summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/24008-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '24008-8.txt')
-rw-r--r--24008-8.txt3430
1 files changed, 3430 insertions, 0 deletions
diff --git a/24008-8.txt b/24008-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..ef61bd3
--- /dev/null
+++ b/24008-8.txt
@@ -0,0 +1,3430 @@
+The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Leven der Dieren
+ Deel 1, Hoofdstuk 12: Sirenen; hoofdstuk 13: Walvischachtige
+
+Author: A. E. Brehm
+
+Release Date: December 24, 2007 [EBook #24008]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE ORDE.
+
+DE SIRENEN (Sirenia).
+
+
+De naam _Sirenen_ wekt de herinnering aan verleidelijke gestalten uit
+de sprookjes der oudheid, die half vrouw, half visch de kristalheldere
+golven van de zee bewonen en den armen menschenzoon door bekoorlijk
+gezang en nog aantrekkelijker gebaren, door bewegingen van het hoofd
+en gloeiende blikken der oogen uitnoodigen zich tot haar te begeven,
+met haar te spelen, te koozen en--zich in zijn verderf te storten. Wie
+deze voorstelling zich vormt van de Sirenen der dierkundigen, zal
+bedrogen uitkomen. De natuuronderzoekers hebben zich in dit geval
+uitsluitend laten leiden door hun voorliefde voor dichterlijke namen,
+zonder aan het poëtisch beeld, dat aan den naam verbonden is, recht
+te laten wedervaren. De naam Sirenen past bij de waterdieren, die wij
+nu beschrijven zullen, ongeveer even goed of even slecht als die van
+de Grieksche boom-nymf _Hamadryas_ bij een der vreemdsoortigste Apen,
+die waarschijnlijk alleen door de natuuronderzoekers schoon gevonden
+zal worden.
+
+De _Sirenen_ of _Zeekoeien_ vormen een orde op zich zelf. Door haar
+inwendigen bouw stemmen zij nog het meest met de Hoefdieren overeen;
+zij kunnen beschouwd worden als een tak van deze diergroep, die zich
+gewijzigd heeft in overeenstemming met de eischen van het leven in 't
+water. Vele dierkundigen voegden ze als een afzonderlijke afdeeling of
+familie aan de Walvischachtigen toe; de punten van verschil tusschen
+hen en deze dieren zijn echter zoo belangrijk, dat een samenvoeging
+in één orde niet geraden schijnt. De Sirenen zijn gekenmerkt door
+een kleinen kop, die duidelijk van den romp onderscheiden kan worden,
+en voorzien is met een dikken, gezwollen snuit, met borstelige lippen
+en met neusgaten, die aan de spits van den snuit gelegen zijn; zij
+hebben een plompen romp van eigenaardigen vorm, die schraal bekleed
+is met korte, borstelige haren, en een gebit, dat in vele opzichten
+van dat der overige Zoogdieren afwijkt. Slechts twee ledematen
+zijn haar overgebleven, n.l. de twee voorste, en deze zijn echte
+vinpooten. Hunne teenen zijn zoo volledig omhuld door de algemeene
+lichaamshuid, dat de bewegelijkheid der leden ten opzichte van
+elkander geheel opgeheven is. Uitwendig blijkt de inwendig zichtbare
+samenstelling van de hand alleen uit de sporen van nagels, die er aan
+voorkomen. De staart, die het dier vergoeding moet schenken voor het
+gemis van de achterste ledematen, eindigt in een horizontalen vin. Er
+behoort een levendige verbeeldingskracht toe om in deze dieren, zelfs
+wanneer zij zich op een grooten afstand vertoonen, zeenymfen te zien:
+met het schoone lichaam van de vrouw hebben deze plompe, onbehouwen
+schepsels slechts in zooverre iets gemeen, dat ook bij hen de tepels
+aan de borst (tusschen de borstvinnen) gelegen zijn en meer dan bij
+andere Zee-Zoogdieren op de wijze van borsten uitpuilen.
+
+Onze orde bevat slechts één familie--de _Manaten_ (_Manatidae_)--, die
+gewoonlijk in drie geslachten wordt verdeeld, waarvan trouwens één--de
+Eigenlijke of Noordsche Zeekoe--niet meer onder de levende dieren
+opgenoemd mag worden. Het gebit verschilt bij deze drie geslachten
+zoo aanmerkelijk, dat het ons ondoenlijk voorkomt, het reeds op deze
+plaats te beschrijven. Terwijl de Eigenlijke Zeekoe in plaats van
+tanden slechts een hoornachtige kauwplaat aan de binnenzijde van de
+onderkaak en aan het gehemelte bezat, hebben de overige Sirenen tanden
+in de kaken. Op de eigenaardigheden van het gebit is de verdeeling
+in geslachten gegrond, die volgens de laatste onderzoekingen van
+Dollos, tot twee (_Halicore_ en _Manatus_) beperkt moeten worden;
+daar hij de Eigenlijke Zeekoe, die in de vorige eeuw uitgeroeid werd,
+als een _Halicore_ beschouwt, welke de tanden verloren heeft.
+
+Ondiepe oevers en zeeboezems in tropische gewesten, riviermonden
+en de rivieren zelf, vooral ondiepe plaatsen hierin, vormen de
+verblijfplaatsen der Sirenen. In den gematigden gordel komen zij,
+naar het schijnt, slechts bij uitzondering voor, iets zekers kunnen
+wij hierover echter niet zeggen, omdat deze dieren zich meestal aan
+de waarneming onttrekken. Daarentegen is het bekend, dat zij niet
+altijd op dezelfde plaats verblijf houden; dikwijls trekken zij
+mijlen ver; onder anderen komen zij ook diep in het land, in meren,
+die met groote stroomen in gemeenschap staan. Men ontmoet ze bij paren
+of tot kleine gezelschappen vereenigd; volgens sommige onderzoekers
+zijn de echtelijke banden bij hen zeer hecht, en blijft het mannetje
+steeds met zijn wijfje samenleven. Zij zijn reeds in veel hoogere mate
+waterdieren dan de Robben. Slechts bij groote uitzondering schuiven
+zij hun log lichaam over den rand van den waterspiegel. Zij missen de
+behendigheid van de andere in zee levende Zoogdieren; wel kunnen zij
+uitmuntend zwemmen en duiken, maar toch vermijden zij eenigszins diepe
+plaatsen, waarschijnlijk omdat zij voor het herhaaldelijk onderduiken
+en weer boven komen te onbeholpen zijn. Op het droge sleepen zij zich
+met buitengewoon groote inspanning over een korten afstand voort;
+hare vinvormige ledematen zijn veel te zwak voor het bewegen van de
+groote massa van haar lichaam, vooral omdat dit, naar het schijnt,
+de buigzaamheid van het lichaam van den Zeehond volstrekt niet bezit.
+
+Wieren, grassen en andere zeeplanten, die op ondiepten of dicht bij de
+kust groeien, en ook verscheidene waterplanten, waarmede de ondiepten
+der rivieren bedekt zijn, vormen het voedsel der Sirenen: zij zijn
+derhalve de eenige in het water levende Zoogdieren, die plantaardige
+stoffen eten. Deze scheuren zij met de dikke lippen af en stuwen,
+evenals het Rivierpaard, hiervan groote hoeveelheden tegelijk door
+hun wijde keel.
+
+Evenals alle vraatzuchtige dieren zijn ook de Sirenen trage,
+stompzinnige wezens met zwakke geestvermogens. Men noemt ze vreedzaam
+en onschadelijk en duidt hiermede aan, dat zij niets anders doen dan
+vreten en rusten. Zoomin vreesachtig als stoutmoedig, leven zij met
+alle overige dieren in vrede en bekommeren zich over 't algemeen om
+niets anders dan om hun voedsel. Hun verstand is buitengewoon beperkt;
+dat het werkelijk bestaat, mag evenwel niet betwijfeld worden. De
+dieren van verschillend geslacht zijn zeer aan elkander gehecht,
+het eene tracht het andere te beschermen; de moeders verplegen hare
+kinderen met veel liefde: men zegt zelfs, dat zij gedurende het zoogen
+haar jong aan de borst dragen, zooals vrouwen doen, waarbij zij een
+van hare borstvinnen als arm gebruiken om de kleine tegen haar dik
+lichaam te drukken. De stem van de Manaten bestaat uit een zwak,
+dof gesteun. Gedurende het ademen hoort men van hen een hevig gesnuif.
+
+Opmerkelijk is het, dat deze plompe dieren de gevangenschap goed
+verdragen en zelfs in vrij hooge mate getemd kunnen worden.
+
+Het vleesch en het spek, de huid en de tanden worden gebruikt; van
+andere toepassingen wordt niets gemeld.
+
+
+
+Bij de _Manaten_ (_Manatus_) is de staartvin afgerond; het eenigszins
+wanstaltige vischvormige lichaam is zeer spaarzaam bekleed met korte
+haren, die alleen op den snuit dichter bijeenstaan en hier in borstels
+veranderd zijn. Aan de teenen van de afgeronde borstvinnen bemerkt
+men vier kleine, platte nagels. Snijtanden worden alleen bij jonge
+dieren gevonden; zij vallen zeer schielijk uit; bij oude dieren blijven
+alleen de kiezen over. Als vaderland van de beide Amerikaansche soorten
+van dit geslacht kan men de rivieren beschouwen, die tusschen 25°
+N.B. en 19° Z.B. in den Atlantischen Oceaan uitmonden, en de naburige
+zeekusten. De Afrikaansche soort (_Manatus senegalensis_) bewoont,
+behalve het meer Tsad, den bovenloop van de groote westelijke stroomen
+en de kleine kustrivieren, die tusschen 20° N.B. en 10° Z.B. in den
+Atlantischen Oceaan uitmonden.
+
+
+
+De _Lamantijn_, de "Osvisch" der Portugeezen (_Manatus latirostris_),
+is de nauwkeurigst onderzochte soort; hij wordt ongeveer 3 M. lang en
+300 KG. (volgens Kappler dikwijls wel 400 KG.) zwaar; de Amerikanen
+beweren echter, dat zij nog veel grootere, 5, ja zelfs 6 M. lange
+Lamantijnen hebben gezien. Een bijna volslagen naakte huid, die
+korte, ongeveer 2 cM. ver uiteenstaande, borstelige haren draagt,
+bedekt den romp. Zij hebben een tamelijk gelijkmatige, blauwachtig
+grijze kleur, die op den rug en de zijden een weinig donkerder is
+dan aan de onderzijde van den romp. De borstels zijn geelachtig.
+
+De eerste, nauwkeurige berichten over dit dier danken wij aan A. Von
+Humboldt. Bij een 3 M. langen Lamantijn, die hij in Carrichana,
+aan den benedenloop van den Orinoko, ontleedde, merkte hij de
+volgende bijzonderheden op: De met een zeer fijne huid bekleede
+bovenlip, die voor het tasten dient, vertoont een hoogst eigenaardige
+samenstelling. De tong is bijna onbeweeglijk; daarvóór bemerkt men in
+elke kaak een vleezigen knobbel, welke past in een holte, die met een
+zeer harde huid bekleed is. Als men het dier langs den rug opensnijdt,
+verbaast men zich over de grootte, gestalte en lengte van zijne longen,
+want deze zijn één Meter lang, hebben buitengewoon groote longblaasjes
+en gelijken op kolossale zwemblazen; zij nemen ook bijzonder veel lucht
+op. De maag is in afdeelingen verdeeld, de darm meer dan 30 M. lang.
+
+Van dezen Lamantijn verschilt de andere Amerikaansche soort
+(_Manatus inunguis_) vooral door een smalleren, uit fijnere beenderen
+samengestelden schedel. Deze soort is tot dusver met zekerheid slechts
+van den bovenloop van den Amazonen-stroom en van den Orinoko bekend.
+
+De Lamantijn bewoont de oostkust van Florida, de kusten van de
+Groote en Kleine Antillen, den Magdalena-stroom en de oostkust van
+Zuid-Amerika en hare rivieren tot bezuiden de Noordkaap, vooral echter
+Suriname. Waarschijnlijk is hij de eenige Sirene van den Mexicaanschen
+zeeboezem. A. Von Humboldt nam waar, dat de Lamantijnen in de zee
+gaarne verblijf houden op plaatsen, waar zoetwaterbronnen zijn; zij
+zwemmen ver de rivieren op; ten tijde van overstroomingen begeven zij
+zich ook naar de meren en moerassen. "Des avonds," verhaalt A. Von
+Humboldt, "kwamen wij den mond van den Caño del Manati voorbij, zoo
+genoemd wegens het verbazend groot aantal Lamantijnen of Manatis, die
+ieder jaar hier gevangen worden. In den Orinoko beneden de watervallen,
+in de Meta en in de Apoera zijn zij zeer veelvuldig."
+
+De levenswijze van den Lamantijn is ten naastenbij gelijk aan die
+van de andere Sirenen. Eenige reizigers hebben bericht, dat hij soms
+het water verlaat om op het land te grazen, maar reeds in de vorige
+eeuw is dit door anderen uitdrukkelijk weersproken. Hij eet geen
+ander gras dan dat hetwelk in 't water groeit. Daar alle zuidelijke
+stroomen op stille plaatsen buitengewoon rijk aan allerlei soorten
+van waterplanten zijn, zal hij geen gebrek lijden en ook niet noodig
+hebben ver rond te zwemmen. Hij eet zooveel, dat de maag en de darmen
+volkomen gevuld zijn met voedsel en gaat, na volkomen verzadigd te
+zijn, op ondiepe plaatsen dikwijls zóó liggen, dat de snuit boven het
+water uitsteekt en hij dus niet aanhoudend behoeft boven te komen en
+onder te duiken; in deze houding verslaapt hij eenige uren van den
+dag. Zoolang hij wakker is, ziet men hem alleen dan boven water, als
+hij bovenkomt om te ademen; dit geschiedt, in weerwil van de grootte
+zijner luchtbewaarplaatsen, zeer dikwijls; waarschijnlijk geeft hij
+om deze reden de voorkeur aan de ondiepe gedeelten der rivieren.
+
+De tijd waarin de paring plaats heeft, schijnt nog niet bekend te
+zijn, en zelfs over de geboorte der jongen bestaat er verschil van
+meening tusschen de berichtgevers. Eenigen zeggen, dat het wijfje twee
+jongen werpt, terwijl anderen slechts van één enkel jong spreken. De
+gehechtheid van de moeder aan hare kinderen wordt zeer geroemd. Overal
+waar de Lamantijn voorkomt, wordt hij met ijver gejaagd. Zijn vleesch
+is zeer smakelijk, hoewel men zegt, dat het ongezond is en koorts
+veroorzaakt.
+
+De jacht op de Lamantijnen is tamelijk eenvoudig. In een boot begeeft
+men zich in de nabijheid van de plaats waar deze dieren grazen en
+wacht tot een van hen bovenkomt om adem te halen. Dit wordt beschoten
+met pijlen, waaraan door middel van een touw een licht blok hout
+bevestigd is, dat later, op het water drijvend, den weg aangeeft,
+die door het gewonde dier gevolgd is. Ook maakt men wel gebruik van
+den harpoen. De buit wordt gedood en geslacht in de boot, die voor het
+reizen op de Zuid-Amerikaansche stroomen dient. Het slachten geschiedt
+dikwijls midden in den stroom; hiertoe wordt de boot voor twee derden
+met water gevuld, onder den Lamantijn geschoven en vervolgens met
+een uitgeholde pompoen weer leeg geschept. Van de dikke huid worden
+strooken gesneden, die voor zweepen en koorden dienen; deze zijn in
+'t water niet bruikbaar, daar zij hier verrotten zouden.
+
+Reeds uit de geschriften van reizigers uit vroegere eeuwen blijkt,
+dat de Lamantijn ook getemd kan worden. Martyr, een reiziger, die
+in het eerste vierde gedeelte van de 16e eeuw stierf, verhaalt dat
+een Kazike op het eiland San Domingo een jongen, nog kleinen visch,
+die Manato heette en in zee gevangen was, in een meer liet brengen
+en hem dagelijks maïsbrood liet geven. "Hij werd langzamerhand zeer
+tam, kwam telkens als men hem riep, at het brood uit de hand en liet
+zich overal streelen; ook droeg hij eenige malen lieden, die op hem
+zitten gingen, waarheen zij wilden, van den eenen oever naar den
+anderen." Gomara, die dezelfde geschiedenis verhaalt, voegt er nog
+bij, dat deze Manato 26 jaren in het meer Goeaynabo geleefd heeft en
+zoo groot als een Dolfijn geworden is.
+
+De mededeelingen van verschillende berichtgevers uit lateren tijd
+bevestigen de waarschijnlijkheid van de bovenstaande verhalen. Kappler
+heeft zich in Suriname met het temmen van een jongen Lamantijn
+bezig gehouden; in het jaar 1864 bezat de Oostenrijksche consul te
+Portorico, Latimer, een paar levende Manaten, en eindelijk vernemen
+wij door Cunningham, dat men sedert het jaar 1867 twee Manaten in
+een bassin van den openbaren tuin van Rio de Janeiro gevangen houdt,
+in gezelschap van verscheidene Kaaimans en een aantal watervogels. De
+eene Lamantijn toonde een bijzondere voorliefde voor het gezelschap van
+een tammen Zwaan, die zich ook van zijn kant aan den vreemdsoortigen
+gezel gewend had; hij volgde hem zoo trouw na, dat de geregelde
+bezoekers van den tuin steeds wisten, waar zij de Sirene moesten
+zoeken, als zij den Zwaan zagen. Deze Lamantijn was langzamerhand
+zoo tam geworden, dat hij dikwijls nader kwam, als men voor hem gras
+op het water strooide; hij stak dan zijne vreemdsoortige, borstelige
+lippen boven den waterspiegel en nam het voedsel, dat hem aangeboden
+werd uit de handen der bezoekers.
+
+
+
+De Chineezen en Arabieren waren reeds voor eeuwen bekend met een der
+belangrijkste vertegenwoordigers der Manatenfamilie, waarover wij
+tot in het begin van onze eeuw slechts gebrekkige inlichtingen hadden
+gekregen, n.l. met de "_Meermin_", de _Doejong_ (Zeekoe) der Maleiers
+(_Halicore dujong_). Het is wel mogelijk, dat Megasthenes en Aelianus
+den Doejong bedoelen, als zij wezens beschrijven, die in den Indischen
+oceaan leven en op vrouwen gelijken; het lijdt geen twijfel, dat de
+"Meermin", die door den Portugeeschen arts Bosquez ontleed werd, of de
+"Meermannen" en "Meerwijven" waarvan de Hollandsche schrijver Valentijn
+uitvoerige verhalen doet, onzen Doejong waren; al deze beschrijvingen
+zijn echter zoo onnauwkeurig, dat zij onze bekendheid met dit dier
+niet konden uitbreiden. Voor de Fransche reizigers Diard en Duvaucel
+bleef de taak weggelegd ons nauwkeuriger berichten te verschaffen;
+Quoy en Gaimard leverden de eerste goede afbeelding; Rüppell, die de
+bedoelde Sirenen in de Roode Zee vond, gaf ons de eerste mededeelingen
+omtrent hare levenswijze.
+
+De Doejong bereikt een lengte van 3 à 5 M. De korte en dikke hals,
+die duidelijk van den kop onderscheiden kan worden, gaat ongevoelig
+over in den romp, die gelijkmatig afgerond is, van de halsstreek tot
+aan het midden allengs dikker en van hier tot aan den staart slanker
+wordt. De borstvinnen staan niet ver achter de gehooropeningen aan het
+voorste derde gedeelte van de lichaamslengte; zij zijn niet bijzonder
+lang, maar breed, aan den voorrand afgerond, van achteren scherp;
+de teenen zijn alleen op het gevoel te onderscheiden, ieder spoor van
+klauwen ontbreekt. De staart eindigt in een horizontaal afgeplatten,
+halvemaanvormigen vin. Aan den korten en dikken snuit valt vooral
+de platte, scheef van boven naar achteren en onderen afhellende
+bovenlip in 't oog, waaronder een van onderen afgeknotte opzwelling
+uitsteekt. Deze is naar achteren verbonden met een eigenaardige
+mondplaat, die de tusschenkaaksbeenderen bedekt. Een dergelijke
+mondplaat ligt op de onderkaak. De onderlip wordt gevormd door een
+van achteren scherp begrensde opzwelling. De neusgaten, die aan de
+bovenzijde van den snuit liggen, staan dicht bij elkander en hebben den
+vorm van twee halvemaanvormige spleten; de oogen, die klein, eirond,
+maar sterk uitpuilend en zwart van kleur zijn, liggen in een dwars
+gerichte spleet, worden aan hun bovenrand omgeven door een halven
+cirkel van wimpers, hebben geen oogleden, maar een wenkvlies en kunnen
+door samentrekking van de huid gesloten worden; de ooren zijn slechts
+door kleine, rondachtige openingen aangeduid. Op de dof loodkleurige
+of grijsblauwachtige, hier en daar met donkere, overlangsche vlekken
+geteekende, gladde en glanzige, slechts aan den buik gerimpelde huid
+staan korte, dunne, maar stijve, borstelige haren, die aan de bovenlip
+bijna stekelig zijn. De vinnen zijn volkomen onbehaard. Het gebit
+bestaat uit wortellooze, bij het oude dier gedeeltelijk uitvallende
+snijtanden en kiezen; de eerstgenoemde zijn bij het wijfje kort,
+stomp, priemvormig, bij het mannetje veel forscher, driezijdig en
+beitelvormig; de vijf maaltanden van iedere kaakhelft nemen van
+voren naar achteren in grootte toe. De hoektanden ontbreken geheel,
+bij 't mannetje ontwikkelen zich echter twee voortanden tot stoot- of
+slagtanden van 20 à 25 cM. lengte en 2 cM. dikte, zij zijn evenwel voor
+ongeveer zeven achtsten van hun lengte door het tandvleesch bedekt.
+
+Naar het schijnt, wordt onze Meermin in alle deelen van den Indischen
+Oceaan en van de hiermede samenhangende zeeën gevangen. In de
+Chineesche Zuidzee, in de Soeloe, Banda- en Soendazee komt zij op
+de voor haar geschikte plaatsen overal, op sommige plaatsen zelfs
+veelvuldig voor; noordwaarts treft men haar tot ongeveer halverwege de
+lengte van de Roode Zee aan. Hier is zij een zeer welbekend dier. Alle
+zeelieden van deze kusten hebben haar gezien en waarschijnlijk zal men
+geen hunner tevergeefs vragen naar de _Nèhke-el-Bahr_ (de Kameelmerrie
+van het water). In het oosten bewoont zij de kusten van Nieuw-Guinea
+en van Queensland, zuidwaarts tot aan de Moreton-baai.
+
+Door 't samenvoegen van de verschillende, ook thans zelfs nog
+zeer onvoldoende berichten komt men tot de overtuiging, dat de
+Doejong in de zee, bij uitzondering ook wel in het zoete water van
+de riviermonden, evenwel niet in de rivieren zelf zich ophoudt, dat
+hij aan de nabuurschap der kusten de voorkeur geeft en niet verder in
+de zee opgaat, dan de plantenwereld van den zeebodem reikt. Ondiepe
+bochten, waar de zonnestralen tot op den bodem van het weinig bewogen
+water doordringen kunnen en aanleiding geven tot een buitengewoon
+krachtige ontwikkeling van den plantenrijkdom der zee, zijn de plaatsen
+waar hij zich het liefst ophoudt. Op het land komt hij niet; men mag
+althans aannemen, dat de exemplaren welke men op het land zag liggen,
+door de ebbe waren achtergelaten en te lui waren om hun log lichaam
+weer in het water te schuiven, maar liever hier rustig den volgenden
+vloed afwachtten. Van den bodem van de ondiepe bochten verheft hij
+zich in iedere minuut ongeveer éénmaal naar den waterspiegel, steekt
+zijn neus of ook wel de helft van zijn lichaam er boven, haalt adem
+en keert langzaam en gelijkmatig weer naar de diepte terug.
+
+De visschers zeggen, dat de Doejong paarsgewijs en slechts zelden in
+kleine familiën leeft; dit bericht is meer op den Arabischen zeeboezem
+dan op andere deelen van den Indischen Oceaan toepasselijk, omdat hier,
+naar men zegt, soms scholen van deze dieren worden waargenomen. De
+Arabische visschers zeggen, dat men in de Roode Zee steeds minstens
+twee, niet zelden echter tot aan tien Doejongs bijeen ziet. Hunne
+bewegingen worden langzaam en log genoemd, hoewel zij met hun staart
+veel kracht kunnen uitoefenen. Toevallig heeft men waargenomen, dat
+zij bij 't eten lui op den bodem van de zee liggen, en op hun gemak
+de wieren, die tegen de rotsen of op den zeebodem groeien en hun
+voornaamste voedsel uitmaken, met de harde, dikke lippen afgrazen of
+van den bodem losrukken. Zoolang er nog voedsel te vinden is in het
+door hem bewoonde gedeelte van de zee, verandert de Doejong, zonder
+hiertoe gedwongen te worden, waarschijnlijk niet van verblijfplaats;
+zoodra hij echter een van zijne zeeweiden afgegraasd heeft, verhuist
+hij langzaam naar andere oorden, waar hij dan weder gedurende eenigen
+tijd blijft.
+
+Met de langzaamheid en logheid van haar lichaam harmonieeren, naar het
+schijnt, de geestvermogens van de Meermin. Haar waarnemingsvermogen
+is weinig ontwikkeld. Haar stem bestaat uit een soort van gesnuif of
+dof gesteun; van de jongen hoort men scherpere geluiden.
+
+Zoowel de paartijd als de werptijd vallen in den winter; het wijfje
+is dus bijna een vol jaar drachtig. De moeder is innig gehecht
+aan haar kroost, verlaat het nimmer en stelt zich voor haar kind
+onvoorwaardelijk bloot aan doodsgevaar. Na verloop van één jaar
+ongeveer wordt het jong gespeend, en leidt daarna een zelfstandig
+leven.
+
+Gedurende den paartijd en den werptijd maken sommige visschers ijverig
+jacht op den Doejong, omdat zij van het gedoode dier vrij wat voordeel
+kunnen hebben. Die van het zuidelijke deel van de Roode Zee maken hem
+op dezelfde wijze buit als de Maleiers, n.l. met harpoenen. De jonge
+dieren worden veel hooger geschat dan de oude, omdat hun vleesch
+magerder en uiterst malsch is. De Europeanen hebben een afkeer van
+dit wildbraad, wegens zijn onaangenaam zoetachtigen smaak; ook de
+Arabieren maken er niet overal gebruik van. De dikke huid, waarmede,
+naar men zegt, de arke des verbonds van de Israëlieten eertijds bekleed
+was, wordt aan de Abessinische kust niet gelooid, maar alleen aan de
+lucht gedroogd en daarna tot sandalen verwerkt.
+
+
+
+"Aan het geheele strand van het eiland, vooral daar waar beken in
+de zee stroomen en alle soorten van zeeplanten in overvloed groeien,
+worden de _Zeekoeien_, die door onze Russen _Morskaja-Korowa_ genoemd
+worden, in alle jaargetijden in groote menigte en tot kudden vereenigd
+aangetroffen. Daar het bijeenbrengen van de noodige hoeveelheid
+leeftocht moeielijk begon te worden wegens het verdwijnen van de
+Zeebevers (Zeeotters) van de Noordkust, zonnen wij op middelen, om de
+Zeekoeien te overmeesteren, die, omdat zij dicht bij de kust verblijf
+hielden, ons met minder moeite voedsel konden verschaffen. Voor
+dit doel kalfaterden wij tegen het einde van Juni de jol, die in
+den herfst op de rotsen zeer beschadigd was, plaatsten er vier
+roeiers en een stuurman op, en gaven dezen een harpoen in de hand,
+bevestigd aan een zeer lang touw, dat in orde gelegd was als voor de
+walvischvangst; het andere uiteinde werd vastgehouden door de overige
+40 op het strand staande manschappen. Nu roeide men zeer stil op de
+dieren af, die, tot kudden vereenigd, argeloos den zeebodem bij den
+oever afgraasden. Zoodra de harpoenier een van de dieren getroffen
+had, trokken de manschappen op de kust het langzaam naar het strand;
+die, welke in de jol zaten, voeren op het dier af en maakten het door
+hunne bewegingen nog meer vermoeid; als het krachteloos scheen, stieten
+zij het overal groote bajonetten en messen in het lichaam, zoodat het
+bloed bij wijze van fonteinen uit de wonden spoot en het dier bijna al
+zijn bloed verloor; bij hoog water kon het vervolgens op het strand
+getrokken en vastgemaakt worden. Zoodra het water weggevloeid was en
+het dier op het droge lag, sneed men er het vleesch en het spek bij
+stukken af, die vol vreugde naar de woningen werden gedragen, waar
+het vleesch in groote vaten bewaard en het spek aan hooge stellages
+opgehangen werd. Nu hadden wij spoedig zulk een overvloed van voedsel,
+dat wij met het bouwen van een nieuw vaartuig, dat het middel tot
+onze redding zou worden, zonder bezwaar konden voortgaan."
+
+Met deze woorden begint Steller, die in November 1741 op het vóór
+dien tijd nog onbekende Bering-eiland schipbreuk leed en daar 10
+treurige maanden doorbracht, zijn bericht over de _Noordsche Zeekoe_,
+die naar haar ontdekker gewoonlijk _Steller's Zeekoe_ (_Halicore
+Stelleri_) genoemd wordt. Dit zeer merkwaardig Zee-Zoogdier is, naar
+'t schijnt, thans geheel uitgeroeid. Aangelokt door de berichten
+van Steller, stroomden walvischvangers en vermetele fortuinzoekers
+in groote menigte naar de Bering-zee; de vreeselijke slachting, die
+zij aanrichtten onder de weerlooze zeebewoners, heeft de Noordsche
+Zeekoe van de aarde doen verdwijnen. Te vergeefs heeft men later,
+om althans een exemplaar van deze dieren te verkrijgen, op hen de
+aandacht gevestigd van de bemanning van ieder schip, dat naar de
+Bering-zee zeilde. Nordenskiöld meent echter, dat niet in 1768,
+maar eerst in 1854 de laatste Noordsche Zeekoe gedood werd.
+
+Uit Steller's beschrijving blijkt duidelijk, dat de Noordsche Zeekoe
+belangrijk verschilde van de vroeger beschreven leden derzelfde
+orde. Hare kaken droegen, in plaats van tanden, vier alleen met het
+tandvleesch samenhangende kauwplaten. Dit eene feit is voldoende voor
+de onderscheiding van het dier. "De grootste van deze dieren," zegt
+Steller verder, "zijn 4 à 5 vademen (ten naastenbij 8 à 10 M.) lang
+en hebben op de dikste plaats, in de buurt van den navel, een omvang
+van 3 1/2 vadem. Tot den navel kunnen zij met de Robben, vandaar tot
+den staart met Visschen vergeleken worden. Over 't algemeen verschilt
+de vorm van het geraamte van den kop niet veel van een paardekop;
+met vel en vleesch bedekt, gelijkt hij eenigermate op een buffelkop,
+vooral wat de lippen aanbelangt.
+
+"Deze dieren leven als Runderen, bij kudden in de zee. Gewoonlijk
+gaat het mannetje naast het wijfje; het jong drijven zij voor zich
+uit bij den oever langs. Zij houden zich met niets anders bezig
+dan met hun voedsel. In alle tijden van het jaar komen zij rondom
+dit eiland overal in grooten getale voor, zoodat alle bewoners van
+de oostkust van Kamtschatka ieder jaar vleesch en spek in overvloed
+van deze dieren zouden kunnen krijgen. De huid van de Zeekoe bestaat
+uit twee lagen: de buitenste is zwart of zwartbruin, één duim dik,
+en bijna zoo vast als kurkschors, rondom den kop vol groeven, rimpels
+en gaten. Zij bestaat uitsluitend uit loodrechte, onmiddellijk tegen
+elkander aanliggende vezels. Deze buitenste schaal kan gemakkelijk van
+de hieronder liggende huidlaag afgeschild worden en is, mijns inziens,
+uit naast elkander staande, gewijzigde haren ontstaan; ik heb haar
+evenzoo bij Walvisschen gevonden. De onderste huidlaag is een weinig
+dikker dan een ossehuid, zeer sterk en wit van kleur. Onder deze
+beide wordt het geheele lichaam door een vetmassa of speklaag van
+vier vingers hoog omgeven, hierop volgt het vleesch. Ik schat het
+gewicht van het dier op 1200 pond of 480 centenaars.
+
+"Het verwonderde mij niet weinig, dat ik op Kamtschatka vóór mijn
+reis nooit iets van de Zeekoe had vernomen, hoewel ik zorgvuldig
+naar alle dieren gevraagd had; na mijn terugkomst hoorde ik echter,
+dat dit dier van Kaap Kronotzki tot aan den Awatschagolf verbreid is,
+en soms dood aan land geworpen wordt."
+
+
+
+
+
+DERTIENDE ORDE.
+
+DE WALVISCHACHTIGEN (Cetacea).
+
+
+Onder de Zoogdieren zijn de _Walvischachtigen_ hetzelfde, wat de
+Visschen onder de Gewervelde Dieren zijn: wezens, die uitsluitend in
+'t water thuis behooren en welker lichaamsbouw in overeenstemming
+is met deze levenswijze. Hierop wijst reeds hun grootte; want alleen
+in het water kunnen zulke reuzen zich gemakkelijk bewegen, alleen de
+oneindig rijke zee kan hun de noodige hoeveelheid voedsel verschaffen.
+
+Het warme bloed, de ademhaling door longen, het zoogen der jongen
+en alle andere wezenlijke kenmerken der Zoogdieren hebben de
+Walvischachtigen gemeen met de overige orden van deze klasse. In
+ieder ander opzicht wijken zij echter (nog veel meer dan de Sirenen)
+van de hoogere Zoogdieren af. Ieder weinig ontwikkeld mensch, elk
+nog in den toestand van kindsheid verkeerend volk heeft ze tot de
+Visschen gerekend; eerst na nauwkeuriger onderzoek van hun aard is
+hun de juiste plaats aangewezen.
+
+De romp van de Walvischachtigen is kolossaal en onbehouwen zonder
+eenige uitwending waarneembare geleding; de kop, die dikwijls
+wanstaltig groot en in den regel ongelijkzijdig gebouwd is, gaat
+zonder duidelijk herkenbare begrenzing in den romp over; deze loopt,
+naar achteren slanker wordend, in een breede, horizontaal geplaatste
+staartvin uit. De achterste ledematen, die bij alle overige Zoogdieren,
+met uitzondering van de Sirenen, voorkomen, ontbreken geheel;
+de voorste zijn vinnen geworden: men moet ze met het ontleedmes
+onderzoeken om ze als handen te herkennen en merkt ook dan nog in
+hun maaksel eigenaardigheden op. Een bij sommige voorkomende vetvin,
+die zich langs een deel van den rug uitstrekt, draagt er toe bij om
+deze dieren op Visschen te doen gelijken. Voorts onderscheiden de
+Walvischachtigen zich, wat het uitwendige betreft, door hun groote,
+niet door lippen begrensde mondspleet, door hun mondholte, die een
+buitengewoon groot aantal tanden of alleen baarden bevat, door hun
+dunne, gladde, zachte, vettige, op het gevoel fluweelachtige huid,
+die bij uitzondering op weinige plaatsen enkele borstels draagt en
+een donkere kleur heeft; de zeer dikke vetlaag maakt deel uit van
+deze huid, daar het de buitengewoon dikke lederhuid is, tusschen
+welker cellen het vet zich heeft afgezet.
+
+Ook het inwendig maaksel van deze zeereuzen vertoont belangrijke
+eigenaardigheden. De beenderen van het geraamte onderscheiden zich
+door hun los, sponsachtig weefsel; zij zijn zoo innig doordrongen
+met vloeibaar vet, dat dit hun bijna niet ontnomen kan worden; na
+gedurende langen tijd gebleekt te zijn, behouden zij altijd nog
+een vettig, geelachtig uitzicht; daarentegen ontbreken aan alle
+beenderen de mergkanalen. Aan den kolossalen schedel, die slechts
+bij zeer weinige soorten in een regelmatige verhouding tot den romp
+staat, zijn de beenderen van den kop op een vreemdsoortige wijze
+verschoven; zij liggen los op elkander of hangen slechts door weeke
+deelen met andere beenderen samen; enkele van hen komen ons nietig
+klein (rudimentair), andere opmerkelijk vergroot voor, alle orde
+en regel schijnt verdwenen te zijn. Aan de wervelkolom is vooral
+het halsgedeelte opmerkelijk. Nog is het gewone aantal wervels
+aanwezig, maar deze gelijken, met uitzondering van den eersten,
+op dunne platte ringen; opmerkelijk is hun geringe beweeglijkheid;
+niet zelden vergroeien zij voor een deel zoo innig met elkander,
+dat men alleen aan de openingen, waardoor de paren halszenuwen
+het ruggemergskanaal verlaten, kan zien, dat er zeven halswervels
+zijn. Bovendien hebben de Walvischachtigen 11 à 14 borstwervels,
+10 à 24 lendewervels en 22 à 24 staartwervels; hierbij moet echter
+opgemerkt worden, dat men streng genomen alleen van borst- of rug-
+en van lende-staartwervels kan spreken, daar een goed ontwikkeld
+bekken ontbreekt en een heiligbeen dus niet voorhanden is. Het aantal
+ware ribben is zeer gering: de echte Walvisschen hebben er slechts
+één paar; meer dan zes paar komen, naar het schijnt, bij geen enkel
+lid der orde voor. De valsche ribben zijn altijd veel talrijker dan
+de ware. De voorste ledematen zijn eigenaardig door de kortheid en
+platheid hunner beenderen en door een in 't oogloopend groot aantal
+vingerleden; want, waar bij de andere Zoogdieren drie vingerleden
+aanwezig zijn, hebben alle Walvischachtigen in alle vingers (met
+uitzondering van den eersten en soms ook van den vijfden) er meer;
+het aantal leden van één vinger kan tot 13 stijgen.
+
+Het gebit van de Walvischachtigen is geheel anders samengesteld dan
+de tandenstelsels der overige Zoogdieren, ook de beide hoofdgroepen
+der orde verschillen in dit opzicht aanmerkelijk van elkander.
+
+Het strottenhoofd is niet geschikt voor het voortbrengen van een
+welluidende stem, maar stelt het dier in staat een groote hoeveelheid
+lucht tegelijk door te laten. De luchtpijp is zeer wijd; de longen
+hebben een aanzienlijken omvang en alle luchtpijptakken staan met
+elkander in gemeenschap, zoodat door tusschenkomst van één hunner de
+geheele long gevuld kan worden.
+
+De spieren zijn eenvoudig, in overeenstemming met de grootte van
+het dier en buitengewoon krachtig. De hoeveelheid zenuwweefsel is
+uiterst gering: bij een Walvisch, die 5000 KG. woog en 6 M. lang was,
+wogen de hersenen nog geen 2 KG.,--dus niet meer dan bij den mensch,
+die zelden 100 KG. zwaar wordt! Alle zintuigelijke organen staan op
+een lagen ontwikkelingstrap. De oogen zijn klein, de ooren uitwendig
+ternauwernood zichtbaar, als 't ware slechts aangeduid. Toch mag men
+hieruit niet afleiden, dat het gezicht en het gehoor onontwikkeld
+zijn gebleven. Alle Walvischachtigen bewijzen, dat zij niet alleen
+zeer scherp, maar ook op grooten afstand zien kunnen en ook, dat zij
+geluiden van allerlei aard goed waarnemen. De reukzin is zeer weinig
+ontwikkeld. Over den smaak kunnen wij niet oordeelen; van het gevoel
+echter weten wij, dat het eenigermate ontwikkeld is.
+
+Het zal misschien niet eens noodig zijn er op te wijzen, dat zulk een
+lichaamsbouw er geheel op berekend is om de Cetaceën voor het leven in
+'t water geschikt te maken. De horizontaal geplaatste staartvin maakt
+het hun mogelijk als 't ware spelenderwijs te duiken en weer boven
+te komen en zonder moeite in waterlagen van verschillende diepte hun
+voedsel te zoeken. De gladheid van de huid maakt de beweging van de
+kolossale lichaamsmassa gemakkelijker, de vetlaag vermindert haar
+gewicht, vervangt het ontbrekende haarkleed en biedt tevens de noodige
+weerstand voor het verdragen van de ontzaglijke drukking waaraan een
+Cetacee is blootgesteld, als hij in de diepte van de zee afdaalt. De
+zeer groote longen stellen hem in staat, buitengewoon lang onder
+water te blijven.
+
+De Cetaceën vermijden zoo veel mogelijk de nabijheid der kusten;
+want het land brengt hun verderf aan. Slechts enkele Dolfijnen leven
+in zoet water, andere zwemmen soms de rivieren op, maar doen dit niet
+gaarne verder dan tot de plaats, die nog door den vloedstroom bereikt
+wordt. Alle overige Walvischachtigen verlaten het zoute water nooit,
+maar doorreizen meer of minder geregeld meer of minder uitgestrekte
+gedeelten van de zee. Over deze tochten bericht Eschricht onder
+anderen het volgende:
+
+"Cetaceën treft men aan in alle zeeën; geen enkele soort van deze
+orde heeft echter ergens een vaste verblijfplaats; alle geven, naar
+het schijnt, gedurende den zomer de voorkeur aan bepaalde oorden,
+terwijl zij zich in den winter in een ander, misschien ver afgelegen
+gebied ophouden; zij begeven zich op soortgelijke wijze als de
+trekkende dieren in 't algemeen langs tamelijk vast bepaalde wegen
+in de lente van de eene zee naar de andere, om in 't najaar naar het
+eerste gebied terug te keeren. De Walvischachtigen zijn, evenals de
+meeste dieren die geregeld van woonplaats verwisselen, gezellig van
+aard. Daar, waar voedsel voorhanden is, vindt men dikwijls honderden
+(soms zelfs meer dan duizend) exemplaren, niet slechts van dezelfde
+soort, maar ook wel van verschillende soorten bijeen; ook sluiten
+zich, volgens de berichten der kustbewoners, bij de groote trekkende
+scharen enkele of zelfs verscheidene wezens van andere soort aan,
+of vermengen zich met haar."
+
+Alle Cetaceën zijn in de hoogste mate voor beweging geschikt. Zij zijn
+volslagen meesters in het zwemmen; zij doen dit zonder eenige merkbare
+inspanning, sommige met een onvergelijkelijke snelheid. Volgens Sir
+William Turner ontwikkelt een Walvisch van 48 voet lengte en 74 ton
+gewicht, met een staartvin van 20 voet breedte een arbeidsvermogen
+van 145 paardekracht, wanneer hij met een snelheid van 12 knoopen,
+d.i. meer 22 K.M. in 't uur, voortzwemt. Met de krachtige spieren,
+die de omvangrijke staartvin bewegen, kunnen zij hun ontzaglijk
+zwaar lichaam betrekkelijk ver boven den waterspiegel opheffen en dus
+echte luchtsprongen doen. Gewoonlijk bevinden zij zich dicht bij de
+oppervlakte; misschien dalen zij, alleen wanneer zij gewond worden,
+naar groote diepten af. De bovenste waterlaag is hun eigenlijk gebied,
+omdat zij met den kop en een deel van den rug boven water moeten komen
+om adem te halen. De vervanging van de reeds in 't lichaam aanwezige
+door versche lucht geschiedt op de volgende wijze: In de eerste
+plaats blaast de Cetacee die bovengekomen is, met een luid snuivend
+gedruisch het water, dat in de slechts onvolledig gesloten neusgaten
+doordrong, met zooveel geweld uit, dat het zich in fijne druppels
+verdeelt, maar toch nog 5 à 6 M. hoog opgeworpen wordt. Deze straal
+uitgeademde lucht kan het best vergeleken worden met een stoomstraal,
+die uit een nauwe buis ontsnapt; ook het snuiven herinnert aan het
+gedruisch, dat de stoom in het bedoelde geval maakt. Een waterstraal,
+zooals uit een fontein opspringt, wordt door geen enkel Walvischachtig
+dier uitgeworpen, hoewel de meeste teekenaars hem zoo afbeelden, en
+vele natuurbeschrijvers hem zoo opgeven. Dadelijk na het uitademen
+neemt het dier, eveneens met een luid hoorbaar steunend gedruisch,
+door één, snelle inademing de noodige hoeveelheid lucht op; dikwijls
+wisselt het drie-, vier- of vijfmaal in de minuut van adem, slechts
+de eerste maal na het bovenkomen wordt een straal uitgeworpen, hoewel
+men bij eenigermate koel weder nog altijd een door de uitademingslucht
+gevormden nevel kan waarnemen. De neusgaten zijn zoo gunstig gelegen,
+dat de Cetacee bij het omhoogrijzen altijd het eerst met hem boven
+'t water komt; op deze wijze geschiedt het ademhalen even gemakkelijk
+als bij andere dieren. Een ongestoord voortzwemmende groote Cetacee
+zal misschien 5 à 15 minuten lang gelijkmatig ademen, en blijft
+daarbij voortdurend met de neusgaten boven den waterspiegel of zakt
+na de ademhaling een weinig beneden de oppervlakte; soms zal hij
+nog veel langer op deze wijze voortgaan, voordat hij zijn behoefte
+aan lucht bevredigd heeft. Daarna begeeft hij zich weder naar de
+diepte, en blijft misschien 10 à 20 minuten, dikwijls nog langer
+onzichtbaar. Vervolgde groote Cetaceën kunnen echter ook wel 30 à
+50 minuten onder water blijven. Een geharpoeneerde Potvisch bleef,
+naar Pechuel-Loesche heeft opgemerkt, bijna een uur, een andere,
+eveneens gekwetste, niet minder dan 80 minuten onder water en dook
+intusschen 1300 M. diep. Als de luchttoevoer geheel wordt afgesneden,
+sterft de Cetacee even goed als ieder ander Zoogdier door verstikking,
+volgens de ervaring van walvischjagers zelfs na zeer korten tijd. Ook
+sterven deze dieren betrekkelijk spoedig, wanneer zij op het droge
+geraken; deze ligging bemoeilijkt de ademhaling, daar het uitzetten
+van de borstholte nu met het opheffen van het geheele zware lichaam
+gepaard moet gaan.
+
+Alle Cetaceën voeden zich met dieren en slikken waarschijnlijk slechts
+bij toeval planten door; nauwkeurige onderzoekingen moeten echter
+nog uitmaken of één soort van Vinvisch de wieren, die men dikwijls in
+groote hoeveelheid in zijn maag vindt, niet opzettelijk verzwelgt, en
+of een soort van Dolfijn de vruchten, die in de rivier gevallen zijn,
+niet opeet. De door hen begeerde buit bestaat uit groote en kleine
+zeedieren, die tot zeer verschillende klassen van het dierenrijk
+behooren. Juist de grootste soorten gebruiken de kleinste zeedieren
+als voedsel, terwijl daarentegen juist de kleinere soorten de flinkste
+roovers zijn.
+
+Hoe lang de drachtigheid duurt, is nog niet uitgemaakt. Wel is
+waar wordt ondersteld, dat zij slechts 6 à 10 maanden aanhoudt;
+feiten tot steun voor deze bewering zijn echter moeielijk bijeen te
+brengen. G. A. Guldberg is door uitvoerige vergelijkende onderzoekingen
+tot de uitkomst geraakt, dat de duur van de drachtigheid der groote
+soorten van Vinvisschen hoogst waarschijnlijk 10 à 12 maanden, die van
+de grootste echter meer dan een jaar bedraagt. Het pas geboren jong
+is reeds zeer ontwikkeld; zijn lengte is 1/3 à 1/4 van die der moeder.
+
+Vroegere onderzoekers berichten, dat de zoogende moeder op de gewone
+wijze haar gang gaat, en het aan den tepel gehechte jong eenvoudig
+medesleept; Scammon daarentegen verzekert nadrukkelijk, dat zij bij
+het vervullen harer moederplicht als verslapt in het water ligt,
+bijna het geheele achterdeel van haar lichaam boven den waterspiegel
+heft en een weinig op zijde gaat liggen, om aan het jong gedurende
+het zuigen het meest mogelijke gemak te verschaffen. Voor het kind
+zijn de melkklieren ongetwijfeld zeer gunstig gelegen; het vat den
+grooten, buitengewoon melkrijken tepel met de spits van den snuit;
+het zuigt natuurlijk met tusschenpoozen, daar het zich van tijd tot
+tijd naar de oppervlakte moet begeven om adem te halen. De moeder
+verzorgt haar jong met roerende liefde; zij stelt zich om zijnentwil
+zonder aarzeling aan alle gevaren bloot, die beider leven bedreigen
+en verlaat het nooit, zoolang het leeft. Het jong groeit, naar het
+schijnt, langzaam. Hoe lang de Cetaceën leven, weet men niet.
+
+Ook de Cetaceën hebben vijanden, vooral gedurende den eersten tijd
+van hun leven. Verscheidene Haaien en de Zwaardvisch maken in den
+letterlijken zin van 't woord jacht op jonge Cetaceën; ook oudere
+dieren worden door hen aangevallen; zij kunnen dan dagen lang volop
+eten van het reusachtige lichaam. Een veel gevaarlijker vijand van de
+Walvischachtigen dan alle zeemonsters is de mensch. Reeds sinds meer
+dan 1000 jaren heeft hij op vele soorten van deze orde jacht gemaakt,
+en eenige reeds nagenoeg verdelgd.
+
+Aanvankelijk heeft de mensch zich waarschijnlijk tevreden gesteld met
+de Walvischachtige dieren, die de zee hem toevertrouwde, d. w. z. met
+die, welke door stormen op het strand geworpen werden. Eerst later
+kwam hij op het denkbeeld zich met de reusachtige bewoners der zee
+in den strijd te meten. Aan de Basken wordt de eer toegeschreven
+voor het eerst schepen voor de walvischvangst te hebben uitgerust;
+zij deden dit reeds in de 14e en 15e eeuw. Aanvankelijk bepaalden
+deze koene zeelieden zich tot het opzoeken van de Vinvisschen
+in de golf, die naar hun vaderland genoemd is. Reeds in het jaar
+1372 echter zetten zij koers naar het noorden en ontdekten hier
+de eigenlijke walvischgronden. Omstreeks het jaar 1450 rustten de
+reeders van Bordeaux eveneens vaartuigen uit, om den kostbaren
+buit in de oostelijke gedeelten van de Noordelijke IJszee op te
+zoeken. Burgeroorlogen verlamden de scheepvaart en den handel
+der Basken; de inval der Spanjaarden in hun land in het jaar 1633
+maakte aan hun walvischvangst voor altoos een einde. Door de zeer
+goede uitkomsten die zij verkregen hadden, werden andere zeevarende
+volken uitgelokt om hen na te volgen; reeds in de 16e eeuw vertoonden
+zich Engelsche, en kort daarna Hollandsche walvischvangers in de
+Groenlandsche zeeën. In den beginne geschiedde dit met behulp van
+Baskische harpoeniers. In het jaar 1612 voeren de twee eerste schepen
+uit Nederland ter walvischvangst uit, maar met ongelukkig gevolg; daar
+zij door de Engelschen, die in 1608 de eerste schepen voor hetzelfde
+doel hadden uitgerust, genomen en van hun vangst en al hun vischtuig,
+ter gezamenlijke waarde van f 130.000 beroofd werden. In 1614 werd
+weder een schip te Hoorn voor de walvischvangst uitgerust: het kwam
+met een goede lading thuis. Door dit gelukkig begin aangespoord,
+vereenigden zich verscheidene kooplieden te Amsterdam tot een
+maatschappij, die (volgens een reeds in 1611 opgemaakt ontwerp) in 1614
+"consent en octrooi verkreeg om voor den tijd van tien eerstkomende
+jaren alleen te mogen handelen van Nova-Zembla tot Straat-Davis toe,
+daaronder begrepen Spitsbergen, 't Beren-eiland, Groenland en andere
+eilanden, die onder de voorschreven limiten zouden mogen gevonden
+worden." In deze Noordsche Maatschappij werden later ook kooplieden
+uit andere steden en gewesten opgenomen; haar octrooi werd in 1617,
+1622, 1634 gewijzigd en verlengd. In 1641 werd het monopolie opgeheven
+en de vangst geheel vrijgelaten; in 1645 werd de Noordsche compagnie
+ontbonden. Vooral de in 1596 door de Hollanders ontdekte eilanden-groep
+Spitsbergen was aanvankelijk voor de vangst van Zee-zoogdieren zeer
+gelegen. In 1617 werd bij minnelijke schikking een verdeeling van de
+kusten dezer eilanden tusschen de verschillende bij de vischvangst
+belanghebbende natiën tot stand gebracht. De Nederlanders vestigden
+zich op het Amsterdammer-eiland, waar drie zeer vischrijke baaien (de
+Noord- en Zuidbaai en de Hollandsche baai) een ruime vangst beloofden,
+en een veilige ligplaats voor de schepen aanboden. Zij richtten op
+dit eiland hunne traan-kokerijen op en bouwden er een soort van dorp,
+dat den naam van Smeerenburg ontving. "In den aanvang en eerste opkomst
+der visscherij, vond men de Walvisschen nog in hun eerste natuurlijke
+onnoozelheid; gedurende vele eeuwen in veiligheid en ongestoord
+geleefd hebbende, en onkundig zijnde van de lagen hunner vijanden,
+vreesden zij de komst der vloten niet, maar zwommen in groote menigte
+rondom de kusten van Spitsbergen, zoowel binnen als buiten het ijs;
+en dewijl de banken, gronden en baaien overal met aas bezet waren,
+zag men hen zelfs in de baaien spelen, en het land en de eilanden
+naderen. De visscherij was derhalve toen aan veel minder zwarigheden
+onderworpen dan tegenwoordig; men zeilde naar de kusten zonder het
+ijs aan te doen, hetwelk men als rotsen zorgvuldig meed; men ving de
+Walvisschen, bracht het spek aan land, en kookte er traan van, welke
+men vervolgens in de schepen bracht en naar Nederland overvoerde. De
+overvloed van traan, welke men jaarlijks aan den wal kookte, was
+in den beginne zoo groot, dat men ledige schepen huurde, en ze,
+wanneer de vloot wel geladen thuis gekomen was, naar Smeerenburg
+zond, om de overige traan af te halen. De voordeelige vangst, welke
+onmeetbare schatten aanbracht, gaf geen geringe levendigheid op het
+dorp Smeerenburg, dat, omtrent denzelfden tijd als Batavia gesticht,
+toen geen mindere vertooning van bloei en voorspoed maakte, dan de
+thans zoo beroemde hoofdstad van Neerlandsch Indië."
+
+"Dit geluk duurde verscheidene jaren; doch de Walvisschen, eindelijk
+kundig geworden van de gevaren welke hen omringden, begonnen zich
+allereerst van de kusten van Smeerenburg en van de Hollandsche baai
+te verwijderen; en daar zij zich voorheen als weerlooze schepsels,
+rondom de schepen spelende, lieten dooden, werden zij zoo schuw,
+dat men genoodzaakt werd, hen gedurende de vlucht met grooten arbeid
+na te roeien eer men hen kon bemachtigen, en dit zelfs werd weldra
+ondoenlijk, wijl de Visschen zich verder zeewaarts begaven, en maar
+al te vaak de hoop der zeelieden teleurstelden. Men besloot derhalve
+naar de Noordbank te varen, gelegen aan den mond van de Noordbaai,
+omstreeks twee mijlen van de schepen, die onder Smeerenburg voor
+anker lagen, alwaar toen nog visch genoeg was, dewijl hij van daar
+niet zoo sterk verjaagd was geworden." De hier gevangen visch werd
+naar de schepen geboegseerd, waarmede veel tijd verloren ging. Nadat
+men op deze wijze, aanvankelijk met voordeel gewerkt had, werd ook
+dit bedrijf wegens het schaarsch worden van den buit opgeheven. Om op
+andere, meer afgelegen gedeelten van de kust te visschen, moest men
+afwijken van het oorspronkelijk plan om de schepen voor Smeerenburg
+te laten liggen, totdat zij volgeladen waren. Weldra echter kwamen er
+geen visschen meer aan de kust en schoot er niets anders over dan ze
+op zee te vervolgen en ze ook daar te "flensen" en "af" te "maken";
+de op deze wijze verkregen stukken spek of "vinken" werden (evenals
+het balein) in vaten gepakt en naar de traankokerijen in Nederland
+vervoerd. Daar door zulk een wijze van vangst de op Spitsbergen
+aanwezige inrichtingen overbodig werden, geraakten deze in verval en
+werden eindelijk gesloopt; de voorheen zoo vischrijke eilanden, de
+twistappel van zoovele volken, werden hoe langer hoe minder bezocht,
+en vervielen weer tot hun vroegeren staat. Reeds vóór het midden van
+de 17e eeuw begon de "zeevisscherij" de "kunstvisscherij" allengs
+te vervangen, om zelf, toen de nog schuwer geworden visch naar de
+minst toegankelijke gedeelten van de Poolzee de wijk nam, voor de
+"ijsvisscherij" plaats te maken, waarbij de buit tusschen het ijs moest
+worden opgezocht. Dit vereischte schepen van veel solieder maaksel
+dan de vroeger gebezigde. De kosten werden dus steeds grooter en de
+vangst wisselvalliger. Dat ook in deze minder gunstige omstandigheden
+de zoogenaamde "kleine" visscherij met veel ijver werd beoefend,
+kan blijken uit een mededeeling van Zorgdrager in zijn werk over de
+Groenlandsche Visscherij. Daar de walvischvangers in 1697, wegens
+den oorlog met Frankrijk, bescherming noodig hadden, verzamelden
+zij zich in een baai van Spitsbergen, waar weldra 9 Nederlandsche
+en 2 Hamburger oorlogschepen kwamen om gedurende de terugreis de
+kapers te weren. De rijk geladen vloot, waarvan Zorgdrager's schip
+"_de Vier Gebroeders_" met een lading van 7 visschen deel uitmaakte,
+bestonden uit 121 Nederlandsche schepen, beladen met 1252 visschen, 54
+Hamburger schepen met 515 visschen, 15 Bremer schepen met 119 visschen
+en 2 Embder schepen met 2 visschen. Onder al deze schepen was er niet
+één, dat niets gevangen had; onder de Nederlandsche schepen was er
+geen met minder dan 3 visschen; vele waren geheel gevuld. Deze vloot,
+te zamen 192 schepen, bracht 1888 visschen thuis. Gedurende een groot
+deel van de 17e en van de 18e eeuw werd de walvischvangst in de zee
+tusschen Spitsbergen en Groenland voornamelijk door de Nederlanders
+uitgeoefend. In sommige jaren zonden zij met dit doel 200 à 250 schepen
+uit; in andere jaren trouwens moest de walvischvangst wegens den oorlog
+geheel of grootendeels achterwege blijven. Niet minder belangrijk dan
+het aantal deelnemers aan deze jacht was de daarbij behaalde buit; in
+sommige jaren bedroeg het gemiddeld slechts 1 à 2 visschen per schip,
+in andere jaren echter 10 à 11. In de jaren 1676 tot 1722 werden
+door de Nederlanders 5886 schepen ter walvischvangst uitgezonden
+(gemiddeld 125 per jaar) en maakten deze 32.907 walvisschen buit
+(gemiddeld per schip 5 à 6), welker waarde destijds 180 millioen gulden
+bedroeg. Volgens een andere berekening zijn in de jaren 1669-1779
+naar Groenland, d. i. naar de zee tusschen Groenland en Spitsbergen,
+gezeild 14.226 schepen, die 57.722 visschen gevangen hebben en een
+netto winst behaalden van f 44.327.761; gemiddeld per jaar dus ruim
+128 schepen, die ieder gemiddeld 4 visschen thuis brachten en per jaar
+gezamenlijk een netto winst opleverden van 400.000 gulden. Naar Straat
+Davis zeilden bovendien in de jaren 1719-1779 3206 schepen, die 7022
+visschen buit maakten en een netto winst behaalden van f 13.967.148
+of gemiddeld per jaar 52 à 53 schepen, met bijna 2.2 visschen voor
+ieders deel en met een gezamelijke winst van 229.000 gulden. Door de
+oorlogen met de Engelschen in 1780 en in den Franschen tijd verloren
+de Nederlanders hun suprematie in de Noordelijke Zeeën. Hoewel zij na
+het herkrijgen van hun onafhankelijkheid ook aan de kleine visscherij
+opnieuw hun aandacht schonken, geraakte deze niet meer tot haar vorigen
+bloei; gedurende verscheidene jaren bestond hun Groenlandsche vloot uit
+drie of vier schepen, waarvan er ten slotte slechts één overbleef. Ook
+dit schip, de "_Dirkje Adama_" van Harlingen, werd in 1864 voor een
+ander doel bestemd.
+
+Aanvankelijk namen ook de Duitsche Noordzeehavens ijverig deel aan de
+Groenlandsche vaart. Frederik _de Groote_ rustte in 1768 schepen voor
+de walvischvangst uit. Ook zij werden uit dit bedrijf verdrongen door
+de Engelschen, die omstreeks dezen tijd 222 schepen in de Noordelijke
+zeeën hadden. In deze eeuw hebben zij hun jachtveld uitgebreid over
+de Poolzee ten oosten van Groenland, die door de ontdekkingen van
+Ross en Parry bekend geworden was, en zelfs over den Stillen Oceaan,
+waar zij echter in de Amerikanen ernstige concurrenten vonden, die
+hen op dit gebied weldra geheel overvleugelden. Het aandeel van de
+Schotsche en Engelsche havensteden in de Cetaceën-jacht is verminderd,
+naarmate dat van de Amerikanen toenam. Doch ook de Amerikaansche
+walvischvangst bereikte in 1854 haar toppunt van bloei en is sedert
+dien tijd voortdurend achteruitgegaan.
+
+Tegenwoordig wordt de walvischvangst op groote schaal alleen nog maar
+in den Stillen Oceaan en ten noorden van de Beringstraat uitgeoefend
+en wel vooral door de Amerikanen. De met dit doel uitgeruste schepen
+blijven 3 à 4 jaren uit, n.l. zoo lang tot zij een volle lading traan
+en balein hebben. De Noord-Amerikanen hebben ongeveer sedert 1850 de
+grootste vloot voor de walvischvangst; deze vloot vermindert trouwens
+sterk wegens het afnemen van het aantal Walvisschen in alle zeeën. In
+den laatsten tijd is San Francisco de verzamelplaats geworden van de
+schepen, die op de walvischvangst in de noordelijke zeeën uitgaan. De
+hiervoor dienende stoombooten dringen door de Beringstraat zoo ver in
+de Poolzee door, als het ijs toelaat; zij overwinteren ook dikwijls
+in het poolgebied. De stoomboot _Mary Hume_ bracht van daar binnen 2
+1/2 jaar 52.300 KG. baarden ter waarde van 630.000 dollars thuis.--In
+de IJslandsche Zeeën komt alleen nog maar de Vinvisch voor, die in
+vergelijking met den Walvisch en den Cachelot een veel geringere waarde
+heeft. Op grootere schaal nog dan de IJslanders oefenen de Noren de
+IJslandsche walvischvangst uit. Hunne traankokerijen bevinden zich
+aan land of aan boord van oude schepen, die in de fjorden voor anker
+liggen; iedere traankokerij beschikt over een aantal stoombootjes,
+die als schoeners opgetuigd zijn en slechts 14 ton kolenvoorraad
+hebben. Aan bakboord hebben zij een kanon om hiermede den harpoen te
+schieten; deze is aan een lange lijn bevestigd en blijft in de wonde
+steken. Hij is aan zijn uiteinde voorzien met een soort van bom,
+die den Vinvisch doodt door in zijn lichaam te ontploffen. De booten
+dezer walvischvangers zijn voorzien met een mortiergeweer, waaruit de
+harpoen geschoten wordt. De bruto-opbrengst van een Vinvisch bedraagt
+ongeveer 2400 gulden; enkele exemplaren leveren echter aanmerkelijk
+meer op. De traankokerijen vereischen een geoefend personeel; bij elke
+ziederij behoort een "helling" met verscheidene hijschtoestellen om de
+speklaag onder de hakmachine te brengen. Het spek wordt vervolgens
+in de met stoom verhitte ketels gebracht en de traan in ijzeren
+vergaarbakken afgetapt. De afval wordt tot mestspecie (vischguano)
+verwerkt, van de beenderen maakt men beenderenkool.
+
+In het tijdperk van 1835-1872 hebben 19.943 schepen zich met de
+walvischvangst bezig gehouden; zij verkregen 3.671.772 tonnen
+of vaten spermaceti en 6.553.014 tonnen traan, ter gezamenlijke
+waarde van 272.274.916 dollars. Volgens Scammon's schatting moesten
+voor het bereiken van dit doel ieder jaar 3865 Potvisschen en 2875
+Baardendragende Cetaceën gedood worden. Men moet deze getallen stellig
+ieder met een vijfde vermeerderen om ook de dieren, die gewond werden
+en daarna verloren gingen, in rekening te brengen. Zoo komt men tot
+de slotsom, dat het geheele getal groote Cetaceën, die in het genoemde
+tijdperk gedood werden, niet minder dan 292.714 moet hebben bedragen.
+
+De vangst geeft ook wel eens aanleiding tot ongelukken, maar is toch
+over 't geheel genomen minder gevaarlijk dan de reis op zichzelf
+beschouwd, als zij plaats heeft in ijsrijke zeeën. In menig jaar
+lijdt de walvischvangersvloot groote verliezen. Gelukkig gaan bij
+deze schipbreuken slechts zelden menschenlevens verloren, daar de
+zee bijna altijd stil is en de bemanning tijd genoeg heeft om zich
+op andere schepen te redden. De walvischvangst is niet alleen een
+gevaarlijk bedrijf, dat veel inspanning vereischt, maar uit een
+financieel oogpunt beschouwd, ook zeer wisselvallig.
+
+Tot voor eenige tientallen van jaren had de vangst hoofdzakelijk
+plaats met schepen, die voor lange kruistochten uitgerust waren; men
+maakte vooral jacht op drie van de grootste soorten van Cetaceën:
+den Noordelijken of Groenlandschen Walvisch, den Zuidelijken
+Walvisch en den Potvisch; ieder dergelijk dier had, al naar zijn
+omvang en den stand van den marktprijs, een waarde van 9000 à 24000
+gulden. De vangst geschiedde op de volgende wijze: Als het schip op de
+Walvischgronden aangekomen is, kruist het heen en weer, terwijl in den
+mast (in het zoogenaamde kraaiennest) gewoonlijk twee mannen op den
+uitkijk staan. Hun waarschuwing: "Daar blazen zij!" brengt de geheele
+bemanning in beweging. "Uit de wijze, waarop deze dieren zich bewegen
+en blazen, uit den vorm van hun rug en van hun staartvin," schrijft
+Pechuel-Loesche, "kunnen de ervaren lieden tamelijk zeker opmaken, of
+zij de gezochte soort voor zich hebben en of de vangst van het dier de
+moeite loont. Als dit beslist is, geeft de kapitein bevel om de booten
+uit te zetten (iedere kruiser heeft er gewoonlijk vier). Deze booten
+zijn 7 à 9 M. lang en omstreeks 2 M. breed; zij zijn licht, maar zeer
+zorgvuldig gebouwd; zij hebben geen kiel en loopen aan beide einden
+scherp toe, zoodat zij even gemakkelijk vooruit- als achteruit bewogen
+kunnen worden en snelle wendingen kunnen maken. De wapens--ongeveer
+vier harpoenen, verscheidene lansen, een geweer van zeer zwaar kaliber,
+waarmede pijlvormige granaten worden geschoten, een korte spekspade,
+een bijl en een stevig mes--bevinden zich aan den voorsteven, zoodat
+de harpoenier ze onmiddellijk bij de hand heeft. Het kompas, een
+hoosbak en een vaatje, waarin eenige scheepsbeschuit, een lantaarn,
+kaarsen en lucifers tegen vochtigheid beschut zijn, bevinden zich in
+'t achterste gedeelte van de boot, waarvan een klein stuk overdekt is;
+een ander vaatje met drinkwater ligt gewoonlijk in 't midden van het
+vaartuig. Het belangrijkste deel van het vanggereedschap is de meer
+dan één duim dikke, ongeveer 350 vadem lange en van de beste hennep
+vervaardigde lijn. Zij ligt opgerold in twee ondiepe tobben, die
+tusschen de roeibanken staan; met de meest nauwgezette zorgvuldigheid
+zijn de spiralen hierin bij lagen gevleid, daar elke verwarring bij
+'t afloopen aanleiding zou kunnen geven tot een ongeluk. Van links
+buiten neemt men een stuk van 5 à 8 vadem lengte, den zoogenaamden
+voorlooper, en bevestigt hieraan de beide harpoenen, die een geoefende
+harpoenier den Walvisch bij de eerste nadering in snelle opeenvolging
+in 't lichaam werpt. Deze wapens liggen, opdat de harpoenier ze zonder
+fout zal kunnen grijpen, vóór rechts op een laag vorkengestel.
+
+"Een goede harpoenier moet op een afstand van 4 à 5 vademen zeker
+zijn van zijn worp. Meestal echter begeeft men zich veel nader
+bij den Walvisch; ook laat men de boot wel onmiddellijk tegen
+hem aanloopen, zoodat de harpoen niet meer geworpen, maar in het
+lichaam gestooten wordt. Deze vermetele wijze van aanvallen laat
+wel is waar aan zekerheid niets te wenschen over, maar is ook de
+gevaarlijkste. Zoodra de harpoenen vastzitten, wordt de boot zoo vlug
+mogelijk achteruitgeroeid. Dit is een hachelijk oogenblik: altijd
+staat men bloot aan de kans, dat het gewonde dier zich opzettelijk of
+toevallig wreekt met den ontzaglijken staart; deze kan de boot van
+onderen af het onderste boven keeren en zelfs in de lucht werpen,
+of als een reusachtige vliegenklap van boven af op haar neerdalen,
+zoodat zij verbrijzeld wordt. Als de verschrikte Walvisch vlucht
+(in de diepe zee duikt hij meestal loodrecht naar beneden, in ondiep
+water spoedt hij zich op geringere diepte voort), zal in 't volgende
+oogenblik de lijn beginnen af te loopen; zij schiet met slangsgewijze
+kronkelingen uit haar bergplaats naar achteren om den geleidenden
+knop, strak gespannen naar voren en naar buiten in de diepte; dikwijls
+loopen 100 à 150 vademen in één minuut af. Nu komt het er op aan, goed
+op te passen, want ieder die door de lijn gevat wordt is gewoonlijk
+verloren. De boot zit "vast". De stuurman en de harpoenier wisselen
+van plaats; deze had tot taak den Walvisch met de boot te verbinden,
+gene heeft het voorrecht hem te dooden. Nu eerst begint de eigenlijke
+strijd en met hem het grootste gevaar. Aan het tegenhouden van den
+onderduikenden Walvisch valt natuurlijk niet te denken: iedere groote
+Cetacee zou de boot medesleuren naar de diepte, zooals de visch, die in
+het aas van den hengelaar bijt, den lichten dobber medeneemt. Als het
+dier zeer diep duikt, roept men de naastbijgelegen boot aan, om haar
+lijn vast te splitsen aan die, welke bezig is af te loopen. Indien
+men echter niet schielijk genoeg geholpen wordt, laat men de geheele
+lijn over boord gaan en de Walvisch is vrij. Slechts zelden gelukt
+het dan hem weder vast te leggen door voort te roeien in de richting,
+die hij heeft ingeslagen, en, zoodra hij weder voor den dag komt,
+de achter hem aanslepende lijn op te visschen.
+
+"In de meeste gevallen is de lijn van één boot echter voldoende;
+de Walvisch duikt misschien 100 à 200 vademen diep en houdt zich
+daar nagenoeg onbeweeglijk. Zoodra de spanning van de lijn een weinig
+vermindert, wordt er met vereende krachten aan getrokken om het dier
+tot omhooggaan te bewegen. Indien deze wijze van behandeling den
+onbehouwen klant niet aanstaat, zal hij met onweerstaanbare kracht
+iedere poging om hem aan de oppervlakte te brengen verijdelen en al
+dieper en dieper zakken. Zoo wordt, al naar de soort en de grootte
+van het dier, de strijd 10, 20, 30 minuten lang, in zeldzame gevallen
+gedurende het dubbele van dezen tijd voortgezet: eindelijk echter
+begint de Walvisch behoefte aan lucht te gevoelen en komt naar
+boven. De richting van de lijn toont aan, waar hij ten naasten bij
+verschijnen zal; daar tracht nu een tweede boot hem te verrassen en
+eveneens "vast" te maken; eerst wanneer men hierin geslaagd is, acht
+men den goeden uitslag zeker. Het herhaaldelijk gewonde dier valt
+nu soms zijne pijnigers aan, of schiet, daar het wegens ademnood
+niet onmiddellijk weder diep duiken kan, langs de oppervlakte van
+de zee voort. Nu begint een wilde wedstrijd, waarbij men de lijn
+gewoonlijk slechts eenige bootslengten ver laat vieren. Blazend en
+snuivend doorklieft het donkere, reusachtige lichaam de golven, die in
+schuim uiteenspatten en in melkwitte massas omhooggeslingerd worden,
+als de kolossus zich door woedende slagen met den staart tracht te
+bevrijden. Achter hem aan ijlen 2 of 3 booten met koene menschen
+gevuld, die dikwijls verborgen zijn tusschen schuim en waterkolommen,
+waarin zij schijnen weg te zinken, terwijl zij met razenden spoed
+zich voortreppen over en door de kokende golven; toch gaan zij steeds
+verder in den eindeloozen Oceaan, onverschillig of het dag is dan wel
+nacht. Een onvoorbereide toeschouwer zou kunnen meenen, dat al wat hij
+ziet, slechts een droombeeld is. Eindelijk komt de Walvisch tot rust,
+daar zijne krachten hem allengs begeven; vermoeid en log, of razend
+en in blinde woede met den staart om zich heen slaand, drijft hij
+op de golven. Nu kunnen de booten hem naderen. Voorzichtig blijven
+zij buiten het bereik van den staart. Men tracht het dier te dooden
+met ontplofbare projectielen of met een lans, welks dun ijzer soms 2
+M. diep achter de borstvin in het lichaam wordt gestoken. Deze lans,
+"lens" genaamd, heeft een 2 M. lang, dun ijzer, dat aan een langen
+stok bevestigd is. Als de Walvisch nogmaals duikt of vlucht, worden
+dezelfde werkzaamheden herhaald, totdat men hem eindelijk gedood heeft,
+of zich door den nood gedrongen ziet de lijn af te snijden en het
+dier in vrijheid te stellen. Wanneer echter een granaat of een lans
+in de longen van den Walvisch doordringt, die dan bloed uitblaast,
+"de roode vlag toont", sterft hij betrekkelijk snel, hoewel dikwijls
+eerst na een geweldigen doodstrijd, welks einde alle booten op een
+veiligen afstand afwachten."
+
+Als het schip den gedooden Walvisch niet goed zeilend bereiken kan,
+moet deze door de booten gesleept worden. Bij het schip aangekomen,
+wordt hij met een stevigen ketting om den wortel van den staart
+geboeid, en aan stuurboordzijde op zulk een wijze bevestigd, dat
+hij met den kop naar achteren gericht langs het schip drijft. Aan den
+grooten mast zijn twee kolossale takels aangebracht, welker loopers met
+hunne uiteinden om den kaapstander, die voor 't lichten van 't anker
+dient, gelegd zijn. Langs de zijde van het schip heeft men een op een
+raam gelijkende stellage laten zakken, die in horizontale richting
+boven den Walvisch zweeft en voor de speksnijders, die met scherpe,
+aan lange stelen bevestigde spaden het "flensen" of "afspekken"
+mogelijk maken, als loopplank dient. Het losse blok van een der
+takels wordt nu aan een vin van den Walvisch bevestigd, en deze op
+zulk een wijze losgemaakt, dat een 1.3 à 1.9 M. breede spekstrook haar
+volgt. Als deze strook tot op de hoogte van de onderste afdeeling van
+de mast is opgeheschen, wordt ter hoogte van het dek het losse blok
+van den tweeden takel er aan vastgemaakt, de spekstrook op korten
+afstand daarboven doorgesneden, en het zoo vrijgeworden stuk in de
+ruimte tusschendeks afgelaten; intusschen hijscht de tweede takel
+den spekstrook weder tot de vorige hoogte op. Het ophijschen van het
+spek is een zwaar stuk werk, en vordert slechts duim voor duim; door
+het langzame, maar zeer krachtige trekken wordt de spekstrook, die
+op de gewenschte breedte met de spade is afgestoken, van het vleesch
+van den Walvisch losgerukt, en deze ongeveer op dezelfde wijze van
+spek en huid beroofd, als men een appel schilt of het dekblad van
+een sigaar kan afwikkelen. Daarbij moet het lichaam van het dier
+langzaam om zijn lengteas wentelen; spoedig reeds is het gunstig
+gelegen voor een volgende bewerking; een aan touwen bevestigde man
+wordt op de Cetacee neergelaten, die bij het Baardendragende dier de
+bovenkaak, bij den Potvisch echter de onderkaak met bijlslagen van
+den kop afscheidt. Deze worden onmiddellijk op het dek geheschen,
+om van 't eerstgenoemde lichaamsdeel de baarden of baleinen, van
+'t laatstgenoemde de fraaie tanden los te maken. Van den Potvisch
+brengt men ook de verbazend groote, bovenste helft van den kop in twee
+stukken op het dek, om spermaceti te verkrijgen. De tijd, die voor het
+afspekken vereischt wordt, hangt af van de soort en grootte van den
+"visch" en van de gesteldheid van het weder; meestal duurt het 4 à 8
+uren. Zoodra alle lichaamsdeelen, die waarde hebben, geborgen zijn,
+maakt men den ketting los, en laat de vormelooze vleeschmassa van
+den romp drijven.
+
+De reusachtig groote spekstrooken, die zich nu tusschendeks bevinden,
+worden daar met korte spade in kleine, langwerpige stukken verdeeld,
+die dan weder op het bovendek worden geworpen en voordat zij in den
+ketel komen, door een met de hand gedreven machine met een scherp mes,
+diep ingekorven worden. Het uitkoken geschiedt in groote, op het dek
+ingemetselde, ijzeren ketels, welker vuurhaard aan alle zijden door
+water omgeven is. Bij den aanvang van de bewerking gebruikt men hout
+als brandstof, later echter uitsluitend de "gruwen" of "kanen" van
+het uitgebakken spek, die genoeg warmte kunnen leveren, om de geheele
+spekmassa van den Walvisch uit te koken. De door uitsmelting verkregen
+traan wordt in een koelpan afgekoeld, en daarna in tonnen gegoten. "In
+hunne slechtste kleederen," schrijft Pechuel-Loesche, "half-naakt,
+dansend en zingend, elkander aandrijvend en hunne gereedschappen
+zwaaiend, druipend van traan en roetkleurig als duivels bewegen
+de schepelingen zich om den haard. Een buitengewone bedrijvigheid
+heerst allerwege aan boord. Vooral des nachts levert dit bedrijf een
+verrassend schouwspel op: in een hoog opgehangen ijzeren korf ligt
+een hoop uitgekookt spek vroolijk te branden; de flikkerende vlammen,
+die het noodige licht verschaffen, wepen schelle lichtstrepen op het
+dek, op de zwarte rookwolken, op de hoog uitstekende masten met hunne
+zeilen en ver weg over de golven. Over dag herkent men de aanwezigheid
+van een traankokenden walvischvaarder aan de kolossale rookmassa's aan
+den gezichtseinder, lang vóórdat men het schip zelf te zien krijgt."
+
+De Walvischachtigen worden op natuurlijke wijze verdeeld in twee
+hoofdgroepen, die men met volle recht als onderorden kan beschouwen:
+de _Tandendragende_ en de _Baardendragende Cetaceën_. Bij gene
+komen in beide kaken, of althans in één van beide, tanden voor;
+deze worden niet gewisseld; bij enkele vormen vallen er eenige
+van uit of gaat zelfs het geheele gebit vóór het tijdperk van
+volwassenheid te niet. De Baardendragende Cetaceën zijn van de
+geboorte af tandeloos. Dit kenmerk is voldoende om de leden van de
+beide onderorden te onderscheiden. Kükenthal is in den laatsten tijd
+tot de slotsom gekomen, dat de beide groepen als afzonderlijke orden
+beschouwd moeten worden: de stam, waaruit de Tandendragende Cetaceën
+zich ontwikkeld hebben, zou veel ouder zijn dan die, waaraan de
+Baardendragende Cetaceën hun oorsprong danken. De overeenkomst,
+die tusschen beider nakomelingen bestaat, is een gevolg van de
+omstandigheid, dat alle zich in dezelfde richting gewijzigd hebben,
+terwijl zij allengs hun aanvankelijke, voor het leven op het land
+passende bewerktuiging verloren en geschikt werden om voortdurend in
+'t water verblijf te houden.
+
+De studie van de voorwereldlijke dieren heeft n.l. de overtuiging
+gevestigd, dat de Cetaceën afstammen van tamelijk hoog ontwikkelde,
+op het land levende Zoogdieren, van dieren met een goed ontwikkeld
+haarkleed, welker zintuigen (o.a. dat van den reuk) hen geschikt
+maakten voor het verblijf op het droge, van wezens met twee paar
+goed ontwikkelde ledematen, welke in bouw overeenkomen met die van
+de hoogere Gewervelde Dieren en niet met die van de Visschen. Hoewel
+het gebit der hedendaagsche Cetaceën samengesteld is uit tanden van
+één soort--die dus naar hun vorm niet in snijtanden, hoektanden en
+kiezen onderscheiden kunnen worden en die bovendien niet gewisseld
+worden--, zijn er vele feiten bekend, waaruit men moet afleiden,
+dat deze toestand een gevolg is van den teruggang van een op
+hoogeren ontwikkelingstrap verkeerend gebit. Zelfs de tanden,
+die bij de Baardendragende Cetaceën gedurende den kiemtoestand
+(d. i. vóór de geboorte) gevonden worden, vertoonen sporen van
+een verdeeling in snijtanden en kiezen. Deze is zeer duidelijk
+aanwezig bij verscheidene uitgestorven soorten van Cetaceën; niet
+alleen bij de Zeuglodonten, maar zelfs bij echte Dolfijnen, zooals
+de Squalodonten. Het te loor gaan van deze eigenschap, behoort tot
+die verschijnselen welke men gewoonlijk "teruggang" of "ontaarding"
+noemt; deze was noodig in verband met de wijziging van de gewoonten
+en behoeften der bedoelde dieren. De bovenstaande verklaring mag men
+beschouwen zoo niet als volkomen zeker, dan toch als in hooge mate
+waarschijnlijk. Minder stellig spreken de feiten, waar het geldt
+den aard van den vermoedelijken stamvorm der Cetaceën te bepalen:
+het meest is men geneigd ze van de Hoefdieren af te leiden.
+
+
+
+De dieren, die tot de soorten-arme onderorde van de _Baardendragende
+Cetaceën_ of _Walvischachtigen_ in engeren zin (_Mysticete_) behooren,
+zijn voornamelijk gekenmerkt doordat zij, althans na hunne geboorte,
+in beide kaken de tanden missen. Opmerkelijk is het, dat zij in den
+kiemtoestand talrijke verkalkte tandjes hebben in een groeve van het
+slijmvlies van beide kaken, die, evenals bij alle jonge Zoogdieren,
+in dit tijdperk ook bij hen aanwezig is. Ongeveer in 't midden van
+het kiemleven bereiken deze tandjes hun hoogste ontwikkeling, daarna
+worden zij zoo volledig weder opgelost en in het bloed opgenomen,
+dat er bij de geboorte van het dier geen spoor meer van over is. Door
+hunne samenstelling en wijze van ontwikkeling, stemmen zij volkomen met
+gewone Zoogdierentanden overeen; zelfs heeft men opgemerkt, dat die,
+welke aan het achterste uiteinde van de reeks geplaatst zijn, zich door
+hun breedte en door de in twee lobben verdeelde kroon onderscheiden
+van de voorste, welke een enkelvoudige, kegelvormige kroon hebben,
+welk feit (zie boven) van groot belang is voor de geschiedenis van
+deze diergroep. Eerst na het verdwijnen der tanden komen de baarden of
+baleinen te voorschijn. Deze merkwaardige organen kan men vergelijken
+met de dwars gerichte plooien van de gehemelte-huid, die bij de Giraffe
+en andere Herkauwers zeer duidelijk zijn, in mindere mate echter bij
+alle Zoogdieren, zelfs bij den mensch aangetroffen worden. Zoo volledig
+ontwikkeld als wij ze bij de Baardendragende Cetaceën waarnemen, komen
+zij echter bij geen andere diergroep voor. Geheel in overeenstemming
+met hetgeen men had kunnen verwachten, vertoonen zij zich eerst
+betrekkelijk laat. Eigenschappen die aan een groot aantal soorten
+gemeen zijn, treden vroegtijdig op; die, welke slechts bij weinige
+vormen aangetroffen worden, verschijnen in een later tijdperk; in
+dit opzicht stemt de ontwikkelingsgeschiedenis van den stam met die
+van het individu overeen.
+
+De baarden zijn niet bevestigd aan de kaakbeenderen of aan andere
+beenderen van den kop, maar aan de nagenoeg 2 cM. dikke huid,
+die het gehemelte bekleedt. Zij bestaan niet uit een beenachtige
+zelfstandigheid, maar uit hoorn, en komen dus volstrekt niet met
+tanden overeen. Het zijn dunne, langwerpige, loodrecht naar beneden
+gerichte platen, die ten getale van verscheidene honderden op iedere
+helft van het gehemelte overlangsche reeksen vormen. Tusschen deze
+beide helften, in 't midden van 't gehemelte, puilt het slechts met
+slijmvlies bedekte ploegschaarbeen, bij wijze van een kiel, in de
+mondholte uit. Elke baard heeft ten naastenbij de gedaante van een
+driehoek, welks basis dwars gericht is ten opzichte van de lengteas
+van het gehemelte, en welks top naar onderen is gekeerd. De buitenrand
+van de hoornplaat is hard en glad; aan haar binnenrand en haar top is
+zij als 't ware uitgerafeld, in lange, borstelige vezels verdeeld. De
+zolder van de mondholte van den Walvisch gelijkt dus op een met haar
+bekleed gewelf, zooals reeds Aristoteles heeft opgemerkt. Van ter zijde
+gezien herinnert de reeks van baarden aan een kam met geringe ruimten
+tusschen de tanden; deze zijn in het midden het langst; naar voren
+en naar achteren nemen zij allengs in lengte af. Het wortelgedeelte
+van iedere baard bevat een dwars gericht, plaatvormig uitsteeksel van
+de dichte, vezelige en zeer vaatrijke huid, die het gehemelte en de
+baarden voedt. De benedenrand van elk dezer uitsteeksels is bezet met
+onderling evenwijdige, zeer lange, vaatrijke, draadvormige papillen;
+ieder van deze is geleden in de as van een der op haren gelijkende
+hoornvezels, waaruit de baard hoofdzakelijk bestaat. Op een dwarse
+doorsnede van een verschen baard ziet men een groot aantal van deze,
+nu als cirkels zich vertoonende papillen, ieder omgeven door kringswijs
+gerangschikte opperhuidscellen; al deze draadvormige lichamen zijn
+aaneenverbonden door andere opperhuidscellen, die ook de gladde schors
+(het zoogenaamde email) van den baard vormen; door het uiteenwijken
+dezer cellen aan den binnenrand en aan de spits van den baard,
+geraken de vezels hier los en scheiden zich vaneen. Hoewel men ze met
+haren vergelijkt, ontstaan zij niet, gelijk deze, in instulpingen,
+maar op uitgroeisels van de opperhuid, evenals de vezels, waaruit
+de hoorn van den Rhinoceros is samengesteld. De baarden zijn tot op
+zekeren afstand van hun voet aaneenverbonden door een minder harde
+opperhuidsvorming, die in de tusschenruimten van de uitsteeksels van
+het gehemelte wordt uitgescheiden.
+
+Bij het sluiten van den bek wordt de geheele bovenkaak in de onderkaak
+opgenomen; de vezels van de baarden rusten op den rand van de tong,
+en sluiten dus de mondspleet aan alle zijden volkomen af; intusschen
+stroomt het water, dat de mondholte bevat, door de tusschenruimten
+van het baardenstelsel weg, terwijl dit bij wijze van een zeef zelfs
+de kleinste en glibberigste buit tegenhoudt.
+
+De Baardendragende Cetaceën zijn ontzaglijk groote dieren met zeer
+grooten kop, een ver gespleten muil, twee neusgaten (blaasgaten),
+een verborgen gehooropening en zeer kleine oogen. Hun wervelkolom
+bestaat uit 7 hals-, 14 of 15 borst-, 11 à 15 lende- en 21 of meer
+staartwervels. Slechts één rib is onmiddellijk met het borstbeen
+verbonden; alle overige ribben zijn valsch. Aan den schedel zijn de
+kaakbeenderen boogvormig gekromd en snavelvormig verlengd; zij zijn
+verbazend groot in vergelijking met de uiterst kleine bergplaats voor
+de hersenen. Het schouderblad is zeer breed, de hand verschillend van
+vorm; bij de meeste soorten ontbreekt de duim. De tong is aan alle
+zijden in den bek vastgegroeid en in haar geheel onbeweeglijk, het
+spijskanaal nauw, de maag in drie afdeelingen verdeeld. In volwassen
+toestand kunnen de Baardendragende Walvischachtigen een lengte
+van 20 à 30 M. en een gewicht van 20.000 à 150.000 KG. bereiken:
+zij zijn derhalve de grootste schepselen, die nog in dezen tijd
+onze aarde bewonen. De lichaamsmassa van een flinken Walvisch komt
+ongeveer overeen met die van 30 à 35 Olifanten of 150 à 170 Runderen;
+uit het spek van zulk een reus zijn dikwijls meer dan 300 hectoliter
+traan verkregen.
+
+De Baardendragende Cetaceën leiden een tamelijk eenzaam leven; slechts
+toevallig, misschien door het overvloedige voedsel aangelokt, ziet
+men ze in scharen bijeen. De meeste wonen in de IJszee en verlaten
+slechts nu en dan de inhammen tusschen de ijsvelden; andere geven
+de voorkeur aan zuidelijker gelegen deelen van de zee. Ondanks hun
+kolossalen omvang bewegen zij zich in 't water snel en behendig;
+de meeste kunnen zelfs met de snelheid van een stoomschip de golven
+klieven. Zij zwemmen rechtuit en volgen toch bij hun beweging steeds
+booglijnen, daar zij zich nu eens tot aan (of gedeeltelijk zelfs boven)
+den waterspiegel begeven, dan weder onder water voortzwemmen.
+
+Het voedsel van de grootste dieren der aarde bestaat uit Visschen of
+uit kleine onbeduidende Weekdieren en Schaaldieren, Koppootigen,
+Kwallen en Wormen; er zijn hierbij vele soorten, die met het
+ongewapende oog ternauwernood waargenomen kunnen worden. Maar van deze
+wezens verzwelgen zij millioenen in één slok. Den verbazend grooten,
+ver gespleten bek opengesperd, doorklieft de Walvisch de golven en
+vult de geheele mondholte met water. Zoodra het gewemel van de hierin
+zwemmende en levende diertjes op zijn niet ongevoelige tong indruk
+maakt, sluit hij de val. Alle vezels van de baarden zijn loodrecht
+naar beneden gericht en vormen zoo een zeef, die bij het sluiten
+van den bek wel het water doorlaat, maar het ontsnappen van al deze
+kleine wezens verhindert. Een enkele golving aan de oppervlakte
+van den plompen, ternauwernood beweegbaren tong drijft vervolgens
+de geleiachtige massa door den slokdarm in de maag. De val wordt op
+nieuw geopend en verder zwemt de kolossus. Vischjes, die toevallig in
+dit eigenaardige net geraken, worden waarschijnlijk ook verzwolgen;
+even onopzettelijk zullen soms zeewieren opgenomen worden.
+
+Wat hunne hoogere begaafdheden betreft, staan de leden van deze groep
+vrij wel op één hoogte met de vroeger beschouwde Zee-zoogdieren. Het
+gezicht, het gehoor en het gevoel zijn hunne meest ontwikkelde
+zinnen. Zij hebben, naar het schijnt, zwakkere geestvermogens dan
+hunne Tandendragende verwanten. Alle Baardendragende Cetaceën zijn
+vreesachtig, schuw en tot vluchten geneigd; zij leven daarom onderling
+en waarschijnlijk ook met de meeste andere zeedieren in vrede. Hoewel
+zij soms, na aangevallen te zijn, blijken geven van moed, die zelfs
+in wildheid ontaarden kan,--hoewel zij zich in dit geval krachtdadig
+en niet zelden met goed gevolg verdedigen--, doen zij echter over
+'t algemeen slechts weinig schade aan hun vreeselijksten vijand,
+den mensch. Hun belangrijkste wapen is de staart, van wiens verbazend
+groote kracht men eenige voorstelling verkrijgt door te bedenken, dat
+dit werktuig het kolossale lichaam van den Walvisch met de snelheid van
+een stoomschip door de golven voert. Een enkele slag met den staart
+van den Walvisch is voldoende om de sterkste boot te verbrijzelen of
+omhoog te werpen; een zeer krachtig dier, en bijgevolg ook de mensch
+kan er door gedood worden.
+
+Van de voortplanting der Baardendragende Cetaceën is weinig bekend. Het
+wijfje, de "koe," brengt in den regel slechts één jong ter wereld,
+zelden twee. Bij de geboorte is het jong reeds zeer ver ontwikkeld;
+het is groot, heeft een derde of een vierde van de lengte der moeder;
+deze zoogt haar kroost gedurende langen tijd, betoont het veel liefde,
+verdedigt het met moed en volharding, verbergt het bij gevaar onder een
+harer vinnen en houdt het bij zich, totdat het zelfstandig is geworden.
+
+De onderorde der Baardendragende Cetaceën wordt verdeeld in twee
+familiën: de _Vinvisschen_ of _Gevoorde Walvisschen_ en de Gladde of
+_Eigenlijke Walvisschen_.
+
+
+
+De _Gevoorde Walvisschen_ (_Balaenopteridae_) dragen dezen naam
+wegens de diepe, onderling evenwijdige, overlangsche groeven of
+voren, die zich over de geheele oppervlakte van de keel, den hals,
+de borst en over een deel van de buik uitstrekken; deze dieren, die
+ook wel _Vinvisschen_ heeten, omdat zij een goed ontwikkelde rugvin
+hebben, zijn betrekkelijk slank gebouwd en met meer of minder lange,
+lancetvormige borstvinnen voorzien; de baarden zijn kort, maar breed.
+
+
+
+Zeer lange borstvinnen, die minstens een vijfde, dikwijls een vierde
+van de totale lengte van het dier bereiken, kenmerken de _Langarmige
+Vinvisschen_ (_Megaptera_), vertegenwoordigd door den _Bultrug_, den
+_Humpback_ der Engelschen, den _Rorqhval_ der Noren, den _Keporkak_
+der Groenlanders, (_Megaptera longimana_). Deze algemeene verbreide,
+in iedere wereldzee voorkomende soort bereikt ongeveer 15 M. lengte,
+hare borstvinnen, die ongeveer 1 M. breed zijn, hebben een lengte
+van 3 à 4 M., de staartvin is ongeveer 4 M. breed. (Er zijn echter
+exemplaren gevangen van 16.5 M. lichaamslengte met borstvinnen van
+4.5 M.) De Bultrug is een van de plompste leden der familie. Met
+andere Vinvisschen vergeleken is hij bepaald leelijk wegens zijn
+korten en dikken romp en onevenredig lange borstvin; zijn staartvin is
+buitengewoon ontwikkeld. Op den rug verheft zich in het laatste vierde
+gedeelte een vetvin van zeer verschillenden vorm en ontwikkeling, de
+"bult". De kleur van de huid is zeer verschillend: aan de bovenzijde
+heeft zwart, dat meer of minder gelijkmatig en donker kan zijn, de
+overhand; de onderzijde van den romp en van de borstvinnen vertoonen
+een witachtige gemarmerde teekening; enkele exemplaren zijn aan
+de bovenzijde eenvoudig zwart, aan de onderzijde wit, andere van
+boven en van onderen zwart; nog andere, hoewel van boven zwart en
+van onderen wit, zijn aan de onderzijde van de borstvinnen en de
+staartvin donker aschkleurig.
+
+Weinige Baardendragende Cetaceën komen den schipper of walvischvanger
+vaker en in grooter aantal onder de oogen dan de Bultrug; hij bewoont
+den Oceaan op alle breedten tusschen den Evenaar en de poolgewesten
+van het noorden en van het Zuiden; men ontmoet hem in volle zee
+zoowel als in de nabijheid der kusten, in alle groote bochten
+en wijde sonden. Het schijnt, dat hij ieder jaar geregeld van de
+polen naar den Evenaar trekt. Op de Groenlandsche kust bemerkt men
+hem alleen gedurende de zomermaanden, op de westkust van Afrika en
+Amerika daarentegen gedurende het geheele jaar, hoewel niet in alle
+maanden op dezelfde plaatsen. Karakteristiek voor deze diersoort zijn
+de golvende bewegingen, het sterke krommen van den romp, het boven 't
+water uitsteken van een der beide borstvinnen en de onregelmatigheid
+van den weg dien hij volgt. Zelfs als hij onder water voortzwemt, keert
+hij dikwijls nu eens de eene, dan weer de andere zijde naar boven en
+wiegt zich als 't ware in zijn element. Als hij zijne kolossale longen
+op zijn gemak vult en ledigt, werpt hij 6- à 10-maal en zelfs 15-
+à 20-maal achtereenvolgens een dubbele straal in de lucht, die tot
+een hoogte van 6 M. kan stijgen. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk
+uit kleine Visschen en lagere Schaaldieren.
+
+Hoewel het voordeel van de vangst van den Bultrug niet onbelangrijk
+is, staat hij toch in dit opzicht ver achter bij den Potvisch en den
+Groenlandschen Walvisch, omdat zijn spek of vet een veel geringere
+hoeveelheid traan oplevert dan men met het oog op de grootte van dit
+dier zou kunnen verwachten. Om deze reden bemoeit men zich, althans
+in de zee om Groenland, met den Bultrug alleen dan, als men niets
+beters te doen heeft. Langs de Amerikaansche kust vervolgt men ook
+dezen Cetacee vrij geregeld, zoo ook aan de kust van Afrika.
+
+
+
+Volgens de zienswijze van Gray moet de sinds lang bekende _Vinvisch_
+die dikwijls met andere Gevoorde Walvisschen verward werd en
+daarom eerst in den laatsten tijd tamelijk nauwkeurig omschreven is,
+beschouwd worden als de vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht
+(_Physalus_), dat verscheiden soorten omvat. Het onderscheidt zich door
+de volgende kenmerken: De kop, die, evenals bij de overige Gevoorde
+Walvisschen, korter is dan een vierde gedeelte van de lichaamslengte,
+heeft een betrekkelijk kleinen schedel en een langwerpig, toegespitst
+aangezichtsgedeelte; de rugvin bevindt zich op het laatste vierde
+gedeelte van 't lichaam. De lengte is bij de verschillende soorten
+zeer ongelijk. (De "_Blauwe_" _Vinvisch_ kan 30 M. lang worden en is
+dus het grootste der thans bestaande dieren.) De borstvinnen zijn vlak
+achter den kop aangehecht, de staartvin is in het midden uitgesneden
+en meer of minder duidelijk in twee lobben verdeeld. De halswervels,
+die bij het vorige geslacht op lateren leeftijd dikwijls met elkander
+vergroeien, blijven hier beweegbaar.
+
+
+
+De _Gewone Vinvisch_, de _Razorback_ der Engelschen, de _Sildrör_
+der Noren, de _Tunnolik_ der Groenlanders, ook wel _Jupitersvisch_ en
+_Gibbar_ genoemd (_Physalus antiquorum_), een van de slankste Cetaceën,
+kan een lengte van 25 M. bereiken. De lengte van de borstvinnen
+bedraagt 1/10, hun breedte 1/50 van de geheele lichaamslengte. Aan
+het voorste gedeelte van den kop, zoowel aan de onderkaak als aan
+de bovenkaak, bevinden zich eenige korte, borstelvormige, wijd
+uiteenstaande haren; overigens is de huid geheel onbehaard, aan de
+bovenzijde donkerzwart, aan de onderzijde zuiver porseleinachtig wit,
+in de diepste groeven blauwachtig zwart. De tandelooze kaken dragen
+aan iedere zijde ongeveer 350 à 375 dwarse reeksen van baarden, die
+van voren het dichtst bij elkander geplaatst zijn, van achteren het
+verst uiteenstaan. De onderkaak sluit de mondholte geheel af en neemt
+de baarden in zich op.
+
+Gewoonlijk houdt de Vinvisch zich op in het noordelijkste deel van
+den Atlantischen Oceaan en in de IJszee. In het begin van den herfst
+trekt hij naar zuidelijker zeeën; zóó komt het, dat men hem ook in
+de zeeën van den gematigden en van den heeten aardgordel ontmoet;
+naar men zegt, werd hij zelfs in de Zuidelijke IJszee aangetroffen.
+
+Door zijn onstuimigheid wordt dit dier dikwijls in 't verderf gestort,
+in vaarwaters gevoerd, waar het niet meer uit kan komen, zoodat
+het op het strand het leven verliest. Herhaaldelijk is dit ook op
+de Nederlandsche kust geschied. Van Bemmelen vermeldt de volgende
+gevallen uit deze eeuw: "Eén op 31 Augustus 1811, in de zoogenaamde
+Goudzee, de Zuiderzee nabij Monnikendam, 36 voet. Een wijfje op 5
+April 1826, nabij Wijk-aan-Zee, 40 voet. Een wijfje (de Vinvisch van
+Kessel) op 5 November 1827, tusschen Ostende en de Zeeuwsche kust,
+90 à 100 voet. Een wijfje op 17 September 1835 nabij Wijk-aan-Zee, 51
+voet. Een wijfje in September 1840 aan den mond der Maas 65 voet. Een
+mannetje op 9 December 1841 nabij Katwijk aan Zee, 40 voet. Tusschen
+2 en 7 November een langs de Groningsche kust waargenomen, en op
+8 November gestrand op het eiland Borkum. Een op 22 November 1851
+nabij het eiland Vlieland, 70 voet. Een op (17?) December 1856 op
+Texel." Het is echter niet uitgemaakt, dat deze Vinvisschen alle tot
+de bovengenoemde soort behoorden.
+
+Alle bewegingen van dit dier zijn vlug en behendig, zooals men reeds
+op grond van zijn slanke gestalte zou kunnen verwachten. Het wordt als
+een der snelst zwemmende Baardendragende Cetaceën beschouwd. Als de
+Vinvisch bedaard voortzwemt, volgt hij een rechte lijn, en komt zeer
+dikwijls (volgens mijne waarnemingen gemiddeld alle 90 seconden) aan
+de oppervlakte om te ademen. Het bruisende gedruisch bij het uitademen
+hoorde ik reeds op een afstand van één zeemijl. Niet zelden verschijnt
+de Vinvisch in de onmiddellijke nabijheid van zeilende schepen,
+zwemt er omheen, of volgt ze langen tijd, soms wel uren achtereen,
+trouw na. Soms gaat hij aan den waterspiegel op zijde liggen, en
+slaat met de borstvinnen op de golven, wendt zich om, gaat op den rug
+liggen, duikt onder, speelt op allerlei wijzen vroolijk in 't water
+en verheft ook wel eens, door een krachtigen slag met de staartvin,
+zijn kolossaal lichaam boven den waterspiegel.
+
+Het voedsel van den Vinvisch bestaat grootendeels uit Visschen,
+die hij dikwijls bij scholen voor zich uitdrijft, en bij groote
+hoeveelheden te gelijk in zijn ruimen muil vangt. Als de Vinvisch
+een rijken buit vindt, blijft hij dagen en zelfs weken lang op
+een en dezelfde plaats; dit doet hij b.v. in de nabijheid van
+Groenland, waar hij een ongeloofelijk groot aantal Dorschen en
+andere Kabeljauwachtige Visschen verslindt. Met zijn beide naaste
+verwanten--de _Blauwe Vinvisch_ of _Reuzen-vinvisch_ (_Sibbaldius
+borealis_) en de _Snavelvinvis_--trekt de Gewone Vinvisch bij het
+vervolgen van de Dorschen en Haringen ver naar 't zuiden en komt dan
+ook in de Europeesche zeeën, hier vereenigen de Vinvisschen zich soms
+tot scholen, die gedurende geruimen tijd gemeenschappelijk jagen.
+
+De jacht op den Vinvisch is wegens zijne groote vlugheid en woestheid
+moeielijker, en wegens de geringere hoeveelheid traan en baarden,
+die hij oplevert, veel minder voordeelig dan de vangst van den
+Noordschen of Groenlandschen Walvisch. In vergelijking met dezen
+wordt de Vinvisch daarom als bijna waardeloos beschouwd door de op
+zee kruisende walvischvangers. Een ander oordeel wordt trouwens over
+den Vinvisch geveld daar, waar de jacht van de kust af kan plaats
+hebben. De vangst kan dan door het te nutte maken van alle deelen
+van het lichaam van het dier een grootere winst opleveren, dan de
+jagers ter zee zouden kunnen behalen. Op het eiland Vardö b.v., op
+70° N.B. bij de noordwestkust van Noorwegen, wordt tegenwoordig de
+waarde van een groot dier van deze soort op f 1500.- geschat, waarbij
+slechts f 180.- als opbrengst van de korte en niet zeer veerkrachtige
+baarden. Bij deze vangst maakt men gebruik van vuurwapens, die
+op 40 M. afstand in het lichaam van het dier een harpoen werpen,
+welke met een bom verbonden en aan een armdik touw bevestigd is. De
+bom doodt den Vinvisch, terwijl de harpoen met het touw het zinken
+verhinderen. Een Vinvisch van 25 M. lengte levert hoogstens 80 ton
+traan. Zelfs van een deel van het vleesch van dit dier wordt partij
+getrokken; men kookt het in blikken bussen, die dichtgesoldeerd worden,
+nadat daaruit de lucht verdreven is; het vindt in sommige landen als
+vastenspijs een goeden aftrek. Het overige vleesch en de beenderen van
+de door kustvisscherij verkregen Cetaceën worden tot guano verwerkt.
+
+
+
+Tot het laatste geslacht van de familie der Vinvisschen brengen wij de
+_Snavelvinvisschen_ (_Balaenoptera_), die de kleinste en sierlijkste
+van alle thans bekende Baardendragende Cetaceën zijn.
+
+Een typische vertegenwoordiger van dit geslacht is de _Dwerg_-,
+_Zomer_- of _Snavelvinvisch_, de _Vaagevhal_ der Noren, de _Tikagoelik_
+der Groenlanders (_Balaenoptera rostrata_), het kleinste, bekende
+lid van zijn familie, wiens lengte waarschijnlijk nooit boven de
+10 M. stijgt. De geheele bovenzijde is donker leikleurig zwart, zoo
+ook de onderzijde, van de spits van de bovenkaak tot aan de plaats
+van aanhechting der borstvinnen, voorts de spits van den staart met
+inbegrip van de staartvin; overigens zijn de onderdeelen wit met een
+meer of minder roodachtige tint. De borstvinnen, die van onderen de
+kleur van den buik, van boven die van den rug hebben, zijn in het
+midden van de bovenzijde geteekend met een witten dwarsband. Het
+verbreidingsgebied van dit dier strekt zich uit over alle om de Pool
+gelegen zeeën. Vanhier trekt het in 't begin van den winter naar
+'t zuiden, en verschijnt dan ook aan de Europeesche kust, aan de
+oost- en westkust van Amerika, en aan de oostkust van Azië. Aan de
+Skandinavische kust komt het hoofdzakelijk in 't westen voor, maar
+niet in 't hooge noorden. In de Davis-straat en in de Baffins-baai
+ziet men den Dwergvinvisch, volgens Brown, slechts in de zomermaanden,
+niet in den winter; in dit jaargetijde wordt hij zelfs ten zuiden van
+Groenland uiterst zelden gevonden. Door zijn aard en gewoonten gelijkt
+hij in vele opzichten op den Gewonen Vinvisch. Gewoonlijk ziet men
+deze dieren afzonderlijk, zelden bij paren, en nog minder dikwijls
+tot grootere gezelschappen vereenigd; nu eens zwemmen zij dicht onder
+den waterspiegel en duiken af en toe, dan weer vermaken zij zich met
+de reeds genoemde spelen. Evenals hunne verwanten voeden zij zich
+hoofdzakelijk met kleine Visschen, misschien ook wel met Koppootige
+Weekdieren (Inktvisschen); zij vervolgen hun prooi met zooveel ijver,
+dat zij gedurende het jagen niet zelden op het strand geraken en dan
+in vele gevallen het leven verliezen.
+
+Aan de Amerikaansche kust wordt op den Dwergvinvisch niet geregeld
+jacht gemaakt; in Noord- en Middel-Europa geschiedt dit alleen dan,
+als hij zich in de nabijheid van de kust vertoont. Naar men zegt,
+is het vleesch van dit dier zeer smakelijk. Vroeger werd het wel met
+ijzeren pijlen gedood, die men met een kolossalen kruisboog afschoot.
+
+Van deze diersoort teekent Van Bemmelen aan: "Komt zeldzaam
+in de Noordzee voor. Een wijfje in de Zuiderzee waargenomen en
+daarna aan het IJ (in de zoogenaamde Voorzaan) op 20 December 1862
+gestrand. Een wijfje in 1837 tusschen de Zeeuwsche kust en Ostende
+gestrand. Prof. Eschricht vermeldt tien voorbeelden van het stranden
+dezer soort; van deze waren 9 wijfjes, en slechts één mannetje. Bij
+de Vinvisschen aan onze kusten gestrand, zijn ook meer wijfjes,
+doch de sekse is niet van alle opgegeven; bij de Dolfijnen evenzeer
+verscheidene wijfjes; bij de Cachelotten is slechts van enkele de
+sekse bekend, en deze waren mannetjes."
+
+
+
+De _Gladde Walvisschen_ of _Walvisschen_ in engeren zin (_Balaenidae_),
+die de laatste familie van de onderorde der Baardendragende
+Cetaceën vormen, zijn logger en onbehouwener van lichaamsbouw dan
+de Vinvisschen; zij hebben geen rugvin en geen huidplooien aan de
+buikzijde van het lichaam; hunne borstvinnen zijn breed en afgeknot,
+de baarden smal en lang.
+
+
+
+De meest typische vorm van deze familie en tevens de belangrijkste
+van alle Cetaceën is de _Noordsche_ of _Groenlandsche Walvisch_, de
+_Bow-head_ van de Amerikaansche walvischvangers (_Balaena mysticetus_),
+een wanstaltig schepsel, dat in al zijne lichaamsdeelen wanverhoudingen
+vertoont. De neiging tot overdrijving van vreemdsoortige
+verschijnselen, die alle menschen aangeboren is, blijkt duidelijk
+uit de vroegste berichten over dezen van oudsher beroemden Walvisch,
+waarin aan dit dier afmetingen worden toegekend, vele malen grooter
+dan die, welke door latere onderzoekers opgegeven worden. Reeds in
+de mededeelingen van de zeelieden, die zich voor drie of vier eeuwen
+met de walvischvangst bezig hielden, wordt geen melding gemaakt van
+Walvisschen, langer dan 20 M. Scoresby, die getuige was van de vangst
+van ongeveer 320 Walvisschen, vond er geen enkele bij, die langer was
+dan 18 M. Pechuel-Loesche geeft van een ten noorden van de Bering-zee
+gevangen Noordschen Walvisch de volgende afmetingen op: lengte 16.4
+M., breedte van de staartvin 6.7 M., lengte van den grootsten baard
+3.25 M. Het lijdt echter geen twijfel, dat men grootere Walvisschen
+gevonden heeft, en in afgelegen gedeelten van de zee ook thans nog
+vindt. Karl Giesecke bericht van een in 't jaar 1813 gevangen Walvisch,
+dat deze ongeveer 20.4 M. lang was. In 't begin van deze eeuw werd er
+bij Spitsbergen één gedood, die ongeveer dezelfde lengte had, en wiens
+grootste baarden 5 M. lang waren. Zulke baarden--de middelste en de
+beste van de reeks van 300 à 360 stuks, die op iedere bovenkaakshelft
+van den Walvisch voorkomt--wegen 3 à 3.5 K.G. en komen slechts bij
+uitzondering voor; zelfs een lengte van 4 à 4.5 M. behoort reeds
+tot de zeldzaamheden. Hun breedte bedraagt in de nabijheid van de
+plaats van aanhechting 30 à 35 cM., de dikte 9 à 10 mM. Zoowel de
+breedte als de dikte nemen naar achteren af. De baarden zijn zwart
+van kleur en zeer veerkrachtig; met een flauwe bocht richten zij zich
+naar buiten en naar beneden; van onderen, waar zij spits toeloopen,
+en aan den binnenrand splitsen zij zich in lange, teere, zachte,
+bijna zijdeachtige, maar zeer taaie, op franje gelijkende vezels.
+
+Een Walvisch van 18 M. lengte is echter ook reeds een ontzaglijk,
+verbazingwekkend wezen. De wanstaltige kop heeft gemiddeld een
+lengte gelijk aan één derde van die van het geheele lichaam. De
+mondholte, die grooter is dan de holte aan de buikzijde van den romp
+(borstholte en buikholte te zamen genomen), bevat voldoende ruimte
+voor een tamelijk groote boot met haar bemanning; daar zij bij 5 à
+6 M. lengte een breedte van 2.5 à 3 M. heeft. Met alle tot dusver
+beschreven Cetaceën vergeleken, is deze Walvisch buitengewoon
+plomp gebouwd, zijn romp is kort, dik en rond, naar achteren tot
+de staartvin in alle richtingen zeer sterk versmald; op het midden
+van den kop komt een bultvormige verhevenheid voor, waar zich de
+neusgaten bevinden. De oogen, welke slechts weinig grooter zijn dan
+die van een Rund, liggen onmiddellijk boven het onderkaaksgewricht;
+de gehooropeningen--moeielijk waarneembaar, daar de oorschelp geheel
+ontbreekt en de uitwendige gehoorgang ongeveer de wijdte van een
+penneschacht heeft--zijn iets verder naar achteren geplaatst. De
+neusgaten--twee smalle, ongeveer 45 cM. lange, S-vormige spleten--zijn
+gelegen op het hoogste gedeelte van het midden van den kop, op een
+afstand van ongeveer 3 M. van het voorste einde van den snuit.
+
+De weeke tong ligt met haar geheele onderzijde vastgegroeid,
+onbeweeglijk in de onderkaak. De verbazend groote onderkaaksbeenderen
+wijken van achteren ver uiteen en hebben nog een buitenwaartsche
+bocht vóór het gewricht, dat hen met den schedel verbindt; de vloer
+van de mondholte heeft hierdoor den vorm van een ontzaglijk grooten
+lepel. De bovenkaak is zeer smal, maar sterk boogvormig van voren
+naar achteren gekromd; hierdoor verkrijgt de mondholte een zeer groote
+hoogte. Deze bedraagt echter weinig meer dan de helft van de lengte van
+de baarden. Indien deze, evenals die van de Vinvisschen, kort en stijf
+waren en even lang als de afstand tusschen de boven- en onderkaak bij
+gesloten mondholte, zou er bij 't openen van den bek onder de baarden
+een ruimte overblijven, waardoor het water en de kleine, als voedsel
+dienende diertjes gezamenlijk zouden ontwijken. Nu echter buigen
+de lange, dunne, op borstels gelijkende spitsen van de baarden bij
+'t sluiten van den mond achterwaarts, de verder naar voren gelegen
+platen komen onder de meer naar achteren geplaatste te liggen in het
+kanaal, dat aan weerszijden tusschen de tong en het onderkaaksbeen
+overblijft. Als de mond geopend wordt, strekken de baarden zich wegens
+hun veerkracht als een gespannen boog, die losgelaten wordt. Hoe
+ver ook de kaken van elkander verwijderd worden, steeds blijven de
+baarden als een zeef werken, die alleen het water doorlaat. Hierbij
+komt nog, dat de lange, dunne, buigzame uiteinden van de baarden,
+wegens de sterke ontwikkeling van de onderlip, die stijf omhoog
+rijst boven het kaakbeen, niet naar buiten kunnen worden gedreven
+door den waterstroom, die de mondholte verlaat, als haar inhoud bij
+het sluiten van den bek en het omhoogrijzen van de tong vermindert.
+
+Met uitzondering van eenige weinige borstelige haren aan het voorste
+uiteinde van beide kaken en van zachtere haren aan weerszijden van
+den kop, benevens eenige op 2 of 3 reeksen geplaatste, zeer korte,
+dikwijls uitvallende haren tusschen de ademgaten, is de huid volkomen
+naakt. De opperhuid is betrekkelijk dun en stevig; zij is zoo zacht
+als fluweel en gelijkt eenigszins op vetleer; daaronder ligt de 20
+à 45 cM. dikke speklaag. De kleur vertoont, naar het schijnt, nog
+al eenig verschil. Aan de bovenzijde van den kop heeft melkkleurig
+grijsachtig wit de overhand, aan de spits van den snuit overgaande
+in een ongeveer 15 cM. breede, zwarte vlek; verder naar achteren
+heeft het lichaam overal nagenoeg dezelfde kleur; het is n.l. meer
+of minder donker blauw, bij de ouden naar zwart, bij de jongen naar
+lichtblauw zweemend. Bij oude Walvisschen strekt de donkere kleur
+zich ook over de kin uit, waar men bij jonge dieren gewoonlijk
+onregelmatige witte vlekken opmerkt. Gewoonlijk komen bovendien
+achter het oog en de bovenkaak twee witte vlekken voor; ook een
+deel van de oogleden en eenige onregelmatige teekeningen aan den
+staartwortel zijn wit. Sommige exemplaren zijn nagenoeg ivoorwit,
+andere sterk gevlekt. De wijfjes zijn grooter dan de mannetjes; hare
+lichtgekleurde tepels, die ongeveer zoo groot zijn als de uier van
+een koe, zijn door een witten kring omgeven.
+
+Deze Walvisch bewoont de noordelijkste gedeelten van den Atlantischen
+en den Stillen Oceaan en de Noordelijke IJszee, zonder evenwel ergens
+een vaste verblijfplaats te hebben. Zijn aanwezigheid, zijn komst en
+zijn vertrek staan ongetwijfeld in nauw verband met den toestand van
+het ijs in de verschillende jaargetijden. Alle nauwgezette onderzoekers
+zijn van oordeel, dat hij meer dan zijne verwanten aan het ijs gebonden
+is, zich bij voorkeur uitsluitend in de onmiddellijke nabijheid van
+het ijs ophoudt en naar het zuiden of het noorden trekt, naarmate het
+ijs zich in deze richting uitbreidt of in gene terugtrekt. Onmiddellijk
+verlaat hij een zeegewest, waar het ijs gesmolten is. Zijn voorliefde
+voor het ijs gaat zoover, dat men hem zelfs te midden van verbazend
+groote ijsvelden aangetroffen heeft, waar hij ongetwijfeld alleen
+kon komen door een langen weg onder de ijsschotsen door af te leggen
+en waar hij, om te kunnen ademen, zich naar de weinige, door ebbe en
+vloed gevormde barsten moet begeven.
+
+Evenals de Vinvisch is ook de Groenlandsche Walvisch een gezellig
+dier. Wel vindt men hem in den regel slechts in kleine troepen
+van ongeveer 3 of 4 stuks; bij de groote reizen, die deze dieren
+ondernemen, vereenigen zij zich soms tot talrijke scholen. Deze
+bestaan, naar door ervaren walvischvangers verzekerd wordt, gewoonlijk
+uit Walvisschen van gelijken ouderdom; de jonge en de oudere dieren
+vormen dus afzonderlijke troepen.
+
+De bewegingen van den Walvisch zijn onregelmatig, maar volstrekt niet
+langzaam of log. "Het lichaam van den Walvisch, hoe plomp het ook is,"
+zegt Scoresby, "wordt zoo snel en behendig bewogen, dat hij in 5 of 6
+seconden buiten het bereik van zijne vervolgers kan komen. Zulk een
+snelheid behoudt hij echter slechts gedurende weinige minuten. Soms
+geschiedt het opstijgen naar den waterspiegel met zooveel kracht,
+dat hij er geheel boven uit springt. Soms gaat hij op den kop staan
+en beukt met den boven water geheven staart met vreeselijk geweld
+de golven. Het hierdoor veroorzaakte gedruisch wordt bij stil weder
+op grooten afstand gehoord en de kringen, die in het water ontstaan,
+verbreiden zich over een aanzienlijke oppervlakte. De door een harpoen
+getroffen Walvisch schiet, hoewel slechts gedurende eenige minuten, als
+een pijl in de diepte; hij bereikt hierbij zulk een groote snelheid,
+dat hij soms door den schok tegen den bodem de kaken breekt."
+
+Van de hoogere begaafdheden van den Groenlandschen Walvisch valt niet
+veel te berichten. Naar het schijnt, zijn het gezicht en het gevoel
+de eenige zinnen, die tamelijk goed ontwikkeld zijn; men onderstelt
+echter, dat de zintuigen een voldoenden scherptegraad hebben voor het
+verblijf onder water en alleen in de lucht in gebreke blijven. Andere
+dieren van zijn soort worden door den Walvisch, naar men meent, op
+verbazend grooten afstand waargenomen; boven het water moet zijn
+gezicht echter niet ver reiken. Het gehoor is zoo zwak, dat hij
+een luid geschreeuw, zelfs op een afstand van een scheepslengte,
+niet opmerkt; bij stil weder echter wordt hij reeds door een gering
+geplas in 't water, door een gerommel op het schip of door het een of
+ander gedruisch in de hem naderende booten verontrust en tot vluchten
+aangespoord. Van de eigenschappen van zijn geest verdienen vooral
+vermelding de gehechtheid aan zijne soortgenooten en de ook bij hem in
+hooge mate aanwezige genegenheid voor de jongen. Andere bewijzen van
+verstand heeft men niet veel kunnen opmerken; toch is het duidelijk
+gebleken, dat de ervaring zelfs den geest van den gewoonlijk als dom
+beschouwden Walvisch scherpt. Voor zoover mij bekend is, heeft men den
+Groenlandschen Walvisch nooit hooren "brullen"; waarschijnlijk gaat men
+evenwel te ver, door Scoresby's meening te onderschrijven, dat hij in
+'t geheel niet in staat is tot het voortbrengen van eenig geluid.
+
+Bij goed weder heeft men den Walvisch ook gedurende zijn slaap kunnen
+waarnemen. Hij ligt dan als een lijk aan den waterspiegel, zonder
+zich te bewegen, heft het hoogst gelegen deel van den kop boven de
+oppervlakte, ademt rustig zonder een straal uit te werpen en houdt zich
+met zijne borstvinnen in evenwicht. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk
+uit kleine Schaaldieren (vooral verschillende soorten van Riempootige
+of Copepoden) en Weekdieren (vooral Vinpootige Slakken of Pteropoden),
+die in groote massas in de bovenste waterlaag aangetroffen worden daar,
+waar de zee een olijfgroene kleur vertoont. De bedoelde kleur wordt
+veroorzaakt door tallooze, microscopisch kleine plantjes--Kristalwieren
+of Diatomeeën--, die aan de genoemde kleine dieren tot voedsel
+dienen. Met uitzondering van de kleine soorten, die toevallig in den
+wijden muil van den Walvisch verdwalen en mede doorgeslokt worden, zal
+dit dier waarschijnlijk geen Visschen in noemenswaardige hoeveelheid
+(en in geen geval groote exemplaren) verzwelgen, daar zijn slokdarm
+hoogstens 10 cM. wijd is. Onberekenbaar groot is daarentegen het aantal
+kleine zeedieren, die door den Walvisch als voedsel worden gebruikt:
+millioenen of zelfs milliarden iederen dag.
+
+In den regel brengt het wijfje één enkel jong ter wereld (zelden
+twee); de werptijd valt in Maart of April. Het jong zuigt langen tijd,
+misschien een vol jaar; de moeder gaat een weinig op zijde liggen
+om het den uier aan te bieden. De ontwikkeling heeft buitengewoon
+snel plaats, zoodat het jong reeds als zuigeling een lengte van
+minstens 6 M. bij een omvang van 4 M. en een gewicht van 6000 KG. kan
+bereiken. Alle waarnemers zijn het eens over de zelfopofferende liefde
+van de moeder.
+
+Het voordeel dat de gedoode Walvisch oplevert, is zeer groot. Gemiddeld
+verkrijgt men van een Groenlandschen Walvisch 12- à 15000 Liter traan
+en 700 à 1000 KG. baarden. Deze worden, nadat zij van de bovenkaak
+losgemaakt zijn, van het aanhangende spek bevrijd, gesorteerd en bij
+pakken van 10 à 12 stuks gebonden. Ongeveer 5/6 van de ruwe grondstof
+is voor de fabricatie van baleinen artikelen geschikt. Hoewel de zeer
+variëerende prijzen van de traan en van het balein de berekening van
+de waarde van den Walvisch moeielijk maken, mag men haar gemiddeld
+op f 12.000 stellen; een buitengewoon groot exemplaar kan echter
+ook wel het dubbele van deze som opleveren. De grootste helft van
+de geheele opbrengst komt van het balein, dat door geen andere
+Cetacee in zoo groote hoeveelheid en van zoo goede kwaliteit wordt
+voortgebracht. Het vleesch mag volstrekt niet oneetbaar genoemd
+worden: Fransche scheepskoks hebben het zeer goed weten te gebruiken;
+de inboorlingen van het hooge noorden eten het zonder eenig bezwaar,
+evenals ook het spek.
+
+Behalve door den mensch, wordt de levende Walvisch waarschijnlijk
+alleen nog door den vreeselijken Zwaardvisch aangevallen. Verscheidene
+tot de Schaaldieren behoorende woekerdieren of parasieten, die zich
+aan het lichaam van den Walvisch hechten, zullen hem waarschijnlijk
+veel last veroorzaken. Een soort van Vlookreeft, de zoogenaamde
+Walvischluis, nestelt zich soms bij honderdduizenden in de huid van
+zijn rug en vernielt deze zoozeer, dat het dier er uitziet, alsof
+het aan een kwaadaardige huidziekte lijdt. Ook is hij niet zelden
+met een groot aantal Zeepokken (Rankpootige Schaaldieren) bezet, en
+deze leveren weer een geschikte aanhechtingsplaats op voor velerlei
+zeeplanten, zoodat men Walvisschen vindt, die een geheele wereld van
+levende wezens met zich rondvoeren.
+
+Hoewel het niet te ontkennen valt, dat de Walvisschen voortdurend
+schaarscher worden, is het niet waarschijnlijk, dat de Groenlandsche
+Walvisch spoedig uitgeroeid zal zijn. Zijn ongastvrij woongebied biedt
+hem nog altijd een groot aantal toevluchtsoorden aan, die voor alle
+schepen onbereikbaar zijn; dit behoedt hem voor het lot van uit de
+rij der levende wezens weggevaagd te worden, dat hem anders zeker
+zou treffen.
+
+De Walvisch, die in vroegere tijden vrij veelvuldig op de Europeesche
+kusten voorkwam en het eerst de begeerigheid van de kustbewoners
+opwekte, wordt ook nu nog soms (1844, 1850, 1854, 1877, 1873) op
+de Baskische kust gevangen. Naar men vermoedt, moet dit dier--onze
+_Noordkaper_, de _Sarde_ der Fransch sprekende Basken, de _Sletbag_
+der IJslanders--als een afzonderlijke soort (_Balaena biscayensis_)
+beschouwd worden. Deze, hoewel kleiner en vlugger dan de Groenlandsche
+Walvisch, is wegens zijn meer zuidelijk gelegen woongebied nagenoeg
+uitgeroeid.--De vangst van andere Cetaceën in de noordelijke
+gedeelten van den Atlantischen Oceaan en de verder noordwaarts gelegen
+afdeelingen van de Noordelijke IJszee geeft evenwel ook thans nog aan
+vele handen werk. Dit blijkt uit de resultaten van de visscherij op
+de kusten van IJsland en van Noorwegen en uit het sterk vermeerderde
+verkeer met Spitsbergen, waar Engelschen, Russen en Noren elkander den
+vetten buit betwisten. In 1886 en 1887 werden hier meer "Walvisschen"
+gevangen, dan in eenig ander jaar van de laatste dertig, in 1887 niet
+minder dan 1311. Dat aan het bezit van Spitsbergen eenige waarde
+wordt gehecht, blijkt uit de annexatie van deze eilandengroep door
+Noorwegen in Sept. 1896.
+
+Ook op den _Zuidelijken Walvisch_ (_Balaena australis_), die de
+koude zeeën van het Zuidelijk Halfrond bewoont, en zich van zijn in
+'t noorden levenden stamgenoot door geringere grootte en breederen
+snuit onderscheidt, wordt ijverig jacht gemaakt.
+
+
+
+De eerste familie van de onderorde der _Tandendragende Cetaceën_
+(_Denticete_) omvat de _Dolfijnen_ (_Delphinidae_), middelmatig groote
+of kleine Vischachtige Zoogdieren, welker beide kaken over haar
+geheele lengte (of over een deel daarvan) met bijna gelijkvormige,
+meer of minder kegelvormige tanden bezet zijn, en welker neuskokers in
+den regel slechts door één enkel, dwars gelegen ademgat naar buiten
+monden. De romp is regelmatig gestrekt, de kop betrekkelijk klein,
+zijn snuitgedeelte dikwijls verlengd en toegespitst, een rugvin
+gewoonlijk aanwezig.
+
+De Dolfijnen bewonen alle zeeën der aarde en ondernemen groote reizen;
+zij zijn de eenige Cetaceën, die ver de rivieren opzwemmen; sommige
+brengen zelfs hun geheele leven in de rivieren en in de hiermede
+samenhangende meren door. Alle zijn in hooge mate gezellig; sommige
+vereenigen zich tot zeer talrijke scholen, om dagen en weken achtereen
+gezamenlijk de zee te doorkruisen. Wegens hunne vlugge bewegingen,
+hun geringe schuwheid tegenover den mensch en hunne spelen, hebben
+de Dolfijnen zich sinds overouden tijd de vriendschap der zeelieden
+en der dichters verworven.
+
+Bijna alle Dolfijnen zwemmen met buitengewone behendigheid en snelheid
+en zijn hierdoor bijzonder geschikt voor de vischvangst. Zij behooren
+tot de roofzuchtigste zeebewoners; sommige soorten durven zelfs
+den grootsten Walvisch aan te vallen en weten hem, dank zij hun
+volharding in den strijd, werkelijk te overmeesteren. Grootendeels
+bestaat hun voedsel uit Koppootige en andere Weekdieren, uit
+Schaaldieren en Straaldieren. Men beweert, dat sommige ook gebruik
+maken van zeewieren en van boomvruchten, en deze zelfs van de boven
+'t water hangende boomtakken afplukken. Alle zonder uitzondering zijn
+vraatzuchtig, roofgierig en wreed. Al wat eetbaar is, beschouwen zij
+als een goeden buit; zelfs de jonge dieren van hun eigen soort of
+van hunne naaste verwanten worden niet door hen gespaard. De wijfjes
+werpen na een draagtijd van ongeveer 10 maanden één of twee jongen,
+die zij lang zoogen, met den meesten zorg verplegen en in tijden van
+gevaar verdedigen. Naar men onderstelt, groeien de jongen niet snel.
+
+Alle Dolfijnen zijn veel minder dan de overige Cetaceën aan de
+vervolgingen van den mensch blootgesteld. Hunne ergste vijanden
+zijn de leden van hun eigen familie. Meer nadeel dan eenig roofdier,
+berokkent hen echter hun eigen onstuimigheid. Zij vervolgen hun prooi
+met zooveel begeerigheid, dat zij hierdoor dikwijls geheel buiten
+het vaarwater geraken, naar het verraderlijke strand worden gelokt en
+op het droge het leven moeten verliezen. Soms vinden de visschers ze
+bij dozijnen op het strand liggen. Gedurende hun doodstrijd hoort men
+van sommige gesteun en gejammer, en ziet men eenige zelfs een vloed
+van tranen vergieten.
+
+Van vele soorten trekt de mensch een niet onbelangrijk voordeel,
+van enkele kan hij bijna alle lichaamsdeelen gebruiken: hij eet
+het vleesch, het vet en sommige ingewanden, vervaardigt allerlei
+benoodigdheden voor zijn bedrijf van de huid en van de darmen en
+kookt uit het spek een zeer gezochte, fijne soort van traan.
+
+
+
+Van de onderling veel verschillende soorten, waaruit deze familie
+bestaat, verdient de _Zwaardvisch_, vertegenwoordiger van een
+gelijknamig geslacht (_Orca_), in de eerste plaats genoemd te
+worden. Reeds sinds overouden tijd zijn deze dieren bekend en wegens
+hun vraatzucht berucht. Hun meest in 't oogloopende kenmerk is de zeer
+lange, naar boven gerichte rugvin. De romp is krachtig, de kop kort,
+het voorhoofd rijst schuin omhoog, de snuit is tamelijk breed; het
+vreeselijke gebit bestaat uit een betrekkelijk gering aantal tanden,
+die dikker zijn dan bij alle andere Cetaceën, met uitzondering van
+den Cachelot.
+
+
+
+De _Zwaardvisch_, _Moordenaarsvisch_, _Sabeldolfijn_ of _Butskop_
+(_Orca gladiator_), kan een lengte van 9 M. bereiken, maar is in den
+regel kleiner; gemiddeld wordt hij 5 à 6 M. lang. De kleur biedt,
+naar het schijnt, veel verscheidenheid aan. Een meer of minder donker
+zwart strekt zich over het grootste deel van de bovenzijde uit; de
+onderzijde, met uitzondering van de spits van den snuit en van den
+staart, is tamelijk zuiver wit. Achter het oog staat in den regel
+een langwerpige, witte vlek; een halvemaanvormige, vuil-blauwachtige
+of purperkleurige vlek bevindt zich achter den rugvin, en zet zich
+vandaar in den vorm van een streep aan weerszijden van de rugvin en
+nog verder voorwaarts uit; zij kan ook geheel ontbreken. Men ontmoet
+ook zeer licht gekleurde exemplaren: helderbruine en ivoorwitte. Elke
+bovenkaakshelft bevat 13, elke onderkaakshelft 12 tanden.
+
+Naar het schijnt, waren de Zwaardvisschen in vroegere eeuwen meer
+algemeen verbreid dan thans. De Romeinsche natuuronderzoekers noemen
+ook de Middellandsche Zee als een deel van het door hen bewoonde
+gebied; in den laatsten tijd heeft men ze hier echter niet meer
+waargenomen. Zij bewonen de noordelijke gedeelten van den Atlantischen
+Oceaan, de IJszee en het noorden van den Stillen Oceaan. Geregeld
+bezoeken zij de kusten van Engeland, Nederland, Duitschland en
+Frankrijk. Volgens Van Bemmelen is de Zwaardvisch "meermalen aan
+onze kusten waargenomen. Een voorwerp is in 1811 bij Ameland op de
+Engelsche plaat gestrand, één op 15 April 1832 aan de Friesche kust
+nabij de Zwarte Haan, een wijfje op 30 November 1841 levend aan den
+Voet der Velzer zeeduinen op eenigen afstand van Wijk-aan-Zee." Het
+laatstgenoemde exemplaar stelde den bekwamen natuuronderzoeker
+Schlegel in staat, voor 't eerst een nauwkeurige beschrijving van
+den Zwaardvisch te geven. Aanvankelijk prijkte het dier "met een
+fraai, in alle kleuren van den regenboog irizeerend zwart", terwijl
+het wit door zuiverheid en glans aan porselein herinnerde. Reeds
+weinige dagen daarna was van dit kleurenspel niets meer te zien;
+de opperhuid geraakte langzamerhand los; na verloop van een week was
+het dier door beginnende verrotting geheel misvormd en verminkt. Nu
+werd het verkocht; een van de vele kooplustigen kocht het voor f 140;
+de kooper had zich echter verrekend, want hij kreeg slechts voor f
+ 40 traan uit dit dier en ongeveer evenzooveel voor het geraamte,
+dat een sieraad uitmaakt van het rijke Leidsche Museum. Soms worden
+Zwaardvisschen in rivieren gevangen. Zoo kent men drie gevallen van
+het harpoeneeren van een dergelijk dier in de Theems.
+
+Opmerkelijk is het, dat de Zwaardvisch zich meestal in de zomermaanden
+in de zuidelijke zeeën ophoudt, waar hij in den regel in Mei aankomt om
+in het laatste gedeelte van den herfst weder te vertrekken. Volgens
+Tilesius ziet men hem in de Noordzee gewoonlijk in troepjes van
+vijf exemplaren, die als een troep soldaten, met den kop en den
+staart naar onderen gekromd, de rugvin als een sabel boven het water
+opgeheven, uiterst snel voortzwemmen en met een waakzaam oog de zee
+afzoeken. Zij zijn nergens veelvuldig, maar komen zoowel te midden van
+den Oceaan als in de nabijheid van de kusten voor; bovendien dringen
+zij hier niet zelden in de baaien door en zwemmen zelfs de rivieren
+op. "Wanneer men dezen Moordenaarsvisch," zegt Pechuel-Loesche, "op
+de voor hem eigenaardige wijze door het water ziet strijken of bij
+hooggaande zee volgens een fraai afgeronde golflijn bij de baren op
+en af ziet glijden, komt men onwillekeurig tot het vergelijken van
+hun zwembeweging met de kunstige vlucht van de Zwaluwen, waarvoor
+ook wegens de eigenaardige verdeeling van de kleur over de huid van
+dit dier reden bestaat. In allen gevalle moet men van de Cetaceën
+aan hem den prijs der schoonheid toekennen."
+
+De Zwaardvisschen maken niet alleen op kleine Visschen jacht, maar
+ook op de reuzen der zee; zij zijn niet alleen de grootste, maar ook
+de roofgierigste en vraatzuchtigste van alle Dolfijnen. Reeds Plinius
+noemt den Zwaardvisch een gevaarlijk roofdier. Vele schrijvers uit
+lateren tijd maken vooral gewag van zijn strijd met den Walvisch,
+"wien hij," zegt o. a. Steller, "dag en nacht lagen legt. Als de
+Walvisch zich in een baai verbergt, loeren de Zwaardvisschen op
+hem; zij wachten de komst van een voldoend aantal makkers af, om
+hem als een gevangene in hun midden te nemen en onder ontzettend
+geschreeuw en gesteun naar de zee te brengen, waar zij onderduiken
+en hem met hun vreeselijk gebit te lijf gaan." Drie of vier van deze
+vraatzuchtige roovers vallen zonder aarzeling zelfs den grootsten
+Walvisch aan, die door 't zien van zijne vreeselijkste vijanden als
+'t ware verlamd schijnt en zich soms ternauwernood inspant om hun te
+ontkomen. "De kamp van deze Wolven van den Oceaan," zegt Scammon,
+"met zulk een reusachtigen buit herinnert aan den strijd tusschen
+een troep jachthonden en een door de vervolging afgemat Hert. Eenige
+hechten zich aan den kop van den Walvisch, andere vallen hem van
+onderen aan, terwijl verscheidene hem bij de lippen aanpakken en
+onder water houden, of hem, als hij den ontzaglijken bek opent, de
+tong verscheuren. In de lente van het jaar 1858 was ik ooggetuige
+van een strijd van drie Zwaardvisschen met een vrouwelijken Grijzen
+Walvisch en haar jong. Het jong was reeds driemaal zoo groot als de
+grootste van zijne vijanden en werd minstens een uur lang door hen
+bestookt. De kwaadaardige roovers vielen beurtelings de moeder en
+haar jong aan; zij doodden eindelijk het kind, dat op den bodem zonk,
+die hier ongeveer 5 vademen diep was. Ook de kracht van de moeder
+was nagenoeg uitgeput door het gevecht, waarin haar verscheidene
+diepe wonden aan de borst en aan de lippen waren toegebracht. Toen
+echter het jong bezweken was, doken de Zwaardvisschen naar den bodem
+om hun slachtoffer te verscheuren; zij keerden naar den waterspiegel
+terug met groote stukken vleesch om deze hier te verslinden. Terwijl
+zij dit deden, ontkwam de beangste moeder, die op den door haar
+gevolgden weg een bloedig spoor achterliet."--Terecht duidt Linnaeus
+den Zwaardvisch aan met den naam: "Tiran en pijniger van de Walvisschen
+en Robben." De Haaien en alle andere Zee-roofdieren staan in roofzucht
+bij hem achter. Hij is de schrik van alle waterbewoners, die elk oord,
+waar hij verschijnt, ten spoedigste verlaten, voor zoover dit nog
+mogelijk is. Zijn vraatzucht noodzaakt hem dikwijls zich dicht bij
+de kust op te houden; vooral de monden der rivieren, waar het water
+zeer vischrijk is, lokken hem aan. Bij het vervolgen van een grootere
+prooi zwemt hij echter ook wel mijlen ver zeewaarts; het duurt dan
+dagen en misschien zelfs weken, voordat hij weer in de nabijheid van
+het land komt. Waar Groenlandsche Walvisschen, Beloega's en Zeehonden
+zijn, zal men stellig ook den Zwaardvisch, hun rusteloozen vijand,
+aantreffen. De Beloega zoowel als de zeehond spoeden zich vol angst
+naar de kust, zoodra zij hem ontwaren: de eerste gaat op deze wijze
+in den regel zijn verderf te gemoet; ook de laatste vindt bij de kust
+niet altijd de gezochte uitkomst. Alle walvischvangers zien met leede
+oogen den Zwaardvisch naderen, daar zijn jachtgebied door iederen
+Walvisch gemeden wordt, al zou deze zich tusschen het ijs moeten
+verbergen om de hem dreigende vervolging te ontgaan. Eschricht vond
+in de maag van een Zwaardvisch van 5 M. lengte 13 Bruinvisschen en
+14 Robben, en in zijn bek een vijftienden Rob, die de oorzaak was
+geweest van zijn dood, daar hij hem niet had kunnen verzwelgen. Ook
+Scammon vond de maag van een door hem gedooden Zwaardvisch met jonge
+Zeehonden gevuld. Hij kon opmerken, dat zelfs de grootste Zeeleeuwen
+een ontmoeting met dit roofdier vermijden, en, zoolang het in 't
+gezicht is, hunne veilige schuilplaatsen op de rotsen niet verlaten.
+
+Op dit dier wordt nergens geregeld jacht gemaakt. Voordeel levert
+deze jacht niet op.
+
+
+
+De Bruinvisch, de kleinste van alle Dolfijnen van ons werelddeel,
+de eenige die geregeld de Noordzee en de Oostzee bewoont, is een
+vertegenwoordiger van het niet zeer soortenrijke geslacht van dien naam
+(_Phocaena_); het is gekenmerkt door een kort, spoelvormig lichaam,
+een zacht afhellend voorhoofd, een driehoekige, op het midden van het
+lichaam gezeten rugvin van geringe hoogte en breede basis en een uit
+talrijke, scherpkantige tanden samengesteld gebit.
+
+
+
+De _Bruinvisch_, door de Duitschers _Meerschwein_ (Zeevarken), door
+de Franschen _Marsouin_, door de Engelschen _Porpoise_ of _Seapig_
+genoemd, (_Phocaena communis_), bereikt een lengte van 1.5 à 2, in
+zeldzame gevallen van 3 M. De kale huid is zacht, glanzig; de kleur
+van de bovendeelen is zwartbruin, ook wel zwart met een groenachtige
+of paarsche tint; de zuiver witte kleur van de onderdeelen begint
+bij de spits van de onderkaak als een smalle strook, die zich
+verder achterwaarts verbreedt; de borstvinnen zijn meer of minder
+donkerbruin. Elke kaakhelft bevat 20 à 25 tanden met zijdelings
+samengedrukte en nagelvormig verbreede kroon.
+
+Bruinvisschen ontmoet men op iedere reis in de Noordzee of
+Zuiderzee. Bij troepen treft men ze aan voor de monden der rivieren;
+niet zelden zwemmen zij deze op en komen zoo op grooten afstand van
+de zee. "Zoo werd er," zegt Schlegel, "één in de Seine bij Parijs
+gevangen, twee anderen in 1825 in de Elbe in het hertogdom Dessau;
+een voorwerp, hetwelk een vijftigtal jaren geleden, waarschijnlijk
+door de sluis van Katwijk, in den boezem van Rijnland doorgedrongen
+was, werd gedurende een maand, dan eens in het Haarlemmermeer en
+de rondomliggende wateren, dan eens in de grachten der stad Leiden
+gezien en eindelijk gevangen."
+
+Het eigenlijke verbreidingsgebied van den Bruinvisch omvat het geheele
+noordelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan, van Groenland tot
+Noord-Afrika. Ook hij begeeft zich, naar het schijnt, in het begin
+van den zomer noordwaarts, om, als de winter nadert, weder zuidwaarts
+te trekken. In de lente gaat hij de Haringen achterna; hij vervolgt
+ze met zulk een ijver, dat de visschers hem in hooge mate lastig
+vinden. Zijn vraatzucht is spreekwoordelijk; zijn buitengewoon snelle
+spijsvertering maakt het gebruik van een groote hoeveelheid voedsel
+noodig. De visschers houden niet van hem, omdat hij hun concurrentie
+aandoet en dikwijls ook hunne bezittingen beschadigd: zonder moeite
+verscheurt hij de met visch gevulde, dunne netten en vreet op zijn
+gemak de gevangenen op. Sterkere netten worden trouwens noodlottig
+voor hem, daar hij er in blijft steken en hierdoor stikt.
+
+Zooals reeds uit het zooeven gezegde afgeleid kan worden, behoort de
+Bruinvisch tot de weinige Cetaceën, die duidelijk de voorkeur geven
+aan het water langs de kust boven de open zee. Hoewel deze dieren
+gezellig zijn, evenals alle Dolfijnen, vereenigen zij zich echter
+zelden tot groote scholen; liever zwemmen zij ieder afzonderlijk
+of bij paren, ook wel in kleine gezelschappen van 2 à 8 stuks. De
+Hollandsche zeeman noemt een troep dezer dieren: "de boer met zijne
+varkens." De Bruinvisch is een uitstekend zwemmer; met groote kracht en
+bewonderenswaardige snelheid klieft hij de golven; ook kan hij boven
+het water uitspringen. In al deze opzichten moet hij echter voor de
+overige Dolfijnen onderdoen; hij houdt zich althans niet zoo dikwijls
+bezig met de lichaamsoefeningen, waarmede de andere Dolfijnen zich
+vermaken, als zij met elkander spelen. Buitengewoon druk zijn zijne
+bewegingen vóór of gedurende een storm: hij duikelt of hobbelt dan,
+schijnbaar opgewonden van blijdschap in en over de rollende golven,
+buitelt over den kop en wordt dan in den letterlijken zin van het
+woord een "tuimelaar." [Deze naam, die wij tot aanduiding van een
+andere diersoort zullen bezigen wordt dikwijls aan den Bruinvisch
+of hem verwante vormen gegeven.] Zelfs de hevigste branding levert
+voor hem geen bezwaar op; veeleer zoekt hij deze met duidelijk in
+'t oogvallende voorkeur op; behendig weet hij te ontkomen aan alle
+gevaren, die de andere Cetaceën op de kust loopen en die dikwijls voor
+hen zoo noodlottig worden. Hij volgt ook de stoombooten na, in welker
+nabijheid hij zich echter niet zoo indringerig en volkomen onbevreesd
+beweegt als bij de stiller voortglijdende zeilschepen. Steeds ziet
+men hem de gewone koopvaardijschepen bijgeleiden, zoolang deze zich
+in de nabijheid van de kust bevinden.
+
+
+
+Martens, die als barbier op een walvischvaarder in het jaar 1671
+Spitsbergen bezocht en mededeelingen heeft gedaan over dieren, welke
+de noordelijke zeeën bewonen, is de eerste schrijver, die melding
+maakt van een der meest in 't oog vallende Dolfijnen: de _Witvisch_
+of _Beloega_, een vertegenwoordiger van het geslacht der _Witvisschen_
+(_Beluga_). Als het belangrijkste kenteeken van de dieren dezer groep,
+kan men het ontbreken van een rugvin beschouwen. Het sterk gewelfde
+voorhoofd is loodrecht geplaatst ten opzichte van den breeden,
+afgeknotten snuit, welks kaken gewapend zijn met een gering aantal
+kegelvormige, op lateren leeftijd meestal uitvallende tanden. De
+korte en stompe borstvinnen, die aan het eerste vierde gedeelte van
+het dier aangehecht zijn, hebben een eivormige gedaante.
+
+
+
+De _Beloega_ of _Witvisch_ (_Beluga leucas_) wordt 4 à 6 M. lang. De
+kleur van de oude dieren is geelachtig wit, die van de jongen
+bruinachtig of blauwachtig grijs, later met lichter gekleurde vlekken
+geteekend, welke zich uitbreiden, totdat de kleur gelijk geworden is
+aan die der oude dieren.
+
+Het verbreidingsgebied van den Beloega omvat alle zeeën, die de
+Noordpool omgeven, maar strekt zich niet ver zuidwaarts uit. Soms,
+doch zelden, dwaalt hij naar zuidelijker breedten af; ook aan de kusten
+van Middel-Europa is hij reeds eenige malen waargenomen. Zijn voedsel
+bestaat uit kleine Visschen, Schaaldieren en Koppootige Weekdieren;
+bovendien vindt men geregeld ook zand in zijn maag; hierom zeggen
+de Groenlanders schertsenderwijs: "dat hij zonder ballast niet
+zwemmen kan."
+
+De Beloega verschilt door zijne bewegingen en zijn voorkomen
+in allerlei opzichten van de onstuimige Zwaardvisschen en van de
+Bruinvisschen. Bijna nooit ziet men de dieren van deze soort alleen;
+in den regel zijn zij tot gezelschappen vereenigd, die tot ontzaglijke
+scholen kunnen aangroeien. Zulk een kudde moet een prachtig schouwspel
+opleveren, daar de schitterend witte dieren bij 't ademhalen soms de
+helft van het lichaam boven de donkere golven opheffen.
+
+De walvischvangers zien den Beloega gaarne, omdat zij hem beschouwen
+als een voorlooper van den grooten Walvisch; daarom zeilen zij
+dikwijls in zijn gezelschap verder, zonder hem lastig te vallen. In
+dit geval komt hij vaak bij het schip en speelt hier in de golven,
+afwisselend er onder en er boven; altijd echter blijft hij schuw,
+en vlucht bij het geringste gedruisch. De voornaamste reden, die de
+Walvischvangers doet afzien van de jacht, op dit dier, welks vangst
+een niet te versmaden voordeel zou opleveren, is eigenlijk, dat het
+door zijn vlugheid en behendigheid aan een vervolging in de open zee
+dikwijls weet te ontkomen, en dat bovendien deze jacht te veel tijd
+vereischt, om voor de Europeanen de moeite waard te zijn. Anders is
+het gesteld met de inboorlingen van het hooge noorden; voor hen is de
+Beloega, wegens zijn traan en zijn vleesch een van de belangrijkste
+Cetaceën. De meeste worden gevangen met behulp van netten, die aan den
+ingang van de fjorden of zeeboezems of in de zeeëngten tusschen de
+eilanden worden geplaatst. De borstvinnen en de staartvin worden na
+goede toebereiding als een buitengewone lekkernij beschouwd. De huid
+wordt gedroogd en gelooid en voor velerlei doeleinden gebruikt. Zoo
+maken de Kamtschadalen er riemen van, die wegens hunne zachtheid en
+stevigheid zeer geroemd zijn.
+
+
+
+Van alle geschenken der zee is er geen van meer belang voor de
+bewoners der noordelijke gewesten dan dat, hetwelk zij hun aanbiedt,
+in den vorm van den Dolfijn, die op de Fär-öer bekend is onder den
+naam van _Grind_ of _Grindewal_ (_Globiocephalus melas_). Dit dier
+is een vertegenwoordiger van het geslacht der _Rondkopdolfijnen_
+(_Globiocephalus_), dat gekenmerkt is door den werkelijk nagenoeg
+bolvormigen, als 't ware opgezwollen kop, door de ver naar achteren
+aangehechte, sikkelvormige borstvinnen, door de op 't midden van 't
+lichaam zich verheffende rugvin, door de beide tusschenkaaksbeenderen
+die de bovenkaak bedekken. De romp is niet spoelvormig, maar zijdelings
+samengedrukt. In elke helft van iedere kaak bevinden zich 12 à 14
+dikke en tamelijk lange, over 't geheel genomen kegelvormige tanden,
+die tamelijk groote tusschenruimten overlaten; de kroon eindigt in een
+scherpe spits en is een weinig naar binnen en naar achteren gebogen;
+bij gesloten bek passen de tanden van de eene kaak in de ruimten
+tusschen die van de andere. Daar vele tanden op lateren leeftijd
+uitvallen, vindt men er meestal in iedere kaakhelft niet meer dan 9,
+die tot de voorzijde van den bek beperkt zijn. De kale en glanzige
+huid is aan de bovendeelen donkerzwart, aan de onderdeelen grijsachtig
+zwart; aan de onderzijde van den hals bevindt zich een breede, witte,
+hartvormige vlek. Zeer oude mannetjes bereiken een lengte van 6 à 7 M.
+
+De Grind is eigenlijk een bewoner van de Noordelijke IJszee en van het
+noordelijke deel van den Stillen Oceaan. Van de IJszee uit begeeft
+hij zich vaak naar het noordelijke gedeelte van den Atlantischen
+Oceaan en komt soms zelfs op de breedte van de straat van Gibraltar;
+hierbij volgt hij echter niet, evenals de andere Cetaceën, bepaalde
+wegen. Gezelliger dan de andere leden van hun familie en van hun orde,
+zijn deze dieren steeds tot troepen vereenigd, die van 10 à 20 tot meer
+dan duizend exemplaren kunnen aangroeien; deze scholen worden steeds
+door oude, ervaren mannetjes aangevoerd, die door hunne metgezellen
+met dezelfde onverschilligheid, of liever onnadenkendheid gevolgd
+worden, als de belhamel door zijne Schapen, al zouden zij hierdoor
+ook hun verderf tegemoet gaan.
+
+Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit verschillende soorten van
+Koppootige Weekdieren (Inktvisschen); in de maag van het gedoode dier
+heeft men echter ook wel Dorschen, Haringen en andere kleine Visschen,
+Weekdieren van allerlei klassen en dergelijken buit gevonden.
+
+Geen enkele andere Cetacee wordt zoo dikwijls, en bij zoovele
+exemplaren tegelijk, op het strand geworpen als de Grind, wiens lust
+tot gezelligheid hem op gevaarlijke plaatsen in den regel noodlottig
+wordt; misschien is het geen overdrijving te zeggen, dat deze diersoort
+niet in de zee, maar op het land zijn leven besluit. Er gaat bijna geen
+jaar voorbij, waarin niet een meer of minder groot aantal Grinden hier
+of daar stranden. In het jaar 1779 verongelukte een kudde van 200, in
+1805 een van 300 stuks op de Shetlandsche eilanden; in de jaren 1809
+en 1810 werden 1100 exemplaren in een zeeboezem van IJsland, die men
+naar de Grinden Walfjord genoemd heeft, op den oever geworpen. Ook op
+onze kusten gebeurt dit soms. "Het laatste voorbeeld van dezen aard,"
+zegt Schlegel, "had den 9den April 1825 in de Zeeuwsche stroomen
+bij St. Annaland plaats, waar er tegelijk 35 stuks gedood werden,
+van welke het grootste een lengte van 20 voet had. Verscheidene van
+deze voorwerpen werden toen voor het Rijks-Museum van Natuurlijke
+Historie aangekocht, waar zij zich nog bevinden."
+
+Op alle noordelijke eilanden tracht men reeds sinds overouden tijd
+het stranden van de Grinden, die zich in de nabijheid van de kust
+ophouden, te bevorderen. Graba beschrijft de vangst van den Grindewal
+op de Fär-öer op een even duidelijke als aangename wijze.
+
+"Den 2en Juli," zoo verhaalt hij, "weerklonk plotseling van alle zijden
+het luid geroep "Grindaboed". Dit geschreeuw geeft te kennen, dat een
+der op zee aanwezige booten een troep Grindewalen ontdekt heeft. In
+een oogwenk was geheel Thorshaven in beweging; alle kelen herhaalden
+"Grindaboed"; de hoop dat men weldra weer aan een stuk grindevleesch
+zal smullen, veroorzaakte een algemeen gejubel. De menschen renden
+met zooveel haast door de straten, alsof er een landing van de Turken
+te vreezen was. Hier liepen er eenige naar de booten, daar kwamen
+andere met walvischmessen aandragen; ginds draafde een vrouw haar man
+achterna met een stuk gedroogd vleesch, dat zij hem als leeftocht wilde
+medegeven; kinderen werden omvergeloopen en uit puren ijver viel een
+van de visschers uit zijn boot in zee. In den tijd van tien minuten
+waren elf achtmansbooten gereed en stieten van wal; de pijjakkers
+werden uitgetrokken en de roeiriemen met zooveel ijver gehanteerd,
+dat de vaartuigen als pijlen vooruitschoten. Wij begaven ons naar den
+ambtman, wiens booten en manschappen gereed waren om te vertrekken;
+vooraf gingen wij met hem op de schans om van hier te zien waar de
+Grindewalen zich bevonden. Door onzen verrekijker ontdekten wij
+de beide booten, die "Grinaboed" aangekondigd hadden. Nu verhief
+zich bij het naastbijgelegen dorp een hooge rookkolom; onmiddellijk
+daarna verscheen er ook een op een naburigen berg; overal zag men
+vuursignalen; naar alle plaatsen in de buurt werden boden gezonden;
+het fjord wemelde van vaartuigen. Wij gingen aan boord van het jacht
+van den ambtman en hadden weldra de overige ingehaald. Nu zagen wij den
+troep Grinden, die door de in een halven kring geschaarde booten van
+de open zee afgesloten werd. De op deze wijze omsingelde zeedieren,
+werden door 20 à 30 booten, waarbij wij ons hadden aangesloten,
+en waarvan de eene ongeveer 100 schreden van de eerstvolgende
+verwijderd was, langzaam in de richting van de baai van Thorshaven
+voortgedreven. Ongeveer het vierde gedeelte van alle Grinden was
+zichtbaar; nu eens kwam een kop boven water en spoot zijn waterstraal
+(?) uit, dan weer kreeg men den hoogen rugvin te zien, later weer
+het geheele bovenlijf. Als de dieren aanstalten maakten om onder de
+vaartuigen door te zwemmen, werden steenen en stukken lood, aan touwen
+bevestigd, in 't water geworpen; als zij snel vooruitstoven, werd er
+uit alle macht geroeid, zoodat zelfs sommige roeiriemen braken. Toen
+de Grinden dicht bij den mond van de haven waren en niet gemakkelijk
+meer ontsnappen konden, begaven wij ons naar de stad. Het strand
+wemelde van menschen, die de vermakelijke eindscène van de jacht,
+het dooden van den buit, aanschouwen wilden. Wij kozen een goede
+standplaats uit, van waar wij alles van nabij konden zien.
+
+"Hoe nader de Grinden bij de haven en het land kwamen, des te
+onrustiger werden zij; tot een hoop dicht opeengedrongen, gaven
+zij weinig acht meer op het werpen met steenen en het slaan met de
+roeiriemen. Steeds dichter werd de kring der booten om de ongelukkige
+slachtoffers, steeds langzamer trokken zij, het gevaar bevroedend, de
+haven binnen; thans, in de Westervaag gekomen, die slechts ongeveer 250
+schreden breed en dubbel zoo lang is, wilden zij zich niet meer als een
+kudde Schapen laten drijven en maakten aanstalten om om te keeren. Nu
+naakte het beslissend oogenblik. Bezorgdheid, hoop, moordlust stonden
+te lezen op de gelaatstrekken van alle Färingers. Zij lieten een
+woest geschreeuw hooren; alle booten snelden op den troep toe; de
+manschappen staken met hunne breede harpoenen naar de dieren, die niet
+dicht genoeg bij de booten waren om deze door een slag met den staart
+te kunnen beschadigen. De gewonde dieren spoedden zich met vreeselijke
+snelheid voort; de geheele troep volgde hen na en liep op het strand.
+
+"Nu begon een angstwekkend tooneel. Alle booten schoten achter de
+Grinden aan en voeren in 't wilde weg tusschen hen in, terwijl de
+manschappen dapper in 't rond staken. De menschen, die aan land
+stonden, gingen tot aan de oksels in 't water op de gewonde dieren
+af en sloegen hen ijzeren haken, waaraan een touw gebonden was, in
+'t lijf of in de blaasgaten; 3 of 4 mannen trokken daarna den Grind
+geheel op het land en sneden hem de keel tot aan de rugwervels door. In
+zijn doodstrijd beukte het stervende dier de zee met zijn staart,
+zoodat het water ver in 't rond spatte; het vroeger kristalheldere
+water van de haven had een bloedroode kleur aangenomen; bloedstralen
+werden uit de blaasgaten opgespoten. De bloedige arbeid wond de
+Färingers tot woede en vermetelheid op. Ten naastenbij 30 booten,
+300 menschen, 80 doode of nog levende Grinden bevonden zich op een
+ruimte van weinige vierkante roeden bijeen. Geschreeuw en geraas
+overal. De met bloed bevlekte kleederen, aangezichten en handen,
+deden de in werkelijkheid zoo goedaardige Färingers op de kannibalen
+van een Zuidzee-eiland gelijken; geen spoor van medelijden toonden
+zij bij deze afschuwelijke slachting. Toen een man door een slag
+met den staart van een stervenden Grind neergeveld en een boot aan
+stukken geslagen was, werd het laatste gedeelte van dit treurspel
+met meer voorzichtigheid afgespeeld. 80 gedoode Grinden bedekten het
+strand; geen enkele was ontkomen. Zoodra het water door het bloed der
+gekwetste dieren gekleurd en door de stuiptrekkende staartbewegingen
+der stervenden troebel geworden is, kunnen de nog levende dieren zich
+niet meer redden en draaien als 't ware in een kring rond. Wanneer
+er al toevallig een naar het heldere water ontsnapt, keert hij toch
+dadelijk naar zijne kameraads in den bloederigen poel terug.
+
+"Na een rusttijd van een uur werden de gedoode Grinden naast elkander
+gelegd, gewaardeerd en voorzien met een in de huid ingesneden merk in
+Romeinsche cijfers, dat hun grootte aangeeft. De verdeeling van den
+buit heeft plaats naar evenredigheid van het grondbezit en geschiedt
+reeds sedert onheugelijke tijden op deze wijze.
+
+"Nadat het aandeel van iedere boot in de vangst bepaald was, werden de
+dieren afgehouwen. Eerst snijdt men hun de vinnen af en het lichaam
+midden door. Nu wordt het spek in breede strooken en vervolgens
+het vleesch in stukken losgemaakt. De lever, het hart en de nieren,
+die volgens de Färingers de smakelijkste stukken zijn, worden uit de
+lichaamsholte genomen; ten slotte keert men den romp om en behandelt
+de andere zijde evenzoo. Het voordeel, dat door deze jacht verkregen
+wordt, is zeer groot. Gemiddeld rekent men, dat ieder dier een ton
+traan oplevert. Het vleesch en het spek worden versch gegeten of door
+inzouten en drogen voor bederf bewaard. Van de huid der vinnen worden
+de strooken leer vervaardigd, die aan de roeiriemen bevestigd zijn; de
+beenderen dienen voor het maken van de omrastering der landerijen; de
+maag wordt opgeblazen en als bergplaats voor traan gebruikt. Eigenlijk
+blijven dus alleen de darmen en eenige andere ingewanden over; om
+van de verrotting dezer overblijfselen geen last te hebben, worden
+zij door booten naar de zee gebracht."
+
+
+
+Geen der Vischachtige Zoogdieren en zelfs geen der zeedieren in 't
+algemeen, hebben zoozeer de belangstelling gewekt van de dichters
+en de natuuronderzoekers der oudheid en aanleiding gegeven tot zulke
+gloeiende beschrijvingen en zonderlinge vertelsels als de Dolfijn. Hij
+is het, die Arion redde, toen deze beroemde lierdichter en citherspeler
+over boord sprong, om het gevaar te ontgaan van vermoord te worden
+door roofzuchtige matrozen; hij nam hem op den rug en droeg hem naar
+kaap Taenarus. Hij is het, van wien Plinius een aardig sprookje
+vertelt: een knaap had, door herhaaldelijk een Dolfijn met brood
+te voederen, diens genegenheid in zoo hooge mate gewonnen, dat dit
+dier hem verscheidene jaren achtereen, iederen dag over het meer
+Lucrinus naar de school in Puteolie droeg en op dezelfde wijze weer
+thuis bracht. Toen de knaap stierf, verscheen de Dolfijn nog steeds
+iederen dag op de gewone plaats en treurde zich weldra dood over het
+verlies van zijn lieveling." Van de Dolfijnen wordt voorts verhaald,
+dat zij in den ouden tijd den mensch behulpzaam waren bij het vangen
+van de Zeebarbeelen, door geheele scholen van deze Visschen in de
+netten te drijven, voor welke dienst zij beloond werden met een deel
+van den buit en met brood, dat in wijn gedoopt was.
+
+De _Dolfijn_ vertegenwoordigt met eenige andere, zeer na
+verwante soorten een afzonderlijk geslacht van dezen naam
+(_Delphinus_). De betrekkelijk kleine kop eindigt van voren in
+een snavelvormig verlengden snuit, welks kaken met buitengewoon
+talrijke, kegelvormige, blijvende tanden bezet zijn; de borstvinnen
+staan geheel zijdelings, ongeveer op de grens van het eerste vijfde
+gedeelte van de lichaamslengte: de rugvin zit ongeveer op het midden
+van de rugzijde; de staartvin is naar verhouding zeer groot en bijna
+zuiver halve-maanvormig.
+
+
+
+De _Gewone Dolfijn_ (_Delphinus delphis_) bereikt gemiddeld een
+lengte van 2 M. Zijn huid is buitengewoon glad; zij is niet slechts
+glanzig, maar prijkt ook met allerlei regenboogkleuren. De bovendeelen
+zijn groenachtig bruin of groenachtig zwart, welke kleur scherp,
+maar niet volgens een rechte lijn gescheiden is van de schitterend
+witte kleur der onderdeelen, die aan de zijden op enkele plaatsen
+grijsachtige of zwartachtige vlekken vertoont. Het aantal tanden is
+zeer verschillend. Gewoonlijk vindt men er 42 à 50 in iedere kaak;
+men heeft er echter ook wel Dolfijnen gedood, die in elke kaakhelft
+53, dus in het geheel het opmerkelijke groote aantal van 212 tanden
+hadden. Deze tanden zijn regelmatig over de kaak verdeeld; zij laten
+kleine tusschenruimten over, zoodat die van de bovenkaak tusschen
+die van de onderkaak vallen en omgekeerd; zij zijn lang, kegelvormig,
+zeer puntig en van buiten naar binnen zwak gekromd.
+
+Dit beroemde dier, dat aan de kusten der Middellandsche Zee
+zeer algemeen is, wordt van tijd tot tijd aan de kusten van
+Groot-Brittannië en van het noorden van Frankrijk gevangen; het
+verdwaalt soms ook in de Noordzee. Voor zoover bekend, is slechts
+éénmaal, vele jaren geleden een exemplaar van deze diersoort op de
+Hollandsche kust gestrand. Naar het schijnt, is zij over een groot
+deel van den aardbol verspreid; zij bewoont althans alle zeeën van het
+noordelijk halfrond, en draagt hier veel bij tot de tijdkorting van
+zeelieden en reizigers. De Dolfijn openbaart door zijne bewegingen zoo
+mogelijk een nog speelscher aard dan dien zijner verwanten. Nu eens
+zwerft hij op grooten afstand van de kust in de open zee rond, dan
+weer zwemt hij ver de rivieren op. Troepen van deze dieren naderen
+het schip en spelen langen tijd in de nabijheid, voordat zij een
+anderen koers nemen. Onophoudelijk duiken zij onder en komen weer
+boven, verheffen het hoogst gelegen deel van den kop gedurende eenige
+oogenblikken boven den waterspiegel, blazen met snuivend gedruisch,
+en verdwijnen weer in de diepte. Zij zwemmen zoo buitengemeen snel,
+dat zij niet alleen het snelste stoomschip met gemak bijhouden,
+maar intusschen ook nog allerlei spelende bewegingen maken, en,
+als zij dit verkiezen, om het schip heen zwemmen zonder achter te
+blijven. Van tijd tot tijd springt een van hen boven het water uit,
+valt, zonder luid gedruisch te veroorzaken, met een buiteling weer in
+de zee terug, en neemt ten spoedigste zijn vroegere houding weer aan.
+
+Het gebit van den Dolfijn geeft duidelijk te kennen, dat hij een
+der ergste zee-roofdieren is; naar men zegt, verschoont hij zelfs
+zijne gewonde soortgenooten niet. Zijn voedsel bestaat uit Visschen,
+Schaaldieren, Koppootige Weekdieren en andere zeebewoners. Het liefst
+maakt hij jacht op Sardijnen, Haringen en Vliegende Visschen. Het
+wijfje werpt 10 maanden na de paring een jong van 50 à 60 cM. lengte,
+waaraan zij gedurende geruimen tijd groote genegenheid toont.
+
+In den Zwaardvisch heeft de Dolfijn een gevaarlijker vijand dan in
+den mensch; want deze maakt alleen dan jacht op hem, als gebrek aan
+versch vleesch hem hiertoe noopt. Ook thans nog valt den Dolfijn van
+den kant van den mensch een zekere vereering ten deel.
+
+
+
+In de Noordzee komen nog eenige andere vertegenwoordigers van hetzelfde
+geslacht voor, o.a. de _Witsnuitdolfijn_ [_Delphinus (Lagenorhynchus)
+albirostris_], zeer kennelijk aan de witte kleur van den snuit en
+van de achterhelft van het lichaam. Hij is minder rank dan de Gewone
+Dolfijn, met wien hij overeenstemt door zijn betrekkelijk zwak gebit;
+in elke kaakhelft heeft hij 25 tanden. Hij kan een lengte van 4
+à 5 M. bereiken. In Juni 1851 werd een dier van deze soort in de
+Noordzee, dicht bij Texel waargenomen; kort daarna werd er een bij
+Oostende gevangen.
+
+Even zeldzaam is op onze kust de _Tuimelaar_, de _Nesarnak_ der
+Groenlanders (_Delphinus tursio_). Deze heeft in elke kaakhelft 20
+à 24 tanden, welke sterker zijn dan die van den Gewonen Dolfijn;
+ook de skelet-bouw is steviger. Hij wordt 3 1/2 à 4 1/2 M. lang;
+van boven en aan de zijden is hij licht blauw-zwart, van onderen
+wit. Een voorwerp van deze soort strandde ongeveer 70 jaar geleden
+op de Groningsche kust, twee exemplaren spoelden op 20 April 1828 in
+Friesland nabij de Zwarte Haan aan wal.
+
+Minder veelvuldig nog is de _Snaveldolfijn_ (_Delphinus rostratus_),
+die door zijn gebit op den Tuimelaar gelijkt, maar door slankeren
+lichaamsbouw en door de minder duidelijke scheiding tusschen het minder
+gewelfde voorhoofd en den smalleren snuit van dezen verschilt. Zijn
+algemeene kleur is roetachtig zwart; deze gaat op den buik, de borst
+en den rand der onderkaak in rosachtig wit over. Lengte 2.5 M. Een
+exemplaar werd in 1829 gevangen bij den mond van de Schelde.
+
+
+
+De eerste mededeelingen over een in de Zuid-Amerikaansche
+rivieren levenden Dolfijn kwamen voor in het groote werk over "de
+keerkringsgewesten van de Nieuwe Wereld" door A. von Humboldt en
+Bonpland, die echter geen volledige beschrijving van deze diersoort
+gaven (1819). Nauwkeuriger berichten danken wij aan de verdienstelijke
+Duitsche onderzoekers Spix en Martinz (1831). Kort daarna zag een
+uitmuntende studie over dit onderwerp van den Franschen geleerde
+d'Orbigny het licht.
+
+De _Inia_ of _Bonto_ (_Inia amazonica_), vertegenwoordiger van het
+geslacht der _Langsnuitdolfijnen_ (_Inia_), is een Dolfijn, wiens
+snuit zich verlengd heeft tot een smallen, rondachtigen, met stijve
+haren begroeiden snavel, die in elke kaakhelft 33 of 34 spitse tanden
+met gekromde, sterke kroon heeft. Het slanke lichaam draagt lange
+borstvinnen, die aan hun bovenste gedeelte uitgesneden, en naar
+de spits sikkelvormig versmald zijn, een niet gelobde staartvin en
+een zeer lange vetvin op den rug. De lichaamslengte wisselt af van
+2 tot 3 M. Het wijfje bereikt, naar men zegt, slechts de helft van
+deze grootte. Op de geheele bovenzijde is de Inia bleek blauwachtig;
+de kleur van de onderzijde zweemt naar rozenrood. Er zijn echter vele
+kleurverscheidenheden opgemerkt: soms ontmoet men geheel roodachtige,
+soms ook geheel zwartachtige exemplaren. In den laatsten tijd heeft
+men verscheidene, nauw met elkander verwante soorten onderscheiden.
+
+Voor zoover thans bekend, bewoont deze Dolfijn bijna alle stroomen
+van Zuid-Amerika, tusschen 10 en 17° Z.B. In den Amazonenstroom en
+zijne bijrivieren, alsmede in den Orinoko is hij overal een bekende
+verschijning. Naar men zegt, zijn de bewegingen van dit dier langzamer
+en minder levendig dan die van de in zee levende Dolfijnen; het zwemt
+rustiger, komt dikwijls aan de oppervlakte om adem te halen en vormt
+met zijne soortgenooten gewoonlijk slechts kleine gezelschappen. Deze
+mededeelingen worden echter door Von Humboldt niet bevestigd. "De
+lucht," zegt hij, "werd weder stil; weldra begonnen groote Cetaceën
+uit de familie der Spuitvisschen, zeer veel gelijkende op de Dolfijnen
+van onze zeeën, in lange reeksen aan de oppervlakte te dartelen. De
+langzame en trage Krokodillen vermeden, naar het scheen, de nabuurschap
+van deze geraasmakende en onstuimige dieren; wij zagen ze onderduiken,
+als de Spuitvisschen dicht bij hen kwamen. Dat de Cetaceën op zoo
+grooten afstand van de kust voorkomen, is zeer opmerkelijk; men treft
+ze hier in alle jaargetijden aan; voor zoover men weet, is er niets,
+waaruit zou blijken, dat zij op bepaalde tijden als de Zalmen trekken."
+
+Volgens Bates wordt de Amazonenstroom door minstens drie verschillende
+soorten van Dolfijnen bewoond; overal zijn deze dieren talrijk, hier
+en daar vertoonen zij zich zelfs in verrassend grooten getale. "In de
+breedste gedeelten van den stroom," zegt deze uitmuntende onderzoeker,
+"van de monding tot op een afstand van 1500 mijlen bovenwaarts,
+hoort men voortdurend, hoofdzakelijk echter 's nachts, de een of
+andere soort buitelen, blazen en snorken; deze geluiden dragen er niet
+weinig toe bij om op den reiziger een indruk te maken, overeenkomende
+met dien, welke de uitgestrektheid en de verlatenheid van de zee
+teweegbrengt." Hun voedsel bestaat grootendeels uit kleine Visschen;
+bovendien echter worden allerlei boomvruchten, die van de takken
+in de rivier vallen, niet door hen versmaad. Bij voorkeur houden de
+Inia's zich op in de heldere en diepe bochten van de door hen bewoonde
+stroomen of op plaatsen, waar bijrivieren in deze stroomen uitmonden,
+blijkbaar omdat hier de meeste Visschen voorkomen.
+
+De inboorlingen maken geen jacht op den Inia. Zijn vleesch wordt
+taai genoemd, zijn spek slecht, zijn huid is hoogstens geschikt voor
+het vervaardigen van schilden; de vangst van dit dier loont dus de
+moeite niet.
+
+
+
+Plinius maakt melding van een Dolfijn, genaamd _Platanista_, die in den
+Ganges leeft en volgens zijn beschrijving 7 M. lang zou worden. Dit
+dier bestaat werkelijk, maar is veel kleiner dan de oude, beroemde
+onderzoeker aangeeft; zijn lengte bedraagt namelijk omstreeks 2
+M. De _Soesoek_ of _Snaveldolfijn van den Ganges_ (_Platanista
+gangetica_) onderscheidt zich van zijne verwanten door den zeer
+slanken lichaamsbouw, de halvemaanvormige, in twee lobben verdeelde
+staartvin en den bovenwaarts gekromden, langen, snavelvormigen
+snuit. De bovenkaak is zijdelings samengedrukt en vormt zoo een kam,
+die aan de voorzijde uitpuilt en van achteren breeder wordt, daar
+waar hij zich met het hooge, bolle voorhoofd vereenigt en de lange,
+smalle, nevens elkander geplaatste neusgaten omgeeft. Elke kaakhelft
+bevat 30 à 32 stevige, kegelvormige, spitse tanden. De vetvin op
+den rug bestaat slechts uit een kleine uitbreiding van de huid. De
+kleur van de bovendeelen is grijsachtig zwart, die van de onderdeelen
+grijsachtig wit.
+
+Deze merkwaardige Dolfijn--die volgens de nieuwste onderzoekingen
+niet de eenige vertegenwoordiger van de orde der Cetaceën in de
+rivieren van Zuidoost-Azië is--komt niet alleen in den Ganges en zijne
+bijrivieren voor, maar werd ook reeds in de Brahmapoetra en in den
+Indus aangetroffen. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Visschen
+en Schaaldieren. Nu en dan heeft men in zijn maag ook rijstkorrels en
+overblijfselen van Insecten gevonden; naar men meent, zijn deze echter
+uit de ingewanden van de als voedsel gebruikte Visschen afkomstig.
+
+Het vleesch van dit dier wordt in sommige streken van Indië met
+smaak gegeten. Het levert een zeer vloeibare traan op, die als een
+uitmuntend smeermiddel voor leder beschouwd wordt.
+
+
+
+De _Narwal_, de _Eénhoornvisch_ (_Monodon monoceros_), verschilt
+door belangrijke eigenaardigheden zoozeer van de overige
+Tandendragende Cetaceën, dat men hem in een afzonderlijke familie
+heeft geplaatst. Zijn gebit wijkt belangrijk af van dat zijner
+ordegenooten. Het mannetje heeft n.l. in de bovenkaak aan de
+linkerzijde één kolossalen stoottand met open wortel; deze steekt
+recht naar voren 2 à 3 M. buiten den bek uit, maar is naar verhouding
+van zijn lengte zwak; hij is van rechts naar links gedraaid; de
+hiermede overeenkomende tand aan de rechterzijde blijft in den
+regel onontwikkeld. Bij het wijfje blijven beide tanden meestal
+klein en in de kaak verborgen; slechts zelden groeien zij uit. Bij
+uitzondering heeft men Narwals met twee stoottanden gevonden; deze
+waren alle wijfjes; de tanden hadden dan steeds een veel geringere
+lengte dan die der mannetjes. De bovenkaak van het jonge dier bevat
+bovendien aan weerszijden twee kleine voortanden en een kies; bij
+volwassenen treft men deze bestanddeelen van het gebit in den regel
+niet meer aan. De onderkaak is altijd tandeloos. De rolronde, van voren
+afgeronde kop maakt ongeveer een zevende gedeelte van het langwerpige,
+bijna spoelvormige lichaam uit. Het platte voorhoofd gaat onmerkbaar
+over in den zeer korten, breeden en dikken, aan de rechterzijde
+een weinig verkorten snuit; deze daalt aan 't voorste deel van 't
+lichaam bijna loodrecht naar beneden. Een rugvin is niet aanwezig,
+hoewel door een huidplooi aangeduid. De borstvinnen zijn ongeveer op
+de grens van het eerste vijfde deel van 't lichaam aangehecht, kort,
+eivormig, van voren dikker dan van achteren. De zeer groote staartvin
+is duidelijk in twee lobben verdeeld. De kleur van de glanzige en
+zachte, fluweelachtige huid vertoont, naar het schijnt, in verband
+met geslacht en leeftijd, een niet onbelangrijk verschil. Bij het
+mannetje is de witte of geelachtig witte grondkleur geteekend met
+talrijke donkerbruine vlekken van onregelmatigen vorm, die op den rug
+het dichtst opeengehoopt zijn, aan den buik het verst uiteenstaan
+en aan den kop bijna ineenvloeien. Jonge dieren zijn donkerder van
+kleur dan oude. Er worden echter ook wel nagenoeg zuiver witte en
+eveneens grijsachtige, effenkleurige exemplaren gevonden. De totale
+lengte van den Narwal kan, naar men zegt, tot 6 M. klimmen, bedraagt
+echter in den regel niet meer dan 4 à 5 M.
+
+Dat onze voorouders van den Narwal fabelachtige dingen verhaalden,
+behoeft ons niet te verwonderen. Een dier, dat zulke in 't oogloopende
+eigenaardigheden vertoont, moest wel de belangstelling van den
+mensch wekken; zoolang de wetenschap geen uitspraak deed, had de
+phantasie vrij spel. Vooral de stoottand heeft aanleiding gegeven
+tot allerlei onderstellingen. Albertus Magnus noemt dit dier een
+Visch, wiens hoorn op het voorhoofd dienen moet om andere Visschen en
+sommige schepen te doorboren; deze Visch is echter zoo lui, dat zij,
+die door hem aangevallen worden, gemakkelijk kunnen ontkomen. Wij
+daarentegen beschouwen deze tanden als wapens soortgelijk aan die,
+waardoor het mannetje zich zoo dikwijls van het wijfje onderscheidt.
+
+De Narwal, een bewoner van de noordelijke zeeën, wordt het
+veelvuldigst aangetroffen tusschen 70 en 80° N. B. In de Davis-straat
+en de Baffins-baai, in de Poolzee tusschen Groenland en IJsland,
+rondom Nowaja Semlja en in de zee ten noorden van Siberië komt hij
+veelvuldig voor. Ten zuiden van den poolcirkel is hij zeldzaam: op
+de kusten van Groot-Britannië strandden, voorzoover mij bekend is,
+in de laatste eeuwen slechts vier Narwals; aan de Duitsche kusten
+heeft men nooit anders dan in 1736, maar toen tweemaal, zulke dieren
+waargenomen en gedood. In zijn eigenlijk woongebied ontmoet men
+hem bijna altijd in talrijke kudden: hij doet in gezelligheid voor
+geen zijner verwanten onder. "Gedurende den trektijd," zegt Brown,
+"heb ik troepen Narwals gezien, die uit vele duizenden individuën
+bestonden. Tand naast tand, staartvin naast staartvin trokken zij
+noordwaarts; als een cavalerieregiment doken en rezen zij, naar
+allen schijn, met de grootst mogelijke regelmatigheid en vervolgden
+in golflijnen hun weg. Zulke troepen bestaan niet altijd uitsluitend
+uit dieren van hetzelfde geslacht; dikwijls zijn mannetjes en wijfjes
+hierin bont dooreengemengd."
+
+De zeereizigers uit lateren tijd roemen de vlugheid en de behendigheid
+van dit dier, dat door zijn herhaaldelijk oprijzen en onderduiken
+de zee weet te verlevendigen en de aandacht van den onderzoeker
+in hooge mate boeit. Het is zoo goed als zeker, dat hij aan andere
+Cetaceën nooit de gevechten levert, waarvan de oude schrijvers melding
+maken. Ook jegens zijne soortgenooten toont hij zich verdraagzaam,
+zoolang de liefde niet in 't spel komt en de gemoederen der mannetjes
+verhit. Dat dit somtijds geschiedt en tot ernstige gevechten aanleiding
+geeft, mag men met zekerheid aannemen, daar men zelden een ouden
+Narwal doodt, wiens tand onbeschadigd is. In vele gevallen waren in de
+tandholte van zulke dieren andere tanden doorgedrongen en afgebroken.
+
+Het voedsel van dit merkwaardig dier bestaat uit Zeekomkommers
+(Holothuriën), naakte Weekdieren en Visschen.
+
+Velerlei gevaren en tal van vijanden bedreigen het leven van den
+Narwal. Van geen anderen Cetacee vindt men zoo dikwijls overblijfselen
+als van hem. Door den winter, die dikwijls onverwacht plotseling
+intreedt en de zee in het hooge noorden over een groote uitgestrektheid
+in boeien van ijs slaat, wordt op deze wijze het bestaan van alle door
+longen ademende zeebewoners in zeer hooge mate bemoeilijkt en in gevaar
+gebracht, zoodat honderden en duizenden sneven; de zee spoelt hunne
+lijken of wat hiervan overblijft, naar het strand. Zoo worden hier ook
+dikwijls narwaltanden gevonden.--Kleine parasieten kwellen, groote,
+weerbare vijanden bedreigen den Narwal. De mensch maakt ijverig jacht
+op hem. Dit doen echter alleen de inboorlingen, niet de uit zuidelijker
+gewesten komende jagers, die slechts enkele malen zich verledigen om
+Narwals te harpoeneeren, daar deze jacht voor het goedmaken van de
+kosten hunner reis te weinig voordeel oplevert. Zoowel het vleesch
+als de traan van deze dieren wordt hoog geschat. Alle in Groenland
+levende Deensche vrouwen brengen het Narwal-vleesch gekookt zoowel
+als gebraden en in een uit de spekachtige huid bereide gelei gelegd
+op den disch, vol vertrouwen dat zelfs de meest verwende vreemdeling
+dit gerecht eer zal aandoen. De inboorlingen van Groenland eten dit
+vleesch gekookt of gedroogd, de huid en het spek rauw; zij branden
+het vet in hunne lampen, vervaardigen uit de pezen naaigaren en uit
+de maag blazen, die zij bij de vischvangst gebruiken; zelfs van de
+darmen weten zij partij te trekken.
+
+In vroegere tijden werden voor de stoottanden van den Narwal
+ongeloofelijke hooge sommen betaald. Men schreef hun allerlei
+wonderkrachten toe en hechtte er daarom veel meer waarde aan dan wij,
+die deze voorwerpen alleen begeeren, omdat zij op soortgelijke wijze
+als het ivoor gebruikt kunnen worden. Nog geen 250 jaar geleden waren
+er nog slechts weinig narwaltanden in Europa te vinden; die, welke
+de zeelieden tot aan dien tijd hadden meegebracht, vonden gretig
+koopers. Men hield ze voor afkomstig van den Bijbelschen Eenhoorn,
+welk dier, op fabelachtige wijze voorgesteld, deel uitmaakt van
+het Engelsche wapen. Keizers en koningen lieten zich dikwijls van
+deze tanden staven vervaardigen, die, met zeer sierlijk snijwerk
+versierd, hun nagedragen werden; de kostbare kromstaven van de
+bisschoppen waren van zulke tanden gemaakt. Nog in de 16e eeuw
+bewaarde men in het Bayreuther archief op den Plassenburg vier
+narwaltanden als buitengewone zeldzaamheden. Eén daarvan hadden
+twee markgraven van Karel V aangenomen tegen kwijtschelding van een
+grooten schuldpost. Voor den grootsten der beide tanden werd door
+de Venetianen nog in het jaar 1559 de ontzaglijke som van 30.000
+zechinen geboden, zonder dat het hun gelukte den eigenaar tot den
+verkoop over te halen. Een Narwaltand, die in de keurvorstelijke
+verzameling te Dresden aan den gouden keten hing, werd op een waarde
+van 100.000 thaler geschat. De "Groenlandsche Compagnie" en andere
+kooplieden hebben gedurende eenigen tijd met deze tanden goede zaken
+gedaan bij de Moscovieten en bij de bewoners van Oost-Azië. Nog in
+de vorige eeuw kwamen zij trouwens in de apotheken voor en werd het
+poeder van de gebrande en ongebrande tanden soms als geneesmiddel
+voorgeschreven. Tegenwoordig kosten zij per K.G. hoogstens zes,
+of per stuk twaalf à achttien gulden.
+
+
+
+De vijfde familie van de onderorde der Tandendragende Cetaceën
+omvat de _Snavelwalvisschen_ (_Hyperoodontidae_) en is vooral in
+de zuidelijke zeeën door verscheidene soorten vertegenwoordigd. De
+hiertoe behoorende vormen onderscheiden zich van de Dolfijnen zoowel
+door den meer of minder snavelvormig verlengden snuit als door het
+gebit, daar in de onderkaak aan iedere zijde slechts één of twee
+(en overigens in beide kaken geen andere dan onontwikkelde, niet
+boven het tandvleesch uitstekende) tanden voorhanden zijn.
+
+
+
+Een der meest bekende leden van deze familie is die, welke wij,
+in navolging van de bewoners der Fär-öer, _Deugling_ (_Hyperoodon
+bidens_) zullen noemen. Na den Cachelot is de Deugling de grootste van
+alle Tandendragende Cetaceën. Hij kan een lengte van 8 M. bereiken,
+de omvang van den kop in de nabijheid van de oogen bedraagt dan
+4 M. Het wijfje is slanker en kleiner dan het volwassen mannetje;
+de jonge mannetjes gelijken op de wijfjes. Vooral de vorm van den
+kop is merkwaardig: hier is als 't ware een ganze- of eendesnavel
+aan den kop van een Zoogdier vastgehecht. Het lichaamsdeel achter den
+snavel wordt ten onrechte "voorhoofd" genoemd door de Walvischvangers;
+het bestaat uit de bovenkaak, die loodrecht omhoog rijst en zich tot
+een halfkogelvormigen bult verheft. Deze bult, welke zich uitstrekt
+tot den voorrand van het boven de oogen gelegen spuitgat wordt door
+een groote knobbelvormige uitbreiding van de bovenkaaksbeenderen
+gesteund en bestaat overigens uit een wijdmazig, met vloeibaar vet
+gevuld bindweefsel. In het skelet komt achter dezen knobbel een
+(uitwendig niet waarneembare) diepe, zadelvormige inzinking voor,
+van achteren door het eigenlijke voorhoofd begrensd. Bij het door
+Vrolik ontlede, ruim 7.6 M. lange dier was het spuitgat 1.3 M., het
+loodrecht opstijgende "voorhoofd" ongeveer 45 cM. achter het voorste
+deel van den snavel gelegen. Soms echter is de snavel wel 60 cM. lang
+en het loodrechte deel van den kop 80 cM. hoog. De jongen en de wijfjes
+hebben een lager, minder vlak, meer achteruitwijkend voorhoofd. Deze
+werden daarom tot voor korten tijd als leden van een afzonderlijke
+soort beschouwd. Thans echter is men, o. a. door de onderzoekingen
+van Axel Ohlin, tot de overtuiging gekomen, dat de _Hyperoodon's_
+van de noordelijke zeeën één soort vormen. Van haar aanwezigheid in
+het noordelijke deel van den Stillen Oceaan is niets bekend; terwijl
+men den _Hyperoodon_ van 't zuidelijk halfrond terecht of ten onrechte
+als een afzonderlijke soort beschouwt. [In de noordelijke zeeën leeft
+behalve de Deugling nog een andere soort van Snavelwalvisch, n.l. de
+_Spitsdolfijn_ (_Mesoplodon Sowerbyi, Hyperoodon micropterus_),
+die ook nu en dan in de Noordzee verdwaalt en er herhaaldelijk op
+'t strand gekomen is, o.a. 1835 bij Ostende.] Verscheidene namen
+heeft de Deugling gekregen op grond van den eigenaardigen vorm van
+den kop. Zeer algemeen is de naam _Butskop_ ("stompkop"), die echter
+ook aan verscheidene Dolfijnen met stomp eindigenden kop gegeven
+wordt. Hieraan is de Engelsche naam _Bottlenose_ ontleend. De
+IJslanders noemen dit dier _Andarnefia_ ("eendensnavel"), de
+Groenlanders _Anarnak_, de Duitschers _Entenwal_. Aan 't voorste
+uiteinde van de onderkaak komen bij het volwassen mannetje geregeld
+twee kegelvormige tanden voor van ongeveer 4 cM. lengte en 2 cM. dikte;
+deze zijn dikwijls geheel afgesleten: door stevig bindweefsel zijn zij
+met hun breede basis aan het kaakbeen vastgehecht (niet in tandkassen
+geplaatst). Het deel van de onderkaak waarin de bedoelde tanden zich
+bevinden steekt voorbij de bovenkaak uit; deze tanden zijn dus als
+'t ware slagtanden in miniatuur. Ohlin zag ze bijna altijd bedekt met
+kleine, vastzittende zeedieren (Rankpootige Schaaldieren) waaruit
+blijkt, dat zij zoo goed als niet gebruikt worden. Bovendien komen
+iets verder naar achteren in iedere helft van elke kaak een reeks van
+zeer kleine tandjes voor, die ook wel in één kaak of in beide kaken
+geheel kunnen ontbreken; hun aantal schijnt afwisselend te zijn;
+zij blijven steeds in het tandvleesch verborgen. Bij de jonge dieren
+zijn zij duidelijker zichtbaar. Aan de benedenzijde van den kop,
+ongeveer in 't midden van de onderkaak, beginnen twee korte, maar
+diepe, naar achteren uiteenwijkende groeven; een dergelijke groeve is
+verder achterwaarts aan de keel gelegen; overigens is de huid glad
+en glanzig, meer of minder gelijkmatig zwart; de bovendeelen zijn
+echter in den regel donkerder dan de onderdeelen. De hooge spits,
+aan de achterzijde uitgesneden rugvin komt voor aan het begin van
+het laatste derde gedeelte van het lichaam.
+
+Naar het schijnt, is het verbreidingsgebied van den Deugling tot de
+Noordelijke IJszee en de noordelijke gedeelten van den Atlantischen
+Oceaan beperkt; van hier uit onderneemt hij echter geregeld reizen
+in zuidelijke richting; ieder jaar komt hij in de nabijheid van
+de Fär-öer, niet zelden ook aan de kusten van Groot-Britannië,
+waar hij zelfs nu en dan eenige, voor hem gunstig gelegen rivieren
+opzwemt. Op de Atlantische kusten van Europa en Noord-Amerika zijn
+dikwijls gestrande Deuglings gevonden, ook eenige malen op de kusten
+van de Noordzee. Het exemplaar, dat den 24en Juli 1846 bij Zandvoort
+op de Hollandsche kust strandde, gaf aanleiding tot de uitvoerige
+beschrijving van het dier door Prof. Vrolik.
+
+De Deugling voedt zich met Koppootige en andere Weekdieren, die
+niet door een schelp omgeven zijn; ook wel met kleine Visschen,
+o.a. Haringen. Vrolik schatte het aantal snavels van Inktvisschen
+in de maag van den door hem onderzochten Deugling op ruim tien
+duizend. Uit de aanwezigheid van Zeesterren in de maag blijkt, dat
+dit dier ook wel op den zeebodem voedsel zoekt, waarvoor zijn snavel
+zeer geschikt schijnt. Zijn vaardigheid in het duiken wordt bevestigd
+door een mededeeling van Kükenthal, die een geharpoeneerden Deugling
+300 vademen lijn medenemen en volle 45 minuten onder water blijven zag.
+
+Evenals de traan van den Cachelot, bevat ook die van den Deugling
+"spermaceti." Hoewel het spek een zekere hoeveelheid van deze
+uitmuntende vetsoort bevat, komt zij echter, naar het schijnt, vooral
+voor in het bindweefsel, waaruit een groot deel van den bult op den
+kop bestaat. Bij jonge exemplaren kan men hieruit, nadat het "kalotje"
+er afgesneden is, 2 of 3 liter van een heldere, zeer vloeibare traan
+scheppen, deze is bij zeer oude exemplaren niet meer aanwezig. Door
+het vinden van spermaceti in de Deugling-traan steeg de prijs van
+dit artikel aanmerkelijk, hetgeen het sein gaf tot de meedoogenlooze
+vervolging, waaraan het dier tegenwoordig is blootgesteld van de zijde
+der Engelsche en Noorsche visschers. In 1891 hielden niet minder dan
+70 vaartuigen zich met de jacht op Deuglings bezig; zij vingen er
+niet minder dan 3000.
+
+
+
+De zesde familie der Tandendragende Cetaceën is die der
+_Potvisschen_ (_Catodontidae_), zoo genoemd naar zijn belangrijksten
+vertegenwoordiger, den _Potvisch_ of _Cachelot,_ de _Sperm whale_
+der Engelschen de _Kegoetilik_ der Groenlanders, de _Tweldhal_ der
+IJslanders (_Catodon macrocephalus_), het plompste lid der geheele
+orde. De Potvisschen worden gekenmerkt door den buitengewoon grooten
+kop, die ongeveer 1/3 van de geheele lichaamlengte heeft. De snuit
+is in bovenwaartsche richting zeer sterk gezwollen en van voren
+als 't ware recht afgeknot. Er is slechts één ademgat aanwezig,
+dat een weinig naar links van het middenvlak afwijkt. De zeer lange
+en smalle onderkaak is korter dan de bovenkaak en wijkt van die der
+overige Cetaceën af, doordat de beide onderkaaksbeenderen over het
+grootste deel van hun lengte tegen elkander aan liggen en niet alleen
+van voren met elkander vereenigd zijn. Zij bevatten ieder een reeks
+van kegelvormige tanden zonder email en van nagenoeg gelijke lengte;
+de bovenkaakstanden verdienen ternauwernood dezen naam, daar zij,
+evenals bij de leden der vorige familie, zeer weinig ontwikkeld zijn.
+
+De Potvisch wordt, wat de grootte betreft, slechts door eenige
+van de langste Baardendragende Cetaceën overtroffen. Hoewel sommige
+berichtgevers melding maken van oude mannetjes, die 30 M. lang waren,
+komt men, wegens het ontbreken van nauwkeurige metingen, die de
+juistheid van de bedoelde berichten bevestigen, waarschijnlijk nader
+bij de waarheid door
+
+aan te nemen, dat een totale lengte van 20 à 23 M., een lichaamsomvang
+van 9 à 12 M. en een staartbreedte van 5 M. de grootste afmetingen
+zijn, die dit dier bereiken kan. Deze gelden trouwens alleen voor de
+mannetjes, want de wijfjes zijn zonder uitzondering aanmerkelijk
+kleiner; stellig worden zij niet half zoo lang. In verhouding
+tot de lichaamslengte zijn de borstvinnen bijzonder klein; bij de
+grootste exemplaren zijn zij hoogstens 2 M. lang en 1 M. breed. De
+kolossale, op een blok gelijkende, van voren afgeknotte kop heeft
+dezelfde hoogte en breedte als de romp en gaat onmerkbaar hierin
+over. De beide voorste derde gedeelten van den romp zijn zeer dik en
+breed; van hier tot aan het begin van de staartvin nemen de dikte
+en breedte allengs af. Op het laatste derde gedeelte verheft zich
+een lage, knobbelvormig uitgezette, onbewegelijke rugvin of vetvin,
+die van achteren dikwijls als 't ware afgesneden is, van voren echter
+onmerkbaar in den romp overgaat. De korte, breede, dikke borstvinnen
+staan onmiddellijk achter de oogen en hebben aan haar bovenzijde vijf
+overlangsche plooien: het eenige, uitwendig waarneembare spoor van
+een verdeeling in vijf vingers; de onderzijde is glad. De staartvin
+is niet diep ingesneden, hoewel men er twee lobben aan opmerkt; bij
+jonge dieren is hij aan den rand ingekorven. Het ademgat, een bijna
+S-vormig gekromde spleet van 20 à 30 cM. lengte, ligt, niet zooals
+bij de andere Cetaceën aan het achterste, maar aan het voorste deel
+van den snuit bovenaan; het oog is zeer klein en ver naar achteren
+geplaatst; de gehooropening, een kleine, overlangsche spleet, ligt
+even onder het oog. De muil is groot, de mondspleet strekt zich
+tot dicht bij de oogen uit. De onderkaak is aanmerkelijk smaller en
+korter dan de bovenkaak, die haar bij 't sluiten van den bek geheel
+omvat. Beide kaken zijn bezet met kegelvormige, wortellooze tanden,
+welker aantal aan veel afwisseling onderhevig is, daar er op lateren
+leeftijd verscheidene uitvallen en andere door het tandvleesch bijna
+geheel overdekt worden. Betrekkelijk groote tanden komen alleen in de
+onderkaak voor, ten getale van 39 à 52; in de eene onderkaakshelft
+zijn er meer dan in de andere. De schedelhelften zijn zeer ongelijk
+ontwikkeld (evenals bij de leden van de vorige familie); bovendien
+zijn de buitengewoon logge gedaante en het behouden van dezelfde dikte
+van voren tot achteren zeer opmerkelijke eigenaardigheden van dezen
+kop. Onder de verscheidene cM. dikke speklaag van den kop breiden zich
+bindweefsellagen uit, die een groote ruimte bedekken, welke door een
+loodrechten wand verdeeld is in twee door verscheidene openingen met
+elkander in gemeenschap staande kamers. De geheele ruimte is gevuld
+met een olieachtige, heldere massa, _spermaceti_ of _walschot_; dit
+vet bevindt zich bovendien nog in een buis, welke zich van den kop
+tot aan den staart uitstrekt, en in vele kleine in het vleesch en het
+spek verstrooide zakjes. Het vleesch is hard en grofvezelig en met
+vele dikke en stijve bindweefselstrengen doorvlochten. Het is bedekt
+met een speklaag van verschillende dikte en hierover breidt zich de
+kale, bijna volkomen gladde, glanzige huid uit; deze heeft een dof
+zwarte of zeer donkerbruine kleur, die aan den staart en de onderkaak
+op sommige plaatsen lichter is; bij zeer oude exemplaren is ook de
+bovenzijde van den kop lichter van kleur. De tong is met haar geheele
+onderzijde aan den bodem van de onderkaak vastgegroeid. De maag is
+in vier afdeelingen verdeeld. Bovendien verdient nog de eigenaardige
+urineblaas vermelding. Zij is gevuld met een donkere, oranjekleurige,
+olieachtige vloeistof; soms bevinden zich hierin bolvormige kluiten
+van 8 à 30 cM. middellijn en 6 à 10 KG. gewicht, waarschijnlijk
+ziekelijke producten, te vergelijken met de blaassteenen van andere
+dieren; dit is de bekende, buitengewoon hooggeschatte _grijze amber_
+(het _ambergrijs_).
+
+De Potvisch is bijna een wereldburger. Alle zeeën der aarde, met
+uitzondering van de IJszeeën en de hieraan grenzende afdeelingen van
+den Oceaan, dienen hem tot woonplaats. Als het eigenlijke gebied van
+den Potvisch moet men, volgens Pechuel-Loesche, de zeeën tusschen 40°
+N.B. en 60° Z.B. beschouwen; van hieruit trekt hij op onregelmatige
+wijze noordwaarts en zuidwaarts tot aan den 50en breedtegraad en
+soms verder; hij volgt hierbij de warme stroomingen. Alle exemplaren
+evenwel, die op 55 à 60° N. of Z.B. en op nog grooteren afstand
+van den evenaar waargenomen zijn, moeten als afgedwaald beschouwd
+worden. Troepen of kudden, zoogenaamde "scholen", van deze dieren
+heeft voorzeker geen ervaren en betrouwbare walvischvanger in deze
+gedeelten van de zee ooit gezien.
+
+Op gelijke wijze als de Dolfijnen in zeer verschillend aantal tot nauw
+aaneengesloten scholen vereenigd, doorkruisen deze reusachtige dieren
+de zee, welker diepste gedeelten zij uitzoeken. Gaarne houden zij
+zich op in de nabijheid van steile kusten; angstvallig vermijden zij
+echter de voor hen zoo gevaarlijke ondiepten, hoewel zij ook hier af
+en toe zich vertoonen. Meestal bestaat een school uit 20 à 30 leden;
+in sommige tijden echter vereenigen zich verscheidene van deze troepen
+en trekken dan bij honderden gemeenschappelijk verder.
+
+De Potvisch staat door de snelheid van zijne bewegingen niet ver
+achter bij de snelste leden zijner orde. Reeds wanneer hij bedaard
+voortzwemt, legt hij 3 à 6 zeemijlen in het uur af; in opgewonden
+toestand doorklieft hij echter de golven met de snelheid van een
+stoomschip. Reeds van verre herkent men hem aan zijne bewegingen. In
+kalme gemoedsstemming glijdt hij onder den waterspiegel voort, zonder
+deze in hevige beroering te brengen; zijn snellere verplaatsing
+gaat gepaard met zulke hevige, boven- en benedenwaartsche slagen
+met den staart, dat zijn kop op 't eene oogenblik diep onderzinkt,
+op 't andere zich ver boven 't water verheft. Niet zelden neemt
+hij een loodrechten stand in 't water aan, zoodat nu eens de kop,
+dan weer de staartvin zich ver boven de oppervlakte verheft, een
+verschijnsel dat bij de meeste andere Cetaceën niet voorkomt. Bij 't
+spelen steekt hij soms de eene, soms de andere borstvin in de lucht,
+en slaat vervolgens met groote kracht op het water of beukt dit met
+den staart, zoodat men het geluid op een grooten afstand hoort; er
+worden dan kolossale, witte watermassa's opgeworpen, die op heldere
+dagen wel 10 zeemijlen ver zichtbaar zijn, en als een goed voorteeken
+worden beschouwd door ervaren walvischvangers. Bij windstilte liggen
+de Potvisschen niet zelden volkomen onbeweeglijk in het water, en
+laten zich door de deining schommelen. Soms steken zij, terwijl zij
+in 't water overeind gaan staan, den kop op komische wijze er boven
+uit. Men zou ze dan kunnen aanzien voor den uiteinden van verbazend
+groote boomstammen of voor de halzen van ontzaglijk wijde flesschen,
+die met de golven zachtjes op en neder wiegelen.
+
+Verschillende soorten van Koppootige Weekdieren maken hoofdzakelijk het
+voedsel van den Potvisch uit. Kleine Visschen, die toevallig in zijn
+grooten muil verdwaald raken, worden natuurlijk meteen doorgeslikt; de
+Cachelot maakt echter geen jacht op hen. De zeelieden uit vroegeren
+tijd verhaalden, dat hij ook Haaien, Robben, Dolfijnen en zelfs
+Walvisschen aanvalt; nauwgezette onderzoekers uit lateren tijd hebben
+echter nooit iets van dien aard opgemerkt. Wel zegt men, dat hij soms
+plantaardig voedsel gebruikt, althans velerlei boomvruchten verslindt,
+die door de rivieren naar zee gevoerd zijn.
+
+In alle tijden van het jaar heeft men moeders met zuigende jongen
+aangetroffen. De pasgeboren Potvisschen hebben ongeveer het vierde
+deel van de grootte van het oude wijfje en zwemmen vroolijk naast
+haar. Bij 't zoogen gaat de moeder, naar men zegt, op zijde liggen
+en laat het jong den tepel met den mondhoek, maar niet met den top
+van de kaak aanvatten.
+
+Op den Potvisch werd reeds in den ouden tijd jacht gemaakt;
+in navolging van de Amerikanen leggen de walvischvangers zich
+sedert het einde van de 17e eeuw met bijzonderen ijver op de
+cachelottenvangst toe. Sedert het begin van onze eeuw is de Zuidzee hun
+voornaamste jachtgrond; de jagers zijn bijna uitsluitend Engelschen
+en Noord-Amerikanen. In de jaren 1820-1830 zijn door Engelsche
+walvischvangers 45.933, gemiddeld per jaar dus bijna 4600 ton walschot
+buitgemaakt; in de jaren 1831 en 1832 steeg de opbrengst tot 7605
+en 7165 ton. Sedert ongeveer een menschenleeftijd is het voordeel,
+dat de potvischvangst oplevert, aanmerkelijk verminderd. Van een
+volwassen mannelijken Potvisch verkrijgt men 30 à 120 vaten traan;
+de waarde van zulk een exemplaar wisselt wegens de buitengewoon
+groote variatie van den prijs der traan en der andere producten,
+ongeveer tusschen 5400 en 12000 gulden af; de veel kleinere wijfjes
+zijn niet half zoo veel waard.
+
+De jacht op den Cachelot is met grootere gevaren verbonden dan de
+vangst van andere Cetaceën. Slechts bij uitzondering tracht een
+Walvisch of een Vinvisch zijn vermetelen vijand kwaad te doen; de
+Potvisch echter zal, als hij aangevallen wordt, zich verdedigen,
+moedig op zijn vijand afgaan en als wapen niet alleen zijn staart,
+maar ook zijn vreeselijk gebit gebruiken. Uit een aantal feiten
+blijkt, dat hij werkelijk zich ook met de tanden verdedigt. Er zijn
+alleenlevende oude mannetjes gedood, welker onderkaak geheel verminkt
+was; blijkbaar hadden deze vroeger een strijd met hunne soortgenooten
+of met een nog onbekenden Leviathan der diepte gevoerd. Bovendien weten
+de walvischvangers door noodlottige ervaringen, dat de vertoornde
+Potvisch niet slechts met de kop tegen de booten aanrent of ze
+met den staart stuk slaat, maar ze ook wel in den bek neemt en met
+gemak vergruist. Dat hij in dit geval zijn met groote tanden bezette
+onderkaak van de bovenkaak kan doen afwijken, totdat beide een rechten
+hoek met elkander vormen, is overtuigend gebleken; ook zijwaarts kan
+hij haar opmerkelijk ver bewegen. Als hij getroffen wordt, blijft hij
+soms eenige oogenblikken als verlamd in het water liggen; dit geeft
+den opmerkzamen walvischvanger de gelegenheid, om hem schielijk af
+te maken; in den regel echter verdedigt hij zijn leven met wanhopigen
+moed, beantwoordt den tegen hem gerichten aanval met woede en boosheid
+en zoekt volstrekt niet altijd zijn heil in de vlucht. Alle ervaren
+zeelieden weten te verhalen van ongelukken, die door den Cachelot
+veroorzaakt zijn; het is wel mogelijk, dat sommige van deze verhalen
+opgesierd of zelfs geheel verzonnen zijn, van andere echter is de
+waarheid ontwijfelbaar en wordt door authentieke bescheiden gestaafd.
+
+Het schip "Nantucket" werd in het jaar 1807 niet ver van de kust van
+Massachusetts door een Potvisch geheel wrak gestooten.--In het jaar
+1820 maakten de booten van het schip "Essex" in de Zuidzee jacht
+op een school Potvischen, terwijl het schip met gereefde zeilen hen
+volgde. Opeens kwam niet ver van het schip een reusachtige mannelijke
+Potvisch boven; deze zwom op zijn gemak voort in een richting loodrecht
+aan die van het schip, ging er onder door en stiet intusschen, bloot
+toevallig naar men meende, tegen den romp. De bemanning gevoelde
+een hevigen schok en bemerkte spoedig, dat er een lek was ontstaan;
+ook de Potvisch scheen zwaar gekwetst te zijn, want hij wentelde
+zich, alsof hij razend was, in 't water om; weldra echter kwam hij
+weer bij en verwijderde zich--zoo dachten althans de manschappen,
+die aan de pompen werkten. Op een afstand van 100 vademen zag men
+echter den Potvisch plotseling tot stilstand komen, rechtsomkeert
+maken en woedend op het schip losschieten; hij trof het aan den
+voorsteven en vernielde het zoo zeer, dat het onmiddellijk begon
+te zinken.--Verscheidene oude dieren van deze soort zijn wegens
+hun strijdlust aan de walvischvangers goed bekend en hebben als
+"vechtende" of "bijtende Walvisschen" een zekeren roem verworven,
+zooals b.v. "Nieuw-Zeelandsche Tom", een reusachtige Cachelot, die zijn
+naam ontleent aan het deel van den Oceaan, waar hij zich bij voorkeur
+ophoudt. Men zegt, dat hij door de ervaring zoo schrander geworden is,
+dat hij iederen aanval voorkomt en de booten stukslaat of stukbijt,
+als zij niet tijdig zijn vaarwater verlaten. De schepen zelf laat hij
+echter met vrede. In liederen en verhalen wordt zijn roem verkondigd;
+naar men beweert, steekt zijn rug zóó vol harpoenen, dat hij op dien
+van een Stekelvarken gelijkt.--Uit het zooeven gezegde blijkt, dat
+men den Potvisch als den flinksten en edelsten van alle Cetaceën mag
+aanmerken; hij is het type van een echt zeemonster.
+
+De groote gevaren, die de potvischjagers bedreigen, worden
+ternauwernood opgewogen door de winst, die zij hopen te behalen, hoe
+groot deze ook is. Behalve het spek, dat een zeer goede traansoort
+oplevert, worden van den Potvisch ook nog _spermaceti (walschot)_
+en ambergrijs verkregen. De doorzichtige en bijna kleurlooze
+spermaceti-olie, die uit de holten van den kop geschept wordt,
+is aanvankelijk vloeibaar, n.l. zoolang zij nog de temperatuur van
+het levende dier heeft. Bij bekoeling scheiden zich uit deze olie
+plaatvormige, paarlmoer-glanzige kristallen van een vast vet af,
+waardoor zij weldra tot een witte massa stolt; hieruit wordt door
+persen en omsmelten het nog overige vloeibare vet verwijderd. Het
+zuivere walschot bestaat uit een eigenaardige vetsoort (cetine)
+en bevat ook een kleine hoeveelheid cetyl-alcohol; het smelt bij
+45° C. Het wordt gebruikt voor de bereiding van pleisters, zalven,
+blanketsel, lippenpommade enz., verder voor het vervaardigen van zuiver
+witte kaarsen, die als luxe-artikel vooral in Engeland aftrek vinden
+en ook bij photometrische onderzoekingen te pas komen, eindelijk ook
+voor het appreteeren van linnen garen. De prijs in den groothandel
+was in 1895 per K.G. f 2.10. Een gewone Cachelot levert 12 ton ruwe
+spermaceti. Kostbaarder nog is de _ambra_ (het _ambergrijs_); de
+prijs van dit artikel stijgt voortdurend en bedroeg in 1891 f 4200
+per K.G. Over den oorsprong van deze stof zijn sedert overouden
+tijd vele vermoedens geuit, totdat men haar als een product van den
+Potvisch leerde kennen: zij is een lichte, wasachtige, ondoorzichtige,
+brokkelige massa, meestal grijsbruin of lichtgrijs met lichte en
+donkere aders en vlekken; bij 't kneden tusschen de vingers wordt zij
+week; zij smelt bij 60° C. Bij verwarming verbreidt zij een aangenamen,
+eenigszins aan benzoë en in de verte aan muskus herinnerenden geur,
+daar zij nevens het bij hooge temperatuur vluchtige ambra-vet de
+gemakkelijker verdampende ambra-olie (hoogstens 13 percent) bevat. In
+het Oosten wordt zij voor berookingen, in Frankrijk, opgelost in
+alcohol en gemengd met andere welriekende oliën, voor het bereiden van
+reukwaters en het parfumeeren van zeep gebruikt. Veelvuldiger dan uit
+het lichaam van den Potvisch vischt men het ambergrijs uit zee op (bij
+Java, Madagaskar, Suriname enz.). Het is aan geen twijfel onderhevig,
+dat men werkelijk stukken van 90 KG. gewicht, 1.5 M. lengte en meer
+dan 0.5 M. dikte in de zee drijvend heeft gevonden; meestal vindt
+men echter kleinere stukken.--Bovendien worden ook nog de _tanden_
+van den Cachelot gebruikt, n.l. in plaats van ivoor. Zij zijn van
+binnen eenigszins geelachtig, maar bestaan uit een zeer dichte,
+vaste en duurzame stof; men maakt er dikwijls knoopen en fiches
+van. De prijs per KG. bedraagt f 3 à f 4.80.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+***** This file should be named 24008-8.txt or 24008-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/4/0/0/24008/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.