingen. Langs een lommerrijke lindenlaan
+begaf men zich naar de kegelbaan, die aan het achtereinde van den hof
+tusschen hooge hagen gelegen, en met een planken beschot, laag genoeg
+om er overheen te zien, omzet was. De baan, waaraan Bouke gedurende
+de vorige dagen al zijn vlijt besteed had, was spiegelglad: op twee
+derden van hare lengte stonden de prachtige ebbenhouten kegels,
+met zilveren randen en ringen beslagen en wel drie voet hoog, op
+daartoe op gelijke afstanden getrokken kringen, te prijken. Langs het
+schot liep ter linkerzijde van de baan, een houten goot af, waarbij
+een tuinjongen geplaatst was, om na den worp, den bal weder aan de
+spelers toe te zenden. Bouke stond aan de rechterzijde, bij de kegels,
+gereed om de tusschen de spelers gerezene oneenigheden te beslissen,
+en den uitslag van elken worp met krijt aan te teekenen op een zwart
+bord, dat aan een paal hing, die boven het beschot uitstak. Aan
+het begin der baan stonden twee andere dienaars bij een tafel,
+waarop bier en brandewijn gereedstonden tot lafenis der spelers:
+en daarover een kastje met laden, waarin de kegelballen lagen,
+benevens een bord met dobbelsteenen; de nommers, die aan de spelers
+uitgedeeld moesten worden, de handleien, waarop elk zijn _poincten_
+of verliezen voor zich kon opteekenen, in één woord, al wat noodig
+kon geacht worden. Onderscheiden lijnen, evenwijdig over de breedte
+der baan getrokken, duidden de plaats aan, vanwaar men werpen moest en
+welke de speler, wien het slotnummer te beurt viel, doorgaans aanwees.
+
+Met veel plechtigheid naderde Bouke het gezelschap, zooras het de
+kegelbaan nadertrad, haalde de dobbelsteenen voor den dag en reikte ze
+den Jonker van Scherpenzeel toe, die, na geworpen te hebben, ze aan
+zijn buurman overgaf en zoo vervolgens. Bouke teekende de geworpen
+getallen op en liet de gelijkstaande weder overgooien, totdat elk
+zijn nommer had. Toen begaf hij zich weder naar zijn standplaats bij
+het groote bord, en Botbergen, wien het laatste nommer te beurt was
+gevallen, duidde aan, van welke streep men beginnen moest. De heer
+van Lievendaal, die den eersten worp moest doen, zette den linkervoet
+op de streep, bracht den rechtervoet een schrede achterwaarts, nam
+den zwaren bal op en deed hem over de baan vliegen. De bal wierp een
+kegel om en schudde den tweeden, doch hij had zijn kracht verloren
+en rolde al draaiende het spel uit zonder iets verder te verrichten,
+De tuinknaap zette dadelijk den gevallen kegel weder op en zond den
+bal terug.
+
+"Hij was goed gemeend!" zeide een der spelers.
+
+"De baan is niet glad genoeg," antwoordde Lievendaal: "anders ware
+de tweede ook gevallen: zaagt ge wel hoe hij wiggelde? Dan komaan,
+Helmenhorst! laat eens zien, of gij beter zult slagen."
+
+Met meer bedaardheid dan zijn voorganger dreef de tweede speler den
+bal voort en wierp ook een kegel om, terwijl de bal stil liggen bleef.
+
+"Dat is ongelukkig!" riep hij uit: "wie kan zoo iets helpen? De kegel
+valt juist voor mijn bal en snijdt hem den weg af: anders waren er
+nog wel drie of vier omgeworpen geweest."
+
+Haastig, gelijk hij alles deed, wierp Reede op zijn beurt den bal. Doch
+door de drift draaide zijn hand onder 't werpen, en de bal, na eerst
+rechtuit te zijn gerold, nam, kort voor 't spel een zijdelingsche
+wending en liep de kegels voorbij.
+
+"Wat satan is dat!" schreeuwde hij hoogst ontevreden: "Bouke! de baan
+is niet gelijk! hoe kan een bal zoo mal rollen?"
+
+"De baan is al gelijk!" antwoordde Bouke, terwijl hij met veel
+bedaardheid den misslag opteekende: "Ik kan niet helpen, dat
+UEd. scheef gooit."
+
+"Kom, Heer Ambtman! het is uw beurt! Laat ons eens zien of UEd., die
+niet gedronken heeft, scherper gooien zult dan een van ons allen,"
+zeide de Jonker van Scherpenzeel.
+
+"Gij ziet, van dat weinigje beef ik reeds," zeide Mom, en wierp
+den bal wel een voet buiten 't spel. Met ongelijk gevolg speelden
+diegenen, die na hem kwamen. Toen de beurt aan Botbergen kwam, die
+reeds luide gesnoefd had over de menigvuldige partijen, door hem
+bij andere gelegenheden gewonnen, keken de spelers nieuwsgierig toe;
+maar de Gelderschman voldeed slecht aan hun verwachting en deed den
+bal midden door de kegels heen vliegen.
+
+Na op deze wijze eenige toeren afgespeeld te hebben, werd Reede, die
+bij deze gelegenheid slecht, of, zoo 't heette, ongelukkig speelde,
+wrevelig, en den Ambtman, wiens kans niet fraai stond, onder den arm
+nemende, verzocht hij hem, het spel maar te laten varen en met hem
+plaats te nemen op een bank, buiten den ingang der baan geplaatst,
+waar men ongestoord zat en echter het spel overzien kon. Na een wijl
+over onverschillige dingen gesproken te hebben, begon de Ambtman weder
+zijn liefde voor Ulrica tot onderwerp van hun gesprek te maken; en
+toen was het, dat de Baron, wiens oprecht en rondborstig gemoed door
+den Rijnschen wijn nog openhartiger geworden was, het gepast oordeelde,
+den Ambtman een geheim te vertrouwen, dat hij voor elk ander zorgvuldig
+bewaard hield, doch 't geen hij als eerlijk man zich verplicht achtte,
+zijn aanstaanden schoonzoon mede te deelen.
+
+"Vriend Mom!" zeide hij: "Ik ben overtuigd, dat het alleen uit
+genegenheid voor haar persoon is, dat gij mijn dochter gevraagd hebt;
+dat geen andere drijfveer u handelen deed, en dat gij haar van mijn
+hand zoudt willen nemen, al ware zij niet machtig u een penning als
+huwelijksgoed mede te brengen. Doch, daar ik nimmer den schijn van
+karigheid zou willen toonen, en niet gaarne de beschuldiging verdienen,
+van u omtrent den waren staat mijner zaken misleid te hebben, daar
+er bovendien nog een zwarigheid bestaat, als ik van ochtend zeide,
+acht ik het billijk, u dienaangaande nader in te lichten."
+
+"Heer Baron!" zeide Mom, zijn verwondering over zulk een voorafspraak
+onder een vriendelijken glimlach verbergende: "uw beleefdheid is al te
+groot. Geloof vrij, dat geen inzicht om mij te verrijken mij noopt, uw
+bevallige dochter ten huwelijk te vragen. Ik ben, Goddank! rijk genoeg,
+en, zoo ik een gade wensch, zoek ik slechts een lieve gezellin, die den
+avond van mijn leven verheuge. Echter, zoo UEd. noodig oordeelt, mij,
+na deze betuiging, nog de eer aan te doen van mij uw familiegeheimen
+mede te deelen, ben ik bereid naar u te luisteren."
+
+"Juist! juist, Heer Ambtman!" antwoordde Reede: "gij moet alles weten,
+want al zijn uw gevoelens omtrent mijn Ulrica nog zoo edel, omtrent
+mij zoudt gij wellicht van meening veranderen, zoo ik niet met open
+kaarten speelde. Dan ter zake.--Ik moet, om u mijn omstandigheden
+te verduidelijken, de geschiedenis wat hooger ophalen.--Mijn
+overgrootvader Godard van Reede had, gelijk u bekend is, zijn meeste
+goederen, waaronder deze heerlijkheid, ter leen van het Bisdom van
+Utrecht, en stond, daar hij een devoot Katholiek was, in hooge gunst
+bij den Bisschop. Op aanzoek van dezen, en onder belofte van diens
+protectie, liet hij zijn tweeden zoon Frederik voor den geestelijken
+stand opvoeden, en wel bij de Dominicanen te Tiel. De jonge geestelijke
+bracht het ver.... ja, Roomsch of Onroomsch, wij zijn altoos bijbelvast
+en fiksch in de leer geweest.... nu, dat is tot daaraan toe: hij
+maakte groote vorderingen, en de oude heer had het genoegen hem voor
+zijn dood tot Prior van datzelfde convent der Dominicanen te zien
+verheffen.... dat moet een vet ambtje geweest zijn!"
+
+"Zoo vet," zeide Mom, "dat ik er mijn ambtsmanschap dadelijk voor
+geven zou, mits het mij maar niet belette uw schoone dochter te huwen."
+
+"Ja! men moet kiezen of deelen;.... doch waar waren wij gebleven?.... "
+
+"Bij uw oudoom den Prior; is hij het niet, die, wanneer hij zat te
+lezen, een duiveltje de kaars liet houden?"'
+
+"Juist! zijn beeltenis hangt op het slot; doch ter zake.--Borre,
+Frederiks oudste broeder en mijn grootvader, niet minder goed
+Roomsch dan zijn broeder, vertrouwde hem de opvoeding van zijn
+oudsten zoon Godard, terwijl Karel, de jongste, voor de wapenhandel
+werd opgeleid.--Intusschen had de omwenteling plaats en de oorlog
+met de Spanjaards. Mijn grootvader, toen Heer van Sonheuvel, zijn
+broeder de Prior en mijn oom Godard hielden, als men denken kon,
+ijverig de zijde van den Koning; doch mijn vader, die reeds jong
+aan hun opzicht onttrokken was, koos des Prinsen zijde, en zwoer,
+evenals deze den Paapschen Godsdienst af."
+
+"Dat zal den ouden Heer weinig gesmaakt hebben," merkte Mom aan, om te
+toonen dat hij luisterde naar een verhaal, waar hij de belangrijkheid
+nog niet van inzag.
+
+"Het gedrag van zijn zoon belgde hem zoozeer," vervolgde de Baron,
+"dat hij mijn vader onterfde en zijn bezittingen aan mijn oom Godard
+maakte, die een weinig later de eenige erfgenaam werd der machtige
+nalatenschap van den Prior."
+
+"Zoo" riep Mom, voor wien de geschiedenis opeens een belangrijker
+gedaante verkreeg: dan heeft oom Godard alles ingepalmd."
+
+"Zooals gij wel aanmerkt. Mijn vader had zich wel tegen het een en
+ander kunnen verzetten; doch dit wilde hij uit kinderlijken eerbied
+niet doen. Hij had bovendien een vrij gegoed meisje getrouwd. Zoodra
+mijn grootvader gestorven was, riep mijn oom Godard mijn vader
+weder tot zich en stelde hem voor, samen als broeders op Sonheuvel
+te leven. Dit aanbod was met hartelijkheid gedaan: het werd met
+dankbaarheid aangenomen. Dan, niet lang had die samenwoning geduurd,
+toen de vrouw van mijn oom stierf. Hij was over dit verlies diep
+getroffen; de vermaken der wereld werden hem walgelijk, hij liet
+aan mijn vader het opzicht over al zijn goederen, trok naar Tiel,
+nam het geestelijk gewaad aan, verkreeg, als zijn oom, de waardigheid
+van Prior, en zou tot hooger waardigheid gestegen zijn, ware hij niet
+met een groot gedeelte der Roomsche geestelijkheid van oproerigheid
+beschuldigd geweest, en ten lande uitgebannen. Nu deed mijn vader iets,
+dat ik niet weet of ik mij wel zou hebben durven veroorloven."
+
+"En dat was?" vroeg Mom, bij wien het verhaal hoe langer hoe meer
+belangstelling wekte.
+
+"Dat zult gij hooren. Mijn oom had zijn eenigste dochter bij de
+geestelijke zusters van Sinte-Cecilia laten opbrengen. Nu gebeurde
+er in dat klooster een schandaal: namelijk, dat, een non en een
+Jezuïetschen pater, die hier door 't land reisde, samen opdrosten. Het
+volk, dat al niet zeer op de hand der nonnetjes was, plunderde toen
+het gansche convent en joeg de nonnen weg. Toen stuurde mijn oom
+zijn Maria aan mijn vader, met verzoek haar naar Kampen te sturen,
+waar een vrome zuster voor haar opvoeding zoude zorgen. Dat deed mijn
+vader niet, en daar deed hij, mijns inziens, verkeerd aan."
+
+"Hij wilde de rijke erfgename onder zijn bereik houden," zeide Mom.
+
+"Neen, dat niet," zeide Reede, terwijl zijn kleine oogen van
+verontwaardiging fonkelden: "hoe komt ge op die gedachte! Hij handelde
+misschien verkeerd; maar geenszins uit baatzuchtige oogmerken."
+
+"Dan kan ik niet inzien, uit welken hoofde zijn gedrag laakbaar was,"
+zeide Mom: "noch zelfs wat zijn oogmerk geweest kan zijn."
+
+"Ziet gij dat niet?" vroeg Reede: "hij wilde een zieltje winnen en
+hield de kleine Maria bij zich, om haar, tegen de begeerte haars
+vaders aan, in de Hervormde leer te laten opvoeden. Ziet ge! dat was
+niet zooals 't hoorde."
+
+"Vindt gij?" vroeg Mom op zijn beurt, met eenige verbaasdheid:
+"al onze Dominees zullen u het tegendeel zeggen."
+
+"Dat is wel mogelijk, ofschoon mijn goede vriend Raesfelt er niet
+volkomen zeker van is," zeide Reede: "maar, naar mijn inzien,
+kunnen de middelen het doel nooit wettigen, zooals de Jezuïeten
+beweren;.... doch, dat daargelaten: Maria bleef dan bij ons en werd,
+toen zij huwbaar was, mijn vrouw.--Mijn vader stierf--ik bleef. voor
+het oog der wereld, de Heer van Sonheuvel: doch inderdaad, niet meer
+dan de rentmeester van mijn oom."
+
+"En heeft die oom niets meer van zich laten hooren?" vroeg Mom.
+
+"Slechts eens heb ik hem sedert gezien: en toen had zijn
+onvoorzichtigheid hem bijna doen vatten: met moeite deed ik hem
+ontsnappen. Hij verzocht mij toen, het bestuur der bezittingen te
+blijven behouden en de interessen als een eigendom te beschouwen."
+
+"Die vrek!" zeide Mom: "hij had u alles even goed kunnen overdoen;
+want, vooreerst heeft hij aan die rijkdommen niets, en ten tweede
+zoude er op zijn recht van eigendom vrij wat aan te merken zijn."
+
+"Geen woord daarvan!" hernam de Baron: "wie hem ooit in zijn recht
+verkort, ik zal het blijven handhaven.--Dan, nu is er nog iets: mijn
+oom was ter oorzake der nauwe verwantschap tusschen Maria en mij, tegen
+ons huwelijk geweest. Leedwezen daarover voerde mijn lieve vrouw ten
+grave. Zij deed, ik geloof gedreven door een soort van zucht om een
+zoenoffer aan den toorn haars vaders te brengen, mij op haar sterfbed
+beloven, dat ik Ulrica, ons eenigst kind, niet zoude uithuwelijken,
+dan met de toestemming van mijn schoonvader.... Zij was stervende, ik
+zwoer dit, om haar gerust te stellen:--en toch, ik had zoo lichtvaardig
+niet moeten zweren: want waar vinde ik nu den ouden Heer?"
+
+"Hoe laat hij zich noemen?" vroeg Mom.
+
+"De Paapschen noemen hem vader Ambrosius," antwoordde Reede: "doch
+het zal moeilijk zijn, zijn verblijfplaats uit te vorschen. Er zijn
+zoovelen van dien naam."
+
+"Wij zullen zien," zeide Mom, opstaande en zijn knevel wrijvende om
+een onwillekeurigen glimlach te verbergen: "misschien is hij wel op
+te sporen. Ik heb overal nogal betrekkingen: en ik vleie mij, dat
+zoo hij met mijn wenschen bekend is, hij er niets tegen zal hebben
+in te brengen."
+
+"Mijn mededeelingen hebben dus geen invloed op uw voornemens?" vroeg
+Reede, terwijl een waas van tevredenheid zich over zijn gelaat
+verspreidde. "Gij blijft de hand mijner dochter vragen?"
+
+"Heer Baron," zeide Mom: "uw openhartig, ja edelmoedig gedrag te
+mijwaarts treft mij, vervult mij met bewondering voor u; doch het
+verbaast mij niet. Gij hebt mij wel beoordeeld, toen gij genoeg
+vertrouwen in mij steldet, om mij deze gewichtige geheimen mede te
+deelen. Ik bemin Ulrica: haar vraag ik, en haar alleen."
+
+"Bedenk u wel," zeide de Baron: "Ik bezit niets, dat ik mijn eigendom
+kan noemen, dan mijn moeders erfdeel: op mijn ouden dag bekrimp ik mij
+niet meer, en van wat ik heb, heb ik vast besloten de helft aan Joan
+te geven; ik heb dien armen jongen niet opgevoed om hem naderhand
+armoede te laten lijden. Ulrica weet dit, en zij is tevreden met
+het weinige dat ik haar medegeef; doch gij!...." Hier schudde hij
+bedenkelijk het hoofd.
+
+"Ik ben met Ulrica tevreden, en begeer niets meer," hernam Mom.
+
+"Heel wel! dat zijn jongelui's betuigingen, als zij vrijen. Doch
+naderhand komt het berouw, en dan is het te laat."
+
+"Ik ben geen knaap meer," zeide Mom "die zijn geluk op een paar
+schoone oogen verspeelt. Ik ben rijk genoeg om een vrouw naar mijn zin
+te huwen, ook zonder bruidsschat. Veroorloof mij, tot nader bewijs
+van mijn betuiging, dat ik mij naar uw dochter begeve en haar mijn
+hulde brenge."
+
+"Zeer gaarne," zeide de Baron, zich verheugd de handen wrijvende:
+"en zend mij Joan hier, indien hij zich nog bij haar bevindt.--Nu! kijk
+maar niet zwart: zij zijn samen opgebracht: daar steekt geen kwaad in."
+
+Mom glimlachte weder; doch deze reis was zijn lach gemaakt, en zich
+buigende, begaf hij zich naar het slot.
+
+
+
+
+
+EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ Ulrica, de eer en 't leven van deez' boorden.
+
+ Juffr. _Koolaert_.
+
+
+Ulrica was in de benedenzaal met Magdalena bezig met borduren, toen
+Joan binnentrad, toesnelde en haar met al de onstuimige driften eens
+jongelings in de armen drukte. Schoon zij reeds door een der dienaars
+van zijn terugkomst verwittigd was geweest, en door de verwarring,
+waarin die tijding haar gebracht had, niets meer deed dan broddelen,
+was zij nog niet genoeg voorbereid om hem te zien en deed zijn
+plotselinge verschijning haar ontstellen. Magdalena rees met hare
+gewone deftigheid op, groette den Jonker met eene diepe neiging,
+bood hem haar zetel naast Ulrica aan en plaatste zich op eenigen
+afstand bij een ander venster.
+
+De jonge lieden bleven eenigen tijd als sprakeloos naast elkander
+zitten: Joan hield de eene hand zijner pleegzuster in de zijne geklemd
+en zag haar aan met een gloeiend gelaat en fonkelende oogen, terwijl
+de Jonkvrouw verward en blozend voor zich keek. Dan, toen de eerste
+zielsbedwelming voorbij was, scheen een denkbeeld beiden op eens te
+treffen: Ulrica trok met schrik haar hand terug en schoof haar stoel
+achteruit, en Joan liet de armen vallen, zuchtte diep en zag voor zich.
+
+"Alles is hier zeer veranderd, Ulrica!" zeide hij eindelijk, "sedert
+ik laatst vertrokken ben."
+
+"Ik begrijp u niet," antwoordde zij met een flauwe stem, schoon zij
+hem zeer wel begreep.
+
+Joan zuchtte, zweeg wederom en streelde de grauwe haren van Veltman,
+die hem gevolgd was en voor zijn voeten lag. Na eenige oogenblikken
+poogde hij het gesprek te hervatten, en vroeg met schroomvalligheid:
+"zullen wij u welhaast Mevrouw Mom kunnen heeten?"
+
+"Daar is nog niets over bepaald," antwoordde zij, opnieuw van kleur
+veranderende: "ik weet niet, of dat wel ooit zal gebeuren."
+
+"Nu! wij willen hopen.... van ja, nietwaar?" vroeg Joan, op een toon,
+die het tegendeel zeide. Hij ontving geen antwoord, en beiden bewaarden
+gedurende eenige oogenblikken een diep stilzwijgen. Ulrica brak dit
+het eerst.
+
+"Wanneer zijt ge hier in 't land teruggekomen?"
+
+"Gistermorgen van Nijmegen."
+
+"Waar hebt gij dan vannacht geslapen?"
+
+"Bij Gheryt Maessen zekerlijk," antwoordde Magdalena; "althans
+daar hing diezelfde degenhanger in den schoorsteen welke UEd. thans
+aanheeft."
+
+Ulrica bloosde opnieuw zeer sterk, en Joan keek weder voor zich.
+
+"Heden, Joan!" zeide Ulrica: "waarom zijt gij gisteravond niet hier
+gekomen?"
+
+"Ik was.... ik had.... ik zal dat wel eens nader vertellen." zeide
+Joan, een zijdelingschen blik op Magdalena werpende. In deze beweging
+viel zijn oog op het afbeeldsel van den Prior Frederik van Sonheuvel,
+dat aan den wand hing.
+
+"Nu weet ik het!" riep hij uit, sprong op en ging de schilderij
+aandachtig beschouwen.
+
+"Wat weet gij?" vroeg Ulrica verwonderd.
+
+"Ja, hij is het!" vervolgde Joan: "het is dezelfde, die.... ja hij
+is het wel!"
+
+"Joan! zijt gij mal geworden?" vroeg Ulrica, angstig opstaande en
+zich aan zijn zijde voegende.
+
+"Gij hebt gelijk," hernam hij: "Ik moet den schijn hebben van
+ijlhoofdig te zijn: nu, dat zal zich wel oplossen: ik moet uws
+vaders oordeel hierover eens weten; doch laten wij van iets anders
+spreken, lieve Ulrica!" vervolgde hij, haar weder naar haar zitplaats
+geleidende: "zeg mij toch: hoe varen Dominee en zijn vrouw? en hoe
+maakt Geert het toch?"
+
+Ulrica voldeed aan zijn vragen: haar antwoorden lokten wederom nieuwe
+vragen uit, en het onderhoud verlevendigde zich, totdat Ulrica
+eindelijk vroeg, wat er toch, een oogenblik na Joans terugkomst,
+in de zaal had plaats gehad.
+
+Joan voldeed aan hare nieuwsgierigheid.
+
+"Gij zult u toch aan geen gevaren blootstellen?" vroeg zij.
+
+Deze woorden werden door een zoo beminnelijk lachje vergezeld en de
+oogen der bevallige schoone vestigden een zoo deelnemenden blik op den
+jongeling, dat hij, innig geroerd, haar hand weder in de zijne sloot.
+
+"Lieve Ulrica!" zeide hij: "ik zal doen wat ik als man van eer
+verplicht ben."
+
+Hier stond Magdalena, die uit het venster in den tuin had gezien,
+op, en verliet het vertrek.
+
+"Ulrica!" riep Joan, zoodra zij vertrokken was: "is het in ernst
+waar? Zal de Ambtman Mom uw man worden?"
+
+"Mijn vader verlangt dat huwelijk," antwoordde zij bevende.
+
+"Uw vader;.... maar gij?"
+
+"Het is misschien de beste keus, die ik in mijn omstandigheden doen
+kan. Mijn vader is er op gesteld, dat ik een goed huwelijk doe: en...."
+
+"En gij bemint hem?"
+
+"Ik houd hem voer een eerlijk, achtenswaardig man."
+
+"En daarom alleen zult gij hem huwen? Ulrica! speel niet met uw geluk!"
+
+"Joan!" hernam zij op een zachten, weemoedigen toon: "ik had u bij
+uw terugkomst geheel anders verwacht. Zijn dit de beloften, die gij
+mij bij uw vertrek van hier hebt gedaan?"
+
+"Ik herinner mij die belofte te wel, om die ooit te verbreken,"
+zeide Joan: "ja, ik heb u beloofd, dat ik een dwaze en hopelooze
+liefde zou pogen te onderdrukken, dat ik u voortaan, gelijk in onze
+kindsche dagen, alleen als zuster zou beschouwen: aan dat gegeven
+woord zal ik gestand blijven, en niemand dan gij zal immer weten,
+dat ik u eenmaal met een andere dan broederlijke teerheid liefhad,
+dat ik u nog heden met diezelfde...."
+
+"Stil!" viel hem Ulrica met een gestrengen blik in de rede: "gij zijt
+weder opweg om dat woord te breken."
+
+"Welnu!" hervatte hij: "die dwaze liefde daargelaten, geeft mij de
+naam van broeder, dien gij mij vergunt te behouden, dan geen recht
+om in het geluk mijner zuster het teederst belang te stellen? Gij
+bemint den Ambtman niet, gij koestert alleen achting voor zijn
+karakter: gij neemt hem, ik moet u openhartig mijn gedachte zeggen,
+alleen om mij alle hoop voor de toekomst af te snijden, om u zelve te
+behoeden tegen een genegenheid, die u schuldig voorkomt. Doch ik ben
+verplicht, als broeder verplicht, u te waarschuwen, dat uw huwelijk
+nimmer gelukkig kan uitvallen, wanneer het alleen gesloten wordt,
+om een ander dieper ingeworteld gevoel uit te roeien of te verdooven."
+
+"Onbarmhartige!" zeide Ulrica, terwijl zij haar tranen poogde te
+bedwingen: "ga voort, het staat u schoon, mijn droefheid te vergrooten
+door zulke onwaardige veronderstellingen. Ik had niet verwacht Joan,
+dat gij het eerste uur, dat wij ons na zoo een lange afwezigheid,
+terugzien, zoudt besteden, met mij een beschuldiging te doen hooren,
+die mij, zoo zij gegrond ware, in mijn eigen oogen vernederen zou."
+
+Joan gevoelde dit verwijt, stond op en wandelde de zaal op en
+neder. "Ulrica!" zeide hij, na eenige oogenblikken zwijgens: "die
+Ambtman is u niet waardig!"
+
+"Joan! Joan!" herhaalde zij met aandoening: "eerst gisteren zijt gij
+hier in 't land gekomen. Heden ziet gij den Ambtman voor 't eerst, zoo
+gij hem al met kennis gezien hebt. Hoe kunt gij dus zoo lichtvaardig
+oordeel vellen over iemand, die misschien eenmaal recht zal hebben
+op mijn eerbied, op mijn gehoorzaamheid, op mijn liefde. Is deze
+handelwijze billijk, is zij grootmoedig, is zij vriendelijk ten
+opzichte van hem--en van mij?"
+
+"Ik ben misschien te ver gegaan," zeide hij. "Geloof mij, ik gevoel uw
+toestand, ik schat de opoffering, die gij wellicht zult doen, op haar
+waarde; doch ik bezweer u, bij uw geluk, overdenk den stap dien men u
+wil laten doen, nog eenmaal ernstig en bedaard: en vooral.... tracht
+berichten in te winnen omtrent den Ambtman, nauwkeuriger dan gij
+tot nu toe hebt kunnen bekomen. Want," vervolgde hij met nadruk,
+terwijl hij haar hand vatte en haar recht broederlijk in de oogen zag:
+"ik zou ongaarne zien, dat gij uw lot verbondt aan iemand, wiens
+inborst en gedrag mij althans nog te geheimzinnig voorkomen, om...."
+
+Op dit oogenblik trad de man, van wien hij sprak, de kamer in.
+
+Als een schuldige liet Joan de hand der Jonkvrouw varen, en trad
+achteruit, terwijl zijn gelaat zich met een hoogrood overdekte. Ulrica
+werd bleek, schoof haar zetel terug en wischte haastig haar tranen weg.
+
+"Laat ik u niet storen," zeide Mom, zich buigende en zijn mond tot
+een spotachtig lachje samentrekkende: "ik ga terstond weder heen en
+laat u samen. Ik begrijp, dat men, na zulk een lange afwezigheid,
+elkaar veel te vertellen heeft." Hier hield hij zich, als wilde hij
+weder vertrekken.
+
+"Wees zoo goed en blijf, Heer Ambtman!" zeide Ulrica hem een zetel
+aanwijzende: "mijn broeder en ik zullen nog genoeg gelegenheid hebben
+elkander te spreken: daarenboven hebben wij thans niets te zeggen,
+dat geen derde hooren mag."
+
+"Al te beleefd, al te vriendelijk," hernam Mom, altijd met een
+glimlach op de lippen: "wijl UEd. het verkiest zal ik blijven; doch
+ik zou misschien vrijpostiger zijn dan de Jonker: want ik (hier boog
+hij zich diep) heb UEd. veel te zeggen, dat een derde niet hooren mag."
+
+"Ik zal u van mijn tegenwoordigheid ontslaan," zeide Joan.
+
+"De Heer Baron heeft mij gelast, UEd. te vragen, of hij u niet aan
+de kegelbaan zou zien," hervatte de Ambtman.
+
+"Ik ga mij bij het gezelschap vervoegen," zeide Joan, zich
+verwijderende: "doch," vervolgde hij, terugkomende en den Ambtman
+bij de hand nemende: "vergun mij UEd. een vraag te doen, een enkele."
+
+"Tot uw dienst," zeide Mom.
+
+"Kent UEd. den man, die hier afgebeeld is?" vroeg Joan, hem op de
+schilderij wijzende.
+
+De Ambtman vertrok geen gelaat, maar zeide zeer bedaard:
+
+"Dat verbeeldt, zoo ik wel heb, den Prior Frederik van Reede."
+
+"Gewis; doch heeft UEd. nooit iemand gezien, die tot model dezer
+beeltenis zou hebben kunnen dienen?"
+
+"Neen," antwoordde Mom, droogjes: "en UEd.?"
+
+"Ik wel," zeide Joan: en met een diepe buiging verliet hij de zaal,
+terwijl hem Ulrica, met bevreemding, ja met een soort van angst, of
+het hem ook in het hoofd schortte, en de Ambtman, met den spotachtigen
+blik, die hem sedert zijn komst niet verlaten had, en met een innerlijk
+genoegen van den jongeling verschalkt te hebben, naoogden.
+
+Joan verliet het kasteel en begaf zich naar de kegelbaan, waar de
+gasten nog altijd met spelen bezig waren. Toen hij kwam, was de toer
+juist uit, en werd hij verzocht, het getal der spelers te vermeerderen
+en zijn geluk te beproeven. Hij voldeed aan het voorstel en nam zijn
+bal uit de handen van Bouke aan.
+
+"Dat zal wezen: oppassen is de boodschap!" zeide deze tegen de
+spelers. "Zoo onze Jonker het nog niet verleerd is, zal hij de Heeren
+spoedig de baas zijn."
+
+"Ik twijfel er aan," zeide Joan: "ik heb in lang niet gespeeld en ben
+heden nog te verweerd van de reis, om naar behooren te spelen." Dit
+zeggende, plaatste hij zich naast den Baron, die zich weder aan het
+spel begeven had en wachtte zijn beurt af.
+
+Van de aanwezige gasten hadden de Jonker van Scherpenzeel en Botbergen
+tot nog toe het meeste voordeel behaald: de eerste omdat hij goed,
+de laatste omdat hij buiten zijn eersten misworp, gelukkig gespeeld
+had. Toen nu Joan zou spelen, zagen al de omstanders scherp toe,
+omdat zij, na Boukes gezegde, een meesterlijken worp verwachtten. Joan
+zette den voet op de streep, keek even naar de kegels en wierp toen
+den bal over de baan op een zoo onverschillige wijze en met zooveel
+onoplettendheid, dat geen der aanwezenden dacht dat hij een kegel
+raken zoude. De bal rolde langzaam voort: doch toen hij bij het spel
+kwam, was het, of hij opeens een andere richting verkreeg: hij draaide
+zich tusschen de voorkegels door, wierp den koning omver en wentelde,
+zonder een anderen kegel te raken, weder buiten het spel.
+
+"De koning! de koning!" riepen de spelers.
+
+"Dat telt negen punten," zeide Bouke: "nu, Mijneheeren! wat heb ik
+u gezegd? Ja, ik wist wel, dat de Jonker niet zoolang voor niet met
+mij gekegeld had."
+
+"'t Is meer geluk dan wijsheid," zeide de Baron. "Kom,
+Jonker!" vervolgde hij, zich tot Scherpenzeel wendende, lachende: "gij
+zijt tot nog toe de bol. Toon uw kunst nog eens, opdat de knaap niet
+denke, dat hij, omdat hij uit verre landen komt, ons allen de baas is."
+
+Scherpenzeel stelde zich in postuur, keek en mikte lang, en was even
+gelukkig als Joan: en Botbergen, die het laatste nommer had, wierp
+insgelijks den koning om. Nu moesten zij drieën, volgens de wet van
+'t spel, weder overspelen, om te zien wie den algemeenen inleg en de
+boeten, bij dezen toer betaald, zou ontvangen.
+
+Even achteloos als de vorige reis, deed Joan den bal over de baan
+rollen, en wierp, evenals de vorige reis, den koning om.
+
+"Zie mij zulk een geluksvogel eens aan!" riep de Jonker van
+Scherpenzeel uit: "hij raakt slag op slag, zonder er eens naar om
+te zien."
+
+Hij speelde; maar zoowel hij als Botbergen misten hun worp en Joan
+werd als overwinnaar begroet. Nu moest hij bij den volgenden toer
+het eerst spelen.
+
+"Het is waarlijk voor goede spelers geen kunst," zeide hij, "om
+te werpen wie de meeste kegels omwerpt. Men moet te voren bepalen,
+welke kegels men om moet werpen. Zoo spelen de Franschen en Brabanders
+dit spel."
+
+"Dat heb ik nooit gehoord," zeide Scherpenzeel; "doch ik wil gaarne
+gelooven, dat het daardoor nog belangwekkender wordt."
+
+"Welnu," vervolgde Joan: "dan moet de voorste middelkegel er aan,
+met den koning: daar gaan zij!" En, met meer oplettendheid dan te
+voren zijn worp verrichtende, volbracht hij zijn opgave volkomen. De
+overige spelers poogden hem dit na te doen; doch er was er geen onder
+hen, wien het gelukte.
+
+"Pots tausent!" riep Botbergen: "zoude ik dat ook niet kunnen doen?" en
+deed den bal over de baan rollen. De beide opgegeven kegels vielen
+werkelijk om.
+
+"Dat is gewonnen!" riep hij.
+
+"Neen!" zeide Bouke: "dat is verloren. Gij hebt den koning niet met
+den bal geraakt: hij is alleen gevallen, omdat de voorste kegel er
+tegen aan geworpen werd."
+
+"Dat is onwaar," hernam Botbergen, zich bij de kegels begevende:
+"de bal heeft wel degelijk allebei de kegels aangeraakt en omgegooid."
+
+"En ik zeg van neen," zei Bouke.
+
+"Pots dit en dat!" vloekte Elbert: "zult gij het mij heeten liegen?"
+
+"Dat zal ik," hernam Bouke: "als de maan vol is schijnt zij overal."
+
+"Houdaar!" zeide de vergramde speler, die door den drank was
+opgewonden; en, een der kegels opnemende, sloeg hij er den ouden
+dienaar zoo geweldig mede op 't hoofd, dat hij wankelde.
+
+Joan kon zijn getrouwen vriend Bouke niet straffeloos zien mishandelen;
+als een pijl van den boog schoot hij op Botbergen toe, greep hem met
+de eene hand bij den kraag en met de andere in den gordel, lichtte
+hem als een kind op en smeet hem over het houten schot buiten de baan,
+onder toejuiching der aanschouwers. Woedend stond Botbergen weder op,
+trok zijn degen, kwam de baan weder inloopen en snelde regelrecht op
+Joan aan; doch deze sloeg hem met een kegel het lemmer uit de hand.
+
+"Gij zult mij voldoening geven voor zoo groot een beleediging,"
+brulde Elbert.
+
+"Zeer gaarne," antwoordde Joan; "doch thans niet. Wanneer gij morgen
+nuchter zijt," fluisterde hij hem zachtjes in 't oor, "en u te zeven
+uren in 't Lischboschje hierover bevinden wilt, ben ik bereid, u met
+pistool of degen af te wachten."
+
+"Ik zal er wezen," antwoordde Elbert, op denzelfden toon: "Heer
+Baron!" zeide hij hardop, zich tot Reede wendende, die hem met de
+andere Heeren stond uit te lachen: "wanneer ik hier voor spot en
+mishandeling niet vrij ben, kan ik niet langer uw gast wezen. Vergun
+mij, dat ik mijn afscheid neme."
+
+Dit gezegd hebbende, raapte hij, zonder antwoord te wachten, zijn
+degen op, en begaf zich met zoo fieren tred als zijn wankelende
+beenen het hem vergunden, naar het slot, waar hij zijn paard liet
+zadelen om weder naar Tiel te rijden. Opgestegen zijnde en den stal
+uitrijdende, ontmoette hij op het voorplein den Ambtman, die zooeven
+Ulrica verlaten had.
+
+"Wat is dat, Elbert? verlaat gij ons weer?" vroeg Mom met bevreemding.
+
+"Ik moet wel," zeide Elbert: "ik gevoel weinig lust om door dat
+bezopen gespuis van ginder overhoop gestoken of in de gracht gesmeten
+te worden. Ik heb het ook fiks gezeid aan den Baron, dat ik het
+eeuwig verd...."
+
+"Ja! gij zijt de ware held om iets fiks te zeggen," viel hem de
+Ambtman met een schamperen lach in de rede: "gij hebt mij fraaie
+angsten op mijn dak gejaagd met uw zot gezwets. Ik was maar bang,
+dat het een of ander uit zou lekken van.... gij verstaat mij."
+
+"Pots honderd tausent slapferment! Kon ik het gebeteren, dat die
+weerlichtsche knaap juist vandaag weerom zou komen. Ik had hem liever
+onderweg afgewacht en aan honderd piesjes gehakt, dan dat ik zoo
+gelogenstraft ware geworden."
+
+"Ja! gij hadt wat: nu! wilt ge een van mijn dienaars met u hebben? Ge
+zijt misschien bang alleen op den weg."
+
+"Ik ben heden niet geschikt om uw zotte schimpscheuten aan te hooren,"
+zeide Botbergen, gemelijk: en zijn paard de sporen gevende, draafde
+hij weg.
+
+"Ga maar!" zeide Mom, terwijl hij hem naoogde. "Had ik ooit zulk
+een uiterste van bloohartigheid bij u vermoed, nooit waart gij
+mijn vertrouweling geworden. Gij zijt alleen geschikt, om, evenals
+de laffe jakhals, den leeuw op zijn tocht te vergezellen, hem zijn
+vijand aan te wijzen, en de brokken na te kauwen, die de koning des
+wouds wil achterlaten."
+
+Terwijl hij aldus den teugel vierde aan zijn ontevredenheid, was hij
+de brug overgegaan en trad den hof in. Hier ontmoette hem Magdalena.
+
+"Welnu?" vroeg zij.
+
+"Welnu!" herhaalde Mom: "ik heb uw raad gevolgd en geen verwondering
+laten blijken, toen hij mij de schilderij vertoonde. Ik heb zelfs
+jegens Ulrica de edelmoedige gespeeld en haar gezegd, dat ik mijn
+aanzoeken terug zou nemen, bijaldien een ander de voorkeur in haar
+hart bezat. Zij weigerde met aandoening het door mij gedane voorstel,
+om haar vader te bewegen, haar hand aan Joan te schenken: het zoude mij
+verwonderen, indien ik door deze handelwijze geen groote vorderingen
+in haar achting gedaan had. Tracht dit wat aan te wakkeren, en ik
+zal mij niet ondankbaar jegens u betoonen."
+
+"Ik begeer geen loon," zeide Magdalena, op een verachtelijken toon:
+"denk slechts op de voorwaarden, waaraan de hulp, welke ik u bewijs,
+verknocht is. Ulrica zal de uwe zijn; doch gij moet haar verdienen,
+door de goede zaak te doen zegevieren."
+
+"Daaraan zijn wij bezig," hervatte Mom, "gij kunt aan Pater Eugenio,
+die toch een kennis van u schijnt, bij gelegenheid wel eens vragen, wat
+ik al gedaan heb om die zaak bevorderlijk te zijn. Hij zal u zeggen,
+dat er in Tiel reeds meer dan honderd lieden bijeen zijn, die...."
+
+"Die niets zullen uitrichten," viel Magdalena hem in de rede:
+"omdat hun oogmerken en wenschen geheel uiteenloopen niet alleen,
+maar ook tegen de onze aandruischen. Wat zal de hulp van een dronken
+Groenhof met zijn oproerkraaiende Arminianen, van een Essius met zijn
+lafhartige Wederdoopers, van een wraakzuchtigen Stoutenburg, die van
+God noch zijn gebod weet, en van zoovele anderen doen, om het zuiver
+oud geloof weder op te richten? Hun doel is, herstel hunner eigene
+grieven of wraak over geleden hoon te erlangen: en, daar dit werk
+niet van God is, zal het verbroken worden! In u stelt de verdrukte
+gemeente een andere hoop. Dan, wat waarborgt mij, dat gij zelf,
+wanneer Ulrica de uwe wezen zal, uw woord niet verbreken zult en,
+tevreden met den verkregenen bruidsschat uw dagen onbekommerd zult
+gaan doorbrengen en u onzer niet langer aantrekken."
+
+"Ik ben reeds te ver gegaan om weder terug te keeren," hernam de
+Ambtman: "en wat mijn woord betreft, dat heb ik nooit gebroken."
+
+"Niet?" zeide Magdalena, op een gestrengen toon: "en den eed, dien
+gij aan den lande deedt, hebt gij dien behouden, toen gij uw trouw
+naderhand aan den Aartshertog verpanddet?"
+
+"Ik ben van dien eed door een Priester ontslagen geworden," antwoordde
+Mom.
+
+"En een kettersche Predikant zal u van het aan Spanje gegeven woord
+even gaarne ontslaan willen.--Doch gij spreekt wel; gij zijt te ver
+gegaan om terug te keeren, en de overtuiging daarvan stelt mij meer
+gerust dan al uw eeden. Dan laat ons scheiden eer iemand ons samen
+vindt, en wees zoo goed, mij aan de gebeden van den eerwaardigen
+Vicaris aan te bevelen." Met deze woorden verliet zij hem.
+
+"Den Vicaris!" mompelde de Ambtman: "dat satansche wijf weet alles! 't
+is en blijft, zooals ik gisteren zeide: ik heet de leider van het
+eedgespan, en ik ben alleen de houten pop, die, met onzichtbare
+koorden, ten dienste van anderen her- en derwaarts getrokken wordt."
+
+Aldus peinzende, vervolgde hij zijn weg. Hij was het met zichzelven nog
+niet eens, of hij over de bescherming van Ulrica's kamenier tevreden
+moest zijn of niet. Zij toonde zich bereid, zijn inzichten omtrent haar
+meesteres te bevorderen; doch van een anderen kant had zij in zijn hart
+gelezen en hem niet onduidelijk te kennen gegeven, hoe zij inzag, dat,
+zoo hij met de hand van Ulrica rijke bezittingen kon machtig worden,
+hij om de ijdele belofte van den Aartshertog weinig meer zou geven en
+sterk overhellen om een aanslag te laten varen, die hem toch nimmer
+eer kon aanbrengen. Dan, de bezittingen, waarop hij vlamde, kon hij
+door de nauwgezette braafheid des Barons niet verkrijgen, tenware een
+derde zulks goedkeurde; en om dezen derde, dezen noodlottigen oom
+in zijn belang te winnen, begreep hij de Spaansche zijde te moeten
+blijven houden. Het voornaamste van alles scheen hem echter toe, Joan
+te verwijderen. De wederzijdsche genegenheid, die tusschen dezen en
+Ulrica bestond, was hem te duidelijk gebleken, dan dat hij zulk een
+medeminnaar niet gevaarlijk zoude achten. Hij voedde echter de bijna
+zekere hoop, dat de Baron nimmer zijn toestemming zou geven tot het
+huwelijk zijner dochter met iemand van een ongewisse geboorte, al
+ware het ook zijn geliefde pleegzoon: dit was hem uit de kennis, welke
+hij van de inborst des Heeren van Sonheuvel had, genoegzaam gebleken.
+
+Hij vond den Baron en zijn gasten in goede harmonie bijeen, sinds
+de twiststoker verdwenen was. Nadat hij zich jegens het gezelschap
+verontschuldigd had, van een gast te hebben ingeleid, die zich zoo
+onwelvoeglijk had gedragen, en Botbergen had zoeken te verschoonen door
+zijn buitensporigheden aan den drank toe te schrijven, verzocht hij
+Reede en diens pleegzoon, hem een oogenblik gehoor te willen verleenen,
+en plaatste zich met hen op een tuinbank, terwijl de overige gasten,
+wien het kegelspel begon te vervelen, zich met wandelen, praten en
+tabakrooken vermaakten.
+
+"Heer Baron!" ving hij aan: "Ik heb zooeven een gesprek met uw
+bekoorlijke dochter gevoerd." Hier stond Joan op en wilde zich
+verwijderen.--"Verschoon mij, Jonker!" vervolgde de Ambtman: "uw
+bijzijn is hier noodzakelijk: ik zeg, ik heb aan de beminnelijke
+Ulrica mijn hoop, mijn inzichten te kennen gegeven. Zij heeft mij
+volmondig erkend achting voor mij te koesteren;.... doch ik heb
+duidelijk meenen te ontdekken, dat haar hart niet meer vrij was."
+
+Hier bloosde Joan sterk, en de Baron sprong driftig op: "Wat! haar
+hart niet meer vrij?" riep hij met verbazing en ergernis uit: "waar
+haalt gij de zotheid vandaan, Ambtman? En ik zou daar niets van weten."
+
+"Verschoon mij, Heer Baron!" hernam Mom met veel bedaardheid:
+"een vader is doorgaans de laatste, die zoo iets verneemt. Doch ik
+kan licht bevroeden, dat een zoo beminnenswaardige Jonkvrouw als
+uw dochter, op haar jaren reeds een keuze gedaan heeft: en, wat
+meer zegt," vervolgde hij langzaam, terwijl hij Joan scherp aanzag,
+"het zou mij zeer verwonderd hebben, indien zij die _niet_ gedaan had."
+
+"Wat!" herhaalde de Baron, wiens oogen de beweging van die des Ambtmans
+gevolgd waren: "versta ik u wel? en is...."--Hier zweeg hij, als
+wilde hij de invulling van den volzin aan Mom overlaten: doch zijn
+vinger wees zijn pleegzoon aan, die bleek en stijf als een steenen
+beeld voor de bank bleef staan en de oogen nauwelijks durfde opheffen.
+
+"Zoo ik mij niet bedrogen heb, ja!" antwoordde de Ambtman.
+
+De Baron zag Mom en den jongeling eenige oogenblikken beurtelings aan,
+terwijl eerst verbazing en vervolgens ongeloovigheid op zijn gelaat
+geschilderd waren. Eindelijk kreeg deze laatste de overhand en hij
+brak het stilzwijgen.
+
+"Maar zij hebben elkaar in geen drie jaren en langer gezien!"
+
+"Ik begeer niet, dat gij aan mijn betuiging geloof hecht," zeide Mom:
+"doch vraag aan hemzelven af, welke gevoelens ook thans nog ten
+opzichte uwer dochter zijn hart beheerschen?"
+
+"Joan!" riep Reede in gramschap uit: "is het waarheid wat de Ambtman
+zegt? hebt gij mijn weldaden beloond, door mijn dochter te verleiden?"
+
+Joan zag den Baron een oogenblik met teederheid aan, sloeg de ogen
+weder neder en zweeg, terwijl een gloeiend rood zijn wangen opnieuw
+bedekte.
+
+"Is het mogelijk! Joan!" herhaalde de Baron: "Joan! ik verheugde
+mij zoo u terug te zien: maar nu.... ja! nu had ik liever, dat gij
+op het slagveld.... of ten minste," zeide hij, zich hervattende,
+"dat gij hier ver vandaan gebleven waart."
+
+"Bedaar, edele vriend!" zeide Mom: "hoe kan een zoo natuurlijke
+genegenheid, welke UEd. zelf heeft opgewekt, u verstoren."
+
+"Die ik opgewekt heb?" herhaalde Reede, met drift: "nu ja,
+misschien! maar kan een valkenier het helpen, dat de valk, dien hij
+van jong opvoedde, hem de oogen uitsteekt?--Wilt gij, dat ik mijn
+dochter geve aan.... aan...." Hier zweeg hij opeens, ziende dat hij
+te ver ging.
+
+"Aan den Jonker van Craeihorst," hernam de Ambtman, altijd even bedaard
+blijvende: "is daar wat op te zeggen? Is zijn geslacht niet edel? is
+zijn adel niet zuiver?"
+
+"Wat geslacht? wat adel?" zeide de Baron: "ja! als dat bewezen ware."
+
+"Hoe!" zeide Mom, zich hoogst verbaasd veinzende: "is de Jonker niet
+uw neef? hebt gij zelf niet verhaald, dat gij hem tot u genomen hadt,
+omdat hij als hulpelooze wees overgebleven was?"
+
+"Een fraaie neef!" bromde de Heer van Sonheuvel: "een Spanjoolsch
+kind!"
+
+"Wat hoor ik?" riep Mom: "is de Jonker een Spanjaard?"
+
+"Wie ik ook wezen moge," riep Joan, zich een traan uitwisschende,
+"een ondankbare zal ik nimmer zijn; en zoolang ik leve, heer
+Baron! zal erkentenis voor uw vaderlijke weldaden mijn boezem
+vervullen. Neen!" vervolgde hij, terwijl zijn stem, die in den
+beginne zwak en stamelend was, onder 't spreken vaster en fierder
+werd: "neen, mijn vader! gij hebt uw mildheid aan geen ondankbare
+verspild. Verre is het van mij geweest, dat ik ooit voedsel zou
+gegeven hebben aan de dwaze hoop, die gij, Mijneheeren! in mij
+veronderstelt. Neen! eenmaal, ik beken het, heeft een ongelukkig
+toeval mij een geheim doen openbaren, dat voor eeuwig in dit hart
+had verborgen moeten blijven; doch de eenvoudige gedachte aan 't geen
+ik u, Heer Baron! verschuldigd was, heeft mij belet van het spoor te
+wijken, dat plicht en dankbaarheid en eer mij voorschreven. Onttrek
+mij dus uw achting niet: want het gemis daarvan zou den laatsten
+slag toebrengen aan een bestaan, dat, reeds van mijn geboorte af,
+bestemd om zonder doel of uitzicht voortgesleept te worden, alleen
+door die achting nog draaglijk bleef."
+
+Joan had deze woorden met vuur gesproken, en bij het eindigen der
+laatste zinsnede de handen des Barons gegrepen en daarop een teederen
+kus gedrukt. Reede voelde de hand des jongelings niet zonder aandoening
+in de zijne geklemd, en kon niet nalaten, die met hartelijkheid,
+schoon onder het mompelen van eenige onverstaanbare woorden, die
+ontevredenheid moesten aanduiden, te drukken. Schoon het denkbeeld
+hem stuitte, dat zijn dochter aan iemand van een onbekende geboorte
+haar hart zou geschonken hebben, had hij echter Joan van harte lief en
+begeerde althans op den dag zijner terugkomst niet met hem in onmin te
+geraken wegens een onvoorzichtigheid, die jaren geleden bedreven was.
+
+"Nu, nu!" zeide hij, "jongelief! wat gedaan is, is gedaan, en gij
+kunt het ook niet helpen, dat wij uw familie nooit hebben kunnen
+opschommelen. Gij weet immers, mijn beste jongen! dat ik altoos
+veel van u gehouden heb! maar om u Ulrica te geven, dat zou wat kras
+geweest zijn, en gij deedt wel, dat gij u die geschiedenis uit het
+hoofd hebt gezet. Ook begrijp ik nog niet, vriend Mom! hoe gij aan
+dit alles gekomen zijt?".... Hier zag hij dezen vragende aan.
+
+"En ik," zeide Joan, den Ambtman ernstig aanziende, "ben u,
+Ambtman! kleinen dank verschuldigd, dat gij, dus ongevergd,
+hartsgeheimen niet alleen hebt uitgelokt, maar zelfs aan den dag
+hebt gebracht, welke èn de Freule van Sonheuvel èn ik in de eeuwige
+vergetelheid hadden gewenscht te begraven."
+
+"Ik gevoel dat ik dit verwijt verdien," zeide Mom, zich buigende op
+een vriendelijken toon: "doch ik wist niet, dat er redenen bestonden,
+welke den Baron beletten konden, zijn goedkeuring te weigeren aan
+een echt tusschen de Freule en u! Ik werd toevallig gewaar, dat gij
+misschien de bevoorrechte, geliefde minnaar wezen kondt, en in dit
+geval wilde ik geen hinderpaal voor uw wenschen zijn. Ook thans nog,"
+vervolgde hij met ernst, "ook thans nog ben ik bereid, zoo de Heer
+van Sonheuvel omtrent dien echt van gedachten veranderen mocht,
+mij te verwijderen, ja, met een bloedend hart, doch tevens met de
+overtuiging van mijn plicht gedaan te hebben."
+
+"In dat geval heb ik u verkeerd beoordeeld," zeide Joan, "en verzoek
+u om verschooning."
+
+"Nu!" zeide de Baron, die vol blijdschap een dienaar zag naderen,
+welke de gasten aan den disch kwam roepen en hem uit de verlegenheid
+redde, waar hij zich in bevond, "wij zullen over dit gansche geval
+wel eens nader spreken. Mijn lieve Hemel! Pas is Joan teruggekomen,
+en hij heeft mijn huis op stelten gebracht! Eerst valt hij als een bom
+uit de lucht en krijgt hij ruzie met den vriend van u, Ambtman! (die
+waarlijk ook geen lievert is) en vervolgens hoor ik, dat hij sinds
+jaar en dag naar mijn dochter zou vrijen. Kom! kom! laten wij van
+middag om niets anders denken, dan om ons wel te vermaken. Ik heb
+nog anderen wijn van onze Duitsche buren gekregen, dan dien gij
+van dezen middag gezien hebt, en gij zult er mij uw gedachten eens
+over zeggen. Intusschen," voegde hij er zachtjes bij, terwijl hij den
+Ambtman onder den arm nam en met hem slotwaarts wandelde: "hetgeen ik u
+eens gezegd heb, blijft gezegd: Joan is een beste jongen, dat is waar;
+doch mijn dochter hem te geven ware al te belachelijk! ik heb haar
+aan u beloofd, en zoo gij het met haar eens kunt worden, dan is alles
+in orde. Gij zult haar die liefdegrillen ook wel uit den kop praten,
+zoo ze er al ooit in gezeten hebben, 't geen ik niet gelooven kan;
+want zij heeft er mij nooit een woord van gezegd."
+
+Joan oogde beide Heeren zuchtend na. Nog wist hij niet recht, hoe
+hij over den Ambtman moest denken, noch aan welke beweegredenen hij
+diens vreemde handelwijze moest toeschrijven. Zij had den schijn van
+grootmoedigheid voor zich; dit kon hij niet ontkennen; en toch lag er
+iets spotachtigs in het gelaat des Ambtmans, dat hem kwalijk beviel en
+hem, vooral als hij nadacht over het gebeurde te Tiel, met wantrouwen
+omtrent zijn bedoelingen vervulde. Wel is waar, de proef, die hij met
+Mom had genomen, toen hij hem voor het afbeeldsel des Priors bracht,
+was met glans doorgestaan: doch het was mogelijk, dat de Ambtman
+minder dan Joan door de gelijkenis getroffen was geweest, of dat hij
+de schilderij meer gezien had en dus op de vraag voorbereid ware. Joan
+besloot eindelijk met den gevreesden man zoo spoedig mogelijk een
+onderhoud te hebben, ten einde al hetgeen hem nog duister voorkwam
+tot helderheid te brengen, en inmiddels niets onbeproefd te laten
+om zijn gedragingen en gezegden met de meeste oplettendheid na te
+gaan. Hij gevoelde, dat dit hem eenige moeite zou kosten en dat hij
+met voorzichtigheid zou moeten te werk gaan, daar de Ambtman hem slim
+genoeg voorkwam om zich niet licht te ontmaskeren; doch het geluk van
+Ulrica hing er van af, en de gedachte, dat het meisje, 't welk hij zoo
+hartstochtelijk beminde, en dat zoozeer verdiende bemind te worden,
+zou kunnen worden opgeofferd aan iemand, die haar liefde onwaardig
+was, trof hem te zeer, dan dat hij niet al zijn krachten zou inspannen
+om zijn onderzoek te bewerkstellingen. Dit besluit gevormd hebbende,
+begaf hij zich naar het slot en voegde zich bij de gasten.
+
+Van het maal, dat vervolgens plaats had, zullen wij niets melden. dan
+alleen, dat de aanwezigen eer deden aan den lekkeren wijn des Barons,
+en proefondervindelijk bewezen, dat hij dien niet ten onrechte
+geprezen had, daar zij, de een vroeger de ander later, wel beschonken
+huiswaarts keerden. Slechts de Ambtman en Joan waren nuchter gebleven;
+de eerste was onder voorwendsel van gewichtige bezigheden, vroegtijdig
+vertrokken, en Joan, die geen voorwendsel behoefde, daar hij zich
+werkelijk nog ongesteld bevond, kort daarna naar zijn kamer gegaan,
+terwijl de Baron, die mede wat diep in de flesch gekeken had, niet lang
+vertoefde, na het vertrek der gasten, om in een aangename sluimering
+de drukten van den dag te vergeten.
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ Ons afscheit was, hy zou
+ Verzeker op dees uur alhier zich laten vinden.
+
+ _Vondel_, Gysbrecht van Aemstel.
+
+
+Het was reeds schemeravond, eer de Ambtman, van zijn tocht naar
+Sonheuvel te Tiel terugkwam. Nauwelijks had hij den feestelijken dos,
+dien hij ter eere des Barons en de schoone Freule had aangehad, voor
+den huispels verwisseld, toen Pater Eugenio, na zich onder den naam
+van Van Dyk te hebben doen aanmelden, het vertrek, waarin hij bij
+den haard gezeten was, binnentrad.
+
+"Ik verlangde reeds u te zien, Pater!" zeide Mom: "om van u te
+vernemen, wat hier sedert mijn afwezigheid al is voorgevallen."
+
+"En ik," zeide Eugenio, "ben begeerig om te hooren, of UEd. met den
+zoogenaamden Jonker van Craeihorst tot een verklaring hebt moeten
+komen."
+
+"Hoe! gij wist dan reeds?...."
+
+"Dat de man, dien wij gisteren voor een Remonstrantschen Proponent
+hielden, de pleegzoon van uw aanstaanden schoonvader was? Ja, dat
+wist ik reeds, voordat uw heldhaftige vriend Elbert van Botbergen
+mij zulks kwam vertellen."
+
+"Alles is wel afgeloopen, zonder verdere opheldering van het
+voorgevallene."
+
+"En hoe was de schoone Jonkvrouw te moede?" vroeg Eugenio:
+"betoonde zij geen blijdschap over de terugkomst van haar vriend
+en voedsterbroeder?"
+
+"Meer dan mij lief was, heeft haar die terugkomst
+aangedaan." antwoordde Mom, verwonderd opziende, dat Eugenio ook
+de betrekkingen scheen te kennen, die er tusschen Joan en Ulrica
+bestonden.
+
+"Alzoo een medevrijer!"
+
+"Ja, en die vrij ontijdig opkomt. Ik vlei mij echter dat ik bij
+den vader een witten voet heb en dat de dochter achting voor mij
+heeft. Niettemin ware het mij aangenaam, zoo die knaap van hier
+was. Botbergen heeft zich met het geval bemoeid, en bijna had hij de
+zaak verkorven."
+
+"Laat die zorg aan mij over," hernam de Jezuïet: "eer vier weken ten
+einde zijn, moet gij de echtgenoot der Freule van Sonheuvel wezen."
+
+"Ja, doch er is nog een _maar_...."
+
+"Wat de bezittingen des Barons betreft?--nu ja, die zwarigheid zal ook
+wel opgeheven worden: de oom, of liever de schoonvader in _quaestie_,
+zal gaarne zijn schriftelijke toestemming geven tot een huwelijk met
+den Heer Ambtman."
+
+"Gij zijt, dunkt mij, van alles onderricht, en ik zie hoe langer
+hoe meer in, dat ik best zal doen, u blindelings al mijn zaken te
+laten besturen."
+
+"Met raad en daad sta ik mijn vrienden altijd ten dienste," zeide
+Eugenio, zich buigende.
+
+"Ik erken die goedheid dankbaar," herman de Ambtman: "gij kent dan
+dien schoonvader?"
+
+"Of ik hem ken? ik ben gisteren en heden met hem in _conferentie_
+geweest."
+
+"Hij is hier!" riep de Ambtman: "en waar vinde ik hem? Zoo haast ik
+mij, hem op te zoeken en mij in zijn bescherming aan te bevelen."
+
+"Dan ware alles verkorven. De Vicaris weet niet, dat gij aan het
+hoofd van het eedverbond staat: en indien hij van deze omstandigheid
+kennis droeg, ware die genoegzaam om hem zijn toestemming te doen
+weigeren. De goede Vicaris gaat nog verder dan Filippus van Macedonië:
+hij bemint noch het verraad, noch de verraders."
+
+"Hoe!" riep Mom, opvliegende: "wat bedoelt gij? Zoo het niet uit
+eerbied voor uw stand ware, Pater! ik wierp u het venster uit."
+
+"Dat zou een slechte belooning zijn voor de getrouwe diensten, die ik u
+bewezen heb en nog denk te bewijzen," zeide Eugenio met veel koelheid:
+"ik had ook geen voornemen om u te beleedigen; ik wilde u alleen
+den Vicaris beter leeren kennen. Laat alles gerust aan mij over, en,
+ik herhaal het: binnen vier weken is alles naar uw wensch geschikt."
+
+"Was die Vicaris, wien ik oogluikend zijn broederen heb laten
+vergaderen in het klooster, de grootvader van Ulrica? Hoe vreemd loopt
+alles samen! En wat heeft de vrome man aan de broederen verhaald?"
+
+"Hij heeft hun gisteren zijn _Credentialen_ getoond en heden heeft
+hij hun een predikatie voorgedragen om hen tot lijdzaamheid en
+onderwerping aan te manen. Gelukkig had hij weinig toehoorders en
+luisterde niemand naar zijn ontijdige zedenlessen, Zijn doel was,
+geloof ik, den indruk van mijn aansporingen tot afschudding van het
+juk krachteloos te maken."
+
+"Was het? ik meende, dat hij juist afgevaardigd ware, om door zijn
+invloed al de Roomschgezinden te nopen, het hunne bij te dragen om
+de bestaande orde van zaken om te keeren."
+
+"Zijn invloed!" herhaalde Eugenio met een verachtelijken glimlach:
+"die heeft nooit iets te beduiden gehad. Pater Ambrosio is een van
+die kleingeestige dwazen, die, hoezeer zij hetzelfde doel wenschen
+te bereiken, dat wij ons voorstellen, tegen de middelen schrikken,
+wanneer zij niet volkomen strooken met hun nauwgezette denkbeelden
+van rechtvaardigheid en eerlijkheid. Zij laten hun handelwijze van
+hun zedenkunde afhangen, in de plaats van deze aan hun oogmerken
+ondergeschikt te maken."
+
+"En," vroeg Mom, na eenige oogenblikken zwijgens: "hoe heeft die
+bezopen Predikant het gemaakt?"
+
+"Groenhof?--O! die heeft voor zijn toehoorders een uitmuntend sermoen
+gehouden, doorspekt met bijbelsche aanhalingen, zoo fijn bijeengehaald,
+dat ik bij mij zelven dacht, hoe het toch mogelijk was, dat men zoovele
+aanmaningen tot moord, roof en muiterij kon halen uit een boek,
+'t welk liefde prediken moet. Onze kerk heeft wijselijk gehandeld,
+dacht ik, toen zij verbood dat de bijbel in alle handen kwame; want
+men kan met de letter van de Schrift toch alles goedmaken."
+
+"Waarlijk," zeide Mom met een schamperen lach: "ik dacht niet, dat
+gij bijwijlen zulke goede gedachten hebben kondt."
+
+"Zulke mannen als Groenhof zijn goud waard," vervolgde Eugenio,
+veinzende de aanmerking van den Ambtman niet te hooren: "waarlijk,
+ik zou gaarne zulk een medelid in onze Sociëteit hebben, mits hij
+wat minder aan den drank verslaafd ware."
+
+"Nu genoeg van hem.--En Stoutenburg?"
+
+"Daar heb ik een taai gesprek mede gehad. Hij heeft in Den Haag,
+Rotterdam en Leiden aanhangers genoeg, meest warme vrienden van den
+Advocaat, en mannen, waar men in tijd van nood op rekenen kan. Doch
+hij wil, alvorens iets te beginnen, zijn broeder Groenevelt en zijn
+zwager Van der Myle tot zijn zijde overhalen. Zoo 't echter wezen
+moet, maakte hij, ook zonder hun hulp, zich sterk, om de goede zaak op
+'t krachtigst voor te staan, door den vijand in folio te vermoorden."
+
+"Een stout voornemen!--En de Wederdoopers?"
+
+"Dat zijn zotten, die geen knip voor den neus waard zijn. Zij willen
+geen zwaard opnemen en zouden zich, als de Joden onder Antiochus op den
+sabbat, zonder zich te verdedigen, laten vermoorden. Hier kunnen zij
+ons geen dienst doen; doch ik heb hen het land rondgestuurd om door
+ingevingen en boetpreeken het gemeene volk tegen het bestuur op te
+ruien. Op zulk een wijze doen zij ons hetzelfde nut als de ballingen,
+die inmiddels uit Antwerpen en Brussel het land met blauwboekjes
+beschieten.--Ondertusschen heb ik al de eedgenooten, waar ik zeker
+van ben, naar huis gestuurd: zij kunnen ons daar veel meer nut doen,
+door nieuwe hulp aan te werven, dan hier, waar zij slechts vermoedens
+opwekken. Wat de zwakken betreft, die houde ik hier om hen door Preys,
+Leendertz en Groenhof te laten opwinden."
+
+"En gij zelf?"
+
+"Ik moet morgen weder van hier. Mijn tegenwoordigheid in Den Bosch
+zal weldra noodzakelijk zijn: want zooeven ontvang ik de tijding,
+dat de Aartshertog overleden is."
+
+"Overleden! En zijn beloften? Wie waarborgt mij, dat zij zullen
+worden nagekomen?"
+
+"Ik," antwoordde de Jezuïet: "ik, die niet gewoon ben, mijn plannen te
+laten varen; doch daarom juist worde ik in Den Bosch vereischt.--Dan,
+van wat anders: mij is bericht, dat de Spotkoning van Bohemen
+herwaarts komt: Graaf Hendrik Frederik moet hem halverwegen
+gaan ontvangen. Tracht dezen onder 't een of ander voorwendsel
+hier ter stede te lokken, of maak, dat ge in allen gevalle een
+geheim mondgesprek met hem houdt: dat zal genoeg zijn om aan onze
+Remonstrantsche medeverbondenen de vaste overtuiging te geven, dat hij,
+gelijk ik hun verhaald heb, aan het hoofd van den aanslag staat."
+
+"Uitmuntend gedacht! doch hoe dit best overlegd? Gij weet, dat de
+Nassausche Vorsten altijd bij verrassing reizen, en dat men zelden
+hoort, dat zij er geweest zijn, voordat zij weder zijn vertrokken."
+
+"Vergeet gij dan mijn kwaden Engel, die ons van alles
+onderricht?--Vrees niets, eer 't jaar een dag ouder is, zal deze u
+een middel aan de hand doen, of zelf misschien den Graaf herwaarts
+leiden. Is hij eens hier, dan wordt hij zoodanig met Arminiaansche
+smeekschriften bestormd, ja zoowel in den schuurzak gebracht, dat,
+al mislukte onze geheele onderneming, de beide broeders in gezworen
+vijandschap geraken moeten."
+
+"Gij blijft de spreuk getrouw, Pater, die men zegt dat uw genootschap
+voert: divide et impera [46]. Maar, is er van dezen nacht nog iets
+voor mij te verrichten?"
+
+"Niets anders dan gerust naar bed te gaan, Heer Ambtman!--Morgen te
+elf uren spreken wij elkander nader bij Klaas Meinertz. Thans hebben
+wij beiden rust noodig. UEd. is vermoeid, en ik moet morgen nog uit
+op een geheimen tocht voor uw belang.... en voor mijn wraak," voegde
+hij er grijnzend bij.
+
+"Ik begrijp niet, hoe die samengepaard kunnen gaan," zeide Mom,
+met verwondering, ja met een soort van angst de afzichtelijke
+uitdrukking bespeurende, welke Eugenio's trekken aannamen: "doch ik
+twijfel niet of beide zijn u wel aanbetrouwd. Tot wederziens dan,"
+voegde hij er bij, den Pater naar de deur geleidende. Deze verliet
+hem en Mom begaf zich naar bed, met een mengeling van gevoelens,
+die, zoo zij hem al niet uit den slaap hielden, hem zeker beletteden,
+de rust des rechtvaardigen te smaken.
+
+Sliep Joan geruster op het slot te Sonheuvel? Wij mogen, na al het
+gebeurde van den dag, daaraan twijfelen. Hoe het zij, te zes uren had
+hij zijn legerstede reeds verlaten en zich, geheel gekleed, naar de
+wapenkamer begeven. Na te dier plaatse eenige oogenblikken vertoefd
+te hebben, wikkelde hij zich in een grooten mantel, trok ongemerkt
+het kasteel uit, en ging den tuin door, met oogmerk om zich door het
+achterpoortje naar het Lischbosch te begeven.
+
+In het derwaarts gaan moest hij de kegelbaan voorbij, en een niet
+onnatuurlijke zielsopwelling deed hem het oog wenden naar de plaats,
+waar hij zijn vijand had uitgedaagd: dan op datzelfde oogenblik voelde
+hij zich bij zijn mantel trekken, en zich omkeerende, zag hij Bouke
+voor zich staan. Deze was reeds vroeger uitgegaan om de kegels weg te
+gaan sluiten, 't welk den vorigen avond vergeten was. In alle andere
+oogenblikken zou Joan door zijn ouden vriend met genoegen aldus zijn
+verrast geweest; doch thans veroorzaakte de ontmoeting van Bouke
+bij Joan eenige verlegenheid. Hij gevoelde dat het scherpziend oog
+van den ouden dienaar het oogmerk van zijn geheimzinnigen uittocht
+licht doorgronden zoude, en gaarne had hij een onderhoud vermeden,
+'t welk hij nu voorzag, dat noodzakelijk plaats moest hebben. Hij
+beantwoordde dus Boukes morgengroet kortaf en zag met een verstrooiden
+blik in 't rond.
+
+"Wel kijk!" zeide Bouke: "geen jager zoo vroeg in 't veld, of de
+strooper was er nog vroeger. Moet je al zoo vroeg er op uit, Jonker?"
+
+"Laat mij gaan," zeide Joan: "laat mij gaan Bouke! ik heb haast."
+
+"Hei! hei! die haast wordt, haast ontwordt," hernam de oude dienaar:
+"'t zijn goê spillekens, die zacht draaien en lang loopen. Weet je
+wat, Jonker? Je meugt zooveel haast hebben als je wilt, je zult toch
+moeten lijden, dat mijn olde beenen met je jonge beenen pas houden."
+
+"Ik moet alleen uit, beste vriend," zeide Joan, zich los willende
+maken.
+
+"Kom!" zeide Bouke: "met goê gemak raakt men ook voort: ijlen maakt
+uilen, en men zal zoo haast gaan als loopen. Alleen laat ik je niet
+gaan; dat is eens vooral bij mij bepaald; want je hebt nu zoo lang
+op je eigen beenen rondgezwalkt, Jonker! dat ik voor den tijd, dat
+je hier zijt, je kameraad wel weder wezen mag."
+
+"En ik herhaal nogmaals ernstig, Bouke! dat ik u verzoeken moet,
+mij te verlaten, ik moet iemand alleen gaan spreken."
+
+"Dat weet ik," zeide Bouke: "denk je, dat ik die degens en pistolen
+onder je mantel niet voel? Dat ik niet weten zou wat je in 't schild
+voert? Men ziet aan 't been wel, waar de hoos gescheurd is."
+
+"Zoo gij mijn voornemen raadt, zult gij ook best begrijpen, waarom
+ik niemand kan medenemen."
+
+"Dat begrijp ik heel wel," hernam de onverzettelijke Bouke: "maar ik
+begrijp ook heel wel, waarom ik meê wil gaan. Je wilt met Botbergen
+gaan vechten, en daar heb ik niet tegen; dat schoelje verdient wel
+een por in de huid; maar denk je, dat zoo een bloode schelm alleen
+zal komen? Jawel, of hij 't laten zal. Hij zal ook denken: beter
+blood Jan als dood Jan: en opdat je niet in ongelegenheid raakt,
+zal en wil ik met je gaan."
+
+"Bouke! voor de eerste reis van mijn leven zult gij mij toornig op
+u maken."
+
+"Praat maar, praat maar en ga uw weg! ik ga met: goed voorgaan doet
+goed volgen. Je zult mij hier op de plaats moeten doodschieten eer
+ik je verlaat. Die schelm mocht je verlakken: en een blindeman schiet
+ook wel eens raak."
+
+"Als het dan zoo wezen moet, ga dan in 's Hemels naam met mij:
+doch onder één voorwaarde: vinden wij mijn partij alleen, dan ga je
+terstond weder terug."
+
+"Dat 's afgesproken!" riep Bouke verheugd: "en nu er maar op los
+gegaan. Ik zal mij wel luikes houden: die een schurk wil vaên, daar
+moet er een achter de deur staan."
+
+Stilzwijgend trad nu onze held, gevolgd van zijn ouden en getrouwen
+vriend, het achterpoortje uit en begaf hij zich den weg op naar den
+Rijnkant. Na verloop van eenige minuten waren zij aan het Lischboschje
+gekomen, zijnde de plaats, waar onze lezers zich herinneren, dat Joan
+zijn partij bescheiden had. Dit boschje bestond uit een paar morgen
+gronds met elzen en wilgen beplant, en die, 's winters meestal onder
+water staande, met lisch en biezen waren opgevuld en hierdoor tot
+een geliefkoosd verblijf aan de eenden en watersnippen verstrekten;
+waarom de plek ook in den jachttijd alleen bezocht werd en men er
+in het voorjaar zonder vrees van gestoord te worden een samenkomst
+kon houden. Een laan deelde het boschje in twee gelijke deelen,
+terwijl andere smalle paadjes het in verschillende richtingen
+doorslingerden. Men kwam er langs een pad, breed genoeg om aan een
+ruiter den vrijen toegang te vergunnen. Op dit pad ontdekte Joan
+de nog versche sporen van een paard, hetwelk van den Rijnkant moest
+gekomen zijn.
+
+"Hij moet reeds binnen zijn," zeide Joan tot zijn metgezel: "en
+klaarblijkelijk is hij alleen. Gij kunt dus weder vertrekken."
+
+"Niet voordat ik overtuigd ben, dat er geen twee op het paard gezeten
+hebben," antwoordde Bouke, en het pad opgaande wilde hij in zijn
+drift den Jonker vooruitsnellen.
+
+"Niet alzoo, Bouke!" zeide Joan: "wilt gij volstrekt zien, hoe het
+er mede staat, verberg u dan hier of daar; doch draag zorg, dat men
+u niet zie. Ik wil geen vermoeden bij mijn vijand doen ontstaan,
+dat ik een helper met mij genomen heb."
+
+"Daar staat die lange slungel al aan 't einde van de laan," zeide Bouke
+zachtjes: "ga hem maar te gemoet: ik verschuil mij hier." Dit gezegd
+hebbende, sloop hij tusschen het hakhout, en, een der hem bekende
+slingerpaadjes ingaande, kwam hij weldra niet verre van de plaats,
+waar Joans wederpartij, in een grooten mantel gewikkeld, tegen zijn
+paard stond te leunen. Joan, de rechte laan, welke hij ingeslagen
+was, volgende, naderde den ruiter, groette hem beleefdelijk en wilde
+hem aanspreken, toen deze hem, bij 't afnemen van zijn hoed niet de
+gevulde trekken van Elbert van Botbergen, maar het mager gelaat van
+den Arminiaan Van Dyk deed herkennen.
+
+"Wat heeft dit te beduiden?" vroeg Joan, verbaasd terugtredende:
+"ik dacht hier...."'
+
+"Gij dacht hier den Heer van Botbergen te vinden," zeide de Jezuïet:
+"en het is u leed, dat gij buiten de mogelijkheid gesteld wordt,
+het bloed van uwen naaste te plengen."
+
+"Ik had zeker moeten begrijpen," hervatte Joan: "dat de laffe schurk
+geen moeds genoeg zou bezitten om zijn logens hier met het zwaard
+te komen staande houden; maar ik dacht weinig dat hij een zetsman in
+zijn plaats zou sturen: en althans u niet, die, gelijk ik eergisteren
+meen ontdekt te hebben, tot den geestelijken stand behoort.--Doch,
+waarom u niet? Eerst noemdet gij u een Remonstrant: toen vond ik u
+in gezelschap van Roomsche priesters: nu treedt gij misschien als
+spadassijn op en komt u met mij meten. Is dit laatste het geval,
+zoo ben ik tot uw dienst." Hier opende Joan zijn mantel en haalde
+twee gelijke degens en een koppel pistolen voor den dag.
+
+"Gij misduidt mij, jongeling!" zeide Eugenio, de wapens afwijzende,
+welke hem werden aangeboden, "als geestelijke kom ik hier, om woorden
+van vrede tot u te spreken."
+
+"Woorden van vrede!" herhaalde Joan, met een verachtelijker
+glimlach: "gevoelt de Heer van Botbergen berouw over de mij aangedane
+beleedigingen, zoo laat hij op het slot des Barons komen, en aldaar,
+in tegenwoordigheid van al de edele Heeren, die er gisteren te gast
+waren, zijn logens intrekken en mij verschooning vragen. Ziedaar
+de eenige voorwaarden, waarop ik den ellendigen bloodaard zijn
+welverdiende straf zal laten ontgaan."
+
+"Ik vrees," hernam de zoon van Lojola, "dat de Heer van Botbergen
+moeilijk aan zulke voorstellen zal gehoor verleenen."
+
+"Waarom dan is hij zelf niet gekomen" vroeg Joan: "hij heeft mij nu het
+recht gegeven, door de gansche wereld te gaan verbreiden, dat hij een
+laffe logenaar is, die noch moeds genoeg heeft om zijn woorden staande
+te houden, noch eerlijkheids genoeg, om te bekennen, dat hij schuld
+gehad heeft. Gij hebt nu mijn voorwaarden gehoord. Mijnheer! en wij
+hebben verder niets af te handelen. Ik heb de eer u te groeten." Dit
+zeggende, lichtte hij den hoed af en wilde zich verwijderen.
+
+"Een oogenblik, jongeling!" zeide Eugenio, hem den weg afsnijdende:
+"ons gesprek is nog niet afgeloopen."
+
+"Hebt gij mij niet verstaan?" vroeg Joan, hem met fierheid aanziende.
+
+"Zeer wel," hernam de Pater: "maar gij hebt mij nog niet verstaan. Ik
+heb over zaken van meer gewicht met u te spreken, dan over een
+ellendige dronkenmanskibbelarij."
+
+"Gij schijnt den oorsprong van den twist niet te kennen," zeide Joan,
+terwijl zijn oogen van drift fonkelden, "of gij hadt er een anderen
+naam aan gegeven. Weet gij de schandelijke praatjes, welke die lafbek
+omtrent mij heeft durven houden in tegenwoordigheid van menschen, op
+wier achting ik prijs stel? Weet gij, dat hij met boosaardigen laster
+mijn goeden naam, het eenigst dat ik op aarde het mijne kan noemen,
+heeft aangerand?"
+
+"Ik weet dit alles," zeide Eugenio: "doch ik weet ook, dat de wijze
+zich aan geen zotteklap stoort."
+
+"Ik maak geen aanspraak op den naam van wijze," hernam de jongeling:
+"maar ik ben een man van eer en draag een degen op zijde: dit had
+die lage knaap moeten bedenken, eer hij mij hoonen durfde."
+
+"Ik ben geen _casuïst_," zeide Eugenio: "en verlang dus in geen
+redetwist met u te komen over een punt, dat mij tamelijk onverschillig
+is. Iemand van mijn stand kan moeilijk bepalen, in welke gevallen
+het plichtmatig of slechts geoorloofd is, het staal tegen zijn naaste
+te ontblooten."
+
+"Gij zijt dus een geestelijke?" hernam Joan: "doch tot welke Kerk gij
+behoort is mij nog duister, daar ik u in verschillende betrekkingen
+heb gezien."
+
+"Ik behoor tot de eenige ware Kerk," zeide de Jezuïet.
+
+"Dat zeggen alle geestelijken," hernam Joan: "doch wat u betreft,
+gij komt in tweeledige opzichten voor den dag."
+
+"Gij spot met mij, jongeling! dit heb ik aan u niet verdiend. Dit
+hadde uw vader niet gedaan," zeide Eugenio, met een ernstigen blik.
+
+"Mijn vader!" riep Joan: "Kent gij den Baron van Sonheuvel dan?"
+
+"Wie spreekt van dien moordenaar?" vroeg de Jezuïet, terwijl hij zijn
+stem op eens tot haar vollen omvang verhief, als een woedende stier
+door de neusgaten blies en de groote oogen strak op den jongeling
+gevestigd hield, om den indruk te ontdekken, dien zijn woorden maken
+zouden: "ik spreek van uw vader, uw wezenlijken, natuurlijken vader?"
+
+"Mijn God! kent gij hem?" vroeg Joan, terwijl hij met siddering den
+Jezuïet naderde en diens handen in de zijne drukte.
+
+"Hij was mijn vriend," zeide Eugenio, den jongeling aan zijn boezem
+sluitende.
+
+"Hij was!.... hij is dan niet meer?" vroeg Joan, de armen latende
+vallen.
+
+"In den bloei van zijn roemvol leven, na de edelste en heldhaftigste
+bedrijven verricht te hebben, werd de brave Velasco als een weerloos
+lam op de schendigste wijze vermoord."
+
+"Velasco mijn vader!" riep Joan: "en op een schendige wijze
+vermoord? O! noem mij den moordenaar, en deze hand zal in zijn bloed
+de schande uitwisschen, die mij drukt, dat ik hem zoolang ongestraft
+liet."
+
+"De jager, die den ouden leeuw in zijn kuil heeft omgebracht," hernam
+de Jezuïet, "laat somtijds den leeuwenwelp in 't leven en voedt hem
+op uit zucht naar gewin. De booswicht, die Velasco bij zijn leven
+niet in de oogen durfde zien en hem na zijn dood bespotte, bracht
+den zoon op, die eenmaal des vaders moord hem vergelden zal."
+
+"O God!" riep Joan, de handen wringende; "zegt gij waar? was de Baron
+van Sonheuvel...."
+
+"Uws vaders moordenaar.--Twijfelt gij aan de waarheid mijner woorden,
+er bestaan levende getuigen, die haar kunnen bevestigen."
+
+"Neen!" zeide Joan: "de edele, deugdvolle man, die mij nooit anders
+dan goede lessen gaf, die mij altijd als kind beminde, kan geen moord
+hebben gepleegd! De oorlog maakte hem en mijn vader tot vijanden:
+en de dood van dezen zou door een ongelukkig samentreffen kunnen zijn
+veroorzaakt: doch een moord!.... onmogelijk."
+
+"Lees de geschiedenissen van zijn tijd," zeide Eugenio met koelheid:
+"daar staat het gedrukt, hoe het lijk van Velasco door een
+bloeddorstigen en wraakgierigen overwinnaar mishandeld werd. Doch,
+ik begrijp licht," voegde hij er bij, met een verachtelijken blik,
+"dat de oogen van den minnaar der schoone Ulrica de bloedvlek niet
+kunnen zien, die haars vaders handen bezoedelt."
+
+"Mensch!" riep Joan radeloos uit: "martel mij niet op een zoo
+verschrikkelijke wijze."
+
+"Zoo zijn de dwaze stervelingen altijd," hernam Eugenio: "even
+onmachtig om de tegenheden als om de vreugde te dragen: eerst waart
+gij opgetogen en verrukt van blijdschap, omdat gij het geheim uwer
+geboorte hooptet te leeren kennen; ongelukkig legt de kennis van
+dit geheim u een lastigen plicht op, en dadelijk verwenscht gij hem,
+die de moeite nam, het u te ontvouwen."
+
+"Ik weet niet," zeide Joan, terwijl hij de hevige gemoedsbewegingen,
+welke bij hem oprezen, poogde te onderdrukken, om in een zoo
+verscheurend oogenblik den vreeselijken onbekende met eenige
+bedaardheid te kunnen aanhooren: "ik weet niet wat gij bedoelt,
+noch welken plicht gij mij wilt opleggen."
+
+"Ik leg u geen plicht op," zeide de Jezuïet: "ik heb u reeds gezegd,
+dat ik slecht kan beoordeelen wat uw eer en uw naam, waarvan gij
+den mond zoo vol hebt, van u vorderen: wel is waar, een ander, die
+minder met woorden schermde en wat meer innerlijk gevoel bezat, zou
+de vraag, welke gij mij doet, niet behoeven op te werpen. Gij zelf
+hebt die reeds beantwoord, toen gij een oogenblik geleden den dood
+zwoert aan uws vaders moordenaar. Toen sprak uw hart: toen hoorde ik
+de taal, welke den zoon, den man van eer betaamde. Die kreet was in
+overeenstemming met de laatste woorden uws vaders, wanneer hij, op
+last van den laaghartigen Reede vermoord, in mijn armen nederzeeg,
+het brekend oog op u sloeg en mij met stervende lippen toevoegde:
+voed hem op tot mijn wreker. Het eerste gedeelte van dat bevel kon ik
+verrichten: het laatste: die uiterste wensch van een stervenden vader,
+staat aan u te vervullen: en wee den zoon die aan 's vaders laatsten
+wensch niet wil voldoen."
+
+"Kan ik," vroeg Joan, "mijn zwaard opheffen tegen den man, die mij
+met zijn brood heeft gevoed?"
+
+"Gij stelt het vraagpunt verkeerd," zeide Eugenio: "vraag liever:
+kan ik den man als vijand behandelen, wiens dochter ik liefheb?--dan
+zult gij beter uw wezenlijke meening uitdrukken. Doch ik heb u
+geheel verkeerd beoordeeld, en tot mijn leedwezen; want de bijdragen
+tot menschenkennis, die men op dusdanige wijze vergadert, zijn niet
+van de aangenaamste. Mijn boodschap aan u is verricht, en ik moet u
+verlaten met den wensch, dat gij met een gerust geweten de weldaden
+van uws vaders moordenaar moogt blijven aannemen."
+
+"Een oogenblik!" riep Joan, hem met drift terughoudende: "tegen hem,
+die mij van mijn kindsheid af heeft welgedaan en als vader behandeld,
+mag ik geen onbewezene beschuldigingen aannemen. Welke waarborgen
+geeft gij mij voor de echtheid van uw verhaal?"
+
+"Welke waarborgen?" herhaalde de Jezuïet: "dan, gij hebt gelijk:
+het is in den tegenwoordigen tijd voorzichtig, niemand op zijn
+woord te gelooven, althans geen vreemdeling. Doch, vraag het aan
+den moordenaar zelven, vraag het aan zijn bloeddorstige medehelpers,
+vraag het aan uw oom, den ook in Nederland hooggeachten Don Louis;
+lees het in uw historieschrijvers, die op dit punt ten minste der
+waarheid zijn getrouw gebleven;.... doch ik spreek in den wind: voor
+hem, die liefst niet overtuigd wil wezen, helpen geen bewijsgronden."
+
+"Zóó laat ik u niet gaan," zeide Joan, terwijl hij den Jezuïet
+tegenhield, die zich zocht te verwijderen: "gij zijt mij meerdere
+opheldering schuldig."
+
+"Tot uw dienst," hervatte Eugenio: "doch maak het kort. Mijn tijd is
+kostbaar, en mijn leven is hier niet zeker."
+
+"Ik sta voor uw leven in," zeide Joan haastig: "doch antwoord mij. Gij
+noemdet zooeven mijn oom? Waarom heeft hij mij tot heden geweigerd
+te erkennen?"
+
+"Vraag hem dit zelf," antwoordde de Jezuïet: "hij is in Den Bosch,
+en zal u geenszins weigeren, u zijn gedrag op te helderen."
+
+"Het is dan Don Louis, die u tot mij gezonden heeft?"
+
+"Don Louis weet dat ik u zou opzoeken: doch herinner u hetgeen ik
+u gezegd heb: ik had van uw vader zelven een last bekomen, dien ik
+vervullen moest."
+
+"En waarom draaldet gij hiermede dan zoo lang?"
+
+"Ik ben u omtrent mijn gedrag geen rekenschap verschuldigd," antwoordde
+Eugenio met hoogheid: "en al wilde ik dit, de tijd laat mij zulks
+niet toe."
+
+"Waar kan ik u dan nader spreken? Waar vind ik u weder?"
+
+"In Den Bosch, bij uw oom: vraag hem daar slechts naar Pater
+Eugenio. Vroeger ziet gij mij niet terug. Denk intusschen eens na
+over hetgeen ik u zeide, onderzoek alles en overweeg uw plicht."
+
+Dit zeggende, sloeg de Jezuïet, zijn paard bij den toom leidende,
+de laan in, die hem buiten het boschje voeren moest. Joan bleef,
+als door den donder getroffen, eenige oogenblikken staan. Dan opeens
+rees in zijn ziel een gedachte op, welke hij zelf niet besefte dat
+nu eerst bij hem opkwam. Hij snelde den Jezuïet achterna, en, hem
+bij den arm grijpende, riep hij uit:
+
+"En mijn moeder?"
+
+"In Den Bosch zal aan uw nieuwsgierigheid voldaan worden," antwoordde
+Eugenio, terwijl hij zich losrukte en verder voortstapte. Dan
+nauwelijks was hij buiten het boschje en op den weg gekomen, of
+een stevige vuist greep hem in den nek en deed hem tegen zijn paard
+aantuimelen.
+
+Het was Bouke, die hem op een zoo onvriendelijke wijs begroette. Deze
+had zich, gelijk boven verhaald is, niet ver van de plaats, waar het
+onderhoud voorviel, in 't boschje verscholen. De wind had hem wel
+belet om juist te verstaan alles wat er gezegd werd; doch eenige
+weinige woorden, luider dan de overige gesproken, hadden hem doen
+beseffen, dat er een kwaad opzet tegen zijn Heer gebrouwen werd. En
+dit vermoeden sloeg tot overtuiging over, toen hij, na lang op het
+gelaat van den vreemdeling getuurd, en op het einde der samenspraak
+zich een weinig naderbij begeven te hebben, den Jezuïet van de
+Katholieke Hofstede herkende; want schoon er sinds dien tijd twintig
+en meer jaren verloopen waren, behoorden de gelaatstrekken van Eugenio
+onder diegene, welke men niet licht vergeet, na ze eens aanschouwd te
+hebben. Met ijzing en afschuw zag hij den gevreesden booswicht aan;
+dan nog bleef hij twijfelen; want hij had gezien, hoe zijn Joan, zijn
+vriend en leerling, op den toon der vertrouwelijkheid met den onbekende
+gesproken, ja, hem zelfs de handen gedrukt had. Eindelijk werd zijn
+onzekerheid weggenomen, toen de Pater, bij het afscheid nemen, zijn
+naam noemde, dien naam, welke den braven Bouke zoo verfoeilijk was. Hij
+nam nu het vast besluit, deze reis den booswicht niet, gelijk de vorige
+keeren, te laten ontkomen. Zorgvuldig gleed hij door het kreupelhout
+terug en nam juist het oogenblik waar, dat Eugenio zijn paard wilde
+beklimmen, om voor den dag te springen en hem, gelijk wij gemeld
+hebben, met kracht aan te grijpen. "Ja," riep hij, "loontje komt
+om zijn boontje! Deze reis zult gij mij niet ontsnappen!" Eugenio,
+schoon doorgaans op zijn hoede, en altijd tegen een aanval gewapend,
+was niettemin op zulk een plotselijke aanranding niet bedacht. Hij
+herstelde zich echter spoedig, en daar Bouke, die de armen hem om 't
+lijf hield, hem belette, de hand bij zijn pistolen te brengen, greep
+hij dezen onder de okselen en trachtte hem op te tillen om hem van
+zich af te werpen, terwijl hij hem terzelfder tijd voor struikroover
+uitschold.--Joan, zelf onthutst over hetgeen hij geschieden zag,
+wierp zich tusschen de beide strijders, die met dezelfde woede en
+met schier gelijke krachten worstelden: en het gelukte hem, Bouke
+van zijn weerpartij af te scheuren. Doch de oude dienaar des Barons,
+door deze tusschenkomst nog feller verbitterd, trok zijn mes en zou
+Eugenio een steek hebben toegebracht, had Joan zijn arm niet met
+geweld teruggehouden.
+
+"Zijt ge ijlhoofdig, Bouke?" vroeg de jongeling, "wat is dit voor
+een razende dolheid?"
+
+"Laat mij begaan, Jonker!" brulde Bouke: "dood bloed geen nood doet!"
+
+"Gij ziet, hoe een ontrust geweten ontwaakt," zeide de Jezuïet tegen
+Joan, meteen een pistool voor den dag halende: "deze man heeft mij
+herkend: hij behoorde ook onder de moordenaars."
+
+"Dat mag ik van jou wel zeggen, schurk!" galmde Bouke: "Jonker laat
+mij los: want zoo die schelm los komt, is het land in nood."
+
+"Gij hebt voor mijn veiligheid ingestaan," zeide Eugenio, Joan scherp
+aanziende.
+
+"Dat heb ik," zeide Joan: "doch maak u weg, eer 't te laat is; want,
+bij den hemel! ik zie iemand naderen, die u niet hier moet vinden."
+
+"Ha! daar komt versterking," riep Bouke: "Jonker! bij je ziel! laat
+den schelm niet ontsnappen!--Mijnheer! Mijnheer! kom toch hier!"
+
+"Wat is hier te doen?" vroeg de Baron van Sonheuvel, die, om de dampen
+van den wijn te doen vervliegen, een ochtendwandeling deed en toevallig
+den weg naar het boschje genomen had.
+
+"Wat gebeurt er?" riep hij, met spoed aan komende loopen.
+
+"Een zonderling geval, Mijnheer!" antwoordde Eugenio: "die kerel valt
+mij op 't onverwachtst met een mes op 't lijf, zonder dat ik hem in
+'t minst beleedigd heb: ik geloof dat de vent dronken is."
+
+"Kent UEd. hem niet?" riep Bouke, zich aan Joans handen ontworstelende:
+"het is de Jezuïet van Panne, die toen met UEds. paarden wegliep!"
+
+"Wat Jezuïet? wat Panne?" vroeg Eugenio, met een glimlach: "de vent
+is razend."
+
+"Waarlijk!" zeide de Baron, terwijl hij Eugenio met een scherpen
+blik aanzag en langzamerhand zijn hartsvanger uithaalde: "ik heb dat
+gezicht meer gezien: ja hij is het!"
+
+"Ben ik het?" hernam de Jezuïet: "weg dan met alle vermomming! Ja,
+gij hebt mij nog eenmaal gezien, nadat gij mijn trouwsten vriend
+baldadig hadt vermoord."
+
+Deze woorden overtuigden den Baron, dat de vreemdeling werkelijk de
+medeplichtige van Panne was geweest, daar hij, gelijk onze lezers zich
+misschien zullen herinneren, werkelijk op dien avond een Jezuïet had
+neergeschoten; doch Joan bracht het gezegde van Eugenio in verband
+met hetgeen deze hem het oogenblik te voren had verhaald, en begreep,
+dat het op den moord van Velasco sloeg. Waarschijnlijk had zich de
+Jezuïet ook met dit inzicht van een uitdrukking bediend, die voor
+onderscheiden uitleggingen vatbaar was.
+
+"Welnu schelm!" zeide de Baron: "zoo gij het zelf bekent, geef u
+dan over."
+
+"Dat niet," hernam Eugenio, "zoolang ik hier nog een vriend heb,
+die mij beschermen zal!" Dit zeggende wierp hij een veelbeteekenenden
+blik op Joan.
+
+"Laat hem gaan! laat hem gaan! Heer Baron!" riep Joan, in een hevige
+gemoedsbeweging: "hij was de vriend mijns vaders."
+
+"Joan, ga ter zijde!" riep de Baron: "zult gij met dien moordenaar één
+lijn trekken? Gij weet niet welk een vervloekte booswicht daar staat."
+
+"Wie hij zijn moge," zeide Joan: "ik heb voor zijn veiligheid
+ingestaan."
+
+"Ha! worde ik van mijn voedsterling verraden?" vroeg Reede met
+verwoedheid: "om 't even! geef u over schurk van een Jezuïet!"
+
+Bij het uiten dezer woorden liep hij met drift op Eugenio aan, die,
+achteruittredende, hem de tromp van zijn pistool voorhield. Bouke
+poogde terzelfder tijd den Jezuïet van achteren aan te vatten;
+doch deze had zich reeds achter zijn paard om begeven, was behendig
+opgestegen en poogde nu, den teugel wendende, zijn aanvallers te
+ontrijden, toen hij door een nieuw aangekomen vijand wederhouden
+werd. Deze was niemand anders dan Gheryt Maessen, die met een mandje
+vol kostelijke eieren, door hem tot een dankbaar geschenk voor Freule
+Ulrica bestemd, van den Rijnkant afkwam. Zoodra hij het gevecht van
+verre aanschouwde, zette hij zijn mandje neder, nam, bij gebrek van
+ander wapentuig, een ei in de linkerhand en kwam Eugenio achterop,
+wien hij met de rechtervuist aangreep en van het paard zocht te
+trekken. Deze poging ware hem bijna duur te staan gekomen; want de
+Jezuïet legde reeds het geladen pistool op Maessen aan, toen deze hem
+het ei vlak tegen het voorhoofd wierp, zoodat de struif hem over de
+oogen stroomde. Eugenio, die geen doodwond zou ontzien hebben, was
+door deze zonderlinge ontmoeting een oogenblik onthutst. Hij brandde
+los; doch in den blinde en zonder iemand te deren; terwijl Gheryt,
+van zijn verbaasdheid gebruik makende, hem met een ruk achterover
+en van 't paard haalde, waarop de Baron en Bouke, genaderd zijnde,
+zich van hem trachtten meester te maken, en hem te binden: "want,"
+zeide de Baron: "de schelm moet aan mijn galg en niet door mijn
+degen sterven."--Eugenio was echter even spoedig weder opgestaan
+als hij gevallen was en sloeg zoo geweldig van zich af, dat het aan
+de drie aanvallers onmogelijk ware geweest, zich levend van hem
+te verzekeren, zoo niet eenige boeren, van den Rijnkant komende,
+den Baron de behulpzame hand waren komen bieden. De eerste en wel
+de ijverigste onder deze nieuwe medehelpers was de bij den lezer
+welbekende Teun Wezer, die zich (wij zullen nader zien om welke reden)
+op dat tijdstip in de kroeg aan den overhaal bevond en met de overigen
+op het vallen van het schot en op het hooren van het geschreeuw was
+toegesneld.--Op het zien dier menigte staakte Eugenio allen wederstand
+en gaf zich vrijwillig gevangen, alleen verzoekende, zoodra mogelijk
+op het slot te worden gebracht.
+
+En Joan, hoe had hij gedurende den strijd zich gedragen? Bleek als
+een doode, met de armen los bij het lijf nederhangende, zonder een
+voet te verzetten, had hij het schouwspel aangestaard. Strak en akelig
+stonden zijn oogen; maar duizend ontzettende gedachten bestormden zijn
+ziel. Het was hem nu duidelijk gebleken uit de woorden van den Baron,
+van Bouke, van Eugenio, dat de beide eersten de moordenaars, de laatste
+de vriend van zijn vader geweest waren. Doch aan genen was hij tot nog
+toe alles, aan den laatste niets verschuldigd geweest. Wien moest,
+wien mocht hij bestand bieden, nu zij elkander als woedende tijgers
+aanvielen? Besluiteloos was hij blijven staan, en het was hem een
+gerustheid, toen hij bij den uitslag zag, dat de strijd aan niemand
+het leven gekost had. Toen eerst deed hij een stap voorwaarts, doch
+hernam terstond zijn vorige houding, zoodra hij zag, dat de Baron, na
+aan de zijnen gelast te hebben. Eugenio naar het kasteel te brengen,
+naar hem toetrad met een gelaat, waarop verbazing, gramschap en
+droefheid onderling in strijd schenen.
+
+"Welnu, Joan!" zeide Reede: "uw vriend is geknipt, en niemand heeft
+eenig letsel bekomen. Zult ge mij nu ook gelieven te zeggen, waarom
+gij de partij van dien bloedhond getrokken hebt en ons in den pekel
+hebt laten zitten?"
+
+"Heer Baron!...." zeide Joan sidderende en naar woorden zoekende om
+zijn aandoening uit te drukken; doch in dit oogenblik wierp Eugenio,
+in 't heengaan, een doordringenden blik op hem. "Denk aan uw eed,"
+zeide de Jezuïet, met een helderklinkende stem.
+
+De Baron zag Eugenio en Joan beurtelings aan met oogen, die van
+gramschap fonkelden, en vond in beider houding een nieuw bewijs
+hunner verstandhouding. Hij was naar Joan toegetreden met het oogmerk
+om vertrouwelijk met hem te spreken en de oorzaak zijner vreemde
+handelwijze op te sporen. Thans echter nam de toorn in zijn ziel de
+overhand boven de vriendschap, die hij voor zijn pleegzoon gevoelde,
+en met den gestrengen toon eens rechters gelastte hij dezen, hem op
+het kasteel te volgen.
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ Om in dien schijn te gaen
+ Zijn vyanden bespiên, en letten hoe men 't maakte.
+
+ _Vondel_, Gysbrecht van Aemstel.
+
+
+Ulrica zat in een der bovenkamers van het slot, en was bezig om
+aan de oude Geertrui, die, half blind en half lam geworden zijnde,
+zelden de trappen afkwam, een hoofdstuk uit den Bijbel voor te lezen,
+een taak, welke die goede vrouw in vroeger dagen voor haar Freule
+verricht had en welke deze thans met evenveel bereidwilligheid
+voor haar vervulde. Achter Ulrica was Magdalena gezeten, en hield,
+schijnbaar aandachtig, de handen onder het voorschoot te zamen
+gevouwen; doch haar vingeren doorliepen ongemerkt de korrelen van
+een bedesnoer en haar lippen prevelden onhoorbare gebeden. Geertrui
+zat met gevouwen handen over haar meesteres, met het hoofd een weinig
+op zijde gedraaid, om beter te kunnen hooren: nu en dan toonde zij,
+bij dezen of genen tekst, dien zij op het huisgezin toepasselijk
+oordeelde, haar welgevallen door een hoofdknik, en somtijds zelfs
+maakte zij binnensmonds een noot of aanmerking op het gelezene.
+
+Dan, eer de morgenoefening was afgeloopen, werd de aandacht der
+Jonkvrouw van haar lezing afgetrokken door een ongewoon en verward
+gedruisch, dat zich van den grooten weg liet hooren. Ulrica sloeg
+haar oogen naar het venster, en zag een menigte lieden in een dichten
+drom van den Rijnkant komen, waaronder zij al spoedig haar vader
+herkende. Verwonderd over dezen ongewonen toeloop, zoo vroeg in den
+morgen, gelastte zij Magdalena, naar de oorzaak te vernemen, en deze,
+haar bereidwilligheid met een stijven knik te kennen gevende, verliet
+het vertrek.
+
+"Kijk mij zoo een malle prinses eens aan," zeide Geertrui: "knikt ze
+je niet toe, alsof zij de Freule en UEd. de kamenier was. Die madam
+heeft ook vast reis gedroomd, dat zij heel wat was."
+
+"Zij is niet voor dienstbaarheid geboren," antwoordde Ulrica: "en
+mij dunkt Geert! dat, als ik geduld met haar heb, gij u niet over
+haar behoeft te beklagen."
+
+"Geduld! geduld! ja, dat is goed en wel," zeide Geert: "maar UEd. moet
+denken, tegen UEd. toont zij haar heerschzuchtigen aard maar half. Je
+moest eens zien hoe zij met de booien spreekt: altijd uit de hoogte:
+als UEd. dat nog deedt, UEd. is de meesteres; maar zoo een madam,
+die hier zoo kaal als een neet gekomen is en die nu de bazin wil
+spelen en met elk den spot drijven en voor elk den neus opsteken,
+tot voor Dominee toe, wanneer hij hier komt."
+
+"Nu, nu Geert!" viel haar Ulrica in de rede: "gij zijt ook niet altijd
+even goede vrienden met Dominee. Ik heb u ook wel eens met hem hooren
+twisten; en, wat betreft den toon, dien zij aanneemt, het heugt mij
+wel, dat in vroegere dagen de dienstboden even bang waren voor u,
+als thans voor haar."
+
+"Dat's waar," zeide Geert: "ik hield mijn fatsoen onder 't volk;
+maar hoe lang had ik ook het huis gekend en bestierd; en dan Mevrouw
+zaliger, die vertrouwde mij alles, en die wist ook wel, wat zij
+deed, maar zoo een malle Leen: want zoo heeten haar de booien in
+de wandeling...."
+
+"Geert!" zeide Ulrica: "ik hou niet van die bijnamen. Ik weet,
+zoogoed als iemand, dat Magdalena, voor een dienstmaagd, wel eens
+wat veel spreekt; maar ik herhaal het, zij is niet voor dien staat
+opgeleid, en haar opvoeding maakt het gezelschap van boerenknapen,
+zooals hier op het slot komen, ongeschikt voor haar."
+
+"Dan moest zij er zich in schikken," hernam Geertrui, zich ontevreden
+op haar stoel nederzettende: "maar als UEd. _per fors_ gelijk wil
+hebben, dan zal ik zwijgen, gelijk mij betaamt: schoon ik geloof, dat
+Mevrouw zaliger er anders over zou gedacht hebben. Nu! ik hoop maar,
+dat zij nooit erger kwaad zal doen: indien het slechts niet waar is,
+hetgeen Roelof Teeuwiszoon vertelt, dat hij haar laatst een kruis op
+de knie heeft zien maken, en dat zij een ivoren afgoodje onder haar
+bed verborgen heeft."
+
+Ulrica was op het punt van een heftig antwoord op deze beschuldiging
+te geven; doch zij bedwong zich, daar zij de koppigheid van haar oude
+Baker kende, en begreep, aan haar hooge jaren inschikkelijkheid te
+moeten betoonen. Zij wendde dus het gesprek af en vroeg aan Geertrui,
+of zij den Jonker al sedert zijn terugkomst gezien had.
+
+"Onzen besten Jonker Joan!" herhaalde Geertrui, terwijl zich over
+haar gelaat eensklaps een ongewone opgeruimdheid verspreidde: "och
+neen! gisteren had hij het zeker te druk met u allen, om aan de oude
+Geert te denken."
+
+"Dit heeft hij toch gedaan," hernam Ulrica: "hij heeft naar u gevraagd;
+doch, zooals gij wel zegt, de drukten van het huis zullen hem belet
+hebben u te gaan omhelzen."
+
+"Die goede jongen!" zeide Geert: "heeft hij waarlijk naar mij
+gevraagd? nu, ik hoop straks mijn schade in te halen. Hij was een
+knappe Jonker, toen hij nu voor drie jaren.... laat eens zien, was het
+drie jaren.... ja, met Pinkster is het drie jaren geweest.... toen
+hij naar het veld trok, meen ik. En hij zal er nu wel op gebeterd
+zijn; kijk! dat Mevrouw zaliger hem nog eens zien kon!.... en u ook,
+Freule Ulrica!--Als ik nog denk, toen ik met u in de bakermat zat
+en toen Mijnheer met hem binnenkwam; of neen.... Bouke kwam met
+hem binnen.... ja wat ik toen niet al dacht!.... niet veel goeds,
+Freule! God vergeve het mij! maar ik bezondigde mij en beoordeelde
+Mijnheer al vrij lichtvaardig.... nu, het verheugt mij toch, dat de
+Jonker de oude Geert nog niet vergeten heeft.--Wat verlang ik hem
+weder te zien!.... Doch vindt gij niet, Freule! dat Magdaleentje
+lang uitblijft!"
+
+"Mij dunkt, ik hoor haar komen," zeide Ulrica: "mijn hemel! wat is
+er gebeurd?"
+
+Deze laatste vraag was tot Magdalena gericht, die juist binnentrad,
+met een gezicht, nog strakker en zwaarmoediger dan naar gewoonte.
+
+"Is er een ongeluk voorgevallen, dat gij zoo donker kijkt?" vervolgde
+Ulrica.
+
+"Alsof zij ooit vriendelijk uit haar oogen zag," mompelde Geertrui.
+
+"Er is geen ongeluk voorgevallen, Freule!" zeide Magdalena:
+"doch er heeft een soort van schermutseling plaats gehad bij het
+Lischboschje, met een verkleeden monnik, of zoo iemand, dien zij
+gevangen medebrengen."
+
+"Een schermutseling!" riep Ulrica: "er is toch niemand gewond?"
+
+"Daar heb ik niets van gehoord," antwoordde Magdalena.
+
+"Mij dunkt," merkte Geert aan, "dat je ook het fijne van de mis niet
+weet. Bouke zou zeggen: zend de poes naar Rome, zij zegt _miaauw_
+als ze weeromkomt.... nu, ik hoop, dat zij dien monnik gauw zullen
+ophangen."
+
+"Ja, als uw oude oogen nog zoo iets mochten zien," hernam de kamenier
+met bitterheid, hoogst ontsticht over de spreekwijze van Geertrui,
+welke een vernis van spotternij spreidde over voorwerpen van haar
+vereering. "Wat zou Heer Godard van Reede zeggen, indien hij u hoorde
+spreken?"
+
+"Heer Godard!" riep Geert, van verbazing de handen ineenslaande.
+
+"Kent gij mijn oom?" vroeg Ulrica verwonderd.
+
+"'t Is al één rommelzoo, net zooals ik wel vermoedde," zeide Geert:
+"lieve Hemel! wat zou Mevrouw zaliger...." hier werd het geluid van
+haar stem onverstaanbaar, doch zij bleef in haar zelve voortpraten.
+
+"Er heeft nog een zonderlinge omstandigheid bij dat gevecht plaats
+gehad," vervolgde Magdalena: "men zegt dat de Jonker van Craeihorst
+de partij van dien Monnik genomen heeft tegen den Heer Baron."
+
+"Magdalena! deze aardigheden gaan te ver!" riep Ulrica, met een
+ontroerde stem.
+
+"Wat zeg je? Ben ik doof of versta ik verkeerd?" vroeg Geert, terwijl
+zij met moeite opstond en naar de kamenier toeschoof: "wat durf je
+van Jonker Joan vertellen?"
+
+"Ik herhaal wat ik gehoord heb," antwoordde Magdalena, de schouders
+ophalende: "ik kan het niet helpen, indien de berichten. welke ik
+breng, u niet bevallen. Misschien ook is er geen woord waar aan: ik
+heb uit het gereutel dier domme boeren niet half wijs kunnen worden."
+
+"Ja, je zijt maar al te wijs," zeide Geert; "maar zulke praatjes!"
+
+"Geert heeft gelijk," zeide Ulrica: "men moet zonder goede waarborgen
+geen uitstrooisels van dien aard vertellen."
+
+"UEd. zal spoedig de gansche toedracht der zaak vernemen!" hernam
+de kamenier.
+
+"Ja, ik wil haar vernemen en dadelijk," riep Ulrica, en snelde naar
+beneden.
+
+"En ik ook, ik wil weten hoe de vork in den steel zit," zeide Geert,
+terwijl zij strompelende den vluggen tred van haar meesteres navolgde;
+"lieve Hemel! had ik ooit gedacht, dat ik na den dood van Mevrouw
+zaliger nog zoo iets beleven zoude?"
+
+Op het binnenplein gekomen, vond Ulrica alles in opschudding. De
+eerste, dien zij onder de aanwezigen herkende, was Gheryt Maessen, die
+den Jezuïet bij den arm vasthield. "Zoo gaôt het, Freule!" zeide hij:
+"ik dacht oe een ben goede eieren met te brengen, en daôr breng ik
+oe een gevangen man met. De eieren staôn nog op den weg: die zol de
+kat opvretten."
+
+Huiverend wendde Ulrica bij deze toespraak een zijdelingschen blik
+op Eugenio; deze groette haar beleefd: "het spijt mij, schoone
+Freule!"' zeide hij: "dat de Jonker van Craeihorst om mijnentwille
+misschien in ongelegenheid zal komen."
+
+"Om uwentwille?" herhaalde Ulrica, verbleekende: zij zag rond, en
+nu eerst ontdekte zij Joan, die, van de menigte afgezonderd, met het
+hoofd in de hand, tegen een staldeur leunde, de oogen nedergeslagen
+houdende, en bleek als een doode.
+
+"Joan!" riep zij, angstig naar hem toesnellende: "Joan! wat hebt gij
+gedaan? wat verhaalt men van u? Is het waar, dat....?"
+
+"Wat doet gij hier?" zeide de Baron, naar haar toetredende, en haar
+eenigszins onzacht terugtrekkende: "ga naar uw kamer: hier althans
+hebt ge niets noodig."
+
+"O God! het is dan waar?" zeide Ulrica, sidderend: en haar
+aangezicht met de handen bedekkende, trad zij snikkend terug. Aan
+de trap ontmoette zij Geertrui, welke zij dringend verzocht, naar
+de ware toedracht der zaak te vernemen en haar het gehoorde te komen
+mededeelen.
+
+"En gij," vervolgde de Baron tegen Joan: "begeef u naar uw vertrek,
+en wacht daar, tot ik u laat roepen."--Joan gehoorzaamde. "Welnu,
+Bouke, hebt gij den Schout laten ontbieden?"
+
+"Ik ben er zelf geweest," zeide Bouke: "Zijn edele zal dadelijk
+hier zijn."
+
+"Goed," hernam Reede: "er moet terstond iemand te paard naar Tiel
+gaan om den Ambtman van alles bericht te geven:--breng den Jezuïet
+in den kelder rechts af, en laten al de brave lieden, die het hunne
+hebben gedaan om hem te krijgen, bij mij in de benedenzaal komen:
+laat Roelof mij daar wat papier en pennen brengen."
+
+De bevelen van den Baron werden opgevolgd. Hij plaatste zich in
+de benedenzaal en wachtte in zijn groote leunstoel de boeren af,
+die één voor één verschenen, en wier namen hij opschreef, opdat
+zij als getuigen in rechten zouden kunnen strekken, terwijl hij
+een goede belooning aan elk hunner beloofde voor de aan hem bewezen
+goede diensten.
+
+Eindelijk kwam de beurt aan Gheryt Maessen, die, ofschoon hij van
+Ulrica verscheidene gunstbewijzen ontvangen had, den Baron slechts
+bij name bekend was. Daar hij de eerste was geweest, die door zijn
+tijdige komst, de gevangenneming van Eugenio bewerkt had, bewees hem
+de Baron nog meer vriendelijkheid dan aan de anderen.
+
+"Gij hebt u als een kerel geweerd," zeide Reede, "en als de schelm
+hangt, zult ge een mooien kermisduit van mij hebben."
+
+"Dat hoeft niet," zeide Gheryt; "maôr als oe Genade mij een dienst
+wilde bewijzen, dan had ik gaôrne dat oe een woordeke aôn den Heer
+Ambtman zeide, dat ik den hofbeer bezorgen mocht, die naôr Den Haôg
+moet gaôn. Ik heb er aôn de Freule al van esproken."
+
+"Wij zullen zien," zeide de Baron: "de Heer Ambtman komt hier, dan
+kunt gij zelf uw verzoek doen. Verlangt gij Den Haag te zien?"
+
+"Mijn vrouws vaôder woont er, bij de Gravin van Falckestein."
+
+Deze naam deed een tooverachtige uitwerking op den Baron en helderde
+zijn wezen nog meer op: "Wij zullen zien," herhaalde hij, zich
+de handen wrijvende: "en als gij bij uw schoonvader komt, kunt
+gij hem vertellen, dat wij den schoelje gehangen hebben, die zijn
+vorigen meester eens zoo leelijk de kool gestoofd heeft.--Nu, goeden
+morgen! gij kunt gaan; maar hou u in de buurt, hoor! Is er nog iemand?"
+
+"Ja," antwoordde Bouke: "daar is nog een stuk van een neef van mij:
+maar ik zag hem liever de ribben smeren dan een belooning krijgen:
+'t is een van die klanten, die denken: ontgaat u de wal, hou u aan
+'t vlotgras. Ik heb een olden hekel aan hem, en op old ijs vriest
+het licht. Ware ik niet in Hongarije geweest met den Jonker, hij had
+Klaartje-nicht nooit getrouwd."
+
+"Om 't even, " zeide de Baron: "laat hem binnenkomen."
+
+Bouke opende deur, en liet, half tegen zijn zin, Teun Wezer in.
+
+"Aha!" zeide Reede, zoodra zij alleen waren: "gij hebt u best gekweten,
+kameraad!"
+
+"Dat verheugt mij, dat UEd. die getuigenis van mij geeft," antwoordde
+Teun, met een grappige buiging: "voor tien a twaalf jaren zoude
+UEd. zoo iets niet gezegd hebben."
+
+"Wel mogelijk," hernam de Baron: "nu, een goed man, die zich
+betert. Gij zult getuigenis moeten afleggen: daarom moet ik uw naam
+en woonplaats opschrijven."
+
+"Niemand zal beter daartoe in staat zijn, dan ik," zeide Teun: "die Van
+Dyk is met mij tot aan den Rijn gekomen. Ik heb hem den weg gewezen."
+
+"Van Dyk? zoo! heet de schurk Van Dyk? Nu, het zal hem om een naam
+meer of minder niet te doen zijn--En hebt gij hem den weg gewezen? Dan
+zal uw getuigenis zeker nogal belangrijk zijn. Dan ware het misschien
+beter dat gij hier bleeft, tot de Schout kwam."
+
+"Ik ben veerman te Tiel, Heer baron!"
+
+"Ja, dat is wel mogelijk; maar als gij dien vent den weg gewezen hebt
+hier naar toe, kunt gij ook blijven om te zien waar hij verder naar toe
+zal gaan. Wacht dus maar in de keuken, tot ik u roepen laat.--Bouke!"
+
+Bouke verscheen en de Baron gelastte hem, al de boeren wel te
+onthalen en goede wacht voor de gevangenis van den Jezuïet te laten
+houden. Inmiddels maakte Teun Wezer een buiging, nam zijn afscheid
+en vertrok. Aan het einde van het voorportaal voelde hij zich op
+den schouder tikken, en zich omkeerende, zag hij Magdalena voor zich
+staan, die hem in een zijvertrek riep, waarvan zij terstond de deur
+met behoedzaamheid achter zich sloot.
+
+"Vlegel!" zeide zij, hem verstoord aanziende: "waarom hebt ge niet
+beter opgepast en den eerwaarden Pater tegen die ketters bijgestaan?"
+
+"Gehoorzame dienaar, Mevrouw!" zeide Teun: "ik dank oe hartelijk. De
+Pater was al geknipt, eer ik er bijkwam: waarom is hij zoo gek geweest,
+den wolf in den bek te loopen. Ik heb hem helpen binden en met voeren,
+om door dien weg een oog in 't zeil te houden, 't gunt mij zoo wel
+elukt is, dat de Baron mij elast heeft, hier te blijven."
+
+"'t Is wel," hernam Magdalena, "en oordeelt gij u zelven behendig
+genoeg, om den Pater uit den benauwden toestand te redden, waar hij
+in gebleven is?"
+
+"Hm! hm!" zeide Wezer, "met oe hulp en die van een paôr knaôpen hier
+dicht bij, die niets beters verlangen, dan een goed handgeld te
+verdienen.... maôr er moet niets van kunnen oetlekken, dat ik met
+eholpen heb. Ik ben landsambtenaar en heb geen zin om voor _lezum
+majestatum_ op'eknoopt te worden."
+
+"Gek!" zeide Magdalena, hem verachtelijk aanziende: "alsof er
+iets aan een ellendig leven, als het uwe, verbeurd ware;--doch, om
+'t even! hier!" vervolgde zij, hem een beursje ter hand stellende:
+"hier is de zenuw van den aanslag: deel uit en beschik wat gij wilt:
+doch wees spaarzaam en voorzichtig."
+
+"Ze zullen de helft er niet van hebben, dat beloof ik oe!" zeide Teun,
+het geld op de vlakke hand wegende: "oe is bylo milder dan de Ambtman
+zelf. Doch wat moet verder edaôn worden?"
+
+"Laten uw makkers dezen nacht te een uur een wagen of een paard aan
+de achtertuinpoort klaarhouden. Ik zal voor de rest zorgen. Tegen
+twaalf uren wacht ik u boven aan de zoldertrap. Maak nu zooveel haast
+als ge kunt, en zorg dat ge uw kameraden opschommelt. Doch!... wee u,
+zoo gij ons verraadt!"
+
+"Papperlepap!" zeide Teun: "zoo eindigen zij allemaôl, en het zou
+eigenlijk niet meer dan billijk wezen, dat hij, die zijn leven slijt
+met anderen te bedriegen, ook eens zijn loon wegkreeg. Doch, zooals oe
+weet, voor geld en kwaie woorden ben ik altijd te vinden. Hadie dan
+mevrouw! tot van nacht.--Dat jaloersche vel, mijn wijf," vervolgde
+hij bij zichzelven onder 't weggaan, "zou juist van deuze afspraak
+niet geërgerd worden."
+
+Laat ons nu terugkeeren tot Joan, die, op last van den Baron, zich naar
+zijn kamer begeven had. Geen bevel had hem in deze tijdsomstandigheid
+meer welkom kunnen zijn; want niets scheen hem noodzakelijker, dan in
+de eenzaamheid over het gebeurde van den dag en den weg, dien hij moest
+inslaan, na te denken. Wij zullen echter geen poging aanwenden, om de
+onderscheidene overdenkingen na te gaan, die zijn geest beurtelings
+vermoeiden, noch de verschillende besluiten op te noemen, welke
+daarvan de gevolgen waren, en bijna even spoedig verworpen als
+gevormd werden. Hij, die het voorgaande met eenige oplettendheid
+heeft nagegaan, zal klaar kunnen beseffen, hoe zonderling hij te
+moede was. Dan, bij al de akelige denkbeelden, welke de voorvallen en
+mededeelingen van deze en de vorige dagen in hem hadden doen ontstaan,
+was er toch een, dat hem welkom en streelend was als de zonnegloed,
+die in den kerker des gevangenen nederdaalt en hem in 't midden van
+zijn lijden een flauwe verkwikking komt aanbieden. De onbekende, die
+zich de vriend zijns vaders genoemd had, had hem wel geen stellige,
+maar toch ook geen geheel verwerpelijke hoop gegeven, dat zijn moeder
+nog leefde, en dat hij die wellicht in Den Bosch zou kunnen vinden:
+en het hart des jongelings, hoe gefolterd ook en benepen, ontsloot
+zich voor deze zoete verwachting. Hij bevond zich in den toestand
+van een reiziger, die, bij nacht op een eenzame heide verdwaald,
+zich van moerassen en kloven omringd vindt en onbewust is, welken
+weg hij zal kiezen, daar alle paden hem even moeilijk en gevaarlijk
+voorkomen, totdat hij de oogen slaat op het schemerend lichtje, dat
+hij in de verte ziet gloren, en waarheen hij, onbewust nog of die
+flauwe glans een waarheid, dan een ijdele luchtverheveling zal zijn,
+de schreden eindelijk wendt. Nadat hij gedurende een paar uren in
+gedurige gemoedsbeweging de kamer had op en neder geloopen, zag hij
+zijn deur opengaan, en de oude Geertrui, zich met moeite op haar
+krukje voortwerkende, trad de kamer in.
+
+"Wel mijn beste Geertrui!" zeide Joan, terwijl hij zich haastte
+haar zijn arm aan te bieden, en haar naar een stoel te geleiden,
+waarna hij haar met hartelijkheid kuste: "dat is recht hupsch van u,
+dat gij mij thans komt bezoeken. Hoe gaat het u op den ouden dag?"
+
+"Op mijn ouden dag, ja dat moogt gij wel zeggen Jonker!--'t Is nu
+met Pinkster vijf en twintig jaren geweest, dat Mevrouw zaliger
+overleden is, en toen was ik twee en vijftig jaren: dus 't is geen
+wonder, dat de gebreken komen!--Maar Jonker! Jonker! wat ben je
+een kerel geworden! Zoo waar ik leef, ik zou je bijna niet herkend
+hebben;.... maar laat ik eens uitblazen; want al dat trappen klimmen
+lijkt mij niet meer, en ik ben doodaf." Hier zweeg zij en zat eenige
+oogenblikken te hijgen, terwijl zij Joan van top tot teen beschouwde.
+
+"Waarlijk, beste, Geert!" zeide Joan, haar vriendelijk de hand
+drukkende, "ik weet bijna niemand, wiens bezoek mij op dit oogenblik
+aangenamer zou kunnen zijn dan het uwe."
+
+De trekken der oude dienstmaagd namen op het hooren van dit gezegde
+een min vroolijke uitdrukking aan. "Ja!" zeide zij: "dat geloof ik wel,
+want als de Baron hier kwam, die zou je minder vriendelijk aankijken,
+dan ik gedaan heb: hij is dan _miserabel_ boos op je, en Bouke ook,
+dat beloof ik je. Je hebt het dan leelijk bij hen verkorven. Maar,
+Jonker! waar waren toch je zinnen, om dien stinkenden monnik tegen
+je pleegvader, die je van kind af heeft opgebracht, te gaan bijstaan?"
+
+"Ik heb hem niet bijgestaan: ik heb slechts een gevecht willen
+voorkomen, dat voor mij niet dan noodlottig kon uitvallen."
+
+"Noodlottig!" herhaalde Geert, hem verbaasd aanziende: "wat kon u
+toch dien leelijken Jezuïet schelen?"
+
+Joan zweeg eenige oogenblikken, en liep de kamer op en neder;
+vervolgens kwam hij weder bij Geertrui terug en zeide: "die Jezuïet
+was de vriend mijns vaders, en door zijn hulp kan ik mijn moeder
+misschien terugvinden."
+
+"Je vader! je moeder!--Och, denk je nog om die Spanjoolsche ouders,
+die je verzaakt en vergeten hebben. Is de Baron u niet altijd meer
+dan een vader geweest, en was Mevrouw zaliger, in den korten tijd dat
+het mensch u nog bij haar heeft gehad, niet een trouwe moeder voor u?"
+
+Joan streek zich de hand over 't voorhoofd, als wilde hij de treurige
+gedachten verdrijven, welke de aanmerking der oude dienstmaagd
+bij hem deed ontstaan. Hij begreep, dat het moeilijk zoude zijn,
+haar te doen gevoelen, dat dankbaarheid aan den Baron de liefde,
+die hij zijn wezenlijken ouders verschuldigd was, niet behoefde uit
+te sluiten. Hij vergenoegde zich dus met te zeggen: "Denkt gij dan
+niet goede Geert! dat die moeder verlangt haar zoon terug te zien,
+van wien zij zoolang gescheiden is?"
+
+"Dat geloof ik," zeide Geert: "en zoo een knappen zoon! Maar wie weet,
+wat voor een vrouwmensch het is," voegde zij er bij met een gelaat,
+dat haren afkeer toonde van al wat tot de Spaanschen betrekking had.
+
+"Geert!" zeide Joan, wrevelig: "gij komt mij uit vriendschap
+bezoeken!"....
+
+"Dat doe ik," hernam zij, eenigszins berouw gevoelende over hare
+overijlde woorden: "en ik meende het ook zoo kwaad niet. Maar nu,
+die Spanjoolsche daargelaten, ik bid je, maak toch, dat je weer bij
+Mijnheer in genade wordt aangenomen; want waarlijk, het loopt anders
+slecht met je af. Ik geloof niet aan al die praatjes, die over u gaan,
+en Freule Ulrica ook niet, meen ik...."
+
+"Ulrica's hart rechtvaardigt mij," zeide Joan, terwijl zijn
+oogen fonkelden en hij met drift de hand van Geertrui greep. "Dan
+ach!" vervolgde hij, de armen weder latende vallen, op een somberen
+toon: "wat is de meening van Ulrica voortaan voor mij?"
+
+"Zeg dat niet, Jonker! Wij zullen, Ulrica en ik, den Baron zoo lang
+bidden en smeeken, dat hij de geheele zaak maar blauw blauw laat."
+
+Joan zweeg eenige oogenblikken. "Geert!" zeide hij eindelijk: "gij
+kunt mij misschien een dienst bewijzen.--Waar zit de gevangene?"
+
+"In het oude turfhok, beneden, weet gij?"
+
+"En zoude er geen mogelijkheid wezen, dat ik hem een oogenblik sprak?"
+
+"Heer beware ons! wel Jonker! Jonker! hoe kunt ge zulke dingen in je
+hoofd halen? Den gevangene spreken? Ja! de Baron zou je zien komen...."
+
+"Geert! ik bid u, en smeek u! doe uw best en maak dat ik den gevangene
+spreke!"
+
+"Zet dat uit het hoofd, Jonker! Er staan schildwachten voor de deur
+van het hok met vuurroers op schouder, en Bouke heeft, hoor ik,
+last gekregen van Mijnheer, om niemand bij den schelm toe te laten,
+'t geen ook niet gemakkelijk gaan zou, al wilde hij, want Mijnheer
+heeft den sleutel in den zak."
+
+"In 's Hemels naam," zeide Joan, met een diepen zucht: "dan zal ik
+moeten wachten tot ik mijn vad.... tot ik den Heer Baron zelf spreke."
+
+"Nu!" zeide Geert: "ik durf niet langer hier blijven: ik heb hier
+al lang genoeg mijn tijd verpraat. Kijk!" vervolgde zij, terwijl zij
+opstond en zich langzaam naar de deur begaf: "als ik in den tijd van
+Mevrouw zaliger zoo lang.... maar wacht, daar vergeet ik nog iets:
+onze Freule, dat lieve kind! heeft mij dit kleine briefje medegegeven,
+om u ter hand te stellen: ei zie! daar had ik haast niet om gedacht!"
+
+"Ulrica!" riep Joan verrast, de hand uitstekende. "Geef toch
+Geert! geef toch!"
+
+"Ja! ja! mijn memorie wordt ook slecht! dat zou er mooi uitgezien
+hebben, als ik bij de Freule weerom gekomen was, zonder mijn boodschap
+gedaan te hebben!"
+
+"Geef!" herhaalde Joan, haastig haar het briefje uit de hand trekkende
+en het openbrekende. Met gretige oogen verslond hij het geschrift,
+'t welk luidde als volgt:
+
+"Het is mij verboden een woord met u te wisselen. Men beschuldigt u
+een aanslag tegen het leven van uw weldoener te hebben gesmeed. Wat
+mij betreft, ik kan noch wil dit gelooven; doch verdedig u, leg
+uw onschuld aan den dag en laten geen onteerende vermoedens op u
+rusten. Wees bedaard en kalm, geef geen gehoor aan ontijdige drift:
+want denk dat indien mijn _broeder_ (dit woord was tweewerf onderhaald)
+door den toorn mijns vaders op te wekken, zich buiten staat stelde hem
+van zijn onschuld te overtuigen, hij de innigste smart zou veroorzaken
+aan zijn zuster en vriendin.
+
+U."
+
+Tot in de ziel getroffen over dit sprekend bewijs, dat zij althans,
+op wier achting hij meer prijs stelde dan op de meening der gansche
+wereld, hem niet alleen voor onschuldig hield aan het misdrijf dat
+hem te laste gelegd werd, maar hem ook in zijn ongeluk haar teedere
+belangstelling betoonde, riep hij uit, terwijl hij het briefje tegen
+zijn hart drukte: "goede, edele ziel! dit is de tweede reis, dat ik op
+last van uw vader gevangen zit, en de tweede reis, dat gij mij in mijn
+droeve omstandigheden zoekt op te beuren. Dan, toen lachte alles mij
+toe, en thans.... o! 't ware beter dat ik nooit geboren geweest ware."
+
+"Foei!" zeide Geert: "dat zeide onze Heer van den boozen Judas;
+maar zulk een aarstverrader hoop ik, dat gij niet geworden zijt!"
+
+"Dat hoop ik ook niet," riep Bouke, die op dit oogenblik met een mand
+met eten de kamer binnenkwam; "maar wat doe jij hier, Geert? Als
+Mijnheer het hoort, dan stuurt hij je nog op je ouwen dag op
+marsch." Dit zeggende, schoof hij de goede oude dienstmaagd de deur
+uit, terwijl zij al zuchtend onder 't weggaan zich beklaagde, dat
+haar in den tijd van Mevrouw zaliger nooit iets dergelijks gebeurd was.
+
+"Hoe!" zeide Joan met sombere blikken tegen Bouke, die zich, zoodra
+Geertrui vertrokken was, haastte zijn mand uit te pakken en het
+middagmaal op tafel te zetten: "zijn de bevelen zoo streng? zit ik
+hier buiten toegang?"
+
+Bouke zette zwijgend zijn bezigheid voort: doch de zware zuchten, welke
+zijn borst slaakte, en de krachtige vloeken, welke hij binnensmonds
+bromde, toonden hoeveel het hem kostte, dat hij aan zijn ouden vriend
+geen antwoord geven kon.
+
+"Bouke!" hernam Joan, terwijl een traan langs zijn wangen rolde:
+"is uw oude vriend u geen antwoord meer waardig?"
+
+"Voor den duivel!" zeide Bouke, zich niet langer kunnende bedwingen;
+"dat je ook met dien satanschen Jezuïet moest komplotteeren!"
+
+"Ik heb niet met hem gekomplotteerd! zeide Joan: "_wie_ was de vriend
+mijns vaders, en...."
+
+"De vriend des duivels, en.... doch ik kan nu niet met je spreken;
+mijn gemoed is vol." Dit zeggende, keerde Bouke zich om en liep de
+kamer uit, terwijl hij de deur met drift achter zich toesloeg.
+
+Joan bleef lang met donkere blikken als op den grond genageld staan,
+en wierp zich eindelijk zuchtend op een stoel. Men begrijpt lichtelijk,
+dat hij in de tegenwoordige oogenblikken weinig eetlust had; echter
+plaatste hij zich aan tafel en poogde eenige mondvollen door te
+krijgen; dan ras wierp hij mes en lepel weder van zich, stond op en
+ging als te voren de kamer in haar geheele lengte op en neder wandelen;
+vervolgens bleef hij weder bij den etensbak staan, nam de bierkan
+op en dronk of liever zwolg die in eenige teugen geheel uit, waarna
+hij zijn marsch weder aannam. Eindelijk haalde hij het briefje van
+Ulrica, dat hij bij Boukes komst verborgen had, weder voor den dag,
+las en herlas het, scheurde bij mangel aan schrijfgereedschappen een
+blaadje uit zijn zakboek en wilde met potlood een antwoord aan Ulrica
+gaan schrijven, toen de deur zich opnieuw opende en iemand binnenliet,
+die hem in deze oogenblikken boven allen welkom wezen moest, namelijk
+den Predikant Raesfelt. Deze was in het geval en te zijnen opzichte
+geheel onpartijdig: van hem had hij nooit anders dan goede lessen
+ontvangen: en met hem alleen begreep hij thans geheel vrijmoedig en
+openhartig te kunnen spreken.
+
+De Predikant had, zoodra het gerucht van het spiegelgevecht aan het
+Lischboschje in zijn eenzaam studeervertrek was doorgedrongen, zich
+naar het kasteel begeven, alwaar hem de Baron met al het voorgevallene
+bekend gemaakt had en geraadpleegd over de wijze, waarop hij omtrent
+Joan zou handelen. Raesfelt vond het geval duister en geheimzinnig,
+en besloot zijn aanmerkingen op het gebeurde met den raad, toch vooral
+behoedzaam en niet overijld te werk te gaan, opdat het den Baron niet
+mocht berouwen, dat hij Joan zijn gunst onttrokken had, gelijk het
+David berouwde, dat hij Mephiboseth onschuldig had veroordeeld.
+
+"Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt," zeide hij: "en schort
+uw meening op omtrent een jongeling, die u tot nog toe alleen stof van
+blijdschap en verheuging gegeven heeft. Ik kan niet gelooven, dat hij,
+die zoo dikwijls met warmte en gevoel over de groote weldaden sprak,
+welke hij van UEd. ontvangen heeft, op eenmaal alle erkentelijkheid,
+alle beginselen van plicht en godsdienst met voeten zou treden, om,
+gelijk een tweede Absalom, met Achitophels te heulen en zijn vader
+baldadig aan te randen. Vergun mij, heer Baron! dat ik zelf hem ga
+spreken; en ik twijfel niet, of hij zal zijn hart voor mij blootleggen,
+gelijk Koning David deed voor Nathan den Profeet!"
+
+De Baron keurde dezen raad volkomen goed, en Raesfelt begaf zich naar
+de kamer van zijn gewezen leerling. Met een ernstig en bedrukt gelaat
+trad hij binnen; doch de tevredenheid klaarde zijn wezen weder op,
+toen Joan hem verheugd te gemoet snelde, hem dubbel welkom heette,
+de hand drukte en een zetel aanbood.
+
+"Kom, Joan!" zeide de Predikant, nadat zij zich kortelijk hun
+wederzijdsche vreugde, van elkander in gezondheid weder te zien,
+hadden betoond: "Laat ik u eens scherp in de oogen zien, gelijk
+Petrus Ananiam en Saphiram aanzag, toen zij zich van den prijs des
+lands onttrokken.--Gij blikt mij openhartig tegen en slaat uw oogen
+niet neder: dan heb ik mijn vriend, mijn Joan, nog niet verloren."
+
+Joan drukte hem met warmte nogmaals de hand en verzekerde hem van
+zijn blijdschap, dat Dominee althans hem niet vergat, 't geen hem
+tot een blijk strekte, dat hij zich nog niet als geheel ongelukkig
+moest beschouwen.
+
+"Geheel ongelukkig!" herhaalde Raesfelt: "en wie leeft er op aarde, die
+zich alzoo durft noemen? Het zal met u zijn, gelijk de Psalmist zegt:
+
+
+ De stricken des Doods hadden mij omvaên.
+ Ick was beladen met anghsten der hellen,
+ Ick was in noodt, in zuchten en in quellen.
+ Doch ik riep des Heeren naem alsoe aan:
+ O Heer verlost mijn siel uyt desen noodt!
+ En ick bevondt dat hy was seer weldadigh,
+ Seer vriendelijck en oock seere genadigh,
+ Die wel behoedt d'eenvoudige seer bloot;
+ Want als ick ter neder lagh onder voet,
+ Geholpen heeft my onsen Godt almachtigh,
+ Dies weest te vreden o mijn siele klachtig
+ Nadien dat de Heer u dees weldaet doet.
+
+
+En strekt deze liefderijke hand zich niet uit over allen, wie
+zij wezen mogen? Laat niet God zijn zon opgaan over de goeden en
+over de goddeloozen? en valt er een haar van uw hoofd buiten Zijn
+beschikking? Alleen hij, die van de liefde en verzorging onzes
+Hemelschen Vaders verstoken ware, zou zich geheel ongelukkig mogen
+noemen: en niemand kan zich beschouwen in dat geval te verkeeren. Hij,
+die derhalve tot wanhoop vervalt, begaat de grootste zonde, die te
+begaan is: want hij wantrouwt de goedheid van Hem, die gezegd heeft:
+al wie tot mij komen, zullen niet beschaamd worden."
+
+"God verhoede, dat ik Zijn goedheid ooit betwijfele," zeide Joan,
+de oogen eerbiedig opheffende: "tot Hem alleen kan ik mij keeren:
+van Hem alleen troost in mijn lijden verwachten;--doch hier op aard
+is de poort des heils voor mij gesloten."
+
+"En wat zegt het aardsche heil voor hem, die een beter vaderland
+verwacht?" zeide Raesfelt: "alle vleesch is als gras, en alle
+heerlijkheid des menschen is als een bloem des velds: het gras is
+verdord en zijn bloem is afgevallen: want hoedanig is het leven? het is
+een damp, die voor weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt.--Is
+niet eens ieders leven een samenweefsel van korten voorspoed en
+duurzame ellende? weet ik zelf niet bij ondervinding, wat het zegt,
+wederwaardigheden te lijden, welke alleen door een vast geloof kunnen
+worden doorstaan? Heeft niet mijn eigen zoon, gelijk Nadab en Abihu,
+de zonen Aärons, vreemd vuur op het altaar gebracht? en mijn haren
+van hartzeer doen grijs worden voor den tijd, gelijk Simeon en Levi,
+de zonen Jacobs, huns vaders haren grijzen deden?"
+
+"Uw zoon!" riep Joan haastig uit: "hij wil uw gunst weder verwerven:
+hij...."
+
+"Hoe nu!" zeide de Predikant: "wat weet ge van hem? hebt ge hem
+gezien? Ach! hoe is het met den jongeling, met...."
+
+"Neen," zeide Joan, eenigszins verlegen: "maar eergisteren zag men
+mij voor hem aan.... de man, die hier gevangen zit.... die weet meer
+van hem.... hij scheen hem te kennen."
+
+"Die Jezuïet?" vroeg Raesfelt: "zijn de zoodanigen de bekenden mijns
+zoons? O mijn ongelukkige Hendrik! is het niet genoeg dat gij uwen God
+verliet? moet gij ook den Baäl nahoereeren? Ach! wel mag ik met Jacob
+zeggen: het is mijns zoons rok: een wild dier heeft hem verslonden!"
+
+"Dat niet: die gevangene is een Remonstrant, een.... maar neen,
+dat kan toch niet...."
+
+"Hoe!" zeide Raesfelt, een gestrengen blik op Joan werpende: "weet
+gij niet, wie en wat die gevangene is?"
+
+"Ik zag hem eergisteren voor 't eerst en toen onder een anderen
+schijn dan heden? maar wie hij is?...." Hier schudde hij het hoofd,
+zag voor zich en haalde de schouders op.
+
+"Joan!" zeide de Predikant: "de Paapschen hebben een instelling,
+welke zij een sacrament achten te zijn, door een verkeerde toepassing
+namelijk van Jacobi V vs. 16. Hun priesters hebben zich het recht
+aangematigd, 't geen Gode alleen behoort, om, na gedane biecht,
+de zonden aan den boeteling kwijt te schelden. Dit zeide ik is een
+valsche verklaring, want de Apostel leert niet ter aangehaalde plaatse,
+dat men zijn zonden aan een kerkelijk persoon moet belijden ten einde
+daarvan vergeving te ontvangen; maar hij spreekt uitdrukkelijk van
+een belijdenis, die men elkander moet doen, dat is de eene geloovige
+aan den ander, en vooral van die zaken, waardoor de liefde des
+naasten verbroken en twist zou ontstaan zijn:--zoodat het in de
+meeste gevallen niet alleen geoorloofd, maar zelfs noodzakelijk en
+plichtmatig is, in het hart van een getrouwen vriend, van een man
+van ondervinding, vooral van een evangeliedienaar, zijn geheime
+gedachten en verrichtingen uit te storten, ten einde raad, hulp of
+vertroosting te ontvangen. In zulk een geval bevindt gij u thans,
+en de vriend, de leeraar, die uw vertrouwen genieten en u met raad,
+hulp en vertroosting dienen wil, ben ik. Spreek vrijelijk tot mij,
+Joan! gelijk Paulus tot den wijzen Ananiam sprak, nadat hij hiertoe
+door een gezichte was vermaand, en ik zal u hooren en u onderwijzen
+met de onderwijzing, die ik vermag te geven. Doch verberg mij niets;
+want om uw toestand wel te beseffen, is het noodig dat ik alles wete."
+
+"Reeds voor uw verzoek," zeide Joan, "had ik besloten u mede te
+deelen wat de reden is van het zonderling gedrag, dat ik heden heb
+moeten houden. Doch eer ik begin, moet ik u de stipste geheimhouding
+verzoeken omtrent al wat ik u zeggen ga."
+
+"Een oogenblik," zeide Raesfelt: "geheimhouding te beloven!.... dat
+zou mij onder de verplichting leggen, die een priester heeft aangegaan
+bij zijn ordening, en van ons gesprek een biecht te maken.... daarover
+moet ik even nadenken!"
+
+Nadat de brave man eenige oogenblikken gepeinsd had, zegevierde zijn
+zucht om nuttig te wezen aan de belanghebbende partijen over zijn te
+ver getrokkene nauwgezetheid, en hij beloofde Joan, dat niets van hun
+gesprek buiten zijn toestemming zou uitlekken. "In allen gevalle,"
+zeide hij, "kan ik de biecht wel hooren, als er toch geen _absolutie_
+op volgt; want daar staat geschreven: belijdt malkanderen de misdaden
+en bidt voor malkanderen, opdat gij gezond wordet: sprekende de
+Apostel hier van gezondheid der ziel, gelijk in de vorige verzen van
+gezondheid des lichaams."
+
+En hierop begon Joan, zonder te spreken van hetgeen hem te Tiel met
+Van Dyk overkomen was, de oorzaak, welke hem naar het Lischboschje
+gevoerd had en zijn ontmoeting van den morgen te verhalen. Toen de
+Predikant van het voorgenomen tweegevecht hoorde gewagen, schudde hij
+het hoofd en had moeite om den spreker niet in de rede te vallen; doch
+zooras Joan hem begon te vertellen, dat Van Dyk hem van zijn vader had
+gesproken, lieten zijn gedachten elk ander onderwerp varen om zich
+hierbij te bepalen, en bleef hij met gespannen aandacht luisteren
+naar het vervolg. Joan ging voort en zag den Predikant vlak in 't
+aangezicht, om den indruk gade te slaan, dien zijn woorden op hem
+zouden maken. Met open mond en strak gevestigde oogen zat Raesfelt over
+hem, zijn adem inhoudende uit vrees van een woord te verliezen, en zijn
+knieën stijf met de handen vastknijpende als beducht, een beweging te
+maken. Doch toen Joan eindelijk Velasco zijn vader en den Baron zijns
+vaders moordenaar noemde, trok de Predikant haastig de handen terug,
+vouwde die samen voor 't gezicht, hief het hoofd naar boven en sloot
+de oogen stijf toe, als wilde hij òf een gebed doen, òf zich iets,
+dat lang geleden en het geheugen reeds ontgaan was, herinneren. Na
+eenige oogenblikken in die houding te hebben doorgebracht, liet hij
+de handen weder vallen, zakte als 't ware ineen, sloeg de oogen op
+den grond en zweeg.
+
+Dat zwijgen scheen Joan toe, wat het werkelijk was: een bevestiging van
+het verhaal van Van Dyk: nog altijd had hij de hoop blijven voeden, dat
+deze een logenaar geweest ware: thans echter bleek hem het tegendeel,
+en zoo diep werkte die overtuiging op zijn gemoed, dat hij niet met
+spreken voort kon gaan, maar op zijn beurt den Predikant zwijgend
+aanzag, met oogen, waaruit vertwijfeling straalde.
+
+Nadat die wederzijdsche stilte een geruimen tijd geduurd had, stond
+Raesfelt op, schudde het hoofd, stak de beide handen naar Joan toe
+en zeide: "Gij bevindt u waarlijk in een toestand zoo rampzalig als
+weinig menschen ondervinden; doch alle dingen moeten medewerken tot
+zaligheid voor hem die gelooft."
+
+Dit gesproken hebbende, ging hij weder zitten en peinsde weder
+eenige oogenblikken over hetgeen hij gehoord had. Nu brak Joan op
+zijn beurt het stilzwijgen en vroeg op een angstvalligen toon, of
+Dominee werkelijk met het geheim zijner geboorte bekend was, en of
+dit strookte met het verhaal van den vreemdeling.
+
+"Over 't geheel genomen, ja!" antwoordde Raesfelt: "en gij kunt het
+ook leeren kennen: want het staat, ofschoon niet volkomen juist,
+in de geschiedenissen te lezen, welke in de afgeloopen jaren gedrukt
+zijn. Doch dat de Heer Baron uw vader zou vermoord hebben, of zelfs
+den moord gelast, daarvan is mij nooit iets gebleken, en ik geloof het
+ook niet:.... waarschijnlijk is dat een bijvoegsel van den gevangene,
+om u haat tegen Zijn Edelheid in te boezemen: een schelm als hij,
+een sluikmoordenaar, kan lichtelijk zoo iets verzinnen, om...."
+
+"Waarlijk! zoudt gij reden hebben om dit punt in twijfel te
+trekken? Het zou mijn hart van een geweldig pak ontlasten."
+
+De Predikant herhaalde zijn verzekeringen en bracht alles te berde,
+wat zijn geheugen hem omtrent de omstandigheden van Velasco's dood te
+binnen bracht, om klem daaraan bij te zetten. Hij besefte nu, waarom
+en hoe innig zijn gewezen leerling lijden moest, en poogde hem dus ook
+met godsdienstige troostgronden op te beuren, doch om goeden raad te
+verschaffen, daarmede vond hij zich meer verlegen. Eindelijk kwamen
+zij overeen, dat Raesfelt den Baron zou verzekeren, dat Joan geen boos
+opzet hoegenaamd tegen hem had gevormd, en alle mogelijke middelen
+in 't werk stellen, om een onderhoud met den Jezuïet te hebben, ten
+einde van dezen de waarheid betreffende Joans afkomst te verstaan;
+en dat Joan zich hoe eer hoe beter naar Den Bosch zoude begeven, om
+zijn oom Don Louis te bezoeken, en met dezen te overleggen, wat hem
+te doen stond. Aan het eerste gedeelte dezer afspraak werd dadelijk
+door den Predikant voldaan, nadat hij afscheid van Joan genomen
+had. In korte bewoordingen verklaarde Raesfelt aan den Baron, dat
+Joan zijn vriendschap altijd waardig gebleven was, doch dat hij de
+redenen van zijn geheimzinnig gedrag nog niet vermocht te openbaren,
+waarop Reede, tevreden over de voorloopige verzekering van de onschuld
+van zijn pleegzoon, besloot hem den volgenden morgen te gaan spreken,
+ten einde alles op te helderen wat nog duister was.
+
+Intusschen was er een boodschap van den Ambtman Mom aan den Heer
+van Sonheuvel gekomen, waarin eerstgemelde zich verschoonde, om bij
+deze gelegenheid op het slot te komen, vermits de Koning van Bohemen
+dagelijks verwacht werd; 't geen de tegenwoordigheid aller ambtenaren
+in de plaats hunner residentie noodzakelijk maakte. De Baron had gaarne
+zijne tegenwoordigheid genoten, vermits Eugenio, die eindelijk mede
+een verhoor had ondergaan, voorgewend had een Bosschenaar te zijn en
+door den Heer van Botbergen gezonden, om zijn verschil met Joan bij
+te leggen. De Schout, die het verhoor deed, was van oordeel, dat men,
+om de waarheid van dit voorgeven te kennen, zoowel het bijzijn van
+den Heer van Botbergen als dat van den Ambtman Mom vereischte. Men
+besloot dus, daar de avond reeds gedaald was, den gevangene wederom
+weg te voeren en de getuigen naar huis te laten gaan, hen tegen den
+volgenden morgen terug bescheidende.
+
+
+
+
+
+VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ Daar's niets dan 't zwoord en 't been: al 't spek is geëclipseerd.
+
+ _Langendyk_, de Wiskunstenaars.
+
+
+Den volgenden morgen was de Schout reeds vroegtijdig aan het kasteel
+terug en stelde hij den Heer van Sonheuvel voor, Joan te laten voor
+hem komen, om de aanleiding van zijn gesprek, met den gevangene in
+'t Lischboschje gehouden, op te geven. De Baron, zulks goedgekeurd
+hebbende, zond Roelof naar het vertrek van den Jonker, om diens
+tegenwoordigheid te verzoeken; dan al spoedig kwam deze terug met
+het bericht, dat de Jonker niet in zijn kamer te vinden was, 't welk
+bevestigd werd, toen de Baron, na gevraagde inlichting, vernam, dat
+Joan reeds vroeg in den morgen den hof was ingewandeld. "Hij zal wat
+zijn gaan kuieren om zijn leed te verzetten," zeide Reede: "welnu! men
+spore hem op en verzoeke hem, terstond hier te komen: wij zullen dan
+beginnen, met den gevangene nog eens te ondervragen. Dienaars! brengt
+hem binnen!"
+
+De gerechtsdienaars, door Bouke geleid, begaven zich naar Eugenio's
+kerker, die wel met grendels, bouten en kettingen voorzien en
+gesloten was. Het was Bouke zelf, die nu de zwaar beslagene deur
+opende met een gedruisch, dat geheel het kasteel door kon vernomen
+worden. "Klink! klank!" zeide de Baron tegen den Schout, toen hij
+het hoorde: "die bewaarplaats is een weinig zekerder dan de kamer te
+Loevestein, waaruit de Heer De Groot voor veertien dagen ontsnapt is:
+van hier zal die vermaledijde Jezuïet niet wegkomen, of hij moest
+kunnen vliegen."
+
+"Dat moet hij dan kunnen," zeide Bouke, stampvoetende en vloekende
+binnenkomende: "want weg is hij!"
+
+"Wie? wat? wie is weg?" zeide de Baron.
+
+"De gevangene."
+
+"Ben je dol, kerel?" en de Baron stoof met hem de trappen af, terwijl
+de Schout en de Secretaris, na elkander aangegaapt te hebben, de
+schouders ophaalden en volgden, vrij ontevreden, dat de eer hun
+ontgaan zoude, zulk een belangrijken misdadiger te hebben ingeleverd.
+
+"Maar voor Sint-Felten, Bouke!" riep Reede, toen hij met hem voor
+den ledigen kerker stond: "hebt ge den boel dan niet dichtgesloten?"
+
+"Gesloten?--Dat kunnen deze lieden getuigen, die er bij stonden;
+het spreekwoord zegt wel: groote visschen springen uit den ketel;
+maar hoe deze er uitgesprongen is, vat ik bij mijn ziel niet."
+
+"De vent is wis een toovenaar," zeide een der dienaars. "Zou de
+Heer Baron niet goedvinden, dat wij hem wogen: de schaal is nog op
+het gemeentehuis."
+
+"Dat mag ik wel lijden," zeide de Baron: "maar wij moeten hem eerst
+hebben."
+
+"Met uw verlof, Heer Baron!" zeide de Schout, de gevangenis
+binnentredende: "is hier geen andere uitgang dan door de deur?"
+
+"Door dat gat kan hij niet weggegaan zijn," zeide de Baron, op een
+rond luchtgaatje wijzende, waar geen mensch door kon kruipen, en dat
+bovendien met ijzeren traliewerk voorzien was: "en bij het luik, dat de
+pijp sluit, die op den zolder uitkomt, kan men van hier niet reiken."
+
+"Dat zal het toch wezen," zeide de Schout, naar boven ziende en het
+luik met de punt der hellebaard van een der dienaars opstootende:
+"door die opening kan iemand wegkomen, met behulp van een ander,
+die bovenstaat."
+
+De pijp namelijk geleidde naar den zolder, en had te voren gediend om
+de turf, welke eertijds boven bewaard werd, naar gelang men die noodig
+had, naar beneden te werpen; toen diende de kerker voor een turfhok;
+doch zooals Geert aan Magdalena 's daags te voren verhaald had,
+"nog bij 't leven van Mevrouw zaliger had men een turfloods naast de
+keuken gebouwd, en dit hok tot een gevangenis ingericht voor dieven
+en stroopers of voor groote schelmen, zooals deze paap was."--De pijp
+was sedert dien tijd van boven en van onderen met een luik gesloten
+geweest, en dit nog wel behoorlijk toegegrendeld. Bij nauwkeurige
+beschouwing bleek het echter, dat men die grendels had doen springen:
+en er bleef dus geen twijfel over of de gevangene had langs dien weg
+een uitkomst verkregen.
+
+"Joost haal me!" zeide de Baron, na gedaan onderzoek: "ik dacht ik
+had hem zoo wis."
+
+"Ja!" zeide Bouke: "gissen is missen en gehad is een arm man; maar hoe
+kwam hij weg? alleen zeker niet: want de duivel heeft altoos een maat."
+
+"Men moet het gaan onderzoeken," zeide de Schout.
+
+"Eerst den schelm weerom gekregen!" riep de Baron: "zit op mannen! en
+jaag hem achterna, tot gij hem vindt."
+
+"Dat is gemakkelijk gezeid," merkte Bouke aan: "maar waar vinden wij
+hem? want alle muiske heeft zijn kluiske."
+
+"Waar? wel wis is hij naar Tiel toe, den weg op, waar hij vandaan
+kwam."
+
+"Naar het veer dan," zeide Bouke: "daar hooren wij zeker wat van hem:
+want vaart men over een sloot, men laat er een brood; vaart men over
+een veer, men laat er nog meer."
+
+"Met verlof!" hernam de Schout: "zoude UEd. niet eerst het kasteel
+laten doorzoeken? wellicht zit hij nog hier of daar verscholen."
+
+Deze raad werd gevolgd; men trok het kasteel in alle richtingen door en
+ondervroeg alle bedienden. Niemand had iets van den Jezuïet gemerkt;
+doch Geert verhaalde, hoe de Jonker 's daags te voren bij haar had
+aangedrongen, om den gevangene te spreken. Dit deed het vermoeden
+ontstaan, dat Joan de hand had gehad in zijn ontsnapping. Zooras
+de Baron dit denkbeeld opvatte, begaf hij zich met al de overigen
+naar het vertrek van den jongeling; het werd nauwkeurig omgehaald,
+en men vond eindelijk in het ledikant, tusschen de lakens, een wigge
+en een eind touw verborgen, die aan den Baron werden voorgesteld. Bij
+onderzoek bleek het, dat die wigge gediend moest hebben om de grendels
+op te lichten van de luiken, die de pijp sloten, door welke de Jezuïet
+ontsnapt was.
+
+"Die wigge en dat touw hebben tot de vlucht gediend, Heer Baron!" zeide
+de Schout: "ik zal ze dus als bewijsstukken medenemen, en de Heer
+Secretaris verzoeken, die te nummeren."--Dit zeggende, beschouwde hij
+nogmaals de wigge, om den naam van den fabrikant te lezen, welke daarop
+gegrift stond, doch door roest en ouderdom uitgesleten was. Ten einde
+den roest eenigszins weg te wrijven, raapte hij een papiertje op, dat
+voor hem lag, toen de Baron, die naast hem stond, hem met den uitroep:
+"dat is de hand van Joan!" ontrukte.
+
+Het bleek een gedeelte van een briefje te zijn, waaraan twee hoeken
+ontbraken, en liet de volgende afgebroken woorden lezen:
+
+
+ "Het bewijs uwer . . . . . . . . . .
+ . . . . . . . . . . . . . deed toekomen . . . . . . .
+ . . . . . . . . . . . verlost door mij . . . . . . . . .
+ . . . . . . . . . . . . den boezem aan . . . . . . . .
+ . . . . . . . . . . . . . . . de beschuldiging . . . . .
+ . . . . . . . . . . . . . . . alle geloof blijft wei . . . .
+ . . . . . . . . . . den naam van uw vriend . . . . . . .
+ . . . . . . . . . . vollen uwer waardig . . . . . . . . .
+ . . . . . . . . . . . . eerst bezwaarlijk vallen. . . . .
+ . . . . . . . . . . de vermoedens te ont . . . . . . . .
+ . . . . . . . . . . ekerd, de tijd zal mij. . . . . . . .
+ . . . . . . . . . . . doen vallen, die . . . . . . . .
+ . . . . . . . . . . . . moet, en aan de . . . . . . . .
+ . . . . . . . . . . . . . van Sonheuvel . . . . . . . .
+ . . . . . . . . . . . . . zijn moordenaar. . . . . . . .
+ . . . . . . . . . . . . . . geheel de uwe . . . . . . .
+
+ J."
+
+
+"Welk verder bewijs hebben wij nog noodig?" riep de Baron uit, zoodra
+hij deze onzamenhangende woorden gelezen had: "blijkt het niet uit
+dit geschrijf volledig, dat Joan, en niemand anders, den Jezuïet
+heeft verlost? Let eens, Heer Schout! op de woorden: _deed toekomen_,
+_verlost door mij_, _Van Sonheuvel_, _zijn moordenaar_.... O! het is
+niet moeilijk, de tusschenruimten in te vullen. Joan! Joan! had ik
+dat aan u verdiend? aan u, wien ik zoo hartelijk liefhad? Moest gij
+de Judas worden, die mij verraadde!" Hier bedekte de brave man zijn
+gelaat met beide handen en snikte luid.
+
+"Wat beveelt UEd.?" zeide de Schout, na een oogenblik zwijgens,
+'t welke hij zich ten nutte gemaakt had, om het briefje nogmaals na
+te lezen. "Zal men den Jonker nazitten?"
+
+"Neen!" zeide Reede, terwijl hij zijn oogen afwischte: "Laat den
+ongelukkige gaan, waar hem zijn gesternte brengen wil. In den oorlog
+werd zijn vader door mijn soldaten vermoord: en ik wil het bloed
+zijns zoons niet op mijn gemoed hebben. Hij ga en leve in vrede,
+indien zijn geweten het hem toelaat."
+
+"Wat den Jezuïet betreft dien moeten wij echter niet laten wegkuieren,"
+zeide de Schout. "Hij is aan hoogverraad schuldig, en het zou mij
+spijten, indien ik dien vogel niet weder in de kooi kreeg."
+
+Dit gezegd hebbende, gaf hij de noodige bevelen om Eugenio na te
+sporen. Alle vervolging was vruchteloos; echter ontdekte men, na
+een nauwkeurig onderzoek, dat iemand, wiens beschrijving zeer wel
+met die van den Pater overeenkwam, den weg op naar Wijk te Duurstede
+was ingeslagen en aldaar de rivier was overgestoken; terwijl andere
+berichten vermeldden, dat Joan, met een vermomden grijsaard, de Waal
+te Tiel was overgevaren.
+
+Inmiddels had Reede zijn dochter doen ontbieden. Zij kwam met rood
+bekreten oogen en een bleek gelaat de kamer in. Zwijgend wees de Baron
+haar een zitplaats aan, keek een poos voor zich en begon toen aldus:
+
+"Lieve meid! ik weet, gij hebt altijd Joan als een broeder liefgehad;
+ja zelfs meer dan eigenlijk behoorde.... ja, schrei maar niet:
+ik wil u daarvoor thans niet beknorren: 't was ook eenigszins
+mijn schuld.... maar ik zelf had den knaap lief, en zoo hij geen
+Spaansche basterd geweest ware.... doch dat daargelaten! over het
+verledene zullen wij zwijgen: ik wilde alleen u waarschuwen, dat ge
+voor de toekomst hem geheel uit uw gedachten bannen moet. Hij is een
+onwaardig, een slecht voorwerp, ja slechter dan ik u zeggen kan: mij,
+zijn weldoener, wilde hij om hals brengen, met behulp van een schoft,
+dien hij nu heeft doen ontsnappen. Zie mij niet zoo ongeloovig aan. Ik
+zelf zou het niet hebben geloofd, had ik de bewijzen niet in handen."
+
+"Was hij een verrader," zeide Ulrica met kracht, "dan is hij de
+grootste huichelaar, die ooit bestaan heeft; doch ook op uw getuigenis,
+mijn vader! kan ik hem daar niet voor houden."
+
+"Welnu dan," hernam de Baron: "wat dunkt u van zijn ontsnapping, te
+gelijk met den Jezuïet? van deze wigge en dat touw? van dit briefje?"
+
+Ulrica nam het papier met een sidderende hand op en las het, terwijl
+haar vader voortging met de bezwaren, op te sommen, die tegen Joan
+konden worden aangevoerd. Een wijl bleef het meisje als versteend
+staan en berstte toen uit in tranen.
+
+"Welnu!" zeide de Baron: "en aan dien slechthoofd wilde de brave
+Ambtman u afstaan. Hoe zult gij 's mans edelheid beloonen?"
+
+"Laat hij komen, wanneer het hem goeddunkt," zeide Ulrica, opstaande
+en haar tranen wegvegende: "ik ben bereid, zijn gade te worden."
+
+"God zegene u, beste meid!" zeide de Baron, haar omhelzende. "Gij
+verheugt mij onbeschrijfelijk, door zulk een kloek besluit te nemen. De
+liefde van mijn waardigen vriend Mom zal best geschikt zijn om de
+tranen te drogen, die gij over den onwaardigen Joan nog storten mocht!"
+
+"De smart was in staat er nog eenige te doen vlieten," zeide zijn
+dochter: "maar de verachting heeft er geene: en die alleen vervult
+thans mijn boezem voor den booswicht!"
+
+Terwijl deze gebeurtenissen op het slot te Sonheuvel voorvielen,
+was Joan, die vroeg in den morgen van daar vertrokken was, de
+poort van Tiel reeds binnengetreden en had zich naar den Gouden
+Ooievaar begeven, om zijn paard en mantelzak, welke hij aldaar
+bij zijn vertrek had achtergelaten, terug te eischen. Verscheidene
+personen van allerlei stand en rang zaten in het voorhuis te praten,
+te rooken of te drinken: soldaten doorkruisten het in onderscheidene
+richtingen: werklieden waren bezig een opkamertje aan te
+bouwen: in één woord, het huis was met drukte, verwarring en gewoel
+vervuld. Dit liet niet na bij Joan, die hiervan de reden niet besefte,
+eenige verwondering te baren: doch deze hield op, toen men
+hem verhaalde, dat de meeste der aanwezigen dien dag te Tiel gekomen
+waren om den Koning van Bohemen de stad te zien voorbijvaren,
+terwijl die krijgslieden zich aldaar bevonden om Z. M. een
+eerewacht te vormen. Intusschen veroorzaakte het plaatshebbend
+rumoer, dat Joan onderscheidene reizen zijn stem verheffen moest,
+eer hij van den waard gehoor kon verkrijgen. Deze was eerst sinds
+weinige jaren bij aankoop eigenaar van dien stand geworden en had
+onzen held nooit gezien dan drie dagen te voren, toen hij zich aldaar
+in gezelschap van Groenhovius vertoond had.
+
+"Wat is er van je dienst, heerschop?" vroeg hij, zijn breeden
+vooruitpuilenden buik naar den kant van Joan wendende. "Ai mij! wat
+zie ik? is oe niet dat heerschop, die laatst met dien zwartrok hier
+ekomen zijt?"
+
+"Ik zelf!" zeide Joan: "geef mij een snede brood en een kan bier,
+en laat mijn paard opgezadeld worden: ik moet spoedig verder."
+
+"Wel is 't mij bijzonder aangenaam, oe te zien," hervatte de waard. "Ai
+mij! de luiden zeiden al, je waart verzopen: jaô, een snee brood
+en een kan bier, daôr kan ik oe an helpen, en aan oe mantelzak ook,
+die leit nog boven achter 't slot, wel bewaôrd; ai mij! 't zou mij
+pijn doen, als iemand iets bij mij te kort kwam; maôr oe paôrd,
+man! dat is marsch!"
+
+"Hoe!" riep Joan, opvliegende: "wat heeft dat te beduiden?"
+
+"Ai mij! maôk u niet driftig, heerschop! 't Is dat...."
+
+"Ik wil mij driftig maken," hernam Joan: "wat is er met mijn paard
+gebeurd?"
+
+"Oe paôrd, heerschop! jaô! oe paôrd! Ai mij dat.... het is geprest
+voor de lichting, en deur dien weg is het marsch." En hij vergezelde
+deze woorden met een zeer beduidende gebaarde.
+
+"Larie!" zeide Joan, den herbergier vrij onzacht bij den arm grijpende:
+"mijn paard weerom, òf ik klaag u zoo dadelijk aan bij het gerecht."
+
+"Ai mij!" hernam de waard, terwijl hij zich uit de handen van een
+zoo geweldige weerpartij zocht los te maken.
+
+"Geen aimijen meer! mijn paard weerom, en terstond!"
+
+"Wel daôr speult Sint-Felten mee," riep de waard, half boos, half
+bevreesd, "kijk mij zoo een vent het eens roeren! Kan ik het ebeteren,
+dat je zonder betaôlen aftrekt en oe verzuipt, zoodat elk oe veur
+dood houdt en dat oe paôrd geprest wordt en dat je nou weer levend
+veur mij staôt? Zie dat jij oe paôrd van den ritmeester weer krijgt,
+die het met enomen heeft: aôrs, honderd daôlders heeft hij er veur
+elaôten, die zijn tot oe dienst: ze liggen boven, en zooals ik oe
+zeide, niemand moet iets bij mij te kort komen."
+
+De soldaten hadden gedurende dit gesprek de herberg langzamerhand
+verlaten; doch de overige klanten, nieuwsgierig naar den uitslag van
+dezen twist, waren opgestaan en hadden zich om de beide sprekers in
+een engen kring verzameld, zich met de gramschap des jongelings en
+den angst des kasteleins vermakende.
+
+"Honderd daalders!" riep Joan verontwaardigd: "die Jood! die Griek! een
+paard, dat de helft meer waard is."
+
+"Weeg uw woorden wat, vriendje!"' voegde hem een officier toe
+(die met een anderen krijgsman het voorhuis ingetreden was, en de
+laatste woorden gehoord had), terwijl hij Joan op den schouder klopte:
+"die Griek ben ik, en ik heb er voor gegeven wat de Staten als prijs
+hebben vastgesteld voor officiers-paarden."
+
+"De Staten hebben, met verlof gezegd, over mij noch over mijn paard
+iets te beschikken," hernam Joan op een zachteren toon: "beiden zijn
+wij in dienst van den Koning van Bohemen."
+
+"De Koning van Bohemen" zeide de officier met een spotachtigen lach:
+"pshaw! brrr! als hij hier komt, wordt hij er nog bij geprest ook,
+de arme man! Nu, trek u zijn zaak maar niet te veel aan," vervolgde
+hij, ziende dat Joan de hand aan 't rapier sloeg: "ge schijnt mij een
+goed kalf van een jongen! en zijt ge om vijftig daalders verlegen, ik
+zal ze er wel bijleggen: dan hou ik het paard voor mij; want zuiver,
+de knol bevalt mij."
+
+"Verplicht!" zeide Joan: "ik begeer noch uw geld te ontvangen, noch
+uw jokkernij aan te hooren: en verzoek u zelfs aardigheden te sparen,
+die ik niet dulden mag. Ik verlang alleen mijn paard terug: want ik
+moet nog heden verder."
+
+Al de omstanders zagen den officier aan, nieuwsgierig om te hooren,
+hoe hij de fiere taal van den jongeling beantwoorden zoude; want zij
+beschouwden den krijgsman als iemand, die, voor zooverre men het uit
+zijn kloek en mannelijk voorkomen, uit zijn valkenblik en uit zijn
+door lange diensten sterk geteekend gelaat zou opmaken, zich niet
+gemakkelijk op de teenen zou laten trappen; doch hun verwachtingen,
+wellicht de heimelijke hoop van sommigen, dat er een krakeel zoude
+ontstaan, werd niet vervuld. De officier beschouwde Joan een wijl
+met heldere, vriendelijke oogen, draaide zich toen een weinig om,
+zag de omstanders aan en vroeg op een vrij forschen toon: "welnu! wat
+hebt gijlieden daarmede te maken? Denkt gijlieden dat wij, op zijn
+Engelsch, een hanengevecht gaan houden?"
+
+Deze onverwachte toespraak, de toon, waarop zij werd uitgesproken,
+en vooral de barsche houding van den krijgsman deed de omstanders
+beteuterd ter zijde treden: en als kinderen, die eene bestraffing
+ontvangen hebben, bleven zij op een afstand het verder onderhoud
+gadeslaan.
+
+"Hoor eens, kameraad!" vervolgde de officier, Joan vriendelijk onder
+den arm nemende: "antwoord mij eens oprecht: wie heeft het _model_
+opgegeven, volgens 't welk uw paard getoomd en geteugeld is?"
+
+"Wel ik zelf!--Maar wat zal deze vraag?"
+
+"Omdat ik dan bij waarheid getuigen moet," hernam de ritmeester,
+altijd bedaard en vriendelijk, "dat meester Symen, die een bol in de
+toomprangkunst was, de goede man, het u niet verbeteren zou. En daarom
+juist, lieve vriend! kunt ge uw paard niet weerom krijgen; want ik
+heb het met toom en al naar Graaf Hendrik Frederik gestuurd tot model."
+
+"Verplicht voor de eer," hernam Joan; "maar dat helpt mij weinig."
+
+"Gij moest met mij naar Zijn Hoogheid gaan," zeide de officier,
+zonder zich aan den driftigen toon van Joan te storen: "ik sta u borg,
+dat gij spoedig vooruit zoudt komen. Wat dunkt u daarvan, Kapitein
+Schwanck?" vervolgde hij, zich tot den anderen officier wendende.
+
+"Dat zult gij best weten, Kapitein Holtvast!" antwoordde deze.
+
+"Uw naam," vervolgde de andere tot Joan, "uw naam is, zoo ik mij niet
+bedrieg.... Ulrich.... neen.... Joan van.... van....! Ja waarlijk,
+volkomen herinner ik mij uw naam niet, schoon ik u meer gezien heb."
+
+Bij deze woorden werd Joan beurtelings rood van verlegenheid en
+bleek van gramschap; doch de gulle lach, waarmede Kapitein Holtvast
+ze vergezelde, ontwapende zijn drift, vooral toen hij bemerkte, dat
+Holtvast zelf een kleur kreeg, gelijk meermalen gebeurt, wanneer men
+die bij een ander heeft doen opstijgen.
+
+"Ja!" hernam hij: "nu herinner ik mij!.... doch gij behoeft u
+daarvoor niet te schamen, jongeling!--ik voorspel u, gij zult een naam
+verwerven, zoo gij er nog geen hebt;--althans het zal uw schuld niet
+zijn, indien gij een brekebeen blijft. Wat zegt ge? neemt ge dienst
+bij ons?"
+
+"Ik kan noch mag daarop antwoorden", zeide Joan, "voor 't oogenblik
+moet ik naar Den Bosch; misschien zal ik naderhand van uw vriendelijke
+uitnoodiging gebruik kunnen maken."
+
+"Hm! hm!" zeide Holtvast, terwijl hij eenigszins misnoegd het hoofd
+schudde: "die reis naar Den Bosch bevalt mij maar half: schoon ik
+er ook eens hoop te komen.--Wat drommel moet ge in dat Paapsche
+land uitrichten?"
+
+"Ik weet niet dat ik u eenige rekenschap verschuldigd ben," zeide Joan.
+
+"Misschien!" antwoordde Schwanck: "het moet ons vreemd voorkomen,
+dat iemand, die voorgeeft Koning Frederik te dienen, naar Den Bosch
+reist op het oogenblik, dat Zijn Majesteit hier verwacht wordt."
+
+"Bedaar, kapitein Schwanck, bedaar!" zeide zijn krijgsmakker. "De
+Jonker heeft vast wijze redenen, die het ons niet past te
+onderzoeken. Ook zal Koning Frederik hier dienaars genoeg hebben,
+en misschien meer, dan wij in den kost kunnen houden; doch het is
+onze tijd, verder te gaan: nu, Jonker! zoo gij iets naders van ons
+begeert, verneem dan maar naar mijn makker, dien gij hier ziet,
+Kapitein Schwanck, van de garde. En ik noem mij Holtvast, om u te
+dienen. Zoo ge bij ons wilt komen dienen, beloof ik u, dat ik u
+aan een paard zal helpen, ruim zoogoed als hetgeen wij u ontnomen
+hebben;.... doch waarom hieldt gij u ook dood?"
+
+Deze toespraak geëindigd hebbende, draaide hij zich om, zonder verder
+antwoord af te wachten, en ging naar den stal, vergezeld van Kapitein
+Schwanck. "Bij mijn degen," zeide hij tegen dezen in 't uitgaan: "die
+knaap herinnert mij volkomen een dapperen Kleefschen Graaf.... doch
+dien hebt gij nooit gekend, Schwanck!"
+
+Joan staarde den ritmeester met verbaasdheid na en bleef een wijl
+wrevelig en ontevreden staan, knorrig op den waard, die zijn paard
+verkocht had, op Holtvast, die hem had doen zwichten voor een invloed,
+waaraan hij geen verklaring geven kon, en op zich zelven, daar hij
+begreep een gekke rol gespeeld te hebben. Terwijl hij besluiteloos
+voor zich keek, rees een der aanwezigen, die zich met den ganschen
+twist niet bemoeid had, maar stil in een hoekje was blijven zitten,
+van zijn bank op, naderde hem, en zeide in een vreemden tongval, dat
+hij een wagentje gehuurd had, om hem naar Den Bosch te laten brengen,
+en dat het hem aangenaam zou wezen, indien de Jonker hem de eer van
+zijn gezelschap wilde verschaffen.
+
+Joan wierp een vluchtigen blik op den man, die hem dezen voorslag
+deed. Hij had het uiterlijk van een Duitschen of Poolschen Jood, droeg
+een lange blauwe samaar met een hoogen kraag, die hem over de ooren
+stak, een diep ingedrukte bonten muts en een bruinen baard. Schoon
+onze held zich van zulk een reisgezel weinig vermaak kon beloven,
+begreep hij echter, de gelegenheid niet te moeten versmaden, weshalve
+hij den vreemdeling een toestemmend antwoord gaf, hem tevens vragende,
+wanneer hij dacht te vertrekken.
+
+"Zoo op het oogenblik," antwoordde de Jood: "indien UEd. uw pakkage
+gelieft te halen: ik zal UEd. hier blijven wachten."
+
+Beseffende, dat hij toch vergeefsche moeite zou doen om zijn paard
+terug te krijgen, voldeed Joan aan het verzoek en vergezelde den
+waard naar een achterkamer, waar deze hem zijn valies ter hand
+stelde en hem het geld toetelde, dat voor zijn paard betaald was,
+daarvan, als vanzelf spreekt, de som afhoudende, welke Joan hem voor
+zijn vertering schuldig was: waarna onze held terugkeerde naar het
+voorhuis, en met den Jood de stad verliet. Weldra waren zij aan de
+Waal en in de veerschuit gestapt.
+
+De rivier leverde op dit oogenblik een belangwekkend schouwspel op:
+zij was gevuld met groote en kleine vaartuigen, van wier stengen
+en achtersteven vlaggen wapperden, en welke passagiers inhielden,
+die op den stroom de aankomst van Koning Frederik verbeidden. De
+beide oevers waren met scharen toeschouwers bedekt, en voor de stad
+lag een prachtig versierd jacht, dat zoowel de Prinsenvlag als het
+wapen van Oranje-Nassau voerde, en waarop zich Prins Maurits met
+zijn gevolg, waaronder de Ambtman Mom en meer hoofdbeambten van het
+gewest, bevonden. Onder de muren van Tiel stond krijgsvolk onder de
+wapenen, om den doorluchtigen gast van Nederland bij zijn doortocht
+verschuldigde krijgseer te bewijzen: en twee schuiten, met soldaten
+bemand, gingen den Koning te gemoet, wiens vaartuig, rijk met vlaggen
+versierd, men van verre onder het schaterend gejuich der menigte den
+vloed zag afkomen. Joan kon, ondanks de bekommering, die zijn ziel
+vervulde, niet nalaten zijn oog over dit prachtig schouwspel te doen
+weiden, waarvan de beschouwing hem gedurende den tijd der overvaart
+geheel vervulde. Eerst toen hij aan de andere zijde gekomen was en
+toevallig opzag, herkende hij in een der veerlieden zijn oude kennis,
+Teun Wezer. Niet verlangende, met dezen in gesprek te treden, wendde
+hij het gelaat om; doch de veerman, een halven cirkel om hem heen
+beschrijvende, stond dadelijk weder vlak voor zijn gezicht, en sprak
+hem met de volgende woorden aan:
+
+"Goemorgen, Jonker! wie deksel dacht u hier te zien? gisteraôvend
+liet ik u immers nog op Sonheuvel."
+
+"Gij moet van daar nog vroeger zijn vertrokken dan ik, Teun!" hernam
+Joan: "en moet gij er niet weder naar toe?"
+
+"Vandaôg en morgen niet," antwoordde Teun: "ik moet eerst dien
+Poolschen Jood naar Den Bosch brengen, dat je 't vat."
+
+"Ei! en mij bijgevolg ook; want wij reizen samen."
+
+"Zoo!" hervatte de veerman, wiens gelaat op dit bericht betrok; "nu
+ja! maôr ik weet niet of het zich wel schikken zal.... Patientie! wij
+zullen zien.--Haalt aan, jongens! haalt aan!"
+
+Aan de overzijde aan wal gestapt en den dijk opgewandeld zijnde,
+zag Joan in de laagte een soort van huifkar staan, met twee kloeke
+paarden bespannen, welke een jonge vrouw vasthield.
+
+"Ziedaôr uw rijtuig," zeide Teun, hem op de kar wijzende: "wil ik
+er de bagage maar inbrengen?" Dit zeggende, nam hij de valiezen der
+beide reizigers en smeet die in de kar, waarna hij zich vloekende
+en tierende bij de jonge vrouw begaf, haar verwijtende, dat zij de
+paarden averechts gespannen had.
+
+"Maar zij staan immers altijd zoo," zeide de jonge vrouw.
+
+"Houd den bek, wijf!" grauwde Teun haar halfluid toe, "of ik zal oe
+een muilpeer geven, die oe de lust tot snaôteren wel benemen zal. Ik
+zeg, ze staôn verkeerd om, en dan is het zoo!"
+
+Tegen dit _martiaal argument_ was niets in te brengen: de goede vrouw
+haalde met een zucht de schouders op, en riep toen, Joan ziende,
+verwonderd uit: "Lieve deugd! is dat onze Jonker niet?"
+
+"Ja! dat is onze Jonker: ga je maôr naôr hem toe, je staôt mij hier
+meer in dan uit den weg," antwoordde Teun op denzelfden vriendelijken
+toon. "Heerschoppen!" vervolgde hij, zich tot Joan en diens reisgezel
+wendende: "blijf daôr zoolang niet in den wind staôn. Gaôt in dat
+kapelleke, terwijl ik de paarden verspan."
+
+De reizigers volgden dien raad en gingen in een kroegje dat vlak aan
+den weg stond, gevolgd door de vrouw van Teun Wezer, in dewelke Joan
+nu zijn speelkarnuit Klaartje, Boukes nicht, herkende.
+
+"Wel Klaartje!" vroeg hij haar na de eerste groete, "hoe maakt gij
+het al in den echten staat?"
+
+"Ja," antwoordde zij, terwijl twee dikke tranen haar langs de wangen
+liepen: "als men alles van te voren wist!.... doch ik geloof waarlijk,
+dat mijn man mij roept om hem te komen helpen;.... maar neen," zeide
+zij, terugkeerende: "hij kan mij wel missen: trouwens, dat kan hij
+altijd wel.... daar is hij!"
+
+Teun Wezer trad het kroegje binnen, en in 't voorbijgaan een
+vreeselijken blik op zijn vrouw werpende, begaf hij zich naar de
+toonbank en zwolg een kelk brandewijn in, welken een oude Megeer,
+die aldaar voor tapster speelde, hem toegereikt had; waarna hij zich
+tot de reizigers wendde met een: "'t is klaôr, heerschoppen!"
+
+In 't uitgaan der kroeg bemerkte Teun, dat zijn vrouw Joan, die
+reeds buiten was, toewenkte, dat zij hem nog iets te zeggen had:
+bij het zien dezer beweging stootte hij haar ruwelijk achter zich
+weg; dan Joan, wien de gebaarden van Klaartje niet ontsnapt waren,
+keerde terug, draaide om den voerman heen en stak aan diens vrouw de
+hand ten afscheid toe. Veinzende te struikelen, nam zij dit oogenblik
+waar om hem schielijk in te fluisteren: "uw pistolen!" waarna zij
+zich haastig omwendde en een luid vaarwel toeriep.
+
+De Jood had intusschen plaats op de kar genomen: Joan volgde hem, over
+de geheimzinnige waarschuwing, welke hij ontvangen had, nadenkende:
+en op de bank gezeten, was zijn eerste werk om naar zijn pistolen om
+te zien; doch hij vond die, zooals hij ze gelaten had, aan weerszijden
+in zijn mantelzak gestoken.
+
+Teun Wezer, zich op een soort van bok of vooropbank gesteld hebbende,
+greep nu de teugels, of liever de touwen, welke dien rang bekleedden,
+in de hand en deed zijn zweep driewerf de lucht doorklieven;
+waarop de paarden op een redelijken draf vertrokken en het rijtuig
+door een aangename landouw, met boomgaarden en koornvelden bedekt,
+voorttrokken. Met weemoedige deelneming staarde onze held op die
+welvarende en vruchtbare streken: en diep trof hem de gedachte, hoe
+weldra, na het eindigen van het Bestand, de oorlogsfakkel opnieuw
+in dit gedeelte van Nederland zoude blaken, de hoop des veldmans
+verteren en wellicht vele dier thans zoo fraaie en rijke woningen in
+asch leggen: hoe de zwaarden der krijgsliên het graan zouden maaien,
+'t welk de hand des nijveren landmans hier gezaaid had. De sombere
+stemming, waarin hem deze overdenkingen brachten en de nog dieper
+zwaarmoedigheid, waarin hij verviel, als hij soms weder over zijn eigen
+toestand nadacht en zich de ontdekkingen en gebeurtenissen der vorige
+dagen voor den geest bracht, en eindelijk het gering genoegen, dat hij
+uit een gesprek met zijn vreemden reismakker verwachten kon, deden hem
+over den weg een diep en onafgebroken stilzwijgen bewaren. Wat den Jood
+betrof, ook deze scheen geen onderhoud te verlangen: hij had zich,
+'t zij uit voorzorg tegen den wind, 't zij omdat hij van tandpijn
+gekweld was, een zijden doek om de kin gebonden, welke het gedeelte
+van zijn gelaat, dat nog zichtbaar gebleven was, ten volle bedekte. De
+voerman was insgelijks stil en afgetrokkener van gedachten, dan men
+van iemand uit zijn stand verwachten zoude: somtijds poogde hij een
+liedje te neuriën, doch al spoedig verzwakte zijn stem, hij zweeg,
+zakte ineen en verviel weder als in een dommeling, en als dit een
+korte poos geduurd had, richtte hij zich wederom op, begon opnieuw
+te fluiten en te zingen, liet de zweep aan de paarden voelen en hen
+draven tot aan de naastbij gelegene kroeg, waar bij nooit naliet het
+zoopje te aanvaarden, dat de maagd, die voor den deurpost wachtte,
+hem reeds van verre had staan toereiken.
+
+Over Drummel naar de Maas gereden, staken onze reizigers die rivier
+over, en kwamen weldra te Kessel, alwaar Teun Wezer begreep zijn
+paarden eenige rust en voeder te mogen doen genieten; welke gelegenheid
+zoowel Joan als de Jood zich ten nutte maakten om in de herberg een
+sober ontbijt te gebruiken.
+
+Terwijl Joan hiermede bezig was, zag hij uit het raam, waaraan hij
+gezeten was, dat zijn voerman op de binnenplaats in gesprek stond
+met twee kerels van een alleronaangenaamst voorkomen, die na eenige
+woordenwisseling de herberg verlieten. Deze omstandigheid wekte opnieuw
+eenig kwaad vermoeden op bij onzen held, zoodat hij het raadzaam
+oordeelde, zich nogmaals van den toestand, waarin zijn wapenen zich
+bevonden, te gaan verzekeren. Hij begaf zich met dat oogmerk naar den
+stal, alwaar hij op dat oogenblik niemand vond, vermits Teun Wezer
+zich naar de keuken had begeven om te ontbijten, en de staljongen
+voeder was gaan halen. Onverhinderd en onopgemerkt kon hij dus de beide
+pistolen uit den mantelzak halen en onderzoeken; waarop hij tot zijn
+verbazing ontdekte, dat men de kogels uit de loopen had gehaald. Hij
+zelf had de pistolen des morgens op Sonheuvel geladen en te Tiel
+gestoken in zijn mantelzak, welke hij sedert niet uit het oog had
+verloren, dan alleen gedurende den korten tijd, toen hij op verzoek
+van Teun Wezer het kroegje aan het veer was ingegaan. Hij begreep nu,
+dat die schelm zich deze gelegenheid had ten nutte gemaakt om, onder
+voorwendsel van de paarden te verspannen, de geweren buiten staat
+te stellen eenig letsel te doen, welk bedrijf Klaartje ongetwijfeld
+had opgemerkt. Zijn reisgenoot niet buiten noodzakelijkheid willende
+verschrikken, en onbewust of deze geen medeplichtige aan een tegen
+zijn leven of vrijheid gesmeden aanslag ware, hield hij dezen onkundig
+van de gedane ontdekking, laadde de pistolen opnieuw, bracht die op
+hun plaats terug en verliet wederom even ongemerkt het wagenhuis.
+
+Kort daarna kwam Teun Wezer de reisgenooten waarschuwen, dat het tijd
+was weder op reis te gaan: zij vervolgden dan hun weg door een zwaar,
+slijkerig spoor, hetgeen de paarden noodzaakte stapvoets voort te
+gaan. Hoe meer zij vorderden, hoe vetter en hinderlijker de modder
+werd, zoodat zij, eer zij Kessel nog uit het oog verloren hadden,
+tot de helft der wielen in het moeras zaten.
+
+Het oord was hier eenzaam en verlaten: nergens vertoonde zich
+eenig levend wezen, en de rook alleen, die hier en daar in de verte
+uit het kreupelhout opging, verraadde de nabijheid van dorpen en
+gehuchten. Eindelijk ontdekte Joan verre voor zich uit, doch aan
+den rijweg, met welgevallen een gebouw, dat vrij aanzienlijk scheen:
+doch met teleurstelling ontwaarde hij bij 't naderen, dat het alleen
+uit de vier muren bestond, zijnde het droevig overblijfsel eener nog
+vóór den aanvang van het Bestand uitgebrande huizinge, welke thans
+uitmuntend geschikt was tot een verblijfplaats van uilen en kraaien,
+en misschien van nog gevaarlijker roofgedierte. Ook ontging het Joan,
+die oplettend was op al wat zijn vermoedens op kon wekken, geenszins,
+dat zich tusschen die vervallen muren een paar menschen bevonden,
+die even uitkwamen, doch bij het zien van het rijtuig dadelijk
+terugtraden. Zooras onze held dit bemerkte, haalde hij in stilte zijn
+pistolen uit den mantelzak en stak zijn handen onder de bank, eer
+zijn reisgenoot of de voerman deze beweging bespeurd hadden. Zij reden
+echter de bouwvallen voorbij, zonder dat er iemand te voorschijn kwam;
+doch nauwelijks was men een twintig roeden verder gekomen of Teun Wezer
+liet, als bij toeval, zijn zweep vallen, hield de paarden staande en
+sprong af, als wilde hij die gaan oprapen. "Met uw verlof!" zeide Joan,
+die al zijn bewegingen aandachtig gade had geslagen, "dat zal ik wel
+voor u doen;" en, meteen sprong hij op het voetpad, dat, veel hooger
+dan de weg, niet zoo zwaar bemodderd en bewandelbaar was. Dan terstond
+haalde Teun Wezer, zonder een woord te spreken, de houten pen uit,
+welke het karretje (hetwelk in den smaak der hedendaagsche asch-,
+mest- of vuilniskarren gemaakt was), tegenhield, waardoor het met
+Jood en al achterover en in de modder sloeg. Op datzelfde tijdstip
+sprongen de twee personen uit het vervallen gebouw, dezelfden, die
+Joan in de herberg gezien had, met het mes in de vuist, voor den dag,
+en snelden op de kar aan.
+
+"Staat!" riep Joan, hun de pistolen voorhoudende: "of ik brand los."
+
+"Loop maar toe!" riep Teun, terwijl hij zijn mes trok en Joan van
+achteren aangreep: "zij zijn niet eladen."
+
+"Dat zult gij anders ondervinden! zeide Joan, en zich omkeerende,
+schoot hij den booswicht neder, die vloekende tusschen de paarden
+rolde. Vervolgens zijn degen trekkende, stelde de moedige jongeling
+zich in postuur om de beide anderen af te wachten: dezen, door het
+gezicht van den gewonden voerman ontzet, verkozen geen poging te doen
+om met levensgevaar te naderen en bliezen den aftocht, met den meesten
+spoed hun weg weer naar den kant van Kessel nemende. Joan volgde hen
+een klein eind weegs, doch slechts langzaam, daar hij zich niet te
+ver van de kar verwijderen wilde; doch hij verloor hen weldra uit
+het oog. Toen keerde hij terug om te onderzoeken, in welken toestand
+zich de arme Jood en de gekwetste bevonden. Dan, wie schildert zijn
+verbazing, toen hij bij 't naderen geen Jood noch Joodsgelijke meer
+zag, maar, naast den onder zijn eigene paarden in de modder geraakten
+voerman, de edele, eerwaardige gestalte van Godard van Reede, zooals
+hij zich in het klooster te Tiel aan hem vertoond had, herkende.
+
+"Wat zie ik?" riep Joan, verbaasd achteruittredende.
+
+"Stil!" zeide de geestelijke: "die ongelukkige leeft nog: hij is
+misschien nog te helpen."
+
+"Gij wilt dien ellendige bijstaan?" hernam Joan, een vertoornden blik
+op Teun Wezer werpende.
+
+"Hij heeft mijn bijstand ingeroepen," antwoordde de grijsaard:
+"en dit heeft nooit een sterveling te vergeefs gedaan."
+
+Dit zeggende, trachtte Pater Ambrosius, gelijk de geestelijke, als men
+weet, genoemd werd, den gekwetste op te helpen; doch het machteloos
+lichaam gaf niets mede en zat diep in het slijk.
+
+"Wacht!" zeide Joan: "laat mij die taak over: ik zal hem wel op vasten
+grond brengen!" En meteen zette hij de voeten vast aaneengesloten in
+het slijk, greep Teun Wezer met beide handen om het lijf en tilde
+hem op het voetpad. De gewonde opende nu de oogen en zeide met een
+schorre en gebroken stem: "o wee! het is met mij gedaan.... laat de
+Vicaris.... een gebed.... voor mijn ziel.... o wee!" Deze woorden
+met moeite hebbende geuit, liet hij het hoofd op den schouder vallen
+en sloot de oogen, terwijl de doodskleur zich weder over zijn gelaat
+verspreidde.
+
+"Hier is geen hulp in den omtrek," zeide de geestelijke: "laten wij
+hem in de kar leggen en met ons voeren: indien ik slechts iets had
+om het bloed te stelpen, dat uit zijn wond stroomt.... wacht! in de
+kar ligt de doek, waarmede ik mijn gezicht verborgen hield."
+
+"Hoe!" riep Joan, terwijl hij snel den doek uit de kar haalde:
+"gij waart dan werkelijk die Jood, mijn reisgenoot?"
+
+"Ik ben een ongelukkige zwerver," antwoordde Ambrosius: "die nergens
+veilig, door allen vervolgd, bij allen gehaat, niet dan door Gods
+vaderlijke hulp, die u tot mijn redder beschikte, aan den moorddolk
+ontsnapt ben, die mij dreigde."
+
+"Het was dan tegen u, dat de aanslag gesmeed was?"
+
+"Gewis! en ik ken hen, die dezen arm tegen mij gewapend hebben."
+
+"En gij bewijst uw menschlievende hulp aan den booswicht?"
+
+"Leert men in uwe Kerk," vroeg de geestelijke, den jongeling met
+ernst en waardigheid aanziende, "dan het heilige voorschrift niet:
+""doe wel aan die u haten?""
+
+"Voorzeker," zeide Joan blozende: "doch, verschoon mij, ik had het
+voorbeeld, dat mij door u gegeven wordt, niet van een Roomschgezinde
+verwacht."
+
+"Slechts één hielp den gekwetsten koopman, waar de schriftuur ons
+van verhaalt, en die was een Samaritaan," zeide Ambrosius met nadruk.
+
+Onder dit gesprek hadden zij den gekwetste verbonden zoogoed hun
+mogelijk was: vervolgens plaatste Joan hem in de kar: de grijsaard
+ging naast hem zitten en hield hem vast, om het zwakke lichaam tegen
+de al te sterke schokken van het rijtuig te bewaren. Joan nam de
+teugels in de hand, zette zich op het vooropje en liet de paarden
+hun weg vervolgen.
+
+"Zou het niet te vrijpostig wezen," vroeg Ambrosius, na eenige
+oogenblikken zwijgens, "om te vragen, welke zaken den Jonker van
+Craeihorst in Den Bosch roepen?"
+
+"Gij kent mij!.... Doch waarom zou mij dit bevreemden? Ik heb in de
+laatste dagen het recht verloren om mij ergens over te verwonderen."
+
+"Ja! ik ken u. Reeds toen ik u voor eenige dagen te Tiel zag, trof
+mij uw gelaat; sedert vernam ik, wie gij waart, en ik herinnerde
+mij, u als knaap bij uw pleegvader te hebben ontmoet, en u den ring
+geschonken te hebben, welken ik aan uw vinger zie."
+
+"Welnu, zoo UEd. mij kent," zeide Joan: "zal uw verwondering over
+mijn reis naar Den Bosch niet zoo groot wezen; want dan zult ge ook
+de betrekkingen kennen, welke ik aldaar ga opzoeken: ten minste,
+ik moet dit veronderstellen, na u in 't gezelschap van Van Dyk te
+hebben ontmoet."
+
+"Van Van Dyk?" hernam Ambrosius: "was hij de man die u derwaarts
+zond? En welke redenen heeft hij u gegeven, sterk genoeg, om u een
+huisgezin, dat u liefheeft, te doen verlaten?"
+
+Joan was op het punt zijn vertrouwen te schenken aan zijn reisgenoot,
+wiens achtbaar en tevens vriendelijk voorkomen hem bereids had
+ingenomen; doch hij weerhield zich, indachtig aan de nauwe betrekking,
+die tusschen Vader Ambrosius en den Baron bestond. Daarenboven was
+hem de gedachte niet vreemd, dat de grijsaard, van hetgeen hij hem
+zou kunnen verhalen, beter en vollediger onderricht ware, dan hij zelf.
+
+"Ik weet niet," antwoordde hij, "of ik vooralsnog vrijheid heb,
+UEd. die redenen mede te deelen. Wat echter den persoon betreft, dien
+ik zoek, het is Don Louis de Velasco, en het zou mij aangenaam zijn,
+indien UEd. mij behulpzaam wilde wezen om een mond gesprek met hem
+te verkrijgen."
+
+"Jongeling!" hervatte Ambrosius: "versta ik u wel? Zijt gij niet in
+dienst van den verjaagden Paltsgraaf, die zich koning van Bohemen
+noemt? Wat hebt ge dan met zijn vijand uit te richten?"
+
+Joan zweeg.
+
+"En draagt de Baron van Sonheuvel kennis van deze reis?"
+
+Joan schudde het hoofd en zuchtte.
+
+"Jongeling!" zeide de grijsaard met een ernstig en weemoedig
+gelaat: "ik ben een ijverig en getrouw, schoon onwaardig dienaar
+der Moederkerk, en zou mijn leven gewillig prijsgeven, zoo
+ik de Nederlanden van ketterij verlost en tot de zuivere leer
+zag teruggebracht; maar verachting en smaad is in mijn oogen de
+Nederlander waardig, die de zijnen, lafhartig, om wereldsch goed,
+verlaten en verraden zou."
+
+"Die smet mag mij niet aangewreven worden," riep Joan uit, terwijl een
+hoogrood zijn wangen overdekte: "God weet hoe zuiver mijn bedoelingen
+zijn!"
+
+"En toch!" hernam Ambrosius: "het is Van Dyk, die u naar Den Bosch
+zendt!.... slechts één verontschuldiging kan uw gedrag hebben: dat gij
+namelijk uw kettersche gevoelens af wilt zweren en een heilige steê
+gaat zoeken, waar gij u aan den dienst Godes wijden moogt;.... doch
+het is niet Don Louis, welke u die verschaffen zal."
+
+"Ook dit is mijn bedoeling niet: en echter is in deze mijn gedrag
+onberispelijk."
+
+"Zoo dit waar is, gelijk ik op uw herhaalde verzekering gelooven wil,
+maak dan staat op mijn diensten, die ik u van harte aanbiedt; doch,
+nogmaals, weiger mij uw vertrouwen niet: ik ben het waardig;--en,
+geloof mij, geen laakbare nieuwsgierigheid drijft mij aan; maar de
+zucht om u nuttig te zijn, u, mijnen redder."
+
+"Ik heb geen recht op uw dankbaarheid," hernam Joan: "gaarne had ik
+voor u in de bres gesprongen; doch ik dacht, dat het slechts op mij
+gemunt was, en dat het alleen mijn eigen leven was, dat ik verdedigde."
+
+"Geenszins! Teun Wezer kende mij, en de vermomming, waarin ik stak,
+moest mij alleen dienen, om bij anderen onbekend te blijven. Het is,
+helaas! niet de eerste reis, dat ik ondervinden moet, hoe verre de
+haat en nijd mijner vijanden gaan kunnen; doch nooit had ik gedacht,
+dat men die tot zulk een uiterste zou durven voeren."
+
+Na deze aanmerking, welke tot pijnlijke herinneringen aanleiding scheen
+te geven, verviel de geestelijke in een diepe mijmering, waarin Joan,
+die aan zijn eigene bekommernissen daarenboven genoeg had, hem niet
+wenschte te storen. Nadat zij, op deze wijze, gedurende eenigen tijd
+door de modder hadden voortgesukkeld, kwamen zij op een gullen zandweg,
+die hen in korten tijd tot bij een wetering bracht, bij welke zich
+voor een boerenherberg eenige lakeien bevonden, in deftige livreien
+uitgedost en allen te paard gezeten, welke, zoo 't scheen, dit of
+dat voornaam personage stonden af te wachten. Zoodra zij de kar in
+'t oog kregen, reed een van hen haar op een goeden draf te gemoet,
+sprong af toen hij haar genaderd was, en bleef met ongedekten hoofde
+eerbiedig de bevelen afwachten, die men hem geven zoude; toen stak
+tot Joans verwondering, Ambrosius het hoofd buiten en vroeg of alles
+in orde was, 't geen de lakei met een diepe buiging beantwoordde.
+
+"Welnu!" hernam de grijsaard: "laat dan mijn muilezel oprijden;
+want ik verlang hartelijk uit dit ongemakkelijke rijtuig te zijn:
+laat een uwer, die het beste paard berijdt, afstijgen en het aan
+dezen edelman geven, die zich te onpas heeft genoodzaakt gezien,
+voor koetsier te spelen. Wat die kar betreft, die moet, met dien
+gewonden man medegevoerd worden, en ik beveel, dat er nauwe zorg voor
+den ongelukkige gedragen worde. Jonker! wees zoo goed, af te klimmen
+en een voegzamer gelegenheid aan te nemen om uw reis voort te zetten."
+
+Joan maakte met blijdschap van deze aanbieding gebruik, en klom
+af, terwijl de overige lakeien, inmiddels genaderd, den ouden man
+uit de kar hielpen. Een fraai getoomd muildier werd voorgebracht,
+waar Ambrosius opsteeg, terwijl Joan een kloek rijpaard bekwam. Twee
+dienaars plaatsten zich in de kar bij den gekwetste, en volgden, met
+een langzamer tred den trein, welke zich nu verder, op een vlugger
+draf, naar Den Bosch begaf.
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ Mathan! d'un prétre est-ce là le langage?
+
+ Is dit eens priesters taal, o Mathan?
+
+ _Racine_, Athalie.
+
+
+Op den avond van denzelfden dag, op welken Joan in Den Bosch was
+gekomen, zat de Grootmeester der artillerie, Don Louis de Velasco,
+met een ontrust gemoed een brief te herlezen, welke hij reeds
+meermalen met gemelijkheid had nedergeworpen. Het overlijden van den
+Aartshertog, op een zoo ongunstig tijdstip als het einde des Bestands
+voorgevallen, had onder de Spaansche legerhoofden een niet geringe
+verlegenheid teweeggebracht, behalve dat het Velasco, als een der
+vertrouwde vrienden van het doorluchtig vorstenpaar, meer bijzonder
+getroffen had. Er waren geen nadere tijdingen uit Brussel gekomen,
+hoe zich in deze omstandigheden te gedragen; het tijdstip naderde
+met rassche schreden, waarop de twaalf jaren, welke het bestand
+geduurd had, zouden verloopen wezen, en Velasco was beducht, dat,
+zoo de bevelen van zijn overheden langer uitbleven, hij niet in
+staat zoude zijn, bijtijds tot den oorlog gereed te wezen, voor
+zooverre althans het vak betrof, dat aan zijn kunde en ervarenheid
+was toevertrouwd. Het laatste bevel, hetwelk hem de Aartshertog
+had doen toekomen, was van een zoodanigen aard, dat het veeleer
+staat- dan krijgskundige overpeinzingen van hem vorderde; hem werd
+namelijk gelast, drie voorname Hollandsche ballingen, te weten Huig
+De Groot, Uyttenbogaert en Grevinkhoven, die zich op dat tijdstip in
+'s-Hertogenbosch bevonden, door beloften, geschenken of anderszins
+over te halen om de Spaansche zijde te kiezen en met hun ongemeene
+begaafdheden te sterken. Hoe weinig deze taak ook naar den smaak
+van Velasco was, begreep hij echter die niet te mogen verzuimen,
+ofschoon het hem naar zijn dom krijgsmansbegrip toescheen, dat twee
+verloopen Dominees en een verwaande papierbekladder juist zulk een
+groote aanwinst niet zouden zijn voor de Spaansche partij. Zijn eigene
+begaafdheid in 't behandelen eener zoo teedere zaak mistrouwende,
+had hij den Heer Van Grobbendonck, een listigen, behendigen man,
+en tot dusdanige onderhandelingen bij uitnemendheid geschikt, doen
+verzoeken, de samenkomst te willen bijwonen. In afwachting van dezen,
+las hij den brief des Aartshertogs nog eens over, toen de Vicaris
+zich bij hem liet aandienen.
+
+"De Vicaris!" riep hij uit, terwijl een glans van vergenoegen zich
+op zijn gelaat verspreidde: "voorwaar de man kan nooit op gelegener
+tijdstip komen! ik had juist een welbespraakte noodig: geleerde
+tegen geleerde dat's kamp.--Maar de duivel!" vervolgde hij, zich
+achter 't oor krabbende: "zoo hij eens te nauwgezet ware, en dacht:
+_non tali auxilio, non talibus defensoribus_.... of hoe zeide mijn
+hoogloffelijke leermeester te Salamanca ook?".... [47]
+
+"Zal ik Zijner Hoogwaardigheid zeggen, dat UEd. belet is?".... vroeg
+de ordonnans, zijn overste in onzekerheid ziende.
+
+"Vooral niet, Vlascamp! vooral niet!--laat Zijn Hoogwaardigheid
+boven komen. Hij komt juist van pas: en laat de kok op een persoon
+meer rekenen: ik moet zien dat ik hem te gast hou: toe, haast u:
+ik verlang al hem te spreken."
+
+Vlascamp vertrok en liet een oogenblik later Pater Ambrosius
+in. "_Salve: celsissime vir!_" zeide Velasco, zich nederig buigende en
+den grijsaard de hand kussende: "nogmaals _salve_! en van harte welkom
+in de stad. Sinds wanneer hebben wij het geluk, Uw Hoogwaardigheid
+binnen onze muren terug te bezitten?"
+
+"Ik ben heden van Tiel teruggekeerd," antwoordde de Vicaris, na
+beleefde groete, plaats genomen hebbende: "en hoe gedraagt UEd. zich
+in de droeve omstandigheden welke wij beleven?"
+
+Velasco zuchtte en schudde het hoofd, waarna zij eenige woorden
+wisselden over het afsterven van den Aartshertog en de veranderingen,
+welke hieruit zouden ontspruiten.
+
+"Mag ik Uw Hoogwaardigheid vragen," zeide Velasco, toen eindelijk het
+gesprek een andere wending genomen had, hoe zij het kuddeke gevonden
+heeft, dat aan haar zorgen is toevertrouwd?"
+
+"Daarover," zeide Ambrosius, "valt, helaas! weinig te roemen. Wanneer
+ik door mijn eigen geloofsgenooten, door hen, wier gestadige arbeid het
+wezen moest, met mij tot hetzelfde einde mede te werken, onophoudelijk
+word gedwarsboomd, dan valt het zwaar, die plichten jegens mijn kudde
+te vervullen, welke de hooge bediening, van mij eischt, waartoe ik
+mij geroepen zie."
+
+"Uw eigen geloofsgenooten," riep Velasco verbaasd uit: "over wie hebt
+gij te klagen?"
+
+"Mijn klachten," hernam Ambrosius, "hoop ik eerstdaags bij den Nuntius
+in te leveren; ware ik alleen de vervolgde, het doel, waarop zij
+hun pijlen spillen, dan zoude ik mij om Christi wille die smaadheid
+getroosten; doch ik moet mijn schapen voorstaan, en het treft de
+scheuring in de Kerke meer dan mij. Tenzij de God des vredes, die de
+goede Herder is, de boozen beteugele en Zijn Heiligheid intijds nog
+den banbliksem op 't hoofd der schuldigen nederwerpe, hebben wij in
+alle dingen verwarring en meer gevaar van de huisgenooten, dan van
+de vijanden des geloofs te vreezen."
+
+"En wie zijn zij, die huisgenooten, welke verwarring veroorzaken?"
+
+"Wie?--het zijn die heerschzuchtigen, die onze zuivere leer door Europa
+doen vloeken en verfoeien: het zijn die onverzoenlijke vijanden van
+alle oprechte aanbidding in nederigheid, hoop en liefde, die, onwillig
+onder mijn gezag gesteld, geen andere bevelen volgen, dan die, welke
+uit den boezem hunner Sociëteit voortkomen."
+
+"Hoogwaardigste!" zeide Velasco, verbleekende: "gij bedoelt toch de
+Jezuïeten niet!"
+
+"Zie," hernam de Vicaris: "den indruk, dien het noemen alleen
+van hun naam bij u teweegbrengt, bewerken zij overal; met banden
+van vrees kluisteren zij de wereld, die hen verfoeit: hun macht,
+bij alle volkeren, aan alle hoven verspreid, is even geducht als
+ontzettend. Onverzettelijk gaan zij voort ter bereiking van het
+eenigste doel dat zij bejagen, en waartoe alle middelen hun even
+geschikt voorkomen:--en wat is dat doel? Niet de vestiging van de
+echt Katholieke beginselen; niet de toebrenging van alle volkeren
+tot het heilig en onvervalscht geloof:--neen, alleen de tijdelijke,
+geheel aardsche heerschappij hunner eigene Sociëteit over de geheele
+wereld is het wit, dat zij bejagen, en aan 't welk zij alle belangen,
+alle plichten, alle menschelijke banden, ja het welzijn van hun
+onsterfelijke zielen zonder wroeging blijven opofferen."
+
+"Mijn waarde Heer Vicaris!" zeide Velasco, nadat hij vruchteloos
+dien stroom van woorden had pogen te stuiten: "laat ons liever
+van dat onderwerp afstappen: het is teeder, ja in de tegenwoordige
+omstandigheden te gevaarlijk. Sta mij liever een verzoek toe, dat ik
+u te doen had, en deel hedenavond mijn eenvoudig maal. Ik verwacht
+hier, behalve den Heer Van Grobbendonck, nog drie heeren, van welke
+Uwe H. waarschijnlijk heeft hooren spreken: de Heeren De Groot,
+Uyttenbogaert en Grevinkhoven. Uwe H. zal mij grooten dienst doen,
+door te blijven en het gesprek wat levendig te houden: want ik ben
+geen geleerde, gelijk Uwe H. bekend is."
+
+De Vicaris nam dit voorstel met welwillendheid aan; en, terwijl
+Velasco hem de redenen ontwikkelde, waarom juist deze drie heeren
+bij hem genoodigd waren, verscheen de Heer Van Grobbendonck, en,
+kort daarna, de drie Hollandsche ballingen.
+
+"Het is met veel erkentenis voor de hooge onderscheiding, welke mij te
+beurt valt," zeide De Groot tot Velasco, "dat wij van UEds. beleefde
+uitnoodiging hebben gebruik gemaakt."
+
+"Geen plichtplegingen," was het antwoord van den gastheer: "het is aan
+mij op de eer te roemen, van zulke vermaarde gasten te mogen ontvangen:
+ik hoop maar, dat de heeren met mij wat toegeeflijkheid gebruiken
+zullen; want ik ben geen geleerde, maar een krijgsman: _artium
+liberalium expertus_, zooals mijn leermeester te Salamanca zeide."
+
+"_Expers_ meent UEd. voorzeker," zeide De Groot: "maar zoo heeft elk
+zijn eigene bediening hier beneden; en UEd. voert den degen, gelijk
+ik de pen voere."
+
+"Ik weet niet, dat mij in mijn leven zoo iets vleiends gezegd
+is," hernam Velasco: "het verheugt mij intusschen, dat ik u, Mijn
+Heeren! het bijzijn kan verschaffen van iemand, die meer dan de Heer
+Van Grobbendonck en ik met de geleerde wereld bekend is, namelijk
+van den Heer Vicaris Ambrosius, hier tegenwoordig, een doorkundig
+en bekwaam...."
+
+"Aangenaam is het ook mij," zeide De Groot, dadelijk naar den Vicaris
+toetredende, "in de gelegenheid te zijn van in kennis te geraken met
+een man, in de Nederlanden zoo hoog geacht als de Heer Vicaris. Vergun
+mij, Heer Vicaris, Uwe H. te mogen omhelzen. Eer hebbe de Geleerdheid,
+welke ons, die geenszins met oorlogen gediend zijn, het recht geeft,
+de vriendschap te genieten en te oefenen, welke de heiligste van alle
+menschelijke zaken is."
+
+Ambrosius beantwoordde deze beleefde toespraak op de minzaamste
+wijze en trad nu zoo met hem als met de Predikanten in een zeer
+onderhoudend gesprek, waarvan echter de beide Bevelhebbers weinig
+begrepen. Intusschen had Velasco laten opdisschen: de gasten
+plaatsten zich, en het gesprek werd meer algemeen. De Groot gaf,
+op het verzoek van Grobbendonck, een omstandig verhaal van zijn
+zonderlinge ontkoming uit den Loevesteinschen kerker: waaruit,
+die laatstgenoemde krijgsoverste aanleiding nam, om hevig uit te
+varen tegen de ondankbaarheid der Staatschen, die hun braafste en
+verdienstelijkste mannen op zoo onrechtvaardige wijze behandelden.
+
+"Verschoon mij, Mijnheer!" hernam De Groot: "Ik wijt mijn ongeval
+geenszins aan mijn landgenooten, onder welke ik mij beroeme, hooge
+achting en deelneming jegens mij te hebben ondervonden. Een vervolging
+als die, welke ik lijden moet, is alleen het gevolg van den nijd
+en haat, welke het gemeene lot der ware verdiensten zijn, en waarin
+ik mij dus verheugen mag. Werd niet Miltiades door zijn medeburgers
+in den kerker geworpen, Themistocles verbannen, Metellus verjaagd,
+Cicero onthalsd, de groote Cato genoodzaakt zichzelf van het leven
+te berooven?"
+
+"Waren die Heeren ook Remonstranten?" vroeg Velasco, jegens wien De
+Groot nutteloos zijn geleerdheid verspilde.
+
+"Gewis, Mijnheer!" antwoordde Uyttenbogaert: "in zooverre als zij
+remonstreerden tegen de verkeerdheden van hun tijd."
+
+"UEd.," zeide De Groot met verbazing, "heeft toch den goddelijken
+Cicero wel hooren noemen."
+
+"Buiten twijfel," hernam Velasco: "mijn leermeester te Salamanca,
+gelijk ik mij nu herinner, heeft mij wel eens van hem gesproken:
+dat was immers de man, die zeide; "_Quousque tandem Catalina_...."
+
+"_Catilina_," verbeterde De Groot.
+
+"Juist, _Catilina_.--Ik geraakte in de war: Catalina was een meisje,
+waar onze geëerde Corregidor te Salamanca veel werk van maakte, en
+daarom lag mij die naam in 't hoofd. Gelijk ik de eer had UEd. te
+zeggen, ik ben geen geleerde, en _non omnes omnia_...."
+
+"_Non omnia possumus, omnes_, [48] als UEd. te recht aanmerkt. Welnu,
+Mijnheer! de mannen, welke ik zooeven noemde, werden voor hun groote
+en gewichtige diensten door hun medeburgers met ondank beloond,
+en echter bleven zij allen hun vaderland teeder beminnen en gaven
+daar herhaalde bewijzen van: gelijk Camillus, die Rome van het juk
+der Galliërs verloste, Cicero, die zijn goed en leven veil had voor
+het gemeenebest, Cato, die den val van Rome niet overleven wilde,
+Themistocles, die zich, als sommigen willen, met vergif ombracht,
+om niet tegen zijn vaderland te strijden: en zooveel in mij is,
+moet ik het voorbeeld volgen, mij door die groote mannen gegeven."
+
+"Ik heb slechts eene aanmerking te maken op hetgeen UEd. gelieft te
+zeggen," zeide Grobbendonck: "de meeste der helden, die UEd. ons
+opnoemt, leden van persoonlijken haat; doch de vervolging tegen
+ulieden in 't werk gesteld, is meer gericht tegen een gevreesde
+partij, dan tegen uw personen, voor wier geleerdheid en verdiensten
+elk Nederlander, hoe ook in staatkundige of godsdienstige gevoelens
+van u verschillend, den hoogsten eerbied voeden blijft."
+
+"Ja, Mijne Heeren!" zeide Velasco: "het is niet zoozeer om uwentwil,
+als om de zaak, welke gij zoo moedig en belangeloos hebt voorgestaan,
+dat ik UEd. zou aanraden, de aanbiedingen der Aartshertogin
+te aanvaarden. Men staat UEd. toe om, in een der Brabantsche of
+Vlaamsche steden, een kerk te stichten, waarom uw verdrukte gemeente
+zich verzamelen mag: en onder geen andere voorwaarden, dan dat gij uw
+bekwame pennen zult blijven versnijden ter bevordering van den vrede,
+het uitzicht en de hoop van alle brave lieden."
+
+"De vrede zou mij dierbaar zijn," riep De Groot uit: "doch zoo ik
+daartoe rade, moet zulks uit eigene overtuiging, geenszins op verzoek
+harer Doorluchtigheid geschieden."
+
+"Ik eer uw nauwgezetheid," antwoordde Grobbendonck: "wij begeeren ook,
+dat UEd. alleen naar die overtuiging zult handelen: het zal ons zelfs
+aangenaam zijn, indien UEd. onvoorwaardelijk 's Konings gunsten wilt
+aannemen; want daardoor zal de wereld zien, hoe ons Hof, ook zonder
+hoop op de wedervergelding, deugd en bekwaamheid weet te loonen en
+voor te staan; doch wij willen UEd. geenszins overrompelen: denkt
+over ons voorstel na, Mijne Heeren! raadpleegt, zoo 't u goeddunkt,
+uw geloofsgenooten, uw Hollandsche vrienden, ja voornamelijk uw
+verstandigen en doorluchtigen beschermheer."
+
+"Onzen beschermheer?" vroeg De Groot, verwonderd: "wien kan
+UEd. bedoelen?"
+
+"Graaf Hendrik Frederik," antwoordde Grobbendonck: "zoo ik wel
+onderricht ben, is hij uwer partij geheel toegedaan, en is hij in
+Nederland de voorname hoop der verdrukte Remonstranten."
+
+De Remonstrantsche Heeren zagen elkander aan met dien blik van
+besluiteloosheid, welke natuurlijk is, wanneer men iets gezamenlijk
+zou moeten beantwoorden en beslissen, maar door het bijzijn van
+derden daarin verhinderd wordt.--Grobbendonck redde hen echter uit die
+verlegenheid, door hun nogmaals te verzekeren, dat zij zich vooreerst
+niet behoefden te verklaren, en dat hun de noodige tijd en vrijheid
+gegeven werd, om zich over de aanbiedingen van het Spaansche hof
+te beraden.
+
+Terwijl het gesprek, dank zij den Vicaris, die de gasten over hun
+werken onderhield, weder een letterkundige wending nam, ontstond er
+plotseling een onverwacht gerucht en herhaald geklop aan de huisdeur,
+waarop, na het openen daarvan, een verward geluid van stemmen volgde
+en voetstappen gehoord werden van nieuwaangekomenen, die de trappen
+haastig kwamen opgeloopen. En eer nog Velasco was opgestaan om naar de
+reden van dit gedruisch te vernemen, traden twee heeren in reisgewaad
+binnen, die, hun mantels aan de dienaars toewerpende, zich dadelijk
+deden herkennen voor den vermaarden Veldheer Spinola en den Kanselier
+van Brabant, Pieter Pekkius.
+
+"Waarlijk," riep Velasco uit: "hoe later op den dag, hoe schooner
+volk! Wie had deze verrassing kunnen vermoeden? Vanwaar komen de
+vrienden met zulk een drift?"
+
+"Spoorslags van Brussel," zeide Spinola: "ik heb den Heer Kanselier
+laten draven zooals hij zijn leven niet gedaan heeft."
+
+"Noch in mijn leven weder hoop te doen," zeide Pekkius, Spinola's
+gezegde met een knik en een zucht bevestigende.
+
+"Zoo gaat het," merkte Grobbendonck lachende aan: "die met Spinola
+gaat, moet immer voorwaarts; dat is zijn oude gewoonte. Laat ik u
+een roemer wijn vullen, Heer Kanselier."
+
+"Hoe staat het gelaat zoo bedrukt, Generaal?" vroeg Velasco: "zijn
+er slechte tijdingen?"
+
+"Van belang," antwoordde Spinola: "doch vergun mij te vragen, wie
+zijn die Heeren?"
+
+Velasco stelde hem zijn gasten voor, waarop Spinola betuigde, dat het
+hem bijzonder aangenaam zou wezen, nadere kennis met hen te maken:
+doch dat hij voor 't oogenblik zaken van gewicht met den Spaanschen
+Overste af moest handelen en dienvolgens hun verzocht, zich wel te
+willen verwijderen: ten gevolge van welke _injunctie_ De Groot en
+zijn medeballingen vertrokken.
+
+"Voor Uwe H. heb ik dat niet gezegd," zeide Spinola, ziende dat
+Ambrosius insgelijks vertrekken wilde: "UEd. mag de tijding gerust
+vernemen, welke wij met ons brengen."
+
+"En welke is die?" vroeg Velasco, hoogst nieuwsgierig.
+
+"Zijne Majesteit...." antwoordde Spinola, de schouders ophalende.
+
+"Is toch niet overleden," viel Grobbendonck in, met drift.
+
+"Is overleden," antwoordde Pekkius.
+
+"Is overleden," herhaalde de Generaal: "en zonder mij ooit te hebben
+zien strijden, zonder zelfs vernomen te hebben, hoe ik zijn wapenen
+in den Neder-Paltz heb doen zegepralen."
+
+"Waarlijk, gewichtige en droevige slagen," hernam Velasco, "en dat
+juist met het einde van 't Bestand."
+
+"En wat dient er nu gedaan?" vroeg Grobbendonck.
+
+"De Heer Kanselier en ik reizen naar Den Haag, om voorstellen van
+vrede te doen," zeide Spinola, somber voor zich ziende.
+
+"God geve dat hij gesloten worde!" riep Ambrosius uit.
+
+"Daar is geen nood voor," hervatte de Veldheer: "de voorwaarden
+zijn juist niet zeer aannemelijk. Oorlog moet er wezen, en ondanks
+de zware verliezen, die wij leden, staan onze zaken thans vrij wat
+voordeeliger dan die der Staatschen. De neerlaag van Frederik zal wat
+schrik onder den vijand gebracht hebben en daarvan dient een nuttig
+gebruik te worden gemaakt. Drie dagen geleden kwam ik uit het leger
+terug in Brussel. Alles was er in verslagenheid: alles had den moed
+laten zakken: dan, de hemel zij gedankt, ik heb dien flauwhartigen
+Raden een hart onder den riem gestoken, en ik twijfel niet, of ik
+zal de beloften vervullen, die ik hun deed, om binnen het jaar den
+Staatschen zulk een geweldigen knak te geven, dat zij het hoofd in
+den schoot zullen leggen;--doch van wat anders! Hoe is het met de
+Tielsche samenzwering gelegen? is er van dien kant wat te verwachten?"
+
+"Mij onbewust," antwoordde Grobbendonck: "ik wacht Pater Eugenio
+dagelijks terug om mij kennis van het aldaar verrichte te geven. Doch
+misschien zal de Heer Vicaris, die heden van Tiel kwam, UEd. meer
+licht kunnen geven."
+
+"Ik ben voor de belangen der kerk in Tiel geweest, en geenszins om met
+landverraders en schelmen te raadplegen; doch zoo de Heeren bericht
+verlangen, ik heb een vertrouweling van den Jezuïet Eugenio gewond bij
+mij aan huis: die zal u zeker kunnen vertellen, wat hij er van weet."
+
+"Gewond!" riepen al de aanwezigen uit: "en hoe is het mogelijk...."
+
+"Men had het op mijn leven toegelegd," antwoordde de Vicaris; "doch
+de Heer heeft de plannen van schaamtelooze booswichten verijdeld en
+schikte mij een helper toe. Over dezen eigenlijk wilde ik den Heer
+Grootmeester komen onderhouden."
+
+"Uw leven was in gevaar!" riepen de aanwezigen uit: "wij bidden u,
+verhaal ons...."
+
+"Het verhaal is kort en eenvoudig," zeide Ambrosius, en hij gaf in
+weinige woorden op, wat 's middags gebeurd was.
+
+"En op wie vallen uw vermoedens?" vroeg Pekkius haastig.
+
+"Ik heb geen vermoedens," hernam de Vicaris op een drogen toon.
+
+"Uw redder moet een kloek jongeling geweest zijn," merkte Spinola aan.
+
+"Geen wonder," hervatte Ambrosius; "hij is (of meent zulks althans
+te zijn) een bloedverwant van Don Louis."
+
+"Van mij?" vroeg Velasco verwonderd.
+
+"Hij werd bij den Heer Van Sonheuvel opgevoed."
+
+"Oho! nu vat ik de geschiedenis: dat zal de knaap wezen, wien men
+mij met alle geweld tot neef wil opdringen. Nu, ik ben nieuwsgierig
+hem eens te zien: ik verzoek Uwe H. hem te willen melden, dat ik hem
+morgen te tien uren zal afwachten."
+
+De Vicaris beloofde deze boodschap aan den jongeling, die, gelijk
+hij zeide, ten zijnent gehuisvest was, te zullen overbrengen, en nam
+afscheid van het gezelschap.
+
+Den dag daarna, toen Velasco van zijn dagelijksch bezoek op de citadel
+was teruggekeerd en zich aan het ontbijt bevond, werd hem geboodschapt,
+dat de jongeling, waarover de Heer Vicaris hem 's avonds te voren
+gesproken had, in de benedenkamer zijn bevelen afwachtte.
+
+"De jongeling, die van den Heer Vicaris komt, Vlascamp?" zeide de
+Grootmeester, zich bezinnende: "ha ja, nu herinner ik mij: eilieve
+hoe ziet hij er uit?.... Een frissche knaap, zoo men zegt.... nu
+laat hem binnenkomen, en wees beleefd met hem! Ik zit hier in een
+mal parket. Pater Eugenio had zich de moeite wel kunnen sparen,
+mijn familie dus ongevergd te vergrooten."
+
+Terwijl hij deze woorden mompelde, trad Joan binnen en bleef in een
+eerbiedige doch verlegene houding aan de deur staan. Niet minder
+bedremmeld stond Velasco op, zag hem zijdelings aan, deed een paar
+stappen naar hem toe, hield toen weder stand, oneens met zichzelven
+over de houding, die hij moest aannemen, en zeide eindelijk op een
+weifelenden toon: "mag ik weten wien ik de eer heb..."
+
+"Dat is juist, wat ik vernemen kwam," was het antwoord, dat met een
+gebroken stem gegeven werd.
+
+"Juist zoo!.... dus zijt gij door Pater Eugenio gezonden?"....
+
+"Door Pater Eugenio!" herhaalde Joan, verbleekende. "En was de man,
+die zich Van Dyk noemde, werkelijk Pater Eugenio?"....
+
+"Van Dyk.... Eugenio...." stamelde Velasco, hoe langer hoe meer in
+de war: "nu ja, gij zijt dan toch die jongeling, die bij den Heer
+Van Sonheuvel is opgevoed...."
+
+"En die thans," vervolgde Joan, "de bevestiging komt vernemen van
+een verhaal, mij onlangs gedaan, dat ik de zoon zou zijn van uw
+overleden broeder."
+
+"Juist," hernam Velasco: "dezelfde: doch, neem plaats!"
+
+Beiden gingen zitten en zagen een tijdlang als sprakeloos voor
+zich. Ten laatste hervatte de Grootmeester op deze wijze het gesprek:
+
+"Ik moet bekennen, Mijnheer! dat ik, na al wat ik gehoord heb, na al
+hetgeen de Heer Baron, uw pleegvader, mij voor vele jaren geschreven
+heeft, na de berichten, welke ik onlangs heb ingewonnen, geen redenen
+meer heb om te twijfelen aan den graad van bloedverwantschap, die ons
+verbindt: en ik beken tevens," voegde hij er met welwillendheid bij,
+"dat, indien uw inborst en bekwaamheid slechts gedeeltelijk den
+gunstigen indruk evenaren, dien uw uiterlijk op mij gemaakt heeft,
+ik het mij als een bijzonder geluk zal rekenen, een man als neef te
+omhelzen, die aan ons geslacht allen luister kan bijzetten."
+
+"Ik was verre," zeide Joan, zich buigende, "zulk een onthaal van
+UEd. te verwachten. Wees overtuigd, edele Heer! dat mijn dankbaarheid
+zich in mijn daden zal vertoonen, en dat mijn gehoorzaamheid aan
+uw begeerten zoo uitgebreid zal wezen als mijn plichten mij zulks
+veroorloven."
+
+"En mag ik thans vragen," zeide Velasco, "waarin ik u van dienst
+kan zijn!"
+
+"Voor 't oogenblik verlang ik niets," antwoordde Joan, "dan een mij
+beloofde inlichting omtrent mijn geboorte."
+
+"Natuurlijk, zeer natuurlijk!" zeide Velasco, zich over de kin
+strijkende: "ofschoon ik gedacht had, dat ik die van u zoude
+ontvangen."
+
+"Men had mij ten halve met de hoop gevleid, dat ik hier mijn moeder
+zoude vinden."
+
+"Zoo.... ei! Dat wist ik niet.... dat geloof ik ook niet,--Zoo
+Pater.... zoo Van Dyk hier ware, hij zou u meer kunnen
+vertellen.... nu, hij zal spoedig hier zijn! _vindice nodus_, zooals
+mijn leermeester te Salamanca zeide."
+
+"Daar twijfel ik aan: zoo hij den knoop ontwarren moet, vrees ik dat
+de zaak eeuwig geheimzinnig blijven zal; want hij zit op het slot te
+Sonheuvel gevangen."
+
+"Wat zegt gij?" riep Don Louis verschrikt: "hij gevangen! voorwaar,
+alles loopt samen om onzen neteligen toestand te verergeren."
+
+Vlascamp trad onder dezen uitroep binnen en meldde den Generaal,
+den Kanselier en den Overste Grobbendonck aan.
+
+"Slechte tijding!" zeide hun Velasco, toen zij binnentraden: "deze
+Heer meldt mij, dat Pater Eugenio op Sonheuvel gevangen zit."
+
+"Gevangen zat," zeide de man, van wien hij sprak, binnentredende:
+"_Pax Vobiscum!_" [49]
+
+"Voor den duivel!" riep Velasco, een stap terugtredende: "de Staatschen
+zijn wel ongelukkig met hun gevangenen. Niet één kunnen zij bewaren."
+
+"_Angelus Domini per noctem aperuit ianuas carceris_," [50] zeide
+de Jezuïet: "ik kwam u bericht geven van mijn bedrijven binnen
+Tiel.... maar zie ik ginds mijn goeden vriend niet, die om mijnentwille
+in ongeval gekomen is? wees hartelijk welkom in Den Bosch, mijn waaide
+Jonker! Edele Heeren! vergunt mij, dat ik u Don Diego de Velasco
+voorstelle, den zoon van mijn waardigsten vriend, die voor ongeveer
+twintig jaren jammerlijk vermoord werd."--Dit zeggende, nam hij Joan
+bij de hand en stelde hem aan Spinola en de overige Heeren voor, die
+hem met vele plichtplegingen gelukwenschten. Toen echter wendde zich
+Joan tot Eugenio en betuigde, dat hij, ondanks zijn verzekeringen
+en de vriendschap, welke hem betoond werd, nog aan de echtheid der
+mededeeling twijfelen moest, zoolang hem niet volkomen gemeld werd,
+wie zijn moeder geweest ware.
+
+"Ik zelf," antwoordde Eugenio, "heb in den jare 1597 uw vader in den
+echt verbonden met Jonkvrouw Charlotte von Helmstadt, een adellijke
+Duitsche Freule. Dit huwelijk bleef toen geheim, omdat zich de ouders
+uwer moeder daartegen verzet hadden. Een jaar na de verbintenis beviel
+de gade mijns edelen vriends van een zoon, wiens geboorte haar het
+leven kostte. Die zoon waart gij."
+
+"Zoo heb ik dan geen moeder," zeide Joan met een zucht: "en waarom mij
+dan met de ijdele hoop gevleid, dat ik haar in Den Bosch zoude vinden?"
+
+"Ik heb u alleen gezegd," hernam de Jezuïet, "dat men u hier de
+noodige inlichtingen geven zou: wat gij verder verkeerd hebt gelieven
+te verstaan, daarvoor behoef ik mij niet te verantwoorden."
+
+"Welaan, mijn waarde neef!" zeide Velasco: "sinds alles opgehelderd
+is, hoop ik, dat voortaan alle stijfheid tusschen ons verbannen
+zal wezen. Dezen middag verwacht ik u bij mij aan tafel, indien uw
+waarde gastheer, aan wien ik mijn nederige groete verzoek, u af wil
+staan.--Thans zult gij mij verschoonen, en mij wel met deze Heeren
+alleen willen laten."
+
+"Wat mij betreft, volgaarne zou ik van uw uitnoodiging gebruik maken,"
+zeide Joan: "doch de Heer Vicaris is, na mij verzocht te hebben van
+zijn terugkomst af te wachten, heden morgen voor eenige dagen naar
+Brussel vertrokken."
+
+"Zijt gij bij den Vicaris gehuisvest?" vroeg Eugenio met eenige drift,
+terwijl zich een trek van bevreemding over zijn gelaat verspreidde.
+
+"Verwondert u dat?" vroeg Pekkius, hem met een scherpen blik
+aanziende. "Een woord met u, Pater!" en tegelijk, hem om den arm
+nemende, trok hij hem met zich in het naaste vertrek.
+
+"Gij weet dus ook niet," vervolgde de Kanselier, "dat de Vicaris op
+den weg is aangerand geweest."
+
+"Ik kom pas in Den Bosch."
+
+"Dat is geen stellig antwoord op mijn vraag.--Gij zijt geen vriend
+van den Vicaris. Zijn ambt was u vroeger toegezegd."
+
+"Men zal mij toch niet betichten, hem te hebben aangerand," hernam
+de Jezuïet met trotschheid.
+
+"Wat de Vicaris doen zal is mij onbewust.--Dit alleen weet ik, dat
+de aanrander, zekere veerman over de Waal, een bekend werktuig is
+van Pater Eugenio."
+
+"Heeft de schoft geklapt?" vroeg deze met een woesten blik.
+
+"Dat geloof ik niet," antwoordde de Kanselier, "daar hij gisteren
+buiten staat was te spreken en hedenmorgen aan zijn wonden overleden
+is. Zoo u dit gerust kan stellen, zal 't mij aangenaam zijn: doch
+als vriend raad ik u, in 't vervolg behoedzaam te werk te gaan, want
+anders zou noch uw Sociëteit, noch uw diensten, den lande bewezen,
+u voor straf behoeden."
+
+"Men moest eerst iets kunnen bewijzen," hernam Eugenio, wiens gelaat
+weder de gewone kalmte vertoonde. "Intusschen dank ik UEd. voor
+'t bericht."
+
+Na dit gesprek keerden zij naar de kamer van Don Louis. Zij vonden
+Joan reeds vertrokken.--"Mag ik nu weten," zeide Velasco, naar Eugenio
+toetredende, "waar ons de klucht moet brengen, die wij spelen?"
+
+"Hoe dan," vroeg Spinola; "is die jongeling dan uw neef niet?"
+
+"Zoomin als UEd.," antwoordde Velasco: "het is een zeer gekke
+vertooning, welke de Pater mij laat maken: hij kwam juist van pas, om
+mij uit het vaarwater te helpen: de jonkman deed mij hoogstnatuurlijke
+vragen over zijn familie, daar ik geen antwoord op wist te geven."
+
+"Mijn doel is niet naar wensch gelukt," zeide Eugenio: "Ik had gehoopt,
+dat die knaap, om zijn gewaanden vader te wreken, zijn pleegvader om
+den hals zou brengen;.... doch daar heeft hij niet aan gewild."
+
+"Santa Maria!" riep Velasco: "dus wildet gij dien armen Baron door zijn
+voedsterzoon laten vermoorden? En ik moest u in zulk een boevenstuk
+de hand bieden?"
+
+"Is dit de handelwijze eens geestelijken?" vroeg Spinola met afgrijzen.
+
+"Waarom niet?" antwoordde Eugenio met koelheid: "elk heeft het recht,
+wegens geleden hoon zijn beleediger om te brengen: en het is, gelijk
+de wijze Tanner zeer juist aanmerkt, ons geestelijken geoorloofd,
+niet alleen tot lijfsbehoud, maar ook ter bevordering van het nut
+der gemeente, hem te doen sneven, die daaraan eenig nadeel kan
+teweegbrengen."
+
+"Ik herken in deze taal den gewezen beleider der aanslagen tegen het
+leven van mijn doorluchtigen vijand gesmeed," zeide Spinola.
+
+"Wat hoor ik!" zeide Eugenio: "zal een voorvechter der ware Kerk die
+aanslagen misprijzen?--en dat in mij, die tegen alle ketters den
+eed van vijandschap en verdelging gezworen heeft. Is 't u bewust,
+Heer Marquis! dat al wat ik hier verricht, ingevolge de bevelen der
+Hoven van Rome en Madrid wordt ten uitvoer gebracht?"
+
+"Ook de voldoening van personeelen wrok?" vroeg de Generaal.
+
+"De op mij verstrekte last bevrijd mij van alle verantwoording: wat
+mij voorkomt tot nadeel der ketters te kunnen geschieden, moet in
+'t werk gesteld worden en de dood van een gevaarlijken vijand als
+Sonheuvel zou een ware dienst aan onze Kerk geweest zijn."
+
+"De leer der Kerk luidt: _non occides_," [51] zeide Spinola.
+
+"Een leer, die een krijgsman dagelijks overschrijdt!"
+
+"Wilt gij zijn sabelslagen bij den dolksteek des sluikmoordenaars
+vergelijken?" vroeg de verontwaardigde Veldheer.
+
+"Een sluikmoordenaar," antwoordde Eugenio, altijd met dezelfde
+bedaardheid, "is alleen de zoodanige, die voor zijn verraad geld
+of loon ontvangt; doch zij, die zulks ten dienste der goede zaak
+verrichten, kunnen dien naam geenszins verdienen; dit leeren onze
+statuten, met pauselijke en koninklijke goedkeuring bekrachtigd."
+
+"Laat ons," zeide Pekkius, "een gesprek staken, dat alleen tot onnutte
+verbittering aanleiding kan geven. De eerwaarde Pater heeft zooveel
+diensten aan den Staat bewezen, dat wij hem gerust naar zijn begrip
+kunnen laten handelen. Elk heeft op deze wereld zijn bijzondere taak te
+vervullen: de dappere Spinola moet de wapenen Zijner Majesteit wijd en
+zijd doen zegevieren: mijn ambt is, mijn Vorsten door onderhandelingen
+te dienen: de verbreiding van het echt geloof en de verdeeling der
+ketters is aan den eerwaarden Pater toevertrouwd. Elk volge zijn eigen
+weg en vervulle de hem opgelegde plichten, zonder de bedrijven eens
+anderen te veroordeelen, omdat zij schijnbaar afwijken van de regelen,
+die men zichzelven heeft voorgesteld."
+
+Spinola zweeg; schoon weinig tevreden gesteld met de drogredenen des
+Kanseliers, begreep hij reeds genoeg te hebben gezegd, en achtte
+het gevaarlijk, den haat van een zoo machtig lichaam, als dat der
+Jezuïeten, op zich te laden. Hij schoof dus zijn zetel een weinig
+terug, speelde met de lissen zijner sjerp en mengde zich verder niet in
+'t gesprek.
+
+Velasco opperde nu wederom de vraag, wat er met zijn zoogenaamden
+neef moest worden aangevangen.
+
+"Hij kan ons op dit oogenblik van onbeschrijfelijk veel nut zijn,"
+zeide Eugenio: "ik zag naar een geschikt werktuig om, dat de
+achterdocht, die Maurits tegen zijn broeder heeft opgevat, kon
+verlevendigen, en daardoor haat en vijandschap tusschen hen beiden
+en verdeeldheid in den Staat teweegbrengen. Dit werktuig heb ik in
+hem gevonden. Met weinige woorden zal ik u in staat stellen, mijn
+plan te beoordeelen."
+
+Hij legde hun hierop zijn oogmerk voor, waarvan wij den uitslag nader
+in ons verhaal ontwikkeld zien zullen, en hetwelk wij dus hier niet
+behoeven te vermelden.
+
+
+
+
+
+ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ Geluckt de voor-genomen daed,
+ 't Loon zal een hand vol wind zijn;
+ Loftuyting en een eeren-praet
+ Van die met u gezint zijn.
+
+ Maar zoo ghy 't voornemen sneeft,
+ Ghy blijft en zelfs verlegen;
+ En die 't geluck maer tegen heeft,
+ Krijght heel de werelt tegen.
+
+ Den algemeynen haet en spot
+ Hebt ge in ellendt te wachten.
+ Of overboos of al te bot
+ Zal u een yeder achten.
+
+ _Camphuisen_.
+
+
+Ten einde ons verhaal regelmatiger te kunnen voortzetten, moeten wij
+thans onzen lezers verzoeken, zich met ons te willen verplaatsen in
+het vorstelijk 's. Gravenhage en aldaar in de zoogenaamde Huizinge
+van Brandwyk (thans het paleis des Konings), toen algemeen bekend
+onder den naam van het Oude Hof, en bewoond door Zijne Doorl. Graaf
+Frederik Hendrik. In het tijdvak, hetwelk wij behandelen, begon
+de edele Vorst, (die tot nu toe slechts een ondergeschikte rol had
+gespeeld, en wiens verdiensten, hoe heerlijk die in andere landen
+zouden hebben uitgeblonken, in Nederland verduisterd werden door die
+van zijn broeder), de aandacht der landzaten op zich te vestigen en de
+noordstar te worden, waarnaar al wie de binnenlandsche tweespalten
+moede werd, de oogen richtte. Zijn bekende gematigde denkwijze,
+de zachtheid en weldadigheid van zijn inborst, zijn geboorte vooral
+uit een vrouw, die tot aan haar dood toe de verdrukte Remonstranten
+had beschermd en voorgesproken, en wier handelwijze omtrent hen
+hij, schoon van haar in godsdienstige en staatkundige beginselen en
+inzichten verschillend, bedektelijk volgen bleef, dit alles, gevoegd
+bij de toenemende verzwakking van den Stadhouder en de verwachting,
+dat het Stadhouderschap weldra in andere handen geraken zoude,
+had Frederik Hendrik tot het brandpunt gemaakt, waarin zich al de
+wenschen der gematigden en de uitzichten der Remonstrantschgezinden
+vereenigden. Op welke wijze hij de op hem gevestigde hoop wist gaande
+te houden en hoe daaraan door hem beantwoord werd, zal uit het vervolg
+dezer geschiedenis genoegzaam blijken: terwijl wij zijn bedoelingen
+zullen moeten opmaken uit het navolgende gesprek tusschen hem en zijn
+geheimschrijver gehouden.
+
+"Wel Ludwig!" zeide de Graaf, terwijl hij in een eenvoudig huisgewaad
+het vertrek binnentrad, waarin de persoon, tot wien hij sprak, aan
+een tafel vol papieren gezeten was: "wat nieuws is er hedenmorgen?"
+
+"De huisvrouw van den Predikant Bysterus is hier geweest," antwoordde
+de Secretaris, "om Uwe Doorluchtigheid te bedanken voor de genoten
+ondersteuning. Ik had werk om haar weg te krijgen. Zij wilde zich
+met alle geweld voor de knieën van Uwe Doorl. gaan werpen om haar
+vol gemoed en haar erkentenis uit te storten."
+
+"Zoo! wat is dat voor zotheid? Mijnheer heeft zeker uit de school
+geklapt. Had ik u niet gelast, haar de som, die zij hebben moest,
+op een bedekte wijze te doen geworden?"
+
+"Gelijk door mij is verricht," antwoordde Ludwig: "doch zoo bedekte
+giften van ambtelooze burgers gelijk zijn aan de flikkering eener
+verschietende ster, welker oorsprong niet te raden is, de geheime
+weldaden der grooten zijn als de zonnestralen, die haar herkomst
+vanzelf verraden."
+
+"Vrij poëtisch," zeide Frederik Hendrik: "op mijn eer! bij Paai Priaap
+[52] af; doch de vergelijking verontschuldigt u niet. Gij hebt geklapt,
+vriend! gij hebt gebabbeld."
+
+"Uwe Doorl. moest meer op mijn bescheidenheid bouwen; doch zoo zij
+maar gelieft na te denken, dat de vrouw wel geen anderen gever raden
+kon. De _arme_ Remonstranten _hebben niets_ en de _rijken geven niets_:
+daarenboven wist zij, dat haar vrienden de hulp Uwer Doorl. hadden
+ingeroepen."
+
+"Al genoeg, al genoeg," zeide de Graaf, ongeduldig: "wanneer gaat
+zij op reis?"
+
+"Zij denkt in de volgende week zich naar Gorkum te begeven, waar men
+voor haar een kamertje aan de haven gehuurd heeft, met het uitzicht
+op Loevestein. Zooras zij bevallen is, zal zij een verzoekschrift
+inleveren om bij haar man te worden opgesloten."
+
+"'t Welk waarschijnlijk zal afgeslagen worden, zoo ik den Raad wél
+ken.--Is er niets meer?"
+
+"Er zijn twee uitnoodigingen gekomen voor Uwe Doorl.: de eene, om
+de plechtige hulde van den Hofbeer te komen bijwonen; de andere,
+om den ondertrouw van Jonkheer Jacob Mom met Jonkvrouwe Ulrica Van
+Reede tot Sonheuvel met uw tegenwoordigheid te vereeren. De Heer
+Baron zal zijn verzoek in persoon bij Uwe Doorl. komen herhalen,
+en de Ambtman verzocht ook, zijn opwachting te mogen maken."
+
+"Is de bruid bevallig?"
+
+"Ik heb haar eens als kind gezien," antwoordde Ludwig, "en toen
+beloofde zij zeer schoon te worden; doch Uwe Doorl. kent haar zeker:
+zij huist altijd, en ook nu, bij mijn voormalige meesteresse, de
+Gravin Douarière."
+
+"Aha zoo! dan ken ik haar wel: nu: zij is gansch niet verwerpelijk:
+hoe komt haar vader er toe, om haar aan een man van de jaren des
+Ambtmans uit te trouwen!--Is er nog iets?"
+
+"Een brief voor Uwe Doorl. zelve: zoo ik mij niet bedrieg in de
+hand van het opschrift, is hij van de Inlandsche Directeuren der
+Remonstrantsche Sociëteit, _Niellius cum suis_."
+
+"Ja waarlijk!" zeide Frederik Hendrik, nadat hij den brief haastig
+had opengebroken: "onderteekend door het machtige Driemanschap. Hoe
+komen die lieden zoo dwaas! mij openlijk te gaan schrijven en mijn
+ondersteuning en voorspraak te vragen!"--Dit zeggende, smeet hij den
+brief gramstorig op tafel; doch, zich bezinnende, nam hij dien als in
+verstrooiing weder op, vouwde hem zorgvuldig toe en stak hem bij zich.
+
+"Wat zal ik zeggen?" hervatte Ludwig: "de Remonstranten zien Uwe
+Doorl. aan als een baak in zee, waar zij allen op aanstevenen."
+
+"Ik weet niet, wat ik gedaan heb om die eer te verwerven," zeide de
+Graaf op een gemelijken toon.
+
+"Met verlof," zeide Ludwig: "Uwe Doorl. heeft er nogal eenigen
+geholpen, en het is geen wonder, dat zij, de goedheid van Uwe
+Doorl. kennende, die als een milde regen...."
+
+"Gij zijt een gek met uw vergelijkingen," hernam de Graaf: "ik ben
+niet goed, ik help geen Arminianen, en verlang deswege níet geprezen
+te worden."
+
+Deze verklaring geuit hebbende, stond hij op en maakte zich gereed
+om te vertrekken; doch, zich nogmaals omwendende, viel zijn blik
+op het gelaat van den schrijver, wiens spotachtige kleine oogen,
+veelbeteekenend hoofdschudden en kwalijk bedwongen glimlach genoegzaam
+aanduidden, dat hij aan de betuigingen zijns meesters weinig geloof
+hechtte. De uitdrukking van Ludwigs gebaren had op dat oogenblik zoo
+iets grappigs, dat de Graaf niet kon nalaten, nadat hij een wijl op
+hem gestaard had, in een luid gelach uit te bersten, waarop hij de
+vraag spoedig deed volgen: "gelooft ge mij niet?"
+
+Ludwig antwoordde niets; maar een kasboek van de tafel nemende, waarin
+de geheime uitgaven des Graven stonden uitgedrukt, legde hij hem dit
+open voor, met den vinger die posten aanwijzende, waar de verborgene
+giften aan verdrukte Remonstranten waren opgeteekend, giften, die,
+te zamen gerekend, een vrij aanmerkelijke som beliepen.
+
+Hoewel in 't algemeen weinig dingen onaangenamer zijn, dan, na iets
+plechtig verzekerd te hebben, van het tegendeel overtuigd te worden,
+vooral, wanneer zulks door ondergeschikte personen geschiedt, nam
+Frederik Hendrik niettemin de vrijmoedigheid zijns dienaars niet euvel
+op. Hoe toch kon hij op dezen toornig zijn? Daar het den Vorst echter
+uit de hem voorgelegde nota's bleek, dat zijn gehouden gedrag jegens
+de Remonstranten tot verkeerde uitleggingen kon aanleiding geven,
+begreep hij, te dezen opzichte openhartig met Ludwig te moeten omgaan,
+volgens den regel, dat het beter is, iemand in zijn geheel vertrouwen
+te doen deelen, dan hem half onderricht te laten, wijl hij in 't
+eerste geval (zoo hij geen schurk is) zwijgen zal, en in het laatste
+uit onwetendheid of verkeerd begrip zondigen kan. Zich wederom bij
+de tafel nederzettende en het voorhoofd met de hand ondersteunende,
+schoof hij zijn stoel vertrouwelijk naar des geheimschrijvers zetel
+toe en sprak hem aan in dezer voege:
+
+"Gij hebt gelijk, Ludwig! en ik zou om geen Konings schepter willen,
+dat gij ongelijk hadt, wanneer gij mij, door het openslaan van dit
+boekske, bewijzen wilt, dat ik meer hulp aan de Remonstranten betoond
+heb, dan ik beken. Ja, ik behandel hen wèl. Zij deelen in mijn gunst
+en weldaden, en zulks geschiedt op goede gronden; doch ik wil, dat het
+onbekend blijve: en ook hiervoor heb ik gezonde redenen. Die redenen
+acht ik het, om niet miskend en veroordeeld te worden, noodig u te
+ontvouwen. Reeds sinds jaren ondervonden de Remonstrantschgezinden,
+zoo om hun geloof als om hun staatkundige begrippen en gehechtheid
+aan wijlen den Heer Advocaat, de ongenade van Zijne Hoogheid,
+wiens gedrag ten deze ik niet beoordeele ja wiens misprijzing ik
+als een grove persoonlijke beleediging zou beschouwen. Ik, jonger
+en minder in staatszaken gemoeid dan mijn broeder, bekreunde mij
+weinig aan de heerschende geschillen, en gaf er althans luttel om,
+op wat wijze verschillende sekten hunnen Heer zochten te dienen. Dan,
+mijn moeder zaliger was, vooral door de vriendschap, welke zij voor
+haar Franschen Predikant Uyttenbogaert koesterde, de verdrukte partij
+genegen en bewees haar al die diensten en hulp, waartoe zij door
+haar invloed en vermogen in staat was gesteld. Om haar te believen,
+zoowel als uit medelijden, en geenszins omdat ik eenige geneigdheid
+tot hun leer gevoelde, volgde ik haar voorbeeld en ondersteunde nu
+en dan de Remonstranten, doch bedektelijk, uit vrees voor mijns
+broeders ongenoegen. Eindelijk, meer deel aan het staatsbestuur
+verkrijgende, begon ik er mijn hoofdstudie van te maken, om de
+verschillende drijfveeren na te sporen van de partijen, welke ons
+Gemeenebest op een zoo geduchte wijze aan binnenlandsche onlusten ter
+prooi geven, en nu leerde ik oorzaken en uitwerkselen kennen, welke
+ik te voren nooit vermoed had. Dan, ik ging verder: ik sloeg een oog
+in de toekomst, en het verschiet, 't welk zich voor mij opdeed, was
+zoo duister en vreesverwekkend, dat ik dadelijk inzag, hoe alleen de
+uiterste voorzichtigheid en nauwlettendheid in mijn handelingen dien
+zwarten gezichteinder zou kunnen verhelderen. Ik had de krachten der
+wederzijdsche partijen leeren kennen en op prijs stellen, en ik had
+met schrik bemerkt, hoeveel het scheelde, dat de in schijn verplette
+Aristocratie en Remonstrantschgezindheid ten onder was gebracht:
+hoe die integendeel met een gunstig gevolg het hoofd weer zou kunnen
+opheffen, wanneer eens het fiksche brein mijns broeders (wien God nog
+lang in 't leven spare) den Staat niet meer bestuurde. Ik beefde terug
+tegen den tijd, waarin ik, de vermoedelijke opvolger van Z. Hoogheid
+in 't Stadhouderlijk bewind, het roer zou moeten aanvaarden van een
+zoo geschokten en verdeelden Staat, en ik achtte mijn krachten niet
+geëvenredigd aan de taak, die mij zou kunnen worden opgelegd.
+
+"Het was daarom, dat ik besloot, mijn uiterste pogingen daarheen te
+leiden, om, tegen den tijd, waarin het bestuur mij werd opgedragen,
+het Gemeenebest, zooveel in mij was, van ontevredene en twistzoekende
+geesten te zuiveren: en tot bereiking van dit oogmerk schreef
+ik mij een weg voor, welke ik tot heden toe zonder afwijkingen
+bewandeld heb. De partij der Remonstranten openlijk te kiezen,
+streed zoowel tegen mijn gevoelens als tegen mijn inzichten:
+van een anderen kant wilde ik haar niet tot radeloosheid gebracht
+zien, uit vrees eener noodlottige uitbarsting: ik begreep dus in
+'t openbaar de Contra-Remonstranten te moeten voorstaan, en in 't
+geheim hun tegenstanders zooveel ondersteuning te bieden, als noodig
+is om hen voor volstrekte armoede en daaruit voortkomende wanhoop
+te bewaren. Zoolang mijn moeder leefde, werden die giften als uit
+haren naam uitgedeeld; doch na haar dood zag ik mij verplicht andere
+middelen te kiezen, om mijn oogmerken te bereiken. Ik openbaarde dus
+mijn geheim aan eenige weinigen, op wier trouw ik mij, als op de uwe,
+verlaat. Door hunnen invloed en het door mij verstrekte goud is aan
+menigen Remonstrant de gelegenheid bewaard gebleven, om op gezette
+tijden onverhinderd zijn godsdienstoefeningen te blijven houden: de
+verstandigste onder hun tegenstanders beginnen aan die vergadering zich
+reeds te gewennen en zelfs de heethoofden achten het onnoodig, die met
+geweld te verstoren: de haat en vervolgingen beginnen te verflauwen:
+de bezadigdheid en zucht naar rust winnen hoe langer hoe meer veld: de
+gebannen of afgezette Predikanten zien betere tijden te gemoet, leeren
+geduld oefenen en zich een onderdrukking getroosten, die niet lang
+meer duren kan: ja, de Regeering zelve vermindert haar gestrengheid,
+ziet met oogluiking aan wat zij beletten kon, is minder ijverig in
+het vastzetten en verbannen, laat zorgeloos haar gevangenen ontsnappen
+en draalt in hen te achterhalen: in één woord, alles bevestigt mij in
+'t denkbeeld, dat de tijd niet ver af is, wanneer haat en tweedracht
+uit dit Gemeenebest verbannen zullen worden en regenten en burgerij
+zich weder als voorheen zullen beijveren, om, met aflegging van
+onderlingen wrok, hun pogingen alleen aan te wenden tot verdediging
+van den lande en tot beschaming der vijandelijke machten."
+
+Hier zweeg Frederik Hendrik; maar nog een geruimen tijd bleef hij in
+dezelfde houding zitten, en zijn groote, vriendelijke oogen, waarin
+zijn menschlievende en waarlijk edele ziel geheel leesbaar was,
+flikkerden van tevredenheid over het schoon verschiet, 't welk hij
+zich in de toekomst voorspelde.
+
+"Ik bewonder de wijsheid, welke uitblinkt in al de daden Uwer Doorl.,"
+zeide Ludwig: "hoe gaarne zou ik wenschen, dat de hoop, welke Uwe
+Doorl. streelt, eenmaal vervuld mocht worden; dan, helaas! daar is,
+thans, naar mijn oordeel weinig kans op."
+
+"Hoe dan!" riep de Graaf uit: "wat doet u vreezen?"
+
+"Het nieuwe decreet, dat eerlang genomen zal worden," antwoordde
+Ludwig: "waarbij de plakkaten tegen de Arminianen versterking
+ontvangen: men zegt dat zelfs op het herbergen, ja op het ondersteunen
+alleen van een Remonstrant, eeuwige ballingschap zal gesteld worden."
+
+"Wie heeft u die zotheid in 't hoofd gebracht?" vroeg Frederik
+Hendrik, veinzende een gezegde in den wind te slaan, dat hem innerlijk
+verontrustte.
+
+"De commies van den Procureur-Generaal. Het is een zaak, naar
+men zegt, beklonken tusschen den Heer Raadpensionaris, den Heer
+Procureur-Generaal, den Heer van Sommelsdyk, en een paar razende
+Predikanten: ook is mij verhaald, dat daartoe aanleiding gegeven
+hebben de oproerige en woeste conventikelen, welke onlangs, ja zelfs
+hier ter stede, onder de Arminianen gehouden zijn."
+
+"Wat gij zegt!" hernam de Graaf op denzelfden toon als te voren.
+
+"Uwe Doorl. zal aan de uitkomst kunnen beoordeelen, of ik al dan
+niet waarheid heb gesproken. Dit is zeker, dat er ten huize van een
+kastelein alhier, wien ik niet noemen mag, wat al te grove dingen
+gepredikt zijn."
+
+"Praatjes!" riep Frederik Hendrik met een gemaakten glimlach.
+
+"Ik heb iemand gesproken, die 't zelf gehoord heeft, den jongen
+Bleiswyk, die overal met den neus bij is; die heeft het mij verteld."
+
+"Zoo!--Nu, ik wenschte wel zulk een oproerige vergadering eens bij
+te wonen. Dat moet er al zonderling toegaan."
+
+"Niets is gemakkelijker: ik neem aan, Uwe Doorl. naar een bijeenkomst
+te geleiden, waar niemand haar kennen zal."
+
+"Ik zou bijkans trek gevoelen om u aan uw woord te houden," zeide
+Frederik Hendrik: "indien ik niet begreep aan mijn waardigheid te
+kort te doen, door uw voorstel aan te nemen."
+
+"En ik," zeide Ludwig, met een buiging, "zou Uwe Doorl. sterk
+aanraden zulks te doen. Het zou Uwe Doorl. voor eeuwig van alle
+vooringenomenheid met de Arminianen genezen."
+
+"Wij zullen zien," hervatte de Graaf, lachende: "doch het wordt
+mijn tijd. Zijne Hoogheid wacht mij voor de laatste onderhandeling:
+met de Spaansche gezanten: wellicht hoor ik nog iets van dat nieuwe
+decreet. Tot wederziens."--Dit zeggende, wilde hij vertrekken.
+
+"Met verlof!" zeide Ludwig: "Uwe Doorl. weet wel, dat zij den brief
+der Remonstrantsche Directeuren bij zich gestoken heeft. Zal ik daar
+geen kopie van houden?"
+
+Zonder te antwoorden, trad de Graaf toe, leide den brief op tafel
+en vertrok.
+
+Alleen gebleven zijnde, haastte zich de Secretaris, van dien brief
+een dubbele kopie te maken, waarvan hij de eene bij de papieren zijns
+meesters voegde, en de andere een geruimen tijd in de hand hield,
+als besluiteloos, wat er mede te verrichten. Eindelijk rukte hij
+een verborgen lade uit de schrijftafel, schoof de kopie er haastig
+in en begon eenige andere schriften en papieren, welke in die
+lade gelegen waren, te lezen, zonder die er uit te nemen, ze met
+beide handen vasthoudende, ten einde ze bij de minste stoornis te
+kunnen inschuiven. Na deze verrichting sloot hij de lade weder en
+wandelde in hevigen gemoedsangst de kamer op en neder, somtijds de
+zweetdroppelen afvegende, die langs zijn wangen liepen. "Ben ik geen
+groote gek?" vroeg hij zichzelven: "en den hond gelijk, die zijn prooi
+voor den schijn in 't water vallen liet? En echter, een post als die
+van Pensionaris!.... of een kop korter!.... kom! kom! ik ben te ver
+gegaan om kinderachtig te worden."
+
+Een bode kwam zijn verdere overdenking storen, door hem een onbekende
+vrouw aan te melden, welke den Heer Secretaris verlangde te spreken.
+
+"Een onbekende vrouw!" mompelde Ludwig: "hm! hm! zeker weder de eene
+of andere onbestorven Arminiaansche weêuw. Laat zij komen."
+
+De bode verliet het vertrek en leidde, terugkeerende, een vrouw binnen,
+van een groote en deftige gestalte, doch geheel onder haar huif bedekt:
+vervolgens, een stoel gezet hebbende, vertrok hij.
+
+"Wat is er van uw dienst, vrouwtje?" vroeg Ludwig, haar een teeken
+gevende om te gaan zitten.
+
+"Kent gij mij niet meer, Ludwig?" vroeg de kamenier der Freule Van
+Sonheuvel, haar huif oplichtende en op hem een vriendelijker blik
+werpende, dan waarmede zij gewoon was iemand te verwaardigen.
+
+"Moeder!" riep Ludwig, een stap achteruittredende.
+
+"Stil!" hernam Magdalena: "dien naam mag ik niet hooren.... en
+toch! waarom treedt gij terug op mijn gezicht? waarom vind ik u zoo
+koud na een zoo lange afwezigheid? Bemint mijn zoon mij niet meer?"
+
+"Kunt gij daaraan twijfelen?" vroeg Ludwig, haar de hand
+kussende: "doch uw plotselinge verschijning verraste mij:--hoe
+onvoorzichtig! indien iemand u hier zag...."
+
+"Dan zoudt gij u schamen, nietwaar, dat men u in een vertrouwelijk
+gesprek zag met de kamenier der Freule Van Sonheuvel?--Zoek u niet te
+verontschuldigen: ik ken sedert lang dat ijskoud hart, hetwelk zich
+alleen voor het eigenbelang opent: ik weet, dat gij u zelven tot het
+eenige doel maakt van al uw wenschen, verwachtingen en handelingen."
+
+"Integendeel, moeder: ik ben verheugd u zoo wel geplaatst te zien."
+
+Eene hevige verontwaardiging deed, bij 't hooren dezer woorden, de
+kaken van Magdalena gloeien, en haar oogen wierpen vlammende, toornige
+blikken op haar ongevoeligen zoon. "Ellendige belangzoeker!" zeide zij:
+"waarover verheugt gij u? Dat de dochter des Graven van Wertheim in den
+lagen en verachtelijken stand van dienstbode verkeert?--of dat gij,
+nu zij voor haar onderhoud niet meer bekommerd is, ontslagen zijt
+van den plicht, die op u rustte, en waarvan gij u altijd zoo slecht
+gekweten hebt, om haar het dagelijksch brood te schenken? Wee mij! de
+vloek mijner moeder drukt mij zwaar op 't hoofd, nu ik door mijn
+eigen zoon, voor wiens welzijn ik zooveel heb uitgestaan, veracht en
+verstooten worde."
+
+"Ik zie geen reden om zoo heftig in drift te geraken," zeide Ludwig,
+ongeduldig op zijn pen knauwende: "gij hebt u immers over niets
+te beklagen? dat gij kamenier zijt geworden is uw eigen verkiezing
+geweest: dat ik u niet meer geld zond, toen gij nooddruft leedt, is
+mijn schuld niet: men wist nooit waar gij u bevondt, en ik zelf had
+niet veel te geven, daar ik de grootste helft mijner verdiensten voor
+de goede zaak heb opgeofferd. En wat de weldaden betreft, die ik van
+u zou genoten hebben, ik beken dat ik werk heb, die te ontdekken. Ik
+ben u weinig verschuldigd, die mij als een basterd de wereld hebt
+ingestuurd, om een leven vol zorg en kommer te leiden."
+
+De ongelukkige moeder wilde antwoorden; doch de koude, gevoellooze taal
+haars zoons deed de stem haar in den gorgel stikken, en voor het eerst,
+na lange jaren, berstte zij, de hooghartige vrouw, in tranen uit.
+
+"Ween niet, moeder!" zeide Ludwig, haar naderende, schoon zij hem
+terugstootte: "ween niet en vergeef mij mijn harde woorden: ik
+zou die nooit gebruikt hebben, zoo uw verwijtingen ze niet hadden
+uitgelokt. Ween niet en vergeef mij wat ik in drift gezegd heb. Ik
+weet, dat gij mij bemint en uw zorg mij nooit hebt onttrokken, ook
+toen ik in vreemde handen mijn opvoeding genoot en mijn eigen loopbaan
+volgen moest. Laat ik die tranen afdrogen en herken uwen Ludwig nog."
+
+Welke moeder wederstaat de smeekingen van haar zoon, ook op het
+oogenblik dat hij haar hart verscheurd heeft? Magdalena weerde den
+boetwaardige af; doch met mindere strengheid: en zich herstellende,
+sprak zij:
+
+"Ik dacht, Ludwig! dat ik geen tranen meer had, en echter zie ik
+dat gij die nog kunt doen vlieten. Ondankbare! gij zegt, dat gij
+mij niets verschuldigd zijt? en wie anders, dan ik, heeft u bij de
+Gravin van Nassau geplaatst, wier voorspraak u naderhand tot hoogere
+posten heeft doen geraken? wie anders, dan ik, heeft u, te midden van
+ketters, voor 't ware geloof doen leven? wie anders deed u de heilige
+bestemming erlangen om, in dit vijandig land, de eer te genieten van
+uwen geloofsgenooten ten dienst te staan? wie zal de eerste oorzaak
+genoemd worden, dat gij eenmaal, wanneer de dierbare Moederkerk
+hier zegepraalt, tot de hoogste waardigheden geroepen, den dank van
+allen zult ontvangen, als de man, aan wien Rome en Spanje het meest
+verschuldigd zijn!"
+
+"Ik wil u niet weder bedroeven, moeder!" zeide de Secretaris, op
+den minzaamsten toon; "doch waarlijk, ik beschouw het als zulk een
+groot geluk niet, dat ik, mijn gansche leven door, de weinig geachte
+rol van verspieder spelen moet, en hen gedurig bedriegen, die mij de
+meeste gunst bewijzen."
+
+"Wijt dit aan de omstandigheden, die ons de list tot plicht
+hebben voorgeschreven, en niet aan mij," antwoordde zijn
+moeder. "Noodzakelijkheid drijft u en mij."
+
+"Ik stem u dit toe," zeide Ludwig: "doch," vervolgde hij met een
+flauwe stem: "was het ook noodzakelijkheid, toen ik, om aan de
+bijzondere wraak van Pater Eugenio te voldoen, den jeugdigen Graaf
+van Falckestein, den oudsten zoon mijner weldoenster, aan het staal
+der moordenaren opofferde?"
+
+Magdalena zweeg en zag zuchtende voor zich.
+
+"Was het ook noodzakelijkheid," vervolgde hij, "dat ik in dit
+afschuwelijk eedverbond tegen uw meester, den Baron Van Sonheuvel,
+heb moeten treden, ten gevalle van dienzelfden vervloekten Jezuïet?"
+
+"Zwijg stil om Godes wil," zeide Magdalena, hem snel de hand op den
+mond leggende: "gij weet niet wien gij vloekt."
+
+"Ik weet zeer wel," hernam hij, "dat ik van eenen, in uw oogen
+eerwaardigen man spreek, aan wiens leiding en bevelen gij mij gelast
+hebt, onbepaald gehoor te geven, en die mij eens een plaatsje op het
+rad aan zijn zijde bezorgen zal. Ik weet wat zijne, en, vergeef mij,
+wat uwe inzichten zijn. Dan reeds al te lang ben ik hem gehoorzaam
+geweest, zonder andere vrucht voor mijzelven dan onrust hier," de
+hand op het hart leggende, "en vrij twijfelachtige verwachtingen in
+de toekomst."
+
+"Onrust!" herhaalde Magdalena verbaasd: "wat kan u ontrusten, wanneer
+gij voor uw Kerk en uw wettige Vorsten uw plicht volbrengt? of zoudt
+gij thans, om eenig gewin en zekerheid voor u zelven, de partij,
+waaraan gij zoolang zijt getrouw geweest, verraden, en een plasdank
+bij uw kettersche meesters af gaan bedelen?"
+
+"Ik weet het niet," antwoordde haar zoon, terwijl hij zuchtende
+de schouders optrok: "Ik kan zelf niet beoordeelen, wat in de
+tegenwoordige omstandigheden voor mij het beste zou zijn."
+
+"O!" zeide Magdalena, "die beslissing kan u niet zwaar vallen. Wanneer
+gij alles met den maatstaf uwer baatzuchtige inzichten afmeet, dan moet
+gij u haasten, al de opofferingen, welke gij tot heden toe gedaan hebt,
+al de vruchten van uw tot nog toe verrichten arbeid, als nutteloos en
+nietig te vergeten en uw geloofsgenooten, met al die tot ons verheven
+doel werkzaam waren, bij uw meesters te gaan verraden. Want, is de
+hooge belooning, die Spanje en Rome u schenken zouden, nog onzeker, de
+bloedprijs voor het overleveren onzer bondgenooten kan u niet ontgaan."
+
+"Overleg eens ernstig, lieve moeder! in welk geval ik het meest den
+naam van verrader verdien."
+
+"Kortzichtige! die uw plicht alleen met de oogen des vleesches
+beschouwt, en die geen andere vierschaar kent, waar onze daden
+beoordeeld worden, dan de denkwijze van 't algemeen. En acht gij dan
+het misnoegen niet van Hem, wiens wijsheid u tot het heerlijk werk der
+verlossing heeft verkoren? en acht gij den vloek uwer moeder niet,
+die op uw schedel dalen zoude, indien uw dagen door afval geteekend
+werden? Zie deze haren, mijn zoon! die vóór den tijd vergrijsd zijn
+geworden, zult gij ze met schande bedekken of met eere kronen?--Het
+hangt van u af, van u alleen. O mijn Ludwig! toen ik u, nog een teedere
+knaap, uit mijn gezicht verwijderde en in vreemde handen overgaf,
+toen smeekte ik den Hemel, dat hij in u den held zou kiezen, die te
+midden der ketters zijn geloofsgenooten dienen mocht. Toen waande
+ik, verblinde, dat gij eenmaal het werktuig wezen zoudt, dat deze
+heerlijke, maar verdoolde gewesten onder den staf des eenigen Herders
+terug moest brengen. Toen streelde een, misschien zondige, hoogmoed
+mijn ziel, dat ik eenmaal uwen naam als dien van Romes getrouwsten
+en ijverigsten dienaar zou hooren prijzen. Helaas! hoe fel worde
+ik gestraft voor dien vermetelen waan! Hoe weinig beantwoordt gij
+aan de heerlijke vooruitzichten, welke mij uw daden in den beginne
+beloofden ... dan genoeg! ik lees in het ongeduld, dat zich in al uw
+trekken vertoont, de bekrompenheid uwer ziel. Welaan dan, ik wil,
+u ten gevalle, alles uit een bloot menschelijk oogpunt beschouwen:
+dan nog vordert uw eer, ja uw belang, dat gij niet afwijkt van den
+eenmaal ingeslagen weg. Want, stel eens, dat gij aan den trotschen
+dwingeland of aan zijn flauwhartigen broeder onze geheimen verraadt:
+wat zal dan uw volgend lot wezen? waar zult gij het goud, den prijs
+uwer schande, gaan verteren? In al die landen, waar het zuivere licht
+der waarheid straalt, zou uw leven niet veilig zijn, en bij hen, wier
+kettersche gunst u beloonen moest, zult gij, als een verspieder,
+veracht en geschuwd worden. Waar gij u zult willen nederzetten,
+overal zullen vloek, haat en verfoeiing uw deel zijn, en met Kaïns
+merk op het voorhoofd zult gij, ellendig, vervolgd en ontweken, als
+banneling op aarde moeten rondzwerven, totdat gij eindelijk met den
+vloek der wereld beladen, in het graf een schuilplaats zoeken zult,
+die u nog voor den toorn des Eeuwigen niet bevrijden kan."
+
+"Na al hetgeen ik reeds gedaan heb," zeide de geheimschrijver op
+den bedaardsten toon der wereld, "verdien ik zooveel gestrengheid
+niet. Wees gerust, moeder! ik zal geen besluit nemen dat u
+bedroeven zou; doch niemand misprijze het, indien ik mijn daden door
+voorzichtigheid besturen laat. Vergeten wij al het over en weder
+gezegde, en laten wij voortaan in onze gesprekken geen anderen toon
+voeren, dan dien, welke onze nauwe betrekking voegt."
+
+"Dat zal van uw gedragingen afhangen," zeide Magdalena, en stak hem
+tot verzoeningsteeken haar hand toe, welke hij kuste. Op dit oogenblik
+trad de bode binnen en meldde een vreemdeling aan.
+
+"Laat hij een oogenblik vertoeven," zeide Ludwig.--"Welnu,
+moeder!" vervolgde hij, na het vertrek des bedienden: "hebt gij nog
+iets te bevelen? Gij ziet, dat mijn oogenblikken mij niet toebehooren."
+
+"Dit pakket," zeide Magdalena, een dik pak uit haar boezem te
+voorschijn halende, "moet aan den Kanselier bezorgd worden. Het bevat
+rapporten van onderscheidene geloofsgenooten over den staat van zaken
+hier te lande."
+
+"Het zal bezorgd worden," hernam Ludwig, het pakket aannemende:
+"ik moet de gezanten toch nog spreken vóór hun vertrek uit Den Haag."
+
+"En deze brief," vervolgde zij, "is voor den Veldheer Spinola."
+
+"Waarschijnlijk van den Ambtman," hernam hij: "ja, ik herken die
+hand. 't Is wel: ik hoop slechts, dat ik hem te zien zal krijgen. Is
+er nog iets?"
+
+Magdalena beantwoordde deze vraag ontkennend, drukte hem de hand,
+trok haar falie weder over 't gezicht en verwijderde zich; waarna
+Ludwig, de brieven zorgvuldig verborgen hebbende, den bode riep en
+hem gelastte, den vreemdeling binnen te laten.
+
+"Ik heb daar een zwaren post gehad," mompelde hij bij zichzelven,
+terwijl hij het nieuwe bezoek verwachtte; "nu, alles zal afhangen
+van mijn gesprek met de gezanten. Praatjes helpen niet meer. Ik moet
+zekerheid hebben!--Wat verlangt UEd.!" vervolgde hij overluid, zich
+tot een jongeling wendende, die, eenvoudig doch smaakvol gekleed,
+binnentrad.
+
+"Mijn boodschap was eigenlijk aan Zijne Doorl. in persoon gericht,"
+zeide de vreemdeling, "doch, daar UEd., naar ik verneme, de vertrouwde
+geheimschrijver Zijner Doorl. zijt, geloof ik, mij van mijn plicht
+genoegzaam te kwijten door mijn boodschap aan UEd. te doen."
+
+"Zooals UEd. verkiest; wat ik ontvang, ontvangt Zijne Doorluchtigheid."
+
+Terwijl de andere zijn buis ontknoopte om de daarin verborgene papieren
+voor den dag te halen, en de Secretaris opgerezen was om die te
+ontvangen, zagen beiden elkander gedurig steelswijze aan; want beiden
+herinnerden zich, elkander meer gezien te hebben; doch waar en wanneer,
+dit wisten zij zich niet zoo oogenblikkelijk te binnen te brengen.
+
+"Ik ben uit Den Bosch gekomen," zeide de onbekende, eenige brieven
+voor den dag halende.
+
+"Uit Den Bosch," zeide Ludwig haastig: "ga zitten: schuif wat
+naderbij, als 't u belieft. Gij komt toch niet van.... van, gij weet
+wel wien...." Dit zeggende, zag hij hem scherp in 't gezicht, als
+wilde hij de aanvulling van den volzin aan den vreemdeling overlaten,
+wien hij voor een der medegenooten van Pater Eugenio hield.
+
+"Ja, ik weet zeer wel van wien ik kom," antwoordde de ander, op een
+toon, die Ludwigs vermoeden versterkte.
+
+"Van den zwarten vos misschien?" zeide Ludwig, den Jezuïet bedoelende.
+
+"Ik geloof van ja," antwoordde de vreemdeling, die in den waan
+verkeerde, dat de geheimschrijver een der verbannen Predikanten
+bedoelde.
+
+"Ik had mij gevleid," hernam Ludwig, fluisterend, "dat hij zelf hier
+zou komen snuffelen."
+
+"Hij zou er wel op passen," zeide de ander: "hij zou hier slecht
+ontvangen worden."
+
+"Als gij denkt, dat hem zulks zoude afschrikken, dan kent gij den Pater
+niet. Doch, wat mij verwondert," vervolgde Ludwig, wiens vermoedens
+op dit oogenblik tot zekerheid oversloegen, "is dat hij den pleegzoon
+van den Baron Van Sonheuvel tot zijn zendeling uitkipt."
+
+"Met uw verlof," zeide Joan, die van zijn kant den geheimschrijver
+herkende: "ik heb wel eens zendelingen zien uitkiezen, waarop men
+minder reden had van te vertrouwen.... ik geloof, dat ik vroeger de
+eer had, u te ontmoeten."
+
+"Verheugd u weer te zien," zeide Ludwig, zich buigende: "doch hoe
+duivel komt Pater Eugenio....? ik vat er niets van."
+
+"Gij kent Pater Eugenio?" hernam Joan verbaasd: "doch waarover
+verwonder ik mij? Nu ik mij wel herinner, uw brief indertijd aan
+Klaas Meinertz gezonden.... de kennis, die gij aan mijn geboorte
+hadt.... ik geloof, dat u meer zaken bekend zijn, dan menig ander."
+
+"Ik ken Don Diego de Velasco, en dit moet u genoeg zijn om mij al
+die berichten mede te deelen, welke gij geraden oordeelt."
+
+"Is mijn nieuwe naam reeds herwaarts overgewaaid?" vroeg Joan: "doch
+gij kendet dien sedert lang. Welnu, mijn boodschap is zeer eenvoudig
+en zal geen lang betoog behoeven. Dit pakket vervat ettelijke brieven,
+alsook een paar handschriften van de Remonstrantsche ballingen, die
+zich thans in Brabant bevinden, en aan Zijne Doorl. Graaf Frederik
+Hendrik toegezonden, om daarmede naar goedvinden te handelen. Gemelde
+Heeren waren van oordeel, dat niets de oprechtheid hunner bedoelingen
+meer zou aantoonen, dan wanneer zij hun zaak in handen stelden van
+zulk een voornamen en onpartijdigen Vorst als Zijne Doorluchtigheid."
+
+"Aha!" zeide Ludwig: "gij komt dus van de Remonstrantsche Heeren? dat
+verandert de zaak; ofschoon het mij verwondert, dat de kweekeling
+van Ds. Raesfelt zich met Arminianen ophoudt."
+
+"Het was het verlangen van Don Louis," antwoordde Joan, wiens ronde
+oprechtheid geen strikvragen vermoeden kon, "het was het verlangen
+mijns ooms, aan wiens tafel ik den Heer De Groot en diens vrienden
+ontmoette, dat ik mij met de waarneming hunner belangen zou ophouden
+en mij op die wijze tot een mogelijke herstelling der rust laten
+gebruiken. Terwijl de Gezanten des Konings van Spanje met Prins Maurits
+aan een vredesverdrag werkzaam zijn, zou ik het mij tot een waar
+genoegen rekenen, hier den binnenlandschen krijg te helpen smoren."
+
+"Gij zijt dus met de Gezanten gekomen?--En hoe komt het dan, dat ik
+u thans eerst hier zie?"
+
+"Eerst gisteren kwam ik hier. Ik heb zoolang in Den Bosch gewacht tot
+deze brieven vaardig waren. Doch ik heb ook een mondelinge boodschap
+aan Z. D. Wanneer zou ik bij Haar kunnen worden toegelaten?"
+
+"Zoo! hebt gij een mondelinge boodschap?--Ja, heden zal er moeilijk
+kans voor u zijn, die af te leggen. Wanneer vertrekt gij?"
+
+"Morgenmiddag naar alle gedachten, met de Heeren van het Gezantschap."
+
+"Welnu! keer dan morgenochtend te negen uren hier terug, en ik
+zal Z. D. van uw komst verwittigen; maar wees zoo goed, dit papier
+weder bij u te steken: ik heb liever, dat gij het in eigen persoon
+aan Z. D. overhandigt. Ik ben om goede reden een weinig huiverig,
+om mij met een dusdanige commissie te belasten."
+
+"Zooals gij verkiest," hernam Joan, het pakket weder bij zich stekende:
+"gij zegt dan, morgenochtend...."
+
+"Te negen uren. Vaar intusschen wel, Heer Gezant."
+
+"Ik heb de eer u te groeten, Heer Secretaris!" zeide Joan en vertrok.
+
+"Morgenochtend te negen uren!" herhaalde Ludwig, zoodra hij alleen
+was. "Tegen dien tijd zit gij, waar men u zoo licht niet vandaan laat
+vliegen. De haas is in den strik geloopen, waar hem niets uit redden
+zal. Was nu Eugenio maar hier.... dan kom! heb ik geen eigen genie
+genoeg om thans den weg te zien, dien ik volgen moet? Spoedig de
+brieven aan de Gezanten bezorgd en dan.... Doorluchtig Broederpaar,
+gij zult mij al te slim zijn, indien ik hier niet voor morgen een
+Thebaïs van tweedracht en vijandschap verwek."
+
+
+
+
+
+ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ Dat's er éen, dat's er een,
+ Ter waereld schoonder geen,
+ Dat yder moet belijen.
+ Ontgin hem maar eens, heen en weêr,
+ En denk dat uit een anders leêr,
+ Goed riemen is te snijen.
+
+ _Jan de Regt_.
+
+
+Het was op den volgenden morgen, dat, omstreeks acht uren, de
+plechtige overdracht van den Hofbeer, door die van Utrecht aan den
+Hove van Holland geschieden zou. Deze zoogenaamde Hofbeer was niets
+anders dan een mannetjes-varken, het grootste en vetste dat in de
+provincie Utrecht te vinden ware en hetwelk jaarlijks op zekeren
+bepaalden dag als een hulde en tot een teeken van onderdanigheid met
+de noodige plechtigheden werd aangeboden. De oorsprong van dit gebruik
+is bij geen schrijver aangeteekend en ligt derhalve in het duister;
+hoewel sommigen beweren, dat de oorzaak daarvan gezocht moet worden
+in de overrompeling en plundering van Den Haag, in den jare 1528,
+door de Gelderschen onder Maarten Van Rossem, en dat, vermits die
+geschied was door toedoen van die van Utrecht, Keizer Karel, wanneer
+hij in het volgende jaar de stad bij verrassing innam en namaals de
+_temporaliteit_ of het wereldlijk bestier daarvan bij verdrag bekwam,
+hun tot straf en eeuwige gedachtenis van een zoo stout bestaan zou
+opgelegd hebben het leveren van een beer of mannetjes-varken aan
+den Hove van Holland. Hoe 't zij, zeker is het, dat de Magistraat
+van Utrecht verplicht was, alle jaren op zekeren gezetten dag aan
+den Hove op te brengen zoodanigen beer of zwijn, dat alsdan aan een
+paal, staande op het Binnenhof, eenige dagen werd tentoongesteld,
+vervolgens geslacht en onder den Stadhouder (die 't hoofd kreeg)
+en zijn Raden verdeeld.
+
+Reeds een uur voor de plechtigheid waren het Binnenhof en de straten,
+welke het ongure dier moest doortrekken, met toeschouwers gevuld. De
+schutterij der stad, bij deze gelegenheid in de wapenen gekomen,
+maakte hier en daar de bezetting uit, welke de orde bewaren moest:
+de winkels, welke te dien tijde de Groote Zaal op het Binnenhof
+omringden, en waar men alle voorwerpen van galanterie verkrijgen kon,
+stalden hun beste waren uit: in één woord, het gansche plein leverde
+een bijzonder vroolijk en levendig voorkomen op.
+
+Onder de toeschouwers bevond zich, als natuurlijk was, de Jonker van
+Bleiswyk, dezelfde, van wien Ludwig (in het vorige hoofdstuk) had
+aangemerkt, dat hij overal met den neus bij was. Hij had zich, ook
+thans een der beste plaatsen uitgekozen, om alles wel te aanschouwen
+en op te nemen. Hij stond namelijk tegen een der torens van het groote
+gebouw geleund, van waar hij èn den weg waar het zwijn langs moest
+komen, èn de paal, en eindelijk de ramen van het Hof op zijn gemak
+kon zien.
+
+"Ik hoop," zeide hij tegen een deftigen, in 't zwart gekleeden Heer,
+die naast hem stond, "dat Utrecht van 't jaar een fatsoenlijker varken
+sturen zal, dan dat van verleden jaar."
+
+"En wat haperde daaraan?" vroeg de ander.
+
+"Weet UEd. dat niet?--Wel het beest was zoo slecht onderwezen, dat het,
+zoodra het aan de paal lag, allerlei onbeleefdheden beging; ik zelf
+stond er vlak bij: de rozen van mijn schoenen waren glad bedorven."
+
+"Wat deedt gij er ook zoo dicht bij te staan? laat dat aan de
+straatjongens over," zeide de deftige man.
+
+"Met uw verlof! ik had gewed dat het dier niet deugde, en wilde
+mij daarvan verzekeren; ook had ik niet misgeraden; want toen de
+Rentmeester des Espargne het slachten liet, werd het gortig en vuil
+bevonden, zoodat de Raden aan den Magistraat van Utrecht om een ander
+schreven: ik heb den brief zelf gelezen: hij begon met het varken en
+eindigde met een Christelijk gebed!.... nu, er kwam een ander beest,
+en toen waren onze lekkerbekken uit den brand, Ik heb zelf bij Zijne
+Doorluchtigheid van den kop gegeten. Hij was puik puik!"
+
+"Ik denk toch, dat dit zotte gebruik van de min verlichte tijden niet
+lang meer duren zal," hervatte de andere spreker.
+
+"Daar zal eens een hartig woordje bij de aanstaande vergadering over
+gewisseld worden," zeide Bleiswyk: "Ik heb het zelf van den Heer Duyk
+gehoord. Nu, die van Utrecht hebben ook heftige klachten ingeleverd,
+en waarover, denkt gij? Niet over den last van den beer te leveren;
+maar omdat de eer van het lieve beestje hun zoo nauw aan 't hart ligt,
+dat zij niet verduwen kunnen, dat het aan de kaak gelegd wordt en dat
+er de jongens baldadigheden mede bedrijven, let wel, tot hun schimp en
+spot: zoo luidt hun missive, die ik zelf gelezen heb. Daarom heeft men
+heden den ring en 't ijzer van den paal afgeslagen, opdat het geen kaak
+zou gelijken. Ten minste zoo heb ik zelf van den griffier gehoord."
+
+"Het schijnt mij toe, dat UEd. van alles bijzonder wel onderricht is."
+
+"Dat placht zoo te zijn, mijn waarde Heer! dat placht zoo te zijn; ten
+tijde van wijlen den Heer Advocaat was ik spoediger achter de zaken
+dan tegenwoordig. Z.Ed. had veel goedheid voor mij: alles vertelde
+hij mij eer iemand het wist; ik maakte ook veel werks van den ouden
+man: nu! ik heb hem ook tot aan zijn dood toe eer bewezen: ik heb
+zelfs geen vier treden van hem afgestaan, toen hij onthoofd werd:
+ik had een treffelijk plaatsje op 't schavot, vlak achter den Fiskaal."
+
+"UEd. wilde hem zeker in het uiterst bijstaan."
+
+"Dat juist niet, mijn beste! dat liet ik aan Lamotius over; maar
+als men zulke goede vrienden geweest is! ... en daarenboven.... ik
+zie gaarne alles... UEd. heeft zeker gisteren de Spaansche gezanten
+zien wegreizen."
+
+"Gisteren!" zeide een welgekleed jongeling die aan zijn andere zijde
+stond: "ik dacht dat zij hedenmiddag...."
+
+"Abuis, mijn vriend! gisteravond te halfnegen zijn zij de poort
+uitgereden. Ik heb hen zelf van Z. H. afscheid zien nemen.... Zijne
+Hoogheid schudde hartelijk de hand van Spinola bij 't vertrekken:
+nu Generaal! zeide Z. H., waar zien wij elkander weder? En de
+Marquis antwoordde: ik hoop Uwe H. bij Bergen-op-Zoom. welgewapend te
+ontmoeten.... nu denkt Z. H., dat Spinola ons juist van een anderen
+kant aan zal vallen: maar de Marquis vertelt altijd aan een elk wat
+hij in 't zin heeft, opdat men het tegendeel zou gelooven; dat heeft
+Z. H. mij dikwijls zelve gezegd."
+
+"Wij zullen dus oorlog hebben," zeide de zwarte man.
+
+"Natuurlijk," hervatte Bleiswyk: "dat was lang van te voren beslist,
+gelijk mij al die van de zaak weten gezegd hebben; maar het leger
+zal er vrij wat minder uitzien dan voor twintig jaren: toen was het
+een andere troep als thans!"
+
+"Dat heeft men UEd. zeker ook gezegd," zeide de deftige Heer spottende:
+"want ik twijfel of UEd. het gezien heeft."
+
+"Ik was toen nog een knaap," hervatte Bleiswyk; "doch ik hield veel
+van alles te zien en te vernemen; maar eilieve zie eens.... kent
+gij dien man met zijn rooden neus wel, die daar ginds door de
+schaar heendringt?--Niet?--Dat is de Arminiaansche Predikant
+Groenhovius;.... maar waar loopt UEd. zoo haastig naar toe?"
+
+Hier verliet de zwarte man zonder te antwoorden zijn plaats en verloor
+zich weldra in de menigte, gelijk ook de Predikant.
+
+"Ik verwed mijn vederbos tegen een oude beddekwast, dat die zwartrok
+een Arminiaan of een spion van 't gerecht is!" vervolgde Bleiswyk,
+zich tot den jongen onbekende wendende: "UEd. ziet dien Dominee na:
+ja, die is eigenlijk gebannen, maar hij wil 't niet weten.--Heeft
+UEd. wel ooit een Arminiaansche predikatie bijgewoond?"
+
+"Ik dacht dat het verboden was, op die bijeenkomsten te gaan,"
+zeide deze.
+
+"Dat is te zeggen," hernam Bleiswyk op een gewichtigen toon: "het
+is verboden er te gaan uit godsdienstige oogmerken; maar om zijn
+nieuwsgierigheid te voldoen, mag men er gerust heen trekken, en met
+dat oogmerk alleen ben ik er heen geweest."
+
+"Een fijne distinctie!--En was UEd. nogal voldaan over de predikatie?"
+
+"Denk je dat ik naar het gerammel van dien kwijlbaard geluisterd
+heb? om geen geld; maar naast mij zat een zoet zusje, dat de moeite
+wel waard was, om gezien te worden: ik zeg ook niet, dat ik er een
+volgende reis niet weer heen trek; ik wil die kennis gaarne aanhouden."
+
+"Ik zou het u niet raden, Jonker," zeide een deftig gekleed Heer,
+(die, kort te voren de trappen van de Groote Zaal afgekomen, zich
+juist achter Bleiswyk bevond en zijn laatste woorden gehoord had),
+terwijl hij hem op den schouder tikte.
+
+"Aha! zijt gij het, mijn waarde Heer Fiskaal," zeide Bleiswyk, zonder
+van kleur te veranderen: "en waarom zou UEd. mij dat niet raden?"
+
+"Omdat het UEd. een fiksche som gelds zou kunnen kosten," hernam
+de Fiskaal.
+
+"Eilieve, zie eens!" zeide Bleiswyk, met een onveranderlijke
+koelbloedigheid zijn halskraag in orde schikkende; "zou de Justitie
+mij beletten, mij op een onschuldige wijze te vermaken, hoe en waar
+het mij belieft?--Ik wil u de boete wel daags te voren te huis sturen;
+maar er heen gaan zal ik.... of wil UEd. ook voor 't halfje met mij
+accordeeren?"
+
+"De Justitie treedt in geen akkoorden," zeide de Fiskaal op een
+strengen toon.
+
+"Kom! kom! Mijnheer Van Kinschot!" hernam Bleiswyk, lachende: "ik ga
+naar de mis, naar de oefeningen, naar de Arminiaansche conventikels,
+naar de synagoge, naar de moskee desnoods, overal waar het mij bevalt,
+en 't zal een kerel zijn die het mij belet."
+
+"Pas op, dat mijn dienaars er u niet vandaan halen," hernam de Fiskaal.
+
+"Pas maar zelf op, oude Heer!" zeide Bleiswyk, de deftige houding
+des Fiskaals op een koddige wijze nabootsende: "of 't zal u gaan als
+'t uwen confrater Van der Duyn ging, toen hij die Rotterdamsche
+samenkomst bespiedde en met zijn dikken kop tusschen de tralies,
+waar hij doorkeek, vast bleef zitten."
+
+Dit antwoord verwekte een luid gelach bij al de omstanders: alleen zij,
+die het dichtst bij den Fiskaal stonden, en hem niet gaarne tot vijand
+wilden hebben, stopten de punten hunner mantels in den mond, of hielden
+er de hand voor om niet uit te bersten. De Fiskaal antwoordde niet,
+doch, den onbescheiden jongeling met een ontevreden blik aanziende,
+trad hij eenige stappen terug in 't gedrang.
+
+"Ziet gij, zoo moet men met die Heeren van 't Gerecht omspringen,"
+vervolgde Bleiswyk, zich tot zijn buurman wendende, die sinds eenige
+minuten, zonder naar het gesprek met den Fiskaal te luisteren, de
+oogen op een der vensterramen van het Hof gevestigd had gehouden:
+"doch waar kijkt UEd. naar?--Aha! ik zie het al: het vorstelijk gezin
+is aan de ramen gekomen: zie eens, die aan dat middelste venster
+met dien hoed met gele en roode veeren is Zijne Hoogheid: die met dat
+botte uitzicht, die naast hem staat, is de Koning van Bohemen;.... maar
+gij kijkt naar een geheel verkeerd raam.... ho ja! daar valt ook wat
+meer bezienswaardig te aanschouwen, ik geef u geen ongelijk: die jonge
+Dame, die naast de Gravin Douairière Lodewijk Gunther zit, is gansch
+niet onooglijk. Het is de Freule Van Sonheuvel, en die deftige Heer,
+die achter haar staat, is de Ambtman Mom, die eerstdaags met haar
+trouwen zal. Ik ben zelf op de partijen genoodigd; men zegt: het
+staat haar maar half aan, een man te trouwen, die zooveel ouder is;
+doch zijn jaren zijn de ware reden niet van haar tegenzin: ik heb
+zelf van goederhand gehoord, dat de Baron een knaap had opgevoed,
+wien zij liefgekregen had en met wien zij had willen doorgaan."
+
+"Dat is niet waar," riep de ander uit, terwijl zijn oogen fonkelden
+en zijn hand het gevest van zijn degen greep. Bleiswyk, die de reden
+van dit opvliegen niet bevroedde, trad eenigszins verzet achteruit,
+doch herstelde zich spoedig.
+
+"Wat drommel gaat het u aan?" zeide hij: "maak u om die Freule niet
+dik; zij gaat toch met een ander in 't schuitje."
+
+"Geen beleedigingen meer!" zeide Joan (want niemand anders was de
+onbekende jongeling) en hief de vuist op om den onbedachtzamen Jonker
+op eene gevoelige wijze zijn misnoegen te toonen, toen een algemeene
+kreet van: _ruim baan! ruim baan! daar komt hij! daar is hij!_ de
+menigte uiteen deed stuiven en hem van zijn tegenpartij afdrong. Alras
+vertoonde zich nu een vendel schutters, 'twelk de noodige ruimte op het
+Binnenhof maakte voor den optocht, die volgde. De trein werd geopend
+door twee hellebaardiers, die den Schout en Burgemeesteren begeleidden;
+op dezen volgden de Procureur-Generaal, de Raadpensionaris en de Leden
+van den Provincialen Hove. Na dezen kwamen wederom eenige burgers en
+vervolgens het voorname doel van het gejuich der menigte, het voorwerp
+van het luid opstijgend hoezee en verdoovend handgeklap, de Hofbeer,
+met bloemen opgeschikt als een paaschlam en statig voortkuierende
+(zoo statig als het een varken mogelijk is) tusschen twee Boden van
+de Utrechtsche Magistraat, die de twee einden vasthielden van een
+sierlijk lint, dat aan den hals van het beest vastgestrikt was; doch
+dit was slechts _pro forma_! want degene, die de gangen van het varken
+werkelijk bestuurde, was een kloek landman, zindelijk naar zijn stand
+gekleed; deze was de voormalige eigenaar van het beest en Joan herkende
+alras in hem zijn gullen gastheer Gheryt Maessen. Nadat de trein, die
+door eenige burgers gesloten werd, het Binnenhof was rondgewandeld,
+geschiedde de overdracht, daarin bestaande, dat de Utrechtsche Boden
+de einden van het lint, die zij vasthielden, aan de Boden van den Hove
+overgaven. Nadat dit geschied was, bond men het dier aan den daartoe
+bestemden paal vast en ging de optocht ter zijde, om plaats te maken
+voor de doorluchtige toeschouwers, die het vette dier van dichtbij
+bezien kwamen. De Vorsten vertoonden zich al spoedig op het Binnenhof,
+van een aanzienlijken stoet hofjonkers en dames vergezeld; dan hun
+nadering scheen weinig indruk op den onhoffelijken Hofbeer te maken,
+die tegen den Stadhouder knorde, aan Z. M. van Bohemen de tanden wees,
+en aan de Gravin van Nassau den rug toedraaide met groote blijken
+van ongeduld. Dan, toen het trompetgeschal nogmaals herhaald werd,
+scheen het varken gramstorig te worden en eindelijk te begrijpen,
+dat het een voor hem zeer vernederende rol speelde, waarop het met
+hevigheid een zijsprong nemende, het touw ('t geen, als Bleiswyk
+verhaald had, den ijzeren ketting en ring vervangen had), losrukte
+en, zonder aanzien des persoons, op de doorluchte toeschouwers
+aansnelde. Men beseft lichtelijk, welk een verwarring door dien
+onverwachten misslag van den slecht onderwezen Hofbeer ontstond:
+de adel vloog op zijde en tusschen het gemeen in: de Raadsheeren
+trapten in 't vluchten op hun tabbaarden en rolden onder de schutters:
+'t gemeen vluchtte de hoftrappen op: de mannen schreeuwden: de dames
+gilden: de jongens lachten of raapten steenen op om er het varken mede
+te smijten: enkele onverschrokken lieden poogden den beer te keeren;
+doch het varken, door geen tegenstand afgeschrikt, liep twee of drie
+menschen onder den voet en juist op de Freule Van Sonheuvel aan,
+die waarschijnlijk mede door het woedende dier ware vertrapt geweest,
+ware niet haar trouwe minnaar nabij haar geweest. Joan was, toen het
+dier losbrak, dadelijk tot bescherming zijner geliefde toegesneld: hij
+wierp zich snel als de wind op het dier en greep het bij de ooren met
+zooveel kracht, dat het stilstond en weldra door Maessen en anderen,
+die toegeschoten waren, in bedwang gehouden werd.
+
+"Ulrica! mijn kind!" schreeuwde de Baron, naar zijn doodsbleeke
+dochter toesnellende: "zijt gij gewond?"
+
+"Het is niets, mijn vader!" antwoordde zij, met een gebroken stem:
+"laten wij van hier gaan."--Deze woorden uitsprekende, zocht zij half
+buiten haar zelve, den arm haars vaders te nemen; doch zij miste haar
+greep en zou ter aarde gestort zijn, had niet Joan haar opgevangen.
+
+"Duizend kanonnen!" riep de Baron; "hij ook hier!"
+
+"Had ik geweten, Heer Baron!" zeide Joan, de oogen nederslaande,
+"dat ik UEd. hier ontmoeten zoude, ik had UEd. mijn tegenwoordigheid
+gespaard; schoon ik mij jegens UEd. niets te verwijten heb."
+
+"Met uw verlof," zeide Mom, hem naderende en Ulrica den arm biedende:
+"ik zal wel voor de Freule zorgen."
+
+"UEd. had zulks wat vroeger moeten doen," zeide Joan eenigszins
+geraakt, en, den hoed aflichtende, maakte hij een statige buiging
+voor den Baron, waarna hij zich buiten den kring begaf en met een
+haastigen tred het Binnenhof verliet. Nauwelijks was hij echter op het
+Buitenhof gekomen, met oogmerk om zich naar de huizinge van Brandwijk
+te begeven en daar de terugkomst van Frederik Hendrik af te wachten,
+toen hij door iemand achterhaald werd, die hem op den schouder tikte
+en zich voor den Jonker van Bleiswyk herkennen deed.
+
+"Verschoon mij," zeide deze: "Ik ben zooeven wat van u afgeraakt;
+echter niet zoo ver, of ik ben ooggetuige geweest van uw
+heldendaad. Mag ik nu vernemen, welke betrekking er bestaat tusschen
+UEd. en de Freule, wier partij UEd. zoo hevig genomen hebt, _re et
+verbis_, als de geleerden zeggen."
+
+"Vermoedelijk wilt gij dit alleen weten," hernam Joan, hem met een
+toornigen blik aanziende, "om het hedenavond te kunnen rondvertellen,
+en er bij te voegen, dat gij het van goederhand vernomen hebt."
+
+"Misschien wel" hernam Bleiswyk lachende: "nieuwsgierigheid is
+mijn zwak."
+
+"En mijn zwak is," zeide Joan, "geen onbeschaamdheid te dulden:
+ik zou u dus raden mij alleen te laten, of het kan u slecht bekomen."
+
+Deze taal geuit hebbende, sloeg hij de hand aan zijn degen:
+doch Bleiswyk, hem tegenhoudende, nam beleefdelijk den hoed af en
+verzocht hem, geen rumoer op straat te maken. "Zoo 't UEd. gelieft,
+uw behendigheid tegen de mijne te meten," vervolgde hij, "zoo vindt
+gij mij tot uw dienst bereid; doch laten wij dan naar het Bosch gaan,
+daar kunnen wij elkander gevoeglijk een lating geven: ik wil daar
+met UEd. vechten tot den middag, mits ik naderhand uw geschiedenis
+maar verneme."
+
+"Ha! dat is te veel!" riep Joan. "Ik volg u terstond."
+
+"Met verlof!" riep een barsche stem achter hem: "dat zal nu niet
+gebeuren. Dienaars, treedt voor."
+
+"Houdt! wat!" zeide Bleiswyk, zich omkeerende, tegen den Fiskaal,
+die degene was, welke gesproken had: "UEd. legt het er vandaag op toe,
+om mij in mijn vermaken te storen."
+
+"Zwijg Jonker!" hernam de Fiskaal: "uw aardigheden zijn thans hoogst
+ongepast. Mijnheer!" vervolgde hij, zich tot Joan wendende: "gij zijt
+mijn gevangene: uw degen, als 't u gelieft."
+
+"In geenen deele," zeide Bleiswyk, terwijl hij Joan, die den
+Fiskaal verbaasd aanzag, bij de hand nam: "wat is dat voor een malle
+grap? ik zal niet dulden, dat een wakker gezel als deze edelman,
+door diefleiders achteraf gebracht worde."
+
+"Jonker Van Bleiswyk!" hernam de Fiskaal met een ontzaggebiedende stem:
+"gij, die zooveel weet, weet gij niet, dat hij, die schuldigen aan
+hoogverraad aan de Justitie onttrekken wil, zelf aan hoogverraad
+schuldig wordt?"
+
+"Aan hoogverraad!" zeide Bleiswyk, de armen latende vallen en de
+oogen half sluitende, terwijl hij op een theatralen toon declameerde:
+
+
+ "Waar is zoo verre een plaats, zoo woest een wildernis,
+ Die voor u, o mijn zoon! een zekere schuilhoek is?" [53]
+
+
+"Aan hoogverraad!" herhaalde Joan, met verbazing: "wat is mijn
+misdaad?"
+
+"Die zal nader onderzocht worden," antwoordde de Fiskaal: "geef uw
+degen over en volg mij. Ik zie u niet voor onwillig aan, anders liet
+ik u knevelen, dat gij niet gaan kondet."
+
+"Dat zou zeker de beste manier zijn om iemand te doen voortmarcheeren,"
+merkte Bleiswyk aan, die nooit zijn blijgeestigheid verloor. "Mijn
+goede vriend," vervolgde hij tegen Joan: "of liever mijn mislukte
+vijand! Ik ruilde graag mijn nieuwen hoed tegen de smerige kalot van
+Ds. Lamotius, dat ik u niet in zulke handen liet. De Gevangenpoort
+is voorzeker geen vermakelijk verblijf; althans daarin komen al wie
+er gezeten hebben overeen: ik zelf heb er nooit gelogeerd; anders...."
+
+"Zoo UEd. niet verkiest te zwijgen, zal ik u die ondervinding
+bezorgen," zeide de Fiskaal.
+
+"Boe! boe! ik ga al heen," riep de onverbeterlijke snapper uit:
+"ik ga al heen, wees maar niet boos!"
+
+Dit zeggende, verwijderde hij zich eenige stappen; doch terstond
+wederkeerende, greep hij Joan, die tusschen de twee dienaren in
+stond, bij de hand en zeide hem met drift, ja met gevoel: "vaarwel,
+Mijnheer! En zoo ge iets behoeft of verlangt, laat het dan maar weten
+bij Willem Van Bleiswyk, in 't Voorhout, die u helpen zal, waar hij
+kan en mag, ja, al mag hij niet."
+
+Na het uiten dezer woorden draaide hij zich om en snelde als een
+pijl uit een boog weder naar het Binnenhof om te vertellen aan ieder
+die 't hooren wilde, hoe de redder der Freule Van Sonheuvel wegens
+hoogverraad was vastgezet.
+
+"Lichtzinnig, maar goedhartig," zeide Joan, hem naoogende. "Heer
+Fiskaal! ik volg u waar het wezen moet: breng mij waar gij wilt. Sedert
+lang is mijn verblijf mij onverschillig."
+
+"Wij zullen niet ver gaan," zeide de Fiskaal: "Mijnheer! hier is
+uw weg."
+
+Dit zeggende, toonde de Fiskaal aan Joan den ingang van den kerker
+boven de Gevangenpoort, waar zij zich voor bevonden.
+
+De gevangene kon de huivering niet bedwingen, die hem beving, toen
+hij, ingetreden zijnde, de zware deur achter zich hoorde toesluiten
+en de ijzeren grendels vastschuiven; daar hij zichzelven echter geen
+kwaad bewust was en nog altijd hoopte, dat een bloot misverstand
+tot zijn gevangenneming had aanleiding gegeven, herkreeg hij weldra
+zijn vorigen moed en volgde onbeschroomd zijn geleider. De cipier,
+of gelijk men toen nog zeide stokbewaarder, bracht zijn gasten in een
+vrij ruim vertrek, hetwelk voor het verhooren was ingericht en welks
+wanden versierd waren met de bevallige stoffage van allerlei soorten
+van boeien, kettingen, straf- en foltertuigen, blokken, schroeven
+enz., benevens eenige prenten en een paar oude schilderijen, beruchte
+strafoefeningen voorstellende, en andere voorwerpen, alle bestemd
+en geschikt om een akeligen indruk te maken op het gemoed van al wie
+tegen zijn wil die plaats betrad. Achter een soort van balie waren,
+gelijk aan Joan naderhand bleek, twee Gecommitteerden van den Hove
+gezeten, bezig met het verhoor van een gevangene, die met den rug
+naar de binnenkomenden gewend stond en wiens antwoorden de Griffier,
+die aan een bijzonder tafeltje gezeten was, vlijtig opteekende.
+
+"Mijne Heeren!" zeide Van Kinschot bij 't inkomen: "hier is de man,
+in quaestie."
+
+"Één oogenblik slechts, Heer Fiskaal!" zeide een der Gecommitteerden,
+een dik, log mannetje, wiens lomp en opgezet gelaat van verwaandheid
+en trotschheid glom: "wij hebben met dezen zoo dadelijk afgedaan."
+
+De Fiskaal zette zich en Joan bleef tusschen twee dienaars staan,
+niet ontevreden over dit oogenblik respijt, hetwelk hem veroorloofde
+zijn toestand een wijl te overdenken en zich voor te bereiden, zoo
+op de vragen, die hem gedaan zouden kunnen worden, als op de wijze,
+waarop hij antwoorden moest.
+
+"Gij blijft dus bij uw hardnekkige ontkentenis van sedert uw terugkomst
+hier te lande eenige predikatie gedaan of Arminiaansche vergadering
+bijgewoond te hebben?" vroeg de Raadsheer, die zooeven gesproken had,
+den gevangene.
+
+"Ik blijf dit ontkennen," antwoordde deze, met een vaste stem, welke
+aan Joan niet onbekend voorkwam.
+
+"Vriendje! vriendje!" hernam de Raadsheer, het hoofd schuddende:
+"Ik zou u raden, liever te bekennen: het kon anders slecht met u
+afloopen. Hebt gij het hok gezien, waar Bysterus en Lindenius in
+gezeten hebben, die even koppig waren als gij?"
+
+"God is mijn getuige, dat ik alleen de waarheid spreek," zeide de
+gevangene.
+
+"Wat doet des Heeren naam," vroeg de Raadsheer, "in den mond van
+een schelm als gij, die gelooft dat een kind voor zijn geboorte al
+verdoemd is?"
+
+"Dat is _ons_ geloof niet," antwoordde de gevangene, die een
+Remonstrant was, verbaasd over des Raadheers onkunde: "UEd. Achtbare
+meent...."
+
+"Wil je 't mij leeren, vlegel?" bromde de gewichtige man: "heb ik den
+_gepraedestineerden_ dief niet gelezen, en heeft dat geen Arminiaan
+als jij geschreven?"
+
+"UEd. Achtbare gelieve op te merken," hernam de Remonstrant, "dat
+dit werkje Slatii, met wiens gevoelens ik daarenboven geenszins
+overeenstemme, alleen _ironice_ geschreven is, en er dus...."
+
+"_Erotice!_" hernam de Raadsheer: "wat rammel je? ik heb er niets
+verliefds in gezien: kort en goed: dit kan ik je zeggen: overmorgen
+wordt je sententie gelezen: voor je leven naar Loevestein, zoo ik
+iets in te brengen heb: daar zal je _mores_ leeren: onze haan kraait
+koning! wij zijn 't vet, wij drijven boven."
+
+"Dan zijt gijlieden 't schuim," viel de gevangene in, "dat drijft boven
+'t vet."
+
+"Onbeschaamde vlegel!" riep de Raadsheer, heftig op de tafel slaande:
+"is het aan uw Rechter, dat gij zulke antwoorden geven durft!"
+
+"Wanneer de Rechter zich niet schaamt zijn gevangene te beschimpen,
+dan passen hem zulke antwoorden," zeide de Remonstrant.
+
+"Mijnheer de Vlaere," zeide de andere Raadsheer, die een bedaard,
+ernstig man scheen te zijn, tot zijn ambtgenoot: "wij hebben nog veel
+te verrichten, en uit dezen gevangene is niets meer te halen. Ware
+het niet verkieslijker, het verhoor te staken en den Heer Fiskaal
+niet langer op te houden?"
+
+"Zooals gij wilt, Mijnheer Sartor!" antwoordde De Vlaere, zeer tevreden
+van een goede aanleiding te hebben om een twist te eindigen, waarin hij
+de gelukkigste rol niet speelde. "Dienaars! leidt den gevangene weg!"
+
+De dienaars traden toe en geleidden den Remonstrant weg, zonder dat het
+Joan gelukt was, diens gelaatstrekken te zien. Zoodra hij vertrokken
+was, gaf de Raadsheer Sartor aan onzen held een wenk, om de tafel,
+waaraan zij gezeten waren, te naderen.
+
+Terwijl Joan aan dit bevel voldeed, stond ook de Fiskaal op en trad
+aan de tafel, waarop het ondervragen een begin nam.
+
+"Uw naam?" vroeg De Vlaere.
+
+Joan zweeg en zag voor zich. De eerste vraag was voor hem de
+moeilijkste.
+
+"Wees niet beteuterd," vervolgde Sartor, dit stilzwijgen aan vrees
+toeschrijvende: "geef ons openhartig antwoord. Hoe heet gij?"
+
+"Don Diego de Velasco."
+
+"Zijt gij daar zeker van?" vroeg de Fiskaal, Joan scherp in 't
+gezicht ziende.
+
+"Deze naam is de laatste, die mij gegeven werd. Vroeger noemde men
+mij Joan Van Craeihorst."
+
+"Zeer wel!" zeide Van Kinschot, tegen de Raadsheeren langzaam met
+het hoofd knikkende, ten teeken van tevredenheid. De Vlaere zette
+het verhoor intusschen voort.
+
+"Waar zijt gij geboren?"
+
+"Ik weet het niet."
+
+"Gij weet het niet?--Wat is dat voor een antwoord!" Hier trad de
+Fiskaal toe en fluisterde hem iets in 't oor: "aha ja! _filius
+illegitimus!_--Waar opgevoed?"
+
+"Op den huize Sonheuvel?
+
+"_Recte_. Waar laatst woonachtig?"
+
+"Ik heb nu 't laatst eenige dagen in Den Bosch doorgebracht: het
+vorige jaar heb ik in 't leger van Z. M. van Bohemen gediend."
+
+"Dat komt juist uit," zeide de Fiskaal, een geschreven papier
+doorloopende, dat hij in de hand hield. "Doch! indien de Heeren mij
+vergunnen, een vraag te doen: waarom heeft de gevangene voor vier
+weken het slot te Sonheuvel op een zoo vreemde wijze verlaten?"
+
+"Ten einde mij naar Den Bosch te begeven."
+
+"En met wien hebt ge daar omgang gehad?"
+
+"Met mijn oom, Don Louis de Velasco, met den Heer Vicaris, met den
+Heer Van Grobbendonck en met eenige Remonstrantsche uitgewekenen."
+
+"Zoo! En hebt gij ook voor die Heeren eenige boodschappen opgenomen
+te verrichten?"
+
+"Is dat mijn gansche misdrijf?" vroeg Joan verbaasd: "ja, dat heb
+ik: en hier is het pakket, 't welk ik op mij had genomen te bezorgen
+aan...."
+
+"Zwijg!" riep de Fiskaal met een donderende stem, hem het pakket uit
+de handen rukkende. "Dit pakket," vervolgde hij langzaam, terwijl
+hij het met somber oog van alle kanten beschouwde en eindelijk voor
+de Raadsheeren nederleide, "zal meer onheil brouwen, dan ooit eenig
+ander hier te lande gedaan heeft. Uw leven zal afhangen van hetgeen
+hierin gevonden wordt."
+
+"Ik kan niet begrijpen," zeide Joan, "welk kwaad er in steekt, brieven
+te bezorgen aan Zijne Doorluchtigheid.--Of is dit ook een _suspecte_
+persoon?"
+
+De Fiskaal wierp hem een vreeselijken blik toe. "Het zal noodig zijn,"
+zeide hij vervolgens tegen de Raadsheeren, "dat dit verhoor zonder
+eenige getuige afloope. UEd. Achtbare zult hiervan het belang met
+mij gevoelen."
+
+"Ongetwijfeld!" zeide De Vlaere, en gaf last aan de dienaars, buiten te
+staan, waarna hij aan Joan een nauwkeurig verhaal afvroeg van, alles,
+wat zijn kennis met de Heeren, die hij in Den Bosch gesproken had,
+had voorbereid. Het gewicht eener openhartige bekentenis gevoelende,
+voldeed de gevangene vrij omstandig aan dit verzoek: zijn verhaal
+duurde des te langer, daar de Griffier, die alles nauwkeurig
+opteekende, hem zijne gezegden meer dan eens herhalen deed.
+
+Toen hij geëindigd had, deden hem de Gecommitteerden eenige vragen
+betreffende de Arminiaansche ballingen, als b. v. of Uyttenbogaert
+ter misse ging, of hij kennis met de Jezuïeten hield, of hij raadsman
+van Pekkius was, of De Groot dikwijls bij Velasco aan huis kwam,
+en dergelijke meer: de meeste dezer beantwoordde Joan ontkennend:
+op sommige verklaarde hij niet te kunnen antwoorden.
+
+"Zullen wij thans het pakket niet openen?" vroeg eindelijk De Vlaere
+aan zijn ambtgenoot.
+
+"Vooraf," zeide deze, "wenschte ik den gevangene te vragen of hem de
+inhoud bekend is."
+
+"Zoover ik weet," antwoordde Joan, "zijn het brieven, waarin de
+verbannen Heeren zich in de bescherming Zijner Doorl. aanbevelen."
+
+"Het bevreemdt mij," merkte de Fiskaal aan, op een straffen toon,
+"dat gij zulke sprookjes vertellen durft op het oogenblik, dat wij de
+stukken in handen hebben, welke u van logentaal zullen overtuigen,
+of mijn berichten zijn valsch, of er moet geheel wat anders in die
+brieven staan."
+
+"Dan zou ik bedrogen zijn geweest," zeide Joan, de schouders ophalende.
+
+"Waarlijk!" zeide Van Kinschot, hem verachtelijk aanziende: "wij
+zullen zien, wie hier de bedrogene is." Het pakket werd nu geopend
+en de inhoud onderzocht.
+
+"Mijn God!" riep Sartor met verbaasdheid uit, toen hij den eersten
+brief den besten gelezen had: "wie kon dat ooit gelooven?"
+
+"Welk een afschuwelijk samenweefsel van verraad en list en
+huichelarij!" riep De Vlaere.
+
+"Laat ons voorzichtig zijn," zeide hem zachtjes zijn ambtgenoot:
+"deze brief is aan geen gemeen persoon gericht, noch tot iemand, die
+op losse gronden beticht mag worden. De brieven kunnen zeer wel zijn
+opgesteld uit list, met het oogmerk om kwade vermoedens te werpen op
+hem aan wien het opschrift luidt. Jongeling, wie stelde u dit pakket
+in handen?"
+
+"Mijn oom, Louis de Velasco."
+
+"Onbeschaamde!" zeide De Vlaere: "en gij zeidet, dat het brieven van
+de Remonstrantsche ballingen waren. Wat had uw oom daarmede te maken?"
+
+"Hij gaf mij die uit hun naam: ik had geen reden, zijn oprechtheid in
+twijfel te trekken. Heeft hij mij misleid, ik ben er onschuldig aan."
+
+"Deze brieven," hernam Sartor, zich tot den Fiskaal wendende, "zijn
+van zulk een aard, dat wij, naar mijn gedachten, buiten voorkennis
+Zijner Hoogheid geen stap verder in deze doen kunnen."
+
+De Fiskaal stemde zulks toe, en nu deed de Griffier de brieven weder
+in het pakket, hetwelk behoorlijk gesloten en verzegeld werd.
+
+"Was het overbrengen van dit pakket," vroeg toen Van Kinschot aan de
+gevangene, "de eenige reden van uw reis herwaarts?"
+
+"Onbewimpeld gesproken, neen: de Vicaris beloofde mij, dat, zoo ik
+hier eenige dagen bleef, zich veel ontwikkelen zou, dat thans nog
+duister voor mij lag."
+
+"Gij erkent dus een zendeling van den Vicaris te zijn.--Wie hebt gij
+sedert uw komst hier in Den Haag opgezocht?"
+
+Joan verhaalde zijn vruchteloozen gang naar het Paleis van Zijne
+Doorluchtigheid.
+
+"Waarom hebt gij u niet aangemeld bij Z. M. den Koning van Bohemen,
+onder wien gij voorgeeft te hebben gediend?"
+
+"Ik vreesde dat mijn nieuwe naam mij minder welkom zou maken."
+
+"Waarom niet bij den Baron Van Reede, uw pleegvader?"
+
+"Omdat ik onbewust was van zijn verblijf alhier en Zijn Ed. bovendien
+tegen mij ingenomen is, uithoofde van een ongelukkig misverstand...."
+
+"Een ongelukkig misverstand! En gij hebt tegen zijn leven
+samengespannen met zekeren booswicht, die.... doch dit misdrijf, als in
+de provincie Utrecht geschied en van geen staatkundigen aard zijnde,
+valt niet onder 's Hofs jurisdictie.--Ik vrees, dat het slecht met
+u af zal loopen! alles toont duidelijk, dat gij u hier hebt zoeken
+schuil te houden."
+
+"Dan ware ik hedenmorgen niet op het Binnenhof gekomen, waar iedereen
+mij zien kon," zeide Joan met drift: "doch, men zal zich nog bedenken,
+eer men mij op losse gronden verwijst. De Spaansche Gezanten zullen
+niet dulden, dat de neef van Don Louis de Velasco...."
+
+"Ongelukkige logenaar! gij vleit u vergeefs," viel hem Van Kinschot in:
+"gisteren sprak mij de Kanselier Pekkius, kort voor zijn vertrek,
+en stellig betuigde hij mij, dat de Gezanten zich uwer niet zouden
+aantrekken, vermits men u voor een gelukzoeker hield."
+
+"Dan is het beter, dat ik zwijge," zeide Joan: "ik zie dat mijn
+verderf vastbesloten is!"
+
+"Het verhoor heeft nu lang genoeg geduurd," zeide De Vlaere,
+oprijzende: "stokbewaarder!"
+
+De stokbewaarder en de dienaars traden binnen.
+
+"Breng dezen gevangene in goede verzekering. Zijn persoon is van het
+uiterste gewicht."
+
+"Ja! om hem alleen te plakken, dat zal bezwaarlijk gaan," antwoordde
+de stokbewaarder: "doch ik zal hem bij dien Arminiaan zetten, die
+zooeven hier geweest is."
+
+"Mijn eenig verzoek is," zeide Joan, "dat mijn reiszak, die in
+de herberg het Zotje ligt, mij hier geleverd worde. Er zit eenige
+verschooning in, die ik wellicht zal noodig hebben."
+
+"Die is hier al gekomen," zeide de cipier; "ik had vergeten zulks
+aan de Heeren te zeggen."
+
+De reiszak werd terstond aangebracht, op de tafel gelegd en door
+den Fiskaal stuk voor stuk geledigd. Het eerste dat zich vertoonde,
+was een prachtige gouden keten.
+
+"Ei! ei!" zeide De Vlaere: "een kostbaar stuk werks, genoeg om een
+geheel boevenhuis om te koopen. Hoe komt Mijnheer aan dat pronkstuk?"
+
+"Het werd mij in mijn jeugd door de Gravin van Nassau vereerd."
+
+"Waarlijk! Nu, dit zal licht te bewaarheden vallen.--Maar wat is
+dat voor een boeltje? voor wien is dat poppengoed?" vroeg De Vlaere,
+toen hij zag dat de Fiskaal een pakje uithaalde, 't welk een volkomen,
+schoon wat ouderwetsch, kindergewaad behelsde.
+
+"Een stellig bewijs van hoogverraad," zeide Joan, met een bitteren
+glimlach.
+
+"Wat doet gij met kindergoed in uw valies?" vroeg De Vlaere.
+
+"Het zijn de kleederen, die ik aanhad, toen de Barones Van Reede mij
+tot kind aannam. Ik had die met mij naar 's-Bosch gevoerd, om ze aan
+mijn oom te vertoonen."
+
+"Voeg die kleertjes bij de _preciosa_," zeide De Vlaere tegen
+den Griffier: "de Baron Van Sonheuvel is bij Mevrouw van Nassau
+gehuisvest, en wij zullen ons van de waarheid van 't een en ander
+gaan verzekeren.--Is er niets meer?"
+
+"Het komt mij voor," zeide de Fiskaal, "dat wij het overige veilig aan
+dien jongeling laten kunnen. Stokbewaarder! breng uwen gevangene weg."
+
+Joan groette de Raadsheeren en den Fiskaal, en volgde zijn leidsman,
+die hem langs eenige trappen en gangen naar het kleine vertrekje
+bracht, dat hem tot kerker bestemd was. Toen de deur openging, zag
+Joan denzelfden gevangene, wiens stem hem bekend was voorgekomen,
+aan een tafel zitten, bezig met in een klein bijbeltje te lezen. Hij
+rees op toen hij een deelgenoot zijner gevangenschap zag binnenkomen,
+en trad naar Joan toe. Beiden zagen elkander strak in 't gezicht;
+doch eer men tien had kunnen tellen, vielen zij met den uitroep van
+Joan!--Hendrik--in elkanders armen.
+
+
+
+
+
+ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ Of zoo ick schuldigh ben en heeft het my gemist,
+ 't Is uit onnozelheit en zonder argh of list.
+
+ _Vondel_, Gysbrecht van Aemstel.
+
+
+"_Dies albo notanda lapillo!_" [54] zeide Hendrik Raesfelt; want deze
+was het, welke Joan zoo onverwachts begroette.
+
+"Moet ik mijn ouden speelmakker op zulk een plaats terugvinden?" zeide
+Joan.
+
+"Maar hoe toch wist gij, dat ik hier gevangen zat?" vroeg Hendrik.
+
+"Waarlijk, mijn beste vriend!" antwoordde Joan: "ik was dezen morgen
+even weinig voornemens deze plaats als u te bezoeken."
+
+"Gij komt dan niet vrijwillig?--Neen waarlijk, nu zie ik eerst, dat gij
+uw degen mist. Hoe, mijn beste stokbewaarder!.... moet deze Heer...."
+
+"Uw maat zijn," zeide de cipier: "juist geraden: en het doet mij
+genoegen, dat gij oude kennissen zijt. Hebt gij mij verder niets
+te zeggen?--Niet!--Dan wensch ik u een vroolijken dag samen."--Dit
+zeggende, vertrok hij.
+
+"Ik kan niet van mijn verbazing terugkomen," hernam Raesfelt: "wat
+kan den Jonker Van Sonheuvel op de Gevangenpoort brengen?"
+
+"Noem mij met dien naam niet meer," zeide Joan: "dien heb ik reeds
+lang verloren."
+
+"Verloren? En door welk toeval?--Doch, ik bid u, neem plaats."
+
+Beiden gingen zitten en Joan gaf aan zijn vriend een beknopt verslag
+van zijn lotgevallen, waarna hij wederkeerig zijn verlangen te kennen
+gaf, om te weten wat Hendrik op deze plaats gebracht had. Raesfelt
+voldeed aan dit verzoek en vertelde omstandig wat hem overkomen
+was. Wij zullen van dit verhaal alleen de hoofdpunten aan onze lezers
+mededeelen. Hendrik was, gelijk wij vroeger gezien hebben, te Amsterdam
+bij een juwelier geplaatst geworden om de negotie te leeren. Hij had
+aldaar zijn betrekkingen met de Remonstranten geenszins afgebroken,
+doch zijn studiën voortgezet en de geheime samenkomsten bijgewoond. Tot
+proponent aangesteld en de predikbeurten somtijds waarnemende, was
+hij gevangengezet, en later, wegens herhaling, gebannen: sinds had
+hij lang op de grenzen gezworven, tot hij eindelijk te Mulheim een
+briefje kreeg van zekeren Van Dyk, die hem verzocht te Tiel te komen,
+ten einde aldaar over de belangen der Remonstranten te handelen. Wij
+hebben vroeger gezien dat dit briefje door Eugenio geschreven was
+en aanleiding gaf tot het misverstand, dat Joan te Tiel bijna zoo
+duur was te staan gekomen. Te Nijmegen echter was Raesfelt reeds
+gevangengenomen en dadelijk naar Den Haag gezonden, waar hij sedert
+dien tijd op de Gevangenpoort gezeten had.
+
+"En," zeide Joan, "zooals ik heden meen gehoord te hebben, zult gij
+dezen kerker niet verlaten dan voor de Loevesteinsche gevangenis."
+
+"Ik ben niet gelijk degenen, die geen hoop hebben," antwoordde
+Raesfelt: "God heeft de drie mannen in den vurigen oven niet vergeten:
+en Hij vergat ook mij niet, toen ik uit de diepte tot Hem riep. Hij
+zond mij een engel."
+
+"Of een engelin?" viel Joan in, glimlachende om de opgewondenheid,
+welke zich in de blauwe oogen des proponents en op zijn zachte
+wezenstrekken vertoonde.
+
+"De zachte Rachel was de dochter des norschen Labans: God vermurwde
+het hart van des stokbewaarders dochter, en deed mij in haar een
+geloofsgenoot vinden."
+
+"Wat nu!" vroeg Joan: "is de dochter van onzen vriendelijken huisbaas
+een Remonstrantinnetje, en verliefd op een gevangene, die daarenboven
+een Remonstrantsche proponent is! Nu waarlijk! dan moet ik zeggen,
+dat de Justitie wel dubbel waakzaam worden mag. En is die liefde zoo
+plotseling in den kerker ontstaan?"
+
+"Om u de waarheid te zeggen, neen. Ik kende haar reeds in Amsterdam,
+waar zij bij de zuster van mijn Patroon het mutsenmaken leerde:
+zij is hier eerst sedert een paar maanden teruggekomen en bezorgt de
+huishouding van dit gesticht. Somtijds brengt zij den gevangenen hun
+eten: wij zagen elkander weder: de oude betrekking keerde, en...."
+
+"En binnen weinige dagen verliest de stokbewaarder zijn dochter en
+zijn gevangene!"
+
+"Zij heeft mij stellig beloofd, dat, zoo ik veroordeeld werd naar
+Loevestein te worden overgebracht, zij alles in het werk zou stellen,
+om mij voor dien tijd te doen ontsnappen.--Doch nu gij de deelgenoot
+mijner ellende geworden zijt," vervolgde Hendrik, Joan met warmte de
+hand drukkende, "zal ik dezen kerker niet verlaten, zonder dat gij
+mij vergezelt."
+
+"Ik stel dat blijk van vriendschap op hoogen prijs," zeide Joan;
+"maar verlang er geen gebruik van te maken: ik hoop alleen dat mijn
+zaak onderzocht worde; dan kan het niet missen of mijn onschuld moet
+erkend en ik in vrijheid gesteld worden."
+
+"Vlei u daar niet mede," zeide Hendrik: "vurig zou ik wenschen u
+eenige de minste hoop op vrijspraak te kunnen geven, doch, naar
+hetgeen gij mij verhaald hebt, zijn alle bewijzen tegen u: en gij
+bezit hier geen vriend, geen raadsman, die u den minsten bijstand
+zou willen verleenen of eenigszins voor u in de bres springen. De
+Baron beschuldigt u van een aanslag op zijn leven te hebben gesmeed:
+de Ambtman heeft zich koel en afkeerig tegen u betoond: uw Brabantsche
+betrekkingen werken in uw nadeel: de stokbewaarder, die getuige was
+van onze wederzijdsche blijdschap, zal niet nalaten te vertellen,
+dat gij in mij weder een Arminiaanschen medeplichtige hebt gevonden:
+in 't kort, alles loopt tegen u samen. Geloof mij, en vertrouw niet te
+veel op uw onschuld. Men spot hier te lande niet met de beschuldigingen
+wegens hoogverraad. Zij, die zich niet ontzagen het eerwaardig hoofd
+van onzen grootsten staatsman te doen vallen, zullen er waarlijk
+geen gewetenszaak van maken, iemand te veroordeelen, die, als gij,
+noch bewezen diensten, noch groote betrekkingen, noch hooge jaren
+voor zich kan doen pleiten."
+
+"Mij dunkt, hier is een groot verschil," zeide Joan: "de Advocaat
+had het land verraden, en ik...."
+
+"Zoo zegt gij, Contra-Remonstranten!" zeide Hendrik: "wij oordeelen
+er anders over; doch dat daargelaten. Nog eens, verzuim de gelegenheid
+ter ontkoming niet, indien zij u eenmaal wordt aangeboden."
+
+"Wij zullen zien;.... doch zeg mij, zal ik uw schoone niet zien?"
+
+"Zij zal mij niet bezoeken," antwoordde Hendrik, "ten einde geen
+vermoedens op te wekken, voordat het uur mijner redding daar is."
+
+Hier werd het gesprek der beide vrienden gestoord door het binnenkomen
+van een der suppoosten, die het middageten bracht, uit een schotel
+brij en een brood bestaande. Dadelijk na zijn vertrek, sprak Hendrik
+een kort gebed uit en zette zich aan 't eten, niet een gretigheid,
+die Joan, wiens eetlust door de omstandigheden merkelijk verminderd
+was, met verbazing sloeg.
+
+"O, indien gij eenige dagen hier doorgebracht hadt," zeide Hendrik,
+"zou het u niet verwonderen, dat men ook op de Gevangenpoort tegen den
+middag honger kan hebben; maar ik heb nog een andere reden, waarom ik
+dien schotel ledig wilde hebben. Ik verlang nog meer dien van onderen,
+dan van boven te zien."
+
+"En waarom dat?" vroeg Joan, verwonderd over deze verkiezing.
+
+"Raadt gij het niet? Die tinnen schotel is de zwijgende bode, waarvan
+mijn Truitje en ik ons bedienen, om ons mede te deelen wat van belang
+voor ons kan zijn."
+
+"Heerlijk bedacht," zeide Joan, opspringende: "dan zal ik u helpen om
+het adres van den brief open te maken." Dit zeggende, begon hij mede te
+eten, en binnen weinige oogenblikken was de schotel ledig. Toen draaide
+Hendrik hem haastig om, en ontcijferde, na een wijl zoekens, de letters
+S. 12 M., welke met de punt van een mes daarop gegriffeld waren.
+
+"Een zeer duidelijke missive," zeide Joan: "de drommel haal mij,
+zoo ik er iets van begrijp. Het heeft veel van het merk van een hemd."
+
+"Ik begrijp die des te beter," hernam zijn vriend: S. is Sondag,
+dat is morgen: M. beteekent Maandag, en 12 is middernacht: zijnde
+het uur tusschen die beide dagen, waarop ik mij tot de vlucht zal
+moeten gereedhouden."
+
+"Waarlijk!" zeide Joan: "indien de middelen ter ontkoming even
+schrander zijn uitgedacht als de wijze van briefwisseling te houden,
+dan durf ik u een goeden uitslag voorspellen!"
+
+Het geschrevene werd wederom zoogoed mogelijk uitgewreven, opdat
+de bediende des cipiers het niet lezen zoude; en weldra keerde deze
+terug, om den ledigen schotel te halen, en tevens om een bezoeker
+bij de gevangenen in te leiden, welken zij met de grootste blijdschap
+voor den Predikant Raesfelt herkenden.
+
+"Gij hier, mijn vader!" riep Hendrik: "o nu is alle hoop nog niet
+voor mij verloren."
+
+"Ik herleef, nu ik u wederzie," zeide Joan: "gij althans kunt
+getuigen, dat mijn vertrek van Sonheuvel mij door mijn plicht werd
+voorgeschreven."
+
+"Ik dacht niet," zeide de Predikant, terwijl hij de vochtige oogen
+ten hemel hief, "dat, toen ik mij bewegen liet om den Heer Baron
+naar deze plaats te vergezellen, alwaar ik tevens de hoop koesterde
+van een drukker te vinden voor mijn werk over Psalm CXLVII, mij hier
+zulk een treurige plicht verbeidde als het vertroosting bieden aan
+twee deerniswaardige gevangenen, waarvan de een mijn vleeschelijke,
+en de ander, zijnde mijn leerling, mijn geestelijke zoon is."
+
+"Onze gevangenneming was u dus bekend?" vroeg Joan.
+
+"Die van mijn zoon vernam ik dezen morgen van mijn godvreezenden
+ambtgenoot Dm. Lamotium, en de uwe, Joan! van den Heer Baron, aan
+wien zekere Jonker Van Bleiswyk, die als een Petrus tegen u opstond,
+haar verhaald moet hebben."
+
+"Hij heeft mij een weldaad bewezen," zeide Joan, hem de hand drukkende,
+"door mij het bezoek te verschaffen van een raadsman als u. Doch
+Hendrik heeft oudere en nadere rechten, en ik wil, u niet alleen laten,
+want ik zie geen kans om mij te verwijderen, maar althans uw onderhoud
+niet storen."--Dit zeggende, ging hij in een hoek van het vertrek
+zitten, zonder zich in het gesprek tusschen vader en zoon te mengen.
+
+"Zoover," zeide Raesfelt tegen Hendrik, "heeft uw kettersche afval
+u dan gebracht?"
+
+"Strekt mij mijn gevangenis tot schande, lieve vader?" vroeg deze:
+"heeft niet Daniël, hebben niet de Apostelen op gelijke wijze in den
+kerker gezeten en om Christi wille smaadheid geleden?"
+
+"Vergelijkt gij, gij afvallige! u bij die heilige mannen Gods?--Ach! ik
+vleide mij nog, dat aan u, die als een Manasse den Baäl gediend
+hebt, de kerker, evenals aan hem, tot bekeering en boetedoening zou
+aanleiding geven; dan ik zie te wel, hoezeer ik mij bedrogen heb."
+
+"Lieve vader!" zeide Hendrik, met aandoening, terwijl hij den
+slinkerarm om zijns vaders hals sloeg en met de rechterhand zijn
+beide handen drukte: "lieve vader, laat ons een onderwerp vermijden,
+dat niets dan bitterheid in stede van liefde, en verwijdering voor
+toenadering geven kan. De oogenblikken zijn kostbaar. God weet, of
+ik u immer wederzie: overmorgen wellicht vertrek ik voor mijn leven
+naar Loevestein. O! dat wij ons dan de oogenblikken ten nutte maken:
+misschien is het de laatste reize, dat ik u om uw zegen smeeken mag."
+
+"Mijn zegen hebt gij, mijn zoon!" zeide Raesfelt, opstaande en de beide
+handen boven het hoofd zijns zoons uitstrekkende: "ach! mocht hij de
+kracht bezitten, om u af te leiden van het verderfelijke doolpad,
+dat gij gekozen hebt. Dan God alleen kent de harten: niemand kan
+tot Hem komen, dan die door den Geest tot Hem geleid wordt. Hij zal
+aan duizend geslachten lankmoedigheid betoonen: dit was Zijn belofte
+aan Zijn bondsvolk: en ook in u, mijn zoon! moge die om mijnentwille
+bewaarheid worden!"
+
+"God loone u, mijn vader!" zeide Hendrik, zijn handen met kussen
+bedekkende: "de God des vredes en der genade bevestige deze uwe
+woorden. Hij moge mij, indien ik feile, genadiglijk vergeven, gelijk
+gij mij vergeeft; want zoo ik dwale, is het uit onwetendheid en niet
+uit boozen wil."
+
+Toen de aandoening, die hen wederzijds beklemde, eenigszins bedaard
+was, vonden beiden kracht genoeg, om met meer bedaardheid elkanders
+weetlust te voldoen omtrent de lotgevallen, die hun sedert hun
+scheiding waren overkomen, in welk gesprek Joan zich spoedig mengen
+kon.
+
+Nadat deze ook van zijn lotgevallen aan den Predikant een kort bericht
+gegeven had, verzocht hij van hem te mogen weten, of het waar was,
+dat, gelijk Bleiswyk verhaald had, Ulrica eerlang verloofd zou
+worden. Raesfelt bevestigde zulks.
+
+"En is de Baron altijd evenzeer op mij vertoornd?"
+
+"Ongetwijfeld!" antwoordde de Predikant: "niet zoozeer omdat gij
+den Jezuïet hebt laten ontvluchten, als om dat ongelukkige briefje,
+dat gij geschreven hebt."
+
+"Ik heb geen Jezuïet laten ontvluchten en ook geen briefje geschreven,"
+zeide Joan: "aan wien was dat briefje gericht?"
+
+"Waarschijnlijk aan uw boozen medemakker," zeide Raesfelt.
+
+"Het was nagemaakt! Ik herinner mij niet, iets geschreven te hebben."
+
+"Het was duidelijk uw hand: ik heb die te lang gezien om ze niet
+dadelijk te herkennen. Wat het briefje betreft, ik heb er, meen ik,
+een kopie van gehouden."--Dit zeggende, haalde hij zijn brieventasch
+voor den dag, zette zijn bril op en vond, na lang zoeken, een afschrift
+van het fragment, 't welk in Joans kamer op het huis te Sonheuvel
+ontdekt was.
+
+"Is dat alles?" vroeg Joan, toen hij het gelezen had: "welk een geluk,
+dat ik u kan overtuigen dat dit briefje, in zijn geheel gelezen,
+niets misdadigs bevat."--Dit zeggende, opende hij zijn zakboekje en
+nam er een paar blaadjes uit, welke hij den Predikant overhandigde.
+
+"Men passe deze stukken bij het fragment," zeide hij, "en het zal
+dadelijk blijken, of de inhoud van mijn briefje misdadig was."
+
+De Predikant beloofde, dat hij den volgenden dag reeds zich bij
+den Baron zou aanmelden, om de vereischte ophelderingen te geven
+omtrent een punt, dat hem zoo diep getroffen had. Kort daarop kwam
+de stokbewaarder en gaf hem te kennen, dat zijn bezoek volgens de
+voorschriften van het gevangenhuis niet langer duren mocht.
+
+"Vaartwel dan, mijn kinderen!" zeide de vrome man, de beide jongelingen
+omhelzende.
+
+"God schenke u kracht in uw beproevingen: op morgen ziet gij mij niet
+weder! want er staat mij een gewichtig werk te doen, waar ik u eerst
+na den uitslag kennis van zal mogen geven. Ik hoop, dat ik den dag des
+Heeren niet ontwijden zal, door er eenige uren aan te besteden: want
+daar staat geschreven, dat men wèl moet doen ook op den Sabbat." Met
+deze woorden liet hij de beide vrienden, na een herhaald en aandoenlijk
+afscheid, alleen; terwijl hij zich naar den Predikant Lamotius begaf,
+bij wien hij gedurende zijn verblijf te 's-Hage huisvesting genoot.
+
+Na zijn vertrek viel er niets vermeldingswaardig meer in de gevangenis
+voor: Joan en Hendrik bleven laat zitten praten en gingen eindelijk
+welgemoed ter ruste. Wij zullen hen voor een wijl in hun kerker
+laten, om onzen ouden vriend, den Baron Van Sonheuvel, te bezoeken,
+die met zijn dochter en gevolg zijn intrek bij de Gravin van Nassau
+had genomen.
+
+De dag, die op Joans gevangenneming volgde, was, gelijk Raesfelt had
+aangemerkt, een Zondag. Na den afloop der kerktijden, zat de Baron,
+daar het weder regenachtig was en hem het wandelen door de stad niet
+behaagde, in de door hem betrokkene kamer met zijn getrouwen Bouke
+te praten.
+
+"Ziezoo!" zeide deze: "aan alle dingen komt een eind. Morgen zal dan
+de verlovingsdag zijn. De booien hier wenschen al, dat het twaalf
+uren in den nacht ware."
+
+"En dat waarom?" vroeg hem de Baron.
+
+"Wel! dan was de Sabbat om, en zij zouden kunnen beginnen om het
+huis onderstboven te keeren en overal bloemkransen, eerepoorten,
+festoenen en loovertakken te plaatsen."
+
+"Ik wou ook dat ik het al zag," zeide Reede: "Ik weet niet wat er aan
+hapert, maar ik ben niet op mijn gemak. Die satansche brief maalt
+mij door 't hoofd. Toen ik hem kreeg, vond ik hem zeer duidelijk,
+en nu begrijp ik er geen stom woord van."
+
+"Welke brief is het, die UEd. kwelt?'"
+
+"Weet je dat niet?--Ja, 't is waar, ik heb je niet verteld, dat ik
+door middel van den Ambtman, die hem bezorgd heeft, een epistel aan
+wijlen mijn vrouws vader, mijn oom, den Priester geschreven heb om
+zijn toestemming tot Ulrica's huwelijk."
+
+"Welnu?"
+
+"Welnu! daar is antwoord op gekomen, nu ruim veertien dagen geleden:
+ik heb den brief bij mij: luister eens hoe het klinkt:
+
+
+ ""Mijn waarde neef!
+
+ Indien ik, door mijn goed- of afkeuring te schenken aan het
+ huwelijk uwer dochter geacht moest worden een mij van nature
+ toekomend recht te vervullen, zoo zou ik weigeren mijn stem ten
+ deze uit te brengen; want de banden des vleesches, welke mij
+ aan u en de uwen hechtten, zijn verbroken en te niet gegaan,
+ sedert ik den geestelijken staat omhelsd heb. Doch vermits het,
+ gelijk ik het uit uw missive verneme, de uiterste begeerte
+ van Ulrica's stervende moeder geweest is, dat zij niet dan
+ met mijn toestemming huwen zoude, en ik derhalve niet als
+ bloedverwant, maar krachtens beschikking der overledene mij
+ voor of tegen haar echt verklare, zoo meen ik mij daartoe
+ gerechtigd te kunnen houden.--Ik, Ambrosius, Groot-Vicaris van
+ den Heiligen Stoel in de Nederlanden, verklare bij deze, dat,
+ indien Jonkheer Jacobus Mom, Ambtman in Maas en Waal, zich
+ geschikt acht om Jonkvrouwe Ulrica Van Reede tot Sonheuvel
+ gelukkig te maken, en indien gezegde Jonkvrouwe Ulrica met
+ haar vrijen wil gezegden Jonkheer J. Mom tot man wil aannemen,
+ ik mij geenszins tegen hun huwelijk verzet; maar daaraan mijn
+ volle toestemming verleene, mits de verloving niet vroeger
+ plaats hebbe dan op Maandag den 28sten Juni des jaars 1621.
+
+ _Ambrosius_,
+ Gr.-Vicaris.""
+
+
+"Welnu! wat zegt ge van dat duidelijke stuk?" vroeg de Baron, na het
+ten einde gelezen te hebben.
+
+"Had UEd. mij dat eerder laten lezen," antwoordde Bouke, het hoofd
+schuddende, "ik zou er nogal reden in gevonden hebben, om dat huwelijk
+vooreerst niet te laten doorgaan."
+
+"Zoo?"
+
+"Wel ja! want UEd. kan toch niet ontkennen, dat de Ambtman, al is
+hij nog zoo een best braaf man, toch niet best geschikt is om een
+vrouw gelukkig te maken: en ten tweede (behalve dat het Paapsch is
+om van een vrijen wil te praten) zoo geloof ik, dat, als dat malle
+stuk schrift van Joan niet gevonden ware, freule Ulrica liever op
+haar bloote voeten van hier naar Sonheuvel ware geloopen, dan haar
+hand te geven aan al de ambtlieden van de wereld."
+
+"Zwijg Bouke! en spreek van dien schavuit niet meer, die nog al zoo
+onbeschaamd is, zich op licht-klaren dag hier in Den Haag voor onze
+oogen te vertoonen, op een plaats, die zoo vol menschen is als deze."
+
+"Neem het mij niet kwalijk, Heer Baron! Ik kan het maar niet verduwen,
+dat UEd. dien armen jongen zoo hard behandelt! wat weergaas, dat hij
+zich hier vertoont is een bewijs, dat hij het licht niet schroomt. Als
+hij zoo groote schuld had, kwam hij niet waar menschen zijn. Steek uw
+vinger in de aard, zie in wat land ge zijt: 't beste brood leit men op
+'t venster en er vliegen geen uilen bij valken."
+
+"Zot! zou hij niet op Sonheuvel zijn gebleven, indien hij geen kwade
+consciëntie had bezeten? Zou hij dien vervloekten Jezuïet wel verlost
+hebben, indien zij geen maatjes waren geweest?"
+
+"Praatjes! dat hij hem verlost heeft is nog zoo zeker niet. UEd. weet,
+dat Teun Wezer dien nacht ook op het slot is geweest en sinds
+nooit weer voor den dag is gekomen: de ekster kan haar hippelen
+niet laten! lam! lam! is des wolfs vesperklok: eens een strooper,
+altijd een strooper, en al is hij mijn neef, zoo houd ik hem toch
+voor een groote schoelje--en wat betreft, dat Joan weggereisd is,
+zonder boe en ba te zeggen,--Dominee zegt immers zelf, dat hij niets
+anders doen kon, omdat hij u voor den moordenaar zijns vaders hield."
+
+"Ei wat! Dominee weet op dat stuk niet wat hij zegt: de schuld van
+den jongen is zonneklaar: hij zit immers nu alweer achter de tralies:
+ik denk hem er niet vandaan te halen.... en dan zoo een lafbek! heeft
+hij wel eens op de plaats, waar hem de Heer Van Botbergen wachtte,
+durven verschijnen?"
+
+"Dat was wel deugdelijk zijn voornemen, toen hij naar het Lischboschje
+ging."
+
+"Dat maakte hij jou en de ganzen wijs; maar hij loog door zijn ziel:
+want Botbergen had hem op een andere plaats bescheiden, waar hij den
+ganschen dag vruchteloos op hem gewacht heeft."
+
+"Een knapuiltje van Botbergen, daar UEd. geen geloof aan slaan
+moet. Heeft die pochhans zich gisteren wel eens bij den Hofbeer durven
+vertoonen, omdat hij bang was, dat de Koning van Bohemen. hem zien
+zou, ofschoon de heele Koning van Bohemen met een blaas met boonen
+is weg te krijgen."
+
+"Wat leuter je toch? Is de gansche wereld niet overtuigd, dat Joan
+een schelm en een lafbek is?"
+
+"De gansche wereld is niet overtuigd; want _ik_ geloof het niet,
+en Dominee en de Freule ook niet: dat heb ik gisteren gemerkt, toen
+zij van het Hof terugkwam."
+
+"Zoo! waar heb je dat aan gezien?"
+
+"Tut! tut! Heer Baron! men ziet aan 't been wel, waar de hoos gescheurd
+is; had ze geen rood bekreten oogen en bleeke wangen toen zij van Joan
+sprak? en heeft de Ambtman wel een zoet woordje van haar gekregen?"
+
+"Kom! kom! gekheid!"
+
+"Ik wil wedden, Heer Baron! dat als ik naar hem toeging en zeide:
+Jonker! de oude Heer heeft berouw over zijn drift en...."
+
+"Ik er berouw over hebben?--Ge raast, Bouke!"
+
+"En wil u gaarne eens weder zien: en, zoo hij uw vader heeft
+doodgeslagen, dat was in een wettigen strijd.--En als hij dan hier
+kwam...."
+
+"Hij zal hier wel vandaan blijven," zeide de Baron: "zit hij niet in
+een kast daar hij niet zoo licht uit kan raken?"
+
+"En als hij dan hier kwam," vervolgde Bouke, zonder zich aan zijns
+meesters gezegden te storen, "en voor UEd. stond met de tranen in de
+oogen en dat vriendelijk, innemend gelaat, dat hij altoos gehad heeft,
+en tot UEd. zeide...."
+
+"Hij zou den bek wel houden!--Is de kerel dol?"
+
+"En tot UEd. zeide: Mijnheer Van Sonheuvel! ik heb UEd. altijd geëerd
+en liefgehad en ben uw achting nooit onwaardig geweest: en die anders
+spreken zijn schelmen: en als hij zich dan voor UEd. nederwierp en...."
+
+"Het zal nimmer zoover komen," zeide Reede, zich met zijn stoel
+omdraaiende.
+
+"En UEd. de hand kuste en die met heete tranen bevochtigde.... wat
+zou UEd. dan doen?"
+
+"Dan zou ik.... dan zou ik.... maar dat zal nimmer gebeuren?"
+
+"Dan zou UEd. de armen om zijn hals slaan, Heer Baron! en tegen hem
+zeggen: knaap, laten wij alles vergeten en vergeven, en weder als
+voorheen leven gelijk vader en zoon."
+
+De Baron rees op zonder een woord te spreken en liep eenige reizen
+het vertrek op en neder, terwijl zijn gelaat duidelijk blijken droeg
+van een gemoedsstrijd, die in zijn binnenste kampte.
+
+"Maar die satansche brief!" zeide hij eindelijk, stilstaande.
+
+"Aha!" zeide Bouke: "die brief! ja dien heeft hij geschreven, dat
+kan niemand loochenen!"
+
+"Welnu?--En levert die geen genoegzaam bewijs op?"
+
+"Als hij in zijn geheel werd gelezen dan misschien!"
+
+"Ja! wie kan hem in zijn geheel doen lezen?"
+
+"Dat kan ik," zeide Bouke met een zegevierenden blik, en haalde twee
+stukjes papier voor den dag.
+
+"Wat zijn dat?" vroeg de Baron, een daarvan haastig opnemende:
+"is dat niet Joans hand en hoe kom je daaraan?"
+
+"Dat zal ik UEd. zeggen; straks, toen UEd. aan 't kuieren was, is
+Dominee hier geweest. Die heeft Joan in zijn gevangenis bezocht en
+zijn zoon ook, die er voor Arminianerij zit."
+
+"Zijn zoon? Die arme Hendrik! ik beklaag hem."
+
+"Ik ook; maar dat doet niets ter zake: toen Dominee het hoorde, dat
+UEd. er niet was, zei hij, dat het hem bijzonder leed deed, omdat hij
+niet wachten kon; want hij had nog druk werk: en toen vroeg hij mij,
+om u deze stukjes te geven, die naar zijn zeggen, bij den gevonden
+brief behooren."
+
+"Dan kunnen wij terstond den ganschen inhoud weten," zeide de Baron,
+en haalde het fragment voor den dag, hetwelk in Joans kamer op
+Sonheuvel gevonden was. De stukken, welke Dominee had medegebracht,
+werden aan weerskanten gelegd en leverden te zamen een geheel op,
+van den volgenden inhoud:
+
+
+        "Het bewijs uwer        nooit volprezen goedheid, dat
+ge mij heden        deedt toekomen,        heeft mij ten minste
+van een smart       verlost, door mij        de zekerheid te
+geven, dat uw e       dele boezem aan        de zoo ongerijmde
+als onverdien       de beschuldiging       en, welke tegen mij
+worden ingebracht,        alle geloof blijft wei      geren. Neen,
+mijn Ulrica! hij, die        den naam van uw vriend      verdienen
+mocht, hij is nog        ten volle uwer waardig.        Misschien
+zal het mij in het        eerst bezwaarlijk vallen        aan den
+waarden Heer Baron        de vermoedens te ont       nemen; doch
+houd u des verz       ekerd, de tijd zal mij        rechtvaardigen,
+en den sluier        doen vallen, die        mijn handelingen
+nog bedekken        moet, en aan de        geheele wereld
+toonen, dat de Heer        Van Sonheuvel        in mij geenszins
+zijn vijand, veelmin        zijn moordenaar        heeft grootgebracht.
+
+geheel de uwe
+J."
+
+
+"Wat drommel!" riep Reede, na gelezen te hebben, "dat briefje luidt
+aan Ulrica. Wat hebben wij daarmede noodig?"
+
+"Is dat de toon van een schelm?" vroeg Bouke.
+
+"Ik weet niet," zeide de Baron: "doch wat doet hij aan Ulrica te
+schrijven?"
+
+"Wel kijk! heeft hij niet honderdmalen aan de Freule geschreven? Is
+dat zijn eenigste kwaad? Heer Baron! wie een hond wil slaan, vindt
+licht een stok: maar ik begin waarachtig te gelooven, dat UEd. lust
+hebt, een stok te vinden."
+
+"Zwijg Bouke!.... weet je wat,--morgen komt Zijne Hoogheid hier; dan
+zal ik, dat beloof ik u, over Joan spreken: en heeft hij geen schuld,
+dan zal hem alles dubbel en dwars vergoed worden."
+
+Terwijl hij sprak, trad een der dienaars der gravin binnen, en zeide
+hem dat de Heer Fiskaal Van Kinschot bij Mevrouw Douairière was en
+op ZEd. wachtte.
+
+"De Fiskaal!" zeide Reede, terwijl hij den bediende volgde: "wat
+moet die?.... aha! nu begrijp ik het.... hij zal mij over Joan komen
+ondervragen."
+
+Op deze wijze bij zichzelf mompelende, trad hij in het zijvertrek,
+waarin de Douairière met den Fiskaal nederzaten.
+
+"Mijnheer Van Sonheuvel!" riep deze: "ik ben zoo vrij geweest, mij
+bij Mevrouw de Gravin te laten aanmelden, om haar zoowel als UEd. te
+vragen, of UEd. ook kennis dragen aan eenige voorwerpen, gevonden bij
+zekeren jongeling, onder den naam van Joan door UEd., Heer Baron,
+op den huize Sonheuvel grootgebracht."--Dit zeggende leide hij een
+pak op de tafel en opende het.
+
+"Dezen ketting," vervolgde hij, "beweert gemelde jongeling van Mevrouw
+de Gravin te hebben ontvangen."
+
+"Ik herken die," zeide de Gravin: "zij was het loon voor den
+gewichtigen dienst, dien hij mij, nog een knaap zijnde, bewezen heeft."
+
+"En deze kinderkleeren,".... vervolgde Van Kinschot.
+
+"O! die herken ik," zeide Reede: "het is het pakje, dat hij aanhad,
+toen ik hem vond. Hij neemt het altoos met zich, even alsof hem dat
+wat helpen zou."
+
+"Ik herken het fatsoen," zeide de Gravin, terwijl een traan in haar
+oogen blonk. "Juist zulke kleedertjes droegen de kinderen in dien
+tijd. Mijn kleine Ulrich had een soortgelijk jurkje.... Is het mij
+vergund?" Dit zeggende, nam zij het pakje op, ontrolde het, bekeek
+het eerst met belangstelling, vervolgens met aandacht en eindelijk
+met een scherpe nauwkeurigheid.
+
+"Indien Mevrouw het pakje nog wat houden wil," zeide de Fiskaal, "zoo
+heb ik er niets tegen. De Justitie stelt er geen verder belang in, het
+kan dus aan den eigenaar worden teruggegeven. UEd. zal mij verschoonen,
+indien ik thans van hier moet vertrekken. Ik heb hedenavond nog zaken
+te verrichten, welke geen uitstel kunnen lijden."
+
+"Mijn God! wat is dat? wat scheelt Mevrouw?" riep de Baron eensklaps
+verschrikt uit.
+
+De Gravin had het jurkje uit haar handen laten vallen: een doodelijke
+bleekheid had zich over haar gelaat verspreid en zij was bewusteloos
+in haar stoel gezegen.
+
+Op het gefluit en geroep van den Baron schoten de ontstelde
+huisgenooten toe: het duurde niet lang, of de Gravin kwam weder bij
+haar zelve.
+
+"Om Gods wil!" waren haar eerste woorden: "waar is die knaap? hoe
+komt hij aan dat jurkje?"
+
+"Die knaap zit in de gevangenis, Mevrouw," zeide de Baron.
+
+"Dan wil ik terstond naar die gevangenis toe. Laat Feurich dadelijk
+inspannen, en...."
+
+"Mevrouw! men laat niemand bij de gevangenen," hernam Reede:
+"zonder verlof van den Fiskaal, en die is zoo aanstonds vertrokken,
+mij verzoekende, UEd. zijn verontschuldiging...."
+
+"Om 't even! dan wil ik naar den Fiskaal. Dien gevangene wil en moet
+ik spreken. O mijn God! zou het mogelijk zijn?"
+
+"Ik bid UEd. bedaar!" hernam de Baron: "ik wil gaarne zelf naar den
+Fiskaal gaan en verlof vragen. Ulrica zal UEd. intusschen gezelschap
+houden. Waar is Ulrica?"
+
+"De Freule is zooeven naar bed gegaan, met zware hoofdpijn," zeide
+de kamenier der Gravin: "Leentje is bij haar."
+
+"Ja, men heeft altijd hoofdpijn den dag voor de verloving," merkte de
+Baron aan: "dat weet ik vanouds. Maar ik bid u, Mevrouw de Gravin! zeg
+ons toch, vanwaar UEd. opeens zoo aangedaan zijt geworden. Zijn het
+die kleedertjes, wier gezicht alleen u zoo getroffen heeft?"
+
+"Dat jurkje heb ik geborduurd, en niemand anders," zeide de Gravin,
+terwijl zij het opnam en met strakke oogen beschouwde.
+
+"Die gele stof, die roode en groene bloemen.... ik zie den kramer nog,
+van wien ik de wol kocht.... O mijn hoofd! mijn hoofd!"
+
+"Maar Mevrouw! om 's hemels wil," zeide de Baron: "hoe kan UEd. zoo
+spreken? dat Jurkje droeg Joan: hoe kan UEd. het dan gemaakt hebben?"
+
+"Joan.... Joan!...." herhaalde zij op een verwilderden toon: "wie
+is Joan?"
+
+"Joan, mijn pleegzoon," antwoordde Reede; "of zoo UEd. liever wil,
+de zoon van den gesneuvelden Velasco."
+
+"Velasco!.... Een zoon van Velasco zou een kleedje gedragen hebben,
+door mijn handen vervaardigd?.... Een kleedje, voor mijn zoontje,
+mijn lieveling, mijn Ulrich geborduurd?"
+
+"Waarom niet, Mevrouw? evengoed als hij den jachthond van den Graaf
+van Falckestein zich toeëigende, kon hij zijn kind met den roof van
+het uwe optooien."
+
+"'t Is waar!" zeide de Gravin, strak voor zich heen ziende:
+"'t is waar, wat gij daar zegt: en ik was een zottin, om mij te
+vleien met een hoop, die nimmer verwezenlijkt kon worden.--Nietwaar,
+Beckman!" vervolgde zij tegen haar ouden rentmeester, die insgelijks
+in het vertrek was gekomen: "nietwaar, gij hebt het met eigen oogen
+gezien, dat een verfoeilijke booswicht het kind...." Hier zweeg zij,
+als was de volzin te vreeselijk om uitgebracht te worden.
+
+"Mevrouw! ich heb het, eilaas! seyen mussen, dat den teifelschen
+Jezuïet das kleinen kinde in 's wasser worf," antwoordde Beckman.
+
+"Ik heb mij door een ijdele begoocheling van 't spoor laten voeren,"
+hernam de Gravin: "verschoon, Mijnheer Van Sonheuvel! het bespottelijke
+tooneel, waar gij getuige van geweest zijt."
+
+Dit gezegd hebbende, groette zij den Baron met een buiging vol
+waardigheid, en verliet het vertrek om zich naar haar slaapsalet
+te begeven.
+
+
+
+
+
+NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ Het zal den Vorst believen,
+ Te vorschen naer 't geheim.
+
+ _Vondel_, Palamedes.
+
+
+Terwijl dit alles voorviel ten huize van de Gravin van Nassau, zaten
+Joan en Hendrik Raesfelt, die den geheelen dag, zonder eenig bezoek,
+in groote verveling hadden doorgebracht, op den nacht te wachten, welke
+verlossing aan moest brengen, toen de knecht des cipiers hun gevangenis
+binnenkwam en Joan verzocht hem te volgen, vermits er iemand beneden
+was, die hem verlangde te spreken. Deze boodschap verwonderde den
+beiden vrienden; want het uur, waarop de poort zich niet meer opende,
+was reeds voor een geruimen tijd verstreken; dit belette echter niet,
+dat Joan zijn leidsman volgde, die hem in een spreekvertrek bracht,
+en hem met een vreemdeling alleen liet.
+
+Het begon reeds duister te worden en de laatste schemering viel slechts
+even in de kamer waar hij zich bevond, zoodat Joan in 't eerst den man
+niet herkende, die in een gemakkelijken leunstoel aan een tafel zat
+met het eene been over 't andere en de armen gekruist: te meer daar
+een hoed met breede randen en donkere veeren hem het hoofd en een
+groote mantel de leden bedekte. Eenige oogenblikken gingen voorbij,
+waarin de vreemdeling, zonder een woord te spreken, Joan sterk in
+'t aangezicht bleef zien.
+
+"Ben ik het, wien UEd. verlangt te spreken?" vroeg deze eindelijk,
+eenigszins geraakt: "of heeft hier een misverstand plaats?"
+
+"Geen misverstand, volstrekt geen," antwoordde de ander: "gij schijnt
+mij niet te herkennen, jonkman, wij hebben elkander toch vroeger
+gezien."
+
+"'t Is waar," zeide Joan "uw stem is mij niet onbekend: doch het is
+hier zoo verbaasd duister, dat...."
+
+"Kapitein Holtvast, van de Garde, om u te dienen: wij hebben elkander
+voor vier weken te Tiel ontmoet."
+
+"Juist, nu herinner ik mij volkomen.... doch hoe wist UEd. dat ik
+mij in Den Haag en wel in dezen kerker bevond?"
+
+"Even alsof ik u gisteren niet op 't Binnenhof gezien had?.... Gij
+hebt uw oogen op mij niet willen wenden; het scheen dat er een ander
+voorwerp was, hetwelk beter uw beschouwing verdiende.... nu! dat
+is billijk,--doch ik zag en herkende u terstond: en om te weten,
+dat gij hier geplakt werdt, dat was spoedig ruchtbaar."
+
+"En UEd. komt mij bezoeken!--Dat is recht hupsch van u."
+
+"Nietwaar? Ja, ik kom meer doen;.... doch kom wat naderbij en zet
+u!.... ik kom meer doen; ik kom u de middelen bieden om u uit dezen
+kerker te redden."
+
+"Waarlijk!" zeide Joan, den kapitein haastig bij de hand nemende:
+"geloof, dat mijn dankbaarheid...."
+
+"Dankbaarheid!" herhaalde de kapitein: "ja, reken op dankbaarheid:
+dankbaarheid is klokspijs voor gekken: ik heb nooit meer betalingen
+ontvangen dan in betuigingen van dankbaarheid:.... dankbaarheid is
+de schil van den citroen, welke men u toewerpt, nadat men het sap
+heeft genoten. Dankbaarheid! ja voor den duivel! ha! ha! ha!"--Hier
+begon Holtvast op een gemaakte wijze te lachen en scheen toen opeens
+in mijmeringen verdiept.
+
+"Men schijnt uw goed vertrouwen misbruikt te hebben," zeide Joan,
+met een eenigzins beschroomde stem.
+
+"Wat zegt gij, knaap?" vroeg Holtvast met een bulderende stem,
+terwijl hij opstond en zijn mantel over zijn schouder sloeg: "wie zou
+dat hebben durven doen? of liever: aan wien zou ik mijn vertrouwen
+geschonken hebben?"
+
+Joan zweeg, en zag den kapitein verwonderd aan.
+
+"Doch dit alles komt hier niet te pas," zeide deze, wederom gaande
+zitten: "ik heb u heel wat anders te zeggen: hoor knaap!" vervolgde
+hij, terwijl hij zijn kin met beide handen ondersteunde "weet gij wel,
+dat het schavot voor u opgericht wordt?"
+
+Ik geloof, dat er niemand op aarde bestaat, die bij een dergelijke
+mededeeling zijn gewone kalmte van ziel bewaren zou. Ook onze held
+voelde een kille huivering door al zijn leden gaan, en zag den brenger
+dier slechte tijding met strakke oogen aan.
+
+"Morgen uw laatste verhoor, man!--en dan uw vonnis: de galg kunt gij
+niet ontgaan," vervolgde Holtvast met de meeste bedaardheid.
+
+"Zou UEd. waarlijk denken, dat men zoo spoedig.... en zoo onbarmhartig
+te werk zou gaan?"
+
+"Spoedig!--Ja! misschien nog te langzaam," zeide Holtvast, weder
+in zich zelven sprekende: "Onbarmhartig!--maar wat is grooter
+barmhartigheid, schelmen te hangen, of schelmen te laten loopen?"
+
+"Indien deze laatste woorden mij gelden," riep Joan uit, "dan zouden
+zij u duur te staan kunnen komen." Bij het uiten dezer woorden sloeg
+hij de hand met drift op de plaats, waar hij het gevest van zijn degen
+verwachtte. "Ach!" zeide hij: "'t is waar: er is geen degen meer; doch
+des te laffer is het van u gehandeld, een ongewapende te beleedigen."
+
+"Er bestaat hoegenaamd geen oogmerk tot beleediging," zeide Holtvast
+met koelheid: "ik sprak met mij zelven.... ik bevind mij dikwijls in
+de gelegenheid van alleen mij zelven te kunnen raadplegen;.... doch het
+is zooals ik zeide: morgen of uiterlijk overmorgen wordt gij gehangen."
+
+"Onmogelijk! ik heb niets misdreven, en zonder schuld...."
+
+"Dat doet niets ter zake, vriend!" zeide Holtvast: "ha! ha! als men
+alleen den schuldige hing;.... doch mijn vraag is niet, of gij schuldig
+of onschuldig zijt, ik wilde u helpen, lieve vriend, anders niet."
+
+"Gij zult mij toch niet willen helpen, zoo gij mij schuldig acht?"
+
+"Hoor!" zeide Holtvast, lachende, en hem tot zich trekkende: "het is
+juist, omdat ik u schuldig acht aan hetgeen u ten laste gelegd wordt,
+dat ik u redden wil. Ik weet zeer wel, dat gij de agent zijt, door
+wien Graaf Frederik Hendrik en Grobbendonck samenspannen."
+
+"Wel mogelijk," antwoordde Joan, met koelheid: "doch buiten mijn
+weten."
+
+"Wat!" riep de kapitein, opvliegende: "wel mogelijk? houdt gij het
+voor mogelijk, dat Graaf Frederik Hendrik...."
+
+"Waarom niet?" vroeg Joan: "de rechters, die mij ondervroegen,
+schenen het wel voor mogelijk te houden."
+
+"Om 't even," zeide de kapitein, die weder zijn bedaardheid hernomen
+had: "doch het kan u niet onbewust zijn," vervolgde hij, fluisterende,
+"dat er een plan bestaat om Frederik Hendrik hier aan 't hoofd der
+zaken te stellen."
+
+"'t Is voor 't eerst dat ik er van hoor," antwoordde Joan.
+
+"Gij behoeft met mij niet te veinzen," hernam de kapitein: "ik weet
+alles: ik weet, dat gij van Grobbendonck gezonden zijt om met den
+Graaf te onderhandelen:--Ik vermoedde reeds, toen ik u te Tiel zag,
+dat gij mede tot het eedverwantschap behoordet."
+
+"En waarom hieldt ge mij dan toen niet aan?" vroeg Joan, die hem
+wilde laten praten, in de hoop van eenige inlichtingen betreffende
+zijn zoogenaamde medeplichtigheid aan hoogverraad te erlangen.
+
+"Of ik gek was?--Ik ben zelf ook in 't geheim, zeide ik u immers. Volg
+gij maar letterlijk mijn voorschriften, en ik help u hier uit, eer
+het jaar een dag ouder is;.... doch zeg mij vooraf: heeft Grobbendonck
+de laatste brieven des Graven wel ontvangen?"
+
+"Ik herhaal u, ik weet van Graaf, van Grobbendonck, noch van
+brieven. Ik heb een pakket vanwege de Remonstrantsche Heeren
+medegebracht, zonder te weten wat er inzat: ziedaar mijn heele
+misdaad."
+
+"Gij houdt dus den Graaf voor onschuldig?" vroeg Holtvast, met
+overhaasting.
+
+"Ik hou mijzelf voor bedrogen en vel verder geen oordeel over iemand."
+
+"Gij wilt dus mijn bijstand niet aannemen om deze droevige gevangenis
+en een wissen dood te ontgaan."
+
+"Ik heb nog niet gehoord, op welke voorwaarden mij uw bijstand
+verleend wordt."
+
+"Vooreerst, dat gij onbewimpeld met mij spreken zult en niet langer
+een onbekendheid met de zaken voorwenden, welke u niets baten kan;
+ten tweede, dat gij deel neemt in den aanslag.... welken gij kent."
+
+"Zoo gij volhoudt, niet dan in raadselen te willen spreken, zal het
+beter zijn, dat wij ons gesprek eindigen," zeide Joan, zich omwendende.
+
+"Welnu dan! Ik meen den aanslag.... Begrijpt gij mij nu?" vroeg
+Holtvast, met de hand de gebaarde makende van iemand die een dolksteek
+toebrengt.
+
+"Wat! een aanslag om Prins Maurits te vermoorden?" vroeg Joan,
+verontwaardigd.
+
+"En waarom niet?" vroeg Holtvast: "men heeft zijn vader wel vermoord."
+
+"En gij, een kapitein bij de Garde! Schurk! dit zult gij boeten! Hier
+stokbewaarder! dienaars hier! deze wil den Prins vermoorden!--Onder het
+uiten dezer woorden was Joan den kapitein aangevlogen en had hem in
+de borst gegrepen; doch Holtvast slingerde hem op een onzachte wijze
+van zich en wierp hem in den armstoel. Op hetzelfde oogenblik trad de
+stokbewaarder binnen op het geroep, en eer Joan weder opgestaan was,
+was de kapitein verdwenen.
+
+"Zacht wat!" zeide de cipier; "wat wil dat gedruisch?"
+
+"Die schurk wilde den Prins vermoorden," herhaalde Joan.
+
+"Kom! zotteklap!" hernam de cipier: "ga maar weder naar uw kooi en
+slaap uw roes uit, opdat gij morgen verstandig moogt antwoorden,
+wanneer gij verhoord wordt."
+
+"Maar ik verzeker u, dat die guit...."
+
+"Volgt gij gewillig? of moet ik u laten voortslepen en de boeien
+aanzetten?" vroeg de cipier, altijd even koel.
+
+"Ik ga al," zeide Joan, oordeelende dat de stokbewaarder aan zijn
+aanklacht toch geen geloof zou slaan.
+
+Hendrik hoorde met verwondering naar het verhaal, hetwelk zijn vriend
+hem, na zijn terugkomst in de gevangenis, van het zonderlinge gesprek
+met den vreemdeling deed. De meest waarschijnlijke veronderstelling
+kwam den proponent voor, deze te zijn, dat die kapitein een spion
+was van den Fiskaal, die hem kwam uithooren.
+
+"Dat dacht ik ook een oogenblik," zeide Joan: "doch te Tiel was hij
+stellig een kapitein en geen spion.... Het spijt mij, dat ik mij zoo
+in 's mans gelaatstrekken en ronde taal vergist heb. Te Tiel beviel
+hij mij zoo uitnemend wel, niettegenstaande wij zwaren twist hadden."
+
+"En hier, waar hij u bijstand kwam aanbieden, beviel hij u niemendal,"
+merkte Hendrik aan.
+
+"Gij hebt gelijk," zeide Joan: "maar met dit al zijn de tijdingen, die
+hij mij bracht, niet onbelangrijk: en ik begin waarlijk te gelooven,
+dat ik wijselijk zal doen, door mij, zoo er eenige mogelijkheid toe
+bestaat, aan het gevaar te onttrekken, dat mij boven 't hoofd hangt."
+
+Raesfelt, die niets liever verlangde, dan Joan tot metgezel in zijn
+vlucht te hebben, wendde al zijn welsprekendheid aan om hem in dit
+voornemen te versterken.
+
+"Maar!" zeide Joan eindelijk: "alles is goed en wel: doch is het
+gezegd, dat uw Dulcinea, die zeer geneigd is om u te verlossen,
+evenzeer er op gesteld zal wezen, om mij aan mijn kerker te laten
+ontsnappen?"
+
+"Ach!" zeide Hendrik, "zou zij weigeren, u, die zoo geheel onschuldig
+lijdt, te helpen?"
+
+"Zal zij aan mijn gezicht zien, dat ik onschuldig ben?" vroeg Joan:
+"en daarenboven, wat gaat haar mijn schuld of onschuld aan?"
+
+"'t Is waar," zeide Hendrik: "doch geen zorgen voor den tijd! laat
+ons alles aan Gods bestuur overlaten."
+
+"Recht zoo!" hernam Joan: "en, ofschoon een Arminiaan," voegde hij er
+glimlachend bij: "zult gij toch moeten toestemmen, dat wij ontkomen
+zullen, indien het in Gods raad besloten is, dat wij ontkomen moeten."
+
+"Ik heb tegen dat argument niets in te brengen," antwoordde Hendrik:
+"wij zullen intusschen Zijn hulp en zegen bij onze onderneming
+afsmeeken."
+
+Dit geschiedde en de beide vrienden wachtten nu getroost en gelaten
+het uur der redding af.
+
+De klok van den grooten kerktoren had reeds twaalf slagen van zich
+gegeven: een doodsche stilte heerschte door heel het gesticht; en nog
+hadden de beide vrienden geen gerucht gehoord, dat hun een schijn van
+redding aankondigde. Verscheidene minuten verliepen er: nog liet zich
+niets hooren: een kwartier: alles was stil als in het graf.
+
+"Er is zeker iets in den weg gekomen," zeide Hendrik al zuchtende.
+
+"Of gij hebt de hiëroglyphen, die op het bord stonden, kwalijk
+verstaan," fluisterde Joan hem in.
+
+Op hetzelfde oogenblik hoorden zij opeens een geluid, alsof het slot
+der gevangenisdeur opensprong.
+
+Noch Joan, noch Hendrik spraken een woord; maar zij drukten elkaar
+onwillekeurig de hand. Een lang stilzwijgen volgde.
+
+"Hoe!" zeide Hendrik eindelijk: "ik meende toch gehoord te hebben...."
+
+"Stil!" zeide Joan, begrijpende, dat degene die buiten was, vreesde dat
+het omdraaien van 't slot gehoord geweest ware en eenigen tijd wachtte
+met het opendoen der deur, om niet weder opnieuw aandacht te verwekken.
+
+Eindelijk sprong nogmaals het slot om, en de deur ging open.
+
+Hendrik trad dadelijk toe, terwijl Joan achter hem bleef. De
+duisternis, welke zoowel in de gang als in hun kamer heerschte,
+belette hun echter te zien of gezien te worden.
+
+"Doe uw schoenen uit!" zeide een zachte stem.
+
+"Dit is geschied," antwoordde Hendrik, die reeds met de zijne, gelijk
+Joan met zijn laarzen, in de hand stond.
+
+"Stil!" antwoordde dezelfde stem: "hier.... reik mij uw hand. Neem
+deze twee pistolen."
+
+Hendrik aanvaardde de beide pistolen en stak er dadelijk een aan
+Joan toe.
+
+"Volg mij nu en spreek geen woord."
+
+Dit zeggende nam de jeugdige geleidster den gevangenen Hendrik bij de
+hand en voerde hem achter zich uit het vertrek waar zij zich bevonden,
+de gang door, naar een trap, en voor een venster, hetwelk zij opende:
+Joan was hen met zachte schreden gevolgd.
+
+"Klim hier onbevreesd uit," zeide zij tegen Hendrik: "het regent
+buiten: de lucht is bewolkt: niemand zal u zien."
+
+Hendrik had den linkervoet reeds buiten het venster gestoken, terwijl
+hij, den rechterarm om den hals van het lieve meisje slaande, haar
+den vaarwelkus op den rozenmond drukte. Dan in hetzelfde oogenblik
+vertoonde een gemoedsbezwaar, dat hem reeds vroeger gehinderd had,
+zich als een dreigend spook voor zijn geest. Hij trok het been terug.
+
+"Maar Truitje!" zeide hij: "indien uw vader onze.... ik wil zeggen
+mijn ontkoming bemerkt, zal hij dan niet verstoord op u zijn?"
+
+"Laat dat aan mij over, en haast u," fluisterde Truitje: "nu, hoe is
+'t? vertrekt gij of niet? moet ik hier staan wachten tot vader ons
+hoort.... dan, ja dan!...."
+
+"Maar op wie anders zoude zijn vermoeden rusten als op u?"
+
+"Gek! op u zelve! Zoodra gij weg zijt, ga ik naar uw gevangenis terug
+en breek het slot."
+
+Joan stond op heete kolen.
+
+"Maar mogen wij uw vader aldus bedriegen?" vroeg Raesfelt. Op dit
+oogenblik hoorde men gerucht in het benedenhuis.
+
+"Voort! voort!" zeide Truitje, "of alle hoop is voor ons
+verloren."--Dit zeggende, greep zij, in de duisternis tastende,
+Joan bij de hand. Deze liet zich geen tweemalen tot de vlucht
+aanmoedigen. Hij stapte naar buiten, voelde een ladder onder zijn
+voeten, klom af en stond, weldra op vrijen grond.
+
+"Goddank!" zeide Truitje: "hij is gered."
+
+"Ik geloof, dat gij gelijk hebt en dat ik hem volgen moet," zeide
+Hendrik.
+
+"Hoe!" riep Truitje met een gil van verbazing. "Heb ik u het raam
+niet zien uitklimmen? Wie was dan die ander?"
+
+"De deelgenoot mijner gevangenis, mijn vriend, een onschuldige
+jongeling, die...."
+
+"Om 't even: hij heeft althans tienmaal meer gezond verstand dan gij;
+want hij weet van de gelegenheid gebruik te maken."
+
+Hendrik antwoordde geen syllabe; doch Truitje nog eenmaal vaarwel
+kussende, nam hij denzelfden weg, dien Joan gevolgd was en stond
+weldra beneden op straat.
+
+Naast de ladder wachtte hem Joan af, benevens een lange stevige knaap,
+met een grooten mantel om, die de ladder had vastgehouden. Deze laatste
+raapte nu een zwarten mantel van den grond, welken hij Hendrik omsloeg,
+en gaf, na een kort fluisteren met dezen, zijn eigen mantel aan Joan;
+vervolgens nam hij de ladder onder den arm en wenkte den vluchtelingen,
+dat zij hem volgen zouden.
+
+"Waar brengt gij ons?" vroeg Hendrik hem, zoodra zij een eindweegs
+waren opgewandeld.
+
+"Stil!" gaf hij ten antwoord: "Volg mij slechts: ik breng u bij uw
+vrienden.--Wacht! hier zullen wij de ladder nederzetten: die haar
+vindt, mag haar aan den eigenaar terugbezorgen."--Dit zeggende,
+plaatste hij de ladder tegen een afdak, en voortwandelende, sloeg
+hij met zijn volgers een steegje in, midden in hetwelk hun een
+manspersoon tegenkwam, die dadelijk op den leidsman aanstapte en hem
+met een nauwelijks hoorbare stem toefluisterde: "moeten die Heeren
+bij ons zijn?"
+
+"Ik meen van ja, Jan _Doodeklok_!" [55] zeide de sjouwerman; (want
+hooger in rang scheen de geleider der beide vluchtelingen niet te
+wezen;) "Mijne Heeren!" vervolgde hij, zich tot dezen wendende:
+"Ik groet u. Deze man zal u verder brengen waar gij wezen moet." Met
+deze woorden en zonder antwoord of dank te wachten, keerde hij zich
+om en haastte zich weg, Joan en Hendrik overlatende aan de zorg der
+zoogenaamde _Doodeklok_, die, met een beleefde buiging, doch zonder
+den mond te openen, een nauw gangetje insloeg, aan welks einde een
+deur was, welke op zijn tikken geopend werd. Dan nauwelijks wilden de
+vluchtelingen binnengaan toen zij achter zich de vlugge voetstappen
+hoorden van iemand, die hen in het gangetje gevolgd was. Reeds sidderde
+Raesfelt op de gedachte, dat hun ontkoming verraden ware: reeds had
+Joan de haan van zijn pistool overgehaald, gereed op tegenweer, toen
+de nieuwaangekomene het liedje afbrak dat hij binnensmonds neuriede,
+en, de _Doodeklok_ gemeenzaam op den schouder tikkende, vroeg of de
+vromen al vergaderd waren.
+
+De _Doodeklok_ beantwoordde deze vraag toestemmend, waarop de onbekende
+binnentrad en Joan, die in den donkeren ingang stond, bij den arm nam:
+"vergun mij, Mijnheer!" zeide hij: "dat ik mij aan u vasthoude;
+want ofschoon ik hier meer geweest ben, zoo ben ik altijd bang,
+om in dit donkere gat armen of beenen te breken."
+
+Joan stond niet weinig ontzet: want hij had de stem van Bleiswyk
+herkend en was hoogst beducht voor een ontdekking; echter hield hij
+zich bedaard en trad, evenals Hendrik, met hun nieuwen leidsman
+de duistere gang ten einde, waarna zij een slecht verlichte trap
+beklommen, en voorts weder een lange trap afliepen tot aan een deur,
+welke zich op het aankloppen van Bleiswyk opende. Dan welk een schrik
+beving de vluchtelingen, toen zij een verlichte zaal en een groote
+schaar van menschen voor zich zagen. Beiden verzetteden en wilde
+terugtreden; doch het was te laat. Bleiswyk had Joan reeds met zich
+naar binnengetrokken, en Hendrik, die niet van zijn vriend wilde
+scheiden, volgde hen.
+
+Het vertrek, waar zij zich thans in bevonden, was ruim, doch laag
+en bedompt en met weinige lampen verlicht, welke eene onaangenamen
+damp en geen minderen stank verspreidden. Op stoelen en banken van
+verschillende grootten en vormen, en welke kenmerken droegen van
+overal vandaan geraapt en geleend te zijn, waren onderscheidene
+lieden van beiderlei kunne gezeten, meest vermomd of althans wel
+dicht in hun mantels en huiken gewikkeld, hoewel sommigen onder hen
+hun gewone kleeding droegen en de hoofden vrijmoedig uitstaken, als
+wilden zij daardoor toonen, dat zij zich des noods voor hun zaak het
+martelaarschap getroosten zouden. Midden in de zaal was een soort
+van predikstoel opgericht, waarin een redenaar in 't zwart gekleed,
+en wien Joan al dadelijk voor Groenhovius herkende, met de gebaren
+eens bezetenen stond te galmen: dichter bij hem zaten eenige lieden,
+die in deze vergadering den boventoon schenen te houden: onder dezen
+stak uit een lang, deftig gekleed man met spierwitten baard en een
+zwarte fluweelen muts op het hoofd.
+
+Bij het inkomen van Bleiswyk en zijn twee gezellen, schikten zij,
+die het naast aan de deur gezeten waren, dadelijk in, en wenkten hun
+beleefdelijk toe, dat zij plaats hadden te nemen.--Voordat Bleiswyk
+aan deze uitnoodiging verkoos te voldoen, stak hij de handen in de
+zijde, wierp den rug achterover en liet in die houding het oog over
+de gansche vergadering weiden, waarschijnlijk om de schoone te zoeken,
+die hem derwaarts gelokt had. 't Zij dat hij haar niet ontdekken kon,
+'t zij dat zij er waarlijk niet aanwezig ware, hij nam een ontevreden
+houding aan, wierp zich meer dan hij zitten ging op de hem aangeboden
+bank, snoot zich met geweld, stak vervolgens de handen in de zakken en
+liet zijn donkerkleurigen mantel openvallen, waardoor zijn prachtige
+onderkleedij zichtbaar werd, terwijl hij trotsch om zich heen zag,
+als wilde hij zeggen: ik lach wat om ulieden, en het bruit mij weinig,
+of gij mij kent of niet. Daarna gaapte hij den redenaar aan en begon
+aandachtig naar diens woorden te luisteren.
+
+Wat Joan en Hendrik betrof, dezen, althans de laatste, begrepen
+dat zij, niettegenstaande de kans van ontdekt te worden, hier
+misschien hulp zouden vinden onder de Remonstrantsche broederschap;
+en daar zij toch te ver gekomen waren om ongemerkt weder te kunnen
+vertrekken, plaatsten zij zich naast Bleiswyk, echter zorg dragende,
+hun gelaat met hoed en mantel te bedekken; dan hoe ontstelde Joan,
+toen hij niet ver van zich af een heer zag zitten, die, schoon hij
+ook vermomd was, bijna terstond door hem voor den Fiskaal Van Kinschot
+herkend werd. Vol angst van door dezen gezien te worden, trok nu Joan
+den hoed nog dieper in de oogen, en verborg de punt van zijn neus
+(alles wat er van zijn persoon nog zichtbaar was) achter de holte
+zijner hand, terwijl hij als een zoutzak in elkander kroop. Hendrik,
+die den Fiskaal niet herkend had, leende dadelijk zulk een aandacht
+aan de predikatie, dat hij daardoor al spoedig vergat de noodige
+voorzorgen te nemen, welke hem konden verbergen. Groenhovius had,
+naar het bleek, tot tekst zijner redevoering genomen de woorden des
+heiligen geschiedschrijvers Lucas, wanneer hij de bekeering van Saulus
+verhaald hebbende, van de Apostelen zegt: "zij vreesden hem allen,
+niet geloovende dat hij een discipel was."--Met veel arglistigheid
+wist hij, zonder iemand te noemen, in den loop zijner predikatie,
+den tekst in zijn geheel verband toepasselijk te maken op Graaf
+Frederik Hendrik, terwijl hij door zijn zijdelingsche aanduidingen
+aan de gemeente zocht diets te maken, dat zij van dien vorst alleen
+haar hulp en verlossing te wachten had.--"Ja," riep hij uit met een
+vervaarlijke stem, terwijl hij gedurig met de breede vuist op den voor
+hem liggenden Bijbel sloeg: "hoor mijn stemme, gij kuddeke Israëls, en
+geloof mijn woorden, niet aan hen gelijk zijnde, die ooren hebbende,
+niet hooren, en, oogen hebbende, niet zien willen. Want weet, uit
+Edom, uit Galilea der volkeren, uit de landpale der vijanden is hij
+voortgekomen, die de groote verlossinge Israëls teweeg zal brengen,
+en zijn naam is Wonderlijk! Zegt niet in uw harte: kan er iets goeds
+uit Nazareth komen? Want hier geschiedt meer, en uit dat geslachte
+Pharaonis, uit den huize Sauls, is deze reize het licht opgegaan:
+uit Egypte heb ik mijnen Zoon geroepen, en het is wonderlijk in onze
+oogen; en de Heer heeft hem met kracht bekleed en tot hem gezegd:
+ik ben met u, gij strijdbare held! ga henen in uwe kracht, en gij
+zult Israël uit der Midianieten hand verlossen: dus wantrouw niet
+meer, gij huize Davids! en wees niet ongeloovig; want gij zult uwe
+vijanden zien vertreden in den grooten wijnpersbak des toorns Gods,
+en daar zal bloed uitkomen tot aan de toornen der peerden, duizend
+zeshonderd stadiën verre! en als men vraagt en zeggen zal de een
+tot den anderen: wie heeft dat stuk gedaan? dan zal men antwoorden:
+Gideon de zoon van Joas, heeft dat stuk gedaan. Doch wie is nu Gideon
+de zoon van Joas? Vraagt gij het nog? Begeert gij nog een teeken,
+gij kleingeloovigen? en weet gij nog niet, wie de ware Jozef zijn
+zal? Ziet, ik zal nog duidelijker spreken. Jacob, de aartsvader,
+Jozefs vader, was uit een grooten en machtigen stam;--en ook de vader
+van onzen Jozef was van aanzienlijken huize. Jacob heeft gestreden
+met machtiger dan hij, en overmocht hem:--en de vader van onzen Jozef
+heeft van gelijken gedaan. Jacob heeft een zwervend leven geleid:--en
+de vader van onzen Jozef niet minder. Jacob heeft vier wijven gehad;
+doch Rachel had hij lief en zij baarde Jozef:--onze Jacob had ook vier
+wijven; doch zijn Rachel heeft hem onzen beschermer gebaard. Jozefs
+oudere broeders hebben het bloed der rechtvaardigheid geplengd, hun
+handelingen zijn werktuigen van geweld geweest; en ook de ouder broeder
+van onzen Jozef heeft in zijnen toorn de mannen doodgeslagen, die den
+vaderlande dierbaar waren; doch onze Jozef zal het afgebrokene weder
+oprichten en de verdorde takken weder bloeien doen. Dus waakt! want
+de ure is nabij, waarin deze dingen geschieden moeten! Gordt aan het
+zwaard ten strijde, versterkt de lendenen zeer!"
+
+Met een verbazende vlugheid en kracht van stem had Groenhovius tot
+dusverre een voorstel uitgebracht, hetwelk, ofschoon het thans in
+vele opzichten wartaal zal schijnen te behelzen, echter niet naliet,
+op dat tijdstip en bij zulke toehoorders een verwonderlijken indruk te
+maken, toen hij opeens in het vervolgen zijner rede belet en door een
+anderen spreker vervangen werd. Hendrik Raesfelt had namelijk niet
+dan met ongeduld en verontwaardiging de oproerige en doldriftige
+taal des Predikants aangehoord; doch toen deze in het laatste
+gedeelte der door ons aangehaalde toespraak de gemeente kennelijk
+tot burgeroorlog aanspoorde, was hij buiten staat zich langer te
+bedwingen; driftig opgesprongen zijnde, drong hij door de menigte
+heen tot voor den kansel, en greep Groenhovius heftig bij den arm:
+"Van hier, gij Beliäls zoon!" riep hij driftig uit: "wie geeft u last
+en commissie tot het voeren eener zoo gruwelijke taal? Durft gij,
+de leeraar des vredes, de ongelukkige gemeente tot oproer manen?"
+
+"Braaf gesproken!" zeide Bleiswyk overluid: "dat is taal, die men
+verstaat: dat andere was zoo diep, dat niemand het vatten kon, die
+niet gestudeerd had."
+
+"Wat onvoorzichtigheid!" zeide Joan tot zich zelven: en meteen
+gebruik makende van de algemeene opschudding, welke dit voorval
+had te weeggebracht, drong hij zich dichter bij den predikstoel, om,
+ingeval van nood, Hendrik bij te kunnen springen. Voorzichtiger had hij
+misschien gedaan met het voorbeeld te volgen, dat eenige der aanwezigen
+gaven, die zich bij de eerste verwarring uit de zaal maakten.
+
+"Jonkman! wie zijt gij, die mij zoo stout het woord durft
+afnemen?" vroeg Groenhovius: "ben ik niet de gezondene en geroepene
+van omhoog, die den volke leeren moet, wat het noodig heeft te weten?"
+
+"Leugenprofeet!" riep Hendrik, Groenhovius overschreeuwende: "is dit
+het Christendom, dat gij leert? al wat gij zegt is uit den Booze!"
+
+"Afvallige!" brulde de Predikant, aan wien een der bijstanders Hendriks
+naam had in het oor geblazen: "_scelerate! nonne Raesfeldii filius?_
+[56] Gelooft hem niet, broeders! hij is de zoon van den boozen
+Raesfeldii, en als hij een verdrukker der gemeente, die welbehagen
+heeft in onzen dood."
+
+"Jongeling!" zeide nu de man met de fluweelen muts, die
+naast Groenhovius gezeten had, terwijl hij opstond en Hendrik
+terugstootte! "laat af van den vromen man; want hij spreekt de woorden
+der waarheid: zie om u heen: de groote verlosser Israëls, wien hij
+bedoelde, is onder u, is in deze vergadering gekomen, om uwe valsche
+beschuldiging te logenstraffen."
+
+"Ha! wien hebben wij hier!" riep Joan, die deze stem herkende, voor den
+dag springende en den onbekende zijn valschen witten baard afrukkende:
+"Pater Eugenio in dezen kring!"
+
+Aller oogen wendden zich op den Jezuïet, die dus ontdekt in hun midden
+stond; doch op hetzelfde oogenblik werd de aandacht wederom afgetrokken
+en op een anderen bijstander gevestigd, die, zijn mantel openslaande,
+zich voor graaf Frederik Hendrik kennen deed.
+
+"Ja, ik ben hier gekomen," zeide deze: "doch geenszins...."
+
+"Wat onvoorzichtigheid! om 's Hemels wil! Uwe Doorluchtigheid," zeide
+Ludwig, die nevens hem stond, terwijl hij zijn best deed om hem zijn
+mantel weder om te slaan.
+
+"Laat af, Ludwig!" riep de Graaf: "ik moet redenen van mijn gedrag
+geven: ik moet aan deze onberaden lieden zeggen, dat...."
+
+"Die redenen zult ge mij geven," zeide, op een half gesmoorden,
+doch strengen toon, iemand, die, in een grooten mantel gewikkeld,
+achter hem oprees en hem op den schouder tikte.
+
+"Maurits!" zeide de Graaf, zich verschrikt omwendende.
+
+"Stil!" beet de Prins hem in 't oor: "ik wacht u tot mijnent. Kom,
+Van Kinschot! laat ons gaan."--Na het uiten dezer woorden drong hij
+in hevige gemoedsbeweging de kamer uit. De Fiskaal volgde hem: ook
+verscheidene der aanwezigen, die den Prins herkend hadden en voor
+de gevolgen begonnen te vreezen, welke hun tegenwoordigheid in deze
+vergadering hebben kon. Frederik Hendrik was als versteend blijven
+staan; totdat Ludwig hem zijn mantel omsloeg en hem bijna als een kind
+de kamer uitgeleidde. Inmiddels had Eugenio zich door een zijdeur
+weggemaakt. Groenhof had mantel en bef van zich gesmeten en zich
+onder de menigte begeven. Hendrik Raesfelt, zijn onvoorzichtigheid
+bespeurende, begon ook naar een goed heenkomen te verlangen en zocht
+Joan, doch vruchteloos, onder de nog aanwezige personen, toen een
+zijner geloofsgenooten, wien hij te Amsterdam gekend had, hem met
+zich nam, met belofte van hem een veilige schuilplaats te bezorgen.
+
+
+
+
+
+DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ De brief was toegezegelt
+ Met 's Konings eigen ringh, doch 't wapen is misluckt
+ In 't zeeglen, en de hant in 't schrijven wat gedruckt.
+
+ _Vondel_, Palamedes.
+
+
+"O Van Kinschot!" riep de Stadhouder uit, toen hij met den Fiskaal
+aan het Hof teruggekeerd was, zich weemoedig in een armstoel werpende:
+"en hij, die mij verried, was mijn broeder."
+
+De Fiskaal zuchtte en antwoordde niet: hij wist, dat niets ongevalliger
+en van minder uitwerking is, dan troostwoorden, wanneer de geslagen
+wonde te diep is om door andere geneesmiddelen dan tijd en geduld te
+worden geheeld.
+
+"Die ondankbare!" vervolgde Maurits: "en op welk een oogenblik
+verraadt hij mij? nu ik zijn diensten het meest zoude behoeven! O
+hemel! zou ik nog eens met een bloedend hart moeten straffen en den
+arm der gerechtigheid inroepen op hem, die mij dierbaar was. O mijn
+vader! toen gij uw jongsten zoon aan mijn zorgen zoo teederlijk hebt
+aanbevolen, dacht gij weinig, dat ik in hem een slang zou opvoeden,
+die mij eenmaal naar de hartader steken moest."
+
+"Welke bevelen zal Uwe Hoogheid mij geven?" vroeg Van Kinschot,
+met een droefgeestig oog den Stadhouder aanstarende.
+
+"Geene!--volstrekt geene!--zoo er nog één vonk gevoel in den verrader
+is overgebleven, zal hij mij om vergiffenis komen smeeken;.... in
+het omgekeerd geval wil ik hem den tijd laten, zich door de vlucht
+te redden."
+
+"Doch zijn aanhangelingen?" hernam de Fiskaal: "doch die schandelijke
+oproerprediker? moet die niet gevat worden?"
+
+"Dat was uw zaak geweest," antwoordde Maurits: "zoo laag kan mijn
+toorn nu niet dalen."
+
+"Uwe Hoogheid had mij verboden, eenige bezetting rondom de
+vergaderplaats te stellen: ware dit gebeurd, geen muis zou het
+ontkomen zijn."
+
+"En morgen had geheel 's-Gravenhage geweten," viel de Prins driftig
+in, "dat ik mij vermomd onder die schelmen begeven heb, ten einde een
+broeder te bespieden;... doch zullen zij dit toch niet vernemen?.... ik
+ben overtuigd, dat menigeen mij herkend heeft."
+
+"Daarom juist wilde ik hen allen gevat hebben, om de zaak geheel
+te versmoren."
+
+"En mijn schande voor de rechtbanken bekend te maken?--Neen, Van
+Kinschot! deze zaak is tusschen mijn broeder en mij alleen; daarom
+wilde ik, slechts van u vergezeld, mij gaan overtuigen van de waarheid
+der bij u ingekomene berichten; daarom ondervroeg ik zelf den brenger
+van het noodlottige pakket; want hoe kon ik hem voor schuldig houden
+op de enkele bewijzen der aan hem gerichte brieven?"
+
+"Misschien," zeide Van Kinschot op een weifelenden toon, "had de
+tegenwoordigheid van Zijne Doorluchtigheid in die vergadering eene
+zeer billijke reden, die...."
+
+"Paai mij niet met zulke praatjes," zeide Maurits, hem met drift
+in de rede vallende; "zou hij zich dan openlijk aan die vergadering
+vertoond hebben, om de gezegden van dien schurk te bevestigen?.... De
+Hemel gave, dat ik twijfelen mocht."
+
+In dit oogenblik trad de kamerdienaar des Prinsen in en meldde Zijne
+Doorl. Graaf Frederik Hendrik aan. Een kille huivering beving den
+Prins; doch, zich spoedig herstellende, gaf hij last zijn broeder te
+laten bovenkomen, verzocht den Fiskaal, zich in een ander vertrek
+te begeven, en wachtte toen, niet zonder van angst en droefheid te
+beven, de komst des Graven af, terwijl hij in zichzelven mompelde:
+"Zijne Doorluchtigheid! ja, wel doorluchtig! ik zie hem door en door."
+
+Frederik Hendrik trad binnen met dien weifelenden stap, die verbleekte
+en ontstelde wezenstrekken en die onzekere houding, welke zoowel het
+kenmerk zijn van den onschuldig betichte, die geen kans ziet om zijn
+onschuld aan den dag te brengen, als van den overtuigden booswicht: en,
+in waarheid, nooit had hij zich in zulk een moeilijke, ja gevaarlijke
+omstandigheid bevonden. De rechter, voor wien hij verschijnen moest,
+was, wel is waar, zijn broeder, die hem steeds liefde, achting en
+vertrouwen betoond had; doch die nauwe graad van bloedverwantschap,
+welke tusschen den klager en den beschuldigde bestond, maakte 's
+Graven toestand des te beklagenswaardiger, door zijn droefheid te
+vermeerderen, dat hij een voorwerp van verachting en afschuw in de
+oogen zijner nauwste betrekking geworden was. Daarenboven kende
+hij Maurits, die, hoe oprecht en goedhartig van nature, door de
+omstandigheden, door het bedrog en de vijandschap van hen, die hij
+als vrienden had aangemerkt en door de menigvuldige tegen hem gesmede
+aanslagen, opvliegend en achterdochtig geworden was. Wij hebben uit
+de mededeeling van de inzichten en voornemens, die Frederik Hendrik
+aan zijn Secretaris gedaan had, gezien, dat deze Vorst, schoon uit
+edele en onbelangzuchtige beginselen handelende, niet vrij was,
+van de Remonstranten meer dan eens ondersteund te hebben, somtijds
+tegen het uitgedrukt verlangen zijns broeders; en thans zag hij
+duidelijk in, hoe deze handelwijze, welke niet te ontkennen viel,
+gevoegd bij zijn tegenwoordigheid op de nachtelijke bijeenkomst,
+de tegen hem opgevatte vermoedens in kracht moest doen toenemen,
+en hoe bezwaarlijk, zoo niet onmogelijk, een verontschuldiging hem
+zou vallen. Hij mocht, ja, nog op de liefde, op de toegenegenheid
+zijns broeders rekenen! doch hij wilde zijn onschuld erkend, niet
+zijn schuld vergeven zien: en, zoo dit laatste al gebeuren mocht,
+het eerste scheen hem toe bezwaarlijk te kunnen geschieden.
+
+Toen hij de zaal ingetreden en Maurits eenige stappen genaderd was,
+bleef hij, ontzet door den strengen en doordringenden blik, welken zijn
+broeder op hem gevestigd hield, plotseling staan en zag voor zich naar
+den grond als een arme aangeklaagde, die voor de vierschaar verschijnt,
+aan welke de uitspraak van zijn lot verbleven is.--Maurits liet hem
+eenige oogenblikken in die houding staan, alsof hij verwachtte, dat
+de Graaf het eerst zou spreken: hij hoopte, dat deze, van schuldbesef
+doordrongen, zich aan zijn voeten werpen en om vergiffenis bidden
+zou; hiertoe wilde hij hem de gelegenheid laten; doch toen hij zag
+dat Frederik Hendrik als in den grond genageld staan bleef, vroeg
+hij met een flauwe en toch ernstige stem: "welnu! wat wilt ge?"
+
+De toon, waarop deze vraag gedaan werd, deed het hart des Graven
+sidderen als met een electrieken schok. Hij herkende daarin de
+stem van den gestrengen rechter en tevens die van den diep gewonden
+broeder. Zich niettemin met moed wapenende, richtte hij het naar den
+grond gebogen voorhoofd op en zeide met een afgebrokene stem, welke
+de onrust zijner ziel aanduidde: "gij hebt mij bescheiden, Maurits!"
+
+"En is dat de reden uwer komst?" vroeg Maurits, met hevigheid
+losberstende: "en zoo ik u niet bescheiden had, zoudt gij dan niet
+gekomen zijn?--Dan heb ik u niet noodig."
+
+"Maurits!" zeide de Graaf, naar zijn broeder toetredende en de
+beweging makende, alsof hij zijn handen wilde vatten: "zoo moeten
+wij niet tot elkander spreken."
+
+"Terug!" zeide de Prins, zijn stoel achteruitschuivende: "geen stap
+verder! Ik wil u niet in de gelegenheid stellen, een broedermoord te
+kunnen begaan."
+
+"Almachtige God!" riep Frederik Hendrik met ijzing uit: "wie kon u
+zulke denkbeelden van mij inboezemen?"
+
+"Wie?--uw gedrag:--hij, die zoo diep ontaard is, dat hij, met den
+huichelachtigen lach der onschuld op het wezen, zijn broeder, zijn
+vorst misleiden kan, zijn Godsdienst verloochenen, zijn vaderland
+verraden en met snoode dienaars en schelmen heulen, is even goed tot
+een broedermoord in staat."
+
+"Maurits!" zeide met nadruk de Graaf, in wiens gemoed de
+verontwaardiging over zulk een opeenstapeling van onverdiende
+betichtingen de overhand nam boven droefheid en angst: "durft gij
+uws vaders zoon van zulke boosheden verdenken?"
+
+"Ik verdenk u niet meer," antwoordde de Prins met een verachtenden
+glimlach: "dat deed ik dezen morgen: waar de zekerheid bestaat,
+houden de vermoedens op."
+
+"Gij zult mij dan onverhoord verwijzen?" vroeg Frederik Hendrik;
+"gij zult mij, uw broeder, die billijkheid weigeren, die gij den
+laagsten booswicht niet ontzeggen zoudt?--Is dat de rechtvaardigheid,
+waarop Maurits roem durft dragen?"
+
+"Ik luister," zeide Maurits: "wat hebt gij tot uw verschooning in
+te brengen?"
+
+"Ik dien eerst te weten waarvan ik beticht worde," antwoordde zijn
+broeder met de fierheid van een rein geweten.
+
+"Ellendige!" riep Maurits, vol gramschap opspringende;--doch spoedig
+de verloren zelfbeheersching terugnemende, vervolgde hij op een
+zachteren, ofschoon bitteren toon: "doch gij hebt gelijk; men moet u
+niet van den aard uwer schuld onbewust laten.--Dan, waarmede zullen
+wij beginnen? de bezwaren zijn zoovele in getal."--Hier zweeg hij,
+bezig met te overdenken, op welke wijze hij het best in de ziel zijns
+broeders grijpen kon.
+
+"Ik ben gereed alles op te helderen," zeide Frederik Hendrik.
+
+"Hebt gij," vroeg eensklaps zijn broeder, "de vrouw van Bysterus niet
+met geld ondersteund?"
+
+"En sedert wanneer," vroeg de Graaf op zijn beurt, "kan een aalmoes
+iemand tot misdrijf worden aangerekend?"
+
+"Bewimpel uwe gedragingen niet met den mantel van godsvrucht," zeide
+de Prins: "gij hebt haar niet alleen, maar honderd anderen van haar
+sekte, ja zelfs bannelingen en door de wet veroordeelden met raad
+en daad bijgestaan. De bewijzen hiervan zijn in mijn handen. Had
+uw medelijdend hart alleen u daartoe vervoerd, ik zou mij wachten
+u deswege een verwijt te doen hooren: alleen zou ik u in dit geval
+tegen de gevolgen waarschuwen; doch de wijze, waarop de weldaden, of
+liever die giften en raadgevingen zijn uitgedeeld, maken uw gedrag
+strafwaardig en toonen genoegzaam aan, dat zucht om scheuring te
+verwekken en oproer aan te hitsen uw eenige bedoeling was."
+
+"God kent mijn hart en de reinheid mijner oogmerken," zeide de Graaf,
+terwijl hij de oogen ten hemel sloeg en de hand op zijn hart legde.
+
+"En uw komst op de Arminiaansche vergadering, was die ook door een
+rein oogmerk bestuurd?" vervolgde Maurits, zich op de lippen van
+gramschap bijtende.
+
+"Mijn tegenwoordigheid aldaar," hernam zijn broeder, "was een dwaasheid
+en niet meer.--Ik was gewaarschuwd, dat op soortgelijke vergaderingen
+nu en dan door de predikers slechte en oproerige aansporingen tot
+muiterij aan de broederschap gegeven werden: en ik wilde mij met eigen
+ooren van de waarheid dier woorden overtuigen en mij verzekeren of
+ik inderdaad mijn weldaden aan onwaardigen verspild had."
+
+"Gij weet een schoonen glimp aan uw handelingen te geven. Op de
+vergaderingen te gaan om te zien hoe het aldaar gesteld is!.... Uit
+loutere nieuwsgierigheid om met eigen ooren te vernemen of.... geef
+liever geene, dan zulke antwoorden, Mijnheer!"
+
+"Zoo Uwe Hoogheid," hernam Frederik Hendrik met waardigheid,
+"vooraf besloten heeft, mijn verschooningen niet te willen aannemen,
+dan acht ik het noodeloos, verdere moeite tot mijn verdediging te
+doen. Ik had gehoopt, gewaand, dat in den boezem van Uwe Hoogheid
+nog een broederhart voor mij klopte; doch ik vind alleen een koelen,
+onbarmhartigen rechter, wien ik, vermits hij onbevoegd is mij als
+_zoodanig_ te verhooren, geen verder antwoord behoef te geven."
+
+"Frits!" zeide de Prins, zijn stoel haastig naderbij trekkende: "de
+Hemel weet, dat ik niets liever zou wenschen, dan uw onschuld helder
+aan het licht te hebben gebracht;--doch antwoord mij, in den naam
+des Eeuwigen Rechters, voor Wien wij allen eens verschijnen zullen,
+wat deedt gij in dat Arminianenhol?"
+
+"Ik heb u de waarheid gezegd," antwoordde zijn broeder, "de zuivere,
+onvervalschte waarheid."
+
+"Frits! Frits!" hernam Maurits, het hoofd op de vlakke hand leunende,
+en eenige tranen stortende, die van oprechtheid zijns harten
+getuigden: "hoe kunt gij uw broeder, uw liefhebbenden broeder, aldus
+behandelen! Waarlijk, ik zag u met meer vermaak aan 't hoofd van
+een Spaansch leger Den Haag insluiten en mij bevechten, dan dat ik
+u tot zulke ellendige spreukjes de toevlucht nemen zie. Heb ik niet
+alles gehoord en gezien? Zijt gij niet midden in de zaal gaan staan
+om de woorden van een dier schelmen te bevestigen, en aan te toonen,
+dat gij u werkelijk in die vergadering bevondt?"
+
+"Om den oproerkraaier te logenstraffen en de aanwezigen omtrent mijn
+bedoelingen uit den waan te brengen," antwoordde de Graaf.
+
+"Waarachtig," zeide Maurits met bitterheid: "ik heb u niet laten
+uitspreken; 't is waar: men had anders ongetwijfeld wat schoons
+gehoord."
+
+"Met uw verlof," zeide Frederik Hendrik, in de hoop van de kracht
+der beschuldiging te verminderen, door haar op zijn broeder te doen
+terugkaatsen: "waarvan beticht ge mij? Hebt gij zelf niet zoowel als
+ik die bijeenkomst met uw tegenwoordigheid vereerd?"
+
+Hij deed deze vraag op een half schertsenden, althans gemeenzamen toon,
+terwijl hij, de tafel, waaraan de Prins gezeten was, naderende, met
+de eene hand daarop leunde en zijn broeder vriendelijk aanzag: doch
+zijn vraag had een geheel andere uitwerking dan die, waarmede hij zich
+gevleid had. De Stadhouder, wanende, dat zijn broeder hem een listigen
+strik wilde spreiden om hem, naar gelang van zijn antwoord, in zijn
+eigene woorden te vatten, sprong in losgebarsten gramschap op, evenals
+een lijder, wien de heelmeester bij het verbinden eener pijnlijke wond,
+onwillekeurig, met de speld, welke de windsels vast moet hechten,
+in de gevoelige deelen treft. Zijn gelaat werd purperkleurig: zijn
+handen beefden als popelbladen en zijn stem geleek aan het rauw geluid
+des tijgers, die zich in de kuil des jagers begraven vindt.
+
+"Ha, slang!" brulde hij: "is dit uw helsche list? mijn oogmerken mij af
+te vragen om daardoor de uwe te bedekken! Ja, ik ben daar ook gekomen:
+ik ben daar, evenals gij, gekomen omdat ik gewaarschuwd was, dat er
+oproer gepredikt werd, en dat mijn.... broeder er mede deel in had."
+
+"Gij kwaamt dus om mij te bespieden?" vroeg Frederik Hendrik, bedaard
+achteruittredende: "een ware trek van broederliefde!"
+
+"Beleedigt ge mij nog, verrader!" grauwde Maurits, wiens gramschap nu
+den hoogsten top bereikt had, hem toe: "sidder voor mijn toorn!" Met
+het zeggen van deze woorden sloeg hij de rechterhand aan het gevest
+van zijn degen, terwijl hij de linkervuist ophief en er zijn broeder
+mede dreigde.
+
+"Maurits!" zeide deze, innig geroerd: "keer tot u zelven."
+
+De Graaf had nog niet uitgesproken, of de woede des Prinsen was reeds
+bedaard. In de zaal, en recht over de plaats, waar Maurits gezeten had,
+hing een volkomen gelijkend afbeeldsel van zijn doorluchten vader, den
+stichter der Nederlandsche vrijheid. De Prins was op het laatst zijns
+levens uitgeschilderd, en droeg niet de wapenrusting, waarmede hij
+zich zoo dikwijls aan het hoofd zijner wakkere scharen vertoond had,
+maar den eenvoudigen huispels, welken hij aanhad, als hij des avonds
+bij zijn beminde gade en in 't midden zijner waardste panden gezeten
+was. De kunstenaar had meesterlijk die uitdrukking van reine kalmte
+des harten, van dankbare tevredenheid en van onwrikbare gelatenheid
+getroffen, welke op het innemend gelaat van vader Willem te lezen
+was en de strenge diepzinnigheid des ondoordringbaren staatsmans
+temperde. Op het oogenblik dat Maurits, door de onstuimige opwelling
+der gemoedsaandoeningen weggesleept, zijn broeder tegentrad, viel
+zijn verwilderd oog onwillekeurig op dat afbeeldsel, en hij waande,
+in dien ernstigen en toch liefderijken blik, in de trekken van den
+mond, waarin weemoed en gulheid uitgedrukt waren, een stil verwijt te
+lezen. Het was hem, of zijn vader gereed was, de lippen te openen en
+hem op een hartroerende wijze over een drift te berispen, die hem
+de hand tegen zijn broeder deed opheffen: tegen een broeder, wien
+hij zoo plechtig beloofd had, een getrouw en standvastig vriend en
+beschermer te strekken. Het hart van Maurits, dat niet alleen
+
+
+ Achilles heldenmoed en kinderlijke oprechtheid
+
+
+ten toon spreidde, doch ook, als het hart van Achilles, even spoedig
+tot vergiffenis als tot toorn geneigd was, deed zich op 't zelfde
+oogenblik een nog grievender verwijt dan 't geen uit 's vaders oogen
+sprak. Beschaamd trad Maurits terug, bukte het hoofd als een edele
+windhond doet, wanneer hem zijn meester bestraft heeft, ontgespte
+zijn degen en liet dien met bandelier en al op den grond vallen,
+waarna hij zich in zijn stoel wierp en het gelaat in beide handen
+verborg. Zijn broeder, door dien onverwachten omkeer niet min bewogen
+dan door de drift waarvan die het gevolg was, trad dadelijk toe en
+trachtte door vleiende woorden en uitboezemingen vol trouwhartigheid
+en broederliefde, het ontsteld gemoed des Prinsen weder tot bedaardheid
+te brengen,
+
+Dan deze, schoon hij op zichzelven ontevreden was, had geenszins de
+overtuiging van 's Graven verraderij verloren. Zoodra zijn droefheid
+over de aan den dag gelegde hevigheid bedaard was, keerden al zijn
+denkbeelden weder tot het punt, waarvan zij waren uitgegaan, de
+ontrouw zijns broeders. Het hoofd wederom oprichtende, maakte hij met
+de rechterhand een afwijzende beweging, en wenkte Frederik Hendrik, dat
+zijn plaats niet bij hem, maar aan het benedeneinde der tafel was. De
+schouders zuchtend ophalende, hernam de Graaf zijn vorige plaats.
+
+"Gij misduidt mij," zeide Maurits, "zoo gij denkt, dat mijn ontroering
+aanduidde, dat mij uw veinzerij had verblind. Zoo ik op mijzelven
+toornig ben, het is, omdat ik mij zooverre liet vervoeren, dat ik
+een ambt ging verrichten, hetwelk alleen den scherprechter toekomt."
+
+"Ongelukkige!" hernam de Graaf: "ik beklaag u, zoo gij er berouw
+over kunt gevoelen van een oogenblik naar de stem van natuur en
+menschelijkheid te hebben geluisterd."
+
+"Frits!" riep de Prins, terwijl de tranen hem langs de kaken
+stroomden; "denkt gij dan in ernst, dat het mij niets zou kosten,
+mijn broeder, wien ik van zijn kindsheid af bemind en verzorgd heb,
+als een staatsverrader aan de geschonden wetten prijs te geven? Bloed
+zal ik schreien; doch ik zal rechtvaardig zijn:--hoor, Frits! weet
+gij wat het is, rechtvaardig te _moeten_ wezen? hebt gij, als ik,
+u ooit in de omstandigheid bevonden, dat de veiligheid, het belang,
+ja, het geheele welzijn van dit arme volk het vorderen, een ouden
+Staatsdienaar, een grijsaard, die met den voet in 't graf stond, een
+man, die oneindige diensten aan mij en aan het Gemeenebest bewezen had,
+en die, ter dood veroordeeld, geen genade vragen wilde, te _moeten_
+overgeven aan de wraak dier gehoonde wet? Weet gij, wat het zegt, een
+wel verdienden en met moeite verkregen roem van rechtvaardigheid te
+hebben opgeofferd om der rechtvaardigheid wille?--Ik heb het vonnis
+van Oldenbarneveldt bekrachtigd, omdat hij schuldig was: ik heb het
+bekrachtigd, omdat ik hem haatte, den ouden heerschzuchtige! ik
+zou het evenzeer bekrachtigd hebben al had ik hem liefgehad. Nu
+weet ik dat men binnens- en buitenslands mij van wreedheid, van
+ondankbaarheid beschuldigt: dat het niet altijd billijk nageslacht,
+op de daad meer dan op de drijfveeren lettende, mijne vijanden na
+zal praten, en, zich vermetel als rechter mijner daden opwerpende, in
+mijn grootste zelfopoffering niets dan zelfbelang en vuige staatzucht
+zien zal. Ik weet dit: nog meer: ik wist dit alles, toen ik schreiend
+het doodsbevel onderteekende: en echter, ik heb de zorg voor mijn
+roem, voor mijn eer bij de nakomelingschap, laten varen, en alleen
+het belang des lands en de handhaving der wet geraadpleegd. Thans,
+oordeel over mijn tegenwoordigen toestand! nu ik u, die mij dierbaar
+zijt, oneindig schuldiger vind, dan de Advocaat geweest is. Overweeg
+nu, welk een vreeselijke taak uw handelingen mij voorschrijven en of
+ik gronden heb om mij diep ongelukkig te noemen! Want, zoo ik toen
+rechtvaardig was, toen het mijn vijand gold, ik zal het ook heden
+zijn nu het mijn broeder gelden moet."
+
+Vermoeid van deze rede, welke hij met een krachtige stem had
+uitgebracht, zweeg de Prins en zag zijn broeder aan, om den indruk
+gade te slaan, welken zijn taal op hem had teweeggebracht.
+
+"Ik weet, dat gij rechtvaardig zijt," zeide Frederik Hendrik, na
+eenige oogenblikken zwijgens: "en daarom verwondert het mij, dat gij,
+alleen wegens een geldelijken onderstand, aan ongelukkigen uitgereikt,
+en wegens eene, ik herhaal het, geheel onschuldige bijwoning van een
+Arminiaansche vergadering, mij van hoogverraad beticht."
+
+Hier zag de Stadhouder hem eerst met eenige verwondering en vervolgens
+met zulke scherpe blikken aan, alsof hij de verborgenste kuilen
+zijns harten doorschouwen wilde. "Frits!" zeide hij ten laatste:
+"gij zijt òf de miskende onnoozelheid in persoon, òf de grootste
+huichelaar die ooit bestaan heeft:--hebt gij u dan niets anders te
+verwijten dan hetgeen gij daar opnoemt? Hoegenaamd niets?"
+
+"Tegen u en den Staat?--Hoegenaamd niets."
+
+"Niets?" herhaalde Maurits: "welaan, wij zullen zien:--Heer
+Fiskaal! wees zoo goed eens binnen te komen." Dit zeggende, stond
+hij op en sloeg met de gesloten vuist ongeduldig op de tafel. Op
+het oogenblik trad de Fiskaal binnen; doch bleef eerbiedig in de
+deur staan.
+
+"Heer Fiskaal!" vervolgde de Prins: "haal mij eens al die processale
+stukken hier.--Gij weet immers wat ik bedoel?"
+
+Van Kinschot maakte een buiging en vertrok. Gedurende zijn afwezigheid
+liep Maurits met groote stappen en zichtbare blijken van ongedurigheid
+de zaal op en neder, terwijl zijn broeder, met gevouwen handen en
+gesloten oogen, in een biddende houding staan bleef.
+
+"Ja!" zeide Maurits, toen Frederik Hendrik zijn gebed, zoo 't scheen
+voleindigd had, "gij zoudt ook wel, geloof ik, als _vetter_ Lodewijk,
+een bedevaart naar Scherpenheuvel doen, zoo ge uit dit pas gered waart;
+doch dat is niet genoeg," vervolgde hij, zich op het hart slaande:
+"men moet Scherpenheuvel hier hebben."
+
+Van Kinschot keerde terug, beladen met een pakket brieven; na deze,
+zonder spreken, op de tafel gelegd te hebben, boog hij zich en verliet
+de zaal.
+
+"Nu, Frits!" zeide Maurits: "neem plaats: wij zullen dit pakket eens
+gezamenlijk doorloopen: neem maar den eersten brief den besten en
+lees hem: gij zult er mij naderhand uw gedachten over zeggen."
+
+De Graaf nam een der brieven op en leide dien, na gedane lezing,
+stilzwijgend naast zich neder: hij was van Uyttenbogaert, en de
+Predikant bedankte hem daarin voor ettelijke diensten, aan de
+Remonstranten bewezen: een volgende was van De Groot, die zijn
+huisvrouw aan de bescherming Zijner Doorl. aanbeval, en tevens,
+evenals Uyttenbogaert, 's Graven raad vroeg over de aanbiedingen,
+vanwege den koning van Spanje gedaan: na het lezen van dezen zag
+Frederik Hendrik den Prins met vragende oogen aan.
+
+"Lees verder, Frits! lees verder!" zeide Maurits, hem een derden
+brief voorleggende.
+
+Frederik Hendrik opende dien;--doch nauwelijks had hij eenige regelen
+gelezen, of zijn kleur verschoot en een hevige verontwaardiging
+kleurde zijn voorhoofd.
+
+"Aha! de brief van Grobbendonck!" zeide Maurits! over zijns broeders
+schouder heen ziende: "welnu! wat zegt gij?"
+
+Grobbendonck verzocht in dezen brief, die in antwoord op een missive
+des Graven geschreven scheen, aan Frederik Hendrik, dat deze, ingevolge
+zijn belofte, zorg zou dragen, dat zekere Staatsche Kapiteins (die
+hij noemde en welke hij deed voorkomen, als aan Spanje verkocht) in
+de grenssteden gezet werden, opdat zij, na een schijnbare tegenweer,
+die aan den vijand mochten overleveren: verder vernam hij, of de
+Remonstranten, volgens afspraak, gereed waren tot den voorgenomen
+opstand; hij eindigde, met Z. Doorl. van de toegenegenheid van den
+Hove van Spanje te verzekeren, hetwelk hem, als de omkeer van zaken
+gelukkig tot stand gebracht was, het Stadhouderschap zou opdragen,
+benevens een zwaar pensioen en andere voorrechten.
+
+"Ik zeg," antwoordde Frederik Hendrik op de vraag zijns broeders, dat
+die afschuwelijke brief niets tegen mij bewijst: dat de vijand zoo
+iets uitdenkt om mijn trouw verdacht te maken, laat zich lichtelijk
+beseffen; dat is meer gebeurd: doch dat mijn broeder aan zulk bedrog
+geloof hecht, bevreemdt mij:--let eens op, dat in dit geschrift juist
+uw getrouwste legerhoofden genoemd worden."
+
+"Denkt gij," zeide Maurits, hem scherp aanziende, "denkt gij waarlijk,
+dat dezen mijn getrouwste legerhoofden zijn?--Doch lees verder."
+
+De volgende brieven, door andere voorname Spaansche oversten
+onderteekend, luidden in denzelfden toon als die van Grobbendonck,
+en gaven aanleiding tot soortgelijke aanmerkingen van weerszijden.
+
+"Ik wilde maar," zeide eindelijk de Graaf, dat men in plaats van al
+het _aan_ mij geschrevene, iets _door_ mij geschreven kon voor den dag
+brengen: dat zou een weinig meer afdoen om mijn schuld te bewijzen."
+
+"Het grieft mij," hernam de Prins, "dat ik aan uw onvoorzichtigen
+wensch voldoen kan." Dit zeggende, reikte hij den Graaf een anderen
+brief toe, welke niet in het pakket van Joan gevonden, maar den
+Fiskaal op een andere wijze in de hand gespeeld was. Hij was in
+cijfers geschreven, door Frederik Hendrik zelven onderteekend, met
+zijn bijzonder zegel bekrachtigd en aan den Kanselier Pekkius gericht.
+
+"Ik weet niet wat die teekens beduiden," zeide de Graaf: "doch dit
+weet ik, dat mijn handteekening is nagemaakt: want ik draag aan dit
+prulschrift geen kennis."
+
+"Fijn uitgedacht!" zeide Maurits: "het ééne is niet door
+Z. D. geschreven en van het andere draagt Z. D. geen kennis. Wij
+zullen er maar niet verder over spreken. Onverhoord zal ik u niet
+veroordeelen, wees daar verzekerd van; doch ik wil u tijd geven,
+om een weinig nader te peinzen over het uitvinden van betere
+verontschuldigingen dan deze. Gij ziet intusschen, dat mijn argwaan
+niet zoo geheel op losse gronden steunde, als gij wel gedacht en
+gewenscht hadt."
+
+"Ik zie," zeide Frederik Hendrik, "dat ik het slachtoffer ben van
+een verfoeilijk bedrog."
+
+"'t Is wel," hernam de Prins: "wij zullen dit nader onderzoeken,
+Van Kinschot! kom binnen!"
+
+De Fiskaal verscheen.
+
+"Zijn de wachten aan het Hof afgelost?"
+
+"Dat kan niet lang meer duren," antwoordde Van Kinschot: "het is
+reeds klaar dag."
+
+"Zeer goed: de nieuwe wacht weet niet, wie zich hier bevindt. Zeg
+aan den wachthebbenden officier, dat hij een gevangene te
+bewaken zal hebben, voor wien nauwkeurig zorg zal moeten gedragen
+worden.--Graaf! geef mij uw degen: ik zal zelf uw stokbewaarder
+zijn:--uw kerker, de naaste kamer."
+
+Frederik Hendrik reikte hem, zonder een woord te spreken zijn degen.
+
+"Is het rijtuig van Zijn Doorluchtigheid nog beneden?" vervolgde
+Maurits, zich tot Van Kinschot wendende.
+
+"Ik ben hier te voet gekomen met mijn geheimschrijver," zeide de Graaf:
+"en dien heb ik weggezonden naar het oude Hof, met het bericht dat ik
+hier den nacht zou doorbrengen, en dat ik wel in een uwer rijtuigen
+zou komen."
+
+"Dan is die zwarigheid opgelost," vervolgde de Prins: "Heer
+Fiskaal! gij zult zorgen, dat niemand, behalve de Raadsheeren, die
+den gevangene ondervraagd hebben, iets van de beschuldiging verneme,
+welke tegen den Graaf is ingebracht."
+
+"Door middel van onze Heeren zal er niets van de zaak uitlekken,"
+antwoordde de Fiskaal: "doch...."
+
+"Welnu?"
+
+Van Kinschot antwoordde niets, doch sloeg een zijdelingschen blik op
+Frederik Hendrik.
+
+"Als Uwe Doorl. gereed is," zeide Maurits, die dit gebarenspel raadde,
+terwijl hij de deur van het zijvertrek opende.
+
+"Broeder!" zeide de Graaf: "rust wel, en God opene uw oogen voor de
+kracht der waarheid."--Met deze woorden begaf hij zich in de kamer,
+welke Maurits wederom sloot.
+
+"Wat wildet gij zeggen," vroeg de Prins aan Van Kinschot, zoodra zij
+alleen waren.
+
+"Dat, zoo iemand iets verklapt, het geenszins een der Raadsheeren
+zijn zal; maar veeleer de brenger dezer brieven, die aan zijn kerker
+ontsnapt is."
+
+"Ontsnapt!.... niet mogelijk."
+
+"Ik heb hem duidelijk herkend op de bijeenkomst van dezen nacht,
+evenals de Remonstrantsche Proponent Raesfelt. Zoo Uwe Hoogheid mij
+vergunnen wil mij eenige oogenblikken te verwijderen, dan zal ik
+dadelijk de noodige maatregelen nemen, dat zij opgespoord en weder
+_geïncarcereerd_ worden."
+
+"Laat hen naar den duivel loopen," zeide Maurits: "die Joan, of hoe
+hij ook heeten moge, is een goede, eerlijke jongen, die mij bijna
+doodgeknepen had om een aanslag tegen mijn leven te voorkomen: en de
+andere.... dat was immers de jongeling die Groenhof tegensprak?"
+
+"Dezelfde, Uwe Hoogheid!"
+
+"Welnu! dien moet vooral geen haar gekrenkt worden. Laat hem _zoeken_,
+zooveel gij wilt; maar gevonden moet hij niet worden! Waren al de
+Arminianen zoo, ik zou zelf lust krijgen, Arminiaan te worden."
+
+"Zal ik deze papieren met mij nemen?" vroeg de Fiskaal, ze willende
+opnemen.
+
+"Een oogenblik," zeide Maurits, weder naar de tafel gaande, en den
+brief, die in cijfers geschreven was, opnemende: "hadden wij,"
+vervolgde hij, "slechts een sleutel, om dit geschrift te kunnen
+spellen." Dit zeggende, ging hij zitten en bleef een geruimen tijd,
+zonder te spreken, op den brief turen; terwijl Van Kinschot, die
+hem niet storen dorst, zwijgend achter hem stond en moeite had zijn
+ongeduld te verbergen.
+
+"Is er dan geen mogelijkheid, die cijfers te raden?" vroeg eindelijk
+de Prins.
+
+"Uwe Hoogheid heeft mij verboden, het kabinet van Zijne Doorluchtigheid
+te doen verzegelen: ik had mij anders van de papieren kunnen meester
+maken, en...."
+
+"Hoe!" riep Maurits, opstuivende: "gij zoudt uw rakkers de handen
+laten slaan aan de papieren van een Nassau? Gij zoudt op een bloot
+vermoeden de geheimen mijns broeders onderzoeken gaan? van een Vorst
+van Prinselijken bloede? Dat ten eeuwigen dage niet! dat past alleen
+aan mij."
+
+Van Kinschot haalde de schouders op: "_qui vult finem, vult media_,"
+[57] zeide hij: "dit zal Uwe Hoogheid zich nog wel van den academietijd
+herinneren."
+
+"Iets anders!" zeide Maurits!--"wacht! daar schiet mij wat te
+binnen. De Secretaris des Graven, was die niet met Z. D.?"
+
+"Hij zou reeds lang in zekerheid gebracht zijn, indien Uwe Hoogheid
+zulks verkozen had."
+
+"Laat hem hier komen!"
+
+"Zou het niet beter zijn, daarmede te wachten, totdat het dag
+ware? Zijn opontbod in het midden van den nacht zou opschudding baren,
+en ook Uwe Hoogheid heeft rust noodig."
+
+"Laat hem halen: en zoo gij slaap hebt, ga dan naar bed," zeide
+Maurits wrevelig.
+
+De Fiskaal zweeg, boog zich en vertrok.
+
+
+
+
+
+EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ ô Die bedrieger! ô wat ben ik nu verblijd!
+ Hadt gy het niet ontdekt, ik was mijn dochter quijt.
+
+ _Langendyk_, de Zwetser.
+
+
+Gedurende denzelfden nacht, waarin al de door ons in de laatste
+Hoofdstukken verhaalde omstandigheden hadden plaats gehad, waren
+ten huize van de Gravin Douairière van Nassau de bewoners voor 't
+meerendeel niet minder in onrust en beweging geweest, dan diegenen,
+waarvan wij gesproken hebben; schoon de oorzaak dier drukte geheel
+andere beweegredenen had. De dienstboden hadden hun bed niet gezien,
+daar zij den tijd, waarin hun meesters ter rust lagen, hadden
+waargenomen, om de zalen, voorportalen en deuren, welke de aanstaande
+bruid gerekend kon worden door of in te zullen gaan, met bloem- en
+looverkransen te versieren. De goede smaak van Magdalena zat bij deze
+verrichtingen voor: de bedienden der Gravin beijverden zich de hun
+gedane aanwijzingen naar eisch te volgen: allen beminden en eerden
+Freule Ulrica, wier gulle vriendelijkheid en gemeenzaamheid in den
+omgang telken reize, dat zij de Gravin bezocht had, aller harten tot
+zich getrokken had: en zij wisten daarenboven, dat zij hun meesteres
+beliefden, door de Jonkvrouw Van Sonheuvel te vereeren. Feurich en
+Gheryt Maessen (welke laatste in Den Haag niet veel beters te doen had)
+droegen met al hun vermogen bij tot opluistering der toebereidselen:
+terwijl eindelijk de oude Rentmeester Beckman, te stram en te zwak
+om mede de hand uit de mouw te steken, niettemin met de deftigheid,
+welke wij in hem vanouds gekend hebben, rondwandelde om zijn hoogwijs
+advies over den wel- of misstand van het vervaardigde te geven.
+
+Reeds was de dag al een geruimen tijd doorgebroken, toen Bouke, over
+wiens afwezigheid men zich verwonderd had, de zaal binnentrad, welke
+men nu bezig was te versieren, de toebereidselen met een enkelen blik
+overzag en vervolgens zich met een knorrig gelaat in een stoel wierp.
+
+"Wie nun!" zeide Beckman: "bist du nicht froh, kamrad nun deiner
+fraulein heiratht?"
+
+"Vroolijk," zeide Bouke: "ja men is niet vroolijk of men moet er
+reden voor hebben; men ziet aan 't been waar de hoos gescheurd is
+en het dofferken zingt niet als 't gaiken gevaên is.... Wie had het
+ooit kunnen denken, toen Joan boven op den toren zat gesloten en de
+kleine Ulrica hem het eten bracht, dat zij uit haar mondje gespaard
+had, dat zij eens haar verloving vieren zou, daar Joan in een erger
+gevangenis zat? Maar zoo zijn de vrouwen altemaal als het op trouwen
+aankomt. Wel zegt het spreekwoord: een bruidskrans, een blinddoek."
+
+"Het verwondert mij, Bouke," merkte Magdalena met scherpheid aan,
+dat gij zooveel belang stelt in dien liederlijken knaap, dat gij
+er niet om wilt deelen in de vreugde uwer meesteres. De Freule Van
+Sonheuvel is u toch nader dan de Spaansche basterd, die...."
+
+"Wees toch niet als de ezel van Bileam, die sprak voordat hem gevraagd
+werd," zeide Bouke: "wat basterd?--wat liederlijk?--Er leeft geen
+beter knaap op de geheele wijde wereld dan die eigenste Joan: en ik
+laat mij villen, als ik niet met den middag naar zijn gevangenis toega
+en den achternoen bij hem doorbreng en u allen hier laat fluiten en
+pijpen en zingen, zooveel ge wilt."
+
+"Ga in vrede," zeide Magdalena: "niemand zal uw ijzegrimmen gezicht
+hier missen."
+
+"Neen!" hernam Bouke: "dat zullen ze net niet, vooral als uw effen
+tronie hun overblijft."
+
+"Waaraftig!" zeide Feurich: "Herr Bouke spriecht wohl! dem Jonker
+Joan ist ein hupscher bursche: das heb ik gesehen, nun sechs oder
+sieben jaren geleden, toen er dem kutsche deed stille stän."
+
+"Een beste Jonker!" voegde Gheryt Maessen er bij: "zoo gul en
+goedhartig! ik 'loof nooit, dat hij eenig kwaôd opzet teugen den Heer
+Baron in 't zin had."
+
+"Dat gelooft de Baron ook niet meer," zeide Bouke, "en Z.Ed. zal er
+met Zijn Hoogheid een ernstig woordeke over spreken. Wie weet of de
+Jonker nog niet in volle glorie op het trouwfeest komt."
+
+Wij zullen over het vervolg van dit gesprek, hetwelk den lezer weinig
+verscheidenheid zou aanbieden, heenstappen en ons de zaal voorstellen,
+nu evenals de portalen en deuren op het fraaist versierd. Reeds
+vroeg in den morgen trad de Baron, in zijn beste staatsiekleederen
+uitgedost, binnen, en bezag met innerlijk genoegen de gemaakte
+toebereidselen. "Jammer maar!" zeide hij, terwijl hij zich in de
+handen wreef, "dat onze goede Joan er niet bij is! doch ik zal hemel
+en aarde bewegen om hem op het trouwfeest te krijgen."
+
+"Daar zal UEd. wel aan doen," zeide Bouke, die zich op dat oogenblik
+alleen met zijn meester bevond: "ik ga hem straks opzoeken; heeft
+UEd. hem ook wat te zeggen?"
+
+"Ja, zeg hem, dat ik hoop, dat hij op de bruiloft.... maar hij zal
+toch niet willen!.... hij denkt immers dat ik zijn vader vermoord
+heb!--Hoor Bouke! bedui hem toch, hoe dat in zijn werk is gegaan: en
+zeg hem, dat ik hoop, dat hij zich van alle schuld vrij zal pleiten,
+en als hij een Advocaat noodig heeft, hier staat de man, die 't wel
+betalen zal."
+
+"Ik zal 't alles overbrengen, zooals UEd. 't zegt," zeide Bouke.
+
+"Maar van wat anders: is de bruid al op?"
+
+"Er is zooeven om Magdalena geluid of gebeld, zooals ze dat hier
+noemen," zeide Bouke: "alweer een nieuwe uitvinding: om de menschen
+op te bellen of het schapen waren!"
+
+"De gasten zullen niet lang meer toeven," hernam de Baron: "mij dunkt,
+ik hoor reeds iemand komen: ha! het is onze goede Dominee. Hoe zoo
+bedrukt, Weleerwaarde? Je brengt waarachtig geen gezicht voor een
+bruiloft mede."
+
+"Ik heb dezen nacht in ontroering en kwelling des geestes
+doorgebracht," antwoordde Raesfelt. "Het was met mij als de Psalmist
+zegt, Ps. 77:
+
+
+ Al hebb' ik van gantscher herten
+ Gebeden in anghst en smerten,
+ Soo blijft doch mijn hert eenpaer
+ Vol benauwtheit en anghst swaer.
+
+
+Ik bid u, Heer Baron!" vervolgde hij, een lang geschrift uit der zak
+halende: "zeg mij, komt Zijne Hoogheid nog op de verloving gelijk
+beloofd was en gehoopt werd?"
+
+"Ten minste ik weet niet beter dan ja," antwoordde de Baron "doch
+waartoe deze vraag?"
+
+"Ik had.... ik wilde aan
+Z. H. overhandigen.... deze.... dit...." mompelde de Predikant,
+zijn papier openvouwende.
+
+"Wat drommel is dat?" vroeg de Baron, lachende: "denkt ge aan Z. H. een
+geheele preek voor te lezen?"
+
+"Het is geen preek, het is...."
+
+"Een gedicht misschien op het jonge paar?--Nu, dat verwachtten
+wij ook."
+
+"Met uw verlof, het is een smeekschrift," hernam de Predikant,
+angstig het oog op zijn werk slaande en met de rechterhand de gewone
+en den Baron welbekende beweging makende, welke aanduidde, dat hij
+het ging voordragen.
+
+"Zoo! een smeekschrift," zeide de Baron, hem het woord afnemende:
+"en wat hamer hebt gij toch te smeeken?"
+
+"Mijn zoon," zuchtte de beklagenswaardige Predikant: "mijn
+Hendrik, de hoop mijns ouderdoms, is zijn woonstede niet bij de
+onrechtvaardigen? is hij niet in de tijdelijke Gehenna, waar weeninge
+is ende knersinge der tanden? en moet ik mij niet nederbuigen voor
+den machtige, opdat zijn banden verscheurd worden, gelijk David zegt
+in den tweeden Psalm:
+
+
+ Laat ons breken met een
+ Zijn banden al, daer med' sy ons verstricken."
+
+
+"Uw zoon! mijn goede Hendrik! 't is waar.... nu, wij willen het
+beste hopen."
+
+"Ach!" zeide Raesfelt; hij is medegerekend onder diegenen, die in
+den kuil dalen, zooals Psalm 88 het heeft! en wie zal hem verlossen?"
+
+"Mij dunkt," zeide Reede, "dat uw stuk wat lang is, Dominee! en den
+Prins wel eens zou kunnen vervelen en in kwade luim brengen;.... doch
+ik heb geen kennis van zulke zaken. Met uw verlof.... ik ga eens even
+zien of de bruid al op is." Dit zeggende liep hij de zaal uit.
+
+"Wat lang?" zeide Dominee: "mij dunkt er staat niets in, dan hetgeen
+er in moet staan.--Laat ons zien," vervolgde hij, bij zich zelven, het
+stuk nogmaals met luider stemme overlezende: "wat zou daaruit kunnen
+genomen worden: geen spreuk, geen tekst, geen woord? Heb ik er dan
+vruchteloos een halven Sabbat en dezen geheelen nacht over geblokt?"
+
+Hoe meer zijn Wel-Eerwaarde las, hoe warmer hij werd: eindelijk
+geraakte hij zoover buiten zijn gewone bedaardheid en stelde zich zoo
+volkomen voor, in de tegenwoordigheid van Zijne Hoogheid te staan,
+dat hij met de woorden: "handelt sachtkens met den jongelingh, met
+Absalom," welke het geschrift besloten, de rolle onder het maken
+eener diepe buiging overhandigde aan iemand, die binnentrad, en het
+stuk met een verbaasde houding aannam en inzag.
+
+"Arminiaansche wanbegrippen.... hm, hm!.... booswichten.... tegen Uwe
+Hoogheid aangekant.... te duivel!.... moorddadige en verraderlijke
+ontwerpen.... vergiffenis.... Pots honderd tausent slapverment,
+Dominee! wat meent ge daarmet?" en de Heer Van Botbergen (want deze
+was het, die binnen gekomen was) werd bleek als een doek.
+
+"O! ik vraag verschooning, Mijnheer Van Botbergen!" zeide de Predikant
+onthutst en verlegen: "ik was verstrooid van gedachten: UEd. is zeker
+heden of gisteren alhier aangekomen."
+
+"Om de verloving van mijn vriend den Ambtman te vieren," hervatte
+Elbert: "doch wat moet deze schriftuur?"
+
+"Die was eigenlijk voor Z. H. bestemd," zeide Raesfelt: "doch daar
+UEd. aan de Hoven geweest zijt, zoude UEd. mij waarschijnlijk wel
+met raad kunnen dienen en mij zeggen, of het zoo goed is."
+
+"Hm! hm!" zeide Botbergen, het geschrift haastig doorloopende:
+"wat lang, wat gerekt; doch de stijl is keurig en hoogdravend:
+eilieve! waar handelt het eigenlijk over?"
+
+"Mij dunkt," zeide de Predikant gebelgd, het smeekschrift weder
+terugnemende, "die vraag is vrij onnoodig, als men het stuk gelezen
+heeft."
+
+Op dit oogenblik traden sommige andere genoodigden de zaal in, en
+niet lang daarna ook de Ambtman, op 't kostelijkst als bruidegom
+uitgedost. Na de aanwezigen beleefdelijk gegroet te hebben, nam hij,
+zoodra het gesprek algemeen was geworden en hij zulks onopgemerkt
+doen kon, Botbergen ter zijde en fluisterde hem in 't oor: "welnu?"
+
+"Alles is in gereedheid," antwoordde deze: "Zondag over veertien dagen
+maken wij ons tusschen kerktijd meester van de stad; onze vrienden
+zijn vol courage en wachten met ongeduld uw terugkomst af."
+
+"Uitmuntend!" zeide Mom; "welnu, Mijne Heeren!" vervolgde hij, zich
+tot het gezelschap wendende: "wat nieuws is er vandaag? Mijnheer
+Van Bleiswyk! is er niets gaande? UEd. heeft anders altijd iets te
+verhalen.--Mij dunkt, uw gelaat staat minder opgeruimd dan gewoonlijk."
+
+"Ik heb dezen nacht slecht gerust," antwoordde Bleiswyk.
+
+"Ik dacht niet dat UEd. immer rusten kon," merkte Mom aan met een
+spotachtigen glimlach; "doch waar of mijn goede aanstaande schoonvader
+blijven mag?"
+
+"ZijnEdele zal zoo aanstonds hier zijn," zeide Bleiswyk: "ik heb zelf,
+toen ik het voorportaal doorging, den Heer Baron in het spreekvertrek
+gezien met den Fiskaal."
+
+"Den Fiskaal," herhaalde Botbergen, verschrikt.
+
+"Welnu ja, den Fiskaal!" zeide Mom, zich met een hoogmoediger
+blik naar hem omwendende: "heeft uw heldhaftigheid iets met
+Z.-Ed.-Gest. uitstaande?"
+
+"De Heer Fiskaal," zeide een der gasten, "is, naar ik hoor, gisteren
+den geheelen dag in touw geweest."
+
+"Men spreekt van hoogst zonderlinge gebeurtenissen," zeide een ander.
+
+"Men verhaalt, het Hof van Graaf Frederik Hendrik is hedenmorgen
+ongenaakbaar," zeide een der gasten, op den schroomvalligen toon van
+iemand, die niet weet hoe zijn mededeeling zal worden opgenomen.
+
+"Men zegt, er zijn gevangenen ontsnapt," mompelde een ander.
+
+"Ontsnapt!" herhaalde de Predikant: "UEd. gelieve...."
+
+"Ei wat!" zeide Bleiswyk, die niet langer zwijgen kon, en op wiens
+gelaat de lust van zijn nieuws te vertellen strijd voerde met de
+voorzichtigheid, die hem het zwijgen gebood: "wat beduidt al dat
+gebabbel? Ik zou u de waarheid van al die geruchten haarklein kunnen
+vertellen: want ik heb zelf.... doch ik wil niet."--Dit zeggende,
+sloeg hij zich de hand voor den mond.
+
+"Stilte, Mijne Heeren!" zeide een der gasten: "daar is Hare Genade."
+
+De dubbele middeldeur opende zich, en de Gravin Douairière trad binnen
+in een deftig feestgewaad, haar jonge vriendin aan de hand geleidende
+en door een vroolijken stoet adellijke en hoffelijke jonkvrouwen
+gevolgd. Zoowel Mevrouw van Nassau als de aanstaande bruid zagen
+bleek en betrokken, en haar rood bekreten oogen toonden aan, dat
+beiden geweend hadden. De Gravin had den nacht slapeloos doorgebracht
+en onophoudelijk nagedacht over de zonderlinge verschijning der
+kinderkleertjes, welke haar de Fiskaal had voorgesteld. Het wederzien
+daarvan had het verledene bij haar teruggeroepen, de treurigste
+herinneringen opgewekt en haar zelfs bijna geheel ongeschikt gemaakt
+om aan het feest van den dag die deelneming te schenken, welke zij
+anders zou betoond hebben.
+
+Wat Ulrica betrof, pijnlijke en kwellende gedachten hadden
+den slaap van haar sponde doen wijken. Die echt, waartoe zij
+vrijwillig en ongedwongen haar woord gegeven had, scheen haar, nu
+het tijdstip der voltrekking er van naderde, verschrikkelijk, ja,
+noodlottig toe. Zoolang zij nog, door valsche blijken misleid, Joan
+voor een laaghartigen moordenaar had moeten houden, hadden spijt,
+verontwaardiging en maagdelijke fierheid haar doen toestemmen in een
+echtverbintenis met een alom geachten, deftigen en haar liefde volkomen
+waardigen echtgenoot, gelijk de Baron haar den Ambtman beschreven had,
+en waarvoor zij dezen ook te goedertrouw bleef houden;--maar thans,
+nu Joans onschuld bleek, kwamen de waarschuwingen en zijdelingsche
+wenken, welke haar voedsterbroeder tegen Mom gedaan had, haar met
+hernieuwd gewicht voor den geest spelen: nu kwam het beeld van hem,
+die haar twee dagen te voren van een dreigend gevaar verlost had,
+zich voor haar geest stellen, en het kloppend hart verried maar al te
+zeer partijdige liefde voor den verwijderden--koele onverschilligheid
+voor den begunstigden--minnaar. Hevig was Ulrica te moede, toen zij,
+na een ernstig zelfonderzoek, tot slotsom van haar overdenkingen,
+inzag, hoe de teederheid voor Joan, wiens beeltenis zij geheel uit
+haar boezem waande te hebben uitgedelgd, sterker dan ooit te voren
+was teruggekomen. Alleen de gedachte, dat zij, door den Ambtman te
+huwen, aan een kinderplicht voldeed, en dat het offer, 't welk zij
+bracht, Gode welbehaaglijk wezen zou, was in staat geweest, haar het
+opgewonden gestel tot bedaren te brengen en haar het vaste voornemen te
+doen opvatten, zich gedurende de verlovingsdagen zoodanig te gedragen,
+dat haar aanstaande gemaal geen redenen hebben mocht, over haar gedrag
+ontevreden te zijn.
+
+"Welkom, mijn beminde bruid!" zeide Mom, tot haar toetredende en haar
+de hand kussende: "doch hoe! gij schijnt geweend te hebben."
+
+"Daar moet gij zoo nauw niet op zien," viel de Baron, die met den
+Fiskaal binnen was getreden, hem in: "dat doen de meisjes altijd den
+nacht voor haar verloving, om op den dag zelven des te helderder te
+kunnen lachen."
+
+"Juist," zeide Bleiswyk: "en hoe zouden wij anders bruidstraantjes
+kunnen schenken?"
+
+"De heer Fiskaal deelt ons een slechte tijding mede," zeide de Baron,
+zich tot de Gravin wendende: "de Prinsen komen niet!"
+
+"Wat heb ik gezegd?" vroegen nu de nieuwsvertellers zachtjes: ofschoon
+zij eigenlijk niets gezegd hadden.
+
+"Is de reden, waarom Hun Hoogheden niet komen, aan den Heer Fiskaal
+bewust?" vroeg Mom, naar hem toetredende.
+
+"Die zal zich misschien nader ontwikkelen," zeide Van Kinschot met
+een koele buiging: "Heer van Bleiswyk! een woord als 't u belieft."
+
+"Tot UEd. dienst," zeide deze, met hem ter zijde gaande.
+
+"Gij spreekt geen woord over al wat er dezen nacht is voorgevallen,"
+beet hem de Fiskaal in 't oor: "of het zal u duur te staan komen."
+
+"Wilt gij het geld voor de verbeurde boete?" zeide de Jonker halfluid,
+terwijl hij lachende een goudbeurs voor den dag haalde: "doch er zijn
+er meer, die haar verbeurd hebben, door op de bijeenk...."
+
+"Zwijg!" viel hem de Fiskaal op een strengen toon in de rede:
+"zwijg ongelukkige spotter! het kon u slechts goud, doch anderen
+kan het den kop kosten. Wees voorzichtig, of...."--Hier hield hij
+den vinger dreigend op, en een buiging in 't rond gemaakt hebbende,
+wilde hij vertrekken.
+
+"Een oogenblik, Mijnheer Van Kinschot!" zeide de Gravin, hem
+terughoudende: "die gevangene, waarvan UEd. mij gisteravond gesproken
+heeft.... de Pleegzoon van den Heer Baron...."
+
+"Vergeef mij," zeide Van Kinschot: "doch ik heb bezigheden, welke
+mij een langer vertoeven verbieden. Ik zal nader de eer hebben,"
+vervolgde hij met een veelbeteekenenden blik, "mijn gelukwenschingen
+aan den Heer Baron te komen doen."--Dit zeggende nam hij zijn afscheid.
+
+"Wat heeft dit alles toch te beduiden?" zeide een der aanwezigen:
+"de Fiskaal is zoo raadselachtig."
+
+"Hij heeft dezen nacht slecht geslapen," zeide Bleiswyk: "doch mondje
+dicht: ik moet zijn bevel niet vergeten."
+
+Op dit oogenblik trad Bouke de kamer in.
+
+"Alweer wat anders!" zeide deze: "ja! ja! groote visschen springen
+uit den ketel! 't vogelken is ontsnapt!"
+
+"Ontsnapt!" herhaalde de Baron verbaasd. "Is Joan...."
+
+"Nergens te vinden!" vervolgde Bouke: "ja! het is tegenwoordig een
+kunst van belang om een gevangene te houden;.... maar dat is nog
+niets! er is mij daar op straat nog iemand op zij gekomen, die hier
+ook op 't feest moet wezen;.... doch laat ik maar zwijgen; hij zal
+gauw genoeg komen."
+
+"Wien bedoelt gij?" vroeg de Baron, rondziende: "al de gasten die
+wij verwachten, zijn gekomen."
+
+"Nu! nu!" zeide Bouke: "late haver komt ook op: hoe later op den dag,
+hoe schooner volk: 't einde zal den last dragen."
+
+"O! het is onze Notaris!" zeide de Gravin, die den Practicus de zaal
+met een deftigen stap zag binnentreden.
+
+"Jawel morgen de Notaris," zeide Bouke meesmuilende: "doch ik zwijg;
+maar zij zullen staan te kijken, geloof ik!" Dit zeggende, verliet
+hij opnieuw het vertrek.
+
+"Kom!" zeide Reede: "laat ons nu aan niets anders denken dan aan
+de plechtigheid van het oogenblik. Wij moeten den Heer Notaris niet
+laten wachten."
+
+"Een aangenaam woord," zeide Mom, toetredende, en zijn bruid,
+wier bleekheid in dit oogenblik nog vermeerderd was, naar de tafel
+geleidende, waaraan zich de Notaris geplaatst had: "ja waarlijk,
+thans moeten ons alleen gelukkige gedachten bezig houden."
+
+Nadat de aanstaanden, de Gravin, de Baron en de gasten hadden
+plaats genomen, begon de Notaris met de noodige deftigheid het
+huwelijkscontract voor te lezen; doch nauwelijks was hij aan de
+gewone clausule gekomen: "met wederzijdsche toestemming van ouders
+en bloedverwanten," of iemand trad de zaal binnen en zeide, met een
+zachte, doch doordringende stem: "ik heb de mijne nog niet gegeven."
+
+"Wie? wat? wat is dat?" riepen al de aanwezigen als uit éénen mond,
+en zagen naar de deur, waarin een grijsaard stond, door Bouke
+binnengeleid.
+
+"Ik Godard van Reede van Sonheuvel," hernam de onbekende, "heb mijn
+toestemming niet gegeven tot het huwelijk van Jonkheer Jacob Mom met
+Jonkvrouwe Ulrica van Reede tot Sonheuvel, mijn kleindochter."
+
+"Met welk recht....?" riep Mom, driftig opspringende; doch zoodra
+hij in den nadertredenden grijsaard Vader Ambrosius herkende, trad
+hij ontzet achteruit.
+
+"Met uw verlof, oom!" zeide de Baron, terwijl hij wrevelig den brief
+uit den zak haalde, dien hem de Vicaris geschreven had: "vervat dit
+stuk papier uw toestemming niet?"
+
+"Die was slechts voorwaardelijk," hernam de Vicaris: "indien de
+Ambtman zich geschikt achtte om mijn pleegdochter gelukkig te maken."
+
+"Welnu? en dit heeft hij plechtig beloofd," zeide Reede.
+
+"Beloofd?" herhaalde Vader Ambrosius: "Heer Ambtman! durft gij in mijn
+tegenwoordigheid die belofte herhalen?--Bedenk u wel! en luister naar
+hetgeen ik u vraag.--Hebt gij het voornemen, van Ulrica's geluk door
+dezen echt, in _deze_ omstandigheden te bevorderen?"
+
+"Zeker ben ik niet voornemens haar ongelukkig te maken," zeide Mom,
+met zichtbare verlegenheid.
+
+"Geen omwegen! ik vraag eenvoudig, ja of neen."
+
+"Nu.... ja!" antwoordde Mom.
+
+"Doch kunt gij dit?"' hernam de Vicaris: "zijt gij niet overtuigd,
+dat dit huwelijk voor haar een bron van ellende zijn zal?"
+
+"Voor den duivel!" riep Mom, door dit ondervragen van de wijs gebracht:
+"wat meent gij daarmede?"
+
+"Mijnheer!" zeide nu de Gravin, zich tot den Vicaris wendende: "ik moet
+u verzoeken, dergelijke tooneelen in mijn huis te vermijden. De Heer
+Ambtman heeft uw vraag beantwoord, en, naar mijn begrip, kan geen
+betrekking van bloedverwantschap, geen gezag u het recht geven tot
+zulke vragen. Wat kan u nopen, onze blijdschap bij een zoo algemeen
+toegejuichte echtverbintenis op een zoo onhebbelijke wijze te komen
+storen?"
+
+"Mijn recht noch mijn deel zullen den Heer Ambtman raadselachtig
+voorkomen," zeide Ambrosius.
+
+"Ik heb in mijn leven zooveel _incidenten_ niet bijgewoond," zeide
+Bleiswyk, zich van vermaak de handen wrijvende.
+
+"Ik verzoek Uwe Genade nederig om verschooning," vervolgde de Vicaris,
+met een eerbiedige buiging, tegen de Gravin: "doch ik moet hier mijn
+plicht vervullen. Jonkheer Jacob Mom! gij hebt mijn laatste vraag
+nog niet beantwoord."
+
+Aller oogen vestigden zich weder op den Ambtman, van wien men
+verwachtte, dat hij eindelijk door een krachtig antwoord den
+vreemdeling uit het veld zoude slaan; doch hij scheen zijn gewone
+tegenwoordigheid van geest geheel verloren te hebben, en met
+wankelenden gang trad hij naar den Vicaris toe.
+
+"Mag ik u," vroeg hij met een bevende stem, "om een oogenblik
+onderhoud verzoeken? Ik geloof, dat wij deze zaak best afzonderlijk
+zullen afhandelen."
+
+"Een redelijke vraag sla ik niet af," antwoordde Ambrosius, zich naar
+een venster begevende: "welke opheldering verlangt gij?"
+
+"Wat is uw doel?" vroeg Mom zacht en schielijk: "waarom mij dus
+tentoongesteld op een oogenblik, dat ik alles voor uw geloofsgenooten
+doe?"
+
+"Met uw geheim verdrag met Grobbendonck heb ik niet te maken,"
+antwoordde de Vicaris: "doch geen landverrader mag zich met ons
+geslacht vermengen; ik had mij gevleid, dat gij, na het lezen van
+mijn brief, mij zoudt begrepen hebben en van Ulrica afstand gedaan;
+dan ware dit tooneel vermeden geweest. Tree nog terug, zoo zwijg ik;
+doch volhardt gij bij uw voornemen, zoo maak ik alles bekend."
+
+"En hoe denkt gij, dat men uw gedrag in Spanje en te Rome zal
+opnemen?'"
+
+"Noch Spanje, noch Rome kunnen van mij vergen, dat ik in een
+echtverbintenis stem, die mijn kleindochter in handen eens verraders
+overlevert."
+
+"Is uw besluit onherroepelijk?"
+
+"Onherroepelijk."
+
+"Bedenk, dat ik uw rang hier bekend kan maken, u gevangen doen nemen,
+u...."
+
+"Ik bedenk alles; doch bedenk zelf, wie hier de meest gevaarlijke
+openbaringen zou kunnen geven."
+
+"In 's duivels naam dan," zeide Mom, zich van hem afwendende. "Heer
+Baron!" vervolgde hij luid: "het spijt mij; doch ik vind uw schoonvader
+hardnekkiger dan ik gehoopt had. Wij zullen de voorgenomen verbintenis
+moeten uitstellen, tot Zijn Hoogwaardigheid in een betere luim is. Kom,
+Botbergen! laat ons weder naar Tiel vertrekken, ten einde hier niet
+tot voorwerp van spot aan de Haagsche Jonkers te verstrekken."
+
+Deze woorden geuit hebbende, maakte hij een deftige buiging voor het
+geheele gezelschap en keerde zich om met oogmerk van te vertrekken;
+dan eer hij nog aan de deur gekomen was, eer nog de aanwezigen van hun
+verbaasdheid waren teruggekomen, was de Fiskaal Van Kinschot binnen.
+
+"Jonkheer Jacob Mom," zeide deze, naar hem toetredende: "gij zijt
+mijn gevangene."
+
+"Bewaar ons!" zeide Bleiswyk: "wat heeft Zijn-Edel-Gestrenge het
+tegenwoordig volhandig!"
+
+"Alle duivels!" mompelde Botbergen, en, het oogenblik waarnemende,
+dat alle blikken op Mom gevestigd waren, sprong hij een venster uit
+dat openstond, en nam de vlucht.
+
+"Gevangen!" riep Mom, die als versteend bleef staan.
+
+"Gevangen!" herhaalden al de aanwezigen: "is het mogelijk!"
+
+"Ha! vervloekte grijskop! dat is uw werk!" brulde de Ambtman, eensklaps
+als uit een sluimering ontwakende en met de gesloten vuist den Vicaris
+dreigende: "doch beef! gij zult mijn wraak niet ontgaan."
+
+"Dat is mijn werk niet," zeide Pater Ambrosius met koelheid: "had
+ik deze ontknooping kunnen voorzien, mijn tegenwoordigheid hier ware
+overbodig geweest."
+
+"Nietwaar?" grauwde hem de Ambtman toe: "Mijnheer Van
+Kinschot! verzeker u ook van dezen booswicht. Hij noemt zich
+Vicaris-Generaal in de Nederlanden...."
+
+"Zoo noemde hij zich," hernam de grijsaard: "thans heet hij eenvoudig
+Pater Ambrosius, gelijk voorheen. Indien UEd.-Gestr.," vervolgde
+hij, zich tot den Fiskaal wendende, "echter begrijpt, dat ik hier
+in gevangenschap moet blijven, zoo wees overtuigd, dat ik niet zal
+trachten te ontsnappen."
+
+"Zeer gelukkig," zeide Bleiswyk: "er zijn er ook genoeg ontsnapt in
+de laatste dagen."
+
+"Mag men niet weten," vroeg de Gravin, "waarvan de Heer Ambtman
+beschuldigd wordt?"
+
+"Van hoogverraad, Mevrouw!" antwoordde Van Kinschot: "Mijn
+Heeren!" vervolgde hij tot de gerechtsdienaars: "leidt uwen gevangene
+weg."
+
+"Arme! lieve Ulrica!" zeide de Gravin tegen Ulrica, die als versteend
+en van verschillende aandoeningen vervuld aan een tafel nederzat:
+"had iemand kunnen denken, dat uw verlovingsdag zoo ongelukkig ten
+einde zoude loopen? Kom," vervolgde zij, haar onder den arm nemende:
+"verwijderen wij ons: de eenzaamheid zal u thans het meest welkom
+zijn."
+
+Deze woorden zeggende, wilde zij Ulrica de zaal uitgeleiden, toen de
+deur wijd openvloog en een dienaar de Prinsen aanmeldde.
+
+Prins Maurits trad binnen met een gelaat, waarop de aandoeningen, welke
+hem gedurende de laatste uren hadden vermeesterd, nog zichtbaar waren:
+hij hield zijn broeder onder den arm, en de blik van dezen teekende
+een opgeruimdheid, welke aan het scherpziend oog van Bleiswyk niet
+verborgen bleef, en waaruit deze laatste ontwaarde, dat het misverstand
+tusschen beide broeders was opgehelderd.
+
+"Ik bid u om verschooning," zeide Prins Maurits, zich tot de
+huisgenooten wendende, "zoo ik mij thans hier nog kom vertoonen,
+nadat ik mij genoodzaakt heb gezien, uw vreugde in droefheid te doen
+verkeeren. Doch zoo ik hier in geen blijdschap kan deelen, zoo kan
+ik ten minste troost aanbrengen. Ik kan meer doen, Heer Baron! ik
+kan u zelfs gelukwenschen, dat de Almachtige uw dochter van den rand
+des afgronds heeft gered, waarin een onwaardige echtverbintenis haar
+zou gestort hebben. Weet, dat ik zooeven de duidelijkste bewijzen
+ontvangen heb, dat de Ambtman Mom het voornemen had, na het einde
+van het Bestand de stad Tiel in de handen des Spanjaards te leveren."
+
+"Jawel mogen wij God danken, indien dit het geval is," zeide Reede.
+
+"Wel is het, als de Psalmist zegt," zeide Raesfelt, "Ps. 76:
+
+
+ Gy sult ombrengen 't gansche rot
+ Der woedende boosdaders quaet.
+
+
+"Doch, dit is niet de eenige reden mijner komst," hernam de Prins. "Er
+is iemand, die belangrijke mededeelingen betreffende de gevormde
+samenzwering gedaan heeft, doch die nog meerder ontdekkingen doen kan,
+welke hij in dit geëerd gezelschap, en nergens anders, verlangt aan
+'t licht te brengen."
+
+"Nog meer ontdekkingen?" zeide Bleiswyk bij zich zelven: "welk een
+heerlijke dag! die geeft voor een maand stof tot onderhoud."
+
+Nu plaatsten zich de vorstelijke personages en al de aanwezigen in
+het rond: de deur werd geopend en met bleek gelaat en wankelende
+schreden trad Ludwig, van twee wachten gevolgd, de zaal binnen. Doch,
+om zijn verschijning hier ter plaatse te verklaren, is het noodig,
+dat wij de geschiedenis weder wat hooger ophalen.
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ Aan wien behoore ik dan? wien word ik tot verrader?
+ Wat kan, wat moet ik doen, aan alle zijde omzet?
+ Wie voert my strafloos, wie onschuldig uit dit net?
+ ô Zwakke, ô weeke ziel! wat liet ge u dus verwrikken
+ Wat kan ik, hoe 't ook ga, dan voor mij-zelven schrikken?
+
+ _Bilderdyk_, Floris de Vijfde.
+
+
+Ludwig had zijn Doorluchtigen meester verlaten, toen deze het Binnenhof
+was opgetreden; met driftigen spoed had hij eenige straten en stegen
+doorkruist en eindelijk geklopt aan een kleine woning, in het minst
+bezochte gedeelte der stad gelegen. Eene oude vrouw, welke al het
+uiterlijke eener tooverheks had, opende hem de deur en geleidde hem,
+na een soort van wachtwoord met hem gewisseld te hebben, in een
+berookte, en dompige kamer, waar, aan een groote, met papieren,
+plannen en landkaarten overdekte tafel, een manspersoon bij het
+flauwe schijnsel eener lamp zat te lezen. Voor de tafel stond een
+groote opene kist, zoodanig geplaatst, dat men, door de tafel aan de
+tegenzijde op te lichten, al wat daar op lag in de kist kon werpen
+en dus aan de oogen van een onverhoopten bezoeker onttrekken. Wat
+verder stonden twee andere opene koffers, gevuld met rollen papier,
+ijzeren werktuigen, vermommingen en maskers, valsche baarden en andere
+dergelijke voorwerpen. Onder het bereik des lezers lagen op een stoel
+twee zakpistolen, een dolk, een paar gereformeerde bijbels en een
+_vulgata_. Op de tafel stond een waterkruik met een tinnen kroes,
+een zandlooper en het noodige schrijfgereedschap.
+
+In het midden van al die vreemdslachtige voorwerpen zat, in een
+grooten leunstoel, met leder voorzien, en die desnoods tot rustbank
+had kunnen strekken, de persoon, welken Ludwig kwam zoeken, een man,
+die, zooals hij daar geplaatst was, alleen de tooverroede miste,
+om voor een wichelaar te worden aangezien; want zijn sterk gerimpeld
+voorhoofd, waarvan slechts eenige grauwende haren ongekamd afhingen,
+kenteekende zorgen en vermoeienissen van den geweldigsten aard. Onder
+de zware grijze wenkbrauwen waren twee gitzwarte oogen zoo diep in
+de kassen verscholen, dat zij niet oneigenaardig konden vergeleken
+worden bij fakkels, welke men aan het einde van een donker verwulf
+ziet glimmen. Op de vale wangen waren de groeven der onthouding met
+diepe voren ingedrukt; en de dikke onderlip, met een uitdrukking van
+algemeene verachting en wrevel tot aan den grauwen knevel opgeheven,
+zette aan de vervallen trekken des gelaats iets Satanachtigs bij. De
+dorre hand liet, bij de intrede des geheimschrijvers, het geschrift
+varen, dat zij vasthield, en strekte zich langzaam uit naar een
+der binnen haar bereik gelegen pistolen, terwijl al de pezen van het
+aangezicht zich samentrokken en de oogen blauwe vlammen schoten; doch,
+zoodra de grijsaard bij de stralen der lamp, die op het aangezicht van
+Ludwig vielen, ontdekt had, wie de verstoorder zijner overdenkingen
+was, leide hij het moordtuig weder neder en hernam zijn vorige houding.
+
+"Gij ziet mij reeds terug, Pater!" zeide Ludwig: "alles heeft een
+spoediger wending genomen dan wij gedacht hadden!"
+
+"Gij hebt uw rol meesterlijk gespeeld," zeide Eugenio, wien onze
+lezers ongetwijfeld uit de bovenstaande beschrijving reeds zullen
+herkend hebben: "ik ben zeer over u voldaan."
+
+"Doch ik niet over u! wat moet er van dit alles worden?"
+
+"Hoe nu! is alles niet juist afgeloopen gelijk wij gewenscht hadden?"
+
+"Gelijk gij gewenscht hadt, Pater!" zeide Ludwig, zich op een stoel
+werpende.
+
+"Uw taal bevreemdt mij," zeide Eugenio, de lamp zoodanig opnemende,
+dat het licht den Secretaris vlak op het gezicht scheen: "doch
+ja, uw verwilderd oog, uw meer dan gewone bleekheid, uw bevende
+lippen.... wat hebt gij toch gezien, dat u de bedaardheid ontnomen
+heeft, welke ik u tot heden altijd toegekend heb?"--Dit zeggende,
+plaatste hij de lamp weder voor zich en wachtte met een koel gelaat
+het antwoord des jongelings af.
+
+"Vraagt gij nog, wat mij ontzet heeft?" riep Ludwig uit, weder
+opstaande en met groote schreden de kamer op en neder wandelende:
+"Heb ik niet, als een andere Judas, mijn meester verkocht?"
+
+"Hmm!" bromde de Jezuïet: "uw meester is de Koning van Spanje."
+
+"De Koning van Spanje!" herhaalde Ludwig: "heeft de Koning van Spanje
+mij gevoed, gekleed, zijn gunst, ja zijn innig vertrouwen geschonken?"
+
+"Gij zijt een gek," zeide Eugenio, "na al hetgeen gij verricht hebt,
+zoudt gij thans, nu wij op het punt zijn van het doel te bereiken,
+waarvoor wij zooveel jaren gezwoegd hebben, door een bespottelijk,
+kinderachtig en volkomen onnut berouw gedreven, aan de deur des
+heils stilstaan, en alsof er niets gedaan ware, op uw voetstappen
+terugkeeren! Gij zijt als een schipper, die, een rijke lading van
+verre kusten, spijt storm en zeeroovers aangebracht hebbende, die in
+de haven overboord zoude werpen."
+
+"Gave de Hemel, dat ik alles als niet gedaan beschouwen mocht," zeide
+Ludwig, met een diepen zucht: "dan zou het bloed van den jongen Graaf
+van Falckestein niet op mijn hoofd wegen."
+
+"Laat dat bloed voor rekening van hen, die het vergoten hebben,"
+bromde Eugenio.
+
+"Dan zou de huichelachtige rol, welke ik twintig jaren gespeeld heb,
+mijn boezem niet drukken," vervolgde Ludwig, meer en meer ontsteld.
+
+"Voor al die leugens is u vergiffenis bezorgd," merkte de Jezuïet, aan.
+
+"Dan zou ik," vervolgde Ludwig, zonder acht te geven op de woorden
+van den Pater, "mij niet te verwijten hebben, op een lage wijze
+het vertrouwen van den goeden, edelen Graaf misbruikt, zijn hand
+valschelijk nagemaakt, zijn eer vuig beklad en hem zelven met eigen
+handen aan de wraak eens driftigen broeders te hebben overgeleverd."
+
+"Gij hebt alleen mijn voorschriften gevolgd, en volgens de getuigenis
+van kundige godgeleerden, is de dienaar nimmer verantwoordelijk voor
+de daden, welke hij op last zijns meesters bedrijft."
+
+Ludwig stond stil en wierp een smadelijken blik op den
+Jezuïet. "Ziedaar wat mij het meeste hindert, dat ik op mijn jaren
+nog heb kunnen toestemmen, de houten pop te blijven, die geen andere
+bewegingen deed, dan die òf gij òf Magdalena mij toelieten te doen,
+dat ik de slaaf moest wezen van een paap en een geestdrijvende vrouw."
+
+"Die slavernij houdt voortaan op," zeide Eugenio: "eens ons doel
+bereikt hebbende, wordt gij uw eigen meester, en een ouderdom
+van weelde en onafhankelijkheid zal u de gehoorzaamheid van jaren
+vergoeden."
+
+"En wie betaalt mij mijn verloren zielsrust?" vroeg Ludwig.
+
+"Ik heb u reeds gezegd," hernam Eugenio, "dat uw zonden u vergeven
+zijn. Wat kan u dan nog kwellen?"
+
+"Al genoeg," zeide de geheimschrijver, "al genoeg heb ik de
+afschuwelijke drogredenen, welke uw Sociëteit kenmerken, aangewend,
+om in mijn benepen hart de kalmte te doen terugkeeren: gisteren nog
+hadden uw grondbeginselen indruk op mijn geest; doch thans, nu het
+misdrijf gepleegd is, zie ik met ijzing op mijn gedrag. terug."
+
+"Er is niets dwazer," zeide Eugenio, met de uiterste koelheid,
+"dan zich gepleegde daden te verwijten. Wat onherstelbaar is, kan
+niet herdaan worden: en evenals men de geheugenis van hetgeen men
+uit verkeerde beginselen bedreef, uit zijn geest moest wisschen,
+dient men ook het berouw deswege, als ondienstig en overtollig,
+uit zijn hart te verbannen: deze leer heb ik geheel mijn leven door
+in praktijk gebracht en er mij steeds wel bij bevonden. Geloof mij,
+Ludwig! ik behartig, door zoo te spreken, alleen uw rust en welzijn;
+in beide stel ik belang, meer dan gij denken of vermoeden kunt. Van
+uw kindsheid af zijt gij het voorwerp mijner trouwhartigste zorg en
+genegenheid geweest: en het grootste bewijs hiervan ligt daarin, dat
+ik u, in wien ik het afdruksel van mij zelven waande te beschouwen,
+tot het heerlijk werk heb verkozen, hetwelk gij tot nog toe met zooveel
+beleid en trouw vervuld, ja, 't welk gij ten einde gebracht hebt. Na
+gedanen arbeid is de rust dubbel zoet, en, ofschoon ik, wiens leven
+aan de eer mijns Konings toegewijd geweest is, die rust nooit gesmaakt,
+ja nooit verlangd heb, wil ik u die laten genieten. De keuze waar, en
+in welken rang gij die wilt smaken, laat ik aan u over, en ik twijfel
+niet, of mijn invloed zal u den rang of de bediening doen verkrijgen,
+welke gij verlangen zult."
+
+Eugenio hoopte, door deze vooruitzichten aan den geldzuchtigen
+jongeling voor te stellen, de vlagen van een lastig, en in zijn oogen
+hoogst ontijdig berouw te verdrijven; doch Ludwig was te sterk ontroerd
+en buiten zichzelven, om thans gehoor te geven aan de koude drogredenen
+van den man, wiens hatelijke raadgevingen hem zoover op den weg van
+het misdrijf gebracht hadden. Ziende, dat de geheimschrijver zich
+niet langer door schoone beloften paaien liet, en dat zijn ontwaakt
+geweten door geen hoop op belooning meer tot rust zou kunnen gebracht
+worden, wendde hij het over een anderen boeg, en trachtte met klem van
+redeneering te betoogen, dat Ludwig in allen gevalle te ver gegaan was
+om weder terug te keeren: dat het zaad van tweedracht, door hem in een
+vruchtbaren akker geworpen, hoog was opgeschoten, diepe wortels gevat
+had en niet meer kon uitgeroeid worden: dat het Bestand met de week
+eindigde, waarna het vuur der muiterij alom stond uit te bersten, in
+één woord, dat het uur gekomen was, waarop men de vrucht van zoovele
+moeite en opofferingen smaken zoude. "En zoudt gij," vervolgde hij,
+"dwaas genoeg zijn, om, in één oogenblik, ter voldoening van eenige
+belachelijke zwarigheden, den arbeid van jaren, niet voor anderen,
+maar voor u zelven om te stooten? Hebt gij nooit de fabel gelezen van
+den hond, die, zijns meesters spijskorf dragende, door andere honden
+werd overvallen, die hem de spijs trachtten te ontweldigen. Toen
+hij zag, dat hij tegen de menigte toch niet was opgewassen, maakte
+hij wijselijk van den nood een deugd, nam het beste deel en liet
+het overschot van den buit aan de hongerige aanvallers. Ziedaar
+een navolgenswaardig voorbeeld. Al treedt gij terug, gij kunt ons
+niet meer beletten, ons doel te bereiken. Het Stadhouderlijk gezag
+is aan het wankelen. Verraad, omkooping en wantrouwen beheerschen
+de raadsvergaderingen. Gelderland en het Sticht zijn den dag na het
+hervatten der vijandelijkheden in de handen der Spanjaards: de zonen
+van den Advocaat slijpen den dolk, die Maurits' hart doorboren zal--en
+waar blijft gij dan met uw ontijdig berouw? Breng, zooals men zich
+in dit land uitdrukt, uw koetjes op 't droge, eer de overstrooming
+hier have en huis komt wegspoelen, en blijf niet als een onberaden
+zot naakt en berooid op de deerlijke overblijfselen staan, omdat gij
+geen moeds genoeg bezit om u datgene vooruit te verzekeren, waarop
+gij bij deeling wettige aanspraak hadt."
+
+De welbespraaktheid des Paters was dezen keer geheel vruchteloos
+verspild, ja zelfs deed zij een tegenovergestelde uitwerking dan
+die, welke Eugenio er van verwachtte. Ludwig, die van nature een
+vreesachtige en lafhartige geaardheid bezat, en die thans minder
+door een oprecht berouw gedreven werd dan wel door den angst voor de
+straffen der hel, welke hij, in weerwil van 's Paters geruststellende
+woorden, voor zijn voeten geopend zag, Ludwig voelde zich gedurig
+meer benauwd door de voorstellingen, die hem Eugenio deed, en welke
+hem hoe langer hoe meer het onvergoedbare van het door hem verrichte
+kwaad lieten zien. Zijn gemoedsangst had hem naar Eugenio gejaagd;
+zijn gemoedsangst deed hem weder verlangen in de opene lucht terug
+te keeren, en, zonder een woord te spreken, zou hij de kamer verlaten
+hebben, toen Eugenio hem, op den welbekenden strengen toon, aan welken
+bij altoos was gewend geweest gehoorzaam te zijn, gelastte te blijven.
+
+Ludwig trad dan ook een stap terug; doch zijn hand verliet de kruk
+der deur niet.
+
+"Wat gaat gij doen?" vroeg Eugenio.
+
+Ludwig zweeg.
+
+"Beken het veilig: gij gaat den Stadhouder opzoeken en alles aan
+hem verklappen."
+
+Ludwig sloeg de oogen neder, doch antwoordde niet.
+
+"Hoe edel! hoe aandoenlijk!" zeide Eugenio, met een bitteren
+glimlach: "gij zult mij, die u, van kindsbeen af, heb voortgeleid
+en liefgehad, gij zult uw moeder, uw moeder, die alleen voor u zich
+zooveel opofferingen getroostte, die alleen voor u leeft, gij zult
+vrienden, die op uw trouw steunen, aan de beulen eens dwingelands
+prijsgeven.--Voorwaar, een schitterende heldendaad, en welke uw
+politieke loopbaan op een prachtige wijze besluiten zal."
+
+Ludwig wierp zich op een stoel en verborg zijn gezicht in zijn handen.
+
+"En denkt gij," vervolgde Eugenio, "dat deze trage bekentenis u baten
+zal?--Dat gij u daardoor voor straf zult vrijwaren?--Neen! neen! wij
+zullen op het schavot komen, doch gij zult er ons vergezellen. Welk
+een aandoenlijk familietafereel zal dat geven, als gij tusschen uw
+moeder en mij op het rad zult uitgestrekt zijn! ha! ha! ha! ik zie
+reeds, hoe de beul zijn vuurtje stookt en u met gloeiende tangen het
+vleesch uit het lijf haalt, om u voor uw waarheidspreken te beloonen."
+
+De akeligheid dezer voorstelling joeg Ludwig een kille huivering aan,
+die al zijn leden beven deed.
+
+"Doch ik zie al," zeide Eugenio, zijn stem verzachtende, "dat gij
+wijzer zijn zult en tot betere gedachten zijt teruggekeerd. Kom! wees
+een man, Ludwig! en geef u aan geen dwaze wanhoop over. Hoor! ik
+heb u lief," vervolgde hij, Ludwig tot zich trekkende, "anders ware
+het vermoeden alleen, dat gij mij verraden wildet, genoegzaam om
+mij zonder verdere omwegen van u te ontslaan. Was uw leven niet aan
+het eind van dit pistool! En had het niet in mijn macht gestaan, u,
+eer gij een stap verder deedt, buiten de mogelijkheid te stellen,
+uw oogmerk te volvoeren? Wees bedaard! tracht wat te slapen! Na een
+goede nachtrust zult gij geheel anders denken."
+
+"Misschien," zeide Ludwig, oprijzende: "ik zal 't beproeven; doch
+hier in dit benauwde kot kan ik niet langer blijven; 't is of ik
+stikken zal."--Dit zeggende ontknoopte hij zijn buis.
+
+"Ik zal u laten gaan, Ludwig! op één voorwaarde. Beloof mij, dat
+gij geen onberaden stap zult doen, dat gij nu naar uw nachtverblijf
+keeren en ter rust zult gaan. Morgenochtend kunt gij doen wat gij wilt:
+doch beloof mij thans te gaan slapen."
+
+"Ik beloof het u," hernam de Secretaris, terwijl hij angstig het
+vertrek op en neder liep: "nog meer, ik beloof u, dat wat er ook
+geschiede, ik u niet betichten zal."
+
+"Gij zult noch mij, noch u zelven betichten, daar ben ik overtuigd
+van; doch, drink wat: uw zenuwen zijn aangedaan: een teug wijns zal
+u goeddoen"--Dit zeggende, ging de Pater naar het kabinetje, dat hem
+tot slaapvertrek diende, en kwam spoedig met een kan wijns en twee
+glazen terug.
+
+Hoe hangen dikwijls de grootste gebeurtenissen van kleine
+omstandigheden af! Had Eugenio zich met de beloften van Ludwig tevreden
+gesteld en daarop vertrouwd, wellicht waren de Vereenigde Nederlanden,
+door binnenlandschen twist verscheurd, door verraad verkocht, opnieuw
+een deel van Spanje geworden. Doch de wantrouwende ziel des booswichts
+deed hem vreezen, dat Ludwig wellicht zijn woord niet houden zoude,
+en om zeker te zijn, dat deze hem dien nacht althans niet verraden
+zoude, had hij een slaapdrank onder dien wijn gemengd. Die slaapdrank
+redde de Nederlanden.
+
+"Hier," zeide hij, terwijl hij inschonk: "drink Ludwig! _damus vinum
+his qui amaro sunt animo ut doloris sui non recordentur amplius_,
+[58] gelijk de _vulgata_ zegt."
+
+Doch de geheimschrijver was niet minder wantrouwend dan zijn
+leermeester in de kunst van veinzerij. Eer hij dronk, hield hij het
+glas voor het licht en ontdekte dat de wijn bijzonder troebel en
+schijnbaar met een vreemd vocht vermengd was.
+
+"Die wijn is vergiftigd!" riep hij, den Jezuïet met een vreeselijken
+blik aanziende.
+
+"Zoo! de wijn is bedorven," zeide Eugenio, en goot haastig het
+glas ledig.
+
+"Dat zal ik gaan onderzoeken," hernam Ludwig, en, de kan van de tafel
+nemende, wilde hij vertrekken.
+
+"Sta!" riep Eugenio, hem met een ijzersterke vuist aangrijpende:
+"niet van uw plaats. Hoor mij eerst!"
+
+Doch eer hij nog een woord tot verklaring van zijn gedrag had kunnen
+bijvoegen, sloeg Ludwig, dien de vreeselijke blik zoowel als de
+beweging van den Pater voor een moorddadigen aanval op zijn leven
+deden vreezen, hem met de wijnkan zoo geweldig in 't gezicht, dat
+het bloed hem uit neus en mond sprong.
+
+Bedwelmd van pijn tastte de Jezuïet naar zijn pistolen; doch Ludwig
+voorkwam hem, en, zijn mes uithalende, stootte hij het Eugenio tot
+het heft toe in de zijde. De gewonde stortte ruglings achterover:
+hij poogde te spreken; doch alleen door een afschuwelijken lach kon
+hij zijn zielsgevoelens uitdrukken.
+
+Ter dood toe ontsteld, ijlde Ludwig, zoodra hij hem vallen zag,
+de deur uit, en nam, schier zonder te weten, den weg naar het oude Hof.
+
+"Wie daar?" vroeg een onderofficier, die juist met eenige soldaten
+het paleis uitkwam, toen Ludwig het binnen wilde gaan.
+
+"Ik ben de Secretaris van Z. D.", gaf deze ten antwoord.
+
+"Dan zijt gij juist de man dien wij zoeken: Z. Hoogh. verlangt u zoo
+dadelijk te spreken."
+
+"Ha! welkom!" riep de jongeling: "ik ook, ik moet Zijn Hoogheid
+spreken!--Alles in orde. Ik volg u, Mijn Heeren!"
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ Wat zien we? Duinrijcks merek, een knijn in duin, een knijn,
+ Dit komt op waerheit uit: hier liegt geen valsche schijn,
+ 't Verhael hangt hecht aen een: hier mangelt niet een schakel.
+
+ _Vondel_, Leeuwendalers.
+
+
+Ludwig trad, gelijk wij gezegd hebben, met een wankelenden stap de
+zaal bij de Gravin van Nassau binnen, en bleef met nedergeslagen
+oogen staan, totdat de Prins hem last gaf, alsnu te openbaren wat
+hij nog te zeggen had.
+
+Toen eerst boog hij zich, zag langzaam en deemoedig de Vorsten,
+de Gravin en den Baron aan, huiverde op het gezicht van Magdalena,
+die bleek als een steen achter haar jonge meesteres stond, en begon
+toen op de volgende wijze:
+
+"Ofschoon ik beken, dat ik op de schandelijkste wijze het vertrouwen
+mijns doorluchtigen meesters misbruikt heb...."
+
+"Sla dat maar over," zeide Maurits, haastig: "ter zake!"
+
+"Verschoon mij, Uwe Hoogheid!" vervolgde de Secretaris: "ik wilde
+alleen zeggen, dat, hoe slecht ik ook heb kunnen handelen, ik echter
+thans een geheim aan 't licht wil brengen, hetwelk mij wellicht,
+zoo het mij niet voor straf vrijwaart, de dankbaarheid van sommige
+personen uit dit luisterrijk gezelschap zal mogen verwerven."
+
+"Ga zonder omwegen voort," zeide de Prins op een strengen toon.
+
+"Ik moet dan beginnen," hernam Ludwig met een zucht, "aan den heer van
+Sonheuvel te verhalen hetgeen ik bereids aan den Heer Fiskaal verhaald
+heb, dat zijn pleegzoon Joan al zijn liefde en achting nog volkomen
+waardig is, en dat deze in geen aanslag noch tegen zijn pleegvader,
+noch tegen den lande gedeeld heeft."
+
+"Dat kan ik bevestigen," zeide Vader Ambrosius op een plechtigen toon.
+
+"Wie valt den deposant in de rede?" vroeg de Prins, verstoord
+rondziende. "Wie is die grijskop?" vroeg hij zacht aan Van Kinschot,
+toen zijn oog het eerwaardig gelaat van den Vicaris ontdekte. Het
+antwoord van den Fiskaal deed hem bevreemd opzien; doch hij gaf
+terstond weder een wenk aan Ludwig om te vervolgen.
+
+"Ik moet deze getuigenis nopens den Jonker van Craeihorst afleggen,"
+vervolgde Ludwig, die langzamerhand meer bedaardheid en gemak herkreeg,
+terwijl hij op zijn woorden dacht: "omdat het van belang is, dat er
+geen vlek ruste op den stam, waar hij toe behoort.
+
+"Mijn geslacht was altijd onbesproken," viel de Baron in met drift.
+
+"Ik spreek niet van uw geslacht, Heer Baron: ik spreek van uw pleegzoon
+Joan," zeide Ludwig, met nadruk.
+
+"Wat gaan ons de Velasco's aan?" vroeg Reede.
+
+"Joan is geen Velasco, er is nooit eenig Spaansch bloed met het zijne
+vermengd geweest."
+
+"Kent gij zijn ouders dan?" vroeg Maurits.
+
+"Dat de Heer van Sonheuvel zich slechts herinnere hoe hij aan hem
+gekomen is, en wat hij bij hem gevonden heeft."
+
+"Mijn God!" riep de Gravin van Nassau uit, terwijl zij doodsbleek
+opstond en naar den jongeling toesnelde: "die kleederen, die
+jachthond...."
+
+"Zijn bewijzen genoeg, Mevrouw!" vervolgde Ludwig: "Joan van Craeihorst
+is uw zoon, Graaf Ulrich von Daun."
+
+"Mijn zoon!" gilde de Gravin, terwijl zij haar handen wrong en schier
+onmachtig in de armen van de nabijstaande dames viel: "mijn Ulrich! o
+God! is het mogelijk!"
+
+"Joan de zoon van mijn trouwen vriend Falckestein!" riep de Baron.
+
+"Ach!" zeide de oude Beckman, door de menigte heendringende: "hij
+liegt, die schelm van een Ludwig! heb ik niet het kind van den Heer
+Graaf voor mijne augen zien in 't wasser wirfen?"
+
+"Wat? wie twijfelt daar aan de waarheid van zijn verhaal?" vroeg de
+Gravin, angstig en snel opziende: "spreek Ludwig! antwoord op hetgeen
+de oude man zegt."
+
+"Antwoord dien ouden man," zeide Maurits: "en wee u, zoo gij niet
+bewijst wat gij verklaard hebt, en zoo uw vertelling slechts een
+armhartig verdichtsel is, waarmede gij de voorspraak der Gravin zoekt
+te verwerven."
+
+"'t Is waar," antwoordde Ludwig; "de oude man heeft het kind in
+het water zien werpen; doch wat hij niet kon zien, omdat de hoek
+van den toren het hem belette, is, dat de hond des Graven, die in
+het nabijgelegen vertrek bij mijn moeder en bij mij gezeten was,
+uit een zijraam in de gracht sprong en den knaap het leven redde. De
+hond zwom het slot om, terwijl de oude Beckman zich met het schuitje
+begaf naar de plaats waar het kind gevallen was. Het was mijn moeder,
+aan wie het getrouwe dier zijn jongen meester bracht, en die hem voor
+den moorddolk behoeden bleef. Zij verliet terstond het slot met ons
+beiden en stelde zich onder de bescherming van Velasco."
+
+"O Voorzienigheid! hoe wonderbaar zijn uw wegen," zeide Vader
+Ambrosius, de handen ten hemel heffende.
+
+"Er blijft nog iets duisters in uw verhaal," zeide de Prins tegen
+Ludwig: "leeft er iemand, die de waarheid daarvan bevestigen kan? Leeft
+uw moeder nog?"
+
+"Zij leeft nog," zeide Magdalena, met statigheid vooruittredende.
+
+"Hoe!" riep de Baron: "gij de moeder van dien knaap?"
+
+"De tijd en het verdriet hebben mij veranderd," hernam zij: "doch
+Mevrouw de Gravin zal zich wellicht nog herinneren, dat zij mij te
+Bruck gezien heeft."
+
+"Is het mogelijk?" hernam de Gravin: "ja, ik herinner mij thans
+duidelijk.... reeds waren uw trekken mij bekend voorgekomen. Doch in
+'s Hemels naam, zeg mij, heeft Ludwig de waarheid gezegd?"
+
+"In allen deele," antwoordde Magdalena, haar zoon verachtelijk
+aanziende.
+
+"O God!" riep de Gravin: "mijn zoon, mijn Ulrich leeft nog! doch waar
+is hij? wie brengt hem tot mij?"
+
+"Hij is ontsnapt," zeide de Fiskaal, "doch ik vlei mij, dat wij hem
+vinden zullen."
+
+"Dat hoop ik ook," dacht Bleiswyk: "doch waar hij zit, weet slechts
+één mensch...; en die alleen kan de ontknooping van dit spel maken." En
+meteen sloop hij de zaal en het huis uit.
+
+"Doch er leeft nog een getuige, die licht in deze zaak kan aanbrengen,"
+zeide de Baron: "die schelmsche Jezuïet, die in mijn slot heeft
+opgesloten gezeten.... ja, zoo wij die hadden, hij zou ons kunnen
+vertellen...."
+
+"Hij ligt reeds in boeien; doch hij is buiten staat een woord te
+getuigen," merkte Van Kinschot aan.
+
+"Hoe!" zeide Magdalena tegen Ludwig: "gij heb den Pater verraden!"
+
+"Ik heb meer gedaan," antwoordde deze op een somberen toon: "ik hem
+hem naar de hel gezonden waarin hij te huis behoort."
+
+"Wee u! gij hebt uwen vader vermoord!" riep Magdalena, terwijl zij
+zich wanhopend met de vuisten voor 't voorhoofd sloeg en de zaal met
+wilde blikken op en neder liep.
+
+Ludwig bleef versteend staan: een rilling beving hem, en half onmachtig
+zonk hij op een stoel neder.
+
+"Kind der schande! kind der verdoemenis!" vervolgde de radelooze
+vrouw, terwijl zij elk terugstootte, die haar naderen wilde: "in zonde
+ontvangen, om in zonde te leven en in zonde te sterven! Ziedaar de
+straf, die het misdrijf wacht! o wee mij! wee u! wee ons allen!"
+
+"Breng die ongelukkige weg," zeide Maurits: "dit tooneel is te ijselijk
+om door vrouwenoogen gezien te worden."
+
+Verscheidene onder de aanwezigen traden naar Magdalena toe, met
+oogmerk om haar weg te leiden; doch op eens bleef zij staan, wees
+alle hulp af, hief het hoofd met waardigheid op en zag de omstanders
+met fierheid aan.
+
+"Dat zich ieder wachte, de hand aan de Bruid des Heeren te
+slaan. Zooverre is het nog niet gekomen, dat Zuster Klara, de Abdis der
+Karmelieten te Tiel, de hulp van onheilige ketters noodig heeft. Freule
+van Sonheuvel! de rol, die ik bij u gespeeld heb, is afgeloopen. Uw
+verloofde wordt ter dood gebracht: gij kunt uw minnaar huwen."
+
+"Het is haar in het hoofd geslagen," zeide de Prins: "nogmaals breng
+haar weg."
+
+"Verschoon mij," zeide Vader Ambrosius: "zoo iemand, zal ik invloed
+op haar hebben. Zuster Klara!" vervolgde hij, zijn stem verheffende:
+"Zuster Klara! kent gij mij?"
+
+Een bevestigende hoofdknik was het antwoord.
+
+"Gij zegt wel, Zuster Klara! uw rol is hier uitgespeeld. Ik ken de
+gelofte, die gij gedaan hebt; ik wist ook, waarom gij bij mijn neef
+geplaatst waart: ik ontsla u van haar verdere vervulling: verlaat
+dit land en ga in een klooster uw overtredingen beweenen."
+
+"Ik gehoorzaam," zeide Magdalena, en, zonder er een woord bij te
+voegen, zonder zelfs een blik te werpen op haar ellendigen zoon,
+verliet zij het vertrek.
+
+"Ik had geen Roomschen prelaat _hier_ verwacht," zeide Maurits,
+zich met bevreemding en ontevredenheid tot Vader Ambrosius wendende.
+
+"Een heilige plicht riep mij herwaarts," zeide deze: "de ontwerpen
+van Mom waren mij bekend en ik moest voorkomen, dat mijn nicht zich
+met dien booswicht in 't huwelijk begaf. Met een andere boodschap had
+ik mij voor Mevrouw de Gravin belast. Don Diego de Velasco had een
+beminde binnen Brussel, aan welke hij vrij regelmatig zijn lotgevallen
+schreef. Deze vrouw bezocht ik in de afgeloopen week, ten einde haar
+van geestelijken raad te dienen. Nieuwsgierig om te weten, of Joan
+werkelijk de zoon van Don Diego wezen kon, ondervroeg ik haar omtrent
+dit onderwerp. Zij ontkende stellig, dat haar voormalige minnaar immer
+getrouwd geweest ware, en haalde de brieven voor den dag, welke zij
+van hem ontvangen had. In den laatsten dier brieven wordt de redding
+van het kind des Graven van Falckestein opgegeven, juist gelijk het
+zooeven vermeld werd, en geeft Velasco meteen zijn oogmerk te kennen,
+om het weder aan zijn moeder te zenden. De Brusselsche dame dacht,
+dat Velasco dit plan volvoerd had, waarin het blijkt dat hij door den
+dood is belet geworden. Van dezen brief ontving ik een afschrift,
+hetwelk ik hierbij met genoegen aan Mevrouw de Gravin overhandig,
+en dat, mijns inziens, allen twijfel doet ophouden."
+
+"Uw oogmerk was edel," zeide Maurits: "doch gij hebt wat veel op onze
+edelmoedigheid gerekend, Heer Vicaris, dat gij zonder vergunning u
+hier vertoont."
+
+"De naam van Vicaris voegt mij niet langer, Uwe Hoogheid. Toen ik
+ontdekte, dat diezelfde Eugenio, wiens bloeddorst zooveel rampen
+baarde, ook mij naar 't leven stond, daar hij mij verdacht hield
+van zijn oogmerken tegen te werken, reisde ik naar Brussel, om
+hem aan te klagen. Ik merkte ras, dat men hem meer dan mij scheen
+noodig te hebben, en hem dus ongaarne aan mij zou opofferen. Dit
+deed mij besluiten, mijn ontslag te nemen. Mijn voornemen is thans,
+naar Amerika te reizen en in de nieuwe wereld de zaden van het echt
+geloof te gaan voortplanten."
+
+"En de rampzalige Indianen tegen de verdrukking der Spanjaards te
+beschermen," zeide Frederik Hendrik.
+
+Op dit oogenblik trad Bouke, die het vertrek kort te voren verlaten
+had, weder binnen. De tegenwoordigheid der hooge personages kon hem
+niet beletten op te springen, zijn muts in de hoogte te werpen en
+uit te roepen: "het eind goed al goed! daar is hij! daar is hij!"
+
+"Wie? wie is er?" riepen alle aanwezigen als uit eenen mond.
+
+"Ulrich von Daun, Graaf van Falckestein!" zeide Bleiswyk,
+binnentredende. Onze held volgde hem, hij zag vreemd op, toen hij
+zich in zulk een luisterrijk gezelschap bevond; doch nog vreemder,
+toen hem de Gravin om den hals viel, en onder den uitroep van:
+"mijn zoon! mijn zoon!" de teederste moederkussen gaf.
+
+"Ik heb hem niets gezeid," zeide Bleiswyk, half dansende van vreugd:
+"Ja, Heer Fiskaal! kijk zoo zuinig als UEd. wil; ik heb hem dezen
+nacht mede naar huis genomen en hem verstopt. Nu heb ik hem verteld,
+dat hij vrij was, doch verder niets! ja, ik kan ook zwijgen!"
+
+Dit zeggende, huppelde hij om en drukte den Fiskaal, de gasten,
+ja den Predikant Raesfelt in de armen.
+
+Intusschen ontving Joan (want zoo zullen wij hem uit gewoonte blijven
+noemen) de gelukwenschingen der aanwezigen en de omhelzingen van den
+Baron, van Bouke, van den ouden Beckman en van al zijn betrekkingen,
+zonder dat hij zelf nog iets begreep van het verward verhaal, dat hem
+de omstanders allen te gelijk deden: eindelijk nam de Prins zelf hem
+bij de hand.
+
+"Wij hebben elkander voordezen meer ontmoet," zeide deze, hem met
+welgevallen aanziende.
+
+"Kapitein Holtvast!" zeide Joan verrast.
+
+"Dat was ik te Tiel," hervatte Maurits: "hier noemt men mij Maurits
+van Nassau."
+
+"Uwe Hoogheid!--O ik verzoek verschooning voor hetgeen ik onwillig...."
+
+"Geen verschooning is noodig, waar geen wil tot beleediging bestaan
+heeft," hernam de Prins: "ik heb u toen mijn diensten aangeboden, en
+ik wil heden mijn woord gestand doen, door u het geheim uwer geboorte
+te ontwikkelen."--Dit gezegd hebbende, gaf hij hem in korte woorden
+zijn geluk te verstaan. Bedwelmd en schier sprakeloos zeeg nu de
+jongeling weder aan 't hart zijner dankbare moeder.
+
+En Ulrica! Vergat ik haar?--Neen! maar ik zag op tegen de
+onmogelijkheid om den toestand te beschrijven, waarin zooveel
+verrassende voorvallen haar gebracht hadden. Zij was ontslagen
+van een huwelijk, waar zij tegen ijsde; de beminde van haar
+hart was harer waardig: hij was niet meer een arme, onbekende
+vondeling; maar integendeel door rang en geboorte ver boven haar
+verheven. Dankbaarheid, verbazing, verrukking, ontzetting hadden haar
+aandoenlijk zenuwgestel zoodanig geschokt, dat het haar onmogelijk
+was, één woord uit te brengen. Lang was zij als op de plaats genageld
+blijven staan, eer zij kracht genoeg vond om haar voedsterbroeder te
+naderen, hem de hand toe te reiken en met een flauwe stem tot hem te
+zeggen: "ik behoef u niet te zeggen, of ik in uw geluk deel neem."
+
+"O Ulrica!" zeide de jongeling en drukte een vlammenden kus op haar
+lippen, doch terstond terugtredende: "verschoon mij," zeide hij,
+"ik vergat u geluk te wenschen: het is heden immers uw verlovingsdag?"
+
+"Wat verlovingsdag!" riep de Baron: "zij zal met u haren verlovingsdag
+vieren, of maagd sterven, niet waar Riekje?"
+
+"Vader!" zeide Ulrica, blozend, terugtredende: "Mevrouw de Gravin...."
+
+"'t Is waar ook," hernam de Baron, verlegen: "Joan is nu geen Joan
+meer, maar een te hoog personage voor een arme landfreule als gij
+zijt."
+
+"Beminnen zij elkander?" vroeg de Gravin, terwijl een glans van
+vergenoegen zich over haar gelaat verspreidde. "O! hoe gelukkig zou
+ik zijn, indien Ulrica mijn dochter wezen wil."
+
+Noch Ulrica, noch haar minnaar gaven eenig antwoord; doch zij omhelsden
+beiden de Gravin.
+
+"_Gratulor_!" zeide Raesfelt, toetredende: "Ik wensch u van harte
+geluk, mijn zoon. Gij ziet het: God heeft alles ten beste gekeerd,
+en het is, zooals de Psalmist zegt in Psalm 128:
+
+
+ U doen zal wel beklijven
+ Spoedig met overvloet.
+
+
+Ach! dat ik ook mijnen zoon, mijnen Henricum, alzoo wederom vond!"--En
+zich eensklaps bedenkende, haalde hij zijn smeekschrift voor den dag
+en bood het den Prins aan.
+
+"Hendrik Raesfelt!" zeide de Prins, terwijl hij het vluchtig inzag:
+"Van Kinschot, is dat die jongeling niet, die dezen nacht...."
+
+"Dezelfde!" antwoordde de Fiskaal.
+
+"Uw zoon is een verharde Arminiaan," zeide Maurits lachende tegen
+Raesfelt.
+
+"Een nagel aan mijn doodkist," antwoordde deze: "doch ik ben vader."
+
+".... doch hij is vrij, en kan zich nederzetten waar hij wil," hernam
+de Prins.
+
+
+
+"En is het nu uit?" vroeg op een verdrietigen toon een der lieve
+kleinen, toen zij mij hier het handschrift zag toevouwen en oprollen.
+
+"En wat moest er nog komen, volgens uw gedachte?" vroeg ik op mijn
+beurt.
+
+"Wel zeer veel," hernam zij, mij met groote oogen aanziende, en op haar
+vingers tellende: "vooreerst had ik gehoopt, dat wij de beschrijving
+der bruiloft zouden gehad hebben."
+
+"Gij begrijpt, zusje-lief, dat er in Den Haag geen bruiloft
+gevierd werd. Het zou kwalijk gepast hebben, feesten te houden,
+terwijl de gemanqueerde bruidegom, de Ambtman, terecht gesteld en
+ter dood gebracht werd, gelijk men zulks in de gedrukte sententie
+lezen kan.--Maar, "eer nog de takken van groen loof beroofd waren,"
+vervolgde ik op een declameerenden toon, "was de hooge feestlantaren
+op den slottoren te Bruck geheschen en brandde de pekton op het plein:
+kannen met Rijnschen wijn werden ten beste gegeven aan de vroolijke
+landjeugd, die in 't zondagspak uitgedost, den burcht in- en uitliep
+en op het pleingras in de rondte danste. Een koets rolde de slotbrug
+over: een jeugdig edelman trad er uit en bood de hand om af te stijgen
+aan twee dames, waarvan de eene den middelbaren tijd des levens reeds
+bereikt had en de andere van jeugd en schoonheid bloeide: op hetzelfde
+oogenblik duidden de vreugdeschoten, uit vijftig musketten gelost,
+de komst aan van den Graaf van Falckestein op zijn erfelijk slot."
+
+"En trouwden zij toen?"
+
+"Zij waren te Sonheuvel getrouwd geworden door den vromen Predikant
+Raesfelt: en jaarlijks gingen zij in 't vervolg aldaar eenige maanden
+doorbrengen bij den waardigen Baron, die alsdan geen drinkpartijen
+meer noodig had om den tijd aangenaam door te brengen."
+
+"En Bouke?...."
+
+"Had het genoegen van aan de Kinderen van Ulrich en Ulrica dezelfde
+kunsten te leeren, die hij eertijds aan Joan had medegedeeld, terwijl
+de oude Geert dan gestadig uitriep, wat of Mevrouw zaliger wel gezegd
+zou hebben, als zij dat alles beleefd had."
+
+"Goed! en vader Ambrosius?"
+
+"Deze volvoerde zijn plan en stierf, hoogbejaard, in Amerika, alwaar
+hij als een tweede Las Casas de zegeningen van al wie hem gekend had
+met zich in 't graf voerde."
+
+"En Ludwig? en Magdalena?"
+
+"De ongelukkige vadermoorder stierf in een krankzinnigenhuis: zijn
+moeder begaf zich naar Frankrijk, trachtte er door de strengste
+boetedoening, des Hemels gerechtigheid te verzoenen, en stierf in
+reuk van heiligheid."
+
+"En trouwde Hendrik Raesfelt met de dochter van den Cipier?"
+
+"Ja, doch slechts na den dood van Prins Maurits, toen hij tot Predikant
+bij de Remonstrantsche Sociëteit in een onzer voornaamste steden was
+aangesteld. Nu weet gij, geloof ik, alles."
+
+"Volstrekt niet," zeide een mijner broeders, met een schalkschen
+lach: "gij hebt den Heer Van Botbergen uit een raam laten springen:
+ligt hij daar nog met gebroken armen en beenen? of is hij naar het
+gasthuis gebracht?"
+
+"Gij oolijke gauwdief, gij hebt waarachtig gelijk:--het venster was
+niet hoog en hij kwam op de beenen te land; hij vluchtte de stad
+uit, begaf zich naar Tiel, verborg zich bij Klaas Meinertz, merkte
+dat deze den aanslag verraden had en hem nu overleveren wilde, stak
+den ouden booswicht overhoop, doch werd zelf gepakt, en evenals zijn
+medestanders in den Haag gerecht."
+
+"Wij bedanken u wel voor de voorlezing, lieve broeder!"
+
+"Ik bedank u voor uw aandacht, en zoo ooit mijn lezers evenveel
+belangstelling in mijn verhaal en toegevendheid voor den verhaler
+betoonen, zal ik mijn arbeid dubbel beloond achten."
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] "_Vondel bekroond door het dankbaar nageslacht. Eene herinnering
+aan de oprichting van het standbeeld en de Vondelsfeesten in de
+hoofdstad op 17, 18 en 19 Oktober 1867_." Arnhem, D. A. _Thieme_,
+1868, gr. 8o.
+
+[2] Aftreden van het 1ste ministerie _Heemskerk_, Februari
+1868. Mr. C. _Fock_ vormt een nieuw ministerie.
+
+[3] Van Lennep doelt op zijne brochure: "_Het Podagra en het Manifest
+van Burgerpligt_," Amsterdam, 1868.
+
+[4] Gedurende de jaren 1868 en 1869 schreef ik in het tijdschrift
+"_Nederland_" letterkundige artikelen onder den titel: "_Letterkundig
+Intermezzo_."
+
+[5] _Gids_, December, 1864. Later in het II deel, _Litterarische
+Fantasien_, 1 Reeks.
+
+[6] Deze op den hoed geplaatste veertjes noemde men met een Fransch
+woord, dat sedert een meer algemeene toepassing verkregen heeft,
+_coquardes_.
+
+[7] Ende de Koningen der aerde, die met haer gehoereert hebben,
+sullense beweenen ende rouwe over haer bedrijven. Openb. 18:9.
+
+[8] Hendrik de Vierde, Elizabeth en Graaf Maurits.
+
+[9] Ik zal seventighmaal sevenmael gewroken worden. Gen. 4:24.
+
+[10] Als één man.
+
+[11] Ik zal u den rechten weg leeren.
+
+[12] Zeventigmaal zevenmaal.
+
+[13] Mijne ure is nog niet gekomen.
+
+[14] Zeventigmaal zevenmalen.
+
+[15] In den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan.
+
+[16] De mensch wikt en God beschikt.
+
+[17] Zeventigmaal zevenmalen.
+
+[18] _Confiteor_ beteekent: ik belijde, en wordt voor de belijdenis
+zelve gebruikt, omdat men de biecht met dat woord aanvangt.
+
+[19] Ik heb gezondigd, vader.
+
+[20] Zeventigmaal zevenmalen.
+
+[21] Voorwaar, een fraaie vrouw!
+
+[22] Was hij uw vriend? O! vergeef mij: ik kende uw betrekking niet
+tot hem.
+
+[23] Men moet zien of hij geld heeft.
+
+[24] Wij hebben een ander beest gevonden: eenen verrader.
+
+[25] De vossen hebben kuilen en de vogelen des hemels nesten: maar
+ik heb niet waar ik mijn hoofd kan nederleggen.
+
+[26] Opdat in den naam Jesu zich buige, enz.
+
+[27] Heere! Heere! hebben wij niet in Uwen name geprofeteerd?
+
+[28] Ik heb u nooit gekend: gaat weg van mij, die ongerechtigheid
+werkt.
+
+[29] De dag der wrake.
+
+[30] Deze rede is hard en wie kan die hooren?
+
+[31] Dit boek behoort aan broeder Ambrosius, abt der Dominicanen.
+
+[32] De wapenen moeten onderdoen voor de toga.
+
+[33] Zegevierende verrukking.
+
+[34] Oldenbarneveldt.
+
+[35] De zeeman vertelt van de stormen, de bouwman van de stieren.
+
+[36] Doch hoezeer veranderd van hetgeen hij geweest was.
+
+[37] Vrede zij met u.
+
+[38] Mijn brood is dat ik doe den wille desgenen, die mij gezonden
+heeft.
+
+[39] Draagt geen goud, noch zilver, noch geld in uw gordels.
+
+[40] Zoo iemand niet haat.
+
+[41] Wij moeten blijven en kloekmoedig strijden.
+
+[42] Alles is gereed.
+
+[43] Den koning van Spanje, onzen gemeenen vijand.
+
+[44] Wacht een weinig.
+
+[45] Zijt gij dwaas?
+
+[46] Verdeel en heersch.
+
+[47] Daar de goede Grootmeester de lessen van zijn hoogloffelijken
+leermeester meestal verminkt en onvatbaar ter vertaling maakt, hebben
+wij deze ook gemeend te moeten achterwege laten.
+
+[48] Niet allen kunnen wij alles.
+
+[49] Vrede zij met u.
+
+[50] De Engel des Heeren heeft bij nacht de deuren der gevangenis
+geopend.
+
+[51] Gij zult niet doodslaan.
+
+[52] Cats.
+
+[53] _Vondel_, de Amsterdamsche Hecuba, bl. 28.
+
+[54] Deze dag moet met een witten steen geteekend worden!
+
+[55] Zoo noemde men de boden, die de Remonstranten heimelijk
+waarschuwden wanneer en waar er een bijeenkomst zou plaats hebben.
+
+[56] Schelm! zijt gij niet de zoon van Raesfelt?
+
+[57] Die het einde wil, wil de middelen.
+
+[58] Wij geven wijn aan hen, wier ziel met bitterheid vervuld is,
+opdat zij hunner droefheid niet meer indachtig zijn zouden.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De Pleegzoon, by J. van Lennep
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PLEEGZOON ***
+
+***** This file should be named 24467-8.txt or 24467-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/4/4/6/24467/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/24467-8.zip b/24467-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..5c6badf
--- /dev/null
+++ b/24467-8.zip
Binary files differ
diff --git a/24467-h.zip b/24467-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..576f48d
--- /dev/null
+++ b/24467-h.zip
Binary files differ
diff --git a/24467-h/24467-h.htm b/24467-h/24467-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..c098e4a
--- /dev/null
+++ b/24467-h/24467-h.htm
@@ -0,0 +1,19331 @@
+
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1">
+
+<title>De Pleegzoon</title>
+<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="author" content="Jacob van Lennep">
+<meta name="DC.Creator" content="Jacob van Lennep">
+<meta name="DC.Title" content="De Pleegzoon">
+<meta name="DC.Date" content="#####">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css">
+/* Standard CSS stylesheet */
+
+
+
+body
+{
+font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+margin: 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+
+.titlePage
+{
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0% 7em 0%;
+padding: 5em 10% 6em 10%;
+}
+
+h1.docTitle
+{
+font-size:1.6em;
+line-height:2em;
+}
+
+h2.byline
+{
+font-size:1.1em;
+font-weight:normal;
+line-height:1.44em;
+}
+
+span.docAuthor
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:bold;
+}
+
+h2.docImprint
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:normal;
+}
+
+.transcribernote
+{
+background-color:#DDE;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+font-family:sans-serif;
+font-size:80%;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+
+.div0
+{
+padding-top: 5.6em;
+}
+
+.div1
+{
+padding-top: 4.8em;
+}
+
+.index
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+.div2
+{
+padding-top: 3.6em;
+}
+
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-top: 2.4em;
+}
+
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+padding: 0;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+
+h3
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h3.label
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h4
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h4.lghead
+{
+margin-left:10%;
+margin-right:10%;
+
+}
+
+.alignleft
+{
+text-align:left;
+}
+
+.alignright
+{
+text-align:right;
+}
+
+.alignblock
+{
+text-align:justify;
+}
+
+p.tb, hr.tb
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+text-align: center;
+}
+
+p.poetry
+{
+margin:0 10% 1.58em;
+}
+
+p.line
+{
+margin:0 10%;
+}
+
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+text-indent:0;
+}
+
+p.argument, p.tocArgument
+{
+margin:1.58em 10%;
+}
+
+p.tocChapter
+{
+margin:1.58em 0%;
+}
+
+p.tocSection
+{
+margin:0.7em 5%;
+}
+
+
+div.epigraph
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+
+.epigraph .bibl
+{
+text-align: right;
+}
+
+.epigraph .poem
+{
+margin-left: 0;
+}
+
+.epigraph .line
+{
+margin-left: 0;
+text-indent: 0;
+}
+
+.trailer
+{
+clear: both;
+padding-top: 2.4em;
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+
+.floatLeft
+{
+float:left;
+margin:10px 10px 10px 0;
+}
+
+.floatRight
+{
+float:right;
+margin:10px 0 10px 10px;
+}
+
+p.figureHead
+{
+font-size:100%;
+text-align:center;
+}
+
+.figure p
+{
+font-size:80%;
+margin-top:0;
+text-align:center;
+}
+
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+color:#666666;
+font-size:80%;
+}
+
+span.parnum
+{
+font-weight: bold;
+}
+
+.leftnote
+{
+font-size:0.8em;
+height:0;
+left:1%;
+line-height:1.2em;
+position:absolute;
+text-indent:0;
+width:14%;
+}
+
+.pagenum
+{
+display:inline;
+font-size:70%;
+font-style:normal;
+margin:0;
+padding:0;
+position:absolute;
+right:1%;
+text-align:right;
+}
+
+a.noteref
+{
+font-size: 80%;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+
+
+.red
+{
+color: red;
+}
+
+.displayfootnote
+{
+display: none;
+}
+
+div.footnotes
+{
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+
+hr.fnsep
+{
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+
+p.footnote
+{
+font-size: 80%;
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+
+p.footnote .label
+{
+float: left;
+text-align:left;
+width:2em;
+}
+
+.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+
+.poem
+{
+margin-left:5%;
+position:relative;
+text-align:left;
+width:90%;
+}
+
+.poem h4
+{
+font-weight:normal;
+margin-left:5em;
+}
+
+.poem .linenum
+{
+color:#777;
+font-size:90%;
+left:-2.5em;
+margin:0;
+position:absolute;
+text-align:center;
+text-indent:0;
+top:auto;
+width:1.75em;
+}
+
+.versenum
+{
+font-weight:bold;
+}
+
+/* right aligned page number in table of contents */
+.tocPagenum
+{
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+}
+
+.footnotes .line
+{
+font-size:80%;
+margin:0 5%;
+}
+
+.poem .i0
+{
+display:block;
+margin-left:2em;
+}
+
+.poem .i1
+{
+display:block;
+margin-left:3em;
+}
+
+.poem .i2
+{
+display:block;
+margin-left:4em;
+}
+
+.poem .i3
+{
+display:block;
+margin-left:5em;
+}
+
+.poem .i4
+{
+display:block;
+margin-left:6em;
+}
+
+.poem .i5
+{
+display:block;
+margin-left:7em;
+}
+
+.poem .i6
+{
+display:block;
+margin-left:8em;
+}
+
+.poem .i7
+{
+display:block;
+margin-left:9em;
+}
+
+.poem .i8
+{
+display:block;
+margin-left:10em;
+}
+
+.poem .i9
+{
+display:block;
+margin-left:11em;
+}
+
+span.corr
+{
+border-bottom:1px dotted red;
+}
+
+span.abbr
+{
+border-bottom:1px dotted gray;
+}
+
+span.measure
+{
+border-bottom:1px dotted green;
+}
+
+.letterspaced
+{
+letter-spacing:0.2em;
+}
+
+.smallcaps
+{
+font-variant:small-caps;
+}
+
+
+.caps
+{
+text-transform:uppercase;
+}
+
+.fraktur
+{
+font-family: 'Walbaum-Fraktur';
+}
+
+hr
+{
+clear:both;
+height:1px;
+margin-left:auto;
+margin-right:auto;
+margin-top:1em;
+text-align:center;
+width:45%;
+}
+
+h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure
+{
+text-align:center;
+}
+
+h1,h2
+{
+font-size:1.44em;
+line-height:1.5em;
+}
+
+h1.label,h2.label
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h5,h6
+{
+font-size:1em;
+font-style:italic;
+line-height:1em;
+}
+
+p,p.initial
+{
+text-indent:0;
+}
+
+p.firstlinecaps:first-line
+{
+text-transform: uppercase;
+}
+
+p.dropcap:first-letter
+{
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0em 0.05em 0 0;
+padding: 0px;
+line-height: 0.8em;
+font-size: 420%;
+vertical-align:super;
+}
+
+.poem
+{
+padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+
+p.quote,div.blockquote,div.argument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+margin:1.58em 5%;
+}
+
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+text-decoration:none;
+}
+
+
+ul { list-style-type: disc; }
+ol { list-style-type: decimal; }
+ol.AL { list-style-type: lower-alpha; }
+ol.AU { list-style-type: upper-alpha; }
+ol.RU { list-style-type: upper-roman; }
+ol.RL { list-style-type: lower-roman; }
+.lsoff { list-style-type: none; }
+
+.castlist, .castitem { list-style-type: none; }
+
+
+
+
+
+/* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml
+" */
+
+
+
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+color: #001FA4;
+font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+
+p.byline
+{
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+
+.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage
+{
+color: #001FA4;
+}
+
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+
+p.dropcap:first-letter
+{
+color: #001FA4;
+font-weight: bold;
+}
+
+
+
+</style></head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of De Pleegzoon, by J. van Lennep
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Pleegzoon
+
+Author: J. van Lennep
+
+Release Date: January 31, 2008 [EBook #24467]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PLEEGZOON ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="front">
+<div class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/frontcover.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="496" height="720"></div><p>
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="720" height="106"></div><p>
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><p class="aligncenter">De Pleegzoon.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/frontispiece.jpg" alt="Frontispiece: afbeelding van Jacob van Lennep met handtekening." width="495" height="720"></div><p>
+
+</p>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<h1 class="docTitle">De Pleegzoon</h1>
+<h2 class="byline">Door
+<br>
+Mr. J. van Lennep.
+</h2>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/logo.jpg" alt="Uitgeverslogo A. W. Sijthoff met motto &#8220;Altijt Waek Saem&#8221;." width="147" height="175"></div>
+<h2 class="docImprint">Leiden.&#8212;A. W. Sijthoff.</h2>
+</div><a id="d0e126"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e126">I</a>]</span><div id="d0e127" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Mr. Jacob van Lennep.</h2>
+<div class="epigraph">
+<p>&#8220;Van Lennep was onze prettigste litteraire gestalte, die de kunst verstond vijftig jaren lang amusant te blijven.&#8221;
+
+</p>
+<p><span class="letterspaced">Cd. Busken Huet</span>.
+</p>
+</div>
+<div class="div2" id="d0e137">
+<h3 class="normal">I.</h3>
+<p>&#8217;t Was een plezier <span class="letterspaced">Van Lennep</span> persoonlijk te ontmoeten.
+
+</p>
+<p>Toen hij in Augustus 1865 ter vergaderzaal van het achtste Taal- en Letterkundig Congres te Rotterdam verscheen, geheel in
+een grijs zomercostuum, het fraaie zilveren hair om de slapen golvend, kwam ieder hem blij groetend te gemoet. Aan de tafel
+van het bestuur plaats nemend, de guitige, donkere oogen naar het publiek, vooral naar de dames richtend, zat hij met een
+bijna onmerkbaren glimlach te luisteren. De vrij drooge beraadslaging over de spelling der bastaardwoorden werd plotseling
+door hem met een handvol aardigheden afgebroken. Wie herinnert zich niet, hoe daar door hem geijverd werd, om de ph door de
+f te vervangen&#8212;hoe hij vertelde, dat hij als jonkman een zangspel &#8220;<span class="letterspaced">Saffo</span>&#8221; geschreven had, maar, dat de regisseur zijne spelling in <span class="letterspaced">Sapho</span> gewijzigd had, zoodat de acteurs: &#8220;O, Sap, ho, wees gegroet!&#8221; zongen; hoe hij er bijvoegde, dat eene Amsterdamsche dienstmaagd,
+uitgezonden door hare mevrouw, om te zien of er een vroolijk stuk op het Leidsche Plein zou gespeeld worden, terugkwam met
+het bericht: &#8220;Ze spelen de Mophondjes,&#8221; terwijl in werkelijkheid &#8220;<span class="letterspaced">Demophontes</span>,&#8221; het classiek treurspel van <span class="letterspaced">Metastasio</span>, vertaald door <span class="letterspaced">Westerwijk</span>, werd vertoond; hoe <a id="d0e162"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e162">II</a>]</span>hij besloot met de mededeeling eener jonge dame, die hem in zijne waardigheid van vrijmetselaar vroeg, wat de orde toch bedoelde
+met de woorden <span class="letterspaced">prop hanen</span>, waarop hij antwoordde, dat daarme&ecirc; waarschijnlijk de mannetjes van prop hennen gemeend werden.
+
+</p>
+<p>Een zonneschijn van vroolijkheid schitterde plotseling over de vergadering, die v&oacute;&oacute;r <span class="letterspaced">Van Lennep&#8217;s</span> komst in deftige dommeling zachtkens afdreef op den stroom der verveling.
+
+</p>
+<p>In het huis op de Keizersgracht, in zijne ruime studeerkamer, aan zijne schrijftafel, maakte hij geen minderen indruk. Gekleed
+met zijn grijzen kamerjapon&#8212;als op het groote gesteendrukte portret naar de voortreffelijke schilderij van <span class="letterspaced">Schwarze</span>&#8212;de snuifdoos in de linkerhand, de rechter op een arm van zijn leunstoel, zat hij daar met zijn prettig gezicht en fonkelende
+oogen naar de woorden van zijn bezoeker te luisteren, de gelegenheid afwachtend, om met een fijnen zet of een luimig verhaal
+zelf het woord te nemen. Onder vier oogen kwam daarenboven de natuurlijke goedheid van zijn hart uit, daar hij geene moeite
+te zwaar vond, om aan eenig verzoek zijner vrienden te voldoen. Zijne wetenschap, zijne bibliotheek, zijn invloed stonden
+hun ten dienste, zoo vaak zij zijne hulp inriepen.
+
+</p>
+<p>Te Gent zag men hem, ter gelegenheid van het negende Letterkundig Congres, in het voorportaal van den schoonen schouwburg,
+op een Augustusavond van 1867 in zijn licht reiscostuum&#8212;hij was uit Zwitserland overgekomen&#8212;terwijl hij met hartelijkheid
+de hand drukte van E. <span class="letterspaced">Douwes Dekker</span>, die hem kort te voren in een vlugschrift zijne hulpvaardigheid bij het uitgeven van den &#8220;<span class="letterspaced">Max Havelaar</span>&#8221; als een misdrijf voor de voeten had geworpen. De Congresleden omringden hem van alle kanten. En uit de rijen der Zuid-Nederlanders
+ging een luid gejuich op. Zooveel grootmoedigheid, zooveel zelfbeheersching, zooveel rustige heuschheid mochten niet onopgemerkt
+blijven.
+
+</p>
+<p><span class="letterspaced">Van Lennep&#8217;s</span> persoon was overal bekend. Overal werden hoeden afgenomen, handdrukken gewisseld. In alle Nederlandsche steden had hij vrienden
+of ten minste goede kennissen. Zelfs onder den eenvoudigen, maar nuttigen, stand der sjouwerlieden was zijn naam en persoon
+bekend. En niet alleen te Amsterdam. Het gebeurde in 1867, dat te Rotterdam aan het station van den Rhijnspoorweg bij het
+aankomen van een trein uit Utrecht, een aardig, knap juffertje stond bij eene geopende deur aan het plankier. Dat juffertje
+was eene Rotterdamsche, die dagelijks vrij wat menschen zag, daar zij haar guitig wipneusje sedert een jaar achter het buffet
+deed bewonderen door wereldwijze handelsreizigers en roodgeblakerde tweede-luitenants, <a id="d0e189"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e189">III</a>]</span>die op transport waren. Toen de reizigers uit den trein zich over het plankier verspreidden, zag zij te midden van eene groep
+luidsprekende heeren een grijsaard met ongemeen vriendelijken glimlach en golvende witte hairen. Telkens hield iemand hem
+staande, om hem met een levendigen uitroep van verrassing, van ingenomenheid, eenige snelle woorden toe te spreken, die door
+den wellevenden man onuitputtelijk geduldig werden beantwoord. Ieder beijverde zich met liefde den weg open te houden voor
+den uiterlijk reeds zoo achtbaren man, wiens tred door den last van vijfenzestig jaren reeds vrij wat van vroegere veerkracht
+miste. De knappe buffetjuffrouw verwonderde zich, dat &eacute;&eacute;n oude heer zoo ontzettend veel kennissen om zich heen verzamelde.
+En daar Hein, de witgekielde sjouwerman van het goederenbureel, juist voorbijkwam, vroeg ze:
+
+</p>
+<p>&#8212;&#8220;Wie is die grijze heer?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8212;&#8220;Wie? Wel nou, jij bent ook een beste! Ken-je onzen Van Lennep dan niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8217;t Feit is historisch en werd door een ooggetuige verteld. Ik kom er weldra op terug.
+
+</p>
+<p>Toen ik <span class="letterspaced">Van Lennep</span> voor het laatst zag, doorleefde hij den gelukkigsten dag van zijn ouderdom. Het was Vrijdag 18 October 1867, den dag, waarop
+te Amsterdam het standbeeld van <span class="letterspaced">Joost van den Vondel</span> zou worden onthuld. Eene groote menigte stroomde naar de Nieuwe Kerk, om zich rondom <span class="letterspaced">Vondel&#8217;s</span> grafste&ecirc; te vereenigen. De blauwe zerk was zorgvuldig van stof gezuiverd en prijkte met eene krans van gele immortellen.
+Een dichte drom geletterden schaarde zich eerbiedig om deze heilige plek, terwijl boven onze hoofden de zon door de hooge
+kerkvensters scheen en schoven van goud licht over het hoog gewelf uitgoot. Plotseling stond <span class="letterspaced">Van Lennep</span> v&oacute;&oacute;r ons, het witte hoofd ontbloot, de oogen tintelend van geestdrift, na zeven jaren zwoegens eindelijk triumfeerend door
+de oprichting van het standbeeld. Hij sprak enkele eenvoudige woorden over <span class="letterspaced">Vondel</span>&#8217;s graf en noodigde de feestgenooten naar het park, waar het schoone monument van <span class="letterspaced">Royer</span> en <span class="letterspaced">Cuypers</span> zou worden onthuld.
+
+</p>
+<p>Een uur later verscheen hij in het spreekgestoelte bij het standbeeld en sprak daar met duidelijk verstaanbare stem zijne
+feestrede. Niemand was meer gerechtigd dan hij tot deze taak, daar hij een vierde van zijn reeds gevorderden leeftijd aan
+het verhaal van <span class="letterspaced">Vondel</span>&#8217;s leven, en aan het verklaren van zijne werken had besteed. Uit aller keelen klonk daarom een aanhoudend bravo, toen de welsprekende
+staatsman, die destijds aan het hoofd van het departement van Binnenlandsche Zaken stond, toen Mr. J. <span class="letterspaced">Heemskerk Az</span>., <a id="d0e228"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e228">IV</a>]</span><span class="letterspaced">Van Lennep</span> met een hartelijk woord van gelukwensching, namens Z. M. den Koning, het commandeurskruis der orde van den Nederlandschen
+Leeuw aanbood.
+
+</p>
+<p>Z&oacute;&oacute; zag ik hem voor het laatst.
+
+</p>
+<p>Eens nog schreef hij mij (8 Februari 1868), zeven maanden v&oacute;&oacute;r zijn dood (26 Augustus 1868). Ik geloof, dat men mij de vrijheid
+vergunnen zal dezen brief hier me&ecirc; te deelen, men zal er uit zien, dat mijn verhaal van Hein, den kruier, volmaakt historisch
+is.
+
+</p>
+<div class="blockquote">
+<div class="body">
+<div class="div1">
+<p>&#8220;Amice!
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zeg u grooten dank voor het exemplaar van den <span class="letterspaced">bekroonden</span> Vondel<a id="d0e247src" href="#d0e247" class="noteref">1</a>.... waarmede mijn vrouw, die gedurende de feesten ziek was en dus niets van de pret gezien of gehoord had, zich bijzonder
+vermaakt heeft.... Ik zal er maar niets van zeggen, want ik krijg er zooveel mooie kompl. in, dat ik uw stuk niet prijzen
+durf, zonder den schijn op mij te laden, alsof ik het daarom zoo naar mijn zin vind....
+
+</p>
+<p>&#8220;Het doet mij plezier, dat Gij die pret op &#8217;t slot te Muiden zoo con amore geschilderd en de aandacht weder op dit slot gevestigd
+hebt. De Hr. Heemskerk had, onmiddellijk na het feest, zijn voornemen te kennen gegeven, om een wet voor te stellen tot restauratie
+van het slot, zich vleiende, dat daarvoor nu juist in deze oogenblikken veel sympathie zijn zou;&#8212;doch nu is juist die vervelende
+krizis tusschen beiden gekomen&#8212;<a id="d0e261src" href="#d0e261" class="noteref">2</a>. Van die krizis gesproken, <span class="letterspaced">podagra</span> heb ik deze reize niet gehad, maar dewijl &#8217;t een kwaal is, daar ik best mee bekend ben sedert 30 jaren, heb ik haar bij voorkeur
+in mijn brochure gebracht&#8212;<a id="d0e273src" href="#d0e273" class="noteref">3</a> als onschuldig middel om de attentie te trekken&#8212;....
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ik heb zes maanden lang gesukkeld aan leewater in de knie en laatstelijk aan doofheid. Dat is nu Goddank weer over en
+mijne gezondheid is door de Vondelsfeesten geheel gekureerd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijt gij &#8217;t, of is het een ander, die de <span class="letterspaced">Letterkundige Intermezzoos</span> <a id="d0e286"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e286">V</a>]</span>in Nederland schrijft<a id="d0e288src" href="#d0e288" class="noteref">4</a>. De schrijver, wie dan ook, heeft in zijn eerste artikel eene beschuldiging tegen onze natie gericht, als zou zij haar schrijvers,
+mij b. v., niet kennen of liever geen notitie van hen nemen. Ik zou hem, daar ik er ook als voorbeeld bij gehaald ben, een
+dozijn voorbeelden kunnen geven van het tegendeel. Toen Hofdijk voor een paar jaren bij mij aan de Steeg logeeren zou, was
+er in beide herbergen al een groote vreugde en verwachting vooruit&#8212;en onlangs, dat ik te Rotterdam uit den trein stapte en
+de juffrouw van &#8217;t buffet zei: &#8220;He, wie of die grijskop is met zijn lange haren!&#8221; riep een sjouwerman van &#8217;t goederenbureau
+verontwaardigd uit: &#8220;Wat, ken-je onzen Van Lennep niet?&#8221; Dit werd mij later medegedeeld door den Hr. Van Alphen, die &#8217;t gehoord
+had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Indien gij nu de bedoelde schrijver niet zijt, laat die anecdote&#8212;die in dat geval een kale bluf zou schijnen&#8212;maar liever
+ongelezen.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Vale, faveque
+
+</p>
+<p>&#8220;Amst. 8 febr. 1868. T. T.
+
+</p>
+<p>&#8220;J. v. <span class="smallcaps">Lennep</span>.&#8221;
+</p>
+</div>
+</div>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Van mijn edelmoedigen vriend, die zich, helaas! te vergeefs vleide met herstel zijner gezondheid, heb ik dus de mededeeling
+omtrent het feit, dat wellicht bij de eerste vermelding wat onwaarschijnlijk mocht klinken.
+
+</p>
+<p>De vreugde aan de Steeg in 1866 betoond bij <span class="letterspaced">Hofdijk</span>&#8217;s komst schijnt mij tevens in nauw verband te staan met de blijde opgewektheid, die de viering van zijn zeventigsten jaardag
+(27 Juni 1886) heeft gekenmerkt.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="div2" id="d0e316">
+<h3 class="normal">II.</h3>
+<p>Zonder eenige overdrijving mag beweerd worden, dat <span class="letterspaced">Van Lennep</span> als dichter, als romanschrijver, vele jaren lang de populairste onzer auteurs is geweest. Als voorbeeld zijner populariteit
+heeft Cd. <span class="letterspaced">Busken Huet</span> in 1864<a id="d0e327src" href="#d0e327" class="noteref">5</a> verhaald, dat eene Zandvoortsche vischvrouw <a id="d0e335"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e335">VI</a>]</span>al de veertien deelen van zijn exemplaar der romantische werken van <span class="letterspaced">Van Lennep</span> had geleend en gelezen.
+
+</p>
+<p>Doch niet alleen in visschersstulpen ook in de huizen onzer gegoede burgerij, in de woningen onzer patrici&euml;rs op de Keizers-
+en Heerengrachten, was <span class="letterspaced">Van Lennep</span> steeds een welkome gast. Zijne &#8220;<span class="letterspaced">Idyllen</span>&#8221; maakten hem populair bij de studenten, zijne &#8220;<span class="letterspaced">Legenden</span>&#8221; wonnen hem het hart van al wat jong was, vooral de harten der Hollandsche jonge meisjes, eene verovering <span class="letterspaced">Van Lennep</span> tot op den laatsten dag zijner vriendelijke grijsheid dierbaar. Oud en jong, stedeling en dorper, edelman en burger, schonken
+hem hunne genegenheid, toen &#8220;de Pleegzoon&#8221; verscheen, toen &#8220;<span class="letterspaced">Ferdinand Huyck</span>,&#8221; zijn beste roman, &#8220;<span class="letterspaced">de Roos van Dekama</span>&#8221; opvolgde, toen de breed ontworpen &#8220;<span class="letterspaced">Voorouders</span>&#8221; het licht zagen, en eindelijk, toen de niet het minst besproken, aangevallen, geprezen en gelezen &#8220;<span class="letterspaced">Lotgevallen van Klaasjen Zevenster</span>&#8221; geheel de letterkundige wereld in den winter van 1865 op 1866 in rep en roer brachten.
+
+</p>
+<p><span class="letterspaced">Van Lennep</span>&#8217;s romans blijven leven, zoo goed als die van <span class="letterspaced">Walter Scott</span>, en worden herhaaldelijk herdrukt, gelijk ook deze steeds opnieuw worden uitgegeven. &#8220;<span class="letterspaced">De Pleegzoon</span>&#8221; verscheen in 1829 en zag sedert dat jaar tot heden met al zijne opvolgers, telkens in nieuwen vorm het licht. Omtrent &#8220;<span class="letterspaced">de(n) Pleegzoon</span>&#8221; schreef de auteur mij (4 Augustus 1867):
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb mijn Pleegzoon ongeveer 40 jaren geleden geschreven (1827); hij heeft eenige jaren in de lade gelegen; geen boekverkoper
+wou er aan. Eerst toen ik met mijne Legenden wat naam gemaakt had, wou P. Meijer Warnars er zich wel over ontfermen. Van honorarium
+kon nog geen sprake zijn, en ik geloof niet, dat Drost voor zijn &#8220;Pestilentie te Katwijk&#8221; heel veel meer gehad heeft. Oltmans
+kwam iets later, wanneer weet ik niet. Eerst na 1840 heb ik honorarium bedongen....&#8221;
+
+</p>
+<p>De eerste historische roman van Mr. <span class="letterspaced">Jacob van Lennep</span> moest <span class="letterspaced">twee jaren</span> wachten, voordat hij bij wijze van genade door den druk werd algemeen gemaakt!
+
+</p>
+<p>Dit leerzaam feit voor de geschiedenis onzer letteren zal balsem gieten in de wonden van hen, die met onuitgegeven handschriften
+naar een uitgever blijven zoeken, en tevens in die der lofredenaars van &#8217;t verledene, welke er zich aan ergeren, dat onze
+boekenmarkt op het huidige oogenblik te veel overvoerd is.
+
+</p>
+<p>De drukken van <span class="letterspaced">Van Lennep</span>&#8217;s historische romans volgden elkander spoedig, een bewijs, dat P. <span class="letterspaced">Meijer Warnars</span> weinig oog had op letterkundige kunst. &#8217;t Meest bekend werden: de Rotterdamsche uitgaaf van 1855 in dertien blauwe deelen
+en de vier <a id="d0e399"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e399">VII</a>]</span>deelen, klein folio, door <span class="letterspaced">Nijhoff</span>, <span class="letterspaced">Sijthoff</span> en <span class="letterspaced">Thieme</span> van 1867 tot 1869 in het licht gezonden. Zonder profeet te zijn, durf ik ook der tegenwoordige volkseditie in elf deelen
+de vruchtbaarste toekomst voorspellen.
+
+</p>
+<p>De historische romans van <span class="letterspaced">Van Lennep</span> hebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit. Voordat ik dit met een enkel woord
+staaf, doet zich de vraag op, of <span class="letterspaced">Van Lennep</span> chronologisch inderdaad onze <span class="letterspaced">eerste</span> historische romanschrijver is. Meestal stelt men het zoo v&oacute;&oacute;r, alsof in 1829 door &#8220;<span class="letterspaced">De(n) Pleegzoon</span>&#8221; in de geschiedenis der Nederlandsche letteren een datum gevormd wordt; alsof <span class="letterspaced">Van Lennep</span>&#8217;s eerste roman, tevens de eerste <span class="letterspaced">historische</span> roman in Nederland geweest is. Dit is alleen in <span class="letterspaced">zekeren</span> zin juist. <span class="letterspaced">Van Lennep</span> schreef in 1827&#8212;hij zelf verzekerde het ons reeds&#8212;zijn eersten historischen roman. Als zoodanig is de chronologie in orde.
+Doch om nauwkeurig te spreken, had men moeten vermelden, dat in 1827 eene Amsterdamsche patricische schrijfster, Mejuffrouw
+<span class="letterspaced">Maria Jacoba de Neufville</span>, het beproefd had een historischen roman samen te stellen, die evenals &#8220;<span class="letterspaced">De Pleegzoon</span>,&#8221;[komma achter &#8221;?] maar eenigen tijd v&oacute;&oacute;r &#8220;<span class="letterspaced">De(n) Pleegzoon</span>&#8221;, in 1829 het licht zag onder den titel: &#8220;D<span class="letterspaced">e Schildknaap. Iets uit den ouden tijd. Een oorspronkelijk historisch romantisch verhaal</span>.&#8221; (Staalgravure van D. <span class="letterspaced">Veelwaard</span>). Te Amsterdam bij P. <span class="letterspaced">den Hengst en Zoon</span>. 1829, gr. 8<sup>o</sup>.
+
+</p>
+<p>De poging van Mejuffrouw <span class="letterspaced">De Neufville</span> is volkomen dezelfde als die van Mr. J. <span class="letterspaced">van Lennep</span>. Zij vloeit uit dezelfde bron. Zij getuigt het in haar &#8220;<span class="letterspaced">Voorberigt</span>,&#8221; als zij verklaart:
+
+</p>
+<p>&#8220;Aan de Verhandeling van den Hooggeleerden Heer D. J. <span class="smallcaps">van Lennep</span>, <span class="letterspaced">Over het belangrijke van Holland&#8217;s grond en oudheden voor gevoel en verbeelding</span>, welke Verhandeling ik op den 30<sup>e</sup> Januarij 1827 het genoegen had, door den opsteller te hooren voordragen, is het werk, hetwelk ik thans mijnen landgenooten
+aanbied, deszelfs wording verschuldigd. Altijd met warme liefde voor mijn zoo dikwijls ten onregte verguisd en beschimpt vaderland
+vervuld, groeide die liefde in mij tot geestdrift aan, door de zoo welsprekende taal des Hoogleeraars en kwam al <span class="letterspaced">aanstonds</span> de lust in mij op, om te beproeven of het mogelijk wezen zou, een romantisch tafereel te schetsen, in den smaak van dezulke,
+als wij aangaande de zeden en gewoonten van andere volken bezitten, iets waarmede (en hierover betuigt de Heer <span class="smallcaps">Van Lennep</span>, in meergemelde Verhandeling zijne verwondering) zich aangaande onze voorvaderen nog niemand beziggehouden had.&#8221;
+
+</p>
+<p>Uit deze woorden blijkt duidelijk, dat &#8220;<span class="letterspaced">de Pleegzoon</span>&#8221; en &#8220;<span class="letterspaced">de <a id="d0e492"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e492">VIII</a>]</span>Schildknaap</span>&#8221; bijna terzelfder tijd en onder dezelfde invloeden ontstaan zijn. De hoogleeraar <span class="letterspaced">D. J. van Lennep</span> gaf aan beiden dezelfde opwekking; hij leende zelfs wetenschappelijke boeken aan Mejuffrouw <span class="letterspaced">De Neufville</span>, zooals zij in datzelfde &#8220;<span class="letterspaced">Voorberigt</span>&#8221; vermeldt, als zij getuigt: &#8220;Voor het overige hebben andere schrijvers, wier werken ik, of zelve bezit, of die mij door den
+heer <span class="smallcaps">Van Lennep</span>.... goedgunstiglijk geleend werden, mij tot leidslieden verstrekt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het is duidelijk, dat v&oacute;&oacute;r 1827 in Nederland geen historische romans zijn geschreven, daar de nauwkeurige <span class="letterspaced">D. J. van Lennep</span> in dat geval zeker niet zou gezegd hebben, dat zich &#8220;<span class="letterspaced">nog niemand</span>&#8221; met dit kunstvak in Nederland had &#8220;beziggehouden&#8221;. Tevens blijkt uit het &#8220;<span class="letterspaced">Voorberigt</span>&#8221;, dat men den buitenlandschen historischen roman kent, zoodat &#8220;<span class="letterspaced">Pleegzoon</span>&#8221; en &#8220;<span class="letterspaced">Schildknaap</span>&#8221; beiden uit de school van Sir <span class="letterspaced">Walter Scott</span> stammen&#8212;<span class="letterspaced">Scott</span>, die in 1814 met &#8220;<span class="letterspaced">Waverley</span>&#8221; begon, en tot aan zijn dood (1832) met zijn &#8220;<span class="letterspaced">Count Robert of Paris</span>&#8221; volhardde. Het behoeft niet nader gestaafd, dat de historische roman juist een kolfje was naar de hand dezer twee, tot eene
+zeer behoudende wereldbeschouwing overhellende naturen&#8212;<span class="letterspaced">Maria Jacoba de Neufville</span> en <span class="letterspaced">Jacob van Lennep</span>. <span class="letterspaced">Scott</span> had den historischen roman het eerst in zijn modernen vorm te voorschijn geroepen, <span class="letterspaced">Scott</span> was de apostel zijner nationale glorie, gekant tegen het Fransch classicisme, gekant tegen de omwentelingen van 1789 en 1793.
+
+</p>
+<p>Dat het opwekkend woord van den hoogleeraar <span class="letterspaced">D. J. van Lennep</span> in 1827 terstond goede diensten deed aan de vaderlandsche letteren, blijkt niet alleen aan &#8220;<span class="letterspaced">Schildknaap</span>&#8221; en &#8220;<span class="letterspaced">Pleegzoon</span>,&#8221; maar daarenboven nog aan eene enkele zwakke poging in 1828 door <span class="letterspaced">J. C. Appenzeller</span> beproefd, die in dat jaar een, nu geheel vergeten, historischen roman schreef onder den titel: &#8220;<span class="letterspaced">Geertruida Van Wart, of trouw tot in den dood. Eene ware geschiedenis uit de 14<sup>e</sup> eeuw.</span>&#8221; Amsterdam, 1828. 8<sup>o</sup>.
+
+</p>
+<p>Onze Nederlandsche historische roman begint&#8212;daar <span class="letterspaced">Adriaan Loosjes</span>, wegens gebrek aan historischen zin, niet mag medetellen&#8212;met Mejuffrouw <span class="letterspaced">De Neufville</span> en <span class="letterspaced">Jacob van Lennep</span> in 1829, om dan onder invloed van dezen laatste&#8212;en natuurlijk van diens meester <span class="letterspaced">Walter Scott</span>&#8212;rijkelijk te bloeien. <span class="letterspaced">Van Limburg Brouwer</span> gaf in 1831: &#8220;<span class="letterspaced">Charicles en Euphorion</span>,&#8221; in 1838: &#8220;<span class="letterspaced">Diofanes</span>.&#8221; <span class="letterspaced">Bakhuizen Van den Brink</span> volgde in 1834 en 1835 met historische novellen in de &#8220;<span class="letterspaced">Muzen</span>,&#8221; het tijdschrift van <span class="letterspaced">Potgieter</span>, <span class="letterspaced">Heije</span> en <span class="letterspaced">Drost</span>; deze laatste schreef in 1831 zijn &#8220;<span class="letterspaced">Hermingard van de Eikenterpen</span>;&#8221; <span class="letterspaced">Oltmans</span> volgde in 1834 <a id="d0e615"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e615">IX</a>]</span>met &#8220;<span class="letterspaced">Het slot Loevestein</span>,&#8221; in 1838 met &#8220;<span class="letterspaced">De(n) Schaapherder</span>;&#8221; eindelijk verscheen Mejuffrouw <span class="letterspaced">A. L. G. Toussaint</span>, met haar &#8220;<span class="letterspaced">Almagro</span>&#8221; (1837), haar &#8220;<span class="letterspaced">Graaf van Devonshire</span>&#8221; (1838) en haar &#8220;<span class="letterspaced">Lauernesse</span>&#8221; (1840).
+
+</p>
+<p>Stellen wij dus de te veel vergeten <span class="letterspaced">De Neufville</span> naast onzen <span class="letterspaced">Van Lennep</span>, dan mogen wij aan beiden de eer geven den historischen roman in Nederland te hebben begonnen.
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="div2" id="d0e643">
+<h3 class="normal">III.</h3>
+<p>De historische romans van <span class="letterspaced">Van Lennep</span> hebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit&#8212;zeide ik. Hunne kracht ligt in de
+uitnemende helderheid van stijl en voorstelling. <span class="letterspaced">Van Lennep</span> heeft behoefte aan juistheid, nauwkeurigheid, duidelijkheid. Zijne vertelling zweeft nooit in een duisteren nevel van onoplosbare
+geheimzinnigheid. Aan <span class="letterspaced">Walter Scott</span>, misschien ook aan den ouden <span class="letterspaced">Dumas</span>, heeft hij de kunst afgezien een belangwekkenden knoop te leggen, welken hij zonder kunst- of vliegwerk zeer behendig oplost.
+Het is niet te ontkennen, dat hij een geliefkoosd schema van roman&#8212;de held of de heldin van onbekende afstamming, zoekend
+naar vader of moeder&#8212;somtijds herhaalt. Dit denkbeeld ligt ten grondslag aan &#8220;<span class="letterspaced">De(n) Pleegzoon</span>,&#8221; komt terug in de &#8220;<span class="letterspaced">Roos van Dekama</span>,&#8221; en is op breede schaal bewerkt in &#8220;<span class="letterspaced">Klaasjen Zevenster</span>&#8221;.
+
+</p>
+<p>Eene zwakheid van <span class="letterspaced">Van Lennep&#8217;s</span> kunst ligt in zekere ongegeneerdheid ten opzichte van historische gegevens, zoodat zijn roman &#8220;<span class="letterspaced">Elisabeth Musch</span>&#8221;, als verhaal op zich zelf aangenaam te lezen, als historische roman volkomen mislukt is. In degelijkheid van historische
+wetenschap, in psychologische fijnheid van karakteropvatting staat Mevrouw <span class="letterspaced">Bosboom-Toussaint</span> boven hem. Deze laat zich niet afschrikken door een vermoeiend historisch onderzoek, dringt bij hare helden en heldinnen
+door in de diepten van de binnenborst, en schept karakters, die, psychologisch geheel afgewerkt, een onvergetelijken indruk
+achterlaten. <span class="letterspaced">Van Lennep</span> wil het den lezer naar den zin maken, wil behagen; hij bekreunt zich meer om hetgeen met zijne personen geschiedt, dan wat
+in hun hart en hoofd omgaat. Hij wil een boeiend verteller zijn, die, zonder de geschiedenis opzettelijk in het aangezicht
+te slaan, zijn lezer steeds in spanning houdt.
+<a id="d0e683"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e683">X</a>]</span></p>
+<p>Bij Mevrouw <span class="letterspaced">Bosboom-Toussaint</span> ontstaat uit de degelijkheid der historische wetenschap en de fijnheid der zielkundige analyse somtijds eene overlading en
+eene uitvoerigheid, die naar langdradigheid zou kunnen zweemen; bij <span class="letterspaced">Van Lennep</span> neemt het verhaal een vluggen, levendigen gang, die het hart van den gewonen lezer steelt, maar dikwijls dreigt in oppervlakkigheid
+te verloopen. Mevrouw <span class="letterspaced">Bosboom-Toussaint</span> heeft <span class="letterspaced" lang="fr">les d&eacute;fauts de ses qualit&eacute;s</span>, <span class="letterspaced">Van Lennep</span> <span class="letterspaced" lang="fr">les qualit&eacute;s de ses d&eacute;fauts</span>.
+
+</p>
+<p>Het best gelukt is zijn &#8220;<span class="letterspaced">Ferdinand Huyck</span>,&#8221; een voortreffelijk boek in vele opzichten. Evenals in zijn &#8220;<span class="letterspaced">Klaasjen Zevenster</span>&#8221; is hier zoowel historisch als psychologisch het schoonste geleverd van alles wat <span class="letterspaced">Van Lennep</span> zou voltooien. Hij had de achttiende eeuw lief. Hij kende haar en hare beschaving, vooral het achttiende eeuwsche patriciaat
+te Amsterdam. Opgevoed naar de overleveringen van zijn oud geslacht, naar de classieke wijsbegeerte van zijn vader <span class="letterspaced">David Jacobus</span>, moest hij zich het naast verwant gevoelen aan een juist vervlogen tijdvak, dat door goede manieren, vlug vernuft en letterkundigen
+smaak uitmuntte. <span class="letterspaced">Van Lennep</span>, dien men te recht voor een der aanvoerders der Romantische beweging in Nederland hield, was in zijn hart het classicisme
+der achttiende eeuw nog meer genegen.
+
+</p>
+<p>Een bewijs van deze laatste stelling put ik uit een zijner vriendelijke brieven.
+
+</p>
+<p>Naar aanleiding eener opmerking tegen Engelsche romanschrijvers, die misbruik maken van Latijnsche citaten, schreef hij mij
+(5 April 1860):
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik moet er bijvoegen, dat hetgeen u thands.... tegenstaat, u misschien niet zou hebben tegengestaan, indien gij een 30 jaren
+ouder waart en u den tijd herinnerdet, toen het klassicisme ook hier te lande meer algemeen was en men zich niet geneerde
+aan tafel in tegenwoordigheid van dames Ovidius of Horatius aan te halen. De konversatie, zoo als ik mij die in mijn jeugd
+herinner, had altijd een klassieke tint en wie die bij uitnemendheid wist aan te brengen&#8212;en daarom ook in Engeland zoo geacht
+en gezien was&#8212;was A. R. Falck!&#8212;en toch belette dit niet, dat de dames toen doodelijk van hem waren.... ja, dat, toen zijn
+Brieven 3 jaar geleden (1857) in &#8217;t licht kwamen, al de exemplaren bij Amsterdamsche boekverkoopers aanwezig, tot groote verbazing
+van Nijhoff, den eersten avond reeds waren opgehaald&#8212;meest alle door dames tusschen de 60 en 80 jaren (die zeker wilden weten
+of zij er ook in voorkwamen). &#8217;t Is waar, Falck citeerde ook Fransch, Engelsch, Hoogduitsch, enz.&#8212;maar had niets, dat op pedanterie
+geleek, en nimmer heb ik aangenamer mensch ontmoet.&#8221;
+<a id="d0e727"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e727">XI</a>]</span></p>
+<p>Zij, die <span class="letterspaced">Van Lennep</span> gekend hebben, zien met mij den schalkschen glimlach om den mond en in het oog beide, waarme&ecirc; hij deze regelen schreef!
+
+</p>
+<p>Zijne genegenheid voor het Fransche classicisme der achttiende eeuw paarde zich hoogst eigenaardig aan eene vrij groote geringschatting
+der middeleeuwen en al wat met middeleeuwsche studi&euml;n in verband stond. Zijne &#8220;<span class="letterspaced">Legenden</span>,&#8221; zijne &#8220;<span class="letterspaced">Roos van Dekama</span>&#8221;, zijne &#8220;<span class="letterspaced">Voorouders</span>&#8221; verraden op menige plaats, dat hij trots zijne verwonderlijke vlugheid, ondanks eene verbazende gemakkelijkheid, om alle
+zwarigheden te boven te komen, toch zijn meester <span class="letterspaced">Walter Scott</span> in kennis en opvatting der middeleeuwen niet evenaarde.
+
+</p>
+<p>Omtrent dit punt schreef hij mij een zeer karakteristieken brief (4 Augustus 1867), toen ik hem de eerste aflevering mijner
+&#8220;<span class="letterspaced">Schets eener geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde</span>,&#8221; handelende over de middeleeuwen, aanbood:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik las uw boek <span class="letterspaced">voor</span> mij <span class="letterspaced">zelf</span> met veel belangstelling; doch het zou mij spijten, indien uw wensch vervuld werd, en dit boekje op een H. Burgerschool werd
+gebruikt. Mij dunkt, zij hebben daar al ongare kost genoeg te slikken dan om nog op Middel-Nederlandsch getrakteerd te worden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is een mooie ontdekking.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ik lees liever Fransch.
+
+</p>
+<p>&#8220;Indertijd, toen ik Curator van &#8217;t Gymnasium was, had <span class="letterspaced">Hofdijk</span> ook zoo&#8217;n boekje geschreven.... doch ik zei, dat hij aangesteld was, om aan de jongelui de Hollandsche taal te leeren en
+niet het Middel-Nederlandsche <span class="letterspaced">patois</span> en ik verbood het gebruik van dat boekske. Die studi&euml;n van Gothisch, Angel-Saksisch, Middel-Nederlandsch enz. mogen zeer
+goed zijn voor filologen, maar zij kunnen er niet toe strekken om onzen stijl of onzen smaak te vormen, en die zoogenaamde
+na&iuml;veteit er van&#8212;&#8217;t eenige wat dan nog &#8217;t gebrek aan vorm, rhythmus, kadans, maat, rijm, enz. vergoeden moet, geef ik graag
+present en.... lees liever Fransch.
+
+</p>
+<p>&#8220;Verder is er, althans in de eerste helft van uw boek bijna geen bladzijde, waarover ik geen lust zou hebben met u te twisten.
+&#8217;t Schijnt, dat bij u, even als bij velen, heden ten dage de <span class="letterspaced">vorm</span>, de <span class="letterspaced">dictie</span>, <span class="smallcaps">niets</span> is en alles zich moet bepalen tot de gedachte. Maar <span class="letterspaced">po&euml;tische</span> gedachten heeft bijna iedereen, dunkt mij, en de kunst bestaat juist daarin, dat men ze in een cierlijken, welluidenden,
+bevalligen vorm giet, die door het oor het hart treft en den geest bevredigt. En daarom, hoe groot en verbazend een genie
+Shakespere geweest is, ik mis herhaaldelijk bij hem die harmonie, die eenheid, die zuiverheid van vorm, die samen moesten
+werken <a id="d0e786"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e786">XII</a>]</span>om een wezenlijk schoon geheel te verkrijgen. Dat ik hoog met hem loop, blijkt wel daaruit, dat ik zoowel op mijn tiende,
+als op mijn 50<sup>ste</sup> en 60<sup>ste</sup> jaar stukken van hem vertaald heb, maar hoe meer ik hem vereerde en bewonderde in zijn reusachtige grootheid, hoe meer het
+mij hinderde, als ik zoovele euphu&iuml;smen, platheden en laffe aardigheden naast de verhevenste brokken vond. Ik houd machtig
+veel van Jan Steen en ik bewonder <span id="d0e794" class="corr" title="Bron: Rubbens">Rubens</span>; maar het zou mij stuiten, als ik op den achtergrond eener schilderij, die Christus met de Apostelen voorstelde, een boeren
+bruiloft zag. &#8217;t Moge het menschelijk leven zijn naar waarheid geschetst, maar &#8220;bloemen&#8221;&#8212;als <span class="letterspaced">Bredero</span> zegt&#8212;is ook menschelijk; en toch hoort het op het tooneel niet thuis. En daarom al mocht ik eens toegeven, dat de stukken
+van Shakespere meer schoons bevatten dan eenig ander stuk, zoo is er niet een onder zijne treurspelen, hetwelk door harmonische
+eenheid voldoet aan &#8217;t geen ik in een treurspel vorder en b. v. terugvind in den Edipus van Sofokles, in den Cid, in de Iphig&eacute;nie
+en de Athalie, in den Lucifer en in den Jozef in Dothan. Ik laat natuurlijk ieder vrij anders te denken: <span class="letterspaced" lang="la">hanc veniam damus, petimusque vicissim</span>; maar ik kan niet goedkeuren, dat gij zoo bepaald als lofredenaar van Shakespere optreedt. Onze voorouders zondigden in een
+tegenovergesteld uiterste en bij hen was Shakespere een barbaar. Nu liggen de groote schrijvers van de eeuw van Lodewijk XIV
+achter de bank, en mogen alleen Shakespere en Goethe bewierookt worden. Ik heb voor een paar jaar diens &#8220;Egmond&#8221; zien vertoonen.
+&#8220;&#8217;t Moet mooi zijn,&#8221; dacht ik, &#8220;omdat het van Goethe is; was &#8217;t van een onbekende, ik zou zeggen, wat een godsjammerlijk prul
+is dit.&#8221; Er is een mode in alles; maar omdat men nu een voorstander is van de italiaansche muziek, moet men daarom de Euryanthe
+leelijk vinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ik behoef der schim van mijn vaderlijken vriend en beschermer geen vergiffenis te vragen voor de vrijmoedigheid, waarme&ecirc; ik
+hem na zijn dood nog eens het woord geef.
+
+</p>
+<p>In 1867 sprak <span class="letterspaced">Van Lennep</span> aldus met volle overtuiging. Uiterst merkwaardig schijnt het mij het contrast te bestudeeren tusschen den als hoofd der Romantische
+School gehuldigden auteur van &#8220;<span class="letterspaced">Ferdinand Huyck</span>&#8221; en zijn eigene zuiver classieke, zuiver achttiende eeuwsche, zuiver Fransche aesthetiek.
+
+</p>
+<p>Hadde <span class="letterspaced">Van Lennep</span> tot in onzen tijd kunnen leven, hij zou zich verheugd hebben in de zich langzaam ontwikkelende nieuwe <span class="letterspaced">Renaissance</span>, die nog nauwelijks wordt opgemerkt, maar toch eene schoone toekomst te gemoet gaat. <span class="letterspaced">Van Lennep</span>, schrander en helder ziende <a id="d0e824"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e824">XIII</a>]</span>in de toekomst, zou begrepen hebben, dat de Nederlandsche Letteren haar voordeel zouden kunnen doen met het Fransche Naturalisme,
+maar dat zij nimmer tot eene slaafsche navolging dezer school zouden kunnen afdalen. Hij zou tevens begrepen hebben, dat de
+afgoderij met <span id="d0e826" class="corr" title="Bron: sonetten">sonnetten</span> en raadselachtige verstandspo&euml;zie evenmin tot het gewenschte doel: verjonging onzer nationale muzen, zou kunnen leiden. Zijn
+eigen standpunt moge dan voor ouderwetsch doorgaan, hij vertegenwoordigt in elk geval de classieke, smaakvolle denkwijze,
+door zijn vader <span class="letterspaced">David Jacobus</span> zoo welsprekend verdedigd. Hij moge reeds in zijne jongensjaren <span class="letterspaced">Shakespere</span> vertalen, wetgevers op kunstgebied blijven voor hem alleen <span class="letterspaced">Boileau</span> en <span class="letterspaced">Horatius</span>. Ademend in de classieke atmosfeer zijns vaders, van zijne vroegste jeugd met Latijnsche verzen begroet, zou hij de overwinnende
+Romantiek alleen onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden. De algemeene geestdrift voor <span class="letterspaced">Walter Scott</span> en <span class="letterspaced">Byron</span> bracht hem tot zijne &#8220;<span class="letterspaced">Legenden</span>&#8221; en zijne <span class="letterspaced">historische romans</span>. De bijval, hem geschonken, stuwde hem verder voort, dan hij misschien wel wilde, naar de kusten der Romantiek, immer vasthoudend
+aan de classieke beginselen, die hem als knaap en student waren ingeprent.
+
+</p>
+<p>De &#8220;groote schrijvers&#8221; der eeuw van <span class="letterspaced">Louis XIV</span> lagen hem na aan het hart. Hij begreep de schoonheden van <span class="letterspaced">Shakespere</span> en Goethe, maar was in den grond der zaak geen voorstander der Romantische School van 1830. Dit bleek mij uit den reeds aangehaalden
+brief van 1867, waarin hij mij berispte, omdat ik mij veroorloofd had met zekere koelheid over het <span class="letterspaced">Leerdicht</span> te spreken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zie niet in&#8221;&#8212;schreef hij mij&#8212;&#8220;waarom het <span class="letterspaced">Leerdicht</span> een banvloek verdient, als gij er over uitspreekt. <span class="letterspaced">Bone Deus</span>, de [Greek: Erga chai &ecirc;rerai], de <span class="letterspaced">Georgica</span>, de <span class="letterspaced">Ars poetica</span> (&#8217;t zij van Horatius, &#8217;t zij van Boileau), de <span class="letterspaced">Ziekte der geleerden</span>, zooveel heerlijks en liefelijks, met een pennestreek weggecijferd: wel, mij dunkt, zoo als Bilderdijk zeer te recht zegt:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Geen veld is dor, waar dichtkunst zich vertreedt!&#8221;</span></p>
+</div>
+<p>&#8220;en juist dit is haar privilegie, om uit den schijnbaar dorren bodem de heerlijkste vruchten te doen uitspruiten. Ook hier
+wederom zeg ik:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; " lang="fr">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Tous les genres sont bons, hors le genre ennuyeux.&#8221;</span></p>
+</div>
+<p>Vader <span class="letterspaced">Van Lennep</span> maakte zich hier wat al te snel van de zaak af. Maar zijn gevoel brengt hem niet op een dwaalweg. De <a id="d0e894"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e894">XIV</a>]</span>didactische po&euml;zie heeft haar voor en tegen. Juist in deze laatste jaren zijn vele hoeden en mutsen afgenomen voor de Muze
+der Didactiek. De roman, afhankelijk gesteld van grondige studie der anthropologie, psychologie en sociologie; de lyrische
+po&euml;zie in dienst van alle wetenschappen en elke wijsbegeerte&#8212;mij dunkt deze teekenen der tijden zouden <span class="letterspaced">Van Lennep</span> niet al te zeer hebben mishaagd.
+
+</p>
+<p>Nog een kenmerkend hoofdstuk zijner aesthetische wereldbeschouwing, draagt tot opschrift: &#8220;Verdiensten der achttiende eeuw.&#8221;
+Aan het slot van den zooeven aangehaalden brief, vermaant hij mij nogmaals:
+
+</p>
+<p>&#8220;Het gerijmel der 18<sup>de</sup> eeuw vindt geen genade in uw oogen. &#8217;t Spijt mij, want ik ken een menigte brokken van buiten uit Poot, uit den <span class="letterspaced">Achilles</span>, uit den <span class="letterspaced">Monzongo</span>, uit het <span class="letterspaced">Beleg van Haarlem</span>, uit den <span class="letterspaced">Agon Sultan van Bantam</span>, uit de vertalingen door Doornik en door Nomsz gemaakt, en ik zet het onzen hedendaagschen po&euml;ten&#8212;ten Kate uitgezonderd&#8212;om
+zulke vaerzen te schrijven. &#8217;t Is net hier als in Frankrijk, waar men zich&#8212;een Victor Hugo aan &#8217;t hoofd&#8212;volstrekt niet meer
+stoort aan censuur of kadans. Ik las dezer dagen....... van onzen vriend H. Lieve Hemel, bijna geen bladzijde, waar ik niet
+een vers aantref, dat een voet te veel of te weinig heeft. Bij S. ad idem. Als er dat nu niet op aankomt, &#8217;t is mij wel; maar
+voor mij is het niet genoeg, dat een lied muzikale gedachten bevat; om mij te behagen moet het speeltuig behoorlijk gestemd
+en de zangstem zuiver zijn, anders verscheuren zij mij de ooren....&#8221;
+
+</p>
+<p>Uit het graf klinke deze vermaning vrij in onze woelige letterkundige wereld van 1886. Slechts oppervlakkigheid en verwaandheid,
+vruchten van halve wetenschap en geheele zelfmisleiding, zullen den fijngevoelenden <span class="letterspaced">Van Lennep</span> een antwoord onwaardig keuren.
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="div2" id="d0e923">
+<h3 class="normal">IV.</h3>
+<p>De auteur van &#8220;<span class="letterspaced">Ferdinand Huyck</span>&#8221; dankt zijne populariteit niet uitsluitend aan zijne romans.
+
+</p>
+<p>Behalve dezen deed hij zich als echt <span class="letterspaced">Nederlandsch dichter</span> kennen. Heel zijn leven lang zorgde hij er voor, dat bij elke plechtige gelegenheid eenige toepasselijke regelen van zijne
+hand voor zijne vrienden het licht zagen. In den huiselijken kring of in het <a id="d0e936"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e936">XV</a>]</span>maatschappelijk leven werd elke belangrijke gebeurtenis door hem met hartelijke woorden herdacht. Van zijne &#8220;<span class="letterspaced">Academische Idyllen</span>&#8221; (1826) tot aan zijne &#8220;<span class="letterspaced">Vermakelijke Spraakkunst</span>&#8221; (1865) bleek hij zoo niet de geestigste, dan toch zeker de opgeruimdste en levenslustigste zanger, die onder ons, deftige
+lieden, te vinden was. Een snaaksche glimlach was om zijne lippen als bestorven, zoodat, toen hij de koddige grappen van zijn
+vriend <span class="letterspaced">Gerrit van de Linde</span> in zijn almanak &#8220;<span class="letterspaced">Holland</span>&#8221; deed afdrukken, ieder geloofde, dat hij zelf ze geschreven had.
+
+</p>
+<p>Er is in de laatste vijfentwintig jaren geene bloemlezing onzer hedendaagsche dichters, waarin niet op de eereplaats aangetroffen
+wordt <span class="letterspaced">Van Lennep&#8217;s</span>:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Mijn waarde Neef! ik durf het wagen
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>U twee kommissies op te dragen:
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>&#8217;t Is, in &#8217;t Verkoophuis, voor Papa,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Vier doosjes Lucifers te koopen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>En op de Bloemmarkt voor Mama,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Wat lentebloemzaad op te loopen:
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Dan voor bro&ecirc;r Kees, een nieuwen tol.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Voorts zendt Gij mij, &#8217;k durf daarop reeknen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Een boek papier om op te teekenen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>En ook vier strengen zwarte wol.<span id="d0e976" class="corr" title="Bron: &#8221;"></span></span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Wil voorts een kistjen Rencurrellen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Bij Reynvaan, voor oom Piet bestellen;
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En wip dan bij Verschuur eens aan,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Om Lizes bracelet te halen;
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Van daar kunt gij bij Holters gaan,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>En onze rekening betalen.
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Voorts wacht ons Mietje een trommelvol
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Met biesjensdeeg en drabbelkoeken:
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Zend mij wat nieuwe Fransche boeken,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En dan, vooral, vier strengen wol.</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Laat Sacher, met den beurtman, morgen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Wat versche bloemen ons bezorgen,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En koop meteen, op &#8217;t Muiderplein,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Voor tante Saar wat Lange-Lijzen:
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Gij kent haar smaak voor porcelein;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Zend voorts een kooitjen voor haar sijzen,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Een aanzetleder voor Oom Nol,
+<a id="d0e1013"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1013">XVI</a>]</span></span></p>
+<p class="line" style=""><span>Een verschen pot met tamarinden,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Die gij bij Gerber wel zult vinden,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En dan, voor mij, wat zwarte wol.&#8221;</span></p>
+</div>
+<p>Voorts het gedicht aan een zijner kleinzoons:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Teeder en aanvallig wichtjen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Dat zoo geestig om u heen kijkt
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Uit uw (niet meer schom&#8217;lend) wiegjen:
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>(Schomlende zijn uit de mode)!</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Dat nog van de tegenspoeden,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Die ons hier beneden kwellen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Geen ervaring hebt verkregen
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>&#8212;Dan door &#8217;t steken van de muggen!&#8212;</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Dat, nog zuiver van de driften,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Die op rijper leeftijd woelen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Nimmer boos wordt&#8212;dan alleen maar
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Als men niet terstond uw zin doet!</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Dat, nog vrij van dwaze wenschen
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Vrij van zondige aardsche lusten,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Uw begeerten blijft beperken
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Tot een trek naar soep of bloemkool!</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Dierbaar kind! gij zijt onkundig
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Van uw laatre lotsbestemming,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Ik, in spijt van grijze ervaring,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Weet daarvan zooveel als gij weet.</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Maar, zoo gij nog naar de toekomst
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Geen vermeetle blikken heenwendt,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Of althans niet verder uitziet
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Dan naar &#8217;t heerlijk etens-uurtjen;</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Ik&#8212;en &#8217;k durf geenszins bepalen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Of het dwaas is dan verstandig&#8212;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Ik, ik kan mij niet we&ecirc;rhouden,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Naar die toekomst vaak te gissen.</span></p>
+</div><a id="d0e1085"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1085">XVII</a>]</span><div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Zult ge een pleitbezorger worden?
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>In den handel u begeven?
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Of, uw ooms tot voorbeeld kiezend,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Uw fortuin in de Oost gaan zoeken?</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Zult gij in de koffijhuizen
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Aan &#8217;t biljard uw dagen slijten,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Altijd wachten op een postjen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Dat u nimmer wordt gegeven?</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Of zult gij den krijgsdienst kiezen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>En u krijgstrofe&euml;n vormen
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Van sjakoos, nog voor &#8217;t verslijten
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Door een nieuw model vervangen?</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8221;&#8217;t Is mij, in den grond, om &#8217;t even;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Want men kan in elken werkkring,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Al naar &#8217;t valt, carri&egrave;re maken
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Of een bittre sukkel blijven.</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Maar, lief kind, wat hier beneden
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Ooit het doel zij van uw streven,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Tracht toch&#8212;wat ik u mag bidden&#8212;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Nimmer naar den naam van dichter....&#8221;</span></p>
+</div>
+<p>Dan zijne &#8220;<span class="letterspaced">Lente-Mijmeringen</span>, 21 Juni 1855,&#8221;
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Mij heugt, toen ik een knaapjen was,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En Mei in &#8217;t land gekomen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Wij zaten &#8217;s avonds op &#8217;t terras
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>In schaa&ucirc;w der lindeboomen,</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Dan sprong ik als een jonge ree
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En plukte mij een ruiker,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>De Gouvernante schonk ons thee
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Ik kreeg dien zonder suiker.</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;O, &#8217;t blijkt uit alles zonneklaar,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Men mocht in vroeger dagen
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Op Lente reeknen ieder jaar;
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Wat kon haar toch verjagen?</span></p>
+</div><a id="d0e1163"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1163">XVIII</a>]</span><div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Hoe meenge winter ging voorbij,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Dat wij begeerig smachtten
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Naar &#8217;t lieve Lentejaargetij,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En vruchtloos bleven wachten.</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Met ieder jaar bleef &#8217;t winterijs
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Wat langer in het water,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>En bleef de lucht wat langer grijs,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En kwam de zomer later.</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;En nu&#8212;&#8217;t is reeds de langste dag:
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Reeds moest de zomer komen;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>En &#8217;k heb in Ne&ecirc;rland, waar ik zag,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Geen voorjaar nog vernomen.&#8221;</span></p>
+</div>
+<p>Eindelijk zoo menig lied vol prettigen kortswijl uit zijn Almanak &#8220;<span class="letterspaced">Holland</span>,&#8221; of uit zijne &#8220;<span class="letterspaced">Zeemansliedjes</span>,&#8221; alles zuiver Hollandsch veldgebloemte, nederig, eenvoudig, gezond.
+
+</p>
+<p>Critiek, die gaarne overvraagt, heeft <span class="letterspaced">Van Lennep</span> verweten, dat zijne scherts te weinig fierheid bezat, dat hij met zijne anecdoten en kwinkslagen, ook in het dagelijksch
+gesprek, tot lager kringen afdaalde, dan tot welke hij zelf behoorde. Zijne snakerijen met de geschiedenis des Vaderlands
+berokkenden hem zelfs dichterlijke boetpredikati&euml;n van verontwaardigde, maar minder geestige kunstvrienden. Het is mogelijk,
+dat hij het soms wat bont maakte, maar ontkend mag het niet worden, dat juist deze trek van zijn karakter, deze zijde van
+zijn talent hem tot den meest Nederlandschen, tot den populairsten dichter en romanschrijver van zijn tijd gemaakt hebben.
+
+</p>
+<p>In de geschiedenis der Letterkunde van een klein volk is het niet zoo gemakkelijk de eigenaardige trekken van het nationale
+karakter terug te vinden. De classieke en moderne Letteren oefenen grooteren invloed, omdat kleine volken, wier taal niet
+algemeen gesproken wordt, zich letterkundig minder zelfstandig ontwikkelen kunnen. Trots deze beletselen zal het den historieschrijver
+onzer litteratuur toch mogelijk blijken het <span class="letterspaced">nationaal-Nederlandsche</span> op het spoor te komen. <span class="letterspaced">Van Lennep</span> drukte in zijn persoon en in zijn werk dat nationaal-Nederlandsche voortreffelijk uit.
+
+</p>
+<p>Kwinkslagen, scherts en kortswijl; een goed oog op het comische in het leven en in de kunst; belangstelling in het blijspel,
+soms dalend tot de platte klucht, soms stijgend tot vlijmende satire of teederen humor&#8212;zie daar de meest in het oogvallenden
+karaktertrekken <a id="d0e1214"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1214">XIX</a>]</span>onzer letterkundige kunst, die tevens worden teruggevonden in de geschiedenis onzer schilderschool. In de middeleeuwen, in
+de XVI en XVII eeuwen valt het niet moeilijk dit telkens met luidsprekende feiten te staven. Het is onnoodig op den <span class="letterspaced">Reinaert</span>, op de &#8220;schoone boerden,&#8221; op de &#8220;sotternien,&#8221; op de volksliederen en volksromans te wijzen; overbodig te herinneren aan den
+gullen lach van den ronden <span class="letterspaced">Roemer</span>, aan de vroolijkheid van <span class="letterspaced">Jan van Hout</span>, aan de drink- en minneliederen van <span class="letterspaced">Bredero</span> en <span class="letterspaced">Starter</span>, aan <span class="letterspaced">Hooft&#8217;s</span> &#8220;<span class="letterspaced">Warenar</span>,&#8221; aan <span class="letterspaced">Vondels</span> &#8220;<span class="letterspaced">Rommelpot</span>,&#8221; aan de maaltijden van <span class="letterspaced">Jan Steen</span>, de boerenkermissen van <span class="letterspaced">Ostade</span>, de <span class="letterspaced">Teniersen</span> en <span class="letterspaced">Rubens</span>, aan de kroegen van <span class="letterspaced">Adriaen de Brouwer</span>, aan de schaterlachende zangers, drinkers en vischwijven van <span class="letterspaced">Frans Hals</span>&#8212;dit alles is meermalen uitdrukkelijk in het licht gesteld.
+
+</p>
+<p>Mocht ook in latere tijden de goedronde lach onzer vaderen verstommen, mocht het kille Calvinisme zich paren aan het practisch
+streven naar Nuttige, Voordeelige, Bruikbare dingen, toch ging de overlevering van onze nationale luim in de geschiedenis
+onzer letteren niet verloren. <span class="letterspaced">Langendijk</span>, <span class="letterspaced">Troost</span>, <span class="letterspaced">Asselijn</span> en <span class="letterspaced">Bernagie</span> bleven onzen ouden volksaard getrouw; aan het slot der vorige eeuw triomfeerden twee geniale vrouwen in &#8220;<span class="letterspaced">Sara Burgerhart</span>&#8221; en &#8220;<span class="letterspaced">Willem Leevend</span>&#8221; op al de booze geesten, die der Nederlandsche Muzen onverzoenlijken haat hadden gezworen. <span class="letterspaced">Van Lennep</span> was inzonderheid een echt Nederlander door zijne kunst. Zijne patricische Amsterdamsche stemming, zijne bewonderenswaardige
+wetenschappelijke vlijt in de uitgave van <span class="letterspaced">Vondel&#8217;s</span> werken gebleken, zijne veelzijdige letterkundige en historische kennis, werden altijd verhelderd door eene zonnestraal van
+vriendelijke geestigheid; zijne deftige betoogen afgewisseld door een vroolijken zet, zijne ernstige buien opgehelderd door
+eene grappige anecdote.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Bij <span class="letterspaced">Sijthoff&#8217;s</span> nieuwe uitgaaf van <span class="letterspaced">Van Lennep&#8217;s</span> romantische werken een hartelijk woord te voegen, was het doel van dit eenvoudig opstel. <span class="letterspaced">Van Lennep&#8217;s</span> leven is het best en uitvoerigst beschreven door <span class="letterspaced">A. J. de Bull</span> in de &#8220;<span class="letterspaced">Levensberichten</span>&#8221; der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Daarbij is eene lijst van geschriften gevoegd, die de wenschen
+van den lastigsten bibliograaf overtreft. Verschillende mannen van naam: <span class="letterspaced">Jonckbleet</span>, <a id="d0e1309"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1309">XX</a>]</span><span class="letterspaced">R&eacute;ville</span>, <span class="letterspaced">Busken Huet</span>, <span class="letterspaced">Schimmel</span> en <span class="letterspaced">Nicolaas Beets</span> hebben hunne meening over <span class="letterspaced">Van Lennep</span> gezegd; toch ontbreekt nog de monographie, die zijne geheele persoonlijkheid, zijne veelzijdige werkzaamheid, zijne beteekenis
+voor de geschiedenis onzer Letteren te zaam vat, en met wetenschappelijke nauwkeurigheid beschrijft. Eene nieuwe uitgaaf zijner
+romantische werken kan misschien aanleiding worden tot vervulling dezer behoefte, althans de gedachte verlevendigen, dat een
+dergelijk boek nog altijd moet geschreven worden.
+
+
+</p>
+<p class="alignright">Dr. <span class="smallcaps">Jan ten Brink.</span>
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e247" href="#d0e247src" class="noteref">1</a></span> &#8220;<span class="letterspaced">Vondel bekroond door het dankbaar nageslacht. Eene herinnering aan de oprichting van het standbeeld en de Vondelsfeesten in
+de hoofdstad op 17, 18 en 19 Oktober 1867</span>.&#8221; Arnhem, D. A. <span class="letterspaced">Thieme</span>, 1868, gr. 8<sup>o</sup>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e261" href="#d0e261src" class="noteref">2</a></span> Aftreden van het 1ste ministerie <span class="letterspaced">Heemskerk</span>, Februari 1868. Mr. C. <span class="letterspaced">Fock</span> vormt een nieuw ministerie.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e273" href="#d0e273src" class="noteref">3</a></span> Van Lennep doelt op zijne brochure: &#8220;<span class="letterspaced">Het Podagra en het Manifest van Burgerpligt</span>,&#8221; Amsterdam, 1868.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e288" href="#d0e288src" class="noteref">4</a></span> Gedurende de jaren 1868 en 1869 schreef ik in het tijdschrift &#8220;<span class="letterspaced">Nederland</span>&#8221; letterkundige artikelen onder den titel: &#8220;<span class="letterspaced">Letterkundig Intermezzo</span>.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e327" href="#d0e327src" class="noteref">5</a></span> <span class="letterspaced">Gids</span>, December, 1864. Later in het II deel, <span class="letterspaced">Litterarische Fantasien</span>, 1 Reeks.
+</p>
+</div>
+</div>
+</div><a id="d0e1330"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1330">1</a>]</span><div class="body">
+<div id="d0e1332" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="super">De Pleegzoon.</h2>
+<h2 class="normal">Eerste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Ghy die by vreemde lieden koomt,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Het is u nut te sijn beschroomt.</span></p>
+</div>
+<p>Cats.</p>
+</div>
+<p>Het was op den vier-en-twintigsten van Bloeimaand des jaren 1598, dat de beroemde Filips van Marnix, Heer van Sint-Aldegonde,
+een zijner dochteren aan den Vrijheer van Asperen uithuwelijkte. Het hooge aanzien, waarin &#8217;s bruids Vader ten hove stond,
+de welverdiende roem, welken hem zijn uitmuntende bedrijven zoo in vredes- als in oorlogstijden verworven hadden, de hartelijke
+genegenheid en ongeveinsde achting, hem door de hoofden van &#8217;s Lands bestuur niet alleen, maar ook door de lagere standen
+toegedragen, hadden de plechtigheid, die zijn geslacht aan een der edelste huizen van den lande verbond, tot een bijna nationaal
+vreugdefeest verheven. Menschen van allen rang, staat en beroep stroomden naar Leiden, waar de inzegening der verloofden in
+de Waalsche kerk zoude plaats hebben: men vleide zich daarenboven, de plechtigheid te zien opgeluisterd door de tegenwoordigheid
+van Graaf Maurits, die, zoo als het gerucht liep, bereids zijn woord aan den Heer van Aldegonde gegeven had, om met geheel
+zijn hof het trouwfeest te zullen bijwonen.
+
+</p>
+<p>Was de menigte groot, die, alleen uit nieuwsgierigheid, en zonder nog te weten, hoe daaraan best voldaan zou worden, naar
+de Academiestad gelokt werd, menigvuldig waren ook de opzettelijk genoodigden, ten wier gevalle men voor geschikte plaatsen
+in de kerk de vereischte zorg had gedragen en al de tuinen, die men reeds rondom Leiden begon aan te leggen, van bloemen beroofd,
+om hun ten blijke hunner hoedanigheid van speelnooten, fraaie ruikers, met kleurige linten versierd, te overhandigen.
+
+</p>
+<p>Onder die genoodigden bevonden zich twee edellieden van voornamen huize, door de banden eener langdurige en trouwe vriendschap
+verbonden, met namen Ulrich von Daun, Graaf van Falckestein, <a id="d0e1351"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1351">2</a>]</span>en Hendrik van Reede, Heer van Sonheuvel. De eerste, een vreemdeling in deze oorden, had zijn goederen in Bergsland gelegen,
+alwaar hij op het slot van Bruck, aan de oevers der Roer, zijn gewoon verblijf hield. Hij was thans vanwege de Hertogelijke
+Raden van Kleef aan de Staten-Generaal der Vereenigde Provinci&euml;n gezonden, om voor het door de Spaansche legers bedreigde
+Kleefsland hun beschermende hulp in te roepen. Hij was een kloek, manhaftig Ridder, wiens gelaat en houding rustige dapperheid
+teekenden: zijn gestalte was rijzig en vol majesteit: zijn opslag kalm en onversaagd: zijn bewegingen gemakkelijk en zwierig:
+in &eacute;&eacute;n woord, men kon in hem, bij het eerste aanschouwen, den man van geboorte en opvoeding herkennen, wien zoowel in het
+kabinet als in het heir een der voornaamste plaatsen wettig toebehoorde. Sinds eenige jaren met Anna Margareta, Gravinne van
+Manderscheid, gehuwd, zag hij zijn echt gezegend met twee knaapjes, waarvan het oudste bij den aanvang dezer geschiedenis
+zeven en het jongste ongeveer twee jaren bereikt had.
+
+</p>
+<p>Een geheel anderen aard als de Bergsche Graaf bezat de Heer van Sonheuvel. Zoo voorzichtig en bedaard als zich Falckestein
+betoonde, zoo haastig en driftig was zijn vriend; niet minder dapper dan Ulrich, bedierf Hendrik meestal zijn zaak door al
+te grooten spoed en overijling: in den strijd had hij meer dan eens zijn moed op een schitterende wijze doen blijken; doch
+ook niet zelden, de bevelen zijns opperhoofds niet inwachtende, zich onnoodig in gevaar begeven en daardoor ondank, ja bestraffing,
+in stede van roem en prijs behaald. Zijn postuur was eerder klein dan middelmatig: zijn grijze, doch levendige oogen waren
+altijd in beweging: stil te staan, lang dezelfde houding te bewaren, waren bij hem onmogelijke dingen: voor geheime diplomatieke
+onderhandelingen was hij ten eenenmale ongeschikt; doch zijn onwederstaanbare ijver, zijn gulhartigheid en welwillendheid
+jegens een iegelijk, zijn onverschilligheid voor het gevaar hadden hem in waarde doen houden bij zijne oversten, vooral wanneer
+het op de uitvoering aankwam eener gewaagde krijgsverrichting. Dan ook, als anderen voor het gevaar terugdeinsden, nam hij
+de hem opgedragen taak blijmoedig aan, ontzag zijn leven niet, trotseerde kogels en speren, en keerde, altijd met nieuwe wonden,
+doch ook veeltijds met de zege, terug. Indien men den Graaf van Falckestein bij den edelmoedigen, fieren en onversaagden leeuw
+konde vergelijken, de heer van Sonheuvel was evenals de trouwe wachthond, die, altijd gereed op de wenken zijns meesters,
+ter nakoming van het gegeven bevel volvaardig heensnelt en ter verdediging van het hem aanvertrouwde pand geen ongemak, geen
+dood zelfs ontziet. Thans bekleedde hij den rang van Ritmeester en diende onder de bevelen van Graaf Hendrik van Nassau. Ook
+hij was gehuwd en had zijn vrouw, die zich voor de tweede reize zwanger bevond, te Amsterdam, waar hij tijdelijk verblijf
+hield, in ziekelijken toestand achtergelaten.
+
+</p>
+<p>Het was dan op den morgen van den vier-en-twintigsten Mei, dat deze beide vrienden, op kloeke Friesche paarden gezeten en
+door <a id="d0e1357"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1357">3</a>]</span>hun lijfknechten vergezeld, het vorstelijk &#8217;s-Gravenhage verlieten, om zich naar Leiden te begeven. Beider kleeding was sierlijk
+en zoowel aan den staat der ruiters als aan de deftigheid van het feest, dat zij gingen bijwonen, ge&euml;venredigd; in zooverre
+echter onderscheiden, als verschil van vaderland en karakter met zich bracht. De Graaf droeg een zwart fluweelen buis, dicht
+aan het lijf gesloten en reikend tot aan de heupen, waar het met een breeden, van goud gestikten gordel, als het ware omzoomd
+was. Aan weerszijden van de knoopenrij, die van de kin tot op het middellijf daalde, blonken gouden passementen, gelijk ook
+op de naden der mouwen, die, in de buiging der ellebogen geopend, het hagelwit linnen onderscheiden lieten. De zwaargeplooide
+broek, mede van zwart fluweel, reikte niet verder dan een handbreedte boven de knie, waar de met goud geborduurde banden haar
+van de lange bruine hozen schenen af te scheiden. Gele halve laarsjes, met afhangende, van binnen met rood leder voorziene
+en met zware gouden franjes omzoomde kappen, dekten de voeten: aan een breeden lederen bandelier, met gouden knoppen bezet,
+hing een lang rapier met verguld gevest: de handschoenen waren zwart met gouden naden: op den rechterschouder zwierde een
+zeer kort zwart zijden manteltje met witte zoomen, over de borst met witte kwasten vastgestrikt: de net geplooide kraag, waarop
+het hoofd als op een tafelbord rustte, stak wel een halven voet (oude maat) naar alle kanten uit. De baard hing, naar den
+toenmaligen smaak, als een smalle geknotte kegel van de punt der kin, terwijl de knevels opwaarts stonden: in &eacute;&eacute;n woord, de
+gansche kleedij was volgens de laatste Duitsche mode; alleen de witte hoed stak af bij dien tooi: de Graaf, die het bevel
+voerde over een bende Kleefsche ruiters, toen <span class="letterspaced">Hanevederen</span> genaamd, droeg, ten teeken zijner waardigheid, geen andere pluimage dan een paar kleine veertjes, aan den staart des morgenwekkers
+ontrukt<a id="d0e1362src" href="#d0e1362" class="noteref">1</a>.
+
+</p>
+<p>Schoon de Heer van Sonheuvel op zijn fraaist gekleed was, stak hij echter bij zijn netten reisgezel merkelijk af. Zijn zwarte
+hoed was van ouderwetschen vorm en aan de linkerzijde opgetoomd: de vederbos hing van achteren af: de <span class="letterspaced">radius</span> van den kraag was twee duimen te klein en de laarzen waren twee duimen te lang. De sjerp, het teeken zijner waardigheid,
+was een weinig verschoten van kleur, doch de stalen greep van zijn zijdgeweer blonk des te meer, als zijnde door de zorgen
+van zijn lijfknecht Bouke altijd net gepolijst. Voor het overige droeg Reede handschoenen en buis van geel leder: de eersten
+met franjes en het laatste met knoopjes versierd: een roodlakenschen mantel met goud geboord en roode hozen voltooiden zijn
+kleedij. De sporen van beide ruiters waren verguld en liepen in de gedaante eener slang tot aan den rand der laars op; en
+reeds rinkinkte in die sporen het stalen wieltje, dat de beroemde bastaard van Mansfeld kort geleden had ingevoerd. Bij het
+uitrijden van het Haagsche Bosch, verzocht de Graaf zijn vriend <a id="d0e1373"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1373">4</a>]</span>den draf voor het stappen te verruilen, daar het nog vroeg genoeg was, om tijdig te Leiden te komen en zich aldaar voor het
+aanvangen der plechtigheid te verfrisschen. De Heer van Sonheuvel bewilligde in dit voorstel, en nu ontstond tusschen de beide
+vrienden het volgende gesprek.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hebt gij,&#8221; vroeg Falckestein, &#8220;in de laatste dagen eenige tijding van uwe Huisvrouw bekomen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; antwoordde Reede, &#8220;doch die was weinig geruststellend. Ik ben eenigszins over haar toestand bekommerd!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hebt toch,&#8221; hernam Falckestein op een goedhartigen toon, &#8220;geen bijzondere redenen om u te verontrusten? De staat, waarin
+zij zich bevindt, is nooit zonder gevaar; doch de meeste voorbeelden zijn altijd geruststellend.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het,&#8221; zeide Reede: &#8220;dan, bij de ongemakken, aan dien staat verbonden, voegt zich een geheime kwelling, een hartzeer,
+dat haar gedurig sterker pijnt, en hetwelk ik vrees, dat nimmer geheel zal kunnen worden weggenomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En welk hartzeer,&#8221; vroeg zijn vriend, &#8220;kan haar kwellen? Zij is jong, geacht, bemind, door al wie haar kent, zij is verbonden
+aan den man, dien zij liefheeft, en die het tot zijn hoogste geluk rekent, al haar wenschen te bevredigen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ach! het is juist dat laatste,&#8221; zeide de Heer van Sonheuvel: &#8220;zij had mij nooit moeten trouwen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij spreekt raadsels, beste vriend!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal u die ophelderen: aan u kan ik die mededeelen; zij is mijne vrouw geworden tegen den wil haars vaders.&#8221;
+
+</p>
+<p>Falckestein zag zijn vriend aan met den ongerusten blik van iemand, die een nadere verklaring verwacht om zijn goed- of afkeuring
+te doen blijken. Reede ging voort:
+
+</p>
+<p>&#8220;En echter, waarde Falckestein, zij is geheel onschuldig aan eenig vergrijp. Het is u misschien niet bewust, dat zij mijne
+volle nicht is: haar vader, mijn oom, was even ijverig Roomschgezind als de mijne Protestant was: na den dood zijner gade
+koos hij den geestelijken stand en bracht het weldra zooverre, dat hij uit de zeven Provinci&euml;n verbannen werd. Hij vertrok
+van hier: mijn vader, de natuurlijke voogd van zijns broeders eenige dochter, voedde haar met mij op: een niet onnatuurlijke
+zucht om de goederen, die ons huis vanouds bezeten had, onder zijn nageslacht te bewaren, deed hem den wensch koesteren, mij
+aan mijne nicht te verbinden. Onze wederzijdsche liefde maakte de bereiking van dat doel te lichter: nooit had mijn Maria
+iets van haar vader vernomen, sinds deze haar, nog een kind zijnde, verlaten had: zij stemde in mijn verlangen en werd mijne
+vrouw. Niet lang daarna overleed mijn vader, en onder zijn papieren vond Maria ter kwader uur een brief van den haren, een
+brief, dien ik nooit gezien had, waarin deze zijn broeder stellig berichtte, dat hij een huwelijk tusschen zijn dochter en
+mij als bloedschending af moest keuren en mij nimmer als zijn schoonzoon zou erkennen. Sedert dien tijd, helaas! wordt die
+arme Maria door een boezemsmart gefolterd, die, vrees ik, haar teeder <a id="d0e1395"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1395">5</a>]</span>gestel een knak gegeven heeft, waarvan het moeilijk zal genezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarlijk,&#8221; zeide Falckestein, nadat Reede zijn verhaal (waartoe hij nog meer woorden gebruikt had. dan wij hem in den mond
+hebben gelegd, en &#8217;t welk hij doorzult had met aanmerkingen, die wij hebben meenen te kunnen daarlaten), had ge&euml;indigd: &#8220;waarlijk
+ik beklaag haar van harte.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zeide Reede, &#8220;ik-zelf ben ook met het geval verlegen: en weet gij, wat mij ook nog hindert? Al hetgeen ik met mijn vrouw
+betrouwd heb, behoort eigenlijk niet aan haar, maar aan haar vader: nu is bij mij dikwijls de vraag ontstaan: moet ik hem
+dat alles maar sturen, of mag ik het houden als het eigendom mijner vrouw, waarvan haar vader, door zijn vertrek en afval
+van ons geloof, heeft afgezien?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij dunkt,&#8221; antwoordde Falckestein, &#8220;het blijft onbetwistbaar zijn eigendom, en als eerlijk man zijt gij verplicht, hem alles,
+wat hem behoort, terug te geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En dat zal ik doen,&#8221; bromde Reede, &#8220;zoodra ik maar weet, waar hij zich bevindt; want ik heb geen tijding, of hij in Rusland
+dan wel in Amerika zit. Sedert dien ongelukkigen brief heeft hij niets van zich doen hooren. Doch opsporen zal ik hem, in
+weerwil van &#8217;t geen mijn advocaat Mr. Joannes Schalckius zeggen moge, die mij maar aanraadt, alles te houden; want, zegt hij,
+&#8217;t gaat toch maar aan vreemde papen en conventen, tot prejuditie van de ware leer. Aan personen van een vreemd geloof, zegt
+hij, is men zulk een nauwgezetheid niet verplicht. Hij spreekt er van evenals Ds. Uyttenbogaert, schoon deze &#8217;t anders meende,
+weet gij, in zijn preek van laatstleden Zondag, toen hij zeide.... ja wat zeide hij ook?.... In die schoone leerrede, toen....
+wat duivel zeide hij toch?&#8221;.... Hier richtte de goede Ritmeester zich op in den zadel, nam den hoed af en hield dien tusschen
+duim en wijsvinger, terwijl hij met de andere hand zich het achterhoofd wreef, zette vervolgens den hoed weder op, bracht
+de hand voorwaarts, rolde zich den knevel om den wijsvinger, hoestte, hemde en mompelde eenige reizen achtereen: &#8220;ja, wat
+duivel zeide hij toch?&#8221;
+
+</p>
+<p>Falckestein, die te wellevend was om ook zijn vertrouwdsten vriend wegens een geheugenfeil te bespotten, zweeg eenige oogenblikken
+stil; doch, bemerkende dat Reede hoe langer hoe ongeduldiger en verstoorder op zichzelven raakte, zich de lippen beet en zijn
+paard zoo strak tusschen de ooren keek, alsof de geheele preek van Uyttenbogaert daar geschreven stond, zocht hij een wending
+aan het gesprek te geven, door hem opmerkzaam te maken op een kleine, van weilanden omringde, huizinge of hofstede, welke,
+tusschen zware lindeboomen, een eind verder aan den weg gelegen was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat erf heeft een gelukkige ligging,&#8221; merkte hij aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gelukkig!&#8221; riep de Heer van Sonheuvel uit, als uit een droom ontwakende, terwijl hij zijn hoed diep in de oogen drukte: &#8220;dat
+erf is een duivels erf, een Babel van ongerechtigheid, een kapel van den Antichrist, die al lang had moeten uitgeroeid en
+geslecht worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zou jammer zijn!&#8221; zeide Falckestein glimlachende: &#8220;en waarom dat alles? Is de bewoner zulk een booswicht?&#8221;
+<a id="d0e1413"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1413">6</a>]</span></p>
+<p>&#8220;De bewoner is mij, Goddank! onbekend,&#8221; antwoordde Reede, den hoed aflichtende: &#8220;en ook verlang ik hem nimmer te kennen; doch
+het erf zelf wordt gemeenlijk de <span class="letterspaced">Katholieke Hofstede</span> genaamd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En is die naam nu alleen de reden van uw verwensching?&#8221; vroeg Falckestein, met een spottenden blik, die zelfs iets medelijdends
+had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Op dat erf,&#8221; vervolgde Reede, &#8220;zegt men, dat somtijds Jezu&iuml;eten vergaderen en, &#8217;t welk gruwelijk is om aan te hooren, geheime
+beraadslagingen maken tegen de hooge regeering en tegen Zijn Excellentie.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Men zegt!.... dus is de geheele vervloeking op een volkspraatje gegrond?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geheel niet: zoo mij de Griffier Pots verhaalde, bestaan er zelfs menschen van krediet, die er Jezu&iuml;eten gezien hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welke zij waarschijnlijk aan hun gelaat voor zoodanigen erkend hebben,&#8221; viel de Graaf in, &#8220;want het zou geen Jezu&iuml;etenpolitiek
+geweest zijn, zich hier in het gewaad der orde te vertoonen:&#8212;voorwaar groote gelaatkundigen!&#8212;Nu, ik wenschte wel, eens eenige
+van die Ba&auml;lsdienaars te zien verschijnen, alleen maar om te ontdekken, of zij hun hoedanigheden op &#8217;t voorhoofd geschreven
+ronddragen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Aldus sprekende, waren zij het erf genaderd, dat het onderwerp hunner tweespraak uitmaakte. Het was een gebouw van blauwe
+steenen, dat naar allen schijn een eeuw oud kon wezen en uit twee aan-een-gebouwde huisjes met blauwe dakpannen bestond: de
+gevels liepen trapsgewijze op, naar de toenmalige bouworde: slechts weinig in getal waren de ramen, en nog meestal met planken
+dichtgespijkerd: de ingang was aan de zijde van het weiland en voor den voorbijganger niet zichtbaar: ook was er van den rijweg
+geen toegang tot het erf, daar de voormalige brug afgebroken en het stuk gronds door een breede sloot omringd was. Een enkele
+vrij smalle plank vereenigde het met het daarachter liggend kamp. Verscheidene oude lindeboomen, rondom het huis geplant,
+die hun schaduw wierpen over het hoog opgegroeide gras, gaven aan het geheel een schilderachtig, eenigszins eerwaardig, schoon
+verwaarloosd uitzien.
+
+</p>
+<p>Juist toen onze ruiters voorbijreden, zagen zij twee lieden, in de gewone volksdracht, de plank overgaan, welke van het erf
+op het weiland bracht, en een pad volgen, dat, dwars door het veld, een paar honderd roeden verder op den rijweg uitkwam.
+Zoodra Falckestein deze lieden bemerkte, toonde hij die al lachend aan zijn reisgezel, zich meteen beklagende, dat hij hen
+niet in &#8217;t aangezicht zien konde, om zijn gelaatkunde te beproeven. &#8220;Daartoe zal u de gelegenheid verschaft worden,&#8221; antwoordde
+Reede: &#8220;hun pad brengt hen op den rijweg en indien zij dien niet verlaten, zullen wij hen spoedig inhalen.... Wist ik mij
+die preek maar te herinneren!.... doch ik zal er het mijne van hebben, wat het ook kosten moge.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoo sprekende gaf hij, met hernieuwde blijken van ongeduld, zijn paard de sporen, en Falckestein, die het gesprek verloren
+zag, en wien de eenzelvigheid der landgezichten begon te vervelen, volgde <a id="d0e1435"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1435">7</a>]</span>zijn voorbeeld. Spoedig bevonden zij zich, als Reede gezegd had, ter plaatse waar het pad, dat de voetgangers gevolgd waren,
+op den rijweg uitliep en zagen hen beiden omtrent honderd passen voor zich uitloopen. Nu lieten zij hun paarden weder stappen
+en sloegen op de onbekenden, toen zij hen voorbijkwamen, onder het wenschen van een goeden morgen, een nieuwsgierig oog. De
+achterste der twee (want zij liepen op het voetpad achter elkander) was bleek, kort en vrij gezet, had een ongemeen groot
+hoofd, bolle wangen, doffe halfgesloten oogen, lang ros haar en baard en een scheeven mond: de voorste voetganger was een
+man in de kracht zijns levens, en onderscheidde zich door een rijzige en kloeke gestalte: slechts eene krul gitzwart haar
+vertoonde zich van onder den grauwen hoed: even zwart waren zijn oogen en baard: het mager gelaat teekende onrust, vermoeienis
+of onthouding<span id="d0e1437" class="corr" title="Bron: .">,</span> zoo niet alle drie te gelijk. Hij zou onder de schoone mannen kunnen geteld zijn geweest, doch zijn terugstootende blik,
+zijn wijd uitstaande neusgaten en opgetrokken onderlip, ontnamen aan het gelaat alle aanspraak op het behaaglijke, en lieten
+bij den beschouwer een onaangenamen indruk achter.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik begin waarlijk te gelooven dat gij gelijk hebt,&#8221; fluisterde Falckestein zijn vriend in &#8217;t oor: &#8220;de achterste heeft veel
+van een beurzenknipper en de voorste van een struikroover.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vindt gij?&#8221; vroeg Reede: &#8220;ik weet niet, maar ik heb die gezichten meer gezien.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu zouden zij verder gereden zijn, zonder meer aandacht op de onbekenden te slaan, toen de langste van de twee in goed Hollandsch
+aan Falckestein vroeg of zijn Edelheid naar Leiden te feest ging. Falckestein beantwoordde deze vraag kortaf met ja, en liet
+zijn paard harder voortstappen om een verder gesprek te ontgaan; dan de zwartoogige vreemdeling versterkte zijn tred zoodanig,
+dat hij in een gelid met den ruiter bleef voortwandelen, wien hij deze nieuwe vraag deed:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zal Zijn Excellentie ook op de plechtigheid komen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vermoedelijk ja.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik had gehoord, dat Zijn Excellentie in &#8217;s-Hage bleef om de groote zaken af te handelen, die met den Aartshertog op &#8217;t tapijt
+zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is ook mogelijk.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dus weet Uw Edelheid het niet zeker, maar UEd. denkt dat Zijn Excellentie komen zal?&#8221; vervolgde de lastige vrager.
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is mij onbewust. Kom Reede, laat ons voortrijden!&#8221;
+
+</p>
+<p>Doch Reede had hierin op dit oogenblik weinig zin.
+
+</p>
+<p>Hij was bezig den achtersten der voetgangers in oogenschouw te nemen en zag hem z&oacute;&oacute; strak aan, dat deze verlegen begon te
+worden en het gelaat afwendde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo ik mij niet bedrieg,&#8221; vroeg eindelijk de heer van Sonheuvel aan den onbekende, &#8220;heb ik u laatstleden Zondag in &#8217;s-Hage
+gezien bij het uitgaan der kerk, toen Ds. Uyttenbogaert gepreekt had.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hoe eenvoudig deze vraag ware, zij scheen den vreemdeling van zijn stuk te brengen: bedremmeld antwoordde hij: &#8220;jawel, Uwe
+Edelheid! ik ben daar geweest.&#8221;
+<a id="d0e1466"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1466">8</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Uitmuntend!&#8221; hervatte Reede &#8220;en weet ge u ook het hoofdzakelijke te herinneren? Ik was juist bezig met Zijn Genade over een
+punt te spreken, dat Ds. Uyttenbogaert.... dat ik hoor,&#8221; voegde hij er bij, zich hervattende, &#8220;dat ik hoor, dat Ds. Uyttenbogaert
+heeft aangeroerd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij predikte,&#8221; antwoordde de bleeke vreemdeling, &#8220;uit Genesis XXXI vs. 24 en volgende, zijnde het verhaal hoe Rachel de beelden
+haars vaders Laban verborg en hoe Jakob vervolgens met Laban verdrag maakte. Hij bewees uit een en ander, dat men niet gehouden
+is aan afgodendienaars de voorwerpen hunner afgoderij terug te geven, ook al had men, volgens burgerlijke wetten, geen recht
+op het bezit daarvan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het verwondert mij,&#8221; zeide nu de voorste der voetgangers, terwijl hij Reede scherp aanzag, &#8220;dat UEd. mijn makker die vraag
+doet. Of UEd. moet verleden Zondag slecht geluisterd hebben, &ograve;f mijn oogen hebben mij bedrogen, toen ik gemeend heb, UEd.
+mede onder Domini Uyttenbogaerts gehoor te zien zitten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Falckestein glimlachte en Reede beet zich op de lippen. &#8220;Ik zeide niet,&#8221; merkte hij aan, &#8220;dat ik er niet was geweest; ook
+herinner ik mij hetgeen uw makker verhaalt; doch ik zocht mij te binnen te brengen, hetgeen de Predikant in het slot zijner
+rede meer bepaaldelijk gezegd heeft, omtrent de teruggave van het eigendom van papen en afgodendienaars, omtrent....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist toen ben ik ook wat slaperig geweest,&#8221; antwoordde de lange man. &#8220;Dit alleen heb ik er van onthouden, dat men nimmer,
+ook jegens papen, bedrog mag plegen, noch een glimp aan zijn daden geven, noch zich met draaierijen behelpen, al moest het
+waarheid spreken ons beschaamd maken. Voorts liet hij ons zingen uit den Honderdtwintigsten Psalm, het tweede vers.&#8221; En hierop
+begon de vreemdeling, met een zware stem, naar de berijming van Datheen, de volgende woorden te zingen:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; " lang="nl-1600">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Wat kan de valsche tonge stichten?
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Wat kan de leugenaar uytrichten?
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Wat sullen syn listige zinnen
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>En valsche tonge toch gewinnen?&#8221;</span></p>
+</div>
+<p>Reede zag den stekeligen vreemdeling met een heftigen blik aan; doch deze bleef, zonder eenig ontzag noch vrees te toonen,
+volstandig doorzingen, het oog gedurig met zooveel bedaardheid op den Ritmeester gevestigd houdende, dat deze, vreezende zijn
+fatsoen door een langer gesprek te zullen in de waagschaal stellen, aan Falckestein voorstelde, die lastige landlieden te
+ontrijden. Nauwelijks waren zij een eindweegs vooruitgedraafd, of de zwarte man riep Reede achterna: &#8220;Ik wensch dat UEd. de
+preek van hedenmorgen beter dan die der vorige week onthouden moge.&#8221;
+
+</p>
+<p>Reede, deze uitdrukking hoorende, hield vol drift zijn paard staande en zou den teugel op den vreemdeling gewend hebben, bijaldien
+Falckestein, die begreep dat zijn vriend zich te veel had <a id="d0e1490"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1490">9</a>]</span>afgegeven, hem niet weerhouden had en genoodzaakt mede voort te rijden. De lange man scheen echter den aanval van Reede bedaard
+af te wachten, en had bij diens eerste beweging van onder zijn mantel een lang pistool voor den dag gehaald. Toen hij de ruiters
+hun weg zag vervolgen, liet hij de hand weer zakken, bracht het vuurtuig op zijn plaats en stapte bedaard verder.
+
+</p>
+<p>Het is geenszins ons doel een verhaal te geven der feesten en plechtigheden, welke het huwelijk van Aldegondes dochter vergezelden:
+alleen dient hier gemeld, dat de zwarte man w&egrave;l gegist had: dat Graaf Maurits door onvoorziene bezigheden, of liever door
+een bijzondere bestiering van het Opperwezen, verhinderd werd, zich te Leiden te bevinden.
+
+</p>
+<p>De predikatie en de inzegening werd door den Hofprediker Uyttenbogaert in de Fransche taal volbracht en de gemeente zeer gesticht;
+doch hetgeen Reede niet stichtte, was een vraag, hem, toen hij in den trein van vrienden en bruiloftsgasten de kerkdeur uittrad,
+door een der omstanders in &#8217;t oor geblazen, &#8220;of hij namelijk de preek zoo goed in zijn geheugen had als die van de vorige
+week.&#8221; Driftig zag hij om naar de zijde van waar het gefluister kwam; doch de man met het zwarte haar, de vreemdeling uit
+de <span class="letterspaced">Katholieke Hofstede</span>, was reeds in den volkshoop teruggetreden en verloor zich in de menigte.
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1362" href="#d0e1362src" class="noteref">1</a></span> Deze op den hoed geplaatste veertjes noemde men met een Fransch woord, dat sedert een meer algemeene toepassing verkregen
+heeft, <span class="letterspaced">coquardes</span>.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e1499" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Tweede Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<div class="&#xA; poem&#xA; " lang="nl-1600">
+<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Ben ik de beste dan,</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Die d&#8217;afgront tot dit snoot bedrijf uitbraken kan?</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Is niemant meer bequaem tot schelmery gevonden.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Palamedes.
+</p>
+</div>
+<p>Eenige dagen later was Falckestein onverzeld, den weg naar Haarlem opgereden, in de hoop van zijn vriend Reede, die, ter volvoering
+van een bevel zijner Doorluchtigheid, derwaarts gegaan was, bij zijn terugkomst te ontmoeten en zoo gezamenlijk weder huiswaarts
+te rijden. De weg van Den Haag naar Haarlem was toen al zeer verschillend van hetgeen die thans is, en niet meer hetgeen die
+eenmaal geweest was. Men zag er, wel is waar, de luchtige tilbury&#8217;s, de prachtige landauers, de sierlijke caricles en de nog
+bevalliger Noord-Hollandsche sjeezen van lateren tijd niet heen en weder rollen: men zag er geen tallooze diligences over
+een gladden gemakkelijken straatweg de reizigers als met vleugelsnelheid door dien tuin van Europa voeren: men zag er geen
+nette, gewitte, vroolijke buitenverblijven elkander aaneengeschakeld achtervolgen:&#8212;doch men zag er ook niet meer den luister
+van vroegere dagen, den prachtigen hofstoet der Graven en Baanrotsen, de jachtgezellen der Heeren van Wassenaar, van Teylingen,
+van Heemstede en van <a id="d0e1516"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1516">10</a>]</span>zoovele andere heerlijkheden, die zich in luisterlijken dos vereenigden, noch de luchtige nonnen der Rijnsburgsche abdij in
+een geestelijken tooi, met wereldschen opschik vermengd, verzeld van de galantste edellieden uit den omtrek, op kostbare paarden
+heen en weder dravend:&#8212;de oude weelde was verdwenen: de weelde van latere dagen was nog niet doorgekomen. Nu en dan een ouderwetsche,
+lompgemaakte wagen, die met moeite en paardenkracht door het gulle zand werd voortgekruid, enkele huif-, mest- of voederkarren,
+ruiters, die hun vaandels gingen zoeken, reizigers te voet en te paard, marskramers, die hun koopwaren de kermissen rondvoerden,
+waren de eenige voorwerpen, die men in het tijdsgewricht, waarin onze geschiedenis een aanvang neemt, op dien weg ontmoeten
+kon. Doch Falckestein was schier de eenige, die op dat tijdstip alleen vermaakshalve en om de ledige uren, welke hem zijn
+verrichtingen in Den Haag overlieten, aangenaam door te brengen, tot zijn uitspanning die heerlijke landstreek doorreed. Ons
+Gemeenebest was toen in een tusschenstaat: de oude grootheid, de vorige fortuinen waren niet meer: men begon geld te winnen,
+doch men was nog niet op de hoogte van het te verteren: veelmin dacht er eenig inboorling aan, om in ledigheid den grooten
+weg op en neder te draven.
+
+</p>
+<p>De avond was liefelijk en stil, gelijk de lenteavond, dichterlijk gesproken, behoort te zijn, en het inderdaad zoo zelden
+is. De nachtegaal zong zijn afscheidstonen uit het loover der hooge iepeboomen, die aan de beide zijden van den rijweg geplant
+waren: de leeuwerik vloog fluitend van de groene weiden op: de vinkjes wipten zingende door het eiken hakhout en de statige
+ooievaar stond onbeweeglijk aan den kant des poels te slapen. De schaduw der hooge zeeduinen begon zich reeds over de grasrijke
+velden te verlengen: het rundvee verdween in den dichten dauw, dien voorbode van een fraaien morgen, voor het oog des wandelaars,
+en de pannen der verspreide boerenwoningen zoowel als de burgtinnen der achtbare sloten kaatsten het goud van den avond weder.
+Nog had Falckestein zijn vriend niet ontmoet, en de vrees van te laat in Den Haag terug te zijn, deed hem, schoon noode, tot
+den terugtocht besluiten. Dan, nauwelijks had hij dien aangenomen, of hij bemerkte, dat zijn paard een ijzer had verloren
+en zoodanig kwalijk ging, dat een spoedige hulp noodzakelijk ware. Het meest nabijgelegen dorp was Voorschoten: en derwaarts
+begaf hij zich, teneinde door den hoefsmid het ongemak te doen verhelpen. De smidse was reeds gesloten en niet dan na herhaald
+kloppen verkreeg de Graaf gehoor: de vrouw van den dorpsvulkaan stak het hoofd boven de onderdeur, en liet zich na lang praten,
+bewegen om haren man, die aan het einde van het dorp in de kroeg zat te politiseeren, te gaan waarschuwen, dat er zich nog
+zoo laat een gelegenheid had opgedaan, om zijn kunst aan den dag te leggen. Nadat Falckestein omtrent een half uur tegen een
+der palen van de smederij had staan leunen (want de vrouw des huizes had den ruiter met zijn bestoven en bemodderde laarzen
+niet in haar knappe en nette woning willen binnenlaten) kwam de baas <a id="d0e1520"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1520">11</a>]</span>met eenen langzamen tred aanstappen, groette Falckestein met een deftige hoofdbuiging en begon zijn toebereidselen te maken;
+doch eerst nadat hij zijn rok afgelegd en zijn smidsgewaad weder had aangetrokken. Hiermede en met het beslaan verliep een
+uur, zoodat het, eer de graaf zijn weg vervolgen kon, volslagen donker geworden was: de heldere lucht deed hem echter dit
+bezwaar gering achten en lustig voortdraven: dan, het leed niet lang, of hij bemerkte dat zijn ros, &#8217;t welk tot nu toe weder
+fiks geloopen had, aan denzelfden voet, waaraan het beslagen was, weder zwaar kreupel was geworden, &#8217;t zij door de onhandigheid
+van den smid, &#8217;t zij omdat het arme dier een stuk glas of steen in den voet had gekregen. Daar hij zijn paard niet onnut vermoeien
+wilde en echter niet te laat in &#8217;s-Hage wenschte te zijn, zag hij rond naar een woning, waar hij zich licht verschaffen konde,
+om de kwetsuur na te zien, ten einde die zoo mogelijk verholpen werd. Het geluk diende hem zoo &#8217;t scheen, in zijn nasporing:
+want bij de eerste kromte, die de weg maakte, zag hij aan zijn linkerhand een gebouw liggen, aanzienlijk genoeg op &#8217;t oog,
+om hem een goed onthaal te beloven. Schoon hij het bij &#8217;t naderen voor de Katholieke Hofstede herkende, veranderde zulks niets
+in zijn voornemen; vooral toen hij zag, dat het erf nu ook van den rijweg genaakbaar was, door een plank, welke op de fondamenten
+der voormalige brug rustte. Hij steeg af, bond zijn paard aan een boom en liep vlug den smallen vondel over. Nauw was hij
+aan de overzijde der sloot, of het scheen hem toe, dat hij verscheidene personen een vrij levendig gesprek hoorde voeren.
+Behoedzaam trad hij door het hooge gras op het huis toe, en hoorde bij zijn naderen het gedruisch vermeerderen. Aan het gebouw
+gekomen, liep hij het langs om den ingang te zoeken, toen hij, een der met planken dichtgespijkerde ramen voorbijgaande, een
+reet vond, groot genoeg om naar binnen te doen zien. Onwillekeurig bleef hij staan: de slechte reuk waarin, volgens zijn vriend
+Reede, het huis stond, oefende voor &#8217;t eerst eenigen invloed op hem uit: &#8217;t was of een geheime stem in zijn binnenste hem
+aanspoorde voorzichtig te zijn en zich niet onbedacht in gevaar te storten. Hij volgde die inspraak, bracht de oogen voor
+de opening en zag hetgeen wij verhalen zullen.
+
+</p>
+<p>In een vrij groot, met blauwe steenen geplaveid vertrek, stond, recht tegenover de plaats waar hij zich bevond, een klein
+tafeltje, hetwelk men tot een outer scheen te hebben gebezigd. Een tapijt, een kruisbeeld, twee kaarsen en eenige gewijde
+teekenen van eeredienst versierden het. Boven dit eenvoudig outer hing een klein vermolmd schilderijtje, den moord der Ba&auml;lspriesteren
+voorstellende of voorgesteld hebbende. Om een andere groote tafel, waarop twee bierkannen en vier tinnen maatjes stonden,
+waren vier personen gezeten, als landlieden gekleed, hoewel een hunner boven zijn wambuis een wit hemd en een soort van stool
+had geslagen. Noch dezen noch zijn buurman herinnerde zich Falckestein ooit gezien te hebben; doch in de twee anderen herkende
+hij terstond de lieden, met welke hij eenige dagen te voren op den weg naar Leiden de <a id="d0e1524"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1524">12</a>]</span>door ons verhaalde ontmoeting had gehad. De kleinste van deze twee was druk bezig met het prevelen van paternosters; zijn
+vingeren doorliepen onophoudelijk het bedesnoer, dat hij in de hand hield, en op het gesprek der overigen scheen hij geen
+aandacht te slaan.
+
+</p>
+<p>Op het oogenblik dat Falckestein naar binnen keek, sloeg de lange zwarte man met de gesloten vuist op de tafel, terwijl zijn
+samengetrokken wenkbrauwen een sombere uitdrukking aan zijn gelaat gaven: &#8220;neen! (zeide hij) indien Panne (hier wees hij op
+den man met het bedesnoer) op morgen het stuk niet volvoert, dan is onze geheele reis onnut en de kosten in &#8217;t water gesmeten.
+Zoo ik wel onderricht ben, dan vertrekt de Ketterkoning morgen naar &#8217;t leger, en het zou een geheel nieuwe wijze van behandeling
+vereischen, om hem d&aacute;&aacute;r te treffen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu,&#8221; zeide diegene, welke de stool aanhad, &#8220;Panne is immers bereid om zijn aanslag morgen in weerwil van allen tegenstand
+uit te voeren: de volkomen vergeving van al zijn zonden is hem geschonken: moedig en onbevreesd kan hij zijn gezegend besluit
+volbrengen, vroolijk en blijhartig pijn en dood trotseeren, en de eeuwige gelukzaligheid vrij en schuldeloos binnentreden.
+Wij hebben immers hem geleerd, dat de beulen wel zijn lichaam kunnen martelen, doch dat zijn ziel evenals die des Heiligen
+Stephani, midden onder de pijnigingen een voorsmaak der eeuwige gelukzaligheid genieten zal: het is hem immers gezegd, hoe,
+toen de zalige Balthazar Gerardi den glorierijksten marteldood moest lijden, een welriekende balsemgeur hem op het schavot
+reeds tegenkwam, en belette de pijn der gloeiende tangen te voelen: hoe zijn ziel in wierookwalmen ten hemel steeg, verzeld
+door duizend engelen, en hoe hem, in het rijk van &#8217;t licht gekomen, de glorierijke kroon werd opgezet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat alles weet hij,&#8221; viel de zwarte man in, verdrietig opstaande, &#8220;en nog vrij wat meer daarenboven; doch hij behoeft slechts
+dezen of genen ketter in zijn buurt te hebben, die hem wat scherp in de oogen kijkt, of hij druipt weg als een bassend keffertje
+voor een bandrekel. Hoe ging het laatst in de kerk te &#8217;s-Hage? De kans stond schoon: de Graaf zat in zijn bank en was zoo
+licht te treffen als een haas in &#8217;t leger; doch wat gebeurde er? de preek verveelt den Ritmeester van Sonheuvel, en omdat
+deze half duttend voor zich keek als een hen op een streep, en omdat toevallig Panne aan &#8217;t eind van die streep zit, zoo pakt
+die bloodaard zich weg, voordat de zegen nog is uitgesproken. Had hij toen vuur gegeven, wij hadden die zotte reis naar Leiden
+niet behoeven te doen, waar wij Maurits toch niet vonden, gelijk ik ook had durven wedden, en waar ik al mijn onbeschaamdheid
+noodig had om twee Belialskinderen weg te krijgen en hun hun kwaad vermoeden te ontnemen, dat de bedremmeldheid van mijn makker
+bij hen had doen oprijzen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik hoop,&#8221; sprak Panne, opziende en zijne devote bezigheid stakende, &#8220;dat de lieve maagd Maria en mijn heilige Patroon de
+kracht mij zullen verleenen om naar eisch het heerlijk doel te bereiken, waartoe uwe welwillendheid, eerwaarde Vaders! mij
+armen zondaar verkoren heeft! Och! hoe dankbaar ben ik aan ulieder goedheid, <a id="d0e1534"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1534">13</a>]</span>die mij ellendige uit het stof geroepen heeft om mij uit te kiezen tot een daad, welke mij der eeuwige vreugde deelachtig
+maken zal en mij gelijk maken aan Ehud, die der Moabiten Koning sloeg, en aan Judith, die de Overste Holophernes het hoofd
+afsneed, en aan den heiligen Balthazar, die den ketter Willem van Nassau doodschoot!&#8221;&#8212;Dit gezegd hebbende, sloeg hij de oogen
+weder neer en vervolgde met ijver zijne gebeden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wanneer kan Eduard in Engeland wezen?&#8221; vroeg nu een der anderen aan den langen man; &#8220;gij, broeder Eugenio, hebt hem het laatst
+gezien!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Morgen ten allervroegste, Broeder Melchior,&#8221; gaf Eugenio ten antwoord: &#8220;en zoo hij dan een goede gelegenheid vindt, zal de
+tijding alras door Europa weergalmen: &#8220;zij is gevallen, die groote Hoer, die op de Theems zit, die Jesabel van Engeland! gevallen
+door het lemmer der gerechtigheid.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="la">Et flebunt, et plangent se super illam reges terrae, qui cumilla fornic ati sunt</span>,<a id="d0e1545src" href="#d0e1545" class="noteref">1</a> gelijk de Schrift zegt,&#8221; voegde Broeder Melchior er bij, terwijl hij de handen samenvouwde en de oogen sterk dichtkneep.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hebt gij, Broeder Eugenio!&#8221; vroeg nu de vierde der aanzittenden, &#8220;volgens uw oogmerk aan onze Broeders te Douai geschreven,
+om intusschen den onvermijdelijken dood van het kettersch Drietal<a id="d0e1550src" href="#d0e1550" class="noteref">2</a> te doen profeteeren?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben van gedachten veranderd,&#8221; antwoordde Broeder Eugenio: &#8220;vooreerst schrijf ik ongaarne: een brief getuigt nooit dan
+ten nadeele des schrijvers; ten tweede is een profetie uitmuntend in &#8217;t algemeen; doch hier in specie deugt ze niet: want,
+mislukt de aanslag, dan is onze profetie valsch: gelukt hij, dan is het de Soci&euml;teit die alles voor haar rekening krijgt en,&#8221;....
+hier begon hij, eensklaps op Panne wijzende, tot zijn broeders zeer zacht te spreken, zoodat Falckestein althans geen woord
+meer van het gesprek kon opvangen.
+
+</p>
+<p>Doch deze had ook reeds genoeg gehoord om tot zijn ontzetting overtuigd te wezen, dat drie dezer schelmen Jezu&iuml;eten waren
+uit Douai en dat de ellendige Panne door hen was opgezet om Graaf Maurits moorddadig van &#8217;t leven te berooven. Na bij zich
+zelven God vurig gedankt te hebben, dat hij door een zoo bijzondere bestiering derwaarts geleid was om het boos opzet dier
+aterlingen te verijdelen, begon hij over een middel te peinzen om hen in de handen des gerechts over te leveren. Te vertrekken
+en hulp te vragen was gewaagd en onzeker, daar hij vreesde hen niet te zullen wedervinden Hen aan te tasten ware dwaasheid
+geweest; want de drie Jezu&iuml;eten, vooral Broeder Eugenio, schenen onverschrokken kerels te zijn. Uit deze onzekerheid werd
+de Graaf weldra gered, door een gerucht van paarden, die in vollen draf aan kwamen rijden. In de hoop dat de aankomenden hem
+hulp zouden kunnen verschaffen, <a id="d0e1557"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1557">14</a>]</span>verliet hij de plaats waar hij post gevat had, begaf zich naar den rijweg, en herkende al spoedig in de naderende ruiters
+den Heer van Sonheuvel met zijn rijknecht, die op hun terugtocht naar Den Haag waren. Reede, niet wanende zijn vriend Ulrich
+aldaar te voet te zullen aantreffen, lette weinig op diens wenken en reed hem voorbij, zoodat de Graaf zich genoodzaakt vond,
+hoe ongaarne hij ook gedruisch wenschte te maken, hem bij zijn naam na te roepen. Dit had uitwerking: Heer en knecht stonden
+stil, en de Ritmeester reed verbaasd naar <span id="d0e1559" class="corr" title="Bron: Falckenstein">Falckestein</span> terug.....
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat duivel brengt u hier, alleen, en te voet, en in den nacht en bij dat Satansch erf?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Spreek zacht! Geen duivel, veeleer een heilige beschermengel, ja Gods bestier voert mij en u hier om Prins en Land te redden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij spreekt raadsels.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil! Kom nader! Gij ook, Jonkman! en luister!&#8221;&#8212;Hier vertelde hij hun in weinige woorden &#8217;t geen hem was voorgekomen.
+
+</p>
+<p>&#8220;En durven die beesten dat nog met den mantel van godsdienst bedekken?&#8221; zeide Reede, op de tanden knersende: &#8220;wij zullen hun
+dat afleeren. Voorwaarts marsch, Bouke!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Voorzichtig om &#8217;s hemels wil, of gij bederft alles,&#8221; zeide Falckestein, zijn te voortvarenden vriend met stem en gebaarden
+terughoudende; &#8220;gij kunt te paard niet op het erf komen. Stijg af en bind uw paard vast. Gij zijt gewapend?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met sabel en pistolen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En uw bediende?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zooals ik: nietwaar Bouke?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Altijd, gelijk uwe Edelheid weet: want zoo de Heer zoo de Knecht, en men moet huilen met....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd den mond met uw spreekwoorden,&#8221; grauwde Reede hem toe, terwijl hij, afgestegen zijnde, zijn paard vastbond.
+
+</p>
+<p>&#8220;En nu,&#8221; zeide Falckestein: &#8220;hoor mijn plan: gij, Reede, loopt de deur in met een pistool in de hand: ik volg u met een ontbloot
+geweer, en wij gelasten hun zich gevangen te geven. Uw knecht houdt post aan de deur en schiet overhoop al wie vluchten wil.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; viel Bouke in, &#8220;tot zooverre is &#8217;t goed. Overleg is &#8217;t halve werk; maar naar mijn dom verstand zullen zij zich zoo licht
+niet laten knevelen. Hoe krijgen wij ze mee? de laatste loodjes wegen het zwaarst. Ik heb maar een klein end touw, en om er
+vier te binden, vooral als zij zich verweren....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Praatjes!&#8221; mompelde Reede: &#8220;wij nemen de toomen onzer paarden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En onze paarden loopen haroet,&#8221; zeide Bouke.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die jonkman heeft gelijk,&#8221; sprak Falckestein: &#8220;het ware misschien beter, dat wij om het huis de wacht bleven houden en hem
+inmiddels naar het naaste dorp stuurden om hulp te halen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij dunkt,&#8221; zeide Bouke, &#8220;dat ik daarginds een deur hoor opengaan. Zouden zij ons geroken hebben? Kw&acirc;e doen geeft kw&acirc;e vermo&ecirc;n.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat vervloekte talmen!&#8221; riep de heer van Sonheuvel en snelde in drift de plank over die naar het erf geleidde.
+<a id="d0e1598"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1598">15</a>]</span></p>
+<p>Het was als Bouke gedacht had. Die binnen waren hadden het paardengetrappel gehoord en opgemerkt hoe er voor de hofstede halt
+was gemaakt: dit had hun doen besluiten, te gaan ontdekken wat er aan de hand ware. Broeder Melchior was de deur uitgetreden
+en sloeg den hoek van het huis om, toen hij, een gewapend manspersoon op zich af ziende komen, in allerijl terugkeerde. Zonder
+te bedenken, dat het tijdstip nog niet daar was, loste Reede een pistool en deed den Jezu&iuml;et, gewond, ter nederstorten. Op
+dit geluid kwamen nu ook de anderen het huis uit. &#8220;Redt u,&#8221; zeide Eugenio schielijk tegen zijn makkers: &#8220;redt u over de plank
+en trekt die achter u weg! ik zal de sloot wel overspringen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Jezu&iuml;et, die met hem was, volgde dien raad en liep als een haas de plank over, die naar de weide bracht, en het veld in.
+Panne wilde hem volgen, doch Bouke, die zijn heer spoedig nagesneld was had het doel des vluchtelings geraden, sneed hem bijtijds
+den weg af en greep hem met een gespierde Geldersche vuist in den kraag, terwijl hij met de andere hand een pistool op den
+ontsnapten vloekverwant loste; doch vruchteloos, want Panne, wiens krachten door den angst verdubbeld waren, belette hem,
+door de pogingen, die hij deed om zich los te maken, een juiste richting aan zijn schot te geven. Terwijl zij worstelden,
+waren de beide edellieden Eugenio genaderd, die hen in een rustige en onverschrokken houding afwachtte. Als uit &eacute;&eacute;n mond klonk
+nu het bevel: &#8220;geef u over, of gij zijt een kind des doods!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Aan wie en waarom zoude ik mij overgeven?&#8221; vroeg Eugenio: &#8220;zijt gij roovers of moordenaars, gij, die zonder recht of reden
+dus gewapend dit erf binnendringt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het voegt u wel dus te spreken,&#8221; brulde Reede: &#8220;vervloekte Jezu&iuml;et! geef u over of het gaat er door, zoo waar als ik Reede
+heet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met uw verlof, dan heb ik aan elk van u nog een woordje.&#8221; Dus sprekende, loste hij een pistool op Reede; de kogel floot zijn
+haren door en wierp den vederhoed in &#8217;t gras.
+
+</p>
+<p><span id="d0e1610" class="corr" title="Niet in bron">&#8220;</span>Wilt gij niet goedschiks, dan met dwang,&#8221; zeide Falckestein, hem met zijn degen in de zijde kwetsende.
+
+</p>
+<p>&#8220;En dat is voor u,&#8221; grinnikte Eugenio, terwijl hij met de gesloten vuist aan Falckestein een zoo geweldigen slag op het hoofd
+toebracht, dat de Graaf bedwelmd ter aarde stortte. Als ongedeerd liep toen Eugenio naar de plank, die op den rijweg bracht,
+en wilde die oversnellen, toen Reede hem in den gordel greep. Doch met evenveel gemak, als had hij een kind opgenomen, slingerde
+de Jezu&iuml;et zijn weerpartij van zich af, wierp de arme Heer van Sonheuvel midden in de sloot, ijlde de plank over, trok die
+achter zich weg en riep, terwijl hij het paard van den Ritmeester losmaakte en besteeg, dezen toe: &#8220;denk nu op uw gemak eens
+na of gij u de preek van Uyttenbogaert niet herinneren kunt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ziedaar! dat is om u aan mij te herinneren,&#8221; schreeuwde Reede, zijn tweede pistool op hem losbrandende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die is raak!&#8221; riep Eugenio: &#8220;van elk een wond; <span class="letterspaced" lang="la">sed ultio dabitur septuagies septies</span>,<a id="d0e1622src" href="#d0e1622" class="noteref">3</a> als de Schrift zegt.&#8221;&#8212;Met deze <a id="d0e1625"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1625">16</a>]</span>woorden reed hij met losse teugels weg en verloor zich ras in de duisternis.
+
+</p>
+<p>Inmiddels was Falckestein weder bijgekomen: opgestaan zijnde, hielp hij den Ritmeester, die vast vloekte en tierde, uit de
+sloot. Bouke had zijn weerpartij nu geheel onder den voet en was bezig den armen Panne met een end touw vast te knevelen,
+terwijl hij hem intusschen eenige troostvolle spreekwoorden opdischte, als b. v.: &#8220;ja kereltje, zoo gaat het: boontje komt
+om zijn loontje: die kwaad doet, kwaad ontmoet: &#8217;t is alle dagen geen vastenavond!&#8221; enz.
+
+</p>
+<p>Aan het achterhalen der vluchtelingen was niet te denken; men besloot dus Panne wel te bewaren en Bouke om den schout te zenden;
+dan, hoe keek de goede lijfknecht op, toen hij de planken overal teruggetrokken vond en de drie paarden weg; want Eugenio
+had, uit vrees van achtervolgd te worden, de rijdieren alle losgebonden. Hij begaf zich nu naar den kant van het weiland,
+doch ontdekte tot zijn spijt, dat de in &#8217;t begin gewonde Jezu&iuml;et, op wien men geen acht geslagen had, was opgestaan en van
+die zijde ontsnapt, na ook die plank achter zich weggehaald te hebben.
+
+</p>
+<p>Dus opgesloten op het erf, zouden zij zich genoodzaakt hebben gezien, den dag af te wachten, indien niet eenige boeren uit
+den omtrek het schieten gehoord hebbende, den schout waren gaan waarschuwen, die na een paar uren toevens met zijn dienaars
+verscheen en allen, zoo de bewaarders als den gevangene, met zich naar het dorp voerde. De gevluchte Jezu&iuml;eten werden niet
+gevonden; doch de paarden, welke Eugenio waarschijnlijk, bij het aanbreken van den dag, uit vrees van herkend te worden, in
+vrijheid had gesteld, werden door het landvolk opgehouden en den eigenaars teruggegeven.
+
+</p>
+<p>Bij het verhoor bekende Panne, dat hij van Yperen in Vlaanderen geboortig en beurtelings kruier, koopman en makelaar geweest
+was. Tot armoede vervallen, hadden hem de Jezu&iuml;eten van Douai, aan welke hij zijn nood klaagde, vermaand iets groots te verrichten,
+waardoor hij, al kwam hij er bij om, duizend zielen verlossen en zelf den hemel verdienen zoude. Hem werden, zoo hij de straf
+ontsnapte, 200 &pound;vl. vanwege den Prefect Provinciaal en Rector der Jezu&iuml;eten toegezegd, alsmede het stadsbodenambt van Yperen.
+Op deze belofte had hij zich naar Den Haag begeven, waar verschillende omstandigheden zijn oogmerk verijdeld hadden. De Katholieke
+Hofstede, die aan zekeren Melchior, een geheimen Jezu&iuml;et, toebehoorde, had gedurende dien tijd tot de plaats der bijeenkomsten
+gediend.
+
+</p>
+<p>Niet lang na de gevangenneming van Panne, kwam uit Engeland de tijding, dat zekere Edward Squire, mede door Jezu&iuml;eten opgemaakt,
+wegens een aanslag op het leven der Koningin en des Graven van Essex gevat was; zoowel deze, als Panne, werden met den dood
+gestraft, toonende deze laatste op het schavot groot berouw.
+
+
+
+
+<a id="d0e1637"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1637">17</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote" lang="nl-1600"><span class="label"><a id="d0e1545" href="#d0e1545src" class="noteref">1</a></span> Ende de Koningen der aerde, die met haer gehoereert hebben, sullense beweenen ende rouwe over haer bedrijven. Openb. 18:9.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1550" href="#d0e1550src" class="noteref">2</a></span> Hendrik de Vierde, Elizabeth en Graaf Maurits.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1622" href="#d0e1622src" class="noteref">3</a></span> Ik zal seventighmaal sevenmael gewroken worden. Gen. 4:24.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e1638" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Derde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph" lang="nl-1600">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Gelyck een ingeborsten stroom
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Zal &#8217;t ingelaten heir
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Verdrencken al den Duitschen bo&ocirc;m
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En bruizen als een meir.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, op de tweedraght der Christen Princen.
+</p>
+</div>
+<p>Nadat de Graaf van Falckestein bij Graaf Maurits en de Staten het doel zijner zending verkregen had, keerde hij in den zomer
+deszelfden jaars 1598 naar zijn kasteel van Bruck, waar hij, kort daarna, den nieuwen Vorst van Kleef, die zijn gebied rondreisde
+om zich te laten inhuldigen, luisterrijk ontving.
+
+</p>
+<p>Intusschen had de Koning van Spanje aan zijn dochter Izabella Clara Eugenia de Nederlanden en Bourgondi&euml; overgedragen onder
+de voorwaarde, dat zij haar vollen neef, den Prins Kardinaal Albertus van Oostenrijk, zou huwen, waartoe de Paus alreeds de
+vrijheid verleend had. Deze opdracht, welke door den Infant Filips, &#8217;s <span id="d0e1659" class="corr" title="Bron: Koniugs">Konings</span> erfopvolger, bevestigd en goedgekeurd was, geschiedde op Woensdag 6 Mei 1598.
+
+</p>
+<p>De Infante, die te Madrid bleef, gaf aan haar aanstaanden echtgenoot volmacht om deze landen in haren naam te aanvaarden,
+&#8217;t geen hij op den 22<sup>sten</sup> Augustus te Brussel verrichtte, waarna hij het geestelijk gewaad aflegde en den Amirant van Arragon, Don Francisco de Mendoza,
+tot Opperbevelhebber van een machtig leger aanstelde; hem Graaf Frederik van den Bergh als Veldmaarschalk toevoegende. Dit
+aldus beschikt hebbende, vertrok hij naar Spanje, en liet den Kardinaal Andreas van Oostenrijk achter als Gouverneur-Generaal.
+
+</p>
+<p>Dadelijk besloot deze, met overleg van den Raad van State, tot een tocht in Kleef, Gulik en Westfalen, om deze landen onder
+den naam van beschermheer te vermeesteren: want hij begreep, dat de Vereenigde Nederlanden nergens beter dan uit deze gebuurlanden
+besprongen en in bedwang gehouden konden worden. Voor deze en dergelijke aanvallen hadden de Staten-Generaal den Raad van
+Kleef reeds meermalen gewaarschuwd, en Falckestein had zijn landslieden, bij zijn terugkomst, sterk tot waakzaamheid aangemaand;
+doch de invloed van eenige Spaanschgezinde Raadsheeren had, tot nog toe, alle dadelijke gereedmaking tot verwering tegengehouden.
+Alleen hadden, op verzoek des Vorsten van Kleef, de Hanevederen van den dapperen Ulrich van Daun sommige plaatsen bezet.
+
+</p>
+<p>Het was in den beginne der maand September, dat Mendoza en Bergh met een ontzettend heir de Maas bij Roermond overstaken en
+hunne wapenen tegen Orsoy wendden. Vergeefs weigerde de Maarschalk Horst met zijn Hanevederen hun den doortocht, op grond
+dat Orsoy op onzijdig grondgebied gelegen was: de stad werd beklommen en, spijt allen wederstand, bemachtigd. Op het hooren
+dezer tijdingen <a id="d0e1671"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1671">18</a>]</span>verzamelde Maurits zijn leger te Arnhem, zond bezetting in Zutfen, Lingen en Oldenzaal, en bracht zijn hoofdkwartier te Zevenaar.
+
+</p>
+<p>De Vorst van Kleef, niet minder bedacht voor de groote onheilen, die zijn landen bedreigden, en wenschende, zoo &#8217;t eenigszins
+mogelijk ware, het naderend onweder te stuiten, riep op den 25<sup>sten</sup> September den Landdag bijeen: het was, wel is waar, niet dan met schroom dat hij hiertoe besloot, zoo wegens de Spaanschgezindheid
+van sommige, als om de weifelende gemoedsgesteldheid der meeste edellieden; dan hij steunde veel op den drang van het oogenblik
+en op de welsprekendheid van den Graaf van Falckestein, die hem beloofd had, alles te zullen aanwenden, om den Raad tot het
+uitschrijven van een veldtocht te nopen.
+
+</p>
+<p>De uitkomst echter liet zich gunstig aanzien. Uit een zware ziekte kortelings hersteld en nog bij de minste aandoening bedremmeld
+en sprakeloos, was de Vorst niet in staat zijn voordracht ten einde te brengen: de Spaanschgezinde Raadsheeren, door &#8217;s Voorzitters
+stilzwijgen aangemoedigd, droegen met klem van redeneering voor, hoe dwaas en ijdel aan de eene zijde de wederstand zoude
+wezen, tegen zoo geducht een vijand als den Amirant: en hoe voordeelig van den anderen kant een vast verbond ware, dat aan
+Kleef de vriendschap van Spanje en Oostenrijk verwierf. Met een smeekend oog, waar tranen van spijt en droefheid in zwommen,
+zag de Vorst zijn getrouwen Ulrich aan, doch wat de Graaf ook tegen de drogredenen der andersdenkenden mocht invoeren, het
+scheen op de vergadering weinig of geen invloed uit te oefenen; waarop hij eindelijk, over hun slaphartigheid vertoornd, in
+drift oprees en zwoer, zich aan alle verdere beraadslagingen te zullen onttrekken en op zijn eigen slot met zijne Hanevederen
+de vijanden gaan afwachten. Dan, op dit oogenblik werd de vergadering verrast door het binnentreden eener vrouw van middelbare
+jaren, trotsche en majestueuse houding, op wier gelaat de kommer geschreven stond, terwijl een somber rouwgewaad aan haar
+weemoedigen blik nog meer treurigheid bijzette. Deze vrouw was Sibille, &#8217;s Vorsten zuster en vertrouwde. Met ernst en stoutmoedigheid
+ving zij aan, den Raad zijn lafheid en verwaarloozing van &#8217;s lands belangen in een zoo gevaarlijk tijdstip te verwijten: met
+zwarte kleuren schilderde zij de ontrouw en de list af der Spanjaards en vergeleek Mendoza&#8217;s bescherming bij die van den wolf,
+onder wiens hoede zich, als de fabel meldt, de onnoozele schapen begaven. Op deze en dergelijke redenen, meest geschikt om
+een diepen indruk te verwekken, volgden nadrukkelijke smeekgebeden, met bittere tranen gepaard, welke, langs de kaken eener
+schoone en algemeen geachte vrouw afvlietende, niet konden nalaten, ook de verhardste gemoederen te roeren. De Ridderschap
+wist zij in haar eer, de Raden en Landsafgevaardigden in hun belang zoo verstandig te treffen, dat men, zoo al niet tot oorlogvoeren,
+ten minste tot verdediging besloot; aan den Graaf van der Lippe werd bevel gegeven, zooveel volks tot bescherming van den
+lande te werven als hem mogelijk was, en te Dortmond de vijf Nederkreitsen saam te roepen om over de algemeene belangen te
+<a id="d0e1680"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1680">19</a>]</span>raadplegen. Bovendien schreef de Vorst aan den Keizer en al de Rijksgrooten, om zich over het hem aangedaan geweld te beklagen
+en spoedige hulp te verzoeken. In &#8217;t laatst derzelfde maand werd de Nederwestfaalsche Kreits te Dortmond vergaderd, waar Falckestein
+aan al de aanwezigen zulk een moed in &#8217;t lijf sprak, dat er eenparig besloten werd, den Graaf van der Lippe naar Mendoza te
+zenden, Orsoy wederom te eischen en bij weigering het geschonden recht met de wapenen terug te vorderen.
+
+</p>
+<p>Het was na het scheiden dezer vergadering, op een schoonen herfstmorgen, dat Falckestein met een twintigtal ruiters de Roer
+langs reed om zich naar zijn slot van Bruck te begeven, het oogenblik reikhalzend te gemoet ziende, waarin hij zijn beminde
+gade en lieve kinderen weder aan zijn hart zou drukken. Reeds zag hij de donkere torens van zijn voorouderlijk slot tegen
+de heldere lucht afsteken, en zijn boezem klopte van genoegen op de gedachte, dat ook dit aloud verblijf van vaderlandlievende
+helden geen Spanjaards tot beschermheeren zou behoeven te dulden. Dan, toen hij naderbij kwam, zag hij met verwondering op
+een der torens een aantal krijgslieden vergaderd, die met drift schenen te spreken en naar den Rijnkant te wijzen. Terwijl
+hij bepeinsde wat hiervan de oorzaak wezen mocht, kwam hem een ruiter, die zooeven het slot was uitgesneld, in vollen draf
+te gemoet rennen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel Hensken!&#8221; sprak de Graaf: &#8220;wat komt gij ons met zulk een spoed boodschappen? Hoe varen Mevrouw en de kleinen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeer wel Goddank, Uwe Genade! en waarschijnlijk zeer verheugd over uwe terugkomst,&#8221; gaf de Haneveder in zijn Platduitsch
+ten antwoord: &#8220;voorwaar! Uwe Genade had nooit op een beter tijdstip kunnen terugkomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is er dan gaande? Ik wil niet hopen, dat er onraad op het slot zij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nog niet, Uwe Genade; doch het zal niet lang meer duren. Wij hebben dezen morgen van de burchttinne twee vendels Spaansche
+ruiters gezien, die hierop aanhouden en voorzeker niets goeds in den zin hebben. Mevrouw gelastte mij, Uwe Genade te gemoet
+te rijden en te verzoeken, zooveel spoed te maken als de nood vereischt. Goddank, dat Uwe Genade hier tijdig genoeg is om
+ons allen uit de verlegenheid te helpen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Aldus sprekende waren zij de ophaalbrug genaderd en het slot binnengetreden. Niettegenstaande zijn geest door het ontvangen
+bericht weinig tot vroolijkheid gestemd was, kon Falckestein echter den onwillekeurigen lach niet bedwingen, die bij hem oprees
+op het vreemde schouwspel dat zich hier vertoonde. Alles was op het binnenplein in beweging: de rentmeester, een deftig, lang,
+mager persoon, liep met een ouden stormhoed en een rapier van twee ellen lang gewapend, op en neder, en hield het toevoorzicht
+over de maatregelen, die de burchtzaten ter hunner verdediging namen: in het spreekvertrek werden kogels opgestapeld en vaatjes
+buskruit binnengewenteld: op de plaats ontlaadde men hooi- en mestkarren: hier bracht men vier veldstukjes in orde: daar maakte
+men vuurroeren en lansen <a id="d0e1694"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1694">20</a>]</span>schoon: ginds droeg men meelzakken naar de zolders: in den stal hinnikten de paarden: in de groote benedenzaal, welke nu mede
+voor stal dienen moest, liepen loeiende runddieren, blatende schapen en knorrende varkens door elkander. Hier hoorde men het
+rollen van wagens, ginds het kletteren van wapenen: wat verder het geblaf der honden, het gekakel der kalkoenen en het schril
+gekwaak der ganzen: en in &#8217;t midden van dit alles zette de oude rentmeester zijn piepende en schorre stem uit om al dat geraas
+te overschreeuwen.
+
+</p>
+<p>Dan, nauwelijks was het hoefgetrappel van &#8217;s Graven ruiters op de brug gehoord geworden over het plein, of het verward geschreeuw:
+&#8220;daar is de vijand!&#8221; liet zich van alle zijden hooren. De rentmeester zocht vergeefs zijn rapier uit de verroeste scheede
+te halen en viel in &#8217;t achteruittreden over een logge gans, met de beide beenen in de lucht. De overigen, die hem al doodgestoken
+waanden, zochten overal naar een goed heenkomen, wanneer de juichtoon: &#8220;het is zijn Genade!&#8221; den algemeenen schrik <span id="d0e1698" class="corr" title="Bron: iu">in</span> luide blijdschap veranderde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe!&#8221; zeide Falckestein, bij &#8217;t afstijgen, tot den Rentmeester: &#8220;begint gij den strijd tegen de ganzen, om te beproeven hoe
+het naderhand tegen de Spanjaards gaan zal?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met verlof,&#8221; zeide de Rentmeester, terwijl hij opstond en zich de ruggestreng wreef: &#8220;die duivelsche degen zit zoo vast in
+de scheede, dat ik hem voor betooverd houde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo ik wel zie, is het de degen van mijn bet-overgrootvader Werner: ik wil gelooven, dat hij de scheede ongaarne verlaat,
+waarmede hij nu ruim een eeuw in een zoo nauwe betrekking heeft gestaan;.... doch daar is Mevrouw!&#8221;....
+
+</p>
+<p>&#8220;God zij geprezen dat ik u wederzie, mijn beminde!&#8221; riep de Gravin, die op dat oogenblik, met haar oudsten zoon aan de hand
+en het jongste knaapje op den arm, de slottrap afkwam en haar gemaal tegentrad.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik bemerk,&#8221; zeide de Graaf, terwijl hij haar en de kinderen met aandoening omhelsde, &#8220;dat ik op een gelegen tijdstip terugkom:
+dan, de oogenblikken zijn kostbaar en moeten niet verwaarloosd worden: laten wij binnengaan en gij zult mij alles verhalen,
+wat tot deze aanstalten aanleiding geeft. Gij, Feurich!&#8221; (deze was aan het hoofd der met hem gekomen ruiters) &#8220;zult den ouden
+Beckman bijstaan in het gereedmaken der verdedigingsmiddelen: Hensken, laat de poorten sluiten en de brug ophalen: ik zal
+terstond weder hier zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoo sprekende, geleidde hij zijn vrouw naar een binnenvertrek en verzocht haar, hem nauwkeurig te verhalen, wat haar voor
+een aanval vreezen deed.
+
+</p>
+<p>Na eenige diepe zuchten en tranen, sprak zij aldus: &#8220;Helaas! sedert uw vertrek naar Dortmond, nu acht dagen geleden, hebben
+wij geen oogenblik rust gehad. Gij waart nog geen twee uren weg, toen verscheiden boeren onze bescherming kwamen verzoeken,
+bitter klagende, dat de Spanjaards hun woningen verbrand en hun vee geroofd hadden: ditzelfde verzoek, diezelfde klachten
+werden van toen af dagelijks door anderen herhaald, zoodat ik, eindelijk bemerkende dat, door die lieden te onderhouden, de
+leeftocht van het <a id="d0e1715"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1715">21</a>]</span>slot te spoedig zou verteerd zijn, mij genoodzaakt zag, hun mijns ondanks allen verderen bijstand te weigeren. Dan, eergisteren
+verscheen hier een Spanjaard, zich noemende Fernando Lopez, die, op last van den Amirant, zoo hij voorgaf, u des Veldheers
+bescherming aan kwam bieden, mits gij u bereid toondet de Spaansche zijde te kiezen en den Roomschen Godsdienst te omhelzen.
+Tijd hopende te winnen, verzocht ik hem uw terugkomst af te wachten; doch dit verkoos hij niet: hij reed, naar mij voorkwam
+vrij onvoldaan, naar Orsoy terug. Hedenmorgen berichtte mij de torenwachter, dat hij in &#8217;t westen krijgsvolk had zien overvaren:
+ik gaf dadelijk aan Beckman last eens na te zien, welken voorraad en krijgsbehoeften wij hadden, en begaf mij naar de tinne,
+om met eigen oogen te zien wat er gaande was: ofschoon mijn mingeoefend gezicht niet zoo dadelijk ontwaarde hetgeen Peter
+zoo vervaard had, bespeurde ik echter langzamerhand, dat er werkelijk manschappen in aantocht waren. Naar zijn gissing kunnen
+zij echter niet voor den nacht hier zijn, ten minste zoo zij geschut bij zich hebben omdat zij de hoogte en het bosch moeten
+omtrekken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan is het nog tijd alles tot afweer in gereedheid te brengen,&#8221; hervatte de Graaf: &#8220;wat u betreft, mijn beste, ik mag u niet
+aan de wisselvalligheden van eenig beleg blootstellen: deernis met uw lot en dat onzer kinderen zouden mij misschien beletten
+mij zoo kloekhartig te gedragen, als mijn plicht mij gebiedt. Ik zou om uwentwil een slot opgeven, dat ik zonder u tot den
+laatsten droppel bloeds verdedigen kan; ook voegt het mij, bij de weinige mondbehoeften, die wij bezitten, mij van alle onnutte
+monden te ontslaan.&#8212;Geen tegenspraak! het is mijn vast besluit: omhels mij en ga alles tot uw vertrek gereedmaken.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Gravin, schoon even teederhartig als Badeloch, had niets van het heldhaftige, dat Gysbrechts echtgenoote kenmerkte. Onder
+het storten van een vloed van tranen omhelsde zij haar gemaal, en beloofde hem zijn last te zullen volgen. &#8220;Helaas!&#8221; voegde
+zij er schreiend bij, &#8220;moet ik u na een zoo langdurige afwezigheid enkel terugzien om weder afscheid te nemen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Afscheid nemen!&#8221; herhaalde een stem: &#8220;en waarom afscheid nemen?&#8221;
+
+</p>
+<p>Met het uiten dezer woorden trad een vrouw in burgerkleeding binnen, een knaapje van acht of negen jaren aan de hand houdende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja mijn goede vrouw,&#8221; zeide de Gravin; &#8220;wij vertrekken. Het slot van Bruck levert geen veilige wijkplaats meer op aan vrouwen
+zooals wij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet?&#8221; vroeg de vreemdelinge met verbazing: &#8220;en sedert wanneer zijn vaste sterkten minder veilig dan het open veld?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn echtgenoot beveelt,&#8221; zeide de Gravin: &#8220;en ik gehoorzaam.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie is die vrouw?&#8221; vroeg de Graaf halfluid aan zijn vrouw.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een vluchteling,&#8221; antwoordde deze, &#8220;wier huis door de Spanjaards vernield is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En gij zoudt u opnieuw aan hun woede willen blootstellen?&#8221; zeide Falckestein, op een bevreemden en ontevreden toon tegen
+de vreemde.
+<a id="d0e1737"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1737">22</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Dat zou ik, door af te reizen,&#8221; antwoordde deze: &#8220;hier valt niets voor mij te vreezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Kan zijn,&#8221; hernam Falckestein koel: &#8220;doch het strookt niet met mijn oogmerken, dat vrouwen hier blijven. Een goed geleide
+zal de Gravin naar een veilige wijkplaats voeren: gij moogt daarvan, naar verkiezing, al of niet gebruik maken; doch hier
+kunt gij niet blijven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu!&#8221; zeide de vrouw: &#8220;de Gravin van Falckestein heeft de arme Magdalena, toen zij om bescherming smeeken kwam, die niet
+geweigerd: Magdalena zal de Gravin thans ook niet verlaten. Wellicht is het oogenblik niet verre af, dat zij mijne hulp zal
+noodig hebben.&#8221; Met deze woorden wendde zij zich om en verliet het vertrek.
+
+</p>
+<p>Binnen twee uren waren alle vrouwen en kinderen reisvaardig. Acht kloeke ruiters, onder het bevel van den wakkeren Hensken,
+en een gelijk getal gewapende landlieden, ontvingen last, de vluchtelingen naar Kleef te geleiden en aldaar van den Vorst
+bescherming en huisvesting voor hen te verzoeken. Met den middag vertrokken zij.
+
+</p>
+<p>Ondertusschen had zich de Graaf verscheidene reizen naar den toren begeven en vandaar de nadering der Spaansche benden bespeurd,
+die langzaam, in benden afgedeeld, in aantocht waren. Tegen den avond belette hem zoo de duisternis als de hoogte, die de
+vijand om moest trekken, iets meer van hem te onderscheiden. Het vertrek zijner gemalin had zijn hart van een groote zorg
+ontslagen, zoodat hij met koel beleid zijn maatregelen kon bewerkstelligen. Hij bevond, dat de bezetting thans bestond uit
+zestig ruiters, twintig musketiers en een veertigtal zoo gewapende als ongewapende landlieden uit den omtrek, van welke laatsten
+het getal nog gedurig aangroeide. Tot onderhoud dezer menigte had hij leeftocht voor een maand: de vier veldstukken waren
+in een goeden staat: voorraad aan kruit was er genoegzaam: van achteren was het slot door de rivier en aan de drie andere
+zijden door breede grachten verdedigd en de wallen waren in volkomen orde. De overtuiging van dit alles vervulde hem met een
+moed, welken hij zonder moeite ook aan de zijnen wist mede te deelen. De hemel had echter besloten dat de wederstand vruchteloos
+zijn zoude, en dat juist zijn bezorgdheid omtrent zijn vrouw hem ten verderve zou wezen.
+
+</p>
+<p>Met het doorbreken der eerste zonnestralen zag men van het slot de twee Spaansche vendelen op den afstand van ongeveer twee
+kanonschoten aan de wederzijden van een klein boschje halt maken: en het leed geen half uur, of een ruiter, in volle wapenrusting
+uitgedost en van een trompetter vergezeld, naderde de valbrug en verzocht, tot een mondgesprek te worden toegelaten. Het verzoek
+werd ingewilligd en de Graaf reed den zendeling te gemoet, die opgaf te zijn Diego de Velasco, Hopman in Spaanschen dienst,
+afgezonden door Fernando Lopez, Kapitein, met last om het slot van Bruck in naam van de Infante op te eischen, en de overlevering
+te vorderen van tien Hanevederen, die tegen de Spaanschen, zooals hij voorgaf, geweld hadden uitgeoefend, bij gebreken waarvan
+hij, Fernando Lopez, het slot zou doen beschieten en bestormen.
+<a id="d0e1750"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1750">23</a>]</span></p>
+<p>Met beleefdheid toonde de Graaf hem aan, dat het kasteel van Bruck een leen was van den Hertog van Berg, met wien de Koning
+van Spanje op een voet van vrede leefde: dat hij dus aan geen zoo vreemde als onbillijke eischen kon voldoen; maar het kasteel
+zijner vaderen tegen geweld en overlast verdedigen zou.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik verwachtte geen ander antwoord van zoo braaf een edelman als de Graaf van Falckestein,&#8221; zeide Don Diego: &#8220;het doet mij
+echter leed, Heer Graaf! dat uw koenheid u noodlottig zal moeten wezen: binnen weinig tijd zien wij elkander weder.&#8221; Deze
+woorden geuit hebbende, groette de Hopman hem beleefdelijk, wendde den teugel en reed in vollen draf naar zijn vendel terug,
+terwijl de Graaf, in zijn slot gekeerd, de brug liet inhalen en alles tot afweer gereedmaken.
+
+</p>
+<p>Het duurde niet lang, of de vijand begon de noodige toebereidselen tot den aanval te maken. Het eene vendel, in vier benden
+afgedeeld, trok regelrecht op het slot aan, richtte zijn geschut op den voormuur en begon weldra eenige kogels op de wallen
+af te zenden, zonder echter eenige schade aan te richten. Reeds begon de Graaf te denken, dat dit beschieten alleen moest
+dienen om hem vrees aan te jagen &eacute;n tot de overgave te nopen, toen hij bericht ontving, dat het tweede vendel, hetwelk inmiddels
+de Roer was overgevaren, van den kant der rivier een aanval scheen te zullen wagen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Indien zij volks genoeg hebben, kunnen zij gemakkelijk in den tuin komen,&#8221; zeide Feurich, die deze tijding bracht: &#8220;de vischkaar
+en de steiger steken zoover in &#8217;t water uit, dat zij in een oogenblik de rivier over zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hebt gelijk,&#8221; antwoordde de Graaf, die, den omgang aan de voorpoort op en neder wandelende, de op de slotbrug aanrukkende
+vijanden inmiddels in &#8217;t oog hield: &#8220;doch wij hopen het hun te beletten. Wordt het geschut op den achterwal goed bediend?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Voortreffelijk,&#8221; hernam Feurich: &#8220;maar wat vermag &eacute;&eacute;n veldstukje tegen een menigte, die verspreid en op verschillende zijden
+de rivier oversteekt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu!&#8221; zeide de Graaf, na een oogenblik beraad: &#8220;neem tien boeren en even zooveel scherpschutters met u: verdeel deze laatsten
+in den tuin en op het vischhuisje en doe de boeren den steiger bezetten: laten de schutters hun kruit en lood niet verspillen,
+maar vijf aan vijf vuren en beurtelings weer laden. Vooral moet er geschoten worden op die Spanjaards, die werkelijk te water
+gaan. Deinst de vijand, zoo wacht gij mijn naderen last; zetten zij den aanval door, zoo plaatst gij al uw volk op den kant
+van &#8217;t water, laat algemeen vuur geven en zendt mij er bericht van: dan zal ik u met de helft der Hanevederen komen versterken.&#8212;Ik
+vermoed, dat de aanval, die hier op den voormuur gedaan wordt, slechts dienen moet om ons te misleiden; doch tot ik daarvan
+de zekerheid heb, dien ik hier te blijven.... wacht, Rudolf! richt het geschut eens tegen dat hoopje, dat daar linksaf uit
+het boschje aankomt.&#8212;Juist zoo! nu vuur, mijn vriend!&#8212;heerlijk getroffen! Zaagt gij dien langen schelm met zijn roode pluimage
+nederstorten en over den <a id="d0e1765"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1765">24</a>]</span>kop in &#8217;t zand buitelen?&#8212;Hier gij knapen! aan de poort! houdt uw bussen klaar; doch schiet niet voordat gij mijn bevel verneemt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Intusschen was Feurich de bevelen van zijn heer nagekomen en had hij zijn manschappen, in den tuin, op de hem voorgeschreven
+wijze post doen vatten. Deze tuin en de daarbij behoorende boomgaard waren geplant in de ruimte, bevat tusschen twee sterk
+vooruitspringende, met bolwerken en torens voorziene, achtervleugels van het gebouw. De rivier, die het slot bespoelde, en
+een steenen borstwering, die er langs liep, waren de enige hinderpalen, welke de vijand te overwinnen had om in dien tuin
+te geraken, en de, gelijk Feurich had aangemerkt, ver vooruitspringende steiger en vischkaar konden hem den overtocht nog
+gemakkelijker maken. Wel is waar, het veroveren van den tuin maakte den vijand nog geenszins meester van het slot, waar hij
+niet dan na het overrompelen van verscheiden sterke en wel bewaakte ingangen kon binnendringen; doch het was niettemin van
+het hoogste belang hem te beletten een post te bemachtigen, van waar hij den belegerden den grootsten last en ongerustheid
+baren kon.
+
+</p>
+<p>Stil als de dood, dien zij zenden moesten, stonden de musketiers, elk achter een boomstam beschut, op het sein te wachten;
+terwijl de boeren, op den steiger geschaard, hun knuppels en vorken met drift in &#8217;t rond zwaaiden en met woorden en gebaarden
+den aanrukkenden vijand sarden, als wilden zij hem tot den overtocht bewegen. Velasco, die dit vendel der belegeraars aanvoerde
+en achter een dijkje aan de overzijde der rivier voor het geschut beveiligd lag, bedwong hun drift, tot al zijn manschappen
+vereenigd waren. Toen liet hij de twee kleine schuitjes, waarmede hij de overvaart gedaan en die hij met zich gevoerd had,
+met zooveel soldaten bemannen, als de zwakke vaartuigen dragen konden, en gaf bevel aan diegenen onder zijn krijgsknechten,
+die de beste zwemmers waren, zich van hun bovenkleederen te ontdoen en het water te doorwaden, ten einde den aanval alzoo
+gelijktijdig op verscheidene punten te bewerkstelligen en de belegerden in verlegenheid te brengen. Het overschot zijner manschappen
+bleef op den oever in &#8217;t gras liggen en poogde, door een wel onderhouden vuur, den overtocht te dekken en de landlieden van
+hun post op den steiger te verdrijven.
+
+</p>
+<p>Feurich, die op de vischkaar stond, liet de aanvallers tot op halverwegen naderen en gaf toen het sein aan zijn musketiers,
+door zelf een pistool op een der Spaansche onderofficieren te lossen, die, doodelijk getroffen, uit de boot in &#8217;t water plompte.
+Vijf musketschoten vielen, en even zoovele Spanjaards stortten gewond achterwaarts of rolden kermend uit de schuiten. De zwemmenden
+kozen den terugtocht, gelijk ook een der vaartuigen, dat, toen er nogmaals uit den boomgaard vuur gegeven was, meer gekwetsten
+dan gezonden aan boord had. Het andere schuitje naderde echter den steiger; het was met kloeke en nog ongedeerde kerels bemand,
+die nu van hunne zijde op de boeren met goed gevolg vuur begonnen te geven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier Heinrich! Walter! hier!&#8221; riep Feurich: &#8220;helpt mij die schurken <a id="d0e1775"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1775">25</a>]</span>eens begroeten.&#8221; Dit zeggende had hij met de twee boeren een balk opgeraapt, die naast den steiger lag. Zij brachten die met
+vereende krachten vooruit om het vaartuig te keeren: een goede uitslag bekroonde hun pogingen: het schuitje werd niet alleen
+afgeweerd, doch het kantelde, wierp zijn manschap overboord en dreef ledig naar den overkant terug.
+
+</p>
+<p>Een luid gejuich bekroonde deze welgeslaagde verrichting, en de boeren zonden bitse spotternijen tot de belegeraars, die doornat
+en meerendeels gewond tot de hunnen waren teruggedropen. Dan Velasco gaf het niet op, en wilde zijn volk nogmaals den aanval
+op dezelfde wijze doen beproeven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo zal het nooit gaan,&#8221; zeide een monnik, die naast den aanvoerder stond: &#8220;zij moeten allen te water, en gelijktijdig, <span class="letterspaced" lang="la">quasi vir unus</span>,<a id="d0e1784src" href="#d0e1784" class="noteref">1</a> gelijk de Vulgata zegt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet, eerwaarde Vader!&#8221; zeide Velasco, &#8220;dat gij een begenadigd man zijt, die door een hoogeren geest geleid wordt: doch
+veroorloof mij in krijgszaken van u te mogen verschillen. Wie zullen den overtocht dekken, zoo allen te water gaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat hebben die manschappen, die den overtocht dekken moesten, thans uitgericht?&#8221; vroeg de monnik: &#8220;door ons te verdeelen,
+zullen wij de belegerden in de war brengen. Geloof mij, jongeling, en gehoorzaam aan mijn ondervinding! Zend de helft van
+uw volk op den steiger af, en de andere op den boomgaard, en ik sta u borg voor een goeden uitslag.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw borg zal mij veel baten, als ik mijn Oversten rekenschap moet geven van het bloed der dapperen, die ik ter slachtbank
+voer,&#8221; hernam Velasco.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jongeling!&#8221; zeide de monnik ernstig en den vinger opheffende: &#8220;Gij kent de waardigheid, die ik hier bekleed: leer daaraan
+te gehoorzamen. Het zal geschieden zooals ik zeg.&#8221;
+
+</p>
+<p>Velasco beet zich op de lippen van toorn. &#8220;Het zal dan geschieden,&#8221; zeide hij &#8220;doch niet op mijn last.&#8221;&#8212;&#8220;Spitsbroeders!&#8221; vervolgde
+hij, terwijl hij zich tot zijn manschappen wendde en op den monnik wees: &#8220;ik ben uw geleider niet meer. Ziet hier den man,
+die u ten zege voeren zal. De eerwaarde Pater wordt uw Hopman.&#8221;&#8212;Dit gezegd hebbende, ontdeed hij zich van zijn sjerp, smeet
+die den monnik voor de voeten en trad terug.
+
+</p>
+<p>De soldaten zagen elkander verwonderd en besluiteloos aan. &#8220;<span class="letterspaced" lang="la">Docebo vos viam rectam</span>!&#8221;<a id="d0e1802src" href="#d0e1802" class="noteref">2</a> riep de geestelijke, een zwaard uit de handen van een der manschappen grijpende: &#8220;Ik zal u zelf het voorbeeld geven en u
+aantoonen, hoe de zege behaald kan worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Onder het uiten dezer woorden stapte hij in een der schuiten, gaf last aan een viertal schutters hem te vergezellen, liet
+het andere vaartuig met vijf van de kloekste Spanjaards bemannen, gebood aan al, wie moed had en toonen wilde, dat het hem
+ernst was roem <a id="d0e1807"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1807">26</a>]</span>en prijs te behalen, zich te water te begeven, en stak van wal. De soldaten, door zijn voorbeeld aangemoedigd, schenen hun
+vorigen tegenspoed vergeten te zijn en zwommen hem spoedig na, zoodat Velasco schier alleen aan den oever staan bleef. Deze
+bevond zich nu in den toestand van een kind, dat, met zijn ouders wandelende, hen niet heeft durven vergezellen voorbij het
+een of ander schrikbarend voorwerp, b. v. een hondenhok of een oude bedelaarster, en, nu, daar zijn ouders, hem uitlachende,
+zijn voortgewandeld, niet weet of het wel op dezelfde plaats zal blijven staan, of het terugkeeren dan wel of het zijn ouders
+inhalen en alzoo het voorwerp van zijn angst zal voorbijgaan, tot welk laatste het echter eindelijk al bevende besluit. In
+zooverre echter gaat deze vergelijking kwalijk, dat Velasco niet uit vrees, maar alleen uit wrevel tegen den monnik was blijven
+staan. Toen hij echter de uitwerking zag, welke diens toespraak en voorbeeld op de krijgsknechten maakte, begreep hij, zonder
+zijn eer te krenken, als vrijwilliger te kunnen doen, hetgeen hij als Hopman moest nalaten en laken; hij sprong in de rivier
+en zwom weldra al de overigen voorbij.
+
+</p>
+<p>Ongeveer in &#8217;t midden van den stroom gekomen zijnde, gaf de monnik aan zijn musketiers bevel, niet op de landlieden, maar
+op de schutters, die achter de boomen in den tuin half verscholen bleven, te vuren, &#8217;t geen ten gevolge had, dat een paar
+van deze laatsten gewond en buiten staat gesteld werden eenigen verderen dienst te doen.
+
+</p>
+<p>Feurich wachtte intusschen met zijn twee medehelpers het vaartuig als te voren af: de zware balk viel weder op de plecht;
+doch daar de schuit nu niet zoo volgeladen was als de vorige reis, kantelde zij niet; met forsche armen klemde de monnik den
+balk tegen zijn borst, trok hierdoor zelf het schuitje nabij den wal, sprong toe, greep een der kettingen van de vischkaar
+en slingerde zich er boven op. In hetzelfde oogenblik kwam Falckestein, die de belegeraars aan de voorpoort reeds had afgeslagen,
+met eenige Hanevederen in den tuin. Zijn komst verlevendigde den moed der zijnen. Al de musketiers snelden naar de borstwering:
+de Spanjaards, die om den boomgaard waren aangerukt, werden teruggedreven, het tweede schuitje omgeslagen en Velasco met de
+zijnen tot den terugtocht genoodzaakt.
+
+</p>
+<p>Doch de andere helft der bende, die met den monnik gekomen of aan den kant des steigers de gracht doorwaad had, wist nog van
+geen wijken. De ijzeren stormhoeden tartten de knuppelslagen, en de rustelooze volharding der Spaansche veteranen verwekte
+een doodschen schrik bij de ongeoefende landlieden. De monnik vuurde hen met taal en voorbeeld aan. Vreeselijk stond hij op
+de kaar, met de eene hand om den ketting gekneld, terwijl hij met de andere den sabel zwaaide. De verweerders, waaronder sommige
+Roomschen waren, ontzagen zoowel zijn kleed als zijn reuzenarm, en weken. Nu op den steiger gekomen, wierp hij zich met leeuwenwoede
+tusschen de Duitschers en sabelde er twee ter neder. Op dit oogenblik kwam Falckestein, die voor deze zijde van den tuin beducht
+was, ter <a id="d0e1815"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1815">27</a>]</span>ondersteuning der landlieden toegeschoten. Zooras de monnik hem in &#8217;t oog had, drong hij met geweld door, liep op den Graaf
+toe en gaf hem een zoo geweldigen slag op den kolder, dat hij hem had nedergeveld, zoo niet het zwaard in zijn hand gedraaid
+had.
+
+</p>
+<p>Onder het toeslaan duwde hij hem deze woorden toe: &#8220;<span class="letterspaced" lang="la">septuagies septies</span>!&#8221;<a id="d0e1822src" href="#d0e1822" class="noteref">3</a>
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik herken u, vervloekte Jezu&iuml;et!&#8221; was het antwoord van Falckestein: &#8220;doch heden zult gij mij zoo gemakkelijk niet ontkomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze woordenwisseling ging met verdubbelde zwaardslagen gepaard, toen eenige Hanevederen, die den Graaf gevolgd waren, gezamenlijk
+op den booswicht aandrongen. Zonder zich te ontzetten, weerde deze hun slagen af en zocht den oever te bereiken, doch de boeren,
+wien het gelukt was, den vijand overal te doen deinzen, sneden hem alom den pas af en dreigden hem den dood.
+
+</p>
+<p>&#8220;Grijpt hem levend!&#8221; riep Falckestein: &#8220;de schelm moet geen krijgsmansdood sterven. Aan de galg met den vorstenmoorder!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="la">Nondum venit hora mea</span>,&#8221;<a id="d0e1836src" href="#d0e1836" class="noteref">4</a> zeide Eugenio, die, schoon hij zich omsingeld zag van vijanden, zijn moed noch zijn tegenwoordigheid van geest verloren had.
+Evenals de forsche bulhond, die in een weide geraakt, zich door de dreigende hoornen der runddieren van alle kanten bestookt
+ziet, en zich echter uit het gevaar weet te redden, zoo ontkwam ook de onversaagde monnik. Grimmig sloeg hij den blik in &#8217;t
+rond: hij koos de plek, waar hij een bres wilde maken, in den levenden muur, die hem omringde, en noodlottig was die keuze
+voor den ongelukkigen boer, die er het voorwerp van geworden was. Eugenio deed een sprong, en de huisman, tegen wiens borst
+hij belandde, lag zieltogend in het gras. Van de verbazing van het oogenblik gebruik makende, snelde de Jezu&iuml;et van den steiger,
+plofte als een molensteen in het water, dook onder voor de op hem geloste schoten en kwam behouden aan de overzijde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu,&#8221; zeide Velasco: &#8220;gij ziet den heerlijken uitslag van uw onmisbaren aanval!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced">Me deseruerunt omnes</span>!&#8221; zeide Eugenio: &#8220;zij hebben mij allen verlaten; maar, dit beloof ik u, morgen zullen wij in het slot zijn; vandaag genoeg!
+Laat nu maar den aftocht blazen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Falckestein, wel overtuigd, dat hij dien dag geen nieuwen aanval te wachten had, liet aan de bezetting de noodige ververschingen
+toedienen en maakte toebereidselen om tegen den volgenden morgen den vijand te kunnen verwachten.
+
+
+
+
+<a id="d0e1848"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1848">28</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1784" href="#d0e1784src" class="noteref">1</a></span> Als &eacute;&eacute;n man.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1802" href="#d0e1802src" class="noteref">2</a></span> Ik zal u den rechten weg leeren.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1822" href="#d0e1822src" class="noteref">3</a></span> Zeventigmaal zevenmaal.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1836" href="#d0e1836src" class="noteref">4</a></span> Mijne ure is nog niet gekomen.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e1849" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Vierde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Zie hier uw gemalin.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>&#8217;k Geleid haar thands bij u, gelijk uw hofknaap, in,</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Bilderdijk</span>, Floris de Vijfde.
+</p>
+</div>
+<p>Een nieuwe dag was aangebroken: reeds met zonsopgang stond de Graaf met Feurich en den rentmeester op den torentrans om de
+bewegingen der vijanden gade te slaan; dan alles bleef rustig en stil in het leger: het was acht uren geslagen, en nog deed
+niets het voornemen tot eenigen aanval vermoeden. &#8220;Waarlijk,&#8221; zeide Feurich, &#8220;ik zou beginnen te gelooven, dat zij van hun
+onderneming afzien en eieren voor hun geld kiezen: zij zullen zich, met het ontbijt van gisteren vergenoegen en willen zeker
+het middagmaal van heden niet afwachten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo zij wilden vertrekken,&#8221; zeide de Graaf, &#8220;hadden wij hun daartoe reeds toebereidselen zien maken; doch neen: de meesten
+ronken nog onder hun tenten: alleen de toegangen zijn bezet; waarschijnlijk wachten zij versterking uit het hoofdleger, of
+willen zij ons door honger tot de overgave dwingen; maar bij mijn zwaard! zij zullen alleen over mijn lichaam in het slot
+mijns vaders komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heer Graaf!&#8221; riep nu Peter de torenwachter: &#8220;ziet Uwe Genade die stofwolk van den kant van Duisburg?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ach hemel!&#8221; zuchtte Beckman: &#8220;dat zijn voorzeker de schapen van G&ouml;bel, welke zij hebben ontvoerd om zich proviand te verschaffen:
+een kudde van zeshonderd vette beestjes, waarvan Uwe Genade de tienden had: dat zulke onbekeerde schelmen die in hun keukens
+zullen braden!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat schapen!&#8221; hernam de torenwachter: &#8220;ik zie duidelijk helmen en lansen glinsteren: het zijn versche benden die aanrukken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Inderdaad,&#8221; sprak de Graaf: &#8220;doch wat is het? vriend of vijand? Kunt gij het vendel niet onderscheiden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nog niet, Uwe Genade!&#8221; antwoordde Peter, &#8220;doch ja.... het zijn Spanjaarden: ik herken hen aan hun legertrein en orde van
+aanmarsch.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dus nieuwe aanvallers!.... Ha! daar wordt de marsch geblazen en Lopez trekt hen met zijn ruiters te gemoet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben maar blijde dat het de schapen van G&ouml;bel niet zijn,&#8221; zeide Beckman: &#8220;doch hoe zullen wij al dat volk wederstaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met Gods hulp en onze dapperheid, Beckman!&#8221; antwoordde zijn Heer: &#8220;wat zegt de spreuk: <span class="letterspaced">werkt</span> en <span class="letterspaced">bidt</span>! ga allen aanzeggen, dat zij zich in de groote zaal vereenigen; de Pastor is met Mevrouw vertrokken, doch ik zal zelf het
+gebed doen, en wij zullen den drie-en-twintigsten Psalm zingen, die op onze omstandigheden toepasselijk is.&#8221;
+
+</p>
+<p>De bevelen van den vromen Graaf werden ten uitvoer gebracht: al wie in het slot der Hervormden geloofsbelijdenis was toegedaan,
+<a id="d0e1890"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1890">29</a>]</span>ja, ook sommige der Roomschgezinden, verschenen in de groote ridderzaal. Met ernst, godsvrucht en klem sprak Falckestein Hem
+aan, van Wien alleen zij hun redding verwachten konden, en smeekte Hem, voor en met hen te strijden en hen niet beschaamd
+te maken in de groote beproeving, die zij om Zijnentwille en uit liefde voor hun dierbaar vaderland doorstonden. &#8220;Of,&#8221; zeide
+hij, en hiermede besloot hij zijn aanroeping, &#8220;indien het Uw wil is, dat wij het getal vergrooten van zoovele vrome martelaars,
+die voor de verdediging van hun vaderland, voor de rechten van hunne Overheden, ja wat meer zegt, voor Uwen heiligen Naam
+en ter bewaring Uwer onvervalschte leer, hun bloed hebben vergoten, zoo schenk ons lijdzaamheid, volharding en vertroosting
+in de ure des lijdens, opdat wij getrouw den goeden strijd volstrijden mogen en dat ook tot ons, als wij ons voor Uwen troon
+vertoonen om rekenschap af te leggen van hetgeen wij op aarde verricht hebben, moge gezegd worden; <span class="letterspaced">gij goede dienstknechten: over veel heb Ik u gezet: over veel zijt gij getrouw gebleven: gaat in de vreugde uwes Heeren</span>!&#8221;
+
+</p>
+<p>Plechtig klonk, na dit gebed, het Psalmgezang door de hooge slotgewelven: en geen was er onder de aanwezigen, die na den afloop
+der plechtigheid niet bemoedigd en als &#8217;t ware meteen nieuw leven bezield, de zaal weder verliet. Alleen hij, die de overigen
+bemoedigd had, ondervond zelf die kalmte, die opgewektheid niet, welke het hem gelukt was, aan anderen in te boezemen. Falckestein
+gevoelde, niettegenstaande de voordeelen, die hij behaald had, en de gunstiger wending, die de zaken voor hem schenen te nemen,
+zijn boezem beklemd en zwaarmoedig, en spoedig keerde hij, om nogmaals te onderzoeken welk lot hij te wachten had, met Beckman
+en Feurich naar den toren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zie hun nog geen toebereidselen maken,&#8221; zeide Peter de wachter: &#8220;de krijgsknechten zijn bij elkaar op het gras gelegen,
+en vermaken zich met dobbelen en zuipen, die luie varkens als zij zijn! alles is nog doodstil...dan ginds komen er soldaten
+uit het bosch en voeren hout mede dat zij gekapt hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die schurken,&#8221; riep Beckman verontwaardigd uit, &#8220;het bosch van Uwe Genade, daar wij jaarlijks voor tweehonderd kronen aan
+timmerhout uit hakten voor den scheepstimmerman Luiken Luikes te Amsterdam.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat moeten zij op die hoogte bouwen,&#8221; vervolgde Peter, &#8220;daar die twee ezels die stammen naar toe sleepen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och ja!&#8221; viel Beckman weemoedig in: &#8220;dat zijn de ezels van Lottchen Weissmilch: die arme dieren hadden voorzeker niet gedroomd
+ooit een ander werk te zullen verrichten dan koren naar Uwer Genades molen te brengen. Wat zal die goede weduwe nu beginnen?
+En daar, de kleinste van de twee, is nog wel met volen: en zulk een arm dier moet paardenwerk doen! doch dat heidensch volk
+heeft deernis met mensch noch beest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gelukkig nog zijn die arme beesten,&#8221; zeide Falckestein, wien, bij de sombere gemoedsgesteldheid waarin hij verkeerde, ook
+de vrij kluchtig uitgedrukte klachten van den goeden rentmeester geen <a id="d0e1907"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1907">30</a>]</span>glimlach konden afpersen: &#8220;gelukkig nog, dat zij slechts een lichamelijk lijden te dragen hebben en voor geen zedelijke kwelling
+vatbaar zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar wat gaan zij nu verrichten?&#8221; vroeg Feurich, de oogen strak op de werkzaamheden der Spanjaards gericht houdende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker,&#8221; zeide Beckman, &#8220;is het hun voornemen een stormgevaarte te maken, zooals de Pastor mij wel verhaald heeft, dat Civilis
+gebruikte om het Valkenhof te Nijmegen te bestormen, toen Karel de Groote aldaar voor Paus Julius Cesar het bevel voerde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ziet!&#8221; vervolgde Feurich, zonder de geschiedkundige aanmerking des Rentmeesters te beantwoorden: &#8220;Zij zetten twee balken
+recht overeind!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En spijkeren er een derde boven op,&#8221; voegde Peter er bij; &#8220;dat lijkt als twee droppels water op een galg.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij willen mij toch niet ophangen eer zij mij hebben,&#8221; zeide de Graaf, wien dit schouwspel een half wreveligen, half vroolijken
+lach afdwong: &#8220;of moet dit een schrikvertooning verbeelden, gelijk aan die, waarmede zij de bezetting van Orsoy hebben bang
+gemaakt? Die vlieger zal bij mij niet opgaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ziet!&#8221; vervolgde Feurich: &#8220;daar komen de Oversten te paard de hoogte oprijden; er wordt een kring om de galg gevormd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Luistert!&#8221; hernam Falckestein, &#8220;daar klinkt de trompet, zeker om onze aandacht op dit spel te vestigen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En nu hoor ik een doffe trom, als bij halsrecht,&#8221; zeide Peter, het oor tegen het vloersteen houdende om beter te hooren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zie vrouwen uit het leger komen,&#8221; zeide Feurich schielijk, &#8220;vrouwen en kinderen: men brengt die tusschen soldaten den
+heuvel op.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar? waar?&#8221; riep Falckestein.&#8212;&#8220;Almachtige God! wat zie ik daar?&#8221; en zijn gelaat werd witter dan de borstwering, waar hij
+over leunde. Het onbedriegelijk oog der liefde had hem in een dier vrouwen zijn Anna doen herkennen, die met haar twee zoontjes
+den heuvel werd opgestuwd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn vrouw!&#8221; gilde hij: &#8220;mijn kinderen! Zij moeten gered worden! Feurich! haast u! laten al de Hanevederen opzitten! maak
+alles tot een uitval gereed! Mijn Anna! ik word radeloos!&#8221;
+
+</p>
+<p>Men heeft meermalen opgemerkt, dat lieden, die doorgaans en over &#8217;t geheel een kalme, bedaarde gemoedsgesteldheid bezitten,
+en niet dan zeer traag tot drift vervoerd worden, in die bijzondere gevallen, waarin zij door eene onwederstaanbare zielsaandoening
+overmeesterd worden, hun tegenwoordigheid van geest nog meer verliezen dan anderen, aan wie een minder bedaard gestel te beurt
+viel. Falckestein strekte tot een voorbeeld der waarheid van deze opmerking. Zonder eenige kansen te berekenen, zonder in
+te zien, hoe de macht, die hij wilde tegengaan, de zijne twintigvoud overtrof, hoe hij zich en de zijnen in een wis verderf
+zou storten, stormde hij de wenteltrap af, vloog naar den paardenstal, zat in een oogenblik in een zadel en beschuldigde zijn
+getrouwe dienaars van traagheid, omdat zij niet dadelijk gereed waren om hem in &#8217;t veld te volgen.
+<a id="d0e1933"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1933">31</a>]</span></p>
+<p>Reeds haalden echter de getrouwe Hanevederen hun paarden den stal uit, toen zich het trompetgeschal voor de slotbrug hooren
+liet, en, na een kort verwijl, twee afgevaardigden uit het leger om gehoor verzochten.
+
+</p>
+<p>Deze omstandigheid was genoegzaam om Falckestein tot zichzelven te doen keeren: hij voorzag een schikking, een vergelijk,
+hoe was hem nog bijna hetzelfde; doch het was duidelijk, dat de strafoefening, waarvoor hij vreesde, geschorst was; de hoop
+herrees in zijn gemoed, en met deze keerden weldra de bedaardheid en tegenwoordigheid van geest. Spoedig liet hij de valbrug
+uitwerpen en reed met Feurich en twee ruiters de afgezondenen te gemoed.
+
+</p>
+<p>Een hunner (het was Velasco) was ongeharnast; een vederhoed met smaak opgetoomd, dekte zijn bevallig, manlijk gelaat: een
+zijden wambuis, rijk met strikken en borduursels versierd, sloot om zijn lichaam, en een pronkdegen hing van den breeden gordel.
+In den anderen herkende Falckestein met afgrijzen den Jezu&iuml;et Eugenio, gedost in &#8217;t gewaad zijner orde. De Hopman voerde het
+woord:
+
+</p>
+<p>&#8220;Na de verdediging, die gij, Heer Graaf! u verstout hebt op gisteren tegen onze troepen in &#8217;t werk te stellen, zal het u bevreemden,
+dat wij nogmaals woorden van vrede tot u spreken: te meer, daar onze legermacht meer dan verdubbeld is; doch de Spanjaard
+heeft een walg van noodelooze bloedstorting en weet geleden hoon te vergeven zoowel als te straffen. Wij eischen dus nogmaals,
+en, bedenk u wel! wij eischen het voor &#8217;t laatst, de overgave van het slot, u een vrijen, een eerlijken uittocht aanbiedende,
+voor u en voor de uwen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dacht, Hopman!&#8221; zeide de Graaf, &#8220;dat de wijze, waarop ik u gisteren ontvangen heb, u den lust tot het hernieuwen van een
+dergelijk aanbod zou ontnomen hebben. Zoo gij geen ander voorstel hebt, verzoek ik u alle verdere moeite omtrent mij te sparen
+en u naar uw kamp terug te begeven, waar ik juist van oogmerk was, u te komen bezoeken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat rade ik u sterk aan,&#8221; zeide Eugenio: &#8220;gij zult op een vermakelijk schouwspel vergast worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met den sluipmoordenaar spreek ik niet,&#8221; zeide Falckestein, den Jezu&iuml;et verachtelijk met de oogen metende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Graaf!&#8221; hervatte Velasco: &#8220;ik moet u onder &#8217;t oog brengen, welk leed gij u berokkent, door ons aanbod af te slaan. Genade
+voor al wie zich onderwerpt: dood aan al wie wederstand biedt. Heb deernis, Graaf! met u zelven, met de uwen, met uw vrouw
+en kinderen,&#8221; voegde hij er langzaam bij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Met mijn vrouw en kinderen!&#8221; herhaalde Falckestein sidderende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Met uw vrouw en kinderen, die de krijgskans in onze handen vallen deed, die aan den voet van gindsche galg uw keus afwachten,
+welke hun lot beslissen moet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe moet die zijn?&#8221; vroeg Eugenio: &#8220;<span class="letterspaced" lang="la">septuagies septies...</span>&#8221;<a id="d0e1959src" href="#d0e1959" class="noteref">1</a><span id="d0e1961" class="corr" title="Bron: ,"></span>
+
+</p>
+<p>&#8220;Ziet!&#8221; zeide Falckestein, naar het slot wijzende: &#8220;op dat voorplein <a id="d0e1965"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1965">32</a>]</span>staan mijn dappere ruiters geschaard: zij wachten slechts &eacute;&eacute;n woord en volgen mij naar uw leger. De God, die mij gisteren
+de zege gaf, zal mij ook heden kracht genoeg verleenen om mijn lievelingen aan uw tijgerwoede te ontscheuren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hoe innerlijk verscheurd van ziel, hoe overtuigd dat een poging als die, welke hij voorgaf te zullen doen, vruchteloos af
+moest loopen, hoopte Falckestein echter, dat de mededeeling van een dergelijk voornemen eenigen indruk op de gezanten zoude
+maken..... zijn doel was echter gemist.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Hemel zij dan hun zielen genadig,&#8221; zeide Eugenio. Met deze woorden haalde hij een pistool uit en schoot het in de lucht
+af.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zal dit?&#8221; riep Falckestein, de hand aan &#8217;t zwaard slaande.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is een sein,&#8221; antwoordde de Jezu&iuml;et, om hun de stroppen om de halzen te doen: indien ik ook dit pistool losbrand (hier
+haalde, hij een tweede voor den dag) dan hebt gij vrouw noch kroost meer.&#8221; En, om aan zijn woorden nog meer klem bij te zetten,
+haalde hij den haan over.
+
+</p>
+<p>&#8220;Om Gods wil!&#8221; gilde de Graaf, wien het klamme zweet aan alle kanten uitbrak. &#8220;Welke menschen, Feurich! Mijn vrienden!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Beraad u kort,&#8221; herhaalde Eugenio en hief het pistool omhoog.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel!&#8221; zeide Falckestein: &#8220;ik heb voor mijn eer gedaan, wat ik konde; doch de natuur heeft ook haar rechten: spaar de mijnen
+en handel met mijn slot naar uw verkiezing.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij wordt redelijk, Graaf,&#8221; hernam Eugenio, en verborg het moordtuig weder in zijn gewaad.
+
+</p>
+<p>&#8220;Trompetter, blaas!&#8221; riep Velasco: &#8220;Graaf! binnen weinige oogenblikken zult gij uw lievelingen hier zien verschijnen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Komt dan in Gods naam binnen,&#8221; zeide de Graaf, &#8220;opdat wij over de voorwaarden der overgave spreken mogen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit zeggende wendde hij zijn paard om en reed met de beide afgezondenen de valbrug over.&#8212;Velasco bekleedde &#8217;s Graven rechterhand,
+doch in zijn gitzwart oog was geen verwinnaarsvreugde te lezen: hij zag, bijna even somber als Falckestein deed, naar den
+grond, want zijn edelmoedige ziel had een tegenzin in een overwinning, welke op zulk een wijze gekocht was geweest. Eugenio&#8217;s
+gelaat stond strak; doch onder zijn zware wenkbrauwen blonk een schelmsche vreugde, die hij, hoezeer hij ook meester over
+zijn aandoeningen was, moeite had om te verbergen.
+
+</p>
+<p>Op het slotplein gekomen, steeg Falckestein af, bood den Hopman, die zijn voorbeeld volgde, beleefdelijk de hand, en zeide,
+terwijl een traan hem in de oogen blonk:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heet u welkom op het slot van Bruck: ik mag, helaas! niet meer zeggen op mijn slot. Uw komst alhier belaadt mij met eeuwige
+schande.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe wij hier ook binnenkomen,&#8221; antwoordde Velasco met eene buiging: &#8220;het kan u nimmer tot schande verstrekken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat u betreft,&#8221; vervolgde de Graaf tot Eugenio: &#8220;ik kan u niet ontveinzen, dat gij mij heden nog minder welkom zijt dan gisteren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat verwondert mij,&#8221; zeide Eugenio met veel koelheid: &#8220;want <a id="d0e1999"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1999">33</a>]</span>gisteren had mijn komst u bijna het leven gekost en heden redt zij dat van uw vrouw en kinderen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En belaadt mij met dubbele oneer,&#8221; zeide Falckestein, &#8220;dat ik u gisteren als krijgsman en heden als gezant beschouwen moet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik bid u, Mijne Heeren!&#8221; zeide Velasco: &#8220;laat ons eene reeds uit haar aard onaangename onderhandeling niet door onnutte verwijtingen
+verbitteren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Onder het gesprek waren zij een der zalen ingetreden. Een kan met ouden Hochheimer en drie bekers werden voor den Graaf nedergezet;
+het noodige schrijfgereedschap werd aangebracht, en na een morgendronk plaatste men zich en begon men de voorwaarden der overgave
+onderling te overleggen.
+
+</p>
+<p>Niet weinig was de graaf verwonderd, toen hij bemerkte dat niet alleen Velasco, maar ook Eugenio, van wien hij na het jegens
+hem gehouden gedrag geen inschikkelijkheid verwachten konde, hem bij het opmaken van net verdrag de billijkste en ruimste
+voorwaarden toestonden: de schampere lach van den Jezu&iuml;et gaf wel aan zijn toegevendheid een zweem van spotternij, doch de
+uitslag bleef gunstig voor den Graaf. Na eenige woordenwisselingen kwam men overeen, dat het kasteel op staanden voet zou
+overgaan aan de Infante, dat de bezetting met krijgseer, slaande trom, aangestoken lont en vliegend vaandel zoude uittrekken:
+dat de rentmeester, schout, schenker, kok, molenaar, en verdere dienaars van het kasteel en de onderhoorige plaatsen hun bedieningen
+zouden blijven behouden: en dat het aan de landlieden, die op het kasteel waren, zou vrijstaan, onverlet tot hunnent terug
+te keeren. De rentmeester, binnengeroepen zijnde, maakte van dit verdrag twee eensluidende afschriften, welke door de overeenkomende
+partijen geteekend en aan weerskanten overgenomen werden.
+
+</p>
+<p>Dit in orde gebracht hebbende, vertrokken de gezanten weder naar het leger, en het leed geen half uur, of Velasco keerde aan
+het hoofd van zijn vendel terug, om bij voorraad bezit van het slot te nemen. Aan zijn zijde was, op een fraai rijpaard, de
+Gravin van Falckestein gezeten: zij hield haar jongste zoontje op den arm. De gevangene vrouwen volgden met het oudste knaapje,
+te voet: en boven dezen stak de rijzige gestalte uit van Magdalena, die mede haar zoontje bij de hand geleidde. De trein hield
+op een afstand van het kasteel stil, en, nadat de trompetter, welke den Hopman vergezelde, driemalen geblazen had, trad Falckestein,
+te voet en met ongedekten hoofde, de poort uit, verzeld van Beckman, welke de sleutels op een schenkblad droeg en die met
+een buiging aan Velasco bood. &#8220;Ik vervul,&#8221; zeide deze, terwijl hij de kenteekenen der overdracht aannam, &#8220;de eerste voorwaarde
+onzer overeenkomst, Heer Graaf! en breng u uwe echtgenoote en kinderen terug, alsmede deze vrouwen en dat andere knaapje,
+die mede in onze macht gevallen zijn. Het doet mij leed, dat ik ook de dappere krijgsknechten, die door de slagen mijner wapenbroeders
+gevallen zijn, u niet terug kan geven.&#8221;&#8212;Met deze woorden steeg hij af, hielp met bevallige beleefdheid de Gravin van het paard
+en stelde haar aan haren gemaal voor.
+<a id="d0e2011"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2011">34</a>]</span></p>
+<p>Welke redenen de Graaf ook hebben mocht tot dankbare vreugde over de verlossing van zijn gade, zoo werd deze echter in dit
+oogenblik onderdrukt door het pijnlijk gevoel, dat de gedwongen overgave van een slot, hetwelk hij nog lang met kracht had
+kunnen verdedigen, bij hem verwekte. Zwijgend, en met een traan in &#8217;t oog, drukte hij de hand zijner gemalin, kuste en liefkoosde
+zijn kinderen en vergezelde met een nedergeslagen blik de Spanjaards in het slot.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zijt van meester verwisseld, goede oude!&#8221; zeide hij in &#8217;t gaan tegen Beckman: &#8220;tracht u bij uw nieuwen Heer aangenaam
+te maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>De grijsaard snikte luid: &#8220;Ik die booswichten dienen, goede Heer? neen: ik zal Uwe Genade volgen waar zij gaat: heeft Uwe
+Genade elders geen brood voor den ouden Beckman, hij heeft genoeg in vroeger jaren overgewonnen om zijn weinige levensdagen
+nog te kunnen doorbrengen zonder voor honger te vreezen.... Helaas! toen uw genadige Heer vader stierf, was ik diep bedroefd;
+maar het denkbeeld troostte mij, dat Uw Genade mijn Heer en Meester werd.
+
+</p>
+<p>Toen aan Mevrouw haar eersteling geboren werd, verheugde ik mij, dat een Falckestein Bruck zou be&euml;rven; maar thans&#8221;.... hier
+beletteden de tranen hem te spreken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Droog uw oogen, mijn vriend!&#8221; zeide Falckestein, &#8220;niets is wisselvalliger dan de krijgskans: de vreemde vlag zal niet altoos
+van gindschen torentop blijven waaien.&#8212;Doch laat ons binnengaan en zorgen, dat onze manschappen zich betamelijk jegens de
+nieuwe bezitters gedragen.&#8221;
+
+</p>
+<p>In de voorzaal vond de Graaf zijn echtgenoote en kinderen met Velasco bijeen. &#8220;Heer Graaf!&#8221; zeide deze: &#8220;Het zal u wellicht
+aangenaam zijn, u eenige oogenblikken met de Gravin ongestoord te onderhouden. Vergun mij dus, mij inmiddels door uw Rentmeester
+het slot te doen rondleiden, om de noodige, u bekende, schikkingen te maken.&#8221;&#8212;Falckestein gaf hiertoe, onder dankbetuiging
+voor Velasco&#8217;s beleefdheid, verlof: en de Hopman ging met Beckman het kasteel rond, ten einde, ingevolge de gemaakte voorwaarden,
+al wat zich binnen het slot bevond op te schrijven, opdat er niets, dan hetgeen door het verdrag veroorloofd was, door de
+bezetting kon worden uitgevoerd.
+
+</p>
+<p>Zoodra zij zich met hem alleen bevond, viel de Gravin haar echtgenoot schreiende om den hals: &#8220;Ach!&#8221; riep zij uit: &#8220;dat <span class="letterspaced">ik</span> u onder zulke omstandigheden moet wederzien! Hadt gij mij maar laten sterven! dit slot had geen vreemden meester gekend.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En uw kinderen!&#8221; zeide Falckestein: &#8220;Anna, waren ook niet uw kinderen ter dood gedoemd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn kinderen!&#8221; zeide zij, terwijl zij die angstig aan haar hart drukte: &#8220;doch neen! zoo bloeddorstig wreed zouden die Barbaren
+niet geweest zijn! En echter, als ik aan hun gruwelen denk!.... Nog ijze ik, Ulrich!&#8212;Die arme Pastor! die wakkere Hanevederen!
+Zij allen zijn dood!.... en zonder die vreemde vrouw, die met ons trok, ware ik zelve met mijn kinderen en vrouwen het slachtoffer
+der baldadigste wreedheid geworden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Doch hoe zijt gij in de handen dier booswichten gevallen?&#8221;
+<a id="d0e2035"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2035">35</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Wij waren geen half uur van het Kleefsche grondgebied verwijderd en dachten om geen gevaar, toen wij opeens uit onze gerustheid
+werden opgewekt door eenige musketschoten, die zich van de zijde der Kleefsche grenzen lieten hooren: dit geluid deed ons
+stilstaan om raad te plegen wat ons te doen stond. Wij besloten een der ruiters op kondschap vooruit te zenden; doch &#8217;t zij
+dat hij in vijandelijke handen viel, &#8217;t zij dat hij, op eigen lijfsbehoud bedacht, zich wegmaakte, wij zagen hem niet wederkeeren.
+Inmiddels viel de avond en wij vormden reeds, daar wij niets meer hoorden en wederom moed hadden gevat, het voornemen van
+verder op te trekken, toen wij opeens aan verscheidene zijden geweldige vlammen zagen oprijzen, die ons het verbranden van
+ettelijke boerenwoningen, en meteen de nabijheid van den vijand verkondigden. En, eer wij van onzen nieuwen schrik bekomen
+waren, zagen wij twee Spaansche ruiterbenden in vollen draf van verschillende zijden op ons aankomen. Wat er toen voorviel,
+kan ik, die van angst voor mijn lieve kinderen bedwelmd was, mij ternauwernood herinneren. Dit weet ik, dat wij in overhaasting
+de teugels wendden; doch de kogels uit de Spaansche pistolen vlogen sneller dan onze paarden. Wij werden achterhaald. Uwe
+Haneveeren vochten als leeuwen; doch wat hielp de moed tegen de overmacht? Ik zag den braven Hensken, die zich gedurig voor
+mij had gesteld om met zijn lichaam het mijne te bedekken, door een sabelhouw op het hoofd getroffen, met gespleten stormhoed,
+dood aan mijn zijde vallen. Al de Haneveeren, al de landlieden, ook de brave Pastor, die vergeefs verschooning bad voor zijn
+grijze haren, werden tot eenen toe afgemaakt, geplunderd, naakt uitgeschud: en met een helschen lach zeide de aanvoerder der
+bende, na het einde van het gevecht, dat hij de gevangene schoonheden, als een behaaglijken buit, aan zijn soldaten prijsgaf.
+Reeds poogde mij een dier booswichten van &#8217;t paard te rukken, toen Magdalena opeens boven het woest getier der vijanden en
+het noodgeschrei der vrouwen haar stem verhief en den Spaanschen Overste toeriep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Don Estevan de Nunez! is het schoon op weerlooze vrouwen te woeden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ken die stem,&#8221; zeide de Overste: en, zijn paard de sporen gevende, reed hij op Magdalena aan. Snel en zacht, en zooverre
+ik hooren kon, in de Spaansche taal, sprak zij hem toe. Hij antwoordde op denzelfden toon: hun gesprek was kort, doch levendig:
+herhaalde reizen schudde hij ontevreden het hoofd, en even heftig scheen zij bij hem te blijven aanhouden. Inmiddels hadden
+de soldaten op zijn bevel van ons afgehouden, en wij verbeidden met pijnlijken angst den uitslag van Magdalena&#8217;s welsprekendheid.
+Zij scheen hem te overreden; want eensklaps gaf hij last ons geen verdere ongelegenheid aan te doen, liet ons door een sterk
+geleide omsingelen en den aftocht blazen. Schier bewusteloos werd ik weggevoerd; nauwelijks had ik het besef om mijnen kleinen
+Ulrich op den schoot te houden, en alleen zijn gestadig geween en geschreeuw, hield mij, geloof ik, bij mij zelve. Werner
+was intusschen door een der ruiters op &#8217;t paard genomen: de knaap schreide luid en hield alleen op, toen de Spanjaard <a id="d0e2042"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2042">36</a>]</span>dreigde, hem in &#8217;t water te zullen werpen, indien hij zich niet stilhield. Wij reden een groot gedeelte van den nacht door,
+en kwamen eindelijk te Duisburg, waar de Spanjaards hun hoofdkwartier schenen te houden. Hier stegen wij af, en ik bracht
+er met de overige gevangenen in een groote schuur het overschot van den nacht, wel bewaakt, doch ongestoord door. Tegen het
+aanbreken van den dag werd er weder bevel gegeven tot den afmarsch. De krijgsbende was aanzienlijk vermeerderd; in volkomen
+orde trok zij met ons af. Het leed niet lang, of ik kreeg den toren van Bruck weder in &#8217;t gezicht, en bevroedde nu terstond,
+wat het oogmerk van Nunez was, en hoe men zich van mij bedienen wilde om u tot de overgave te dwingen. Ware het niet om mijn
+kinderen geweest, ik had mij zelve van kant gemaakt:&#8212;de kleine Ulrich zag uw vlag van den toren wapperen; blijmoedig stak
+hij zijn kleine armpjes uit en riep met kinderlijke vreugde: &#8220;Bruck! Bruck!&#8221;&#8212;Wij kwamen in de legerplaats van Lopez: de legerhoofden
+hielden een kort gesprek en.... het overige is u bekend!&#8221;
+
+</p>
+<p>Hier eindigde de Gravin haar verhaal, hetwelk meer dan eens, zoo door haar zuchten en tranen als door de vragen van haar echtgenoot
+was afgebroken. &#8220;Er is iets vreemds,&#8221; zeide deze, het hoofd bedenkelijk schuddende, &#8220;in het gedrag van die Magdalena! zij
+heeft u waarschijnlijk het leven gered.... en echter weet ik nog niet, of ik haar als vriendin of als vijandin beschouwen
+moet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het overschot van dezen dag werd van de zijde der bezetting doorgebracht in het maken der noodige toebereidselen voor den
+uittocht, die den volgenden morgen plaats moest hebben, terwijl de Spaansche krijgsknechten de posten innamen en de wachten
+betrokken.
+
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1959" href="#d0e1959src" class="noteref">1</a></span> Zeventigmaal zevenmalen.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e2048" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Vijfde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<p lang="nl-1600">Mijn Graeflijc bloet besprenght mijn erfelijken acker.
+
+</p>
+<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Brief aan den Drost van Muiden.
+</p>
+</div>
+<p>Met den volgenden morgen was de bezetting ten uittocht gereed. Inmiddels hadden Don Fernando Lopez en Don Estevan de Nunez
+hun benden laten aanrukken en aan weerszijden van den weg, die naar het kasteel geleidde, geschaard, om het slot, zoodra het
+ontruimd was, binnen te rukken. Velasco bleef aan &#8217;t hoofd van zijn vendel, dat op het binnenplein in orde van parade stond.
+Met de gewone krijgseer trok nu de bezetting uit, terwijl de Graaf met zijn gezin den trein besloot. Het scheen, dat alles,
+gelijk men reden had van te verwachten, in de beste orde zoude afloopen; doch Falckestein had niet gerekend op de kwade trouw
+der Spaansche verraders. Dezelfde geest, die Romero had bezield, toen Naarden het slachtoffer zijner helsche eedbreuk werd,
+had ook thans bij den raad der trouwelooze legerhoofden voorgezeten. Nog was de geheele <a id="d0e2060"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2060">37</a>]</span>trein de slotpoort niet uitgetrokken, of Lopez wierp zijn staf in de lucht: dit was het sein van den moord. Van weerszijden
+gaven de Spaansche musketiers vuur op de uittrekkende bezetting, die, op zoo schelmschen aanval niet verdacht, buiten staat
+was, in de verwarring van het oogenblik eenigen wederstand te bieden. Dood of gewond stortten paarden en ruiters door elkander,
+en eer iemand schier tijd had zich te herkennen, was de helft der bezetting door de handen der bloeddorstigen afgemaakt.&#8212;Schier
+tot razernij vervoerd over zulk een ongehoord bestaan, reed Falckestein de brug over en wierp zich met uitgetogen zwaard onder
+de moordenaars; doch zijn paard stortte doodelijk gewond neder, en hij ware het slachtoffer van de woede der Spanjaards geworden,
+ware niet Velasco, die hem gevolgd was, ijlings toegeschoten. Deze weerde de slagen van zijn hoofd af, vatte hem moedig bij
+de hand en trok hem met zich naar binnen, terwijl hij aan zijn manschappen gelastte de poort te sluiten en geen Spanjaard
+binnen te laten. Intusschen had het paard der Gravin, verschrikt door het schieten, een geweldigen zijsprong genomen en was
+dwars door de gelederen der Spanjaards heen het veld ingehold. Feurich, die het oudste zoontje van den Graaf bij zich op &#8217;t
+paard had, volgde haar met eenige Hanevederen; en &#8217;t zij dat de Spanjaards nog eenig mededoogen voor de vluchtenden overhielden,
+&#8217;t zij dat de algemeene verwarring hun het vervolgen belette, het gelukte althans den vluchtelingen te ontkomen aan het moordtooneel.
+
+</p>
+<p>Zoodra Velasco met den Graaf op het binnenplein gekeerd was, begon hij zich met de duurste eeden van alle medeplichtigheid
+aan het gepleegd verraad te verschoonen, zwoer, dat hij, in spijt van allen, den Graaf tegen alle geweld zoude beschermen,
+en bracht dezen vervolgens in een kamertje bij de poort. Weinige oogenblikken daarna verschenen de Spaansche Oversten, op
+wier gloeiend gelaat een hevige gramschap te lezen was. Lopez stapte dadelijk naar Velasco toe, zonder een blik op den Graaf
+te slaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie,&#8221; vroeg hij, &#8220;heeft aan Don Diego de Velasco last gegeven, deze doemlingen aan hun welverdiende straf te onttrekken?
+Ternauwernood wilde men ons binnen dit slot laten!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wie,&#8221; vroeg Velasco, met een edele verontwaardiging, &#8220;heeft aan Don Fernando Lopez last gegeven, met eer en eed te spelen,
+een geteekend verdrag te breken en het recht der volkeren te schenden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben u van mijn daden geen verantwoording verschuldigd, jongeling!&#8221; zeide Lopez. &#8220;Tracht nooit te vergeten, dat gij onder
+mijn bevel zijt uitgetogen en slechts daaraan moet gehoorzamen. Wat u betreft, Ulrich von Daun! gij kunt u ter dood bereiden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet, zoolang ik hem verdedigen kan,&#8221; riep Velasco, terwijl hij den Graaf bij de hand vatte en zijn zwaard voor de oogen
+der legerhoofden blinken liet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zullen zien, wie hier meester is,&#8221; riep Nunez; en beide de kapiteins snelden de trappen af.
+
+</p>
+<p>&#8220;Toef hier slechts een oogenblik,&#8221; zeide Velasco tegen den Graaf: &#8220;ik moet het uiterste wagen.&#8221; Onder het uiten dezer woorden
+volgde <a id="d0e2076"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2076">38</a>]</span>hij de Oversten naar het slotplein, en herhaalde aan zijn krijgsknechten het bevel om de slotbrug op te halen, de poorten
+gesloten te houden en niemand in te laten. Beckman en sommige dienaars, die nog binnen het slot gebleven waren, voegden zich
+bij hem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat moet dit kluchtspel beduiden?&#8221; vroeg Lopez, die vergeefs zijn gezag had willen doen gelden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet anders,&#8221; zeide Velasco, &#8220;dan dat ik, die het verdrag met den Graaf van Falckestein geteekend heb, plechtig bezit van
+zijn slot neem en er alle verraders en moordenaars buiten zal houden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Soldaten!&#8221; brulde Lopez: &#8220;zult gij ten gerieve van ketters uw Oversten verlaten?&#8221;
+
+</p>
+<p>De soldaten zagen elkander besluiteloos aan; doch geen hunner dorst zich uit het gelid begeven. Een doodsche pauze had plaats.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wakkere spitsbroeders!&#8221; riep toen Velasco: &#8220;uw naam en die van uw Hopman zijn geschandvlekt, zoo gij mijn last overtreedt.
+Door mij is een plechtig verdrag met de bezetting van dit slot gemaakt en bezworen: niet door mij, niet door u is dit verdrag
+geschonden. Onze handen zijn rein van het bloed der vermoorden! De Amirant zal aan het vendel van Velasco geen gruweldaad
+verwijten, die op het geweten van anderen wegen zal gelijk een molensteen. Houdt hen buiten, die moordenaren! Geen gemeenschap
+tusschen ons en de schelmen, die den Spaanschen naam door schanddaden bezwalken! &#8217;t Is niet onder Velasco&#8217;s vendel, dat de
+bloeddorst en &#8217;t verraad hun beulen zoeken moeten!&#8221;
+
+</p>
+<p>Juichend riepen de meesten; &#8220;Voor Velasco!&#8221; en zij die anders dachten, zwegen uit voorzichtigheid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Men misleidt u, soldaten!&#8221;&#8217; zeide Lopez: &#8220;en gij, Velasco! geloof niet, dat al de invloed uws broeders u van straf zal vrijwaren!
+Kom, Nunez! volg mij en roepen wij onze wakkere manschappen binnen, om dien oproerlingen hun loon te geven!&#8221;
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik trad Eugenio voorwaarts. Deze was de Oversten in &#8217;t slot gevolgd en had tot nu toe als toeschouwer in een
+der hoeken van het plein gestaan. Hij weerhield de Oversten, die het kasteel verlaten wilden. &#8220;Welk een schande!&#8221; zeide hij:
+&#8220;Spanjaards tegen Spanjaards! Geloovigen tegen geloovigen! Zult gij op deze wijze de goede zaak bevorderen, door als honden
+om een been te vechten? Velasco! laat mij met deze Oversten slechts een paar woorden spreken, en ik ben overtuigd, dat alles
+naar wensch zal afloopen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Doe zooals gij wilt,&#8221; antwoordde Velasco: &#8220;uw eer lijdt evenzeer als de mijne door de inbreuk, op het verdrag gemaakt. Ik
+laat derhalve gaarne de zaak aan uw beslissing over.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Jezu&iuml;et nam hierop de beide Oversten ter zijde, en hield met hen een kort, doch levendig gesprek.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb hoop,&#8221; zeide hij, na eenige oogenblikken terugkeerende: &#8220;dat gij tevreden zult wezen. Deze beide Heeren zijn bereid,
+om niet alleen het gebeurde te vergeten, maar zelfs om met hun vendelen af te trekken, mits de buit naar billijkheid verdeeld
+worde. Wat den Graaf betreft, deze zal hier onder uw bewaring blijven, totdat <a id="d0e2100"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2100">39</a>]</span>de Amirant zelf over zijn lot zal beschikt hebben: ik bied mij aan, hier met u te blijven, ten einde een goeden geest onder
+het krijgsvolk te handhaven, de slotkapel in te wijden en de godsdienstoefeningen te volbrengen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ofschoon dit voorstel aan Velasco, die het in vrijheid stellen van den Graaf beoogd had, maar weinig behaagde, begreep hij
+echter, dat een weigering de nadeeligste gevolgen zou met zich brengen, dewijl hij alsdan gevaar liep, niet alleen tegen de
+kapiteins en hun legerbenden, maar ook tegen den geduchten invloed van Pater Eugenio te moeten kampen. Hij zwichtte dus, gaf
+zijn toestemming aan den voorslag en omhelsde de beide Oversten tot een teeken van verzoening.
+
+</p>
+<p>Straks werd al wat hand- en tastbaar was in het slot buiten de poorten gebracht en aldaar naar evenredigheid onder het krijgsvolk
+verdeeld, waarna, volgens de overeenkomst, die deze reis niet geschonden werd, Lopez en Nunez met hun krijgsbenden aftrokken.
+
+</p>
+<p>Het eerste werk, dat Velasco na hun aftocht verrichtte, was om Falckestein, die nog steeds in het vertrek bij de poort met
+angst den uitslag verbeidde, te gaan geruststellen. &#8220;Ik wensch u geluk,&#8221; zeide hij: &#8220;voor &#8217;t oogenblik is het gevaar geweken
+en bevindt gij u onder mijn bescherming. Nog heden schrijf ik aan den Amirant en aan mijn broeder, den Grootmeester der Artillerie;
+ik twijfel niet, of mijn vertoogen zullen weldra uw geheele verlossing bewerken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Eeuwige dankbaarheid ben ik u verschuldigd, edele Velasco!&#8221; zeide de Graaf: &#8220;doch mijn vrouw! mijn kinderen! O! is u iets
+van hun lot bewust?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw gade is het gelukt, met haar oudsten lieveling te ontsnappen,&#8221; zeide Velasco.
+
+</p>
+<p>&#8220;En hier is de jongste,&#8221; zeide Magdalena, die op dit oogenblik tot hen trad, met haar zoon aan de hand en den kleinen Ulrich
+op den arm. &#8220;De Gravin had mij verzocht voor dit kleintje zorg te dragen, en daar ik nog niet buiten was, toen de moord begon,
+heb ik niets voor mij zelve, noch voor het kind te duchten gehad.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Edele vrienden!&#8221; zeide Falckestein, hun de hand drukkende: &#8220;God moge uw trouwhartigheid loonen. Mij is zulks onmogelijk.
+Ik kan slechts danken.&#8221; En vurig kuste hij het kind, dat de hemel zoo wonderdadig gespaard had.
+
+</p>
+<p>Zes dagen verliepen er, zonder dat er iets voorviel, hetgeen in deze geschiedenis verdient te worden opgeteekend. Velasco
+bleef zijn gevangene met de meeste onderscheiding en beleefdheid behandelen, liet niet af, hem moed in te spreken, hem over
+de geleden onheilen zooveel hij kon te troosten, en hem al de diensten te bewijzen, welke in staat waren zijn toestand draaglijk
+te maken. Eugenio betoonde wel geen buitengewone vriendelijkheid jegens den Graaf, doch nam de uiterlijke beleefdheid in acht.
+Zijn dagelijksche tegenwoordigheid echter aan het middagmaal verwekte bij Falckestein, gelijk men licht beseffen zal, een
+gevoel van afschuw en verontwaardiging, hetwelk hem belette aan het gesprek eenig deel te nemen. &#8220;Ik zou moed kunnen vatten,&#8221;
+zeide hij eens tegen Velasco, daar zij zich alleen bevonden, &#8220;ik zou hoop kunnen voeden, indien <a id="d0e2118"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2118">40</a>]</span>ik dien verfoeilijken Jezu&iuml;et niet gedurig voor mijn oogen had. De tegenwoordigheid van dien vorstenmoorder, zijn verblijf
+op dit slot kunnen mij niets dan kwaad voorspellen. Van hem kan niets, dat goed is, geboren worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik geloof,&#8221; zeide Velasco, &#8220;dat gij den eerwaarden Vader verkeerdelijk beoordeelt. Als Protestant, als bondgenoot en vriend
+van Graaf Maurits moet gij hem haten, dit besef ik; doch als zoodanig gaat gij, verschoon mijn vrijmoedigheid, niet onpartijdig
+te werk. Pater Eugenio is een wijs en godvruchtig man, die bij ons leger en den Raad zeer gezien is: van kindsbeen af bindt
+hem een plechtige gelofte, om, waar en hoe hij kan, de zaak van onzen Heiligen Godsdienst voor te staan. Moed, vroomheid,
+zelfopoffering en haat tegen de ketters maken de hoofdtrekken uit van zijn karakter. De middelen, die hij in &#8217;t werk stelt
+om de eer van onze Moederkerk te bevorderen, mag ik niet beoordeelen, veelmin misprijzen; want ik veronderstel, dat hij nimmer
+handelt dan naar de voorschriften, hem door de vorsten dier Kerk gegeven. Zijn doel is heilig en Gode welbehaaglijk: en welk
+sterveling zoude de middelen wraken, die dat doel kunnen doen bereiken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is een Godsdienst,&#8221; antwoordde Falckestein, &#8220;welke leert, dat het doel de middelen wettigt? Mag men het kwade doen, opdat
+het goede daaruit voortkome? Zegt Paulus niet....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij gaat <span class="letterspaced">argumenteeren</span>,&#8221; hernam Velasco, glimlachende: &#8220;ik weet, dit is de gewoonte der Protestanten, altijd met den Bijbel in de weer te zijn en
+met teksten te schermen. Doch vergun mij, die een krijgsman ben, en bovendien stellig verbod ontvangen heb om immer over godsdienstige
+punten met ketters te redekavelen, dat ik liefst dien strijd ontwijke.&#8221;&#8212;Falckestein boog zich en zweeg, waarmede dit gesprek
+ten einde liep.
+
+</p>
+<p>Op den morgen van den zesden dag na het vertrek der twee veldoversten, meldde zich een renbode van Mendoza bij Velasco aan,
+en het leed niet lang, of deze liet den Graaf bij zich ontbieden. Falckestein vond Velasco alleen, en zoo &#8217;t scheen, in hevige
+ongedurigheid de kamer op en neder wandelende. &#8220;Graaf!&#8221; zeide hij, zoodra hij hem zag binnentreden, &#8220;ik weet niet hoe het
+met onze zaken staat, noch wat ik van den Amirant moet denken. Gij zijt een man van moed: ik wil dus geenszins voor u veinzen.
+Verbeeld u, dat de bode, die dezen morgen van Orsoy herwaarts gekomen is, niets anders medebrengt, ten minste mij niets anders
+heeft ter hand gesteld, dan een bevel van Mendoza, om terstond in &#8217;t hoofdkwartier terug te keeren en mijn vendel alhier achter
+te laten. Van u noch van de gansche handeling, die hier heeft plaats gehad, spreekt de lastbrief een woord. Op mijn brieven
+heb ik geen antwoord bekomen: het schijnt dat Nunez en Lopez zich bevlijtigd hebben, mijn gedrag in een donker daglicht te
+stellen. Volgde ik thans alleen de inspraak van mijn hart, ik voerde u zelf naar een veilige plaats; doch ook dit is niet
+meer in mijn macht; er heerscht onder mijn manschappen een geest van wederspannigheid, dien ik niet meer kan uitdooven. Na
+den moord heb ik gebruik gemaakt van de geestdrift <a id="d0e2131"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2131">41</a>]</span>van het oogenblik, om u te redden; doch hun toen betoonde gehoorzaamheid schijnt hun thans te berouwen: mijn bevelen worden
+in den wind geslagen, mijn vermaningen bespot, mijn gezag miskend. Dit is zooverre gegaan, dat mijn soldaten ronduit geweigerd
+hebben, de straf te volbrengen aan een hunner kameraden, die een overrok aan uw Rentmeester ontstolen had. Ik vrees derhalve,
+dat ik, in plaats van u hulp te kunnen betoonen, uw ondergang berokkenen zoude.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De dood staat reeds lang voor mijn oogen,&#8221; zeide Falckestein: &#8220;doch bij den God, dien wij beiden op onze wijs vereeren, Velasco,
+ik smeek u, red zoo &#8217;t u mogelijk is, red mijn kind! zend het aan zijn troostelooze moeder terug.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik hoop ook den vader te redden,&#8221; zeide Velasco met waardigheid: &#8220;daarom heb ik zelf het schuitje, dat aan de voorpoort lag,
+aan den steiger doen vastleggen. Begeef u dus hedenavond met de uwen derwaarts en tracht de rivier over te komen, terwijl
+ik aftrek met mijn volk. Red u, en schenk mij het genoegen, de laffe wraakzucht uwer haters verijdeld te zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En gij,&#8221; hernam de Graaf: &#8220;zult gij den toorn des Amirants, de bestraffing uws broeders niet vreezen, dat gij verwezene ketters
+aan de straf onttrokken hebt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat dit voor mijne rekening, Mendoza zal op geen Velasco het gewicht zijner gramschap doen vallen; en Don Louis zal zijn
+broeder met des te meer genoegen omhelzen, wanneer hij verneemt dat de eer des Spaanschen naams door hem gehandhaafd is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel!&#8221; sprak Falckestein, hem de hand met warmte drukkende: &#8220;ik ga mijn trouwen Beckman voorbereiden; God zegene u en verhoore
+uw beste wenschen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Na het uiten dezer dankbetuiging haastte zich Falckestein naar het vertrek, waar hij zijn kind hoopte te vinden. Hij vond
+er Magdalena, bezig aan het herstellen der weinige kleedingstukken, die de plunderzieke Spanjaards nog overig hadden gelaten.
+De kleine Ludwig, de zoon van Magdalena, speelde met Fenix, &#8217;s Graven grootsten en fraaisten jachthond. Dit dier was bij de
+verdeeling aan Velasco te beurt gevallen, die het edelmoediglijk weder aan zijn vorigen meester had afgestaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar is Ulrich?&#8221; vroeg Falckestein met angstvalligheid, toen hij, rondziende, zijn zoontje niet bemerkte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die is met Beckman naar den tuin gegaan,&#8221; antwoordde Magdalena. &#8220;Wij hebben in lang zulk een fraaien dag niet gehad, en het
+is voor het knaapje goed, de versche lucht te scheppen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is wel,&#8221; zeide de Graaf: &#8220;hetgeen ik u moet mededeelen is van het uiterste gewicht: ik wilde u gaarne spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hierop ging hij zitten en ontvouwde haar hetgeen hij van Velasco vernomen had, en wat deze had uitgedacht om hen te redden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik vrees, dat het op deze wijze kwalijk gelukken zal,&#8221; zeide Magdalena, het hoofd schuddende, nadat hij zijn verhaal ge&euml;indigd
+had: &#8220;Velasco kan u niet redden: er is iemand anders hier, die daarvoor zorgt. Ik alleen ben in staat, u van dienst te zijn.&#8221;
+<a id="d0e2155"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2155">42</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Gij?&#8221; zeide Falckestein, haar bedenkelijk en wantrouwend aanziende. &#8220;Welken invloed kunt gij op de Spaansche beulen uitoefenen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dit moet u onverschillig zijn, Graaf!&#8221; zeide Magdalena met trotschheid, mits ik u redde, u en uw kind. De zwakke muis doorknaagt
+het net, dat de leeuw vergeefs poogt vaneen te scheuren. Laat mij begaan en bekommer u verder met niets.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Beproeven wij eerst het middel, dat Velasco ons heeft aangewezen,&#8221; hernam Falckestein, die door de redenen van <span id="d0e2162" class="corr" title="Bron: Magdelena">Magdalena</span> kwalijk overtuigd werd: &#8220;wij zullen naderhand tot uwe bescherming de toevlucht nemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zooals gij wilt,&#8221; zeide Magdalena: &#8220;aan u, Graaf! heb ik geen verplichting, en het zal mij niet verweten worden, indien stijfhoofdigheid
+uw ondergang berokkent.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe!&#8221; riep Falckestein verbaasd: &#8220;en wat kan u zoo zeker doen spreken?&#8221;....
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik ging de deur open en onaangemeld trad Eugenio met een statigen stap de kamer in. Hij boog zich even onder
+&#8217;t naderen, en bleef vervolgens voor Falckestein staan, de armen kruislings over de borst geslagen, en een perkamenten rol,
+waarvan een opengescheurd zegel afhing, in de rechterhand vastgeklemd houdende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Graaf,&#8221; zeide hij: &#8220;ik weet dat mijn bijzijn u niet behagen kan; doch ik ben verplicht u over hoogst belangrijke zaken te
+onderhouden: wees dus zoogoed mij in den tuin voor te gaan, daar wij onverhinderd zullen kunnen spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is dit zoo noodzakelijk?&#8221; vroeg Magdalena met drift: &#8220;en waarom kunt gij dit hier niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vrouwe! wat is er tusschen u en mij? <span class="letterspaced" lang="la">Quid inter me et te?</span>&#8221; zeide Eugenio, haar vergramd aanziende: &#8220;Heer Graaf! een oogenblik slechts,&#8221; vervolgde hij, zich tot dezen wendende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal u volgen,&#8221; zeide Falckestein, bevreesd van eenig vermoeden bij den Jezu&iuml;et te verwekken.
+
+</p>
+<p>Beiden verlieten het vertrek: met weerzin volgde de Graaf zijn hatelijken leidsman, en dacht onderweg na, wat deze hem toch
+zou te vermelden hebben. In den tuin gekomen, vonden zij er Beckman met het kind, dat zich met plukken van grasplantjes en
+het oprapen van eenige rotte appelen, in de plondering gespaard, vermaakte. Wat verder waren twee soldaten bezig met de lanen
+te harken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Verwijder u, Beckman!&#8221; zeide de Graaf: &#8220;de Pater heeft mij iets te zeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat den ouden man maar blijven,&#8221; zeide Eugenio: &#8220;ik ben verheugd zulk een eerwaarden getuige bij ons gesprek te hebben.
+Wat zegt de Vulgata? <span class="letterspaced" lang="la">In ore duorum vel trium testium stabit omne verbum</span>.&#8221;<a id="d0e2191src" href="#d0e2191" class="noteref">1</a>
+
+</p>
+<p>De Graaf plaatste zich op eene steenen bank, terwijl Eugenio over hem stond, tegen een appelboom geleund. Falckestein, die
+weinig trek gevoelde om het gesprek te beginnen, keek strak voor <a id="d0e2196"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2196">43</a>]</span>zijn voeten uit naar een spin, die over de dorre bladeren liep, speelde met de vingers der rechterhand een marsch op de knie
+en krulde met de slinke zijn knevels op. Beckman dreef met een pereboomtakje de rondvliegende wespen van het kind, en de Jezu&iuml;et
+sloeg met de rol perkament op het vlak der linkerhand op en neder, terwijl hij zijn groote oogen beurtelings van het kind
+op de steenen trap, die om den toren liep, en vandaar naar de soldaten wendde. Eindelijk brak hij het stilzwijgen af en sprak
+den Graaf in dezer voege aan:
+
+</p>
+<p>&#8220;Don Diego de Velasco heeft voorzeker reeds afscheid van Uwe Genade genomen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Afscheid genomen?&#8221; zeide Falckestein verrast.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ongetwijfeld!&#8221; hernam de Jezu&iuml;et, met een schamperen lach: &#8220;uw vriend (met nadruk, op het woord: vriend) uw vriend Velasco
+gaat nog heden, of is misschien reeds weg. Heeft hij Uwe Genade geen kennis van zijn vertrek gegeven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het smart mij, dat hij ons verlaat,&#8221; zeide Falckestein, die het antwoord op Eugenio&#8217;s vraag wenschte te ontwijken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Luister!&#8221; zeide Eugenio: &#8220;hoort gij daarginds geen hoefgetrappel op de brug?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Inderdaad,&#8221; antwoordde de Graaf. &#8220;Wat beduidt dit gerucht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is uw vriend, die wegrijdt,&#8221; hernam de Jezu&iuml;et met koelheid. &#8220;Hij heeft lang gehoopt, u te kunnen beschermen; doch <span class="letterspaced" lang="la">Homo proponit et Deus disponit</span>!<a id="d0e2215src" href="#d0e2215" class="noteref">2</a> gelijk de spreuk zegt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij heeft gedaan, wat de plicht der menschelijkheid hem gebood,&#8221; hernam Falckestein: &#8220;God vergezelle hem!&#8221;
+
+</p>
+<p><span id="d0e2221" class="corr" title="Niet in bron">&#8221;</span>Amen!&#8221; zeide de Jezu&iuml;et, zich kruisende.&#8212;&#8220;Ik twijfel niet, of
+Uw Genade zal thans verlangend zijn eindelijk eens het lot te vernemen,
+dat haar en de haren boven &#8217;t hoofd hangt? Ik ben zoo
+gelukkig aan dat verlangen te kunnen voldoen. De bode, die hier
+dezen morgen aankwam, heeft allen twijfel hieromtrent doen ophouden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Indien ik van u mijn lot vernemen moet,&#8221; zeide Falckestein, &#8220;dan weet ik reeds, wat mij te wachten staat; want van u kon
+ik niets hopen, dat mij gunstig zou zijn; doch ik vleide mij, dat Velasco mij de bevelen omtrent mij gegeven zou kenbaar maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was ook de meening van Velasco,&#8221; zeide de Jezu&iuml;et: &#8220;doch de Amirant heeft er anders over gedacht. Lees slechts dit perkament,
+waaruit gij alle noodige opheldering zult ontvangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Graaf nam den brief uit zijn hand; hij behelsde een volmacht door Mendoza gegeven aan broeder Eugenio van de orde Jesu,
+om met den persoon van Ulrich von Daun, zich noemende Grave van Falckestein en Overstein en Heere van Bruck, naar goeddunken
+te handelen. Bedaard las hij het uit, en reikte het vervolgens, zonder er een woord bij te voegen, aan Eugenio over.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij ziet dus,&#8221; vervolgde deze, op elk zijner woorden een bijzonderen nadruk leggende, terwijl zijn oogen van helsche blijdschap
+<a id="d0e2232"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2232">44</a>]</span>vonkelden, &#8220;gij ziet, dat de kans tusschen ons beiden eenigszins gekeerd is. Eenmaal ware ik bijna uw slachtoffer geworden;
+thans hangt de beschikking over uw lot aan mij alleen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En waant gij, dat Velasco immer dulden zal?....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat Velasco dulden zal of niet, is mij volkomen onverschillig. Van mij moet gij genade afsmeeken, en van mij alleen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van u?&#8221; antwoordde Ulrich, hem met verontwaardiging aanziende: &#8220;liever stierf ik duizend dooden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist! <span class="letterspaced" lang="la">septuagies septies</span><a id="d0e2244src" href="#d0e2244" class="noteref">3</a>; doch gij zijt niet alleen! of heeft het niets van mij te vreezen, dat zorgelooze knaapje, daar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;God in den hemel! Mijn Ulrich!&#8221; gilde Falckestein, opspringende. Doch Eugenio was hem reeds voor geweest. Met de linkerhand
+het kind omhoogtillende was hij den boomgaard door, en de trap, die aan de zijde van het kasteel naar den hoektoren geleidde,
+opgesneld. Daar gekomen hief hij het kind over de borstwering, ruim tien voeten boven de zijgracht, terwijl de twee soldaten,
+eensklaps toegeschoten, den Graaf, die hem volgen wilde, tegenhielden. &#8220;Geen stap verder!&#8221; riep Eugenio, &#8220;of gij zijt de moordenaar
+van uw kind!&#8221;
+
+</p>
+<p>Falckestein bleef doodsbleek staan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Graaf!&#8221; vervolgde de Jezu&iuml;et, terwijl hij met de rechterhand zijn boezem ontblootte: &#8220;hoor naar mij en beschouw dit litteeken:
+het is dat van de wonde, mij door u toegebracht in dien noodlottigen nacht toen de ongelukkige Panne, door uw toedoen, het
+slachtoffer zijner getrouwheid aan de Moederkerk is geworden. Dacht gij, dat men zulke beleedigingen vergeten konde?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wreek u; doch op mij alleen: spaar het leven van een ongelukkig, onnoozel kind. Geef het terug aan zijn moeder....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dwaas! alsof uw dood mij wraak genoeg verschaffen kon? Gij zijt een krijgsman, een dapper krijgsman; gij kunt den dood niet
+vreezen. Van dien kant kan ik u niet deren; doch, gij hebt een vaderhart en dat weet ik te treffen; dat vaderhart moet vaneengereten
+worden. Ziedaar een wraak, mijner waardig.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;IJselijk mensch!.... doch bedenk hoe gij u zult verantwoorden. Dat bevelschrift geeft u alleen volmacht over mij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wien de koe behoort, behoort ook het kalf,&#8221; zeide Eugenio grijnzende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Al wat ik bezit, al wat mij overbleef is het uwe; doch spaar mijn kind!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo is het! zoo moest ik u doen smeeken; maar neen; de dood van het knaapje is besloten: en voor de muren van uw slot zult
+gij het met het water zien spartelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Onmensch! ik bezweer u.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vruchteloos!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu! zie mij vernederd: ik werp mij voor u in &#8217;t stof, doch spaar mijn kind!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heerlijk, verrukkelijk schouwspel! De trotsche Graaf van Falckestein, <a id="d0e2273"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2273">45</a>]</span>de hoogmoedige vijand van Rome en Madrid, voor een armen Jezu&iuml;et in het zand geknield. Kom! begin uw <span class="letterspaced" lang="la">confiteor</span>!<a id="d0e2278src" href="#d0e2278" class="noteref">4</a> wel moogt gij zeggen: &#8220;<span class="letterspaced" lang="la">Pater peccavi</span>.<a id="d0e2286src" href="#d0e2286" class="noteref">5</a> Doch het ware al om niet: ik voldoe mijn wensch; en ziedaar de ontknooping van het spel: <span class="letterspaced" lang="la">septuagies septies</span>!<a id="d0e2292src" href="#d0e2292" class="noteref">6</a>&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze woorden uitende, liet hij het kind los. Falckestein sprong met een vreeselijke gil toe: hij had den plof gehoord en meteen
+den noodkreet van zijn zoontje in het uiterste levensuur. In vreeselijke gemoedsaandoening vloog hij naar den waterkant om
+in de rivier te springen en te trachten het arme kind te redden; doch op een wenk van Eugenio gaf hem een der Spanjaards met
+zijn hark zulk een slag op den slaap van het hoofd, dat hij met den kreet van: <span class="letterspaced" lang="la">o Jezu</span>! ter aarde stortte.
+
+</p>
+<p>Beckman was, zoodra hij het kind in het water had hooren ploffen, met al den spoed, dien zijn jaren toelieten, naar den vischslag
+geloopen, alwaar, volgens Velasco&#8217;s belofte, het schuitje werkelijk lag vastgemaakt. Met kracht van riemen haastte hij zich
+naar de plaats waar het kind gezonken was, &#8217;tgeen aan de andere zijde van den hoektoren en buiten zijn gezicht had plaats
+gehad. Langs de rivier in de zijgracht gekomen, zag hij wel een mutsje drijven; doch het kind zelf was nergens te bespeuren:
+alleen de kringen in het water verrieden de plek, waar het verdwenen was. Terwijl hij aldaar rondzwalkte, gonsde hem een steen
+om de ooren, hem uit den boomgaard nageworpen; waarop hij, op eigen levensbehoud bedacht, naar de overzijde voer en zich redde
+met de vlucht.
+
+</p>
+<p>Ruim drie uren had de grijsaard langs de heuvelen en dalen rondgezworven, terwijl de schrikbeelden van het laatste oogenblik
+hem beletteden, over het gebeurde na te denken, toen hij van verre iemand naderen zag in boerengewaad, doch met sabel en pistolen
+gewapend. Beckman wilde hem ontwijken; doch met een kreet van blijdschap snelde de vreemdeling op hem af. Het was Feurich,
+wien de Gravin, die behouden te Dortmond was aangekomen, had afgezonden om naar het lot van haar echtgenoot te vernemen. Men
+beseft de droefheid des braven ruiters, toen Beckman hem den nieuwen moord, die te Bruck had plaats gehad, berichtte. Deze
+tijding deed hem echter van zijn voornemen niet afzien. Hij verzocht dus aan Beckman, hem bij een boer, dien hij hem noemde,
+te wachten, en reisde voort naar Bruck.
+
+</p>
+<p>Het was reeds nacht, toen hij in het gezicht kwam van het slot: dan welke verbazing beving hem, toen hij het in dikke rookwolken
+gehuld zag, terwijl de spiegeling der vlammen in de rivier teruggekaatst werd. Met ontzetting naderde hij: dan al spoedig
+werd hij gewaar, dat alleen het vischhuisje en de tuinloods in brand stonden. Dit deed hem besluiten zijn oogmerk te volvoeren:
+hij ontdeed zich <a id="d0e2306"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2306">46</a>]</span>van zijn bovenkleederen, greep de sabel tusschen de tanden, zwom de rivier over en klom, tegen den steiger, aan de overzijde
+aan wal.
+
+</p>
+<p>Het was hier stil; doch een ondraaglijke hette vervulde den boomgaard: de flikkering der vlam, die allengskens afnam, deed
+hem alle voorwerpen duidelijk onderscheiden: dan wat schouwspel deed zich aan zijn oogen voor, toen hij de zwartgerooste balken
+en steenen genaderd was: een twaalftal verbrande en gerooste lijken, allen naakt uitgeschud en onkenbaar! Met ijzing treedt
+hij terug; doch keert zijns ondanks weder. Met de punt van &#8217;t geweer draait hij hen om, zij vallen in asch uiteen. Eindelijk
+vindt hij een lichaam, waarvan alleen de beenen verteerd waren, terwijl het hoofd, in &#8217;t natte gras rustende, nog volkomen
+gaaf was. Hij trekt het naar zich toe, veegt met de hemdsmouwen het gelaat schoon, en.... zwijmt neder naast het deerniswaardig
+overschot van zijn ontzielden meester.
+
+</p>
+<p>Wenden wij de oogen van dit schriktooneel af en begeven wij ons naar het leger der Staatschen, waar de doorluchtige held,
+die er het opperbevel voerde, met nimmer verkloekt beleid zich beijverde om de verachterde zaken van den Nederkreits te herstellen.
+
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2191" href="#d0e2191src" class="noteref">1</a></span> In den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2215" href="#d0e2215src" class="noteref">2</a></span> De mensch wikt en God beschikt.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2244" href="#d0e2244src" class="noteref">3</a></span> Zeventigmaal zevenmalen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2278" href="#d0e2278src" class="noteref">4</a></span> <span class="letterspaced">Confiteor</span> beteekent: ik belijde, en wordt voor de belijdenis zelve gebruikt, omdat men de biecht met dat woord aanvangt.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2286" href="#d0e2286src" class="noteref">5</a></span> Ik heb gezondigd, vader.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2292" href="#d0e2292src" class="noteref">6</a></span> Zeventigmaal zevenmalen.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e2312" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Zesde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph" lang="nl-1600">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Maer dat en is het niet, waerop de veltheer loert.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Wie zich derf onderwinden
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Een&#8217; aenslagh, vol gevaers, moet passen op zijn tijt.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Gysbrecht van Aemstel.
+</p>
+</div>
+<p>Mendoza had, min door beleid of dapperheid, dan door de medewerking der pestziekte, die de bezetting wegrukte, en der vlam,
+die het buskruit der Staatschen springen deed, de stad Rijnberk in zijn macht gekregen, en kort daarna Wezel, Rees en Emmerik
+bezet. Maurits, nu zeker onderricht, dat al die krijgsbedrijven zeer tegen den zin der Duitsche vorsten geschiedden en door
+de Kleefsche Regeering opnieuw om hulp aangeroepen, had zich van Zevenaar, Heussen en Lobith verzekerd, en die grensplaatsen
+van de noodige versterking voorzien. Hierdoor waren de vijandelijke legers zoo dicht bij elkander, dat het niet missen kon,
+of er moesten gedurig schutgevechten voorvallen. De Spanjaarden schoten hierbij doorgaans te kort, daar het verwoesten der
+landerijen in het leger van Mendoza een hongersnood had doen ontstaan, die zoo geweldig woedde, dat de overloopers en gevangenen
+dikwijls verklaarden, in geen vijf dagen brood geproefd te hebben. Het hoofdkwartier van Graaf Maurits was te Oud-Zevenaar
+gevestigd, en zijn sterkste legermacht aldaar verzameld, eensdeels op het vasteland, en anderdeels op den <a id="d0e2329"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2329">47</a>]</span>Weert of eiland, voor de kerk liggende, en den Gelderschen Weert genaamd, welke met den vasten wal aan weerszijden door schipbruggen
+vereenigd was, en waardoor een andere schipbrug van honderd roeden lang een veiligen weg bood aan de ruiterij en den legertrein.
+Ook hier hadden kunst, beleid en volharding over de weerbarstige natuur gezegevierd, en het schijnbaar ongunstig gelegen oord
+had, door de bekwaamheid van den veldheer, een sterke, gemakkelijke en wel voorziene legerplaats verschaft.
+
+</p>
+<p>Het was op een frisschen najaarsmorgen, dat de veldheer, van zijn dappere legerhoofden en bekwame krijgsbouwmeesters vergezeld,
+van den Weert, alwaar hij een krijgsschouwe gedaan had, naar Oud-Zevenaar terugkeerde. De legers van dien tijd&#8212;vooral dat
+der Staten&#8212;leverden een Babel op van de meest verschillende volkeren en tongen, van oorlogslieden, door win- of eerzucht uitgelokt,
+om voor de zaak te strijden van een natie, die hun vreemd en onverschillig was, en het is nog te verwonderen, hoe een legerhoofd
+niet alleen de vereischte orde, ondergeschiktheid en rust kon bewaren in een lichaam, uit zulke vreemdsoortige deelen samengesteld,
+maar zich daarvan met eenig voordeel konde bedienen. Zoo iemand, verstond Maurits deze kunst, hem door zijn grooten vader
+en voorganger ten erfdeel gelaten: en het ware de moeite dubbel waardig, dat een bekwame pen zich bevlijtigde, meer opzettelijk
+de bekwaamheden aan te toonen, welke die beide Vorsten hebben aan den dag gelegd in het te boven komen van hinderpalen, niet
+uit de macht der vijanden, maar uit de samenstelling hunner natuurlijke bondgenooten en medestrijders ontstaan. Men zegt vrij
+algemeen en men kraait het elkander na, dat onze voorvaderen ons land hebben vrijgevochten; doch de door hen betoonde dapperheid
+en volharding heeft zich meer bepaald tot het verdedigen van eigen Haardsteden, gelijk te Leiden, Haarlem en Alkmaar het geval
+was, dan tot het wezenlijk oorlogvoeren. Zonder de groote legerhoofden, die voor ons vaderland gestreden hebben, ware het
+nog lang een machtig deel van Spanje gebleven, en het gezegend licht der Hervorming had er niet dan flauwe en onder de koornmate
+verborgen stralen geschoten.
+
+</p>
+<p>De legers van dien tijd waren uit verschillende bestanddeelen samengesteld, gelijk ik aanmerkte v&oacute;&oacute;r deze uitweiding, voor
+dewelke ik den lezer verschooning verzoek: en de stoet, die Graaf Maurits vergezelde, bood in een klein begrip stof tot een
+beschouwing als bovenstaande.
+
+</p>
+<p>Naast den Graaf reed een der bekwaamste officieren van zijn tijd, de Generaal Sir Francis Vere, die de Engelsche benden aanvoerde;
+aan zijn andere zijde de groote Vlaamsche Wiskunstenaar Simon Stevyn, &#8217;s Vorsten vriend en leermeester, die hem in &#8217;t veld
+als Kwartiermeester-Generaal diende, en achter hem de Waalsche Hoofdman Marquette. Wat verder reden &#8217;s Vorsten neven, Graaf
+Ernst van Nassau, die aan &#8217;t hoofd der Duitschers stond, en Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, welke beiden moeite deden om
+een geregeld gesprek te onderhouden met den Markgraaf van Bethune, <a id="d0e2337"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2337">48</a>]</span>den Kolonel der Fransche hulpbenden. Hen volgden andere stafofficieren, waaronder zich de Schot aan zijn geruiten mantel,
+de Milanees aan zijn gitzwart haar en geestigen oogopslag, de Deen aan zijn vierkante kloeke gestalte en de Zwitser aan zijn
+breede knevels onderscheiden lieten. Eenige kapiteins van de Garde, waaronder de Ritmeester van Reede van Sonheuvel, waren
+met dezen trein vermengd.
+
+</p>
+<p>Aan het hoofdkwartier gekomen, vernam de Graaf, dat de Gravin Douairi&egrave;re van Falckestein zich aldaar had aangemeld en een
+gehoor bij Zijne Doorluchtigheid dringend verzocht.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Gravin van Falckestein!&#8221; zeide Maurits met aandoening: &#8220;zij moet vooral niet worden afgewezen. Vergunt mij eenige oogenblikken
+aan haar te schenken, Mijne Heeren! ik ben straks weder tot uw dienst. <span class="letterspaced">Vetter</span>!&#8221; vervolgde hij, zich tot Graaf Lodewijk Gunther wendende. &#8220;Ga Mevrouw verwelkomen en zeg haar, dat ik haar verwacht.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit zeggende, begaf zich Maurits naar zijn tent, terwijl de officieren, van hunne paarden afgestegen, zich aan den ingang
+in onderscheidene groepen verzamelden. Nieuwsgierig sloegen zij de oogen naar de zijde, van waar de Gravin moest komen, met
+dat verlangen, hetwelk men gemeenlijk koestert om iemand te zien, die zich, hetzij door groote daden, hetzij door groote onheilen
+heeft beroemd gemaakt. Weldra naderde zij, door Graaf Lodewijk Gunther voortgeleid; zij was in zwaar rouwgewaad gehuld, doch
+de diepe weedom, op haar bevallig nu verbleekt gelaat verspreid, duidde nog meer dan het rouwgewaad het lijden aan, dat haar
+ten deel gevallen was. Zij had haar nu eenig zoontje bij de hand, en trad met nedergeslagen oogen en wankelenden gang de rijen
+der edelen door. Beckman en Feurich, die haar vergezeld hadden, bleven op een kleinen afstand van &#8217;s Veldheers legertent eerbiedig
+staan.
+
+</p>
+<p>Met een oog vol deernis staarden de krijgsoversten op die rampzalige weduwe, en aan meer dan een, die haar vermoorden echtgenoot
+gekend had en hooggeacht, ontrolde een droevige traan. <span id="d0e2350" class="corr" title="Bron: Horiato">Horatio</span> Vere echter kon niet nalaten tegen Reede, die naast hem stond, aan te merken: &#8220;<span class="letterspaced" lang="en">a fine lady, to be sure</span><a id="d0e2355src" href="#d0e2355" class="noteref">1</a>, nietwaar?&#8221; &#8220;Ik heb er niet op gelet,&#8221; antwoordde de Ritmeester: &#8220;ik heb alleen het rouwgewaad gezien, dat mij den dood van
+een onvergetelijken vriend herinnert.&#8221; Dit zeggende, wendde hij zijn gelaat af en bedekte het met de linkerhand.
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="en">He was your friend? Ah! forgive me: I did not know the relation</span>....&#8221;<a id="d0e2363src" href="#d0e2363" class="noteref">2</a>
+
+</p>
+<p>Inmiddels was de gravin de legertent des Vorsten ingetreden en bevond zich met dezen en haar zoontje alleen; dan, vruchteloos
+poogde zij haar rede te beginnen: het gewicht van haar smarten onderdrukte haar, en zij kon, terwijl zij aan Maurits het knaapje
+voorstelde en zich als smeekeling voor hem nederboog, niet anders <a id="d0e2368"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2368">49</a>]</span>uitbrengen dan deze woorden: &#8220;Uwe Doorluchtigheid bescherme mij en dit ongelukkige weeskind!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Sta op, Mevrouw! en neem plaats,&#8221; zeide Maurits, haar opheffende en naar een zitplaats geleidende: &#8220;gij komt hier bij een
+vriend, die hartelijk deelt in uw lot. Waarmede kan ik u die deelneming betoonen? want Maurits is een slecht redenaar en doet
+zijn medelijden liever door daden spreken. Beveel over mij; doch, ik bid u, kom tot u zelve, gij zijt diep ontroerd!&#8221;
+
+</p>
+<p>Nadat de Gravin door een vloed van tranen lucht had ontvangen en genoeg bedaardheid van geest herkregen om een aaneengeschakelde
+rede te beginnen, schilderde zij haar ongelukkigen toestand aan den Vorst, betuigde hem, dat zij niet in den Nederkreits blijven
+wilde, noch haar nu eenigen zoon aan de rampen des oorlogs blootstellen en eindigde met aan Maurits te verzoeken, dat hij
+haar in een der Hollandsche steden een veilige wijkplaats wilde aanwijzen, waar zij, verre van het oorlogsrumoer, haar dagen
+in stilte zou kunnen doorbrengen, totdat de krijg, van den Neder-Rijn geweken, haar weder vergunde, in het bezit van haar
+goederen te keeren en zich aldaar neder te zetten.
+
+</p>
+<p>Met vriendelijk geduld en oplettendheid luisterde de Graaf naar haar verzoek, en gaf haar vervolgens zijn woord van voor haar
+en haren zoon als voor de leden van zijn huisgezin te zullen zorgen. Vervolgens riep hij graaf Lodewijk Gunther binnen.
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced">Vetter</span>!&#8221; zeide hij: &#8220;maak u gereed om de genadige vrouw naar Arnhem te geleiden en haar het beste logies te bezorgen, dat gij voor
+haar vinden kunt. Ik zal intusschen aan de Staten schrijven en van Hunne Hoogmogenden verzoeken, Hare Genade een geschikte
+woonplaats in Den Haag aan te wijzen. De Graaf van Falckestein heeft genoeg voor ons gedaan, dat zijn weduwe wel eenige aanspraak
+op onze dankbaarheid mag behouden<span id="d0e2381" class="corr" title="Niet in bron">.</span>&#8221;&#8212;Dit zeggende, geleidde hij zelf de Gravin tot aan de legerpoort terug, en nam afscheid, haar nogmaals aan de zorgen van
+zijn bloedverwant aanbevelende. &#8220;Kwijt u wel van uw post, <span class="letterspaced">Vetter</span>!&#8221; fluisterde hij hem in &#8217;t oor, &#8220;en verlies uw roem niet, van een getrouw dienaar der dames te zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Bij zijn terugkomst aan het hoofdkwartier vond de Graaf al zijn officieren van geestdrift opgewonden. Zij hadden van Beckman
+en Feurich de afgrijselijke omstandigheden van den moord vernomen en waren in felle woede op de bloeddorstige moordenaars
+ontstoken. &#8220;<span class="letterspaced" lang="fr">De par tous les diables</span>!&#8221; riep Bethune uit: &#8220;Sel die Spanjool op onkestoor sulke moordadikheden pleeken? <span class="letterspaced" lang="fr">et sans vengeance</span>? Permetteere ons Son Excellence om te kaan <span class="letterspaced">venger</span> so skendikke skelmstukke?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Op wie?&#8221; vroeg Stevyn glimlachende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Oppe wie? Parbleu! <span class="letterspaced" lang="fr">Monsieur le Quartierma&icirc;tre</span>! dat isse eene vraak van een <span class="letterspaced">math&eacute;maticien</span>. <span class="letterspaced">Diable</span>! <span class="letterspaced">sur tout le monde, pour l&#8217;honneur de l&#8217;humanit&eacute;</span>.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced">Revenge on die damnd</span> vermorderers!&#8221; riep Vere.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ich sol den ersten Spanjool, dien ich antreffe, die kopf afschlagen vor eine rache,&#8221; zeide Graaf Ernst.
+<a id="d0e2421"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2421">50</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Hoe nu, Mijne Heeren!&#8221; zeide Maurits: &#8220;wat is uw oogmerk? als ware Amadissen de wapenen op te vatten en mij te verlaten om
+een schoone vrouw te gaan wreken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="fr">Pardon, votre Excellence</span>!!&#8221; zeide Bethune; &#8220;maar ik bekrijp, <span class="letterspaced" lang="fr">en vrai chevalier Fran&ccedil;ais</span>, te moeten omhels <span class="letterspaced">la cause</span> van de bedrukte <span class="letterspaced">beaut&eacute;</span>.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="en">A child murdered</span>!&#8221; riep Vere: &#8220;het roept om wraak <span class="letterspaced" lang="en">to the Lord</span>!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ein vertrag zu erbrechen!&#8221; hernam Graaf Ernst.
+
+</p>
+<p>&#8220;Recht zoo!&#8221; zeide Graaf Maurits: &#8220;dit alles roept om wraak! en de straf zal eenmaal het misdrijf volgen. Mendoza zal spoedig
+de vruchten van zijn spelen met eed en beloften ondervinden, in het wantrouwen van allen, wier hulp hij behoeft en in de verachting
+van al wat w&egrave;l denkt, ook bij den Spanjaard. Wat ons betreft, Mijne Heeren! laat ons deze nieuwe bijdrage tot de geschiedenis
+der Spaansche tirannen in aandenken houden; doch alleen om met des te meer ijver het groote verlossingswerk voort te zetten,
+waartoe wij ons vereenigen, en wachten wij ons om, bij het wreken van dergelijke wandaden, ze na te volgen. De oude regel
+<span class="letterspaced">tand voor tand</span> en <span class="letterspaced">oog voor oog</span> is door een betere, zachtere leer vervangen, en Spaansche gruwelen mogen nimmer worden aangehaald om de onze te wettigen.&#8212;En
+thans genoeg hierover: Mijn beste Stevyn! de Grootmeester der Artillerie Kessel, wacht ons aan de stallen: ik heb nu een twintigtal
+toomen laten maken volgens de teekening, die ik er laatst van ontworpen heb, en ik durf vast gaan, dat zij, wiskunstig gesproken,
+de gebitten niet meer prangen kunnen. Tot noen dan, Mijne Heeren! ik verwacht ulieden en wensch u inmiddels vaarwel.&#8221; Dit
+gezegd hebbende, boog hij zich rond en vertrok met Stevyn.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wiskunstige toomen! <span class="letterspaced">ne sont-ce pas comme qui dirait des brides math&eacute;matiques</span>?&#8221; vroeg Bethune met een spottenden glimlach.
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced">The same</span>,&#8221; antwoordde Vere; &#8220;doch laat u dit niet verwonderen. Gij zijt nog maar kort bij ons,&#8221; (vervolgde hij in gebroken Fransch,
+hetgeen ik hier liever in verstaanbaar Nederlandsch overbreng); &#8220;maar gij zult meer hooren dan dit. Bij zijne Excellentie
+gaat alles wiskunstig toe, en het is er niet te minder om. Onlangs had ik, ter bemachtiging van een verschansing, schuiten
+uitgedacht met opstaande ladders; doch Zijne Excellentie bewees mij zeer goed, dat mijn schuiten niets deugden, en bij het
+beklimmen der ladders, door de zwaarte zouden kantelen en omslaan: en toen maakte Stevyn op zijn last een vertoog, &#8217;t welk
+hij noemde.... hoe duivel heette het ook?.... o ja: <span class="letterspaced">vlietende topswaerheit</span>: en hij bewees daarin hoe men schuiten moest inrichten, die nimmer kantelen konden, maar evenals Indiaansche duikelaartjes
+zich altijd weder herstelden!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="fr">Ah! c&#8217;est un grand g&eacute;nie, quo son Excellence</span>,&#8221; zeide Bethune: &#8220;<span class="letterspaced" lang="fr">mais pourtant, des brides math&eacute;matiques</span>! <span class="letterspaced">c&#8217;est plaisant</span>! <span class="letterspaced" lang="fr">je doute que cela prenne</span>.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="fr">Et cela prendra cependant</span>,&#8221; zeide de Adjudant Marquette tot den ginnegappenden Franschman: ik ben <span class="letterspaced">certein</span>, dat ge den <a id="d0e2491"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2491">51</a>]</span>ierste zijn zult, dien ze in awe roitery zult nemen, zoodrao ge ze gezien hebt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="fr">Je n&#8217; en doute pas, puisque vous affirmez, mais cependant</span>....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Komt <span class="letterspaced" lang="de">meine Herren</span>!&#8221; riep graaf Ernst hun toe: &#8220;wollen sie nicht met kaan nach die maliebaan om onze etlust anzuwacheren?&#8221;&#8212;Dit voorstel vond
+goedkeuring: de krijgsoversten begaven zich naar een open plein, dat, achter &#8217;s Veldheers tent gelegen, de geschikste gelegenheid
+aanbood tot dergelijke vermakelijkheden. Hier besteedden zij den tijd, die hun tot het etensuur overbleef, met het balslaan
+of met het kegelspel. Alleen de Heer van Sonheuvel schudde ontevreden het hoofd en begaf zich naar zijn kwartier.&#8212;&#8220;Zijn dat
+mannen?&#8221; mompelde hij onder &#8217;t voortgaan: &#8220;in &#8217;t eene oogenblik bestormen zij Zijne Excellentie om verlof tot een uitval,
+ten einde wraak te gaan nemen over dien gruwelijken moord, en in het volgende loopen zij als kinderen naar de maliebaan en
+kaatsen en kegelen en lachen en zuipen, alsof er nooit een Ulrich von Daun in de wereld geweest ware. Dan, laten zij hem vergeten,
+ik vergeet hem zoo licht niet!&#8221;
+
+</p>
+<p>Nog vervuld van deze gedachten, trad hij zijn tent binnen, waar hij den getrouwen Bouke bezig vond met het opwitten van zijns
+meesters handschoenen en degenhanger.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik hoor,&#8221; zeide deze, &#8220;dat de genadige vrouw van Falckestein in het leger geweest is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is zij, Bouke! en tot mijn verdriet! Toen hebben de Oversten een boel poha gemaakt quasi om haar te gaan wreken, en het
+was Fransche wind en Duitsche larie en Engelsche vloeken wat men hoorde; en per slot van rekening zijn zij allen loopen spelen;
+maar, wat mij betreft, ik beloof dat ik den eersten Spanjool, dien ik in handen krijg, den kop zal afhouwen tot een exempel
+voor al zulke woordbrekers en verraders.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die arme Graaf!&#8221; zeide Bouke: &#8220;doch wat kon hij anders van zulke schelmen verwachten? &#8217;t zijn allen fielten en rabauwen:
+heugt het UEd. nog van die Satansche Jezu&iuml;eten? Ja, gelijke monniken, gelijke kappen! De Graaf had zich nooit met hen in moeten
+laten, want geef je den duim, ze nemen je de heele hand.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu,&#8221; hernam Reede: &#8220;ik zal hun duim noch hand, maar wel een paar fiksche vuisten toonen, dat beloof ik. Ja, ik moet en wil
+Zijne Excellentie spreken; misschien zal Maurits als ik hem alleen vinde, mij wel toestaan een tochtje te ondernemen: hij
+is hier achter in de stallen: ik zal hem maar terstond gaan opzoeken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist,&#8221; merkte Bouke aan: &#8220;men moet het ijzer smeden als &#8217;t warm is.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Ritmeester trad zijn tent weder uit en wandelde naar de straten achter de legerplaats, waar zich de paardenstallen bevonden.
+Het leed niet lang, of hij zag den Graaf met zijn jongen broeder Hendrik Frederik, den Generaal der artillerie Kessel en de
+beide Kwartiermeesters-Generaal Stevyn en Lieven Cys bij een fraai merriepaard staan, aan hetwelk zij onderscheidene gebitten
+pasten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij ziet dus, Kessel!&#8221; zeide de Graaf, &#8220;dat onze leer op goede <a id="d0e2519"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2519">52</a>]</span>gronden steunt, en dat de keeren aan een stang noch meer noch minder tot de strakheid doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zooals Uwe Excellentie het berekent, neen,&#8221; antwoordde Kessel; &#8220;doch het zij mij vergund aan te merken, dat men elk in zijn
+ambacht gelooven moet, en dat alle pikeurs en stalmeesters van oordeel zijn, dat de keeren veel toebrengen tot de strak- of
+slapheid.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ten iersten,&#8221; zeide Stevyn, &#8220;zijn de pikeurs giene wiskunstenaors, en kunnen dus van gewichtige gedaonte niet eurdeelen:
+ten twieden moeten zij oit de ondervinding hun veurgeven bewijzen, of ik ben niet verplicht hen te geleuven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Eilieve zie eens!&#8221; zeide Lieven Cys, &#8220;hoe bedrukt de kapitein Reede daar aan komt wandelen: &#8217;t is of hij vandaag niet ontbeten
+heeft zoo kauwt hij op zijn hoed.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij is misschien bij Mendoza te gast geweest,&#8221; merkte Stevyn aan, al lachende: &#8220;daor, heur ik, volgt men het oude veurschrift
+van den philosoof, om, naomelijk, altijd met honger van taofel te gaon.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zult zien,&#8221; zeide de Graaf, &#8220;dat hij mij een verzoek te doen heeft, waarmede hij niet durft aankomen: wij zullen hem
+uit de verlegenheid helpen.&#8212;Kapitein Reede! een woordje met u, als &#8217;t u gelegen komt!&#8221;
+
+</p>
+<p>Met een loop, die veel naar een sprong zweemde, bevond zich de Ritmeester aan &#8217;s Graven zijde. Deze verwijderde zich een weinig
+van de Oversten, waarna hij, Reede vlak in &#8217;t gezicht ziende, hem aldus toesprak: &#8220;Gij hebt iets op uw hart, Kapitein, en
+gij schroomt het uw Overste te verhalen. Is dat vriendschappelijk gehandeld? Gij weet hoe Maurits de openhartigheid bemint....
+wanneer het geen staatszaken betreft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Excellentie is al te goed,&#8221; was het antwoord des Ritmeesters: &#8220;en echter vrees ik mijn verzoek niet te zullen verkrijgen:
+ik wilde Uwe Excellentie spreken over.... over.... de treurige tijdingen, die heden....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe!&#8221; vroeg Maurits: &#8220;is uw gade erger? Ik weet, dat zij zich in zeer zwakken staat bevindt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is waar, Uwe Excellentie! de dood van ons eenig zoontje heeft haar in haar zwangeren toestand zeer getroffen; doch ik
+bedoelde thans de nieuwe berichten, die ik heden ontving, over den moord van iemand, die zoowel de vriend Uwer Excellentie
+was als de mijne, den waardigen Ulrich von Daun.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu?&#8221; zeide Maurits: &#8220;en gij wilt?....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wraak nemen op de moordenaars, waar ik hen vinde,&#8221; was het antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik versta u,&#8221; hernam de Graaf met veel koelheid<span id="d0e2545" class="corr" title="Niet in bron">,</span> &#8220;doch een expeditie ligt niet in mijn plan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Excellentie!....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Misduid mij niet! niemand verdenke mij van hardvochtigheid of ongevoeligheid omtrent het lot van den edelen Graaf! Ik ben
+geen weekhart, en echter hebben deze oogen droevige tranen gestort om zijn verlies, en ben ik er wellicht dieper over getroffen
+dan al die Heeren, die mij zoo luidkeels tot wraak aanspoorden.
+<a id="d0e2552"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2552">53</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Mag ik,&#8221; hernam Reede met aandrang, &#8220;mag ik op dat getal geen uitzondering maken? Ik was de boezemvriend van den Graaf: ik
+ken zijn moordenaars.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Doch waar zult gij hen vinden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wellicht nog te Bruck; doch hetzelfde waar zij zich ophouden, al zaten zij, met verlof gezegd, in de voorpoort der hel, ik
+zal hen vinden met hulp van God en mijn zwaard. Daarenboven weet Uwe Excellentie dat ik een oud eigen op den moordenaar heb,
+zoowel als Uwe Excellentie. Hij was een der opstokers van Pieter Panne, wie ik....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik versta u: en uit dankbaarheid, dat gij toen mijn leven gered hebt, moet ik u thans, na de rol van meester Knipschaar,
+die van meester Hans laten spelen. Hoor eens Ritmeester!&#8221; vervolgde hij, hem met gemeenzaamheid de hand op den schouder leggende:
+&#8220;gij zijt een dapper man, kloek en handig met het zwaard, altijd de eerste in het veld; doch of gij de noodige koelbloedigheid
+bezit om een expeditie als die van welke gij spreekt te bestieren, dit laat ik, beste vriend! gaarne aan uw eigen oordeel
+over. Ik mag thans mijn leger van geen man ontblooten en wil niemand in gevaar brengen door met u herom te dolen bij nacht
+en ontijde om een mageren Jezu&iuml;et te zoeken; want dat zoudt gij dan moeten, vermits Pater Eugenio niet meer te Bruck is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet? O! in &#8217;s Hemels naam, Uwe Excellentie! waar bevindt hij zich dan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kunt gij een geheim bewaren, Kapitein?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Als goud, Uwe Excellentie.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat voorrecht bezit ik ook, tot mijn geluk. Geloof mij, het ware eene onnutte poging, te willen kennen hetgeen ik bedekt
+wil houden: indien mijn hemd achter een mijner geheimen kwam, smeet ik het dadelijk op het vuur.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zal ik zorgen mij niet te branden,&#8221; zeide Reede, met een koele buiging en terwijl hij een gezicht trok alsof hij een
+drankje innam: &#8220;het doet mij innig leed, dat Uwe Excellentie aan mijn verzoek niet voldoen kan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met deze woorden nam hij afscheid en keerde naar zijn tent, als een patrijshond, die aan den ketting ligt en zijn meester
+ter jacht ziet gaan zonder hem mede te nemen.
+
+</p>
+<p>De mensch loopt de fortuin na en deze komt hem dikwijls in zijn bed opzoeken: dit spreekwoord, dat Bouke dikwijls bezigde,
+werd kort na het gesprek, dat de Graaf met Reede gevoerd had, aan dezen laatsten bevestigd. Hij lag te halftien des avonds
+op zijn legerstede te ronken, toen zijn dienaar Bouke opeens half naakt voor hem verscheen, en hem wekte met dit spreekwoord:
+&#8220;hoe later op den dag, hoe schooner volk! daar is iemand vanwege Zijne Excellentie, om UEd. te spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo!&#8221; zeide de Ritmeester, de oogen wrijvende: &#8220;ja het is niet anders: kom de vorsten iets vragen, dan is &#8217;t zelden te huis,
+hebben zij ons noodig, men moet op elk uur van den dag of nacht klaar zijn: doch dat is tot daar aan toe; breng den bode hier,
+Bouke!.... of wacht! geef mij eerst mijn pels.&#8221;
+
+</p>
+<p>Bouke reikte hem den pels aan, dien hij over het hemd aantrok, <a id="d0e2579"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2579">54</a>]</span>terwijl hij al rillende en klappertandende zich naast zijn bed nederzette. Een Luitenant van de Garde werd binnengeleid, die
+hem aldus toesprak: &#8220;Zijne Excellentie verzoekt u, Heer Ritmeester! mij op staanden voet in volle wapenrusting te willen volgen,
+met uw dienaar.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waartoe? waarheen? waarop is &#8217;t gemunt?&#8221; vroeg Reede, terwijl hij zijn oogen wijd opspalkte en het hoofd schudde om recht
+wakker te worden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal Zijne Excellentie UEd. ongetwijfeld zelve verklaren willen,&#8221; antwoordde de Luitenant: &#8220;UEd weet dat zijn geheimen....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Genoeg!&#8221; hernam de Ritmeester, die nu geheel wakker was, met blijdschap: &#8220;ik geloof dat ik het oogmerk al raden kan;....
+doch laat ik niet te veel zeggen, anders mocht hij een <span class="letterspaced" lang="fr">autoda-f&eacute;</span> van mij maken, zooals van mijn hemd: gij hebt het gehoord, Bouke! geef mij mijn wapenen, en ga dan spoedig de paarden opzadelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welk paard zal UEd. berijden?&#8221; vroeg Bouke.
+
+</p>
+<p>&#8220;Om &#8217;t even: neem &#8217;t grauwtje maar!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neem het zwartste paard dat gij hebt, Heer Ritmeester!&#8221; zeide de Luitenant: &#8220;de nacht is wel donker, maar een wit paard wordt
+ook bij duister gezien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bij nacht zijn alle katten grauw,&#8221; merkte Bouke aan, terwijl hij zijn meester diens wapenen aanbracht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gekheid, Bouke,&#8221; zei deze: &#8220;de Luitenant heeft gelijk. Zie eens, Heer Luitenant! mijn borstkuras is zoo helder gepolijst,
+alsof ik te voren geweten had, dat het dezen nacht zou moeten dienen.... &#8217;t is maar om u te toonen, dat men altijd zorgen
+moet, zijn spullen in orde te hebben!.... ik zal er met dat al maar een buis over aantrekken; vooreerst om de koude, en ten
+tweede om niet gezien te worden;.... het zou toch nogal aardig zijn, indien ik juist geraden had!.... Ook zal ik maar een
+helm zonder vederbos opzetten.... ja, Zijne Excellentie zegt wel, dat ik geen bedaardheid bezitte.... wat hamer Bouke! rep
+u dan toch wat!.... maar ik hoop u te toonen!.... Zie zoo! ga nu maar de paarden halen: ik zal zelf mijn degen wel krijgen
+en mijn pistolen laden.... ik wil wedden, dat wij dien Jezu&iuml;et in handen krijgen!.... Gaat gij ook mede, Heer Luitenant?&#8212;Niet!....
+dat spijt mij; anders zoudt gij een kluchtspel zien: een Jezu&iuml;et, dien wij zullen vangen!.... waar zijn mijn handschoenen?....
+och ik heb ze al aangetrokken!.... wat talmt Bouke nu weer?&#8221;
+
+</p>
+<p>Op het einde dezer alleenspraak, welke de Luitenant zich wel gewacht had te storen, daar hij er niets van begreep, en het
+praten over het hemd van Zijne Excellentie en den te vangen Jezu&iuml;et daar aan toeschreef, dat Reede nog door den slaap bevangen
+was, verscheen Bouke met de paarden voor de tent. Heer en dienaar stegen op, voorafgegaan door den Luitenant, die hen met
+een handlantarentje voorlichtte. Zij trokken de brug over, die naar den Weert geleidde, de lange brug, die er overheen voerde,
+en de derde, welke den Weert met de overzijde vereenigde, totdat zij in &#8217;t open veld waren gekomen. Aldaar kondigde het gebriesch
+van paarden de nabijheid aan eener ruiterbende, welke door de duisternis niet kon worden onderscheiden. Nu floot de Luitenant
+een paar malen, en zijn sein <a id="d0e2602"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2602">55</a>]</span>werd op gelijke wijze beantwoord: een man in een zwaren mantel gewikkeld en met een breedgeranden hoed op &#8217;t hoofd, trad voorwaarts:
+het was Graaf Maurits.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heer Ritmeester!&#8221; sprak deze: &#8220;de tijd is kostbaar; doch een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg: achter mij
+staan honderd ruiters<span id="d0e2606" class="corr" title="Bron: .">,</span> uit alle benden uitgelezen. Gij trekt met hen een konvooi te gemoet, dat heden uit Gelder naar het hoofdkwartier van Mendoza
+getrokken moet zijn.&#8212;Geen kwartier voor al wie wederstand biedt!&#8212;Geene onmenschelijkheden na de overwinning. Een der moordenaren
+vindt gij zeker: zorg, dat hij niet ontsnappe! een gids, die u verzellen moet, zal u alles nader verklaren. God geleide u!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik kus de handen uwer Excellentie duizendmalen,&#8221; zeide Reede vol blijdschap: &#8220;dat had ik niet durven verwachten, na het laatste
+gesprek, dat ik de eer had met uwe Excellentie te houden.... God zegene Uwe Excellentie!&#8221;&#8212;En hiermede gaf hij zijn paard de
+sporen en voegde zich bij de ruiterbende, terwijl Maurits met den Luitenant naar het kamp terugkeerde.
+
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2355" href="#d0e2355src" class="noteref">1</a></span> Voorwaar, een fraaie vrouw!
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2363" href="#d0e2363src" class="noteref">2</a></span> Was hij uw vriend? O! vergeef mij: ik kende uw betrekking niet tot hem.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e2611" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Zevende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph" lang="nl-1600">
+<p>Hij is met krijghsmans eere in &#8217;t harrenas gestorven.
+
+</p>
+<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Gijsbrecht van Aemstel.
+</p>
+</div>
+<p>Moedig trok Reede, aan &#8217;t hoofd zijner bende, de duistere heide over, terwijl de gids, een oud onderofficier, in die streken
+welbekend, en die zich terstond aan zijne zijde gevoegd had, hem nader omtrent den weg onderrichtte, welken de vijand volgens
+de ingekomen berichten en naar alle waarschijnlijkheid nemen moest, om van Gelder naar het hoofdkwartier van den Amirant te
+trekken. De Ritmeester beraamde dienvolgens zijn plan om het konvooi zeker te ontmoeten en te onderscheppen, en toen men eenige
+uren had voortgereden, gebood hij dat men halt zoude maken en steeg hij met de officieren af, om te beraadslagen wat hun te
+doen stond. Men was nu in de nabijheid van een volkrijk dorp gekomen, hetwelk de Spanjaards ongetwijfeld moesten doortrekken,
+en de gids begreep, dat het onvoorzichtig ware, verder voort te gaan, uit vreeze van het konvooi mis te loopen, en evenzeer
+onveilig, het dorp te bezetten, daar men de gezindheid der ingezetenen niet kende en het te vreezen was, dat de Spanjaards
+gewaarschuwd mochten worden en een anderen weg inslaan, of terugtrekken. Men besloot dus, te blijven waar men was, en inmiddels
+naar het dorp iemand op kondschap uit te zenden, om te onderzoeken, of er zich ook een Spaansche bezetting bevond, ten einde,
+voor men een aanval op het naderend konvooi deed, den vijand buiten staat te stellen, het opzet te doen falen. Het was Bouke,
+<a id="d0e2623"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2623">56</a>]</span>die de eer genoot met deze zending belast te zijn: zijn meester kende hem als een sluwe ondernemende kerel, die zich niet
+licht zou laten beknippen, en wien in dat geval geen bedreiging, geen doodsangst zelfs zou dwingen, iets van het ontwerp te
+verraden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wees gerust, Uwe Edelheid!&#8221; zeide Bouke, terwijl hij zich van zijn krijgstoerusting ontdeed en in een gemeene boerenpij zich
+vermomde. &#8220;Bouke zal zich niet verpraten, want wie veel kalt veel ontvalt: indien ik niet binnen &#8217;t uur weerom ben, en alles
+haarklein weet te vertellen, hoe het in &#8217;t dorp geschapen staat, dan mag ik gaarne lijden, dat UEd. mij in &#8217;t vervolg voor
+den grootsten stoffel houde, die ooit een snippennet gebreid heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit zeggende nam hij haastig afscheid en verliet de ruiterbende, welke inmiddels in de vlakte, waar zij zich bevond, halt
+bleef houden. Onverschrokken en blijmoedig volgde Bouke een klein zijpad, dat hem, volgens de aanduiding van den gids, op
+den gewonen rijweg, die vlak op &#8217;t dorp aanliep, brengen moest. De Novembernacht was koud en donker, en de grond hard bevroren:
+zoodat Bouke, die in den beginne met forsche stappen was afgetrokken, al spoedig, uit vrees van den grond met zijn geheele
+lengte te meten, zich genoodzaakt zag een langzamer tred aan te nemen: te meer, daar het pad niet rechtuit liep, maar in menigvuldige
+bochten en oneffenheden, nu tusschen hakhout, dan weder over afgemaaide graanvelden slingerde. Hoewel nu de afstand, dien
+hij af te leggen had, inderdaad langer was dan de gids hem had opgegeven, en de duisternis van den nacht zoowel als het ongeduld
+van onzen verspieder dien nog langer deden schijnen, bemerkte deze al spoedig, uit het geloei van runderen, het gebriesch
+van paarden en het geblaf van honden, die zich verward dooreen lieten hooren, dat hij de plaats zijner bestemming naderde:
+en weldra herkende hij, in menige donkere gedaanten, die tegen de grauwe lucht ongelijkvormig afstaken, de onderscheiden huizen,
+waaruit het dorp was samengesteld. Reeds verblijdde hij zich in de gedachte, dat hij nu welhaast aan den grooten weg en dus
+bij den ingang van het dorp moest wezen, toen hij opeens bemerkte, dat het pad zich in twee&euml;n scheidde. Terwijl hij onzeker
+stond, welke zijde hij volgen zoude, hoorde hij links van zich af een haan zijn morgenlied met luider keel aanheffen. Straks
+zijn keuze gedaan; hij sloeg linksaf en bespeurde, toen hij de kronkelingen van het pad volgde, dat hij werkelijk op het dorp
+aanhield. Met dat al was hij den verkeerden weg ingeslagen, gelijk straks blijken zal. Opeens liep het pad eene hoogte op,
+van waar het aan de andere zijde zoo schielijk en zoo steil afdaalde, dat Bouke, die hier niet op verdacht was, over een steen
+struikelde, en vrij onzacht nederviel tegen het beschot eener schuur; het was namelijk op een hoeve midden in het dorp, en
+niet op den rijweg, dat het door hem gekozen pad geleidde. Dit ware hem hetzelfde geweest in gewone tijden; doch in deze oogenblikken
+strekte dit abuis hem bijna ten verderve; want nauwelijks was hij weder opgestaan, toen hij zich van zes of zeven soldaten
+zag omringd. Dezen waren namelijk kort te voren aan de schuur gekomen, waar zich een aantal ossen en paarden <a id="d0e2629"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2629">57</a>]</span>vonden besloten, toen zij opeens ontzetteden door den val van een zwaar lichaam, dat, van de hoogte af, midden tusschen hen
+nedertuimelde. &#8220;Santa Maria!&#8221; riep de een, &#8220;wat is dat?&#8221; &#8220;San Yago!&#8221; riep een tweede. &#8220;<span class="letterspaced">Ein betrunkener kerl</span>!&#8221; riep een derde. En toen zij allen, van hun schrik bekomen, ontwaarden, dat deze laatste althans in zooverre gelijk had,
+als de nedervallende gedaante die van een levend manspersoon was, schoten zij toe en grepen onzen Bouke vrij onzacht in den
+kraag.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hei! hei wat!&#8221; zeide Bouke, die zich vruchteloos poogde los te rukken: &#8220;voorzichtig wat: ik heb geen kleeren te bederven
+buiten deze!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat heb je hier te doen; jou dronken lap?&#8221; vroeg een van de soldaten, met een forsche stem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Met je verlof,&#8221; antwoordde Bouke: &#8220;ik heb een boodschap in &#8217;t dorp en ben het verkeerde pad opgegaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu! keer dan terug van waar je gekomen bent,&#8221; zeide een uit den troep, hem van zich afstootende.
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="de">Nein! nein!</span>&#8221; riep een Oostenrijker, hem wederhoudende: &#8220;<span class="letterspaced" lang="de">so leicht kommst du nicht frei!</span>&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vooral niet,&#8221; zeide een Parmezaan: <span id="d0e2652" class="corr" title="Niet in bron">&#8220;</span><span class="letterspaced" lang="it">bisogna vedere, se ha danaro</span>.&#8221;<a id="d0e2657src" href="#d0e2657" class="noteref">1</a>
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="it">Danaro! danaro!</span>&#8221; mompelde een vierde: &#8220;wie zal er bij nacht met geld in de tasch loopen. &#8217;t Is zeker een strooper, die meer nood dan brood
+heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Om &#8217;t even&#8221; zeide een ander: &#8220;ongemoeid moet hij niet vertrekken: zijn kasak is in allen gevalle nog goed, en misschien draagt
+hij wel een paar hoentjes of een haas onder &#8217;t wammes.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit zeggende begonnen de soldaten de kleederen van Bouke te betasten, ondanks zijn tegenspartelen; en aldra ontdekten zij,
+wel geen wild en ook geen geld, maar &#8217;t geen erger voor hem was, een lang pistool in een zijner broekspijpen verborgen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Aha!&#8221; zeide de vinder in &#8217;t Spaansch, terwijl hij met een zegepralend oog het moordtuig in de hoogte hief: &#8220;dragen de boeren
+hier te lande zulk ontbijt in den zak?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Men kent den vogel aan zijn veeren,&#8221; zeide Bouke, in zich zelven de voorzorg verwenschende, welke hij gebruikt had door het
+pistool mede te nemen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat moet de sergeant hooren&#8221;, zeide een ander: &#8220;hier steekt verraad achter, en er is reden genoeg om het geheele dorp uit
+te plunderen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is er gaande, mannen?&#8221; vroeg de sergeant, die op hetzelfde oogenblik de schuur naderde: &#8220;en waarom zijn de beesten nog
+niet buitengebracht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="it">Abbiamo trovato una altra bestia,</span>&#8221; riep de Parmezaan: &#8220;<span class="letterspaced" lang="it">un traditore!</span>&#8221;<a id="d0e2685src" href="#d0e2685" class="noteref">2</a>
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="de">Ein bewaffneter bube!</span>&#8221; riep een ander: en terstond werd <a id="d0e2693"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2693">58</a>]</span>het voorgevallene aan den verbaasden onderofficier medegedeeld.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil wat!&#8221; zeide deze: &#8220;laat ik den spitsboef eens ondervragen. Zeg eens, kerel!&#8221; vervolgde hij tegen Bouke, terwijl hij
+de linkervuist in de zijde zettede en zich met de rechterhand de kin wreef: &#8220;wat was je oogmerk met dat moordtuig daar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zooals ik reeds aan die brave lui gezegd heb,&#8221; antwoordde Bouke: &#8220;alleen uit veiligheid; maar, als iedereen zeit: ik ben
+een varken, dan moet ik in &#8217;t hok!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat heeft zoo een schooier, zoo een landlooper te vreezen?&#8221; hernam de krijgsman: &#8220;ik geloof eerder dat het tegen de veiligheid
+van anderen gemunt was; doch we zullen het den kapitein laten onderzoeken. Hier Pedro en Cuno, brengt hem zoolang in huis
+en bindt hem op de tafel vast, dan kan hem Velasco zelf ondervragen, als hij uitgeslapen heeft. En voort allen weer aan &#8217;t
+werk. Voor zonsopgang moeten wij reisvaardig zijn!&#8221;
+
+</p>
+<p>Volgens den gegeven last werd Bouke, na eerst welgekneveld te zijn, door de twee daartoe benoemde manschappen weggeleid naar
+een boerenwoning, die kort daarbij op hetzelfde erf gelegen was: het was, zooverre hij dit bij nacht kon opmerken, een groot
+gebouw, &#8217;t welk verscheidene vertrekken scheen te bevatten. Hij werd door een achterdeur binnengebracht en zag in een vrij
+ruime schuur, volgepropt met een menigte karren, welke, voor zooverre hij zulks bij het flauwe schijnsel eener lamp, die van
+den zolder hing, kon onderscheiden, hem toeschenen kruitvaatjes, voederzakken, brooden en andere krijgs- en mondbehoeften
+te bevatten, te meer, daar een schildwacht er heen en weder liep, die ook dadelijk den soldaten in de Spaansche taal naar
+de reden hunner komst vroeg. Na een korte woordenwisseling, in gebroken Spaansch, Duitsch en Italiaansch gehouden, en waarvan
+Bouke niet &eacute;&eacute;n woord verstond, werd deze in een hok gebracht, aan het einde van &#8217;t vertrek. Men dwong hem, plat op den buik
+neder te gaan liggen: zijn voeten werden gebonden, en hem de verzekering gegeven, dat hij, bij de minste poging om los te
+komen, een kind des doods ware: waarna de soldaten hem verlieten en de deur achter zich sloten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben de domste ezel, die er leeft,&#8221; gromde Bouke bij zich zelven, zoodra hij zich alleen bevond: &#8220;mij zoo te laten beknippen!
+ik ben immers waard, dat men mij een kogel door den kop jaagt! Hoe kon ik ook zoo lomp zijn, om daar midden tusschen die schavuiten
+te tuimelen? Wel is waar, ik weet nu al wat ik weten wou: het konvooi, dat mijn meester wacht, is hier al lang; maar hoe hem
+dit nu te berichten! dat is het ongemakkelijke van &#8217;t geval.&#8221;
+
+</p>
+<p>Terwijl hij hierover lag te peinzen, en bedenkelijk het hoofd schudde, &#8217;t geen dan ook het eenige deel van zijn lichaam was,
+dat hij vrij had, zag hij een flauwen lichtstraal, die door een reet in het hok viel, en hoorde te gelijker tijd aan de andere
+zijde van het vertrek praten. Hij begreep terstond, dat hij in zijn tegenwoordige omstandigheden niets beter te doen had,
+dan te luisteren, rolde zich om en bracht, zoo goed hij kon, eerst het oog en vervolgens het oor voor de opening van het schot.
+De eerste dier bewegingen deed hem <a id="d0e2707"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2707">59</a>]</span>in een klein kamertje zien, waarin een fraaie, rijzige vrouw, reeds geheel gekleed, bezig was met eenig goed te pakken; zij
+bleef echter met den rug naar hem toegekeerd, zoodat hij haar gelaat niet onderscheiden kon. Naast haar stond een monnik,
+en in &#8217;t verschiet lagen twee kinderen in een bedstede te slapen, waarvoor een groote fraaie hond lag, alsof hij ze bewaken
+moest. Bij de tweede beweging hoorde Bouke de twee volwassene personen het volgende gesprek voeren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij wilt het kind mij dan niet teruggeven?&#8221; vroeg de monnik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is Velasco&#8217;s eigendom,&#8221; antwoordde de vrouw: &#8220;doch gij weet wat ik u gezworen heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een fraaie wijze van eeden te bewaren,&#8221; mompelde de eerste spreker.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het ware geen wonder,&#8221; antwoordde zij fluisterende, &#8220;al had ik van u geleerd, hoe men te gelijk zijn woord moet houden en
+breken; doch&#8221;.... hier sprak zij zoo zachtjes, dat Bouke haar niet verstaan kon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Trotseer mij niet,&#8221; zeide de monnik; &#8220;gij weet, dat, indien ik wil....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Indien gij wilt,&#8221; herhaalde zij, hem driftig in de rede vallende: &#8220;zwijg daarvan, of ik zou u toonen, hoe ik middelen bezit,
+om u beschaamd te maken voor &#8217;t oog van geheel het leger.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Magdalena!&#8221; riep de monnik met een van spijt gesmoorde stem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ken die stem, dunkt mij,&#8221; dacht Bouke: en nogmaals toeziende, overtuigde hij zich, dat de spreker niemand anders was dan
+de Jezu&iuml;et, dien hij met zijn meester op den weg naar Leiden eens had ontmoet en met wien hij slaags geweest was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil!&#8221; vervolgde de vrouw: &#8220;Velasco ontwaakt!&#8212;en zoo hij u hier vond....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu!&#8221; zeide Eugenio met een schamperen lach: &#8220;welk kwaad kon hij er in vinden, dat, in een huis, als dit, waarin wij als
+haring in een ton gepakt zijn, de biechtvader vroeg opstaat van de vochtige steenen in het vertrekje hiernaast, en in een
+kinderkamer, zooals deze, zijn troost zoekt? Doch wees gerust: hij slaapt den krijgsmansslaap, en zal niet wakker worden voordat
+hij gewekt wordt. Hoor Magdalena! ik heb u nog veel te zeggen, en God weet wanneer wij elkander wederzien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe!&#8221; hernam zij, een vragenden blik op hem werpende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gewis,&#8221; vervolgde hij, &#8220;ik moet met den dag van hier en verlaat het konvooi: alleen om mij met u te onderhouden ging ik tot
+hiertoe mede. Hoor! ik moet recht ernstig met u spreken.&#8212;Gij hebt zondig en dwaas gehandeld, Magdalena!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het,&#8221; zeide zij, de oogen met somberheid nederslaande: &#8220;doch zijt gij het, die mij zulks verwijten moet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat ben <span class="letterspaced">ik</span>!&#8221; hernam hij, &#8220;ik, die u in ellende en jammer gedacht heb, ik, die de wroegingen, de kwellingen van uw hart veroorzaakt heb,
+ik moet ook de medicijnmeester zijn, die u den vrede teruggeeft, die u een betere hoop en betere uitzichten verschaft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij?&#8221; zeide zij, hem met een scherpen, veelbeteekenenden blik aanziende, en te gelijk het hoofd op een ongeloovige wijze
+schuddende: &#8220;Eugenio! het is acht jaren geleden, dat uwe taal en uwe verzekeringen eenige macht op mij bezaten.&#8221;
+<a id="d0e2742"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2742">60</a>]</span></p>
+<p>&#8220;En denkt gij dan niet, goede Magdalena!&#8221; vervolgde hij, als bemerkte hij haar wantrouw in zijn betuigingen niet, &#8220;dat ook
+mijne ziel door gemoedsangst verscheurd, dat mijn hart door berouw over mijn misdaad gepijnigd werd? Volgens de kerkelijke
+wetten had mijn heiligschennis mij den ban, ja den dood doen verdienen; doch onze Heilige Moeder is lankmoedig en genadig:
+zij begeerde den dood des zondaars niet: zij schonk mij vergiffenis: zij verwierf die ook voor u.<span id="d0e2745" class="corr" title="Niet in bron">&#8221;</span>&#8212;Zonder een woord te uiten, bleef zij hem aanstaren, in afwachting van hetgeen er volgen zoude.
+
+</p>
+<p>&#8220;U werd echter een boetedoening opgelegd,&#8221; ging hij voort: &#8220;een boetedoening, die gestreng, doch rechtmatig is. Gij moest
+namelijk nimmer terugkeeren in het oord, waar uw vergrijp ergernis verwekte....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is dit een boete?&#8221; vroeg zij haastig: &#8220;ik beschouw dit als een gunstbewijs.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Val mij niet in de rede,&#8221; vervolgde hij; &#8220;gij moet, van nu af, uw woonplaats vestigen bij hen, die van den geloove zijn afgeweken:
+gij moet in schijn uw leer verzaken, en daar, onder ketters, tot opbouwing onzer Kerk werkzaam zijn. Geheel uw leven moet
+dit alleen ten doel hebben, dat weder de ware leer in de afvallige Nederlanden heersche: geene zelfverloochening moet u daartoe
+te groot, geene moeite te lastig wezen. Een verhevener dan ik zal u den weg aanwijzen, dien gij te bewandelen hebt, de middelen,
+die gij aan moet wenden, om dat doel te bereiken. Kunt gij deze boete voldoen, zoo zijn u uwe zonden vergeven, en uw loon
+zal heerlijk wezen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben bereid,&#8221; zeide Magdalena, haar handen opwaarts heffende: &#8220;tot het vervullen dezer plichten had ik bijna geen vermaning
+noodig. Van nu af behoort mijn leven aan Hem, wien ik eenmaal verlaten heb. Mocht Hij mij, als aan mijn Heilige naamgenoot,
+weder zijn liefdearmen openen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Amen!&#8221; zeide de Jezu&iuml;et, zich kruisende: &#8220;o Magdalena! als het eens door onze vereende krachten gebeuren mocht, dat het kettergeslacht
+weder van de aarde verdelgd werde gelijk de afgodendienaars, die den lande Kana&auml;ns bewoonden, toen Jozua tegen hen optrok!
+Als het ons weder gelukte, de neergeplofte kruizen alom te herstellen en de verbrokene beelden der heiligen uit het stof te
+doen herrijzen. Hoe blijde zou dan niet onze mond het <span class="letterspaced">Hosanna</span> aanheffen!&#8212;Wij zijn arbeiders in den wijngaard des Heeren! Vervullen wij blijmoedig onze taak, werwaarts ons Zijn wil ook
+heenleide.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik herhaal het u, zoo helpe mij de Heilige Maagd!&#8221; hernam zij: &#8220;ik ben bereid alles te verrichten, wat mijne Moeder de Kerk
+mij voorschrijft:&#8212;doch.... Eugenio! wat zal er van Ludwig worden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ludwig,&#8221; zeide de volgeling van Lojola, snel naar het bed ziende. &#8220;Ook hij zal een nuttig werktuig worden in de hand des
+Meesters, die ons bestiert. Volg slechts blindelings wat men u voor zal schrijven, en al wat eerst duister zijn mag, zal naderhand
+te heerlijker voor uw verhelderde oogen schijnen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik bewonder u ondanks mij zelve,&#8221; hervatte zij: &#8220;wanneer ik u de echte taal eens Priesters spreken hoor; doch, als ik dan
+<a id="d0e2767"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2767">61</a>]</span>aan de bloeddorst herdenk, waarmede gij onnoozele vrouwen en kinderen....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij kleingeloovige!&#8221; zeide de Jezu&iuml;et: &#8220;roeit niet de tuinman, als hij het onkruid wiedt, ook de wortels uit?&#8212;Laat de jager
+de tijgerwelpen in &#8217;t leven, als hij de ouders in hun nest geveld heeft? Liet Mozes niet de vrouwen en kinderen der oproerigen
+tegen God met den zwaarde dooden?.... Doch genoeg! ook dat dwaas gevoel van valsche menschlievendheid moet en zult gij overmeesteren:&#8212;en
+thans vaarwel: de haan heeft reeds ten tweedenmale gekraaid: men bereidt alles tot den aftocht; het is tijd dat ik u verlate;....
+doch gij schijnt verlegen.... hebt gij mij nog iets te vragen?.... zoo maak het kort.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zult gij van Ludwig geen afscheid nemen?&#8221;.... vroeg zij op een zachten toon: &#8220;zult gij hem uw zegen niet geven, eer gij voor
+langen tijd, misschien voor eeuwig, van hem scheidt?&#8221;
+
+</p>
+<p>De Jezu&iuml;et zag met een donkeren blik naar de bedstede, waar de knaapjes in sliepen, schudde het hoofd, wendde zich haastig
+om en vertrok zonder een woord te spreken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als ik nu van dat geheele gesprek iets anders begrijp,&#8221; dacht Bouke, &#8220;dan dat het een paar is, dat aan mekaar gewaagd is,
+mag ik lijden, dat ik mijn geheele leven in dit hok slijte. Zulk vee van den Satan durft nog woorden uit de Schrift aanhalen
+en van Godsdienst en Kerk spreken!.... ik wou, dat ik dat wijf maar eens in haar bakkes kon kijken; want als zij zulke fielterige
+voornemens heeft, is &#8217;t niet kwaad vooruit te weten hoe zij er uitziet, om iedereen tegen haar te waarschuwen: men kan aan
+&#8217;t been best zien, waar de hoos gescheurd is.&#8221;&#8212;Terwijl hij dus lag te peinzen, werd er in de naaste kamer aan een binnendeur
+getikt. Magdalena opende die, en een Spaansch officier trad in volle wapenrusting binnen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maak de kinderen wakker,&#8221; zeide hij: &#8220;over een kwartieruurs vertrekken wij. Waar is Antonio?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij wacht voor de deur,&#8221; antwoordde Magdalena, terwijl zij de kinderen uit het bed haalde, die zich, nu wakker gemaakt, den
+vaak uit de oogen wreven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga, roep hem,&#8221; zeide Velasco (want hij was het), terwijl hij het kleinste kind opnam en kuste: het knaapje beantwoordde zijn
+liefkoozingen, noemde hem <span class="letterspaced">lieve vader</span> en speelde met zijn halskraag en vederbos. Intusschen had Magdalena de buitendeur geopend en denzelfden sergeant binnengelaten,
+die Bouke had laten gevangenzetten. Een groote, fraaie hond schoot te gelijk de deur in en sprong vroolijk om Velasco en de
+kinderen heen. De Kapitein wendde zich nu tot den onderofficier, en sprak met hem een poos in &#8217;t Spaansch.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu zal het mijne beurt worden,&#8221; dacht Bouke, en inmiddels overlegde hij, wat hem te doen stond en hoe hij zich bij een verhoor
+gedragen zoude. Dat zijn leven op &#8217;t spel stond, kwam hem niet eenmaal in de gedachte, of liever, hij bekommerde er zich weinig
+over, en hij peinsde alleen op een geschikt middel om zijn ambt van verspieder te kunnen vervullen en aan zijn heer kondschap
+te bezorgen van hetgeen hij ontdekt had. Zijn grootste vrees was, dat <a id="d0e2788"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2788">62</a>]</span>het konvooi het dorp zou verlaten, aleer Reede van de nabijheid daarvan verwittigd ware, in welk geval de beide benden elkander
+mis zouden loopen en de geheele onderneming mislukken. Terwijl hij aan het overwegen was, ging de deur van het hok open en
+een paar soldaten traden binnen, die hem zijn voeten zooveel losbonden, dat hij gaan kon, en hem vervolgens met zich voerden.
+Het ruime voorvertrek doorgaande, vond hij het met soldaten gevuld, die bezig waren, de karren buiten te brengen. Hij volgde
+zijn leidslieden door een andere deur dan die waardoor hij eerst gekomen was, en bevond zich toen op den publieken weg, die
+hier ter weerszijden met woningen omzoomd was. Het begon reeds te schemeren en hij onderscheidde dus duidelijk de krijgsbenden,
+die zich hier van alle kanten verzamelden, een aanzienlijk getal ossen, schapen, varkens en voederwagens met zich aanvoerende.&#8212;Dezelfde
+sergeant, die Bouke gevangen had, stond in het midden van den weg en gaf zijn bevelen, toen er opeens een boer door de menigte
+kwam dringen en zich met luider stem bij hem beklaagde, dat de soldaten, die bij hem gehuisvest hadden, zijn ossen hadden
+medegevoerd en hem, op zijn beklag hierover, met slagen en scheldwoorden hadden betaald, schoon hij stellig wist, dat de Overste
+dergelijke plunderingen verboden had. De Sergeant, die dit laatste zeer wel wist, en echter zijn makkers voor straf wilde
+behoeden niet alleen, maar hun den gemaakten buit laten behouden, gaf den armen boer een slecht bescheid. &#8220;Wat bruit mij zoo&#8217;n
+schoft,&#8221; zeide hij: &#8220;hebt ge bewijzen, kerel? anders kunt ge maken, dat ge wegkomt, of ik zal het uw huid laten heugen, dat
+ge de soldaten van de Aartshertogin dus belastert. Hier mannen! smijt me dien kinkel uit den kring.&#8221; Dit was aan geen dooven
+gezegd: vrij onzacht grepen eenige soldaten den jammerenden en vloekenden huisman bij &#8217;t wambuis en slingerden hem buiten
+den kring, zoodat hij vlak tegen Bouke aantuimelde. Deze was terstond bedacht om van deze omstandigheid gebruik te maken,
+en, hopende dat de omstanders geen Nederduitsch verstaan zouden, trok hij den boer naar zich toe en sprak hem in deze taal
+aan:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wou je graag je beestjes weerom hebben, vrindje?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Of ik ze weerom wou hebben!&#8221; antwoordde de boer, &#8220;maar die rekels....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil: luister! in het boschje ten westen van het dorp, zijn diegenen bijeen, die u daaraan helpen zullen: loop er als de
+wind naar toe en vertel al wat hier voorvalt.... gij zult uw ossen weerom hebben en nog twee goudstukken daarenboven.&#8221;
+
+</p>
+<p>De boer zag hem verwonderd aan en wilde nog meer vragen; doch een der leidslieden van Bouke, die het gesprek begon te bemerken,
+draaide zich om en gaf den huisman een slag met het platte van zijn degen, waarop de sukkel begreep, dat een onverwijld vertrek
+het beste voor hem zou wezen.
+
+</p>
+<p>Met het inpakken, het uithalen der karren en het maken der verdere toebereidselen tot het vertrek verliep nog een geruime
+tijd, tot groote vreugde voor Bouke, die, als wij reeds aanmerkten, niets <a id="d0e2800"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2800">63</a>]</span>ergers duchtte, dan dat men te ras vertrekken zoude. Velasco was inmiddels uit zijn nachtverblijf gekomen, nam alles in oogenschouw,
+deelde zijn bevelen uit, en gelastte ook dat men den gevangene voor hem geleiden zou. Het verhoor was kort. Schoon men tegen
+Bouke niets anders had in te brengen, dan dat hij met een pistool de schuur genaderd was, scheen deze omstandigheid echter
+van zulk gewicht, dat Velasco begreep hem gevangen met zich te moeten voeren, om hem bij geschikter gelegenheid een langer
+verhoor te laten ondergaan. Men bracht hem nu ter zijde, ten einde hem aan den staart van een paard te binden en zoo bij den
+aftocht mede te voeren. Hiertoe werd de koord, die hem de voeten gebonden hield, geheel losgemaakt, en de soldaten ontdeden
+hem ook van den strik, die hem de handen bond, met oogmerk om het eene einde van het touw aan den paardenstaart vast te maken,
+toen zich op eens een schelklinkend trompetgeschal liet hooren, gevolgd van het losbranden van schietgeweer, het getrappel
+van paarden en het krijgsgeschreeuw eener aanrukkende bende. &#8220;Verraad! verraad!&#8221; klonk het door het dorp, en eer men tijd
+had om te ontdekken van waar de aanval komen zoude, zagen de Spanjaards een Staatsche ruiterbende van twee kanten binnenrijden.
+De boer, dien Bouke gezonden had, had aan zijn wensch voldaan; hij had den Heer van Sonheuvel, die vast vloekte en raasde
+over het niet verschijnen van zijn dienaar, ter bepaalde plaats gevonden, en deze had, dadelijk na het vernemen, dat het konvooi
+in het dorp was, bevel tot den aanval gegeven.
+
+</p>
+<p>Nauwelijks had Bouke het krijgsgeluid gehoord, of hij rukte zich los uit de handen die hem vast hielden, nam van een daarbij
+staanden wagen, waarop schansgraverstuig lag, een zware spade en sloeg daarmede zoo geducht in &#8217;t rond, dat hem in de eerste
+oogenblikken niemand naderen dorst.
+
+</p>
+<p>&#8220;Schiet den schelm ter neder, die ons verraden heeft!&#8221; riep de sergeant, terwijl hij woedend een pistool op Bouke loste.
+
+</p>
+<p>&#8220;Oranje! oranje! <span class="letterspaced" lang="fr"><span id="d0e2809" class="corr" title="Bron: &aacute;">&agrave;</span> bas</span> de Spanjolen!&#8221; riep Bouke, terwijl hij met een geduchten slag den sergeant helm en hoofd verbrijzelde. &#8220;Hoezee! hoezee! al
+gewonnen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Op mannen!&#8221; klonk nu de stem van Velasco: &#8220;hier Pedro! Berti, M&uuml;lhoff! Verzamelt uw manschappen en verspert de straat aan
+weerszijden. Blijft slechts als palen staan, totdat wij herkennen, hoe sterk de vijand is. Doch!.... Schiet niemand dien verrader
+neder?&#8221;
+
+</p>
+<p>De bevelen van Velasco werden opgevolgd en zijn nu vereende bende trachtte de toegangen te bezetten, de wagens en het vee
+tusschen zich besloten houdende. Doch aan den wensch, dien de hoofdman geuit had, was niet voldaan geworden: Bouke was door
+de menigte heen gebroken, had zich, te midden der verwarring, die er heerschte, over een heining gered, en zich, door een
+omweg, met zijn bende vereenigd.
+
+</p>
+<p>Het gevecht was nu begonnen, en hoe dapper ook de Spanjaards zich verdedigden, waren zij echter te onvoorbereid om den geduchten
+aanval der Staatschen te kunnen wederstaan. Zoolang echter hun wakkere bevelhebber hun bleef aanvoeren, weken zij geen duimbreed;
+<a id="d0e2819"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2819">64</a>]</span>doch toen deze, zwaar gekwetst door een pistoolschot, van zijn paard stortte en weggevoerd werd, begon de moed der verweerders
+te verflauwen in dezelfde mate als die der aanvallers wies. Al spoedig zochten sommigen een goed heenkomen en poogden in de
+boerenwoningen de vlucht te nemen; doch de huislieden, die in den nacht overlast genoeg van die rauwe gasten geleden hadden,
+ziende dat de kans dezen tegenliep, vatteden post tegen hunne huisdeuren en dreven al wie er schuilen wilde met knuppelslagen
+terug. Dit vermeerderde den schrik der Spaanschen: verscheidene wierpen de wapenen weg en gaven zich over, terwijl anderen
+in alle richtingen, tusschen de huizen door, over het veld de vlucht namen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar is de Kapitein der bende?&#8221; vroeg de Ritmeester van Reede, zoodra hij zich van de overwinning verzekerd zag.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik denk,&#8221; zeide Bouke, &#8220;dat men hem in gindsche woning gebracht heeft; daar heeft hij zijn nachtverblijf gehouden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Naar de hel met hem! Wraak over den moord te Bruck,&#8221; riepen eenige voormalige Haneveeren, die zich mede bevonden onder de
+ruiters, welke Reede verzeld hadden. En ijlings afgestegen zijnde, snelden zij de boerenwoning in, welke Bouke zijnen Heer
+had aangewezen.
+
+</p>
+<p>Terwijl de Ritmeester de noodige bevelen gaf om de gewonden te bezorgen en de gevangenen te binden, kwam Bouke op eens naar
+hem toeloopen. &#8220;Heer Baron!&#8221; riep hij toornig uit: &#8220;zij vermoorden den weerloozen Overste.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal hun de duivel!&#8221; schreeuwde Reede, driftig naar de boerenwoning loopende: &#8220;willen zij, spijt mijn last en dien zijner
+Excellentie, de Spaansche gruwelen nabootsen?&#8221;
+
+</p>
+<p>Haastig trad hij de woning binnen, waar zich een vreeselijk schouwspel aan zijn oogen vertoonde. Met wonden overdekt lag de
+dappere Velasco in &#8217;t midden van de schuur op den vloer uitgestrekt, omringd van ruiters, die hem nog gedurig houwen en steken
+toebrachten. Om hem lagen verscheidene Spaanschen, die hem in &#8217;t uiterste hadden bijgestaan, nedergesabeld. Een fraaie jachthond
+stond er nevens en scheen zich alleen te bekommeren over een klein kind, dat nevens hem op den grond lag te jammeren. Wat
+verder stond Magdalena en hield haar zoontje aan haar borst geklemd, als wilde zij het tegen alle boosheid beveiligen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Terug! gij laffe moordenaars!&#8221; brulde Reede, met een vervaarlijke stem: &#8220;ik houw den eerste ter neder, die zich weder onderstaat,
+een weerlooze aan te vallen.&#8221;&#8212;Op het hooren van deze bedreiging, en op het zien van de woede, die in zijn oogen flikkerde,
+traden de ruiters terug. De Ritmeester naderde Velasco: deze poogde zich op te richten, dan vruchteloos. Reede en Bouke ondersteunden
+hem het hoofd. Hij sloeg het half gebroken oog op het kleine knaapje, dat angstig schreiend naar hem toe kroop: wendde vervolgens
+den blik op Reede en poogde te spreken. Hij kon echter niet anders uitbrengen dan de woorden: &#8220;dit kind!.... zijn vader....
+vermoord.... O Heer! wees mij genadig!&#8221;&#8212;Met deze woorden zeeg hij achterover en gaf den geest.
+<a id="d0e2835"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2835">65</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Het is gedaan!&#8221; zeide de Ritmeester, een traan wegwisschende: &#8220;zijn dood zal mij eeuwig rouwen. Hij werd vermoord, en ik,
+die het had moeten beletten!.... Doch het kind ... Vrouw!&#8221; vervolgde hij tegen Magdalena: &#8220;behooren die twee kinderen aan
+den verslagen Overste?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Deze is mijn zoon,&#8221; antwoordde Magdalena, op Ludwig wijzende.
+
+</p>
+<p>&#8220;En deze kleine?&#8221; hernam Reede.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heeft de ongelukkige het u in zijn laatsten levensstond niet gezegd?&#8221; vroeg Magdalena, hem met een somberen blik aanziende:
+&#8220;het is de zoon van den vermoorden Overste.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En zijn moeder?&#8221; vroeg de Ritmeester.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik kan u geen verder bericht doen erlangen,&#8221; hervatte Magdalena: &#8220;wat beveelt gij? moet ik met mijn zoon mede ten prooi strekken
+aan den bloeddorst uwer volgelingen? of is het aan een arme weduwe, die met den krijg niets gemeens heeft, vergund, dat zij
+vertrekke?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd dat wijf, Heer Baron!&#8221; zeide Bouke: &#8220;het is een feeks, die met den Jezu&iuml;et van de Katholieke Hofstede samenspant, en
+zooals UEd! weet, gelijke monniken, gelijke kappen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Foei Bouke! een arme vrouw en haar kind,&#8221; zeide Reede: &#8220;zij mogen in vrede heengaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Magdalena wachtte geen nadere vergunning af; doch, Ludwig aan de hand houdende, trok zij, zonder iemand te groeten, dadelijk
+de achterdeur uit en verwijderde zich met haar zoon.
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat zullen deze?&#8221; vroeg Bouke, het kleine kind opnemende en te gelijk den hond streelende, alsof hij hem wilde verzekeren,
+dat hij geen boos opzet had tegen zijn beschermeling.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zullen daarover nader spreken,&#8221; antwoordde de Ritmeester: &#8220;thans moeten wij zorgen, dat de aftocht zoodra mogelijk geschiede.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist,&#8221; zeide Bouke, hem buiten de schuur volgende, &#8220;wel zegt het spreekwoord, dat al wat gaat ook terugkeeren moet.&#8221;
+
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2657" href="#d0e2657src" class="noteref">1</a></span> Men moet zien of hij geld heeft.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e2685" href="#d0e2685src" class="noteref">2</a></span> Wij hebben een ander beest gevonden: eenen verrader.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e2860" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Achtste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph" lang="nl-1600">
+<p>Godlof! het is mijn heer! ik heb zijn stem gehoort.
+
+</p>
+<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Gijsbrecht van Aemstel.
+</p>
+</div>
+<p>Het zal mijn Lezers en vooral mijn Lezeressen waarschijnlijk niet dan aangenaam zijn, dat ik, bij &#8217;t begin van dit achtste
+Hoofdstuk, van krijgsveld, legerplaatsen en wapenfeiten voorgoed afscheid neme, om hun een meer bevallig, meer huiselijk tooneel
+te schilderen en hen niet alleen in de kleine woning, welke de Heer van Reede binnen Amsterdam bezat, maar zelfs binnen de
+kraamkamer der edele vrouw te geleiden, welke met haren zuigeling op den schoot, in &#8217;t gezelschap van den Predikant Raesfelt
+en van haar Baker, de terugkomst verbeidde van haar beminden echtgenoot. Deze had, nu <a id="d0e2872"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2872">66</a>]</span>de legers de winterkwartieren betrokken, verlof ontvangen om de wintermaanden in den schoot zijns huisgezins door te brengen
+en zijn wederhelft op zijn aanstaande terugkomst voorbereid.
+
+</p>
+<p>Mevrouw van Sonheuvel was een kleine, tengere blonde, met zachtblauwe oogen en regelmatige gelaatstrekken, die in vroegeren
+leeftijd, toen zij nog met den blos der schoonheid overtogen waren, menigen edelen aanbidder bekoord hadden. Doch sedert haar
+echt met den Baron van Reede, of liever sedert de weigering van haar vader om dat huwelijk te bekrachtigen, had een diepe
+smart aan haar fijngevoelig hart geknaagd en haar levenskrachten langzamerhand aangetast. Een teringachtige ongesteldheid
+sloopte haar zwak en aandoenlijk lichaamsgestel: de rozen der wangen verbleekten: de hoogzwellende boezem vermagerde en de
+eens zoo bevallige schoone was niet meer dan een schaduw van wat zij eenmaal geweest was. Op raad van zijn geneesheer, die
+de fijne lucht, welke men op het kasteel van Sonheuvel, hetwelk de Barones betrok, inademde, voor haar gestel nadeelig schatte,
+had Reede besloten binnen Amsterdam een kleine woning te betrekken, die vanouds aan zijn geslacht behoorde. Die verhuizing
+scheen echter weinig of geen invloed ten goede op de gezondheid zijner beminde gade uit te oefenen, terwijl daarentegen de
+plotselinge dood van haar zoontje, dat aan hevige stuipen overleed, haar een nieuwen, hoogst nadeeligen schok had toegebracht<span id="d0e2876" class="corr" title="Bron: ,">.</span> Het was niet dan door de uiterste zorgen aan te wenden, en door zich van alles wat eenigszins schaden kon te onthouden, dat
+zij zoo gelukkig was geweest, de uitzichten te zien vervullen, welke een tweede zwangerschap haar had aangeboden: schoon pijnlijk
+en ziekelijk, had zij echter dien tijd doorgestaan en was vrij voorspoedig van een wel tenger en klein, doch gezond meisje
+verlost geworden, aan &#8217;t welk zij nu hare moederteerheid toe mocht wijden, en dat haar bijwijlen de diepe smart vergeten deed,
+die haar ziel had ingenomen.
+
+</p>
+<p>Zij was dan op een avond van de maand December, bij het helder lichtend turvenvuur, in een lagen, wel met kussens gedekten
+en met fluweel gevoerden leunstoel gezeten: tusschen haar en den haard was de thans in onbruik geraakte bakermat, omringd
+van de benoodigde korfjes en rekken, waarin de onmisbaarste kleedingstukken van het kleine poppetje net gevouwen lagen of
+waarop die hingen te drogen. De Baker zelve, een vrouw van zekere jaren, die, sedert zij als min bij de kleine Maria van Sonheuvel
+gekomen was, haar nooit verlaten en dus langzamerhand een vrij groote mate van invloed op het huisbestier bekomen had, zat
+echter thans niet op haar nederigen troon bij den haard; zij had het kind aan Mevrouw gegeven, liet de pap door het daartoe
+bestemde zeefje gaan, hield een wakend oog over het kokend kandeeltje, en vond nog tijd genoeg tusschenbeide om voor den predikant
+een kan ouden Rijnschen wijn en een fraaien roemer neder te zetten.
+
+</p>
+<p>Den Predikant Raesfelt zullen wij uit het vervolg dezer geschiedenis nader kennen leeren: het zij ons, met besparing van verdere
+uitweidingen over &#8217;s mans begaafdheden en karakter, alleen vergund <a id="d0e2883"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2883">67</a>]</span>hier aan te merken, dat hij, sedert kort op het dorp Sonheuvel beroepen zijnde van Ransdorp, waar hij tot dien tijd gestaan
+had, op zijn reize door Amsterdam zijner nieuwe Vrouwe een beleefdheidsbezoek was komen geven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik hoop,&#8221; zeide Mevrouw tegen den Predikant, terwijl deze met een zilveren staafje het klontje suiker verbrijzelde, dat in
+den hollen voet des roemers lag, &#8220;dat mijn gezondheid genoeg in beterschap zal toenemen, om mij te vergunnen een gedeelte
+van den zomertijd te Sonheuvel door te brengen. Dan zult gij, Dominee! ook nadere kennis maken met mijn man. Ik ben benieuwd
+te weten hoe hij u bevallen zal. Gij begrijpt, hij is geen geleerde, maar een krijgsman: echter is hij zijn gezelschap dubbel
+waardig<span id="d0e2887" class="corr" title="Bron: ,">.</span>&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben onderricht, Mevrouw!&#8221; antwoordde Raesfelt, &#8220;dat de Baron van Sonheuvel een ijverig voorstander is van onze dierbare
+Hervormde geloofsbelijdenis: dat hij geen geleerde is, vermindert zijn waardij geenszins in mijne oogen. Wie zoude ons dierbare
+Vaderland en onze Kerk beschermen, indien wij geen ander wapen voerden, dan de pen? wel is waar, Psalm 33 zegt, naar de berijming
+Datheni:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Krijgsknechten met hoopen
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>In stormen en loopen.
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Konden door haar macht,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Koningen noch helden
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Helpen in de velden
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Sonder &#8217;s Heeren kracht</span></p>
+</div>
+<p>Maar het spreekt van zelf, dat, daar de Heere voor ons, voor het Hollandsch Isra&euml;l strijdt, deze regels alleen op de Spanjaards
+moeten toegepast worden, gelijk zulks ook bewezen is geworden door de vernietiging van hun onverwinnelijke <span class="letterspaced">Armada</span> of vloot; doch, met dat al, gelijk ik ging aanmerken, ben ik onderricht, dat de Heer Baron de <span class="letterspaced">controverse</span> onder zijn geliefkoosde uitspanningen telt. Ik twijfel dus niet, of wij zullen over deze en gene punten nu en dan, bij nadere
+bekendheid, belangrijke gesprekken mogen voeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker,&#8221; hernam Mevrouw, &#8220;voor een soldaat houdt hij veel van een ernstig gesprek: als men hem vergelijkt bij zoovele oorlogsteden,
+die niets van de Schrift weten, en nooit om hun zaligheid denken, dan steekt hij gunstig bij hen af.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja!&#8221; voegde de Baker er bij, om het gezegde te bevestigen: &#8220;zijn Edelheid is een goed theologant en kent de Schrift op zijn
+duimpje en alles wat daartoe betrekking heeft. Heugt het UEd. nog, hoe spoedig hij, toen hij nog een kleine jongen was, dat
+versje van buiten wist, dat ik hem leerde, en waarin al de Boeken van het Oude en Nieuwe Testament naar rang vermeld worden,
+en hoe hij het altijd opzei in bed, als hij den slaap niet kon vatten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ook heeft hij veel smaak in de Psalmen,&#8221; hernam Mevrouw, en kent er vele van buiten, zoowel volgens de berijming van wijlen
+den Heer van Sint-Aldegonde, als volgens die van Datheen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heeft hij smaak in de Psalmen?&#8221; vroeg de Predikant met blijdschap: <a id="d0e2921"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2921">68</a>]</span>&#8220;o dan zullen wij het bijzonder goed samen vinden, als zijnde deze ook mijne geliefkoosde studie. Ik hoop ZijnEd. dan mijn
+werk voor te lezen over den honderd-zeven-en-veertigsten Psalm, waarin ik wederlegge de dwalingen Ingelhoffii, die hem Esdrae,
+en Colsonni, die hem den Asaph toeschrijft (zijnde de eerste een Saksische, en de tweede een Schotsche uitlegger), en zonneklaar
+bewijze, dat hij door niemand anders kan vervaardigd zijn dan door Salomonem. Een bondig stuk! drie honderd bladzijden folio.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heden Dominee!&#8221; zeide de Baker, terwijl zij verbaasd het hoofd ophief en met den paplepel in de hand als het beeld der verwondering
+staan bleef: &#8220;ik dacht, dat de Psalmen alle Davids waren, zooals er voorstaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil Baker!&#8221; zeide Mevrouw: &#8220;Zijn Weleerwaarde zal het immers beter weten dan gij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! dat is wel mogelijk, dat Dominee zich beter op de uitlegkunde verstaat; doch ik houd mij aan den tekst: wat helpt het
+mij, of ik al hoor wat er zou kunnen of moeten staan? ik vraag wat er staat. Het is de Booze, die al die uitleggingen en verfraaiingen
+van de Schrifture heeft uitgevonden. Mijn Dominee was de oude Rammelbonzium, die heeft Calvino nog als zijn broertje gekend
+en is voor den geloove verbrand in &#8217;t jaar van gratie 65 ... of ... laat eens zien!.... &#8217;t kan ook wel in 68 geweest zijn....
+Neen toch, want het was net in dien kouden winter.... ei wanneer was het ook weer?... Ja.... Mevrouw!.... het zoude den ouden
+Heer Baron nog wel heugen; maar....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Baker!&#8221; zeide Mevrouw met een treurigen blik: &#8220;denk waar gij spreekt en wat gij zegt!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar Baker!&#8221; zeide Raesfelt: &#8220;hebt gij dan niet gelezen, dat de letter doodt, maar dat de geest levendig maakt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist Dominee! en daarom moeten wij niet over de doode letter twisten! want wat zegt de Schrift: zalig zijn de armen van
+geeste....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zwijg, Geertrui!&#8221; zeide Mevrouw op een gebiedenden toon: &#8220;en breng mij de kandeel. Zoo gij met Dominee wilt hakketeeren,
+zal ik u altijd uit de kamer sturen, als Zijn Weleerwaarde ons bezoeken komt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht u daarvoor, Mevrouw!&#8221; hervatte de Predikant: &#8220;zij heeft een ijver voor de goede zaak, ofschoon niet met verstand, en
+UEd. moet haar aan de onderwijzinge, die uit de waarheid is, geenszins onttrekken. Het zal mij altijd aangenaam en goed zijn,
+dergelijke gesprekken met haar te voeren, schoon ik hope, dat zij niet de versenen tegen de prikkelen slaan zal, noch zich
+tegen de leeringe hares leeraars verzetten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Leeraar! hm! hm!&#8221; mompelde de oude Geertrui met al de kwade luim eener bedorven dienstbode, zonder acht te geven op de ontevredenheid
+van hare meesteres. &#8220;Wist men van leeraars in de dagen van den vromen Rammelbonzio! Leeraars! zoo noemt de Schrift de Farize&euml;n!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Om weder op den Heer Baron te komen,&#8221; zeide de Predikant, die de aanmerkingen van de verstoorde Geertrui niet hoorde, of
+althans <a id="d0e2943"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2943">69</a>]</span>veinsde die niet te hooren; &#8220;het moet wel bedroevend zijn voor UEd. hem zoolang te moeten missen; doch tevens troostrijk,
+dat ZEd. in den verleidingsvollen krijgsmansstand met zulke oprechte vroomheid en godvruchtigheid is toegerecht, zoodat hij
+niet alleen de wapenrusting, die het vleesch bedekt, heeft aangegord, maar ook die, welke den Christenstrijder voegt, en de
+ziel tegen de listen des ronddwalenden Satans beschermt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gewis, Dominee!&#8221; antwoordde Mevrouw: &#8220;mijn echtgenoot mag in dit opzicht tot een voorbeeld strekken aan alle krijgslieden.
+Ja, dachten allen als hij, dan zou de hand des Heeren ijveriger zijn voor ons land. Altijd is hij even trouw en kuisch, en
+hoelang hij van mij verwijderd zij, geen vreemde vrouw zal hij aanzien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! die vreemde vrouwen!&#8221; zuchtte Raesfelt: &#8220;wel zegt Salomo: &#8220;&#8220;al wie tot haar ingaan, zullen niet wederkomen.&#8221;&#8221;
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik hoorde men een verward gedruisch op de straat, door een luid geklop aan de voordeur gevolgd: en weldra liet
+zich de stem van den Heer des huizes kennelijk onderscheiden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Godlof!&#8221; riep Mevrouw: &#8220;daar is mijn man! Baker! neem even het kind! ik moet hem spoedig te gemoet gaan!&#8221; Dit zeggende, rees
+zij haastig op en wilde de kamer uitsnellen; doch halverwegen verlieten haar hare krachten, en zij moest zich aan de Baker
+vasthouden, die haar weder naar haar zitplaats terugvoerde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel Engel!&#8221; zeide de Baker: &#8220;waar waren je gedachten? pas een maand oudkraams en dan in die tochtige gang loopen. Heden neen,
+dat niet, lieve kind! Daar zou Mijnheer wat aan hebben, aan een verkouden vrouw.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu is het als in Psalm negentien,&#8221; riep de Predikant:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Daar uyt reyst hy seer claer</span></p>
+</div>
+<p>en wat er verder volgt; schoon de vergelijking niet volkomen juist zij: want de Heer Baron komt niet <span class="letterspaced">uit</span> maar <span class="letterspaced">in</span> zijn slaapzale.&#8221;
+
+</p>
+<p>Terwijl hij deze aanmerking maakte, was Reede binnengetreden. Met aandoening en blijdschap omhelsde hij zijn vrouw, die hem
+haar zuigeling aanbood. Verrukt op het gezicht van het bevallige kind, nam hij het uit de armen der moeder op, zette zich
+in den stoel, dien de Baker hem had aangeschoven, wipte het kind over zijn knie&euml;n, tot grooten angst der Baker, op en neder
+en tikte het op de zachte wangetjes met den breeden handschoen, waarmede hij nu en dan de tranen wegwreef, die hem langs den
+knevel dropen. Met zalig genot zag zijn gade hem aan, terwijl de oude Geertrui, die hem het wichtje slecht vertrouwde, bezorgd
+naast den stoel stond en zich gedurig voorwaarts boog en de handen uitstak, als hield zij zich gereed, het meisje op te vangen,
+ingeval hij het mocht laten glippen. Nadat dit zwijgend tooneel eenige oogenblikken geduurd had, werd hij den Predikant gewaar,
+die aan de overzijde der stond te buigen als een knipmes.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie is die zwartrok?&#8221; vroeg hij zachtjes aan zijn vrouw.
+<a id="d0e2972"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2972">70</a>]</span></p>
+<p><span id="d0e2974" class="corr" title="Bron: &#8220;"></span>&#8220;St! Hendrik! dat is de eerwaarde Predikant Raesfeldius, die in uwe afwezendheid te Sonheuvel beroepen is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ei! zoo! Uw dienaar Dominee! men heeft mij zooveel goeds geschreven van uwe bekwaamheid en vroomheid, dat ik onnoodig geoordeeld
+heb u in persoon te komen hooren, aleer wij u bij ons beriepen. Ik verlang zeer, nadere kennis met u te maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Heere moge u <span class="letterspaced">segenen</span> met <span class="letterspaced">allerlei goet</span>, gelijk Psalm honderd-vier-en-dertig het heeft, naar de berijming Datheni. Ik wensch mij geluk en verblijd mij over UEd.
+terugkomste, gelijk Paulus hem verblijdde over de wederkomste Titi, als er geschreven staat II <span class="letterspaced">Corinthen</span> VII, en wederom in &#8217;t zelfde kapittel: <span class="letterspaced">wij zijn vertroost over uwe vertroostinge</span>. Ik dank den Heere, dat Hij mij heeft waardig geoordeeld in uw woonstede het Evangelium te verkondigen, en een medearbeider
+in zijnen wijngaard te worden van UEd., die zoo ijverig de dingen bedenkt, die des Koninkrijks zijn. Wel moge ik met den Psalmist
+uitroepen, wat hij in den honderd-twee-en-twintigsten Psalm zingt:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Binnen uw mueren woonen sal
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Liefde, vrede met eenigheyt;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>De huysen en paleysen breydt
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Sijn vol van Gods segeningh al.<span id="d0e3001" class="corr" title="Bron: &#8217;">&#8221;</span></span></p>
+</div>
+<p>&#8220;Amen!&#8221; zeide Reede, den hoed afnemende. &#8220;Nu, ik hoop, dat wij van dezen zomer nadere kennis zullen maken.... Maar zeg eens
+liefste! gij hebt ons kind laten doopen, nietwaar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gewis mijn schat! Het is Maria gedoopt: dat was immers de afspraak.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! dat weet ik wel; doch het moet nog een naam hebben. Ulrica moet het heeten. Ulrica Maria, zoo gij wilt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ulrica?&#8212;maar allerliefste! er is niemand in de geheele familie die zoo heet! Ulrica! wat is dat voor een rare naam?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Raar zooveel gij wilt; doch ik ben er zeer op gesteld. Ik zal u nader wel eens zeggen waarom; doch, daarvan gesproken, ik
+breng u een klein geschenk mede.&#8212;Heidaar! Bouke! Geert! roep Bouke eens!.... doch wacht, Geert! steek eerst die twee kronen
+in uw tasch en dat stuk kant, dat ik u voor een welkomthuis heb medegebracht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Duizendmaal dank, Uwe Edelheid! God zegene UEd.,&#8221; zeide de Baker, &#8220;en doe UEd. en Mevrouw veel vreugde aan de lieve kleine
+beleven.... een fraaie kant voorwaar.... echt Brusselsch werk.... UEd. heeft het immers bij geen plundering gewonnen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, Geert: het is eerlijk van mijn penningen betaald; doch kom! haal Bouke hier!.... doch daar bedenk ik iets: blijf nog
+even. Wanneer denkt Uw Eerwaarde naar Sonheuvel te verkassen, Dominee?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In de volgende week gaat een wagen van hier,&#8221; zeide de Predikant, &#8220;die ons derwaarts zal voeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu! Dominee! Dan zal het mij aangenaam zijn, Uw Eerwaarde morgen op het middagmaal bij mij te zien met de Juffer. Uw <a id="d0e3021"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3021">71</a>]</span>Eerwaarde is immers getrouwd, nietwaar? Alle Dominees zijn getrouwd?
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal, wat mij betreft, gaarne UEds. vriendelijk aanbod aannemen,&#8221; antwoordde Raesfelt: &#8220;doch ik verzoek UEd. mijn Huisvrouw
+te verschoonen, aangezien zij voor de kinderen moet zorgen. die....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel! dat moet geen hindernis teweegbrengen. Breng de gansche poppenkraam dan maar mede. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd,
+zou Bouke zeggen; doch met uw verlof, ik heb thans met mijn vrouw iets gewichtigs af te handelen.... dus tot morgen!&#8212;Uw Eerwaarde
+neemt het immers niet kwalijk?&#8221;&#8212;Dit zeide Reede, den Predikant vriendelijk en met gulheid de hand schuddende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeer natuurlijk,&#8221; zeide Raesfelt: &#8220;ik groet UEd. vriendelijk in den Heere!&#8221;
+
+</p>
+<p>De Predikant vertrok. Kort daarna verscheen Bouke.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is er van UEds. dienst? Hoe vaart Mevrouw en de kleine? De Heere beware ons wat een schoon kindje: net Mevrouw! ja wel
+mag men zeggen: zoo de hen zoo de ven, en de ekster kan het hippelen niet laten!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bouke!&#8221; zeide de Baron: &#8220;haal den kleine boven!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal bezwaarlijk gaan, mijnheer! die heeft UEds. helm beetgekregen en wil hem volstrekt niet laten varen: ja, &#8217;t wil al
+muizen, wat van katten komt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Doe zooals ik u zeg!&#8221; hernam Reede. Bouke vertrok.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar van welken kleine spreekt ge toch, Hendrik,&#8221; vroeg Mevrouw.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk maar zoo verheerd niet: dat zal zich wel ophelderen: daar komt Bouke al met hem aan. Bij mijn degen! een schoone jongen,
+al is het een Spanjool!&#8221;
+
+</p>
+<p>Bouke kwam binnen met een knaapje van ongeveer twee jaren op den arm, dat luid schreeuwde en tegenspartelde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier is hij, mijnheer; doch hij blaart als een kalf, omdat ik hem den helm heb afgenomen: &#8217;t was tijd, hij scheurde de veders
+aan stukken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bewaar ons, Hendrik!&#8221; zeide Mevrouw: &#8220;wat is dat voor een kind? Ik wil niet hopen.... zooeven nog heb ik bij Dominee uw vroomheid
+geprezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom! kom! gekheid, wijfje-lief! is het geen mooi kind? Kijk eens, wat schoone blonde krullen!.... en die schelmsche zwarte
+kijkers, die hij zeker van zijn vader heeft.... Kom jongen! huil niet: hier is lekkers!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet lekkers! naar beneden!&#8221; riep het kind.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar vertel mij dan toch,&#8221; herhaalde mevrouw, &#8220;wien dat schaap toebehoort.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wien?.... Aan niemand, of liever, aan dengenen, die zich zijner erbarmen zal. Luister! in de vorige maand heb ik een konvooi
+opgelicht, dat van Gelder naar Mendoza gestuurd werd. De commanderende officier van het geleide werd gruwzaam door mijn volk
+omgebracht, uit wraak voor den moord, aan mijn vriend Falckestein gepleegd. Ik had dit moeten voorzien en beletten; doch wat
+was <a id="d0e3057"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3057">72</a>]</span>er aan te doen? het feit was gepleegd.&#8212;Nu was er bij het lijk een vreemde vrouw met twee kinderen, en een fraaie jachthond....
+Nietwaar Bouke! een kostelijk schoon dier? Ik heb hem in &#8217;t voorbijgaan op Sonheuvel gelaten. Nu, die vrouw moet al een rare
+mamsel geweest zijn, althans zoo Bouke vertelt. Kort en goed, zij liep met het eene kind weg, en liet mij met dezen schreeuwerd
+zitten, die een zoontje van den vermoorden Overste is. Hoewel ik weinig lust had om mij met dit <span id="d0e3059" class="corr" title="Bron: 8paansche">Spaansche</span> gewrochtje te belasten, zoo nam ik het echter mede, half uit medelijden, en half omdat zijn vader, eer hij stierf, het mij
+had aanbevolen en ik toch door de zorg voor het kind het een weinig goed dacht te maken, dat ik voor den vader zoo slecht
+gezorgd had. Ik schreef, bij mijn terugkomst in &#8217;t leger, aan Don Louis de Velasco, die een eigen broeder is van den overledene,
+hoe het schaap in mijn handen geraakt was, en vroeg, hoe ik het hem best zou oversturen: en wat denk je, dat mij die Spanjool
+ten antwoord gaf?&#8212;Dat zijn broeder nooit getrouwd geweest was, en dat hij geen lust had, zich met de basterds, die hij bij
+zijn leven verwekt mocht hebben te bemoeien: dat ik het buit had gemaakt, en er nu zelf voor zorgen kon.&#8212;Wat zou ik doen?
+Ik bewaarde het arme wicht: en thans vraag ik u op uwe beurt, schatlief! wat zullen wij doen met het lieve schaap?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zullen het bij ons houden, Hendrik!&#8221; zeide Mevrouw, het kind op het voorhoofd kussende: &#8220;wij zullen het als ons eigen
+kind behandelen, tot de moeder zich aanmeldt, of de bloedverwanten zich zijner aantrekken. Wie weet, Hendrik! of God het ons
+niet gezonden heeft om de plaats te vervullen van het lieve engeltje, dat wij verloren hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hm! hm! zoo gauw niet!&#8221; zeide Reede: &#8220;zoo zijt gij vrouwen altijd! van &#8217;t eene uiterste in &#8217;t andere. Straks schriktet ge
+er van, toen ik het binnenbracht, en nu wilt ge het kind als zoon aannemen!&#8212;Doch daarover later! Ik zal er intusschen nog
+eens over schrijven aan den Spaanschen Grootmeester, hoe weinig trek ik er toe gevoele. Zie eens! de knaap schijnt zich met
+de familie bekend te willen maken: hij poogt al kusjes aan zijn kleine zusje te geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een lief kind waarlijk,&#8221; zeide de Barones: &#8220;nietwaar, lieve jongen! gij zult veel van mij houden en mij wel moeder willen
+noemen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Moeder!&#8221; zeide de knaap, haar scherp in &#8217;t gezicht ziende: &#8220;Moeder weg!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Arm kind,&#8221; hernam de brave vrouw, het kind aan haar hart drukkende: &#8220;gij zult in mij haar wederom vinden, die gij verloren
+hebt;.... indien gij mij maar ook niet verliest!&#8221; voegde zij er zuchtend bij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Foei, lieve engel!&#8221; zeide de Baron, haar kussende: &#8220;welke treurige gedachten! zoo iets moogt gij niet zeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar toch wel denken,&#8221; hernam zij. &#8220;Het zal niet lang meer met mij duren, Hendrik! ik word alle dagen zwakker.&#8221; En tot bevestiging
+van dit gezegde zette zij den kleine neder, en gaf hem over aan de zorg van Geertrui, die de zuigeling intusschen in de wieg
+had gelegd. Smakelijk nuttigde het knaapje een boterham, en <a id="d0e3076"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3076">73</a>]</span>liet zich vervolgens door Geertrui naar zijn bedje brengen, hetwelk voor het overleden zoontje des Barons gediend had en nu
+voor zijn voedsterling in gereedheid gemaakt werd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik hoop u dezen zomer buiten te brengen,&#8221; zei inmiddels de Baron tegen zijn vrouw: &#8220;die benauwde stad deugt u niets. Dat
+geleuter van de Dokters beduidt geen zier. De frissche buitenlucht zal u goeddoen. Dat beloof ik u!&#8221;
+
+</p>
+<p>Treurig schudde de Barones het hoofd. &#8220;Ik wil u niet bedroeven, Hendrik!&#8221; zeide zij: &#8220;doch het is zooals ik zeg. Mocht ik
+slechts met mijn vader verzoend zijn v&oacute;&oacute;r mijn dood: dan zou ik meer gerust het hoofd nederleggen, hoe hard het mij ook valle
+van u te scheiden. Dan, Gods wille geschiede.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dezen troost mocht de ongelukkige lijderes niet bekomen. Hartzeer deed haar, ongeveer twee maanden na de terugkomst van den
+Baron, ten grave gaan, betreurd door allen, die haar beminnelijke hoedanigheden gekend hadden, maar vooral door haar echtgenoot.
+Deze haastte zich, het huishouden op te breken, Amsterdam, dat hem niets dan smartelijke herinneringen gaf, te verlaten en
+zich weder op zijn kasteel van Sonheuvel te vestigen, gedurende den tijd, dien hij niet in het leger doorbracht.
+
+</p>
+<p>Inmiddels had hij zich met vaderliefde gehecht aan den kleinen vondeling, wien hij den naam van Joan had gegeven. Vruchteloos
+waren al zijn nasporingen geweest: onbeantwoord waren al zijn nadere brieven aan Velasco gebleven. Hij besloot eindelijk het
+kind als het zijne op te voeden en bij voorbaat zelfs voor het zijne te laten doorgaan; terwijl hij, voor zijn vertrek uit
+Amsterdam, aan Bouke en Geertrui plechtig liet zweren, dat zij aan niemand de ware toedracht der zaak zouden bekend maken.
+&#8220;Het kind moet, mag nooit weten,&#8221; dacht hij, &#8220;dat ik zijn vader heb laten vermoorden: anders zou het mij eens vloeken in de
+plaats van mij te zegenen. Komt het eens tot rijper jaren, dan zullen wij zien, wat wij er van maken kunnen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Eenigen tijd na zijn aankomst op Sonheuvel, vernam de Baron van een reizenden koopman in honden, dat dit fraaie dier, hetwelk
+hij bij Velasco gevonden had, door hem een paar jaren te voren aan den Grave van Falckestein was verkocht geweest. De Baron
+begreep terstond, dat Velasco het zich tijdens de plundering van Bruck had toege&euml;igend, en daar het hem een aangename gedachte
+was, de Gravin Douairi&egrave;re in het bezit te herstellen van iets, dat haar gemaal had behoord, zoo haastte hij zich haar, die
+nu in Den Haag haar verblijf had gevestigd, een beleefden brief te schrijven, waarbij hij haar kennis gaf van zijn ontdekking
+en haar verzocht hem te melden, wanneer zij den hond zou ontvangen. Tot zijn groote verwondering ontving hij in antwoord den
+volgenden brief, in &#8217;t Hoogduitsch geschreven:
+
+
+</p>
+<div class="blockquote">
+<div class="body">
+<div class="div1">
+<p>&#8220;Heer Baron!
+
+
+</p>
+<p>UEds. ge&euml;erde Missive is bij groot geluk niet in handen van Mevrouw de Douairi&egrave;re van Falckestein, maar in de mijne gekomen.
+<a id="d0e3096"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3096">74</a>]</span>Het zou mij leed doen, indien Haar Genades gestel, hetwelk door zoovele en zoo zware rampen reeds sterk geleden heeft, een
+nieuwen schok ontving door de treurige herinneringen, welke het ontvangen van het geschenk, dat UEd. voornemens was Hare Genade
+te doen, bij Hare Genade zou verwekken. Ik heb de eer UEd. bij dezen kennis te geven, dat het mijn voornemen is, met Hare
+Genade, dadelijk na het einde van haren rouwtijd, een wettige verbintenis aan te knoopen (waarop God zijnen zegen geve). Ik
+twijfel niet, of UEd zal wel eenig deel willen nemen in mijn rechtmatige vreugde over dat blijde vooruitzicht.&#8212;Intusschen
+verzoek ik UEd. Mevrouw de Douairi&egrave;re over het bewuste onderwerp niet meer te schrijven, daar UEd. zelf de noodzakelijkheid
+zal inzien van haar alle dergelijke treurige aandoeningen, opgewekt door het herdenken aan vervlogen genoegens, te sparen.
+
+
+</p>
+<p>Ik heb intusschen de eer mij nederig in UEds. vriendschap aan te bevelen, en UEd. te verzekeren, dat ik onveranderlijk ben,
+
+
+
+</p>
+<p>Heer Baron!
+
+
+</p>
+<p>UEd. toegenegen Vriend, en
+<br>Dienstwillige Dienaar,
+
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Lodewijk Gunther van Nassau</span>.&#8221;
+
+</p>
+</div>
+</div>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Die vrouwen! die vrouwen!&#8221; riep Reede stampvoetend uit, nadat hij den brief tweemalen met verbazing gelezen had: &#8220;kan men
+zich zoo iets voorstellen? Nauwelijks is de asch van haar man koud.... (en welk een man was hij, dien zij verloor!).... of
+zij gaat met een ander in &#8217;t huwelijksbootje!.... Haar over &#8217;t bewuste onderwerp te schrijven! ... Neen waarachtig niet. Geen
+taal of teeken zal ik haar ooit meer sturen, dat beloof ik haar. Ik zal moeite hebben mij in te houden, als ik dien Graaf
+van Nassau weder onder de oogen krijg. Foei! foei!&#8221;&#8212;En hij scheurde in drift den ontvangen epistel in duizend stukjes.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e3113" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Negende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<div class="&#xA; poem&#xA; " lang="en">
+<p class="line" style=""><span>The knowledge of my birth secured
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>From all and each, but most from me.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Byron</span>, the Bride of Abydos.
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Mijn afkomst werd voor elk, vooral voor mij, verholen</span></p>
+</div>
+<p>De Abydeensche Verloofde.</p>
+</div>
+<p>Evenals een beekje, dat, van den top der Alpen ontweld, lange tallooze omwegen voortgevloeid, verscheidene kronkelingen en
+bochten beschrijvende, een geruimen tijd naamloos en als onbewust waarheen, <a id="d0e3133"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3133">75</a>]</span>over rotsen en klippen, door velden en akkers dwaalt, en den wandelaar, die zijn boorden volgen wil, in de onzekerheid laat,
+waarheen zijn reis zal geleiden, totdat het eindelijk, door den toevloed van andere beken en den aanvoer des bergwaters gezwollen,
+zijn oevers verbreeden ziet, en over een dieper bedding onder een bepaalden naam zijn weg vervolgt, zoo ook is ons verhaal,
+dat tot nu toe niet de lotgevallen van een bijzonderen hoofdpersoon, maar de wederwaardigheden van verschillende personages
+heeft geschetst, eindelijk zooverre gevorderd, dat het zich niet meer ter rechter- of ter linkerzijde behoeft af te wenden,
+maar onafgebroken met de daden van den wezenlijken held der geschiedenis de aandacht des lezers kan bezighouden. Het voegt
+ons dus, ter dezer plaatse, waar de geschiedenis, die wij beschrijven, eigenlijk een aanvang neemt, den Lezer dank te zeggen
+voor het geduld, betoond in het ten einde brengen onzer vrij lange inleiding, die hij misschien bij zich zelven reeds zal
+vergeleken hebben met den Brijberg, waar men moest dooreten, alvorens men in Luilekkerland aankwam, afgebeeld op het oude
+prentje, in mijne kindsheid voor de som van een oortje alom verkrijgbaar, en thans, nu er geen oortjes meer afgepast kunnen
+worden en de kinderen veel te verstandig zijn, dan dat zij zich met Luilekkerland, Jan de Wasscher en dergelijke grollen zouden
+bezighouden, wellicht niet meer te bekomen. Men wane echter niet, dat ik, mijn inleiding bij den Brijberg vergelijkende, de
+gelijkenis verder zou willen trekken en het verhaal zelf voor Luilekkerland laten doorgaan. Hiertoe ben ik, ik zal niet zeggen
+te nederig (want die verontschuldiging is afgezaagd), maar te trotsch; want ik wil, uit loutere trotschheid, nimmer iets beloven,
+dat ik vooruit zeker weet, niet te kunnen geven.
+
+</p>
+<p><span id="d0e3136" class="corr" title="Bron: Iudien">Indien</span> er nu een Lezer vragen mocht (want het is een vragend geslacht, dat der lezers, en vooral dat der Recensenten), waarom ik
+niet liever al hetgene ik nu in mijn inleiding heb te boek gesteld, naderhand bijwijze van herinnering of verhaal in mijn
+geschiedenis heb ingelascht, zoo zou ik hem antwoorden, niet alleen dat het mij altijd vermoeiend en lastig is voorgekomen,
+wanneer in werken van deze soort de draad der geschiedenis werd afgebroken, om te vertellen hetgeen voor de geboorte van den
+hoofdpersoon, althans lang voor den tijd van het verhaal, was voorgevallen; maar ook, dat ik in deze geschiedenis van den
+ouden tijd, het voorbeeld heb willen volgen van de legerhoofden van dien tijd. Dezen trokken niet, zooals thans geschiedt,
+dadelijk op de hoofdstad aan, om, na deze bemachtigd te hebben, door dezen of genen Generaal de mindere steden en vestingen
+aan hun wapenen te onderwerpen, maar zij belegerden eerst de grenskasteelen, vervolgens de schansen en vestingen, die zij
+op hun weg ontmoetten en eerst na de verovering van die alle, drongen zij in het hart van het land door.
+
+</p>
+<p>De kleine Joan werd dan, gelijk wij in het slot van het vorige Hoofdstuk hebben verhaald, op het kasteel te Sonheuvel opgevoed,
+en ging er voor den zoon van zijn pleegvader door. Alleen de predikant Raesfelt, wien Reede zijn vertrouwen geschonken had,
+en <a id="d0e3141"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3141">76</a>]</span>die het door zijn braafheid verdiende, de getrouwe Bouke en de oude Geertrui kenden het geheim van zijn geboorte. De Baron,
+zoowel als Raesfelt, beducht dat het Spaansche bloed eenmaal in de aderen des jongelings mocht spreken, boezemden hem, van
+kindsbeen af, een vreeselijken haat in tegen zijn landgenooten, en een groote liefde en achting voor het huis van Oranje,
+vooral voor Graaf Maurits, zijn meest schitterende ster. Zij deden meer: zij zochten hem, onder de aanwakkerende godsdiensttwisten,
+tot een ijverigen voorstander der oude rechtzinnige leer te maken: en het was vooral de Predikant, die hiertoe zijn uiterste
+best deed.
+
+</p>
+<p>De Predikant Raesfelt (want wij moeten den man nader leeren kennen) was, gelijk de meeste godgeleerden van dien tijd, een
+man vol groote bekwaamheden, en met enkele lichte gebreken, doch die niet zelden beletteden, dat hij op zijn waren prijs geschat
+werd. Koelheid, lauwheid in de zaak van den godsdienst was toenmaals onbekend: men was gedwongen, zoo niet uit overtuiging,
+althans uit noodzakelijkheid, voor deze of gene gevoelens partij te trekken, Raesfelt, met hart en ziel gehecht aan de leerwijze,
+die Bogerman, Gomarus, Lubbertus en hun medestanders predikten, paarde aan de denkbeelden van dezen ook hun staatkundige beginsels.
+Evenals de genoemde schrijvers was hij een door en door geleerd man, doorvoed met de lezing der oude, vooral der godgeleerde
+schrijvers. De zucht tot onderzoek en kennis wies gestadig bij hem aan, en het stille studeervertrek was voor hem het meest
+geliefkoosd verblijf. Aldaar arbeidde hij onvermoeid en onafgebroken aan de voortzetting zijner studi&euml;n, terwijl oprechte
+waarheidsbegeerte en zucht om veel goeds en nuttigs te stichten, niet minder dan een brandende weetgierigheid, de spoorslagen
+waren, die hem het werken zoo gemakkelijk, ja tot zijn dagelijksch brood maakten. Zijns ondanks echter en niettegenstaande
+deze drijfveeren leidde de bij den mensch ingeschapen lust om hetgeen hij eens voor goed en waar heeft gehouden te blijven
+aankleven, hem steeds daartoe, dat al zijn oefeningen de strekking hadden om het godsdienstig stelsel, dat hij zich eenmaal
+gevormd had, te versterken: al de schriftuurplaatsen, al de bewijzen en verklaringen, die aan zijne denkwijze kracht bijzetteden,
+verkregen in zijn oog een dubbel gewicht; en al de uitleggingen of vertalingen, die niet met zijne meeningen strookten, werden
+door hem veel spoediger dan hij zelf dacht, voor valsch, of ten minste voor dom verklaard: zoodat hij, hoe onpartijdig hij
+meende en wenschte te zijn, dikwijls en zonder het te weten tot sterke partijdigheid verleid werd.
+
+</p>
+<p>Schoon zijn verstand dus somtijds dwalen mocht, zijn edel en oprecht hart dwaalde niet. Zijn wandel was onergerlijk voor God
+en voor de menschen: zijn gedrag een voorbeeld van Christelijke liefde en zachtmoedigheid. Liefde tot den naaste was bij hem
+geen theorie, maar een deugd, die hij, waar en wanneer hij kon, in praktijk bracht, en zoo zijn verstand hem somtijds verleidde
+om den andersdenkende te beschouwen als iemand, wien men, naar het voorschrift des Apostels, niet in zijn huis mocht ontvangen,
+noch tot hem zeggen: <a id="d0e3147"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3147">77</a>]</span>&#8220;wees gegroet,&#8221; zijn hart bleef ook voor den in zijn oog verdoolden broeder nimmer gesloten. Zijn huisvrouw had hij, ondanks
+haar weinig aangenamen aard, van harte lief, en met zijn kinderen was hij recht mal, gelijk men zegt. Ook de inwoners van
+het slot en het dorp Sonheuvel waren aan hun Herder bij uitstek gehecht, want zij vonden in hem altijd een oprechten, deelnemenden,
+getrouwen vriend en somtijds voortreffelijken raadsman.
+
+</p>
+<p>De zorg voor zijn huishouden en voor zijn gezin, dat langzamerhand vrij talrijk was geworden, liet hij geheel aan zijn wederhelft
+over: hem vonden de eerste ochtendstralen reeds in zijn studeervertrek, &#8217;t welk hij alleen om te middagmalen verliet en waar
+hij, na een korte wandeling door het dorp, het overige van den dag in doorbracht. De Zondag alleen bracht in deze levenswijze
+eenige verandering teweeg: dan ontbeet hij met zijn gezin, verruilde den huispels tegen den zwarten rok, ging, na de predikatie,
+doorgaans op het kasteel het middagmaal gebruiken en deed, als de namiddagdienst was afgeloopen, met Joan en zijn zoons een
+wandeling in den omtrek: terwijl hij den avond, wel niet met studeeren, doch met het lezen van de nieuw uitgekomen werken
+over controverse punten, ten einde bracht.
+
+</p>
+<p>Ondanks zijn zittend leven had hij een zeer rechte gestalte: zijn gelaat had de zoogenaamde kamerkleur verkregen en getuigde
+van onthouding en inspanning. Zijn neus was ver vooruitgebogen, als ware die bij de wording bestemd geworden tot het snuffelen
+in boeken en papieren. Van onder zijn zwarte kalot slipten eenige weinige lichtblonde haren uit, terwijl zijn ooren als de
+vleugels van een Cherubijntje zich van het hoofd verwijderden. Zijn blauwe oogen blikten doorgaans strak en afgetrokken voor
+zich uit; doch hun gewone dofheid werd verlevendigd, wanneer de aard van het onderhoud de deelneming van den Predikant gaande
+maakte, of wanneer zijn gemoed door het vernemen van iets belangrijks, zijn geliefde studi&euml;n betreffende, bijzonder was aangedaan.
+
+</p>
+<p>Zijn huisvrouw verschilde aanmerkelijk in verstand en karakter met haar echtgenoot. Deze had haar gehuwd, omdat een Predikant
+in dien tijd trouwen moest, wilde hij niet voor een Roomschgezinde aangezien worden, en omdat zij een ordentlijken stuiver
+bezat; doch hij had gewis een betere keuze kunnen doen. Behalve dat zij scheel zag, dat haar gelaat met sproeten en puisten,
+met een rooden neus, scherpe kin en vale kleur versierd was, bezat zij een inborst, niet ongelijk aan die der beminnelijke
+echtgenoote van den vlijtigen Trommius, welke, (zoo men verhaalt) het handschrift van het ontzettend werk der Concordanti&euml;n,
+toen het ter helft door haar man voleindigd was, op het vuur smeet, en het zoo bont maakte, dat de arme leeraar, die geduldig
+zijn arbeid van nieuws af aan weder begonnen was, bij haar overlijden uitriep: &#8220;God zij geloofd! nu heb ik rust en kan mijn
+werk ten einde brengen!&#8221;&#8212;Ook Mejuffrouw Raesfelt was een soortgelijke heks; doch haar man had minder van haar boozen aard
+te lijden dan eenig ander, ja zelfs had hij het zoover weten te brengen, dat hij met haar leefde als hij met de zachtzinnigste
+vrouw in de <a id="d0e3155"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3155">78</a>]</span>wereld zou gedaan hebben. Dit geluk was het gevolg zijner levens wijze. Hij zag haar nooit dan aan het middagmaal, waar hij
+den mond alleen opende tot bidden en eten; zijnde hij voor &#8217;t overige zoozeer in gedachten verdiept, dat hij niets vernam
+van &#8217;t geen om hem gebeurde&#8212;en in bed, waar het vroege opstaan van den man en de drukke vermoeienissen, welke de vrouw zich
+door loopen en praten, en kijven veroorzaakte, beiden alras deden inslapen. Daarenboven was, bij hun huwelijk, als een plechtige
+voorwaarde door den Predikant bepaald, dat Barbara nooit in de studeerkamer zou verschijnen, noch er eenig gezag uitoefenen,
+&#8217;t zij in eigen persoon, &#8217;t zij door middel van meid of kinderen. Alleen de oudste dochter, Kaatje, bracht &#8217;s morgens aan
+haar vader een kan bier en een snede brood met kaas voor zijn ontbijt boven; doch dit verrichtte zij met inachtneming der
+uiterste stilte; niet zelden vond zij des avonds, als zij het bord kwam afhalen om er het avondeten op te plaatsen, het ontbijt
+nog onaangeroerd staan: eens zelfs was het niet te vinden; en geen wonder! Dominee had het in gedachten met papieren en boeken
+in zijn schrijflade gesloten, waaruit het na verloop van ettelijke dagen weder te voorschijn kwam.
+
+</p>
+<p><span id="d0e3158" class="corr" title="Bron: Do">De</span> zoons van den Predikant, althans toen zij tot die jaren gevorderd waren, waarop de onderwijzing van hun vader hun van dienst
+kon zijn, hadden, als vanzelf spreekt, hoewel op gezette uren, den toegang tot het <span class="letterspaced" lang="la">Sanctum Sanctorum</span>, alwaar zij in die wetenschappen onderwezen werden, welke hun noodig waren te kennen om de Academische lessen eenmaal te
+kunnen bijwonen. Koenraad en Hendrik (dus waren de beide oudsten genoemd) beantwoordden de moeite, die hun vader zich gaf,
+met aanmerkelijke vorderingen in de oude talen, zoowel als in de eerste gronden der theologische studi&euml;n, en met vreugde herhaalde
+de Predikant dikwijls de woorden van den Psalmist, uit Psalm negentig:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Laet over ons&#8217; kinderen schijnen uwe eere,</span></p>
+</div>
+<p>wanneer hij zich voorstelde, dat zij eenmaal tot steunpilaren van de Vaderlandsche Kerk zouden opgroeien en deze tegen de
+aanvallen van Paapsgezinden, Socinianen, Arrianen, Pelagianen of Arminianen zouden verdedigen.
+
+</p>
+<p>Behalve deze twee, genoot ook Joan welhaast het voorrecht om de lessen des leeraars te hooren. Viermalen &#8217;s weeks wandelde
+hij naar de Pastorie, om er in &#8217;t Latijn, het Grieksch en de Godgeleerdheid onderwezen te worden: deze lessen duurden doorgaans
+drie uren achtereen en verveelden hem veelal doodelijk: dan bestond het eenig genoegen van den knaap, uit het zoldervenster
+(want het studeervertrek was onder de dakpannen) de kraaien, die om den kerktoren fladderden, met het oog te volgen, of met
+een snoeimes zijn naam op de tafel te snijden, iets dat Raesfelt &ograve;f niet bemerkte, &ograve;f door de vingeren zag. Ook gebeurde het
+wel, wanneer de Predikant in diepe bespiegelingen omtrent het een of ander moeielijk vraagpunt verdiept was, en tekst op tekst
+aanhaalde, zonder het voorgestelde <a id="d0e3171"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3171">79</a>]</span>bevattelijker te maken, dat Joan al een groot uur zat te slapen, eer Dominee, die nog altijd de oogen op zijn bestoven en
+met geschreven aanteekeningen zwart gekrabbeld Grieksch Testament gevestigd hield, er iets van gewaar was geworden.
+
+</p>
+<p>Een leermeester, wiens lessen den knaap beter aanstonden, en wien hij meer eer aandeed, was Bouke, die voorheen den Baron
+als lijfknecht gediend had, en thans, nu de Heer van Sonheuvel sedert het sluiten van het twaalfjarig bestand zijn tijd onafgebroken
+op zijn kasteel doorbracht, de ambten van kamerdienaar, jager, visscher, valkenier en nog eenige andere <span class="letterspaced">cumuleerde</span>. Van dezen leerde Joan al spoedig de bekwaamheden, welke den toenmaligen adel kenschetsten. Weldra overtrof hij hem in al
+die oefeningen, waartoe lichaamskracht en behendigheid vereischt werden: hij kon lang, zonder vermoeid te worden, tegen den
+stroom op zwemmen, wipte de breedste slooten vaardig over, bracht zooveel hoenders van de jacht terug als men begeerde, verstond
+de kunst om valken en honden af te richten en zag met een oogopslag aan welken kant van &#8217;t water de meeste visch te vinden
+zou wezen.
+
+</p>
+<p>Men wane echter niet, dat hij van het onderwijs des Predikants niets mededroeg: daartoe was hij te vlug van vernuft en bevatting;
+en ofschoon hij niet leerde, wat hij bij meerderen ijver en leerlust zich had kunnen eigen maken, zoo onthield hij ten minste
+zooveel van het geleerde, dat hij op zijn zeventiende jaar in het vak der letterkunde althans zoover gevorderd was als eenig
+jonker in den omtrek, en dat hij de godsdienststelsels genoegzaam kende, om bij de droevige scheuringen, die toen het vaderland
+verdeelden, gesprekken, over dat onderwerp gevoerd, met belangstelling te kunnen hooren.
+
+</p>
+<p>Van zijn pleegvader leerde Joan den wapenhandel en de wiskunst, ja zelfs de voorbereidende kundigheden tot den vestingbouw,
+in welke vakken Reede geheel niet onbedreven was:&#8212;ook het paardrijden, zoowel in theorie als in praktijk, zoodat hij mede
+over den toomprang kon spreken en de lengte der stangen naar &#8217;t maaksel van &#8217;t gebit wist te berekenen. Hartelijk beminde
+hem de Baron, die geen onderscheid maakte tusschen hem en de kleine Ulrica. Ook de huisgenooten van Joan zoowel als de dorpsbewoners
+hadden hem lief: want hij was beleefd, gul en dienstvaardig jegens allen. Ja zelfs had hij, &#8217;t geen iets ongehoords scheen,
+de gunst der schrikkelijke Predikantsvrouw verworven, door haar nu en dan wildbraad te schenken en een bunsingfamilie uit
+te roeien, die zich kort achter de Pastorie genesteld had en een vernielingsoorlog aan de kippen van Mejuffrouw Raesfelt had
+verklaard.
+
+</p>
+<p>Doch niemand was zoo sterk aan Joan gehecht, als de zachtzinnige en lieftallige Ulrica. Hij had zijn kleine zusje van harte
+lief; doch zij verafgoodde hem. Zijn karakter, hoe beminnelijk ook, was opvliegend en hooghartig, hetgeen de Baron aan het
+Spaansche bloed toeschreef; deed hij eens kattekwaad en was hij te trotsch om verschooning te vragen, dan sprak zij hem voor:
+werd hij gestraft, zij leed er meer onder dan hij. Verrichtte hij iets goeds, hemelhoog <a id="d0e3184"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3184">80</a>]</span>werd het door haar geprezen, en zij vertelde het aan al wie er naar luisteren wilde. Nooit was zij gelukkiger dan in zijn
+gezelschap, nooit droevig dan wanneer hij wat langer dan naar gewoonte was uitgebleven. In &eacute;&eacute;n woord, haar genegenheid te
+hemwaart had zoo diep wortels gevat en was met de jaren zoo sterk aangegroeid, dat de oude Geertrui niet nalaten kon, dikwijls
+aan te merken: &#8220;ja! zoo Mevrouw zaliger dat moest beleven, dat haar dochter dat Spanjoolsche kind zoo lief zou hebben! wat
+zoude het mensch er wel van zeggen!&#8221;&#8212;Het was alleen tegen Bouke, dat zij op deze wijze van tijd tot tijd haar hart lucht durfde
+te geven; doch dan legde haar deze altijd de breede hand op den mond, zeggende: &#8220;Stil Geert! die veel kalt veel ontvalt! beter
+gezwegen dan van veel spreken hinder gekregen: noem dat woord van Spanjool toch nooit; want men wordt voor mondhou&ecirc;n gevangen,
+voor praten gehangen!&#8221;&#8212;&#8220;Ja! ja:&#8221; zuchtte Geert: &#8220;ik zal wel zwijgen, maar, om ook eens spreekwoorden te gebruiken, het einde
+zal den last dragen en de laatste loodjes wegen &#8217;t zwaarst.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een hoofdtrek in Joans karakter was, al van zijn kindsheid af; een hevige afkeer van alle onrechtvaardigheid geweest. Deze
+was zoo sterk, dat hij zijn toorn of wrevel niet bedwingen kon, ook jegens menschen van meer gevorderden leeftijd, wanneer
+hun handelingen hem onbillijk toeschenen. Wij zullen hiervan een voorbeeld bijbrengen, hetwelk meteen zal kunnen strekken
+om de karakters der in dit verhaal betrokkene personen nader te ontwikkelen.
+
+</p>
+<p>Op een zomerschen morgen (Joan was toen een twaalfjarige knaap) kwam hij van den Predikant, bij wien hij het gewone onderwijs
+genoten had, en wandelde langs de heining van diens tuin terug. In dien tuin stond een fraaie abrikozeboom op stam, wiens
+blozende vruchten reeds dikwijls, bij &#8217;t voorbijgaan, zijn lust hadden opgewekt. De kinderen van Raesfelt hadden met niet
+minder verlangen het ooft zien rijpen; doch vooral had de oudste, Koenraad, er zijn zinnen op gezet, om daarvan eens recht
+op zijn gemak te snoepen, en hij zat, op het oogenblik dat Joan den tuin langs ging, in den boom, waar hij bezig was, de rijpste
+vruchten van wespen te zuiveren, zooals hij het noemde, doch eigenlijk, die voor zich zelven te bewaren. Dit bemerkende, hield
+Joan stil en riep den snoeper toe: &#8220;zoo Koen! als moeder op het mat komt, zal je er slecht afkomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heb ik ook al gezeid,&#8221; zeide Koenraads broeder Hendrik, die in een hoek des tuins zat te lezen, &#8220;maar hij wil het maar
+niet laten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel dan moet jij het hem beletten,&#8221; hernam Joan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jaw&eacute;l! om slaag te krijgen! hij is grooter en sterker dan ik.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij moest ereis komen,&#8221; zeide Koenraad, spottende, terwijl hij een abrikoos in den mond stak: &#8220;dat zou hem geraden wezen;
+daar Hein! dat &#8217;s voor jou!&#8221; en hij wierp hem den steen toe.
+
+</p>
+<p>Hierover verontwaardigd, sprong Joan over de heining, liep op Koenraad af, en greep hem bij het been. &#8220;Je meugt niet stelen!&#8221;
+riep hij, &#8220;en veel minder Hein uitlachen, die veel beter is dan gij. Kom Hein! help mij eens, dan zullen wij hem daar afhalen.&#8221;
+<a id="d0e3200"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3200">81</a>]</span></p>
+<p>Hendrik, toegeschoten zijnde, vereenigde zijn krachten met die van Joan, om Koenraad naar omlaag te trekken: deze begroette
+hen met eenige schoppen en trappen, en klemde zich zoo vast om den boom, dat, toen het aan de beide kinderen eindelijk gelukte,
+hem op den grond te krijgen, hij een gansche tak met zich medenam. Aanstonds krabbelde hij op en pakte zich weg, terwijl de
+beide knapen verbaasd bleven staan en den tak opnamen. Dan, op dit oogenblik was de Pastoorsche den tuin ingekomen. Spoedig
+zag zij wat er aan de hand was, en als een razende heks liep zij op Hendrik aan, wien zij hare vuisten voelen deed, terwijl
+zij Joan zoowel als hem met de namen van snoepers, vernielers, dieven enz. begroette.
+
+</p>
+<p>Huilend zocht Hendrik zich te verontschuldigen en Joan riep. herhaalde reizen: &#8220;Juffrouw! je moet Hein niet straffen. Hij
+heeft niet meegesnoept.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat! ik hem niet straffen!&#8221; riep de vertoornde vrouw, den armen knaap des te feller slaande en knijpende: &#8220;en zou jij me
+dat beletten, jou snotneus? Ga maar naar &#8217;t kasteel, ik zal er je vader over spreken, dat zal ik!&#8221;
+
+</p>
+<p>Woedend over deze, in zijne oogen althans hoogst onrechtvaardige handelwijs, wierp Joan zich tusschen moeder en zoon, zocht
+dezen laatsten uit hare handen te scheuren en deed zijn pogingen met krabben en beten verzeld gaan; doch Barbara greep hem
+in den halskraag, gaf hem een duchtige oorvijg, en zette hem vrij onzacht de heining over op den weg, waarna zij, onder vele
+scheldwoorden tegen de beide knapen, Hendrik met eenige schoppen in huis joeg.
+
+</p>
+<p>Bleek van toorn bleef Joan eenige minuten voor de heining staan nagelbijten; vervolgens veegde hij zich de tranen van spijt
+van de wangen en keerde met fonkelende oogen naar het kasteel.
+
+</p>
+<p>Het slot te Sonheuvel (want wij moeten onzen lezer bij deze gelegenheid en tot beter verstand van hetgeen later volgen zal,
+met de localiteiten bekend maken) was een eind wegs buiten het dorp van dien naam, niet verre van de grenzen van Gelderland
+gelegen. Een rijweg, die zich met den gemeenen landweg van Arnhem naar Utrecht in het dorp vereenigde, liep langs den slottuin
+zuidwaarts af naar het veer, waar men den Rijn overstak. Het kasteel, met den daarbij behoorenden moeshof, pleinen, boomgaarden
+en wandelperken, had een omtrek van tien of twaalf morgen, door een tamelijk breede sloot omringd. Men genaakte het van den
+binnenweg door twee ingangen: de eene was de hoofdpoort en bevatte de woning van den portier: de andere was een hek met een
+smal bruggetje voor voetgangers bestemd, en naar de zuidzijde gelegen. Het slot zelf stond midden op het grondgebied, en was
+insgelijks door een tweede gracht omringd. Een steenen brug, die naar het voorplein geleidde, vertoonde, aan zijn vier hoeken,
+de wapenen der Heeren van Sonheuvel, in witten steen uitgehouwen. Het gebouw was ruim en naar den tijd vrij modern, daar het
+door den grootvader van den tegenwoordigen Heer was gesticht. Het bevatte een fraai heerenhuis, met een prachtige stoep, mede
+van wapens voorzien: voorts stallen voor paarden en honden, kleinere woningen voor den tuinman en de dienstboden en <a id="d0e3213"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3213">82</a>]</span>eenige schuren of bergplaatsen. Het heerenhuis had verscheidene fraaie vertrekken: vooral waren de benedenzaal, waarin de
+afbeeldsels der Heeren en Vrouwen van Sonheuvel prijkten, en de groote zoogenaamde ridderzaal in een goeden smaak gebouwd
+en wel bezienswaardig. Een lommerrijke laan, met zware beukeboomen beplant, geleidde van de hoofdpoort naar het slot. In deze
+ontmoette Joan, toen hij na de slechte ontmoeting, waarvan wij gesproken hebben, van de pastorie terugkeerde, de kleine Ulrica,
+die hem, met een vischnetje in de hand, vroolijk tegenhuppelde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Goeden morgen, lieve Joan!&#8221; riep zij, zoo ras zij hem ontwaard had: &#8220;zie eens! terwijl gij bij Dominee waart, heb ik uw vischnetje
+afgemaasd: nu zullen de snoeken er niet meer doorheenspringen, zooals laatst. Maar wat scheelt er aan? heb je gehuild? uw
+oogen zijn zoo rood als vuur.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Huil ik ooit, Ulrica! weet je niet? toen ik laatst uit den boom sloeg, waar ik dat vogelnestje voor u krijgen zou, toen deed
+ik mij braaf zeer: maar ik huilde toch niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen! lieve Joan! als je je zeer doet, huil je niet: dat mogen alleen de meisjes doen; doch toen vader u laatst beknorde,
+omdat je het achterhek hadt opengelaten, toen huilde je wel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! dat was ook onbillijk van vader; want het was de schuld van Frans den Portier: en als ik nu gehuild heb, is het om een
+soortgelijke reden geweest;&#8221; en hierop vertelde hij haar wat er had plaats gehad.
+
+</p>
+<p>Ulrica troostte hem met woorden en kusjes, bracht hem in haar tuintje, achter het slot bij den moeshof gelegen en wees hem
+hare besseboompjes. Weldra had hij, met haar spelende, de abrikozen, den armen Hendrik, ja den toorn der ruwe Pastoorsche,
+geheel vergeten.
+
+</p>
+<p>Dan deze had onze knaap geenszins vergeten. Na verloop van een uur kwam Bouke Joan roepen: de Baron moest hem noodzakelijk
+spreken: &#8220;daar zal wat voor je opzitten, jongelief!&#8221; zeide hij: &#8220;ja, kijk maar zoo onnoozel niet: borgen is geen kwijtschelden,
+en wat men dronken doet, moet men nuchteren ontgelden. De Pastoorsche staat al op je te wachten, en die is zoo mak als een
+bunsing, waar men het hol van uitdelft.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu herinnerde zich Joan de bedreiging van Mejuffrouw Raesfelt, en schoorvoetende begaf hij zich naar het slot. Hij trad de
+voorzaal in, waar hij den Baron in zijn leunstoel als rechter gezeten vond, met een gerimpeld voorhoofd en strakke oogen,
+die weinig goeds beloofden. Midden in het vertrek stond de Predikantsvrouw, met de armen in de zijden, terwijl zij, ongeduldig
+met het bovenlijf waggelende, op de lippen beet en stijf op den grond keek als iemand, die, van den uitslag eener zaak onzeker,
+zich niet op zijn gemak bevindt. Aan de deur gekomen, bevond zich Joan niet minder dan zij met de houding verlegen, die hij
+aan moest nemen. Hij meende dat het zaak was, zich zeer opgeruimd en luchthartig te veinzen: hij huppelde dus naar binnen,
+terwijl hij zich de vuisten tegen elkander wreef en zijn vader aanzag met een gelaat, waarop wezenlijke angst en voorgewende
+vroolijkheid kamp voerden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wees maar zoo dartel niet, sinjeur!&#8221; zeide de Baron: &#8220;het kon <a id="d0e3231"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3231">83</a>]</span>wel eens slecht met u afloopen: nu kijk maar niet naar den zolder: zie mij in de oogen: de Juffer klaagt over u: zij zegt,
+dat gij haar gebeten en gekrabt hebt: (hier stroopte de Pastoorsche haar mouwen op, ter bevestiging van dit punt der beschuldiging)
+en dat gij haar vruchten snoept en haar eigen kinderen tegen haar opruit. Fraaie zaken! en wat hebt ge nu daartegen in te
+brengen?&#8221;
+
+</p>
+<p>Op het hooren dezer aantijgingen voelde Joan, dat zijn drift wederkeerde. &#8220;Zij liegt het allemaal, vader!&#8221; antwoordde hij:
+&#8220;behalve van het bijten en krabben; maar dat was omdat zij Hein sloeg!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel heb je van je leven! Mag ik dan mijn eigen kinderen niet slaan als ik verkies, en zal zoo&#8217;n snotjongen mij dat beletten?&#8221;
+&#8220;Een snotjongen ben ik niet, leelijke feeks!&#8221; riep Joan, huilende en met de voeten stampende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu hoort UEd. het zelf, hoe hij mij behandelt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Joan!&#8221; zeide Reede op een gestrengen toon: &#8220;wilt gij op staanden voet de Juffrouw om vergeving vragen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, vader! want ik heb gelijk en zij ongelijk.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet,&#8221; riep de Baron, hem in drift aangrijpende en voor Barbara op de knie&euml;n werpende: &#8220;vraag terstond om verschooning of
+ik zal er op ranselen, dat....&#8221; Joan wentelde zich op den grond om en om, al roepende, dat hij het niet deed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hei Bouke!&#8221; riep de Baron: &#8220;breng mij de hondenzweep eens hier.... of neen! Neem den knaap op, en sluit hem in den toren
+op water en brood: daar kan hij blijven totdat hij zijne stijfhoofdigheid aflegt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar mijnheer,&#8221; zeide Bouke: &#8220;UEd. weet, dat op den toren....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Doe wat ik u zeg!&#8221; herhaalde de Baron, zonder naar iets te luisteren. Bouke nam den knaap op, zonder dat deze eenige beweging
+maakte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe is &#8217;t, stijfkop?&#8221; vervolgde de Baron: &#8220;zult gij om vergeving bidden?&#8212;Niet?&#8212;Welnu Bouke, breng hem dan maar weg, waar
+ik gezegd heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zonder te kikken liet Joan zich naar boven brengen en in een kamertje sluiten, &#8217;t welk zich onder &#8217;t torentje bevond, dat
+uit het dak oprees. Eerst toen hij alleen was gelaten, wierp hij zich met het gezicht plat op den vloer en snikte luid.
+
+</p>
+<p>Een uur daarna keerde Bouke terug met een kom water en een stuk brood. Joan lag nog in dezelfde houding.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jonker! jonker Joan!&#8212;Slaap je?&#8221;&#8212;Geen antwoord.&#8212;&#8220;Jonker, je vader laat vragen of je gehoorzamen zult.&#8221;&#8212;Geen antwoord.&#8212;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het spijt me van u, jonker! denk toch dat het plicht is, je vader te gehoorzamen. Wacht niet, tot het te laat is: &#8217;t beste
+berouw is het vroegste: narouw is wijvenrouw. Wil je niet? nu, dan mo&egrave;t je hier den nacht doorbrengen. Nog geen antwoord?&#8212;Ja,
+als &#8217;t kalf verdronken is, zal je den put dempen. Zie mij zulk een stijfkop eens aan....&#8221; en hij vertrok.
+
+</p>
+<p>De krachten van Joan waren thans uitgeput; zonder aan de hem gebrachte spijzen geraakt te hebben, viel hij in een diepen slaap:
+tegen den avond wekte hem de honger, en hij was bezig zijn <span id="d0e3263" class="corr" title="Bron: eeuvoudig">eenvoudig</span> maal te nuttigen, toen de deur, die slechts van buiten met <a id="d0e3266"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3266">84</a>]</span>een grendel gesloten was, zachtjes openging en Ulrica binnentrad.
+
+</p>
+<p>Weenende kwam zij naar hem toe, zette zich naast hem op den grond, sloeg het poezelige armpje om zijn hals en kuste hem op
+het voorhoofd. Beschaamd en wrevelig stootte haar Joan van zich af.
+
+</p>
+<p>&#8220;Foei, Joan! heb ik dat aan u verdiend?&#8212;Zie eens, wat ik u heb meegebracht; maar zeg het vooral aan niemand: want dan zou
+ik knorren krijgen, schoon het mijn eigen eten is en ik er dus mee doen mag wat ik wil.&#8221;
+
+</p>
+<p>Al sprekende haalde zij een hengselmandje van onder haar voorschootje en bood hem haar voorraad aan, bestaande uit een patrijzenboutje:
+eenige trossen bessen en gedroogde confituren.
+
+</p>
+<p>Snikkende viel Joan het lieve kind om den hals en verborg toen zijn hoofd in haar schoot. In deze gestalte bleven zij eenige
+oogenblikken zitten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom Joan! zeide eindelijk Ulrica, hem met schroomvalligheid aanziende: &#8220;je moest de juffrouw maar om vergeving vragen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan zweeg en schudde het hoofd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Och lieve Joan! doe het toch: anders wordt vader zeker nooit weer goed op u.&#8212;Och het is hier zoo akelig om &#8217;s nachts te blijven.
+Hier vliegen zeker vleermuizen en uilen. Och Joan! doe het toch om mijnentwille: dat kan je mij toch niet weigeren; ik zal
+je zoo liefhebben als je het doet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen!&#8221; zeide Joan: &#8220;ik kan het niet, ik mag het niet doen: het is een heks van een wijf: dien armen Hein zoo te slaan. Als
+het Koen nog geweest ware, dan....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, spreek zoo niet, Joan! Hein zal toch wel wat verdiend hebben, anders....&#8221;
+
+</p>
+<p>Hier stoof de knaap driftig op: &#8220;Hein wat verdiend? niets had de arme jongen gedaan, zoomin als gij of ik. Hoor maar eens
+hoe het gebeurd is. Ik ging....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik geloof u wel, lieve Joan! je hebt het mij van morgen al verteld; maar je had je er niet mee moeten bemoeien: dat was altijd
+verkeerd van u.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat! moest ik als een lafbek zijn blijven staan kijken, hoe kwalijk zij haar kind behandelde! neen! al moest ik er een jaar
+voor zitten op water en brood, en ik zag het haar weer doen, ik zou evenzoo handelen als ik gedaan heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze belijdenis legde Joan af met de armen over elkaar geslagen, de tanden stijf gesloten, de onderlip opgetrokken en met
+het hoofd knikkende. Hij meende gewis, daardoor aan Ulrica een gedeelte van zijn standvastigheid of liever hardnekkigheid
+mede te deelen: doch de uitwerking was geheel anders dan hij zich had voorgesteld. Toen het goedhartige meisje hem zoo vastbesloten
+zag, op den verkeerden weg, dien hij had ingeslagen, voort te gaan, werd zij bleek als een doek, vouwde de handen stijf tegen
+haar borst, zag hem een geruimen tijd met wilde oogen aan, en viel toen eensklaps onmachtig naast hem neder.
+
+</p>
+<p>Dikwijls is de mensch, op het oogenblik dat hij zich het sterkst bestand waant tegen alle aanvechting, het naast aan het oogenblik
+<a id="d0e3296"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3296">85</a>]</span>van toegevendheid en zwakheid: dit althans was &#8217;t geval bij Joan: zooras hij Ulrica door zijne schuld in dien toestand gebracht
+zag, wierp hij zich bij haar neder, klemde haar in de armen en bedekte haar bleek gelaat met kussen. &#8220;Ulrica!&#8221; riep hij: &#8220;lieve
+Ulrica! huil toch niet: lieve beste zusje! ik zal alles doen wat ge wilt: och! kom toch bij u zelve.&#8221; Dan zijn roepen was
+vergeefs en het meisje bleef stokstijf in zijn armen liggen. Vreeselijk kwam hem nu de gedachte voor den geest: &#8220;zij leeft
+niet meer! Ik ben de oorzaak van haren dood.&#8212;&#8220;Ulrica!&#8221; gilde hij angstig uit: &#8220;lieve beste Ulrica! help! help! ik heb haar
+gedood! Komt er dan geen mensch! Bouke! Geert! help! help!&#8221;
+
+</p>
+<p>Op dat oogenblik ging de muur open en er trad iemand in het vertrek, wiens onverwachte verschijning de ontsteltenis van den
+beangsten knaap niet weinig vermeerderde.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e3300" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Tiende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Dat &#8217;s een jonge, om zoo te spreken,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Die elk na de kroon zal steken,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Dat &#8217;s een knaapje met een bol.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Greenwood</span>.
+</p>
+</div>
+<p>De persoon, die nu binnentrad, was een mager, bleek man, over den middelbaren leeftijd: zijn hoofd was bloot en slechts van
+weinige grauwe haren voorzien, terwijl de kruin kaal geschoren was: zijn kleeding was allereenvoudigst en bestond uit een
+grauwen overrok: van zijn linkerarm hing een bedesnoer af en in de hand hield hij een klein getijboek.
+
+</p>
+<p>De schrik van den knaap groeide meer en meer aan, toen de vreemdeling hem naderde en hem dezelfde gelaatstrekken en houding,
+ja bijna hetzelfde gewaad deed aanschouwen, door hem dagelijks in de groote benedenzaal opgemerkt op de schilderij, welke
+de beeltenis van den oudoom des Barons, Frederik van Reede tot Sonheuvel, voorstelde. Joan dacht niet anders, dan dat de geest
+van zijn voorzaat hem over zijn stoutigheid bestraffen kwam, en gillende viel hij op de knie&euml;n, zijn gezicht met beide handen
+bedekkende. Dit scheen echter het oogmerk van het spook niet te wezen, daar het, naar Ulrica toegaande, haar keurslijf losmaakte
+en vervolgens haar gelaat met eenige waterdroppelen besprenkelde. Zoodra zij eenig blijk van leven gaf, nam de gedaante haar
+op, droeg haar buiten het vertrek en stelde haar in de handen van Bouke, die het gegil van Joan gehoord had en daarop boven
+gekomen was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Goede hemel!&#8221; zeide deze: &#8220;wat is er met het lieve kind gebeurd? Wat zal mijnheer wel zeggen? en de oude Geert? die zocht
+haar al het heele kasteel door. Ja, omdat zij altijd op haar stoel zit, denkt zij dat die kleine meid ook zoo zal blijven
+koekeloeren. Nu, <a id="d0e3321"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3321">86</a>]</span>zooals de waard is, betrouwt hij zijn gasten. Maar....&#8221; vervolgde hij snel tot den onbekende: &#8220;pak u weg; want daar klotst
+zij de trappen op.&#8221;
+
+</p>
+<p>De gestalte verdween.... door een zijdeur, terwijl de oude Geertrui boven kwam.
+
+</p>
+<p>&#8220;Bewaar ons! Bouke! wat is met dat lieve schaap gebeurd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik niet. Zij was boven bij Joan: en daar is zij flauw gevallen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och dat hartje! toe! geef haar aan mij, je draagt haar zoo onhandig. Nu, mijn engeltje!&#8221; vervolgde zij, het kind met de vlakke
+hand op den rug tikkende: &#8220;huil maar, dat zal u goeddoen. Lieve Hemel! dat had Mevrouw zaliger moeten zien....&#8212;maar wat is
+er toch gebeurd, schatje?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och Geert!&#8221; snikte het kind: &#8220;het was Joan, die....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Joan is stout, mijn diefje; daar moet je niet om grienen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen Geert! maar hij zal weer zoet zijn: hij heeft het mij beloofd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat beduidt dit geweld?&#8221; vroeg Reede, die inmiddels was boven gekomen: &#8220;wat is hier gebeurd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij was bij den jonker,&#8221; zeide Bouke, &#8220;en....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bij Joan?&#8212;En wat deed zij daar? Daar hebt gij haar toch niet gebracht, Geert?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik? de hemel beware mij, Uw Edelheid! om naar dat kraaiennest te gaan. Sinds Mevrouw zaliger laatst buiten was, ben ik er
+nooit geweest; en dan zegt men dat het er spookt.&#8212;Het kleine hartje is naar boven geloopen, terwijl ik....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Terwijl gij in uw stoel laagt te dutten, als naar gewoonte: dat gebeurde ook niet, toen Mevrouw zaliger nog leefde, nietwaar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja men wordt alle dagen wat ouder maar....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Genoeg. Nu, droog uw traantjes, Ulrica! en vertel mij wat gij boven deedt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met veel tranen en snikken gaf Ulrica het gevraagde verslag, er vooral bijvoegende, dat Joans laatste woorden, die zij gehoord
+had toen zij haar bewustheid verloor, een verklaring behelsden, dat hij om vergeving vragen zou.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo!&#8221; hernam de Baron: &#8220;dan zijt gij minder strafbaar dan ik dacht; maar ongehoorzaam zijt gij toch geweest, dat gij zoo
+in &#8217;t geheim naar boven zijt geloopen: en daarom zult gij zonder avondeten naar bed gaan, &#8217;t geen voor uw gezondheid ook niet
+anders dan heilzaam wezen kan. Kom, geef mij een zoen, droog uw traantjes af en toon mij uw lief en vriendelijk gezichtje
+weder.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En zult gij niet meer boos zijn op Joan?&#8221; vroeg het lieve meisje, de wangen haars vaders streelende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zullen zien, hoe hij is,&#8221; zeide de Baron. &#8220;Wees gij maar heel zoet, dan gaat gij morgen mede naar Tiel met de nieuwe
+paardjes.&#8221;
+
+</p>
+<p>Na haar vader omhelsd te hebben, vertrok Ulrica met Geertrui. Vervolgens gaf de Baron aan Bouke het bevel om Joan te halen
+en ging in een zijvertrek.
+
+</p>
+<p>Bouke vond Joan nog op zijn knie&euml;n liggen, in dezelfde houding als toen het spook de kamer had verlaten. &#8220;Jonker!&#8221; zeide hij:
+&#8220;uw vader verlangt u te spreken.&#8221;
+<a id="d0e3363"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3363">87</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Zijt gij alleen, Bouke?&#8221; vroeg Joan, zich met een sprong oprichtende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel ja, wie zou er meer wezen?&#8221; antwoordde Bouke.
+
+</p>
+<p>&#8220;En Ulrica?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die is weer beter en al naar bed.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En het spook?&#8221; vervolgde Joan met een zachte stem, terwijl hij angstig rondzag.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het spook! Welk spook?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het spook van grootoom: ik heb het spook van grootoom gezien met een bijbeltje en een <span class="letterspaced">paternoster</span>, net als in de benedenzaal.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo!&#8221; hervatte Bouke een weinig verlegen: &#8220;neen het spook is weg: kom maar met mij en wees wijs.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel Joan!&#8221; vroeg de Baron, zoodra de knaap met hem alleen was, &#8220;zijt gij nu eindelijk tot betere gedachten gekomen, en zult
+gij Mejuffrouw Raesfelt om verschooning vragen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja vader!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dus bekent gij, dat gij zeer dwaas of verkeerd tegen haar gehandeld hebt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, vader, dat niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe! ben je dol, knaap! of spot gij met uw vader?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik doe het alleen omdat Ulrica anders zoo bedroefd is,&#8221; antwoordde Joan, den Baron met een openhartigen blik aanziende.
+
+</p>
+<p>Hoewel Reede Joans inkeer wel aan deze reden had toegeschreven, stond hij echter een weinig over de gulle bekentenis verslagen.
+Hij was een trouwhartig en teeder vader, doch geen hoogvlieger in &#8217;t vak van opvoeding, en was nu meer dan ooit verlegen welke
+handelwijze hem in dit geval betaamde. Joans oprechtheid en gevoel van billijkheid hadden hem behaagd, en thans wist hij niet,
+hoe den knaap te beduiden, dat, bijaldien de drijfveer onzer handelingen niet plichtmatig is, de daad zelve dien naam ook
+niet verdient. Uit deze verlegenheid werd hij echter gered, doch door een bezoek, dat bij hem een andere ongerustheid verwekte:
+de gedaante namelijk, welke aan Joan zooveel schrik had aangejaagd, trad de kamer binnen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Help! daar is grootoom weer!&#8221; riep Joan, zich aan den Baron vastklemmende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat onvoorzichtigheid!&#8221; zeide Reede tegen den onbekende: &#8220;hoe waagt gij het, hier te verschijnen, en wel in dit gewaad, terwijl....&#8221;
+hier wees hij op Joan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist daarom kom ik binnen,&#8221; antwoordde de vreemdeling, &#8220;opdat hij zich overtuigen zou, dat ik geen spook ben, maar een schepsel
+van vleesch en been. Toen ik zooeven uw lief dochtertje hoorde nedervallen, en hem een akelig gegil aanheffen, schoot ik ter
+hulp toe, en de knaap zag mij waarschijnlijk voor een bietebauw aan, die hem over zijn koppigheid straffen kwam. Is het niet
+zoo mijn jongen?&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan richtte zich half op, knikte hem een toestemmend antwoord toe en vatte moeds genoeg om de gelijkenis van den ouden grootoom
+aan te staren.
+<a id="d0e3405"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3405">88</a>]</span></p>
+<p>&#8220;En gij vergeet, dat de zucht om mijn zoon van een ingebeelden schrik te genezen, u misschien, zoo hij maar iets verhaalt,
+in &#8217;t uiterste gevaar brengt,&#8221; zeide Reede.
+
+</p>
+<p>&#8220;De knaap zal zwijgen,&#8221; hervatte de onbekende, &#8220;zoo hij het wil doen: hiervoor waarborgt mij zijn vastheid van inborst. Hoor
+eens, knaap,&#8221; vervolgde hij, Joan vriendelijk tot zich trekkende: &#8220;gij zijt een verstandige jongen, aan wien men wel een geheim
+kan toevertrouwen. Ik ben, ik zal niet zeggen een groot vriend, doch zeker in nauwe betrekking met uw vader. Ofschoon ik geen
+kwaad deed, willen booze menschen mij gevangennemen en leed aandoen, misschien wel om hals brengen. Nu is uw vader zoo goed
+mij een schuilplaats te leveren in zijn kasteel, buiten weten van iemand, dan alleen van Bouke: en nu zijt gij de derde in
+het geheim. Durft gij nu aannemen, mij te beloven, aan niemand ook aan Ulrica niet, te vertellen, dat gij mij hier gezien
+hebt, zoo zult gij mij levenslang aan u verplichten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat beloof ik u op mijn woord,&#8221; zeide Joan, hem de hand gevende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan is &#8217;t genoeg en ik maak er staat op,&#8221; hervatte de vreemdeling. &#8220;Mijn naam noem ik u niet: in lateren tijd zult gij dien
+misschien vernemen: dan, om uw stilzwijgendheid niet geheel en al onbeloond te laten, en opdat gij u dit voorval altijd zoudt
+kunnen herinneren, schenk ik u deze kleinigheid.&#8221;&#8212;Dit zeggende, trok hij een kostbaar gewerkten ring van zijn vinger en reikte
+dien aan Joan over.
+
+</p>
+<p>&#8220;Duizendmaal dank, mijnheer!&#8221; zeide Joan, rood van blijdschap wordende. &#8220;Zie eens vader! welk een schoone ring! het wapen
+van Sonheuvel is er opgesneden. Daar zal ik mijn brieven mede kunnen verzegelen als ik grooter word, evenals vader.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een lieve knaap!&#8221; zeide de onbekende, met Joans blonde lokken spelende: &#8220;doch hij herinnert mij mijn Maria niet!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zeide Reede met verlegenheid; &#8220;doch hierover nader. Ga nu maar heen, Joan! het is van avond te laat om nog naar juffrouw
+Raesfelt te gaan; gij zult haar morgenochtend wel om verschooning vragen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op dit bevel vertrok Joan, na een beleefde buiging voor het spook, en begaf zich naar zijn slaapkamer, om aldaar in een zoete
+rust de bekommernissen van den dag te vergeten.
+
+</p>
+<p>&#8220;En gij,&#8221; vervolgde de Baron tot den onbekende: &#8220;houd u morgen tegen acht uren gereed, dan zal Bouke u een vermomming bezorgen
+en wij rijden samen met mijn dochtertje, die ik medeneem, om geen argwaan te verwekken, naar Tiel, alwaar een schuitje u wacht,
+dat u veilig naar de overzijde zal voeren. Begeef u thans weder naar uw schuilhoek; ik durf niet langer hier blijven, men
+mocht ons komen storen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;God loone u,&#8221; zeide de vreemdeling de hand zijns beschermers drukkende. &#8220;Hij vergelde u uwe grootmoedigheid en geve, dat
+zij u nimmer berouwe, noch in ongelegenheid brenge.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel!&#8221; zeide Reede: &#8220;dat was toch het minste dat ik doen kon dat ik u een schuilplaats gaf in uw eigen kasteel.&#8221;
+<a id="d0e3428"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3428">89</a>]</span></p>
+<p>&#8220;In mijn eigen kasteel,&#8221; zuchtte de vreemdeling, terwijl hij treurig om zich heen zag: &#8220;helaas! ik mag met onzen Gezegenden
+Heer zeggen: <span class="letterspaced" lang="la">Vulpes foveas habent et volucres coeli nidos: ego autem non habeo ubi caput reclinem</span>!&#8221;<a id="d0e3434src" href="#d0e3434" class="noteref">1</a>
+
+</p>
+<p>Reede haalde de schouders op, als wilde hij te kennen geven, dat de vreemdeling zich zelven dien onaangenamen toestand berokkend
+had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan, om &#8217;t even!&#8221; vervolgde deze, terwijl hij zonder de beweging des Barons op te merken, het vertrek met groote schreden
+op en neder ging: &#8220;wat zou ik klagen, wat mij bekommeren! Moet ik mij niet verheugen, als de Apostelen deden, zoo ik om Zijnentwille
+smaadheid lijde?&#8212;Is er niet geschreven, dat de geloovigen zouden vervolgd en gemarteld worden? En moet niet de Kerk van Christus
+in het bloed der Heiligen gegrondvest worden? Maar niet vergeefs zal Rachel haar vermoorde kinderen beweend hebben, en niet
+vruchteloos zal het geschrei te Rama op de straten gehoord zijn! Hij zal komen, de groote dag, die Isra&euml;l van zijn verdrukking
+bevrijden zal: de dag, waarop de afgedwaalde schapen door den Eenigen Herder tot den stal zullen worden teruggeroepen en dat
+de ketterij zal uitgeroeid worden over den aardbodem, <span class="letterspaced" lang="la">ut in nomine Jesu flectatur omne genu coelestium, terrestrium et infernorum</span>!&#8221;<a id="d0e3444src" href="#d0e3444" class="noteref">2</a>
+
+</p>
+<p>&#8220;Om &#8217;s Hemels wil,&#8221; zeide Reede: &#8220;matig u en bedenk toch....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zullen zij kermen en weeklagen en tandeknersen,&#8221; vervolgde de vreemdeling: &#8220;zij, die de roepstem niet gehoord en aan
+de zorgende liefde wederstand geboden hebben, welke hen wilde verzamelen, gelijk de klokhen hare kiekens verzamelt onder hare
+vleugelen. Dan zullen zij roepen: <span class="letterspaced" lang="la">Domine, Domine, nonne in nomine tuo prophetavimus</span>?<a id="d0e3454src" href="#d0e3454" class="noteref">3</a> maar de stem van boven zal antwoorden: <span class="letterspaced" lang="la">nunquam novi vos: discedite ame, qui operamini iniquitatem</span>.<a id="d0e3460src" href="#d0e3460" class="noteref">4</a> Hendrik!&#8212;gij zult wellicht dien dag beleven, dat de triomf der ware Kerk, van welke de Heere gezegd heeft, dat de poorten
+der Helle haar niet zouden overweldigen, over het aardrijk zal gevierd worden. O bekeer u voor dien tijd! voordat die schrikkelijke
+dag, de <span class="letterspaced" lang="la">dies irae</span>,<a id="d0e3466src" href="#d0e3466" class="noteref">5</a> komen moge! Gij hebt kinderen, lieve, beminnelijke kinderen, in wie het goede zaad nog niet verstikt is door het koude ongeloof
+dezer dagen: o! breng hen niet op den weg, die ter verderfenis leidt: laat hen terugkeeren tot het zuiver, oud geloof, de
+vlek uitwisschen, die op hun geboorte kleeft, evenals de wijsheid van Salomo de smet zijner overspelige afkomst vergeten deed!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zijt te veel opgewonden,&#8221; zeide Reede, &#8220;gij vergeet dat uwe, dat mijne veiligheid er van afhangt, dat u niemand gewaarworde.&#8221;
+<a id="d0e3471"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3471">90</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Het is waar,&#8221; zeide de onbekende, stilstaande: &#8220;ik vergat dat gij onder hen behoort, die zeggen: <span class="letterspaced" lang="la">durus est hic sermo et quis dotest eum audire</span>;<a id="d0e3477src" href="#d0e3477" class="noteref">6</a> en echter, God zegene u en opene uwe oogen voor het licht; want gij zijt waardig het te ontvangen, omdat gij mij niet overgeleverd
+hebt in de handen van hen, die mijn verderf zoeken.&#8212;En nu, vaarwel! ik begeef mij naar mijn eenzaam verblijf. Mochten de gebeden,
+die ik thans en namaals voor u en de uwen zal opzenden tot de moeder Gods, hare voorbidding bewerken, opdat ook gij eenmaal
+het licht moogt ontvangen, dat in de duisternis schijnt en een lamp aan onzen voet is.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit gezegd hebbende begaf hij zich naar zijn schuilplaats, zijnde een verborgen kamertje, dat, in de dikte van den muur gemetseld,
+twee onderscheidene, van buiten bedekte, uitgangen had. Een dier uitgangen had gemeenschap met de gevangenis, waarin Joan
+gezeten had, en had den onbekende in de gelegenheid gesteld, om het gesprek der kinderen aan te hooren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is dat voor een gereutel?&#8221; mompelde Reede, terwijl hij grommende de trappen weder afging. &#8220;Dominus Raesfelt is ook somtijds
+wat duister en ingewikkeld in zijn uitdrukkingen, doch hij spreekt ten minste verstaanbaar Ne&ecirc;rduitsch, en zoo hij al nu en
+dan een Latijnsch of Grieksch woordje bezigt, vertolkt hij het altijd oogenblikkelijk; maar uit die Paapsche aanhalingen mag
+Joost wijs worden. Nu, ik denk er mijn hoofd ook niet veel mede te breken; &#8217;t spijt mij maar, dat hij het weder over de geboorte
+van die kinderen had!&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen Joan den volgenden morgen vroegtijdig opstond, woog hem de belofte, die hij &#8217;s avonds te voren aan zijn vader had gedaan,
+van de Pastoorsche om verschooning te gaan vragen, oneindig zwaar op het hart; zooals het gemeenlijk gaat, wanneer men een
+lastigen plicht heeft uitgesteld. Onder het aankleeden, schikte hij in zijn geest de woorden, welke den verzoenenden volzin
+moesten uitmaken. Met trage stappen ging hij naar de benedenzaal, waar zijn vader en Ulrica weldra verschenen. Na het ontbijt
+kwam Bouke den Baron verwittigen, dat het rijtuig gereed stond. Reede vertrok hierop met Ulrica, na aan Joan last te hebben
+gegeven van hen niet te volgen. Deze echter, des te nieuwsgieriger na zulk een ongewoon verbod, ging uit een der achterramen
+liggen en zag van daar, tusschen de boomen door, het rijtuig voor het kleine bruggetje op den rijweg staan, met een persoon
+er in, als een boer gekleed, doch wien Joans scherpziende oogen dadelijk voor den vreemdeling, die hem den ring gegeven had,
+herkenden. De Baron, bij het wagentje gekomen, plaatste zich naast den vluchteling, terwijl Bouke op de achterste bank ging
+zitten met Ulrica: waarna Reede de zweep over de paarden legde en den weg naar den Rijn opreed.
+
+</p>
+<p>Na hen een wijl nagestaard en vervolgens zijn taak voor den Predikant te hebben afgewerkt, begaf zich Joan, wien de valsche
+schaamte hoe langer hoe meer begon te kwellen, naar de Pastorie. <a id="d0e3488"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3488">91</a>]</span>Als lood woog hem nu zijn verplichting op het hart. Dan eens wenschte hij, dat de juffrouw maar uit ware: dan weder dat zij
+aan de deur zoude staan, in welk geval hij terstond door het ergste heen zou wezen. Aldus peinzend en zich zelven vruchteloos
+moed insprekend, ging hij langzaam voort, bleef dikwijls staan, plukte nu en dan de bloemen, die langs den weg groeiden, en
+wierp ze weder weg, keek de koppels vinken na, die over zijn hoofd vlogen, en beschouwde eindelijk een bende ruiters, die
+op een snellen draf van den kant van Gelderland de hoogte afkwam, en die, zoodra zij bij het dorp was gekomen, halt hield,
+vervolgens regelrecht op hem aanreed en hem omsingelde. Een hunner, die de hoofdman scheen en even als de anderen, welke acht
+in getal waren, met vuurroer en degen gewapend was, sprak hem, even den hoed oplichtende, in dier voege aan:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg eens, knechtske! hoort ge in de buurt te huis?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Om u te dienen!&#8221; antwoordde Joan: &#8220;ik ben de Jonker van Sonheuvel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo! dan zijt ge waarschijnlijk best in staat, ons in te lichten. Hebt ge hier gisteren of vandaag ook een landlooper gezien,
+die een schuilplaats vroeg of om onderstand verzocht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jawel! die komen er dagelijks. Laat zien.... Gisteren was het smerige Gijs, en dien gaf ik niets, omdat hij niet werken wil:
+en eergisteren Kees Keessen met het stompje, en dien gaf ik een oortje, omdat hij niet werken kan; want hij heeft maar &eacute;&eacute;ne
+hand.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met verlof! Jonker! Dien wij zoeken is geen gewone bedelaar: hij is een man met een deftig uitzicht, en in &#8217;t zwart gekleed,
+met een kale kruin en....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen! die is hier in de buurt niet geweest,&#8221; antwoordde Joan, die nu begon te begrijpen, dat het spook van grootoom de persoon
+wel wezen kon, dien men zocht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! die is hier wel geweest,&#8221; klonk de schrille stem van Mejuffrouw Raesfelt achter hem: &#8220;ik heb den man, dien gij beschrijft,
+met Bouke door het achterhek op Sonheuvel zien komen, toen ik gisteren naar huis ging over de steenen brug.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo!&#8221; zeide de aanvoerder der bende, terwijl hij den beslissenden toon, dien de juffrouw aannam, vergeleek met de bedremmelde
+wijze, waarop Joan geantwoord had: &#8220;Jonker! mij dunkt, gij weet meer dan gij zeggen wilt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan beefde als een blad: dan, of zulks veroorzaakt werd door de onverwachte verschijning der Predikantsvrouw, dan wel door
+de vrees, die de ruiters hem aanjoegen, is ons niet bekend. Spoedig echter vatte hij weder moed; en, het gewicht ten deele
+beseffende, dat in het bewaren van des vreemdelings geheim was gelegen, besloot hij de ruiters zoolang op te houden, tot de
+Baron weder terug en de vluchteling in zekerheid ware.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht!&#8221; zeide hij, zich tot den Hoofdman wendende, evenals bezon hij zich: &#8220;draagt de persoon, dien gij zoekt, niet een zwart
+manteltje, een omvallenden kraag en een dichtgeknoopt buis? Heeft hij niet een gebedenboek en een <span class="letterspaced">paternoster</span> bij zich?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal wel zoo wezen,&#8221; antwoordde de ruiter: &#8220;maar waar is hij?&#8221;
+<a id="d0e3515"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3515">92</a>]</span></p>
+<p>&#8220;In het kasteel, en ik zal u terstond wijzen waar; doch eerst moet ik de juffrouw even spreken. Juffrouw!&#8221; vervolgde hij stil
+en snel, terwijl hij haar ter zijde trok: &#8220;ik vraag u om verschooning: mijn vergrijp is mij van harte leed: wees zoo goed
+aan Dominee te zeggen, dat ik vandaag geen les kan komen nemen.&#8221;&#8212;Na deze woorden op &eacute;&eacute;nen toon en in &eacute;&eacute;nen adem achter elkaar
+te hebben uitgerabbeld, keerde hij zich weder tot de ruiters en zeide: &#8220;Komt nu maar mede, Heeren! ik zal u voorgaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, maar!&#8221; zeide de hoofdman, zooras zij de steenen voorbrug over waren gekomen: &#8220;is hij stellig op &#8217;t kasteel?&#8221;&#8212;Joan knikte
+met het hoofd.&#8212;&#8220;Welnu, opdat hij niet ontvluchte, zullen wij eerst de uittochten bezetten. Gij Roelof Sla-der-op, Peter Keinkenate
+en Hans Knipper, aan het achterhek! niemand uit of in te laten!&#8212;Gij, Joost Steek-maar-toe, Karl Blutzaufer en Melis Pif-paf,
+aan de slotpoort! Niemand er uit! Niemand er in! Frans Smijter en Meeuwis Kriegelkop volgen mij naar binnen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Terwijl deze bevelen volvoerd werden en zich de ruiters naar de hun aangewezen posten begaven, volgde de wachtmeester met
+twee ruiters Joan binnen het slot; op het plein stegen zij af en gaven hun paarden aan de verbaasde dienstboden te bewaren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als de Heeren mij maar volgen willen,&#8221; zeide Joan, die moeite had een schalkschen lach te bedwingen, terwijl hij de ruiters
+vooruitging naar de benedenzaal. Onder &#8217;t voortgaan haalde de wachtmeester een papier uit de borst en las het <span class="letterspaced">signalement</span> van den voortvluchtige overluid op: &#8220;blauwe oogen, gebogen neus, ronde kin, grijsachtig haar, zware wenkbrauwen....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En een paternoster in de hand,&#8221; zeide Joan, terwijl hij den ruiter bij den arm nam en hem omdraaide, zoodat hij vlak over
+het afbeeldsel van den ouden Frederik van Reede tot Sonheuvel stond: &#8220;daar is de man dien gij zoekt: of ik heb abuis.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! dat lijkt hem op een haar; waar is hij nu?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel, daar!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar op de schilderij. Anders is er geen zoodanige hier te vinden. Ik dacht, dat gij het portret zocht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat henker! jou oolijke schalk! houdje ons voor de mallen! Ik zal je leeren....&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan, die in het kasteel zijns vaders voor niemand vreesde, daar hij zeer wel wist, dat geen mensch er ongestraft eenig geweld
+zou mogen uitoefenen, zag den wachtmeester spotachtig aan, maakte een diepe buiging en liep de zaal uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat &#8217;s een satansche gauwdief!&#8221; riep de wachtmeester: &#8220;naar boven mannen! het slot doorzocht! de paap zit zeker hier of daar
+verscholen.&#8221; Dit zeggende, liep hij, gevolgd van zijn twee handlangers, de trappen op, vermoedende, dat de vluchteling in
+een der bovenvertrekken zoude wezen. In de eerste kamer, die hij opensloot, zag hij een kruik, nog half vol water, een brok
+brood en de lekkernijen, die Ulrica &#8217;s avonds te voren aan Joan gebracht had, en waar hij niet aan geraakt had, gelijk men
+zich herinneren zal.
+<a id="d0e3543"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3543">93</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Hier zal hij wezen!&#8221; riep de wachtmeester, &#8220;binnen mannen! en draagt zorg, dat niemand er uitkome.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal ik,&#8221; riep Joan, die hen stil gevolgd was, en smeet meteen de deur achter hen toe. &#8220;Veel pleizier, vriendjes! slaap
+daar nu maar wat uit.&#8221; Dit gezegd hebbende, snelde hij onder een schaterend gelach de trappen af, riep den Bottelier, den
+Palfrenier, den Tuinier, de oude Geert en al de zoo mannelijke als vrouwelijke dienst- en werkboden bijeen, en vertelde hun,
+dat hij drie gevangenen gemaakt had, over wier lot de Baron zoude beschikken. Dan, terwijl hij nog sprak, en de oude Geertrui
+al gedurig uitriep, wat Mevrouw zaliger wel van zulk een geval gezegd zou hebben, hoorde men zulk een geweld aan de voorpoort,
+dat allen naar buiten stoven.
+
+</p>
+<p>Dit rumoer had een zeer natuurlijke reden. De Baron kwam met Ulrica en Bouke in het wagentje van zijn reis naar Tiel terug
+en vond zich nu voor de brug van zijn eigen slot den ingang ontzegd door de drie aldaar geposteerde ruiters, die hem niet
+verstonden of niet wilden verstaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben de Baron van Sonheuvel,&#8221; schreeuwde hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ick kenne kein Baron,&#8221; zeide Karl Blutzaufer: &#8220;potstauzend, du sollst nicht drinn kommen!&#8221;
+
+</p>
+<p>De Baron lichtte de zweep op, om hem een duchtigen slag om de ooren te geven, en er ware veellicht een vechtpartij ontstaan,
+indien niet Ulrica, vol angst en ontsteltenis, haar vader weerhouden had, door zich zoo vast aan hem te klemmen, dat hij zich
+bijna niet verroeren kon. Intusschen was Bouke, die meer bedaardheid van geest bezat dan zijn Heer, uit den wagen geklommen
+en naar de ruiters toegestapt, aan welke hij vroeg, wie en waar hun hoofdman was, daar het toch billijk scheen te zijn, dat
+men aan den heer des huizes reden gaf, waarom hem de toegang tot zijn eigen slot ontzegd werd, althans in vredestijd en door
+soldaten in dienst van den lande. Na eenige woordenwisselingen begrepen de schildwachten, dat zij aan het verzoek van Bouke
+voldoen moesten, en ging Melis Pif-paf naar binnen om den wachtmeester te halen. Op het voorplein ontmoetten hem de bedienden,
+allen welgewapend.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar ist der Wachtmeister?&#8221; vroeg Melis: &#8220;ik muss hem sogleich spreken!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik niet,&#8221; antwoordde de Bottelier; &#8220;ik heb geen wachtmeester gezien noch geroken; maar dat weet ik, dat jijlui je
+biezen moeten pakken en Zijne Edelheid ongemoeid laten oprijden, of dat het slecht met je zal afloopen.&#8221; Terwijl hij sprak,
+grepen eenige tuinlieden den ruiter aan en ontwapenden hem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hilf! Jost! Karl! Hilf! Sta&ocirc;t bi kerlen!&#8221; riep Melis, zich vruchteloos verzettende. Dan Jost noch Karl konden hem te hulp
+komen: want verscheidene dorpelingen, waaraan Juffrouw Raesfelt verhaald had, dat er ruiters op het kasteel gekomen waren,
+hadden zich inmiddels aan den buitensten ingang vertoond en hielden er de twee ruiters in bedwang; de drie anderen, die aan
+het achterhek post gevat hadden, kwamen op het gerucht aanrijden, om hun makkers bij te springen; en het ware tot een algemeen
+gevecht gekomen, <a id="d0e3562"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3562">94</a>]</span>bijaldien niet de Baron op de bank van zijn rijtuig geklommen was en van daar uit de hoogte een algemeene stilte geboden had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Staat, menschen! ik ben hier op mijn grond alleen heer en meester, en verlang te weten, wat aanleiding tot deze malle historie
+gegeven heeft. Is er een onder die knapen, die verstaanbaar Neerduitsch spreken kan, zoo ben ik bereid te hooren, op wat grond
+men zich verstout, in mijn afwezigheid mijn slot te bezetten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Roelof Sla-der-op reed tot naast den wagen, nam den hoed in de hand en sprak:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij volgen slechts onzen last, Heer Ritmeester! U WelEd. is zelf soldaat geweest en weet dus, dat wij gehoorzamen moeten
+aan hen, die boven ons gesteld zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Recht zoo,&#8221; antwoordde de Baron: &#8220;maar wie gaf u dan last?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De wachtmeester, heer Ritmeester, die binnen het kasteel is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat hem dan hier komen,&#8221; riep Reede, ongeduldig wordende: &#8220;waar zit hij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb hem op den toren gevangengezet,&#8221; zeide Joan, die met zijn kruisboog op schouder, uit den hoop hervoor stapte: &#8220;hem
+en zijn makkers!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen gekscheren, Joan!&#8221; zeide de Baron, gramstorig: &#8220;zulke malligheden komen nu niet te pas. En breng dat geweer weg. Als
+er uilen geschoten moeten worden, zal ik u roepen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Jonker heeft gelijk,&#8221; zeide de Bottelier: &#8220;hij heeft drie ruiters in de steenenkamer opgesloten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! hier zitten wij!&#8221; riep een stem, die uit de lucht scheen te komen. Allen keken naar boven en zagen aan een klein venstertje
+het hoofd van den wachtmeester, die op de schouders zijner twee kameraden geklommen was om het te bereiken en hulp te vragen.
+Op dit gezicht berstte iedereen uit in een schaterend gelach; zelfs de ruiters, die beneden stonden, moesten glimlachen op
+het denkbeeld van de poets, door een knaapje als Joan aan hun sluwen hoofdman en zijn makkers gespeeld.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo!&#8221; zeide de Baron, toen het gejuich een weinig bedaard was: &#8220;zitten die vogels zoo hoog in de kooi? Hoort eens mannen,&#8221;
+vervolgde hij tegen de ruiters, die beneden waren, en die thans wat minder hoog spraken, sedert dat de Schout met een nieuwen
+troep gewapende boerenknapen den stoet vergroot had, &#8220;zit af en geeft de wapens ordentelijk over, terwijl ik uw wachtmeester
+ga onderhouden. Heer Schout! wees zoo goed, mij te volgen.&#8221; Dit geschiedde.
+
+</p>
+<p>De Baron reed nu onverlet zijn kasteel in, vertrouwde Ulrica aan de zorgen van Geertrui, en begaf zich met den Schout naar
+de groote benedenzaal, terwijl Bouke met eenige dienaars de gevangenen ging verlossen en vervolgens den nu ontwapenden wachtmeester
+binnenbracht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is uw last, wachtmeester?&#8221; vroeg Reede: &#8220;en hoe durft gij zoo onbeschaamd in mijn kasteel den baas komen spelen? Spreek
+de waarheid, of ik laat u ophangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zoude UEd. moeten verantwoorden,&#8221; antwoordde de wachtmeester, op vrij hoogen toon: &#8220;wat mij betreft, hier is mijne verantwoording&#8221;
+en hij reikte den Baron zijn lastbrief over.
+<a id="d0e3592"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3592">95</a>]</span></p>
+<p>Deze was geteekend en uitgevaardigd door de Staten van Gelderland en bevatte een bevel aan Peter Maanvreter, Wachtmeester,
+om op te sporen en te vatten den persoon van Ambrosio, Priester, zich bevorens genoemd hebbende Godard van Reede tot Sonheuvel
+(hier volgde de aanduiding) en aan alle overheden, schouten en magistraten om gemelden Peter Maanvreter de noodige hulp en
+assistentie te verleenen enz. enz., alles ingevolge de in den jare 1598 uitgeschreven en later hernieuwde plakkaten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal hierop slechts &eacute;&eacute;ne aanmerking maken,&#8221; zeide de Baron, nadat hij de lezing van het stuk in stilte had volbracht: &#8220;gij
+zijt hier niet in Gelderland, maar op Stichtschen grond: en uw lastbrief heeft hier zijn kracht verloren. Hadt gij onderzoek
+willen doen, gij hadt u bij den Schout moeten vervoegen, maar geenszins op eigen gezag hier moeten komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Jonker heeft ons zelf hier gebracht,&#8221; antwoordde de wachtmeester.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zijt een te oude roofvogel om u door zulk een jong spreeuwtje van den rechten weg te laten afbrengen.&#8212;Doch heeft de Jonker
+die buitenposten uitgezet, die mij den toegang hebben afgesneden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het spreekt van zelf, dat mijn last UEd. niet gold; en UEd. ware niet opgehouden geweest, indien men mij niet had opgesloten;
+doch ik had stellig naricht, dat de man, dien wij zochten, zich hier bevond, en nam daarom de noodige voorzorg, dat hij niet
+ontsnapte. Mag ik UEd. wel een woordje in &#8217;t vertrouwen onder vier oogen mededeelen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is wel: doch maak het kort. Heer Schout, met uw verlof! Bouke, verlaat de kamer met uw volk.&#8212;Nu zijn wij alleen: wat hebt
+gij nu te zeggen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heer Baron,&#8221; zeide de wachtmeester: &#8220;wees zoo goed en zie dit papiertje eens in.&#8221; Meteen toonde hij het aan Reede, terwijl
+hij het zorgvuldig met de beide handen onder en boven bleef vasthouden uit vrees dat het hem ontscheurd zoude worden. Het
+was een blaadje uit een getijboek, en wel het eerste: bovenop stond geschreven: <span class="letterspaced" lang="la">hic liber est Fr. Ambrosii, abb. Dom.</span><a id="d0e3609src" href="#d0e3609" class="noteref">7</a>.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu! wat zal dit?&#8221; vroeg Reede, nadat hij het aandachtig beschouwd had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dit blaadje vond ik in mijn gevangenis. Het bewijst ten duidelijkste, dat daar v&oacute;&oacute;r ons nog iemand geweest was, en dat de
+abt, uw oom, daar &ograve;f gescholen heeft &ograve;f nog in de een of anderen hoek schuilt.&#8212;Wat dunkt UEd.? Zouden de Staten het met welgevallen
+zien, dat UEd. een man, wien de justitie opspoort, schuilplaats verleent?&#8221;
+
+</p>
+<p>Van Reede zweeg en streek zich over &#8217;t gezicht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij dunkt, Uwe Edelheid!&#8221; vervolgde de wachtmeester, ziende dat zijn gezegden niet geheel zonder uitwerking bleven, &#8220;mij
+dunkt, wij moesten de geheele geschiedenis maar blauw blauw laten. Want, zoo UEd. over mij klaagt, zal ik, ja, misschien gestraft
+worden; <a id="d0e3620"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3620">96</a>]</span>doch ik heb altijd een middel om UEd. een poets te bakken, die UEd. waarschijnlijk hoogst onaangenaam zijn zoude.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hebt gelijk, schurk!&#8221; zeide de Baron, &#8220;gelukkig, dat alles zich nog zoo schikken kan: want de man, dien gij zoekt, is
+reeds in veiligheid. Inderdaad, het zal best zijn, dat wij de zaak schikken. Heer Schout! gij kunt weer binnenkomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Schout kwam terug met de overigen. &#8220;Ik ben over de inlichtingen voldaan, mij door den wachtmeester gegeven,&#8221; zeide Reede,
+&#8220;en hij kan in vrede met zijn volk vertrekken, mits zulks dadelijk geschiede. Bouke! roep Joan! want ik moet eens hooren,
+hoe hij het toch geklaard heeft, om die knapen boven op dat kamertje te krijgen. Tot wederziens, Heer Schout.&#8221;&#8212;Men gaf den
+ruiters hun wapenen terug, waarop zij vertrokken. Ondanks de vermaningen van den Schout konden zij het dorp niet verlaten,
+zonder een menigte scheldwoorden en uitjouwingen van de goede gemeente, die hen gevolgd was, te moeten verduwen: dit getroostten
+zij zich totdat zij buiten het dorp gekomen waren: toen gelastte Maanvreter aan zijn onderhoorigen rechts-om-keert te maken,
+en meteen zwoer hij, dat de eerste, die zich verstouten dorst, hem verder lastig te wezen, kennis zoude maken met zijn ijzeren
+kling. Deze bedreiging, de vaste toon, waarop zij was uitgesproken, en het barsche uitzicht van den wachtmeester maakten indruk
+op den hoop, en de ruiters mochten ongestoord hun weg naar Gelderland vervolgen.
+
+</p>
+<p>Aldus liep deze geschiedenis ten einde, waarvan eigenlijk niemand met eer was afgekomen, dan Joan, wiens verhaal door zijn
+pleegvader onder een aanhoudend gelach werd aangehoord en wiens gedrag door Bouke ten hemel werd verheven.
+
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3434" href="#d0e3434src" class="noteref">1</a></span> De vossen hebben kuilen en de vogelen des hemels nesten: maar ik heb niet waar ik mijn hoofd kan nederleggen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3444" href="#d0e3444src" class="noteref">2</a></span> Opdat in den naam Jesu zich buige, enz.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3454" href="#d0e3454src" class="noteref">3</a></span> Heere! Heere! hebben wij niet in Uwen name geprofeteerd?
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3460" href="#d0e3460src" class="noteref">4</a></span> Ik heb u nooit gekend: gaat weg van mij, die ongerechtigheid werkt.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3466" href="#d0e3466src" class="noteref">5</a></span> De dag der wrake.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3477" href="#d0e3477src" class="noteref">6</a></span> Deze rede is hard en wie kan die hooren?
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e3609" href="#d0e3609src" class="noteref">7</a></span> Dit boek behoort aan broeder Ambrosius, abt der Dominicanen.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e3628" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Elfde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Van mijne bruiloft af, van dat ik zat verlooft,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Wat stormen waeiden my niet sedert over &#8217;t hooft:
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Wat toren is zoo hoog, van waer mijn oogh de baren
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Der zee kan overzien van al mijn wedervaeren.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Gysbrecht van Aemstel.
+</p>
+</div>
+<p>Wij springen thans, volgens het voorrecht van romanschrijvers en nieuwerwetsche Fransche <span class="letterspaced">vaudevillisten</span>, wederom eenige onbeduidende jaren stilzwijgend over, om tot een voorval te komen, hetgeen plaats greep, toen Joan zestien
+jaren bereikt had, en dat op zijn volgende loopbaan meer invloed had, dan men er in het eerst van had kunnen verwachten.
+
+</p>
+<p>Schoon Joan op dien leeftijd een geoefend ruiter was, en den fraaien vos, hem door zijn pleegvader geschonken, met zwier bereed,
+wanneer hij met vlugge hazenwinden den reebok of de hazen op het uitgestrekte heideveld najoeg, kende hij echter geen grooter
+genoegen, dan om alleen, zonder gezelschap buiten zijn trouwen <a id="d0e3652"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3652">97</a>]</span>hond Veltman, met het jachtmes op zijde en den kruisboog in de hand, de omliggende velden te doorkruisen: dan trok hij, in
+&#8217;t eenvoudigste gewaad, tegen weer en wind gehard, bij zonsopgang met vollen knapzak en ledige weitasch het slot uit om er
+niet zelden eerst tegen het vallen van den avond met ledigen knapzak en volle weitasch terug te keeren. Rusteloos en onvermoeid
+zette hij zich alleen uit vriendschap voor zijn viervoetigen tochtgenoot somtijds neder, om de boterhammen, welke de zorgvolle
+Ulrica &#8217;s avonds te voren had toebereid en in papier gewikkeld, met den edelen hond te deelen, en aan dezen de verkwikking
+te doen erlangen, die hij benoodigd had om met nieuwe krachten de wandeling voort te zetten.
+
+</p>
+<p>Eens keerde hij, met wild beladen en vroolijk neuri&euml;nde onder &#8217;t gaan over de breede heiden, die zich ten noordoosten van
+het dorp Sonheuvel bevinden, met zijn trouwen Veltman weder huiswaarts. Het was een dier schoone herfstavonden, waarin de
+hemel met zulke heerlijke schakeeringen van goud en purperrood ontgloeid is: liefelijk werden de dampen, die over de vochtige
+velden gleden, door de breede zonnestralen verlicht; in vollen bloei stonden de ontelbare erica&#8217;s en bedekten het grauwe mostapijt
+als met purperen vlekken: van alle kanten stegen de geuren van thym en rosemarijn naar boven en verspreidden zich heinde en
+ver op den adem van het suisend avondwindje. Blakend van den schemerenden gloed der ondergaande zon, lagen Sonheuvel en de
+omliggende dorpen aan den voet des heuvels, midden tusschen het donkere groen te prijken: trotsch en statig verhieven zich
+de hooge kerkspits, en daarachter, de daken van het vaderlijk slot: linksaf stak, in &#8217;t verschiet, de dom van Reenen somber
+af tegen het heldere zwerk, en aan de rechterzijde rezen de torens van twintig adellijke huizen uit de donkere bosschages.
+Voor hem rolde de Rijn met effen, stillen stroom, door vette weiden of geurige boomgaarden, en kaatste als een spiegel den
+blozenden hemel terug. Hoe vaak Joan dit prachtige natuurtooneel aanschouwd had, telkens deed het nieuwe en streelender gewaarwordingen
+bij hem oprijzen: want dit voorrecht bezit de natuur, dat hare schoonheid nimmer den gevoeligen toeschouwer vermoeien noch
+verzadigen kan, en dat de indrukselen, welke zij teweegbrengt, met de jaren eer versterkt dan verzwakt worden. Onwillekeurig
+bleef Joan op de helling des heuvels staan, niet ver van de plaats, waar het pad, dat hij volgde, zich met den bovenweg vereenigde,
+om zijn oogen aan een treffend en bevallig schouwspel te verlustigen. Daar stond hij, als ware hij alleen in de natuur. Slechts
+de rook, die uit het dorp in dunne wolkkolommen opsteeg, het verwijderd geloei der runderen, die naar de stallen keerden,
+en het eentonig geluid der klinkende schelletjes van de witgewolde kudden kondigden hem de nabijheid van menschen aan. Verzonken
+in aandacht en verrukking, gevoelde hij zich, zonder zelf de reden te kunnen bevroeden, diep bewogen en wischte een traan
+uit het oog, toen de onverwachte verschijning van een naderend rijtuig aan zijn gedachten een afleiding bezorgde, door zijn
+nieuwsgierigheid gaande te maken.
+<a id="d0e3656"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3656">98</a>]</span></p>
+<p>Langs den bovenweg, den eenigen, die in dit jaargetijde berijdbaar was, kwam van den kant van Reenen, een zware koets aanrollen,
+door vier stevige paarden getrokken. Een fraai uitgedoste koerier ging het rijtuig voor, gaf, zoodra hij ter plaatse gekomen
+was, waar de weg nederwaarts op het dorp aanliep, zijn paard de sporen en reed op een vluggen draf de straat van Sonheuvel
+in. Met snelle schreden aanstappende, bereikte Joan nu spoedig den landweg en zette zich op een dijkje van plaggen neder,
+om het rijtuig, dat langzaam den heuvel afkwam, te zien voorbijrijden. Het was een prachtige koetswagen, met wapens en blazoenen
+beschilderd. De hemel, op vier stijlen rustend, was met gordijnen behangen van oranje laken, met blauw en zilver geborduurd.
+Op de trede zat een page, tegen de avondlucht gewapend met een paarsen mantel, waarin hij zich geheel had gewikkeld. Achterop
+bungelden drie lange slungels van lakeien, sierlijk uitgedost en met vuurroeren gewapend. De koetsier, die de strengen der
+achterpaarden hield, was een lang, deftig man, met een hoogen, breedgeranden hoed, een kastanjebruinen rok vol linten en strikken,
+hooge laarzen met zilveren franjes en bijzonder net geplooiden kraag. Deze keurige kleeding stak bijster af tegen het gewaad
+des postiljons, die op het bijdehandsche voorpaard gezeten was, zijnde een Geldersche boer, met ongedekten hoofde, aschgrauw,
+ongekamd en stijf afhangend haar, linnen pij en holsblokken aan de bloote voeten.
+
+</p>
+<p>Langen tijd bleef de wagen even langzaam voortrollen, en Joan werd ongeduldig, toen hij op eens verwarring om het rijtuig
+zag ontstaan, terwijl de paarden hollende op hem afkwamen.
+
+</p>
+<p>Het linkerachterwiel had een zwaren steen ontmoet, die, onder &#8217;t zand begraven, en door een vooruitschietenden denneboomswortel
+gesteund, het voortgaan van het rijtuig verhinderde. Driemalen klapte de lange zweep des koetsiers door de lucht: driemalen
+voelden de voorpaarden het touw met de dikke knoopen der postiljons, zonder dat de koets verwikte: eindelijk deed het bijdehandsche
+voorpaard zulk een geweldigen ruk, dat een der touwen, waaraan het gebonden was, in stukken sprong: dit was oorzaak, dat het
+dier op zijn nevenman aandrong: het geheele span ontving een zijdelingschen schok, waardoor het rijtuig met zooveel geweld
+over den steen gehaald werd, dat het wiel omhoog en tegen den bak aansnorde; de postiljon verloor zijn tegenwoordigheid van
+geest, en in plaats van zijn paarden des te steviger vast te houden, poogde hij af te klimmen en tuimelde hals over kop in
+&#8217;t zand: de paarden, schichtig geworden, sloegen aan &#8217;t hollen en waren niet door de inmiddels afgestegen dienaars te wederhouden.
+De page, die mede van het rijtuig gesprongen was, lag midden in een doornstruik te spartelen, en een in &#8217;t zwart gekleede
+vrouw, die de gordijnen had opengeschoven, (want men wist toen nog van geen portieren) en al gillende hulp vroeg, scheen in
+beraad om ook den sprong te wagen, toen er hulp verschaft werd.
+
+</p>
+<p>Zooras Joan het ongeval ontdekt had, begreep hij, dat de paarden gestuit dienden te worden, eer zij in het bestraatte dorp
+aankwamen, <a id="d0e3665"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3665">99</a>]</span>alwaar zij het rijtuig gemakkelijk tegen een huis of stoep zouden kunnen verbrijzelen: haastig zag hij om zich heen, hoe er
+hulp kon bewezen worden, en wierp inmiddels boog en weitasch van zich af. Aan den weg lag een hoop afgehouwen dennestammen:
+een daarvan tilde hij op, stak dien dwars over den weg, met de punt in het dijkje en ging zelf aan de andere zijde van het
+spoor staan, het dikke einde van den boom vasthoudende, en op die wijze een slagboom improviseerende. Bijna op hetzelfde oogenblik
+waren de voorpaarden bij hem: zij struikelden over den hinderpaal en stortten neder, waarop het den koetsier niet moeilijk
+viel, de achterpaarden op te houden en het rijtuig te doen stilstaan. Men begrijpt, dat dit alles in minderen tijd geschiedde,
+dan ik noodig heb om het te verhalen.
+
+</p>
+<p>Een der dienaars naderde het rijtuig en hielp er zijn meesteres uit, benevens hare twee verschrikte kamerjuffers. Zonder een
+woord te spreken, en met een gelaat, waar de uitgestane angst nog duidelijk op te lezen was, wandelde de deftige vrouw den
+weg af, toen haar page, een knaap, die tusschen de twintig en vijf en twintig jaren oud scheen en wiens kleeding en gelaat
+deerlijk van de doornen gehavend waren, met honderd buigingen haar op zijde kwam snellen, en met tallooze dienstbetooning
+vroeg, of Mevrouw ook eenig letsel bekomen had. Zijn meesteres vergenoegde zich met van neen te schudden en wendde zich vervolgens
+tot den koetsier, die van den bok geklommen was en de paarden ophielp, en wien zij vroeg of hij alleen, dan wel met behulp
+van anderen, de paarden had kunnen stuiten.&#8212;&#8220;<span lang="de">Ich? Gen&auml;dige Frau!</span>&#8221; antwoordde de koetsier: &#8220;<span lang="de">nein waaraftig nicht: das ware onm&ouml;glich; want ich hold allein die afterste knollen: ohne ein jungen j&auml;ger, die mit eine kantsch
+prave tegenwortigkeid von keist die dennetak for die perten kehalt had, ware euer Gn&auml;de er so gef&auml;llig niet afjekomen: er
+ware ein hupscher knabe, und Ludwig (<span lang="nl-1900">vervolgde hij, den page schuins aanziende</span>) mag ein beispiel aan ihm nemen, wie sich te ketraken in eine sortkelike kelekenheid.</span>&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zou hetzelfde gedaan hebben,&#8221; antwoordde de page: &#8220;kan ik het helpen, dat ik in die hatelijke doornen te land kwam?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zeide de vreemde Dame, op een gestrengen toon: &#8220;doch gij kunt het wel helpen, dat gij de gordijnen niet losmaaktet,
+toen ik zulks verzocht: wel is waar, elk is zich zelf het naast, en de vrees, die u beving, is uw beste verschooning.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het gelaat van den page, dat op het verwijt van den koetsier rood van toorn geworden was, werd op de beschuldiging zijner
+meesteres bleek van spijt: hij wilde antwoorden, doch wederhield zich intijds, beet op de lippen, wendde zich af en ging naar
+de paarden, als om te helpen; doch de koetsier stootte hem eenigszins ruw van zich af met de verklaring, dat hij hem hinderde.
+
+</p>
+<p>Nog maar half van haar schrik bekomen, plaatste zich de adellijke vrouw op den stapel boomstammen, en vroeg aan de landlieden
+en dorpelingen, die in menigte, door de nieuwsgierigheid gelokt, waren toegeschoten, wie hunner den kloeken jongeling kende,
+die zich zoo moedig en behendig voor haar behoud geweerd had.
+<a id="d0e3686"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3686">100</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Er was ein jongen j&auml;ger,&#8221; zeide de koetsier: &#8220;ein hupscher borst.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een jonge jager&#8221;, zeiden de boeren, de schouders ophalende: &#8220;wie kan dat zijn? hier jaagt niemand dan de Jonker.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Of het moest Teun Wezer zijn,&#8221; mompelde de vrouw van den metselaar tegen den barbier.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die zal zoo mal niet wezen om zich hier te vertoonen,&#8221; zeide de barbier, sedert Bouke hem rottingolie heeft toebedeeld, omdat
+hij zijn nichtje Klaartje zocht te verleiden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat praat jelui van Teun Wezer?&#8221; liet zich een stem achter de koets hooren: &#8220;bemoei je met je eigen duiveljagerijen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij, die deze woorden uitte, was dezelfde boerenknaap, die als postiljon de koets gemend had en bij Reenen te huis behoorde:
+hij stond in den geheelen omtrek in slechten reuk, wegens gepleegde strooperijen en boevenstukken; doch omdat hij een vrij
+goed ruiter was, werd hij wel eens door den boerenstalmeester als postiljon aan reizenden medegegeven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie je nou, buurman?&#8221; hernam de metselaarsvrouw: &#8220;daar is hij al zelf: ja, ik had zoo mis niet gezien. Het spijt mij maar,
+dat ik kwaad van hem gesproken heb: als hij het gehoord heeft, zou hij wel eens uit wraak mijn kippen stelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Inmiddels naderde de postiljon en bezichtigde de paarden: waarna hij met een zwaren vloek verzekerde, dat het eene in de borst
+gewond, en het andere aan &#8217;t been gekneusd was, een schade, welke de genadige vrouw, al ware zij nog zoo genadig, hem betalen
+zou.
+
+</p>
+<p>&#8220;Spreek maar zoo bout niet, Teun!&#8221; sprak iemand achter hem: &#8220;het geheele geval is uw eigen schuld en zou niet gebeurd zijn,
+indien gij, in plaats van af te springen, waart blijven zitten: gij verdient smeer in stede van betaling.&#8221;
+
+</p>
+<p>Teun Wezer zag vloekend om, doch zweeg op het gezicht van den Jonker van Sonheuvel, die, met zijn hond aan zijn zijde, bedaard
+naar hem toekwam.
+
+</p>
+<p>Joan had, als wij verhaald hebben, op het zien van het dreigend ongeval, boog en weitasch weggeworpen: de boog was aan de
+andere zijde van het dijkje in een greppel neergevallen: de weitasch was nog verder heengevlogen: de hazen en patrijzen, daaruit
+gerold, lagen op de heide verspreid. Zoodra hij de paarden gestuit had, was zijn eerste werk geweest, om de gansche rommelzooi
+weder bijeen te gaan zoeken, &#8217;t geen hij met behulp van Veltman ten uitvoer bracht. Daar dit bukkende geschiedde, was hij
+tot nu toe door het dijkje aan aller oogen onttrokken gebleven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zieda&ecirc;r, Gen&auml;dige Frau,&#8221; zeide de koetsier, &#8220;zieda&ecirc;r den knabe, die ons keret heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met een vriendelijken, dankbaren blik keerde zich de genadige Vrouw naar Joan, die met de muts in de hand voor haar stond:
+&#8220;Ik bedank u, knaap!&#8221; zeide zij: &#8220;gij hebt u, naar ik hoor, niet alleen met kloekheid, maar ook met gevaar van uw leven, gedragen;
+u is immers geen letsel overkomen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Als Uwe Genade er even weinig van gedeerd is, als ik, zal het niet erg zijn,&#8221; antwoordde Joan lachende: &#8220;doch waar is mijn
+matten <a id="d0e3715"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3715">101</a>]</span>fleschje gebleven?&#8221; vroeg hij, zich plotseling omwendende: &#8220;dat is zeker aan den boog blijven haken en zoo weggeraakt! Veltman!
+zoek! verloren!&#8221; en Veltman, zijn vermoeidheid vergetende, vloog over het dijkje terug.
+
+</p>
+<p>Deze bekommernis van Joan over zijn matten fleschje was zeker niet naar de regels der strikte beleefdheid; doch hij was op
+&#8217;t land opgebracht, waar hij nooit dan met zijn minderen verkeerd had en nooit met lieden van hoogen rang, als deze Mevrouw
+scheen te zijn, in gezelschap geweest was; de vreemde Dame nam hem zijn vrijpostigheid ook niet kwalijk af; doch de page vond
+goed zich daarover gebelgd te toonen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Goede vriend,&#8221; zeide hij, &#8220;gij stelt zeker veel belang in uw fleschje, dat gij er de tegenwoordigheid van Mevrouw de Gravin
+door vergeet: gij moest liever die brave lieden een handje helpen, om de paarden uit te spannen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit gezegde veroorzaakte een verontwaardiging, die algemeen was en ook bijna gelijktijdig werd uitgedrukt door al de aanwezigen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zwijg Ludwig!&#8221; zeide de Gravin, &#8220;en schaam u! zoo die knaap iets verloren heeft, was het, door dat hij ons hulp betoonde,
+en gij deedt beter hem in &#8217;t zoeken bij te staan, indien zulks uw fraaie broek niet sleet, dan hem onbeleefdheden te zeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De page mocht den bek wel halten,&#8221; zeide de koetsier, terwijl hij Joan met hartelijkheid de hand schudde: &#8220;du bist bei meine
+seele ein gutter burst, en koen wie ein keporen Deutscher.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bewaar ons!&#8221; zeide de vrouw van den metselaar, Ludwig schuins aanziende: &#8220;hoe durft die bonte aap zoo tegen onzen Jonker
+spieken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat jonker?&#8221; zeide Ludwig, zich tot haar keerende: &#8220;van welken jonker spreekt gij? en wat meent ge met uw bonten aap?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De bonte aap ben jij!&#8221; hervatte de vrouw, de armen in de zijde zettende: &#8220;en dat is onze Jonker, de Jonker van Sonheuvel,
+versta je, moesjanker? kijk maar zoo zuur niet: we geven hier niets om je moffegezwets.&#8221;
+
+</p>
+<p>De page zag haar een oogenblik als versteend aan, wendde vervolgens het oog op Joan, mat hem met een somberen blik van het
+hoofd tot de voeten, en vroeg daarna nogmaals zeer bedaard: &#8220;Is dat de Jonker van Sonheuvel?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wie had je hier anders verwacht?&#8221; antwoordde de barbier.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo!&#8221; zeide Ludwig, en met dit woord trad hij terug en floot een deuntje tusschen de tanden.
+
+</p>
+<p>De gravin, die, door het geraas en gepruttel der dorpelingen, van deze woordenwisseling niets verstaan had, trad weder naar
+Joan, en, terwijl zij met de eene hand Veltman streelde, bood zij hem met de andere eenig goud aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat gij mijn hond streelt, Mevrouw, doet mij vermaak,&#8221; zeide Joan, achteruittredende: &#8220;maar geld behoef ik niet. Mijn vader
+is rijk genoeg, om....&#8221;
+
+</p>
+<p>Doch de Gravin liet hem geen tijd om uit te spreken. Den hond streelende, beschouwde zij het dier met meer opmerkzaamheid,
+en <a id="d0e3745"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3745">102</a>]</span>eensklaps riep zij, als door een pijlsnelle gedachte getroffen: &#8220;Mijn God! juist zulk een dier was onze Fenix! Knaap! vanwaar
+hebt gij dien hond?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die hond,&#8221; zeide Joan met eenige trotschheid, &#8220;is op mijns vaders slot geboren: hij is de jongste en eenig overgeblevene
+zoon van den ouden, getrouwen, die nu lang dood is en die in zijn tijd aan den Graaf van Falckestein had toebehoord, maar
+hem door de Spanjaards ontnomen was. Mijn vader heeft hem herwonnen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw vader?.... De Graaf van Falckestein.... Knaap! wie zijt gij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Joan van Reede tot Sonheuvel, en mijn vader is Heer van dit dorp: ginds achter de boomen ziet gij ons kasteel. Vergun mij
+u daar te brengen: gij zult mijn vader veel genoegen doen.... en verder zult gij van avond toch niet willen reizen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met blijdschap zal ik met u gaan, Jonker!&#8221; zeide de Gravin, op wier gelaat een diepe ontroering leesbaar was: &#8220;met onuitsprekelijk
+veel genoegen zal ik uw vader zien. Verschoon mij, indien ik u onbekend beleedigd heb, en laat deze kus u het vermaak uitdrukken,
+dat mij deze ontmoeting verschaft. Zooals mijn onvergetelijke Ulrich mij uw vader meermalen geschilderd heeft, evenzoo kloek
+en dienstvaardig vind ik thans zijn zoon.... Goede Fenix,&#8221; vervolgde zij, Veltman nogmaals streelende, &#8220;gij zijt gelukkiger
+geweest dan uw meester. Uw kroost is gespaard gebleven, en het mijne....&#8221; hier stroomde een tranenvloed langs hare van hartzeer
+vermagerde wangen.
+
+</p>
+<p>De paarden waren nu uitgespannen en de boeren stonden gereed om de koets naar den kort daarbij wonenden wagenmaker te brengen,
+toen zich de postiljon, met een half koppig, half beteuterd gezicht, bij de Gravin vervoegde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Met uw verlof, Mevrouw!&#8221; zeide hij, &#8220;en met dat van den Jonker, zou ik Uwe Genade wel willen verzoeken om eenige schadevergoeding
+voor mijn arme beesten. Zij willen wel, met verlof van den Jonker, al de schuld van het geval op mij schuiven, maar ik verklaar
+Uwe Genade, dat het alleen van dien d....schen steen komt, en dat ik er zoo onschuldig aan ben als een pasgeboren kind! Zoo
+Mevrouw dus zoo goed wilde zijn,... ik zelf heb een zwaren val van &#8217;t paard gedaan in dienst van Uwe Genade.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, in &#8217;t warme zand,&#8221; zeide Joan, hem in de rede vallende: &#8220;dat zal u weinig letsel gedaan hebben. Het verwondert mij, dat
+gij nog zoo onbeschaamd zijt, u hier te vertoonen. Als mijn vader u zag, zoudt gij de knuppelslagen niet ontgaan, gij strooper!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb Mevrouw toch wel bediend,&#8221; zeide Teun Wezer, het hoofd op den schouder leggende als een bok die stooten wil.
+
+</p>
+<p>&#8220;Genoeg hiervan,&#8221; sprak de Gravin: &#8220;Ludwig, betaal den man en laat hem in &#8217;s Hemels naam maar wegrijden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ludwig trok den postiljon ter zijde en betaalde hem. Vervolgens gaf hij hem nog een daalder boven zijn eisch en vroeg hem,
+of hij hem een dienst bewijzen wilde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Tien voor &eacute;&eacute;n, genadige Jonker Page!&#8221; was het antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil! spreek zachter! zijt gij met de buurt sinds lang bekend?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Sedert mijn geboorte ken ik al den omtrek op mijn duim.&#8221;
+<a id="d0e3773"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3773">103</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Goed! rij dan weg; doch tracht u morgen te zeven uren weder hier ter plaatse te bevinden; dan zal er nog meer voor u te verdienen
+vallen. Voort hier vandaan.&#8221; Hier keerde Ludwig zich om: de postiljon oogde hem verbaasd na en reed toen met vier losse paarden
+naar Reenen terug.
+
+</p>
+<p>Terwijl voerde men het rijtuig naar het dorp en bood Joan zijn rechterarm aan de Gravin om haar slotwaarts te leiden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Verschoon mij, Jonker!&#8221; zeide deze, hem beleefdelijk afwijzende: &#8220;gij hebt genoeg te dragen, om met geen oude vrouw als ik
+belast te worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Indien de Jonker het mij toestaat,&#8221; zeide Ludwig, beleefdelijk toeschietende, &#8220;dan zal ik zijn jachtgereedschap gaarne dragen,
+en nog aangenamer zal het mij wezen, zoo de Jonker mij mijn onbescheidenheid van zooeven vergeeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die vergeef ik u gaarne&#8221;, antwoordde Joan: &#8220;en zult gij dit jachtgerij voor uw rekening nemen? Daar is al de brui; doch pas
+op dat de hoenders niet uit de weitasch vliegen.&#8221; Dit zeggende hing hij die om den hals van den page.
+
+</p>
+<p>&#8220;En pas op,&#8221; vervolgde de Gravin, spotachtig, &#8220;dat uwe fraaie kleeren niet bederven.&#8221;
+
+</p>
+<p>Al pratende trad zij met den Jonker het dorp in, en nu nam deze de vrijheid te vragen, wie hij aan zijn vader voor moest stellen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Helaas!&#8221; antwoordde de Gravin, &#8220;al mijn namen veroorzaken mij droevige herinneringen, zoo dikwijls ik die melden moet. Misschien
+heeft uw vader u wel eens gesproken van Anna van Manderscheid, laatstelijk weduwe van Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, en
+vroeger van Graaf Ulrich von Daun?....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is &#8217;t mogelijk.... naar wien mijn zuster Ulrica genoemd werd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Werd zij waarlijk?.... Gaf uw vader haar den naam van mijn echtgenoot? Ach, hoe verlang ik dat meisje te zien en te omhelzen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn vader heeft mij wel eens van uw ongelukken verhaald, Mevrouw! gij moet veel hebben doorgestaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Meer dan iemand ooit mogelijk gedacht had te kunnen overleven. Mijn beide gemaals vielen door het staal: mijn jongste zoontje
+kwam met zijn vader om, en mijn oudste, mijn eenigst overgeblevene.... ook hij werd voor weinige jaren gruwzaam vermoord.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn vader hield veel van den Graaf van Falckestein: dikwijls spreekt hij van hem, en altijd geraakt hij in drift, als hij
+gewag maakt....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van de rampzalige wijze waarop hij omkwam, nietwaar? Vrees niet, mij door te sterke uitdrukkingen zeer te doen: ik heb zooveel
+geleden, dat ik bijna verstompt ben voor aandoeningen. Helaas! al wat mij waard was, werd het slachtoffer van den Spaanschen
+haat: en allen zijn nog ongewroken. Slechts Velasco viel ten offer, en of deze de schuldige was, durf ik op goede gronden
+betwijfelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Velasco! daarvan heeft mijn vader mij nooit verhaald.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet? dit zal hem zijn zedigheid misschien belet hebben. Uw vader heeft in Velasco&#8217;s bloed den dood van zijn vriend willen
+wreken: het was de eenige wraak, ik herhaal het! Toen die aartsdwingeland <a id="d0e3806"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3806">104</a>]</span>Mendoza in Den Haag gevangen zat, nu dertien jaren geleden, leverde ik een aanklacht tegen hem in: mijn verzoek werd van de
+hand gewezen, mijn brave echtgenoot nog door dien booswicht van verraad en eedbreuk beticht, terwijl hij.... doch genoeg hiervan:
+ik wil uw vader een vriendelijk gelaat toonen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar komt hij ons met Ulrica te gemoet,&#8221; riep Joan verheugd uit, op het zien van den Baron, die, van de komst der Gravin
+verwittigd, met zijn dochter haar zijn diensten aan kwam bieden.
+
+</p>
+<p>Onder wederzijdsche beleefdheden, welke de lezer zich gemakkelijk kan voorstellen, en nadat de Gravin Joans gedrag ten hoogste
+geprezen had, kwamen zij gezamenlijk binnen het kasteel, waar de Baron zijn adellijke gast met een handkus welkom heette,
+en bevelen gaf om een prachtigen avondmaaltijd aan te richten, aan welken echter, buiten Joan, door niemand veel eer gedaan
+werd. Op het nagerecht, toen Ulrica, in wier bevallig uiterlijke en minnelijke hoedanigheden de Gravin een groot welgevallen
+scheen te hebben, zich ter ruste had begeven, viel het gesprek wederom op de lotgevallen dezer laatste. Twee jaren na den
+dood van haar eersten man huwde zij den Graaf van Nassau, die het volgende jaar in den krijg sneuvelde; de Gravin, weder in
+&#8217;t bezit van haar goederen geraakt, dacht nu haar dagen zonder verdere rampen door te brengen; dan vergeefs: haar oudste en
+thans eenige zoon werd in de nabijheid van het slot Bruck, werwaarts hij met Ludwig en den ouden Beckman heenreisde, door
+Spanjaards overvallen en omgebracht. Een jaar later werd ook de broeder der Gravin door een doodelijk lood getroffen: en thans,
+nu Kleef en Berg haar hatelijk geworden waren, ging zij ver van het tooneel der geleden rampen in Den Haag haar woonplaats
+vestigen, alwaar zij hoopte, dat een spoedige dood een einde aan zoovele rampen maken zoude.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mevrouw!&#8221; riep Joan, na het aanhooren van dit alles, in geestdrift uit: &#8220;ik hoop dat ik eens in staat zal wezen, al uw ongelijk
+te wreken. Zoo ik ooit dien Mendoza, dien Lopez, dien Velasco, een van die schelmen, die uw ongelukken berokkend hebben, ontmoeten
+mocht, mijn zwaard zal....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zwijg knaap!&#8221; viel Reede haastig in: &#8220;gij weet niet wat gij begeert.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat hem spreken,&#8221; zeide de Gravin: &#8220;het doet mij goed hem te hooren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En waarom mag ik dat niet zeggen, vader!&#8221; hervatte de knaap: &#8220;gij hebt zelf mij geleerd, dat een waar ridder, zooals er thans
+weinig meer te vinden zijn, aan zijn God, zijn vaderland en aan de verdrukte onschuld zijn degen moet wijden: en volg ik dus
+uw voorschrift niet, wanneer ik Mevrouw wil wreken, wier echtgenooten voor God en de goede zaak zijn gevallen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja!&#8221; zeide de Gravin, ontroerd, terwijl zij den knaap met welgevallen beschouwde; &#8220;gij zult mijn wreker zijn, Joan! van nu
+af maak ik u tot ridder.&#8221; Dit zeggende, maakte zij haar gouden halsketen los en sloeg die om den nek van den jongeling. Dankbaar
+en verlegen over zulk een fraai geschenk, wilde Joan hare hand kussen; <a id="d0e3822"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3822">105</a>]</span>doch hem oprichtende, kuste zij hem op het voorhoofd: &#8220;als mijn ridder kus ik u,&#8221; vervolgde zij: &#8220;maak u meer en meer waardig
+dien naam te dragen, en, zoo gij de u ingeprente beginselen moedig vast blijft houden, zal hij meer dan een bloote titel zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij ziet het, vader!&#8221; riep Joan verheugd uit: &#8220;de Genadige Vrouw acht mijn woorden zoo gering niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Reede zweeg, schudde het hoofd en keek in &#8217;t vuur. Zwaar drukte hem het denkbeeld, door Joans uitroep in hem opgerezen, dat
+deze, eenmaal den wapenhandel kiezende, tegen zijn eigen landgenooten, ja tegen zijn hem onbekende naastbestaanden, de wapenen
+voeren zoude. &#8220;Mevrouw!&#8221; zeide hij, na lang zwijgen: &#8220;ik trachtte altijd aan Joan te leeren, dat het Christenplicht is, aan
+onze vijanden te vergeven: uwe goedheid jegens hem heeft mij diep getroffen: doch zoo hij eens de wapenen voert, waaraan ik
+nog twijfel, zal hij, hoop ik, voor de algemeene zaak, niet voor bijzondere wraak strijden.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Gravin sloeg op hare beurt de oogen neder en beet zich op de lippen: de uitval des Barons mishaagde haar, en gaarne had
+zij dien beantwoord; doch zij had te veel gevoel van welvoeglijkheid, om zich een scherpe uitdrukking tegen een voor &#8217;t overige
+zoo vriendelijken gastheer te veroorloven. Nadat zij dus eenige oogenblikken met de franjes van het Atrechtsche tafelkleed
+gespeeld had, wendde zij zich tot den page, die achter haar stond, en gelastte zij hem, te gaan zien of haar bagage in orde
+was en of men het benoodigde voor haar nachtverblijf had ontpakt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die knaap heeft een schrander uitzicht,&#8221; zeide de Baron, toen Ludwig vertrokken was: &#8220;doch hij schijnt wat teer van maaksel
+en ongeschikt voor zware vermoeienis.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben op een zonderlinge wijze aan hem gekomen,&#8221; antwoordde de Gravin: &#8220;zijn moeder heeft mij het leven gered, toen ik uit
+Bruck vluchtte. Eenigen tijd na mijn tweede huwelijk, kwam zij weder tot mij en verzocht bescherming voor haar zoon. Zij was,
+zooals ik toen hoorde, een Geldersch meisje en door een Spanjaard verleid geworden. Den knaap liet ik opvoeden, en nam hem
+tot page, na den dood van Graaf Lodewijk. Hij beantwoordde mijn zorgen wel; want, ondanks een zekere poppigheid en keurigheid
+op uiterlijke vormen, die aan kleingeestigheid grenst, is hij getrouw, nauwgezet en uitmuntend geschikt om te volbrengen wat
+hem wordt opgedragen, ook hetgeen niet tot zijn vak behoort. Hij was getuige van den dood mijns zoons, ontkwam niet dan met
+moeite aan de handen der Spanjaards en kondigde mij de treurige tijding aan met een voorzichtigheid en gevoeligheid, die beide
+aan zijn verstand en hart eer deden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Als hij van Spaansch bloed is, zou ik hem toch maar half vertrouwen,&#8221; zeide Joan halfluid: &#8220;onze Bouke zou zeggen: &#8217;t wil
+muizen wat van katten komt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alweder!&#8221; zeide de Baron: &#8220;hebt gij niet gehoord, wat ik zooeven zeide, dat gij u van aanmerkingen te onthouden hebt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal geen woord meer spreken,&#8221; mompelde Joan: &#8220;doch ik houd niet van dien page.&#8221;
+<a id="d0e3840"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3840">106</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Niet? Gij zult van hem houden, als ik het verkies. Ik begeer, dat gij zeer vriendelijk tegen hem wezen zult en hem morgen,
+zoo hij het verlangt, het kasteel, de tuinen en de omstreek zien laten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu,&#8221; viel de Gravin in: &#8220;het spijt mij, dat mijn page aanleiding geeft tot misnoegen van onzen waardigen gastheer op mijn
+braven ridder; doch ik moet den goeden Ludwig in zijn eer herstellen. Hij kent zijn Spaansche afkomst niet en legt in al zijn
+gesprekken en handelingen afkeer voor onze vijanden en een innige gehechtheid aan onzen landaard aan den dag.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hier eindigde het gesprek, en weldra begaf men zich ter ruste; doch de Heer van Sonheuvel kon den slaap niet vatten: de gelijkheid,
+die tusschen het lot van Joan en dat van den page bestond, verbaasde en ontzette hem; en zijn eerlijk hart werd hoe langer
+hoe meer bedrukt door de gedachte dat zijn pleegzoon, zoolang hij van zijn afkomst niet vergewist ware, gevaar liep, onwetend
+zijn magen te haten, te vloeken, te bestrijden. Tot dezen tijd toe had de Baron er nooit bepaaldelijk over nagedacht, hoe
+en wanneer hij den jongeling het geheim zijner geboorte bekend zou maken: hij had gehoopt, dat de tijd en de omstandigheden
+hiertoe een gepaste aanleiding zouden geven, en zijn bekommering hieromtrent naar een verwijderde toekomst verschoven; doch
+thans was die verwachte aanleiding gekomen, en zij vervulde hem met angst en zorgen: een gezegde van Joan had het hem tot
+een plicht gemaakt, den jongeling alles te ontdekken: en die plicht scheen hem zijn krachten te boven te gaan. Zijn boezem
+schokte op het denkbeeld, dat hij den knaap, wien hij als zoon had aangenomen en opgevoed, op eenmaal zou moeten verloochenen:
+en wat kon niet bij den gevoeligen jongeling het gevolg zijn eener ontijdige bekentenis? Misschien radeloosheid, vertwijfeling
+of nog erger. Zou niet de ongelukkige, in Nederland om zijn afkomst over den nek aangezien, door de Spanjaards als een gelukzoeker
+verstooten worden? Wellicht ellendig en zonder troost de wereld moeten rondzwerven en zijn pleegvader verwenschen, die zijn
+kindsche jaren met ijdele begoochelingen gevleid had?&#8212;Als vreeselijke spoken drongen zich deze benauwende gedachten voor den
+geest des Barons, totdat hij eindelijk besloot, nog den volgenden morgen een einde aan alle onzekerheid te maken, door met
+den Predikant Raesfelt de middelen te beramen, geschikt om de zaak tot effenheid te brengen, en deze dan hoe eer hoe beter
+<span id="d0e3847" class="corr" title="Bron: n">in</span> &#8217;t werk te stellen.
+
+
+
+<a id="d0e3850"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3850">107</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="d0e3851" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Twaalfde Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<div class="&#xA; poem&#xA; " lang="fr">
+<p class="line" style=""><span>Je suis, dit-on, un orphelin.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Entres les bras de Dieu jet&eacute; d&egrave;s ma naissance.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Et qui de mes parents n&#8217;eus jamals connaissance.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Racine</span>, Athalie.
+</p>
+</div>
+<p>Nauwlijks was de dageraad aangebroken, of Joan, verlangende nog voor het ontbijt eenige hoenders te schieten, maakte zijn
+jachtgeweer in gereedheid en begaf zich naar buiten. Aan de steenen poort gekomen, waar de oude portier zijn slaapplaats had
+(die hij niet zelden al grommende verliet, wanneer hem de Jonker zoo vroeg kwam wekken om de poort te ontsluiten), vond hij
+tot zijn verwondering, den grijsaard reeds geheel aangekleed in de opene poort gezeten, terwijl Bouke, die naast hem stond,
+zich met hem over vroegere krijgsbedrijven onderhield.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel zoo Frans!&#8221; zeide Joan: &#8220;al zoo vroeg bij de werken?&#8221; &#8220;Ja Jonker! ditmaal heb ik het jou afgewonnen: en daarbij moet
+je niet eens denken, dat je de eerste man zijt, die de poort uitgaat: het is al een half uur geleden dat ik gewekt ben geweest:
+en raad ereis door wien? door dien mooien pop van de vreemde Mevrouw. Ja! hoe noemt men zoo&#8217;n lintejongen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Door den page? wat had die zoo vroeg buiten te doen?&#8221; &#8220;Dat weet Joost&#8212;Gisteren was het met dat vreemde volk alles lo&acirc;t op
+stok. Ik was blij toen ik er om &eacute;&eacute;n oere in lag; want ik had op de lakeien moeten wachten, die nog na het avondeten naar het
+dorp waren gegaan en God beter ze, in de kroeg in sloap gevallen waren. Blij was ik, zooals ik zei, dat ik er om &eacute;&eacute;n oere
+in lag, en met de ongewoonte van zoo loat naar kooi te goan, kon ik den slo&acirc;p niet voor vijf oere vatten: dan kijk, pas slo&acirc;p
+ik een oer, of wie sto&acirc;t do&acirc;r veur mien bed?&#8212;Die hansworst van een roodrok: en met een stem alsof hij zelf een prins of een
+gro&acirc;f was, zeit hij tegen mij, die er nog nooit door gro&acirc;f of heer of boer op zoo&#8217;n manier ben oetgeport: &#8220;Vrindje! sto&acirc; op
+en mo&acirc;k open.&#8221; Vrindje! en dat tegen mij? Kon hij niet zeggen: Poortier! of: goede vriend! of Frans! zoo hij mijn noam anders
+kende. Mo&acirc;r, om kort te goan: h&ecirc;! zei ik, toen ik zoo half wakker was, jonker Melkmuil! is het nou tijd van oet te go&acirc;n! Go&acirc;
+nog wat no&acirc;r je bed: je zult moe wezen van je reis.&#8212;En wat denkje dat zoo&#8217;n vlegel me antwoordde? Jo&acirc;! zoo iets heb je nooit
+beleefd! &#8220;Kom,&#8221; zei hij zoo: &#8220;sto&acirc; op! anders go&acirc; ik zelf de poort opensluiten:&#8221; en meteen greep hij mo&acirc;r zoo familjo&acirc;r naar
+de sleutels, die no&acirc;st me lagen. Mo&acirc;r ik zei: heb ik jou do&acirc;r? dat zal mis wezen: as je bruto&acirc;l wordt, komje der in &#8217;t geheel
+niet oet! Want ik werd driftig op mijn manier: mo&acirc;r zoo&#8217;n moesjanker deed krek alsof hij er zich niet oan stoorde: hij vouwde
+de armen over meko&acirc;r en <a id="d0e3872"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3872">108</a>]</span>keek mij heel bedo&acirc;rd an: &#8220;kom,&#8221; zei hij zoo: &#8220;doe mo&acirc;r gauw open, anders go&acirc; ik Mijnheer den Baron roepen en vro&acirc;g hem, of
+hij jou hieten wil; want ik heb last van Mevrouw de Gravin: en ik moet oet.&#8221;&#8212;Hebje ooit zoo&#8217;n onbescho&acirc;mden snotneus gezien?
+Ja! hij zou no&acirc;r je vo&acirc;der go&acirc;n? jawel mergen! Mo&acirc;r ik dacht: de jongen spreekt zoo bout, wie weet of hij geen verlof heit
+van Mijnheer?&#8212;en zoo van &#8217;t ien op &#8217;t o&acirc;r komende, dacht ik zoo bij mijn aigen: jo&acirc;! het is toch de bediende van een groote
+Mevrouw en hij is zoo veul als kind in huis: ik zal mo&acirc;r de minste wezen; en zoo stond ik op en liet hem oet, en toen zag
+ik dat hij twee brieven in de hand had.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hebt wel gedaan, Frans!&#8221; zeide Joan: &#8220;die page is een verwaande zotskap; doch de Gravin heeft veel met hem op: dus moeten
+wij hem maar wat toegeven, zoolang hij hier is. En gij ook al zoo vroeg op?&#8221; vervolgde hij, zich tot Bouke keerende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja!&#8221; zeide deze: &#8220;de page had mij gisteren bij &#8217;t naar bed gaan gevraagd of hij vroeg het kasteel uit kon: en daar ik weet,
+dat er van zulk volkje niet veel goeds te verwachten is, was ik eens opgestaan om te zien, wat hij voor dag en dauw doen moest;
+maar de vogel was al gevlogen. &#8217;t Is een rare snaak, de eigenste page: aan wie denk je, dat hij gisterenavond zijn hof maakte?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel aan Klaartje,&#8221; antwoordde Joan: &#8220;dat is de mooiste meid uit de buurt, en men zeit dat de pages daar altijd op afgaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Aan Klaartje?&#8221; Ja hij moest eens beginnen! al is hij nog zoo in dienst van een gravin, ik zou hem gravinnen: ik ben oom en
+voogd van Klaartje, en ik zal wel oppassen dat hij haar zelfs geen onnoozelen zoen geeft: ik denk altoos; met kleine lapjes
+leert de hond le&ecirc;r eten: vuur en stroo dient niet alzoo: geef den duim, dan....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, maar met wie vrijde hij dan?&#8221; vroeg Joan, dien vloed van spreekwoorden stuitende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Naar wie?&#8212;hij heeft twee uren lang in een hoekje van de keuken zitten flikvlooien met de oude Geert.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijt gij dol, Bouke! Of verkoopt ge flausen? Wat zou hij aan die <span id="d0e3888" class="corr" title="Bron: onde">oude</span> totebel verteld hebben?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heb ik haar ook gevraagd: doch oele! ze was zoo dicht als een kruitvaatje en zoo geheim als een jonge meid, die voor
+&#8217;t eerst onder vier oogen met haar vrijer gezeten heeft: zij zei mij, ze kon er niets van oververtellen en ik mocht er aan
+geen sterveling van spreken, dat zij zoolang met den page geredeneerd had;&#8212;maar jawel! ik breek er mijn hoofd mee: ik ruilde
+toch mijn olde kruitdoos tegen een nieuwe, om te weten wat hij aan die babbelkous al zoo op de mouw heeft gespeld.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De oude Geert en de jonge page!&#8221; hernam Joan: &#8220;dat zou al een fraai paar geven!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Zou nog de vraag wezen, wie van de twee &#8217;t eerst genoeg had an de andere,&#8221; merkte Frans aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu!&#8221; zeide Joan, &#8220;ik trek af: anders wordt het mij te laat. Goeden morgen samen!&#8221;
+<a id="d0e3899"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3899">109</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Go&ecirc; mergen en go&ecirc; jacht, Jonker!&#8221; zeide de Portier: &#8220;zie den page maar voor geen fezantenho&acirc;n an: je mocht anders dien sinjeur
+kakelbont ereis een pijl bij vergissing in zijn dikste vleesch zenden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nog lachende over hetgeen Bouke hem verhaald had, was Joan alras, van Veltman vergezeld, op het pad gekomen, hetwelk aan den
+voet van het dorp, door moeslanden en boomgaarden, op de heide aanliep en gemeenschap had met den grooten weg, niet verre
+van de plaats, waar Joan &#8217;s avonds te voren zijn welberadenheid en moed getoond had. Reeds was de Jonker op de opene plaats
+gekomen, waar een groote houten galg (gelukkig in jaren niet gebruikt) midden tusschen de roodekoolstruiken oprees en des
+Barons hooge jurisdictie binnen de grenspalen van zijn heerlijkheid aantoonde, toen Veltman, die al snuffelende vooruit was
+geloopen, stokstijf staan bleef en op deze wijze de tegenwoordigheid van een koppel patrijzen verried, hetwelk inderdaad niet
+lang daarna klapwiekend opsteeg en vooruitvloog. Sneller echter vloog de pijl des Jonkers het achterna, en deed een der hoenders
+in het hakhout storten. Spoedig bracht Veltman het dier aan zijn meester, die, na het in zijn weitasch verborgen te hebben,
+zich aan den voet der galg plaatste om den boog opnieuw te wapenen.
+
+</p>
+<p>Het koolveld, waarop zich de jongeling bevond, was van den weg door een smalle strook kreupelhout afgescheiden, hetwelk, schoon
+reeds aan &#8217;t verdorren, echter dicht genoeg was om het doorzien te beletten: hoewel Joan dus niet zag, wie zich op den weg
+bevond, kon hij echter duidelijk hooren, dat er eene stem, welke hem niet vreemd was, van die zijde kwam. Met jeugdige nieuwsgierigheid
+sloop hij dus van onder de galg naar het hakhout toe, haalde de berketakken op zijde, keek door de opening, en zag.... in
+&#8217;t eerst niets; want de rijmdroppelen, die van den tak vielen, hadden hem de oogen doen sluiten;&#8212;dan, zoodra hij die uitgewreven
+had, ontdekte hij, dat hij zich niet vergiste, en dat werkelijk de page der Gravin, in zijn paarsen mantel gewikkeld, midden
+op den weg stond, en iemand, die van den kant van Reenen aan kwam wandelen, aldus toeriep:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo! zijt gij daar eindelijk! ik heb al bijkans een uur op u staan wachten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vergeef mij, Jonker!&#8221; antwoordde de nieuwgekomene, die door Joan <span id="d0e3910" class="corr" title="Bron: vooor">voor</span> Teun Wezer werd herkend: &#8220;mo&acirc;r, op den weg ontmoette ik een po&acirc;r van mijn kennissen hier uit het dorp, die mij een kwoad
+hart toedragen uit uithoofde van een kip twee drie, die ik ereis onderweg evonden heb, en die ze zeggen dat hun toekomen:
+en om die kno&acirc;pen te mijden, heb ik de bijpo&acirc;djes enomen, anders ware ik hier al eer eweest. Wat is er nou van &#8217;s Jonkers
+believen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier zijn een paar brieven;..., maar eerst moet ik u nog een vraag doen: kent gij den Heer van Sonheuvel sedert lang?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Langer dan mij lief is, Sinjeur!&#8221; zeide Teun: &#8220;toen ik acht jaren oud was, heit hij me ereis laten afranselen, omdat ik valschelijk
+beticht was geworden van zijn eieren te hebben met enomen. Kon <a id="d0e3917"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3917">110</a>]</span>ik het gebeteren, dat zijn kippen niet leggen wolden?&#8212;En naderhand....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed! dan kunt gij mij wel verhalen wat u heugt van de geboorte des jonkers? Is daaromtrent niets opmerkelijks voorgevallen?&#8221;
+Hier werd Joan dubbel opmerkzaam.
+
+</p>
+<p>&#8220;Om je de wo&acirc;rheid te vertellen heerschop!&#8221; antwoordde Teun Wezer, &#8220;heel veel weet ik er niet van. Mo&acirc;r je mot weten, ik vrijd
+zoo wat no&acirc;r het nichtje van Bouke, den olden knecht op &#8217;t slot: en dat meiske heit me wel verteld, dat ho&acirc;r heugt, en ze
+was ook nog mo&acirc;r een kind, dat het zeuntje van den Baron begraven werd, en dat deze Jonker, dien we nou hebben, op een blauw-maandag
+te Amsterdam is aangekomen, zonder dat iemand weet hoe of wanneer: en als ze haar oom er naar vro&acirc;gt, dan zeit deze, ze mot
+mo&acirc;r zwijgen; mo&acirc;r nou is er ook wel, die zeggen, dat het zoo&#8217;n stuk van een buitenbeentje is van den olden Heer, en dat de
+Barones er van hartzeer over ekrepeerd is; maar het fijne van de mis weet ik zoowo&acirc;r niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zal ik u ook niet meer vragen,&#8221; hervatte de page: &#8220;hoor! hier hebt ge twee brieven, beide zonder opschrift: dezen, waar
+ik het kruis op gemaakt heb, om hem te onderscheiden, bezorgt gij te Tiel, ten huize van Klaas Meinertz den schrijnwerker.
+Gij behoeft niet te zeggen van wien hij komt, maar gij moet hem aan den man zelven overhandigen: hij zal u voor &#8217;t bestellen
+twee kronen geven, dat staat in den brief.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat?&#8221; zeide Teun Wezer: &#8220;Klaas Meinertz! die ijzegrim, die femelaar, die den geheelen dag bidt en psalmen balkt, en mij al
+meer dan eens no&acirc;r de diepste diepte van de hel ewenscht heit, zal die mij twee kronen geven?.... Stichtelijke vloeken naar
+mijn kop, alsof ik....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zal u twee kronen geven, als ik zeg,&#8221; hernam Ludwig, droogjes.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nou! ik zal &#8217;t bezorgen,&#8221; zeide Teun, grinnekende.
+
+</p>
+<p>&#8220;En dezen brief,&#8221; vervolgde Ludwig, &#8220;brengt gij aan den Ambtman Mom, die op dit oogenblik in Tiel is: mede eigenhandig. Zoo
+men u niet bij hem in wil laten, zegt gij maar, dat gij van de Gravin van Nassau komt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja mo&acirc;r,&#8221; zeide Teun, terwijl hij zijdelings naar de galg keek, die men over het hakhout heen kon zien: &#8220;ik ben juist niet
+zwo&acirc;r op een bezoek bij den Ambtman gesteld: ik tracht zoomin mogelijk met de heeren van den Gerechte in kennis te komen,
+want zij hebben allen, ik weet niet wo&acirc;rom, een hekel aan mij gekregen, en ik heb geen lust om dat gindsche veld met rooiekool
+eens uit de hoogte te bekijken.&#8221; Hier maakte hij de beweging van hangen.
+
+</p>
+<p>&#8220;De brief, dien gij brengen zult, zal uw beste aanbeveling bij den Ambtman zijn,&#8221; hervatte Ludwig; &#8220;doch gij zult het diepste
+stilzwijgen omtrent de u toevertrouwde boodschappen in acht moeten nemen, of..., uw vrees zou verwezenlijkt kunnen worden!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wees gerust! voor geld en kwa&ecirc; woorden zwijg ik als een kikker bij winterdag: is er nog iets van je bevelen?&#8221;
+<a id="d0e3939"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3939">111</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Niets meer! rep je en maak bijtijds in Tiel te wezen: hier hebt ge nog wat drinkgeld en iets om het veer te betalen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Duizendmo&acirc;l dank, heerschop!&#8221; zeide Teun: &#8220;nou snij ik dat zijpad mo&acirc;r in; want het dorp ga ik liefst niet deur, om redenen
+mij bekend. Leef gezond Sinjeur!&#8221;&#8212;Met dit afscheid sloeg hij het zijpad in, liep Joan voorbij zonder hem te zien en verwijderde
+zich naar den kant der rivier.
+
+</p>
+<p>Deze zonderlinge samenspraak had Joan zoodanig verbijsterd, dat hij zijn boog, de hoenders, ja de jacht zelve vergeten was,
+en nog luisterde toen de boerenknaap reeds lang uit het gezicht was.&#8212;Toen hij omtrent de echtheid zijner geboorte bedenkingen
+had hooren opperen, was hij in den wil geweest, zich aan den onbeschaamden lasteraar te vertoonen en hem eens heftig door
+te halen; doch de vrees had hem teruggehouden: schoon moeds genoeg bezittende, achtte hij het geen gelijk spel om zich te
+wagen tegen Teun Wezer, een forschen, ruwen knaap, die niets te verliezen had, dadelijk met het mes gereed was en hem bovendien
+een kwaad hart toedroeg; den page betrouwde hij zoo weinig, dat hij niet wist, of hij hem als vriend of vijand beschouwen
+moest, en van dezen kant wachtte hij dus geen bijstand. Voorzichtigheidshalve was hij daarom in zijn schuilhoek blijven zitten
+tot na den afloop van &#8217;t gesprek: over de boodschap der brieven had hij maar half nagedacht, meenende, dat de bezorging daarvan
+een geheim was, dat de Gravin raakte en naar &#8217;t welk hij zelfs niet gissen mocht; want van zijn jeugd af was hem ingeprent,
+dat het schandelijk is, te willen indringen in hetgeen iemand zoekt te bedekken. Ziende dat de page langs den rijweg weder
+naar het dorp ging, kroop hij het hakhout uit en volgde hem, met oogmerk om hem met een tik op de schouders en den gewonen
+morgengroet te verrassen; doch Veltman, die nu lang genoeg naar zijn zin aan de zijde zijns meesters had stilgezeten, snelde
+hem met drift vooruit en verraadde Joans nabijheid aan den page. Deze keek om en zag Joan achter hem, die hem een frisschen
+morgen toewenschte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Goeden morgen, Jonker!&#8221; zeide Ludwig, even den hoed aflichtende en vervolgens gelijken tred met Joan aannemende: &#8220;reeds zoo
+vroeg in &#8217;t veld?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij dunkt,&#8221; zeide Joan, &#8220;ik moest u die vraag doen; doch zoo gaat elk voor zijn eigen aangelegenheid uit: ik voor mijn vermaak,
+gij om Mevrouw de Gravin te believen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De page zweeg een oogenblik en hield zijn kleine gitzwarte oogen op Joan gevestigd, als wilde hij op het open gelaat des jongelings
+lezen, of zijn gezegde niet meer dan een loutere veronderstelling, dan wel of het een geheimen zin bevatte; vervolgens hernam
+hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat doet u denken, Jonker! dat ik voor Mevrouw de Gravin ben uitgeweest?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Omdat ik niet geloof,&#8221; gaf Joan ten antwoord, &#8220;dat gij voor uw eigen vermaak, na gisteren den ganschen dag gereisd te hebben,
+zoo vroeg het warme bed, voor de koude hei verlaten hebt; en dan <a id="d0e3956"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3956">112</a>]</span>die brieven, die gij aan Teun Wezer gegeven hebt en die ik vrees dat slecht bezorgd zullen worden: want hij is een groote
+schavuit.....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hebt ons dan gezien?&#8221; viel Ludwig haastig in.
+
+</p>
+<p>&#8220;En gehoord,&#8221; zei Joan.
+
+</p>
+<p>Ludwig zweeg, zag somber voor zich heen, nam zijn slinkerhandschoen in de rechterhand en begon er op te knabbelen, totdat
+Joan hem glimlachende vroeg, wat de arme handschoen gedaan had, dat hij dien zoo slecht behandelde.
+
+</p>
+<p>Na een poos gezwegen te hebben, zeide de page, met een ernstig gelaat: &#8220;Jonker! de boodschap, welke ik aan dien boerenknaap
+gegeven heb en waarvan zijn baatzucht mij de goede bestelling waarborgt, is van het hoogste belang, en Mevrouw de Gravin had
+mij op het hart gedrukt, dat ik er niemand iets van zoude laten blijken. Dewijl UEd. echter getuige geweest zijt van de uitvoering
+van den mij gegeven last, hoewel ik niet verwacht had, dat UEd. ons beluisteren zoude....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geheel onwillekeurig,&#8221; zeide Joan blozende: &#8220;ik dacht, dat uw ontmoeting met Teun Wezer toevallig was, en ik sloop naderbij
+uit loutere nieuwsgierigheid om te weten wat die schurk u vertellen ging:&#8212;wat die brieven betreft, daarvan zal nooit een woord
+over mijn lippen komen: nooit heb ik iemands geheimen verraden, of zij mij aangaan of niet;&#8212;doch ik wilde wel eens weten,
+hoe het te pas kwam, dat gij dat logenbeest van een Teun over mijn geboorte ondervraagdet, om zulke lastersprookjes uit te
+lokken als hij u op de mouw spelde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jonker!&#8221; antwoordde de page met een nog ernstiger gelaat en op een langzamen toon: &#8220;ik wilde wel, dat gij mij deze vraag
+niet gedaan hadt: daar mijne handelwijs u echter met reden vreemd moet voorkomen, zal ik u openhartig zeggen, dat er zonderlinge
+geruchten omtrent uw geboorte loopen;.... geruchten, welke, wijd en zijd verspreid zijnde, mij ter ooren zijn gekomen....
+hoewel ik er de zegsman niet van wezen wil.... waardoor de nieuwsgierigheid van Mevrouw de Gravin.... gij weet, dat vrouwen
+veeltijds nieuwsgierig vallen;.... doch ik zelf wist niets van dat geval af.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Joost haal me, als ik iets uit geheel uw openhartig antwoord begrijp,&#8221; hervatte Joan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Indien UEd,&#8221; zeide Ludwig, &#8220;nader onderricht begeert, kan UEd. immers met den Heer Baron spreken? Die zal best weten, hoe
+het met uw geboorte zit,&#8221; voegde hij er lachend bij.
+
+</p>
+<p>Joan stond stil, knikte eenige reizen met het hoofd, loosde een diepen zucht, wenschte den page vaarwel en sloeg een zijweg
+in, die naar de heide bracht, terwijl Ludwig slotwaarts keerde.
+
+</p>
+<p>In den morgen van dien dag viel er op het kasteel niets belangrijks voor: tegen den middag keerde Joan van de jacht, met de
+tijding uit het dorp, dat het rijtuig der Gravin weder in orde gebracht was en na den eten zou voorrijden. Aan tafel was hij,
+zoowel als zijn pleegvader, peinzend en stil: na den afloop van den maaltijd kwam de koetswagen de slotbrug oprijden: de Gravin
+nam beleefdelijk afscheid van den gastheer en zijn gezin, reed met haar gevolg <a id="d0e3978"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3978">113</a>]</span>af en kwam, zonder verdere tegenspoeden, twee dagen later, behouden in &#8217;s Hage.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een schoone vrouw!&#8221; zeide Geertrui tegen Bouke, die bezig was de valken te voederen: &#8220;en zoo minzaam jegens een iegelijk.
+Waarlijk, zij heeft veel van Mevrouw zaliger: even vriendelijk en voorkomend, als die was: en zij weet van het huishouden
+al vrij wat af voor zoo een groote Mevrouw! zij maakte zelfs de aanmerking, dat de kussens in de groote ridderzaal veel meer
+hun kleur verloren hebben dan de gordijnen, schoon ze van hetzelfde damast zijn. Ja! zei ik zoo, genadige vrouw Gravin! toen
+onze lieve Mevrouw zaliger nog leefde, was het niet geoorloofd op die kussens te gaan zitten: toen hielden zij beter hun kleur;
+maar zij zei, nu, ik heb toch liever de kussens om op te zitten, zei zij, dan alleen voor de pronk; en toen zei ik: ja Mevrouw!
+dat is ook waar, maar het is toch wat erg, dat nu die stinkende honden op die kussens gaan liggen; en toen lachte zij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar vertel mij liever eens, Geert,&#8221; zeide Bouke, haar in de rede vallende: &#8220;wat heeft die lanterfant van een page je toch
+verteld? Je hadt het bijster <span id="d0e3984" class="corr" title="Bron: drok mef">druk met</span> hem.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op deze vraag hield de oude dienstmaagd eensklaps met lachen op en zette haar gelaat in een meer ernstige plooi.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker heeft hij je onderhouden over je blozende kleur,&#8221; vervolgde Bouke, &#8220;en over je betooverende oogen, hoewel men die slechts
+vinden kan door den bril heen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een bril! nu kijk!&#8221; hernam Geertrui, gebelgd: &#8220;en wanneer draag ik een bril? niet dan om in Gods woord te lezen en om kousen
+te mazen; en dan draag ik hem nog maar op de punt van mijn neus, zoodat ieder mijn oogen zien kan. Ja! ik wilde wel eens zien,
+dat iemand kousen maasde zonder bril. Daar was onze lieve Mevrouw zaliger, die droeg immers ook wel een bril.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alleen wanneer jij gebroddeld hadt, Geert! en zij de verloren steken moest opnemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel heb je van je leven,&#8221; riep Geertrui toornig uit: &#8220;Wat weet jij van verloren steken en van broddelen af?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, daar versta jij je beter op, oudje!.... doch dat daargelaten:&#8212;Wat heeft je de page verteld? dat is maar het punt in
+quaestie; want dat hij jou zijn hof gemaakt heeft, is zeker.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja!&#8221; zuchtte Geertrui: &#8220;ik vrees, dat ik te veel met hem gepraat heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Te veel!&#8221; riep Bouke, schaterend van lachen, &#8220;te veel met hem gepraat?&#8212;De droes! heeft hij in ernst je hartje gestolen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och neen! malle gek! loop heen met je grollen! maar mijn rust heeft hij toch meegenomen,&#8221; vervolgde zij, half huilende: &#8220;ik
+heb van dezen nacht geen oog toegedaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar hebben wij &#8217;t al. Wat voert zoo een page niet al uit? Daar berooft hij de eerzame Geertrui Claassens, die in de eerste
+dertig jaren geen vrijer heeft willen hebben, en in de laatste drie kruisjes geen vrijer heeft kunnen hebben, zoo maar op
+eens van haar nachtrust.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Spot maar niet,&#8221; antwoordde Geertrui: &#8220;het is waarachtig geen <a id="d0e4009"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4009">114</a>]</span>ding om mee te spotten: hoor eens, Bouke! Het heugt je nog, toen Mevrouw zaliger nog leefde....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Als ik het vergeten was, zou jij het mij wel herinneren,&#8221; viel Bouke haar in de rede.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, maar hoor!&#8221; vervolgde zij, &#8220;of ik spreek geen woord meer: toen Mevrouw zaliger nog leefde, en te Amsterdam was, en
+toen jij met Mijnheer van &#8217;t leger kwaamt met den kleinen Joan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja gewis!&#8221; antwoordde Bouke, die nu op zijn beurt ook donker begon te kijken: &#8220;maar je weet ook wel, dat wij Mijnheer bij
+eede beloofd hebben, nooit aan iemand iets daarvan te zullen navertellen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heb ik beloofd, Bouke! en het spijt mij genoeg; want het is de eenige reis in mijn leven, dat ik Gods naam zoo ijdellijk
+gebruikt heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Foei!&#8221; zeide Bouke: &#8220;spijt het jou een eed gedaan te hebben, Geert? ben je menist geworden? Je weet, wat Dominee alle weken
+zeit: de wederdoopers, zeit hij, zijn Belialskinderen, vijanden van Z. Doorluchtigheid en van den lande, die niet zweren willen,
+noch de ronde doen, noch de wacht betrekken, noch de heilige predestinatie gelooven: en wat zegt het rijmpje?
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; " lang="nl-1700">
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Aenmerct wel hun begheeren breedt,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Wat quaet bescheet&#8212;sy doch uitgheven,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Als dat men niet mach sweeren eedt.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Daert soo ghereet&#8212;doch staet beschreven:
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Ja van Godt end&#8217; Christo verheven,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Van Paulo end&#8217; ander gheschiet.
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Ooc is den eedt hier in dit leven
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>&#8217;t Eynde van allen twiste ziet.</span></p>
+</div>
+<p>Doch dat tusschen twee haakjes, Geert! wat doet dit tot uw gesprek met den page?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat doet er zooveel toe,&#8221; zeide Geertrui, hem naar zich toetrekkende en zoo zacht mogelijk sprekende, &#8220;als dat die page evenzoo
+goed wist als jij en ik, dat Joan Mijnheers kind niet is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bewaar ons,&#8221; riep Bouke, achteruitspringende: &#8220;dan moet jij het hem verteld hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor maar eens, of ik het helpen kan,&#8221; zeide Geertrui; &#8220;de page begon met mij te vragen of ik hier lang in huis had gewoond:
+en toen sprak hij mij over Mijnheer en Mevrouw zaliger....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En toen was jij op je praatstoel!&#8212;Ja, hij is ook fijn, die page. Hij zal wel niet met de deur bij jou in huis zijn gevallen;
+want men vangt geen hazen met trommels, dat is klaar.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vervolgens vertelde ik hem onder anderen, dat ik baker geweest was van freule Ulrica, en daarop vroeg hij mij, of ik Jonker
+Joan ook gebakerd had.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo vraagt men den boeren de kunst af: en wat gaf je hem ten antwoord?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zei: Mijnheers zoontje heb ik gebakerd, en dat is ook waar: het lieve kind is nog op mijn arm gestorven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo!&#8221; zeide Bouke: &#8220;nogal fijn van jou bedacht: weet je wel, <a id="d0e4056"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4056">115</a>]</span>Geert! dat het erg met jou staat! dat was weer een Menist antwoord! Geert! Geert! doch verder!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Toen zei hij: ja maar dat zoontje is immers dood, daar je van spreekt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu,&#8221; hernam Bouke: &#8220;al had je nu eens neen gezeid, een leugen om bestwil is geen zonde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja!&#8221; hervatte Geert, &#8220;ware ik maar zoo wijs geweest; maar ik dacht:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Dat ons ja, moet ja zijn waerachtigh
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>En ons neen moet wesen neen:</span></p>
+</div>
+<p>en daarom zei ik eenvoudig van ja: en toen dacht ik, hij zou tevreden zijn; maar jawel! toen vroeg hij mij, of Mevrouw zaliger
+niet op een rare wijs aan Jonker Joan geraakt was, en of ik niet zoogoed wist als hij, dat de Jonker geen droppel Duitsch
+bloed in zijn aderen had? en toen werd ik zoo angstig, dat ik hem verzocht, er niet meer en met niemand over te spreken, en
+toen liep ik weg.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heb je al heel dom behandeld voor een verstandig mensch,&#8221; bromde Bouke: &#8220;&#8217;t is met jou ook: hoe alder hoe malder. Ik
+zou het maar niet aan Mijnheer vertellen; want dan zag het er slecht met je uit.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb mij toch niet versproken, zooveel ik weet,&#8221; zeide Geertrui verlegen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu! gedane zaken hebben geen keer! en het best dat ik je raden kan, is dat je op een anderen tijd voorzichtiger zijt en altijd
+denkt: verzint eer je begint! vroeg gedaan en laat bedacht heeft menigeen ten val gebracht: heden doen, morgen blo&ecirc;n: vandaag
+de tong gevierd, morgen den rug gesmierd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, als je mij geen beter troost weet te geven, dan je stomme spreekwoorden, Bouke! dan....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu! ga dan maar naar Ds. Raesfelt, en die zal je zeggen, dat je lezen moet den Brief van Jakobus cap. III vs. 3; doch het
+wordt tijd, weer aan &#8217;t werk te gaan en mijn valken zitten met open bekken! die stomme dieren kunnen het weinig helpen of
+jij al geklapt hebt, en zij moeten er niet door lijden.&#8212;Nu! zooals gezegd is, oudje! wees in &#8217;t vervolg voorzichtiger.&#8221;
+
+</p>
+<p>En hiermede liep dit merkwaardig gesprek tusschen Bouke Boukes en Geertrui Claassens ten einde.
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e4083" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Dertiende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Gommer en Armyn te hoof
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Twisten om het recht geloof.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Vondel</span>.
+</p>
+</div>
+<p>Terwijl de gemoederen der ingezetenen van het slot door de plaats gehad hebbende omstandigheden alzoo verontrust werden, ging
+de Predikant Raesfelt mede onder zijn eigene, waarschijnlijk nog zwaardere <a id="d0e4098"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4098">116</a>]</span>bekommernissen gebukt. De kerkelijke twisten waren op het tijdstip, waarvan wij thans gewagen, binnen de Nederlanden ten top
+gestegen. De nimmer rustende tweedracht, die natuurlijke heerscheres overal waar menschen wonen, had nauwelijks den buitenlandschen
+krijg door een te langdurig bestand zien staken, of zij stookte die binnenlandsche twisten aan, die zoolang en met zooveel
+felheid gewoed hebben, ja, wier einde het verste nageslacht misschien niet aanschouwen zal. Twee der geleerdste mannen van
+Europa, de belezene, vernuftige, oordeelkundige Arminius en de groothartige, onverzettelijke, van ijver brandende Gomarus
+hadden zich aan de spits van twee partijen geplaatst, die, na hun naam genoemd, elkaar een onverzoenlijken haat hadden gezworen.
+In den beginne dolf Arminius met de zijnen het onderspit, althans bij de predikanten en gemeenten; want de meeste wethouders
+en zoogenaamde politieken hadden zijn zijde gekozen; na zijn dood echter wisten Vorstius en Episcopius, die hem in &#8217;t Hoogleeraarsambt
+te Leiden hadden opgevolgd, gesteund door de geleerdheid van De Groot, de welsprekendheid van Schryver en vooral den toen
+alvermogenden invloed van Oldenbarneveld, hun partij met een luister te bekleeden, waardoor de glans hunner tegenstanders
+een tijd lang verdonkerd werd. De jonge lieden, die te Leiden voor den kansel werden opgeleid, schaarden zich voor een groot
+gedeelte aan de zijde der bovendrijvende partij; anderen echter kleefden de oude leer aan, en stonden Gomarus of Polyander
+voor. Niet zelden gebeurde het, dat bij onderlinge, tot oefening begonnen <span class="letterspaced">disputationes</span> over punten van controvers, de argumentaties wederzijds op scheldwoorden en vervolgens op vechtpartijen uitliepen, waarbij
+de vuist vragen, den Godsdienst betreffende, beslissen moest.
+
+</p>
+<p>Raesfelt had zijn beide oudste zonen, Koenraad en Hendrik, nadat zij de school verlaten hadden, naar Leiden gezonden, en,
+daar hij een echt voorstander was van de oude leerstelsels, hen ernstig aangemaand, de lessen van Episcopius te verzuimen,
+en zich zooveel mogelijk bij het onderwijs van diens ambtgenoot Polyander te bepalen.&#8212;Koenraad, wien de stoute en ridderlijke
+voordracht van laatstgemelden geleerde behaagde, gehoorzaamde zijn vader met nadruk en toonde zich, zoo in zijn brieven aan
+dezen, als op de Hoogeschool, een ijverig voorstander der Contra-Remonstranten. Zoo met woorden als met daden was hij overal
+de voornaamste onder de verdedigers van het ouderwetsch gevoelen: niet zelden had de kracht zijner sterkgespierde vuisten
+aan zijn tegenstrevers, zoo niet de menschelijke, althans hunne onmacht duidelijk doen gevoelen, en menigeen had zich overtuigd
+gevonden, dat hij gepraedestineerd was om van Koenraad Raesfelt te worden afgeklopt. Omtrent den stillen en zachtmoedigen
+Hendrik won vader min gunstige berichten in: deze was door de geleerdheid en smaakvolle onderwijzing der andersdenkenden ingenomen
+en stond aldra voor een Arminiaan te boek.&#8212;Koenraad, die bovendien nooit op den besten voet met zijn broeder geleefd had,
+was over deze zijn afdwaling sterk gebelgd, en al de brieven, die hij aan zijn vader schreef, schilderden Hendrik af als een
+verloren <a id="d0e4105"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4105">117</a>]</span>schaap, reeds met den wargeest niet alleen van Arminianismus, maar ook van Socianismus besmet. Diep hadden deze beschuldigingen
+den braven Predikant gegriefd, en zijn epistelen aan Hendrik droegen telkens hernieuwde bewijzen, hoezeer hem diens gedrag
+en meeningen tegen de borst stonden. De aangeklaagde zoon beantwoordde zijns vaders minzame verwijten meestal met bezadigdheid,
+doch tevens met vrijmoedigheid: hij beweerde, dat hij, naar Leiden gegaan zijnde om in de leerstukken van den godsdienst onderwijs
+te ontvangen, zijn meening van onderzoek en overtuiging wilde laten afhangen. Daar de jongeling door deze antwoorden blijken
+gaf, dat hij meer aan menschelijke rede en vrije beoordeeling, dan aan geloof en onderwerping hechtte, stelden zij zijn vader
+lang niet gerust. Echter, en door een in de menschelijke natuur niet ongewone tegenstrijdigheid, bleef het hart van Raesfelt,
+ondanks hem zelven, meer den in zijn oog verdoolden, dan den rechtzinnigen zoon genegen. De wijs, waarop Koenraad van zijn
+broeder sprak, de toon, waarin zijne beschuldigingen vervat waren, mishaagden den zachtmoedigen vader, schoon hij zulks zich
+zelven niet bekennen wilde, nog meer dan de beschuldigingen zelven.
+
+</p>
+<p>Op den achtermiddag van den dag, dat de Gravin van Nassau Sonheuvel verlaten had, was de Predikant op zijn zolderkamertje
+in diep gepeins gezeten: de zwarte kalot was hem te warm geworden en lag voor hem op de tafel, terwijl de met konijnevellen
+gevoerde pij over den rug des leunstoels hing. Onbeweeglijk scheen Raesfelt op zijn plaats gespijkerd, terwijl zijn oogen
+strak en stijf op het voor hem liggend papier gevestigd bleven, zoodat hij veel geleek op een dier aangekleede gedaanten,
+welke in het Amsterdamsche doolhof voor den vanouds gestelden prijs van een stuiver zich <span class="letterspaced">hedenmiddag te vier uren</span> laten bezichtigen.
+
+</p>
+<p>Eindelijk echter scheen de beweging bij den Predikant terug te keeren: hij beet zich op de lippen, zag opwaarts, zuchtte diep
+en zeide vervolgens hardop tegen zich zelven: &#8220;Neen! <span class="letterspaced">zoo</span> kan het niet langer gaan! er dient een kloek besluit genomen, of de knaap is onherstelbaar ongelukkig.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Onherstelbaar ongelukkig!&#8221; herhaalde een stem achter hem: &#8220;denkt ge dat waarlijk, Dominee?&#8221;
+
+</p>
+<p>Als door een donderslag getroffen, richtte de Predikant zich op en keerde zich naar de plaats, van waar de stem gekomen was,
+en waar hij niemand dacht te zien dan den Booze in persoon, die hem van zijn kloeke voornemens zoude pogen af te brengen:
+dan hij werd gerustgesteld bij het herkennen van zijn vriend, den niet min dan hij bezorgden Baron van Sonheuvel.
+
+</p>
+<p>Deze, als wij verhaalden, besloten hebbende met den geestelijke te rade te gaan over de beste wijze hoe met Joan te handelen,
+had zich, na het vertrek zijner doorluchte gast, naar de pastorie begeven: de deur open gevonden hebbende, was hij, om niet
+door het gesnap der Pastoorsche verveeld te worden, de trap opgeloopen, nadat hij zijn laarzen in de gang had uitgedaan, eensdeels
+opdat Mejuffrouw Raesfelt bij het gezicht van vuile voetstappen niet naar boven zou <a id="d0e4123"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4123">118</a>]</span>komen hollen, anderdeels opdat zij, de laarzen des Barons herkennende, zich wachten zou, de samenspraak der beide heeren te
+storen. Aan het studeervertrek was geen deur: men besteeg het langs een trap, die midden in het kamertje uitkwam. Raesfelt
+had den Baron dus niet hooren inkomen: en deze, zijn raadsman zoo diep in gedachten vindende, had hem niet willen storen,
+maar zich naast den ingang op een boekentrapje nedergezet en was mede aan &#8217;t peinzen geraakt, hoe hij het gesprek zoude aanvangen,
+toen hem de uitroep van Raesfelt als uit een droom ontwaken deed. Deze uitroep kwam zoo volkomen met de gedachten overeen,
+welke hem op dit oogenblik vervulden, dat hij dien aanmerkte als tegen hem, of in zijnen geest gesproken, en, toen de Predikant
+hem aanzag, zijn gezegde herhaalde en nogmaals vroeg of hij het stellig meende.
+
+</p>
+<p>&#8220;UEd. hier, heer Baron!&#8221; vroeg Raesfelt, vol verbazing, &#8220;wel wie kon UEd. hier verwachten! ei! wees zoo goed en neem uw gemak:&#8212;ja
+waarlijk!&#8221; vervolgde hij, rondziende: &#8220;ik geloof niet, dat er een stoel meer in de kamer is: wacht ik zal roepen, dat men
+den armstoel boven brenge.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Doe geen moeite, Dominee!&#8221; zeide de Baron; &#8220;hier is immers een zitplaats.&#8221;
+
+</p>
+<p>De stoel, waarop hij doelde, kon waarlijk op den naam van zitplaats weinig aanspraak maken. Hij was oorspronkelijk van matwerk
+geweest met pooten en leuning van stevig grenenhout; doch Joan, die hem in zijn leeruren altijd gebruikte, en de slechte gewoonte
+had, van weinig stil te zitten, had den rug merkelijk doen uitwijken: met zijn snoeimes had hij, wanneer de les te lang viel,
+de kloeke pooten op de helft van haar dikte gebracht en zich ook met de <span class="letterspaced">anatomie</span> der matten zitting beziggehouden: zoodat de stoel in den volsten zin van &#8217;t woord een <span class="letterspaced" lang="fr">chaise perc&eacute;e</span> geworden was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is hier niet warm, Dominee!&#8221; zeide de Baron, toen hij zich voorzichtiglijk op den rand van den door ons beschreven zetel
+nederzette.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dunkt UEd. dat, heer Baron? Dan moest UEd. mijn pels aantrekken: ik heb het van &#8217;t peinzen en studeeren overvloedig warm
+gekregen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="la">Cedant arma togae</span>,&#8221;<a id="d0e4146src" href="#d0e4146" class="noteref">1</a> zeide Reede, aan dit voorstel gehoor gevende: &#8220;gij ziet Dominee! dat ik ook nog een mondje vol Latijn kan spreken.&#8212;Zoodat
+gij zegt,&#8221; vervolgde hij, na zich in den pels gewikkeld en zijn plaats hernomen te hebben, &#8220;dat een kloek besluit alleen in
+staat is, het ongeluk van den armen jongen te voorkomen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ongetwijfeld, heer Baron! het vaderhart zal bloeden door de opoffering; doch het zal naderhand geruster slaan! en wat zegt
+de Psalmist? Welzalig hij,
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; " lang="nl-1600">
+<p class="line" style=""><span>In wiens geest niet woont eenige schalkheyt
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Noch geen bedrogh ofte geveynsdigheyt.</span></p>
+</div><a id="d0e4156"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4156">119</a>]</span><p>Want wat zou het baten, een jongeling tot een bestemming op te leiden, welke hij nimmer naar behooren vervullen kan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ach! gij spreekt wel als ik het verwachtte, Dominee! en toch is het een pijnlijk gevoel, om tegen hem, dien men tot nog toe
+als zoon bemind heeft, te moeten zeggen: knaap! ik ben uw vader niet meer.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het vaderhart zal daarom zijn rechten niet verliezen,&#8221; antwoordde Raesfelt: &#8220;want als in den Honderdsten Psalm staat:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; " lang="nl-1600">
+<p class="line" style=""><span>Gelijck een vader hem pleegh te erbarmen, enz.</span></p>
+</div>
+<p>De vurigste wensch van het hart zal er door teleurgesteld worden; doch het zal in zich zelf de belooner eener zoo groote opoffering
+vinden: ware er een andere weg mogelijk geweest, ik had dien gaarne ingeslagen, doch ik heb alles onderzocht en beproefd,
+vergeefs: niets blijft er over, dan ruiterlijk en moedig, gelijk het een Christen betaamt, de zegepraal te behalen op een
+aardsche en valsche liefde, en alleen op het geestelijk en waarachtig belang van den ongelukkige te zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo hebt gij er reeds lang over nagedacht, gelijk ik uit uw redenen bemerk. Ik was al verwonderd, dat gij juist bezig waart
+over dat onderwerp te peinzen, toen ik binnenkwam.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Over nagedacht, heer Baron? slapelooze nachten, ledige uren, verlies van eetlust en genoegens heeft het mij gekost: het zoet
+mijns levens is er door verbitterd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met mij gaat het ook zoo, lieve Dominee: ik heb van de enkele gedachte, dat de knaap misschien tegen zijn eigen gezin het
+harnas zoude aangespen, nog van dezen nacht schier geen oog toegedaan, en van middag geen mond aan de patrijzenpastij gezet,
+hoewel dat mijn geliefdste schotel is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hebt gij heer Baron? daarvoor beloone u de Hemel; want uw deelneming
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; " lang="nl-1600">
+<p class="line" style=""><span>Is ganschelijk gelijck een balsem soet,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Die op het hoofd A&auml;rons was zeer claer,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Uitgestortet in &#8217;t openbaar,</span></p>
+</div>
+<p>als David zegt. Och! UEd. is altijd zoo vriendelijk en goed geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hm! hm! zoo heel goed niet; maar ik heb toch den knaap altijd wel behandeld en hartelijk liefgehad.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij houdt ook veel van u, heer Baron: daar heb ik doorslaande bewijzen van.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En van u niet minder, Dominee, schoon hij wel eens bij de <span class="letterspaced">exegesen</span> in slaap viel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De <span class="letterspaced">exegesen</span>! helaas! die heeft hij maar al te veel bestudeerd voor zijne en mijne rust,&#8221; hervatte Raesfelt zuchtende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Te veel! Dat had ik nooit gedacht, dat daar zijn liefhebberij op gevallen ware.&#8221;
+<a id="d0e4201"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4201">120</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Liefhebberij! een razende drift, heer Baron! <span class="letterspaced" lang="la">delectatio triumphans</span><a id="d0e4206src" href="#d0e4206" class="noteref">2</a> als Augustinus zegt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In waarheid?&#8212;Nu! het is mij nooit voorgekomen. Toen ik hem vroeg, of Paulus &eacute;&eacute;ne of twee reizen naar Rome gedaan had, waarover
+ik het met de oude Geert oneens was, zeide hij mij daarover nooit te hebben nagedacht, en toen hij het op mijn verzoek onderzocht
+had, was zijn uitkomst, dat hij het niet wist.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het mogelijk?&#8221; zeide Raesfelt, de handen angstig wringende; &#8220;en ik heb een <span class="letterspaced">disputanionem</span> van hem liggen, juist over dat onderwerp, en waarin hij betoogt, dat de Apostel wel driemaal te Rome is geweest. Moet ik
+hem dan een huichelaar zien worden? Was het niet genoeg, dat hij een Sociniaan werd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat!&#8221; riep Reede: &#8220;wat zegt gij, Dominee! een Sociniaan? Hij! Gij jaagt mij de koorts op &#8217;t lijf, Dominee! Dat hebt gij mij
+nog nooit verteld.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ach ja, ik had mij te voren gevleid, dat hij nog maar alleen de begrippen Arminii, Vorstii en Episcopii aankleefde, doch
+het is wel als in den Eersten Psalm gezegd wordt; welgelukzalig
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; " lang="nl-1600">
+<p class="line" style=""><span>Die op den wegh der sondaers niet en gaet
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>En niet en sit by de spotters onreyne,</span></p>
+</div>
+<p>want, eens op dit pad gekomen, vordert men met reuzenschreden: ik heb de bewijzen zijner ketterij in handen: daar op de tafel
+liggen zij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar waarom hebt gij mij daar nooit iets van gezegd, Dominee? Dan had ik hem eens duchtig de ooren gewasschen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zou dit gebaat hebben, heer Baron? daar ook mijne vermaning, nu vaderlijk, dan meesterachtig, nu gestreng, dan zachtelijk,
+den verdoolde niet op het rechte spoor heeft kunnen terugbrengen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk Dominee! het is maar zooals de jongen zelf gezegd heeft: over zich heeft hij het oordeel geveld, zeggende, dat al wat
+van Spaansch bloed kwam, niet te vertrouwen was.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zegt hij!&#8221; zeide Raesfelt: &#8220;en daarom volgt hij den edelen Gomarum niet na, die van Spaansche afkomst is. Doch hoe velt
+hij zijn eigen oordeel hiermede, dit begrijp ik niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O! ik begrijp mij zelven <span id="d0e4237" class="corr" title="Bron: heelwel">heel wel</span>, Dominee! ik zal u dat alles uitleggen! die rekel! een nagel aan mijn doodkist! doch ik zal hem leeren! ik zal hem leeren!&#8221;
+
+</p>
+<p>Met deze woorden sprong hij op en ging voort weder zitten, doch ongelukkig kwam hij midden op de zitting te land en wel met
+zulk een kracht, dat er hij doorheenzakte en met armen en beenen in de lucht, in den pels bedolven, tusschen de vier pooten
+steken bleef. Vergeefs zocht Raesfelt hem uit dien benauwden toestand te verlossen: de arme Baron zat zoo vast, dat hij zich
+roeren noch buigen kon, zoodat alle aangewende moeite slechts diende om hem nog <a id="d0e4242"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4242">121</a>]</span>erger in de klem te brengen. Op dit oogenblik werd het vertrek door drie nieuwe getuigen van zijn ongeluk bezocht. De eerste
+was Veltman, Joans jachthond, die met eene van de uitgetogen laarzen de trap op kwam snellen. Hij legde zijn vracht aan de
+voeten des Barons, of liever bij de pooten des stoels af, waarna hij zoowel tegen den predikant als op zijn beknelden Heer
+sprong; met groote teekenen van blijdschap. Kort op den hond volgde, als een razende furie, de zachtaardige wederhelft van
+den Predikant, met een kamerbezem gewapend, dien zij in een dreigende houding ophief. &#8220;Waar is dat stinkende dier?&#8221; riep zij
+met een verbolgen stem: &#8220;wat springt het daar tegen Dominees kostelijke pels op met zijn vuile klauwen? Waarom jaag je hem
+niet weg, Dominee? En wie zit daar in je pels? Hoe heb ik het met je? Leen je jou pels zoo maar aan iedereen, die je bezoeken
+komt? Toe, maak maar gauw dat je uit dien stoel komt, dien je aan stukken gebroken hebt! Bewaar ons! het is Mijnheer van Sonheuvel!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja Juffer!&#8221; zeide deze, het hoofd van onder den pels uitstekende: &#8220;ik ben het. Help mij hier toch uit, want ik breek mijn
+lenden nog.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik sprong Veltman op en liep, zoo spoedig als hij gekomen was, de trappen af.
+
+</p>
+<p>&#8220;Joan zal waarschijnlijk in de buurt wezen,&#8221; merkte Dominee aan: &#8220;Is dat uw laars, heer Baron! welke de hond u gebracht heeft?&#8212;dan
+hadt gij, vrouw liefste! het arme dier met geen straf voor zijn getrouwheid moeten dreigen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! kon ik het weten?&#8221; zeide Barbara, terwijl zij mede hare krachten aanwendde om den Baron te verlossen: &#8220;die hond snuffelt
+altijd bij mij in de keuken. Laatst heeft hij een hoentje knap opgepeuzeld, dat ik in de soep wilde doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daarvoor zal het eerste haas, dat ik vang, voor u zijn, Juffrouw!&#8221; zeide Joan, binnenkomende: &#8220;bij voorraad heb ik Veltman
+aan de voordeur vastgelegd, maar hoe! is dat vader, die daar tusschen vier pooten vastzit? Wacht! ik zal u wel helpen. Het
+trekken baat niet, Dominee! wij zullen een anderen weg inslaan.&#8221;&#8212;Dit zeggende wierp hij den stoel op zijde en sneed met zijn
+jachtmes het matwerk, dat den Baron als met weerhaken belette zich op te geven, rondom aan stukken; dit had de verlossing
+des gevangenen ten gevolge; doch, tot aller verbazing, was het eerste gebruik, dat de Baron van zijn herkregen vrijheid maakte,
+dat hij Joan een geduchten oorveeg gaf.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is dat, vader?&#8221; riep Joan, achteruitspringende met een kleur als bloed. &#8220;Waaraan heb ik dat verdiend?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vraag je dat nog, onbeschaamde huichelaar?&#8221; snauwde hem de verstoorde Heer van Sonheuvel toe: &#8220;ik heb schoone berichten van
+u ontvangen, sinjeur!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik begrijp er niets van, vader!&#8221; zeide Joan; &#8220;ik weet niet, wat ik gedaan heb, om een dusdanige behandeling te veroorzaken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet, verstokte zondaar? vraag het dan maar aan Dominee: die zal jou de les anders leeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik?&#8221; vroeg Raesfelt verwonderd: &#8220;ik weet van den Jonker hoegenaamd geen kwaad.&#8221;
+<a id="d0e4264"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4264">122</a>]</span></p>
+<p>Reede, meenende dat de Predikant vrees koesterde voor Joan, werd nu even toornig op genen, als hij op dezen geweest was. &#8220;Hoe!&#8221;
+zeide hij: &#8220;past het een leeraar, menschenvrees te hebben, en te aarzelen, iemand in &#8217;t aangezicht zijn feilen en dwalingen
+aan te kondigen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heer Baron!&#8221; antwoordde Raesfelt, geraakt: &#8220;ik ken mijn plicht en zou niet schromen, voor koningen en keizers de waarheid
+te spreken, gelijk Nathan en Elias deden; maar ik weet niet, waaraan zich bepaaldelijk de Jonker heeft schuldig gemaakt, noch
+over welk feit ik hem zoude toeroepen, meer dan aan anderen: gij zijt die man!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet!&#8221; hervatte de Baron: &#8220;nu, dan weet ik het: gij zijt een Arminiaan, Joan!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goede hemel!&#8221; riep Barbara, de handen boven &#8217;t hoofd ineenslaande; &#8220;een Arminiaan!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat nog erger is, een Sociniaan!&#8221; vervolgde Reede.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een Sociniaan! Dat verhoede de Heer!&#8221; zeide Mejuffrouw Raesfelt, met dezelfde gebaarden.
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat het ergst van alles is, een huichelaar.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een huichelaar ook al! bewaar ons!&#8221; herhaalde de Pastoorsche.
+
+</p>
+<p>&#8220;En wie heeft u al dien zotteklap verteld, vader?&#8221; vroeg Joan met drift.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat! zult gij het nog loochenen? doch zoo ge den zegsman weten wilt: daar staat hij: schaam u in zijn tegenwoordigheid te
+ontkennen, wat hij u bewijzen kan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wien meent gij, vader?&#8221; vroeg Joan, meer en meer verwonderd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wien? wel wien anders dan Dominee,&#8221; antwoordde de Heer van Sonheuvel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij?&#8221; vroeg Raesfelt, ten toppunt van verbazing: &#8220;spot UEd. niet mij, heer Baron?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is of gij beiden gezworen hebt, mij dol te maken,&#8221; riep de Baron stampvoetende: &#8220;wat duivel! Dominee, hebt gij mij niet
+zoo op het oogenblik gezegd, dat gij er de bewijzen van in handen hadt, zwart op wit?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O!&#8221; zeide Raesfelt, die lont begon te ruiken: &#8220;is het er z&oacute;&oacute; mede gelegen? Ja dat heb ik gezegd; maar....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hoort het Joan!&#8221; viel Reede in.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ik sprak niet van den Jonker,&#8221; vervolgde Raesfelt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet! en van wien dan?&#8221; vroeg de Baron, op zijne beurt verbaasd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vergun mij, dat ik UEd. zulks onder vier oogen verklare, zonder getuigen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Toegestaan! Marsch Joan!&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan deed eenige stappen om zich te verwijderen; doch bleef vervolgens staan, den Baron aanziende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hebt ge mij niet gehoord?&#8221; vroeg deze: &#8220;marsch! van hier!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ben ik dan gerechtvaardigd in uwe oogen, vader?&#8221; vroeg Joan, op den toon der beleedigde onschuld.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daarover spreken wij nader,&#8221; was het antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat behoeft niet,&#8221; merkte de Predikant aan: &#8220;UEd. kan uwen zoon gerustelijk een toestemmend antwoord geven; want hij is onschuldig,
+<a id="d0e4315"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4315">123</a>]</span>en uw gramschap op den jongeling is uit een misverstand voortgesproten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Reede was ontevreden op zich zelven, dat hij zich zooverre door zijn driften had laten vermeesteren en zich daardoor jegens
+zijn zoon in &#8217;t ongelijk gesteld: hij aarzelde echter nog, uit valsche schaamte, om hem genoegdoening te geven; doch, toen
+hij den knaap in een smeekende houding naar zich toe zag treden, terwijl de tranen hem in de oogen stonden, verkreeg het gevoel
+van billijkheid de overhand boven zijn valsche schaamte, en hij omhelsde hem hartelijk, waarna Joan het vertrek verliet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar gij, liefste schat!&#8221; zeide de Predikant tot <span id="d0e4321" class="corr" title="Bron: ziju">zijn</span> huisvrouw, die nog vol nieuwsgierigheid boven om de trap stond te draaien: &#8220;gij moest ons ook alleen laten en aan Kaatje
+zeggen, dat zij den armstoel boven brenge. Ik heb met den Heer Baron iets af te handelen, dat....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat ik niet hooren mag,&#8221; zeide zij spijtig: &#8220;nu &#8217;t is goed, Dominee! ik ga al: neem maar niet kwalijk, dat ik dit kostelijk
+vertrek door mijn tegenwoordigheid verontheiligd heb. &#8217;t Zal wel voor &#8217;t eerst en &#8217;t laatst zijn; doch zoo gij denkt, dat
+het u wel bekomen zal, mij buiten alles te houden, hebt gij het mis.&#8221;&#8212;Met deze en dergelijke woorden trok zij grommende af
+en begaf zich op staanden voet naar de vrouw van den schout, waar zij nog drie of vier buurtklapsters vond, aan welke zij
+onder belofte van geheimhouding verhaalde, hoe Dominee ontdekt had, dat de Jonker een Sociniaan ware en het aan den Baron
+verteld had, doch het nu weder introk uit vrees voor Joan: hoe de Baron door een stoel gevallen was, en hoe de hond met zijn
+morsige pooten haar huis bevuild had, enz. welke stichtelijke praatjes den volgenden dag door het gansche dorp liepen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat heb je mij dan aan &#8217;t oor liggen reutelen, Dominee?&#8221; vroeg de Baron, zooras hij met den Predikant alleen was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik sprak UEd. van mijn zoon Hendrik,&#8221; antwoordde deze, &#8220;die te Leiden studeert en mij, door zijn nieuwerwetsche begrippen
+omtrent den godsdienst, dwingen zal, hem van de Hoogeschool terug te nemen, eer hij onzer Gereformeerde Kerk, en mij, zijn
+vader en leermeester, tot schande verstrekke. Hoe UEd. dit alles op den Jonker hebt toegepast, verklaar ik niet te begrijpen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het er zoo mede gelegen?&#8221; hernam de Baron: &#8220;dan spijt het mij, dat ik den armen Joan zoo heb afgejakkerd, doch ik zal
+hem zeggen hoe de vork ik den steel zit.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik bid u,&#8221; smeekte Raesfelt, &#8220;laat mijns zoons gedrag tusschen ons blijven: mijn vrouw zelve weet nog niets van het geval
+af, en, zooals Salomo zegt:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Een dwaze zoon is zijn moeders droefenis.&#8221;</span></p>
+</div>
+<p>&#8220;Ik beklaag u van harte, Dominee,&#8221; zeide Reede: &#8220;doch gij zijt de eenige niet, die zwaren strijd met zich zelven voert. De
+reden, <a id="d0e4339"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4339">124</a>]</span>waarom ik u verkeerd verstond, zal zich voor u ophelderen, wanneer ik u mijn tegenwoordig bezwaar ontdek. Gij herinnert u,&#8221;
+vervolgde hij, zijn leunstoel, welken hem Kaatje intusschen gebracht had, dichter bij dien van Raesfelt aanschuivende, &#8220;dat
+Joan mijn zoon niet is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met uw verlof!&#8221; zeide de Predikant, zich met den wijsvinger langs den neus strijkende: &#8220;Ja, waarlijk, nu gij het zegt, herinner
+ik mij dat; doch in ernst, ik was het vergeten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu, de knaap heeft thans de jaren van onderscheid bereikt: tot heden toe heb ik altijd het onaangename denkbeeld van hem
+met zijn ware geboorte bekend te moeten maken, ver van mij afgeschoven: ik beminde hem als mijn zoon, en, zoo ik mijn genegenheid
+alleen moest volgen, zou ik hem als zoodanig blijven beschouwen; doch nu de tijd daar is, dat hij aan den naam van Reede eenigen
+luister zou kunnen bijzetten, begint mijn geweten tegen mijn teederheid op te komen. Ik begin te bedenken, dat ik mijn eenige
+dochter niet mag versteken van haar wettig erf (dat bovendien om redenen, welke ik thans niet melden zal, vrij schraler is,
+dan menigeen denken zou), dat ik bovendien geen vreemde plant op den stam der Sonheuvels enten mag. Hierbij komt de vrees,
+dat Joan, die zulk een onverzoenlijken haat tegen de Spanjaards heeft, veellicht, na het eindigen der <span class="letterspaced">tr&ecirc;ves</span>, de wapenen tegen zijn eigene betrekkingen, tegen zijn bloedverwanten zou voeren&#8212;en ik vraag mij zelven af, of ik Joan omtrent
+zijn geboorte de geheele waarheid moet openbaren. Gij herinnert u, Dominee! dat Velasco, Joans vader, door mijn ruiters wreed
+vermoord werd!&#8221;
+
+</p>
+<p>Hier eindigde Reede. De Predikant zweeg, en lang zaten beiden over elkander in diep gepeins verzonken, bij hen zelven overleggende,
+op welke wijze de zwarigheden, die zoowel het verborgen houden als het ontdekken van het geheim met zich bracht, uit den weg
+zouden kunnen geruimd worden. Eindelijk verzocht de Predikant, dat de Baron hem den nacht ter overdenking zoude vergunnen,
+belovende hij aan Z. Edelheid den volgenden morgen een stellig antwoord te brengen. Reede willigde dit verzoek in, en de conferentie
+werd op <span class="letterspaced">reces</span> gescheiden.
+
+</p>
+<p>Het was reeds duister, toen de Baron op het slot terugkwam. Het avondmaal werd opgedischt en was haastig afgeloopen: de Baron
+en Joan waren beiden vol gedachten en spraken weinig of niet. Ulrica daarentegen snapte onophoudelijk door over de schoone
+Gravin, haar page, haar koetsier met zijn groote knevels en de fraaie wapens op de koets. Toen de oude Geertrui haar, na het
+avondeten, was komen halen, stond haar vader insgelijks op, met oogmerk om naar zijn kamer te gaan; doch Joan sprong op, als
+uit een droom ontwakende en hield hem tegen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader!&#8221; riep hij: &#8220;kan ik nog een oogenblik met u spreken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heeft het zooveel haast, Joan?&#8221; vroeg de Baron: &#8220;ik heb thans het hoofd vol.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een oogenblik slechts, vader!&#8221; herhaalde Joan, en bleef toen een poos al weifelende staan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu! komt er wat?&#8221; vroeg Reede, ongeduldig.
+<a id="d0e4363"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4363">125</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ja vader! ik wilde u vragen.... ik wilde maar weten.... wie mijn moeder was.&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze laatste woorden sprak hij zeer schielijk uit, als had hij gevreesd, dat ze hem in de keel zouden hebben blijven steken,
+indien hij nog een oogenblik gedraald had.
+
+</p>
+<p>De Baron sprong achteruit, alsof de bliksem voor zijn voeten ware gevallen: &#8220;Jongen!&#8221; riep hij: &#8220;Zijt gij dol? hoe komt gij
+aan die vraag?&#8221;
+
+</p>
+<p>De bleekheid, welke des Barons gelaat bedekt had bij de onverwachte vraag van zijn pleegzoon, ging over op de wangen van dezen,
+zooras hij, aan de uitwerking, die zijn woorden gemaakt hadden, bespeurde, dat alles niet geheel zuiver was met zijn geboorte.
+Nadat hij den Baron een tijdlang sprakeloos had aangezien, berstte hij in tranen uit en herhaalde met angst: &#8220;Vader! in Gods
+naam! zeg mij, wie was mijn moeder?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het niet,&#8221; zuchtte Reede en wierp zich in een stoel, het gelaat met de handen bedekt houdende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij weet het niet,&#8221; herhaalde Joan, als versteend. &#8220;Ach vader!&#8221; kreet hij, zich voor den Baron nederwerpende en diens handen
+met kussen bedekkende: &#8220;zeg mij toch! wanneer, waar, hoe ik geboren ben, wie mijn moeder was: gij zult het immers weten. Och!
+ik vrees, dat het maar al te waar is, hetgeen ik van morgen gehoord heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat hebt gij gehoord?&#8221; vroeg Reede, opziende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat ik een basterd ben,&#8221; antwoordde Joan, zijn hoofd in den schoot des Barons verbergende. Een lange pauze volgde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader!&#8221; riep Joan eindelijk, onder herhaalde omhelzingen en tranen: &#8220;Vader! ik bid u, martel mij zoo niet! Spot niet met
+een ongelukkigen knaap. Zoo ik een basterd ben, heb ik toch een moeder gehad. O! leeft zij nog? wie was zij toch?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het niet, waarachtig niet, lieve beste Joan!&#8212;Maar,&#8221; vervolgde de Baron na eenige oogenblikken stilte, &#8220;van wien hebt
+gij toch gehoord, dat gij mijn zoon niet zijt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;God zegen mij!&#8221; gilde Joan opspringende: &#8220;zijt gij mijn vader niet? Heb ik dan noch vader noch moeder! O ik ongelukkige!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geene anderen dan God in den Hemel, beste jongen!&#8221; zeide de Heer van Sonheuvel, snikkende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ik heb toch ouders gehad,&#8221; vervolgde hij, met een dringende stem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor Joan! wees bedaard! ik zal u alles verhalen: alles.... wat ik u verhalen kan. Ga zitten en wees bedaard; ik zal u alles
+zeggen: drink een roemer wijn: gij zijt ongesteld.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Baron vulde twee roemers, leegde den zijnen in &eacute;&eacute;n teug en schoof den anderen naar Joan, die hem met bevende lippen, bij
+tusschenpoozen uitdronk. Vervolgens plaatsten beiden zich dicht bij elkander; de Baron nam Joans hand tusschen de zijne, en
+ving aldus aan met spreken:
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw vraag, Joan! lokt een gesprek uit, dat wij toch vroeg of laat moesten hebben. Neen! gij zijt mijn zoon niet, noch die
+mijner zalige vrouw; doch eer ik u eenige <span id="d0e4396" class="corr" title="Bron: inlichttng">inlichting</span> geve omtrent het geheim <a id="d0e4399"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4399">126</a>]</span>uwer geboorte, wilde ik vernemen, wat tot den twijfel aan de echtheid daarvan aanleiding heeft gegeven.&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan vertelde hem de ontmoeting met Teun Wezer en den page.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb u nooit op leugens betrapt, Joan!&#8221; zeide de Baron, verwonderd over dat verhaal: &#8220;anders zou ik denken, dat gij door
+Bouke of Geert waart ingelicht, onder voorwaarde van hen niet te noemen, en dat gij daarom dat historietje bedacht hadt.&#8221;&#8212;Joan
+bevestigde de waarheid van zijn verhaal met den meesten nadruk.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik geloof u,&#8221; hervatte Reede, &#8220;ofschoon ik er niets van begrijp: echter kan ik Bouke en Geert niet verdenken, dat zij zich
+zooverre versproken zouden hebben.... wel is waar, de oude vrouw valt wat praatziek, vooral omtrent den tijd van Mevrouw zaliger:
+doch gij ziet mij met ongeduld aan en ik begrijp u. Hoor toe: de geschiedenis zal ongelukkig kort genoeg zijn. In 1598 lichtte
+ik een Spaansch konvooi op: onder de lijken der gesneuvelde Spanjaarden vond ik een schreiend kind: dat waart gij; uit medelijden
+trok ik mij uwer aan en bracht u bij mijn brave vrouw: wij besloten u op te voeden, en zij deelde haar teederheid tusschen
+u en Ulrica, totdat zij ons, helaas te vroeg! ontviel. Sedert beminde ik u als zoon: dit hebt gij ondervonden: gij weet of
+ik ooit eenig onderscheid gemaakt heb tusschen u en Ulrica. Gij zwijgt?&#8212;Gij schudt het hoofd?&#8212;Is het om de oorveeg, die ik
+u straks gegeven heb? Ach! zoo ik geen vaderlijk hart voor u had, zou ik mij dan uw gewaande Arminianerij zoo sterk hebben
+aangetrokken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Spreek daarvan toch niet langer, vader!&#8221; zeide Joan: &#8220;ik dacht in dit oogenblik alleen aan de goedheid, die gij mij bewezen
+hebt en aan mijn ongeluk, dat ik u niet langer den naam van vader geven mag.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat moogt gij, zoolang ik leef, Joan, want mijn liefde voor u blijft altijd dezelfde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En hebt gij niets meer omtrent mijn geboorte kunnen ontdekken, dan hetgeen gij mij verhaald hebt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niets: al mijn nasporingen zijn vruchteloos afgeloopen. Ik betuig u, niets onbeproefd te hebben gelaten, om naar uw ouderen
+te vernemen; doch niemand buiten ons heeft zich uwer aan willen trekken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Lang nog zaten zij over elkanderen, schoon zij weinig of niets meer spraken. Joan scheen het beeld der droefheid: hij bleef
+in gepeinzen verdiept, en dacht meer na, wat hij vragen wilde, dan hij werkelijk vroeg. Met den Baron had het tegenovergestelde
+plaats. Deze scheen beducht voor vragen en trachtte die zooveel mogelijk te ontwijken: het voorgevallene bij de overrompeling
+van &#8217;t Spaansche konvooi stond hem nu weder zoo levendig voor den geest, als op &#8217;t oogenblik, toen het werkelijk voorviel,
+en gedurig zweefde hem de stervende Velasco voor oogen. Met opzet had hij diens dood, ja diens naam in zijn verhaal niet gemeld,
+en wist niet hoe hij het klaren zou om hem maar geheel buiten &#8217;t spel te laten. Eindelijk stond hij op, drukte Joan aan zijn
+hart, beval hem aan, bedaard te zijn en van al wat hij gehoord had aan niemand, vooral aan Ulrica, geen woord te reppen, wenschte
+hem een goede nachtrust en begaf <a id="d0e4417"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4417">127</a>]</span>zich naar zijn slaapvertrek, waar Bouke, die reeds lang het laat opblijven zijns meesters verwenscht had, half slapende binnentrad.
+Zonder een woord te zeggen liet de Baron zich ontkleeden, trok naar bed, bleef nog lang peinzen en malen en geraakte niet
+dan met den nanacht in slaap.
+
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4146" href="#d0e4146src" class="noteref">1</a></span> De wapenen moeten onderdoen voor de toga.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4206" href="#d0e4206src" class="noteref">2</a></span> Zegevierende verrukking.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e4419" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Veertiende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<p>Het kiezen en verkiezen is een groot verscheel.
+
+</p>
+<p><span class="letterspaced">Spieghel</span>.
+</p>
+</div>
+<p>&#8220;Wel Mijnheer!&#8221; zeide Bouke, toen hij den volgenden morgen het slaapvertrek des Barons voor de derde maal binnentrad; &#8220;UEd.
+schijnt het spreekwoord vergeten te hebben: &#8221;&#8220;beslapen is uw morgenwerk, bedorven is uw dagwerk.&#8221;&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe laat is het dan?&#8221; vroeg de Baron, het hoofd oprichtende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar effentjes negen uren, als &#8217;t UEd. blieft, en ik ben reeds twee keeren hier geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is &#8217;t mogelijk? Ja ik ben eerst laat in slaap geraakt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarachtig, Mijnheer! het huishouden is in de war: het was geloof ik half&eacute;&eacute;n, eer de Jonker in bed lag: hij, die daarenboven
+met den jachttijd zoo vroeg bij de werken is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe heeft Joan geslapen?&#8221; vroeg Reede, terwijl hij zijn kousen opbond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! dat durf ik niet beloven dat goed geweest is: UEd. moet hem dan gisteravond geweldig onderhanden gehad hebben. Van morgen
+te zeven uren ging hij op de jacht en had oogen als potten zoo dik en als aalbessen zoo rood. Schort er wat aan, Jonker! zeide
+ik&#8212;neen! zeide hij en drukte mij de hand; maar de tranen rolden hem als dikke Meiregendruppelen langs de wangen. Toen draaide
+hij mij opeens den rug toe en liep met groote stappen het slot uit.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die arme jongen!&#8221; zuchtte Reede: &#8220;doch het heeft zoo moeten wezen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het dan wezenlijk waar, heer Baron! dat hij een Arminiaan geworden is!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Droom je? wie heeft dat zotte praatje in de wereld gebracht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik niet, maar gisteravond was het heele dorp er vol van.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Men deed beter den bek te houden, dan zulke grollen te vertellen,&#8221; zeide de Baron met bitsheid, vergetende, hoe hij zelf
+den vorigen dag wegens dezelfde aantijging tegen Joan was uitgevaren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar Bouke!&#8221; vervolgde hij: &#8220;ik wilde wel eens weten, wie van u beiden, Geert of gij, uit de school geklapt heeft en aan
+Joan het, geheim zijner geboorte ontdekt?&#8221;
+<a id="d0e4455"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4455">128</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Weet hij er iets van?&#8221; vroeg Bouke, verbaasd een stap terugtredende: &#8220;ik althans heb gezwegen als een mof.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heeft Geert dan gebabbeld? want dat sprookje wegens den page is te gek.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar hebben wij &#8217;t al,&#8221; zeide Bouke: &#8220;ja die page is een duivel van een vent. Heeft hij niet eergisteravond zijn hof aan
+de oude Geert gemaakt, alsof zij een jonge deern ware?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En heeft zij den lafbek onze geheimen overgebriefd?&#8221; vroeg Reede met drift.
+
+</p>
+<p>&#8220;Geert is oud en wijs genoeg, om voor haar zelve te antwoorden,&#8221; zeide Bouke, zich buigende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is een Menist antwoord, Bouke! zeg mij spoedig wat gij van de zaak af weet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met UEds. verlof, dat kan ik niet. Elk weet waar hem de hoos schuurt, en op alle re&ecirc;n eigent geen antwoord. Zoo UEd. liever
+over dat onderwerp met Geertrui zelve geliefde te redekavelen;.... maar ik heb vergeten UEd. te zeggen, dat Dominee al sedert
+een uur in de benedenzaal zit en verlangt UEd. te spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Dominee beneden? Dat hadt gij mij wel eerder mogen zeggen. En waarmede heeft die goede man al den tijd zoek gebracht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O! op een zeer aangename wijze: hij heeft met de freule over de opvoeding van haar kippen en met de oude Geert over de zedelijke
+verbastering der eeuw gepraat. Het was stichtelijk om aan te hooren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij had Geert liever over haar babbelen moeten onderhouden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met UEds. verlof, Mijnheer! UEd. heeft van mij niet gehoord, dat Geert gebabbeld heeft: onder dienstboden is men niet gaarne
+de zegsman van dergelijke praatjes: wat er van de zaak is, weet ik niet precies; doch met den Jonker heeft zij er niet over
+gesproken, daarop kan UEd. gerust zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu! wij zullen zien. Breng het ontbijt maar boven en verzoek Dominee hier te komen. Gij moet aan Ulrica maar zeggen, dat
+ik niet afkom, dat ik wat pijn in &#8217;t hoofd heb.... of dat ik wat jichtig ben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Pijn in &#8217;t hoofd! Dat zal immers niemand gelooven! UEd. is immers altijd gezond.&#8212;Jichtig! daar geeft UEd. ook wat om! Als
+ik zoo iets verhaalde, dan ging van avond het praatje door &#8217;t dorp, dat UEd. (&#8217;t geen God verhoede) op sterven ligt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bedenk dan wat anders! doch breng Dominee en het ontbijt hierboven: of liever, breng maar geen ontbijt: ik heb geen honger
+en zal wel fluiten als ik iets noodig heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen honger!&#8221; herhaalde Bouke: &#8220;nu begin ik waarlijk te gelooven dat UEd. niet wel is!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Doe wat ik u heet, Bouke! en haast u. Ik begeer geen woord meer,&#8221; zeide Reede wrevelig. Bouke haalde de schouders op en vertrok.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat duivel is dat?&#8221; mompelde hij tegen zich zelven: &#8220;gisteren avond over twaalven naar bed gegaan? een gat in den dag geslapen!
+geen honger! mij ouden dienstknecht een grauw te geven alsof ik <a id="d0e4490"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4490">129</a>]</span>een losse jongen ware van een braspenning in de week! de oude Heer zeker is niet wel.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het leed niet lang, eer de Predikant boven kwam: hij trad met een ongemeene plechtigheid de slaapkamer in: een nieuwe kalot
+bedekte zijn hoofd, en de Zondagsche rok versierde zijn leden: met den grootsten ernst sloot hij de deur achter zich toe,
+klemde den hoed met den linker-elleboog stijf tegen de borst aan, liep recht op den Baron toe, leunde de twee duimen op de
+tafel, zag den Heer van Sonheuvel vlak in &#8217;t gezicht en zeide vervolgens: &#8220;gij zijt als een Christen verplicht, Joan alles
+te zeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat behoeft niet Dominee,&#8221; was het antwoord: &#8220;want ik heb hem reeds alles gezegd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alles? is het mogelijk?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alles! dat is te zeggen, op eenige uitzonderingen na. Doch neem een stoel Dominee: ik zal u mijn onderhoud met den knaap
+verhalen. Ga gerust zitten. Door dien stoel zult gij zoo licht niet heen zakken, als ik gisteren door den uwen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hierin had de Baron gelijk: want de stoelen, die op zijn kamer stonden, waren van zwaar eikenhout, met groote beelden en loofwerk
+versierd. De zware armleunsels pronkten met bruine hertenkoppen en stonden wijd genoeg van elkander om een verliefd paar te
+omvatten: de zitting en de rug waren met tapijtwerk bekleed, waarop een jachtpartij was afgebeeld: hetzelfde patroon werd
+op de drie-dubbele kussens, op het behangsel der wanden en op de sprei van het bed teruggevonden.&#8212;De overige meubelen hadden
+minder overeenstemming. Vlak over het onmetelijke ledikant, &#8217;t geen in eene naar evenredigheid vrij nauwe alkoof stond, hing
+een rek, met armbussen, bogen, pijlen, zinkroeren, hartsvangers, pistolen enz. beladen: daarnaast het afbeeldsel der Barones,
+ten voeten uit in haar trouwgewaad voorgesteld; want de mode om zich in een <span class="letterspaced">allegorisch</span> of herderlijk gewaad te laten portretteeren was toen nog niet in zwang gekomen. Aan weerszijden der kamer was een raam met
+kleine beschilderde ruiten, waardoor de zon slechts flauwe stralen schoot. Onder een dier ramen stond een zware tafel, waarop
+een bijbel lag, benevens een psalmboek, een exemplaar van de Utrechtsche Unie, keurig ingebonden, het jachtrecht van Gelderland,
+de kroniek van Gheraert Leeuw, eenige vlugschriften en een paar godvruchtige boekskens, uitmakende de gansche lectuur van
+den Baron. De andere tafel, waaraan hij met den Predikant gezeten was, was ledig. Over de deur stond een vervaarlijk groot
+kabinet, waarop eenige zeer kleine wassenbeeldjes onder glazenstolpen: daarnaast hingen de kleederen des Barons en een fraai
+schoonschrift van omstreeks een voet in &#8217;t vierkant, met houten lijst en snijwerk van anderhalf voet breedte en dikte; welk
+schoonschrift den naam des Barons voorstelde in figuren, alsmede het wapen van Sonheuvel, zijnde een zilveren balk met zes
+dergelijke leli&euml;n op een rood veld: alles fraai met kleuren afgezet. Onder dit kunststuk stond een tafeltje met glazen deuren,
+dat gevuld was met roemers, bokalen, fluiten en kroezen van onderscheidene grootten en vormen. Wanneer de teekenaar of <a id="d0e4505"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4505">130</a>]</span>graveur, die in later tijden zijn talenten aan een prachtuitgave dezer geschiedenis zal ten koste leggen, zich hierbij den
+Baron voorstelt, gezeten in een zorgstoel, die al de overige stoelen in omvang overtreft, en gekleed in een zwart fluweelen
+tabberd met afhangende open mouwen, waaronder een geelzijden overrok met zwarte bloemen, een broek van zwarte zijde, roode
+kousen en pantoffels met zwart fluweel, dan zal hij bouwstoffen genoeg hebben tot het vervaardigen van een aangenaam <span class="letterspaced">vignet</span>, het gesprek van den Baron met den Predikant voorstellende: en hij zal daarentegen, als <span class="letterspaced">pendant</span>, het bezoek van Reede bij Raesfelt, door ons in &#8217;t vorige hoofdstuk verhaald, kunnen overstellen. Dan, &#8217;t is tijd, dat wij
+opgeven, wat in deze tweede samenkomst verhandeld werd.
+
+</p>
+<p>Nadat door Reede aan den Predikant vrij omstandig het onderhoud verhaald was, dat hij &#8217;s avonds te voren met Joan had gehad,
+en dat Raesfelt, die opmerkzaam luisterde en voor &#8217;t eerst de kerkelijke zaken ten gevalle van dit belangrijk punt scheen
+uit het hoofd te hebben gezet, het door den Baron gehouden gedrag volkomen had goedgekeurd, ontstond het zwaarwichtig vraagpunt,
+wat er nu met den jongeling ware aan te vangen. Nadere pogingen bij zijn vermoedelijk gezin te doen, scheen nutteloos en ongeraden;
+hem zelven derwaarts te zenden, nog dwazer en onvoegzamer: daarenboven kon de Baron (als reeds gezegd is) er niet toe besluiten,
+om den knaap zijn betrekking tot Velasco mede te deelen; terwijl Raesfelt begreep, dat een jong mensch, door hem in de echte
+gereformeerde religie, en door den Baron van Sonheuvel in de liefde voor het Gemeenebest opgevoed, nimmer onder de Spanjaards
+zou kunnen aarden, ook al wilde Don Louis de Velasco hem als neef erkennen. Joan daarentegen een rang bij het leger, de vloot,
+het hof of zelfs de Compagnie te doen bekleeden, was aan even groote, zoo niet grootere zwarigheden onderhevig. De Baron wilde
+het niet op zijn rekening hebben, dat hij hem tegen vijanden zenden zou, die met hem van &eacute;&eacute;ne afkomst en met zijn vader van
+&eacute;&eacute;n geloove waren, terwijl Raesfelt aanmerkte, dat men zich alsdan in de verlegenheid zou bevinden, waarin David zich bevond,
+toen hij aan het hof van Koning Achis leefde en door dezen tegen zijn eigen landgenooten gezonden werd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zoek raad bij u, Dominee!&#8221; zeide eindelijk de Baron: &#8220;en gij brengt mij hoe langer hoe meer in de war. Ik weet waarlijk
+niet, wat met hem aan te vangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is er geen mogelijkheid, hem ergens heen te sturen, waar hij zich een vast bestaan kan maken?&#8221; vroeg Raesfelt: &#8220;zou hij niet
+in Engeland of in Duitschland zijn geluk kunnen beproeven, tot hij rijper jaren en oordeel heeft. Dan kan hij naderhand zelf
+kiezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hem wegsturen?&#8221; riep Reede met droefheid: &#8220;hem naar vreemde landen sturen? Dominee! welk een wreeden raad geeft gij mij daar!
+Ik zou hem niet meer onder mijn leiding hebben! Hij zoude uw goede lessen missen, onder vreemd krijgsvolk vreemde zeden en
+gevoelens aannemen! Neen dat nooit, Dominee!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik geef raad naar mijn beste weten,&#8221; zeide de Predikant, de schouders ophalende.
+<a id="d0e4523"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4523">131</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Weet gij niets anders?&#8221; vroeg de Baron.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen!&#8221; zeide Raesfelt, zuchtende en het hoofd droevig schuddende, terwijl hij de handen voor de borst vouwde en zijn knokkels
+bekeek: &#8220;denk er eens over na, heer Baron!&#8221; vervolgde hij, na een oogenblik zwijgens. Een wijl daarna hief Raesfelt weder
+het hoofd op en vroeg, eenigszins schroomvallig, of Joan ook naar Leiden zou gaan en in de rechten studeeren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is de jongen dan voor advocaat in de wieg gelegd?&#8221; hernam de Baron: &#8220;hij heeft een edelmansopvoeding genoten: rijden, rossen,
+jagen, met den dag in &#8217;t veld zijn, de paarden temmen en de honden bekwaam maken, dat kan hij; maar op zijn kamer te zitten
+blokken, daartoe is hij niet opgevoed.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De <span class="letterspaced">humaniora</span>, dat zijn de beginselen der taal, verstaat hij echter door Gods zegen,&#8221; zeide Raesfelt: &#8220;en wat het blokken betreft, heeft
+hij niet, meer dan eens, uren achtereen op mijn kamer doorgebracht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat geloof ik, Dominee,&#8221; zeide de Baron, lachende: &#8220;in dien stoel zonder zitting: dat is ook een gevangenis, waar men
+niet uitkomt, als men er zich eens heeft ingewerkt. Doch wij zullen zien: ik zal er den knaap over spreken en hem tusschen
+twee voorstellen laten kiezen, zoolang er zich geen derde opdoet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;God geve, dat het tot zijn tijdelijken en eeuwigen voorspoed gedije,&#8221; zeide Raesfelt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Amen!&#8221; zuchtte de Baron hem na, de muts afnemende<span id="d0e4541" class="corr" title="Bron: ,">.</span> &#8220;Maar,&#8221; vervolgde hij, van toon veranderende: &#8220;zullen wij niets gebruiken? Hebt gij reeds iets genuttigd, Dominee?&#8221; Dit zeggende
+nam hij een zilveren fluitje, dat naast hem aan den wand hing, en floot twee reizen achtereen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dank UEd. vriendelijk,&#8221; antwoordde de Predikant: &#8220;ik ben reeds lang verzadigd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ik niet, Dominee; en daarenboven, gij moet een glas Rijnschen wijn met mij drinken op den goeden uitslag onzer pogingen.
+Bouke!&#8221; vervolgde hij tegen zijn ouden dienaar, die de kamer binnentrad: &#8220;breng een kan wijn binnen en zet twee roemers op
+tafel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welken wijn zal UEd. drinken?&#8221; vroeg Bouke, met een stemmig gelaat: &#8220;waarschijnlijk van dien zoeten wijn, welken UEd. van
+den koopman Knipvisch uit Rotterdam hebt ontvangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Droom je, Bouke? Drink ik ooit van dat laffe goed? Dat heeft hij immers gestuurd voor zwakke en zieke menschen. Haal van
+dien ouden Hochheimer van het vat aan de linkerhand!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar durft UEd. daar wel van te drinken? Ik dacht....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij dacht als een gek!&#8212;En breng toch wat ontbijt: ik rammel van den honger.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal zien wat er is,&#8221; hernam Bouke, altijd even stemmig van wezen: &#8220;belieft UEd. een paar sneden wittebrood en een hoendervlerk?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welzeker niet,&#8221; antwoordde de Baron, driftig: &#8220;weg met die liflaffen. Breng een paar hompen ham of een worst, zooals gewoonlijk.&#8221;
+<a id="d0e4560"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4560">132</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Zoo!&#8221; zeide Bouke, die er een schalksch vermaak in schepte, zijn Heer een weinig te plagen: &#8220;ik dacht anders dat UEd. niet
+wel waart en hoofdpijn hadt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoofdpijn? Heb ik dat gezegd? heb ik ooit hoofdpijn? Is de kerel dol?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Of jichtig? weet ik het? voor de jicht althans deugt de ham niet-met-al.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jichtig! geef ik daar wat om? Haal wat ik zeg en reutel niet meer.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik meende, dat UEd. straks anders gesproken had; maar Bouke zal het wel missen: het past mij niet, UEd. tegen te spreken;
+want wiens brood ik eet, diens woord ik spreek;.... dan ik ga al, ik ga al.&#8221; Dit zeggende, vertrok hij en kwam spoedig terug
+met den wijn. De Predikant moest tegen wil en dank een paar roemers ledigen en nam vervolgens zijn afscheid: de Baron bleef
+zitten peinzen, totdat de kan ledig was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zal ik U een andere brengen?&#8221; vroeg Bouke: &#8220;op &eacute;&eacute;n been kan niemand staan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat behoeft niet: ik heb voor ditmaal genoeg. Zeg eens, Bouke! gij kunt mij misschien goeden raad geven. Wat zal ik van Joan
+maken? een officier of een advocaat?&#8221;
+
+</p>
+<p>Bouke schoot luidkeels in een lach: &#8220;een advocaat,&#8221; riep hij: &#8220;UEd. schertst er mede.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Volstrekt niet: ik ben in lang zoo ernstig niet geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een advocaat! is de Jonker van het deeg, daar men advocaten van kneedt? zulk een knap, fiksch jonkman! Kom dat kan UEd. niet
+meenen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zal toch iets dergelijks moeten worden,&#8221; hernam de Baron: &#8220;zoo hij niet liever verkiest in vreemde landen te gaan dienen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu! laat hij dat doen,&#8221; zeide Bouke: &#8220;dan kan er iets grootsch van hem groeien: zoo de mensch hem zet, waait hij in zijn
+net, en die &#8217;t hoofd te beurt valt, die scheert den baard: wie weet het? Misschien wordt hij met den tijd kolonel of nog meer
+en draagt een sjerp en een halsberg: dat zal hem anders staan dan een bef of mantel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar bedenk toch, Bouke! een knaap van zijne jaren zoo maar zonder leiding naar een vreemd land te sturen! Wat moet er van
+hem worden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alleen kan hij niet gaan,&#8221; hernam Bouke: &#8220;kalfvleis, halfvleis: jongelui, domme lui. UEd. moet naar een geschikt persoon
+omzien, die hem op reis verzellen kan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wien zal ik met de zorg van zulk een wildebras belasten? Hij moet iemand bij zich hebben, die niet van hem afwijkt, hem
+vermaant en leidt en onderricht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoodanig een zal UEd. moeilijk vinden, of UEd. moest zelf medegaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daarom juist wil ik hem niet van de hand sturen: en echter geloof ik, dat Dominee in den grond gelijk heeft, en dat er weinig
+anders opzit.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dominee! heeft Dominee dat aangeraden? en is het UEd. die er, <a id="d0e4597"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4597">133</a>]</span>niet aan wil? Ik had eer gedacht dat Zijn Weleerwaarde nog een preeker van den jongen had willen maken of ten minste een geleerde;
+want ieder zot zijn marot, elk meent zijn uil een valk te zijn, en de koekoek en sijs zingen twee wijs: doch hier is het andersom;....
+maar, in &#8217;t voorbijgaan gezegd: de oude Geert heeft mij verzocht UEd. te zeggen, dat de page van het geheim wegens Joan onderricht
+scheen en haar eenige vragen gedaan heeft, die zij met behoedzaamheid beantwoord heeft: zij verzoekt UEd. haar deswege niet
+hard te vallen, vermits zij over het weinige, dat zij gezeid heeft, zooveel berouw heeft als haren op haar hoofd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, dan zal het berouw niet groot zijn,&#8221; viel Reede lachend in: &#8220;want haar kapsel is grootendeels uitgevallen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In &eacute;&eacute;n woord, het spijt haar zeer,&#8221; vervolgde Bouke, &#8220;en het zou haar innig grieven, indien UEd. haar, die bij Mevrouw zaliger
+zoo in achting was....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet al genoeg, Bouke! het is de oude Geert of zij sprak: nu, laat zij in &#8217;t vervolg voorzichtiger zijn; dan zullen wij
+hierover niet verder spreken. Dan, om weer tot de zaak te komen: gij zeidet, ik zou naar een vertrouwd mensch uitzien, om
+Joan naar den oorlog te vergezellen, nietwaar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Om UEd. te dienen, ja! dat zeg ik nog.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu! ik bedenk daar wat: ik ken maar &eacute;&eacute;n man, van wiens geschiktheid tot zulk een post de ondervinding mij overtuigd heeft
+en die man zijt gij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik Mijnheer!&#8221; zeide Bouke, verbaasd terugtredende; &#8220;UEd. zou toch niet verlangen....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat gij en niemand anders den Jonker op reis vergezeldet, als kamerdienaar, onderwijzer, schildknaap, paedagoog, zedenmeester,
+raadsman, vriend, in &eacute;&eacute;n woord, met volmacht om hem door de wereld te krijgen, zoodat hij naar lichaam en ziel even gezond
+en braaf terugkeere als hij heen zal gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En zou UEd.,&#8221; hernam Bouke, het hoofd schuddende en zich een traan uit de oogen vegende, &#8220;uwen ouden getrouwen Bouke, die
+u nooit een dag verlaten heeft, zoo maar op een bof heenzenden? Hoe zal Bouke het zonder UEd., en UEd. het zonder Bouke maken?&#8212;Wie
+zal uw paarden knap houden, uw honden probeeren, uw valken africhten, uw kleeren afschuieren, uw kerse-, vinke- en snippenetten
+breien, uw geweren schoonmaken, uw....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het allemaal wel, Bouke! maar denk eens om den armen Joan. Gij houdt immers veel van hem?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat doe ik: ik liep voor hem door een vuur: doch UEd. kan niet buiten mij, en ik niet....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Denk eens na, Bouke! Hier muft gij uw tijd weg. Gij wordt voorzeker tien jaren jonger als gij in &#8217;t leger komt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu! nu! daar is wel wat aan! doch het bestand zal niet eeuwig duren en op de Spanjaards klop ik nog liever dan op anderen,
+die mij niet raken<span id="d0e4623" class="corr" title="Niet in bron">.</span>&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tegen het einde van het bestand keert gij terug: dan is Joan in staat zelf een keus te doen, wat hij verder uit wil voeren.&#8221;
+<a id="d0e4628"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4628">134</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Verbeeld u eens, Mijnheer! Ik, die oud en stram word, zou zulk een wildzang onder mijn app&egrave;l moeten houden. Ongelijke schotelen
+maakten slinksche oogen: de ezel en de drijver denken niet &eacute;&eacute;ns: dan zou hij een jonge deern, dan een half vendel musketiers,
+dan een fraai rijpaard, dan een reebok nazitten, en eer ik met mijn oude beenen een tiende gedeelte van den weg had afgeleid,
+zou hij er al wezen: en dan ware het: fluit maar! neen, dat gaat nooit.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij spreekt er met zooveel vuur over, Bouke! dat ik in mijn meening versterkt word: ik verzeker u, het zal u beter bevallen
+dan gij denkt: en gij, die altijd met uw spreekwoorden in de weer zijt, moest ook eens bedenken, dat een oude voerman gaarne
+het klappen van de zweep hoort. Doch ik wil u niet op &#8217;t lijf vallen: ook weten wij nog niet, waar Joan zelf zin in heeft:
+denk er intusschen eens over na: morgen zal ik uw besluit vernemen.&#8212;Geef mij nu mijn hengel: het is te laat om te gaan jagen:
+ik zal zien of er nog karpers in den vijver zijn. Zoodra Joan van de jacht komt, moet ik hem spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Baron ging uit, zette zich op een groote tuinbank aan den vijver neder en wierp den hengel in &#8217;t water. Zijn bekommeringen
+beletteden hem echter, eenige aandacht aan zijn verrichting te schenken: achteloos hield hij den rietstok vast en liet de
+karpers ongestoord het aas van den angel halen. Nadat hij een uur ongeveer aldus gezeten had, kwam Bouke hem zeggen, dat Joan
+terug was en verzocht, Zijn Edelheid te mogen spreken.
+
+</p>
+<p>Hoezeer de Baron zelf dit onderhoud verlangd had, zag hij er nu tegen op en duwde Bouke toe, dat hij thans aan &#8217;t visschen
+was en dat Joan een gelegener tijdstip moest afwachten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal zeggen dat UEd. den hengel in handen heeft,&#8221; zeide Bouke, &#8220;want visschen mag het niet heeten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ei, en waarom niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ziet UEd. niet, dat de lijn om den dobber is geslagen en in een waterlelie verward zit? Wat drommel is dat?&#8221; vervolgde hij,
+de lijn uithalende, &#8220;de hoek is geheel kaalgegeten. Op zulk een wijze zal UEd. niet veel vangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb nergens trek in,&#8221; zeide Reede, de angelroede verstoord tegen den grond werpende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar komt de Jonker zelf aan. Wil ik den hengel maar naar huis brengen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen! ja, ja toch, en laat Joan maar komen: ik zal hem toch moeten spreken,&#8221; zeide de Baron, half beschaamd over zijn onzekerheden.
+
+</p>
+<p>Bouke vertrok en de Baron zette zich onrustig neder en zag voor zich; nu en dan echter keek hij steelsgewijze naar Joan, die
+eerst wankelende, vervolgens met een vasten stap op hem afkwam. &#8220;Waarlijk,&#8221; dacht Reede: &#8220;hij is toch een knappe jongen: het
+zou jammer zijn, indien er niets beter dan een geleerde van worden moest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader!&#8221; zeide Joan, toen hij den Baron genaderd was: &#8220;ons gesprek van gisteren heeft mij stof gegeven tot velerlei overdenkingen.
+<a id="d0e4653"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4653">135</a>]</span>De slotsom daarvan is geweest, dat ik, eenmaal mijn waren toestand kennende, geen recht heb, hier langer een onnutte kostganger
+te wezen: ik heb geen ouders, geen betrekkingen, geen vaderland, niets dat ik mijn kan noemen....&#8221; hier stroomden heete tranen
+uit zijn oogen: &#8220;vergun, o vergun mij die te gaan verwerven. In verscheidene landen wordt er gestreden. Sta mij toe, dat ik
+bij deze of gene vreemde Mogendheid dienst neme en mijn fortuin beproeve: geef mij uw vaderlijken zegen op reis mede en wees
+verzekerd, dat mijn gedrag dien nimmer onteeren zal.&#8221;
+
+</p>
+<p>Bij het uiten dezer woorden knielde hij voor zijn pleegvader neder. Tot in de ziel geroerd over het edel gedrag des jongelings,
+sloeg Reede met luide snikken de armen om diens hals en drukte hem in vervoering tegen zijn hart. Te aangenamer was de Baron
+aangedaan, omdat hij, nu Joan zelf gesproken had van dienst te nemen, ontslagen was van den last om hem daartoe het voorstel
+te doen. &#8220;Mijn zegen en mijn beste wenschen,&#8221; zeide hij, &#8220;zullen u altijd vergezellen, mijn zoon! waar gij u moogt begeven:
+ik ben zeker, dat ik mij uwer nimmer zal behoeven te schamen. Doch,&#8221; vervolgde hij, geen misbruik willende maken van Joans
+grootmoedige opwelling: &#8220;waarom zoudt gij ons nu verlaten? Kunt gij niet blijven, tot gij ouder van jaren zijt en een keuze
+doen kunt: of zoudt gij ook willen studeeren?.... zeg openhartig uw zin.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vergeef mij, vader! onder mijn valschen naam kan noch wil ik langer hier blijven: ik heb reeds lang genoeg rechten uitgeoefend,
+die mij niet toekomen, en mijn gevoel zou er tegen aandruischen om langer de Jonker van Sonheuvel genaamd te worden. En om
+als een gevonden kind, als een basterd, hier of te Leiden bekend te zijn, daartoe, vergeef het mij vader! ben ik te eergierig;
+misschien is dat dwaas van mij, en zal ik met de jaren mijn hoogmoed leeren onderdrukken; doch nu kan ik het denkbeeld niet
+verdragen, dat ik, die in geheel de omstreek altijd als de erfgenaam van Sonheuvel heb doorgegaan, opeens door den kleinsten
+boerenjongen met den vinger zou worden nagewezen. Ik moet onder een vreemden naam een vreemd land opzoeken, en d&aacute;&aacute;r mijn bevordering
+aan mijzelven dank weten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Dominee en Bouke hebben u recht beoordeeld, mijn zoon!&#8221; zeide de Baron: &#8220;ik zal over uwen voorslag nadenken; staken wij
+thans dit gesprek en laten wij ons niet als kinderen aan onze droefheid overgeven. De etensbel roept ons aan tafel. Kom! geef
+mij uw arm en verzetten wij ons leed met een goed stuk reevleesch en een roemer wijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Den volgenden morgen was Bouke in de diergaarde zijn gewoon werk gaan verrichten: reeds had hij aan de valken hun dagelijksch
+rantsoen toebedeeld en begaf zich naar de fazanten, die al klokkende naar hem toe kwamen om het brood op te pikken, dat hij
+uit zijn voorschoot schudde, toen Ulrica de omheining intrad, om, zooals zij dagelijks deed, deze verrichting met hem te deelen.
+Het meisje scheen geweend te hebben: althans haar oogen waren rood en haar lief rond gezichtje stond treurig.
+<a id="d0e4663"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4663">136</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Helaas!&#8221; dacht Bouke, &#8220;men moet huilen met de wolven: die met pek omgaat wordt beklad: het arme kind schreit zeker uit gezelschap
+mee. Goemorgen Freule!&#8221; vervolgde hij overluid: &#8220;komt ge het jonge goedje eens bezien? Zie eens welk een honger die stomme
+dieren hebben! kijk hoe zij pikken: wacht! daar komen de <span class="letterspaced">Joanna</span> en <span class="letterspaced">Ulrica</span> aan: die zullen ook wel wat lusten.&#8221;&#8212;<span class="letterspaced">Joanna</span> en <span class="letterspaced">Ulrica</span> waren twee kalkoentjes, die, alleen van een groot broedsel overgebleven, dat de prooi van een vos geworden was, door de twee
+kinderen aldus naar hun namen genoemd waren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ach Bouke! geef mij uw mandje en laat ik die voeren,&#8221; zeide Ulrica.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeer gaarne!&#8221; zeide Bouke. &#8220;Maar wat zie ik,&#8221; vervolgde hij. nadat hij het mandje aan het meisje overhandigd had, &#8220;gij geeft
+alles aan die schrokster van een <span class="letterspaced">Joanna</span>, en uw naamgenootje krijgt bijna niets.&#8221;
+
+</p>
+<p>Weenend verbeterde Ulrica haar ongelijke toebedeeling, gaf het mandje aan Bouke terug en bedekte haar gezicht met een tip
+van haar voorschoot.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe heb ik het met u, Freule?&#8221; vroeg Bouke: &#8220;schort er wat aan? Is UEd. niet recht fiksch?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is niets Bouke! ik dacht om dat kalkoentje, en....&#8221; hier begon zij weder te schreien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu! dat kalkoentje wordt dik en vet, en ik zie geen reden om zoo bedroefd daarover te wezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja maar, ik huil, omdat het Joans kalkoentje is en dat hij zich zulk een pret voorstelde, het eens groot te zien, en dat
+hij het nu niet zien zal als het groot is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O wee!&#8221; dacht Bouke: &#8220;Zij weet ook al van den moord af.&#8212;En waarom niet?&#8221; vroeg hij overluid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader heeft mij gezegd, dat Joan een reis zal gaan doen: en vader en Joan zijn er bedroefd om: en ik ben ook zoo bedroefd:
+want wie zal nu met hem spelen en hem oppassen als hij ziek wordt en hem gezelschap houden!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja!&#8221; zeide Bouke &#8220;dat weet ik niet. Mijnheer wenschte wel, dat ik met hem ging, maar dat gaat op mijn jaren zoo gemakkelijk
+niet meer.&#8221;
+
+</p>
+<p>Staroogend zag Ulrica hem aan, greep zijn breede hand tusschen haar kleine poezele handjes en sprak: &#8220;En waarom zoudt gij
+het niet doen? Ei toch, Bouke! gij moest meegaan: dan zal ik veel geruster wezen, en vader ook, dat verzeker ik u.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zijt een kleine vleister, Freule Ulrica!&#8221; zeide Bouke: &#8220;maar denk eens, of een oude sagrijn zou voegen bij een jongen
+bloed als Joan? dat ware immers lood bij kwikzilver: de uil is nog niet wijs genoeg om een hond zijn biecht te hooren. Doch,
+wat zei de Jonker er wel van? van zijn reis meen ik.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ik vroeg hem waarom hij toch van hier moest? en toen schreide hij en zeide: &#8220;lieve Ulrica! dat kan nu niet anders,&#8221; en
+zoende en streelde mij:&#8212;en anders zeide hij niets.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hm! hm!&#8221; dacht Bouke: &#8220;dan is &#8217;t misschien zoo kwaad niet. <a id="d0e4709"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4709">137</a>]</span>dat hij van hier gaat: want vuur en stroo dient niet alzoo, en de oude Heer zou misschien ongaarne zien....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat praat gij toch in u zelven, Bouke?&#8212;Denkt gij er over na of gij met Joan mede zult gaan of niet? Och! doe het toch, ik
+zal u ook liefhebben: en dan kunt gij hem helpen onthouden op toch dikwijls te schrijven: want als ik niets van hem hoor,
+ga ik vast en zeker dood.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu Freule, wij zullen zien! Ik wil er wel over denken, maar....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen <span class="letterspaced">maren</span>, Bouke! gij moet het vast doen; ik laat u niet los, voordat gij het mij beloofd hebt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie weet of hij wel eens vertrekt,&#8221; zeide Bouke, en haar zachtjes van zich afzettende, ging hij slotwaarts. Aan de brug stond
+Joan en naast hem Veltman, die aanstonds op Bouke aansnelde en vroolijk blaffende tegen hem opsprong. &#8220;Terug! marsch!&#8221; zeide
+Bouke op een verdrietigen toon: &#8220;ik heb vandaag geen spelenstrek.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom zijt gij boos op mijn hond?&#8221; vroeg Joan, naderende: &#8220;ik dacht dat gij beste maats waart.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zijn wij ook,&#8221; zeide Bouke: &#8220;maar sinds gisteren is mij alles onaangenaam en ik heb nergens trek in: evenwel zoo het
+u leed doet, dat ik Veltman niet vriendelijk behandelde, wil ik het goede dier wel om verschooning vragen en den ganschen
+dag met hem spelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat behoeft niet, Bouke! gij zult genoeg tijd daartoe hebben als ik weg ben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het dan vast besloten, Jonker? Denkt gij stellig van hier te gaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Oordeel zelf, Bouke! of het mijn plicht niet is?&#8221;
+
+</p>
+<p>Bouke zweeg en streelde zuchtend de lange haren van den jachthond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Arm dier!&#8221; hervatte Joan: &#8220;van morgen had hij geen lucht, maar liep gestadig aan mijn zijde, als had hij een voorgevoel,
+dat ik hem verlaten moest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En waarom neemt gij hem niet mede? Er valt overal in de wereld te jagen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zou ik meenemen?&#8221; vroeg Joan: &#8220;heb ik iets, dat ik het mijne noemen kan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom kom! Jonker. Veltman is uw eigendom. De Baron had hem u al beloofd eer hij geboren was, en gij hebt de eer, er een goeden
+jachthond van gemaakt te hebben. Ik althans zou er mijn leven geen beteren begeeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu Bouke: bewaar hem dan als een aandenken van mij; doch gij moet hem wel behandelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het u ernst, Jonker!&#8221; zeide Bouke, wien de tranen in de oogen schoten: &#8220;men mag zijn hemd niet weggeven als men van zijn
+rok niet zeker is, zegt het spreekwoord.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal u een beter spreekwoord leeren,&#8221; zeide Joan: &#8220;die geeft van wat hij heeft is waard dat hij leeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar bedenk toch, Jonker! die hond is veertig kronen waard, als gij hem verkoopen wilt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Des te meer eer zal hij u doen, Bouke! doch gij moet om mij denken als gij met hem jaagt.&#8221;
+<a id="d0e4752"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4752">138</a>]</span></p>
+<p>Nu kon Bouke het niet langer uithouden: &#8220;neen Jonker,&#8221; riep hij: &#8220;ik wil den hond niet hebben en ik wil niet met hem jagen!
+ik ga met u waarheen gij trekt: nu mag ik het u zeggen: ik kan u niet verlaten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O dat is goed!&#8221; riep Ulrica, die inmiddels genaderd was: &#8220;dat is goed! daarvoor moet ik u kussen. Wacht! dat loop ik gauw
+aan vader vertellen.&#8221; En zij snelde het slot in. Met warmte drukte Joan Bouke de handen, hem zijn erkentenis over zijn hartelijk
+aanbod betuigende. Echter stelde hij hem eenige zwarigheden voor, hem vragende of hij die wel overwogen had; doch Bouke, die,
+nu eens het ijs gebroken was, hoe langer hoe meer smaak in het reisplan kreeg, versterkte zich met al de gronden, die hem
+de Baron had voorgelegd om hem over te halen, en die hij eerst zoo krachtig bestreden had, terwijl hij aan diezelfde gronden
+thans door het aanwenden van toepasselijke spreekwoorden een dubbel gewicht bijzette.
+
+</p>
+<p>Onder een drok gesprek traden zij het slot binnen. In de ondergang ontmoette hen de oude Frans, die van den Baron kwam, en
+hun verzocht dadelijk binnen te gaan, vermits Zijn Edelheid hen spreken moest.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij komen al,&#8221; zeide Joan: &#8220;wacht ik zal even Veltman gaan vastleggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heden neen!&#8221; zeide Bouke: &#8220;Veltman moet medegaan en aan Mijnheer vertellen, dat hij de oorzaak is dat ik met u op reis ga.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dunkt u dat, Bouke?&#8221; zeide Joan, lachende: &#8220;welnu dan Veltman! de trap op!&#8221;
+
+</p>
+<p>Onbesuisd snelde de hond naar boven en liep de oude Geertrui, die hem tegen kwam, bijna omver.
+
+</p>
+<p>&#8220;Help! Bouke! help!&#8221; riep deze: &#8220;de hond is los!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu! wat is daaraan verbeurd?&#8221; vroegen Joan en Bouke, de trap opkomende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat daaraan verbeurd is? Wel! dat het stinkende beest met zijn vuile pooten tegen mijn schoone bouwen is opgesprongen: is
+dat manier van doen? waarom ligt het niet aan den ketting, zoo als Diaan en Juno en de Hemel weet hoe die heidensche dieren
+meer heeten. Ja! dat zou bij het leven van Mevrouw zaliger niet gebeurd zijn. Toen mocht geen hond....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Knor maar niet, Geert,&#8221; zeide Bouke: &#8220;gij zult heel spoedig van den hond ontslagen wezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! alsof er niet een ander in de plaats zou komen?.... En jij hadt ook je voeten wel mogen vegen, Bouke! eer je de marmeren
+trappen bevuilde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Erm daar ook maar niet over! binnen veertien dagen ben ik op reis en weg.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Op reis? en waarheen dat?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met den Jonker, naar Amerika, naar Turkije of de Noordpool; weet ik het? waar maar te vechten valt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het gekscheren?&#8221; vroeg Geert, bleek wordende.
+
+</p>
+<p>&#8220;In allen ernst meent hij het,&#8221; hervatte Joan: &#8220;maar ik beloof je een goede welkomthuis als ik weerkom.&#8221;
+<a id="d0e4787"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4787">139</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik ook,&#8221; zeide Bouke: &#8220;ik zal je een knipje meebrengen of een gouden slootje: dat kunt ge altijd voor uw mond doen, als je
+&#8217;t niet beter gebruiken kunt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och kom! loop heen met je gekheid! Alsof ik een babbelkous ware!&#8212;Maar toch: dat moet ik aan de vrouw van Dominee eens gaan
+vertellen, dat jijlui reizen gaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou het slootje nu niet goed te pas komen?&#8221; vroeg Bouke: &#8220;dadelijk weer oververtellen; maar &#8217;t zal oele zijn. Dominee en
+zijn vrouw en &#8217;t gansche dorp weten het al.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Weten het al! En ik niet?&#8221; hernam de oude vrouw, hoogstens gebelgd: &#8220;en ik niet, aan wie Mevrouw zaliger al haar vertrouwen
+schonk: ik, die altijd de nieuwtjes wist, zelfs v&oacute;&oacute;r Mijnheer.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! als jij thuis waart en Mijnheer in &#8217;t leger, dan wist jij de nieuwtjes van de binnenplaats en de bierhuizen &#8217;t eerst;
+doch praat maar niet te veel van het vertrouwen, dat men u schonk: vooral niet,&#8221; fluisterde Bouke, haar op den schouder kloppende,
+&#8220;als er een jonge knaap met gouden lussen in &#8217;t spel komt. Een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg, nietwaar?&#8212;Nu,
+tot weerziens Geert!&#8221;
+
+</p>
+<p>Geertrui zuchtte, maar antwoordde op deze schampere aanmerking niet.
+
+</p>
+<p>Nu traden Joan, Bouke en Veltman de eetzaal binnen, waar de Baron naast een helderbrandend vuur onder den breeden schoorsteenmantel
+nederzat. Voor hem stonden twee flesschen Rijnschen wijn met de noodige roemers op tafel. Ulrica zat op een der vensterbanken
+te borduren en zag Bouke bij zijn binnenkomen met kinderlijke erkentenis aan: de Baron liep naar zijn dienaar toe, schudde
+hem met hartelijkheid de hand en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was zooals ik het van u verwachtte, Bouke! nu een vollen roemer op uw voorspoedige reis geledigd.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit gezegd en gedaan zijnde, plaatste de Baron zich weder in zijn armstoel en gaf nu zijn meening te kennen, dat, nu men het
+over de groote zaak toch eens was, het van belang ware, spoedig te beslissen onder welk legerhoofd Joan zijn krijgskundige
+opvoeding zoude erlangen. &#8220;Er waren er geen,&#8221; zeide Reede, &#8220;die op &eacute;&eacute;nen dag met Zijn Hoogheid of met Broos Spinola te noemen
+waren: doch deze of gene zijner Haagsche vrienden zou hem wel een goeden raad geven. Intusschen,&#8221; vervolgde hij, &#8220;een aanstaand
+krijgsman moet zich een rusting aanschaffen: daartoe is geld benoodigd. Ziedaar!&#8221; Hier wierp hij een beurs met pistoletten
+wel voorzien op de tafel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar vader!&#8221; zeide Joan: &#8220;al dat geld zal ik u immers nooit terug kunnen geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie drommel spreekt er van teruggeven? Ik schenk het u, en het zal er niet bij blijven. Denk dat Ulrica in de kamer is,&#8221;
+voegde de Baron er zachtjes bij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Palm maar in, Jonker!&#8221; zeide Bouke: &#8220;met ijle handen is &#8217;t kwaad haviken lokken: en &#8217;t is zwaar kammen waar geen haar is.
+De ruimte schaadt nooit, al is &#8217;t maar in geld.&#8221;
+<a id="d0e4812"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4812">140</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik zou het veel liever eerst verdiend hebben,&#8221; antwoordde Joan, de beurs langzaam opstekende.
+
+</p>
+<p>In dit oogenblik werd de Predikant, die door Reede ontboden was, aangediend: hij trad binnen met een gelaat, dat zoo treurig
+en strak stond, als had hij de mis in zijn kerk hooren lezen: hij boog, zonder een trek van zijn aangezicht te verroeren,
+voor den Baron, knikte even stemmig Joan en de Freule toe en zette zich onder het loozen van diepe zuchten in den stoel neder,
+welken Bouke hem bijschoof.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb u laten ontbieden, Dominee!&#8221; zeide de Baron, &#8220;om u een tijding mede te deelen, die uw belangstelling wekken zal. Het
+besluit is genomen! de kogel is door de kerk.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het waarlijk zooverre gekomen?&#8221; vroeg Raesfelt, angstig rondziende: vervolgens trok hij de voeten onder den stoel bijeen,
+legde de platte handen op de ver van &eacute;&eacute;n verwijderde knie&euml;n en keek strak voor zich, het hoofd langzaam schuddende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja &#8217;t is er door!&#8221; hervatte de Baron: &#8220;&#8217;t zal zeker in den beginne oorzaak tot vele droefenis geven; doch beter een mannelijk
+besluit dan in &#8217;t geheel geen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jawel zal het droefenis geven,&#8221; antwoordde Raesfelt, zonder van houding te veranderen: &#8220;droefenis bij allen, die voor de
+waarheid streden<span id="d0e4825" class="corr" title="Bron: ,">.</span> Ik had het al gevreesd: sinds onze brave Prins (God zegene Zijn Hoogheid) aan die listige hofslang, dien Uittenbogaert, zijn
+vertrouwen ontzeide, heeft al wat der goede zaak vijandig is, zich tot Sint-Jan<a id="d0e4828src" href="#d0e4828" class="noteref">1</a> gewend, en van dien tijd af is hun invloed al hooger en hooger gestegen: vooral nadat hun vice-patroon, Huig de Groot, Sint-Jans
+handlanger, zich aan het hoofd der Rotterdamsche inquisitie gesteld heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar voor Sint-Felten, Dominee!&#8221; barstte Reede uit, nadat hij een geruimen tijd den Predikant en al de aanwezigen met verbazing
+had aangekeken, en eindelijk in een schaterend gelach was uitgebarsten: &#8220;wat brust ons Sint-Jan of de Inquisitie? waar dolen
+uw zinnen, man? Is het weer de eigenste malerij van eergisteren, die u in den bol zit? En begrijpt gij niet, waarom ik u heb
+doen roepen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dacht,&#8221; zeide Raesfelt eenigszins verlegen, &#8220;dat UEd. mij verhalen wilde, dat er reeds antwoord van de Staten van Holland
+gekomen is op het laatste vertoog Hugonis Grotii, hetwelk al de vorige in onbeschaamdheid en listigheid voorbijstreeft, ja
+zelfs nog erger is dan het boekske, hetwelk hij getiteld heeft: &#8220;de godsdienstigheid der Staten van Holland en West-Friesland,&#8221;
+en &#8217;t welk gericht is tegen mijn vriend en medearbeider in &#8217;s Heeren wijngaard, den door en door geleerden Sibrandum Lubbertum,
+<span class="letterspaced" lang="la">Franekero s. s. Theologiae antecessorem</span>, welke gemelde Sibrandus Lubbertus echter, in een voortreffelijk werkje, ten titel voerende....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen Dominee, honderdmaal neen! Denkt gij dat wij u zouden laten roepen, om u kerknieuws te vertellen? Als ik dat weten wil,
+kom ik het bij u hooren.&#8221;
+<a id="d0e4840"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4840">141</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Elk moet zijn eigen beesten weiden,&#8221; merkte Bouke als in <span class="letterspaced">parenthesi</span> aan<span id="d0e4846" class="corr" title="Bron: ,">.</span>
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist,&#8221; hernam de Leeraar: &#8220;<span class="letterspaced" lang="la">navita de ventis, de tauris narrat orator</span>;<a id="d0e4854src" href="#d0e4854" class="noteref">2</a> doch ik luister aandachtig naar hetgeen ik van Ed. te vernemen heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij dunkt, dat dit nogal klaar is: wat was het onderwerp van ons laatste gesprek? waarover hebben wij dezen nacht gepeinsd
+en nagedacht? wat is hier gaande?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is waar ook,&#8221; zeide Raesfelt, zich langzaam opheffende en de beenen voor zich uitstekende; &#8220;doch dat werkje Lubberti heeft
+mij alle wereldsche zaken doen vergeten, om alleen te denken aan het dierbaar belang onzer waarde en zwaar bedreigde Kerk;
+welk belang ook wel hooger zijn moet dan al onze aardsche aangelegenheden, weshalve ik....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij raakt weder van &#8217;t pad, Dominee! kort en goed, gij moet weten, dat ik zoo spoedig mogelijk naar Den Haag ga, om met mijn
+vrienden te raadplegen, waar ik dezen knaap zal laten dienen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dienen! en zoo ik vragen mag, met welke wapenen? religieuze, politieke of militaire?
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal Dominee spoedig begrijpen,&#8221; viel Bouke in, &#8220;als Uw Weleer waarde weet, dat de Jonker onder mijn protectie heengaat:
+want ik deug tot weinig anders als tot een krijgsmakker; ofschoon ik zorgen zal, dat de Jonker geen Arminiaansche begrippen.....&#8221;&#8217;
+
+</p>
+<p>&#8220;Arminiaansche begrippen zijn nog niet in andere landen doorgedrongen, Bouke!&#8221; zeide de Predikant; &#8220;doch men heeft er ketters
+van allerlei aard; als daar zijn in Engeland de Bisschopsgezinden, in Hongarije de Brandradisten, in Polen de Gentilisten,
+in <span id="d0e4869" class="corr" title="Bron: Italie">Itali&euml;</span>, Spanje en Frankrijk de Papisten, en verder overal verspreid de Socinianen, Pelagianen, Arianen, Macedonianen....&#8221;
+
+</p>
+<p>Hier viel Reede den Predikant in de rede en verzocht hem, eindelijk eens te willen luisteren naar &#8217;t geen hij hem te vertellen
+had: de Predikant verleende nu ten minste een schijnbare aandacht aan zijn redenen, en de Baron droeg zijn voornemens ongestoord
+voor; doch toen de Baron zijn reisplan naar Den Haag wederom vermeldde, gaf de Predikant, die nu geheel bij de zaak was, hem
+zijn verlangen te kennen, om mede van den tocht te zijn. Hij had onder de Haagsche Predikanten verscheidene kennissen, die
+hij gaarne eens zien zou: hij wenschte met een boekverkooper te spreken, over de uitgave van zijn boekske over Psalm CXLIV.
+en ten derde verlangde hij de gelegenheid waar te nemen om naar Leiden te gaan en aldaar te zien, hoe het met zijn zoons geschapen
+stond.
+
+</p>
+<p>Dit verzoek werd door den Baron gretig toegestaan, en onder een vroolijk onderhoud over het aanstaand reistochtje liep het
+middagmaal, waar de Predikant bleef aanzitten, ten einde.
+
+
+<a id="d0e4876"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4876">142</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4828" href="#d0e4828src" class="noteref">1</a></span> Oldenbarneveldt.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4854" href="#d0e4854src" class="noteref">2</a></span> De zeeman vertelt van de stormen, de bouwman van de stieren.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e4877" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Vijftiende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph" lang="fr">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Il dit fort pos&eacute;ment ce dont on n&#8217;a que faire
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Et court le grand galop quand il est &agrave; son fait.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Racine</span>, Les plaideurs.
+</p>
+</div>
+<p>De reis naar Den Haag liep ten genoegen van de belanghebbende partijen af. De Baron verkreeg door middel van zijn vrienden,
+brieven van aanbeveling voor den beroemden Krijgsoverste Bethlem Gabor, den bevrijder van Transilvani&euml;, wiens heldhaftige
+daden de aandacht van Europa trokken en onderscheidene jongelingen van edelen huize uit de Protestantsche landen uitlokten
+om onder zulk een wakker Overste de oorlogskunst te leeren.&#8212;Raesfelt had het geluk, op den eersten Zondagmorgen na zijn komst
+in Den Haag, een beurt in de Groote Kerk te mogen waarnemen, welke hem zijn geleerde vriend Ds. Lamotius had afgestaan: en
+bij die gelegenheid genoot de Leeraar van Sonheuvel de zonderlinge eer, Prins Maurits zelf onder zijn toehoorders te tellen.
+Van Den Haag keerde de Predikant over Leiden terug, bevond dat zijn zoon Hendrik een onverbeterlijke, verstokte Arminiaan
+geworden was, nam hem van de Hoogeschool af en bezorgde hem bij een koopman in edelgesteenten te Amsterdam, ten einde aldaar
+de negotie te leeren.
+
+</p>
+<p>Zoodra de winter geweken was en de eerste lentedagen het reizen, vooral naar een warmer luchtstreek, niet meer tot een lastige
+of moeilijke, maar veeleer tot een aangename zaak gemaakt hadden, vertrokken onze twee krijgsmakkers. Het afscheid was aandoenlijk,
+gelijk de lezer beseffen zal, aan wiens verbeeldingskracht wij overlaten, zich voor te stellen, hoe de Baron en Joan zich
+vruchteloos poogden goed te houden, hoe Ulrica in tranen wegsmolt en duizend kussen aan haar broeder medegaf, hoe Raesfelt
+en Geertrui een schat van zedenlessen aan den jongen knaap schonken, hoe Bouke zich maar op een afstand hield en nu en dan
+met den handschoen een traan uit de oogen wipte, al mompelend in zich zelven: men scheurt geen oud papier en geen oude vrienden
+van&eacute;&eacute;n zonder geluid te geven.
+
+</p>
+<p>De tocht der wapenbroeders was voorspoedig; de onderscheidene brieven, welke Joan, zoo regelmatig als mogelijk was, aan zijn
+achtergebleven vrienden schreef, en waarvan wij er tot ons leedwezen geen hebben kunnen terugvinden, getuigden van zijn voortdurende
+gezondheid, van zijn smaak in &#8217;t leven dat hij leidde, van zijn tevredenheid over zijn overste en over zijn waarden krijgsmakker,
+van zijn gehechtheid vooral en gestadig denken aan de opgezetenen van Sonheuvel. Dezen, van hunnen kant, gevoelden diep het
+verlies van twee leden van het huisgezin, die zooveel tot het genot der samenleving medegewerkt hadden. Ulrica was in &#8217;t eerst
+als troosteloos: haar smart werd door den tijd en het ontvangen van goede berichten wel eenigszins gelenigd; doch met het
+vorderen der <a id="d0e4896"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4896">143</a>]</span>jaren groeide ook het besef van het eenige, het ledige van haar toestand.
+
+</p>
+<p>De Baron verveelde zich doodelijk en wist met de lange dagen hoegenaamd geen weg meer, sedert hij van het gezelschap, waaraan
+hij zoo gewoon was geworden, verstoken was. Te voren, als de stem van Bouke hem uit den slaap gewekt had, vond hij zijn kleederen,
+netjes naar zijn zin opgeschuierd, op den armstoel naast zijn bed liggen; tegenwoordig moest hij drie a vier keeren fluiten,
+eer hem zijn ochtendgewaad was bovengebracht. Bouke wist altijd welken morgenwijn Mijnheer bij het ontbijt nam: zijn nieuwe
+dienaar bracht hem altijd van het verkeerde merk. Met Bouke praatte hij onder &#8217;t aankleeden en ontbijten over vroegere heldenfeiten:
+zijn tegenwoordige dienaar wist op zijn best een paar bekkesnijdershistorietjes.&#8212;Ging hij te voren wandelen, bezocht hij zijn
+diergaarde, wilde hij visschen of jagen, altijd vond hij alles naar behooren: de beesten gevoederd, de netten gemaasd, de
+jachtsprieten gladgewreven:&#8212;thans moest hij een paar dagen vooraf bepalen waar hij trek in zou hebben, anders waren de valken
+onklaar, de netten gescheurd, de wapenen verroest. Bouke en Joan wisten overal waar het wild lag, op welk veld de meeste hoenders
+gespeurd waren, tegen welke boomen het hert zijn hoornen gewet had; zijn nieuwe jachtgezellen waren der streek onkundig. Aan
+tafel strekten voorheen de vroolijke scherts en vernuftige invallen van Joan tot een saus bij het maal: thans was ook de geestige
+kout en het meer en meer belangrijk onderhoud van Ulrica niet in staat den Baron uit zijn gemelijke, verdrietige luim te krijgen.
+
+</p>
+<p>Het gevolg van dit alles was, dat Reede, om hetgeen hij verloren had te vergoeden, nieuw gezelschap zocht en met verscheidene
+naburen, meest onbesuisde drinkers en jagers, die hij te voren nauwelijks zou hebben willen aanzien, en althans niet op zijn
+slot verzocht, betrekkingen aanknoopte. Van toen werd het kasteel van Sonheuvel, waar tot dien tijd altijd geschiktheid en
+orde hadden plaats gevonden, niet zelden een tooneel van woeste brasserijen, die meermalen tot laat in den nacht werden voortgezet,
+zoodat Reede veel van de hooge achting verloor, die hij tot dien tijd bij alle fatsoenlijke en beschaafde lieden genoten had.
+Dit was echter jammer, want, ofschoon hij nu en dan de waarheid ondervond van de spreuk, dat kwaad gezelschap dolen doet,
+en zich wel eens te verre aan drank te buiten ging, zoo bleef hij echter zijn maatschappelijken zoowel als zijn vaderplicht
+indachtig, en behield hij oordeel genoeg om de verstrooiingen, die hij zich verschafte, verre beneden de onschuldiger genietingen
+van vroeger tijden te stellen. Hij luisterde zelfs bereidwillig naar de vermaningen, die de Predikant Raesfelt zich somtijds
+verplicht vond hem in gemoede te maken, en antwoordde dan maar meteen: &#8220;Ja Dominee! maar ik kan mijn leven toch niet mo&ecirc;rziel
+alleen doorbrengen. Als Bouke en Joan maar weerom zijn, dan zal alles wel weer te recht komen.&#8221; Wanneer echter de oude Geert
+somtijds haar klaagliederen aanhief, en vroeg wat Mevrouw zaliger wel gezegd zou hebben van het leven, dat nu op het slot
+gevoerd <a id="d0e4902"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4902">144</a>]</span>werd, maakte hij zich driftig, en dreigde haar, dat hij, zoo zij zich niet van aanmerkingen onthield, wel eens een andere
+huishoudster zou kunnen nemen, die wat minder praats had.
+
+</p>
+<p>Intusschen zag hij duidelijk in, dat de levenswijze, welke Ulrica thans leidde, weinig geschikt was om een aankomend meisje
+die genoegens te verschaffen, welke haar leeftijd voegen, noch die kundigheden, welke eener fatsoenlijke jonkvrouw betamen.
+Hij zelf bedankte er voor, om nog op zijn leeftijd zich in de hofplaats te gaan nederzetten en aldaar zeden en gewoonten aan
+te nemen, die hij lang verleerd was. Hij zag dus om naar een gelegenheid om haar in staat te stellen meer overeenkomstig haar
+stand en jaren te leven; en hierover begreep hij niemand beter te kunnen raadplegen dan Mevrouw de Douairi&egrave;re L. G. van Nassau,
+aan welke hij zich bij zijn reize naar Den Haag weder had doen voorstellen (en bij die gelegenheid zijdelings naar Ludwig,
+haar page gevraagd, doch vernomen had, dat deze met een gezantschap als klerk of schrijver naar Engeland was vertrokken).
+De Gravin bood hem haar diensten aan en verzocht Ulrica voorloopig eenigen tijd bij zich te hebben. Gaarne voldeed de Baron
+aan dit verlangen, en nu verliet het lieve meisje voor de eerste reize, en niet zonder hartkloppingen en angsten, het stille,
+eenvoudige land voor de deftige, woelige, schitterende hofplaats. Spoedig echter ontving Reede bericht van de Douairi&egrave;re,
+dat het weinig moeite zou kosten, om aan Ulrica de laatste hand te leggen en haar tot eene in allen deele volmaakte jonkvrouw
+te maken, daar de natuur haar niet alleen wat vernuft, karakter en schoonheid betrof, moederlijk bedeeld had, maar haar bovendien
+een zeker iets geschonken had, hetwelk anderen niet dan na jaren oefening verkrijgen kunnen; een zeker aangeboren gevoel,
+dat op zijn pas zwijgen en spreken doet, dat over alle daden en gezegden een fijn waas van bevalligheid, van smaak, van welvoeglijkheid
+weet te verspreiden, dat de houding gemakkelijk en los zonder wildheid, zedig en bescheiden zonder stijfheid maakt: een zeker
+iets, een <span class="letterspaced">ick en weet niet wat</span>, hetgeen behaaglijk en beminnelijk maakt en het eenige is dat ook nu nog, in onze eeuw van gelijkheid, een kennelijk en onoverkomelijk
+onderscheid maakt tusschen de wel<span class="letterspaced">geboren</span> en wel<span class="letterspaced">opgevoede</span> vrouw.
+
+</p>
+<p>In denzelfden brief meldde de Gravin aan den Heer van Sonheuvel, dat zijn dochter reeds de keuze had, tusschen verscheidene
+partijen, die zich opdeden, door haar schoonheid, door haar verstand of door haar middelen uitgelokt. Geen echter dier minnaars
+had zich nog durven verklaren, zoodat de Baron aan Ulrica bij voorraad alleen voorzichtigheid behoefde aan te bevelen, schoon
+zij (de Gravin) overtuigd was, dat het daaraan bij het jonge meisje niet zou mangelen. Onder de <span class="letterspaced">pretendenten</span> noemde Mevrouw van Nassau voornamelijk den Heer Mom, Ambtman van &#8217;t land tusschen Maas en Waal, een welgezeten, bemiddeld
+ridder, van middelbare jaren en in groot aanzien ten hove staande.
+
+</p>
+<p>Kort na de ontvangst van dezen brief, die den goeden Baron in allerlei verlegenheden stortte, kwam er een onzer oude bekenden
+<a id="d0e4922"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4922">145</a>]</span>op &#8217;t onverwachts op Sonheuvel aan. Deze was niemand anders dan de strooper en kippendief Teun Wezer; <span class="letterspaced" lang="la">sed quantum mutatus ab illo</span><a id="d0e4926src" href="#d0e4926" class="noteref">1</a>. Het voorheen nederhangend haar was sierlijk opgekruld en met een vederhoed bedekt: de boerenpij was tegen een fraai groen
+lakensch buis verwisseld, vol koorden en lussen: hij droeg een degen op zijde, had halve laarsjes aan, en reed op een fraai
+paard, dat kostelijk was opgetoomd. Alleen het fonkelend oog van Klaartje, Boukes nicht, herkende haar voormaligen vrijer:
+en het nieuwe gewaad, waarin zij hem weder zag, strekte niet weinig om haar achting voor zijn persoon te vermeerderen: ja
+zij werd grootsch op haar eigen doorzicht: want reeds lang geleden, toen iedereen zeide, dat Teun Wezer voor de galg opgroeide,
+had zij alleen staande gehouden, dat men hem onrecht aandeed en dat hij in tegendeel zeer wel zou voortkomen.
+
+</p>
+<p>Hij werd dan nu ook niet weggejaagd, maar zeer vriendelijk ontvangen, vooral toen men zijn boodschap vernam. Hij kwam dan
+van den Ambtman Mom (in wiens dienst hij getreden was ten gevolge van, of na de boodschap, die Ludwig hem aan dezen had gegeven)
+en verzocht voor zijn Heer de eer van een bijzonder onderhoud met den heer Baron.
+
+</p>
+<p>De Baron haastte zich hiertoe zijn bereidwilligheid te kennen te geven, en weldra verscheen de Ambtman bij hem en vroeg hem
+zonder veel omwegen om de hand van zijn dochter. Zijn gesprek, zijn toon, zijn ronde en te gelijk hoffelijke manieren behaagden
+den Heer van Sonheuvel evenzeer als het voorstel dat hij deed, hetwelk ook vele schoone zijden had, en zoover men gissen of
+nagaan kon, niet &eacute;&eacute;ne slechte. Hij ontweek echter, vooralsnog het geven van een stellig antwoord, zeide dat zijn dochter nog
+te jong was om aan een huwelijk te denken, dat hij zelf niets tegen den Ambtman had, maar zich integendeel door diens aanbod
+vereerd vond, doch dat hij haar in geen geval buiten haar volkomene toestemming zou uittrouwen.
+
+</p>
+<p>De Ambtman nam genoegen in dit antwoord: althans hij betuigde er geen gunstiger te hebben kunnen verwachten; en dit was inderdaad
+waar. Hij vertrok, verlof vragende om spoedig terug te komen, hetwelk hem beleefdelijk werd toegestaan. Hiervan kwam echter
+vooreerst niets, omdat hij wegens politieke aangelegenheden genoodzaakt werd een geruimen tijd in Oost-Friesland door te brengen.
+
+</p>
+<p>Intusschen was de beminnelijke Ulrica bij haar vader teruggekomen; beiden hadden reeds een geruimen tijd sterk naar elkander
+verlangd en waren recht verheugd en gelukkig van zich weder te zamen te vinden. Hun blijdschap was niet weinig vermeerderd,
+toen eerlang onze beide reizigers van hunne lange tochten in &#8217;t vaderland terugkwamen. Was het afscheid aandoenlijk geweest,
+het wederzien was hartelijk en roerend, echter minder <a id="d0e4937"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4937">146</a>]</span>dan men, uit hetgeen tot nog toe van de hoofdpersonen dezer geschiedenis verhaald is, zou kunnen opmaken. Er waren jaren verloopen.
+Joan en Ulrica waren geen kinderen meer: de betrekking, die tusschen hen bestaan had, en die nu ook Ulrica wist dat op een
+valschen grond gesteund had, was verbroken. Ook de Baron, en dit bemerkte zijn pleegzoon al spoedig, was dezelfde niet meer:
+hij was nog altijd hartelijk, welmeenend en goed; doch hij had een zekere ongedurigheid, een zekere kregelheid aangenomen,
+die hem te voren minder eigen was. Hij scheen thans een al te groote gemeenzaamheid tusschen de beide jonge lieden te schromen:
+hij bracht Joan veel op groote partijen, gaf zelf feest op feest en liet Ulrica zoomin mogelijk met haar gewezen broeder all&eacute;&eacute;n.
+&#8220;Bouke!&#8221; zeide de jongeling meermalen tegen zijn wapenbroeder: &#8220;de oude Heer is niet meer wat hij geweest is. Gij moet hem
+vooral niet weer verlaten: er zal kunst noodig zijn om hem weer tot de oude bedaardheid en gemakkelijkheid terug te brengen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Bouke was ook niet erg tevreden: eensdeels omdat hij zijn Heer zoo veranderd zag sinds hij hem niet meer onder handen gehad
+had: anderdeels omdat hij zich verveelde, daar de meeste bedieningen, die hij te voren vervulde, op anderen waren overgegaan
+en ten derde, omdat Teun Wezer, (die nu een post van den Ambtman gekregen had) zijn nicht Klaartje staande zijn afwezigheid
+getrouwd had. Hij begreep echter, dat Joan gelijk had en, toen deze na verloop van eenigen tijd, weder naar het leger, dat
+hij slechts als verlofganger verlaten had, terugkeerde, bleef Bouke zijn ouden Heer gezelschap houden.
+
+</p>
+<p>Wellicht zal de lezer zich te dezer plaatse verwonderen, dat ik, die in de laatste hoofdstukken met een langzamen tred ben
+voortgegaan, en schijnbaar min belangrijke gebeurtenissen tot in de kleinste bijzonderheden toe verhaald heb, over voorvallen
+van meer aangelegenheden, als b. v. de vrijage van den Heer Mom en de terugkomst van Joan, zoo los heenloop: ja vreeze ik
+dat men de woorden, die ik als motto voor dit hoofdstuk gebruikt heb, op mij zal toepassen, en mij teffens de reden van mijn
+vreemd gedrag te dezen opzichte vragen. Ik zal antwoorden, dat het, in &#8217;t algemeen, niet van een schrijver afhangt lang of
+kort te zijn naar behooren: dat een schijnbaar min geschikt onderwerp hem een wijdloopige behandeling noodzakelijk maken zal:
+terwijl hij zich buiten staat zal bevinden, de gewichtigste zaken en de belangrijkste stoffe met gepaste woorden uiteen te
+zetten en in de noodige orde te verhalen:&#8212;terwijl ik tevens zal aanmerken, dat hetgeen ik hier heb overgeslagen, alleen is
+geschied om niet genoodzaakt te worden van tweemalen hetzelfde te zeggen, vermits het in het vervolg dezer geschiedenis te
+zijner gelegenheid, nader opgehaald zal worden. Wij zullen dus de jaren, die er verliepen tot aan den tijd, waarop wij den
+draad van het verhaal weder opvatten, om dien onafgebroken tot aan het slot vast te houden, zonder verdere beschouwing overslaan,
+alleen verzoekende, dat de lezer, tot beter verstand van <a id="d0e4943"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4943">147</a>]</span>het vervolg, met ons een oog gelieve te slaan op den staat der Nederlanden, tegen het einde van het twaalfjarig Bestand.
+
+</p>
+<p>Prins Maurits had, sedert dat de zege der zich rechtzinnig noemende Kerk op de Remonstranten beslist was, het zenith zijner
+macht en grootheid bereikt. Zijn diepe ervarenis, zijn onverzettelijke vastheid, zijn nooit verkloekt beleid en zijn onvergelijkbare
+kunde als legerhoofd, hadden hem voorlang de schrik zijner vijanden, de roem der zijnen, het wonder van Europa en de spiegel
+aller krijgslieden doen worden. Misschien had men hem als staatsman niet minder groot geacht, ware niet Willem de Eerste zijn
+vader geweest. Dan ondanks de vergelijking, die men zich somtijds gedrongen gevoelde ten voordeele des laatsten te maken,
+gaf de invloed, welken de aanwassende rijkdom en macht der Vereenigde Gewesten op den politieken toestand van Europa verkregen,
+aan Maurits eene ruime gelegenheid om te toonen, hoe hoog een rang hij ook ten dezen opzichte bekleedde. En, was tot voor
+weinige jaren het pad, dat zijn staatkunde hem voorschreef, oneffen gemaakt door de hinderpalen, die hem de bekwame, doch
+onbuigzame Oldenbarneveldt had in den weg gelegd, de val van dezen en zijn aanhang had den Stadhouder in zijn bestiering over
+de Zeven Gewesten een bijna onbepaald gezag gelaten. Het behoort niet tot onze taak, over de maatregelen, door hem gebezigd
+tot bereiking van dat gezag, eenig oordeel te vellen. Wij moeten echter aanmerken, en het zal uit het vervolg dezer geschiedenis
+blijken, dat de triomfeerende Contra-Remonstranten de terging en onderdrukking, welke zij te voren ondervonden hadden, op
+een geduchte en zeker weinig Christelijke wijze aan hun tegenpartij betaald zetteden. Door het geheele grondgebied der Nederlanden
+was al, wat maar Remonstrantsch scheen, aan de hardste en grievendste behandelingen onderworpen. De hoofden der onderliggende
+partij waren gebannen, gevangengezet of in zware boeten beslagen: de kerkedienaren afgezet en tot armoede gebracht, de leeken
+uit alle posten en bedieningen gestooten.
+
+</p>
+<p>Niet vreemd was het dus, dat velen hunner, door deze vervolging verbitterd en in hun begrippen versterkt, zich tegen de in
+hun oog onrechtmatige overheden niet zelden poogden te verzetten, en alle, ook de minst geoorloofde middelen bij de hand namen
+om hun verdrukte, doch talrijke medebroeders aan te zetten tot afschudding van het juk der synodale dwingelandij; ja zelfs
+het goud van Spanje en Frankrijk en de hulp der Roomschgezinden tot schraging hunner oogmerken verzochten.
+
+</p>
+<p>Het bestand met Spanje stond ondertusschen te eindigen, en, hoe wel die Mogendheid de hoop had verloren, om de Nederlanden
+te runnen aanvallen op een tijdstip, dat de beide partijen nog even machtig en ongeneigd tot vereeniging waren, bleef zij
+echter het vuur van tweedracht en muiterij aanstoken en liet zij niet na, al wat bedektelijk Remonstrantschgezind bleef, door
+beloften en geschenken uit te lokken om zich tegen des Prinsen bestier te verzetten. Gelukkig echter voor Nederland en tot
+eer der natie waren er slechts weinigen, zelfs onder de verdrukte partij, die aan de uitlokselen <a id="d0e4951"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4951">148</a>]</span>gehoor verleenden en den naam van landverraders verdienden.
+
+</p>
+<p>Wij laten na deze korte beschouwing aan den lezer over te beslissen, tot welke klasse de beide nieuwe sprekers behoorden,
+welke wij met den aanvang van het volgende hoofdstuk ten tooneele voeren.
+
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e4926" href="#d0e4926src" class="noteref">1</a></span> Doch hoezeer veranderd van hetgeen hij geweest was.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e4955" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Zestiende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<div class="&#xA; poem&#xA; " lang="nl-1600">
+<p class="line" style=""><span>Der papen kist is leegh.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Sijn krijgs-volck blijft verswackt: sijn wissel achterweegh.</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; " lang="nl-1600">
+<p class="line" style=""><span>Terwijl was Spinola om gelt bela&acirc;n te hoof:
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Hy leende hier op borgh en daar op goet geloof.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Vondel</span>.
+</p>
+</div>
+<p>Buiten het bevallig gelegen Tiel strekt zich, langs den oever van de sombere Waal, een vroolijk bosschage uit, dat onderscheidene,
+alle zeer schilderachtige uitzichten oplevert. Het genieten der aangename natuur scheen echter de drijfveer niet te wezen,
+welke de twee personen, die het bezochten op den fraaien Meiavond, waarmede wij onze geschiedenis hervatten, derwaarts gelokt
+had. Noch de lentezang van het kwinkeleerend gevogelte, noch het bekoorlijk schouwspel der lieflijk bloeiende boomgaarden,
+noch zelfs de majestueuze vloed, die zijn wateren voortrolde aan den voet van den zwaren dijk, waarover het boschje zich uitstrekte,
+schenen hun aandacht bezig te houden. Van de bank, op welke zij onder het lommer eener zware linde gezeten waren, staroogden
+zij onophoudelijk op een veerschuit, die tegen wind en stroom van de overzijde langzaam aan kwam stevenen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet niet,&#8221; zeide de een, &#8220;of het door de spiegeling der zon in &#8217;t water komt of door den verren afstand, of dat mijn
+oogen er schuld aan hebben; maar ik kan nog niemand van de opvarenden herkennen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Die deze woorden sprak was een man van middelbare jaren, gezet van gelaat en lichaam, hoog van rug en met grijsachtig haar
+en baard. Hij droeg een nieuw zijden manteltje over een jachtgewaad, waarvan de oorspronkelijk groene kleur verschoten en
+de eens gouden passementen zwart geworden waren. Zijn metgezel was kleiner doch netter van postuur en eenvoudig, doch sierlijk
+in &#8217;t zwart gekleed. Zijn geestige oogopslag, de bevallige en wakkere levendigheid zijner bewegingen, en de zorg, waarmede
+haar en baard gekamd en gebalsemd waren, gaven hem een nog jeugdig voorkomen; doch eenige rimpels, die zich aan de slapen
+van het hoofd vertoonden, deden bij den opmerkzamen beschouwer het vermoeden ontstaan, dat de Ambtman van &#8217;t Land tusschen
+Maas en Waal (deze was het) zijn eerste jeugd had zien voorbijgaan.
+<a id="d0e4979"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e4979">149</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Het is zeker onaangenaam,&#8221; zeide hij, &#8220;te moeten wachten, wanneer men zooals wij, in pijnlijke onzekerheid den tijd doorbrengt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom! kom!&#8221; hernam degene die eerst gesproken had: &#8220;zoo gij den moed laat zakken, weet ik niet wat UEd. dienstwillige dienaar
+wel doen zal; want ik ben er toch in allen gevalle de ergste aan toe.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Den moed zult gij althans nimmer verliezen, mijn waarde Botbergen!&#8221; zeide Mom.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; hervatte deze, &#8220;maar wat helpt deze, wanneer....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo meen ik het niet,&#8221; viel hem de Ambtman in de rede:&#8212;&#8220;men kan niet verliezen wat men nooit gehad heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced">Was zum henker</span>!&#8221; riep Botbergen uit, de hand aan het gevest van den degen slaande, &#8220;indien een ander dan Jakobus Mom mij zulk een beleediging
+zeide.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar gelukkig voor u is het Jakobus Mom en geen ander,&#8221; zeide deze: &#8220;nu, kijk mij maar zoo grimmig niet aan; gij weet immers,
+dat uw fratsen bij mij geen opgeld doen. Zeg mij liever eens, waarom gij begrijpt er erger aan toe te zijn dan ik.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ei hoe dom, dat gij dat niet beseft. Jakobus Mom, over Maas en Waal machtig en gezien, en die op trouwen staat met het schoonste
+en rijkste meisje van den omtrek: die, zoo de aanslag lukt, misschien Stadhouder van de geheele Provincie wordt, en zoo die
+mislukt, zich wel zal weten te dekken, zou die een ongerustheid kunnen voeden, gelijk aan die van Elbert van Botbergen, die
+zich in geval van een goeden uitslag, met een schraal ambtje, misschien wel met een &#8220;God loone u&#8221; zal zien betalen, en zoo
+de boel in de war loopt, een kop korter gemaakt wordt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dwaas!&#8221; zeide Mom: &#8220;juist daarom zou uw lot gunstiger staan dan het mijne, omdat gij niets te verliezen hebt, terwijl ik
+veel op het spel zet;&#8212;echter is het met mijn huwelijk nog lang zoo zeker niet; mijn krediet is sedert eenigen tijd aanmerkelijk
+gedaald, en zoo er heden geen geld van Grobbendonck komt, laat ik den aanslag varen;.... doch zie eens toe, Elbert! heeft
+Teun Wezer niet twee vreemde passagiers aan boord?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hebt scherper gezicht dan ik,&#8221; antwoordde Botbergen: &#8220;mijn oog is niet genoeg geoefend om op zulk een afstand inlanders
+van vreemden te onderkennen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is waar, ik herinner mij gehoord te hebben, dat gij in den krijg nooit een vijand zijt aangevallen, uit vrees van door
+misverstand een vriend te deren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij schijnt er heden smaak in te vinden om mij zotheden te zeggen,&#8221; antwoordde Botbergen, de borst opzettende: &#8220;doch ik denk
+er niet op te antwoorden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet? Gij waart anders altijd beroemd wegens uw vlugge antwoorden.... met den mond namelijk.... Doch nu herken ik dien &eacute;&eacute;nen
+passagier: het is Gerard Preys, en die andere is Leendert Leendertz: maar wie is die derde, die naast den veerman zit?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja!&#8221; zeide Botbergen: &#8220;hoe wil men een vent herkennen, die een hoed met breede randen draagt en in een mantel gebakerd zit?
+Kijk, daar staat hij op. Wie duivel mag die lange spergie wezen. Hij lijkt wel den koning uit het kegelspel.
+<a id="d0e5011"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5011">150</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Wij zullen nu ten minste vernemen hoe de vork in den steel zit,&#8221; zeide Mom, oprijzende. &#8220;Doch laten wij stadwaarts gaan en
+de aankomenden verbeiden. Ik weet waarlijk niet, welke tijding ik liever had, dat zij mij aanbrachten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Foei!&#8221; zeide Botbergen: &#8220;zult ge achteruitkrabben, nu wij zooverre gevorderd zijn? Doch ik gis de reden al: gij zult uw jonge
+vrouw geen droefheid willen veroorzaken, door den vijand uit te noodigen om uw wittebroodsdagen te helpen vieren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat ware het minste,&#8221; antwoordde Mom: &#8220;doch mijn huwelijk moet voltrokken zijn, eer de vijandelijkheden beginnen; anders
+komt er, gelijk vanzelf spreekt, niets van.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zult ge u zeker moeten haasten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! en het ergste is, dat de Freule, gelijk ik uit alles bespeur, een tegenzin in mij heeft opgevat, waarvan ik de oorzaak
+niet weet, doch daarin meen te vinden, dat een zekere knaap, een frissche jongen, die met haar is opgevoed, waarschijnlijk
+het hartje van dat bloemzoete maagdeke met zich genomen heeft naar de Palts, waar hij zich, geloof ik, thans bevindt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo! en hoelang is het wel geleden, dat zij den knaap gezien heeft?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal nu ongeveer twee jaren zijn&#8221; antwoordde Mom: &#8220;hij is, meen ik, in 19 van hier vertrokken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo! dan vat ik de kneep! en ik geloof inderdaad, dat een vergelijking tusschen een frisschen speelmakker en een deftigen
+heer als de Ambtman Mom, nooit gunstig uit kan vallen voor den laatste. Doch misschien is het meisje wel van haar liefde te
+genezen! vooreerst, wij hebben de afwezigheid van den minnaar in ons voordeel, en dat zegt veel: en, dan in de tweede plaats....
+hoe heet die knaap? ik zal hem waarschijnlijk wel kennen; want ik heb een blauwen Maandag onder dien Spotkoning Frederik gestreden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De wapens gevoerd, meent gij; want gestreden, dat kan ik van u niet gelooven.&#8212;Des jongelings ware naam is mij nog onbekend;
+want zoo ik wel onderricht ben, is hij van Spaansche afkomst. Doch de Heer van Sonheuvel heeft hem onder den naam van Joan
+van Craeihorst laten inschrijven op de krijgsrollen, en ik geloof dat zijn oogmerk is, hem dat landgoed, &#8217;t welk onder Sonheuvel
+ligt, bij zijn afsterven te legateeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Joan van Craeihorst! o! dien heb ik zeer goed gekend, en waarlijk, dan besef ik uw vrees: want het is een jongen als een
+kool.... wat opvliegend en driftig; ik heb eens een hevigen twist met hem gehad; want wij dienden onder &eacute;&eacute;n vaandel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo! dat zal dan misschien de reden geweest zijn, dat gij zoo spoedig het leger verlaten hebt om uw haardsteden weder op
+te zoeken?&#8221; zeide Mom, spottende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist! ik had hem gewond, en zoo ik meende doodelijk: en om die reden ontvlood ik de straf, op het tweegevecht gesteld; doch
+dat blijft onder ons.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Natuurlijk!&#8221; zeide Mom: &#8220;ik zou u zelfs raden het voor u te houden, eer men u in &#8217;t aangezicht logenstrafte!.... doch dat
+is <a id="d0e5038"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5038">151</a>]</span>om &#8217;t even: gij hebt dus nog een oude veete tegen dien Jonker?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ongetwijfeld,&#8221; antwoordde Botbergen: &#8220;en zoo ik hem kwaad kan doen, zal ik het niet nalaten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Voortreffelijk! dus zoude het voorvalletje, betreffende uw krakeel, behendiglijk en op zijn plaats verhaald....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was net wat ik in de tweede plaats wilde aanvoeren,&#8221; zeide Botbergen: &#8220;een beetje kwaadsprekendheid en de belasterde
+wijd van hier.... daarmede komen wij ver, geloof dat vrij.&#8221;
+
+</p>
+<p>Onder dit gesprek hadden zij het boschje verlaten en waren, binnen de stad, aan de deur eener burgerwoning gekomen, van welke
+zij het woonhuis binnentraden. In den winkel bevond zich een bejaard man, met een klein knipbrilletje op de punt van den neus,
+een grijze kalot op het hoofd, een stemmig gelaat en een bijbeltje naast hem. Deze man was een schrijnwerker, gelijk de meubelen,
+die hem omringden, aanduidden. Hij was bezig met het afschaven van een kabinet, welke bezigheid hij verlichtte door met een
+holle stem psalmen te zingen. Toen de beide heeren binnenkwamen, lichtte hij den bril af, zag hen even aan, zonder zijn werk
+noch zijn gezang te staken, en wendde terstond weder zijn oogen op de nooteboom-houten plank, die hij voor zich had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is de achterkamer ledig, Klaas Meinertz?&#8221;&#8212;was de vraag, welke hem de Ambtman deed.
+
+</p>
+<p>De oude man knikte toestemmend, zonder op te zien.
+
+</p>
+<p>&#8220;En heeft men u gewaarschuwd, dat ik eenige kennissen spreken moet? En weet ge het woord?&#8221;
+
+</p>
+<p>De schrijnwerker beantwoordde deze vragen op dezelfde wijze, zonder zijn arbeid te staken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou men niet zeggen,&#8221; merkte Mom aan, zooras hij zich in het achterkamertje met Botbergen alleen bevond: &#8220;dat diezelfde Klaas
+Meinertz de botste, eenvoudigste ezel ware, dien men ooit gezien had? En echter is er misschien niemand, die er zich beter
+op verstaat een komplot aan den gang te houden. Het is nu zestien jaren dat hij de Spanjaards als spion dient, en altijd ongemoeid
+en zonder ontdekt te worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat geloof ik wel,&#8221; zeide Botbergen: &#8220;daar de Ambtman van Maas en Waal in &#8217;t geheim was, die hem ongestoord zijn weggetje
+gaan liet. Doch men zal op dien Meinertz een wakend oog dienen te houden: hij dient de Spaansche zijde, ja; doch alleen voor
+geld: en voor geld zou hij die even gereedelijk verraden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Men moet op hem evengoed letten als op Teun Wezer, op Daen Duyfs, op Eyndhouts, ja&#8212;op u zelven, Elbert! Is niet die verbetering
+uwer middelen het eenige doel, waarom gij den Staatschen afbreuk doen wilt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;UEd. wordt al te scherp,&#8221; zeide Botbergen: &#8220;indien, hetgeen gij zegt, waar is, mocht gij wat meer zorg dragen, iemand, die,
+zooals ik, u om hals kan brengen, door dergelijke aanmerkingen niet te kwetsen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Mom gevoelde de kracht van dit argument, en ten einde zijn vorige uitvallen weder goed te maken, nam hij een vriendelijker
+<a id="d0e5066"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5066">152</a>]</span>toon aan. &#8220;Nu, Elbert,&#8221; zeide hij: &#8220;maak u niet boos. Wij hebben elkaar niet veel te verwijten. Ik zelf, ik wil u gaarne bekennen,
+dat ik, zoo er kans voor mij overbleef om mijn verwarde fortuin in den dienst mijns vaderlands weder goed te maken, geen Spanjaards
+zou inroepen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nauwelijks had hij deze woorden ge&euml;indigd, of de schrijnwerker trad binnen en gaf op zijn gewone geheimzinnige wijze te kennen,
+dat er iemand aan de deur was, die Zijn Edelheid wenschte te spreken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is hij van die wij verwachten?&#8221; vroeg Mom.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij weet het wachtwoord,&#8221; antwoordde Meinertz, de schouders ophalende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zal het Preys wezen of Leendertz. Laat maar binnenkomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De grijsaard vertrok: doch scheen niet terug te komen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat dralen zij nu?&#8221; riep Mom, ongeduldig het vertrek op en neder gaande. &#8220;Elbert! ga eens zien waar zij blijven.&#8221;&#8212;Botbergen
+opende de deur.
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="la">Pax vobiscum</span>!&#8221;<a id="d0e5085src" href="#d0e5085" class="noteref">1</a> zeide een lange zwarte gedaante, die juist binnentrad.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie duivel?&#8221; riepen de beide edellieden, verbaasd terugtredende en de hand aan hun degens slaande.
+
+</p>
+<p>&#8220;Eilaas! Sint-Jan is dood,&#8221; zeide de onbekende, zacht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar alle hoop nog niet ontvlood,&#8221; antwoordde Mom op denzelfden toon. &#8220;Dat is nu volkomen goed en wel; maar met wien spreken
+wij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heb ik de eer den aanstaanden Stedehouder van Gelderland voor mij te zien?&#8221; vroeg de vreemdeling, met eene nederige buiging.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal veel afhangen van de tijdingen, welke ik heden ontvang,&#8221; antwoordde de Ambtman: &#8220;kort en goed, wie zijt gij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijne Hoogheid de Prins Kardinaal zendt mij tot UEdele, om over belangrijke onderwerpen met UEdele te spreken. Ik ben zijn
+vertrouweling, zijn biechtheer.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijn Hoogheid doet ons veel eer aan,&#8221; hervatte Mom: &#8220;neem plaats, eerwaarde Pater, UEd. zal hoogstwaarschijnlijk vermoeid
+wezen van de reis. Waarmede kan men u gerieven?&#8212;Meinertz!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Meinertz is uitgegaan,&#8221; zeide de biechtvader: &#8220;ik heb hem eenige boodschappen gegeven; doch hij zal zoo straks terugkomen.
+Bekommer u inmiddels niet over mij. <span class="letterspaced" lang="la">Panis meus est ut faciam voluntatem eius qui me misit.</span>&#8221;<a id="d0e5107src" href="#d0e5107" class="noteref">2</a>
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja maar!&#8221; zeide Mom, zich eenigszins verwonderd tot Botbergen wendende: &#8220;als nu Preys en Leendertz komen....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die zullen vooreerst niet komen,&#8221; hernam de geestelijke heer: &#8220;die heb ik ook van de hand gezonden; Mijnheer van Botbergen
+zal wel zoo goed zijn, beneden in het voorhuis te gaan zorgen, dat niemand het gesprek kome storen, &#8217;t welk ik met Zijne Edelheid
+hebben moet.&#8221;
+<a id="d0e5114"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5114">153</a>]</span></p>
+<p>Verwonderd over den meesterachtigen toon, dien de vreemdeling zich aanmatigde, zagen Botbergen en de Ambtman elkander besluiteloos
+aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij dunkt,&#8221; zeide de laatste, na eenig stilzwijgen: &#8220;dat de Heer van Botbergen wel hier zou kunnen blijven. Voor hem heb
+ik althans geen geheimen....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ik wel,&#8221; zeide de onbekende, &#8220;ik vertrouw nooit iemand, dan dengene, wien ik door de omstandigheden genoodzaakt ben,
+dat vertrouwen te moeten schenken; en, zoo ik de moeite neem, van Brussel te komen om den Heer Mom alleen te spreken, dan
+kan deze, dunkt mij, de moeite op zich nemen van te zorgen, dat ons gesprek ongestoord blijve. Met dit al,&#8221; (voegde hij er
+bij, daar Elbert nogal staan bleef) &#8220;ik kan den Heer van Botbergen beloven, dat zoo mijn onderhandeling met den Heer Mom naar
+wensch uitvalt, wij den uitslag onzer beraadslagingen aan hem, zoowel als aan al de vrome dienaars zijner Katholieke Majesteit,
+die zich hier bevinden, zoo spoedig mogelijk zullen bekend maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu ga dan, Botbergen!&#8221; zeide Mom, &#8220;en laat mij met den Eerwaarden Pater alleen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Botbergen gehoorzaamde. &#8220;Waar blijft nu,&#8221; dacht hij bij zich zelven: &#8220;onze arme Ambtman? Hij dacht eerst de beleider van &#8217;t
+gansche spel te wezen, en daar komt een Spaansche Monnik aanwaaien, die ons allen naar zijn pijpen zal laten dansen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zal ik,&#8221; zeide Mom, zoodra zijn handlanger het vertrek verlaten had: &#8220;thans de redenen vernemen, Pater! welke mij de eer
+van uw bezoek verschaffen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij dunkt,&#8221; antwoordde de Monnik: &#8220;dat die nogal licht te raden zijn. UEd. zond Preys en Leendertz aan Grobbendonck: deze,
+geen volmacht hebbende om met hen te handelen, verwees hen tot den Aartshertog: en daar Zijne Hoogheid zich zeer ongesteld
+gevoelde, werd ik gelast, uw zendelingen te onderhouden. Uit hetgeen ik van hen vernam, begreep ik, dat het voor de belangen
+van de goede zaak, zoowel als voor de uwe, noodzakelijk was, dat ik zelf mij herwaarts begave: en daarom ziet gij mij hier,
+gereed al uw bedenkingen of zwarigheden op te lossen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb u slechts &eacute;&eacute;ne vraag te doen,&#8221; zeide Mom, &#8220;brengt gij geld mede?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De kinderen der Heilige Kerk,&#8221; antwoordde de biechtvader, zijn armen deemoedig over de borst kruisende, &#8220;zijn niet gewoon,
+zich met de schatten dezer wereld te beladen, gedachtig aan het voorschrift: &#8220;<span class="letterspaced" lang="la">nolite possidere aurum neque argentum neque pecuniam in zonis vestris</span>.&#8221;<a id="d0e5136src" href="#d0e5136" class="noteref">3</a>
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan behoef ik u niet langer aan te hooren,&#8221; zeide Mom, hem in drift den rug toekeerende.
+
+</p>
+<p>&#8220;UEd. spot er mede,&#8221; hervatte de vreemdeling: &#8220;maar....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vaarwel Pater! Goede reis naar Brussel! en mijn gebiedenis aan den Aartshertog,&#8221; zeide de Ambtman, willende heengaan.
+<a id="d0e5145"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5145">154</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Sta! gij dwaas!&#8221; zeide de Pater, hem met een forsche vuist terughoudende: &#8220;gij zijt immers te ver gegaan om terug te krabben.
+Welke andere keus is u gelaten, dan die tusschen het Stedehouderschap in Gelderland en een schavot in Den Haag?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dreigt gij mij?&#8221; vroeg Mom, toornig: &#8220;keer tot hem, die u afzond, of ik laat u als een staatsvijand opknoopen, eer het jaar
+een dag ouder is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gaat dat hier zoo vlug in zijn werk?&#8221; vroeg de Monnik, lachende: &#8220;dan beschaamt men waarlijk de vierschaar der Heilige Inquisitie.
+Kom, kom, Heer Ambtman! tot zulke uitersten zal UEd. niet komen: er wordt immers maar &eacute;&eacute;n woord van mij vereischt, en gij
+komt met mij op de gerichtsplaats: wel is waar, ik word opgehangen, en UEd. onthoofd: dat is niet meer dan billijk en een
+privilege, dat u rechtmatig toekomt. En wat zal uw aanstaande bruid dan wel zeggen?&#8221; voegde hij er bij, hem met een doordringenden,
+scherpen blik aanziende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Er zijn geen bewijzen voorhanden van mijn voornemens,&#8221; zeide Mom, zich wrevelig nederzettende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet?&#8212;En uw briefwisseling met Grobbendonck en Ludwig, welke gedurende zoovele jaren volgehouden werd en waarvan ik al de
+materialen kan aanwijzen. En de bekentenissen, welke de vrome Klaas Meinertz en de eerlijke Teun Wezer en de achtenswaardige
+Elbert van Botbergen en zooveel anderen meer, wanneer zulks door mij gerequireerd mocht worden, buiten pijn en banden zouden
+afleggen? Telt gij die voor niets?&#8212;Al ware het alleen het onderhoud, dat gij op dit oogenblik met mij voert, en wel in een
+plaats, waar gij zelfs de gevaren niet van kent. Uw lot is in mijn handen, edele Heer, en Pater Eugenio, van de Orde Jesu,
+komt niet geheel uit Brussel herwaarts, om met de kous op &#8217;t hoofd weder huiswaarts te keeren, of&#8212;&#8217;t geen nog erger zou wezen&#8212;om
+de markt van Tiel uit de hoogte te bekijken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze woorden sprak de Jezu&iuml;et, wien mijn lezers reeds voorlang herkend zullen hebben, op een langzamen, vasten toon, van tijd
+tot tijd ophoudende en den edelman met een snellen blik aanziende, om gade te slaan, welken indruk zijn redeneering op hem
+teweegbracht. De Ambtman scheen door de meerdere zielskracht van den afgezondene geheel verplet; zonder antwoord te geven
+bleef hij zitten en keek ontevreden voor zich. De Jezu&iuml;et nam plaats aan zijn zijde, greep op een vriendelijke wijze zijn
+hand, welke Mom noch gaf noch terugtrok, en vervolgde in voege:
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom, edele Heer! wees goedsmoeds! ik zie u nog liever verstoord en opvliegend, gelijk zooeven, dan bedrukt en uit het veld
+geslagen, zooals thans. Laten wij een dwazen twist&#8212;of hoe zal ik het noemen, &#8217;t geen tusschen ons voorviel?&#8212;vergeten, en woorden
+van gezonden zin tot elkander spreken. Zoude UEd., na zoolang voor Zijn Hoogloffelijke Katholieke Majesteit geijverd te hebben,
+de goede zaak, zonder eenige billijke reden, op eenmaal verlaten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben het niet, die haar verlaat,&#8221; antwoordde Mom: &#8220;het zijn de Aartshertog en Spinola, die mij laten zitten. Wat kan ik,
+al wilde ik ook, zonder geld, ten dienste Zijner Majesteit uitrichten?&#8221;
+<a id="d0e5162"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5162">155</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Het zal hier geld en ambten regenen,&#8221; zeide Eugenio, &#8220;als maar eerst de zaak haar beslag heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, als wij het eerst aan Spanje brengen, zal Spanje er ons naderhand mede beschenken,&#8221; zeide Mom, met bitterheid: &#8220;Is het
+zoo niet? Ik weet den toestand, waarin gij verkeert: uw krijgskas is uitgeput, Spinola berooid en de geestelijke orden zijn,
+zooals altijd, niet scheutig.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar is misschien wat van aan,&#8221; antwoordde de Jezu&iuml;et, altijd met dezelfde koelbloedigheid; &#8220;doch weet ge wat de voornaamste
+reden is, waarom men u thans geen geld zendt?&#8212;Men vertrouwt u maar half.&#8221;
+
+</p>
+<p>Mom schoof zijn stoel een eind achteruit en zag den Jezu&iuml;et met een oog van verbazing aan: &#8220;nu geloof ik, Pater!&#8221; zeide hij,
+&#8220;dat gij voor de eerste maal in uw leven oprecht zijt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat ben ik, want, gelijk de waardige Fonseca zeer juist aanmerkt: men moet altijd oprecht zijn wanneer men geen belang bij
+een logen heeft.&#8212;Zooals ik zeide, Don Ambrosio Spinola en Don Louis de Velasco, twee ruwe en ronde krijgslieden, die van al
+wat de staatkunde betreft hoegenaamd geen verstand hebben, mistrouwen u en denken, dat gij, omdat gij de Staatschen misleidt,
+ook de Spaanschen zoudt kunnen misleiden. Eenvoudiglijk daarom wil men u geen geld sturen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En daarom eenvoudiglijk wil ik u ook niet helpen! Ik herhaal het: zonder geld kan ik de eedgenooten niet tevreden stellen....
+en voorschotten doe ik niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;UEd. heeft volmaakt gelijk,&#8221; hernam de zoon van Lojola; &#8220;doch van wat anders gesproken: mag ik UEd. dit geschrift ter hand
+stellen?&#8221;
+
+</p>
+<p>Bij het uiten dezer woorden haalde hij een perkament uit zijn boezem en bood het den Ambtman aan, die het met een koele onverschilligheid
+opende en doorlas. Het behelsde een aanstelling van Jacobus Mom enz. tot Stedehouder van Gelderland in naam des Aartshertogen,
+en was door Albertus onderteekend en met diens zegel bekrachtigd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu!&#8221; zeide de Jezu&iuml;et, &#8220;dit is meer dan een belofte, nietwaar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is nog veel minder,&#8221; antwoordde Mom, droogjes: &#8220;de Aartshertog verdeelt de berenhuid, voordat de beer dood is; hij wil
+niet eens geld verschaffen tot den aankoop van wapens om het beest te vellen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wapens zullen u overvloedig verschaft worden,&#8221; hervatte Eugenio: &#8220;daarvoor sta ik u borg.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar bekwame medehelpers, waar ik op rekenen kan,&#8221; vervolgde Mom: &#8220;want alleen....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Preys, Leendertz en Eyndhouts zijn door aanzienlijke toezeggingen van geld en ambten bereid alles voor de goede zaak te wagen.
+Botbergen hangt slechts van u af. Slatius, Groenhovius en hun Arminianen zijn, uit wraakzucht en haat alleen, volkomen bereid
+zich bij ons te voegen. De wederdoopers, die niet vechten mogen, hebben ons van geldelijken onderstand verzekerd. De Kornetten
+van Grobbendonck hebben last gekregen, om, dadelijk bij het einde van het Bestand, vaardig te wezen tot de ondersteuning uwer
+pogingen. En,&#8221; voegde hij er zacht en langzaam bij, &#8220;Graaf Hendrik Frederik....&#8221;
+<a id="d0e5189"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5189">156</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Is toch niet op onze zijde?&#8221; vroeg de Ambtman, hem haastig in de rede vallende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat juist niet,&#8221; antwoordde Eugenio met een spotachtigen glimlach: &#8220;maar hij werkt ons volkomen in de hand. Door de gunst,
+welke hij tot nog toe aan de verdrukte Remonstranten betoond heeft, door de verkeerde wijze, waarop Ludwig, die hem met open
+oogen bedriegt, hem de zaken beschouwen laat, door de verwijdering, die tusschen hem en zijn broeder ontstaan is, zijn de
+oogen van alle misnoegden in Holland op hem gevestigd. Maurits is van dit laatste bewust: en het oogenblik is daar, dat broedertwist
+en binnenlandsche tweespalt, de ontwerpen van Spanje in de hand werkende, ons in staat zullen stellen over al de nog overig
+zijnde zwarigheden te zegevieren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij leert mij veel en merkwaardig nieuws,&#8221; zeide Mom; &#8220;doch gij neemt mijn voorname zwarigheid niet volkomen weg. Hoe kan
+ik hier mijn plannen tot rijpheid brengen, zonder....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daarom juist kom ik hier,&#8221; hervatte Eugenio: &#8220;Ik, die vijf en twintig jaren lang geen moeite, geen opofferingen heb ontzien,
+om het heerlijk doel te bevorderen, dat ik eenmaal zwoer te zullen bereiken: ik, die gedurende al dien tijd, met raad en daad,
+met pen en zwaard, met goud en list, de goede zaak heb gediend: ik, die al de hier ontbrande twisten heb gesticht, onderhouden
+of aangeblazen: ik, zonder wien geen samenzweringen, aanslagen noch eedverbonden zijn uitgedacht, verlevendigd of voortgezet:
+ik, die den arm wapende van Panne en Micault, die den Graaf van Falckestein en zijn beide kinderen om hals liet brengen, die
+Ludwig, ten dienste van Spanje, in alle staatsgeheimen dringen deed, die waardgelders, predikanten en aristocraten tot muiterij
+en tweedracht aanzette, die, in &eacute;&eacute;n woord alles aanwendde, om dit land het onderstboven te keeren,&#8212;ik zal ook in dit geval
+het door u zoo heerlijk aangegeven ontwerp besturen en tot rijpheid brengen. Nog dezen nacht (want andere bezigheden vereischen
+mij voor het einde van &#8217;t Bestand in &#8217;s-Bosch en in &#8217;s-Hage), nog dezen nacht zal een aanzienlijk getal eedgenooten, door
+mij intijds verwittigd en bijeengeroepen, in dit huis vergaderen. Hier zult gij Spaanschgezinden, Roomschen, Arminianen, Menisten,
+ja orthodoxe Protestanten bijeen zien. De middelen zullen hier beraamd worden om tot ons doel te geraken: en van de uitvoering
+zal ik al de moeite, gij al de eer hebben.&#8212;Ik heb gezegd! en thans staat het aan u te beoordeelen, of gij u aan &#8217;t hoofd dier
+schaar plaatsen wilt, dan of gij hen allen, maar ook u zelven nevens hen, aan het zwaard des beuls ter prooi wilt geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>Meer overreed dan overtuigd door de woorden van den Jezu&iuml;et, begreep de Ambtman niettemin, dat er wel niets anders voor hem
+opzat, dat het voorstel aan te nemen. &#8220;In Gods naam,&#8221; zeide hij, hem de hand toereikende: &#8220;de teerling is geworpen, en ik
+geef mij aan uw leiding over.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij doet wel,&#8221; zeide Eugenio: &#8220;en uw keuze zal u niet berouwen;&#8212;intusschen, wat ik vooreerst van u te vragen heb, is dat
+gij ons gesprek geheim houdt: alleen Preys en Leendertz, met wie <a id="d0e5202"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5202">157</a>]</span>ik herwaarts gekomen ben, benevens Botbergen, kennen mijn betrekkingen: ook Klaas Meinertz: doch die is een oude kennis en
+het kanaal, waardoor ik altijd kondschap ontving; voor de overigen ben ik Van Dijk, inwoner van &#8217;s-Hertogenbosch, en....&#8221;
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik stoof Botbergen de kamer in.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar is de kamenier van de Freule van Sonheuvel,&#8221; zeide hij, &#8220;die den Heer Mom verlangt te spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De kamenier van de Freule;&#8221; riep Mom verwonderd uit; &#8220;en hoe wist zij dat ik hier was?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij wist meer dan dat,&#8221; antwoordde Botbergen: &#8220;want toen ik haar vroeg, wat zij hier deed, antwoordde zij: de wind loopt
+zuidwest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar schuilt verraad onder,&#8221; riep Mom; &#8220;doch wij zullen dadelijk....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bedaar!&#8221; zeide de Jezu&iuml;et, hem terughoudende: &#8220;Magdalena is van de onzen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij van de onzen?&#8221; herhaalde de Ambtman, verbaasd: &#8220;hoe langer hoe vreemder! Ik bemerk wel, dat ik, schoon de hoofdaanlegger,
+niet meer doe dan de kaarten te geven, die een ander geschud heeft.&#8221; Hier zag hij Eugenio veelbeduidend aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, als zij van de onzen is,&#8221; hervatte Botbergen: &#8220;moet zij dan maar hier komen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ongetwijfeld,&#8221; zeide Mom: &#8220;zij heeft misschien een boodschap van haar meesteres.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die is althans niet van de onzen,&#8221; zeide Elbert, meesmuilende: &#8220;als zij maar de uwe wordt, dan zult gij wel tevreden zijn?&#8221;
+Dit zeggende verliet hij het vertrek.
+
+</p>
+<p>Hij keerde na eenige oogenblikken terug met de kamenier der Freule van Sonheuvel, een rijzige, deftig doch eenvoudig gekleede
+vrouw, wier gelaat, hoe vervallen ook, bewees, dat zij in haar jeugd ongemeen bevallig geweest moest zijn. Sedert de gebreken
+van een vergevorderden leeftijd de oude Geertrui beletteden, haar bediening op het slot langer waar te nemen, was Magdalena,
+door de voorspraak van Klaas Meinertz, die den Baron van Sonheuvel onder zijn <span id="d0e5226" class="corr" title="Bron: kalanten">klanten</span> telde, haar plaats op het slot komen vervullen en had zij zich, door haar bekwaamheid in &#8217;t bestieren van de huishouding
+en door haar geschikt en ordelijk gedrag, de achting van den Baron en het vertrouwen zijner dochter weten te verwerven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Goeden morgen, Magdalena!&#8221; sprak Mom, zoodra zij binnentrad. &#8220;Gij brengt, hoop ik, goede tijding. Is alles wel op het slot?
+uw Heer?.... en de Freule?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Beiden zijn in goeden welstand, mijnheer!&#8221; antwoordde de kamenier. &#8220;De Freule heeft mij verlof gegeven om mijn oom Klaas
+Meinertz te komen bezoeken, daar de hovenier juist naar Tiel moest om gereedschappen te koopen: en de Heer Baron gelastte
+mij eens naar den welstand Uwer Edelheid te gaan vernemen en meteen te vragen of UEd. ook genegen zijt, morgen na den middag
+op het slot te komen. Er zal een groote kegelpartij wezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn onderdanige groete aan den waarden Heer Baron, en wees zoo goed aan ZEd. te zeggen, dat er op Sonheuvel geen kegelpartij
+<a id="d0e5235"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5235">158</a>]</span>behoeft te wezen, om mij daarheen te lokken. En,&#8221; vervolgde hij, haar een stuk goud aanbiedende, &#8220;vergeet ook vooral niet,
+lieve Magdalena! mij in de gunst uwer engelachtige meesteresse aan te bevelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dank u,&#8221; zeide de kamenier: &#8220;de Baron van Sonheuvel alleen heeft het recht, mijn diensten te betalen: aan anderen bewijs
+ik die zonder loon.&#8221; Dit zeggende wees zij het geld met een trotsche wending af, doch op datzelfde oogenblik ontdekte zij
+den Jezu&iuml;et, die zich bij haar komst achterwaarts begeven had, en gaf een gil.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat schort er aan? wat deert u?&#8221; riepen Mom en Botbergen, als uit &eacute;&eacute;n mond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij waart misschien niet van mijn tegenwoordigheid in deze woning verwittigd?&#8221; vroeg Eugenio, vooruittredende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen!&#8221; antwoordde Magdalena, met een onzekere stem: &#8220;mijn oom, wien ik op straat ontmoette, had mij alleen gezegd, dat ik
+den Heer Mom hier zou vinden en mij het wachtwoord gegeven, maar....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een wachtwoord!&#8221; viel de Ambtman in, die toch nieuwsgierig was, in hoeverre de kamenier van Ulrica tot het eedgespan in betrekking
+stond. &#8220;En hoe kondt gij op de gedachte komen, dat er een wachtwoord noodig ware, om mij te spreken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Omdat ik u ken, Stedehouder van Gelderland!&#8221; antwoordde Magdalena, het hoofd met fierheid oprichtende: &#8220;omdat uw bedoelingen
+en aanslagen mij bekend zijn, en omdat ik overtuigd ben, dat de eerwaarde Pater Eugenio zich aan geen gevaren zou blootstellen
+zonder de noodige voorzorgen te hebben genomen. Vrees intusschen van mij niets,&#8221; vervolgde zij, de hand aan den van verbazing
+sprakeloozen Ambtman toereikende: &#8220;waar ik kan en vermag, zal ik u tot een vriendin en helpster verstrekken, en u allen, die
+voor onze Heilige Moederkerk goed en bloed in de waagschaal stellen. Ik groet u, Mijneheeren! en u ook, Pater! gij hebt mij
+waarschijnlijk geen bevelen te geven?&#8221; vroeg zij, dezen laatste met een trotschen, eenigszins verachtelijken blik aanziende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Magdalena!&#8221; zeide de Jezu&iuml;et, terwijl een waas van weemoed of aandoening zijn gestrenge, gele gelaatstrekken overdekte: &#8220;moeten
+wij, na een afwezigheid van vijf en twintig jaren...., doch, gij hebt gelijk, het is hier de geschikte plaats niet....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vaarwel, Pater Eugenio!&#8221; herhaalde Magdalena en verliet het vertrek.
+
+</p>
+<p>&#8220;Joost haal mij, zoo ik er iets van begrijp,&#8221; zeide Elbert, zooras zij weg was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik sta als versteend,&#8221; zeide Mom: &#8220;zult gij ons ook van dit raadsel de oplossing verkiezen te geven, Pater?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heet Van Dyk,&#8221; zeide Eugenio koeltjes, &#8220;en ben een verjaagde Remonstrant, die in Den Bosch woont; want, zoo mijn gezicht
+mij niet bedriegt, zie ik aan het eind der straat Klaas Meinertz met twee Arminianen komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist,&#8221; zeide Botbergen, zich naast hem aan het raam begevende, &#8220;dat zijn twee vreemdelingen, die in den <span class="letterspaced">Gouden Ooievaar</span> zoo <a id="d0e5264"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5264">159</a>]</span>straks zijn gekomen, maar ik wist niet, dat het Arminianen waren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alles loopt naar wensch,&#8221; hervatte de Jezu&iuml;et, en, Elbert zachtjes naar zich toetrekkende, fluisterde hij hem in &#8217;t oor:
+&#8220;De Aartshertog heeft u een compagnie toegezegd en tweehonderd guldens tot een geschenk;.... maar blijf u thans maar beneden
+ophouden en zorg dat Preys en Leendertz ons niet komen storen, terwijl wij met dit paar ketters bezig zijn. Klaas Meindertz
+zal u wel wat Rijnschen wijn schenken. De man heeft een goeden kelder.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tot uw dienst Pater.... Van Dyk,&#8221; zeide Botbergen en vertrok. &#8220;En wat moet er nu gedaan worden?&#8221; vroeg Mom, die zich, maar
+half tevreden en met blijkbare ongerustheid, in een stoel had nedergeworpen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat mij maar begaan, Heer Stedehouder! en bevestig mijn gezegden. Wij moeten thans twee hoofden der misnoegden tot onze
+zijde overhalen. Een hunner zult gij, bij name althans, kennen. Hij is de zoon van den Predikant te Sonheuvel.... Hendrik
+Raesfelt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb van hem hooren spreken,&#8221; zeide Mom; &#8220;maar zorg toch, mij niet bloot te stellen aan de onaangename gevolgen, welke
+eene herkenning zou kunnen hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier zijn de twee heeren uit den Gouden Ooievaar,&#8221; zeide Klaas Meinertz, zijn neus door de even geopende deur stekende.
+
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5085" href="#d0e5085src" class="noteref">1</a></span> Vrede zij met u.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5107" href="#d0e5107src" class="noteref">2</a></span> Mijn brood is dat ik doe den wille desgenen, die mij gezonden heeft.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5136" href="#d0e5136src" class="noteref">3</a></span> Draagt geen goud, noch zilver, noch geld in uw gordels.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e5276" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Zeventiende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Maar gij, die hier het woord voert in &#8217;t gezantschap,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Wie zijt ge?</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Bilderdijk</span>, Floris de Vijfde.
+</p>
+</div>
+<p>De twee nieuwe personages, die nu op vergunning van den Ambtman het vertrek binnenkwamen, leverden in hun uiterlijk voorkomen
+een paar volkomen tegenbeelden op. De een was een log, dik mensch, met een gemeen, dom en leelijk gelaat, een grooten rooden
+neus, die, van menigvuldige uitwassen en puisten voorzien, getuigde, dat de brandewijn niet zelden den vromen man te stade
+kwam, als hij zijn zorgen begeerde te verzetten. Zijn gewaad was versleten en armoedig, en men kon zien, dat het niet voor
+zijn lijf gemaakt was. Zijn lompe, grove handen en voeten schenen eer geschikt om de zware klei te bewerken of turf te trappen,
+dan om geschikte gebaarden van den kansel te maken. Zijn heesche, wanluidende stem duidde meer den oproerkraaier dan den leeraar
+aan, en zijn waggelende gang verraadde eer den Bachusdienaar dan den zedenpreker. Of de waard in den <span class="letterspaced">Gouden Ooievaar</span> hem bij deze gelegenheid zijn wijn te veel had aangeprezen, is ons onbewust: zeker is het, <a id="d0e5294"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5294">160</a>]</span>dat hij het vertrek, waar Meinertz hem binnenleidde, waggelend inschoof en zijn morgengroet stotterende uitbracht.
+
+</p>
+<p>Zijn metgezel was een schoon rijzig jonkman, met fraaie blonde haren, zwarte sprekende oogen, en mannelijke, door de zon eenigszins
+verbrande gelaatstrekken. Hij had een geel lederen reiskolder aan, met koperen knoopjes vastgehecht, en een hartsvanger op
+zijde, in een breeden groenen bandelier hangende. Een hoed zonder pluimage, een paar bestoven halve laarsjes met groote sporen
+en breede ruitershandschoenen kondigden in hem veeleer een ruiter dan een predikant aan. Met een open gelaat en een ongedwongen
+houding trad hij binnen, half voortgetrokken door zijn ouderen reismakker, die hem met de volgende bewoordingen aan Van Dyk
+(want onder dien naam alleen kende hij Eugenio) voorstelde: &#8220;<span class="letterspaced" lang="la">Eruditissime vir! Domin&eacute;</span> Van Dyk, <span class="letterspaced" lang="la">vel melius Ab Aggere!</span> Ik ben uw onderdanige Dienaar, <span class="letterspaced" lang="la">humillimus servus!</span> Groote dingen zullen door UEd. in Isra&euml;l uitgericht worden. Ik heb de eer UEd. hiernevens aan te bieden.... <span class="letterspaced" lang="la">virum juvenem egregium, magno ingenio vel magni ingenii</span>, want beide zegt men, <span class="letterspaced" lang="la">teste Gerardo Joanne, viro celeberrimo</span>.... een voortreffelijk jong mensch, den Heer.... ja hoe heet hij,.... Van der Hummes of zoo een naam, <span class="letterspaced" lang="la">sed <span id="d0e5315" class="corr" title="Bron: moninum">nominum</span> vana curiositas</span>.&#8212;<span class="letterspaced" lang="la">Sufficiat</span>, dat hij de feniks van alle reisgezellen is, <span class="letterspaced" lang="la">nec minus bonus potator</span>.... he! he! kastelein! een glas karnemelk met een scheutje brandewijn er in.&#8221;
+
+</p>
+<p>Na deze fraaie proeve van welsprekendheid liet Groenhovius (zoo heette de leeraar) zijn reisgenoot los, knikte nogmaals Meinertz
+toe, dat hij hem het gevraagde brengen zou, zette zich in een armstoel neder, vouwde de handen over den buik ineen, en zag
+het gezelschap met een wijdopgesparden mond aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat moeten wij met dien dronken gek beginnen?&#8221; vroeg Mom halfluid aan Eugenio.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hem laten slapen tot hij nuchter wordt,&#8221; antwoordde deze op denzelfden toon: &#8220;hier althans kan hij hoegenaamd geen kwaad
+uitrichten, al verspreekt hij zich.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is U Eerwaarde reeds lang met dien dronkaard opgescheept geweest?&#8221; vroeg Mom, zich beleefdelijk tot den jongeling wendende,
+die met een verlegene houding zijn reisgenoot beschouwde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hedenmorgen ben ik hem, van Nijmegen aankomende, achteropgereden. Hij heeft mij verzocht, onder mijn geleide te mogen voortreizen,
+en heeft niet losgelaten, of ik moest nog in den <span class="letterspaced">Gouden Ooievaar</span> een tijdlang vertoeven om een glaasje van afscheid te drinken; UEd. is, naar ik vermoede, de Ambtman Mom, op wiens last ik
+hier geroepen ben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is te zeggen,&#8221; zeide Mom, Eugenio zijdelings aanziende: &#8220;op mijn last.... ja, in een zekeren zin. Eigenlijk heeft mijn
+vriend Van Dijk het een en ander met UEd. te overleggen. Wat mij betreft, ik ben uw dienaar tot hedenavond: dan hoop ik u
+weder te zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met uw verlof,&#8221; hernam de jongeling: &#8220;hedenavond was het mijn voornemen, om....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tot straks,&#8221; hernam de Ambtman, hem beschermenderwijze met <a id="d0e5344"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5344">161</a>]</span>de hand groetende en zich vervolgens tot den Jezu&iuml;et wendende: &#8220;ik ga naar Preys en Leendertz,&#8221; zeide hij: &#8220;gij zult het noodige
+met deze Heeren wel afhandelen.&#8221;&#8212;Dit gezegd hebbende vertrok hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar!&#8221; vervolgde de vreemdeling, zich naar Eugenio keerende &#8220;ik moet hedenavond naar Sonheuvel, en ik zie niet, welke redenen
+men hebben kan, mij hier op te houden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe!&#8221; vroeg de Jezu&iuml;et: &#8220;vertrekt gij naar uw vader? Ik dacht, dat hij u niet meer voor zijn zoon erkennen wilde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat kan hij ook niet,&#8221; hernam de reiziger: &#8220;dat verbieden de omstandigheden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeer natuurlijk!&#8221; merkte Eugenio aan: &#8220;wanneer men geheel andere grondbeginselen heeft:&#8212;daarenboven, wat zegt de Schrift:
+<span class="letterspaced" lang="la">si quis non odit</span>....&#8221;<a id="d0e5357src" href="#d0e5357" class="noteref">1</a>
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie haalt daar de Paapsche overzetting aan?&#8221; vroeg Groenhof uit de sluimering opschietende, waarin hij geraakt was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik!&#8221; antwoordde Eugenio bedaard: &#8220;gij weet, ik ben een Bosschenaar, en daar hoort men zelden anders als uit de <span class="letterspaced">Vulgata</span> praten:&#8212;daar is nimmer gelegenheid om een geestelijk woord te hooren, tenzij van papen en paapsgelijken. Hoe velen smachten
+aldaar met mij naar het waarachtige manna van geestelijk onderricht, met een dauw der geleerdheid doorvoed en gestoofd in
+de zon der gezonde rede.... daarvan gesproken, Dominee! ik hoop dat UEerwaarde morgen in staat zal zijn, voor de dierbare
+kudde, welke zich hier verzamelen zal, een predikatie te houden.&#8212;Of anders, uw jonge ambtgenoot misschien....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik?&#8221; riep de jongeling, die de vreemde redenen van den gewaanden Bosschenaar met verwondering had aangehoord: &#8220;en voor wien
+ziet UEd. mij aan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo!&#8221; zeide Groenhof: &#8220;is mijn jonge reismakker ook een Nazire&euml;r! <span class="letterspaced"><span id="d0e5372" class="corr" title="Bron: an">en</span> collega</span>? waarlijk <span class="letterspaced">valdegaudeo</span>, een geleerde, een broeder, een medeverdrukte, een medearbeider in &#8217;s Heeren wijngaard in hem te ontmoeten. Ik dacht aan
+zijn kleeding eerder, dat hij een <span class="letterspaced" lang="la">miles gloriosus, de quo Plautus</span>, dan een <span class="letterspaced" lang="la">miles Christianus, de quo Paulus habet</span>, ware.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat collega! wat verdrukte!&#8221; riep de vreemdeling uit, terwijl hij rood werd van drift<span id="d0e5387" class="corr" title="Niet in bron">:</span> &#8220;ik heb Plautus ook gelezen, en ik ben niet op de malle vergelijking tusschen mij en zijn Thraso gesteld.&#8212;Hoe is het? een
+misverstand? of scheren wij elkaar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik prijs de achterhoudendheid,&#8221; zeide Eugenio: &#8220;doch hier is zij althans overbodig. Bij ons behoeft gij uw naam en bediening
+niet te verbloemen, daar uw komst te dezer plaats genoegzaam bewijst, welk vertrouwen gij in mij gesteld hebt: en de zegepraal
+der goede zaak, de val onzer hoogmoedige verdrukkers, de vrijheid der kerk zullen tot zoovele bewijzen strekken, dat dit vertrouwen
+aan geen onwaardige geschonken werd.&#8221;
+<a id="d0e5392"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5392">162</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik u vertrouwen geschonken?&#8221; vroeg de onbekende, hoe langer hoe meer verwonderd: &#8220;en door wien dan ben ik hier ontboden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Door wien?&#8212;Door mij, door Van Dyk,&#8221; antwoordde Eugenio: &#8220;ik ben degeen, die u te Mulheim schreef en u verzocht, dadelijk
+herwaarts te spoeden, om de middelen te beramen, ter uitvoering van dat groote en godzalige voornemen, waartoe wij....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben te Mulheim niet geweest,&#8221; viel hem de jongeling in: &#8220;ik heb geen brief van Van Dyk noch van iemand anders ontvangen:
+ik weet van uw voornemen niets, en ik zou niet in dit huis gekomen zijn, ware ik niet door den Ambtman ontboden geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>Eugenio zweeg, zijn trekken bleven onbeweeglijk en zijn oog stond strak op den vreemdeling gevestigd; zijn hand alleen scheen,
+door een werktuiglijke, krampachtige beweging het moordtuig te zoeken, dat onder zijn kleed verborgen en reeds meer zijn antwoord
+geweest was. De vreemdeling scheen het oogmerk dier beweging te raden: althans, hij zette zich schrap en sloeg de hand aan
+&#8217;t gevest van zijn hartsvanger. Doch de Jezu&iuml;et liet na een oogenblik zwijgen den arm weder zakken en vroeg zeer bedaard:
+&#8220;zoo, is UEd. dan niet de persoon van Hendrik Raesfelt, proponent?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hendrik Raesfelt?&#8212;neen;.... doch! wat is er, wat weet gij van Hendrik Raesfelt?&#8221; vroeg de jongeling met levendige deelneming.
+
+</p>
+<p>&#8220;Niets! UEd. schijnt hem te kennen?&#8221; hernam Eugenio, volgens zijn gewoonte een vraag met een andere beantwoordende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Of ik hem ken?&#8212;Wij waren speelkameraads, en ik heb altijd veel belang in hem gesteld.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo!&#8212;Welnu, zoo gij hem nader wilt zien, hij komt eerstdaags hier;.... UEd. is dus vreemdeling hier en weet waarschijnlijk
+niet, dat er maatregelen worden in &#8217;t werk gesteld om de gebannen predikanten, die onderwerping beloven, weder te herstellen
+in hun bedieningen: hierover wilde men ook met Raesfelt spreken, wiens dwalingen zijn jeugd en de verleiding van anderen verschoonlijk
+maakten; doch daar UEd. die persoon niet zijt....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kan ik weder vertrekken, is het niet zoo?&#8221; viel de reiziger in: &#8220;ik moet u echter bekennen,&#8221; vervolgde hij, &#8220;dat, bijaldien
+de tegenwoordigheid van den Heer Ambtman in dit huis, en uw betuiging, dat er een misverstand plaats heeft gehad, mij niet
+tevreden moesten stellen, ik niet zoo lichtelijk genoegen zou nemen met een oponthoud, dat mij misschien beletten zal, heden
+nog de stad te verlaten; want naar allen schijn zullen de poorten reeds gesloten zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij ons verlaten!&#8221; riep Groenhof uit, terwijl hij eensklaps weder toetrad en met uitgebreide armen den jongeling omvatte.
+&#8220;Wilt gij mij verlaten, gelijk Demas Paulum verliet? Gij, die een medestrijder zijt voor de goede zaak, gij moet blijven en
+met ons strijden of afwachten de groote dingen, die er geschieden zullen. <span class="letterspaced" lang="la">Manendum est et fortiter pugnandum!</span>&#8221;<a id="d0e5416src" href="#d0e5416" class="noteref">2</a>
+<a id="d0e5419"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5419">163</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Stil!&#8221; zeide Eugenio, die bevreesd werd, dat de onvoorzichtige toespraak van Groenhof de ware redenen der bijeenkomst aan
+den jongeling zou bekend maken: &#8220;stil Dominee! het is noodeloos hierover met dien heer te spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, mijn waarde vriend en reisgenoot,&#8221; zeide Groenhof, die, zonder acht te geven op de onverduldige wenken van Eugenio, den
+jongen vreemdeling bij de hand bleef houden: &#8220;ja, mijn broeder! hij zal vallen, die Achab, die vervolger van Gods heilige
+profeten....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wilt gij zoo goed zijn, mij te volgen?&#8221; vroeg Eugenio aan den onbekende, hem haastig uit de omhelzingen van Groenhof losrukkende.
+Doch de jongeling had te veel gehoord en werd nu door de nieuwsgierigheid aangezet om te blijven waar hij was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is alles gereed, <span class="letterspaced" lang="la">omnia parata sunt</span>,&#8221;<a id="d0e5431src" href="#d0e5431" class="noteref">3</a> vervolgde de Predikant: &#8220;de dwingeland kan den strik niet ontkomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van welken dwingeland spreekt gij toch?&#8221; vroeg de onbekende, haastig.
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik sloeg de torenklok acht uren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is te laat!&#8221; zeide Eugenio; en opeens den jongeling loslatende, verliet hij met spoed het vertrek en draaide het slot
+achter zich toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Om &#8217;s Hemels naam, wien bedoelt gij?&#8221; herhaalde de vreemdeling, zonder op het vertrek van den Jezu&iuml;et bijzondere aandacht
+te slaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wien ik bedoel?&#8221; herhaalde Groenhof, die nog even nuchter genoeg was om uit deze vraag te bemerken, dat hij zich deerlijk
+versproken had: &#8220;ik bedoel den Koning van Spanje, <span class="letterspaced" lang="la">Hispanarum regem, inimicum nostrum communem</span>.&#8221;<a id="d0e5447src" href="#d0e5447" class="noteref">4</a>
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo!&#8221; zeide zijn metgezel, het hoofd met een schijn van ongeloovigheid schuddende: &#8220;doch waar is onze gastheer? of hoe moet
+ik den man noemen, die ons hier ontvangen heeft?&#8212;hij zou mij uitbrengen, en hij verlaat ons.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zal wel zoo terugkomen,&#8221; zeide Groenhof, die inmiddels weder was gaan zitten. &#8220;Wacht maar een oogenblikje; het is toch
+te laat om de poort uit te komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Er zal wel niet veel anders opzitten, dan geduldig af te wachten, wat hierop volgen zal,&#8221; zeide zijn makker, zich verdrietig
+in een stoel werpende.
+
+</p>
+<p>Toen hij echter een groot kwartieruurs gezeten had over den Predikant, die inmiddels weder in een diepen slaap gevallen was,
+begon het toeven hem hartelijk te vervelen. &#8220;&#8217;t Is recht vermakelijk om hier voor gek te blijven zitten,&#8221; riep hij uit, terwijl
+hij wrevelig opstond en zijn stoel van zich afstootte: &#8220;en wat het fraaist is,&#8221; mompelde hij er op zachteren toon bij: &#8220;alles
+is mijn eigen schuld. Wat behoefde ik zulk een dronken Arminiaanschen weetniet te vergunnen, onder mijn geleide naar Tiel
+te reizen? mijn oude <a id="d0e5458"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5458">164</a>]</span>vriend zou zeggen: met wie je verkeert wordje ge&euml;erd. Wist ik maar hoe er uit te komen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij dunkt, de Heer Van Dyk blijft lang weg,&#8221; zeide Groenhof, ontwakende en zich de oogen uitwrijvende: &#8220;en de kastelein of
+de baas van &#8217;t huis, wie hij wezen moog&#8217;, schijnt het zoopje ook te vergeten, dat hij mij beloofd had.... juist, ik heb geen
+haast.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ik wel,&#8221; viel zijn min geduldige reisgenoot hem in de rede: &#8220;en, zoo men mij niet spoedig de deur komt openen, zal ik
+zien, of ik mij zelven geen uitgang kan verschaffen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze woorden geuit hebbende, begon hij op de deur te bonzen met al de krachten, die de natuur hem gegeven had; doch de dikke
+eiken planken stelden zijn pogingen teleur en de Predikant, die, nu redelijk ontnuchterd zijnde, het belang besefte, dat er
+voor zijn oogmerken in gelegen was, geen noodelooze opschudding te maken, stond op en weerhield hem, toen hij, zijn mes trekkende,
+zich gereedmaakte, de deur met geweld open te breken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Bedaar! bedaar! mijn waarde reismakker!&#8221; zeide hij: &#8220;men zal wel dadelijk hier komen: de Heer Ambtman zit nog ongetwijfeld
+in groote besognes. <span class="letterspaced" lang="la">Paululum exspecta</span>.<a id="d0e5471src" href="#d0e5471" class="noteref">5</a>
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is een verbruid werk,&#8221; riep de jongeling, &#8220;ik zit hier als een muis in de val. Ware het niet om voor geen dief te worden
+aangezien, zoo sprong ik het venster uit.&#8221; Dit zeggende keerde hij zich om, met oogmerk om het raam, dat vrij hoog was, te
+openen, toen zijn voet een ijzeren ring ontmoette, welke diende om een valluik open te maken. &#8220;Aha!&#8221; zeide hij, &#8220;die gelegenheid
+had ik nog niet opgemerkt. Die uitgang zal mij althans ergens heen brengen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! naar den een of anderen wijnkelder,&#8221; zeide Groenhof.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo dat het geval is,&#8221; hernam de vreemdeling, &#8220;zult gij er mij zonder weerzin volgen willen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced">Bone Deus!</span> wat doet gij!&#8221; vroeg de Predikant, ziende dat hij het valluik, &#8217;t welk van onderen gesloten was, met geweld openrukte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik baan mij een doortocht,&#8221; antwoordde zijn makker: &#8220;ik heb altijd geleerd, dat een waarlijk bekwaam krijgsman zich zoowel
+op het retireeren, als op het attakeeren verstaan moest. Voelt gij u genegen mij te volgen, &#8217;t is mij wel: ik ga u voor.&#8221;
+Dit zeggende, klom hij het trapje af, dat naar beneden geleidde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik moet toch zien, waar die vent belandt.&#8221; dacht Groenhof: &#8220;hij mocht ons eens gaan verklikken, zoo hij ontsnapte.&#8221; Met dit
+oogmerk volgde hij zijn reisgenoot in een klein, donker vertrekje, &#8217;t welk op het eerste oog geen anderen toegang scheen te
+hebben, dan langs de opening, waardoor zij gekomen waren. Het ontving ook van dien kant al zijn licht, en de flauwe schemering,
+die er in doordrong, veroorloofde nauwelijks aan het meest geoefend oog, eenige kleine vaatjes te zien, welke tegen de naakte
+wanden waren opgestapeld.
+<a id="d0e5489"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5489">165</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Het gelijkt hier wel een kruitmagazijn,&#8221; merkte de jongeling aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Hemel zij ons genadig!&#8221; zeide Groenhof: &#8220;zouden wij dan niet liever terugkeeren en het luik weder in orde brengen zoo
+goed wij kunnen? Er is hier toch geen andere uitgang.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zegt gij,&#8221; hervatte de andere gevangene: &#8220;doch ik stel vast dat er een andere uitgang wezen moet. Het valluik was van
+binnen gesloten: die het gesloten heeft, moet dus een ander heenkomen gehad hebben: want hier is hij niet meer: indien het
+slechts zoo verbruid donker niet ware!.... wacht! ik weet al, welken weg wij uit moeten.&#8221; Dit zeggende, wees hij op een reet
+in een hoek van het kamertje, en zich op zijn knie&euml;n latende vallen, beschouwde hij den wand met een opmerkzaam oog. Spoedig
+ontdekte hij een kleine vierkante opening, met een luikje van buiten gesloten, welke opening waarschijnlijk dienen moest om
+de vaatjes uit te werken. Door zijn vingers met kracht tusschen het houtwerk en den muur in te brengen, deed hij het luikje
+wijken en weldra aan stukken splijten. De opening kwam op een gewelfde gang uit en was ruim zes voet boven den grond verheven,
+zoodat men die niet dan met een ladder of trap beklimmen kon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Goddank!&#8221; zeide hij, zich bukkende en met gretige oogen door het gat kijkende: &#8220;hebt ge nu lust mij te volgen, Dominee? dan
+zullen wij wel ergens te land komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="la">An stultus es?</span>&#8221;<a id="d0e5503src" href="#d0e5503" class="noteref">6</a> vroeg de Predikant, toen ook hij de hoogte gezien had, vanwaar zij af moesten glijden. &#8220;Het is me <span class="letterspaced">hercule</span>! halsbrekens werk, om zich daar af te laten vallen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zooals gij wilt,&#8221; hernam zijn reisgezel: &#8220;ik waag den sprong!&#8221; en meteen zijn makker van de opening aftrekkende, gespte hij
+zijn hartsvanger los, stak de beenen door het gat en liet er zich ter halverlijve doorheen zakken. Dan, tot zijn groote teleurstelling,
+was de opening niet ruim genoeg om het bovenlijf door te laten, zoodat hij steken bleef en er zich weldra door vruchtelooze
+pogingen zoo vastwerkte, dat hij noch voor- noch achteruit kon. Weldra werd de benauwde toestand, waarin hij zich bevond,
+nog vergroot, doordien hij de deur van het vertrek, waarin hij zich kort te voren <span id="d0e5511" class="corr" title="Bron: bevonnen">bevonden</span> had, boven zijn hoofd hoorde opengaan en aan het verwarde geluid en geroep van &#8220;waar steekt de guit? waar zit de spion?&#8221;
+ontdekte, dat verscheidene personen de bovenkamer waren binnengetreden, en althans geen zeer vriendelijke oogmerken jegens
+hem koesterden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dominee!&#8221; zeide hij met een gesmoorde stem; &#8220;maak dat onderste plankje los.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik bedank u,&#8221; zeide Groenhof: &#8220;hier!&#8221; vervolgde hij, zijn stem verheffende tot die, welke boven waren: &#8220;hier moet gij wezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Schurk!&#8221; riep de jongeling en gaf met zijn hartsvanger den Predikant een geduchten slag voor de schenen, zoodat de waardige
+man schreeuwende terugstoof.
+<a id="d0e5520"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5520">166</a>]</span></p>
+<p>De angst verdubbelde nu de krachten van den jongeling, en het geluk diende hem. Het luik, dat de opening gesloten had, bestond
+uit twee deelen: het bovenste, dat het grootste was, was uitgeweken en aan stukken gesprongen: het onderste, een plankje van
+twee duim breedte, dat het luik van den vloer scheidde en met twee knippen aan weerszijden gesloten werd, was blijven zitten.
+Door de geweldige pogingen, die hij in dit oogenblik van benauwdheid in &#8217;t werk stelde, gelukte het den gevangene, dit plankje
+te doen losbersten, waardoor de opening ruim genoeg werd en hij in de gang viel. Ongedeerd sprong de vlugge jongeling op en
+snelde, zonder om te zien, de gang af, terwijl hij in de eene hand zijn blooten hartsvanger zwaaide en met de andere de scheede
+weder vasthechtte.&#8212;Aan het einde van de gang gekomen, sloeg hij rechtsaf een andere gaanderij in en stuitte aldaar tegen een
+ijzeren deur, met de noodige grendels dichtgesloten. Vol spijt deed hij een paar stappen terug en bemerkte toen, dat hij in
+de verwarring van het oogenblik en ook wegens de duisternis, die in de gang heerschte, een ander deurtje was voorbijgeloopen,
+hetwelk onder een zwaar gewelfden, met Gothisch snij- en loofwerk voorzienen boog was verborgen. Dit deurtje stond aan, en
+onze vluchteling aarzelde niet het binnen te treden. Dan, nauwelijks had hij een blik inwaarts geworpen, of hij bleef bewusteloos
+staan, in de onzekerheid, of hij niet, door Scylla te vermijden, op Charybdis gestrand ware: dermate verbaasde hem de onverwachte
+vertooning, welke bij het binnentreden zijn oogen trof.
+
+</p>
+<p>Hij bevond zich namelijk in een vrij ruime zaal, die haar licht ontving uit in de zoldering geplaatste ramen, met geschilderde
+ruitjes voorzien, en met zware zonder smaak gevormde pilasters omzet was, welke een gewelfd dak onderschraagden. Tusschen
+de pilasters bevonden zich nissen, die, voormaals, naar &#8217;t scheen, tot plaatsing van beelden der heiligen gediend hadden:
+althans de uitgerukte stukken kalk en metselwerk, zoowel als de overgebleven ijzeren bouten toonden aan, dat men de oorspronkelijke
+bewoners dier nissen met geweld had weggenomen. Aan de beide einden der zaal waren twee hooge dubbele deuren, met breede posten
+en Gothisch snijwerk, welke sedert lang ongebruikt schenen te zijn; want de zware grendels waren geheel verroest en de sloten
+met spinrag bedekt. Behalve deze hoofduitgangen was het vertrek voorzien van vier zijdeurtjes, door een van welke onze onbekende
+vriend was binnengekomen. Midden in de zaal, welke overigens geen meubelen bezat, stond een zware, langwerpig vierkante tafel,
+met een oud, verschoten, doch voorheen kostbaar tapijt overdekt. Aan het einde dier tafel was op een ouderwetschen zetel met
+hoogen rug en snijwerk, een deftig man gezeten; zijn vierkant mutsje en witte onderkleederen, zijn manteltje en gouden halskruis
+duidden een Roomsch-Katholieken geestelijke, en wel van geen geringe waardigheid, aan. Voor hem stond een ebbenhouten kruis,
+waar een zilveren christusbeeld aan vastgehecht was en aan welks voet een doodshoofd lag van hetzelfde metaal. Aan elke zijde
+van den voorzitter zaten op houten schabellen vier, en over hem twee personen, deels in geestelijk, deels in <a id="d0e5525"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5525">167</a>]</span>wereldlijk gewaad. De tafel was overdekt met papier en schrijfgereedschappen, en al de aanwezigen schenen aandachtig te luisteren
+naar hetgeen een jong geestelijke, die naast den voorzitter stond, hun voorlas uit een brief, op perkament geschreven en met
+drie zegels van groen was voorzien. Bij het gerucht, dat de deur maakte, toen zij krakende openging voor den binnentredenden
+vreemdeling, werd de lezing gestaakt, en al de aanwezigen wendden het hoofd naar den onverwachten en onwelkomen stoorder hunner
+samenkomst. Toen zij den gewapende ontdekten (want de vreemdeling hield den hartsvanger nog stijf in de vuist gekneld) stoven
+allen gelijkelijk op: sommigen grepen hun schabellen, om zich desnoods daarmede te verdedigen, en anderen zochten onder hun
+opperkleed naar gevaarlijker wapenen. De voorzitter alleen bleef bedaard; met een majestueuse beweging gebood hij stilte en
+trad vervolgens den jongeling te gemoet, wien hij aldus, op een vriendelijken toon, aansprak:
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie zijt ge, mijn zoon? en wat is de oorzaak van uw onverwachte komst?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Verschoon mij,&#8221; antwoordde de vreemdeling, eenigszins verlegen zijn geweer opstekende: &#8220;ik ben verdwaald in dit gebouw, ik
+weet zelf niet hoe, en gaarne wenschte ik een deur te vinden, die mij op straat bracht.&#8221;
+
+</p>
+<p>De aanwezigen mompelden onderling, en de meesten schudden het hoofd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het komt mij vreemd voor,&#8221; zeide de voorzitter, &#8220;dat gij, alleen omdat gij een uitgang zoekt, met het bloot rapier als een
+dolleman hier binnen komt stuiven,&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik beken,&#8221; was het antwoord, &#8220;dat de schijn tegen mij is; doch openhartig zal ik u mijn geval verhalen. Ik kom van Nijmegen:
+een zekere Predikant, die, op een vrij slechten knol gezeten, denzelfden dijk volgde als ik, hield mij gezelschap. Aan den
+<span class="letterspaced">Gouden Ooievaar</span> stapten wij af: vandaar liet de heer Ambtman ons ontbieden; men bracht ons in de woning van een schrijnwerker, welke woning,
+naar ik zie, al vrij ruim is en toen ontdekte zekere Heer Van Dyk, dat ik niet diegene ben, dien hij te wachten was;.... maar
+daar zit hij zelf: laat hij het ontkennen, zoo hij goedvindt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hier vestigden zich al de oogen op Eugenio, die, in zijn mantel gewikkeld, alleen, met zijn gewone bedaardheid, aan de tafel
+was blijven zitten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ontken niets,&#8221; zeide hij, opstaande: &#8220;het geheele voorval berust op een misverstand.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zulke misverstanden moesten geen plaats hebben, en wij hadden die althans van u niet verwacht, Pater!&#8221; bromde een der aanwezigen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dwaas!&#8221; antwoordde Eugenio halfluid: &#8220;is de vogel niet in de knip, en staat het niet aan ons, hem naar bevind van zaken de
+wieken te korten of den hals om te draaien?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil!&#8221; zeide de voorzitter: &#8220;wat aanleiding tot de komst van dezen jongeling heeft gegeven, is noodeloos op dit oogenblik
+te onderzoeken: daartoe is onze tijd te kostbaar. Jonkman! antwoord mij openhartig; <a id="d0e5550"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5550">168</a>]</span>dit alleen zal mij doen zien, of gij waardig zijt de vrijheid weder te erlangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wist niet, dat ik gevangen ware,&#8221; antwoordde de vreemdeling met fierheid de hand op het gevest van het geweer slaande.
+
+</p>
+<p>&#8220;Spaar die snorkerijen,&#8221; hernam de deftige grijsaard: &#8220;ik zie gaarne, dat een jonkman als zoodanig spreekt; doch hij moet
+het op gepaste tijden doen. Antwoord mij, hoe is uw naam?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Sta ik hier voor een rechtbank?&#8221; vroeg op zijn beurt de jongeling &#8220;Ik ben een Protestant, en erken op dit oogenblik geen
+heer noch meester op deze aarde. Gij derhalve hebt geen recht hoe ook genaamd, mij in &#8217;t gehoor te nemen.... of sedert wanneer
+is Tiel aan een papenrecht onderworpen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zullen u ons gezag wel doen erkennen,&#8221; zeide een der aanwezigen, die, ongemerkt vertrokken zijnde, nu met twee welgewapende
+lieden terugkeerde.
+
+</p>
+<p>De vreemdeling antwoordde niet; maar, zijn degen trekkende, stelde hij zich in staat van verdediging.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoogwaardigste!&#8221; zeide nu Eugenio tegen den voorzitter: &#8220;het komt mij voor, dat deze dolleman ongenegen is, om eenig verder
+bescheid te geven. Het ware misschien best, indien hij werkelijk een man van eer is, zooals zijn voorkomen aanduidt, hem vrij
+en onverhinderd te laten vertrekken, onder beding en belofte, dat hij, niets van al wat hem is overkomen sedert hij de herberg
+van den <span class="letterspaced">Gouden Ooievaar</span> verlaten heeft tot zijn terugkomst in die plaats, aan niemand, wie hij ook zijn moge, immer met een woord gewag make.&#8221;
+
+</p>
+<p>De gansche vergadering zweeg op dit voorstel, en de jongeling zag den Jezu&iuml;et met scherpe blikken aan, als wilde hij diens
+geheime oogmerken doorgronden; want hij stelde weinig vertrouwen in den zonderlingen man, die zich eerst bij hem voor een
+Remonstrant had uitgegeven en zich nu in &#8217;t gezelschap van Roomsche geestelijken bevond.
+
+</p>
+<p>Nadat de voorzitter een tijdlang het voorstel van Eugenio scheen overwogen te hebben, wendde hij zich tot den reiziger en
+vroeg hem, of hij in zoodanige voorwaarden, als de geachte spreker had opgenoemd, genoegen zoude nemen, bijaldien zij hem
+werden opgelegd. De jongeling antwoordde, bereid te zijn zich te verbinden, dat hij niets van al hetgeen hij gezien of gehoord
+had, zou verhalen, tenware <span id="d0e5571" class="corr" title="Bron: ziju">zijn</span> plicht, of de wettige Landsoverheid hem daartoe last gaven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die uitdrukkingen omvatten wat veel,&#8221; merkte de voorzitter aan; &#8220;want hoe kunnen wij de grenslijnen kennen, welke uw plichtgevoel
+beperken? en welke nadeelige gevolgtrekkingen zou niet de overheid uit uw verhaal kunnen trekken? Door u op zulke losse gronden
+vrij te laten, zouden wij ons geheel aan uw bescheidenheid moeten overgeven, en gij gevoelt wel, dat dit wat veel van ons
+gevergd ware.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het doet mij leed,&#8221; hernam de reiziger; &#8220;doch ik kan geen andere voorwaarden aannemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zult gij u moeten getroosten, onze gevangene te blijven,&#8221; <a id="d0e5580"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5580">169</a>]</span>zeide de grijsaard, een wenk gevende aan de omstanders en in &#8217;t bijzonder aan de twee gewapende dienaars, om den stoutmoedigen
+vreemdeling in verzekerde bewaring te nemen. Deze echter was er geenszins op gesteld, om zich te laten knippen: hij had zich
+steeds in de nabijheid gehouden van de deur, door welke hij was binnengekomen, met oogmerk om zich een vrijen terugtocht voor
+te behouden. Zooras derhalve de aanwezigen op hem aftraden, deed hij een stap rugwaarts, beschreef een halven cirkel in de
+lucht met zijn hartsvanger, om zijn vijanden op den noodigen afstand te houden, maakte eensklaps rechts-om-keert, wierp een
+der gewapenden, die hem den weg wilde afsnijden, met een vuistslag op den grond, stoof de deur uit, trok die zoo geweldig
+achter zich toe, dat het slot dichtsprong en ijlde vervolgens weder terug langs den weg dien hij gekomen was, de gewelfde
+gang weder door en het vierkante gat van het kruitkamertje voorbij. Aan het einde van die gang gekomen, stootte hij een ongesloten
+deur open en bevond zich nu tot zijn groote vreugd in de open lucht.
+
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5357" href="#d0e5357src" class="noteref">1</a></span> Zoo iemand niet haat.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5416" href="#d0e5416src" class="noteref">2</a></span> Wij moeten blijven en kloekmoedig strijden.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5431" href="#d0e5431src" class="noteref">3</a></span> Alles is gereed.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5447" href="#d0e5447src" class="noteref">4</a></span> Den koning van Spanje, onzen gemeenen vijand.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5471" href="#d0e5471src" class="noteref">5</a></span> Wacht een weinig.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e5503" href="#d0e5503src" class="noteref">6</a></span> Zijt gij dwaas?
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e5582" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Achttiende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph" lang="nl-1600">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Gy meught van nacht by ons wel blyven rusten
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Wy hebben t&#8217;huis rype app&#8217;len, zoo ze u lusten,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>De nieuwe vrucht, kastanje en stremsel.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Virgilius</span>, Ecl. I. Vert. van Vondel.
+</p>
+</div>
+<p>De blijdschap van onzen reiziger verminderde spoedig, toen hij bemerkte, dat hij er nog weinig bij gewonnen had, met zich
+buitenshuis te bevinden, daar de deur, welke hij uitgetreden was en dadelijk achter zich had dichtgetrokken, nergens anders
+heenbracht dan op een steigertje, dat tusschen hooge muren aan den kant der stadsgracht gebouwd was. Hoewel de vluchteling
+weinig trek gevoelde om, zoo gekleed als hij was, te water te gaan, begreep hij, na een kort beraad, dat er toch voor hem
+niets beter opzat dan een spoedige vlucht. Het was reeds donker geworden, en de duisternis belette de schildwachten, die ver
+van daar op de stadswallen geplaatst waren, hem gewaar te worden bij zijn overtocht. Hij liet zich dus zachtjes in &#8217;t water
+glijden en zwom, met zoo weinig gerucht mogelijk, naar de overzijde. Daar gekomen, kroop hij op handen en voeten de buitenwerken
+der stad langs en over, en kwam eindelijk behouden op een voetpad aan, dat hem, achter de voorstad om, op den weg naar den
+Rijn bracht. Het was omstreeks negen uren en dus zoogoed als duister, toen hij zich, nu buiten het gezicht van iedereen, aan
+den voet van een wilgeboom nederzette om zich, zoogoed hij kon af te drogen en tevens eens te overleggen, wat hem te <a id="d0e5599"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5599">170</a>]</span>doen stond. Dat hij door een misverstand in het huis van Klaas Meinertz geraakt was, scheen hem duidelijk genoeg toe; doch
+dat de woning eens eerwaardigen schrijnwerkers vol zou wezen van lieden van dat slag als hij er in gevonden had, dit kwam
+hem zonderling voor. Spoedig echter hielp hem zijn plaatselijke kennis, om dat raadsel gedeeltelijk op te lossen. Aan den
+stadswal, dat wist hij, stonden nog onderscheidene gebouwen, welke eertijds tot mannen- en vrouwenkloosters gediend hadden,
+doch bij de Hervorming meerendeels door &#8217;t gemeen vernield of althans uitgeplunderd waren: en het was wellicht met een van
+die gestichten, dat het huis van Meinertz gemeenschap had. Doch, dat zulk een gebouw nog bewoond zou wezen, dat er menschen
+van zoo verschillende geloofsbelijdenis in vergaderden en vooral dat er zich een kruitkamer in bevond, dit kwam hem onverklaarbaar
+voor en wekte in hem vermoedens op, dat er verraad achter school. De voorzitter vooral dier geheime vergadering herinnerde
+hem iemand, dien hij in lang verloopen jaren nogmaals ontmoet had, waar en wanneer wist hij niet; doch het kwam hem voor,
+alsof die man ook toen in een zaak van hoogverraad betrokken ware geweest en zijn hulp had ingeroepen. Doch, aan wien zoude
+hij al wat hij gezien had, gaan verklaren? De Ambtman zelf scheen dan toch in het geheim te wezen; daarenboven, waren zijn
+vermoedens wel gegrond?&#8212;hij was zoolang in vreemde landen geweest, en in zijn afwezigheid kon er zooveel in zijn vaderland
+gebeurd zijn. En toch! het geheimzinnige, waarmede zich al de personen, die hij aangetroffen had, omhulden!....
+
+</p>
+<p>Hij begreep eindelijk, dat het in allen gevalle geen zaak was, terug te keeren, wijl men niemand, na zonsondergang, de poort
+meer inliet: en daar hij om zijn doornatte kleederen niet langer stil kon blijven, vervolgde hij zijn voetreis, hoewel hij
+in Tiel paard en mantelzak achterliet; doch daarvoor zou, naar zijn meening, de waard in den <span class="letterspaced">Gouden Ooievaar</span> de noodige zorg dragen. Zijn besluit dus genomen hebbende, wandelde hij langs den zwaren zandweg noordwaarts op. De lucht
+was helder en gebalsemd door den geur van duizenden welriekende kruiden, als de kamille, het pijpenkruid en dergelijke, die
+tusschen het wilgenhout in aan de slootkanten groeiden. Vriendelijk zag de opkomende maan in vollen luister neder over de
+wijduitgestrekte weilanden, of over de heerlijke boomgaarden, die met millioenen ontlokene bloesems als met een sneeuwwit
+laken schenen overdekt te wezen. Van verre hoorde men, schoon verflauwd door den afstand, de zuivere tonen der nachtegalen
+uit de omliggende boschjes weerklinken. Dichterbij werd het oor min aangenaam getroffen door het, ja buitenachtig, doch niet
+vermakelijk gerikkik der vorschen. Dan ook de muziek van deze poelbewoners, het eentonige <span class="letterspaced">brekkekekez coax coax</span>, was den reiziger welkom; het had iets nationaals, iets harmonisch voor zijn gehoor.
+
+</p>
+<p>Omtrent een uur had hij met een stevigen tred doorgestapt, toen hij op een kleinen afstand een vroolijk liedje door een heldere
+stem hoorde opzingen, en kort daarna een landbouwer voor zich gaan zag, onder de vracht van eenige hammen gebukt, welke hij
+aan een <a id="d0e5611"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5611">171</a>]</span>stok gebonden op den schouder droeg. Het viel onzen reiziger niet moeilijk, den veldeling eerlang op zijde te komen, en de
+woorden van het liedje van Starter te onderkennen, welke aldus luidden:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; " lang="nl-1600">
+<p class="line" style=""><span>Wy syn in &#8217;t soetste van ons jeught,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>In &#8217;t allerschoonste van ons tijt,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>En dat wy die niet sonder vreught
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Dus klackloos worden quijt.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Wanneer den grijsen ouderdom
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>De groente van ons jeught verdort,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Dan komen all&#8217; ons lusten om
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>De vreught wordt opgeschort.</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; " lang="nl-1600">
+<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Dus wel an.
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Laat ons dan,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Wijl men magh
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>En de tijt
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Sullix lijdt
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Met verdrag
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Recht lustigh wesen,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Vreught wort gepresen,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En lachen in &#8217;t gelach.</span></p>
+</div>
+<p>&#8220;Gij schijnt vroolijk, landman!&#8221; zeide de reiziger, nadat de dorpeling zijn lied <span id="d0e5651" class="corr" title="Bron: geeindigd">ge&euml;indigd</span> en zijn groet met een wederkeerig <span class="letterspaced">gen avond</span> beantwoord had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat ben ik ook, koopman!&#8221; was het antwoord: &#8220;en wie zou ook niet vroolijk wezen op zoo een schoonen avond? en althans as
+men zoo een goede welkomt&#8217;huis met brengt, alhoewel de vracht zwa&ocirc;r enoeg is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het lijken wel hammen, die gij daar in uw mars hebt,&#8221; merkte de reiziger aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat raodt ge de koekoek, koopman!&#8221; hervatte de dorpsbewoner: &#8220;het zijn Westfaolingers en dus zullen ze er wel op lijkenen.
+Ik heb ze bij occasie ekregen, en blij toe! want ze zeggen het zal haast weer oorlog wezen en dan: hadie vreemde producten....
+is &#8217;t nietwa&ocirc;r, koopman?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar ziet ge dan niet, vriendlief,&#8221; zeide zijn reisgenoot, &#8220;dat ik geen koopman ben?&#8221; Hier wees hij op zijn degen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat oe de pikken!.... wat zijt ge dan? toch geen solda&ocirc;t, hoop ik: want dan zeg ik: <span class="letterspaced" lang="fr">beso los manos. Bonsoer mon frinte, adiu!</span> en gaat oe rechts, ik sla&ocirc; linksom; want de solda&ocirc;ten zijn ma&ocirc;r boerenpla&ocirc;gen. Hoe zeit het liedeken?
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span><span class="letterspaced" lang="fr">Tire le vin!</span> &#8217;t sa spoelt de glazen!
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span><span class="letterspaced" lang="fr">Faictes grand ch&egrave;re</span>, laet droefheyt staen
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>En laet ons roepen, tieren, rasen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span><span class="letterspaced" lang="fr">Vive la guerre!</span> de krijg gaet aen.</span></p>
+</div><a id="d0e5685"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5685">172</a>]</span><div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8217;t Sa lustigh! &#8217;t sa, laet het glas omgaen.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Ick moet nu pooien, want ick sal weer
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>De boeren plagen, &#8217;t kan nu niet dragen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Of ick een daeldertje meer verteer.&#8221;</span></p>
+</div>
+<p>&#8220;Ik ben een afgedankt krijgsman,&#8221; zeide de officier, lachende: &#8220;ge hebt dus van mij niets te vreezen, noch voor u noch voor
+uw hammen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Warentig! nou, dan is &#8217;t alles zeven,&#8221; zeide de boer, zijn reisgenoot op den schouder kloppende: &#8220;ma&ocirc;r wat pots honderd tausent
+slapferment is dat? oe kleeren zijn zoo nat as er an toe! wa&ocirc;r het oe gezeten? het oe in de sloot elegen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo half en half,&#8221; was het antwoord van zijn reisgenoot.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel me dunkt wel hiel ende al,&#8221; hernam de landman, hem van top tot teen in oogenschouw nemende: &#8220;en mot je nog ver loopen,
+eer je oe voor een viertje drogen kunt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nog een goede stond. Ik ga naar Sonheuvel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En zal oe met dat natte pak den Rijn overvaren? Dat zal <span class="letterspaced">pardienne</span> niet beuren. Eerst kan je in onze keuken oe wat wermen, man!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van harte gaarne: en dan wil ik de onkosten van een flesch wijn dragen om samen uit te drinken,&#8221; zeide de officier.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jij bent een nobele ba&ocirc;s!&#8221; hernam de boer: &#8220;ma&ocirc;r niemand zal van Gheryt Maessen ooit zeggen, dat ie zich in zijn eigen woning
+heeft laten trakteeren: wijn zal ik oe geven, zonder dat hij oe een duit kost; want de mensch moet zich zoowel van binnen
+als van buiten verwermen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar zegt ge wel an, landman!&#8212;en om u te toonen, dat ik ook liedekens weet, zoowel als gij:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Is &#8217;t weer te guur,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>By Knelisbuur
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Daar stookt men &#8217;t vuur
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>En warmt men sich de leden.
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Vat kou ons bij &#8217;t lijf,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Dan stelt zijn wijf
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 6em; "><span>Tot ons gerijf
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Met lekkeren wijn ons tevreden.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>En wie dan met tang en met glazen kan schermen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Die kan zich van buite en van binne verwermen.&#8221;</span></p>
+</div>
+<p>&#8220;Een klettig lied, en wel ezongen,&#8221; zeide de landman: &#8220;ik loof warentig, als je niet zoo nat wa&ocirc;rt, oe zoude zingen as onze
+dorpszanger, en die is bylo gien prul!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is uw dorp?&#8221; vroeg de reiziger.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik woon te Rijming,&#8221; antwoordde de boer: &#8220;even oet het dorp en krek aan de rivier. &#8217;t Is wel te zien, dat oe een vreemdeling
+zijt, anders zoude oe Gheryt Maessen wel kennen, den vroolijksten knaap van de hiele waard.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben verscheidene jaren buitenslands geweest,&#8221; zeide de officier: <a id="d0e5745"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5745">173</a>]</span>&#8220;doch gij moet in dien tusschentijd hier zijn komen wonen; want te voren kende ik al de landluiden uit den omtrek zoogoed
+als mij zelven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat ben ik,&#8221; hernam Gheryt Maessen: &#8220;van te voren woonde ik aan gene zijde van Tiel en was veerman over de Waal; een goede
+bediening en een gemakkelijk postje; ma&ocirc;r ik ben om de religie vervolgd eworden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Om de religie?&#8221; vroeg de officier verbaasd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja&ocirc;! ja&ocirc;! mag een gemeen niet evengoed om de religie vervolgd worden as een edelman?&#8221; vroeg de landbewoner, eenigszins gebelgd:
+&#8220;ik zeg oe man, ik werd van Arminianerij beschuldigd en te gelijk met de schepens Tymen Tymenz en Leendert Leendertz van mijn
+post afgezet, en die werd aan Teun Wezer egeven, dat een vent is, die boven Arminiaansch boven al in &#8217;t geheel ma&ocirc;r van geen
+godsdienst afweet. Ja, zoo ga&ocirc;t het al in de wereld. Wat zal men doen? Patientie is goed kruid.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Teun Wezer!&#8221; herhaalde de jongeling: &#8220;die placht een groote strooper te zijn, zoo ik mij wel herinner.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heit oe recht, sinjeur! en dat was zoo wat zijn eenige treftigheid. Ma&ocirc;r wat was het? de vent had veul voorspraak bij
+de groote lui: men zeit wel, dat hum nou en dan wel ereis boodschappen liep na&ocirc;r den overkant, die zoo ma&ocirc;r half in den ha&ocirc;k
+waren; ma&ocirc;r wie kan &#8217;t bewijzen? &#8217;t is ma&ocirc;r, die &#8217;t la&ocirc;st verteld heit, leeft nog.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo gij te Tiel zoo welbekend zijt, weet ge voorzeker ook, wie Klaas Meinertz is?&#8221; vroeg de vreemdeling.
+
+</p>
+<p>&#8220;Of ik Klaas Meinertz ken,&#8221; antwoordde Gheryt: &#8220;pots dit en dat, wie kent hem niet? of liever, wie kent hum?&#8212;Ik kom zoo van
+den vent vanda&ocirc;n: hum heit mij bij occasie die hammen bezorgd; want hum doet negotie in allerlei....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo! komt ge van hem vandaan?&#8221; vroeg de officier, wiens nieuwsgierigheid door deze omstandigheid werd gaande gemaakt: &#8220;het
+was vol tot zijnent, niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vol! met kisten en kasten, in &#8217;t voorhuis, ja, dat ga&ocirc;t wel an.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar met menschen?&#8221; vervolgde de reiziger.
+
+</p>
+<p>&#8220;Met menschen!&#8221; herhaalde zijn reismakker: &#8220;dat kan ik juist niet zeggen. Ik heb niemand buiten hem in &#8217;t voorhuis ezien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu ja, in &#8217;t voorhuis; maar zijn woning is groot.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijn woning groot! dat kan ik ook alweder niet ga&ocirc;f toestemmen: want behalve den winkel is er niets dan een opkamertje: en
+zijn werkplaots is nog a&ocirc;n de overzijde van de stra&ocirc;t.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik meende echter vernomen te hebben,&#8221; hervatte de officier, &#8220;dat zijn huis gemeenschap had met het oude konvent van.... van....&#8221;
+Hier poosde hij om zijn reisgenoot het slot van zijn rede te doen aanvullen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Van Sinte-Cecilja, meent oe?&#8212;Ja, dat was zoo in vroegeren tijd: ma&ocirc;r die is al lang toe&euml;stopt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van Sinte-Cecilia, juist! zoo ik mij wel herinner was er een vrouwenklooster van dien naam, waarvan de nonnen nog niet uitgestorven
+zijn zullen, sedert zij her- en derwaarts verhuisd zijn;&#8212;en woonden naast dat klooster geen Dominicaner monniken?&#8221;
+<a id="d0e5779"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5779">174</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Dat heit oe recht. De laatste Prior van de Dominicaners was, gelijk men mij wel verteld heit, van de nama&ocirc;gschap van den
+Heer van Sonheuvel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van den heer van Sonheuvel?.... zou het mogelijk wezen, dat.... maar neen!....&#8221; en de reiziger verzonk in diep gepeins.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja&ocirc;,&#8221; vervolgde zijn makker, zonder daarop acht te geven: &#8220;hum was ien vroom man of is het nog, want ik weet niet of hum
+nog leeft, althans naar &#8217;t zeggen van de Pa&ocirc;pschen: ze vertellen al ra&ocirc;re historietjes van hum.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo!&#8221; zeide de officier, wiens nieuwsgierigheid door dit gezegde werd opgewekt: &#8220;en wat zegt men dan van dien vromen Prior?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja&ocirc;,&#8221; antwoordde Gheryt Maessen: &#8220;voor de wa&ocirc;rheid van het geval sta&ocirc; ik niet in, dat riekt mij zoo pa&ocirc;psch; maar mijn grootje
+heit het mij meermalen verteld. Eens zei een klein onnoozel duvelken tegen ien grooten leepen duvel: kent oe den Prior van
+Sint-Dominicus te Tiel?&#8212;&#8221;ja&ocirc;, zei de groote duvel weer; nou, zei het duvelken, ik verwed er vijfhonderd stokslagen onder,
+dat ik hum van puren schrik zijn stoedeerkamer oetdrijf. Top! zeide daarop de groote duvel: zoo ezeid zoo eda&ocirc;n: het duvelken
+springt in een wip voor den Prior op de tafel, wa&ocirc;rvoor hum bij de keerse te lezen zat, en ma&ocirc;kt honderd kromme sprongen vlak
+voor zijn neus; ma&ocirc;r het ra&ocirc;kte den Prior niet eenema&ocirc;l aan zijn kouwe kleeren: het duvelken we&ecirc;r van voren of an: ma&ocirc;r wat
+zeit toen de Prior? Duvelken! zeit hum: ik beveel oe, houdy mijn keerse vast:&#8212;en het duvelken was zoo veraltereerd en perflext,
+dat hum de keerse oet den kandela&ocirc;r nam en den Prior lichtte. Nu liep de keerse sterk of en het smeer droop het duvelken op
+de vingers, zoodat hum wel ebulkt en ekreten zoude hebben, maar hum dorst niet om den Prior. Eindelijk brandde de keerse hiel
+en al weg, en duvelkenma&ocirc;t kreeg van den Prior verlof om heen te ga&ocirc;n; ma&ocirc;r zijn poot was deerlijk verbrand en da&ocirc;r hum de
+weddingschap verloren had, kreeg hum nog vijfhonderd stoksla&ocirc;gen toe.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb die klucht meer gehoord,&#8221; zeide de vreemdeling: &#8220;doch zij is mij altijd van een veel ouderen Heer van Sonheuvel verhaald
+geweest, die lang voor de Reformatie leefde;.... doch dat daargelaten! Kent gij den Heer van Sonheuvel?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Of ik hum ken?&#8212;dat geloof ik! een nobel heer, bij mijn zolen, en zijn dochter is een pronte meid en een goede buur, dat moet
+ik zeggen: sinds mijn wijf la&ocirc;st een kwa&ocirc;de kra&ocirc;m ehad heit, komt ze om den a&ocirc;ren dag naar heur kijken en brengt altijd zoo
+wat een liflafje met, als kostelijken zoeten wijn en aftreksel van lindebloeisels met een mengsel er bij, dat zij zelvers
+maakt, en zoo voort: ik hoop ma&ocirc;r, dat we heur niet kwijtra&ocirc;ken; want zij zeggen, ze ga&ocirc;t trouwen met den Ambtman Mom, en
+misselijken pottenta&ocirc;t, die heur va&ocirc;der wel wezen kon: ik mag hum niet best zetten: misschien wel omdat hum mij mijn post
+van veerman het af&euml;nomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En denkt men,&#8221; vroeg de officier op een toon van stem, dien hij luchtig zocht te maken, &#8220;dat zij zin in hem heeft?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Of zij zin in hem heeft?&#8221; herhaalde Gheryt Maessen, een stemmig <a id="d0e5798"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5798">175</a>]</span>gelaat trekkende: &#8220;nu vra&ocirc;gt oe mij ook meer dan ik oe antwoorden kan. Wat zegt het lied:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Wie weet ooit, wat een meisken wil?
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Nooit zeit ze, hoe ze &#8217;t mient.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Dan heeft ze deuzen tot heur vriend,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Dan heeft ze weer een a&ocirc;ren gril:
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>&#8217;t Valt zwa&ocirc;r, in &#8217;t stuk der min,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Te weten wat een vrijster dient,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Te kennen heuren zin.</span></p>
+</div>
+<p>En da&ocirc;r heeft de ma&ocirc;ker van dit referijnken wel deugdelijk elijk in.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu ja, dat is zoo,&#8221; zeide de reiziger: &#8220;doch wat denkt men in &#8217;t algemeen? Zou de Ambtman nogal kans hebhen om te slagen
+in zijn vrijage?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kans?&#8221; hernam Maessen, verbaasd opziende: &#8220;wel man, hoe kan oe zoo iets onnoozels vra&ocirc;gen? Als men een schoonen naam, een
+goed fortuin en een hoogen post heeft, en als men daarbij dan niet oetermate leelijk, niet oetermate dom, niet oetermate old,
+niet oetermate boos is, wel dan heeft men, na&ocirc;r mijn slechte verstand, alle kansen voor zich en ma&ocirc;r een kleintje tegen: wel
+is wa&ocirc;r, dat iene kleintje doet de scha&ocirc;l wel iens oversla&ocirc;n.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat is dat eene kleintje?&#8221; vroeg de officier, op een toon, die te kennen gaf, dat hij het antwoord op zijn vraag zeer
+wel voorzag, doch aan Gheryt Maessen het genoegen niet ontnemen wilde van het te geven.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is,&#8221; zeide de boer, &#8220;wanneer een klein, klein kuipedootje zich in de a&ocirc;re scha&ocirc;l plaatst.&#8221;
+
+</p>
+<p>De vreemdeling antwoordde niet op deze grap. Een gedachte, wij kunnen voor &#8217;t oogenblik niet beslissen welke, had hem geheel
+vermeesterd, en met een diep stilzwijgen verzelde hij den eerlijken Gheryt, totdat deze, op een linksafslaand paadje wijzende,
+hem uit zijn mijmering riep met deze woorden: &#8220;hier langs ga&ocirc;n wij na&ocirc;r mijn woning.&#8221;
+
+</p>
+<p>De reiziger zag op en trad zijn vroolijken makker na langs het zandige voetpad. Slechts eenige minuten gaans hadden zij afgelegd.
+toen zij, een dijk opkomende, die den vrijen uitkijk belemmerd had. de zilveren stroomen van den Rijn aan hun zijde vloeien
+zagen: slechts even bewoog een zachte wind het langzaam vlietend water, en niet meer dan genoeg om op elk golfje den zuiveren
+schijn der maan te doen glinsteren. Aan de overzijde der rivier vertoonde zich de lachende oever, met boomgaarden en boomen
+en bosschages dicht beplant, welke in de verte zich verbindende en tegen den rijzenden grond oploopende, bij avond de gedaante
+van een dicht en majestueus bosch opleverden. Prachtig blakend van den helderen glans der maan, rees de kerktoren van Sonheuvel
+uit het geboomte, en daarnevens blonken de leien daken van het slot tusschen de kruinen der lindeboomen. De goede Maessen,
+die den rook van zijn <a id="d0e5829"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5829">176</a>]</span>schoorsteen voor zich uit zag omhoogstijgen, verwaardigde het hier beschreven schouwspel met geen enkelen blik, en stapte,
+nu hij, zoo hij meende, de keuken reeds begon te ruiken en den welkomstgroet van zijn hofhond hoorde, met verdubbelden spoed
+vooruit. Zijn reisgenoot scheen meer gevoel voor de schoone natuur te bezitten; althans hij volgde met trager schreden en
+hield het oog onafgebroken op de overzijde der rivier gevestigd, zoolang totdat het pad weder nederwaarts afliep en de dijk
+hem opnieuw belette, zich in de beschouwing van dat prachtig natuurtooneel te verlustigen. En, zonderlinge wisseling der menschelijke
+gedachten!&#8212;nauwelijks was de in hooggestemde mijmeringen verdiepte jongeling verplicht geweest, den dijk voor het lagere pad
+te verlaten, of de sombere denkbeelden, die zijn ziel vervulden, verlieten hem: het ideale maakte plaats voor het wezenlijke,
+en, met een genoegen, bijna gelijk aan dat van zijn boerschen reisgenoot, zag hij de woning voor zich staan, welke het doel
+van hun tocht was: ook hij begon zich in de gedachte te verlustigen, van welhaast bij een warm vuur, onder het gebruik van
+een goed glas wijn, zijn zorgen te kunnen verzetten, en zoowel den innerlijken als den uiterlijken mensch te verwarmen. Met
+deze aangename gewaarwordingen doordrongen, stapten beiden lustig verder en bevonden zich weldra aan het hek van des huismans
+nederige, doch niet geheel onaanzienlijke hoeve.
+
+</p>
+<p>Hartelijk was de verwelkomst, die Gheryt Maessen van zijn gezin ontving, toen hij, met een vroolijk: &#8220;gen avond samen!&#8221; zijn
+woning binnentrad. Zijn bejaarde moeder stond van achter de tafel op, waaraan zij gezeten was, sloeg den huisbijbel, die voor
+haar lag, toe, na alvorens haar bril te hebben afgezet en bij de plaats gelegd waar zij gebleven was, en maakte zich gereed
+haar zoon te omhelzen. Een eenigszins vermagerde arm richtte het gordijn op eener in den hoek der kamer aanwezige bedstede,
+waaruit op een flauwen, doch niet minder hartelijken toon, een: &#8220;gen avond vader!&#8221; zich liet hooren. Drie kloeke, wel doorvoede
+kinderen, waren hun vader reeds in &#8217;t gemoet geschoten en de jongste hing hem om den hals; doch de twee anderen, den vreemdeling
+nu bemerkende, die aan vaders zijde binnenkwam, traden beteuterd achteruit en bleven, den wijsvinger der linkerhand over de
+benedentanden gekromd houdende, op een afstand staan, van waar zij nu en dan het waagden, de oogen op te slaan, om den vreemdeling
+van ter zijde te bekijken. Een keffertje, dat eerst met een geweldige drift op den reiziger was aangetogen en vervolgens al
+grommend en knorrend tusschen diens beenen gesnuffeld had, als wilde hij aan de kuiten de plaats uitzoeken, waar het beste
+vleesch te happen ware, scheen over zijn onderzoek voldaan: althans het keerde terug en vlijde zich weder bedaard op de warme
+plaat ter ruste.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gen avond, Gheryt!&#8221; zeide moeder: &#8220;kom, Kla&ocirc;ske! zet een bank voor va&ocirc;der als een man. Nu! hoe sta&ocirc;t oe zoo te lanterfanten?&#8212;Ma&ocirc;r
+kijk, da&ocirc;r het onze Gheryt nog iemand bij hum, dien ik niet eens ezien had.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gen avond vader! gen avond Gherytman!&#8221; herhaalde de vrouw <a id="d0e5837"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5837">177</a>]</span>des huizes, haar bedgordijn al verder opschuivende en zich half oprichtende: &#8220;komt oe mij niet eens een toet geven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier ben ik al, vrouwke!&#8221; zeide Gheryt, na zijn moeder gekust te hebben: &#8220;hier ben ik: hoe sta&ocirc;t het er met sinds van mergen?&#8221;
+En meteen trad hij toe en drukte zijn vrouw hartelijk in zijn armen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat&#8217;s ma&ocirc;r zoo passelijk met onze Els,&#8221; zeide moeder: &#8220;ze heit weer wat koorts ehad, ma&ocirc;r het eten lijkt er toch nogal esma&ocirc;kt
+te hebben, nietwa&ocirc;r ook, Elske?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, zoolang de appetijt er ma&ocirc;r is, zal het zoo spa&ocirc;k niet loopen,&#8221; merkte de luchthartige Gheryt aan: &#8220;ik heb teugen dat
+oe weer trek in stevigen kost krijgt, een viertal kostelijke hammen met ebracht: zij zijn puik puik, vrouwke! daar kan oe
+sta&ocirc;t op ma&ocirc;ken. Ma&ocirc;r kom, Kla&ocirc;ske! zet me fluks eens als een man een bankje an den ha&ocirc;rd en leg mij wat takkebossen op het
+vuur: want hier heb ik een wilden vogel bij mij, die a&ocirc;rs licht verkouen zou raken, nietwa&ocirc;r ook, man?&#8221; Hier klopte hij zijn
+gast vriendelijk op den schouder.
+
+</p>
+<p>&#8220;En wie heit oe dan met ebracht?&#8221; vroeg de moeder, terwijl zij haar bril weer voor den dag haalde en opzette, om den vreemdeling
+beter te kunnen zien: &#8220;wie is dat heerschop?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heb ik hum nog niet evra&ocirc;gd,&#8221; antwoordde de zoon met een gullen lach: &#8220;de man is doornat, en ik wil hum niet toelaten,
+den Rijn over te va&ocirc;ren eer hum zich eerst wat ewarmd heit.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik hoop niet, moeder!&#8221; zeide de vreemdeling, toetredende, &#8220;dat ik u eenig ongerijf zal veroorzaken: ik heb mijn gezelschap
+uw zoon niet opgedrongen; maar hij heeft mij gulhartig verzocht en even gulhartig heb ik zijn aanbod aangenomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Oe is welkom, heerschop!&#8221; zeide de oude vrouw: &#8220;men zeun doet wel: want wat zeit de schrift: <span class="letterspaced">ik was vreemdeling en ghij hebt mij geherbergd</span>.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bewa&ocirc;r ons!&#8221; riep Gheryt uit, toen de reiziger zich op een houten drievoet naast het nu helder brandend vuur had nedergezet:
+&#8220;man! wat is oe nat! wa&ocirc;r drommel heit oe ezeten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Ware best,&#8221; zeide de oude vrouw, &#8220;dat het heerschop zijn natte kleeren ging uittrekken en een wammes en broek van oe antrok,
+Gheryt! want zoo kan de man niet blijven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja&ocirc; wa&ocirc;rlijk moeder, dat eloof ik ook;&#8212;ei Kla&ocirc;ske! ha&ocirc;l iens ezwind mijn fluweelen wammes en mijn fulpen broek oet de kle&ecirc;rkas:
+en oe Sijmen, krijg eens de brandewijnflesch! een hartversterking zal den man goeddoen!&#8221;
+
+</p>
+<p>De reiziger bracht tegen de vriendelijke en zoo wel gemeende verplegingen van zijn gastheer geen bedenkingen in: alleen zeide
+hij zoo wat binnensmonds, dat het hem speet, dat men om zijnentwil zooveel omslag maakte; het was echter geen gebrek aan hoffelijkheid,
+dat hem belette, iets meer tegen die verzorging in te brengen, maar hij gevoelde zich, door de uitgestane vermoeienis, schrik
+en koude, zoodanig verward en versoezeld, dat het hem moeite kostte menige woorden geregeld uit te brengen. Zoolang hij geloopen
+en gepraat had, was hij in een staat van overspanning gebleven, <a id="d0e5864"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5864">178</a>]</span>die hem nu des te duurder te staan kwam. Trillend en bevend, en als geheel zonder besef van hetgeen er gebeurde, liet hij
+zich door den braven huisman en den oudsten zoon den natten overrok van &#8217;t lijf, en de niet minder natte laarzen en broek
+van de beenen halen, welke kleedingstukken vervolgens plaats maakten voor het zondagsgewaad van Gheryt, waarin de vreemdeling
+een vrij zonderling voorkomen had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zal oe nu niet wat met eten?&#8221; vroeg hem zijn gastheer, nadat beiden zich met een goede teug brandewijn verfrischt hadden.
+&#8220;Kijk, dat lacht oe toe!&#8221; en hier wees hij op een grooten schotel rijstebrij, dien de oude vrouw had opgebracht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hartelijk dank!&#8221; zeide de vreemdeling, met het hoofd op de hand leunende: &#8220;gij zijt al te vriendelijk! maar ik zou nu op
+&#8217;t oogenblik niet in staat zijn, een brok eten door de keel te krijgen. Het best zal wezen, dat ik, zoodra mijn kleeren wat
+gedroogd zijn, mij maar weer op reis begeef.&#8221;&#8212;Met deze woorden rees hij op en poogde een paar stappen te doen; doch zijn knie&euml;n
+knikten hem onder het lijf, en hij viel weer op zijn bankje neder.
+
+</p>
+<p>&#8220;Droomt oe man?&#8221; zeide Gheryt: &#8220;oe zult van dezen nacht geen stap verder doen, hoor!&#8212;Ik loof waarachtig, dat oe niet vrij
+van koorts is: blijf oe van dezen nacht ma&ocirc;r hier: wij zullen het wel schikken, dat oe het warmpjes enoeg zult hebben: en
+dan kan oe morgen zoo vroeg en la&ocirc;t weder heentrekken als oe wilt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik hier blijven?&#8221; vroeg de reiziger: &#8220;dat zal u immers hinderen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet het minst! niet het minst! breek da&ocirc;r oe hoofd ma&ocirc;r niet met. Wat zegt oe moeder? er kunnen immers schoone la&ocirc;kens in
+de bedstee van het opka&ocirc;merke worden ebracht, en dan, klaar is Kees!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De sloopen van de kussens liggen op het rechtsche plankje in het kabinet,&#8221; zeide de zieke vrouw, welke uit hare bedstede
+het gesprek gehoord had.
+
+</p>
+<p>Nu haastte zich de moeder, het noodige bijeen te zoeken en begaf zich vervolgens naar het opkamertje, alwaar zij het nachtverblijf
+van den vreemdeling gereed maakte. Onderwijl stonden de kinderen, met de vertraging, welke dit oponthoud in hun avondeten
+bracht, weinig tevreden, om de tafel te nagelbijten, hun oogen strak gevestigd houdende op den rijstebrijschotel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het doet mij van harte leed,&#8221; zeide de vreemdeling tegen Gheryt, &#8220;dat uw moeder zich om mijnentwille zooveel moeite geeft....
+waarom niet gewacht tot na den eten? Uw kinderen zullen kwaad op mij wezen, dat ik hen in die verrichting storen kom.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bekommer oe niet,&#8221; riep de vrouw des huizes uit hare bedstede: &#8220;&#8217;t spijt mij ma&ocirc;r, dat ik oe niet helpen kan en dat ik juist
+op mijn bed moet liggen: nu, als oe op een a&ocirc;re keer wederom komt....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan hoop ik u fiks en gezond te vinden,&#8221; zeide de reiziger, haar volzin voleindigende; &#8220;maar daar komt moeder al weder terug;
+houdt u toch niet langer om mijnentwille op, goede vrienden! Ik zal verder wel alleen klaarkomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De oude vrouw meldde nu, dat alles op het bovenkamertje in orde <a id="d0e5888"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5888">179</a>]</span>was; waarop Gheryt, de lamp uit haar hand nemende, zijn gast voorlichtte, en naar het slaapvertrek geleidde, waar hij, na
+stellig bescheid ontvangen te hebben dat de reiziger niets meer noodig had en het verder wel alleen zou klaren, hem onder
+het toewenschen eener aangename nachtrust alleenliet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het was toch wat ewa&ocirc;gd van oe, Gheryt!&#8221; zeide de moeder, toen het gansche huisgezin aan den disch was nedergezeten: &#8220;het
+was toch ewa&ocirc;gd, dien vreemden man zoo ma&ocirc;r bij ons te noodigen. Ik loof toch, dat hum een hupsche borst is; ma&ocirc;r hum kon
+toch ook wel een dief of een moordenaar zijn: hoe kwam hum zoo nat? dat heit hum niet iens willen vertellen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja moeder!&#8221; zeide Grheryt: &#8220;dat weet ik niet recht: genoeg was het voor mij, dat de man nat was en ook niet sprak als een
+schelm of vagebond. Had de man kwa&ocirc;d in &#8217;t zin ehad, dan had hum mij immers kunnen doorsteken met &#8217;t bra&ocirc;dmes, dat hum op
+zijde heeft, en mij mijn hammen afnemen eer ik er om dacht. En dan, heit oe niet ezien wat een kostelijke goldene keten hum
+onder zijn wammes droeg en watte schoone goldene ringen hum aan de hand had?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;God geve,&#8221; zeide de meer ergdenkende oude vrouw, &#8220;dat hum da&ocirc;r eerlijk is an ekomen. Doch we meugen onzen na&ocirc;sten niet oordeelen:
+ik wil ga&ocirc;rne het beste van hum elooven.&#8221;
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e5896" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Negentiende Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Het zwoegende ingewant, ontstoken als een oven,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Dreef met benaeuden damp de vlammen op naar boven,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>En schilderde averechts met een verward penseel
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Gemengde vormen en de deelen voor &#8217;t geheel.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Gelijk het kunstglas, naar zijne eigenschap geslepen
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>En in een werktuig, naar den eisch van &#8217;t ligt, begrepen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>In eene donkere zaal, op &#8217;t wit paneel der want
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Ons beelden maelt, maar alle in omgekeerden stant.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Antonides</span>.
+</p>
+</div>
+<p>Terwijl de gulle en eerlijke landbewoners hun eenvoudig avondmaal nuttigden en Gheryt zijn wedervaren te Tiel aan het naar
+hem luisterend gezin verhaalde, had zich de vreemdeling in het klein, maar zindelijk opkamertje, dat hem tot nachtverblijf
+was aangewezen, geheel ontkleed. Het was geen gemakkelijke zaak, de bedstede te genaken, welke hem tot rustplaats verstrekken
+moest; zij was ruim zes voet boven den grond verheven en kon niet dan door middel van een ladder bereikt worden. Aan onzen
+reiziger echter, die meermalen welverdedigde vestingen bestormd had, viel deze beklimming niet zwaar, en weldra zag hij zich
+in de legerstede als een arend in zijn nest verheven. Hij vleide zich nu met het aangename vooruitzicht van een goede nachtrust
+te genieten, sloeg zich de dekens <a id="d0e5923"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5923">180</a>]</span>dubbel om &#8217;t lijf en rolde zich zelven als een kluwen ineen, om des te eerder warm te worden: dan, ondanks zijn vermoeienis,
+ondanks het hagelwitte beddegoed, ondanks de gemakkelijke ligging, welke hij gekozen had, hij zag zich in zijn hoop teleurgesteld.
+De overmaat der afgematheid zelve, de koortsachtige aandoening, welke hij gevoelde en de invloed, welken de gebeurtenissen
+van den dag op zijn hersenen en zenuwgestel maakten, beletteden zulks. Hierbij kwam, dat het opkamertje lang was gesloten
+gebleven, waardoor de lucht verdikt en bedorven was, vooral in de hooge en bijna aan den zolder reikende bedstede. Uren verliepen
+er, en het gansche huisgezin des landbewoners was reeds in een diepen slaap gedompeld, toen de vreemdeling nog in zijn lakens
+lag te woelen. Eerst met het aanbreken van den dag gelukte het hem, in te sluimeren: doch de pijnlijke en benauwde droomen,
+welke hem overvielen maakten dat de slaap, wel verre van eenige verkwikking aan te brengen, het brandend hoofd en de tintelende
+leden nog meer vermoeiden dan het waken zelf.
+
+</p>
+<p>Een droom vooral, welke hem later, in den morgenstond overviel op dat tijdstip, waarin, gelijk men beweert, de droomen een
+meer stellige beduidenis hebben en meer dadelijke gevolgen zijn van de werking onzer verbeeldingskracht op onze gedachten,
+verdient om zijn zonderlingen aard een meer bijzondere vermelding. De jongeling verbeeldde zich, dat hij op den Rijndijk was
+neergezeten, bij het pad, dat hij den avond te voren was langs gekomen om des huismans woning te bereiken. De verbeelding
+zet bij al wat zij ons schildert nog sterkere kleuren bij dan de waarheid geven kan: zoo was ook het maangezicht, waarop onze
+reiziger in zijn droom bleef staren, nog heerlijker dan de wezenlijkheid zelve. Terwijl hij nu in gepeins aan den oever der
+rivier gezeten was, bezag hij zijn gewaad en bevond tot zijn verbazing, dat hij een geestelijk kleed aanhad, en wel dat van
+den Prior, van wiens wondere heiligheid hem door Gheryt was verhaald geworden. Dan, opziende, zag hij nu met geen mindere
+bevreemding, het duiveltje met de kaars in de hand naast hem zitten, en wel zoo dicht, dat het schijnsel der vlam hem belette
+de overzijde te zien. Dat duiveltje had volkomen de gelaatstrekken van den zoo raadselachtigen Van Dyk, of hoe hij heeten
+mocht. Terwijl hij er over peinsde, hoe zich best van het bijzijn eens zoo zonderlingen lichtblakers te ontslaan, ontdekte
+hij een jonkvrouw, welke in een fraaie zeeschelp gezeten en omstuwd door een drom van monniken, predikanten en edellieden,
+waaronder zich Mom en Groenhof bevonden, de rivier kwam afvaren en recht op hem aanhield. Zonder dat hij het gelaat der jonkvrouw
+onderscheiden kon, herkende hij haar (gelijk zulks in droomen meer geschiedt) aan een zekere ingeving, voor de Freule van
+Sonheuvel. Dadelijk stond hij op om haar te gemoet te gaan; doch ook het duiveltje stond te gelijk op en bleef hem de kaars
+voor de oogen zwaaien als met oogmerk om hem het gezicht der aankomenden te ontnemen. Woedend wilde de officier zijn degen
+trekken om het lastige nikkertje te doorboren; doch in de plaats van een lemmer haalde hij niets dan een lange haneveder <a id="d0e5927"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5927">181</a>]</span>uit de scheede en bleef verbijsterd staan. Het satannetje sprong nu, luidkeels lachende, van zijn zijde weg en op de schelp,
+welke, zich uit het water opheffende, met de jonkvrouw en het duiveltje verdween, terwijl de gansche hoop, die de schoone
+verzeld had, op den ongewapenden reiziger aanviel. Tegen de menigte niet bestand, vluchtte hij, kwam weder binnen het klooster
+der heilige Cecilia, doorkruiste het in alle richtingen, altijd op de hielen door de op hem verbitterde vijanden nagezeten,
+en ontmoette eindelijk een page, die hem beleefdelijk bij de hand nam en in een zijvertrek geleidde, alwaar hij een bejaarde,
+deftige dame vond, welke hem zoo teeder omarmde, dat hij, van aandoening overstelpt, in tranen uitbarstte en op dat tijdstip
+ontwaakte.
+
+</p>
+<p>Spoedig echter sliep hij weder in, en de nachtmerrie, welke hem nu plaagde, was van nog erger natuur dan de vorige. Thans
+lag hij achterover in de breede gracht der stad Tiel, en op zijn borst zat de eerzame Klaas Meinertz te paard, die hem met
+de knie&euml;n de ademhaling belette, terwijl Teun Wezer, de veerman aan de Waal, den armen lijder met een schuitriem op het hoofd
+sloeg. Hij wist echter tusschen de beenen van den ouden schrijnwerker door te kruipen en wilde tegen een muur opklauteren,
+toen de hem onbekende Abdis van Sinte Cecilia toetrad en hem achteroversmeet, zoodat hij tuimelde en van een vrij aanmerkelijke
+hoogte nederviel; want bij het ontwaken bevond hij zich op den vloer van het vertrek aan den voet der bedstede liggen, en
+de pijn, welke hij in de lenden gevoelde, belette hem wel, ook dit voor een droom aan te zien.
+
+</p>
+<p>Hij stond op en wierp het venster open. De zuivere en aangename morgenlucht, die hem tegenkwam en het vertrek vervulde, bracht
+hem de verfrissching aan, welke hij vruchteloos in den slaap gezocht had. Nadat hij een lange wijl de oogen had doen weiden
+over het bevallige landtooneel, dat zich voor hem opdeed, en hetwelk reeds gestoffeerd werd door onderscheidene arbeiders,
+die hun dagwerk verrichten gingen, begon zijn hoofd weder te hangen en zijn oogen sloten zich. Overtuigd, dat vooral de bedomptheid
+van het vertrek zijn droomen zoo zwaarmoedig gemaakt had, besloot hij het raam open te laten, en zich weder in het bed te
+begeven. Nu eindelijk genoot hij een rustige, verkwikkende sluimering, en, bij zijn ontwaken, gevoelde hij zich weder een
+geheel ander mensch, in staat om nieuwe vermoeienissen te doorstaan.
+
+</p>
+<p>Opgerezen, schoot hij de kleeren van Gheryt Maessen weder aan, daar zijn eigene bij den haard in het benedenvertrek waren
+gebleven, en maakte hij zich gereed derwaarts te gaan, toen hij uit dat benedenvertrek een vrouwenstem hoorde komen, welke
+hem bekend voorkwam, ofschoon zij aan geen der inwoners van de boerderij behoorde. Hij plaatste, om zich van de waarheid zijner
+opmerking te overtuigen, het oog voor het sleutelgat, en werd het volgende tooneel gewaar.
+
+</p>
+<p>Naast de bedstede, waarin de zieke vrouw gezeten was, bevond zich een jonge, welgekleede juffer, die de eene hand der lijderesse
+in de hare hield, en, op een deelnemenden toon, naar den staat van <a id="d0e5937"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5937">182</a>]</span>haar gezondheid vroeg. Bevalliger voorwerp dan deze jeugdige schoonheid was ongetwijfeld zelden in hut of hof gezien geweest.
+Over haar sprekende, groote blauwe oogen, wier gewone majesteit in dit oogenblik door den zachten invloed van medelijden en
+deelneming getemperd werd, vertoonden zich twee gitzwarte wenkbrauwen, sierlijk afgeteekend op het spierwit, met blauwe adertjes
+doorkronkeld voorhoofd. Twee golvende haarvlechten vielen naar de toenmaals heerschende manier langs den blanken hals op den
+zwellenden boezem af, wiens heerlijke vormen zich slechts gissen lieten onder het hooge ochtendkleed en den breeden kraag,
+welke de jonkvrouw tegen de morgenlucht beveiligden. Het rozerood mondje, ten halve tot een vriendelijk lachje geopend, vertoonde
+twee rijen van hagelwitte en in grootte volkomen gelijke tandjes: het eirond kinnetje en de anders misschien wat al te bleeke,
+doch thans door de beweging met een frissche kleur geverfde wangen, waren met kuiltjes voorzien, die de droefgeestige tint,
+welke op het gelaat verspreid was, op een bevallige wijze afbraken: in &#8217;t kort, het geheel leverde een alleraanminnigst voorkomen
+op, waarin ernst en minzaamheid, droefheid om eigen leed en belangstelling in den toestand van anderen zoo duidelijk te lezen
+waren, dat de Freule (want dit was de rang der schoone) ongetwijfeld ware gekozen geweest, indien men een natuurlijk afbeeldsel
+der Christelijke hoofddeugd, de liefdadigheid, had willen daarstellen.
+
+</p>
+<p>Naast de Jonkvrouw stond Gheryt Maessen, die reeds zijn vroege ochtendwerk verricht had en voor het ontbijt was teruggekeerd:
+hij staarde, terwijl hij over een stoel leunde, de weldoenster van zijn huisgezin met een open mond en een gullen blik aan.
+De oude vrouw was bezig het ochtendeten te bereiden, waar de kinderen reeds naar hunkerden, en inmiddels was zij in een druk
+gesprek gewikkeld met de kamenier der Jonkvrouw, welke bij haar stond, en waarvan wij onzen lezer niets zullen zeggen, vermits
+hij reeds lang met haar bekend is.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoodat gij u, over &#8217;t geheel, beter bevindt dan laatst,&#8221; zeide de Jonkvrouw met een zachte en vriendelijke stem tegen de
+bedlegerige vrouw.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ongelijk beter, Freule!&#8221; was het antwoord: &#8220;en ik mag het wel voornamelijk dankweten aan oe vriendelijkheid. Ik hoop morgen
+op te komen, zoo alles welga&ocirc;t: en dan, met Gods hulp, aansta&ocirc;nden Zundag mijn iersten kerkgang te doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zijn zooveel in oe schuld, mijn lieve Freule!&#8221; zeide Gheryt, terwijl hij zich een traan uit het oog wischte, &#8220;dat wij
+oe nooit zullen kunnen vergelden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Spreek daar niet van,&#8221; hernam de Freule, &#8220;voor eenige nietige drankjes, die ik u heb laten klaarmaken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, Freule!&#8221; zeide Gheryt met warmte: &#8220;het is niet alleen voor die drankskes, dat ik oe dankba&ocirc;r ben: &#8217;t is voor oe vriendelijkheid,
+om mijn goede vrouw van het eerste oogenblik van heur ziekte zoo trouw te komen bezoeken, alsof ze oe ma&ocirc;gschap wa&ocirc;re; &#8217;t
+is voor oe dienstigheid en zorg, om alles wat heur laven en <a id="d0e5951"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5951">183</a>]</span>helpen kost, oet te denken en heur te doen eworden: &#8217;t is voor de eer, die oe aan mijn nederige woning hebt eda&ocirc;n, dat ik
+oe dankba&ocirc;r ben. Va&ocirc;der moge zooveel hum wil, spreken van zijn ongelijkelijke Mevrouw van Nassau, ik zeg ma&ocirc;r, dat onze lieve
+Freule van Sonheuvel ga&ocirc;r zoo goed is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Woont uw vader bij de Gravin van Nassau?&#8221; vroeg de jonkvrouw met eenige bevreemding: &#8220;dat heb ik nooit geweten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is te zeggen, Elskes va&ocirc;der, Feurich, die dient er als koetsier.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Feurich!&#8221; herhaalde Ulrica: &#8220;o! dien ken ik zeer goed: hij heeft mij dikwijls in &#8217;t bosch rond laten rijden. Een goede, brave,
+ronde Bergsman! En is hij uw vader, Elske?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja&ocirc;, lieve Freule!&#8221; gaf deze ten antwoord: &#8220;en hum heit in zijn leven ook ander werk eda&ocirc;n dan pa&ocirc;rden mennen. Hum was in
+zijn tijd, toen de olde Gra&ocirc;f van Falckestein nog leefde, de aanvoerder van zijn Ha&ocirc;neveeren en een wakker ruiter, dat beloof
+ik oe. Da&ocirc;r op den schoorsteenmantel in die porseleinen pot sta&ocirc;t nog de ha&ocirc;neveer, die hum op zijn helm droeg en die hum
+mij egeven heit om an de kinderen te wijzen en hun te zeggen, dat zij altijd bra&ocirc;f en trouw zijn moeten als hun grootva&ocirc;der.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hier wendde de officier het oog, dat tot nog toe op de Freule was gevestigd geweest, naar den schoorsteenmantel, en nu herinnerde
+hij zich die haneveder ook den vorigen avond opgemerkt te hebben, waaruit hij de omstandigheid verklaarde, dat hij juist van
+een dergelijke veder gedroomd had.
+
+</p>
+<p>&#8220;En waar hebt gij dan kennis met de dochter van Feurich gemaakt?&#8221; vroeg de Freule, zich weder tot Gheryt keerende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja&ocirc;, dat is nu tien, twa&ocirc;lf ja&ocirc;ren eleden, of daaromtrent,&#8221; zeide Gheryt: &#8220;toen was ik bij Duisburg boerewerk ga&ocirc;n doen,
+want mijn va&ocirc;der woonde tusschen Ma&ocirc;s en Wa&ocirc;l; Mevrouw van Nassau was ook weer op heur slot te Bruck ekomen en zoo ma&ocirc;kte
+ik door de nabuurschap kennis met Elske. Na ons trouwen kwam ik, omdat va&ocirc;der estorven was en ik moeder niet alleen kon la&ocirc;ten
+zitten, weer bij ha&ocirc;r en werd al spoedig tot veerman an&euml;steld: ma&ocirc;r oe weet, dat die vreugd kort eduurd heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja&ocirc;,&#8221; zeide de oude vrouw: &#8220;Gheryt heeft al wat ezien in zijn leven, en wat met moeder moeten optrekken en rondzwerven. Had
+hum mij niet ehad als een blok aan &#8217;t been, hum had wel verder voortkomen: ma&ocirc;r hij is altijd een vrome zoon eweest en heit
+zijn moeder niet willen alleen la&ocirc;ten zitten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo ik moeder had la&ocirc;ten zitten,&#8221; hernam Gheryt, &#8220;dan ware ik immers geen knip voor den neus wa&ocirc;rdig eweest. Heit moeder
+mij la&ocirc;ten zitten, toen ik een klein en hulpeloos kna&ocirc;pje was? Ik kan heur immers niets doen, dan &#8217;t geen zij mij duizendma&ocirc;len
+eda&ocirc;n heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom! kom!&#8221; zeide de oude vrouw: &#8220;ik mag oe wel prijzen: er zijn zooveel zoons, die nooit na&ocirc;r heur moeder omzien; ma&ocirc;r oe
+zult er oe loon voor hebben: oe zoons zollen oe ook wel behandelen als zij groot zijn, althans ik hoop het: en oe ook, Freule!
+wensch ik, als oe eens trouwen meugt, zoo&#8217;n bra&ocirc;ven zoon als mijn Gheryt.&#8221;
+<a id="d0e5973"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e5973">184</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Wel, moeder!&#8221; hervatte Gheryt: &#8220;oe zoudt mij konfuis ma&ocirc;ken. En wat zoude de Freule met zoo&#8217;n lomperd van een zoon ma&ocirc;ken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu! ik meen, wat de getrouwigheid en dankba&ocirc;rheid betreft,&#8221; zei de moeder: &#8220;wat denkt er de Freule van?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een brave zoon als de uwe zou alle moeders gelukkig maken,&#8221; antwoordde de Freule: &#8220;maar daar denken wij nog niet aan: eerst
+moet ik zoo een braven man hebben zooals hij is, en komen die tijden, dan komen die plagen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, die tijd is misschien zoover niet af,&#8221; hernam de oude vrouw: &#8220;ik heb al zoo wat hooren mompelen. Kleur ma&ocirc;r niet, Freule!
+Ik hoop de goede God zal alles ten beste keeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Amen!&#8221; zeide de Freule zuchtende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Draagt gij die kleeren &#8217;s Zondags, Gheryt?&#8221; vroeg de kamenier, met een schamperen lach op het lederen buis en de hozen des
+vreemdelings wijzende, die nog voor het vuur te drogen hingen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die kleeren da&ocirc;r?&#8212;neen, die zijn van een reiziger, die den nacht bij mij is over ebleven: hum leit da&ocirc;r nog op dat bovenka&ocirc;merke
+te snorken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zullen wij maken weg te komen, eer hij wakker wordt en ons hier vindt,&#8221; zeide de Freule: &#8220;kom, Magdalena!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tot uw dienst, Freule!&#8221; zeide deze: &#8220;het zal onze tijd ook worden: de bloemvazen moeten nog opgesierd worden eer de gasten
+komen, die Mijnheer van morgen verwacht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu! dat is voor u het werk van een oogenblik, Leentje!&#8221; zeide de jonkvrouw: &#8220;er is niemand die zich op het bloemenschikken
+zoo verstaat als gij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ook heb ik het veel gedaan in mijn jeugd,&#8221; hervatte Magdalena: &#8220;maar,&#8221; voegde zij er zachtkens bij, terwijl zij ten hemel
+opzag, en zuchtte: &#8220;voor wie?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga&ocirc;t gij al heen, Freule?&#8221; vroeg Gheryt: &#8220;en dat zonder mijn verken te zien!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw varken!&#8221; zeide Ulrica lachende: &#8220;mijn goede Gheryt, ik heb zooveel varkens in mijn leven gezien, dat ik naar het uwe niet
+nieuwsgierig ben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja&ocirc; ma&ocirc;r, Freule!&#8221; hernam Gheryt, op een toon, die aanwees hoeveel prijs hij er op stelde, dat zijn verzoek hem werd toegestaan:
+&#8220;ons verken is geen verken als een a&ocirc;r: weet oe wel, dat het 560 pond weegt: en dan.... als oe het gezien had, zoude oe er
+met eigen oogen van ewagen kunnen;&#8212;want ik had nogal hoop om.... ik zoude ga&ocirc;rne.... weet oe?....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik begrijp er niets van,&#8221; hernam Ulrica: &#8220;of gij moest verlangen het mij te verkoopen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, dat is het niet, Freule!.... alleen ma&ocirc;r.... oe weet, dat de Utrechtschen binnenkort een hofbeer na&ocirc;r Den Ha&ocirc;g sturen:
+als ik nu zoo gelukkig mocht zijn, dat mijn verken da&ocirc;rtoe ekozen werd, en oe wolde mijn voorspra&ocirc;k zijn; want de verkooper
+van het verken mag het na&ocirc;r Den Ha&ocirc;g brengen en wordt kost- en schadeloos esteld.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Aha! nu begrijp ik, waarom ik het varken moest zien, doch <a id="d0e6008"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6008">185</a>]</span>waarlijk mijn krediet is zeer gering, en althans in zulke omstandigheden ben ik geen zaakkundige.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O!&#8221; vervolgde Gheryt: &#8220;ik heb juist hammen ekocht om niet aan mijn fraaien hof beer te raken: en als oe er ma&ocirc;r een woord
+met den heer Ambtman van sprak, dan ben ik overtuigd, dat.....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Op een anderen tijd, Gheryt!&#8221; zeide de Jonkvrouw, zich omdraaiende, om de kleur te verbergen, welke haar gelaat bedekte.
+Door deze lichaamswending vielen haar oogen op de kleeren des reizigers en voornaamlijk op den groenen bandelier die, van
+nabij beschouwd, zeer aardig geborduurd bleek te zijn met tien verschillende kleuren van groen. &#8220;Ja, Freule:&#8221; zeide Magdalena,
+het in de hand nemende: &#8220;dat werk is zoo net en keurig gedaan of het uw eigen ware.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Jonkvrouw naderde en beschouwde den bandelier eerst met onverschilligheid, vervolgens met aandacht, eindelijk, als uit
+haar geheele houding bleek, met ontsteltenis. Haar kleur verschoot, zij kneep Magdalena bevend in de hand, keerde zich om,
+wenschte den huisgenooten vaarwel en spoedde zich, zonder naar hun herhaalde dankbetuiging en heilwenschen te hooren, de deur
+uit met een zoo overhaasten stap, dat Magdalena haar nauwelijks volgen kon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn hemel, Freule!&#8221; zeide deze, terwijl zij zich, den dijk langs, naar het veer begaven: &#8220;wat schort u? Gij zijt ontsteld!
+gij beeft! welke plotselinge schrik heeft u bevangen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is niets, Leentje! &#8217;t is niets!&#8221; antwoordde Ulrica, stilstaande en op Magdalena&#8217;s arm leunende: &#8220;&#8217;t gaat alweder over:
+&#8217;t was de benauwdheid: er was wat rook in mijn keel geslagen.....&#8221; en zij berstte in tranen uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb wel gehoord, dat men schreit, als er rook in de oogen komt,&#8221; merkte de deftige kamenier aan: &#8220;maar niet dat men in
+tranen uitberst, althans niet als de rook enkel in den mond komt. Daarenboven brandde, zooveel ik gezien heb, het vuur zeer
+helder, en steeg de rook zeer goed naar boven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben kinderachtig,&#8221; zeide de Jonkvrouw, haar tranen afwisschende, doch met snikken voortgaande: &#8220;ik ben kinderachtig: doch
+waarlijk, ik kon het niet helpen: ik gevoelde mij opeens zoo zonderling te moede.... misschien heeft het bezoek mijn zenuwen
+aangedaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Willen wij niet terugkeeren en u een glas water geven?&#8221; vroeg Magdalena.
+
+</p>
+<p>&#8220;O neen! voor geen geld van de wereld,&#8221; zeide Ulrica haastig: &#8220;ik zou mij dood schamen: het wandelen zal mij goeddoen. Geef
+mij uwen arm en laat ons wat aanstappen: ik zal spoedig weder beter zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Was het ook,&#8221; zeide de kamenier, nadat zij een poosje zonder te spreken waren voortgewandeld en de Jonkvrouw eenigszins bedaarder
+scheen: &#8220;was de rook, die u hinderde, ook bijgeval de wasem, die uit den groenen bandelier opsteeg? Gij zucht, Freule! Zou
+ik het waarlijk geraden hebben? Ik begrijp niet....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, Leentje!&#8221; antwoordde Ulrica, beschaamd de oogen nederslaande: <a id="d0e6032"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6032">186</a>]</span>&#8220;het was die groene bandelier: ik moet het u wel bekennen, omdat gij het zoo dadelijk raadt, en omdat ik het voel, dat mijn
+kleur mij verraden heeft. Ach! die bandelier herinnert mij een soortgelijken, dien ik, toen mijn neef.... weet gij, Leentje!
+die wees, die met mij opgevoed is.... die....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet al wie UEd. bedoelt: dien Spaanschen voedsterling van Mijnheer, die naar Bohemen vertrokken is, eenige jaren nu geleden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dezelfde!&#8212;Bij dat vertrek vervaardigde ik voor hem een degenhanger, juist gelijk aan dengenen, dien wij daar zagen en ik
+kon niet nalaten, mij zulks te herinneren, en daarbij al de genoegens, die ik met dien besten jongen gesmaakt heb.... en de
+hartelijkste vriendschap, die ik hem toedr....oeg.... toen wij kinderen waren....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;UEd. heeft gelijk er dit laatste bij te voegen,&#8221; zeide Magdalena: &#8220;het zou thans weinig passen hem genegen te zijn, nadat
+UEd. de overtuiging heeft, dat hij een Spanjaard, althans van Spaansch ras is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kan hij het helpen, Magdalena? Heeft hij zich zelven zijn ouders kunnen kiezen? O! zoo gij hem gekend hadt, gij ook hadt
+hem liefgehad. Iedereen op het slot, in het dorp, in het leger, had hem lief. Zingen onze goede Dominee, de oude Geert en
+Bouke niet om strijd zijn lof? Bemint mijn vader hem niet alsof hij zijn eigen zoon ware? en kan mij iemand ten kwade duiden,
+dat ik hem met zuster-teerheid bemin?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet niet, Freule!&#8221; merkte de kamenier met nadruk aan: &#8220;of die zusterlijke liefde den Heer Ambtman erg aan zou staan!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik weet niet,&#8221; hervatte Ulrica op een scherpen toon, &#8220;met welk recht zich de Heer Ambtman over mijn gevoelens zou bekommeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Verschoon mij, Freule!&#8221; zeide Magdalena: &#8220;ik beken, dat zijn ambtsgericht zich niet over de neigingen evenals over de bezittingen
+van anderen uitstrekt; maar ik dacht, dat hij als uw aanstaande echtgenoot ten minste eenige aanspraak mocht hebben op uw
+onverdeelde liefde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wie zegt, dat hij mijn aanstaande echtgenoot is?&#8221; vroeg Ulrica.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie?&#8212;de gansche wereld.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo!&#8212;ik dacht, dat ik de eenige persoon was, die hieromtrent beslissend spreken kon; doch het is hieromtrent als met meer
+dingen: elk weet, wat van de zaak is en spreekt er op stelligen toon over, behalve degene, wien zij aangaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hier werd heur gesprek afgebroken, doordat zij aan het veer gekomen waren, alwaar de oude veerman haar reeds in zijn boot
+verbeidde, terwijl zijn knecht wat verder aan de groote veerschuit stond te wachten op eenige ruiters, die hij in de verte
+van de zijde van Tiel zag aankomen. Met kracht van riemen bracht de grijsaard de beide vrouwen naar de overzijde, en dankte
+zeer beleefdelijk de Freule (toen deze bij &#8217;t uitstappen hem een driedubbel veergeld betaalde) voor de eer, die zij aan zijn
+bootje had bewezen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het waar, wat ik gehoord heb, Freule?&#8221; vroeg, toen zij verder opwandelden, de kamenier, die het gesprek scheen te willen
+terugbrengen <a id="d0e6058"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6058">187</a>]</span>op het punt waar zij gebleven waren, &#8220;is het waar, dat de Koning van Bohemen hals over kop herwaarts komt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Men zegt zoo.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zal misschien ook uw.... hoe zal ik hem noemen?.... uw vriend weldra terugkeeren.... maar wat praat ik?.... alsof hij
+UEd. niet zou geschreven hebben, wanneer hij weder hier dacht te wezen.&#8221;&#8212;Hier zag zij haar meesteres vragend aan. Deze antwoordde
+op een onverschilligen toon:
+
+</p>
+<p>&#8220;De laatste brief, dien mijn vader van hem ontvangen heeft, meldde, dat hij gezond en wel was: sedert zijn er, althans hier,
+geen boden uit het leger gekomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zal hij UEd. misschien zelf komen verrassen; ware het nu niet beter, Freule (verschoon mijn vrijpostigheid; maar ik heb
+meer jaren, en helaas! meer ondervinding dan UEd.) dat men hem vooreerst niet te lang op het slot vertoeven liet om de jaloezie
+van den Heer Ambtman niet op te wekken? want deze is jaloersch, gelijk iedereen die waarlijk verliefd is.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ulrica zag, op het hooren van dezen zonderlingen en ongevergden raad, haar kamenier aan met een ontevreden en verwonderden
+blik, haalde de schouders op en vervolgde haar weg zonder een woord te spreken. Magdalena liet zich echter hierdoor niet afschrikken.
+&#8220;Verbeeld u, Freule!&#8221; ging zij voort: &#8220;dat die Spanjaard en de Heer Ambtman elkander bij uw vader aantroffen. Het kan niet
+missen, of de tegenwoordigheid van een jongeling, die vertrouwelijk, ja broederlijk, met u omgaat en aan wien UEd. wederkeerig
+blijken van genegenheid geeft, zal den naijverigen minnaar, die tot nog toe alleen de begunstigde was, grieven: onrust, nijd,
+twist en de hemel weet wat meer, kunnen hiervan de gevolgen wezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Magdalena!&#8221; zeide de Freule, het hoofd met waardigheid opheffende: &#8220;gij kent mij. Ik ben niet trotsch, niet hoog jegens mijn
+minderen. Ik schuw geen gesprek ook met de dienstboden, en leg iemand noode het zwijgen op, hoeveel meer aan u, voor wie ik
+achting heb. Maar thans ben ik verplicht u te verbieden verder een woord te reppen over het onderwerp, dat gij zoo allerongelukkigst
+tot stof onzer samenspraak gekozen hebt. Het past u niet, zulks te behandelen; niet omdat gij mijn kamenier zijt; maar omdat
+het niemand, behalve mijn vader, voegt, mij op een dergelijke wijze over een zaak van zoo teederen aard te onderhouden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Verschoon mij, Freule!&#8221; hervatte Magdalena op een koelen toon, die van bitsheid niet vrij was: &#8220;verschoon mijn dwaasheid
+van te denken, dat de erfdochter van Sonheuvel boven haar gelijken verheven was, en dat zij somwijlen het oor aan goeden raad
+wilde leenen. Ik zie, dat ik mij bedrogen heb in deze omstandigheid; maar ik hoop slechts, dat UEd. nimmer mijn vrees bewaarheid
+moge zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het verwijt trof Ulrica; doch zij hield zich overtuigd, welgedaan te hebben, en antwoordde dus niet. Ook zweeg Magdalena,
+&#8217;t zij dat zij geen trek had zich aan een nieuwe bestraffing te wagen, &#8217;t zij dat zij de uitwerking, welke haar gezegde gehad
+had, wel verwacht of zelfs verlangd had.
+<a id="d0e6076"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6076">188</a>]</span></p>
+<p>Nadat zij eenige schreden waren voortgetreden, deed een gerucht van naderende ruiters beiden omzien, en zij ontdekten den
+Ambtman met zijn <span class="letterspaced">fidus Achates</span>, Elbert van Botbergen, benevens eenige dienaars, die heur op een goeden draf achterop kwamen rijden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is &#8217;t mogelijk?&#8221; riep Mom, die, zooras hij Ulrica gewaarwerd, zijn paard intoomde, gelijk de overigen deden: &#8220;kan &#8217;t zijn,
+dat het eerste voorwerp, dat zich aan deze zijde des Rijns aan mijne oogen voordoet, onze bevallige gastvrouw zijn moet? Mag
+ik reeds zoo vroeg het doel mijner reis, het toppunt mijner wenschen bereiken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het voegt mij, UEd. om verschooning te vragen, dat UEd. mij hier nog ontmoet, daar ik reeds op het slot moest wezen om alles
+voor uw ontvangst in gereedheid te brengen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik voel dien zet,&#8221; zeide de Ambtman met een buiging: &#8220;Ik kom te vroeg; doch het verlangen om u te zien, mijn waarde Freule!&#8221;....
+
+</p>
+<p>&#8220;In &#8217;s Hemels naam, Heer Ambtman,&#8221; zeide Ulrica lachende: &#8220;laat ons geen <span class="letterspaced">euphu&iuml;sme</span> beginnen in den smaak van sommige Haagsche hofheeren, die in Engeland fraaie manieren geleerd hebben. Wij zijn hier op het
+land: wij moesten de plichtplegingen daarlaten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gewis!&#8221; zeide Botbergen, die van de gansche samenspraak niets gehoord had en alleen op de laatste woorden lette van Ulrica,
+die hem nog onbekend was: &#8220;al die snorrepijpen en tilerantijntjes dienen nergens toe: ik zeg daarom eenvoudig: go&ecirc;n dag, meiske!
+ik had niet gedacht, dat wij nog zoo een knappe deerne zouden zijn tegengekomen, na de varkens, die ons van morgen aan de
+poort ontmoet hebben, daar zulks anders zelden iets goeds beduidt. Nu, dit geeft weder goeden moed; doch laat ons wat voortjassen,
+Ambtman! anders komen wij te laat op het slot;.... maar pots honderd tausent slapferment!&#8221; riep hij uit, Magdalena herkennend:
+&#8220;Wie is daar?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat rammelt gij toch, Botbergen?&#8221; vroeg Mom: &#8220;merkt gij <span id="d0e6097" class="corr" title="Bron: uiet">niet</span> wie gij voorhebt? dit is de Freule van Sonheuvel, het pronkjuweel van &#8217;t Sticht. Freule! ik stel u den Heer van Botbergen
+voor, een Geldersch edelman, mijn bijzonderen vriend.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is zijn beste aanbeveling,&#8221; zeide Ulrica, onder &#8217;t voortgaan een hoofdbuiging makende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik verzoek verschooning in dit geval,&#8221; zeide Botbergen, &#8220;dat ik zoo wat ongepast gesproken heb. Ik kende de Jonkvrouw niet:
+ook had mijn bijzondere vriend, de Heer Ambtman, mij wel wat vroeger mogen waarschuwen. Geloof, lieve Freule, dat ik, toen
+ik daareven van varkens sprak, geen gedachten had met wie ik sprak:.... gelieft UEd. ook op te zitten? mijn paard is zeer
+mak en er is plaats genoeg achter mij! dan kan de Freule gemakkelijker en spoediger te huis zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijt gij dol, Elbert?&#8221; riepde Ambtman wrevelig uit: &#8220;is dat nu een voorstel? Wij zullen afstijgen en de Freule naar het slot
+begeleiden, indien zij ons zulk een groote eer vergunnen wil.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De weg is vrij,&#8221; zeide Ulrica: &#8220;doch het zou mij leed doen, indien de heeren om mijnentwil afstegen. De heeren zullen misschien
+verlangen spoedig op het slot te zijn en zich wat te ververschen.&#8221;
+<a id="d0e6108"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6108">189</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Is er een genoegen,&#8221; zeide Mom, terwijl hij afsteeg, &#8220;dat bij het geluk mag halen, van u te vergezellen?&#8221; Dit zeggende, gaf
+hij de teugels van zijn paard aan een bediende over, veegde zich met den handschoen het stof van &#8217;t aangezicht af en kuste
+Ulrica beleefdelijk de hand.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik verzoek nogmaals om verschooning,&#8221; zeide hij, &#8220;indien ik zoo vroeg gekomen ben; doch UEd. begrijpt, dat, als men van zoo
+ver komt, men den tijd wat ruim neemt, vooral als het doel der reis zoo aangenaam is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wist niet,&#8221; zeide Ulrica, &#8220;dat UEd. zulk een liefhebber was van het kegelspel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;UEd. begrijpt mij niet, of liever UEd. verkiest mij niet te begrijpen: het is geenszins het kegelspel, noch zelfs het altijd
+vleiend en gul onthaal van den Heer Baron, dat mij voor den dag van heden zulk een genoegen belooft. Het geluk dat ik verlangde,
+ben ik reeds machtig geworden sinds ik UEd. mocht ontmoeten: en het staat aan u, Freule! dat geluk nog boven verwachting en
+hoop te vermeerderen, door mij op heden de verzekering te schenken, dat mijn vurigste zielswensch u niet geheel ongevallig
+is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarlijk, Heer Ambtman! UEd. spreekt vandaag zoo hoofsch, dat een eenvoudig landmeisje als ik u niet verstaan kan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Freule heeft wel deugdelijk gelijk,&#8221; riep Botbergen uit<span id="d0e6121" class="corr" title="Niet in bron">,</span> &#8220;de droes haal mij, als ik iets uit die opgesmukte woorden wijs kan worden. Waarom niet eenvoudig gezegd.
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; " lang="nl-1600">
+<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Dus eenigh
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Alleenigh
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Te zijn
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Is pijn.
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Dus laat ons beyd.
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>O soete meyd!
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Versamen eens in vrolickheyd.</span></p>
+</div>
+<p>en &#8217;t geen er verder volgt, zooals de Dominees zeggen als zij den Psalm opgeven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe weet gij wat de Dominees zeggen?&#8221; vroeg Mom, &#8220;gij, die nooit in kerk of kapel komt!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogloffelijke Edelheid bedriegt zich,&#8221; antwoordde Elbert met inzicht; &#8220;ik ben gisteravond nog in de oefening geweest:
+daar waren leeraars en geestelijke personen bij de vleet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan begrijp ik,&#8221; zeide Magdalena, zonder op te zien, doch luid genoeg om van elk gehoord te worden, &#8220;dat het met de ware
+religie zoo slecht gesteld is, als zulk een slag van lieden de oefeningen bijwonen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Magdalena!&#8221; zeide op een bestraffenden toon de Jonkvrouw, die hoewel de geestigheden van den Gelderschman zeer ongepast oordeelende,
+het evenmin goedkeurde, dat haar kamenier zich in &#8217;t gesprek mengde: &#8220;het wordt u immers niet gevraagd!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Foei! foei! mijn waarde Freule!&#8221; riep Elbert: &#8220;frons dat lieve <a id="d0e6151"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6151">190</a>]</span>voorhoofdje zoo niet en trek die wenkbrauwen wat minder te zamen. Laat dat meiske dat bij u is, zeggen wat zij wil: mij deert
+het niet. en UEd. moet er niet boos om worden: of zoo UEd. zuur wil kijken, zie dan mijn vriend den Ambtman zuur aan, h&ecirc;!
+h&ecirc;! h&ecirc;!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En waarom moet ik zuur aangezien worden?&#8221; vroeg Mom, bevreemd opziende: &#8220;ik, die mijn leven voor een vriendelijken lach van
+dien bevalligen mond zoude geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel!&#8221; zeide Botbergen, &#8220;omdat
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Ziet u een maeght
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Wat toornig an,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Als gij haar vraegt,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Denk dan, go&ecirc; man!
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Dat g&#8217;haar behaegt:
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Hoe zuurder dat een meisje kijkt,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Hoe meer dat uw gevrij haar lijckt.&#8221;</span></p>
+</div>
+<p>&#8220;Ik moet bekennen, Mijnheer!&#8221; zeide Ulrica, glimlachende, &#8220;dat uw brein wel met rijmpjes gestoffeerd is. UEd. is zekerlijk
+lid van de eene of andere Rederijkerskamer?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik, Freule? de hemel beware mij! Neen! al wat ik in &#8217;t vak van liedekens weet, heb ik in &#8217;t leger geleerd. Doch ik zing nooit
+recht zuiver als ik nuchter ben. De stem en de maag staan bij mij in nauw verband, en dit is natuurlijk: de goede dingen,
+dat is bij voorbeeld de wijn, gaan mijn keelgat in en dan eerst komen de goede dingen, dat zijn de fraaie liedekens, mijn
+keelgat uit, zoodat....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Verwar u toch in geen redeneeringen, Elbert!&#8221; viel de Ambtman in: &#8220;daar komt ge nooit tot uw eer af.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;UEd. heeft dan in &#8217;t leger gediend?&#8221; vroeg de Freule.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heb ik,&#8221; antwoordde Botbergen: &#8220;bij den Koning van Bohemen: en al zeg ik het zelf, niet zonder glorie en lof.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijnde zijn grootste lof en glorie,&#8221; merkte Mom aan, &#8220;dat hij een maagd met zich gevoerd heeft, welke hij ongerept en ongedeerd
+terug heeft gebracht in het vaderland.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarlijk iets ongewoons,&#8221; zeide Ulrica: &#8220;en wie was die gelukkige?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijn degen, Freule!&#8221; antwoordde de Ambtman.
+
+</p>
+<p>&#8220;Pots honderd tausent slapferment!&#8221; riep Botbergen, de hand aan &#8217;t gevest slaande: &#8220;indien ik niet wist, dat UEd. spotswijze
+sprak en het beter meende, ik zou deze schande al dadelijk uitwisschen en....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En mijn bloed zou het eerste zijn, dat uw degen bevlekte, wilt gij zeggen, nietwaar?&#8221; vroeg Mom lachende.
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik zou u de punt van mijn staal doen voelen,&#8221; vervolgde Botbergen, &#8220;gelijk ik dien jongen snoeshaan deed, die in &#8217;t leger....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel foei, Mijneheeren! gaat gij kijven in mijn tegenwoordigheid!&#8221; zeide Ulrica.
+
+</p>
+<p>&#8220;Deze alleen ontwapent mijn rechtmatigen toorn,&#8221; zeide Botbergen, <a id="d0e6198"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6198">191</a>]</span>op een kluchtige wijze zijn lemmer half uithalende en weder in de scheede latende vallen.<span id="d0e6200" class="corr" title="Bron: &#8221;"></span>
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat hebt gij dien jongen snoeshaan gedaan, van wien gij spreekt?&#8221; vroeg Mom. &#8220;Hebt gij hem doorregen als een hoentje aan
+&#8217;t spit of hem als een os den hals afgestoken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen!&#8221; antwoordde de snorker: &#8220;neen, vriendje! het was maar bij manier van spreken, dat ik van de punt van &#8217;t staal sprak:
+mijn kling was veel te edel om die anders dan op het slagveld te gebruiken; doch wat den pochenden windbuil betreft, van wien
+gij gewaagt, zoo heb ik hem, daar hij mij op een onbeschaamde wijze dorst hoonen, het gewicht mijns rottings doen voelen,
+zoodat hij, gelijk een haan, wien de kam is afgebeten, zich wegpakte en nooit weder in het kamp verschijnen dorst.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En hoe heette die windmaker?&#8221; vroeg Mom.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij droeg een naam,&#8221; antwoordde Elbert, terwijl hij de Jonkvrouw aanzag met denzelfden blik, dien de hardvochtige heelmeester
+werpt op den ongelukkige, wiens arm hij af komt zetten: &#8220;waarop hij waarschijnlijk geen recht had, vermits de heerlijkheid,
+waarvan hij zich den titel aanmatigde, aan onzen edelen gastheer behoort. Hij stond op de monsterrol ingeschreven als Jonker
+Joan van Craeihorst.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jonker Joan van Craeihorst!&#8221; herhaalde Ulrica, verbleekende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is hij UEd. bekend?&#8221; vroeg Botbergen haastig, &#8220;dan spijt het mij iets te zijnen nadeele gezegd te hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Onvoorzichtige!&#8221; riep Mom, een ontevreden houding aannemende: &#8220;die heer van wien gij spreekt, is de voedsterbroeder van onze
+waardige Freule!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, dat spijt mij.... ik verzoek duizendmalen om verschooning, waarde Freule!&#8221; zeide Elbert: &#8220;had ik dat kunnen denken,
+ik had hem in der tijd wel gespaard en er nu althans niet van gesproken. Nogmaals! vergeef mij deze onbedachtzaamheid; maar
+waarlijk, ik was verre van te denken....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Indien het een onbedachtzaamheid was,&#8221; zeide Ulrica, &#8220;waarom zou ik die dan niet vergeven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;UEd. denkt toch niet, dat ik het opzettelijk verhaalde?&#8221; vroeg Botbergen, door het gezegde der Jonkvrouw een weinig uit het
+veld geslagen.
+
+</p>
+<p>Deze ontijdige en ongepaste verontschuldiging versterkte Ulrica in het vermoeden, dat zij reeds niet alleen omtrent het boosaardig
+opzet van Botbergen, maar ook omtrent de waarheid van zijn verhaal, had opgevat. &#8220;Mijnheer!&#8221; zeide zij tot den Gelderschman:
+&#8220;ik wist wel, dat men hem, die uit verre landen kwam, het voorrecht moest gunnen, zijn verhalen naar verkiezing op te sieren;
+doch die verzinselen moesten nimmer de eer gelden van iemand, die niets anders dan die eer bezit&#8212;en die telken dage wederom
+kan komen, om geleden hoon te wreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe Freule!&#8221; riep Botbergen, de handen als van verbaasdheid ineenslaande. &#8220;Ben ik ongelukkig genoeg om voor een logenaar
+te worden aangezien? Mijn vriend, de Ambtman, kent mij te wel om geen getuigenis voor mij af te leggen, dat ik niets zou aanvoeren,
+<a id="d0e6226"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6226">192</a>]</span>&#8217;t welk bezijden de waarheid was.&#8221; Dit zeggende, zag hij Mom met een scheeven blik aan, als wilde hij zeggen: &#8220;ik ben er om
+uwentwil in geraakt: het is nu uw zaak, mij er weer uit te helpen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dan Mom had hier vooreerst geen zin in. Hij zag, dat de list, die Botbergen volgens een tusschen hen gemaakte afspraak in
+&#8217;t werk had gesteld, haar doel bij Ulrica miste, en hij vreesde, dat, indien hij de partij van Botbergen nam, de Jonkvrouw
+de volle waarheid gissen zou, het gemaakte plan doorzien en hem al haar achting ontnemen, waardoor hij de kans op haar hand
+verbeuren moest. Hij begreep dus, dat het zaak ware, van batterij geheel te veranderen en de partij van den afwezigen Joan
+te nemen: dit moest hem, naar zijn oordeel, bij Ulrica den naam van een grootmoedigen medeminnaar doen verwerven, haar vertrouwen
+in zijn betuigingen inboezemen en haar geloof doen hechten aan de lasteringen, die hij in later tijd tegen Joan, onder den
+schijn van welwillendheid, zou doen hooren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom! kom! Elbert,&#8221; zeide hij: &#8220;gij zult u in den naam vergissen. Ik kan niet denken, dat een jongeling, die door den Heer
+Baron van Sonheuvel is opgevoed en wien de beminnelijke Freule met haar achting vereert, zulk een lafbek zoude zijn, dat hij
+zich door u zou laten af kloppen. Ik zou dat sprookje maar niet verder uitkramen; want het mocht u eens kwalijk bekomen, als
+de Jonker van Craeihorst terugkomt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar pots tausent!&#8221; riep Botbergen, die den Ambtman in den beginne met een oog vol verbazing had aangekeken, doch thans zijn
+doel begon te raden: &#8220;ik zweer u, dat ik geen woord terugneem van al wat ik gezegd heb: al wat ik tot verschooning van dien
+Jonker kan bijbrengen, is dat hij dronken was, toen hij mij beleedigde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen woord meer over de gansche geschiedenis,&#8221; zeide Mom, op een gebiedenden toon: &#8220;ik kan niet verdragen dat men kwaad spreekt
+van een afwezige, die zich niet verdedigen kan. Ik begrijp het geval niet recht,&#8221; vervolgde hij zacht tegen Ulrica, op een
+gullen toon: &#8220;Botbergen is een snorder, dat is waar, doch niet van moed ontbloot;&#8212;want dat ik hem zooeven wat plaagde, geschiedde
+slechts uit een oude gewoonte:&#8212;ik kan niet denken, dat hij het geheele verhaal opzettelijk verzonnen heeft. Misschien was
+het zoo erg niet: ik zal het eens trachten uit te vorschen; want op den voedsterbroeder mijner Ulrica mag geen smet blijven
+kleven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zult mij vermaak doen,&#8221; zeide Ulrica, met een minzame hoofdbuiging, terwijl dankbaarheid in haar oogen flonkerde; &#8220;doch
+wij zijn aan het achterhek: hier, Mijneheeren! zullen wij u verlaten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit zeggende, trad zij, na een beleefde buiging voor den Ambtman, het bruggetje over, dat haar op het grondgebied des Barons
+bracht, en vervolgde haar weg met Magdalena door de tuinen van het slot, terwijl de edellieden, hun rossen weder bestegen
+hebbende, langs den zijweg voortstapten, om, verder op, de hoofdpoort in te gaan, inmiddels overleggende, hoe zij hun duistere
+voornemens tegen den goeden naam van Joan best zouden ten einde brengen.
+
+</p>
+<p>De Jonkvrouw, op wier teeder gemoed de vergiftigde taal van <a id="d0e6242"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6242">193</a>]</span>Elbert meer indruk had gemaakt dan zij zich zelve wilde bekennen, gaf, zoodra een slingerboschje haar aan het gezicht van
+het waardig vriendenpaar onttrokken had, aan haar boezem lucht en stortte zulke bittere tranen, dat zelfs de arbeiders, die,
+met Bouke aan &#8217;t hoofd, bezig waren aan &#8217;t versieren der kegelbaan, het opmerkten toen zij er langs ging, en de oude dienaar
+haar naderde, om te vragen wat haar deerde.
+
+</p>
+<p>&#8220;O! zijt gij het Bouke!&#8221; riep Ulrica: &#8220;u kan ik het zeggen; want Magdalena heeft het toch ook gehoord; het zal u bedroeven,
+gelijk het mij bedroeft. Men vertelt mij daar zooeven, dat Joan zich als een lafaard met stokslagen uit het leger had laten
+drijven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is een verd...de leugen, met verlof gezegd,&#8221; zeide Bouke: &#8220;wie zegt dat? ik zal hem zelven op zijn rug touwen, dat het
+hem jaar en dag heugen zal.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;St! Bouke! niet al te driftig! het is de heer van Botbergen, een edelman, die met hem gediend heeft; die heeft het, naar
+zijn zeggen, zelf gedaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij liegt het, Freule! bij mijn ziel. Joan zich laten kloppen? &#8217;t kan niet wezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ken uw jonker niet,&#8221; zeide Magdalena: &#8220;maar ik kan toch niet inzien welk belang de Heer van Botbergen er in hebben zou,
+hem te belasteren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat weet gij daarvan, Juffer Lena?&#8221; vroeg Joans oude krijgsmakker, driftig: &#8220;het spreekwoord zegt: alle koopers zijn geen
+kenners, en die haast koopt is haast bedrogen. Ge meugt dien Sinjeur van Boanberg zoo weinig belang toeschrijven als ge wilt:
+wanneer hij kwaad van onzen jonker spreekt, dan is hij geen knip voor zijn neus waard.&#8212;Wat hamer Sijmen!&#8221; riep hij, zich in
+de rede vallende om een der werklieden te recht te wijzen: &#8220;nu zet je de geut immers vlak verkeerd.... wacht ik zal bij je
+komen, als je &#8217;t niet beter weet!&#8212;nu, zooals gezegd is, Freule! stel je hartje maar gerust: ik heb te lang met den Jonker
+over land en zee gezwalkt en gezworven, om niet te weten, dat hij geen kat is, die men zonder handschoen aan kan vatten: hij
+zal zich niet op <span id="d0e6256" class="corr" title="Bron: deu">den</span> rug laten trommelen, en wie daar tegen spreekt, dien draai ik den hals om, al was hij nog zoo een groot heer.&#8221; Met deze woorden
+keerde hij weder naar de werklieden, die, nu ge&euml;indigd hebbende met het versieren der kegelbaan, bezig waren om die tot het
+spel behoorlijk in gereedheid te brengen. Ulrica begaf zich zuchtende naar het slot, alwaar zij, gevolgd door Magdalena, keuken
+en kelders bezocht, om, tot onthaal van haars vaders gasten de noodige voorzieningen te maken.
+
+
+
+
+<a id="d0e6259"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6259">194</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="d0e6260" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Twingtigste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Menigh wil by dranck en spijs
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Wesen wijs,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Schoon hy is van wijn beschonken,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Daar doch yeder kan bespi&euml;n,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 4em; "><span>Dat dees li&ecirc;n
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Sijn van sotte grillen droncken.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Pers</span>.
+</p>
+</div>
+<p><span id="d0e6282" class="corr" title="Bron: Inmiddelds">Inmiddels</span> waren Mom en Botbergen op het slotplein verwelkomd geworden door den Baron van Sonheuvel, verzeld van den oude jachthond
+Veltman, die, nu blind en onbekwaam hem in &#8217;t veld te volgen, den Baron binnenshuis altijd ter zijde bleef. Nadat hij de beide
+heeren met de hem eigen gulhartigheid goeden morgen had gewenscht en last gegeven, dat de paarden wel verzorgd zouden worden,
+geleidde hij hen naar de benedenzaal, vermits de groote ridderzaal, waar men spijzen zoude, nog niet geheel in gereedheid
+was. Binnengekomen, wilde Mom nog eenige verontschuldigingen bijbrengen wegens zijn vroege komst; doch de Baron wilde daarvan
+geen woord meer hooren reppen, alvorens de heeren zich met een teug goeden wijn, die hun in groene fluiten op een zilveren
+schenkblad werd toegediend, ververscht hadden. Toen eerst was het, dat Elbert de gelegenheid vond, zich door zijn patroon
+aan den Baron te laten voorstellen en dezen te verzoeken, hem zijn vrijpostigheid te willen ten goede houden, dat hij, zonder
+den Heer van Sonheuvel te kennen, niet geaarzeld had zijn vriend Mom, op diens verzoek, bij deze gelegenheid te vergezellen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een hupsch edelman, als UEd. schijnt, heeft op mijn slot geen aanbeveling noodig,&#8221; zeide Reede: &#8220;en daarenboven! mag een
+vriend niet altijd een vriend medebrengen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik hoop die spreuk dan ook op mij te mogen toepassen,&#8221; zeide Mom tegen zijn gastheer: &#8220;want er is geen naam, waar ik meer
+prijs op stel, dan op dien van uw vriend.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo!&#8221; zeide Reede: &#8220;ik dacht dat er een andere titel ware, dien gij mij nog liever geven zoudt, h&ecirc;! h&ecirc;!&#8221; en hij begon hartelijk
+over zijn geestigheid te lachen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hebt dubbel gelijk, Heer Baron!&#8221; antwoordde de Ambtman, met een bevallige buiging: &#8220;en hoewel het een het ander niet
+uitsluit, beken ik, dat ik mij kwalijk heb uitgedrukt, en dat mij in dit oogenblik de naam van uw schoonzoon boven alles dierbaar
+zou wezen;.... doch ziedaar een geluk, waarop ik niet hopen durf.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En waarom niet, Heer Ambtman?&#8221; vroeg de Baron op een gulhartigen toon: &#8220;gij weet, dat ik u hartelijk genegen ben en u hooge
+achting toedraag.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben u daarvoor hoogst dankbaar, Heer Baron! maar, daar is <a id="d0e6297"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6297">195</a>]</span>nog iemand, die in dit geval geraadpleegd dient te worden, en aan welke ik vrees, voor &#8217;t minst onverschillig te zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn dochter meent gij?&#8212;Zij draagt u hoogachting toe: zij weet, dat haar huwelijk met u mij hoogst aangenaam zoude wezen;
+zij heeft nog geen vooringenomenheid voor eenig man: wat wilt gij meer? wat nog ontbreekt moet gij zelf zien te verkrijgen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is UEd. wel zeker,&#8221; vroeg Mom, zijn woorden wegende, &#8220;dat zij nog niemand met een meer bijzondere onderscheiding heeft gezien?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel ja! zoo zeker althans als men van de gevoelens van een twintigjarig meisje wezen kan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zegt juist niet veel,&#8221; merkte Botbergen lachende aan. &#8220;In een meisjeshart te willen lezen is evengoed, als bij nacht
+op zee uit het venster te willen kijken of het nog stormt. Men ziet niets en de wind blaast onze muts nog af op den koop toe.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeer juist! zeer juist!&#8221; zeide de Baron, den Gelderschman op den schouder kloppende: &#8220;alleen met dit onderscheid, dat het
+in het hartje van mijn Ulrica geen stormachtige nacht is. Doch, wat er ook van zij, Heer Ambtman! de liefde mijner dochter
+te verkrijgen is uw zaak: zoo gij eens haar toestemming hebt, zal de mijne niet achterblijven: wat kan een vader meer doen?&#8212;Ulrica
+moet vrij handelen: het staat dus aan u, uw best te doen om haar genegenheid te winnen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij is lang in Den Haag geweest,&#8221; zeide Mom, het hoofd schuddende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daarover kunt gij u toch niet beklagen,&#8221; hernam Reede: &#8220;daar hebt gij haar het eerst leeren kennen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik vrees maar, dat de een of ander hoofsche Jonker....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gekheid, gekheid, Heer Ambtman! Zij hield veel van de Gravin van Nassau, en huisde er gaarne; maar ik heb haar toch altijd
+vroolijk en weltevreden gezien, als zij weder bij mij op het slot keerde. Er is wel een zwarigheid,&#8221; vervolgde de Baron, opeens
+het voorhoofd fronsende; &#8220;doch die is van geheel anderen aard.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een zwarigheid!&#8221; herhaalde Mom, van kleur veranderende: &#8220;ik bid u!....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal u die verhalen, zoodra wij een geschikt oogenblik vinden om ons zonder getuigen te onderhouden,&#8221; zeide Reede op den
+deftigen toon, dien hij slechts in zeer bijzondere gevallen aannam: &#8220;ik hoor hoefgetrappel op de slotbrug; en ik ga onze nieuwe
+gasten welkom heeten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De oude Heer schijnt sterk met u ingenomen,&#8221; zeide Elbert, terwijl hij met Mom den Baron, die de nieuwaangekomenen ontvangen
+ging, langzaam volgde: &#8220;hoe het met de dochter is, zal nog te bezien staan. Mij dunkt, zij vatte nogal vuur op mijn verhaal:
+en haar hart schijnt meer dan wel noodig is aan haar ouden schoolkameraad gehecht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Des te beter,&#8221; zeide Mom: &#8220;des te eer zal zij uit spijt een anderen trouwen, mits het ons maar eens gelukke, haar te overtuigen;
+doch genoeg hiervan, daar komt de Baron met zijn gasten aan.&#8221;
+
+</p>
+<p>De nieuwaangekomenen werden alras door eenige andere genoodigden <a id="d0e6327"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6327">196</a>]</span>gevolgd, zoodat het gezelschap na verloop van een half uur voltallig was en uit een twaalftal edellieden bestond. Van de gesprekken,
+welke na het afloopen der eerste verwelkoming en daaraan verknochte plichtplegingen volgden, zullen wij geen melding maken;
+zij waren onbeduidend, gelijk gewoonlijk bij den aanvang van alle feesten en partijen het geval is. Toen de klok elf geslagen
+had, kwam de oude Bouke den Baron verwittigen, dat het ontbijt gereed was: waarop Reede zijn gasten verzocht, hem naar de
+groote ridderzaal te volgen.
+
+</p>
+<p>Deze bood den genoodigden een aangenaam en recht verkwikkelijk schouwspel aan, zoowel wegens haar fraaiheid en den opschik,
+dien men er bewonderde, als wegens de aantrekkelijkheden van een meer zelfstandigen aard, waarmede zij vermoeide gasten uitlokte.
+Zij was ruim en langwerpig van gedaante: twee vervaarlijk breede en hooge haardsteden, waarin, ondanks het lenteseizoen een
+goed onderhouden vuur brandde, stonden aan de beide einden over elkaar te prijken. De vooruitspringende schoorsteenmantels,
+van kostbaar Egyptisch marmer vervaardigd, schraagden een menigte antieke vazen (bij deze gelegenheid met de eerste voorjaarsbloemen
+gevuld) en rustten aan elken hoek op twee spierwitte kolommen, sierlijk met groene hulst omslingerd. Kostbare basrelieven,
+uit een andere marmersoort gehouwen, versierden het lijstwerk en de voetstukken: de liefdesgevallen van Venus en Adonis waren
+op de schoorsteenen zelven op witten steen afgebeeld. Aan wederzijden der haardsteden bevond zich een deur, welker kroonlijst,
+insgelijks op kolommen rustende, zich met de schoorsteenmantels vereenigde, zijnde de vakken boven de deuren, de basementen
+en plinten mede met snijwerk en beelden versierd en opgetooid met bloemen en loof. In de lengte was de zaal ter eener zijde
+met acht vensters voorzien, wier bovenste afdeelingen met allerlei wapens beschilderd waren; terwijl de benedenste glasruiten
+een vroolijk uitzicht opleverden over de tuinen van het slot en de omliggende landouwen. De vakken tusschen de glasramen waren
+om en om met familieportretten en wapenrustingen behangen; het middelste vak alleen was ledig, zijnde daarop in fraai Parisch
+marmer het geslachtswapen des eigenaars uitgebeeld. De tegenzijde der zaal was over haar geheele lengte onafgewisseld met
+allerlei soorten van jacht- en wapentuig bekleed, hetwelk op een zeer aardige wijze onder het opzicht der bevallige Freule
+met sparretakken, hulst en bloemfestoenen aaneengestrikt was; &#8217;t geen een vroolijke vertooning maakte en de oogen aangenaam
+streelde; doch wat aan de gasten, gelijk ik hierboven met een enkel woord reeds aanmerkte, een nog blijder schouwspel opleverde,
+was de lange tafel, welke midden in de zaal stond, en waarop een prachtig en voedzaam ontbijt was gereedgemaakt, dat niet
+uit de thee, de koffie, de vruchtenstroop of al de uitvindingen van latere dagen bestond, maar uit de stevige spijzen en dranken,
+die onzen goeden voorvaderen op alle uren van den dag welkom waren.
+
+</p>
+<p>De gasten namen plaats op bankjes of schabellen voor twee personen, met zachte kussens overdekt. Spoedig viel men aan &#8217;t eten:
+<a id="d0e6333"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6333">197</a>]</span>de hoendersoep, in zilveren kommen opgedischt, maakte weldra voor een zwijnskop plaats, verzeld van kippen, kapoenen, duiven,
+versche kropsalade, in &#8217;t kort van al wat het jaargetijde medebracht en op een kostbaar ontbijt kon gevorderd worden. De edellieden
+deden eer aan deze spijzen, zoowel als aan de voortreffelijke wijnen, die hun onder het opzicht van Bouke, die als bottelier
+optrad, werden toegediend. Alleen de Ambtman scheen weinig smaak te vinden in &#8217;t geen hem aangeboden werd: de gewichtige plannen
+en de daaruit ontsprotene bekommernissen, welke zijn brein vervulden, ontnamen hem allen eetlust: en verre van in een onmatig
+gebruik van drank eenige verstrooiing te zoeken, trachtte hij zich, zoolang zulks in zijn macht was, van het volle gezag over
+zijn verstandelijke vermogens te verzekeren door niet, dan bij het instellen van gezondheden of dergelijke gelegenheden, den
+beker aan den mond te brengen. Hij zag met angstvalligheid, hoe Botbergen de hem aangeboden roemers nooit afsloeg, maar altijd
+dadelijk tot den bodem ledigdronk. Zijn bezorgdheid was echter overtollig; want de Gelderschman was aan tafel voor geen klein
+weinigje vervaard en had een maag, die zeer gevoegelijk, naar verkiezing, de eigenschap van een spons of van een handschoen
+kon aannemen, zonder dat zijn hoofd er iets door leed; de eenige invloed, welken de wijn op hem uitoefende, was die, van hem
+nog opgeblazener en laatdunkerder dan gewoonlijk te maken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zijt bijster stil vandaag, Ambtman!&#8221; zeide Reede: &#8220;hapert er wat aan? of smaakt u mijn wijn niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het gastereeren deugt mij niet,&#8221;&#8217; zeide Mom: &#8220;ik ben geen man, die voor festijnen geschikt is; en ik wensch gaarne een juist
+oog te behouden, om den kegel niet mis te raken,&#8221; voegde hij er glimlachend bij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ei! ei!&#8221; zeide de Jonker van Scherpenzeel: &#8220;dat is geen echt spel. Wil UEd. ons een roes laten drinken en zelf nuchteren
+blijven? dat zou slecht gelijk staan!&#8212;doch ik weet wat er aan schort. Een gezelschap van enkel heeren kan UEd. niet meer lijken,
+is &#8217;t niet zoo?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik beken,&#8221; zeide Mom, &#8220;dat het gezelschap van de schoone kunne het genoegen der gezellige kringen altijd bevorderen moet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En vooral dat van onze edele gastvrouw, die, hoewel afwezig, in elke bloem, die het vertrek versiert, te vinden is,&#8221; riep
+de Heer van Helmenhorst: &#8220;lang moge zij leven! lang!&#8221; vervolgde hij, oprijzende en een roemer omhoogheffende: &#8220;lang leve de
+schoone Freule Ulrica van Sonheuvel!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Lang leve de dochter van onzen braven gastheer!&#8221; riep Botbergen, zijn voorbeeld dadelijk volgende, gelijk ook het overige
+gezelschap deed.
+
+</p>
+<p>Ik dank u voor mijn dochter, Mijne Heeren!&#8221; zeide de Baron, op zijn beurt een roemer vullende: &#8220;en moge zij nog vaak de eer
+gemeten, de toebereidselen voor Ulieder onthaal te bestieren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mits niet in dit vertrek,&#8221; zeide Botbergen.
+
+</p>
+<p>&#8220;En waarom hier niet?&#8221; vroeg Reede met een verwonderd gelaat. &#8220;Staat u deze zaal niet aan?&#8221;
+<a id="d0e6353"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6353">198</a>]</span></p>
+<p>&#8220;De zaal is prachtig en geriefelijk,&#8221; antwoordde Elbert: &#8220;maar, aangezien wij allen hopen, dat de Jonkvrouw spoedig de keuze
+van een waardigen echtgenoot moge doen, en zij dan haars vaders huis verlaten zal, meen ik haar geen kwaden wensch te doen,
+wanneer ik Haaredele de bezorging van een feest in een ander lokaal toewensche.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel gevonden!&#8221; zeide de Heer van Lievendaal: &#8220;Mijnheer van Botbergen! ik heb de eer hem u te brengen voor dien goeden wensch.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik zou u gaarne in gelijke munt betalen,&#8221; hervatte de Gelderschman: &#8220;maar ik heb geen wijn van deze soort meer, en het
+ware een misdaad van gekwetste majesteit, indien ik UEds. beleefdheid met een ander wijntje beantwoordde, dan hetgeen UEd.
+mij toegedronken heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Er is toch meer van die soort in mijn kelder,&#8221; zeide de Baron: &#8220;Bouke! geef den Heer van Botbergen;.... maar waar is Bouke?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij is zooeven uit de kamer geroepen,&#8221; antwoordde een der dienaars: &#8220;er was iemand beneden om hem te spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo! een gelegen tijd voorwaar; doch gij kunt het even goed bezorgen als hij: vraag maar aan mijn dochter van dien wijn van
+N&ordm;. 3. Ja Mijne Heeren! ik moet dien ouden Bouke wat toegeven; er leeft op de wereld geen braver kerel dan hij; wij zijn ook
+zooveel jaren achtereen samen geweest en hebben zooveel overbracht: en dan, hij heeft wat te vertellen! hij heeft in Turkije
+geoorloogd en meer gezien dan &eacute;&eacute;n van ons allen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoover ben ik niet geweest,&#8221; zeide Elbert: &#8220;mijn krijgsverrichtingen waren alleen in Bohemen; en daar zal men, gelijk ik
+mij zonder grootspraak vlei, nog wel van mij gewagen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In Bohemen zegt UEd.? En dat onder welke vanen?&#8221; vroeg Reede.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb onder den Spotkoning Frederik gestreden; maar ik heb hem laten zitten; want er was niets met hem uit te richten. Ik
+zeide hem dikwijls: (Zijne Majesteit deed mij somtijds de eer aan, mij te raadplegen) Uwe Majesteit, zeide ik geeft gehoor
+aan oorblazers, aan belangzoekers, aan domkoppen. Zooals Uwe Majesteit het aanvangt, zal het nimmer lukken: en dan ontwikkelde
+ik de redenen, die ik daartoe vinden kon. Dan, vergeefsche moeite! Zijne Majesteit sloeg mijn woorden in den wind; en wat
+is het gevolg er van geweest? Zooras ik vertrokken was uit het leger (want zulke dwaasheden als men daar deed, kon ik met
+geen droge oogen meer aanzien), liep alles in de war, en nu komt hij met de kous op het hoofd terug.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En hebt gij,&#8221; vroeg Reede, zich bij voorraad de handen wrijvende, als verheugd over het antwoord, dat hij verwachtte: &#8220;hebt
+gij den Jonker van Craeihorst gekend?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gekend?&#8221; herhaalde Botbergen: &#8220;ja, een weinig, schoon het geen eer was hem te kennen!&#8221;
+
+</p>
+<p>De Baron zag zijn gast verwonderd aan, zette zijn roemer neder en vroeg met bevreemding, wat door deze uitdrukking gemeend
+werd.
+<a id="d0e6378"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6378">199</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Wel!&#8221; vervolgde Elbert: &#8220;Ik had geen omgang met hem, omdat hij een liederlijke knaap was, een dronkaard, een lafbek, een
+valsche dobbelaar....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Onmogelijk,&#8221; riep de Baron met hevigheid uit: en op hetzelfde oogenblik sprong de oude Veltman, alsof hij die lasteringen
+tegen zijn voormaligen meester niet langer wilde aanhooren, met een luid geblaf van onder de zitbank des Barons op, en liep,
+sneller dan hij in de laatste drie jaren gedaan had, de deur uit, en Bouke, die juist binnenkwam, bijna omver.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! ja! loop maar, Veltman!&#8221; zeide Bouke, met een vroolijke stem, terwijl hij de tafel naderde met een gelaat, waar de vreugd
+op geschilderd stond. &#8220;Mijnheer!&#8221; vervolgde hij: &#8220;bodenbrood! daar is een oude kennis....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zwijg Bouke!&#8221; zeide de Baron, zonder bijna naar hem te luisteren: Mijnheer van Botbergen! ik bid u! verklaar mij eens wat
+gij van mijn Joan gezegd hebt.... Ik bedoel van dien Jonker van Craeihorst.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kende UEd<span id="d0e6389" class="corr" title="Bron: :">.</span> hem?&#8221; vroeg Elbert, zich verwonderd veinzende: &#8220;vergeef mij dan, zoo ik kwalijk van hem sprak: maar ik dacht niet, dat een
+knaap in UEds. gunst zoude deelen, wien ik, om zijn schandelijk gedrag, met rottingslagen genoodzaakt heb het leger te verlaten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is een leugen, een onbeschaamde leugen!&#8221; zeide met luider stem de getrouwe Bouke, die de beschuldiging, door Botbergen
+aangevoerd, opmerkzaam had aangehoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie spreekt daar?&#8221; vroeg Elbert, met trotschheid opziende; maar zijn oogen zagen verlegen voor zich, toen zij den vrijen
+blik ontmoetten van Joans ouden krijgsmakker, die, met de armen over elkaar geslagen, achter de zitplaats des gastheers stond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat ben ik, met uw verlof,&#8221; zeide Bouke: &#8220;en wat ik niet vol kan houden, zal een ander voor mij doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bouke! riep de Baron, terwijl hij aan zijn gezegde den toon der bestraffing poogde te geven: &#8220;denk wie gij zijt en waar gij
+zijt!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo doe ik,&#8221; antwoordde Bouke, zonder verlegen te worden: &#8220;ik denk, dat ik Jonker Joans oude wapenbroeder ben, en dat ik
+over een lasteraar sta, die....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vlegel!&#8221; riep Botbergen, door het verwijt des Barons bemoedigd: &#8220;denkt ge dat ik mij met u zal meten? Zoo een edelman mij
+het millioenste part had gezegd van &#8217;t geen gij mij durft zeggen, hij leefde niet meer!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is er geen der edellieden, hier tegenwoordig, die de partij eens afwezigen opneemt?&#8221; vroeg Bouke.
+
+</p>
+<p>Botbergen zag beangst in &#8217;t rond; doch zijn gelaat helderde spoedig op, dewijl al de gasten, ziende dat de Heer van Sonheuvel
+zelf zijn zoon niet verdedigen wilde, geen partij voor hem begrepen te moeten trekken. Zooras de opgeblazen Gelderschman zich
+hiervan overtuigd hield, smeet hij den handschoen midden in de zaal, en riep tevens uit: &#8220;hiermede daag ik iederen edelman
+uit, die, als ik, zestien kwartieren bewijzen kan, om mijn woorden te komen logenstraffen.&#8221;
+<a id="d0e6408"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6408">200</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik neem de uitdaging aan en zal u spoedig een kamper brengen, die je zestien-honderd kwartieren in je tronie snijden zal,&#8221;
+zeide Bouke, den handschoen oprapende, waarna hij de zaal verliet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijnheer van Botbergen!&#8221; zeide Reede, die al dien tijd had zitten stampvoeten en op zijn mouwen bijten van kwaadheid: &#8220;ik
+kon voor den goeden Bouke geen partij kiezen tegen iemand, dien ik op mijn eigen slot als gast ontvang; maar bij mijn zaligheid!
+zoo UEd. elders dan op het huis te Sonheuvel in mijn bijzijn kwaad had gesproken van mijn goeden Joan, ik had u mijn roemer
+op &#8217;t aangezicht aan stukken geslagen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Indien UEd. het mij vergunt, Heer Baron!&#8221; zeide Mom: &#8220;zoo zal ik de eer van den Jonker van Craeihorst handhaven en met den
+Heer van Botbergen, hoe bevriend wij ook zijn, op dood en leven kampen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Elbert zag zijn patroon vragenderwijze aan, als wilde hij op dien aangezicht lezen of het hem ernst ware. Een schampere trek,
+die zich aan des Ambtmans neusvleugel en aan de hoeken van zijn oog vertoonde, was genoeg om hem de zekerheid te verschaffen,
+dat Mom, door dit aanbod, het gevaar voorkomen wilde, dat zich een ander kampvechter opdeed.&#8212;In dit oogenblik trad Bouke weder
+binnen en zeide, de deur wijd openzettende: &#8220;Mijnheer van Bokkenbergen! hier breng ik u een tegenstander, als ik beloofd heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>Aller oogen wendden zich nu naar de deur, waar een jongeling binnentrad, wiens verschijning een algemeene verbazing teweegbracht.
+De Baron en het meerendeel der gasten sprongen op. Botbergen schoof zijn zitbank wel drie voeten achteruit, werd doodsbleek,
+sloeg klappertandend een bevende hand aan &#8217;t gevest van zijn degen, doch was buiten staat om het lemmer de scheede te doen
+verlaten. Mom staarde den onbekende met open mond aan het was de vreemdeling, dien hij bij Klaas Meinertz voor een Remonstrantschen
+Proponent had aangezien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Joan!&#8221; riep de Baron met een luiden kreet en sloot zijn pleegzoon, die, van den getrouwen Veltman vergezeld, naar hem toe
+trad, met hartelijke vreugd in zijn armen: maar bijna dadelijk wikkelde hij zich weder uit zijn omhelzing los. &#8220;Joan!&#8221; herhaalde
+hij: &#8220;ik moest u niet omarmd hebben, eer ik wist of gij het waardig zijt. Men verhaalt schandelijke dingen van u.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heb ik van Bouke vernomen,&#8221; antwoordde Joan: &#8220;wie van de Heeren noemt zich de Heer van Botbergen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat! Kent gij hem niet eens?&#8221; vroeg de Baron verbaasd: &#8220;hoe hangt dit samen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, Mijnheer!&#8221; zeide Bouke tegen den verslagen snoever, die met hangende armen en stijf opeengesloten tanden als vastgenageld
+zitten bleef: &#8220;wat dunkt u? is het niet mij: een man een man, een woord een woord?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijt gij het, die u de Heer van Botbergen noemt?&#8221; vroeg Joan met bevreemding. &#8220;In het leger van den Koning van Bohemen droegt
+gij een anderen naam.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zal ik u zeggen, Jonker!&#8221; antwoordde Elbert, zich door een <a id="d0e6431"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6431">201</a>]</span>grap zoekende te redden: &#8220;Wij droegen geen van beiden onzen waren naam.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Zij ik recht hebbe op den mijnen of niet,&#8221; hernam Joan met fierheid, &#8220;hij is te schoon om hem te zien bezwalken: en na
+hetgeen er tusschen ons is voorgevallen, had ik niet gedacht, dat gij mij, in tegenwoordigheid van dit aanzienlijk gezelschap....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van die rottingslagen, meent gij?&#8221; vroeg Botbergen, opstaande: &#8220;ja, ik had daarvan misschien niet moeten spreken;.... wij
+zijn geen beste vrienden gescheiden, dat is waar; maar wij kunnen altijd tot een verklaring komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tot uw dienst, al wilt gij dadelijk,&#8221; zeide Joan, de hand aam &#8217;t geweer slaande.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Heer Ambtman zal mij wel tot getuige willen dienen,&#8221; vervolgde Botbergen, zich tot dezen wendende.
+
+</p>
+<p>Nu volgden de oogen van Joan de richting, welke die van zijn weerpartij genomen hadden, en hij herkende in den Ambtman den
+persoon, die hem in het opkamertje bij Klaas Meinertz ontvangen had. Dit onverwacht gezicht deed hem, verwonderd, een stap
+terugtreden, en bracht zijn gedachten opeens van den twist met Botbergen op het voorgevallene van den vorigen avond terug.
+Met niet minder nadruk, schoon met een kwalijk verborgene verlegenheid, staarde Mom den jongeling aan en peinsde hij op de
+houding, die hij bij deze gelegenheid moest aannemen. Botbergen, die, zooras Joan hem niet meer toesprak noch met zijn verwoeden
+blik bedreigde, zijn moed weder voelde herleven, had een fiere en onversaagde houding aangenomen en mompelde, doch zeer binnensmonds,
+allerlei dreigementen. De overigen, die een kring om de belanghebbende partijen gemaakt hadden, zagen vreemd op over Joans
+plotseling zwijgen, en nog meer, toen deze naar Mom toestapte en met een eenigszins verzachte stem, doch op vasten toon, hem
+de volgende vraag deed, welke, schoon op haar zelve zeer eenvoudig, in de omstandigheden van den Ambtman vrij geschikt was
+om hem van zijn stuk te brengen: &#8220;heb ik gisteravond niet de eer gehad UEd. te zien?&#8221;
+
+</p>
+<p>Schoon Mom reeds tijd gehad had om zich op een antwoord voor te bereiden, hetwelk hij al dadelijk had begrepen dat hem afgevorderd
+zou worden, was hij het nog niet met zichzelven eens, hoe hij dit antwoord op de meest voldoende wijze zou inrichten. Het
+scheen hem dus best toe, geen antwoord te geven en zich van de zaak, gelijk men het noemt, met een Jantje van Leiden af te
+maken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is UEd. die langgewenschte en ter goeder uur gekeerde pleegzoon van onzen besten gastheer?&#8217;&#8221; vroeg hij, opstaande en Joans
+beide handen vattende: &#8220;wel het verheugt mij, als vriend van den huize, recht zeer u te mogen leeren kennen. Wat zal uw komst
+hier levendigheid op het slot brengen! Wat zal de bevallige Freule verheugd zijn, zij, die u zoo liefheeft!&#8221; Hier zag Mom
+met spijt, hoe een hevige blos het gelaat des jongelings overstroomde. &#8220;Nu ik ben recht gelukkig u te zien: gij vindt mij
+met lijf en ziel tot uw dienst, beschik over mij, zoo dikwijls gij wilt. Ik heb zooveel goeds van u gehoord, <a id="d0e6447"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6447">202</a>]</span>dat ik verlang uw vriendschap te verwerven. Sta mij toe, dat ik u omhelze.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met deze woorden drukte hij den jongeling, die beteuterd en verbaasd over dien vloed van woorden voor hem stond, in zijn armen
+en fluisterde hem bij die gelegenheid in &#8217;t oor: &#8220;hadt ge u maar genoemd gisteravond! Nu! ik moet over dit alles een nader
+gesprek met u hebben, ter opheldering. Ik hoor, dat gij daar zonderling te pas zijt gekomen.&#8221;&#8212;En toen, eer Joan van zijn bevreemding
+kon bekomen, trad hij terug en nam Reede bij de hand. &#8220;Mijn vriend!&#8221; zeide hij: &#8220;wat zou het jammer zijn, indien op een heuglijken
+dag als deze, de vreugd door oneenigheid of hooge woorden verstoord werd. Vereenig u met mij, om uw waardigen voedsterling,
+alsook mijn vriend van Botbergen, die zonder reden en waarschijnlijk ten gevolge van een misverstand op elkaar gebeten zijn,
+tot bedaren te brengen. Voor Sint-Felten met al die langer twist wil zoeken. Ik drink op de gelukkige toekomst van den edelen
+Jonker Joan van Craeihorst, Kapitein in dienst van Zijne Majesteit den Koning van Bohemen: en die mijn voorbeeld niet volgt,
+is waarachtig geen knip voor den neus waard.&#8221;&#8212;Bij het uitspreken dezer laatste zinsnede had hij zich een vollen roemer geschonken,
+dien hij nu tot den bodem ledigdronk. Zoowel Reede als de gasten volgden zijn voorbeeld.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom, Elbert!&#8221; vervolgde Mom, zijn makker een vollen beker in de hand wringende: &#8220;gij moet mededrinken; want de terugkomst
+des Jonkers kan u nooit anders dan stof tot blijdschap geven. Heldert alles zich op en wordt het misverstand weggeruimd, des
+te beter; zoo niet, dan hebt gij t&#8217; avond of morgen gelegenheid om uw dapperheid aan den dag te leggen. Dus, man! drink uit!
+en denk vooreerst maar niet meer aan het gekke geval.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Pots honderd tausent slapferment!&#8221; zeide Botbergen, den roemer aannemende: &#8220;mijn dapperheid is alom genoeg bekend en heeft
+geen nieuwe gelegenheden noodig om zich te toonen. De Jonker en ik hebben elkander over en weder beleedigd;&#8212;dus zijn wij kamp;
+en hapert er nog iets aan, dan zal dit zich spoedig oplossen. Ik drink dus gaarne op de gezondheid van den Jonker van Craeihorst,
+en dat hij zulk een lang leven moge genieten, als ik hem toewensen.&#8221;&#8212;Dit zeggende, ledigde hij zijn glas en hernam zijn plaats
+bij de nu weder aanzittende gasten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dank al de Heeren voor hun vriendelijke toewenschingen,&#8221; zeide Joan, op zijn beurt een roemer vullende: &#8220;wat den Heer
+van Botbergen betreft, ik bedank ook hem, en het zal mij aangenaam zijn, indien hij mij in den loop van dezen dag een oogenblik
+schenken wil, daar ik het met den Heer Ambtman eens ben, dat wij het genoegen der gasten thans niet storen moeten.&#8221;&#8212;Dit gezegd
+hebbende, ledigde hij zijn kelk en nam aan de tafel plaats.
+
+</p>
+<p>Men hervatte den maaltijd: doch vruchteloos zocht de Ambtman het gesprek weder te verlevendigen; de Baron was, zonder het
+te willen doen blijken, ontevreden dat de twist gesust was, en had liever gezien, dat Joan zijn wederpartij de trappen had
+afgesmeten. <a id="d0e6459"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6459">203</a>]</span>Joans hoofd was zoo vol gedachten, dat hij de aanwezigen vergat, ja, voor den drommel wenschte. Hij ondervond ten volle de
+onaangename gewaarwording van iemand, die na een lang afwezen versoezeld en verwaaid te huis komt, en, in plaats van zijn
+gezin alleen, een huis vol gasten vindt, die niets van zijn vermoeidheid, van zijn verstrooidheid van gedachten begrijpen.
+Nu eens maalden hem de geheimzinnige voorvallen in Tiel door het hoofd; dan weder dacht hij aan de bekoorlijke Ulrica, welke
+hij zoo vurig verlangde en toch vreesde weder te zien. Zijn twist met Botbergen hield hem het minst bezig; want hij was overtuigd,
+dat hij van dien snoever, zoodra hij zulks verlangde, de noodige voldoening verkrijgen zou; daar het geval in het Boheemsche
+leger zich juist had toegedragen als Elbert het verteld had, met dit kleine onderscheid echter, dat het Joan geweest was,
+die den anderen met stokslagen had weggejaagd. Hij bekommerde zich dus weinig over Botbergens lastertaal, alleen voor zooverre
+hij zich bij Ulrica nog rechtvaardigen moest: want Bouke had hem (zoodra hij op het slot gekomen was, en vernemende dat het
+vol gasten was, naar dien ouden vriend gevraagd had) verwittigd, hoe Elbert zijn goeden naam een schandelijke kladde had aangewreven
+in tegenwoordigheid der Jonkvrouw. Reeds dadelijk zou Joan zich over dezen hoon zijn komen beklagen, had hij niet gemeend
+eerst zijn nog vochtige kleeren tegen andere te moeten verwisselen.
+
+</p>
+<p>De overige gasten hadden, evenals de Baron, weinig genoegen genomen met de wijze, waarop de twist gesust was; daar zij, niet
+zonder grond, oordeelden, dat een van de twee partijen een lafaard wezen moest, die niet in hun gezelschap voegde; het misnoegen
+bracht dus stilte te weeg: zelfs de Ambtman, hoewel hij de anderen aan &#8217;t praten zocht te krijgen, had het hoofd te vol, dan
+dat hem zulks wel afging, en het zou een opmerkzamen bijstander niet ontgaan zijn, dat de goede houding, die hij aanwendde,
+alleszins gedwongen was. De heerschende stilte deed den Baron dus spoedig besluiten om het gezelschap te verzoeken, een einde
+aan het ontbijt te maken en zich met hem naar de kegelbaan te begeven. Dit voorstel scheen een verlossing toe aan de gansche
+vergadering: en allen haastten zich daaraan te voldoen, behalve Joan, die, zijn pleegvader ter zijde trekkende, van hem verlof
+verzocht om zich af te zonderen en Ulrica te gaan groeten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe is &#8217;t Joan?&#8221; zeide de Baron: &#8220;zoekt gij een gelegenheid om van dien Botbergen af te raken? Ik had van u meer vuur verwacht,
+vriendlief! Ware ik in uw plaats geweest, die verwaande pochhans had al lang op &#8217;t plein gelegen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik beloof u, Vader! dat uitstel geen achterstel, worden zal,&#8221; zeide Joan: &#8220;ik zal met dien knaap nog een appeltje schillen,
+dat hem slecht zal smaken. Stel u daaromtrent gerust; maar, dunkt mij, mijn verlangen om Ulrica te zien, is nogal natuurlijk.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, ga maar, ga maar,&#8221; zeide de Baron, knorrig: &#8220;lieve deugd! in mijn tijd waren de knapen anders! thans zijn zij zoo koel
+als winterperen. Wat zullen de oude lui dan zijn als de jeugd geen warm <a id="d0e6469"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6469">204</a>]</span>bloed meer heeft!&#8221;&#8212;Na deze wrevelige aanmerking keerde de Baron zich weder tot zijn gasten en geleidde hen buiten het slot,
+naar den hof, waar de frissche lucht en de balsemgeuren van het voorjaarsgebloemte de wandelaars op een lieflijke wijze tegenkwamen
+en de dampen, door den wijn veroorzaakt, vervingen. Langs een lommerrijke lindenlaan begaf men zich naar de kegelbaan, die
+aan het achtereinde van den hof tusschen hooge hagen gelegen, en met een planken beschot, laag genoeg om er overheen te zien,
+omzet was. De baan, waaraan Bouke gedurende de vorige dagen al zijn vlijt besteed had, was spiegelglad: op twee derden van
+hare lengte stonden de prachtige ebbenhouten kegels, met zilveren randen en ringen beslagen en wel drie voet hoog, op daartoe
+op gelijke afstanden getrokken kringen, te prijken. Langs het schot liep ter linkerzijde van de baan, een houten goot af,
+waarbij een tuinjongen geplaatst was, om na den worp, den bal weder aan de spelers toe te zenden. Bouke stond aan de rechterzijde,
+bij de kegels, gereed om de tusschen de spelers gerezene oneenigheden te beslissen, en den uitslag van elken worp met krijt
+aan te teekenen op een zwart bord, dat aan een paal hing, die boven het beschot uitstak. Aan het begin der baan stonden twee
+andere dienaars bij een tafel, waarop bier en brandewijn gereedstonden tot lafenis der spelers: en daarover een kastje met
+laden, waarin de kegelballen lagen, benevens een bord met dobbelsteenen; de nommers, die aan de spelers uitgedeeld moesten
+worden, de handleien, waarop elk zijn <span class="letterspaced">poincten</span> of verliezen voor zich kon opteekenen, in &eacute;&eacute;n woord, al wat noodig kon geacht worden. Onderscheiden lijnen, evenwijdig over
+de breedte der baan getrokken, duidden de plaats aan, vanwaar men werpen moest en welke de speler, wien het slotnummer te
+beurt viel, doorgaans aanwees.
+
+</p>
+<p>Met veel plechtigheid naderde Bouke het gezelschap, zooras het de kegelbaan nadertrad, haalde de dobbelsteenen voor den dag
+en reikte ze den Jonker van Scherpenzeel toe, die, na geworpen te hebben, ze aan zijn buurman overgaf en zoo vervolgens. Bouke
+teekende de geworpen getallen op en liet de gelijkstaande weder overgooien, totdat elk zijn nommer had. Toen begaf hij zich
+weder naar zijn standplaats bij het groote bord, en Botbergen, wien het laatste nommer te beurt was gevallen, duidde aan,
+van welke streep men beginnen moest. De heer van Lievendaal, die den eersten worp moest doen, zette den linkervoet op de streep,
+bracht den rechtervoet een schrede achterwaarts, nam den zwaren bal op en deed hem over de baan vliegen. De bal wierp een
+kegel om en schudde den tweeden, doch hij had zijn kracht verloren en rolde al draaiende het spel uit zonder iets verder te
+verrichten, De tuinknaap zette dadelijk den gevallen kegel weder op en zond den bal terug.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij was goed gemeend!&#8221; zeide een der spelers.
+
+</p>
+<p>&#8220;De baan is niet glad genoeg,&#8221; antwoordde Lievendaal: &#8220;anders ware de tweede ook gevallen: zaagt ge wel hoe hij wiggelde?
+Dan komaan, Helmenhorst! laat eens zien, of gij beter zult slagen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met meer bedaardheid dan zijn voorganger dreef de tweede speler <a id="d0e6482"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6482">205</a>]</span>den bal voort en wierp ook een kegel om, terwijl de bal stil liggen bleef.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is ongelukkig!&#8221; riep hij uit: &#8220;wie kan zoo iets helpen? De kegel valt juist voor mijn bal en snijdt hem den weg af: anders
+waren er nog wel drie of vier omgeworpen geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>Haastig, gelijk hij alles deed, wierp Reede op zijn beurt den bal. Doch door de drift draaide zijn hand onder &#8217;t werpen, en
+de bal, na eerst rechtuit te zijn gerold, nam, kort voor &#8217;t spel een zijdelingsche wending en liep de kegels voorbij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat satan is dat!&#8221; schreeuwde hij hoogst ontevreden: &#8220;Bouke! de baan is niet gelijk! hoe kan een bal zoo mal rollen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De baan is al gelijk!&#8221; antwoordde Bouke, terwijl hij met veel bedaardheid den misslag opteekende: &#8220;Ik kan niet helpen, dat
+UEd. scheef gooit.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom, Heer Ambtman! het is uw beurt! Laat ons eens zien of UEd., die niet gedronken heeft, scherper gooien zult dan een van
+ons allen,&#8221; zeide de Jonker van Scherpenzeel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij ziet, van dat weinigje beef ik reeds,&#8221; zeide Mom, en wierp den bal wel een voet buiten &#8217;t spel. Met ongelijk gevolg speelden
+diegenen, die na hem kwamen. Toen de beurt aan Botbergen kwam, die reeds luide gesnoefd had over de menigvuldige partijen,
+door hem bij andere gelegenheden gewonnen, keken de spelers nieuwsgierig toe; maar de Gelderschman voldeed slecht aan hun
+verwachting en deed den bal midden door de kegels heen vliegen.
+
+</p>
+<p>Na op deze wijze eenige toeren afgespeeld te hebben, werd Reede, die bij deze gelegenheid slecht, of, zoo &#8217;t heette, ongelukkig
+speelde, wrevelig, en den Ambtman, wiens kans niet fraai stond, onder den arm nemende, verzocht hij hem, het spel maar te
+laten varen en met hem plaats te nemen op een bank, buiten den ingang der baan geplaatst, waar men ongestoord zat en echter
+het spel overzien kon. Na een wijl over onverschillige dingen gesproken te hebben, begon de <span id="d0e6498" class="corr" title="Bron: Ambtmam">Ambtman</span> weder zijn liefde voor Ulrica tot onderwerp van hun gesprek te maken; en toen was het, dat de Baron, wiens oprecht en rondborstig
+gemoed door den Rijnschen wijn nog openhartiger geworden was, het gepast oordeelde, den Ambtman een geheim te vertrouwen,
+dat hij voor elk ander zorgvuldig bewaard hield, doch &#8217;t geen hij als eerlijk man zich verplicht achtte, zijn aanstaanden
+schoonzoon mede te deelen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vriend Mom!&#8221; zeide hij: &#8220;Ik ben overtuigd, dat het alleen uit genegenheid voor haar persoon is, dat gij mijn dochter gevraagd
+hebt; dat geen andere drijfveer u handelen deed, en dat gij haar van mijn hand zoudt willen nemen, al ware zij niet machtig
+u een penning als huwelijksgoed mede te brengen. Doch, daar ik nimmer den schijn van karigheid zou willen toonen, en niet
+gaarne de beschuldiging verdienen, van u omtrent den waren staat mijner zaken misleid te hebben, daar er bovendien nog een
+zwarigheid bestaat, als ik van ochtend zeide, acht ik het billijk, u dienaangaande nader in te lichten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heer Baron!&#8221; zeide Mom, zijn verwondering over zulk een voorafspraak <a id="d0e6505"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6505">206</a>]</span>onder een vriendelijken glimlach verbergende: &#8220;uw beleefdheid is al te groot. Geloof vrij, dat geen inzicht om mij te verrijken
+mij noopt, uw bevallige dochter ten huwelijk te vragen. Ik ben, Goddank! rijk genoeg, en, zoo ik een gade wensch, zoek ik
+slechts een lieve gezellin, die den avond van mijn leven verheuge. Echter, zoo UEd. noodig oordeelt, mij, na deze betuiging,
+nog de eer aan te doen van mij uw familiegeheimen mede te deelen, ben ik bereid naar u te luisteren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist! juist, Heer Ambtman!&#8221; antwoordde Reede: &#8220;gij moet alles weten, want al zijn uw gevoelens omtrent mijn Ulrica nog zoo
+edel, omtrent mij zoudt gij wellicht van meening veranderen, zoo ik niet met open kaarten speelde. Dan ter zake.&#8212;Ik moet,
+om u mijn omstandigheden te verduidelijken, de geschiedenis wat hooger ophalen.&#8212;Mijn overgrootvader Godard van Reede had,
+gelijk u bekend is, zijn meeste goederen, waaronder deze heerlijkheid, ter leen van het Bisdom van Utrecht, en stond, daar
+hij een devoot Katholiek was, in hooge gunst bij den Bisschop. Op aanzoek van dezen, en onder belofte van diens protectie,
+liet hij zijn tweeden zoon Frederik voor den geestelijken stand opvoeden, en wel bij de Dominicanen te Tiel. De jonge geestelijke
+bracht het ver.... ja, Roomsch of Onroomsch, wij zijn altoos bijbelvast en fiksch in de leer geweest.... nu, dat is tot daaraan
+toe: hij maakte groote vorderingen, en de oude heer had het genoegen hem voor zijn dood tot Prior van datzelfde convent der
+Dominicanen te zien verheffen.... dat moet een vet ambtje geweest zijn!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo vet,&#8221; zeide Mom, &#8220;dat ik er mijn ambtsmanschap dadelijk voor geven zou, mits het mij maar niet belette uw schoone dochter
+te huwen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! men moet kiezen of deelen;.... doch waar waren wij gebleven?.... &#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bij uw oudoom den Prior; is hij het niet, die, wanneer hij zat te lezen, een duiveltje de kaars liet houden?&#8221;&#8217;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist! zijn beeltenis hangt op het slot; doch ter zake.&#8212;Borre, Frederiks oudste broeder en mijn grootvader, niet minder goed
+Roomsch dan zijn broeder, vertrouwde hem de opvoeding van zijn oudsten zoon Godard, terwijl Karel, de jongste, voor de wapenhandel
+werd opgeleid.&#8212;Intusschen had de omwenteling plaats en de oorlog met de Spanjaards. Mijn grootvader, toen Heer van Sonheuvel,
+zijn broeder de Prior en mijn oom Godard hielden, als men denken kon, ijverig de zijde van den Koning; doch mijn vader, die
+reeds jong aan hun opzicht onttrokken was, koos des Prinsen zijde, en zwoer, evenals deze den Paapschen Godsdienst af.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal den ouden Heer weinig gesmaakt hebben,&#8221; merkte Mom aan, om te toonen dat hij luisterde naar een verhaal, waar hij
+de belangrijkheid nog niet van inzag.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het gedrag van zijn zoon belgde hem zoozeer,&#8221; vervolgde de Baron, &#8220;dat hij mijn vader onterfde en zijn bezittingen aan mijn
+oom Godard maakte, die een weinig later de eenige erfgenaam werd der machtige nalatenschap van den Prior.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo&#8221; riep Mom, voor wien de geschiedenis opeens een <a id="d0e6523"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6523">207</a>]</span><span id="d0e6524" class="corr" title="Bron: be-belangrijker">belangrijker</span> gedaante verkreeg: dan heeft oom Godard alles ingepalmd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zooals gij wel aanmerkt. Mijn vader had zich wel tegen het een en ander kunnen verzetten; doch dit wilde hij uit kinderlijken
+eerbied niet doen. Hij had bovendien een vrij gegoed meisje getrouwd. Zoodra mijn grootvader gestorven was, riep mijn oom
+Godard mijn vader weder tot zich en stelde hem voor, samen als broeders op Sonheuvel te leven. Dit aanbod was met hartelijkheid
+gedaan: het werd met dankbaarheid aangenomen. Dan, niet lang had die samenwoning geduurd, toen de vrouw van mijn oom stierf.
+Hij was over dit verlies diep getroffen; de vermaken der wereld werden hem walgelijk, hij liet aan mijn vader het opzicht
+over al zijn goederen, trok naar Tiel, nam het geestelijk gewaad aan, verkreeg, als zijn oom, de waardigheid van Prior, en
+zou tot hooger waardigheid gestegen zijn, ware hij niet met een groot gedeelte der Roomsche geestelijkheid van oproerigheid
+beschuldigd geweest, en ten lande uitgebannen. Nu deed mijn vader iets, dat ik niet weet of ik mij wel zou hebben durven veroorloven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En dat was?&#8221; vroeg Mom, bij wien het verhaal hoe langer hoe meer belangstelling wekte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zult gij hooren. Mijn oom had zijn eenigste dochter bij de geestelijke zusters van Sinte-Cecilia laten opbrengen. Nu
+gebeurde er in dat klooster een schandaal: namelijk, dat, een non en een Jezu&iuml;etschen pater, die hier door &#8217;t land reisde,
+samen opdrosten. Het volk, dat al niet zeer op de hand der nonnetjes was, plunderde toen het gansche convent en joeg de nonnen
+weg. Toen stuurde mijn oom zijn Maria aan mijn vader, met verzoek haar naar Kampen te sturen, waar een vrome zuster voor haar
+opvoeding zoude zorgen. Dat deed mijn vader niet, en daar deed hij, mijns inziens, verkeerd aan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij wilde de rijke erfgename onder zijn bereik houden,&#8221; zeide Mom.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, dat niet,&#8221; zeide Reede, terwijl zijn kleine oogen van verontwaardiging fonkelden: &#8220;hoe komt ge op die gedachte! Hij
+handelde misschien verkeerd; maar geenszins uit baatzuchtige oogmerken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan kan ik niet inzien, uit welken hoofde zijn gedrag laakbaar was,&#8221; zeide Mom: &#8220;noch zelfs wat zijn oogmerk geweest kan
+zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ziet gij dat niet?&#8221; vroeg Reede: &#8220;hij wilde een zieltje winnen en hield de kleine Maria bij zich, om haar, tegen de begeerte
+haars vaders aan, in de Hervormde leer te laten opvoeden. Ziet ge! dat was niet zooals &#8217;t hoorde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vindt gij?&#8221; vroeg Mom op zijn beurt, met eenige verbaasdheid: &#8220;al onze Dominees zullen u het tegendeel zeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is wel mogelijk, ofschoon mijn goede vriend Raesfelt er niet volkomen zeker van is,&#8221; zeide Reede: &#8220;maar, naar mijn inzien,
+kunnen de middelen het doel nooit wettigen, zooals de Jezu&iuml;eten beweren;.... doch, dat daargelaten: Maria bleef dan bij ons
+en werd, toen zij huwbaar was, mijn vrouw.&#8212;Mijn vader stierf&#8212;ik bleef. voor het oog der wereld, de Heer van Sonheuvel: doch
+inderdaad, niet meer dan de rentmeester van mijn oom.&#8221;
+<a id="d0e6545"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6545">208</a>]</span></p>
+<p>&#8220;En heeft die oom niets meer van zich laten hooren?&#8221; vroeg Mom.
+
+</p>
+<p>&#8220;Slechts eens heb ik hem sedert gezien: en toen had zijn onvoorzichtigheid hem bijna doen vatten: met moeite deed ik hem ontsnappen.
+Hij verzocht mij toen, het bestuur der bezittingen te blijven behouden en de interessen als een eigendom te beschouwen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die vrek!&#8221; zeide Mom: &#8220;hij had u alles even goed kunnen overdoen; want, vooreerst heeft hij aan die rijkdommen niets, en
+ten tweede zoude er op zijn recht van eigendom vrij wat aan te merken zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen woord daarvan!&#8221; hernam de Baron: &#8220;wie hem ooit in zijn recht verkort, ik zal het blijven handhaven.&#8212;Dan, nu is er nog
+iets: mijn oom was ter oorzake der nauwe verwantschap tusschen Maria en mij, tegen ons huwelijk geweest. Leedwezen daarover
+voerde mijn lieve vrouw ten grave. Zij deed, ik geloof gedreven door een soort van zucht om een zoenoffer aan den toorn haars
+vaders te brengen, mij op haar sterfbed beloven, dat ik Ulrica, ons eenigst kind, niet zoude uithuwelijken, dan met de toestemming
+van mijn schoonvader.... Zij was stervende, ik zwoer dit, om haar gerust te stellen:&#8212;en toch, ik had zoo lichtvaardig niet
+moeten zweren: want waar vinde ik nu den ouden Heer?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe laat hij zich noemen?&#8221; vroeg Mom.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Paapschen noemen hem vader Ambrosius,&#8221; antwoordde Reede: &#8220;doch het zal moeilijk zijn, zijn verblijfplaats uit te vorschen.
+Er zijn zoovelen van dien naam.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zullen zien,&#8221; zeide Mom, opstaande en zijn knevel wrijvende om een onwillekeurigen glimlach te verbergen: &#8220;misschien
+is hij wel op te sporen. Ik heb overal nogal betrekkingen: en ik vleie mij, dat zoo hij met mijn wenschen bekend is, hij er
+niets tegen zal hebben in te brengen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn mededeelingen hebben dus geen invloed op uw voornemens?&#8221; vroeg Reede, terwijl een waas van tevredenheid zich over zijn
+gelaat verspreidde. &#8220;Gij blijft de hand mijner dochter vragen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heer Baron,&#8221; zeide Mom: &#8220;uw openhartig, ja edelmoedig gedrag te mijwaarts treft mij, vervult mij met bewondering voor u;
+doch het verbaast mij niet. Gij hebt mij wel beoordeeld, toen gij genoeg vertrouwen in mij steldet, om mij deze gewichtige
+geheimen mede te deelen. Ik bemin Ulrica: haar vraag ik, en haar alleen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bedenk u wel,&#8221; zeide de Baron: &#8220;Ik bezit niets, dat ik mijn eigendom kan noemen, dan mijn moeders erfdeel: op mijn ouden
+dag bekrimp ik mij niet meer, en van wat ik heb, heb ik vast besloten de helft aan Joan te geven; ik heb dien armen jongen
+niet opgevoed om hem naderhand armoede te laten lijden. Ulrica weet dit, en zij is tevreden met het weinige dat ik haar medegeef;
+doch gij!....&#8221; Hier schudde hij bedenkelijk het hoofd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben met Ulrica tevreden, en begeer niets meer,&#8221; hernam Mom.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heel wel! dat zijn jongelui&#8217;s betuigingen, als zij vrijen. Doch naderhand komt het berouw, en dan is het te laat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben geen knaap meer,&#8221; zeide Mom &#8220;die zijn geluk op een paar schoone oogen verspeelt. Ik ben rijk genoeg om een vrouw <a id="d0e6572"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6572">209</a>]</span>naar mijn zin te huwen, ook zonder bruidsschat. Veroorloof mij, tot nader bewijs van mijn betuiging, dat ik mij naar uw dochter
+begeve en haar mijn hulde brenge.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeer gaarne,&#8221; zeide de Baron, zich verheugd de handen wrijvende: &#8220;en zend mij Joan hier, indien hij zich nog bij haar bevindt.&#8212;Nu!
+kijk maar niet zwart: zij zijn samen opgebracht: daar steekt geen kwaad in.&#8221;
+
+</p>
+<p>Mom glimlachte weder; doch deze reis was zijn lach gemaakt, en zich buigende, begaf hij zich naar het slot.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e6578" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Een-en-twintigste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<p>Ulrica, de eer en &#8217;t leven van deez&#8217; boorden.
+
+</p>
+<p>Juffr. <span class="letterspaced">Koolaert</span>.
+</p>
+</div>
+<p>Ulrica was in de benedenzaal met Magdalena bezig met borduren, toen Joan binnentrad, toesnelde en haar met al de onstuimige
+driften eens jongelings in de armen drukte. Schoon zij reeds door een der dienaars van zijn terugkomst verwittigd was geweest,
+en door de verwarring, waarin die tijding haar gebracht had, niets meer deed dan broddelen, was zij nog niet genoeg voorbereid
+om hem te zien en deed zijn plotselinge verschijning haar ontstellen. Magdalena rees met hare gewone deftigheid op, groette
+den Jonker met eene diepe neiging, bood hem haar zetel naast Ulrica aan en plaatste zich op eenigen afstand bij een ander
+venster.
+
+</p>
+<p>De jonge lieden bleven eenigen tijd als sprakeloos naast elkander zitten: Joan hield de eene hand zijner pleegzuster in de
+zijne geklemd en zag haar aan met een gloeiend gelaat en fonkelende oogen, terwijl de Jonkvrouw verward en blozend voor zich
+keek. Dan, toen de eerste zielsbedwelming voorbij was, scheen een denkbeeld beiden op eens te treffen: Ulrica trok met schrik
+haar hand terug en schoof haar stoel achteruit, en Joan liet de armen vallen, zuchtte diep en zag voor zich.
+
+</p>
+<p>&#8220;Alles is hier zeer veranderd, Ulrica!&#8221; zeide hij eindelijk, &#8220;sedert ik laatst vertrokken ben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik begrijp u niet,&#8221; antwoordde zij met een flauwe stem, schoon zij hem zeer wel begreep.
+
+</p>
+<p>Joan zuchtte, zweeg wederom en streelde de grauwe haren van Veltman, die hem gevolgd was en voor zijn voeten lag. Na eenige
+oogenblikken poogde hij het gesprek te hervatten, en vroeg met schroomvalligheid: &#8220;zullen wij u welhaast Mevrouw Mom kunnen
+heeten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar is nog niets over bepaald,&#8221; antwoordde zij, opnieuw van kleur veranderende: &#8220;ik weet niet, of dat wel ooit zal gebeuren.&#8221;
+<a id="d0e6601"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6601">210</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Nu! wij willen hopen.... van ja, nietwaar?&#8221; vroeg Joan, op een toon, die het tegendeel zeide. Hij ontving geen antwoord,
+en beiden bewaarden gedurende eenige oogenblikken een diep stilzwijgen. Ulrica brak dit het eerst.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wanneer zijt ge hier in &#8217;t land teruggekomen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gistermorgen van Nijmegen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar hebt gij dan vannacht geslapen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bij Gheryt Maessen zekerlijk,&#8221; antwoordde Magdalena; &#8220;althans daar hing diezelfde degenhanger in den schoorsteen welke UEd.
+thans aanheeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ulrica bloosde opnieuw zeer sterk, en Joan keek weder voor zich.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heden, Joan!&#8221; zeide Ulrica: &#8220;waarom zijt gij gisteravond niet hier gekomen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik was.... ik had.... ik zal dat wel eens nader vertellen.&#8221; zeide Joan, een zijdelingschen blik op Magdalena werpende. In
+deze beweging viel zijn oog op het afbeeldsel van den Prior Frederik van Sonheuvel, dat aan den wand hing.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu weet ik het!&#8221; riep hij uit, sprong op en ging de schilderij aandachtig beschouwen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat weet gij?&#8221; vroeg Ulrica verwonderd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, hij is het!&#8221; vervolgde Joan: &#8220;het is dezelfde, die.... ja hij is het wel!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Joan! zijt gij mal geworden?&#8221; vroeg Ulrica, angstig opstaande en zich aan zijn zijde voegende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hebt gelijk,&#8221; hernam hij: &#8220;Ik moet den schijn hebben van ijlhoofdig te zijn: nu, dat zal zich wel oplossen: ik moet uws
+vaders oordeel hierover eens weten; doch laten wij van iets anders spreken, lieve Ulrica!&#8221; vervolgde hij, haar weder naar
+haar zitplaats geleidende: &#8220;zeg mij toch: hoe varen Dominee en zijn vrouw? en hoe maakt Geert het toch?&#8221;
+
+</p>
+<p>Ulrica voldeed aan zijn vragen: haar antwoorden lokten wederom nieuwe vragen uit, en het onderhoud verlevendigde zich, totdat
+Ulrica eindelijk vroeg, wat er toch, een oogenblik na Joans terugkomst, in de zaal had plaats gehad.
+
+</p>
+<p>Joan voldeed aan hare nieuwsgierigheid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zult u toch aan geen gevaren blootstellen?&#8221; vroeg zij.
+
+</p>
+<p>Deze woorden werden door een zoo beminnelijk lachje vergezeld en de oogen der bevallige schoone vestigden een zoo deelnemenden
+blik op den jongeling, dat hij, innig geroerd, haar hand weder in de zijne sloot.
+
+</p>
+<p>&#8220;Lieve Ulrica!&#8221; zeide hij: &#8220;ik zal doen wat ik als man van eer verplicht ben.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hier stond Magdalena, die uit het venster in den tuin had gezien, op, en verliet het vertrek.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ulrica!&#8221; riep Joan, zoodra zij vertrokken was: &#8220;is het in ernst waar? Zal de Ambtman Mom uw man worden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn vader verlangt dat huwelijk,&#8221; antwoordde zij bevende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw vader;.... maar gij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is misschien de beste keus, die ik in mijn omstandigheden <a id="d0e6648"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6648">211</a>]</span>doen kan. Mijn vader is er op gesteld, dat ik een goed huwelijk doe: en....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En gij bemint hem?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik houd hem voer een eerlijk, achtenswaardig man.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En daarom alleen zult gij hem huwen? Ulrica! speel niet met uw geluk!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Joan!&#8221; hernam zij op een zachten, weemoedigen toon: &#8220;ik had u bij uw terugkomst geheel anders verwacht. Zijn dit de beloften,
+die gij mij bij uw vertrek van hier hebt gedaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik herinner mij die belofte te wel, om die ooit te verbreken,&#8221; zeide Joan: &#8220;ja, ik heb u beloofd, dat ik een dwaze en hopelooze
+liefde zou pogen te onderdrukken, dat ik u voortaan, gelijk in onze kindsche dagen, alleen als zuster zou beschouwen: aan
+dat gegeven woord zal ik gestand blijven, en niemand dan gij zal immer weten, dat ik u eenmaal met een andere dan broederlijke
+teerheid liefhad, dat ik u nog heden met diezelfde....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil!&#8221; viel hem Ulrica met een gestrengen blik in de rede: &#8220;gij zijt weder opweg om dat woord te breken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu!&#8221; hervatte hij: &#8220;die dwaze liefde daargelaten, geeft mij de naam van broeder, dien gij mij vergunt te behouden, dan
+geen recht om in het geluk mijner zuster het teederst belang te stellen? Gij bemint den Ambtman niet, gij koestert alleen
+achting voor zijn karakter: gij neemt hem, ik moet u openhartig mijn gedachte zeggen, alleen om mij alle hoop voor de toekomst
+af te snijden, om u zelve te behoeden tegen een genegenheid, die u schuldig voorkomt. Doch ik ben verplicht, als broeder verplicht,
+u te waarschuwen, dat uw huwelijk nimmer gelukkig kan uitvallen, wanneer het alleen gesloten wordt, om een ander dieper ingeworteld
+gevoel uit te roeien of te verdooven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Onbarmhartige!&#8221; zeide Ulrica, terwijl zij haar tranen poogde te bedwingen: &#8220;ga voort, het staat u schoon, mijn droefheid
+te vergrooten door zulke onwaardige veronderstellingen. Ik had niet verwacht Joan, dat gij het eerste uur, dat wij ons na
+zoo een lange afwezigheid, terugzien, zoudt besteden, met mij een beschuldiging te doen hooren, die mij, zoo zij gegrond ware,
+in mijn eigen oogen vernederen zou.&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan gevoelde dit verwijt, stond op en wandelde de zaal op en neder. &#8220;Ulrica!&#8221; zeide hij, na eenige oogenblikken zwijgens:
+&#8220;die Ambtman is u niet waardig!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Joan! Joan!&#8221; herhaalde zij met aandoening: &#8220;eerst gisteren zijt gij hier in &#8217;t land gekomen. Heden ziet gij den Ambtman voor
+&#8217;t eerst, zoo gij hem al met kennis gezien hebt. Hoe kunt gij dus zoo lichtvaardig oordeel vellen over iemand, die misschien
+eenmaal recht zal hebben op mijn eerbied, op mijn gehoorzaamheid, op mijn liefde. Is deze handelwijze billijk, is zij grootmoedig,
+is zij vriendelijk ten opzichte van hem&#8212;en van mij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben misschien te ver gegaan,&#8221; zeide hij. &#8220;Geloof mij, ik gevoel uw toestand, ik schat de opoffering, die gij wellicht
+zult doen, op haar waarde; doch ik bezweer u, bij uw geluk, overdenk den stap <a id="d0e6672"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6672">212</a>]</span>dien men u wil laten doen, nog eenmaal ernstig en bedaard: en vooral.... tracht berichten in te winnen omtrent den Ambtman,
+nauwkeuriger dan gij tot nu toe hebt kunnen bekomen. Want,&#8221; vervolgde hij met nadruk, terwijl hij haar hand vatte en haar
+recht broederlijk in de oogen zag: &#8220;ik zou ongaarne zien, dat gij uw lot verbondt aan iemand, wiens inborst en gedrag mij
+althans nog te geheimzinnig voorkomen, om....&#8221;
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik trad de man, van wien hij sprak, de kamer in.
+
+</p>
+<p>Als een schuldige liet Joan de hand der Jonkvrouw varen, en trad achteruit, terwijl zijn gelaat zich met een hoogrood overdekte.
+Ulrica werd bleek, schoof haar zetel terug en wischte haastig haar tranen weg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat ik u niet storen,&#8221; zeide Mom, zich buigende en zijn mond tot een spotachtig lachje samentrekkende: &#8220;ik ga terstond weder
+heen en laat u samen. Ik begrijp, dat men, na zulk een lange afwezigheid, elkaar veel te vertellen heeft.&#8221; Hier hield hij
+zich, als wilde hij weder vertrekken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wees zoo goed en blijf, Heer Ambtman!&#8221; zeide Ulrica hem een zetel aanwijzende: &#8220;mijn broeder en ik zullen nog genoeg gelegenheid
+hebben elkander te spreken: daarenboven hebben wij thans niets te zeggen, dat geen derde hooren mag.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Al te beleefd, al te vriendelijk,&#8221; hernam Mom, altijd met een glimlach op de lippen: &#8220;wijl UEd. het verkiest zal ik blijven;
+doch ik zou misschien vrijpostiger zijn dan de Jonker: want ik (hier boog hij zich diep) heb UEd. veel te zeggen, dat een
+derde niet hooren mag.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal u van mijn tegenwoordigheid ontslaan,&#8221; zeide Joan.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Heer Baron heeft mij gelast, UEd. te vragen, of hij u niet aan de kegelbaan zou zien,&#8221; hervatte de Ambtman.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ga mij bij het gezelschap vervoegen,&#8221; zeide Joan, zich verwijderende: &#8220;doch,&#8221; vervolgde hij, terugkomende en den Ambtman
+bij de hand nemende: &#8220;vergun mij UEd. een vraag te doen, een enkele.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tot uw dienst,&#8221; zeide Mom.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kent UEd. den man, die hier afgebeeld is?&#8221; vroeg Joan, hem op de schilderij wijzende.
+
+</p>
+<p>De Ambtman vertrok geen gelaat, maar zeide zeer bedaard:
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat verbeeldt, zoo ik wel heb, den Prior Frederik van Reede.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gewis; doch heeft UEd. nooit iemand gezien, die tot model dezer beeltenis zou hebben kunnen dienen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; antwoordde Mom, droogjes: &#8220;en UEd.?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wel,&#8221; zeide Joan: en met een diepe buiging verliet hij de zaal, terwijl hem Ulrica, met bevreemding, ja met een soort
+van angst, of het hem ook in het hoofd schortte, en de Ambtman, met den spotachtigen blik, die hem sedert zijn komst niet
+verlaten had, en met een innerlijk genoegen van den jongeling verschalkt te hebben, naoogden.
+
+</p>
+<p>Joan verliet het kasteel en begaf zich naar de kegelbaan, waar de gasten nog altijd met spelen bezig waren. Toen hij kwam,
+was <a id="d0e6706"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6706">213</a>]</span>de toer juist uit, en werd hij verzocht, het getal der spelers te vermeerderen en zijn geluk te beproeven. Hij voldeed aan
+het voorstel en nam zijn bal uit de handen van Bouke aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal wezen: oppassen is de boodschap!&#8221; zeide deze tegen de spelers. &#8220;Zoo onze Jonker het nog niet verleerd is, zal hij
+de Heeren spoedig de baas zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik twijfel er aan,&#8221; zeide Joan: &#8220;ik heb in lang niet gespeeld en ben heden nog te verweerd van de reis, om naar behooren
+te spelen.&#8221; Dit zeggende, plaatste hij zich naast den Baron, die zich weder aan het spel begeven had en wachtte zijn beurt
+af.
+
+</p>
+<p>Van de aanwezige gasten hadden de Jonker van Scherpenzeel en Botbergen tot nog toe het meeste voordeel behaald: de eerste
+omdat hij goed, de laatste omdat hij buiten zijn eersten misworp, gelukkig gespeeld had. Toen nu Joan zou spelen, zagen al
+de omstanders scherp toe, omdat zij, na Boukes gezegde, een meesterlijken worp verwachtten. Joan zette den voet op de streep,
+keek even naar de kegels en wierp toen den bal over de baan op een zoo onverschillige wijze en met zooveel onoplettendheid,
+dat geen der aanwezenden dacht dat hij een kegel raken zoude. De bal rolde langzaam voort: doch toen hij bij het spel kwam,
+was het, of hij opeens een andere richting verkreeg: hij draaide zich tusschen de voorkegels door, wierp den koning omver
+en wentelde, zonder een anderen kegel te raken, weder buiten het spel.
+
+</p>
+<p>&#8220;De koning! de koning!&#8221; riepen de spelers.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat telt negen punten,&#8221; zeide Bouke: &#8220;nu, Mijneheeren! wat heb ik u gezegd? Ja, ik wist wel, dat de Jonker niet zoolang voor
+niet met mij gekegeld had.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is meer geluk dan wijsheid,&#8221; zeide de Baron. &#8220;Kom, Jonker!&#8221; vervolgde hij, zich tot Scherpenzeel wendende, lachende: &#8220;gij
+zijt tot nog toe de bol. Toon uw kunst nog eens, opdat de knaap niet denke, dat hij, omdat hij uit verre landen komt, ons
+allen de baas is.&#8221;
+
+</p>
+<p>Scherpenzeel stelde zich in postuur, keek en mikte lang, en was even gelukkig als Joan: en Botbergen, die het laatste nommer
+had, wierp insgelijks den koning om. Nu moesten zij drie&euml;n, volgens de wet van &#8217;t spel, weder overspelen, om te zien wie den
+algemeenen inleg en de boeten, bij dezen toer betaald, zou ontvangen.
+
+</p>
+<p>Even achteloos als de vorige reis, deed Joan den bal over de baan rollen, en wierp, evenals de vorige reis, den koning om.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie mij zulk een geluksvogel eens aan!&#8221; riep de Jonker van Scherpenzeel uit: &#8220;hij raakt slag op slag, zonder er eens naar
+om te zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij speelde; maar zoowel hij als Botbergen misten hun worp en Joan werd als overwinnaar begroet. Nu moest hij bij den volgenden
+toer het eerst spelen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is waarlijk voor goede spelers geen kunst,&#8221; zeide hij, &#8220;om te werpen wie de meeste kegels omwerpt. Men moet te voren
+bepalen, welke kegels men om moet werpen. Zoo spelen de Franschen en Brabanders dit spel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heb ik nooit gehoord,&#8221; zeide Scherpenzeel; &#8220;doch ik wil <a id="d0e6732"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6732">214</a>]</span>gaarne gelooven, dat het daardoor nog belangwekkender wordt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu,&#8221; vervolgde Joan: &#8220;dan moet de voorste middelkegel er aan, met den koning: daar gaan zij!&#8221; En, met meer oplettendheid
+dan te voren zijn worp verrichtende, volbracht hij zijn opgave volkomen. De overige spelers poogden hem dit na te doen; doch
+er was er geen onder hen, wien het gelukte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Pots tausent!&#8221; riep Botbergen: &#8220;zoude ik dat ook niet kunnen doen?&#8221; en deed den bal over de baan rollen. De beide opgegeven
+kegels vielen werkelijk om.
+
+</p>
+<p><span id="d0e6739" class="corr" title="Niet in bron">&#8221;</span>Dat is gewonnen!&#8221; riep hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen!&#8221; zeide Bouke: &#8220;dat is verloren. Gij hebt den koning niet met den bal geraakt: hij is alleen gevallen, omdat de voorste
+kegel er tegen aan geworpen werd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is onwaar,&#8221; hernam Botbergen, zich bij de kegels begevende: &#8220;de bal heeft wel degelijk allebei de kegels aangeraakt en
+omgegooid.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik zeg van neen,&#8221; zei Bouke.
+
+</p>
+<p>&#8220;Pots dit en dat!&#8221; vloekte Elbert: &#8220;zult gij het mij heeten liegen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal ik,&#8221; hernam Bouke: &#8220;als de maan vol is schijnt zij overal.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Houdaar!&#8221; zeide de vergramde speler, die door den drank was opgewonden; en, een der kegels opnemende, sloeg hij er den ouden
+dienaar zoo geweldig mede op &#8217;t hoofd, dat hij wankelde.
+
+</p>
+<p>Joan kon zijn getrouwen vriend Bouke niet straffeloos zien mishandelen; als een pijl van den boog schoot hij op Botbergen
+toe, greep hem met de eene hand bij den kraag en met de andere in den gordel, lichtte hem als een kind op en smeet hem over
+het houten schot buiten de baan, onder toejuiching der aanschouwers. Woedend stond Botbergen weder op, trok zijn degen, kwam
+de baan weder inloopen en snelde regelrecht op Joan aan; doch deze sloeg hem met een kegel het lemmer uit de hand.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zult mij voldoening geven voor zoo groot een beleediging,&#8221; brulde Elbert.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeer gaarne,&#8221; antwoordde Joan; &#8220;doch thans niet. Wanneer gij morgen nuchter zijt,&#8221; fluisterde hij hem zachtjes in &#8217;t oor,
+&#8220;en u te zeven uren in &#8217;t Lischboschje hierover bevinden wilt, ben ik bereid, u met pistool of degen af te wachten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal er wezen,&#8221; antwoordde Elbert, op denzelfden toon: &#8220;Heer Baron!&#8221; zeide hij hardop, zich tot Reede wendende, die hem
+met de andere Heeren stond uit te lachen: &#8220;wanneer ik hier voor spot en mishandeling niet vrij ben, kan ik niet langer uw
+gast wezen. Vergun mij, dat ik mijn afscheid neme.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit gezegd hebbende, raapte hij, zonder antwoord te wachten, zijn degen op, en begaf zich met zoo fieren tred als zijn wankelende
+beenen het hem vergunden, naar het slot, waar hij zijn paard liet zadelen om weder naar Tiel te rijden. Opgestegen zijnde
+en den stal uitrijdende, ontmoette hij op het voorplein den Ambtman, die zooeven Ulrica verlaten had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is dat, Elbert? verlaat gij ons weer?&#8221; vroeg Mom met bevreemding.
+<a id="d0e6766"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6766">215</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik moet wel,&#8221; zeide Elbert: &#8220;ik gevoel weinig lust om door dat bezopen gespuis van ginder overhoop gestoken of in de gracht
+gesmeten te worden. Ik heb het ook fiks gezeid aan den Baron, dat ik het eeuwig verd....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! gij zijt de ware held om iets fiks te zeggen,&#8221; viel hem de Ambtman met een schamperen lach in de rede: &#8220;gij hebt mij
+fraaie angsten op mijn dak gejaagd met uw zot gezwets. Ik was maar bang, dat het een of ander uit zou lekken van.... gij verstaat
+mij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Pots honderd tausent slapferment! Kon ik het gebeteren, dat die weerlichtsche knaap juist vandaag weerom zou komen. Ik had
+hem liever onderweg afgewacht en aan honderd piesjes gehakt, dan dat ik zoo gelogenstraft ware geworden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! gij hadt wat: nu! wilt ge een van mijn dienaars met u hebben? Ge zijt misschien bang alleen op den weg.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben heden niet geschikt om uw zotte schimpscheuten aan te hooren,&#8221; zeide Botbergen, gemelijk: en zijn paard de sporen
+gevende, draafde hij weg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga maar!&#8221; zeide Mom, terwijl hij hem naoogde. &#8220;Had ik ooit zulk een uiterste van bloohartigheid bij u vermoed, nooit waart
+gij mijn vertrouweling geworden. Gij zijt alleen geschikt, om, evenals de laffe jakhals, den leeuw op zijn tocht te vergezellen,
+hem zijn vijand aan te wijzen, en de brokken na te kauwen, die de koning des wouds wil achterlaten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Terwijl hij aldus den teugel vierde aan zijn ontevredenheid, was hij de brug overgegaan en trad den hof in. Hier ontmoette
+hem Magdalena.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu?&#8221; vroeg zij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu!&#8221; herhaalde Mom: &#8220;ik heb uw raad gevolgd en geen verwondering laten blijken, toen hij mij de schilderij vertoonde.
+Ik heb zelfs jegens Ulrica de edelmoedige gespeeld en haar gezegd, dat ik mijn aanzoeken terug zou nemen, bijaldien een ander
+de voorkeur in haar hart bezat. Zij weigerde met aandoening het door mij gedane voorstel, om haar vader te bewegen, haar hand
+aan Joan te schenken: het zoude mij verwonderen, indien ik door deze handelwijze geen groote vorderingen in haar achting gedaan
+had. Tracht dit wat aan te wakkeren, en ik zal mij niet ondankbaar jegens u betoonen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik begeer geen loon,&#8221; zeide Magdalena, op een verachtelijken toon: &#8220;denk slechts op de voorwaarden, waaraan de hulp, welke
+ik u bewijs, verknocht is. Ulrica zal de uwe zijn; doch gij moet haar verdienen, door de goede zaak te doen zegevieren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daaraan zijn wij bezig,&#8221; hervatte Mom, &#8220;gij kunt aan Pater Eugenio, die toch een kennis van u schijnt, bij gelegenheid wel
+eens vragen, wat ik al gedaan heb om die zaak bevorderlijk te zijn. Hij zal u zeggen, dat er in Tiel reeds meer dan honderd
+lieden bijeen zijn, die....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die niets zullen uitrichten,&#8221; viel Magdalena hem in de rede: &#8220;omdat hun oogmerken en wenschen geheel uiteenloopen niet alleen,
+maar ook tegen de onze aandruischen. Wat zal de hulp van een dronken <a id="d0e6791"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6791">216</a>]</span>Groenhof met zijn oproerkraaiende Arminianen, van een Essius met zijn lafhartige Wederdoopers, van een wraakzuchtigen Stoutenburg,
+die van God noch zijn gebod weet, en van zoovele anderen doen, om het zuiver oud geloof weder op te richten? Hun doel is,
+herstel hunner eigene grieven of wraak over geleden hoon te erlangen: en, daar dit werk niet van God is, zal het verbroken
+worden! In u stelt de verdrukte gemeente een andere hoop. Dan, wat waarborgt mij, dat gij zelf, wanneer Ulrica de uwe wezen
+zal, uw woord niet verbreken zult en, tevreden met den verkregenen bruidsschat uw dagen onbekommerd zult gaan doorbrengen
+en u onzer niet langer aantrekken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben reeds te ver gegaan om weder terug te keeren,&#8221; hernam de Ambtman: &#8220;en wat mijn woord betreft, dat heb ik nooit gebroken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet?&#8221; zeide Magdalena, op een gestrengen toon: &#8220;en den eed, dien gij aan den lande deedt, hebt gij dien behouden, toen gij
+uw trouw naderhand aan den Aartshertog verpanddet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben van dien eed door een Priester ontslagen geworden,&#8221; antwoordde Mom.
+
+</p>
+<p>&#8220;En een kettersche Predikant zal u van het aan Spanje gegeven woord even gaarne ontslaan willen.&#8212;Doch gij spreekt wel<span id="d0e6801" class="corr" title="Bron: ,">;</span> gij zijt te ver gegaan om terug te keeren, en de overtuiging daarvan stelt mij meer gerust dan al uw eeden. Dan laat ons
+scheiden eer iemand ons samen vindt, en wees zoo goed, mij aan de gebeden van den eerwaardigen Vicaris aan te bevelen.&#8221; Met
+deze woorden verliet zij hem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Den Vicaris!&#8221; mompelde de Ambtman: &#8220;dat satansche wijf weet alles! &#8217;t is en blijft, zooals ik gisteren zeide: ik heet de
+leider van het eedgespan, en ik ben alleen de houten pop, die, met onzichtbare koorden, ten dienste van anderen her- en derwaarts
+getrokken wordt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Aldus peinzende, vervolgde hij zijn weg. Hij was het met zichzelven nog niet eens, of hij over de bescherming van Ulrica&#8217;s
+kamenier tevreden moest zijn of niet. Zij toonde zich bereid, zijn inzichten omtrent haar meesteres te bevorderen; doch van
+een anderen kant had zij in zijn hart gelezen en hem niet onduidelijk te kennen gegeven, hoe zij inzag, dat, zoo hij met de
+hand van Ulrica rijke bezittingen kon machtig worden, hij om de ijdele belofte van den Aartshertog weinig meer zou geven en
+sterk overhellen om een aanslag te laten varen, die hem toch nimmer eer kon aanbrengen. Dan, de bezittingen, waarop hij vlamde,
+kon hij door de nauwgezette braafheid des Barons niet verkrijgen, tenware een derde zulks goedkeurde; en om dezen derde, dezen
+noodlottigen oom in zijn belang te winnen, begreep hij de Spaansche zijde te moeten blijven houden. Het voornaamste van alles
+scheen hem echter toe, Joan te verwijderen. De wederzijdsche genegenheid, die tusschen dezen en Ulrica bestond, was hem te
+duidelijk gebleken, dan dat hij zulk een medeminnaar niet gevaarlijk zoude achten. Hij voedde echter de bijna zekere hoop,
+dat de Baron nimmer zijn toestemming zou geven <a id="d0e6808"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6808">217</a>]</span>tot het huwelijk zijner dochter met iemand van een ongewisse geboorte, al ware het ook zijn geliefde pleegzoon: dit was hem
+uit de kennis, welke hij van de inborst des Heeren van Sonheuvel had, genoegzaam gebleken.
+
+</p>
+<p>Hij vond den Baron en zijn gasten in goede harmonie bijeen, sinds de twiststoker verdwenen was. Nadat hij zich jegens het
+gezelschap verontschuldigd had, van een gast te hebben ingeleid, die zich zoo onwelvoeglijk had gedragen, en Botbergen had
+zoeken te verschoonen door zijn buitensporigheden aan den drank toe te schrijven, verzocht hij Reede en diens pleegzoon, hem
+een oogenblik gehoor te willen verleenen, en plaatste zich met hen op een tuinbank, terwijl de overige gasten, wien het kegelspel
+begon te vervelen, zich met wandelen, praten en tabakrooken vermaakten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heer Baron!&#8221; ving hij aan: &#8220;Ik heb zooeven een gesprek met uw bekoorlijke dochter gevoerd.&#8221; Hier stond Joan op en wilde zich
+verwijderen.&#8212;&#8220;Verschoon mij, Jonker!&#8221; vervolgde de Ambtman: &#8220;uw bijzijn is hier noodzakelijk: ik zeg, ik heb aan de beminnelijke
+Ulrica mijn hoop, mijn inzichten te kennen gegeven. Zij heeft mij volmondig erkend achting voor mij te koesteren;.... doch
+ik heb duidelijk meenen te ontdekken, dat haar hart niet meer vrij was.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hier bloosde Joan sterk, en de Baron sprong driftig op: &#8220;Wat! haar hart niet meer vrij?&#8221; riep hij met verbazing en ergernis
+uit: &#8220;waar haalt gij de zotheid vandaan, Ambtman? En ik zou daar niets van weten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Verschoon mij, Heer Baron!&#8221; hernam Mom met veel bedaardheid: &#8220;een vader is doorgaans de laatste, die zoo iets verneemt. Doch
+ik kan licht bevroeden, dat een zoo beminnenswaardige Jonkvrouw als uw dochter, op haar jaren reeds een keuze gedaan heeft:
+en, wat meer zegt,&#8221; vervolgde hij langzaam, terwijl hij Joan scherp aanzag, &#8220;het zou mij zeer verwonderd hebben, indien zij
+die <span class="letterspaced">niet</span> gedaan had.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat!&#8221; herhaalde de Baron, wiens oogen de beweging van die des Ambtmans gevolgd waren: &#8220;versta ik u wel? en is....&#8221;&#8212;Hier zweeg
+hij, als wilde hij de invulling van den volzin aan Mom overlaten: doch zijn vinger wees zijn pleegzoon aan, die bleek en stijf
+als een steenen beeld voor de bank bleef staan en de oogen nauwelijks durfde opheffen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo ik mij niet bedrogen heb, ja!&#8221; antwoordde de Ambtman.
+
+</p>
+<p>De Baron zag Mom en den jongeling eenige oogenblikken beurtelings aan, terwijl eerst verbazing en vervolgens ongeloovigheid
+op zijn gelaat geschilderd waren. Eindelijk kreeg deze laatste de overhand en hij brak het stilzwijgen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar zij hebben elkaar in geen drie jaren en langer gezien!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik begeer niet, dat gij aan mijn betuiging geloof hecht,&#8221; zeide Mom: &#8220;doch vraag aan hemzelven af, welke gevoelens ook thans
+nog ten opzichte uwer dochter zijn hart beheerschen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Joan!&#8221; riep Reede in gramschap uit: &#8220;is het waarheid wat de Ambtman zegt? hebt gij mijn weldaden beloond, door mijn dochter
+te verleiden?&#8221;
+<a id="d0e6833"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6833">218</a>]</span></p>
+<p>Joan zag den Baron een oogenblik met teederheid aan, sloeg de ogen weder neder en zweeg, terwijl een gloeiend rood zijn wangen
+opnieuw bedekte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het mogelijk! Joan!&#8221; herhaalde de Baron: &#8220;Joan! ik verheugde mij zoo u terug te zien: maar nu.... ja! nu had ik liever,
+dat gij op het slagveld.... of ten minste,&#8221; zeide hij, zich hervattende, &#8220;dat gij hier ver vandaan gebleven waart.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bedaar, edele vriend!&#8221; zeide Mom: &#8220;hoe kan een zoo natuurlijke genegenheid, welke UEd. zelf heeft opgewekt, u verstoren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die ik opgewekt heb?&#8221; herhaalde Reede, met drift: &#8220;nu ja, misschien! maar kan een valkenier het helpen, dat de valk, dien
+hij van jong opvoedde, hem de oogen uitsteekt?&#8212;Wilt gij, dat ik mijn dochter geve aan.... aan....&#8221; Hier zweeg hij opeens,
+ziende dat hij te ver ging.
+
+</p>
+<p>&#8220;Aan den Jonker van Craeihorst,&#8221; hernam de Ambtman, altijd even bedaard blijvende: &#8220;is daar wat op te zeggen? Is zijn geslacht
+niet edel? is zijn adel niet zuiver?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat geslacht? wat adel?&#8221; zeide de Baron: &#8220;ja! als dat bewezen ware.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe!&#8221; zeide Mom, zich hoogst verbaasd veinzende: &#8220;is de Jonker niet uw neef? hebt gij zelf niet verhaald, dat gij hem tot
+u genomen hadt, omdat hij als hulpelooze wees overgebleven was?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een fraaie neef!&#8221; bromde de Heer van Sonheuvel: &#8220;een Spanjoolsch kind!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat hoor ik?&#8221; riep Mom: &#8220;is de Jonker een Spanjaard?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie ik ook wezen moge,&#8221; riep Joan, zich een traan uitwisschende, &#8220;een ondankbare zal ik nimmer zijn; en zoolang ik leve,
+heer Baron! zal erkentenis voor uw vaderlijke weldaden mijn boezem vervullen. Neen!&#8221; vervolgde hij, terwijl zijn stem, die
+in den beginne zwak en stamelend was, onder &#8217;t spreken vaster en fierder werd: &#8220;neen, mijn vader! gij hebt uw mildheid aan
+geen ondankbare verspild. Verre is het van mij geweest, dat ik ooit voedsel zou gegeven hebben aan de dwaze hoop, die gij,
+Mijneheeren! in mij veronderstelt. Neen! eenmaal, ik beken het, heeft een ongelukkig toeval mij een geheim doen openbaren,
+dat voor eeuwig in dit hart had verborgen moeten blijven; doch de eenvoudige gedachte aan &#8217;t geen ik u, Heer Baron! verschuldigd
+was, heeft mij belet van het spoor te wijken, dat plicht en dankbaarheid en eer mij voorschreven. Onttrek mij dus uw achting
+niet: want het gemis daarvan zou den laatsten slag toebrengen aan een bestaan, dat, reeds van mijn geboorte af, bestemd om
+zonder doel of uitzicht voortgesleept te worden, alleen door die achting nog draaglijk bleef.&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan had deze woorden met vuur gesproken, en bij het eindigen der laatste zinsnede de handen des Barons gegrepen en daarop
+een teederen kus gedrukt. Reede voelde de hand des jongelings niet zonder aandoening in de zijne geklemd, en kon niet nalaten,
+die met hartelijkheid, schoon onder het mompelen van eenige onverstaanbare woorden, die ontevredenheid moesten aanduiden,
+te drukken. Schoon het denkbeeld hem stuitte, dat zijn dochter aan iemand van een onbekende <a id="d0e6856"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6856">219</a>]</span>geboorte haar hart zou geschonken hebben, had hij echter Joan van harte lief en begeerde althans op den dag zijner terugkomst
+niet met hem in onmin te geraken wegens een onvoorzichtigheid, die jaren geleden bedreven was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, nu!&#8221; zeide hij, &#8220;jongelief! wat gedaan is, is gedaan, en gij kunt het ook niet helpen, dat wij uw familie nooit hebben
+kunnen opschommelen. Gij weet immers, mijn beste jongen! dat ik altoos veel van u gehouden heb! maar om u Ulrica te geven,
+dat zou wat kras geweest zijn, en gij deedt wel, dat gij u die geschiedenis uit het hoofd hebt gezet. Ook begrijp ik nog niet,
+vriend Mom! hoe gij aan dit alles gekomen zijt?&#8221;.... Hier zag hij dezen vragende aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik,&#8221; zeide Joan, den Ambtman ernstig aanziende, &#8220;ben u, Ambtman! kleinen dank verschuldigd, dat gij, dus ongevergd, hartsgeheimen
+niet alleen hebt uitgelokt, maar zelfs aan den dag hebt gebracht, welke &egrave;n de Freule van Sonheuvel &egrave;n ik in de eeuwige vergetelheid
+hadden gewenscht te begraven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik gevoel dat ik dit verwijt verdien,&#8221; zeide Mom, zich buigende op een vriendelijken toon: &#8220;doch ik wist niet, dat er redenen
+bestonden, welke den Baron beletten konden, zijn goedkeuring te weigeren aan een echt tusschen de Freule en u! Ik werd toevallig
+gewaar, dat gij misschien de bevoorrechte, geliefde minnaar wezen kondt, en in dit geval wilde ik geen hinderpaal voor uw
+wenschen zijn. Ook thans nog,&#8221; vervolgde hij met ernst, <span id="d0e6864" class="corr" title="Niet in bron">&#8221;</span>ook thans nog ben ik bereid, zoo de Heer van Sonheuvel omtrent dien echt van gedachten veranderen mocht, mij te verwijderen,
+ja, met een bloedend hart, doch tevens met de overtuiging van mijn plicht gedaan te hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In dat geval heb ik u verkeerd beoordeeld,&#8221; zeide Joan, &#8220;en verzoek u om verschooning.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu!&#8221; zeide de Baron, die vol blijdschap een dienaar zag naderen, welke de gasten aan den disch kwam roepen en hem uit de
+verlegenheid redde, waar hij zich in bevond, &#8220;wij zullen over dit gansche geval wel eens nader spreken. Mijn lieve Hemel!
+Pas is Joan teruggekomen, en hij heeft mijn huis op stelten gebracht! Eerst valt hij als een bom uit de lucht en krijgt hij
+ruzie met den vriend van u, Ambtman! (die waarlijk ook geen lievert is) en vervolgens hoor ik, dat hij sinds jaar en dag naar
+mijn dochter zou vrijen. Kom! kom! laten wij van middag om niets anders denken, dan om ons wel te vermaken. Ik heb nog anderen
+wijn van onze Duitsche buren gekregen, dan dien gij van dezen middag gezien hebt, en gij zult er mij uw gedachten eens over
+zeggen. Intusschen,&#8221; voegde hij er zachtjes bij, terwijl hij den Ambtman onder den arm nam en met hem slotwaarts wandelde:
+&#8220;hetgeen ik u eens gezegd heb, blijft gezegd: Joan is een beste jongen, dat is waar; doch mijn dochter hem te geven ware al
+te belachelijk! ik heb haar aan u beloofd, en zoo gij het met haar eens kunt worden, dan is alles in orde. Gij zult haar die
+liefdegrillen ook wel uit den kop praten, zoo ze er al ooit in gezeten hebben, &#8217;t geen ik niet gelooven kan; want zij heeft
+er mij nooit een woord van gezegd.&#8221;
+<a id="d0e6871"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6871">220</a>]</span></p>
+<p>Joan oogde beide Heeren zuchtend na. Nog wist hij niet recht, hoe hij over den Ambtman moest denken, noch aan welke beweegredenen
+hij diens vreemde handelwijze moest toeschrijven. Zij had den schijn van grootmoedigheid voor zich; dit kon hij niet ontkennen;
+en toch lag er iets spotachtigs in het gelaat des Ambtmans, dat hem kwalijk beviel en hem, vooral als hij nadacht over het
+gebeurde te Tiel, met wantrouwen omtrent zijn bedoelingen vervulde. Wel is waar, de proef, die hij met Mom had genomen, toen
+hij hem voor het afbeeldsel des Priors bracht, was met glans doorgestaan: doch het was mogelijk, dat de Ambtman minder dan
+Joan door de gelijkenis getroffen was geweest, of dat hij de schilderij meer gezien had en dus op de vraag voorbereid ware.
+Joan besloot eindelijk met den gevreesden man zoo spoedig mogelijk een onderhoud te hebben, ten einde al hetgeen hem nog duister
+voorkwam tot helderheid te brengen, en inmiddels niets onbeproefd te laten om zijn gedragingen en gezegden met de meeste oplettendheid
+na te gaan. Hij gevoelde, dat dit hem eenige moeite zou kosten en dat hij met voorzichtigheid zou moeten te werk gaan, daar
+de Ambtman hem slim genoeg voorkwam om zich niet licht te ontmaskeren; doch het geluk van Ulrica hing er van af, en de gedachte,
+dat het meisje, &#8217;t welk hij zoo hartstochtelijk beminde, en dat zoozeer verdiende bemind te worden, zou kunnen worden opgeofferd
+aan iemand, die haar liefde onwaardig was, trof hem te zeer, dan dat hij niet al zijn krachten zou inspannen om zijn onderzoek
+te bewerkstellingen. Dit besluit gevormd hebbende, begaf hij zich naar het slot en voegde zich bij de gasten.
+
+</p>
+<p>Van het maal, dat vervolgens plaats had, zullen wij niets melden. dan alleen, dat de aanwezigen eer deden aan den lekkeren
+wijn des Barons, en proefondervindelijk bewezen, dat hij dien niet ten onrechte geprezen had, daar zij, de een vroeger de
+ander later, wel beschonken huiswaarts keerden. Slechts de Ambtman en Joan waren nuchter gebleven; de eerste was onder voorwendsel
+van gewichtige bezigheden, vroegtijdig vertrokken, en Joan, die geen voorwendsel behoefde, daar hij zich werkelijk nog ongesteld
+bevond, kort daarna naar zijn kamer gegaan, terwijl de Baron, die mede wat diep in de flesch gekeken had, niet lang vertoefde,
+na het vertrek der gasten, om in een aangename sluimering de drukten van den dag te vergeten.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e6876" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Twee-en-twintigste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Ons afscheit was, hy zou
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Verzeker op dees uur alhier zich laten vinden.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Gysbrecht van Aemstel.
+</p>
+</div>
+<p>Het was reeds schemeravond, eer de Ambtman, van zijn tocht naar Sonheuvel te Tiel terugkwam. Nauwelijks had hij den feestelijken
+dos, dien hij ter eere des Barons en de schoone Freule had aangehad, <a id="d0e6891"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6891">221</a>]</span>voor den huispels verwisseld, toen Pater Eugenio, na zich onder den naam van Van Dyk te hebben doen aanmelden, het vertrek,
+waarin hij bij den haard gezeten was, binnentrad.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik verlangde reeds u te zien, Pater!&#8221; zeide Mom: &#8220;om van u te vernemen, wat hier sedert mijn afwezigheid al is voorgevallen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik,&#8221; zeide Eugenio, &#8220;ben begeerig om te hooren, of UEd. met den zoogenaamden Jonker van Craeihorst tot een verklaring
+hebt moeten komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe! gij wist dan reeds?....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat de man, dien wij gisteren voor een Remonstrantschen Proponent hielden, de pleegzoon van uw aanstaanden schoonvader was?
+Ja, dat wist ik reeds, voordat uw heldhaftige vriend Elbert van Botbergen mij zulks kwam vertellen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alles is wel afgeloopen, zonder verdere opheldering van het voorgevallene.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En hoe was de schoone Jonkvrouw te moede?&#8221; vroeg Eugenio: &#8220;betoonde zij geen blijdschap over de terugkomst van haar vriend
+en voedsterbroeder?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Meer dan mij lief was, heeft haar die terugkomst aangedaan.&#8221; antwoordde Mom, verwonderd opziende, dat Eugenio ook de betrekkingen
+scheen te kennen, die er tusschen Joan en Ulrica bestonden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Alzoo een medevrijer!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, en die vrij ontijdig opkomt. Ik vlei mij echter dat ik bij den vader een witten voet heb en dat de dochter achting voor
+mij heeft. Niettemin ware het mij aangenaam, zoo die knaap van hier was. Botbergen heeft zich met het geval bemoeid, en bijna
+had hij de zaak verkorven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat die zorg aan mij over,&#8221; hernam de Jezu&iuml;et: &#8220;eer vier weken ten einde zijn, moet gij de echtgenoot der Freule van Sonheuvel
+wezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, doch er is nog een <span class="letterspaced">maar</span>....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat de bezittingen des Barons betreft?&#8212;nu ja, die zwarigheid zal ook wel opgeheven worden: de oom, of liever de schoonvader
+in <span class="letterspaced">quaestie</span>, zal gaarne zijn schriftelijke toestemming geven tot een huwelijk met den Heer Ambtman.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zijt, dunkt mij, van alles onderricht, en ik zie hoe langer hoe meer in, dat ik best zal doen, u blindelings al mijn
+zaken te laten besturen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met raad en daad sta ik mijn vrienden altijd ten dienste,&#8221; zeide Eugenio, zich buigende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik erken die goedheid dankbaar,&#8221; herman de Ambtman: &#8220;gij kent dan dien schoonvader?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Of ik hem ken? ik ben gisteren en heden met hem in <span class="letterspaced">conferentie</span> geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij is hier!&#8221; riep de Ambtman: &#8220;en waar vinde ik hem? Zoo haast ik mij, hem op te zoeken en mij in zijn bescherming aan te
+bevelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan ware alles verkorven. De Vicaris weet niet, dat gij aan het hoofd van het eedverbond staat: en indien hij van deze omstandigheid
+<a id="d0e6938"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6938">222</a>]</span>kennis droeg, ware die genoegzaam om hem zijn toestemming te doen weigeren. De goede Vicaris gaat nog verder dan Filippus
+van Macedoni&euml;: hij bemint noch het verraad, noch de verraders.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe!&#8221; riep Mom, opvliegende: &#8220;wat bedoelt gij? Zoo het niet uit eerbied voor uw stand ware, Pater! ik wierp u het venster
+uit.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zou een slechte belooning zijn voor de getrouwe diensten, die ik u bewezen heb en nog denk te bewijzen,&#8221; zeide Eugenio
+met veel koelheid: &#8220;ik had ook geen voornemen om u te beleedigen; ik wilde u alleen den Vicaris beter leeren kennen. Laat
+alles gerust aan mij over, en, ik herhaal het: binnen vier weken is alles naar uw wensch geschikt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Was die Vicaris, wien ik oogluikend zijn broederen heb laten vergaderen in het klooster, de grootvader van Ulrica? Hoe vreemd
+loopt alles samen! En wat heeft de vrome man aan de broederen verhaald?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij heeft hun gisteren zijn <span class="letterspaced">Credentialen</span> getoond en heden heeft hij hun een predikatie voorgedragen om hen tot lijdzaamheid en onderwerping aan te manen. Gelukkig
+had hij weinig toehoorders en luisterde niemand naar zijn ontijdige zedenlessen, Zijn doel was, geloof ik, den indruk van
+mijn aansporingen tot afschudding van het juk krachteloos te maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Was het? ik meende, dat hij juist afgevaardigd ware, om door zijn invloed al de Roomschgezinden te nopen, het hunne bij te
+dragen om de bestaande orde van zaken om te keeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijn invloed!&#8221; herhaalde Eugenio met een verachtelijken glimlach: &#8220;die heeft nooit iets te beduiden gehad. Pater Ambrosio
+is een van die kleingeestige dwazen, die, hoezeer zij hetzelfde doel wenschen te bereiken, dat wij ons voorstellen, tegen
+de middelen schrikken, wanneer zij niet volkomen strooken met hun nauwgezette denkbeelden van rechtvaardigheid en eerlijkheid.
+Zij laten hun handelwijze van hun zedenkunde afhangen, in de plaats van deze aan hun oogmerken ondergeschikt te maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En,&#8221; vroeg Mom, na eenige oogenblikken zwijgens: &#8220;hoe heeft die bezopen Predikant het gemaakt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Groenhof?&#8212;O! die heeft voor zijn toehoorders een uitmuntend sermoen gehouden, doorspekt met bijbelsche aanhalingen, zoo fijn
+bijeengehaald, dat ik bij mij zelven dacht, hoe het toch mogelijk was, dat men zoovele aanmaningen tot moord, roof en muiterij
+kon halen uit een boek, &#8217;t welk liefde prediken moet. Onze kerk heeft wijselijk gehandeld, dacht ik, toen zij verbood dat
+de bijbel in alle handen kwame; want men kan met de letter van de Schrift toch alles goedmaken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarlijk,&#8221; zeide Mom met een schamperen lach: &#8220;ik dacht niet, dat gij bijwijlen zulke goede gedachten hebben kondt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zulke mannen als Groenhof zijn goud waard,&#8221; vervolgde Eugenio, veinzende de aanmerking van den Ambtman niet te hooren: &#8220;waarlijk,
+ik zou gaarne zulk een medelid in onze Soci&euml;teit hebben, mits hij wat minder aan den drank verslaafd ware.&#8221;
+<a id="d0e6963"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6963">223</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Nu genoeg van hem.&#8212;En Stoutenburg?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar heb ik een taai gesprek mede gehad. Hij heeft in Den Haag, Rotterdam en Leiden aanhangers genoeg, meest warme vrienden
+van den Advocaat, en mannen, waar men in tijd van nood op rekenen kan. Doch hij wil, alvorens iets te beginnen, zijn broeder
+Groenevelt en zijn zwager Van der Myle tot zijn zijde overhalen. Zoo &#8217;t echter wezen moet, maakte hij, ook zonder hun hulp,
+zich sterk, om de goede zaak op &#8217;t krachtigst voor te staan, door den vijand in folio te vermoorden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een stout voornemen!&#8212;En de Wederdoopers?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zijn zotten, die geen knip voor den neus waard zijn. Zij willen geen zwaard opnemen en zouden zich, als de Joden onder
+Antiochus op den sabbat, zonder zich te verdedigen, laten vermoorden. Hier kunnen zij ons geen dienst doen; doch ik heb hen
+het land rondgestuurd om door ingevingen en boetpreeken het gemeene volk tegen het bestuur op te ruien. Op zulk een wijze
+doen zij ons hetzelfde nut als de ballingen, die inmiddels uit Antwerpen en Brussel het land met blauwboekjes beschieten.&#8212;Ondertusschen
+heb ik al de eedgenooten, waar ik zeker van ben, naar huis gestuurd: zij kunnen ons daar veel meer nut doen, door nieuwe hulp
+aan te werven, dan hier, waar zij slechts vermoedens opwekken. Wat de zwakken betreft, die houde ik hier om hen door Preys,
+Leendertz en Groenhof te laten opwinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En gij zelf?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik moet morgen weder van hier. Mijn tegenwoordigheid in Den Bosch zal weldra noodzakelijk zijn: want zooeven ontvang ik de
+tijding, dat de Aartshertog overleden is<span id="d0e6976" class="corr" title="Bron: ,">.</span>&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Overleden! En zijn beloften? Wie waarborgt mij, dat zij zullen worden nagekomen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik,&#8221; antwoordde de Jezu&iuml;et: &#8220;ik, die niet gewoon ben, mijn plannen te laten varen; doch daarom juist worde ik in Den Bosch
+vereischt.&#8212;Dan, van wat anders: mij is bericht, dat de Spotkoning van Bohemen herwaarts komt: Graaf Hendrik Frederik moet
+hem halverwegen gaan ontvangen. Tracht dezen onder &#8217;t een of ander voorwendsel hier ter stede te lokken, of maak, dat ge in
+allen gevalle een geheim mondgesprek met hem houdt: dat zal genoeg zijn om aan onze Remonstrantsche medeverbondenen de vaste
+overtuiging te geven, dat hij, gelijk ik hun verhaald heb, aan het hoofd van den aanslag staat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uitmuntend gedacht! doch hoe dit best overlegd? Gij weet, dat de Nassausche Vorsten altijd bij verrassing reizen, en dat
+men zelden hoort, dat zij er geweest zijn, voordat zij weder zijn vertrokken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vergeet gij dan mijn kwaden Engel, die ons van alles onderricht?&#8212;Vrees niets, eer &#8217;t jaar een dag ouder is, zal deze u een
+middel aan de hand doen, of zelf misschien den Graaf herwaarts leiden. Is hij eens hier, dan wordt hij zoodanig met Arminiaansche
+smeekschriften bestormd, ja zoowel in den schuurzak gebracht, dat, al mislukte onze geheele onderneming, de beide broeders
+in gezworen vijandschap geraken moeten.&#8221;
+<a id="d0e6987"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e6987">224</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Gij blijft de spreuk getrouw, Pater, die men zegt dat uw genootschap voert: <span lang="la">divide et impera</span><a id="d0e6992src" href="#d0e6992" class="noteref">1</a>. Maar, is er van dezen nacht nog iets voor mij te verrichten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niets anders dan gerust naar bed te gaan, Heer Ambtman!&#8212;Morgen te elf uren spreken wij elkander nader bij Klaas Meinertz.
+Thans hebben wij beiden rust noodig. UEd. is vermoeid, en ik moet morgen nog uit op een geheimen tocht voor uw belang....
+en voor mijn wraak,&#8221; voegde hij er grijnzend bij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik begrijp niet, hoe die samengepaard kunnen gaan,&#8221; zeide Mom, met verwondering, ja met een soort van angst de afzichtelijke
+uitdrukking bespeurende, welke Eugenio&#8217;s trekken aannamen: &#8220;doch ik twijfel niet of beide zijn u wel aanbetrouwd. Tot wederziens
+dan,&#8221; voegde hij er bij, den Pater naar de deur geleidende. Deze verliet hem en Mom begaf zich naar bed, met een mengeling
+van gevoelens, die, zoo zij hem al niet uit den slaap hielden, hem zeker beletteden, de rust des rechtvaardigen te smaken.
+
+</p>
+<p>Sliep Joan geruster op het slot te Sonheuvel? Wij mogen, na al het gebeurde van den dag, daaraan twijfelen. Hoe het zij, te
+zes uren had hij zijn legerstede reeds verlaten en zich, geheel gekleed, naar de wapenkamer begeven. Na te dier plaatse eenige
+oogenblikken vertoefd te hebben, wikkelde hij zich in een grooten mantel, trok ongemerkt het kasteel uit, en ging den tuin
+door, met oogmerk om zich door het achterpoortje naar het Lischbosch te begeven.
+
+</p>
+<p>In het derwaarts gaan moest hij de kegelbaan voorbij, en een niet onnatuurlijke zielsopwelling deed hem het oog wenden naar
+de plaats, waar hij zijn vijand had uitgedaagd: dan op datzelfde oogenblik voelde hij zich bij zijn mantel trekken, en zich
+omkeerende, zag hij Bouke voor zich staan. Deze was reeds vroeger uitgegaan om de kegels weg te gaan sluiten, &#8217;t welk den
+vorigen avond vergeten was. In alle andere oogenblikken zou Joan door zijn ouden vriend met genoegen aldus zijn verrast geweest;
+doch thans veroorzaakte de ontmoeting van Bouke bij Joan eenige verlegenheid. Hij gevoelde dat het scherpziend oog van den
+ouden dienaar het oogmerk van zijn geheimzinnigen uittocht licht doorgronden zoude, en gaarne had hij een onderhoud vermeden,
+&#8217;t welk hij nu voorzag, dat noodzakelijk plaats moest hebben. Hij beantwoordde dus Boukes morgengroet kortaf en zag met een
+verstrooiden blik in &#8217;t rond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel kijk!&#8221; zeide Bouke: &#8220;geen jager zoo vroeg in &#8217;t veld, of de strooper was er nog vroeger. Moet je al zoo vroeg er op uit,
+Jonker?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat mij gaan,&#8221; zeide Joan: &#8220;laat mij gaan Bouke! ik heb haast.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hei! hei! die haast wordt, haast ontwordt,&#8221; hernam de oude dienaar: <span id="d0e7009" class="corr" title="Niet in bron">&#8220;</span>&#8217;t zijn go&ecirc; spillekens, die zacht draaien en lang loopen. Weet je wat, Jonker? Je meugt zooveel haast hebben als je wilt,
+je zult toch moeten lijden, dat mijn olde beenen met je jonge beenen pas houden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik moet alleen uit, beste vriend,&#8221; zeide Joan, zich los willende maken.<span id="d0e7014" class="corr" title="Bron: &#8221;"></span>
+<a id="d0e7016"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7016">225</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Kom!&#8221; zeide Bouke: &#8220;met go&ecirc; gemak raakt men ook voort: ijlen maakt uilen, en men zal zoo haast gaan als loopen. Alleen laat
+ik je niet gaan; dat is eens vooral bij mij bepaald; want je hebt nu zoo lang op je eigen beenen rondgezwalkt, Jonker! dat
+ik voor den tijd, dat je hier zijt, je kameraad wel weder wezen mag.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik herhaal nogmaals ernstig, Bouke! dat ik u verzoeken moet, mij te verlaten, ik moet iemand alleen gaan spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat weet ik,&#8221; zeide Bouke: &#8220;denk je, dat ik die degens en pistolen onder je mantel niet voel? Dat ik niet weten zou wat je
+in &#8217;t schild voert? Men ziet aan &#8217;t been wel, waar de hoos gescheurd is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo gij mijn voornemen raadt, zult gij ook best begrijpen, waarom ik niemand kan medenemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat begrijp ik heel wel,&#8221; hernam de onverzettelijke Bouke: &#8220;maar ik begrijp ook heel wel, waarom ik me&ecirc; wil gaan. Je wilt
+met Botbergen gaan vechten, en daar heb ik niet tegen; dat schoelje verdient wel een por in de huid; maar denk je, dat zoo
+een bloode schelm alleen zal komen? Jawel, of hij &#8217;t laten zal. Hij zal ook denken: beter blood Jan als dood Jan: en opdat
+je niet in ongelegenheid raakt, zal en wil ik met je gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bouke! voor de eerste reis van mijn leven zult gij mij toornig op u maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Praat maar, praat maar en ga uw weg! ik ga met: goed voorgaan doet goed volgen. Je zult mij hier op de plaats moeten doodschieten
+eer ik je verlaat. Die schelm mocht je verlakken: en een blindeman schiet ook wel eens raak.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Als het dan zoo wezen moet, ga dan in &#8217;s Hemels naam met mij: doch onder &eacute;&eacute;n voorwaarde: vinden wij mijn partij alleen, dan
+ga je terstond weder terug.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat &#8217;s afgesproken!&#8221; riep Bouke verheugd: &#8220;en nu er maar op los gegaan. Ik zal mij wel luikes houden: die een schurk wil
+va&ecirc;n, daar moet er een achter de deur staan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Stilzwijgend trad nu onze held, gevolgd van zijn ouden en getrouwen vriend, het achterpoortje uit en begaf hij zich den weg
+op naar den Rijnkant. Na verloop van eenige minuten waren zij aan het Lischboschje gekomen, zijnde de plaats, waar onze lezers
+zich herinneren, dat Joan zijn partij bescheiden had. Dit boschje bestond uit een paar morgen gronds met elzen en wilgen beplant,
+en die, &#8217;s winters meestal onder water staande, met lisch en biezen waren opgevuld en hierdoor tot een geliefkoosd verblijf
+aan de eenden en watersnippen verstrekten; waarom de plek ook in den jachttijd alleen bezocht werd en men er in het voorjaar
+zonder vrees van gestoord te worden een samenkomst kon houden. Een laan deelde het boschje in twee gelijke deelen, terwijl
+andere smalle paadjes het in verschillende richtingen doorslingerden. Men kwam er langs een pad, breed genoeg om aan een ruiter
+den vrijen toegang te vergunnen. Op dit pad ontdekte Joan de nog versche sporen van een paard, hetwelk van den Rijnkant moest
+gekomen zijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij moet reeds binnen zijn,&#8221; zeide Joan tot zijn metgezel: &#8220;en klaarblijkelijk is hij alleen. Gij kunt dus weder vertrekken.&#8221;
+<a id="d0e7039"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7039">226</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Niet voordat ik overtuigd ben, dat er geen twee op het paard gezeten hebben,&#8221; antwoordde Bouke, en het pad opgaande wilde
+hij in zijn drift den Jonker vooruitsnellen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet alzoo, Bouke!&#8221; zeide Joan: &#8220;wilt gij volstrekt zien, hoe het er mede staat, verberg u dan hier of daar; doch draag zorg,
+dat men u niet zie. Ik wil geen vermoeden bij mijn vijand doen ontstaan, dat ik een helper met mij genomen heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar staat die lange slungel al aan &#8217;t einde van de laan,&#8221; zeide Bouke zachtjes: &#8220;ga hem maar te gemoet: ik verschuil mij
+hier.&#8221; Dit gezegd hebbende, sloop hij tusschen het hakhout, en, een der hem bekende slingerpaadjes ingaande, kwam hij weldra
+niet verre van de plaats, waar Joans wederpartij, in een grooten mantel gewikkeld, tegen zijn paard stond te leunen. Joan,
+de rechte laan, welke hij ingeslagen was, volgende, naderde den ruiter, groette hem beleefdelijk en wilde hem aanspreken,
+toen deze hem, bij &#8217;t afnemen van zijn hoed niet de gevulde trekken van Elbert van Botbergen, maar het mager gelaat van den
+Arminiaan Van Dyk deed herkennen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat heeft dit te beduiden?&#8221; vroeg Joan, verbaasd terugtredende: &#8220;ik dacht hier....&#8221;&#8217;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij dacht hier den Heer van Botbergen te vinden,&#8221; zeide de Jezu&iuml;et: &#8220;en het is u leed, dat gij buiten de mogelijkheid gesteld
+wordt, het bloed van uwen naaste te plengen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik had zeker moeten begrijpen,&#8221; hervatte Joan: &#8220;dat de laffe schurk geen moeds genoeg zou bezitten om zijn logens hier met
+het zwaard te komen staande houden; maar ik dacht weinig dat hij een zetsman in zijn plaats zou sturen: en althans u niet,
+die, gelijk ik eergisteren meen ontdekt te hebben, tot den geestelijken stand behoort.&#8212;Doch, waarom u niet? Eerst noemdet
+gij u een Remonstrant: toen vond ik u in gezelschap van Roomsche priesters: nu treedt gij misschien als spadassijn op en komt
+u met mij meten. Is dit laatste het geval, zoo ben ik tot uw dienst.&#8221; Hier opende Joan zijn mantel en haalde twee gelijke
+degens en een koppel pistolen voor den dag.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij misduidt mij, jongeling!&#8221; zeide Eugenio, de wapens afwijzende, welke hem werden aangeboden, &#8220;als geestelijke kom ik hier,
+om woorden van vrede tot u te spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Woorden van vrede!&#8221; herhaalde Joan, met een verachtelijker glimlach: &#8220;gevoelt de Heer van Botbergen berouw over de mij aangedane
+beleedigingen, zoo laat hij op het slot des Barons komen, en aldaar, in tegenwoordigheid van al de edele Heeren, die er gisteren
+te gast waren, zijn logens intrekken en mij verschooning vragen. Ziedaar de eenige voorwaarden, waarop ik den ellendigen bloodaard
+zijn welverdiende straf zal laten ontgaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik vrees,&#8221; hernam de zoon van Lojola, &#8220;dat de Heer van Botbergen moeilijk aan zulke voorstellen zal gehoor verleenen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom dan is hij zelf niet gekomen&#8221; vroeg Joan: &#8220;hij heeft mij nu het recht gegeven, door de gansche wereld te gaan verbreiden,
+dat hij een laffe logenaar is, die noch moeds genoeg heeft om zijn woorden staande te houden, noch eerlijkheids genoeg, om
+te bekennen, <a id="d0e7060"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7060">227</a>]</span>dat hij schuld gehad heeft. Gij hebt nu mijn voorwaarden gehoord. Mijnheer! en wij hebben verder niets af te handelen. Ik
+heb de eer u te groeten.&#8221; Dit zeggende, lichtte hij den hoed af en wilde zich verwijderen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een oogenblik, jongeling!&#8221; zeide Eugenio, hem den weg afsnijdende: &#8220;ons gesprek is nog niet afgeloopen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hebt gij mij niet verstaan?&#8221; vroeg Joan, hem met fierheid aanziende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeer wel,&#8221; hernam de Pater: &#8220;maar gij hebt mij nog niet verstaan. Ik heb over zaken van meer gewicht met u te spreken, dan
+over een ellendige dronkenmanskibbelarij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij schijnt den oorsprong van den twist niet te kennen,&#8221; zeide Joan, terwijl zijn oogen van drift fonkelden, &#8220;of gij hadt
+er een anderen naam aan gegeven. Weet gij de schandelijke praatjes, welke die lafbek omtrent mij heeft durven houden in tegenwoordigheid
+van menschen, op wier achting ik prijs stel? Weet gij, dat hij met boosaardigen laster mijn goeden naam, het eenigst dat ik
+op aarde het mijne kan noemen, heeft aangerand?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet dit alles,&#8221; zeide Eugenio: &#8220;doch ik weet ook, dat de wijze zich aan geen zotteklap stoort.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik maak geen aanspraak op den naam van wijze,&#8221; hernam de jongeling: &#8220;maar ik ben een man van eer en draag een degen op zijde:
+dit had die lage knaap moeten bedenken, eer hij mij hoonen durfde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben geen <span class="letterspaced">casu&iuml;st</span>,&#8221; zeide Eugenio: &#8220;en verlang dus in geen redetwist met u te komen over een punt, dat mij tamelijk onverschillig is. Iemand
+van mijn stand kan moeilijk bepalen, in welke gevallen het plichtmatig of slechts geoorloofd is, het staal tegen zijn naaste
+te ontblooten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zijt dus een geestelijke?&#8221; hernam Joan: &#8220;doch tot welke Kerk gij behoort is mij nog duister, daar ik u in verschillende
+betrekkingen heb gezien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik behoor tot de eenige ware Kerk,&#8221; zeide de Jezu&iuml;et.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zeggen alle geestelijken,&#8221; hernam Joan: &#8220;doch wat u betreft, gij komt in tweeledige opzichten voor den dag.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij spot met mij, jongeling! dit heb ik aan u niet verdiend. Dit hadde uw vader niet gedaan,&#8221; zeide Eugenio, met een ernstigen
+blik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn vader!&#8221; riep Joan: &#8220;Kent gij den Baron van Sonheuvel dan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie spreekt van dien moordenaar?&#8221; vroeg de Jezu&iuml;et, terwijl hij zijn stem op eens tot haar vollen omvang verhief, als een
+woedende stier door de neusgaten blies en de groote oogen strak op den jongeling gevestigd hield, om den indruk te ontdekken,
+dien zijn woorden maken zouden: &#8220;ik spreek van uw vader, uw wezenlijken, natuurlijken vader?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn God! kent gij hem?&#8221; vroeg Joan, terwijl hij met siddering den Jezu&iuml;et naderde en diens handen in de zijne drukte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij was mijn vriend,&#8221; zeide Eugenio, den jongeling aan zijn boezem sluitende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij was!.... hij is dan niet meer?&#8221; vroeg Joan, de armen latende vallen.
+<a id="d0e7097"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7097">228</a>]</span></p>
+<p>&#8220;In den bloei van zijn roemvol leven, na de edelste en heldhaftigste bedrijven verricht te hebben, werd de brave Velasco als
+een weerloos lam op de schendigste wijze vermoord<span id="d0e7100" class="corr" title="Niet in bron">.</span>&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Velasco mijn vader!&#8221; riep Joan: &#8220;en op een schendige wijze vermoord? O! noem mij den moordenaar, en deze hand zal in zijn
+bloed de schande uitwisschen, die mij drukt, dat ik hem zoolang ongestraft liet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De jager, die den ouden leeuw in zijn kuil heeft omgebracht,&#8221; hernam de Jezu&iuml;et, &#8220;laat somtijds den leeuwenwelp in &#8217;t leven
+en voedt hem op uit zucht naar gewin. De booswicht, die Velasco bij zijn leven niet in de oogen durfde zien en hem na zijn
+dood bespotte, bracht den zoon op, die eenmaal des vaders moord hem vergelden zal.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O God!&#8221; riep Joan, de handen wringende; &#8220;zegt gij waar? was de Baron van Sonheuvel....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uws vaders moordenaar.&#8212;Twijfelt gij aan de waarheid mijner woorden, er bestaan levende getuigen, die haar kunnen bevestigen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen!&#8221; zeide Joan: &#8220;de edele, deugdvolle man, die mij nooit anders dan goede lessen gaf, die mij altijd als kind beminde,
+kan geen moord hebben gepleegd! De oorlog maakte hem en mijn vader tot vijanden: en de dood van dezen zou door een ongelukkig
+samentreffen kunnen zijn veroorzaakt: doch een moord!.... onmogelijk.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Lees de geschiedenissen van zijn tijd,&#8221; zeide Eugenio met koelheid: &#8220;daar staat het gedrukt, hoe het lijk van Velasco door
+een bloeddorstigen en wraakgierigen overwinnaar mishandeld werd. Doch, ik begrijp licht,&#8221; voegde hij er bij, met een verachtelijken
+blik, &#8220;dat de oogen van den minnaar der schoone Ulrica de bloedvlek niet kunnen zien, die haars vaders handen bezoedelt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mensch!&#8221; riep Joan radeloos uit: &#8220;martel mij niet op een zoo verschrikkelijke wijze.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo zijn de dwaze stervelingen altijd,&#8221; hernam Eugenio: &#8220;even onmachtig om de tegenheden als om de vreugde te dragen: eerst
+waart gij opgetogen en verrukt van blijdschap, omdat gij het geheim uwer geboorte hooptet te leeren kennen; ongelukkig legt
+de kennis van dit geheim u een lastigen plicht op, en dadelijk verwenscht gij hem, die de moeite nam, het u te ontvouwen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet niet,&#8221; zeide Joan, terwijl hij de hevige gemoedsbewegingen, welke bij hem oprezen, poogde te onderdrukken, om in
+een zoo verscheurend oogenblik den vreeselijken onbekende met eenige bedaardheid te kunnen aanhooren: &#8220;ik weet niet wat gij
+bedoelt, noch welken plicht gij mij wilt opleggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik leg u geen plicht op,&#8221; zeide de Jezu&iuml;et: &#8220;ik heb u reeds gezegd, dat ik slecht kan beoordeelen wat uw eer en uw naam,
+waarvan gij den mond zoo vol hebt, van u vorderen: wel is waar, een ander, die minder met woorden schermde en wat meer innerlijk
+gevoel bezat, zou de vraag, welke gij mij doet, niet behoeven op te werpen. Gij zelf hebt die reeds beantwoord, toen gij een
+oogenblik geleden den dood zwoert aan uws vaders moordenaar. Toen sprak <a id="d0e7123"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7123">229</a>]</span>uw hart: toen hoorde ik de taal, welke den zoon, den man van eer betaamde. Die kreet was in overeenstemming met de laatste
+woorden uws vaders, wanneer hij, op last van den laaghartigen Reede vermoord, in mijn armen nederzeeg, het brekend oog op
+u sloeg en mij met stervende lippen toevoegde: voed hem op tot mijn wreker. Het eerste gedeelte van dat bevel kon ik verrichten:
+het laatste: die uiterste wensch van een stervenden vader, staat aan u te vervullen: en wee den zoon die aan &#8217;s vaders laatsten
+wensch niet wil voldoen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kan ik,&#8221; vroeg Joan, &#8220;mijn zwaard opheffen tegen den man, die mij met zijn brood heeft gevoed?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij stelt het vraagpunt verkeerd,&#8221; zeide Eugenio: &#8220;vraag liever: kan ik den man als vijand behandelen, wiens dochter ik liefheb?&#8212;dan
+zult gij beter uw wezenlijke meening uitdrukken. Doch ik heb u geheel verkeerd beoordeeld, en tot mijn leedwezen; want de
+bijdragen tot menschenkennis, die men op dusdanige wijze vergadert, zijn niet van de aangenaamste. Mijn boodschap aan u is
+verricht, en ik moet u verlaten met den wensch, dat gij met een gerust geweten de weldaden van uws vaders moordenaar moogt
+blijven aannemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een oogenblik!&#8221; riep Joan, hem met drift terughoudende: &#8220;tegen hem, die mij van mijn kindsheid af heeft welgedaan en als
+vader behandeld, mag ik geen onbewezene beschuldigingen aannemen. Welke waarborgen geeft gij mij voor de echtheid van uw verhaal?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welke waarborgen?&#8221; herhaalde de Jezu&iuml;et: &#8220;dan, gij hebt gelijk: het is in den tegenwoordigen tijd voorzichtig, niemand op
+zijn woord te gelooven, althans geen vreemdeling. Doch, vraag het aan den moordenaar zelven, vraag het aan zijn bloeddorstige
+medehelpers, vraag het aan uw oom, den ook in Nederland hooggeachten Don Louis; lees het in uw historieschrijvers, die op
+dit punt ten minste der waarheid zijn getrouw gebleven;.... doch ik spreek in den wind: voor hem, die liefst niet overtuigd
+wil wezen, helpen geen bewijsgronden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Z&oacute;&oacute; laat ik u niet gaan,&#8221; zeide Joan, terwijl hij den Jezu&iuml;et tegenhield, die zich zocht te verwijderen: &#8220;gij zijt mij meerdere
+opheldering schuldig.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tot uw dienst,&#8221; hervatte Eugenio: &#8220;doch maak het kort. Mijn tijd is kostbaar, en mijn leven is hier niet zeker.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik sta voor uw leven in,&#8221; zeide Joan haastig: &#8220;doch antwoord mij. Gij noemdet zooeven mijn oom? Waarom heeft hij mij tot
+heden geweigerd te erkennen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vraag hem dit zelf,&#8221; antwoordde de Jezu&iuml;et: &#8220;hij is in Den Bosch, en zal u geenszins weigeren, u zijn gedrag op te helderen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is dan Don Louis, die u tot mij gezonden heeft?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Don Louis weet dat ik u zou opzoeken: doch herinner u hetgeen ik u gezegd heb: ik had van uw vader zelven een last bekomen,
+dien ik vervullen moest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En waarom draaldet gij hiermede dan zoo lang?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben u omtrent mijn gedrag geen rekenschap verschuldigd,&#8221; <a id="d0e7149"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7149">230</a>]</span>antwoordde Eugenio met hoogheid: &#8220;en al wilde ik dit, de tijd laat mij zulks niet toe.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar kan ik u dan nader spreken? Waar vind ik u weder?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In Den Bosch, bij uw oom: vraag hem daar slechts naar Pater Eugenio. Vroeger ziet gij mij niet terug. Denk intusschen eens
+na over hetgeen ik u zeide, onderzoek alles en overweeg uw plicht.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit zeggende, sloeg de Jezu&iuml;et, zijn paard bij den toom leidende, de laan in, die hem buiten het boschje voeren moest. Joan
+bleef, als door den donder getroffen, eenige oogenblikken staan. Dan opeens rees in zijn ziel een gedachte op, welke hij zelf
+niet besefte dat nu eerst bij hem opkwam. Hij snelde den Jezu&iuml;et achterna, en, hem bij den arm grijpende, riep hij uit:
+
+</p>
+<p>&#8220;En mijn moeder?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In Den Bosch zal aan uw nieuwsgierigheid voldaan worden,&#8221; antwoordde Eugenio, terwijl hij zich losrukte en verder voortstapte.
+Dan nauwelijks was hij buiten het boschje en op den weg gekomen, of een stevige vuist greep hem in den nek en deed hem tegen
+zijn paard aantuimelen.
+
+</p>
+<p>Het was Bouke, die hem op een zoo onvriendelijke wijs begroette. Deze had zich, gelijk boven verhaald is, niet ver van de
+plaats, waar het onderhoud voorviel, in &#8217;t boschje verscholen. De wind had hem wel belet om juist te verstaan alles wat er
+gezegd werd; doch eenige weinige woorden, luider dan de overige gesproken, hadden hem doen beseffen, dat er een kwaad opzet
+tegen zijn Heer gebrouwen werd. En dit vermoeden sloeg tot overtuiging over, toen hij, na lang op het gelaat van den vreemdeling
+getuurd, en op het einde der samenspraak zich een weinig naderbij begeven te hebben, den Jezu&iuml;et van de Katholieke Hofstede
+herkende; want schoon er sinds dien tijd twintig en meer jaren verloopen waren, behoorden de gelaatstrekken van Eugenio onder
+diegene, welke men niet licht vergeet, na ze eens aanschouwd te hebben. Met ijzing en afschuw zag hij den gevreesden booswicht
+aan; dan nog bleef hij twijfelen; want hij had gezien, hoe zijn Joan, zijn vriend en leerling, op den toon der vertrouwelijkheid
+met den onbekende gesproken, ja, hem zelfs de handen gedrukt had. Eindelijk werd zijn onzekerheid weggenomen, toen de Pater,
+bij het afscheid nemen, zijn naam noemde, dien naam, welke den braven Bouke zoo verfoeilijk was. Hij nam nu het vast besluit,
+deze reis den booswicht niet, gelijk de vorige keeren, te laten ontkomen. Zorgvuldig gleed hij door het kreupelhout terug
+en nam juist het oogenblik waar, dat Eugenio zijn paard wilde beklimmen, om voor den dag te springen en hem, gelijk wij gemeld
+hebben, met kracht aan te grijpen. &#8220;Ja,&#8221; riep hij, &#8220;loontje komt om zijn boontje! Deze reis zult gij mij niet ontsnappen!&#8221;
+Eugenio, schoon doorgaans op zijn hoede, en altijd tegen een aanval gewapend, was niettemin op zulk een plotselijke aanranding
+niet bedacht. Hij herstelde zich echter spoedig, en daar Bouke, die de armen hem om &#8217;t lijf hield, hem belette, de hand bij
+zijn pistolen te brengen, greep hij dezen onder de okselen en trachtte hem op te tillen om hem van zich af te werpen, terwijl
+hij <a id="d0e7163"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7163">231</a>]</span>hem terzelfder tijd voor struikroover uitschold.&#8212;Joan, zelf onthutst over hetgeen hij geschieden zag, wierp zich tusschen
+de beide strijders, die met dezelfde woede en met schier gelijke krachten worstelden: en het gelukte hem, Bouke van zijn weerpartij
+af te scheuren. Doch de oude dienaar des Barons, door deze tusschenkomst nog feller verbitterd, trok zijn mes en zou Eugenio
+een steek hebben toegebracht, had Joan zijn arm niet met geweld teruggehouden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijt ge ijlhoofdig, Bouke?&#8221; vroeg de jongeling, &#8220;wat is dit voor een razende dolheid?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat mij begaan, Jonker<span id="d0e7169" class="corr" title="Bron: ?">!</span>&#8221; brulde Bouke: &#8220;dood bloed geen nood doet<span id="d0e7172" class="corr" title="Bron: ?">!</span>&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij ziet, hoe een ontrust geweten ontwaakt,&#8221; zeide de Jezu&iuml;et tegen Joan, meteen een pistool voor den dag halende: &#8220;deze
+man heeft mij herkend: hij behoorde ook onder de moordenaars.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat mag ik van jou wel zeggen, schurk!&#8221; galmde Bouke: &#8220;Jonker laat mij los: want zoo die schelm los komt, is het land in
+nood.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hebt voor mijn veiligheid ingestaan,&#8221; zeide Eugenio, Joan scherp aanziende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heb ik,&#8221; zeide Joan: &#8220;doch maak u weg, eer &#8217;t te laat is; want, bij den hemel! ik zie iemand naderen, die u niet hier
+moet vinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha! daar komt versterking,&#8221; riep Bouke: &#8220;Jonker! bij je ziel! laat den schelm niet ontsnappen!&#8212;Mijnheer! Mijnheer! kom toch
+hier!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is hier te doen?&#8221; vroeg de Baron van Sonheuvel, die, om de dampen van den wijn te doen vervliegen, een ochtendwandeling
+deed en toevallig den weg naar het boschje genomen had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat gebeurt er?&#8221; riep hij, met spoed aan komende loopen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een zonderling geval, Mijnheer!&#8221; antwoordde Eugenio: &#8220;die kerel valt mij op &#8217;t onverwachtst met een mes op &#8217;t lijf, zonder
+dat ik hem in &#8217;t minst beleedigd heb: ik geloof dat de vent dronken is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kent UEd. hem niet?&#8221; riep Bouke, zich aan Joans handen ontworstelende: &#8220;het is de Jezu&iuml;et van Panne, die toen met UEds. paarden
+wegliep!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat Jezu&iuml;et? wat Panne?&#8221; vroeg Eugenio, met een <span id="d0e7195" class="corr" title="Bron: grimlach">glimlach</span>: &#8220;de vent is razend.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarlijk!&#8221; zeide de Baron, terwijl hij Eugenio met een scherpen blik aanzag en langzamerhand zijn hartsvanger uithaalde:
+&#8220;ik heb dat gezicht meer gezien: ja hij is het!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ben ik het?&#8221; hernam de Jezu&iuml;et: &#8220;weg dan met alle vermomming! Ja, gij hebt mij nog eenmaal gezien, nadat gij mijn trouwsten
+vriend baldadig hadt vermoord.&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze woorden overtuigden den Baron, dat de vreemdeling werkelijk de medeplichtige van Panne was geweest, daar hij, gelijk
+onze lezers zich misschien zullen herinneren, werkelijk op dien avond een Jezu&iuml;et had neergeschoten; doch Joan bracht het
+gezegde van Eugenio in verband met hetgeen deze hem het oogenblik te voren had verhaald, en begreep, dat het op den moord
+van Velasco sloeg. <a id="d0e7204"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7204">232</a>]</span>Waarschijnlijk had zich de Jezu&iuml;et ook met dit inzicht van een uitdrukking bediend, die voor onderscheiden uitleggingen vatbaar
+was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu schelm!&#8221; zeide de Baron: &#8220;zoo gij het zelf bekent, geef u dan over.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat niet,&#8221; hernam Eugenio, &#8220;zoolang ik hier nog een vriend heb, die mij beschermen zal!&#8221; Dit zeggende wierp hij een veelbeteekenenden
+blik op Joan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat hem gaan! laat hem gaan! Heer Baron!&#8221; riep Joan, in een hevige gemoedsbeweging: &#8220;hij was de vriend mijns vaders.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Joan, ga ter zijde!&#8221; riep de Baron: &#8220;zult gij met dien moordenaar &eacute;&eacute;n lijn trekken? Gij weet niet welk een vervloekte booswicht
+daar staat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie hij zijn moge,&#8221; zeide Joan: &#8220;ik heb voor zijn veiligheid ingestaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha! worde ik van mijn voedsterling verraden?&#8221; vroeg Reede met verwoedheid: &#8220;om &#8217;t even! geef u over schurk van een Jezu&iuml;et!&#8221;
+
+</p>
+<p>Bij het uiten dezer woorden liep hij met drift op Eugenio aan, die, achteruittredende, hem de tromp van zijn pistool voorhield.
+Bouke poogde terzelfder tijd den Jezu&iuml;et van achteren aan te vatten; doch deze had zich reeds achter zijn paard om begeven,
+was behendig opgestegen en poogde nu, den teugel wendende, zijn aanvallers te ontrijden, toen hij door een nieuw aangekomen
+vijand wederhouden werd. Deze was niemand anders dan Gheryt Maessen, die met een mandje vol kostelijke eieren, door hem tot
+een dankbaar geschenk voor Freule Ulrica bestemd, van den Rijnkant afkwam. Zoodra hij het gevecht van verre aanschouwde, zette
+hij zijn mandje neder, nam, bij gebrek van ander wapentuig, een ei in de linkerhand en kwam Eugenio achterop, wien hij met
+de rechtervuist aangreep en van het paard zocht te trekken. Deze poging ware hem bijna duur te staan gekomen; want de Jezu&iuml;et
+legde reeds het geladen pistool op Maessen aan, toen deze hem het ei vlak tegen het voorhoofd wierp, zoodat de struif hem
+over de oogen stroomde. Eugenio, die geen doodwond zou ontzien hebben, was door deze zonderlinge ontmoeting een oogenblik
+onthutst. Hij brandde los; doch in den blinde en zonder iemand te deren; terwijl Gheryt, van zijn verbaasdheid gebruik makende,
+hem met een ruk achterover en van &#8217;t paard haalde, waarop de Baron en Bouke, genaderd zijnde, zich van hem trachtten meester
+te maken, en hem te binden: &#8220;want,&#8221; zeide de Baron: &#8220;de schelm moet aan mijn galg en niet door mijn degen sterven.&#8221;&#8212;Eugenio
+was echter even spoedig weder opgestaan als hij gevallen was en sloeg zoo geweldig van zich af, dat het aan de drie aanvallers
+onmogelijk ware geweest, zich levend van hem te verzekeren, zoo niet eenige boeren, van den Rijnkant komende, den Baron de
+behulpzame hand waren komen bieden. De eerste en wel de ijverigste onder deze nieuwe medehelpers was de bij den lezer welbekende
+Teun Wezer, die zich (wij zullen nader zien om welke reden) op dat tijdstip in de kroeg aan den overhaal bevond en met de
+overigen op het vallen van het schot en op het hooren van het geschreeuw was toegesneld.&#8212;Op het zien dier menigte staakte
+<a id="d0e7220"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7220">233</a>]</span>Eugenio allen wederstand en gaf zich vrijwillig gevangen, alleen verzoekende, zoodra mogelijk op het slot te worden gebracht.
+
+</p>
+<p>En Joan, hoe had hij gedurende den strijd zich gedragen? Bleek als een doode, met de armen los bij het lijf nederhangende,
+zonder een voet te verzetten, had hij het schouwspel aangestaard. Strak en akelig stonden zijn oogen; maar duizend ontzettende
+gedachten bestormden zijn ziel. Het was hem nu duidelijk gebleken uit de woorden van den Baron, van Bouke, van Eugenio, dat
+de beide eersten de moordenaars, de laatste de vriend van zijn vader geweest waren. Doch aan genen was hij tot nog toe alles,
+aan den laatste niets verschuldigd geweest. Wien moest, wien mocht hij bestand bieden, nu zij elkander als woedende tijgers
+aanvielen? Besluiteloos was hij blijven staan, en het was hem een gerustheid, toen hij bij den uitslag zag, dat de strijd
+aan niemand het leven gekost had. Toen eerst deed hij een stap voorwaarts, doch hernam terstond zijn vorige houding, zoodra
+hij zag, dat de Baron, na aan de zijnen gelast te hebben. Eugenio naar het kasteel te brengen, naar hem toetrad met een gelaat,
+waarop verbazing, gramschap en droefheid onderling in strijd schenen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu, Joan!&#8221; zeide Reede: &#8220;uw vriend is geknipt, en niemand heeft eenig letsel bekomen. Zult ge mij nu ook gelieven te zeggen,
+waarom gij de partij van dien bloedhond getrokken hebt en ons in den pekel hebt laten zitten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heer Baron!....&#8221; zeide Joan sidderende en naar woorden zoekende om zijn aandoening uit te drukken; doch in dit oogenblik
+wierp Eugenio, in &#8217;t heengaan, een doordringenden blik op hem. &#8220;Denk aan uw eed,&#8221; zeide de Jezu&iuml;et, met een helderklinkende
+stem.
+
+</p>
+<p>De Baron zag Eugenio en Joan beurtelings aan met oogen, die van gramschap fonkelden, en vond in beider houding een nieuw bewijs
+hunner verstandhouding. Hij was naar Joan toegetreden met het oogmerk om vertrouwelijk met hem te spreken en de oorzaak zijner
+vreemde handelwijze op te sporen. Thans echter nam de toorn in zijn ziel de overhand boven de vriendschap, die hij voor zijn
+pleegzoon gevoelde, en met den gestrengen toon eens rechters gelastte hij dezen, hem op het kasteel te volgen.
+
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e6992" href="#d0e6992src" class="noteref">1</a></span> Verdeel en heersch.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e7230" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Drie-en-twintigste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph" lang="nl-1600">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Om in dien schijn te gaen
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Zijn vyanden bespi&ecirc;n, en letten hoe men &#8217;t maakte.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Gysbrecht van Aemstel.
+</p>
+</div>
+<p>Ulrica zat in een der bovenkamers van het slot, en was bezig om aan de oude Geertrui, die, half blind en half lam geworden
+zijnde, zelden de trappen afkwam, een hoofdstuk uit den Bijbel voor <a id="d0e7245"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7245">234</a>]</span>te lezen, een taak, welke die goede vrouw in vroeger dagen voor haar Freule verricht had en welke deze thans met evenveel
+bereidwilligheid voor haar vervulde. Achter Ulrica was Magdalena gezeten, en hield, schijnbaar aandachtig, de handen onder
+het voorschoot te zamen gevouwen; doch haar vingeren doorliepen ongemerkt de korrelen van een bedesnoer en haar lippen prevelden
+onhoorbare gebeden. Geertrui zat met gevouwen handen over haar meesteres, met het hoofd een weinig op zijde gedraaid, om beter
+te kunnen hooren: nu en dan toonde zij, bij dezen of genen tekst, dien zij op het huisgezin toepasselijk oordeelde, haar welgevallen
+door een hoofdknik, en somtijds zelfs maakte zij binnensmonds een noot of aanmerking op het gelezene.
+
+</p>
+<p>Dan, eer de morgenoefening was afgeloopen, werd de aandacht der Jonkvrouw van haar lezing afgetrokken door een ongewoon en
+verward gedruisch, dat zich van den grooten weg liet hooren. Ulrica sloeg haar oogen naar het venster, en zag een menigte
+lieden in een dichten drom van den Rijnkant komen, waaronder zij al spoedig haar vader herkende. Verwonderd over dezen ongewonen
+toeloop, zoo vroeg in den morgen, gelastte zij Magdalena, naar de oorzaak te vernemen, en deze, haar bereidwilligheid met
+een stijven knik te kennen gevende, verliet het vertrek.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk mij zoo een malle prinses eens aan,&#8221; zeide Geertrui: &#8220;knikt ze je niet toe, alsof zij de Freule en UEd. de kamenier
+was. Die madam heeft ook vast reis gedroomd, dat zij heel wat was.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij is niet voor dienstbaarheid geboren,&#8221; antwoordde Ulrica: &#8220;en mij dunkt Geert! dat, als ik geduld met haar heb, gij u
+niet over haar behoeft te beklagen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geduld! geduld! ja, dat is goed en wel,&#8221; zeide Geert: &#8220;maar UEd. moet denken, tegen UEd. toont zij haar heerschzuchtigen
+aard maar half. Je moest eens zien hoe zij met de booien spreekt: altijd uit de hoogte: als UEd. dat nog deedt, UEd. is de
+meesteres; maar zoo een madam, die hier zoo kaal als een neet gekomen is en die nu de bazin wil spelen en met elk den spot
+drijven en voor elk den neus opsteken, tot voor Dominee toe, wanneer hij hier komt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, nu Geert!&#8221; viel haar Ulrica in de rede: &#8220;gij zijt ook niet altijd even goede vrienden met Dominee. Ik heb u ook wel eens
+met hem hooren twisten; en, wat betreft den toon, dien zij aanneemt, het heugt mij wel, dat in vroegere dagen de dienstboden
+even bang waren voor u, als thans voor haar.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat&#8217;s waar,&#8221; zeide Geert: &#8220;ik hield mijn fatsoen onder &#8217;t volk; maar hoe lang had ik ook het huis gekend en bestierd; en
+dan Mevrouw zaliger, die vertrouwde mij alles, en die wist ook wel, wat zij deed, maar zoo een malle Leen: want zoo heeten
+haar de booien in de wandeling....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geert!&#8221; zeide Ulrica: &#8220;ik hou niet van die bijnamen. Ik weet, zoogoed als iemand, dat Magdalena, voor een dienstmaagd, wel
+eens wat veel spreekt; maar ik herhaal het, zij is niet voor dien staat opgeleid, en haar opvoeding maakt het gezelschap van
+boerenknapen, zooals hier op het slot komen, ongeschikt voor haar.&#8221;
+<a id="d0e7261"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7261">235</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Dan moest zij er zich in schikken,&#8221; hernam Geertrui, zich ontevreden op haar stoel nederzettende: &#8220;maar als UEd. <span class="letterspaced">per fors</span> gelijk wil hebben, dan zal ik zwijgen, gelijk mij betaamt: schoon ik geloof, dat Mevrouw zaliger er anders over zou gedacht
+hebben. Nu! ik hoop maar, dat zij nooit erger kwaad zal doen: indien het slechts niet waar is, hetgeen Roelof Teeuwiszoon
+vertelt, dat hij haar laatst een kruis op de knie heeft zien maken, en dat zij een ivoren afgoodje onder haar bed verborgen
+heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ulrica was op het punt van een heftig antwoord op deze beschuldiging te geven; doch zij bedwong zich, daar zij de koppigheid
+van haar oude Baker kende, en begreep, aan haar hooge jaren inschikkelijkheid te moeten betoonen. Zij wendde dus het gesprek
+af en vroeg aan Geertrui, of zij den Jonker al sedert zijn terugkomst gezien had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Onzen besten Jonker Joan!&#8221; herhaalde Geertrui, terwijl zich over haar gelaat eensklaps een ongewone opgeruimdheid verspreidde:
+&#8220;och neen! gisteren had hij het zeker te druk met u allen, om aan de oude Geert te denken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dit heeft hij toch gedaan,&#8221; hernam Ulrica: &#8220;hij heeft naar u gevraagd; doch, zooals gij wel zegt, de drukten van het huis
+zullen hem belet hebben u te gaan omhelzen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die goede jongen!&#8221; zeide Geert: &#8220;heeft hij waarlijk naar mij gevraagd? nu, ik hoop straks mijn schade in te halen. Hij was
+een knappe Jonker, toen hij nu voor drie jaren.... laat eens zien, was het drie jaren.... ja, met Pinkster is het drie jaren
+geweest.... toen hij naar het veld trok, meen ik. En hij zal er nu wel op gebeterd zijn; kijk! dat Mevrouw zaliger hem nog
+eens zien kon!.... en u ook, Freule Ulrica!&#8212;Als ik nog denk, toen ik met u in de bakermat zat en toen Mijnheer met hem binnenkwam;
+of neen.... Bouke kwam met hem binnen.... ja wat ik toen niet al dacht!.... niet veel goeds, Freule! God vergeve het mij!
+maar ik bezondigde mij en beoordeelde Mijnheer al vrij lichtvaardig.... nu, het verheugt mij toch, dat de Jonker de oude Geert
+nog niet vergeten heeft.&#8212;Wat verlang ik hem weder te zien!.... Doch vindt gij niet, Freule! dat Magdaleentje lang uitblijft!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij dunkt, ik hoor haar komen,&#8221; zeide Ulrica: &#8220;mijn hemel! wat is er gebeurd?&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze laatste vraag was tot Magdalena gericht, die juist binnentrad, met een gezicht, nog strakker en zwaarmoediger dan naar
+gewoonte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is er een ongeluk voorgevallen, dat gij zoo donker kijkt?&#8221; vervolgde Ulrica.
+
+</p>
+<p>&#8220;Alsof zij ooit vriendelijk uit haar oogen zag,&#8221; mompelde Geertrui.
+
+</p>
+<p>&#8220;Er is geen ongeluk voorgevallen, Freule!&#8221; zeide Magdalena: &#8220;doch er heeft een soort van schermutseling plaats gehad bij het
+Lischboschje, met een verkleeden monnik, of zoo iemand, dien zij gevangen medebrengen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een schermutseling!&#8221; riep Ulrica: &#8220;er is toch niemand gewond?&#8221;
+<a id="d0e7287"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7287">236</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Daar heb ik niets van gehoord,&#8221; antwoordde Magdalena.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij dunkt,&#8221; merkte Geert aan, &#8220;dat je ook het fijne van de mis niet weet. Bouke zou zeggen: zend de poes naar Rome, zij zegt
+<span class="letterspaced">miaauw</span> als ze weeromkomt.... nu, ik hoop, dat zij dien monnik gauw zullen ophangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, als uw oude oogen nog zoo iets mochten zien,&#8221; hernam de kamenier met bitterheid, hoogst ontsticht over de spreekwijze
+van Geertrui, welke een vernis van spotternij spreidde over voorwerpen van haar vereering. &#8220;Wat zou Heer Godard van Reede
+zeggen, indien hij u hoorde spreken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heer Godard!&#8221; riep Geert, van verbazing de handen ineenslaande.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kent gij mijn oom?&#8221; vroeg Ulrica verwonderd.
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is al &eacute;&eacute;n rommelzoo, net zooals ik wel vermoedde,&#8221; zeide Geert: &#8220;lieve Hemel! wat zou Mevrouw zaliger....&#8221; hier werd het
+geluid van haar stem onverstaanbaar, doch zij bleef in haar zelve voortpraten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Er heeft nog een zonderlinge omstandigheid bij dat gevecht plaats gehad,&#8221; vervolgde Magdalena: &#8220;men zegt dat de Jonker van
+Craeihorst de partij van dien Monnik genomen heeft tegen den Heer Baron.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Magdalena! deze aardigheden gaan te ver!&#8221; riep Ulrica, met een ontroerde stem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zeg je? Ben ik doof of versta ik verkeerd?&#8221; vroeg Geert, terwijl zij met moeite opstond en naar de kamenier toeschoof:
+&#8220;wat durf je van Jonker Joan vertellen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik herhaal wat ik gehoord heb,&#8221; antwoordde Magdalena, de schouders ophalende: &#8220;ik kan het niet helpen, indien de berichten.
+welke ik breng, u niet bevallen. Misschien ook is er geen woord waar aan: ik heb uit het gereutel dier domme boeren niet half
+wijs kunnen worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, je zijt maar al te wijs,&#8221; zeide Geert; &#8220;maar zulke praatjes!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geert heeft gelijk,&#8221; zeide Ulrica: &#8220;men moet zonder goede waarborgen geen uitstrooisels van dien aard vertellen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;UEd. zal spoedig de gansche toedracht der zaak vernemen!&#8221; hernam de kamenier.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ik wil haar vernemen en dadelijk,&#8221; riep Ulrica, en snelde naar beneden.
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik ook, ik wil weten hoe de vork in den steel zit,&#8221; zeide Geert, terwijl zij strompelende den vluggen tred van haar meesteres
+navolgde; &#8220;lieve Hemel! had ik ooit gedacht, dat ik na den dood van Mevrouw zaliger nog zoo iets beleven zoude?&#8221;
+
+</p>
+<p>Op het binnenplein gekomen, vond Ulrica alles in opschudding. De eerste, dien zij onder de aanwezigen herkende, was Gheryt
+Maessen, die den Jezu&iuml;et bij den arm vasthield. &#8220;Zoo ga&ocirc;t het, Freule!&#8221; zeide hij: &#8220;ik dacht oe een ben goede eieren met te
+brengen, en da&ocirc;r breng ik oe een gevangen man met. De eieren sta&ocirc;n nog op den weg: die zol de kat opvretten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Huiverend wendde Ulrica bij deze toespraak een zijdelingschen <a id="d0e7325"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7325">237</a>]</span>blik op Eugenio; deze groette haar beleefd: &#8220;het spijt mij, schoone Freule!&#8221;&#8217; zeide hij: &#8220;dat de Jonker van Craeihorst om
+mijnentwille misschien in ongelegenheid zal komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Om uwentwille?&#8221; herhaalde Ulrica, verbleekende: zij zag rond, en nu eerst ontdekte zij Joan, die, van de menigte afgezonderd,
+met het hoofd in de hand, tegen een staldeur leunde, de oogen nedergeslagen houdende, en bleek als een doode.
+
+</p>
+<p>&#8220;Joan!&#8221; riep zij, angstig naar hem toesnellende: &#8220;Joan! wat hebt gij gedaan? wat verhaalt men van u? Is het waar, dat....?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat doet gij hier?&#8221; zeide de Baron, naar haar toetredende, en haar eenigszins onzacht terugtrekkende: &#8220;ga naar uw kamer:
+hier althans hebt ge niets noodig.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O God! het is dan waar?&#8221; zeide Ulrica, sidderend: en haar aangezicht met de handen bedekkende, trad zij snikkend terug. Aan
+de trap ontmoette zij Geertrui, welke zij dringend verzocht, naar de ware toedracht der zaak te vernemen en haar het gehoorde
+te komen mededeelen.
+
+</p>
+<p>&#8220;En gij,&#8221; vervolgde de Baron tegen Joan: &#8220;begeef u naar uw vertrek, en wacht daar, tot ik u laat roepen.&#8221;&#8212;Joan gehoorzaamde.
+&#8220;Welnu, Bouke, hebt gij den Schout laten ontbieden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben er zelf geweest,&#8221; zeide Bouke: &#8220;Zijn edele zal dadelijk hier zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed,&#8221; hernam Reede: &#8220;er moet terstond iemand te paard naar Tiel gaan om den Ambtman van alles bericht te geven:&#8212;breng den
+Jezu&iuml;et in den kelder rechts af, en laten al de brave lieden, die het hunne hebben gedaan om hem te krijgen, bij mij in de
+benedenzaal komen: laat Roelof mij daar wat papier en pennen brengen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De bevelen van den Baron werden opgevolgd. Hij plaatste zich in de benedenzaal en wachtte in zijn groote leunstoel de boeren
+af, die &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n verschenen, en wier namen hij opschreef, opdat zij als getuigen in rechten zouden kunnen strekken, terwijl
+hij een goede belooning aan elk hunner beloofde voor de aan hem bewezen goede diensten.
+
+</p>
+<p>Eindelijk kwam de beurt aan Gheryt Maessen, die, ofschoon hij van Ulrica verscheidene gunstbewijzen ontvangen had, den Baron
+slechts bij name bekend was. Daar hij de eerste was geweest, die door zijn tijdige komst, de gevangenneming van Eugenio bewerkt
+had, bewees hem de Baron nog meer vriendelijkheid dan aan de anderen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hebt u als een kerel geweerd,&#8221; zeide Reede, &#8220;en als de schelm hangt, zult ge een mooien kermisduit van mij hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat hoeft niet,&#8221; zeide Gheryt; &#8220;ma&ocirc;r als oe Genade mij een dienst wilde bewijzen, dan had ik ga&ocirc;rne dat oe een woordeke a&ocirc;n
+den Heer Ambtman zeide, dat ik den hofbeer bezorgen mocht, die na&ocirc;r Den Ha&ocirc;g moet ga&ocirc;n. Ik heb er a&ocirc;n de Freule al van esproken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zullen zien,&#8221; zeide de Baron: &#8220;de Heer Ambtman komt hier, dan kunt gij zelf uw verzoek doen. Verlangt gij Den Haag te
+zien?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn vrouws va&ocirc;der woont er, bij de Gravin van Falckestein.&#8221;
+<a id="d0e7353"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7353">238</a>]</span></p>
+<p>Deze naam deed een tooverachtige uitwerking op den Baron en helderde zijn wezen nog meer op: &#8220;Wij zullen zien,&#8221; herhaalde
+hij, zich de handen wrijvende: &#8220;en als gij bij uw schoonvader komt, kunt gij hem vertellen, dat wij den schoelje gehangen
+hebben, die zijn vorigen meester eens zoo leelijk de kool gestoofd heeft.&#8212;Nu, goeden morgen! gij kunt gaan; maar hou u in
+de buurt, hoor! Is er nog iemand?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; antwoordde Bouke: &#8220;daar is nog een stuk van een neef van mij: maar ik zag hem liever de ribben smeren dan een belooning
+krijgen: &#8217;t is een van die klanten, die denken: ontgaat u de wal, hou u aan &#8217;t vlotgras. Ik heb een olden hekel aan hem, en
+op old ijs vriest het licht. Ware ik niet in Hongarije geweest met den Jonker, hij had Klaartje-nicht nooit getrouwd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Om &#8217;t even, &#8221; zeide de Baron: &#8220;laat hem binnenkomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Bouke opende deur, en liet, half tegen zijn zin, Teun Wezer in.
+
+</p>
+<p>&#8220;Aha!&#8221; zeide Reede, zoodra zij alleen waren: &#8220;gij hebt u best gekweten, kameraad!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat verheugt mij, dat UEd. die getuigenis van mij geeft,&#8221; antwoordde Teun, met een grappige buiging: &#8220;voor tien a twaalf
+jaren zoude UEd. zoo iets niet gezegd hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel mogelijk,&#8221; hernam de Baron: &#8220;nu, een goed man, die zich betert. Gij zult getuigenis moeten afleggen: daarom moet ik uw
+naam en woonplaats opschrijven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niemand zal beter daartoe in staat zijn, dan ik,&#8221; zeide Teun: &#8220;die Van Dyk is met mij tot aan den Rijn gekomen. Ik heb hem
+den weg gewezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van Dyk? zoo! heet de schurk Van Dyk? Nu, het zal hem om een naam meer of minder niet te doen zijn&#8212;En hebt gij hem den weg
+gewezen? Dan zal uw getuigenis zeker nogal belangrijk zijn. Dan ware het misschien beter dat gij hier bleeft, tot de Schout
+kwam.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben veerman te Tiel, Heer baron!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, dat is wel mogelijk; maar als gij dien vent den weg gewezen hebt hier naar toe, kunt gij ook blijven om te zien waar
+hij verder naar toe zal gaan. Wacht dus maar in de keuken, tot ik u roepen laat.&#8212;Bouke!&#8221;
+
+</p>
+<p>Bouke verscheen en de Baron gelastte hem, al de boeren wel te onthalen en goede wacht voor de gevangenis van den Jezu&iuml;et te
+laten houden. Inmiddels maakte Teun Wezer een buiging, nam zijn afscheid en vertrok. Aan het einde van het voorportaal voelde
+hij zich op den schouder tikken, en zich omkeerende, zag hij Magdalena voor zich staan, die hem in een zijvertrek riep, waarvan
+zij terstond de deur met behoedzaamheid achter zich sloot.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vlegel!&#8221; zeide zij, hem verstoord aanziende: &#8220;waarom hebt ge niet beter opgepast en den eerwaarden Pater tegen die ketters
+bijgestaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gehoorzame dienaar, Mevrouw!&#8221; zeide Teun: &#8220;ik dank oe hartelijk. De Pater was al geknipt, eer ik er bijkwam: waarom is hij
+zoo gek geweest, den wolf in den bek te loopen. Ik heb hem helpen binden en met voeren, om door dien weg een oog in &#8217;t zeil
+te houden, <a id="d0e7382"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7382">239</a>]</span>&#8217;t gunt mij zoo wel elukt is, dat de Baron mij elast heeft, hier te blijven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is wel,&#8221; hernam Magdalena, &#8220;en oordeelt gij u zelven behendig genoeg, om den Pater uit den benauwden toestand te redden,
+waar hij in gebleven is?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hm! hm!&#8221; zeide Wezer, &#8220;met oe hulp en die van een pa&ocirc;r kna&ocirc;pen hier dicht bij, die niets beters verlangen, dan een goed handgeld
+te verdienen.... ma&ocirc;r er moet niets van kunnen oetlekken, dat ik met eholpen heb. Ik ben landsambtenaar en heb geen zin om
+voor <span class="letterspaced">lezum majestatum</span> op&#8217;eknoopt te worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gek!&#8221; zeide Magdalena, hem verachtelijk aanziende: &#8220;alsof er iets aan een ellendig leven, als het uwe, verbeurd ware;&#8212;doch,
+om &#8217;t even! hier!&#8221; vervolgde zij, hem een beursje ter hand stellende: &#8220;hier is de zenuw van den aanslag: deel uit en beschik
+wat gij wilt: doch wees spaarzaam en voorzichtig.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ze zullen de helft er niet van hebben, dat beloof ik oe!&#8221; zeide Teun, het geld op de vlakke hand wegende: &#8220;oe is bylo milder
+dan de Ambtman zelf. Doch wat moet verder eda&ocirc;n worden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laten uw makkers dezen nacht te een uur een wagen of een paard aan de achtertuinpoort klaarhouden. Ik zal voor de rest zorgen.
+Tegen twaalf uren wacht ik u boven aan de zoldertrap. Maak nu zooveel haast als ge kunt, en zorg dat ge uw kameraden opschommelt.
+Doch!... wee u, zoo gij ons verraadt!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Papperlepap!&#8221; zeide Teun: &#8220;zoo eindigen zij allema&ocirc;l, en het zou eigenlijk niet meer dan billijk wezen, dat hij, die zijn
+leven slijt met anderen te bedriegen, ook eens zijn loon wegkreeg. Doch, zooals oe weet, voor geld en kwaie woorden ben ik
+altijd te vinden. Hadie dan mevrouw! tot van nacht.&#8212;Dat jaloersche vel, mijn wijf,&#8221; vervolgde hij bij zichzelven onder &#8217;t
+weggaan, &#8220;zou juist van deuze afspraak niet ge&euml;rgerd worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Laat ons nu terugkeeren tot Joan, die, op last van den Baron, zich naar zijn kamer begeven had. Geen bevel had hem in deze
+tijdsomstandigheid meer welkom kunnen zijn; want niets scheen hem noodzakelijker, dan in de eenzaamheid over het gebeurde
+van den dag en den weg, dien hij moest inslaan, na te denken. Wij zullen echter geen poging aanwenden, om de onderscheidene
+overdenkingen na te gaan, die zijn geest beurtelings vermoeiden, noch de verschillende besluiten op te noemen, welke daarvan
+de gevolgen waren, en bijna even spoedig verworpen als gevormd werden. Hij, die het voorgaande met eenige oplettendheid heeft
+nagegaan, zal klaar kunnen beseffen, hoe zonderling hij te moede was. Dan, bij al de akelige denkbeelden, welke de voorvallen
+en mededeelingen van deze en de vorige dagen in hem hadden doen ontstaan, was er toch een, dat hem welkom en streelend was
+als de zonnegloed, die in den kerker des gevangenen nederdaalt en hem in &#8217;t midden van zijn lijden een flauwe verkwikking
+komt aanbieden. De onbekende, die zich de vriend zijns vaders genoemd had, had hem wel geen stellige, maar toch ook geen geheel
+verwerpelijke hoop gegeven, dat zijn moeder nog leefde, en dat hij die wellicht in Den Bosch zou kunnen vinden: en het hart
+des jongelings, hoe gefolterd ook en <a id="d0e7401"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7401">240</a>]</span>benepen, ontsloot zich voor deze zoete verwachting. Hij bevond zich in den toestand van een reiziger, die, bij nacht op een
+eenzame heide verdwaald, zich van moerassen en kloven omringd vindt en onbewust is, welken weg hij zal kiezen, daar alle paden
+hem even moeilijk en gevaarlijk voorkomen, totdat hij de oogen slaat op het schemerend lichtje, dat hij in de verte ziet gloren,
+en waarheen hij, onbewust nog of die flauwe glans een waarheid, dan een ijdele luchtverheveling zal zijn, de schreden eindelijk
+wendt. Nadat hij gedurende een paar uren in gedurige gemoedsbeweging de kamer had op en neder geloopen, zag hij zijn deur
+opengaan, en de oude Geertrui, zich met moeite op haar krukje voortwerkende, trad de kamer in.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel mijn beste Geertrui!&#8221; zeide Joan, terwijl hij zich haastte haar zijn arm aan te bieden, en haar naar een stoel te geleiden,
+waarna hij haar met hartelijkheid kuste: &#8220;dat is recht hupsch van u, dat gij mij thans komt bezoeken. Hoe gaat het u op den
+ouden dag?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Op mijn ouden dag, ja dat moogt gij wel zeggen Jonker!&#8212;&#8217;t Is nu met Pinkster vijf en twintig jaren geweest, dat Mevrouw zaliger
+overleden is, en toen was ik twee en vijftig jaren: dus &#8217;t is geen wonder, dat de gebreken komen!&#8212;Maar Jonker! Jonker! wat
+ben je een kerel geworden! Zoo waar ik leef, ik zou je bijna niet herkend hebben;.... maar laat ik eens uitblazen; want al
+dat trappen klimmen lijkt mij niet meer, en ik ben doodaf.&#8221; Hier zweeg zij en zat eenige oogenblikken te hijgen, terwijl zij
+Joan van top tot teen beschouwde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarlijk, beste, Geert!&#8221; zeide Joan, haar vriendelijk de hand drukkende, &#8220;ik weet bijna niemand, wiens bezoek mij op dit
+oogenblik aangenamer zou kunnen zijn dan het uwe.&#8221;
+
+</p>
+<p>De trekken der oude dienstmaagd namen op het hooren van dit gezegde een min vroolijke uitdrukking aan. &#8220;Ja!&#8221; zeide zij: &#8220;dat
+geloof ik wel, want als de Baron hier kwam, die zou je minder vriendelijk aankijken, dan ik gedaan heb: hij is dan <span class="letterspaced">miserabel</span> boos op je, en Bouke ook, dat beloof ik je. Je hebt het dan leelijk bij hen verkorven. Maar, Jonker! waar waren toch je zinnen,
+om dien stinkenden monnik tegen je pleegvader, die je van kind af heeft opgebracht, te gaan bijstaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb hem niet bijgestaan: ik heb slechts een gevecht willen voorkomen, dat voor mij niet dan noodlottig kon uitvallen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Noodlottig!&#8221; herhaalde Geert, hem verbaasd aanziende: &#8220;wat kon u toch dien leelijken Jezu&iuml;et schelen?&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan zweeg eenige oogenblikken, en liep de kamer op en neder; vervolgens kwam hij weder bij Geertrui terug en zeide: &#8220;die
+Jezu&iuml;et was de vriend mijns vaders, en door zijn hulp kan ik mijn moeder misschien terugvinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Je vader! je moeder!&#8212;Och, denk je nog om die Spanjoolsche ouders, die je verzaakt en vergeten hebben. Is de Baron u niet
+altijd meer dan een vader geweest, en was Mevrouw zaliger, in den korten tijd dat het mensch u nog bij haar heeft gehad, niet
+een trouwe moeder voor u?&#8221;
+<a id="d0e7422"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7422">241</a>]</span></p>
+<p>Joan streek zich de hand over &#8217;t voorhoofd, als wilde hij de treurige gedachten verdrijven, welke de aanmerking der oude dienstmaagd
+bij hem deed ontstaan. Hij begreep, dat het moeilijk zoude zijn, haar te doen gevoelen, dat dankbaarheid aan den Baron de
+liefde, die hij zijn wezenlijken ouders verschuldigd was, niet behoefde uit te sluiten. Hij vergenoegde zich dus met te zeggen:
+&#8220;Denkt gij dan niet goede Geert! dat die moeder verlangt haar zoon terug te zien, van wien zij zoolang gescheiden is?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat geloof ik,&#8221; zeide Geert: &#8220;en zoo een knappen zoon! Maar wie weet, wat voor een vrouwmensch het is,&#8221; voegde zij er bij
+met een gelaat, dat haren afkeer toonde van al wat tot de Spaanschen betrekking had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Geert!&#8221; zeide Joan, wrevelig: &#8220;gij komt mij uit vriendschap bezoeken!&#8221;....
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat doe ik,&#8221; hernam zij, eenigszins berouw gevoelende over hare overijlde woorden: &#8220;en ik meende het ook zoo kwaad niet.
+Maar nu, die Spanjoolsche daargelaten, ik bid je, maak toch, dat je weer bij Mijnheer in genade wordt aangenomen; want waarlijk,
+het loopt anders slecht met je af. Ik geloof niet aan al die praatjes, die over u gaan, en Freule Ulrica ook niet, meen ik....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ulrica&#8217;s hart rechtvaardigt mij,&#8221; zeide Joan, terwijl zijn oogen fonkelden en hij met drift de hand van Geertrui greep. &#8220;Dan
+ach!&#8221; vervolgde hij, de armen weder latende vallen, op een somberen toon: &#8220;wat is de meening van Ulrica voortaan voor mij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg dat niet, Jonker! Wij zullen, Ulrica en ik, den Baron zoo lang bidden en smeeken, dat hij de geheele zaak maar blauw
+blauw laat.&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan zweeg eenige oogenblikken. &#8220;Geert!&#8221; zeide hij eindelijk: &#8220;gij kunt mij misschien een dienst bewijzen.&#8212;Waar zit de gevangene?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In het oude turfhok, beneden, weet gij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En zoude er geen mogelijkheid wezen, dat ik hem een oogenblik sprak?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heer beware ons! wel Jonker! Jonker! hoe kunt ge zulke dingen in je hoofd halen? Den gevangene spreken? Ja! de Baron zou
+je zien komen....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geert! ik bid u, en smeek u! doe uw best en maak dat ik den gevangene spreke!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zet dat uit het hoofd, Jonker! Er staan schildwachten voor de deur van het hok met vuurroers op schouder, en Bouke heeft,
+hoor ik, last gekregen van Mijnheer, om niemand bij den schelm toe te laten, &#8217;t geen ook niet gemakkelijk gaan zou, al wilde
+hij, want Mijnheer heeft den sleutel in den zak.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In &#8217;s Hemels naam,&#8221; zeide Joan, met een diepen zucht: &#8220;dan zal ik moeten wachten tot ik mijn vad.... tot ik den Heer Baron
+zelf spreke.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu!&#8221; zeide Geert: &#8220;ik durf niet langer hier blijven: ik heb hier al lang genoeg mijn tijd verpraat. Kijk!&#8221; vervolgde zij,
+terwijl zij opstond en zich langzaam naar de deur begaf: &#8220;als ik in den tijd <a id="d0e7451"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7451">242</a>]</span>van Mevrouw zaliger zoo lang.... maar wacht, daar vergeet ik nog iets: onze Freule, dat lieve kind! heeft mij dit kleine briefje
+medegegeven, om u ter hand te stellen: ei zie! daar had ik haast niet om gedacht!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ulrica!&#8221; riep Joan verrast, de hand uitstekende. &#8220;Geef toch Geert! geef toch!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! ja! mijn memorie wordt ook slecht! dat zou er mooi uitgezien hebben, als ik bij de Freule weerom gekomen was, zonder
+mijn boodschap gedaan te hebben!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geef!&#8221; herhaalde Joan, haastig haar het briefje uit de hand trekkende en het openbrekende. Met gretige oogen verslond hij
+het geschrift, &#8217;t welk luidde als volgt:
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is mij verboden een woord met u te wisselen. Men beschuldigt u een aanslag tegen het leven van uw weldoener te hebben
+gesmeed. Wat mij betreft, ik kan noch wil dit gelooven; doch verdedig u, leg uw onschuld aan den dag en laten geen onteerende
+vermoedens op u rusten. Wees bedaard en kalm, geef geen gehoor aan ontijdige drift: want denk dat indien mijn <span class="letterspaced">broeder</span> (dit woord was tweewerf onderhaald) door den toorn mijns vaders op te wekken, zich buiten staat stelde hem van zijn onschuld
+te overtuigen, hij de innigste smart zou veroorzaken aan zijn zuster en vriendin.
+
+</p>
+<p class="alignright">U.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tot in de ziel getroffen over dit sprekend bewijs, dat zij althans, op wier achting hij meer prijs stelde dan op de meening
+der gansche wereld, hem niet alleen voor onschuldig hield aan het misdrijf dat hem te laste gelegd werd, maar hem ook in zijn
+ongeluk haar teedere belangstelling betoonde, riep hij uit, terwijl hij het briefje tegen zijn hart drukte: &#8220;goede, edele
+ziel! dit is de tweede reis, dat ik op last van uw vader gevangen zit, en de tweede reis, dat gij mij in mijn droeve omstandigheden
+zoekt op te beuren. Dan, toen lachte alles mij toe, en thans.... o! &#8217;t ware beter dat ik nooit geboren geweest ware.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Foei!&#8221; zeide Geert: &#8220;dat zeide onze Heer van den boozen Judas; maar zulk een aarstverrader hoop ik, dat gij niet geworden
+zijt!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat hoop ik ook niet,&#8221; riep Bouke, die op dit oogenblik met een mand met eten de kamer binnenkwam; &#8220;maar wat doe jij hier,
+Geert? Als Mijnheer het hoort, dan stuurt hij je nog op je ouwen dag op marsch.&#8221; Dit zeggende, schoof hij de goede oude dienstmaagd
+de deur uit, terwijl zij al zuchtend onder &#8217;t weggaan zich beklaagde, dat haar in den tijd van Mevrouw zaliger nooit iets
+dergelijks gebeurd was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe!&#8221; zeide Joan met sombere blikken tegen Bouke, die zich, zoodra Geertrui vertrokken was, haastte zijn mand uit te pakken
+en het middagmaal op tafel te zetten: &#8220;zijn de bevelen zoo streng? zit ik hier buiten toegang?&#8221;
+
+</p>
+<p>Bouke zette zwijgend zijn bezigheid voort: doch de zware zuchten, welke zijn borst slaakte, en de krachtige vloeken, welke
+hij binnensmonds bromde, toonden hoeveel het hem kostte, dat hij aan zijn ouden vriend geen antwoord geven kon.
+<a id="d0e7476"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7476">243</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Bouke!&#8221; hernam Joan, terwijl een traan langs zijn wangen rolde: &#8220;is uw oude vriend u geen antwoord meer waardig?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Voor den duivel!&#8221; zeide Bouke, zich niet langer kunnende bedwingen; &#8220;dat je ook met dien satanschen Jezu&iuml;et moest komplotteeren!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb niet met hem gekomplotteerd! zeide Joan: &#8220;<span class="letterspaced">wie</span> was de vriend mijns vaders, en....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De vriend des duivels, en.... doch ik kan nu niet met je spreken; mijn gemoed is vol.&#8221; Dit zeggende, keerde Bouke zich om
+en liep de kamer uit, terwijl hij de deur met drift achter zich toesloeg.
+
+</p>
+<p>Joan bleef lang met donkere blikken als op den grond genageld staan, en wierp zich eindelijk zuchtend op een stoel. Men begrijpt
+lichtelijk, dat hij in de tegenwoordige oogenblikken weinig eetlust had; echter plaatste hij zich aan tafel en poogde eenige
+mondvollen door te krijgen; dan ras wierp hij mes en lepel weder van zich, stond op en ging als te voren de kamer in haar
+geheele lengte op en neder wandelen; vervolgens bleef hij weder bij den etensbak staan, nam de bierkan op en dronk of liever
+zwolg die in eenige teugen geheel uit, waarna hij zijn marsch weder aannam. Eindelijk haalde hij het briefje van Ulrica, dat
+hij bij Boukes komst verborgen had, weder voor den dag, las en herlas het, scheurde bij mangel aan schrijfgereedschappen een
+blaadje uit zijn zakboek en wilde met potlood een antwoord aan Ulrica gaan schrijven, toen de deur zich opnieuw opende en
+iemand binnenliet, die hem in deze oogenblikken boven allen welkom wezen moest, namelijk den Predikant Raesfelt. Deze was
+in het geval en te zijnen opzichte geheel onpartijdig: van hem had hij nooit anders dan goede lessen ontvangen: en met hem
+alleen begreep hij thans geheel vrijmoedig en openhartig te kunnen spreken.
+
+</p>
+<p>De Predikant had, zoodra het gerucht van het spiegelgevecht aan het Lischboschje in zijn eenzaam studeervertrek was doorgedrongen,
+zich naar het kasteel begeven, alwaar hem de Baron met al het voorgevallene bekend gemaakt had en geraadpleegd over de wijze,
+waarop hij omtrent Joan zou handelen. Raesfelt vond het geval duister en geheimzinnig, en besloot zijn aanmerkingen op het
+gebeurde met den raad, toch vooral behoedzaam en niet overijld te werk te gaan, opdat het den Baron niet mocht berouwen, dat
+hij Joan zijn gunst onttrokken had, gelijk het David berouwde, dat hij Mephiboseth onschuldig had veroordeeld.
+
+</p>
+<p>&#8220;Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt,&#8221; zeide hij: &#8220;en schort uw meening op omtrent een jongeling, die u tot nog
+toe alleen stof van blijdschap en verheuging gegeven heeft. Ik kan niet gelooven, dat hij, die zoo dikwijls met warmte en
+gevoel over de groote weldaden sprak, welke hij van UEd. ontvangen heeft, op eenmaal alle erkentelijkheid, alle beginselen
+van plicht en godsdienst met voeten zou treden, om, gelijk een tweede Absalom, met Achitophels te heulen en zijn vader baldadig
+aan te randen. Vergun mij, heer Baron! dat ik zelf hem ga spreken; en ik twijfel niet, of hij zal zijn hart voor mij blootleggen,
+gelijk Koning David deed voor Nathan den Profeet!&#8221;
+<a id="d0e7494"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7494">244</a>]</span></p>
+<p>De Baron keurde dezen raad volkomen goed, en Raesfelt begaf zich naar de kamer van zijn gewezen leerling. Met een ernstig
+en bedrukt gelaat trad hij binnen; doch de tevredenheid klaarde zijn wezen weder op, toen Joan hem verheugd te gemoet snelde,
+hem dubbel welkom heette, de hand drukte en een zetel aanbood.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom, Joan!&#8221; zeide de Predikant, nadat zij zich kortelijk hun wederzijdsche vreugde, van elkander in gezondheid weder te zien,
+hadden betoond: &#8220;Laat ik u eens scherp in de oogen zien, gelijk Petrus Ananiam en Saphiram aanzag, toen zij zich van den prijs
+des lands onttrokken.&#8212;Gij blikt mij openhartig tegen en slaat uw oogen niet neder: dan heb ik mijn vriend, mijn Joan, nog
+niet verloren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan drukte hem met warmte nogmaals de hand en verzekerde hem van zijn blijdschap, dat Dominee althans hem niet vergat, &#8217;t
+geen hem tot een blijk strekte, dat hij zich nog niet als geheel ongelukkig moest beschouwen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Geheel ongelukkig!&#8221; herhaalde Raesfelt: &#8220;en wie leeft er op aarde, die zich alzoo durft noemen? Het zal met u zijn, gelijk
+de Psalmist zegt:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; " lang="nl-1600">
+<p class="line" style=""><span>De stricken des Doods hadden mij omva&ecirc;n.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Ick was beladen met anghsten der hellen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Ick was in noodt, in zuchten en in quellen.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Doch ik riep des Heeren naem alsoe aan:
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>O Heer verlost mijn siel uyt desen noodt!
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>En ick bevondt dat hy was seer weldadigh,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Seer vriendelijck en oock seere genadigh,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Die wel behoedt d&#8217;eenvoudige seer bloot;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Want als ick ter neder lagh onder voet,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Geholpen heeft my onsen Godt almachtigh,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Dies weest te vreden o mijn siele klachtig
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Nadien dat de Heer u dees weldaet doet.</span></p>
+</div>
+<p>En strekt deze liefderijke hand zich niet uit over allen, wie zij wezen mogen? Laat niet God zijn zon opgaan over de goeden
+en over de goddeloozen? en valt er een haar van uw hoofd buiten Zijn beschikking? Alleen hij, die van de liefde en verzorging
+onzes Hemelschen Vaders verstoken ware, zou zich geheel ongelukkig mogen noemen: en niemand kan zich beschouwen in dat geval
+te verkeeren. Hij, die derhalve tot wanhoop vervalt, begaat de grootste zonde, die te begaan is: want hij wantrouwt de goedheid
+van Hem, die gezegd heeft: al wie tot mij komen, zullen niet beschaamd worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;God verhoede, dat ik Zijn goedheid ooit betwijfele,&#8221; zeide Joan, de oogen eerbiedig opheffende: &#8220;tot Hem alleen kan ik mij
+keeren: van Hem alleen troost in mijn lijden verwachten;&#8212;doch hier op aard is de poort des heils voor mij gesloten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat zegt het aardsche heil voor hem, die een beter vaderland verwacht?&#8221; zeide Raesfelt: &#8220;alle vleesch is als gras, en
+alle heerlijkheid des menschen is als een bloem des velds: het gras is verdord en zijn bloem is afgevallen: want hoedanig
+is het leven? <a id="d0e7534"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7534">245</a>]</span>het is een damp, die voor weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt.&#8212;Is niet eens ieders leven een samenweefsel van korten
+voorspoed en duurzame ellende? weet ik zelf niet bij ondervinding, wat het zegt, wederwaardigheden te lijden, welke alleen
+door een vast geloof kunnen worden doorstaan? Heeft niet mijn eigen zoon, gelijk Nadab en Abihu, de zonen A&auml;rons, vreemd vuur
+op het altaar gebracht? en mijn haren van hartzeer doen grijs worden voor den tijd, gelijk Simeon en Levi, de zonen Jacobs,
+huns vaders haren grijzen deden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw zoon!&#8221; riep Joan haastig uit: &#8220;hij wil uw gunst weder verwerven: hij....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe nu!&#8221; zeide de Predikant: &#8220;wat weet ge van hem? hebt ge hem gezien? Ach! hoe is het met den jongeling, met....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zeide Joan, eenigszins verlegen: &#8220;maar eergisteren zag men mij voor hem aan.... de man, die hier gevangen zit....
+die weet meer van hem.... hij scheen hem te kennen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die Jezu&iuml;et?&#8221; vroeg Raesfelt: &#8220;zijn de zoodanigen de bekenden mijns zoons? O mijn ongelukkige Hendrik! is het niet genoeg
+dat gij uwen God verliet? moet gij ook den Ba&auml;l nahoereeren? Ach! wel mag ik met Jacob zeggen: het is mijns zoons rok: een
+wild dier heeft hem verslonden!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat niet: die gevangene is een Remonstrant, een.... maar neen, dat kan toch niet....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe!&#8221; zeide Raesfelt, een gestrengen blik op Joan werpende: &#8220;weet gij niet, wie en wat die gevangene is?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zag hem eergisteren voor &#8217;t eerst en toen onder een anderen schijn dan heden? maar wie hij is?....&#8221; Hier schudde hij het
+hoofd, zag voor zich en haalde de schouders op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Joan!&#8221; zeide de Predikant: &#8220;de Paapschen hebben een instelling, welke zij een sacrament achten te zijn, door een verkeerde
+toepassing namelijk van Jacobi V vs. 16. Hun priesters hebben zich het recht aangematigd, &#8217;t geen Gode alleen behoort, om,
+na gedane biecht, de zonden aan den boeteling kwijt te schelden. Dit zeide ik is een valsche verklaring, want de Apostel leert
+niet ter aangehaalde plaatse, dat men zijn zonden aan een kerkelijk persoon moet belijden ten einde daarvan vergeving te ontvangen;
+maar hij spreekt uitdrukkelijk van een belijdenis, die men elkander moet doen, dat is de eene geloovige aan den ander, en
+vooral van die zaken, waardoor de liefde des naasten verbroken en twist zou ontstaan zijn:&#8212;zoodat het in de meeste gevallen
+niet alleen geoorloofd, maar zelfs noodzakelijk en plichtmatig is, in het hart van een getrouwen vriend, van een man van ondervinding,
+vooral van een evangeliedienaar, zijn geheime gedachten en verrichtingen uit te storten, ten einde raad, hulp of vertroosting
+te ontvangen. In zulk een geval bevindt gij u thans, en de vriend, de leeraar, die uw vertrouwen genieten en u met raad, hulp
+en vertroosting dienen wil, ben ik. Spreek vrijelijk tot mij, Joan! gelijk Paulus tot den wijzen Ananiam sprak, nadat hij
+hiertoe door een gezichte was vermaand, en ik zal u hooren en u onderwijzen met de onderwijzing, die ik vermag te geven. <a id="d0e7552"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7552">246</a>]</span>Doch verberg mij niets; want om uw toestand wel te beseffen, is het noodig dat ik alles wete.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Reeds voor uw verzoek,&#8221; zeide Joan, &#8220;had ik besloten u mede te deelen wat de reden is van het zonderling gedrag, dat ik heden
+heb moeten houden. Doch eer ik begin, moet ik u de stipste geheimhouding verzoeken omtrent al wat ik u zeggen ga.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een oogenblik,&#8221; zeide Raesfelt: &#8220;geheimhouding te beloven!.... dat zou mij onder de verplichting leggen, die een priester
+heeft aangegaan bij zijn ordening, en van ons gesprek een biecht te maken.... daarover moet ik even nadenken!&#8221;
+
+</p>
+<p>Nadat de brave man eenige oogenblikken gepeinsd had, zegevierde zijn zucht om nuttig te wezen aan de belanghebbende partijen
+over zijn te ver getrokkene nauwgezetheid, en hij beloofde Joan, dat niets van hun gesprek buiten zijn toestemming zou uitlekken.
+&#8220;In allen gevalle,&#8221; zeide hij, &#8220;kan ik de biecht wel hooren, als er toch geen <span class="letterspaced">absolutie</span> op volgt; want daar staat geschreven: belijdt malkanderen de misdaden en bidt voor malkanderen, opdat gij gezond wordet:
+sprekende de Apostel hier van gezondheid der ziel, gelijk in de vorige verzen van gezondheid des lichaams.&#8221;
+
+</p>
+<p>En hierop begon Joan, zonder te spreken van hetgeen hem te Tiel met Van Dyk overkomen was, de oorzaak, welke hem naar het
+Lischboschje gevoerd had en zijn ontmoeting van den morgen te verhalen. Toen de Predikant van het voorgenomen tweegevecht
+hoorde gewagen, schudde hij het hoofd en had moeite om den spreker niet in de rede te vallen; doch zooras Joan hem begon te
+vertellen, dat Van Dyk hem van zijn vader had gesproken, lieten zijn gedachten elk ander onderwerp varen om zich hierbij te
+bepalen, en bleef hij met gespannen aandacht luisteren naar het vervolg. Joan ging voort en zag den Predikant vlak in &#8217;t aangezicht,
+om den indruk gade te slaan, dien zijn woorden op hem zouden maken. Met open mond en strak gevestigde oogen zat Raesfelt over
+hem, zijn adem inhoudende uit vrees van een woord te verliezen, en zijn knie&euml;n stijf met de handen vastknijpende als beducht,
+een beweging te maken. Doch toen Joan eindelijk Velasco zijn vader en den Baron zijns vaders moordenaar noemde, trok de Predikant
+haastig de handen terug, vouwde die samen voor &#8217;t gezicht, hief het hoofd naar boven en sloot de oogen stijf toe, als wilde
+hij &ograve;f een gebed doen, <span id="d0e7565" class="corr" title="Bron: of">&ograve;f</span> zich iets, dat lang geleden en het geheugen reeds ontgaan was, herinneren. Na eenige oogenblikken in die houding te hebben
+doorgebracht, liet hij de handen weder vallen, zakte als &#8217;t ware ineen, sloeg de oogen op den grond en zweeg.
+
+</p>
+<p>Dat zwijgen scheen Joan toe, wat het werkelijk was: een bevestiging van het verhaal van Van Dyk: nog altijd had hij de hoop
+blijven voeden, dat deze een logenaar geweest ware: thans echter bleek hem het tegendeel, en zoo diep werkte die overtuiging
+op zijn gemoed, dat hij niet met spreken voort kon gaan, maar op zijn beurt den Predikant zwijgend aanzag, met oogen, waaruit
+vertwijfeling straalde.
+
+</p>
+<p>Nadat die wederzijdsche stilte een geruimen tijd geduurd had, <a id="d0e7572"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7572">247</a>]</span>stond Raesfelt op, schudde het hoofd, stak de beide handen naar Joan toe en zeide: &#8220;Gij bevindt u waarlijk in een toestand
+zoo rampzalig als weinig menschen ondervinden; doch alle dingen moeten medewerken tot zaligheid voor hem die gelooft.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit gesproken hebbende, ging hij weder zitten en peinsde weder eenige oogenblikken over hetgeen hij gehoord had. Nu brak Joan
+op zijn beurt het stilzwijgen en vroeg op een angstvalligen toon, of Dominee werkelijk met het geheim zijner geboorte bekend
+was, en of dit strookte met het verhaal van den vreemdeling.
+
+</p>
+<p>&#8220;Over &#8217;t geheel genomen, ja!&#8221; antwoordde Raesfelt: &#8220;en gij kunt het ook leeren kennen: want het staat, ofschoon niet volkomen
+juist, in de geschiedenissen te lezen, welke in de afgeloopen jaren gedrukt zijn. Doch dat de Heer Baron uw vader zou vermoord
+hebben, of zelfs den moord gelast, daarvan is mij nooit iets gebleken, en ik geloof het ook niet:.... waarschijnlijk is dat
+een bijvoegsel van den gevangene, om u haat tegen Zijn Edelheid in te boezemen: een schelm als hij, een sluikmoordenaar, kan
+lichtelijk zoo iets verzinnen, om....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarlijk! zoudt gij reden hebben om dit punt in twijfel te trekken? Het zou mijn hart van een geweldig pak ontlasten.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Predikant herhaalde zijn verzekeringen en bracht alles te berde, wat zijn geheugen hem omtrent de omstandigheden van Velasco&#8217;s
+dood te binnen bracht, om klem daaraan bij te zetten. Hij besefte nu, waarom en hoe innig zijn gewezen leerling lijden moest,
+en poogde hem dus ook met godsdienstige troostgronden op te beuren, doch om goeden raad te verschaffen, daarmede vond hij
+zich meer verlegen. Eindelijk kwamen zij overeen, dat Raesfelt den Baron zou verzekeren, dat Joan geen boos opzet hoegenaamd
+tegen hem had gevormd, en alle mogelijke middelen in &#8217;t werk stellen, om een onderhoud met den Jezu&iuml;et te hebben, ten einde
+van dezen de waarheid betreffende Joans afkomst te verstaan; en dat Joan zich hoe eer hoe beter naar Den Bosch zoude begeven,
+om zijn oom Don Louis te bezoeken, en met dezen te overleggen, wat hem te doen stond. Aan het eerste gedeelte dezer afspraak
+werd dadelijk door den Predikant voldaan, nadat hij afscheid van Joan genomen had. In korte bewoordingen verklaarde Raesfelt
+aan den Baron, dat Joan zijn vriendschap altijd waardig gebleven was, doch dat hij de redenen van zijn geheimzinnig gedrag
+nog niet vermocht te openbaren, waarop Reede, tevreden over de voorloopige verzekering van de onschuld van zijn pleegzoon,
+besloot hem den volgenden morgen te gaan spreken, ten einde alles op te helderen wat nog duister was.
+
+</p>
+<p>Intusschen was er een boodschap van den Ambtman Mom aan den Heer van Sonheuvel gekomen, waarin eerstgemelde zich verschoonde,
+om bij deze gelegenheid op het slot te komen, vermits de Koning van Bohemen dagelijks verwacht werd; &#8217;t geen de tegenwoordigheid
+aller ambtenaren in de plaats hunner residentie noodzakelijk maakte. De Baron had gaarne zijne tegenwoordigheid genoten, vermits
+Eugenio, die eindelijk mede een verhoor had ondergaan, voorgewend had een Bosschenaar te zijn en door den Heer <a id="d0e7584"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7584">248</a>]</span>van Botbergen gezonden, om zijn verschil met Joan bij te leggen. De Schout, die het verhoor deed, was van oordeel, dat men,
+om de waarheid van dit voorgeven te kennen, zoowel het bijzijn van den Heer van Botbergen als dat van den Ambtman Mom vereischte.
+Men besloot dus, daar de avond reeds gedaald was, den gevangene wederom weg te voeren en de getuigen naar huis te laten gaan,
+hen tegen den volgenden morgen terug bescheidende.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e7586" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Vier-en-twintigste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph" lang="nl-1700">
+<p>Daar&#8217;s niets dan &#8217;t zwoord en &#8217;t been: al &#8217;t spek is ge&euml;clipseerd.
+
+</p>
+<p><span class="letterspaced">Langendyk</span>, de Wiskunstenaars.
+</p>
+</div>
+<p>Den volgenden morgen was de Schout reeds vroegtijdig aan het kasteel terug en stelde hij den Heer van Sonheuvel voor, Joan
+te laten voor hem komen, om de aanleiding van zijn gesprek, met den gevangene in &#8217;t Lischboschje gehouden, op te geven. De
+Baron, zulks goedgekeurd hebbende, zond Roelof naar het vertrek van den Jonker, om diens tegenwoordigheid te verzoeken; dan
+al spoedig kwam deze terug met het bericht, dat de Jonker niet in zijn kamer te vinden was, &#8217;t welk bevestigd werd, toen de
+Baron, na gevraagde inlichting, vernam, dat Joan reeds vroeg in den morgen den hof was ingewandeld. &#8220;Hij zal wat zijn gaan
+kuieren om zijn leed te verzetten,&#8221; zeide Reede: &#8220;welnu! men spore hem op en verzoeke hem, terstond hier te komen: wij zullen
+dan beginnen, met den gevangene nog eens te ondervragen. Dienaars! brengt hem binnen!&#8221;
+
+</p>
+<p>De gerechtsdienaars, door Bouke geleid, begaven zich naar Eugenio&#8217;s kerker, die wel met grendels, bouten en kettingen voorzien
+en gesloten was. Het was Bouke zelf, die nu de zwaar beslagene deur opende met een gedruisch, dat geheel het kasteel door
+kon vernomen worden. &#8220;Klink! klank!&#8221; zeide de Baron tegen den Schout, toen hij het hoorde: &#8220;die bewaarplaats is een weinig
+zekerder dan de kamer te Loevestein, waaruit de Heer De Groot voor veertien dagen ontsnapt is: van hier zal die vermaledijde
+Jezu&iuml;et niet wegkomen, of hij moest kunnen vliegen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat moet hij dan kunnen,&#8221; zeide Bouke, stampvoetende en vloekende binnenkomende: &#8220;want weg is hij!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie? wat? wie is weg?&#8221; zeide de Baron.
+
+</p>
+<p>&#8220;De gevangene.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ben je dol, kerel?&#8221; en de Baron stoof met hem de trappen af, terwijl de Schout en de Secretaris, na elkander aangegaapt te
+hebben, de schouders ophaalden en volgden, vrij ontevreden, dat de <a id="d0e7608"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7608">249</a>]</span>eer hun ontgaan zoude, zulk een belangrijken misdadiger te hebben ingeleverd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar voor Sint-Felten, Bouke!&#8221; riep Reede, toen hij met hem voor den ledigen kerker stond: &#8220;hebt ge den boel dan niet dichtgesloten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gesloten?&#8212;Dat kunnen deze lieden getuigen, die er bij stonden; het spreekwoord zegt wel: groote visschen springen uit den
+ketel; maar hoe deze er uitgesprongen is, vat ik bij mijn ziel niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De vent is wis een toovenaar,&#8221; zeide een der dienaars. &#8220;Zou de Heer Baron niet goedvinden, dat wij hem wogen: de schaal is
+nog op het gemeentehuis.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat mag ik wel lijden,&#8221; zeide de Baron: &#8220;maar wij moeten hem eerst hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met uw verlof, Heer Baron!&#8221; zeide de Schout, de gevangenis binnentredende: &#8220;is hier geen andere uitgang dan door de deur?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Door dat gat kan hij niet weggegaan zijn,&#8221; zeide de Baron, op een rond luchtgaatje wijzende, waar geen mensch door kon kruipen,
+en dat bovendien met ijzeren traliewerk voorzien was: &#8220;en bij het luik, dat de pijp sluit, die op den zolder uitkomt, kan
+men van hier niet reiken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal het toch wezen,&#8221; zeide de Schout, naar boven ziende en het luik met de punt der hellebaard van een der dienaars opstootende:
+&#8220;door die opening kan iemand wegkomen, met behulp van een ander, die bovenstaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>De pijp namelijk geleidde naar den zolder, en had te voren gediend om de turf, welke eertijds boven bewaard werd, naar gelang
+men die noodig had, naar beneden te werpen; toen diende de kerker voor een turfhok; doch zooals Geert aan Magdalena &#8217;s daags
+te voren verhaald had, &#8220;nog bij &#8217;t leven van Mevrouw zaliger had men een turfloods naast de keuken gebouwd, en dit hok tot
+een gevangenis ingericht voor dieven en stroopers of voor groote schelmen, <span id="d0e7626" class="corr" title="Bron: &#8220;"></span>zooals deze paap was.&#8221;&#8212;De pijp was sedert dien tijd van boven en van onderen met een luik gesloten geweest, en dit nog wel
+behoorlijk toegegrendeld. Bij nauwkeurige beschouwing bleek het echter, dat men die grendels had doen springen: en er bleef
+dus geen twijfel over of de gevangene had langs dien weg een uitkomst verkregen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Joost haal me!&#8221; zeide de Baron, na gedaan onderzoek: &#8220;ik dacht ik had hem zoo wis.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja!&#8221; zeide Bouke: &#8220;gissen is missen en gehad is een arm man; maar hoe kwam hij weg? alleen zeker niet: want de duivel heeft
+altoos een maat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Men moet het gaan onderzoeken,&#8221; zeide de Schout.
+
+</p>
+<p>&#8220;Eerst den schelm weerom gekregen!&#8221; riep de Baron: &#8220;zit op mannen! en jaag hem achterna, tot gij hem vindt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is gemakkelijk gezeid,&#8221; merkte Bouke aan: &#8220;maar waar vinden wij hem? want alle muiske heeft zijn kluiske.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar? wel wis is hij naar Tiel toe, den weg op, waar hij vandaan kwam.&#8221;
+<a id="d0e7640"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7640">250</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Naar het veer dan,&#8221; zeide Bouke: &#8220;daar hooren wij zeker wat van hem: want vaart men over een sloot, men laat er een brood;
+vaart men over een veer, men laat er nog meer.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met verlof!&#8221; hernam de Schout: &#8220;zoude UEd. niet eerst het kasteel laten doorzoeken? wellicht zit hij nog hier of daar verscholen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze raad werd gevolgd; men trok het kasteel in alle richtingen door en ondervroeg alle bedienden. Niemand had iets van den
+Jezu&iuml;et gemerkt; doch Geert verhaalde, hoe de Jonker &#8217;s daags te voren bij haar had aangedrongen, om den gevangene te spreken.
+Dit deed het vermoeden ontstaan, dat Joan de hand had gehad in zijn ontsnapping. Zooras de Baron dit denkbeeld opvatte, begaf
+hij zich met al de overigen naar het vertrek van den jongeling; het werd nauwkeurig omgehaald, en men vond eindelijk in het
+ledikant, tusschen de lakens, een wigge en een eind touw verborgen, die aan den Baron werden voorgesteld. Bij onderzoek bleek
+het, dat die wigge gediend moest hebben om de grendels op te lichten van de luiken, die de pijp sloten, door welke de Jezu&iuml;et
+ontsnapt was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die wigge en dat touw hebben tot de vlucht gediend, Heer Baron!&#8221; zeide de Schout: &#8220;ik zal ze dus als bewijsstukken medenemen,
+en de Heer Secretaris verzoeken, die te nummeren.&#8221;&#8212;Dit zeggende, beschouwde hij nogmaals de wigge, om den naam van den fabrikant
+te lezen, welke daarop gegrift stond, doch door roest en ouderdom uitgesleten was. Ten einde den roest eenigszins weg te wrijven,
+raapte hij een papiertje op, dat voor hem lag, toen de Baron, die naast hem stond, hem met den uitroep: &#8220;dat is de hand van
+Joan!&#8221; ontrukte.
+
+</p>
+<p>Het bleek een gedeelte van een briefje te zijn, waaraan twee hoeken ontbraken, en liet de volgende afgebroken woorden lezen:
+
+
+</p>
+<div class="blockquote">
+<p> &#8220;Het bewijs uwer . . . . . . . . . .<br>
+. . . . . . . . . . . . . deed toekomen . . . . . . .<br>
+. . . . . . . . . . . verlost door mij . . . . . . . . .<br>
+. . . . . . . . . . . . den boezem aan . . . . . . . .<br>
+. . . . . . . . . . . . . . . de beschuldiging . . . . .<br>
+. . . . . . . . . . . . . . . alle geloof blijft wei . . . .<br>
+. . . . . . . . . . den naam van uw vriend . . . . . . .<br>
+. . . . . . . . . . vollen uwer waardig . . . . . . . . .<br>
+. . . . . . . . . . . . eerst bezwaarlijk vallen. . . . .<br>
+. . . . . . . . . . de vermoedens te ont . . . . . . . .<br>
+. . . . . . . . . . ekerd, de tijd zal mij. . . . . . . .<br>
+. . . . . . . . . . . doen vallen, die . . . . . . . .<br>
+. . . . . . . . . . . . moet, en aan de . . . . . . . .<br>
+. . . . . . . . . . . . . van Sonheuvel . . . . . . . .<br>
+. . . . . . . . . . . . . zijn moordenaar. . . . . . . .<br>
+. . . . . . . . . . . . . . geheel de uwe . . . . . . .
+
+</p>
+<p>J.&#8221; </p>
+</div><p>
+
+<a id="d0e7687"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7687">251</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Welk verder bewijs hebben wij nog noodig?&#8221; riep de Baron uit, zoodra hij deze onzamenhangende woorden gelezen had: &#8220;blijkt
+het niet uit dit geschrijf volledig, dat Joan, en niemand anders, den Jezu&iuml;et heeft verlost? Let eens, Heer Schout! op de
+woorden: <span class="letterspaced">deed toekomen</span>, <span class="letterspaced">verlost door mij</span>, <span class="letterspaced">Van Sonheuvel</span>, <span class="letterspaced">zijn moordenaar</span>.... O! het is niet moeilijk, de tusschenruimten in te vullen. Joan! Joan! had ik dat aan u verdiend? aan u, wien ik zoo hartelijk
+liefhad? Moest gij de Judas worden, die mij verraadde!&#8221; Hier bedekte de brave man zijn gelaat met beide handen en snikte luid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat beveelt UEd.?&#8221; zeide de Schout, na een oogenblik zwijgens, &#8217;t welke hij zich ten nutte gemaakt had, om het briefje nogmaals
+na te lezen. &#8220;Zal men den Jonker nazitten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen!&#8221; zeide Reede, terwijl hij zijn oogen afwischte: &#8220;Laat den ongelukkige gaan, waar hem zijn gesternte brengen wil. In
+den oorlog werd zijn vader door mijn soldaten vermoord: en ik wil het bloed zijns zoons niet op mijn gemoed hebben. Hij ga
+en leve in vrede, indien zijn geweten het hem toelaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat den Jezu&iuml;et betreft dien moeten wij echter niet laten wegkuieren,&#8221; zeide de Schout. &#8220;Hij is aan hoogverraad schuldig,
+en het zou mij spijten, indien ik dien vogel niet weder in de kooi kreeg.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit gezegd hebbende, gaf hij de noodige bevelen om Eugenio na te sporen. Alle vervolging was vruchteloos; echter ontdekte
+men, na een nauwkeurig onderzoek, dat iemand, wiens beschrijving zeer wel met die van den Pater overeenkwam, den weg op naar
+Wijk te Duurstede was ingeslagen en aldaar de rivier was overgestoken; terwijl andere berichten vermeldden, dat Joan, met
+een vermomden grijsaard, de Waal te Tiel was overgevaren.
+
+</p>
+<p>Inmiddels had Reede zijn dochter doen ontbieden. Zij kwam met rood bekreten oogen en een bleek gelaat de kamer in. Zwijgend
+wees de Baron haar een zitplaats aan, keek een poos voor zich en begon toen aldus:
+
+</p>
+<p>&#8220;Lieve meid! ik weet, gij hebt altijd Joan als een broeder liefgehad; ja zelfs meer dan eigenlijk behoorde.... ja, schrei
+maar niet: ik wil u daarvoor thans niet beknorren: &#8217;t was ook eenigszins mijn schuld.... maar ik zelf had den knaap lief,
+en zoo hij geen Spaansche basterd geweest ware.... doch dat daargelaten! over het verledene zullen wij zwijgen: ik wilde alleen
+u waarschuwen, dat ge voor de toekomst hem geheel uit uw gedachten bannen moet. Hij is een onwaardig, een slecht voorwerp,
+ja slechter dan ik u zeggen kan: mij, zijn weldoener, wilde hij om hals brengen, met behulp van een schoft, dien hij nu heeft
+doen ontsnappen. Zie mij niet zoo ongeloovig aan. Ik zelf zou het niet hebben geloofd, had ik de bewijzen niet in handen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Was hij een verrader,&#8221; zeide Ulrica met kracht, &#8220;dan is hij de grootste huichelaar, die ooit bestaan heeft; doch ook op uw
+getuigenis, mijn vader! kan ik hem daar niet voor houden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu dan,&#8221; hernam de Baron: &#8220;wat dunkt u van zijn ontsnapping, te gelijk met den Jezu&iuml;et? van deze wigge en dat touw? van
+dit briefje?&#8221;
+<a id="d0e7718"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7718">252</a>]</span></p>
+<p>Ulrica nam het papier met een sidderende hand op en las het, terwijl haar vader voortging met de bezwaren, op te sommen, die
+tegen Joan konden worden aangevoerd. Een wijl bleef het meisje als versteend staan en berstte toen uit in tranen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu!&#8221; zeide de Baron: &#8220;en aan dien slechthoofd wilde de brave Ambtman u afstaan. Hoe zult gij &#8217;s mans edelheid beloonen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat hij komen, wanneer het hem goeddunkt,&#8221; zeide Ulrica, opstaande en haar tranen wegvegende: &#8220;ik ben bereid, zijn gade
+te worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;God zegene u, beste meid!&#8221; zeide de Baron, haar omhelzende. &#8220;Gij verheugt mij onbeschrijfelijk, door zulk een kloek besluit
+te nemen. De liefde van mijn waardigen vriend Mom zal best geschikt zijn om de tranen te drogen, die gij over den onwaardigen
+Joan nog storten mocht!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De smart was in staat er nog eenige te doen vlieten,&#8221; zeide zijn dochter: &#8220;maar de verachting heeft er geene: en die alleen
+vervult thans mijn boezem voor den booswicht!&#8221;
+
+</p>
+<p>Terwijl deze gebeurtenissen op het slot te Sonheuvel voorvielen,
+was Joan, die vroeg in den morgen van daar vertrokken was, de
+poort van Tiel reeds binnengetreden en had zich naar den <span class="letterspaced">Gouden
+Ooievaar</span> begeven, om zijn paard en mantelzak, welke hij aldaar
+bij zijn vertrek had achtergelaten, terug te eischen. Verscheidene
+personen van allerlei stand en rang zaten in het voorhuis te praten,
+te rooken of te drinken: soldaten doorkruisten het in onderscheidene
+richtingen: werklieden waren bezig een opkamertje aan te
+bouwen: in &eacute;&eacute;n woord, het huis was met drukte, verwarring en gewoel
+vervuld. Dit liet niet na bij Joan, die hiervan de reden niet besefte,
+eenige verwondering te baren: doch deze hield op, toen men
+hem verhaalde, dat de meeste der aanwezigen dien dag te Tiel gekomen
+waren om den Koning van Bohemen de stad te zien voorbijvaren,
+terwijl die krijgslieden zich aldaar bevonden om Z. M. een
+eerewacht te vormen. Intusschen veroorzaakte het plaatshebbend
+rumoer, dat Joan onderscheidene reizen zijn stem verheffen moest,
+eer hij van den waard gehoor kon verkrijgen. Deze was eerst sinds
+weinige jaren bij aankoop eigenaar van dien stand geworden en had
+onzen held nooit gezien dan drie dagen te voren, toen hij zich aldaar
+in gezelschap van Groenhovius vertoond had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is er van je dienst, heerschop?&#8221; vroeg hij, zijn breeden vooruitpuilenden buik naar den kant van Joan wendende. &#8220;Ai mij!
+wat zie ik? is oe niet dat heerschop, die laatst met dien zwartrok hier ekomen zijt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zelf!&#8221; zeide Joan: &#8220;geef mij een snede brood en een kan bier, en laat mijn paard opgezadeld worden: ik moet spoedig verder.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel is &#8217;t mij bijzonder aangenaam, oe te zien,&#8221; hervatte de waard. &#8220;Ai mij! de luiden zeiden al, je waart verzopen: ja&ocirc;,
+een snee brood en een kan bier, da&ocirc;r kan ik oe an helpen, en aan oe mantelzak ook, die leit nog boven achter &#8217;t slot, wel
+bewa&ocirc;rd; ai mij! &#8217;t zou mij pijn doen, als iemand iets bij mij te kort kwam; ma&ocirc;r oe pa&ocirc;rd, man! dat is marsch!&#8221;
+<a id="d0e7740"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7740">253</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Hoe!&#8221; riep Joan, opvliegende: &#8220;wat heeft dat te beduiden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ai mij! ma&ocirc;k u niet driftig, heerschop! &#8217;t Is dat....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wil mij driftig maken,&#8221; hernam Joan: &#8220;wat is er met mijn paard gebeurd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Oe pa&ocirc;rd, heerschop! ja&ocirc;! oe pa&ocirc;rd! Ai mij dat.... het is geprest voor de lichting, en deur dien weg is het marsch.&#8221; En hij
+vergezelde deze woorden met een zeer beduidende gebaarde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Larie!&#8221; zeide Joan, den herbergier vrij onzacht bij den arm grijpende: &#8220;mijn paard weerom, &ograve;f ik klaag u zoo dadelijk aan
+bij het gerecht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ai mij!&#8221; hernam de waard, terwijl hij zich uit de handen van een zoo geweldige weerpartij zocht los te maken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen aimijen meer! mijn paard weerom, en terstond!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel da&ocirc;r speult Sint-Felten mee,&#8221; riep de waard, half boos, half bevreesd, &#8220;kijk mij zoo een vent het eens roeren! Kan ik
+het ebeteren, dat je zonder beta&ocirc;len aftrekt en oe verzuipt, zoodat elk oe veur dood houdt en dat oe pa&ocirc;rd geprest wordt en
+dat je nou weer levend veur mij sta&ocirc;t? Zie dat jij oe pa&ocirc;rd van den ritmeester weer krijgt, die het met enomen heeft: a&ocirc;rs,
+honderd da&ocirc;lders heeft hij er veur ela&ocirc;ten, die zijn tot oe dienst: ze liggen boven, en zooals ik oe zeide, niemand moet iets
+bij mij te kort komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De soldaten hadden gedurende dit gesprek de herberg langzamerhand verlaten; doch de overige klanten, nieuwsgierig naar den
+uitslag van dezen twist, waren opgestaan en hadden zich om de beide sprekers in een engen kring verzameld, zich met de gramschap
+des jongelings en den angst des kasteleins vermakende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Honderd daalders!&#8221; riep Joan verontwaardigd: &#8220;die Jood! die Griek! een paard, dat de helft meer waard is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Weeg uw woorden wat, vriendje!&#8221;&#8217; voegde hem een officier toe (die met een anderen krijgsman het voorhuis ingetreden was,
+en de laatste woorden gehoord had), terwijl hij Joan op den schouder klopte: &#8220;die Griek ben ik, en ik heb er voor gegeven
+wat de Staten als prijs hebben vastgesteld voor officiers-paarden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Staten hebben, met verlof gezegd, over mij noch over mijn paard iets te beschikken,&#8221; hernam Joan op een zachteren toon:
+&#8220;beiden zijn wij in dienst van den Koning van Bohemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Koning van Bohemen&#8221; zeide de officier met een spotachtigen lach: &#8220;pshaw! brrr! als hij hier komt, wordt hij er nog bij
+geprest ook, de arme man! Nu, trek u zijn zaak maar niet te veel aan,&#8221; vervolgde hij, ziende dat Joan de hand aan &#8217;t rapier
+sloeg: &#8220;ge schijnt mij een goed kalf van een jongen! en zijt ge om vijftig daalders verlegen, ik zal ze er wel bijleggen:
+dan hou ik het paard voor mij; want zuiver, de knol bevalt mij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Verplicht!&#8221; zeide Joan: &#8220;ik begeer noch uw geld te ontvangen, noch uw jokkernij aan te hooren: en verzoek u zelfs aardigheden
+te sparen, die ik niet dulden mag. Ik verlang alleen mijn paard terug: want ik moet nog heden verder.&#8221;
+
+</p>
+<p>Al de omstanders zagen den officier aan, nieuwsgierig om te hooren, hoe hij de fiere taal van den jongeling beantwoorden zoude;
+<a id="d0e7771"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7771">254</a>]</span>want zij beschouwden den krijgsman als iemand, die, voor zooverre men het uit zijn kloek en mannelijk voorkomen, uit zijn
+valkenblik en uit zijn door lange diensten sterk geteekend gelaat zou opmaken, zich niet gemakkelijk op de teenen zou laten
+trappen; doch hun verwachtingen, wellicht de heimelijke hoop van sommigen, dat er een krakeel zoude ontstaan, werd niet vervuld.
+De officier beschouwde Joan een wijl met heldere, vriendelijke oogen, draaide zich toen een weinig om, zag de omstanders aan
+en vroeg op een vrij forschen toon: &#8220;welnu! wat hebt gijlieden daarmede te maken? Denkt gijlieden dat wij, op zijn Engelsch,
+een hanengevecht gaan houden?&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze onverwachte toespraak, de toon, waarop zij werd uitgesproken, en vooral de barsche houding van den krijgsman deed de
+omstanders beteuterd ter zijde treden: en als kinderen, die eene bestraffing ontvangen hebben, bleven zij op een afstand het
+verder onderhoud gadeslaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor eens, kameraad!&#8221; vervolgde de officier, Joan vriendelijk onder den arm nemende: &#8220;antwoord mij eens oprecht: wie heeft
+het <span class="letterspaced">model</span> opgegeven, volgens &#8217;t welk uw paard getoomd en geteugeld is?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel ik zelf!&#8212;Maar wat zal deze vraag?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Omdat ik dan bij waarheid getuigen moet,&#8221; hernam de ritmeester, altijd bedaard en vriendelijk, &#8220;dat meester Symen, die een
+bol in de toomprangkunst was, de goede man, het u niet verbeteren zou. En daarom juist, lieve vriend! kunt ge uw paard niet
+weerom krijgen; want ik heb het met toom en al naar Graaf Hendrik Frederik gestuurd tot model.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Verplicht voor de eer,&#8221; hernam Joan; &#8220;maar dat helpt mij weinig.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij moest met mij naar Zijn Hoogheid gaan,&#8221; zeide de officier, zonder zich aan den driftigen toon van Joan te storen: &#8220;ik
+sta u borg, dat gij spoedig vooruit zoudt komen. Wat dunkt u daarvan, Kapitein Schwanck?&#8221; vervolgde hij, zich tot den anderen
+officier wendende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zult gij best weten, Kapitein Holtvast!&#8221; antwoordde deze.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw naam,&#8221; vervolgde de andere tot Joan, &#8220;uw naam is, zoo ik mij niet bedrieg.... Ulrich.... neen.... Joan van.... van....!
+Ja waarlijk, volkomen herinner ik mij uw naam niet, schoon ik u meer gezien heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>Bij deze woorden werd Joan beurtelings rood van verlegenheid en bleek van gramschap; doch de gulle lach, waarmede Kapitein
+Holtvast ze vergezelde, ontwapende zijn drift, vooral toen hij bemerkte, dat Holtvast zelf een kleur kreeg, gelijk meermalen
+gebeurt, wanneer men die bij een ander heeft doen opstijgen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja!&#8221; hernam hij: &#8220;nu herinner ik mij!.... doch gij behoeft u daarvoor niet te schamen, jongeling!&#8212;ik voorspel u, gij zult
+een naam verwerven, zoo gij er nog geen hebt;&#8212;althans het zal uw schuld niet zijn, indien gij een brekebeen blijft. Wat zegt
+ge? neemt ge dienst bij ons?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik kan noch mag daarop antwoorden&#8221;, zeide Joan, &#8220;voor &#8217;t oogenblik moet ik naar Den Bosch; misschien zal ik naderhand van
+uw vriendelijke uitnoodiging gebruik kunnen maken.&#8221;
+<a id="d0e7798"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7798">255</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Hm! hm!&#8221; zeide Holtvast, terwijl hij eenigszins misnoegd het hoofd schudde: &#8220;die reis naar Den Bosch bevalt mij maar half:
+schoon ik er ook eens hoop te komen.&#8212;Wat drommel moet ge in dat Paapsche land uitrichten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet niet dat ik u eenige rekenschap verschuldigd ben,&#8221; zeide Joan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Misschien!&#8221; antwoordde Schwanck: &#8220;het moet ons vreemd voorkomen, dat iemand, die voorgeeft Koning Frederik te dienen, naar
+Den Bosch reist op het oogenblik, dat Zijn Majesteit hier verwacht wordt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bedaar, kapitein Schwanck, bedaar!&#8221; zeide zijn krijgsmakker. &#8220;De Jonker heeft vast wijze redenen, die het ons niet past te
+onderzoeken. Ook zal Koning Frederik hier dienaars genoeg hebben, en misschien meer, dan wij in den kost kunnen houden; doch
+het is onze tijd, verder te gaan: nu, Jonker! zoo gij iets naders van ons begeert, verneem dan maar naar mijn makker, dien
+gij hier ziet, Kapitein Schwanck, van de garde. En ik noem mij Holtvast, om u te dienen. Zoo ge bij ons wilt komen dienen,
+beloof ik u, dat ik u aan een paard zal helpen, ruim zoogoed als hetgeen wij u ontnomen hebben;.... doch waarom hieldt gij
+u ook dood?&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze toespraak ge&euml;indigd hebbende, draaide hij zich om, zonder verder antwoord af te wachten, en ging naar den stal, vergezeld
+van Kapitein Schwanck. &#8220;Bij mijn degen,&#8221; zeide hij tegen dezen in &#8217;t uitgaan: &#8220;die knaap herinnert mij volkomen een dapperen
+Kleefschen Graaf.... doch dien hebt gij nooit gekend, Schwanck!&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan staarde den ritmeester met verbaasdheid na en bleef een wijl wrevelig en ontevreden staan, knorrig op den waard, die
+zijn paard verkocht had, op Holtvast, die hem had doen zwichten voor een invloed, waaraan hij geen verklaring geven kon, en
+op zich zelven, daar hij begreep een gekke rol gespeeld te hebben. Terwijl hij besluiteloos voor zich keek, rees een der aanwezigen,
+die zich met den ganschen twist niet bemoeid had, maar stil in een hoekje was blijven zitten, van zijn bank op, naderde hem,
+en zeide in een vreemden tongval, dat hij een wagentje gehuurd had, om hem naar Den Bosch te laten brengen, en dat het hem
+aangenaam zou wezen, indien de Jonker hem de eer van zijn gezelschap wilde verschaffen.
+
+</p>
+<p>Joan wierp een vluchtigen blik op den man, die hem dezen voorslag deed. Hij had het uiterlijk van een Duitschen of Poolschen
+Jood, droeg een lange blauwe samaar met een hoogen kraag, die hem over de ooren stak, een diep ingedrukte bonten muts en een
+bruinen baard. Schoon onze held zich van zulk een reisgezel weinig vermaak kon beloven, begreep hij echter, de gelegenheid
+niet te moeten versmaden, weshalve hij den vreemdeling een toestemmend antwoord gaf, hem tevens vragende, wanneer hij dacht
+te vertrekken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo op het oogenblik,&#8221; antwoordde de Jood: &#8220;indien UEd. uw pakkage gelieft te halen: ik zal UEd. hier blijven wachten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Beseffende, dat hij toch vergeefsche moeite zou doen om zijn paard terug te krijgen, voldeed Joan aan het verzoek en vergezelde
+<a id="d0e7817"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7817">256</a>]</span>den waard naar een achterkamer, waar deze hem zijn valies ter hand stelde en hem het geld toetelde, dat voor zijn paard betaald
+was, daarvan, als vanzelf spreekt, de som afhoudende, welke Joan hem voor zijn vertering schuldig was: waarna onze held terugkeerde
+naar het voorhuis, en met den Jood de stad verliet. Weldra waren zij aan de Waal en in de veerschuit gestapt.
+
+</p>
+<p>De rivier leverde op dit oogenblik een belangwekkend schouwspel op: zij was gevuld met groote en kleine vaartuigen, van wier
+stengen en achtersteven vlaggen wapperden, en welke passagiers inhielden, die op den stroom de aankomst van Koning Frederik
+verbeidden. De beide oevers waren met scharen toeschouwers bedekt, en voor de stad lag een prachtig versierd jacht, dat zoowel
+de Prinsenvlag als het wapen van Oranje-Nassau voerde, en waarop zich Prins Maurits met zijn gevolg, waaronder de Ambtman
+Mom en meer hoofdbeambten van het gewest, bevonden. Onder de muren van Tiel stond krijgsvolk onder de wapenen, om den doorluchtigen
+gast van Nederland bij zijn doortocht verschuldigde krijgseer te bewijzen: en twee schuiten, met soldaten bemand, gingen den
+Koning te gemoet, wiens vaartuig, rijk met vlaggen versierd, men van verre onder het schaterend gejuich der menigte den vloed
+zag afkomen. Joan kon, ondanks de bekommering, die zijn ziel vervulde, niet nalaten zijn oog over dit prachtig schouwspel
+te doen weiden, waarvan de beschouwing hem gedurende den tijd der overvaart geheel vervulde. Eerst toen hij aan de andere
+zijde gekomen was en toevallig opzag, herkende hij in een der veerlieden zijn oude kennis, Teun Wezer. Niet verlangende, met
+dezen in gesprek te treden, wendde hij het gelaat om; doch de veerman, een halven cirkel om hem heen beschrijvende, stond
+dadelijk weder vlak voor zijn gezicht, en sprak hem met de volgende woorden aan:
+
+</p>
+<p>&#8220;Goemorgen, Jonker! wie deksel dacht u hier te zien? gistera&ocirc;vend liet ik u immers nog op Sonheuvel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij moet van daar nog vroeger zijn vertrokken dan ik, Teun!&#8221; hernam Joan: &#8220;en moet gij er niet weder naar toe?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vanda&ocirc;g en morgen niet,&#8221; antwoordde Teun: &#8220;ik moet eerst dien Poolschen Jood naar Den Bosch brengen, dat je &#8217;t vat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ei! en mij bijgevolg ook; want wij reizen samen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo!&#8221; hervatte de veerman, wiens gelaat op dit bericht betrok; &#8220;nu ja! ma&ocirc;r ik weet niet of het zich wel schikken zal....
+Patientie! wij zullen zien.&#8212;Haalt aan, jongens! haalt aan!&#8221;
+
+</p>
+<p>Aan de overzijde aan wal gestapt en den dijk opgewandeld zijnde, zag Joan in de laagte een soort van huifkar staan, met twee
+kloeke paarden bespannen, welke een jonge vrouw vasthield.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zieda&ocirc;r uw rijtuig,&#8221; zeide Teun, hem op de kar wijzende: &#8220;wil ik er de bagage maar inbrengen?&#8221; Dit zeggende, nam hij de valiezen
+der beide reizigers en smeet die in de kar, waarna hij zich vloekende en tierende bij de jonge vrouw begaf, haar verwijtende,
+dat zij de paarden averechts gespannen had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar zij staan immers altijd zoo,&#8221; zeide de jonge vrouw.
+
+</p>
+<p>&#8220;Houd den bek, wijf!&#8221; grauwde Teun haar halfluid toe, &#8220;of ik zal <a id="d0e7839"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7839">257</a>]</span>oe een muilpeer geven, die oe de lust tot sna&ocirc;teren wel benemen zal. Ik zeg, ze sta&ocirc;n verkeerd om, en dan is het zoo!&#8221;
+
+</p>
+<p>Tegen dit <span class="letterspaced">martiaal argument</span> was niets in te brengen: de goede vrouw haalde met een zucht de schouders op, en riep toen, Joan ziende, verwonderd uit:
+&#8220;Lieve deugd! is dat onze Jonker niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! dat is onze Jonker: ga je ma&ocirc;r na&ocirc;r hem toe, je sta&ocirc;t mij hier meer in dan uit den weg,&#8221; antwoordde Teun op denzelfden
+vriendelijken toon. &#8220;Heerschoppen!&#8221; vervolgde hij, zich tot Joan en diens reisgezel wendende: &#8220;blijf da&ocirc;r zoolang niet in
+den wind sta&ocirc;n. Ga&ocirc;t in dat kapelleke, terwijl ik de paarden verspan.&#8221;
+
+</p>
+<p>De reizigers volgden dien raad en gingen in een kroegje dat vlak aan den weg stond, gevolgd door de vrouw van Teun Wezer,
+in dewelke Joan nu zijn speelkarnuit Klaartje, Boukes nicht, herkende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel Klaartje!&#8221; vroeg hij haar na de eerste groete, &#8220;hoe maakt gij het al in den echten staat?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; antwoordde zij, terwijl twee dikke tranen haar langs de wangen liepen: &#8220;als men alles van te voren wist!.... doch ik
+geloof waarlijk, dat mijn man mij roept om hem te komen helpen;.... maar neen,&#8221; zeide zij, terugkeerende: &#8220;hij kan mij wel
+missen: trouwens, dat kan hij altijd wel.... daar is hij!&#8221;
+
+</p>
+<p>Teun Wezer trad het kroegje binnen, en in &#8217;t voorbijgaan een vreeselijken blik op zijn vrouw werpende, begaf hij zich naar
+de toonbank en zwolg een kelk brandewijn in, welken een oude Megeer, die aldaar voor tapster speelde, hem toegereikt had;
+waarna hij zich tot de reizigers wendde met een: &#8220;&#8217;t is kla&ocirc;r, heerschoppen!&#8221;
+
+</p>
+<p>In &#8217;t uitgaan der kroeg bemerkte Teun, dat zijn vrouw Joan, die reeds buiten was, toewenkte, dat zij hem nog iets te zeggen
+had: bij het zien dezer beweging stootte hij haar ruwelijk achter zich weg; dan Joan, wien de gebaarden van Klaartje niet
+ontsnapt waren, keerde terug, draaide om den voerman heen en stak aan diens vrouw de hand ten afscheid toe. Veinzende te struikelen,
+nam zij dit oogenblik waar om hem schielijk in te fluisteren: &#8220;uw pistolen!&#8221; waarna zij zich haastig omwendde en een luid
+vaarwel toeriep.
+
+</p>
+<p>De Jood had intusschen plaats op de kar genomen: Joan volgde hem, over de geheimzinnige waarschuwing, welke hij ontvangen
+had, nadenkende: en op de bank gezeten, was zijn eerste werk om naar zijn pistolen om te zien; doch hij vond die, zooals hij
+ze gelaten had, aan weerszijden in zijn mantelzak gestoken.
+
+</p>
+<p>Teun Wezer, zich op een soort van bok of vooropbank gesteld hebbende, greep nu de teugels, of liever de touwen, welke dien
+rang bekleedden, in de hand en deed zijn zweep driewerf de lucht doorklieven; waarop de paarden op een redelijken draf vertrokken
+en het rijtuig door een aangename landouw, met boomgaarden en koornvelden bedekt, voorttrokken. Met weemoedige deelneming
+staarde onze held op die welvarende en vruchtbare streken: en diep trof hem de gedachte, hoe weldra, na het eindigen van het
+Bestand, de oorlogsfakkel opnieuw in dit gedeelte van Nederland zoude blaken, de hoop <a id="d0e7862"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7862">258</a>]</span>des veldmans verteren en wellicht vele dier thans zoo fraaie en rijke woningen in asch leggen: hoe de zwaarden der krijgsli&ecirc;n
+het graan zouden maaien, &#8217;t welk de hand des nijveren landmans hier gezaaid had. De sombere stemming, waarin hem deze overdenkingen
+brachten en de nog dieper zwaarmoedigheid, waarin hij verviel, als hij soms weder over zijn eigen toestand nadacht en zich
+de ontdekkingen en gebeurtenissen der vorige dagen voor den geest bracht, en eindelijk het gering genoegen, dat hij uit een
+gesprek met zijn vreemden reismakker verwachten kon, deden hem over den weg een diep en onafgebroken stilzwijgen bewaren.
+Wat den Jood betrof, ook deze scheen geen onderhoud te verlangen: hij had zich, &#8217;t zij uit voorzorg tegen den wind, &#8217;t zij
+omdat hij van tandpijn gekweld was, een zijden doek om de kin gebonden, welke het gedeelte van zijn gelaat, dat nog zichtbaar
+gebleven was, ten volle bedekte. De voerman was insgelijks stil en afgetrokkener van gedachten, dan men van iemand uit zijn
+stand verwachten zoude: somtijds poogde hij een liedje te neuri&euml;n, doch al spoedig verzwakte zijn stem, hij zweeg, zakte ineen
+en verviel weder als in een dommeling, en als dit een korte poos geduurd had, richtte hij zich wederom op, begon opnieuw te
+fluiten en te zingen, liet de zweep aan de paarden voelen en hen draven tot aan de naastbij gelegene kroeg, waar bij nooit
+naliet het zoopje te aanvaarden, dat de maagd, die voor den deurpost wachtte, hem reeds van verre had staan toereiken.
+
+</p>
+<p>Over Drummel naar de Maas gereden, staken onze reizigers die rivier over, en kwamen weldra te Kessel, alwaar Teun Wezer begreep
+zijn paarden eenige rust en voeder te mogen doen genieten; welke gelegenheid zoowel Joan als de Jood zich ten nutte maakten
+om in de herberg een sober ontbijt te gebruiken.
+
+</p>
+<p>Terwijl Joan hiermede bezig was, zag hij uit het raam, waaraan hij gezeten was, dat zijn voerman op de binnenplaats in gesprek
+stond met twee kerels van een alleronaangenaamst voorkomen, die na eenige woordenwisseling de herberg verlieten. Deze omstandigheid
+wekte opnieuw eenig kwaad vermoeden op bij onzen held, zoodat hij het raadzaam oordeelde, zich nogmaals van den toestand,
+waarin zijn wapenen zich bevonden, te gaan verzekeren. Hij begaf zich met dat oogmerk naar den stal, alwaar hij op dat oogenblik
+niemand vond, vermits Teun Wezer zich naar de keuken had begeven om te ontbijten, en de staljongen voeder was gaan halen.
+Onverhinderd en onopgemerkt kon hij dus de beide pistolen uit den mantelzak halen en onderzoeken; waarop hij tot zijn verbazing
+ontdekte, dat men de kogels uit de loopen had gehaald. Hij zelf had de pistolen des morgens op Sonheuvel geladen en te Tiel
+gestoken in zijn mantelzak, welke hij sedert niet uit het oog had verloren, dan alleen gedurende den korten tijd, toen hij
+op verzoek van Teun Wezer het kroegje aan het veer was ingegaan. Hij begreep nu, dat die schelm zich deze gelegenheid had
+ten nutte gemaakt om, onder voorwendsel van de paarden te verspannen, de geweren buiten staat te stellen eenig letsel te doen,
+welk bedrijf Klaartje ongetwijfeld had opgemerkt. Zijn reisgenoot niet buiten noodzakelijkheid willende verschrikken, en onbewust
+<a id="d0e7868"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7868">259</a>]</span>of deze geen medeplichtige aan een tegen zijn leven of vrijheid gesmeden aanslag ware, hield hij dezen onkundig van de gedane
+ontdekking, laadde de pistolen opnieuw, bracht die op hun plaats terug en verliet wederom even ongemerkt het wagenhuis.
+
+</p>
+<p>Kort daarna kwam Teun Wezer de reisgenooten waarschuwen, dat het tijd was weder op reis te gaan: zij vervolgden dan hun weg
+door een zwaar, slijkerig spoor, hetgeen de paarden noodzaakte stapvoets voort te gaan. Hoe meer zij vorderden, hoe vetter
+en hinderlijker de modder werd, zoodat zij, eer zij Kessel nog uit het oog verloren hadden, tot de helft der wielen in het
+moeras zaten.
+
+</p>
+<p>Het oord was hier eenzaam en verlaten: nergens vertoonde zich eenig levend wezen, en de rook alleen, die hier en daar in de
+verte uit het kreupelhout opging, verraadde de nabijheid van dorpen en gehuchten. Eindelijk ontdekte Joan verre voor zich
+uit, doch aan den rijweg, met welgevallen een gebouw, dat vrij aanzienlijk <span id="d0e7874" class="corr" title="Bron: seheen">scheen</span>: doch met teleurstelling ontwaarde hij bij &#8217;t naderen, dat het alleen uit de vier muren bestond, zijnde het droevig overblijfsel
+eener nog v&oacute;&oacute;r den aanvang van het Bestand uitgebrande huizinge, welke thans uitmuntend geschikt was tot een verblijfplaats
+van uilen en kraaien, en misschien van nog gevaarlijker roofgedierte. Ook ontging het Joan, die oplettend was op al wat zijn
+vermoedens op kon wekken, geenszins, dat zich tusschen die vervallen muren een paar menschen bevonden, die even uitkwamen,
+doch bij het zien van het rijtuig dadelijk terugtraden. Zooras onze held dit bemerkte, haalde hij in stilte zijn pistolen
+uit den mantelzak en stak zijn handen onder de bank, eer zijn reisgenoot of de voerman deze beweging bespeurd hadden. Zij
+reden echter de bouwvallen voorbij, zonder dat er iemand te voorschijn kwam; doch nauwelijks was men een twintig roeden verder
+<span id="d0e7877" class="corr" title="Bron: gekomeu">gekomen</span> of Teun Wezer liet, als bij toeval, zijn zweep vallen, hield de paarden staande en sprong af, als wilde hij die gaan oprapen.
+&#8220;Met uw verlof!&#8221; zeide Joan, die al zijn bewegingen aandachtig gade had geslagen, &#8220;dat zal ik wel voor u doen;&#8221; en, meteen
+sprong hij op het voetpad, dat, veel hooger dan de weg, niet zoo zwaar bemodderd en bewandelbaar was. Dan terstond haalde
+Teun Wezer, zonder een woord te spreken, de houten pen uit, welke het karretje (hetwelk in den smaak der hedendaagsche asch-,
+mest- of vuilniskarren gemaakt was), tegenhield, waardoor het met Jood en al achterover en in de modder sloeg. Op datzelfde
+tijdstip sprongen de twee personen uit het vervallen gebouw, dezelfden, die Joan in de herberg gezien had, met het mes in
+de vuist, voor den dag, en snelden op de kar aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Staat!&#8221; riep Joan, hun de pistolen voorhoudende: &#8220;of ik brand los.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Loop maar toe!&#8221; riep Teun, terwijl hij zijn mes trok en Joan van achteren aangreep: &#8220;zij zijn niet eladen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zult gij anders ondervinden! zeide Joan, en zich omkeerende, schoot hij den booswicht neder, die vloekende tusschen de
+paarden rolde. Vervolgens zijn degen trekkende, stelde de moedige jongeling zich in postuur om de beide anderen af te wachten:
+dezen, door het gezicht van den gewonden voerman ontzet, verkozen geen <a id="d0e7886"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7886">260</a>]</span>poging te doen om met levensgevaar te naderen en bliezen den aftocht, met den meesten spoed hun weg weer naar den kant van
+Kessel nemende. Joan volgde hen een klein eind weegs, doch slechts langzaam, daar hij zich niet te ver van de kar verwijderen
+wilde; doch hij verloor hen weldra uit het oog. Toen keerde hij terug om te onderzoeken, in welken toestand zich de arme Jood
+en de gekwetste bevonden. Dan, wie schildert zijn verbazing, toen hij bij &#8217;t naderen geen Jood noch Joodsgelijke meer zag,
+maar, naast den onder zijn eigene paarden in de modder geraakten voerman, de edele, eerwaardige gestalte van Godard van Reede,
+zooals hij zich in het klooster te Tiel aan hem vertoond had, herkende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zie ik?&#8221; riep Joan, verbaasd achteruittredende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil!&#8221; zeide de geestelijke: &#8220;die ongelukkige leeft nog: hij is misschien nog te helpen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij wilt dien ellendige bijstaan?&#8221; hernam Joan, een vertoornden blik op Teun Wezer werpende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij heeft mijn bijstand ingeroepen,&#8221; antwoordde de grijsaard: &#8220;en dit heeft nooit een sterveling te vergeefs gedaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit zeggende, trachtte Pater Ambrosius, gelijk de geestelijke, als men weet, genoemd werd, den gekwetste op te helpen; doch
+het machteloos lichaam gaf niets mede en zat diep in het slijk.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wacht!&#8221; zeide Joan: &#8220;laat mij die taak over: ik zal hem wel op vasten grond brengen!&#8221; En meteen zette hij de voeten vast
+aaneengesloten in het slijk, greep Teun Wezer met beide handen om het lijf en tilde hem op het voetpad. De gewonde opende
+nu de oogen en zeide met een schorre en gebroken stem: &#8220;o wee! het is met mij gedaan.... laat de Vicaris.... een gebed....
+voor mijn ziel.... o wee!&#8221; Deze woorden met moeite hebbende geuit, liet hij het hoofd op den schouder vallen en sloot de oogen,
+terwijl de doodskleur zich weder over zijn gelaat verspreidde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier is geen hulp in den omtrek,&#8221; zeide de geestelijke: &#8220;laten wij hem in de kar leggen en met ons voeren: indien ik slechts
+iets had om het bloed te stelpen, dat uit zijn wond stroomt.... wacht! in de kar ligt de doek, waarmede ik mijn gezicht verborgen
+hield<span id="d0e7902" class="corr" title="Bron: ,">.</span>&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe!&#8221; riep Joan, terwijl hij snel den doek uit de kar haalde: &#8220;gij waart dan werkelijk die Jood, mijn reisgenoot?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben een ongelukkige zwerver,&#8221; antwoordde Ambrosius: &#8220;die nergens veilig, door allen vervolgd, bij allen gehaat, niet dan
+door Gods vaderlijke hulp, die u tot mijn redder beschikte, aan den moorddolk ontsnapt ben, die mij dreigde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het was dan tegen u, dat de aanslag gesmeed was?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gewis! en ik ken hen, die dezen arm tegen mij gewapend hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En gij bewijst uw menschlievende hulp aan den booswicht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Leert men in uwe Kerk,&#8221; vroeg de geestelijke, den jongeling met ernst en waardigheid aanziende, &#8220;dan het heilige voorschrift
+niet: &#8220;&#8220;doe wel aan die u haten?&#8221;&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Voorzeker,&#8221; zeide Joan blozende: &#8220;doch, verschoon mij, ik had het voorbeeld, dat mij door u gegeven wordt, niet van een Roomschgezinde
+verwacht.&#8221;
+<a id="d0e7919"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7919">261</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Slechts &eacute;&eacute;n hielp den gekwetsten koopman, waar de schriftuur ons van verhaalt, en die was een Samaritaan,&#8221; zeide Ambrosius
+met nadruk.
+
+</p>
+<p>Onder dit gesprek hadden zij den gekwetste verbonden zoogoed hun mogelijk was: vervolgens plaatste Joan hem in de kar: de
+grijsaard ging naast hem zitten en hield hem vast, om het zwakke lichaam tegen de al te sterke schokken van het rijtuig te
+bewaren. Joan nam de teugels in de hand, zette zich op het vooropje en liet de paarden hun weg vervolgen.<span id="d0e7924" class="corr" title="Bron: &#8221;"></span>
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou het niet te vrijpostig wezen,&#8221; vroeg Ambrosius, na eenige oogenblikken zwijgens, &#8220;om te vragen, welke zaken den Jonker
+van Craeihorst in Den Bosch roepen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij kent mij!.... Doch waarom zou mij dit bevreemden? Ik heb in de laatste dagen het recht verloren om mij ergens over te
+verwonderen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! ik ken u. Reeds toen ik u voor eenige dagen te Tiel zag, trof mij uw gelaat; sedert vernam ik, wie gij waart, en ik herinnerde
+mij, u als knaap bij uw pleegvader te hebben ontmoet, en u den ring geschonken te hebben, welken ik aan uw vinger zie.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu, zoo UEd. mij kent,&#8221; zeide Joan: &#8220;zal uw verwondering over mijn reis naar Den Bosch niet zoo groot wezen; want dan
+zult ge ook de betrekkingen kennen, welke ik aldaar ga opzoeken: ten minste, ik moet dit veronderstellen, na u in &#8217;t gezelschap
+van Van Dyk te hebben ontmoet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van Van Dyk?&#8221; hernam Ambrosius: &#8220;was hij de man die u derwaarts zond? En welke redenen heeft hij u gegeven, sterk genoeg,
+om u een huisgezin, dat u liefheeft, te doen verlaten?&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan was op het punt zijn vertrouwen te schenken aan zijn reisgenoot, wiens achtbaar en tevens vriendelijk voorkomen hem bereids
+had ingenomen; doch hij weerhield zich, indachtig aan de nauwe betrekking, die tusschen Vader Ambrosius en den Baron bestond.
+Daarenboven was hem de gedachte niet vreemd, dat de grijsaard, van hetgeen hij hem zou kunnen verhalen, beter en vollediger
+onderricht ware, dan hij zelf.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet niet,&#8221; antwoordde hij, &#8220;of ik vooralsnog vrijheid heb, UEd. die redenen mede te deelen. Wat echter den persoon betreft,
+dien ik zoek, het is Don Louis de Velasco, en het zou mij aangenaam zijn, indien UEd. mij behulpzaam wilde wezen om een mond
+gesprek met hem te verkrijgen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jongeling!&#8221; hervatte Ambrosius: &#8220;versta ik u wel? Zijt gij niet in dienst van den verjaagden Paltsgraaf, die zich koning
+van Bohemen noemt? Wat hebt ge dan met zijn vijand uit te richten?&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan zweeg.
+
+</p>
+<p>&#8220;En draagt de Baron van Sonheuvel kennis van deze reis?&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan schudde het hoofd en zuchtte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jongeling!&#8221; zeide de grijsaard met een ernstig en weemoedig gelaat: &#8220;ik ben een ijverig en getrouw, schoon onwaardig dienaar
+der Moederkerk, en zou mijn leven gewillig prijsgeven, zoo ik de Nederlanden van ketterij verlost en tot de zuivere leer zag
+teruggebracht; <a id="d0e7950"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7950">262</a>]</span>maar verachting en smaad is in mijn oogen de Nederlander waardig, die de zijnen, lafhartig, om wereldsch goed, verlaten en
+verraden zou.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die smet mag mij niet aangewreven worden,&#8221; riep Joan uit, terwijl een hoogrood zijn wangen overdekte: &#8220;God weet hoe zuiver
+mijn bedoelingen zijn!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En toch!&#8221; hernam Ambrosius: &#8220;het is Van Dyk, die u naar Den Bosch zendt!.... slechts &eacute;&eacute;n verontschuldiging kan uw gedrag
+hebben: dat gij namelijk uw kettersche gevoelens af wilt zweren en een heilige ste&ecirc; gaat zoeken, waar gij u aan den dienst
+Godes wijden moogt;.... doch het is niet Don Louis, welke u die verschaffen zal.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ook dit is mijn bedoeling niet: en echter is in deze mijn gedrag onberispelijk.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo dit waar is, gelijk ik op uw herhaalde verzekering gelooven wil, maak dan staat op mijn diensten, die ik u van harte
+aanbiedt; doch, nogmaals, weiger mij uw vertrouwen niet: ik ben het waardig;&#8212;en, geloof mij, geen laakbare nieuwsgierigheid
+drijft mij aan; maar de zucht om u nuttig te zijn, u, mijnen redder.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb geen recht op uw dankbaarheid,&#8221; hernam Joan: &#8220;gaarne had ik voor u in de bres gesprongen; doch ik dacht, dat het slechts
+op mij gemunt was, en dat het alleen mijn eigen leven was, dat ik verdedigde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geenszins! Teun Wezer kende mij, en de vermomming, waarin ik stak, moest mij alleen dienen, om bij anderen onbekend te blijven.
+Het is, helaas! niet de eerste reis, dat ik ondervinden moet, hoe verre de haat en nijd mijner vijanden gaan kunnen; doch
+nooit had ik gedacht, dat men die tot zulk een uiterste zou durven voeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Na deze aanmerking, welke tot pijnlijke herinneringen aanleiding scheen te geven, verviel de geestelijke in een diepe mijmering,
+waarin Joan, die aan zijn eigene bekommernissen daarenboven genoeg had, hem niet wenschte te storen. Nadat zij, op deze wijze,
+gedurende eenigen tijd door de modder hadden voortgesukkeld, kwamen zij op een gullen zandweg, die hen in korten tijd tot
+bij een wetering bracht, bij welke zich voor een boerenherberg eenige lakeien bevonden, in deftige livreien uitgedost en allen
+te paard gezeten, welke, zoo &#8217;t scheen, dit of dat voornaam personage stonden af te wachten. Zoodra zij de kar in &#8217;t oog kregen,
+reed een van hen haar op een goeden draf te gemoet, sprong af toen hij haar genaderd was, en bleef met ongedekten hoofde eerbiedig
+de bevelen afwachten, die men hem geven zoude; toen stak tot Joans verwondering, Ambrosius het hoofd buiten en vroeg of alles
+in orde was, &#8217;t geen de lakei met een diepe buiging beantwoordde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu!&#8221; hernam de grijsaard: &#8220;laat dan mijn muilezel oprijden; want ik verlang hartelijk uit dit ongemakkelijke rijtuig te
+zijn: laat een uwer, die het beste paard berijdt, afstijgen en het aan dezen edelman geven, die zich te onpas heeft genoodzaakt
+gezien, voor koetsier te spelen. Wat die kar betreft, die moet, met dien gewonden <a id="d0e7968"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7968">263</a>]</span>man medegevoerd worden, en ik beveel, dat er nauwe zorg voor den ongelukkige gedragen worde. Jonker! wees zoo goed, af te
+klimmen en een voegzamer gelegenheid aan te nemen om uw reis voort te zetten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan maakte met blijdschap van deze aanbieding gebruik, en klom af, terwijl de overige lakeien, inmiddels genaderd, den ouden
+man uit de kar hielpen. Een fraai getoomd muildier werd voorgebracht, waar Ambrosius opsteeg, terwijl Joan een kloek rijpaard
+bekwam. Twee dienaars plaatsten zich in de kar bij den gekwetste, en volgden, met een langzamer tred den trein, welke zich
+nu verder, op een vlugger draf, naar Den Bosch begaf.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div id="d0e7972" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Vijf-en-twintigste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<p lang="fr">Mathan! d&#8217;un pr&eacute;tre est-ce l&agrave; le langage?
+
+</p>
+<p>Is dit eens priesters taal, o Mathan?
+
+</p>
+<p><span class="letterspaced">Racine</span>, Athalie.
+</p>
+</div>
+<p>Op den avond van denzelfden dag, op welken Joan in Den Bosch was gekomen, zat de Grootmeester der artillerie, Don Louis de
+Velasco, met een ontrust gemoed een brief te herlezen, welke hij reeds meermalen met gemelijkheid had nedergeworpen. Het overlijden
+van den Aartshertog, op een zoo ongunstig tijdstip als het einde des Bestands voorgevallen, had onder de Spaansche legerhoofden
+een niet geringe verlegenheid teweeggebracht, behalve dat het Velasco, als een der vertrouwde vrienden van het doorluchtig
+vorstenpaar, meer bijzonder getroffen had. Er waren geen nadere tijdingen uit Brussel gekomen, hoe zich in deze omstandigheden
+te gedragen; het tijdstip naderde met rassche schreden, waarop de twaalf jaren, welke het bestand geduurd had, zouden verloopen
+wezen, en Velasco was beducht, dat, zoo de bevelen van zijn overheden langer uitbleven, hij niet in staat zoude zijn, bijtijds
+tot den oorlog gereed te wezen, voor zooverre althans het vak betrof, dat aan zijn kunde en ervarenheid was toevertrouwd.
+Het laatste bevel, hetwelk hem de Aartshertog had doen toekomen, was van een zoodanigen aard, dat het veeleer staat- dan krijgskundige
+overpeinzingen van hem vorderde; hem werd namelijk gelast, drie voorname Hollandsche ballingen, te weten Huig De Groot, Uyttenbogaert
+en Grevinkhoven, die zich op dat tijdstip in &#8217;s-Hertogenbosch bevonden, door beloften, geschenken of anderszins over te halen
+om de Spaansche zijde te kiezen en met hun ongemeene begaafdheden te sterken. Hoe weinig deze taak ook naar den smaak van
+Velasco was, begreep hij echter die niet te mogen verzuimen, ofschoon het hem naar zijn dom krijgsmansbegrip <a id="d0e7986"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e7986">264</a>]</span>toescheen, dat twee verloopen Dominees en een verwaande papierbekladder juist zulk een groote aanwinst niet zouden zijn voor
+de Spaansche partij. Zijn eigene begaafdheid in &#8217;t behandelen eener zoo teedere zaak mistrouwende, had hij den Heer Van Grobbendonck,
+een listigen, behendigen man, en tot dusdanige onderhandelingen bij uitnemendheid geschikt, doen verzoeken, de samenkomst
+te willen bijwonen. In afwachting van dezen, las hij den brief des Aartshertogs nog eens over, toen de Vicaris zich bij hem
+liet aandienen.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Vicaris!&#8221; riep hij uit, terwijl een glans van vergenoegen zich op zijn gelaat verspreidde: &#8220;voorwaar de man kan nooit
+op gelegener tijdstip komen! ik had juist een welbespraakte noodig: geleerde tegen geleerde dat&#8217;s kamp.&#8212;Maar de duivel!&#8221; vervolgde
+hij, zich achter &#8217;t oor krabbende: &#8220;zoo hij eens te nauwgezet ware, en dacht: <span class="letterspaced" lang="la">non tali auxilio, non talibus defensoribus</span>.... of hoe zeide mijn hoogloffelijke leermeester te Salamanca ook?&#8221;....<a id="d0e7993src" href="#d0e7993" class="noteref">1</a>
+
+</p>
+<p>&#8220;Zal ik Zijner Hoogwaardigheid zeggen, dat UEd. belet is?&#8221;.... vroeg de ordonnans, zijn overste in onzekerheid ziende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vooral niet, Vlascamp! vooral niet!&#8212;laat Zijn Hoogwaardigheid boven komen. Hij komt juist van pas: en laat de kok op een
+persoon meer rekenen: ik moet zien dat ik hem te gast hou: toe, haast u: ik verlang al hem te spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Vlascamp vertrok en liet een oogenblik later Pater Ambrosius in. &#8220;<span class="letterspaced" lang="la">Salve: celsissime vir!</span>&#8221; zeide Velasco, zich nederig buigende en den grijsaard de hand kussende: &#8220;nogmaals <span class="letterspaced" lang="la">salve</span>! en van harte welkom in de stad. Sinds wanneer hebben wij het geluk, Uw Hoogwaardigheid binnen onze muren terug te bezitten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben heden van Tiel teruggekeerd,&#8221; antwoordde de Vicaris, na beleefde groete, plaats genomen hebbende: &#8220;en hoe gedraagt
+UEd. zich in de droeve omstandigheden welke wij beleven?&#8221;
+
+</p>
+<p>Velasco zuchtte en schudde het hoofd, waarna zij eenige woorden wisselden over het afsterven van den Aartshertog en de veranderingen,
+welke hieruit zouden ontspruiten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mag ik Uw Hoogwaardigheid vragen,&#8221; zeide Velasco, toen eindelijk het gesprek een andere wending genomen had, hoe zij het
+kuddeke gevonden heeft, dat aan haar zorgen is toevertrouwd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daarover,&#8221; zeide Ambrosius, &#8220;valt, helaas! weinig te roemen. Wanneer ik door mijn eigen geloofsgenooten, door hen, wier gestadige
+arbeid het wezen moest, met mij tot hetzelfde einde mede te werken, onophoudelijk word gedwarsboomd, dan valt het zwaar, die
+plichten jegens mijn kudde te vervullen, welke de hooge bediening, van mij eischt, waartoe ik mij geroepen zie.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw eigen geloofsgenooten,&#8221; riep Velasco verbaasd uit: &#8220;over wie hebt gij te klagen?&#8221;
+<a id="d0e8018"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8018">265</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Mijn klachten,&#8221; hernam Ambrosius, &#8220;hoop ik eerstdaags bij den Nuntius in te leveren; ware ik alleen de vervolgde, het doel,
+waarop zij hun pijlen spillen, dan zoude ik mij om Christi wille die smaadheid getroosten; doch ik moet mijn schapen voorstaan,
+en het treft de scheuring in de Kerke meer dan mij. Tenzij de God des vredes, die de goede Herder is, de boozen beteugele
+en Zijn Heiligheid intijds nog den banbliksem op &#8217;t hoofd der schuldigen nederwerpe, hebben wij in alle dingen verwarring
+en meer gevaar van de huisgenooten, dan van de vijanden des geloofs te vreezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wie zijn zij, die huisgenooten, welke verwarring veroorzaken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie?&#8212;het zijn die heerschzuchtigen, die onze zuivere leer door Europa doen vloeken en verfoeien: het zijn die onverzoenlijke
+vijanden van alle oprechte aanbidding in nederigheid, hoop en liefde, die, onwillig onder mijn gezag gesteld, geen andere
+bevelen volgen, dan die, welke uit den boezem hunner Soci&euml;teit voortkomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoogwaardigste!&#8221; zeide Velasco, verbleekende: &#8220;gij bedoelt toch de Jezu&iuml;eten niet!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie,&#8221; hernam de Vicaris: &#8220;den indruk, dien het noemen alleen van hun naam bij u teweegbrengt, bewerken zij overal; met banden
+van vrees kluisteren zij de wereld, die hen verfoeit: hun macht, bij alle volkeren, aan alle hoven verspreid, is even geducht
+als ontzettend. Onverzettelijk gaan zij voort ter bereiking van het eenigste doel dat zij bejagen, en waartoe alle middelen
+hun even geschikt voorkomen:&#8212;en wat is dat doel? Niet de vestiging van de echt Katholieke beginselen; niet de toebrenging
+van alle volkeren tot het heilig en onvervalscht geloof:&#8212;neen, alleen de tijdelijke, geheel aardsche heerschappij hunner eigene
+Soci&euml;teit over de geheele wereld is het wit, dat zij bejagen, en aan &#8217;t welk zij alle belangen, alle plichten, alle menschelijke
+banden, ja het welzijn van hun onsterfelijke zielen zonder wroeging blijven opofferen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn waarde Heer Vicaris!&#8221; zeide Velasco, nadat hij vruchteloos dien stroom van woorden had pogen te stuiten: &#8220;laat ons liever
+van dat onderwerp afstappen: het is teeder, ja in de tegenwoordige omstandigheden te gevaarlijk. Sta mij liever een verzoek
+toe, dat ik u te doen had, en deel hedenavond mijn eenvoudig maal. Ik verwacht hier, behalve den Heer Van Grobbendonck, nog
+drie heeren, van welke Uwe H. waarschijnlijk heeft hooren spreken: de Heeren De Groot, Uyttenbogaert en Grevinkhoven. Uwe
+H. zal mij grooten dienst doen, door te blijven en het gesprek wat levendig te houden: want ik ben geen geleerde, gelijk Uwe
+H. bekend is.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Vicaris nam dit voorstel met welwillendheid aan; en, terwijl Velasco hem de redenen ontwikkelde, waarom juist deze drie
+heeren bij hem genoodigd waren, verscheen de Heer Van Grobbendonck, en, kort daarna, de drie Hollandsche ballingen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is met veel erkentenis voor de hooge onderscheiding, welke mij te beurt valt,&#8221; zeide De Groot tot Velasco, &#8220;dat wij van
+UEds. beleefde uitnoodiging hebben gebruik gemaakt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen plichtplegingen,&#8221; was het antwoord van den gastheer: &#8220;het is aan mij op de eer te roemen, van zulke vermaarde gasten
+te <a id="d0e8037"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8037">266</a>]</span>mogen ontvangen: ik hoop maar, dat de heeren met mij wat toegeeflijkheid gebruiken zullen; want ik ben geen geleerde, maar
+een krijgsman: <span class="letterspaced" lang="la">artium liberalium expertus</span>, zooals mijn leermeester te Salamanca zeide.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="la">Expers</span> meent UEd. voorzeker,&#8221; zeide De Groot: &#8220;maar zoo heeft elk zijn eigene bediening hier beneden; en UEd. voert den degen, gelijk
+ik de pen voere.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet niet, dat mij in mijn leven zoo iets vleiends gezegd is,&#8221; hernam Velasco: &#8220;het verheugt mij intusschen, dat ik u,
+Mijn Heeren! het bijzijn kan verschaffen van iemand, die meer dan de Heer Van Grobbendonck en ik met de geleerde wereld bekend
+is, namelijk van den Heer Vicaris Ambrosius, hier tegenwoordig, een doorkundig en bekwaam....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Aangenaam is het ook mij,&#8221; zeide De Groot, dadelijk naar den Vicaris toetredende, &#8220;in de gelegenheid te zijn van in kennis
+te geraken met een man, in de Nederlanden zoo hoog geacht als de Heer Vicaris. Vergun mij, Heer Vicaris, Uwe H. te mogen omhelzen.
+Eer hebbe de Geleerdheid, welke ons, die geenszins met oorlogen gediend zijn, het recht geeft, de vriendschap te genieten
+en te oefenen, welke de heiligste van alle menschelijke zaken is.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ambrosius beantwoordde deze beleefde toespraak op de minzaamste wijze en trad nu zoo met hem als met de Predikanten in een
+zeer onderhoudend gesprek, waarvan echter de beide Bevelhebbers weinig begrepen. Intusschen had Velasco laten opdisschen:
+de gasten plaatsten zich, en het gesprek werd meer algemeen. De Groot gaf, op het verzoek van Grobbendonck, een omstandig
+verhaal van zijn zonderlinge ontkoming uit den Loevesteinschen kerker: waaruit, die laatstgenoemde krijgsoverste aanleiding
+nam, om hevig uit te varen tegen de ondankbaarheid der Staatschen, die hun braafste en verdienstelijkste mannen op zoo onrechtvaardige
+wijze behandelden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Verschoon mij, Mijnheer!&#8221; hernam De Groot: &#8220;Ik wijt mijn ongeval geenszins aan mijn landgenooten, onder welke ik mij beroeme,
+hooge achting en deelneming jegens mij te hebben ondervonden. Een vervolging als die, welke ik lijden moet, is alleen het
+gevolg van den nijd en haat, welke het gemeene lot der ware verdiensten zijn, en waarin ik mij dus verheugen mag. Werd niet
+Miltiades door zijn medeburgers in den kerker geworpen, Themistocles verbannen, Metellus verjaagd, Cicero onthalsd, de groote
+Cato genoodzaakt zichzelf van het leven te berooven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waren die Heeren ook Remonstranten?&#8221; vroeg Velasco, jegens wien De Groot nutteloos zijn geleerdheid verspilde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gewis, Mijnheer!&#8221; antwoordde Uyttenbogaert: &#8220;in zooverre als zij remonstreerden tegen de verkeerdheden van hun tijd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;UEd.,&#8221; zeide De Groot met verbazing, &#8220;heeft toch den goddelijken Cicero wel hooren noemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Buiten twijfel,&#8221; hernam Velasco: &#8220;mijn leermeester te Salamanca, gelijk ik mij nu herinner, heeft mij wel eens van hem gesproken:
+dat was immers de man, die zeide; &#8220;<span class="letterspaced" lang="la">Quousque tandem Catalina</span>....&#8221;
+<a id="d0e8066"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8066">267</a>]</span></p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="la">Catilina</span>,&#8221; verbeterde De Groot.
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist, <span class="letterspaced" lang="la">Catilina</span>.&#8212;Ik geraakte in de war: Catalina was een meisje, waar onze ge&euml;erde Corregidor te Salamanca veel werk van maakte, en daarom
+lag mij die naam in &#8217;t hoofd. Gelijk ik de eer had UEd. te zeggen, ik ben geen geleerde, en <span class="letterspaced">non omnes omnia</span>....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="la">Non omnia possumus, omnes</span>,<a id="d0e8085src" href="#d0e8085" class="noteref">2</a> als UEd. te recht aanmerkt. Welnu, Mijnheer! de mannen, welke ik zooeven noemde, werden voor hun groote en gewichtige diensten
+door hun medeburgers met ondank beloond, en echter bleven zij allen hun vaderland teeder beminnen en gaven daar herhaalde
+bewijzen van: gelijk Camillus, die Rome van het juk der Galli&euml;rs verloste, Cicero, die zijn goed en leven veil had voor het
+gemeenebest, Cato, die den val van Rome niet overleven wilde, Themistocles, die zich, als sommigen willen, met vergif ombracht,
+om niet tegen zijn vaderland te strijden: en zooveel in mij is, moet ik het voorbeeld volgen, mij door die groote mannen gegeven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb slechts eene aanmerking te maken op hetgeen UEd. gelieft te zeggen,&#8221; zeide Grobbendonck: &#8220;de meeste der helden, die
+UEd. ons opnoemt, leden van persoonlijken haat; doch de vervolging tegen ulieden in &#8217;t werk gesteld, is meer gericht tegen
+een gevreesde partij, dan tegen uw personen, voor wier geleerdheid en verdiensten elk Nederlander, hoe ook in staatkundige
+of godsdienstige gevoelens van u verschillend, den hoogsten eerbied voeden blijft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, Mijne Heeren!&#8221; zeide Velasco: &#8220;het is niet zoozeer om uwentwil, als om de zaak, welke gij zoo moedig en belangeloos hebt
+voorgestaan, dat ik UEd. zou aanraden, de aanbiedingen der Aartshertogin te aanvaarden. Men staat UEd. toe om, in een der
+Brabantsche of Vlaamsche steden, een kerk te stichten, waarom uw verdrukte gemeente zich verzamelen mag: en onder geen andere
+voorwaarden, dan dat gij uw bekwame pennen zult blijven versnijden ter bevordering van den vrede, het uitzicht en de hoop
+van alle brave lieden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De vrede zou mij dierbaar zijn,&#8221; riep De Groot uit: &#8220;doch zoo ik daartoe rade, moet zulks uit eigene overtuiging, geenszins
+op verzoek harer Doorluchtigheid geschieden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik eer uw nauwgezetheid,&#8221; antwoordde Grobbendonck: &#8220;wij begeeren ook, dat UEd. alleen naar die overtuiging zult handelen:
+het zal ons zelfs aangenaam zijn, indien UEd. onvoorwaardelijk &#8217;s Konings gunsten wilt aannemen; want daardoor zal de wereld
+zien, hoe ons Hof, ook zonder hoop op de wedervergelding, deugd en bekwaamheid weet te loonen en voor te staan; doch wij willen
+UEd. geenszins overrompelen: denkt over ons voorstel na, Mijne Heeren! raadpleegt, zoo &#8217;t u goeddunkt, uw geloofsgenooten,
+uw Hollandsche vrienden, ja voornamelijk uw verstandigen en doorluchtigen beschermheer.&#8221;
+<a id="d0e8096"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8096">268</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Onzen beschermheer?&#8221; vroeg De Groot, verwonderd: &#8220;wien kan UEd. bedoelen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Graaf Hendrik Frederik,&#8221; antwoordde Grobbendonck: &#8220;zoo ik wel onderricht ben, is hij uwer partij geheel toegedaan, en is
+hij in Nederland de voorname hoop der verdrukte Remonstranten.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Remonstrantsche Heeren zagen elkander aan met dien blik van besluiteloosheid, welke natuurlijk is, wanneer men iets gezamenlijk
+zou moeten beantwoorden en beslissen, maar door het bijzijn van derden daarin verhinderd wordt.&#8212;Grobbendonck redde hen echter
+uit die verlegenheid, door hun nogmaals te verzekeren, dat zij zich vooreerst niet behoefden te verklaren, en dat hun de noodige
+tijd en vrijheid gegeven werd, om zich over de aanbiedingen van het Spaansche hof te beraden.
+
+</p>
+<p>Terwijl het gesprek, dank zij den Vicaris, die de gasten over hun werken onderhield, weder een letterkundige wending nam,
+ontstond er plotseling een onverwacht gerucht en herhaald geklop aan de huisdeur, waarop, na het openen daarvan, een verward
+geluid van stemmen volgde en voetstappen gehoord werden van nieuwaangekomenen, die de trappen haastig kwamen opgeloopen. En
+eer nog Velasco was opgestaan om naar de reden van dit gedruisch te vernemen, traden twee heeren in reisgewaad binnen, die,
+hun mantels aan de dienaars toewerpende, zich dadelijk deden herkennen voor den vermaarden Veldheer Spinola en den Kanselier
+van Brabant, Pieter Pekkius.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarlijk,&#8221; riep Velasco uit: &#8220;hoe later op den dag, hoe schooner volk! Wie had deze verrassing kunnen vermoeden? Vanwaar
+komen de vrienden met zulk een drift?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Spoorslags van Brussel,&#8221; zeide Spinola: &#8220;ik heb den Heer Kanselier laten draven zooals hij zijn leven niet gedaan heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Noch in mijn leven weder hoop te doen,&#8221; zeide Pekkius, Spinola&#8217;s gezegde met een knik en een zucht bevestigende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo gaat het,&#8221; merkte Grobbendonck lachende aan: &#8220;die met Spinola gaat, moet immer voorwaarts; dat is zijn oude gewoonte.
+Laat ik u een roemer wijn vullen, Heer Kanselier.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe staat het gelaat zoo bedrukt, Generaal?&#8221; vroeg Velasco: &#8220;zijn er slechte tijdingen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van belang,&#8221; antwoordde Spinola: &#8220;doch vergun mij te vragen, wie zijn die Heeren?&#8221;
+
+</p>
+<p>Velasco stelde hem zijn gasten voor, waarop Spinola betuigde, dat het hem bijzonder aangenaam zou wezen, nadere kennis met
+hen te maken: doch dat hij voor &#8217;t oogenblik zaken van gewicht met den Spaanschen Overste af moest handelen en dienvolgens
+hun verzocht, zich wel te willen verwijderen: ten gevolge van welke <span class="letterspaced">injunctie</span> De Groot en zijn medeballingen vertrokken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Voor Uwe H. heb ik dat niet gezegd,&#8221; zeide Spinola, ziende dat Ambrosius insgelijks vertrekken wilde: &#8220;UEd. mag de tijding
+gerust vernemen, welke wij met ons brengen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En welke is die?&#8221; vroeg Velasco, hoogst nieuwsgierig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijne Majesteit....&#8221; antwoordde Spinola, de schouders ophalende.
+<a id="d0e8128"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8128">269</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Is toch niet overleden,&#8221; viel Grobbendonck in, met drift.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is overleden,&#8221; antwoordde Pekkius.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is overleden,&#8221; herhaalde de Generaal: &#8220;en zonder mij ooit te hebben zien strijden, zonder zelfs vernomen te hebben, hoe ik
+zijn wapenen in den Neder-Paltz heb doen zegepralen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarlijk, gewichtige en droevige slagen,&#8221; hernam Velasco, &#8220;en dat juist met het einde van &#8217;t Bestand.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat dient er nu gedaan?&#8221; vroeg Grobbendonck.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Heer Kanselier en ik reizen naar Den Haag, om voorstellen van vrede te doen,&#8221; zeide Spinola, somber voor zich ziende.
+
+</p>
+<p>&#8220;God geve dat hij gesloten worde!&#8221; riep Ambrosius uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar is geen nood voor,&#8221; hervatte de Veldheer: &#8220;de voorwaarden zijn juist niet zeer aannemelijk. Oorlog moet er wezen, en
+ondanks de zware verliezen, die wij leden, staan onze zaken thans vrij wat voordeeliger dan die der Staatschen. De neerlaag
+van Frederik zal wat schrik onder den vijand gebracht hebben en daarvan dient een nuttig gebruik te worden gemaakt. Drie dagen
+geleden kwam ik uit het leger terug in Brussel. Alles was er in verslagenheid: alles had den moed laten zakken: dan, de hemel
+zij gedankt, ik heb dien flauwhartigen Raden een hart onder den riem gestoken, en ik twijfel niet, of ik zal de beloften vervullen,
+die ik hun deed, om binnen het jaar den Staatschen zulk een geweldigen knak te geven, dat zij het hoofd in den schoot zullen
+leggen;&#8212;doch van wat anders! Hoe is het met de Tielsche samenzwering gelegen? is er van dien kant wat te verwachten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij onbewust,&#8221; antwoordde Grobbendonck: &#8220;ik wacht Pater Eugenio dagelijks terug om mij kennis van het aldaar verrichte te
+geven. Doch misschien zal de Heer Vicaris, die heden van Tiel kwam, UEd. meer licht kunnen geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben voor de belangen der kerk in Tiel geweest, en geenszins om met landverraders en schelmen te raadplegen; doch zoo de
+Heeren bericht verlangen, ik heb een vertrouweling van den Jezu&iuml;et Eugenio gewond bij mij aan huis: die zal u zeker kunnen
+vertellen, wat hij er van weet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gewond!&#8221; riepen al de aanwezigen uit: &#8220;en hoe is het mogelijk....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Men had het op mijn leven toegelegd,&#8221; antwoordde de Vicaris; &#8220;doch de Heer heeft de plannen van schaamtelooze booswichten
+verijdeld en schikte mij een helper toe. Over dezen eigenlijk wilde ik den Heer Grootmeester komen onderhouden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw leven was in gevaar!&#8221; riepen de aanwezigen uit: &#8220;wij bidden u, verhaal ons....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het verhaal is kort en eenvoudig,&#8221; zeide Ambrosius, en hij gaf in weinige woorden op, wat &#8217;s middags gebeurd was.
+
+</p>
+<p>&#8220;En op wie vallen uw vermoedens?&#8221; vroeg Pekkius haastig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb geen vermoedens<span id="d0e8161" class="corr" title="Bron: ?">,</span>&#8221; hernam de Vicaris op een drogen toon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw redder moet een kloek jongeling geweest zijn,&#8221; merkte Spinola aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen wonder,&#8221; hervatte Ambrosius; &#8220;hij is (of meent zulks althans te zijn) een bloedverwant van Don Louis.&#8221;
+<a id="d0e8168"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8168">270</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Van mij?&#8221; vroeg Velasco verwonderd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij werd bij den Heer Van Sonheuvel opgevoed.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Oho! nu vat ik de geschiedenis: dat zal de knaap wezen, wien men mij met alle geweld tot neef wil opdringen. Nu, ik ben nieuwsgierig
+hem eens te zien: ik verzoek Uwe H. hem te willen melden, dat ik hem morgen te tien uren zal afwachten.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Vicaris beloofde deze boodschap aan den jongeling, die, gelijk hij zeide, ten zijnent gehuisvest was, te zullen overbrengen,
+en nam afscheid van het gezelschap.
+
+</p>
+<p>Den dag daarna, toen Velasco van zijn dagelijksch bezoek op de citadel was teruggekeerd en zich aan het ontbijt bevond, werd
+hem geboodschapt, dat de jongeling, waarover de Heer Vicaris hem &#8217;s avonds te voren gesproken had, in de benedenkamer zijn
+bevelen afwachtte.
+
+</p>
+<p>&#8220;De jongeling, die van den Heer Vicaris komt, Vlascamp?&#8221; zeide de Grootmeester, zich bezinnende: &#8220;ha ja, nu herinner ik mij:
+eilieve hoe ziet hij er uit?.... Een frissche knaap, zoo men zegt.... nu laat hem binnenkomen, en wees beleefd met hem! Ik
+zit hier in een mal parket. Pater Eugenio had zich de moeite wel kunnen sparen, mijn familie dus ongevergd te vergrooten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Terwijl hij deze woorden mompelde, trad Joan binnen en bleef in een eerbiedige doch verlegene houding aan de deur staan. Niet
+minder bedremmeld stond Velasco op, zag hem zijdelings aan, deed een paar stappen naar hem toe, hield toen weder stand, oneens
+met zichzelven over de houding, die hij moest aannemen, en zeide eindelijk op een weifelenden toon: &#8220;mag ik weten wien ik
+de eer heb...&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is juist, wat ik vernemen kwam,&#8221; was het antwoord, dat met een gebroken stem gegeven werd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist zoo!.... dus zijt gij door Pater Eugenio gezonden?&#8221;....
+
+</p>
+<p>&#8220;Door Pater Eugenio!&#8221; herhaalde Joan, verbleekende. &#8220;En was de man, die zich Van Dyk noemde, werkelijk Pater Eugenio?&#8221;....
+
+</p>
+<p>&#8220;Van Dyk.... Eugenio....&#8221; stamelde Velasco, hoe langer hoe meer in de war: &#8220;nu ja, gij zijt dan toch die jongeling, die bij
+den Heer Van Sonheuvel is opgevoed....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En die thans,&#8221; vervolgde Joan, &#8220;de bevestiging komt vernemen van een verhaal, mij onlangs gedaan, dat ik de zoon zou zijn
+van uw overleden broeder<span id="d0e8193" class="corr" title="Bron: ,">.</span>&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist,&#8221; hernam Velasco: &#8220;dezelfde: doch, neem plaats!&#8221;
+
+</p>
+<p>Beiden gingen zitten en zagen een tijdlang als sprakeloos voor zich. Ten laatste hervatte de Grootmeester op deze wijze het
+gesprek:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik moet bekennen, Mijnheer! dat ik, na al wat ik gehoord heb, na al hetgeen de Heer Baron, uw pleegvader, mij voor vele jaren
+geschreven heeft, na de berichten, welke ik onlangs heb ingewonnen, geen redenen meer heb om te twijfelen aan den graad van
+bloedverwantschap, die ons verbindt: en ik beken tevens,&#8221; voegde hij er met welwillendheid bij, &#8220;dat, indien uw inborst en
+bekwaamheid slechts gedeeltelijk den gunstigen indruk evenaren, dien uw uiterlijk op mij gemaakt heeft, ik het mij als een
+bijzonder geluk zal rekenen, een man als neef te omhelzen, die aan ons geslacht allen luister kan bijzetten.&#8221;
+<a id="d0e8202"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8202">271</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik was verre,&#8221; zeide Joan, zich buigende, &#8220;zulk een onthaal van UEd. te verwachten. Wees overtuigd, edele Heer! dat mijn
+dankbaarheid zich in mijn daden zal vertoonen, en dat mijn gehoorzaamheid aan uw begeerten zoo uitgebreid zal wezen als mijn
+plichten mij zulks veroorloven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En mag ik thans vragen,&#8221; zeide Velasco, &#8220;waarin ik u van dienst kan zijn!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Voor &#8217;t oogenblik verlang ik niets,&#8221; antwoordde Joan, &#8220;dan een mij beloofde inlichting omtrent mijn geboorte.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Natuurlijk, zeer natuurlijk!&#8221; zeide Velasco, zich over de kin strijkende: &#8220;ofschoon ik gedacht had, dat ik die van u zoude
+ontvangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Men had mij ten halve met de hoop gevleid, dat ik hier mijn moeder zoude vinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo.... ei! Dat wist ik niet.... dat geloof ik ook niet,&#8212;Zoo Pater.... zoo Van Dyk hier ware, hij zou u meer kunnen vertellen....
+nu, hij zal spoedig hier zijn! <span class="letterspaced">vindice nodus</span>, zooals mijn leermeester te Salamanca zeide.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar twijfel ik aan: zoo hij den knoop ontwarren moet, vrees ik dat de zaak eeuwig geheimzinnig blijven zal; want hij zit
+op het slot te Sonheuvel gevangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zegt gij?&#8221; riep Don Louis verschrikt: &#8220;hij gevangen! voorwaar, alles loopt samen om onzen neteligen toestand te verergeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Vlascamp trad onder dezen uitroep binnen en meldde den Generaal, den Kanselier en den Overste Grobbendonck aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Slechte tijding!&#8221; zeide hun Velasco, toen zij binnentraden: &#8220;deze Heer meldt mij, dat Pater Eugenio op Sonheuvel gevangen
+zit.&#8221;
+
+</p>
+<p><span id="d0e8227" class="corr" title="Niet in bron">&#8220;</span>Gevangen zat,&#8221; zeide de man, van wien hij sprak, binnentredende: &#8220;<span class="letterspaced" lang="la">Pax Vobiscum!</span>&#8221;<a id="d0e8233src" href="#d0e8233" class="noteref">3</a>
+
+</p>
+<p>&#8220;Voor den duivel!&#8221; riep Velasco, een stap terugtredende: &#8220;de Staatschen zijn wel ongelukkig met hun gevangenen. Niet &eacute;&eacute;n kunnen
+zij bewaren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="la">Angelus Domini per noctem aperuit ianuas carceris</span>,&#8221;<a id="d0e8243src" href="#d0e8243" class="noteref">4</a> zeide de Jezu&iuml;et: &#8220;ik kwam u bericht geven van mijn bedrijven binnen Tiel.... maar zie ik ginds mijn goeden vriend niet,
+die om mijnentwille in ongeval gekomen is? wees hartelijk welkom in Den Bosch, mijn waaide Jonker! Edele Heeren! vergunt mij,
+dat ik u Don Diego de Velasco voorstelle, den zoon van mijn waardigsten vriend, die voor ongeveer twintig jaren jammerlijk
+vermoord werd.&#8221;&#8212;Dit zeggende, nam hij Joan bij de hand en stelde hem aan Spinola en de overige Heeren voor, die hem met vele
+plichtplegingen gelukwenschten. Toen echter wendde zich Joan tot Eugenio en betuigde, dat hij, ondanks zijn verzekeringen
+en de vriendschap, welke hem betoond werd, nog aan de echtheid der mededeeling twijfelen moest, zoolang hem niet volkomen
+gemeld werd, wie zijn moeder geweest ware.
+<a id="d0e8246"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8246">272</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik zelf,&#8221; antwoordde Eugenio, &#8220;heb in den jare 1597 uw vader in den echt verbonden met Jonkvrouw Charlotte von Helmstadt,
+een adellijke Duitsche Freule. Dit huwelijk bleef toen geheim, omdat zich de ouders uwer moeder daartegen verzet hadden. Een
+jaar na de verbintenis beviel de gade mijns edelen vriends van een zoon, wiens geboorte haar het leven kostte. Die zoon waart
+gij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo heb ik dan geen moeder,&#8221; zeide Joan met een zucht: &#8220;en waarom mij dan met de ijdele hoop gevleid, dat ik haar in Den
+Bosch zoude vinden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb u alleen gezegd,&#8221; hernam de Jezu&iuml;et, &#8220;dat men u hier de noodige inlichtingen geven zou: wat gij verder verkeerd hebt
+gelieven te verstaan, daarvoor behoef ik mij niet te verantwoorden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welaan, mijn waarde neef!&#8221; zeide Velasco: &#8220;sinds alles opgehelderd is, hoop ik, dat voortaan alle stijfheid tusschen ons
+verbannen zal wezen. Dezen middag verwacht ik u bij mij aan tafel, indien uw waarde gastheer, aan wien ik mijn nederige groete
+verzoek, u af wil staan.&#8212;Thans zult gij mij verschoonen, en mij wel met deze Heeren alleen willen laten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat mij betreft, volgaarne zou ik van uw uitnoodiging gebruik maken,&#8221; zeide Joan: &#8220;doch de Heer Vicaris is, na mij verzocht
+te hebben van zijn terugkomst af te wachten, heden morgen voor eenige dagen naar Brussel vertrokken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijt gij bij den Vicaris gehuisvest?&#8221; vroeg Eugenio met eenige drift, terwijl zich een trek van bevreemding over zijn gelaat
+verspreidde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Verwondert u dat?&#8221; vroeg Pekkius, hem met een scherpen blik aanziende. &#8220;Een woord met u, Pater!&#8221; en tegelijk, hem om den
+arm nemende, trok hij hem met zich in het naaste vertrek.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij weet dus ook niet,&#8221; vervolgde de Kanselier, &#8220;dat de Vicaris op den weg is aangerand geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik kom pas in Den Bosch.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is geen stellig antwoord op mijn vraag.&#8212;Gij zijt geen vriend van den Vicaris. Zijn ambt was u vroeger toegezegd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Men zal mij toch niet betichten, hem te hebben aangerand,&#8221; hernam de Jezu&iuml;et met trotschheid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat de Vicaris doen zal is mij onbewust.&#8212;Dit alleen weet ik, dat de aanrander, zekere veerman over de Waal, een bekend werktuig
+is van Pater Eugenio.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heeft de schoft geklapt?&#8221; vroeg deze met een woesten blik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat geloof ik niet,&#8221; antwoordde de Kanselier, &#8220;daar hij gisteren buiten staat was te spreken en hedenmorgen aan zijn wonden
+overleden is. Zoo u dit gerust kan stellen, zal &#8217;t mij aangenaam zijn: doch als vriend raad ik u, in &#8217;t vervolg behoedzaam
+te werk te gaan, want anders zou noch uw Soci&euml;teit, noch uw diensten, den lande bewezen, u voor straf behoeden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Men moest eerst iets kunnen bewijzen,&#8221; hernam Eugenio, wiens gelaat weder de gewone kalmte vertoonde. &#8220;Intusschen dank ik
+UEd. voor &#8217;t bericht.&#8221;
+
+</p>
+<p>Na dit gesprek keerden zij naar de kamer van Don Louis. Zij <a id="d0e8279"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8279">273</a>]</span>vonden Joan reeds vertrokken.&#8212;&#8220;Mag ik nu weten,&#8221; zeide Velasco, naar Eugenio toetredende, &#8220;waar ons de klucht moet brengen,
+die wij spelen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe dan,&#8221; vroeg Spinola; &#8220;is die jongeling dan uw neef niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoomin als UEd.,&#8221; antwoordde Velasco: &#8220;het is een zeer gekke vertooning, welke de Pater mij laat maken: hij kwam juist van
+pas, om mij uit het vaarwater te helpen: de jonkman deed mij hoogstnatuurlijke vragen over zijn familie, daar ik geen antwoord
+op wist te geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn doel is niet naar wensch gelukt,&#8221; zeide Eugenio: &#8220;Ik had gehoopt, dat die knaap, om zijn gewaanden vader te wreken,
+zijn pleegvader om den hals zou brengen;.... doch daar heeft hij niet aan gewild.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Santa Maria!&#8221; riep Velasco: &#8220;dus wildet gij dien armen Baron door zijn voedsterzoon laten vermoorden? En ik moest u in zulk
+een boevenstuk de hand bieden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is dit de handelwijze eens geestelijken?&#8221; vroeg Spinola met afgrijzen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom niet?&#8221; antwoordde Eugenio met koelheid: &#8220;elk heeft het recht, wegens geleden hoon zijn beleediger om te brengen: en
+het is, gelijk de wijze Tanner zeer juist aanmerkt, ons geestelijken geoorloofd, niet alleen tot lijfsbehoud, maar ook ter
+bevordering van het nut der gemeente, hem te doen sneven, die daaraan eenig nadeel kan teweegbrengen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik herken in deze taal den gewezen beleider der aanslagen tegen het leven van mijn doorluchtigen vijand gesmeed,&#8221; zeide Spinola.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat hoor ik!&#8221; zeide Eugenio: &#8220;zal een voorvechter der ware Kerk die aanslagen misprijzen?&#8212;en dat in mij, die tegen alle ketters
+den eed van vijandschap en verdelging gezworen heeft. Is &#8217;t u bewust, Heer Marquis! dat al wat ik hier verricht, ingevolge
+de bevelen der Hoven van Rome en Madrid wordt ten uitvoer gebracht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ook de voldoening van personeelen wrok?&#8221; vroeg de Generaal.
+
+</p>
+<p>&#8220;De op mij verstrekte last bevrijd mij van alle verantwoording: wat mij voorkomt tot nadeel der ketters te kunnen geschieden,
+moet in &#8217;t werk gesteld worden en de dood van een gevaarlijken vijand als Sonheuvel zou een ware dienst aan onze Kerk geweest
+zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De leer der Kerk luidt: <span class="letterspaced" lang="la">non occides</span>,&#8221;<a id="d0e8306src" href="#d0e8306" class="noteref">5</a> zeide Spinola.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een leer, die een krijgsman dagelijks overschrijdt!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wilt gij zijn sabelslagen bij den dolksteek des sluikmoordenaars vergelijken?&#8221; vroeg de verontwaardigde Veldheer.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een sluikmoordenaar,&#8221; antwoordde Eugenio, altijd met dezelfde bedaardheid, &#8220;is alleen de zoodanige, die voor zijn verraad
+geld of loon ontvangt; doch zij, die zulks ten dienste der goede zaak verrichten, kunnen dien naam geenszins verdienen; dit
+leeren onze statuten, met pauselijke en koninklijke goedkeuring bekrachtigd.&#8221;
+<a id="d0e8315"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8315">274</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Laat ons,&#8221; zeide Pekkius, &#8220;een gesprek staken, dat alleen tot onnutte verbittering aanleiding kan geven. De eerwaarde Pater
+heeft zooveel diensten aan den Staat bewezen, dat wij hem gerust naar zijn begrip kunnen laten handelen. Elk heeft op deze
+wereld zijn bijzondere taak te vervullen: de dappere Spinola moet de wapenen Zijner Majesteit wijd en zijd doen zegevieren:
+mijn ambt is, mijn Vorsten door onderhandelingen te dienen: de verbreiding van het echt geloof en de verdeeling der ketters
+is aan den eerwaarden Pater toevertrouwd. Elk volge zijn eigen weg en vervulle de hem opgelegde plichten, zonder de bedrijven
+eens anderen te veroordeelen, omdat zij schijnbaar afwijken van de regelen, die men zichzelven heeft voorgesteld.&#8221;
+
+</p>
+<p>Spinola zweeg; schoon weinig tevreden gesteld met de drogredenen des Kanseliers, begreep hij reeds genoeg te hebben gezegd,
+en achtte het gevaarlijk, den haat van een zoo machtig lichaam, als dat der Jezu&iuml;eten, op zich te laden. Hij schoof dus zijn
+zetel een weinig terug, speelde met de lissen zijner sjerp en mengde zich verder niet in &#8217;t gesprek.
+
+</p>
+<p>Velasco opperde nu wederom de vraag, wat er met zijn zoogenaamden neef moest worden aangevangen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij kan ons op dit oogenblik van onbeschrijfelijk veel nut zijn,&#8221; zeide Eugenio: &#8220;ik zag naar een geschikt werktuig om, dat
+de achterdocht, die Maurits tegen zijn broeder heeft opgevat, kon verlevendigen, en daardoor haat en vijandschap tusschen
+hen beiden en verdeeldheid in den Staat teweegbrengen. Dit werktuig heb ik in hem gevonden. Met weinige woorden zal ik u in
+staat stellen, mijn plan te beoordeelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij legde hun hierop zijn oogmerk voor, waarvan wij den uitslag nader in ons verhaal ontwikkeld zien zullen, en hetwelk wij
+dus hier niet behoeven te vermelden.
+
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e7993" href="#d0e7993src" class="noteref">1</a></span> Daar de goede Grootmeester de lessen van zijn hoogloffelijken leermeester meestal verminkt en onvatbaar ter vertaling maakt,
+hebben wij deze ook gemeend te moeten achterwege laten.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e8085" href="#d0e8085src" class="noteref">2</a></span> Niet allen kunnen wij alles.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e8233" href="#d0e8233src" class="noteref">3</a></span> Vrede zij met u.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e8243" href="#d0e8243src" class="noteref">4</a></span> De Engel des Heeren heeft bij nacht de deuren der gevangenis geopend.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e8306" href="#d0e8306src" class="noteref">5</a></span> Gij zult niet doodslaan.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e8326" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Zes-en-twintigste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph" lang="nl-1600">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Geluckt de voor-genomen daed,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>&#8217;t Loon zal een hand vol wind zijn;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Loftuyting en een eeren-praet
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Van die met u gezint zijn.</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Maar zoo ghy &#8217;t voornemen sneeft,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Ghy blijft en zelfs verlegen;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>En die &#8217;t geluck maer tegen heeft,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Krijght heel de werelt tegen.</span></p>
+</div>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Den algemeynen haet en spot
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Hebt ge in ellendt te wachten.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Of overboos of al te bot
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Zal u een yeder achten.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Camphuisen</span>.
+</p>
+</div>
+<p>Ten einde ons verhaal regelmatiger te kunnen voortzetten, moeten wij thans onzen lezers verzoeken, zich met ons te willen
+verplaatsen <a id="d0e8363"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8363">275</a>]</span>in het vorstelijk &#8217;s. Gravenhage en aldaar in de zoogenaamde Huizinge van Brandwyk (thans het paleis des Konings), toen algemeen
+bekend onder den naam van het Oude Hof, en bewoond door Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik. In het tijdvak, hetwelk wij behandelen,
+begon de edele Vorst, (die tot nu toe slechts een ondergeschikte rol had gespeeld, en wiens verdiensten, hoe heerlijk die
+in andere landen zouden hebben uitgeblonken, in Nederland verduisterd werden door die van zijn broeder), de aandacht der landzaten
+op zich te vestigen en de noordstar te worden, waarnaar al wie de binnenlandsche tweespalten moede werd, de oogen richtte.
+Zijn bekende gematigde denkwijze, de zachtheid en weldadigheid van zijn inborst, zijn geboorte vooral uit een vrouw, die tot
+aan haar dood toe de verdrukte Remonstranten had beschermd en voorgesproken, en wier handelwijze omtrent hen hij, schoon van
+haar in godsdienstige en staatkundige beginselen en inzichten verschillend, bedektelijk volgen bleef, dit alles, gevoegd bij
+de toenemende verzwakking van den Stadhouder en de verwachting, dat het Stadhouderschap weldra in andere handen geraken zoude,
+had Frederik Hendrik tot het brandpunt gemaakt, waarin zich al de wenschen der gematigden en de uitzichten der Remonstrantschgezinden
+vereenigden. Op welke wijze hij de op hem gevestigde hoop wist gaande te houden en hoe daaraan door hem beantwoord werd, zal
+uit het vervolg dezer geschiedenis genoegzaam blijken: terwijl wij zijn bedoelingen zullen moeten opmaken uit het navolgende
+gesprek tusschen hem en zijn geheimschrijver gehouden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel Ludwig!&#8221; zeide de Graaf, terwijl hij in een eenvoudig huisgewaad het vertrek binnentrad, waarin de persoon, tot wien
+hij sprak, aan een tafel vol papieren gezeten was: &#8220;wat nieuws is er hedenmorgen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De huisvrouw van den Predikant Bysterus is hier geweest,&#8221; antwoordde de Secretaris, &#8220;om Uwe Doorluchtigheid te bedanken voor
+de genoten ondersteuning. Ik had werk om haar weg te krijgen. Zij wilde zich met alle geweld voor de knie&euml;n van Uwe Doorl.
+gaan werpen om haar vol gemoed en haar erkentenis uit te storten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo! wat is dat voor zotheid? Mijnheer heeft zeker uit de school geklapt. Had ik u niet gelast, haar de som, die zij hebben
+moest, op een bedekte wijze te doen geworden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gelijk door mij is verricht,&#8221; antwoordde Ludwig: &#8220;doch zoo bedekte giften van ambtelooze burgers gelijk zijn aan de flikkering
+eener verschietende ster, welker oorsprong niet te raden is, de geheime weldaden der grooten zijn als de zonnestralen, die
+haar herkomst vanzelf verraden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vrij po&euml;tisch,&#8221; zeide Frederik Hendrik: &#8220;op mijn eer! bij Paai Priaap<a id="d0e8375src" href="#d0e8375" class="noteref">1</a> af; doch de vergelijking verontschuldigt u niet. Gij hebt geklapt, vriend! gij hebt gebabbeld.&#8221;
+<a id="d0e8378"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8378">276</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Uwe Doorl. moest meer op mijn bescheidenheid bouwen; doch zoo zij maar gelieft na te denken, dat de vrouw wel geen anderen
+gever raden kon. De <span class="letterspaced">arme</span> Remonstranten <span class="letterspaced">hebben niets</span> en de <span class="letterspaced">rijken geven niets</span>: daarenboven wist zij, dat haar vrienden de hulp Uwer Doorl. hadden ingeroepen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Al genoeg, al genoeg,&#8221; zeide de Graaf, ongeduldig: &#8220;wanneer gaat zij op reis?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij denkt in de volgende week zich naar Gorkum te begeven, waar men voor haar een kamertje aan de haven gehuurd heeft, met
+het uitzicht op Loevestein. Zooras zij bevallen is, zal zij een verzoekschrift inleveren om bij haar man te worden opgesloten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Welk waarschijnlijk zal afgeslagen worden, zoo ik den Raad w&eacute;l ken.&#8212;Is er niets meer?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Er zijn twee uitnoodigingen gekomen voor Uwe Doorl.: de eene, om de plechtige hulde van den Hofbeer te komen bijwonen; de
+andere, om den ondertrouw van Jonkheer Jacob Mom met Jonkvrouwe Ulrica Van Reede tot Sonheuvel met uw tegenwoordigheid te
+vereeren. De Heer Baron zal zijn verzoek in persoon bij Uwe Doorl. komen herhalen, en de Ambtman verzocht ook, zijn opwachting
+te mogen maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is de bruid bevallig?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb haar eens als kind gezien,&#8221; antwoordde Ludwig, &#8220;en toen beloofde zij zeer schoon te worden; doch Uwe Doorl. kent haar
+zeker: zij huist altijd, en ook nu, bij mijn voormalige meesteresse, de Gravin Douari&egrave;re.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Aha zoo! dan ken ik haar wel: nu: zij is gansch niet verwerpelijk: hoe komt haar vader er toe, om haar aan een man van de
+jaren des Ambtmans uit te trouwen!&#8212;Is er nog iets?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een brief voor Uwe Doorl. zelve: zoo ik mij niet bedrieg in de hand van het opschrift, is hij van de Inlandsche Directeuren
+der Remonstrantsche Soci&euml;teit, <span class="letterspaced">Niellius cum suis</span>.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja waarlijk!&#8221; zeide Frederik Hendrik, nadat hij den brief haastig had opengebroken: &#8220;onderteekend door het machtige Driemanschap.
+Hoe komen die lieden zoo dwaas! mij openlijk te gaan schrijven en mijn ondersteuning en voorspraak te vragen!&#8221;&#8212;Dit zeggende,
+smeet hij den brief gramstorig op tafel; doch, zich bezinnende, nam hij dien als in verstrooiing weder op, vouwde hem zorgvuldig
+toe en stak hem bij zich.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zal ik zeggen?&#8221; hervatte Ludwig: &#8220;de Remonstranten zien Uwe Doorl. aan als een baak in zee, waar zij allen op aanstevenen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet niet, wat ik gedaan heb om die eer te verwerven,&#8221; zeide de Graaf op een gemelijken toon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Met verlof,&#8221; zeide Ludwig: &#8220;Uwe Doorl. heeft er nogal eenigen geholpen, en het is geen wonder, dat zij, de goedheid van Uwe
+Doorl. kennende, die als een milde regen....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zijt een gek met uw vergelijkingen,&#8221; hernam de Graaf: &#8220;ik ben niet goed, ik help geen Arminianen, en verlang deswege
+n&iacute;et geprezen te worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze verklaring geuit hebbende, stond hij op en maakte zich gereed <a id="d0e8421"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8421">277</a>]</span>om te vertrekken; doch, zich nogmaals omwendende, viel zijn blik op het gelaat van den schrijver, wiens spotachtige kleine
+oogen, veelbeteekenend hoofdschudden en kwalijk bedwongen glimlach genoegzaam aanduidden, dat hij aan de betuigingen zijns
+meesters weinig geloof hechtte. De uitdrukking van Ludwigs gebaren had op dat oogenblik zoo iets grappigs, dat de Graaf niet
+kon nalaten, nadat hij een wijl op hem gestaard had, in een luid gelach uit te bersten, waarop hij de vraag spoedig deed volgen:
+&#8220;gelooft ge mij niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>Ludwig antwoordde niets; maar een kasboek van de tafel nemende, waarin de geheime uitgaven des Graven stonden uitgedrukt,
+legde hij hem dit open voor, met den vinger die posten aanwijzende, waar de verborgene giften aan verdrukte Remonstranten
+waren opgeteekend, giften, die, te zamen gerekend, een vrij aanmerkelijke som beliepen.
+
+</p>
+<p>Hoewel in &#8217;t algemeen weinig dingen onaangenamer zijn, dan, na iets plechtig verzekerd te hebben, van het tegendeel overtuigd
+te worden, vooral, wanneer zulks door ondergeschikte personen geschiedt, nam Frederik Hendrik niettemin de vrijmoedigheid
+zijns dienaars niet euvel op. Hoe toch kon hij op dezen toornig zijn? Daar het den Vorst echter uit de hem voorgelegde nota&#8217;s
+bleek, dat zijn gehouden gedrag jegens de Remonstranten tot verkeerde uitleggingen kon aanleiding geven, begreep hij, te dezen
+opzichte openhartig met Ludwig te moeten omgaan, volgens den regel, dat het beter is, iemand in zijn geheel vertrouwen te
+doen deelen, dan hem half onderricht te laten, wijl hij in &#8217;t eerste geval (zoo hij geen schurk is) zwijgen zal, en in het
+laatste uit onwetendheid of verkeerd begrip zondigen kan. Zich wederom bij de tafel nederzettende en het voorhoofd met de
+hand ondersteunende, schoof hij zijn stoel vertrouwelijk naar des geheimschrijvers zetel toe en sprak hem aan in dezer voege:
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hebt gelijk, Ludwig! en ik zou om geen Konings schepter willen, dat gij ongelijk hadt, wanneer gij mij, door het openslaan
+van dit boekske, bewijzen wilt, dat ik meer hulp aan de Remonstranten betoond heb, dan ik beken. Ja, ik behandel hen w&egrave;l.
+Zij deelen in mijn gunst en weldaden, en zulks geschiedt op goede gronden; doch ik wil, dat het onbekend blijve: en ook hiervoor
+heb ik gezonde redenen. Die redenen acht ik het, om niet miskend en veroordeeld te worden, noodig u te ontvouwen. Reeds sinds
+jaren ondervonden de Remonstrantschgezinden, zoo om hun geloof als om hun staatkundige begrippen en gehechtheid aan wijlen
+den Heer Advocaat, de ongenade van Zijne Hoogheid, wiens gedrag ten deze ik niet beoordeele ja wiens misprijzing ik als een
+grove persoonlijke beleediging zou beschouwen. Ik, jonger en minder in staatszaken gemoeid dan mijn broeder, bekreunde mij
+weinig aan de heerschende geschillen, en gaf er althans luttel om, op wat wijze verschillende sekten hunnen Heer zochten te
+dienen. Dan, mijn moeder zaliger was, vooral door de vriendschap, welke zij voor haar Franschen Predikant Uyttenbogaert koesterde,
+de verdrukte partij genegen en bewees haar al die diensten en hulp, waartoe zij door <a id="d0e8429"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8429">278</a>]</span>haar invloed en vermogen in staat was gesteld. Om haar te believen, zoowel als uit medelijden, en geenszins omdat ik eenige
+geneigdheid tot hun leer gevoelde, volgde ik haar voorbeeld en ondersteunde nu en dan de Remonstranten, doch bedektelijk,
+uit vrees voor mijns broeders ongenoegen. Eindelijk, meer deel aan het staatsbestuur verkrijgende, begon ik er mijn hoofdstudie
+van te maken, om de verschillende drijfveeren na te sporen van de partijen, welke ons Gemeenebest op een zoo geduchte wijze
+aan binnenlandsche onlusten ter prooi geven, en nu leerde ik oorzaken en uitwerkselen kennen, welke ik te voren nooit vermoed
+had. Dan, ik ging verder: ik sloeg een oog in de toekomst, en het verschiet, &#8217;t welk zich voor mij opdeed, was zoo duister
+en vreesverwekkend, dat ik dadelijk inzag, hoe alleen de uiterste voorzichtigheid en nauwlettendheid in mijn handelingen dien
+zwarten gezichteinder zou kunnen verhelderen. Ik had de krachten der wederzijdsche partijen leeren kennen en op prijs stellen,
+en ik had met schrik bemerkt, hoeveel het scheelde, dat de in schijn verplette Aristocratie en Remonstrantschgezindheid ten
+onder was gebracht: hoe die integendeel met een gunstig gevolg het hoofd weer zou kunnen opheffen, wanneer eens het fiksche
+brein mijns broeders (wien God nog lang in &#8217;t leven spare) den Staat niet meer bestuurde. Ik beefde terug tegen den tijd,
+waarin ik, de vermoedelijke opvolger van Z. Hoogheid in &#8217;t Stadhouderlijk bewind, het roer zou moeten aanvaarden van een zoo
+geschokten en verdeelden Staat, en ik achtte mijn krachten niet ge&euml;venredigd aan de taak, die mij zou kunnen worden opgelegd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het was daarom, dat ik besloot, mijn uiterste pogingen daarheen te leiden, om, tegen den tijd, waarin het bestuur mij werd
+opgedragen, het Gemeenebest, zooveel in mij was, van ontevredene en twistzoekende geesten te zuiveren: en tot bereiking van
+dit oogmerk schreef ik mij een weg voor, welke ik tot heden toe zonder afwijkingen bewandeld heb. De partij der Remonstranten
+openlijk te kiezen, streed zoowel tegen mijn gevoelens als tegen mijn inzichten: van een anderen kant wilde ik haar niet tot
+radeloosheid gebracht zien, uit vrees eener noodlottige uitbarsting: ik begreep dus in &#8217;t openbaar de Contra-Remonstranten
+te moeten voorstaan, en in &#8217;t geheim hun tegenstanders zooveel ondersteuning te bieden, als noodig is om hen voor volstrekte
+armoede en daaruit voortkomende wanhoop te bewaren. Zoolang mijn moeder leefde, werden die giften als uit haren naam uitgedeeld;
+doch na haar dood zag ik mij verplicht andere middelen te kiezen, om mijn oogmerken te bereiken. Ik openbaarde dus mijn geheim
+aan eenige weinigen, op wier trouw ik mij, als op de uwe, verlaat. Door hunnen invloed en het door mij verstrekte goud is
+aan menigen Remonstrant de gelegenheid bewaard gebleven, om op gezette tijden onverhinderd zijn godsdienstoefeningen te blijven
+houden: de verstandigste onder hun tegenstanders beginnen aan die vergadering zich reeds te gewennen en zelfs de heethoofden
+achten het onnoodig, die met geweld te verstoren: de haat en vervolgingen beginnen te verflauwen: de bezadigdheid en zucht
+naar rust winnen hoe langer hoe meer veld: de <a id="d0e8433"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8433">279</a>]</span>gebannen of afgezette Predikanten zien betere tijden te gemoet, leeren geduld oefenen en zich een onderdrukking getroosten,
+die niet lang meer duren kan: ja, de Regeering zelve vermindert haar gestrengheid, ziet met oogluiking aan wat zij beletten
+kon, is minder ijverig in het vastzetten en verbannen, laat zorgeloos haar gevangenen ontsnappen en draalt in hen te achterhalen:
+in &eacute;&eacute;n woord, alles bevestigt mij in &#8217;t denkbeeld, dat de tijd niet ver af is, wanneer haat en tweedracht uit dit Gemeenebest
+verbannen zullen worden en regenten en burgerij zich weder als voorheen zullen beijveren, om, met aflegging van onderlingen
+wrok, hun pogingen alleen aan te wenden tot verdediging van den lande en tot beschaming der vijandelijke machten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hier zweeg Frederik Hendrik; maar nog een geruimen tijd bleef hij in dezelfde houding zitten, en zijn groote, vriendelijke
+oogen, waarin zijn menschlievende en waarlijk edele ziel geheel leesbaar was, flikkerden van tevredenheid over het schoon
+verschiet, &#8217;t welk hij zich in de toekomst voorspelde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik bewonder de wijsheid, welke uitblinkt in al de daden Uwer Doorl.,&#8221; zeide Ludwig: &#8220;hoe gaarne zou ik wenschen, dat de hoop,
+welke Uwe Doorl. streelt, eenmaal vervuld mocht worden; dan, helaas! daar is, thans, naar mijn oordeel weinig kans op.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe dan!&#8221; riep de Graaf uit: &#8220;wat doet u vreezen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het nieuwe decreet, dat eerlang genomen zal worden,&#8221; antwoordde Ludwig: &#8220;waarbij de plakkaten tegen de Arminianen versterking
+ontvangen: men zegt dat zelfs op het herbergen, ja op het ondersteunen alleen van een Remonstrant, eeuwige ballingschap zal
+gesteld worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie heeft u die zotheid in &#8217;t hoofd gebracht?&#8221; vroeg Frederik Hendrik, veinzende een gezegde in den wind te slaan, dat hem
+innerlijk verontrustte.
+
+</p>
+<p>&#8220;De commies van den Procureur-Generaal. Het is een zaak, naar men zegt, beklonken tusschen den Heer Raadpensionaris, den Heer
+Procureur-Generaal, den Heer van Sommelsdyk, en een paar razende Predikanten: ook is mij verhaald, dat daartoe aanleiding
+gegeven hebben de oproerige en woeste conventikelen, welke onlangs, ja zelfs hier ter stede, onder de Arminianen gehouden
+zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat gij zegt!&#8221; hernam de Graaf op denzelfden toon als te voren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Doorl. zal aan de uitkomst kunnen beoordeelen, of ik al dan niet waarheid heb gesproken. Dit is zeker, dat er ten huize
+van een kastelein alhier, wien ik niet noemen mag, wat al te grove dingen gepredikt zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Praatjes!&#8221; riep Frederik Hendrik met een gemaakten glimlach.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb iemand gesproken, die &#8217;t zelf gehoord heeft, den jongen Bleiswyk, die overal met den neus bij is; die heeft het mij
+verteld.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo!&#8212;Nu, ik wenschte wel zulk een oproerige vergadering eens bij te wonen. Dat moet er al zonderling toegaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niets is gemakkelijker: ik neem aan, Uwe Doorl. naar een bijeenkomst te geleiden, waar niemand haar kennen zal.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zou bijkans trek gevoelen om u aan uw woord te houden<span id="d0e8461" class="corr" title="Niet in bron">,</span>&#8221; <a id="d0e8464"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8464">280</a>]</span>zeide Frederik Hendrik: &#8220;indien ik niet begreep aan mijn waardigheid te kort te doen, door uw voorstel aan te nemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En ik,&#8221; zeide Ludwig, met een buiging, &#8220;zou Uwe Doorl. sterk aanraden zulks te doen. Het zou Uwe Doorl. voor eeuwig van alle
+vooringenomenheid met de Arminianen genezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zullen zien,&#8221; hervatte de Graaf, lachende: &#8220;doch het wordt mijn tijd. Zijne Hoogheid wacht mij voor de laatste onderhandeling:
+met de Spaansche gezanten: wellicht hoor ik nog iets van dat nieuwe decreet. Tot wederziens.&#8221;&#8212;Dit zeggende, wilde hij vertrekken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Met verlof!&#8221; zeide Ludwig: &#8220;Uwe Doorl. weet wel, dat zij den brief der Remonstrantsche Directeuren bij zich gestoken heeft.
+Zal ik daar geen kopie van houden?&#8221;
+
+</p>
+<p>Zonder te antwoorden, trad de Graaf toe, leide den brief op tafel en vertrok.
+
+</p>
+<p>Alleen gebleven zijnde, haastte zich de Secretaris, van dien brief een dubbele kopie te maken, waarvan hij de eene bij de
+papieren zijns meesters voegde, en de andere een geruimen tijd in de hand hield, als besluiteloos, wat er mede te verrichten.
+Eindelijk rukte hij een verborgen lade uit de schrijftafel, schoof de kopie er haastig in en begon eenige andere schriften
+en papieren, welke in die lade gelegen waren, te lezen, zonder die er uit te nemen, ze met beide handen vasthoudende, ten
+einde ze bij de minste stoornis te kunnen inschuiven. Na deze verrichting sloot hij de lade weder en wandelde in hevigen gemoedsangst
+de kamer op en neder, somtijds de zweetdroppelen afvegende, die langs zijn wangen liepen. &#8220;Ben ik geen groote gek?&#8221; vroeg
+hij zichzelven: &#8220;en den hond gelijk, die zijn prooi voor den schijn in &#8217;t water vallen liet? En echter, een post als die van
+Pensionaris!.... of een kop korter!.... kom! kom! ik ben te ver gegaan om kinderachtig te worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een bode kwam zijn verdere overdenking storen, door hem een onbekende vrouw aan te melden, welke den Heer Secretaris verlangde
+te spreken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een onbekende vrouw!&#8221; mompelde Ludwig: &#8220;hm! hm! zeker weder de eene of andere onbestorven Arminiaansche we&ecirc;uw. Laat zij komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De bode verliet het vertrek en leidde, terugkeerende, een vrouw binnen, van een groote en deftige gestalte, doch geheel onder
+haar huif bedekt: vervolgens, een stoel gezet hebbende, vertrok hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is er van uw dienst, vrouwtje?&#8221; vroeg Ludwig, haar een teeken gevende om te gaan zitten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kent gij mij niet meer, Ludwig?&#8221; vroeg de kamenier der Freule Van Sonheuvel, haar huif oplichtende en op hem een vriendelijker
+blik werpende, dan waarmede zij gewoon was iemand te verwaardigen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Moeder!&#8221; riep Ludwig, een stap achteruittredende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil!&#8221; hernam Magdalena: &#8220;dien naam mag ik niet hooren.... en toch! waarom treedt gij terug op mijn gezicht? waarom vind
+ik u zoo koud na een zoo lange afwezigheid? Bemint mijn zoon mij niet meer?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kunt gij daaraan twijfelen?&#8221; vroeg Ludwig, haar de hand kussende: <a id="d0e8492"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8492">281</a>]</span>&#8220;doch uw plotselinge verschijning verraste mij:&#8212;hoe onvoorzichtig! indien iemand u hier zag....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zoudt gij u schamen, nietwaar, dat men u in een vertrouwelijk gesprek zag met de kamenier der Freule Van Sonheuvel?&#8212;Zoek
+u niet te verontschuldigen: ik ken sedert lang dat ijskoud hart, hetwelk zich alleen voor het eigenbelang opent: ik weet,
+dat gij u zelven tot het eenige doel maakt van al uw wenschen, verwachtingen en handelingen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Integendeel, moeder: ik ben verheugd u zoo wel geplaatst te zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>Eene hevige verontwaardiging deed, bij &#8217;t hooren dezer woorden, de kaken van Magdalena gloeien, en haar oogen wierpen vlammende,
+toornige blikken op haar ongevoeligen zoon. &#8220;Ellendige belangzoeker!&#8221; zeide zij: &#8220;waarover verheugt gij u? Dat de dochter
+des Graven van Wertheim in den lagen en verachtelijken stand van dienstbode verkeert?&#8212;of dat gij, nu zij voor haar onderhoud
+niet meer bekommerd is, ontslagen zijt van den plicht, die op u rustte, en waarvan gij u altijd zoo slecht gekweten hebt,
+om haar het dagelijksch brood te schenken? Wee mij! de vloek mijner moeder drukt mij zwaar op &#8217;t hoofd, nu ik door mijn eigen
+zoon, voor wiens welzijn ik zooveel heb uitgestaan, veracht en verstooten worde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zie geen reden om zoo heftig in drift te geraken,&#8221; zeide Ludwig, ongeduldig op zijn pen knauwende: &#8220;gij hebt u immers
+over niets te beklagen? dat gij kamenier zijt geworden is uw eigen verkiezing geweest: dat ik u niet meer geld zond, toen
+gij nooddruft leedt, is mijn schuld niet: men wist nooit waar gij u bevondt, en ik zelf had niet veel te geven, daar ik de
+grootste helft mijner verdiensten voor de goede zaak heb opgeofferd. En wat de weldaden betreft, die ik van u zou genoten
+hebben, ik beken dat ik werk heb, die te ontdekken. Ik ben u weinig verschuldigd, die mij als een basterd de wereld hebt ingestuurd,
+om een leven vol zorg en kommer te leiden.&#8221;
+
+</p>
+<p>De ongelukkige moeder wilde antwoorden; doch de koude, gevoellooze taal haars zoons deed de stem haar in den gorgel stikken,
+en voor het eerst, na lange jaren, berstte zij, de hooghartige vrouw, in tranen uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ween niet, moeder!&#8221; zeide Ludwig, haar naderende, schoon zij hem terugstootte: &#8220;ween niet en vergeef mij mijn harde woorden:
+ik zou die nooit gebruikt hebben, zoo uw verwijtingen ze niet hadden uitgelokt. Ween niet en vergeef mij wat ik in drift gezegd
+heb. Ik weet, dat gij mij bemint en uw zorg mij nooit hebt onttrokken, ook toen ik in vreemde handen mijn opvoeding genoot
+en mijn eigen loopbaan volgen moest. Laat ik die tranen afdrogen en herken uwen Ludwig nog.&#8221;
+
+</p>
+<p>Welke moeder wederstaat de smeekingen van haar zoon, ook op het oogenblik dat hij haar hart verscheurd heeft? Magdalena weerde
+den boetwaardige af; doch met mindere strengheid: en zich herstellende, sprak zij:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dacht, Ludwig! dat ik geen tranen meer had, en echter zie <a id="d0e8510"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8510">282</a>]</span>ik dat gij die nog kunt doen vlieten. Ondankbare! gij zegt, dat gij mij niets verschuldigd zijt? en wie anders, dan ik, heeft
+u bij de Gravin van Nassau geplaatst, wier voorspraak u naderhand tot hoogere posten heeft doen geraken? wie anders, dan ik,
+heeft u, te midden van ketters, voor &#8217;t ware geloof doen leven? wie anders deed u de heilige bestemming erlangen om, in dit
+vijandig land, de eer te genieten van uwen geloofsgenooten ten dienst te staan? wie zal de eerste oorzaak genoemd worden,
+dat gij eenmaal, wanneer de dierbare Moederkerk hier zegepraalt, tot de hoogste waardigheden geroepen, den dank van allen
+zult ontvangen, als de man, aan wien Rome en Spanje het meest verschuldigd zijn!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wil u niet weder bedroeven, moeder!&#8221; zeide de Secretaris, op den minzaamsten toon; &#8220;doch waarlijk, ik beschouw het als
+zulk een groot geluk niet, dat ik, mijn gansche leven door, de weinig geachte rol van verspieder spelen moet, en hen gedurig
+bedriegen, die mij de meeste gunst bewijzen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wijt dit aan de omstandigheden, die ons de list tot plicht hebben voorgeschreven, en niet aan mij,&#8221; antwoordde zijn moeder.
+&#8220;Noodzakelijkheid drijft u en mij.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik stem u dit toe,&#8221; zeide Ludwig: &#8220;doch,&#8221; vervolgde hij met een flauwe stem: &#8220;was het ook noodzakelijkheid, toen ik, om aan
+de bijzondere wraak van Pater Eugenio te voldoen, den jeugdigen Graaf van <span id="d0e8518" class="corr" title="Bron: Falckenstein">Falckestein</span>, den oudsten zoon mijner weldoenster, aan het staal der moordenaren opofferde?&#8221;
+
+</p>
+<p>Magdalena zweeg en zag zuchtende voor zich.
+
+</p>
+<p>&#8220;Was het ook noodzakelijkheid<span id="d0e8525" class="corr" title="Niet in bron">,&#8221;</span> vervolgde hij, &#8220;dat ik in dit afschuwelijk eedverbond tegen uw meester, den Baron Van Sonheuvel, heb moeten treden, ten gevalle
+van dienzelfden vervloekten Jezu&iuml;et?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zwijg stil om Godes wil,&#8221; zeide Magdalena, hem snel de hand op den mond leggende: &#8220;gij weet niet wien gij vloekt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet zeer wel,&#8221; hernam hij, &#8220;dat ik van eenen, in uw oogen eerwaardigen man spreek, aan wiens leiding en bevelen gij mij
+gelast hebt, onbepaald gehoor te geven, en die mij eens een plaatsje op het rad aan zijn zijde bezorgen zal. Ik weet wat zijne,
+en, vergeef mij, wat uwe inzichten zijn. Dan reeds al te lang ben ik hem gehoorzaam geweest, zonder andere vrucht voor mijzelven
+dan onrust hier,&#8221; de hand op het hart leggende, &#8220;en vrij twijfelachtige verwachtingen in de toekomst.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Onrust!&#8221; herhaalde Magdalena verbaasd: &#8220;wat kan u ontrusten, wanneer gij voor uw Kerk en uw wettige Vorsten uw plicht volbrengt?
+of zoudt gij thans, om eenig gewin en zekerheid voor u zelven, de partij, waaraan gij zoolang zijt getrouw geweest, verraden,
+en een plasdank bij uw kettersche meesters af gaan bedelen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het niet,&#8221; antwoordde haar zoon, terwijl hij zuchtende de schouders optrok: &#8220;Ik kan zelf niet beoordeelen, wat in
+de tegenwoordige omstandigheden voor mij het beste zou zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O!&#8221; zeide Magdalena, &#8220;die beslissing kan u niet zwaar vallen. Wanneer gij alles met den maatstaf uwer baatzuchtige inzichten
+afmeet, <a id="d0e8538"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8538">283</a>]</span>dan moet gij u haasten, al de opofferingen, welke gij tot heden toe gedaan hebt, al de vruchten van uw tot nog toe verrichten
+arbeid, als nutteloos en nietig te vergeten en uw geloofsgenooten, met al die tot ons verheven doel werkzaam waren, bij uw
+meesters te gaan verraden. Want, is de hooge belooning, die Spanje en Rome u schenken zouden, nog onzeker, de bloedprijs voor
+het overleveren onzer bondgenooten kan u niet ontgaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Overleg eens ernstig, lieve moeder! in welk geval ik het meest den naam van verrader verdien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kortzichtige! die uw plicht alleen met de oogen des vleesches beschouwt, en die geen andere vierschaar kent, waar onze daden
+beoordeeld worden, dan de denkwijze van &#8217;t algemeen. En acht gij dan het misnoegen niet van Hem, wiens wijsheid u tot het
+heerlijk werk der verlossing heeft verkoren? en acht gij den vloek uwer moeder niet, die op uw schedel dalen zoude, indien
+uw dagen door afval geteekend werden? Zie deze haren, mijn zoon! die v&oacute;&oacute;r den tijd vergrijsd zijn geworden, zult gij ze met
+schande bedekken of met eere kronen?&#8212;Het hangt van u af, van u alleen. O mijn Ludwig! toen ik u, nog een teedere knaap, uit
+mijn gezicht verwijderde en in vreemde handen overgaf, toen smeekte ik den Hemel, dat hij in u den held zou kiezen, die te
+midden der ketters zijn geloofsgenooten dienen mocht. Toen waande ik, verblinde, dat gij eenmaal het werktuig wezen zoudt,
+dat deze heerlijke, maar verdoolde gewesten onder den staf des eenigen Herders terug moest brengen. Toen streelde een, misschien
+zondige, hoogmoed mijn ziel, dat ik eenmaal uwen naam als dien van Romes getrouwsten en ijverigsten dienaar zou hooren prijzen.
+Helaas! hoe fel worde ik gestraft voor dien vermetelen waan! Hoe weinig beantwoordt gij aan de heerlijke vooruitzichten, welke
+mij uw daden in den beginne beloofden ... dan genoeg! ik lees in het ongeduld, dat zich in al uw trekken vertoont, de bekrompenheid
+uwer ziel. Welaan dan, ik wil, u ten gevalle, alles uit een bloot menschelijk oogpunt beschouwen: dan nog vordert uw eer,
+ja uw belang, dat gij niet afwijkt van den eenmaal ingeslagen weg. Want, stel eens, dat gij aan den trotschen dwingeland of
+aan zijn flauwhartigen broeder onze geheimen verraadt: wat zal dan uw volgend lot wezen? waar zult gij het goud, den prijs
+uwer schande, gaan verteren? In al die landen, waar het zuivere licht der waarheid straalt, zou uw leven niet veilig zijn,
+en bij hen, wier kettersche gunst u beloonen moest, zult gij, als een verspieder, veracht en geschuwd worden. Waar gij u zult
+willen nederzetten, overal zullen vloek, haat en verfoeiing uw deel zijn, en met Ka&iuml;ns merk op het voorhoofd zult gij, ellendig,
+vervolgd en ontweken, als banneling op aarde moeten rondzwerven, totdat gij eindelijk met den vloek der wereld beladen, in
+het graf een schuilplaats zoeken zult, die u nog voor den toorn des Eeuwigen niet bevrijden kan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Na al hetgeen ik reeds gedaan heb,&#8221; zeide de geheimschrijver op den bedaardsten toon der wereld, &#8220;verdien ik zooveel gestrengheid
+niet. Wees gerust, moeder! ik zal geen besluit nemen dat u bedroeven zou; doch niemand misprijze het, indien ik mijn daden
+<a id="d0e8546"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8546">284</a>]</span>door voorzichtigheid besturen laat. Vergeten wij al het over en weder gezegde, en laten wij voortaan in onze gesprekken geen
+anderen toon voeren, dan dien, welke onze nauwe betrekking voegt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal van uw gedragingen afhangen,&#8221; zeide Magdalena, en stak hem tot verzoeningsteeken haar hand toe, welke hij kuste.
+Op dit oogenblik trad de bode binnen en meldde een vreemdeling aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat hij een oogenblik vertoeven,&#8221; zeide Ludwig.&#8212;&#8220;Welnu, moeder!&#8221; vervolgde hij, na het vertrek des bedienden: &#8220;hebt gij
+nog iets te bevelen? Gij ziet, dat mijn oogenblikken mij niet toebehooren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dit pakket,&#8221; zeide Magdalena, een dik pak uit haar boezem te voorschijn halende, &#8220;moet aan den Kanselier bezorgd worden.
+Het bevat rapporten van onderscheidene geloofsgenooten over den staat van zaken hier te lande.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het zal bezorgd worden,&#8221; hernam Ludwig, het pakket aannemende: &#8220;ik moet de gezanten toch nog spreken v&oacute;&oacute;r hun vertrek uit
+Den Haag.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En deze brief,&#8221; vervolgde zij, &#8220;is voor den Veldheer Spinola.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarschijnlijk van den Ambtman,&#8221; hernam hij: &#8220;ja, ik herken die hand. &#8217;t Is wel: ik hoop slechts, dat ik hem te zien zal
+krijgen. Is er nog iets?&#8221;
+
+</p>
+<p>Magdalena beantwoordde deze vraag ontkennend, drukte hem de hand, trok haar falie weder over &#8217;t gezicht en verwijderde zich;
+waarna Ludwig, de brieven zorgvuldig verborgen hebbende, den bode riep en hem gelastte, den vreemdeling binnen te laten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb daar een zwaren post gehad,&#8221; mompelde hij bij zichzelven, terwijl hij het nieuwe bezoek verwachtte; &#8220;nu, alles zal
+afhangen van mijn gesprek met de gezanten. Praatjes helpen niet meer. Ik moet zekerheid hebben!&#8212;Wat verlangt UEd.!&#8221; vervolgde
+hij overluid, zich tot een jongeling wendende, die, eenvoudig doch smaakvol gekleed, binnentrad.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn boodschap was eigenlijk aan Zijne Doorl. in persoon gericht,&#8221; zeide de vreemdeling, &#8220;doch, daar UEd., naar ik verneme,
+de vertrouwde geheimschrijver Zijner Doorl. zijt, geloof ik, mij van mijn plicht genoegzaam te kwijten door mijn boodschap
+aan UEd. te doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zooals UEd. verkiest; wat ik ontvang, ontvangt Zijne Doorluchtigheid.&#8221;
+
+</p>
+<p>Terwijl de andere zijn buis ontknoopte om de daarin verborgene papieren voor den dag te halen, en de Secretaris opgerezen
+was om die te ontvangen, zagen beiden elkander gedurig steelswijze aan; want beiden herinnerden zich, elkander meer gezien
+te hebben; doch waar en wanneer, dit wisten zij zich niet zoo oogenblikkelijk te binnen te brengen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben uit Den Bosch gekomen,&#8221; zeide de onbekende, eenige brieven voor den dag halende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uit Den Bosch,&#8221; zeide Ludwig haastig: &#8220;ga zitten: schuif wat naderbij, als &#8217;t u belieft. Gij komt toch niet van.... van,
+gij weet wel wien....&#8221; Dit zeggende, zag hij hem scherp in &#8217;t gezicht, <a id="d0e8574"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8574">285</a>]</span>als wilde hij de aanvulling van den volzin aan den vreemdeling overlaten, wien hij voor een der medegenooten van Pater Eugenio
+hield.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ik weet zeer wel van wien ik kom,&#8221; antwoordde de ander, op een toon, die Ludwigs vermoeden versterkte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Van den zwarten vos misschien?&#8221; zeide Ludwig, den Jezu&iuml;et bedoelende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik geloof van ja,&#8221; antwoordde de vreemdeling, die in den waan verkeerde, dat de geheimschrijver een der verbannen Predikanten
+bedoelde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik had mij gevleid,&#8221; <span id="d0e8584" class="corr" title="Bron: herman">hernam</span> Ludwig, fluisterend, &#8220;dat hij zelf hier zou komen snuffelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zou er wel op passen,&#8221; zeide de ander: &#8220;hij zou hier slecht ontvangen worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Als gij denkt, dat hem zulks zoude afschrikken, dan kent gij den Pater niet. Doch, wat mij verwondert,&#8221; vervolgde Ludwig,
+wiens vermoedens op dit oogenblik tot zekerheid oversloegen, &#8220;is dat hij den pleegzoon van den Baron Van Sonheuvel tot zijn
+zendeling uitkipt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met uw verlof,&#8221; zeide Joan, die van zijn kant den geheimschrijver herkende: &#8220;ik heb wel eens zendelingen zien uitkiezen,
+waarop men minder reden had van te vertrouwen.... ik geloof, dat ik vroeger de eer had, u te ontmoeten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Verheugd u weer te zien,&#8221; zeide Ludwig, zich buigende: &#8220;doch hoe duivel komt Pater Eugenio....? ik vat er niets van.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij kent Pater Eugenio?&#8221; hernam Joan verbaasd: &#8220;doch waarover verwonder ik mij? Nu ik mij wel herinner, uw brief indertijd
+aan Klaas Meinertz gezonden.... de kennis, die gij aan mijn geboorte hadt.... ik geloof, dat u meer zaken bekend zijn, dan
+menig ander.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ken Don Diego de Velasco, en dit moet u genoeg zijn om mij al die berichten mede te deelen, welke gij geraden oordeelt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is mijn nieuwe naam reeds herwaarts overgewaaid?&#8221; vroeg Joan: &#8220;doch gij kendet dien sedert lang. Welnu, mijn boodschap is
+zeer eenvoudig en zal geen lang betoog behoeven. Dit pakket vervat ettelijke brieven, alsook een paar handschriften van de
+Remonstrantsche ballingen, die zich thans in Brabant bevinden, en aan Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik toegezonden, om
+daarmede naar goedvinden te handelen. Gemelde Heeren waren van oordeel, dat niets de oprechtheid hunner bedoelingen meer zou
+aantoonen, dan wanneer zij hun zaak in handen stelden van zulk een voornamen en onpartijdigen Vorst als Zijne Doorluchtigheid.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Aha!&#8221; zeide Ludwig: &#8220;gij komt dus van de Remonstrantsche Heeren? dat verandert de zaak; ofschoon het mij verwondert, dat
+de kweekeling van Ds. Raesfelt zich met Arminianen ophoudt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het was het verlangen van Don Louis,&#8221; antwoordde Joan, wiens ronde oprechtheid geen strikvragen vermoeden kon, &#8220;het was het
+verlangen mijns ooms, aan wiens tafel ik den Heer De Groot en diens vrienden ontmoette, dat ik mij met de waarneming hunner
+belangen zou ophouden en mij op die wijze tot een mogelijke herstelling der rust laten gebruiken. Terwijl de Gezanten des
+Konings <a id="d0e8605"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8605">286</a>]</span>van Spanje met Prins Maurits aan een vredesverdrag werkzaam zijn, zou ik het mij tot een waar genoegen rekenen, hier den binnenlandschen
+krijg te helpen smoren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zijt dus met de Gezanten gekomen?&#8212;En hoe komt het dan, dat ik u thans eerst hier zie?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Eerst gisteren kwam ik hier. Ik heb zoolang in Den Bosch gewacht tot deze brieven vaardig waren. Doch ik heb ook een mondelinge
+boodschap aan Z. D. Wanneer zou ik bij Haar kunnen worden toegelaten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo! hebt gij een mondelinge boodschap?&#8212;Ja, heden zal er moeilijk kans voor u zijn, die af te leggen. Wanneer vertrekt gij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Morgenmiddag naar alle gedachten, met de Heeren van het Gezantschap.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu! keer dan morgenochtend te negen uren hier terug, en ik zal Z. D. van uw komst verwittigen; maar wees zoo goed, dit
+papier weder bij u te steken: ik heb liever, dat gij het in eigen persoon aan Z. D. overhandigt. Ik ben om goede reden een
+weinig huiverig, om mij met een dusdanige commissie te belasten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zooals gij verkiest,&#8221; hernam Joan, het pakket weder bij zich stekende: &#8220;gij zegt dan, morgenochtend....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Te negen uren. Vaar intusschen wel, Heer Gezant.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb de eer u te groeten, Heer Secretaris!&#8221; zeide Joan en vertrok.
+
+</p>
+<p>&#8220;Morgenochtend te negen uren!&#8221; herhaalde Ludwig, zoodra hij alleen was. &#8220;Tegen dien tijd zit gij, waar men u zoo licht niet
+vandaan laat vliegen. De haas is in den strik geloopen, waar hem niets uit redden zal. Was nu Eugenio maar hier.... dan kom!
+heb ik geen eigen genie genoeg om thans den weg te zien, dien ik volgen moet? Spoedig de brieven aan de Gezanten bezorgd en
+dan.... Doorluchtig Broederpaar, gij zult mij al te slim zijn, indien ik hier niet voor morgen een Theba&iuml;s van tweedracht
+en vijandschap verwek.&#8221;
+
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e8375" href="#d0e8375src" class="noteref">1</a></span> Cats.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e8625" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Zeven-en-twintigste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Dat&#8217;s er &eacute;en, dat&#8217;s er een,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Ter waereld schoonder geen,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Dat yder moet belijen.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Ontgin hem maar eens, heen en we&ecirc;r,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>En denk dat uit een anders le&ecirc;r,
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Goed riemen is te snijen.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Jan de Regt</span>.
+</p>
+</div>
+<p>Het was op den volgenden morgen, dat, omstreeks acht uren, de plechtige overdracht van den Hofbeer, door die van Utrecht aan
+<a id="d0e8648"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8648">287</a>]</span>den Hove van Holland geschieden zou. Deze zoogenaamde Hofbeer was niets anders dan een mannetjes-varken, het grootste en vetste
+dat in de provincie Utrecht te vinden ware en hetwelk jaarlijks op zekeren bepaalden dag als een hulde en tot een teeken van
+onderdanigheid met de noodige plechtigheden werd aangeboden. De oorsprong van dit gebruik is bij geen schrijver aangeteekend
+en ligt derhalve in het duister; hoewel sommigen beweren, dat de oorzaak daarvan gezocht moet worden in de overrompeling en
+plundering van Den Haag, in den jare 1528, door de Gelderschen onder Maarten Van Rossem, en dat, vermits die geschied was
+door toedoen van die van Utrecht, Keizer Karel, wanneer hij in het volgende jaar de stad bij verrassing innam en namaals de
+<span class="letterspaced">temporaliteit</span> of het wereldlijk bestier daarvan bij verdrag bekwam, hun tot straf en eeuwige gedachtenis van een zoo stout bestaan zou
+opgelegd hebben het leveren van een beer of mannetjes-varken aan den Hove van Holland. Hoe &#8217;t zij, zeker is het, dat de Magistraat
+van Utrecht verplicht was, alle jaren op zekeren gezetten dag aan den Hove op te brengen zoodanigen beer of zwijn, dat alsdan
+aan een paal, staande op het Binnenhof, eenige dagen werd tentoongesteld, vervolgens geslacht en onder den Stadhouder (die
+&#8217;t hoofd kreeg) en zijn Raden verdeeld.
+
+</p>
+<p>Reeds een uur voor de plechtigheid waren het Binnenhof en de straten, welke het ongure dier moest doortrekken, met toeschouwers
+gevuld. De schutterij der stad, bij deze gelegenheid in de wapenen gekomen, maakte hier en daar de bezetting uit, welke de
+orde bewaren moest: de winkels, welke te dien tijde de Groote Zaal op het Binnenhof omringden, en waar men alle voorwerpen
+van galanterie verkrijgen kon, stalden hun beste waren uit: in &eacute;&eacute;n woord, het gansche plein leverde een bijzonder vroolijk
+en levendig voorkomen op.
+
+</p>
+<p>Onder de toeschouwers bevond zich, als natuurlijk was, de Jonker van Bleiswyk, dezelfde, van wien Ludwig (in het vorige hoofdstuk)
+had aangemerkt, dat hij overal met den neus bij was. Hij had zich, ook thans een der beste plaatsen uitgekozen, om alles wel
+te aanschouwen en op te nemen. Hij stond namelijk tegen een der torens van het groote gebouw geleund, van waar hij &egrave;n den
+weg waar het zwijn langs moest komen, &egrave;n de paal, en eindelijk de ramen van het Hof op zijn gemak kon zien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik hoop,&#8221; zeide hij tegen een deftigen, in &#8217;t zwart gekleeden Heer, die naast hem stond, &#8220;dat Utrecht van &#8217;t jaar een fatsoenlijker
+varken sturen zal, dan dat van verleden jaar.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat haperde daaraan?&#8221; vroeg de ander.
+
+</p>
+<p>&#8220;Weet UEd. dat niet?&#8212;Wel het beest was zoo slecht onderwezen, dat het, zoodra het aan de paal lag, allerlei onbeleefdheden
+beging; ik zelf stond er vlak bij: de rozen van mijn schoenen waren glad bedorven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat deedt gij er ook zoo dicht bij te staan? laat dat aan de straatjongens over,&#8221; zeide de deftige man.
+
+</p>
+<p>&#8220;Met uw verlof! ik had gewed dat het dier niet deugde, en wilde <a id="d0e8667"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8667">288</a>]</span>mij daarvan verzekeren; ook had ik niet misgeraden; want toen de Rentmeester des Espargne het slachten liet, werd het gortig
+en vuil bevonden, zoodat de Raden aan den Magistraat van Utrecht om een ander schreven: ik heb den brief zelf gelezen: hij
+begon met het varken en eindigde met een Christelijk gebed!.... nu, er kwam een ander beest, en toen waren onze lekkerbekken
+uit den brand, Ik heb zelf bij Zijne Doorluchtigheid van den kop gegeten. Hij was puik puik!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik denk toch, dat dit zotte gebruik van de min verlichte tijden niet lang meer duren zal,&#8221; hervatte de andere spreker.
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar zal eens een hartig woordje bij de aanstaande vergadering over gewisseld worden,&#8221; zeide Bleiswyk: &#8220;Ik heb het zelf van
+den Heer Duyk gehoord. Nu, die van Utrecht hebben ook heftige klachten ingeleverd, en waarover, denkt gij? Niet over den last
+van den beer te leveren; maar omdat de eer van het lieve beestje hun zoo nauw aan &#8217;t hart ligt, dat zij niet verduwen kunnen,
+dat het aan de kaak gelegd wordt en dat er de jongens baldadigheden mede bedrijven, let wel, tot hun schimp en spot: zoo luidt
+hun missive, die ik zelf gelezen heb. Daarom heeft men heden den ring en &#8217;t ijzer van den paal afgeslagen, opdat het geen
+kaak zou gelijken. Ten minste zoo heb ik zelf van den griffier gehoord.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het schijnt mij toe, dat UEd. van alles bijzonder wel onderricht is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat placht zoo te zijn, mijn waarde Heer! dat placht zoo te zijn; ten tijde van wijlen den Heer Advocaat was ik spoediger
+achter de zaken dan tegenwoordig. Z.Ed. had veel goedheid voor mij: alles vertelde hij mij eer iemand het wist; ik maakte
+ook veel werks van den ouden man: nu! ik heb hem ook tot aan zijn dood toe eer bewezen: ik heb zelfs geen vier treden van
+hem afgestaan, toen hij onthoofd werd: ik had een treffelijk plaatsje op &#8217;t schavot, vlak achter den Fiskaal.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;UEd. wilde hem zeker in het uiterst bijstaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat juist niet, mijn beste! dat liet ik aan Lamotius over; maar als men zulke goede vrienden geweest is! ... en daarenboven....
+ik zie gaarne alles... UEd. heeft zeker gisteren de Spaansche gezanten zien wegreizen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gisteren!&#8221; zeide een welgekleed jongeling die aan zijn andere zijde stond: &#8220;ik dacht dat zij hedenmiddag....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Abuis, mijn vriend! gisteravond te halfnegen zijn zij de poort uitgereden. Ik heb hen zelf van Z. H. afscheid zien nemen....
+Zijne Hoogheid schudde hartelijk de hand van Spinola bij &#8217;t vertrekken: nu Generaal! zeide Z. H., waar zien wij elkander weder?
+En de Marquis antwoordde: ik hoop Uwe H. bij Bergen-op-Zoom. welgewapend te ontmoeten.... nu denkt Z. H., dat Spinola ons
+juist van een anderen kant aan zal vallen: maar de Marquis vertelt altijd aan een elk wat hij in &#8217;t zin heeft, opdat men het
+tegendeel zou gelooven; dat heeft Z. H. mij dikwijls zelve gezegd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zullen dus oorlog hebben,&#8221; zeide de zwarte man.
+
+</p>
+<p>&#8220;Natuurlijk,&#8221; hervatte Bleiswyk: &#8220;dat was lang van te voren <a id="d0e8689"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8689">289</a>]</span>beslist, gelijk mij al die van de zaak weten gezegd hebben; maar het leger zal er vrij wat minder uitzien dan voor twintig
+jaren: toen was het een andere troep als thans!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat heeft men UEd. zeker ook gezegd,&#8221; zeide de deftige Heer spottende: &#8220;want ik twijfel of UEd. het gezien heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik was toen nog een knaap,&#8221; hervatte Bleiswyk; &#8220;doch ik hield veel van alles te zien en te vernemen; maar eilieve zie eens....
+kent gij dien man met zijn rooden neus wel, die daar ginds door de schaar heendringt?&#8212;Niet?&#8212;Dat is de Arminiaansche Predikant
+Groenhovius;.... maar waar loopt UEd. zoo haastig naar toe?&#8221;
+
+</p>
+<p>Hier verliet de zwarte man zonder te antwoorden zijn plaats en verloor zich weldra in de menigte, gelijk ook de Predikant.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik verwed mijn vederbos tegen een oude beddekwast, dat die zwartrok een Arminiaan of een spion van &#8217;t gerecht is!&#8221; vervolgde
+Bleiswyk, zich tot den jongen onbekende wendende: &#8220;UEd. ziet dien Dominee na: ja, die is eigenlijk gebannen, maar hij wil
+&#8217;t niet weten.&#8212;Heeft UEd. wel ooit een Arminiaansche predikatie bijgewoond?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dacht dat het verboden was, op die bijeenkomsten te gaan,&#8221; zeide deze.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is te zeggen,&#8221; hernam Bleiswyk op een gewichtigen toon: &#8220;het is verboden er te gaan uit godsdienstige oogmerken; maar
+om zijn nieuwsgierigheid te voldoen, mag men er gerust heen trekken, en met dat oogmerk alleen ben ik er heen geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een fijne distinctie!&#8212;En was UEd. nogal voldaan over de predikatie?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Denk je dat ik naar het gerammel van dien kwijlbaard geluisterd heb? om geen geld; maar naast mij zat een zoet zusje, dat
+de moeite wel waard was, om gezien te worden: ik zeg ook niet, dat ik er een volgende reis niet weer heen trek; ik wil die
+kennis gaarne aanhouden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zou het u niet raden, Jonker,&#8221; zeide een deftig gekleed Heer, (die, kort te voren de trappen van de Groote Zaal afgekomen,
+zich juist achter Bleiswyk bevond en zijn laatste woorden gehoord had), terwijl hij hem op den schouder tikte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Aha! zijt gij het, mijn waarde Heer Fiskaal,&#8221; zeide Bleiswyk, zonder van kleur te veranderen: &#8220;en waarom zou UEd. mij dat
+niet raden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Omdat het UEd. een fiksche som gelds zou kunnen kosten,&#8221; hernam de Fiskaal.
+
+</p>
+<p>&#8220;Eilieve, zie eens!&#8221; zeide Bleiswyk, met een onveranderlijke koelbloedigheid zijn halskraag in orde schikkende; &#8220;zou de Justitie
+mij beletten, mij op een onschuldige wijze te vermaken, hoe en waar het mij belieft?&#8212;Ik wil u de boete wel daags te voren
+te huis sturen; maar er heen gaan zal ik.... of wil UEd. ook voor &#8217;t halfje met mij accordeeren?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Justitie treedt in geen akkoorden,&#8221; zeide de Fiskaal op een strengen toon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom! kom! Mijnheer Van Kinschot!&#8221; hernam Bleiswyk, lachende: <a id="d0e8719"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8719">290</a>]</span>&#8220;ik ga naar de mis, naar de oefeningen, naar de Arminiaansche conventikels, naar de synagoge, naar de moskee desnoods, overal
+waar het mij bevalt, en &#8217;t zal een kerel zijn die het mij belet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Pas op, dat mijn dienaars er u niet vandaan halen,&#8221; hernam de Fiskaal.
+
+</p>
+<p>&#8220;Pas maar zelf op, oude Heer!&#8221; zeide Bleiswyk, de deftige houding des Fiskaals op een koddige wijze nabootsende: &#8220;of &#8217;t zal
+u gaan als &#8217;t uwen confrater Van der Duyn ging, toen hij die Rotterdamsche samenkomst bespiedde en met zijn dikken kop tusschen
+de tralies, waar hij doorkeek, vast bleef zitten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit antwoord verwekte een luid gelach bij al de omstanders: alleen zij, die het dichtst bij den Fiskaal stonden, en hem niet
+gaarne tot vijand wilden hebben, stopten de punten hunner mantels in den mond, of hielden er de hand voor om niet uit te bersten.
+De Fiskaal antwoordde niet, doch, den onbescheiden jongeling met een ontevreden blik aanziende, trad hij eenige stappen terug
+in &#8217;t gedrang.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ziet gij, zoo moet men met die Heeren van &#8217;t Gerecht omspringen,&#8221; vervolgde Bleiswyk, zich tot zijn buurman wendende, die
+sinds eenige minuten, zonder naar het gesprek met den Fiskaal te luisteren, de oogen op een der vensterramen van het Hof gevestigd
+had gehouden: &#8220;doch waar kijkt UEd. naar?&#8212;Aha! ik zie het al: het vorstelijk gezin is aan de ramen gekomen: zie eens, die
+aan dat middelste venster met dien hoed met gele en roode veeren is Zijne Hoogheid: die met dat botte uitzicht, die naast
+hem staat, is de Koning van Bohemen;.... maar gij kijkt naar een geheel verkeerd raam.... ho ja! daar valt ook wat meer bezienswaardig
+te aanschouwen, ik geef u geen ongelijk: die jonge Dame, die naast de Gravin Douairi&egrave;re Lodewijk Gunther zit, is gansch niet
+onooglijk. Het is de Freule Van Sonheuvel, en die deftige Heer, die achter haar staat, is de Ambtman Mom, die eerstdaags met
+haar trouwen zal. Ik ben zelf op de partijen genoodigd; men zegt: het staat haar maar half aan, een man te trouwen, die zooveel
+ouder is; doch zijn jaren zijn de ware reden niet van haar tegenzin: ik heb zelf van goederhand gehoord, dat de Baron een
+knaap had opgevoed, wien zij liefgekregen had en met wien zij had willen doorgaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is niet waar,&#8221; riep de ander uit, terwijl zijn oogen fonkelden en zijn hand het gevest van zijn degen greep. Bleiswyk,
+die de reden van dit opvliegen niet bevroedde, trad eenigszins verzet achteruit, doch herstelde zich spoedig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat drommel gaat het u aan?&#8221; zeide hij: &#8220;maak u om die Freule niet dik; zij gaat toch met een ander in &#8217;t schuitje.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen beleedigingen meer!&#8221; zeide Joan (want niemand anders was de onbekende jongeling) en hief de vuist op om den onbedachtzamen
+Jonker op eene gevoelige wijze zijn misnoegen te toonen, toen een algemeene kreet van: <span class="letterspaced">ruim baan! ruim baan! daar komt hij! daar is hij!</span> de menigte uiteen deed stuiven en hem van zijn tegenpartij afdrong. Alras vertoonde zich nu een vendel schutters, &#8217;twelk
+de noodige ruimte op het Binnenhof maakte voor den optocht, die volgde. De trein werd geopend door twee hellebaardiers, die
+den <a id="d0e8738"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8738">291</a>]</span>Schout en Burgemeesteren begeleidden; op dezen volgden de Procureur-Generaal, de Raadpensionaris en de Leden van den Provincialen
+Hove. Na dezen kwamen wederom eenige burgers en vervolgens het voorname doel van het gejuich der menigte, het voorwerp van
+het luid opstijgend hoezee en verdoovend handgeklap, de Hofbeer, met bloemen opgeschikt als een paaschlam en statig voortkuierende
+(zoo statig als het een varken mogelijk is) tusschen twee Boden van de Utrechtsche Magistraat, die de twee einden vasthielden
+van een sierlijk lint, dat aan den hals van het beest vastgestrikt was; doch dit was slechts <span class="letterspaced">pro forma</span>! want degene, die de gangen van het varken werkelijk bestuurde, was een kloek landman, zindelijk naar zijn stand gekleed;
+deze was de voormalige eigenaar van het beest en Joan herkende alras in hem zijn gullen gastheer Gheryt Maessen. Nadat de
+trein, die door eenige burgers gesloten werd, het Binnenhof was rondgewandeld, geschiedde de overdracht, daarin bestaande,
+dat de Utrechtsche Boden de einden van het lint, die zij vasthielden, aan de Boden van den Hove overgaven. Nadat dit geschied
+was, bond men het dier aan den daartoe bestemden paal vast en ging de optocht ter zijde, om plaats te maken voor de doorluchtige
+toeschouwers, die het vette dier van dichtbij bezien kwamen. De Vorsten vertoonden zich al spoedig op het Binnenhof, van een
+aanzienlijken stoet hofjonkers en dames vergezeld; dan hun nadering scheen weinig indruk op den onhoffelijken Hofbeer te maken,
+die tegen den Stadhouder knorde, aan Z. M. van Bohemen de tanden wees, en aan de Gravin van Nassau den rug toedraaide met
+groote blijken van ongeduld. Dan, toen het trompetgeschal nogmaals herhaald werd, scheen het varken gramstorig te worden en
+eindelijk te begrijpen, dat het een voor hem zeer vernederende rol speelde, waarop het met hevigheid een zijsprong nemende,
+het touw (&#8217;t geen, als Bleiswyk verhaald had, den ijzeren ketting en ring vervangen had), losrukte en, zonder aanzien des
+persoons, op de doorluchte toeschouwers aansnelde. Men beseft lichtelijk, welk een verwarring door dien onverwachten misslag
+van den slecht onderwezen Hofbeer ontstond: de adel vloog op zijde en tusschen het gemeen in: de Raadsheeren trapten in &#8217;t
+vluchten op hun tabbaarden en rolden onder de schutters: &#8217;t gemeen vluchtte de hoftrappen op: de mannen schreeuwden: de dames
+gilden: de jongens lachten of raapten steenen op om er het varken mede te smijten: enkele onverschrokken lieden poogden den
+beer te keeren; doch het varken, door geen tegenstand afgeschrikt, liep twee of drie menschen onder den voet en juist op de
+Freule Van Sonheuvel aan, die waarschijnlijk mede door het woedende dier ware vertrapt geweest, ware niet haar trouwe minnaar
+nabij haar geweest. Joan was, toen het dier losbrak, dadelijk tot bescherming zijner geliefde toegesneld: hij wierp zich snel
+als de wind op het dier en greep het bij de ooren met zooveel kracht, dat het stilstond en weldra door Maessen en anderen,
+die toegeschoten waren, in bedwang gehouden werd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ulrica! mijn kind!&#8221; schreeuwde de Baron, naar zijn doodsbleeke dochter toesnellende: &#8220;zijt gij gewond?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is niets, mijn vader!&#8221; antwoordde zij, met een gebroken stem: <a id="d0e8747"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8747">292</a>]</span>&#8220;laten wij van hier gaan.&#8221;&#8212;Deze woorden uitsprekende, zocht zij half buiten haar zelve, den arm haars vaders te nemen; doch
+zij miste haar greep en zou ter aarde gestort zijn, had niet Joan haar opgevangen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Duizend kanonnen!&#8221; riep de Baron; &#8220;hij ook hier!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Had ik geweten, Heer Baron!&#8221; zeide Joan, de oogen nederslaande, &#8220;dat ik UEd. hier ontmoeten zoude, ik had UEd. mijn <span id="d0e8753" class="corr" title="Bron: tegenwoorheid">tegenwoordigheid</span> gespaard; schoon ik mij jegens UEd. niets te verwijten heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met uw verlof,&#8221; zeide Mom, hem naderende en Ulrica den arm biedende: &#8220;ik zal wel voor de Freule zorgen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;UEd. had zulks wat vroeger moeten doen,&#8221; zeide Joan eenigszins geraakt, en, den hoed aflichtende, maakte hij een statige
+buiging voor den Baron, waarna hij zich buiten den kring begaf en met een haastigen tred het Binnenhof verliet. Nauwelijks
+was hij echter op het Buitenhof gekomen, met oogmerk om zich naar de huizinge van Brandwijk te begeven en daar de terugkomst
+van Frederik Hendrik af te wachten, toen hij door iemand achterhaald werd, die hem op den schouder tikte en zich voor den
+Jonker van Bleiswyk herkennen deed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Verschoon mij,&#8221; zeide deze: &#8220;Ik ben zooeven wat van u afgeraakt; echter niet zoo ver, of ik ben ooggetuige geweest van uw
+heldendaad. Mag ik nu vernemen, welke betrekking er bestaat tusschen UEd. en de Freule, wier partij UEd. zoo hevig genomen
+hebt, <span class="letterspaced" lang="la">re et verbis</span>, als de geleerden zeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vermoedelijk wilt gij dit alleen weten,&#8221; hernam Joan, hem met een toornigen blik aanziende, &#8220;om het hedenavond te kunnen
+rondvertellen, en er bij te voegen, dat gij het van goederhand vernomen hebt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Misschien wel&#8221; hernam Bleiswyk lachende: &#8220;nieuwsgierigheid is mijn zwak.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En mijn zwak is,&#8221; zeide Joan, &#8220;geen onbeschaamdheid te dulden: ik zou u dus raden mij alleen te laten, of het kan u slecht
+bekomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze taal geuit hebbende, sloeg hij de hand aan zijn degen: doch Bleiswyk, hem tegenhoudende, nam beleefdelijk den hoed af
+en verzocht hem, geen rumoer op straat te maken. &#8220;Zoo &#8217;t UEd. gelieft, uw behendigheid tegen de mijne te meten,&#8221; vervolgde
+hij, &#8220;zoo vindt gij mij tot uw dienst bereid; doch laten wij dan naar het Bosch gaan, daar kunnen wij elkander gevoeglijk
+een lating geven: ik wil daar met UEd. vechten tot den middag, mits ik naderhand uw geschiedenis maar verneme.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha! dat is te veel!&#8221; riep Joan. &#8220;Ik volg u terstond.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met verlof!&#8221; riep een barsche stem achter hem: &#8220;dat zal nu niet gebeuren. Dienaars, treedt voor.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Houdt! wat!&#8221; zeide Bleiswyk, zich omkeerende, tegen den Fiskaal, die degene was, welke gesproken had: &#8220;UEd. legt het er vandaag
+op toe, om mij in mijn vermaken te storen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zwijg Jonker!&#8221; hernam de Fiskaal: &#8220;uw aardigheden zijn thans hoogst ongepast. Mijnheer!&#8221; vervolgde hij, zich tot Joan wendende:
+&#8220;gij zijt mijn gevangene: uw degen, als &#8217;t u gelieft.&#8221;
+<a id="d0e8781"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8781">293</a>]</span></p>
+<p>&#8220;In geenen deele,&#8221; zeide Bleiswyk, terwijl hij Joan, die den Fiskaal verbaasd aanzag, bij de hand nam: &#8220;wat is dat voor een
+malle grap? ik zal niet dulden, dat een wakker gezel als deze edelman, door diefleiders achteraf gebracht worde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jonker Van <span id="d0e8786" class="corr" title="Bron: Bleiswijk">Bleiswyk</span>!&#8221; hernam de Fiskaal met een ontzaggebiedende stem: &#8220;gij, die zooveel weet, weet gij niet, dat hij, die schuldigen aan hoogverraad
+aan de Justitie onttrekken wil, zelf aan hoogverraad schuldig wordt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Aan hoogverraad!&#8221; zeide Bleiswyk, de armen latende vallen en de oogen half sluitende, terwijl hij op een theatralen toon
+declameerde:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Waar is zoo verre een plaats, zoo woest een wildernis,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Die voor u, o mijn zoon! een zekere schuilhoek is?&#8221;<a id="d0e8796src" href="#d0e8796" class="noteref">1</a></span></p>
+</div>
+<p>&#8220;Aan hoogverraad!&#8221; herhaalde Joan, met verbazing: &#8220;wat is mijn misdaad?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die zal nader onderzocht worden,&#8221; antwoordde de Fiskaal: &#8220;geef uw degen over en volg mij. Ik zie u niet voor onwillig aan,
+anders liet ik u knevelen, dat gij niet gaan kondet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zou zeker de beste manier zijn om iemand te doen voortmarcheeren,&#8221; merkte Bleiswyk aan, die nooit zijn blijgeestigheid
+verloor. &#8220;Mijn goede vriend,&#8221; vervolgde hij tegen Joan: &#8220;of liever mijn mislukte vijand! Ik ruilde graag mijn nieuwen hoed
+tegen de smerige kalot van Ds. Lamotius, dat ik u niet in zulke handen liet. De Gevangenpoort is voorzeker geen vermakelijk
+verblijf; althans daarin komen al wie er gezeten hebben overeen: ik zelf heb er nooit gelogeerd; anders....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo UEd. niet verkiest te zwijgen, zal ik u die ondervinding bezorgen,&#8221; zeide de Fiskaal.
+
+</p>
+<p>&#8220;Boe! boe! ik ga al heen,&#8221; riep de onverbeterlijke snapper uit: &#8220;ik ga al heen, wees maar niet boos!&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit zeggende, verwijderde hij zich eenige stappen; doch terstond wederkeerende, greep hij Joan, die tusschen de twee dienaren
+in stond, bij de hand en zeide hem met drift, ja met gevoel: &#8220;vaarwel, Mijnheer! En zoo ge iets behoeft of verlangt, laat
+het dan maar weten bij Willem Van Bleiswyk, in &#8217;t Voorhout, die u helpen zal, waar hij kan en mag, ja, al mag hij niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Na het uiten dezer woorden draaide hij zich om en snelde als een pijl uit een boog weder naar het Binnenhof om te vertellen
+aan ieder die &#8217;t hooren wilde, hoe de redder der Freule Van Sonheuvel wegens hoogverraad was vastgezet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Lichtzinnig, maar goedhartig,&#8221; zeide Joan, hem naoogende. &#8220;Heer Fiskaal! ik volg u waar het wezen moet: breng mij waar gij
+wilt. Sedert lang is mijn verblijf mij onverschillig.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zullen niet ver gaan,&#8221; zeide de Fiskaal: &#8220;Mijnheer! hier is uw weg.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit zeggende, toonde de Fiskaal aan Joan den ingang van den kerker boven de Gevangenpoort, waar zij zich voor bevonden.
+<a id="d0e8820"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8820">294</a>]</span></p>
+<p>De gevangene kon de huivering niet bedwingen, die hem beving, toen hij, ingetreden zijnde, de zware deur achter zich hoorde
+toesluiten en de ijzeren grendels vastschuiven; daar hij zichzelven echter geen kwaad bewust was en nog altijd hoopte, dat
+een bloot misverstand tot zijn gevangenneming had aanleiding gegeven, herkreeg hij weldra zijn vorigen moed en volgde onbeschroomd
+zijn geleider. De cipier, of gelijk men toen nog zeide stokbewaarder, bracht zijn gasten in een vrij ruim vertrek, hetwelk
+voor het verhooren was ingericht en welks wanden versierd waren met de bevallige stoffage van allerlei soorten van boeien,
+kettingen, straf- en foltertuigen, blokken, schroeven enz., benevens eenige prenten en een paar oude schilderijen, beruchte
+strafoefeningen voorstellende, en andere voorwerpen, alle bestemd en geschikt om een akeligen indruk te maken op het gemoed
+van al wie tegen zijn wil die plaats betrad. Achter een soort van balie waren, gelijk aan Joan naderhand bleek, twee Gecommitteerden
+van den Hove gezeten, bezig met het verhoor van een gevangene, die met den rug naar de binnenkomenden gewend stond en wiens
+antwoorden de Griffier, die aan een bijzonder tafeltje gezeten was, vlijtig opteekende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijne Heeren!&#8221; zeide Van Kinschot bij &#8217;t inkomen: &#8220;hier is de man, in quaestie.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;&Eacute;&eacute;n oogenblik slechts, Heer Fiskaal!&#8221; zeide een der Gecommitteerden, een dik, log mannetje, wiens lomp en opgezet gelaat
+van verwaandheid en trotschheid glom: &#8220;wij hebben met dezen zoo dadelijk afgedaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Fiskaal zette zich en Joan bleef tusschen twee dienaars staan, niet ontevreden over dit oogenblik respijt, hetwelk hem
+veroorloofde zijn toestand een wijl te overdenken en zich voor te bereiden, zoo op de vragen, die hem gedaan zouden kunnen
+worden, als op de wijze, waarop hij antwoorden moest.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij blijft dus bij uw hardnekkige ontkentenis van sedert uw terugkomst hier te lande eenige predikatie gedaan of Arminiaansche
+vergadering bijgewoond te hebben?&#8221; vroeg de Raadsheer, die zooeven gesproken had, den gevangene.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik blijf dit ontkennen,&#8221; antwoordde deze, met een vaste stem, welke aan Joan niet onbekend voorkwam.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vriendje! vriendje!&#8221; hernam de Raadsheer, het hoofd schuddende: &#8220;Ik zou u raden, liever te bekennen: het kon anders slecht
+met u afloopen. Hebt gij het hok gezien, waar Bysterus en Lindenius in gezeten hebben, die even koppig waren als gij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;God is mijn getuige, dat ik alleen de waarheid spreek,&#8221; zeide de gevangene.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat doet des Heeren naam,&#8221; vroeg de Raadsheer, &#8220;in den mond van een schelm als gij, die gelooft dat een kind voor zijn geboorte
+al verdoemd is?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is <span class="letterspaced">ons</span> geloof niet,&#8221; antwoordde de gevangene, die een Remonstrant was, verbaasd over des Raadheers onkunde: &#8220;UEd. Achtbare meent....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wil je &#8217;t mij leeren, vlegel?&#8221; bromde de gewichtige man: &#8220;heb <a id="d0e8846"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8846">295</a>]</span>ik den <span class="letterspaced">gepraedestineerden</span> dief niet gelezen, en heeft dat geen Arminiaan als jij geschreven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;UEd. Achtbare gelieve op te merken,&#8221; hernam de Remonstrant, &#8220;dat dit werkje Slatii, met wiens gevoelens ik daarenboven geenszins
+overeenstemme, alleen <span class="letterspaced">ironice</span> geschreven is, en er dus....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced">Erotice!</span>&#8221; hernam de Raadsheer: &#8220;wat rammel je? ik heb er niets verliefds in gezien: kort en goed: dit kan ik je zeggen: overmorgen
+wordt je sententie gelezen: voor je leven naar Loevestein, zoo ik iets in te brengen heb: daar zal je <span class="letterspaced">mores</span> leeren: onze haan kraait koning! wij zijn &#8217;t vet, wij drijven boven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zijt gijlieden &#8217;t schuim,&#8221; viel de gevangene in, &#8220;dat drijft boven &#8217;t vet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Onbeschaamde vlegel!&#8221; riep de Raadsheer, heftig op de tafel slaande: &#8220;is het aan uw Rechter, dat gij zulke antwoorden geven
+durft!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wanneer de Rechter zich niet schaamt zijn gevangene te beschimpen, dan passen hem zulke antwoorden,&#8221; zeide de Remonstrant.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijnheer de Vlaere,&#8221; zeide de andere Raadsheer, die een bedaard, ernstig man scheen te zijn, tot zijn ambtgenoot: &#8220;wij hebben
+nog veel te verrichten, en uit dezen gevangene is niets meer te halen. Ware het niet verkieslijker, het verhoor te staken
+en den Heer Fiskaal niet langer op te houden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zooals gij wilt, Mijnheer Sartor!&#8221; antwoordde De Vlaere, zeer tevreden van een goede aanleiding te hebben om een twist te
+eindigen, waarin hij de gelukkigste rol niet speelde. &#8220;Dienaars! leidt den gevangene weg!&#8221;
+
+</p>
+<p>De dienaars traden toe en geleidden den Remonstrant weg, zonder dat het Joan gelukt was, diens gelaatstrekken te zien. Zoodra
+hij vertrokken was, gaf de Raadsheer Sartor aan onzen held een wenk, om de tafel, waaraan zij gezeten waren, te naderen.
+
+</p>
+<p>Terwijl Joan aan dit bevel voldeed, stond ook de Fiskaal op en trad aan de tafel, waarop het ondervragen een begin nam.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw naam?&#8221; vroeg De Vlaere.
+
+</p>
+<p>Joan zweeg en zag voor zich. De eerste vraag was voor hem de moeilijkste.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wees niet beteuterd,&#8221; vervolgde Sartor, dit stilzwijgen aan vrees toeschrijvende: &#8220;geef ons openhartig antwoord. Hoe heet
+gij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Don Diego de Velasco.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijt gij daar zeker van?&#8221; vroeg de Fiskaal, Joan scherp in &#8217;t gezicht ziende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Deze naam is de laatste, die mij gegeven werd. Vroeger noemde men mij Joan Van Craeihorst.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeer wel!&#8221; zeide Van Kinschot, tegen de Raadsheeren langzaam met het hoofd knikkende, ten teeken van tevredenheid. De Vlaere
+zette het verhoor intusschen voort.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar zijt gij geboren?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet het niet.&#8221;
+<a id="d0e8896"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8896">296</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Gij weet het niet?&#8212;Wat is dat voor een antwoord!&#8221; Hier trad de Fiskaal toe en fluisterde hem iets in &#8217;t oor: &#8220;aha ja! <span class="letterspaced">filius illegitimus!</span>&#8212;Waar opgevoed?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Op den huize Sonheuvel?
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced">Recte</span>. Waar laatst woonachtig?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb nu &#8217;t laatst eenige dagen in Den Bosch doorgebracht: het vorige jaar heb ik in &#8217;t leger van Z. M. van Bohemen gediend.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat komt juist uit,&#8221; zeide de Fiskaal, een geschreven papier doorloopende, dat hij in de hand hield. &#8220;Doch! indien de Heeren
+mij vergunnen, een vraag te doen: waarom heeft de gevangene voor vier weken het slot te Sonheuvel op een zoo vreemde wijze
+verlaten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ten einde mij naar Den Bosch te begeven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En met wien hebt ge daar omgang gehad?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met mijn oom, Don Louis de Velasco, met den Heer Vicaris, met den Heer Van Grobbendonck en met eenige Remonstrantsche uitgewekenen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo! En hebt gij ook voor die Heeren eenige boodschappen opgenomen te verrichten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is dat mijn gansche misdrijf?&#8221; vroeg Joan verbaasd: &#8220;ja, dat heb ik: en hier is het pakket, &#8217;t welk ik op mij had genomen
+te bezorgen aan....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zwijg!&#8221; riep de Fiskaal met een donderende stem, hem het pakket uit de handen rukkende. &#8220;Dit pakket,&#8221; vervolgde hij langzaam,
+terwijl hij het met somber oog van alle kanten beschouwde en eindelijk voor de Raadsheeren nederleide, &#8220;zal meer onheil brouwen,
+dan ooit eenig ander hier te lande gedaan heeft. Uw leven zal afhangen van hetgeen hierin gevonden wordt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik kan niet begrijpen,&#8221; zeide Joan, &#8220;welk kwaad er in steekt, brieven te bezorgen aan Zijne Doorluchtigheid.&#8212;Of is dit ook
+een <span class="letterspaced">suspecte</span> persoon?&#8221;
+
+</p>
+<p>De Fiskaal wierp hem een vreeselijken blik toe. &#8220;Het zal noodig zijn,&#8221; zeide hij vervolgens tegen de Raadsheeren, &#8220;dat dit
+verhoor zonder eenige getuige afloope. UEd. Achtbare zult hiervan het belang met mij gevoelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ongetwijfeld!&#8221; zeide De Vlaere, en gaf last aan de dienaars, buiten te staan, waarna hij aan Joan een nauwkeurig verhaal
+afvroeg van, alles, wat zijn kennis met de Heeren, die hij in Den Bosch gesproken had, had voorbereid. Het gewicht eener openhartige
+bekentenis gevoelende, voldeed de gevangene vrij omstandig aan dit verzoek: zijn verhaal duurde des te langer, daar de Griffier,
+die alles nauwkeurig opteekende, hem zijne gezegden meer dan eens herhalen deed.
+
+</p>
+<p>Toen hij ge&euml;indigd had, deden hem de Gecommitteerden eenige vragen betreffende de Arminiaansche ballingen, als b. v. of Uyttenbogaert
+ter misse ging, of hij kennis met de Jezu&iuml;eten hield, of hij raadsman van Pekkius was, of De Groot dikwijls bij Velasco aan
+huis kwam, en dergelijke meer: de meeste dezer beantwoordde Joan ontkennend: op sommige verklaarde hij niet te kunnen antwoorden.
+<a id="d0e8936"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8936">297</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Zullen wij thans het pakket niet openen?&#8221; vroeg eindelijk De Vlaere aan zijn ambtgenoot.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vooraf,&#8221; zeide deze, &#8220;wenschte ik den gevangene te vragen of hem de inhoud bekend is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoover ik weet,&#8221; antwoordde Joan, &#8220;zijn het brieven, waarin de verbannen Heeren zich in de bescherming Zijner Doorl. aanbevelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het bevreemdt mij,&#8221; merkte de Fiskaal aan, op een straffen toon, &#8220;dat gij zulke sprookjes vertellen durft op het oogenblik,
+dat wij de stukken in handen hebben, welke u van logentaal zullen overtuigen, of mijn berichten zijn valsch, of er moet geheel
+wat anders in die brieven staan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zou ik bedrogen zijn geweest,&#8221; zeide Joan, de schouders ophalende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarlijk!&#8221; zeide Van Kinschot, hem verachtelijk aanziende: &#8220;wij zullen zien, wie hier de bedrogene is.&#8221; Het pakket werd nu
+geopend en de inhoud onderzocht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn God!&#8221; riep Sartor met verbaasdheid uit, toen hij den eersten brief den besten gelezen had: &#8220;wie kon dat ooit gelooven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welk een afschuwelijk samenweefsel van verraad en list en huichelarij!&#8221; riep De Vlaere.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat ons voorzichtig zijn,&#8221; zeide hem zachtjes zijn ambtgenoot: &#8220;deze brief is aan geen gemeen persoon gericht, noch tot
+iemand, die op losse gronden beticht mag worden. De brieven kunnen zeer wel zijn opgesteld uit list, met het oogmerk om kwade
+vermoedens te werpen op hem aan wien het opschrift luidt. Jongeling, wie stelde u dit pakket in handen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn oom, Louis de Velasco.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Onbeschaamde!&#8221; zeide De Vlaere: &#8220;en gij zeidet, dat het brieven van de Remonstrantsche ballingen waren. Wat had uw oom daarmede
+te maken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij gaf mij die uit hun naam: ik had geen reden, zijn oprechtheid in twijfel te trekken. Heeft hij mij misleid, ik ben er
+onschuldig aan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Deze brieven,&#8221; hernam Sartor, zich tot den Fiskaal wendende, &#8220;zijn van zulk een aard, dat wij, naar mijn gedachten, buiten
+voorkennis Zijner Hoogheid geen stap verder in deze doen kunnen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Fiskaal stemde zulks toe, en nu deed de Griffier de brieven weder in het pakket, hetwelk behoorlijk gesloten en verzegeld
+werd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Was het overbrengen van dit pakket,&#8221; vroeg toen Van Kinschot aan de gevangene, &#8220;de eenige reden van uw reis herwaarts?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Onbewimpeld gesproken, neen: de Vicaris beloofde mij, dat, zoo ik hier eenige dagen bleef, zich veel ontwikkelen zou, dat
+thans nog duister voor mij lag.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij erkent dus een zendeling van den Vicaris te zijn.&#8212;Wie hebt gij sedert uw komst hier in Den Haag opgezocht?&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan verhaalde zijn vruchteloozen gang naar het Paleis van Zijne Doorluchtigheid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom hebt gij u niet aangemeld bij Z. M. den Koning van Bohemen, onder wien gij voorgeeft te hebben gediend?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik vreesde dat mijn nieuwe naam mij minder welkom zou maken.&#8221;
+<a id="d0e8977"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e8977">298</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Waarom niet bij den Baron Van Reede, uw pleegvader?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Omdat ik onbewust was van zijn verblijf alhier en Zijn Ed. bovendien tegen mij ingenomen is, uithoofde van een ongelukkig
+misverstand....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een ongelukkig misverstand! En gij hebt tegen zijn leven samengespannen met zekeren booswicht, die.... doch dit misdrijf,
+als in de provincie Utrecht geschied en van geen staatkundigen aard zijnde, valt niet onder &#8217;s Hofs jurisdictie.&#8212;Ik vrees,
+dat het slecht met u af zal loopen! alles toont duidelijk, dat gij u hier hebt zoeken schuil te houden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan ware ik hedenmorgen niet op het Binnenhof gekomen, waar iedereen mij zien kon,&#8221; zeide Joan met drift: &#8220;doch, men zal
+zich nog bedenken, eer men mij op losse gronden verwijst. De Spaansche Gezanten zullen niet dulden, dat de neef van Don Louis
+de Velasco....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ongelukkige logenaar! gij vleit u vergeefs,&#8221; viel hem Van Kinschot in: &#8220;gisteren sprak mij de Kanselier Pekkius, kort voor
+zijn vertrek, en stellig betuigde hij mij, dat de Gezanten zich uwer niet zouden aantrekken, vermits men u voor een gelukzoeker
+hield.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan is het beter, dat ik zwijge,&#8221; zeide Joan: &#8220;ik zie dat mijn verderf vastbesloten is!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het verhoor heeft nu lang genoeg geduurd,&#8221; zeide De Vlaere, oprijzende: &#8220;stokbewaarder!&#8221;
+
+</p>
+<p>De stokbewaarder en de dienaars traden binnen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Breng dezen gevangene in goede verzekering. Zijn persoon is van het uiterste gewicht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! om hem alleen te plakken, dat zal bezwaarlijk gaan,&#8221; antwoordde de stokbewaarder: &#8220;doch ik zal hem bij dien Arminiaan
+zetten, die zooeven hier geweest is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn eenig verzoek is,&#8221; zeide Joan, &#8220;dat mijn reiszak, die in de herberg het Zotje ligt, mij hier geleverd worde. Er zit
+eenige verschooning in, die ik wellicht zal noodig hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die is hier al gekomen,&#8221; zeide de cipier; &#8220;ik had vergeten zulks aan de Heeren te zeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De reiszak werd terstond aangebracht, op de tafel gelegd en door den Fiskaal stuk voor stuk geledigd. Het eerste dat zich
+vertoonde, was een prachtige gouden keten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ei! ei!&#8221; zeide De Vlaere: &#8220;een kostbaar stuk werks, genoeg om een geheel boevenhuis om te koopen. Hoe komt Mijnheer aan dat
+pronkstuk?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het werd mij in mijn jeugd door de Gravin van Nassau vereerd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarlijk! Nu, dit zal licht te bewaarheden vallen.&#8212;Maar wat is dat voor een boeltje? voor wien is dat poppengoed?&#8221; vroeg
+De Vlaere, toen hij zag dat de Fiskaal een pakje uithaalde, &#8217;t welk een volkomen, schoon wat ouderwetsch, kindergewaad behelsde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een stellig bewijs van hoogverraad,&#8221; zeide Joan, met een bitteren glimlach.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat doet gij met kindergoed in uw valies?&#8221; vroeg De Vlaere.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het zijn de kleederen, die ik aanhad, toen de Barones Van Reede <a id="d0e9016"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9016">299</a>]</span>mij tot kind aannam. Ik had die met mij naar &#8217;s-Bosch gevoerd, om ze aan mijn oom te vertoonen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Voeg die kleertjes bij de <span class="letterspaced">preciosa</span>,&#8221; zeide De Vlaere tegen den Griffier: &#8220;de Baron Van Sonheuvel is bij Mevrouw van Nassau gehuisvest, en wij zullen ons van
+de waarheid van &#8217;t een en ander gaan verzekeren.&#8212;Is er niets meer?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het komt mij voor,&#8221; zeide de Fiskaal, &#8220;dat wij het overige veilig aan dien jongeling laten kunnen. Stokbewaarder! breng uwen
+gevangene weg.&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan groette de Raadsheeren en den Fiskaal, en volgde zijn leidsman, die hem langs eenige trappen en gangen naar het kleine
+vertrekje bracht, dat hem tot kerker bestemd was. Toen de deur openging, zag Joan denzelfden gevangene, wiens stem hem bekend
+was voorgekomen, aan een tafel zitten, bezig met in een klein bijbeltje te lezen. Hij rees op toen hij een deelgenoot zijner
+gevangenschap zag binnenkomen, en trad naar Joan toe. Beiden zagen elkander strak in &#8217;t gezicht; doch eer men tien had kunnen
+tellen, vielen zij met den uitroep van Joan!&#8212;Hendrik&#8212;in elkanders armen.
+
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e8796" href="#d0e8796src" class="noteref">1</a></span> <span class="letterspaced">Vondel</span>, de Amsterdamsche Hecuba, bl. 28.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e9027" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Acht-en-twintigste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph" lang="nl-1600">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Of zoo ick schuldigh ben en heeft het my gemist,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>&#8217;t Is uit onnozelheit en zonder argh of list.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Gysbrecht van Aemstel.
+</p>
+</div>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced" lang="la">Dies albo notanda lapillo!</span>&#8221;<a id="d0e9045src" href="#d0e9045" class="noteref">1</a> zeide Hendrik Raesfelt; want deze was het, welke Joan zoo onverwachts begroette.
+
+</p>
+<p>&#8220;Moet ik mijn ouden speelmakker op zulk een plaats terugvinden?&#8221; zeide Joan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar hoe toch wist gij, dat ik hier gevangen zat?&#8221; vroeg Hendrik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarlijk, mijn beste vriend!&#8221; antwoordde Joan: &#8220;ik was dezen morgen even weinig voornemens deze plaats als u te bezoeken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij komt dan niet vrijwillig?&#8212;Neen waarlijk, nu zie ik eerst, dat gij uw degen mist. Hoe, mijn beste stokbewaarder!.... moet
+deze Heer....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw maat zijn,&#8221; zeide de cipier: &#8220;juist geraden: en het doet mij genoegen, dat gij oude kennissen zijt. Hebt gij mij verder
+niets te zeggen?&#8212;Niet!&#8212;Dan wensch ik u een vroolijken dag samen.&#8221;&#8212;Dit zeggende, vertrok hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik kan niet van mijn verbazing terugkomen,&#8221; hernam Raesfelt: <a id="d0e9060"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9060">300</a>]</span>&#8220;wat kan den Jonker Van Sonheuvel op de Gevangenpoort brengen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Noem mij met dien naam niet meer,&#8221; zeide Joan: &#8220;dien heb ik reeds lang verloren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Verloren? En door welk toeval?&#8212;Doch, ik bid u, neem plaats.&#8221;
+
+</p>
+<p>Beiden gingen zitten en Joan gaf aan zijn vriend een beknopt verslag van zijn lotgevallen, waarna hij wederkeerig zijn verlangen
+te kennen gaf, om te weten wat Hendrik op deze plaats gebracht had. Raesfelt voldeed aan dit verzoek en vertelde omstandig
+wat hem overkomen was. Wij zullen van dit verhaal alleen de hoofdpunten aan onze lezers mededeelen. Hendrik was, gelijk wij
+vroeger gezien hebben, te Amsterdam bij een juwelier geplaatst geworden om de negotie te leeren. Hij had aldaar zijn betrekkingen
+met de Remonstranten geenszins afgebroken, doch zijn studi&euml;n voortgezet en de geheime samenkomsten bijgewoond. Tot proponent
+aangesteld en de predikbeurten somtijds waarnemende, was hij gevangengezet, en later, wegens herhaling, gebannen: sinds had
+hij lang op de grenzen gezworven, tot hij eindelijk te Mulheim een briefje kreeg van zekeren Van Dyk, die hem verzocht te
+Tiel te komen, ten einde aldaar over de belangen der Remonstranten te handelen. Wij hebben vroeger gezien dat dit briefje
+door Eugenio geschreven was en aanleiding gaf tot het misverstand, dat Joan te Tiel bijna zoo duur was te staan gekomen. Te
+Nijmegen echter was Raesfelt reeds gevangengenomen en dadelijk naar Den Haag gezonden, waar hij sedert dien tijd op de Gevangenpoort
+gezeten had.
+
+</p>
+<p>&#8220;En,&#8221; zeide Joan, &#8220;zooals ik heden meen gehoord te hebben, zult gij dezen kerker niet verlaten dan voor de Loevesteinsche
+gevangenis.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben niet gelijk degenen, die geen hoop hebben,&#8221; antwoordde Raesfelt: &#8220;God heeft de drie mannen in den vurigen oven niet
+vergeten: en Hij vergat ook mij niet, toen ik uit de diepte tot Hem riep. Hij zond mij een engel.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Of een engelin?&#8221; viel Joan in, glimlachende om de opgewondenheid, welke zich in de blauwe oogen des proponents en op zijn
+zachte wezenstrekken vertoonde.
+
+</p>
+<p>&#8220;De zachte Rachel was de dochter des norschen Labans: God vermurwde het hart van des stokbewaarders dochter, en deed mij in
+haar een geloofsgenoot vinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat nu!&#8221; vroeg Joan: &#8220;is de dochter van onzen vriendelijken huisbaas een Remonstrantinnetje, en verliefd op een gevangene,
+die daarenboven een Remonstrantsche proponent is! Nu waarlijk! dan moet ik zeggen, dat de Justitie wel dubbel waakzaam worden
+mag. En is die liefde zoo plotseling in den kerker ontstaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Om u de waarheid te zeggen, neen. Ik kende haar reeds in Amsterdam, waar zij bij de zuster van mijn Patroon het mutsenmaken
+leerde: zij is hier eerst sedert een paar maanden teruggekomen en bezorgt de huishouding van dit gesticht. Somtijds brengt
+zij den gevangenen hun eten: wij zagen elkander weder: de oude betrekking keerde, en....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En binnen weinige dagen verliest de stokbewaarder zijn dochter en zijn gevangene!&#8221;
+<a id="d0e9082"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9082">301</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Zij heeft mij stellig beloofd, dat, zoo ik veroordeeld werd naar Loevestein te worden overgebracht, zij alles in het werk
+zou stellen, om mij voor dien tijd te doen ontsnappen.&#8212;Doch nu gij de deelgenoot mijner ellende geworden zijt,&#8221; vervolgde
+Hendrik, Joan met warmte de hand drukkende, &#8220;zal ik dezen kerker niet verlaten, zonder dat gij mij vergezelt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik stel dat blijk van vriendschap op hoogen prijs,&#8221; zeide Joan; &#8220;maar verlang er geen gebruik van te maken: ik hoop alleen
+dat mijn zaak onderzocht worde; dan kan het niet missen of mijn onschuld moet erkend en ik in vrijheid gesteld worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vlei u daar niet mede,&#8221; zeide Hendrik: &#8220;vurig zou ik wenschen u eenige de minste hoop op vrijspraak te kunnen geven, doch,
+naar hetgeen gij mij verhaald hebt, zijn alle bewijzen tegen u: en gij bezit hier geen vriend, geen raadsman, die u den minsten
+bijstand zou willen verleenen of eenigszins voor u in de bres springen. De Baron beschuldigt u van een aanslag op zijn leven
+te hebben gesmeed: de Ambtman heeft zich koel en afkeerig tegen u betoond: uw Brabantsche betrekkingen werken in uw nadeel:
+de stokbewaarder, die getuige was van onze wederzijdsche blijdschap, zal niet nalaten te vertellen, dat gij in mij weder een
+Arminiaanschen medeplichtige hebt gevonden: in &#8217;t kort, alles loopt tegen u samen. Geloof mij, en vertrouw niet te veel op
+uw onschuld. Men spot hier te lande niet met de beschuldigingen wegens hoogverraad. Zij, die zich niet ontzagen het eerwaardig
+hoofd van onzen grootsten staatsman te doen vallen, zullen er waarlijk geen gewetenszaak van maken, iemand te veroordeelen,
+die, als gij, noch bewezen diensten, noch groote betrekkingen, noch hooge jaren voor zich kan doen pleiten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij dunkt, hier is een groot verschil,&#8221; zeide Joan: &#8220;de Advocaat had het land verraden, en ik....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo zegt gij, Contra-Remonstranten!&#8221; zeide Hendrik: &#8220;wij oordeelen er anders over; doch dat daargelaten. Nog eens, verzuim
+de gelegenheid ter ontkoming niet, indien zij u eenmaal wordt aangeboden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij zullen zien;.... doch zeg mij, zal ik uw schoone niet zien?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij zal mij niet bezoeken,&#8221; antwoordde Hendrik, &#8220;ten einde geen vermoedens op te wekken, voordat het uur mijner redding daar
+is.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hier werd het gesprek der beide vrienden gestoord door het binnenkomen van een der suppoosten, die het middageten bracht,
+uit een schotel brij en een brood bestaande. Dadelijk na zijn vertrek, sprak Hendrik een kort gebed uit en zette zich aan
+&#8217;t eten, niet een gretigheid, die Joan, wiens eetlust door de omstandigheden merkelijk verminderd was, met verbazing sloeg.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, indien gij eenige dagen hier doorgebracht hadt,&#8221; zeide Hendrik, &#8220;zou het u niet verwonderen, dat men ook op de Gevangenpoort
+tegen den middag honger kan hebben; maar ik heb nog een andere reden, waarom ik dien schotel ledig wilde hebben. Ik verlang
+nog meer dien van onderen, dan van boven te zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En waarom dat?&#8221; vroeg Joan, verwonderd over deze verkiezing.
+
+</p>
+<p>&#8220;Raadt gij het niet? Die tinnen schotel is de zwijgende bode, waarvan <a id="d0e9105"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9105">302</a>]</span>mijn Truitje en ik ons bedienen, om ons mede te deelen wat van belang voor ons kan zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Heerlijk bedacht,&#8221; zeide Joan, opspringende: &#8220;dan zal ik u helpen om het adres van den brief open te maken.&#8221; Dit zeggende,
+begon hij mede te eten, en binnen weinige oogenblikken was de schotel ledig. Toen draaide Hendrik hem haastig om, en ontcijferde,
+na een wijl zoekens, de letters S. <sup>12</sup> M., welke met de punt van een mes daarop gegriffeld waren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een zeer duidelijke missive,&#8221; zeide Joan: &#8220;de drommel haal mij, zoo ik er iets van begrijp. Het heeft veel van het merk van
+een hemd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik begrijp die des te beter,&#8221; hernam zijn vriend: S. is Sondag, dat is morgen: M. beteekent Maandag, en 12 is middernacht:
+zijnde het uur tusschen die beide dagen, waarop ik mij tot de vlucht zal moeten gereedhouden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarlijk!&#8221; zeide Joan: &#8220;indien de middelen ter ontkoming even schrander zijn uitgedacht als de wijze van briefwisseling te
+houden, dan durf ik u een goeden uitslag voorspellen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Het geschrevene werd wederom zoogoed mogelijk uitgewreven, opdat de bediende des cipiers het niet lezen zoude; en weldra keerde
+deze terug, om den ledigen schotel te halen, en tevens om een bezoeker bij de gevangenen in te leiden, welken zij met de grootste
+blijdschap voor den Predikant Raesfelt herkenden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hier, mijn vader!&#8221; riep Hendrik: &#8220;o nu is alle hoop nog niet voor mij verloren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik herleef, nu ik u wederzie,&#8221; zeide Joan: &#8220;gij althans kunt getuigen, dat mijn vertrek van Sonheuvel mij door mijn plicht
+werd voorgeschreven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dacht niet,&#8221; zeide de Predikant, terwijl hij de vochtige oogen ten hemel hief, &#8220;dat, toen ik mij bewegen liet om den Heer
+Baron naar deze plaats te vergezellen, alwaar ik tevens de hoop koesterde van een drukker te vinden voor mijn werk over Psalm
+CXLVII, mij hier zulk een treurige plicht verbeidde als het vertroosting bieden aan twee deerniswaardige gevangenen, waarvan
+de een mijn vleeschelijke, en de ander, zijnde mijn leerling, mijn geestelijke zoon is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Onze gevangenneming was u dus bekend?&#8221; vroeg Joan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die van mijn zoon vernam ik dezen morgen van mijn godvreezenden ambtgenoot D<sup>m</sup>. Lamotium, en de uwe, Joan! van den Heer Baron, aan wien zekere Jonker Van Bleiswyk, die als een Petrus tegen u opstond,
+haar verhaald moet hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij heeft mij een weldaad bewezen,&#8221; zeide Joan, hem de hand drukkende, &#8220;door mij het bezoek te verschaffen van een raadsman
+als u. Doch Hendrik heeft oudere en nadere rechten, en ik wil, u niet alleen laten, want ik zie geen kans om mij te verwijderen,
+maar althans uw onderhoud niet storen.&#8221;&#8212;Dit zeggende, ging hij in een hoek van het vertrek zitten, zonder zich in het gesprek
+tusschen vader en zoon te mengen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoover,&#8221; zeide Raesfelt tegen Hendrik, &#8220;heeft uw kettersche afval u dan gebracht?&#8221;
+<a id="d0e9137"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9137">303</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Strekt mij mijn gevangenis tot schande, lieve vader?&#8221; vroeg deze: &#8220;heeft niet Dani&euml;l, hebben niet de Apostelen op gelijke
+wijze in den kerker gezeten en om Christi wille smaadheid geleden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vergelijkt gij, gij afvallige! u bij die heilige mannen Gods?&#8212;Ach! ik vleide mij nog, dat aan u, die als een Manasse den
+Ba&auml;l gediend hebt, de kerker, evenals aan hem, tot bekeering en boetedoening zou aanleiding geven; dan ik zie te wel, hoezeer
+ik mij bedrogen heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Lieve vader!&#8221; zeide Hendrik, met aandoening, terwijl hij den slinkerarm om zijns vaders hals sloeg en met de rechterhand
+zijn beide handen drukte: &#8220;lieve vader, laat ons een onderwerp vermijden, dat niets dan bitterheid in stede van liefde, en
+verwijdering voor toenadering geven kan. De oogenblikken zijn kostbaar. God weet, of ik u immer wederzie: overmorgen wellicht
+vertrek ik voor mijn leven naar Loevestein. O! dat wij ons dan de oogenblikken ten nutte maken: misschien is het de laatste
+reize, dat ik u om uw zegen smeeken mag.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn zegen hebt gij, mijn zoon!&#8221; zeide Raesfelt, opstaande en de beide handen boven het hoofd zijns zoons uitstrekkende:
+&#8220;ach! mocht hij de kracht bezitten, om u af te leiden van het verderfelijke doolpad, dat gij gekozen hebt. Dan God alleen
+kent de harten: niemand kan tot Hem komen, dan die door den Geest tot Hem geleid wordt. Hij zal aan duizend geslachten lankmoedigheid
+betoonen: dit was Zijn belofte aan Zijn bondsvolk: en ook in u, mijn zoon! moge die om mijnentwille bewaarheid worden!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;God loone u, mijn vader!&#8221; zeide Hendrik, zijn handen met kussen bedekkende: &#8220;de God des vredes en der genade bevestige deze
+uwe woorden. Hij moge mij, indien ik feile, genadiglijk vergeven, gelijk gij mij vergeeft; want zoo ik dwale, is het uit onwetendheid
+en niet uit boozen wil.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen de aandoening, die hen wederzijds beklemde, eenigszins bedaard was, vonden beiden kracht genoeg, om met meer bedaardheid
+elkanders weetlust te voldoen omtrent de lotgevallen, die hun sedert hun scheiding waren overkomen, in welk gesprek Joan zich
+spoedig mengen kon.
+
+</p>
+<p>Nadat deze ook van zijn lotgevallen aan den Predikant een kort bericht gegeven had, verzocht hij van hem te mogen weten, of
+het waar was, dat, gelijk Bleiswyk verhaald had, Ulrica eerlang verloofd zou worden. Raesfelt bevestigde zulks.
+
+</p>
+<p>&#8220;En is de Baron altijd evenzeer op mij vertoornd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ongetwijfeld!&#8221; antwoordde de Predikant: &#8220;niet zoozeer omdat gij den Jezu&iuml;et hebt laten ontvluchten, als om dat ongelukkige
+briefje, dat gij geschreven hebt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb geen Jezu&iuml;et laten ontvluchten en ook geen briefje geschreven,&#8221; zeide Joan: &#8220;aan wien was dat briefje gericht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarschijnlijk aan uw boozen medemakker,&#8221; zeide Raesfelt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het was nagemaakt! Ik herinner mij niet, iets geschreven te hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het was duidelijk uw hand: ik heb die te lang gezien om ze niet dadelijk te herkennen. Wat het briefje betreft, ik heb er,
+meen <a id="d0e9164"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9164">304</a>]</span>ik, een kopie van gehouden.&#8221;&#8212;Dit zeggende, haalde hij zijn brieventasch voor den dag, zette zijn bril op en vond, na lang
+zoeken, een afschrift van het fragment, &#8217;t welk in Joans kamer op het huis te Sonheuvel ontdekt was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is dat alles?&#8221; vroeg Joan, toen hij het gelezen had: &#8220;welk een geluk, dat ik u kan overtuigen dat dit briefje, in zijn geheel
+gelezen, niets misdadigs bevat.&#8221;&#8212;Dit zeggende, opende hij zijn zakboekje en nam er een paar blaadjes uit, welke hij den Predikant
+overhandigde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Men passe deze stukken bij het fragment,&#8221; zeide hij, &#8220;en het zal dadelijk blijken, of de inhoud van mijn briefje misdadig
+was.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Predikant beloofde, dat hij den volgenden dag reeds zich bij den Baron zou aanmelden, om de vereischte ophelderingen te
+geven omtrent een punt, dat hem zoo diep getroffen had. Kort daarop kwam de stokbewaarder en gaf hem te kennen, dat zijn bezoek
+volgens de voorschriften van het gevangenhuis niet langer duren mocht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vaartwel dan, mijn kinderen!&#8221; zeide de vrome man, de beide jongelingen omhelzende.
+
+</p>
+<p>&#8220;God schenke u kracht in uw beproevingen: op morgen ziet gij mij niet weder! want er staat mij een gewichtig werk te doen,
+waar ik u eerst na den uitslag kennis van zal mogen geven. Ik hoop, dat ik den dag des Heeren niet ontwijden zal, door er
+eenige uren aan te besteden: want daar staat geschreven, dat men w&egrave;l moet doen ook op den Sabbat.&#8221; Met deze woorden liet hij
+de beide vrienden, na een herhaald en aandoenlijk afscheid, alleen; terwijl hij zich naar den Predikant Lamotius begaf, bij
+wien hij gedurende zijn verblijf te &#8217;s-Hage huisvesting genoot.
+
+</p>
+<p>Na zijn vertrek viel er niets vermeldingswaardig meer in de gevangenis voor: Joan en Hendrik bleven laat zitten praten en
+gingen eindelijk welgemoed ter ruste. Wij zullen hen voor een wijl in hun kerker laten, om onzen ouden vriend, den Baron Van
+Sonheuvel, te bezoeken, die met zijn dochter en gevolg zijn intrek bij de Gravin van Nassau had genomen.
+
+</p>
+<p>De dag, die op Joans gevangenneming volgde, was, gelijk Raesfelt had aangemerkt, een Zondag. Na den afloop der kerktijden,
+zat de Baron, daar het weder regenachtig was en hem het wandelen door de stad niet behaagde, in de door hem betrokkene kamer
+met zijn getrouwen Bouke te praten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ziezoo!&#8221; zeide deze: &#8220;aan alle dingen komt een eind. Morgen zal dan de verlovingsdag zijn. De booien hier wenschen al, dat
+het twaalf uren in den nacht ware.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En dat waarom?&#8221; vroeg hem de Baron.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel! dan was de Sabbat om, en zij zouden kunnen beginnen om het huis onderstboven te keeren en overal bloemkransen, eerepoorten,
+festoenen en loovertakken te plaatsen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wou ook dat ik het al zag,&#8221; zeide Reede: &#8220;Ik weet niet wat er aan hapert, maar ik ben niet op mijn gemak. Die satansche
+brief maalt mij door &#8217;t hoofd. Toen ik hem kreeg, vond ik hem zeer duidelijk, en nu begrijp ik er geen stom woord van.&#8221;
+<a id="d0e9188"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9188">305</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Welke brief is het, die UEd. kwelt?&#8217;&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Weet je dat niet?&#8212;Ja, &#8217;t is waar, ik heb je niet verteld, dat ik door middel van den Ambtman, die hem bezorgd heeft, een
+epistel aan wijlen mijn vrouws vader, mijn oom, den Priester geschreven heb om zijn toestemming tot Ulrica&#8217;s huwelijk.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu! daar is antwoord op gekomen, nu ruim veertien dagen geleden: ik heb den brief bij mij: luister eens hoe het klinkt:
+
+
+</p>
+<div class="blockquote">
+<div class="body">
+<div class="div1">
+<p>&#8221;&#8220;Mijn waarde neef!
+
+
+
+</p>
+<p>Indien ik, door mijn goed- of afkeuring te schenken aan het huwelijk uwer dochter geacht moest worden een mij van nature toekomend
+recht te vervullen, zoo zou ik weigeren mijn stem ten deze uit te brengen; want de banden des vleesches, welke mij aan u en
+de uwen hechtten, zijn verbroken en te niet gegaan, sedert ik den geestelijken staat omhelsd heb. Doch vermits het, gelijk
+ik het uit uw missive verneme, de uiterste begeerte van Ulrica&#8217;s stervende moeder geweest is, dat zij niet dan met mijn toestemming
+huwen zoude, en ik derhalve niet als bloedverwant, maar krachtens beschikking der overledene mij voor of tegen haar echt verklare,
+zoo meen ik mij daartoe gerechtigd te kunnen houden.&#8212;Ik, Ambrosius, Groot-Vicaris van den Heiligen Stoel in de Nederlanden,
+verklare bij deze, dat, indien Jonkheer Jacobus Mom, Ambtman in Maas en Waal, zich geschikt acht om Jonkvrouwe Ulrica Van
+Reede tot Sonheuvel gelukkig te maken, en indien gezegde Jonkvrouwe Ulrica met haar vrijen wil gezegden Jonkheer J. Mom tot
+man wil aannemen, ik mij geenszins tegen hun huwelijk verzet; maar daaraan mijn volle toestemming verleene, mits de verloving
+niet vroeger plaats hebbe dan op Maandag den 28<sup>sten</sup> Juni des jaars 1621.
+
+
+
+</p>
+<p><span class="letterspaced">Ambrosius</span>,
+<br>Gr.-Vicaris.&#8221;&#8221;
+
+</p>
+</div>
+</div>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu! wat zegt ge van dat duidelijke stuk?&#8221; vroeg de Baron, na het ten einde gelezen te hebben.
+
+</p>
+<p>&#8220;Had UEd. mij dat eerder laten lezen,&#8221; antwoordde Bouke, het hoofd schuddende, &#8220;ik zou er nogal reden in gevonden hebben,
+om dat huwelijk vooreerst niet te laten doorgaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel ja! want UEd. kan toch niet ontkennen, dat de Ambtman, al is hij nog zoo een best braaf man, toch niet best geschikt
+is om een vrouw gelukkig te maken: en ten tweede (behalve dat het Paapsch is om van een vrijen wil te praten) zoo geloof ik,
+dat, als dat malle stuk schrift van Joan niet gevonden ware, freule Ulrica liever op haar bloote voeten van hier naar Sonheuvel
+ware geloopen, dan haar hand te geven aan al de ambtlieden van de wereld.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zwijg Bouke! en spreek van dien schavuit niet meer, die nog al <a id="d0e9225"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9225">306</a>]</span>zoo onbeschaamd is, zich op licht-klaren dag hier in Den Haag voor onze oogen te vertoonen, op een plaats, die zoo vol menschen
+is als deze.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neem het mij niet kwalijk, Heer Baron! Ik kan het maar niet verduwen, dat UEd. dien armen jongen zoo hard behandelt! wat
+weergaas, dat hij zich hier vertoont is een bewijs, dat hij het licht niet schroomt. Als hij zoo groote schuld had, kwam hij
+niet waar menschen zijn. Steek uw vinger in de aard, zie in wat land ge zijt: &#8217;t beste brood leit men op &#8217;t venster en er
+vliegen geen uilen bij valken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zot! zou hij niet op Sonheuvel zijn gebleven, indien hij geen kwade <span id="d0e9231" class="corr" title="Bron: conscientie">consci&euml;ntie</span> had bezeten? Zou hij dien vervloekten Jezu&iuml;et wel verlost hebben, indien zij geen maatjes waren geweest?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Praatjes! dat hij hem verlost heeft is nog zoo zeker niet. UEd. weet, dat Teun Wezer dien nacht ook op het slot is geweest
+en sinds nooit weer voor den dag is gekomen: de ekster kan haar hippelen niet laten! lam! lam! is des wolfs vesperklok: eens
+een strooper, altijd een strooper, en al is hij mijn neef, zoo houd ik hem toch voor een groote schoelje&#8212;en wat betreft, dat
+Joan weggereisd is, zonder boe en ba te zeggen,&#8212;Dominee zegt immers zelf, dat hij niets anders doen kon, omdat hij u voor
+den moordenaar zijns vaders hield.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ei wat! Dominee weet op dat stuk niet wat hij zegt: de schuld van den jongen is zonneklaar: hij zit immers nu alweer achter
+de tralies: ik denk hem er niet vandaan te halen.... en dan zoo een lafbek! heeft hij wel eens op de plaats, waar hem de Heer
+Van Botbergen wachtte, durven verschijnen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was wel deugdelijk zijn voornemen, toen hij naar het Lischboschje ging.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat maakte hij jou en de ganzen wijs; maar hij loog door zijn ziel: want Botbergen had hem op een andere plaats bescheiden,
+waar hij den ganschen dag vruchteloos op hem gewacht heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een knapuiltje van Botbergen, daar UEd. geen geloof aan slaan moet. Heeft die pochhans zich gisteren wel eens bij den Hofbeer
+durven vertoonen, omdat hij bang was, dat de Koning van Bohemen. hem zien zou, ofschoon de heele Koning van Bohemen met een
+blaas met boonen is weg te krijgen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat leuter je toch? Is de gansche wereld niet overtuigd, dat Joan een schelm en een lafbek is?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De gansche wereld is niet overtuigd; want <span class="letterspaced">ik</span> geloof het niet, en Dominee en de Freule ook niet: dat heb ik gisteren gemerkt, toen zij van het Hof terugkwam.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo! waar heb je dat aan gezien?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tut! tut! Heer Baron! men ziet aan &#8217;t been wel, waar de hoos gescheurd is; had ze geen rood bekreten oogen en bleeke wangen
+toen zij van Joan sprak? en heeft de Ambtman wel een zoet woordje van haar gekregen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom! kom! gekheid!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wil wedden, Heer Baron! dat als ik naar hem toeging en <a id="d0e9259"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9259">307</a>]</span>zeide: Jonker! de oude Heer heeft berouw over zijn drift en....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik er berouw over hebben?&#8212;Ge raast, Bouke!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wil u gaarne eens weder zien: en, zoo hij uw vader heeft doodgeslagen, dat was in een wettigen strijd.&#8212;En als hij dan
+hier kwam....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zal hier wel vandaan blijven,&#8221; zeide de Baron: &#8220;zit hij niet in een kast daar hij niet zoo licht uit kan raken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En als hij dan hier kwam,&#8221; vervolgde Bouke, zonder zich aan zijns meesters gezegden te storen, &#8220;en voor UEd. stond met de
+tranen in de oogen en dat vriendelijk, innemend gelaat, dat hij altoos gehad heeft, en tot UEd. zeide....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zou den bek wel houden!&#8212;Is de kerel dol?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En tot UEd. zeide: Mijnheer Van Sonheuvel! ik heb UEd. altijd ge&euml;erd en liefgehad en ben uw achting nooit onwaardig geweest:
+en die anders spreken zijn schelmen: en als hij zich dan voor UEd. nederwierp en....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het zal nimmer zoover komen,&#8221; zeide Reede, zich met zijn stoel omdraaiende.
+
+</p>
+<p>&#8220;En UEd. de hand kuste en die met heete tranen bevochtigde.... wat zou UEd. dan doen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zou ik.... dan zou ik.... maar dat zal nimmer gebeuren?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zou UEd. de armen om zijn hals slaan, Heer Baron! en tegen hem zeggen: knaap, laten wij alles vergeten en vergeven, en
+weder als voorheen leven gelijk vader en zoon.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Baron rees op zonder een woord te spreken en liep eenige reizen het vertrek op en neder, terwijl zijn gelaat duidelijk
+blijken droeg van een gemoedsstrijd, die in zijn binnenste kampte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar die satansche brief!&#8221; zeide hij eindelijk, stilstaande.
+
+</p>
+<p>&#8220;Aha!&#8221; zeide Bouke: &#8220;die brief! ja dien heeft hij geschreven, dat kan niemand loochenen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu?&#8212;En levert die geen genoegzaam bewijs op?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Als hij in zijn geheel werd gelezen dan misschien!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja! wie kan hem in zijn geheel doen lezen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat kan ik,&#8221; zeide Bouke met een zegevierenden blik, en haalde twee stukjes papier voor den dag.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zijn dat?&#8221; vroeg de Baron, een daarvan haastig opnemende: &#8220;is dat niet Joans hand en hoe kom je daaraan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal ik UEd. zeggen; straks, toen UEd. aan &#8217;t kuieren was, is Dominee hier geweest. Die heeft Joan in zijn gevangenis
+bezocht en zijn zoon ook, die er voor Arminianerij zit.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijn zoon? Die arme Hendrik! ik beklaag hem.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ook; maar dat doet niets ter zake: toen Dominee het hoorde, dat UEd. er niet was, zei hij, dat het hem bijzonder leed
+deed, omdat hij niet wachten kon; want hij had nog druk werk: en toen vroeg hij mij, om u deze stukjes te geven, die naar
+zijn zeggen, bij den gevonden brief behooren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan kunnen wij terstond den ganschen inhoud weten,&#8221; zeide de Baron, en haalde het fragment voor den dag, hetwelk in Joans
+kamer op Sonheuvel gevonden was. De stukken, welke Dominee had <a id="d0e9305"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9305">308</a>]</span>medegebracht, werden aan weerskanten gelegd en leverden te zamen een geheel op, van den volgenden inhoud:
+
+
+</p>
+<div class="blockquote">
+<p>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&#8220;Het bewijs uwer&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;nooit volprezen goedheid, dat
+<br>ge mij heden&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;deedt toekomen,&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;heeft mij ten minste
+<br>van een smart&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;verlost, door mij&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;de zekerheid te
+<br>geven, dat uw e&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;dele boezem aan&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;de zoo ongerijmde
+<br>als onverdien&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;de beschuldiging&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;en, welke tegen mij
+<br>worden ingebracht,&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;alle geloof blijft wei&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;geren. Neen,
+<br>mijn Ulrica! hij, die&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;den naam van uw vriend&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;verdienen
+<br>mocht, hij is nog&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;ten volle uwer waardig.&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;Misschien
+<br>zal het mij in het&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;eerst bezwaarlijk vallen&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;aan den
+<br>waarden Heer Baron&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;de vermoedens te ont&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;nemen; doch
+<br>houd u des verz&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;ekerd, de tijd zal mij&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;rechtvaardigen,
+<br>en den sluier&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;doen vallen, die&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;mijn handelingen
+<br>nog bedekken&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;moet, en aan de&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;geheele wereld
+<br>toonen, dat de Heer&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;Van Sonheuvel&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;in mij geenszins
+<br>zijn vijand, veelmin&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;zijn moordenaar&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;heeft grootgebracht.
+
+
+</p>
+<p>geheel de uwe
+<br>J.&#8221;
+
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat drommel!&#8221; riep Reede, na gelezen te hebben, &#8220;dat briefje luidt aan Ulrica. Wat hebben wij daarmede noodig?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is dat de toon van een schelm?&#8221; vroeg Bouke.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet niet,&#8221; zeide de Baron: &#8220;doch wat doet hij aan Ulrica te schrijven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel kijk! heeft hij niet honderdmalen aan de Freule geschreven? Is dat zijn eenigste kwaad? Heer Baron! wie een hond wil
+slaan, vindt licht een stok: maar ik begin waarachtig te gelooven, dat UEd. lust hebt, een stok te vinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zwijg Bouke!.... weet je wat,&#8212;morgen komt Zijne Hoogheid hier; dan zal ik, dat beloof ik u, over Joan spreken: en heeft hij
+geen schuld, dan zal hem alles dubbel en dwars vergoed worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Terwijl hij sprak, trad een der dienaars der gravin binnen, en zeide hem dat de Heer Fiskaal Van Kinschot bij Mevrouw Douairi&egrave;re
+was en op ZEd<span id="d0e9355" class="corr" title="Niet in bron">.</span> wachtte.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Fiskaal!&#8221; zeide Reede, terwijl hij den bediende volgde: &#8220;wat moet die?.... aha! nu begrijp ik het.... hij zal mij over
+Joan komen ondervragen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op deze wijze bij zichzelf mompelende, trad hij in het zijvertrek, waarin de Douairi&egrave;re met den Fiskaal nederzaten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijnheer Van Sonheuvel!&#8221; riep deze: &#8220;ik ben zoo vrij geweest, mij bij Mevrouw de Gravin te laten aanmelden, om haar zoowel
+als UEd. te vragen, of UEd. ook kennis dragen aan eenige voorwerpen, gevonden bij zekeren jongeling, onder den naam van Joan
+door UEd., Heer Baron, op den huize Sonheuvel grootgebracht.&#8221;&#8212;Dit zeggende leide hij een pak op de tafel en opende het.
+<a id="d0e9364"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9364">309</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Dezen ketting,&#8221; vervolgde hij, &#8220;beweert gemelde jongeling van Mevrouw de Gravin te hebben ontvangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik herken die,&#8221; zeide de Gravin: &#8220;zij was het loon voor den gewichtigen dienst, dien hij mij, nog een knaap zijnde, bewezen
+heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En deze kinderkleeren,&#8221;.... vervolgde Van Kinschot.
+
+</p>
+<p>&#8220;O! die herken ik,&#8221; zeide Reede: &#8220;het is het pakje, dat hij aanhad, toen ik hem vond. Hij neemt het altoos met zich, even
+alsof hem dat wat helpen zou.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik herken het fatsoen,&#8221; zeide de Gravin, terwijl een traan in haar oogen blonk. &#8220;Juist zulke kleedertjes droegen de kinderen
+in dien tijd. Mijn kleine Ulrich had een soortgelijk jurkje.... Is het mij vergund?&#8221; Dit zeggende, nam zij het pakje op, ontrolde
+het, bekeek het eerst met belangstelling, vervolgens met aandacht en eindelijk met een scherpe nauwkeurigheid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Indien Mevrouw het pakje nog wat houden wil,&#8221; zeide de Fiskaal, &#8220;zoo heb ik er niets tegen. De Justitie stelt er geen verder
+belang in, het kan dus aan den eigenaar worden teruggegeven. UEd. zal mij verschoonen, indien ik thans van hier moet vertrekken.
+Ik heb hedenavond nog zaken te verrichten, welke geen uitstel kunnen lijden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn God! wat is dat? wat scheelt Mevrouw?&#8221; riep de Baron eensklaps verschrikt uit.
+
+</p>
+<p>De Gravin had het jurkje uit haar handen laten vallen: een doodelijke bleekheid had zich over haar gelaat verspreid en zij
+was bewusteloos in haar stoel gezegen.
+
+</p>
+<p>Op het gefluit en geroep van den Baron schoten de ontstelde huisgenooten toe: het duurde niet lang, of de Gravin kwam weder
+bij haar zelve.
+
+</p>
+<p>&#8220;Om Gods wil!&#8221; waren haar eerste woorden: &#8220;waar is die knaap? hoe komt hij aan dat jurkje?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die knaap zit in de gevangenis, Mevrouw,&#8221; zeide de Baron.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan wil ik terstond naar die gevangenis toe. Laat Feurich dadelijk inspannen, en....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mevrouw! men laat niemand bij de gevangenen,&#8221; hernam Reede: &#8220;zonder verlof van den Fiskaal, en die is zoo aanstonds vertrokken,
+mij verzoekende, UEd. zijn verontschuldiging....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Om &#8217;t even! dan wil ik naar den Fiskaal. Dien gevangene wil en moet ik spreken. O mijn God! zou het mogelijk zijn?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik bid UEd. bedaar!&#8221; hernam de Baron: &#8220;ik wil gaarne zelf naar den Fiskaal gaan en verlof vragen. Ulrica zal UEd. intusschen
+gezelschap houden. Waar is Ulrica?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Freule is zooeven naar bed gegaan, met zware hoofdpijn,&#8221; zeide de kamenier der Gravin: &#8220;Leentje is bij haar.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, men heeft altijd hoofdpijn den dag voor de verloving,&#8221; merkte de Baron aan: &#8220;dat weet ik vanouds. Maar ik bid u, Mevrouw
+de Gravin! zeg ons toch, vanwaar UEd. opeens zoo aangedaan zijt geworden. Zijn het die kleedertjes, wier gezicht alleen u
+zoo getroffen heeft?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat jurkje heb ik geborduurd, en niemand anders,&#8221; zeide de Gravin, terwijl zij het opnam en met strakke oogen beschouwde.
+<a id="d0e9401"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9401">310</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Die gele stof, die roode en groene bloemen.... ik zie den kramer nog, van wien ik de wol kocht.... O mijn hoofd! mijn hoofd!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar Mevrouw! om &#8217;s hemels wil,&#8221; zeide de Baron: &#8220;hoe kan UEd. zoo spreken? dat Jurkje droeg Joan: hoe kan UEd. het dan gemaakt
+hebben?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Joan.... Joan!....&#8221; herhaalde zij op een verwilderden toon: &#8220;wie is Joan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Joan, mijn pleegzoon,&#8221; antwoordde Reede; &#8220;of zoo UEd. liever wil, de zoon van den gesneuvelden Velasco.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Velasco!.... Een zoon van Velasco zou een kleedje gedragen hebben, door mijn handen vervaardigd?.... Een kleedje, voor mijn
+zoontje, mijn lieveling, mijn Ulrich geborduurd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom niet, Mevrouw? evengoed als hij den jachthond van den Graaf van Falckestein zich toe&euml;igende, kon hij zijn kind met
+den roof van het uwe optooien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is waar!&#8221; zeide de Gravin, strak voor zich heen ziende: &#8220;&#8217;t is waar, wat gij daar zegt: en ik was een zottin, om mij te
+vleien met een hoop, die nimmer verwezenlijkt kon worden.&#8212;Nietwaar, Beckman!&#8221; vervolgde zij tegen haar ouden rentmeester,
+die insgelijks in het vertrek was gekomen: &#8220;nietwaar, gij hebt het met eigen oogen gezien, dat een verfoeilijke booswicht
+het kind....&#8221; Hier zweeg zij, als was de volzin te vreeselijk om uitgebracht te worden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mevrouw! ich heb het, eilaas! seyen mussen, dat den teifelschen Jezu&iuml;et das kleinen kinde in &#8217;s wasser worf,&#8221; antwoordde
+Beckman.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb mij door een ijdele begoocheling van &#8217;t spoor laten voeren,&#8221; hernam de Gravin: &#8220;verschoon, Mijnheer Van Sonheuvel!
+het bespottelijke tooneel, waar gij getuige van geweest zijt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit gezegd hebbende, groette zij den Baron met een buiging vol waardigheid, en verliet het vertrek om zich naar haar slaapsalet
+te begeven.
+
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e9045" href="#d0e9045src" class="noteref">1</a></span> Deze dag moet met een witten steen geteekend worden!
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e9422" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Negen-en-twintigste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Het zal den Vorst believen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Te vorschen naer &#8217;t geheim.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Palamedes.
+</p>
+</div>
+<p>Terwijl dit alles voorviel ten huize van de Gravin van Nassau, zaten Joan en Hendrik Raesfelt, die den geheelen dag, zonder
+eenig bezoek, in groote verveling hadden doorgebracht, op den nacht te wachten, welke verlossing aan moest brengen, toen de
+knecht des cipiers hun gevangenis binnenkwam en Joan verzocht hem te volgen, vermits er iemand beneden was, die hem verlangde
+te spreken. <a id="d0e9437"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9437">311</a>]</span>Deze boodschap verwonderde den beiden vrienden; want het uur, waarop de poort zich niet meer opende, was reeds voor een geruimen
+tijd verstreken; dit belette echter niet, dat Joan zijn leidsman volgde, die hem in een spreekvertrek bracht, en hem met een
+vreemdeling alleen liet.
+
+</p>
+<p>Het begon reeds duister te worden en de laatste schemering viel slechts even in de kamer waar hij zich bevond, zoodat Joan
+in &#8217;t eerst den man niet herkende, die in een gemakkelijken leunstoel aan een tafel zat met het eene been over &#8217;t andere en
+de armen gekruist: te meer daar een hoed met breede randen en donkere veeren hem het hoofd en een groote mantel de leden bedekte.
+Eenige oogenblikken gingen voorbij, waarin de vreemdeling, zonder een woord te spreken, Joan sterk in &#8217;t aangezicht bleef
+zien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ben ik het, wien UEd. verlangt te spreken?&#8221; vroeg deze eindelijk, eenigszins geraakt: &#8220;of heeft hier een misverstand plaats?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen misverstand, volstrekt geen,&#8221; antwoordde de ander: &#8220;gij schijnt mij niet te herkennen, jonkman, wij hebben elkander
+toch vroeger gezien.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is waar,&#8221; zeide Joan &#8220;uw stem is mij niet onbekend: doch het is hier zoo verbaasd duister, dat....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kapitein Holtvast, van de Garde, om u te dienen: wij hebben elkander voor vier weken te Tiel ontmoet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist, nu herinner ik mij volkomen.... doch hoe wist UEd. dat ik mij in Den Haag en wel in dezen kerker bevond?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Even alsof ik u gisteren niet op &#8217;t Binnenhof gezien had?.... Gij hebt uw oogen op mij niet willen wenden; het scheen dat
+er een ander voorwerp was, hetwelk beter uw beschouwing verdiende.... nu! dat is billijk,&#8212;doch ik zag en herkende u terstond:
+en om te weten, dat gij hier geplakt werdt, dat was spoedig ruchtbaar.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En UEd. komt mij bezoeken!&#8212;Dat is recht hupsch van u.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nietwaar? Ja, ik kom meer doen;.... doch kom wat naderbij en zet u!.... ik kom meer doen; ik kom u de middelen bieden om
+u uit dezen kerker te redden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarlijk!&#8221; zeide Joan, den kapitein haastig bij de hand nemende: &#8220;geloof, dat mijn dankbaarheid....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dankbaarheid!&#8221; herhaalde de kapitein: &#8220;ja, reken op dankbaarheid: dankbaarheid is klokspijs voor gekken: ik heb nooit meer
+betalingen ontvangen dan in betuigingen van dankbaarheid:.... dankbaarheid is de schil van den citroen, welke men u toewerpt,
+nadat men het sap heeft genoten. Dankbaarheid! ja voor den duivel! ha! ha! ha!&#8221;&#8212;Hier begon Holtvast op een gemaakte wijze
+te lachen en scheen toen opeens in mijmeringen verdiept.
+
+</p>
+<p>&#8220;Men schijnt uw goed vertrouwen misbruikt te hebben,&#8221; zeide Joan, met een eenigzins beschroomde stem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat zegt gij, knaap?&#8221; vroeg Holtvast met een bulderende stem, terwijl hij opstond en zijn mantel over zijn schouder sloeg:
+&#8220;wie zou dat hebben durven doen? of liever: aan wien zou ik mijn vertrouwen geschonken hebben?&#8221;
+<a id="d0e9465"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9465">312</a>]</span></p>
+<p>Joan zweeg, en zag den kapitein verwonderd aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Doch dit alles komt hier niet te pas,&#8221; zeide deze, wederom gaande zitten: &#8220;ik heb u heel wat anders te zeggen: hoor knaap!&#8221;
+vervolgde hij, terwijl hij zijn kin met beide handen ondersteunde &#8220;weet gij wel, dat het schavot voor u opgericht wordt?&#8221;
+
+</p>
+<p>Ik geloof, dat er niemand op aarde bestaat, die bij een dergelijke mededeeling zijn gewone kalmte van ziel bewaren zou. Ook
+onze held voelde een kille huivering door al zijn leden gaan, en zag den brenger dier slechte tijding met strakke oogen aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Morgen uw laatste verhoor, man!&#8212;en dan uw vonnis: de galg kunt gij niet ontgaan,&#8221; vervolgde Holtvast met de meeste bedaardheid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou UEd. waarlijk denken, dat men zoo spoedig.... en zoo onbarmhartig te werk zou gaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Spoedig!&#8212;Ja! misschien nog te langzaam,&#8221; zeide Holtvast, weder in zich zelven sprekende: &#8220;Onbarmhartig!&#8212;maar wat is grooter
+barmhartigheid, schelmen te hangen, of schelmen te laten loopen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Indien deze laatste woorden mij gelden,&#8221; riep Joan uit, &#8220;dan zouden zij u duur te staan kunnen komen.&#8221; Bij het uiten dezer
+woorden sloeg hij de hand met drift op de plaats, waar hij het gevest van zijn degen verwachtte. &#8220;Ach!&#8221; zeide hij: &#8220;&#8217;t is
+waar: er is geen degen meer; doch des te laffer is het van u gehandeld, een ongewapende te beleedigen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Er bestaat hoegenaamd geen oogmerk tot beleediging,&#8221; zeide Holtvast met koelheid: &#8220;ik sprak met mij zelven.... ik bevind
+mij dikwijls in de gelegenheid van alleen mij zelven te kunnen raadplegen;.... doch het is zooals ik zeide: morgen of uiterlijk
+overmorgen wordt gij gehangen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Onmogelijk! ik heb niets misdreven, en zonder schuld....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat doet niets ter zake, vriend!&#8221; zeide Holtvast: &#8220;ha! ha! als men alleen den schuldige hing;.... doch mijn vraag is niet,
+of gij schuldig of onschuldig zijt, ik wilde u helpen, lieve vriend, anders niet<span id="d0e9486" class="corr" title="Bron: ,">.</span>&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zult mij toch niet willen helpen, zoo gij mij schuldig acht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoor!&#8221; zeide Holtvast, lachende, en hem tot zich trekkende: &#8220;het is juist, omdat ik u schuldig acht aan hetgeen u ten laste
+gelegd wordt, dat ik u redden wil. Ik weet zeer wel, dat gij de agent zijt, door wien Graaf Frederik Hendrik en Grobbendonck
+samenspannen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel mogelijk,&#8221; antwoordde Joan, met koelheid: &#8220;doch buiten mijn weten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat!&#8221; riep de kapitein, opvliegende: &#8220;wel mogelijk? houdt gij het voor mogelijk, dat Graaf Frederik Hendrik....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarom niet?&#8221; vroeg Joan: &#8220;de rechters, die mij ondervroegen, schenen het wel voor mogelijk te houden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Om &#8217;t even,&#8221; zeide de kapitein, die weder zijn bedaardheid hernomen had: &#8220;doch het kan u niet onbewust zijn,&#8221; vervolgde hij,
+fluisterende, &#8220;dat er een plan bestaat om Frederik Hendrik hier aan &#8217;t hoofd der zaken te stellen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is voor &#8217;t eerst dat ik er van hoor,&#8221; antwoordde Joan.
+<a id="d0e9503"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9503">313</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Gij behoeft met mij niet te veinzen,&#8221; hernam de kapitein: &#8220;ik weet alles: ik weet, dat gij van Grobbendonck gezonden zijt
+om met den Graaf te onderhandelen:&#8212;Ik vermoedde reeds, toen ik u te Tiel zag, dat gij mede tot het eedverwantschap behoordet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En waarom hieldt ge mij dan toen niet aan?&#8221; vroeg Joan, die hem wilde laten praten, in de hoop van eenige inlichtingen betreffende
+zijn zoogenaamde medeplichtigheid aan hoogverraad te erlangen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Of ik gek was?&#8212;Ik ben zelf ook in &#8217;t geheim, zeide ik u immers. Volg gij maar letterlijk mijn voorschriften, en ik help u
+hier uit, eer het jaar een dag ouder is;.... doch zeg mij vooraf: heeft Grobbendonck de laatste brieven des Graven wel ontvangen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik herhaal u, ik weet van Graaf, van Grobbendonck, noch van brieven. Ik heb een pakket vanwege de Remonstrantsche Heeren
+medegebracht, zonder te weten wat er inzat: ziedaar mijn heele misdaad.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij houdt dus den Graaf voor onschuldig?&#8221; vroeg Holtvast, met overhaasting.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik hou mijzelf voor bedrogen en vel verder geen oordeel over iemand.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij wilt dus mijn bijstand niet aannemen om deze droevige gevangenis en een wissen dood te ontgaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb nog niet gehoord, op welke voorwaarden mij uw bijstand verleend wordt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vooreerst, dat gij onbewimpeld met mij spreken zult en niet langer een onbekendheid met de zaken voorwenden, welke u niets
+baten kan; ten tweede, dat gij deel neemt in den aanslag.... welken gij kent.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo gij volhoudt, niet dan in raadselen te willen spreken, zal het beter zijn, dat wij ons gesprek eindigen,&#8221; zeide Joan,
+zich omwendende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu dan! Ik meen den aanslag.... Begrijpt gij mij nu?&#8221; vroeg Holtvast, met de hand de gebaarde makende van iemand die een
+dolksteek toebrengt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat! een aanslag om Prins Maurits te vermoorden?&#8221; vroeg Joan, verontwaardigd.
+
+</p>
+<p>&#8220;En waarom niet?&#8221; vroeg Holtvast: &#8220;men heeft zijn vader wel vermoord.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En gij, een kapitein bij de Garde! Schurk! dit zult gij boeten! Hier stokbewaarder! dienaars hier! deze wil den Prins vermoorden!&#8212;Onder
+het uiten dezer woorden was Joan den kapitein aangevlogen en had hem in de borst gegrepen; doch Holtvast slingerde hem op
+een onzachte wijze van zich en wierp hem in den armstoel. Op hetzelfde oogenblik trad de stokbewaarder binnen op het geroep,
+en eer Joan weder opgestaan was, was de kapitein verdwenen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zacht wat!&#8221; zeide de cipier; &#8220;wat wil dat gedruisch?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die schurk wilde den Prins vermoorden,&#8221; herhaalde Joan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom! zotteklap!&#8221; hernam de cipier: &#8220;ga maar weder naar uw kooi en slaap uw roes uit, opdat gij morgen verstandig moogt antwoorden,
+wanneer gij verhoord wordt.&#8221;
+<a id="d0e9538"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9538">314</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Maar ik verzeker u, dat die guit....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Volgt gij gewillig? of moet ik u laten voortslepen en de boeien aanzetten?&#8221; vroeg de cipier, altijd even koel.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ga al,&#8221; zeide Joan, oordeelende dat de stokbewaarder aan zijn aanklacht toch geen geloof zou slaan.
+
+</p>
+<p>Hendrik hoorde met verwondering naar het verhaal, hetwelk zijn vriend hem, na zijn terugkomst in de gevangenis, van het zonderlinge
+gesprek met den vreemdeling deed. De meest waarschijnlijke veronderstelling kwam den proponent voor, deze te zijn, dat die
+kapitein een spion was van den Fiskaal, die hem kwam uithooren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat dacht ik ook een oogenblik,&#8221; zeide Joan: &#8220;doch te Tiel was hij stellig een kapitein en geen spion.... Het spijt mij,
+dat ik mij zoo in &#8217;s mans gelaatstrekken en ronde taal vergist heb. Te Tiel beviel hij mij zoo uitnemend wel, niettegenstaande
+wij zwaren twist hadden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En hier, waar hij u bijstand kwam aanbieden, beviel hij u niemendal,&#8221; merkte Hendrik aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hebt gelijk,&#8221; zeide Joan: &#8220;maar met dit al zijn de tijdingen, die hij mij bracht, niet onbelangrijk: en ik begin waarlijk
+te gelooven, dat ik wijselijk zal doen, door mij, zoo er eenige mogelijkheid toe bestaat, aan het gevaar te onttrekken, dat
+mij boven &#8217;t hoofd hangt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Raesfelt, die niets liever verlangde, dan Joan tot metgezel in zijn vlucht te hebben, wendde al zijn welsprekendheid aan om
+hem in dit voornemen te versterken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar!&#8221; zeide Joan eindelijk: &#8220;alles is goed en wel: doch is het gezegd, dat uw Dulcinea, die zeer geneigd is om u te verlossen,
+evenzeer er op gesteld zal wezen, om mij aan mijn kerker te laten ontsnappen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ach!&#8221; zeide Hendrik, &#8220;zou zij weigeren, u, die zoo geheel onschuldig lijdt, te helpen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zal zij aan mijn gezicht zien, dat ik onschuldig ben?&#8221; vroeg Joan: &#8220;en daarenboven, wat gaat haar mijn schuld of onschuld
+aan?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is waar,&#8221; zeide Hendrik: &#8220;doch geen zorgen voor den tijd! laat ons alles aan Gods bestuur overlaten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Recht zoo!&#8221; hernam Joan: &#8220;en, ofschoon een Arminiaan,&#8221; voegde hij er glimlachend bij: &#8220;zult gij toch moeten toestemmen, dat
+wij ontkomen zullen, indien het in Gods raad besloten is, dat wij ontkomen moeten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb tegen dat argument niets in te brengen,&#8221; antwoordde Hendrik: &#8220;wij zullen intusschen Zijn hulp en zegen bij onze onderneming
+afsmeeken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit geschiedde en de beide vrienden wachtten nu getroost en gelaten het uur der redding af.
+
+</p>
+<p>De klok van den grooten kerktoren had reeds twaalf slagen van zich gegeven: een doodsche stilte heerschte door heel het gesticht;
+en nog hadden de beide vrienden geen gerucht gehoord, dat hun een schijn van redding aankondigde. Verscheidene minuten verliepen
+er: nog liet zich niets hooren: een kwartier: alles was stil als in het graf.
+<a id="d0e9571"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9571">315</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Er is zeker iets in den weg gekomen,&#8221; zeide Hendrik al zuchtende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Of gij hebt de hi&euml;roglyphen, die op het bord stonden, kwalijk verstaan,&#8221; fluisterde Joan hem in.
+
+</p>
+<p>Op hetzelfde oogenblik hoorden zij opeens een geluid, alsof het slot der gevangenisdeur opensprong.
+
+</p>
+<p>Noch Joan, noch Hendrik spraken een woord; maar zij drukten elkaar onwillekeurig de hand. Een lang stilzwijgen volgde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe!&#8221; zeide Hendrik eindelijk: &#8220;ik meende toch gehoord te hebben....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil!&#8221; zeide Joan, begrijpende, dat degene die buiten was, vreesde dat het omdraaien van &#8217;t slot gehoord geweest ware en
+eenigen tijd wachtte met het opendoen der deur, om niet weder opnieuw aandacht te verwekken.
+
+</p>
+<p>Eindelijk sprong nogmaals het slot om, en de deur ging open.
+
+</p>
+<p>Hendrik trad dadelijk toe, terwijl Joan achter hem bleef. De duisternis, welke zoowel in de gang als in hun kamer heerschte,
+belette hun echter te zien of gezien te worden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Doe uw schoenen uit!&#8221; zeide een zachte stem.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dit is geschied,&#8221; antwoordde Hendrik, die reeds met de zijne, gelijk Joan met zijn laarzen, in de hand stond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil!&#8221; antwoordde dezelfde stem: &#8220;hier.... reik mij uw hand. Neem deze twee pistolen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hendrik aanvaardde de beide pistolen en stak er dadelijk een aan Joan toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Volg mij nu en spreek geen woord.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit zeggende nam de jeugdige geleidster den gevangenen Hendrik bij de hand en voerde hem achter zich uit het vertrek waar
+zij zich bevonden, de gang door, naar een trap, en voor een venster, hetwelk zij opende: Joan was hen met zachte schreden
+gevolgd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Klim hier onbevreesd uit,&#8221; zeide zij tegen Hendrik: &#8220;het regent buiten: de lucht is bewolkt: niemand zal u zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hendrik had den linkervoet reeds buiten het venster gestoken, terwijl hij, den rechterarm om den hals van het lieve meisje
+slaande, haar den vaarwelkus op den rozenmond drukte. Dan in hetzelfde oogenblik vertoonde een gemoedsbezwaar, dat hem reeds
+vroeger gehinderd had, zich als een dreigend spook voor zijn geest. Hij trok het been terug.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar Truitje!&#8221; zeide hij: &#8220;indien uw vader onze.... ik wil zeggen mijn ontkoming bemerkt, zal hij dan niet verstoord op u
+zijn?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat dat aan mij over, en haast u,&#8221; fluisterde Truitje: &#8220;nu, hoe is &#8217;t? vertrekt gij of niet? moet ik hier staan wachten
+tot vader ons hoort.... dan, ja dan!....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar op wie anders zoude zijn vermoeden rusten als op u?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gek! op u zelve! Zoodra gij weg zijt, ga ik naar uw gevangenis terug en breek het slot.&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan stond op heete kolen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar mogen wij uw vader aldus bedriegen?&#8221; vroeg Raesfelt. Op dit oogenblik hoorde men gerucht in het benedenhuis.
+<a id="d0e9616"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9616">316</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Voort! voort!&#8221; zeide Truitje, &#8220;of alle hoop is voor ons verloren.&#8221;&#8212;Dit zeggende, greep zij, in de duisternis tastende, Joan
+bij de hand. Deze liet zich geen tweemalen tot de vlucht aanmoedigen. Hij stapte naar buiten, voelde een ladder onder zijn
+voeten, klom af en stond, weldra op vrijen grond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Goddank!&#8221; zeide Truitje: &#8220;hij is gered.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik geloof, dat gij gelijk hebt en dat ik hem volgen moet,&#8221; zeide Hendrik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe!&#8221; riep Truitje met een gil van verbazing. &#8220;Heb ik u het raam niet zien uitklimmen? Wie was dan die ander?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De deelgenoot mijner gevangenis, mijn vriend, een onschuldige jongeling, die....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Om &#8217;t even: hij heeft althans tienmaal meer gezond verstand dan gij; want hij weet van de gelegenheid gebruik te maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hendrik antwoordde geen syllabe; doch Truitje nog eenmaal vaarwel kussende, nam hij denzelfden weg, dien Joan gevolgd was
+en stond weldra beneden op straat.
+
+</p>
+<p>Naast de ladder wachtte hem Joan af, benevens een lange stevige knaap, met een grooten mantel om, die de ladder had vastgehouden.
+Deze laatste raapte nu een zwarten mantel van den grond, welken hij Hendrik omsloeg, en gaf, na een kort fluisteren met dezen,
+zijn eigen mantel aan Joan; vervolgens nam hij de ladder onder den arm en wenkte den vluchtelingen, dat zij hem volgen zouden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar brengt gij ons?&#8221; vroeg Hendrik hem, zoodra zij een eindweegs waren opgewandeld.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil!&#8221; gaf hij ten antwoord: &#8220;Volg mij slechts: ik breng u bij uw vrienden.&#8212;Wacht! hier zullen wij de ladder nederzetten:
+die haar vindt, mag haar aan den eigenaar terugbezorgen.&#8221;&#8212;Dit zeggende, plaatste hij de ladder tegen een afdak, en voortwandelende,
+sloeg hij met zijn volgers een steegje in, midden in hetwelk hun een manspersoon tegenkwam, die dadelijk op den leidsman aanstapte
+en hem met een nauwelijks hoorbare stem toefluisterde: &#8220;moeten die Heeren bij ons zijn?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik meen van ja, Jan <span class="letterspaced">Doodeklok</span>!&#8221;<a id="d0e9642src" href="#d0e9642" class="noteref">1</a> zeide de sjouwerman; (want hooger in rang scheen de geleider der beide vluchtelingen niet te wezen;) &#8220;Mijne Heeren!&#8221; vervolgde
+hij, zich tot dezen wendende: &#8220;Ik groet u. Deze man zal u verder brengen waar gij wezen moet.&#8221; Met deze woorden en zonder
+antwoord of dank te wachten, keerde hij zich om en haastte zich weg, Joan en Hendrik overlatende aan de zorg der zoogenaamde
+<span class="letterspaced">Doodeklok</span>, die, met een beleefde buiging, doch zonder den mond te openen, een nauw gangetje insloeg, aan welks einde een deur was,
+welke op zijn tikken geopend werd. Dan nauwelijks wilden de vluchtelingen binnengaan toen zij achter zich de vlugge voetstappen
+hoorden van iemand, die hen in het gangetje gevolgd was. Reeds sidderde Raesfelt op de gedachte, dat hun ontkoming verraden
+ware: reeds had Joan de haan van <a id="d0e9648"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9648">317</a>]</span>zijn pistool overgehaald, gereed op tegenweer, toen de nieuwaangekomene het liedje afbrak dat hij binnensmonds neuriede, en,
+de <span class="letterspaced">Doodeklok</span> gemeenzaam op den schouder tikkende, vroeg of de vromen al vergaderd waren.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Doodeklok</span> beantwoordde deze vraag toestemmend, waarop de onbekende binnentrad en Joan, die in den donkeren ingang stond, bij den arm
+nam: &#8220;vergun mij, Mijnheer!&#8221; zeide hij: &#8220;dat ik mij aan u vasthoude; want ofschoon ik hier meer geweest ben, zoo ben ik altijd
+bang, om in dit donkere gat armen of beenen te breken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Joan stond niet weinig ontzet: want hij had de stem van Bleiswyk herkend en was hoogst beducht voor een ontdekking; echter
+hield hij zich bedaard en trad, evenals Hendrik, met hun nieuwen leidsman de duistere gang ten einde, waarna zij een slecht
+verlichte trap beklommen, en voorts weder een lange trap afliepen tot aan een deur, welke zich op het aankloppen van Bleiswyk
+opende. Dan welk een schrik beving de vluchtelingen, toen zij een verlichte zaal en een groote schaar van menschen voor zich
+zagen. Beiden verzetteden en wilde terugtreden; doch het was te laat. Bleiswyk had Joan reeds met zich naar binnengetrokken,
+en Hendrik, die niet van zijn vriend wilde scheiden, volgde hen.
+
+</p>
+<p>Het vertrek, waar zij zich thans in bevonden, was ruim, doch laag en bedompt en met weinige lampen verlicht, welke eene onaangenamen
+damp en geen minderen stank verspreidden. Op stoelen en banken van verschillende grootten en vormen, en welke kenmerken droegen
+van overal vandaan geraapt en geleend te zijn, waren onderscheidene lieden van beiderlei kunne gezeten, meest vermomd of althans
+wel dicht in hun mantels en huiken gewikkeld, hoewel sommigen onder hen hun gewone kleeding droegen en de hoofden vrijmoedig
+uitstaken, als wilden zij daardoor toonen, dat zij zich des noods voor hun zaak het martelaarschap getroosten zouden. Midden
+in de zaal was een soort van predikstoel opgericht, waarin een redenaar in &#8217;t zwart gekleed, en wien Joan al dadelijk voor
+Groenhovius herkende, met de gebaren eens bezetenen stond te galmen: dichter bij hem zaten eenige lieden, die in deze vergadering
+den boventoon schenen te houden: onder dezen stak uit een lang, deftig gekleed man met spierwitten baard en een zwarte fluweelen
+muts op het hoofd.
+
+</p>
+<p>Bij het inkomen van Bleiswyk en zijn twee gezellen, schikten zij, die het naast aan de deur gezeten waren, dadelijk in, en
+wenkten hun beleefdelijk toe, dat zij plaats hadden te nemen.&#8212;Voordat Bleiswyk aan deze uitnoodiging verkoos te voldoen, stak
+hij de handen in de zijde, wierp den rug achterover en liet in die houding het oog over de gansche vergadering weiden, waarschijnlijk
+om de schoone te zoeken, die hem derwaarts gelokt had. &#8217;t Zij dat hij haar niet ontdekken kon, &#8217;t zij dat zij er waarlijk
+niet aanwezig ware, hij nam een ontevreden houding aan, wierp zich meer dan hij zitten ging op de hem aangeboden bank, snoot
+zich met geweld, stak vervolgens de handen in de zakken en liet zijn donkerkleurigen mantel <a id="d0e9664"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9664">318</a>]</span>openvallen, waardoor zijn prachtige onderkleedij zichtbaar werd, terwijl hij trotsch om zich heen zag, als wilde hij zeggen:
+ik lach wat om ulieden, en het bruit mij weinig, of gij mij kent of niet. Daarna gaapte hij den redenaar aan en begon aandachtig
+naar diens woorden te luisteren.
+
+</p>
+<p>Wat Joan en Hendrik betrof, dezen, althans de laatste, begrepen dat zij, niettegenstaande de kans van ontdekt te worden, hier
+misschien hulp zouden vinden onder de Remonstrantsche broederschap; en daar zij toch te ver gekomen waren om ongemerkt weder
+te kunnen vertrekken, plaatsten zij zich naast Bleiswyk, echter zorg dragende, hun gelaat met hoed en mantel te bedekken;
+dan hoe ontstelde Joan, toen hij niet ver van zich af een heer zag zitten, die, schoon hij ook vermomd was, bijna terstond
+door hem voor den Fiskaal Van Kinschot herkend werd. Vol angst van door dezen gezien te worden, trok nu Joan den hoed nog
+dieper in de oogen, en verborg de punt van zijn neus (alles wat er van zijn persoon nog zichtbaar was) achter de holte zijner
+hand, terwijl hij als een zoutzak in elkander kroop. Hendrik, die den Fiskaal niet herkend had, leende dadelijk zulk een aandacht
+aan de predikatie, dat hij daardoor al spoedig vergat de noodige voorzorgen te nemen, welke hem konden verbergen. Groenhovius
+had, naar het bleek, tot tekst zijner redevoering genomen de woorden des heiligen geschiedschrijvers Lucas, wanneer hij de
+bekeering van Saulus verhaald hebbende, van de Apostelen zegt: &#8220;zij vreesden hem allen, niet geloovende dat hij een discipel
+was.&#8221;&#8212;Met veel arglistigheid wist hij, zonder iemand te noemen, in den loop zijner predikatie, den tekst in zijn geheel verband
+toepasselijk te maken op Graaf Frederik Hendrik, terwijl hij door zijn zijdelingsche aanduidingen aan de gemeente zocht diets
+te maken, dat zij van dien vorst alleen haar hulp en verlossing te wachten had.&#8212;&#8220;Ja,&#8221; riep hij uit met een vervaarlijke stem,
+terwijl hij gedurig met de breede vuist op den voor hem liggenden Bijbel sloeg: &#8220;hoor mijn stemme, gij kuddeke Isra&euml;ls, en
+geloof mijn woorden, niet aan hen gelijk zijnde, die ooren hebbende, niet hooren, en, oogen hebbende, niet zien willen. Want
+weet, uit Edom, uit Galilea der volkeren, uit de landpale der vijanden is hij voortgekomen, die de groote verlossinge Isra&euml;ls
+teweeg zal brengen, en zijn naam is Wonderlijk! Zegt niet in uw harte: kan er iets goeds uit Nazareth komen? Want hier geschiedt
+meer, en uit dat geslachte Pharaonis, uit den huize Sauls, is deze reize het licht opgegaan: uit Egypte heb ik mijnen Zoon
+geroepen, en het is wonderlijk in onze oogen; en de Heer heeft hem met kracht bekleed en tot hem gezegd: ik ben met u, gij
+strijdbare held! ga henen in uwe kracht, en gij zult Isra&euml;l uit der Midianieten hand verlossen: dus wantrouw niet meer, gij
+huize Davids! en wees niet ongeloovig; want gij zult uwe vijanden zien vertreden in den grooten wijnpersbak des toorns Gods,
+en daar zal bloed uitkomen tot aan de toornen der peerden, duizend zeshonderd stadi&euml;n verre! en als men vraagt en zeggen zal
+de een tot den anderen: wie heeft dat stuk gedaan? dan zal men antwoorden: Gideon de zoon van Joas, heeft dat stuk gedaan<span id="d0e9668" class="corr" title="Bron: ?">.</span> Doch wie is nu Gideon de <a id="d0e9671"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9671">319</a>]</span>zoon van Joas? Vraagt gij het nog? Begeert gij nog een teeken, gij kleingeloovigen? en weet gij nog niet, wie de ware Jozef
+zijn zal? Ziet, ik zal nog duidelijker spreken. Jacob, de aartsvader, Jozefs vader, was uit een grooten en machtigen stam;&#8212;en
+ook de vader van onzen Jozef was van aanzienlijken huize. Jacob heeft gestreden met machtiger dan hij, en overmocht hem:&#8212;en
+de vader van onzen Jozef heeft van gelijken gedaan. Jacob heeft een zwervend leven geleid:&#8212;en de vader van onzen Jozef niet
+minder. Jacob heeft vier wijven gehad; doch Rachel had hij lief en zij baarde Jozef:&#8212;onze Jacob had ook vier wijven; doch
+zijn Rachel heeft hem onzen beschermer gebaard. Jozefs oudere broeders hebben het bloed der rechtvaardigheid geplengd, hun
+handelingen zijn werktuigen van geweld geweest; en ook de ouder broeder van onzen Jozef heeft in zijnen toorn de mannen doodgeslagen,
+die den vaderlande dierbaar waren; doch onze Jozef zal het afgebrokene weder oprichten en de verdorde takken weder bloeien
+doen. Dus waakt! want de ure is nabij, waarin deze dingen geschieden moeten! Gordt aan het zwaard ten strijde, <span id="d0e9673" class="corr" title="Bron: Versterkt">versterkt</span> de lendenen zeer!&#8221;
+
+</p>
+<p>Met een verbazende vlugheid en kracht van stem had Groenhovius tot dusverre een voorstel uitgebracht, hetwelk, ofschoon het
+thans in vele opzichten wartaal zal schijnen te behelzen, echter niet naliet, op dat tijdstip en bij zulke toehoorders een
+verwonderlijken indruk te maken, toen hij opeens in het vervolgen zijner rede belet en door een anderen spreker vervangen
+werd. Hendrik Raesfelt had namelijk niet dan met ongeduld en verontwaardiging de oproerige en doldriftige taal des Predikants
+aangehoord; doch toen deze in het laatste gedeelte der door ons aangehaalde toespraak de gemeente kennelijk tot burgeroorlog
+aanspoorde, was hij buiten staat zich langer te bedwingen; driftig opgesprongen zijnde, drong hij door de menigte heen tot
+voor den kansel, en greep Groenhovius heftig bij den arm: &#8220;Van hier, gij Beli&auml;ls zoon!&#8221; riep hij driftig uit: &#8220;wie geeft u
+last en commissie tot het voeren eener zoo gruwelijke taal? Durft gij, de leeraar des vredes, de ongelukkige gemeente tot
+oproer manen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Braaf gesproken!&#8221; zeide Bleiswyk overluid: &#8220;dat is taal, die men verstaat: dat andere was zoo diep, dat niemand het vatten
+kon, die niet gestudeerd had.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat onvoorzichtigheid!&#8221; zeide Joan tot zich zelven: en meteen gebruik makende van de algemeene opschudding, welke dit voorval
+had te weeggebracht, drong hij zich dichter bij den predikstoel, om, ingeval van nood, Hendrik bij te kunnen springen. Voorzichtiger
+had hij misschien gedaan met het voorbeeld te volgen, dat eenige der aanwezigen gaven, die zich bij de eerste verwarring uit
+de zaal maakten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jonkman! wie zijt gij, die mij zoo stout het woord durft afnemen?&#8221; vroeg Groenhovius: &#8220;ben ik niet de gezondene en geroepene
+van omhoog, die den volke leeren moet, wat het noodig heeft te weten?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Leugenprofeet!&#8221; riep Hendrik, Groenhovius overschreeuwende: &#8220;is <a id="d0e9686"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9686">320</a>]</span>dit het Christendom, dat gij leert? al wat gij zegt is uit den Booze!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Afvallige!&#8221; brulde de Predikant, aan wien een der bijstanders Hendriks naam had in het oor geblazen: &#8220;<span class="letterspaced" lang="la">scelerate! nonne Raesfeldii filius?</span><a id="d0e9692src" href="#d0e9692" class="noteref">2</a> Gelooft hem niet, broeders! hij is de zoon van den boozen Raesfeldii, en als hij een verdrukker der gemeente, die welbehagen
+heeft in onzen dood.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jongeling!&#8221; zeide nu de man met de fluweelen muts, die naast Groenhovius gezeten had, terwijl hij opstond en Hendrik terugstootte!
+&#8220;laat af van den vromen man; want hij spreekt de woorden der waarheid: zie om u heen: de groote verlosser Isra&euml;ls, wien hij
+bedoelde, is onder u, is in deze vergadering gekomen, om uwe valsche beschuldiging te logenstraffen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha! wien hebben wij hier!&#8221; riep Joan, die deze stem herkende, voor den dag springende en den onbekende zijn valschen witten
+baard afrukkende: &#8220;Pater Eugenio in dezen kring!&#8221;
+
+</p>
+<p>Aller oogen wendden zich op den Jezu&iuml;et, die dus ontdekt in hun midden stond; doch op hetzelfde oogenblik werd de aandacht
+wederom afgetrokken en op een anderen bijstander gevestigd, die, zijn mantel openslaande, zich voor graaf Frederik Hendrik
+kennen deed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, ik ben hier gekomen,&#8221; zeide deze: &#8220;doch geenszins....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat onvoorzichtigheid! om &#8217;s Hemels wil! Uwe Doorluchtigheid,&#8221; zeide Ludwig, die nevens hem stond, terwijl hij zijn best
+deed om hem zijn mantel weder om te slaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat af, Ludwig!&#8221; riep de Graaf: &#8220;ik moet redenen van mijn gedrag geven: ik moet aan deze onberaden lieden zeggen, dat....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die redenen zult ge mij geven,&#8221; zeide, op een half gesmoorden, doch strengen toon, iemand, die, in een grooten mantel gewikkeld,
+achter hem oprees en hem op den schouder tikte.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maurits!&#8221; zeide de Graaf, zich verschrikt omwendende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil!&#8221; beet de Prins hem in &#8217;t oor: &#8220;ik wacht u tot mijnent. Kom, Van Kinschot! laat ons gaan.&#8221;&#8212;Na het uiten dezer woorden
+drong hij in hevige gemoedsbeweging de kamer uit. De Fiskaal volgde hem: ook verscheidene der aanwezigen, die den Prins herkend
+hadden en voor de gevolgen begonnen te vreezen, welke hun tegenwoordigheid in deze vergadering hebben kon. Frederik Hendrik
+was als versteend blijven staan; totdat Ludwig hem zijn mantel omsloeg en hem bijna als een kind de kamer uitgeleidde. Inmiddels
+had Eugenio zich door een zijdeur weggemaakt. Groenhof had mantel en bef van zich gesmeten en zich onder de menigte begeven.
+Hendrik Raesfelt, zijn onvoorzichtigheid bespeurende, begon ook naar een goed heenkomen te verlangen en zocht Joan, doch vruchteloos,
+onder de nog aanwezige personen, toen een zijner geloofsgenooten, wien hij te Amsterdam gekend had, hem met zich nam, met
+belofte van hem een veilige schuilplaats te bezorgen.
+
+
+
+<a id="d0e9713"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9713">321</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e9642" href="#d0e9642src" class="noteref">1</a></span> Zoo noemde men de boden, die de Remonstranten heimelijk waarschuwden wanneer en waar er een bijeenkomst zou plaats hebben.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e9692" href="#d0e9692src" class="noteref">2</a></span> Schelm! zijt gij niet de zoon van Raesfelt?
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e9714" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Dertigste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>De brief was toegezegelt
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Met &#8217;s Konings eigen ringh, doch &#8217;t wapen is misluckt
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>In &#8217;t zeeglen, en de hant in &#8217;t schrijven wat gedruckt.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Palamedes.
+</p>
+</div>
+<p>&#8220;O Van Kinschot!&#8221; riep de Stadhouder uit, toen hij met den Fiskaal aan het Hof teruggekeerd was, zich weemoedig in een armstoel
+werpende: &#8220;en hij, die mij verried, was mijn broeder.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Fiskaal zuchtte en antwoordde niet: hij wist, dat niets ongevalliger en van minder uitwerking is, dan troostwoorden, wanneer
+de geslagen wonde te diep is om door andere geneesmiddelen dan tijd en geduld te worden geheeld.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die ondankbare!&#8221; vervolgde Maurits: &#8220;en op welk een oogenblik verraadt hij mij? nu ik zijn diensten het meest zoude behoeven!
+O hemel! zou ik nog eens met een bloedend hart moeten straffen en den arm der gerechtigheid inroepen op hem, die mij dierbaar
+was. O mijn vader! toen gij uw jongsten zoon aan mijn zorgen zoo teederlijk hebt aanbevolen, dacht gij weinig, dat ik in hem
+een slang zou opvoeden, die mij eenmaal naar de hartader steken moest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welke bevelen zal Uwe Hoogheid mij geven?&#8221; vroeg Van Kinschot, met een droefgeestig oog den Stadhouder aanstarende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Geene!&#8212;volstrekt geene!&#8212;zoo er nog &eacute;&eacute;n vonk gevoel in den verrader is overgebleven, zal hij mij om vergiffenis komen smeeken;....
+in het omgekeerd geval wil ik hem den tijd laten, zich door de vlucht te redden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Doch zijn aanhangelingen?&#8221; hernam de Fiskaal: &#8220;doch die schandelijke oproerprediker? moet die niet gevat worden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was uw zaak geweest,&#8221; antwoordde Maurits: &#8220;zoo laag kan mijn toorn nu niet dalen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid had mij verboden, eenige bezetting rondom de vergaderplaats te stellen: ware dit gebeurd, geen muis zou het
+ontkomen zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En morgen had geheel &#8217;s-Gravenhage geweten,&#8221; viel de Prins driftig in, &#8220;dat ik mij vermomd onder die schelmen begeven heb,
+ten einde een broeder te bespieden;... doch zullen zij dit toch niet vernemen?.... ik ben overtuigd, dat menigeen mij herkend
+heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daarom juist wilde ik hen allen gevat hebben, om de zaak geheel te versmoren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En mijn schande voor de rechtbanken bekend te maken?&#8212;Neen, Van Kinschot! deze zaak is tusschen mijn broeder en mij alleen;
+daarom wilde ik, slechts van u vergezeld, mij gaan overtuigen van de waarheid der bij u ingekomene berichten; daarom ondervroeg
+<a id="d0e9751"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9751">322</a>]</span>ik zelf den brenger van het noodlottige pakket; want hoe kon ik hem voor schuldig houden op de enkele bewijzen der aan hem
+gerichte brieven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Misschien,&#8221; zeide Van Kinschot op een weifelenden toon, &#8220;had de tegenwoordigheid van Zijne Doorluchtigheid in die vergadering
+eene zeer billijke reden, die....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Paai mij niet met zulke praatjes,&#8221; zeide Maurits, hem met drift in de rede vallende; &#8220;zou hij zich dan openlijk aan die vergadering
+vertoond hebben, om de gezegden van dien schurk te bevestigen?.... De Hemel gave, dat ik twijfelen mocht.&#8221;
+
+</p>
+<p>In dit oogenblik trad de kamerdienaar des Prinsen in en meldde Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik aan. Een kille huivering
+beving den Prins; doch, zich spoedig herstellende, gaf hij last zijn broeder te laten bovenkomen, verzocht den Fiskaal, zich
+in een ander vertrek te begeven, en wachtte toen, niet zonder van angst en droefheid te beven, de komst des Graven af, terwijl
+hij in zichzelven mompelde: &#8220;Zijne Doorluchtigheid! ja, wel doorluchtig! ik zie hem door en door.&#8221;
+
+</p>
+<p>Frederik Hendrik trad binnen met dien weifelenden stap, die verbleekte en ontstelde wezenstrekken en die onzekere houding,
+welke zoowel het kenmerk zijn van den onschuldig betichte, die geen kans ziet om zijn onschuld aan den dag te brengen, als
+van den overtuigden booswicht: en, in waarheid, nooit had hij zich in zulk een moeilijke, ja gevaarlijke omstandigheid bevonden.
+De rechter, voor wien hij verschijnen moest, was, wel is waar, zijn broeder, die hem steeds liefde, achting en vertrouwen
+betoond had; doch die nauwe graad van bloedverwantschap, welke tusschen den klager en den beschuldigde bestond, maakte &#8217;s
+Graven toestand des te beklagenswaardiger, door zijn droefheid te vermeerderen, dat hij een voorwerp van verachting en afschuw
+in de oogen zijner nauwste betrekking geworden was. Daarenboven kende hij Maurits, die, hoe oprecht en goedhartig van nature,
+door de omstandigheden, door het bedrog en de vijandschap van hen, die hij als vrienden had aangemerkt en door de menigvuldige
+tegen hem gesmede aanslagen, opvliegend en achterdochtig geworden was. Wij hebben uit de mededeeling van de inzichten en voornemens,
+die Frederik Hendrik aan zijn Secretaris gedaan had, gezien, dat deze Vorst, schoon uit edele en onbelangzuchtige beginselen
+handelende, niet vrij was, van de Remonstranten meer dan eens ondersteund te hebben, somtijds tegen het uitgedrukt verlangen
+zijns broeders; en thans zag hij duidelijk in, hoe deze handelwijze, welke niet te ontkennen viel, gevoegd bij zijn tegenwoordigheid
+op de nachtelijke bijeenkomst, de tegen hem opgevatte vermoedens in kracht moest doen toenemen, en hoe bezwaarlijk, zoo niet
+onmogelijk, een verontschuldiging hem zou vallen. Hij mocht, ja, nog op de liefde, op de toegenegenheid zijns broeders rekenen!
+doch hij wilde zijn onschuld erkend, niet zijn schuld vergeven zien: en, zoo dit laatste al gebeuren mocht, het eerste scheen
+hem toe bezwaarlijk te kunnen geschieden.
+
+</p>
+<p>Toen hij de zaal ingetreden en Maurits eenige stappen genaderd <a id="d0e9763"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9763">323</a>]</span>was, bleef hij, ontzet door den strengen en doordringenden blik, welken zijn broeder op hem gevestigd hield, plotseling staan
+en zag voor zich naar den grond als een arme aangeklaagde, die voor de vierschaar verschijnt, aan welke de uitspraak van zijn
+lot verbleven is.&#8212;Maurits liet hem eenige oogenblikken in die houding staan, alsof hij verwachtte, dat de Graaf het eerst
+zou spreken: hij hoopte, dat deze, van schuldbesef doordrongen, zich aan zijn voeten werpen en om vergiffenis bidden zou;
+hiertoe wilde hij hem de gelegenheid laten; doch toen hij zag dat Frederik Hendrik als in den grond genageld staan bleef,
+vroeg hij met een flauwe en toch ernstige stem: &#8220;welnu! wat wilt ge?&#8221;
+
+</p>
+<p>De toon, waarop deze vraag gedaan werd, deed het hart des Graven sidderen als met een electrieken schok. Hij herkende daarin
+de stem van den gestrengen rechter en tevens die van den diep gewonden broeder. Zich niettemin met moed wapenende, richtte
+hij het naar den grond gebogen voorhoofd op en zeide met een afgebrokene stem, welke de onrust zijner ziel aanduidde: &#8220;gij
+hebt mij bescheiden, Maurits!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En is dat de reden uwer komst?&#8221; vroeg Maurits, met hevigheid losberstende: &#8220;en zoo ik u niet bescheiden had, zoudt gij dan
+niet gekomen zijn?&#8212;Dan heb ik u niet noodig.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maurits!&#8221; zeide de Graaf, naar zijn broeder toetredende en de beweging makende, alsof hij zijn handen wilde vatten: &#8220;zoo
+moeten wij niet tot elkander spreken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Terug!&#8221; zeide de Prins, zijn stoel achteruitschuivende: &#8220;geen stap verder! Ik wil u niet in de gelegenheid stellen, een broedermoord
+te kunnen begaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Almachtige God!&#8221; riep Frederik Hendrik met ijzing uit: &#8220;wie kon u zulke denkbeelden van mij inboezemen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie?&#8212;uw gedrag:&#8212;hij, die zoo diep ontaard is, dat hij, met den huichelachtigen lach der onschuld op het wezen, zijn broeder,
+zijn vorst misleiden kan, zijn Godsdienst verloochenen, zijn vaderland verraden en met snoode dienaars en schelmen heulen,
+is even goed tot een broedermoord in staat.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maurits!&#8221; zeide met nadruk de Graaf, in wiens gemoed de verontwaardiging over zulk een opeenstapeling van onverdiende betichtingen
+de overhand nam boven droefheid en angst: &#8220;durft gij uws vaders zoon van zulke boosheden verdenken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik verdenk u niet meer,&#8221; antwoordde de Prins met een verachtenden glimlach: &#8220;dat deed ik dezen morgen: waar de zekerheid
+bestaat, houden de vermoedens op.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zult mij dan onverhoord verwijzen?&#8221; vroeg Frederik Hendrik; &#8220;gij zult mij, uw broeder, die billijkheid weigeren, die
+gij den laagsten booswicht niet ontzeggen zoudt?&#8212;Is dat de rechtvaardigheid, waarop Maurits roem durft dragen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik luister,&#8221; zeide Maurits: &#8220;wat hebt gij tot uw verschooning in te brengen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dien eerst te weten waarvan ik beticht worde,&#8221; antwoordde zijn broeder met de fierheid van een rein geweten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ellendige!&#8221; riep Maurits, vol gramschap opspringende;&#8212;doch <a id="d0e9789"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9789">324</a>]</span>spoedig de verloren zelfbeheersching terugnemende, vervolgde hij op een zachteren, ofschoon bitteren toon: &#8220;doch gij hebt
+gelijk; men moet u niet van den aard uwer schuld onbewust laten.&#8212;Dan, waarmede zullen wij beginnen? de bezwaren zijn zoovele
+in getal.&#8221;&#8212;Hier zweeg hij, bezig met te overdenken, op welke wijze hij het best in de ziel zijns broeders grijpen kon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben gereed alles op te helderen,&#8221; zeide Frederik Hendrik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hebt gij,&#8221; vroeg eensklaps zijn broeder, &#8220;de vrouw van Bysterus niet met geld ondersteund?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En sedert wanneer,&#8221; vroeg de Graaf op zijn beurt, &#8220;kan een aalmoes iemand tot misdrijf worden aangerekend?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bewimpel uwe gedragingen niet met den mantel van godsvrucht,&#8221; zeide de Prins: &#8220;gij hebt haar niet alleen, maar honderd anderen
+van haar sekte, ja zelfs bannelingen en door de wet veroordeelden met raad en daad bijgestaan. De bewijzen hiervan zijn in
+mijn handen. Had uw medelijdend hart alleen u daartoe vervoerd, ik zou mij wachten u deswege een verwijt te doen hooren: alleen
+zou ik u in dit geval tegen de gevolgen waarschuwen; doch de wijze, waarop de weldaden, of liever die giften en raadgevingen
+zijn uitgedeeld, maken uw gedrag strafwaardig en toonen genoegzaam aan, dat zucht om scheuring te verwekken en oproer aan
+te hitsen uw eenige bedoeling was.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;God kent mijn hart en de reinheid mijner oogmerken,&#8221; zeide de Graaf, terwijl hij de oogen ten hemel sloeg en de hand op zijn
+hart legde.
+
+</p>
+<p>&#8220;En uw komst op de Arminiaansche vergadering, was die ook door een rein oogmerk bestuurd?&#8221; vervolgde Maurits, zich op de lippen
+van gramschap bijtende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn tegenwoordigheid aldaar,&#8221; hernam zijn broeder, &#8220;was een dwaasheid en niet meer.&#8212;Ik was gewaarschuwd, dat op soortgelijke
+vergaderingen nu en dan door de predikers slechte en oproerige aansporingen tot muiterij aan de broederschap gegeven werden:
+en ik wilde mij met eigen ooren van de waarheid dier woorden overtuigen en mij verzekeren of ik inderdaad mijn weldaden aan
+onwaardigen verspild had.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij weet een schoonen glimp aan uw handelingen te geven. Op de vergaderingen te gaan om te zien hoe het aldaar gesteld is!....
+Uit loutere nieuwsgierigheid om met eigen ooren te vernemen of.... geef liever geene, dan zulke antwoorden, Mijnheer!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo Uwe Hoogheid,&#8221; hernam Frederik Hendrik met waardigheid, &#8220;vooraf besloten heeft, mijn verschooningen niet te willen aannemen,
+dan acht ik het noodeloos, verdere moeite tot mijn verdediging te doen. Ik had gehoopt, gewaand, dat in den boezem van Uwe
+Hoogheid nog een broederhart voor mij klopte; doch ik vind alleen een koelen, onbarmhartigen rechter, wien ik, vermits hij
+onbevoegd is mij als <span class="letterspaced">zoodanig</span> te verhooren, geen verder antwoord behoef te geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Frits!&#8221; zeide de Prins, zijn stoel haastig naderbij trekkende: &#8220;de Hemel weet, dat ik niets liever zou wenschen, dan uw onschuld
+helder aan het licht te hebben gebracht;&#8212;doch antwoord mij, in <a id="d0e9814"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9814">325</a>]</span>den naam des Eeuwigen Rechters, voor Wien wij allen eens verschijnen zullen, wat deedt gij in dat Arminianenhol?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb u de waarheid gezegd,&#8221; antwoordde zijn broeder, &#8220;de zuivere, onvervalschte waarheid.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Frits! Frits!&#8221; hernam Maurits, het hoofd op de vlakke hand leunende, en eenige tranen stortende, die van oprechtheid zijns
+harten getuigden: &#8220;hoe kunt gij uw broeder, uw liefhebbenden broeder, aldus behandelen! Waarlijk, ik zag u met meer vermaak
+aan &#8217;t hoofd van een Spaansch leger Den Haag insluiten en mij bevechten, dan dat ik u tot zulke ellendige spreukjes de toevlucht
+nemen zie. Heb ik niet alles gehoord en gezien? Zijt gij niet midden in de zaal gaan staan om de woorden van een dier schelmen
+te bevestigen, en aan te toonen, dat gij u werkelijk in die vergadering bevondt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Om den oproerkraaier te logenstraffen en de aanwezigen omtrent mijn bedoelingen uit den waan te brengen,&#8221; antwoordde de Graaf.
+
+</p>
+<p>&#8220;Waarachtig,&#8221; zeide Maurits met bitterheid: &#8220;ik heb u niet laten uitspreken; &#8217;t is waar: men had anders ongetwijfeld wat schoons
+gehoord.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met uw verlof,&#8221; zeide Frederik Hendrik, in de hoop van de kracht der beschuldiging te verminderen, door haar op zijn broeder
+te doen terugkaatsen: &#8220;waarvan beticht ge mij? Hebt gij zelf niet zoowel als ik die bijeenkomst met uw tegenwoordigheid vereerd?&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij deed deze vraag op een half schertsenden, althans gemeenzamen toon, terwijl hij, de tafel, waaraan de Prins gezeten was,
+naderende, met de eene hand daarop leunde en zijn broeder vriendelijk aanzag: doch zijn vraag had een geheel andere uitwerking
+dan die, waarmede hij zich gevleid had. De Stadhouder, wanende, dat zijn broeder hem een listigen strik wilde spreiden om
+hem, naar gelang van zijn antwoord, in zijn eigene woorden te vatten, sprong in losgebarsten gramschap op, evenals een lijder,
+wien de heelmeester bij het verbinden eener pijnlijke wond, onwillekeurig, met de speld, welke de windsels vast moet hechten,
+in de gevoelige deelen treft. Zijn gelaat werd purperkleurig: zijn handen beefden als popelbladen en zijn stem geleek aan
+het rauw geluid des tijgers, die zich in de kuil des jagers begraven vindt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha, slang!&#8221; brulde hij: &#8220;is dit uw helsche list? mijn oogmerken mij af te vragen om daardoor de uwe te bedekken! Ja, ik ben
+daar ook gekomen: ik ben daar, evenals gij, gekomen omdat ik gewaarschuwd was, dat er oproer gepredikt werd, en dat mijn....
+broeder er mede deel in had.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij kwaamt dus om mij te bespieden?&#8221; vroeg Frederik Hendrik, bedaard achteruittredende: &#8220;een ware trek van broederliefde!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Beleedigt ge mij nog, verrader!&#8221; grauwde Maurits, wiens gramschap nu den hoogsten top bereikt had, hem toe: &#8220;sidder voor
+mijn toorn!&#8221; Met het zeggen van deze woorden sloeg hij de rechterhand aan het gevest van zijn degen, terwijl hij de linkervuist
+ophief en er zijn broeder mede dreigde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maurits!&#8221; zeide deze, innig geroerd: &#8220;keer tot u zelven.&#8221;
+<a id="d0e9836"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9836">326</a>]</span></p>
+<p>De Graaf had nog niet uitgesproken, of de woede des Prinsen was reeds bedaard. In de zaal, en recht over de plaats, waar Maurits
+gezeten had, hing een volkomen gelijkend afbeeldsel van zijn doorluchten vader, den stichter der Nederlandsche vrijheid. De
+Prins was op het laatst zijns levens uitgeschilderd, en droeg niet de wapenrusting, waarmede hij zich zoo dikwijls aan het
+hoofd zijner wakkere scharen vertoond had, maar den eenvoudigen huispels, welken hij aanhad, als hij des avonds bij zijn beminde
+gade en in &#8217;t midden zijner waardste panden gezeten was. De kunstenaar had meesterlijk die uitdrukking van reine kalmte des
+harten, van dankbare tevredenheid en van onwrikbare gelatenheid getroffen, welke op het innemend gelaat van vader Willem te
+lezen was en de strenge diepzinnigheid des ondoordringbaren staatsmans temperde. Op het oogenblik dat Maurits, door de onstuimige
+opwelling der gemoedsaandoeningen weggesleept, zijn broeder tegentrad, viel zijn verwilderd oog onwillekeurig op dat afbeeldsel,
+en hij waande, in dien ernstigen en toch liefderijken blik, in de trekken van den mond, waarin weemoed en gulheid uitgedrukt
+waren, een stil verwijt te lezen. Het was hem, of zijn vader gereed was, de lippen te openen en hem op een hartroerende wijze
+over een drift te berispen, die hem de hand tegen zijn broeder deed opheffen: tegen een broeder, wien hij zoo plechtig beloofd
+had, een getrouw en standvastig vriend en beschermer te strekken. Het hart van Maurits, dat niet alleen
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Achilles heldenmoed en kinderlijke oprechtheid</span></p>
+</div>
+<p>ten toon spreidde, doch ook, als het hart van Achilles, even spoedig tot vergiffenis als tot toorn geneigd was, deed zich
+op &#8217;t zelfde oogenblik een nog grievender verwijt dan &#8217;t geen uit &#8217;s vaders oogen sprak. Beschaamd trad Maurits terug, bukte
+het hoofd als een edele windhond doet, wanneer hem zijn meester bestraft heeft, ontgespte zijn degen en liet dien met bandelier
+en al op den grond vallen, waarna hij zich in zijn stoel wierp en het gelaat in beide handen verborg. Zijn broeder, door dien
+onverwachten omkeer niet min bewogen dan door de drift waarvan die het gevolg was, trad dadelijk toe en trachtte door vleiende
+woorden en uitboezemingen vol trouwhartigheid en broederliefde, het ontsteld gemoed des Prinsen weder tot bedaardheid te brengen,
+
+</p>
+<p>Dan deze, schoon hij op zichzelven ontevreden was, had geenszins de overtuiging van &#8217;s Graven verraderij verloren. Zoodra
+zijn droefheid over de aan den dag gelegde hevigheid bedaard was, keerden al zijn denkbeelden weder tot het punt, waarvan
+zij waren uitgegaan, de ontrouw zijns broeders. Het hoofd wederom oprichtende, maakte hij met de rechterhand een afwijzende
+beweging, en wenkte Frederik Hendrik, dat zijn plaats niet bij hem, maar aan het benedeneinde der tafel was. De schouders
+zuchtend ophalende, hernam de Graaf zijn vorige plaats.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij misduidt mij,&#8221; zeide Maurits, &#8220;zoo gij denkt, dat mijn ontroering aanduidde, dat mij uw veinzerij had verblind. Zoo ik
+op mijzelven <a id="d0e9848"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9848">327</a>]</span>toornig ben, het is, omdat ik mij zooverre liet vervoeren, dat ik een ambt ging verrichten, hetwelk alleen den scherprechter
+toekomt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ongelukkige!&#8221; hernam de Graaf: &#8220;ik beklaag u, zoo gij er berouw over kunt gevoelen van een oogenblik naar de stem van natuur
+en menschelijkheid te hebben geluisterd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Frits!&#8221; riep de Prins, terwijl de tranen hem langs de kaken stroomden; &#8220;denkt gij dan in ernst, dat het mij niets zou kosten,
+mijn broeder, wien ik van zijn kindsheid af bemind en verzorgd heb, als een staatsverrader aan de geschonden wetten prijs
+te geven? Bloed zal ik schreien; doch ik zal rechtvaardig zijn:&#8212;hoor, Frits! weet gij wat het is, rechtvaardig te <span class="letterspaced">moeten</span> wezen? hebt gij, als ik, u ooit in de omstandigheid bevonden, dat de veiligheid, het belang, ja, het geheele welzijn van
+dit arme volk het vorderen, een ouden Staatsdienaar, een grijsaard, die met den voet in &#8217;t graf stond, een man, die oneindige
+diensten aan mij en aan het Gemeenebest bewezen had, en die, ter dood veroordeeld, geen genade vragen wilde, te <span class="letterspaced">moeten</span> overgeven aan de wraak dier gehoonde wet? Weet gij, wat het zegt, een wel verdienden en met moeite verkregen roem van rechtvaardigheid
+te hebben opgeofferd om der rechtvaardigheid wille?&#8212;Ik heb het vonnis van Oldenbarneveldt bekrachtigd, omdat hij schuldig
+was: ik heb het bekrachtigd, omdat ik hem haatte, den ouden heerschzuchtige! ik zou het evenzeer bekrachtigd hebben al had
+ik hem liefgehad. Nu weet ik dat men binnens- en buitenslands mij van wreedheid, van ondankbaarheid beschuldigt: dat het niet
+altijd billijk nageslacht, op de daad meer dan op de drijfveeren lettende, mijne vijanden na zal praten, en, zich vermetel
+als rechter mijner daden opwerpende, in mijn grootste zelfopoffering niets dan zelfbelang en vuige staatzucht zien zal. Ik
+weet dit: nog meer: ik wist dit alles, toen ik schreiend het doodsbevel onderteekende: en echter, ik heb de zorg voor mijn
+roem, voor mijn eer bij de nakomelingschap, laten varen, en alleen het belang des lands en de handhaving der wet geraadpleegd.
+Thans, oordeel over mijn tegenwoordigen toestand! nu ik u, die mij dierbaar zijt, oneindig schuldiger vind, dan de Advocaat
+geweest is. Overweeg nu, welk een vreeselijke taak uw handelingen mij voorschrijven en of ik gronden heb om mij diep ongelukkig
+te noemen! Want, zoo ik toen rechtvaardig was, toen het mijn vijand gold, ik zal het ook heden zijn nu het mijn broeder gelden
+moet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Vermoeid van deze rede, welke hij met een krachtige stem had uitgebracht, zweeg de Prins en zag zijn broeder aan, om den indruk
+gade te slaan, welken zijn taal op hem had teweeggebracht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet, dat gij rechtvaardig zijt,&#8221; zeide Frederik Hendrik, na eenige oogenblikken zwijgens: &#8220;en daarom verwondert het mij,
+dat gij, alleen wegens een geldelijken onderstand, aan ongelukkigen uitgereikt, en wegens eene, ik herhaal het, geheel onschuldige
+bijwoning van een Arminiaansche vergadering, mij van hoogverraad beticht.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hier zag de Stadhouder hem eerst met eenige verwondering en vervolgens met zulke scherpe blikken aan, alsof hij de verborgenste
+<a id="d0e9866"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9866">328</a>]</span>kuilen zijns harten doorschouwen wilde. &#8220;Frits!&#8221; zeide hij ten laatste: &#8220;gij zijt &ograve;f de miskende onnoozelheid in persoon,
+&ograve;f de grootste huichelaar die ooit bestaan heeft:&#8212;hebt gij u dan niets anders te verwijten dan hetgeen gij daar opnoemt? Hoegenaamd
+niets?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tegen u en den Staat?&#8212;Hoegenaamd niets.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niets?&#8221; herhaalde Maurits: &#8220;welaan, wij zullen zien:&#8212;Heer Fiskaal! wees zoo goed eens binnen te komen.&#8221; Dit zeggende, stond
+hij op en sloeg met de gesloten vuist ongeduldig op de tafel. Op het oogenblik trad de Fiskaal binnen; doch bleef eerbiedig
+in de deur staan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heer Fiskaal!&#8221; vervolgde de Prins: &#8220;haal mij eens al die processale stukken hier.&#8212;Gij weet immers wat ik bedoel?&#8221;
+
+</p>
+<p>Van Kinschot maakte een buiging en vertrok. Gedurende zijn afwezigheid liep Maurits met groote stappen en zichtbare blijken
+van ongedurigheid de zaal op en neder, terwijl zijn broeder, met gevouwen handen en gesloten oogen, in een biddende houding
+staan bleef.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja!&#8221; zeide Maurits, toen Frederik Hendrik zijn gebed, zoo &#8217;t scheen voleindigd had, &#8220;gij zoudt ook wel, geloof ik, als <span class="letterspaced">vetter</span> Lodewijk, een bedevaart naar Scherpenheuvel doen, zoo ge uit dit pas gered waart; doch dat is niet genoeg,&#8221; vervolgde hij,
+zich op het hart slaande: &#8220;men moet Scherpenheuvel hier hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>Van Kinschot keerde terug, beladen met een pakket brieven; na deze, zonder spreken, op de tafel gelegd te hebben, boog hij
+zich en verliet de zaal.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, Frits!&#8221; zeide Maurits: &#8220;neem plaats: wij zullen dit pakket eens gezamenlijk doorloopen: neem maar den eersten brief den
+besten en lees hem: gij zult er mij naderhand uw gedachten over zeggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Graaf nam een der brieven op en leide dien, na gedane lezing, stilzwijgend naast zich neder: hij was van Uyttenbogaert,
+en de Predikant bedankte hem daarin voor ettelijke diensten, aan de Remonstranten bewezen: een volgende was van De Groot,
+die zijn huisvrouw aan de bescherming Zijner Doorl. aanbeval, en tevens, evenals Uyttenbogaert, &#8217;s Graven raad vroeg over
+de aanbiedingen, vanwege den koning van Spanje gedaan: na het lezen van dezen zag Frederik Hendrik den Prins met vragende
+oogen aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Lees verder, Frits! lees verder!&#8221; zeide Maurits, hem een derden brief voorleggende.
+
+</p>
+<p>Frederik Hendrik opende dien;&#8212;doch nauwelijks had hij eenige regelen gelezen, of zijn kleur verschoot en een hevige verontwaardiging
+kleurde zijn voorhoofd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Aha! de brief van Grobbendonck!&#8221; zeide Maurits! over zijns broeders schouder heen ziende: &#8220;welnu! wat zegt gij?&#8221;
+
+</p>
+<p>Grobbendonck verzocht in dezen brief, die in antwoord op een missive des Graven geschreven scheen, aan Frederik Hendrik, dat
+deze, ingevolge zijn belofte, zorg zou dragen, dat zekere Staatsche Kapiteins (die hij noemde en welke hij deed voorkomen,
+als aan Spanje verkocht) in de grenssteden gezet werden, opdat zij, na een schijnbare tegenweer, die aan den vijand mochten
+overleveren: verder <a id="d0e9895"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9895">329</a>]</span>vernam hij, of de Remonstranten, volgens afspraak, gereed waren tot den voorgenomen opstand; hij eindigde, met Z. Doorl. van
+de toegenegenheid van den Hove van Spanje te verzekeren, hetwelk hem, als de omkeer van zaken gelukkig tot stand gebracht
+was, het Stadhouderschap zou opdragen, benevens een zwaar pensioen en andere voorrechten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zeg,&#8221; antwoordde Frederik Hendrik op de vraag zijns broeders, dat die afschuwelijke brief niets tegen mij bewijst: dat
+de vijand zoo iets uitdenkt om mijn trouw verdacht te maken, laat zich lichtelijk beseffen; dat is meer gebeurd: doch dat
+mijn broeder aan zulk bedrog geloof hecht, bevreemdt mij:&#8212;let eens op, dat in dit geschrift juist uw getrouwste legerhoofden
+genoemd worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Denkt gij,&#8221; zeide Maurits, hem scherp aanziende, &#8220;denkt gij waarlijk, dat dezen mijn getrouwste legerhoofden zijn?&#8212;Doch lees
+verder.&#8221;
+
+</p>
+<p>De volgende brieven, door andere voorname Spaansche oversten onderteekend, luidden in denzelfden toon als die van Grobbendonck,
+en gaven aanleiding tot soortgelijke aanmerkingen van weerszijden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wilde maar,&#8221; zeide eindelijk de Graaf, dat men in plaats van al het <span class="letterspaced">aan</span> mij geschrevene, iets <span class="letterspaced">door</span> mij geschreven kon voor den dag brengen: dat zou een weinig meer afdoen om mijn schuld te bewijzen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het grieft mij,&#8221; hernam de Prins, &#8220;dat ik aan uw onvoorzichtigen wensch voldoen kan.&#8221; Dit zeggende, reikte hij den Graaf
+een anderen brief toe, welke niet in het pakket van Joan gevonden, maar den Fiskaal op een andere wijze in de hand gespeeld
+was. Hij was in cijfers geschreven, door Frederik Hendrik zelven onderteekend, met zijn bijzonder zegel bekrachtigd en aan
+den Kanselier Pekkius gericht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet niet wat die teekens beduiden,&#8221; zeide de Graaf: &#8220;doch dit weet ik, dat mijn handteekening is nagemaakt: want ik draag
+aan dit prulschrift geen kennis.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Fijn uitgedacht!&#8221; zeide Maurits: &#8220;het &eacute;&eacute;ne is niet door Z. D. geschreven en van het andere draagt Z. D. geen kennis. Wij
+zullen er maar niet verder over spreken. Onverhoord zal ik u niet veroordeelen, wees daar verzekerd van; doch ik wil u tijd
+geven, om een weinig nader te peinzen over het uitvinden van betere verontschuldigingen dan deze. Gij ziet intusschen, dat
+mijn argwaan niet zoo geheel op losse gronden steunde, als gij wel gedacht en gewenscht hadt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zie,&#8221; zeide Frederik Hendrik, &#8220;dat ik het slachtoffer ben van een verfoeilijk bedrog.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is wel,&#8221; hernam de Prins: &#8220;wij zullen dit nader onderzoeken, Van Kinschot! kom binnen!&#8221;
+
+</p>
+<p>De Fiskaal verscheen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijn de wachten aan het Hof afgelost?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat kan niet lang meer duren,&#8221; antwoordde Van Kinschot: &#8220;het is reeds klaar dag.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeer goed: de nieuwe wacht weet niet, wie zich hier bevindt. <a id="d0e9929"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9929">330</a>]</span>Zeg aan den wachthebbenden officier, dat hij een gevangene te bewaken zal hebben, voor wien nauwkeurig zorg zal moeten gedragen
+worden.&#8212;Graaf! geef mij uw degen: ik zal zelf uw stokbewaarder zijn:&#8212;uw kerker, de naaste kamer.&#8221;
+
+</p>
+<p>Frederik Hendrik reikte hem, zonder een woord te spreken zijn degen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is het rijtuig van Zijn Doorluchtigheid nog beneden?&#8221; vervolgde Maurits, zich tot Van Kinschot wendende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben hier te voet gekomen met mijn geheimschrijver,&#8221; zeide de Graaf: &#8220;en dien heb ik weggezonden naar het oude Hof, met
+het bericht dat ik hier den nacht zou doorbrengen, en dat ik wel in een uwer rijtuigen zou komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan is die zwarigheid opgelost,&#8221; vervolgde de Prins: &#8220;Heer Fiskaal! gij zult zorgen, dat niemand, behalve de Raadsheeren,
+die den gevangene ondervraagd hebben, iets van de beschuldiging verneme, welke tegen den Graaf is ingebracht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Door middel van onze Heeren zal er niets van de zaak uitlekken,&#8221; antwoordde de Fiskaal: &#8220;doch....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu?&#8221;
+
+</p>
+<p>Van Kinschot antwoordde niets, doch sloeg een zijdelingschen blik op Frederik Hendrik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Als Uwe Doorl. gereed is,&#8221; zeide Maurits, die dit gebarenspel raadde, terwijl hij de deur van het zijvertrek opende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Broeder!&#8221; zeide de Graaf: &#8220;rust wel, en God opene uw oogen voor de kracht der waarheid.&#8221;&#8212;Met deze woorden begaf hij zich
+in de kamer, welke Maurits wederom sloot.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat wildet gij zeggen,&#8221; vroeg de Prins aan Van Kinschot, zoodra zij alleen waren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat, zoo iemand iets verklapt, het geenszins een der Raadsheeren zijn zal; maar veeleer de brenger dezer brieven, die aan
+zijn kerker ontsnapt is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ontsnapt!.... niet mogelijk.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb hem duidelijk herkend op de bijeenkomst van dezen nacht, evenals de Remonstrantsche Proponent Raesfelt. Zoo Uwe Hoogheid
+mij vergunnen wil mij eenige oogenblikken te verwijderen, dan zal ik dadelijk de noodige maatregelen nemen, dat zij opgespoord
+en weder <span class="letterspaced">ge&iuml;ncarcereerd</span> worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat hen naar den duivel loopen,&#8221; zeide Maurits: &#8220;die Joan, of hoe hij ook heeten moge, is een goede, eerlijke jongen, die
+mij bijna doodgeknepen had om een aanslag tegen mijn leven te voorkomen: en de andere.... dat was immers de jongeling die
+Groenhof tegensprak?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dezelfde, Uwe Hoogheid!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu! dien moet vooral geen haar gekrenkt worden. Laat hem <span class="letterspaced">zoeken</span>, zooveel gij wilt; maar gevonden moet hij niet worden! Waren al de Arminianen zoo, ik zou zelf lust krijgen, Arminiaan te
+worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zal ik deze papieren met mij nemen?&#8221; vroeg de Fiskaal, ze willende opnemen.
+<a id="d0e9971"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e9971">331</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Een oogenblik,&#8221; zeide Maurits, weder naar de tafel gaande, en den brief, die in cijfers geschreven was, opnemende: &#8220;hadden
+wij,&#8221; vervolgde hij, &#8220;slechts een sleutel, om dit geschrift te kunnen spellen.&#8221; Dit zeggende, ging hij zitten en bleef een
+geruimen tijd, zonder te spreken, op den brief turen; terwijl Van Kinschot, die hem niet storen dorst, zwijgend achter hem
+stond en moeite had zijn ongeduld te verbergen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is er dan geen mogelijkheid, die cijfers te raden?&#8221; vroeg eindelijk de Prins.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid heeft mij verboden, het kabinet van Zijne Doorluchtigheid te doen verzegelen: ik had mij anders van de papieren
+kunnen meester maken, en....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe!&#8221; riep Maurits, opstuivende: &#8220;gij zoudt uw rakkers de handen laten slaan aan de papieren van een Nassau? Gij zoudt op
+een bloot vermoeden de geheimen mijns broeders onderzoeken gaan? van een Vorst van Prinselijken bloede? Dat ten eeuwigen dage
+niet! dat past alleen aan mij.&#8221;
+
+</p>
+<p>Van Kinschot haalde de schouders op: &#8220;<span class="letterspaced" lang="la">qui vult finem, vult media</span>,&#8221;<a id="d0e9985src" href="#d0e9985" class="noteref">1</a> zeide hij: &#8220;dit zal Uwe Hoogheid zich nog wel van den academietijd herinneren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Iets anders!&#8221; zeide Maurits!&#8212;&#8220;wacht! daar schiet mij wat te binnen. De Secretaris des Graven, was die niet met Z. D.?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij zou reeds lang in zekerheid gebracht zijn, indien Uwe Hoogheid zulks verkozen had.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat hem hier komen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou het niet beter zijn, daarmede te wachten, totdat het dag ware? Zijn opontbod in het midden van den nacht zou opschudding
+baren, en ook Uwe Hoogheid heeft rust noodig.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat hem halen: en zoo gij slaap hebt, ga dan naar bed,&#8221; zeide Maurits wrevelig.
+
+</p>
+<p>De Fiskaal zweeg, boog zich en vertrok.
+
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e9985" href="#d0e9985src" class="noteref">1</a></span> Die het einde wil, wil de middelen.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e10000" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Een-en-dertigste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph" lang="nl-1700">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>&ocirc; Die bedrieger! &ocirc; wat ben ik nu verblijd!
+</span></p>
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Hadt gy het niet ontdekt, ik was mijn dochter quijt.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Langendyk</span>, de Zwetser.
+</p>
+</div>
+<p>Gedurende denzelfden nacht, waarin al de door ons in de laatste Hoofdstukken verhaalde omstandigheden hadden plaats gehad,
+waren ten huize van de Gravin Douairi&egrave;re van Nassau de bewoners voor &#8217;t meerendeel niet minder in onrust en beweging geweest,
+dan diegenen, <a id="d0e10015"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10015">332</a>]</span>waarvan wij gesproken hebben; schoon de oorzaak dier drukte geheel andere beweegredenen had. De dienstboden hadden hun bed
+niet gezien, daar zij den tijd, waarin hun meesters ter rust lagen, hadden waargenomen, om de zalen, voorportalen en deuren,
+welke de aanstaande bruid gerekend kon worden door of in te zullen gaan, met bloem- en looverkransen te versieren. De goede
+smaak van Magdalena zat bij deze verrichtingen voor: de bedienden der Gravin beijverden zich de hun gedane aanwijzingen naar
+eisch te volgen: allen beminden en eerden Freule Ulrica, wier gulle vriendelijkheid en gemeenzaamheid in den omgang telken
+reize, dat zij de Gravin bezocht had, aller harten tot zich getrokken had: en zij wisten daarenboven, dat zij hun meesteres
+beliefden, door de Jonkvrouw Van Sonheuvel te vereeren. Feurich en Gheryt Maessen (welke laatste in Den Haag niet veel beters
+te doen had) droegen met al hun vermogen bij tot opluistering der toebereidselen: terwijl eindelijk de oude Rentmeester Beckman,
+te stram en te zwak om mede de hand uit de mouw te steken, niettemin met de deftigheid, welke wij in hem vanouds gekend hebben,
+rondwandelde om zijn hoogwijs advies over den wel- of misstand van het vervaardigde te geven.
+
+</p>
+<p>Reeds was de dag al een geruimen tijd doorgebroken, toen Bouke, over wiens afwezigheid men zich verwonderd had, de zaal binnentrad,
+welke men nu bezig was te versieren, de toebereidselen met een enkelen blik overzag en vervolgens zich met een knorrig gelaat
+in een stoel wierp.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie nun!&#8221; zeide Beckman: &#8220;bist du nicht froh, kamrad nun deiner fraulein heiratht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vroolijk,&#8221; zeide Bouke: &#8220;ja men is niet vroolijk of men moet er reden voor hebben; men ziet aan &#8217;t been waar de hoos gescheurd
+is en het dofferken zingt niet als &#8217;t gaiken geva&ecirc;n is.... Wie had het ooit kunnen denken, toen Joan boven op den toren zat
+gesloten en de kleine Ulrica hem het eten bracht, dat zij uit haar mondje gespaard had, dat zij eens haar verloving vieren
+zou, daar Joan in een erger gevangenis zat? Maar zoo zijn de vrouwen altemaal als het op trouwen aankomt. Wel zegt het spreekwoord:
+een bruidskrans, een blinddoek.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het verwondert mij, Bouke,&#8221; merkte Magdalena met scherpheid aan, dat gij zooveel belang stelt in dien liederlijken knaap,
+dat gij er niet om wilt deelen in de vreugde uwer meesteres. De Freule Van Sonheuvel is u toch nader dan de Spaansche basterd,
+die....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wees toch niet als de ezel van Bileam, die sprak voordat hem gevraagd werd,&#8221; zeide Bouke: &#8220;wat basterd?&#8212;wat liederlijk?&#8212;Er
+leeft geen beter knaap op de geheele wijde wereld dan die eigenste Joan: en ik laat mij villen, als ik niet met den middag
+naar zijn gevangenis toega en den achternoen bij hem doorbreng en u allen hier laat fluiten en pijpen en zingen, zooveel ge
+wilt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga in vrede,&#8221; zeide Magdalena: &#8220;niemand zal uw ijzegrimmen gezicht hier missen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen!&#8221; hernam Bouke: &#8220;dat zullen ze net niet, vooral als uw effen tronie hun overblijft.&#8221;
+<a id="d0e10031"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10031">333</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Waaraftig!&#8221; zeide Feurich: &#8220;Herr Bouke spriecht wohl! dem Jonker Joan ist ein hupscher bursche: das heb ik gesehen, nun sechs
+oder sieben jaren geleden, toen er dem kutsche deed stille st&auml;n.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een beste Jonker!&#8221; voegde Gheryt Maessen er bij: &#8220;zoo gul en goedhartig! ik &#8217;loof nooit, dat hij eenig kwa&ocirc;d opzet teugen
+den Heer Baron in &#8217;t zin had.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat gelooft de Baron ook niet meer,&#8221; zeide Bouke, &#8220;en Z.Ed. zal er met Zijn Hoogheid een ernstig woordeke over spreken. Wie
+weet of de Jonker nog niet in volle glorie op het trouwfeest komt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Wij zullen over het vervolg van dit gesprek, hetwelk den lezer weinig verscheidenheid zou aanbieden, heenstappen en ons de
+zaal voorstellen, nu evenals de portalen en deuren op het fraaist versierd. Reeds vroeg in den morgen trad de Baron, in zijn
+beste staatsiekleederen uitgedost, binnen, en bezag met innerlijk genoegen de gemaakte toebereidselen. &#8220;Jammer maar!&#8221; zeide
+hij, terwijl hij zich in de handen wreef, &#8220;dat onze goede Joan er niet bij is! doch ik zal hemel en aarde bewegen om hem op
+het trouwfeest te krijgen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar zal UEd. wel aan doen,&#8221; zeide Bouke, die zich op dat oogenblik alleen met zijn meester bevond: &#8220;ik ga hem straks opzoeken;
+heeft UEd. hem ook wat te zeggen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, zeg hem, dat ik hoop, dat hij op de bruiloft.... maar hij zal toch niet willen!.... hij denkt immers dat ik zijn vader
+vermoord heb!&#8212;Hoor Bouke! bedui hem toch, hoe dat in zijn werk is gegaan: en zeg hem, dat ik hoop, dat hij zich van alle schuld
+vrij zal pleiten, en als hij een Advocaat noodig heeft, hier staat de man, die &#8217;t wel betalen zal.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal &#8217;t alles overbrengen, zooals UEd. &#8217;t zegt,&#8221; zeide Bouke.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar van wat anders: is de bruid al op?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Er is zooeven om Magdalena geluid of gebeld, zooals ze dat hier noemen,&#8221; zeide Bouke: &#8220;alweer een nieuwe uitvinding: om de
+menschen op te bellen of het schapen waren!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De gasten zullen niet lang meer toeven,&#8221; hernam de Baron: &#8220;mij dunkt, ik hoor reeds iemand komen: ha! het is onze goede Dominee.
+Hoe zoo bedrukt, Weleerwaarde? Je brengt waarachtig geen gezicht voor een bruiloft mede.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb dezen nacht in ontroering en kwelling des geestes doorgebracht,&#8221; antwoordde Raesfelt. &#8220;Het was met mij als de Psalmist
+zegt, Ps. 77:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; " lang="nl-1600">
+<p class="line" style=""><span>Al hebb&#8217; ik van gantscher herten
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Gebeden in anghst en smerten,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Soo blijft doch mijn hert eenpaer
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Vol benauwtheit en anghst swaer.</span></p>
+</div>
+<p>Ik bid u, Heer Baron!&#8221; vervolgde hij, een lang geschrift uit der zak halende: &#8220;zeg mij, komt Zijne Hoogheid nog op de verloving
+gelijk beloofd was en gehoopt werd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ten minste ik weet niet beter dan ja,&#8221; antwoordde de Baron &#8220;doch waartoe deze vraag?&#8221;
+<a id="d0e10067"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10067">334</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik had.... ik wilde aan Z. H. overhandigen.... deze.... dit....&#8221; mompelde de Predikant, zijn papier openvouwende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat drommel is dat?&#8221; vroeg de Baron, lachende: &#8220;denkt ge aan Z. H. een geheele preek voor te lezen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is geen preek, het is....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een gedicht misschien op het jonge paar?&#8212;Nu, dat verwachtten wij ook.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met uw verlof, het is een smeekschrift,&#8221; hernam de Predikant, angstig het oog op zijn werk slaande en met de rechterhand
+de gewone en den Baron welbekende beweging makende, welke aanduidde, dat hij het ging voordragen.<span id="d0e10078" class="corr" title="Bron: &#8221;"></span>
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo! een smeekschrift,&#8221; zeide de Baron, hem het woord afnemende: &#8220;en wat hamer hebt gij toch te smeeken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn zoon,&#8221; zuchtte de beklagenswaardige Predikant: &#8220;mijn Hendrik, de hoop mijns ouderdoms, is zijn woonstede niet bij de
+onrechtvaardigen? is hij niet in de tijdelijke Gehenna, waar weeninge is ende knersinge der tanden? en moet ik mij niet nederbuigen
+voor den machtige, opdat zijn banden verscheurd worden, gelijk David zegt in den tweeden Psalm:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style="text-indent: 2em; "><span>Laat ons breken met een</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Zijn banden al, daer med&#8217; sy ons verstricken.&#8221;</span></p>
+</div>
+<p>&#8220;Uw zoon! mijn goede Hendrik! &#8217;t is waar.... nu, wij willen het beste hopen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ach!&#8221; zeide Raesfelt; hij is medegerekend onder diegenen, die in den kuil dalen, zooals Psalm 88 het heeft! en wie zal hem
+verlossen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij dunkt,&#8221; zeide Reede, &#8220;dat uw stuk wat lang is, Dominee! en den Prins wel eens zou kunnen vervelen en in kwade luim brengen;....
+doch ik heb geen kennis van zulke zaken. Met uw verlof.... ik ga eens even zien of de bruid al op is.&#8221; Dit zeggende liep hij
+de zaal uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat lang?&#8221; zeide Dominee: &#8220;mij dunkt er staat niets in, dan hetgeen er in moet staan.&#8212;Laat ons zien,&#8221; vervolgde hij, bij
+zich zelven, het stuk nogmaals met luider stemme overlezende: &#8220;wat zou daaruit kunnen genomen worden: geen spreuk, geen tekst,
+geen woord? Heb ik er dan vruchteloos een halven Sabbat en dezen geheelen nacht over geblokt?&#8221;
+
+</p>
+<p>Hoe meer zijn Wel-Eerwaarde las, hoe warmer hij werd: eindelijk geraakte hij zoover buiten zijn gewone bedaardheid en stelde
+zich zoo volkomen voor, in de tegenwoordigheid van Zijne Hoogheid te staan, dat hij met de woorden: <span id="d0e10099" class="corr" title="Niet in bron">&#8220;</span>handelt sachtkens met den jongelingh, met Absalom,&#8221; welke het geschrift besloten, de rolle onder het maken eener diepe buiging
+overhandigde aan iemand, die binnentrad, en het stuk met een verbaasde houding aannam en inzag.
+
+</p>
+<p>&#8220;Arminiaansche wanbegrippen.... hm, hm!.... booswichten.... tegen Uwe Hoogheid aangekant.... te duivel!.... moorddadige en
+<a id="d0e10104"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10104">335</a>]</span>verraderlijke ontwerpen.... vergiffenis.... Pots honderd tausent slapverment, Dominee! wat meent ge daarmet?&#8221; en de Heer Van
+Botbergen (want deze was het, die binnen gekomen was) werd bleek als een doek.
+
+</p>
+<p>&#8220;O! ik vraag verschooning, Mijnheer Van Botbergen!&#8221; zeide de Predikant onthutst en verlegen: &#8220;ik was verstrooid van gedachten:
+UEd. is zeker heden of gisteren alhier aangekomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Om de verloving van mijn vriend den Ambtman te vieren,&#8221; hervatte Elbert: &#8220;doch wat moet deze schriftuur?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die was eigenlijk voor Z. H. bestemd,&#8221; zeide Raesfelt: &#8220;doch daar UEd. aan de Hoven geweest zijt, zoude UEd. mij waarschijnlijk
+wel met raad kunnen dienen en mij zeggen, of het zoo goed is.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hm! hm!&#8221; zeide Botbergen, het geschrift haastig doorloopende: &#8220;wat lang, wat gerekt; doch de stijl is keurig en hoogdravend:
+eilieve! waar handelt het eigenlijk over?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mij dunkt,&#8221; zeide de Predikant gebelgd, het smeekschrift weder terugnemende, &#8220;die vraag is vrij onnoodig, als men het stuk
+gelezen heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik traden sommige andere genoodigden de zaal in, en niet lang daarna ook de Ambtman, op &#8217;t kostelijkst als bruidegom
+uitgedost. Na de aanwezigen beleefdelijk gegroet te hebben, nam hij, zoodra het gesprek algemeen was geworden en hij zulks
+onopgemerkt doen kon, Botbergen ter zijde en fluisterde hem in &#8217;t oor: &#8220;welnu?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alles is in gereedheid,&#8221; antwoordde deze: &#8220;Zondag over veertien dagen maken wij ons tusschen kerktijd meester van de stad;
+onze vrienden zijn vol courage en wachten met ongeduld uw terugkomst af.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uitmuntend!&#8221; zeide Mom; &#8220;welnu, Mijne Heeren!&#8221; vervolgde hij, zich tot het gezelschap wendende: &#8220;wat nieuws is er vandaag?
+Mijnheer Van Bleiswyk! is er niets gaande? UEd. heeft anders altijd iets te verhalen.&#8212;Mij dunkt, uw gelaat staat minder opgeruimd
+dan gewoonlijk.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb dezen nacht slecht gerust,&#8221; antwoordde Bleiswyk.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik dacht niet dat UEd. immer rusten kon,&#8221; merkte Mom aan met een spotachtigen glimlach; &#8220;doch waar of mijn goede aanstaande
+schoonvader blijven mag?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;ZijnEdele zal zoo aanstonds hier zijn,&#8221; zeide Bleiswyk: &#8220;ik heb zelf, toen ik het voorportaal doorging, den Heer Baron in
+het spreekvertrek gezien met den Fiskaal.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Den Fiskaal,&#8221; herhaalde Botbergen, verschrikt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu ja, den Fiskaal!&#8221; zeide Mom, zich met een hoogmoediger blik naar hem omwendende: &#8220;heeft uw heldhaftigheid iets met
+Z.-Ed.-Gest. uitstaande?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Heer Fiskaal,&#8221; zeide een der gasten, &#8220;is, naar ik hoor, gisteren den geheelen dag in touw geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Men spreekt van hoogst zonderlinge gebeurtenissen,&#8221; zeide een ander.
+
+</p>
+<p>&#8220;Men verhaalt, het Hof van Graaf Frederik Hendrik is hedenmorgen ongenaakbaar,&#8221; zeide een der gasten, op den schroomvalligen
+<a id="d0e10138"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10138">336</a>]</span>toon van iemand, die niet weet hoe zijn mededeeling zal worden opgenomen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Men zegt, er zijn gevangenen ontsnapt,&#8221; mompelde een ander.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ontsnapt!&#8221; herhaalde de Predikant: &#8220;UEd. gelieve....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ei wat!&#8221; zeide Bleiswyk, die niet langer zwijgen kon, en op wiens gelaat de lust van zijn nieuws te vertellen strijd voerde
+met de voorzichtigheid, die hem het zwijgen gebood: &#8220;wat beduidt al dat gebabbel? Ik zou u de waarheid van al die geruchten
+haarklein kunnen vertellen: want ik heb zelf.... doch ik wil niet.&#8221;&#8212;Dit zeggende, sloeg hij zich de hand voor den mond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Stilte, Mijne Heeren!&#8221; zeide een der gasten: &#8220;daar is Hare Genade.&#8221;
+
+</p>
+<p>De dubbele middeldeur opende zich, en de Gravin Douairi&egrave;re trad binnen in een deftig feestgewaad, haar jonge vriendin aan
+de hand geleidende en door een vroolijken stoet adellijke en hoffelijke jonkvrouwen gevolgd. Zoowel Mevrouw van Nassau als
+de aanstaande bruid zagen bleek en betrokken, en haar rood bekreten oogen toonden aan, dat beiden geweend hadden. De Gravin
+had den nacht slapeloos doorgebracht en onophoudelijk nagedacht over de zonderlinge verschijning der kinderkleertjes, welke
+haar de Fiskaal had voorgesteld. Het wederzien daarvan had het verledene bij haar teruggeroepen, de treurigste herinneringen
+opgewekt en haar zelfs bijna geheel ongeschikt gemaakt om aan het feest van den dag die deelneming te schenken, welke zij
+anders zou betoond hebben.
+
+</p>
+<p>Wat Ulrica betrof, pijnlijke en kwellende gedachten hadden den slaap van haar sponde doen wijken. Die echt, waartoe zij vrijwillig
+en ongedwongen haar woord gegeven had, scheen haar, nu het tijdstip der voltrekking er van naderde, verschrikkelijk, ja, noodlottig
+toe. Zoolang zij nog, door valsche blijken misleid, Joan voor een laaghartigen moordenaar had moeten houden, hadden spijt,
+verontwaardiging en maagdelijke fierheid haar doen toestemmen in een echtverbintenis met een alom geachten, deftigen en haar
+liefde volkomen waardigen echtgenoot, gelijk de Baron haar den Ambtman beschreven had, en waarvoor zij dezen ook te goedertrouw
+bleef houden;&#8212;maar thans, nu Joans onschuld bleek, kwamen de waarschuwingen en zijdelingsche wenken, welke haar voedsterbroeder
+tegen Mom gedaan had, haar met hernieuwd gewicht voor den geest spelen: nu kwam het beeld van hem, die haar twee dagen te
+voren van een dreigend gevaar verlost had, zich voor haar geest stellen, en het kloppend hart verried maar al te zeer partijdige
+liefde voor den verwijderden&#8212;koele onverschilligheid voor den begunstigden&#8212;minnaar. Hevig was Ulrica te moede, toen zij, na
+een ernstig zelfonderzoek, tot slotsom van haar overdenkingen, inzag, hoe de teederheid voor Joan, wiens beeltenis zij geheel
+uit haar boezem waande te hebben uitgedelgd, sterker dan ooit te voren was teruggekomen. Alleen de gedachte, dat zij, door
+den Ambtman te huwen, aan een kinderplicht voldeed, en dat het offer, &#8217;t welk zij bracht, Gode welbehaaglijk wezen zou, was
+in staat geweest, haar het opgewonden gestel tot bedaren te brengen en haar het vaste voornemen te doen opvatten, zich gedurende
+de verlovingsdagen zoodanig <a id="d0e10152"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10152">337</a>]</span>te gedragen, dat haar aanstaande gemaal geen redenen hebben mocht, over haar gedrag ontevreden te zijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;Welkom, mijn beminde bruid!&#8221; zeide Mom, tot haar toetredende en haar de hand kussende: &#8220;doch hoe! gij schijnt geweend te
+hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar moet gij zoo nauw niet op zien,&#8221; viel de Baron, die met den Fiskaal binnen was getreden, hem in: &#8220;dat doen de meisjes
+altijd den nacht voor haar verloving, om op den dag zelven des te helderder te kunnen lachen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Juist,&#8221; zeide Bleiswyk: &#8220;en hoe zouden wij anders bruidstraantjes kunnen schenken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De heer Fiskaal deelt ons een slechte tijding mede,&#8221; zeide de Baron, zich tot de Gravin wendende: &#8220;de Prinsen komen niet!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat heb ik gezegd?&#8221; vroegen nu de nieuwsvertellers zachtjes: ofschoon zij eigenlijk niets gezegd hadden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Is de reden, waarom Hun Hoogheden niet komen, aan den Heer Fiskaal bewust?&#8221; vroeg Mom, naar hem toetredende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die zal zich misschien nader ontwikkelen,&#8221; zeide Van Kinschot met een koele buiging: &#8220;Heer van Bleiswyk! een woord als &#8217;t
+u belieft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tot UEd. dienst,&#8221; zeide deze, met hem ter zijde gaande.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij spreekt geen woord over al wat er dezen nacht is voorgevallen,&#8221; beet hem de Fiskaal in &#8217;t oor: &#8220;of het zal u duur te
+staan komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wilt gij het geld voor de verbeurde boete?&#8221; zeide de Jonker halfluid, terwijl hij lachende een goudbeurs voor den dag haalde:
+&#8220;doch er zijn er meer, die haar verbeurd hebben, door op de bijeenk....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zwijg!&#8221; viel hem de Fiskaal op een strengen toon in de rede: &#8220;zwijg ongelukkige spotter! het kon u slechts goud, doch anderen
+kan het den kop kosten. Wees voorzichtig, of....&#8221;&#8212;Hier hield hij den vinger dreigend op, en een buiging in &#8217;t rond gemaakt
+hebbende, wilde hij vertrekken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een oogenblik, Mijnheer Van Kinschot!&#8221; zeide de Gravin, hem terughoudende: &#8220;die gevangene, waarvan UEd. mij gisteravond gesproken
+heeft.... de Pleegzoon van den Heer Baron....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vergeef mij,&#8221; zeide Van Kinschot: &#8220;doch ik heb bezigheden, welke mij een langer vertoeven verbieden. Ik zal nader de eer
+hebben,&#8221; vervolgde hij met een veelbeteekenenden blik, &#8220;mijn gelukwenschingen aan den Heer Baron te komen doen.&#8221;&#8212;Dit zeggende
+nam hij zijn afscheid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat heeft dit alles toch te beduiden?&#8221; zeide een der aanwezigen: &#8220;de Fiskaal is zoo raadselachtig.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij heeft dezen nacht slecht geslapen,&#8221; zeide Bleiswyk: &#8220;doch mondje dicht: ik moet zijn bevel niet vergeten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik trad Bouke de kamer in.
+
+</p>
+<p>&#8220;Alweer wat anders!&#8221; zeide deze: &#8220;ja! ja! groote visschen springen uit den ketel! &#8217;t vogelken is ontsnapt!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ontsnapt!&#8221; herhaalde de Baron verbaasd. &#8220;Is Joan....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nergens te vinden!&#8221; vervolgde Bouke: &#8220;ja! het is tegenwoordig een kunst van belang om een gevangene te houden;.... maar dat
+is nog niets! er is mij daar op straat nog iemand op zij gekomen, <a id="d0e10192"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10192">338</a>]</span>die hier ook op &#8217;t feest moet wezen;.... doch laat ik maar zwijgen; hij zal gauw genoeg komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wien bedoelt gij?&#8221; vroeg de Baron, rondziende: &#8220;al de gasten die wij verwachten, zijn gekomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu! nu!&#8221; zeide Bouke: &#8220;late haver komt ook op: hoe later op den dag, hoe schooner volk: &#8217;t einde zal den last dragen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O! het is onze Notaris!&#8221; zeide de Gravin, die den Practicus de zaal met een deftigen stap zag binnentreden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jawel morgen de Notaris,&#8221; zeide Bouke meesmuilende: &#8220;doch ik zwijg; maar zij zullen staan te kijken, geloof ik!&#8221; Dit zeggende,
+verliet hij opnieuw het vertrek.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom!&#8221; zeide Reede: &#8220;laat ons nu aan niets anders denken dan aan de plechtigheid van het oogenblik. Wij moeten den Heer Notaris
+niet laten wachten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een aangenaam woord,&#8221; zeide Mom, toetredende, en zijn bruid, wier bleekheid in dit oogenblik nog vermeerderd was, naar de
+tafel geleidende, waaraan zich de Notaris geplaatst had: &#8220;ja waarlijk, thans moeten ons alleen gelukkige gedachten bezig houden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nadat de aanstaanden, de Gravin, de Baron en de gasten hadden plaats genomen, begon de Notaris met de noodige deftigheid het
+huwelijkscontract voor te lezen; doch nauwelijks was hij aan de gewone clausule gekomen: &#8220;met wederzijdsche toestemming van
+ouders en bloedverwanten,&#8221; of iemand trad de zaal binnen en zeide, met een zachte, doch doordringende stem: &#8220;ik heb de mijne
+nog niet gegeven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie? wat? wat is dat?&#8221; riepen al de aanwezigen als uit &eacute;&eacute;nen mond, en zagen naar de deur, waarin een grijsaard stond, door
+Bouke binnengeleid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik Godard van Reede van Sonheuvel,&#8221; hernam de onbekende, &#8220;heb mijn toestemming niet gegeven tot het huwelijk van Jonkheer
+Jacob Mom met Jonkvrouwe Ulrica van Reede tot Sonheuvel, mijn kleindochter.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met welk recht....?&#8221; riep Mom, driftig opspringende; doch zoodra hij in den nadertredenden grijsaard Vader Ambrosius herkende,
+trad hij ontzet achteruit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Met uw verlof, oom!&#8221; zeide de Baron, terwijl hij wrevelig den brief uit den zak haalde, dien hem de Vicaris geschreven had:
+&#8220;vervat dit stuk papier uw toestemming niet?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die was slechts voorwaardelijk,&#8221; hernam de Vicaris: &#8220;indien de Ambtman zich geschikt achtte om mijn pleegdochter gelukkig
+te maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Welnu? en dit heeft hij plechtig beloofd,&#8221; zeide Reede.
+
+</p>
+<p>&#8220;Beloofd?&#8221; herhaalde Vader Ambrosius: &#8220;Heer Ambtman! durft gij in mijn tegenwoordigheid die belofte herhalen?&#8212;Bedenk u wel!
+en luister naar hetgeen ik u vraag.&#8212;Hebt gij het voornemen, van Ulrica&#8217;s geluk door dezen echt, in <span class="letterspaced">deze</span> omstandigheden te bevorderen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker ben ik niet voornemens haar ongelukkig te maken,&#8221; zeide Mom, met zichtbare verlegenheid.
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen omwegen! ik vraag eenvoudig, ja of neen.&#8221;
+<a id="d0e10229"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10229">339</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Nu.... ja!&#8221; antwoordde Mom.
+
+</p>
+<p>&#8220;Doch kunt gij dit?&#8221;&#8217; hernam de Vicaris: &#8220;zijt gij niet overtuigd, dat dit huwelijk voor haar een bron van ellende zijn zal?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Voor den duivel!&#8221; riep Mom, door dit ondervragen van de wijs gebracht: &#8220;wat meent gij daarmede?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijnheer!&#8221; zeide nu de Gravin, zich tot den Vicaris wendende: &#8220;ik moet u verzoeken, dergelijke tooneelen in mijn huis te
+vermijden. De Heer Ambtman heeft uw vraag beantwoord, en, naar mijn begrip, kan geen betrekking van bloedverwantschap, geen
+gezag u het recht geven tot zulke vragen. Wat kan u nopen, onze blijdschap bij een zoo algemeen toegejuichte echtverbintenis
+op een zoo onhebbelijke wijze te komen storen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn recht noch mijn deel zullen den Heer Ambtman raadselachtig voorkomen,&#8221; zeide Ambrosius.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb in mijn leven zooveel <span class="letterspaced">incidenten</span> niet bijgewoond,&#8221; zeide Bleiswyk, zich van vermaak de handen wrijvende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik verzoek Uwe Genade nederig om verschooning,&#8221; vervolgde de Vicaris, met een eerbiedige buiging, tegen de Gravin: &#8220;doch
+ik moet hier mijn plicht vervullen. Jonkheer Jacob Mom! gij hebt mijn laatste vraag nog niet beantwoord.&#8221;
+
+</p>
+<p>Aller oogen vestigden zich weder op den Ambtman, van wien men verwachtte, dat hij eindelijk door een krachtig antwoord den
+vreemdeling uit het veld zoude slaan; doch hij scheen zijn gewone tegenwoordigheid van geest geheel verloren te hebben, en
+met wankelenden gang trad hij naar den Vicaris toe.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mag ik u,&#8221; vroeg hij met een bevende stem, &#8220;om een oogenblik onderhoud verzoeken? Ik geloof, dat wij deze zaak best afzonderlijk
+zullen afhandelen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Een redelijke vraag sla ik niet af,&#8221; antwoordde Ambrosius, zich naar een venster begevende: &#8220;welke opheldering verlangt gij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat is uw doel?&#8221; vroeg Mom zacht en schielijk: &#8220;waarom mij dus tentoongesteld op een oogenblik, dat ik alles voor uw geloofsgenooten
+doe?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Met uw geheim verdrag met Grobbendonck heb ik niet te maken,&#8221; antwoordde de Vicaris: &#8220;doch geen landverrader mag zich met
+ons geslacht vermengen; ik had mij gevleid, dat gij, na het lezen van mijn brief, mij zoudt begrepen hebben en van Ulrica
+afstand gedaan; dan ware dit tooneel vermeden geweest. Tree nog terug, zoo zwijg ik; doch volhardt gij bij uw voornemen, zoo
+maak ik alles bekend.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En hoe denkt gij, dat men uw gedrag in Spanje en te Rome zal opnemen?&#8217;&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Noch Spanje, noch Rome kunnen van mij vergen, dat ik in een echtverbintenis stem, die mijn kleindochter in handen eens verraders
+overlevert.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Is uw besluit onherroepelijk?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Onherroepelijk.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bedenk, dat ik uw rang hier bekend kan maken, u gevangen doen nemen, u....&#8221;
+<a id="d0e10267"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10267">340</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik bedenk alles; doch bedenk zelf, wie hier de meest gevaarlijke openbaringen zou kunnen geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In &#8217;s duivels naam dan,&#8221; zeide Mom, zich van hem afwendende. &#8220;Heer Baron!&#8221; vervolgde hij luid: &#8220;het spijt mij; doch ik vind
+uw schoonvader hardnekkiger dan ik gehoopt had. Wij zullen de voorgenomen verbintenis moeten uitstellen, tot Zijn Hoogwaardigheid
+in een betere luim is. Kom, Botbergen! laat ons weder naar Tiel vertrekken, ten einde hier niet tot voorwerp van spot aan
+de Haagsche Jonkers te verstrekken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze woorden geuit hebbende, maakte hij een deftige buiging voor het geheele gezelschap en keerde zich om met oogmerk van
+te vertrekken; dan eer hij nog aan de deur gekomen was, eer nog de aanwezigen van hun verbaasdheid waren teruggekomen, was
+de Fiskaal Van Kinschot binnen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Jonkheer Jacob Mom,&#8221; zeide deze, naar hem toetredende: &#8220;gij zijt mijn gevangene.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Bewaar ons!&#8221; zeide Bleiswyk: &#8220;wat heeft Zijn-Edel-Gestrenge het tegenwoordig volhandig!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Alle duivels!&#8221; mompelde Botbergen, en, het oogenblik waarnemende, dat alle blikken op Mom gevestigd waren, sprong hij een
+venster uit dat openstond, en nam de vlucht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gevangen!&#8221; riep Mom, die als versteend bleef staan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gevangen!&#8221; herhaalden al de aanwezigen: &#8220;is het mogelijk!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ha! vervloekte grijskop! dat is uw werk!&#8221; brulde de Ambtman, eensklaps als uit een sluimering ontwakende en met de gesloten
+vuist den Vicaris dreigende: &#8220;doch beef! gij zult mijn wraak niet ontgaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is mijn werk niet,&#8221; zeide Pater Ambrosius met koelheid: &#8220;had ik deze ontknooping kunnen voorzien, mijn tegenwoordigheid
+hier ware overbodig geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nietwaar?&#8221; grauwde hem de Ambtman toe: &#8220;Mijnheer Van Kinschot! verzeker u ook van dezen booswicht. Hij noemt zich Vicaris-Generaal
+in de Nederlanden....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo noemde hij zich,&#8221; hernam de grijsaard: &#8220;thans heet hij eenvoudig Pater Ambrosius, gelijk voorheen. Indien UEd.-Gestr.,&#8221;
+vervolgde hij, zich tot den Fiskaal wendende, &#8220;echter begrijpt, dat ik hier in gevangenschap moet blijven, zoo wees overtuigd,
+dat ik niet zal trachten te ontsnappen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeer gelukkig,&#8221; zeide Bleiswyk: &#8220;er zijn er ook genoeg ontsnapt in de laatste dagen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mag men niet weten,&#8221; vroeg de Gravin, &#8220;waarvan de Heer Ambtman beschuldigd wordt?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Van hoogverraad, Mevrouw!&#8221; antwoordde Van Kinschot: &#8220;Mijn Heeren!&#8221; vervolgde hij tot de gerechtsdienaars: &#8220;leidt uwen gevangene
+weg.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Arme! lieve Ulrica!&#8221; zeide de Gravin tegen Ulrica, die als versteend en van verschillende aandoeningen vervuld aan een tafel
+nederzat: &#8220;had iemand kunnen denken, dat uw verlovingsdag zoo ongelukkig ten einde zoude loopen? Kom,&#8221; vervolgde zij, haar
+onder <a id="d0e10300"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10300">341</a>]</span>den arm nemende: &#8220;verwijderen wij ons: de eenzaamheid zal u thans het meest welkom zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Deze woorden zeggende, wilde zij Ulrica de zaal uitgeleiden, toen de deur wijd openvloog en een dienaar de Prinsen aanmeldde.
+
+</p>
+<p>Prins Maurits trad binnen met een gelaat, waarop de aandoeningen, welke hem gedurende de laatste uren hadden vermeesterd,
+nog zichtbaar waren: hij hield zijn broeder onder den arm, en de blik van dezen teekende een opgeruimdheid, welke aan het
+scherpziend oog van Bleiswyk niet verborgen bleef, en waaruit deze laatste ontwaarde, dat het misverstand tusschen beide broeders
+was opgehelderd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik bid u om verschooning,&#8221; zeide Prins Maurits, zich tot de huisgenooten wendende, &#8220;zoo ik mij thans hier nog kom vertoonen,
+nadat ik mij genoodzaakt heb gezien, uw vreugde in droefheid te doen verkeeren. Doch zoo ik hier in geen blijdschap kan deelen,
+zoo kan ik ten minste troost aanbrengen. Ik kan meer doen, Heer Baron! ik kan u zelfs gelukwenschen, dat de Almachtige uw
+dochter van den rand des afgronds heeft gered, waarin een onwaardige echtverbintenis haar zou gestort hebben. Weet, dat ik
+zooeven de duidelijkste bewijzen ontvangen heb, dat de Ambtman Mom het voornemen had, na het einde van het Bestand de stad
+Tiel in de handen des Spanjaards te leveren.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Jawel mogen wij God danken, indien dit het geval is,&#8221; zeide Reede.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel is het, als de Psalmist zegt,&#8221; zeide Raesfelt, &#8220;Ps. 76:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Gy sult ombrengen &#8217;t gansche rot
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Der woedende boosdaders quaet.</span></p>
+</div>
+<p>&#8220;Doch, dit is niet de eenige reden mijner komst,&#8221; hernam de Prins. &#8220;Er is iemand, die belangrijke mededeelingen betreffende
+de gevormde samenzwering gedaan heeft, doch die nog meerder ontdekkingen doen kan, welke hij in dit ge&euml;erd gezelschap, en
+nergens anders, verlangt aan &#8217;t licht te brengen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nog meer ontdekkingen?&#8221; zeide Bleiswyk bij zich zelven: &#8220;welk een heerlijke dag! die geeft voor een maand stof tot onderhoud.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu plaatsten zich de vorstelijke personages en al de aanwezigen in het rond: de deur werd geopend en met bleek gelaat en wankelende
+schreden trad Ludwig, van twee wachten gevolgd, de zaal binnen. Doch, om zijn verschijning hier ter plaatse te verklaren,
+is het noodig, dat wij de geschiedenis weder wat hooger ophalen.
+
+
+
+<a id="d0e10323"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10323">342</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="d0e10324" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Twee-en-dertigste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Aan wien behoore ik dan? wien word ik tot verrader?
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Wat kan, wat moet ik doen, aan alle zijde omzet?
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Wie voert my strafloos, wie onschuldig uit dit net?
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>&ocirc; Zwakke, &ocirc; weeke ziel! wat liet ge u dus verwrikken
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Wat kan ik, hoe &#8217;t ook ga, dan voor mij-zelven schrikken?</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Bilderdyk</span>, Floris de Vijfde.
+</p>
+</div>
+<p>Ludwig had zijn Doorluchtigen meester verlaten, toen deze het Binnenhof was opgetreden; met driftigen spoed had hij eenige
+straten en stegen doorkruist en eindelijk geklopt aan een kleine woning, in het minst bezochte gedeelte der stad gelegen.
+Eene oude vrouw, welke al het uiterlijke eener tooverheks had, opende hem de deur en geleidde hem, na een soort van wachtwoord
+met hem gewisseld te hebben, in een berookte, en dompige kamer, waar, aan een groote, met papieren, plannen en landkaarten
+overdekte tafel, een manspersoon bij het flauwe schijnsel eener lamp zat te lezen. Voor de tafel stond een groote opene kist,
+zoodanig geplaatst, dat men, door de tafel aan de tegenzijde op te lichten, al wat daar op lag in de kist kon werpen en dus
+aan de oogen van een onverhoopten bezoeker onttrekken. Wat verder stonden twee andere opene koffers, gevuld met rollen papier,
+ijzeren werktuigen, vermommingen en maskers, valsche baarden en andere dergelijke voorwerpen. Onder het bereik des lezers
+lagen op een stoel twee zakpistolen, een dolk, een paar gereformeerde bijbels en een <span class="letterspaced">vulgata</span>. Op de tafel stond een waterkruik met een tinnen kroes, een zandlooper en het noodige schrijfgereedschap.
+
+</p>
+<p>In het midden van al die vreemdslachtige voorwerpen zat, in een grooten leunstoel, met leder voorzien, en die desnoods tot
+rustbank had kunnen strekken, de persoon, welken Ludwig kwam zoeken, een man, die, zooals hij daar geplaatst was, alleen de
+tooverroede miste, om voor een wichelaar te worden aangezien; want zijn sterk gerimpeld voorhoofd, waarvan slechts eenige
+grauwende haren ongekamd afhingen, kenteekende zorgen en vermoeienissen van den geweldigsten aard. Onder de zware grijze wenkbrauwen
+waren twee gitzwarte oogen zoo diep in de kassen verscholen, dat zij niet oneigenaardig konden vergeleken worden bij fakkels,
+welke men aan het einde van een donker verwulf ziet glimmen. Op de vale wangen waren de groeven der onthouding met diepe voren
+ingedrukt; en de dikke onderlip, met een uitdrukking van algemeene verachting en wrevel tot aan den grauwen knevel opgeheven,
+zette aan de vervallen trekken des gelaats iets Satanachtigs bij. De dorre hand liet, bij de intrede des geheimschrijvers,
+het geschrift varen, dat zij vasthield, en strekte zich langzaam uit naar een der binnen <a id="d0e10350"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10350">343</a>]</span>haar bereik gelegen pistolen, terwijl al de pezen van het aangezicht zich samentrokken en de oogen blauwe vlammen schoten;
+doch, zoodra de grijsaard bij de stralen der lamp, die op het aangezicht van Ludwig vielen, ontdekt had, wie de verstoorder
+zijner overdenkingen was, leide hij het moordtuig weder neder en hernam zijn vorige houding.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij ziet mij reeds terug, Pater!&#8221; zeide Ludwig: &#8220;alles heeft een spoediger wending genomen dan wij gedacht hadden!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hebt uw rol meesterlijk gespeeld,&#8221; zeide Eugenio, wien onze lezers ongetwijfeld uit de bovenstaande beschrijving reeds
+zullen herkend hebben: &#8220;ik ben zeer over u voldaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Doch ik niet over u! wat moet er van dit alles worden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe nu! is alles niet juist afgeloopen gelijk wij gewenscht hadden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gelijk gij gewenscht hadt, Pater!&#8221; zeide Ludwig, zich op een stoel werpende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw taal bevreemdt mij,&#8221; zeide Eugenio, de lamp zoodanig opnemende, dat het licht den Secretaris vlak op het gezicht scheen:
+&#8220;doch ja, uw verwilderd oog, uw meer dan gewone bleekheid, uw bevende lippen.... wat hebt gij toch gezien, dat u de bedaardheid
+ontnomen heeft, welke ik u tot heden altijd toegekend heb?&#8221;&#8212;Dit zeggende, plaatste hij de lamp weder voor zich en wachtte
+met een koel gelaat het antwoord des jongelings af.
+
+</p>
+<p>&#8220;Vraagt gij nog, wat mij ontzet heeft?&#8221; riep Ludwig uit, weder opstaande en met groote schreden de kamer op en neder wandelende:
+&#8220;Heb ik niet, als een andere Judas, mijn meester verkocht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hmm!&#8221; bromde de Jezu&iuml;et: &#8220;uw meester is de Koning van Spanje.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De Koning van Spanje!&#8221; herhaalde Ludwig: &#8220;heeft de Koning van Spanje mij gevoed, gekleed, zijn gunst, ja zijn innig vertrouwen
+geschonken?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zijt een gek,&#8221; zeide Eugenio, &#8220;na al hetgeen gij verricht hebt, zoudt gij thans, nu wij op het punt zijn van het doel
+te bereiken, waarvoor wij zooveel jaren gezwoegd hebben, door een bespottelijk, kinderachtig en volkomen onnut berouw gedreven,
+aan de deur des heils stilstaan, en alsof er niets gedaan ware, op uw voetstappen terugkeeren! Gij zijt als een schipper,
+die, een rijke lading van verre kusten, spijt storm en zeeroovers aangebracht hebbende, die in de haven overboord zoude werpen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gave de Hemel, dat ik alles als niet gedaan beschouwen mocht,&#8221; zeide Ludwig, met een diepen zucht: &#8220;dan zou het bloed van
+den jongen Graaf van Falckestein niet op mijn hoofd wegen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Laat dat bloed voor rekening van hen, die het vergoten hebben,&#8221; bromde Eugenio.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zou de huichelachtige rol, welke ik twintig jaren gespeeld heb, mijn boezem niet drukken,&#8221; vervolgde Ludwig, meer en
+meer ontsteld.
+
+</p>
+<p>&#8220;Voor al die leugens is u vergiffenis bezorgd,&#8221; merkte de Jezu&iuml;et, aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zou ik,&#8221; vervolgde Ludwig, zonder acht te geven op de woorden van den Pater, &#8220;mij niet te verwijten hebben, op een lage
+<a id="d0e10382"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10382">344</a>]</span>wijze het vertrouwen van den goeden, edelen Graaf misbruikt, zijn hand valschelijk nagemaakt, zijn eer vuig beklad en hem
+zelven met eigen handen aan de wraak eens driftigen broeders te hebben overgeleverd.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij hebt alleen mijn voorschriften gevolgd, en volgens de getuigenis van kundige godgeleerden, is de dienaar nimmer verantwoordelijk
+voor de daden, welke hij op last zijns meesters bedrijft.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ludwig stond stil en wierp een smadelijken blik op den Jezu&iuml;et. &#8220;Ziedaar wat mij het meeste hindert, dat ik op mijn jaren
+nog heb kunnen toestemmen, de houten pop te blijven, die geen andere bewegingen deed, dan die &ograve;f gij &ograve;f Magdalena mij toelieten
+te doen, dat ik de slaaf moest wezen van een paap en een geestdrijvende vrouw.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Die slavernij houdt voortaan op,&#8221; zeide Eugenio: &#8220;eens ons doel bereikt hebbende, wordt gij uw eigen meester, en een ouderdom
+van weelde en onafhankelijkheid zal u de gehoorzaamheid van jaren vergoeden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En wie betaalt mij mijn verloren zielsrust?&#8221; vroeg Ludwig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb u reeds gezegd,&#8221; hernam Eugenio, &#8220;dat uw zonden u vergeven zijn. Wat kan u dan nog kwellen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Al genoeg,&#8221; zeide de geheimschrijver, &#8220;al genoeg heb ik de afschuwelijke drogredenen, welke uw Soci&euml;teit kenmerken, aangewend,
+om in mijn benepen hart de kalmte te doen terugkeeren: gisteren nog hadden uw grondbeginselen indruk op mijn geest; doch thans,
+nu het misdrijf gepleegd is, zie ik met ijzing op mijn gedrag. terug.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Er is niets dwazer,&#8221; zeide Eugenio, met de uiterste koelheid, &#8220;dan zich gepleegde daden te verwijten. Wat onherstelbaar is,
+kan niet herdaan worden: en evenals men de geheugenis van hetgeen men uit verkeerde beginselen bedreef, uit zijn geest moest
+wisschen, dient men ook het berouw deswege, als ondienstig en overtollig, uit zijn hart te verbannen: deze leer heb ik geheel
+mijn leven door in praktijk gebracht en er mij steeds wel bij bevonden. Geloof mij, Ludwig! ik behartig, door zoo te spreken,
+alleen uw rust en welzijn; in beide stel ik belang, meer dan gij denken of vermoeden kunt. Van uw kindsheid af zijt gij het
+voorwerp mijner trouwhartigste zorg en genegenheid geweest: en het grootste bewijs hiervan ligt daarin, dat ik u, in wien
+ik het afdruksel van mij zelven waande te beschouwen, tot het heerlijk werk heb verkozen, hetwelk gij tot nog toe met zooveel
+beleid en trouw vervuld, ja, &#8217;t welk gij ten einde gebracht hebt. Na gedanen arbeid is de rust dubbel zoet, en, ofschoon ik,
+wiens leven aan de eer mijns Konings toegewijd geweest is, die rust nooit gesmaakt, ja nooit verlangd heb, wil ik u die laten
+genieten. De keuze waar, en in welken rang gij die wilt smaken, laat ik aan u over, en ik twijfel niet, of mijn invloed zal
+u den rang of de bediening doen verkrijgen, welke gij verlangen zult.&#8221;
+
+</p>
+<p>Eugenio hoopte, door deze vooruitzichten aan den geldzuchtigen jongeling voor te stellen, de vlagen van een lastig, en in
+zijn oogen <a id="d0e10400"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10400">345</a>]</span>hoogst ontijdig berouw te verdrijven; doch Ludwig was te sterk ontroerd en buiten zichzelven, om thans gehoor te geven aan
+de koude drogredenen van den man, wiens hatelijke raadgevingen hem zoover op den weg van het misdrijf gebracht hadden. Ziende,
+dat de geheimschrijver zich niet langer door schoone beloften paaien liet, en dat zijn ontwaakt geweten door geen hoop op
+belooning meer tot rust zou kunnen gebracht worden, wendde hij het over een anderen boeg, en trachtte met klem van redeneering
+te betoogen, dat Ludwig in allen gevalle te ver gegaan was om weder terug te keeren: dat het zaad van tweedracht, door hem
+in een vruchtbaren akker geworpen, hoog was opgeschoten, diepe wortels gevat had en niet meer kon uitgeroeid worden: dat het
+Bestand met de week eindigde, waarna het vuur der muiterij alom stond uit te bersten, in &eacute;&eacute;n woord, dat het uur gekomen was,
+waarop men de vrucht van zoovele moeite en opofferingen smaken zoude. &#8220;En zoudt gij,&#8221; vervolgde hij, &#8220;dwaas genoeg zijn, om,
+in &eacute;&eacute;n oogenblik, ter voldoening van eenige belachelijke zwarigheden, den arbeid van jaren, niet voor anderen, maar voor u
+zelven om te stooten? Hebt gij nooit de fabel gelezen van den hond, die, zijns meesters spijskorf dragende, door andere honden
+werd overvallen, die hem de spijs trachtten te ontweldigen. Toen hij zag, dat hij tegen de menigte toch niet was opgewassen,
+maakte hij wijselijk van den nood een deugd, nam het beste deel en liet het overschot van den buit aan de hongerige aanvallers.
+Ziedaar een navolgenswaardig voorbeeld. Al treedt gij terug, gij kunt ons niet meer beletten, ons doel te bereiken. Het Stadhouderlijk
+gezag is aan het wankelen. Verraad, omkooping en wantrouwen beheerschen de raadsvergaderingen. Gelderland en het Sticht zijn
+den dag na het hervatten der vijandelijkheden in de handen der Spanjaards: de zonen van den Advocaat slijpen den dolk, die
+Maurits&#8217; hart doorboren zal&#8212;en waar blijft gij dan met uw ontijdig berouw? Breng, zooals men zich in dit land uitdrukt, uw
+koetjes op &#8217;t droge, eer de overstrooming hier have en huis komt wegspoelen, en blijf niet als een onberaden zot naakt en
+berooid op de deerlijke overblijfselen staan, omdat gij geen moeds genoeg bezit om u datgene vooruit te verzekeren, waarop
+gij bij deeling wettige aanspraak hadt.&#8221;
+
+</p>
+<p>De welbespraaktheid des Paters was dezen keer geheel vruchteloos verspild, ja zelfs deed zij een tegenovergestelde uitwerking
+dan die, welke Eugenio er van verwachtte. Ludwig, die van nature een vreesachtige en lafhartige geaardheid bezat, en die thans
+minder door een oprecht berouw gedreven werd dan wel door den angst voor de straffen der hel, welke hij, in weerwil van &#8217;s
+Paters geruststellende woorden, voor zijn voeten geopend zag, Ludwig voelde zich gedurig meer benauwd door de voorstellingen,
+die hem Eugenio deed, en welke hem hoe langer hoe meer het onvergoedbare van het door hem verrichte kwaad lieten zien. Zijn
+gemoedsangst had hem naar Eugenio gejaagd; zijn gemoedsangst deed hem weder verlangen in de opene lucht terug te keeren, en,
+zonder een woord te spreken, zou hij de kamer verlaten hebben, toen Eugenio hem, op <a id="d0e10404"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10404">346</a>]</span>den welbekenden strengen toon, aan welken bij altoos was gewend geweest gehoorzaam te zijn, gelastte te blijven.
+
+</p>
+<p>Ludwig trad dan ook een stap terug; doch zijn hand verliet de kruk der deur niet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat gaat gij doen?&#8221; vroeg Eugenio.
+
+</p>
+<p>Ludwig zweeg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Beken het veilig: gij gaat den Stadhouder opzoeken en alles aan hem verklappen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ludwig sloeg de oogen neder, doch antwoordde niet.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe edel! hoe aandoenlijk!&#8221; zeide Eugenio, met een bitteren glimlach: &#8220;gij zult mij, die u, van kindsbeen af, heb voortgeleid
+en liefgehad, gij zult uw moeder, uw moeder, die alleen voor u zich zooveel opofferingen getroostte, die alleen voor u leeft,
+gij zult vrienden, die op uw trouw steunen, aan de beulen eens dwingelands prijsgeven.&#8212;Voorwaar, een schitterende heldendaad,
+en welke uw politieke loopbaan op een prachtige wijze besluiten zal.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ludwig wierp zich op een stoel en verborg zijn gezicht in zijn handen.
+
+</p>
+<p>&#8220;En denkt gij,&#8221; vervolgde Eugenio, &#8220;dat deze trage bekentenis u baten zal?&#8212;Dat gij u daardoor voor straf zult vrijwaren?&#8212;Neen!
+neen! wij zullen op het schavot komen, doch gij zult er ons vergezellen. Welk een aandoenlijk familietafereel zal dat geven,
+als gij tusschen uw moeder en mij op het rad zult uitgestrekt zijn! ha! ha! ha! ik zie reeds, hoe de beul zijn vuurtje stookt
+en u met gloeiende tangen het vleesch uit het lijf haalt, om u voor uw waarheidspreken te beloonen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De akeligheid dezer voorstelling joeg Ludwig een kille huivering aan, die al zijn leden beven deed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Doch ik zie al,&#8221; zeide Eugenio, zijn stem verzachtende, &#8220;dat gij wijzer zijn zult en tot betere gedachten zijt teruggekeerd.
+Kom! wees een man, Ludwig! en geef u aan geen dwaze wanhoop over. Hoor! ik heb u lief,&#8221; vervolgde hij, Ludwig tot zich trekkende,
+&#8220;anders ware het vermoeden alleen, dat gij mij verraden wildet, genoegzaam om mij zonder verdere omwegen van u te ontslaan.
+Was uw leven niet aan het eind van dit pistool! En had het niet in mijn macht gestaan, u, eer gij een stap verder deedt, buiten
+de mogelijkheid te stellen, uw oogmerk te volvoeren? Wees bedaard! tracht wat te slapen! Na een goede nachtrust zult gij geheel
+anders denken.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Misschien,&#8221; zeide Ludwig, oprijzende: &#8220;ik zal &#8217;t beproeven; doch hier in dit benauwde kot kan ik niet langer blijven; &#8217;t
+is of ik stikken zal.&#8221;&#8212;Dit zeggende ontknoopte hij zijn buis.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik zal u laten gaan, Ludwig! op &eacute;&eacute;n voorwaarde. Beloof mij, dat gij geen onberaden stap zult doen, dat gij nu naar uw nachtverblijf
+keeren en ter rust zult gaan. Morgenochtend kunt gij doen wat gij wilt: doch beloof mij thans te gaan slapen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik beloof het u,&#8221; hernam de Secretaris, terwijl hij angstig het vertrek op en neder liep: &#8220;nog meer, ik beloof u, dat wat
+er ook geschiede, ik u niet betichten zal.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zult noch mij, noch u zelven betichten, daar ben ik overtuigd van; doch, drink wat: uw zenuwen zijn aangedaan: een teug
+<a id="d0e10434"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10434">347</a>]</span>wijns zal u goeddoen&#8221;&#8212;Dit zeggende, ging de Pater naar het kabinetje, dat hem tot slaapvertrek diende, en kwam spoedig met
+een kan wijns en twee glazen terug.
+
+</p>
+<p>Hoe hangen dikwijls de grootste gebeurtenissen van kleine omstandigheden af! Had Eugenio zich met de beloften van Ludwig tevreden
+gesteld en daarop vertrouwd, wellicht waren de Vereenigde Nederlanden, door binnenlandschen twist verscheurd, door verraad
+verkocht, opnieuw een deel van Spanje geworden. Doch de wantrouwende ziel des booswichts deed hem vreezen, dat Ludwig wellicht
+zijn woord niet houden zoude, en om zeker te zijn, dat deze hem dien nacht althans niet verraden zoude, had hij een slaapdrank
+onder dien wijn gemengd. Die slaapdrank redde de Nederlanden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hier,&#8221; zeide hij, terwijl hij inschonk: &#8220;drink Ludwig! <span class="letterspaced" lang="la">damus vinum his qui amaro sunt animo ut doloris sui non recordentur amplius</span>,<a id="d0e10443src" href="#d0e10443" class="noteref">1</a> gelijk de <span class="letterspaced">vulgata</span> zegt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Doch de geheimschrijver was niet minder wantrouwend dan zijn leermeester in de kunst van veinzerij. Eer hij dronk, hield hij
+het glas voor het licht en ontdekte dat de wijn bijzonder troebel en schijnbaar met een vreemd vocht vermengd was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Die wijn is vergiftigd!&#8221; riep hij, den Jezu&iuml;et met een vreeselijken blik aanziende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo! de wijn is bedorven,&#8221; zeide Eugenio, en goot haastig het glas ledig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zal ik gaan onderzoeken,&#8221; hernam Ludwig, en, de kan van de tafel nemende, wilde hij vertrekken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Sta!&#8221; riep Eugenio, hem met een ijzersterke vuist aangrijpende: &#8220;niet van uw plaats. Hoor mij eerst!&#8221;
+
+</p>
+<p>Doch eer hij nog een woord tot verklaring van zijn gedrag had kunnen bijvoegen, sloeg Ludwig, dien de vreeselijke blik zoowel
+als de beweging van den Pater voor een moorddadigen aanval op zijn leven deden vreezen, hem met de wijnkan zoo geweldig in
+&#8217;t gezicht, dat het bloed hem uit neus en mond sprong.
+
+</p>
+<p>Bedwelmd van pijn tastte de Jezu&iuml;et naar zijn pistolen; doch Ludwig voorkwam hem, en, zijn mes uithalende, stootte hij het
+Eugenio tot het heft toe in de zijde. De gewonde stortte ruglings achterover: hij poogde te spreken; doch alleen door een
+afschuwelijken lach kon hij zijn zielsgevoelens uitdrukken.
+
+</p>
+<p>Ter dood toe ontsteld, ijlde Ludwig, zoodra hij hem vallen zag, de deur uit, en nam, schier zonder te weten, den weg naar
+het oude Hof.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie daar?&#8221; vroeg een onderofficier, die juist met eenige soldaten het paleis uitkwam, toen Ludwig het binnen wilde gaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben de Secretaris van Z. D.&#8221;, gaf deze ten antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan zijt gij juist de man dien wij zoeken: Z. Hoogh. verlangt u zoo dadelijk te spreken.&#8221;
+<a id="d0e10471"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10471">348</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ha! welkom!&#8221; riep de jongeling: &#8220;ik ook, ik moet Zijn Hoogheid spreken!&#8212;Alles in orde. Ik volg u, Mijn Heeren!&#8221;
+
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e10443" href="#d0e10443src" class="noteref">1</a></span> Wij geven wijn aan hen, wier ziel met bitterheid vervuld is, opdat zij hunner droefheid niet meer indachtig zijn zouden.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="d0e10474" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Drie-en-dertigste Hoofdstuk.</h2>
+<div class="epigraph" lang="nl-1600">
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>Wat zien we? Duinrijcks merek, een knijn in duin, een knijn,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Dit komt op waerheit uit: hier liegt geen valsche schijn,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>&#8217;t Verhael hangt hecht aen een: hier mangelt niet een schakel.</span></p>
+</div>
+<p><span class="letterspaced">Vondel</span>, Leeuwendalers.
+</p>
+</div>
+<p>Ludwig trad, gelijk wij gezegd hebben, met een wankelenden stap de zaal bij de Gravin van Nassau binnen, en bleef met nedergeslagen
+oogen staan, totdat de Prins hem last gaf, alsnu te openbaren wat hij nog te zeggen had.
+
+</p>
+<p>Toen eerst boog hij zich, zag langzaam en deemoedig de Vorsten, de Gravin en den Baron aan, huiverde op het gezicht van Magdalena,
+die bleek als een steen achter haar jonge meesteres stond, en begon toen op de volgende wijze:
+
+</p>
+<p>&#8220;Ofschoon ik beken, dat ik op de schandelijkste wijze het vertrouwen mijns doorluchtigen meesters misbruikt heb....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Sla dat maar over,&#8221; zeide Maurits, haastig: &#8220;ter zake!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Verschoon mij, Uwe Hoogheid!&#8221; vervolgde de Secretaris: &#8220;ik wilde alleen zeggen, dat, hoe slecht ik ook heb kunnen handelen,
+ik echter thans een geheim aan &#8217;t licht wil brengen, hetwelk mij wellicht, zoo het mij niet voor straf vrijwaart, de dankbaarheid
+van sommige personen uit dit luisterrijk gezelschap zal mogen verwerven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga zonder omwegen voort,&#8221; zeide de Prins op een strengen toon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik moet dan beginnen,&#8221; hernam Ludwig met een zucht, &#8220;aan den heer van Sonheuvel te verhalen hetgeen ik bereids aan den Heer
+Fiskaal verhaald heb, dat zijn pleegzoon Joan al zijn liefde en achting nog volkomen waardig is, en dat deze in geen aanslag
+noch tegen zijn pleegvader, noch tegen den lande gedeeld heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat kan ik bevestigen,&#8221; zeide Vader Ambrosius op een plechtigen toon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie valt den deposant in de rede?&#8221; vroeg de Prins, verstoord rondziende. &#8220;Wie is die grijskop?&#8221; vroeg hij zacht aan Van Kinschot,
+toen zijn oog het eerwaardig gelaat van den Vicaris ontdekte. Het antwoord van den Fiskaal deed hem bevreemd opzien; doch
+hij gaf terstond weder een wenk aan Ludwig om te vervolgen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik moet deze getuigenis nopens den Jonker van Craeihorst afleggen,&#8221; vervolgde Ludwig, die langzamerhand meer bedaardheid
+en gemak herkreeg, terwijl hij op zijn woorden dacht: &#8220;omdat het van belang is, dat er geen vlek ruste op den stam, waar hij
+toe behoort.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn geslacht was altijd onbesproken,&#8221; viel de Baron in met drift.
+<a id="d0e10511"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10511">349</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Ik spreek niet van uw geslacht, Heer Baron: ik spreek van uw pleegzoon Joan,&#8221; zeide Ludwig, met nadruk.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat gaan ons de Velasco&#8217;s aan?&#8221; vroeg Reede.
+
+</p>
+<p>&#8220;Joan is geen Velasco, er is nooit eenig Spaansch bloed met het zijne vermengd geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kent gij zijn ouders dan?&#8221; vroeg Maurits.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat de Heer van Sonheuvel zich slechts herinnere hoe hij aan hem gekomen is, en wat hij bij hem gevonden heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn God!&#8221; riep de Gravin van Nassau uit, terwijl zij doodsbleek opstond en naar den jongeling toesnelde: &#8220;die kleederen,
+die jachthond....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijn bewijzen genoeg, Mevrouw!&#8221; vervolgde Ludwig: &#8220;Joan van Craeihorst is uw zoon, Graaf Ulrich von Daun.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Mijn zoon!&#8221; gilde de Gravin, terwijl zij haar handen wrong en schier onmachtig in de armen van de nabijstaande dames viel:
+&#8220;mijn Ulrich! o God! is het mogelijk!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Joan de zoon van mijn trouwen vriend Falckestein!&#8221; riep de Baron.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ach!&#8221; zeide de oude Beckman, door de menigte heendringende: &#8220;hij liegt, die schelm van een Ludwig! heb ik niet het kind van
+den Heer Graaf voor mijne augen zien in &#8217;t wasser wirfen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat? wie twijfelt daar aan de waarheid van zijn verhaal?&#8221; vroeg de Gravin, angstig en snel opziende: &#8220;spreek Ludwig! antwoord
+op hetgeen de oude man zegt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Antwoord dien ouden man,&#8221; zeide Maurits: &#8220;en wee u, zoo gij niet bewijst wat gij verklaard hebt, en zoo uw vertelling slechts
+een armhartig verdichtsel is, waarmede gij de voorspraak der Gravin zoekt te verwerven.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is waar,&#8221; antwoordde Ludwig; &#8220;de oude man heeft het kind in het water zien werpen; doch wat hij niet kon zien, omdat de
+hoek van den toren het hem belette, is, dat de hond des Graven, die in het nabijgelegen vertrek bij mijn moeder en bij mij
+gezeten was, uit een zijraam in de gracht sprong en den knaap het leven redde. De hond zwom het slot om, terwijl de oude Beckman
+zich met het schuitje begaf naar de plaats waar het kind gevallen was. Het was mijn moeder, aan wie het getrouwe dier zijn
+jongen meester bracht, en die hem voor den moorddolk behoeden bleef. Zij verliet terstond het slot met ons beiden en stelde
+zich onder de bescherming van Velasco.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O Voorzienigheid! hoe wonderbaar zijn uw wegen,&#8221; zeide Vader Ambrosius, de handen ten hemel heffende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Er blijft nog iets duisters in uw verhaal,&#8221; zeide de Prins tegen Ludwig: &#8220;leeft er iemand, die de waarheid daarvan bevestigen
+kan? Leeft uw moeder nog?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij leeft nog,&#8221; zeide Magdalena, met statigheid vooruittredende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe!&#8221; riep de Baron: &#8220;gij de moeder van dien knaap?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De tijd en het verdriet hebben mij veranderd,&#8221; hernam zij: &#8220;doch Mevrouw de Gravin zal zich wellicht nog herinneren, dat
+zij mij te Bruck gezien heeft.&#8221;
+<a id="d0e10548"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10548">350</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Is het mogelijk?&#8221; hernam de Gravin: &#8220;ja, ik herinner mij thans duidelijk.... reeds waren uw trekken mij bekend voorgekomen.
+Doch in &#8217;s Hemels naam, zeg mij, heeft Ludwig de waarheid gezegd?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In allen deele,&#8221; antwoordde Magdalena, haar zoon verachtelijk aanziende.
+
+</p>
+<p>&#8220;O God!&#8221; riep de Gravin: &#8220;mijn zoon, mijn Ulrich leeft nog! doch waar is hij? wie brengt hem tot mij?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij is ontsnapt,&#8221; zeide de Fiskaal, &#8220;doch ik vlei mij, dat wij hem vinden zullen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat hoop ik ook,&#8221; dacht Bleiswyk: &#8220;doch waar hij zit, weet slechts &eacute;&eacute;n mensch...; en die alleen kan de ontknooping van dit
+spel maken.&#8221; En meteen sloop hij de zaal en het huis uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Doch er leeft nog een getuige, die licht in deze zaak kan aanbrengen,&#8221; zeide de Baron: &#8220;die schelmsche Jezu&iuml;et, die in mijn
+slot heeft opgesloten gezeten.... ja, zoo wij die hadden, hij zou ons kunnen vertellen....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hij ligt reeds in boeien; doch hij is buiten staat een woord te getuigen,&#8221; merkte Van Kinschot aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe!&#8221; zeide Magdalena tegen Ludwig: &#8220;gij heb den Pater verraden!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb meer gedaan,&#8221; antwoordde deze op een somberen toon: &#8220;ik hem hem naar de hel gezonden waarin hij te huis behoort.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wee u! gij hebt uwen vader vermoord!&#8221; riep Magdalena, terwijl zij zich wanhopend met de vuisten voor &#8217;t voorhoofd sloeg en
+de zaal met wilde blikken op en neder liep.
+
+</p>
+<p>Ludwig bleef versteend staan: een rilling beving hem, en half onmachtig zonk hij op een stoel neder.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kind der schande! kind der verdoemenis!&#8221; vervolgde de radelooze vrouw, terwijl zij elk terugstootte, die haar naderen wilde:
+&#8220;in zonde ontvangen, om in zonde te leven en in zonde te sterven! Ziedaar de straf, die het misdrijf wacht! o wee mij! wee
+u! wee ons allen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Breng die ongelukkige weg,&#8221; zeide Maurits: &#8220;dit tooneel is te ijselijk om door vrouwenoogen gezien te worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Verscheidene onder de aanwezigen traden naar Magdalena toe, met oogmerk om haar weg te leiden; doch op eens bleef zij staan,
+wees alle hulp af, hief het hoofd met waardigheid op en zag de omstanders met fierheid aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat zich ieder wachte, de hand aan de Bruid des Heeren te slaan. Zooverre is het nog niet gekomen, dat Zuster Klara, de Abdis
+der Karmelieten te Tiel, de hulp van onheilige ketters noodig heeft. Freule van Sonheuvel! de rol, die ik bij u gespeeld heb,
+is afgeloopen. Uw verloofde wordt ter dood gebracht: gij kunt uw minnaar huwen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is haar in het hoofd geslagen,&#8221; zeide de Prins: &#8220;nogmaals breng haar weg.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Verschoon mij,&#8221; zeide Vader Ambrosius: &#8220;zoo iemand, zal ik invloed op haar hebben. Zuster Klara!&#8221; vervolgde hij, zijn stem
+verheffende: &#8220;Zuster Klara! kent gij mij?&#8221;
+<a id="d0e10583"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10583">351</a>]</span></p>
+<p>Een bevestigende hoofdknik was het antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij zegt wel, Zuster Klara! uw rol is hier uitgespeeld. Ik ken de gelofte, die gij gedaan hebt; ik wist ook, waarom gij bij
+mijn neef geplaatst waart: ik ontsla u van haar verdere vervulling: verlaat dit land en ga in een klooster uw overtredingen
+beweenen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik gehoorzaam,&#8221; zeide Magdalena, en, zonder er een woord bij te voegen, zonder zelfs een blik te werpen op haar ellendigen
+zoon, verliet zij het vertrek.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik had geen Roomschen prelaat <span class="letterspaced">hier</span> verwacht,&#8221; zeide Maurits, zich met bevreemding en ontevredenheid tot Vader Ambrosius wendende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een heilige plicht riep mij herwaarts,&#8221; zeide deze: &#8220;de ontwerpen van Mom waren mij bekend en ik moest voorkomen, dat mijn
+nicht zich met dien booswicht in &#8217;t huwelijk begaf. Met een andere boodschap had ik mij voor Mevrouw de Gravin belast. Don
+Diego de Velasco had een beminde binnen Brussel, aan welke hij vrij regelmatig zijn lotgevallen schreef. Deze vrouw bezocht
+ik in de afgeloopen week, ten einde haar van geestelijken raad te dienen. Nieuwsgierig om te weten, of Joan werkelijk de zoon
+van Don Diego wezen kon, ondervroeg ik haar omtrent dit onderwerp. Zij ontkende stellig, dat haar voormalige minnaar immer
+getrouwd geweest ware, en haalde de brieven voor den dag, welke zij van hem ontvangen had. In den laatsten dier brieven wordt
+de redding van het kind des Graven van Falckestein opgegeven, juist gelijk het zooeven vermeld werd, en geeft Velasco meteen
+zijn oogmerk te kennen, om het weder aan zijn moeder te zenden. De Brusselsche dame dacht, dat Velasco dit plan volvoerd had,
+waarin het blijkt dat hij door den dood is belet geworden. Van dezen brief ontving ik een afschrift, hetwelk ik hierbij met
+genoegen aan Mevrouw de Gravin overhandig, en dat, mijns inziens, allen twijfel doet ophouden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw oogmerk was edel,&#8221; zeide Maurits: &#8220;doch gij hebt wat veel op onze edelmoedigheid gerekend, Heer Vicaris, dat gij zonder
+vergunning u hier vertoont.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De naam van Vicaris voegt mij niet langer, Uwe Hoogheid. Toen ik ontdekte, dat diezelfde Eugenio, wiens bloeddorst zooveel
+rampen baarde, ook mij naar &#8217;t leven stond, daar hij mij verdacht hield van zijn oogmerken tegen te werken, reisde ik naar
+Brussel, om hem aan te klagen. Ik merkte ras, dat men hem meer dan mij scheen noodig te hebben, en hem dus ongaarne aan mij
+zou opofferen. Dit deed mij besluiten, mijn ontslag te nemen. Mijn voornemen is thans, naar Amerika te reizen en in de nieuwe
+wereld de zaden van het echt geloof te gaan voortplanten.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En de rampzalige Indianen tegen de verdrukking der Spanjaards te beschermen,&#8221; zeide Frederik Hendrik.
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik trad Bouke, die het vertrek kort te voren verlaten had, weder binnen. De tegenwoordigheid der hooge personages
+kon hem niet beletten op te springen, zijn muts in de hoogte te werpen en uit te roepen: &#8220;het eind goed al goed! daar is hij!
+daar is hij!&#8221;
+<a id="d0e10605"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10605">352</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Wie? wie is er?&#8221; riepen alle aanwezigen als uit eenen mond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ulrich von Daun, Graaf van Falckestein!&#8221; zeide Bleiswyk, binnentredende. Onze held volgde hem, hij zag vreemd op, toen hij
+zich in zulk een luisterrijk gezelschap bevond; doch nog vreemder, toen hem de Gravin om den hals viel, en onder den uitroep
+van: &#8220;mijn zoon! mijn zoon!&#8221; de teederste moederkussen gaf.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb hem niets gezeid,&#8221; zeide Bleiswyk, half dansende van vreugd: &#8220;Ja, Heer Fiskaal! kijk zoo zuinig als UEd. wil; ik heb
+hem dezen nacht mede naar huis genomen en hem verstopt. Nu heb ik hem verteld, dat hij vrij was, doch verder niets! ja, ik
+kan ook zwijgen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Dit zeggende, huppelde hij om en drukte den Fiskaal, de gasten, ja den Predikant Raesfelt in de armen.
+
+</p>
+<p>Intusschen ontving Joan (want zoo zullen wij hem uit gewoonte blijven noemen) de gelukwenschingen der aanwezigen en de omhelzingen
+van den Baron, van Bouke, van den ouden Beckman en van al zijn betrekkingen, zonder dat hij zelf nog iets begreep van het
+verward verhaal, dat hem de omstanders allen te gelijk deden: eindelijk nam de Prins zelf hem bij de hand.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij hebben elkander voordezen meer ontmoet,&#8221; zeide deze, hem met welgevallen aanziende.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kapitein Holtvast!&#8221; zeide Joan verrast.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was ik te Tiel,&#8221; hervatte Maurits: &#8220;hier noemt men mij Maurits van Nassau.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Hoogheid!&#8212;O ik verzoek verschooning voor hetgeen ik onwillig....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Geen verschooning is noodig, waar geen wil tot beleediging bestaan heeft,&#8221; hernam de Prins: &#8220;ik heb u toen mijn diensten
+aangeboden, en ik wil heden mijn woord gestand doen, door u het geheim uwer geboorte te ontwikkelen.&#8221;&#8212;Dit gezegd hebbende,
+gaf hij hem in korte woorden zijn geluk te verstaan. Bedwelmd en schier sprakeloos zeeg nu de jongeling weder aan &#8217;t hart
+zijner dankbare moeder.
+
+</p>
+<p>En Ulrica! Vergat ik haar?&#8212;Neen! maar ik zag op tegen de onmogelijkheid om den toestand te beschrijven, waarin zooveel verrassende
+voorvallen haar gebracht hadden. Zij was ontslagen van een huwelijk, waar zij tegen ijsde; de beminde van haar hart was harer
+waardig: hij was niet meer een arme, onbekende vondeling; maar integendeel door rang en geboorte ver boven haar verheven.
+Dankbaarheid, verbazing, verrukking, ontzetting hadden haar aandoenlijk zenuwgestel zoodanig geschokt, dat het haar onmogelijk
+was, &eacute;&eacute;n woord uit te brengen. Lang was zij als op de plaats genageld blijven staan, eer zij kracht genoeg vond om haar voedsterbroeder
+te naderen, hem de hand toe te reiken en met een flauwe stem tot hem te zeggen: &#8220;ik behoef u niet te zeggen, of ik in uw geluk
+deel neem.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O Ulrica!&#8221; zeide de jongeling en drukte een vlammenden kus op haar lippen, doch terstond terugtredende: &#8220;verschoon mij,&#8221;
+zeide hij, &#8220;ik vergat u geluk te wenschen: het is heden immers uw verlovingsdag?&#8221;
+<a id="d0e10630"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10630">353</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Wat verlovingsdag!&#8221; riep de Baron: &#8220;zij zal met u haren verlovingsdag vieren, of maagd sterven, niet waar Riekje?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Vader!&#8221; zeide Ulrica, blozend, terugtredende: &#8220;Mevrouw de Gravin....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is waar ook,&#8221; hernam de Baron, verlegen: &#8220;Joan is nu geen Joan meer, maar een te hoog personage voor een arme landfreule
+als gij zijt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Beminnen zij elkander?&#8221; vroeg de Gravin, terwijl een glans van vergenoegen zich over haar gelaat verspreidde. &#8220;O! hoe gelukkig
+zou ik zijn, indien Ulrica mijn dochter wezen wil.&#8221;
+
+</p>
+<p>Noch Ulrica, noch haar minnaar gaven eenig antwoord; doch zij omhelsden beiden de Gravin.
+
+</p>
+<p>&#8221;<span class="letterspaced">Gratulor</span>!&#8221; zeide Raesfelt, toetredende: &#8220;Ik wensch u van harte geluk, mijn zoon. Gij ziet het: God heeft alles ten beste gekeerd,
+en het is, zooals de Psalmist zegt in Psalm 128:
+
+
+</p>
+<div class="&#xA; poem&#xA; ">
+<p class="line" style=""><span>U doen zal wel beklijven
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Spoedig met overvloet.</span></p>
+</div>
+<p>Ach! dat ik ook mijnen zoon, mijnen Henricum, alzoo wederom vond!&#8221;&#8212;En zich eensklaps bedenkende, haalde hij zijn smeekschrift
+voor den dag en bood het den Prins aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hendrik Raesfelt!&#8221; zeide de Prins, terwijl hij het vluchtig inzag: &#8220;Van Kinschot, is dat die jongeling niet, die dezen nacht....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dezelfde!&#8221; antwoordde de Fiskaal.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uw zoon is een verharde Arminiaan,&#8221; zeide Maurits lachende tegen Raesfelt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een nagel aan mijn doodkist,&#8221; antwoordde deze: &#8220;doch ik ben vader.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;.... doch hij is vrij, en kan zich nederzetten waar hij wil,&#8221; hernam de Prins.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>&#8220;En is het nu uit?&#8221; vroeg op een verdrietigen toon een der lieve kleinen, toen zij mij hier het handschrift zag toevouwen
+en oprollen.
+
+</p>
+<p>&#8220;En wat moest er nog komen, volgens uw gedachte?&#8221; vroeg ik op mijn beurt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel zeer veel,&#8221; hernam zij, mij met groote oogen aanziende, en op haar vingers tellende: &#8220;vooreerst had ik gehoopt, dat wij
+de beschrijving der bruiloft zouden gehad hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij begrijpt, zusje-lief, dat er in Den Haag geen bruiloft gevierd werd. Het zou kwalijk gepast hebben, feesten te houden,
+terwijl de gemanqueerde bruidegom, de Ambtman, terecht gesteld en ter dood gebracht werd, gelijk men zulks in de gedrukte
+sententie lezen kan.&#8212;Maar, &#8220;eer nog de takken van groen loof beroofd waren,&#8221; vervolgde ik op een declameerenden toon, &#8220;was
+de hooge feestlantaren op den slottoren te Bruck geheschen en brandde de pekton op het plein: <a id="d0e10673"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e10673">354</a>]</span>kannen met Rijnschen wijn werden ten beste gegeven aan de vroolijke landjeugd, die in &#8217;t zondagspak uitgedost, den burcht
+in- en uitliep en op het pleingras in de rondte danste. Een koets rolde de slotbrug over: een jeugdig edelman trad er uit
+en bood de hand om af te stijgen aan twee dames, waarvan de eene den middelbaren tijd des levens reeds bereikt had en de andere
+van jeugd en schoonheid bloeide: op hetzelfde oogenblik duidden de vreugdeschoten, uit vijftig musketten gelost, de komst
+aan van den Graaf van Falckestein op zijn erfelijk slot.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En trouwden zij toen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zij waren te Sonheuvel getrouwd geworden door den vromen Predikant Raesfelt: en jaarlijks gingen zij in &#8217;t vervolg aldaar
+eenige maanden doorbrengen bij den waardigen Baron, die alsdan geen drinkpartijen meer noodig had om den tijd aangenaam door
+te brengen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En Bouke?....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Had het genoegen van aan de Kinderen van Ulrich en Ulrica dezelfde kunsten te leeren, die hij eertijds aan Joan had medegedeeld,
+terwijl de oude Geert dan gestadig uitriep, wat of Mevrouw zaliger wel gezegd zou hebben, als zij dat alles beleefd had.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed! en vader Ambrosius?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Deze volvoerde zijn plan en stierf, hoogbejaard, in Amerika, alwaar hij als een tweede Las Casas de zegeningen van al wie
+hem gekend had met zich in &#8217;t graf voerde.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En Ludwig? en Magdalena?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;De ongelukkige vadermoorder stierf in een krankzinnigenhuis: zijn moeder begaf zich naar Frankrijk, trachtte er door de strengste
+boetedoening, des Hemels gerechtigheid te verzoenen, en stierf in reuk van heiligheid.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En trouwde Hendrik Raesfelt met de dochter van den Cipier?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja, doch slechts na den dood van Prins Maurits, toen hij tot Predikant bij de Remonstrantsche Soci&euml;teit in een onzer voornaamste
+steden was aangesteld. Nu weet gij, geloof ik, alles.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Volstrekt niet,&#8221; zeide een mijner broeders, met een schalkschen lach: &#8220;gij hebt den Heer Van Botbergen uit een raam laten
+springen: ligt hij daar nog met gebroken armen en beenen? of is hij naar het gasthuis gebracht?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Gij oolijke gauwdief, gij hebt waarachtig gelijk:&#8212;het venster was niet hoog en hij kwam op de beenen te land; hij vluchtte
+de stad uit, begaf zich naar Tiel, verborg zich bij Klaas Meinertz, merkte dat deze den aanslag verraden had en hem nu overleveren
+wilde, stak den ouden booswicht overhoop, doch werd zelf gepakt, en evenals zijn medestanders in den Haag gerecht.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij bedanken u wel voor de voorlezing, lieve broeder!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik bedank u voor uw aandacht, en zoo ooit mijn lezers evenveel belangstelling in mijn verhaal en toegevendheid voor den verhaler
+betoonen, zal ik mijn arbeid dubbel beloond achten.&#8221;
+
+
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e10710">Inhoud</a>]
+</span><p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/backcover.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="494" height="720"></div><p>
+
+</p>
+<div class="div1" id="d0e10710">
+<h2 class="normal">Inhoudsopgave</h2>
+<ul>
+<li><a href="#d0e127">Mr. Jacob van Lennep.</a><ul>
+<li><a href="#d0e137">I.</a></li>
+<li><a href="#d0e316">II.</a></li>
+<li><a href="#d0e643">III.</a></li>
+<li><a href="#d0e923">IV.</a></li>
+</ul>
+</li>
+<li><a href="#d0e1332">Eerste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e1499">Tweede Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e1638">Derde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e1849">Vierde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e2048">Vijfde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e2312">Zesde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e2611">Zevende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e2860">Achtste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e3113">Negende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e3300">Tiende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e3628">Elfde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e3851">Twaalfde Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e4083">Dertiende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e4419">Veertiende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e4877">Vijftiende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e4955">Zestiende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e5276">Zeventiende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e5582">Achttiende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e5896">Negentiende Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e6260">Twingtigste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e6578">Een-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e6876">Twee-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e7230">Drie-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e7586">Vier-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e7972">Vijf-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e8326">Zes-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e8625">Zeven-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e9027">Acht-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e9422">Negen-en-twintigste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e9714">Dertigste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e10000">Een-en-dertigste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e10324">Twee-en-dertigste Hoofdstuk.</a></li>
+<li><a href="#d0e10474">Drie-en-dertigste Hoofdstuk.</a></li>
+</ul>
+</div>
+<div class="transcribernote">
+<h2>Colofon</h2>
+<h3>Beschikbaarheid</h3>
+<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
+
+</p>
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door Jeroen Hellingman en het on-line gedistribueerd correctie team op <a href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
+
+</p>
+<p lang="en">This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give
+it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
+
+</p>
+<p lang="en">This eBook is produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at <a href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
+
+</p>
+<h3>Codering</h3>
+<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde
+van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn
+gemarkeerd met het corr-element.
+
+</p>
+<p>Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met &#8220;. Geneste
+dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.
+
+</p>
+<h3>Documentgeschiedenis</h3>
+<ol class="lsoff">
+<li>14-DEC-2007 begonnen.
+
+</li>
+</ol>
+<h3>Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table width="75%">
+<tr>
+<th>Plaats</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e794">Bladzijde XII</a></td>
+<td width="40%">Rubbens</td>
+<td width="40%">Rubens</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e826">Bladzijde XIII</a></td>
+<td width="40%">sonetten</td>
+<td width="40%">sonnetten</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e976">Bladzijde XV</a></td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+<td width="40%">
+[<i>Verwijderd</i>]
+
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1437">Bladzijde 7</a></td>
+<td width="40%">.</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1559">Bladzijde 14</a></td>
+<td width="40%">Falckenstein</td>
+<td width="40%">Falckestein</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1610">Bladzijde 15</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8220;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1659">Bladzijde 17</a></td>
+<td width="40%">Koniugs</td>
+<td width="40%">Konings</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1698">Bladzijde 20</a></td>
+<td width="40%">iu</td>
+<td width="40%">in</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1961">Bladzijde 31</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">
+[<i>Verwijderd</i>]
+
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2162">Bladzijde 42</a></td>
+<td width="40%">Magdelena</td>
+<td width="40%">Magdalena</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2221">Bladzijde 43</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2350">Bladzijde 48</a></td>
+<td width="40%">Horiato</td>
+<td width="40%">Horatio</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2381">Bladzijde 49</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2545">Bladzijde 52</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2606">Bladzijde 55</a></td>
+<td width="40%">.</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2652">Bladzijde 57</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8220;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2745">Bladzijde 60</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2809">Bladzijde 63</a></td>
+<td width="40%">&aacute;</td>
+<td width="40%">&agrave;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2876">Bladzijde 66</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2887">Bladzijde 67</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2974">Bladzijde 70</a></td>
+<td width="40%">&#8220;</td>
+<td width="40%">
+[<i>Verwijderd</i>]
+
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3001">Bladzijde 70</a></td>
+<td width="40%">&#8217;</td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3059">Bladzijde 72</a></td>
+<td width="40%">8paansche</td>
+<td width="40%">Spaansche</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3136">Bladzijde 75</a></td>
+<td width="40%">Iudien</td>
+<td width="40%">Indien</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3158">Bladzijde 78</a></td>
+<td width="40%">Do</td>
+<td width="40%">De</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3263">Bladzijde 83</a></td>
+<td width="40%">eeuvoudig</td>
+<td width="40%">eenvoudig</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3847">Bladzijde 106</a></td>
+<td width="40%">n</td>
+<td width="40%">in</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3888">Bladzijde 108</a></td>
+<td width="40%">onde</td>
+<td width="40%">oude</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3910">Bladzijde 109</a></td>
+<td width="40%">vooor</td>
+<td width="40%">voor</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3984">Bladzijde 113</a></td>
+<td width="40%">drok mef</td>
+<td width="40%">druk met</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e4237">Bladzijde 120</a></td>
+<td width="40%">heelwel</td>
+<td width="40%">heel wel</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e4321">Bladzijde 123</a></td>
+<td width="40%">ziju</td>
+<td width="40%">zijn</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e4396">Bladzijde 125</a></td>
+<td width="40%">inlichttng</td>
+<td width="40%">inlichting</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e4541">Bladzijde 131</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e4623">Bladzijde 133</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e4825">Bladzijde 140</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e4846">Bladzijde 141</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e4869">Bladzijde 141</a></td>
+<td width="40%">Italie</td>
+<td width="40%">Itali&euml;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5226">Bladzijde 157</a></td>
+<td width="40%">kalanten</td>
+<td width="40%">klanten</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5315">Bladzijde 160</a></td>
+<td width="40%">moninum</td>
+<td width="40%">nominum</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5372">Bladzijde 161</a></td>
+<td width="40%">an</td>
+<td width="40%">en</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5387">Bladzijde 161</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">:</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5511">Bladzijde 165</a></td>
+<td width="40%">bevonnen</td>
+<td width="40%">bevonden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5571">Bladzijde 168</a></td>
+<td width="40%">ziju</td>
+<td width="40%">zijn</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e5651">Bladzijde 171</a></td>
+<td width="40%">geeindigd</td>
+<td width="40%">ge&euml;indigd</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6097">Bladzijde 188</a></td>
+<td width="40%">uiet</td>
+<td width="40%">niet</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6121">Bladzijde 189</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6200">Bladzijde 191</a></td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+<td width="40%">
+[<i>Verwijderd</i>]
+
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6256">Bladzijde 193</a></td>
+<td width="40%">deu</td>
+<td width="40%">den</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6282">Bladzijde 194</a></td>
+<td width="40%">Inmiddelds</td>
+<td width="40%">Inmiddels</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6389">Bladzijde 199</a></td>
+<td width="40%">:</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6498">Bladzijde 205</a></td>
+<td width="40%">Ambtmam</td>
+<td width="40%">Ambtman</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6524">Bladzijde 207</a></td>
+<td width="40%">be-belangrijker</td>
+<td width="40%">belangrijker</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6739">Bladzijde 214</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6801">Bladzijde 216</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6864">Bladzijde 219</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e6976">Bladzijde 223</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e7009">Bladzijde 224</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8220;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e7014">Bladzijde 224</a></td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+<td width="40%">
+[<i>Verwijderd</i>]
+
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e7100">Bladzijde 228</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e7169">Bladzijde 231</a></td>
+<td width="40%">?</td>
+<td width="40%">!</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e7172">Bladzijde 231</a></td>
+<td width="40%">?</td>
+<td width="40%">!</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e7195">Bladzijde 231</a></td>
+<td width="40%">grimlach</td>
+<td width="40%">glimlach</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e7565">Bladzijde 246</a></td>
+<td width="40%">of</td>
+<td width="40%">&ograve;f</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e7626">Bladzijde 249</a></td>
+<td width="40%">&#8220;</td>
+<td width="40%">
+[<i>Verwijderd</i>]
+
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e7874">Bladzijde 259</a></td>
+<td width="40%">seheen</td>
+<td width="40%">scheen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e7877">Bladzijde 259</a></td>
+<td width="40%">gekomeu</td>
+<td width="40%">gekomen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e7902">Bladzijde 260</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e7924">Bladzijde 261</a></td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+<td width="40%">
+[<i>Verwijderd</i>]
+
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e8161">Bladzijde 269</a></td>
+<td width="40%">?</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e8193">Bladzijde 270</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e8227">Bladzijde 271</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8220;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e8461">Bladzijde 279</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e8518">Bladzijde 282</a></td>
+<td width="40%">Falckenstein</td>
+<td width="40%">Falckestein</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e8525">Bladzijde 282</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">,&#8221;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e8584">Bladzijde 285</a></td>
+<td width="40%">herman</td>
+<td width="40%">hernam</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e8753">Bladzijde 292</a></td>
+<td width="40%">tegenwoorheid</td>
+<td width="40%">tegenwoordigheid</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e8786">Bladzijde 293</a></td>
+<td width="40%">Bleiswijk</td>
+<td width="40%">Bleiswyk</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e9231">Bladzijde 306</a></td>
+<td width="40%">conscientie</td>
+<td width="40%">consci&euml;ntie</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e9355">Bladzijde 308</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e9486">Bladzijde 312</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e9668">Bladzijde 318</a></td>
+<td width="40%">?</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e9673">Bladzijde 319</a></td>
+<td width="40%">Versterkt</td>
+<td width="40%">versterkt</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e10078">Bladzijde 334</a></td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+<td width="40%">
+[<i>Verwijderd</i>]
+
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e10099">Bladzijde 334</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8220;</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De Pleegzoon, by J. van Lennep
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PLEEGZOON ***
+
+***** This file should be named 24467-h.htm or 24467-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/4/4/6/24467/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/24467-h/images/backcover.jpg b/24467-h/images/backcover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..67a79eb
--- /dev/null
+++ b/24467-h/images/backcover.jpg
Binary files differ
diff --git a/24467-h/images/frontcover.jpg b/24467-h/images/frontcover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..9f59a83
--- /dev/null
+++ b/24467-h/images/frontcover.jpg
Binary files differ
diff --git a/24467-h/images/frontispiece.jpg b/24467-h/images/frontispiece.jpg
new file mode 100644
index 0000000..ebb319c
--- /dev/null
+++ b/24467-h/images/frontispiece.jpg
Binary files differ
diff --git a/24467-h/images/logo.jpg b/24467-h/images/logo.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8c4ef02
--- /dev/null
+++ b/24467-h/images/logo.jpg
Binary files differ
diff --git a/24467-h/images/spine.jpg b/24467-h/images/spine.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f5c751c
--- /dev/null
+++ b/24467-h/images/spine.jpg
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..1b550b1
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #24467 (https://www.gutenberg.org/ebooks/24467)