summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/24009-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '24009-8.txt')
-rw-r--r--24009-8.txt2564
1 files changed, 2564 insertions, 0 deletions
diff --git a/24009-8.txt b/24009-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..53aabf1
--- /dev/null
+++ b/24009-8.txt
@@ -0,0 +1,2564 @@
+The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Leven der Dieren
+ Deel 1, Hoofdstuk 14: Buideldieren; Hoofdstuk 15: Kloakdieren
+
+Author: A. E. Brehm
+
+Release Date: December 24, 2007 [EBook #24009]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE ORDE.
+
+DE BUIDELDIEREN (Marsupialia).
+
+
+De klasse der Zoogdieren bevat naast de orden van de Apen, de
+Walvischachtigen en Kloakdieren geen groep van gelijken rang, die
+opmerkelijker eigenaardigheden heeft dan de orde der Buideldieren. Bij
+nauwkeuriger beschouwing van deze dieren blijkt het, dat het begrip
+orde, op hen toegepast, een ongewoon ruime beteekenis heeft. Onder den
+naam Buideldieren worden n.l. een groot aantal, zeer uiteenloopende
+familiën van Zoogdieren samengevat, die, met uitzondering van den
+buidel, de voortplantingswijze en de hiervoor dienende organen weinig
+met elkander gemeen hebben en veel eerder aanspraak zouden kunnen
+maken op den naam van orden, die dan met elkander een afzonderlijke
+onder-klasse in de klasse der Zoogdieren zouden vormen.
+
+Het onderzoek van de bedoelde dieren, zoowel van die, welke thans
+bestaan, als van die, welke in vroegere geologische tijdperken leefden,
+leidt tot de gevolgtrekking, dat deze groep haar bloeitijd had in de
+dagen, toen het vasteland door plompe Amphibiën (Labyrinthodonten),
+de vlucht door Vliegende Hagedissen (Pterosauriërs), de zee door Draken
+(Ichthyosauriërs) werd bewoond. Zeer belangrijke feiten wijzen er op,
+dat de Buideldieren de slechts weinig veranderde nakomelingen van de
+Zoogdieren van vroegere ontwikkelingsperioden zijn.
+
+Wanneer men een Buideldier met een ander Zoogdier, b.v. met een
+Roofdier of Knaagdier, vergelijkt, zoo bemerkt men onmiddellijk,
+dat het Buideldier in alle opzichten minder ontwikkeld, minder
+volkomen is dan het voor een gelijksoortige levenswijze uitgeruste
+Roofdier of Knaagdier. Dit achterstaan van het Buideldier bij de
+andere leden zijner klasse openbaart zich nu eens in den geheelen
+lichaamsbouw, dan weer in het samenstel van sommige ledematen
+of in het gebit. Men spreekt met overtuiging van den sierlijken
+bouw van vele Roofdieren en Knaagdieren; bij de beschouwing van
+een Buideldier komen dergelijke indrukken slechts zelden voor. Het
+eene wekt hoogstens onze verwondering, maar niet onzen bijval, het
+andere maakt onzen lachlust gaande, een derde boezemt ons zelfs afkeer
+in. Ons door andere diervormen verwend oog ontdekt bij de beschouwing
+van een Buideldier steeds de eene of andere onvolkomenheid. Bij het
+onderzoeken van het gebit wordt onze meening over de beteekenis
+van het dier niet gunstiger; want ook het tandenstelsel maakt,
+vergeleken met dat van overeenkomstige Roofdieren en Knaagdieren,
+den indruk van onvolledigheid en gebrekkigheid. Het Roofbuideldier
+heeft tanden genoeg in zijn bek, deze zijn ook op soortgelijke wijze
+gerangschikt als die der Roofdieren, steeds echter zijn zij minder
+ontwikkeld dan deze. Wat voor de Roofbuideldieren geldt, kan ook van de
+overige Buideldieren gezegd worden; de zienswijze dat zij onvolkomen,
+op lagen ontwikkelingstrap verkeerende wezens zijn, komt ons dus in
+alle opzichten juist voor.
+
+Van den lichaamsbouw der Buideldieren kan weinig gezegd worden,
+dat op alle toepasselijk is. De verschillende leden van deze orde
+wijken meer van elkander af dan die van eenige andere orde. Aan het
+gebit is natuurlijk de samenstelling der spijsverteringswerktuigen
+en in zekeren zin ook de uitwendig zichtbare organisatie van het dier
+geëvenredigd. Daar men onder de Buideldieren zoowel echte roofdieren
+als echte graseters vindt, ja zelfs groepen, die aan de Herkauwers
+herinneren, kan er bij de leden dezer orde zoo goed als geen sprake
+zijn van gelijkaardigheid van gestalte. Al laten wij de grootte,
+welke tusschen die van een middelmatig groot Hert en van een Spitsmuis
+afwisselt, buiten rekening, toch kan men zeggen, dat geen andere orde
+zulke ongelijksoortige vormen in zich vereenigt. Het komt ons daarom
+overbodig voor, op deze plaats hierover iets te zeggen, wat bij het
+uitwerken van de beschrijving toch herhaald zou moeten worden.--Alle
+leden der orde komen door den bouw der voortplantingsorganen en door
+het bezit van buidelbeenderen met elkander overeen. De bedoelde
+beenderen ontstaan, doordat de pezen van de buitenste schuinsche
+buikspier, die van voren op het schaambeen ontspringen, verbeenen; deze
+zijn ook bij het mannetje aanwezig, maar mogen toch beschouwd worden
+als geschikt om door het steviger maken van den buikwand de jongen,
+die in den buidel aanwezig zijn, te beschutten tegen de drukking van
+de buikingewanden van hun moeder. De buidel kan een volledige zak
+zijn, maar bestaat bij andere soorten slechts uit twee huidplooien,
+terwijl bij nog andere ook hiervan slechts onbeduidende sporen over
+zijn. In den buidel komen de tepels voor.
+
+Na een zeer korten draagtijd werpt het Buideldier jongen. Deze komen
+in een veel minder ontwikkelden toestand ter wereld dan eenig ander
+Zoogdier. Zij zijn klein, naakt en blind en hebben slechts stompjes
+van ledematen. Dadelijk na de geboorte neemt de moeder hare jongen één
+voor één met den bek op en legt ze in den buidel aan een tepel; hieraan
+blijven zij hangen, totdat de zintuigelijke organen en de ledematen
+zich ontwikkeld hebben. Bij de vormen, die met een volledigen,
+zakvormigen buidel voorzien zijn, is deze voor de jongen niet alleen
+een nest en toevluchtsoord, maar zelfs kan men hun verblijf hier tot op
+zekere hoogte met een voortzetting van den draagtijd vergelijken. Het
+Buideldier verlaat, als het een zekeren trap van ontwikkeling bereikt
+heeft, van tijd tot tijd den buidel, om na een uitstapje van steeds
+langer wordenden duur er in terug te keeren; zijn geheele kindsheid
+door blijft het echter aan den tepel vastgehecht; bij meer dan één
+lid van deze merkwaardige orde, waar de eigenlijke draagtijd slechts
+één maand of iets langer aanhoudt, duurt de draagtijd in den buidel
+6 à 8 maanden. Van den dag der bevruchting tot aan dien, waarop het
+jong voor de eerste maal den kop uit den buidel steekt, verloopen bij
+den Reuzen-Kangoeroe ongeveer 7 maanden; van dit tijdstip tot dat,
+waarin het diertje voor de eerste maal den buidel verlaat, gaan nog
+ongeveer 9 weken voorbij; even lang leeft het jonge wezen vervolgens
+gedurende een deel van den dag in den buidel, en voor 't overige er
+buiten. Bij sommige soorten is het aantal jongen zeer aanzienlijk.
+
+De Buideldieren bewonen tegenwoordig Australië en eenige naburige
+eilanden, voorts Zuid- en Noord-Amerika. In Amerika worden slechts
+de leden van één familie gevonden, de meeste in de zuidelijke helft
+van dit werelddeel.
+
+Wegens den zeer verschillenden lichaamsbouw van de Buideldieren zijn
+er in hun levenswijze weinige overeenkomstige verschijnselen op te
+merken: sommige zijn roovers, andere voeden zich met planten; vele
+leven op den vasten bodem, andere op boomen, eenige zelfs tijdelijk
+in 't water; de meeste zijn nachtdieren, sommige zijn ook over dag
+werkzaam. Onder de Roofbuideldieren zijn er, die zeer behendig loopen
+en klimmen; vele planteneters kunnen vlug en langen tijd achtereen
+springen; wanneer men ze echter met de hooger ontwikkelde roovende
+en plantenetende Zoogdieren vergelijkt, zal men duidelijk opmerken,
+dat de beide eerstgenoemde groepen bij de laatstgenoemde achterstaan;
+zelfs het volkomenste Roofbuideldier kan zich, wat de geschiktheid tot
+beweging betreft, in de verste verte niet meten met het Roofdier. Ieder
+Buideldier is in vergelijking met het hooger ontwikkelde Zoogdier,
+waarmede het ten naastenbij op één lijn gesteld kan worden, een
+geesteloos wezen, dat zoomin voor ontwikkeling als voor veredeling
+vatbaar, zoomin voor africhting als voor onderrichting toegankelijk
+is. De onvolkomenheid, ruwheid en plompheid der Buideldieren komt
+vooral dan aan den dag, als men op hunne geestelijke eigenschappen
+let. Onverschilligheid jegens de omgeving, tenzij het een buit
+betreft, die misschien overmeesterd zou kunnen worden, het gemis
+aan deelneming in de meest verschillende omstandigheden, het
+ontbreken van gehechtheid, liefde en vriendschap schijnen aan alle
+Buideldieren eigen te zijn. Onverschilligheid toont zelfs de moeder
+jegens hare jongen, hoewel zij zich met deze meer en langer bezig
+houdt dan eenig hooger ontwikkeld dier. Het blijkt den opmerkzamen
+onderzoeker, dat handelingen, die, naar men zou kunnen meenen,
+moederliefde en teederheid verraden, werktuigelijk plaats hebben,
+niet met zelfbewustzijn geschieden.
+
+Het voedsel der Buideldieren is uitermate verschillend. Alle
+soorten, die op Roofdieren gelijken, maken jacht op andere dieren,
+eten Schelpdieren, Visschen en wat de zee verder nog uitwerpt,
+of vreten aas van landdieren; de kleinere soorten vangen Vogels,
+Insecten en Wormen; de planteneters voeden zich met vruchten, bladen,
+grassen en wortels, die zij afplukken of uitdelven. Gene veroorzaken
+velerlei schade en ergernis, daar zij de kudden vervolgen, 's nachts
+in de hoenderhokken doordringen en soortgelijke misdrijven plegen;
+de overige soorten kan men eigenlijk ternauwernood lastig noemen,
+omdat de blanke landverhuizer, die het land in bezit neemt, ze zoo
+schielijk mogelijk uitroeit, minder met een bepaald doel voor oogen,
+dan wel tot bevrediging van zijn jachtlust. Over 't algemeen is
+zoomin het nut als het nadeel dat de Buideldieren teweegbrengen,
+van noemenswaardig belang. Slechts van weinige worden het vleesch en
+het vel gebruikt, met de overige weet men niets aan te vangen.
+
+De 6 familiën, 37 geslachten en 151 soorten, die Thomas in het jaar
+1888 onderscheiden heeft, kunnen verdeeld worden over twee door het
+gebit gekenmerkte onderorden: de _Planteneters_ en de _Vleescheters_.
+
+
+
+De _Plantenetende Buideldieren_ (_Diprotodontia_) hebben in de
+onderkaak aan weerszijden slechts één grooten, min of meer horizontaal
+gerichten snijtand. De hoektanden ontbreken geheel, of zijn klein en
+zwak. Zij worden over drie familiën verdeeld.
+
+
+
+De leden van de eerste familie--de _Springbuideldieren_
+(_Macropodidae_) kenmerken zich door hun gebit en hun meestal zeer
+eigenaardige gedaante. Elke bovenkaakshelft bevat in den regel drie
+snijtanden, waarvan de voorste de grootste is; slechts bij uitzondering
+volgt hierop één hoektand; in elke onderkaakshelft is slechts één
+breede, beitelvormige snijtand aanwezig; de hoektand ontbreekt hier
+steeds; bovendien worden in iedere kaakhelft 1 valsche kies en 4 ware
+maaltanden gevonden. De Springbuideldieren bewegen zich, zooals hun
+naam te kennen geeft, meestal springend; eenige soorten zijn evenwel
+in staat in de boomen te klimmen.
+
+
+
+De onderfamilie van de _Kangoeroes_ (_Macropodinae_) bevat, behalve de
+reuzen van de geheele orde, ook dieren ter grootte van een Konijn. Van
+alle is de gestalte hoogst opmerkelijk. Wegens de buitengewoon krachtig
+gebouwde achterste ledematen, neemt de romp van voren naar achteren
+in omvang toe en is in de lendestreek het meest ontwikkeld; met deze
+vergeleken zijn de borst en de kop bijzonder slank. Het achterste
+gedeelte van het lichaam moet zoo zwaar gebouwd en sterk gespierd zijn,
+omdat de beweging van het dier bijna uitsluitend met de zeer lange en
+forsche achterpooten en den kolossalen staart geschiedt. Het gebruik
+van de voorste ledematen bij de voortbeweging en bij het opnemen van
+voedsel is zeer beperkt. De achterpooten en de staart daarentegen
+stellen het dier in staat zich springend te verplaatsen, en zijn
+daarom ongetwijfeld de meest eigenaardige deelen van zijn geheele
+lichaam. Het bovenbeen is zeer sterk gespierd, het onderbeen zeer lang;
+het hielbeen heeft een zeer lang hieluitsteeksel, voor 't overige is de
+voetwortel niet sterk ontwikkeld; de middelvoet daarentegen bevat vier
+zeer lange beenderen, waarmede vier drieledige teenen verbonden zijn,
+daar de binnenste of eerste (die met onzen grooten teen overeenstemt)
+ontbreekt; de tweede en de derde zijn tot aan den nagel met elkander
+vergroeid; de derde is grooter; de vierde of buitenste is de langste;
+alle teenen zijn met hoefvormige nagels voorzien, die van den vierden
+is buitengewoon groot.--De staart is naar verhouding dikker en langer
+dan bij eenig ander Zoogdier en zeer sterk gespierd. In vergelijking
+met deze kolossale lichaamsdeelen zijn de voorste ledematen slechts
+onbeduidende grijporganen, waarmede echter niet bedoeld wordt, dat
+zij, wat hun geschiktheid tot beweging betreft, onontwikkeld zouden
+zijn. Zij hebben vijf teenen, welker nagels rond, middelmatig groot en
+ongeveer van gelijke lengte zijn. De Kangoeroe gebruikt deze ledematen
+bij wijze van handen; de duim kan bij hem echter niet tegenover de
+overige teenen gesteld worden.--De kop houdt door zijn uitwendigen vorm
+ongeveer het midden tusschen dien van een Hert en dien van een Haas.
+
+Het vasteland van Australië en de naburige eilanden zijn het vaderland
+van de Kangoeroes; de uitgestrekte grasrijke vlakten in het midden van
+dit werelddeel zijn uitmuntend voor hun levenswijze geschikt. Eenige
+soorten verkiezen met struiken begroeide gewesten, andere rotsachtige
+gebergten boven deze op parken gelijkende grasvlakten; nog andere
+geven de voorkeur aan het verblijf in ondoordringbaren wildernissen,
+waarin zij eerst door het afbreken van takken en twijgen loopgraven
+moeten maken, of leven, hoe ongeloofelijk dit met het oog op hun
+lichaamsbouw ook moge schijnen, op de rotsen en boomen zelf. De meeste
+soorten zijn over dag in beweging; de kleinere vormen hebben echter
+een nachtelijke levenswijze, en verbergen zich over dag in ondiepe
+kuilen, waarin zij telkens terugkeeren. Enkele bewonen rotskloven, die
+zij geregeld weer opzoeken, wanneer zij uit geweest zijn om te laveien.
+
+De Kangoeroes behooren ongetwijfeld tot de meest opmerkelijke
+Zoogdieren. Bij hen is eigenlijk alles vreemdsoortig: hunne
+bewegingen en de manier waarop zij rusten, de wijze waarop zij zich
+voedsel verschaffen, hun voortplanting, hun ontwikkeling en hun
+geestestoestand. Hun gang, dien men vooral kan waarnemen, terwijl zij
+aan 't grazen zijn, is een log en gebrekkig gehompel. Het dier steunt
+dan op de handpalmen, en trekt de achterpooten bij, totdat zij naast
+de voorpooten staan. Gedurende deze beweging moet het op den staart
+steunen, omdat het anders de lange achterpooten niet hoog genoeg zou
+kunnen optillen. De Kangoeroe blijft echter in deze voor hem hoogst
+ongemakkelijke houding nooit langer dan volstrekt noodig is. Zelfs bij
+het afbijten van 't voedsel zit hij in den regel op de achterpooten
+en den staart, en laat de voorpooten slap naar beneden hangen. Zoodra
+hij de een of andere lievelingsplant heeft afgeplukt, richt hij zich
+op, om haar in de gewone houding op te eten. Hierbij steunt de romp
+op de zolen der beide achterste ledematen, en tevens op den naar
+achteren gerichten, stevig tegen den grond gedrukten staart, waardoor
+het lichaam veilig en gemakkelijk als op een drievoet rust. Bij het
+slapen nemen de kleinere soorten een soortgelijke houding aan als de
+Haas in zijn leger; zij rusten, dicht tegen den bodem aangedrukt,
+op alle vier pooten en den in overlangsche richting onder den romp
+uitgestrekten staart. Door deze houding zijn zij in staat te allen
+tijde onmiddellijk op de vlucht te gaan.
+
+Als een Kangoeroe een verdacht verschijnsel opmerkt, denkt hij in de
+eerste plaats aan de vlucht. Hierbij toont hij zich in zijn volle
+kracht. Niet anders dan springende kan hij zich snel bewegen; hij
+doet dit uitsluitend met de achterpooten; de sprongen, die hij maakt,
+overtreffen door hun wijdte die van alle overige Zoogdieren. Hij houdt
+zijne voorvoeten dicht bij de borst, strekt den staart achterwaarts,
+buigt de lange, slanke en veerende achterpooten met de volle kracht
+van zijne kolossale dijspieren naar den bodem, strekt ze plotseling,
+terwijl hij het lichaam vooroverbuigt, en schiet nu, een zwak gekromde
+booglijn volgend, als een pijl door de lucht. De eene sprong volgt
+onmiddellijk op den anderen; alle zijn minstens 3 M., bij de grootste
+soorten echter niet zelden 6 à 10 M. wijd en dan 2 à 3 M. hoog. Zelfs
+van gevangen exemplaren worden, als men ze in een groote, omheinde
+ruimte heen en weer jaagt, soms sprongen van 8 M. waargenomen.
+
+Het is licht te begrijpen, dat er een uitmuntende Hond noodig is om
+een Kangoeroe te volgen, en werkelijk zijn maar weinige Jachthonden
+hiertoe in staat. Op een begroeid terrein komt aan de vervolging zeer
+spoedig een einde, want de vluchtende Kangoeroe springt gemakkelijk
+over de op zijn weg voorkomende struiken heen, terwijl de Hond er om
+heen loopen moet. Op een oneffen bodem beweegt hij zich langzamer;
+vooral kost het hem moeite om bij hellingen naar beneden te gaan,
+omdat hij hier wegens de hevigheid van den sprong licht over den kop
+buitelt. Uren lang kan het dier trouwens deze bewegingswijze volhouden
+zonder vermoeid te worden.
+
+Onder de zintuigen van den Kangoeroe speelt het gehoororgaan
+vermoedelijk de belangrijkste rol; men bemerkt althans bij gevangen
+exemplaren een voortdurende beweging van de ooren ongeveer als bij
+onze Herten. Het gezichtsvermogen is zwakker en de reuk waarschijnlijk
+tamelijk weinig ontwikkeld. Een Engelsche jager, die zijne ervaringen
+onder den pseudonym "_the old Bushman_" te boek gesteld heeft, bericht
+evenwel, dat deze dieren uitstekend kijken, luisteren en speuren,
+maar voegt er bij, dat zij, evenals de Hazen, de voorwerpen op hun weg
+slecht waarnemen en als 't ware blindelings op den mensch toeijlen,
+indien deze zich maar niet beweegt, waaruit dus blijkt, dat hunne
+zinnen geenszins bijzonder goed ontwikkeld kunnen zijn. Nog veel minder
+kan dit van hunne geestvermogens gezegd worden. De Kangoeroe's vormen
+onder de Buideldieren een uitzondering, maar zijn in hooge mate arm
+van geest; zelfs het Schaap staat in dit opzicht ver boven hen. Door
+elk ongewoon verschijnsel verliezen zij hun kalmte, daar zij niet
+in staat zijn nieuwe toestanden spoedig te overzien. Hunne hersenen
+arbeiden langzaam; elke indruk, dien zij ontvangen, dringt eerst na
+verloop van eenigen tijd tot hun begrip door. De in vrijheid levende
+Kangoeroe stormt, wanneer een gevaar hem bedreigt, of wanneer hij er
+een vermoedt, blindelings regelrecht vooruit, laat zich ternauwernood
+weerhouden, en doet dan soms sprongen, waarbij hij, volgens den
+hierboven aangehaalden onderzoeker, de sterke beenderen van de pooten
+breekt. De gevangen Kangoeroe acht een nieuw perk in de hoogste mate
+gevaarlijk. Hoewel hij tusschen het ijzeren traliewerk opgegroeid
+is, zal hij toch hiertegen zich den kop te bersten springen, wanneer
+hij in een nieuw perk wordt gebracht. Om dit te verhoeden moet zijn
+oppasser hem dagen van te voren in een stal opsluiten, waar hij zijn
+domme kop niet beschadigen kan en tevens gelegenheid heeft om zijn
+nieuwe verblijfplaats in oogenschouw te nemen. Langzamerhand begint
+hij dan te begrijpen, dat het nieuwe perk toch in hoofdzaken met het
+oude overeenstemt, langzamerhand geraakt hij aan deze ruimte gewoon,
+langzamerhand kiest hij zich hierin een bepaald pad uit. Gesteld, dat
+in een perk daarnaast intusschen andere Kangoeroe's zijn komen wonen,
+dan zal de nieuweling ze aanvankelijk voor verschrikkelijke wezens
+aanzien en zullen deze evenzoo denken over hem. Later trouwens vechten
+Kangoeroe's van dezelfde soort of van verschillende soorten door de
+traliën heen hevig met elkander; voor lage hartstochten, zooals haat
+en nijd, zijn zelfs Kangoeroe-hersenen voldoende ontwikkeld. Hoewel
+het in gevangenschap levende Springbuideldier zijn oppasser leert
+kennen, bestaat er reden om te betwijfelen, dat het hem van andere
+personen onderscheidt. Met de menschen in 't algemeen, maar niet met
+één bepaald persoon, geraakt het langzamerhand eenigermate vertrouwd;
+de vreesachtigheid, die het aanvankelijk toont, wordt althans allengs
+afgelegd; tot het aanknoopen van echte vriendschapsbanden komt het
+echter nooit.
+
+De Kangoeroe's vermenigvuldigen zich niet sterk. De groote soorten
+werpen zelden meer dan één jong. In weerwil van de aanzienlijke
+grootte van eenige Kangoeroe's is de draagtijd van de wijfjes verbazend
+kort, die van den Reuzen-Kangoeroe b.v. slechts 39 dagen. Na afloop
+van dezen tijd wordt het jong geboren; de kiemtoestand, volgens de
+eigenlijke beteekenis van het woord, is dan geëindigd. De moeder
+neemt het met den mond op, opent met beide handen den buidel en
+legt het kleine, onoogelijke wezen aan een van hare tepels. 12 uren
+na de geboorte heeft de jonge Reuzen-Kangoeroe een lengte van iets
+meer dan 3 cM. bereikt. Het staat nu echter nog op geen hoogeren
+ontwikkelingstrap dan die, waarop de kiemen van de Zoogdieren der
+vroeger beschreven orden lang vóór hun geboorte zich bevinden: het
+is volkomen onrijp, doorschijnend, week, wormachtig; zijne oogen zijn
+gesloten, de ooren en de neusgaten maar even aangeduid, de ledematen
+nog niet volkomen duidelijk herkenbaar. Tusschen het kind en de moeder
+schijnt dan niet de minste overeenkomst te bestaan. Juist de voorste
+ledematen zijn 1/3 langer dan de achterste. In sterk gekromde houding,
+den korten staart tusschen de achterpooten door naar boven gebogen,
+hangt het aan den tepel, zonder waarneembare beweging, buiten staat
+zelfs om te zuigen. Zoodra het aan den tepel is gelegd, zwelt deze
+zoo sterk op, dat de groote lippen hem, de gezwollen tepelbasis
+daarentegen den mond nauwkeurig omsluiten. Voorzoover men thans
+weet, zuigt de jonge Kangoeroe in 't geheel niet, maar wordt zonder
+eenige inspanning zijnerzijds met melk verzorgd, daar deze hem door
+samentrekkingen van den tepel wordt ingespoten. Bijna 8 maanden lang
+krijgt het uitsluitend in den buidel voedsel; reeds een weinig eerder
+steekt het van tijd tot tijd den kop daarbuiten, maar is ook dan nog
+niet in staat zich zelfstandig te bewegen.
+
+Men heeft opgemerkt, dat een jonge Kangoeroe, die met geweld van
+den tepel was afgetrokken, of er toevallig afviel, na verloop van
+een lange tusschenpoos zich weder vastzoog. Leisler verhaalt, dat
+een iets verder ontwikkeld jong, dat, reeds bijna koud, op het stroo
+gevonden was, toen het aan den tepel werd gezet, verder groeide. Uit
+de overige en nieuwste waarnemingen blijkt, dat de Kangoeroe, wanneer
+hij eens een zekere grootte bereikt heeft, zeer snel groeit, vooral na
+het tijdstip waarin de haren verschijnen. Hij is dan in staat om zijne
+lange ooren, die vóór dien tijd slap bij het kopje naar beneden hingen,
+op te richten. Van nu af vertoont hij zich zeer dikwijls, wanneer
+de moeder rustig zit. Het kopje wordt buiten den buidel gestoken,
+de oogen waren rond, de armpjes woelen reeds in 't hooi rond en het
+diertje begint zelfs er van te eten. De moeder geeft nog wel steeds
+blijken van bezorgdheid voor het jong, maar is toch niet meer zoo
+beangst voor zijn veiligheid als vroeger. In den beginne duldt zij
+slechts met zeer grooten tegenzin pogingen om het jong in den buidel
+te zien of aan te raken. Ook het diertje zelf is zeer schroomvallig
+en keert bij de minste stoornis in den buidel terug. Hier zit het
+trouwens volstrekt niet altijd rechtop, maar neemt alle mogelijke
+standen aan. Men ziet het met den kop buiten den buidel, terwijl tevens
+de beide achterpooten en de staart er uit steken; soms ziet men alleen
+de beide laatstgenoemde lichaamsdeelen en niet den kop. Een aardig
+schouwspel is het te zien, hoe de moeder, als zij verder springen wil,
+het jong, dat het kopje buiten den buidel steekt, er in terugdrijft:
+zij geeft het diertje als het niet spoedig gehoorzaamt, een zachten
+tik met de handen. Geruimen tijd nadat het jong zich voor de eerste
+maal vertoond heeft, verlaat het af en toe zijn schuilplaats en zwerft
+naast de moeder in de vrije natuur rond; nog lang daarna vlucht het
+echter, en zoodra het gevaar vreest, in den buidel terug. Het komt
+dan met kolossale sprongen op de moeder af en stort zich, zonder ook
+maar een oogenblik op te houden, hals over kop in den half geopenden
+buidel van de rustig op hare achterpooten zittende oude, keert zich
+om en kijkt door de opening van den buidel naar buiten.
+
+In hun vaderland zijn de Kangoeroes het belangrijkste wild; met
+hartstochtelijken ijver wordt jacht op hen gemaakt door de Roofdieren
+zoowel als door de menschen, door de inboorlingen zoowel als door
+de blanken. De kleurlingen trachten zoo voorzichtig mogelijk een
+gezelschap grazende Kangoeroe's te naderen, en hebben er meesterlijk
+slag van ze zoo te omsingelen, dat althans eenige exemplaren van
+den troep hen ten buit vallen. Bovendien verstaan de Australiërs
+de kunst om allerlei strikken en vangnetten te vervaardigen en op
+doelmatige wijze te plaatsen. Een veel grootere slachting dan door
+de inboorlingen onder de Kangoeroe's wordt aangericht, is het gevolg
+van de jachtlust der blanken. Alle denkbare middelen worden toegepast
+om deze dieren uit te roeien: men vangt ze in strikken, doodt ze met
+het geweer, hitst ze met Honden. Dit geschiedt alleen uit overmoed,
+want de gevelde dieren laat men in 't woud verrotten. "Om deze
+reden," schrijft _"the old Bushman"_, "zijn de Kangoeroes in de
+nabijheid van alle steden en volksplantingen van eenige beteekenis
+reeds uitgeroeid. Als deze wilde jacht op dezelfde wijze voortduurt,
+zal het tijdstip niet ver meer zijn, dat zij ook in het binnenland
+tot de zeldzame Zoogdieren zullen behooren. Ik kan niet inzien,
+dat zij op de uitgestrekte, met gras begroeide vlakten zooveel
+schade aanrichten. In de nabijheid van ontginningen worden zij wel
+is waar lastiger dan bij ons de Hazen en Konijnen, maar ook dit is
+geen reden om ze op zulk een onverstandige wijze te vervolgen. Des
+nachts komen zij over de omtuiningen en verslinden de planten; een paar
+wildverschrikkers zijn echter voldoende om ze te weren. Zij verdienen
+meer waardeering dan hun ten deel valt. Ik wil niet ontkennen,
+dat hun vel en vleesch minder waarde hebben, dan die van ons Hert:
+de geringschatting, die men er in Australië voor toont, is echter
+overdreven. Velen achten het vleesch voor niet veel beter dan aas en
+willen het om niet ternauwernood aannemen, zelfs op plaatsen waar
+rundvleesch en schapenvleesch betrekkelijk duur zijn; voor het vel
+willen de opkoopers niet meer geven dan 90 cents. Ik kan echter op
+grond van eigen ervaring verzekeren, dat dit vleesch volstrekt niet
+slecht smaakt, en dat het vel minstens even goed, ja zelfs fijner dan
+kalfsleder is. De menschen beweren dat dit vleesch niet voedzaam is;
+ik acht deze meening geheel onjuist. Mijn oude tentkameraad en ik
+leefden van Kangoeroevleesch, zoolang wij in 't bosch waren en deden
+toch ons werk zoo goed als iemand anders. Wel wil ik niet tegenspreken,
+dat dit vleesch bij dat van ons wild achterstaat, daar het droog en
+flauw, zeer bloedrijk en donker van kleur is; het smaakt ook minder
+goed dan schapenvleesch; ik houd echter vol, dat men het niet behoeft
+te verachten en dat vooral de staart een uitmuntende soep oplevert.
+
+"Welgestelde kolonisten zijn gewoon den Kangoeroe te jagen met
+een meer bepaaldelijk hiervoor geschikt ras van Jachthonden. Deze
+brengen het dier weldra ten val, vooral wanneer de grond vochtig is;
+zij weten buiten het bereik te blijven van de gevaarlijke wapens
+van het vervolgde dier. Niet altijd n.l. valt het ten buit aan
+zijne vijanden zonder strijd; want ook deze vreedzame kruideneter
+heeft middelen om zich te verdedigen. Zijn sterkte is gelegen in
+de gespierde achterpooten, welker middelste teen, zooals men weet,
+een scherpen nagel draagt. Met dezen brengt hij zijne vijanden
+gevaarlijke wonden toe. Jonge Honden geraken in den regel binnen
+het bereik van de achterklauwen; eenige diepe wonden of slagen van
+den met de achterpooten zich verwerenden Kangoeroe leeren hun echter
+weldra voorzichtigheid. In geval van nood tracht het dier zich ook
+met de tanden te verdedigen."
+
+Alle soorten van Kangoeroes berusten zonder veel bezwaar in de
+gevangenschap, kunnen met hooi, groen voer, rapen, graan, brood en
+dergelijke voedingsmiddelen gemakkelijk in 't leven gehouden worden,
+verlangen in den winter geen bijzonder warmen stal en planten zich,
+bij doelmatige verzorging, in hun gevangenis voort.
+
+Voor eenige jaren heeft Philipp _baron Von_ Böselager getracht
+Bennet's _Wallaby_ in Duitschland te acclimatiseeren; dit geschiedde
+in de Rijnprovincie in een bosch van 500 hectare oppervlakte bij
+Heimerzheim. Naar men bericht, kunnen deze Kangoeroes in hun nieuw
+vaderland goed aarden en vermenigvuldigen zich hier. Misschien zijn
+eenige wel wederrechtelijk geschoten en andere ontvlucht (naar gezegd
+wordt, hebben een aantal van deze dieren zich in den Eifel gevestigd),
+maar toch kon onze zegsman in de lente van 1890 in de jagerscourant
+"der Weidmann" berichten: "Het is dus een feit, dat wij een stam
+van hier geacclimatiseerde Kangoeroes bezitten, die zich geregeld
+voortplanten en welker aantal vermoedelijk gestadig zal toenemen."
+
+
+
+De _Reuzenkangoeroe_ (_Macropus giganteus_), de _Boomer_ der
+Australische kolonisten, behoort tot de grootste soorten van
+de familie. Zeer oude mannetjes hebben in zittende houding bijna
+manshoogte; hun lengte bedraagt omstreeks 3 M., waarvan 90 cM. voor
+den staart gerekend moeten worden; hun gewicht varieert tusschen
+100 en 150 KG. Het wijfje is gemiddeld een derde kleiner dan het
+mannetje. De vacht is goed gevuld, dicht, glad en zacht, bijna wollig,
+de kleur een moeilijk te omschrijven bruin, met grijs gemengd. De
+voorarm, het onderbeen en de voetwortel zijn wit of grijsachtig wit,
+de teenen zwartachtig; de kop heeft dezelfde kleur als de rug met
+donkere strepen op de zijden; de staart is bruinachtig, wordt naar
+de spits toe allengs donkerder en is aan de spits zwart.
+
+Cook ontdekte deze Kangoeroe-soort in 1770 aan de kust van
+Nieuw-Zuid-Wales en gaf haar den thans gebruikelijken naam in
+overeenstemming met dien, welke de inboorlingen haar gaven. Het
+dier leeft in met gras begroeide oorden of in de schraal bezette
+struikbosschen, die men in Australië zoo veelvuldig vindt. In het
+kreupelhout begeeft het zich vooral gedurende den zomer om zich tegen
+de heete middagzon te beveiligen. Tegenwoordig is dit dier door de
+aanhoudende vervolgingen tot ver in het binnenland teruggedrongen
+en ook hier begint het zeldzamer te worden. Het leeft in troepen,
+maar is niet zoo gezellig, als men aanvankelijk op grond van een
+toevallige vereeniging van verscheidene familiën meende. Gewoonlijk
+ziet men ze slechts bij drieën of vieren bijeen; tusschen de leden
+van dit gezelschap bestaat zulk een los verband, dat eigenlijk geen
+hunner zich om de overige bekommert; ieder gaat onafhankelijk van
+de andere zijn eigen weg. Op een buitengewoon goeden weidegrond
+komen zij in grooten getale te zamen, om zich weder van elkander te
+scheiden, wanneer het hier aanwezige voedsel opgebruikt is. Vroeger
+meende men, dat de mannetjes als aanvoerders van den troep optraden,
+waarschijnlijk, omdat zij wegens hun aanzienlijke grootte voor dit
+ambt geschikt schenen; deze onderstelling is echter gebleken onjuist
+te zijn. Volgens alle berichten is de Reuzenkangoeroe in hooge mate
+schuw en vreesachtig; slechts zelden gelukt het den mensch hem op
+de gewenschte wijze te naderen. Tegenwoordig ziet men hem zeldzamer
+bij ons in gevangenschap dan vroeger, toen hij in zijn vaderland
+veelvuldiger voorkwam. Bij goede verzorging kan men hem lang in
+'t leven houden; enkele exemplaren leefden 10 à 25 jaren in Europa.
+
+
+
+Bewoners van 't gebergte zijn de _Bergkangoeroe_'s (_Petrogale_),
+o.a. de hierboven afgebeelde _Geelvoetkangoeroe_ (_Petrogale
+xanthopus_) en de Zuid-Australische _Rotskangoeroe_ (_Petrogale
+penicillata_). De laatstgenoemde bereikt, met inbegrip van den aan
+de spits ruigen staart, die ongeveer even lang is als het overige
+lichaam, een lengte van 1.25 M. en is donker purpergrijs, aan de zijden
+witachtig bruin, van achteren zwart, van onderen bruin of geelachtig.
+
+De Rotskangoeroe bewoont in vrij grooten getale de gebergten van
+Zuid-Australië; men ziet hem echter niet dikwijls, omdat hij een
+vriend van den nacht is, en slechts uiterst zelden vóór zonsondergang
+uit donkere holen en gangen van tusschen de rotsen te voorschijn
+komt. De behendigheid, die hij bij het klimmen langs de rotswanden
+toont, zou een Aap alle eer aandoen. Door zijn vaardigheid in 't
+klimmen is hij beter dan al zijne verwanten tegen de vervolgingen
+van den mensch en van andere vijanden gevrijwaard. In den laatsten
+tijd heeft men verscheidene malen Rotskangoeroe's levend naar Europa
+gebracht; men ziet ze tegenwoordig in vele dierentuinen. Hun lust in
+'t klimmen buiten rekening gelaten, onderscheiden hunne handelingen
+zich niet van die hunner verwanten.
+
+
+
+De geschiktheid tot klimmen van de Springbuideldieren is het
+grootst bij de vier soorten van _Boomkangoeroe_'s (_Dendrolagus_),
+die Nieuw-Guinea en het noorden van Queensland bewonen. De groote
+en krachtige voorste ledematen, die maar weinig onderdoen voor de
+achterpooten, zijn een kenmerkende eigenschap van dit geslacht. De
+_Beerachtige Kangoeroe_ (_Dendrolagus ursinus_) van Nieuw-Guinea is
+een tamelijk groot dier van 1.25 M. lichaamslengte, waarvan meer dan
+de helft voor den staart gerekend moet worden.
+
+Alle onderzoekers verklaren eenstemmig, dat men zich geen merkwaardiger
+schouwspel kan denken, dan dat van een Boomkangoeroe, die zich vroolijk
+op de takken beweegt en bijna alle klauterkunsten vertoont, die bij
+andere klimmers uit de klasse der Zoogdieren waargenomen worden. Met
+de grootste gemakkelijkheid klimt dit dier bij de boomstammen op;
+met de vastheid van beweging van een Eekhoorn, gaat hij naar boven en
+naar beneden; toch maakt hij daarboven zulk een vreemden indruk, dat
+iedere toeschouwer als 't ware verbluft is, wanneer het donkerharige,
+langpootige dier onverwachts van den bodem af bij een boom ophuppelt en
+zich daar te midden van de heen en weer schommelende takken beweegt. In
+overeenstemming met zijn verblijfplaats voedt het zich hoofdzakelijk
+met bladen, knoppen en uitspruitsels van boomen; waarschijnlijk eet
+het ook vruchten. In gevangenschap ziet men het zelden.
+
+
+
+De kleine Springbuideldieren noemt men _Kangoeroeratten_
+(_Potoroinae_). Zij gelijken nog zeer op hare grootere verwanten,
+maar onderscheiden zich van deze, behalve door de geringere grootte,
+door den langen nagel aan den middelsten teen van de voorste ledematen
+en hoofdzakelijk door het gebit. Deze onderfamilie is tot het vasteland
+van Australië en tot Tasmanië beperkt.
+
+
+
+Een van de grootste soorten van Kangoeroeratten is de _Opossumrat_
+(_Bettongia penicillata_), een dier van de grootte van een Konijn,
+met zeer korte, ronde ooren en tamelijk lange haren. De kleur van
+de bovendeelen is grijsbruin, zwart en wit gespikkeld, die van de
+onderdeelen vuilwit of geelachtig. De Opossumrat is zeer goed kenbaar
+aan een kam van lange, zwarte, ruige haren op het laatste derde
+gedeelte van den staart. Haar totale lengte bedraagt 67 cM., waarvan
+31 cM. voor den staart gerekend moeten worden. Zij bewoont het geheele
+vasteland van Australië met uitzondering van de noordelijke districten.
+
+"Evenals de overige soorten van dit geslacht," bericht Gould, "graaft
+de Opossumrat een hol in den bodem, om daarin haar dikwandig, uit
+gras samengesteld nest te bouwen; het uiterlijk van dit nest stemt
+zoo volkomen met dat van de omgeving overeen, dat men het zonder
+zeer zorgvuldig onderzoek stellig over 't hoofd ziet. Op een zeer
+opmerkelijke wijze brengen deze Dwergkangoeroes het dorre gras,
+dat voor den nestbouw moet dienen, bijeen. Zij maken hiertoe gebruik
+van den staart, die voor 't grijpen zeer geschikt is. Het dier vat
+er een bos gras mede aan en sleept het naar de bepaalde plaats; hoe
+vreemd en grappig dit gelijkt, kan men zich licht voorstellen. Ook
+in den gevangen staat sleepen zij op deze wijze de materialen voor
+hun leger bijeen."
+
+
+
+De _Kangoeroerat_ (_Potorous tridactylus_) is kenbaar aan haar
+langwerpigen kop, korte pooten en rattenstaart. Haar lichaamslengte
+bedraagt 40 cM., de lengte van den staart 25 cM. De romp is kort en
+gedrongen, de hals dik, de staart lang, plat, tamelijk sterk geringd
+en geschubd, en nog schraal begroeid met eenige korte en stijve haren,
+ten deele echter naakt. De lange, losse, zwak glanzige vacht is van
+boven donkerbruin, aan de onderzijde vuilwit of geelachtig wit.
+
+De koloniën Nieuw-Zuid-Wales, Victoria, Zuid-Australië en Tasmanië
+zijn het vaderland van de Kangoeroerat. Zij houdt veel van streken,
+die slechts hier en daar met struiken begroeid zijn, en vermijdt het
+open veld. Op hare woonplaatsen graaft zij tusschen graspollen een
+kuil in den grond, bekleedt deze zorgvuldig met droog gras en hooi,
+en slaapt hier, gewoonlijk in gezelschap van eenige soortgenooten,
+gedurende den geheelen dag; want ook zij is een echt nachtdier,
+dat eerst tegen zonsondergang te voorschijn komt.
+
+De bewegingen van de Kangoeroerat verschillen aanmerkelijk van die
+der echte Kangoeroes. Zij loopt geheel anders en met veel meer gemak
+dan deze, meer op de wijze van de Springmuizen, dat wil zeggen, door
+de achterpooten één voor één en niet gelijktijdig te bewegen. Ook
+door haar voedingswijze verschilt zij van hare vroeger beschreven
+verwanten. Zij graaft hoofdzakelijk knollen, wortels en andere
+onderaardsche plantendeelen uit, en richt hierdoor op de bouwlanden
+dikwijls een gevoelige schade aan. Sedert er diergaarden bestaan,
+komt de Kangoeroerat niet zelden levend naar Europa. Zij blijft
+gezond bij zeer eenvoudig voedsel en heeft volstrekt geen bijzondere
+beschutting noodig. Een met hooi gevoerde kist of een klein hokje op
+den grond is voldoende voor haar; als men haar geen woning verschaft,
+graaft zij er zelf een en bekleedt deze zorgvuldig met gras, bladen
+en hooi, zooals zij in haar vaderland gewoon is te doen.
+
+
+
+De familie van de _Klimbuideldieren_ (_Phalangeridae_) omvat dieren,
+die op boomen leven; voor 't meerendeel eten zij planten, ten
+deele echter vleesch en Insecten. Zij wordt in drie onderfamiliën
+verdeeld: de _Buidelberen_, de _Phalangisten_ (Koeskoes en Koesoe)
+en de _Vliegende Buideldieren_. Alle hebben vijf teenen aan de voor-
+en achtervoeten, een enkelvoudige maag en een goed ontwikkelden
+buidel, die zich naar voren opent. De tweede en de derde teen van
+de achtervoeten zijn met elkander vergroeid, de vierde teen is de
+langste, de eerste teen mist den nagel en heeft de eigenschap van
+een duim, daar hij tegenover de andere teenen geplaatst kan worden;
+de teenen der voorvoeten zijn vrijwel gelijk aan elkander.
+
+
+
+De eerste onderfamilie (_Phascolarctinae_) bevat slechts één
+geslacht en dit slechts één soort, n.l. den _Koala_ of _Buidelbeer_
+(_Phascolarctus cinereus_), een der merkwaardigste leden van de
+geheele orde. De staartlooze romp is gedrongen gebouwd, de zeer dikke
+kop eindigt in een korten snuit, de mond is met wangzakken voorzien,
+de ooren zijn groot en ruig behaard; zoowel aan de voorste als aan
+de achterste ledematen komen echte grijpvoeten voor, ieder met vijf
+teenen. De beide binnenste teenen van de voorvoeten kunnen tegenover
+de drie overige geplaatst worden; de achtervoeten hebben een stevigen,
+ongenagelden, maar tegenoverstelbaren duim; de overige teenen zijn met
+scherpe, lange, gekromde nagels voorzien en hierdoor voor 't klimmen
+geschikt; zij zijn zeer ongelijk van lengte. Aan het gebit valt op te
+merken, dat de snijtanden van de bovenkaak ongelijk zijn: de voorste
+van de twee, die in iedere kaakhelft voorkomen, is de grootste en
+dikste; de hoektanden zijn klein; de kroon van de maaltanden is van
+knobbels voorzien.
+
+De naam "Buidelbeer" is goed gekozen, daar de Koala zoowel door zijn
+gestalte, als door zijn gang en zijn geheele houding duidelijk aan
+den jongen Beer herinnert. Zijn lengte bedraagt ongeveer 60 cM.,
+de schofthoogte ongeveer de helft. De kleur van de bovendeelen is
+roodachtig aschgrauw, die van de onderdeelen geelachtig wit; de
+buitenzijde van de ooren is zwartachtig grijs.
+
+Het verbreidingsgebied van den Buidelbeer strekt zich uit over
+Oost-Australië en in Queensland tot aan Victoria. Hij komt
+nergens veelvuldig voor en is daarom ook nog tamelijk weinig
+bekend. Paarsgewijs (een mannetje en een wijfje) bewegen deze
+dieren zich in de hoogste boomen, zoo langzaam, dat men ze ook wel
+"Australische Luiaard" noemt. Een deel van den dag brengt de Koala
+slapend door, diep verborgen in de kroon van de eucalyptus-boomen,
+die zijn liefste verblijfplaats vormen; op deze wijze vrijwaart
+hij zich tegen de felste zonnehitte en het schelste licht; hij
+heeft dus een half-nachtelijke levenswijze. Tegen den avond begint
+zijn maaltijd. Rustig en niet gestoord door de overige bewoners
+der wildernis, bijt hij dood op zijn gemak met de snijtanden de
+jonge bladen en uitspruitsels van de takken af, die hij met zijne
+voorpooten vasthoudt.
+
+Zonder groote moeite kan dit stompzinnige dier gevangen worden;
+gelaten schikt het zich in het onvermijdelijke en dus ook in de
+gevangenschap. Hier wordt het zeer spoedig tam, leert spoedig zijn
+verzorger kennen en toont dezen ook een zekere gehechtheid.
+
+Voorzoover men weet, werpt het wijfje slechts één jong. De moeder
+sleept haar kind, nadat het den buidel ontgroeid is, nog langen
+tijd op den rug of op de schouders mede, en behandelt het met groote
+zorg en liefde. De Europeanen kennen den Koala eerst sedert het jaar
+1803. Door de inboorlingen wordt hij _Goriboen_ genoemd en van oudsher
+als een gewenschten buit beschouwd, dien zij met grooten ijver om
+zijn vleesch vervolgen en in de boomen achterna klauteren.
+
+
+
+De soortenrijkste onderfamilie van de Klimbuideldieren is die der
+_Phalangisten_ (_Phalangerinae_). Hoogstens bereiken zij de grootte
+van een flinken Marter. Hun staart is gewoonlijk een lange grijpstaart,
+hun snuit kort en breed.
+
+In de wouden van Celebes, van de Molukken, van de eilanden van
+de Timor-groep, van Nieuw-Guinea en van het noordelijke deel
+van Queensland huizen de _Koeskoeten_ of _Oostersche Opossums_
+(_Phalanger_). Zij hebben een plompe gestalte, middelmatig lange of
+korte ooren, een loodrecht geplaatste pupil, een korten en breeden
+snuit, een meer of minder wollige vacht. Met den staart, waarvan het
+voorste deel behaard, de eindhelft echter naakt en met wratten bezet
+is, houden zij zich aan boomtakken vast.
+
+
+
+De _Gevlekte Koeskoes,_ de _Wangal_ van de bewoners van Aroe
+(_Phalanger maculatus_), een der fraaiste soorten van dit soortenrijke
+geslacht, bereikt in volwassen toestand eene totale lengte van 1.1
+M., waarvan ongeveer 48 cM. op den staart komen. Een dichte, wollige,
+zijdeachtige vacht bekleedt het lichaam. De kleur wisselt sterk af: in
+den regel zijn de bovendeelen wit met een geelachtige of grijsachtige
+tint, en geteekend met groote, onregelmatige vlekken van vurig
+roestroode, donkerbruine of zwarte kleur, die op de buitenzijde van de
+pooten uitvloeien; de onderdeelen zijn altijd ongevlekt en zuiver wit.
+
+De Gevlekte Koeskoes bewoont de eilanden ten oosten van Celebes tot
+aan Nieuw-Guinea en Noord-Australië. De eerste berichten over de
+levenswijze van dit dier danken wij aan den Hollandschen reiziger
+Valentijn. Hij verhaalt, dat op Amboina de Koeskoes of Koesoe, zooals
+de Maleiers hem noemden, een der vreemdsoortigste dieren van het
+geslacht der Wezels is. "De kop heeft groote overeenkomst met dien van
+een Rat of van een Vos. Het uiteinde van den staart is naakt en zeer
+buigzaam; hiermede houden zij zich zoo stevig vast aan de takken,
+dat men ze er slechts met moeite van af trekken kan. Zij wonen dan
+ook op de Molukken niet in holen, maar in de bosschen, op boomen,
+vooral op die, welke eetbare zaden voortbrengen. Op Ceram en Boeroe
+zijn er meer dan op Amboina, omdat zij hier bevreesd zijn voor de
+menschen, die hen op een eigenaardige wijze vangen om ze te eten,
+want zij worden door de inboorlingen als een lekkernij beschouwd en
+smaken gebraden als Konijnen. Men moet de aan hun staart hangende
+dieren stijf aankijken, dan laten zij uit vrees den staart los en
+vallen uit den boom. Slechts enkele lieden hebben echter de eigenschap
+den Koeskoes van de boomen naar beneden te kijken. Groene bladen,
+de buitenste bolster van de canari-noten, pisang- en andere sappige
+vruchten worden door hem gegeten. Daarbij zitten deze dieren overeind
+zooals de Eekhoorntjes. Tusschen de achterpooten bevindt zich een
+buidel, waarin 2 à 4 jongen bewaard worden." In de wouden voeden
+zij zich met alle bekende soorten van specerijachtige vruchten; in
+den gevangen staat eten zij ook rauw vleesch, wanneer het hun aan
+plantaardig voedsel ontbreekt. Hun gedrag in de kooi of in de kamer
+is even onbehagelijk als hun voorkomen. Zij zijn langzaam en stil,
+slaperig en knorrig, eten gulzig en drinken zeer veel. Onverdraagzaam
+jegens hunne soortgenooten, vallen zij dikwijls onder luid geknor
+en gillend geschreeuw op elkander aan, blazen als Katten, krabben
+en bijten. Over dag hebben hunne groote karmijnroode oogen, welker
+pupil tot een smalle spleet ineengekrompen is, een eigenaardige, domme
+en wezenlooze uitdrukking; des nachts schitteren zij zooals die van
+andere nachtdieren; zij herinneren dan in vele opzichten aan de Lori's.
+
+
+
+Veel vaker worden de _Koesoes_ (_Trichosurus_), naar Europa
+overgebracht; deze Klimbuideldieren zijn nauw verwant aan de
+Koeskoeten; hun gebit heeft dezelfde samenstelling; naar het uitwendige
+verschillen zij er van door de ronde pupil, de groote ooren, de gladde
+vacht en den staart, welks beharing zich tot aan de spits uitstrekt.
+
+
+
+Een van de meest bekende soorten van dit geslacht is de _Voskoesoe_
+(_Trichosurus vulpecula_, _Phalangista vulpina_), een dier, dat als 't
+ware een samenvoeging is van de sierlijke gestalte van ons Eekhoorntje
+met die van den Vos. De lengte van 't lichaam bedraagt 60 cM., die
+van den staart 45 cM. De kleur van de bovenzijde is bruinachtig grijs,
+met een roodachtig vaal waas, dat hier en daar sterk op den voorgrond
+treedt; de onderdeelen zijn licht okergeel, de onderhals en de borst
+meestal roestrood; de rug, de staart en de snorren zijn zwart.
+
+De Vos-koesoe bewoont Australië en Tasmanië, en is een van de
+veelvuldigste Australische Buideldieren. Evenals zijne verwanten
+leeft hij uitsluitend in de wouden op boomen, en leidt een volslagen
+nachtelijke levenswijze. Zijn voedsel bestaat grootendeels uit
+plantaardige stoffen; kleine vogeltjes en andere zwakke Gewervelde
+Dieren worden echter volstrekt niet door hem versmaad.
+
+Het wijfje brengt slechts twee jongen ter wereld en draagt deze
+gedurende langen tijd bij zich in den buidel, later ook wel op den rug,
+totdat het kroost de moederlijke zorgen niet meer noodig heeft.
+
+De Voskoesoe kan gemakkelijk getemd worden. Levende exemplaren van
+deze diersoort komen in den laatsten tijd dikwijls naar Europa. De
+meeste diergaarden hebben er eenige. In de gevangenschap zijn zij
+zachtaardig en vredelievend, met andere woorden, zij trachten niet
+te bijten; zij zijn echter zoo dom, onverschillig en traag, dat men
+niet veel aardigheid aan hen kan hebben. De inboorlingen maken ijverig
+jacht op dit dier en beschouwen zijn vleesch, in weerwil van den voor
+ons hoogst onaangenamen geur, dien het verbreidt, als een kostelijke
+lekkernij; ook het vel gebruiken zij voor velerlei doeleinden. Een
+van koesoe-vellen vervaardigden mantel dragen zij met evenveel zwier
+als wij een pelsjas van sabel- of marterbont.
+
+
+
+De _Buideleekhoorntjes_ (_Petauroides_) gelijken door hun gestalte
+zoo sprekend op de meer bekende Vliegende Eekhoorntjes, dat zij met
+deze verward zouden kunnen worden, indien zij zich niet door hun
+gebit belangrijk van deze Knaagdieren onderscheidden.
+
+
+
+De eenige soort van dit geslacht, het _Buideleekhoorntje_ (_Petauroides
+volans_), heeft een vlieghuid, die zich naar voren tot aan den
+elleboog, naar achteren tot aan den wortel van den duim uitstrekt. Het
+kan een lichaamslengte van 50 cM. bereiken, zonder den ongeveer even
+langen staart, die aan de onderzijde bij de spits onbehaard is. De
+kop is klein, de snuit kort en toegespitst; de oogen zijn zeer groot,
+de breede ooren dicht, bijna ruig behaard. Aan de voeten bevinden
+zich stevige, gekromde en scherpe nagels. De zeer lange en zachte,
+aan den staart ruige vacht vertoont vele kleurafwijkingen. Gewoonlijk
+zijn de bovendeelen bruinachtig zwart, de kop is meer bruinachtig,
+de vlieghuid witachtig gesprenkeld; de snuit, de kin en de pooten
+zijn zwart, de keel, de borst en de buik wit.
+
+De Buideleekhoorn bewoont Australië, van Queensland tot Victoria,
+vooral de groote wouden tusschen Port-Philipp en Moreton-baai; hij
+moet daar veelvuldig zijn, hoewel men hem slechts zelden gevangen of
+gedood in de handen van de inboorlingen ziet. Nachtdier zooals al zijne
+verwanten, verbergt hij zich tegen den morgen in de holten van groote,
+doode boomen en brengt hier den dag slapend door, beveiligd tegen al
+zijne vijanden behalve den altijd hongerigen en altijd op den loer
+liggenden inboorling. Men beweert, dat hij, in 't nauw gebracht,
+met wanhopigen moed vecht en zijne tanden bijna even goed weet te
+gebruiken als zijne klauwen. Zijn vleesch wordt als een lekkernij
+beschouwd. Daar deze dieren betrekkelijk groot worden, maken niet
+alleen de zwarte oorspronkelijke bewoners van het land, maar ook de
+blanken ijverig jacht op hen.
+
+In volkomen wakenden toestand onderscheidt de Buideleekhoorn zich
+door de vlugheid, behendigheid en zekerheid van zijne bewegingen. Hij
+vliegt letterlijk van den eenen tak op den anderen, springt over
+groote tusschenruimten heen, klimt buitengewoon snel weer naar een
+nieuwen boomtop omhoog en begeeft zich op deze wijze van den eenen
+boom op den anderen, van kroon tot kroon. Zijn lang, zacht, als
+zijde glinsterend haar is bij deze sprongen in golvende beweging;
+het vel, dat door zijn gladheid het bleeke schijnsel der maan op een
+eigenaardige wijze weerspiegelt, maakt in heldere nachten een waarlijk
+tooverachtigen indruk.
+
+Het voedsel van dit dier bestaat uit bladen, knoppen, jonge twijgen
+en misschien ook uit wortels. Zelden daalt het op den bodem af om
+hier te grazen. Men zegt, dat het in gevangen staat lang in 't leven
+kan blijven; het gelukt echter uiterst zelden het te krijgen.
+
+
+
+De naaste verwanten van de Buideleekhoorntjes zijn de
+_Suikereekhoorntjes_ (_Petaurus_), welker staart ook aan de spits
+behaard is. De meest bekende soort is de _Suikereekhoorn_ (_Petaurus
+sciureus_) uit wiens naam men reeds zou kunnen afleiden, dat het
+een bij 't volk geliefd dier is. Niet alleen door zijn gestalte,
+maar ook door zijn grootte gelijkt het dier op ons Eekhoorntje en
+nog meer op den Tagoean.
+
+Men vindt den Suikereekhoorn van Queensland tot Victoria. Hij is
+een echt boomdier en evenals de meeste op hem gelijkende dieren des
+nachts werkzaam. Hij klimt met de behendigheid van een Eekhoorn in de
+boomen rond, altijd van onderen naar boven en is in staat buitengewone
+sprongen te doen en intusschen naar verkiezing een andere richting aan
+te nemen. Hij behoeft van geen grootere hoogte dan 10 M. af te springen
+om een boom te bereiken, die 20 à 30 M. van hem verwijderd is. Allen
+die dit dier in de vrije natuur waargenomen hebben, zijn eenstemmig in
+hun bewondering over deze beweging, die zooveel op vliegen gelijkt,
+door geen dier, dat met een behaarde vlieghuid uitgerust is,
+overtroffen wordt en even bevallig als behendig uitgevoerd wordt.
+
+Over 't algemeen is de Suikereekhoorn een zeer aardig dier; hoewel
+hij zich verweren kan, is het niet moeilijk hem te temmen; bovendien
+is hij 's nachts buitengewoon opgewekt, vlug en vroolijk, maar
+ongelukkig altijd eenigszins schuw. Men ontmoet hem volstrekt niet
+zelden in de huizen der kolonisten, die hem met groote zorgvuldigheid
+behandelen. Zijn verstand is gering; het gemis van geestesgaven wordt
+tot op zekere hoogte vergoed door vroolijkheid, opgewektheid en een
+lieftallig uiterlijk. Zonder groote moeite kan men hem aan allerlei
+kost gewennen, hoewel hij steeds aan vruchten, knoppen en Insecten de
+voorkeur blijft geven, welke stoffen in de vrije natuur zijn voedsel
+uitmaken. Bijzonder gaarne eet hij de eucalyptus-manna, een product
+van den _Eucalyptus mannifera_ en eenige andere soorten van hetzelfde
+voor Nieuw-Holland karakteristieke plantengeslacht. De schors en
+de bladen van deze hooge boomen zweeten in kleine droppeltjes een
+grooten overvloed van een slijmerig, zoet sap uit, dat, aan de lucht
+drogend, in den vorm van groote schubben aan den boom hangt. Aan deze
+voorliefde dankt het dier zijn naam. Ongetwijfeld maken ook Insecten
+een hoofdbestanddeel van zijn voedsel uit. Bij gevangen exemplaren in
+den Londenschen dierentuin heeft men opgemerkt, dat zij doode Musschen
+en stukken vleesch, die men hun bracht, zeer gaarne opaten. Daarom
+meent men, dat zij 's nachts, zonder gedruisch te maken, op de wijze
+der Lori's, slapende Vogels en andere kleine dieren sluipend naderen
+en deze om 't leven brengen. In sommige gewesten richten zij in de
+perziken- en sinaasappelgaarden een aanzienlijke schade aan.
+
+De Suikereekhoorns zijn zeer gezellige dieren; men vindt er in de
+wouden altijd verscheidene bijeen, hoewel men niet kan opmerken, dat
+zij met hunne soortgenooten op bijzonder liefdevolle wijze omgaan. In
+de gevangenschap sluiten zij ook wel vriendschap met andere kleine
+dieren en toonen zelfs den mensch eenige gehechtheid.
+
+
+
+De kleinste van alle Klimbuideldieren, de _Buidelmuis_ of _Opossummuis_
+(_Acrobates pygmaeus_), wordt terecht als vertegenwoordiger van een
+afzonderlijk geslacht beschouwd. Haar breede vlieghuid reikt tot
+aan den handwortel, de staart is tweerijig, vedervormig behaard;
+de beharing van de ooren is middelmatig lang. Dit sierlijke diertje
+is ongeveer zoo groot als een Huismuis. Als het op een tak zit,
+de rekbare vlieghuid tegen den romp aangelegd, vertoont het een
+merkwaardige overeenkomst in uitzicht met het in onze huizen levend,
+lieftallig en toch zoo gehaat Knaagdier. Zijn totale lengte bedraagt
+ongeveer 14.5 cM., waarvan een weinig meer dan de helft door den staart
+wordt geleverd. De korte, zachtharige vacht is van boven grijsbruin,
+van onderen geelachtig wit van kleur.
+
+De Buidelmuis, die in Oost-Australië, van Queensland tot Victoria,
+inheemsch is, voedt zich, evenals hare verwanten, met bladen,
+vruchten, knoppen en andere malsche plantendeelen. Zij versmaadt ook
+een klein Insect niet, wanneer zij dit toevallig ontdekt. Door hare
+opgewektheid en vlugheid van bewegingen komt zij vrij wel met hare
+verwanten overeen; haar vaardigheid om met behulp van de uitgespreide
+vlieghuid groote afstanden door de lucht heen af te leggen, wordt
+slechts door weinige dieren met behaarde vlieghuid geëvenaard. Men
+zegt, dat dit diertje zoowel bij de inboorlingen als bij de kolonisten
+van Europeeschen oorsprong, die in de nabijheid van Port-Jackson wonen,
+zeer geliefd is en dikwijls getemd in kooien voorkomt.
+
+
+
+De derde familie der Plantenetende Buideldieren omvat de _Plompe
+Buideldieren_ of _Wombats_ (_Phascolomyidae_), die aan Knaagdieren
+herinneren. Men kent tegenwoordig drie soorten van Wombats, die alle
+in gestalte en aard overeenstemmen. Hun lichaam is buitengewoon plomp
+gebouwd, de romp log en dik, de hals dik en kort, de kop onbehouwen
+van vorm, de staart een klein, bijna onbehaard stompje; de ledematen
+zijn kort en krom, de voeten met vijf teenen voorzien en met lange,
+forsche, sikkelvormige klauwen gewapend, die alleen aan den binnenteen
+der achterste ledematen ontbreken; de zolen zijn breed en onbehaard;
+de teenen, die op den binnensten volgen, vergroeien gedeeltelijk met
+elkander. Zeer opmerkelijk is het gebit, daar de breede, voorste
+snijtanden, waarvan elke kaakhelft er één bevat, met knaagtanden
+overeenkomen. Bovendien bevat elke helft van iedere kaak één valsche
+kies en vier lange, gekromde ware kiezen.
+
+
+
+De _Tasmanische Wombat_ (_Phascolomys ursinus_) kan een lengte van
+omstreeks 95 cM. bereiken en kenmerkt zich door korte, afgeronde
+ooren. Zijn kleur is gespikkeld donkergrijs bruin. Tasmanië en de
+eilanden van de Bass-straat zijn het vaderland van deze soort. De
+nevens haar afgebeelde _Breedkoppige Wombat_ (_Phascolomys latifrons_)
+bewoont Zuid-Australië.
+
+Alle soorten leven in dichte wouden, graven wijde holen en zeer
+diepe gangen in den bodem, en brengen hier den geheelen dag slapend
+door. Eerst nadat het volslagen nacht geworden is, waggelt de Wombat
+naar buiten om voedsel te zoeken. Dit bestaat hoofdzakelijk uit een
+hard, biesachtig gras, dat groote oppervlakten bedekt; overigens
+echter ook uit allerlei kruiden en uit wortels, die hij door flink
+te graven blootlegt.
+
+De Wombat ziet er onhandiger uit, dan hij is. Zijne bewegingen zijn
+langzaam, maar volhardend en krachtig. Een dier dat zoo stompzinnig en
+onverschillig is als hij, verliest niet zoo licht zijn kalmte. Hij gaat
+regelrecht op zijn doel af en gaat onverpoosd zijn gang, zonder zich
+door eenig bezwaar, van welken aard dan ook, te laten afschrikken. Wat
+hij zich eens voorgenomen heeft, tracht hij ondanks alle hinderpalen
+ten uitvoer te brengen. Een hol, waaraan hij eens begonnen is, zal hij
+met de zielsrust van een wijsgeer honderdmaal trachten te voltooien,
+al wordt het ook telkens weer dichtgestopt.
+
+Evenals de meeste Australische dieren is ook de Wombat goed bestand
+tegen het leven als gevangene in ons werelddeel. Als hij goed verzorgd
+wordt en het voedsel krijgt dat hij noodig heeft, schijnt hij zich
+hier zeer op zijn gemak te gevoelen, en wordt dan ook tamelijk tam,
+d. w. z. hij geraakt in zoover aan den mensch gewoon, dat men hem kan
+veroorloven naar vrije verkiezing in huis rond te loopen. In Europa
+houdt men dit stompzinnige, onnoozele dier met groen voer, wortels,
+rapen, vruchten, zaden en graan zonder moeite in 't leven. Wanneer men
+het bovendien een weinig melk geeft, verschaft men het een buitengewoon
+genot. In Engeland is het reeds gelukt van beide soorten jongen te
+telen; men heeft toen kunnen opmerken, dat het wijfje 3 à 4 jongen
+werpt en ze, althans zoolang zij zich nog in den buidel bevinden,
+met groote zorgvuldigheid en liefde verpleegt en opvoedt.
+
+
+
+De tweede onderorde van de Buideldieren wordt gevormd door de
+_Vleescheters_ (_Polyprotodontia_), die zich van de leden der eerste
+orde onderscheiden door hun groot aantal snijtanden, en hieraan hun
+wetenschappelijken naam ontleenen: in elke helft van de bovenkaak
+hebben zij er 4 of 5, in elke helft van de onderkaak 3 of 4. De
+kleine snijtanden, die met elkander nagenoeg in lengte overeenstemmen,
+worden in grootte ver overtroffen door de lange en spitse hoektanden.
+
+
+
+Zelfs de leek zal de leden van de eerste familie van de
+Vleeschetende Buideldieren--de _Buideldassen_ of _Bandikoets_
+(_Peramelidae_)--gemakkelijk kunnen onderscheiden. De sterk
+verlengde achterpooten en het zeer afwijkende maaksel van de teenen
+zijn kenmerken, die iedereen in 't oog moeten vallen. Van de vijf
+voorteenen zijn slechts 2 of 3 van de middelste tot op behoorlijke
+lengte uitgegroeid en onafhankelijk van elkander; zij eindigen in
+stevige, sikkelvormige klauwen. De tweede en de derde teen van de
+achtervoeten zijn onderling vergroeid; de binnenteen ontbreekt of is
+gebrekkig ontwikkeld, de vierde teen is zeer lang. De romp is over
+'t geheel genomen gedrongen; de kop, vooral het snuitgedeelte loopt
+zeer spits toe; de staart is gewoonlijk zeer kort en dun behaard,
+slechts bij uitzondering lang en ruig; de ooren zijn bij sommige
+soorten bijzonder groot.
+
+De Buideldassen bewonen Australië en Nieuw-Guinea; zij leven in
+holen, die zij zich in den bodem graven en bij het geringste gevaar
+dat hen bedreigt, ten spoedigste opzoeken. Soms treft men hen aan
+in de nabijheid van plantsoenen of nederzettingen van den mensch;
+gewoonlijk echter houden zij zich op een afstand van den aartsvijand
+van alle dieren. De meeste soorten leven, naar het schijnt, gezellig
+met elkander en zijn uitsluitend 's nachts werkzaam. Hunne bewegingen
+zijn tamelijk vlug en eigenaardig, daar hun gang uit een opeenvolging
+van kortere of wijdere, op sprongen gelijkende stappen bestaat. Zij
+voeden zich hoofdzakelijk met planten, vooral met sappige wortels
+en knollen, nu en dan gebruiken zij echter ook Insecten en Wormen,
+ook wel zaden.
+
+
+
+Tot het geslacht der _Buideldassen_ (_Perameles_), dat, behalve in
+Australië, ook in Nieuw-Guinea inheemsch is, behoort de _Langneuzige
+Buideldas_ (_Perameles nasuta_), een dier van eigenaardige
+gestalte, dat bijna evenveel op een Konijn als op een Spitsmuis
+gelijkt. Volwassen-dieren zijn meer dan 50 cM. lang met inbegrip van
+den staart, welks lengte 12 cM. bedraagt.
+
+
+
+De tweede familie van de onderorde der Vleescheters wordt gevormd
+door de _Roofbuideldieren_ (_Dasyuridae_). Voor- en achterpooten
+zijn bij hen vrijwel van gelijke lengte; beide hebben vijf teenen;
+bij sommige soorten hebben de achterste ledematen er slechts vier. De
+staart is lang behaard en niet voor 't grijpen ingericht.
+
+
+
+Aan de onderfamilie van de _Buidelmarters_ (_Dasyurinae_), wordt
+gewoonlijk de eerste rang toegekend. Alle hedendaagsche soorten,
+die tot deze groep behooren, bewonen het Australische faunistische
+rijk en zijn van Nieuw-Guinea tot Tasmanië verbreid.
+
+De Buidelmarters houden zich zoowel in wouden als in rotsachtige
+gewesten of aan de oevers van de zee op; sommige leven hier in diepe
+holen of gaten in den grond, onder boomwortels of in rotskloven;
+andere zoeken holle boomen op. Sommige bewegen zich uitsluitend op den
+bodem, andere klimmen uitmuntend en eenige houden bijna uitsluitend
+verblijf op boomen. Zij hebben een sluipenden en bedachtzamen gang,
+daar zij de geheele voetzool op den grond laten rusten. Bijna alle
+zijn nachtelijke dieren, die den dag slapend in hunne schuilhoeken
+doorbrengen, en op roof uitgaan, zoodra de schemering invalt. Bij deze
+rondzwervingen bezoeken zij de zeekust, en verslinden alle dieren,
+die de zee aan land werpt, onverschillig of zij versch zijn of in
+rottenden toestand verkeeren. De op boomen levende vormen voeden
+zich hoofdzakelijk met Insecten; hoogstens maken zij bovendien nog
+op kleine Zoogdieren en Vogels, alsmede op eieren jacht. De grootste
+soorten dringen ook wel in menschelijke woningen door en dooden hier,
+op de wijze van de Marters, in een enkelen nacht alle Hoenderen of
+plunderen, evenals de brutale Poolvossen in het hooge noorden, de
+zolders en proviandkamers, waar zij vleesch en spek stelen. De kleinste
+soorten kunnen zelfs door zeer nauwe openingen het lichaam heenwringen
+en zijn om deze reden even gehaat als de Marters en Bunzingen bij ons;
+de grootste soort valt de schapenkudden aan en haalt zich af en toe
+een buit uit hun midden. Vele brengen het voedsel met de voorpooten
+naar den bek. Hun stem bestaat uit een eigenaardig geknor en een
+helderklinkend geblaf. De groote soorten zijn zeer wild, bijtlustig
+en ontembaar; wanneer zij aangevallen worden, verdedigen zij zich
+woedend met hunne scherpe tanden; de kleinere daarentegen hebben
+een zachtzinnig en goedaardig voorkomen; enkele kunnen gemakkelijk
+in gevangenschap in 't leven gehouden en zonder groote moeite getemd
+worden; nooit laten zij echter eenige gehechtheid aan hun verzorger
+blijken.--In de lente werpt het wijfje 4 à 5 jongen.
+
+De schade, die de leden van deze onderfamilie aanrichten, overtreft
+verre het nut, dat zij opleveren en rechtvaardigt de felle
+vervolgingen, die zij te verduren hebben.
+
+
+
+De _Buidelwolf_, _Zebrahond_ of _Buidelhond_ (_Thylacinus
+cynocephalus_), de eenige thans levende vertegenwoordiger van zijn
+geslacht, draagt zijn naam niet ten onrechte, want hij gelijkt
+werkelijk op een Wilden Hond. Zijn gestrekte romp, de vorm van den
+kop, de scherp begrensde snuit, de rechtop staande ooren, de oogen, de
+wijze waarop de staart gedragen wordt herinneren aan de laatstgenoemde
+Roofdieren; de ledematen zijn echter betrekkelijk kort en het gebit
+vertoont met dat van den Hond een belangrijk verschil.
+
+De Buidelwolf is het grootste van alle vleeschetende Buideldieren. Zijn
+lichaamslengte bedraagt meer dan 1 M., de lengte van den staart 50 cM.;
+de oude mannetjes zijn nog aanmerkelijk grooter en kunnen naar men
+beweert, een totale lengte van ongeveer 1.9 M. bereiken. De korte,
+los aanliggende vacht is grijsbruin, op den rug met 12 à 14 zwarte
+strepen geteekend.
+
+De Buidelwolf bewoont Tasmanië. Toen de kolonisatie van dit eiland
+door de Europeanen begon, kwam hij hier zeer veelvuldig voor, tot
+groote schade en ergernis voor de veefokkers, welker schapenkudden
+en pluimveefokkerijen hij ijverig brandschatte. Later werd hij door
+het schietgeweer meer en meer verdreven; tegenwoordig is hij in het
+binnenland teruggedrongen. Hier vindt men hem in sommige bergachtige
+gewesten nog altijd in tamelijk grooten overvloed, het veelvuldigst
+op een hoogte van ongeveer 1000 M. boven den zeespiegel. Rotsspleten
+in donkere, voor den mensch bijna ontoegankelijke ravijnen, diepe
+holen, die door de natuur gevormd of door hem zelf gegraven zijn,
+verschaffen hem toevluchtsoorden gedurende den dag; van hier uit
+onderneemt hij zijne rooftochten. Hij is een nachtelijk dier en schuwt
+het heldere licht in hooge mate. Hoewel hij niet het wildste van alle
+Roof-buideldieren is, overtreft hij toch al zijne familiegenooten,
+wat sterkte en koenheid betreft, en verdient reeds hierom zijn naam.
+
+Het voedsel van den Zebrahond bestaat uit alle kleine dieren, die
+hij bereiken en overmeesteren kan, uit Gewervelde Dieren zoowel
+als uit ongewervelde, bij de Insecten en Weekdieren te beginnen
+en afdalend tot aan de Straaldieren. Als hij zeer hongerig is,
+versmaadt hij geen enkele spijs en deinst niet eens af voor het met
+scherpe verweermiddelen voorziene kleed van den Mierenegel. Wanneer
+de Buidelwolf zijne rooftochten uitstrekt tot in de gewesten, die
+door menschen bewoond worden, vangt men hem in vallen of maakt jacht
+op hem met Honden. Tegen deze weet hij zich goed te verdedigen en
+toont daarbij een wildheid, die buiten verhouding staat tot zijn
+geringe grootte.
+
+
+
+Veel leelijker en in de hoogste mate afkeerwekkend is de naaste verwant
+van den Buidelwolf, die door de kolonisten _Duivel_ wordt genoemd
+(_Sarcophilus ursinus_). Deze naam, die aan duidelijkheid niets
+te wenschen overlaat, heeft hij te danken aan zijn ongeloofelijke
+wildheid en ontembaarheid. Volgens het eenstemmig oordeel van alle
+waarnemers kan men zich moeielijk een lastiger, woester, zinneloozer
+en kwaadaardiger schepsel voorstellen dan deze Buidelduivel, wiens
+booze stemming en wreveligheid nooit ophouden en wiens toorn bij de
+geringste aanleiding helder opvlamt. Niet eens in de gevangenschap
+en bij de zorgvuldigste verpleging verliest hij deze eigenschappen;
+nooit toont hij bekendheid met of genegenheid voor den persoon,
+die hem met voedsel en al wat hij verder noodig heeft, voorziet;
+zijn oppasser valt hij met evenveel haat en zinnelooze woede aan als
+ieder ander wezen, dat het waagt hem te naderen. Zijn vacht bestaat
+uit korte, stijve haren.
+
+De borst van dit dier is met een witten halsband en in den regel
+bovendien met twee witte vlekken geteekend; het geheele overige
+lichaam is met een koolzwarte vacht bekleed. De totale lengte van
+dit dier bedraagt ongeveer 1 M. met inbegrip van den ongeveer 30
+cM. langen staart.
+
+Aanvankelijk hadden de kolonisten op Tasmanië veel last van den
+Buidel-duivel, daar hij hun het fokken van Hoenderen en andere Vogels
+bijna geheel onmogelijk maakte. Op de wijze van de Marters drong hij
+in het hoenderhok door en hield hier huis met een bloedgierigheid
+zooals overigens alleen door de dieren van het Martergeslacht getoond
+wordt. Hij werd daarom van den eersten aanvang af fel gehaat en op de
+meest wraakzuchtige wijze vervolgd, te meer omdat men zijn vleesch als
+smakelijk of althans eetbaar had leeren kennen. Vallen van allerlei
+soort werden op zijn weg geplaatst en groote verdelgingsjachten
+gehouden; zeer schielijk leerde hij de heerschappij en het verstand
+van den mensch eerbiedigen en vreezen; het gevolg hiervan was,
+dat hij zich in de dichte, moeielijk toegankelijke wouden van het
+gebergte terugtrok. In vele districten is hij reeds uitgeroeid;
+daar waar hij nog voorkomt, ziet men hem slechts zelden.
+
+Hij is een echt nachtdier en schuwt het daglicht evenzeer als de
+Buidelwolf of als een van onze Uilen.
+
+
+
+De _Buidelmarters_ (_Dasyurus_) vertegenwoordigen een afzonderlijk
+geslacht. Zij houden, wat hun uitwendig voorkomen betreft, ongeveer het
+midden tusschen de Vossen en de Marters, zonder evenwel met deze of met
+gene een bijzonder in 't oog vallende overeenkomst te vertoonen. De
+romp is slank en gestrekt, de hals tamelijk lang, de kop naar voren
+toegespitst. De staart is lang, slap en gelijkmatig ruig behaard; de
+pooten zijn laag en middelmatig dik; de achterste zijn iets langer dan
+de voorste en missen den binnenteen; de teenen zijn vaneengescheiden
+en met stevige, sikkelvormig gekromde, spitse nagels gewapend.
+
+
+
+Een van de meest bekende soorten, de _Gevlekte Buidelmarter_
+(_Dasyurus viverrinus_), is van boven vaalbruin, nu eens lichter dan
+weer donkerder, en van onderen wit. De geheele bovenzijde is bezet
+met onregelmatige, witte vlekken, die op den kop kleiner zijn dan
+op den romp. Een volwassen exemplaar bereikt een lichaamslengte van
+40 en een staartlengte van 30 cM., bij 15 cM. schofthoogte. De leden
+van deze soort zijn over Nieuw-Zuid-Wales, Victoria, Zuid-Australië
+en Tasmanië verbreid.
+
+Bij voorkeur bewoont de Gevlekte Buidelmarter de wouden aan de
+zeekust. Hier verbergt hij zich overdag onder boomwortels en steenen
+of in holle boomstammen. Nadat de nacht is aangevangen, zwerft hij
+om voedsel te zoeken ver rond. Hij vreet hoofdzakelijk doode dieren,
+die door de zee aan land geworpen zijn, maar vervolgt in het woud ook
+kleine Zoogdieren of op den grond nestelende Vogels; ook insecten
+worden niet door hem versmaad. Het aantal jongen wisselt af van 4
+tot 6.
+
+De Buidelmarter wordt met even grooten haat vervolgd als de vroeger
+genoemde Roofbuideldieren. Men vangt ze dikwijls in grooten getale in
+ijzeren vallen, die met het een of ander dierlijk voedsel als lokaas
+voorzien zijn. Van het gevangen dier beleeft men weinig genoegen,
+daar het een van de vervelendste schepsels is.
+
+
+
+De _Buidelmiereneter_ (_Myrmecobius fasciatus_) is de eenige
+vertegenwoordiger van de tweede onderfamilie der Roofbuideldieren,
+van de _Spitsbuideldieren_ (_Myrmecobiinae_). Zijn lichaam is lang,
+de kop zeer spits; de achtervoeten hebben vier, de voorvoeten vijf
+teenen; de achterpooten zijn iets langer dan de voorpooten, de zolen
+onbehaard, de teenen van elkander gescheiden. De staart is slap,
+lang en ruig. Het wijfje heeft geen buidel. Opmerkelijk is het goed
+voorziene gebit; het aantal tanden bedraagt meer dan bij eenig ander
+Zoogdier; hij heeft er niet minder dan 50 à 54 in iedere kaakhelft.
+
+Terecht wordt de Buidelmiereneter als een der fraaiste en
+opmerkelijkste Buideldieren beschouwd. In grootte komt hij ongeveer met
+onzen Gewonen Eekhoorn overeen. Zijn kleur is hoogst eigenaardig. Het
+okergeel van 't voorste deel van de rugzijde van 't lichaam, dat
+door de hiermede gemengde, witte haren lichter schijnt, gaat verder
+achterwaarts onmerkbaar in donkerzwart over, dat het grootste deel
+van de achterste helft van het lichaam inneemt, maar door witte of
+roodachtige dwarsbanden afgebroken wordt. Het voornaamste voedsel van
+den Buidelmiereneter is reeds door zijn naam aangeduid. Men vindt hem
+daarom vooral in zulke boschrijke gewesten, waar de Mieren in grooten
+overvloed voorkomen. Geheel op dezelfde wijze als de Mierenleeuw
+steekt hij de tong te midden van de wemelende schaar en trekt haar
+schielijk in den bek terug, nadat een groot aantal van de vertoornde
+Insecten zich er aan vastgebeten hebben. Bovendien verslindt hij,
+naar men zegt, ook andere Insecten en in sommige gevallen het hars,
+dat door de twijgen van de eucalypten wordt uitgezweet, ja zelfs
+gras. In tegenstelling tot de reeds genoemde Roofbuideldieren is de
+Buidelmiereneter in den volsten zin van het woord ongevaarlijk. Zonder
+eenige tegenstribbeling schikt hij zich in de gevangenschap, waarin hij
+het gewoonlijk niet lang uithoudt, daar men hem het noodige voedsel
+niet in voldoende hoeveelheid verschaffen kan. Het aantal jongen in
+iederen worp bedraagt, naar men zegt, 5 à 8.
+
+
+
+De _Buidelratten_ (_Didelphyidae_), die de derde familie van de
+onderorde der Vleescheters vormen, zijn Buideldieren, die hoogstens de
+grootte van een Kat bereiken, maar ook dikwijls die van een Muis niet
+overtreffen. De romp is gedrongen, de kop aan den snuit min of meer
+toegespitst. De staart is meestal lang en in dit geval een aan de spits
+naakte grijpstaart, soms echter kort en meer of minder behaard. De
+achterste ledematen zijn iets langer dan de voorste; de pooten hebben
+vijf teenen, die bij één geslacht door zwemvliezen verbonden zijn; de
+duim van de achterste ledematen kan tegenover de andere teenen gesteld
+worden. Bij het wijfje van eenige soorten ontbreekt de buidel, of is
+door twee huidplooien aangeduid; bij andere is hij volledig aanwezig,
+maar heeft de opening vaker van achteren dan van voren. Het gebit
+vertoont alle eigenaardigheden van een roofdierengebit.
+
+In den voortijd kwamen ook in Europa Buidelratten voor. Tegenwoordig
+bewonen 2 geslachten (met 24 soorten) van deze dieren Amerika, en
+wel hoofdzakelijk het Zuid-Amerikaansche faunistische rijk; daar in
+Noord-Amerika slechts één soort aantroffen wordt, die ook in het zuiden
+vertegenwoordigd is. Zij leven bijna alle in wouden of in het dichte
+struikgewas, waar zij holle boomen of gaten in den grond bewonen,
+of zich eenvoudig tusschen dicht bijeenstaande grassen en struiken
+neervlijen. Eén soort bevolkt de oevers van kleine rivieren en beken,
+zwemt uitmuntend en zoekt een toevlucht in gaten in den grond. Alle
+zijn nachtdieren, doorgaans leven zij eenzaam en zwerven rond. Haar
+gang op den vlakken bodem, waarbij zij op de geheele zool rusten,
+is tamelijk langzaam en onvast; de meeste zijn echter in staat om in
+boomen te klimmen, zich met haar voor 't grijpen geschikten staart vast
+te houden en uren lang in deze houding te volharden. Naar het schijnt,
+is de reuk de volkomenste van hare zinnen. Hare geestvermogens zijn
+zeer gering, hoewel men haar een zekere sluwheid niet kan ontzeggen;
+deze blijkt o.a. hieruit, dat zij vallen van allerlei soort weten
+te vermijden. Haar voedsel bestaat uit kleine Zoogdieren, Vogels en
+vogeleieren, ook wel uit kleine Reptielen en Amphibiën, Insecten en
+insectenlarven en Wormen; in geval van nood eten zij ook vruchten. De
+in 't water levende Zwembuideldieren voeden zich hoofdzakelijk met
+Visschen. De grootste soorten van Buidelratten bezoeken de woningen
+van den mensch en dooden alle zwakke dieren, die zij hier vinden,
+drinken hun bloed en worden er letterlijk bedwelmd van. Haar uit
+eigenaardige sisklanken bestaande stem laten zij alleen dan hooren,
+als zij mishandeld worden. Vervolgde Buidelratten verweren zich
+niet, maar zijn gewoon zich dood te houden, als zij zich niet meer
+verbergen kunnen. In haar angst verbreiden zij een onaangename,
+knoflookachtige lucht.
+
+De levenswijze van de Buidelratten heeft in bekwame natuuronderzoekers
+ijverige en zorgvuldige beoefenaars gevonden; veel van 't geen
+ons over de voortplanting der Buideldieren bekend is, berust op de
+mededeelingen van deze geleerden. "In het midden van den winter,"
+zegt Rengger van de in Paraguay levende soorten van Buidelratten,
+"in Augustus n.l, vangt bij haar, naar 't schijnt, de paartijd aan;
+in deze maand althans ontmoet men dieren van verschillend geslacht
+dikwijls bij elkander; in de daarop volgende maand vindt men drachtige
+wijfjes. Deze werpen slechts éénmaal per jaar jongen. Het aantal
+jongen is zoomin bij de verschillende soorten, als bij de wijfjes van
+één soort gelijk. Bij één en dezelfde soort vond ik soms 14 jongen per
+worp, dikwijls echter 8 of 4, eens slechts één enkel jong. De draagtijd
+duurt een weinig meer dan 3 weken. In het begin van October komen
+de jongen ter wereld; onmiddellijk daarna worden zij in den buidel
+gebracht of geborgen onder de huidplooien aan den buik van de moeder,
+waar zij aan de tepels worden gelegd en zoo lang vastgehecht blijven,
+totdat zij hun volledige ontwikkeling bereikt hebben. Dit geschiedt na
+ruim 50 dagen. Zij verlaten dan den buidel, maar nog niet de moeder;
+daar zij zich, zelfs wanneer zij reeds eten kunnen, aan haar vacht
+vasthouden om zich nog eenigen tijd door haar te laten dragen.
+
+"De grootte van de pas geboren jongen bedraagt hoogstens 12 mM.;
+zij komen niet alle gelijktijdig ter wereld. Hun lichaam is naakt,
+hun kop in verhouding tot de overige lichaamsdeelen groot; de oogen
+zijn gesloten, de neusgaten en de mond echter open; de ooren zijn
+volgens de lengte en de breedte opgevouwen, de voorpooten over de
+borst, de achterpooten over den buik gekruist; de staart is naar
+onderen opgerold. Zelfs op uitwendige prikkels antwoorden zij niet
+door eenige beweging. Toch vindt men ze, korten tijd nadat ze in den
+buidel gekomen zijn, aan de tepels vastgezogen. De jongen blijven bijna
+twee maanden in den buidel, en laten in al dien tijd de tepels nimmer
+los, behalve in de laatste dagen. In de eerste twee weken bemerkt
+men geen verandering aan hen, behalve dat zij flink groeien en dat
+de borstelige haren bij den mond zich beginnen te vertoonen. Vier
+weken na de geboorte hebben zij ongeveer de grootte van een Huismuis
+bereikt; de beharing is nu op alle deelen van hun lichaam zichtbaar;
+ook kunnen zij eenige bewegingen met de voorpooten maken. Ongeveer in
+de zevende week zijn zij bijna zoo groot als een Rat; dan openen zij
+de oogen. Van dezen tijd af hangen zij niet meer gedurende den geheelen
+dag aan de tepels; ook verlaten zij soms den buidel, waarin zij echter
+dadelijk terugkeeren, zoodra hun gevaar dreigt. Weldra echter laat de
+moeder hen er niet meer in toe; zij draagt hen evenwel nog gedurende
+verscheidene dagen met zich mede op den rug en de schenkels, waar
+zij zich aan de haren vasthouden, totdat zij in staat zijn om zelf
+in hun onderhoud te voorzien."
+
+De meest bekende Buidelrat is ongetwijfeld de _Opossum_ (_Didelphys
+marsupialis_). Dit dier onderscheidt zich zoomin door een
+aangename kleur als door bevalligheid van vorm; ook heeft het niets
+aantrekkelijks in zijn levenswijze; terecht wordt het als een zeer
+afstootend dier beschouwd. Zijn lichaamslengte bedraagt ruim 47 cM.,
+zonder den ongeveer 43 cM. langen staart. Deze is rond en tamelijk
+dik, spits toeloopend, alleen aan den wortel met haar bekleed, van
+hier tot aan de spits onbehaard, maar met fijne, kranswijs geplaatste
+schubben bedekt, waartusschen hier en daar eenige korte haren te
+voorschijn komen. Het wijfje heeft een volkomen buidel. De pooten
+zijn kort, de teenen van elkander gescheiden en nagenoeg even lang,
+de binnenteen van de achtervoeten kan als een duim gebruikt worden.
+
+Amerika, van de noordelijke Vereenigde Staten tot aan Chili en
+Zuid-Brazilië, is het vaderland van den Opossum. In de middelste
+gedeelten van dit uitgestrekte gebied wordt hij overal veelvuldig
+gevonden, geenszins tot genoegen van den mensch. Wouden en
+struikbosschen dienen hem tot verblijfplaats; hoe dichter zij zijn,
+des te beter acht de Opossum ze ter bewoning geschikt.
+
+"Het is mij," zegt Audubon, "alsof ik thans nog den Opossum voor
+mij zie, zooals hij langzaam en voorzichtig over de smeltende sneeuw
+voorttrippelt, op den bodem speurend naar hetgeen hem het best zal
+smaken. Daar ontmoet hij het versche spoor van een Hoen of van een
+Haas; hij richt den snuit omhoog en snuffelt. Eindelijk heeft hij een
+besluit genomen; met de snelheid van een flinken voetganger rept hij
+zich voort op den door hem gekozen weg. Nu zoekt hij en schijnt onzeker
+te zijn, welke richting hij moet volgen; de door hem nagejaagde buit
+heelt òf een grooten sprong gemaakt, òf misschien "een haak geslagen",
+op de plaats waar de Opossum het spoor heeft waargenomen. De roover
+richt zich op, blijft een poos op de achterpooten staan, kijkt om zich
+heen, speurt opnieuw en draaft daarna verder. Hier aan den voet van een
+ouden boom maakt hij zonder aarzeling halt. Hij loopt om den kolossalen
+stam heen over de met sneeuw bedekte wortels en vindt daartusschen
+een opening, waar hij oogenblikkelijk binnensluipt. Verscheidene
+minuten gaan voorbij; daar verschijnt hij weder, een reeds gedood
+Aardeekhoorntje in den bek naar buiten sleepend, en begint den boom
+te bestijgen. Langzaam klimt hij naar boven, totdat hij verborgen is
+te midden van de dichte twijgen, die met wingerdranken doorvlochten
+zijn. Hier gaat hij rustig zitten, slingert den staart om een tak
+en verscheurt met de scherpe tanden het ongelukkige Eekhoorntje,
+dat intusschen voortdurend met de voorpooten vastgehouden wordt.
+
+"De liefelijke lentedagen zijn gekomen en krachtig ontwikkelen zich
+de bladen; de Opossum echter moet nog steeds honger lijden en is
+bijna geheel uitgeput. Hij bezoekt de oevers van de poelen en is
+blijde, dat hij een jonge Kikvorsch ziet, die hem een dragelijk
+maal verschaft. Langzamerhand ontwikkelen zich de spruiten van
+de boschbessen en van de netels; met smaak verorbert hij de jonge
+stengels. De morgenroep van den Wilden Kalkoen klinkt als verrukkelijke
+muziek in de ooren van het listige dier; want het weet zeer goed,
+dat het weldra ook de hen zal hooren en haar spoor zal kunnen volgen
+tot aan het nest; daar is het voornemens zich heerlijk te vergasten
+door de eieren uit te slurpen. Op zijne tochten door het woud, nu
+eens over den bodem, dan weer hoog boven den grond van boom tot boom,
+hoort het een haan kraaien, en zijn hart zwelt van vreugde bij de
+herinnering aan de kostelijke spijs, waaraan hij zich in den vorigen
+zomer op de naburige boerenplaats te goed deed. Hoogst voorzichtig
+echter schrijdt hij voort en kruipt eindelijk in 't hoenderhok.
+
+"Wakkere boer! waarom hebt gij in den vorigen winter zooveel Kraaien
+doodgeschoten en bovendien ook nog Raven? 't Is waar, gij hebt
+toen pret gehad: haast u nu echter naar het naaste dorp en koop een
+behoorlijke voorraad schietbehoeften! poets uw roestig jachtgeweer,
+zet vallen uit en leer uw luien Hond om op den Opossum te loeren! Daar
+komt hij! De zon is pas ter ruste gegaan, maar de hongerige gauwdief
+is al sinds lang wakker. Hoort gij het schreeuwen van uw beste hen,
+die hij gepakt heeft? Het listige dier heeft zich met zijn buit uit de
+voeten gemaakt. Er is nu niets meer aan te doen; hoogstens kunt gij op
+den loer gaan liggen en ook op de Vossen en Uilen het oog houden, die
+grinniken van pret bij de gedachte, dat gij hun vijand en uw vriend,
+de arme Kraai, het levenslicht hebt uitgeblazen. De kostelijke hen,
+die gij zoo pas op een dozijn eieren te broeden hebt gezet, is thans
+van de moeite van 't broeden bevrijd. Ondanks haar angstgeschreeuw en
+het overeindzetten van hare vederen heeft de Opossum de eieren het
+eene na het andere opgegeten. Dat komt van uw kraaienschieten! Als
+gij barmhartiger en verstandiger waart geweest, zou de Opossum wel
+in 't bosch gebleven zijn en zich tevreden gesteld hebben met een
+jongen Eekhoorn of een Haasje, met de eieren van den Kalkoen of met
+de druiven, die zoo rijkelijk de takken van de boomen onzer wouden
+versieren: maar het helpt toch niet, dat ik u dit zeg!
+
+"Maar stel eens, dat de boer den Opossum op heeterdaad betrapt heeft,
+en uit ergernis het arme dier op schoppen tracteert. In 't volle
+besef van zijn ongeschiktheid om weerstand te bieden rolt het zich
+als een bal ineen. Hoe meer de boer raast, des te minder laat het
+dier iets blijken van de pijn die het voelt. Daar ligt het, niet dood,
+maar uitgeput; de bek is geopend, de tong hangt er uit; de oogen zijn
+dof. Zoo zou het blijven liggen, tot de Vleeschvlieg eieren op zijn
+vel ging leggen, indien zijn pijniger niet eindelijk wegging. ""Het
+dier zal nu toch stellig wel dood zijn,"" zegt de boer. Denk er om,
+lezer, het ""opossumt"" hem wat voor. Nauwelijks heeft de vijand de
+hielen gelicht, of het staat alweer op de pooten en drentelt naar
+het woud terug."
+
+De Opossum is, zooals uit zijn geheele organisatie blijkt,
+een boomdier; op den bodem beweegt hij zich tamelijk langzaam
+en onbeholpen. Bij 't gaan laat hij de geheele zool op den grond
+rusten. Al zijne bewegingen zijn traag; zelfs bij 't vluchten komt
+hij niet snel vooruit, hoewel zijn gang dan uit een opeenvolging van
+op passen gelijkende sprongen bestaat. In de boomkronen daarentegen
+klautert het dier met groote zekerheid en tamelijk vlug rond. Daarbij
+komen de duim van de achterhand--die ver van de overige teenen afstaat,
+zoodat hij takken omspannen en zich vasthouden kan--en de rolstaart,
+hem goed te pas. Niet zelden gaat hij aan den staart hangen en blijft
+uren lang in deze houding.
+
+In de groote, donkere wouden sluipt de Opossum over dag zoowel als
+'s nachts rond, hoewel hij aan de duisternis de voorkeur geeft boven
+het licht. Overal echter, waar hij gevaar ducht, ja reeds daar,
+waar hij hinder heeft van het daglicht, komt hij alleen 's nachts
+te voorschijn en brengt den geheelen dag slapend door in gaten
+van den grond of in holle boomen. Alleen in den paartijd leeft hij
+met zijn wijfje samen, voor 't overige leidt hij een eenzaam leven
+evenals al zijne naaste verwanten. Hij heeft geen bepaalde woning,
+maar maakt gebruik van iederen schuilhoek, dien hij bij 't einde
+van zijn nachtelijken zwerftocht, als de dag aanbreekt, ontdekt. Als
+de fortuin hem bijzonder gunstig is en hij het geluk heeft een hol
+te vinden, waarin het een of ander zwak Knaagdier woont, zoo is dit
+hem natuurlijk des te aangenamer; daar de eigenaar van het huis hem
+niet alleen inwoning, maar ook den kost zal verschaffen. Zooals uit
+Audubon's beschrijving blijkt, verslindt hij alle kleine Zoogdieren
+en Vogels, die hij krijgen kan, bovendien eieren, velerlei Reptielen
+en Amphibiën, groote Insecten zoowel volwassene als larven, en zelfs
+Wormen. Bij gebrek aan dierlijk voedsel stelt hij zich ook met vruchten
+tevreden, b.v. met maïs en voedzame wortels. Boven alle overige spijzen
+verkiest hij bloed; daarom gaat hij, telkens als hiertoe gelegenheid
+bestaat, met onbeschrijfelijken moordlust te keer. Bij een bezoek aan
+'t hoenderhok doodt hij dikwijls alle bewoners; hij zuigt dan alleen
+hun bloed uit, zonder iets van hun vleesch op te eten. Door dit
+bloedig festijn wordt hij, naar men zegt, evenals onze Marters, als
+'t ware dronken, zoodat men hem niet zelden 's morgens te midden van
+de doode Vogels slapende vindt. Hoewel over 't geheel voorzichtig,
+is hij, zoolang hij zijn bloeddorst bevredigen kan, blind en doof;
+hij denkt dan om geen gevaar en laat zich, zonder van het moorden af
+te zien en zonder weerstand te bieden, door de Honden doodbijten of
+door den vertoornden landman doodslaan. Dat dit niet gemakkelijk gaat,
+daar het dier een taai leven heeft, is ons reeds gebleken.
+
+Het nagaan van den handel en den wandel van den gevangen Opossum
+kan den waarnemer slechts weinig genoegen verschaffen. Door
+ervaring weet ik, dat dit dier nog vervelender is dan andere
+Roofbuideldieren. Bewegingloos ineengerold ligt hij gedurende den
+geheelen dag in zijn hok; alleen als men hem plaagt, geeft hij zich
+de moeite een beweging te maken: hij opent den bek zoo wijd mogelijk,
+zoolang men vóór hem blijft staan, alsof hij mondklem heeft. Hij is
+traag, lui en slaperig en schijnt verschrikkelijk dom te zijn.
+
+
+
+Van de Buidelratten in engeren zin onderscheiden zich de _Schoepati_'s
+(_Philander_) hoofdzakelijk door den onvolkomen buidel van het
+wijfje. Deze wordt namelijk slechts door twee huidplooien gevormd,
+die zich over de nog onontwikkelde, aan de tepels hangende jongen
+heenvleien.
+
+De grootste soort van dit geslacht en een van de grootste Buidelratten
+in 't algemeen is de _Kreeftenschoepati_ (_Philander philander_), een
+dier van 24 cM. lichaamslengte, met een 32 cM. langen staart. Zijn
+dik, zacht en wollig haar is vuil geelachtig grijs of roodachtig
+grijs, van onderen geel. Het bleekgrijze aangezicht is met een bruine
+middelstreep en met donkere ringen om de oogen geteekend, terwijl de
+eindhelft van den staart er witachtig uitziet.
+
+De Kreeftenschoepati is tamelijk ver, misschien over geheel tropisch
+Amerika verbreid; hij komt talrijk voor in de wouden van Brazilië,
+het liefst in de nabijheid van moerassen, die hem Kreeften en Krabben
+leveren. Hij leeft bijna uitsluitend op boomen en daalt alleen dan
+op den bodem af, als hij hier jagen wil.
+
+Zijn volkomen naakte rolstaart maakt hem het klimmen gemakkelijk;
+men ziet hem in geen enkele houding, zonder dat hij zich met dit
+orgaan vasthoudt. Op den grond beweegt hij zich langzaam en slecht;
+toch ziet hij kans om kleine Zoogdieren, Reptielen, Amphibiën en
+Insecten te overmeesteren, vooral ook Kreeften, die zijn liefste
+voedsel uitmaken. In de boomen zoekt hij de Vogels en hunne nesten op;
+evenals de Opossum eet hij echter ook wel vruchten. Ook hij dringt,
+naar men zegt, soms in de hoenderhokken en duiventillen door en richt
+dan onder de Hoenderen en Duiven een groote slachting aan.
+
+De jongen van den Kreeftenschoepati verschillen in kleur zeer
+van de ouden. Kort na de geboorte volkomen naakt, krijgen zij,
+als hun ontwikkeling zoover is voortgeschreden, dat zij den buidel
+verlaten kunnen een vacht, die uit korte, zijdeachtig zachte, glanzige
+nootbruine haren samengesteld is, en eerst langzamerhand de donkere,
+bruinzwarte kleur van de volwassen dieren aanneemt. Alle berichtgevers
+verklaren eenstemmig, dat het een alleraardigst schouwspel is, de
+pas uit den buidel gekomen diertjes om en op hun moeder te zien loopen.
+
+
+
+De tweede onderfamilie van de Buidelratten omvat slechts één geslacht,
+waartoe slechts één soort behoort: het eenige, tot dusver bekende
+Buideldier, dat zich bijvoorkeur in 't water ophoudt, de _Yapok_
+of _Zwemmende Buidelrat_ (_Chironectes minimus_ afgebeeld op p. 587).
+
+Over 't geheel genomen heeft dit dier het voorkomen van een Rat. Zijn
+staart is bijna even lang als het overige lichaam en heeft de kenmerken
+van een grijpstaart, hoewel hij niet als zoodanig gebruikt wordt. De
+vacht is op den rug fraai aschgrauw, waarbij de witte kleur van de
+onderzijde scherp afsteekt. De grijze grondkleur van de bovenzijde
+is met zes breede, zwarte, dwars gerichte vlekken geteekend. Over het
+midden van den rug loopt een donkere streep van de eene vlek naar de
+andere. De ooren en de staart zijn zwart. Volwassen dieren hebben bij
+een lichaamslengte van ongeveer 40 cM. een nagenoeg even langen staart.
+
+De Zwemmende Buidelrat is over een groot deel van het
+Zuid-Amerikaansche faunistische rijk verbreid. Zij wordt gevonden van
+Guatemala tot Zuid-Brazilië; overal schijnt zij zeldzaam of althans
+moeielijk verkrijgbaar te zijn; men treft haar daarom slechts in zeer
+weinige verzamelingen aan. Naar men zegt, gaat zij zoowel over dag als
+'s nachts voedsel zoeken; zij zwemt met groot gemak en kan zich ook op
+'t land vlug en behendig bewegen. Haar voedsel bestaat, naar bericht
+wordt, uit vischjes en andere kleine waterdieren en uit vischkuit;
+de groote wangzakken doen echter vermoeden, dat dit dier bovendien
+ook plantaardige stoffen niet versmaadt.
+
+Het wijfje werpt ongeveer 5 jongen, draagt ze in den buidel, totdat
+zij voldoende ontwikkeld zijn, neemt ze op tamelijk jeugdigen leeftijd
+met zich mede in 't water en onderricht hen hier gedurende geruimen
+tijd in 't zwemmen, duiken en het verkrijgen van hun voedsel.
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE ORDE.
+
+DE KLOAKDIEREN (Monotremata).
+
+
+Gedurende langen tijd heeft er verschil van meening bestaan over
+de plaats, die aan de _Kloakdieren_ in het dierenrijk moet worden
+toegekend; thans is deze strijd beslecht. Hoewel de meening van de
+dierkundigen uit een vroegere periode, die de Kloakdieren voor een op
+zichzelf staande klasse van het dierenrijk hielden, een tijdlang haar
+waarde had verloren, wordt thans een soortgelijke opvatting opnieuw
+gehuldigd. De Mierenegels en Vogelbekdieren die men met het volste
+recht als een afzonderlijke onderklasse van de Zoogdieren zou kunnen
+beschouwen, worden door geen enkelen hedendaagschen dierkundige tot
+de Buideldieren of zelfs tot de Tandeloozen gerekend, zooals sommige
+hunner voorgangers deden.
+
+Dat de Kloakdieren hunne jongen werkelijk zoogen, is reeds sinds
+lang boven allen twijfel verheven; eerst door de nauwkeurige
+onderzoekingen van Gegenbaur echter heeft men den waren aard van
+hunne zoogorganen leeren kennen. De melkklieren, die zijdelings aan
+den onderbuik voorkomen, hebben tot afvoerbuizen een groot aantal
+fijne gangen in de huid, die evenwel ook op deze plaatsen met haar
+begroeid is. Daar nu de mannelijke Zoogdieren soortgelijke klieren
+op dezelfde plaatsen hebben, geloofden de eerste ontleedkundigen,
+die zich met het Vogelbekdier bezighielden, niet, dat zij hier
+echte zoogorganen voor zich hadden, tot dat Meckel aantoonde, dat de
+genoemde klieren bij het mannelijke Vogelbekdier niet ontwikkeld zijn,
+en Bär opmerkte, dat de melkklieren van de Cetaceën een soortgelijken
+bouw vertoonen. Owen, die in het jaar 1832 deze klieren onderzocht,
+vond bij ieder van deze ongeveer 120 openingen in de huid, waardoor
+een voor de voeding geschikte vloeistof werd afgevoerd, die hij in
+gestolden toestand in de maag van de jongen aantrof. Dit noopte hem
+de Vogelbekdieren tot de klasse van de Zoogdieren te rekenen. Den
+2en September 1884 berichtte Haacke echter aan de Zuid-Australische
+"Koninklijke maatschappij van wetenschappen" te Adelaïde, dat
+hij eenige weken te voren in den grooten, tot dusver onbekenden
+broedbuidel van een levend Mierenegel-wijfje, het ei gevonden had,
+dat in de vergadering door hem vertoond werd. Op denzelfden dag werd
+in Montreal een door den onderzeeschen telegraafkabel overgebracht
+bericht voorgelezen, waardoor aan de daar vergaderde leden van de
+"Britsche Vereeniging" werd medegedeeld, dat een andere, destijds
+in Australië werkzame onderzoeker, Caldwell, de Kloakdieren als
+eierleggende dieren had herkend. Door deze ontdekking werd natuurlijk
+de nauwe verwantschap van de Kloakdieren met de overige Zoogdieren
+weder in twijfel gesteld. Vooral was dit het geval, toen Gegenbaur in
+het jaar 1886 aantoonde, dat de klieren, die voedsel leveren aan de
+uitgebroede jongen van de Kloakdieren, niet, evenals de melkklieren
+van alle overige Zoogdieren, in maaksel met de huidsmeerklieren
+overeenstemmen, maar als gewijzigde zweetklieren moeten worden
+beschouwd. Een nieuwe reden voor twijfel leverde een ontdekking, die
+in het jaar 1888 door Oldfield Thomas werd gedaan: hij vond, dat het
+Vogelbekdier gedurende een groot deel van zijn leven tanden heeft,
+die, hoewel zij werkelijk dezen naam verdienen, toch aanmerkelijk
+verschillen van de tanden van alle overige Zoogdieren.
+
+De temperatuur van het bloed is lager bij de Kloakdieren dan bij
+eenig ander warmbloedig Gewerveld Dier. Reeds in 1883 berichtte de
+Russische onderzoekingsreiziger Michluko-Maclay, dat hij bij den
+Mierenegel een temperatuur van 28°, en bij het Vogelbekdier eene van
+24.8° had waargenomen. De zoöloog Richard Semon van Jena, die van 1891
+tot 1893 Australië doorreisde, vond bij 7 Mierenegels niet alleen een
+zeer lage, maar ook een zeer veranderlijke temperatuur, varieerende
+tusschen 26.5° en 34°. Dus, schommelingen van 7°, terwijl bij andere
+Zoogdieren de grootste waargenomen schommelingen niet meer dan 2 à 4°
+bedragen. Bovendien bleek volstrekt niet, dat deze variaties, zooals
+men allicht zou vermoeden, met verschillen in luchttemperatuur,
+jaargetijde of leeftijd van het dier samenhangen. Volgens deze
+waarnemingen zouden dus de Kloakdieren niet alleen door hun
+lichaamsbouw, maar ook door den aard van hun stofwisseling in
+zekeren zin een verbindenden schakel vormen tusschen de dieren
+met veranderlijke lichaamstemperatuur of koudbloedige dieren
+(meer bepaaldelijk de Kruipende Dieren), en die met standvastige
+lichaamstemperatuur of warmbloedige dieren (meer bepaaldelijk de
+Zoogdieren). Wanneer men dit alles bedenkt, zal men moeten erkennen,
+dat er voldoende redenen bestaan om de Kloakdieren als afzonderlijke
+onderklasse te onderscheiden van die, waarin men de Buideldieren en
+alle hooger ontwikkelde Zoogdieren--de Zoogdieren met echte melkklieren
+dus--moet vereenigen. Zelfs zou het gerechtvaardigd zijn, de beide
+bedoelde groepen op nog grooteren afstand van elkander te plaatsen,
+door aan beide den rang van klassen toe te kennen. Misschien zal men
+later wel tot deze scheiding moeten besluiten; voorloopig laten wij
+de Kloakdieren de tot dusver door hen ingenomen plaats in het stelsel
+behouden, en beschouwen ze als de laatste en laagste Zoogdieren-orde.
+
+De Kloakdieren komen met de andere Zoogdieren overeen door de
+bekleeding van de huid: het Vogelbekdier heeft een vacht, de
+Mierenegel een stekelkleed; voor 't overige verschillen zij; ook
+door hunne uitwendig waarneembare eigenschappen belangrijk van alle
+andere bekende vormen der klasse. Een met een droge huid bedekte
+snavel, welke aan dien van een Zwemvogel herinnert, vervangt bij
+hen den snuit. Het spijskanaal en de afvoerbuizen van de urine en
+van de geslachtsproducten monden gezamenlijk uit in de zoogenaamde
+"kloak". Dit is een inrichting, welke ook voorkomt bij de Vogels,
+waaraan de Kloakdieren, behalve door hunne met een grooten dooier
+voorziene eieren, ook nog herinneren door het bezit van twee paar
+sleutelbeenderen, waarvan de beide voorste met elkander tot een
+vorkbeen vergroeid zijn, en door het gedeeltelijk ontwikkeld blijven
+van den rechter eierstok. Door deze eigenaardigheden toonen zij
+op onmiskenbare wijze hun verwantschap met de Vogels, de Kruipende
+Dieren en de Amphibiën; terwijl daarentegen uit het bezit van den
+buidelbeenderen aan het bekken hun betrekking tot de Buideldieren
+blijkt.
+
+De Kloakdieren zijn kleine Zoogdieren, met een gedrongen, eenigszins
+plat gedrukt lichaam, dat zeer laag op de pooten staat en in een
+korten staart eindigt. De snavelvormige kaken zijn met een droge huid
+bedekt. Alleen bij 't Vogelbekdier komen tanden voor; zij bestaan
+uit platte, aan den rand met knobbels of inkervingen voorziene,
+schotelvormige platen, die zoo goed als zonder wortels aan de kaken
+vastgehecht zijn, weldra uitvallen en door hoornplaten vervangen
+worden. De oorschelp ontbreekt geheel; de oogen zijn klein. De naar
+buiten gerichte voeten zijn met krachtige klauwen voorzien; de hiel
+van het mannetje is bovendien nog gewapend met een doorboorde, holle
+spoor, welker holte met een eigenaardige klier in gemeenschap staat.
+
+Behalve beenderen van een uitgestorven soort van Mierenegel, die
+zich door aanzienlijke grootte onderscheidde, heeft men tanden van
+voorwereldlijke dieren gevonden, welke op die van het Vogelbekdier
+gelijken. Tegenwoordig bestaat deze eigenaardige orde uit slechts
+twee familien: de Mierenegels en de Vogelbekdieren.
+
+
+
+De familie der _Mierenegels_ (_Echidnidae_), uit twee geslachten
+bestaande, welke ieder slechts één soort omvatten, wordt gekenmerkt
+door den plompen vorm van den romp, die grootendeels bedekt is met
+een vacht, waarin talrijke stekels voorkomen, door den rolvormigen,
+tandeloozen snavel met een mondspleet, die zich niet verder dan het
+voorste uiteinde uitstrekt, door het korte staartstompje, door de
+vrije, onvolkomen beweeglijke teenen en door de zeer lange, dunne,
+wormvormige tong, die, evenals bij de andere Miereneters, ver buiten
+den bek kan worden gestoken. Naar het uitwendige wijken de Mierenegels
+veel meer van de Vogelbekdieren af dan door hun inwendig maaksel. De
+beide zogklieren hebben honderden afvoergangen, liggen zijdelings
+aan den buik van het wijfje in ondiepe groeven, die, volgens Haacke,
+bij den Mierenegel althans, zich kort voor het leggen van het ei in
+de zijdelingsche plooien van een _broedzak_ bevinden. Deze is reeds
+in den aanvang zoo groot, dat er een zakhorloge in kan; hij dient
+tot berging en bebroeding van het ei, bevat later het jong en neemt
+in omvang toe, naarmate dit zich ontwikkelt, verdwijnt echter weer
+allengs, nadat het jong geheel zelfstandig is geworden, zoodat men er
+tijdelijk niets meer van bespeurt. R. van Lendenfeld heeft opgemerkt,
+dat de temperatuur in den broedzak ten tijde van de bebroeding hooger
+is dan die van het overige lichaam, en dat de huid die den broedzak
+vormt, in den genoemden tijd door den sterken aandrang van het bloed
+er zeer rood en als 't ware ontstoken uitziet. Naar het schijnt,
+legt de Mierenegel nooit meer dan één ei; dit is klein, maar heeft
+een grooten dooier en een perkamentachtige schaal. De duur van de
+bebroeding is nog niet bekend. Het jong is bij het verlaten van het
+ei nietig klein, naakt en blind, evenals dat van de Buideldieren;
+het verschilt van zijne ouders vooral door den korteren snuit. Hoe
+het zuigt, weet men nog niet recht. Naar het schijnt, blijft het
+geruimen tijd in den broedzak van de moeder.
+
+Het verbreidingsgebied van de Mierenegels strekt zich van Nieuw-Guinea
+over Australië tot in Tasmanië uit.
+
+
+
+De _Australische Mierenegel_ (_Echidna aculeata typica_), wiens
+grootte het midden houdt tusschen die van Papoeaanschen en die van
+den Tasmanischen Mierenegel heeft een betrekkelijk langen snavel. Het
+aangezicht en de omgeving van de ooren zijn geheel of grootendeels
+met gladde borstels bedekt, die op het voorhoofd en op iederen wang
+een streep onbedekt laten. De rugstekels zijn lang, stijf en dik,
+bereiken dikwijls een lengte van 6 cM. en bedekken gewoonlijk de
+daartusschen groeiende haren geheel. De kleur van ieder haar is van
+onderen bleekgeel, in het midden oranje-geel, aan den top zwart. De
+haren op den rug zijn zwart of donkerbruin, ontbreken evenwel dikwijls
+bijna geheel, terwijl zij soms (misschien alleen in bepaalde tijden
+van het jaar) boven de stekels van 't achterste gedeelte van den rug
+uitsteken. De pooten en de geheele onderzijde van het lichaam zijn
+bedekt met een donkerbruine vacht, die vele gladde borstels bevat. De
+lengte van het dier bedraagt ongeveer 40 cM., met inbegrip van den iets
+meer dan 1 dM. langen staart. Deze ondersoort behoort op het geheele
+vasteland van Australië thuis en wordt ook op het Kangoeroe-eiland
+aan de zuidkust van Australië aangetroffen.
+
+
+
+Van de genoemde Australische ondersoort onderscheidt zich de
+_Papoeaansche Mierenegel_ (_Echidna aculeata Lawesii_) door zijn
+geringere grootte, door de kortere rugstekels, waartusschen het haar
+van den rug zichtbaar wordt, door het grooter aantal stekels in de
+vacht van den kop, de pooten en den buik en door den betrekkelijk
+langeren snavel. Alleen bij Port-Moresby in het zuidoosten van
+Nieuw-Guinea heeft men deze ondersoort gevonden.
+
+
+
+De _Tasmanische Mierenegel_ (_Echidna aculeata setosa_) verschilt van
+de Australische ondersoort door zijn meerdere grootte (hij kan wel 50
+cM. lang worden) en doordat in de beharing van den kop, van de zijden,
+van den buik en van de pooten geen borstels voorkomen. De kleur van
+den kop is gewoonlijk lichter dan die van het overige lichaam.
+
+
+
+De Mierenegel is veeleer een bewoner van bergachtige streken dan van
+de vlakten en komt op sommige plaatsen nog wel voor op een hoogte van
+1000 M. boven den zeespiegel. Droge wouden, waar hij holen en gangen
+graven kan onder boomwortels, maken zijn meest geliefde verblijfplaats
+uit. Hier verbergt hij zich over dag; des nachts komt hij te voorschijn
+en gaat snuffelend en gravend zijn voedsel zoeken. Zijne bewegingen
+zijn levendig, vooral bij het wroeten in den grond, welke kunst hij
+meesterlijk verstaat. Zijn voedsel bestaat uit Insecten en Wormen,
+hoofdzakelijk echter uit Mieren en Termieten. Deze zoekt hij op met
+behulp van de zeer gevoelige spits van zijn snuit, die minder voor het
+speuren dan wel voor het tasten geschikt schijnt. Hij eet op de wijze
+van de andere dieren met wormvormige tong, n.l. door de tong uit te
+steken en haar, wanneer zij met Mieren bedekt is, snel in den bek terug
+te trekken. Evenals alle overige miereneters verzwelgt hij tegelijk
+met zijn voedsel veel zand en stof en ook droog hout, want men vindt
+zijn maag hiermede steeds gevuld. Soms komt er ook wel gras in voor.
+
+Als men een Mierenegel aanvat, rolt hij zich oogenblikkelijk als
+een bal ineen; het is dan zeer moeielijk hem vast te blijven houden,
+daar de scherpe stekels bij de hevige beweging van het ineenrollen
+gewoonlijk gevoelige wonden veroorzaken. Een ineengerolde Mierenegel
+kan niet gemakkelijk vervoerd worden; het best kan dit nog geschieden,
+door hem bij de achterpooten te vatten, zonder zich verder over zijn
+tegenspartelen te bekommeren. Als hij eens een kuil van eenige diepte
+gegraven heeft, kost het zeer groote moeite hem er uit te trekken. Op
+de wijze van de Gordeldieren schoort hij zich aan alle zijden en drukt
+de stekels zoo stevig tegen de wanden van het hol, dat hij er als
+'t ware aan vastgekleefd is. De bewering van de inboorlingen, dat
+het mannetje zijn aanvaller met de spoor aan den achtervoet verwondt
+en uit dit wapen een vergiftige vloeistof in de wonde laat vloeien,
+moet, blijkens alle proefnemingen, die hiermede gedaan zijn, als een
+fabel beschouwd worden.
+
+Dit vreemdsoortig dier laat, als het zich zeer beangst gevoelt, een
+zwak geknor hooren. Onder zijne zintuigen nemen die van het gehoor
+en van het gezicht de eerste plaats in; de overige zijn zeer stomp.
+
+Haacke heeft in Australië verscheidene Mierenegels in 't leven
+gehouden; de berichten die hij over hun levenswijze geeft, hebben
+voornamelijk betrekking op hun vaardigheid in 't klimmen, hun
+voortplanting en hun geschiktheid om geruimen tijd in 't leven
+te blijven zonder voedsel te gebruiken. "De eerste Mierenegel,
+dien ik kreeg," schrijft hij, "had ik in mijn werkkamer onder
+een onderstboven gekeerde kist geplaatst, waar het hem niet goed
+scheen te bevallen. Onophoudelijk deed hij zijn best om uit deze
+gevangenis te ontsnappen; overal waar tusschen den vloer en de kist
+genoeg ruimte was, stak hij voortdurend de lange tong tastend naar
+buiten. Eindelijk gelukte het hem gedurende den nacht de zware kist
+op te tillen en zijn vrijheid terug te krijgen. Langen tijd zocht ik
+hem tevergeefs. Eindelijk vond ik hem tot mijn groote verwondering
+in een andere, ongeveer 40 cM. hooge kist, die van boven open en
+voor de helft gevuld was met in papier gewikkelde stukken goudhoudend
+kwarts, die ongeveer de grootte van een vuist hadden. Bijna verborgen
+sliep hij op zijn gemak tusschen deze ingepakte stukken steen, die
+hem waarschijnlijk als leger geschikter voorkwamen dan de effene
+vloer. Twee andere Mierenegels plaatste ik, gedachtig aan het
+waargenomen klimvermogen dezer dieren, in de uitgestrekte onderste
+verdieping van het museumgebouw te Adelaïde, in een omstreeks 1
+M. hoogen en 50 cM. wijden ton. Het ontsnappen uit deze gevangenis,
+die den vorm van een gewonen ton had, scheen onmogelijk. Toch gelukte
+het een van deze dieren zich te bevrijden. Nadat ik het dagen lang
+tevergeefs gezocht had, vond ik het weder bij zijn metgezel in de ton;
+waarschijnlijk was het op het geluid dat deze maakte, afgegaan, had
+zich tusschen den muur en de ton weder omhoog gewerkt, tot aan den rand
+en zich van hier in de ton laten vallen. Daar ik de dieren ontleden
+en voor dit doel van het hinderlijke vet bevrijden wilde, liet ik ze
+vasten en vond, dat zij zonder merkbare vermindering van hun welstand
+minstens een maand lang zonder voedsel konden blijven. Den darm van een
+Mierenegel, die ongeveer zes weken lang gevast had, vond ik uitsluitend
+gevuld met het zand uit zijn hok. Dit is een vingerwijzing voor de
+bereiding van het voedsel, dat men aan gevangen dieren van deze soort
+kan geven. Mijns inziens zal men ze lang in 't leven kunnen houden met
+een fijnkorrelig mengsel van gelijke deelen vleeschmeel, fijn gewreven
+eidooier, fijn gemalen hennep, gestampte beschuit, fijn gewreven
+wortels en schoon zand. Misschien zullen zij dan in de gevangenschap
+zich voortplanten. Door aan het voedsel mierenpoppen en meelwormen
+toe te voegen, zal het nog geschikter worden; de Mierenegels moet men
+geheel op de wijze van insectenetende Vogels behandelen. De meesten
+zouden de reis van Australië naar Europa, die door de snelvarende
+stoombooten zeer afgekort is, wel vastend kunnen afleggen."
+
+
+
+Het tweede geslacht en de tweede soort der Mierenegels wordt
+gevormd door een eerst onlangs ontdekt dier van Nieuw-Guinea. dat
+wij (om het te onderscheiden van het reeds genoemde) _Vachtegel_
+(_Proëchidna Bruynii_) zullen noemen. Dit geslacht is gekenmerkt door
+het aantal teenen, dat slechts drie aan elken voet bedraagt. De naar
+onderen gekromde snavel is bijna tweemaal zoo lang als het overige
+deel van den kop. Het dier is ongeveer 0.5 M. lang; zijn dichte,
+effen donkerbruine of zwarte vacht, waarin slechts een gering aantal
+stekels verborgen zijn, bestaat uit grof wolhaar, dat met weinig of
+geen gladde borstels gemengd is.
+
+Tot dusver werd de Vachtegel alleen in het noordwesten van Nieuw-Guinea
+gevonden; over zijn levenswijze zijn nog geen berichten tot ons
+gekomen.
+
+
+
+Het _Vogelbekdier_ (_Ornithorhynchus anatinus, O. paradoxus_)
+is de eenige bekende vertegenwoordiger van de tweede familie
+der Kloakdieren. Aan E. T. Bennett danken wij de eerste goede
+beschrijving van dit werkelijk zonderlinge dier, dat nog lang na zijn
+ontdekking deskundigen en leeken in verbazing bracht. Zijne gestalte
+en levenswijze schenen zoo vreemdsoortig, dat Bennett uitsluitend
+met het doel om dit dier te leeren kennen, een reis naar Australië
+deed. Tot aan dien tijd waren slechts onbepaalde berichten over deze
+diersoort bekend geworden. Het eenige dat men vernomen had, was, dat
+het smakelijk gebraad oplevert. Bovendien werd toen reeds gesproken
+over het eierleggen van dit dier, welke mededeeling men echter als een
+fabel meende te moeten beschouwen, totdat Caldwell in 1884 berichten
+kon, dat hij zelf deze eieren had gevonden.
+
+Het Vogelbekdier is een weinig grooter dan de Mierenegel, ongeveer
+60 cM. lang met inbegrip van den nagenoeg 14 cM. langen staart. De
+mannetjes zijn opmerkelijk grooter dan de wijfjes. De van boven naar
+onderen als 't ware samengedrukte romp, gelijkt in sommige opzichten
+op dien van den Bever of van den Vischotter. De pooten zijn zeer kort,
+alle voeten hebben vijf teenen en zijn met zwemvliezen voorzien. Aan
+de voorvoeten, die de grootste spierkracht bezitten en zoowel voor
+'t zwemmen als voor 't graven dienen, reikt het zwemvlies een weinig
+voorbij de klauwen; dit deel is zeer buigzaam en rekbaar en wordt,
+als het dier graaft, teruggeschoven. Alle teenen zijn zeer forsch,
+stomp en uitmuntend voor 't graven geschikt. De beide middelste
+zijn de langste. De korte achtervoeten zijn naar achteren gericht,
+en herinneren aan die van den Zeehond; ook werken zij hoofdzakelijk
+achterwaarts en buitenwaarts. Hun eerste teen is zeer kort, de nagels
+zijn alle naar achteren gekromd, langer en scherper dan die van
+de voorvoeten; het zwemvlies reikt hier echter niet verder dan tot
+aan den wortel der klauwen. Bij het mannetje vindt men aan iederen
+achtervoet, een weinig boven de teenen, een naar binnen gekromde,
+puntige en beweeglijke spoor, die tamelijk ver gedraaid kan worden. De
+staart is plat, breed en aan het einde (waar lange haren groeien)
+plotseling afgeknot, bij oudere dieren is hij van onderen geheel
+naakt of slechts met eenige weinige grove haren bedekt, bij jonge
+dieren echter overal behaard; waarschijnlijk slijten deze haren
+eerst mettertijd af. De kop is tamelijk plat en klein; door zijn
+breeden eendensnavel onderscheidt hij zich van iederen anderen
+Zoogdierenkop. De beide kaken zijn verlengd en over haar geheele
+oppervlakte bedekt met een hoornachtige huid, die zich achterwaarts
+voortzet in een eigenaardig schild. Bij het volwasschen dier bevat
+elke kaakhelft twee hoorntanden: de voorste is lang, smal en scherp,
+de achterste is breed en plat en heeft over 't geheel het voorkomen van
+een kies. In de plaats van deze hoorntanden bezit het Vogelbekdier vóór
+het tijdstip, waarop het een derde of een vierde van de grootte van
+'t volwassen dier bereikt heeft, acht echte tanden, die op platte,
+onregelmatig afgeronde schotels gelijken, en aan den rand met groote
+en kleine knobbels bezet zijn. Deze eerst voor korten tijd ontdekte,
+echte tanden herinneren aan die van kleine Zoogdieren uit het Jura
+tijdperk. Nadat zij bijna geheel afgesleten en eindelijk uitgevallen
+zijn, komen de reeds genoemde, door verhoorning van het slijmvlies
+gevormde kauworganen er voor in de plaats. De neusgaten liggen aan de
+bovenvlakte van den snavel dicht bij zijn uiteinde; de kleine oogen
+staan hoog aan den kop; de gehooropeningen kunnen gesloten worden en
+zijn dicht bij den buitensten ooghoek gelegen. De huidplooi, die, aan
+den snavel beginnend, als een schild over het voorste deel van den kop
+en over de keel valt, is van groot nut voor het dier, daar zij bij het
+zoeken van voedsel de aangrenzende deelen van de vacht tegen het slijk,
+en bij 't graven in den grond de oogen tegen het zand beschut. De tong
+is vleezig, maar met hoornachtige tanden bezet en van achteren met een
+eigenaardige opzwelling voorzien, die den mond volkomen afsluit. Zoo
+wordt de snavel tot een uitmuntende zeef, waarmede het dier het water
+kan doorzoeken, eetbare bestanddeelen van oneetbare kan scheiden en
+de eerstgenoemde in de ruime wangzakken kan bergen, die zich langs
+de zijden van den kop uitstrekken, om ze later op zijn gemak te kauwen.
+
+De vacht van het Vogelbekdier bestaat uit dicht bijeengeplaatste,
+grove borstels van donkerbruine kleur met zilverwitten weerschijn, die
+het zeer zachte grijsachtige wolhaar bedekken, welks zachtheid aan de
+vacht van den Zeehond en den Zeeotter herinnert. Zij verbreidt, vooral
+wanneer zij nat is, een eigenaardige vischlucht, die waarschijnlijk
+door een olieachtige huidafscheiding veroorzaakt wordt. Ondanks deze
+afkeerwekkende uitwaseming beschouwen de Australiërs het vleesch van
+dit dier als een smakelijk gerecht.
+
+Het liefst bewoont het Vogelbekdier stille plaatsen bij rivieren,
+waarin talrijke waterplanten groeien en welker oevers door lommerrijke
+boomen overschaduwd worden. Hier graaft het aan den waterkant een
+min of meer kunstig hol. Een ongeveer 6 M. lange gang, die zich
+herhaaldelijk kronkelt, mondt uit in een ruime kamer, die evenals
+de gang met droge waterplanten bestrooid is. Gewoonlijk heeft elk
+hol echter twee ingangen: de eene onder den waterspiegel, de andere
+ongeveer 30 cM. er boven.
+
+In alle tijden van 't jaar ziet men het Vogelbekdier in de rivieren
+van Australië, het veelvuldigst echter gedurende de lente- en
+zomermaanden; het is mogelijk, dat zij winterslaap houden. Zij
+zijn eigenlijk schemering-dieren, hoewel zij ook over dag hunne
+schuilplaatsen voor korten tijd verlaten om voedsel te zoeken. Als
+het water zeer helder is, kan men den weg, dien het nu eens duikende,
+dan weer aan de oppervlakte verschijnende dier volgt, gemakkelijk
+met de oogen nagaan. Als men het waarnemen wil, moet men volkomen
+bewegingloos blijven staan, want zelfs de geringste beweging wordt
+door zijn scherpziend oog opgemerkt; zijn fijngevoelig oor hoort
+het zachtste gedruisch. Zelden blijft het langer dan 1 of 2 minuten
+boven water, daarna duikt het en komt een klein eind verder opnieuw
+te voorschijn. Bij gevangene exemplaren heeft Bennett opgemerkt, dat
+het Vogelbekdier zich gaarne dicht bij den oever, op korten afstand
+boven het slijk ophoudt, om tusschen de wortels van de waterplanten,
+die de voornaamste schuilplaats van zwemmende Insecten zijn, te
+slobberen. Het voedsel, dat het gedurende deze werkzaamheid opneemt,
+hoofdzakelijk kleine in 't water levende Insecten en Weekdieren,
+wordt voorloopig in de wangzakken bewaard en later, terwijl het dier
+rust neemt, verslonden.
+
+"Op een mooien zomeravond," verhaalt Bennett, "kwam ik met mijn gids
+in de nabijheid van een riviertje in Australië, in de hoop hier een
+Vogelbekdier te zien te krijgen; ik wist, hoeveel dit dier van de
+schemering houdt. Met het geweer in de hand bleven wij rustig bij
+den oever staan. Het duurde niet lang of wij zagen aan de oppervlakte
+van 't water, en wel tamelijk dicht bij den oever, een zwart lichaam,
+welks spits, de kop, slechts weinig boven den waterspiegel uitstak. Wij
+maakten geen beweging om het dier niet te verjagen, keken goed uit en
+trachtten zooveel mogelijk de bewegingen van het dier te volgen. Men
+moet zich gereed maken om te schieten, zoodra het Vogelbekdier duikt,
+om hem op het oogenblik van zijn terugkomst aan de oppervlakte te
+treffen. Daar de hagel door de losse, dikke vacht niet gemakkelijk
+heendringt, moet men den kop zien te raken. Wij wondden er een, dat
+blijkbaar zwaar getroffen, oogenblikkelijk zonk, maar spoedig weder
+boven kwam. Toen de Hond het ons bracht, bemerkten wij dat het een
+flink mannetje was. Het was nog niet geheel dood, maar bewoog zich nu
+en dan, hoewel het geen ander gedruisch maakte, dan dat het dikwijls
+door de neusgaten ademde. Weinige minuten nadat het uit het water
+was gehaald, kwam het weder bij en liep oogenblikkelijk, hoewel met
+onvaste beweging, in de richting van de rivier. Ongeveer 25 minuten
+later buitelde het herhaaldelijk over den kop en stierf. Daar ik vaak
+gehoord had, hoe gevaarlijk een steek met de spoor van dit dier is,
+zelfs nadat het doodelijk gewond werd, hield ik, toen ik het voor de
+eerste maal aanvatte, mijn hand dicht bij de "giftige" spoor. Bij de
+hevige pogingen, die het dier deed om te vluchten, krabde het mij
+een weinig met zijne achterpooten en ook met de spoor; hoe hard ik
+het echter betastte, het stak mij volstrekt niet met opzet. Daar men
+ook verhaalt, dat het dier op den rug gaat liggen om zijne wapens te
+gebruiken--hetgeen trouwens door ieder, die het dier maar eenigzins
+kent, niet waarschijnlijk zal worden geacht--bracht ik het dier
+in dezen stand. Zonder de spoor te gebruiken, deed het eenvoudig
+zijn best om weder op de pooten te komen. Kortom, ik beproefde op
+allerlei wijzen, maar steeds tevergeefs, het dier te noodzaken met
+de spoor te steken. Hierdoor ben ik tot de overtuiging gekomen, dat
+de spoor niet als wapen dient, te meer daar latere proefnemingen
+bij gewonde dieren altijd dezelfde uitkomst opleverden. Wel is
+waar noemen de inboorlingen de spoor "neuswijs", waarmede zij over
+'t algemeen schadelijk of vergiftig bedoelen; zij gebruiken echter
+dezelfde uitdrukking ook voor het aanduiden van het krabben met de
+achterpooten; ook schromen zij volstrekt niet het levende Vogelbekdier
+aan te vatten. Als het zonderlinge schepsel over den bodem loopt,
+ziet het er zoo onnatuurlijk uit, dat de schrik, dien het door zijn
+vreemde gestalte inboezemt, licht aanleiding kan hebben gegeven tot
+het vermoeden van giftigheid. Katten gaan gewoonlijk voor dit dier
+op de vlucht; Honden, die niet opzettelijk voor deze jacht afgericht
+zijn, kijken hun tegenstander met gespitste ooren aan en blaffen,
+maar durven hem niet aanraken."
+
+Bennett liet Vogelbekdieren opgraven en kwam hierdoor in de gelegenheid
+verscheidene van deze wezens in gevangen toestand waar te nemen. "Ik
+liet," zegt hij, "een hol openen, in weerwil van de tegenwerpingen van
+een luien inboorling, die maar volstrekt niet begrijpen kon, waarom ik,
+nu er zoo'n grooten overvloed van Runderen en Schapen was, ook nog
+Vogelbekdieren wenschte te bezitten. De ingang of de voorhof van de
+woning was groot in verhouding tot de breedte van de gang, die er op
+volgde, want deze werd nauwer, naarmate wij er verder in doordrongen,
+totdat haar wijdte ten slotte overeenkwam met de dikte van 't dier. Wij
+gingen haar na tot op een diepte van ongeveer 3 M. Plotseling kwam
+uit den grond de kop van een Vogelbekdier te voorschijn, juist alsof
+het pas in zijn slaap gestoord werd en gekomen was om te zien, wat
+wij verlangden. Naar het scheen, kwam het tot het besluit, dat onze
+geraasmakende arbeid niet voor zijn bestwil ondernomen werd, want het
+maakte ten spoedigste rechtsomkeert. Bij het omdraaien werd het bij
+den achterpoot gegrepen en uit den grond getrokken. Het scheen zich
+hierover zeer te verontrusten en te verwonderen. Wij plaatsten onze
+gevangene, een volwassen wijfje, in een vat vol gras, rivierslib,
+water enz. Het krabbelde overal om uit zijn gevangenis te ontsnappen;
+toen het echter vond, dat al zijn moeite nutteloos was, hield het
+zich stil, kroop in elkander en scheen weldra te slapen. Gedurende
+den nacht was het zeer onrustig en krabbelde weder met de voorpooten,
+alsof het een gang wilde graven. Des morgens vond ik het in vasten
+slaap, den staart onder het lichaam naar voren, den kop met den snavel
+onder de borst teruggebogen, het lichaam ineengerold. Toen ik het
+in zijn sluimering stoorde, knorde het ongeveer als een jonge Hond,
+maar een weinig zachter en misschien op welluidender wijze. Gedurende
+den dag hield het zich meestal stil des nachts trachtte het opnieuw te
+ontkomen en knorde aanhoudend. Alle Europeanen in de nabijheid, die
+het dier zoo dikwijls dood hadden gezien, waren blijde er eindelijk
+eens een levend te kunnen aanschouwen; ik geloof, dat dit werkelijk
+de eerste maal is geweest, dat een Europeaan een Vogelbekdier levend
+gevangen en het hol van dit dier doorzocht heeft.
+
+"Toen ik afreisde, stak ik mijn "_Mallangong_" in een kistje met gras
+en nam hem mede. Om hem een uitspanning te verschaffen, maakte ik hem
+eenigen tijd later wakker, bond hem een lang touw aan den achterpoot en
+zette hem aan den oever. Hij vond spoedig zijn weg naar het water en
+zwom stroomopwaarts, klaarblijkelijk zeer ingenomen met de plaatsen,
+die het dichtst met waterplanten bedekt waren. Nadat mijn gevangene
+zijn bekomst had gekregen van het duiken, kroop hij uit het water op
+den oever en vermaakte zich met in zijn vacht te krabbelen en deze
+uit te kammen.
+
+"Eenige dagen later liet ik hem nogmaals een bad nemen, ditmaal in
+een rivier met helder water, waarin ik zijne bewegingen duidelijk kon
+waarnemen. Schielijk dook hij tot op den bodem, bleef hier een korte
+poos en kwam weder aan de oppervlakte. Hij zwierf langs den oever,
+waarbij hij zich liet leiden door de gevoelsindrukken van zijn snavel,
+die, naar het schijnt, een zeer fijn tastwerktuig is en veelvuldig
+gebruikt wordt. Blijkbaar kon hij gemakkelijk aan den kost komen, want
+zoo vaak hij den snavel uit het slijk terugtrok, had hij er stellig
+iets eetbaars in, daar de eetwerktuigen dan zijwaarts gericht waren,
+in overeenstemming met de beweging, die zij bij het kauwen gewoonlijk
+maken. Verscheidene Insecten, die dicht bij het dier rondfladderden,
+liet hij ongestoord, hetzij dat hij ze niet zag, òf dat hij de
+voorkeur gaf aan het voedsel, dat het slijk hem verschafte. Na den
+maaltijd ging hij dikwijls op den met gras begroeiden oever half
+buiten het water op den buik liggen, of wendde den rug naar onderen
+om zijn vacht te kammen en te reinigen. In zijn gevangenis keerde
+hij zeer ongaarne terug en ditmaal wilde hij volstrekt niet tot rust
+komen. Gedurende den nacht hoorde ik hem krabbelen aan zijn kist,
+die in mijn slaapkamer stond, en ziet: den volgenden dag vond ik haar
+ledig. Het Vogelbekdier was zoo gelukkig geweest een lat te kunnen
+losmaken en had de vlucht genomen. Zoo was dus mijn verwachting,
+dat ik nog meer waarnemingen zou kunnen doen, verijdeld."
+
+Gedurende een andere reis had Bennett het geluk een hol te ontdekken
+met drie reeds behaarde jongen, die hij een tijdlang kon nagaan. "Toen
+wij het nest met de jongen vonden," zegt Bennett, "en ze op den grond
+zetten, liepen zij wel rond, maar maakten toch niet zulke woeste
+sprongen om te ontvluchten als de oude dieren. De inboorlingen,
+die bij het zien van deze vette jonge dieren watertandden, zeiden,
+dat zij reeds 8 maanden oud waren en voegden er bij, dat de jonge
+Vogelbekdieren door hun moeder slechts in den beginne met melk,
+later met Insecten, kleine Schelpdieren en slijk gevoederd worden.
+
+"Ik kon de jongen zonder bezwaar in de kamer laten rondloopen; een
+oud dier groef echter met zooveel volharding aan den muur, dat ik
+het opsluiten moest. Toen lag het gedurende den geheelen dag stil,
+maar herhaalde des nachts zijne pogingen om zich te bevrijden. Als
+ik de dieren in hun slaap stoorde, hoorde ik steeds een algemeen gemor.
+
+"Mijn klein gezin van Vogelbekdieren bleef nog eenigen tijd in
+leven; ik was dus in staat hunne gewoonten na te gaan. Dikwijls leek
+het, alsof de diertjes van zwemmen droomden, want hunne voorpooten
+maakten dikwijls de hierop doelende beweging. Als ik ze over dag op
+den grond zette, zochten zij een donker plekje uit om er te rusten;
+hier of in hun gevangenis rolden zij zich ineen en sliepen spoedig in;
+aan hun gewone rustplaats gaven zij echter de voorkeur boven iedere
+andere plek.
+
+"Eens op een avond kwamen mijne beide kleine lievelingen omstreeks het
+schemeruurtje te voorschijn en vraten hun voedsel als naar gewoonte;
+daarna begonnen zij echter te spelen als een paar jonge Honden,
+elkander met den snavel aan te vatten, de voorpooten op te lichten,
+over elkander heen te klauteren enz. Bij het rondloopen waren zij
+buitengewoon levendig, hunne oogjes straalden van opgewondenheid
+en hunne gehooropeningen werden zeer snel achtereen geopend en
+gesloten. Zij kunnen, daar hunne oogen zeer hoog aan den kop geplaatst
+zijn, niet goed volgens een rechte lijn voor zich uitzien, stooten
+daarom tegen alles aan en werpen dikwijls lichte voorwerpen om.
+
+"Kort na mijn aankomst in Sydney werden de diertjes tot mijn
+groote droefheid magerder, en hun vel verloor het fraaie, glanzige
+uitzicht. Uit allerlei verschijnselen bleek, dat zij ziek waren;
+hun aanblik kon nog slechts medelijden inboezemen. Den 29en Januari
+stierf het wijfje, den 2en Februari het mannetje. Ik had ze slechts
+ongeveer 5 weken in 't leven gehouden."
+
+Het Vogelbekdier legt verscheidene eieren met weeke schaal, waarin,
+volgens de ontdekkingen van Caldwell, de kiemen zoover ontwikkeld
+zijn als in een kippenei, dat 36 uren lang bebroed is geworden. Het
+uitbroeden der eieren geschiedt in het nest. De jongen, die uit de
+eieren komen, zijn klein, naakt, blind en onbeholpen zooals die van
+den Mierenegel en van de Buideldieren. Hunne snavels zijn kort.
+
+In den dierentuin te Melbourne worden in den laatsten tijd nu en dan
+Vogelbekdieren gehouden; geen enkel exemplaar van deze diersoort is
+tot dusver levend in Europa aangekomen.
+
+
+
+
+
+Misschien moet een eerst voor kort ontdekt, onder den grond levend
+_dier van het binnenland van Australië_ ook nog bij de Kloakdieren
+gerekend worden. Tot dusver kent men het slechts door een enkel,
+ongelukkigerwijs verminkt exemplaar. Het is met metaalglanzig haar
+bekleed, maar wacht nog op een meer gedetailleerde beschrijving. Het
+heeft nog geen naam gekregen.
+
+
+
+Een nog belangrijker bijdrage tot de natuurlijke geschiedenis van de
+laagst ontwikkelde Zoogdieren zal waarschijnlijk geleverd worden
+door het _eenige oorspronkelijke op het land levende Zoogdier
+van Nieuw-Zeeland_. Naar het uitwendige gelijkt dit dier op een
+Vischotter; het leeft bij en in het water, evenals deze, en is
+thans waarschijnlijk beperkt tot de meren van het gebergte van het
+zuidelijkste der beide groote Nieuw-Zeelandsche eilanden. Men heeft
+dit dier herhaaldelijk gezien, éénmaal op zoo korten afstand, dat
+men het een zweepslag kon geven, waarna het met een schel geschreeuw
+in het water verdween. Julius Von Haast zag de sporen van dit dier
+in de sneeuw. Het is evenwel nog niet gelukt er een exemplaar
+van te vangen. Van alle landen der aarde heeft Nieuw-Zeeland de
+laagst ontwikkelde Vogels; het zou dus kunnen zijn, dat zijn eenig
+hedendaagsch, inheemsch Zoogdier evenveel bij de Kloakdieren achter
+staat, als deze lager ontwikkeld zijn dan de Buideldieren. In dit
+geval zou het belangrijke en misschien onverwachte inlichtingen kunnen
+geven over den oorsprong van de hoogst georganiseerde klasse van de
+Gewervelde Dieren, die ook den mensch onder hare leden telt.
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+***** This file should be named 24009-8.txt or 24009-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/4/0/0/24009/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.