diff options
Diffstat (limited to '23759-8.txt')
| -rw-r--r-- | 23759-8.txt | 18759 |
1 files changed, 18759 insertions, 0 deletions
diff --git a/23759-8.txt b/23759-8.txt new file mode 100644 index 0000000..b2e1ba1 --- /dev/null +++ b/23759-8.txt @@ -0,0 +1,18759 @@ +The Project Gutenberg EBook of Sagen van Koning Arthur en de Ridders van +de Tafelronde, by Nelly Montijn-De Fouw + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde + +Author: Nelly Montijn-De Fouw + +Illustrator: Arthur Rackham + +Release Date: December 7, 2007 [EBook #23759] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KONING ARTHUR *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + SAGEN VAN KONING ARTHUR + EN DE RIDDERS VAN DE + TAFELRONDE. + + + + + + AAN MIJN MAN. + + + + + + + + SAGEN VAN + KONING ARTHUR + EN DE RIDDERS VAN + DE TAFELRONDE + + + + DOOR + + NELLY MONTIJN-DE FOUW, + + GEILLUSTREERD DOOR + + ARTHUR RACKHAM. + + + ZUTPHEN--W. J. THIEME & CIE. + + + + + + + +ALGEMEENE INLEIDING. + + +Doordat ik mij bij mijne studie in de Engelsche Taal en Letterkunde +meer in het bijzonder had beziggehouden met de studie der Arthur-sagen +en dus wist, hoe uitgebreid het veld daarvan is, heb ik niet dan met +eenige aarzeling de bewerking van eenige dier sagen voor de pers op +mij genomen. + +Het was inderdaad niet gemakkelijk om uit het groote aantal +Arthur-sagen, welke verspreid zijn over de letterkunde van bijkans +gansch Europa, eene geschikte keuze te doen. Of ik hierin geslaagd +ben met de tien verhalen, welke in de volgende bladzijden zijn +opgenomen--de toekomst zal het leeren! + +Het ligt voor de hand, dat ik door mijne reeds genoemde studie gedreven +werd om mij, wat de keuze der sagen betreft, het eerst te wenden tot +de Engelsche letterkunde; het meerendeel mijner verhalen is dan ook +hieraan ontleend. + +Een tweetal sagen: de sage van den Leeuwenridder en die van Erec en +Enide hebben elk als bron een gedicht van Chrétien de Troies, den +Franschen hofdichter uit de 12e eeuw, wiens groote verdiensten voor +de ontwikkeling der Arthur-sagen nauwelijks kunnen worden overschat +en op wiens werken ik nog meermalen hoop terug te komen. + +De Tristan-sage mag beschouwd worden te behooren tot de +wereld-literatuur, aangezien dichters van alle tijden en van alle +volken haar tot onderwerp van hunne werken hebben gekozen. + +De Parcival- en Graal-sagen vonden hare hoogste volmaking in het +Middel-Hoogduitsche gedicht van Wolfram von Eschenbach, hetwelk ik +daarom in mijn verhaal gevolgd heb. + +Ik heb mij, wat betreft deze beide verhalen, van eene opname in mijn +bundel niet laten weerhouden door het feit, dat zij reeds in andere +sagenbundels zijn verschenen. [1] Beide behooren tot den Arthur-cyclus; +de naam van Tristan wordt reeds in de oudste documenten verbonden met +dien van Koning Arthur [2] en het verhaal van zijne liefde voor de +schoone Isolde moet dus zeer zeker beschouwd worden als behoorende tot +de Arthur-sagen. Wat het Graal-verhaal betreft, deze zeer bijzondere +sage houdt zulk een nauw verband met de lotgevallen van de ridders +der Tafel-Ronde en heeft bovendien zulk een grooten invloed gehad op +het wezen der Arthur-legenden, dat men haar in eene verzameling als +deze moeilijk zou kunnen missen. + +Het eerste en het laatste der opgenomen verhalen, waarin eene +beschrijving wordt gegeven van Arthur's Komst en Arthur's Dood, +bevatten de oudste overleveringen aangaande dezen held; die +overleveringen zijn van zuiver Britschen oorsprong. De andere verhalen, +mogen zij al door mij aan de Engelsche letterkunde zijn ontleend, +zijn toch steeds in hunnen oorspronkelijken vorm terug te voeren tot +oud-Fransche dicht- of prozawerken. + +In deze tien verhalen hoop ik in hoofdtrekken een beeld te hebben +gegeven van de Arthur-sagen, zooals deze zich in de 12e en 13e eeuw +verspreidden over de letterkunde van Europa. Het kan uiteraard slechts +een zeer gebrekkig beeld zijn, want het aantal sagen, dat zich in +den loop dezer eeuwen rond den eigenlijken kern ontwikkeld heeft, +is inderdaad verbazingwekkend; het bestek dezer uitgave maakte echter +eene beperkte keuze noodzakelijk. + +In verband hiermede moet ik met een enkel woord mijn leedwezen betuigen +over het feit, dat ik uit de Middel-Nederlandsche letterkunde, +welke toch ook verscheidene Arthur-sagen bevat, geen enkel verhaal +heb overgenomen. + +Niet gaarne zou ik den schijn op mij laden, als keurde ik de +letterkunde van mijn eigen land minder aandacht waardig dan die van +andere landen. Waar echter na de Britsche Arthur-sagen de oud-Fransche +ridderromans door hunne grootere oorspronkelijkheid mij vóór alles +de vermelding waard schenen, zoo moge gebrek aan plaats-ruimte als +mijne verontschuldiging dienen, dat ik geen gelegenheid had, ook een +der Middel-Nederlandsche Arthur-romans in mijn bundel op te nemen. + +Het zij mij echter vergund, hier een kort overzicht te geven van de +meest belangrijke der Arthur-verhalen van Nederlandschen bodem. + +Op enkele uitzonderingen na zijn het vertalingen en min of meer +getrouwe navolgingen van Fransche romans, welke door Vlaanderen +en Brabant ons land waren binnengekomen. Immers aan het hof van +Vlaanderen, onder de hooge bescherming der kunstlievende Vlaamsche +graven en gravinnen, kwam de Fransche dichtkunst tot ongekenden bloei +en hier ontstonden ook de beste ridderromans uit die dagen. + +Geen wonder, dat deze verhalen ook spoedig doordrongen tot in ons land, +waar zij een dankbaar onthaal vonden, al was de geest, die eruit sprak, +geheel vreemd aan den volksaard hier te lande. + +Het meerendeel der Middel-Nederlandsche Arthur-sagen is tot ons +gekomen in de groote Lancelot-compilatie: eene verzameling sagen, +welke in het begin der 14e eeuw werd bijeengebracht door Lodewijk van +Velthem. Het werk omvat drie deelen: 1º een zeer uitgebreid berijmd +verslag van de avonturen van Lancelot, welk verslag helaas slechts +gedeeltelijk tot ons is gekomen, 2º de Graalqueste en 3º Artur's +Dood. Verder komen in deze compilatie voor: een roman over Percevael, +[3] waarvan slechts een duizendtal versregels bewaard zijn gebleven, +een Walewein-boek, een roman "van den Ridder metter Mouwen", en een +"van de Wrake van Ragisel" benevens nog enkele andere. Deze verhalen, +oorspronkelijk onafhankelijk van elkander, werden door Velthem +door zijn Lancelot-roman heengevlochten, de onderlinge samenhang is +echter zeer gebrekkig. Bijzondere vermelding onder deze toegevoegde +romans verdient het verhaal van Ferguut, den eenvoudigen boerenzoon, +die door zijne liefde voor de schoone Galiene zich ontwikkelt tot +een volmaakt ridder. Deze roman is in zijn geheel bewaard gebleven, +het is eene bewerking, waarschijnlijk door twee dichters, van den +Franschen roman Fergus. + +Ook vinden wij in de Lancelot-compilatie den roman van Moriaen, die +te meer onze belangstelling vraagt, omdat hiervan geen bron bestaat +en wij hem dus als een oorspronkelijk werk mogen beschouwen. Dit is +ook het geval met den roman van Walewein, die geschreven werd in de +13e eeuw door de dichters Penning en Vostaert. + +Jacob van Maerlant (± 1235-± 1290), de beroemde Vlaamsche dichter +en schrijver, wijdde in de eerste periode van zijn werktijd zijne +volle aandacht aan den ridderroman. Hij vervaardigde bewerkingen +van de romans van Merlijn, den Graal en van Torec, alle tusschen de +jaren 1257-1264. + +"De Historie van den Grale" en "Merlijns Boeck" vormen te zamen de +vertaling van een Franschen proza-roman van Robert de Borron. In 1326 +voltooide Lodewijk van Velthem "het boek van Koning Artur", dat zich +bij Maerlant's "Merlijn" aansluit en de vertaling is van een Fransch +"Livre du Roi Artus." + +Van den roman van Torec, die opgenomen werd in de Lancelot-compilatie, +is tot nu toe geen Fransch origineel gevonden, dus is deze +waarschijnlijk als eene oorspronkelijke schepping van Maerlant te +beschouwen. + +Behalve bovengenoemde ridderromans, welke althans gedeeltelijk nog +in wezen zijn, moeten er nog vele andere hier te lande bekend zijn +geweest. Zoo maakt Maerlant in zijne verschillende werken melding +van de volgende verhalen: "Tristan en Isoude", "Octaviaan", "Madocs +Droom" en "Amadas en Ydoine", van deze zijn echter geen Nederlandsche +bewerkingen bewaard gebleven. + +Na deze korte uitweiding op het gebied der letterkunde van ons eigen +land keeren wij terug naar de sagen in dezen bundel. + +In de inleidingen, welke daaraan voorafgaan, heb ik getracht, +een kort overzicht te geven van het ontstaan en de ontwikkeling der +verschillende verhalen. Deze inleidingen maken _allerminst_ aanspraak +op wetenschappelijke waarde en volledigheid; zij hebben slechts ten +doel om hem of haar, die iets naders omtrent het wezen der sage wil +weten, eenigszins in zijn pogen daartoe van dienst te zijn en den +belangstellenden lezer enkele werken aan de hand te doen, waarin hij +zijne weetgierigheid kan bevredigen. Daar ik in deze inleidingen +elke sage afzonderlijk besproken heb, wil ik hier nog slechts het +een en ander zeggen over het ontstaan en den ontwikkelingsgang der +Arthur-sage in het algemeen. Ook dit kan niet meer zijn dan eene +vluchtige schets; eene eenigszins volledige beschouwing over dit zeer +uitgebreide onderwerp zou buiten het kader dezer inleiding vallen en +is trouwens in verschillende handboeken voor een ieder, die er belang +in stelt, te lezen. Ik zal dus kort zijn. + +Wie was Koning Arthur? Wanneer en waar heeft hij geleefd? Ziedaar +twee vragen, waarmede geleerden van alle tijden zich hebben bezig +gehouden en tot welker beantwoording zij hebben trachten te geraken +door een nauwkeurig onderzoek van alle beschikbare documenten, welke +eenig licht zouden kunnen werpen in het duister dat dit vraagstuk +omgeeft. En toch--ondanks al hun pogen--zijn zij slechts gedeeltelijk +geslaagd. De gestalte van Koning Arthur blijft gehuld in een waas van +geheimzinnigheid, waardoor het ons slechts nu en dan vergund wordt +een blik te slaan op zijne werkelijke persoonlijkheid. + +Voor de weinige op historie berustende overleveringen van onzen held +moeten wij ons wenden tot Wales, het land, waarheen de oudste bewoners +van Brittannië, de Britten, een Keltische volksstam, de wijk namen voor +de Germaansche overweldigers, die in de 5e en 6e eeuw hun land kwamen +binnenvallen. Wij vinden den naam van Arthur het eerst vermeld in de +"Historia Brittonum", waarvan de schrijver: Nennius of Nynniaw genaamd, +afkomstig was uit Wales en geleefd moet hebben omstreeks het jaar 800. + +Zijn werk kan in twee deelen gesplitst worden; in het eerste, +quasi-historische deel, geeft hij eene vluchtige schets van de +geschiedenis van Brittannië van de oudste tijden af tot de achtste +eeuw toe; het tweede deel is van meer romantischen aard. + +De rang, welken Arthur volgens dit werk bekleedde, was niet +die van koning, maar van "dux bellorum". Dit was een militaire +titel, waarschijnlijk afkomstig uit den tijd der Romeinsche +overheersching. Als "dux bellorum" moet Arthur in de 5e eeuw de +Britten hebben aangevoerd in niet minder dan twaalf veldslagen tegen +de Saksen, waarvan er twee beroemd zijn geworden in de Arthuriaansche +letterkunde. Dit zijn: de veldslag bij het slot Guinnion, waarin Arthur +het beeld der Heilige Maagd op zijne schouders droeg, welk feit kan +beschouwd worden als de eerste aanwijzing van zijne verheerlijking +als held der Christenheid en de slag bij den berg Badon--Mons +Badonis--waarvan vermeld wordt, dat Arthur bij die gelegenheid +eigenhandig negen honderd en zestig vijanden doodde. Hierin zien wij +de eerste kenteekenen van de neiging om onzen held te begiftigen met +wonderbaarlijke kracht en dapperheid. + +Wij zien dus, dat volgens het werk van Nennius Arthur een soort +legeraanvoerder geweest moet zijn. Wanneer wij hem nu in de oude +verhalen van Wales bekleed zien met den rang van "imperator", moeten +wij dit hieraan toeschrijven, dat, toen de Romeinsche keizer ophield +macht te bezitten over Brittannië [4], het volk als vanzelfsprekend +zijn titel overdroeg op den militairen bevelhebber, wiens ambt door +de Romeinen was ingesteld. + +Van den aanvang af schijnt Arthur's naam verbonden te zijn geweest +met het begrip van het wonderlijke en bovennatuurlijke. Lezen +wij reeds in het eerste deel van het werk van Nennius over zijne +schitterende wapenfeiten, welke getuigenis afleggen van zijn +bovenmenschelijken moed, in het tweede deel, dat de z. g. "Mirabilia" +bevat, (d. w. z. zekere natuurwonderen en andere merkwaardigheden, +welke in Brittannië waren voorgekomen en welke Nennius volgens zijn +zeggen beschreef, zooals anderen vóór hem gedaan hadden wordt de +romantische zijde van zijne persoonlijkheid nog meer naar voren +gebracht. Wij lezen hier van Arthur's hond: Cabal of Cavall, die +met zijne voorpooten een afdruk maakte in een hoop steenen, waarvan +sindsdien de bovenste steen nooit meer verwijderd kon worden. Waar +men hem ook heen droeg, steeds werd hij den volgenden morgen weer op +zijne oude plaats aangetroffen. Het maken van dien afdruk geschiedde, +toen Arthur met zijn hond op jacht was naar het wilde zwijn Troit of +Trwyth, waarvan ook in andere oude verhalen van Wales sprake is. [5] + +Verder wordt ons in de "Mirabilia" verteld van het graf, dat Arthur +bouwde voor zijn zoon Amir, en dat voortdurend veranderde van vorm +en grootte. + +Vreemd genoeg komt Arthur's naam niet voor in het oudste werk over +de Britsche geschiedenis: "De Excidio et Conquestu Brittanniae" +geschreven door een monnik: Gildas in de 6e eeuw. Wel noemt hij den +slag bij Mons Badonis, doch den naam van den held van dien slag +noemt hij niet. Wij kunnen dit misschien hieruit verklaren, dat +Gildas behoorde tot de Romeinsche partij en met minachting neerzag +op alles, wat Britsch was. Wij mogen dus niet van hem verwachten, +dat hij één der leiders der Britten in zijn werk zou prijzen. Om +soortgelijke redenen kan de naam van onzen held zijn weggelaten +uit de Angel-Saksische Kroniek, welke ten tijde van Koning Alfred +(871--901) begonnen werd en de geschiedenis van Brittannië geeft +vanaf de verovering door Julius Caesar (55 vóór Chr.) tot den dood +van koning Steven en de troonsbestijging van Hendrik II in 1154. + +In eene andere kroniek, de "Annales Cambriae", welke in een handschrift +uit de 6e eeuw bewaard is gebleven, vinden wij daarentegen Arthur's +naam vermeld in verband met eenige veldslagen, waarin hij heeft +medegevochten. De slag van Mons Badonis wordt hierin genoemd voor het +jaar 516, terwijl 537 wordt vermeld als zijnde het jaar, waarin de slag +bij Camlan geleverd werd: "in which Arthur and Medraut fell". Hier +vinden wij de eerste aanduiding van den beruchten veldslag, die door +latere schrijvers en dichters wordt beschreven als het rampzalig +einde van Arthur's roemrijk bestaan. [6] + +Reeds zijn wij aan het einde gekomen van de korte reeks +der geschiedkundige overleveringen aangaande den persoon van +Arthur. Thans dient nog verklaard te worden, hoe het mogelijk is, +dat een legeraanvoerder van een klein en overwonnen volk in korten +tijd verheven werd tot koning in het rijk der romantiek, tot vorst +over een schitterend hof en tot heer en meester over de beroemdste +ridders der Christenheid. + +Een blik op de oude letterkunde van Wales toont ons, dat de schrijvers +van dat land niet zooveel aandacht aan onzen held hebben geschonken, +als men zou verwachten. Weliswaar komt hij voor in den reeds genoemden +"Mabinogion", maar slechts in vijf van de twaalf verhalen, welke in +de vertaling van Lady Guest zijn opgenomen. In de oudste gedichten +van Wales vinden wij slechts nu en dan melding van zijn naam en in +de Welsche "Triaden" [7], die volgens Sir John Rhys [8] de eerste +vermelding van Koning Arthur bevatten, zijn de toespelingen op hem, +hoewel zeer belangwekkend, tamelijk vaag. Wij lezen hierin van +Arthur's veldtocht tegen de Romeinen, van Modred's verraad, van den +slag bij Camlan, van Arthur's dood en--dit is zeer belangrijk--van +zijne begrafenis in een paleis op het eiland Avallach. [9] + +In eene andere Triade vinden wij den naam van onzen held in verband +gebracht met de drie beroemde zwijnenhoeders van het land. Een hunner +is Drystan, zoon van Tallwch, die de zwijnen hoedt van March, zoon +van Meirchion, terwijl de eigenlijke hoeder eene boodschap voor hem +overbrengt naar Essylt. In zijne afwezigheid komen Koning Arthur en +zijne ridders en pogen Drystan één zijner dieren afhandig te maken, +hetgeen hun echter niet gelukt. Drystan is natuurlijk niemand anders +dan Tristan en Essylt is Isolde, de vrouw van zijn oom, koning Mark +van Cornwall. + +Men ziet hieruit, hoe reeds in de oudste overleveringen de naam van +Tristan met dien van Arthur verbonden is. + +Al deze vermeldingen wijzen op oude overleveringen betreffende den +persoon van Arthur, welke overleveringen niet altijd begrijpelijk +waren voor de middeleeuwsche schrijvers en daardoor vaak op verwarde +wijze door hen werden weergegeven. Het bestaan van die overleveringen +moeten wij in het oog houden, wanneer wij straks willen verklaren, hoe +de verhalen omtrent onzen held plotseling zóó zeer uitgebreid werden, +dat zij tenslotte als een der groote middeleeuwsche sagenkringen +moeten worden beschouwd. + +Het mag betwijfeld worden of zij ooit tot dezen ongekenden bloei +geraakt zouden zijn, als hieraan niet de stoot was gegeven door het +werk van Geoffrey of Monmouth, die ons omstreeks het jaar 1139 in zijn: +"Historia Regum Brittanniae" het eerste volledige verslag gaf van de +Arthur-geschiedenis [10]. Het vraagstuk van Geoffrey's bronnen is nog +steeds onopgelost; of hij ooit het "most ancient book in the British +language" gebruikte, waarover hij in zijne opdracht aan Robert, graaf +van Gloucester, spreekt en hetwelk hij voorgeeft ter vertaling in +het Latijn te hebben ontvangen van een zekeren Walter, aartsdeken van +Oxford, blijft altijd een punt van twijfel uitmaken. Hoe dit ook zij, +zooveel is zeker, dat de schrijver door eene handige samensmelting van +geschiedkundige--of quasi-geschiedkundige--en romantische bestanddeelen +erin geslaagd is om Koning Arthur eene plaats te verzekeren onder de +meest beminde helden van zijn tijd [11]. Het boek had een zeer groot +succes, ondanks de verwijten van kroniekschrijvers als William of +Newburgh, die het eene schandelijke bedriegerij noemde. Het succes +blijkt wel het best uit de vele vertalingen en navolgingen. Zoo werd +het werk korten tijd vóór den dood des schrijvers overgebracht in +Anglo-Normandische verzen door een zekeren Geoffrey Gaimar, wiens +gedicht echter in zijn oorspronkelijken vorm verloren is geraakt. + +Verder werd zijn werk tot grondslag genomen door den Normandischen +dichter Wace, die in 1155 zijn gedicht "Brut" voltooide, waarin wij +de gebeurtenissen uit de "Historia" vermeld zien, met bijvoeging van +vele Bretonsche legenden en nieuwe gebeurtenissen in het leven van +onzen held. + +Zoo wordt ons aangaande het sterven van Koning Arthur medegedeeld: +niet alleen, dat hij--zooals wij reeds in de "Historia" lazen--naar +het eiland Avalon werd gevoerd om aldaar genezing te vinden voor +zijne wonden, maar dat hij eens vandaar zou wederkeeren, ten einde de +heerschappij over de Britten opnieuw te aanvaarden. Dit vertrouwen in +Arthur's onsterfelijkheid en terugkeer, de z. g. "hope of Britain", +vinden wij in de latere geschriften over onzen held steeds weer +uitgedrukt, maar Wace is de eerste geweest om ervan te gewagen. + +Ook spreekt Wace in zijn "Brut" het eerst over de Ronde Tafel, welke +zulk eene belangrijke rol vervult in de latere Arthur-verhalen. Hij +doet dit in de volgende woorden: + + + "Por les nobles barons qu'il ot, + Dont cascuns mieldre estre quidot..... + Fist Artus la roonde table, + Dont Breton dient mainte fable: + Ilve seeient li vassal + Tuit chevalment et tuit ingal." [12] + + +In hedendaagsch Fransch overgezet luiden deze regels ongeveer als +volgt: + + + Pour les nobles barons qu'il avait + Dont chacun voulait être meilleur _(que l'autre)_ + Arthur faisait la ronde table + Dont les Bretons racontent beaucoup de fables. + Là s'asseyaient les vassaux, + Tous vaillants et tous égals. + + +Deze regels bewijzen, dat men in het midden der 12e eeuw, behalve +het werk van Geoffrey, in het verfranschte Engeland en in Normandië +nog eene menigte andere verhalen kende over Arthur en zijne ridders. + +In de eerste jaren der volgende eeuw werden de werken van Geoffrey +en van Wace voor de Engelsch-sprekende bevolking van Brittannië +toegankelijk gemaakt door de vertaling van Layamon, een Engelsch +priester uit Worcestershire. In zijn allitereerend gedicht: "Brut" +treffen wij een aantal Welsche legenden aan, welke Wace niet kende. Het +werk van Layamon geeft uiting aan de vaderlandslievende gevoelens +van den schrijver en heeft ten doel om de "noble deeds of England" +te verheerlijken en Arthur, den grooten Christenkoning van Engeland, +als het ware tot zijn land en volk terug te doen keeren. + +In het z. g. Fransche tijdperk der Arthur-sagen wordt de kleine groep +van Arthur en zijne twee of drie getrouwe trawanten uit de oude, +Keltische overleveringen: Key, Bedivere en Walewein, uitgebreid +tot een schitterenden hofkring, waarvan deel uitmaken ridders als +Lanceloet, Tristan en Parcival, wier daden zelfs die van hun koning +in dapperheid overtreffen. + +Op de wijze, waarop de Arthur-sagen in handen der Fransche dichters +zijn gekomen, kom ik later nog met een enkel woord terug [13]. + +Die Fransche dichters nu, met aan het hoofd de beroemde hofdichter +Chrétien de Troies [14], hebben aan den Arthur-cyclus den vorm +gegeven, waaronder wij hem thans kennen en bewonderen. Zij hebben +er aan toegevoegd de sagen van Lanceloet, van Tristan en Isolde, +van den Heiligen Graal enz. enz. Dit viel hun des te gemakkelijker, +omdat Arthur's koninkrijk, ergens in het verre Westen gelegen, allengs +zijne vaste grenzen verloren had en deze onbegrensdheid het mogelijk +maakte, dat ridders uit de verste streken van het rijk der mythe zich +onder Arthur's vanen schaarden. + +Wij moeten twee tijdperken onderscheiden in de behandeling van het +Arthuriaansche thema in Frankrijk. Het eerste: dat der romans in +versmaat, valt in de tweede helft der 12e eeuw, het tweede: dat der +proza-romans, in de eerste helft der 13e eeuw. + +In Engeland werden in de 13e en 14e eeuw eveneens romantische +gedichten over onzen held en zijne ridders geschreven; met eene enkele +uitzondering [15] staan deze echter verre ten achter bij de Fransche +gedichten in letterkundige beteekenis en dichterlijke schoonheid. + +Wij moeten hierbij echter niet vergeten, dat de kring van lezers, +waarvoor deze Engelsche romans geschreven werden, tot de volksklasse +behoorde, daar Fransch in die dagen de taal was van het hof en de +hoogere kringen. + +Ook in Duitschland vonden de romantische gedichten grooten bijval en +navolging. Over enkele dier gedichten hoop ik later te spreken [16]. + +Zoo groeide en bloeide de Arthur-cyclus in de Middeleeuwen, tot wij +hem mogen beschouwen als de meest populaire der drie groote kringen +[17] van ridderromans uit die dagen. + +Waaraan moeten wij die voorkeur van het Middeleeuwsche publiek voor +de verhalen der Tafel Ronde toeschrijven? + +M. W. Maccallum in zijn werk, getiteld: "Tennyson's Idylls of the +King and Arthurian Story from the XVIth Century", Glasgow, 1894, +vindt er eene verklaring voor. De ridderschap, zoo zegt hij, trachtte +eene overbrugging te vinden voor de tegenovergestelde machten in de +Middeleeuwen: de kerkelijk-godsdienstige denkbeelden der geestelijkheid +en het ruwe leven der leeken. Toen de nieuwe leerstellingen der kerk de +hoogere klassen der Middeleeuwsche samenleving begonnen te beïnvloeden, +stelden deze zich niet langer tevreden met het vrije, bandelooze leven, +dat zij tot hiertoe geleid hadden. Hoe konden zij, die hunne eigen +meesters waren, die elken wensch of begeerte, welke bij hen opkwam, +terstond zochten te bevredigen, die leefden in zorgelooze weelde, hoe +konden zij een dergelijk bestaan vereenigen met de drie geloften van +gehoorzaamheid, kuischheid en armoede, waartoe de kerk hen wenschte +te verbinden? Toen was het, zegt Maccallum, dat de grondslagen werden +gelegd voor het rijk der ridderschap. Al bestond dit rijk meer in de +harten en de verbeelding der menschen dan in de werkelijkheid, toch is +de ridderlijkheid in den loop der eeuwen nooit geheel ten onder gegaan. + +De ridder vormde in de Middeleeuwen als het ware de schakel tusschen +den monnik, die zijn leven doorbracht in strenge afzondering van de +wereld en den gewonen leek. De invloed der kerk was reeds te bespeuren +bij den aanvang van de loopbaan des jongen ridders. Ook hij werd +gebonden door drie geloften, weliswaar niet door de strenge geloften +van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid, maar door die van mildheid, +hoffelijkheid en eerbaarheid. + +Toch blijft hij een man van de wereld in den volsten zin des woords en +talloos zijn dan ook de beschrijvingen van vroolijke feestgelagen, van +zang en dans en schitterende hoffeesten, welke wij in de ridderromans +aantreffen. + +Om nu de voorkeur van het Middeleeuwsche publiek voor de Arthur-sagen +te verklaren, toont de schrijver aan, hoe van de drie groote kringen +van ridder-romans in dien van Karel den Grooten het kerkelijke +bestanddeel de overhand heeft. De romans van Alexander daarentegen, +hoezeer zij ook getuigenis afleggen van de groote bekoring, welke de +glans en pracht van het Oosten steeds voor de Westersche volkeren +bezeten heeft, bevatten te weinig dieperen zin om op den duur te +kunnen boeien. + +In de Arthur-romans, zoo besluit Maccallum zijn betoog, worden de +beide stroomingen vereenigd tot een harmonisch geheel. + +Koning Arthur, wiens wonderbaarlijke heldendaden, beschreven in de +gloeiende bewoordingen der oude Keltische verhalen, hem bij uitstek +geschikt maakten om als held te worden vereerd, voldeed door zijn +strijden voor het Christelijk geloof aan de eischen van hen, die vóór +alles eene godsdienstige strekking zochten in de oude verhalen. + +Het einde der 15e eeuw bracht het einde der Middeleeuwen en het verval +der ridderschap. + +Twee gebeurtenissen, hoe weinig zij ook op het eerste gezicht +verband houden met het bestaan der ridderlijke samenleving, maakten +er plotseling een einde aan. Ik doel hier op de uitvinding van het +buskruit en die der boekdrukkunst. De eerste maakte het beeld van +den ridder, die zich roem verwierf in den strijd met zijn lans +en schild, tot eene onmogelijkheid. De tweede, welke eene snel +toenemende bekendheid van andere landen en volkeren met zich mede +bracht, doodde de illusie van de onbekende, gevaarvolle landstreken, +waarin de ridder zich waagde, zoodra hij buiten de naaste omgeving +van het kasteel was gekomen. + +Nieuwe onderwerpen begonnen de menschen te boeien; de vele ontdekkingen +en uitvindingen eischten al hunne aandacht op en het gevolg was, +dat de algemeene belangstelling voor de romantische verhalen uit den +riddertijd begon te verflauwen. + +Op het oogenblik zelve, dat de oude verhalen van koning Arthur in de +vergetelheid dreigden te geraken, werden zij, wat Engeland betrof, +van den ondergang gered en neergelegd in een werk van blijvende waarde +en bekoring. + +Een ieder, die zich met het bestudeeren der Arthur-sagen heeft +beziggehouden, zal begrijpen, dat ik hier doel op de "Morte d'Arthur", +het standaardwerk van Sir Thomas Malory. + +Dit werk, dat geschreven werd omstreeks het midden der 15e eeuw +(1469), bevat eene verzameling Arthur-sagen, nagenoeg alle ontleend +aan de Fransche ridderromans [18] en naverteld op eene wijze, welke +ons thans nog evenzeer weet te bekoren als het publiek, waarvoor het +geschreven werd. Malory's boek zal altijd een der standaardwerken +blijven van de Arthuriaansche letterkunde en dichters, zooals Alfred +Tennyson, musici, schilders en geleerden op het gebied der folk-lore +hebben door alle tijden heen steeds daaruit hunne kennis geput. + +Vanaf het einde der 15e eeuw komen, zooals hierboven reeds werd +aangeduid, andere onderwerpen de aandacht der schrijvers en dichters +opeischen. Gedurende de volgende drie eeuwen hooren wij weinig over +Koning Arthur en zijne ridders, hoewel het feit, dat, om bij Engeland +te blijven, dichters als Spenser, Milton en Dryden het onderwerp +hunne aandacht waardig keurden, als een bewijs mag dienen, dat de +belangstelling voor de oude sagen niet geheel verdwenen was. + +In de 19e eeuw valt eene opleving van de waardeering voor de +Arthur-legenden waar te nemen. + +De romantiek had eene algemeene belangstelling voor de Middeleeuwen +wakker gemaakt en zoo kwamen ook de oude ridderverhalen weer voor +het voetlicht. + +Niet alleen, dat geleerden van alle landen zich beijverden om de +oude gedichten door critische uitgaven en verklarende aanteekeningen +genietbaar te maken voor hen, die met de oude taal onbekend waren, +niet alleen, dat er eene gansche letterkunde ontstond van belangrijke +studies en beschouwingen over die sagen, ook de dichters van alle +landen namen de oude verhalen ter hand en verwerkten ze in hunne +verzen. + +In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik gelegenheid hebben +op de namen van die dichters en schrijvers terug te komen, ik zal +ze hier dus niet noemen. Zij allen bewijzen, dat de belangstelling +voor de verhalen der Tafel Ronde thans bijkans even levendig is, +als toen de Middeleeuwsche dichter Jean Bodel uitriep: + + + "Li Conte de Bretaingne sont si vain et plaisant!" + + +Moge de volgende bladzijden er toe bijdragen om die belangstelling +gaande te houden. + + +Houten, (U.), 1920. N. M.--d. F. + + + + + + +ARTHURS KOMST. [19] + + +_Van de geboorte van koning Arthur._ In lang vervlogen tijden werd het +volk der Britten geregeerd door een vorst, die uitmuntte in wijsheid en +dapperheid. Zijn naam was Uther Pendragon, hetgeen in de oude Britsche +taal zeggen wilde: Uther met den drakenkop. Men had hem die benaming +geschonken, omdat hij gewoon was op zijn helm een gouden drakenkop +te dragen. + +Deze vorst bestuurde zijn volk met wijsheid en verstand en voerde +zijne dappere legerscharen ter overwinning in vele veldtochten +tegen de Saksen, die het land met hunne woeste invallen plachten te +teisteren. Eindelijk gelukte het Uther zijnen vijanden eene beslissende +nederlaag toe te brengen en den vrede in zijn rijk te herstellen. + +Zegevierend keerden de Britsche legers terug naar de hoofdstad +van het land, Winchester. In de landstreken, waar zij doortrokken, +stonden de inwoners langs den weg geschaard om hen te huldigen; zij +werden behangen met kransen van groen en bloemen, wijn en andere +lafenis werd hun geboden en de lucht was vervuld van het gejubel +der menigte. Nooit schalden de juichkreten hooger op, dan wanneer de +statige figuur van Uther Pendragon zichtbaar werd. Recht en fier zat +de koning in den zadel, met een minzamen glimlach dankte hij het volk +voor de hem gebrachte hulde; de zon overgoot zijne vorstelijke gestalte +met hare stralen en deed den gouden drakenkop op zijn helm schitteren. + +Na den glorierijken intocht in Winchester, riep Uther zijne baronnen +bijeen, om aldaar met hem het Paaschfeest te vieren. Van alle zijden +kwamen de edelen met hunne vrouwen en gevolg aangereden om aan die +uitnoodiging gehoor te geven en weldra was het in de straten der +oude bisschopsstad een gewoel en gedraaf van knechten en vrouwen in +hunne kleurige kleedij, die vooruit gezonden waren om alles voor de +ontvangst hunner meesters in gereedheid te brengen. + +Op den dag van het heilige feest der opstanding was er in de zalen van +het koninklijk paleis een groot gastmaal aangericht, waaraan eenige +honderden personen deelnamen. Onder de hooge gewelven weergalmde een +luid rumoer van stemmen, waartusschen nu en dan een vroolijk gelach +opdaverde; nu eens klonken eenige regels van een lustig drinklied, +dan weer ontaardde het vroolijk praten in een heftig twistgesprek, +maar over het algemeen liet de stemming onder de gasten niets te +wenschen over. + +Onder de genoodigden bevond zich ook hertog Gorlois van Cornwallis met +zijne jonge vrouw Igerna. Deze laatste was eene plaats aangewezen +tegenover den koning en naarmate de uren verliepen, de wijn het +bloed in de aderen der aanzittenden verhitte en hunne hoofden +benevelde, gingen de blikken van den vorst steeds vaker naar de +overzijde der tafel, waar zij bleven rusten op het gelaat der schoone +hertogin. Herhaaldelijk richtte hij het woord tot haar, hij deed +haar de fijnste schotels toekomen en uit zijne gansche houding sprak +duidelijk de groote bewondering, die hij voor haar had opgevat. + +Van zijne plaats aan den disch bespiedde Gorlois op eenigen afstand de +houding van den vorst tegenover zijne vrouw. Met ergernis en wantrouwen +zag hij hoe Uther teedere blikken naar Igerna wierp en haar boven +alle andere dames de voorkeur scheen te geven. Gorlois moest zich +op de lippen bijten om zijne woede te bedwingen, onrustig schoof hij +heen en weer op zijn zetel, hij luisterde nauwelijks naar wat er om +hem heen gesproken werd en liet de uitgezochte spijzen ongebruikt aan +zich voorbijgaan; met inspanning van al zijne zintuigen poogde hij +het gesprek, dat daarginds tusschen die beiden gevoerd werd, te volgen. + +Eindelijk was de maaltijd afgeloopen en verspreidde het gezelschap +zich in het park om het paleis. Den ganschen avond week de koning +niet van de zijde der hertogin en steeds duidelijker werd het +den aanwezigen, dat het hem ernst was met de hulde, die hij haar +bewees. Vol verbeten woede moest Gorlois toezien, nochtans waagde +hij het niet, tusschenbeide te komen. + +Toen de gasten zich echter ter ruste hadden begeven en alles sliep in +het paleis, gaf Gorlois zijne dienaren heimelijk bevel, zijne paarden +te zadelen en vóór het eerste morgenkrieken was hij met zijn gevolg +al op eenige mijlen afstands van de hoofdstad, op weg naar zijn land. + +De woede en spijt van koning Uther, toen hij het vertrek van Igerna +bemerkte, kenden geene grenzen. Terstond zond hij eenige zendboden +naar Cornwallis om den hertog te gelasten, dadelijk terug te keeren, +maar Gorlois weigerde kortaf, aan dien oproep gehoor te geven. Zijne +weigering deed de woede van den vorst nog toenemen, zijn hartstocht +voor de schoone hertogin liet hem geen rust; 's nachts kon hij den +slaap niet vatten en overdag liep hij rond als een getemd dier, al +zijn denken slechts op één doel gericht: zijn verlangen naar haar +te bevredigen. + +Eindelijk had hij een besluit genomen--hij moest, hij zou Igerna de +zijne kunnen noemen, al moest hij haar met kracht van wapenen aan +haren echtgenoot ontrukken. Hiertoe rustte hij een machtig leger uit +en aan het hoofd daarvan trok hij naar Cornwallis, vastbesloten niet +zonder Igerna huiswaarts te keeren. + +Gorlois had door vertrouwde dienaren laten verspieden, wat er aan +het hof voorviel, zoodoende was de voorgenomen veldtocht van den +vorst hem in tijds medegedeeld en kon hij zijne maatregelen nemen, +om het welslagen daarvan zoo mogelijk te verhinderen. Ten einde de +veiligheid van zijne vrouw zooveel hij kon te verzekeren, plaatste hij +haar met hare vrouwen in den sterken burcht van Tintagel, die hoog op +de rotsen aan de kust van Cornwallis gelegen was. Van de zeezijde was +deze burcht beslist onneembaar, want de kale rotswanden rezen bijkans +loodrecht uit het water omhoog; van de landzijde kon men hem slechts +genaken langs een smal en bochtig bergpad, dat desnoods door twee of +drie man verdedigd kon worden. Hijzelf begaf zich met zijne volgelingen +in het machtige slot van Dimilioc. Zijn toeleg gelukte. Uther, die +vernam, dat Gorlois zich in Dimilioc bevond, en niet anders meende, +of Igerna was bij hem, sloeg het beleg voor die vesting en bewerkte +de zware muren met zijne balken en stormrammen. + +Daar ontving hij het bericht, dat de hertogin met haar gevolg zich +in het naburige slot van Tintagel bevond. Radeloos over den verloren +tijd liet hij Merlijn, den ouden toovenaar, bij zich komen, om hem +te vragen, wat hem thans te doen stond. + +Toen de koning hem de zaak had uiteengezet, zag de grijze ziener +eenigen tijd peinzend voor zich uit, daarna sprak hij langzaam, +met plechtige stem: + +"Sire, ik ben met uw lot begaan en zal u helpen. Al ken ik de pijn +van het liefdesverlangen niet uit eigen ondervinding, ik heb de +uitwerking ervan bij mijne medemenschen voldoende gadegeslagen om te +weten, dat zij eene vreeselijke kwelling is, die diepe wonden slaat +in het menschelijk hart en waarvoor geene andere genezing bestaat +dan de bevrediging der opgewekte begeerten. Maar niet alleen om u +van dit lijden te verlossen voldoe ik aan uw verzoek. Er is ook een +andere reden, die mij daartoe aanzet. Luister naar mijne woorden, +o vorst. Deze vrouw, die gij zoo boven alles bemint, zal u een zoon +schenken, die koning zal worden over een machtig rijk, die beroemd +zal zijn in alle streken der wereld en van wiens moed de dichters en +zangers tot in lengte van dagen zullen gewagen. Wanneer ge mij belooft, +dien zoon in zijne jeugd aan mij af te staan, opdat ik zijne eerste +schreden leide op het pad der wijsheid, zoo zal ik aan uw dringend +verlangen voldoen en nog heden nacht zult gij Igerna de uwe noemen." + +Met bevende stem beloofde Uther alles te zullen doen, wat Merlijn +van hem verlangde, mits deze hem helpen wilde. Daarop ontvouwde de +toovenaar zijn plan. Door eene geheime toovermacht verleende hij den +koning het aanzien van hertog Gorlois, hijzelve nam de gedaante aan +van een bloedverwant des hertogen en Ulfius, een vertrouwd vriend +van den koning, schonk hij de gestalte van Heer Brastias, eveneens +een volgeling van Gorlois. + +Zoo betraden zij het rotspad, dat naar Tintagel voerde, en vertoonden +zich aan de poorten van het slot, die, toen de wachters den slotheer +herkenden, terstond wijd werden geopend. Met luid gejuich begroetten +de bewoners hun geliefden meester en ook bij Igerna bestond niet +de minste twijfel, of het was inderdaad Gorlois, die de gevaren +van eene vijandelijke ontmoeting had getrotseerd, om haar te +bezoeken. Dien avond hield Uther, gelijk hij zoo vurig gewenscht had, +de geliefde zijns harten in zijne armen en Merlijns voorspelling +ging in vervulling: Igerna zou het leven schenken aan een zoon, +die voorbestemd was, om de eerste vorst der Christenheid te worden. + +Het leger van koning Uther had tijdens de afwezigheid der aanvoerders +een aanval gewaagd op het belegerde slot. Daarbij werd Gorlois in den +strijd op de wallen gedood. De burcht werd door de belegeraars geheel +verwoest en geplunderd en de ruwe krijgsknechten van den koning namen +eruit, wat van hunne gading was. Daarna zonden zij eenige knechten uit +de overwonnen bezetting naar Igerna, om haar den dood van haar gemaal +te melden. Wie beschrijft echter de verbazing dezer boodschappers, +toen zij bij het binnentreden in Tintagel hunnen heer en meester +in levenden lijve naast de hertogin zagen zitten! Ontsteld weken de +boden terug en zagen elkander verbijsterd aan; hoe was het mogelijk, +dat Gorlois, dien zij met eigene oogen levenloos in zijn tent hadden +zien liggen, thans gezond van lijf en leden voor hen zat? Hier moesten +hoogere machten in het spel zijn, die de dooden tot het leven konden +terugroepen. Zóózeer waren de mannen uit het veld geslagen, dat zij +met geen enkel woord van het doel hunner komst waagden te reppen. + +Nog dienzelfden dag keerde Uther naar zijn leger terug, onder +voorwendsel, dat hij trachten wilde, zich met zijn vorst te +verzoenen. In zijn kamp aangekomen, hoorde hij, wat er geschied was +en hoewel de dood van den dapperen Gorlois hem leed deed, kon het niet +anders, of zijn hart klopte sneller bij de gedachte, dat nu de eenige +belemmering voor de vervulling zijner droomen uit den weg was geruimd. + +Zoo spoedig mogelijk keerde hij naar Tintagel terug, waar weldra het +huwelijk tusschen hem en Igerna op plechtige wijze werd ingezegend. + +Toen de tijd daartoe aangebroken was, werd op een morgen in het +vroege voorjaar aan Uther een zoon geboren. Men wikkelde het kind in +linnen doeken en droeg het de breede trappen van het kasteel af, het +park door, tot men aan eene kleine poort in den slotmuur kwam. Daar +wachtte de oude Merlijn, die met eerbiedige teederheid het kind in +zijne armen nam. Hij bracht het naar de woning van een eenvoudig, +rechtschapen edelman, Ector genaamd, wiens vrouw den jonggeborene +als haar eigen kind opnam en verzorgde. + + + +_Van Uther Pendragons dood en hoe Arthur tot koning werd gekozen._ +Nadat Uther lange jaren gelukkig met Igerna geleefd had, openbaarde +zich bij hem eene sleepen de kwaal, die hem weldra aan den rand +van het graf bracht. Ondanks de hulp van bekwame heelmeesters en de +liefderijke verzorging zijner echtgenoote was het een ieder weldra +duidelijk, dat de koning sterven moest. Rouw en droefenis heerschten +alom in het land, toen de mare van het naderend einde zich onder het +volk verspreidde, maar de vijanden des konings vatten nieuwen moed +en zonnen op wraak. Zij sloten een geheim verbond met de heidensche +volksstammen buiten de landgrenzen en deden een onverhoedschen +inval in het rijk. Toen vlamde Uthers oude strijdlust voor het +laatst op tot eene laaiende vlam en hij zwoer een duren eed, dat +hij de verraders zou straffen voor hun snooden toeleg. Daartoe riep +hij zijne vazallen om zijn ziekbed bijeen en wist hen door zijne +onverflauwbare geestdrift en vastberadenheid zoodanig te bezielen, +dat zij beloofden, alles te zullen doen, wat in hun vermogen lag, +om de orde in het rijk te herstellen. + +Zoo ziek als hij was, liet de koning zich temidden zijner soldaten +dragen en maakte den veldtocht persoonlijk mede. Zijne tegenwoordigheid +werkte bezielend op den geest zijner strijders en de heidenen moesten +tot hunne schande ondervinden, dat er met den zieken koning niet te +spotten viel. + +Ten einde raad namen zij hunne toevlucht tot verraad. In de nabijheid +van Uthers legerplaats bevond zich eene bron, waaruit de dienaren des +konings gewoon waren diens drinkwater te putten. De valsche verraders +strooiden nu een snelwerkend gif in het heldere bronwater en reeds den +volgenden morgen bezweek koning Uther onder de vreeselijkste pijnen. + +Wat nu te doen? Voor zoover de baronnen wisten, was hun vorst +gestorven zonder een rechtmatigen erfgenaam van den troon na te +laten. Wie moest nu in zijne plaats regeeren en het land voor de +rampen van een burgerkrijg behoeden? Goede raad was duur en in +hunne wanhoop wendden de edelen zich tot Merlijn. Deze gaf toen den +aartsbisschop van Canterbury opdracht, om alle ridders van het rijk +samen te roepen in Londen, waar zij gezamenlijk het Kerstfeest zouden +vieren. Op den heiligen geboortedag van Christus, zoo voorspelde +hij, zou God een wonder doen geschieden, om den man aan te wijzen, +die het arme, geteisterde land tegen de invallen der barbaren zou +weten te beschermen. + +Zoo geschiedde het. Op den Kerstmorgen verzamelden de vazallen zich +in de trotsche St. Paulskerk om de heilige mis bij te wonen. Vroom +prevelden zij hunne gebeden, plechtig klonken de koraalgezangen +door de hooge ruimte en eene stemming van wijding heerschte onder de +nedergeknielde menigte. + +Voor het hoogaltaar stond de grijze prelaat en hief de heilige hostie +omhoog, met handen, die beefden van godsdienstige ontroering, terwijl +hij met trillende stem God smeekte om een redder te zenden in den nood. + +Toen de ridders na afloop der godsdienstoefening uit het kerkgebouw +traden, zagen zij een ongewoon schouwspel op het ruime plein vóór +de kathedraal. In een hoek, tegen de muren der kerk, lag een groot, +grijs steenblok. Hoe dit daar gekomen was, wist niemand, zeker was het, +dat het gedurende den dienst op onverklaarbare wijze daarheen moest +zijn gebracht. Op het steenblok rustte een massief ijzeren aanbeeld +en daarin stak een groot slagzwaard, welks gouden scheede glinsterde +in de morgenzon. + +Weldra had zich om het aanbeeld eene dichte haag van nieuwsgierigen +verzameld, die tevergeefs trachtten de vreemde letters te ontcijferen, +welke in het zwaard stonden gegrift. Ook beproefden velen het wapen +uit het aanbeeld te trekken, maar er was geene beweging in te krijgen +en spoedig zagen zij dan ook het nuttelooze van hun pogen in. + +Na zich verdiept te hebben in allerlei gissingen omtrent de herkomst +van den steen, gaven de ridders eindelijk het zoeken naar eene +verklaring van het raadsel op; zij wezen vier onder de jongere +edellieden aan, om den steen te bewaken en begaven zich aan den +maaltijd. + +Na afloop daarvan zou een groot steekspel gehouden worden op het open +veld vóór het koninklijk paleis, waarvoor duizenden toeschouwers waren +samengestroomd. Onder de ridders, die zich voor de deelneming aan het +tournooi hadden opgegeven, behoorde ook Key, de zoon van Ector. Deze +laatste was met zijn gansche gezin, waaronder ook Arthur, thans een +knaap van vijftien jaren, naar Londen getogen om bij dit wapenfeit van +Key tegenwoordig te zijn. Op het laatste oogenblik, even vóór de strijd +zou beginnen, bemerkte Key, dat er eene kleinigheid haperde aan zijn +zwaard, waardoor het in den strijd onbruikbaar zou zijn. Niet wetend, +wat te doen, verzocht hij zijn jongen pleegbroeder, hem een zwaard te +halen uit de uitrusting van een der andere ridders. Gewillig liep de +jonge Arthur naar den ingang van het slot, toen zijn oog werd getroffen +door het glinsterend zwaard in den steen. De ridders, die aangewezen +waren om de wacht bij het wapen te houden, hadden zich een oogenblik +verwijderd, om naar de toebereidselen voor het steekspel te gaan zien +en zoo stond het zwaard onbewaakt en schitterde en straalde in den +zonneschijn. Arthur, die niet tegenwoordig was geweest bij de mis en +dientengevolge nog niets vernomen had omtrent de vreemde verschijning +van het steenblok op het kerkplein, ontwaarde met vreugde het wapen, +dat hem als 't ware in de hand gegeven werd. Met vlugge schreden liep +hij op het aanbeeld toe, nam het zwaard bij den rijk versierden greep +en ziet--zonder eenige moeite trok hij het uit het aanbeeld los. In +een oogwenk was hij ermede bij Key teruggekeerd, maar toen deze +het kostbare wapen in handen nam, kon hij niet nalaten te vragen, +van wien zijn broeder dit fraaie zwaard ter leen had ontvangen. "Van +wien?" herhaalde de jongeling lachend, "wel, van niemand! Toen ik +op het punt was, het paleis binnen te gaan, ontdekte ik plotseling +op het plein voor de kathedraal een stalen aanbeeld, dat rustte +op een steenblok en waarin dit zwaard was gestoken. Daar het wapen +aan niemand scheen toe te behooren, en het er schoon en deugdelijk +uitzag, meende ik niet beter te kunnen doen, dan het voor u mede te +brengen. Zonder de minste moeite trok ik het uit het staal en liep +er fluks mee hierheen. Moge het u in den strijd veel geluk brengen!" + +In stomme verbazing had Key naar de woorden van zijn pleegbroeder +geluisterd, ook hij had nog niets van de vreemde ontdekking vernomen +en begreep dus weinig van de zonderlinge beschrijving, die Arthur hem +gaf. Aarzelend bezag hij het fraaie wapen, dat hem zoo verleidelijk +toeblonk, maar hij dorst het niet gebruiken, eer hij zijns vaders +raad had ingeroepen. Juist kwam Ector aangeloopen en binnen weinige +oogenblikken had Key hem het gebeurde medegedeeld. Toen geschiedde +er iets wonderlijks. + + + +_Hoe koning Arthur als koning gehuldigd werd._ De bejaarde ridder viel +voor zijn pleegzoon op de knieën en riep met eene stem, die beefde +van aandoening: "Heil u, o koning, gij, die door God gezonden zijt, +om het land te redden uit den nood en ons volk te voeren langs wegen +van roem en eer!" + +Met groote, verschrikte oogen blikte Arthur op zijn pleegvader neer, +wiens woorden hem als een raadsel in de ooren klonken, maar toen Ector +hem het geheim zijner geboorte verklaarde en Merlijn hem de waarheid +daarvan kwam bevestigen, drong het besef zijner hooge roeping allengs +tot hem door. Al voelde hij zich eensdeels bezwaard door den last, +dien men hem op de schouders legde, toch klopte zijn hart sneller +bij de gedachte aan den roem, die hem in de vervulling van zijne taak +ten deel zou vallen. + +Het gerucht van zijne daad verspreidde zich alras onder de aanwezige +ridders en weldra ging de mare als een loopend vuur onder het volk, +dat Arthur, de pleegzoon van Heer Ector, niemand anders was dan de +wettige zoon en rechtmatige erfgenaam van den overleden koning. + +Toen het tournooi zou beginnen en de ridders in wijden boog het +strijdperk binnenreden, voerden zij Arthur in hun midden en niet +zoodra had het volk hem ontdekt, of het verbrak de omheining en +stroomde het veld binnen onder de kreten van: "Den koning heil! Leve +Arthur! Leve de koning!" Het was een grootsch oogenblik in het leven +van den jongen prins, toen hij voor de eerste maal de hulde van zijn +volk in ontvangst mocht nemen. + +De heldere winterzon bescheen het kleurige schouwspel--naar alle zijden +strekten zich de besneeuwde velden van Engeland uit en op het van +sneeuw gezuiverde, groene grasveld verdrong zich de joelende, juichende +menigte van poorters en poorteressen in hunne bonte kleederdracht, +waartusschen de wapenrustingen en bepluimde helmen der ridders +glinsterend afstaken. Temidden van die mengeling van kleuren troonde de +jonge, blozende knaap op zijn vurig ros. Vroolijk zwaaide hij naar alle +kanten met zijn muts, de wind speelde door zijne blonde lokken, zijne +oogen glinsterden van trots en vreugde en de opwinding kleurde zijne +wangen helder rood. Met welgevallen zag Merlijn op eenigen afstand +toe; zijn opzet was gelukt, met groote geestdrift schaarde het volk +zich om zijn jongen vorst, wiens plotseling verschijnen in de ure des +gevaars door eene bovenaardsche macht bewerkstelligd scheen te zijn. + +Korten tijd daarop ondernam Arthur zijn eersten veldtocht aan het hoofd +zijner troepen en ziet--het scheen of deze met een onweerstaanbaren +moed en volhardingszin bezield waren. De zegevierende legers drongen +door tot in de verste hoeken van het koninkrijk en brachten den +heidenschen horden eene verpletterende nederlaag toe. Ten slotte waren +Wallis, Schotland en Ierland van de kwellingen der barbaren bevrijd en +kon de koning met een gerust gemoed naar zijne hoofdstad terugkeeren. + +Eens geschiedde het, in een strijd tegen oproerige vazallen, dat +Arthur zijn zwaard verloor. Den nacht daarop bracht hij in gezelschap +van Merlijn door in de woning van een vromen kluizenaar. Toen hij den +volgenden morgen, na het bijwonen der mis, vertrekken wilde, verzocht +Merlijn den jongen vorst hem te vergezellen naar eene naburige plek, +waar Arthur, zoo beloofde de toovenaar, een nieuw wapen zou vinden. + +Na eenigen tijd zwijgend door een bosch te zijn gegaan, kwamen zij +aan een klein meer, zooals men dikwijls in dichte wouden verscholen +vindt. Op het watervlak, dat donker beschaduwd werd door de boomen, +die het meertje omringden, groeiden hier en daar waterplanten, een +enkele blanke waterlelie dreef er tusschen, langs den oever schoten +riet en biezen welig omhoog. Geen geluid verbrak de stilte van deze +eenzame plek, het droomerig ruischen van den wind door de boomen en +het kraken der dorre takken onder de voeten der tochtgenooten waren de +eenige klanken, die vernomen werden. Vragend zag Arthur zijn grijzen +begeleider aan, maar deze zweeg en wees slechts naar het midden van +het meer. + +Nieuwsgierig volgde de jeugdige vorst deze aanwijzing met de oogen, +geen golfje beroerde het watervlak, tot plotseling uit de donkere +diepte een arm omhoog stak, gehuld in wit fluweel, die een glinsterend +zwaard omhoog hief. + +Toen kwam er beweging in de gestalte van den ouden ziener; met een +snel gebaar beduidde hij Arthur, om plaats te nemen in een bootje, +dat tusschen het riet verborgen lag, en naar het midden van het meer +te roeien, waar de hand hem wenkte. In een toestand van verbijstering +gaf Arthur aan dit bevel gehoor en nam eerbiedig het zwaard uit de +blanke hand aan, die daarop in het water verdween. Het was een wapen +van groote schoonheid; de greep was van het zuiverste goud, bezet +met flonkerende edelgesteenten en de kling was van het beste staal, +sterk en veerkrachtig en glinsterend als zilver. In het goud van den +greep waren letters gegrift in eene vreemde taal en langs den rand +stond de naam van het zwaard te lezen: _Excalibur_. + +Toen Arthur zich dien dag in het gevecht waagde en het zwaard +Excalibur uit de scheede trok, werden zijne vijanden verblind door +den schitterenden glans van het staal; ontzet deinsden zij achteruit +en toen Arthur het wapen met krachtigen zwaai door de lucht bewoog, +duurde het niet lang, of zij namen in wanorde de vlucht. + + + +_Hoe de edelen er bij den koning op aan drongen, dat hij een huwelijk +zou sluiten en hoe hij Merlijn vertelde van zijne liefde voor Ginevra._ +Toen Arthur het land eenigen tijd in vrede geregeerd had, begonnen +de ridders en edellieden er op aan te dringen, dat hun koning een +huwelijk zou sluiten, om te verhoeden, dat het rijk na zijn dood in +vreemde handen zou overgaan. Als steeds wendde de koning zich tot +Merlijn, om diens raad in te winnen. Toen de toovenaar hem vroeg, +of hij zijne keuze reeds bepaald had, knikte de jongeling blozend +van ja en op Merlijns verder aandringen vertelde hij hem het volgende. + +Eenigen tijd tevoren was er een verzoek om hulp ingekomen van koning +Leodogran van Cameliard, wiens landstreken te lijden hadden onder +de invallen der heidenen. Getrouw aan zijne roeping om de boozen te +bestrijden en de zwakken te helpen, waar hem daartoe de gelegenheid +geboden werd, was Arthur met een leger naar Cameliard getrokken, om +te zien, wat hij doen kon. Zoo was hij langs den burcht van koning +Leodogran gereden te midden zijner ridders, gekleed als dezen in eene +eenvoudige wapenrusting, een stalen helm op het hoofd, zooals hij op +zijne veldtochten placht te dragen. + +De bewoners van den burcht stonden op de wallen geschaard en begroetten +het voorbijtrekkende leger met uitroepen van vreugde en dankbaarheid. + +Maar Arthur zag niet op; zijn blik werd geboeid door een groepje +personen, die zich naast de poort van den burcht hadden opgesteld. + +Daar, tegen den grijzen, verweerden slotmuur geleund, temidden +harer dienaressen, stond de liefelijke gestalte van Ginevra, +de eenige dochter van koning Leodogran en tuurde omhoog naar de +voorbijrijdende ridderschaar, nieuwsgierig, wie van hen de jonge koning +zou zijn. Weinig kon zij vermoeden, dat zij het hart van dengene, +dien zij zocht, in vlam zette door hare lieftallige schoonheid en +dat de herinnering aan haar den koning steeds bij zou blijven op zijn +verderen tocht. + +Wanneer hij dreigde te versagen in den strijd tegen de heidenen, +die, met het boschachtig terrein van Cameliard bekend, hem van alle +zijden bestookten, verscheen opnieuw het bekoorlijke beeld der jonge +prinses voor zijn geest en scheen hem te smeeken, om vol te houden en +haar te redden van de gevaren, die haar bedreigden. Dan greep hij met +vaste hand zijn zwaard Excalibur en waagde zich in het dichtst van +het krijgsgewoel, zijne manschappen door zijn persoonlijk voorbeeld +aansporend tot vernieuwde krachtsinspanning. + +Na een langen, hardnekkigen strijd gelukte het hem, de heidenen uit +het land te verdrijven. Ook richtte hij eene slachting aan onder de +wilde dieren, die de omgeving door hunne rooftochten onveilig maakten, +en door de dichte wouden liet hij paden maken voor de ridders en +jagers. Daarna keerde hij terug naar Camelot, vergezeld van de +zegewenschen der gansche bevolking. + +Nooit had hij echter de schoone Ginevra kunnen vergeten en nu er +sprake was van een huwelijk, keerden zijne gedachten vanzelf terug +naar het beeld van de eenige vrouw, die zijn hart had weten te bekoren. + +Nadat hij dit alles aan Merlijn had medegedeeld, eindigde hij met +de verklaring, dat hij prinses Ginevra en geene andere tot zijne +echtgenoote begeerde, waarop hij zijn grijzen raadsman verzocht, +hem bij de vervulling van dien wensch behulpzaam te willen zijn. + +De oude toovenaar zweeg; somber staarden zijne oogen voor zich uit, +zijn voorhoofd was in diepe rimpels samengetrokken, als werd zijn +geest gepijnigd door een smartelijk visioen; eindelijk opende hij +den mond tot spreken en zeide: "Sire, liever, duizendmaal liever had +ik gezien, dat uwe keuze eene andere was geweest. Schoon is zij en +bevallig, de jonge prinses, maar nochtans zal een huwelijk met haar +u geen geluk brengen. Integendeel," hier werd zijne stem luider en +nadrukkelijker, "ik zie donkere wolken samenpakken aan den horizon, +ik zie tweedracht en vijandschap, wantrouwen, afgunst en bedrog door +haar toedoen de overmacht krijgen in uw rijk en het ten slotte ten +val brengen. Daarom, o koning, kies u eene andere bruid. Er zijn vele +schoone vrouwen in uw rijk, waarom zoudt gij deze ééne de voorkeur +geven boven al hare zusteren?" + +Arthur echter wierp het hoofd in den nek en barstte uit in een luiden +lach. "Uwe neiging tot profeteeren wordt met den dag sterker, Merlijn," +riep hij uit, "en krijgt de overhand boven uw gezond verstand. Hoe kan +nu een jong meisje, dat bovendien één en al onschuld en lieftalligheid +is, een machtig rijk als het mijne ten val brengen? Wat weet zij +van de kuiperijen en samenspanningen van het staatkundig leven, +zij, die nooit buiten de muren van haars vaders paleistuin geweest +is? Neen, uwe zwartgallige bespiegelingen kunnen mij niet van mijn +plan terughouden! Ginevra wordt de mijne, wanneer haar vader tenminste +mijn aanzoek om haar hand niet afslaat!" + +Merlijn haalde gelaten de schouders op. "Tegen den overmoed der jeugd +en den drang van het menschelijk hart valt niet te strijden," zeide +hij, "de toekomst zal leeren, wie van ons beiden gelijk heeft." Maar +Arthur luisterde nauwelijks naar zijne woorden; reeds woelden duizenden +gedachten en voornemens door zijn brein en vóór alles vroeg hij zich +af, wien hij onder zijne ridders zou belasten met de eervolle opdracht +om bij koning Leodogran aanzoek te gaan doen om Ginevra's hand en +de jonge prinses naar zijne hoofdstad te geleiden. Lang behoefde +hij niet te aarzelen, Lanceloet, den dappersten zijner ridders, +zijn strijdmakker en boezemvriend zou hij verzoeken, die hooge taak +op zich te nemen; geen, dat wist hij, zou er zich op waardiger wijze +van weten te kwijten. Aldus geschiedde het. + +Op een fraaien lentemorgen reed Lanceloet aan het hoofd van een +talrijk gevolg de hoofdstad uit in de richting van Cameliard. Hij +aanvaardde den tocht met gevoelens van dankbare voldoening, het geluk +en het aanzien van zijn vorst gingen hem boven alles en dat deze +hem nu uitverkoren had voor het volbrengen dezer gewichtige zending, +vervulde hem met trots en vreugde. + +Helaas! hoe weinig vermoedde hij welke noodlottige gevolgen deze reis +met zich brengen zou! + +Koning Leodogran aarzelde geen oogenblik, om zijne toestemming te +geven tot het aanzoek des konings, integendeel, hij voelde zich +ten hoogste vereerd en gevleid bij de gedachte, dat zijne dochter +koningin zou worden van het machtige Britsche rijk. Toen hij Ginevra +had medegedeeld, welke onderscheiding haar te beurt was gevallen, werd +het jonge meisje beurtelings bleek en rood van vrees voor de onbekende +toekomst en kinderlijk verlangen naar de weelde en eerbewijzen, die +haar als koningin ten deel zouden vallen. Het kwam geen oogenblik +bij haar op, om den wil haars vaders in deze te weerstreven, stipte +gehoorzaamheid aan de bevelen harer ouders was haar van hare vroegste +jeugd af ingeprent en ook in de keuze van haren echtgenoot was het +haar niet vergund eene eigen meening te bezitten. + +Weldra werden de toebereidselen gemaakt voor het vertrek der jonge +prinses uit hare ouderlijke woning. Op den avond, vóór zij de reis +naar haren bruidegom zou aanvaarden, riep de koning Lanceloet +bij zich en sprak tot hem: "Heer ridder! morgen zult gij onze +woning verlaten om onze dochter naar het hof van haren toekomstigen +echtgenoot te voeren. Wij hebben ervoor gezorgd, dat hare uitrusting +en bruidschat in overeenstemming zijn met den hoogen rang, dien zij +zal bekleeden. Maar ook aan koning Arthur zelven zouden wij gaarne een +passend bruidsgeschenk willen aanbieden. Landstreken en kasteelen bezit +hij in overvloed, talrijker en schooner dan ik ze hem geven kan. Toch +weet ik iets, waar ik hem genoegen mee kan doen. Vele jaren geleden +ontving ik van zijn vader, Uther Pendragon, dien ik in den strijd tegen +de barbaren had bijgestaan, als belooning voor mijne hulp, de Tafel +Ronde, waaraan honderd en vijftig ridders kunnen aanzitten. Tot heden +ben ik er niet in geslaagd, hun aantal voltallig te maken, slechts +honderd dappere mannen heb ik om mij heen kunnen verzamelen. Deze +honderd nu en de Tafel zelve wil ik aan koning Arthur afstaan als blijk +mijner ingenomenheid met het huwelijk mijner dochter. Wat dunkt u, +zou een dergelijk geschenk den vorst welgevallig zijn?" + +Vol vreugde dankte Lanceloet koning Leodogran uit naam van zijn heer +voor zijne kostbare gift en den volgenden morgen vroeg werd de reis +naar Camelot ondernomen. + +In de heldere Mei-zon trok de stoet door de dichte wouden van Cameliard +en bereikte weldra de grens van Arthurs rijk. Daar werd hij opgewacht +door boodschappers van den koning, die Ginevra kostbare geschenken +aanboden en haar uit zijn naam welkom heetten in haar nieuwe vaderland. + +Het gezelschap, waarbij zich ook de honderd ridders der Tafel Ronde +hadden aangesloten, was nu zóó talrijk geworden, dat het onmogelijk +was, onder het rijden steeds bij elkander te blijven. Lanceloet en +Ginevra reden meestal op eenigen afstand voor den overigen stoet +uit. Geen oogenblik verloor de eerste de hem toevertrouwde prinses +uit het oog, eerbiedig bleef hij haar ter zijde en poogde haar de +ongemakken van den langen rit zooveel mogelijk te besparen. Ginevra +zelve voelde zich als een vrijgelaten vogel, die uit de nauwe kooi is +ontsnapt en jubelend het onbegrensde luchtruim invliegt. Hare gansche +jeugd had zij doorgebracht in den burcht haars vaders en van de wereld +daarbuiten kende zij slechts de sombere dennenbosschen van Cameliard, +waaruit de zon nooit de donkere schaduwen geheel wist te verdringen. + +De levenswijze aan het hof van koning Leodogran was zeer eenvoudig +en huiselijk en het bestaan der jonge prinses verschilde dan ook niet +veel van dat der edelvrouwen in de riddersloten uit hare omgeving. + +En nu? Hoe geheel verschillend was dit nieuwe landschap van dat harer +geboortestreek! Om haar heen golfden de velden van Brittannië, badend +in het schitterend licht der lentezon. Overal groeide en bloeide het, +dat het een lust was om te zien, soms scheen het, of zij door eene +zee van bloemen en welig opschietende gewassen reden, waartusschen +de pooten der paarden geheel schuil gingen. In de helderblauwe lucht +jubelden en kweelden de vogels; om haar heen zoemden de bijen; het was, +of de geheele natuur feest vierde, het wonderschoone, altijd nieuwe +feest der lente. Soms ook voerde hun weg door een boschrijk gebied, +maar hoe verschillend waren deze loofbosschen met hun teergroen +bladerdak, afstekend tegen den onbewolkten voorjaarshemel, van de +sombere wouden om haar vaderlijk slot! + +Hier drongen de koesterende zonnestralen tot op den bemosten bodem, +waar zij lichtplekjes tooverden van vreemden, steeds wisselenden vorm, +hier sprongen de eekhorentjes met kluchtige sprongen van tak op tak +en bouwden de vogels hunne nesten onder het beschuttende loover, +hier was het àl leven, jong, dartel leven, dat men hoorde en zag! + +Maar niet alleen de schoone natuur om haar heen, deed het hart der +jonge prinses luide kloppen, de hulde en eerbied, die men haar alom +bewees, waren daar mede de oorzaak van. Zij genoot volop van die +nieuwe gewaarwording, het middelpunt te zijn van eene bewonderende, +eerbiedig buigende omgeving. Met kinderlijk genot liet zij zich +door hare dienstmaagden helpen en bedienen en haar hart klopte luide +van trots en voldoening, wanneer zij de eerbiedig knielende ridders +genadiglijk tot den handkus toeliet. + +De overgang was ook zoo groot, van haar eenvoudig meisjesleven naar den +rang van koningin, geen wonder, dat hare plotselinge vrijheid en al het +fraais, waarmede men haar omringde, haar als 't ware bedwelmden, gelijk +een prikkelende wijn de zinnen der menschen bedwelmt. Het kwam haar +soms voor als een droom, dat zij het was, Ginevra, die men aansprak met +"Hooge Vrouwe", voor wie men draafde en liep om het haar naar den zin +te maken, die des avonds, wanneer de zon begon te dalen, hare tenten +opgeslagen vond op eene beschutte plek en zich daar liet bedienen en +verzorgen tot het oogenblik dat zij zich uitstrekte op eene zachte +legerstede; die overladen werd met de fraaiste geschenken, en--dit +kwam haar nog het wonderlijkst en schoonst van alles voor--die den +ganschen dag een jong en hoffelijk ridder aan hare zijde vond, wiens +levenstaak het scheen te zijn, hare reis zoo aangenaam mogelijk te +maken. Nu, daar slaagde hij dan ook volkomen in, zoo verzekerde zij hem +meermalen met de kinderlijke onbevangenheid, die haar in de oogen van +haren begeleider zoo bekoorlijk maakte. Hij was de eerste jonge man, +met wien zij langeren tijd alleen vertoefde en als vanzelf liet zij hem +deelen in de vreugde en blijdschap over haar nieuw bestaan. Al hare +opgetogenheid over de schoone natuur, hare lang gewenschte vrijheid, +het heerlijke lenteweer en de fraaie geschenken van haren bruidegom +vertrouwde zij hem toe in opgewonden bewoordingen. Wanneer zij dan +zoo vroolijk babbelend naast hem voortreed, gevoelde Lanceloet, die +gewoon was aan den omgang met de vormelijke edelvrouwen aan het hof, +zich diep ontroerd door den natuurlijken eenvoud van hare ziel, welker +aandoeningen zij zoo onbevangen voor hem bloot legde en zijn hart werd +door medelijden bewogen, wanneer hij bedacht, hoeveel dit eenvoudige +kind nog zou moeten leeren, alvorens zij zich geheel aangepast had +aan de strenge etiquette van het hof. + +Soms gebeurde het, dat Ginevra in eene plotselinge bui van dartelheid +haar paard de sporen gaf en van zijne zijde wegvluchtte. Hij was dan +wel genoodzaakt, haar te volgen, al strookte een dergelijk spel niet +geheel met den eerbied, dien hij aan zijne toekomstige meesteresse +verschuldigd was. Maar wanneer hij haar dan had ingehaald en zij +zich lachend en hijgend gewonnen gaf, met blozende wangen en oogen, +die glinsterden van vreugde en levenslust, kon hij het niet over zich +verkrijgen, dien gelukkigen lach van haar gelaat te verdrijven door +eene toespeling te maken op de plichten van haren toekomstigen staat. + +Wanneer zij het overige gezelschap door hun dollen rit geheel uit het +oog hadden verloren, gaf ook hij zich geheel over aan de bekoring +van dit samenzijn, alleen met dit jonge, lieftallige kind, in die +bloeiende lentewereld en ook hij voelde zich als verjongd, nu hij +het stijve pantser der hoofsche gebruiken voor eene wijle van zich +af kon schudden en jong kon zijn met haar. + + + +_Hoe Ginevra en Lanceloet liefde voor elkander opvatten._ Zoo verliepen +de dagen in onbezorgd genieten, maar weldra kwam er eene merkbare +verandering in de houding der jonge lieden. Ginevra's vroolijk gesnap +werd meermalen onderbroken door lange poozen van stilzwijgen, waarin +het jonge meisje mijmerend voor zich uit staarde. 's Avonds viel ze +niet, als in de eerste dagen van hun tocht terstond in een vasten, +droomloozen slaap, waaruit zij eerst den volgenden morgen verkwikt +ontwaakte; neen, zij lag langen tijd te woelen tusschen de donzen +kussens van haar rustbed en wanneer zij eindelijk insliep, had zij +onrustige droomen, waarin haar toekomstige echtgenoot onder allerlei +vreemde gestalten voor haar verscheen. + +Ook Lanceloet had de rust en de blijde tevredenheid der eerste dagen +verloren. Hij moest zich geweld aandoen, om vroolijk en natuurlijk +te schijnen, soms beklemde hem een gevoel van bange vrees voor de +toekomst; dan weer joeg eene vreemde onrust hem in de eenzaamheid en +vermeed hij Ginevra's gezelschap zooveel hij maar kon. + +Eindelijk kwam de ontknooping; op een zoelen Mei-avond hadden zij +langen tijd zwijgend naast elkander voortgereden, toen plotseling +als door eenzelfde ingeving gedreven, beiden de oogen opsloegen en +elkander aanzagen. In dien blik verrieden zij het geheim, dat zij zoo +angstig hadden pogen te verbergen, thans was het uit met veinzen; wat +zij zoo langen tijd hadden gehoopt en gevreesd was nu tot zekerheid +geworden. Geen woord werd er tusschen hen gewisseld, maar beiden +wisten met onweerlegbare stelligheid dat zij elkander toebehoorden, +eens en voor altijd. + +Eindelijk kwamen de torens van Camelot in het gezicht. Luid +bazuingeschal en trompetgeschetter kondigden aan, dat hunne nadering +op het kasteel was opgemerkt; weldra wapperden bontgekleurde vaandels +en banieren van alle torens en huizen en het volk van Camelot stroomde +de poorten der stad uit, om zijne toekomstige vorstin te begroeten. + +Weinige oogenblikken later heette Arthur zijne jonge bruid welkom +binnen de muren van zijn voorvaderlijk slot. Het was een der schoonste +oogenblikken in zijn leven, toen hij Ginevra daar zag binnentreden +en in zijn hart dankte hij God, dat Hij hem de verwezenlijking van +zijn schoonsten droom had toegestaan. + +Toen koning Arthur vernam, welk eene kostbare gift hij van koning +Leodogran als bruidsgeschenk ontvangen had, droeg hij Merlijn op, +het getal der ridders aan te vullen door edellieden uit zijne eigen +omgeving. Op den dag van het huwelijk des konings zou dan de plechtige +inwijding der Tafel Ronde plaats hebben. + + + +_Hoe het huwelijk tusschen koning Arthur en Ginevra werd voltrokken._ +Weldra brak die dag aan, een stralende Meimorgen. In de kerk van den +heiligen Stefanus in Camelot zegende Dubricius, Aartsbisschop van de +stad der Legioenen, in tegenwoordigheid van het gansche hof en vele +genoodigden, het huwelijk in tusschen Arthur en Ginevra. Met diep +bewogen stem smeekte hij Gods heiligen zegen af voor de verbintenis +dier beide jonge menschen, daarna wees hij hen op de heilige plichten, +die zij op zich hadden genomen, niet alleen jegens elkander, maar +ook jegens hun volk. Ernstig, maar toch met eene uitdrukking van +innige voldoening op zijn gelaat, hoorde Arthur naar de woorden van +den grijzen geestelijke; vol hoop en vreugdevolle verwachting ging +hij de toekomst tegemoet, bezield met de beste voornemens voor het +heil van zijn land en zijn volk. + +Dankbaar ging zijn oog over de schare in 't wit gekleede ridders, +die langs de trappen van het altaar stonden opgesteld; kon een man +zich beteren steun wenschen dan deze? Toen bleef zijn blik rusten +op de schoone vrouw aan zijne zijde en zijn hart begon onstuimig te +kloppen van trots en geluk, zij bovenal zou hem helpen en bijstaan, +zij zou zich met hem verheugen in den bloei van zijn rijk, maar zij +zou ook de zorgen des levens met hem deelen en met hare zachte hand +de rimpels van zijn voorhoofd weten weg te strijken. Inderdaad, +wel mocht hij zich gelukkig prijzen en vol moed het leven ingaan, +waar hij zulk eene vrouw en zulke vrienden naast zich had. + +Daar werden de plechtige woorden gesproken, die Arthur en Ginevra tot +man en vrouw maakten; tegelijk viel een heldere zonnestraal door de +gekleurde kerkvensters en belichtte het jonge paar, dat eerbiedig voor +het altaar lag neergeknield. Arthur hief het hoofd op en zag recht +in het stralend zonnelicht, dat zijne haren als goud deed glanzen, +maar de jonge bruid boog het hoofd nog dieper over haar saamgevouwen +handen, als schuwde zij den lichtstraal, die naar binnen drong. + +Eindelijk was de plechtigheid afgeloopen en vertoonden de jonggehuwden +zich voor 't eerst in hun nieuwen staat aan de juichende volksmenigte. + +Dienzelfden middag had de inwijding der Tafel Ronde plaats. De +koning nam plaats op eene kleine verhevenheid aan het hoofd zijner +ridders, daarna sprak hij hen toe en zijne stem beefde van aandoening, +toen hij hen smeekte, hem tot steun te willen zijn bij zijn pogen, +om zijn rijk tot bloei en welvaart te brengen. Hij wees hen op de +groote macht van het kwade in de wereld en hij zwoer hun, steeds de +boozen te zullen bestrijden en de zwakken en hulpeloozen te helpen. + +Er was iets verhevens in de figuur van den jongen vorst, die bezield +met de schoonste voornemens het leven inging; geen wonder, dat zijne +woorden op alle aanwezigen diepen indruk maakten en menigeen de tranen +in de oogen kreeg. + +Nadat Arthur zijne ridders aldus had toegesproken, verbond hij hen door +eeden van trouw en gehoorzaamheid om mede te werken tot verwezenlijking +van zijne idealen. Plechtig klonk het "ja! dat zweren wij" uit hunne +monden en een glans van voldoening gleed over 's konings gelaat. + +Daarna trad de bisschop van Canterbury naar voren en zegende de +zetels der Tafel Ronde. Toen daarop het oogenblik was aangebroken, +dat de ridders voor de eerste maal zouden gaan aanzitten, klonk een +langgerekt bazuingeschal van de vier hoeken der wallen en was het of +een warm gouden licht in de hooge ruimte der zaal drong. En ziet, +toen zij opstonden, vonden zij hunne namen met vergulde letters in +den rug hunner zetels gegrift. + +In de volgende dagen werden de bruiloftsfeesten met grooten luister +gevierd; de zalen van het koninklijk slot weergalmden van het gejoel +der feestvierende menigte, op de grasvelden in het park deden de +potsenmakers met hunne kluchtige sprongen en buitelingen de omstanders +schudden van het lachen en in een hoek van den tuin vermaakte +Arthurs hofnar het gezelschap met zijne dolle kwinkslagen. Vreugde en +blijdschap heerschten alom, de ridders van de Tafel Ronde wedijverden +in hoofsche voorkomendheid jegens de edelvrouwen; tot zelfs de natuur +scheen feest te vieren met de menschen, want dag in dag uit straalde +de zon aan den blauwen hemel en speelde de zoele zuidenwind tusschen +het geboomte van het slotpark. + +Stralend van geluk bewoog de jonge vorst zich onder de menigte zijner +gasten. Voor elk hunner had hij een vriendelijk woord en hij vervulde +zijne gastheersplichten op de meest hoffelijke wijze. + +Zoo begon Arthurs huwelijksleven, onder zang en dans en in eene wereld, +die jong en schoon was als hij. + + + + + +INLEIDING TOT DE SAGE VAN "HEER WALEWEIN EN DE GROENE RIDDER". + + +Onder de volgelingen van koning Arthur, die uitmunten door kracht +en behendigheid, is er één, die meer dan alle anderen geprezen +wordt als een voorbeeldig ridder, in wien de ridderlijke deugden van +eerlijkheid, offervaardigheid, zachtheid, nederigheid en hoffelijkheid +hare hoogste volmaking hadden bereikt en wiens moed en dapperheid hem +tot een bijkans onoverwinlijk tegenstander in het gevecht maakten. Dit +is Walewein, de neef van koning Arthur. Wij vinden zijn naam voor +'t eerst vermeld in William of Malmesbury's werk, getiteld: "Gesta +Regum Angliae". In deze pseudo-historische kroniek, dagteekenend uit de +eerste helft der 12e eeuw lezen wij eene beschrijving van het graf van +Walewein, dat te vinden moet zijn in Ross in Pembrokeshire. Daarbij +maakt de schrijver melding van het feit, dat onze held de zoon was +van Arthurs zuster Morgawse, gehuwd met Lot, koning der Orcadische +eilanden, en dus een neef van den grooten koning. + +In de "Historia Regum Brittanniae" van Geoffrey of Monmouth, die +slechts een tiental jaren jonger is dan bovengenoemd werk, speelt +Walewein eene belangrijke rol. Als afgezant van koning Arthur trekt +hij naar het hof van keizer Lucius om aldaar te onderhandelen over +eene schatting, die door de Romeinen geëischt wordt. Zijn optreden +aan het hof te Rome is van dien aard, dat de oorlogsverklaring +aan koning Arthur niet lang op zich laat wachten en in den daarop +volgenden veldtocht onderscheidt Walewein zich door zijne trouw en +dapperheid. Ook in den strijd tegen Modred treedt hij op den voorgrond +als de kampioen van zijn oom en vorst. + +In zijne Anglo-normandische vertaling van de "Historia Regum +Brittanniae" weet Wace niets aan de geschiedenis van Walewein +toe te voegen; toch blijkt uit zijn werk, dat hij zijn held reeds +uit andere verhalen kent en dat de roem van Walewein reeds ver was +doorgedrongen. Terzelfdertijd wordt die roem bevestigd door Béroul, +die in zijn "Tristan" aan Walewein de rol toekent van een intiemen +vriend van den held en hem beschrijft als een voorbeeldig ridder, +toegerust met alle deugden, die deze behoort te bezitten. + +In de werken van Chrétien de Troies stijgt Walewein tot het toppunt +van zijne glorie. Hoewel geen enkel gedicht naar hem genoemd is, wordt +hij in alle werken van dien schrijver beschreven als een onoverwinlijk +strijder, een dapper en hoffelijk edelman, wiens gaven van verstand +en hart hem vaak doen uitblinken boven den eigenlijken held van het +gedicht. Walewein is het toonbeeld van wat een ridder moet zijn en +het kan niet anders of deze volmaaktheid zijner deugden doen hem +een weinig te kort schieten in persoonlijkheid. Hij wordt min of +meer het "type" der volmaakte ridderschap, maar verliest daardoor +aan individualiteit. Een gevolg hiervan is, dat hij niet, zooals +andere beroemde Arthurridders--men denke slechts aan Parcival en +Tristan--eene eigen levensbeschrijving heeft; ook is zijn naam niet +steeds verbonden aan dien van eene zelfde geliefde. Walewein is bij +uitstek de held der "romans épisodiques", die in tegenstelling met de +"romans biographiques", slechts eene zekere periode uit het leven +van den held tot onderwerp hebben. + +De latere Fransche schrijvers zijn minder hoffelijk geweest in +hunne opvatting van Waleweins karakter. In de prozaromans, die +dagteekenen uit het einde der 12e eeuw, zien wij onzen held eene +gedaanteverwisseling ondergaan, die hem gansch onherkenbaar maakt. + +Niet langer wordt hij ons voorgesteld als een dapper ridder, wiens +onkreukbare trouw en groote hoffelijkheid hem tot een steun der zwakken +en een bestrijder der boozen maken--integendeel: wij worden ingelicht +over zijne valschheid en onbetrouwbaarheid en over de lafhartigheid van +zijne gedragingen. De oorzaak van dezen grooten ommekeer in de houding +der romanschrijvers is niet met juistheid vast te stellen. Bijna +zeker is het, dat Walewein oorspronkelijk de held der Graal-sage was, +voordat deze een werktuig werd in de handen der geestelijkheid tot +verspreiding der Christelijke leerstellingen. Ook als minnaar van +koningin Ginevra vinden wij zijn naam genoemd vóór dien van Modred +en Lanceloet; waarschijnlijk moest hij voor dezen de plaats ruimen, +toen eene dergelijke onwettige liefde onvereenigbaar bleek te zijn +met zijn ridderlijk karakter. Of dit laatste ten slotte te gunstig +heeft afgestoken bij dat van Tristan en Lanceloet, wier beider eer +was bevlekt door hunne zondige verhouding tot Isolde en Ginevra, +en men hem daarom van het voetstuk heeft pogen af te lichten, waar +hij praalde als de "chevalier sans peur et sans reproche"--zeker is +het, dat hij in de latere ridderromans geheel en al van karakter is +veranderd. Ook de moderne dichters, die hunne werken op deze romans +gegrond hebben, volharden in de ongunstige opvatting van Waleweins +karakter en Alfred Tennyson begaat in zijne Koningsidyllen eene +groote fout, door zich bij deze onrechtvaardige beschouwing van den +geliefkoosden held der middeleeuwsche ridderromans aan te sluiten. + +Dat wij Walewein inderdaad zoo mogen noemen blijkt onder meer uit het +feit, dat hij in de Middel-Engelsche letterkunde de eenige figuur +is, behalve dan koning Arthur zelf--die een kring van ridderromans +om zich heen verzameld heeft, bestaande uit niet minder dan elf +gedichten. Daarbij dient nog vermeld, dat hij bovendien eene rol +speelt in vele andere gedichten, waar aan de beschrijving zijner +lotgevallen dikwijls meer plaats wordt toegekend dan aan die van den +held van het verhaal. + +Onderstaande sage mag met recht beschouwd worden als de hoogststaande, +zoowel wat taal als inhoud betreft, der Middel-Engelsche letterkunde +en wij moeten den schrijver er dankbaar voor zijn, dat hij door zijn +werk een verheffend en blijvend eerbetoon heeft bewezen aan een der +schoonste figuren der ridderliteratuur. + +Wie de schrijver van het gedicht geweest is, valt niet met zekerheid +te zeggen. Wel kan worden vastgesteld, dat het gedicht geschreven +werd omtrent 1370 in het Noord-Westen van Engeland. + +Het handschrift, waarin het tot ons is gekomen, bevat drie andere +gedichten, die vele punten van overeenstemming vertoonen met het +gedicht van Walewein en daarom door vele geleerden worden beschouwd +van dezelfde hand te zijn. + +De geschiedenis, zooals zij hieronder vermeld staat, is op geen +andere wijze tot ons gekomen dan in bovengenoemde Middel-Engelsche +vertolking. Toch heeft de schrijver van "Syr Gawayne and the grene +Knyght" geen oorspronkelijk werk geleverd. Zooals hij zelf in zijn werk +zegt, het verhaal bestond al en was reeds sinds langen tijd "locked +in lettered lore" geweest. Men kan dan ook bijna zeker zeggen, dat +hij zijne stof ontleend heeft aan een Franschen of Anglo-Franschen +ridderroman, die voor ons verloren is gegaan. Welke hiervan de +juiste vorm is geweest, wanneer en door wien de oorspronkelijke +roman geschreven is en welke de verhouding was tusschen het Engelsche +gedicht en zijne oorspronkelijke bron--deze vragen wachten tot nu toe +op een stellig antwoord, al hebben vele geleerden zich beijverd om +eene oplossing voor het vraagstuk te vinden. De eerste schreden op +den weg, die tot deze oplossing leidt, werden vergemakkelijkt door +het feit, dat de twee hoofdthema's, waarin het verhaal reeds bij +eene eerste lezing uiteenvalt, ieder afzonderlijk in verscheidene +andere sagen en legenden voorkomen. Die twee hoofdthema's kunnen +wij kortheidshalve "de onthoofdingsproef" en "de getrouwheidsproef" +noemen. De "onthoofdingsproef" vermeldt, hoe een ridder uit eene +betoovering wordt bevrijd, doordat eerst hemzelf het hoofd wordt +afgeslagen en daarna een ander ridder zich goedschiks eveneens aan +eene onthoofding blootstelt. De "getrouwheidsproef" geeft ons de +beschrijving van hetgeen een ridder ondergaat bij het getrouwelijk +nakomen der verplichtingen, die hij jegens zijn gastheer verschuldigd +is. + +Over den oorsprong dezer beide thema's en over de wijze waarop zij +tezamen zijn gebracht, bestaan natuurlijk verschillende opvattingen, +waarvan hieronder enkele zijn aangestipt. + +Sir Frederick Madden, de eerste uitgever van het Middel-Engelsche +gedicht, Richard Morris, die eene uitgave ervan bewerkt heeft voor +de Early English Text Society, en ten Brink, de schrijver van een +Duitsch boek over Engelsche literatuurgeschiedenis, nemen aan, dat +"Syr Gawayne and the grene Knyght" gegrond is op eene episode uit +de eerste voortzetting van Chrétien de Troies, "Conte del Graal", +waar de held niet Walewein, maar Caradoc, eveneens een neef van +koning Arthur is. Daartegenover dient gesteld de meening van Jessie +Weston, die in haar werk, getiteld "The Legend of Sir Gawain", met +den grootsten nadruk verklaart, dat bovengenoemde episode nooit ten +oorsprong kan hebben gelegen aan het Middel-Engelsche gedicht. + +Behalve in de reeds vermelde voortzetting van de "Conte del Graal" +komt het eerste hoofdthema: dat der "onthoofdings-proef", voor in +verscheidene oud-Fransche gedichten. Deze bevatten evenwel niet +de oudste wedergave van de sage, daar deze reeds voorkomt in een +oud-Iersch heldendicht: "Fled Bricrend" of "het Feest van Bricrin", +waarin zelfs twee vermeldingen van de proef worden gevonden. Het +handschrift van dit epos dagteekent uit het einde der 11e eeuw, maar +het werk zelf moet veel ouder zijn, daar het zelfs geen sporen van +Christelijke beginselen vertoont. Bovengenoemde sage moet op een +vroeg tijdstip doorgedrongen zijn tot het vasteland, waar wij in +vijf verschillende ridderromans eene min of meer getrouwe navolging +ervan aantreffen. + +Deze zijn: "La Mule sanz Frain", door Paiens de Maisières (begin 13e +eeuw), welk verhaal werd opgenomen door den Duitschen dichter Heinrich +von dem Türlin in zijn onsamenhangend en lang gedicht: "Diu Crône", +hetwelk waarschijnlijk geschreven werd omstreeks 1210. Vervolgens werd +de onthoofdingsperiode opgenomen in het Fransche of Anglo-normandische +gedicht, dat ten grondslag lag aan "Syr Gawayne and the grene Knyght", +in de bovengenoemde voortzetting van de "Conte del Graal" en in de +prozaroman "Perlesvaus". + +Volledigheidshalve dient hier nog vermeld de ridderroman getiteld +"Gauvain et Humbaut", waar hetzelfde verhaal, zij het in een zeer +gebrekkigen vorm, wordt verteld. + +Wat het tweede hoofdthema: de "getrouwheidsproef" aangaat, ook dit +treffen wij elders aan. Het vindt eveneens zijn oorsprong in oude +volkssagen en overleveringen, waar veelvuldig melding wordt gemaakt +van eene soortgelijke proef, waaraan bovennatuurlijke wezens hunne +menschelijke gasten of bezoekers onderwerpen, alvorens hun toegang +te verleenen tot hun rijk. In den oud-Franschen ridderroman "Ider" +(eerste helft der 13e eeuw) komt eene episode voor, die groote +overeenstemming toont met de episode uit de Walewein-sage, al treft +ons terstond het verschil in toon tusschen den beide verhalen. In den +"Ider" heerscht eene ruwheid in zeden en gewoonten, die bijna aan het +barbaarsche grenst, de Walewein-sage daarentegen ademt een geest van +hoffelijkheid en beschaving. + +Twee andere ridderromans: de Middel-Engelsche "Carl of Carlisle" +en de Fransche "Chevalier à l'Epée" vermelden eene soortgelijke +getrouwheidsproef; zij zijn waarschijnlijk gegrond op eenzelfde +Fransch gedicht. + +Ten slotte vinden wij eene dergelijke gebeurtenis beschreven in twee +korte Italiaansche gedichten uit de 14e eeuw; het eene, waarvan de +schrijver onbekend is gebleven, is getiteld "Morale", het andere, +waarin de held een Romeinsch edelman is en geenerlei melding wordt +gemaakt van de Ronde Tafel, is getiteld: "Dà un exempli" en werd +geschreven door Antonio Pucci. Waarschijnlijk wijzen ook deze beide +terug naar hetzelfde Fransche gedicht, waar de "Carl of Carlisle" +en de "Chevalier à l'Epée" aan ontleend zijn. + +Op welke wijze moeten wij nu aannemen, is uit deze hier en daar +voorkomende episoden de met recht zoo hoog geprezen roman van "Walewein +en de groene Ridder" voortgekomen? + +Ter beantwoording van deze vraag verwijzen wij naar de studie over +onze sage, getiteld: "A Study of Gawain and the green Knight", door +George Lyman Kittredge. Harvard University Press, 1916. + +De schrijver stelt als zijne meening voorop, dat de beide +hoofdthema's der sage geheel onafhankelijk van elkander zijn in +oorsprong en geschiedenis en slechts in deze sage tot één verhaal +zijn vereenigd. Vervolgens gaat hij nauwkeurig het ontstaan en de +ontwikkeling der beide thema's na en beproeft steeds de ontbrekende +schakels in den ontwikkelingsgang, dien hij aanneemt, aan te +vullen. Deze is ongeveer als volgt: in de 12e eeuw werd, waarschijnlijk +in Engeland, een korte episodische roman over Walewein samengesteld, +die ontleend was aan de onthoofdings-episode uit het oud-Iersche +heldendicht "Fled Bricrend". Deze episodische Walewein-roman, +geschreven in het Anglo-Normandische dialect, is verloren geraakt, +maar de sage van de onthoofdingsproef werd er uit overgenomen in drie +Fransche romans: 1e de "Mule sanz Frain", 2e de proza "Perlesvaus", +waarin het verhaal een anderen held krijgt, n.l. Lanceloet en +3e "Gauvain et Humbaut", waar het zich in een eigenaardigen vorm +vertoont. Om en bij 1200 of een weinig vroeger werd de bovengenoemde +Walewein-roman herzien of geheel opnieuw geschreven door een Fransch +dichter in een dialect van het vastelands-Fransch. Deze bewerking +van het oude verhaal was veel beschaafder en verfijnder dan de +oorspronkelijke en hieraan was het, dat de stof werd ontleend voor de +Caradoc-episode in de eerste voortzetting van Chrétien's Conte del +Grael. Ten slotte was het ook uit deze bewerking, dat de Fransche +dichter putte, die de onthoofdings-episode verbond aan een geheel +verschillende sage omtrent onzen held en uit de samensmelting van +die beide thema's een nieuw en samenhangend geheel deed ontstaan, +dat weliswaar zelf verloren is geraakt, maar waarvan wij de vrije +en oorspronkelijke bewerking in "Syr Gawayne and the grene Knyght" +kunnen bewonderen. Het Fransche gedicht wordt door Kittredge geacht +omstreeks 1250 tot stand te zijn gekomen. + +De schrijver toont vervolgens aan, in welke opzichten de Engelsche +dichter van zijne bron is afgeweken. Dit is vooral merkbaar aan het +slot der geschiedenis; het is geheel tegen den geest der oud-Fransche +ridderromans, om Walewein anders dan zegevierend uit eene onderneming +te voorschijn te doen treden en in ons verhaal keert onze held min +of meer schuldbewust en boetvaardig naar het hof van koning Arthur +terug. Waarschijnlijk is de ontknooping eerst geweest als volgt: +doordat Walewein, getrouw aan zijne belofte, den zwaardslag uit de hand +des groenen ridders heeft afgewacht, is de laatste uit een toestand van +betoovering bevrijd en tot zijn menschelijken vorm teruggekeerd. Vol +vreugde over zijne bevrijding besluit hij Walewein te volgen en deze +keert zegevierend naar het hof terug, waar de groene ridder onder de +vazallen des konings wordt opgenomen. + +Dat dit inderdaad de ontknooping van het verhaal is geweest, bewijst de +schrijver uit twee andere Engelsche gedichten: "The Turk and Gawain", +hetwelk dateert uit het einde der 14e eeuw [20] en uit eene ballade, +getiteld: "The grene Knyght", welke voorkomt in het Percy H. S. van +1765. Beide gaan volgens den schrijver terug op hetzelfde Fransche +gedicht, waaraan "Syr Gawayne and the grene Knyght" ontleend is en +toonen aan, waar laatstgenoemd gedicht van het oorspronkelijke verhaal +is afgeweken. + +Eene andere opvatting omtrent het ontstaan en den groei van de sage +vinden wij in eene studie, door J. R. Hulbert; getiteld: "Syr Gawayne +and the Grene Knyght", die verschenen is in Modern Philology (December +1915, April 1916). De schrijver tracht aan te toonen, in tegenstelling +met de algemeen gehuldigde meening, dat de beide hoofdthema's der sage, +hoewel logisch onafhankelijk, dit toch niet geschiedkundig zijn. Tot +bewijs dezer stelling toont schrijver aan, dat in drie der verhalen, +waarin de onthoofdingsproef voorkomt, deze dienen moet om den held te +helpen in het veroveren zijner geliefde, die geen menschelijk wezen, +maar eene fee is. + +Waartoe nu, zoo zegt schrijver, dient die beproeving bij +Walewein? Zeker niet, om den held te vernederen, want--en dit is +inderdaad een onverklaarbaar element in het verhaal--Morgan, de +bekende toovenares, die in vele Arthur-verhalen voorkomt en ook in +deze geschiedenis hare macht doet gelden, moet als toovenares vooruit +hebben geweten, wat het resultaat zou zijn van de wraakneming, +die zij wenschte te volvoeren. Welnu dan, zegt schrijver, indien +het niet was om Walewein en in hem de ridders van de Ronde Tafel te +vernederen, dan was het ook hier, om hem de hand zijner geliefde te +doen winnen. De feiten, die tegen de houdbaarheid eener dergelijke +veronderstelling schijnen te spreken, zijn 1e dat de schoone vrouw +van Heer Bernlak slechts voorwendt haren gast lief te hebben en 2e +dat Walewein de beproeving van den bijlslag eerst ondergaat, nadat +de dame hem hare liefde heeft aangeboden. Deze punten verklaart de +schrijver door aan te nemen, dat het oorspronkelijke verhaal gewijzigd +is, om te kunnen dienen als dichterlijke verklaring voor de stichting +eener orde. Inderdaad hebben vele geleerden verband gezocht tusschen +het dragen van den groenen gordel en de stichting der orde van den +Kouseband door Richard III in 1345. + +Dit verband wordt bevestigd door het feit, dat wij aan het einde van +het M. S., als later daaraan toegevoegd, het devies van deze orde +geschreven vinden. Bovendien zien wij hoe in den reeds genoemden 15e +eeuwschen ridderroman "The grene Knyght" hetzelfde verhaal gebruikt +wordt, om den oorsprong van de Bath-orde te verklaren. + +Mr. Hulbert is eveneens van meening, dat het Middel-Engelsche gedicht +voor dit doel gebruikt is, d.w.z. als verklaring voor de stichting +van eene orde, echter niet, zooals wij zullen zien van die van den +Kouseband. Om die reden, zoo zegt hij, werden de gebeurtenissen in +het verhaal gewijzigd. Doordat de dichter de orde wilde verbinden aan +het begrip van trouw en eerlijkheid, stelde hij de liefdesbetuigingen +der burchtvrouwe voor als eene zware verleiding, waartegen de held te +strijden had en verplaatste hij de tooneelen tusschen hen naar het +gastvrij slot, waar volgens de oude overleveringen de held verblijf +houdt alvorens zich door de onthoofdingsproef den toegang tot de andere +wereld en de daarin verblijf houdende geliefde te verschaffen. Daardoor +komt nu de onthoofdingsepisode achteraan en kan zij dienen als een +blijk van Waleweins trouw aan zijn gegeven woord. De ballade van "The +grene Knyght", die volgens den schrijver gegrond is op een ouderen +vorm van de sage, bewijst volgens hem, dat er grond bestaat voor de +juistheid zijner opvattingen daaromtrent. Hier koestert de slotvrouwe +inderdaad liefde voor Walewein, hoewel zij hem nooit gezien heeft, +een veelvuldig voorkomend feit in de oude ridderromans. Daarbij +vinden wij hier geenerlei melding van Morgan le Fay, die in het +latere gedicht zulk eene vreemde en bijkomstige rol speelt, dat het +voor de hand ligt om aan te nemen, dat hare figuur eerst later door +den dichter is ingeschoven. Ten slotte wordt in "The grene Knyght" +de uitdaging tot onthoofding gebruikt om Walewein naar het slot te +lokken van de dame, die hem liefheeft. + +Deze drie punten nu verklaren volgens J. R. Hulbert, dat de sage +van Walewein en den groenen Ridder oorspronkelijk ten doel had om de +avonturen te beschrijven, die voorafgaan aan het winnen eener geliefde +uit het feeënrijk. + +Wat nu de orde betreft, voor welker stichting onze sage de verklaring +moest leveren, zoo is dit volgens Hulbert in geen geval die van den +Kouseband. De groene kleur, waarin de vreemde bezoeker is uitgedost, +terwijl de kleur van de Kouseband-orde blauw is--het feit, dat in het +gedicht steeds sprake is van Kerst- en Nieuwjaarsfeesten, terwijl de +viering van de orde op den naamdag van St. George valt en ten slotte +de omstandigheid, dat bedoelde viering steeds in Windsor geschiedde, +terwijl het gedicht geschreven is in een Noord-Westelijk dialect--al +deze dingen wijzen er volgens den schrijver op, dat onze sage geen +verband kan houden met de stichting van deze orde. Wel meent hij zulks +te ontdekken in het geval van de Bath-orde. Tot deze veronderstelling +wordt hij gebracht door het feit, dat in oude beschrijvingen van het +tot ridder slaan van deze orde, melding wordt gemaakt van een groen +kleed, waarmede de geridderden werden omhangen. Verder dient vermeld, +dat hoewel de Bath-orde zelf eerst in 1725 werd gesticht, er reeds +in oude tijden melding wordt gemaakt van ridders van dien naam. Is +de schrijver juist in zijne veronderstelling, dan zou deze sage, +evenals die van "The Grene Knyght", reeds van den aanvang af verband +houden met de legende omtrent het ontstaan van de Bath-orde. + +De nadruk, die in het gedicht gelegd wordt op de viering der Kerst- +en Nieuwjaarsfeesten, doen den schrijver aan het slot van zijn artikel +de veronderstelling opperen, dat de romance bestemd was om bij een +dier beide feestgelegenheden te worden voorgedragen. + +De slotsom van zijne studie is dus volgens den schrijver, dat "Syr +Gawayne and the green Knight" niet eene samensmelting is van twee +afzonderlijke verhalen, maar eene eenigszins gewijzigde bewerking van +één enkele oude sage; verder, dat het gedicht niets uitstaande heeft +met de stichting van de Orde van den Kouseband en dat bij het zoeken +van eenig verband tusschen de sage en het ontstaan eener orde de groene +kleur van den gordel en de tijd, waarin de gebeurtenissen, in het +verhaal vermeld, zich afspelen, in aanmerking moeten worden genomen. + +Al blijkt uit het voorgaande, dat de meeningen omtrent het ontstaan en +den groei der sage nogal uiteenloopen, toch zijn alle geleerden het +er over eens, dat de geschiedenis van Walewein en den Groenen Ridder +eene bewerking is van een Fransch gedicht. In hoever de Engelsche +dichter van het oorspronkelijke is afgeweken, laten wij hier buiten +beschouwing, als vaststaand mogen wij aannemen, dat hij ons eene min +of meer getrouwe vertolking hiervan heeft geleverd. Toch moeten wij +zijn werk allerminst beschouwen als eene slaafsche vertaling van een +reeds bestaand gedicht. Immers in het Engelsche gedicht treffen ons +verscheidene nieuwe bestanddeelen, die een voornaam aandeel van onze +bewondering voor het kunstwerk opeischen. De Fransche dichter moge +handig geweest zijn in het samenstellen van zijn gedicht en moge +bovendien de gave hebben bezeten van onderhoudend vertellen, zijn +Engelsche navolger was een dichter in den vollen zin des woords, die +zijne stof wist te doordringen van eene hoogere zedelijke strekking +zonder daardoor het verhaal als zoodanig ook maar in 't minst te +schaden. + +Hij maakt zich niet schuldig aan lange betoogen en breedvoerige +beschouwingen zooals zoovelen onder zijne tijdgenooten, de lijn +der onderhandeling wordt niet onderbroken door afdwalingen van het +hoofdthema, de karakters in zijn gedicht tintelen van geest en leven, +terwijl de fijne natuurschilderingen en jachtbeschrijvingen alleen +den schrijver reeds eene eerste plaats onder de dichters van zijn +tijd waardig zouden doen zijn. + + + + + +DE SAGE VAN HEER WALEWEIN EN DEN GROENEN RIDDER. + + + "Entre toz les bons chevaliers + Doit estre Gauvains li premiers." + + (Chrétien de Troies: Erec 1690-91). + + +_Wanneer het jaar ten einde spoedde, waren de ridders der ronde +tafel gewoon, zich naar Camelot te begeven, om aldaar met hun vorst +het kerstfeest te vieren._ Reeds in den aanvang zijner regeering had +koning Arthur den wensch te kennen gegeven, om ter herdenking van dit +plechtig geboortefeest een zoo groot mogelijk aantal zijner getrouwen +om zich heen verzameld te zien. Geen wonder dus, dat de ridders, +voor wie elke wensch van hun geliefden heer een gebod was, elk jaar +in grooten getale naar Camelot optrokken, onverschillig waar zij +zich op dat tijdstip bevonden of welke moeilijkheden de lange tocht +door het besneeuwde land hun in den weg legde. Een woord van welkom +uit den mond van hun koning vergoedde hun ten volle de doorstane +ontberingen en na een tijd van vertrouwelijk samenzijn met vrienden +en bekenden, van wier bijzijn zij in dit jaargetijde uit den aard der +zaak meer konden genieten dan in den zomer, als het gezelschap zich +verspreidde in veld en bosch, plachten zij gesterkt naar lichaam en +geest, naar hunne haardsteden terug te keeren. Zoo ging er van dit +rustig samenzijn in den barren wintertijd een verheffende invloed +uit en in de vertrouwelijke gesprekken tusschen den vorst en zijne +volgelingen, scheen er in de harten der ridders iets neer te dalen van +den vrede van het Kerstfeest, waardoor de gedachten aan roem en eer, +aan vrouwenliefde en vorstengunst voor eene wijle op den achtergrond +werden gedrongen. + +Maar de ridders brachten niet al hun tijd door met het voeren van +ernstige gesprekken, de koning wenschte vóór alles, dat het Kerstfeest +een tijd zou zijn van ontspanning voor hen, wien mogelijk in het +Nieuwe Jaar eene zware taak of eene harde beproeving wachtte. + +Daarom droeg hij zorg, dat in die dagen vreugde en jolijt den boventoon +voerden aan zijn hof, hij liet er bekwame harp- en luitspelers +ontbieden, beroemde minnezangers en geestige potsenmakers vonden er +een gastvrij onthaal en een vorstelijk loon en zoo bracht elke dag +den gasten nieuwe verstrooiing. + +De dag, waarop de gebeurtenissen, in dit verhaal vermeld, een aanvang +namen, was de eerste van het Nieuwe Jaar en een talrijk gezelschap van +rijk gekleede ridders en edelvrouwen was in de groote feestzaal van +het koninklijk paleis verzameld, gereed om zich aan tafel te begeven. + +De dienst in de slotkapel was zoo juist afgeloopen, de plechtige +kerkgezangen waren verstomd en nadat het gezelschap in het paleis was +teruggekeerd, had men elkander op vroolijken toon gelukgewenscht met +het Nieuwe Jaar, onder het aanbieden der gebruikelijke geschenken. De +zaal was vervuld met een blij gegons van stemmen en een zacht ritselen +van zijden vrouwenkleeren, terwijl zoo nu en dan het gekletter van +een zwaard of het rinkelen van riddersporen weerklonk. + +Eindelijk bliezen herauten het sein tot den maaltijd en onder vroolijk +gelach en gepraat schikten de gasten zich aan weerszijden van de +lange tafels, waar een keur van spijzen stond opgediend. Aan het +hoofd der eeretafel, die dwars op de richting der andere stond, +zou het vorstelijk echtpaar aanzitten met de edelsten onder de +ridders. Koningin Ginevra had reeds plaats genomen in haren hoogen +gebeeldhouwden stoel. Een nauwsluitend, groen kleed omsloot hare ranke +gestalte, de wijd afhangende mouwen waren rijk geborduurd in helder +glanzende kleuren en de breede gordel, dien zij om het midden droeg, +was bezaaid met fonkelende edelsteenen. In het blonde haar droeg zij +een gouden kroontje. De uitdrukking van haar gelaat was minzaam, en +vroolijk straalden haar grijze oogen bij den aanblik van dit gezelschap +van edele ridders en schoone vrouwen, die allen hier waren gekomen om +haar en haren gemaal hulde te brengen. Aan de zijde der vorstin waren +de dapperste en meest geziene ridders van het hof gezeten: Walewein, +de zoon van koning Loth en de eigen neef van koning Arthur, Iwein, +bijgenaamd de Leeuwenridder, Lanceloet en eenige anderen. De koning +zelve had nog steeds geen plaats genomen op zijn zetel aan de zijde +der koningin. Pratend en gekscherend liep hij op en neer, nu eens +tot dezen, dan weer tot dien ridder het woord richtend. Het was in +het begin zijner regeering, dat de te melden gebeurtenissen zich +afspeelden, in den tijd, toen hij nog jong en krachtig was en het +besef zijner hooge roeping hem het bloed sneller door de aderen deed +vloeien. In die dagen bruiste het in hem van moed en levenlust en de +gedachte aan de heldendaden en wapenfeiten, die hij zou verrichten, +deden zijne oogen fonkelen en een onrust in hem ontwaken, die het +hem onmogelijk maakte om langen tijd op een plek te vertoeven. Ook nu +kon hij geen rust vinden; de wereld daarbuiten riep hem met lokkende +stem en gaarne zou hij uit zijn gereden, de bosschen in, waar de +prikkel der jacht hem gelegenheid zou geven zijn lust tot avontuur te +botvieren. Lachend zwoer hij, dat hij zich niet aan tafel zou begeven, +alvorens hem eene of andere heldendaad of gevaarlijk waagstuk zou zijn +ter oore gekomen om het Nieuwe Jaar waardig in te zetten. Intusschen +liepen de knechten ijverig heen en weer om de dampende schotels aan te +brengen. Een geur van gebraad en andere kostelijke spijzen steeg op in +de zaal, de wijn vloeide klokkend uit de gouden en zilveren kannen in +de sierlijke bokalen en het geluid der stemmen vermengde zich met de +zachtklinkende muziek der luitspelers, die in een hoek der zaal hadden +plaatsgenomen. Toen de eerste gerechten waren rondgediend, verstomde +het gepraat allengs en hoorde men een tijdlang niets dan het getik +der lepels tegen de borden en het neerzetten van een beker op de tafel. + + + +_Van de plotselinge verschijning des groenen ridders._ Plotseling werd +de deur, die toegang gaf tot de zaal met een luiden slag opengeduwd en +op den drempel verscheen een ruiter, bij wiens aanblik alle aanwezigen +ophielden met eten en elkander in stomme verbijstering aanstaarden. De +ridder namelijk, die zoo juist was binnengekomen, was een reusachtige +gestalte en vertoonde bovendien--en dit was 't vreemdst van alles--van +het hoofd tot de voeten eene groene kleur. Alles aan hem was groen: +zijn wambuis en schoudermantel, de edelgesteenten, die glinsterden op +zijn gordel en zijne sporen, het dekkleed over zijn paard en het ros +zelf eveneens. De ridder droeg geene wapenrusting en speer noch schild, +maar in de eene hand hield hij een hulsttak, terwijl de andere eene +zware strijdbijl torste, waarvan de snede vlijmscherp geslepen was. + +Zonder een woord te spreken stuurde hij zijn ros in de richting der +eeretafel en vroeg toen met luider stemme, wie de heer en meester +van het gezelschap was. + +Doodsche stilte heerschte in de zaal, waar alle aanwezigen in stomme +verbazing de vreemde verschijning gadesloegen. Vanwaar kon hij zoo +plotseling gekomen zijn, deze zonderlinge ridderfiguur en wat beduidde +die groene kleur? Eensdeels scheen het, of hij met vriendschappelijke +bedoelingen kwam, want hij droeg harnas noch helm, maar waarom dan +die scherp geslepen bijl? Al deze vragen woelden om in het brein der +aanwezigen en in spanning richtten zij hun blik op den koning om te +zien welke houding hij tegenover dezen ongenooden gast zou aannemen. + +Koning Arthur evenwel scheen geen oogenblik zijne kalmte +te verliezen. Met rustigen tred deed hij eenige schreden in de +richting van den vreemdeling en sprak: "Wees welkom in mijn paleis, +heer ridder! In mij ziet gij den heer van dit gezelschap; mijn naam +is Arthur en deze uitgelezen schaar van dappere mannen zijn mijne +ridders! Zet u neder in hun midden, wat ik u bidden mag en deel met +ons dezen maaltijd. Na afloop zult gij ons dan vertellen, wat er van +uw verlangen is!" + +"Neen, waarlijk niet", antwoordde de vreemdeling, "dat is niet, hetgeen +ik hier zoek! Het is niet om van uwe gastvrijheid te genieten, dat +ik hierheen ben gekomen, maar wel om de veel geroemde dapperheid uwer +ridders op de proef te stellen. Wanneer zij werkelijk de moedigste en +edelste mannen ter wereld zijn, zullen zij mijn verzoek niet weigeren." + +"Spreek vrij uit", hernam koning Arthur op trotschen toon, "en wanneer +gij een sterken arm of een scherp zwaard behoeft, om uwe kracht mede +te meten, zoo zijt gij hier op de rechte plaats om die te vinden!" + +"Ik zoek geen strijd", antwoordde de groene ridder, en zijn blik +dwaalde met eene uitdrukking van minachting over de aanwezigen, "gij +ziet immers aan mijne kleeding en aan den hulsttak, dien ik draag, +dat ik met vreedzame bedoelingen herwaarts gekomen ben. Ware dit niet +het geval, dan zoudt ge mij in volle wapenrusting gezien hebben, met +den helm op 't hoofd, en mijne lange strijdspeer in de hand. En geen +dezer baardelooze knapen zou dan in staat zijn geweest, mij uit den +zadel te lichten. Neen, mijn verlangen is van gansch anderen aard. Het +is een Kerstgrap, die ik wensch, eene dolle scherts, die past in dezen +tijd van boert en kortswijl. Daarom vraag ik u, of er één is onder +uwe ridders, koen en stout genoeg, om mij een slag toe te brengen +in ruil voor een anderen? Zoo ja, dan zal ik hem als belooning deze +kostbare strijdbijl schenken en mij bovendien beschikbaar stellen +om den eersten slag uit zijne hand af te wachten. In ruil daarvoor +behoud ik mij echter het recht voor, om hem op mijne beurt een slag +toe te brengen, waartoe ik hem twaalf maanden uitstel geef. Wie uwer +neemt mijn voorstel aan?" Nadat hij deze woorden gesproken had, steeg +de groene ridder van zijn paard en, leunend op zijn wapen, liet hij +zijne rollende oogen met eene uitdrukking van spot en minachting over +het gezelschap gaan. + +Stom zaten de ridders bijeen; het vreemde voorstel en de reusachtige +gestalte van den groenen ridder vervulden hen met angst en +wantrouwen. Dit was geen gewone uitdaging, zooals zij die gewend +waren van vreemde ridders, die aan het hof te Camelot kwamen, +om hunne krachten te beproeven tegen de ridders der Ronde Tafel; +dit was een voorstel, dat oogenschijnlijk gunstig voor hen leek, +maar waarachter zij, als door eene natuurlijke ingeving, vermoedden, +dat een groot gevaar stak. Daarom was niemand belust er op in te gaan +en wachtte elkeen eerst af, of zijn buurman wellicht die taak van hem +zou overnemen. De groene ridder evenwel barstte uit in een luid en +smadelijk lachen. "Zijn dit de hoog geprezen en veel geroemde ridders +der Ronde Tafel? deze bloodaards, die bij het noemen van 't gevaar +zich reeds schuchter terugtrekken? Waar zijn nu uwe dapperheid en +strijdlust, waar uw moed en ondernemingsgeest? Met een enkel woord +heb ik ze tot leugen gemaakt en u getoond wie ge zijt; een troep +laffe knapen, gemakkelijk uit het veld te slaan door wapengekletter +en krijgsgerucht." + +Maar verder kwam de vreemdeling niet, want koning Arthur viel hem +in de rede met een donderend: "Zwijg! Niet ongestraft zult gij +mijne ridders beleedigen! Meen niet, dat zij bevreesd zijn voor uwe +geheimzinnige uitdaging. Indien zij zwijgen, dan doen zij zulks, +omdat het een wijs man past, eerst met zijn verstand te rade te gaan, +alvorens hij een besluit neemt. Voorwaar, dit zeg ik u! in de harten +mijner ridders schuilt geen vrees of angst! Ik zelve zal u bewijzen, +dat wij in staat zijn aan uw wensch te voldoen. Geef mij uw wapen en +ik zal u den slag toebrengen, dien gij verlangt te ontvangen." Daarop +sprong de vorst op den vreemdeling toe, die hem met eene nijging van +het hoofd de strijdbijl overhandigde en daarna in gebogen houding +den slag scheen af te wachten. + +Plotseling ontstond er beweging aan de eeretafel, waar Heer Walewein, +zich half oprichtend uit zijn zetel, den koning aansprak met de +volgende woorden: "Sire, het zou niet stroken met uwen koninklijken +staat, indien gij uw leven waagdet in deze onderneming, waarvan wij de +strekking nog niet kunnen doorgronden. Waar zoovelen aanwezig zijn, +om dit werk van u over te nemen, is het onnoodig, dat gij u in het +gevaar begeeft. Daarom smeek ik u mij toe te staan, dit avontuur op +mij te nemen. Vergun mij, de tafel te verlaten en laat mij in deze +uw kampioen zijn. Al ben ik onwaardig om u te vervangen, toch hoop +ik met Gods hulp en de kracht mijner vuist, deze taak te volbrengen, +indien ge mij steunen wilt met uw vertrouwen!" De andere ridders +waren getroffen door den plechtigen ernst, waarmede Walewein deze +woorden sprak en toen hij zweeg en den koning smeekend aanzag, viel +een koor van stemmen hem bij, die allen poogden Arthur over te halen +om Waleweins bede in te willigen. + +Met een minzaam handgebaar wenkte de vorst den jongen ridder om van +tafel op te staan; deze gaf daaraan gehoor, deed een paar haastige +schreden in de richting van zijn koning en knielde eerbiedig voor +hem neer. Arthur overhandigde hem toen de strijdbijl en voegde hem +op ernstigen toon toe: "Mogen God en alle heiligen u bijstaan in de +zware taak, die gij vrijwillig op uwe schouders hebt genomen. Mogen zij +uw hart en lichaam sterken en u behouden doen wederkeeren tot allen, +die u dierbaar zijn!" + +Walewein begaf zich nu met de bijl in de hand naar den groenen ridder +en zeide tot hem: + +"Spreek, wat wilt gij, dat ik doen zal?" + +"Vóór wij verder gaan, moet ge mij uw naam zeggen", antwoordde de +vreemdeling. "Daarna zullen wij nader de voorwaarden vaststellen, +waaronder ik wensch te handelen." + +"Mijn naam is Walewein, en ik verbind mij u een slag toe te brengen, +waarvoor ge mij in ruil een anderen slag moogt geven, wanneer wij +twaalf maanden verder zijn", antwoordde de jonge ridder trotsch. + +De groene ridder zag zijn jeugdigen tegenstander vriendelijk aan en +zeide op zachteren toon, dan hij tot nu toe gebezigd had: "Gij spreekt +als een dapper man, Heer Walewein, en van niemand liever dan van een +edel ridder als gij, zou ik den slag wenschen te ontvangen. Eén ding +moet gij mij echter beloven, en wel, dat ge mij, wanneer het jaar +verstreken is, zelve zult komen zoeken, waar ge slechts denkt mij te +kunnen vinden". "Indien ik dat doen zal, dient ge mij eerst te zeggen, +wie gij zijt en vanwaar gij komt", gaf Walewein hem ten antwoord, +"want hoe zal ik u vinden, indien ik zelfs den naam niet weet van hem, +dien ik zoek?" De groene ridder lachte en sprak: "Mijn naam zal ik u +zeggen, wanneer ge mij met de bijl geraakt hebt en mocht het gebeuren, +dat ik niets meer zeg, welnu, zooveel te beter dan voor u! En nu, wat +ik u verzoeken mag, sla toe!" Daarop boog hij zich voorover, schudde +zijne lange lokken weg van zijn hals en legde dien bloot. Walewein +greep met vaste hand de zware strijdbijl om het handvat, zwaaide het +wapen omhoog en deed het toen met snelle vaart neerdalen op den nek +van den gebogen ridder. Zoo hevig was de kracht, waarmede de slag +aankwam, dat het hoofd van den ongelukkige met één slag van den romp +gescheiden werd. Met een luiden bons viel het op den vloer der zaal, +waar de ridders het verachtelijk wegschopten. Wie beschrijft echter +hunne ontzetting, toen de romp recht overeind bleef staan, hoewel +het bloed omhoog spoot en de heldergroene kleeding rood kleurde. + +In twee passen was de ijselijke gestalte bij de plek gekomen, waar het +hoofd lag, bukte zich tot ieders verbazing, raapte dit op van den vloer +en sprong toen in het zadel, het hoofd in de rechterhand bij het haar +vasthoudend. Daarna keerde het gelaat zich naar de eeretafel toe en +ziet: de oogleden gingen omhoog en de levenlooze mond begon te spreken: +"Nog éénmaal herinner ik u aan uwe belofte, heer ridder! Over twaalf +maanden wacht ik u om op uwe beurt een bijlslag te ontvangen en wee +u! indien ik tevergeefs wacht! Wanneer ge mij zoekt, vraag dan den +weg naar de groene kapel, daar zult ge mij vinden. Men noemt mij den +groenen ridder, een anderen naam kan ik u niet zeggen. Wees getrouw +aan uw woord, vaarwel!" + +Daarna gaf de vreemdeling zijn paard de sporen en stoof met zulk eene +vaart het paleis uit, dat de hoeven van het strijdros vonken sloegen +uit de vloersteenen. + +Verstomd en met afgrijzen zagen de ridders elkander aan; Arthur was de +eerste, die zijne kalmte herwon. Hoewel hij inwendig niet geheel gerust +was over den afloop der onderneming wist hij zich te beheerschen en +zeide tot koningin Ginevra, die bleek en bevend in haren stoel zat: +"Wees niet ontsteld, liefste! Zulk eene grap past immers bij een +vroolijk feest als dit! Eén ding is zeker! Met een vrij geweten kan +ik mij nu aan tafel begeven, want aan mijn wensch om een avontuur te +beleven, is voldaan!" Daarop wendde hij zich tot Walewein en voegde +hem toe: "Hang uwe strijdbijl op aan gindschen muur, waarde neef! voor +heden heeft zij u voldoende diensten bewezen en zij heeft hare rust +wel verdiend!" + +Walewein voldeed aan zijn verzoek en schikte zich opnieuw aan de tafel, +waar ook koning Arthur plaats nam en waar zich weldra een stroom van +knechten en volgelingen verdrong om hun de uitgezochtste spijzen en +kostelijkste dranken aan te bieden. Onder vroolijk gekout verdween +spoedig de schaduw, die de vreemde verschijning een oogenblik op het +feest geworpen had en scherts en boert hernamen den boventoon. Tot +laat in den nacht duurde het feest; onder zang en dans vlogen de uren +om en eerst tegen den morgen scheidde men om zich ter ruste te begeven. + +De winter verstreek. De dagen werden lichter en langer en weldra +naderde de lente met hare wonderschoone belofte van nieuw, jong +leven. Als de ridders in de schemering huiswaarts reden, het lichaam +zwaar van eene gezonde vermoeidheid, zagen zij, hoe in de bosschen een +zacht groen waas zich spreidde over boom en struik en in de velden om +Camelot klonk het klagelijk geblaat der jonge lammeren. Weldra deden +de zonnestralen en de malsche lenteregens bloem en blad ontluiken +en was het alom in de natuur een feest van geuren en kleuren, +zooals alleen de lente ons brengen kan! De menschen wierpen hunne +donkere winterkleeren van zich af en tooiden zich in lichte, kleurige +gewaden om zich één te voelen met al die bloeiende, frissche tinten +daarbuiten. De ridders voelden een drang tot daden in zich ontwaken, +zij lieten hunne schildknapen zorgvuldig de harnassen en wapens nazien, +en zij zelven trokken naar buiten om zich te oefenen in speerwerpen +en schijfschieten, waardoor hunne spieren weer los en krachtig werden. + +Op hare beurt maakte de lente plaats voor den zomer. De zon brandde +fel op veld en akker, en verschroeide het gras in den paleistuin, +waar tegen den avond een zware rozengeur opsteeg. Onder het dichte +gebladerte der boomen klonk het zachte kirren der woudduiven, de +bijen gonsden van bloem tot bloem, maar verder verbrak geen geluid +de stilte. Eene algemeene loomheid scheen zich van de natuur meester +gemaakt te hebben, waaraan ook de mensch zich niet kon onttrekken. Wie +niet noodzakelijke bezigheden te verrichten had, waagde zich niet +van huis vóór het avond werd en de zon als eene vlammende schijf aan +den horizon verzonk. In de lange zomeravonden werden verre ritten +te paard ondernomen door het welig bloeiende zomerland. Na afloop +bleef men langen tijd bijeen aan den avondmaaltijd, die in de open +lucht werd opgediend. De liederen, die men den zangers dan opdroeg +te zingen, waren zangen van liefde en hartstocht en in het vallend +duister droomden de jonge ridders van schoone vrouwen, in wier dienst +zij daden van ongehoorden moed en stoutmoedigheid zouden verrichten. + +Maar ook de zomer vlood voorbij en werd gevolgd door den herfst. Toen +klonk reeds vroeg in den morgen, als de blauwe nevels nog tusschen +de boomen hingen, het geschal der jachthoorns door de wouden en menig +onschuldig dier viel ten prooi aan de scherpe pijlen der ridders. Eene +algemeene bedrijvigheid heerschte in huis en hof. Terwijl het zweet +hun tappelings langs het gelaat liep, waren de landbouwers bezig +de laatste karrevrachten van den kostbaren oogst binnen te halen; +in de keukens van het paleis hadden de koks met hunne knechts druk +werk om het wild, dat in groote hoeveelheden werd binnengebracht, +voor den middagdisch te bereiden en intusschen hadden in het +strijdperk de groote tournooien plaats, die jaarlijks duizenden +menschen naar Camelot lokten. Met lauwerkransen getooid, kwamen de +ridders 's avonds in het koninklijk slot, waar de tegenstanders van +dien dag zich aan een vriendschappelijken maaltijd vereenigden en +zich uitputten in wederzijdsch eerbetoon. Tot laat in den herfst +duurden de wedstrijden en steekspelen, daarna keerden de vreemde +gasten naar hunne woonplaatsen terug en werd het allengs stil in +Camelot. Ook in de natuur was een tijdperk van rust aangebroken. De +hevige najaarsstormen hadden de boomen van hunne bladeren beroofd, +die als een bruin tapijt den woudbodem bedekten. Geen vogelgefluit +weerklonk meer, nu en dan vloog een kraai met krassend geluid door +de lucht, verder hoorde men niets dan het suizen van den wind door +de kale takken en het ritselend geluid van een enkel blad dat zich +nog hardnekkig aan een twijg had vastgeklemd. + +Voor wie het vrije leven in bosch en veld liefheeft, is er iets +beklemmends in dit langzaam afsterven van al wat leeft in de +natuur en in het vooruitzicht van den langen, somberen winter. Ook +Walewein kende dit gevoel en meer nog dan andere jaren kwam het hem +ditmaal overvallen. Wanneer zijne makkers om hem heen lachten en +schertsten, kon hij plotseling stil voor zich uit zitten staren, +tot een vroolijke uitroep van een zijner vrienden hem tot de +werkelijkheid terugbracht. Geen wonder ook dat hij ditmaal met +eenige beklemming den winter zag naderen. Hem wachtte geen vroolijk +Kerstfeest, waarop zang en snarenspel en het gezelschap zijner +vrienden de donkere winteravonden zouden doen omvliegen. Tegen den +tijd dat de elders wonende ridders zich gereed maakten om den tocht +naar het hof te ondernemen, moest hij zich op reis begeven naar de +geheimzinnige groene kapel, waar, dat voelde hij zeker, een gevaar +hem wachtte, dreigender dan hij nog ooit onder de oogen had gezien. De +herinnering aan den groenen ridder, welke in den loop der maanden wat +was vervaagd, herleefde te sterker naarmate de tijd van zijn vertrek +naderde en hoewel hij geen oogenblik berouw had over het feit, dat +hij diens uitdaging had aangenomen--besefte hij eerst nu, tot welk +eene gevaarlijke onderneming hij zich verbonden had. + + + +_Hoe Walewein vertrok om den groenen ridder te gaan opzoeken._ De +weken verliepen en weldra naderde Allerheiligen, op welken dag koning +Arthur zijne ridders had uitgenoodigd tot een afscheidsfeest ter eere +van zijn geliefden neef. Na het gastmaal begaf Walewein zich naar zijn +vorst en sprak: "Sire, vergun mij, dat ik mij morgen op weg begeef, +om den groenen ridder te zoeken. Gij weet tot welke afspraak ik mij +verbonden heb, gij kent de voorwaarden ervan en zult het mij niet +euvel duiden, indien ik reeds nu van hier ga. Tot geenen prijs zou +ik te laat op de plaats van samenkomst willen verschijnen!" + +Deze woorden van Walewein maakten diepen indruk op alle aanwezigen. Bij +de gedachte aan de gevaren, die hunnen dierbaren vriend bedreigden, +drongen velen de tranen naar de oogen. Sommige edelvrouwen snikten +luide, anderen wischten in 't geheim een traan weg en verscheidene +ridders verdrongen zich om Walewein om hem door een handdruk of een +opwekkend woord hunne deelneming te betuigen. Onze held echter drong +met kracht de angstige voorgevoelens terug, die hem vervulden en +met een vroolijken lach riep hij uit: "Mijne vrienden, vanwaar die +sombere stemming? Is het dan voor het eerst, dat ik mij in 't gevaar +begeef? Zijn mijne oogen niet scherp als die van een valk en heeft +mijn strijdros Gringalet mij tot heden niet steeds ter overwinning +gevoerd? Weg dan die tranen en zuchten! Ik strijd voor de eer van mijn +koning en Hij, die de Koning der koningen is, zal mij niet verlaten! + +Den volgenden morgen vroeg werden hem in tegenwoordigheid van den +vorst en de gansche hofhouding zijne wapenen gebracht. In het midden +der zaal legde men een kostbaar tapijt neer, waarop Walewein plaats +nam. Hij was gekleed in een buis van blauwe zijde, dat zijne fiere +gestalte ten volle deed uitkomen. Eerst bukten twee knechten zich voor +hem neer om zijne stalen voet- en beenbekleedselen aan te gespen, +aan de laatste werden de dijstukken bevestigd. Vervolgens kwamen +twee anderen aandragen met den glinsterenden maliënkolder, waarvan +elk schakeltje vooraf nauwkeurig was nagezien. De armen werden bedekt +met passende stalen platen en de handen beschut door handschoenen van +hetzelfde metaal. Over dit alles werd het zware harnas bevestigd, +waarna de gouden sporen en het zwaard, dat door een zijden gordel +vastgehouden werd, des ridders uitrusting kwamen voltooien. Toen +Walewein aldus voor de reis gereed was, begaf hij zich naar de kapel +om de mis bij te wonen. Hij zond een vurig gebed op tot God om hem +sterkte te verleenen in de komende gevaren. Daarna nam hij afscheid +van den koning en van zijne mede-ridders, die hem allen volgden naar +het slotplein, waar zijn paard, Gringalet, vastgehouden door twee +stalknechten, hem wachtte. Ongeduldig stampte het edele dier met de +vóórvoeten op de steenen en bij elke beweging van den kop rinkelden +de bellen aan het hoofdstel en glinsterde het goudkleurig dekkleed in +de juist doorbrekende morgenzon. Uit de handen van een zijner trouwste +dienaren nam Walewein zijn helm aan, kuste het helmteeken en drukte den +helm toen vast op het hoofd. Langs de achterzijde hing een linnen doek, +waarop rijk geborduurde vogels in de bontste kleuren te zien waren, de +rand van den helm was bezet met schitterende diamanten. Toen Walewein +te paard was gestegen, ontving hij als laatste toevoegsel aan zijne +uitrusting zijn schild met den pentagoon, welk teeken hem beschermen +moest tegen de aanvallen van booze geesten. In zuiver goud teekenden +de lijnen van den vijfhoek zich af tegen den donkeren achtergrond van +het schild en wel paste het Walewein, dit heilige teeken te dragen, +want hij muntte uit in de vijf deugden, die het sieraad zijn der +ridderschap, te weten: offervaardigheid, eerlijkheid, nederigheid, +zachtheid en hoffelijkheid. Daarbij waren de vijf zintuigen bij hem +op edele wijze ontwikkeld en stelde hij zijn hoogste vertrouwen in de +vijf wonden van Christus en in de vijf genietingen, die de Heilige +Maagd van haren zoon mocht smaken. Daarom ook prijkte het beeld van +Maria boven den pentagoon op zijn schild en scheen ze neer te zien +op de vijf lijnen die in en door elkander liepen, gelijk de deugden +van zijn gemoed elkander raakten en aanvulden. Toen onze held zijn +schild had omgegespt, greep hij met de rechterhand den lans met de +vlijmend scherpe punt, drukte zijne sporen in de flanken van zijn +strijdros en reed met een laatst "Vaarwel!" de poort van het kasteel +uit. Zij, die hem nastaarden, zuchtten luid en bejammerden het wreede +lot, dat zulk een edel ridder veroordeelde om door de handen van een +dergelijke verschijning te sterven. Dien avond heerschten er rouw en +droefheid in de zalen van het paleis. Met bedrukte stem spraken de +ridders over hun afwezigen vriend; zij brachten elkander Waleweins +deugden in herinnering en prezen zijne voortreffelijke eigenschappen +van geest en hart. Aan den toon van hun gesprek kon men bemerken, +dat geen van hen er op rekende den vertrokkene ooit weer te zien. + +Inmiddels reed onze held onversaagd zijns weegs door het wintersche +landschap. De Novemberstormen gierden en bliezen hem om het hoofd, +de zware herfstnevels deden hem het pad bijster raken, de fijne +jachtsneeuw sloeg hem in het gezicht en verblindde zijne oogen--toch +reed hij voort, al dieper het eenzame land in. Dagen gingen voorbij +zonder dat hij een menschelijk wezen ontmoette, zijn trouwe Gringalet +was de eenige metgezel op zijn pad. Nu en dan dreigde hij moedeloos +te worden, wanneer hij bij het vallen van den avond tevergeefs eene +schuilplaats zocht om den nacht door te brengen en zich eindelijk +tevreden moest stellen met de beschutting, die een overhangend rotsblok +of een vochtige bergspelonk hem boden. Dan, terwijl hij neergehurkt zat +bij een vuur, waarvoor hij, vermoeid als hij was, zelf de brandstof +had moeten bijeenrapen, dwaalden zijne gedachten heen naar Camelot, +waar men nu gezellig bijeen zat om het helder brandende vuur in de +schouw van de groote feestzaal. Het scheen hem een droom toe, dat +ook hij tot voor korten tijd had aangezeten aan sierlijk aangerechte +tafels en zich op zijne wenken had laten bedienen. Wanneer hij dan nu +neerzag op zijne verroeste wapenrusting, op zijne vuile en gescheurde +kleederen en op zijn met modder bespat rijpaard, voelde hij zich +als een verschoppeling, als iemand, die voorgoed het recht verbeurd +heeft om zich onder een gezelschap van goed gekleede en wel verzorgde +menschen te bewegen. Het ergste van alles was, dat hij nog steeds +geen spoor kon ontdekken van het oord zijner bestemming. Iedereen, die +hij op zijne tocht ontmoette, ondervroeg hij angstvallig of zij ooit +gehoord hadden van eene groene kapel, waar hij, dien men den groenen +ridder noemde, verblijf hield, maar het scheen wel, of de laatste op +onzichtbare wieken naar Camelot was komen aandrijven--niemand kende +zijn naam en geen mensch kon zeggen, waar zijne woonplaats was. + +Moedeloos trok Walewein voort in de richting van Noord-Wallis en +vandaar steeds verder het Noorden in. Eens op een morgen ontwaakte hij +in eene witte wereld, de winter was ingetreden! Van nu af aan werden +zijne ontberingen steeds grooter. Slechts met moeite wist Gringalet +zich een weg te banen door de sneeuw, die verscheidene voeten hoog +lag, de hevige koude deed het bloed in de aderen zijns meesters bijna +verstijven en al meer en meer geraakte Walewein buiten het bereik +van menschelijke hulp. Niemand of niets kwam hij meer op zijn eenzaam +pad tegen dan wolven en beren en nu en dan een wild zwijn, dat, door +honger gedreven, hem aanviel en hem met zijne slagtanden dreigde +te verscheuren. Steeds moeilijker viel het Walewein om met zijne +uitgeputte krachten zich tegen een dergelijken aanval te verdedigen en +soms vroeg hij zich af, of hij niet beter deed met zich ergens in de +sneeuw neer te leggen en daar den dood af te wachten. Maar dan drong +hij weer met verontwaardiging eene dergelijke gedachte terug. Zoolang +er leven was, was er hoop en zulk eene lafheid mocht een ridder van +koning Arthur slechts in den uitersten nood begaan. Al zijne wilskracht +bijeenrapend, vervolgde hij zijne reis en alsof de natuur hem beloonen +wilde voor zijn moed, kwamen er nu dagen van zonneschijn en frissche, +wintersche kou. De hemel was blauw en onbewolkt, en de zonnestralen +verlichtten de besneeuwde vlakten van het Noorderland. De sneeuw +kraakte onder de hoeven van Gringalet en de prikkelende winterlucht +deed het bloed van den held sneller stroomen. Op zulke dagen voelde +hij de hoop in zijn hart weer ontwaken en vaster zette hij zich in +het zadel. Maar na korten tijd werd de lucht weer grauw, een kille +mist trok over de velden en een fijne ijsregen begon te vallen. Zoo +bleef het tot den avond vóór Kerstmis. Toen Walewein ditmaal zijne +schuilplaats voor den nacht had gevonden en met veel moeite een vuur +had aangelegd, knielde hij, alvorens zich ter ruste te begeven, neer en +zond een vurig gebed omhoog naar de Maagd Maria, Haar smeekend, dat Zij +hem althans naar eene plek zou voeren, waar hij de plechtige mis ter +herdenking van de geboorte van zijn Heer zou kunnen bijwonen. Daarna +begaf hij zich ter ruste. + +De volgende morgen brak aan, koud en grijs. Bij het ontwaken zag +Walewein de hooge stammen der boomen zich in vage omtrekken tegen den +grauwen winterhemel afteekenen. Geen geluid van Kerstklokken--slechts +het ruischen van den wind in de kale takken en het klagelijk gesjilp +van een enkelen vogel. Met een gevoel van weemoed herdacht Walewein +de Kerstfeesten van vorige jaren: de blijde stemming, die alom +heerschte, het vroolijk wederzien van vrienden en bekenden en de +gemeenschappelijke dienst in de groote kathedraal, waar de koren +omhoog werden gedragen op wolken van wierook en de priesters in hun +rijk bestikte gewaden zich om het altaar verdrongen. + +Huiverend zag hij om zich heen in de grijze kilte, maar plotseling +herinnerde hij zich zijn gebed van den vorigen avond en in vast +vertrouwen op de goedertierenheid der Heilige Jonkvrouw, maakte hij +tot drie maal toe het teeken des kruises en zeide met plechtige stem: +"Heilige Moeder Gods, sta mij bij, ter wille van Hem, die aan het +kruis voor ons stierf." + +En ziet, op hetzelfde oogenblik geschiedde een wonder, bij het +zien waarvan de adem hem in de keel stokte. In het midden van het +woud, op een heuvel, waar een oogenblik geleden nog slechts kale +boomstammen hun armen ten hemel hieven, verrees plotseling, als door +eene tooverspreuk omhoog gedreven, een prachtig kasteel. De zon, +die zoo juist was doorgebroken, bescheen de spitse torens en speelde +over de gekanteelde muren, waar de schildwachten liepen met hun scherp +gepunte hellebaarden. Op de vier hoektorens stonden de onbeweeglijke +gestalten der wachters, die tuurden naar alle richtingen, of er ook +gevaar dreigde. Om het kasteel boog eene breede slotgracht, de brug +was opgehaald en de groote hoofdpoort gesloten. Op de hoogste toren +wapperde een standaard, bewogen door den morgenwind; hieruit viel af +te leiden, dat het slot bewoond was. + + + +_Van Waleweins ontvangst in het vreemde ridderslot._ Met verbazing +staarde Walewein naar dit plots verschenen beeld. Aanvankelijk kon +hij niet gelooven, dat het werkelijkheid was, wat hij zag, maar toen +hij de gedaanten op den slotmuur zag heen en weer bewegen, begreep +hij, dat inderdaad zijne bede verhoord was. In dankbare ontroering +viel hij op de knieën neer en stortte zijn hart uit in een vurig +dankgebed. Daarna besteeg hij zijn paard en stuurde het in de richting +der slotpoort. Aan den rand der slotgracht gekomen, riep hij met luider +stem den poortwachter toe en gebood hem zijn meester te verzoeken, of +hij een zwervend ridder eenige dagen huisvesting wilde verschaffen. Met +groote bereidwilligheid gaf de aangesprokene aan zijn wensch gehoor en +verdween uit het gezicht, om na korten tijd opnieuw te verschijnen, +gevolgd door eene schaar van ridders en knechten. Toen de poort was +geopend en de zware ophaalbrug was neergelaten, stroomden deze allen +naar buiten en begroetten Walewein op eerbiedige wijze. Eenigen van hen +vielen op de knieën neer en heetten hem uit naam van hun heer welkom +in het kasteel, anderen namen zijn paard bij de teugels en voerden het +over de brug, waar opnieuw eenige ridders gereed stonden om hem bij +het afstijgen behulpzaam te zijn. Toen namen de knechten zijn paard +van hem over en leidden het weg met de belofte, het goed te zullen +verzorgen. Een van de ridders kwam op Heer Walewein toe en verzocht +den held op hoffelijken toon, hem te volgen. Daarop geleidde hij hem +over het breede slotplein, het kasteel binnen. Weldra kwamen zij in +een ruim vertrek; de muren waren behangen met warmgetinte bekleedsels, +jachttafereelen voorstellend. Op den grond lagen zware tapijten, die +hunne voetstappen dempten en aan beide zijden der zaal brandde een +groot vuur onder een zwaar gebeeldhouwden schoorsteen. Om één dier +vuren stond een groep ridders verzameld, die zich bij het openen der +deur haastig omwendden. Eén van hen trad eenige stappen naar voren, +stak Walewein beide handen toe en zeide met diepe stem: "Wees welkom, +edele heer, in mijne woning!" Hij, die deze woorden sprak, had een +lang, forsch figuur; zijn gelaat met de fonkelende oogen was frisch +getint, als van iemand, die zich veel in de open lucht beweegt, een +lange blonde baard golfde hem over de borst en zijne hand omsloot die +van Walewein als een ijzeren greep. In antwoord op Waleweins verzoek +om eenige dagen huisvesting, gaf de slotheer hem ten antwoord, dat +hij het zich tot eene eer rekende, zulk een edel ridder zijn gast te +mogen noemen en dat zijne woning te allen tijde en voor zoolang hij +dit wenschte, voor hem open stond. Daarop beval hij een der aanwezige +ridders om zijn gast naar een vertrek te brengen, waar hij zich +van zijne zware wapenrusting kon ontdoen. De ridder voerde Walewein +thans naar eene kamer in een anderen vleugel van het kasteel, waar +twee pages gereed stonden om hem te ontvangen. Als in een droom liet +onze held toe, dat zij hem ontdeden van wapenrusting en helm. Daarna +bracht men hem welriekend water en zachte linnen doeken om zich te +wasschen en ten slotte kwamen de pages aandragen met zijden kleederen, +die hem als aan het lichaam gegoten zaten. Toen zij hem eindelijk den +rijk geborduurden riddermantel omhingen, was er in heel Brittannië +geen schooner, mannelijker gestalte denkbaar dan Heer Walewein, +zooals hij met opgeheven hoofd en de baret met de wuivende veer in de +hand, opnieuw het vertrek binnentrad, waar de heer van het slot zich +bevond. Deze kwam hem met eenige vriendelijke welkomstwoorden tegemoet +en geleidde hem naar eene gedekte tafel, die ter zijde van den schouw +voor den vreemden gast was aangericht. Met een gevoel van welbehagen +zette Walewein zich aan den disch en liet zich de keur van gerechten +goed smaken. Met lange teugen dronk hij den fonkelrooden wijn, die hem +als vuur door de aderen vloeide en de overgang tusschen de koude en +ontberingen daar buiten en deze feestelijke ontvangst in het verwarmde +slot deden zijne oogen schitteren van een nieuwen levenslust. Toen hij +gegeten en gedronken had, verzocht zijn gastheer hem plaats te nemen +op een hoogen zetel. Hij zelf ging tegenover hem zitten en vroeg toen +zijn gast in de hoffelijkste bewoordingen hem te zeggen, wie hij was. + +Walewein sprak als volgt: "Mijn naam is Walewein en de vorst, dien ik +dien is Arthur, hij, die de Ronde Tafel heeft ingesteld tot bevordering +van den bloei der ridderschap". + +Alle aanwezigen hoorden verheugd op bij het vernemen van des +vreemdelings naam en herkomst, want de roem van zijne dapperheid was +wijd en zijd verspreid. Vol blijdschap riepen zij uit: "Meer nog dan +anders zij deze dag gezegend, nu hij dezen held in ons midden brengt, +die onze schreden kan geleiden op het pad van fijne beschaving en +hoofsche gebruiken! Wees welkom, Heer Walewein! gij die de edelste +onder de edelen genoemd moogt worden!" + +Toen de avond begon te vallen, begaven allen zich naar de slotkapel, +om de heilige Kerstmis bij te wonen. Het was een gewemel van bonte +kleuren in het ruime kerkgebouw, dat verlicht werd door honderden +kaarsen. De heer van het kasteel verzocht zijn gast om in zijne bank +plaats te nemen. Eerbiedig boog deze het hoofd in de handen alvorens +te gaan zitten en prevelde een innig dankgebed aan de Moeder Gods, die +hem uit zoo grooten nood bevrijd had. De oogen opslaand zag hij, hoe +in de bank tegenover hem twee vrouwen hadden plaats genomen. Eene van +haar was oud en gebogen, hare haren waren vergrijsd aan de slapen en de +vingers, waarmede ze het gebedenboek omknelde, beefden. Toch lichtten +hare oogen scherp en boosaardig, wanneer zij haren blik liet gaan over +de geknielde menigte en eene valsche grijns trok om haar tandeloozen +mond. Naast haar zat de schoonste vrouw, die Walewein ooit gezien +had. In het warme kaarslicht vonkten haar oogen met een betooverenden +glans, haar gelaat en hals waren niet minder blank dan de sneeuwwitte +halsdoek, dien zij droeg, en in de kroon van vlechten op haar hoofd +straalden en flikkerden de diamanten bij elke beweging. Het scheen +den held toe of zij in schoonheid zelfs koningin Ginevra overtrof +en toch kende hij voordien gene, van wie dit met waarheid gezegd kon +worden. Na één blik op hem geworpen te hebben, scheen de bekoorlijke +vrouwe slechts aandacht te hebben voor den plechtigen dienst, maar +Waleweins oogen zwierven telkens naar de overzijde, waar zij zat. + +Na afloop traden de beide vrouwen op den slotheer toe, die zijn gast +aan haar bekend maakte, en Walewein bemerkte, dat de schoone vrouw +de echtgenoote van den burchtgraaf was. Eerbiedig viel hij voor haar +op de knie en drukte hare hand aan zijne lippen. + +Vervolgens begaf het gansche gezelschap zich naar een ander vertrek, +waar bekers met gekruiden wijn werden rondgediend. De stemming werd +gaandeweg vroolijker. Schertsend en lachend zat men in een wijden +kring om het vlammend vuur, nu en dan werd een lied aangeheven en +door allen uit volle borst meegezongen, dan weer vertelde een der +aanwezigen van een vreemd avontuur, dat hem was overkomen of van +een dollen streek dien hij in zijne jonge jaren had uitgehaald. Dan +schalde het lachen door de zaal en de verteller moest zich verdedigen +tegen een kruisvuur van nieuwsgierige vragen en plagerijen. Tegen +middernacht ging men uiteen en Walewein werd naar zijn slaapvertrek +geleid, waar een donzen rustbed hem tot slapen noodde. + +Den volgenden morgen heerschte de Kerstvreugde opnieuw in het +kasteel. Langs de met groen omkranste trappen daalden de gasten omlaag +om gezamenlijk het noenmaal te nuttigen. Den ganschen dag bleef men in +huis, daar de barre koude weinig tot uitgaan lokte, maar de uren vlogen +om. De slotheer bleef steeds in de nabijheid der oude, gerimpelde +vrouw, die Walewein in de kapel bemerkt had, op gedempten toon spraken +zij met elkaar en schenen gewichtige zaken te verhandelen. Aan Walewein +werd eene plaats toegewezen aan de zijde der jonge slotvrouwe en ook +zij vonden elkander genoeg te zeggen. Op haar aandringen vertelde hij +haar zijn levensloop en beschreef de avonturen, die hij beleefd had +en de vreemde landen, die hij gezien had. En al hield hij daarbij +steeds zijne eigen persoonlijkheid angstvallig op den achtergrond, +toch kon het niet anders of het moest haar blijken welk een dapper +held daar aan hare zijde zat. Hare oogen straalden van bewondering +en steeds meer wilde zij weten, altijd meer! Ook over de vrouwen, die +hij had liefgehad, verlangde zij te hooren en toen hij lachend zwoer, +dat zijn hart aan zijn vorst behoorde en aan niemand anders, weigerde +zij hem te gelooven. Onder haar lokkend oogenspel en de onmiddellijke +nabijheid harer bloeiende schoonheid voelde Walewein zijn hart warm +worden. Zijn bloed klopte met feller slag in zijne slapen en steeds +dieper boorden zijne oogen in die zijner schoone gastvrouw. + +Zoo verliepen de Kerstdagen in een roes van feestgedruisch. Toen +zij verstreken waren, maakten de talrijke gasten in het slot zich +gereed om te vertrekken. Ook Walewein begaf zich naar zijn gastheer +om afscheid van hem te nemen en hem te danken voor zijn gastvrij +onthaal, maar deze wilde van geen afscheid weten. Den held terzijde +nemend betuigde hij hem, hoe trotsch en verheugd het verblijf in zijn +kasteel van zulk een beroemd man als Heer Walewein hem gemaakt had en +verzocht hem ten slotte om hem nog eenige dagen langer het genoegen +van zijn gezelschap te schenken. Walewein echter verzekerde zijn +gastheer met de meeste beslistheid, dat dit onmogelijk was, wilde +hij niet in de verplichtingen, die hij op zich genomen had, te kort +schieten en op de verwonderde vraag van den ridder, welke dan die +dringende verplichtingen waren, vertelde hij hem het avontuur met den +groenen ridder en zwoer, dat hij liever sterven zou dan te verzuimen, +op tijd bij de groene kapel te zijn. Toen hij uitgesproken had, +barstte zijn gastheer in luid lachen uit. "Voorwaar, gij kondt het +niet beter getroffen hebben!" riep hij uit, "want de groene kapel, +die gij zoo ijverig zoekt, is slechts twee mijlen van hier verwijderd +en ikzelf zal een mijner dienaren gelasten u er heen te geleiden, +wanneer de afgesproken tijd is aangebroken. Tot zoolang echter moet +ge mijn gast zijn en de laatste dagen van het jaar benutten om uwe +krachten te verzamelen voor den komenden strijd." Met beide handen +nam Walewein dit gastvrij aanbod aan. Nu het doel van zijne reis zoo +nabij bleek te zijn, kon hij zich met een gerust hart overgeven aan +het genot van dit gezellig samenzijn--het laatste misschien, dat hem +op aarde ten deel zou vallen. Met volle teugen wilde hij daarom nog +eenmaal genieten! en zijn stem klonk nog helderder, zijn stap was nog +fierder dan gewoonlijk, toen hij zich tot zijne gastvrouw wendde om ook +haar zijnen dank te betuigen voor de vriendelijke uitnoodiging. Maar +de heer van het kasteel vroeg opnieuw zijne aandacht. "Waarde vriend", +sprak hij, "want zoo mag ik u immers wel noemen, sta mij één verzoek +toe, wat ik u bidden mag!" "Spreek, gij hebt slechts te bevelen", +antwoordde Walewein. "Welnu dan", hernam de ander, "beloof mij, dat gij +in de eerstvolgende dagen gedurende de vroegmis het bed zult houden, +opdat gij geheel versterkt en uitgerust den tocht naar de groene kapel +zult kunnen ondernemen. Gij kunt u dan na afloop van den dienst met +mijne gemalin aan tafel begeven en haar den verderen dag gezelschap +houden tot mijne thuiskomst. Ik zelf zal mij namelijk 's morgens op +jacht begeven en het wild, dat ik als jachtbuit huiswaarts breng, is +voor u, op voorwaarde dat, wat gij in den loop van den dag als buit +zult behalen, aan mij wordt afgestaan. Wat dunkt u hiervan?" Walewein +lachte vroolijk. "Mij dunkt dat dit voor mij eene alleszins voordeelige +afspraak is!" riep hij uit, "en gaarne neem ik haar aan!" Daarop +brachten de dienaren van den ridder twee bekers met schuimenden wijn +en werd de overeenkomst door den gebruikelijken dronk bekrachtigd. Toen +ging men onder scherts en gelach voor den nacht uiteen. + +Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag heerschte er reeds +eene bedrijvige drukte in de omgeving van het kasteel. In de grijze +morgenschemering kon men op het voorplein slechts vaag de gestalten +onderscheiden van de schildknapen en de stalknechts, die haastig heen +en weer liepen om alles voor de jacht in gereedheid te brengen. De +paarden werden gezadeld en stampten ongeduldig op den leemen vloer der +stallen. Bij de hondenhokken waren de dienaren van den graaf bezig den +dieren hun ochtendmaal toe te dienen en deze verdrongen zich voor de +hekken om het voedsel machtig te worden. Gretig hapten en snapten zij +naar de groote stukken rauw vleesch, die de knechten hun vóórhielden +en trachtten elkander de lekkerste beten afhandig te maken. Hun keffend +geblaf vervulde de lucht en gulzig slokten zij het eten naar binnen. + + + +_Hoe de graaf met zijne ridders op de hertenjacht ging._ Nog vóór de +dag goed en wel was aangebroken, verscheen de graaf met zijne ridders +in de kapel om den ochtenddienst bij te wonen, na afloop waarvan +zij in de groote slotzaal, staande een haastig maal nuttigden. Toen +begaven zij zich naar buiten, waar de knechten aan kwamen draven +met de jachtpaarden aan den teugel. Onder luid gepraat en gelach +steeg men te paard, de honden werden losgelaten en renden onder een +oorverdoovend geblaf de brug over, het bosch in, op den voet gevolgd +door den langen jachtstoet. In het stille bosch, waar de sneeuw kraakte +en knerpte onder de hoeven der paarden en de takken zwaar neerhingen +onder hunne witte vracht, was het plotseling een bont gewemel van +kleuren en klanken. De vroolijke tonen van den jachthoorn vermengden +zich met het schelle hondengeblaf en het bosch scheen een oogenblik +te ontwaken uit zijn doodschen winterslaap. Na eenigen tijd verdeelde +de stoet zich; de speurders trokken vooruit om hunne standplaatsen +in te nemen en het verdere gezelschap volgde de honden, die op den +reuk van het wild afgingen. + +Opgeschrikt door hun geblaf snelden de herten uit het dal de hoogten +op, maar werden daar teruggeschrikt door de jagers, die met een luid +hallo-geroep uit de struiken te voorschijn sprongen. Doodelijk ontsteld +stoof het wild opnieuw het dal in, maar onderweg viel er menig hert +terneer, getroffen door de scherpe pijlen der ridders. Nu ging het in +wilden galop het dal door, voorop de herten, die de sneeuw nauwelijks +schenen te raken met hunne slanke pooten, daarachter de jachthonden, +de lichamen tot het uiterste gestrekt, de tongen uit den bek, hijgend +en blaffend en ten slotte de jagers, die, voorovergebogen hunne paarden +tot den grootst mogelijken spoed trachtten aan te sporen. Eindelijk +kwam de dolle rit tot stilstand en lag het meerendeel van het edele +wild op den grond te zieltogen, terwijl de sneeuw zich rood kleurde met +hun bloed. Alvorens de buit nader te bezichtigen werd er halt geblazen, +de ruiters stegen af en rekten de stijfgeworden ledematen, de honden +kwamen kwispelstaartend op hunne meesters toe, om een prijzend woord +te ontvangen voor hunnen arbeid en in opgewonden stemming besprak men +de spanning en den goeden uitslag der jacht. Intusschen beijverden +de dienaren zich, om uit de meegebrachte tasschen en manden den +mondvoorraad te voorschijn te halen en weldra konden de jagers zich +verkwikken aan een teug wijn en een smakelijk maal van brood en gebak. + +Het was een vroolijke maaltijd in het stille bosch; de voldoening over +den rijken jachtbuit maakte de tongen los en uitte zich in menigen +scherts of vroolijk jachtverhaal. De honden lagen aan den voet hunner +meesters en deelden in het maal en ook de vogels van het woud waagden +zich naderbij om de vallende kruimpjes weg te pikken. Alleen de donkere +plek daarginds op de sneeuw getuigde, dat dit vroolijk gezelschap +met andere bedoelingen hier was gekomen dan enkel onschuldig schertsen. + +Toen allen verkwikt waren, toog men aan den arbeid om het wild te +ontweien. Onder toezicht der ridders begaven de bekwame jagermeesters +zich aan het werk, dat verscheidene uren duurde. Ten slotte echter +waren de herten in stukken gesneden, de onbruikbare deelen verwijderd +en de overige op hoopen gestapeld. Nu werden fluks draagbaren +gemaakt van saamgevlochten twijgen en de buit met koorden hierop +bevestigd. Eerst daarna werd de terugtocht ondernomen en de lange stoet +reed huiswaarts, langzamer dan zij gekomen was, want mensch en dier +waren vermoeid van den langen dag en de inspanning der jacht. Daarbij +vereischte het meedragen van den buit ook eenige voorzichtigheid. Toen +men eindelijk het kasteel naderde, was de vroege schemering reeds +gedaald, met luid hoorngeschal kondigden de jagers hunne komst aan +en dreunend viel de zware ophaalbrug voor hen neer. De poorten van +het slot werden wijd geopend om het gezelschap binnen te laten en +met luide welkomstkreten werden de thuiskomenden begroet. + +Wat was er nu dien dag met Walewein geschied? + +Terwijl de overige ridders zich naar de vroegmis begaven en zich +vervolgens voor de jacht gereed maakten, lag onze held in diepe rust +verzonken tusschen de zijden kussens van zijne legerstede. Toen onder +zijn venster het hondengeblaf en de hoornsignalen het vertrek van +den jachtstoet aankondigden, bewoog hij even onrustig in zijn slaap, +maar weldra verzonk zijn geest opnieuw in het rijk der droomen en +sluimerde hij rustig verder. Plotseling echter werd hij met een schok +wakker. Zijn waakzame geest, die door de ondervinding geleerd had, +steeds op een mogelijken onverhoedschen aanval bedacht te zijn, deed +hem werktuigelijk de hand uitstrekken naar zijn zwaard, dat naast +hem in de scheede hing. Wat was er gebeurd? Hij voelde, meer nog dan +hij hoorde, dat er zich iemand bewoog aan de deur van zijn vertrek, +maar nu scheen het weer, alsof hij het zich verbeeld had, want hij +zag geene beweging aan den deurknop en diepe stilte heerschte om hem +heen in het slot, dat wel uitgestorven leek te zijn. + +Maar neen, daar hoorde hij opnieuw eenig geluid, hij liet de opgeheven +hand zakken, overtuigd als hij nu was, dat zijn wapen zich binnen +zijn onmiddellijk bereik bevond en liet zijn hoofd weer in het kussen +zinken. Door de half geloken oogen zag hij echter scherp toe. Wie +beschrijft zijne verbazing, toen hij de deur zachtjes zag opengaan +en op den drempel zijne schoone gastvrouw bemerkte, die geruischloos +de kamer binnenkwam en, na de deur behoedzaam achter zich gesloten +te hebben, op het bed toetrad? Bij hare nadering sloot Walewein zijne +oogen geheel en wendde voor in diepen slaap verzonken te zijn. Toen de +gravin bij de legerstede gekomen was, sloeg zij een der bedgordijnen +terug en zette zich op den rand, de oogen op den slapende gericht. Deze +was een oogenblik in twijfel, welke houding hij zou aannemen, maar +eindelijk besloot hij, dat hij beter deed met zijne bezoekster ronduit +te vragen naar het doel harer komst. Zoo natuurlijk mogelijk sloeg +hij daarom de oogen op, alsof hij nu eerst uit eene diepe sluimering +ontwaakte en bij het zien der gestalte, die zich naar hem overboog, +maakte hij eene beweging van schrik en richtte zich ten deele op uit +zijne liggende houding, alsof hij het bed wilde verlaten. De gravin +legde echter hare hand op zijnen arm en sprak, vriendelijk lachend: +"Goeden morgen, Heer Walewein, gij zijt inderdaad een onbezorgd slaper, +dat gij u aldus laat verrassen. Maar nu zijt gij dan ook mijn gevangene +en laat ik u niet meer vrij!" + +"Goeden morgen, schoone Vrouwe", antwoordde Walewein, "ik geef mij +onvoorwaardelijk aan u over, doe met mij, wat gij wilt, in alles wil +ik uw getrouwe dienaar zijn. Sta mij slechts toe, dat ik het bed +verlaat en mij in passender kleeding steek om u te ontvangen." De +gravin schudde lachend het hoofd. "Neen, edele heer," sprak zij, +"mijn gevangene laat ik niet los. Het gebeurt slechts zelden dat ik +zulk een dapper man als Heer Walewein voor mij alleen heb, hem, dien +men niet zonder reden den edelsten, schoonsten en hoffelijksten ridder +der Ronde Tafel noemt. Mijn echtgenoot is op de jacht, de bewoners +van het kasteel zijn nog in diepe rust verzonken en zullen ons niet +storen. Alles is stil in huis, wij beiden zijn alleen en de deur, +die toegang geeft tot dit vertrek, heb ik stevig gegrendeld. Weet +dan, dat ik u liefheb en dat ik hierheen ben gekomen, om u dit te +zeggen. Handel met mij naar verkiezen!" + +"Vrouwe", sprak Walewein, "ik ben onwaardig, om zulke woorden van u +te vernemen, maar geloof mij, wanneer ik u zeg, dat ik u dienen wil +met alle middelen, die in mijn vermogen zijn!" + +"Heb dank", antwoordde zij, "voor uw aanbod. Het zou mij slecht passen +om het niet met dankbaarheid te aanvaarden, maar meer nog dan op de +kracht van uwe vuist stel ik prijs op een blik van liefde uit uwe +oogen. Geloof mij, dat er vele vrouwen zijn, die uw gezelschap zouden +verkiezen boven al het goud, dat de aarde haar schenken kon! Indien +ikzelve vrij was om te kiezen, zou ik geen ander dan u tot mijn +echtgenoot begeeren en het zou mij een genot zijn om al uwe wenschen +te vervullen." + +Het kon niet anders, of deze woorden uit den mond van zulk eene schoone +spreekster moesten Walewein diep treffen en de toon, waarop hij haar +antwoordde werd dan ook steeds warmer en inniger. Zij spraken over +de liefde, over de vreugde en droefenis, die zij brengen kan in het +leven der menschen, en steeds dieper boog de gravin zich over hem +heen, steeds dringender zagen hare oogen in die van Walewein. Deze +laatste echter wist met schrander beleid het gesprek telkens weer +in andere banen te voeren. De gedachte aan zijn afwezigen gastheer +en ook aan het naderend avontuur met den groenen ridder vervulden +zijne ziel en deden hem tegen het uitlokkend optreden zijner schoone +bezoekster eene zekere terughouding in acht nemen. Ten slotte stond +de gravin met een lichten zucht op van den rand der legerstede en +maakte aanstalten om heen te gaan. Bij de deur gekomen wendde zij +het hoofd om, zag hem over den schouder aan en sprak schertsend: +"Vaarwel, heer ridder! Schoon zijt gij en welsprekend als geen ander, +maar toch twijfel ik er aan, of gij Walewein zijt!" + +"Waarom twijfelt gij daaraan?" vroeg de held haastig, bevreesd dat +hij in hoffelijkheid van houding en manieren te kort was geschoten. De +gravin bleef hem lachend aanzien en zeide: "Mij dunkt, dat een ridder +als Heer Walewein, die zóó geschoold is in hoofsche zeden en gebruiken, +niet zulk een langen tijd in gezelschap eener dame vertoefd zou hebben, +zonder haar om een kus te verzoeken!" "Wanneer ik wist, dat ge mij +die schenken zoudt", antwoordde de held, "zou ik niet aarzelen u er +om te vragen!" Nauwelijks had hij dit gezegd of de gravin kwam terug, +boog zich naar hem over en kuste hem op het voorhoofd. Het volgende +oogenblik was zij verdwenen. + +Walewein bleef eenige oogenblikken peinzend liggen, daarop sprong hij +het bed uit en riep zijn kamerdienaar om hem bij het kleeden behulpzaam +te. zijn. Vervolgens begaf hij zich naar de kapel, waar hij den dienst +bijwoonde. Den ganschen middag bleef hij daarop in gezelschap van de +gravin en hare vrouwen, die hij met luchtigen scherts en vroolijke +verhalen wist te vermaken. + +Tegen den avond keerde de graaf met zijne ridders van de jacht +terug. Walewein ging zijn gastheer tot aan de slotpoort tegemoet en de +beide ridders begroetten elkander hartelijk. Daarop beval de graaf om +den buit in de groote feestzaal te brengen en in tegenwoordigheid van +alle bewoners van het kasteel, voerde hij Walewein tot vóór den hoogen +wildstapel en sprak: "Ziehier mijn buit, dien ik volgens afspraak +hierbij aan u overdraag. Wat dunkt u van deze verzameling, loont zij +de moeite van het jagen niet en heb ik niet stipt woord gehouden?" + +Vol bewondering liet Walewein zijn blik gaan over de prachtige +hertebouten, krachtig schudde hij zijn gastheer de hand en sprak: +"Gij hebt woord gehouden, zooals dat een edelman betaamt, maar ook ik +zal dat doen. Ziehier de buit, dien ik veroverd heb vandaag." Daarop +boog hij zich naar zijn gastheer toe en kuste hem. "Uw geschenk is +wel van gansch anderen aard als het mijne!" riep de graaf vroolijk +uit, "maar vertel mij eens, waarde vriend, bij welke gelegenheid gij +het ontvangen hebt? ik ben verlangend om dat te vernemen!" Walewein +echter schudde het hoofd. "Dat was niet in onze afspraak begrepen", +zeide hij lachend, "en daarom behoef ik het u niet te zeggen. Wat +ik heden ontving, heb ik u eerlijk teruggegeven, verder reikt onze +overeenkomst niet!" + +Daarop begaven allen zich aan den gemeenschappelijken maaltijd en +onder het genot van zang en dans verliep de avond snel. Alvorens +zich ter ruste te begeven, hernieuwden de graaf en zijn gast hunne +afspraak voor den volgenden dag. + + + +_Hoe de graaf met zijne ridders op jacht ging om een wild zwijn te +vangen._ Nauwelijks had de haan zijn schel gekraai doen hooren of de +heer van het kasteel en zijne ridders hadden hunne paarden bestegen +en waren uitgereden op jacht naar een wild zwijn. Met luide kreten +vuurden de jagers hunne honden aan, die weldra het spoor van den ever +ontdekten en in vollen ren hem trachtten te volgen. Hun zwaar geblaf +vervulde de lucht en weerkaatste tegen de hooge rotsen. + +De jagers vuurden hen aan met hun schallende jachtkreten en in eene +bonte mengeling joeg de gansche stoet door de bosschen. Plotseling +maakten de honden halt bij een vooruitstekend rotsblok aan den rand van +een half bevroren poel. Begeerig snuffelend verdrongen de honden zich +om den rots en om het hooge struikgewas, dat daar naast groeide. De +schildknapen stegen van hunne paarden en sloegen met stokken op de +struiken om het dier, dat zich naar alle waarschijnlijkheid daarin +bevond, te bewegen om te voorschijn te komen. Hun pogen had het +gewenschte gevolg. Met een luid geknor stoof een groot zwijn uit de +struiken te voorschijn, zijne borstels stonden dreigend overeind, +zijne kleine oogen glinsterden boosaardig en zijne vreeselijke +slagtanden zagen er onheilspellend uit. Bij den eersten stoot vielen +drie der honden onder klagelijk gejank ter aarde, daarna stoof de ever +door de springende, bassende massa heen het bosch in en verdween in +wilde vlucht tusschen de struiken. De jagers en honden volgden hunnen +prooi evenwel op den voet en in ijlende vaart ging het nu er op los, +over omgevallen boomstammen, door struik en bosch, over bevroren +plassen en besneeuwde velden, achter het wild aan. Tegelijkertijd +suisden de pijlen door de lucht, die nu en dan doel troffen, doch +welke niet meer deden dan slechts de buitenste huidlaag van het dier +doorboren. Na eene lange jacht werd het zwijn echter zóó geprikkeld +door de scherpe pijlpunten en geraakte het zóó uitgeput van den +dollen wedloop, dat het plotseling stand hield om daarna met zijne +scherpe slagtanden dreigend op de honden af te komen. Vreeselijk +was de slachting, die hij onder hen aanrichtte, met opengereten +buiken vielen de arme dieren neer en wentelden zich huilend in de +sneeuw. Het zwijn maakte van een oogenblik van aarzeling onder zijne +aanvallers gebruik om de vlucht te nemen in een rotsspelonk aan den +oever van eene beek. Het schuim stond hem op den bek, zijne oogen +waren rood beloopen en zóó afschrikwekkend zag het dier er uit, +dat niemand der jagers het waagde om het te lijf te gaan. De graaf, +die bemerkte dat zijne ridders aarzelden om tot den aanval over te +gaan, steeg van zijn paard, trok zijn lang slagzwaard uit de scheede +en naderde voorzichtig de spelonk, waarin het ondier zich verscholen +hield. Zoodra het zwijn bespeurde van welken kant het gevaar dreigde, +schoot het uit zijne schuilplaats te voorschijn en kwam met gebogen +kop op den graaf af. Deze was echter op den aanval bedacht. Op het +oogenblik, dat het zwijn den kop omhoog hief om den stoot te wagen, +stak hij hem de punt van zijn zwaard in den buik, zoodat een straal +bloed te voorschijn spoot. Onder een vreeselijk gebrul viel het dier +zijdelings op den grond en nauwelijks hadden de honden dit gezien, +of zij schoten luid blaffend op hem af en beten hem met hunne scherpe +tanden de strot door. Met een luid gejuich begroetten de ridders +het slagen van hun tocht en vele rappe handen haastten zich om het +zwijn te ontweien. Eerst werd de kop afgeslagen, en daarna de romp +overlangs in tweeën gesneden. De ingewanden werden verwijderd en op +de asch van een inmiddels aangelegd vuur gebraden, daarna wierp men +ze voor de honden, die met graagte er op aanvielen. De beide helften +van den romp werden met de pooten aan een stok gebonden en door twee +knechten op de schouders genomen. Den kop bracht men aan den graaf +als jachttropee en deze haastte zich met zijne ridders huiswaarts. + +Laat ons thans zien, wat inmiddels in het slot was +voorgevallen. Getrouw aan de afspraak met zijn gastheer had Walewein +zijn schildknaap last gegeven hem niet te roepen en zoo sliep hij +ongestoord voort, terwijl de andere ridders zich voor de jacht in +gereedheid brachten. In zijne droomen zwierf hij rond in een groot +bosch op zoek naar den groenen ridder, maar bij iedere kromming van +den weg, verscheen inplaats van hem, dien hij zocht, de gestalte van +zijne bevallige gastvrouw, die hem wenkte tot haar te komen. Wanneer +hij dan op haar toesnelde en op het punt was haar bij de hand te +vatten, verdween zij plotseling voor zijne oogen en liet hem alleen +in het onherbergzame woud, om kort daarop weer tusschen de struiken +op te rijzen. Onrustig bewoog de held zich op zijne legerstede, +tot plotseling--hoor! daar drong het geluid van eene deur, die +openging in zijne droomen door en de oogen opslaand, zag hij in die +der gravin. Met zachten tred kwam deze zijn slaapvertrek binnen en +zette zich, evenals den vorigen dag op den rand van zijn rustbed. + +Minzaam lachend zag zij op hem neer en sprak: + +"Heer Walewein, een ieder roemt u als een wijs, verstandig man en toch +moet ik bemerken, dat gij nu reeds vergeten zijt, wat ik u gisteren +heb trachten te leeren. Hoe rijmt gij dat?" + +"Wat ge mij gisteren hebt trachten te leeren", herhaalde de ridder +verbaasd, "wat kan dat zijn? Zeg het mij spoedig, wat ik u bidden mag, +want ik zou niet gaarne onachtzaam schijnen tegenover u!" + +Daarop boog de gravin zich nog dieper over hem heen, zag hem in de +oogen en zeide: "Ik trachtte u te leeren, hoe een ridder de vrouw +kust, die hem haren voorkeur toont en nu schijnt het of gij u die +les gansch niet meer herinnert." + +Walewein richtte zich half overeind en sprak toen zacht: "Schoone +Vrouwe, vergeef mij, indien ik u voorkom, in hoffelijkheid te zijn +te kort geschoten. Hoe gaarne zou ik u om een kus vragen, wanneer ik +niet vreesde, eene weigering te zullen ontvangen!" "Eene weigering", +antwoordde zij lachend, "en wat dan nog? Zijt ge niet sterk genoeg om +datgene, wat gij verlangt, desnoods met geweld af te dwingen?" "Gij +spreekt waarheid, edele Vrouwe," hervatte Walewein, "zeer zeker zou +ik daartoe in staat zijn, maar in het land, waar ik vandaan kom, zou +men mij zulk eene handelwijze euvel duiden en bovendien: eene gift, +die ongaarne geschonken wordt, verliest hare waarde voor hem, die ze +ontvangt! Daarom wil ik mij in dit geval onvoorwaardelijk aan uwen +wil onderwerpen, slechts dan, wanneer het werkelijk uw verlangen is, +wil ik u kussen." + +Toen hij uitgesproken had, boog de gravin zich voorover en kuste hem +op de wang, waarna zij beiden nog langen tijd op fluisterenden toon +met elkander spraken." + +"Hoe komt het toch", sprak zij na eenigen tijd, "dat gij, die zoo jong +en levenslustig zijt en zoo goed bekend met de wetten der liefde, +mij nooit over die liefde gesproken hebt? Was het niet eene fraaie +gelegenheid om een jong ding als ik ben, een weinig onderricht daarin +te geven? Mijn echtgenoot is afwezig en niemand zal ons storen." + +Walewein voerde in zijn binnenste een harden strijd. De gelegenheid +was inderdaad gunstig! Hij had slechts de armen uit te strekken en de +schoonste vrouw, die hij ooit gezien had, zou de zijne zijn. Waarom +zou hij niet genieten van wat de omstandigheden hem zoo verleidelijk +aanboden. Nog weinige dagen en hij zou een strijd moeten aanbinden, +waarin hij bijna zeker den dood zou vinden. Was het niet dwaas om +nu niet toe te grijpen en te genieten van wat jeugd en schoonheid +hem zoo willig boden? Maar er was eene andere stem in zijn hart, +die sprak van eer en ridderlijkheid en van de verplichtingen, die +de gastvrije ontvangst in het kasteel hem oplegde. Wat! zou hij, +Walewein, een ridder van de Ronde Tafel, een vertrouwd vriend van +koning Arthur, de wetten der gastvrijheid schenden en zijn gastheer +bedriegen, die hem vol vertrouwen in het slot had achtergelaten? En +was hij dan vergeten, met welk doel hij hierheen was gekomen, dat +hem binnenkort een zware strijd, misschien de dood wachtte, waarvoor +hij zijn arm sterk en zijn geweten zuiver moest houden? Waar hij zoo +spoedig de eeuwigheid in zou kunnen gaan, paste het hem voorwaar aan +andere dingen te denken dan aan ijdel minnekoozen met schoone vrouwen +en hoe zou hij voor den rechterstoel van God durven verschijnen met +een dergelijken trouwbreuk op zijn geweten? Allengs werd de stem der +eer luider en bracht die andere stem tot zwijgen. + +Walewein omvatte met zijne beide handen die der gravin, zag haar +recht in de oogen en sprak ernstig: "God is mijn getuige, dat ik +niets liever doe dan met u spreken, en dat ik u dankbaar ben voor de +gunsten, die ge mij bewijst, maar om u te onderrichten in het spel +der liefde is een kundiger man noodig dan ik ben. Daarom, bid ik u, +houd het mij ten goede, wanneer ik hierover zwijg en laat mij u in +alle andere dingen mogen dienen." De gravin, die inzag dat zij ook +ditmaal haar doel niet bereiken zou, schikte zich met een zucht in +het onvermijdelijke en nadat zij zich nog eenigen tijd met haren gast +onderhouden had, verliet zij het vertrek. + +In den loop van den middag keerde de graaf van de jacht terug. Het was +inmiddels gaan sneeuwen, een fijne jachtsneeuw, die de jagers deed +rillen onder hunne zware mantels. Half verkleumd kwamen zij binnen, +in de ruime hal van het slot, waar het vuur knetterde en de vlammen +oplaaiden in den ruimen haard. Met trots vertoonde de graaf den +geweldigen kop van het zwijn en bood hem lachend aan Walewein. Deze +sloeg den arm om de schouders van zijn gastheer en kuste hem met den +uitroep: "Ziehier mijn buit!" Daarop verzocht hij den graaf hem de +lotgevallen van dien dag mede te deelen, aan welk verzoek deze gaarne +voldeed. In opgewonden bewoordingen deed hij Walewein verslag van de +jacht op het wilde zwijn en beschreef hem de gevaren, die hij en zijne +ridders daarbij getrotseerd hadden. Vol lof verklaarde onze held, +dat hij nog nimmer zulk een reusachtigen kop gezien had, als die, +welken de graaf als zegeteeken meegebracht had en prees de dapperheid +en behendigheid van de jagers. + +Weldra kondigden drie bazuinstooten aan, dat de avondmaaltijd gereed +was en de gasten schikten zich om den welvoorzienen disch, dien zij +alle eer bewezen. 's Avonds zat men onder gezelligen kout te zamen en +menig jachtverhaal deed de ronde. Walewein was opnieuw de eereplaats +aangewezen naast de bekoorlijke gravin en deze deed al wat zij kon +om hem te behagen. Alvorens een ieder zich naar zijn slaapvertrek +begaf, wendde Walewein zich tot den graaf en gaf zijn verlangen te +kennen om den volgenden morgen te vertrekken, maar deze wilde er +niets van hooren! + +"De groene kapel bevindt zich slechts een halfuur gaans van +hier", sprak hij. "Wanneer gij u dus op Nieuwjaarsmorgen tijdig +daarheen begeeft, kunt gij er zeker van zijn, daar niet te laat te +komen. Vertrouw op mij, ik zal zorgen, dat gij uw afspraak houdt!" + +Zoo liet Walewein zich overhalen, om nog een nacht in het slot te +vertoeven en de overeenkomst tusschen hem en den graaf werd hernieuwd. + +De laatste was opnieuw vroeg uit de veeren en bij het aanbreken +van den dag reed hij met zijne ridders uit op de vossenjacht. Er +heerschte eene doodsche stilte in de natuur; na de sneeuwjacht van den +vorigen avond was het gaan vriezen en de ruiters moesten de uiterste +voorzichtigheid gebruiken om hunne paarden voor vallen te behoeden. De +lucht was grijs en strak, nu en dan viel een enkele sneeuwvlok als +aankondiging van een nieuwe bui. Langzaam reed het gezelschap de +poort uit, een vlugge draf was voorloopig onmogelijk, maar tusschen +de boomen, waar het meer beschut was, werd de grond zachter en kwamen +de paarden vlugger vooruit. Plotseling kondigde een luid geblaf aan, +dat de honden het spoor van den vos ontdekt hadden en in versnelden +draf ging het nu voorwaarts. Na verloop van eenigen tijd kwam de +vos in het gezicht en nu werd het een dolle wedren: voorop de vos, +als een donker stipje tegen de witte sneeuwvlakte, daarachter een +verward kluwen van honden, wier hijgend blaffen zich vermengde met +de uitroepen der jagers, die ze tot meerderen spoed aanspoorden. De +vos gaf zich echter niet spoedig gewonnen; zonder zijne vaart te +verminderen snelde hij door het struikgewas, over oneffenheden in den +bodem en afgewaaide takken en de afstand, die hem van zijne vervolgers +scheidden werd niet kleiner. Tenslotte zonderde de graaf zich af van +het overige gezelschap en reed in een wijden boog in de richting, +die de vos moest nemen. Toen deze het gevaar bemerkte dat hem dreigde, +maakte hij eene zijwaartsche zwenking, maar geraakte hierdoor binnen +het bereik der honden. Een van hen greep hem tusschen de tanden +en beet hem dood. De graaf echter nam hem het wild uit den bek en, +den vos triomfantelijk boven het hoofd zwaaiend kondigde hij met een +luid hallo-geroep het welslagen van de jacht aan. Allen snelden toe +en prezen den buit, daarop werd Reinaert ontdaan van zijne vacht en +voerde men deze als zegeteeken mee naar huis. + +In het slot wachtte men in vroolijke stemming de thuiskomst der jagers +af. 's Morgens vroeg, eer de achtergebleven slotbewoners ontwaakt +waren, was de gravin tot een laatst bezoek in het slaapvertrek +van Walewein binnengeslopen. Deze had ditmaal hare komst wakend +afgewacht. Het hoefgetrappel der jachtpaarden had hem uit een diepen, +droomloozen slaap gewekt en de spanning of zijne schoone gastvrouw +opnieuw zou komen, had hem belet weer in te sluimeren. Hij behoefde +trouwens niet lang te wachten. Nauwelijks waren de geluiden der +vertrekkende jagers verstomd, of hij zag, hoe de deurknop voorzichtig +werd omgedraaid en in de grijze ochtendschemering sloop een slanke +gedaante het vertrek binnen. + +De gravin droeg een wijden karmozijnrooden mantel, met kostbaar bont +omzoomd, die haren hals en armen geheel vrij liet. Om den hals droeg +zij een snoer paarlen en edelsteenen lichtten tusschen hare donkere +vlechten. Op het venster toetredend, schoof zij de gordijnen opzij om +het morgenlicht door te laten, daarna bukte zij zich over den ridder, +die bij hare binnenkomst de oogen had gesloten en kuste hem op den +mond, zeggend: + +"Ontwaak, edele heer! de morgen is aangebroken en uwe dienares is +hier, die u vaarwel wil zeggen, eer gij uw gevaarvollen tocht gaat +ondernemen. Het is ons laatste samenzijn, laat ons ervan genieten +zoolang het duurt, want morgen zijt ge ver van hier!" + +Bij het voelen harer warme lippen op de zijne, doortrilde Walewein +een schok van blijde verrassing en toen hij daarna de oogen opsloeg en +hare schoonheid en lieftalligheid in zich opnam, moest hij zich geweld +aandoen, om haar niet in zijne armen te nemen. Met kracht balde hij de +vuisten samen onder het dek en zijn stem klonk onvast, toen hij zeide: +"Goeden morgen, liefste! Hoe zal ik u danken voor de eer en gunst, +die ge mij betoont, door ten derden male mij te bezoeken!" + +"Er is slechts ééne wijze, waarop ge mij uwe dankbaarheid kunt +betoonen," sprak de gravin, "en die kan ik u niet zeggen, gijzelve +moet die raden!" + +Maar al te goed wist Walewein, waar zijne schoone bezoekster op +doelde, maar tevens wist hij dat, zoo hij haren wenk opvolgde, hij +in de oogen van zichzelven en allen, die het hoorden, een eerloos +man zou zijn. Daarom trachtte hij, hoeveel moeite het hem ook kostte, +het gesprek eene andere wending te geven. Voor eene wijle gelukte het +hem, maar spoedig bracht een teedere blik van de gravin hem opnieuw +in verwarring en er viel eene pijnlijke stilte. + +"Zeg mij, Heer Walewein", sprak de gravin, "of gij op aarde eene +liefste hebt, die gij boven alle andere vrouwen vereert en bemint? Zoo +ja, noem mij haar dan eerlijk!" "Op mijn woord, schoone vrouwe, +antwoordde Walewein, "in heel de wijde wereld ken ik geene vrouw, die +schooner of lieftalliger is dan gij. Ik ben echter geen meester van +mijn hart, daar ik gezworen heb vóór alle dingen deze onderneming tot +een goed einde te brengen. Ik mag dus geene andere gedachten hebben +dan die, welke het avontuur met den groenen ridder betreffen". + +Zuchtend boog de gravin het hoofd. + +"Welnu dan", sprak zij, "indien wij werkelijk scheiden moeten, geef +mij dan een aandenken aan onze vriendschap, dat mij de uren van +verlangen naar u zal helpen verlichten; eene kleinigheid, zij het +slechts een handschoen, dien gij gedragen hebt, zal mij troosten in +uwe afwezigheid." + +"Helaas", antwoordde de ridder, "wat zal ik u geven? Bij het +aanvaarden van mijn eenzamen en gevaarvollen tocht heb ik alles, wat +ik aan kostbare kleinoodiën bezat, aan het hof achtergelaten. Had ik +slechts mijne koffers hier, dan zou ik een schat van sieraden aan uwe +voeten uitschudden en u verzoeken het mooiste en kostbaarste eruit +als eene herinnering aan mij te willen aannemen. Eene vrouw als gij, +biedt men toch immers niet een simpelen handschoen als aandenken aan?" + +"Bekommer u niet langer over mijne vraag", antwoordde de gravin, +"ook zonder tastbaar aandenken zal ik u niet vergeten! Wanneer ge mij +echter geene gedachtenis schenken wilt, zoo kunt ge toch zonder bezwaar +een klein geschenk van mij aannemen. Ziehier een ring, dien ik nacht +en dag aan den vinger draag. Mag ik u dien geven als herinnering +aan uw verblijf te mijnent?" Maar Walewein schudde afwijzend het +hoofd. "Zulk een kostbaar geschenk kan ik niet van u aannemen, zonder +u daar mijnerzijds iets voor terug te geven," sprak hij. "Vergeef mij, +indien ik onhoffelijk schijn, maar onder deze omstandigheden zou uw +geschenk mij geen genoegen doen!" "Het zij zoo", antwoordde de gravin, +"en tegen uwe bezwaren kan ik niets inbrengen, maar ziehier dan een +ander geschenk, dat eenvoudiger schijnt en bijkans onwaardig om het +aan een edel ridder, als gij zijt, aan te bieden. Moge het echter +al eene simpele gift schijnen, zoo bevat zij voor hem, die ze kent, +hoedanigheden van onschatbare waarde!" Onder het spreken had zij +haren mantel teruggeslagen en gespte nu een groen zijden gordel +los, die haar middel omsloot. Toen zij hem aan Walewein voorhield, +werd zijn oog verblind door de schitterende kwartsen, waarmede hij +bezet was. In alle tinten en kleuren glinsterden zij hem tegen, maar +de meesten waren groen als de zijde zelf, van eene eigenaardige, +doorschijnend groene tint. Weer schudde Walewein het hoofd, maar +vóór hij iets zeggen kon, sprak de gravin op nog dringerder toon +dan te voren: "Weiger mijn geschenk niet, alvorens ik u de verborgen +hoedanigheden ervan heb medegedeeld. Hij, die dezen gordel draagt is +onkwetsbaar, geen lans- of pijlpunt kan hem deren, geen zwaardslag +kan hem eenig letsel toebrengen. Denk aan den naderenden strijd en +neem den gordel aan, die u beschermen zal tegen de aanvallen van den +groenen ridder! Eén ding moet ge mij echter beloven: dat gij niet +aan mijn echtgenoot zult verraden, welk geschenk ik u gegeven heb!" + + + +_Hoe Walewein van de gravin een gordel ten geschenke kreeg._ Walewein +dacht eenige oogenblikken na over hare woorden en kon het zich niet +verhelen, dat de gordel hem in de komende dagen van groot nut zou +kunnen zijn. Hoe zou hij zonder een dergelijk beschermmiddel eenige +kans hebben om den slag, dien de groene ridder hem volgens afspraak +mocht toebrengen, te overleven? Mocht hij dan deze gelegenheid +voorbij laten gaan, die hem een uitkomst bood? Hij was toch nog te +jong om te sterven; het leven beloofde hem nog zooveel schoons en +heerlijks! Roem, liefde, eerbetoon en macht, alles hield de toekomst +nog in haren schoot verborgen en dat alles zou hij moeten missen door +deze toevallige overeenkomst met een bloeddorstigen vreemdeling? Neen, +een dwaas zou hij zijn om niet het middel aan te grijpen, dat hem tot +redding geboden werd, en vriendelijk lachend nam hij den gordel uit +de handen zijner schoone bezoekster aan, zeggend: "Zulk een geschenk +en op zulk eene wijze aangeboden, mag ik niet weigeren. Ontvang daarom +mijn dank, schoone vrouwe, voor uwe waardevolle gift en wees overtuigd, +dat ik bij het dragen steeds de bevallige geefster zal gedenken." + +Nog langen tijd nadien bleven beiden te zamen en toen de gravin +afscheid nam had zij Walewein tot drie malen toe gekust. + +De morgen verstreek en in den middag kwam het gezelschap van de jacht +terug. Met blijde voldoening overhandigde de graaf zijn gast de buit +van dien dag en ontving daarvoor van Walewein drie kussen. Van den +groenen gordel werd echter met geen woord gerept. + +De laatste avond van Waleweins verblijf in het kasteel werd met +grooten luister gevierd. Een keur van uitgezochte spijzen wachtte +op den feestelijk gedekten tafel, en na afloop van den maaltijd +werd het gezelschap vermaakt door de zoetvloeiende liederen der +minstreelen. Maar al te gauw was de avond voorbij en brak het oogenblik +van scheiden aan. Toen allen zich gereed maakten om zich naar hunne +slaapvertrekken te begeven, naderde Walewein zijn gastheer en betuigde +hem zijnen dank voor zijn gastvrij onthaal. Nooit, zoo zeide hij, +zou hij de genotvolle dagen vergeten, die hij op het slot had mogen +doorbrengen en die hem na de geleden ontberingen van zijn wintersche +reis, dubbel schoon waren voorgekomen. Hij gaf hem zijn leedwezen te +kennen over het feit, dat hij den volgenden morgen vertrekken moest +en herinnerde zijn gastheer aan zijne belofte om hem een dienaar als +gids aan te wijzen. De graaf beval daarop een zijner schildknapen zich +gereed te houden om met Walewein mede te gaan en toen deze met hem was +overeengekomen, op welk uur zij zouden vertrekken, begaf onze held zich +naar het gezelschap der edelvrouwen om ook van haar afscheid te nemen. + +Eenmaal nog zag hij in de schoone oogen der gravin en kuste +haar de hand, daarna wendde hij zich af en begaf zich naar zijn +slaapvertrek. Hij kon echter den slaap niet vatten, de gebeurtenissen +der laatste dagen trokken als een bonte stoet van kleurige tafereelen +door zijn brein. Nu eens hoorde hij de zachte stem der gravin, die hem +teedere woorden toefluisterde, dan weer klonk hem het hoorngeschal der +terugkeerende jagers in de ooren. Voor zijne oogen zag hij de zaal +van het kasteel met de sierlijk gekleede ridders en edelvrouwen, +waartusschen telkens het donkergelokte hoofd zijner gastvrouw in +hare bloeiende schoonheid opdook. Wanneer hij dan met geweld zijne +gedachten in de toekomst liet gaan, rees voor zijne verbeelding het +sombere woud zijner omzwervingen omhoog, en hij rilde onder de donzen +dekens bij de gedachte aan wat hem daarginds te wachten stond. + +Toen hij eindelijk insliep, was zijn slaap onrustig, in zijne droomen +streed hij tegen den groenen ridder, die steeds grooter en grooter +werd, naarmate het gevecht voortduurde. Wanhopig zwaaide hij zijn +zwaard, maar het scheen, of hij al verder en verder in 't niet zonk +tegenover de reusachtige afmetingen van zijn tegenstander. Badende +in zijn zweet werd hij bij het eerste morgenkrieken gewekt door +den schildknaap van den graaf. Huiverend zag hij rond in het grauwe +morgenlicht van zijn vertrek. Hoe geheel anders was zijn ontwaken de +laatste dagen geweest, toen de lieflijke stem eener schoone vrouw +hem uit den slaap gewekt had en de dag hem een onafgebroken reeks +van genotvolle uren beloofde! Maar niet lang gaf hij zich over aan +dergelijke overpeinzingen. Zijn lichaam voelde hij versterkt na de +dagen van rust, zijn geest was helder en de spieren van zijn arm waren +krachtig en lenig: wat zou hij dan vreezen? Zijne oude strijdlust +werd bij hem wakker, met voldoening bezag hij zijne glimmend gepoetste +wapenen en greep zijne hand naar het gevest van zijn zwaard. Was hij +niet Walewein, de gevreesde, die nog nooit in den strijd het onderspit +had moeten delven? En zou hij nu opzien tegen de ontmoeting met dezen +onbekenden vreemdeling, hij, tegen wien de vermaardste ridders ter +wereld den strijd hadden moeten opgeven? + +Met een gevoel van krachtigen overmoed daalde Walewein de trappen af +en begaf zich na een haastig ontbijt genuttigd te hebben naar buiten, +waar Gringalet hem wachtte. Hij steeg te paard en reed, gevolgd door +den dienaar, de slotpoort uit, nog eenmaal zag hij omhoog naar de +bovenvensters van het kasteel en onwillekeurig tastten zijne vingers +naar zijne linkerzijde, waar onder zijne wapenrusting de groene gordel +verborgen was, daarop richtte hij zijn blik vooruit en vervolgde zijn +weg zonder verder om te zien. Eene dichte sneeuwjacht belette hem +verder dan enkele passen voor zich uit te zien, een hevige stormwind +joeg de sneeuw te zamen in de holten en kuilen terzijde van den weg, +de takken der boomen kraakten en zuchtten onder den zwaren sneeuwlast, +maar verder verbrak geen geluid de stilte; de dieren van het woud +hielden zich schuil tot de storm bedaard zou zijn. + +De weg, dien de schildknaap hem aanwees, voerde de ruiters omhoog +tusschen de heuvels, waarvan de toppen in een dikken mist gehuld +waren. Juist op dat oogenblik hield het op met sneeuwen en brak de +zon door, die het gansche landschap met hare schitterende stralen +overgoot. Als een glinsterend wit kleed lag de sneeuw over de bosschen +en velden, waartegen een vlucht van donkere vogels scherp afstak. + +Waleweins gids maakte nu een teeken met de hand om den held aan +te duiden, dat zij hier stil moesten houden en sprak: "Edele heer, +wij zijn hier op eene plek gekomen, die niet ver van de groene kapel +verwijderd is. Aan uw wensch is dus voldaan. Van hier uit kunt gij +verder ook zonder mijne hulp de plaats uwer bestemming bereiken. Vóór +gij u echter daarheen begeeft, moet ik u waarschuwen tegen hem, dien +gij daar vinden zult. De groene ridder, zooals hij zich noemt, is een +monster in menschengedaante. Niets en niemand is veilig voor hem. Een +ieder, die aan zijne woning voorbijgaat: heer of knecht, oud of jong, +rijk of arm, allen doodt hij met een slag van zijn zwaard. Bezin u dus +goed, alvorens u in zijne nabijheid te wagen. Het ware te betreuren, +indien een edel ridder als gij, ook als slachtoffer van zijn wreed +begeeren zou moeten vallen. Daarom raad ik u dit: verlaat dit oord, eer +het te laat is en ik zweer u, bij alles wat mij heilig is, dat ik geen +sterveling zal verraden, dat gij het gevaar ontvlucht zijt!" Walewein +echter schudde lachend het hoofd: "Heb dank, beste vriend, voor uwe +goede bedoeling, maar wat uw raad betreft: nog nooit heeft Walewein +de vlucht genomen en ook ditmaal zal hij het niet doen! Nooit zal men +mij van lafhartigheid kunnen beschuldigen, ook nu niet. Daarom ben ik +vast besloten den groenen ridder op te zoeken en hem, getrouw aan mijne +belofte, mijn hoofd tot den zwaardslag aan te bieden." "Het zij zoo", +hervatte de schildknaap, "gij weet nu, dat ik u gewaarschuwd heb, moge +God u bijstaan! Wanneer gij dus tot elken prijs uw leven wilt wagen, +rijd dan dit pad af tot ge in het dal komt. Daar zult gij spoedig de +groene kapel ontdekken. Vaarwel!" + +Walewein sloeg het aangewezen pad in, dat met vele kronkelingen langs +een hoogen rotswand de heuvel afdaalde. Hier en daar had hij moeite +zijn paard op de been te houden op den gladden, besneeuwden rotsbodem, +maar ten slotte belandde hij veilig en wel in het dal, dat aan alle +zijden door hooge heuvels was ingesloten. Op deze beschutte plek +voelde men bijkans geen wind en de donkere stammen der denneboomen +staken onbeweeglijk omhoog in de ijle winterlucht. Behoedzaam spiedde +Walewein om zich heen, of hij ergens een spoor van eene kapel kon +ontdekken, maar nergens trof zijn oog iets anders dan besneeuwde +boomen en struiken. Door het dal stroomde een beekje, aan welks +oever de ridder op eenigen afstand eene kogelvormige verhevenheid +ontdekte. Getroffen door den eigenaardigen vorm van deze oneffenheid +in den bodem begaf Walewein zich er heen, bond zijn paard aan een +naastbijzijnden boom en ging voorzichtig op den vreemden heuvel af. + +Naderbij gekomen bemerkte hij, dat er zich aan ééne zijde eene +opening bevond, die toegang scheen te geven tot een donker hol. De +rotsspelonk, want dit scheen het te zijn, was geheel begroeid met gras, +nu bedekt met sneeuw, dat zich als een koepelvormig dak er over heen +welfde. Hoever het hol zich daarbinnen uitstrekte kon men van buiten +af niet bepalen, het eenige wat men door de opening zag, was een +donkere afgrond, waaruit een kille aardlucht naar buiten drong. Het +geheel maakte zoo'n somberen indruk, dat de held bij het zien ervan +haastig een kruis sloeg en uitriep: "Eene geschikte plaats voor den +groenen ridder om zijne godsdienstoefeningen te houden! Hij kan er +zeker van zijn, dat de duivel in eigen persoon tegenwoordig zal zijn!" + +Nauwelijks waren deze woorden over zijne lippen gekomen, of een +doordringende kreet drong van de overzijde der beek tot hem door +en zich omwendend zag hij tusschen de hooge struiken den groenen +ridder te voorschijn komen. Onheilspellend rolden zijne oogen en +dreigend zwaaide hij eene gloednieuwe, glinsterende strijdbijl in +zijne rechterhand. Aan de beek gekomen, sprong hij er over heen en +schreed met lange stappen op Walewein toe. Deze wachtte hem rustig af, +de vuist om het gevest van zijn zwaard geklemd en toen de vreemdeling +hem genaderd was, sprak Walewein met vaste, rustige stem: "Goeden +dag, heer ridder! Getrouw aan onze overeenkomst, die wij heden voor +een jaar gesloten hebben, ben ik hier gekomen om een slag van u te +ontvangen in ruil voor dien, welken ik u een jaar geleden gaf!" + +De groene ridder boog groetend het hoofd en zeide: + +"Gij hebt uwe belofte gehouden, zooals dit een edelman betaamt. Het +oogenblik is aangebroken, waarop ik u den slag kan teruggeven, +dien ik van u mocht ontvangen. Daarom verzoek ik u, om uwen hals +te ontblooten." + +Walewein voldeed aan zijn verlangen. Hij zag nog eenmaal omhoog in +de helderblauwe lucht, die hij dacht nooit weder te zien, daarna boog +hij het hoofd en sloot de oogen. Hij hoorde hoe de groene ridder met +boosaardig lachen de bijl omhoog zwaaide en die toen duizelend door +de lucht neer deed komen. Toen het wapen aldus op zijn nek dreigde +neer te komen, maakte Walewein onwillekeurig eene terugtrekkende +beweging met de schouders, maar zoodra zijn vijand dit bespeurde, +stuitte hij het wapen in zijne vaart en riep toornig uit: "Schaam u, +Heer Walewein! gij, die beroemd zijt om uwe dapperheid en die toch +reeds beeft van vrees, nog eer gij eenig letsel hebt bekomen. Toen +gij mij geslagen hebt, toonde ik in geene enkele beweging, dat ik +uwen aanval vreesde, en zelfs toen ik mijn hoofd moest verliezen, +heb ik nog niet het hazenpad gekozen. Daarom durf ik zeggen, dat ik +dapperder ben dan gij en dat men ten onrechte u prijst als een der +onversaagdste ridders van het land." + +Diep beschaamd hoorde Walewein zijne woorden aan en na eenig +stilzwijgen sprak hij: "Gij hebt gelijk, het was laf en onridderlijk +van mij om angst te toonen, maar geloof mij, het zal mij geen tweede +maal overkomen. Daarom, sla toe, wat ik u bidden mag!" "Welnu dan," +antwoordde de groene ridder, "uw wensch worde vervuld!" Onder het +zeggen van deze woorden hief hij zijne bijl omhoog en zwaaide hem +door de lucht, maar alvorens hij den hals van zijn vijand aanraakte, +hield hij opnieuw het wapen tegen en sprak goedkeurend tot Walewein: +"Inderdaad, nu zie ik, dat gij een dapper ridder zijt, want uwe +schouders verroeren zich niet, hoewel het wapen des doods er boven +zweeft!" Onze held echter, die slechts door de uiterste wilsinspanning +zijne kalmte wist te bewaren, ontstak in toorn over dit nieuwe +oponthoud en sprak heftig: "Draal niet langer, heer! maar breng mij den +slag toe, die voor mij bestemd is. Daarna kunnen wij verder spreken!" + +"Ziehier dan!" riep de groene ridder met donderende stem en nog eens +hoorde Walewein het duizelend geluid, waarmee het wapen de lucht +doorkliefde. Hij sloot de oogen, klemde de vuisten opeen en bereidde +zich voor op den dood. Wie beschrijft echter zijne verbazing, toen +hij voelde, hoe de bijl slechts aarzelend zijn hals scheen aan te +raken. Wel drong de scherpe snede van het wapen door de opperhuid en +zag hij, hoe zijn bloed in langzame druppels op de sneeuw neerviel, +maar daarna scheen het of eene hand de bijl terugtrok uit de wonde +en ongedeerd kon hij het hoofd omhoog heffen. Toen was het ook met +zijn geduld gedaan. Bliksemsnel richtte hij zich op uit zijne bukkende +houding, met vaste hand omknelde hij het gevest van zijn zwaard en het +scheen, of alle vreugde om het verloren gewaande en nu herwonnen leven +zich uitte in zijne stem, toen hij zegevierend uitriep: "Tot hiertoe +en niet verder, edele heer! Aan de bepalingen onzer overeenkomst +is voldaan en van nu af aan behoud ik mij het recht voor, om uwe +aanvallen met het zwaard in de vuist af te wachten. Nauwelijks had +hij deze woorden gesproken, of tot zijne groote verbazing barstte de +groene ridder los in een luid gelach, dat de lucht met een schallend +geluid vervulde en door de kale rotswanden werd weerkaatst. Het scheen +of er geen eind aan zijne vroolijkheid kon komen, blazend en proestend +leunde hij op zijne bijl en schudde heen en weer, telkens uitbarstend +in een nieuwen aanval van lachen. Eindelijk bedaarde hij en sprak, +zich de tranen van 't lachen uit de oogen wisschend: "Houd het mij +ten goede, heer ridder, dat ik aldus uiting geef aan mijn gevoel, +maar het spel, dat wij hier gespeeld hebben, is ook zóó kostelijk, +dat ik moet lachen, of ik wil of niet, en gij zult hetzelfde doen, +daar ben ik zeker van, wanneer ik u verteld heb, hoe de zaak zich heeft +toegedragen. Maar alvorens ik hiertoe over ga, moet ik u verzoeken, +uw zwaard in de scheede te steken en het daar te laten tot zich eene +betere gelegenheid voordoet om het te gebruiken. Geloof mij, hij, +dien gij voor u ziet, is uw vriend en elke vijandige bedoeling is +verre van hem." + +Aarzelend stak Walewein zijn zwaard in de scheede. Het gansche +tooneel leek hem een verwarde droom, waaruit hij zoo straks tot de +werkelijkheid zou ontwaken. Waarom had de groene ridder hem gespaard, +inplaats van zijne bedreigingen ten uitvoer te brengen en vanwaar thans +die uitbundige vroolijkheid en die vriendschappelijke bejegening, waar +zij toch kort geleden als vijanden tegenover elkander hadden gestaan? + +De groene ridder bemerkte zijne verwarring en kwam lachend op hem +toe. "Gij staat verbaasd, Heer Walewein en dat niet geheel zonder +reden," sprak hij, "maar wat u thans zoo zonderling toeschijnt, +kan ik u met een enkel woord verklaren. Weet dan allereerst, dat +mijn naam is Bernlak de Hautdesert en dat het kasteel, waar gij +de laatste week hebt doorgebracht, het mijne is. Dat ge mij niet +herkendet, toen ik u bij uwe aankomst begroette en dat gij in mij +ook thans niet de gelijkenis met uw gastheer terugvindt, dank ik +aan de tooverkunst van Morgan Le Fay, de vermaarde toovenares, die, +zoo zegt men, bij den grooten Merlijn in de leer is geweest. Zij was +het, die mij de gestalte verleende van den groenen ridder en die mij +naar het hof des konings zond, deels om de dapperheid der ridders van +de Ronde Tafel op de proef te stellen, deels om hare aartsvijandin, +koningin Ginevra, een schrik te bezorgen, die haar wellicht noodlottig +zou zijn. Morgan Le Fay, met wie ik in verre bloedverwantschap sta, +vertoeft als gast in mijn huis en is niemand anders dan de oude vrouw, +in wier gezelschap gij mijne gemalin voor 't eerst begroettet. Toen +zij mij voorstelde, om haar in haar plan behulpzaam te zijn, heb ik +gaarne toegestemd, want ook ik verlangde, om de beroemde ridderschap +der Ronde Tafel eens met eigen oogen te zien en bovendien was elke +afleiding mij welkom. De winter is lang in eene woeste, eenzame streek +als deze en een tocht naar het hof van koning Arthur bood eene niet +te versmaden afwisseling. Ziedaar dus, hoe ik er toe kwam om als +tooverfiguur aan het hof te verschijnen en er schrik en ontsteltenis +te verspreiden. Reeds dadelijk trof mij aldaar uw moedig optreden +en het deed mij genoegen, dat gij het waart, die mijn gast zou zijn +dezen winter, want ook dit was door Morgan vooraf bepaald. Van wat +gedurende uw verblijf ten mijnent zich tusschen u en mijne vrouw heeft +afgespeeld, ben ik geheel op de hoogte. Ikzelf gaf haar bevel om u +te bezoeken, ten einde uwe gevoelens van eer en trouw op de proef te +stellen. Gij hebt het vertrouwen, dat ik in u stelde niet beschaamd +gemaakt, maar u gedragen als een edel ridder behoort te doen. Daarom +heb ik u heden gespaard en u slechts in schijn den slag teruggegeven, +die u krachtens onze overeenkomst toekwam. De eerste twee slagen, +die ik voorwendde u te geven, waren eene straf voor de kussen, +die gij van mijne vrouw ontvingt, maar omdat gij ze mij des avonds +eerlijk terug hebt gegeven, waren mijne slagen slechts geveinsd. De +derde maal echter hebt gij tegen onze afspraak gezondigd door te +verzwijgen, dat gij den groenen gordel als geschenk van haar hadt +aanvaard. Om u daarvoor te straffen, heb ik u met de punt van mijne +bijl geraakt, echter zonder u ernstig verwonden, want ik wist dat uw +zwijgen slechts voortkwam uit den natuurlijken drang tot zelfbehoud, +die elk mensch is aangeboren. Thans weet ge alles en rest mij slechts, +u te verzoeken, mij te volgen naar mijn kasteel en aldaar met mij en +de mijnen het Nieuwjaarsfeest te blijven vieren." + +Het is moeilijk de aandoeningen te beschrijven, waarmede Walewein +naar de woorden van den groenen ridder geluisterd had. Gevoelens +van schaamte, vernedering, toorn en gekrenkten hoogmoed streden met +elkaar om den voorrang in zijn gemoed, maar het gevoel van schaamte +en bittere vernedering was sterker dan alle andere en toen Bernlak de +Hautdesert gedaan had met spreken, barstte hij los in een stroom van +hevig zelfverwijt. "Vervloekt zijn lafheid en begeerigheid," riep hij +uit, "want die zijn de bron van alle kwaad!" Daarop gespte hij zijn +harnas los, wond den groenen gordel van zijn middel en wierp dien den +ridder toe onder het uiten van heftige verwenschingen. De laatste +echter sprak: "Gij maakt u zelven ten onrechte een verwijt van wat +geschied is en bovendien is een mensch, die zoo openhartig als gij +zijne fouten erkent, in mijne oogen even rein van hart als een die +nooit gezondigd heeft. Wat den gordel aangaat, zoo zou ik u willen +verzoeken, dien van mij aan te nemen als herinnering aan uw avontuur +bij de groene kapel. Behoud hem dus en laat ons thans huiswaarts +keeren, waar men onze terugkomst met verlangen tegemoet ziet." + +Walewein schudde het hoofd en terwijl hij zich opnieuw de groene +zijde om de heupen wikkelde, sprak hij ernstig: "Uw geschenk wil +ik gaarne aanvaarden als eene herinnering aan onze kennismaking +en eene waarschuwing om mij niet opnieuw door schoone vrouwenoogen +tot lafheid en eerverzuim te doen brengen. Wanneer de trots om eene +volbrachte heldendaad mij dreigt te overmeesteren, zal een enkele blik +op dezen gordel mij tot een helderder besef mijner tekortkomingen +terugbrengen. Aan uwe vriendelijke uitnoodiging om met u naar uw +kasteel terug te keeren, kan ik echter geen gehoor geven. Mijn weg +voert thans naar Camelot, waar mijn vorst mij wacht en in spanning +den uitslag van mijn avontuur verbeidt. Vaarwel dus en heb dank voor +de les, die ge mij gegeven hebt." + +Hierop scheidden de beide ridders en reden in tegenovergestelde +richtingen heen. Bernlak de Hautdesert keerde terug naar zijn kasteel +en Walewein vond met veel moeite den weg, dien hij gekomen was en +die hem na wekenlange omzwervingen weer naar Camelot terugvoerde. + + + +_Van Waleweins terugkeer aan het hof van koning Arthur._ Tegen het +einde van Februari, op een zoelen namiddag, terwijl het landschap om +hem heen reeds de eerste sporen vertoonde van het naderend voorjaar, +zag hij de trotsche torens van Arthurs paleis tegen den gezichtseinder +oprijzen. Met een gevoel van innige dankbaarheid blikte onze held om +zich heen. Hoe verschilde de stemming, waarin hij zich thans bevond, +van die, waarin hij eenige maanden te voren door de hem welbekende +streek gereden was. Toen had hij zich gevoeld als een ten doode +opgeschrevene en de natuur om hem heen had met hem mede gerouwd onder +haar grijze sluiers van mist en regen. Thans echter keerde hij behouden +en wel uit zijne gevaarlijke onderneming huiswaarts, zijn woord had +hij gehouden en toch leefde hij! Al brandde de groene gordel hem +als vuur om de leden, wanneer hij dacht aan het oogenblik, waarop de +groene ridder hem zijne geheimhouding daarover verweet--toch waren +zulke gedachten niet bij machte om de vreugde over zijne behouden +thuiskomst uit zijne ziel te verbannen. Het scheen hem toe, alsof +hij een weerklank van die vreugde vond in de ontwakende natuur om +zich heen. Het zingen der vogels, het ruischen van den wind door de +boomen, waar de knoppen zwollen, het klaterend geluid der beekjes, +die, gevoed door de smeltende sneeuw, van de heuvels stroomden, het +scheen hem of het zoo vele stemmen waren, die met hem juichten over +zijne wonderbaarlijke redding en hem in herinnering brachten, wat al +schoons en heerlijks hem nog in zijn jonge leven te wachten stond! + +In opgeruimde stemming bereikte hij het paleis en niet zoodra was +het bericht van zijne thuiskomst in de zalen doorgedrongen, of van +alle zijden stroomden de ridders tezamen om hun vriend, dien zij +verloren waanden, te begroeten. In een oogwenk zag Walewein zich +omringd door lachende gezichten en elkander verdringende gestalten, +vroolijke uitroepen en blij gelach vervulden de lucht en getuigden, +hoezeer hij bij allen aan het hof geëerd en bemind was. + +Toen de eerste vreugde van het wederzien bedaard was, namen de +ridders onzen held in hun midden en voerden hem zegevierend naar +binnen, waar in de groote slotzaal koning Arthur hem wachtte. Diep +ontroerd omhelsde de vorst zijn neef, dien hij als een zoon liefhad, +en verzocht hem toen aan zijne zijde plaats te nemen en hem verslag +te doen van zijn wedervaren. + +Walewein gaf gehoor aan zijn verzoek en verhaalde zonder omwegen, wat +er sinds den dag van zijn vertrek met hem gebeurd was. Daarbij spaarde +hij zichzelf niet, ook de lotgevallen in het kasteel, de gesprekken +met zijne schoone gastvrouw en de gevoelens, die gedreigd hadden +hem daarbij te overmeesteren, deelde hij mede aan zijn aandachtig +luisterend gehoor. Wel brandden zijne wangen van schaamte, toen hij +het voorval met den gordel vermeldde, maar hij hield zijne oogen +vast gericht op het gelaat van zijn vorst en verzweeg niets. Toen +hij aan het einde van zijn verhaal was gekomen, haalde hij van +onder zijne kleederen den gordel te voorschijn en toonde hem aan +den koning. Deze nam hem aan, bezag hem langen tijd en sprak toen +ernstig: "Mijn zoon! Hij, die zijne fouten bekent als een waar en +eerlijk man, is waard dat zij hem vergeven worden. Zoo zij het ook +met u! Moogt gij ook al gezondigd hebben uit zucht tot zelfbehoud, +zoo hebt gij uw verzuim eerlijk opgebiecht en daarom is het overbodig, +u er verder voor te straffen. Daar het echter voor elk mensch nuttig +is, om aan zijne fouten herinnerd te worden, zoo stel ik voor, dat +allen, die hier aanwezig zijn, een groenen gordel zullen dragen, +die hen moge behoeden voor verkeerde neigingen. Wanneer een hunner +dan te eeniger tijd de eischen van eer en ridderlijkheid uit het oog +dreigt te verliezen, dan zal een blik op den gordel hem uw avontuur +in herinnering roepen en hij zal de kwade ingevingen van lafheid en +begeerigheid geen gehoor schenken. Zoo zal uw voorbeeld hun een les +zijn en hun ten slotte ten zegen strekken." + +Het geschiedde gelijk de koning bevolen had. Van dat oogenblik af +droegen alle ridders der Ronde Tafel, die Waleweins verhaal hadden +aangehoord, een groen zijden gordel en zóózeer spoorde deze hen +aan tot het bestrijden van alle onridderlijke eigenschappen dat de +ridders van den groenen gordel weldra bekend stonden als de beste en +edelste der Christenheid. Zoo werd de groene gordel spoedig beschouwd +als een eereteeken en zij, die hem droegen, werden geëerd en geroemd +als geen anderen. Onder hen was er echter één, die, zoo zeide men, +meer dan alle overige ridders deze onderscheiding verdiende, en dat +was Heer Walewein. + + + + + +INLEIDING TOT DE SAGE VAN BALIN EN BALAN. + + +_De sage van Balin en Balan behoort tot de minder bekende van den +Arthur-cyclus._ Terwijl de avonturen van andere ridders vele malen +zijn beschreven, zoowel in gedichten als in proza-romans, en aan +schrijvers van verschillenden tijd en landaard de stof voor hunne +werken hebben geleverd, vinden wij in de gezamenlijke literatuur van +Europa, de lotgevallen van deze beide helden slechts vermeld in een +zestal bewerkingen. Wat de reden mag zijn van deze stiefmoederlijke +behandeling van eene sage, die ondanks hare vele onvolkomenheden, +toch zooveel aantrekkelijks bezit? Wie zal het zeggen? Misschien vindt +het eensdeels zijn oorzaak in het ontbreken van het erotische element, +anderdeels in het feit, dat de sage bij eene eerste kennismaking eenen +eenigszins verwarden indruk maakt door de vele afdwalingen van de +hoofdlijn van het verhaal, waaraan de schrijver van het oorspronkelijke +werk zich heeft schuldig gemaakt. + +En toch, voor wie doordringt tot het wezen der sage, voor +wie heeft geleerd den held--want er is feitelijk slechts één +hoofdpersoon: Balin--naar waarde te schatten, ondanks zijne fouten en +tekortkomingen--misschien juist ter wille van deze--bevat het tragische +verhaal van zijn leven en sterven, zooveel aangrijpends en schoons, +dat hij het op gelijke hoogte stelt met menige beroemder sage. De +held behoort in dit geval niet tot die breede schare van ridders, +die onvergelijkelijken moed paarden aan hoofsche verfijndheid en die +door de vereeniging van die beide eigenschappen het hof van koning +Arthur tot het beroemdste en schitterendste van zijn tijd maakten. + +Balin is een kind der natuur. Hij is opgegroeid in het eenzame slot van +zijn vader temidden der uitgestrekte wouden van Northumberland. Het +gezang der vogels en het lied der zee zijn hem vertrouwder dan +de liederen der minnezangers; de sierlijke hoofsche gebruiken en +plichtsplegingen zijn hem ten eenen male onbekend. Met een hart vol +droomen en idealen trekt hij op naar het hof van koning Arthur, waar +hij roem en eer hoopt te behalen onder de banieren van zijn vorst. Het +zich bewust zijn van zijne jonge kracht doet hem geen tegenstander +onoverwinlijk, geen hinderpaal onoverkomelijk achten, maar hij vergeet, +dat er machten zijn, waartegen met het zwaard niet te strijden valt, +en dat, wie de wereld overwinnen wil, beginnen moet met zich zelven +te overwinnen. In het feit, dat hij deze groote les niet geleerd +heeft, schuilt de oorzaak van zijn val en wanneer dan bovendien nog +de duistere machten van het noodlot tegen hem samenspannen, is zijne +zaak verloren. + +Één voor één zien wij de gebeurtenissen in de sage zich samenvoegen +tot eene keten van noodlottigheden, die, wij voelen het duidelijk, +slechts eindigen kan in den dood van onzen held. En inderdaad is het +einde, dat Balin en zijn broeder, die hem boven alles dierbaar was, +door elkanders hand sterven. + +Hoe kan het anders, of deze tragische geschiedenis van zielestrijd +en noodlotsdwang moet een diepen indruk maken op wie haar leest? + +Dat de sage in den vorm, waarin zij tot ons is gekomen, vele +onvolkomenheden bevat, werd hierboven reeds opgemerkt. Daartoe +behooren in de eerste plaats eenige toespelingen op gebeurtenissen +in het verhaal, welke op het oogenblik van vermelding zeer belangrijk +schijnen te zijn en die desniettemin in den loop van de vertelling door +den schrijver geheel uit het oog worden verloren. Zoo, bijvoorbeeld, +de voorspelling, dat Balin met het zwaard, hetwelk hij van de jonkvrouw +ontvangt, haren broeder zal dooden. Met den noodigen nadruk wordt dit +geprofeteerd; evenwel vinden wij in den verderen loop van het verhaal +geene enkele aanwijzing omtrent de vervulling van die voorspelling. Ook +lezen wij, dat Balin, wanneer hij Launceor van Ierland in een +tweegevecht gedood heeft, diens zwaard met zich medevoert, zoodat +hij de ridder met twee zwaarden wordt genoemd. Nochtans moet hij in +het kasteel van koning Pellam de vlucht nemen, wanneer hij zich van +zijn zwaard beroofd ziet, en wel omdat--zooals wij lezen--hem geen +ander wapen ter verdediging overblijft. + +Ook in eene beschouwing der karakters vallen ons eenige punten op, +welke wij anders zouden wenschen. Zo zouden wij zoo gaarne wat meer +vernemen omtrent de figuur van Balan, den jongeren broeder van den +held. Wij hooren, hoe innig Balin hem lief heeft, hoe hij de eenige +is, die hem tot reden kan brengen, wanneer hij zich laat meesleepen +door zijne drift, maar aangaande het karakter van den jongeling, van +wien deze invloed ten goede uitgaat, vernemen wij weinig of niets. Hij +blijft eene bijfiguur, die slechts even ten tooneele verschijnt na het +tweegevecht met Launceor, om spoedig daarna weer te verdwijnen. Slechts +in het laatste bedrijf der handeling vertoont hij zich opnieuw om de +droeve voorspelling der jonkvrouw tot waarheid te maken. + +Eenzelfde lot ondergaan de andere bijpersonen, vooral de vrouwelijke +karakters: de Zwaardjonkvrouw en de Vrouwe van Avalon hebben iets +raadselachtigs en geheimzinnigs, waarvan wij de ware beteekenis +niet doorgronden. Ook de figuren van koning Arthur en zijne ridders +worden ons slechts in vage lijnen geschetst. Hoofdzaak is en blijft +het voor den schrijver, om ons de figuur van Balin duidelijk voor +oogen te stellen in al zijnen eenvoud en dapperheid. + +De geest van het verhaal ademt die vereeniging van christelijke +en heidensche denkbeelden, die kenschetsend is voor de +Middeleeuwen. Wanneer hij zich in gevaar bevindt, wendt Balin +zich tot God met eene kinderlijke vroomheid, maar toch zijn het +de voorspellingen van den ouden toovenaar Merlijn, die zijn lot +beheerschen en hem ten val brengen. [21] + +Bovendien is de wijze, waarop het verhaal geschreven is, kenmerkend +voor de letterkundige klasse, waartoe het behoort. Want gelijk in +zoovele ridderromans het geval is, bevat het plotselinge overgangen +en is ook de wijze van bewerking telkens geheel verschillend: nu eens +wordt de handeling gerekt, dan weer schijnt zij zich als met groote +sprongen voort te bewegen. + +Dat het verhaal hierdoor aan duidelijkheid verliest, behoeft geen +betoog! En niettegenstaande dit alles, boeit ons de geschiedenis +toch! Zou de bekoring, die er voor ons van dergelijke oude verhalen +uitgaat, soms gedeeltelijk schuilen in de eigenschappen, die +hun hierboven als fouten zijn aangerekend? Kan het zijn, dat wij +juist iets aantrekkelijks vinden in de vrije, onafhankelijke wijze, +waarop de schrijvers met hunne stof omgingen? Zonder zich gebonden +te voelen door regels van logica en samenhang, lieten zij zich als +kinderen door hunne verbeelding leiden en schreven neer, wat deze +hun ingaf. En wanneer het de verheerlijking van hunnen held gold, +offerden zij daar blijmoedig de belangen van alle andere personen +uit hun verhaal aan op. Het resultaat was: eene sage van Balin, +op het eerste gezicht onduidelijk, ingewikkeld soms door de vele +uitweidingen en afdwalingen, maar bij eene nadere kennismaking van +eene somtijds ontroerende schoonheid. + +Wat betreft den oorsprong en de ontwikkeling der sage, zoo dient hier +vermeld, dat John Rhys in zijn "Studies in the Arthurian Legend" +tracht aan te toonen, dat zij eene latere bewerking is van eene +oud-Keltische natuurmythe en dat de ridders Balin en Balan de plaats +innemen van de mythologische figuren Belinus en Bran, de elkander +steeds bestrijdende broeder-goden van duisternis en licht. In het +derde boek van Geoffrey of Monmouth's "Historia Regum Brittanniae" +verschijnen de broeders onder de namen Belinus en Brennius als +twee oud-Britsche koningen. Verder is de Arthur-literatuur vóór +Thomas Malory buitengewoon zwijgzaam omtrent de geschiedenis der +beide helden. Hunne namen komen in geen der werken van de oude +geschiedschrijvers zooals Nennius, Gildas, William van Malmesbury +voor; Layamon en Wace noemen hen evenmin, en ook in de verhalen, +die in Wales over Arthur en zijne ridders geschreven zijn, zoeken +wij hunne namen tevergeefs. Thomas Malory daarentegen geeft in het +tweede boek van zijne "Morte d' Arthur", dat waarschijnlijk in 1469 +geschreven, maar eerst in 1485 door William Caxton gedrukt werd, +eene uitvoerige beschrijving van de tragische lotgevallen der beide +helden. Zijne bron was, gelijk bij het meerendeel der sagen, welke +hij in zijn boek te zamen bracht, een Fransche ridderroman en wel +die, welke onder den titel van "Merlin" is bewaard gebleven in een +handschrift uit de 13e eeuw. Daar deze roman een vervolg is op den +algemeen bekenden "Merlin" van Robert de Borron, wordt hij veelal +aangeduid met den naam: "Suite de Merlin". + +In de Spaansche literatuur vinden wij twee bewerkingen der Balin-sage, +één daarvan is bewaard gebleven in de bladzijden van een roman, +getiteld: "El baladro del Sabio Merlin", die in 1498 te Burgos +gedrukt werd, doch waarvan het handschrift verloren is geraakt, de +andere komt voor in het eerste deel van een roman, die in 1515 te +Toledo verscheen onder den titel: "Demanda del sancto Grial con les +maravillo sos fechos de Lançarote y de Galaz su hijo." + +Ten slotte vinden wij in de moderne Engelsche literatuur twee +gedichten, welke onze sage tot onderwerp hebben. In 1885 verscheen in +den dichtbundel "Tiresias and other Poems", een gedicht, dat onder den +titel "Balin and Balan" aan den kring van Tennyson's Koningsidyllen +werd toegevoegd. De dichter ontleende zijne stof aan het werk +van Thomas Malory, maar--dit dient dadelijk hieraan toegevoegd te +worden--wijzigde haar geheel, om haar te benutten voor het ten einde +voeren van de allegorie in zijn werk. + +Eene getrouwere navolging van het oude verhaal gaf Algernon Charles +Swinburne in zijn "Tale of Balen", dat in 1896 verscheen. Zijne +bewerking van de sage volgt die van Thomas Malory op den voet, sommige +zinnen en uitdrukkingen zijn zelfs woordelijk overgenomen. Een nieuw +bestanddeel vormen de rijke natuurschilderingen, die bij Malory geheel +ontbreken. Ook legt hij, meer dan de oude romanschrijver dit deed, +den nadruk op de macht van het noodlot, dat Balin ten val brengt en +waartegen niet te strijden valt. + +Wij kunnen niet anders zeggen, dan dat de stof zich bij uitstek leent +tot deze aanpassing aan Swinburne's levensopvatting en dat het wezen +der sage er niet door geschaad wordt. + +De wedergave van de geschiedenis van Balin en Balan, zooals die in de +volgende bladzijden wordt gevonden, is gegrond op de "Morte d'Arthur" +van Thomas Malory. + + + + + +DE SAGE VAN BALIN EN BALAN. + + + ...."two brethren of Northumberland, + in life and death good knights." + + (Swinburne: "The Tale of Balen.") + + +_Hoe Balin en Balan aan het hof van koning Arthur kwamen en hoe +de eerste tot ballingschap veroordeeld werd._ Onder de ridders van +koning Arthur bevonden zich twee broeders, Balin en Balan genaamd. Zij +kwamen uit het Noorden, uit het graafschap Northumberland, waar zij +opgevoed waren in het eenzame kasteel van hun vader, omgeven door +donkere bosschen en uitgestrekte heidevelden, in de nabijheid van de +zee, die schuimend tegen de hooge rotsen der kust sloeg. Daar zij van +jongs af aan geen ander dan elkanders gezelschap gekend hadden, was de +band tusschen hen veel inniger geworden, dan misschien onder andere +omstandigheden het geval zou zijn geweest. Balin, de oudste broeder, +vereenigde in zijn karakter al de eigenschappen, die de bevolking +der Noordelijke streken onderscheiden van die der Zuidelijke. Het +scheen, of er iets van het wilde en ongebondene der Noordsche natuur +was binnengeslopen in zijn gemoed. Wanneer hij streed in het gevecht, +hanteerde hij zijn zwaard met dezelfde onstuimige kracht, als waarmede +de golven tegen de klippen van zijn geboorteland beukten en zijn ziel +bevatte donkere diepten van hartstocht, waar het stormen kon als in +de wouden van Northumberland, wanneer de grond bedekt is met sneeuw +en de noordenwind door de kale takken giert. Maar ook het eerlijke +en onbedorvene van zijne landgenooten was zijn deel geworden, hij +was opgegroeid ver van de hoofsche samenleving en daardoor was hij +vrij gebleven van vleierij en bedrog. Hij was een kind der natuur, +trotsch in zijne mannelijke kracht, met eene vurige bewondering voor +al wat schoon en goed was en met eene warme liefde voor zijn jongeren +broeder Balan, den eenige, die door een woord van kalme overreding +de stormen in het gemoed van Balin kon doen bedaren en hem met een +enkelen blik tot bezinning kon brengen, wanneer hij dreigde zich te +laten meesleepen door zijne booze driften. + +Toen de beide broeders den mannelijken leeftijd bereikt hadden was +de mare van Arthurs roem allengs doorgedrongen tot de eenzaamheid van +hun vaderlijk kasteel en beiden voelden den wensch bij zich opkomen om +naar Camelot te gaan en koning Arthur hunne diensten aan te bieden. Wat +kon er heerlijker bestaan dan te strijden onder de banieren van zulk +een vorst, den krachtigsten en edelsten der Christenheid! + +Aan het hof te Camelot gekomen, onderscheidde Balin zich al +spoedig door zijne groote dapperheid, welke voor geen gevaar +terugdeinsde. Geene onderneming achtte hij te zwaar, waar het gold den +naam van zijn vorst luister bij te zetten. Het spreekt van zelf, dat +de roem van zijne heldendaden hem zoowel benijders als bewonderaars +verschafte. De eersten zochten steeds eene gelegenheid om hem te +kwetsen en te beleedigen door toespelingen te maken op zijne Noordsche +herkomst, op zijne simpele kleedij, zijne eenvoudige manieren en op +de zeden en gewoonten van zijn vaderland. Gewoonlijk wist Balan door +een verstandig woord den aanval van drift, die in zijn broeder dreigde +op te komen bij het hooren van dergelijke schampere opmerkingen, te +bezweren, maar eens gebeurde het tijdens Balans afwezigheid, dat een +der hovelingen, een neef van den koning, zich spottend uitliet over +de ridders, die uit vreemde streken naar het hof van koning Arthur +waren gekomen. Zij hoorden er niet thuis, meende hij, en daar zij +toch nooit in staat zouden zijn, om zich de hoofsche manieren en de +fijne beschaving, die daar heerschten, eigen te maken, deden zij beter +met in hun land te blijven, onder de boeren en dorpelingen. Bij het +hooren van deze woorden ontstak Balin in zulk eene woede, dat hij +alles om zich heen vergat en op den lasteraar toesnellend, hem met +één enkelen zwaardslag den schedel doorkliefde. + +Toen hij tot bezinning kwam, lag hij gebonden aan handen en voeten +in één der kerkers van het koninklijk slot en moest hij daar het +vonnis voor zijne misdaad afwachten. Hij werd veroordeeld tot +eene ballingschap van zes maanden. Gedurende dien tijd zwierf hij +rond door het zuiden van Engeland en hoewel hij nog kon trillen +van woede bij de herinnering aan de grievende beleediging, hem en +zijnen landgenooten aangedaan, zoo maakte hij zich toch de bitterste +verwijten, dat hij zich ten aanzien van alle ridders en hovelingen +zóó had laten meesleepen door zijne noodlottige drift. Deze was nu +oorzaak, dat hij als banneling rondzwierf, inplaats van te strijden +onder 's konings edele ridderschap. Maar toen de maanden van zijne +verbanning bijna verstreken waren, toen de lente in het land kwam en +de natuur om hem heen begon te groeien en te bloeien, toen scheen het, +of ook in Balins hart een nieuw leven ontwaakte, dat hem aanspoorde tot +daden van roem en dapperheid, grootscher en schooner dan hij nog ooit +volbracht had. Kort daarna kwam er een boodschapper van den koning, +die hem uitnoodigde, terug te keeren aan het hof, waar de ridders +zijne voorspraak waren geweest bij Arthur en dezen overreed hadden +om Balin uit zijne ballingschap terug te roepen, nog vóór de zes +maanden verstreken waren. De jonge held reed terug naar Camelot door +de bloeiende velden, door de in jeugdig groen prijkende bosschen, +waar de vogels hun vreugde uitzongen over den terugkeer der lente, +en werd weer in genade aangenomen door zijn vorst. Nu volgde een +tijd van vreugde en zorgeloosheid voor Balin. Met het naderen van +den zomer reden de ridders iederen dag uit tot het maken van verre +tochten, of om zich te oefenen in het boogschieten en speerwerpen in +de velden bij Camelot. 's Avonds, wanneer allen teruggekeerd waren +en tezamen vereenigd zaten aan den maaltijd in de groote zaal van +Arthurs paleis, kwamen de harp- en luitspelers hen vermaken met hunne +liederen of hoorden zij verhalen over vreemde streken uit den mond +van den een of anderen ridder, die als gast aan het hof vertoefde. En +het gejuich, dat dan opging in de groote zaal, wanneer er sprake was +van een buitengewoon stoutmoedige daad, of wanneer er een grappig +lied werd gezongen, was zóó luid, dat de schilden aan de muren ervan +trilden. Balin voelde zich gelukkig, elke dag bracht hem nieuwen +roem, hij begon geheel thuis te geraken onder de ridders van het hof, +die hem wegens zijne dapperheid en eenvoudige vriendelijkheid met +onderscheiding en welwillendheid tegemoet kwamen en de booze geesten, +die hem plachten aan te zetten tot daden van drift en hartstocht, +schenen geheel uit zijne ziel verbannen te zijn. + + + +_Hoe Balin optreedt als redder der zwaardjonkvrouw._ Eens op een dag, +toen de ridders zich om den koning verzameld hadden, om te beraadslagen +over een veldtocht tegen koning Rience van Wallis, die met eene +groote strijdmacht het land was binnengetrokken en alle dorpen en +steden op zijn weg verwoestte en verbrandde, kwam er eene jonkvrouw +de groote zaal van het paleis binnentreden. Toen zij vóór den troon +van koning Arthur stond, neeg zij eerbiedig. Daarop sloeg zij haren +kostbaren, met bont omzoomden mantel open en vertoonde aan den koning +en de verbaasde hovelingen een groot zwaard, dat aan haar gordel +bevestigd was en dat zij moeizaam met zich droeg. Toen sprak zij: +"Heer koning! mij heeft gezonden de Vrouwe van Avalon, om u te smeeken, +mij hulp en bijstand te verleenen. Gij ziet den zwaren last, dien ik +torsen moet, alleen een ridder van onbevlekten naam en weergalooze +dapperheid, kan mij daarvan bevrijden. Help gij mij, zulk eenen te +vinden!" Daarop antwoordde de koning trotsch: "Indien gij een ridder +zoekt van onbevlekten naam en faam, deedt gij wel, hierheen te komen, +want de ridders van de Ronde Tafel zijn de dapperste en edelste ter +wereld. Ik zelf zal het eerst eene poging wagen, om u te bevrijden +van uwen drukkenden last, niet omdat ik zeker ben te voldoen aan de +hooge eischen, die gij aan uwen redder stelt, maar om mijne ridders tot +voorbeeld te strekken. Houd goeden moed, spoedig zult gij, bevrijd van +deze kwelling, naar huis kunnen terugkeeren!" Nadat hij deze woorden +gesproken had, trad de koning op de jonkvrouw toe, greep het zwaard, +dat aan hare zijde hing, en poogde het met een forschen greep los te +rukken. Maar tevergeefs! het week niet uit de scheede! Daarna snelden +de ridders, geprikkeld door deze beleediging, hun aangedaan in den +persoon huns konings, naderbij om ook hunne krachten te beproeven. De +eerste, die eene kans waagde was Lanceloet. Met zijne sterke vuist +greep hij het zwaard bij het gevest en trok er aan met alle macht, +tot de spieren van zijn arm opzwollen van inspanning, maar hij kon er +niet in slagen, het zwaard ook maar een duimbreed te doen wijken. En +toen hij terugging naar zijne plaats aan de lange tafel, hield hij +het trotsche hoofd gebogen, want hij wist maar al te goed, waarom +het hem niet gelukt was, de jonkvrouw te verlossen uit haar nood. + +Daarop naderde Tristan met vluggen, veerkrachtigen tred. Een +zonnestraal, welke door een der hooge boogvensters viel, verlichtte +zijne blonde haren en zijne oogen schenen ver weg te zien, alsof hij +leefde in eene andere wereld, waar de hoogste wet eene andere was dan +die, welke gold in het rijk van Arthur. Het was met dien wonderlijken +blik in zijn oogen, dat Tristan het zwaard greep, dat de jonkvrouw +omgordde, maar hoe hij ook trok, het bleef als met onwrikbare ketenen +aan hare zijde vastgeklonken. + +Na hem kwamen andere ridders: Walewein, die lachte in jeugdigen +overmoed, toen ook zijne moeite tevergeefsch bleek te zijn, Key, die +zich norsch afwendde en eenige verwenschingen mompelde, terwijl hij +zijne plaats weer opzocht, Lamorak, de minnaar van een der gasten des +konings, eene schoone koningin, wier gloeienden blik hij op zich voelde +rusten, toen hij zich aanbood om op zijne beurt eene kans te wagen en +nog vele anderen na hem. En toen er geen enkele in staat bleek, om den +toets te doorstaan en de jonkvrouw luid klagend heen wilde gaan, om +elders een verlosser te vinden, riep koning Arthur op bitteren toon: +"Helaas! is er dan géén onder mijne ridders, wiens naam zonder smet +of blaam is en wiens dapperheid zóó groot is, dat hij deze proef kan +doorstaan! Nog liever ware ik gestorven, dan dat ik den dag moest +beleven, waarop ik den roem van mijne ridderschap geschandvlekt zie!" + +Toen verrees ten laatste Balin van zijn zetel achter in de zaal, +vanwaar hij tot nu toe het schouwspel had gadegeslagen. Hij had +het niet durven wagen, zich te voegen bij de vermaarde ridders, +die gevolg hadden gegeven aan den oproep des konings; het gevoel +zijner minderheid tegenover deze beroemde helden en een gemis aan +zelfvertrouwen hadden hem daarvan teruggehouden. Maar nu--na dezen +wanhopigen uitroep van zijn geliefden vorst--voelde hij plotseling +dat, hoe onwaardig hij ook mocht zijn, om de daad te verrichten, +hij haar toch wilde beproeven. Met vaste schreden ging hij op de +jonkvrouw toe, maar toen deze hem zag naderen in zijne eenvoudige +kleedij, zoo geheel verschillend van de sierlijk bepluimde en met +edelsteenen getooide wapenrustingen der andere ridders, week zij +onwillekeurig eene schrede terug en riep op spottenden toon: "Wat +nu? Denkt gij te slagen, waar zoovele anderen, machtiger, rijker +en edeler dan gij, het moesten afleggen? Keer terug naar uw dorp, +vanwaar gij gekomen zijt en laat het verrichten van heldendaden over +aan uwe meerderen!" "Schoone jonkvrouw", antwoordde Balin, "meerdere +waarde schuilt niet in hooge afkomst of sierlijke kleederen, het is +in de ziel der menschen, dat God den toetssteen legt voor hun hooger +kunnen. Met Zijne hulp wil ik beproeven u te verlossen." + +Daarop legde hij zijne hand op het zwaard en bij de eerste poging +vloog het uit de scheede en glinsterende in den zonneschijn. Trotsch +en gelukkig wendde Balin zich tot koning Arthur en sprak: "Heer +koning! sta mij toe, dit zwaard te behouden, dat ik met eigen +inspanning verworven heb! Vergun mij nu, heen te gaan van uw hof +en met behulp van dit wapen te trachten nieuwen roem te verwerven, +waardoor de luister van uw naam steeds helderder moge schijnen!" Maar +vóór de koning kon antwoorden, kwam de jonkvrouw haastig en dringend +tusschenbeide en sprak tot Balin: "Heer ridder! groot is mijn +dankbaarheid jegens u en diep mijn leedwezen, dat ik u zoo even +met mijne booze woorden gekrenkt heb, maar wat ik u bidden mag, +geef mij het zwaard terug, waarvan gij mij bevrijd hebt. Het zal +u ongeluk aanbrengen--geloof mij--ik smeek er u om!" Maar wat zij +ook sprak, Balin wilde het zwaard niet afstaan, er was een gevoel +van groote rust en zekerheid over hem gekomen en hij voelde zich in +staat om groote dingen te doen en om allen tegenstand, ook dien van +het noodlot het hoofd te bieden. "Geef mij het zwaard terug," smeekte +de jonkvrouw nog eens, "het is voor uw bestwil, dat ik er om vraag, +want luister naar mij en onthoud wat ik u zeg: Wanneer gij dit zwaard +behoudt zult gij er hem mede dooden, die u het dierbaarst is op aarde +en zal het uw ondergang worden. Geef het mij daarom terug, vóór het +te laat is!" Nochtans wilde Balin zijn eervol verworven schat niet +afstaan. "Wanneer het de wil van God is, dat ik sterven zal," zoo +sprak hij ernstig, "dan vermag mijne luttele kracht daar niet tegen +te strijden. Ik kan slechts de taak vervullen, waartoe ik mij geroepen +voel, en wat mijn leven en sterven betreft, die zijn in Gods hand." + +Met deze woorden verliet hij het gezelschap en begaf zich naar de +stallen om zijn strijdros te zadelen en zich gereed te maken voor +zijn vertrek. + + + +_Van de komst der meervrouwe aan het hof en hoe Balin haar doodde._ +Terwijl hij hiermede bezig was, weerklonk er bazuingeschal van +den toren en spoedig daarna reed eene schoone jonkvrouw, op een +sneeuwwitten telganger gezeten, de poorten van het paleis binnen. Zij +droeg een slepend kleed van eene heldergroene kleur, dat bij elke +beweging een zacht ritselend geluid maakte. Een krans van zeewier +omstrengelde haar hoofd en door hare blonde haren waren lange slingers +gevlochten van groene waterplanten. Hare gestalte was slank en trotsch +en hare oogen waren van het zuiverste blauw, dat men zich denken +kan. Toen zij de zaal van Arthurs paleis binnentrad, bogen allen +eerbiedig ter aarde, want men herkende in haar de Meervrouwe, haar, +die Arthur eenmaal zijn beroemd zwaard Excalibur geschonken had, +toen hij in den strijd tegen Pellinore, den vader van Parcival en +Lamorak, zijn zwaard verloren had. De Vrouwe van het Meer had bij die +schenking de voorwaarde gemaakt dat, mocht er ooit eene gelegenheid +komen, waarop zij Arthur om eene gunst zou verzoeken, hij haar die +niet zou weigeren. Nu was het oogenblik gekomen, waarop zij hem aan +die belofte wenschte te herinneren. Zij ging op den troon des konings +toe, boog het hoofd ter begroeting en sprak: "Sire! gij herinnert u, +hoe gij mij destijds beloofdet elk verzoek, dat ik u zou doen, in +te willigen, in ruil voor het zwaard Excalibur, dat ik u geschonken +heb?" "Ik herinner het mij zeer goed", antwoordde de koning, "en +zal gaarne aan mijne verplichtingen voldoen, indien zulks in mijne +macht ligt." "Welnu dan", hernam zij, "ik vraag van u het hoofd der +jonkvrouw, die zoo juist hier binnen kwam, of anders dat van den +ridder die haar bevrijdde." Het gelaat van den koning betrok. "Dat +kan ik u niet geven", sprak hij, "elken anderen eisch, dien gij mij +stellen wilt, zal ik echter gaarne inwilligen." Maar de Meervrouwe +schudde het hoofd. "Dezen en geen anderen wensch ter wereld heb ik," +sprak zij, "dan het hoofd te bezitten van haar, die de oorzaak is +geweest van mijns vaders dood of van hem, die de moordenaar was van +mijn geliefden broeder. Vervul dien wensch, o Koning, gij zijt het +aan uwe eer verplicht." Nauwelijks had zij deze woorden uitgesproken +of Balin, gereed om zich op weg te begeven, trad de zaal binnen. Toen +hij hoorde, wie de hooge bezoekster was en waarom zij kwam, snelde +hij op haar toe en verweet haar in de bitterste bewoordingen, dat +zij de oorzaak was geweest van den dood zijner moeder. Drie lange +jaren had hij rondgezworven om haar te zoeken en nu hij plotseling +voor haar stond en zich al het leed herinnerde, dat zij hem en den +zijnen berokkend had, werd hij zóó door zijn toorn overmeesterd, +dat hij ten slotte uitriep: "Gij zijt hier gekomen, om mij het hoofd +te doen verliezen, maar die reis zal u het uwe kosten!" en met een +enkelen zwaardslag kliefde hij haar het hoofd van de schouders. + +Deze daad veroorzaakte groote ontsteltenis onder de omstanders. Koning +Arthur beval Balin op hoogen toon onmiddellijk het hof te verlaten, nu +hij zóó weinig eerbied voor zijn vorst getoond had, dat hij eene dame +en nog wel ééne, die onder 's Konings hooge bescherming stond, onder +zijne oogen op zulk een verraderlijke wijze gedood had. Balin zweeg +een oogenblik, maar toen wendde hij zich tot Arthur en sprak: "Heer +Koning! het ware eene misdaad geweest tegenover mijne medemenschen +om een dergelijk vergrijp, als waaraan deze booze vrouw zich had +schuldig gemaakt, ongestraft te laten! Indien ik misschien in mijne +handelwijze te haastig ben geweest, zoo geschiedde dit niet uit gebrek +aan eerbied jegens u, dien ik boven allen hoog stel. Dit hoop ik u +door mijne daden te bewijzen!" + +Met deze woorden nam hij het hoofd van den vloer, keerde zich om en +verliet de zaal. Weldra hoorde men den hoefslag van zijn paard over de +ophaalbrug vóór het paleis dreunen. Toen hij even buiten de poort was +gekomen, deed hij zijn paard stilhouden, overhandigde het hoofd aan +zijn schildknaap en beval dezen, ermede naar Northumberland te rijden +en zijnen vrienden en magen te melden, onder welke omstandigheden en +ten koste waarvan hij den dood zijner moeder gewroken had. Toen de +knaap hem beklaagde, omdat hij in ongenade gevallen was bij koning +Arthur, verhief Balin zich trotsch in den zadel en zeide tot hem: +"Wees niet bekommerd over mij! Ik zal naar het land van koning Rience +rijden en hem zien te dooden en wanneer ik koning Arthur het hoofd van +zijnen doodsvijand brengen kan, zal hij mij gemakkelijk mijne schuld +vergeven." Hierop nam hij afscheid van den knaap en reed alleen verder, +de onbekende toekomst tegemoet. Ondanks alles wat er gebeurd was, +gevoelde hij geen vrees voor den toorn des konings. Het bewustzijn, +eene goede daad te hebben verricht en de hoop van 's konings vijand +te kunnen verslaan, deden hem berusten in de tijdelijke verbanning +van het hof en deden het vertrouwen in hem rijzen, dat hij eenmaal de +gunst van zijn vorst zou mogen herwinnen. En bovendien--de zon scheen +zoo vroolijk over de velden, de bosschen, waar hij door reed, waren zoo +schoon in hunne zomerpracht en het kabbelen der beekjes klonk hem zoo +welluidend in de ooren, dat hij weldra alle zorgen des levens vergat +in zijne vreugde om de schoonheid der natuur en zijne onbezorgde jeugd. + + + +_Hoe Launceor van Ierland zich opmaakt om Balin te volgen._ Eenige uren +nadat Balin het paleis verlaten had, reed een ridder het binnenplein +van Arthurs kasteel op. Het was Launceor, de zoon van den koning +van Ierland, een hoogmoedig, ijverzuchtig ridder. Reeds lang hadden +de geruchten van Balin's heldendaden, die zelfs tot aan het hof van +zijn vader waren doorgedrongen, zijne afgunst opgewekt en den wensch +bij hem doen opkomen om dezen eenvoudigen knaap uit het Noorden eens +te toonen, dat er nog sterker en machtiger waren dan hij en dat hij +het niet moest wagen zich te meten met een koningszoon. Met dit doel +was hij naar Camelot getrokken en toen hij bij zijne aankomst aldaar +vernam, wat er geschied was, wendde hij zich tot den vorst en sprak: +"Heer Koning! sta mij toe, dat ik uittrek om dezen weerspannigen +ridder te zoeken en vergun mij dat ik de beleediging, u aangedaan, +op hem wreke! Het ware ongehoord, dat een ridder, en nog wel een van +niet-koninklijke afkomst, u op zulk eene wijze zou mogen vernederen, +zonder dat hem daarvoor eene gerechte straf werde toegediend!" + +De koning, wiens misnoegen over Balin door deze woorden werd versterkt, +gaf Launceor vergunning om heen te gaan. Nog terwijl deze zich +voor zijne reis gereed maakte, kwam Merlijn, de grijze toovenaar, +tot den koning en vertelde hem, dat de jonkvrouw, die met het zwaard +aan het hof was gekomen, eene booze, valsche vrouw was. Zij had een +minnaar gehad, met wien zij nachtelijke samenkomsten hield in een +eenzaam priëel in het park van haren vader. Eens op een avond had +haar broeder hen beiden daar verrast, en in toorn ontstoken over +de schande zijne zuster aangedaan, had hij haren minnaar voor hare +oogen gedood. Hierop was de jonkvrouw hulp en raad gaan zoeken bij +de Vrouwe van Avalon, en had deze gesmeekt haar in staat te stellen, +zich op haren broeder te wreken. De toovenares had haar toen dit +zwaard gegeven en haar opgedragen een ridder te zoeken, die het uit de +scheede zou kunnen trekken. Alleen hij, die zonder vrees of blaam was, +zou erin slagen, dit feit te volbrengen en hij die het volbracht, zou +tevens de moordenaar van haren broeder worden. Toen Merlijn zoover +gekomen was, vertelde men hem, wie de ridder was, die de jonkvrouw +van het zwaard bevrijd had. Daarop begon de grijze ziener op luiden +toon te weeklagen, dat het juist Balin, een der dapperste en edelste +ridders van het hof, zijn moest, die het slachtoffer zou worden, +"want", zoo voegde hij aan zijne woorden toe, "hij, die het zwaard +uit de scheede trok, is voorbestemd, om door dat zwaard te sterven." + +Intusschen had Launceor zijn harnas aangegespt en, den helm met een +wuivenden vederbos op het hoofd, het zware schild aan den schouder +en het zwaard in de hand, reed hij de poorten van het kasteel uit en +sloeg den weg in, dien Balin eenige uren tevoren genomen had. Deze +laatste was juist aan den rand van een groot bosch gekomen, toen +hij het dreunen van naderende hoefslagen achter zich hoorde en, zich +omwendend, een ridder in vliegende vaart op zich zag afkomen. Terstond +deed hij zijn paard stilstaan en vroeg den naderenden ridder, wien +hij zocht en wat zijn verlangen was. "Wat mijn verlangen is?" riep +Launceor spottend: "dat zal ik u spoedig duidelijk maken! Ik ben +gezonden door koning Arthur om de beleediging te wreken, die gij hem +hebt aangedaan. Dientengevolge daag ik u hierbij uit tot een gevecht +op leven en dood!" + +"Zoo zij het!" sprak Balin, "al gevoel ik geen berouw over wat ik deed, +toch zult ge uwe uitdaging niet behoeven te herhalen!" Met gevelde +lans reden de beide ridders op elkander in. Een hevig gevecht volgde, +de grond dreunde van het getrappel der paardenhoeven, de lansen +kletterden en flikkerden in het zonlicht, tot eindelijk Balin met +een behendigen stoot zijn tegenstander in het hart trof. Toen hij +zag, dat het met zijnen vijand gedaan was, steeg hij van zijn paard +en trad naderbij, maar op hetzelfde oogenblik hoorde hij kreten van +ontzetting achter zich en zag hij eene vrouwengestalte, die zich onder +luid geweeklaag op het levenlooze lichaam van Launceor wierp. Toen +de eerste aanval van smart bedaard was, wendde de jonkvrouw zich tot +hem en verweet hem in woorden van hartstochtelijke droefenis den +dood van haar geliefde. Tevergeefs poogde Balin haar duidelijk te +maken, dat de uitdaging tot den strijd van Launceor was uitgegaan, +zij hield niet op met hem de schuld te geven van haar verlies en +ging voort met in de wanhopigste bewoordingen haar eenzaam lot te +bejammeren. Eindelijk greep zij het zwaard van den dooden ridder +en, vóór Balin het haar beletten kon, stortte zij er zich in met +een laatsten kreet van smart. Diep geschokt door het gebeurde, +stond Balin een tijdlang roerloos bij de lijken der twee gelieven, +tot hij zich eindelijk met een zucht afwendde om zijn weg te vervolgen. + +Daar zag hij aan den rand van het bosch een ridder te paard, dien +hij tot zijne groote vreugde herkende als zijn broeder Balan. Het was +eene blijde ontmoeting, want het was geruimen tijd geleden sinds de +broeders elkander het laatst gezien hadden. Nadat elk den ander de +lotgevallen had medegedeeld, welke hij sindsdien beleefd had en Balan +zijne blijdschap te kennen had gegeven over het feit, dat zijn oudere +broeder uit zijne zesmaandelijksche verbanning, door tusschenkomst +van de andere ridders, teruggeroepen was, vertelde Balin, hoe hij zich +opnieuw de ongenade des konings op den hals had gehaald en hoe hij nu, +zonder het te willen, de oorzaak was geweest van den dood der twee +gelieven. Maar Balan troostte hem: "Wat gij deedt, deedt gij omdat +ge daartoe gedwongen waart. God kent de drijfveer uwer daden en houdt +daar bij het schenken van zijne vergiffenis rekening mede. Wat verder +de ongenade uws konings betreft, ik zal u vergezellen op uw tocht, +naar koning Rience; tezamen zullen wij hem verslaan en daarmede uw +goeden naam bij koning Arthur herstellen." + +Alvorens zij zich op weg begaven, dolven zij een graf voor Launceor +en zijne geliefde. Terwijl zij hiermede bezig waren, kwam Merlijn +op de plaats des gevechts en toen hij zag, wat er was voorgevallen, +hief hij de handen ten hemel en sprak tot Balin: "Helaas! wat hebt +gij, ongelukkige, gedaan? De ridder, die hier verslagen ligt, was +een dapper koningszoon en deze jonkvrouw beminde hem met eene trouwe, +teedere liefde. Al hun geluk is door uw toedoen verwoest en gij zijt +het, die hen in den bloei hunner jeugd gedood hebt!" Toen Balin hem +antwoordde, dat hij den strijd met Launceor niet gezocht had, schudde +de wijze toovenaar mismoedig het hoofd en zeide: "Desalniettemin +zult gij de gevolgen uwer daad ondervinden, want de dood dezer +beiden is oorzaak, dat de edelste man ter wereld door uwe handen zal +komen te sterven en door zijne dood zullen drie koninkrijken in rouw +gedompeld worden." "Helaas", riep Balin uit, "indien uwe voorspelling +waarheid bevat, dan zou ik wenschen, dat ik gevallen ware in plaats +van Launceor!" Maar vóór hij verder kon gaan, was Merlijn verdwenen +en de beide broeders wendden zich af van de plaats des onheils en +begaven zich op weg naar het rijk van koning Rience. Alvorens heen +te gaan, nam Balin evenwel nog het zwaard van Launceor en bevestigde +dit naast het zijne aan zijnen gordel. + +Toen zij eenigen tijd stilzwijgend naast elkander waren voortgereden, +kwamen zij aan een donker woud en bij den ingang daarvan kwam hen een +oud man tegemoet, armoedig gekleed en leunend op een stok. "Waar voert +uw weg heen, edele heeren?" zeide hij met bevende stem. "Wie zijt gij +en waarom vraagt gij ons dit?" was het antwoord. "Wie ik ben, kan ik +u niet zeggen, maar een antwoord op mijn vraag kan ik zelf wel geven, +want ik weet zeer goed, dat gij uitgetrokken zijt om koning Rience +van Wallis te zoeken en hem te dooden." "Indien gij dat weet," sprak +Balin, "kunt gij niemand anders zijn dan Merlijn en indien dit waar +is, kunt gij ons helpen om hem, dien wij zoeken, te vinden." + +"Welnu dan," sprak Merlijn, want deze was het inderdaad, "luistert! Gij +zijt dichter bij het doel uwer reis, dan gij vermoeden zoudt, want +heden avond komt koning Rience met een gevolg van honderd ridders door +dit bosch rijden, daar hij van plan is om dezen nacht zijne geliefde, +de Vrouwe van Vance, in haar naburig kasteel te bezoeken. Wanneer +gij u dus hier in hinderlaag legt, kunt gij hem verrassen en hem +dooden." De broeders volgden zijn raad op. Zij ontdeden hunne paarden +van zadel en tuig en lieten ze grazen op de weide aan den zoom van +het bosch; zijzelven legden zich neer in de schaduw van een grooten +eik en wachtten aldaar het vallen van den avond af. + +Toen de duisternis gedaald was en men niets meer hoorde in het woud, +dan het suizen van den wind door de bladeren en het krijschend +geluid der nachtvogels, kwam koning Rience met zijne ridders het +bosch binnenrijden. Met uitzondering van twee vertrouwde vrienden +liet hij zijne metgezellen aan den ingang van het woud achter en gaf +dezen bevel om daar op zijne terugkomst te wachten. Toen de koning met +zijne beide volgelingen in de nabijheid der beide broeders was gekomen, +sprongen deze uit hunne schuilplaats te voorschijn, grepen de teugels +der paarden en dwongen de berijders zich over te geven. Daar deze in de +duisternis niet konden zien, hoe groot het aantal hunner tegenstanders +was, waren zij wel genoodzaakt zich hieraan te onderwerpen. Balin en +Balan brachten nu den koning gebonden naar het paleis te Camelot en +gaven hem daar over in handen van de wacht. Toen Rience voor den troon +van koning Arthur gebracht was, vroeg deze den gevangene wie hem aldus +gekneveld herwaarts had gevoerd. "Sire", antwoordde koning Rience, +"ik weet niet de namen van mijne overwinnaars, maar het waren de ridder +met de twee zwaarden en zijn broeder en beiden zijn dappere helden." + +"De ridder met de twee zwaarden en zijn broeder", herhaalde de koning, +"die beiden ken ik niet, maar wel moeten het wakkere strijders +zijn geweest!" "Sire", sprak toen Merlijn, "vergun mij, dat ik u +hunne namen noem, het zijn Balin en zijn broeder Balan, twee der +dapperste ridders van uw hof. Spoedig zult gij nog meer reden hebben, +om aan hunne dapperheid en aan hunnen eerbied jegens u te gelooven, +want er is een groote strijd op handen tusschen u en koning Nero, +den broeder van hem, die hier gevangen voor u staat!" + +En inderdaad, den volgenden morgen vroeg vermeldden de torenwachters, +dat er een groot leger in aantocht was, dat met allen spoed naar +Camelot optrok en tegen den middag kwam het reeds tot een treffen. In +den hevigen strijd, die daarop ontbrandde, werd aan beide zijden +met groote dapperheid gestreden, maar geen der ridders onderscheidde +zich meer dan Balin en Balan. In het dichtst van 't gevecht, op de +gevaarlijkste plaatsen, overal waar het leger van koning Arthur dreigde +te bezwijken voor de verpletterende overmacht, zag men de gestalte +van den ridder met de twee zwaarden uit het strijdgewoel opduiken +en steeds bleef Balan zijn ouderen broeder trouw ter zijde. Maar +toen eindelijk de strijd beslist was en het leger van koning Nero +in groote verwarring de vlucht moest nemen, waren de beide broeders +plotseling van het gevechtsterrein verdwenen. Tevergeefs zond koning +Arthur boodschappers in alle richtingen om hen te zoeken en hen te +vragen tot hem te komen om zijnen dank voor hunne heldendaden in +ontvangst te nemen, de beide ridders schenen als met een tooverslag +van den aardbodem verdwenen te zijn. Toen daarop Merlijn aan den +koning vertelde, hoe het de wil van het noodlot was, dat Balin zou +sterven in de volle kracht van zijnen mannelijken leeftijd, werd +het den koning angstig te moede, nu hij moest inzien dat tegen die +onverbiddelijke macht de wil der menschen, zij het ook de wil van +een vorst, niets vermag. Mistroostig legde hij zich ter ruste in +zijne rijk versierde veldtent, maar ditmaal kon hij, ondanks alle +vermoeienissen van den dag, den slaap niet vatten. Plotseling hoorde +hij, hoe iemand steunend en zuchtend aan zijne tent voorbijkwam en toen +hij den voorhang terugsloeg zag hij de gebogen figuur van een ridder +zich in de richting van het bosch verwijderen. Met luider stem riep de +koning hem toe om terug te keeren en hem de oorzaak zijner droefheid +mede te deelen, maar wat hij ook riep, de ridder keerde zich niet om +en vervolgde zijnen weg in de richting van het woud. Plotseling zag de +koning Balin te paard naderen, met de strijdlans in de hand. Toen hij +bij de tent des konings was gekomen, steeg hij af en begroette zijn +vorst op eerbiedige wijze. Deze sprak: "Zoo ik u om een dienst mag +verzoeken, Heer Balin, rijd dan heen en verzoek gindschen ridder, om +u de reden te zeggen van zijne smart en breng hem vervolgens tot mij." + +"Sire, gij hebt slechts te bevelen", antwoordde Balin, sprong in het +zadel en reed in de richting van het bosch. Toen hij het woud nog +slechts even was binnengedrongen vond hij den ridder, dien hij zocht, +op den mosbodem neergeknield, het hoofd verborgen in den schoot eener +jonkvrouw, in eene houding, welke de diepste smart en wanhoop scheen +uit te drukken. Hij bracht hem de boodschap van koning Arthur over, +maar had de grootste moeite, om hem over te halen, zich naar het +kamp des konings te begeven. Eindelijk, toen Balin hem plechtig +beloofd had, met zijn leven borg te blijven voor zijne veiligheid, +stond de treurende ridder op en volgde hem met langzame schreden in +de richting van het kamp. Toen zij voor den koning waren gekomen en de +laatste den vreemdeling vriendelijk gebood, te zeggen, wat hem deerde, +wilde de ridder juist met spreken beginnen, toen plotseling eene lans, +door eene onzichtbare hand gericht, hem het hart doorboorde en hem aan +de voeten des konings ineen deed zinken. Vóór hij den laatsten adem +uitblies, smeekte hij Balin om tot de jonkvrouw te gaan en haar in +zijne plaats te begeleiden op den moeilijken en gevaarvollen tocht, +waartoe zij eerst hem uitverkoren had. Tevens vroeg hij hem, zoo +mogelijk zijn dood te wreken en noemde als zijn moordenaar Garlon, +een boosaardig ridder, die de macht bezat, zich onzichtbaar te maken +en zoodoende op sluwe en verraderlijke wijze menig edel hart den +doodsteek had toegebracht. Balin beloofde den stervende gehoor te +geven aan zijne bede en met een bezwaard gemoed steeg hij weer te +paard en zocht de jonkvrouw op, om haar de treurige tijding van den +dood van haren geliefde mede te deelen. Vóór zij te zamen verder +reden, overhandigde hij haar de schacht van de speer, waarmede de +moord op haren minnaar was gepleegd, en ried haar aan goed zorg te +dragen, dat zij die steeds bij zich hield, om haar later misschien +als bewijsmiddel, te kunnen gebruiken. + +Na eenigen tijd ontmoetten zij een ridder te paard, die hun verwonderd +vroeg, wat toch wel de reden mocht zijn, dat zij er zoo somber en +mistroostig uitzagen. Na eenige aarzeling vertelde Balin hem het +gebeurde, waarop de vreemdeling, die zeide Perin de Mountbeliard te +heeten, verontwaardigd over zulk eene lafhartige handelwijze, zwoer, +dat hij met hen zou gaan en hen niet zou verlaten, alvorens zij den +listigen sluipmoordenaar gevonden en hem de straf toegebracht hadden, +welke hij zoo ruimschoots verdiende. Maar nauwelijks had hij dit +gezegd, of opnieuw schoot eene lans, als door tooverkracht gedreven, +uit de struiken te voorschijn en met een luiden kreet stortte Perin +de Mountbeliard levenloos ter aarde. + +Nadat zij den vreemden ridder een graf gedolven hadden en hem daarin +hadden neergelegd op een bed van mos en bladeren, vervolgden Balin en +zijne gezellin hunnen weg, maar zij waren blijde, toen zij in de verte +de tinnen van een kasteel zagen oprijzen uit het geboomte. Het was nu +volle dag geworden en de vermoeienissen van hunnen nachtelijken rit, +gepaard aan de treffende gebeurtenissen, welke zich op hun tocht +hadden afgespeeld, deden hen reikhalzend uitzien naar eene plaats +waar zij eenige uren rust zouden kunnen nemen. Zij gaven dus hun +paarden de sporen en reden weldra de poorten van het slot binnen. Wie +beschrijft echter Balins ontsteltenis, toen hij, zijne gezellin +enkele stappen vooruit gereden zijnde om haar bij het afstijgen +behulpzaam te kunnen zijn, plotseling met een luiden slag de poort +achter zich hoorde dichtvallen en met een blik door het kijkvenster +bemerkte, hoe de jonkvrouw omringd werd door ruwe strijdknechten, +die dreigden haar van het paard te trekken. Met één sprong was Balin +op de borstwering, die om het vóórplein liep en stortte zich zonder +aarzelen in de breede slotgracht, die hij met enkele krachtige slagen +overzwom. Met het zwaard in de vuist liep hij op de mannen toe, die +de jonkvrouw omringden en beval hun met luider stem haar met rust te +laten. Een van hen wendde zich tot Balin en sprak: "Heer! het ligt +niet in de bedoeling, uwe dame eenig letsel aan te doen, wees dus +niet vertoornd op ons! Wij verzoeken haar slechts om de gewoonte te +volgen, waaraan elke jonkvrouw, die dit slot binnentreedt, zich moet +onderwerpen." Toen Balin hem vroeg, welke die gewoonte was, kreeg hij +ten antwoord: "Sinds vijf lange jaren is onze Vrouwe lijdende aan +eene doodelijke krankheid, waarvan zij slechts genezing kan vinden +door het bloed eener reine maagd. Daarom moet iedere jonkvrouw, +die hier binnenkomt, in een zilveren schotel eenige druppels +van haar bloed storten. Maar helaas! tot op heden heeft het onze +Vrouwe nog steeds niet gebaat." "Als dat zoo is", sprak Balin, +"dan zal ook deze jonkvrouw bereid gevonden worden, om van haar +bloed te offeren", en spoedig daarna traden allen het slot binnen, +waar Balin en zijne reisgenoote een gastvrij onthaal vonden. Helaas +kon ook echter ditmaal het bloed der jonkvrouw de slotvrouwe geen +genezing brengen, eerst veel later zou de zuster van Parcival, zij, +die door hare onbevlekte reinheid den heiligen Graal mocht aanschouwen, +er in slagen de krankheid van haar weg te nemen. + +Toen zij geheel versterkt en uitgerust waren, verlieten Balin en +zijne gezellin het slot om hunnen tocht te vervolgen. Overal, waar +zij kwamen, hoorden zij verhalen over de wandaden en wreedheden van +Garlon, tot eindelijk Balin nog slechts één wensch koesterde: om dien +sluwen booswicht te dooden. Zoo kwamen zij ook op hun weg aan een +kasteel, waar de zoon van den slotheer wegkwijnde aan de gevolgen eener +verwonding, die hij in den strijd tegen een vreemden ridder ontvangen +had, welke wonde slechts zou kunnen genezen door het bloed van zijn +tegenstander. Daar hij echter niet wist, wie de onbekende ridder was, +tegen wien hij gestreden had, scheen het, of hij aan zijne wonden zou +moeten sterven en groote droefenis heerschte daarom in het kasteel +zijns vaders. Toen Balin hoorde, dat de onbekende ridder de macht +bezat om zich onzichtbaar te maken, begreep hij terstond, dat het +niemand anders kon zijn dan zijn aartsvijand Garlon en plechtig zwoer +hij zijn gastheer, dat hij alles zou doen, wat in zijn vermogen lag, +om diens zoon het geneesmiddel te bezorgen, dat hij behoefde. + +"Wanneer dit inderdaad uw voornemen is", sprak de slotheer, "dan kan +ik u eene gelegenheid verschaffen, om dezen Garlon, dien gij zegt +te haten als geen ander op aarde, te ontmoeten. Weet dan, dat hij de +broeder is van koning Pellam van Listeneise, een edel en godvruchtig +man, die onder zijne voorvaderen den vromen Jozef van Arimathea telt, +van wien vermeld wordt, dat hij het bloed van Christus in eene schaal +heeft opgevangen. Deze koning Pellam nu, heeft een groot tournooi +uitgeschreven, waaraan alleen ridders, die in gezelschap van eene dame +zijn, mogen deelnemen. Wanneer gij nu besluit om derwaarts te gaan, +kunt gij er zeker van zijn, Garlon op het steekspel aan te treffen." + + + +_Balins besluit om aan het tournooi van Koning Pellam deel te nemen en +van zijn bezoek aan het slot van dien vorst._ Balin behoefde geene +verdere aansporing en den volgenden morgen maakten zij zich met +hun gastheer, die hen zou vergezellen, reisvaardig. Na een rit van +eenige uren kwamen zij bij het slot van koning Pellam. Het was een +oud en verweerd gebouw, dat gelegen was in het midden van een dicht +en bijkans ondoordringbaar woud. De muren waren begroeid met mos en +slingerplanten, waarvan de lange ranken een dicht netwerk vormden voor +de hooge boogvensters. Hier en daar dreigde een muur ineen te storten; +tusschen de steenen op het voorplein schoot het onkruid welig omhoog +en de kettingen van de ophaalbrug maakten een akelig knarsend geluid, +toen deze neergelaten werd om Balin en zijne beide gezellen binnen te +laten. Toegelaten in de groote slotzaal, vonden zij daar een talrijk +gezelschap bijeen. Vele ridders met hunne jonkvrouwen, die van heinde +en ver gekomen waren, om het steekspel bij te wonen, hadden zich +aan de lange tafels geschaard en deden zich te goed aan de spijzen, +welke door de knechten van koning Pellam in groote hoeveelheden werden +binnengedragen. Ook Balin werd eene plaats aangewezen, waar hij zich +met zijne dame kon neerzetten, maar alvorens plaats te nemen zwierf +zijn blik langs de rijen der gasten tot hij bleef rusten op hem, +dien hij zocht. + +Aan het hoofd der lange tafel zat koning Pellam, eene grijze, +eerbiedwaardige figuur, die met het hoofd in de hand peinzend voor zich +uit staarde. Aan zijne rechterhand zat Garlon met een boosaardigen +lach op het gelaat, waarin de sluwe oogen onrustig flikkerden, +terwijl zij van den een naar den ander zwierven, als wilde hij +het gehalte peilen van hen, die morgen tegen hem in het strijdperk +zouden treden. Zoo ontmoetten zij den blik van Balin, en toen deze +de oogen niet neersloeg, riep Garlon hem toe met spottende stem: +"Hei daar! gij ridder, die het laatst zijt binnengekomen, zie mij +niet zoo aan, want dat past u niet! Eet liever van wat u hier gegeven +wordt, want dat is het immers, waarom gij hier gekomen zijt!" Bij +het hooren van deze woorden voelde Balin zulk eene hevige woede in +zich opbruisen, dat hij alles om zich heen vergat. Met den kreet van: +"Ik zal u toonen, waarom ik hier gekomen ben!" rende hij op Garlon +toe en doodde hem met zijn zwaard. Daarop nam hij de speerschacht uit +de handen der jonkvrouw en sloeg ermede op het lichaam van Garlon, +terwijl hij uitriep: "Ziehier uwe straf voor den verraderlijken moord, +dien gij op een edel en onschuldig ridder pleegdet!" + +Groote ontsteltenis en verwarring ontstonden in de zaal, alle ridders +grepen naar hunne wapenen en wilden Balin te lijf, maar deze sloeg +zoo wild en onstuimig om zich heen, dat niemand het waagde hem te +naderen. De oude koning Pellam evenwel, die diep geschokt was door het +gebeurde, greep het zwaard van zijnen gestorven broeder en zwoer, +dat hijzelve den smadelijken dood van Garlon wilde wreken. Hij +liep op Balin toe en sloeg zóó hevig met zijn zwaard op dat van +zijn tegenstander, dat het in tweeën brak. Toen Balin zag, dat zijn +wapen onbruikbaar was geworden, rende hij de zaal uit, om een ander +te zoeken, achtervolgd door den koning en zijne volgelingen. Eene +wilde jacht volgde, langs trappen en portalen, door lange rijen van +vertrekken tot Balin eindelijk in eene ruime zaal kwam, behangen met +zware tapijten. In het midden stond een rijk versierd praalbed en +daarnaast eene tafel, waarvan het blad, vervaardigd uit zuiver goud, +rustte op zilveren pooten. Op de tafel lag eene lange speer van vreemd +bewerkt metaal. Toen Balin het wapen zag, dat hem zoo onverwachts +geboden werd, greep hij de speer van de tafel en zich omwendend, sloeg +hij er koning Pellam zóó hard mede op het hoofd, dat deze bewusteloos +ineenzonk. Op hetzelfde oogenblik werd de lucht vervuld van een +vreeselijk gekraak en stortte het geheele slot boven Balins hoofd +ineen, hem en allen, die er in waren, onder zijne puinhoopen begravend. + +Na drie dagen werd Balin uit zijn bewusteloozen toestand opgewekt +door Merlijn, die hem op zijn dringend vragen naar de oorzaak en +beteekenis der ramp, antwoordde, dat hij zelve er de aanleiding toe +geweest was. De speer, waarmede hij Pellam den slag had toegebracht, +was dezelfde, met welke Longinus de zijde van Christus doorboord +had. Bovendien had in de zaal, waar Balin de speer had gevonden, +de heilige Graal gestaan en op het praalbed rustte hij, die dezen +wonderschotel, gevuld met het bloed van Christus, naar Engeland had +overgebracht, de vrome Jozef van Arimathea. Door dezen noodlottigen +slag hadden allen, die met Balin in het kasteel waren, ook zijne +reisgenoote den dood gevonden en waren drie rijken in droefenis en +rouw gedompeld. Toen Merlijn dit alles verklaard had, nam hij afscheid +van Balin met woorden: "Vaarwel! in deze wereld zullen wij elkander +niet meer zien!" + +Balin steeg te paard en reed alleen verder. Overal, waar hij kwam, +zag hij tooneelen van smart en verwoesting. De dorpen en steden op +zijn weg waren verwoest en ingestort, de bewoners waren gedood en +enkele overlevenden zaten luid weeklagend op de puinhoopen hunner +woningen en overlaadden Balin als hij voorbijreed met de bitterste +verwijten. Het leek hem alles een vreeselijke droom, waarin het +bewustzijn van zijne schuld hem drukte als een zware last. Toen hij +eindelijk de grenzen van Pellams rijk overschreden had, ademde hij +ruimer en durfde hij voor het eerst na vele dagen het hoofd weer vrij +omhoog te heffen. Toch kon hij de herinnering aan het gebeurde niet +van zich af zetten en het was hem, alsof hij een willoos slachtoffer +dreigde te worden in de handen van het noodlot, dat hem aanzette +tot vreeselijke daden, waarvan hij de beteekenis niet vermocht te +doorgronden, dat hem voortjoeg, altijd voort, eene onbekende toekomst +tegemoet, waarin hij overgeleverd zou worden aan duistere machten. + + + +_Balin komt aan een kruispunt, waar een Grijsaard hem aanraadt terug +te keeren._ Na vele dagen kwam hij aan een viersprong, waar een +glinsterend gouden kruis stond, met eenige letters erin gegrift. Toen +Balin naderbij kwam, las hij de volgende woorden: "Laat hij, die +alleen is, het niet wagen verder te gaan!" + +Op hetzelfde oogenblik verscheen een oud man aan den rand van +het pad, die Balin met aandrang verzocht, terug te keeren, daar +er een groot gevaar was, dat hem bedreigde indien hij het waagde, +verder te gaan. Terwijl hij sprak, klonken uit het geboomte langs +den weg drie hoornsignalen, zooals die geblazen worden om den +dood van het opgejaagde wild aan te kondigen. En het scheen Balin +toe, alsof hij zelve een stuk wild was, dat in den dood gedreven +werd. Half schertsend, half weemoedig sprak hij: "Hoor! daar blaast +men reeds ten teeken van mijn dood en toch leef ik nog en ben sterk +en gezond. Waarom zou ik het gevaar ontvluchten, indien het zich op +mijn weg plaatst? Mijn leven is in Gods hand, Zijn wil geschiede!" Met +deze woorden reed hij verder tot hij bij eene kromming van den weg een +gezelschap fraai gekleede jonkvrouwen en ridders te paard ontmoette, +die hem in hun midden namen en hem meevoerden naar een trotsch kasteel, +waar hij rijkelijk onthaald werd. 's Avonds bleef men in vroolijke +stemming bijeen, maar alvorens zich ter ruste te begeven sprak de +slotvrouwe tot Balin: "Edele heer! morgen bij het aanbreken van +den dag moet gij u gereed maken ten strijde. Niet ver van hier is +een klein eiland, dat bewaakt wordt door één enkelen ridder. Tegen +dien moet elke gast, die in mijn kasteel komt, den strijd aanbinden, +alvorens ik hem kan toestaan zijnen weg te vervolgen." "Voorwaar eene +vreemde gewoonte", antwoordde Balin, "om uwen gasten zulk een dwang +op te leggen, maar het zij zoo!" En den volgenden morgen bij het +krieken van den dag maakte hij zich tot het gevecht gereed. Toen hij +geharnast en gespoord op het slotplein verscheen, waren alle inwoners +van het kasteel daar verzameld, om hem uitgeleide te doen en één der +aanwezige ridders zeide tot hem: "Heer ridder! Sta mij toe, u mijn +schild te leenen. Het is grooter en sterker dan het uwe en zal u in +den strijd goede diensten bewijzen." Getroffen door dit vriendelijk +aanbod, gespte Balin zijn schild los en nam met eenige woorden van +dank dat van den vreemden ridder aan. + +Spoedig daarna reed hij de slotpoort uit. De aanwijzingen zijner +gastvrouw volgend, kwam hij aan een breed water met een eilandje in het +midden. Hij sprong in eene boot, welke aan den oever lag vastgemeerd, +en roeide zichzelven en zijn paard naar den overkant. Daar ontmoette +hij eene jonkvrouw, die tot hem zeide: "Helaas, edele ridder, waarom +liet gij uw schild achter en naamt een vreemd met u mede? Dit maakt +u onherkenbaar en zal daardoor de oorzaak zijn van uwen val." Het +was Balin, alsof hetzelfde angstige voorgevoel van den vorigen dag, +zich opnieuw van hem meester maakte, maar hij sprak moedig: "Wat ik +op mij genomen heb, zal ik volbrengen!" en reed het bosch binnen, +waar het eiland mee begroeid was. In het midden daarvan kwam hij +aan eene open plek, waar een ridder in roode wapenrusting op hem +scheen te wachten. Het was niemand anders dan Balan, die zich daar +bevond en die, toen hij Balin uit het bosch op zich zag toerijden, +één oogenblik dacht, in hem zijnen broeder te herkennen. Een blik +op het vreemde schild hield echter den uitroep van blijdschap terug, +dien hij op de lippen had en met gevelde speren reden de beide ridders +op elkander toe. Spoedig waren zij in een heet gevecht gewikkeld, +waarin nu de één, dan weer de ander, de overhand scheen te krijgen. + +Het zweet gutste den strijdenden van het voorhoofd, hun adem ging snel +en onregelmatig, maar toch bleven zij op de been en de hitte van het +gevecht spoorde hen aan tot steeds grooter krachtsinspanning. Zij +hadden elkaar reeds menige diepe wond toegebracht, toen eindelijk +Balan, afgemat van den strijd, zich terugtrok, om eenige rust te nemen, +alvorens het gevecht opnieuw te beginnen. + +Toen vroeg Balin hem, wie hij was en vanwaar hij kwam, want nog +nooit had hij zulk een hardnekkigen tegenstand ondervonden als in +dezen kamp. Balan sloeg het vizier van zijn helm op en sprak: "Mijn +naam is Balan; ik ben een broeder van den grooten Balin, van wien gij +wel hebt hooren spreken." Toen nu Balin hoorde, dat hij gestreden had +tegen zijn eigen broeder, die hem van alle menschen het dierbaarst op +aarde was, wierp hij zijn zwaard van zich af, hief de handen ten hemel +en stortte ter aarde. Balan, die geheel uitgeput was door het hevige +bloedverlies, kroop op handen en voeten naar hem toe en beproefde +zijn helm los te gespen. Toen hij het geliefde gelaat daaronder zag, +haast onherkenbaar door het bloed en de stof, die eraan kleefden, +barstte hij in luid snikken uit. Te zamen beweenden zij het noodlot, +dat hen aldus had samengevoerd; Balin verwenschte den ridder, die +hem het vreemde schild had gegeven, waardoor hij voor zijn broeder +onherkenbaar was geworden, en het toeval, dat hem in de nabijheid +van het kasteel gevoerd had. Toen de slotvrouwe met haar gevolg +op het eiland was gekomen, om den afloop van den strijd te zien, +waren allen diep getroffen door het treurige schouwspel, dat hun +daar geboden werd, en zelfs de hartelooze vrouwe kon hare tranen niet +bedwingen. Balin smeekte haar, om hen beiden in één graf te leggen, +zoodat zij in den dood vereenigd zouden zijn en verzocht haar om op +dat graf hunne droeve geschiedenis te vermelden, zoodat een ieder, +die het zag, voor hunne zielen zou bidden. Zij beloofde zulks te +zullen doen en alle aanwezigen snikten luide, zóózeer waren zij van +medelijden vervuld bij het zien van dit droevig tooneel. Balan stierf +spoedig daarop, maar de oudere broeder bleef nog dien ganschen dag +in leven. Terwijl hij daar zoo lag en het leven langzaam uit zich +voelde wegvloeien, trokken de verschillende gebeurtenissen uit zijn +kortstondig leven aan het oog zijner verbeelding voorbij. Zijne +gedachten gingen terug naar zijne zonnige jeugd in het land zijner +vaderen, naar zijn ouderlijk huis, waar hij zoo gelukkig en onbezorgd +leefde. Hij herdacht de lange tochten langs de rotsige kust en +door de dichte bosschen, welke hij met zijn vader en broeder gewoon +was te doen. Daarna doorleefde hij opnieuw zijne jongelingsjaren, +het genot van den eersten jachtrit, dien hij meemaakte, de trots +in zijne toenemende kracht en behendigheid. Vervolgens verwijlden +zijne gedachten bij den tijd, waarin hij droomde van macht en roem, +en het plechtig oogenblik, waarop hij door zijn vader tot ridder +geslagen werd. Toen had hij zichzelf gezworen, om steeds te strijden +voor het goede en schoone, om de zwakken te helpen en de boozen te +verslaan. Kort daarop was hij aan het hof van koning Arthur gekomen en +na dien tijd scheen zijn leven hem één strijd geweest te zijn tegen de +onverbiddelijke macht van het Noodlot, hetwelk zich verbonden had met +de kwade hartstochten in zijn binnenste en hem gedwongen had tot eene +reeks van daden, die zijn ondergang ten gevolge hadden gehad. Nu was +het met strijden gedaan en lag hij te sterven, maar zijne ziel kwam +niet in opstand tegen dezen vroegtijdigen dood. Toen de zon onderging +en de schemering langzaam over de aarde daalde, strekte Balin zich uit +met een zucht en stierf met een glimlach op de lippen, als een kind dat +slapen gaat. Den volgenden dag kwam Merlijn en vond de beide broeders +slapend in elkanders armen en nadat zij begraven waren, schreef de +oude toovenaar hunne namen met gouden letters op hun graf en ging +toen peinzend heen om de droeve tijding aan koning Arthur te melden. + + + + + +INLEIDING TOT DE SAGE VAN DEN LEEUWENRIDDER. + + +_Over den oorsprong dezer legende, gelijk over dien van zoovele +andere Arthur-verhalen, valt niets met zekerheid te zeggen._ De +eerste vorm, onder welken wij haar kennen, is een Fransch gedicht: +"Yvain" uit de tweede helft der 12e eeuw (waarschijnlijk uit de jaren +1172-'73), geschreven door den beroemden dichter Chrétien de Troies. In +tegenstelling met zijne andere gedichten, wordt in zijn "Yvain" geen +"livre" of "conte" genoemd, waaraan hij verklaart de stof voor zijn +werk te hebben ontleend; volgens Prof. Foerster, den bewerker der +bekende uitgave van Chrétien's werken, behoeven wij daar ook niet +verder naar te zoeken. In de oogen van dezen geleerde is "Yvain" eene +vrije schepping van den grooten hofdichter, die het verhaal opbouwde +uit eenige bestaande legenden en overleveringen, die oorspronkelijk +geheel los van elkander waren en waarop wij later terug hopen te komen. + +De naam van Chrétien de Troies heeft voor hen, die de Arthur-sage +in haar groei en ontwikkeling hebben gadegeslagen en haar op prijs +stellen, een vertrouwden klank! Men moge lang twisten over de meerdere +of mindere oorspronkelijkheid zijner gedichten, zijne beteekenis voor +de letterkundige en vooral voor de artistieke ontwikkeling der oude +Arthur-verhalen wordt er niet minder belangrijk om. Hij en niemand +anders heeft er een toon van hoofsche beschaving in aangebracht en +meer nog, hij heeft de karakters, die er in beschreven worden, voor +ons ontleed tot in de fijnste zielkundige schakeeringen, zoodat de +beschrijvingen van het gevoelsleven zijner helden en heldinnen, van de +aandoeningen, die hunne zielen doorkruisten, een belangrijk aandeel +vragen van de belangstelling, die wij voor hunne levensgeschiedenis +gevoelen. + +Meer nog heeft de Fransche dichter ons gegeven: hij maakte van het +hof van koning Arthur--en wie was deze anders dan de vorst van een +overwonnen volksstam, die door de vreemde heerschers was teruggedrongen +tot in de verste hoeken van zijn rijk--het schitterendste hof der +Christenheid, waar de dapperste ridders vertoefden, waar een pracht +en praal heerschten als aan geen ander. Als zoodanig zien wij het +beschreven in de werken der velen, die na Chrétien dit onderwerp hebben +behandeld; als zoodanig leeft het daarom in onze verbeelding, maar wij +mogen niet vergeten, aan wien wij deze voorstelling te danken hebben. + +Aan dit hof, rijk aan al het schoons, dat eene weelderige verbeelding +en een romantische geest het konden schenken brengt Chrétien +de ridders, wier namen hij met dien van Arthur verbonden heeft, +en wier lotgevallen in belangrijkheid veelal uitsteken boven die +van hun vorst. Arthur wordt het middelpunt, dat hen allen te zamen +houdt. Zijn eigen persoon geraakt echter daardoor eenigszins op den +achtergrond, daar onze belangstelling nu eens door dezen, dan weer +door genen onder zijne ridders wordt opgeëischt. + +Als laatste en belangrijkste bestanddeel, door Chrétien in de +Arthur-romans aangebracht, noemen wij het begrip der liefde, of beter +gezegd der hoofsche liefde, de "Amour courtois", zooals die in de +12e eeuw in Frankrijk werd verheerlijkt. Om te begrijpen, hoezeer +onze dichter doordrongen moet zijn geweest van wat deze kunst--want +liefhebben werd in dien tijd tot eene kunst opgedreven--van hare +discipelen eischte, behoeven we ons slechts te herinneren, dat hij +geleefd heeft aan de hoven van Vlaanderen en Champagne, welke de +brandpunten waren van het letterkundig leven in die dagen en waar de +beroemde "Cours d'amour" gehouden werden. + +Geen wonder dus, dat Chrétien, als een rechtgeaard kind van zijn tijd, +de hoofsche liefde in zijne werken verheerlijkte en haar maakte tot een +kunstig weefsel van fijn uitgesponnen gewaarwordingen en aandoeningen, +een teeder spel van wisselende stemmingen, waarbij de spelenden +er behagen in schepten zich te wagen in een doolhof van grillen en +gevoeligheden, waarin zij soms den weg dreigden kwijt te raken. Zij +dienden de liefde door nachtelijke samenkomsten, door heimelijke +blikken en listig verzonnen teekens, want meestal was het een verboden +hartstocht, die hunne harten in vlam had gezet. Men ging in dien tijd +zelfs zoover te beweren, dat de ware liefde onvereenigbaar was met +den huwelijksband. Dat Chrétien deze inzichten niet geheel deelde, +staat vast; hij verheerlijkt dan ook slechts in één enkel zijner +bewaard gebleven gedichten: "Lancelot ou le Roman de la Charrette" +[22] de onwettige liefde en dit gedicht schreef hij op bevel van +zijne meesteres, gravin Marie van Champagne. + +Wat hem in het gezelschapsleven van zijn tijd het meest getroffen moet +hebben is de strijd om de opperheerschappij tusschen liefde en eer in +het leven van den ridder. Beide eischen van hem algeheele overgave; +als een trouw volgeling van de wetten der hoofsche liefde, moet hij in +een staat van voortdurende aanbidding verkeeren voor zijne "dame", haar +geheimste wenschen vervullen, nog vóór zij die uiting heeft gegeven +en altijd op zijn post zijn om hare bevelen te gehoorzamen. Aan den +anderen kant moet hij vóór alles zijne eer hoog houden en zich roem +zien te verwerven door het verrichten van dappere daden. Hoe nu die +beide verplichtingen met elkander te vereenigen? Ziedaar het vraagstuk, +dat Chrétien zich stelde en waarvan hij ons in elk zijner gedichten +eene verschillende keerzijde voor oogen houdt. In drie zijner werken: +"Cligés", "Lancelot" en "Yvain" ("Tristan", een verloren gegaand +jeugdwerk, worde hier als zoodanig buiten beschouwing gelaten) heerscht +de liefde boven alle andere aandoeningen in het hart des ridders, +de wil der vrouw bepaalt als hoogste wet al zijn doen en denken. + +In "Cligés" ontvangt de held eene even groote genegenheid van de zijde +der vrouw; ook zij heeft lief met haar gansche hart en zinnen. In +"Lancelot" is die overeenstemming in de gevoelens der beiden reeds +verbroken, daar vinden wij voor 't eerst het beeld der aangebedene, +die de liefde beschouwt als een spel, waarin zij haar grillen +kan botvieren; waarin zij alles eischt en niets geeft. In "Yvain" +vinden wij ten slotte het verzet van den man tegen de dwingelandij der +liefde, maar het is een verzet, dat vruchteloos blijkt te zijn en hem +na eindeloos lijden weer aan de voeten der geliefde terugbrengt. In +dit opzicht is "Yvain" te beschouwen als een tegenhanger van "Erec" +[23] het eerste Arthur-gedicht van Chrétien's hand, dat voor ons +bewaard is gebleven. In "Erec" wint de eer het van de liefde, hoewel +deze laatste reeds macht genoeg bezit om den held tot een tijdelijk +niets doen te bewegen. Voor deze verheerlijking der liefde ten koste +zijner ridderplichten moet Erec echter even zwaar boeten als Yvain, +wanneer hij zich aan de tegenovergestelde fout schuldig maakt. In +"Erec" is de heldin de trouwe gade, die zelve erkent, dat de eischen +der riddereer machtiger zijn dan hare eigen rechten, in "Yvain" wordt +haar gevoel van eigenwaarde bevredigd, wanneer zij haren echtgenoot +boetvaardig voor zich ziet nederknielen en beseft, dat hij voortaan +vóór alles _haar_ zal dienen. Dat het karakter der vrouw moet lijden +onder eene alles gevende en niets eischende aanbidding van de zijde +des echtgenoots voelde Chrétien, fijn besnaard dichter als hij was, +natuurlijk heel goed, daarom treffen ons in "Yvain" sommige regels, +waaruit eene zekere geringschatting van de heldin spreekt. Hier en +daar is zijn toon bitter en niet zonder ironische bijbedoeling weidt +hij uit over den grooten, alles beheerschenden hartstocht van den +held voor eene vrouw, die hem in den grond onwaardig is. Hiertoe +had volgens hem de vrouwendienst geleid: het karakter der vrouw, +die slechts hulde en aanbidding kreeg, was er armer, dat van den man, +die slechts te geven had, was er rijker door geworden. + +Welke waren nu de bronnen, waaruit de dichter geput heeft voor de +samenstelling van zijn verhaal? Als eerste dient genoemd te worden +de sage van de tooverbron, die in de plaatselijke legenden van +verschillende landen veelvuldig voorkomt. Wij vinden haar het eerst +genoemd in het Normandische gedicht: "Le Roman du Brut" van Wace, waar +sprake is van de beroemde bron van Berenton, gelegen in het tooverwoud +van Broceliande in Bretagne. Deze bron wordt de eigenschap toegekend, +regen te veroorzaken, wanneer men een daarnaast gelegen steen met +water bevochtigt. Met zekerheid kan gezegd worden, dat Chrétien +zijn denkbeeld van eene tooverbron aan Wace heeft ontleend. Dat hij +het verder met de geographie in zijn gedicht niet al te nauw neemt, +blijkt uit het feit dat, hoewel het hof van koning Arthur in Engeland +en de tooverbron in Bretagne is gelegen, er nergens sprake is van eene +zeereis. Hiervan wordt geenerlei melding gemaakt bij de drie tochten +van den held en evenmin bij die, welke Calogrenant en koning Arthur +naar de bron ondernemen. Waarschijnlijk heeft Chrétien de sage van +de wonderbron alleen willen benutten om zijn held en zijne heldin tot +elkander te brengen. Immers, wanneer Iwein zijne jonge vrouw verlaat, +om aan het hof terug te keeren, hooren wij niets meer over de bron en +hare verdediging, tot Iwein haar opnieuw gebruikt om eene verzoening +met Laudine tot stand te brengen. + +De geschiedenis der heldin, haar huwelijk met den moordenaar van +haren echtgenoot, ontleende de dichter aan eene algemeen verspreide +overlevering, die van de gemakkelijk te troosten weduwe, welke haren +oorsprong vindt in het bekende verhaal van de weduwe van Ephese. Hier +dient opgemerkt, dat het karakter van Laudine in vele opzichten afwijkt +van dat der oorspronkelijke heldin uit de geschiedenis. Ten slotte +merken wij het bestaan eener derde sage op, die Chrétien zich bij de +samenstelling van zijn gedicht van nutte heeft gemaakt, n.l. die van +den leeuw van Androcles. De trouw van den leeuw doet de wankelbaarheid +der menschelijke gevoelens dubbel sterk uitkomen. Deze drie sagen +zijn door den dichter op meesterlijke wijze tezamengebracht en dooreen +gevlochten. Alle drie werden zij dienstbaar gemaakt aan het hoofddoel +van zijn werk: het aantoonen van de almacht der liefde, die boven alle +andere gevoelens in het hart der menschen troont. Ook andere motieven +werden door Chrétien gebruikt, maar deze kunnen hier worden weggelaten, +als hebbende geene betrekking op de hoofdlijn van het verhaal. + +Hoe zeer "Yvain" de algemeene belangstelling trok, blijkt ten eerste +uit het feit, dat wij van het gedicht niet minder dan acht volledige +handschriften bezitten en vervolgens uit het groot aantal vertalingen +en bewerkingen, die er van bestaan. Ook blijkt uit de omstandigheid, +dat we in andere gedichten en ook in de latere prozaromans veelvuldige +toespelingen aantreffen op de geschiedenis van den Leeuwenridder, +hoe veel gelezen en hoe geliefd deze sage in dien tijd was. + +Onder de vertalingen van "Yvain" dient als eerste genoemd te +worden, die van den Duitschen dichter Hartmann von Aue, denzelfden, +die ook reeds een ander gedicht van Chrétien: "Erec" [24] bij +zijne landgenooten had ingeleid. Zijn "Iwein" toont echter in het +karakter der heldin een aanmerkelijk verschil in opvatting met het +Fransche werk. Of de wijzigingen, die door den Duitschen dichter +zijn aangebracht in den aard en het wezen van Laudine, steeds in +overeenstemming zijn met het oorspronkelijk karakter van het gedicht, +blijft de vraag. Eene figuur moet beschouwd worden in de omlijsting +van haren tijd en al moge het verleidelijk zijn, om haar naar onze +wenschen te vervormen en haar te tooien met eigenschappen, die ons +sympathiek zijn, toch blijft dit een gevaarlijk werk. + +Ongeveer honderd jaar jonger dan Hartmann's "Iwein" is de Noorsche +prozabewerking van "Yvain", die op hare beurt de bron werd voor een +Zweedsch en Deensch gedicht. Het laatste werd onmiddellijk uit het +Zweedsche gedicht vertaald. + +Bovendien treffen wij de geschiedenis van den Leeuwenridder aan onder +de verhalen van den "Mabinogion" [25], eene verzameling Welsche +verhalen, welke in 1849 door Lady Charlotte Guest in het Engelsch +werden overgebracht. Drie dezer verhalen, waarvan het handschrift +uit de 14e eeuw dagteekent, maar die waarschijnlijk van veel ouderen +datum zijn, toonen in hun inhoud groote overeenkomst met drie gedichten +van Chrétien de Troies, n.l. met "Erec", "Yvain" en "Conte del Graal". + +Of inderdaad de drie Welsche verhalen navolgingen zijn van de Fransche +gedichten, zooals Professor Foerster en met hem vele andere geleerden +meenen te moeten veronderstellen--of dat in dit geval het Welsche +prozaverhaal en het Fransche gedicht tot eene gemeenschappelijke +bron terug te brengen zijn, zooals een aantal Fransche geleerden met +Gaston Paris aan het hoofd, trachten te bewijzen, worde hier verder +in het midden gelaten. Het verhaal, dat met onze sage overeenstemt is +getiteld "The Lady of the Fountain" en verschilt in zooverre van het +Fransche gedicht, dat de lotgevallen van den held er aanmerkelijk in +bekort zijn; de verzoening tusschen hem en zijne jonge vrouw vindt +reeds plaats, nadat hij Luned van den brandstapel heeft gered. Over +de wijze, waarop deze verzoening tot stand komt, wordt daarbij met +geen woord gerept. + +Ten slotte dient genoemd de Middel-Engelsche bewerking van "Yvain", +getiteld "Ywain and Gawain", welke in het begin der 14e eeuw in het +Noorden van Engeland door een tot nu toe onbekend gebleven dichter +geschreven werd. Wat het verhaal betreft, houdt het Middel-Engelsche +gedicht zich nauwkeurig aan zijn oorspronkelijk, wij missen er echter +_geheel_ de fijne zielkundige beschouwingen, die het Fransche dichtwerk +zoo bizonder aantrekkelijk maken. Daarentegen bezit het Engelsche +gedicht een bekoorlijken eenvoud, die het gunstig doet afsteken bij +de niet te loochenen gekunsteldheid van het Fransche. Ook in het +karakter der hoofdpersonen, voornamelijk in dat der heldin, bespeuren +wij eene merkbare verandering, die ten doel schijnt te hebben om haar +meer in overeenstemming te brengen met den nieuwen kring van lezers, +waarin de Engelsche dichter haar binnenleidt. Geen dezer bewerkingen +overtreft echter over het geheel genomen het werk van den Franschen +meester. Terecht wordt "Yvain" beschouwd als staande op het hoogtepunt +der hoofsche epiek. Het verhaal der lotgevallen van den held en bovenal +de beschrijving van zijn bitter berouw en zijne boetedoening houden +onze aandacht gespannen als weinig andere verhalen en de wijze, waarop +de dichter ons de gevoelens en den gedachtengang zijner hoofdpersonen +kenbaar maakt, doet ons hem beschouwen als een meester op het gebied +van zielkundig waarnemen en begrijpen. + + + + + +DE SAGE VAN DEN LEEUWENRIDDER. + + + ...."this es the knight with the liown, + that es halden of so grete renown." + + ("Ywain and Gawain", Middel-Engelsch + gedicht uit de 14e eeuw). + + +_Hoe heer Colgrevance aan het hof verslag uitbrengt van wat hem op +zijne reizen overkomen is._ Eens gebeurde het, dat koning Arthur +zijne ridders had uitgenoodigd tot een groot feest in zijn slot te +Cardiff. Uit alle streken des lands waren de hooge gasten met hun +gevolg komen aanrijden, want de feesten aan het hof van koning Arthur +waren wijd en zijd beroemd om hun gullen overvloed en ongedwongen, +vroolijke stemming. Na het gastmaal, dat aangericht was in de groote +slotzaal, verspreidden de aanwezigen zich in de aangrenzende vertrekken +en in de tuinen om het paleis. De koning en koningin begaven zich +intusschen naar hunne eigen vertrekken om enkele oogenblikken rust te +nemen, alvorens zich opnieuw in het feestgewoel te mengen. Enkelen +onder 's konings vertrouwde ridders betrokken de wacht voor zijne +vertrekken. Onder hen waren Segramore, bijgenaamd de Begeerige, +Colgrevance, Key, de seneschalk en Iwein, de zoon van koning Uriens van +Wallis. Om den tijd te korten, verzochten de ridders Heer Colgrevance, +die eenige dagen tevoren na eene lange afwezigheid aan het hof was +teruggekeerd, om hun de avonturen te vertellen, welke hem op zijn +tocht overkomen waren. Na eenige overreding stemde Colgrevance er +in toe zulks te doen, maar juist toen hij met zijn verhaal beginnen +wilde, ging de deur van het vertrek des konings geruischloos open en +verscheen koningin Ginevra op den drempel. Colgrevance was de eenige +der ridders, die haar bemerkte; terstond verhief hij zich uit zijne +zittende houding en groette zijne vorstin eerbiedig. De anderen +volgden dra zijn voorbeeld, maar Key, wiens booze, ijverzuchtige +natuur het niet kon verkroppen, dat Colgrevance hem vóór was geweest +in het verschuldigde eerbetoon, sprak spottend tot de koningin: +"Edele Vrouwe! gij komt juist intijds om het verslag te hooren van de +avonturen, die Colgrevance op zijne reis beleefd heeft. Wij kunnen +er zeker van zijn, dat hij ons wondere verhalen zal doen van zijne +heldendaden en wapenfeiten!" + +Colgevrance beet zich op de lippen, om zijne ergernis over deze +hoonende woorden niet te uiten, maar toen allen hem verwachtend +aanzagen, wendde hij zich tot koningin Ginevra en zeide op kalmen +toon: "Vergun mij, schoone Vorstinne, dat ik mijn verhaal uitstel +tot een volgend keer, want ik vrees dat, hetgeen ik te vertellen +heb, u weinig belang zal inboezemen. Het zijn geen heldendaden, +die ik ga vermelden en Heer Key vergist zich, wanneer hij denkt, +dat het verslag van wat mij is overkomen, strekken moet om mijn +aanzien aan het hof te vergrooten!" De koningin, wier nieuwsgierigheid +geprikkeld werd door deze toespelingen, gaf den spreker vriendelijk +ten antwoord: "Wat ik u bidden mag, let niet op de woorden van Heer +Key; wij allen weten immers, dat zijne woorden vaak boozer schijnen, +dan zij werkelijk bedoeld zijn en wat uw verhaal betreft, zoo verzoek +ik u, ons dat niet te onthouden. Indien uwe ontmoetingen tijdens uwe +rondzwervingen u geen roem en glorie gebracht hebben, valt het dubbel +in u te prijzen, wanneer gij ze ons niettemin mededeelt. Het strekt +een ridder tot eer, wanneer hij openlijk erkennen durft, dat hij +overwonnen is!" Met eene eerbiedige hoofdbuiging dankte Colgrevance +zijne vorstin voor haar welwillende woorden en sprak toen als volgt: +"Indien het uw wil is, Hooge Vrouwe, en ook de uwe, mijne vrienden, +zoo zal ik u naar waarheid vertellen, wat mij overkomen is. Gelijk gij +allen weet, heb ik van mijne prilste jeugd af een drang in mij gevoeld, +om vreemde landen en streken te bezoeken. Toen ik een man was geworden, +voelde ik dien lust steeds sterker in mij oprijzen en weldra werden de +grenzen van mijns vaders graafschap mij te eng en besloot ik de wijde +wereld in te trekken op jacht naar avontuur. Zoo vroeg ik eenigen +tijd geleden den koning verlof om een tocht te mogen ondernemen naar +verre streken. Koning Arthur gaf mij genadiglijk zijne toestemming +en op een schoonen najaarsmorgen verliet ik mijn vaderlijk kasteel, +waar mijne moeder mij met betraande oogen omhelsde en mijn vader mij +zijne beste zegewenschen op mijne reis medegaf. + +Ik zou u vervelen, wanneer ik u al de avonturen moest melden, welke +ik op mijne zwerftochten beleefde; ik wil u slechts dit zeggen, dat +ik vreemde landstreken bezocht, waar de wetten en gebruiken geheel +verschillen van de onze. Ik streed onder vreemde vorsten, indien het +mij toescheen, dat zij het recht aan hunne zijde hadden, en wanneer +het mij gelukte in den strijd eenigen roem te behalen, dan kende ik +de verdienste daarvan toe aan mijn koning, die mij steeds op het pad +der dapperheid was voorgegaan. Zoo verliep de winter en toen de lente +kwam, maakte ik mij gereed om naar mijn land terug te keeren, want mijn +hart begon te verlangen naar mijne vrienden en stamgenooten. Het was op +mijne terugreis naar het hof, dat ik het avontuur beleefde, waarover ik +u wilde vertellen. Ik had reeds verscheidene dagen gereden, zonder een +menschelijk wezen te ontmoeten, toen ik tegen den avond in eene smalle +vallei kwam. Links en rechts van mij verhieven zich hooge heuvels, +dwars door het dal stroomde eene rivier en langs den oever daarvan +liep een smal pad met boomen beplant. Het scheen mij toe een veel +bereden weg te zijn en daaruit afleidende, dat hij wellicht naar de +eene of andere woning voerde, waar ik den nacht zou kunnen doorbrengen, +besloot ik hem te volgen. En inderdaad zag ik spoedig de muren van een +kasteel door de boomen schemeren. Op de brug stond een ridder met een +valk op de hand; hij beantwoordde mijn groet op vriendelijke wijze en +was mij bij het afstijgen behulpzaam. Daarop noodigde hij mij uit, +hem te volgen. Het slotplein lag geheel verlaten, nergens trof mijn +oog een spoor van menschelijk leven, maar toen mijn gastheer driemaal +op een schild had geslagen, dat naast de poort hing, verscheen als +bij tooverslag een leger van knechten en volgelingen uit de deuren +van het kasteel. Uit het bonte gewemel van mannelijke en vrouwelijke +bedienden in hunne kleurige livreien, trad eene bevallige jonkvrouw +op mij toe, nam mij bij de hand en leidde mij het slot binnen. Zij +bracht mij naar een ruim en luchtig vertrek, waar ik gelegenheid vond +mij te ontdoen van het stof en vuil, waarmede ik door den langen +rit bedekt was. Eigenhandig bracht de jonkvrouw mij water om mij +te wasschen in een sierlijk bewerkte kom, daarbij doeken van het +fijnste linnen en ten slotte legde zij een volledig stel kleederen, +uit de kostbaarste stoffen vervaardigd, voor mij neer. Toen ik geheel +gereed was, kwam zij om mij te halen en geleidde mij naar de slotzaal, +waar een rijk voorziene disch stond gespreid. De ridder, dien ik op +de brug had gevonden en die de heer van het kasteel bleek te zijn, +heette mij met eenige hoffelijke woorden welkom en noodigde mij uit +plaats te nemen. Na afloop van den maaltijd verzocht hij mij om, +indien het niet onbescheiden was zulks te vragen, hem mede te deelen, +vanwaar ik kwam en wat het doel was van mijn tocht. Toen hij nu hoorde, +dat ik op reis was gegaan uit zucht naar avontuur, staarde hij eenige +oogenblikken peinzend voor zich uit en sprak eindelijk: "Heer ridder, +indien gij belust zijt op vreemde avonturen, zoo zou ik er u een aan +de hand kunnen doen, dat moeilijker te volbrengen is dan één dergene, +die u tot nu toe op uwen weg zijn overkomen. Ik aarzel evenwel, +om het u te zeggen, want gij zijt jong en wellicht onervaren en er +is nog nooit een ridder geweest, die de onderneming, waarop ik doel, +tot een goed einde heeft gebracht." Gij begrijpt, mijne vrienden, dat +deze woorden voldoende waren om het vuur van mijn ondernemingsgeest, +dat door het naderend weerzien van mijne vrienden en bloedverwanten +een weinig verkoeld was, tot nieuwen gloed aan te wakkeren en ik +smeekte mijn gastheer dringend, om zich nader te verklaren. Daarop +zeide hij, dat het niet in zijne macht lag, om mij den juisten aard +van het avontuur te omschrijven, maar, indien ik er meer van weten +wilde, moest ik mij naar een naburig bosch begeven, waar ik verdere +aanwijzingen omtrent datgene, wat er van mij geëischt werd, zou vinden. + +Met deze eenigszins vage aanduidingen moest ik mij tevreden stellen +en den volgenden morgen vroeg verliet ik het gastvrij slot en sloeg +den weg in, dien mijn gastheer mij aanwees. Vóór mijn vertrek moest +ik hem echter beloven dat, indien ik heelhuids van de gevaarlijke +onderneming, die mij wachtte, terug zou komen, ik hem persoonlijk +verslag zou komen uitbrengen van mijn wedervaren. + +Het pad, dat ik was ingeslagen, voerde mij al spoedig naar een dicht +woud en toen ik eenigen tijd tusschen het geboomte had voortgereden, +scheen er licht door de stammen en kwam ik weldra op eene open +plaats. Wie beschrijft mijne ontzetting, toen ik zag, dat alle wilde +dieren van het woud: leeuwen, tijgers en nog vele andere diersoorten, +zich in grooten getale op die plaats verzameld hadden. In hun midden, +op eene kleine verhevenheid zat een man en één blik op hem vervulde +mij met nog meer ontzetting dan het gezicht der wilde dieren. Zijne +gestalte was reusachtig van omvang, zijne haren hingen tot op zijn +gordel, waarin een zware knots stak. Zijne wenkbrauwen waren dicht +en stekelig, zijne tanden geleken op die van een wolf. Zijn rug +was gebogen, zoodat zijn hoofd bijna op zijn borst hing en met +zijne boosaardige oogen keek hij mij uitdagend aan. Toen de wilde +dieren mij bemerkten, begonnen zij vervaarlijk te brullen, maar op +eene handbeweging van den reus, verstomde dit en met een klagelijk +gehuil vielen alle dieren hem ten voet. De reus verhief zich daarop +moeizaam van zijn zetel en vroeg mij met donderende stem, wie ik was +en waarheen ik ging. Ik vertelde hem toen, hoe men mij naar het woud +had gezonden om nadere aanwijzingen te ontvangen omtrent een avontuur, +dat in de nabijheid op mij wachtte. Tevens vroeg ik hem, wie hij was +en waarom hij daar omringd zat door de dieren van het woud. Hij gaf +mij ten antwoord, dat hij hun aller heer en meester was, dat zij hem +moesten gehoorzamen en dienen en dat hij eene onbeperkte macht over +hen bezat. Daarna gebood hij mij een zeker pad te volgen, dat mij op +eene vlakte brengen zou. Op die vlakte zou ik eene bron vinden met een +steen er naast. Wanneer ik een avontuur zocht, moest ik water uit die +bron op den steen sprenkelen, de rest zou dan van zelf wel volgen. Hij +waarschuwde mij echter, mij vooraf goed te bedenken, want nog nooit +had hij een ridder levend van die plek zien wederkeeren. Ondanks +zijne vermaningen sloeg ik zonder eenige aarzeling het aangeduide +pad in en weldra stond ik aan den rand van eene onafzienbare vlakte. + +Eenige schreden voor mij uit ontdekte ik de bron, waar de reus over +gesproken had. Zij bevond zich onder een boom, welks dicht gebladerte +een heerlijken schaduw bood aan den voorbijganger. Naast de bron +lag een groote platte steen en aan een der laagste takken van den +boom hing een gouden schotel aan een langen ketting. Het water in +de bron was helder als kristal en borrelde met een zacht klaterend +geluid omhoog. Vol gespannen verwachting schepte ik met behulp van den +schotel eenig water uit de bron en sprenkelde toen met de hand enkele +druppels op den steen. De uitwerking was vreeselijk. De zon werd met +een dicht floers overtrokken, zware wolken pakten zich samen aan den +hemel, en ontlastten zich weldra in een vreeselijk onweder. Aan alle +kanten zag ik den bliksem flitsen en het doffe gerommel van den donder +vervulde de lucht. Daarbij viel er een zware regen van hagelsteenen, +zoo groot als duiveneieren, op mij neer. Met moeite wist ik mijn +paard te bedwingen, dat sloeg en steigerde van schrik. Toen ik het +eenigszins tot kalmte had gebracht, legde ik mijn schild over zijn +rug en poogde zooveel ik kon, er ons beiden mee te beschermen tegen +de woedende elementen. Gelukkig duurde de bui niet lang; weldra brak +de zon door de wolken, de hagelregen werd minder dicht en het onweer +trok af. Toen ik echter opzag uit mijne bukkende houding, bemerkte ik, +dat de boom, waaronder ik geschuild had, geheel ontbladerd was. Een +oogenblik daarna streek een vlucht vogels op de kale takken neer en +hun lieflijk gezang vervulde mij met nieuwen moed. Spoedig zou ik +dien noodig hebben, want in de verte naderde een ridder te paard, +wiens houding en gebaren mij deden vermoeden, dat er opnieuw gevaar +voor mij dreigde. Toen hij naderbij was gekomen, daagde hij mij uit +tot een tweegevecht, na mij ervan beschuldigd te hebben, dat door +mijn toedoen zijne landerijen verwoest waren en zijn veestapel gedood +was. De ridder droeg eene wapenrusting van zwart gepolijst staal, zijn +strijdros was bedekt met een zwart kleed en van dezelfde kleur was ook +de wuivende vederbos op zijn helm. Zonder een antwoord van mij af te +wachten, reed hij met gevelden lans op mij in en bracht mij zulk een +geweldigen stoot toe, dat ik uit het zadel werd geworpen. Alvorens +ik tijd had, om mij op te richten, stak de vreemdeling de punt van +zijn lans door de teugels van mijn paard en voerde het aldus met zich +mee, zonder zelfs eene poging aan te wenden om mij gevangen te nemen +of althans te ontwapenen. Er bleef mij niets anders over dan langs +denzelfden weg terug te keeren, dien ik gekomen was, maar wie zal +mijn gevoel van schaamte en vernedering beschrijven, toen ik opnieuw +voorbij de open plaats in het bosch kwam, waar de reus verblijf hield +en diens spottende woorden moest aanhooren! In vertwijfeling rende +ik het boschpad af, tot ik mij plotseling de belofte herinnerde, +die ik aan mijn vriendelijken gastheer gedaan had. Ik besloot na +eenige aarzeling,--want ik zag er tegen op, om het verhaal van mijne +smadelijke nederlaag aan anderen mede te deelen--opnieuw een beroep +te doen op zijne gastvrijheid, vóórdat ik mijne reis vervolgde. Het +was reeds tegen den nacht, toen ik het kasteel bereikte, maar ik werd +er ondanks het late uur met dezelfde welwillendheid ontvangen als bij +mijn eerste bezoek. Allen betuigden mij hunne vreugde over het feit, +dat ik gezond en wel tot hen was teruggekeerd en zij slaagden erin, het +onteerende gevoel, dat mijne ontmoeting bij mij had achtergelaten, door +hunne hartelijke ontvangst eenigermate te verzachten. Den volgenden +morgen vond ik bij mijn vertrek een edel strijdros op het plein voor +het kasteel, en mijn gastheer verzocht mij met eenige vriendelijke +woorden, dit als een geschenk van hem te willen aannemen. Kort daarop +bereikte ik Cardiff en daarmede is mijn verhaal ten einde. Gelijk +gij ziet, strekt het mij niet tot eer!" + + + +_Hoe Iwein besluit om zijn vriend te wreken en hoe hij in stilte van +het hof vertrekt._ Nadat hij deze laatste woorden op half schertsenden, +half bitteren toon gesproken had, zweeg Colgrevance stil. Alle +aanwezigen hadden in gespannen aandacht naar hem geluisterd, vooral +Iwein, wiens warme genegenheid voor den spreker, die bovendien een +eigen neef van hem was, hem het verhaal van zijne avonturen dubbel +belangwekkend deed voorkomen. Toen Colgrevance dan ook ophield met +spreken, barstte Iwein los met den uitroep: "Gij deedt wel, waarde +neef, met ons te vermelden, wat u overkomen is en ik zweer u bij onze +vriendschap, dat ik den smaad, u aangedaan, zal wreken!" Nauwelijks +had hij deze woorden gezegd, of opnieuw kwam Key tusschenbeide. "Hoort +gij het allen goed?" riep hij uit. "Iwein zal zijn vriend wreken, +maar zeggen en doen is twee, bedenk dat wel, edele heer!" Ten tweeden +male mengde koningin Ginevra zich in het gesprek en sprak tot Key: +"Gij moest u schamen, om zulke woorden te zeggen tegen een dapper +ridder als Heer Iwein! Gij weet immers even goed als wij allen, dat +het niet in zijn aard ligt om groote woorden te spreken, zonder dat +het hem ernst daarbij is!" en zich tot Iwein wendend, voegde zij er +vriendelijk aan toe: "Wij allen hopen en vertrouwen, dat gij in de +onderneming, die gij op u denkt te nemen, slagen zult. Onze beste +wenschen zullen u op uw gevaarvollen tocht vergezellen!" + +Intusschen was ook koning Arthur uit zijne vertrekken te voorschijn +getreden en had zich bij de groep gevoegd en nu verzocht hij de +koningin, hem omtrent het onderwerp van gesprek in te lichten. Toen +hij het gebeurde vernomen had, verklaarde ook hij Heer Colgrevance +te zullen wreken. + +Bij de heilige nagedachtenis van mijn Vader, den grooten Uther +Pendragon," sprak hij plechtig, "zweer ik u, dat ik over twee weken, +op den vooravond van het St. Jansfeest, uit zal trekken, om dien +overmoedigen vreemdeling te toonen, dat hij niet ongestraft een ridder +van Arthurs hof kan beleedigen. Allen, die mij op dien tocht willen +vergezellen, geef ik gaarne daartoe mijne toestemming!" Iwein gevoelde +bij die woorden wel eenige teleurstelling; het ware hem immers veel +liever geweest, indien hij alleen had uit mogen gaan, om zijn neef +en vriend in zijne eer te herstellen en nu zou het nog kunnen zijn, +dat een ander die taak van hem overnam. Heimelijk besloot hij daarom, +den koning vóór te zijn en toen des avonds het feest opnieuw in +vollen gang was, wist hij onbemerkt weg te sluipen naar den stal, +waar hij zijn schildknaap opdroeg, zijn paard te zadelen. In alle +stilte maakte hij zich verder gereed voor de reis en nog vóór het +feestgedruisch in de zalen van het paleis verstomd was, had hij door +eene zijpoort het slot verlaten. Zonder veel moeite vond hij het +rivierdal, waar het kasteel van den gastvrijen ridder zich bevond en +van dat oogenblik af waren zijne ondervindingen dezelfde als die van +Colgrevance. Ook hem werd de weg naar het bosch gewezen, waar hij +den reus nog steeds vond tronen, temidden der wilde dieren. Zijne +aanwijzingen volgend bereikte hij de bron, waar, toen hij den steen +met water bevochtigde, de verschijnselen zich herhaalden, waarvan +zijn vriend hem verteld had. Een onweer verduisterde het uitspansel, +de hagel kletterde neer op het land, de bliksem lichtte om hem heen, +maar een oogenblik later werd de lucht ook weer blauw en zonnig en +zongen de vogels hun jubellied in de kale takken van den boom. Kort +daarop zag Iwein de gedaante van den zwarten ridder in de verte +verschijnen en op zijne korte uitdaging volgde het tweegevecht. Na +een verwoeden strijd, die eenige uren duurde, slaagde Iwein er in, +zijn vijand in het hart te treffen. Doodelijk gewond wist deze met +zijne laatste krachten zijn paard te doen keeren en alsof het trouwe +dier begreep, wat er van hem verlangd werd, droeg het zijn meester +in gestrekten draf huiswaarts. Iwein volgde hem op den voet en zoo +bereikten beiden een statig slot, dat de woonplaats bleek te zijn van +den zwarten ridder. De laatste, die zich nauwelijks meer in het zadel +overeind kon houden, verdween juist door de valpoort, toen Iwein door +de steenen buitenpoort de brug over de slotgracht opreed. Schielijks +gaf hij zijn paard de sporen om zijn onbekenden tegenstander in te +halen, toen plotseling met een luiden slag de beide poorten dicht +vielen en hem als een rat in den val tusschen zich in sloten. Goede +raad was duur, hij kon vóór, noch achteruit en daarbij begreep hij, dat +de dienaren van den zwarten ridder, zoodra zij den toestand bemerkten, +waarin hun meester zich bevond, het kasteel zouden verlaten om diens +moordenaar te zoeken. Hij wist maar al te goed, wat dan zijn lot zou +zijn en er bleef hem dus niets anders over, dan den naderenden dood +kalm en onverschrokken af te wachten. + +Hoe groot was zijne verbazing, toen hij opeens eene zachte stem hoorde, +die van gene zijde der valpoort scheen te komen en die tot hem zeide: +"Schoone ridder! nooit waart gij in grooter gevaar dan op den dag +van heden. Weet wel, dat gij den heer van dit slot een stoot hebt +toegebracht, die hem het leven kosten zal. Mijne meesteres weent en +jammert, alsof haar hart zal breken en hare ridders en volgelingen +zweren bij alle heiligen, dat zij zijnen dood zullen wreken. Wanneer +zij u hier vinden, vrees ik voor uw leven. Er is slechts één, die u +helpen kan, en dat ben ik." Iwein, die in verbazing naar deze woorden +geluisterd had, ontwaarde door de tralies van de valpoort vóór hem, de +gestalte van eene bevallige jonkvrouw in een lang slepend kleed. Zij +opende een deurtje in de poort en trad op hem toe, daarop ging zij +voort met spreken: "Ik zie wel, dat gij mij niet herkent en toch heb ik +u vroeger aan het hof van koning Arthur ontmoet. Het gebeurde eenige +jaren geleden, dat ik derwaarts werd gezonden om eene boodschap van +mijne meesteres aan den koning over te brengen. Toenmaals was ik nog +dwaas en onverstandig, zooals men dat in zijne jonge jaren pleegt te +zijn en onder de hovelingen waren er velen, die misbruik maakten van +mijne jeugd en onwetendheid. Gij echter, Heer Iwein, waart van al de +ridders de eenige, die mij steeds hoffelijk en voorkomend bejegende +en daarom wil ik u nu redden uit het gevaar, dat u dreigt. Gij ziet +dezen ring? Welnu, hij heeft de macht u onzichtbaar te maken, evenals +in den herfst de nevel met zijne dichte sluiers de boomen van het +woud aan het menschelijk oog onttrekt. Wanneer gij dus de dienaren +van het kasteel hoort naderen, steek dan fluks dien ring aan uw vinger +en gij zijt veilig. Ik zal op het slotplein op u wachten. Wanneer uwe +vervolgers vertrokken zijn, moet gij naar mij toekomen en uwe hand op +mijn schouder leggen, want ook voor mij zult gij onzichtbaar zijn. Ik +zal u dan verder helpen, zooveel in mijn vermogen is." + +Ten zeerste getroffen door dit vriendelijk hulpbetoon, nam Iwein den +ring van de jonkvrouw aan, die daarop verdween zooals zij gekomen +was. Spoedig daarop hoorde onze held verwarde kreten uit het slot +tot zich doordringen, die naderbij schenen te komen en het duurde +niet lang of de valpoort werd op ruwe wijze geopend om een leger van +ridders en lansknechten door te laten. Iwein had zich echter op hunne +komst voorbereid en den ring van Luned, zooals de jonkvrouw zeide te +heeten, aan den vinger gestoken. Bij gevolg stormden zijne vijanden +hem in woeste vaart voorbij, zonder hem te bemerken en waren weldra +door de hoofdpoort verdwenen. Toen trad Iwein het slotplein op, +waar hij Luned op zich vond wachten. + + + +_Hoe Iwein getuige is van de plechtige begrafenis van den slotheer en +hoe hij in liefde ontbrandt voor diens schoone Weduwe._ Luned gebood +hem haar te volgen en bracht hem door een doolhof van gangen naar een +achthoekig torenvertrek, dat uitzag op het plein vóór het kasteel. In +een der hoeken stond een bed, welks dekkleed, vervaardigd van zijden +damast, afhing tot op den grond, en waarop eenige met goud bestikte +kussens lagen. Luned noodigde haren gast uit zich ter ruste te leggen +en daar Iwein uitgeput was door den strijd en den langen rit, gaf hij +gaarne gevolg aan haar verzoek. Toen hij eenigen tijd gesluimerd had, +werd hij opgeschrikt door een luid gezang en zich tot Luned wendend, +die in een hoek van het vertrek bezig was een maaltijd voor haren +gast te bereiden, vroeg hij: "Wat beduidt het luide gezang, dat ik +hoor?" Luned antwoordde: "Het zijn de liederen der geestelijken, die +mijnen heer het laatste oliesel toedienen." Iwein sliep opnieuw in, +maar na korten tijd wekten de geluiden, die uit het kasteel oprezen, +hem ten tweeden male uit zijne droomen. Weer zeide hij tot Luned: +"Wat beduidt al dat gejammer en geklaag?" en Luned antwoordde: "Het +zijn de treurzangen en het geween der slotbewoners om mijnen heer, +die gestorven is." Toen Iwein de spijzen had genuttigd, die Luned +voor hem bereid had, begaf hij zich opnieuw ter ruste en ontwaakte +eerst vroeg in den morgen uit een diepen, verkwikkenden slaap, Toen +hij luisterend het hoofd ophief, troffen opnieuw klanken zijn oor en +hij sprak tot Luned, die nog steeds de wacht bij het venster hield: +"Wat beduidt het rumoer op het slotplein?" "Heer", sprak zij, "het +zijn de klaagzangen bij het lijk van mijnen heer, dat naar de kerk +gedragen wordt." + +Iwein sprong op van zijne legerstede en ging aan het venster staan, +om te zien, wat daar beneden geschiedde. Toen hij zich voorover boog, +om beter te kunnen zien, trof zijn oog een schouwspel dat hem diep +ontroerde. + +In groote plechtigheid werd het lijk van den slotheer naar de kapel +gedragen. Aan beide zijden van den af te leggen weg stonden zijne +getrouwen geschaard, die in eerbiedig gebogen houding en met ontbloot +hoofd den treurigen stoet aan zich lieten voorbijgaan. Voorop ging +met langzamen tred de huiskapelaan in zijn slepend overkleed, die +in de opgeheven handen een gouden kruis droeg, dat schitterde in de +morgenzon. Achter hem liepen eenige andere geestelijken, die hem bij +den lijkdienst behulpzaam zouden zijn, en daarna volgde het lijk op +een baar, gedragen door de vier oudste volgelingen van den dooden +ridder, lieden, die in den dienst van zijn huis vergrijsd waren. Het +lichaam rustte op een schild en werd voorafgegaan door twee koorknapen, +die zilveren wierookvaten in de hand droegen, waaruit blauwe wolken +opstegen en de lucht met hunnen zoeten geur vervulden. Achter de +lijkdragers gingen twee ridders, waarvan de één de lans en de ander +den helm van hunnen meester droeg. Daarachter liep met wankele schreden +en aan weerszijden ondersteund door eene dienares, eene wonderschoone +vrouw, de weduwe van den overledene en één enkele blik op haar gelaat +deed in het hart van Iwein een gevoel ontwaken, dat hij nog nooit +gekend had. Als geboeid volgden zijne oogen de gebogen gestalte, die +een toonbeeld was van diepe, troostelooze smart. Haar prachtige gouden +haren vielen los en wanordelijk om haar heen, haar schoone oogen waren +rood en gezwollen door het weenen, haar blanke handen had zij tot +bloedens toe gewrongen. Toch voelde Iwein bij het zien van die door +smart verteerde gedaante, wat hij tot dusver voor geen enkele vrouw, +hoe schoon zij ook wezen mocht, gevoeld had en zijn hart kende maar +één wensch meer: die vrouw de zijne te mogen noemen. Zich tot zijne +gezellin keerend, vroeg hij met bevende stem: "Zeg mij, Luned, wie +is die schoone vrouw, die ginds achter het lijk van uwen meester gaat?" + +"Helaas! arme vrouw!" sprak Luned, "dat is mijne meesteres, die +half waanzinnig van smart is over den dood van haren geliefden +echtgenoot. Zij is niet alleen de schoonste, maar ook de edelste +en verstandigste vrouwe ter wereld en God zende haar troost in haar +smartelijk verlies!" + +"De hemel gave, dat ik nooit geboren was, om deze smartelijke tijding +van u te vernemen", sprak Iwein, "want deze vrouw is het, die ik +boven alles bemin!" "Indien dit werkelijk zoo is", antwoordde Luned, +"dan zal ik uw voorspraak zijn bij mijne meesteres. Blijf gij hier +en wacht, tot ik terugkom". + +Hierop verliet zij het vertrek en een oogenblik later zag Iwein, +die in droef gepeins verzonken aan het venster bleef staan, haar de +binnenplaats oversteken en door een der deuren van het hoofdgebouw +verdwijnen. In de vertrekken van hare meesteres gekomen, bleef Luned +wachten tot deze uit de kapel was teruggekeerd. Toen verzocht zij +om een onderhoud met haar, wat haar gereedelijk werd toegestaan, +daar zij tot de meest vertrouwde dienaressen van Laudine, dit was de +naam der slotvrouwe, behoorde. Luned vond hare meesteres uitgestrekt +op eene rustbank, het hoofd in de armen verborgen, ten prooi aan de +diepste wanhoop. + +"Waarom weent gij zoo, Vrouwe?" vroeg Luned op zachten toon. Driftig +hief Laudine het hoofd omhoog en zeide, met door tranen verstikte +stem: "Hoe kunt gij mij zoo iets vragen? Weet gij dan niet, dat gij +hier de rampzaligste vrouw ter wereld voor u ziet? Zijt gij dan doof +en blind geworden, dat gij niet gehoord en gezien hebt, hoe mijn +echtgenoot, de dapperste en edelste ridder, die op Gods wijde wereld +te vinden was, door een sluwen moordenaar gedood is? En vraagt gij +mij dan nog, waarom ik ween? Ik had andere taal uit uw mond verwacht +en reeds bevreemdde het mij, dat gij niet eerder tot mij waart +gekomen, om mij uwe deelneming te betuigen in mijn onherstelbaar +verlies!" "Onherstelbaar?" hervatte Luned op den zelfden zachten +toon. "God geve, dat dit niet zoo zij, want wie zal in de toekomst uwe +landen en eigendommen verdedigen, wanneer gij blijft treuren over iets, +dat nu eenmaal gebeurd is? Mijn meester was een edel man en moedig +in den strijd, maar de wereld kent nog dapperder en sterker ridders +dan hij!" "Ik gebied u te zwijgen!" riep Laudine haar met fonkelende +oogen toe. "Nooit zag ik in mijn leven een ridder, die uwen heer in +moed en behendigheid overtrof en het past u allerminst om hem aldus te +belasteren, nu hij niet meer in ons midden is!" "En de ridder dan, die +hem versloeg?" hervatte Luned, "gij zult toch niet willen ontkennen dat +hij sterker moet geweest zijn dan uw echtgenoot! Wat baat het u, om te +treuren over den doode? Wanneer straks koning Arthur met zijne ridders +aan de bron komt en hij niemand vindt om hem te weerstaan, zal hij uwe +bezittingen verbeurd verklaren, omdat gij niet in staat zijt, ze te +verdedigen. Daarom moet gij zoo schielijk mogelijk uitzien naar een +ridder, die de plaats van uw gestorven echtgenoot in zal nemen". "Ga +weg uit mijne nabijheid, hartelooze vrouw!" riep Laudine "en kom mij +nooit meer onder de oogen! Liever verloor ik al mijne have en goed, +dan dat ik zulk eene trouwbreuk pleegde aan de herinnering van hem, +die mij boven alles dierbaar was!" "Het zij zoo", antwoordde Luned, +"wat ik zeide, was voor uw eigen bestwil, maar gelijk meestal het geval +is: onbaatzuchtige raad vindt zelden een goed gehoor". Met deze woorden +verwijderde zij zich langzaam in de richting der deur, maar alvorens +zij deze bereikte, riep Laudine, die zich de vele diensten herinnerde, +welke Luned haar reeds bewezen had, haar terug en zeide: "Ga niet zoo +heen! Ik weet het, uwe bedoeling is goed, maar gij moet toch inzien, +dat het onmogelijk voor mij is, uwen raad op te volgen? Waar zou +ik een ridder vinden, die mij en de mijnen zou willen beschermen en +verdedigen?" "Laat dat maar aan mij over", riep Luned op verheugden +toon uit, "ik zelve zal naar het hof van koning Arthur rijden en +den edelsten en machtigsten ridder aldaar zal ik verzoeken, om u te +helpen. Vertrouw op mij; ik zal niet zonder hem terugkeeren!" Half +ongeloovig zag hare meesteres haar aan. "En indien gij eens te laat +mocht komen", sprak zij, "wat moet ik dan beginnen, die hier alleen en +zonder bescherming achterblijf?" "Dat zal niet gebeuren", stelde Luned +haar gerust. "Binnen drie dagen kan ik van mijne reis teruggekeerd zijn +en vóór dien tijd kan het leger van koning Arthur onmogelijk de bron +bereikt hebben. Wees gerust, alles zal in orde komen!" Dienzelfden +avond maakte Luned zich met veel vertoon van haast voor haren tocht +gereed; in werkelijkheid echter hield zij zich drie dagen achtereen +verscholen in hare torenkamer en op den avond van den derden dag +begaf zij zich opnieuw, ditmaal echter in gezelschap van Iwein, +naar de vertrekken harer meesteres. Zij verzocht hem in de gang op +haar te wachten en trad alleen de kamer van Laudine binnen. Deze liep +haar in angstige spanning tegemoet, greep haar bij den arm en sprak: +"Welnu, wat brengt gij voor nieuws?" "Goed nieuws breng ik u, edele +vrouwe!" antwoordde Luned, "want den dappersten held aan Arthurs +hof heb ik bereid gevonden om u bij te staan en voor uwe belangen +te strijden!" "Wie is dat dan? zeg het mij, vlug! opdat ik uit de +vreeselijke spanning dezer laatste drie dagen bevrijd worde!" "Het +is Iwein, edele vrouwe! de zoon van koning Uriens van Wallis, een +der hoogst aangezetenen van Arthurs ridderschap!" "Wanneer komt +hij?" "Vrouwe, hij is reeds hier en wacht met ongeduld het oogenblik +af, waarop gij hem wilt ontvangen!" "Laat hem binnenkomen!" Daarop +ging Luned naar de deur, opende die en verzocht Iwein om binnen te +treden. Aarzelend en met neergeslagen oogen trad deze de kamer binnen, +waar hij voor 't eerst zijne geliefde zou ontmoeten. Een zekere schroom +belette hem, de oogen naar haar op te slaan; hij kon het denkbeeld +niet van zich afzetten, dat hij, zij het ook in een eerlijken strijd, +haar echtgenoot gedood had en de gestalte van den zwarten ridder scheen +zich tusschen hem en de vrouw, die hij liefhad, te plaatsen. Daarbij +hinderde het hem, dat Laudine van dit alles niets afwist en hij +zoodoende onder een valschen schijn zijn doel zou bereiken. + +Laudine daarentegen vestigde hare oogen in gretige afwachting op +den naderenden ridder en toen zij Iwein zag, werd zij onwillekeurig +getroffen door zijn schoon en krachtig voorkomen. Hij was gekleed +in een engsluitend karmozijnrood buis, om het midden droeg hij een +breeden gordel, bezet met edelgesteenten en van zijne schouders golfde +een wijde mantel van goudkleurig brocaat. De baret met de lange, +wuivende veer hield hij in de rechterhand, de linker rustte op het +gevest van zijn zwaard. + +Toen hij voor den zetel van Laudine was genaderd, boog de ridder +zich diep ter aarde en waagde het daarna eindelijk, de oogen tot +haar op te slaan. Nog steeds echter sprak hij geen woord, totdat +Luned, die door zijn zwijgen ongeduldig werd en voor het welslagen +van haar plan begon te vreezen, hem toeriep: "Maar spreek dan toch, +Heer! nooit tevoren zag ik een ridder, die in de tegenwoordigheid +eener schoone vrouwe zoo goed het stilzwijgen kon bewaren! Zeg haar +het geheim van uw hart en laat haar beslissen over uw lot!" + +Daarop begon Iwein te spreken. Hij viel op de knieën voor Laudine +neer en zeide met zachte, doch vaste stem: "Schoone Vrouwe, uw +dienares heeft gelijk met zich te verbazen over mijn stilzwijgen, +maar mijn hart is zóó vol, van alles wat ik u te zeggen heb, dat ik +niet recht weet, waarmede te beginnen. Laat mij dan vóór alle dingen +aan u bekennen, dat ik het ben geweest, die uw echtgenoot den doodsteek +toebracht!" Bij het hooren van deze woorden deinsde Laudine achteruit, +alsof zij door een vergiftig dier gestoken werd, maar uit den blik, +dien Iwein naar haar opsloeg sprak zooveel eerbiedige bewondering en +eerlijk zelfvertrouwen, dat zij besloot haar oordeel op te schorten, +tot zij meer omtrent zijne geschiedenis wist en met eene enkele +handbeweging beduidde zij hem, om verder te gaan. + +"Oordeel niet te hard over mij, wat ik u bidden mag", vervolgde +Iwein, "ik streed met hem in een eerlijk tweegevecht, waartoe hij +mij uitdaagde en ware de strijdkans hem gunstig geweest, dan zou hij +misschien een volgend maal gevallen zijn. Daarom, smeek ik u, wees +niet vertoornd op mij, maar aanvaard mijne diensten, die ik u aanbied!" + +"Zoudt gij dan werkelijk bereid zijn, om voor mij te strijden en +mijne eigendommen te verdedigen tegen de aanvallen, die er tegen +ondernomen zullen worden?" vroeg Laudine. "Waarom zoudt gij zulks +doen? Het is eene zware taak, die gij op uwe schouders neemt, bedenk +dat wel, en niemand dwingt er u toe!" "Daarin vergist gij u", gaf +Iwein ten antwoord, "er is eene macht op aarde, sterker dan het +gezag van koningen en keizers. Zij regeert over armen en rijken, +over den vorst evengoed als over den bedelaar en haar gezag is +onverbiddelijk als de dood. Deze macht is de liefde en zij is het, +die mij aanspoort om u te dienen, want één ding moet ik u zeggen, +al zou het mij mijn leven kosten: ik bemin u met geheel mijne ziel +en mijn hoogste wensch op aarde is: u de mijne te mogen noemen!" + +Laudine had met stijgende ontroering naar zijne woorden geluisterd en +toen hij ophield met spreken en nog steeds geknield voor haar bleef +liggen, stak zij hem beide handen toe en zeide blozend: "Het zou +ondankbaar van mij zijn, indien ik uw vriendelijk aanbod beantwoordde +met u te laten dooden en bovendien onverstandig ook, want waar zou +ik een anderen ridder vinden, die mij op zulk eene onbaatzuchtige +wijze wilde helpen? Neen, blijf liever voor mij leven en indien het u +gelukkig maakt, kan ons huwelijk binnen korten tijd voltrokken worden." + +Dienzelfden avond riep Laudine hare edelen en volgelingen bijeen, +om hunne goedkeuring over haar besluit te vernemen. Toen zij hoorden, +dat Iwein, een prins van den bloede en een dapper ridder, om de hand +van hunne meesteres was komen dingen en de gelofte had afgelegd, dat +hij de bron zou verdedigen tegen alle aanvallen, gaven zij volgaarne +hunne toestemming tot het huwelijk. + +Dit werd dienzelfden avond nog voltrokken en in de zalen, die eenige +dagen tevoren getuigen waren geweest van den rouw en de droefenis +om den gestorven meester, heerschten nu vreugde en feestgejoel om +de komst van den nieuwen heer. De bruiloftsfeesten werden in alle +pracht en praal gevierd en duurden verscheidene weken. Het was eene +bonte aaneenschakeling van feestgelagen, ridderspelen en vroolijke +samenkomsten in de zalen en parken van het prachtige kasteel en +elke dag bracht nieuwe gelegenheid voor Iwein om zich bij zijne +nieuwe vrienden gezien en bemind te maken. Plotseling evenwel kwam de +tijding, dat het leger van koning Arthur bij de bron was aangekomen, +en onmiddellijk nadat hij het bericht ontvangen had, maakte Iwein +zich op ten strijde. + +Zijne afwezigheid had inmiddels aan het hof groote verbazing en +ontsteltenis gewekt. Wel dachten velen, dat hij, zooals inderdaad het +geval bleek te zijn, vooruit was gegaan om zich de wraakneming voor +zijn vriend niet te laten ontnemen, maar toen zij bij aankomst aan +de bron geen spoor van hem ontdekten, begonnen zij aan de juistheid +dier veronderstelling te twijfelen. "Ziet gij nu wel", sprak Key +triomfantelijk, "dat ik gelijk had, toen ik zeide, dat zeggen en doen +twee zijn! Waarschijnlijk is Iwein in 't geheel niet op deze plek +geweest en was het slechts grootspraak van hem, toen hij zwoer, zijn +neef te zullen wreken!" Maar Walewein voegde hem verontwaardigd toe: +"Schaamt gij u niet, booze lasteraar, om zulke dingen te zeggen! De +toekomst zal ons nog leeren, wat er van Iwein geworden is, maar +dat zijne woorden slechts holle snoeverij bevatten, kan ik niet +gelooven." Intusschen was koning Arthur afgestegen en schepte met +behulp van den schotel een weinig water uit de bron, waarmede hij +den steen bevochtigde. Onmiddellijk daarop barstte het onweer los en +toen de lucht weer klaar en onbewolkt was geworden, zagen de verbaasde +ridders eene zwarte figuur te paard naderen. Niemand herkende daarin +Iwein en Key smeekte den koning om hem 't eerst tegen den vreemdeling +te laten strijden, wat hem werd toegestaan. Toen Iwein zag, wie zijn +tegenstander zou zijn, zette hij zich met een gevoel van voldoening +vaster in het zadel, drukte zijne sporen dieper in de flanken van +zijn strijdros en reed met gevelde lans op Key toe. Deze laatste +moest weldra in den strijd het onderspit delven en het duurde niet +lang of Iwein wist hem met een krachtigen lansstoot uit het zadel te +lichten. Daarop nam hij Key's paard bij de teugels, geleidde het naar +den koning en overhandigde hem de leidsels met de woorden: "Sire, +neem gij dit paard, dat ik in den strijd veroverd heb en behoud het +als eene herinnering aan hem, die geen anderen wensch koestert dan +uw dienaar en trouwe onderdaan te mogen zijn." + +"Ik wil uwe gift gaarne aannemen," sprak de vorst, "doch slechts op +ééne voorwaarde: dat gij mij zegt, wie gij zijt." + +Als eenig antwoord sloeg Iwein het vizier van zijn helm omhoog en +met een kreet van vreugde herkenden de ridders hunnen vriend. Vooral +Walewein toonde groote blijdschap over deze ontmoeting en bracht op +zegevierenden toon Key de voorbarigheid van zijne voorspellingen onder +het oog, zich verheugend over de schitterende wijze, waarop Iwein +deze gelogenstraft had. De laatste vertelde inmiddels aan den koning +en een breede kring van aandachtige toehoorders het verhaal van zijne +avonturen en eindigde met zijn vorst te verzoeken hem met zijne ridders +te volgen naar zijn kasteel en aldaar zijn gast te zijn. Volgaarne +namen alle aanwezigen deze uitnoodiging aan en weldra reed een +schitterende stoet de ophaalbrug van het slot over. Op het voorplein +wachtte Laudine, omgeven door hare dienaressen, de hooge gasten op, +van wier komst zij door een boodschapper verwittigd was. Toen zij den +gouden draak op den helm des konings herkende, liep zij op hem toe +en bukte zich eerbiedig, om hem bij het afstijgen behulpzaam te zijn, +maar de vorst wees met hoffelijk gebaar haar hulp van de hand, steeg af +en kuste haar op beide wangen. Groot was de vreugde van Laudine, toen +zij haren echtgenoot ongedeerd terugzag en met luide welkomstkreten +werd onze held door zijne ridders en onderhoorigen begroet. + + + +_Hoe Iwein met zijne vroegere vrienden aan het hof terugkeert en hoe +hij langzamerhand zijne jonge vrouw vergeet._ Nu brak er een tijd van +blijdschap en jolijt aan. Ter eere van koning Arthur werden op het +kasteel schitterende feesten gegeven, waartoe de gansche ridderschap +uit den omtrek met hunne dames uitgenoodigd werden. Elken avond +weergalmden de zalen van het luide gejoel der feestende gasten, de +tafels schenen gebukt te gaan onder den last van kostelijke spijzen, +de wijn vloeide bij stroomen en eerst laat in den nacht werden de +lichten in het slot gedoofd. Toen dit leven van pret maken eenige weken +geduurd had, begon de koning van heengaan te spreken, daar ernstiger +plichten aan het hof hem wachtten. Ondanks de gastvrije uitnoodiging +van Iwein om nog eenigen tijd onder zijn dak te vertoeven, werd de dag +van vertrek spoedig bepaald. Er heerschte eene koortsachtige drukte +in het kasteel om alles voor de reis gereed te maken, in de stallen +draafden de stalknechts heen en weer tusschen de stampende rossen, +op het voorplein waren de smeden bezig de wapenen der vertrekkende +ridders na te zien, in de keukens stonden de koks met hoogrood +gelaat voor de groote ovens om voor den mondvoorraad te zorgen, +die den reizigers zou worden meegegeven. + +Temidden van al die drukte kwam Walewein bij zijn gastheer en vroeg +hem om zich op den dag van vertrek bij het gevolg des konings te +voegen en zijne vrienden naar het hof te vergezellen, waar hem nieuwe +roem en hulde wachtten. "Laat het niet van u gezegd kunnen worden", +sprak hij dringend tot zijn vriend, "dat gij na uw huwelijk uwen tijd +slechts doorbrengt in dienst uwer schoone vrouw. Hij, die terwille +eener jonkvrouw zijn roem en eer vergeet, is hare liefde niet waard en +zij zelve zou er u ten slotte een verwijt van maken. Ga daarom met ons +mee en tracht nieuwe lauweren te verwerven in den dienst van uw vorst!" + +Iwein had aandachtig naar de woorden van zijn vriend geluisterd en +besloot zijn raad op te volgen, hoe veel het hem ook kostte om zijne +vrouw reeds nu te verlaten. Daarom begaf hij zich naar Laudine en vroeg +haar verlof om voor eenigen tijd heen te gaan. Aanvankelijk wilde zij +niets van zijn plan weten, maar toen hij haar in zijne armen nam en +haar onder de innigste liefdesbetuigingen smeekte, zijn verzoek in +te willigen, daar het hun beider eer betrof, stemde zij er ten slotte +in toe, hem voor een jaar aan den koning af te staan. Zij bezwoer hem +echter om, wanneer die termijn verstreken zou zijn, tot haar weder te +keeren. "Wanneer gij uwe belofte niet gestand doet", sprak zij ernstig, +"is uwe liefde slechts spel en hartstocht geweest! Gij behoeft dan +nimmer hier terug te keeren, want mijn geloof en vertrouwen hebt gij +dan voor altijd verloren." + +Iwein zwoer haar bij alles wat hem dierbaar was, dat hij woord zou +houden en spoedig daarna verliet hij het kasteel in het gevolg van +den koning. + +In de eerste maanden van zijne afwezigheid werd hij dikwijls +gekweld door het verlangen naar zijne jonge vrouw, maar gaandeweg +drongen de bonte tafereelen van het hofleven het beeld van Laudine +op den achtergrond. Na den tijd van feesten en genietingen boden de +avontuurlijke tochten en gevaarvolle ondernemingen hem een nieuwen +prikkel, die hem aanzette tot steeds grooter onversaagdheid. Hij +onderging de bekoring van het gezelschap zijner vrienden als iemand, +die na lange afwezigheid in het land zijner vaderen terugkeert en toch +was het slechts luttele maanden geleden, dat hij uit was getrokken +om de wonderbron te zoeken. + +Zoo verstreken de maanden; de herinneringen aan zijne liefste werden +steeds flauwer en flauwer, en de gestalte van Laudine vertoonde +zich slechts af en toe in vage omtrekken voor het oog zijner +verbeelding. Toen nu de tijd naderde, dat hij tot zijne vrouw zou +wederkeeren, gebeurde het, dat de koning een groot steekspel uitschreef +en in de toebereidselen daarvoor, die al zijn tijd in beslag namen, +vergat Iwein geheel en al zijne belofte. Eenige weken later, toen het +steekspel reeds aan den gang was en men des avonds bijeen zat om Iwein, +den held van dien dag, te huldigen, trad plotseling Luned de feestzaal +binnen, neeg eerbiedig voor den zetel des konings en zeide: "Sire, +wees gegroet! en ook gij, edele ridders, die hier aanwezig zijt, allen +behalve Iwein, de trouwelooze, die het hart mijner meesteres gebroken +heeft. Valsch en bedriegelijk waren de schoone woorden, waarmede hij +haar van zijne liefde sprak en nadat hij haar door listige vleitaal +overreed had, de zijne te worden, trok hij heen en liet haar achter +in een toestand, die nog treuriger is dan het lot eener weduwe. Hij, +die zoo handelt, is niet waard, ridder genoemd te worden. God straffe +hem voor zijne trouweloosheid." + +Na deze woorden gesproken te hebben, trad zij op Iwein toe, trok hem +den ring, dien Laudine hem als afscheidsgeschenk gegeven had van den +vinger en verliet het kasteel. + +Iwein bleef achter in een staat van groote verslagenheid. De +verwijten, welke Luned hem had toegeslingerd, waren als scherpe +pijlen doorgedrongen tot in 't diepst van zijne ziel en deden zijn +hart bloeden van schaamte en berouw. Voor zijne oogen herrees klaar +en duidelijk het beeld van Laudine, zooals zij bij het afscheid in +zijne armen had gelegen, het schoone gelaat nat van tranen, de oogen +smeekend en vol liefde op hem gericht en hij hoorde weer de trillende +tonen harer stem, die hem bad, tot haar terug te keeren. + +En hij, in den roes van roem en eerzucht had haar vergeefs naar +hem doen uitzien. In zijn overspannen geestestoestand riep hij zich +voor oogen, hoe zij keer op keer den toren van het slot beklommen +moest hebben, om naar hem uit te zien en hoe zij dan telken male +teleurgesteld de trappen was afgedaald om in de eenzaamheid harer +vertrekken zijne trouweloosheid te beweenen! Nu was alles voorbij! Hij +herinnerde zich hare afscheidswoorden en begreep dat hij nooit den +moed zou hebben om een poging tot verzoening te wagen. Neen, nooit +meer zou hij die oogen vol innige teederheid op zich voelen rusten, +nooit meer zou hij dien schoonen mond kussen of die glanzende haren +streelen. Voorbij! voorbij! en dat alles door eigen schuld! Als een +getemd dier liep Iwein heen en weer op eene eenzame plek achter in +den slottuin, met zijne gebalde vuisten sloeg hij zich tegen het +hoofd en slechts stamelende klanken kwamen over zijne lippen. Wat +zijne vrienden ook zeiden, het hielp niets, hij wilde naar geen rede +luisteren en weigerde hardnekkig alle voedsel. + +Toen deze toestand eenige dagen geduurd had, gebeurde het 's morgens, +dat een bode van den koning hem tevergeefs zocht in zijne vertrekken, +ook in de nabijheid van het kasteel was hij nergens te vinden. + +De wanhoop over het verloren geluk had zijn verstand verbijsterd en +als een waanzinnige zwierf hij rond in de bosschen. Zijne kleederen +scheurde hij aan takken en doornen, zijne haren hingen hem verwilderd +om het hoofd en een lange baard golfde hem weldra op de borst. Eens +op een dag ontmoette een houthakker hem, maar toen de man hem zag, +ontstelde hij zóó van Iwein's verwilderd en woest voorkomen, dat +hij pijl en boog, die hij in de hand had, wegwierp en het hazenpad +koos. Met behulp van deze wapenen doodde Iwein nu en dan een stuk wild, +waarvan hij het vleesch rauw en in groote stukken verslond. Verder +voedde hij zich met wortelen en wilde vruchten en leschte zijn +dorst met bronwater. De dagen en weken verliepen, zonder dat hij er +zich van bewust was; nog steeds was zijn brein vervuld van verhitte +koortsphantasieën, nog steeds stamelden zijne lippen den naam van +Laudine. Soms, wanneer de smart en wroeging hem te machtig werden, +sloeg hij als een razende om zich heen, zoodat de vogels onder +verschrikt gekrijsch wegvlogen uit de naburige boomen en struiken. Na +zoo'n aanval viel hij meestal neer op het mos in een toestand van +halve verdooving. Zoo lag hij eens op een dag onder de schaduw van +een grooten eik, toen de stilte van het bosch verbroken werd door +helder opklinkende stemmen en het getrappel van paardenhoeven. Weldra +verschenen om de kromming van het boschpad drie vrouwengestalten te +paard. Het waren drie adellijke dames, de eigenaresse van een naburig +kasteel, tot wier gebied het bosch behoorde, waarin Iwein op zijne +zwerftochten was verdwaald geraakt, en twee harer dienaressen. Toen +zij voorbij den boom kwamen en een menschelijke gedaante ontwaarden, +die daar als levenloos op den grond lag uitgestrekt, hielden zij +nieuwsgierig hare rossen in en de burchtvrouwe beval één harer +gezellinnen om af te stijgen en de zaak nader te onderzoeken. Op +de teenen sloop de jonkvrouw naderbij, want het uiterlijk van den +vreemdeling boezemde haar niet veel vertrouwen in. Toen zij echter +dicht aan den slapende genaderd was, en hem in het gelaat had gezien, +boog zij zich met een uitroep van verrassing over hem heen, streek hem +de lange haren uit het gezicht en keerde zich toen tot hare meesteres +met den uitroep: "Wie denkt gij, dat hier ligt? Het is Heer Iwein, +de zoon van koning Uriens van Wallis, één der dapperste ridders van +Arthurs hof. Ik herken hem aan het litteeken boven den linkerslaap, dat +hij in een tournooi, waar ook ik bij tegenwoordig was, heeft opgedaan. + +Maar wat ziet hij er vreeselijk uit! Zijn kleeren hangen hem als +lompen om het lijf, zijn gelaat en handen zijn vol schrammen en geheel +bebloed, wat kan er met hem gebeurd zijn? Helaas! dat wij hem zoo +moeten vinden! Ik zeg u, indien hij gezond was, zou geen ridder ter +wereld u beter van dienst kunnen zijn in den komenden strijd tegen +den valschen graaf Aliers dan hij, die hier ligt!" + +Hare meesteres keek peinzend eenige oogenblikken voor zich uit en +riep toen plotseling met blijde stem: "Ik heb het gevonden! Ga gij +vlug met mij mede, mijn slot is immers slechts enkele mijlen hier +vandaan en daar zal ik u eene kostbare zalf geven, waarmede gij den +ongelukkige genezen kunt. Die zalf werd mij ten geschenke gegeven +door de toovenares Morgan Le Fay en zij bezit de tooverkracht om +genezing te brengen voor alle ziekten en kwalen, zoowel lichamelijke +als geestelijke". Zoo gezegd, zoo gedaan. Spoorslags reden de +drie jonkvrouwen naar het naburig kasteel, waar de slotvrouwe hare +dienares de vaas met de genezing brengende zalf overhandigde. "Wees er +zuinig mee", sprak zij, "en breng mij, wat er na gebruik overblijft, +zorgvuldig terug". Daarna beval zij haar een stel kleederen en wapenen, +zooals die aan Iwein's rang en stand pasten, mede te nemen, benevens +een fraai rijpaard. Van dit alles voorzien, begaf de jonkvrouw zich +opnieuw naar het bosch, waar zij Iwein nog in dezelfde houding vond +liggen. Voorzichtig legde zij de kleederen naast hem op den grond, +bond het paard met de teugels aan den boom vast, knielde toen bij +den slapenden ridder neer en wreef zijn hoofd en lichaam in met de +welriekende zalf. Daarop sloop zij voorzichtig heen, steeg te paard +en wachtte op eenigen afstand den loop der verdere gebeurtenissen af. + +Met een diepen zucht ontwaakte Iwein uit zijn bewusteloozen +toestand. Toen hij de oogen opsloeg en om zich heen zag, gevoelde hij +terstond, dat er iets met hem was voorgevallen. Het scheen hem toe, +of er een drukkende band van zijne hersenen was weggenomen, en hij +nu weer in staat was om helder te denken. Geen verwarde droombeelden +trokken langer in bonte rij voor het oog zijner verbeelding voorbij, +hij zag het groene woud om zich heen, hij hoorde het gekweel der vogels +in de dicht bebladerde takken boven zijn hoofd en voor 't eerst bezag +hij zichzelven met een gevoel van schrik en afschuw. Daar viel zijn +oog op de nieuwe uitrusting, welke voor hem gereed lag en op het +ongeduldig stampende strijdros. Als in een droom ontdeed hij zich +van de havelooze lompen, waarin hij gekleed was, en trok de fraaie +kleeren aan, wier fijne, zachte stoffen hem bij de eerste aanraking +vreemd aandeden. Daarna steeg hij te paard en toen hij den voet in den +stijgbeugel stak en den rug van het dier onder zich gevoelde, trokken +de laatste nevelen in zijn brein op om het licht der herinnering +vrijen doortocht te verleenen. Alles stond hem nu weer helder voor +den geest, zijn leven aan het hof, het bezoek van Luned, haar woorden +van smaad--maar van wat daarna geschied was, had hij slechts eene +verwarde herinnering, als van een benauwden koortsdroom. Hij vroeg +zich af, hoe hij zoo plotseling genezen kon zijn en wie de kleederen +en het paard aan hem gezonden kon hebben. Terwijl hij aarzelde, welke +richting hij uit zou rijden, ontwaarde hij tusschen de struiken de +jonkvrouw te paard en weldra vernam hij van haar, hoe zijne redding +zich had toegedragen. Gaarne voldeed hij aan haar verzoek om haar te +volgen naar het kasteel harer meesteres en aldaar aangekomen, bedankte +hij de burchtvrouwe in warme bewoordingen voor wat zij voor hem gedaan +had. Hij eindigde met haar zijne diensten aan te bieden, indien zij +haar van nut konden zijn. "Dat is helaas maar al te zeer het geval", +sprak zijne schoone gastvrouw zuchtend; "want mijne bezittingen worden +bedreigd door een boozen graaf, en wat vermag ik, zwakke vrouw, tegen +hem en zijne ridders?" "Welnu dan", antwoordde Iwein, "sta mij toe, +dat ik den strijd tegen uw vijand aanbind en zoo God wil, zal ik u +uit zijnen dwang bevrijden". Dit aanbod bleek te rechter tijd gedaan +te zijn, want reeds den volgenden morgen meldden de torenwachters +den aantocht van een groot leger, dat weldra zijne tenten rondom +het kasteel opsloeg en alles voor eene belegering in gereedheid +bracht. Den ganschen dag heerschte er groote bedrijvigheid in het +vijandelijke kamp, maar Iwein wachtte bedaard zijne kans af en eerst +toen de avond viel en de geluiden die uit de legerplaats van graaf +Aliers opstegen, allengs verstomden achtte hij het oogenblik gekomen +om zijn slag te wagen. In alle stilte wapende hij zich en gebood een +tiental aanhoorigen van het kasteel om hetzelfde te doen. Daarop gaf +hij bevel de ophaalbrug neer te laten en onder het aanheffen van een +luiden strijdkreet draafde hij met zijne volgelingen de hoofdpoort van +het kasteel uit. Alles wat hun in den weg kwam, werd terneergeveld +en hun uitval was zóó onstuimig en tevens zóó verrassend, dat de +dienaren van den graaf, die in de vallende duisternis het ware getal +hunner aanvallers niet naar juistheid konden schatten, in aller ijl +het hazenpad kozen. Links en rechts om zich heen slaand, baande Iwein +zich een weg door den verwarden drom van strijdende en vluchtende +knechten en bevond zich weldra tegenover den graaf, die in aller +haast te paard was gestegen om zijne manschappen te verzamelen. + +Met een behendigen zwaardstoot sloeg Iwein hem de strijdspeer uit de +hand en toen hij aldus zijn vijand in zijne macht had, dwong hij Aliers +voor hem uit te rijden in de richting van het kasteel. Zoo bracht hij +hem het slotplein op, waar de burchtvrouwe met haar gevolg in angstige +spanning den afloop van den strijd verbeidde, en deed hem neerknielen +voor haren zetel. De strijd was nu natuurlijk beslist. Graaf Aliers +moest plechtig beloven de bezittingen van Iwein's gastvrouw met rust +te laten en de helft zijner landgoederen als losprijs aan haar af te +staan. Eerst toen kreeg hij zijne vrijheid terug en mocht naar zijn +graafschap wederkeeren, terwijl in het kasteel de heugelijke afloop van +den strijd met blijden jubel werd gevierd. Den volgenden morgen kwam de +Vrouwe van het slot tot Iwein en sprak: "Edele Heer! hoe kan ik u ooit +genoeg danken voor wat gij voor mij en de mijnen gedaan hebt. Zonder +uw hulp stond ik thans arm en van have en goed beroofd in de wereld, +maar gij hebt mij gered uit de handen van dien booswicht. Daarom +kom ik tot u om u te vragen welke belooning ik u geven kan voor uw +menschlievend en dapper gedrag. Wanneer het voor u eenige waarde heeft, +zoo bied ik u mijzelve en al mijne bezittingen aan. Indien gij in ons +midden blijven wilt, zal ik u tot heer en meester maken van alles, +wat ik bezit en ik zelve zal mijn leven wijden aan uw geluk". + +Iwein schudde het hoofd: "Gij zijt mij geen dank verschuldigd, schoone +vrouwe", sprak hij ernstig, "zonder u zwierf ik nog als een wild dier +rond in de bosschen en het weinige, dat ik voor u deed, geschiedde uit +diepe erkentelijkheid. Is het bovendien niet de plicht van iederen +ridder om te strijden voor recht en billijkheid; om de zwakken te +steunen en de boozen te bestrijden? Wat nu verder uw aanbod betreft, +zoo dank ik u daarvoor uit het diepst van mijne ziel. Ik mag echter +de wonderschoone gave, die gij mij aanbiedt, niet van u aannemen, +want mijn hart is niet vrij, al ben ik ook veroordeeld om eenzaam, +zonder liefde, rond te dolen. Daarom moet ik verder gaan; mijne +smart laat mij geen rust om langeren tijd ergens te vertoeven. Sta +mij slechts toe om de uitrusting, die ge mij geschonken hebt, als +loon voor wat ik deed, mede te nemen en nu--Vaarwel!" + + + +_Van Iwein's verdere zwerftochten en van zijne ontmoeting met den +leeuw._ Daarop nam Iwein afscheid van de jonkvrouw, steeg te paard +en reed opnieuw de bosschen in. Nu de opwinding van den strijd +bedaard was, kwam de smart om het geluk, dat hij verspeeld had, met +vernieuwde kracht bij hem boven en in somber gepeins reed hij over +de smalle boschpaden, waar de takken zóó dicht naar elkaar toebogen, +dat zij in het voorbijrijden langs zijn gelaat streken. + +Plotseling werd hij opgeschrikt door een klagelijk gebrul en op het +geluid afgaand, bevond hij zich weldra op een open plek in het bosch, +waar een zonderling schouwspel zijn oog trof. In het midden lag +een groot rotsblok en uit eene diepe kloof daarin stak de kop van +eene slang, welke in gevecht was geraakt met een leeuw. Deze poogde +tevergeefs om voorbij de rots te komen, maar de slang schoot telkens +van uit de rots te voorschijn en spuwde haar venijn in de richting +van haren tegenstander. + +Toen Iwein dit zag, sprong hij uit het zadel, verborg zich in +het kreupelhout en het oogenblik te baat nemend, dat de slang zich +opnieuw vertoonde, sloeg hij haar met een enkelen zwaardslag den kop +af. Hij veegde zijn wapen af aan het lange gras en maakte zich gereed +om zich tegen den leeuw te verdedigen, toen hij tot zijne verbazing +zag, hoe het dier zich voor hem ter aarde wierp, op de buik naar hem +toekroop en met zijne breede tong zijne voeten trachtte te likken. Toen +Iwein het zwaard in de scheede stak en weer te paard steeg, volgde, +de leeuw hem als een hond. Op aandoenlijke wijze trachtte het dier +zijnen aangenomen meester zijne dankbaarheid te betuigen. Bij het +vallen van den avond, toen Iwein zijn legerplaats voor den nacht +in gereedheid wilde brengen en hout ging verzamelen voor een vuur, +was de leeuw hem daarbij behulpzaam en toen daarop Iwein zijn paard +verzorgde, verdween de leeuw, om na eenigen tijd terug te keeren met +een dooden reebok in zijn bek. Luide gaf hij zijne dankbaarheid te +kennen, toen zijn meester hem daarvan eenige stukken toewierp. + +Zoo zwierven deze vreemde metgezellen eenigen tijd samen rond en +naarmate de dagen tot weken en de weken tot maanden werden, voelden zij +zich steeds nauwer aan elkander verbonden. De trouwe aanhankelijkheid +van den leeuw deed Iwein weldadig aan en zijn gezelschap was hem op +dit oogenblik liever dan dat zijner medemenschen. + + + +_Hoe Iwein op zijn zwerftochten opnieuw aan de bron komt en van zijne +ontmoeting aldaar._ Na eenige maanden gebeurde het, dat de beiden op +hunne omzwervingen opnieuw bij de bron kwamen, waar Iwein Laudine's +echtgenoot verslagen had. Alles op die plek was onveranderd gebleven; +slechts de bladeren van den boom waren goudbruin inplaats van groen +en nu en dan vielen er eenige omlaag op den steen. Toen Iwein al deze +bekende dingen terug zag, die in hem de herinnering verlevendigden +aan de gebeurtenissen uit het verleden, werd hij opnieuw door zijne +smart overmeesterd en kreunend zonk hij naast de bron neer. Wat +baatte hem zijn bitter berouw en verlangen? Hij had gezondigd tegen +den wil zijner liefste, hij had haar verwaarloosd en vergeten in +de blinde jacht naar eer en aanzien en nu had hij voor altijd haar +verloren, zonder wie zijn bestaan voor hem geen waarde had! Wat zou +hij nog langer blijven voortleven? Liever dood, dan deze kwellende +eenzaamheid! Zijn besluit was genomen, met vaste hand greep hij zijn +zwaard en wilde er zich in storten, toen een smartelijk gehuil van +den leeuw hem van deze wanhoopsdaad terughield. Opziende bemerkte hij +hoe zijn trouwe metgezel zich voor hem op den grond wentelde van angst +en hem aanzag met een blik, zóó vol smartelijke verbazing, dat hij de +smeeking daarvan niet kon weerstaan. "Dit arme dier heeft mij lief", +zoo dacht hij, "en ter wille van hem zal ik in 't leven blijven." + +Nauwelijks had hij deze woorden tot zich zelven gesproken of hij hoorde +het geluid eener menschelijke stem, die scheen te komen uit eene kleine +kapel, welke op korten afstand van de bron was gelegen. Aanvankelijk +meende hij, dat hij het zich slechts verbeeldde, want het scheen +hem onmogelijk toe, dat zich inderdaad een menschelijk wezen op deze +eenzame plek zou bevinden, maar toen hij dichter bij de kapel kwam, +hoorde hij het geluid nog duidelijker en kon hij zelfs de woorden +onderscheiden. In het begin waren het slechts vage klanken, diepe +zuchten en smartelijk gekreun, maar na eenigen tijd verstond hij het +volgende: "Zou er iemand op de wereld zijn, die ongelukkiger is dan +ik? Nog één dag, nog een luttel aantal uren en ik zal een wreeden +dood sterven en toch heb ik niets gedaan om zulk een vreeselijk lot +te verdienen. Is er dan niemand, die mij helpen kan?" Daarop volgde +een wanhopig gesnik. Ontsteld luisterde Iwein toe. Aan de stem hoorde +hij, dat het eene vrouw was, die daarbinnen was opgesloten, wie kon +zoo wreed zijn om haar te willen dooden? Met zijne speer klopte hij +op de deur van de kapel en vroeg dringend: "Wie zijt gij? en waarom +klaagt gij zoo? Van welken kant dreigt u gevaar en waarmede kan ik u +helpen"? Een oogenblik was het stil in de kapel, toen begon de stem +weer te spreken, maar op geheel anderen toon. "Zou er werkelijk nog +redding voor mij komen opdagen? Ik hoor het aan uwe stem, die een +vriendelijken, bijkans vertrouwden klank heeft: gij zijt mij goed +gezind! Welnu, luister dan, want de tijd dringt en zoo ge mij helpen +wilt, dient dit spoedig te geschieden. Mijn naam is Luned en tot voor +korten tijd was ik de vertrouwde dienares van eene rijke, edele vrouwe, +Laudine genaamd. De voorkeur, die zij mij schonk, wekte echter groote +afgunst onder hare volgelingen, die steeds erop bedacht waren om mij +tegenover mijne meesteres in een zwart daglicht te stellen. Eindelijk +scheen hun dat te gelukken; ik werd van verraad beschuldigd door +den hofmeester en zijne beide broeders en hunne aanklacht was zoo +listig opgezet, dat zij allen schijn van waarheid bezat. Toen heb ik, +dwaze, in een oogenblik van hooghartigen overmoed, hun toegeroepen, +dat ik gemakkelijk een ridder zou kunnen vinden, die mijn goeden +naam met de kracht van zijn zwaard tegen hen zou willen verdedigen en +terstond namen zij mijne uitdaging aan. Zij gaven mij veertig dagen +uitstel, om een ridder te zoeken, die voor mijne zaak wilde strijden, +doch wanneer ik hem na afloop van dien termijn niet gevonden had, +zouden zij mij op den brandstapel terechtstellen. Gisteren waren de +veertig dagen verstreken en ik heb tevergeefs gezocht, want er zijn +slechts twee ridders, die mij kunnen helpen: de één is Heer Iwein, +maar helaas, ik weet niet, of hij leeft, of dood is, en de ander, +Heer Walewein, was juist afwezig, toen ik aan het hof kwam, om zijne +hulp in te roepen. Mijne belagers hebben mij nu hier opgesloten en +morgen in den namiddag zal het vonnis aan mij voltrokken worden". + +Het is moeilijk de aandoeningen te beschrijven, die zich van Iwein's +gemoed meester maakten bij het hooren van dit droevig verhaal. Het +was dus Luned, de trouwe dienares, die hem in het schoone verleden +zulke onschatbare diensten had bewezen, die nu in zulk een groot +gevaar verkeerde. Hoe dankte hij God, dat hij te rechter tijd aan de +bron was gekomen om haar te redden, aan wie hij zooveel verschuldigd +was? Met ontroerde stem sprak hij: "Wees niet langer bevreesd, Luned, +ik ben Iwein, die tot u spreekt en ik zal u helpen, opdat ik aan u goed +moge maken, wat ik tegenover uwe meesteres misdeed. Morgen zal ik op +den vastgestelden tijd aanwezig zijn om u te verdedigen. Noem echter +mijn naam niet, wat ik u bidden mag, want ik wensch niet herkend te +worden. Morgen zien wij elkander hier!" + +Daarop reed Iwein verder, om zoo mogelijk een onderkomen voor den +nacht te vinden. Met het oog op den komenden strijd verlangde hij +zich eenige uren uit te kunnen strekken op een zachter rustbed +dan de woudbodem hem bieden kon en ook lachtte het denkbeeld hem +toe, om zich voor 't eerst na langen tijd aan een goed voorzienen +disch te schikken. Met blijdschap ontdekte hij daarom de tinnen van +een kasteel en hij spoorde zijn vermoeid paard aan tot vernieuwden +spoed. De hoofdpoort van den burcht werd bewaakt door vier gewapende +lansknechten, die bij zijne nadering eerbiedig ter zijde traden om +hem door te laten. Toen zij echter den leeuw bespeurden, die Iwein +nog steeds op den voet volgde, wierpen zij onder luide angstkreten +hunne wapenen weg en renden ijlings het voorplein op. Iwein riep hen +evenwel terug en stelde hen met een enkel woord gerust. Toen zij hem +echter verzochten, den leeuw buiten het kasteel te laten, weigerde hij +beslist, zulks te doen. Zoo traden dus de beiden het kasteel binnen, +waar Iwein welwillend werd ontvangen door den burchtheer, zijne dochter +en een talrijk gevolg van edelen. Ondanks de vriendelijke ontvangst, +bemerkte hij spoedig, dat alle aanwezigen in eene gedrukte stemming +verkeerden. Zijn gastheer staarde bijwijlen somber voor zich uit +en zijne schoone dochter wischte nu en dan steelsgewijze eenige +tranen weg. + +Bezorgd vroeg Iwein naar de oorzaak van deze gedruktheid en na eenig +aarzelen gaf zijn gastheer hem ten antwoord: "Weliswaar past het mij +niet, om onzen gast te onthalen op een verslag van onze tegenspoeden, +maar het zou ten slotte onmogelijk zijn de noodlottige ramp, die ons +dreigt, voor u te verbergen. Weet dan, dat de omtrek hier onveilig +gemaakt wordt door een reus, Harpijn genaamd. Dit monster heeft mijne +bezittingen reeds grootendeels verwoest, maar erger nog dan dat, +hij heeft twee mijner vier zonen op gruwelijke wijze om het leven +gebracht. Toen nu onlangs de beide anderen in het bosch op de jacht +waren, heeft hij hen onverhoeds overvallen en gevankelijk met zich mede +gevoerd. Hij dreigt hen het lot hunner ongelukkige broeders te doen +ondergaan, indien ik hem niet mijne dochter tot vrouw wil geven. Morgen +komt hij mijn antwoord halen en hij zweert, dat hij mijne zonen voor +mijne oogen zal dooden, als ik weiger. Gij kunt u denken, wat er in +mij omgaat! Mijne zoons zijn mij dierbaarder dan mijn leven, maar +aan den anderen kant is het mij onmogelijk, mijne dochter, het licht +mijner oogen, aan een dergelijk monster over te leveren. Tevergeefs +zond ik een bode naar het hof van koning Arthur ten einde Walewein, +mijn zwager, te verzoeken, mij te helpen. Ik zelve ben oud en zwak en +geen mijner volgelingen durft den strijd tegen den reus aan te binden". + +Diep ontroerd door de smart van den grijzen ridder bood Iwein hem +aan, om te trachten zijne zoons uit de klauwen van het monster te +bevrijden, zonder daartoe zijne dochter op te offeren. "Ter wille van +de gastvrijheid, die gij mij ondanks uwe droevige omstandigheden zoo +vriendelijk geboden hebt, en ook ter wille van uwe verwantschap tot +Walewein, mijn vriend, bied ik u mijne diensten aan, indien tenminste +de strijd morgen vroeg kan plaats vinden, want in den namiddag heb +ik mijn woord gegeven, om elders te strijden". Groot waren de vreugde +en dankbaarheid van den burchtheer en zijn gezin. + +Toen de morgen aanbrak, meldden de wachters op de wallen de nadering +van den reus. Deze was inderdaad een afschrikwekkend monster; zijn +borstelig haar stond recht overeind, zijne oogen rolden onheilspellend +en zijn reusachtig lichaam rustte op twee kromme beenen, waardoor hij +een waggelenden gang kreeg. Met bulderende stem riep hij den burchtheer +toe, hem zijne dochter uit te leveren en dreigend zwaaide hij zijne +knots tegen de twee ongelukkige jongelingen, die hij meer dood dan +levend achter zich aan sleepte. De arme vader, die zich van angst +nauwelijks op de been kon houden, gaf hem ten antwoord, dat hij de +zaak wilde doen beslissen in een tweegevecht, waartoe een ridder uit +zijn slot zich bereid had verklaard. Met een vreeselijken hoonlach +nam Harpijn de uitnoodiging aan en een oogenblik later reed Iwein +met gesloten vizier de poorten van het kasteel uit. Toen de reus +hem zag naderen, schoot hij hem onder afschuwelijk gebrul tegemoet +en zwaaide onheilspellend zijne knots, maar Iwein liet zich niet +afschrikken en richtte zijne speer nauwkeurig op de borst van zijnen +vijand. Zijn krachtige stoot deed den reus achterover tuimelen, +een breede bloedstroom golfde uit de wond, maar nog wist Harpijn +zich op de been te houden en in razende woede sloeg hij thans op +Iwein los. Deze had alle moeite om zich staande te houden en de +beukende slagen van zijn aanvaller zooveel mogelijk te ontwijken, +toen plotseling de leeuw, die in angstige spanning den strijd van +zijn geliefden meester had gadegeslagen, met een luid gebrul naar +voren sprong en met zijne scherpe klauwen den reus van het hoofd +tot de voeten het vel van het lichaam scheurde. Iwein vatte bij het +zien van deze onverwachte hulp nieuwen moed, greep zijn slagzwaard +en scheidde met een enkelen slag zijn tegenstander het hoofd van den +romp. Terstond schalden luide juichkreten van de muren van den burcht; +de poorten werden opengeworpen en eene groote menigte stroomde naar +buiten en omringde Iwein met uitbundige dank- en vreugdebetuigingen. De +beide zoons van den slotheer werden behoedzaam naar binnen geleid, +waar zij onder de teedere zorgen hunner moeder weldra het doorgestane +leed vergaten en Iwein werd gehuldigd als hun aller helper in den nood. + +Onder al deze gebeurtenissen was de zon allengs haar toppunt +genaderd en onze held maakte zich haastig gereed om naar de kapel +te rijden. Tevergeefs noodigde zijn gastheer hem uit om na afloop +van den strijd terug te keeren en eenigen tijd in zijn kasteel te +vertoeven. Iwein wist maar al te wel, dat er voor hem geen plaats +bestond, waar hij rust en verpoozing kon vinden, zoolang de smart +over zijne scheiding van Laudine hem kwelde. Het eenige bestaan, +dat hem dragelijk toescheen, was een rusteloos voortjagen van het +eene avontuur naar het andere, in welk opwindend bestaan hij eene +tijdelijke vergetelheid vond voor zijn knagend verdriet. + +Na een ademloozen rit kwam hij nog juist op tijd bij de kapel aan. Een +talrijke menschendrom had zich op de vlakte verzameld om de uitspraak +van het vonnis bij te wonen en hoog boven de menigte uit sloegen +reeds de lekkende vlammen van den brandstapel. + +Maar Iwein zag niets van dit alles. Zijn blik bleef gespannen op +één punt, waar op eene kleine verhevenheid, Laudine troonde. Met +begeerige oogen nam Iwein het dierbare gelaat in zich op, het was +bleek en ernstig en de mooie, blauwe oogen zagen droef en peinzend +voor zich uit. Men kon zien, dat zij in deze treurige zaak slechts +den wil van hare aanhoorigen volgde, maar dat haar hart ineenkromp bij +de gedachte aan het vreeselijk lot dat Luned zou treffen. Deze stond +met gebogen hoofd en op den rug samengebonden handen haar vonnis af +te wachten. Toen zij het gedreun van naderende paardenhoeven hoorde, +lichtte zij het hoofd op en een zwakke straal van vreugde verlichtte +haar bleek en beschreid gelaat. + +"Gij komt juist op tijd, edele heer", sprak zij, "ik vreesde reeds, +dat gij uwe belofte niet zoudt nakomen, moge God u bijstaan in den +komenden strijd!" + +Iwein groette eerbiedig Laudine en alle verdere aanwezigen, zonder +echter zijn vizier op te lichten, daarna wendde hij zijn paard in de +richting van den hofmeester en zijne broeders, die Luned van verraad +beschuldigd hadden en daagde hen met luider stem uit ten strijde. Toen +zijne tegenstanders den leeuw zagen, die met dreigend opgeheven kop +achter zijn meester bleef staan en de lucht deed trillen van zijn +vervaarlijk gebrul, waagden zij zich niet voorwaarts en eischten van +Iwein, dat hij het dier buiten den strijd zou laten. Iwein gebood +den leeuw toen te gaan liggen, aan welk bevel hij gevolg gaf. Daarop +begon de strijd van drie tegen één. Door zijne buitengewone krachten +en behendigheid wist Iwein de slagen af te weren, die van alle zijden +op hem neerregenden. Zelf slaagde hij er na korten tijd in, den +hofmeester uit het zadel te lichten. Deze viel met een doffen smak op +den grond, maar richtte zich weldra op en kwam met het zwaard in de +hand op hem toe. Toen de leeuw dit nieuwe gevaar voor zijn heer zag +opdagen, kon hij zich niet langer bedwingen. Met één sprong wierp hij +zich op den hofmeester en verpletterde hem onder zijne klauwen. De +beide broeders van den ongelukkige keerden zich nu tegen den leeuw, +dien zij verscheidene diepe wonden toebrachten, maar toen Iwein het +bloed zag vloeien van zijne trouwen makker, ontstak hij in zulk eene +heftige woede, dat hij weldra zijn beide tegenstanders ter neder +geveld had. Daarop wierp hij hunne lichamen op den brandstapel met +den uitroep: "Zoo moge het allen verraders vergaan!" + +Groot was de vreugde allerwegen over Iwein's overwinning, want de +hofmeester was gehaat en gevreesd bij zijne onderhoorigen. Laudine +dankte den ridder, met tranen van dankbaarheid in de oogen, voor +de hulp aan hare dierbare vriendin bewezen en verzocht hem haar te +volgen naar haar kasteel om aldaar genezing te vinden voor de wonden, +die hij in den strijd had opgedaan. Maar Iwein, die begreep, dat deze +vriendelijke bejegening niet hemzelf gold, maar den vreemdeling, dien +zij in hem zag, weigerde hoffelijk, maar beslist, aan hare uitnoodiging +gevolg te geven. "Zeg mij dan tenminste uwen naam", sprak Laudine, +"opdat ik weten zal, wien ik zooveel dank verschuldigd ben!" "Vrouwe, +men noemt mij den Leeuwenridder", antwoordde Iwein, "meer kan en +wil ik u niet zeggen. Vaarwel! en moge de hemel u beschermen en elke +droefenis, die u drukt, in blijdschap doen verkeeren!" + +Met deze woorden nam hij afscheid van Laudine, maar vóór zijn vertrek +wist hij nog in 't geheim eenige woorden met Luned te wisselen. "Bewaar +het geheim van mijn naam", verzocht hij haar, "maar wanneer gij iets +voor mij wenscht te doen, beproef dan mijne vrouw gunstig voor mij +te stemmen en eene verzoening tusschen ons beiden mogelijk te maken". + +Luned beloofde gaarne zulks te doen en nadat zij hem nogmaals haar +innigen dank had betuigd, reed Iwein verder. Hij kwam echter slechts +moeilijk vooruit, want de vele verwondingen, die hij in den strijd +had opgeloopen, maakten het hem bijna onmogelijk zich in het zadel +overeind te houden en ook de leeuw sleepte zich moeizaam verder. Toen +hij dus na korten tijd voorbij de muren van een slot kwam, aarzelde +hij niet, daar een onderkomen te verzoeken. De ontvangst, die men hem +bereidde, overtrof zijne stoutste verwachtingen. De bewoners omringden +hem en zijn leeuw met vriendelijke zorgen, zij ontdeden hem van zijne +wapenrusting en kleederen, wieschen zijne wonden en bestreken ze met +een pijnstillend middel en geleidden hem toen naar een luchtig vertrek +waar hij, na een hartig maal genoten te hebben, eene zachte legerstede +vond om zijne vermoeide en stijve ledematen op uit te strekken. + +In deze gastvrije omgeving nemen wij tijdelijk afscheid van onzen +held om onzen blik te richten op andere gebeurtenissen, welke het +land in beroering brachten. + + + +In een naburig graafschap woonden twee zusters, die na den dood +van haar vader in strijd waren geraakt over de verdeeling zijner +nagelaten bezittingen. De oudste der beiden, eene valsche, begeerige +vrouw, was niet tevreden met het deel der goederen, dat haar, rechtens +haars vaders laatste beschikkingen, was toegewezen en in alle stilte +ging zij naar het hof, om een ridder te zoeken, die de andere helft +der bezittingen voor haar zou willen bemachtigen. De beschrijving, +die zij den koning van haren toestand en de houding harer zuster gaf, +was geheel bezijden de waarheid en zij wist haar verhaal op zulk eene +aandoenlijke wijze voor te dragen, dat Walewein, tot wien zij zich +richtte, haar beloofde het zwaard voor haar op te nemen. Hij verzocht +haar echter onder geene voorwaarde zijn naam te noemen. Intusschen +had de jongere zuster ingezien, dat zij zonder geweld van wapenen haar +rechtmatig erfdeel nooit zou kunnen behouden; ook zij begaf zich dus +naar het hof om de hulp van een ridder in te roepen. + +Walewein, wien zij om hulp verzocht, moest haar echter zijn steun +ontzeggen, al deelde hij haar de reden zijner weigering niet mede. + +Diep teleurgesteld bezon de jonkvrouw zich, tot wien zij zich nu zou +wenden, maar geen der andere ridders boezemde haar zóóveel vertrouwen +in, als juist Walewein. Toen gebeurde het, dat er aan het hof geruchten +doordrongen over den moed en de behendigheid van den Leeuwenridder. De +edelman, wiens zonen Iwein uit de handen van den reus had verlost, +kwam aan het hof en gaf in geestdriftige bewoordingen uiting aan zijne +dankbaarheid jegens den onbekende, die hem en den zijnen onschatbare +diensten had bewezen. Hij vertelde Walewein, hoe de vreemde ridder +zich zijn vriend had genoemd en hoe hij het heldenfeit gedeeltelijk +om zijnentwille volbracht had. Toen de jonkvrouw zooveel hoorde +spreken over dezen befaamden Leeuwenridder, die, zoo zeide men, reeds +eenmaal eene jonkvrouw van den brandstapel gered had, besloot zij aan +hem en geen ander te vragen, of hij haar helpen wilde. Zij verzocht +den koning, haar veertig dagen uitstel van vonnis te geven, wat haar +werd toegestaan en nog dienzelfden dag besteeg zij haren telganger om +haren moeilijken tocht te ondernemen. Dagen achtereen reed zij voort, +maar nergens kon zij een spoor ontdekken van hem, dien zij zocht. Wel +hadden alle menschen, die zij op haren weg ontmoette, wondere verhalen +gehoord over de heldendaden van den Leeuwenridder, maar niemand +wist te zeggen, waar hij zich op het oogenblik bevond. Wanhopig +vervolgde het arme meisje haren tocht: door bosschen en velden, +langs diepe ravijnen en gapende bergkloven. De regen sloeg haar in +'t gezicht en doorweekte hare kleederen. de zon verblindde hare +oogen en verschroeide hare teedere huid, maar zij sloeg geen acht +op dit alles en reed voort, altijd voort, zich slechts terwille van +haar paard nu en dan eenige uren rust gunnend. Zoo kwam zij ook aan +het kasteel van Laudine, waar men haar vertelde van de bevrijding +van Luned en van de vreeselijke straf, die de vreemde ridder haren +beschuldigers had doen ondergaan. Toen zij verzocht te mogen vernemen, +in welke richting de Leeuwenridder vertrokken was, bracht men haar +naar Luned, die haar op vriendelijke wijze te woord stond en zelfs +aanbood haar een eindweegs te vergezellen, tot aan de plaats waar zij +haren redder vaarwel had gezegd. Toen reed de jonkvrouw weer op goed +geluk verder en kwam weldra aan het kasteel waar Iwein zoo liefderijk +verpleegd was. Op hare vraag of men aldaar ook een ridder kende, +die vergezeld van een leeuw door het land trok op avontuur, kreeg +zij tot hare groote vreugde ten antwoord, dat hij, dien zij zocht, +slechts eenige uren tevoren, het slot had verlaten en dat de hoefsporen +van zijn paard nog duidelijk den weg aangaven, dien hij gekozen had. + +Bij het vernemen van deze blijde tijding besteeg de jonkvrouw ijlings +weer haren telganger en reed in snellen draf in de aangeduide +richting. Weldra bespeurde zij in de verte, een ruiter, die zich +slechts langzaam voortbewoog. Spoedig had zij hem ingehaald en gelukkig +bleek het de lang gezochte te zijn. In korte bewoordingen legde zij hem +haar geval uiteen en terstond beloofde Iwein haar te zullen helpen. Te +zamen trokken zij nu op naar het hof van koning Arthur, waar zij +korten tijd vóór den afloop van den gestelden termijn aankwamen. Toen +de dag was aangebroken, waarop de zaak der zusters beslist zou worden, +liet de koning haar beiden voor zich verschijnen en trachtte nogmaals +door eene minnelijke schikking het geschil tot eene oplossing te +brengen. De jongste zuster was geneigd om hiertoe mede te werken, +maar de oudste, die hare verwachtingen bouwde op den sterken arm van +Walewein, weigerde hooghartig om met welke schikking dan ook genoegen +te nemen. Zij stond er op, dat de zaak, zooals afgesproken was, +door een tweestrijd op leven en dood beslist zou worden. Daarbij +rekende zij er op, dat hare zuster er niet in geslaagd zou zijn, +een beschermer te vinden en indien zij er al een gevonden had, zou +hij toch zeker niet opgewassen zijn tegen Walewein. De laatste had +zich eenigen tijd tevoren uit de stad verwijderd en kwam nu op het +vastgestelde tijdstip het strijdperk binnenrijden, gekleed in eene +vreemde wapenrusting. Reeds wilde de oudste jonkvrouw zich smalend +tot hare zuster wenden met de vraag, waar nu háár kampioen bleef, +toen Iwein, die zich tot dusver in de stad verborgen had gehouden, +in fiere houding van de andere zijde het perk binnenreed. + +Weldra gaven drie korte bazuinstooten het sein, dat het gevecht een +aanvang zou nemen en in gestrekten draf reden de beide ridders op +elkander toe. Hadden zij zich slechts aan elkander bekend gemaakt, +hoe geheel anders zou dan hunne ontmoeting geweest zijn! Nu sloegen de +zwaarden met kletterend gedruisch tegen elkaar, de rossen steigerden +en snoven en hulden de strijders in een wolk van opdwarrelend zand, +de helmen weerkaatsten de felle zonnestralen en de kleurige schilden +zwaaiden van de eene zijde naar de andere. Het scheen of het gevecht +eindeloos zou voortduren, nu eens was het of Iwein, dan weer of +Walewein de zege zou behalen, maar steeds wist de andere partij zich +te herstellen en wierp zich met vernieuwde woede in den strijd. Toen +eindelijk de avond begon te vallen en de duisternis de beide helden +aan het oog der toeschouwers dreigde te onttrekken, hief Iwein de hand +met het schild erin omhoog en sprak: "Wakkere vijand! de vallende +schemering maakt het ons onmogelijk, om verder te strijden. Niemand +zal het ons ten kwade duiden, indien wij ons gevecht staken. Vóór wij +echter scheiden, zeg mij, bid ik u, wie gij zijt want nog nooit heb +ik zulk een sterken tegenstander te bestrijden gehad, als op den dag +van heden". "Mij gaat het evenzoo", antwoordde Walewein op hoffelijken +toon, "nimmer nog had ik zóóveel moeite om mij tegenover mijn vijand +staande te houden. Wat nu uw verzoek betreft, ik wil daar gaarne aan +voldoen. Mijn naam is Walewein en ik ben de zoon van Lot, koning der +Orcadische eilanden." Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, +of Iwein wierp zijn zwaard ver van zich af, sprong van zijn paard +en snelde op Walewein toe met de woorden: "Walewein, mijn dappere, +edele vriend! Welk een afschuwelijk misverstand heeft hier plaats +gehad! Zie mij aan, ik ben Iwein, uw neef!" Groot was de vreugde over +deze ontmoeting, de beide vrienden omarmden elkander en stortten +tranen van aandoening over dit treffend wederzien. Daarna begaven +zij zich naar den koning, waar een edelmoedige strijd begon over de +vraag, wien de lauweren der overwinning toekwamen. Iwein wilde ze +aan Walewein en deze wederkeerig aan Iwein toegekend zien. Eindelijk +besloten zij de beslissing aan den koning over te laten en deze +sprak in tegenwoordigheid van het gansche hof het eindvonnis uit, +waarbij de bezittingen gelijkelijk onder de zusters werden verdeeld. + +Daarop gaf hij last, de wonden der beide helden door bekwame +heelmeesters te doen onderzoeken en verbinden. Terwijl men hiermede +bezig was rende plotseling onder vervaarlijk gebrul de leeuw het +paleis binnen. Sinds vroeg in den morgen zocht hij zijn meester, +want Iwein had hem in alle stilte en heimelijk verlaten, opdat het +trouwe dier zijn vertrek niet zou bemerken. Toen de leeuw zijn heer +nu terugvond uitte hij zijne vreugde door in groote sprongen om hem +heen te loopen, zijne handen en voeten te likken en een luid gebrul +uit te stooten. De hovelingen, die aanvankelijk bij het zien van den +leeuw vol schrik waren weggevlucht, maar op eenige geruststellende +woorden van Iwein weer naderbij kwamen, riepen vol vreugde uit: +"Heil den Leeuwenridder! den dapperen bestrijder van reuzen, den +edelen redder van jonkvrouwen!" + +Toen Walewein zag, dat de befaamde Leeuwenridder en Iwein één en +dezelfde persoon waren, dankte hij hem voor wat hij voor zijne zuster +gedaan had; en vervolgens begaven de beide vrienden zich naar de +feestzaal van het paleis, waar een rijk voorziene disch hen wachtte. + + + +_Hoe Iwein zich opnieuw naar de bron begeeft en hoe hij zich met +Laudine verzoent._ Na eenige dagen rust genoten te hebben, maakte +Iwein zich weer reisvaardig, ondanks de dringende smeekbeden van +zijne vrienden, die hem althans eenigen tijd aan het hof wenschten te +behouden. Hij kon niet langer bevrediging vinden in de afleidingen +van het hoofsche leven, zijn hart werd nog steeds verteerd van +verlangen naar Laudine en temidden van de vroolijkste jachtpartijen en +uitbundigste feestgelagen verviel hij somtijds in een droef gepeins, +waaruit zijne vrienden hem slechts met moeite wisten los te rukken. + +Daarom maakte hij zich op zekeren morgen, toen alle bewoners van +het kasteel nog sliepen, reisvaardig en trok opnieuw de wereld +in. Als vanzelf stuurde hij zijn paard in de richting van de bron +en niet lang daarna stond hij weer onder de breede takken van den +ouden boom. Door nieuwsgierigheid gedreven, greep zijne hand naar +den ketting. Wat zou er gebeuren indien hij opnieuw de toovermachten +uit de bron opriep? Zou een ander ridder zijn plaats hebben ingenomen +en als Laudine's beschermer aan den horizont verschijnen? Hij moest, +hij zou zekerheid hebben! + +Met vaste hand liet hij den schotel in de bron neerdalen, haalde haar +gevuld omhoog en schudde eenige waterdroppels op den steen. + +Terstond herhaalden zich de hem bekende natuurverschijnselen. De donder +rommelde, de bliksemstralen schoten langs den donkeren hemel en de +hagelsteenen kletterden ratelend op hem neer. In spanning wachtte +hij het einde van het onweer af. Eindelijk werd de lucht weer blauw, +de vogels streken neer op den boom, maar geen ruiter vertoonde zich +in de verte. + +Terwijl Iwein links en rechts spiedde of er geen ridder ter verdediging +van de bron opdaagde, heerschten in het kasteel van Laudine groote +angst en verslagenheid. Een vreemde ridder, zoo zeide men, was aan de +bron verschenen en had de tooverkrachten, die daarin verscholen lagen, +in werking gesteld. Ten gevolge van deze daad dreunde het slot weldra +op zijn grondvesten en de angstige bewoners, die in groepen bij de +vensters in de groote zaal stonden samengeschoold, tuurden angstig +naar buiten, in de onheilspellende duisternis. Nu en dan verlichtte +een kronkelende bliksemflits het landschap en toonde aan de bevende +toeschouwers, hoe de zware hagelsteenen als een vernieling brengende +regen op veld en akker neervielen. + +In wanhoop wrong Laudine hare handen en vertwijfeld vroeg zij zich af, +wat er straks geschieden zou, wanneer de vreemde ridder niemand vond +om hem voor zijn onheilsdaad te straffen. Ten einde raad wendde zij +zich om steun tot Luned en deze, die wel vermoedde, wie de vreemde +ridder was, gaf haar ten antwoord: "Hooge Vrouwe! het is moeilijk u te +raden, want gij verkeert inderdaad in een zeer benarden toestand. Is +er dan niet één onder uwe ridders, die den strijd tegen den vreemdeling +durft aanbinden?" + +"Ach neen, Luned", antwoordde Laudine weenend, "gij weet toch, dat +velen hunner afwezig zijn en dat er voor deze onderneming meer moed +en zelfopoffering noodig zijn, dan ik onder degenen, die hier zijn, +zal kunnen vinden. Één was er, die niet geaarzeld zou hebben, maar +hij...." hier werd haar stem door snikken onderbroken en luid klagend +sloeg zij de handen voor het gezicht. + +"In dat geval ken ik slechts één man, die u helpen kan en dat is hij, +dien men den Leeuwenridder noemt", sprak Luned, "en gaarne zou ik +hem voor u gaan zoeken, ware het niet dat hij slechts onder ééne +voorwaarde u zal willen helpen en ik weet niet, of gij die zult +willen vervullen." "Spreek! welke is die voorwaarde", viel Laudine +haar in de rede, "indien het in mijne macht staat haar te vervullen, +zal ik niet aarzelen dit te doen." + +"Welnu dan, luister!" zeide Luned, "deze ridder leeft sinds langen +tijd in onmin met zijne gemalin, die hij nochtans boven alles +liefheeft. Hij kent geen anderen wensch op aarde dan zich met haar +te verzoenen en eischt van elk, wien hij zijn diensten aanbiedt, +dat hij of zij alles zullen doen, wat in hun vermogen ligt, om die +verzoening tot stand te brengen. Wilt ook gij daartoe uwe medewerking +verleenen?" Laudine ademde verruimd op, zij had een moeilijker te +vervullen eisch verwacht. "Welzeker wil ik dat", antwoordde zij +vriendelijk, "voorwaar, zulk een dapper, edel man verdient niet door +eene vrouw verstooten te worden!" "Zweer mij dan op dit heilig boek", +sprak Luned, "dat gij uw woord zult houden", en Laudine voldeed aan +haar verzoek. + +Daarop begaf de trouwe dienares zich in aller ijl naar de bron, +waar zij haar vermoeden bewaarheid vond. Iwein zat onder den boom, +en staarde peinzend voor zich uit, het hoofd gesteund op de hand. Vóór +hem lag de leeuw, met zijn trouwen blik op het gelaat zijns meesters +gericht. Toen deze Luned zag naderen, sprong hij verheugd op, want +aan de uitdrukking van haar gelaat zag hij, dat zij goede tijding +bracht. Nadat hij van haar vernomen had, welke plechtige belofte +zij Laudine had afgedwongen, kende zijne blijdschap geene grenzen +meer en ontroerd kuste hij haar de hand met tranen van vreugdevolle +dankbaarheid in de oogen. Zonder een oogenblik te verliezen begaven zij +zich op weg naar het kasteel, waar hunne nadering met vreugdekreten +werd begroet. De tijding van hunne aankomst drong spoedig door tot +Laudine, die bij het hooren ervan een zucht van blijde verlichting +slaakte. Terstond gaf zij bevel, den vreemdeling in hare vertrekken +te ontbieden en weldra traden Luned en de Leeuwenridder hare kamer +binnen. Toen Iwein voor den zetel was gekomen van haar, die hij zoo +innig liefhad, naar wie al zijne verlangens, al zijn denken en streven +der laatste jaren waren uitgegaan, viel hij eerbiedig op de knieën voor +haar neer en drukte den zoom van haar kleed aan zijne lippen. Laudine +echter stak hem vriendelijk de hand toe, deed hem opstaan en zeide: +"Heb dank, dat gij gekomen zijt, edele Heer! en weest overtuigd +dat ik alles zal doen, wat in mijn vermogen ligt, om de voorwaarde, +die ge mij steldet, te vervullen!" + +Hier kwam Luned op vroolijken toon tusschenbeide: "Niemand kan +dit beter dan gij", sprak zij lachend, "en al moge dit u vreemd +toeschijnen, gij zult mijne woorden beter begrijpen, wanneer gij den +Leeuwenridder eens goed in 't gelaat ziet!" + +Iwein begreep, dat het beslissende oogenblik gekomen was, hij +sloeg langzaam het vizier omhoog en zag Laudine smeekend aan. Deze +deinsde achteruit met een kreet van schrik en allerlei verschillende +gewaarwordingen doorkruisten hare ziel. Een blik op Iweins gelaat +deed het geheele verleden in haar ontwaken; zij doorleefde weer het +volmaakte geluk der eerste huwelijksmaanden, de smart om de wreede +scheiding, het smachtend verlangen naar Iweins terugkomst, gevolgd +door het gevoel van bittere vernedering, toen de termijn verstreek, +zonder dat hij tot haar wederkeerde. Daarna de lange strijd tusschen +haar trots en haar liefde, waarin ten slotte de laatste, naar zij +meende, de nederlaag had geleden. Vreemd, nu hij daar vóór haar stond +en haar aanzag met dien innigen, smeekenden blik scheen het of de +muur van gekrenkten hoogmoed, dien zij met zooveel strijd en moeite +tusschen hen beiden had opgetrokken, als sneeuw versmolt voor de zon +harer liefde, die haar woorden van vergeving en teederheid naar de +lippen drong en die haar de handen naar hem deed uitstrekken in een +gebaar van hulpeloos verlangen. Maar neen, zij kon en wilde zich niet +zoo gewonnen geven! Had zij dan geen trots meer, was zij vergeten, +hoe deze man haar gekrenkt en vernederd had en haar tot een voorwerp +van spot en beklag had gemaakt in de oogen harer dienaren? Neen, +duizendmaal neen! liever sterven van verdriet en verlangen dan hem +toonen, hoe groot de macht was, die hij over haar bezat. Met geweld +dwong zij de woorden van liefde terug, welke haar op de lippen zweefden +en toen zij sprak, was haar stem ijskoud: + +"Wat beduidt dit vreemde spel, Heer ridder? Is het nog niet genoeg, +dat gij mij eens voorgelogen hebt? Wilt gij thans ten tweede male +misbruik maken van mijn goed vertrouwen? Welnu dan, wees gerust, +den eed, dien ik gezworen heb, zal ik houden, maar vraag mij niets +meer!" Vóór zij zich evenwel kon afwenden, begon Iwein te spreken. Hij +vertelde haar alles, wat hem in de laatste jaren overkomen was; hij +smeekte haar om vergiffenis voor wat hij misdreven had en verhaalde +haar, wat er sindsdien gebeurd was; hij beschreef haar zijn waanzin, +zijn rusteloos zwerven, zijn dwalen van 't eene avontuur naar 't +andere en zijne blijdschap, toen hij eene kans zag om zich met haar +te verzoenen. Uit dit alles sprak zooveel eerlijk schuldbewustzijn, +maar ook zooveel innige liefde, dat Laudine het steeds moeilijker vond, +om zich tegen den verzachtenden invloed, die van zijne woorden uitging, +te verzetten. Peinzend zag zij op hem neer. Wat zou zij doen? Haar +gevoel van eigenwaarde eischte van hem eene volledige boete, welnu, +die had hij gedaan. Als een berouwvol zondaar lag hij voor haar +nedergeknield, het hing slechts van haar af, of hij eindeloos gelukkig, +dan wel diep rampzalig uit die houding zou opstaan. + +Nu dan, zij zou goedertieren zijn en ze _kon_ dit zijn, zonder gevaar +voor zichzelve. Immers, deze man, dat voelde zij duidelijk, zou haar +nooit weer verlaten en haar wil zou voortaan ook de zijne zijn. + +Toen Iwein dan ook zijn verhaal beëindigd had en haar met eene stomme +vraag in de oogen aanzag, reikte zij hem hare beide handen en liet toe, +dat hij haar in zijne armen nam. + +Daarmede namen de zwerftochten van den Leeuwenridder een einde. Hij +aanvaardde opnieuw het beheer over Laudine's bezittingen en leidde +met haar samen een lang en gelukkig leven. Nooit ontstond er meer +eenige verwijdering tusschen hen en de liefde, die zij elkander +toedroegen, maakte hun leven gelijk aan een klaren, blauwen hemel, +zooals wij dien zien, wanneer de storm is uitgewoed en de wind de +donkere wolken heeft verjaagd. + + + + + +INLEIDING TOT DE SAGE VAN TRISTAN EN ISOLDE. + + +_Wie kent niet de namen van Tristan en Isolde?_ Bij wien roepen zij +niet een min of meer volledig beeld in het geheugen van de droeve +geschiedenis dier beide gelieven? Of men zich hunne lotgevallen +herinnert uit Wagners muzikaal-psychologisch drama, uit het Fransche +prozagedicht van Joseph Bédier of uit de schoone verzen van Swinburne's +"Tristram of Lyonesse", een ieder kent het verhaal van hartstocht en +weemoed, dat door alle eeuwen heen de dichters en schrijvers heeft +weten te bezielen. + +Wanneer men de sage in haren oorspronkelijken vorm leest, zooals +zij in de volgende bladzijden is weergegeven, schijnt het, of +het verhaal weinig of niets uitstaande heeft met den kring der +Arthur-legenden. Immers, het tooneel der handeling ligt geheel buiten +het hof van dien vorst, geen der ridders van de Tafelronde wordt ook +zelfs maar genoemd en alleen koning Arthur zelve speelt eene, overigens +zeer bijkomstige, rol in het drama. De reden, waarom de sage ondanks +dit alles, toch gerekend mag worden te behooren tot den Arthur-cyclus, +is hierin gelegen, dat zij de levens- en lijdensgeschiedenis geeft +van een held, wiens naam in de Arthur-verhalen veelvuldig voorkomt en +wiens lotgevallen daarin steeds eng verbonden zijn met die der andere +Arthur-ridders. In de latere werken, die aan de verheerlijking van +Tristan gewijd zijn, zien wij zelfs, dat zijne avontuurlijke tochten +in gezelschap van andere Arthur-ridders en de rivaliteit tusschen +hem en Lanceloet de belangstelling van den schrijver meer hebben +bezig gehouden dan het verhaal van zijn noodlottigen hartstocht +voor koningin Isolde. In het zoogenaamde Fransche tijdperk van den +Arthur-cyclus, toen Chrétien de Troies zijne gedichten schreef en +de groote proza-romans ontstonden, werd Tristan geheel beschouwd als +behoorende tot de ridders der Ronde Tafel en in bovengenoemde werken +wedijvert hij dan ook met Walewein en Lanceloet in daden van moed en +ridderlijkheid. Wel dient opgemerkt, dat Tristan in al deze verhalen +slechts als gast aan het hof van koning Arthur verkeert. Hij is +daar niet thuis, zooals de andere ridders, maar vertoeft er slechts +voor korteren of langeren tijd, om deel te nemen aan een steekspel +of rust te vinden na een zwaren krijgstocht. Toch is hij geen +vreemdeling, wiens naam men eerst op een hoogeren ontwikkelingstrap +van de Arthur-sagen met dien van den beroemden vorst verbonden heeft +om dezen meerderen luister bij te zetten. Zooals wij zien zullen, +wordt hij daarentegen reeds in de oudste overleveringen gerangschikt +onder de volgelingen van koning Arthur. + +Uit dit alles blijkt wel, dat er een alleszins gegronde reden bestaat, +om de sage van Tristan en Isolde te rangschikken onder de in dit boek +voorkomende verhalen. Terstond verrijzen nu twee vragen: wat is de +oorsprong van deze beroemde legende en hoe is het te verklaren, dat +zij, meer dan alle andere sagen uit het grijze verleden, de harten +der menschen heeft weten te boeien met eene blijvende bekoring? + +Laat ons voorloopig trachten, de eerste dier beide te beantwoorden. De +vraag, waar wij de bakermat moeten zoeken van de Tristan-sage, heeft +vele pennen in beweging gebracht. Verschillende theorieën zijn daarover +opgeworpen, men heeft ze aangenomen, bestreden en na eenigen tijd zijn +ze verworpen om plaats te maken voor nieuwe denkbeelden. Vele zijn +de artikelen, die geschreven zijn, om de waarheid der verschillende +zienswijzen aan te toonen of te weerleggen en eene lijst van de namen +der geleerden, die ze hebben samengesteld, zou eene aanzienlijke +ruimte beslaan. Het is hier niet de plaats, om in bizonderheden op +dit alles in te gaan; een ieder, die belang stelt in het vraagstuk +van den oorsprong der Tristan-sage behoef ik slechts te verwijzen +naar de verschillende jaargangen van de tijdschriften: "Romania", +"Revue de Paris" en "Zeitschrift für Romanische Philologie", om hem +ruimschoots gelegenheid te geven, zich met de verschillende meeningen +daaromtrent vertrouwd te maken. Toch dienen enkele namen hier genoemd +te worden, vóór alles die van Gaston Paris, den beroemden Keltoloog, +die in de April-aflevering van de "Revue de Paris" voor het jaar 1894, +een schitterend geschreven betoog hield voor den Keltischen oorsprong +der Tristan-sage. Volgens hem moeten wij de eerste sporen van het +verhaal zoeken onder de oudste Keltische poëzie, waar ons reeds verteld +wordt van een liefdesdrank met noodlottige gevolgen. Om dit bestaande +gegeven zouden zich dan, volgens Gaston Paris, episodische verhalen +hebben gevormd, die door de rondreizende zangers van Wallis en Bretagne +gezongen werden met begeleiding van de harp. Deze liederen, de bekende +"lais bretons", werden gewijzigd en verspreid door Fransche zangers, +tot ze eindelijk in handen vielen van dichters, die ze omwerkten tot +een samenhangend geheel. Zoodoende ontstonden de eerste Tristan-romans, +waarvan, zooals we zullen zien, fragmenten zijn overgebleven. + +Langen tijd hield de theorie van Gaston Paris stand, maar allengs +begonnen zich stemmen daartegen te verheffen, die zelfs voortkwamen uit +den kring van zijne eigen leerlingen. Deze legden hunne denkbeelden +neer in eene reeks artikelen in "Romania" XV en XVI. Vooraan onder +hen staat Joseph Bédier, wiens naam door allen, die de Tristan-sage +kennen en bewonderen, met eerbied dient genoemd te worden. Zijne +theorie omtrent het ontstaan der legende is te vinden in het tweede +deel zijner uitgave van een der eerste Fransche Tristan-gedichten, +n.l. dat van Thomas, een Normandisch dichter uit de 12e eeuw. Bédier +onderscheidt drie tijdperken in den ontwikkelingsgang der sage. Volgens +hem stamt onze held uit het hooge Noorden van Groot-Brittannië, waar +wij zijn naam onder den vorm van "Drostân" [26] aantreffen als dien van +een geliefd held bij de volksstammen der Picten en Schotten. Aan de +Kelten uit het Zuiden van Engeland, uit Wallis, komt de eer toe, den +naam van dien Schotschen held te hebben verbonden met dien van koning +Mark van Cornwallis en daardoor den eersten stoot te hebben gegeven +tot de vorming der later zoo beroemd geworden Tristan-sage. Op welke +wijze nu geraakte deze bekend onder de Fransche dichters, die haar in +de 12e eeuw tot onderwerp hunner verzen maakten? Om Bédier's verklaring +hiervoor begrijpelijker te maken, brengt hij ons eerst in herinnering, +welk eene nauwe gemeenschap in de 10e en 11e eeuw bestond tusschen +Bretagne en Normandië. De regeerende huizen van deze beide landen waren +onderling meerdere malen door huwelijken verbonden en jaar in jaar uit +waren de Bretonsche "jongleurs", zooals zij genoemd werden, naar het +naburige hertogdom getrokken, waar zij eene warme ontvangst vonden +in de kasteelen der Normandische edelen. Wie waren die Bretonsche +jongleurs? Afstammelingen van de Kelten uit Groot-Brittannië, die in +de 6e eeuw de wijk hadden genomen naar Bretagne, om te ontkomen aan +de vervolgingen der Angelen en Saksen. Toen dus die "jongleurs" na den +slag bij Hastings hunne meesters, de Normandische edellieden, die tot +het gevolg van Willem den Veroveraar behoorden, naar Engeland volgden, +sloten zij zich daar spoedig aan bij de volksdichters en zangers, +aan wie zij zich door hunne afkomst nauw verwant voelden. Zij leerden +van hen verscheidene oude legenden en overleveringen, waarmede zij +hunne Bretonsche verhalen aanvulden en uit deze vermenging ontstond de +beroemde "matière de Bretagne", welke zulk eene hooge plaats inneemt +in de middeleeuwsche letterkunde. Zoo ontstond ook volgens Joseph +Bédier, de Tristansage, zooals wij die kennen en bewonderen. + +Uit het eerste, het Pictische tijdperk der legende, dagteekent, zooals +reeds vermeld is, de naam van den held: "Drostân". In het tweede, +dat, waarin de Kelten uit Wallis en Cornwallis den grondslag legden +tot de eigenlijke sage, vinden wij dien naam terug als "Drystan". Deze +"Drystan ab Tallwch" wordt in de Triaden van Wallis genoemd als een der +kampioenen van Arthurs hof. [27] Ook wordt hem de twijfelachtige eer +toegekend van een der beste zwijnenhoeders van het land te zijn. In een +der Triaden wordt beschreven hoe Drystan den zwijnenhoeder van koning +March ab Meirchion met een brief naar koningin Essylt zendt. Hijzelve +zal in dien tusschentijd zijne taak overnemen en zóó goed kwijt hij +zich daarvan, dat nòch Arthur, nòch Mark, nòch Key erin slagen kunnen +hem eene zijner zeugen afhandig te maken. + +Welke zijn nu de Keltische, welke de Fransche bestanddeelen in de +sage, zooals die door de eeuwen heen tot ons gekomen is? In zijne +meening hieromtrent wijkt Bédier, en met hem andere geleerden, zooals +Golther en Ferdinand Lot, af van de inzichten van Gaston Paris. Één +voor één bestrijdt Bédier de vele voorbeelden, die zijn leermeester +aanvoerde, om den Keltischen oorsprong der sage te bewijzen, tot er +slechts enkele overblijven, welke door hem werkelijk als zoodanig +worden erkend. De wijze, waarop hij dit doet en de houding, die hij +daarbij tegenover de denkbeelden van zijn geliefden meester aanneemt, +spreekt van eerbiedig ontzag voor de fijn gevoelde opvattingen van +diens betoog, welken hij echter meer dichterlijke schoonheid dan +volkomen betrouwbaarheid toekent. + +Volgens Bédier betreffen de Keltische bestanddeelen slechts den +uiterlijken vorm der sage. Wat deze aan dichterlijke waarde en +innerlijke schoonheid bezit, ligt echter in den zielestrijd der +beide gelieven, die zich eensdeels gebonden voelen door de wetten +en gebruiken van de samenleving, waarin zij leven, anderdeels, door +hunnen hartstocht gedreven, die wetten steeds met voeten treden. Daar +nu volgens Bédier de huwelijksband onder de Kelten zeer los was, +wat hij bewijst door eene aanhaling uit de wetten van koning Howel +den Goeden, moet datgene, wat de sage hare grootste bekoring gaf, +eraan toegevoegd zijn in Frankrijk, in eene christelijke samenleving +en door iemand met een fijn-besnaard, dichterlijk gemoed. In een +volgend hoofdstuk van zijne studie toont Bédier aan, dat, dank zij +de verschillende critische uitgaven der oude Tristan-gedichten, de +theorie, dat de "lais bretons" de grondstof voor deze gedichten zouden +hebben geleverd, meer en meer op den achtergrond wordt gedrongen. Uit +eene vergelijking der bestaande gedichten blijkt het verband, dat +tusschen deze onderling bestaat en daardoor wordt hunne schijnbare +zelfstandigheid aanmerkelijk verminderd. Ten slotte komt de schrijver +tot de gevolgtrekking, dat aan al die oude gedichten één enkel, +verloren geraakt gedicht ten grondslag moet liggen, dat in het begin +der 12e eeuw door een man van genie vervaardigd werd. Ook hierin, +zien wij, is hij het oneens met Gaston Paris, die de "lais bretons" +als bron voor de Fransche gedichten beschouwde. + +Bovenstaande theorie van Bédier, die op heldere wijze door Professor +van Hamel is uiteengezet in zijn Gidsartikel, getiteld: "Middeleeuwsche +Tristan-romans" (Gids, 1905, 477-516), wordt in hoofdtrekken door vele +andere geleerden gedeeld. Zoo pleit ook W. Golther in zijne studie: +"Tristan und Isolde in den Dichtungen des Mittelalters und der neueren +Zeit" (Leipzig, Hirzel, 1907) voor de stelling, dat de verschillende +fragmenten der eerste Tristan-romans terug te brengen zijn tot één +oorspronkelijk werk, waar ze alle op berusten. + +In de laatste jaren zijn de denkbeelden van Bédier en Golther van +verschillende zijden aangevallen. Onder de velen, die over dit +onderwerp geschreven hebben, noemen wij slechts M. J. Loth, die in +zijne "Contributions à l'étude des Romans de la Table Ronde" (Paris, +Champion 1912) met kracht Bédiers bewering bestrijdt, als zouden de +huwelijkswetten bij de Kelten weinig bindend zijn geweest. Integendeel, +zoo zegt de schrijver, trouwbreuk werd bij hen als een ernstig vergrijp +beschouwd en ook zeer streng gestraft. Bovendien tracht hij aan te +toonen, dat de Tristan-legende stamt uit Cornwallis; hij verwerpt den +Pictischen oorsprong van den naam Tristan, welken hij phonetisch +onverklaarbaar acht. Ook de andere eigennamen, die in de sage +voorkomen, zoomede het feit, dat men in de bestaande gedichten eene +mengeling van Keltische, Angelsaksische en Fransche namen aantreft, +bevestigen volgens hem de waarheid zijner stelling. Ten slotte zij +hier nog vermeld het werk van Miss G. Schoepperle: "Tristan and Isolt, +a Study of the source of the romance", 2 vol., Frankfort en Londen, +1913. In dit lijvige boekdeel komt de schrijfster tot eene slotsom, +die het midden schijnt te houden tusschen de theorieën van Gaston +Paris en die van Bédier. + +In tegenstelling met den laatste kent zij groote waarde toe aan de +Keltische elementen in de sage, welke volgens haar veel talrijker +zijn dan Bédier meent. Om te bewijzen, dat zij werkelijk aanspraak +kunnen maken op den naam van Keltisch, toetst zij ze aan de oud-Iersche +handschriften, welke aanmerkelijk ouder en daardoor betrouwbaarder zijn +dan die uit Wallis en Cornwallis, welke bijna alle Franschen invloed +vertoonen. De schrijfster vindt dan vele punten van overeenstemming +tusschen de feiten, vermeld in de Tristan-sage en die, welke zij in +de oud-Iersche handschriften beschreven ziet. + +Zij komt dan tot de gevolgtrekking, dat de Tristan-legende ontstaan +is in de Keltische letterkunde, maar dat zij in de gedaante, waarin +zij in de gedichten tot ons is gekomen, beschouwd moet worden als +eene zuiver Fransche schepping. + +Welke zijn nu die gedichten? + +Het oudste, bestaande gedicht over de Tristan-sage is dat van een +Normandisch schrijver, Béroul genaamd, en dagteekent ongeveer uit het +jaar 1165. Zijn werk bleef onvoltooid, maar werd tegen het einde der +12e eeuw van een slot voorzien door een dichter, wiens naam onbekend +is gebleven. Van Béroul's werk is een fragment van ongeveer 3000 +regels bewaard gebleven; dit werd de bron voor de eerste bewerking +der sage in Duitschland. Hiermede wordt bedoeld het werk van Eilhart +von Oberge, een vazal van Hendrik den Leeuw, hertog van Brunswijk, +die zijn gedicht geschreven moet hebben tusschen 1190 en 1213. + +Belangrijker dan het werk van Béroul is dat van den dichter Thomas, +langen tijd genoemd Thomas van Brittannië, die omstreeks 1170 in +Engeland zijn beroemd geworden, "poème de Tristan" schreef. [28] +Den inhoud van zijn gedicht kennen wij behalve uit de oorspronkelijke +fragmenten [29], uit vijf navolgingen. Deze zijn: + +1e. eene Noorsche proza-vertaling, geschreven in het jaar 1226 door een +zekeren broeder Robert, op verzoek van koning Haakon V van Denemarken +(1217-1263). In tegenstelling met de andere navolgingen van het +Fransche gedicht is deze vertaling een volledig geheel en geeft ons +daardoor het meest getrouwe beeld van den oorspronkelijken tekst. + +2e. Het groote romantische dichtwerk van Gottfried von Straszburg, +geschreven in de eerste helft der 13e eeuw. Het beschrijft +de geschiedenis tot het huwelijk van den held met Isolde van +Bretagne. [30] Juist op dit punt beginnen de fragmenten van het +oorspronkelijke gedicht, zoodat eene vergelijking tusschen het werk +van Gottfried en dat van Thomas slechts over een honderdtal regels +gemaakt kan worden. + +3e. Als derde groote navolging van het Fransche werk dient genoemd +het Middel-Engelsche gedicht: "Sir Tristrem", dat geschreven werd +in het Noorden van Engeland tegen het einde der 13e eeuw. Het werd +voor de eerste maal uitgegeven in 1804 door niemand minder dan Sir +Walter Scott. Hij gaf het den voormelden naam, verdeelde het in drie +afdeelingen, voegde het ontbrekende slot er aan toe, geschreven +in dezelfde versmaat als het overige gedeelte--en verklaarde ten +slotte, dat de schrijver ervan was: Thomas van Ercildoune, ook wel +genoemd Thomas de Rijmer. Deze verklaring is later meermalen in +twijfel getrokken en thans neemt men algemeen aan, dat de schrijver +onbekend gebleven is en dat de naam Thomas, die tot drie maal toe in +het gedicht voorkomt, betrekking heeft op den Franschen schrijver. + +De beide overige navolgingen zijn van minder belang dan de drie +bovengenoemde. + +Het zijn: 4e een kort gedicht, getiteld: "La Folie Tristan" (bewaard in +het z.g. Douce H. S.) en eenige hoofdstukken [31] in het Italiaansche +proza-werk "La Tavola Ritonda". + +Eene vergelijking tusschen de gedichten van Béroul en Thomas zou buiten +het bestek dezer inleiding gaan, toch dient hier met een enkel woord +vermeld, dat zij een geheel verschillenden geest ademen. Bérouls +opvatting van het gegeven is eenvoudiger, primitiever dan die van +Thomas. De eerste gevoelt eene behoefte om de beide gelieven te +beschermen tegen de beschuldigingen, waaraan hunne zondige liefde +hen blootstelt. Daarom laat hij den noodlottigen invloed van den +liefdesdrank slechts vier jaren duren; nadien, ontslagen van den +bovennatuurlijken dwang, die op hen werd uitgeoefend, krijgen zij +beiden berouw over wat zij gedaan hebben en beginnen een nieuw leven. + +In het werk van Thomas daarentegen vinden we geen spoor van eenige +poging tot verontschuldiging der beide hoofdpersonen. Zijn gedicht is +eene verheerlijking der liefde, de liefdesdrank is het zinnebeeld +van haar goddelijk recht. Ook spreekt er uit dit dichtwerk een +geest van beschaving en hoofschen sier, die geheel ontbreekt in +den eenvoudigen verhaaltrant van Béroul. Al wat ruw en onbeholpen +was in de oude sage heeft Thomas zorgvuldig eruit verwijderd en de +dichter verdiept zich met wellust in de spitsvondige woordspelingen +en nauwkeurige gevoelsontledingen, welke zoo kenschetsend zijn voor +den tijd, waarin hij schreef. Dat daardoor het verhaal dikwijls iets +van zijn roerenden eenvoud en innige bekoring inboet, is licht te +begrijpen, al staat daartegenover, dat het wint aan duidelijkheid en +waarschijnlijkheid van gegeven. + +Men kan zich voorstellen, dat de sage van Tristan en Isolde, +de ontleding en beoordeeling van hunne gevoelens, spoedig na het +verschijnen van het gedicht van Thomas, een geliefd onderwerp moet +zijn geworden voor eindelooze besprekingen en beschouwingen. Dat +velen aan het verhaalde aanstoot namen blijkt uit het feit, dat +Chrétien de Troies, de beroemde Fransche hofdichter, een gedicht +schreef: "Cligés", waarin hij aantoonde, hoe Tristan en Isolde hadden +behooren te handelen. [32] Zooals reeds elders vermeld staat, [33] +deelde Chrétien, hoewel hij leefde aan het hof van gravin Marie van +Champagne, niet de inzichten zijner meesteres, die meende, dat ware +liefde onvereenigbaar was met het huwelijk. In zijne beste gedichten +verheerlijkt Chrétien dan ook de echtelijke liefde, of die, welke hare +hoogste volmaking in het huwelijk vindt. Wel kunnen zijne bezwaren +tegen het thema der Tristan-sage ook gedeeltelijk zijn voortgekomen +uit eene zekere "jalousie de métier", want ook hij had een gedicht +over dit onderwerp geschreven, dat niet veel opgang schijnt te hebben +gemaakt. Dit gedicht zelf is helaas verloren gegaan, wij vinden er +slechts eenige toespelingen op in "Erec", het eerste bestaande gedicht +van Chrétien's hand. + +De werken van Béroul en Thomas vormen de bestaande dichterlijke +vertolkingen van de Tristan-sage in de Fransche letterkunde der +middeleeuwen. [34] + +Daarnaast staat de groote Fransche proza-roman: "Tristan". Hier wordt +alle aandacht van den lezer gevraagd voor den wedijver tusschen +Lanceloet en Tristan en voor een verward relaas van de avonturen +dezer beide helden, waarin de meest aandachtige lezer meermalen den +draad van het verhaal dreigt te verliezen. + +De karakters der hoofdpersonen, vooral dat van koning Mark, hebben +in den proza-Tristan eene merkbare verandering ondergaan. Isolde's +echtgenoot wordt erin beschreven als een booze tiran, die zich door +lafhartig bedrog en slinksche streken den haat en verachting van +zijne onderdanen op den hals haalt. Ook onze held wordt er eenigszins +anders in voorgesteld, hij is niet zoo standvastig in zijne liefde +voor Isolde als in de andere werken, de vijandschap tusschen hem en +zijn oom ontstaat gedeeltelijk uit hun beider wedijver om de gunsten +van de schoone vrouw van Heer Segwarides. Door deze veranderingen +verliest de liefde tusschen Tristan en Isolde veel van hare noodlottige +schoonheid, maar zij bekleedt ook niet langer eene eerste plaats +in het verhaal, Tristans heldendaden en krijgsavonturen hebben haar +daarvan verdreven. In den proza-roman missen we ook de ontroerende +beschrijving van Tristans dood. Zijn einde vindt hier plaats onder +geheel andere omstandigheden dan in het oude verhaal; hij wordt door +koning Mark in den rug gedood, terwijl hij op de harp zit te spelen +voor koningin Isolde. + +Onder de Middel-Engelsche gedichten is "Sir Tristrem" vreemd genoeg +het eenige, dat aan de lotgevallen van onzen held gewijd is, alleen +beslaat het verslag van zijne lotgevallen een belangrijk deel van de +"Morte d'Arthur" van Thomas Malory, die zijne wedergave van de legende +ontleent aan den Franschen prozaroman. Hij verhaalt echter slechts de +helft van het verhaal, dan breekt hij den draad plotseling af om zich +te verdiepen in de geschiedenis van den Graal. Eenige hoofdstukken +verder vinden wij dan terloops het treurig einde van den held in een +paar regels vermeld. + +Na de 15e eeuw valt er over geheel Europa eene vermindering van +belangstelling waar te nemen voor de oude ridderverhalen. [35] In +dit lot deelde ook de Tristan-sage; gedurende eenige eeuwen wordt +het oude verhaal door de dichters en schrijvers veronachtzaamd. Toen +echter gedurende de 18e eeuw de belangstelling voor alles wat de +Middeleeuwen betrof, allengs herleefde, werden ook de oude sagen +en legenden opnieuw ter hand genomen. Zoo mogen wij in de 19e eeuw +spreken van eene wedergeboorte der Tristan-sage en de gelieven van +Cornwallis werden op velerlei wijze door dichters van verschillenden +landaard bezongen. + +Het zou onmogelijk zijn, eene volledige opsomming te geven van alles, +wat er in de afgeloopen eeuw over deze sage geschreven is, daarom +noemen wij hier slechts een enkele onder de velen, die haar tot het +onderwerp hunner scheppingen hebben gemaakt. + +In Duitschland verschenen in de 19e eeuw niet minder dan drie +vertalingen van Gottfried von Straszburg's meesterwerk. De schrijvers +hiervan zijn Karl Simrock, Hermann Kurz en Wilhelm Herz; vooral deze +laatste moet geprezen worden om de meesterlijke wijze, waarop hij +zich van zijne taak heeft gekweten. Ook dient hier melding gemaakt +van eene Engelsche prozavertaling van Gottfrieds werk, van de +hand van Jessie Weston, welke bij David Nutt, Londen, in eene zeer +aantrekkelijke uitgave is verschenen. De groote belangstelling, die +men in de afgeloopen eeuw in Duitschland voor de Tristan-sage voelde, +kwam op edele wijze tot uiting in Richard Wagner's muziekdrama: +"Tristan und Isolde", waarvan de eerste opvoering in 1859 plaats +vond. Met een te bewonderen inzicht heeft de dichter-componist drie +episodes uit het oude verhaal gekozen en is erin geslaagd om ons in +drie akten niet slechts de uiterlijke feiten van eene noodlottige +liefdesgeschiedenis voor oogen te voeren, maar ons tevens een blik te +doen slaan in den strijd en de aandoeningen van eene menschelijke ziel, +die tot in haar diepste wezen geroerd wordt door de macht van eene +allesoverheerschende liefde. Het nauwe verband tusschen die liefde +en den dood kan beschouwd worden als het "Leitmotif" van deze kunst +schepping. Als Isolde stervend neerzinkt op het doode lichaam van haren +geliefde en hare ziel uitstort in een laatste lied van hartstochtelijke +liefde, voelen wij, dat dit het hoogtepunt is van de handeling, +waar al het gebeuren van den aanvang af op gericht is geweest. + +In de Engelsche letterkunde vinden wij in de 19e eeuw de geschiedenis +van Tristan en Isolde terug onder Tennyson's Koningsidyllen. De +wijze, waarop hij het schoone gegeven behandelt, doet den smaak en +het letterkundig gevoel van den dichter geen eer aan. Hij gebruikt +de legende om aan te toonen tot welk een toestand van verval en +verdorvenheid het hof van koning Arthur is afgedaald en daarom +beschrijft hij de liefde tusschen Tristan en Isolde als eene van die +zondige verhoudingen, waartoe het slechte voorbeeld van Lanceloet en +Ginevra aanleiding had gegeven. Dat hij het noodig heeft gevonden +om daartoe eene der schoonste en teederste liefdesgeschiedenissen, +die de wereld ooit gekend heeft, te verminken en te bederven, wekt +niet alleen onze verbazing, maar ook onze verontwaardiging op. + +Twee andere Engelsche dichters hebben in de afgeloopen eeuw de liefde +van Tristan en Isolde bezongen: Matthew Arnold in zijn gedicht: +"Tristram and Iseult" en Algernon Charles Swinburne in "Tristram of +Lyonnesse". Onder hun bijna overeenstemmende titels vertoonen deze +beide gedichten groote verschilpunten, die te verklaren zijn uit den +verschillenden aanleg der beide dichters. Arnold's gedicht is slechts +een fragment; het beschrijft de laatste levensdagen van den held in +zijn eenzaam slot aan de kust van Bretagne, de komst van Isolde van +Ierland, het sterven der beiden en het eenzaam achterblijven der jonge +weduwe: Isolde van Bretagne. Zijne opvatting van het oude verhaal wijkt +af van die, welke algemeen door de dichters gehuldigd is. Arnold's +strenge opvatting van 's menschen zedelijke plichten maakt het hem +onmogelijk om deelneming te gevoelen voor het lijden en de smart der +beide gelieven, zijne sympathie is geheel aan de zijde der andere +Isolde, die hij beschrijft als eene zachte, teedere vrouw en eene +liefhebbende moeder voor hare twee kinderen. Arnold's pessimistische +levensbeschouwing draagt er toe bij, dat hij ons niet den tijd voor +oogen voert, toen de liefde het leven van Tristan en Isolde ondanks +al hunne moeilijkheden tot iets schoons en heerlijks maakte, maar +veeleer hun treurig einde toont als een bewijs, waartoe de mensch +gedreven wordt, die zijne lusten en begeerten den vrijen teugel laat. + +Geheel verschillend van opvatting is Swinburne's "Tristram of +Lyonesse". Het gedicht bestaat uit negen zangen, voorafgegaan door +eene inleiding, eveneens in dichtmaat, welke ons eene verheerlijking +der liefde geeft. + +Het gegeven is er een, dat bij uitstek geschikt is om door dezen +dichter bezongen te worden. Met wellust stort hij er al den gloed +en kleurenrijkdom van zijn woordenschat, de verrassende schoonheid +zijner beeldspraak op uit. Het gedicht begint met Tristan's reis van +Ierland naar Cornwallis; van wat er daarvóór is geschied hooren wij +niets, al de belangstelling van den lezer wordt samengetrokken op +de liefdesgeschiedenis van den held. In regels van groote schoonheid +beschrijft hij de gevoelens der verschillende hoofdpersonen en door +alle gebeurtenissen heen voelen wij hoe de invloed van den noodlottigen +liefdesdrank hen voortdrijft door een leven van lijden en smart +naar een ontijdigen dood, uiting van Swinburne's fatalisme. Door het +gansche gedicht klinkt als een achtergrond voor den zielestrijd der +beide gelieven het ruischen der machtige zee, die de dichter boven +alles liefhad. Dat hij dit motief telkens en telkens weer in zijn +werk bezigt, is niet meer dan natuurlijk, want de zee speelt eene +groote rol in het drama van Tristan en Isolde. Daarom is het zeer +goed gezien van Swinburne, dat hij hen ten slotte laat rusten in den +schoot der golven, grootscher en waardiger rustplaats zouden wij ons +moeilijk kunnen voorstellen. + +Voor een laatsten blik op het leven van onzen held keeren wij een +oogenblik terug naar Frankrijk, het land, waar zijne lotgevallen +voor het eerst werden bezongen. In 1900 verscheen aldaar een werk +geschreven door denzelfden Joseph Bédier, wiens naam hierboven reeds +meermalen vermeld werd, hetwelk een ieder in staat stelt de schoonheid +der oude legende volop te genieten. De schrijver heeft getracht, en +is er meesterlijk in geslaagd, om uit de verschillende middeleeuwsche +fragmenten een proza-roman samen te stellen, geschreven in hedendaagsch +Fransch, maar in den geest der oude tijden. Wie het werk niet kent, +herstelle dit verzuim zoo spoedig mogelijk, want de schoone taal en +inhoud maken het lezen ervan tot een hoog genot. [36] + +Het boek bevat eene voorrede van Gaston Paris, waarin de +belangstellende lezer eene uiteenzetting vindt van de wijze, waarop +het werk tot stand is gekomen. Naar die inleiding verwijzen wij ook +diegenen, die een antwoord verlangen op onze tweede vraag, waarom +deze legende, meer dan alle andere verhalen uit vervlogen tijden, +de bewondering der menschen telkens weder opnieuw voor zich heeft +weten te winnen. Wie zou hare zaak waardiger en schooner weten te +bepleiten dan de man, die zich zoo zeer beijverd heeft om haar aan +de vergetelheid te ontrukken en de belangstelling zijner tijdgenooten +voor haar wakker te maken? + + + +In de volgende bladzijden wordt de Tristan-sage in hoofdzaak +weergegeven, zooals zij in de gedichten van Thomas en diens navolgers +te vinden is. + +De beschrijving, hoe Tristan, als nar vermomd, na zijn huwelijk naar +Tintagel terugkeert, om Isolde nog eenmaal te zien, is eene toevoeging +uit andere bron; dit feit wordt slechts vermeld in twee episodische +gedichten, in het werk van Eilhart von Oberge en in den proza-roman. + + + + + +DE SAGE VAN TRISTAN EN ISOLDE. + + + "Iseult ma drue, Iseult m'amie, + En vus ma mort, en vus ma vie." + + (Thomas: "Roman de Tristan"). + + +_Hoe graaf Rivalin van Ermonie naar het hof van koning Mark kwam, +om zich de hoofsche gebruiken eigen te maken._ Lange jaren geleden +leefde er in Ermonie, eene landstreek van het hertogdom Bretagne, +een jong en dapper edelman, Rivalin genaamd. Ondanks zijn jeugdigen +leeftijd werd hij alom geprezen als een toonbeeld van ridderlijke +deugden en vele ridders trokken op naar zijn burcht, om onder zijne +leiding zich te bekwamen in de kundigheden, die het een ridder past, +zich eigen te maken. Behalve over het erfdeel zijner vaderen, voerde +de jonge graaf het bestuur over een aanzienlijk grondgebied, dat +behoorde aan zijn leenheer, hertog Morgan. Deze laatste nu werd door +het gansche volk gehaat en gevreesd om zijne hardheid en wreedheid, +geen wonder dus dat Rivalin steeds op middelen zon, om zich van +den drukkenden last van zijn leenmanschap te bevrijden. Toen hij +daarom den volwassen leeftijd had bereikt en zag, hoe zijne ridders +en dienaren hem aanhingen in trouw en genegenheid, besloot hij eene +kans te wagen om dien gehaten druk van zijne schouders te werpen. In +alle stilte maakte hij zich op ten strijde en toen hij de kans schoon +zag, deed hij geheel onverwachts een inval in het land van hertog +Morgan. Zoozeer waren zijne volgelingen bezield met moed en bewondering +voor hunnen jongen heer en zóózeer haatten zij den boozen hertog, +dat de in aantal veel sterkere strijdkrachten van dezen laatste in +verwarring op de vlucht sloegen voor hun onstuimigen aanval. Weldra +was Rivalin met zijn leger genaderd tot voor de poorten der hoofdstad +en hertog Morgan, wilde hij eene smadelijke overgave voorkomen, +moest wel toestemmen in de voorwaarden, die zijne belegeraars hem +oplegden. Uiterlijk kalm, maar inwendig kokend van woede en wraaklust, +teekende hij het gezegeld document, dat Rivalin's onafhankelijkheid +bekrachtigde. Daarop trok deze met zijn leger terug naar Ermonie, +waar hij met gejuich en eerbetoon door het volk begroet werd. + +Na eenige jaren rustig over zijn land geregeerd te hebben, voelde +Rivalin een drang in zich ontwaken, om de wereld in te trekken en +vreemde landen en volkeren te leeren kennen. Hij gevoelde zich beklemd +door de enge grenzen van zijn graafschap en eene kwellende onrust +maakte zich meester van zijn gemoed, waar tot heden slechts geluk en +tevredenheid hadden gezeteld. De hulde en eerbied van zijne onderdanen +voldeden hem niet langer; het verdroot hem om steeds de eerste te +zijn, voor wien alles zich boog in nederige onderworpenheid, ook hij +wilde op zijne beurt dienen, maar dan één, die hooger, machtiger en +sterker was dan hij. + +Daarom besloot hij het bestuur over zijn land voor eenigen tijd toe +te vertrouwen aan Rohand, zijn trouwsten dienaar en zich met eenige +volgelingen op reis te begeven naar het rijk van koning Mark van +Cornwallis, aan wiens hof, zoo zeide men, de dapperste ridders ter +wereld te vinden waren. + +Hij koos dus een twaalftal zijner meest geliefde ridders uit en beval +hen, zich reisvaardig te maken, tevens liet hij een schip uitrusten +en bevrachtte het met eene lading van kostbare geschenken. Op een +mooien lentemorgen ging het gezelschap aan boord en stevende met een +gunstigen wind de haven uit. Na eene voorspoedige zeereis kondigden +de wachters tegen het vallen van den avond aan, dat er land in 't +zicht was, men liet het anker vallen, daar het onmogelijk was om +in de vallende duisternis eene veilige landingsplaats te vinden, +en eerst den volgenden morgen vroeg werd de reis voortgezet. + +Steil en ongenaakbaar rezen de hooge rotsen van Cornwallis omhoog uit +de zee, die zich als een onmetelijk blauw vlak tot aan den horizon +uitstrekte. Geen windje beroerde den waterspiegel, slechts aan den +voet der grijze rotswanden krulde een witte rand schuim. Hoog boven +de zee op een der hoogste klippen, wier wanden schier loodrecht uit +het water oprezen, lag het kasteel van Tintagel, waar koning Mark +den langsten tijd van het jaar verblijf placht te houden. Trotsch en +ontoegankelijk als de rots, waarop het rustte, bood het slot inderdaad +eene geschikte woning aan voor een machtig vorst. De hooge muren waren +opgetrokken uit den grijzen rotssteen, waarmede zij één geheel schenen +uit te maken, de smalle vensters waren verscholen in diepe nissen en +reeds bij den eersten aanblik zag men, dat noch de woede der elementen, +noch de stormrammen van vijandelijke aanvallen in staat zouden zijn, +om deze muren te doen bezwijken. + +Eerbiedig staarden de schepelingen omhoog naar het fiere slot, +van welks hoogsten toren de koninklijke standaard uithing. Nadat +zij eenigen tijd heen en weer gekruist hadden, bemerkten zij, hoe +op één punt, waar de rotsen een natuurlijken inham vormden, eene +breede trap was uitgehouwen, welke toegang tot het kasteel scheen +te verleenen. Weldra lag het schip voor anker en zond Rivalin +twee boodschappers omhoog, die koning Mark zijn bezoek moesten +aankondigen. Na verloop van eenigen tijd keerden zij terug, gevolgd +door een aantal ridders, die den jongen graaf op de meest hoffelijke +wijze verzochten, hen naar den koning te volgen. + +Gaarne gaf Rivalin gehoor aan dat vriendelijke verzoek en steeg met +zijne begeleiders langs de breede trappen omhoog. Hoe klopte daarbij +zijn hart van vreugdevolle verwachting, nu hij op het punt stond zijne +droomen en verlangens der laatste jaren in vervulling te zien gaan! + +Op het ruime voorplein van het koninklijk slot stond een uitgelezen +gezelschap van hovelingen en ridders geschaard om den jongen koning, +wiens tengere gestalte gehuld was in een ruim kleed van purperen +zijde. Zijne gelaatstrekken waren scherp en onregelmatig, onder de +zware, donkere wenkbrauwen lichtten de oogen met een onrustigen glans +en om de smalle lippen speelde een weemoedige glimlach. Eerbiedig +naderde Rivalin zijn koninklijken gastheer, wiens roem ook tot zijn +afgelegen graafschap was doorgedrongen. Dit was dus koning Mark, +hij, van wiens dapperheid en moed de rondreizende zangers plachten +te gewagen en wiens hoffeesten zij in hunne gedichten in gloeiende +kleuren bezongen. + +In leeftijd verschilde hij niet veel van Rivalin, maar toch groefden +zich reeds diepe lijnen om den mond van den jongen vorst, die schenen +aan te duiden, dat eene kroon soms zwaarder drukken kan, dan men +wel zou gelooven en dat de strijd en de zorgen van het leven ook +een koning niet bespaard blijven. Thans echter, nu hij naar voren +trad om zijn gast te begroeten, verdreef een vriendelijke glimlach +den bitteren trek van Mark's gelaat en zijne stem klonk opgewekt, +toen hij Rivalin welkom heette in zijn kasteel. + +Half beschroomd, half vrijmoedig, verhaalde deze toen, wat de reden was +van zijne komst. Hij zeide, dat hij niet langer tevreden was geweest +met de trouwe onderdanigheid zijner landgenooten, omdat zijne ziel +wegkwijnde van verlangen naar ruimer landstreken, waar hij zich het +gezelschap van dapperder, wijzer en hoffelijker mannen dan hij was, +ten nutte zou kunnen maken. + +Toen hij ophield met spreken, voerde Mark hem aan de hand naar binnen +in het slot en verzocht hem aan zijne zijde plaats te nemen. Op een +wenk van Rivalin droegen toen zijne dienaren de koffers met geschenken +naderbij, die hij van zijn land had medegebracht. Gehoor gevend aan +zijn bevel, stalden zij een schat van kostbare voorwerpen aan de +voeten des konings uit: rijk geborduurde mantels en zijden stoffen; +kannen en drinkbekers van het zuiverste goud; zwaardscheeden, +bezet met fonkelende edelsteenen, alles hoopte zich op tot eene +glinsterende massa. Nadat de vorst zijne keuze gedaan en den gever +zijn minzamen dank betuigd had, deelde Rivalin met kwistige hand +de overigen geschenken uit onder de aanwezige vrouwen en ridders en +deze mildheid, gevoegd aan het vriendelijk bescheiden optreden van +den jongen graaf deden hem terstond een gunstigen indruk maken bij +de volgelingen des konings. Met algemeene instemming begroetten zij +dan ook Mark's uitnoodiging aan Rivalin, om voor onbepaalden tijd op +het slot te gast te zijn. + +De weken vlogen om en allengs begon men toebereidselen te maken voor +het Meifeest, dat steeds met grooten luister aan het hof gevierd +werd. Naar alle zijden waren uitnoodigingen verzonden om de ridders +op te wekken tot deelname aan het steekspel, dat de hoofdgebeurtenis +der feestelijkheden was. Ten einde hierin uit te blinken oefenden de +hovelingen zich iederen dag op het voorplein van het kasteel, waar +zij door proeven in het schijfschieten en speerwerpen hun oog vast en +hunne spieren krachtig en los poogden te maken. Rivalin was met hart +en ziel betrokken bij de voorbereidselen tot dit groote feest; zijn +vurigste wensch was om zich in het komende steekspel te onderscheiden +en onvermoeid begaf hij zich elken dag opnieuw naar het terrein, +waar de oefeningen gehouden werden. Wanneer hij dan des avonds met +de andere ridders tezamen zat in de ruime slotzaal, schitterden zijne +oogen van kracht en levenslust, een blos van gezondheid kleurde zijne +wangen en zijn scherts en vroolijkheid sleepten het gansche gezelschap +mede. Menige verstolen blik werd hem toegezonden vanuit den hoek der +zaal, waar de edelvrouwen bijeen zaten, maar geene, die zóó vaak en +zóó lang naar hem keek als Blanchefleur, de zuster des konings. + +Fijngebouwd en slank was zij, de jonge prinses, en donker van +haar, gelijk haar broeder, maar hare gelaatstrekken waren zacht +en vriendelijk en hare oogen spiegelden in hunne kalme onschuld de +reinheid harer ziel. Na den vroegtijdigen dood harer ouders, die zij +nauwelijks gekend had, leefde zij aan het hof van haren broeder, waar +zij in onbezorgde tevredenheid hare kinderjaren gesleten had onder +de trouwe zorg harer voedster. Steeds was zij gelukkig en tevreden +geweest en had zij voldoening gevonden in de kalme genoegens van haar +afgezonderd bestaan: de lange ritten te paard aan de zijde van haar +broeder, die meestal zwijgend voor zich uitstaarde en haar vroolijk +gepraat maar half scheen te hooren; het balspel in de tuinen van het +kasteel met hare vrienden en vriendinnen, die de koning zorgvuldig +voor haar uitkoos onder de jongere leden der hofhouding en--waar +zij misschien nog 't meest van genoot--de lange winteravonden, +als zij in haar torenkamertje zat en luisterde naar de verhalen +uit lang vervlogen tijd, die hare trouwe verzorgster haar placht te +vertellen. Dan, terwijl de wind gierde en raasde om de muren van den +ouden toren, terwijl de meeuwen krijschten en de golven tegen de rotsen +van Tintagel beukten, zat Blanchefleur aan de voeten der oude vrouw +en luisterde in gespannen aandacht naar de wonderverhalen over lang +gestorven ridders en hunne geliefden. Wanneer de vertelster zich dan +uitputte in wijdloopige beschouwingen over de ongehoorde dapperheid en +volmaaktheid harer helden, gebeurde het wel eens, dat de gedachten van +het jonge meisje afdwaalden naar de toekomst, waarin ook zij woorden +van liefde zou hooren uit den mond van een schoon en edel ridder, die +om harentwil zou wenschen uit te blinken door daden van grooten moed. + +Zoo waren hare kinderjaren verloopen en nu was zij volwassen en sinds +eenigen tijd had haar broeder haar toegestaan, om deel te nemen aan +het hofleven met zijne feesten en partijen. Van het oogenblik af, +dat zij voor de eerste maal, schuchter en blozend, aan de hand des +konings in het openbaar was verschenen, had men haar gehuldigd zooals +men dat aan haren rang verschuldigd was, maar het duurde niet lang, +of zij had bovendien aller harten gewonnen door hare eenvoudige +lieftalligheid. Spoedig waren van wijd en zijd mededingers naar hare +hand komen opdagen, maar tot nu toe had zij ze allen vriendelijk, +maar beslist afgewezen. Zij voelde zich volmaakt gelukkig in het slot +te Tintagel, waar iedereen zich vriendelijk en welwillend jegens haar +betoonde en waar zij in kalme tevredenheid voortleefde, bewaakt en +verzorgd door de vrienden harer kindsheid. + +Maar vreemd, sinds eenigen tijd scheen het, of die rust en kalmte haar +niet langer bevredigden. Wanneer zij met haar borduurraam was gezeten +onder de groote boomen van het slotpark, dat aan de achterzijde van +het kasteel langs de berghelling omlaag glooide, en luisterde naar +de eentonige stem harer voedster, die de levensgeschiedenis van den +een of anderen heilige voorlas, gebeurde het soms, dat zij, gedreven +door een plotselingen tegenzin, het werk van haar schoot wierp, in +eene bui van uitgelatenheid de arme vrouw om het middel greep en een +wilden rondedans met haar uitvoerde. Dan weer kon zij urenlang met +de handen in den schoot zitten peinzen, zij, die anders de ziel van +het gezelschap was. Hare vrienden en bloedverwanten verbaasden zich +weliswaar over de verandering, die in Blanchefleur had plaatsgegrepen, +maar schreven die toe aan uiterlijke omstandigheden, zonder de ware +oorzaak te vermoeden. Ook het jonge meisje zelve verkeerde daaromtrent +geheel in 't duister, zij gaf zich geen rekenschap van wat er in haar +omging en liet zich slechts gaan op de stemming van het oogenblik. + +Zoo brak de morgen van den eersten Meidag aan, den dag, waarop +het groote steekspel zou beginnen. De rotsen van Tintagel baadden +zich in het heldere morgenlicht, de zon goot hare stralen over den +helderblauwen zeespiegel en over de groene weiden, die tusschen +de rotsen waren gelegen, boven de glinsterende golfjes en tegen +de kale rotswanden zwenkten de zeevogels en in de omgeving van het +koninklijk slot heerschten leven en bedrijvigheid. Het middelpunt van +al die ongewone drukte op dit vroege morgenuur was een groot veld, +dat op eenigen afstand van het kasteel op de hoogvlakte lag. Daar +draafden en zwoegden de knechten en werklieden, om het terrein voor +het steekspel in gereedheid te brengen; daarheen begaven zich ook de +poorters van de naburige kasteelen, die met hunne gezinnen naar het +schouwspel kwamen kijken. In het midden van het veld was een vierkant +stuk land opengehouden, dat als strijdperk dienst zou doen, terwijl +aan alle klanten eene flinke ruimte voor de toeschouwers beschikbaar +bleef. In die ruimte, langs één der zijden van het strijdperk, werden +de tenten opgeslagen voor de leden der hofhouding. In het midden +prijkte die van den vorst, waar het purperen tentdoek het koninklijk +wapen, in goud geborduurd, te zien gaf, aan weerszijden stonden de +tenten der ridders en hovelingen. Toen te twaalf ure de herauten het +sein gaven, dat de strijd zou beginnen, had zich eene dichte haag van +toeschouwers rondom het strijdperk opgesteld en ook bij de tenten der +hofhouding was het een gekrioel van belang. De edelvrouwen hadden zich +op het gras buiten hare tenten neergezet en geleken in hare kleurige +kleederen op bontgetinte bloemen. De ridders, die niet aan het tournooi +deelnamen, of die eerst later op den middag in het perk zouden treden, +hadden zich aan hare voeten uitgestrekt en poogden door onderhoudende +scherts hare gunsten te winnen. Hier en daar schoolden eenige jonge +knapen bijeen en bespraken ijverig de kansen der strijdenden, of +betastten de wapenrusting der ridders met een gevoel van naijver en +bewondering. Dichtbij de koninklijke tent troonde Blanchefleur temidden +harer vrouwen. Nooit had de jonge prinses er schooner en lieftalliger +uitgezien dan op dezen dag, nu de opwinding over den komenden strijd +hare wangen zachtrood kleurde en hare oogen heller deed glanzen. Hare +donkere lokken werden bijeengehouden door een krans van witte rozen +en een tuiltje van dezelfde bloemen stak tusschen de plooien van haar +lichtgroen kleed. Vroolijk praatte en lachte zij met hare vriendinnen; +alle onrust en neerslachtigheid schenen uit hare ziel verdwenen te +zijn. Indien hare oogen ook gedurig afdwaalden naar het strijdperk, +vanwaar het gekletter der wapenen en het gestamp der paardehoeven tot +haar doordrong, welnu, dan was dit toch slechts eene zeer verklaarbare +belangstelling in den strijd, die aller aandacht vroeg en gold die +belangstelling ook niet alle dappere helden, die eraan deel namen? Zoo +sprak en redeneerde het jonge meisje met zich zelve en wilde het +zich niet bekennen, dat hare oogen onder de strijdenden slechts +één ruiter zochten, dat hare ooren onder de uitroepen, waarmede de +omstanders de vechtende ridders poogden aan te moedigen, slechts één +naam onderscheidden, dien van Rivalin van Ermonie. Zij wilde zich +verzetten tegen dien onweerstaanbaren drang van haar hart, die haar +dwong om bij een jachtrit haar paard te sturen in de richting van het +zijne, om zijne meening te stellen boven die der andere ridders en die +haar elk feest, elk samenzijn doodsch en vervelend deden voorkomen, +wanneer hij daarbij niet aanwezig was. En toch, naarmate de strijd in +hevigheid toenam en ook het gevaar voor de deelnemers grooter werd, +kon zij hare aandacht al minder en minder bepalen bij de luchtige +gesprekken der toeschouwers. In angstige spanning hingen hare oogen aan +die ééne ridderfiguur, wier wuivende vederbos hoog boven de verwarde +kluwen van vechtende edellieden uitstak. Wanneer hij een oogenblik +door de opjagende stofwolken aan het oog onttrokken werd, kromp haar +hart ineen van angstige pijn en ademde zij eerst weer verruimd op, +wanneer zij hem nog ongedeerd te paard bespeurde. Wat zij de laatste +weken als eene kwellende onrust gevoeld en bestreden had, werd haar +met het verstrijken der uren allengs duidelijker. Als eene heldere +zekerheid drong zich de wetenschap aan haar op, dat zij dezen man lief +had, zóó lief, dat, wanneer hij in den strijd den dood mocht vinden, +het leven voor haar alle waarde verloren zou hebben. + +Ten slotte was het gevecht beslist en onder de luide juichkreten der +omstanders verliet Rivalin als overwinnaar het strijdperk. Minzaam +buigend nam hij de huldebewijzen in ontvangst, en hoewel zijn hart +onstuimig klopte van trots en voldoening, bleef zijn optreden kalm en +bescheiden. Toen hij uit de handen des konings den kostbaren gouden +beker in ontvangst had genomen, die als prijs voor den overwinnaar +was uitgeloofd, moest hij op weg naar zijne tent voorbij de plek +komen, waar Blanchefleur gezeten was. Een regen van bloemen begroette +hem, toen hij langs de groep van edelvrouwen ging en Blanchefleur, +die hem in spanning had zien naderen, riep hem toe, half ernstig, +half schertsend: "Heil u! overwinnaar, die den sterksten onder +onze ridders te sterk is geweest! Vóór gij echter verder gaat, +zeg mij één ding, waarom gij mij, arme, zwakke vrouw hebt willen +kwetsen?" "Ik u kwetsen!" herhaalde Rivalin op verbijsterden toon, +"wanneer en hoe zou ik dat gedaan hebben? Spreek, zoo bid ik u en zeg +mij, hoe ik dit kwaad, zoo ik het wellicht onbewust bedreven heb, +ongedaan kan maken!" "Het kwaad is geschied", hernam Blanchefleur, +"en geene macht ter wereld kan het ongedaan maken, maar let niet op +mijne woorden, en ga kalm uws weegs. God zegene en behoede u!" Deze +laatste woorden sprak zij op zachten, innigen toon, daarop boog zij +het hoofd en Rivalin reed verder. Het was den jongen graaf, alsof hij +droomde. Wat kon wel de beteekenis zijn van deze geheimzinnige woorden, +waarin kon hij de prinses, zij die in zijne oogen boven alle vrouwen +uitstak in liefelijke bekoorlijkheid, gekwetst hebben? En dan die +zegewensch, op zoo teederen toon uitgesproken, die bijna klonk als +een afscheid! Peinzend ontdeed Rivalin zich van zijne wapenrusting, +en zijne vrienden, die naar de tent waren gekomen om hem met zijne +overwinning geluk te wenschen, vonden hem verstrooid en afgetrokken. + +Van dien dag af zocht Rivalin bij alle voorkomende gelegenheden het +gezelschap van Blanchefleur en het duurde niet lang, of de eerbiedige +bewondering, welke hij voor de schoone prinses koesterde, groeide aan +tot liefde. Nog werd er tusschen hen met geen woord gesproken over +den aard hunner gevoelens, maar nochtans wisten beiden met stellige +zekerheid, dat hunne harten elkaar toebehoorden. Elke blik, elk woord, +dat zij wisselden, kreeg eene nieuwe, diepere beteekenis en zoo +leefden zij voort in een schoonen droom, zonder er zich rekenschap +van te geven, dat op elken droom, hoe schoon hij ook zijn moge, +een ontwaken volgt. + +Ook bij hen bleef dit niet uit. + +Eens op een dag werd koning Mark ontsteld door het bericht, dat een +zijner machtigste vijanden een verraderlijken inval in zijn land had +gedaan, waar hij alles verwoestte, wat hem in den weg kwam. Indien de +koning niet spoedig ingreep, zouden een groot aantal zijner onderdanen +gedood en het grootste deel zijner bloeiende steden en dorpen in de +asch gelegd worden. Met bekwamen spoed liet de vorst alles voor den +veldtocht in gereedheid brengen en begaf zich in allerijl op weg om +den indringer te weerstaan. Onder de ridders, die zich vol geestdrift +hadden aangemeld om aan den komenden strijd deel te nemen, bevond zich +ook Rivalin. Hij was het, die door zijne onweerstaanbare geestdrift +de anderen wist te bezielen, en die zich, toen het tusschen de beide +legers tot een treffen kwam, zonder aarzelen in het dichtst van het +strijdgewoel waagde. Na een heet gevecht, hetwelk den ganschen dag +duurde, slaagde het leger van koning Mark er in, om den vijand tot de +vlucht te nopen. Een tijdlang zetten de ridders de vervolging voort, +aangevoerd door Rivalin, en ziet, juist op het oogenblik, dat zij terug +wilden keeren, trof een der door de vluchtenden achterwaarts geschoten +pijlen, den jongen graaf in de borst. Doodelijk gewond stortte hij +van zijn paard op den grond, hij, wiens leven den ganschen dag als +door een wonder gespaard was gebleven. + +In een oogwenk werd hij omringd door zijne vrienden, die hem +voorzichtig opbeurden en hem, in zijn mantel gewikkeld, naar het +slot van Tintagel terugdroegen. Daar heerschte inmiddels reeds eene +feestelijke stemming over den goeden uitslag van den veldslag. In +klinkende feestredenen en schallende krijgsliederen werd de +overwinning gevierd, en de stemming werd steeds uitgelatener. In hun +overwinningsroes vergaten de feestvierenden allengs hen, die in den +strijd het leven hadden gelaten en ook over het lot der gewonden en +stervenden bekommerden zij zich weinig. In een klein vertrek, in een +afgelegen vleugel van het groote kasteel, lag Rivalin, verpleegd door +een trouwen dienaar, te strijden met den dood. Zijn lichaam brandde van +den koortsgloed, zijn hoofd bonsde en klopte en zijn adem kwam hijgend +en moeilijk. Dof staarden zijne oogen voor zich uit en tevergeefs +beproefde hij zich in de herinnering te roepen, wat er met hem geschied +was en wat de oorzaak was van deze duldelooze pijnen. Maar hij was het +niet alleen, die uren van foltering doorleefde. In haar hooggelegen +torenvertrek zat Blanchefleur en wrong hare handen in wanhoop. Toen zij +Rivalin niet zag terugkeeren in den stoet van zegevierende ridders, +was haar hart samengekrompen van angst en vrees, maar zij had zich +staande weten te houden en eerst toen zij volkomen zekerheid had +over het lot van haren geliefde, was zij heengevlucht naar hare eigen +vertrekken om daar, waar zij hare schoonste toekomstdroomen gedroomd +had, nu hare bitterste droefheid uit te weenen. + +In den dollen feestroes had men hare afwezigheid niet opgemerkt en +zoo kon zij dus ongestoord hare smart den teugel vieren en peinzen, +wat haar te doen stond. Dat er voor Rivalin geene hoop op herstel +was, had zij maar al te goed begrepen uit de berichten, die zij van +de terugkeerende strijders vernomen had, en dus zou zij hem voortaan +moeten missen, hem, die het geluk in haar leven had gebracht. Wat haar +het meeste kwelde, was de gedachte, dat zij het hem nooit had gezegd +en het hem nu ook nooit meer zou kunnen zeggen, hoeveel hij voor haar +geweest was en dat hij aldus heen zou gaan met slechts eene vage hoop +in 't hart, dat hare liefde hem toebehoorde. Maar neen, dat was niet +noodig! Nog leefde hij en daarom, vóór hij stierf en haar achterliet +in eene wereld, waaruit alle zon en glans voorgoed verdwenen zouden +zijn, kon zij hem nog zeggen, hoezeer zij hem liefhad en hoe haar +gansche wezen hem voor altijd, ook na zijn dood, zou toebehooren. De +grootste spoed was echter vereischt, elk oogenblik kon de dood hem +aan haar ontnemen; daarom was er geen oogenblik te verliezen. In +koortsachtige haast sloeg het jonge meisje zich een wijden, donkeren +mantel om de schouders, die hare lichte feestkleederen geheel bedekte, +daarop riep zij eene trouwe dienares en beval deze met haar mede te +gaan en haar te brengen naar de plaats, waar men den gewonden graaf had +nedergelegd. Als twee donkere schimmen gleden de beide vrouwen door de +gangen van het kasteel en kwamen weldra aan de deur van het vertrek, +vanwaar het kreunen van den stervende tot haar doordrong. Blanchefleur +gebood toen hare dienares om naar binnen te gaan en alle aanwezigen +uit de kamer te verwijderen, onder voorwendsel, dat de prinses den +held van dien dag alleen wenschte te spreken, om hem vóór zijn dood +dank te zeggen voor wat hij gedaan had. Tegen den deurpost geleund, +met kloppend hart en bevend over al hare leden wachtte Blanchefleur +tot de deur opnieuw openging en hare dienares haar wenkte om binnen +te treden. Even daarna was zij met den gewonde alleen. Een oogenblik +staarde Blanchefleur in bange onzekerheid naar den hoek van het +vertrek, vanwaar het zwakke gekreun tot haar doordrong en waar zij +in het bleeke maanlicht, dat door de hooge vensters in het vertrek +binnendrong, de gestalte van Rivalin ontdekte, uitgestrekt op eene +smalle legerstede. + +Het volgend oogenblik lag zij naast hem op de knieën, hare handen in de +zijne en poogde door woorden van innige teederheid hem als het ware in +het leven terug te roepen. En ziet, het was of hare stem inderdaad eene +toovermacht bezat, die den held belette de grenzen te overschrijden +van die duistere vallei, waaruit niemand terug kan keeren. Reeds bij +de eerste woorden, die zij sprak, kwam er een glimp van bewustzijn +in de oogen van den lijder, zijn adem werd rustiger en zelfs voelde +Blanchefleur, hoe hij, schoon zacht, den druk van hare handen poogde +te beantwoorden. Haast buiten zich zelve van vreugde, wist het jonge +meisje zich toch in zooverre te beheerschen, dat zij alle middelen +aanwendde, om dit vonkje van opflikkerende levenskracht aan te +wakkeren. Zij goot den zieke een teug versterkenden wijn tusschen de +tanden, zij wreef zijne slapen en handen om het langzaam stroomende +bloed in snellere beweging te brengen en zij wiesch zijne wonden met +een pijnstillend middel, van wonderbaarlijke genezingskracht, waarvan +het geheim slechts aan weinigen bekend was. Spoedig reeds werd hare +moeite beloond, Rivalin's blik werd helderder en na eenige oogenblikken +drong het licht van blijde herkenning de laatste nevelen van zijne +oogen terug. Met een kreet van: "Liefste, gij hier!" strekte hij de +armen uit naar het jonge meisje, dat eenige schreden van het bed was +teruggetreden en toen zij zich, half schuchter, half toegevend aan een +innerlijken drang over hem heenboog, trok hij haar tot zich omlaag in +eene hartstochtelijke omarming. Zoo vierden zij in den nacht, die zijn +stervensnacht had dreigen te worden, het feest hunner liefde. Eerst +tegen den morgen sloop Blanchefleur door het slapende slot naar hare +eigen vertrekken terug. + +De bezielende kracht der liefde had Rivalin in het leven gehouden; +rust en eene goede verpleging deden het overige, zoodat hij na eenige +weken weer geheel hersteld was. Toen volgden vele maanden van stil +genieten voor de beide jonge menschen. In alle heimelijkheid--want +niemand was er, die hun zoet geheim vermoedde--kwamen zij samen +en steeds weer vonden zij nieuwe bekoring in elkanders gezelschap, +telkens weer ontdekten zij nieuwe woorden om elkander hunne liefde toe +te fluisteren. Zij leefden slechts in het heden; aan de toekomst, aan +Rivalin's plichten tegenover zijn land en volk en aan de gevoelens van +koning Mark, wanneer hij het geheim hunner verhouding zou ontdekken, +dachten zij niet, tot eindelijk de werkelijkheid hen met harde hand +uit hun zoeten droom deed ontwaken. + + + +_Hoe Rivalin naar zijn land wordt teruggeroepen en van de geboorte +van Tristan._ Op een schoonen morgen landde een schip uit Frankrijk +aan de rotsen van Tintagel, waarop zich eenige boodschappers uit +Ermonie bevonden. Zij zeiden gewichtige mededeelingen te brengen +aan graaf Rivalin en in het hun toegestane onderhoud meldden zij +hem dan ook de onrustbarende tijding, dat hertog Morgan met een +groot leger zijn graafschap was binnengedrongen, om zich over de hem +aangedane beleediging te wreken. Er stond onzen held niets anders +te doen dan zich in aller ijl voor de thuisreis gereed te maken en +afscheid te nemen van zijn koninklijken gastheer en al degenen, die +hem in de maanden van zijn verblijf aan het hof tot trouwe vrienden +waren geworden. Viel hem dit afscheid al niet licht, wie zal zijne +gevoelens beschrijven, toen hij zich ten slotte naar het vertrek der +prinses begaf, om ook haar vaarwel te zeggen. Blanchefleur wachtte +hem geheel alleen in hare kamer; hare oogen waren rood van de tranen, +die zij geschreid had, sinds zij het bericht van Rivalin's vertrek +had vernomen. Nu weende zij echter niet meer; in stomme wanhoop lag +zij in zijne armen en kon geen woord spreken, zoo werd haar de keel +dichtgesnoerd van angst en smart. Rivalin poogde haar te troosten +door bezweringen van onwankelbare liefde en trouw; hij beloofde tot +haar terug te zullen keeren, wanneer hij in de naderende gevaren het +leven mocht behouden en spoorde haar aan, zich dapper te houden, opdat +nòch haar broeder, nòch één der hovelingen iets van hare smart zouden +bespeuren. Blanchefleur echter bleef als versteend van droefheid onder +zijne vurige kussen en teedere woorden en eerst toen hij haar eindelijk +bad en smeekte om hem ook eenige woorden van afscheid mede te geven, +hief zij het hoofd op en sprak: "Geliefde! meen niet, dat ik als eene +zwakke vrouw toegeef aan mijn verdriet, zonder daartegen te strijden; +het is niet enkel de smart om uw heengaan, die mij het hart verstijft +en het spreken belet, maar wat ik sinds eenigen tijd vreesde, is nu +zekerheid geworden. Onze verhouding kan niet langer geheim blijven en +de gedachte aan het kind, dat ik in smart en schande ter wereld zal +brengen, doet mijne ziel ineenkrimpen van schaamte en wroeging. Wanneer +mijn broeder ons geheim ontdekt, wacht u een smadelijke dood en ook +mij en ons kind kan de toekomst slechts grondelooze verachting en +groote ellende brengen. Daarom, hoeveel het mij ook kost, om u te +laten gaan, toch verblijdt mij de gedachte, dat gij althans voor dit +vreeselijk lot gespaard zult blijven en in eer en veiligheid naar uw +land zult terugkeeren, waar een lang en roemrijk leven uw deel moge +zijn. Ik zelve kan slechts afwachten, wat er met mij geschiedt". Na +deze woorden gesproken te hebben, viel zij half bewusteloos in +Rivalin's armen. Deze had in klimmende ontroering toegeluisterd, nu +echter overdekte hij haar gelaat en hare gesloten oogen met kussen +en riep uit: "Geen gedachte werp ik verder van mij af, dan u hier +alleen in het gevaar achter te laten! Wat ge mij verteld hebt, maakt +u nog dierbaarder in mijne oogen, dan ge mij reeds waart. Kies! wat +wenscht gij? óf wij blijven hier en ik zelve zal naar uw broeder gaan, +om hem ons geheim te openbaren en den eersten storm van zijn toorn te +trotseeren, of ik neem u mee naar mijn land, waar ik u voor de oogen +van geheel mijn volk tot mijne wettige gemalin zal maken en met mijn +leven voor uwe veiligheid zal waken! Wat is hierop uwe beslissing?" + +Onmogelijk ware het, den indruk te beschrijven, dien Rivalin's woorden +maakten op het hart van Blanchefleur. Het was haar, of wat hij zeide +een zwaren steen van haar gemoed wegnam. Weg angst en vrees! in plaats +van smaad en verachting, wachtte haar nu een leven vol blijdschap en +geluk, aan de zijde van den geliefden man. Zóó groot was de overgang +tusschen den stijgenden angst der laatste weken en het geluk van dit +oogenblik, dat zij zich moest vastklemmen aan Rivalin, om niet te +vallen. Op fluisterenden toon spraken zij nu af, dat Blanchefleur, +die heengaan verkoos boven blijven, den avond van Rivalin's vertrek, +hem heimelijk aan boord van zijn schip zou volgen en zoo geschiedde +het. Zoodra het duister was gevallen slopen twee gesluierde gedaanten +het kronkelend rotspad af, dat langs de klippen omlaag voerde en +een oogenblik later werden de zeilen geheschen en verdween het schip +in het nachtelijk donker. Groot was de vreugde in Ermonie, toen de +tijding van Rivalin's thuiskomst bekend werd en nog grooter werd zij, +toen men vernam, dat de graaf van zijne reis eene schoone jonge vrouw, +een prinses van vorstelijken bloede nog wel, had medegebracht. + +Alvorens hij uittrok met zijn leger tegen hertog Morgan, liet de +graaf in de groote slotkerk op plechtige wijze zijn huwelijk inzegenen +en toen hij aldus Blanchefleur voor de oogen der gansche wereld tot +zijne vrouw had gemaakt, vertrouwde hij haar toe aan de zorgen van +Rohand met de woorden: "Waak over haar, alsof zij uwe eigen vrouw was +en mocht mij iets overkomen, wees gij dan haar trooster en beschermer." + +Na een hartroerend afscheid reed Rivalin heen aan het hoofd van +zijn leger en nog geen drie dagen later kwam het tusschen hem en +hertog Morgan tot een treffen, waarin de laatste de overwinning +behaalde. De mannen van Rivalin's leger vluchtten in wanorde terug +naar hunne hoofdstad en helaas! met zich droegen zij het lijk van +hun jongen meester. + +Wie zal de smart beschrijven van Blanchefleur, toen haar de +vreeselijke tijding bereikte? Waar bleven nu al hare droomen +van toekomstig geluk? leeg en koud lag het leven voor haar, haar +bestaan had allen inhoud verloren, nu Rivalin er niet meer was, +om het te vullen. Kreunend van wanhoop lag zij op hare legerstede, +half bezwijmd van verdriet. Deze toestand duurde eenige dagen en op +den derden dag na Rivalin's dood, bracht zij onder hevig lijden een +zoon ter wereld. Toen was het echter met hare krachten gedaan en daar +zij voelde, dat zij sterven ging, liet zij den trouwen Rohand tot zich +roepen en sprak tot hem: "U, die de vriend en vertrouwde zijt geweest +van mijn dierbaren echtgenoot, u vertrouw ik zijn zoon toe. Terwille +van de liefde, die gij voor zijn vader koesterdet, smeek ik u, wees +goed voor hem en neem hem aan als uw eigen kind. Ten slotte geef ik +u dezen ring, mijn vader gaf hem aan koning Mark en deze schonk hem +mij. Mocht er ooit een oogenblik komen, waarop gij mijns broeders hulp +voor mijn zoon noodig mocht hebben, toon hem dan dezen ringen hij zal +den jongen dadelijk herkennen als het kind zijner zuster." Na deze +woorden gesproken te hebben viel Blanchefleur uitgeput achterover en +nog dienzelfden avond gaf zij den geest. + +Getrouw aan zijne opdracht nam Rohand het kind van zijn heer als het +zijne aan en hield zelfs zijne geboorte een diep geheim, vreezend, +dat hertog Morgan booze plannen jegens den zoon van zijn vijand +zou kunnen smeden. Tegenover de menschen liet hij het voorkomen, +als ware hem zelf een zoon geboren en hij omringde het kind met +liefderijke zorgen. Toen de priester kwam om hem te doopen en Rohand +den jonggeborene een naam moest geven, zag hij langen tijd zwijgend +op hem neer en sprak toen ernstig: "Voor allen rouw en droefheid, +waaronder hij geboren is, voor de smarten en beproevingen, die zijne +komst op deze wereld voorafgingen, geef ik hem den naam van Tristan: +dat is een mensch, die in droefheid leeft." + +Niemand, die het kind zag, wist, hoe toepasselijk die naam was en hoe +hij reeds het grootste verlies had geleden, dat een kind treffen kan, +dat zijner ouders. En zelfs hij, die hem zijn naam geschonken had, +vermoedde niet, dat zijn gansche leven dien waar zou maken; dat hij, +die onder lijden en smart ontvangen en geboren was, ook in lijden +en smart de dagen zijns levens zou moeten slijten, tot de dood hem +verloste. Slechts zij, die deze geschiedenis teneinde lezen, zullen +ten volle beseffen, hoezeer deze naam voor hem geëigend was. + +Jaren verliepen en Tristan groeide onder de liefderijke hoede van +Rohand en zijne vrouw op tot een aanvalligen, schoonen knaap. Toen +hij zes jaren oud was, koos zijn pleegvader met zorg een leermeester +voor hem uit, die hem moest onderrichten in alles, wat de zoon van +een edelman behoort te weten. Deze leermeester was Gouvernail, een +braaf en edel mensch, die zijne taak met liefde en plichtsbetrachting +vervulde. Hij onderwees Tristan in alle kunsten, die een ridder uit +die dagen placht te beoefenen: hij onderrichtte hem in het schieten +met pijl en boog, in het speerwerpen en zwaard vechten en leerde +hem rijden, tot zelfs de meest wilde en ongetemde paarden tam en +volgzaam werden onder zijne hand. Ook ging hij met hem op jacht, met +valken of honden en wees hem, hoe hij volgens jagersgebruik den buit +moest ontleden en behandelen. Maar niet alleen in vechten, rijden +en jagen onderwees Gouvernail zijn leerling, ook in de zangkunst +en het harpspelen gaf hij hem onderricht en weldra was er in gansch +Ermonie geen, die zóó schoon kon spelen en zingen als Tristan, de zoon +van Rohand. Deze zag met genoegen hoe zijn pleegzoon alle deugden +zijner ouders in ruime mate scheen te bezitten; hij was eerlijk en +bescheiden, dapper en hoffelijk en door zijn minzaam optreden en zijn +innemend uiterlijk nam hij allen, die hem zagen, terstond voor zich +in. Elken dag ontdekte zijn trouwe verzorger nieuwe eigenschappen +van geest en hart in den jongen Tristan, die hem herinnerden aan +zijne overleden ouders en zoo kon het niet anders, of uit de houding, +die hij tegenover zijn jeugdigen pleegzoon aannam, sprak zoowel eene +vaderlijke genegenheid als een zekere eerbied jegens den zoon zijns +meesters. Dat de andere zonen van Rohand zich somtijds beklaagden over +de onderscheiding, waarmede hun jongere broeder door hem behandeld +werd, spreekt van zelf, maar geen hunner vermoedde ook maar in 't +minst, dat deze uit iets anders voortsproot dan uit eene onbewuste +voorliefde, welke men wel meer bij ouders aantreft. Wanneer zij dan +ook den een of anderen wensch door hun vader wenschten ingewilligd te +zien, waren zij gewoon om Tristan te verzoeken hunne zaak bij Rohand te +bepleiten en meestal deed de jongeling, vriendelijk en welwillend als +hij was, wat zij van hem verlangden, vaak met het gewenschte gevolg. + +Op zekeren dag werd de stad in beroering gebracht door het bericht, +dat een Noorsch schip, beladen met rijke en veelsoortige koopwaar in +de haven was binnengeloopen en dat de vreemde handelaars reeds bezig +waren, hunne waren ter bezichtiging uit te stallen. Daaronder behoorde +ook, zoo zeide men, naast vele schoone en kostbare zaken, eene partij +fraaie valken en haviken, welke voor de jacht waren afgericht. + +Toen Rohand's zonen, die hartstochtelijke jagers waren, deze tijding +vernamen, begaven zij zich naar Tristan en smeekten hem hun vader +vergunning te vragen, om een bezoek aan het schip te mogen brengen +en daar eenige vogels te koopen. Rohand gaf gaarne zijne toestemming +en de jongelingen begaven zich in gezelschap van Gouvernail naar de +haven, waar het vreemde vaartuig lag vastgemeerd. Aan boord vergaten +zij weldra uur en tijd, zóó veel was er te zien en te bewonderen. De +Noorsche kooplieden hadden hunne waren met smaak en overleg ten toon +gespreid en menige koop werd er dan ook in den loop van den middag +gesloten. Daarbij maakte Tristan zich steeds zeer verdienstelijk, +daar hij tot de weinigen behoorde, die de Noorsche taal meester +waren, en dus als tolk kon dienen tusschen de vreemdelingen en zijne +landgenooten. Plotseling werd zijn oog getroffen door een schaakbord, +waarvan de stukken uit blank ivoor gesneden waren. Verrast zag hij om +zich heen en vroeg of wellicht een der vreemdelingen het spel verstond +en eene partij met hem wilde spelen. Een der Noren verklaarde zich +gaarne bereid en weldra zaten beiden onder een scherm van tentdoek, +dat hen tegen de zonnestralen moest beschutten, in hun spel verdiept, +omringd door een kring van nieuwsgierige toeschouwers. + +De middag was nu allengs verstreken en het werd tijd om huiswaarts te +keeren. Een der pleegbroeders van Tristan, ziende dat deze nog met +alle aandacht bij het spel was, tikte hem op den schouder en zeide: +"Broeder Tristan, het wordt tijd voor ons, om naar huis te gaan en wij +hebben bovendien alles bezichtigd, wat wij wenschten te zien. Daarom +gaan wij reeds vooruit, gij zult ons dan wel volgen, zoodra uw spel +is afgeloopen." Daarop namen zij afscheid van hem en verlieten het +schip, slechts de trouwe Gouvernail bleef aan boord achter. + +Toen nu alle koopers verdwenen waren, begonnen sommigen onder de +kooplieden hunne hoofden bijeen te steken en te spreken over de +buitengewone kundigheden van den jongen edelman, die daar in het +schaakspel verdiept was. Zij prezen zijn aangenaam voorkomen, +zijn vrijmoedig optreden en zijne hoofsche manieren en uitten +hunne verwondering over het feit dat hij, ondanks zijn jeugdigen +leeftijd, toch reeds hunne taal machtig was en met kennis van zaken +de verschillende koopwaren wist te schatten. Zulk een begaafde knaap, +zoo meenden zij, zou beter op zijne plaats zijn aan het hof van een +machtig vorst, die zijne diensten zou weten te gebruiken. Waarom +zouden zij niet trachten, hem die plaats te verschaffen door hem weg +te voeren uit zijne omgeving en hem tegen een hoogen losprijs aan +den een of anderen rijken koning af te staan? + +Dit plan vond algemeene instemming en toen zij zagen, dat Tristan +slechts oog en oor had voor zijn spel, beval de kapitein, in +alle stilte het anker te lichten en zee te kiezen. Zoo gezegd, +zoo gedaan. De zeilen werden geheschen, de roeiriemen in het water +nedergelaten en het schip zette zich langzaam in beweging. Nog bemerkte +Tristan niets, maar toen zij reeds op eenigen afstand van de kust +waren, deed eene plotselinge windvlaag het doek boven zijn hoofd +klapperen en opziende van zijn spel werd hij tot zijne ontzetting +gewaar, dat het schip zich in volle zee bevond en eene vage lijn aan +den horizon het eenige was, wat er van zijn vaderland te bespeuren +viel. Met een luiden kreet sprong hij overeind van zijn zetel en op +de knieën vallend voor den kapitein, smeekte hij dien om hem terug +te brengen naar zijne ouders en broeders. Maar deze bracht hem aan +het verstand, dat zulks onmogelijk was en maande hem aan, zich kalm +en rustig te gedragen, daar hem dan geen leed zou geschieden. Tristan +echter hield niet op met klagen en weenen en ook Gouvernail stemde met +zijne smeekbeden in. Toen hun geklaag den kapitein begon te vervelen, +gaf hij bevel om Gouvernail in eene kleine boot, voorzien van eenige +levensmiddelen, te plaatsen en hem aldus eene kans te geven, de kust +te bereiken; den jongen Tristan echter beval hij aan boord te houden, +zulk een kostbaren buit mocht men niet laten ontsnappen. + +Het baatte niet, of Gouvernail al weigerde, zijn jongen meester +alleen achter te laten, met ruwe handen grepen de matrozen hem vast +en plaatsten hem in eene kleine boot. Daarop gaven zij hem een paar +riemen en stieten hem van het schip af. + +Men kan nagaan, onder welke gewaarwordingen Tristan zijn trouwen vriend +zag vertrekken; luid weenend strekte hij de handen naar hem uit en +bad hem om hem niet alleen te laten. Tevergeefs!--Steeds wijder werd +de afstand, die hem van den laatsten zijner landgenooten scheidde en +weldra zag hij nog slechts een donker stipje, dat de plaats aanduidde, +waar Gouvernail met de golven kampte. Ook dezen liepen de tranen +over de wangen, toen hij bedacht, aan welk een onzeker lot hij zijn +beschermeling moest overlaten, maar met alle macht verzette hij zich +tegen zijne aandoeningen en trachtte het land te bereiken, vanwaar +hij tenminste eenige kans had om Tristan te hulp te komen. Inderdaad +gelukte het hem na groote inspanning, nog dienzelfden avond roeiend +de haven binnen te loopen. Hier vond hij reeds Rohand met zijne +zonen en vele andere bekenden in grooten angst heen en weder loopen; +een kreet van vreugde steeg omhoog, toen zij in het vallend duister +Gouvernail uit het ranke bootje zagen stijgen, maar bitter was hunne +teleurstelling, toen zij vernamen, dat hij slechts alleen was. Deze +teleurstelling nam nog toe, toen zij hoorden, welk een droevig lot +hun geliefden Tristan was overkomen. Vooral Rohand was troosteloos van +smart en wroeging; hij herinnerde zich de plechtige belofte, welke hij +aan zijn gestorven meester en aan diens gemalin gedaan had. Hij had +beloofd om steeds over hun zoon te blijven waken en nu was door zijne +nalatigheid, doordat hij dien kostbaren schat aan de hoede van anderen +had overgelaten, dit vreeselijke feit geschied en wachtte den knaap +daarginds in het vreemde land eene bittere ballingschap en wellicht een +gewelddadige dood. Zijn geweten liet hem geen vrede en hij rustte niet, +alvorens hij een schip had uitgerust om Tristan te gaan zoeken. Na +weinige dagen vertrok hij aan boord van dit vaartuig, vergezeld door +de beste wenschen der achterblijvenden en zette koers naar vreemde +streken in de hoop zijn pleegzoon terug te vinden. Eerst na lange +jaren mocht hem dit gelukken. Waar en onder welke omstandigheden hun +wederzien plaats vond, zullen wij later vernemen. Voorloopig keeren wij +terug naar onzen jeugdigen held, zooals hij tegen den mast geleund, +met betraande oogen naar den gezichteinder staart, waar het laatste +stipje van zijn geboorteland allengs achter de golven verdwijnt. + +Eenigen tijd zette het vaartuig zijne reis naar het Noorden zonder +verhindering voort, maar toen de duisternis gevallen was, wakkerde +de wind aan tot een stevigen bries, die weldra overging in een +hevigen storm. Den ganschen nacht loeide en kraakte het, als ware +een leger van booze geesten rondom het vaartuig losgelaten; de masten +steunden en bogen onder den druk van den wind, de riemen braken door +de aanzwellende kracht van het water en de zeilen scheurden van de +touwen af. Bij het eerste morgenschemeren dreef het schip als een +ontredderd wrak rond op de baren, de storm woedde met onverflauwde +hevigheid en het scheepsvolk school in angstige groepjes bijeen en +mompelde iets over eene gerechte straf, die God hun oplegde voor +hunne zonden. Dit onderdrukt gemompel werd langzaam aan luider en +verspreidde zich ook onder de roeiers, tot eindelijk eenigen onder +hen zich naar den kapitein begaven en van hem eischten, dat hij hun +gevangene de vrijheid zou weergeven om de woede van het Opperwezen over +dezen wreeden roof te doen bedaren. Hoezeer het den kapitein speet, +zijn kostbaren buit te moeten laten ontsnappen, hij moest wel toegeven +en zoo gaf hij order een der scheepsbooten in gereedheid te brengen +en van proviand te voorzien. Zoodra hij daartoe bevel had gegeven, +bedaarde als door een tooverslag het woeden der elementen. De wolken +verdwenen van den hemel, de zon brak door en de lucht werd helder +blauw; de wind ging liggen en het bruisen der golven bedaarde. Het +scheepsvolk viel op de knieën en dankte God voor de wonderbare redding, +daarna haastte een ieder zich om de geleden schade te herstellen en +weldra sloegen de riemen weer met geregelden slag in het water en +zwollen de nieuwe zeilen in de frissche morgenbries. + +Het spreekt van zelf, dat men door den nachtelijken storm een flink +eind uit den koers was geraakt en niemand kon dan ook zeggen op welke +hoogte men zich bevond. Toen men echter aan den horizon land ontdekte, +achtte men het oogenblik gekomen om zich van den onheilbrengenden gast +te ontdoen; men plaatste daarom Tristan in de gereed gemaakte boot, gaf +hem een paar riemen in de hand en beval hem in de richting van het land +te roeien, daarop liet men hem aan zijn lot over en beijverde zich, +om door sneller roeien en het bijzetten van meer zeil den verloren +tijd in te halen. Met angst en vrees in het hart stuurde onze jonge +held intusschen aan op het vreemde land, waar zijne eenige, zij het +ook onzekere, redding was gelegen. + +Bij nadering bleek het eene steile, rotsachtige kust te zijn, +waarvan de grijze klippen loodrecht uit zee omhoogrezen. Na eenig +zoeken ontdekte Tristan echter eene kleine baai, waar hij zijn +bootje veilig in kon sturen en zoo duurde het niet lang, of hij +zette voet op den vasten wal. Toen rees echter de vraag: waar ben +ik en waar moet ik heen? Huiverend zag de arme knaap om zich heen +in het doodsche, verlaten landschap, dat door zijne verbeelding +bevolkt werd met verschillende dieren en wilde volksstammen, zooals +hij ze in avontuurlijke jachtverhalen had hooren beschrijven. Maar +na eenigen tijd kregen zijn moed en ondernemingsgeest opnieuw de +bovenhand en besloot hij te gaan onderzoeken, wat achter die hooge +rotsen verborgen lag. Behendig klauterde hij omhoog en op den top +aangekomen kreeg hij een ruimeren blik op het land en ontdekte hij op +eenigen afstand een breeden heirweg, die zich als een lint door het +landschap slingerde. Zonder veel moeite wist hij dien te bereiken en, +zich aan den kant van den weg nederzettend, besloot hij de komst van +voorbijgangers af te wachten, om zich door hen op de hoogte te laten +brengen omtrent de streek, waar hij zich bevond. Hij behoefde niet +lang te wachten. Na enkele oogenblikken verschenen aan de kromming +van den weg twee gedaanten, die langzaam naderden en die Tristan +weldra als pelgrims herkende. Zij droegen breedgerande hoeden, +om zich tegen de hitte der zonnestralen te beschutten, hun lange, +linnen kleederen waren bestikt met zeeschelpen en vreemde teekenen +en op den rug droegen zij een palmtak, om aan te duiden, dat zij naar +het Heilige Land waren geweest. Hunne lange baarden golfden hun over +de borst en onder het voortgaan leunden zij op hun staf en zongen +pelgrimsliederen, die zij afwisselden door het prevelen van gebeden. + +Toen Tristan zag, dat het vreedzame lieden waren, ging hij hen +tegemoet, kruiste zijne handen voor de borst en boog eerbiedig voor +hen neer. Daarna zeide hij: "Vrome vaders! Op de jacht zijnde ben ik +van mijne metgezellen afgedwaald, mijn paard is met mij van een rots +gevallen en ligt ginds met een gebroken rug; kunt gij mij zeggen, +waar ik ben en waar deze weg heenleidt?" "Deze weg", antwoordden de +pelgrims, "voert naar Tintagel, het slot van koning Mark. Indien +uw pad ook in die richting voert, kunnen wij een eindweegs samen +gaan." Vol vreugde nam Tristan hun aanbod aan en de drie vervolgden +gezamenlijk hun weg. Nauwelijks hadden zij echter eenige schreden +afgelegd, of vanuit het bosch weerklonk luid hoorngeschal, vermengd +met hondengeblaf. Bij het hooren daarvan begon Tristan's hart luider +te kloppen en haastig sprak hij: "Hoort! daar zijn mijne metgezellen, +die ik verloren had. Ik wil trachten ze zoo spoedig mogelijk in te +halen!" Daarop wendde hij zich om en liep in de richting, vanwaar +het geluid kwam. Toen hij het bosch een eind was binnengedrongen, +ontwaardde zijn oog een bont jachttafereel. Op eene open plek in +het woud streed een edel hert den doodsstrijd met de hem omringende +honden. Onder luid gejubel omringden de jagers den kostbaren buit; met +een behendigen speerstoot brachten zij het dier den doodsteek toe en +reeds wilde de jagermeester met zijn dolk het wild den hals afsnijden, +toen Tristan, die dit vol afschuw bemerkte, tusschenbeide sprong met +den uitroep: "Houdt op, houdt op! een hert is toch geen wild zwijn, +dat men eerst worgt en dan den kop afsnijdt! Hoe kunt gij zulk een edel +wild zóó behandelen!" Vol verbazing zagen de jagers om bij het hooren +van die stem en toen zij Tristan bemerkten, werden zij zóó getroffen +door zijne jeugd en schoonheid, dat zij hunne honden terugriepen en +hunnen arbeid staakten. De jagermeester, een bedaard en vriendelijk +man, trad op Tristan toe en sprak: "Wij behandelen het wild, zooals +ons dat geleerd is; kunt gij ons eene betere wijze aan de hand doen, +zoo spreek en toon ons die!" Tristan liet zich niet lang bidden. Hij +kwam eenige passen naderbij, knielde bij het hert neer en begon met +vaste hand het in stukken te snijden, zooals hij dit in zijn vaderland +geleerd had. Eerst ontdeed hij het dier van de huid, welke hij ter +zijde legde en waarop hij achtereenvolgens de verschillende deelen +stapelde, welke hij van den romp afsneed. Aan de ademloos toeziende +omstanders toonde hij, welke stukken volgens aloud jachtgebruik aan +de honden werden gegeven, welke het eigendom bleven van den heer van +de jacht, welke aan de jagers en welke aan de armen toekwamen. Daarna +rangschikte hij de afgesneden stukken naar hunne waarde en verdeelde +ze onder de dragers. Toen zij allen hun aangewezen deel van den buit +in ontvangst hadden genomen, stelde hij op verzoek van de jagers +den jachtstoet op, zooals men dat in zijn vaderland gewoon was en +wilde toen afscheid van hen nemen. De jagers wilden hem echter niet +laten gaan en verzochten hem, hen naar het hof te vergezellen. Op +weg daarheen vroegen zij Tristan hun te zeggen, waar hij vandaan +kwam en hoe hij heette, maar de knaap was zoo voorzichtig om hun +niet dadelijk te vertellen, wat er met hem was geschied en dus zeide +hij slechts, dat hij, een koopmanszoon uit Ermonie, gevlucht was uit +zijn vaderlijk huis om vreemde streken te bezoeken. Zijne metgezellen +verbaasden er zich over, dat een eenvoudig koopmanszoon zóó bedreven +was in ridderlijke gebruiken en zij prezen het land, waar de zonen +der burgers tot zoo schoone en hoffelijke jongelingen opgroeiden. + +Onder het voortrijden--één der ridders had Tristan zijn paard +afgestaan--brak deze de jonge twijgjes af van de lindeboomen langs +den weg en vlocht zich een krans in het blonde haar, zoo naderden +zij onder scherts en lach den trotschen burcht van Tintagel. Toen +zij in het gezicht van het kasteel waren gekomen, vroeg één der +ridders aan den knaap, onder welken naam men hem aan den koning moest +voorstellen. Deze antwoordde: "Mijn vader en mijne broeders noemen +mij Tristan!" Zijne woorden werden met uitroepen van verbazing en +spot begroet. "Hoe dwaas en zinneloos!" riepen allen uit."Jeugd, +vreugde, schoonheid! zoo moest gij heeten, maar niet Tristan--dat +klinkt als rouw en eeuwige smart!" Zoo waren zij tot aan de poorten +van het kasteel genaderd. Plotseling nam Tristan zijn jachthoorn en +blies daarop een jachtlied, zóó lustig en vroolijk, dat alle jagers +met hunne hoorns in het refrein meestemden. De slotbewoners liepen vol +verbazing de poort uit, zóó hadden de jagers nog nooit hunne thuiskomst +aangekondigd en zij zagen met verwondering naar den welgeordenden +stoet, die onder vroolijk hoorngeschal de brug overreed. Koning Mark +was ook naar buiten gekomen; zijne gestalte was nog schraler geworden +dan vroeger en hoewel hij eerst den middelbaren leeftijd had bereikt, +waren zijne haren vergrijsd aan de slapen en liep hij gebogen als een +oud man. Zijn scherpe blik trof dadelijk den blonden knaap, die daar +temidden der jagers kwam aanrijden en terstond wendde hij zich tot +den opperjagermeester en vroeg hem, wie die vreemdeling was. Deze +antwoordde eerbiedig: "Sire, het is een koopmanszoon uit Ermonie, +dien wij in het bosch gevonden hebben en die ons velerlei omtrent de +edele jachtgebruiken geleerd heeft. Ondanks zijne eenvoudige afkomst +is hij even hoffelijk in taal en manieren als de edelste onder ons en +zelfs een koningszoon zou hem daarin niet tot schande brengen!" Daarop +beval de koning Tristan vóór hem te brengen en vol edelen zwier +knielde de knaap voor hem neder. Geen van beiden vermoedde daarbij, +hoe nauw de band was, die hen tezamen bond, maar wel werd het koning +Mark wonderlijk te moede, toen hij in de heldere kinderoogen zag, die +zoo vol vertrouwen naar hem werden opgeslagen. Met zacht gebaar legde +hij zijne hand op Tristan's schouder en deed hem opstaan, terwijl hij +tot hem sprak: "Men heeft ons veel goeds van u verteld, knaap, en wij +hebben jongelingen als gij zijt noodig. Wanneer gij zulks verlangt, +kunt gij in onzen dienst treden." Dankbaar en verheugd nam Tristan's +konings aanbod aan en zoo werd hij opgenomen onder de jagermeesters +van den koning. + +Nu brak er een schoone tijd aan voor den jongen held. Slechts zelden +gingen zijne gedachten terug naar zijn geboorteland, het verleden was +als een gesloten boek voor hem, maar van het heden, het wonderschoone +heden, genoot hij met volle teugen. Weldra gevoelde hij zich geheel +thuis aan het schitterende hof, waar hij aller lieveling was en waar +de koning hem slechts zelden uit zijne nabijheid duldde. + +Eens op een avond was het gansche hof bijeen verzameld om te luisteren +naar de liederen van een vreemden zanger, die van ver over de zee +gekomen was. Onder zijne liederen was dat van Graaf Gurun en zijne +geliefde, wie de verraders het hart haars minnaars te eten gaven en +die van smart en kommer omkwam. Tristan luisterde met de anderen samen, +hij was geheel verzonken in de weemoedige tonen van het lied, maar toen +de zanger zweeg, sprong hij overeind en riep met luider stem: "Bravo, +meester! Gij hebt goed gezongen: uwe stem klinkt helder en krachtig, +en weet op waardige wijze het lot der helden te bezingen. Ook de +tonen uwer harp zijn rein en edel. Gij hebt de oude zangwijzen goed +bewaard en ze geen geweld aangedaan". + +De zanger verbaasde zich over dit kundig oordeel; wat kon zoo'n +jonge knaap van zang en snarenspel weten? Nieuwsgierig vroeg hij +Tristan of deze wellicht ook een lied ten beste kon geven. Zonder +aarzelen greep Tristan de harp. Hij zong en zijne stem was van zulk +eene innige schoonheid, dat de harten van alle aanwezigen tot in 't +diepst geroerd werden. Zij, die zóó zingen kunnen, zijn een zegen der +menschheid; de schoonste droomen uit verleden en toekomst tooveren zij +ons voor den geest, de gestalten van dierbare afgestorvenen doen zij +in onze ziel herleven en de harten der toehoorders doen zij opengaan +om visioenen van teedere schoonheid binnen te laten. Toen Tristan +ophield met zingen, greep Koning Mark hem bij de hand; zijne oogen +stonden vol tranen en zijne stem beefde toen hij sprak: "Kind, van +nu af aan moogt gij mij nooit meer verlaten. God heeft u hierheen +gezonden om eene ledige plaats in mijn huis te vullen en mijn hart, +dat somber en treurig was, tot nieuwen levensmoed op te wekken. Van +nu af aan zal er weer licht en vroolijkheid aan mijn hof heerschen." + +De koning hield woord; van dien dag af moest Tristan steeds in zijne +nabijheid zijn, op de jacht, zoowel als in huis en de eenzaam levende +man hechtte zich met al de kracht zijner natuur aan den blonden knaap, +dien hij liefhad als zijn eigen zoon. + +Zoo groeide Tristan op tot een kloeken jongeling, den trots van het +gansche hof. Toen hij den leeftijd van negentien jaren bereikt had, +gebeurde het, dat zijn pleegvader Rohand op zijne omzwervingen aan +het hof van koning Mark kwam. Hem was ter oore gekomen bij monde +van de beide pelgrims, die Tristan den weg hadden gewezen en die +Rohand toevalligerwijze in Denemarken had ontmoet, dat zijn dierbare +pleegzoon zich te Tintagel bevond, waar hij door den koning in dienst +was genomen. + +De lange jaren van zwerven en trekken hadden hunne sporen nagelaten +op het lichaam van den trouwen Rohand; de doorgestane ontberingen +hadden zijne leden stram en zijne haren grijs gemaakt en niemand zou +in den verwaarloosd uitzienden vreemdeling, die toegang vroeg tot het +kasteel, den fieren, kloeken man van weleer hebben herkend. Het was +dan ook slechts met moeite, dat hij de wachters wist te overreden, +hem door te laten, maar toen hij zeide, de brenger te zijn van eene +tijding, welke Tristan genoegen zou doen, en hij hun bovendien eene +ruime gift in de hand drukte, openden zij, hoewel aarzelend, de poort +en lieten hem binnen. + +Het liep juist tegen het uur van het middagmaal en in de groote zaal +van het kasteel heerschte de gewone bedrijvigheid, welke daaraan +voorafgaat. Juist schikten de gasten zich aan tafel, toen Rohand +ongemerkt door eene zijdeur het vertrek binnentrad. Vol spanning +zwierf zijn blik door de zaal en ziet--ginds! aan de linkerzijde +van den grooten koning zelf, zat hij, dien hij zocht: veranderd en +tot jongeling gerijpt, maar met al de schoonheid en minzaamheid, +die hem reeds als kind kenmerkten. Verrukt hingen de oogen van den +trouwen dienaar aan de gestalte van zijn pleegzoon; hij raakte +maar niet uitgekeken. Wat was hij groot geworden en krachtig, +hoe fier en vrijmoedig zag hij om zich heen en wat scheen hij zich +thuis te gevoelen onder deze hooggeplaatste edellieden! Trouwens, +rijk en machtig konden zij zijn, de trotsche hovelingen, geen van +hen kon wedijveren met Tristan in schoonheid en adeldom van houding +en gelaat! Toen de brave Rohand zich dit vol trots en vreugde had +bekend, drong het plotseling tot hem door, hoezeer hij zelf, in +zijne eenvoudige kleedij, welke bovendien door de reis was bevlekt en +bestoven, moest afsteken bij de rijk gekleede ridders van het hof en +eene stem in zijn binnenste zeide hem, dat hij wellicht beter deed, +heen te gaan, om Tristan de noodzakelijkheid te besparen, zich over +hem te moeten schamen. Na een laatsten blik op zijn lieveling geworpen +te hebben, wendde hij zich om, ten einde het vertrek te verlaten, toen +Tristan plotseling zijne richting uitkeek. Een oogenblik staarde hij +zijn pleegvader aan, zonder hem te herkennen, toen drong een straal van +blijde verrassing uit zijne oogen en met den uitroep: "Vader!" sprong +hij overeind, liep op Rohand toe en omhelsde hem hartelijk. Daarna trok +hij hem met beide handen naar de plaats, vanwaar koning Mark in stomme +verbazing dit wederzien had gadeslagen en riep met juichende stem: +"Sire, dit is mijn vader, die uit verre landen is gekomen om mij te +zoeken. Mag ik hem uit Uw naam hier welkom heeten?" + +Tranen van vreugdevolle ontroering kwamen Rohand in de oogen. Dit was +zijn eigen, dierbare pleegzoon, dien hij wedergevonden had en die +temidden van de pracht en praal zijner nieuwe omgeving den eenvoud +van zijn kinderlijk gemoed had weten te bewaren. Hoe zegende hij dit +oogenblik, dat hem ruimschoots alle gevaren en ontberingen vergoedde, +welke hij om zijnentwil doorstaan had. + +Koning Mark heette den verren gast hartelijk welkom aan zijn hof; +hij liet hem zelfs eene plaats aan zijne zijde inruimen en bediende +hem met gulle hand van de spijzen, die voor hem werden aangedragen. Na +afloop van den maaltijd begaf het gezelschap zich naar een aangrenzend +vertrek, waar de vorst zijn gast verzocht, om verslag uit te brengen +over zijn wedervaren. Nu was het oogenblik gekomen, dat Rohand zoo +lang verbeid had; de trouwe dienaar zag om zich heen in den kring +van aandachtig luisterende toehoorders, haalde diep adem en begon: +"Sire, het moge u bevreemden, dat ik zoo langen tijd van huis en haard +ben weggebleven om dezen, mijn zoon te zoeken, vooral waar thuis nog +drie andere zonen mijne vaderzorgen behoeven, maar meer nog zal het +u bevreemden, wanneer ik u vertel, dat hij, voor wien ik mij al deze +moeite en last hebt getroost, niet eens mijn zoon, maar feitelijk een +vreemde voor mij is!" Toen hij deze woorden gesproken had, sprong +Tristan, die zich aan zijne voeten had neergezet, ontsteld op en +riep uit: "Vader, weet gij wel, wat gij daar zegt? Ben ik uw zoon +niet? Wie zou ik anders zijn en waarom hebt ge mij dat nooit eerder +gezegd?" Maar Rohand legde bedarend zijne hand op het blondgelokte +hoofd van den opgewonden knaap en sprak: "Dat zal ik u zeggen, mijn +kind, maar vóór ik verder ga, dient gij te weten, dat geen vader zijn +zoon meer lief kan hebben dan ik u doe en dat gij eene plaats inneemt +in mijn hart naast die van mijne eigen kinderen." Daarna wendde hij +zich opnieuw tot koning Mark en vervolgde: "Wat ik u nu ga vertellen, +Heer koning, is van grooter belang voor u, dan gij kunt vermoeden, en +reeds vooraf moet ik u om vergeving vragen, wanneer ik mogelijk eene +pijnlijke snaar bij u aanroer. Zooals ik u reeds zeide, is Tristan nòch +mijn zoon, nòch mijn bloedverwant, maar hij werd mij toevertrouwd door +mijn gestorven meester: Rivalin van Ermonie." Op het hooren van dien +naam rees Mark als door een pijl getroffen omhoog uit zijn zetel, +zijn voorhoofd trok samen in diepe rimpels en zijne oogen schoten +dreigende vonken, maar nog eer hij den mond tot spreken kon openen, +ging Rohand haastig voort: "Zwijg, Sire! want de woorden, die ge +wilt zeggen, zouden de nagedachtenis van een dapper en edel man ten +onrechte beleedigen. Ik weet, dat de naam van Rivalin bij u pijnlijke +herinneringen opwekt, maar wat gij vreest, is niet waar. De moeder van +Tristan was inderdaad uwe zuster Blanchefleur, maar zij was ook de voor +God en de menschen wettig erkende echtgenoote van mijn gestorven heer." + +Deze woorden maakten diepen indruk en vooral op den koning hadden +zij eene geweldige uitwerking. Hij kon het zich bijna niet indenken, +dat zijne bittere schaamte, over wat zijne zuster gedaan had, van +allen grond ontbloot was geweest. Toen hij echter den ring zag, +dien Blanchefleur aan Rohand had toevertrouwd, verdween de laatste +schaduw van twijfel uit zijn ziel en luid jubelend sloot hij Tristan +in de armen. Nu eerst besefte hij, waarom hij reeds bij den eersten +aanblik zulk eene warme genegenheid voor den knaap had opgevat, +het was de stem des bloeds, die gesproken had. + +Wat Tristan betreft, ook hij kon aanvankelijk niet begrijpen, wat +Rohand's woorden voor hem beduidden. Zijn eerste gevoel was er een +van smart, toen hij vernam, dat hij geen vader of moeder in de wereld +bezat en dat hij, dien hij als een vader liefhad, feitelijk een vreemde +voor hem was. Maar toen hij alle bijzonderheden over zijne geboorte +vernomen had, verdwenen die gevoelens allengs uit zijn binnenste om +plaats te maken voor eene innige dankbaarheid jegens den man, die hem +zoo trouw en liefderijk had verzorgd. Ook zegende hij het toeval, +dat hem naar Tintagel had gevoerd en hem in staat had gesteld om +de genegenheid te winnen van den eenigen bloedverwant, dien hij op +aarde bezat. Diep geroerd viel hij op de knieën voor de beide mannen, +die hem zoo dierbaar waren: den machtigen koning en den eenvoudigen +edelman, maar koning Mark deed hem opstaan en zeide met plechtige stem: +"Van nu af aan beschouw ik u als mijn eigen zoon, want niet alleen om +uws zelfs wil, maar ook terwille van haar, die gestorven is, zal ik u +voortaan liefhebben. Als mijn zoon zult gij aan mijn hof verkeeren en +na mijn dood zult gij heer worden over mijne bezittingen, dat zweer +ik bij al wat mij heilig is!" + +De koning hield woord; reeds den volgenden dag maakte hij in eene +plechtige bijeenkomst van al zijne vazallen bekend, dat hij Tristan +aanwees als zijn wettigen erfgenaam en geen was er onder de aanwezigen, +die hem die onderscheiding misgunde. + +De eerste gunst, die de jonge held zijn koninklijken oom verzocht, +was om heen te mogen gaan naar zijn eigen land om zich aldaar op hertog +Morgan te kunnen wreken voor den dood van zijn vader. Gaarne gaf Mark +hiervoor zijne toestemming, want ook hij wenschte niets liever dan den +man, die de oorzaak was geweest van den dood zijner dierbare zuster, +zijne gerechte straf te zien ondergaan. Weinige dagen daarna vertrok +Tristan in gezelschap van den trouwen Rohand naar Ermonie, waar al +ras de waarheid omtrent zijne afkomst onder het volk bekend werd. Van +alle zijden ontving hij bewijzen van trouw en aanhankelijkheid en toen +men vernam, dat hij besloten was om den dood zijns vaders met geweld +van wapenen te wreken, stroomden van alle zijden aanhangers toe, +die zich bereid verklaarden, hem in zijn pogen bij te staan. + +Tegen een opstand, die zich zóózeer in de gunst van het gansche +volk mocht verheugen, vermochten de huurlingen van Hertog Morgan +niets uit te richten. Na een korten, maar hevigen strijd, waarin +Tristan den hertog eene doodelijke wond wist toe te brengen, gaven +zij zich gewonnen. Rivalin's dood was gewroken en onder het gejuich +der bevolking hield Tristan zijne blijde intocht in de stad zijner +vaderen. Het was echter zijn plan niet om langen tijd daar te blijven, +zijn hart trok hem naar de bergen van Cornwallis, waar hij in den +dienst van zijn oom zich meer zou kunnen onderscheiden dan in het +kleine Ermonie. Daarom vaardigde hij een besluit uit, waarin hij het +bestuur over zijn graafschap opdroeg aan den oudsten van Rohand's +zonen, hijzelf echter scheepte zich met eenige getrouwen, waaronder +ook zijn dienaar Gouvernail, dien hij na al die jaren gezond en wel +had teruggevonden, in, om naar Cornwallis terug te keeren. + + + +_Van Tristan's strijd tegen den Ierschen Morholt._ Toen Tristan in het +kasteel van Tintagel terugkeerde, werd hij verbaasd door de sombere +gezichten, die hij overal om zich heen zag. Uit de vertrekken der +vrouwen drong onderdrukt gesnik tot hem door en de ridders schoolden +in groepjes bijeen en spraken met gedempte stem onder elkander. Toen +Tristan naar de oorzaak vroeg van deze droeve stemming, deelde men +hem mede, dat de gevreesde Iersche krijger, Morholt, in het land +gekomen was, om in naam zijns konings eene schatting te eischen, +bestaande uit driehonderd knapen en meisjes, aan te wijzen uit de +nakomelingschap der edelsten uit den lande. Op zijn verder vragen +vernam hij, dat het betalen der jaarlijksche schatting dagteekende +uit den tijd, toen Cornwallis, door binnenlandsche twisten verzwakt, +niet opgewassen bleek tegen den machtigen koning van Ierland, wiens +harde voorwaarden het daarom moest aanvaarden. Zoo werd het arme, +geteisterde land eene schatting afgedwongen, welke het eerste van +elke vier jaren bestaan zou uit driehonderd ponden koper, het tweede +uit driehonderd ponden zilver en het derde uit hetzelfde gewicht +aan goud. Het vierde jaar echter, en dit was wel het vreeselijkst +van alles, moest de schatting bestaan uit driehonderd jongelingen en +meisjes uit de edelste families van Cornwallis, die als knechten en +dienstmaagden naar Ierland gevoerd werden. + +Reeds eenige malen was die zware schatting betaald geworden en onder +bitter geween had men de hoop van het vaderland in ballingschap zien +gaan, maar toen het rijk onder het bestuur van koning Mark allengs +machtiger werd, begon men meer en meer het vernederende van een +dergelijken eisch in te zien en elk jaar werd het gemor en geklaag, +waaronder men de gevraagde som bijeenbracht, luider. Toen nu eenige +jaren tevoren het oogenblik gekomen was, waarop de levende schatting +moest worden uitbetaald, hadden de edelen uit het rijk rondweg +geweigerd om hunne zonen en dochteren af te staan en op hoogen toon +had men de Iersche boodschappers teruggezonden naar hun land. Drie +jaren achtereen had de koning van Ierland zijn harden eisch herhaald, +drie jaren achtereen had koning Mark, hoe bevreesd hij ook inwendig +zijn mocht voor de gevolgen, geweigerd dien eisch in te willigen en nu +was Morholt gekomen, om ten laatsten male de verplichte schatting op +te eischen. Werd die niet betaald, dan zou de koning van Ierland een +machtig leger zenden om zijnen bedreigingen kracht bij te zetten. Wat +dit zeggen wilde, wisten de bewoners van Cornwallis slechts al te +wel. Trouwens de ouden van dagen konden hen, die den ernst van een +dergelijk dwangbevel niet inzagen, nog voldoende inlichten omtrent +de gruwelen van een Ierschen inval, zooals zij dien in hunne jeugd +hadden meegemaakt. Maar wat dan te doen? moest men dan de keur der +jongelingschap, de bloem der jonge maagden goedschiks overleveren +aan een vreeselijk lot? In spanning wachtte men de komst van den +gevreesden Morholt af. Deze was de broeder der Iersche koningin, wijd +en zijd geducht en gevreesd om de kracht zijner vuisten en het ruwe, +bijkans dierlijk geweld, waarmede hij in den strijd zijn tegenstander +wist aan te vallen. + +Met eene uitdrukking van hoon op het gelaat was hij het paleis van +koning Mark binnengetreden; spot en minachting spraken uit den toon, +waarop hij den edelen toeriep: "Indien er één is onder ulieden, die +uw land van dezen smaad wil bevrijden, ben ik bereid jegens hem in +het perk te treden. Mocht hij in den strijd overwinnen, dan zijt gij +voor altijd van uwe verplichtingen ontslagen. Indien het lot te mijnen +gunste beslist, zoo is het niet meer dan billijk, dat uwe kinderen tot +knechten worden. Maar ik zie het al, geen uwer waagt het den strijd +met mij aan te binden!" en luid schalde zijn spotlach door de zaal. + +Bevend van woede en toorn had Tristan naar de woorden van Morholt +geluisterd. Nu sprong hij overeind en riep met trillende stem den +edelen toe: "Schaamt u, gij lafaards! Een dier doet nog meer om het +leven zijner jongen te redden, dan gij doet om uwe kinderen datgene +te besparen, wat nog erger is dan de dood!" Toen liep hij op Morholt +toe, slingerde hem zijn handschoen in het gelaat en riep: "Ik zal met +u strijden voor de eer van mijn land, en het behoud mijner vrienden +en stamgenooten. Noem slechts plaats en uur!" + +Morholt nam lachend den handschoen van den grond op en sprak: "Wat wil +die knaap van mij? Moet ik soms een houten zwaard gebruiken, wanneer +ik met hem vecht?" Maar niettegenstaande zijne snoevende minachting +moest Morholt Tristan's uitdaging wel aannemen en zoo werden dag +en uur van den strijd bepaald. Het gevecht zou plaats vinden op een +eilandje, dat niet ver van Tintagel op eenigen afstand van de kust +was gelegen. Reeds vroeg in den morgen van den vastgestelden dag had +zich eene groote menigte aan het strand verzameld, die getuige wilde +zijn van dezen spannenden strijd, welke over het wel en wee van het +vaderland zou beslissen. Tegen den middag kwam Morholt, op een zwart +ros gezeten, uit de richting der stad aanrijden. Onder de dreigende +blikken der toeschouwers nam hij met zijn paard plaats in een bootje, +dat hij met eenige krachtige slagen naar het eiland roeide; daar +aangeland, meerde hij zijn vaartuig vast aan een steiger, steeg aan +wal en wachtte, te paard gezeten, de verdere gebeurtenissen af. + +Korten tijd daarna verscheen Tristan op het strand, onder het daverend +gejuich der menigte. Zijne gestalte was gehuld in een stalen harnas, +dat blonk als zilver, het vizier van zijn helm was opgeslagen en met +vriendelijk lachend gelaat dankte hij voor de hem betoonde hulde. Zijne +vrienden verdrongen zich om zijn sneeuwwitten schimmel en wedijverden +met elkander in het geven van goeden raad en heilwenschen. Op +dezelfde wijze als Morholt bereikte hij het eiland, maar toen hij +aan land was gestapt, stiet hij met den voet het vaartuig, waarin +hij gekomen was, van den oever af, zoodat het met den stroom naar zee +dreef. Op Morholt's vraag, waarom hij dit deed, gaf hij ten antwoord: +"Één van ons beiden zal dit eiland niet levend verlaten en voor hem, +die terugkeert, is één vaartuig voldoende." + +Kort daarop begon de strijd, die vele uren duurde. Zij, die vanaf +het strand in angstige spanning naar het eiland tuurden, om den +loop van het gevecht te kunnen volgen, zagen, hoe de krijgskansen +steeds wisselden. Wat Morholt boven zijn tegenstander voor had, +waren zijne meerdere kracht en zijne jarenlange ervaring in het +vechten. Tristan daarentegen won het van hem in behendigheid en +vlugheid van beweging. Daar trof Morholt's zwaard den jongen held diep +in de linkerzijde; één oogenblik scheen het, of hij den strijd zou +moeten opgeven, zóó fel brandend was de pijn, maar dadelijk herstelde +hij zich weer. Morholt had echter zijne aarzeling bemerkt en zijn +zwaard terughoudend riep hij uit: "Houd op, knaap, eer het te laat +is. Wat maalt gij om die menschen daar ginds op het strand? Uw moed en +behendigheid bevallen mij en ik wensch niet langer uw dood. Weet dan, +dat de punt van mijn zwaard in gif gedrenkt is en dat er niemand +is, die u van uwe wonde kan genezen dan mijne zuster, koningin +Isolde. Daarom leg uwe wapens neer en ga met mij naar Ierland, waar +gij genezing zult vinden en waar men u gelegenheid zal verschaffen, +u roem en eer te verwerven!" + +Tristan luisterde echter nauwelijks naar zijne woorden. Woedend sprong +hij op Morholt toe, terwijl hij uitriep: "Mijne eer en de vrijheid van +mijn land zijn mij meer waard dan mijn leven. Ik heb ze beide in mijne +hand en zal ze verdedigen tot mijn laatsten ademtocht!" Met vernieuwde +onstuimigheid drong hij op zijn tegenstander in en slechts weinige +oogenblikken later gelukte het hem, met een krachtigen zwaardslag +Morholt's schedel te doorklieven. Met een doffen slag stortte de reus +op den grond. Tristan steeg van zijn paard en trok met moeite zijn +wapen uit de gapende wond. Zóó diep was het lemmer van het zwaard in +het been doorgedrongen, dat een splinter van het staal in den schedel +bleef steken. + +Toen Tristan zich overtuigd had, dat Morholt inderdaad niet meer tot +de levenden behoorde, begaf hij zich aan boord van diens vaartuig +en roeide naar de kust. Zij, die daar stonden en den vorm van het +vaartuig herkenden, sloegen de handen in elkaar en begonnen luide +te weeklagen, want zij meenden niet anders, of Tristan was in den +strijd gevallen. Wie beschrijft dus hunne vreugde, toen de geliefde +held uit het vaartuig aan den wal sprong, ongedeerd naar het scheen, +want de vreugde der overwinning deed hem voor het oogenblik de pijn +vergeten, die hem in de zijde brandde. Met fieren tred trad hij op +de kleine groep van Morholt's metgezellen toe en riep, zóó luid, dat +alle omstanders het hooren konden: "Gaat heen naar uw land en breng uw +vorst als schatting, hem, dien ge op gindsch eiland zult vinden. Zeg +hem, dat, zoo de aard dier schatting hem bevalt, hij slechts nieuwe +boodschappers behoeft te zenden, om er nog meer van te ontvangen." + +Van bange voorgevoelens vervuld, roeiden Morholt's vrienden naar het +eiland, waar zij het lijk van hun makker vonden. Zij wikkelden het +doode lichaam in fijn linnen doeken en voerden het met zich mee naar +Ierland. Groot was aldaar de rouw bij het vernemen der smartelijke +tijding. De trotsche koning van Ierland beet zich op de lippen van +woede en schaamte, maar hij zond geen nieuwe boodschappers naar +Cornwallis. De koningin echter en hare dochter, de schoone Isolde, +stortten bittere tranen over het ontzielde lichaam; zij wieschen +en balsemden het en hulden het in een kostbaar doodskleed. Zoo +ontdekten zij ook de stalen zwaardpunt, die in de wonde was blijven +steken. Zorgvuldig legden zij het kostbare bewijsstuk ter zijde en +zij zwoeren een duren eed, dat hij, aan wien het toebehoorde, zijne +straf niet zou ontgaan. + +Degene, tegen wien deze bedreigingen geuit werden, lag intusschen weg +te kwijnen op zijne legerstede in een der zijvleugels van het paleis +van koning Mark. Onder het oorverdoovend gejubel der saamgepakte +menigte had Tristan de terugreis naar Tintagel ondernomen. Van alle +kanten drongen de menschen op hem aan om hem te danken voor hetgeen +hij voor hen en hun land gedaan had. Vreemde ridders drukten hem de +hand, schoone edelvrouwen vielen hem te voet en stamelden hun dank +onder snikken en tranen, jonge meisjes strooiden bloemen op zijn pad +en allen huldigden hem als den held van den dag. Voor den hoofdingang +van zijn paleis stond koning Mark en toen Tristan hem naderde, strekte +hij beide armen naar den jongeling uit en drukte hem aan zijn hart, +te zeer ontroerd, om een woord uit te brengen. + +Maar nu was het ook met Tristan's krachten gedaan; met een kreet van +pijn drukte hij zijne hand in de zijde en zonk bewusteloos ineen. + +Van alle kanten snelde men toe, om hem te helpen en met de grootste +omzichtigheid droeg men hem naar een koel en rustig vertrek, waarheen +de koning weldra de bekwaamste geneesheeren liet ontbieden om zijne +wonden te onderzoeken. Maar niettegenstaande al hun pogen, kon geen van +hen er in slagen, hem de zoo vurig begeerde genezing te brengen. Alle +middelen faalden; dieper en dieper woekerde het gif in zijn bloed; +zijn lichaam nam eene onheilspellende, donkere kleur aan en uit +zijne wonden kwam eene vreeselijke lucht, die het den omstanders +onmogelijk maakte om langeren tijd in het vertrek te vertoeven. Zoo +gingen de weken voorbij; de geneesheeren schudden hunne wijze hoofden +en mompelden Latijnsche namen, maar het angstig smeeken van koning +Mark beantwoordden zij slechts met een weifelend schouderophalen +en Tristan lag onder dit alles onrustig woelend terneer en voelde, +hoe de koorts in zijne aderen brandde en zijne krachten verteerde. + +Door alle koortsvisioenen heen, die zijn brein benevelden hoorde +hij de stem van Morholt, die hem toeriep: "Weet dan, dat er niemand +is, die u van uwe wonde kan genezen, dan mijne zuster, koningin +Isolde." Inderdaad, dit scheen maar al te waar te zijn, want hij +voelde, dat zijne krachten met den dag afnamen en dat de beroemde +geneesmiddelen, die men hem toediende, niets vermochten tegen het +sloopend gif, dat hem verschroeide als een inwendig vuur. Hoe zou +hij dan nog op genezing kunnen hopen, hij, die zich nooit in Ierland +zou kunnen vertoonen, zonder zeker te zijn, dat men hem als den +moordenaar van den broeder der koningin, een vreeselijken dood zou +doen sterven? En hoe zou hij trouwens hulp mogen verwachten van haar, +wier naasten bloedverwant hij om het leven gebracht had? + +Eens op een morgen, toen eene tijdelijke opklaring van zijn brein hem +het denken mogelijk maakte, lag hij te peinzen over zijn toestand. Of +het kwam, dat het afnemen der koorts hem nieuwe hoop gaf, of doordat de +zonnestralen, welke door het venster vielen, hem er aan herinnerden, +hoe schoon de wereld daarbuiten was,--hoe het ook zij, zijn heele +wezen kwam in opstand tegen den naderenden dood en met inspanning van +al zijne denkvermogens zon hij op een middel, dat hem, trots alle in +den weg staande moeilijkheden, de zoo vurig gewenschte genezing zou +doen verkrijgen. + +Langzaam rijpte toen in zijne hersenen het plan, dat, hoe gevaarlijk +ook, hem althans eene kans op redding bood. Na overleg gepleegd te +nebben met koning Mark liet Tristan zich op een mooien zomermorgen aan +boord dragen van een vaartuig, waarop zich niemand anders bevond dan +Gouvernail en de noodige bemanning, die geheel uit vertrouwde dienaren +bestond. Van al zijne schatten en kostbaarheden nam hij niets met zich +mede dan zijne harp en zoo begon hij zijn gevaarvollen tocht onder de +zegewenschen van zijn vorst. Daar hij vreesde, dat de mare van zijne +komst Ierland zou bereiken, nog vóór hij zelve daar kwam, bewaarde +hij een diep stilzwijgen over het doel zijner reis en aan vrienden +en belangstellenden deed hij voorkomen als ging hij naar Salerno, +om daar de hulp van een beroemd heelmeester in te roepen. Niemand +dan koning Mark vermoedde waar hij werkelijk heenging. + +Vele dagen duurde de tocht, want de wind was ongunstig en dreef het +schip uit zijn koers. Tristan lag op dek, rustend op zijden kussens +en wanneer zijne pijnen het hem toelieten, speelde hij op zijne harp +de oude, lang vergeten wijzen uit zijn vaderland. Zacht en droomerig +klonken de tonen van het instrument over het wijde watervlak en +vergleden in de onmetelijke ruimte. Zoo naderde het schip de groene +kustlijn van Ierland, waar voor Tristan de redding, maar ook het +gevaar schuilde. + +Vroeg in den morgen waren eenige visschers buiten de haven van Dublin +bezig hunne netten uit te werpen, toen hun oor plotseling getroffen +werd door de klanken van een zoetvloeiend lied, die uit zee tot hen +kwamen aandrijven. Verbaasd zagen zij om zich heen. Vanwaar kwam die +stem, die zoo schoon en innig wist te zingen, dat men ernaar luisteren +moest of men wilde of niet? Toen bemerkten zij op eenigen afstand +een vreemd vaartuig, dat anders van bouw was dan de hunne. Fluks +roeiden zij er heen en daar, op het dek, uitgestrekt op een bed van +kussens, ontwaarden zij den zanger, een jongen man, wiens fijne, +edele gelaatstrekken door de pijn verwrongen waren en den grauwen +doodstint reeds schenen te hebben aangenomen. Nochtans gleden zijne +vingers over de snaren en ontlokten daaraan tonen van zulk eene +roerende schoonheid, dat zelfs de ruwe harten der visschers er door +geboeid werden. Nieuwsgierig vroegen zij naar naam en herkomst van den +vreemden zanger en deze, die op een dergelijk verhoor was voorbereid, +vertelde hun, dat hij Tantris heette en dat hij, op weg naar Spanje, +door zeeroovers was overrompeld, die zijn schip hadden geplunderd en +hemzelf eene gevaarlijke wonde hadden toegebracht. Op zijne wedervraag, +waar hij zich thans wel bevinden mocht, antwoordden de visschers hem, +dat gindsche stad Dublin was, de hoofdstad van het machtige Iersche +rijk. Getroffen door het lijdend voorkomen van den jongen vreemdeling +boden zij hem gastvrijheid in hunne eenvoudige woning aan, welk aanbod +gretig door hem werd aanvaard. + +Al spoedig verspreidde zich het gerucht door het land van den +jongen zanger, die lag weg te kwijnen aan eene doodelijke wonde, +doch wiens zang en harpspel zóó schoon waren, dat een ieder, die ze +hoorde, onder de betoovering kwam. Ook roemde men den vreemdeling om +zijne hoffelijke, vriendelijke manieren en de kalmte en geestkracht, +waarmede hij zijn vreeselijk lijden droeg. Tot in het koninklijk paleis +drongen deze geruchten door en de jonge prinses Isolde bad en smeekte +hare moeder om den vreemdeling aan het hof te ontbieden en hem op +te dragen, haar in de kunst van het harpspelen te onderrichten. Zoo +gebeurde het en toen de koningin den schoonen jongeling zag, die +ondanks zijne onduldbare pijnen toch zijne kalmte en levensmoed +wist te bewaren, besloot zij al hare krachten aan te wenden, om hem +van zijne kwaal te genezen. Met eigen hand bereidde zij toen eenige +geneesmiddelen, volgens een geheim en oud recept, dat zij nog van +hare moeder had medegekregen; zij wiesch zijne wonden met eene +zuiverende vloeistof, die het gif uit het bloed wist te trekken +en ziet, binnen weinige dagen was er reeds eene verandering ten +goede merkbaar in het voorkomen van den zieke. Zijne oogen werden +helderder, zijne gelaatstint werd weer gezond en de pijnen namen af +in hevigheid. Vóór er drie weken verstreken waren, was Tristan geheel +genezen en gedreven door innige dankbaarheid jegens haar, die hem +het leven gered had, wijdde hij zich geheel aan zijne nieuwe taak, +om de jeugdige prinses te onderwijzen in alles, wat de edelvrouwen +van zijn land zoo hoog deed uitsteken boven hare tijdgenooten. Hij +leerde haar schoone liederen zingen en die op de harp begeleiden; +ook onderrichtte hij haar in het zeggen van verzen en het onderhoudend +vertellen van oude sagen en legenden. Daarbij zag hij nauwkeurig toe, +dat houding, gelaatsuitdrukking en stembuiging alle in overeenstemming +waren met den inhoud van het verhaalde. Ook toonde hij Isolde, hoe in +zijn land de vrouwen met hoofsche nijgingen en vriendelijk handgebaar +den vreemdeling begroetten, die in hare woning binnentrad, hoe zij met +sierlijken zwaai den langen sleep van haar rijkleed over den schouder +wierpen, zoodra zij van het paard gestegen waren en hoe zij, voor het +vuur gezeten, eene slip van haren hoofddoek gebruikten, om zich tegen +de hitte der vlammen te beschutten. Al deze dingen maakte Isolde zich +eigen en haar ouders verheugden zich, wanneer zij zagen, hoe hunne +dochter dagelijks toenam in gratie van houding en manieren. Isolde zelf +zag hoog op tegen haren leermeester en bewonderde hem als een toonbeeld +van beschaving en ridderlijkheid. Ook hij voelde zich getroffen door +het lieftallig wezen der jonge prinses, maar zijn hart was nog vrij +van alle gedachten aan liefde en vrouwengunst, dus leefden deze beide +jonge lieden gelukkig en tevreden bij en met elkander voort, zonder +aan andere dingen te denken dan aan de fraaie klanken van een lied +of de schoonheid van een zomermorgen aan het strand van Dublin. + +Toen de maanden verliepen en Tristan weer geheel hersteld was, begon +hij terug te verlangen naar zijn vaderland, waar zijn oom in bange +onzekerheid zijne terugkomst verbeidde. + +Al werd hij door gevoelens van dankbaarheid aan het Iersche hof +gebonden, zijn plicht riep hem terug naar Cornwallis en bovendien, +hij verkeerde steeds in angst, of de metgezellen van Morholt hem ook +zouden herkennen. Daarom begaf hij zich eens op een dag naar koningin +Isolde en vroeg haar verlof, om naar zijn land terug te keeren. "Mijne +vrienden en bloedverwanten", zoo zeide hij, "verkeeren steeds in +onzekerheid omtrent mijn lot, daar zij sedert mijn vertrek niets meer +van mij vernomen hebben. Het wordt tijd voor mij, om tot hen terug +te keeren. Nooit echter zal ik vergeten, wat gij voor mij gedaan hebt +en mijn leven lang zal ik uw getrouwe dienaar blijven, over wien gij +vrijelijk zult kunnen beschikken, waar en wanneer u dit goed dunkt." + +Na eenig beraad gaf de koningin hare toestemming tot zijn vertrek; +het viel haar niet gemakkelijk, om Tristan te laten gaan, want zij was +hem gaan liefhebben als haar eigen zoon, zoowel ter wille van hemzelf, +als ter wille van dat, wat hij voor haar kind gedaan had. + +Korten tijd daarna stak het vaartuig, waarin Tristan gekomen was, weer +in zee en landde, na eene voorspoedige reis, in de haven van Tintagel. + +De blijdschap van koning Mark, toen hij zijn geliefden neef gezond en +krachtig terugzag, kende geene grenzen en ook Tristan's vrienden en +bekenden verheugden zich hartelijk over zijn veiligen terugkeer. Zij +konden hunne oogen bijna niet gelooven toen zij hem, dien zij doodelijk +krank en lijdend hadden zien vertrekken, nu zoo frisch en gezond +terugzagen en er waren er onder de ridders, die iets mompelden van +tooverij en booze geesten. Dit gerucht verspreidde zich allengs en +vond gretigen ingang bij hen, die sinds langen tijd naijverig waren op +Tristan's roem en op de gunsten, die koning Mark hem betoonde. Het was +duidelijk, zoo zeiden zij, dat er hoogere machten in het spel waren +geweest, die tot Tristan's genezing hadden bijgedragen. Hoe zou het +ook anders mogelijk zijn, dat men in Ierland hem niet herkend had en +dat hij koningin Isolde had weten te bewegen, om hem te genezen, hem, +dien zij toch meer dan alle menschen op aarde moest haten. Nu eerst +zag men, welk een gevaarlijk mensch deze Tristan was en hoe hij met den +Booze in nauwe gemeenschap stond! Trouwens, was hij niet ook in andere +opzichten een geheimzinnig wezen, was er wel één, die de waarheid wist +omtrent zijne afkomst en de wijze, waarop hij in het land gekomen was? + +Zoo praatten en stookten de jaloersche baronnen en ontzagen zich zelfs +niet om in Tristan's tegenwoordigheid bedekte toespelingen te maken +op de verdachte omstandigheden, waaronder hij aan het hof gekomen was +en de slimme wijze, waarop hij zich in de gunsten des konings had +weten te dringen. Tristan voelde maar al te duidelijk de vijandige +stemming, die hem omringde, maar hij stoorde er zich weinig aan en +ging kalm zijns weegs, overtuigd van zijn goed recht. + +Naarmate de weken verliepen en onze held weer geheel zijne vroegere +plaats aan het hof had ingenomen, groeiden de nijd en afgunst van +de baronnen en konden zij zich hoe langer hoe minder vereenigen met +het feit, dat Tristan eens hun heer en vorst zou zijn. Wat, deze +vreemdeling, deze bastaard, zou hun koning worden en regeeren over +het schoone land van Cornwallis? Waarom konden zij geen rechtmatigen +erfgenaam van den troon hebben? het was immers de plicht van ieder +vorst om daarvoor te zorgen! Nog was het niet te laat, koning Mark was +weliswaar niet jong meer, maar toch nog niet te oud om een huwelijk +aan te gaan en dat er geen prinses te vinden zou zijn, die den troon +met hem wilde deelen, dat kon men toch niet aannemen! Op grond van deze +overwegingen begaven zij zich naar koning Mark en verzochten hem, ter +wille van zijn volk en zijn land, uit te zien naar eene jonge bruid, +die hem een erfgenaam voor den troon zou schenken. De koning hoorde hen +met verbazing aan en sprak: "Wat wilt gij van mij? Weet ge dan niet, +dat Tristan, het kind mijner gestorven zuster, mijn erfgenaam zal +zijn en kunt gij u een wijzer en dapperder koning wenschen dan hij +zijn zal?" Maar de baronnen lieten niet af. Tristan, zoo beweerden +zij, was en bleef een vreemdeling en wanneer hij na 's konings dood +den troon wilde bestijgen, zouden diens verre bloedverwanten hem het +recht daartoe betwisten, waardoor het rijk ten prooi zou vallen aan +binnenlandsche twisten en oorlogen. Wanneer daarentegen de koning +een huwelijk wilde aangaan, was de erfopvolging verzekerd en zou het +land de rust blijven genieten, welke noodig was voor zijn verderen +bloei en welvaart. Aanvankelijk bleef de koning doof voor hunne +inblazingen. Zijn eens gegeven woord wilde hij niet breken en geene +vrouw zou de plaats aan zijne zijde innemen, zoolang Tristan aan +het hof verkeerde. Maar ook deze begon te bemerken, wat de baronnen +wenschten en liever dan voort te leven onder dien druk van haat en +afgunst, wenschte hij afstand te doen van alle rechten, die zijn oom +hem had geschonken. Daarom begaf hij zich naar den koning en smeekte +hem, de eischen zijner baronnen in te willigen, daar hij zich anders +genoodzaakt zou zien, het hof te verlaten en als een arm, maar vrij +man de wereld in te trekken. Koning Mark zag, dat hem niets anders +overbleef, dan toe te geven, maar hij nam zich voor, zijne eischen +zoo zwaar mogelijk te maken, opdat hij nog eene kans zou hebben, +zijne vrijheid te behouden en Tristan de plaats te geven, die dezen +volgens zijne koninklijke belofte toekwam. + +Hij riep dus zijne baronnen in plechtige vergadering bijeen en sprak: +"Na rijp beraad ben ik besloten, om, ingevolge uw verlangen, een +huwelijk aan te gaan. Er is echter slechts ééne enkele prinses, die ik +tot vrouw begeer en zij en geene andere zal den troon van Cornwallis +met mij deelen. Luistert! Toen ik vanmorgen vroeg te peinzen lag, +vlogen twee zwaluwen door het open venster van mijn slaapvertrek naar +binnen. In hunne snavels droegen zij een lang, goudblond vrouwenhaar, +dat glinsterde in de morgenzon. Toen zij boven mijn rustbed gekomen +waren, lieten zij plotseling het haar vallen, dat neerdwarrelde op +mijne legerstede. Voorzichtig nam ik het op om het te bekijken en +terwijl ik dit deed, schoot mij plotseling te binnen, hoe Tristan +steeds de lange, gouden haren van prinses Isolde van Ierland geprezen +had. Sindsdien heb ik haar beeld niet meer uit mijne gedachten kunnen +verbannen en begon ik het brengen van het vrouwenhaar door de zwaluwen +als eene aanduiding te beschouwen, dat zij en niemand anders dan zij, +mijne gemalin moest worden." Hier zweeg de koning en zag triomfantelijk +rond. Hoe zouden de baronnen aan zijn verlangen kunnen voldoen, om +eene prinses uit een hem vijandig rijk voor zijne hand te winnen? Het +was immers onmogelijk dat de koning van Ierland ooit de hand zijner +dochter zou schenken aan den man, die de indirecte oorzaak was geweest +van Morholts dood. Welnu, de baronnen zouden, wanneer hij slechts +voet bij stuk hield, ten slotte wel het onmogelijke van hun plan +inzien en de troon zou, bij gebrek aan een rechtstreekschen erfgenaam, +vanzelf aan Tristan vervallen. Inderdaad zagen de edellieden elkander +eenigszins bedrukt en teleurgesteld aan, want zij begrepen, dat het +bijna onmogelijk zou zijn, om de hand van prinses Isolde voor hun +vorst te winnen. Zij poogden Mark het onredelijke van zijn verlangen +onder het oog te brengen; zij wezen op de vijandschap tusschen de +beide landen en prezen de schoonheid en lieftalligheid van andere +prinsessen. Alles tevergeefs! Koning Mark bleef bij zijn eisch: +Isolde van Ierland moest zijne vrouw worden, of hij zou tot zijn +dood toe ongehuwd blijven en Tristan zou hem opvolgen. Wanhopig +zagen de baronnen elkander aan en menige booze blik trof Tristan, +dien men als de oorzaak van 's konings koppigheid beschouwde. Zeker +was hij het, die Mark een dergelijk voorstel aan de hand had gedaan, +om daardoor zijne eigen rechten op den troon verzekerd te zien. Zoodra +Tristan zich van dit nieuwe blijk van wantrouwen bewust werd, was zijn +besluit genomen en temidden der pijnlijke stilte die op eene hernieuwde +weigering des konings gevolgd was, riep hij uit: "Lafaards zijt ge, +om eene taak onuitvoerbaar te beschouwen, nog eer gij uwe krachten +daaraan beproefd hebt. Ik zelve Sire, zal u Isolde van Ierland brengen, +of het moest mij mijn leven kosten. Geef mij slechts twintig edelen +mede om uw aanzoek te ondersteunen. Bovendien zal ik honderd ridders +kiezen, die mij in den nood terzijde zullen staan en tezamen zullen +wij de prinses voor u veroveren, al moesten we haar aan de klauwen +van een draak ontrukken!" De baronnen kregen den schrik over deze +overmoedige woorden en beefden bij de gedachte, dat zij Tristan op +zijn gevaarlijken tocht zouden moeten vergezellen. Andermaal wendden +zij zich smeekend tot hun vorst en verzochten hem eene andere keuze +te doen, maar nog vóór hij antwoorden kon, riep Tristan uit: "Er is +slechts ééne vrouw ter wereld, die waard is om de gemalin van koning +Mark te worden en dat is prinses Isolde met de gouden haren! Haar +wil ik voor hem zien te veroveren of in het pogen den dood vinden!" + +In allerijl rustte Tristan nu een schip uit, dat hij belaadde met +allerhande kostbare waren, zooals vreemde kooplieden gewoon zijn, van +hunne reizen mede te brengen. Vergezeld van het vastgestelde aantal +edelen en ridders zette hij koers naar Ierland en weldra dook de hem +bekende kustlijn aan den horizon op. Toen zij de landingsplaats van +Dublin naderden, gaf hij zijnen reisgenooten bevel, zich in het ruim +van het schip te begeven en aldaar verborgen de verdere gebeurtenissen +af te wachten. Hij zelf, zoo zeide hij, was van plan, om in de stad +te gaan en te zien, wat hij doen kon. Wanneer hij na verloop van +drie weken niet terug was gekomen, raadde hij zijne metgezellen aan, +terug te keeren naar hun land en eene andere bruid voor koning Mark te +zoeken. Zij konden dan aannemen, dat hij zijn leven in de onderneming +gelaten had. + +Aan het strand van Dublin heerschte intusschen onder de samengestroomde +menigte groote nieuwsgierigheid aangaande het vreemde vaartuig, dat +op eenigen afstand buiten de haven voor anker was gaan liggen. Ook +de maarschalk, in wiens handen het bestuur over de stad berustte, +kwam met zijne dienaren naar den waterkant, om te onderzoeken, wie +wel de eigenaar van het schip kon zijn en met welke bedoelingen hij +gekomen was. + +Tristan naderde de aanlegplaats in een klein bootje. Over zijne +wapenrusting droeg hij een langen koopmansmantel en eene ruig +wollen muts bedekte zijne blonde haren. Toen hij den voet aan wal +zette drong het volk naderbij en bij het zien van zijne uitheemsche +kleedij, gingen er scheldwoorden en uitroepen van spot onder de +menigte omhoog. Tristan stoorde zich echter niet aan de vijandige +houding der bevolking; met kalmen tred ging hij op den maarschalk +toe en sprak: "Heer maarschalk, wat beduiden die dreigende uitroepen +en gebaren? Toen ik hierheen voer, waar ik zoo vele jaren achtereen +mijne kostbare koopwaar van de hand heb gedaan, was ik niet op eene +dergelijke ontvangst voorbereid. Wanneer men mij echter liever ziet +vertrekken, zoo zeg mij dit ronduit; ik keer dan terug naar mijn schip +en zal trachten in een gastvrijer oord dan dit eene afzetplaats voor +mijne waren te vinden. Vergun mij echter u dezen beker aan te bieden, +dien ik voor u uit het Frankenland, waar mijne geboorteplaats is, +heb medegebracht". Daarbij bood hij den maarschalk een zwaar gouden +beker aan. Deze nam vol vreugde de kostbare gift in ontvangst en +sprak vriendelijk: "Duid het den menschen niet ten kwade, wat ik u +bidden mag, dat zij u minder vriendelijk bejegenen, dan gij verwacht +hadt. De reden daarvan is, dat ons een groot leed is wedervaren. De +broeder onzer geliefde vorstin, een dapper en edel ridder, is in den +vreemde op sluwe wijze ten val gebracht en sindsdien verdenkt men +iederen vreemdeling van booze plannen te onzen opzichte. Het land, +waar Morholt zijn dood vond, was Cornwallis en zoo gij uit Frankenland +herwaarts zijt gekomen, zal u hier geen leed geschieden; integendeel, +men zal uwe waren koopen als voorheen, indien zij even schoon en +kostbaar zijn als deze beker". + +Zoodoende kon Tristan vrijelijk de stad betreden, waar prinses +Isolde woonde, en behoefde hij slechts eene gunstige gelegenheid af +te wachten om haar te naderen. + +Deze gelegenheid deed zich spoedig voor. In de bosschen bij Dublin +huisde een vreeselijk monster: een draak, die mensch en dier bedreigde, +die boom en struik verzengde met het vuur, dat hij spuwde, en wiens +wandaden hem tot schrik der gansche bevolking maakten. Steeds dichter +waagde het ondier zich bij de muren der stad, steeds talrijker werden +zijne slachtoffers, tot eens op een dag de koning, die ten einde raad +was, op plechtige wijze liet bekend maken, dat hij hem, die den draak +wist te dooden, zijne dochter Isolde tot vrouw zou geven. + +Van heinde en ver kwamen nu de ridders opdagen, die, aangelokt door +den hoogen prijs, het waagstuk wilden beproeven, maar geen hunner +slaagde erin, het ondier te dooden en velen verloren in den strijd +het leven. Ook Tristan was de belofte des konings ter oore gekomen +en hij besloot op zijne beurt eene kans te wagen, om zoodoende de +hand der schoone prinses voor zijn oom te winnen. + +Op een vroegen morgen liet hij in alle stilte zijn paard zadelen en +begaf zich op weg in de richting van het woud, waar de draak zich +ophield. Even buiten de stad gekomen, ontmoette hij drie ruiters, die +hem in suizende vaart voorbijjoegen, onder het roepen van: "De draak, +Heer! de draak!" Toen hij hun vroeg: "Waar is de draak?" wezen zij +met den vinger achterwaarts en riepen: "Hij volgt ons op de hielen"; +het volgend oogenblik waren zij in eene wolk van stof verdwenen. + +Behoedzaam om zich heen speurend, vervolgde Tristan zijn weg en het +duurde niet lang, of hij ontmoette hem, dien hij zocht. Het monster was +inderdaad vreeselijk om aan te zien en een minder stoutmoedig man dan +Tristan zou bij zijn aanblik de moed in de schoenen zijn gezonken; +onze held echter reed onversaagd op den draak toe en het gevecht +begon. Het was een zware strijd, waarin Tristan al zijne kracht en +behendigheid noodig had, om niet het onderspit te moeten delven. Het +bloed stroomde hem uit de gapende wonden, welke het ondier hem met +zijne klauwen geslagen had, en bovendien kon hij nauwelijks ademhalen +door den heeten, verstikkenden adem, dien de draak hem in het gelaat +blies. Zijn paard zonk doodelijk gewond ter aarde, waarop hij te voet, +gedekt door zijn schild, den ongelijken strijd voortzette. Eindelijk +gelukte het hem met eene behendige zwenking van zijn arm, zijne lange +speer zóó diep in den muil van het monster te stooten, dat de punt tot +bijna in het hart doordrong. Onder een vreeselijk gebrul rende de draak +in de richting van zijn hol, de grond besproeiend met een verzengenden +vuurregen en een spoor van donker bloed achterlatend. Tristan +vervolgde hem zoover zijne uitgeputte krachten hem dit toelieten en +bracht hem steeds nieuwe wonden toe. Vóór zijn hol gekomen, wendde +het monster zich om tot een laatsten, wanhopigen kamp, maar uitgeput +door bloedverlies kon hij niet lang meer weerstand bieden en weldra +bracht Tristan hem den doodsteek toe. Vreeselijk was het gerochel, +waarmede de draak ineenzonk; het vuur, dat uit zijn opengesperden +muil kwam, spatte uiteen tot een regen van vonken en de lucht werd +verpest door den vreeselijken stank van het gif, dat hem uit de keel +vloeide. Tristan echter greep met vaste hand de tong van het monster, +die hem uit den bek hing en sneed die af om haar als bewijsstuk mede +te nemen. Daarna verzamelde hij zijne laatste krachten en begaf zich +met wankelende schreden in de richting van een beekje, dat hij niet +ver van de plaats des gevechts hoorde klateren, om zijn brandenden +dorst te lesschen. Toen hij echter, daar aangekomen, zich voorover +wilde buigen om te drinken, werd hij zoodanig bedwelmd door de giftige +dampen, die door de tong, welke hij in zijn zak geborgen had, werden +uitgewasemd, dat hij zijn bewustzijn verloor en als levenloos in het +struikgewas ter zijde van de beek, neerviel. + +Terwijl hij daar zoo lag, had zich een ander ridder in de nabijheid +van den draak gewaagd. Dit was Agavin met de Roode Haren, de drost van +koning Gumurun, een dwaas en ijdel man. Sinds langen tijd beminde hij +prinses Isolde in stilte en poogde door het dragen van fraaie kleederen +en glinsterende edelsteenen hare aandacht te trekken. Wanneer zij +hem dan spottend vroeg, om medelijden te hebben met de arme vrouwen +en meisjes, wien hij door zijne schoonheid het hart ontstal, meende +hij, dat zij in ernst sprak en verheugde zich over den indruk, dien +hij op haar gemaakt had. Toch waagde hij het niet, haar zijne liefde +te bekennen en wachtte, tot er zich eene gunstige gelegenheid zou +voordoen, om te spreken. Toen nu koning Gumurun wijd en zijd liet +bekend maken, dat hij den ridder, die den draak om het leven zou +brengen, de hand zijner dochter Isolde tot belooning zou geven, besloot +Agavin terstond, eene kans te wagen, om dien hoogen prijs te veroveren. + +Verscheidene malen had hij zich reeds buiten de stad gewaagd, maar +wanneer hij dan in de verte het monster hoorde brullen, ontzonk hem +telkenmale alle moed en haastte hij zich, binnen de veilige muren +der stad terug te keeren. + +Ook dezen morgen had hij na eene nieuwe poging het hazenpad gekozen +en bevond zich onder de drie vluchtende ridders, die Tristan op +zijn weg was tegengekomen. Toen hij zag, dat de vreemde ridder hunne +raadgevingen om met hen terug te keeren, in den wind sloeg en zich toch +in het gevaar waagde, besloot hij, door nieuwsgierigheid gedreven, +op veiligen afstand den uitslag van het gevecht af te wachten. Hij +twijfelde er geen oogenblik aan, of Tristan zou in den strijd tegen het +monster den dood vinden en wie weet, welk voordeel er dan nog voor hem +uit deze onderneming te behalen zou zijn. Zoo sloop hij, bevend van +angst, langs den zoom van het woud, waaruit de afschuwelijke kreten +van het monster tot hem doordrongen en hem met vrees en ontsteltenis +vervulden. Na eenigen tijd verstomde het gebrul en Agavin besloot +zich, van de juiste oorzaak hiervan te overtuigen. Al zijn moed +bijeenzamelend, besteeg hij zijn paard en reed het bosch in, naar +alle kanten spiedend, of soms gevaar dreigde. Plotseling hield hij +met heftigen ruk de teugels in. Daar vóór hem op den grond lag het +monster, dat hij zocht, met zijne vreeselijke klauwen uitgestrekt +op den woudbodem en zijne vurige oogen wijd opengesperd. Zonder zich +te overtuigen, of de draak levend of dood was, sprong Agavin ijlings +uit het zadel en rende de struiken in, waar hij sidderend over lijf +en leden den verderen loop der gebeurtenissen afwachtte. Maar tegen +zijne verwachting in, bleef alles rustig: geen monster baande zich +een weg door het struikgewas, om hem te zoeken en de stilte van het +woud bleef onverstoord. Met kloppend hart waagde Agavin zich opnieuw +in de nabijheid van het gevreesde ondier en eerst toen hij zag, +dat zijn paard ongedeerd was gebleven en kalm aan het grazen was, +begreep hij, dat de draak werkelijk dood was. Voorzichtig boog hij +zich over hem heen en beschouwde hem vol afschuw; daar ontdekte +hij het half verkoolde lichaam van Tristan's paard en diens schild, +dat hij na afloop van den strijd ter zijde geworpen had. Een glans +van boosaardig genoegen gleed over Agavin's gelaat, toen zijn zoeken +naar het lichaam van den dapperen vreemdeling tevergeefsch bleek te +zijn. Het leed geen twijfel, of het monster had hem met huid en haar +verslonden, zooals het zoo velen vóór hem had gedaan en de belooning +voor zijne wakkere daad zou hij nooit deelachtig worden. Plotseling +schoot hem iets te binnen. Waarom kon hij zich niet de verdienste +toeëigenen den draak gedood te hebben en daardoor zijn hartewensch +in vervulling zien gaan? Wie zou ooit kunnen bewijzen, dat niet hij, +maar de onbekende, die zich zoo roekeloos in het gevaar begeven had, +het stoute feit had volbracht? Nogmaals keek hij behoedzaam om zich +heen, om zich te overtuigen, dat geen ander getuige was geweest van +zijne ontdekking, maar nergens kon hij een spoor van menschelijk +leven ontdekken; toen bezag hij vol vreugde het monster aan zijne +voeten, dat hem de verwezenlijking zijner stoutste droomen brengen +zou. Daarop overlegde hij snel, hoe hij zijn plan het best ten uitvoer +kon brengen. Met een enkelen zwaardslag sloeg hij den draak den kop +af; toen besteeg hij zijn paard en reed terug naar de stad, iedereen, +dien hij op zijn weg ontmoette, toeroepend: "Gaat heen naar het bosch +en ziet, wat daar is geschied! Met het zwaard, dat ik hier in de +hand draag, heb ik het land bevrijd van het monster, dat de omgeving +onveilig maakte. Voortaan kunnen de burgers van Dublin zich veilig +buiten de stad begeven, want de draak, die hunne levens bedreigde, +is dood, gevallen door mijne hand! Daarvoor wacht mij de schoonste +belooning, die men zich denken kan: de hand van prinses Isolde!" + +Als een loopend vuur verbreidde zich de mare, dat Agavin met de Roode +Haren den draak had gedood en weldra drong het bericht ook door binnen +de muren van het vorstelijk paleis. Toen Isolde vernam, wie het stoute +stuk had volbracht, lachte zij eerst luide, en verklaarde, dat dit +de beste grap was, die zij in langen tijd gehoord had! Toen men haar +echter vertelde, dat er eenige burgers met eene kar uit de stad waren +gereden om den kop van den draak te halen en dat Agavin een onderhoud +met den koning had verzocht, betrok haar gezicht en toornig riep zij +uit: "Wil men mij dan werkelijk wijs maken, dat een man als Agavin, +die bekend staat als de grootste lafaard van het land, een dergelijk +feit zou hebben bedreven? Nooit zal ik gelooven, dat hij inderdaad den +draak overwonnen heeft, het is een valstrik, dien hij ons spant om mij +tot zijne vrouw te maken. Dit zal hem echter nooit gelukken; liever dan +zijne echtgenoote te worden, zou ik mij zelve van het leven berooven!" + +Daarop begaf zij zich naar hare moeder, koningin Isolde en smeekte haar +om mede te gaan naar de plaats des gevechts, ten einde te trachten de +oplossing van het raadsel te vinden. De koningin stemde hierin toe en +den volgenden morgen begaven de beiden zich in alle vroegte op weg, +slechts vergezeld door Brangwaine, Isolde's vertrouwde dienares. Toen +zij bij de plaats van den strijd gekomen waren, vonden zij daar het +lijk van Tristan's paard en zijn schild, dat, hoewel deerlijk gehavend, +toch nog sporen vertoonde van zijne vroegere pracht. Verheugd nam +Isolde het op van den grond en riep uit: "Ziet gij nu wel, dat mijne +vermoedens juist waren? Niemand anders dan de ridder, wien dit schild +toebehoort, heeft het ondier gedood. Laat ons trachten, hem te vinden, +hij kan niet ver van hier zijn." + +De drie vrouwen doorzochten nu ijverig den ganschen omtrek en na +eenigen tijd ontdekte Isolde het lichaam van Tristan, half verborgen +tusschen het struikgewas aan den oever van het beekje. Met een +kreet van vreugde, die hare gezellinnen naar de plaats deed snellen, +waar zij zich bevond, bukte zij zich over hem heen en nauwelijks had +zij zijn gelaat gezien, of zij riep verwonderd uit: "Dit is niemand +anders dan Tantris, de speelman, die mij eenige jaren geleden in het +harpspelen onderwees. Hoe komt hij plotseling hier en dan in zoo'n +toestand?" Behoedzaam tilden de vrouwen hem op en droegen hem naar den +waterkant, daargekomen, maakten zij zijne wapenrusting en kleederen +los en wieschen zijne wonden met het heldere bronwater. Spoedig +werd hunne moeite beloond en sloeg Tristan de oogen op. Toen hij +het schoone gelaat van Isolde over zich heen gebogen zag, scheen het +hem toe als een droom, waaruit hij spoedig zou ontwaken. Maar neen, +daar hoorde hij hare stem, die hem Tantris noemde en hem vroeg, +hoe hij hier gekomen was en of inderdaad hij het was, die den +draak gedood had. Opnieuw moest hij een leugen verzinnen, die zijne +aanwezigheid in Ierland verklaarbaar zou maken en zoo sprak hij. "Ja, +schoone prinses, ik ben het, de speelman Tantris, dien uwe moeder +jaren geleden uit het doodsgevaar redde. Sinds ik u vaarwel zegde, +heb ik verre reizen gedaan en vreemde landen bezocht. Overal roemde +men mijne kunst, maar toch voelde ik, hoe men mij beschouwde als een +dwaas, die de vreugden en smarten des levens bezingt zonder dat hij +ze zelf doorleefd heeft, wiens liederen den trots om eene volbrachte +krijgsmansdaad beschrijven, zonder dat hij dien ooit zijn lichaam +heeft voelen doorgloeien en wiens roemrijkste wapenfeit bestaat +in eene schermutseling met een landlooper of struikroover, die het +hem op zijne tochten lastig maakt. Daarom besloot ik om mijzelven +roem en naam te verwerven en toen ik dus hoorde van den draak, die +de omgeving hier onveilig maakte, en vernam, welken hoogen prijs +koning Gumurun op zijn hoofd had gesteld, was mijn besluit genomen +en reisde ik hierheen om mijne kans te wagen. Hoe ik hierin slaagde, +is u reeds bekend en ook, hoe ik zonder uwe hulp, wellicht den dood +gevonden zou hebben. Ten tweeden male hebt ge mij het leven gered!" + +Toen hij deze woorden gesproken had, viel Tristan uitgeput achterover +en verloor opnieuw zijn bewustzijn. Koningin Isolde echter, zond +ijlings Brangwaine terug naar Dublin om hulp te halen en nog vóór het +dagelijksche leven in de stad begonnen was, had men Tristan in alle +stilte het koninklijk paleis binnengedragen en hem in de vertrekken der +koningin op eene zachte legerstede neergevlijd. Daar genoot hij eene +uitmuntende verpleging onder de persoonlijke zorgen van de koningin en +de jonge prinses, die zich beijverden, om hem van dienst te zijn. Door +hare toewijding en de heilzame middelen, welke zij hem toedienden, +herstelde hij spoedig van zijne wonden en werd weldra weer geheel de +oude. Intusschen had Agavin bij den koning aanzoek gedaan om Isolde's +hand en daarbij den kop van den draak overgelegd als bewijsstuk, +dat hij inderdaad het recht had, de schoone prinses te huwen. De +koning gevoelde weinig lust om zijne dochter af te staan aan een man, +die steeds het mikpunt was van aller hoon en spotternij; ook twijfelde +hij in zijn hart aan de waarheid van Agavin's woorden. Daar hij echter +geen bewijzen tegen hem had, moest hij wel in zijn verzoek toestemmen, +wilde hij zijn gegeven woord gestand doen. Hij besloot daarom een dag +vast te stellen, waarop Agavin zijn aanzoek in alle plechtigheid en in +tegenwoordigheid van het geheele hof zou herhalen. Had de koning vóór +dien tijd niets naders omtrent de ware toedracht der zaak vernomen, +dan moest men aannemen, dat Agavin werkelijk den draak had gedood +en dan zou ook Isolde's vader zijne belofte getrouw blijven en hem +zijne dochter tot vrouw geven. + +Toen Isolde hoorde, wat er geschieden zou, liep zij vol schrik naar +Tristan om zijn raad in te winnen; deze echter glimlachte fijntjes +en sprak: "Wees niet bezorgd, schoone prinses! Ik beloof u hierbij +plechtig, dat een edeler man dan deze ijdele dwaas, uw echtgenoot +zal worden. Vertrouw slechts op mij!" + +Isolde zag hem peinzend aan. Vanwaar toch dat fiere zelfbewustzijn +in dien eenvoudigen speelman? Zou men niet denken, dat hij van +edele geboorte was, wanneer men hem hoorde spreken en zingen? Zijne +beschaafde, zachte stem, zijn edele bouw en fiere gelaatsuitdrukking, +alles scheen er op te wijzen, dat hij slechts voorgaf een eenvoudig +muzikant te zijn. Wie weet, was hij niet een koningszoon, die, +gedreven door een luim of gril, met zijne harp door het land trok +uit zucht naar avontuur! De romantische verbeelding van het jonge +meisje werd geprikkeld door de schoonheid en hoffelijkheid van den +jongen vreemdeling en vaak onderzocht zij zijne wapenen en kleederen, +of zij niet een kenteeken kon ontdekken, dat haar eenig licht omtrent +zijne afkomst kon verschaffen. + +Wanneer Tristan haar aldus bezig zag, kon hij een glimlach niet +onderdrukken en deze versterkte Isolde in hare overtuiging, dat +hij iets voor haar verborgen hield. Eens op een dag, dat zij bij +Tristan's legerstede was gezeten en hij haar opnieuw verteld had, +hoe hij den draak had gedood, nam zij spelend het zwaard op, dat +naast zijn bed hing, trok het uit de scheede en liet de zonnestralen +in het glinsterend staal weerkaatsen. Haar oog werd getroffen door +den edelen vorm van het wapen en langzaam gleed haar blik langs het +blinkend lemmer, tot hij rusten bleef op eene kerf onderaan bij het +gevest. Hoe vreemd, dat een prachtig zwaard als dit zóó geschonden was, +waar had zij dien vorm van keep toch meer gezien? Plotseling schoot +haar iets te binnen en snel opspringend liep zij naar een hoek van +het vertrek, waar zij in een fraai houten kistje den metaalsplinter +bewaarde, welken men in Morholt's schedel gevonden had. In een oogwenk +had zij dien in het zwaard gevoegd en ziet, hij paste volkomen! Een +oogenblik scheen het, of haar hart stilstond, toen begon het te +bonzen en te kloppen van woede en schrik. Hare moeder en zij hadden +dus Tristan, den moordenaar van haar dierbaren oom, met zoo veel zorg +verpleegd. Tantris, de speelman, was Tristan--Tantris--Tristan! zoo +flitste het door haar brein, klonk dat niet als een raadsel, een +eenvoudig spelletje, waarmede men kinderen zoet houdt en waardoor zij +beiden om den tuin waren geleid? Stikkend bijna van woede en schaamte +liep zij met het zwaard in de opgeheven hand op Tristan toe, terwijl +zij uitriep: "Laffe moordenaar, die ons door listig woordenspel wildet +misleiden! Thans weet ik, wie gij zijt en dit zweer ik u, gij zult uwe +gerechte straf niet ontgaan! Hetzelfde zwaard, waarmede gij Morholt +den doodslag toebracht, zal ook uw dood zijn!" Dreigend zwaaide zij +het wapen boven zijn hoofd. Tristan echter zag haar onverschrokken in +de oogen en antwoordde kalm: "Sla toe, schoone Isolde, maar bedenk, +dat hij, dien gij doodt, uw gast is, die zich vol vertrouwen in uw +huis gewaagd heeft en dat hij geene andere zonde bedreven heeft, dan +dat hij in een eerlijken strijd, waartoe hij bovendien door Morholt +was uitgedaagd, zijn tegenstander heeft verslagen! Wilt gij nochtans +uw wraakzuchtig voornemen ten uitvoer brengen, zoo ben ik bereid te +sterven. Mocht ge ooit wroeging over deze daad gevoelen, zoo zult gij +in de armen van Agavin al ras het onrecht vergeten, dat gij uw gast +hebt aangedaan!" Deze laatste woorden misten hun doel niet! Weenend +sloeg de jonge prinses de handen voor het gelaat en verliet haastig +het vertrek. + +Tristan echter begaf zich naar koning Gumurun en bekende hem openlijk +zijn naam en afkomst. Daarbij deelde hij den vorst het doel zijner +komst mede en verzocht hem eerbiedig om de hand zijner dochter voor +zijn oom, koning Mark van Cornwallis. In levendige termen schilderde +hij hem af, welke voordeelige gevolgen deze verbintenis voor het +gansche rijk zou medebrengen en welke hulde en eerbetoon prinses Isolde +in het rijk van haren toekomstigen gemaal te wachten stonden. Zijne +woorden hadden de gewenschte uitwerking; weldra stemde Gumurun toe in +het vereerend aanzoek, dat vrede en vriendschap zou brengen tusschen +Ierland en Cornwallis. In aller ijl begaf Tristan zich nu aan boord +van zijn schip, waar men zich reeds hevig ongerust begon te maken +over zijne afwezigheid en gebood den baronnen zich in hunne fraaiste +kleederen aan land te begeven en de koffers met bruidsgeschenken, +welke voor Isolde bestemd waren, met zich mede te brengen. + +Inmiddels was de dag aangebroken, waarop Agavin met de Roode Haren +in tegenwoordigheid der gansche hofhouding zijne aanspraken op de +hand van prinses Isolde zou bewijzen en haar openlijk als zijne bruid +zou opeischen. + +De groote troonzaal van het paleis was gevuld met eene dichte menigte, +die in druk gepraat de kansen van den drost besprak. Plotseling viel +eene diepe stilte onder de verzamelden en aller oogen richtten zich +naar de deur, door welke de honderd ridders en de twintig edelen uit +Cornwallis in plechtigen optocht de zaal binnentraden. + +Vol bewondering staarden de aanwezigen naar de schitterende uitrusting +en de fiere houding der vreemdelingen en verbaasd vroeg men elkander +af, vanwaar deze ridders gekomen waren. Tristan's volgelingen namen +zwijgend plaats ter rechterzijde van den troon. Weldra verschenen ook +koning Gumurun met zijne gemalin en de jonge prinses, die bleek en +angstig om zich heen zag. Nadat de herauten tot stilte hadden gemaand, +stond Agavin met de Roode Haren, die ter linkerzijde van den troon was +gezeten, op van zijn zetel en begon in snoevende bewoordingen verslag +uit te brengen van de wijze, waarop hij den draak had omgebracht. Met +druk stemgeluid en heftig handgebaar poogde hij zijne hoorders van de +waarheid zijner woorden te overtuigen en toen hij ophield met spreken +en als laatste bewijsstuk den kop van den draak aan de voeten des +konings neerlegde, zag hij triomfantelijk rond als om de aanwezigen +te tarten, het verhaalde te logenstraffen. + +In de diepe stilte, die op zijne woorden volgde, viel met donderend +geluid Tristan's stem, die uitriep: "Sire, ik beschuldig dezen man +voor God en u allen van leugen en bedrog! Niet hij heeft den draak +gedood, maar ik! Niet hij heeft daarom recht op de hand der prinses, +maar ik! Wanneer gij zulks eischt, wil ik mijne bewering met kracht +van wapenen staven!" + +De drost was onwillekeurig achteruitgedeinsd bij het vernemen dezer +beschuldiging, en toen Tristan zweeg en hem verwachtend aanzag, poogde +hij tevergeefs eenig zelfvertrouwen uit zijne stem te doen klinken, +toen hij antwoordde: "Wat behoeft men door wapenen te bewijzen, wat +door de feiten reeds zonneklaar is aangetoond? Heb ik niet den kop +van den draak meegebracht als getuigenis voor wat ik deed en blijkt +hieruit niet reeds voldoende, dat ik inderdaad het monster gedood heb?" + +Maar Tristan lachte spottend en sprak luide: + +"Den kop hebt ge het doode monster afgeslagen en dien hierheengebracht, +maar zeg mij, waarde drost, waar hebt gij de tong gelaten? Vergis ik +mij niet, dan hebt gij die in de haast vergeten!" Fluks snelden de +dienaren van den vorst toe en braken den bek van het ondier open en +inderdaad, de tong was afgesneden! Tristan haalde haar zegevierend uit +zijn zak te voorschijn en riep: "Ziehier, edele heeren! Is het u nu +voldoende gebleken, hoe deze leugenaar u trachtte te misleiden? Zoo +niet, dan zal ik hem op andere wijze dwingen zijne valschheid te +bekennen!" Met deze woorden greep hij naar zijn zwaard en snelde op +Agavin toe, deze echter week verschrikt terug en onder het daverend +hoongelach van alle aanwezigen verliet hij ijlings door eene zijdeur +het vertrek. + +Van alle kanten verdrong men zich nu om Tristan, om hem met zijne +heldendaad geluk te wenschen en met luider stem verzochten de ridders +hem om zich aan hen bekend te maken. + +Tristan trad eenige schreden terug, om zich ruimte te verschaffen, +hief het hoofd fier omhoog en sprak, zóó luid dat allen het hooren +konden: "Mijn naam is Tristan van Ermonie!" + +Een oogenblik was het doodstil in de groote zaal, toen scheen het +of er eene trilling door de menigte ging en een verward geroep van +stemmen brak los. "Weg met den moordenaar! Slaat hem dood! Gedenk +Morholt!" Zoo klonk het van alle kanten en dreigend drongen de Ieren +op Tristan toe. De ridders en baronnen uit diens gevolg schaarden zich +beschermend om hem heen, maar Tristan zelf verloor geen oogenblik zijne +kalmte. Rustig trad hij voor den koning en herhaalde zijne woorden. + +Toen zagen de Iersche ridders tot hunne groote verbazing, hoe koning +Gumurun zich vooroverboog en Tristan den vredeskus gaf. Het roepen +bedaarde om plaats te maken voor een toornig gemompel, maar koning +Gumurun verhief zich van zijn zetel en riep uit: "Van nu af aan zij +er vrede tusschen de rijken van Cornwallis en Ierland. De oude veeten +en grieven worden begraven en tot teeken der algeheele verzoening +vertrouw ik mijne eenige dochter toe aan dezen ridder, opdat hij haar +met zich voere naar zijn land, waar zij de bruid zal worden van zijn +heer en meester, koning Mark." + +Deze oplossing scheen allen te bevallen, luide toejuichingen barstten +los en onder de jubelkreten der aanwezigen legde koning Gumurun de +hand van prinses Isolde in die van Tristan als plechtig teeken harer +verloving met koning Mark. + + + +_Hoe Tristan en Isolde aan boord van het vaartuig, dat hen naar +Cornwallis zou brengen, den liefdesdrank dronken._ Toen nu de dag +naderde, waarop Isolde zich aan boord van het schip zou begeven, dat +haar naar Cornwallis moest brengen, begaf de koningin, hare moeder, +zich naar buiten op de heuvelen rondom de stad en verzamelde daar +kruiden tot het bereiden van een liefdesdrank. In haar hart twijfelde +zij eraan, of de bejaarde koning er in zou slagen de liefde zijner +jonge bruid voor zich te winnen en daarom nam zij al hare kunde en +wijsheid in het zoeken van kruiden te baat om de harten dier beiden tot +elkander te brengen. Onder het prevelen van tooverspreuken en innige +gebeden voor het welzijn en het geluk harer dochter, kookte zij die +kruiden tot een drank, welke de kracht bezat, om de harten van hen, die +hem dronken, in liefdegloed te doen ontvlammen en door onverbreekbare +banden levenslang aan elkaar te snoeren. Toen de drank gereed was, +goot zij het kostbare vocht in eene aarden kruik en beval Brangwaine, +die hare jonge meesteres naar haar nieuwe vaderland zou vergezellen, +den inhoud daarvan over twee bekers te verdeelen en die Isolde en haar +echtgenoot op hunnen huwelijksavond ten dronk te reiken. Zij droeg +Brangwaine op, de uiterste voorzichtigheid er mede te betrachten, +opdat de drank niet in verkeerde handen zou geraken en wees haar op +de noodlottige gevolgen, die ontstaan konden, wanneer dit onverhoopt +gebeurde. + +Het afscheid was genomen en het vaartuig met prinses Isolde aan boord +stevende langzaam de haven uit, de open zee tegemoet. Vroolijk klonk +het gezang der zeelieden en in opgewekte stemming zaten de ridders +van koning Mark bijeen. Het doel hunner reis was bereikt! Wat geen +hunner had durven droomen was geschied: de schoone prinses met de +blonde haren zou de gemalin van koning Mark worden en daarmede was +niet alleen de toekomst van hun rijk verzekerd, maar waren tegelijk +ook de aanspraken van Tristan op den troon nietig verklaard. Deze +laatste stond zwijgend tegen den mast geleund en tuurde in het +blauwe verschiet. In zijne gedachten doorleefde hij opnieuw het +afscheidstooneel tusschen Isolde en hare ouders en vrienden. Hij zag, +hoe de jonge prinses zich onder bittere tranen vastklemde aan hare +moeder en haar smeekte, om in Ierland te mogen blijven, bij allen, +die ze liefhad, in plaats van te moeten gaan naar het vreemde land, +waar zij niemand kende en waar zij de vrouw zou moeten worden van +dien vreemden koning, dien zij nooit te voren gezien had. Maar hare +smeekbeden waren vergeefsch geweest. Met zachten drang had de koningin +zich los gemaakt uit hare armen en had tot haar gesproken van de hooge +plichten, welke haar in haar nieuwe vaderland wachtten. Zij had hare +dochter erop gewezen, hoe zij daar het leven van haren toekomstigen +gemaal met haar zonnigen lach zou weten op te vroolijken, hoe zij +gehuldigd zou worden als vorstin over een machtig en groot land en +hoe door haar toedoen een hechte band zou ontstaan tusschen Ierland +en Cornwallis, die beide rijken ten goede zou komen. + +Nog zag Tristan in zijne verbeelding, hoe de jonge prinses op het +oogenblik, dat de ankers gelicht werden en de boot zich langzaam van +de kade verwijderde, zich over de verschansing had heengebogen en met +uitgestrekte armen om hare moeder had geroepen, hoe zij eindelijk, +half bezwijmd in de armen harer trouwe dienares was gevallen en hoe +deze haar weggedragen had naar de rijkversierde tent, die te haren +behoeve op het dek van het vaartuig was opgeslagen. Sindsdien had +Tristan haar niet meer gezien, maar het hartroerend afscheid had +de vreugde over het welslagen van zijn tocht vergald en steeds weer +vroeg hij zich af, of hij geen onrecht beging door dit jonge meisje +in de armen van koning Mark te voeren. + +De eerste uren na het vertrek was de reis voorspoedig, maar allengs +ging de wind liggen en moesten de zeelieden de riemen ter hand nemen, +wilde men het schip in beweging houden. De hitte was drukkend; fel +brandden de zonnestralen op het dek en boven Isolde's tent hing de +koninklijke standaard slap terneer. Op het middaguur werd de warmte +zóó ondragelijk, dat er bevel werd gegeven, het roeien te staken +en de uitgeputte zeelieden strekten zich op het dek uit, om te +rusten. Onbeweeglijk lag het schip op de blauwe zee; de edellieden +en ridders waren meerendeels ingeslapen, alleen Tristan waakte. De +gordijnen voor Isolde's tent waren teruggeslagen en door de opening +was de gestalte der jonge prinses zichtbaar, uitgestrekt op eene +lage rustbank. + +Tristan naderde de tent en boog zich eerbiedig voor haar +neder. Belangstellend vroeg hij, hoe zij het maakte en trachtte met +haar in gesprek te raken; na eenige moeite gelukte hem dit en wist hij +haar zelfs zoover te krijgen, dat zij hem eenige vragen stelde over +het leven en de gebruiken in haar nieuwe vaderland. Zoo spraken zij +eenigen tijd met elkander, tot Isolde, dorstig geworden door de hitte, +hem vroeg, haar een teug wijn te brengen. Tristan begaf zich naar de +plek, waar de wijn bewaard werd, maar ziet, deze was tot den laatsten +droppel door de dorstige zeelieden opgedronken. Wat nu te doen? Hij +kon de prinses toch geen beker water aanbieden? Aarzelend zag hij +om zich heen, daar ontdekte zijn oog in een hoek eene kleine aarden +kruik hij nam haar op, goot den inhoud in een zilveren drinkbeker en +tot zijne verbazing was het wijn, diep donkerroode wijn, waaruit een +zoete geur omhoogsteeg. + +Vol vreugde bood hij den beker aan Isolde, deze nam hem gretig aan, +zette hem aan den mond en dronk eruit met lange teugen, daarop bood +zij hem op hoffelijke wijze aan Tristan en beduidde hem, den beker +te ledigen. Deze voldeed aan haar verlangen, maar nauwelijks was het +vocht hem door de keel gevloeid of eene vreemde, zoete bedwelming +scheen over hem te komen. Langzaam dronk hij verder en terwijl hij dit +deed scheen het of zijne oogen met onweerstaanbare kracht naar Isolde +werden getrokken. Of--was dit inderdaad Isolde? dit jonge meisje +met de vochtig glanzende oogen, die hem aanzagen, zóó vreemd--zóó +innig, als nog nooit eene vrouw hem aangezien had? Haar mond was half +geopend, haar adem kwam snel en hijgend. Waarom zag ze hem zoo aan, +waarom strekte zij hare handen uit, als om steun te zoeken? Zou zij, +evenals hij, dien onweerstaanbaren drang in zich gevoelen, die hem +naar haar toe dreef, die hem woorden en klanken deed stamelen van +liefde en innigheid, die hem deed hunkeren om haar in zijne armen te +nemen en haar te kussen: hare oogen, hare blonde haren en hare roode +lippen? Een oogenblik zagen de beiden elkander aan: toen klonk het +zacht "Isolde!" en daarna "Tristan!" en Tristan hield de bruid van +koning Mark in zijne armen. + +Een luide kreet wekte hen uit hun zoeten droom. Met opgeheven handen +stond Brangwaine voor hen: "Meesteresse, wat hebt gij gedaan!" riep +zij in vertwijfeling; "gij hebt van den tooverdrank gedronken, die +u en uwen gemaal door eeuwige liefde te zamen moest binden en ziet, +wat nu geschied is!" Van nu af aan klopt uw hart slechts voor dezen +vreemdeling en nooit zal koning Mark erin slagen, uwe liefde te +winnen! Mijne arme meesteres, het is de dood, dien gij beiden uit +dezen beker gedronken hebt! + +Tristan en Isolde zagen elkander aan, toen sprak de eerste plechtig: +"Indien het waar is, wat ge zegt, zoo zou ik liever duizend dooden +sterven, dan voort te leven zonder den troost dezer liefde!" en +opnieuw drukte hij Isolde aan zijn hart. + +Jammerend en de handen wringend van wroeging en smart verliet +Brangwaine de tent. Tevergeefs zon zij op middelen, om de dreigende +ramp te voorkomen, de liefdesdrank had zijne uitwerking niet gemist. + +Toen de avond viel en de schemering daalde over het breede watervlak, +toen alle geluid aan boord verstomd was en slechts het kabbelen +der golfjes tegen de kiel van het schip de stilte verbrak, waren de +gordijnen van Isolde's tent gesloten. De standaard van koning Mark +hing slap en mistroostig omlaag en voor de tent hurkte eene eenzame +gedaante: Brangwaine, die met angst en wanhoop in het hart waakte +over het eerste samenzijn der twee gelieven. + + + +Na eene voorspoedige reis naderde het schip de rotsen van +Cornwallis. Groote vreugde heerschte onder de baronnen, die van den +koning eene vorstelijke belooning verwachtten voor het welslagen +hunner onderneming en de gevaren, waaraan zij zich om zijnentwille +hadden blootgesteld. Onder opgewekten kout bracht men den tijd door, +die nog verloopen moest, eer men voet aan wal kon zetten, lach en +scherts weerklonken aan alle kanten. + +In hare tent zat Isolde en liet zich door hare dienaressen tooien en +sieren voor de eerste ontmoeting met haren bruidegom. Zij kleedden +haar in een ruim, loshangend gewaad van glinsterende zijde, zij +vlochten haar paarlen en robijnen door het blonde haar en voortdurend +spraken zij haar van den luister en pracht van Mark's hofhouding en de +schitterende feesten, waarmede hij zijn huwelijk dacht te vieren. Nooit +nog waren er zulke toebereidselen gemaakt als voor deze gelegenheid, +nooit nog waren er zulke festijnen aan het hof gehouden als die, +waarmede koning Mark zijne jonge bruid zou huldigen. + +Maar zij, die de hoofdpersoon moest wezen op deze feesten, zag er bleek +en bedrukt uit; op de opgewonden verhalen harer vrouwen antwoordde +zij met een matten glimlach en eerst toen Tristan liet vragen of zij +gereed was, daar men de kust naderde, scheen zij uit hare verdooving +te ontwaken. Met een gebiedend gebaar zond zij hare dienaressen heen, +met uitzondering van Brangwaine, die zij verzocht te blijven. Toen +zij beiden alleen waren, stond zij haastig op, greep hare trouwe +vriendin bij den arm en fluisterde haar toe: "Brangwaine, ik moet +u om een dienst verzoeken, die moeilijker en zwaarder te volbrengen +is, dan eenige dienst, dien ge mij ooit bewezen hebt. Nochtans moet +ik er u om vragen. Zult ge mij dien dienst weigeren?" "Vrouwe", +antwoordde Brangwaine, "indien het in mijn vermogen is, u te helpen, +dan zal ik het doen, meer kan ik niet beloven!" "Nu, luister dan", +sprak Isolde; "gij en gij alleen weet, wat er is geschied, gij weet +dat mijn lichaam en ziel Tristan toebehooren en dat de gedachte aan een +anderen echtgenoot mij doet rillen van vrees en afkeer. Niettemin zal +koning Mark mij tot zijne vrouw maken. Om die afschuwelijke gebeurtenis +te verhinderen moet gij mij helpen. Wanneer de gasten den koning +en mij naar het bruidsvertrek hebben geleid en de lichten gedoofd +zijn, moet gij mijne plaats aan de zijde des konings innemen, in het +duister zal hij uw gelaat niet herkennen en eer de dag aanbreekt, +zal ik u aflossen. Spreek, wilt gij dit voor mij doen?" + +Langen tijd hield Brangwaine het hoofd gebogen; zij voerde een +vreeselijken strijd in haar binnenste, maar eindelijk hief zij het +gelaat omhoog, haar oogen stonden vol tranen en een trek van pijn +groefde zich om haar mond, toch klonk hare stem vast en kalm, toen +zij zeide: "Ik zal doen, wat gij mij vraagt." Daarop vlood zij heen +uit vrees, zich niet langer te kunnen beheerschen. + +Aan den steiger, die met groen en bloemen was versierd, wachtte een +uitgelezen gezelschap de aankomst der boot af. Vooraan stond koning +Mark, den gouden kroon op het hoofd en tuurde in onrustige spanning +naar het schip. Toen Isolde den voet aan land zette ging er een +gemompel van bewondering door de verzamelde menigte, want de jonge +prinses was schoon als de morgenstond. De zon verlichtte haar gouden +haren en speelde om hare lieflijke gestalte en toen zij op den koning +toetrad was het, of er iets van het warme licht, dat haar omstraalde, +in zijn eenzaam hart drong. + +Tristan zelf voerde Isolde aan zijne hand en bracht haar naar zijn oom; +toen zij voor den koning genaderd waren, sprak hij met luider stem: +"Sire, ingevolge uwe bevelen breng ik u prinses Isolde van Ierland, +die gij als uwe bruid hebt uitverkoren." Daarna liet hij de hand der +prinses los, boog en verdween onder de menigte. + +Met grooten luister en praal werd het bruiloftsfeest gevierd en alle +gasten waren het er over eens, dat men nooit schooner en bevalliger +bruid gezien had dan Isolde met de Gouden Haren. Wel vond men haar +wat bleek en stil, maar men schreef dit toe aan de vermoeienissen der +reis en den indruk, dien haar nieuwe staat en de vreemde omgeving op +haar maakten. + +Toen de nacht zijne donkere sluiers over de aarde spreidde, werden de +lichten in het paleis gedoofd en geleidde men, volgens aloud gebruik, +de jonggehuwden naar het rijk versierde slaapvertrek. Spoedig daarna +had de verwisseling plaats. In het korte oogenblik, dat Mark zijne +jonge vrouw alleen liet, sloop deze heen, om plaats te maken voor +Brangwaine en zij, die bevend in zijne armen lag, was niet Isolde +met de Gouden Haren, maar hare trouwe dienares. + + + +Vreugde en zonneschijn hadden aan het hof van koning Mark hunne +intrede gedaan met de komst van diens jonge gemalin. Een nieuw, +jong leven vulde de groote zalen van het paleis met blij geluid; +zang en snarenspel weerklonken in den stillen slottuin. + +Koning Mark was innig gelukkig met zijne schoone vrouw; zijne oogen +straalden blij, zijn gang was veerkrachtig en fier en telkens weer +zegende hij de ingeving, die hem had doen toestemmen in den eisch +der baronnen, om zich eene bruid te zoeken. Ook Isolde was gelukkig; +haar echtgenoot liet haar uit kiesche bescheidenheid volle vrijheid +en zoo wist zij elken dag eenige oogenblikken te vinden om met +haren geliefde samen te zijn. Die oogenblikken waren haar eigenlijk +leven; den overigen tijd leefde zij als in een droom, doorproevend de +zaligheid van het doorleefde en reikhalzend uitziend naar eene volgende +samenkomst. De menschen om haar heen hoorde en zag zij slechts vaag, +zóó zeer waren hare gedachten vervuld van wat zij daar binnen in haar +hart voor schoons en heerlijks verborgen hield, maar zij had voor +elk een vriendelijk woord en een droomerige, lieve glimlach speelde +steeds om haar mond. + +En Tristan?--voor hem, den man, die zich niet geheel kon overgeven +aan de bedwelmende bekoring van den hartstocht, was het leven eene +foltering. Gedreven door een gevoel van schuld tegenover zijn koning, +die hem steeds met liefde had omringd, streed hij in zijn binnenste +een voortdurenden strijd tegen de alles overheerschende macht der +liefde. Slechts in de uren van samenzijn met Isolde kon hij voor een +oogenblik de kwellingen van schaamte en wroeging vergeten, die hem +het bestaan ondragelijk maakten. + +Zoo ging het leven aan het hof eenigen tijd voort en allengs werden +de beide gelieven stoutmoediger in het beramen hunner plannen. Niet +slechts in de bosschen en tuinen om het paleis, maar ook in het slot +zelf kwamen zij samen en overmoedig geworden door het welslagen van +hun pogen, begonnen zij langzamerhand de noodige voorzichtigheid uit +het oog te verliezen. Het spreekt dus van zelf, dat hunne verhouding +niet langer een geheim kon blijven voor hunne omgeving. Hier en daar +geraakten de booze lastertongen in beweging en naijverige hovelingen +bespiedden hunne gangen en zonnen op verraad. Tot dezen behoorde +Meriadoc, een der ridders van koning Mark. + +Sinds langen tijd was hij jaloersch op Tristan, wien hij diens +hooge plaats aan het hof misgunde en nu hij vermoedde, dat er +eene schuldige verhouding tusschen hem en de koningin bestond, was +al zijn denken en doen er op gericht, om bewijzen te verkrijgen, +waarmede hij den nietsvermoedenden koning zou kunnen overtuigen. Het +duurde niet lang, of hij verkreeg de zoo zeer gewenschte zekerheid. Om +Tristan's handelingen nauwkeuriger te kunnen bespieden had hij, onder +voorwendsel van groote vriendschap voor hem te gevoelen, hem verzocht +om zijn slaapvertrek met hem te mogen deelen en zoo sliepen de beide +ridders thans te zamen in een der zijgebouwen van het paleis. Eens op +een nacht ontwaakte Meriadoc door een kouden tocht, die hem langs het +gelaat streek en vond tot zijne verbazing de buitendeur van het vertrek +openstaan. Onmiddellijk tastte hij naar het bed van Tristan en wat hij +vermoedde, bleek juist te zijn: het was onbeslapen. Haastig schoot +Meriadoc eenige kleedingstukken aan en begaf zich naar buiten. Het +was October en dien nacht was de eerste sneeuw gevallen. Bij het +schijnsel der maan bespeurde hij een spoor van versche voetstappen, +dat in de richting van het slot leidde. Voorzichtig voegde Meriadoc +zijne schreden naar die van zijn voorganger en ziet, bij de omheining +gekomen, welke de vertrekken des konings omringde, bemerkte hij, hoe +iemand zich door het wegnemen van eene plank toegang had verschaft +tot het afgesloten gedeelte. Door de opening heen zag hij, dat de +voetsporen rechtstreeks voerden tot de vensters der koninklijke +vertrekken. Nu was geen twijfel meer mogelijk; met eene boosaardige +grijns op het gelaat zocht Meriadoc zijne legerstede weer op en besloot +den volgenden morgen den koning over het gebeurde in te lichten. + +Door listige toespelingen en sluwe aanduidingen wist hij den argwaan +van koning Mark op te wekken en deelde hem ten slotte zijne vreeselijke +vermoedens omtrent de koningin en Tristan mede. + +In hevige verontwaardiging wees de vorst de aantijging van de hand en +het scheelde niet veel, of hij had den valschen lasteraar in zijne +blinde woede terneergeveld. Maar deze gaf den strijd niet op. In +geveinsden ootmoed boog hij zich voor zijn vorst en smeekte hem om +vergiffenis; hij zwoer hem, slechts de eer van zijn meester voor oogen +te hebben bij het indienen zijner aanklacht en wendde voor alleen +gedreven te worden door heilige verontwaardiging over het schandelijk +bedrog en de grievende beleediging, zijn heer aangedaan. Zijne woorden +bleven niet zonder uitwerking op het gemoed van den koning en al +wierp hij elke verdenking van zijne jonge vrouw verre van zich af, +toch begon hij haar onwillekeurig nauwer gade te slaan in haar doen en +laten. Wanneer zij met hare vrouwen bij het haardvuur zat te spinnen en +zij Tristan riep, om haar een lied voor te zingen, zwierven de blikken +van den vorst onrustig heen en weer tusschen de beide jonge menschen, +die zoo vroolijk met elkander praatten en schertsten. Onwilllekeurig +trachtte hij in hunne woorden en gebaren eene geheime beteekenis te +zoeken en luisterde hij scherper toe, wanneer zij hunne stemmen tot +een zacht gefluister lieten dalen. Wanneer hij hen dan bijeen zag, +beiden zoo jong en schoon en zijn blik viel toevallig op een der lange +wandspiegels, waarin hij zijn eigen beeld weerkaatst zag, gleed er +soms een bittere glimlach over 's konings gelaat en eene stem in zijn +binnenste zeide hem, dat het geen wonder zou zijn, indien Isolde het +gezelschap van een jong en schoon ridder als Tristan verkoos boven +het zijne. + +Zoo werd het gemoed van koning Mark gepijnigd door vrees en twijfel +en weldra kende hij nog slechts één wensch: zekerheid te hebben, +ook al ontnam die hem zijne laatste hoop op geluk. Om die zekerheid +te verkrijgen verzon hij eene list. Eens op een avond zeide hij tot +Isolde: "Liefste, sedert langen tijd rust op mij de verplichting +om een pelgrimstocht te ondernemen naar verre streken. Ik wil dien +tocht niet langer uitstellen, maar er is één ding, dat mij ervan +terughoudt: in wiens zorg zal ik u hier achterlaten? Spreek, aan +welken van mijne ridders zou ik u het best kunnen toevertrouwen?" Een +glans van vreugde kwam in Isolde's oogen en zij antwoordde zonder +aarzelen: "Aan wien beter dan aan Tristan, Heer? Onder zijne hoede +zal mij geen kwaad geschieden!" De koning wendde zich zwijgend af, +het was hem of eene ijskoude hand zich op zijn hart legde en er +alle warmte uit verdreef, nu had hij immers zekerheid aangaande +de gevoelens zijner vrouw? Deze echter snelde naar Brangwaine en +deelde haar vol blijdschap mede, dat de koning voor langeren tijd op +reis dacht te gaan en haar verzocht had, een beschermer te kiezen, +die zijne plaats gedurende zijne afwezigheid zou innemen. "Wien hebt +gij gekozen?" vroeg Brangwaine en hare meesteres antwoordde lachend" +Wien anders dan Tristan!" Maar Brangwaine schudde het hoofd en wees +haar op het onvoorzichtige harer woorden, die den koning, zoo hij +wellicht eenigen argwaan koesterde, op het spoor harer gevoelens +zouden kunnen brengen. Op haar aanraden zeide Isolde den volgenden +morgen tot haren gemaal: "Heer, den ganschen nacht hebben mij uwe +woorden van gisterenavond in de ooren geklonken en ik begin te +gelooven, dat het u ernst was, met hetgeen ge zeidet. Aanvankelijk +meende ik, dat ge slechts schertsen wildet en daarom heb ik u ook in +scherts geantwoord." Een straal van hoop verlichtte het gelaat van +koning Mark. "Wat wilt ge dan?" vroeg hij. "Hebt ge niet Tristan, +mijn neef, uitgekozen, om hier te blijven en u te behoeden tegen +mogelijk gevaar?" "Zwijg over dien man!" riep Isolde met fonkelende +oogen, "meent ge werkelijk, dat ik hem, den moordenaar van mijn oom, +tot mijn beschermer zou kiezen? Ik weet, weliswaar, dat hij mij met +smeekende oogen en vleiende woorden achtervolgt, maar dat is slechts +uit angst voor mijne wraak. Neen, indien hij niet uw neef was, zou +ik niet rusten, vóór hij zijne gerechte straf had ondergaan." + +Het hart van koning Mark was gerust; zou eene vrouw zóó spreken over +hem, dien zij liefhad? Hij schold Meriadoc uit voor verrader en dreigde +hem met de vreeselijkste straffen, indien hij zijne beschuldiging +durfde herhalen. + +Deze liet wijselijk eenigen tijd voorbijgaan, alvorens hij opnieuw +met zijne verdachtmakingen bij den koning aankwam en ditmaal ging hij +nog omzichtiger te werk, zoodat hij den vorst als 't ware zelf op het +denkbeeld deed komen, om zijne gemalin nogmaals op de proef te stellen. + +"Vrouwe", zoo sprak hij tot Isolde, "eenigen tijd geleden hebt ge mij +gezegd, welk een haat gij mijn neef Tristan toedraagt. Nu ben ik tot +het besluit gekomen, dat ik hem liever naar zijn land wil terugzenden, +dan dat zijn aanblik u hier eene dagelijksche kwelling is. Daarom wil +ik hem vóór mijn vertrek van hier sturen, zoodat hij u gedurende mijne +afwezigheid geen overlast kan aandoen". Isolde ontstelde hevig, toen +zij deze woorden hoorde en riep terstond: "Neen, edele Heer! dat moogt +gij niet doen. Tristan is uw zusters zoon en heeft nooit eenig kwaad +jegens u misdreven, integendeel, hij heeft u altijd trouw en eerlijk +gediend. Wat deert het u, of ik hem niet lijden mag? Om mijnentwil +moogt gij geene onrechtvaardige daad begaan en bovendien zal ik mij +wellicht in den loop der jaren met hem verzoenen, daar ik wel inzie, +dat hij een dapper ridder is!" + +Opnieuw zaaiden hare woorden wantrouwen in het hart des konings en +treurig verliet hij het vertrek. Toen Isolde Brangwaine deelgenoote +maakte van wat haar bedreigde, wees deze laatste haar ten tweede +male op het gevaar van zich aldus bloot te geven en haren raad +volgend, sprak Isolde dienzelfden avond tot haren gemaal: "Heer, +indien gij werkelijk meent, dat gij, zonder Tristan onrecht aan +te doen, hem naar zijn land kunt doen terugkeeren, zoo zou mij +niets aangenamer zijn. Zoolang gij hier blijft, is het mij mogelijk +zijne tegenwoordigheid te dulden, maar wanneer gij vertrekt, zal de +ergernis van hem dagelijks te moeten zien, mij het leven ondragelijk +maken. Het beste zou zijn, wanneer gij hier zoudt kunnen blijven of +mij met u medenemen." + +Ook ditmaal wist zij de stem van twijfel in het hart van haren +echtgenoot tot zwijgen te brengen; vol verrukking klemde koning Mark +haar aan zijne borst en zwoer, haar nimmer te zullen verlaten. + +Zoo waren dus rust en kalmte wedergekeerd in 's konings gemoed, maar +de verraders rustten niet en waren er steeds op bedacht, om nieuwe +bewijzen van de schuld der koningin te ontdekken. Ter bereiking van +dit doel had Meriadoc een dwerg, Melot genaamd, in zijn dienst genomen, +die bekend stond om zijne groote geslepenheid. Hij had hem opgedragen, +scherp toe te zien op de gangen van de koningin en Tristan. Weldra +was ook Melot zeker van hun beider schuld, al was het hem tot nu +toe onmogelijk gebleken, hen op heeterdaad te betrappen. In zijne +verdenking versterkt door Melot's aanwijzingen begaf Meriadoc zich +met eenigen zijner vrienden naar den vorst en eischte op hoogen +toon, dat de koning, ter wille van zijn goeden naam en dien van +het gansche rijk, Tristan van het hof zou verbannen. Aanvankelijk +weigerde Mark om aan hun verzoek te voldoen, maar ten slotte moest +hij wel toegeven. Hij begaf zich dus naar Tristan en zeide tot hem: +"Booze tongen spreken kwaad van uwe verhouding tot de koningin. Al +geloof ik zelf, dat het slechts vuige laster is, wat zij zeggen, +toch moet men ook den schijn van het kwade vermijden. Daarom verzoek +ik u niet langer de vorstin in hare vertrekken te bezoeken en u voor +eenigen tijd van het hof te verwijderen." + +Tristan boog het hoofd en ging heen, maar toen hij de ophaalbrug over +reed om het kasteel te verlaten, scheen eene plotselinge loomheid in +armen en beenen hem het voortgaan te beletten. Hij kwam niet verder +dan het marktplein der stad Tintagel, daar huurde hij een woonvertrek +en bracht zijn tijd door in droef gepeins over het lot der geliefde. + + + +_Hoe Tristan en Isolde door middel van een beekje met elkaar spraken._ +De weken gingen voorbij, Tristan en Isolde kwijnden weg van verlangen +en smart. De koningin zat uren lang aan haar venster en staarde +zwijgend naar buiten, mijmerend over haar droevig lot. Tristan zat in +een hoek van zijn eenzaam vertrek met gebalde vuisten en verwenschte +zijn koning en zichzelf. Eindelijk begon Brangwaine, die wist waar +Tristan zich schuil hield, zich zóó ongerust te maken over het lijdend +uitzien harer meesteres, dat zij peinsde en zon, tot zij ten laatste +een middel gevonden had, om de beide gelieven te helpen. + +Door de tuinen van het paleis stroomde een helder beekje, dat zijn +oorsprong dankte aan eene bron in het naburig bosch. Dit beekje vloeide +ook door de vertrekken der koningin, waar het in de warme zomerdagen +koelte en verkwikking bracht en den vrouwen eene gelegenheid bood +om zich door een bad in het heldere bronwater te verfrisschen. Dit +beekje nu moest als liefdesbode dienen. Wanneer Tristan de kans schoon +zag om de koningin tot een onderhoud in den slottuin uit te noodigen, +wierp hij, op aanraden van Brangwaine, eenige berkentakjes, waarop hij +met een scherp voorwerp inkervingen had gemaakt, in het water, om de +plaats van samenkomst aan te geven. Het beekje droeg die takjes op den +stroom mede en onder de marmeren overkapping door het paleis binnen, +tot in de kamer van Isolde. Zoo konden dus de beiden met elkander +spreken, zonder dat iemand vermoedde, wie daarbij hun tolk was. + +Wie beschrijft de vreugde van het eerste ontmoeten na zoo lange +scheiding? Als een donkere vlinder zweefde Isolde in het nachtelijk +uur den slottuin in, waar Tristan haar met uitgespreide armen en +een onderdrukten kreet van verlangen ontving. Hij voerde haar mede +naar een donkeren hoek van het park, waar de sterren door het dichte +gebladerte gluurden en het klateren van het beekje het eenig geluid +was, dat de stilte verbrak. Den ganschen nacht bleven zij te zamen in +de hoogste zaligheid en eerst in de grijze ochtendschemering, toen de +omtrekken van het paleis zich vaag begonnen af te teekenen tegen den +roodgekleurden morgenhemel, sloop Isolde terug naar hare vertrekken. + +Eenigen tijd lang gelukte het hun, deze nachtelijke bijeenkomsten +voor hunne bespieders verborgen te houden, maar weldra ontdekte het +waakzaam oog van Melot hun zoet geheim. Vol trots ging hij tot den +koning en zeide hem, dat, indien hij slechts zijn voornemen te kennen +gaf om voor eenige dagen op de jacht te gaan, hij, Melot, hem weldra +het overtuigend bewijs van de schuld der koningin zou kunnen leveren. + +Het hart vol bittere schaamte over deze slinksche handelwijze +voldeed koning Mark aan het verzoek. Hij zeide tot Isolde, dat hij +een verren jachtrit ging ondernemen en dus voor eenige dagen van +huis zou zijn. Wat de dwerg vermoed had, gebeurde. Dienzelfden avond +nog sloop Tristan den tuin van het kasteel binnen, begaf zich naar +de bron en wierp eenige takjes in het beekje, die op den vluggen +stroom heendreven in de richting van het paleis. Peinzend stond hij +daarna aan den rand van het water en volgde in gedachten de boden +zijner liefde, die Isolde tot hem zouden roepen. Maar--wat zag hij +daar in het door de maan beschenen water--In de takken van den boom, +welke in het beekje weerspiegeld werden, bewogen twee gestalten: het +waren de koning en Melot, die zich daar verborgen hadden, ten einde +hun samenzijn te bespieden. Bliksemsnel kruisten de gedachten door +Tristan's brein, vóór alles vreesde hij, dat Isolde, die zoo dadelijk, +nietsvermoedend, daarheen zou komen, door hare woorden, haar groet, +al dadelijk hun geheim zou verraden. Wat te doen? Ongetwijfeld hadden +de takjes Isolde nu reeds bereikt en wellicht maakte zijne liefste +zich op dit zelfde oogenblik gereed om vol vreugde naar hem toe te +snellen. Angstig tuurde hij in de richting van het paleis en ziet, +daar naderde reeds eene donkere gedaante. Het was Isolde, die ook +hem reeds bemerkt had. Haar hart klopte onstuimig van vreugde en +verlangen, zoo dadelijk zou hij op haar toesnellen en haar omvatten +met zijne sterke armen. Maar waarom bleef hij zoo onbeweeglijk staan, +waarom kwam hij haar niet als gewoonlijk tegemoet om haar te omarmen, +nog eer zij de plaats van samenkomst had bereikt? Hare denkvermogens +waren door de liefde en de geheimhouding zoozeer gescherpt, dat +zij terstond onraad vermoedde en nauwkeurig speurde zij dus rond +om te ontdekken, vanwaar het gevaar kon komen. Daar ontdekte zij +in den boom de twee gedaanten en onmiddellijk wist zij, wat haar +te doen stond. Met kalmen tred naderde zij de plek, waar Tristan +haar stond op te wachten en sprak op koelen, hooghartigen toon: +"Heer ridder! aan uw dringend verzoek om een onderhoud heb ik gehoor +gegeven. Het moet inderdaad wel een zeer gewichtige reden zijn, +waarom ge mij op dit nachtelijk uur naar buiten roept. Zeg mij vlug, +wat gij op het hart hebt, want weet, dat door hier te komen, ik mijn +goeden naam in gevaar breng. Wat zou de koning ervan denken, indien +hij wist, dat ik aldus bij nacht en ontij in het park ronddool, om +u te ontmoeten? Spreek dus en wees een volgend maal verstandiger in +de keuze van uw tijd!" Tristan begreep terstond, waarom Isolde zoo +sprak en hij antwoordde haar dus ootmoedig: "Edele Vrouwe! ik liet +u om een onderhoud verzoeken, omdat ik u smeeken wilde, de goede +verstandhouding tusschen mijn koning en mij te herstellen. Mijn +geheele leven heb ik hem trouw gediend; de heerschappij over mijn +land heb ik om zijnentwil afgestaan; Morholt heb ik met gevaar van +mijn leven verslagen en ik heb door mijne worsteling met den draak +eene schoone vrouw voor mijn vorst veroverd. Wat is mijn dank voor +dit alles? Als een lastigen bedelaar zendt hij mij weg van het hof, +zoodra hem zulks belieft!" "Inderdaad", antwoordde Isolde, "ik heb +medelijden met uw droevig lot, maar hoe kan ik u helpen? Wanneer ik +uwe zaak bij den koning bepleit, zullen mijne woorden slechts strekken +om zijn wantrouwen aan te wakkeren en uw lot zal daardoor eer slechter +dan beter worden. Zijn trouw en edel hart is vergiftigd door de valsche +leugens, welke men hem inblaast en ik sta machteloos daar tegen". + +"Welnu dan", hernam Tristan, "het zij zoo! Leugen en bedrog zijn +machtiger vijanden dan ijzer en staal. Van dit oogenblik af geef ik +den strijd daartegen op en zal morgen van hier trekken, om nimmer +terug te keeren! Vaarwel Vorstin! gij hebt mij twee maal het leven +gered, geen wonder dus, dat ik u aanhang in onderdanige liefde en +trouw. Moge het u wel gaan en moge uw gemaal spoedig het onrecht +inzien, dat hij u aandoet." + +Met deze woorden scheidden de twee gelieven, koning Mark echter, +die tot in het diepst van zijn hart geroerd was door hetgeen hij +gehoord had, keerde zich vol woede tegen den dwerg, slingerde hem +uit den boom tegen den grond en zou hem zeker gedood hebben, als niet +Melot zich met een behendigen sprong uit de voeten gemaakt had. Hij +vluchtte uit het rijk en besloot niet terug te keeren, vóór de koning +hem gunstiger gezind zou zijn dan thans. + +Den volgenden morgen reeds keerde de vorst terug naar zijn +paleis. Zóózeer verlangde hij naar zijne jonge vrouw, van wier +onschuld hij thans ten volle overtuigd was, dat hij eene reden +verzon om zijne voorgewende reis te onderbreken en in aller ijl +naar Tintagel terugkeerde. Toen hij Isolde vroeg, hoe zij gedurende +zijne afwezigheid den tijd had doorgebracht, antwoordde zij hem: +"Heer, wij vrouwen zijn vreemde wezens. Wie op ons medelijden werkt, +kan met ons doen, wat hij wil en kan onze hulp en steun inroepen voor +zijne zaak, ook al heeft die zelve niet onze volle instemming." "Wat +bedoelt gij, liefste?" vroeg de koning. "Heer", antwoordde Isolde, +"bij het spreken dezer woorden dacht ik aan Tristan. Hij heeft zich bij +mij beklaagd over de hardvochtige wijze, waarop hij door u behandeld +is geworden. Hij ziet zich gedwongen, van hier te gaan, al doet het +hem leed u te verlaten. Hoewel gij weet, dat ik hem niet mag lijden, +werd ik toch door zijne woorden geroerd en besloot om nog éénmaal +een beroep te doen op uwe rechtvaardigheid. Daarom verzoek ik u, +zijne trouw en zijne verdiensten te gedenken, alvorens gij hem naar +zijn land laat terugkeeren." + +"Dat zal ik", riep de vorst vol vreugde uit. "Nog heden zend ik een +boodschapper om Tristan op te sporen en van nu af aan zal hij weer +zijne oude plaats innemen aan mijn hof en in mijn hart, vanwaar +naijver en boosheid hem verjaagd hadden." + +Zoo geschiedde het. Tristan keerde terug naar het hof en ten aanzien +der geheele hofhouding verzoende de vorst zich met zijn neef. Wel +morden en klaagden de baronnen, maar de koning was voor het oogenblik +geheel doof voor hunne aantijgingen en genoot met volle teugen van +zijn herkregen geluk. + +Maar ook ditmaal was zijne rust niet van langen duur. Meer en meer +verspreidde zich onder de leden der hofhouding het gerucht van de +zondige verhouding, die bestond tusschen koningin Isolde en Tristan, +den neef des konings. Zelfs het volk in de straten van Tintagel +lachte meesmuilend, wanneer de grijze vorst met zijne jonge gemalin +voorbij reed en bespotte hun koning over zijne verblindheid. Toen +kwamen op een dag de baronnen in grooten getale bijeen, begaven zich +naar koning Mark en eischten, dat hij in deze zaak recht zou doen en +zijne eer en die van zijn hof voor verderen smaad zou behoeden. + +Het duurde lang, eer zij Mark konden overtuigen, dat hij handelend +moest optreden, indien hij wilde voorkomen, dat zijn huwelijk +tot een onderwerp van spot werd voor het gansche volk. Eindelijk +dreigden zijne ridders hem dat, indien hij niet aan hunnen wensch +wilde voldoen, zij zich in hunne burchten zouden terugtrekken en hem +allen gezamenlijk den oorlog zouden aandoen. Voor deze bedreiging +moest de vorst zwichten en hij stemde erin toe, om Melot uit zijne +ballingschap terug te roepen en hem nogmaals eene kans te geven, +zijne beschuldiging door overtuigende bewijzen waar te maken. + +De gelegenheid daartoe liet niet lang op zich wachten. Eens op een +avond nam de dwerg den koning ter zijde en sprak tot hem: "Sire, +het oogenblik is gekomen, waarop ik u door feiten kan aantoonen, dat, +wat ik zeide omtrent de koningin en Heer Tristan, waarheid was. Let +nu goed op, wat ik u zeg. Heden avond, wanneer Tristan reeds te bed +ligt, moet gij hem opdragen, om vóór het aanbreken van den dag eene +dringende boodschap naar het hof van koning Arthur te brengen. Gij +zelve moet uw voornemen te kennen geven om te middernacht de mis bij +te wonen. Daardoor zult gij uwe gemalin alleen achterlaten. Voor wat +verder dient te geschieden zal ik zorg dragen." + +De koning deed, wat hem verzocht was. Eenigen tijd nadat Tristan zich +ter ruste had begeven in een hoek van de groote zaal, waar ook de +koning en koningin sliepen, trad Mark aan zijne legerstede en beval +hem, om bij het eerste ochtendgloren zijn paard te zadelen en zich +op weg te begeven naar het paleis van koning Arthur te Winchester, +om hem een dringenden brief te overhandigen. + +De eerste gedachte van Tristan was, dat hij niet heen kon gaan zonder +afscheid te hebben genomen van Isolde en zoodra hoorde hij niet, +dat Mark zich gereed maakte om de nachtelijke mis in de slotkapel te +gaan bijwonen, of hij besloot van die afwezigheid gebruik te maken, +om zijn plan te volvoeren. + +Stilte heerschte in de groote zaal, waaruit de koning met zijn gevolg +zooeven ter kerke was getogen. + +In een hoek van het vertrek stonden eenige wachten half slapend +op hunne wapenen geleund, in vage omtrekken teekende zich de rijk +gebeeldhouwde legerstede der koningin, welke tegen één der muren was +geplaatst, in het zwakke maanlicht af. Tristan richtte zich overeind +in zijn bed, dat meer dan eene speerlengte van dat der koningin +verwijderd was en speurde voorzichtig in het rond. Geen geluid verbrak +de stilte, toen plotseling van uit een hoek der zaal eene kromme, +wanstallige gedaante naar voren sloop en zich met geruischloozen +tred door het vertrek bewoog. Bij het onzekere schijnsel der maan +ontwaarde Tristan, hoe Melot, want het was niemand anders dan deze, +den grond tusschen de beide bedden met meel bestrooide, dat hij in een +korfje bij zich droeg. Terstond begreep onze held, welken valstrik +men hem daar gespannen had en glimlachend over de verijdeling van +dien boozen toeleg, legde hij zich weer neder om te overleggen, wat +hem te doen stond. Weldra was zijn besluit genomen. Met de oogen mat +hij den afstand, die hem van Isolde's legerstede scheidde en toen +alles weer stil was in het vertrek, waagde hij den sprong, die hem, +zonder den vloer te raken, in het bed der geliefde bracht. Eene korte, +innige omhelzing, eenige haastige woorden tot afscheid en Tristan +keerde op dezelfde wijze naar zijne slaapplaats terug. Hij was geen +oogenblik te vroeg, want reeds klonk het geluid van stemmen aan de +deur en kort daarop verlichtte het roodachtig schijnsel van fakkels +het gansche vertrek. De wachten schrokken op uit hunne sluimering en +grepen haastig naar hunne wapens, daar trad reeds koning Mark, van de +mis teruggekeerd, de zaal binnen. Zijn eerste blik gold de koningin, +die zich slapend hield, evenals Tristan, daarna keek hij naar den +vloer tusschen de beide bedden. Geen sporen van voetstappen waren +in het fijngestrooide meel te bekennen, maar wacht, wat beduidde die +donkere streep? Bij het licht der haastig bijgehouden fakkels bukte +de koning zich diep voorover en tot zijne verbazing bespeurde hij, +dat eene reeks bloeddruppels zich op den vloer afteekende, die als +een onweerlegbaar bewijsstuk de legersteden der beide schuldigen +verbond. Met een vreeselijken kreet was koning Mark in één sprong +bij het bed der koningin; hij sloeg het dek terug en ziet, op het +blanke linnen kleurden helderroode bloedvlekken. Steunend van felle +smart sloeg de vorst de handen voor het gelaat. Hij zonk bijna ineen +van schaamte en verdriet, maar toen men hem berichtte, dat ook in +Tristan's bed dezelfde roode sporen waren opgemerkt, en dat het +bloed scheen voort te komen uit eene pas genezen beenwond, die door +de een of andere buitengewone krachtsinspanning was opengesprongen, +drong al het vernederende en pijnlijke van het tooneel eerst recht +tot hem door. Hij ontstak in hevige woede en beval, dat men de beide +schuldigen zou binden en hen zou opsluiten in den donkersten kerker +van het paleis. Den volgenden dag, zoo zwoer hij, zouden zij naast +elkander den vuurdood sterven en ten aanzien van het gansche volk +zouden de lekkende vlammen van den brandstapel den naam des konings +reinigen van de smet, die eraan kleefde. + +Den volgenden morgen verspreidde zich alras de mare der komende dingen +onder de inwoners der stad. Bij alle rangen en standen heerschte +diep medelijden met het lot der arme koningin. Al veroordeelde men +haar om wat zij gedaan had, toch achtte men de straf te zwaar en met +angst en ontsteltenis zag men toe bij het maken der toebereidselen +voor de vreeselijke gebeurtenis. Tristan werd het eerst naar den +brandstapel geleid. + +De weg, dien de gevangenen moesten nemen om het marktplein te bereiken, +waar hun vonnis zou voltrokken worden, voerde gedeeltelijk langs de +kust en zoo kwamen zij ook langs een punt, waar op een vooruitspringend +rotsblok eene kleine kapel gebouwd was. Deze kapel, die als 't ware in +de ruimte hing boven het zandige strand, dat langs den voet der rotsen +liep, werd veel bezocht door hen, die vrienden en bloedverwanten op +zee hadden en aldaar voor hunne veiligheid kwamen bidden. + +Toen nu Tristan langs de kapel kwam, verzocht hij zijne bewakers +hem toe te staan om zich een oogenblik naar binnen te begeven +voor een laatst gebed tot God, Dien hij daar zoo dikwijls had +aangeroepen. Begaan met het lot van den jongen ridder, stonden zijne +begeleiders hem dit toe; Tristan trad binnen en zij, die bij hem waren, +vatten post voor den ingang der kapel. Toen onze held zijne ziel had +uitgestort in een vurig gebed, stond hij nog eene wijle te peinzen +aan een der hooge vensters die uitzicht gaven op zee en terwijl hij +zijn blik liet gaan over het oneindige watervlak, bedacht hij, hoe +veel zoeter het moest zijn te rusten in de koele, blauwe golven dan +ten aanzien van eene nieuwsgierige menigte een langzamen folterdood +in de vlammen te sterven. Één sprong naar beneden en het zou gedaan +zijn met allen angst en strijd en wie weet of koning Mark, wanneer +hij hoorde, dat Tristan voorgoed uit den weg was, zijne jonge vrouw +niet op nieuw in genade zou aannemen. Zoo zou hij misschien Isolde +het leven kunnen redden, mocht hij dan aarzelen? Met een enkelen +vuistslag verbrijzelde hij één der glasruiten, het volgend oogenblik +stond hij in de vensteropening en met uitgespreide armen waagde hij den +sprong. Men zegt wel eens, dat er eene afzonderlijke voorzienigheid +bestaat voor kinderen en gelieven--zeker is het, dat Tristan's leven +als door een wonder gespaard bleef. De wind blies zijn wijden mantel +omhoog en maakte er een valscherm van, dat de kracht van zijn val +brak en hem ongedeerd deed neerkomen op het zachte zand. + + + +_Hoe Tristan zijne geliefde uit de handen der melaatschen redde._ +Toen de krijgsknechten een oogenblik later in de kapel traden om +Tristan tot meerderen spoed aan te manen, vonden zij haar ledig. Bij +onderzoek verrieden de scherven op den grond en de zeewind, die door +het open venstergat blies, langs welken weg hun gevangene ontsnapt +was. Zij twijfelden niet, of Tristan had bij den sprong in dien diepen +afgrond het leven verloren, dus keerden zij terug naar het paleis om +onder angst en beven dit den koning mede te deelen. Alleen Gouvernail, +de trouwe dienaar, die zijn meester op diens laatsten tocht gevolgd +was, besloot de zaak nader te onderzoeken. Hij begaf zich naar het +strand, Tristan's wapenen en strijdros met zich mede nemend en wat +hij nauwelijks had durven hopen, bleek waarheid te zijn, hij trof +zijn geliefden heer ongedeerd en in goeden welstand aan. Terstond +spoorde hij hem aan te vluchten, maar Tristan weigerde te vertrekken, +alvorens hij zekerheid had omtrent het lot van Isolde. + +Wat was er intusschen met de koningin geschied? + +Toen koning Mark vernam, dat Tristan aan zijne straf ontkomen was, +ontstak hij in blinde woede. Het baatte niet, of men hem trachtte te +overtuigen, dat hij den gevaarlijken sprong onmogelijk levend kon +volbracht hebben, Mark hield vol, dat de gevangene ontsnapt moest +zijn. Eene uitdrukking van duivelschen haat vertrok zijn gelaat en +zijne trekken waren verwrongen van woede en wraaklust, toen hij daarop +beval, dat men Isolde naar den brandstapel zou geleiden. "Ik zal dien +verrader dat ontnemen, wat hem meer waard is dan zijn eigen leven," zoo +sprak hij; "laat hij zelf dan maar ontsnappen, zonder zijne minnares +is hem het bestaan toch tot eene kwelling, die erger is dan de pijnen +van den brandstapel." Isolde echter hief hare geboeide handen omhoog +en dankte God, dat Hij Tristan uit de klauwen des doods gered had. + +Reeds knetterden en laaiden de vlammen, reeds had men de touwen +losgebonden, waarmede men de koningin geboeid had en bereidde de +ademloos wachtende menigte zich voor, om het vreeselijk schouwspel +te zien beginnen, toen de menschendrom naar beide kanten uiteenweek +om een troep melaatschen door te laten, die zich door de menigte +heendrong. Hij, die aan het hoofd van deze afzichtelijke bende liep, +riep met drieste stem tot den vorst: "Sire, ons is ter oore gekomen, +dat gij heden eene schoone vrouw op den brandstapel dooden wilt. Ziet, +wij zijn melaatschen en hebben geene vrouwen, daarom vragen wij u, +geef ons deze, gij zult daardoor beter gewroken zijn, dan wanneer +gij haar den vuurdood laat sterven." + +Een gemompel van afgrijzen ging door de menigte, maar koning Mark, +die door haat en hartstocht geheel verblind was, riep uit: "Zoo neem +haar dan en doet met haar, wat gij wilt!" Daarbij dacht hij, dat hij +inderdaad niet beter gewroken kon worden dan op deze wijze. Wanneer +Tristan nog leefde en hij hoorde, wat er met Isolde was geschied, +zou die gedachte hem meer folteren dan het bericht van haren dood en +tot krankzinnig makens toe zou hem het denkbeeld van zijne geliefde +in de armen der melaatschen vervolgen. + +Met schelle kreten van vreugde omringden de uitgestootenen de koningin, +Isolde strekte smeekend de armen uit naar haren echtgenoot en bad +hem, haar toch duizendmaal liever den vuurdood te laten sterven dan +een dergelijk lot te doen ondergaan. Maar Mark was onverbiddelijk en +zegevierend voerden de melaatschen haar mede naar het woud, waar zij +hunne holen en schuilplaatsen hadden. + +Zoo kwamen zij voorbij de plek, waar Tristan en Gouvernail, in het +struikgewas verborgen, den loop der gebeurtenissen afwachtten. Hunne +aandacht werd getrokken door het geschreeuw der bende, die luid +joelend naderde en voorzichtig tuurden zij naar den weg om te zien +wat er gaande was. Daar naderde de troep van afgrijselijke gestalten, +in hun midden trokken en sleepten zij iets voort, wat, dat konden de +beide wachtenden niet zoo spoedig ontdekken. Plotseling richtte de +gebogen gestalte, die te midden der melaatschen werd voortgesleurd, +zich wat hooger op en tot Tristan's onbeschrijfelijke ontzetting +herkende hij het bleeke, schoone gelaat zijner geliefde. Met één sprong +was hij uit het kreupelhout op den weg, met woeste sabelhouwen dreef +hij Isolde's belagers uiteen en het volgend oogenblik hield hij haar +in zijne armen en bedekte haar gelaat met wilde kussen. + +Daarop steeg hij te paard, nam Isolde vóór zich op het zadel en joeg +met Gouvernail in pijlsnelle vaart het bosch in, ver, ver weg naar +het woud van Morois, dat aan de grens van Cornwallis was gelegen. + +Zoodra koning Mark hoorde, wat er gebeurd was, liet hij een ban +uitvaardigen, waarin hij honderd gouden kronen uitloofde aan dengene, +die Tristan of Isolde levend of dood zou weten te vangen. + +De gelieven vluchtten ver weg tot in 't diepst van het woud, daar +eerst voelden zij zich veilig voor de dienaren des konings. Zij bouwden +zich eene hut van takken en bladeren en toen hunne woning gereed was, +zond Tristan zijn trouwen dienaar terug naar het hof, om na te speuren, +wat de koning tegen hen zou ondernemen. + +Tristan en Isolde bleven dus alleen in het groote bosch en toen in +hunne harten de schrik over het gebeurde allengs vervaagde, begon +er voor hen een leven van geluk en vrede, zooals zij het nog nooit +gekend hadden. Weliswaar was hun bestaan vol ontberingen, maar het +genot elkander geheel te mogen toebehooren, deed hen deze gemakkelijk +over het hoofd zien. Wat deerde het, of zij zich moesten voeden met +het vleesch der dieren uit het woud en de wilde vruchten, die zij +tusschen de struiken vonden? Zij smaakten hun beter dan de fijnste +schotels in het paleis van koning Mark, omdat zij ze in elkanders +gezelschap mochten verorberen. Wat gaf het, of de wind soms blies door +de reten der loofhut, zij drongen zich wat dichter tegen elkander en +wisten van geen koude. + +En hoe schoon was het bosch! Als de hemel blauw en helder was en de +zonnestralen grillige figuren trokken op den bemosten woudbodem, +maar ook als de regen op het bladerendak ruischte en witte nevels +tusschen de boomstammen zweefden. Altijd ontdekten Tristan en +Isolde weer nieuwe schoonheden in het landschap, dat hen omringde, +'s Morgens liepen zij op bloote voeten over het bedauwde gras, waar +hunne voetstappen blauwige sporen nalieten; tegen den middag zochten +zij de schaduw en vlijden zich neder onder de breede kruin van een +beuk, of, als de hitte al te drukkend werd, namen zij een bad in het +koele water van een beekje en lieten zich door zon en wind drogen. + +Als het avond werd, zaten zij langen tijd zwijgend bijeen en +luisterden naar den wind, die door de hooge boomen suisde, of naar +het lied van den nachtegaal, die in de takken boven hun hoofd zijne +zoetste liefdeszangen uitkweelde. Tristan bezat de gave om het zingen +der vogels zóó getrouw te kunnen nabootsen, dat hij hen lokken kon, +waarheen hij maar wilde. Meermalen kwamen dan de glinsterende goudvink, +de schrandere lijster, de kleine, sierlijke meesjes, het lustige +winterkoninkje en de nachtegaal, hun aller koning, op zijn lokkend +gefluit aanvliegen. Zij streken neer op het dak der loofhut en dan +werd het een roepen en zingen, een kweelen en tjilpen, als nooit te +voren in het bosch gehoord was. Tristan en Isolde zaten dicht bijeen +en luisterden naar het koor van stemmen. Dan voelden zij hoe al die +trillende, hijgende vogelkeeltjes een zelfde lied zongen, waarvan +zij den weerklank hoorden in hunne eigen ziel--een lied van liefde +en geluk, van lente en zonneschijn, dat zoo oud is als de wereld en +dat toch steeds nieuw blijft voor hen, die het hooren. + +De lente ging voorbij en werd gevolgd door den zomer. Alles bloeide +en geurde in het woud en ook het geluk van Tristan en Isolde bereikte +zijn hoogtepunt in de rustige kalmte om hen heen. Maar reeds al te +spoedig werd het killer in het bosch, de dagen werden koeler en de +nachten kouder. Toen zagen de twee gelieven uit naar een passend +winterverblijf, dat zij vonden in eene donkere rotsspelonk. Tristan +behing de wanden met dierenvellen, afkomstig van het wild, dat hij +in de afgeloopen maanden gedood had. Hij maakte eene opening in de +rots om den rook te laten ontsnappen en toen de eerste sneeuw begon te +vallen, betrokken zij hunne nieuwe woning. De winter kwam met stormen, +die gierden om de tochtige spelonk, met vorst, die de beekjes in het +bosch deed stollen en de sneeuw deed kraken onder den voet. + +Tristan en Isolde zaten te zamen bij het rookende vuur en vertelden +elkander verhalen over gelieven uit vroegere tijden, over Phyllis, +die zoo lang op haar minnaar wachtte, tot zij veranderd werd in +een moerbeiboom, uit welks bladerengeruisch men tot op heden nog +duidelijk het zuchten en steunen der arme verlatene vernemen kan. Of +van Griseldis, de lijdzame, die door haar gemaal gehoond en versmaad +werd en die, toen hij haar op den brandstapel wilde ter dood brengen, +met haar kind naar het woud vluchtte, waar zij onder Gods bescherming +veilig voortleefde, tot hare onschuld aan het licht werd gebracht. Ook +van Dido en Aeneas spraken zij, van Byblis, de koningsdochter, die haar +eigen broeder lief kreeg en hem vervolgde over de gansche wereld, tot +zij veranderd werd in een vogel, die immer rusteloos over de wateren +der aarde drijft. Over al deze gelieven spraken zij met elkander, maar +steeds was hunne slotsom deze, dat geen hunner de liefde gekend had, +zooals zij die kenden, en dat hunne eigen wederzijdsche genegenheid +schooner en inniger was dan twee menschen ooit voor elkander gevoeld +hadden. Dan scheen het hun, of de donkere rotsspelonk zich uitbreidde +tot eene zaal vol glanzend licht, waar de wanden behangen waren met +fonkelende edelgesteenten, waar geen geluid van buiten doordrong, +maar waar slechts de zoete stem der liefde gehoord werd; waar de +fontein van den hartstocht hare parelende wateren omhoog zond en waar +koude en ontbering plaats moesten maken voor koesterende warmte en +verzadigenden overvloed. + +Wie kent niet het tooverslot der liefde? De een bouwt het in de +stad, de ander op het land, want het is aan geen plaats gebonden. Te +beklagen zijn zij, die het niet kennen, zij hebben het schoonste in +het leven gemist! + +Maar van liefde alleen kan men helaas niet leven. Terwijl de harten van +Tristan en Isolde zich koesterden in warmen gloed, verstijfden hunne +lichamen in de barre koude en allengs zag onze held, hoe zijne geliefde +er bleek en lijdend begon uit te zien, terwijl Isolde hetzelfde bij +Tristan ontwaarde. + +Somtijds, wanneer Isolde vermoeid tegen hem aanleunde en hij zag, +hoe haar schoon gelaat mager en ingevallen was, ontwaakte voor een +oogenblik bij Tristan de gedachte, of hij zijne geliefde geen onrecht +aandeed, door haar aldus bloot te stellen aan een leven vol armoede en +ontbering, haar, die geboren en getogen was in weelde en overvloed. En +Isolde op hare beurt kon soms een gevoel van smart niet onderdrukken, +wanneer zij bedacht hoe Tristan om harentwil afstand had gedaan van +al den roem, die hem anders zoo rijkelijk ten deel zou zijn gevallen, +hoe hij door haar toedoen rondzwierf als een verstootene, hij, die +een der meest gevierde ridders van het land placht te zijn. + +Het voorjaar naderde, de beekjes ruischten met onstuimige vaart van +de heuvels omlaag, en in het bosch zongen de vogels in de groenende +takken der boomen. + +Toen gebeurde het, dat koning Mark zich gereed maakte om een grooten +tocht, die verscheidene dagen duren zou, te ondernemen naar het +woud van Morois. Weldra werd de stilte van het bosch verstoord door +vroolijke stemmen, onder de hooge boomen werden de tenten der ridders +opgeslagen en groote vuren zonden hunne rookwolken omhoog, tusschen +de groene struiken. + +Onze gelieven bemerkten niets van dit alles, want het woud van Morois +was verscheidene dagreizen diep en tot nog toe was hunne eenzaamheid +niet verstoord geworden. Eens op een dag was Tristan reeds vroeg op de +jacht getogen en kwam tegen den middag doodelijk vermoeid terug; hij +strekte zich uit in de schaduw der loofhut, legde zijn zwaard naast +zich neder en viel weldra in een diepen slaap. Isolde zag hem daar +liggen. Langen tijd beschouwde zij aandachtig zijn dierbaar gelaat +en als eene felle pijn doorschokte haar de gedachte, hoe men in hem, +zooals hij daar voor haar lag, nauwelijks meer den fieren edelman +zou herkennen, die aan het hof haars vaders was gekomen om hare hand +te vragen. Eene wijle bleef zij zoo in droef gepeins verzonken, toen +werd ook zij door de loome voorjaarslucht bevangen en weldra sliep +zij aan Tristan's zijde. + +Nu gebeurde het juist op dien dag, dat koning Mark bij de vervolging +van een hert zich verder dan gewoonlijk in het bosch gewaagd had en +zoo in de nabijheid der loofhut was gekomen. Uitgeput van vermoeienis +had hij eindelijk de jacht opgegeven en zich in de schaduw nedergezet, +daarbij had hij zijn jagermeester opgedragen, om hem een frisschen +dronk te halen uit het beekje, dat hij in de verte hoorde kabbelen. Dit +beekje nu was hetzelfde, waaraan Tristan en Isolde hunnen dorst +plachten te lesschen; toen de jachtmeester dus aan den oever van het +stroompje genaderd was, ontwaarde hij op eenigen afstand de loofhut +en daarvóór, slapend op den grond, de gestalten der beiden. Omzichtig +sloop hij door het struikgewas terug naar de plek, waar zijn meester +hem wachtte en deelde hem mede, wat hij gezien had. Toen ontwaakten +in het hart van den vorst opnieuw de oude wrok en haat tegen de beide +wezens, die hem het dierbaarst geweest waren op aarde en die hem zoo +jammerlijk bedrogen hadden. Al had hij in het afgeloopen jaar dikwijls +berouw gehad over zijne onverzoenlijke houding jegens hen en al had +hem meermalen de gedachte gekweld, hoe hij Isolde aan de melaatschen +had kunnen overleveren--thans kregen wraaklust en bitterheid opnieuw +de overhand in zijne ziel en met het ontbloot zwaard in de hand +begaf hij zich naar de hem aangewezen plaats. Inderdaad, daar lagen +zij, de beiden, die hem zooveel grievend leed hadden berokkend, +maar niet zooals hij ze zich had voorgesteld, dicht aaneengevlijd, +in elkanders armen--neen, zij sliepen als twee kinderen zij aan zij +met Tristan's zwaard tusschen hen in. Koning Mark werd onwillekeurig +getroffen door de verandering, die hij bij hen opmerkte; beiden waren +sterk vermagerd, hunne kleederen hingen hun als lompen aan het lijf, +maar om hunne lippen speelde een gelukkige glimlach en zij bleven +schoon door hunne jeugd en natuurlijke bevalligheid. De stormen in +'s konings hart bedaarden; een straal van hoop verlichtte opnieuw +zijn binnenste--zouden zij toch onschuldig zijn? + +Langzaam bukte hij zich voorover, nam behoedzaam Tristan's zwaard +van den grond en legde er het zijne voor in de plaats. Daarna ging +hij peinzend heen. + +Na eenigen tijd ontwaakte Tristan uit zijne sluimering en zijn zwaard +opnemend, bemerkte hij de verwisseling. Snel wekte hij Isolde. "Voort, +geliefde!" riep hij uit. "Terwijl wij sliepen is uw echtgenoot hier +geweest, zeker is hij heengegaan, om zijne dienaren te halen en ons +dan door hen te laten dooden. Laat ons vluchten, eer het te laat is!" + +Opnieuw begon toen voor hen het zwerversleven; verder en verder trokken +zij het bosch in, bij elk geritsel in de struiken schrikten zij op, +achter elken boom speurden zij verraad. Eindelijk meenden zij eene +veilige schuilplaats te hebben gevonden. Daar bouwde Tristan opnieuw +eene hut en terwijl Isolde zich, uitgeput van vermoeienis, terstond ter +ruste begaf, zat hij langen tijd voor den ingang, tuurde omhoog naar +den hemel, waar donkere wolken langs het luchtruim joegen en dacht na, +wat hem te doen stond. Gedurende de reis had hij met stijgenden angst +bemerkt, hoe Isolde ondanks inspanning van al hare krachten, niet meer +opgewassen bleek tegen de vermoeienissen van hun zwerversbestaan. Wel +had zij dit steeds voor hem verborgen trachten te houden, maar hij, +wiens blik door de liefde verscherpt was, had maar al te goed gezien, +hoe hare krachten gesloopt werden door de lange dagreizen en hoe zij +zich soms nauwelijks staande kon houden. + +Opnieuw scheen eene stem hem toe te fluisteren, dat hij verkeerd +deed met Isolde langer bloot te stellen aan een leven vol kommer en +ontbering. Hoe kon hij het aanzien dat zij, de koningin van een machtig +rijk, die gekleed placht te gaan in zijde en fluweel, op wier wenken +eene gansche hofhouding vloog, dat die vrouw thans een moeilijker en +zorgvoller bestaan voerde dan de minste harer hovelingen, dat zij +slapen moest op een bed van bladeren en hare voeten wondde aan de +scherpe steenen der boschpaden. Maar ook Isolde kon den slaap niet +vatten; zij zag, hoe Tristan in sombere houding zat te peinzen en +zij vergeleek hem opnieuw bij den Tristan van vroeger, den fieren +jongeling, wiens naam door alle ridders met eerbied werd genoemd, +die blijde liederen tokkelde op zijne harp en door zijne hoofsche +bevalligheid de harten der vrouwen voor zich wist te winnen. Mocht +zij langer van hem vergen, dat hij om harentwil afstand deed van alles +wat het hart van een man dierbaar was: roem en aanzien, krijgsmanseer +en vertrouwen? Daar trad Tristan de hut binnen, hij nam haar in zijne +armen en zeide met diep ontroerde stem: "Isolde! ik heb langen tijd +nagedacht over wat koning Mark gedaan heeft en ben tot de overtuiging +gekomen, dat hij geen kwade bedoelingen met ons had, toen hij zijn +zwaard tusschen ons neerlegde. Immers, wanneer hij zich had willen +wreken had hij ons gemakkelijk in den slaap kunnen dooden. Hij heeft +dit niet gedaan, dus is hij ons blijkbaar goed gezind. Moeten wij de +hand der verzoening, die hij ons reikt, niet aannemen? Wanneer ik u +weder veilig in uwe vroegere rechten hersteld weet, verlaat ik het +land, maar waar ik ook gaan moog', waarheen het lot mij ook zende, +mijn hart blijft steeds bij u en in gedachten zullen wij bij elkander +zijn." "Tristan's verlangen gaat uit naar daden van roem en eer", +zoo dacht Isolde, maar zij sprak slechts: "Het zij zoo, Heer! Zonder +u is mijn leven leeg en waardeloos, maar mijne gedachten zullen u +volgen op uwe reizen en wanneer de roem van uwe daden wijd en zijd +weerklinkt, zal mijn hart sneller kloppen van trots en vreugde." Zoo +verborgen deze beiden hunne innigste gevoelens en poogden slechts +elkander moed in te spreken voor de naderende scheiding. + +Den volgenden morgen begaven zij zich op weg naar de woning van een +vromen kluizenaar, die daar in de eenzaamheid van het woud leefde. Hem +vertrouwde Tristan de zorg over zijne geliefde toe, hij zelf begaf +zich naar Tintagel, waar hij een pijl, omwikkeld met een brief van +den volgenden inhoud, in de kamer van koning Mark schoot: "Sire! nog +éénmaal waag ik het een beroep te doen op uwe rechtvaardigheid. Zonder +eenig vertoon van rechtspraak hebt gij uwe gemalin, eene prinses van +den bloede, veroordeeld tot den brandstapel. Alsof dit niet genoeg +was, hebt gij haar op het laatste oogenblik overgeleverd aan een lot, +waarvan de gedachte alleen het menschelijk gemoed van ontzetting doet +rillen. Van dit lot heb ik met Gods hulp haar kunnen redden. Elke +poging om haar tot u terug te brengen hebt gij door uw ban en den +prijs, dien gij op onze hoofden zettet, verijdeld. Thans is een +jaar verstreken. Het teere gestel der koningin heeft zeer geleden +door de ontberingen, welke ik haar niet heb kunnen besparen. Zijn +er nog onder uw gevolg, die den lasterpraat over den goeden naam der +vorstin volhouden, zoo ben ik bereid, hun met het zwaard in de vuist +daarover te woord te staan. Ik bied u hierbij aan, koningin Isolde tot +u terug te brengen, mits gij uw koninklijk woord geeft, haar eene haar +passende ontvangst te bereiden. Ik zelve zal dan het land verlaten, +om mogelijke nieuwe beschuldigingen te voorkomen. Wanneer gij mijn +voorstel aanneemt, laat dan uw antwoord toekomen aan den kluizenaar in +het woud van Morois, weigert gij om Isolde als uwe wettige echtgenoote +te erkennen, dan blijft ons geen andere uitweg dan de dood, maar +wacht u in dat geval voor de wraak van koning Gumurun en de zijnen; +wanneer zij vernemen zullen, wat er is geschied!" + +Nog dienzelfden dag riep koning Mark zijne edelen bijeen, om hunnen +raad in te roepen. Hij las hun Tristan's boodschap voor en vroeg met +luider stem wie van hen bereid was, met Tristan te strijden over het +goed recht zijner beschuldiging, maar allen zwegen, ook Meriadoc, +die, de kracht van Tristan's arm kennend, zich niet met hem in het +gevecht wenschte te begeven. + +Met minachtenden blik zag koning Mark om zich heen. Waar bleven +nu de hooghartige woorden, waarmede de edelen hunne vorstin hadden +aangeklaagd? Verbitterd over zooveel lafhartigheid wendde hij zich +tot zijn kanselier, een eerwaardigen grijsaard en sprak tot hem: +"Vader, mijn hart is vervuld van onrust en twijfel, ik weet niet, +wat te doen. Wilt gij mij helpen en mij een uitweg toonen uit deze +bange onzekerheid?" Daarop antwoordde de grijze kanselier: "Mijn zoon, +ik ben een geestelijke en als zoodanig gehoorzaam aan de wetten en +voorschriften der Heilige Kerk. Wat God heeft samengebracht, zal de +mensch niet scheiden. Koningin Isolde is uwe wettige echtgenoote; +als zoodanig zult gij haar eeren en beschermen, hoe kondt gij haar +dan al dien tijd aan de zorg van een anderen man overlaten? Bovendien +ben ik overtuigd, dat zij onschuldig is. Wij beiden zijn oud en grijs, +maar Tristan en Isolde zijn kinderen, jong, dartel en onervaren. Het is +mijns inziens uw plicht om de koningin opnieuw de plaats toe te kennen, +die haar toekomt. Tristan echter zou ik, zooals hij zelf voorstelt, +voor eenigen tijd van het hof verwijderd houden, om allen argwaan +tegen te gaan." + +Dankbaar luisterde koning Mark naar de woorden van zijn trouwen dienaar +en ijlings zond hij naar de woning van den kluizenaar een boodschapper, +die Tristan verzoeken moest om de koningin op eene vastgestelde plaats +te brengen, waar haar gemaal haar op eervolle wijze zou ontvangen. + +De plek, die Mark voor de samenkomst had bestemd, was eene doorwaadbare +plaats in de rivier, die langs den zoom van het woud van Morois +vloeide. Daarheen begaven zich de beide gelieven op den aangewezen +tijd. Alvorens afscheid te nemen van zijne hooge gasten, was de +kluizenaar naar de naastbijgelegen stad gereden en had daar van zijne +moeizaam vergaarde spaarpenningen een stel kleederen voor de koningin +gekocht, waarin zij op passende wijze voor haren gemaal zou kunnen +verschijnen. Op een wit muildier gezeten, eveneens een geschenk van +den vromen vader, reed Isolde langzaam naar den oever der rivier, aan +hare zijde ging Tristan, nog steeds in lompen gekleed. Beiden zwegen, +het scheen of hunne kelen dichtgesnoerd waren van smart, hun harten +waren beklemd en als gedrukt door een zwaren last, zóó vreesden zij +de naderende scheiding. Ten laatste verbrak Isolde de stilte en sprak: +"Tristan, dierbare vriend, vóór wij scheiden heb ik eene laatste bede +aan u, die ge mij, hoop ik, niet zult weigeren. Wanneer ge mij straks +tot mijn echtgenoot voert, en gij verlaat dit land, blijf ik hier +geheel alleen achter. Wie zal zeggen, of de koning mij werkelijk goed +gezind is; of het hem ernst was, toen hij beloofde, mij opnieuw als +zijne gemalin te zullen eeren en beschermen? Wie zal mij helpen, indien +hij gedurende uwe afwezigheid booze plannen tegen mij smeedt? Daarom +smeek ik u, om u voorloopig schuil te houden in de nabijheid der stad, +mocht ik uwe hulp noodig hebben, dan behoef ik slechts Brangwaine +naar u toe te zenden en ge zijt bij mij. Indien de koning echter woord +houdt en mijne vrees dus ongegrond blijkt te zijn, zoo zou ik u willen +verzoeken, om nog éénmaal in den tuin van het paleis te komen voor +een laatst vaarwel, eer ik u voor altijd moet verliezen. Dit zal dan +de laatste verboden daad zijn, waartoe ons de liefde brengt." Tot in +het diepst van zijne ziel bedroefd beloofde Tristan de koningin aan +haar verzoek te voldoen en zwijgend vervolgden zij hun zwaren tocht. + +Aan den oever der rivier wachtte het volk van Tintagel met wuivende +banieren en wapperende vaandels zijne koningin op; in schitterende +kleedij stonden de hovelingen om hun koning geschaard. Daar naderden +de beide gestalten aan den anderen oever. Een luid gejuich steeg op +uit de menigte, toen het rijdier der koningin voet aan wal zette en zij +hunne geliefde meesteres opnieuw in hun midden zagen. Koning Mark trad +naar voren en nam de teugels van het muildier uit Tristan's handen +over, de laatste sprak daarop met luidklinkende stem, zoodat alle +aanwezigen het hooren konden: "Heer koning! ik breng u hier Isolde, +uwe echtgenoote, weder. Zij is de uwe, zooals zij dit altijd geweest +is. Vóór ik heenga, wend ik mij hier tot mijne vijanden onder uwe +baronnen en daag hen uit tot een eerlijken kamp, waarin zal worden +beslist, aan welke zijde meer onrecht is geschied." + +Niemand antwoordde hem. Toen vatte Dinas van Lidan, een trouw en +eerlijk ridder en een waar vriend van Tristan, moed; hij nam den +koning ter zijde en vermaande hem, om Tristan niet aldus te laten +vertrekken en daardoor een der beste en edelste ridders van zijn hof +te verliezen. Maar de overige ridders, die Tristan vijandig gezind +waren, spoorden den koning aan, om in zijn heengaan te berusten, +waar dit hem den vrede aan zijn hof zou verzekeren. + +Met een enkelen handdruk scheidden de gelieven, Tristan wendde zich +om en wilde heengaan; toen eerst sprak koning Mark tot hem: "Ik kan u +niet aldus in lompen zien vertrekken. Zoo ge wilt, ga dan naar mijne +schatkamer en neem daaruit, zooveel gij voor uwen tocht denkt noodig +te hebben!" Tristan echter wierp het hoofd in den nek en antwoordde +trotsch: "Geen penning, Heer, zou ik van u willen aannemen. Ik hoop +mij in den vreemde loon genoeg te kunnen verwerven!" Daarop ging hij +heen en Isolde volgde hem met hare blikken. + +Eenigen tijd scheen het of de rust en vrede aan het hof waren +teruggekeerd. De koning was opgewekter dan hij in lang geweest was en +de verraders: Meriadoc, Melot en hunne handlangers verheugden zich +over de wijze, waarop zij Tristan uit den weg hadden geruimd. Toen +gebeurde het, dat Meriadoc zelve liefde opvatte voor zijne schoone +vorstin en hoopte wederkeerig door haar bemind te zullen worden. Isolde +echter behandelde hem met koele minachting en zag hem nauwelijks aan, +wanneer hij het woord tot haar richtte. Al hare gedachten, al hare +verlangens waren bij Tristan, hoe zou zij dan een blik over hebben +voor dezen lafaard, die, zooals zij heel goed wist, haar en haren +geliefde verraden had. + + + +_Hoe Meriadoc den koning trachtte over te halen om Isolde de vuurproef +te doen ondergaan._ Langzamerhand begon het in de ziel van Meriadoc +te koken van woede en hartstocht, hij zon op een middel om zich te +wreken en toen hij meende dit gevonden te hebben, sprak hij gedurende +een jachtrit tot koning Mark: "Sire, wij allen weten thans, dat de +koningin rein en onschuldig is, het volk echter mort en klaagt en +roept om bewijzen. Zooals gij vroeger Tristan en Isolde zonder eenige +rechtspraak tot den vuurdood hebt veroordeeld, zoo hebt gij uwe gemalin +eveneens zonder rechtspraak wederom in uwe gunsten aangenomen. Het volk +meent, dat gij de wetten des lands door zoo te handelen met voeten +treedt. Wat doet nu een man, wiens vrouw ten onrechte van trouwbreuk +beschuldigd wordt? Hij laat haar door de vuurproef in het aangezicht +van alle menschen hare onschuld bewijzen. Handel gij eveneens zoo en +het volk zal tevreden zijn." + +Koning Mark barstte bij het hooren van deze woorden uit in +een stortvloed van verwenschingen tegen den spreker, die hem +zijne rust niet gunde en hem steeds weer met nieuwe verwijten +overstelpte. Meriadoc en zijne vrienden lieten echter niet af en +dreigden het hof te zullen verlaten, indien hij bleef weigeren aan +hun verzoek te voldoen. + +In toornige stemming keerde de vorst huiswaarts. Isolde, die terstond +vreesde, dat zijne ontstemming in verband stond met Tristan, wiens +schuilplaats wellicht ontdekt was, rustte niet, vóór zij den waren +grond van zijn toorn ontdekt had. Verruimd haalde zij adem, toen zij +den eisch der baronnen hoorde; nog was Tristan dus veilig en wellicht +bood zich hier eene gelegenheid om alle verdenking voorgoed uit den +weg te ruimen. + +Daarom sprak zij: "Heer! ditmaal beschuldigt gij uwe edelen ten +onrechte. Zij hebben gelijk; dit is de eenige wijze, waarop ik mij +in de oogen van het volk van alle blaam zal kunnen zuiveren. Daarom +ben ik bereid, de vuurproef te ondergaan, echter niet alleen in +tegenwoordigheid uwer baronnen, die toch niet zouden ophouden mij +te belasteren! Neen, ik verzoek u dringend, een bode te zenden naar +koning Arthur van Engeland en hem uit te noodigen met zijn geheele +gevolg bij het komende godsgericht tegenwoordig te zijn. Hij zelve +zal dan mijn getuige zijn!" + +Aanvankelijk wilde de koning niets van haar plan hooren, maar Isolde +bleef aandringen en eindelijk besloot hij aan haren wensch gehoor +te geven. Aan den oever der rivier die de rijken van Cornwallis en +Engeland scheidde, zou men samenkomen om van het plechtig Godsgericht +getuige te zijn. Toen men tijd en plaats bepaald had, zond de koningin +hare dienares naar Tristan en verzocht hem, zich, als pelgrim vermomd, +daarheen te begeven en hare komst af te wachten, daar zij meende +zijne hulp noodig te zullen hebben. + +Op den dag, die voor de vuurproef was vastgesteld, kwamen koning Mark +en koningin Isolde met hunne gansche hofhouding naar den oever der +grensrivier. Aan de overzijde wachtte koning Arthur hen reeds op, +omgeven door zijne ridderschap. Aan beide zijden was aan de oevers +eene dichte menigte samengestroomd, die in spanning de komende +gebeurtenissen afwachtte. Aan den rand van het water zat Tristan, +gekleed in een wijden pelgrimsmantel; hij hield den voorbijgangers +zijn houten geldbakje voor en smeekte hun op klagelijken toon om +eene aalmoes. Daar naderde de boot, die de koningin over den stroom +moest brengen. Langs den oever was het water zeer ondiep, waardoor het +vaartuig niet geheel aan land kon komen en de inzittenden moesten over +den modderigen rivieroever den vasten bodem bereiken. Isolde stond +op de voorplecht van het schip en zag hoe men toebereidselen begon +te maken om te landen. Daarop riep zij uit: "Zeg mij, edele heeren, +hoe ik den oever zal bereiken zonder mijne kleederen te bevuilen op +den modderigen waterkant. Ik wil niet, dat een man van ridderlijken +stam mij aanraakt alvorens ik de vuurproef heb doorstaan, maar ziet, +ginds zit een vrome pelgrim aan den rand van het water, die kan mij +veilig aan wal dragen." + +Met gebiedende stem riepen de ridders den pelgrim naderbij, deze nam +Isolde vast in zijne armen en waadde met haar door den stroom. Terwijl +hij haar zoo voortdroeg, fluisterde zij: "Liefste, wanneer wij op +den oever zijn gekomen, laat u dan met mij in uwe armen in het zand +vallen." Tristan deed, wat hem geboden was: zoodra hij voet aan wal +gezet had, struikelde hij en viel op den grond, de koningin steeds +omvat houdend. + +Met stokken en speren snelden de ridders en dienaren naderbij, om +den onhandige te straffen, maar vóór zij Tristan konden bereiken, was +de koningin overeind gesprongen en sprak vriendelijk: "Laat hem met +vrede. Hij is moede en uitgeput van zijn langen pelgrimstocht." Daarop +reikte zij den pelgrim een gouden gesp, dien zij loshaakte van haar +kleed en begaf zich naar de plek, waar koning Arthur hen wachtte. + +Vóór de vorstelijke tent stonden op eene houten tafel de heilige +reliquieën uitgestald, die door de ridders eerbiedig werden +bewaakt. Op eenigen afstand was een groot vuur aangelegd, waarin enkele +roodgloeiende bouten staken. Daar omheen hadden zich de geestelijken +geschaard, die geheel verdiept waren in het prevelen hunner gebeden. + +Isolde begaf zich naar de voor haar ingerichte tent en ontdeed zich +van hare kostbare bovenkleederen. Zij nam zich de gouden kroon van +het hoofd, legde hare sieraden af en hulde zich in een wijd boetekleed. + +Zoo trad zij voor hare rechters. In ademlooze stilte zag het volk +toe, hoe zij zich naar de plek begaf, waar de beide vorsten naast +elkander hadden plaats genomen, waarop zij de volgende woorden +sprak: "Sire, mijn echtgenoot, en gij, Sire, die heer zijt over het +machtige Engeland, ik verschijn hier voor u beiden, in het kleed eener +boetelinge, om mijne onschuld te bewijzen, ten aanzien van allen, die +hier tegenwoordig zijn. Daarbij zweer ik, dat geen man ter wereld ooit +aan mijne zijde gelegen heeft, noch mij in zijne armen heeft gehouden +dan gij, mijn echtgenoot, en"--hier gleed een schalksche glimlach +over haar gelaat--"de vrome pelgrim, die mij zooeven aan land gedragen +heeft. Deze woorden ben ik bereid om door de vuurproef waar te maken." + +Daarop ging Isolde met vaste schreden, doch met angstig kloppend +hart, naar het vuur, greep den gloeienden ijzeren bout, die er in +stak, met beide handen vast en droeg dien tot vóór den zetel des +konings. Daar gekomen liet zij hem op den grond vallen, en stak hare +beide handen omhoog, de palmen naar de beide vorsten gericht. Een +kreet van verlichting steeg op uit de menigte, Isolde's handen waren +blank en ongedeerd. + +Plechtig daalde koning Mark van zijn hoogen zetel af en kuste zijne +gemalin op beide wangen. Het bewijs harer onschuld was nu geleverd +en niemand zou het meer wagen, een vinger tegen haar op te heffen. + +Onder luid vreugdebetoon trok het volk huiswaarts en ook de beide +vorsten namen afscheid van elkander, waarbij koning Arthur Isolde +verzekerde van zijn steun, indien zij dien ooit noodig mocht hebben. + +In gelukkige stemming reisde koning Mark terug naar zijn paleis, de +laatste schaduw van twijfel was uit zijn hart verdwenen en hij bouwde +zich de schoonste luchtkasteelen van zijn toekomstig samenleven met +zijne jonge vrouw. + +Helaas! ze zouden weldra in rook verdaan + +Toen Isolde in het slot te Tintagel was teruggekeerd, zond zij terstond +Brangwaine met eene boodschap naar Tristan om hem uit te noodigen +tot een laatste samenzijn, alvorens hij het land zou verlaten.--De +tuinen om het paleis lagen te stoven in zomersche hitte, toen de beide +gelieven zich naar de afgesproken plek begaven. Geen windje beroerde +het dichte loof der boomen, de zon schoot hare verzengende stralen +neer op bloemen en struiken; mensch en dier zochten tevergeefs naar +eene koele plek om de brandende hitte voor eene wijle te ontvluchten. + +Brangwaine had de wacht betrokken voor den ingang van den boomgaard, +waar Tristan en Isolde hun laatste, bitter-zoete samenzijn +genoten. Alle inwoners van het slot hadden zich in de koele zalen +teruggetrokken, niemand dreigde dus hen te storen. Nog éénmaal hield +Tristan Isolde in zijne armen, nog éénmaal spraken zij over hunne +liefde en de pijn en zaligheid, welke deze hun gebracht had, daarop +stak de koningin Tristan eenen ring aan den vinger, waarmede hij +haar, waar hij zich ook bevond, tot zich kon roepen, indien hij hare +tegenwoordigheid om de een of andere reden dringend vereischte. In +ruil voor dit geschenk vroeg zij Tristan, haar zijnen hond Husdan +af te staan, aan welk verzoek hij gaarne voldeed. Zoo spraken zij +over het naderend afscheid en zwoeren elkander onwankelbare trouw, +tot zij eindelijk, uitgeput door de groote hitte en de aandoeningen, +welke zij doorstaan hadden, in elkanders armen in slaap vielen. + +Eenigen tijd nadien begaf koning Mark, die ongerust begon te worden +over het lang uitblijven der koningin, zich in den tuin om Isolde te +zoeken. Een dienaar, dien hij daar ontmoette, verwees hem naar den +boomgaard, waar hij meende de koningin te hebben zien binnengaan. De +koning wendde zijne schreden daarheen, ging de doodelijk verschrikte +Brangwaine met een vriendelijken groet voorbij en trad den boomgaard +binnen, weinig vermoedend, welk een vreeselijke aanblik hem daar +wachtte. + +Zoo gebeurde het, dat, juist toen koning Mark volle zekerheid +meende te hebben verkregen omtrent de onschuld zijner gemalin, +juist toen Tristan en Isolde elkander voor eeuwig vaarwel hadden +gezegd, de beide gelieven werden ontdekt. Bij eene kronkeling in +het pad ontdekte koning Mark hunne gestalten, rustend in het gras +onder de groene vruchtboomen. In enge omarming hielden zij elkander +omstrengeld, hunne hoofden waren dicht te zamen gevlijd en hunne +monden waren vereenigd in een kus. Mark streek zich verward over +het voorhoofd. Droomde of waakte hij? Waren dit inderdaad Isolde, +zijne geliefde gemalin, en Tristan, zijn neef, die hem dierbaarder was +dan zijn eigen zoon? Was het dus toch waar, wat de baronnen over hen +gezegd hadden? Vol afgrijzen, met de handen in wanhoop omhoog geheven, +ijlde de koning terug naar zijn paleis om getuigen te halen bij dit +ontzettend schouwspel. Het geluid zijner wegsnellende voetstappen +deed Tristan ontwaken, nog juist zag hij de gedaante des konings om +den hoek van het pad verdwijnen. In een oogwenk was hij overeind en +wekte Isolde. "Vlug, liefste, wij zijn ontdekt! Uw echtgenoot is hier +geweest en is nu heengegaan om getuigen te halen. Vóór hij terugkomt, +moet ik verdwenen zijn!" Nog ééne omarming, een laatste stamelen van +den geliefden naam en Tristan verdween tusschen de boomen. + +Toen de koning spoedig daarop in den boomgaard trad, gevolgd door +eene schaar van edelen en baronnen, lag Isolde in slapende houding +in het gras. Het hoofd met de golvende blonde haren rustte op haren +arm en zij ademde kalm en rustig als een kind. Weinig vermoedden zij, +die haar zoo zagen liggen, dat stormen van hartstocht en verlangen +door haar hart joegen en dat hare ziel tot stervens toe bedroefd was. + +Sprakeloos van verbazing zag koning Mark neer op het liefelijk beeld +der slapende. Was het dan slechts een droom geweest, het vreeselijk +visioen, dat in vlammende lijnen in zijn brein gegrift stond? De +baronnen konden een glimlach niet onderdrukken, toen zij den verbaasd +ontstelden blik des konings ontmoetten en Dinas van Lidan riep uit: +"Het is slechts een gevolg van uw overspannen geestestoestand geweest, +Sire, die u schimmen voor den geest toovert en ze u voor werkelijkheid +doet aanzien. Wij allen weten immers, dat Tristan na den terugkeer +der koningin het land heeft verlaten. Wij allen weten ook, dat uwe +gemalin rein en onschuldig is, wilt gij dan nog sterker bewijs dan +dat van de onlangs doorstane vuurproef? Bedwing toch uw wantrouwen, +Sire, het voert u op dwaalwegen en doet uwe wijsheid geen eer aan!" + +Beschaamd hoorde de koning deze woorden aan en wendde zich af, +overtuigd, dat Heer Dinas inderdaad waarheid had gesproken. + + + +_Hoe Tristan rondzwierf in vreemde landen en hoe hij tevergeefs +trachtte om zijne geliefde te vergeten._ Tristan reisde over de zee +en kwam in het land van een jongen hertog, Gilain genaamd, wien +hij zijne diensten aanbood. Weldra maakte hij zich beroemd door +zijne daden van dapperheid en hertog Gilain kreeg hem lief als een +broeder. Tevergeefs beproefde Gilain de somberheid, die op het gelaat +van zijn vriend zetelde, door scherts en lach te verdrijven, steeds +bleef Tristan neerslachtig en terneergedrukt. Hij begaf zich temidden +van het volle, woelige leven, om die ééne stem in zijn binnenste +tot zwijgen te brengen, de lokkende stem van Isolde van Ierland, +maar het gelukte hem niet. Nu had hertog Gilain eenigen tijd tevoren +een wonderbaar geschenk ontvangen van eene fee uit het eiland Thule, +die hem reeds lang in stilte beminde. Het was een tooverhondje, +Petitcrû genaamd. Het diertje was vervaardigd uit verschillende +soorten van edelgesteenten en om den hals droeg het een band, waar +zilveren klokjes aan bengelden. Wie nu die klokjes liet luiden, +vergat als door een tooverslag al het leed, dat hem ooit wedervaren +was, en zijne ziel werd licht als die van een kind. + +Eens op een dag kwam Gilain tot Tristan en gaf hem het hondje met +de woorden: "Neem gij dit kleinood van mij aan, dat mij liever is +dan iets ter wereld. Ik ben jong en heb geen toovermiddel noodig, +om vroolijk te zijn. Gij echter, die de smarten des levens hebt +leeren kennen, kunt door de toovermacht, die er aan verbonden is, +uwe zorgen vergeten en blij en vroolijk worden als weleer." + +Diep getroffen dankte Tristan zijn gastheer voor diens waardevol +geschenk en voegde er aan toe: "Niet voor mij goede vriend, maar voor +eene edele koningin, die onder zwaar leed gebukt gaat, neem ik het +dankbaar van u aan!" + +Daarna zond hij Gouvernail met het hondje naar Isolde om het haar uit +zijn naam aan te bieden. Na veel moeite slaagde de trouwe dienaar erin, +het de koningin in handen te geven, en van dit oogenblik af keerden de +glans in Isolde's oogen en de blos op hare wangen terug. Zij liet een +kostbaar kastje van blank ivoor vervaardigen, waarin zij het hondje +steeds met zich droeg. Telkens weer liet zij de zilveren schelletjes +klinken en wanneer zij zich dan zoo vroolijk en opgeruimd gevoelde +als zij in langen tijd niet geweest was, schreef ze dit toe aan het +feit, dat zij bij het hooren ervan aan Tristan dacht, die het haar +gegeven had. + +Maar allengs bemerkte zij, dat het beeld van haren geliefde voor haren +geest steeds flauwer en flauwer werd en dat zij zich, bij het luisteren +naar de klokjes, zijne trekken nauwelijks meer voor oogen wist te +halen. Toen begreep zij, dat zij hare terugkeerende opgewektheid aan +eene betoovering dankte, die van het geschenk scheen uit te gaan. + +Dadelijk was haar besluit genomen. Nooit zou het hart van Tristan +tevergeefs het hare zoeken; liever wilde zij den lijdensbeker, dien +zij aan de lippen gezet had, tot den bodem ledigen. Zij maakte den +band, die om den hals van het hondje was gebonden los, en wierp de +zilveren klokjes uit het open venster in zee. De bittere droefheid, +die daarna opnieuw haar hart binnensloop, was haar liever dan de +zorgelooze blijheid der laatste weken, die haar van haren geliefde +had pogen te vervreemden. + + + +Tristan zwierf intusschen in den vreemde rond en poogde tevergeefs +in het dichtst van het krijgsgewoel vergetelheid te vinden voor de +liefdesmart, die hem het leven tot een last maakte. Wijde landstreken +en breede stroomen, bergen en dalen plaatste hij tusschen zijne +geliefde en zichzelf, maar alles tevergeefs; zijne ziel bleef +in kluisters gebonden voor de poorten van Tintagel. Wel verwierf +hij zich roem en eer, wel huldigde men hem om zijne dapperheid en +krijgsmansgaven, maar dit alles had geene waarde voor hem en hij +bleef steeds somber en terneergedrukt. + +Na maandenlange omzwervingen kwam hij in het rijk van den ouden +graaf van Bretagne, wiens eigendommen bedreigd werden door een +zijner vazallen, Heer Riol. Daar Tristan het zich steeds tot taak +stelde om de verdrukten te helpen en te strijden voor het recht, +besloot hij den hertog te hulp te komen. Deze was door den vijand +teruggedrongen in eene zijner laatste versterkingen, een machtigen +burcht aan de rotsige kust van Bretagne. Door het nachtelijk duister +beschermd slaagden Tristan en Gouvernail erin, zich toegang tot het +slot te verschaffen, na de wachters overtuigd te hebben van hunne +vriendschappelijke bedoelingen. Met luid gejubel werden zij door den +ouden graaf en zijn zoon Kaherdin begroet; de naam van Tristan was hun +goed bekend en waarborgde hun een machtigen steun. De jonge Kaherdin, +die terstond eene groote vereering voor den beroemden gast opvatte, +nam hem met zich mede en leidde hem rond door het gansche kasteel. Zoo +kwamen zij ook in het vrouwenvertrek, waar Kaherdin's moeder en zuster +bezig waren met op een vergulden achtergrond bontgekleurde vogels en +bloemen te borduren. + +Vol trots maakte Kaherdin zijn gast op het fijne naaldwerk +opmerkzaam. "Wat dunkt u van dit fraaie stiksel?" sprak hij tot +Tristan, "is het niet fijn en kunstvol? Toch bevallen mij nog beter +de figuren, die mijne zuster met hare slanke vingeren op het doek +weet te tooveren. Zeg mij, edele Heer, heb ik geen gelijk wanneer ik +haar Isolde met de Blanke Handen noem?" + +Een hevige schok doortrilde onzen held, toen hij zoo plotseling den +geliefden naam hoorde noemen en met een langen, doordringenden blik +zag hij het jonge meisje aan, die zoo heette. Voorwaar, als iemand het +waard was, dien dierbaren naam te dragen, dan was zij het, die hier +voor hem zat en onder zijn blik bedeesd de oogen neersloeg. Zij was +fijn en tenger van gestalte, de jonge gravin; onder hare donkere haren +zagen hare oogen met eene uitdrukking van rein en kinderlijk vertrouwen +de wereld in en om haar mond speelde een zachte glimlach. Men kon het +haar aanzien, dat zij tot dusverre bewaard was gebleven voor hevige +aandoeningen van smart en vreugde en dat de stormen des levens hare +jeugdige ziel tot heden onberoerd hadden gelaten. + +Weldra gevoelde Tristan zich geheel thuis in het gezin van den +graaf. Aan het hoofd der dappere bezetting waagde hij menigen +goedgeslaagden uitval in het kamp van Heer Riol en deed vele van diens +krijgsknechten sneuvelen. Tusschen hem en Kaherdin was eene hechte +vriendschap ontstaan, die door de gezamenlijk volbrachte wapenfeiten +tot een steeds inniger band aangroeide. + +Wanneer zijne krijgsmansplichten hem niet opvorderden, bracht Tristan +meerendeels zijn tijd door in het vrouwenvertrek. Uren lang kon hij +peinzend toezien, hoe Isolde's blanke handen over het borduurraam heen +en weer bewogen. Ook nam hij dikwijls zijne harp ter hand om haar een +lied voor te zingen, dan bleven de vingeren der jonge gravin rusten +in haren schoot en hingen hare oogen aan de lippen van den vreemden +ridder, die zulke wonderschoone wijzen wist te zingen. Dikwijls werd +in die liederen de naam Isolde genoemd en dan kwam er een plotselinge +glans in de oogen van den zanger, die zijne toehoordster verlegen +maakte en haar haastig naar de naald deed grijpen, om haar blozend +gelaat aan zijne blikken te onttrekken. Zij, die haar liefhadden, +hare ouders en Kaherdin, verheugden zich over deze teekenen van een +inniger verstandhouding tusschen Isolde en den edelen gast. Wien zouden +zij liever hunne dochter en zuster toevertrouwen dan aan Tristan, +den dappersten en hoffelijksten aller ridders! En onze held zelf? + +Wanneer hij in stille achtermiddagen, als het strijdgedruisch om de +muren van den burcht eene wijle verstomd was, aan de zijde van het +jonge meisje zat en zwijgend toezag, hoe hare blanke handen speelden +tusschen de zijden draden van haar werk, beving hem een gevoel van +welbehagen, van innige rust en kalmte, en ging het hem als een zeeman, +die na langen strijd tegen de woelige baren zijn vaartuig eindelijk +in eene veilige haven voelt binnenloopen. Dit jonge meisje, dat zoo +weinig vroeg, dat hem steeds vriendelijk en met zachte toegevendheid +tegemoetkwam, bekoorde hem, zooals de onschuld van een kind den man +bekoort, die het leven met al zijn schijn en leugen heeft leeren +haten. Wanneer Isolde hem dan aanzag met haren reinen, teederen blik, +die zoo duidelijk verried, wat er in hare ziel omging, doemde voor +een oogenblik bij Tristan de gedachte op aan een mogelijk huwelijk met +haar, waarin een kalm en rustig geluk zijn deel zou worden. Maar--dan +werden steeds met volle kracht de oude herinneringen in hem wakker en +met verontwaardiging verwierp hij eene dergelijke gedachte weer. Wat, +zou hij ontrouw worden aan zijne geliefde, die hij gezworen had, +voor eeuwig te zullen beminnen? Voor zijn geestesoog vergeleek hij +de beide Isoldes. Hoe zonk het jonge meisje ondanks al hare slanke +gratie in het niet bij de koninklijke gestalte van Isolde van Ierland, +hoe weinig wist dit schuchtere kind van de liefde tusschen man en +vrouw, van de hoogten van hartstocht en de diepe valleien van zoeten +weemoed, waarlangs zijne geliefde en hij te zamen gegaan waren. Hoe +kon hij, die het geluk eens in de opperste volmaking gekend had, zich +tevreden stellen met wat daarvan slechts een poovere weerschijn kon +zijn? Wanneer dergelijke gedachten zijn brein doorkruisten, placht +hij het gezelschap der jonge gravin te vermijden; uren lang liep hij +dan rond op de wallen en in de tuinen van den burcht en niemand waagde +het in die oogenblikken hem te storen, zóó somber lichtten zijne oogen! + +Toch keerde hij dan na eenige dagen weer bij Isolde terug, die hem +steeds met onverholen blijdschap placht te begroeten. Als balsem +vielen hare vriendelijke woorden in zijne gewonde ziel en spraken +tot hem van berusting in het onvermijdelijke en van hoop op eene +nieuwe toekomst. In die stemming placht hij zijne gedachten aan +een mogelijk geluk te verontschuldigen door zich wijs te maken, dat +Isolde van Ierland hem misschien reeds lang vergeten had, dat zij in +zijne afwezigheid zich had laten troosten door haren echtgenoot en +dat de zilveren klokjes van Petitcrû hare smart in blijdschap hadden +doen verkeeren. + +De strijd om het kasteel werd met wisselend succes gevoerd, tot +eindelijk Heer Riol, wien het langdurig beleg begon te mishagen, eene +laatste kans besloot te wagen om den burcht te veroveren. In alle +stilte beraamde hij een nachtelijken aanval, die van alle zijden +tegelijk moest worden uitgevoerd, maar de belegerden ontdekten +nog tijdig zijnen toeleg en besloten hem vóór te zijn. In twee +afdeelingen, onder aanvoering van Tristan en Kaherdin, stormde de +wakkere bezetting de poorten van het slot uit, terwijl zij door luid +krijgsgeschreeuw bij den vijand den indruk trachtten te vestigen, +dat zij in aantal aanmerkelijk sterker waren, dan inderdaad het +geval was. In eene niet te stremmen vaart leidden de beide vrienden +hunne volgelingen tot midden in de vijandelijke legerplaats. Wel +werden zij van alle kanten met pijlen en lansen bestookt, maar als +dooreen wonder bleven de beide aanvoerders gespaard. Met den kreet +van "Tristan! Kaherdin!" volgden de getrouwen van den graaf en bij +het hooren van Tristan's naam verspreidden zich schrik en ontzetting +onder de vijandelijke gelederen. Toen onze held kort daarop met zijn +zwaard Heer Riol doodde, was het gedaan met het uithoudingsvermogen +van de huurtroepen des hertogen. In wilde wanorde sloegen zij op de +vlucht, het geheele kamp en het lijk van hun meester in de handen +hunner vijanden latend. + +Groot was de vreugde in het slot over de wonderbaarlijke bevrijding en +in rumoerige feestgelagen huldigde men Tristan als den redder uit den +nood. Dien avond nam Kaherdin zijn vader ter zijde en sprak tot hem: +"Vader, wat zou, dunkt u, eene passende belooning zijn voor al wat +Tristan voor ons gedaan heeft? Zonder hem zouden wij zeker in handen +onzer vijanden zijn gevallen. Is het dan niet zaak, hem door eene +kostbare gift aan ons huis en ons land te binden, zoodat wij ook in +de toekomst op zijn sterken arm zullen mogen rekenen? Gij weet, welke +de kostbare gift is, die ik bedoel, ook gij hebt u verheugd in de +groeiende genegenheid tusschen Isolde en onzen gast. Aan wien zouden +wij haar beter kunnen afstaan dan aan Tristan?" "Gij hebt gelijk, +mijn zoon!" antwoordde de grijze graaf, "nog hedenavond zal ik met +Tristan spreken en indien onze vermoedens waar blijken te zijn, zal +niets mij gelukkiger maken dan mijne dochter aan de zijde van dien +edelen man te zien." + +Hij hield woord. Nog dienzelfden avond bood hij Tristan in +tegenwoordigheid van zijn geheele gevolg in plechtige bewoordingen +de hand zijner dochter aan. + +Schuchter en blozend zat Isolde aan de zijde harer moeder; toen haar +vader opgehouden had met spreken en alle aanwezigen in gespannen +verwachting het antwoord van Tristan verbeidden, hield zij hare oogen +neergeslagen en drukte de hand tegen haar hart om het angstig kloppen +tegen te gaan. Tristan zag onwillekeurig hare richting uit en terstond, +als voelde zij zijn blik op zich rusten, sloeg zij de oogen op en zag +hem aan. In dien blik las Tristan zóóveel liefde en aanhankelijkheid, +zóóveel hoop op de toekomst en bovenal zóóveel roerend vertrouwen +in het antwoord, dat hij geven zou, dat hij daaraan geen weerstand +kon bieden. Hij trad op Isolde toe, nam haar bij de hand en voerde +haar naar haren vader, wien hij met ontroerde stem om zijnen zegen +smeekte. Terwijl hij dit deed, scheen het of eene weldadige kalmte +zich over zijn gansche wezen verspreidde, die de stormen in zijn +gemoed deed bedaren en hem vertrouwen schonk op de toekomst. + +In wijdsche praal en luister werden de bruiloftsfeesten gevierd en ten +slotte was het oogenblik gekomen, waarop men de jonggehuwden in het +bruidsvertrek alleen liet. Toen Tristan zich ontdeed van zijn zijden +overkleed, bleef de ring, dien Isolde van Ierland hem tot afscheid +geboden had, toevallig haken en gleed van zijn vinger. Rinkelend viel +het sieraad op den vloer van het vertrek. + +Haastig bukkend raapte hij den ring op en stak hem weer aan zijne +hand. Peinzend bleef zijn oog hangen aan den fonkelenden steen, +die een blauw-groenen glans afwierp. Blauw de kleur der trouw, +die ondanks scheiding en gemis het hart warm doet kloppen voor de +afwezige geliefde; groen de tint der hope, die de ziel doet uitzien +naar een wederzien in de toekomst, waarin het leed om de gedwongen +scheiding vergoeding zal vinden. Hoe had hij, Tristan, die gevoelens +van trouw en hoop verzaakt! Daar stond hij nu naast zijne schoone, +jonge vrouw, gereed een nieuw leven te beginnen en daar ginds in het +slot van Tintagel, waakte zijne geliefde en bad tot God, dat Hij hem +zou behoeden voor gevaren en hem tot steun zou zijn op zijn eenzamen +levensweg. Weinig vermoedde zij, dat die weg niet langer eenzaam +was en dat eene andere haar plaats in zijn hart had ingenomen. Een +stroom van herinneringen brak zich baan in Tristan's hart en vóór +alles verrees in scherpe lijnen voor zijn geestesoog het beeld van +zijn laatste samenzijn met Isolde van Ierland in den paleistuin te +Tintagel, toen zij hem den ring had geschonken. Hij doorleefde weer +die oogenblikken van hoogste zaligheid; hij zag weer het dierbare +gelaat zijner geliefde, bleek van sidderenden hartstocht, hij hoorde +hare stem die hem eeuwige trouw beloofde. + +Daar riep eene stem aan zijn oor hem tot de werkelijkheid +terug. "Tristan, geliefde, wat deert u?" zoo klonk het zacht en vóór +hem stond zijne jonge vrouw. Als vertwijfeld zag Tristan om zich heen +in het rijk versierde vertrek. Hoe kon hij haar tot de zijne maken, +terwijl zijn hart en ziel vervuld waren van het beeld eener andere: +Isolde met de Blonde Haren, Isolde van Ierland! Was het geen verraad, +dat hij pleegde, verraad aan zijne bruid, aan zijne geliefde en aan +zichzelf? Hij kon, hij mocht niet verder gaan met dit afschuwelijk +spel. + +Met zachte hand voerde hij Isolde naar eene rustbank, deed haar plaats +nemen en knielde voor haar neer; daarop sprak hij: "Isolde, mij drukt +een zwaar gevoel van schuld, nu mij eene bekentenis van 't hart moet, +die ik reeds vroeger had moeten afleggen. Jaren lang werd ik gekweld +door eene vreeselijke kwaal, waarvoor een wijs heelmeester mij ten +slotte genezing beloofde. Onder de voorschriften, welke hij mij +oplegde, behoorde ook de verplichting, om, indien ik trouwde, eerst +een jaar na mijn huwelijk mijne bruid tot mijne vrouw te maken. Zeg +mij, kunt ge mij mijn stilzwijgen vergeven en wilt gij mij helpen om +den raad, welke mij gegeven werd, op te volgen?" + +Isolde boog het donkere hoofd; het licht in hare oogen en de blos +op hare wangen waren verdwenen, maar zij zeide zacht: "Heer! het +geschiede alles volgens uwen wensch." + +Den volgenden morgen kwamen hare moeder en hare dienaressen en +tooiden haar met de kleederen en sieraden, die pasten aan hare nieuwe +waardigheid. Toen zij geheel gereed was, voerden zij haar voor den +spiegel, om haar te toonen hoe schoon zij was, maar niemand harer +begreep, waarom er, bij het aanschouwen van haar spiegelbeeld, zulk +eene droeve glimlach gleed over het gelaat der jonge vrouw. + + + +De maanden verliepen en Tristan's verlangen naar Isolde van Ierland +werd sterker en sterker. Ten slotte besloot hij eene laatste kans +te wagen, om zekerheid te verkrijgen omtrent het welzijn zijner +geliefde. Tot zijne vrouw zeide hij, een pelgrimstocht te willen +ondernemen, die voor eenigen tijd zijne afwezigheid noodzakelijk zou +maken. Na het noodige geregeld te hebben, scheepte hij zich in en +na eene voorspoedige reis zag hij weldra de rotsen van Tintagel uit +de zee omhoog rijzen. Hoe klopte zijn hart bij de gedachte, dat daar +ginds, in het oude slot, dat zich hoog boven de huizen der stad op de +rotsen verhief, zijne geliefde woonde en misschien op dit oogenblik +op hem neerzag! Maar hoe haar nu te bereiken? + +Tristan dwaalde langs de kust tot hij bij de woning van een armen +visscher kwam, van wien hij een oud stel kleederen kocht. Daarop +schoor hij zijne haren af, bestreek zijn gelaat met een bijtend sap, +schilderde zijne wenkbrauwen zwart en zijne lippen rood en toen +hij zich ten slotte met rood krijt een kruis op den kalen schedel +geteekend had, zou niemand in dien haveloozen nar den schoonen ridder +van voorheen herkend hebben. + +Met een knuppel in de hand ging Tristan met dansende schreden den weg +op, die naar den ingang van het kasteel voerde en verzocht onder een +stortvloed van grappen en dwaze spotternijen toegang tot het slot. + +Dienzelfden morgen zat koningin Isolde in haar vertrek en staarde +droevig naar buiten. Hare gedachten waren als altijd bij haren +afwezigen geliefde en terwijl zij zich treurig afvroeg, wat er toch +van hem geworden zou zijn en waar hij zou vertoeven, grepen hare +handen naar de snaren der harp en ontlokten daaraan een weemoedig +lied. Daar ging de deur open en binnen trad, Heer Kariol, een graaf +in dienst van koning Mark, die sedert lang de koningin met begeerige +oogen aanzag en alle middelen in het werk stelde, om zich in hare +gunst te dringen. Met vleiende stem vroeg hij: "Waarom zingt gij +zulk een droevig lied, edele vorstin? Het schijnt wel, alsof gij +den dood van een geliefden vriend beweent, is het soms de mijne? Dit +zou zeer wel mogelijk zijn, want gij moet immers sinds lang bemerkt +hebben, dat ik sterf van liefde voor u!" Smalend antwoordde Isolde: +"Indien dit zoo is, zoo zou ik wenschen, u reeds begraven te zien, +daar ik nog na uw dood uw ijdel gepraat moet aanhooren." + +Hare woorden deden Kariol in woede ontsteken, maar hij bedwong zich, +wetend dat hij een wapen had, waarmede hij Isolde eene diepere wonde +kon slaan, dan zij hem ooit kon toebrengen. Langzaam, haar vast in de +oogen ziende, zeide hij: "Vóór het zoover is, schoone vorstin, zij het +mij vergund, u eene blijde mare mede te deelen, die u zeker genoegen +zal doen. Zij betreft uwen neef, Tristan van Ermonie. Hij heeft in +den vreemde eene schoone, jonge vrouw gehuwd, met wie hij gelukkig te +zamen leeft aan het hof van haren vader, den graaf van Bretagne. Is +dit nu geene blijde tijding voor hen, die Tristan liefhebben?" + +Sidderend over haar geheele lichaam had Isolde naar de booze woorden +van Heer Kariol geluisterd. Het scheen, of hemel en aarde, het gansche +heelal om haar ineenstortten en of zij medegetrokken werd, om onder +te gaan in een afgrond van smart en schaamte. + +Zoodra zij alleen was, liet zij Brangwaine tot zich komen en aan de +borst dezer trouwe vriendin snikte zij al haar droefheid uit. Aan +tafel zat zij bleek en zwijgend, doch toen koning Mark haar bezorgd +vroeg, wat haar toch scheelde, antwoordde zij hem met geveinsde +vroolijkheid, dat zij zich nooit beter en opgewekter had gevoeld dan +op dien dag. Even daarna kwam het bericht, dat een nar, uit vreemde +streken afkomstig, toegang verlangde tot het slot en de vorst, die +hoopte dat zijne komst de koningin eenige verstrooiing zou bezorgen, +gaf bevel hem binnen te laten. + +Met opgeheven hoofd kwam Tristan de zaal binnen en bijna ontzonk hem de +kracht tot spreken, toen zijne oogen Isolde's gestalte ontwaarden. Hij +hield zich echter goed en toen de koning hem schertsend vroeg, wat +het doel zijner komst was, had hij zich voldoende hersteld om zijne +rol te kunnen volhouden. + +"Heer koning!" zoo riep hij met schallende stem, "gij vraagt mij, +waarom ik hier gekomen ben? Welnu dan, mijn verlangen gaat uit +naar Isolde van Ierland, Isolde met de Blonde Haren, zij, die mijne +meesteresse is en de uwe. Om u de waarheid te zeggen, was zij eerst +de mijne, gij hebt haar mij ontstolen. Daarom, o koning, geef ze mij +terug en zoek u eene andere vrouw uit de vele schoonen van het land. U +zal dit niet moeilijk vallen, maar welke andere vrouw zal in mij, +armen, dwazen nar, behagen vinden?" + +De koningin fronste de wenkbrauwen, maar koning Mark en zijne edelen +lachten luid en de vorst sprak: "Gij zijt een bescheiden dwaas, +maar hoe weet gij, dat gij de koningin bevallen zult?" + +"Dat heeft zij mij zelve verzekerd", antwoordde Tristan, "niet eens, +maar vele malen. Veel heb ik voor haar gedaan en om harentwille ben +ik nar geworden." + +"En waar wilt gij haar heenvoeren," vroeg de koning verder "wanneer +zij de uwe is? Moet zij mede gaan bedelen door het land?" + +Toen sprak Tristan: "O neen, Sire, wees verzekerd, dat ik Isolde naar +waarde zou weten te schatten! Ik zou haar medenemen naar een fraai +kasteel, gelegen tusschen hemel en aarde, waar het altijd zomer is, +waar de bloemen geuren en de vogels zingen, waar geene plaats is voor +tranen of zuchten, maar waar een ieder gelukkig is. Daar zouden wij te +zamen wonen: Isolde met de Blonde Haren en de arme, dwaze nar." Steeds +luider lachten de baronnen, maar de koningin verhief zich toornig +van haren zetel en wilde het vertrek verlaten. Haar echtgenoot hield +haar echter bij eene slip van haar kleed terug en zeide: "Liefste, wat +bekommert gij u over de woorden van een dwaas? Lach liever zooals wij, +dat zal u goed doen en de wolken van uw voorhoofd verdrijven." Daarop +wendde hij zich opnieuw tot Tristan en zeide schertsend: "Eén ding +hebt gij ons nog verzwegen en dat is uw naam. Wie zijt gij en waar +komt gij vandaan?" + +Daarop antwoordde Tristan: "Sire en gij allen, edele heeren, die hier +te zamen zijt, het verbaast mij, dat gij mij eene dergelijke vraag +stelt. Herkent gij mij dan niet? Ik ben Tristan van Ermonie, uw neef +en dienaar, hij, die aan uw hof placht te vertoeven en die sindsdien +naar verre landen is getrokken." Hierop barstten alle aanwezigen in +een onbedaarlijk lachen uit; het was ook al te dwaas, de vergelijking +tusschen Tristan's fiere, mannelijke gestalte, zooals zij allen die +zich zoo goed herinnerden, en deze onnoozele narrenfiguur! Isolde +echter was bij het hooren van Tristan's naam omhoog gerezen en, in +'t diepst van hare ziel gegriefd over de krenkende wijze, waarop er +met haren geliefde de spot gedreven werd, verliet zij het vertrek, +terwijl zij met fonkelende oogen uitriep: "Nu is het genoeg! Ik +verkies niet langer het onderwerp te zijn van den dronkemanspraat +van een ellendigen nar!" Tristan hield met eene diepe buiging de +deur voor haar open, daarbij zag hij haar diep in de oogen en zeide: +"Dronken, ja, dat ben ik, schoone vorstin! Hebben wij niet te zamen, +daarginds op de wiegende golven, den wijn gedronken, die ons dronken +maakte van liefde en geluk en waarvan de nawerking het gansche leven +voortduurt?" Als door een slag getroffen, deinsde Isolde terug bij +het hooren dezer woorden, maar zij herstelde zich terstond en met een: +"Zwijg! dwaas, die gij zijt!" ijlde zij de kamer uit. + +Als gewoonlijk, wanneer zij in nood verkeerde, begaf zij zich naar +Brangwaine en viel haar snikkend om den hals. "Nu zou ik 't liefste +sterven", klaagde zij, "nu Tristan mij niet alleen vergeten heeft, +maar ook onze dierbaarste herinneringen toevertrouwt aan dwazen, als +dezen nar, die ze tot een voorwerp van spot voor de geheele wereld +maakt! Hoe anders weet hij van wat er op zee is gebeurd, indien Tristan +het hem niet heeft verteld?" Brangwaine poogde haar te troosten. "Het +is mogelijk, dat deze nar een bode is van Heer Tristan", sprak zij, +"en dat hij door deze woorden, waarvan gij alleen de beteekenis +kondt doorgronden, uwe aandacht heeft willen trekken. Laat ons hem +hierheen ontbieden en zien of mijne veronderstelling juist is." Maar +de koningin wilde hiervan niets weten; nooit meer wenschte zij dien +gehaten nar te zien, zoo zwoer zij! Den ganschen nacht zat zij aan +haar venster en treurde over haar verloren geluk; terwijl Tristan op +zijn strooleger in een hoek van den stal lag en zon op middelen, om +zich aan Isolde bekend te maken. Plotseling schoot hem iets te binnen, +waardoor hij de koningin bewijzen kon, dat hij inderdaad Tristan was. + +Toen Isolde zich den volgenden morgen vroeg met Brangwaine in +den slottuin begaf, om hare oogen, die brandden van het weenen, +door de frissche morgenlucht te laten verkoelen, zagen de beide +vrouwen plotseling hoe Husdan, Tristan's hond, dien hij Isolde als +afscheidsgeschenk had gelaten, onder luid geblaf naar eene plek sprong, +waar aan den kant van het pad een mannengestalte lag uitgestrekt. Deze +was in volle wapenrusting gekleed, maar toen de beide vrouwen +naderden, nam hij den helm, dien hij diep in de oogen gedrukt had, +van het hoofd en vertoonde het kaalgeschoren hoofd van den nar. + +Bevend klemde Isolde zich vast aan Brangwaine, maar Husdan, die den +drang van zijn onfeilbaar instinct volgde, rende in groote sprongen om +Tristan heen, blafte van vreugde en trachtte zijn gelaat en handen te +likken. Nu drong ook het begrip van wat zij vóór zich zag tot Isolde +door. Tristan was opgestaan en kwam met uitgestoken handen op zijne +geliefde toe, zacht haar naam noemend. Het volgend oogenblik rustte +zij aan zijne borst. + + + +Gedurende eenige weken bleef de nar aan het hof van koning Mark en +vermaakte een ieder met zijne potsierlijke grappen en kunsten, maar +'s avonds, als de schemering viel, sloop Tristan naar de vertrekken +der koningin en vierde met haar het feest der liefde. + +Lang kon deze toestand niet duren, dat voelden zij beiden en daarom +sprak Tristan eens op een dag: "Geliefde! wij moeten scheiden. Reeds +werpen de hovelingen steelsche blikken op mij en vragen, wat ik toch +voor gewichtigs te bespreken heb in de vertrekken der koningin. Hoe +gaarne zou ik bij u blijven of met u samen vluchten, maar wij zijn +niet vrij. Uwe plaats is aan de zijde des konings, op mij rust de +taak om tot mijne vrouw terug te keeren, die reeds lang over mij in +ongerustheid zal zijn. Daarom moet ik u vaarwel zeggen, echter slechts +voor korten tijd, dat voel ik. Het is of eene stem in mijn binnenste +mij toeroept, dat mijn einde nadert; welnu dan, als dit zoo is, zal +ik u roepen vóór ik sterven ga en gij zult komen, niet waar? Dan zal +God ons misschien vergunnen om samen dit leven te verlaten en dan, +liefste, neem ik u mede naar het wonderschoone slot onzer droomen, +waar men scheiding noch harteleed kent en waar wij rust zullen vinden +na al ons lijden." + +Den volgenden morgen vroeg verliet de nar het paleis des konings en +daalde zingend den weg af, die naar zee voerde. Toen de hovelingen +hem vroegen, waar hij heen ging en waarom hij niet wat langer aan +het hof bleef vertoeven, antwoordde hij: "Houdt mij niet op met uw +dom gepraat. Wat weet gij van de heimelijke oogmerken van mijn gaan +en komen? Maar daar gij zoo nieuwsgierig zijt, wil ik u zeggen, dat +ik heenga om mijne woning in gereedheid te brengen voor het bezoek +der koningin. Mijne dienaren zullen de kamers sieren met slingers van +groen en bloemen, mijne koks zullen de fijnste gerechten opdisschen +en den edelsten wijn schenken, alle lichten zullen worden ontstoken +en ikzelve zal op den drempel staan, om Isolde met de Blonde Haren te +verwelkomen, die het huis van den armen nar met hare tegenwoordigheid +wil eeren. Daarom laat mij gaan! Eer de zon ter kimme neigt, moet +ik thuis zijn om alles voor Hare komst klaar te maken. Lang zal ik +niet op Haar behoeven te wachten, Zij zal spoedig komen!" Onder luid +gelach van de hovelingen vervolgde Tristan zijn weg. Aan de haven +gekomen zag hij nog eenmaal omhoog naar den burcht, die zijne liefste +herinneringen binnen zijne muren besloten hield en dien hij nooit +weer zou zien, daarna begaf hij zich aan boord van een vaartuig, +dat hem weldra naar Bretagne terugvoerde. + + + +Daar begon weer het oude leven. Om zijn steeds weer aangroeiend +verlangen te bedwingen, zocht Tristan afleiding in de jacht en +in avontuurlijke tochten, waarbij Kaherdin zijn trouwe metgezel +was. Zoo waren zij eens uitgetrokken tegen een edelman uit een +naburig graafschap, die met behulp van zijne zeven broeders er in +geslaagd was, om een jong meisje, de bruid van één der Bretonsche +ridders, te ontvoeren. Tristan en zijne vrienden trokken op naar +zijn burcht. Langen tijd duurde het beleg, tot eindelijk de sterke +muren bezweken en het slot genomen werd. In den strijd op de wallen, +welke daaraan voorafging, werd Gouvernail, Tristan's trouwe dienaar, +gedood en even daarna werd zijn meester door een vergiftigden pijl +in de zijde getroffen. + +Met groote moeite slaagde Kaherdin erin, zijn vriend naar diens slot +terug te voeren. Isolde met de Blanke Handen was hevig ontsteld over +het gebeurde en omringde haren echtgenoot met de liefderijkste zorgen, +maar ondanks al hare toewijding en de hulp van kundige artsen uit +alle streken van het land, voelde Tristan zijn einde naderen. Hij was +gaarne bereid te sterven, want het leven kon hem niets meer schenken +dan lijden en smart, maar toch wilde hij niet heengaan zonder zijne +geliefde nog éénmaal te hebben weergezien. Daarom riep hij Kaherdin +tot zich en sprak tot hem: "Waarde vriend! ik heb een verzoek aan u, +het laatste, waarmede ik u lastig zal vallen, want ik voel, dat ik +sterven ga. Luister dus goed! Vele jaren geleden, toen ik tegen Morholt +heb gestreden om Cornwallis van de Iersche schatting te bevrijden, +heeft Isolde van Ierland mij van mijne wonden genezen; ook later, +toen ik in het gevecht met den draak door het vergif bedwelmd was, +heeft zij mij van den dood in het leven teruggeroepen. Indien er +dus één is, die mij redden kan, dan is zij het. Daarom smeek ik u, +ga naar Cornwallis en vraag de koningin tot mij te komen en mij te +helpen. Tegen de menschen kunt gij zeggen, dat gij eene wijze vrouw +gaat halen, die de heelkunst verstaat en die mij wellicht redding kan +brengen." In angstige onzekerheid zag Kaherdin zijn vriend aan. "Hoe +gaarne zou ik u helpen", sprak hij, "maar ik vrees, dat mijne reis +tevergeefsch zal zijn. Nooit zal de koningin mij volgen!" "Twijfel +daaraan niet", hervatte Tristan dringend, "zij zal u volgen, +waarheen gij haar voeren wilt, wanneer gij haar dezen ring toont en +haar zegt, dat Tristan haar roept. Ach, lieve vriend! waarom zou ik +het u verzwijgen, ik, die reeds met één voet in het graf sta? Welnu +dan, ik bemin Isolde van Ierland met mijn gansche hart en ziel en +ik heb nooit eene andere vrouw liefgehad. Zij was de mijne, vóór +zij de gemalin van koning Mark werd, voor haar heb ik geleefd en +in hare armen wil ik sterven. Ik weet, dat ik uwe zuster misleid en +bedrogen heb, maar wees daarover niet te zeer vertoornd, slechts hij, +die waarachtig liefheeft, kan oordeelen over wat ik gedaan heb." + +Diep getroffen had Kaherdin toegeluisterd; één blik op het zwakke, +uitgeteerde gelaat van zijn geliefden vriend had den toorn over de +beleediging, zijne zuster aangedaan, doen bedaren en toen Tristan +ophield met spreken, zeide hij zacht: "Ik zal gaan en met Gods hulp +zal ik de koningin mede terug brengen!" "Dank! dank! edele vriend," +stamelde Tristan, "hoe zal ik smachten naar uwe terugkomst! Vóór gij +heengaat nog dit ééne: elken dag zal ik mij naar het strand laten +brengen, om naar uw schip uit te zien. Wanneer gij nu mijne geliefde +met u medebrengt, hijsch dan witte zeilen, mocht uw tocht echter +tevergeefsch zijn geweest, laten de zeilen dan zwart, de kleur des +doods, zijn. Zoodoende zal ik terstond weten, welke de uitslag van +uwe reis geweest is." Na dit gezegd te hebben zonk Tristan uitgeput +in de kussens terug. + +Nu wilde het toeval, dat Tristan's echtgenoote, Isolde met de Blanke +Handen, zich gedurende dit gesprek in de aangrenzende zaal bevond. Toen +Tristan begon te spreken over een laatst verzoek, dat hij Kaherdin +wenschte te doen, had zij haar oor tegen den muur gedrukt, om beter +te kunnen hooren. Een laatst verzoek van Tristan, zoo meende zij, +moest ook haar betreffen en wellicht kon zij haren broeder in de +uitvoering daarvan behulpzaam zijn. Zoo kwam het, dat zij alles hoorde, +wat daarnaast werd besproken; in klimmenden angst luisterde zij toe, +tot zij eindelijk, bij het vernemen der vreeselijke waarheid, half +bewusteloos tegen den wand van het vertrek ineenzonk. + +Terwijl haar lichaam in eene roerlooze verstijving terneerlag, +werkte haar geest met eene wonderlijke snelheid. Alles werd haar +nu duidelijk. Wat tot nu toe slechts vermoedens waren geweest, vage +schimmen harer angstige verbeelding, werd thans alles zekerheid. Eén +voor één toetste zij de feiten uit haar huwelijksleven en den tijd +daarvóór aan de thans verkregen wetenschap. En ziet, voor alles vond +zij eene verklaring. Tristan's somberheid, zoo onbegrijpelijk in een +jong en gevierd man, zijne voorkeur voor haar naam, dien hij zoo vaak +in zijne liederen bezongen had, en waaruit zij, dwaze, het bewijs had +gezien zijner groeiende genegenheid, zijn aarzelen om hare hand aan +te nemen, toen haar vader hem die aanbood, zijne woorden op den avond +van hun huwelijk, zijne lange afwezigheid en thans zijne berusting +in den naderenden dood--dit alles vond eene oorzaak in zijne liefde +voor die andere Isolde, daarginds in Cornwallis. + +Wee den haat eener vrouw, wanneer zij zich aldus in hare innigste +gevoelens gekrenkt en beleedigd ziet! Toen Isolde met de Blanke Handen +zich eindelijk van den grond verhief, was zij eene gansch andere +vrouw geworden. Liefde, zachtheid en toewijding hadden als angstige +schimmen de vlucht genomen uit haar hart om plaats te ruimen voor de +booze geesten van toorn en bitterheid. Eén gedachte bezielde haar en +hield haar staande: zij wilde zich wreken op den man, die haar zoo +smadelijk bedrogen had. + +Na het onderhoud met Tristan had Kaherdin zich in aller ijl gereed +gemaakt om de reis naar Cornwallis te ondernemen. Zijn schip had +hij bevracht met kostbare waren en zichzelf vermomd als een reizend +koopman. Zoo kwam hij te Tintagel aan, waar hij verlof vroeg, om +den koning zijne waren voor te leggen. Toen hem dit werd toegestaan, +koos hij uit het vele schoons, dat hij had medegebracht, eene vaas +met kostbaar reukwerk, die hij met eenige welgekozen woorden den vorst +ten geschenke bood, uit dankbaarheid voor de welwillendheid, waarmede +hij aan het hof was ontvangen. Toen wendde hij zich tot de koningin, +die lusteloos aan het venster zat, en toonde haar een gouden gesp, +terwijl hij sprak: "Hoe bevalt u dit sieraad, hooge Vrouwe? Het is +vervaardigd uit zuiver goud, zonder bijvoeging van ander metaal. Dat +ik waarheid spreek, kunt ge zien, wanneer gij den gesp vergelijkt +met dezen ring, die overal geprezen wordt om zijne schoonheid. Ziet, +wanneer gij de beide naast elkander houdt, kunt gij duidelijk zien, +dat het goud van den gesp het wint in schoonheid van glans en kleur." + +Dit zeggend, hield hij Isolde den ring van Tristan voor. Deze stond +haastig op, een gloeiende blos verspreidde zich over haar gelaat en +terwijl zij Kaherdin's arm krampachtig omknelde, fluisterde zij hem +toe: "Gij komt van Tristan. Spreek, welke boodschap zendt hij mij?" Met +een haastigen wenk in de richting van het overige gezelschap maande +Kaherdin haar aan tot voorzichtigheid; Isolde herwon hare kalmte door +schier bovenmenschelijke inspanning en sprak op halfluiden toon, +zoodat zij, die in hare onmiddellijke nabijheid waren, het hooren +konden: "Deze gesp bevalt mij, koopman. Kom daarom even ter zijde, +opdat wij het eens worden over den prijs. Mijn echtgenoot behoeft +niet te weten hoeveel geld hij mij waard is." In een hoek van de +zaal ging de koningin zitten, nu was het met hare kalmte gedaan en +op angstigen, dringenden toon smeekte zij Kaherdin haar te melden, +hoe het met Tristan ging en waarom hij een bode naar Tintagel had +gezonden. Daarop vertelde Kaherdin haar, hoe Tristan verwond was +door een vergiftigden pijl en hoe hij nu lag te sterven in zijn slot +aan de kust van Bretagne. Hij zeide haar, dat zijn vriend gaarne +afstand deed van het leven, maar dat hij de eeuwige rust niet kon +ingaan, zonder afscheid te hebben genomen van zijne geliefde. Isolde +was stil en bleek geworden; slechts een krampachtig trekken om +haren mond verried hare innerlijke ontroering, maar Kaherdin werd +getroffen door de vastheid van stem, waarmede zij hem antwoordde: +"Heb dank voor uwe mededeeling. Morgen vroeg zal ik aan boord zijn, +om de reis naar Bretagne te aanvaarden." + + + +_Hoe Isolde zich op reis begaf naar Bretagne en hoe de beide gelieven +daar den dood vonden._ Den volgenden morgen in de vroegte begaven de +koningin en Brangwaine zich naar de haven, alsof zij op het vaartuig +van den vreemden koopman diens waren in oogenschouw wilden nemen. Geen +mensch bewoog zich nog in de straten van Tintagel en niemand zag +dus, hoe de zeelieden, toen de koningin zich aan boord had begeven, +in aller haast het anker lichtten en koers zetten naar zee. + +Middelerwijl lag Tristan op zijn ziekbed te smachten van verlangen +naar de terugkomst van Kaherdin en het wederzien met Isolde. Zijne +krachten werden gesloopt door de koorts, die hem als vuur in de aderen +brandde, elken dag werd hij zwakker en soms scheen het den omstanders +of zijn lichaam reeds gestorven was en slechts zijn geest zich nog +staande hield in eene uiterste wilsinspanning. Hij kon, hij wilde niet +sterven, vóór hij zekerheid had omtrent den uitslag van Kaherdin's +onderneming en dus voerde zijn uitgeteerde lichaam, dat zoozeer naar +rust verlangde, een strijd met zijne ontembare wilskracht, die hem deed +vasthouden aan het leven, zoolang zijn laatste wensch onvervuld bleef. + +Zijne vrouw verpleegde hem met dezelfde toewijding als voorheen, +maar wanneer zij, bij het vuur gezeten, den zieke hoorde ijlen en hem +den naam van Isolde hoorde prevelen, kwam er een glans van haat in +hare oogen, die haar gelaat geheel deed veranderen. De eerste dagen +na Kaherdin's vertrek liet Tristan zich 's morgens op de wallen van +het slot dragen, vanwaar hij de zee tot aan den verren gezichteinder +kon overzien, maar reeds spoedig bemerkte hij, dat deze tochten hem +te veel inspanden; hij bleef dus in zijn eigen vertrek en moest zich +vergenoegen met wat anderen hem meedeelden. Telkens weer vroeg hij +Isolde, om uit te zien of Kaherdin's schip nog niet in 't zicht was, +maar steeds luidde het antwoord ontkennend. Dan troostte zij hem met +zachte woorden, en zeide hem, dat het nu niet lang meer duren kon, +eer het schip met de wijze vrouw kwam, die hem zou genezen en hem +tot het leven terug zou brengen. Maar de zieke zag niet, hoe hard de +uitdrukking harer oogen was en hoe een bittere trek zich om haar mond +groefde, zoodra zij hem den rug toekeerde. + +Zoo kropen de dagen voorbij in angstige spanning en martelende +onzekerheid voor den zieke en zijne verzorgster, tot eens op een +morgen Isolde op zee eene donkere stip ontdekte, welke langzamerhand +grooter werd en de omtrekken van een schip aannam. De jonge vrouw +kon eene beweging van schrik niet onderdrukken, eene koude rilling +ging haar door de leden en met wijd opengesperde oogen staarde zij +naar buiten. Daar naderde dus haar noodlot in de gestalte dier gehate +vrouw, want dat Isolde van Ierland komen zou, daaraan twijfelde zij +geen oogenblik. Toch bleef zij in spanning naar het vaartuig turen, +nog was het te ver af om de kleuren der zeilen te kunnen onderscheiden, +maar het naderde snel, gedreven door een gunstigen wind. Daar klonk +eene klagende stem van uit het vertrek: "Waarheen tuurt gij zoo +lang? Is er nog geen schip in 't zicht? Ziet gij geen enkel teeken +van een naderend vaartuig op zee? Spreek, wat ziet gij daarbuiten?" En +Isolde antwoordde: "Heel in de verte zie ik een vaartuig, dat met volle +zeilen nadert. Vergis ik mij niet, dan is het dat van mijn broeder, +nog een weinig geduld, liefste en gij zijt gered!" + +Hijgend verhief de zieke zich van zijne legerstede: "De zeilen, de +zeilen!" riep hij uit; "welke kleur hebben zij, spreek vrouw, martel +mij niet langer, hoe zijn zij, wit of zwart?" Isolde keerde zich +langzaam naar hem toe en zag hem aan. In de oogen van den stervende +straalde een hoopvolle glans, die het uitgeteerde gelaat in gloed +scheen te zetten. Hij strekte zijne bevende handen smeekend naar haar +uit. Welk eene verandering met de doffe, lijdzame houding der vorige +dagen, toen elke beweging hem te veel was en zij op haar belangstellend +vragen nauwelijks een woord ten antwoord kreeg. Eene doffe woede maakte +zich van de jonge vrouw meester, één ding stond vast, zij moest de vonk +van geluk in zijne oogen dooven, eer die uitsloeg tot eene laaiende +vlam, want die te zien zou haar dood zijn. Zij balde hare handen tot +vuisten, zij bedwong zich om het niet uit te gillen van wilden triomf, +maar met zekere stem sprak zij: "Het schip nadert snel, liefste en +reeds kan ik de kleur der zeilen onderscheiden. Zij zijn zwart." + +"Zwart! O, Isolde, geliefde!" met een snijdenden kreet was Tristan +in de kussens teruggevallen en nog eer de verschrikte vrouw zijne +zijde kon bereiken, had hij den geest gegeven. + + + +Korten tijd daarna bereikte het schip van Kaherdin de haven. Isolde +met de Blonde Haren stond op de voorplecht van het vaartuig en +tuurde met oogen, die brandden van onvergoten tranen, omhoog naar +het kasteel, waar haar geliefde woonde. Zoodra het schip aan de kade +lag vastgemeerd, trad zij aan wal en liet zich door Kaherdin den +kortsten weg naar het slot wijzen. Doch wat beduidden die opgehoopte +menschenscharen in de straten? Waarom gingen er kreten van droefheid en +smart op uit de menigte? Waarom hoorde zij Tristan's naam roepen? Het +scheen Isolde of een verlammende angst zich over haar gansche lichaam +verspreidde en haar het voortgaan belette, maar zij vocht er tegen +met al de kracht van haar wezen en vervolgde moedig haar weg. Bij de +poort van het kasteel gekomen, leunde zij een oogenblik hijgend tegen +den zwaren steenen muur en toen eerst vroeg ze een ouden bedelaar, +die haar zijne muts toestak voor eene aalmoes: "Zeg mij eens, vriend, +waarom het volk in de straten samenschoolt en klaagt?" "Vanwaar komt +gij, schoone vrouwe, dat gij dit vraagt?" antwoordde de grijsaard +verwonderd. "Weet gij dan niet, dat Heer Tristan gestorven is?" + +Een oogenblik was het of Isolde ineen zou zinken, doch zij hield +zich staande en snelde het slot binnen. Als door eene geheime +ingeving gedreven vond zij den weg naar Tristan's vertrek; door lange +gangen moest zij gaan, waar de knechten en vrouwen in groepen bijeen +stonden. Wanneer zij voorbijsnelde, staakten de dienaren een oogenblik +hun klagen en zagen met verwondering de hooge vrouwengestalte na. Nog +nooit hadden zij zooveel wanhoop en tegelijk zóóveel vastberadenheid +op een menschelijk gelaat gelezen. + +Daar trad Isolde de zaal binnen, waar Tristan lag. Een oogenblik stond +zij stil op den drempel en overzag het ruime vertrek. Door de hooge +vensters drong de morgenzon binnen en wierp haar helder schijnsel +over wanden en vloer. Zacht klonk het ruischen der zee tot haar door; +de zee, die hen te zamen had gebracht in hoogste zaligheid en die hen +daarna van elkander gescheiden had gehouden, en hen zoodoende beroofd +had van hunne laatste samenkomst. Haar blik gleed langs de voorwerpen +en meubels in het vertrek en bleef toen rusten op de legerstede in den +hoek, waar eene tengere vrouwengestalte jammerend overheen lag gebogen. + +Een wonderzacht licht kwam in Isolde's oogen, toen zij langzaam op het +bed toetrad; haar gang was rustig en zeker en haar gelaat glansde van +oneindige liefde. In schuchteren eerbied weken de vrouwen, die aan den +voet der legerstede zaten terneergehurkt, terug. Aan het bed gekomen +bukte zij zich en raakte met den vinger de jammerende vrouwenfiguur +aan. Isolde met de Blanke Handen hief het hoofd op en zag haar met +verwilderde oogen aan. De koningin echter schoof haar met zachten +drang weg van het doode lichaam. + +"Ga heen, vrouwe! ik heb hem meer liefgehad dan gij," was het eenige +wat zij zeide. Toen strekte zij zich naast den doode op het rustbed +uit; zij omvatte hem met hare armen en drukte hem vast tegen zich +aan. Hare blonde haren spreidde zij als een sluier over hen beiden +uit, toen drukte zij haren mond op den zijne en in dien kus gaf zij +den geest. + + + +_Hoe koning Mark van Brangwaine de waarheid omtrent den liefdesdrank +vernam en hoe hij de lijken der beide gelieven naar Engeland liet +brengen._ Koning Mark vernam weldra het vertrek der koningin. Toen +hij hoorde, waarheen zij gegaan was, liet hij een schip uitrusten om +de voortvluchtige te achterhalen en zoo landde hij weinige uren later +in Bretagne. Vervuld van gedachten van wraak en haat betrad hij het +slot en met diezelfde gevoelens bezield kwam hij het doodsvertrek +binnen. Daar viel eene weenende vrouwengestalte hem te voet, het +was Brangwaine. Met door tranen verstikte stem smeekte zij hem, +om haar te straffen voor het gebeurde, aangezien zij de schuld was +van alles en toen de koning haar in verbazing vroeg, zich nader te +verklaren, vertelde zij hem van den aanvang af, hoe alles zich had +toegedragen. Zij verhaalde hem van den liefdesdrank, die de harten der +beiden met een onverbreekbaren band had samengebonden, zij beschreef +hem hunnen strijd tegen den hartstocht, welke hen doof maakte voor de +stemmen van eer en plicht, zij teekende hem hun rusteloos verlangen, +wanneer zij gescheiden waren en de innige zaligheid van de daarop +volgende oogenblikken van vereeniging. Van hun samenzijn in het woud +van Morois vertelde zij hem, waar de liefde hun de armelijke loofhut +tot een tooverpaleis maakte, maar ook sprak zij van den strijd in +hunne harten, die hen ten slotte, ter wille van elkander, in de +samenleving had teruggedreven. + +Toen zij ophield met spreken, was het een oogenblik stil in het groote +vertrek. Daarop beval koning Mark met diep ontroerde stem om de lijken +aan boord van zijn schip te brengen en nog dienzelfden dag zette het +vaartuig met zijne droeve lading koers naar Tintagel. + +Daar werden de lichamen der beide gelieven gebalsemd en met veel +eerbetoon bijgezet in de slotkapel, aan weerszijden van het altaar. + +In den nacht na de begrafenis echter, zoo verhalen de oude dichters, +ontsproot er een rozenstruik aan het graf van Tristan, welks takken +zich slingerden langs het kerkgewelf en weer afdaalden in het graf van +Isolde. Zoo werden de lichamen der beide gelieven in den dood verbonden +door een slinger van rozen, welke de kerk vervulden met haren zoeten +geur, hunne zielen echter namen te zamen de vlucht naar het schoone +paleis hunner droomen, waar zij de rust en het geluk vonden, die zij +op aarde tevergeefs hadden gezocht. + + + + + +INLEIDING TOT DE SAGE VAN HEER GARETH. + + +De sage van heer Gareth, den jongsten zoon van koning Lot en +koningin Morgawse, die een jaar lang als keukenjongen aan het hof +van koning Arthur diende, is ontleend aan de Engelsche letterkunde, +waar wij haar aantreffen in het zevende boek van de Morte d' Arthur +van Thomas Malory. Terwijl men voor alle overige verhalen, welke +in genoemd standaardwerk zijn opgenomen, eene bron heeft weten te +vinden, is men er tot nog toe niet in geslaagd, om te ontdekken aan +welk gedicht of prozawerk de sage van "Sir Beaumains" [37] zooals de +held door Malory genoemd wordt, ontleend is. Dr. H. Oskar Sommer, +de bewerker der beroemde critische uitgave [38] van Malory's werk, +meent, dat onze sage wellicht ontstaan is uit een volksverhaal, +hetwelk oorspronkelijk geen verband hield met den Arthur-cyclus, +totdat Malory, of een ander, onbekend gebleven schrijver vóór hem, +het overnam, waarschijnlijk uit een verloren geraakt Fransch gedicht +en het in verband bracht met den persoon en het hof van koning Arthur. + +Wij vinden onze sage terug onder de Konings-idyllen van Alfred +Tennyson, onder den titel: "Gareth and Lynette." In dit gedicht +treffen wij enkele afwijkingen aan van den inhoud der oorspronkelijke +geschiedenis: Gareth huwt niet Lyonors [39] om wier wille hij zulk +een gevaarlijken tocht onderneemt, maar Lynette, zijne gezellin op +dien tocht, die hem eerst hoont en bespot om zijn nederigen staat, +maar hem tenslotte leert liefhebben en eerbiedigen om zijn grooten +moed en zijn nog grooter geduld. + +De beschrijving van Gareth's jeugd op het eenzaam slot van zijn vader +en van den angst zijner moeder, dat deze jongste zoon haar evenals +zijne broeders zal verlaten, heeft Tennyson waarschijnlijk ontleend +aan het begin der sage van Parcival, zooals die onder den titel: +"Peredur, the Son of Evrawc", voorkomt in den Mabinogion. Hier en +daar heeft de dichter nog eenige veranderingen aangebracht in den +loop van het verhaal, teneinde de allegorische beteekenis daarvan +te doen uitkomen, maar in hoofdzaken stemt hij met Malory overeen in +zijne wedergave der sage. + +In de volgende bladzijden vindt men het verhaal van den proeftijd +van prins Gareth weergegeven, zooals het in de Morte d'Arthur +beschreven staat, eenige onbelangrijke bekortingen daargelaten. De +vóórgeschiedenis van den jongen held en de naam zijner bruid zijn +ontleend aan Tennyson's gedicht. + + + + + +DE SAGE VAN HEER GARETH. + + + "Let be my name, until I make my name". + + (Alfred Tennyson: "Gareth and Lynette"). + + +_Hoe de zonen van koningin Morgawse naar het hof te Camelot trokken._ +Lot, koning der Orcadische eilanden en zijne gemalin Morgawse hadden +vijf zonen. Vier van hen: Walewein, Modred, Agravaine en Gaheris waren, +zoodra zij den jongelingsleeftijd bereikt hadden, naar het hof van +hun oom, koning Arthur, getrokken en keerden slechts nu en dan voor +een kort verblijf naar het ouderlijk slot terug. De jongste zoon +daarentegen: Gareth, was langer dan zijne broeders in het ouderlijk +huis blijven vertoeven, gehoor gevend aan den dringenden wensch +zijner moeder. + +Met angst en vreeze in 't hart zag koningin Morgawse den dag naderen, +waarop de laatste en liefste harer zonen de wijde wereld zou intrekken +en haar alleen zou achterlaten in het eenzame slot van haren gemaal, +waar zij zich in de lange jaren van haar huwelijk nooit geheel thuis +had gevoeld. Misschien was dit laatste toe te schrijven aan het groote +verschil in landaard tusschen de bevolking uit hare geboortestreek, +het Zuiden van Engeland, en die van haar nieuwe vaderland. Ginds was +men gewoon het leven te genieten, hier, onder de stugge eilandbewoners, +zocht men zijn geluk in het rustig volbrengen zijner dagelijksche +plichten, zonder naar verstrooiing of genot te vragen. Mogelijk +ook was de onvoldaanheid der koningin voor een deel te wijten aan +het koude, zwijgzame karakter van haren echtgenoot, die elke uiting +van uitbundige levensvreugde van de zijde zijner gemalin met koele +onverschilligheid trachtte te dempen. Deze had ten slotte geleerd +zichzelve te beheerschen en voor het uiterlijk de statige, trotsche +vrouw te zijn, die hij zich als gemalin wenschte, maar niemand in +hare omgeving kon vermoeden, hoe zij leed onder dit bedwingen van +hare werkelijke persoonlijkheid. Als de kille zeedamp het eilandenrijk +dagenlang met een ondoordringbaren nevelmuur omringde en het krijschen +der zeemeeuwen het eenige geluid was, dat de stilte verbrak, als de +vrome eilandbewoners nedergeknield lagen voor hunne heiligenbeelden +en gebeden prevelden voor het welzijn van hen, die daar ginds op de +baren zwalkten, zat koningin Morgawse in hare eigen vertrekken en +staarde naar buiten in den grijzen mist. Dan kwam haar hart soms in +opstand tegen het onverbiddelijk noodlot, dat haar, die voor vreugde +en blijdschap geschapen scheen, veroordeelde om haar leven te slijten +in deze sombere omgeving, waar niemand haar begreep en liefhad. + +Dat de verhouding tusschen de beide echtgenooten te wenschen overliet, +was geen geheim voor hunne omgeving en de hovelingen, die hunnen vorst +met groote trouw aanhingen, weten dit geheel aan de koningin, die zich +zoo moeilijk had weten aan te passen aan hare nieuwe omgeving. Men +beschuldigde haar van lichtzinnigheid, ja zelfs van ergere dingen, +want toen kort nadat de koningin van eene reis naar haar geboorteland +was teruggekeerd, haar tweede zoon Modred geboren werd, ging er een +gerucht, dat deze geen kind van koning Lot was, maar dat hij gesproten +was uit eene onwettige verbintenis, welke de vorstin daarginds in +het Zuiden gesloten had. De juistheid van dit vermoeden werd nooit +met stelligheid bevestigd, maar een feit bleek het, dat Modred, toen +hij opgroeide, zoowel uiterlijk als innerlijk geheel verschilde van +zijne broeders. + +Het scheen aanvankelijk, of koningin Morgawse in hare kinderen +vergoeding zou vinden voor wat zij in den omgang met haren echtgenoot +te kort kwam. Zij had hen allen zonder onderscheid hartstochtelijk +lief; hoe zwaar moest het haar dus vallen, om hen, zoodra zij tot +jongeling waren gerijpt, te moeten afstaan en hen te zien heentrekken +naar het hof van haren broeder. + +Alleen Gareth, die met zijne oudere broeders aanmerkelijk in leeftijd +verschilde en daardoor langer kind was gebleven dan zij, restte haar +nu nog van het vroolijke vijftal, dat de zalen van het oude kasteel +had doen daveren van zijn wilde spelen. En ziet--nu werd ook die +jongste zoon onrustig en sprak den laatsten tijd van niets anders +dan van zijn plan om zich op zijne beurt naar het hof te Camelot te +begeven en aldaar het volle leven te leeren kennen. Hoe zijne moeder +hem ook bad en smeekte, het mocht niet baten; zijn hart was daarginds, +bij zijne broeders en hij had geen rust, vóór hij de toestemming van +zijne ouders had ontvangen, om zich bij hen te voegen. + +Eindelijk was de koningin wel gedwongen, hem die te geven, +maar--slechts onder ééne voorwaarde; en deze, zoo meende zij, was +van dien aard, dat zij den jongeling eens voor al van zijn voornemen +zou terugbrengen. Zij eischte namelijk van Gareth, dat hij, aan het +hof gekomen, een jaar lang als keukenjongen in 's konings dienst zou +treden en al dien tijd zijn naam en afkomst voor zijne omgeving geheim +zou houden. Den trotschen aard van haar zoon kennend, meende koningin +Morgawse, dat deze voorwaarde hem onuitvoerbaar zou toeschijnen en dat +hij dus, hoe ongaarne ook, zijne reis naar het hof zou opgeven. Maar +neen! Sterker nog dan zijn gevoel van eigenwaarde was de lust naar +avontuur in het hart van den jongeling en na zich eene wijle bedacht te +hebben, stemde hij toe in den eisch zijner moeder. Van dat oogenblik af +moest de koningin met leede oogen toezien, hoe Gareth zich beijverde +om de toebereidselen voor zijn vertrek in den kortst mogelijken tijd +te treffen en weldra brak dan ook de gevreesde dag aan, waarop de +reis naar Camelot bepaald was. + +Vergezeld door twee zijner dienaren, ging Gareth vervuld van de +schoonste verwachtingen voor de toekomst, op weg. Wel lachte het +denkbeeld om een jaar in de keuken van het koninklijk paleis te +moeten dienen, hem niet bepaald toe, maar--zoo redeneerde hij met +jeugdige zorgeloosheid,--twaalf maanden zijn gauw voorbij! Hij had +nu toch zijn zin; hij ging naar Camelot, waar de ridders woonden, +van wier heldendaden hij zooveel had hooren vertellen, waar de groote +tournooien werden gehouden, waar men op de jacht ging naar herten en +zwijnen, waar de vreemde speellieden hunne liederen kwamen zingen, +kortom: waar men het leven in al zijne rijkdom en heerlijkheid kon +leeren kennen! Wat deed het er dan toe, of hij voorloopig slechts +toeschouwer mocht zijn bij al dat schoons? Honderd-, neen duizendmaal +liever was hij een eenvoudige keukenjongen in Camelot dan een prins +in zijns vaders koninkrijk. + +Na lange dagen reizens kwam het kleine gezelschap voor de poorten van +Camelot aan. Naar het uiterlijk schenen zij drie eenvoudige landlieden, +die van verre gekomen waren, om hun vorst te begroeten. Gareth had +zorg gedragen, dat zijne kleeding in geen enkel opzicht afweek van +die zijner reismakkers. + + + +_Hoe Gareth als keukenjongen bij koning Arthur in dienst trad en hoe +hij door Key gehoond werd._ Zonder eenige moeite slaagde het drietal +erin om tot de tegenwoordigheid des konings te worden toegelaten, +daar deze zich steeds op dezen tijd van den dag beschikbaar placht te +stellen voor een ieder, die zich met eenig verzoek tot hem wenschte +te richten. Gareth en zijne volgelingen werden dan ook terstond door +een der paleisdienaren door een doolhof van gangen en portalen naar +de groote slotzaal geleid, waar de koning, omringd door zijne gansche +hofhouding, zitting hield om de wenschen en klachten van zijn volk +aan te hooren. Lieden van allerlei slag knielden neer voor zijn troon +en nooit gebeurde het, dat zij onvoldaan huiswaarts moesten keeren. + +Terwijl Gareth zijne beurt afwachtte, liet hij zijne blikken dwalen +door de ruime zaal, waarvan de wanden bedekt waren met eene bonte +reeks van geschilderde tafereelen, welke een overzicht gaven van +Arthurs krijgstochten tegen de heidenen. Meer echter nog dan door de +fraaie wandschilderingen werd zijne aandacht geboeid door de personen, +die zich in de zaal bevonden. Allereerst bleef zijn blik rusten op de +vorstelijke gestalte des konings, zooals hij daar in fiere houding op +zijn troon gezeten was, de linkerhand aan de greep van een glinsterend +zwaard, dat met de punt op den grond rustte, de rechter steunend +op de leuning van zijn zetel. Met eene uitdrukking van vriendelijke +belangstelling luisterde hij naar het relaas eener arme weduwe, die +zijne hulp kwam inroepen om het erfdeel van haren echtgenoot, dat men +haar ontstolen had, te herwinnen. Vol bewondering hoorde Gareth toe, +op welk eene welwillende en oordeelkundige wijze de vorst de weenende +vrouw te woord stond en het hart van den jongeling klopte luide van +ontroering, toen hij de ongelukkige haren dank hoorde stamelen. Daarna +zag hij verder om zich heen en tuurde langs de rijen der hovelingen, +of hij onder hen ook zijne broeders kon ontdekken. Weldra vond hij hen, +die hij zocht: de kloeke, mannelijke gestalte van Walewein, die in de +onmiddellijke nabijheid des konings was gezeten; het donkere gelaat van +Modred, dat steeds eene uitdrukking van arglistig wantrouwen droeg, +daarnaast, als gewoonlijk, de tengere gestalte van Agravaine, die +zijn ouderen broeder als een schaduw placht te volgen, en eindelijk, +onder de jongere edellieden, zijn vierden broeder: Gaheris. Gareth kon +een glimlach niet onderdrukken, toen hij bedacht, hoe verbaasd zijne +broeders zouden zijn, indien zij wisten, wie de eenvoudig gekleede +jongeling was, die zich onder de wachtende menigte bevond, maar hij +behoefde geen vrees te hebben dat zij hem zouden herkennen, zóó lang +was het geleden, sinds zij hem de laatste maal in hun vaderlijk slot +gezien hadden. + +Intusschen was de beurt aan hem gekomen om den koning zijne verlangens +kenbaar te maken. Eerbiedig viel hij voor Arthur op de knieën, daarna +richtte hij het gebogen hoofd op, zag den vorst frank en vrij in de +oogen en sprak: + +"Sire, mijne beide makkers en ik zijn uit verre streken hierheen +gekomen om u te huldigen en te dienen. Daar ik vernomen heb, dat gij +elkeen, die hier binnentreedt, veroorlooft, om u zijne verlangens +mede te deelen, zoo durf ik het wagen, u mijne wenschen voor te +dragen. Sire! sta mij toe, dat ik u om drie gunsten vraag; geloof +mij, al klinkt mijn verzoek wellicht onbescheiden, de gunsten, die +ik bedoel, zijn van dien aard, dat, indien gij wilt, gij ze zonder +bezwaar kunt inwilligen. De eerste wilde ik u thans vragen, de beide +andere daarentegen zou ik u eerst na verloop van een jaar wenschen +mede te deelen. Vergeef mij, indien ik te veel van uwe goedheid verg!" + +Hier zweeg prins Gareth en zag den koning met eenige beschroomdheid +aan. Arthur had met welgevallen naar de woorden van den jongeling +geluisterd, wiens innemende verschijning en aangenaam, bescheiden +optreden het hart van den vorst voor zich gewonnen hadden. Toen hij +zweeg, aarzelde de koning dan ook niet lang, hoe hij zijn verzoek +zou opnemen en sprak vriendelijk: "Welnu dan, vriend, welke zijn die +gunsten, die ge mij wildet vragen. Ik beloof u vooruit, ze te zullen +inwilligen, indien zij tenminste de grenzen van het betamelijke niet +overschrijden. Spreek, wat verlangt ge van mij?" + +"Sire", antwoordde Gareth, "ik zou u willen vragen, mij gedurende +een jaar eene plaats in te ruimen onder uwe keukenbedienden. Als +zoodanig wilde ik u twaalf maanden dienen en eerst na verloop van +mijn diensttijd hoop ik u mijne beide andere wenschen voor te leggen." + +Verbaasd en eenigszins teleurgesteld zag koning Arthur hem aan, zulk +een verzoek had hij allerminst verwacht uit den mond van dien kloeken, +rijzigen jongeling. Toch klonk zijne stem welwillend als altijd, +toen hij Gareth ten antwoord gaf: + +"Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik van u een gansch anderen wensch +verwacht had. Het verbaast mij, dat een jong, krachtig man als gij, +geene hoogere eerzucht kent, dan eene plaats te verkrijgen onder mijne +bedienden. Ik doe evenwel mijn woord gestand. Aan uw wensch zal worden +voldaan en Heer Key, onze opperhofmeester, zal u uw nieuwen werkkring +aanwijzen." Dit zeggend, wenkte de vorst een der ridders uit zijne +naaste omgeving, een somber uitziend man, en droeg hem op, om den +jongeling eene plaats te geven onder het personeel van de hofkeuken. + +Heer Key zag den knaap minachtend aan en gelastte hem op ruwen toon +hem te volgen. In de ruime keuken van het paleis aangekomen, wees hij +hem, welk werk hem te doen viel. Het bestond hierin, dat hij zich ten +allen tijde gereed moest houden om de koks bij hun arbeid behulpzaam +te zijn. Den overigen tijd moest hij besteden met het spoelen van +vaatwerk en het poetsen en schuren der keukengereedschappen. Eene +ongewone bezigheid voor een prins van den bloede! Geen wonder dan +ook, dat het bloed Gareth naar de wangen steeg bij de gedachte, dat +dit zijn werk zou zijn en dat hij een geheel jaar in deze omgeving +zou moeten doorbrengen. Maar meer nog dan dit vooruitzicht ergerde +hem de onheusche toon, waarop Heer Key tot hem sprak. Wel was hij +zoo verstandig, met geen enkel woord te antwoorden op de norsche +bevelen, die hem als 't ware naar het hoofd werden geslingerd, maar +uit zijne saamgeknepen lippen sprak duidelijk genoeg zijne nauwelijks +te verkroppen ergernis. Key scheen die ook te bemerken; hij besloot +althans zijne opdrachten met de woorden: "En pas op, dat ik geenerlei +klachten ontvang over uw optreden tegenover uwe meerderen! Alles, wat +u opgedragen wordt, ook al is het werk niet geheel naar uw zin, zult +gij stipt ten uitvoer brengen. Bij het eerste woord van tegenspraak, +dat mij ter oore komt, zullen wij elkander nader spreken. Weet wel, +met mijne ongenade valt niet te spotten. En nu vooruit, aan het +werk! en vlug ook!" + +"Key, Key!" zoo klonk eene diepe, bedarende stem, "wat vaart gij toch +uit tegen een knaap, die u tot dusverre niets misdaan heeft! Kunt ge +dan niet zien, dat het werk, hetwelk gij hem opdraagt, nieuw voor hem +is en dat hij allerminst gewend is, om op zulk een toon toegesproken +te worden? Matig u toch, zulk een optreden strekt u niet tot eer!" + +"Eer, eer!" gaf Key den binnengetreden ridder ten antwoord: "wat +bazelt gij over eer, Heer Lanceloet! Zou ik niet het recht hebben, +om een ellendigen keukenjongen, een deugniet, die waarschijnlijk het +ouderlijk huis ontvlucht is, op zijne plichten te wijzen? Ik raad u +aan, mij voortaan met rust te laten en eerst eens na te gaan, hoe het +met uwe eigen eer gesteld is!" Dit zeggend, verliet hij met een sarrend +hoongelach het vertrek, op den voet gevolgd door den vreemden ridder, +wiens gelaat, zooals Gareth nog juist gelegenheid had om op te merken, +bij Key's laatste woorden met een diep hoogrood overtogen werd. + +Onze jongeling bleef achter in een toestand van verwarring. Eene +bonte mengeling van indrukken beklemde zijne ziel, maar alle werden +overheerscht door een gevoel van vereering en dankbaarheid voor den +man, die zooeven zijne partij gekozen had. Dat was dus de groote +Lanceloet, over wien hij zijne broeders zooveel had hooren spreken, +welnu, zij hadden niet te veel gezegd van hun held! Welk een edel +gelaat, welk eene nobele gestalte en bovenal: welke eene vriendelijke +gedachte van zulk een hooggeplaatst ridder om voor een armen koksjongen +in de bres te springen! Vol jeugdig vuur nam Gareth zich voor, om in +alles den grooten Lanceloet tot voorbeeld te nemen, daarna begaf hij +zich met een zucht aan zijn werk. + +Een jaar verliep en gedurende al dien tijd diende onze held in de +keukens van het vorstelijk paleis. Het was een harde proeftijd +voor den jongen prins, want het werk viel hem ongewoon zwaar en +de behandeling was somtijds verre van zacht. Toch duurde het niet +lang, of Gareth had zich in zijne nieuwe omgeving vele vrienden +gemaakt. De koks prezen zijne nauwlettendheid en ijver en werden het +liefst door hem gediend, maar ook de andere koksjongens mochten hem +gaarne lijden, daar hij altijd vroolijk was en steeds bereid, hen te +helpen. Wanneer hunne dagtaak ten einde liep en het keukenpersoneel +zich in een wijden kring om den schouw had verzameld, placht Gareth +zijne ruwe makkers te vertellen van het leven in zijn vaderland. Hij +beschreef de nachten, waarin de schippers uitvoeren ter vischvangst, +en de stormen en gevaren, waarmede zij te kampen hadden. Dan luisterden +zijne toehoorders, die voor het meerendeel de zee nooit gezien hadden, +met open mond naar zijne levendige beschrijvingen, tot hij, het praten +moede, hun op zijne beurt tot vertellen drong. Dan kwamen de verhalen +los over de groote tournooien, over de gastmalen en hoffeesten, +welke in het paleis te Camelot gegeven werden en nu was het Gareth, +die gretig toehoorde en niet ophield met vragen. Soms gingen die +vragen boven het bereik zijner eenvoudige vertellers en kreeg hij +dus geen bevredigend antwoord. + +Zoo leerde Gareth van uit zijn nederigen schuilhoek de hofwereld +kennen. Uit de opmerkingen en verhalen der bedienden kreeg hij +een helder inzicht in de karakters der verschillende ridders, nog +vóór hij hen persoonlijk had leeren kennen. Hij hoorde van hunne +vriendschappen en kibbelpartijen, hij wist nauwkeurig te zeggen, +wie van hen de sterksten in het strijdperk en wie de vroolijksten +aan den disch waren. Ook andere, minder gunstige dingen hoorde hij +van hen vertellen. Soms staken de koksjongens de hoofden bijeen +en fluisterden den naam eener schoone, aan wie een der ridders een +nachtelijk bezoek had gebracht. Wanneer zij dan echter Gareth in hun +gesprek wilden betrekken, wilde deze nimmer naar hen luisteren. Hij +begon dan een vroolijk lied te zingen of een lustig deuntje te +fluiten. Aanvankelijk werd hij hierom door zijne makkers gehoond, +maar ten slotte kregen zij eerbied voor zijn optreden en verloren +zelf den lust tot dergelijken lasterpraat. + +De eenige, die Gareth een kwaad hart toedroeg, was Heer Key. Of hij +onwillekeurig gevoelde, dat de knaap zijn meerdere was in afkomst en +beschaving, of het was, dat hij zich ergerde over het onverstoorbaar +goed humeur, waarmede Gareth zijne schimpscheuten verdroeg, zeker +is het, dat hij nooit naliet, den jongeling, waar hij maar kon, te +hinderen. Hij droeg hem het zwaarste en vuilste werk op, had steeds +aanmerkingen op al wat hij deed, kortom, hij scheen het er op aan te +leggen, om Gareth zijn geduld te doen verliezen en een twist met hem +uit te lokken, die hem eene reden zou geven, zich over hem bij den +koning te beklagen. Maar Gareth hield zich goed. Al kookte hij ook +inwendig van woede over Key's onheusche houding en al snakte hij er +naar om hem zijne verachting in het gezicht te slingeren, toch wist +hij zijne uiterlijke kalmte te bewaren. Daarbij besefte hij zeker +niet, hoezeer deze moeilijke les in zelfbeheersching hem later ten +goede zou komen. + + + +_Hoe eene jonkvrouw naar het paleis te Camelot kwam en hoe Gareth +gelegenheid had den koning zijne beide andere gunsten te vragen._ +Eindelijk liepen de twaalf lange maanden ten einde en Gareth zag den +dag naderen, waarop hij de hem toekomende plaats aan het hof zou +kunnen innemen. Toen gebeurde het, dat op een fraaien lentemorgen +eene jonkvrouw de poorten van het vorstelijk paleis binnenreed en +den toegesnelden dienaren beval, haar terstond naar koning Arthur +te geleiden, daar zij den vorst over eene dringende aangelegenheid +wenschte te spreken. + +Het was een der laatste dagen van Gareth's diensttijd en onze held +was bezig met eenig huiswerk in de groote slotzaal, toen de deuren +wijd werden geopend om de vreemde bezoekster binnen te laten. Deze +liep terstond naar den hoek van het vertrek, waar koning Arthur +in gezelschap van eenigen zijner ridders zich bevond en viel luid +jammerend voor den vorst op de knieën. + +Ontsteld boog deze zich voorover om het weenende meisje te doen opstaan +en liet haar plaats nemen op een zetel aan zijne zijde. Eindelijk +had de jonkvrouw zich in zooverre hersteld, dat zij kon spreken en +onder tranen en snikken zeide zij als volgt: + +"Sire! ik ben herwaarts gekomen om de hulp van één uwer ridders in te +roepen voor mijne zuster, Vrouwe Lyonors, die sinds maanden in haar +kasteel belegerd wordt door een boozen roofridder, die bekend staat +als de Ridder der Roode Vlakte. Deze woestaard, die een wanhopigen +hartstocht voor mijne zuster heeft opgevat, zweert dat zij de zijne zal +worden, al moest het beleg jaren duren. Velen van onze ridders hebben +hem tot een tweegevecht uitgedaagd, maar helaas! hij heeft hen allen +verslagen en hunne lijken op de gruwelijkste wijze verminkt. Thans +gaat de mare door het land, dat hij zich wenscht te meten met een +uwer ridders, zij het Lanceloet of Lamorak of een ander, en dat, +wanneer hij er in geslaagd is hem te verslaan, hij zich met geweld +een toegang zal verschaffen tot het kasteel en wat er dan met mijne +arme zuster geschieden zal...." hier brak hare stem en de aandoening +belette haar verder te gaan. + +Diep ontroerd hadden allen naar deze droeve mare geluisterd; onder +hen ook Gareth. Ontzet poogde hij zich den gemoedstoestand in te +denken van die vrouw daarginds, die zich omringd wist door vijanden +en bedreigd door de booze lusten van een ellendeling. Hij zag hoe +de ridders, onder den indruk van het verhaal, onthutst stilzwegen, +dit bracht hem op een denkbeeld, dat hem het bloed naar de wangen +joeg en hem plotseling deed opspringen. Hij snelde naar den koning +toe en riep met luide stem: + +"Heer koning! mijn diensttijd is op enkele dagen na verstreken! Sta +mij toe, dat ik u thans om de beide andere gunsten verzoek, welke +gij mij beloofd hebt!" + +In spanning wachtte hij op het antwoord van zijn vorst en wie +beschrijft zijne blijdschap, toen Arthur sprak: + +"Ik herinner mij onze afspraak. Spreek, wat wenscht gij?" + +"Sire", hernam Gareth, "sta mij toe, deze jonkvrouw te volgen naar +het kasteel harer zuster en de eer uwer ridders hoog te houden +tegenover dien wellusteling, die de veiligheid van Vrouwe Lyonors +bedreigt. Als tweede gunst verzoek ik u, dat ik tot ridder geslagen +mag worden en wel door de hand van den edelsten onder uwe edelen, +Heer Lanceloet. Wanneer deze mij op mijn tocht vergezellen wil, +zal er zich wellicht eene gelegenheid voordoen, om mij die hooge +onderscheiding waardig te keuren." + +Koning Arthur had onder het spreken met welgevallen neergezien op het +gelaat van den jonkman, dat straalde van ijver en edele geestdrift +voor de zware taak, welke hij geheel vrijwillig op zich nam. In het +afgeloopen jaar had de vorst zich nu en dan doen inlichten over het +optreden van den jongen vreemdeling in zijne nederige omgeving en wat +hem daarvan ter oore was gekomen had er niet weinig toe bijgedragen +om den gunstigen indruk, welken hij op het eerste gezicht van den +knaap had gekregen, nog te versterken. Hij was ervan overtuigd, dat de +eenvoudige kleedij, waarin Gareth naar het hof was gekomen, slechts +eene vermomming was en dat er aan zijn verschijnen aldaar een geheim +was verbonden, dat te rechter tijd zou worden opgehelderd. Zonder +aarzelen gaf hij Gareth daarom ten antwoord: "Wanneer gij ten volle +den omvang beseft van de verplichtingen, welke gij door dit verzoek +op u neemt, zoo wil ik u mijne toestemming niet onthouden. Ga daarom +heen, om u voor de reis gereed te maken en moge God u behouden tot +ons doen wederkeeren!" + +Verheugd en dankbaar drukte Gareth een eerbiedigen kus op de hand, +welke Arthur hem toestak, daarop ijlde hij heen, maar nog vóór hij +het vertrek had verlaten, klonk hem een doordringende kreet in de +ooren. Het was de jonkvrouw, die daarin uiting gaf aan hare gevoelens +van afschuw over de handelwijze des konings. Verontwaardigd riep +zij uit: + +"Wat hoor ik, Sire? Wilt gij een knecht, een armzaligen keukenjongen +de taak opdragen, waartoe ik den edelsten onder uwe ridders kwam +oproepen? Is dat uwe hooggeroemde hulpvaardigheid? Beseft gij dan +niet, dat gij mij nog beter zonder hulp kondt wegsturen, dan mij zulk +een geleider mede te geven? O, wat zal die ellendeling daarginds +mij hoonen, wanneer hij hoort, wie de ridder is, die komt om hem +te bestrijden! Mijne arme zuster! Een keukenjongen, gewend om het +braadspit te draaien! Het is te erg! Ik ga heen, vóórdat hij mij +met zijne tegenwoordigheid kan lastig vallen en nooit, nooit keer +ik hier terug!" Dit zeggend, snelde zij met opgeheven handen de zaal +uit. Gareth had niets van dit alles vernomen. Zonder zich te storen +aan wat er achter hem geschiedde, had hij de zaal verlaten om afscheid +te nemen van zijne makkers en zich voor de reis gereed te maken. Zijn +hart was vol dankbaarheid jegens zijn vorst, welke nog toenam, toen +hij bij zijn terugkeer uit de keukens op het voorplein een gezadeld +strijdros en eene volledige wapenrusting vond, die de koning hem als +loon voor zijne trouwe diensten ten geschenke bood. + +Met welk een welgevallen wierp Gareth de donkere kleederen van zich +af, die hem alle vernederingen van het afgeloopen jaar in herinnering +brachten en met welk een schuchteren eerbied kleedde hij zich in +zijne wapenrusting, de eerste, die hij ooit gedragen had. Thans was +hij gereed en onder de juichkreten van zijne vroegere metgezellen +reed hij de slotbrug over. + + + +_Van Gareth's eerste wapenfeiten en hoe hij tot ridder geslagen werd._ +Tevergeefs had Gareth bij het verlaten van het paleis uitgezien naar +de jonkvrouw, wie hij zijne hulp had toegezegd. Thans, nu hij den weg +opreed, welke naar het aangrenzende woud voerde, ontwaarde hij in de +verte hare vluchtende gestalte. Hij drukte zijn paard de sporen in +de zijden en het duurde niet lang, of hij had haar ingehaald. Vóór +hij echter den mond tot spreken kon openen, hief zij met een afwerend +gebaar de hand op en riep uit: + +"Wat ik u bidden mag, zwijg en beleedig mijne ooren niet met uwe +platte taal. Laat het u genoeg zijn, dat ge mij uw onwelkom gezelschap +opdringt, maar spaar mij uwe gesprekken!" + +Gareth was op het punt haar een heftig antwoord te geven, maar hij +bedacht zich nog juist bijtijds. Hoe kon de jonkvrouw ook weten, +dat hij niet inderdaad was, die hij scheen, en hoe zou het hem in +hare plaats te moede zijn, indien hem in stede van een hooggeboren +en dapper ridder een arme keukenjongen als geleide werd medegegeven? + +Op dit oogenblik weerklonk het geluid van naderende hoefslagen +en omziend bemerkte hij een ridder, die in gestrekten draf vanuit +de richting van het paleis hem achterop kwam rijden. Het was Heer +Key. Toen hij de plek genaderd was, waar Gareth hem in alle kalmte +opwachtte, riep hij uit: "Wat beteekent het, dat gij u op dit uur +buiten het paleis bevindt? Weet gij dan niet, dat binnen enkele +uren het middagmaal in de groote zaal moet worden opgediend? Terug, +naar de keuken, daar is uwe plaats, niet hier, in gezelschap eener +edele jonkvrouw!" + +Onder het hooren van deze woorden, brak zich bij Gareth al de +ergernis baan, welke hij een jaar lang had moeten verkroppen. Hij +gevoelde een plotselingen aandrang, om zich thans, nu de gelegenheid +daartoe schoon was, te wreken over al de beleedigingen, welke hij in +de afgeloopen maanden had moeten verdragen. Met gevelde lans stoof +hij Heer Key tegemoet, terwijl hij hem met luider stem toeriep: +"Mijn diensttijd is voorbij, zooals gij zeer wel weet! Van nu af aan +erken ik u niet langer als mijn meerdere, integendeel, ik beschouw u +als den onwellevendsten ridder aan het gansche hof. Wanneer gij met +die beschouwing geen genoegen neemt, laat dan de wapenen beslissen, +wie van ons beiden gelijk heeft." + +Woedend over dezen uitval trok Heer Key zijn zwaard, om den jongeling +voor zijn overmoed te straffen, maar Gareth was hem vóór en eer Key +wist, wat er geschiedde, werd hij uit het zadel gelicht en lag hij +languit op den grond. + +Terwijl Gareth vol voldoening op hem neerzag, trad er iemand tusschen +de struiken te voorschijn. Het was Heer Lanceloet, die van daar uit +het gevecht had gadegeslagen. "Flink zoo! wakkere vriend!" riep hij +uit, "die zege hebt gij ruimschoots verdiend, en voor Heer Key zal +het eene les zijn, die hem heugen zal! Van den koning vernam ik, +dat gij door mij tot ridder wenscht geslagen te worden. Wat dunkt u, +is het thans geene geschikte gelegenheid, om tot die plechtigheid +over te gaan? Door uw koenen durf van zooeven, maar nog meer door +uwe maandenlange zelfbeheersching en plichtsbetrachting hebt ge die +onderscheiding ten volle verdiend!" + +Het is te begrijpen, dat onze jonge held vol vreugde het voorstel van +Heer Lanceloet aannam en weinige oogenblikken daarna legde hij in de +koele stilte van het woud de plechtige gelofte af, waardoor hij zich +verbond, de drie ridderdeugden: mildheid, hoffelijkheid en eerbaarheid +onder alle omstandigheden des levens getrouw te zullen betrachten. + +Niemand hoorde zijne getuigenis, behalve Heer Lanceloet en de +jonkvrouw, welke laatste hem op eenigen afstand met minachting +gadesloeg, maar voor onzen held was zijne gelofte desondanks even +heilig en bindend als wanneer hij ze in eene volle zaal, ten aanhoore +der gansche hofhouding, had afgelegd. + +Toen Lanceloet hem met de punt van zijn zwaard tot ridder geslagen +had en de plechtigheid hierdoor was beëindigd, nam hij afscheid van +onzen held en keerde naar het paleis terug. + +Gareth wendde zich tot de jonkvrouw en verzocht haar hem de richting +te wijzen, welke zij moesten volgen, maar bij het eerste woord, dat +hij tot haar richtte, hield ze spottend hare vingers in de ooren, +terwijl zij uitriep: + +"Zwijg, Heer keukenridder! Heb ik u niet verzocht om mij niet lastig te +vallen met uwe gesprekken? Meent gij, dat gij thans, nu Heer Lanceloet +u tot ridder heeft geslagen, mijn gelijke zijt geworden? Vlei u niet, +in mijne oogen blijft gij, die gij waart, een keukenjongen, die thuis +behoort onder koks en hunne maats!" + +Gareth zweeg, maar hij moest zich op de lippen bijten om zijn geduld +niet te verliezen. Toch gelukte het hem kalm te blijven en onder een +drukkend stilzwijgen vervolgden de beiden hunne reis. + +Tegen den middag kwamen zij aan eene open plek in het bosch, waar +een bloeiende haagdoorn groeide. Tusschen de bloesems hing een +zwart schild en daarnaast wapperde een zwarte banier. Tegen den +stam leunde eene scherpgepunte speer en achter den boom bemerkte +Gareth een groot zwart paard, dat in onbewegelijke houding stond te +wachten. Vol verbazing zag onze held naar dit alles, maar plotseling +deinsde hij verschrikt achteruit, toen daar uit het struikgewas de +gestalte van een reusachtigen ridder te voorschijn sprong. Deze was +van het hoofd tot de voeten in eene dof-zwarte wapenrusting gekleed, +ongetwijfeld behoorden de wapenen daar ginds bij den boom hem toe. In +een oogwenk was de Zwarte Ridder op het paard gesprongen, had het +schild en de speer ter hand genomen en kwam in dreigende houding op +Gareth af. Nog vóór hij hem echter bereiken kon, stuurde de jonkvrouw +haar paard tusschen de beide ridders in en riep den vreemdeling toe: + +"Bezin u wel, Heer ridder, alvorens gij u met dezen knaap in het +gevecht begeeft! Zeker meent gij in hem een ridder der Tafel Ronde te +zien! Welnu dan, ik zeg u, dat hij niet waard is, door u bestreden +te worden, want hij is niets meer dan een armzalige koksjongen uit +de keukens van het koninklijk paleis!" + +De vreemde ridder barstte uit in een spottenden schaterlach. "Een mooi +geleide voorwaar!" riep hij uit, "voor eene jonkvrouw als gij! Als +gij mijn raad wilt aannemen, keer dan terug naar het hof en haal u +een anderen metgezel. Wat dezen knaap betreft, ik zal mij vergenoegen +met hem te ontwapenen. Het ware jammer, om den koks van koning Arthur +zulk een wakkeren steun te ontnemen!" + +Thans was het gedaan met de zelfbeheersching van onzen held. Het bloed +kookte hem in de aderen van woede en schaamte over den hoon, die hem +werd aangedaan. Met vaste hand greep hij zijn zwaard, rende op den +Zwarten Ridder toe en nog vóór de lach op diens lippen bestorven was, +had onze held hem met een geweldigen zwaardslag den schedel doorkliefd. + +Toen steeg hij van zijn paard, ontdeed zijn vijand van diens +wapenrusting en verwisselde die met de zijne. Daarna sprong hij +opnieuw in het zadel en beduidde de jonkvrouw met een kort handgebaar +om haren weg te vervolgen. + +Deze had stilzwijgend het gebeurde gadegeslagen; de uitdrukking van +trotsche minachting op haar gelaat had plaats gemaakt voor een blik +van ontzetting over het vreeselijk einde van den Zwarten Ridder; +tevens kon zij een gevoel van bewondering voor den koenen moed van +den jongeling nauwelijks onderdrukken. Dit gevoel duurde echter niet +lang en vóór zij verder reden, voegde zij Gareth op smalenden toon toe: + +"Gij meent zeker, thans aanspraak te kunnen maken op den naam van held, +nu gij den Zwarten Ridder bij verrassing verslagen hebt! Maar dit +zeg ik u, er wachten u nog gansch andere gevaren! Deze ridder, dien +gij op zulk eene wreede wijze overrompeld hebt, heeft twee broeders: +één van hen is de ridder, die mijne zuster in haar kasteel belegert; +in den strijd met hem zult gij stellig het onderspit delven! De +vraag is echter of gij het ooit zoover brengen zult, dat gij u met +hem in het gevecht begeeft, want de andere broeder, de Groene Ridder, +doolt hier in den omtrek rond en zal den dood van zijn broeder niet +ongewroken laten. Daarom raad ik u aan, alsnog naar het hof terug te +keeren en uw vroeger bedrijf weer op te vatten!" + +"Vrouwe", antwoordde Gareth, "uwe woorden kunnen mij niet deren! Zij +gelijken op een zwerm kwade vliegen, die zich neerzetten op den rug +van mijn paard en het trachten te steken, maar die het dier met eene +enkele beweging van zich afslaat. Op dergelijke wijze schud ik uwe +booze woorden van mij af. In uw hart weet gij, dat ge mij onrecht +aandoet door zoo te spreken en eens zal er een oogenblik komen, dat +gij spijt zult gevoelen, mij zoo behandeld te hebben. Thans bid ik u, +voort te rijden en mij den weg te toonen naar het slot uwer zuster." + +Opnieuw reden zij eenigen tijd zonder spreken naast elkander voort, tot +zij bij het vallen van den avond bij eene kromming van den weg werden +staande gehouden door een ridder te paard, die geheel in het groen +was gekleed. Toen hij Gareth in zijne zwarte wapenrusting bemerkte, +wilde hij vol vreugde op hem toe ijlen, denkend, dat het zijn broeder +was, maar Lynette, zoo heette de jonkvrouw, stak waarschuwend hare +hand omhoog en riep uit: + +"Vergis u niet, edele Heer! De man, dien ge vóór u ziet, heeft uw +broeder, den Zwarten Ridder, gedood en zich in diens wapenrusting +gestoken om uwe wraak te ontkomen. Spaar hem niet, bedenk, dat hij +uw broeders moordenaar is!" + +De Groene Ridder had geen verdere aansporing noodig. Met een kreet +van toorn stormde hij op Gareth los, maar deze was op zijn aanval +voorbereid en wist met eene behendige zwenking van zijn paard zijn +zwaardslag te ontwijken. Daarop viel hij op zijne beurt aan en weldra +waren de beiden in een heet gevecht gewikkeld. + +Na een langen strijd gelukte het Gareth zijn tegenstander diens +wapenen uit de hand te slaan. De Groene Ridder stak beide handen +omhoog en smeekte om genade, maar Gareth, die opgewonden was door +den gunstigen afloop van het gevecht, riep uit: + +"Slechts onder ééne voorwaarde wil ik u het leven schenken en die is, +dat de jonkvrouw Lynette mij dit als eene gunst verzoekt. Weigert +zij zulks te doen, dan zijt gij een kind des doods." + +Lynette ontstak in hevige verontwaardiging. "Ik u iets verzoeken?" riep +zij uit; "nimmer zal ik dat doen! Alles wil ik doen, om het leven van +dezen ridder te sparen, maar dat nooit, neen nooit!" Maar toen zij zag, +dat het Gareth ernst was met wat hij zeide en dat hij zijn zwaard reeds +omhoog hief om den Groenen Ridder den genadeslag toe te brengen, kreeg +haar gevoel van medelijden de overhand boven haar trots en sprak zij: + +"Welnu dan, het zij zoo! Ik verzoek u als eene persoonlijke gunst het +leven van dezen ridder te sparen." Na deze woorden gesproken te hebben, +wendde zij zich af en verborg het schaamrood gelaat in hare handen. + +Vol vreugde over zijne redding dankte de Groene Ridder Gareth voor +zijne genade en verzocht hem en zijne gezellin den nacht in zijn +kasteel door te brengen. Gaarne namen zij zijne uitnoodiging aan en na +een verkwikkenden slaap begaven zij zich den volgenden morgen versterkt +en uitgerust op weg. Het kasteel van Vrouwe Lyonors was nu nog slechts +eene dagreis verwijderd van de plaats, waar zij zich bevonden, en zij +hadden hoop het reeds den daaropvolgenden morgen te kunnen bereiken. + +De dag verliep zonder verdere avonturen en toen de avond begon te +vallen betraden zij het gebied van Lyonors. + +Op aanraden van Lynette zochten zij een onderkomen in de woning van +een kluizenaar, wien Lyonors een ruimen voorraad spijzen en dranken +had doen toekomen om haren bevrijder, indien hij mocht komen, te +laven en voor den komenden strijd te sterken. + +Het vooruitzicht van den op handen zijnden strijd belette Gareth om +lang te slapen en reeds vóór het krieken van den dag was hij bezig, +zijne wapenen na te zien, of alles voor het gevecht in orde was. Ook de +jonkvrouw was vroeg uit de veeren en na een haastig ontbijt verlieten +de beiden de eenzame kluis. + +Na eenige uren rijdens rezen de tinnen van een statig ridderslot op +eenigen afstand voor hen op en weldra betraden zij de vlakte, welke +zich aan den voet van het slot uitstrekte. Daar trof een vreeselijk +schouwspel hun oog. + +In de vlakte waren vele tenten opgeslagen, welke tot huisvesting +moesten dienen aan het leger van den Rooden Ridder en aan de boomen, +die daar omheen groeiden, hingen--O schrik!--de afschuwelijk verminkte +lijken van een aantal ridders. + +Vol ontzetting vroeg Gareth de jonkvrouw naar de beteekenis van +dit afgrijselijk schouwspel, waarop Lynette hem op half spottenden, +half medelijdenden toon ten antwoord gaf: + +"Heer, het zijn de lijken van uwe voorgangers, ridders, die, evenals +gij, getracht hebben om mijne zuster te bevrijden. Ge ziet, hoe het +hun daarbij vergaan is. Wat dunkt u, hebt ge nog moed om uwe kans +te wagen?" + +Gareth aarzelde geen oogenblik, maar vroeg zijne gezellin kortaf om hem +te wijzen, waar de Roode Ridder zich bevond. Toen bracht Lynette hem +naar een wilden vijgeboom, in welks knoestige takken een reusachtige +hoorn hing, en verzocht hem hierop te blazen. + +Gareth deed zulks en reeds bij den eersten hoornstoot vulden +de wallen van het kasteel zich met vrouwen en ridders, die in +angstige spanning omlaag zagen, om den nieuwen strijder voor hunne +bevrijding te aanschouwen. In een der hoofdtorens van het kasteel +werd een venster geopend en op een kreet van Lynette richtte Gareth +zijne oogen daarheen. En ziet--voor het venster vertoonde zich +eene vrouwengestalte, die zich in blijkbare spanning vooroverboog +en Gareth recht in het gezicht zag. Bij het aanschouwen van dit +bekoorlijk gelaat maakte eene ongekende ontroering zich van Gareth +meester. Al zijne vernederingen en krenkingen waren vergeten, hij +staarde en staarde naar dit lieflijk gelaat, en kon zich maar niet +verzadigen aan den aanblik van die schoone oogen, die hem zoo angstig +smeekend aanzagen. Plotseling werd hij zich met een schok bewust, +dat dit de geliefde moest zijn uit zijne jongelingsdroomen, die zijne +wenschen naar liefde en geluk zou verwezenlijken en die datgene, +wat hem tot nu toe slechts in vage, zoete droomen had voorgezweefd, +tot wonderschoone werkelijkheid zou maken. Zóózeer was de jongeling +verdiept in de aanschouwing der schoone vrouwe, dat hij geheel vergat, +welk een zware strijd hem wachtte, alvorens hij zich tot haar kon +begeven. Een luide uitroep van Lynette riep hem tot de werkelijkheid +terug en zich omwendend zag hij uit een der tenten een ridder te +voorschijn treden, gekleed in eene bloedroode wapenrusting en voorzien +van een schild en speer van diezelfde kleur. De ridder daagde hem op +ruwen toon uit tot een tweegevecht op leven en dood, maar gebood hem, +zich vooraf bekend te maken. + +Toen was het lang verbeide oogenblik gekomen, dat Gareth zich in zijne +ware gedaante mocht vertoonen. Zijn blik gleed langs het gelaat van +Lynette, waarop de hem bekende uitdrukking van minachting zetelde, +toen zag hij omhoog naar Lyonors en riep met luider stem, zoodat ook +de slotbewoners het hooren konden: + +"Mijn naam is Gareth, ik ben de zoon van koning Lot, die heerscher +is over de Orcadische eilanden. Ik ben herwaarts gekomen om Vrouwe +Lyonors te bevrijden, daar het de plicht is van ieder ridder om de +zwakken in den nood bij te staan. Ik beschuldig u van verzaking uwer +ridderplichten en bedreiging van vrouweneer. Die beschuldiging zal +ik met kracht van wapenen staven!" + +Hierop begon het gevecht, dat in hevigheid alle voorgaande gevechten, +welke de Roode Ridder gevoerd had, overtrof. Met al de kracht van zijne +frissche jeugd wierp Gareth zich op zijn tegenstander en, mocht deze +hem al in lichaamsgrootte en kracht overtreffen, zoo behaalde onze held +menig voordeel door zijne meerdere vlugheid. Daarbij was het gevoel, +onder de oogen zijner geliefde te strijden, hem eene aansporing te +meer om zich tot het uiterste in te spannen en de gedachte aan het lot, +dat haar bedreigde, wanneer hij in den strijd het onderspit zou delven, +schonk hem eene schier bovenmenschelijke kracht. + +Toen het gevecht eenigen tijd had geduurd, begon de Roode Ridder +teekenen van vermoeidheid te vertoonenen zoodra Gareth dit bemerkte, +verdubbelde hij zijne krachtsinspanning. Toen zijn tegenstander kort +daarop zijn schild ophief om een zwaardslag van Gareth, welke op zijn +hoofd gericht was, af te weren, maakte onze held hiervan gebruik om hem +met de linkerhand zijne scherpe speerpunt in de zijde te drukken. Met +een kreet van pijn liet de Roode Ridder zijn schild uit de hand vallen +en verklaarde zich overwonnen. + +Welk eene vreugde! Van de muren van het kasteel schalden de +juichkreten, de poorten werden geopend, de breede slotbrug werd +neergelaten en eene blijde menigte volks kwam Gareth tegemoet, toen hij +zich aan de hand van Lynette naar den ingang van het slot begaf. Het +jonge meisje had hem onder een stortvloed van tranen haar leedwezen +betuigd over haar gedrag en hem gesmeekt haar te willen vergeven, +maar onze held luisterde nauwelijks naar wat zij zeide. + +Bevend van spanning verzocht hij haar hem naar hare zuster te brengen +en zoo gingen zij te zamen de brug en het slotplein over en naderden de +hoofddeur van het kasteel. Daar werden de wijde vleugeldeuren geopend +en naar buiten trad de schoone slotvrouwe, die met betraande oogen +en uitgestrekte handen op Gareth toekwam. Toen zij hem zag in al den +bloei zijner mannelijke schoonheid en in zijne oogen de bewondering +las, die hij voor haar gevoelde, ontvlamde wederkeerig in haar hart +de liefde voor dezen jongen held, die haar door zijne dapperheid voor +een vreeselijk lot bewaard had. + +Eenige dagen later werd hunne verloving gevierd en te zamen keerden +zij kort daarop terug naar het hof des konings. De laatste had +intusschen uit een schrijven van zijne zuster, koningin Morgawse, +vernomen, wie de jongeling was, die hem in de afgeloopen maanden zoo +trouw had gediend. Geen wonder dus, dat de terugkomst van onzen held +met spanning door het gansche hof werd verbeid. + +Toen hij als overwinnaar terugkeerde en nog wel met eene schoone +bruid aan zijne zijde, kende de algemeene vreugde geene grenzen. + +Weldra werd het huwelijk tusschen het jonge paar voltrokken en op +dienzelfden dag werd Gareth plechtig opgenomen onder de ridders der +Tafel Ronde. Thans waren zijne stoutste droomen verwezenlijkt: liefde +en eer, geluk en aanzien waren zijn deel geworden. Lange jaren brachten +hij en zijne schoone gemalin in vrede en voorspoed door aan het hof +van koning Arthur. Hij bewees zijn vorst in den loop der jaren vele en +gewichtige diensten, onderscheidde zich in menig gevaarvol avontuur, +maar nooit vergat hij zijn proeftijd aan het hof, noch zijn eersten +tocht als ridder naar het kasteel van Lyonors. + + + + + +INLEIDING TOT DE SAGE VAN EREC EN ENIDE. + + +De eerste vorm, waaronder deze sage hare intrede heeft gedaan in +de Middeleeuwsche letterkunde, was een gedicht van Chrétien de +Troies. Omstreeks het jaar 1160 schreef deze zijn "Erec", dat als +het oudste bestaande dichtwerk van zijne hand voor ons bewaard is +gebleven. De dichter zegt als bron te hebben gebruikt een "conte +d'aventure", dus een verhaal, dat hem bij monde van een reizend +zanger of speelman ter oore was gekomen. Op deze "estoire" beroept +hij zich eenige malen, maar toch moeten wij aannemen, dat de sage in +hoofdzaak eene oorspronkelijke schepping van den dichter is geweest, +al mag hij er hier en daar eene episode uit een reeds bestaand verhaal +doorheen geweven hebben. + +Van het werk van Chrétien de Troies werden in de Middeleeuwen drie +dichterlijke bewerkingen gemaakt. Als eerste dient genoemd het +Middel-Hoogduitsche gedicht: "Erec", geschreven in de 13e eeuw door +Hartmann von Aue, denzelfden dichter, die ook Chrétien's "Yvain" +vertaalde. [40] Terwijl Hartmann zich in laatstgenoemde bewerking +slechts enkele kleine wijzigingen veroorlooft, vertoont zijn "Erec" +daarentegen groote oorspronkelijkheid in de behandeling van het +Fransche gegeven. Dit wordt door Prof. W. Foerster, den bekenden +uitgever van Chrétien's gedichten, hierdoor verklaard, dat Hartmann +bij de bewerking van "Yvain" niet geheel naar zijn eigen wil heeft +gewerkt, maar om de een of andere reden zich heeft moeten schikken +naar den wensch van een vriend of beschermheer, die een getrouwer +beeld van het Fransche gedicht verlangde, dan de dichter indertijd van +"Erec" had gegeven. + +Als tweede bewerking noemen wij de Noorsche "Erex-saga", die dagteekent +uit de 14e eeuw en die behoort tot den kring van Noorsche vertalingen, +welke vervaardigd werden op last van Eufemia, gemalin van koning +Haakon, in het begin der 14e eeuw. + +In "Germania" XVI, bld. 382-414, vinden wij eene studie van E. Kölbing, +waarin voor de eerste maal de verhouding tusschen het Noorsche gedicht +en dat van Chrétien nauwkeurig onderzocht wordt. De schrijver komt dan +tot de slotsom, dat de Erex-saga over 't algemeen als eene getrouwe +navolging van het Fransche dichtwerk kan worden beschouwd. Op sommige +plaatsen evenwel stemt de loop der gebeurtenissen niet overeen +met die in Chrétien's vertelling, maar wel met die in Hartmann's +werk. Daaruit wil Kölbing afleiden, dat de Erex-saga en het Duitsche +gedicht weliswaar op Chrétien's werk berusten, maar dat voor deze +beide vertalingen een ander handschrift gebruikt werd dan hetgeen men +thans gewoonlijk voor de kennismaking met den Franschen "Erec" benut. + +Behalve de beide genoemde bewerkingen treffen wij de geschiedenis +van Erec en Enide ook aan onder de verhalen van den Mabinogion, de +reeds meermalen genoemde Keltische sagenverzameling, welke eveneens +eene bewerking van "Yvain" bevat. Onze sage verschijnt in de bekende +Engelsche vertaling van Lady Charlotte Guest onder den titel "Geraint, +the Son of Erbin." De naam Geraint heeft een bekenden klank in de oude +letterkunde van Wallis, hij komt voor in de Triaden, waar de drager +een beroemd zeeheld is, zelfs vinden wij melding van een heilige van +dien naam. + +Evenals bij de beide andere verhalen [41] uit den Mabinogion, welke +overeenstemmen met gedichten van Chrétien de Troies, bestaat ook in het +geval van de Erec-sage bij de geleerden verschil van meening omtrent +de verhouding tusschen de vertelling, zooals zij in den Mabinogion +voorkomt en het overeenstemmende Fransche gedicht. + +De Duitsche geleerden, onder aanvoering van Foerster, Zimmer en Golther +houden vol, dat de drie bovenbedoelde verhalen in den Mabinogion wel +degelijk te beschouwen zijn als vertalingen van Chrétien's gedichten, +[42] Gaston Paris daarentegen tracht in Romania XX, 1891, bld. 148-166, +aan te toonen, dat de schrijver van deze verhalen behalve Chrétien +nog eene andere Fransche bron voor zijn werk gebruikt moet hebben. + +Hoe het ook zij, de geschiedenis van Erec en Enide, zooals wij die in +den Mabinogion aantreffen, maakt op den lezer een geheel anderen indruk +dan het Fransche verhaal. Alles wat naar hoofsche sier en fijnere +beschaving zweemt, heeft de schrijver van het proza-verhaal zorgvuldig +ter zijde gelaten, ook zijn alle gevoelsuitingen en beschrijvingen uit +de vertelling verdwenen. Zelfs het hoofdthema, dat in het Fransche +gedicht bestaat in den strijd tusschen liefde en riddereer in het +hart van den held, is hier geheel verschillend: Erec's handelwijze +wordt verklaard door een nieuw motief, dat der jaloezie, waarvan in +het oorspronkelijke werk geen sprake is. Dit motief vinden wij terug +in Alfred Tennyson's vertolking van de Erec-sage, welke onder den +titel van "Geraint and Enid" (in de uitgave van 1888 gesplitst in: +"The Marriage of Geraint" en "Geraint and Enid") deel uitmaakt van +zijne Koningsidyllen. De geschiedenis wordt hier weergegeven, zooals +wij haar vinden in het Mabinogion-verhaal, alleen het laatste avontuur: +"de Vreugde van het Slot", ontbreekt; in Tennyson's gedicht keeren +Erec en Enide na het gebeurde in het kasteel van Limors zonder +verder oponthoud naar het hof van koning Arthur terug. Nu wordt +dit laatste avontuur in het Mabinogion-verhaal ook eenigszins vaag +en onduidelijk geteekend en schijnt daardoor, meer nog dan in het +gedicht van Chrétien, los te staan van de rest der vertelling. Toch +is dit slechts in schijn het geval en is het avontuur wel degelijk van +beteekenis voor den samenhang van het geheel. Erec neemt er aan deel, +onmiddellijk na zijne verzoening met Enide, als wilde de dichter ons +een overtuigend bewijs leveren van de vrijheid van handelen, welke +het nauwelijks herwonnen geluk den held moet blijven veroorloven en +ook werkelijk veroorlooft. + +Alvorens op de sage zelve nader in te gaan, dient hier nog melding +gemaakt van de proza-bewerking, uit de 15e eeuw, vervaardigd in den +kring van het Bourgondische hof in Vlaanderen. Ook het bestaan van +eene bewerking uit dien kring is een punt van overeenkomst tusschen +de Erec-sage en die van Yvain. + +Niet alleen echter in de lotgevallen der beide sagen, ook in +het wezen der legenden zelve, vertoonen deze twee verhalen groote +overeenkomst. Beide behandelen hetzelfde gegeven: dat, wat Hartmann +von Aue in zijne Erec-vertaling het "Verliegen" noemt, n.l.: de +verwaarloozing der ridderplichten terwille van de liefde voor eene +vrouw. Hoe het kwam, dat dit vraagstuk zoozeer de aandacht van den +dichter trok, bespraken wij reeds in de Inleiding tot de Sage van +den Leeuwenridder. + +Volgens Gaston Paris bestond reeds in de 12e eeuw bij de Kelten in +Wales de vrees voor eene te groote macht der vrouw in het leven van den +ridder, die zoodoende uit liefde voor haar zijne plichten zou kunnen +verzuimen. Indien deze bewering waarheid bevat, kan dus de Erec-sage, +zooals Paris ons wil doen gelooven, ontstaan zijn in eene Keltische +samenleving en door de Bretonsche zangers zijn overgebracht naar de +Fransche hofwereld, waar zij de aandacht heeft getrokken van Chrétien +de Troies, die het verhaal heeft aangepast aan de minder ruwe zeden +van zijn tijd en er een gedicht van gemaakt heeft, met toevoeging +van vele nieuwe bestanddeelen. + +Professor W. Foerster daarentegen is hieromtrent eene gansch +andere meening toegedaan. Volgens hem zijn de begrippen van het +"Verliegen"--alsook van de innige, echtelijke liefde tusschen held en +heldin--zuiver Fransche bestanddeelen, die slechts door een Fransch +dichter als Chrétien aan het verhaal kunnen zijn toegevoegd. Volgens +hem waren deze beide voorstellingen den Kelten geheel vreemd, eene +stelling welke derhalve in lijnrechte tegenspraak is met die van +Paris. Wel vinden wij hetzelfde thema reeds vóór het ontstaan van +"Erec" behandeld in den "Roman d' Alexandre", maar ook in de figuur +van den Macedonischen held wordt het ideaal van een Fransch ridder uit +dien tijd geteekend. [43] Volgens Foerster dient dus aan Chrétien in de +vervaardiging van zijn "Erec" de grootst mogelijke oorspronkelijkheid +te worden toegekend. + +Waar nu zooeven werd gezegd, dat de beide gedichten: "Erec" en +"Yvain" gewijd zijn aan eene beschouwing van hetzelfde vraagstuk, +zoo dient hier terstond te worden vastgesteld, dat de oplossing +daarvan in het eerstgenoemde werk geheel verschillend is van die in +het latere gedicht. + +In "Erec" moet de liefde zich buigen voor de gemeenschapsplichten +van den held. De vrouw is de teeder liefhebbende echtgenoote, wier +wil onderworpen is aan dien van haren man. Erec is en blijft de +meester. Wanneer hij inziet, hoezeer hij Enide heeft miskend, komt +het niet bij hem op, zich voor haar te verootmoedigen; zelfs op het +oogenblik, dat hij innig berouw gevoelt over zijn hardvochtig optreden, +spreekt uit zijne woorden een zeker gevoel van meerderheid. Trots en +heerschzucht zijn de hoofdtrekken van zijn karakter; wanneer Enide, +die hij toch oprecht liefheeft, hem mededeelt, hoezeer men hem om +zijne overgroote liefde voor haar bespot en veracht, weet zijn +gekrenkte hoogmoed voor eene wijle alle gevoelens van liefde en +teederheid uit zijn hart te verbannen en is hij zelfs in staat tot +grove en onridderlijke handelwijzen. Daarom zijn wij ook de meening +toegedaan van Myrrha Borodine, die in haar werk, getiteld: "La Femme +dans l'Oeuvre de Chrétien de Troyes" betoogt, dat nòch het motief +der jaloezie, dat door Gaston Paris [44] en Ferdinand Lot [45] wordt +verdedigd, nòch dat der "mésalliance", hetwelk in Hartmann's vertaling +meer naar voren wordt gebracht en dat ook door Foerster in de Inleiding +tot zijne Erec-uitgave met klem wordt bepleit, aan Erec's handelingen +ten grondslag kunnen liggen. Volgens Myrrha Borodine zijn Erec's +houding tegenover Enide, zijn vertrek uit zijns vaders slot en zijn +gedrag nadien, alleen te verklaren uit een gevoel van diep gekrenkten +trots. Eerst wanneer de wonde, die Enide's woorden hem geslagen hebben, +geheeld is door de overtuiging, dat hij inderdaad de held gebleven is, +die hij was, en dat hij nog in staat is een ieders eerbied, ook dien +van zijne vrouw, op te wekken, wijkt de bitterheid uit zijn hart, +om plaats te maken voor de zachtere gevoelens van liefde en vertrouwen. + +In "Yvain" nu is, zooals wij gezien hebben, [46] de oplossing van +het vraagstuk eene gansch andere, men zou bijna zeggen, dat de +slotsom, waartoe de dichter komt, juist tegenovergesteld is aan +die in "Erec". In "Yvain" zegeviert de vrouw en in haar de liefde +over den trots van den man. Deze laatste poogt weliswaar zich los te +maken van de banden, die hem aan de schoone Laudine gebonden houden, +ten einde opnieuw zijn vroeger leven op te vatten, maar weldra ziet +hij in, dat hij niet zonder zijne geliefde kan leven. Na een zwaren +beproevingstijd keert hij tot haar terug, als een ootmoedig zondaar +valt hij voor haar op de knieën en voortaan zal, zoo voelen wij, +haar wil de wet zijn, waaraan hij zijn leven zal onderwerpen. + +Wanneer wij ons de vraag stellen, welke van deze beide opvattingen zich +het meest in de gunst des dichters kon verheugen, behoeven wij niet +lang te aarzelen. Uit de wijze, waarop hij de karakters der beide +heldinnen teekent, spreekt zoo duidelijk mogelijk zijne voorkeur +voor de persoonlijkheid van Enide. Zij is in de oogen des dichters +de ideale vrouw, teeder en zachtmoedig, maar met een ondergrond van +kracht en rechtgeaarde fierheid, die tot uiting komen, wanneer zij +in het kasteel van Limors hare eer bedreigd ziet. + +Zooals reeds eerder vermeld werd, is "Erec" het eerste gedicht +van Chrétien de Troies, dat voor ons in handschriften bewaard is +gebleven. Het aantal dezer handschriften is zeven. Over den tijd +van ontstaan is in het gedicht geenerlei aanwijzing te vinden, +zelfs ontbreekt elke toespeling op tijdgenooten of gelijktijdige +gebeurtenissen. Wij kunnen dus de plaats, welke "Erec" inneemt +onder de dichtwerken van Chrétien, slechts vaststellen aan de hand +van toespelingen daarop, voorkomende in zijne andere gedichten. Deze +toespelingen zijn echter zóó duidelijk, dat er over dit punt geenerlei +twijfel bestaat en wij "Erec" zonder aarzelen kunnen rangschikken +tusschen den verloren geganen "Tristan" en "Cligés". Dat het dichtwerk +bij de tijdgenooten van den schrijver in den smaak is gevallen, +staat vast; als bewijs daarvoor dienen de vele navolgingen van +en toespelingen op de sage, welke wij in andere werken van dien +tijd aantreffen. De naam van den held komt voor in verscheidene +Arthurromans, zooals in: "Durmart", "Fergus", "Desconnus", "Claris" +etc. In andere ridderverhalen vinden wij zelfs geheele episodes uit +onzen roman opgenomen, zoo komt het verhaal van den dwerg met zijne +zweep voor in "Fergus", "Meraugis", "Meriaduc" en andere, de jacht +op het witte hert wordt genoemd in "Fergus" en in "Raguidel", de +sperwer-episode in "Meraugis", "Desconnus" en "Durmart". Het avontuur +van de Vreugde van het Hof [47] vinden wij op plompe wijze nagebootst +in "Meraugis" en in "Rigomer". + +De naam Erec vindt volgens professor Zimmer zijn oorsprong in het +Germaansche Euric, volgens Gaston Paris daarentegen stamt hij af +van het Bretonsche Weroc, een naam, welke gedragen werd door een +der voornaamste Britsche hoofden, die zich in de 5e eeuw in Bretagne +kwamen vestigen. + + + + + +DE SAGE VAN EREC EN ENIDE. + + + "O purblind race of miserable men + How many among us at this very hour + Do forge a life-long trouble for ourselves, + By taking true for false, or false for true." + + (Alfred Tennyson: "Geraint and Enid"). + + +_Hoe koning Arthur en zijne ridders op jacht gingen naar het witte +hert en wat er dien dag verder geschiedde._ Het was aan den vooravond +van het Paaschfeest. Koning Arthur hield hof te Cardigan in Wallis +en de ridders van de Tafel Ronde hadden met hun gevolg hun intrek +genomen in het vorstelijk paleis, om aldaar gezamenlijk het feest der +Opstanding te vieren. Toen men des avonds in wijden kring bijeenzat, +om te bespreken, op welke wijze men de komende dagen zou doorbrengen, +kwam een der jagermeesters des konings de zaal binnentreden met het +bericht, dat in de wouden rondom de stad een wit hert van buitengewone +schoonheid was ontdekt. Terstond besloten de ridders eene poging te +wagen om dit zeldzame wild te vangen en koning Arthur liet tegen den +volgenden morgen een jachtrit uitroepen, waaraan een elk, die lust +daartoe gevoelde, kon deelnemen. Tevens verklaarde hij, dat degene, +die erin slaagde het hert te dooden, tot belooning het recht zou +verkrijgen, om de schoonste vrouw van het hof een kus te geven. + +Walewein wees hem op het gevaar, dat deze belofte inhield. "Nijd +en afgunst zullen het gevolg zijn van een dergelijk besluit", sprak +hij, "immers, er is geene enkele vrouw aan het hof, of zij bezit een +echtgenoot, vader of broeder om hare aanspraken op die onderscheiding, +desnoods met kracht van wapenen, te doen gelden. Geen uwer ridders +zal dulden, dat eene andere vrouw dan de zijne, verklaard wordt de +schoonste te zijn!" De koning echter kon zijn eens gegeven woord niet +herroepen en zoo bleef zijne belofte van kracht. + +Gedurende het overige deel van den avond heerschte er onder de ridders +en hovelingen groote bedrijvigheid, om alles voor de komende jacht +in gereedheid te brengen. Temidden der toebereidselen trad koningin +Ginevra op haren echtgenoet toe en vroeg hem vergunning, om hem op +dien tocht te vergezellen. Dit werd haar gaarne toegestaan en verheugd +begaf de vorstin zich ter ruste, om den volgenden morgen vroegtijdig +bij de hand te kunnen zijn. + +Bij het eerste morgenkrieken verliet Arthur zijne legerstede en maakte +zich voor den rit gereed. De koningin sluimerde echter nog zoo rustig, +dat haar gemaal het niet over zich kon verkrijgen, haar te wekken. Hij +gaf hare kamervrouwen last, haar niet te storen en verliet in alle +stilte het vertrek, om zich met zijne ridders op weg te begeven. + +Eenige uren later ontwaakte Ginevra uit haren diepen slaap door een +zonnestraal, die door het venster juist op haar gelaat viel. Even +bleef zij liggen in dien toestand tusschen droomen en waken, waarin het +besef van wat er gedurende den vorigen dag is geschied, langzaam tot +den geest terugkeert. Zoo drong ook de herinnering aan den voorgenomen +jachtrit allengs tot haar brein door en, nu zij geheel ontwaakt was, +trof haar de ongewone stilte, die in het paleis heerschte. Verschrikt +rees zij overeind. Zou zij te lang geslapen hebben en zich daardoor +het genot ontzegd zien van de vroolijke jacht, waar zij zich zóó +op verheugd had? Hare kamervrouwen bevestigden haar vermoeden en +vertelden haar, dat de koning zelve bevel gegeven had, hare rust +niet te storen. Verdrietig over deze teleurstelling besloot Ginevra +zich in aller ijl naar het woud te begeven, in de hoop ten minste +bij het einde der jacht tegenwoordig te kunnen zijn. Zij beval hare +dienaressen haar zoo snel mogelijk bij het kleeden behulpzaam te zijn +en al zeer spoedig reed zij op haren witten telganger, vergezeld van +één harer vrouwen de slotbrug over. Nauwelijks waren zij den zoom van +het woud genaderd of het geluid van een dravend paard achter haar, +deed de beide vrouwen omzien. In de verte naderde in vliegenden draf +een ruiter, die, toen hij naderbij kwam, een der ridders van het hof +bleek te zijn. Het was Erec, de zoon van koning Lac, welke laatste tot +de aan Arthur schatplichtige vorsten behoorde. Blijkbaar had ook hij +de jacht verzuimd, want hij droeg geene wapenrusting en geen ander +wapen dan een zwaard met gouden greep. Om zijne schouders hing een +purperen bandelier, aan welks beide uiteinden een gouden appel was +bevestigd, die lustig heen en weer zwaaide bij den vluggen draf van +zijn paard. Zijn breede mantel hing in zware plooien tot over den +rug van zijn rijdier, onder dien mantel glinsterde zijn zijden buis, +dat met gouddraad bestikt was. + +Minzaam hield de koningin haar rijpaard in, tot Erec haar had +ingehaald. Deze boog eerbiedig het hoofd, maar Ginevra reikte hem +vriendelijk lachend de hand en zeide: "Wij beiden zijn lotgenooten, +Heer Prins! daarom moeten wij trachten, elkander te troosten. Wat +dunkt u, zou het ons nog mogelijk zijn, om iets van de jacht te zien?" + +Erec bedacht zich even, toen antwoordde hij: "Niet ver van hier is +een heuvel, vanwaar men den ganschen omtrek kan overzien. Indien wij +ons daarheen begeven, zullen wij misschien den jachtstoet tusschen +de boomen van het woud ontdekken en kunnen wij ons wellicht nog bij +het overige gezelschap voegen, vóór de jacht ten einde is." + +Zijne aanwijzingen volgend, reed het kleine gezelschap eenige +minuten voort, tot het bij eene verhevenheid in den woudbodem kwam, +vanwaar men een ruimen blik had over het omliggende land. Aandachtig +spiedde het drietal tusschen het dichte geboomte van het woud of zij +niet de groene gestalten der jagers ontdekten, maar niets bewoog +zich dan de wisselende schaduwen van takken en twijgen. Toen zij +eenigen tijd zwijgend hadden staan wachten, kwam op een smal pad, +dat langs den voet van den heuvel liep, een ridder aanrijden, in +volle wapenrusting, met gesloten vizier en gevelde lans. Aan zijne +zijde reed eene jonkvrouw en achter hen volgde een dwerg te paard, +die het schild van den ridder droeg. Nieuwsgierig volgde Ginevra met +hare blikken het vreemde drietal, dat zwijgend aan haar voorbijreed; +nòch de jonkvrouw, nòch de ridder waren haar bekend. Waar zouden zij +vandaan komen en wat zou het doel zijn van hunne reis? Zich tot hare +dienares wendend, sprak de koningin: "Gaat heen en vraag gindschen +ridder zijn naam en dien zijner gezellin!" + +De aangesprokene deed, wat haar bevolen was; zij stuurde haar paard den +heuvel af in de richting der voorbijtrekkenden, maar toen zij dezen +wilde naderen, reed de dwerg haar tegemoet en vroeg haar, wat zij +verlangde. Op hare mededeeling, dat hare meesteres wenschte te weten, +wie de vreemde ridder was, die daar henen reed, werd haar op ruwen +toon ten antwoord gegeven, dat de vreemdeling weigerde zijn naam te +noemen. Toen zij, verontwaardigd over deze onheusche bejegening, bleef +aandringen, sloeg de dwerg haar zóó hardhandig met eene lange rijzweep +in het gelaat, dat het bloed haar langs de wangen vloeide. Weenend van +pijn en schaamte vluchtte het jonge meisje terug naar de plek, waar de +koningin en Erec den uitslag van het onderhoud afwachtten en toen de +laatste zag, hoe zij door den dwerg mishandeld was, gaf hij terstond +zijn paard de sporen, om den onbeschaamde te straffen voor de grove +beleediging, welke deze zijne vorstin in hare dienares had aangedaan. + +Opnieuw plaatste de dwerg zich in het pad, dat Erec nemen moest, +en wachtte met eene boosaardige grijns op het gelaat diens nadering +af. Op hoogen toon gelastte de ridder hem, terstond den naam zijns +meesters te zeggen, maar ook tegenover hem bleef de dwerg in zijne +weigering volharden. Erec wendde zijn paard in de richting van den +vreemden ridder, die, zonder zich te bekommeren over hetgeen achter +hem voorviel, zijn weg vervolgde, om dien ridder zelven rekenschap te +vragen over de beleedigende houding, die zijn dienaar tegenover Erec +aannam. Toen de dwerg Erec's plan bemerkte, reed hij hem in den weg +en sloeg hem met zijne zweep in het gezicht. Dit was te veel voor den +trotschen ridder. Kokend van woede wilde hij zich op den dwerg werpen, +om hem met zijn zwaard den schedel te splijten, maar hij bedwong zich +juist bijtijds. Het ging toch niet aan, dat hij, een ridder der Tafel +Ronde, zich in een tweegevecht zou begeven met een erbarmelijk wezen +als dezen dwerg, boven wien hij zich zóó hoog verheven voelde als boven +het stof onder zijne voeten! En dan nog wel ten aanzien van zijne +geëerbiedigde vorstin, neen, die vernedering zou te groot zijn! Hij +deed beter met dien vreemden ridder, die daar zoo kalm en onverstoord +zijn weg vervolgde, terwijl zijn dienaar zich aan dergelijke grofheden +schuldig maakte, ter verantwoording te roepen. Maar--zoo bezon hij +zich--de vreemdeling was in volle wapenrusting en bovendien voorzien +van lans en schild--hij zelve daarentegen droeg zijne hofkleedij: het +zijden buis met den wijden mantel, die hem bij het vechten in zijne +bewegingen zou belemmeren. Toch, zoo zwoer hij bij zich zelven, zou hij +zich niet straffeloos laten beleedigen! Zich op de lippen bijtend van +verbeten woede, reed hij den heuvel weer op, waar Ginevra hem wachtte +en vroeg haar verlof om den vreemdeling te volgen, tot hij aan eene +plaats zou komen, waar hij zich wapenen en rusting kon verschaffen, +om zich over de hem aangedane beleediging te wreken. Na verloop +van drie dagen hoopte hij aan het hof terug te keeren, tot zoolang +verzocht hij Ginevra, hem bij den koning te willen verontschuldigen. + +Gaarne stond de vorstin hem zijn verzoek toe; ook zij gevoelde zich +diep gekrenkt door de handelwijze van den dwerg en de gedachte, dat +hem daarvoor eene gerechte straf zou worden toegediend, kon haar dus +niet anders dan aangenaam zijn. + +Erec nam dus afscheid van zijne meesteresse en haastte zich, den +vreemden ridder, die reeds bijna uit het gezicht verdwenen was, weder +in te halen. Urenlang volgde hij hem op eenigen afstand; langs velden +en beemden, door uitgestrekte, donkere bosschen liet hij zich door +het vreemde drietal leiden, tot hij hen tegen het einde van den middag +eene hooge helling zag bestijgen. Op den top van den heuvel aangekomen, +staken hunne gestalten een oogenblik als drie donkere schimmen tegen +den helderen voorjaarshemel af, daarna schenen zij weg te duiken aan +gene zijde des heuvels. Erec gaf zijn paard de sporen en draafde de +hoogte op. Toen hij den top bereikt had, zag hij aan zijne voeten +een dal, aan alle zijden omgeven door begroeide heuvels. Door het dal +stroomde eene rivier en aan den oever daarvan verrees een ridderslot, +welks tinnen glinsterden in de namiddagzon. + +Rondom het slot lagen een aantal woningen door het dal verspreid +en bij nadering bleek het Erec, dat daarin eene ongewone drukte +heerschte. Van alle zijden klonk een geluid als het hameren van staal +op een aanbeeld en inderdaad, overal bleken smeden aan het werk te +zijn. Ook waren de straten vol van dringende, schreeuwende menschen +en spoedig was het onzen held duidelijk, dat men zich hier aan den +vooravond van eene gewichtige gebeurtenis bevond. Één ding was zeker: +zoo ergens, zou hij er hier in slagen, zich wapenen te verschaffen, +waarmede hij zich op zijn onbekenden vijand wreken kon. Deze was +intusschen voor Erec's oogen in het slot aan de rivier verdwenen, waar +hij met gejuich door de bewoners was binnengehaald. Erec kreeg allengs +behoefte aan rust en daar de avond begon te vallen, besloot hij vóór +alles naar een geschikt nachtverblijf om te zien. Het viel hem echter +niet gemakkelijk, dit te vinden; overal werd hij afgewezen, het scheen +wel, of de gansche stad volgepakt was met menschen. Eindelijk verwees +men hem naar een vervallen kasteel, niet veel meer dan een bouwval, +dat zich op geringen afstand van het slot bevond. + +Bij de brug over de uitgedroogde slotgracht zat een grijsaard +en staarde somber voor zich uit. Zijne kleeding toonde aan, dat +hij betere dagen gekend had; de stof moest eens fraai en kostbaar +geweest zijn, maar was thans vaal en versleten. De oude leunde met het +hoofd op de hand en peinzend speelden zijne vingers met zijn langen, +grijzen baard. Aarzelend trad Erec naderbij, iets in het gelaat van +den grijsaard en in de wijze, waarop deze hem bij zijne nadering +tegemoet trad, scheen erop te wijzen, dat hij van goede afkomst was, +en dat slechts de dwang der omstandigheden hem tot dezen staat van +gebrek had gebracht. + +Op hoffelijken, bescheiden toon vroeg Erec om een onderkomen voor +den nacht. Toen hij uitgesproken was, antwoordde de grijsaard: +"Wanneer gij u wilt vergenoegen met een eenvoudig maal en een nederig +nachtverblijf, heet ik u welkom in mijne woning. Armelijk en vervallen +is zij en gansch verschillend van haren vroegeren staat, maar nooit nog +hebben wij den voorbijtrekkenden vreemdeling een onderkomen behoeven +te weigeren. Daarom, treed binnen en wees nogmaals welkom geheeten +in mijn huis." + +Erec reed de brug over en het voorplein op, waar het onkruid wortel +had geschoten tusschen de verbrokkelde steenen. Overal werd zijn +oog getroffen door sporen van armoede en verval. De muren van het +slot waren gedeeltelijk ingestort en op de bouwvallen tierden welige +woekerplanten. Hier had een enkel stuk muur zich staande gehouden, +en zag Erec den roodgekleurden avondhemel door de omlijsting van wat +eens een boogvenster was geweest; ginds bespeurde hij eene torentrap, +waarvan de omringende muren waren ingestort en die nu nutteloos +was geworden; lange klimopranken hingen langs de trap omlaag en +bedekten de uitgesleten treden met hare groene slingers. Getroffen +door al deze kenteekenen van tegenspoed en achteruitgang zag Erec +zijn gastheer aan en deze, die op het gelaat van zijn gast kon +lezen, wat er in hem omging, lachte bitter en zeide: "Ik bemerk, +dat gij getroffen zijt, door het armoedig uitzien mijner woning. Het +gevoel van medelijden, dat ik op uw gelaat weerspiegeld zie, doet uw +goede hart eer aan. Inderdaad, wel zijn de omstandigheden veranderd +bij vroeger, toen een ieder het zich tot eene eer rekende, in mijn +huis te worden ontvangen, waar ik steeds open tafel hield, en waar +de zalen weergalmden van blijde stemmen en vroolijk gelach. Kwade +lastertongen hebben het hunne gedaan, om mij ten val te brengen, +ook mijne eigen goedgeloovigheid en te groote mildheid zijn daaraan +schuld. Maar kom, niet langer getreurd over wat voorbij is! Treed +binnen in onze nederige woning; gij vindt er een even gastvrij, +zij het een minder ruim onthaal dan vroeger". + +Bij deze woorden leidde de grijze edelman Erec naar den middenbouw van +het kasteel, het eenige gedeelte, waarvan de muren zich hadden staande +gehouden. Door de hoofddeur traden zij eene ruime zaal binnen, waar +zich twee vrouwen bevonden, bezig met eenig huiswerk. De eene was eene +bejaarde dame, wier waardig voorkomen en statige houding aantoonden, +dat het werk, hetwelk zij thans verrichtte, haar vroeger vreemd moest +zijn geweest, de andere scheen de dochter des huizes te zijn. Nooit +nog had Erec een lieftalliger verschijning gezien dan die van dit +jonge meisje. Haar gelaat was frisch en bloeiend als eene roos, haar +blonde haren hingen haar in twee vlechten op den rug en het eenvoudige, +grijze kleedje, dat zij droeg, deed de slanke lijnen harer gestalte +voordeeliger uitkomen, dan het fraaiste staatsiekleed zou kunnen +doen. Maar het was niet alleen hare schoonheid, die Erec's hart sneller +deed kloppen, er was iets in haren oogopslag, in de onbewuste gratie, +waarmede zij over haar werk gebogen zat, dat hem onweerstaanbaar +bekoorde. Zijn gastheer maakte zijne echtgenoote en dochter aan hem +bekend en verzocht de laatste, om het paard van den gast naar den +stal te leiden en van voedsel te voorzien. Haastig sprong Erec op, +ten einde haar bij die taak behulpzaam te zijn, maar zijn gastheer +hield hem terug met de woorden: "Bij gebrek aan een stalknecht, neemt +Enide, mijne dochter, diens plichten op zich. Weerhoud haar niet wat +ik u bidden mag, want de gedachte zou ons ondraaglijk zijn, dat een +gast zelve zijn paard moest verzorgen". Zoo moest Erec dus lijdelijk +toelaten, dat Enide met vluggen tred het vertrek verliet, zijn ros +bij den teugel nam en het met zich mee voerde. Zoolang hij kon volgde +hij haar met de oogen, toen zette hij zich neer en begon op aandringen +van zijn gastheer te vertellen, wat hem herwaarts had gevoerd. + +Bij de beschrijving, die hij gaf van den vreemden ridder met zijne +dame en den dwerg, knikte de grijsaard eenige malen bevestigend met +het hoofd en toen Erec eindigde met hem te vragen, wat wel de oorzaak +kon zijn van de ongewone drukte en beweging in den omtrek, gaf hij ten +antwoord: "De reden daarvan is vlug genoeg gezegd. Morgen zal hier het +groote jaarlijksche steekspel gehouden worden, dat bekend staat als +het Steekspel van den Sperwer. De deelnemers daaraan strijden om den +schoonheidsprijs voor hunne dame, welke prijs bestaat uit een gouden +sperwer, rustend op eene zilveren staaf, die aan de ééne zijde van +het strijdperk tusschen twee vorken is opgehangen. De ridder, dien +gij zoekt, is de laatste twee jaren als overwinnaar uit het perk te +voorschijn getreden; mocht het hem dit jaar opnieuw gelukken, zijne +tegenstanders te verslaan, dan wordt de gouden sperwer en daarmede +het recht der schoonste, voorgoed toegekend aan zijne geliefde." + +"Dat mogen alle heiligen verhoeden!" riep Erec uit, "ik zelve zal tegen +hem in het veld treden en bitter zal hij boeten voor de beleediging, +mijne vorstin aangedaan! Wanneer ge mij slechts de noodige wapenen +wilt verschaffen, zal ik deze gelegenheid om mij te wreken, niet +onbenut laten voorbijgaan!" + +"Wapenen kan ik u wel bezorgen", hernam de grijsaard, "maar om eene +andere reden zal het u, vrees ik, onmogelijk zijn, aan den strijd +deel te nemen. Allen, die dit doen, moeten vergezeld zijn van eene +dame, voor wie zij den schoonheidsprijs opeischen en gij reist +immers alleen?" + +Bij deze woorden schoot Erec het bloed naar de wangen. Gedurende den +ganschen tijd, dat hij met zijn gastheer in gesprek was geweest, +hadden zijne blikken de bekoorlijke gestalte van het jonge meisje +gevolgd, dat na haren terugkeer uit den stal zich onledig had gehouden +met het bereiden van een eenvoudig avondmaal. De kalme opgewektheid, +waarmede zij hare bezigheden verrichtte, de vriendelijke wijze, waarop +zij hare moeder het werk uit handen nam, en de teederheid, waarmede +zij hare bejaarde ouders scheen te omringen, hadden op het gemoed +van den jongen man een diepen indruk gemaakt, die nog versterkt werd +door haar liefelijk voorkomen. Zonder zich een oogenblik te bedenken, +gehoor gevend aan eene plotselinge ingeving van zijn hart, riep hij +uit: "Laat mij uw dochters rechten op den schoonheidsprijs mogen +verdedigen! Geene, die hem meer waardig is dan zij. Daarom, vergun +mij te trachten hem voor haar te veroveren en wanneer ik ongedeerd +uit den strijd te voorschijn treed, schenk mij dan hare hand! Sedert +ik hier binnentrad, ken ik geen grooter wensch op aarde, dan haar +de mijne te mogen noemen; geloof mij, ik zal haar gelukkig maken en +haar mijn leven lang eeren en liefhebben. Nog steeds weet ge niet, +wie ik ben. Mijn naam is Erec, ik ben de zoon van koning Lac en een +ridder van koning Arthur. Reeds lang drong mijn vader er op aan, dat +ik eene vrouw zou nemen; hij zal dus uwe dochter met vreugde welkom +heeten en haar met geschenken overladen. Ook aan uwe armoede zal hij +een einde maken; de goede tijden van weleer zullen wederkeeren en uw +hart zal zich verjongd gevoelen door het geluk van uw kind!" + +Toen hij zweeg, vatte Enide's vader hem geroerd bij de hand en +sprak: "Gij hebt waardig en eerlijk gesproken; uw naam en die van uw +vader waarborgen ons, dat het u ernst is, met wat ge zegt. Daarom, +wanneer Enide geen bezwaar heeft, zal zij uwe vrouw worden. Moge God u +morgen in den strijd bijstaan en u langen tijd voor ons kind gespaard +houden! En nu, wat denkt Enide zelve ervan, waar is zij?" Dit zeggend, +zag de edelman om zich heen, maar Enide was nergens te bespeuren; +bij het hooren van haar naam had zij ijlings het vertrek verlaten, +door maagdelijken schroom gedreven. Lachend zagen hare ouders elkander +aan en de moeder stond fluks op om hare dochter te volgen, terwijl +Erec met zijn gastheer diens wapenen in oogenschouw ging nemen, +om daaruit zijne keuze voor den volgenden dag te doen. + +De morgen van het groote steekspel brak helder en zonnig aan. Tegen +het aanvangsuur stond een dichte menschenhaag geschaard om het ruime +grasveld, waar het tournooi gehouden zou worden. Aan de ééne zijde +glinsterde en flikkerde de gouden sperwer in den zonneschijn, aan de +andere zijde van het perk waren de tenten der ridders opgesteld, die +aan den strijd zouden deelnemen. Een aantal schoone vrouwen bevonden +zich onder de toeschouwers en wierpen begeerige blikken naar den prijs. + +Daar kwam Erec aanrijden op zijn vurig ros en aan zijne zijde reed +Enide, de blonde haren golvend in den wind en een blos van opwinding +op de wangen. + +Juist toen de herauten het sein wilden geven, dat de strijd zou +beginnen, reed de vreemde ridder in woeste vaart het strijdperk binnen, +gevolgd door zijne geliefde. Met ruwe hand greep hij den sperwer van +de zilveren staaf, zwaaide hem uitdagend boven het hoofd en reikte +hem toen aan zijne dame met de woorden: "Als de schoonste onder de +schoonen overhandig ik u dezen prijs en daag tevens een ieder, die +lust daartoe gevoelt, uit, om mij het recht daartoe te betwisten!" + +Alle aanwezige ridders zwegen, maar Erec drukte de sporen in de flanken +van zijn paard en reed het perk binnen, terwijl hij uitriep: "Dat doe +ik en wel op grond, dat mijne geliefde schooner is dan de uwe. Voorts +heb ik nog eene rekening met u te vereffenen wegens de grievende wijze, +waarop uw dwerg mijne vorstin en mij beleedigd heeft. Laat ons zien, +wie het recht aan zijne zijde heeft!" + +Daarop begon een lange en hevige strijd, waarin de beide ridders +wedijverden in kracht en behendigheid. Nu eens scheen Erec, dan +weer zijn onbekende tegenstander het onderspit te moeten delven, maar +telkens herstelden zij zich en vielen met hernieuwde kracht op elkander +aan. Eindelijk gelukte het Erec, zijn vijand uit den zadel te lichten; +met een behendigen zwaai sprong ook hij van zijn paard, zette den +vreemdeling de punt van zijn zwaard op de borst en riep uit: "Geef u +gewonnen of ik dood u!" De aldus toegesprokene wierp zijn wapen weg en +smeekte om genade, daarop beval Erec den ridder op te staan en hem zijn +naam te noemen. "Gaarne wil ik dat doen", antwoordde de vreemdeling, +"want ik erken uwe meerderheid. In een open en eerlijk gevecht hebt +ge mij verslagen en de rechten uwer geliefde op den schoonheidsprijs +op mannelijke wijze verdedigd. Geen ridder behoeft het zich tot eene +schande te rekenen door u verslagen te worden. Weet dan, mijn naam +is Yder, en van nu af aan stel ik mijne diensten tot uwe beschikking." + +"Als dat zoo is," hernam Erec, "zoo draag ik u op naar het hof van +koning Arthur te gaan en de koningin te melden, wie ge zijt en vanwaar +gij komt. Tevens kunt gij haar mededeelen, dat ik weldra volgen zal +en dat ik eene schoone, jonge bruid van mijne reis mede terugbreng." + +Yder deed, wat hem bevolen was en Erec begaf zich met Enide, die +den gouden sperwer met zich mededroeg, in gezelschap van hare ouders +huiswaarts. + +Groote vreugde heerschte dien avond in het bouwvallige kasteel; de oude +graaf was opgewonden over den goeden afloop van den strijd en over +al het geluk, dat zijn gezin daardoor ten deel zou vallen. Telkens +weer drong hij er bij Erec op aan hem te vertellen, hoe zich alles +aan het hof toedroeg, wie zijne vrienden waren en op welke wijze +zij den tijd doorbrachten. Ook hoorde hij gaarne beschrijvingen van +hoffeesten en aan de schittering in zijne oogen kon men zien, dat +hij met zijne gedachten weer in het verleden verkeerde, toen ook hij +bij dergelijke festijnen tegenwoordig placht te zijn. Nu en dan bleef +zijn blik vol trots op zijne dochter rusten en stelde hij zich voor, +hoe zij weldra aan het hof de plaats zou innemen, waarop zij door +hare geboorte en schoonheid aanspraak mocht maken. + +Enide bewoog zich intusschen rustig en kalm door het vertrek en +verrichtte hare huiselijke bezigheden als gewoonlijk. Slechts nu en +dan zond zij een verstolen blik in de richting van Erec en wanneer het +dan zoo trof, dat zijne oogen eveneens de hare zochten, verspreidde +zich een warme blos over hare wangen en boog zij zich haastig over +haar werk met eene uitdrukking van bekoorlijke verlegenheid op het +schoone gelaat. + +Des avonds, toen Enide zich ter ruste had begeven, drong Erec er bij +hare ouders op aan, dat zij reeds den volgenden morgen hem naar het +hof zou vergezellen. Nadat hij de toestemming daartoe had verkregen, +wilde de gravin zich ijlings verwijderen om het een en ander voor +de reis in gereedheid te brengen; Erec hield haar echter terug en +zeide: "Nog een ander verzoek heb ik aan u, dat u wellicht vreemd zal +toeschijnen. Gaarne zou ik zien, dat Enide mij volgde in hetzelfde +eenvoudige kleed, waarin ik haar gisteren voor 't eerst gezien heb +en waarin zij mijn hart heeft weten te bekoren. Langen tijd geleden +zeide koningin Ginevra eens tot mij, dat, zoo ik ooit eene bruid +aan het hof mocht brengen, zij zelve haar de kleederen en sieraden +wenschte te schenken, die aan haren rang pasten. Het aanbod was te +vriendelijk om af te slaan, daarom, bid ik u, doe wat ik u verzoek." + +Hoewel Enide's moeder het denkbeeld niet aangenaam was, dat hare +dochter in zulk eene eenvoudige kleedij aan het hof zou verschijnen, +kon zij Erec's verzoek niet weigeren en werd dus aan zijn wensch +voldaan. + +Den volgenden morgen vroeg begaven Erec en Enide zich op weg, nadat +de laatste een teeder afscheid had genomen van hare ouders en van de +woning harer kindsheid. + +Welk eene heerlijke reis was dat voor het jonge paar! Onder het +helderblauwe hemelgewelf, door het zonbeschenen landschap, reden zij +naast elkander voort. Aanvankelijk wilde het gesprek niet vlotten; +het was alles nog zoo nieuw en vreemd voor hen, maar weldra raakten +de tongen los en hadden zij elkander honderd dingen te vragen en te +vertellen van hun beider jeugd, hunne vrienden en speelgenooten en +hunne droomen en verlangens voor het leven. + +De uren vlogen voorbij, zonder dat zij het bemerkten; tegen den middag +rustten zij eene wijle tegen een begroeiden heuvelrug en gebruikten een +eenvoudig maal, dat Enide's moeder hun had medegegeven. Daarna drong +Erec er op aan, dat het jonge meisje wat rust zou nemen en ondanks +haar aanvankelijke tegenwerpingen bleek zij daar wel behoefte aan +te hebben, althans zij viel al ras in eene lichte sluimering. Erec +zat naast haar en beschouwde haar bekoorlijk gelaat. Een gevoel van +trots en voldoening maakte zich van hem meester, toen hij bedacht, +hoe men aan het hof zou staan te kijken, wanneer hij zijne bruid +daar binnenvoerde en hoe naijverig de andere ridders zouden zijn op +het bezit van zulk eene schoone vrouw. Ook het besef, dat hij van +nu af aan haar natuurlijke beschermer was, dat zij vol vertrouwen +met hem was meegegaan in het vreemde land en daar nu zoo rustig +onder zijne hoede lag te sluimeren, gaf hem een streelend gevoel van +zelfvoldoening. Toen hij haar eenigen tijd zwijgend had gadegeslagen, +kon hij de verleiding niet langer weerstaan en hij wekte haar met een +kus op de frissche lippen. Blozend rees Enide overeind en toen hij zijn +kus wilde herhalen, en zij hem lachend afweerde werd het een vroolijk +spel van stoeien en kozen tusschen de geurende bloemen en struiken. + +Onder scherts en gelach werd de reis voortgezet en tegen den avond +bereikten de beiden den burcht te Cardigan. Den ganschen dag had de +koningin de torenwachters doen uitzien naar Erec's komst en toen zij +eindelijk van hen bericht ontving, dat een ridder met eene jonkvrouw +te paard het kasteel naderde, ging zij in eigen persoon de komenden +tot op het voorplein tegemoet. Minzaam ontving zij het jonge meisje, +dat beschroomd en vol ontzag voor hare hooge gastvrouw, op haar +toetrad en terstond nam zij Enide mede naar haar eigen vertrekken, +terwijl Erec zich naar den koning begaf om verslag uit te brengen +over zijn wedervaren. + +In de groote slotzaal vond hij den vorst met zijne gansche hofhouding +bijeen, want dienzelfden avond zou beslist worden, aan welke der +edelvrouwen koning Arthur--want hij was het, die het witte hert +had weten te dooden--den kus als schoonheidsprijs zou toekennen. Met +belangstelling luisterde men naar Erec's avonturen en toen de herauten +na eenigen tijd de komst der koningin aankondigden, richtten aller +oogen zich vol verwachting naar de deur van het vertrek. + +Daar trad koningin Ginevra binnen, schoon en bevallig als altijd, maar +ditmaal hadden de aanwezigen weinig aandacht voor hare schoonheid, +zóó zeer werd aller belangstelling geboeid door de lieftallige +verschijning aan hare zijde. + +Ook Erec kon zijne oogen nauwelijks gelooven. Was deze vorstelijke +verschijning, die hare kostbare kleederen zoo sierlijk en natuurlijk +wist te dragen, alsof zij nooit anders gewend was geweest, inderdaad +Enide, het eenvoudige, jonge meisje in haar grijze kleedje, dat hem +daar ginds bediend en verzorgd had? + +Inderdaad, zij was het, met haar vriendelijk gelaat, hetwelk thans +overtogen was met een diepen blos van opwinding, met hare lieve, +blauwe oogen, die terstond bij haar binnentreden in de zaal de zijne +zochten en met hare blonde haren, glinsterend als gesponnen goud, +waartusschen zich nu een keten van blanke paarlen slingerde. + +Met bonzend hart en stralende oogen ging Erec zijne bruid tegemoet +en leidde haar tot aan de treden van den troon onder het algemeen +stilzwijgen der aanwezigen. Koning Arthur daalde van zijn zetel af en +heette Enide met eenige welgekozen woorden welkom aan het hof; daarop +liet hij haar aan zijne zijde plaats nemen en vond Erec gelegenheid +om de koningin dank te zeggen. + +Spoedig daarop had de beslissing plaats aan wie de vorst den +schoonheidskus zou schenken. Onder luide toejuichingen van het gansche +hof verklaarde koning Arthur, dat hij Enide, de bruid van prins Erec, +deze onderscheiding het meest waardig keurde en de daad bij het woord +voegend, stond hij op en kuste het blozende meisje op beide wangen. + +Korten tijd daarna begonnen de voorbereidselen tot de bruiloft, die met +Pinksteren gevierd zou worden. Ter gelegenheid van Erec' s huwelijk +schreef de koning een groot tournooi uit, waaraan de edelste ridders +uit het land deelnamen. Vele dagen duurden de bruiloftsfeesten, maar +eindelijk naderde de zoo vurig verbeide dag, waarop de beide jonge +menschen in den echt verbonden werden. + +Nadat zij eenigen tijd na hun huwelijk aan het hof hadden vertoefd, was +de tijd gekomen, dat Erec zijne jonge vrouw naar zijn land zou voeren, +om haar aan zijn vader, koning Lac, voor te stellen. Na van allen +aan het hof een hartelijk afscheid te hebben genomen en na beloofd +te hebben, dat zij spoedig zouden wederkeeren, vertrokken Erec en +Enide, begeleid door een gevolg van zestig ridders, naar Carnant [48] +in Zuid-Wallis, waar koning Lac verblijf hield. Daar werd hun eene +feestelijke ontvangst bereid. Reeds bij den eersten aanblik van Enide +toonde Erec's vader zich ten zeerste ingenomen met de keuze van zijn +zoon, terwijl ook de leden der hofhouding zich er zeer over verheugden. + +Weldra gevoelde Enide zich geheel thuis in hare nieuwe omgeving en +onder de algemeene belangstelling en welwillendheid bereikte het +geluk van het jonge paar zijn vollen bloei. + +Naarmate de weken en maanden verliepen, ging Erec zich steeds meer aan +zijne schoone vrouw hechten. Voortdurend zocht hij haar gezelschap; +op de feesten aan het hof week hij niet van hare zijde en ook in zijn +eigen slot verloor hij Enide geen oogenblik uit het oog. + +Soms zat hij uren lang naast haar, terwijl hare nijvere vingeren zich +onledig hielden met eenig naaldwerk, en staarde in verrukking naar haar +schoon gelaat. Wanneer een der aanwezigen dan iets tegen hem zeide, +antwoordde hij nauwelijks, zóó zeer was al zijn denken door Enide +in beslag genomen. Als in een der naburige landstreken een steekspel +werd uitgeschreven en de ridders van koning Lac hem verzochten, hen +daarheen te vergezellen, wist hij steeds een voorwendsel te vinden, +om thuis te kunnen blijven, zóó ondragelijk was hem de gedachte om +voor één of meerdere dagen zijne geliefde te moeten verlaten. Ook +wanneer zijne vrienden uitreden op jacht naar wolven of wilde zwijnen, +placht hij zijn tijd door te brengen in de vrouwenvertrekken, aan de +voeten van Enide. + + + +_Hoe de hovelingen Erec bespotten over zijne liefde voor Enide en hoe +deze hem dit mededeelde._ Weldra begon men aan het hof te fluisteren +over de verandering, die in Erec had plaats gegrepen, en achter zijn +rug werd spottend gemompeld over zijn hartstocht voor Enide, die hem +tot een laffen dwaas maakte. In bedekte toespelingen verweet men hem +zijn gedrag, dat zulk slecht voorbeeld was voor de jonge ridders uit +zijne omgeving. + +Erec, in zijne verblindheid, bemerkte niets van de afkeurende stemming +om hem heen, maar Enide, wier blik door de liefde gescherpt was, +bespeurde alras, hoe men over hunne verhouding dacht. De spottende +blikken, welke men op haren echtgenoot wierp, wanneer hij haar na het +middagmaal naar hare vertrekken volgde, de heimelijke toespelingen en +de schampere opmerkingen uit hare omgeving wondden haar in 't diepst +harer ziel, maar nochtans vond zij niet den moed om haren echtgenoot +eerlijk en ronduit te zeggen, wat haar het hart beklemde. + +Eens op een morgen, toen Enide vroegtijdig was ontwaakt en den slaap +niet meer kon vatten, zette zij zich naast de legerstede van haren +echtgenoot en beschouwde aandachtig diens slapende gestalte. Het +kon niet anders, of zij moest getroffen worden door de schoonheid +van zijn mannelijk voorkomen, zooals hij daar in rustige sluimering +verzonken lag. De groote liefde, die zij voor hem gevoelde en haar +trots op zijne kracht en dapperheid deden haar hart sneller kloppen, +maar tegelijk drong de gedachte zich bij haar op, hoe zeer het +te betreuren viel, dat zulk een edel en dapper man zich door den +hartstocht zoodanig liet beheerschen, dat hij roem en aanzien, ja +zelfs zijn goeden naam als ridder, er door dreigde te verliezen. In +'t diepst van haar gevoelig hart maakte Enide er zich een verwijt +van, dat zij de oorzaak was van dit alles en bijna wenschte zij, +dat Erec haar nooit gezien had, zóó zeer kwelde haar de gedachte, +dat hij door haar toedoen een onteerd man zou worden. Hoe langer zij +het geliefde gelaat bezag, des te treuriger werd het haar te moede, +tot zij eindelijk zachtkens begon te weenen. Een harer tranen viel +op het gelaat van den slapende en deed hem ontwaken. Hevig verschrikt +door den aanblik zijner weenende vrouw, rees Erec overeind en bezwoer +Enide hem de oorzaak van haar verdriet mede te deelen. + +Toen, plotseling moed vattend, zeide zij, zonder hem te sparen, hoe +de ridders en hovelingen hem achter zijn rug uitlachten en bespotten, +hoe zij hem verweten, dat hij onverschillig geworden was voor roem +en eer, hoe ze hem voor verwijfd en lafhartig scholden en voor een +zwakkeling, die zijn wil had leeren te onderwerpen aan de luimen en +grillen eener vrouw. + +De uitwerking harer woorden op Erec was vreeselijk. Het was hem, of de +wereld, zijne wereld, waarin hij zoo trotsch en gelukkig voortleefde, +uit hare voegen werd gerukt. Wat! hij een zwakkeling, hij buigen voor +de grillen eener vrouw, hij, Erec, de fiere koningszoon, wiens wil +wet was in het rijk zijns vaders en die, in het bewustzijn van zijn +hoogen rang, vol hoogmoed placht neer te zien op de ridders uit zijne +omgeving! Hoe durfden zij het wagen, die laffe vleiers en kruipers, +om hem achter zijn rug te bespotten! Die gedachte joeg hem het bloed +naar het hoofd en hij kon zich nauwelijks bedwingen met het zwaard +in de hand naar buiten te snellen en hun rekenschap te vragen van +hun schandelijk gedrag. + +En zij, Enide, het eenvoudige meisje, dat hij uit de diepste +armoede tot zich had omhoog geheven, dacht zij misschien zooals +die anderen? Gevoelde ook zij in haar hart slechts eene spottende +geringschatting voor den armen dwaas, dien zij zoo geheel in hare +macht had weten te krijgen? Beschuldigde zij hem soms ook van lafheid +en eerloosheid? Dit denkbeeld deed hem nog veel meer leed dan het +vorige, maar hij was te trotsch om haar te vragen, hoe zij over hem +dacht. Zijn hart was slechts vervuld van één verlangen: haar en al +die anderen te toonen, wie hij was! Door daden van dapperheid zou hij +hen dwingen te erkennen, dat zij hem onrecht hadden aangedaan met te +zeggen, dat hij een lafaard en zwakkeling was! Maar niet hier, aan +het hof van zijn vader kon hij dit bewijzen; geen oogenblik langer +dan noodig was, wilde hij in deze nu zoo gehate omgeving blijven, +waar tot zelfs de muren hem zijne zwakheid schenen te verwijten. + +Niets had Erec geantwoord op hetgeen Enide gezegd had en de laatste, +die reeds lang berouw gevoelde over haar openhartigheid, maakte zich +inwendig de hevigste verwijten, dat zij door hare woorden den vrede +tusschen hen verstoord had. Plotseling klonk Erec's stem, koud en +hard, zooals zij die nog nooit gehoord had. "Het is genoeg!" zeide +hij. "Wij zullen zien, of uwe woorden waarheid bevatten." Maak u gereed +tot eene lange reis, wij vertrekken over een uur van hier." Daarop +verliet hij het vertrek. + +Toen Enide een uur later, bevend van angst en spanning, het voorplein +betrad, vond zij daar Erec, staande naast twee gezadelde paarden, +omringd door een aantal hovelingen. Ook koning Lac bevond zich bij +de groep van ridders en trachtte met hen de oorzaak te ontdekken +van dit plotseling vertrek. Maar Erec was er niet toe te bewegen, +iets anders daaromtrent mede te deelen, dan dat het hem behaagde om +vreemde streken te bezoeken. Op het dringend verzoek van zijn vader +om althans eenige ridders als gevolg mede te nemen, ten einde hem in +het gevaar bij te staan, gaf hij kortaf ten antwoord, dat hij geen +ander gezelschap wenschte dan dat zijner vrouw, omdat hij meende zich +zelven en haar voldoende tegen elken aanval te kunnen beschermen. + +Nadat alle aanwezigen een hartelijk afscheid van Enide hadden genomen, +reden de beiden zwijgend de slotbrug over. Nog éénmaal zag Enide +om naar het kasteel, waar zij zulk een innig gelukkigen tijd had +doorgebracht, nog éénmaal wuifde zij haren vrienden een laatst vaarwel +toe, toen zette zij zich met een zucht vaster in den zadel en wierp +tersluiks een angstigen blik op het booze gelaat van haren echtgenoot, +die, zonder om te zien, somber voor zich uit starend, voortreed. + +Toen zij eenigen tijd zwijgend naast elkander waren voortgereden, +hield Erec zijn paard in. Voor 't eerst sedert zij het slot hadden +verlaten, zag hij Enide aan. Met eene uitdrukking van grimmigen ernst +op zijn gelaat voegde hij haar toe: "Luister! Indien een verzoek +van mij nog eenige waarde voor u heeft, zoo vraag ik u bij deze, +om, wat er ook geschiede en wat gij ook zien moogt op uw pad, niet +tegen mij te spreken. Hebt ge mij begrepen?" Enide knikte zwijgend; +het spreken was haar onmogelijk, zóó zeer snoerde het verdriet over +Erec's harde woorden haar de keel toe. + +Met gebogen hoofd reden zij verder en zonder het elkander te verraden +maakten zij beiden onwillekeurig eene vergelijking tusschen dezen +tocht en hun eersten gezamenlijken rit naar het hof, toen alles in +hen jubelde en zong van blij geluk. Welk een verschil met thans, nu +gekrenkte trots en angstige beschroomdheid hen van elkander verwijderd +hielden! Zouden zij ooit weer tot elkaar komen? + +Nauwelijks hadden zij eenige mijlen afgelegd, of Enide bespeurde, +hoe langs den zoom van het woud, dat vóór hen oprees, drie roovers +kwamen aanrijden. Zonder zich een oogenblik te bedenken, riep zij +uit: "Heer, wees op uw hoede! Ginds naderen drie mannen te paard, +die zeker niet veel goeds in hun schild voeren!" + +"Heb ik u dáárom verboden tot mij te spreken?" voer Erec toornig uit: +"dat gij bij de eerstkomende gelegenheid mijn gebod overschrijdt? Gij +denkt zeker, dat ik te laf en te zwak ben geworden, om mij +tegen die drie te verdedigen en dat ik u dus onbeschermd hier zal +achterlaten! Gij behoeft echter niet bevreesd te zijn, zoover is het +nog niet met mij gekomen!" + +Enide sloeg beschaamd de oogen neer, om aanstonds weer op te zien, +toen zij bemerkte, hoe Erec in volle vaart op de roovers afstoof +en hen met getrokken zwaard te lijf ging. Met een geweldigen zwaai +van zijn wapen scheidde hij één zijner tegenstanders het hoofd van +den romp en bracht den tweeden zulk een slag met zijn schild toe, +dat de roover bewusteloos van zijn paard stortte. De derde was door +het lot van zijne makkers zóó ontsteld, dat hij uit het zadel sprong +en door het dichte struikgewas te voet het hazenpad koos. + +Enide, die op eenigen afstand den strijd had gadegeslagen, ademde +verruimd op, toen zij Erec ongedeerd tot haar zag wederkeeren. Het +eenige, wat hij haar van het voorgevallene toevoegde, was: "Ziet ge +nu wel, dat uwe vrees ongegrond was?" daarna beval hij haar, de drie +paarden bij den teugel te nemen en ze voor zich uit te drijven. Hij +eindigde met haar nogmaals op het hart te drukken, om vooral niet +tegen hem te spreken. + +Voor eene wijle gingen zij ongestoord huns weegs, toen plotseling +Enide's waakzaam oog vijf ruiters ontdekte, die met gevelde lans op +hen kwamen toerijden. Een oogenblik voerde zij een zwaren strijd in +haar binnenste. Zou zij opnieuw zondigen tegen Erec's gebod en hem +waarschuwen voor het dreigend gevaar? Het zou gewis zijne gramschap +tegen haar nog doen toenemen, maar aan den anderen kant, bij een +onverhoedschen aanval van zulk eene verpletterende overmacht zou hij +zeer zeker het onderspit delven. Neen, liever nog haalde zij zich zijn +toorn op den hals, dan dat zij zou verzuimen hem voor een dergelijk +gevaar te waarschuwen. Zich omwendend naar Erec, die achter haar reed, +riep zij hem toe: "Heer, opnieuw dreigt gevaar! Ditmaal zijn het vijf +ridders, die u willen aanvallen. Ik smeek u, wees op uwe hoede!" + +De angst en bezorgdheid in haren toon waren Erec niet ontgaan en deden +zijn gewond hart goed, maar zijne stem klonk nog barscher dan voorheen, +toen hij Enide ten antwoord gaf: "Hoe dikwijls moet ik u hetzelfde +verzoeken? Gij schijnt inderdaad allen eerbied voor mij verloren +te hebben, dat gij mijn wil zoo herhaaldelijk wederstreeft. Wat die +vijf schelmen betreft, ik zal ze eene passende ontvangst bereiden, +daar kunt ge zeker van zijn!" + +Van achter een boom zag Enide in angstige spanning toe, hoe haar +echtgenoot den ongelijken strijd tegen het vijftal aanbond, maar +ook thans wist Erec door zijn onstuimigen aanval en verpletterende +zwaardslagen zijne vijanden te verslaan. Drie der ridders lagen weldra +op den grond te zieltogen, de beide anderen vluchtten met achterlating +van hunne paarden en wapenen. Zonder een woord te spreken bond Erec de +teugels der dieren samen, overhandigde ze aan Enide en beval haar voort +te rijden. Met groote moeite hield deze de acht onwillige paarden in +bedwang en toen Erec dit bespeurde, kwam het een oogenblik bij hem op +om haar te hulp te komen en haar de teugels uit handen te nemen. Hij +dwong echter met kracht elke aandoening van zachtheid in zijn hart +terug en vervolgde zwijgend zijn weg. + +Het was allengs avond geworden en de beide reizigers zagen zich +gedwongen, in het bosch te overnachten. Toen zij aan eene daarvoor +geschikte plek waren gekomen, bond Erec de paarden aan een boom vast en +begon hout te verzamelen voor een vuur. Enide was uitgeput op het gras +neergezonken, maar toen Erec haar kortaf beval eenige rust te nemen, +terwijl hij zou waken, weigerde zij met ongekende beslistheid, zulks +te doen. Aan zijne gelaatstrekken en zijne gebogen houding zag zij, +hoezeer de zware strijd hem vermoeid had en hoezeer hij behoefte had +aan eenige uren slaap. Daarom liet zij niet af, alvorens hij zich +naast het vuur had uitgestrekt en toen zij even daarna aan zijne +rustige ademhaling bemerkte, dat hij was ingesluimerd, kwam er een +glans van voldoening op haar gelaat. Op hare teenen sloop zij naar +hem toe en spreidde haren mantel over hem uit, daarna zette zij zich +naast hem neer en bracht den nacht wakende door. Hare overpeinzingen, +terwijl zij daar zoo zat, waren niet van vroolijken aard. In den +slaap was de booze, harde uitdrukking van Erec's trekken weggevaagd +en het scheen zelfs, of er iets van een glimlach om zijne lippen +speelde. Nu zij hem zoo zag liggen en zich de gebeurtenissen van dien +dag in het geheugen terugriep, kwam het haar schier ongeloofelijk +voor, dat de hovelingen het hadden durven wagen Erec van lafheid +te beschuldigen. Opnieuw verweet zij zich hare openhartigheid, die +het hart van haren geliefde voor haar had gesloten en zijne ziel met +wrok en wantrouwen had vervuld. Was dit haar dank voor alles, wat hij +voor haar gedaan had, dat zij het zijn moest, die hem deze pijnlijke +wonde toebracht? Maar--zoo sprak eene andere stem in haar binnenste, +had zij het niet gedaan uit liefde voor hem, was het niet beter hem +eerlijk te wijzen op zijne fouten, dan hem te laten voortleven in +een bestaan, dat hem tot oneer strekte? + +Zoo wikte en woog Enide het vóór en tegen van hare handelwijze en +tobde zich af met het uitdenken van middelen, die Erec met haar zouden +verzoenen, totdat het eindelijk begon te dagen tusschen de boomen en +kort daarop de zonnestralen haar koesterend omvingen. Toen ontwaakte +Erec, geheel verfrischt door zijne lange sluimering. Na een karig +maal gebruikt te hebben, hervatten beiden zwijgend hunne reis. + +Tegen den middag lieten zij het bosch achter zich en zagen voor zich +uit de tinnen oprijzen van een kasteel, dat gelegen was op den top van +een heuvel, tegen welks helling eenige woningen verspreid lagen. Langs +een pad, dat van den heuvel naar omlaag voerde, naderde een jongeling +met eene groote mand op de schouders, waaruit een geur van versch +gebakken brood opsteeg. Ondanks zijne zware vracht liep hij vlug en +opgewekt, onder het voortgaan een lustig liedje neuriënd. Erec hield +hem staande: "Wat hebt ge daar in uwe mand, vriend?" sprak hij, "en +waar brengt gij ze heen? Indien het iets eetbaars is, wat ge draagt +en het is voor geld te koop, zoo geef het ons. Wij hebben den nacht +in het bosch doorgebracht en zijn zeer hongerig." + +De jongeling lachte vroolijk. "Ik wil u gaarne afstaan, wat ik draag, +edele Heer," gaf hij ten antwoord, "het is brood en landwijn, die +ik brengen moet aan de maaiers van mijn meester, Graaf Galoain, +die daar ginds in de velden aan het werk zijn. Ik kan echter zoo +noodig gemakkelijk nieuwen voorraad uit het slot halen, dus neem, +waar ge lust in hebt." Dit zeggend, plaatste hij zijne mand op den +grond en haalde er een verschgebakken brood en eenige kruiken wijn uit. + +Erec en Enide lieten zich niet tweemaal nooden. Zij zetten zich in +het lange gras aan den kant van den weg en lieten zich het aangeboden +voedsel kostelijk smaken. Toen zij gegeten en gedronken hadden, +bood Erec den vriendelijken jongeling, die intusschen zijne mand +aan de maaiers gebracht had, één zijner buitgemaakte paarden aan, +tot belooning voor zijne welwillendheid. Opgetogen van vreugde dankte +de knaap hem voor dit kostbare geschenk en toen Erec hem verzocht, +hun een geschikt onderkomen voor den nacht aan te wijzen, verzekerde +hij hem, daar gaarne voor te willen zorgen. + +Het drietal begaf zich nu den heuvel op en weldra had Erec met +behulp van den knaap eene herberg gevonden, waar men hem een ruim +vertrek aanwees als nachtverblijf voor hem en Enide. De jongeling was +intusschen naar het kasteel teruggekeerd, waar hij vol trots aan een +ieder, die het hooren wilde, vertelde, wat hem overkomen was. Het +verhaal van zijn wedervaren kwam zoodoende ook ter oore aan Graaf +Galoain zelven, die den knaap vóór zich liet verschijnen en zich +persoonlijk verslag deed uitbrengen van zijne avonturen. Deze gaf +hem zulk eene opgetogen beschrijving van den gullen en vriendelijken +vreemdeling en de wonderschoone dame, die hem vergezelde, dat de +graaf lust begon te gevoelen, zelf eens kennis te gaan maken met die +onbekende gasten in zijne stad. Daarom beval hij zijn paard te zadelen +en weinigen tijd later stapte hij af aan de herberg, waar Erec zijn +intrek genomen had. Deze werd door den waard van de komst van zijnen +hoogen bezoeker verwittigd en toen de graaf met zijn gevolg in het +vertrek binnentrad, vond hij aldaar eene feestelijk gedekte tafel +aangericht, bedekt met eene keur van kostelijke spijzen. Terstond werd +hij getroffen door de hoffelijkheid, waarmede Erec hem tegemoet kwam, +maar meer nog door de bevallige gratie van Enide. Na afloop van het +middagmaal bleven de ridders tot laat in den avond bijeen. Onder een +beker schuimenden wijn geraakten de tongen los en weldra zochten +zij elkander te overtreffen in opgewonden verhalen van avonturen, +die zij in den loop der jaren beleefd hadden. Enide had zich, zoo +spoedig zij dit ongemerkt kon doen, van het gezelschap verwijderd en +plaats genomen aan een open venster. + +Naar buiten, starend in den zwoelen zomernacht, geraakte zij weldra +geheel verdiept in hare droeve overpeinzingen en hoorde niets meer van +het luidruchtig gelach en gepraat der ridders. Ook bemerkte zij niet, +hoe de graaf, wiens hoofd door den wijn verhit was, steeds vaker +zijne blikken in hare richting liet dwalen. Eindelijk kon hij zich +niet langer bedwingen en vroeg Erec vergunning om vóór zijn vertrek +nog afscheid te mogen nemen van zijne schoone gastvrouw. Met een +onverschillig handgebaar gaf Erec hiervoor zijne toestemming en een +oogenblik later werd Enide opgeschrikt door de stem van den graaf aan +haar oor, die haar op heeschen toon toefluisterde: "Waarom wendt gij +uw schoon gelaat zoo hardnekkig van ons allen af? Is het om hem niet +te zien, die uw echtgenoot is, maar die u niet gelukkig maakt? Want +gelukkig zijt ge niet, dat zie ik aan de treurige uitdrukking uwer +oogen, aan den droeven trek om uw mond. En toch zijt gij geschapen om +blij en vroolijk te zijn, om te worden aangebeden als het schoonste en +kostbaarste kleinood, dat een man ten deel kan vallen. Hij daar ginds +is een dwaas, een lompe vlegel, die niet in staat is, uwe gaven naar +waarde te schatten. Maar"--hier zag hij haar diep in de oogen--"er zijn +anderen, die dit wel kunnen, die het zich tot een onschatbaar voorrecht +zouden rekenen, u te mogen dienen en liefhebben. Eén woord van u en +ik dood uw echtgenoot met een enkelen slag van mijn zwaard. Dan voer +ik u mede naar mijn kasteel, waar gij heerschen zult over mij en de +mijnen. Spreek, gij hebt slechts te bevelen!" + +Bij het vernemen dezer woorden voelde Enide zich een oogenblik als +verlamd van schrik. Eén blik in de richting van haren echtgenoot toonde +haar, dat hij ongewapend was en dus een gemakkelijk slachtoffer zou +zijn voor een onverhoedschen aanval zijner gasten. Wat te doen? Met +den graaf in zijn opgewonden geestestoestand viel niet te praten, +dat begreep zij maar al te goed. Een oogenblik was zij radeloos, toen +verzon haar vlugge geest eene list. Al hare wilskracht verzamelend +om den afkeer te overwinnen, dien Galoain haar inboezemde, boog zij +zich tot hem voorover, zag hem vast in de oogen en sprak fluisterend: +"Gij hebt gelijk! Mijn echtgenoot maakt mij niet gelukkig en eene +verandering van lot, zooals gij mij die voorspiegelt, zou mij dan +ook niet onaangenaam zijn. Eene arme vrouw als ik kan echter niet +voorzichtig genoeg zijn, waar het haar goeden naam betreft. Wanneer +gij mijn echtgenoot thans dooddet, zouden uwe ridders mij steeds +kunnen verwijten, u daartoe aangezet te hebben en nooit zouden zij +voor mij den eerbied kunnen gevoelen, dien zij aan uwe echtgenoote +verschuldigd zijn. + +Daarom smeek ik u, ga thans heen, maar keer morgen in de vroegte +terug om mij te halen. Uwe daad zal dan den schijn dragen van eene +plotselinge overrompeling, waartegen ik mij niet kan verzetten." + +Opgetogen over hare instemming met zijn plan, beloofde de graaf, haren +raad te zullen opvolgen en verliet kort daarop met zijn gevolg de +herberg, na een hartelijk afscheid van zijn gastheer te hebben genomen. + +Deze begaf zich weldra ter ruste en ook Enide maakte zich in den +tegenovergelegen hoek van het vertrek voor den nacht gereed. Hare +sluimering was echter slechts van korten duur. Nog vóór het eerste +morgenkrieken was zij reeds weer op de been en sloop geruischloos +door het vertrek om alles voor een plotselingen aftocht gereed +te maken. Toen zij Erec's kleederen en wapenen had klaargelegd, +begaf zij zich naar het venster en wachtte daar het aanbreken van +den morgen af. Zoodra het daarbuiten licht begon te worden, wekte +zij Erec en deelde hem in haastige woorden het plan van den graaf +mede. Toen hij vernomen had, wat er zou gebeuren, ontbood hij ijlings +den waard en beval hem hunne paarden te zadelen. Daarop schonk hij +hem als betaling de zeven paarden, welke hij aan de roovers ontnomen +had en spoedig daarna begaven hij en Enide zich op weg. + +Niet lang nog waren zij voortgereden, of zij hoorden achter zich een +luid geschreeuw en getier, benevens hoefgetrappel, dat de nadering +van eene groote schare ruiters aankondigde. Omziende zagen zij, in een +dichte stofwolk gehuld, een aantal ridders naderen, die hevig joelend +met gevelde lans op hen toereden; de graaf aan de spits. Deze was kort +na het vertrek der beiden in de herberg gekomen en toen hij vernam, dat +de vreemde gasten in alle vroegte vertrokken waren, had hij begrepen, +dat hij om den tuin was geleid. Met eene schaar van honderd ridders +had hij toen de vluchtenden achtervolgd en nu hij hen ingehaald had, +daagde hij op hooghartigen toon Erec tot een tweegevecht uit. In den +strijd, die nu volgde, moest Galoain het echter tegenover de groote +krijgsmanskunst van zijn vijand weldra afleggen en toen Erec hem +eene diepe wonde in de zijde had toegebracht, zonk hij op de knieën +en smeekte om genade. Terwijl hij daar geknield lag, viel zijn blik +op Enide en toen hij de uitdrukking van innige dankbaarheid over den +afloop van den strijd op hare ontspannen trekken las, besefte hij +eerst, hoe zij haren man met hart en ziel moest liefhebben, ook al +gaapte er op dat oogenblik een diepe kloof tusschen hen beiden. Hij +schaamde zich over zijn hartstocht van den vorigen avond, die hem +bijna tot zulk eene oneervolle daad had gebracht en zich omwendend, +beval hij zijnen ridders huiswaarts te keeren, waarheen hij hen +langzaam en in gedachten verzonken, volgde. + +Erec en Enide zetten intusschen hunne reis verder ongehinderd voort, +tot zij aan eene breede rivier kwamen, aan welker oever een fraai +ridderslot was gelegen. Dicht onder de muren van het slot voerde +eene breede brug over den stroom en daar Erec niemand op de wallen +bespeurde, aan wien hij inlichtingen omtrent den te nemen weg kon +vragen, besloot hij, de rivier over te steken om te zien, wat zich aan +genen oever daarvan bevond. Nauwelijks echter had zijn rijpaard de brug +betreden, of een uitroep van Enide deed hem omzien. "Heer!" riep zij +uit, "ginds nadert een ruiter, blijkbaar de eigenaar van het kasteel, +tot wiens eigendommen ook deze brug schijnt te behooren. Zeker +wil hij u ter verantwoording roepen over het feit, dat gij zonder +zijne toestemming wilt trachten de rivier over te steken. Ik bid +u, wees voorzichtig en vermijd zoo mogelijk een nieuwen strijd, +nu gij nauwelijks van de vermoeienissen van een vorig gevecht zijt +bekomen." Uit hare woorden sprak zóó duidelijk hare bezorgdheid voor +hem, dat een warm gevoel van vreugde Erec doorstroomde. Had zij hem +dan tòch nog lief, na al hetgeen er gebeurd was en was het werkelijk +slechts vrees voor zijn leven en niet vrees voor haar eigen veiligheid +geweest, die haar ondanks zijn verbod tot spreken had gedwongen? Al +brak een straal van hoop door de duisternis, die Erec's ziel vervulde, +toch klonk zijne stem koel en hard als te voren, toen hij tot Enide +sprak: "Het schijnt nutteloos te zijn, u iets te gebieden, want keer +op keer overschrijdt gij mijne bevelen. Doe daarom voortaan, wat u +goed dunkt, ik zal er mij niet langer om bekommeren." + +Bij deze woorden deed hij zijn paard op de brug omkeeren en reed +langzaam den naderenden ridder tegemoet. + +Deze was zóó klein van gestalte, dat hij bijkans een dwerg geleek, +maar al was hij smal en nietig van bouw, toch glinsterden zijne oogen +van moed en strijdlust, toen hij Erec tot den kamp uitdaagde. De strijd +was spoedig beslist, de vreemde ridder moest weldra inzien, dat hij +tegen de meerdere kracht van zijn tegenstander niet bestand was. Hij +verdedigde zich echter met zulk een moed en volharding, dat Erec eene +groote bewondering in zich voelde opkomen voor den durf, waarmede +hij den ongelijken strijd was aangegaan. Hij weerhield zich dus van +hem te dooden en vergenoegde zich met hem zijn zwaard uit handen te +slaan. Daarop sprak hij: "Laat ons dezen onnutten strijd niet langer +voortzetten; de natuur heeft mij met meerdere lichaamsgrootte en kracht +bedeeld dan u; aan deze en aan geene andere oorzaken dank ik het, dat +ik in dezen strijd overwinnaar ben gebleven. Ik koester echter grooten +eerbied voor uw moed en dapperheid. Wanneer gij mij dus wilt toestaan, +uw vriend te worden, zal ik dit als eene hooge eer beschouwen!" + +De aangesprokene nam zijn edelmoedig aanbod dankbaar aan; hij +verklaarde toen Guivret Le Petit te heeten en heer te zijn over +uitgestrekte landerijen in den omtrek. Nadat Erec zijn aanbod om +eenigen tijd zijn gast te zijn had afgeslagen onder voorwendsel, dat +dringende zaken hem elders riepen, namen de beide ridders afscheid +van elkander onder warme vriendschapsbetuigingen. + +Na eenige uren rijdens kwamen Erec en Enide in een dicht woud, +waar zij zich slechts met moeite een weg door het kreupelhout konden +banen. Plotseling werd de diepe stilte om hen heen verbroken door een +luid gejammer, dat uit de struiken tot hen kwam. Op het hooren van +dit klagelijk geluid greep Erec terstond naar zijn zwaard en nadat +hij Enide bevolen had op hem te wachten, drong hij te paard door +het dichte struikgewas in de richting van het geluid. Spoedig kwam +hij aan eene open plek in het bosch, waar hij eene luid weenende +jonkvrouw op den grond vond uitgestrekt. Op zijn deelnemend +vragen vertelde zij hem, dat haar geliefde door twee reuzen was +weggevoerd, die hem met de vreeselijkste folteringen bedreigden en +die gezworen hadden terug te zullen keeren om ook haar hetzelfde +lot te doen ondergaan. Terstond beloofde Erec haar al het mogelijke +te zullen doen, om haren geliefde te bevrijden en nadat hij van de +ongelukkige eenige aanwijzingen had ontvangen omtrent de richting, +waarin de roovers vertrokken waren, begaf hij zich terstond op +weg. Inderdaad had hij nog niet lang gereden, toen hij op eenigen +afstand den ontvoerden ridder ontwaarde. Hij verkeerde werkelijk +in een deerniswekkenden toestand. Zijne beulen hadden hem, bijna +geheel ontkleed, op een rijpaard vastgebonden en liepen elk aan +een kant van hun slachtoffer, dat zij met hunne zware knuppels op +de vreeselijkste wijze mishandelden. Eene hevige verontwaardiging +maakte zich van Erec meester, toen hij dit erbarmelijk schouwspel +aanzag. In vliegende vaart stoof hij op de reuzen af en dezen, die in +'t geheel niet voorbereid waren op zulk een onverwachten aanval, waren +er zóó door uit het veld geslagen, dat zij na een korten strijd luid +schreeuwend het hazenpad kozen. Erec's eerste werk was toen om den +vreemden ridder, die half bewusteloos op zijn paard hing, te ontdoen +van zijne knellende banden en te trachten hem tot bewustzijn terug te +brengen. Boven verwachting gelukte hem dit vrij spoedig. Hoewel zeer +stijf en pijnlijk, had de gevangen ridder geene enkele gevaarlijke +kneuzing opgeloopen en zoo kon hij aan Erec's arm strompelend de +plek bereiken, waar zijne geliefde hem wachtte. Het was roerend de +dankbaarheid der beiden jegens hun redder aan te zien. Zij vielen +voor Erec op de knieën, en kusten zijne handen, terwijl de tranen +van blijdschap en geluk hun over de wangen stroomden. Het werd Erec +bij het zien van hunne vreugde over het feit, dat zij voor elkander +behouden waren gebleven, vreemd te moede. Ook hem wachtte ginds eene +geliefde, die in spanning verkeerde over den afloop van het avontuur, +en al zou hare blijdschap over zijn behouden wederkeer niet zoo +uitbundig zijn als deze, toch,--dit voelde hij in 't diepst zijner +ziel als eene onomstootelijke waarheid--, zij zou haar in innigheid +zeer zeker evenaren, zoo niet overtreffen. Waarom kon hij dan den muur +niet breken, die hen scheidde en het woord van verzoening spreken, +dat haar in zijne armen zou voeren? Het was zijn gekrenkte trots, +die hem daarvan terughield en die meerdere boetedoening eischte van +de vrouw, die hem door hare woorden zoo diep beleedigd had. Hier werd +hij uit zijn gepeins opgeschrikt door den vreemden ridder, die zich +aan hem bekend maakte als Heer Cadroc van Tabriol en nu wederkeerig +wenschte te weten, welke de naam was van zijn bevrijder. Maar Erec, +wiens weeke stemming van zooeven weer geheel verdwenen was, weigerde +kortaf dien te noemen en beval Heer Cadroc naar het hof van koning +Arthur te gaan om hem aldaar te vernemen. + +Na een hartelijk en dankbaar afscheid van de zijde der gelieven, +keerde hij naar de plaats terug, waar hij Enide had achtergelaten. Wie +zal de gevoelens van dankbare verlichting beschrijven, waarmede +deze haar echtgenoot ongedeerd uit het struikgewas te voorschijn zag +komen? Welke folteringen had zij gedurende zijne afwezigheid doorstaan +en hoe vaak was zij op het punt geweest hem in het gevaar te volgen, +liever dan die martelende onzekerheid langer te dragen! Al waagde +zij het niet, een woord te zeggen, toch gaf iedere trek van haar +gelaat, iedere beweging van hare gestalte uiting aan hare overgroote +vreugde, nu Erec, voor zoover zij zien kon, zonder letsel tot haar was +wedergekeerd. Deze laatste had intusschen onder het rijden bemerkt, +dat hij gekwetst was. Toen hij zijne hand aan zijne zijde bracht, +voelde hij hoe zijne kleeren op die plek kleefden van het bloed, +dat hem uit eene diepe wonde vloeide. Hij besloot echter met geen +woord hiervan te reppen en te wachten, tot zij aan eene geschikte +rustplaats kwamen, waar hij gelegenheid zou hebben, zijne wonde +zelf uit te wasschen en te verbinden. Het denkbeeld van zulk een +dienst onder deze omstandigheden door Enide te laten verrichten, +was hem ondragelijk. Met inspanning van al zijne krachten hield hij +zich dus in het zadel overeind, hoewel hij zich door het aanhoudend +bloedverlies steeds zwakker voelde worden. Enide reed intusschen in +bijna opgewekte stemming voort, zóó groot was de terugslag na haar +angst van zooeven. Daar hoorde zij een doffen slag achter zich en haar +hart stond bijna stil van schrik, toen zij, omziende, Erec naast zijn +paard op den grond zag liggen met gesloten oogen en doodsbleek gelaat. + +In een oogwenk lag zij naast hem nedergeknield en terwijl zij +met geweld de snikken onderdrukte die haar in de keel kropten, +beproefde zij met alle middelen, die haar ten dienste stonden, om de +levensgeesten weer bij hem op te wekken. Maar tevergeefs; Erec sloeg +de oogen niet op en toen zij inzag, dat al haar pogen nutteloos was, +liet zij eindelijk haar tranen den vrijen loop en barstte los in een +hartstochtelijk weenen. + + + +_Hoe Enide medegevoerd werd door den graaf van Limors en wat er +met haar in diens slot gebeurde._ Hoe lang zij daar zoo troosteloos +gezeten had met Erec's hoofd in haar schoot, kon zij zich later niet +herinneren; ten slotte geraakte zij in een toestand van verdooving, +waaruit ruwe stemmen haar deden opschrikken. Het was de graaf van +Limors, een roofridder uit een naburig kasteel, die met zijne +manschappen langs de plek kwam rijden, waar Enide bij het als +levenlooze lichaam van haren echtgenoot zat te klagen. De graaf +hield zijn paard in en vroeg Enide nieuwsgierig, wat er gebeurd +was. Zóó zeer werd hij bekoord door haar schoonheid, dat hij zijnen +dienaren beval, Erec op te nemen en hem voorzichtig naar zijn slot te +dragen. Eigenhandig hielp hij daarna Enide om haar paard te bestijgen +en voerde zoo de beiden met zich mede. In zijn slot aangekomen deed hij +het lichaam van Erec nederleggen op eene baar in de groote slotzaal; +Enide ruimde hij eene plaats in aan zijne zijde, waar hij haar met +beleefdheden overlaadde. De onverschilligheid, waarmede zij die in +ontvangst nam, spoorde hem tot steeds grooter voorkomendheid aan en +deed het vuur van zijn hartstocht aanwakkeren tot eene steeds hooger +oplaaiende vlam. Die vrouw moest en zou de zijne worden, en wilde +zij zulks niet goedschiks, dan zou hij haar wel weten te dwingen. + +Na eenigen tijd werd het sein tot den maaltijd gegeven, waaraan ook +Enide gedwongen werd deel te nemen. Vol angst, de oogen in bange +vrees op de baar gericht, waar Erec lag, zat zij aan tafel, waar +zij alle spijzen ongebruikt aan zich voorbij liet gaan. Maar dit +was niet de bedoeling van den graaf. Met luider stem gelastte hij +haar om te eten en toen zij ronduit weigerde, dit te doen, zeggend, +dat zij niets wilde gebruiken, alvorens haar echtgenoot hiertoe ook +weer in staat was, liet de woesteling zich zoodanig door zijne woede +overmeesteren, dat hij haar met een ruwen vloek in het gezicht sloeg. + +De ridders, die aan tafel waren gezeten, sprongen verontwaardigd +overeind; al waren zij gewend aan de woeste zeden en gebruiken in +het kasteel van hun meester, een dergelijk feit hadden zij toch +nog nooit beleefd! Met eenige heftige verwenschingen beval Limors +hun zich niet met zijne zaken te bemoeien en zóó zeer stonden zij +onder den dwang van zijne ruwe heerschappij, dat zij zwegen. Limors +wendde zich opnieuw tot Enide en gebood haar te eten, maar zijn +heerscherstoon en de aanmatigende wijze, waarop hij tot haar sprak, +deden in het hart der jonge vrouw den moed ontwaken, die eene lange +reeks van dappere voorvaderen haar als erfdeel hadden geschonken. Met +opgeheven hoofd en helder klinkende stem weigerde zij ten éénenmale, +om zijn bevel op te volgen en verweet hem op krachtige wijze zijne +onridderlijke houding tegenover eene zwakke, onbeschermde vrouw. + +Limors begroette haar betoog met een schallend hoongelach. Wat kon +het hem schelen, of hij zich in hare oogen onridderlijk gedroeg? Zij +was immers in zijne macht en wanneer hij zulks wilde, kon hij dat +trotsche hoofd in een oogwenk doen buigen. Om haar zijne overmacht +te toonen gaf hij haar opnieuw een slag in het gezicht. + +Toen eerst drong bij Enide het besef door, hoe volkomen zij aan hem +was overgeleverd. Indien de graaf nog den minsten twijfel gevoelde, +of Erec wel werkelijk dood was, zou hij zóó niet durven handelen. Het +moest dus inderdaad een feit zijn: haar geliefde was dood en zij--al +het vreeselijke van haar toestand werd haar nu eerst duidelijk! Onder +het slaken van een hartverscheurenden kreet zonk zij ineen. + +Die kreet was hare redding. Hij drong door tot in Erec's brein, +de nevelen zijner bezwijming verscheurend en riep hem terug tot +het leven. Met één sprong was onze held overeind en bij den eersten +blik zag hij, wat er geschied was. Zijn zwaard grijpend stortte hij +zich op den graaf, die zich juist tot Enide wilde vooroverbuigen en +spleet hem met een enkelen slag van zijn wapen den schedel. Vol schrik +sprongen de aanwezigen van hunne zetels op; zij meenden niet anders, +of Erec was uit den dood opgestaan en onder angstig geschreeuw namen +allen de vlucht. Allen--behalve Enide, die in verstomming, maar +met een gevoel van onuitsprekelijke verlichting had toegezien. Zij +durfde nauwelijks hare oogen gelooven en vreesde bijna, dat het een +droom was, waaruit zij zoo straks tot de vreeselijke werkelijkheid +zou worden teruggeroepen. Maar neen, hij was het toch, Erec, haar +echtgenoot, haar geliefde, die met uitgestrekte handen op haar toetrad, +een glans van geluk in zijne oogen, haar in zijne armen nam en haar +toefluisterde: "Liefste! van nu af aan verdwijnen alle schaduwen van +vrees en wantrouwen tusschen ons. Als voorheen zullen wij elkander +liefhebben, al zal die liefde in de toekomst rekening hebben te +houden met de plichten, welke wij in de wereld moeten vervullen. Uwe +woorden van toen heb ik u vergeven, vergeef gij mij mijne hardheid +en wreedheid en laat ons te zamen een nieuw leven beginnen, waarin +de liefde ons niet langer omlaag zal trekken, maar integendeel ons +omhoog zal voeren tot meerdere eer en roem". + +En Enide?--zij snikte zachtkens aan zijne borst, tranen van +dankbaarheid en geluk, over de herwonnen liefde van haar echtgenoot. In +'t vervolg zou zij niet meer zooals vroeger al zijn doen en denken in +beslag nemen, maar zij zou hem steunen en troosten in zijn verdriet, +met hem jubelen over den roem, dien hij zou behalen, en hem in alles +ter zijde staan als eene trouwe, teedere echtgenoote. + +Nu gold het voor hen beiden om weg te komen uit deze omgeving, vóór de +ridders, van hunnen eersten schrik bekomen, den dood van hun meester +wilden wreken. Op het voorplein vonden zij Erec's strijdros. In een +oogenblik zat onze held in het zadel en zich bukkend nam hij Enide +vóór zich op het paard. Zoo reden zij spoorslags de brug over, het +donkere bosch in, dat zich om het kasteel uitstrekte. + +Onverschillig waar het lot hem heenvoerde, zoo het slechts uit de +nabijheid van het rooversnest Limors was, liet Erec de teugels van zijn +paard los hangen en stond het trouwe dier toe zijn eigen pad te kiezen +door de dichte duisternis van het woud. Enide lag stil en gelukkig +in zijne armen en onder het voortrijden fluisterde hij haar woorden +toe vol hartstocht en teederheid. Het samenzijn in het nachtelijk +bosch, waar alles om hen heen in rust verzonken lag, scheen hen nog +dichter tot elkander te brengen. Het was of de gansche wereld zich +had teruggetrokken, om hen beiden alleen te laten. Als in een droom +luisterde Enide naar de liefkoozende woorden van haren echtgenoot; na +de angst en spanning der laatste dagen scheen het of zij plotseling +van uit de woeste zee in een veilige haven was aangeland. Met een +zucht van welbehagen nestelde zij zich nog dichter in Erec's armen, +uit welke veilige schuilplaats geene macht ter wereld haar ooit meer +zou kunnen verdrijven. + +Daar werd de doodsche stilte om hen heen verstoord door naderend +hoefgetrappel. Een ruiter naderde--maar met welke bedoelingen kwam +die in het holst van den nacht door het woud rijden? Ijlings lichtte +Erec zijne geliefde uit het zadel en verzocht haar zich achter de +zware boomen verscholen te houden, tot hij had uitgevorscht, wie +daar naderde. Mogelijk was het een der ridders van Limors, die zijn +meester kwam wreken! + +Eene gedaante te paard kwam op Erec af en weldra bemerkte Enide uit het +wapengekletter en het snuiven der paarden, dat het tusschen Erec en den +onbekende tot een treffen was gekomen. Zij moest zich geweld aandoen om +het niet uit te gillen van angst; het was ook te wreed, het nauwelijks +herkregen geluk opnieuw in gevaar gebracht te zien. Bovendien wist +zij, dat Erec door het vele bloedverlies zeer verzwakt moest zijn, +wat haar het ergste deed vreezen. Inderdaad, haar vermoedens werden +slechts al te spoedig bewaarheid. In het onzekere maanlicht zag zij, +hoe haar echtgenoot zich al minder en minder krachtig tegen den regen +van slagen, die op hem neerviel, wist te verdedigen. Daar wankelde +hij in het zadel en daar--O, ontzetting! stortte hij met een doffen +smak op den grond. + +Met een kreet sprong Enide van uit hare schuilplaats te voorschijn +en liep met opgeheven handen op den vreemden ridder toe: "Houd op, +houd op!" riep zij uit, "schaamt gij u niet een ridder, die zwaar +gewond en door bloedverlies uitgeput is, aan te vallen? Wilt gij uw +geweten nog verder bezwaren door een moord?" + +De vreemdeling hield de teugels van zijn paard in en poogde tevergeefs +in het maanlicht de trekken der spreekster te onderscheiden. "Wie +zijt gij?" vroeg hij verbaasd, "en waar komt gij zoo plotseling +vandaan? Uwe stem heeft een bekenden klank. Spreek, hoe is uw naam +en die van uw begeleider?" + +"Hij, dien gij zoo lafhartig hebt neergeveld," antwoordde Enide op +trotschen toon, "is prins Erec, de eenige zoon en erfgenaam van koning +Lac en ik ben Enide, zijne echtgenoote." + +De onbekende slaakte een uitroep van ontsteltenis. + +"Dan zijt gij het, dien ik zoek!" riep hij uit, "mijn vriend Erec, +die, zoo zeide men mij, door de roofridders van Limors gevankelijk was +medegevoerd en dien ik uit dat hol van verderf wilde bevrijden! God +geve, dat ik in mijne onbesuisdheid geen misdaad heb begaan!" + +Dit zeggend, sprong Guivret Le Petit, want hij was het, van zijn +paard en liep naar de plaats, waar Erec ter aarde lag, maar de +trouwe Enide was hem vóórgeweest en lag reeds bij het lichaam van +haar echtgenoot nedergeknield. Met vereende krachten slaagden zij +er in, de levensgeesten bij Erec weder op te wekken. Met behulp van +eenige takken en Erec's mantel wist Guivret eene tent op te slaan, +waarin de gewonde werd neergelegd. Guivret waakte bij den ingang en +Enide bracht den nacht door aan de zijde van haar echtgenoot. + +Toen de morgen daagde, stelde Guivret zijnen vrienden voor om hem te +vergezellen naar zijn slot Penevric, dat niet ver van daar gelegen +was. Ginds, zoo hoopte hij, zou Erec onder de goede zorgen van +Enide en Guivret's beide zusters spoedig geheel herstellen van de +doorgestane vermoeienissen. + +Zoo gezegd, zoo gedaan. + +In Penevric werden zij door de twee genoemde edelvrouwen op de +hartelijkste wijze ontvangen en al wilde Enide den persoonlijken zorg +van haren echtgenoot aan niemand anders overlaten, toch volgde zij +dankbaar de aanwijzingen harer gastvrouwen, die zich in de heelkunst +eene groote bekwaamheid hadden verworven. Spoedig waren Erec's wonden +geheel genezen en op een schoonen morgen namen onze held en heldin +afscheid van de gastvrije slotbewoners om de terugreis naar het hof +van Koning Arthur te ondernemen. + +Op het laatste oogenblik vroeg Guivret verlof, hen daarheen te mogen +vergezellen, wat hem door Erec gaarne werd toegestaan. + + + +_Van het avontuur, dat men de vreugde van het hof placht te noemen._ +Aanvankelijk kenmerkte hunne gezamenlijke reis zich door geen enkel +avontuur, tot zij op zekeren avond vanaf den top van een heuvel een +ridderslot zagen liggen, aan alle zijden omgeven door water. Getroffen +door den fraaien bouw van het kasteel vroeg Erec aan zijn metgezel, +of deze hem ook zeggen kon, aan wien het slot toebehoorde. Guivret +vertelde hem daarop, dat het de burcht Brandigan was, het eigendom van +Koning Evrain. Terwijl hij dit zeide, scheen hij eenigszins verlegen; +het was bijna, of hij iets voor Erec verborgen hield. Dit prikkelde de +nieuwsgierigheid van onzen held en ten einde de oorzaak van Guivret's +geheimzinnige houding te ontdekken, gaf hij zijn voornemen te kennen +om in het slot een onderkomen voor den nacht te vragen. + +Guivret geraakte over dit voorstel in groote opwinding; hij bezwoer +zijn vriend om zijn plan op te geven en liever in de open lucht +te overnachten, dan zich naar den burcht Brandigan te begeven. Op +Erec's dringend vragen, wat de reden mocht zijn van een dergelijk +vooroordeel tegen het kasteel en welke de gevaren konden zijn, die +hem daar wachtten, gaf hij eerst slechts ontwijkende antwoorden. Toen +Erec echter bleef aandringen, vertelde hij hem eindelijk, dat er aan +een bezoek op dit slot een avontuur verbonden was, hetwelk men de +Vreugde van het Hof noemde en waarvan nog geen enkel ridder behouden +was wedergekeerd. Hij smeekte Erec daarom, zich te bezinnen, eer het +te laat was en het slot voorbij te rijden, zonder af te stappen, want, +zoo zeide hij, elkeen, die in Brandigan te gast was, moest zich aan +het avontuur onderwerpen. Ook Enide zag haar echtgenoot smeekend aan, +maar zij weerhield zich een woord te spreken om hem van zijn voornemen +terug te brengen. Nooit moest hij ter wille van haar eene gelegenheid +laten voorbijgaan om zich roem te verwerven. + +Erec aarzelde langen tijd; eenerzijds lokte hem het geheimzinnige +avontuur, anderzijds wilde hij zijn leven niet nutteloos in de +waagschaal stellen, vooral niet nu het nieuwe geluk er nieuwe +waarde aan schonk. Ten slotte werd de verleiding zich nog meer roem +te verschaffen hem te sterk en tevens vond hij het eene schoone +gelegenheid, om te bewijzen, dat zijne liefde voor Enide, hoe groot +en teeder die ook zijn mocht, niet langer zijne ridderplichten in +den weg stond. Vastberaden wendde hij zich tot Guivret en zeide hem +eene kans te willen wagen, om het avontuur tot een goed einde te +brengen. Daarna greep hij onder het rijden Enide's hand en sprak haar +moed in door woorden van troost en opbeuring. + +In de stad gekomen, die om den burcht Brandigan was gelegen, werden +zij terstond omringd door eene luid klagende menigte. Op Guivret's +vraag, waarom zij zoo jammerden, gaf men hem ten antwoord, dat zulks +geschiedde uit mededoogen voor den schoonen, jongen ridder, wien zulk +een droevig lot te wachten stond. + +Op het slot bereidde Koning Evrain hun een gul onthaal. Nadat de +reizigers zich door een stevig maal versterkt hadden, verzocht Erec +den vorst hem zonder omwegen mede te deelen, waarin het avontuur, +dat men de Vreugde van het Hof placht te noemen, bestond. + +Alvorens hij aan zijn verzoek voldeed, waarschuwde Evrain zijn jongen +gast, zich nog eens goed te bedenken, waartoe hij zich verbond. Oudere, +meer ervaren ridders dan hij, hadden het avontuur ondernomen en geen +van hen was er heelhuids van teruggekeerd. Wilde hij toch eene kans +wagen, zoo moest hij zich bij het aanbreken van den dag gereed houden +en Evrain zelf zou hem de noodige inlichtingen geven omtrent de wijze, +waarop hij te werk moest gaan. + +Erec bleef bij zijn eens genomen besluit en den volgenden morgen begaf +hij zich geheel gewapend op weg, vergezeld van koning Evrain en diens +gevolg. Alle menschen, die zij op hun weg ontmoetten, zagen Erec met +meewarige blikken aan en de vrouwen der hovelingen konden zich niet +weerhouden te weenen, wanneer zij aan het rampzalig einde dachten, +dat de jonge held tegemoet ging. + +Even buiten de stad gekomen, stond de koning stil. Hij beduidde +zijn gevolg op hem te wachten en wenkte Erec en Enide om hem te +volgen. Nadat zij eenige minuten voortgegaan waren, werden zij +plotseling omgeven door een dichten nevel, die hun het verdergaan +belette. Toen sprak de koning plechtig: "Het oogenblik is gekomen, +waarop ik u zal mededeelen, waaruit het avontuur bestaat, dat men de +Vreugde van het Hof noemt. Daarom, luistert goed. Op eenige schreden +van hier bevindt zich een boomgaard, welke geheel omgeven is door +een ondoordringbaren muur van mist. Niemand dan ik kan u daarbinnen +toegang verschaffen. In dien boomgaard nu groeien winter en zomer de +schoonste bloemen en vruchten en de vogels zingen er, alsof het altijd +lente was. Toch schuilt te midden van dit bloeiende leven de dood met +al zijne verschrikkingen, hoe, dat zal ik u toonen!" Na deze woorden +gesproken te hebben, voerde de koning Erec en Enide dwars door den +dichten nevel in een waren toovertuin vol kleuren en geuren. Links +en rechts groeiden de fraaiste bloemen; tusschen de takken der +boomen bloosden de kostelijkste vruchten en een koor van jubelende +vogelstemmen scheen de binnenkomenden te begroeten. Plotseling +slaakte Enide een kreet van schrik en greep Erec bij den arm, hem met +ontsteld gelaat opmerkzaam makend op eene reeks palen, elk gekroond +met een afgeslagen menschenhoofd. De laatste van de rij alleen droeg +niet zulk een afgrijselijk versiersel, doch in plaats daarvan een +hoorn. Ook Erec kon eene rilling van afschuw niet onderdrukken en +zich tot den koning wendend, vroeg hij hem naar de beteekenis van dit +vreeselijk schouwspel. Evrain antwoordde: "Zeide ik u niet, dat de dood +u bedreigde temidden van al dit schoons? Deze hoofden hebben toebehoord +aan de ridders, die vóór u beproefd hebben het avontuur tot een goed +einde te brengen; gij ziet wat er van hen geworden is! De hoorn is +bestemd voor hem, die als overwinnaar uit den strijd te voorschijn +treedt; door hem te blazen, zult ge wijd en zijd verkondigen, dat +gij er in geslaagd zijt, de Vreugde van het Hof tot werkelijkheid te +maken. Wanneer gij echter niet gelukkiger zijt dan uwe voorgangers, +zoo zal nog heden uw hoofd prijken, waar thans de hoorn hangt en +voor dezen laatsten zal een nieuwe paal uit den grond verrijzen. Nu +weet gij alles; het verdere moet ge zelf ondervinden. Er blijft +mij slechts over u kracht en sterkte toe te wenschen en u in Gods +heilige hoede aan te bevelen. Neem thans afscheid van uwe geliefde, +ik zal haar bij de kromming van den weg afwachten. Vaarwel!" + +Toen de koning heengegaan was, nam Erec zijne vrouw in zijne armen +en omhelsde haar innig. Hij kon daarbij niet beletten, dat de tranen +van aandoening hem over de wangen stroomden. In het aangezicht van +den dood, met die afgrijselijke staken vóór zich, kwam het leven hem +dubbel schoon en begeerenswaard voor en bijna berouwde het hem, niet +naar Guivret's raad geluisterd te hebben. Hij bedwong echter zijne +smart zooveel hij kon om het afscheid voor Enide niet nog moeilijker +te maken en poogde haar met opbeurende woorden moed in te spreken, +hoe zwaar hem dit ook viel. + +Eindelijk scheidden zij; Enide liep met wankelende schreden het pad +af, waarlangs zij gekomen waren en Erec ging den boomgaard verder +in. Voorzichtig naar alle kanten spiedend of er ook gevaar dreigde, +het getrokken zwaard in de hand, liep hij verder, tot hij, een hoek +omslaande, plotseling vol verrassing stilstond. + +Eenige passen voor hem uit, onder de breede kruin van een wilden +vijgeboom, stond een zilveren bed, dat rustte op vier gouden +voetstukken. Daarin lag eene jonkvrouw, naar het scheen in diepen slaap +verzonken. Nieuwsgierig trad Erec naderbij om het vreemde schouwspel +nader te onderzoeken, toen plotseling uit de struiken een ridder +te voorschijn schoot, gekleed in eene vuurroode wapenrusting. Met +donderende stem beval hij Erec hem genoegdoening te verschaffen over +dit schaamtelooze binnendringen in het heiligdom zijner geliefde. + +In den strijd, die weldra tusschen hen ontbrandde, bemerkte Erec al +spoedig, dat hij nog nooit zulk een geweldig tegenstander had gehad +als nu. De vreemdeling was zijn meerdere zoowel in grootte, als ook +in lichaamssterkte, Erec daarentegen won het in vlugheid van beweging. + +Lang duurde de strijd; het zweet liep den beiden ridders in stroomen +langs het gelaat, hun adem kwam hijgend en zwoegend, terwijl zij steeds +weer in verblinde woede op elkander indrongen. Eindelijk begon Erec's +tegenstander sporen van vermoeidheid te vertoonen, zijne bewegingen +werden langzamer en zijne slagen verminderden in hevigheid. Dit +bemerkend, verdubbelde Erec zijne inspanning. Zijne laatste krachten +bijeenrapend stormde hij nogmaals op zijn vijand los en wist hem met +eenen handigen stoot van zijn zwaard het evenwicht te doen verliezen. + +Toen hij zijn tegenstander voor zich op de knieën zag vallen, +stak Erec met een gevoel van groote dankbaarheid zijn zwaard in +de schede, reikte den overwonnene de hand en beduidde hem op te +staan. De vreemdeling rees verheugd overeind en dankte Erec voor diens +ridderlijk optreden. Tevens verzocht hij hem zijn naam te noemen, +opdat hij weten zou, wie hem overwonnen had. Erec zeide hem dien, maar +verlangde wederkeerig van hem te vernemen, met welk doel hij zich in +den boomgaard bevond en waarom men het avontuur, dat hem derwaarts +had gevoerd, de Vreugde van het Hof noemde. Hierop antwoordde de +vreemdeling hem als volgt: "Mijn naam is Mabonagrain; ik ben afkomstig +uit een naburig hertogdom, en een jongere zoon van den regeerenden +hertog. Van mijne jeugd af, zoolang ik mij herinneren kan, had ik de +jonkvrouw lief, die daar ginds op het rustbed ligt. Zij beminde mij +eveneens en beiden haakten wij naar het oogenblik, waarop onze levens +voorgoed aan elkander verbonden zouden worden. In afwachting van dien +dag eischte zij echter van mij, dat ik alle plichten en genoegens, +die mij van hare zijde wegriepen, om harentwil zou opgeven. Het +onredelijke van haar verzoek en de onmogelijkheid om er mij steeds aan +te houden waren aanleiding tot twisten en oneenigheid tusschen ons, +wat ons geluk verstoorde. Meestal was ik het, die toegaf, want ik +kon het niet over mij verkrijgen om haar, die ik boven alles beminde, +eenig verdriet aan te doen. Zoo naderde onze huwelijksdag. Op den avond +tevoren, toen wij ons in den tuin van het slot haars vaders bevonden, +vroeg ze mij, haar eene gunst te willen bewijzen. Verliefde dwaas, +die ik was, zwoer ik een duren eed, dat ik elk verzoek, hetwelk ze +mij doen mocht, onvoorwaardelijk zou inwilligen. Weinig dacht ik, +dat zij zóó berekenend en listig zou zijn om misbruik te maken van +mijne opgewonden stemming. Toch was dit het geval. De gunst, welke ze +mij verzocht, was niets minder dan eene belofte mijnerzijds om mijn +gansche leven met haar in dezen boomgaard te slijten. Bovendien moest +ik elken ridder, die hier binnendrong, uitdagen tot een tweegevecht +en slechts wanneer ik daarin verslagen werd, stond zij mij toe den +boomgaard te verlaten. Ik had mijn woord verpand en moest dus doen, +wat van mij gevraagd werd; maar meen niet, dat het met mijne instemming +geschiedde! Menigmaal heb ik terugverlangd naar het volle leven aan +gene zijde van den nevelmuur en vaak heeft het mij verdroten, dat om +mijnentwil, of eigenlijk ter voldoening aan de gril eener zelfzuchtige +vrouw, zoovele wakkere mannen het leven moesten laten. Thans echter +is mijne ballingschap voorbij! Ziet, ginds trekken de nevelwolken +tusschen de boomen omhoog! Voortaan zullen de voorbijtrekkende ridders +veilig kunnen vertoeven in het slot van Koning Evrain, de ommuurde +boomgaard met zijne grimmige heg van doodshoofden zal verdwijnen en +de druk van geheimzinnigheid en doodsgevaar zal van het land worden +weggenomen. Wanneer gij dit alles door een stoot op den hoorn aan +de omgeving bekend maakt, zult gij inderdaad de brenger zijn van +"de Vreugde van het Hof!" Daarom verzoek ik u niet langer te dralen +en het teeken te geven tot mijne bevrijding!" + +Daarop begaven de beide ridders zich naar de plaats, waar de hoorn aan +den staak hing en weldra verkondigde een lustig geschal den goeden +afloop van het avontuur aan de angstig wachtenden daarbuiten. Toen +de laatste tonen wegstierven, verdwenen ook de laatste nevelsluiers +tusschen de struiken en de boomgaard lag open voor de oogen der +hovelingen. Vol blijdschap stroomde het gansche gezelschap naar binnen, +voorop Enide aan den arm van Koning Evrain met den trouwen Guivret +aan hare zijde. + +Wat een vreugde en geluk, toen Erec hen ongedeerd tegemoet trad en +met welk eene belangstelling luisterde men naar het verslag van zijn +wedervaren! Alle aanwezigen drukten hem de hand en gevoelden behoefte +om hem te danken voor wat hij gedaan had; een ieder roemde om strijd +zijne dapperheid. Ook Mabonagrain werd vriendelijk begroet, toen men +zijne geschiedenis van Erec vernomen had; dat hij zelf innig verblijd +was over zijne bevrijding stond duidelijk op zijne gelaatstrekken +te lezen. + +Zoo betoonden allen zich verheugd over den uitslag van het gebeurde, +behalve ééne en dat was de geliefde van Mabonagrain. Zij besefte maar +al te goed, dat zij door hetgeen er geschied was, de macht over haren +echtgenoot grootendeels verloren had en tevens vreesde zij met recht, +dat zijne liefde voor haar door hare zelfzuchtige dwingelandij zeer +geleden zou hebben. Somber zat zij in een hoek van het vertrek, waar +de anderen feestvierden, en peinsde over haar toekomstig leven. Daar +vond Enide haar en de jonge vrouw, die zelve zoo innig gelukkig was, +beijverde zich terstond om haar te troosten en op te beuren. Zij +vertelde haar van het leed, dat zij had moeten doorworstelen, alvorens +zij geleerd had, de behoeften aan geluk van haren echtgenoot te stellen +boven de hare. Zij wees er de mismoedige op, dat het leven van een +man niet enkel gevuld kan worden door liefde, dat het ook verlangen +heeft naar roem en eerbetoon, wat voor eene vrouwenziel onbegrijpelijk +is. Waar de bevrediging dier verlangens echter bijdraagt tot zijn +geluk is het de plicht der vrouw om ze in hem aan te wakkeren, ook al +handelt zij daardoor schijnbaar tegen haar eigen belangen in. De eenige +ware manier, zoo besloot Enide, om gelukkig te worden, is te trachten +zichzelf te vergeten en slechts te leven om anderen gelukkig te maken. + +Nadat zij was heengegaan, om zich bij het vroolijke gezelschap aan +tafel te voegen, waarheen Erec haar riep, bleef de andere jonge vrouw +nog langen tijd in gemijmer verzonken. Enide's woorden hadden haar +wakker geschud uit hare ijdele zelfzucht en toen zij zich dien avond +te slapen legde, was het met een hart vol goeden wil. Zij nam zich +ernstig voor om goed te maken, wat zij jegens haren echtgenoot had +misdreven en te trachten, door een nieuw leven vol zorg en toewijding +zijne liefde te herwinnen. + +Erec en Enide begaven zich den volgenden morgen opnieuw op weg, +vergezeld door Guivret Le Petit. Na eenige dagen reizens kwamen zij +in Cardiff aan, waar zij met groote vreugde door koning Arthur werden +begroet. Aan zijn hof bleven zij vertoeven, totdat eenige jaren later +het bericht van den dood van Erec's vader onzen held naar zijn eigen +land terugriep. Daar aanvaardde hij het bestuur over zijn volk, dat +hij tot in hoogen ouderdom met wijsheid wist te regeeren. Steeds bleef +hij gelukkig in zijn huwelijk met Enide en toen de jaren verliepen, +groeide er een jong en krachtig kroost rondom hen op, dat door zijne +frissche jeugd hun de zorgen des ouderdoms verlichtte. + + + + + +INLEIDING TOT DE SAGE VAN LANCELOET EN ELAINE. + + +De voorname plaats, welke Lanceloet bekleedt onder de ridders van +koning Arthur, alsook zijne verhouding tot koningin Ginevra, maken +het wenschelijk, dat wij in deze inleiding een weinig dieper ingaan +op de geschiedenis van dien held, dan, strikt genomen, voor een juist +begrip van onderstaande legende noodzakelijk is. + +De figuur van Lanceloet, die zulk eene belangrijke rol zou vervullen +in den Arthur-cyclus, doet haar intrede gedurende het tweede, Fransche +tijdperk der Arthur-sagen. + +In de oude verhalen van Wales en in het bekende Middel-Engelsche +gedicht "Brut" van Layamon, wordt Lanceloet's naam niet genoemd; +het eerst lezen wij dien in "Erec" van Chrétien de Troies, waar +onze held als derde genoemd wordt onder de ridders van Arthur's +hof. In dit gedicht, alsook in het latere "Cligés", eveneens van +Chrétien's hand, is Lanceloet slechts een naam. Opmerkelijk is het, +dat het laatste gedicht tot onderwerp heeft de liefde van den held, +Cligés, voor de jonge vrouw van zijn oom _en vorst_ en dat, terwijl +wij daarin veelvuldige toespelingen vinden op de sage van Tristan en +Isolde, er toch met geen enkel woord wordt gerept van de verhouding +tusschen Lanceloet en Ginevra! In het volgende gedicht van Chrétien +de Troies, dat getiteld is: "Le Chevalier de la Charrette" [49] staan +wij plotseling voor eene geheel uitgewerkte en in bijzonderheden +vertelde beschrijving van Lanceloet's verhouding tot de schoone +koningin. Deze verhouding, waarover in de vorige gedichten in 't +geheel niet werd gesproken, is thans een voldongen feit en levert +de stof voor eindelooze beschouwingen en bespiegelingen over de +liefde. In het volgende gedicht: "Yvain" vinden wij slechts één +vluchtige vermelding van Lanceloet's naam; in Chrétien's laatste werk: +"Perceval", wordt hij in het geheel niet genoemd. + +Hoe nu dit alles te verklaren? + +Volgens Jessie Weston, de schrijfster van "The Legend of Sir +Lancelot du Lac", Grimms Library, vol. XIII, is de oorsprong van de +Lanceloet-legende te vinden in een van die vele Bretonsche liederen, +de beroemde "lais bretons", welke de minnezangers van Wales en Bretagne +in de 12e eeuw plachten te zingen in de kasteelen der Normandische en +Fransche edelen en die zooveel hebben bijgedragen tot de verspreiding +der Arthur-sagen. De inhoud van dit lied zou dan geweest zijn de roof +van een koningszoon door eene waterfee. Dit blijkt het eenige gegeven +omtrent onzen held te zijn, dat in al zijne levensbeschrijvingen +voorkomt; onder welke gedaante hij ons vertoond wordt, steeds is en +blijft hij "Lancelot _du Lac_." + +Het eerste verslag van zijne lotgevallen vinden wij in een +Middel-Duitsch gedicht: "Lanzelet", dat dagteekent uit de eerste jaren +der 13e eeuw en geschreven werd door Ulrich van Zatzikhoven. Hoewel +het werk van lateren datum is dan Chrétien's gedicht, is de stof, die +daarin verwerkt wordt, van veel ouderen oorsprong en moet het dus ook +als ouder beschouwd worden. Uit den lossen bouw van het gedicht maakt +Jessie Weston op, dat het is samengesteld uit een aantal "_lais_", +die elk op zichzelf een afzonderlijk geheel vormden. + +De Fransche dichter was evenwel de eerste, die den naam van den held +in verband heeft gebracht met dien van de schoone, jonge gemalin +van koning Arthur. Zijn "Chevalier de la Charrette" werd geschreven +op bevel en waarschijnlijk volgens aanwijzingen van gravin Marie +de Champagne, die zulk eene belangrijke rol heeft gespeeld in het +letterkundige leven van haar tijd. Bovengenoemd gedicht is eene +verheerlijking der hoofsche liefde, zooals zij in die dagen werd +gepredikt in de galante kringen van Frankrijk. De held is in blinde +aanbidding verzonken voor zijne geliefde, die door hare grillen en +luimen de standvastigheid zijner gevoelens op de proef tracht te +stellen. De bewondering voor zulk eene onnatuurlijke verhouding was +het gevolg van de over-beschaving uit die dagen en de overdreven +verheerlijking der vrouw was eene verklaarbare reactie op de +geringschatting, waarmede men in de voorafgaande eeuwen op haar +nederzag. Ons echter, die dergelijke toestanden ontgroeid zijn, +treft bovenal het gekunstelde van zulke verhoudingen en daarom kan +ons Chrétien's gedicht, waarin deze gevoelens op de spits worden +gedreven, niet werkelijk ontroeren. Hoe geheel anders worden wij +getroffen door de sage van Tristan en Isolde, ongeveer in denzelfden +tijd ontstaan, maar waarin, dat voelen wij terstond, van werkelijke +liefde en hartstocht sprake is. + +De Lanceloet-sage komt tot voltooiing in den Franschen prozaroman: +"Lancelot", waar de geschiedenis van den held in verband wordt gebracht +met de Graal-sage. [50] + +Het handschrift van "Lancelot" dagteekent uit de 14e eeuw, maar +Dr. Jonckbloet, de bewerker van den Middel-Nederlandschen "Lanceloet", +de eenige in dichtmaat geschreven vertolking van het Fransche werk, +is van meening, dat de tekst van veel ouderen datum is. + +Alvorens over te gaan tot eene nadere beschouwing van den oorsprong +van onderstaande sage, dient hier nog een enkel woord gezegd te worden +over de reeds bovengenoemde verhouding tusschen onzen held en koningin +Ginevra. Reeds in de oudste Arthur-verhalen vinden wij melding van +Ginevra's ontrouw aan haren echtgenoot, maar haar medeschuldige is +hier niet Lanceloet, maar Modred, die volgens sommige schrijvers de +neef, volgens anderen tevens de natuurlijke zoon was van koning Arthur. + +In de letterkunde van Wales, waar Lanceloet zelfs niet bij name bekend +was, wordt de volle nadruk gelegd op Ginevra's schuld en betuigen +de schrijvers hunne diepe verontwaardiging over haar gedrag. Geheel +anders is de houding, welke de latere Fransche schrijvers tegenover +haar aannemen. In hunne werken blijft Ginevra's zedelijk karakter +geheel onaangetast door hare verhouding tot Lanceloet en in de "Quête +del St.Graal", een werk van beslist godsdienstige strekking, wordt +haar naam zelfs met eerbied genoemd. Volgens Jessie Weston is de zaak +aldus: de ongunstige voorstelling van Ginevra's persoonlijkheid in +de oude verhalen van Wales wijst op eene vroegere, meer primitieve, +maar gezondere samenleving dan die uit den Franschen riddertijd. + +De oorspronkelijke minnaar der koningin was waarschijnlijk Walewein, +welke stelling door vele aanwijzingen in de oudste Keltische +overleveringen gesteund en bevestigd wordt. In latere verhalen +werd echter Modred als minnaar genoemd; het Christelijk-ethische +element, dat zich in de Arthur-sagen begon te ontwikkelen, maakte +het onmogelijk, dat Walewein anders eene eervolle plaats onder de +volgelingen des konings bleef innemen. Hetzelfde bezwaar deed zich +gelden voor Ginevra en wij zien haar dus allengs voorgesteld als +valsch en bedriegelijk. + +Een tijd lang nemen de dichters en schrijvers eene streng afkeurende +houding tegenover haar aan, dan volgt er een tijdperk, dat van de +Fransche proza-romans, waarin hare afdwaling van het pad der deugd +wordt vergoelijkt en ten slotte geheel uit het oog verloren. In deze +romans wordt zij, gelijk reeds hierboven werd vermeld, beschreven als +eene deugdzame vrouw, die door sommige schrijvers [51] zelfs wordt +geacht hooger te staan dan haar echtgenoot. + +De opvatting van 19e eeuwsche schrijvers, zooals Tennyson is +begrijpelijkerwijze gegrond op overwegingen, welke geheel verschillen +van die uit bovengenoemde tijden. De moderne dichters keuren Ginevra's +verhouding tot Lanceloet af, maar hunne afkeuring is vermengd met +medelijden. + +Hoe kwam het nu, dat Lanceloet de plaats ging innemen van den valschen, +listigen Modred? Dit geschiedde om twee redenen: 1º om te voldoen +aan de eischen der hoofsche liefde, 2º om zijne geschiedenis te doen +gelijken op de zeer populair geworden Tristan-sage. + +Reeds hebben wij er op gewezen, dat de verhouding tusschen Lanceloet +en Ginevra toch altijd eene gansch andere blijft als die, welke bestaat +tusschen de gelieven van Cornwall. De eerste draagt geheel het stempel +van den tijd, waarin zij ontstond, het is de ware "amour courtois", +die zich uit in slaafsche aanbidding en onderdanig huldebetoon aan de +zijde van den ridder en in hooghartig neerzien en heerschzuchtigen +trots aan de zijde van zijne "_dame_". Eene dergelijke liefde, +die kenschetsend was voor de zeden en gewoonten uit dien tijd, was +voorbestemd om met dien tijd te verdwijnen. De liefde van Tristan en +Isolde daarentegen heeft door de eeuwen heen de menschheid weten te +boeien, omdat zij eene natuurlijke uiting is van het menschelijk hart, +dat door alle tijden heen hetzelfde is gebleven. + +Bepalen wij thans onze aandacht tot de sage, welke in de volgende +bladzijden vermeld wordt. Zij verhaalt van de noodlottige liefde, welke +de jonkvrouw van Astolat voor onzen held had opgevat, toen deze op +zijne reis naar het tournooi te Camelot, eenige dagen in haars vaders +kasteel vertoefde. Het verhaal, zooals het hieronder is weergegeven, +is ontleend aan Malory's "Morte D'Arthur", waar het deel uitmaakt van +het achttiende boek. Gelijk ook het geval is met de andere verhalen, +welke wij in Malory's verzameling aantreffen, moeten wij den oorsprong +dezer sage elders zoeken en wel in het eerste deel van den Franschen +prozaroman: "Lancelot". In dit eerste deel schildert de schrijver, +Walter Map, ons het ridderleven in de daartoe geëigende bontheid van +kleuren. De episode van Lanceloet's verblijf op het kasteel Astolat +valt op een tijdstip, waarin onze held reeds geheel onder den ban +verkeert van zijne liefde voor koningin Ginevra. + +Behalve in Thomas Malory's werk vinden wij in de Middel-Engelsche +literatuur nog eene tweede vertolking van de Sage van Lanceloet +en Elaine, daar deze ook het gegeven vormt van een Middel-Engelsch +gedicht uit het einde der 14e eeuw. De schrijver van dit werk is, +evenals de meeste dichters uit zijn tijd, onbekend gebleven, maar uit +de schrijfwijze blijkt, dat hij behoord moet hebben tot de klasse +der minnezangers. Het gedicht, dat getiteld is: "Le Morte Arthur" +(aangezien het voor het grootste deel gewijd is aan eene beschrijving +van de gebeurtenissen, die leidden tot Arthur's dood) is geschreven +in acht-regelige coupletten; het dialect is dat van het Noordwesten +van Engeland. Hoewel de letterkundige schoonheid van het gedicht niet +zeer groot is, verdient het toch onze belangstelling, niet alleen om de +aantrekkelijkheid van het onderwerp, maar ook om de aangename, zij het +soms ietwat eentonige wijze van vertellen. Op groote oorspronkelijkheid +kan de dichter niet bogen, zijne beschrijvingen vertoonen een zeker +gebrek aan verbeeldingskracht, maar daar staat tegenover, dat hij +ons nu en dan weet te treffen door de eenvoudige, gevoelvolle wijze, +waarop hij de lotgevallen zijner heldin verhaalt. Bovendien heeft +zijn werk de verdienste, de eerste Engelsche bewerking te zijn van het +Lanceloet-Elaine verhaal en van de romantische sage van Arthur's dood, +al werd van deze laatste reeds eene korte aanduiding in Layamon's +"Brut" aangetroffen. + +Wat nu de verhouding tusschen "Le Morte Arthur" en de vertolking onzer +sage in Malory's prozawerk betreft, zoo is door sommige geleerden +de stelling opgeworpen, als zou de laatste aan het Middel-Engelsche +gedicht zijn ontleend. + +Latere geleerden zijn het hiermede niet eens en de algemeene meening +is thans wel, dat beide afstammen van eene gemeenschappelijke bron: +een verloren gegaan handschrift van den Franschen "Lancelot", waarin +de gebeurtenissen eenige afwijkingen vertoonen van die uit het bewaard +gebleven manuscript. + +Alfred Tennyson wijdde één zijner Koningsidyllen aan de behandeling +onzer sage. Hij gebruikt als bron het Middel-Engelsche gedicht, en +neemt daar dus ook uit over de ongunstige rol, welke de dichter van +"Le Morte Arthur" Walewein daarin laat spelen. + +Gelijk wij elders [52] gelegenheid hadden te bespreken, heeft het +karakter van dezen ridder, aanvankelijk een der aanzienlijkste en +edelste helden van Arthur's hof, in de latere Fransche prozaromans--dus +ook in den "Lancelot"--eene opmerkelijke verandering ten kwade +ondergaan en Tennyson, die de sagen in haren ouderen vorm niet schijnt +gekend te hebben, beschrijft Walewein in zijne gedichten als een +onbetrouwbaar en lichtzinnig man. + +In Malory's vermelding van Walewein's bezoek op Astolat, speelt deze +geen dubbele rol, daarom is ook in onderstaande wedergave der sage +zijn goede naam onaangetast gebleven. + + + + + +DE SAGE VAN LANCELOET EN ELAINE. + + + "Allas", they sayden, "launcelot du lake, + That euyr shuldistow se the quene!" + + ("Le Morthe Arthur", Middel-Engelsch + gedicht uit de 14e eeuw). + + +_Van het steekspel te Camelot en hoe Lanceloet daarvan thuis bleef, +maar door de koningin werd aangespoord om toch te gaan._ Koning Arthur +had ter eere van het feest, waarop de Hemelvaart der Heilige Maagd werd +herdacht, zijne edelen opgeroepen tot een groot steekspel te Camelot +aan de Theems. De koninklijke herauten hadden opdracht gekregen, de +mare hiervan wijd en zijd in den lande te verkondigen en alle ridders +op te wekken tot deelname aan dit tournooi, dat alle voorafgaande +feesten in luister en pracht verre zou overtreffen. De koning zelve, +zoo verklaarden zij aan een ieder, die het hooren wilde, zou ditmaal in +eigen persoon aan den strijd deelnemen en had zich bereid verklaard, +om tezamen met zijne ridders een kamp aan te gaan tegen elke groep +tegenstanders, die zich daarvoor aanbood. Onnoodig te zeggen, dat dit +bericht de belangstelling voor het komende steekspel aanmerkelijk +deed stijgen. Velen, die anders zeker tegen de moeite en kosten, +aan den langen tocht naar Camelot verbonden, zouden hebben opgezien, +besloten thans toch de reis te ondernemen, ten einde dit belangwekkende +schouwspel bij te wonen. + +Ook in het paleis van koning Arthur sprak men weken van te voren +over niets anders dan over de komende feesten te Camelot. Uren lang +wikten en wogen de ridders de kansen van hen, die zich reeds als +deelnemers aan den strijd hadden aangemeld en verdiepten zich in +gissingen omtrent het aantal der vreemde ridders, die zich alsnog +daarbij zouden voegen. De edelvrouwen aan het hof bespraken ijverig +de keuze hunner kleederen en verlustigden zich bij voorbaat in het +vele schoons, dat zij in Camelot te zien zouden krijgen. + +Koningin Ginevra nam geen deel aan deze gesprekken. Gedurende het +grootste deel van den afgeloopen winter was zij lijdende geweest +aan de gevolgen eener zware gevatte koude en nog steeds gevoelde +zij zich zwak en lusteloos. Den ganschen dag bracht zij door in +een hoogen zetel aan het raam van een harer eigen vertrekken, het +gepraat der vrouwen vermoeide haar en 't liefst was zij alleen. Dan +zat zij uren lang naar buiten te staren en aan de uitdrukking van haar +gelaat kon men zien, dat hare overpeinzingen niet van de vroolijkste +waren. Tegen den middag, als de lentezon koesterend over de paden +van het slotpark scheen, wist koning Arthur haar met zachten dwang +te overreden om hare vertrekken voor een oogenblik te verlaten en +met hem naar buiten te gaan. Dan wandelde Ginevra, leunend op den +arm van haren gemaal, eenigen tijd in de tuinen rond het paleis en +met genoegen bemerkte de vorst, hoe bij het huiswaarts keeren een +zacht rood de wangen der zieke kleurde. Ook Ginevra zelve voelde, +dat de zoele voorjaarslucht haar goed deed. Wanneer zij aldus alleen +met haar echtgenoot was, temidden der vrije natuur, terwijl om haar +heen de vogels tjilpten en kweelden en alles sprak van een nieuw +ontwakend leven, scheen het, of ook in haar arm, gefolterd hart +iets van den ouden levensmoed terugkeerde. Als zij dan opzag naar +'s konings edel gelaat, dat zich vol zorg en toewijding tot haar +neerboog, trachtte zij zich zelve op te dringen, dat hij het was, +dien zij liefhad en niet die andere, Lanceloet, wiens beeld haar +steeds voor oogen zweefde. Waarom kon zij niet gelukkig zijn, zij, +die zich boven zoo vele vrouwen begenadigd moest voelen door de liefde +van één, die goed en nobel was als geen ander? + +Zij zou, zij moest gelukkig worden en dien ander trachten te vergeten; +hier buiten, in den koesterenden zonneschijn, met haar arm in dien +van haar echtgenoot en zijne vriendelijke, opbeurende stem in hare +ooren, meende zij ook werkelijk dat zij het zou kunnen. Maar, eenmaal +terug in hare vertrekken, als men haar alleen liet en de vermoeienis +der wandeling haar afgemat deed neerzinken in de kussens van haren +zetel, miste zij de kracht om zich te verzetten tegen den stroom +van bitterzoete herinneringen, welke zich van hare ziel meester +maakten. Tegen den avond voelde zij zich dan weer moe en slap en de +wijze artsen schudden hunne geleerde hoofden en spraken van geduld +en langzamen vooruitgang. + +Nu de algeheele beterschap der koningin zoo lang op zich liet wachten, +kon er geen sprake van zijn, dat zij den koning naar het tournooi te +Camelot zou kunnen vergezellen. De vermoeienissen van een dergelijken +tocht zouden haar te veel aangrijpen. Hoezeer het koning Arthur ook +leed deed zijne gemalin alleen achter te laten, toch zag hij in, +dat het niet anders kon. Maar nog eene andere teleurstelling wachtte +hem. Daags voor zijn vertrek kwam Lanceloet, de dapperste zijner +ridders bij hem en verzocht hem om van deelname aan het tournooi +te worden vrijgesteld. Als reden tot dit verzoek gaf hij op eene +nog niet geheel genezen beenwond, welke hij eenigen tijd tevoren +bij een val van zijn paard had opgeloopen en die hem in den strijd +hinderlijk kon zijn. Geheel uit het veld geslagen hoorde Arthur toe; +een steekspel zonder Lanceloet miste voor hem zijne grootste bekoring +en juist nu hij zelf aan den strijd dacht deel te nemen, viel het +hem dubbel zwaar in de afwezigheid van zijn meest geliefden ridder +te moeten berusten. Geen oogenblik kwam het bij hem op, verband te +zoeken tusschen diens thuisblijven en dat der koningin; toen hij zag, +dat elke poging om Lanceloet tot meegaan te bewegen, vruchteloos was, +gaf hij hem met een zucht de gevraagde toestemming. Daarbij ontging +hem de glans van vreugde, die zich over het gelaat van den ridder +verspreidde, toen deze zich omwendde om het vertrek te verlaten. + +De dag van vertrek was aangebroken en een lange stoet van ridders en +onderhoorigen stond op het voorplein opgesteld, gereed om de reis +naar Camelot te aanvaarden. Arthur begaf zich naar de vertrekken +der koningin om afscheid van haar te nemen. Vol teedere zorg over +haar welzijn, liet hij Ginevra beloven, gedurende zijne afwezigheid +de uiterste voorzichtigheid in acht te nemen. Toen zij hem veel +genoegen te Camelot wenschte, schudde hij het hoofd en sprak: "Zonder +u en Lanceloet is mij het zijn aldaar veeleer eene kwelling dan een +genoegen. Hoezeer zal ik uw dierbaar gelaat missen onder de rijen der +vrouwen, die het tournooi met hare tegenwoordigheid zullen opluisteren +en hoe zal ik in den strijd den sterken arm en het nooit falend zwaard +ontberen van Lanceloet, mijn trouwen vriend en strijdmakker. Neen, +het genoegen van het spel te Camelot is mij vergaan, nu ik de beiden, +die mij 't liefst zijn op aarde, daar niet zien zal. Ware ik niet de +koning, maar slechts een eenvoudig ridder, ik zou niet aarzelen om +thuis te blijven. Het is echter mijn plicht mijn volk niet teleur te +stellen en daarom ga ik heen. Mijn eenige troost is, dat ik u thans +in de beste hoede achterlaat!" + +De koningin had tot dusverre niets vernomen omtrent Lanceloet's +thuisblijven. Deze had haar willen verrassen en haar daarom niet van +te voren over zijn plan gesproken. Hare eerste gewaarwording was dan +ook een gevoel van onstuimige vreugde, toen haar vlugge geest haar in +eene reeks van visioenen voor oogen tooverde, wat dit thuisblijven +voor hen beiden beteekende. Maar toen Arthur voortging met spreken +en al zijne woorden uiting gaven aan zijne groote liefde voor haar +en aan het onbegrensd vertrouwen, dat hij in haar en ook in Lanceloet +stelde, maakte dat gevoel van blijdschap plaats voor een van bittere +schaamte. Zij moest zich geweld aandoen om niet neer te knielen voor +haren echtgenoot en hem hare schuld te belijden, maar zij deinsde +terug voor de gevolgen van die bekentenis. Toen losten hare schaamte en +wroeging zich op in een gevoel van bittere ergernis tegen Lanceloet, +die de schuld was van dit alles. Nadat de koning vertrokken was +en zij hem vanuit haar venster een laatst vaarwel had toegewuifd, +liet zij Lanceloet bij zich ontbieden. Met een gelaat, waarop hij +tevergeefs beproefde, de vreugde over dit samenzijn te verbergen, +trad de ridder het vertrek binnen. Deze uitdrukking van blijdschap, +waaruit tevens de zekerheid sprak over de liefdevolle ontvangst, +die hem van hare zijde zou ten deel vallen, droeg er het hare toe +bij de geprikkelde stemming, waarin de koningin verkeerde, nog te +verhoogen. De houding, waarin zij hem ontving, was dan ook gansch +anders, dan Lanceloet zich had voorgesteld. Eerbiedig knielde hij +voor haar neer, maar zij bleef rechtop in haren zetel zitten en reikte +hem zelfs niet de hand ten groet. Op ijskouden toon voegde zij hem toe: + +"Wat beduidt uwe aanwezigheid hier, als alle ridders zijn +vertrokken? Hebt gij dan allen eerbied voor mij uit het oog verloren, +dat ge mij aldus blootstelt aan den lasterpraat van nieuwsgierige +hovelingen, die ons doen en laten met venijnige blikken bespieden? Hoe +durft gij aldus handelen, zonder eerst met mij in overleg te zijn +getreden, waar het eene zaak betreft, die mij zoo nauw aangaat? Nog +is het tijd, om allen boozen vermoedens den kop in te drukken. Daarom, +maak u gereed en begeef u alsnog naar Camelot. Het zal u niet moeilijk +vallen den koning in te halen, daar hij door den langen stoet, die +hem vergezelt, slechts langzaam vooruitkomt. Haast u en verlaat dit +vertrek, waar ge reeds lang genoeg hebt vertoefd, om de achterdocht +der hovelingen gaande te maken!" + +Met somberen blik zag Lanceloet haar aan. + +"Gij zijt plotseling wel zeer wijs en verstandig geworden, edele +vrouwe", sprak hij, "en toch was er een tijd, dat gij de eischen +van het hart wist te stellen boven die der voorzichtigheid. Spaar +mij echter uwen toorn, nog heden zal ik den koning naar Camelot +volgen. Daar ik echter eene verklaring moet vinden voor het feit, dat +ik niet terstond ben mede gegaan, zoo ben ik van zins als een onbekend +ridder aan het tournooi deel te nemen. Het zal dan tevens blijken, +of ik ook zonder den steun van mijn naam, bij machte ben om mij in +den strijd te onderscheiden." Dit zeggend boog hij eerbiedig voor de +koningin en wilde het vertrek verlaten. Zóó kon Ginevra hem echter niet +laten gaan. Zijne woorden en nog meer de sombere uitdrukking van zijn +gelaat hadden den muur verbroken, waarmede zij in hare stemming van +ergernis haar hart had trachten te omringen en zij voelde, hoe haar +gansche wezen doorstroomd werd door de liefde voor dezen man. Met een +kreet van verlangen strekte zij de armen naar hem uit en het volgende +oogenblik lag zij aan zijne borst en snikte hare wanhoop uit in een +vloed van tranen. Lanceloet hield haar vast omklemd, maar toen zij +hem smeekte, haar niet te verlaten en den tocht naar Camelot op te +geven, maakte hij zich zachtkens los uit hare omarming, leidde haar +naar eene rustbank en knielde voor haar neder, zeggende: + +"Liefste, weet gij, waarom uwe booze woorden van zooeven mij zoo dubbel +griefden? Het was, omdat zij eene kern van waarheid bevatten. Gij hadt +gelijk met mij mijn thuisblijven te verwijten. Ik had moeten bedenken, +hoezeer ik uw goeden naam daarbij in de waagschaal stelde. Niet langer +is onze liefde een geheim voor onze omgeving. Ridders als Modred en +Agravaine loeren en spieden om ons te verraden. Het past ons thans +dubbel voorzichtig te zijn, daarom bid ik u, laat mij gaan!" + +Weenend verborg Ginevra het hoofd in de kussens. Ook zij begreep, +dat het wijzer was Lanceloet te laten vertrekken, maar hoeveel +kostte het haar om afscheid van hem te nemen! De indruk van Arthur's +afscheidswoorden was geheel weggevaagd; haar geheele wezen klopte en +beefde van hartstocht voor hem, die daar geknield voor haar lag. Toch +moesten zij scheiden en na een laatst vaarwel, eene laatste, lange +omhelzing verliet Lanceloet het vertrek om zich voor de reis gereed +te maken. + +Eenige uren later reed hij de poorten van het vorstelijk paleis uit, +in verbazing nagestaard door de achtergebleven ridders, die maar +niet konden begrijpen, waarom Heer Lanceloet zoo plotseling op zijn +besluit om niet naar het tournooi te gaan, was teruggekomen. + +Een storm van aandoeningen ging hem onder het voortrijden door de +ziel, want de liefde voor Ginevra bracht hem naast oogenblikken van +innigste zaligheid ook tijden van folterend berouw. Wanneer hij zijn +vorst in het gelaat zag en in zijne oogen de liefde en het vertrouwen +las, welke deze voor hem koesterde, moest hij zich geweld aandoen om +het niet uit te schreeuwen van felle zielepijn. Hoe dikwijls nam hij +zich voor om het gezelschap der koningin te vermijden en te trachten +haar uit zijn hart te verbannen! Tevergeefs! telkens weer trok zij +hem met onweerstaanbare macht tot zich en koning Arthur werkte in +zijne argeloosheid hun beider samenzijn vaak in de hand. + +Geheel verdiept in zijne sombere overpeinzingen had Lanceloet niet +bemerkt, dat het allengs avond was geworden. De schaduwen op het +boschpad werden langer en langer; nu en dan struikelde zijn paard +over een boomwortel, die over den weg groeide en weldra was het +onmogelijk om op eenigen afstand voor zich uit te zien. Uit zijn +gepeins ontwakend, besloot Lanceloet, zoo spoedig mogelijk een +onderkomen voor den nacht te zoeken en daar hij wist, dat hij zich in +de nabijheid van het kasteel Astolat moest bevinden, dat op eenigen +afstand van Camelot aan de Theems was gelegen, stuurde hij zijn ros +in de richting der rivier. Nadat hij eenigen tijd langs den oever +was voortgereden, zag hij bij eene kromming van den stroom de donkere +massa van een ridderslot voor zich oprijzen. + +Bij het laatste schemerlicht, dat over de velden langs den rivieroever +hing, zocht hij den ingang van het slot en meldde zich aan bij de +poortwacht als een ridder van koning Arthur, die op weg naar Camelot +door den nacht was overvallen en thans om een onderkomen voor zich en +zijn paard verzocht. Het noemen van 's konings naam deed de wachters +haastig de poort voor hem ontsluiten en spoedig daarna trad hij de +zaal binnen, waar het gezin van den slotheer rond den avonddisch +zat geschaard. De oude graaf Bernard van Astolat trad hem met een +vriendelijk welkomstwoord op de lippen tegemoet. Hij werd gevolgd door +zijne beide zonen: Torre, een bleeken, ziekelijk uitzienden jongeling +en Lavaine, een frisschen blozenden knaap van nauwelijks achttien +jaren. Daarachter kwam schuchter en verlegen Heer Bernards eenig +dochtertje Elaine, de jongste van het drietal en nog bijna een kind in +leeftijd en uiterlijk. Blozend reikte zij den vreemden ridder de hand +en toen deze die eerbiedig kuste, zag zij in angstige verlegenheid +op naar haar vader, als om hem te vragen, wat haar thans te doen stond. + +Graaf Bernard trok vroolijk lachend zijn dochtertje naar zich toe +en zeide: "Onze Elaine is een natuurkind, Heer ridder, en kent de +gebruiken van het hof niet. Gij moet haar dit niet ten kwade duiden, +wij leiden hier een eenvoudig en teruggetrokken leven en ik stel er +prijs op, dat mijn dochtertje zoo lang het mogelijk is, hare blijde +jeugd geniet. Later zal zij dan moeten leeren, hoe zich in de hofwereld +te gedragen." + +"Dat zal haar niet moeilijk vallen", antwoordde Lanceloet met +de hem aangeboren hoffelijkheid, "jeugd en schoonheid zijn twee +machtige beschermers, waarvan men de waarde ook ginds weet te +waardeeren. Wanneer men die bezit, is men er zeker van, dat men overal +vriendelijk ontvangen wordt, de rest volgt dan van zelf." + +"Ho, ho! Heer vreemdeling," lachte de oude graaf, "dergelijke vleitaal +hoort hier niet thuis en is allerminst geschikt voor de ooren van +een jong meisje als onze Elaine, wier hoofdje gij er licht mee op +hol zoudt kunnen brengen. Maar kom, genoeg van dit alles. Zet u neder +aan onzen eenvoudigen maaltijd en vertel ons, wat u hier henen voert." + +Lanceloet voldeed aan dit verzoek en vertelde zijn vriendelijken +gastheer, dat hij tot de ridders der Tafel Ronde behoorde en op weg was +naar Camelot om aldaar aan het tournooi deel te nemen. Tevens verzocht +hij hem, van het noemen van zijn naam verschoond te mogen blijven, +daar hij als onbekende aan den strijd wenschte deel te nemen. Na +afloop van het steekspel, zoo beloofde hij, zou hij zich aan graaf +Bernard bekend maken, tot zoo lang verzocht hij zijn gastheer, hem +te willen verontschuldigen. + +Met de grootste welwillendheid ging de graaf op het voorstel van zijn +vreemden gast in en toen deze hem vervolgens een schild ter leen vroeg +om het geheim van zijn persoon nog beter te kunnen bewaren, antwoordde +hij vriendelijk: "Met genoegen wil ik u dit geven. Doordat mijn oudste +zoon, Torre, bij het eerste gevecht, waaraan hij deelnam, nadat hij +tot ridder geslagen was, eene ernstige verwonding heeft opgeloopen, +kan hij voorloopig zijn schild niet gebruiken en stel ik dat thans +gaarne te uwer beschikking. Ik heb echter wederkeerig een verzoek +aan u en wel, dat deze knaap",--hierbij legde hij zijne hand op het +blonde hoofd van Lavaine, die naast hem zat--"met u mede mag rijden +naar Camelot. Sedert weken houdt hij niet op mijne toestemming te +vragen om aan het tournooi deel te mogen nemen. Ik vond hem echter te +jong om alleen daarheen te gaan, maar beloofde hem, dat, indien zich +een geschikt geleide voordeed, ik zijne zaak zou bepleiten. Spreek, +hebt gij er geen bezwaar tegen hem met u mede te nemen?" + +Lanceloet zag lachend in het gelaat van den knaap, dat bij zijns +vaders woorden hoogrood werd gekleurd en hem nu vol spanning aanzag, +daarna sprak hij: "Niet in 't minst, waarde graaf! Het is mij steeds +eene aangename taak, de eerste schreden van een jongeling op het pad +des roems te leiden, dus neem ik gaarne uw zoon met mij mede. Gij +kunt gerust zijn, dat ik goed voor hem zorgen zal!" + +Nu alles zoodoende tot ieders genoegen was geschikt, verliep de +maaltijd verder onder vroolijk gekout. Na afloop schaarde het +gezelschap zich om de breede schouw, waar een helder vlammend +vuur eene aangename warmte afstraalde en de kilte van den vroegen +voorjaarsavond verjoeg. + +De graaf noodde zijn gast om hem en zijnen zonen het een en ander +van zijne krijgstochten te vertellen en Lanceloet, die zich dankbaar +gestemd voelde door de gulle ontvangst op het slot, verklaarde zich +gaarne daartoe bereid. Met aandacht luisterde Heer Bernard naar het +verslag zijner krijgsavonturen, ook Torre's belangstelling werd door +het gehoorde opgewekt en hij zette zich wat rechter overeind in zijn +stoel. Lavaine hing in ademlooze spanning over den rug van zijns +vaders zetel en genoot met hart en ziel van Lanceloet's verhalen; in +gedachten leefde hij mede met den verteller en stelde hij zich zelven +in diens plaats. Zijn hart klopte luider van vreugde bij de gedachte, +dat ook hij spoedig dergelijke avonturen zou beleven en dankbaar zag +hij den vreemdeling aan, die voor hem de poorten van de wonderschoone +wereld zou ontsluiten. + +Aan de voeten van haar vader, op een laag bankje bij het vuur zat +Elaine. Het was haar lievelingsplekje, waar zij steeds placht te +zitten, wanneer haar vader en broeders na het avondmaal spraken over +jacht en landbouwbedrijf en de dagelijksche voorvallen in huis en +hof. Dan vond zij er een genot in om urenlang in de haardvlammen te +staren en met hare levendige verbeelding zich daarin allerlei schoons +voor oogen te tooveren. Temidden van den rossen vlammengloed bouwde zij +zich een sprookjespaleis, zóó schoon, zóó rijk, als er op aarde geen +te vinden was. Daar troonde zij in één der zalen, waarvan de muren +glinsterden als goud, en aan hare voeten knielde een ridder. Hoe die +ridder er uitzag, hoe hij heette en vanwaar hij kwam, waren slechts +bijkomstige omstandigheden, waarin zij zich tot dusverre nooit +verdiept had; de hoofdzaak was, dat hij eens komen zou en dat hij +haar lief zou hebben en vereeren, zooals de schoone vrouwen uit de +liederen der minnezangers, die somtijds in haars vaders slot kwamen, +bemind plachten te worden. + +En nu was hij gekomen, de held harer droomen, de prins uit haar +sprookjespaleis. In de gestalte van een edelen vreemdeling zat hij +thans te praten met haar vader, zóó kalm en rustig, als ware heden door +zijne komst niet het groote wonder geschied, waarop zij reeds zoo lang +wachtte! Zou hij er zelf geen besef van hebben, welk een gewichtige dag +het voor hen beiden was? Het scheen bijna van niet, maar toch--had hij +hare hand niet gekust, had hij haar niet schoon genoemd en haar daarbij +aangezien, wel ernstig, ja, maar zóó vriendelijk en zacht, dat zijn +blik haar hartje had doen kloppen van eene vreemde, warme ontroering? + +Nooit nog had één der makkers van hare beide broeders haar zóó +aangezien, beteekende die blik dan niet, dat hij haar ook gaarne zag? + +Met glanzende oogen zag Elaine naar den vreemdeling op; ditmaal keurde +zij de heldere haardvlammen geen blik waardig, zelfs keerde zij het +vuur bijna den rug toe om toch maar vooral geen woord te verliezen, +van wat de vreemde ridder sprak. Zij hoorde hem vertellen, hoe hij +op het slot Corbin had gestreden tegen een vuurspuwenden draak, die +de eer en veiligheid der slotvrouwe bedreigde, en terwijl hij sprak, +beschouwde zij aandachtig zijn gelaat. Hij zag er nu geheel anders +uit, dan toen hij voor 't eerst bij hen binnentrad. Zijne oogen, die +toen zoo somber voor zich uitzagen, hadden nu eene bijna vroolijke +uitdrukking aangenomen; zijne stem klonk helder en opgewekt en men kon +zien, dat hij met hart en ziel bij zijn verhaal was. Eindelijk werd het +tijd om zich ter ruste te begeven, want den volgenden morgen zouden de +reizigers reeds in alle vroegte op weg moeten gaan. Toen Elaine bij het +goeden nacht wenschen opnieuw Lanceloet's lippen op hare hand gevoelde, +ging er eene rilling door al hare leden en haastig vlood zij heen, +naar haar eenzaam torenkamertje, waar zij van kindsbeen af geslapen +had. Daargekomen opende zij haar venster en staarde naar buiten, waar +de sterren flikkerden en straalden aan den helderen avondhemel. De +bevende handjes tegen haar hart gedrukt luisterde zij toe, tot alle +geluiden in het kasteel verstomd waren, toen begaf ook zij zich ter +ruste, maar het duurde lang, eer zij den slaap kon vatten. + + + +_Hoe Lanceloet en Lavaine zich op weg begaven en hoe de eerste zijn +schild ter bewaring gaf aan Elaine._ Tegen het krieken van den morgen +maakten Lanceloet en Lavaine zich gereed om den tocht naar Camelot te +ondernemen. In de grijze ochtendschemering betraden zij het slotplein, +waar de stalknechts van Graaf Bernard hunne paarden bij den teugel op +en neer leidden. De diepe stilte, die aan den dageraad voorafgaat, +heerschte om hen heen, slechts nu en dan verbroken door het kraaien +van een haan of het getjilp van een vroegen vogel. Terwijl Lanceloet +het tuig van zijn paard onderzocht om te zien of alles in orde was, +ging Lavaine het kasteel binnen om zijns broeders schild te halen, +hetwelk zijn vader aan hun gast beloofd had. Toen hij met vluggen +tred de hoofddeur binnenliep en in één der vóórvertrekken verdween, +zag hij niet, hoe eene kleine gedaante langs de breede trap omlaag +kwam sluipen. Het was Elaine. + +Alvorens zij dien nacht was ingeslapen, had zij besloten, dat zij +den volgenden morgen vroeg op wilde staan om den vreemden ridder nog +éénmaal te zien, vóór hij heenging. Het gestamp der paardehoeven op +het voorplein onder haar raam had haar uit hare onrustige sluimering +gewekt; ijlings was zij opgestaan en had zich met bevende vingers, +aangekleed. Zoo kwam zij thans beneden en een zucht van verlichting +ontsnapte haar, toen zij door de open deur de paarden der vertrekkenden +nog op het voorplein zag staan. Goddank! zij was nog juist op tijd. + +Een oogenblik later meende Lanceloet, die in gebukte houding bij de +paarden stond, een zacht geritsel achter zich te hooren; haastig +zag hij om, denkend dat het Lavaine was, die hem het schild kwam +brengen. Op het zien van Elaine kon hij een kreet van verrassing +niet onderdrukken. En inderdaad, wel mocht de plotselinge aanblik van +het jonge meisje, zooals hij haar daar roerloos en met neergeslagen +oogen zag staan, hem treffen. In haar witte kleedje, waarvan zij de +slippen over den arm geslagen had, opdat ze haar bij het voortgaan +niet zouden hinderen, met de lange blonde haren golvend om haar heen +en het fijne gelaat, waaruit de aandoening alle kleur verdreven had, +geleek zij een wezen uit eene andere wereld, eene fee van den dageraad, +die zoo aanstonds, als de wereld uit hare sluimering ging ontwaken, +weer heen zou vluchten naar het schimmenrijk, waar zij thuis behoorde. + +De nabijheid van haren held had Elaine al haren moed ontnomen en zoo +bleef zij met neergeslagen oogen vóór hem staan, terwijl hare vingers +onrustig heen en weer gleden langs de plooien van haar kleed. Lanceloet +van zijn kant staarde haar in klimmende verbazing en ontroering aan; +de diepe indruk, dien hare plotselinge verschijning op hem maakte, +belette hem het spreken. + +Eindelijk waagde Elaine het de oogen naar hem op te slaan en stamelde, +zóó zacht, dat hij zich voorover buigen moest om te verstaan, +wat zij zeide: "Ik ben gekomen om u en Lavaine eene goede reis te +wenschen. Moge God u behoeden en beschermen in het gevaar." + +Terwijl zij deze woorden sprak, kwam Lavaine uit het slot aanloopen, +met het schild van Torre. Op het zien van zijne zuster, slaakte +hij een uitroep van verbazing en naderbij gekomen, plaagde hij het +jonge meisje op vroolijken toon met haar vroege opstaan. Zijne woorden +joegen Elaine het bloed naar de wangen. Lanceloet haalde verruimd adem, +nu aan de spanning van het oogenblik een einde was gekomen en hij in +haar weer een menschelijk wezen kon zien, een jong meisje dat blozen +kon als elk ander, bij een schertsend woord van haar broeder. + +Terwijl Lavaine zich bukte om zich eveneens te vergewissen, dat zijn +paard behoorlijk voor den tocht was uitgerust, legde Elaine haar +handje op Lanceloet's mouw en sprak snel: "Heer ridder, ik heb een +verzoek aan u, dat ge mij, hoop ik, niet zult weigeren. Zoo gaarne +zou ik zien, dat gij in het tournooi te Camelot een herinneringsteeken +van mij wildet dragen. Wilt ge dat doen?" + +"Heb dank voor uw aanbod," antwoordde Lanceloet, "en geloof mij, +wanneer ik u zeg, dat ik van niemand liever dan van u een teeken zou +willen dragen. Toch kan ik niet aan uw verzoek voldoen, daar ik, om +persoonlijke redenen, nooit aan die gewoonte heb medegedaan. Duid het +mij niet euvel, indien ik hierdoor onhoffelijk mocht schijnen. Elk +ander verzoek van u zal ik met graagte inwilligen, slechts dit niet." + +Elaine echter liet niet los. Zij trad nog eene schrede dichterbij en +den ridder met hare groote oogen smeekend aanziend, zeide zij: "Ik +bid u, weiger mij mijn verzoek niet. Het zou mij zoo innig gelukkig +maken, te weten, dat gij in den strijd eene kleine herinnering aan +mij medenaamt. En wat uw bezwaar daartegen betreft, hebt ge ons +gisterenavond niet verteld, dat gij in Camelot onbekend wenscht te +blijven? Welnu dan, hoe kunt gij u op meer afdoende wijze vermommen, +dan dat gij, die nooit het geschenk eener dame draagt, thans daarmede +in het perk verschijnt? Zelfs uwe beste vrienden zullen, uw beginsel +hieromtrent kennend, er door om den tuin worden geleid." + +Lanceloet kon zich de waarheid harer woorden niet +ontveinzen. Inderdaad, nooit zou men gelooven, dat hij, Lanceloet, +zich had laten bewegen om in een tournooi uit te komen met het geschenk +eener vrouw als talisman. Bovendien werd het hem steeds moeilijker +om den dringenden blik van Elaine's reine kinderoogen te weerstaan, +daarom greep hij hare hand, die op zijne mouw rustte, drukte die +hartelijk en sprak: "Gij hebt gelijk! Door aan uw verzoek te voldoen, +zal ik in den strijd dubbel onherkenbaar zijn. Daarom zal ik ditmaal +van mijne gewoonte afwijken. Maar," zoo voegde hij er lachend aan toe, +"ware gij het niet geweest, die het mij vroeg, zou zoo ik er zeer +zeker niet toe hebben kunnen besluiten!" + +Het was Elaine, of eene warme golf van ontroering haar doorstroomde; +diep blozend stamelde zij eenige woorden van dank en reikte den ridder +eene mouw van karmozijnrood fluweel, bezet met blanke paarlen. + +Lanceloet nam zich den helm van het hoofd, maakte den wuivenden +vederbos er van los, en bevestigde de mouw daarvoor in de +plaats. Daarna zette hij hem weer op het hoofd en zeide vroolijk: +"Moge het mij gegeven zijn, het geschenk in ongeschonden staat aan +de schoone geefster terug te brengen!" + +Lavaine had thans het onderzoek van zijn paard beëindigd en stelde +Lanceloet voor om te vertrekken. Deze was terstond bereid, maar, +alvorens hij zich te paard zette, wendde hij zich nogmaals tot het +jonge meisje en zeide vriendelijk: "Sta mij toe, u wederkeerig +om een dienst te verzoeken. Uw broeder heeft mij zoo juist het +schild gebracht, dat uw vader mij zoo welwillend ter leen heeft +afgestaan. Mijn eigen schild is thans overbodig geworden, wilt gij +het zoo lang voor mij bewaren, tot ik het na afloop van het steekspel +in eigen persoon kom terughalen? Niet gaarne zou ik willen, dat het +in verkeerde handen geraakte, want het roept de herinnering in mij +wakker aan vele roemrijke veldtochten, waarin het mij steeds trouw +gediend heeft!" + +Vol vreugde nam Elaine het schild in ontvangst, dat Lanceloet haar +toereikte. + +Een oogenblik later zaten de beide ridders in den zadel en reden na +een laatst vaarwel de slotpoort uit. Even dreunde de ophaalbrug onder +de hoeven hunner paarden, daarna draafden zij den breeden heirweg op +in de richting van Camelot. + +Het jonge meisje was hen tot aan de slotpoort gevolgd, daar tuurde +zij hen na, leunend op het zware schild, terwijl haar hartje klopte +van vreugde en verlangen en in hare ooren nog steeds de woorden +weerklonken: "Ware gij het niet geweest, zoo zou ik er zeer zeker +niet toe hebben kunnen besluiten!" + +Met den weerklank van die woorden in het hoofd, keerde zij +langzaam naar het slot terug en besteeg de breede trappen naar haar +torenkamertje. Moeizaam torste zij het schild in hare armen; af en toe +moest zij even stilstaan, om uit te rusten, maar toch kwam het niet +bij haar op, om den zwaren last aan andere handen toe te vertrouwen, +voor niets ter wereld zou zij hem hebben afgestaan. + +In haar eigen vertrek gekomen, zette zij zich neder in de breede +vensternis, het schild op hare knieën. Aandachtig bezag zij het +kostbare snijwerk en met eene huivering van angst en nieuwsgierigheid +gleden hare vingers over de vele deuken en krassen, welke het in de +verschillende gevechten had opgeloopen. Daarbij poogde zij zich voor +te stellen, op welke wijze en onder welke omstandigheden die slagen +waren toegebracht. Zoo droomde zij van haar held en volgde hem in +gedachten op zijn tocht, die hem ook thans weer in het gevaar zou +brengen. Telkens, wanneer zij aan het steekspel te Camelot dacht, +ging er eene rilling van angst door hare leden; dan klemde zij hare +handjes vast ineen en zond een vurig gebed omhoog, waarin zij Maria +en alle Heiligen smeekte om haren geliefde in den strijd te beschermen. + +Lanceloet en Lavaine hadden intusschen in weinige uren den afstand +afgelegd tusschen het kasteel Astolat en Camelot. Aldaar gekomen, +vonden zij de stad in groote opwinding over het tournooi, dat den +volgenden dag zou beginnen. Het bleek onmogelijk om nog een geschikt +onderdak te vinden, daarom besloot Lanceloet den volgenden nacht +door te brengen bij een bevrienden kluizenaar in het naburig bosch, +in wiens woning hij reeds meermalen gastvrijheid had genoten. Op +weg daarheen vertelde hij zijn jeugdigen metgezel, wie hij was, +hem tevens verzoekend, zijn geheim te willen bewaren. + +Het hooren van zijn beroemden naam maakte diepen indruk op het +ontvankelijk gemoed van den jongeling, die, van zijne jeugd af aan, +Lanceloet vereerd en bewonderd had en geen vuriger wensch koesterde, +dan hem eens, zij het ook van verre, te mogen aanschouwen. En nu reed +hij in gezelschap van den held zijner droomen naar Camelot en deze, +de beroemde, gevierde ridder behandelde hem als zijn vriend en gaf +hem op kameraadschappelijken toon allerlei wenken en raadgevingen +voor den komenden strijd. + +Bij den kluizenaar aangekomen, vond het tweetal een gastvrij onthaal; +reeds vroeg begaven zij zich ter ruste, ten einde den volgenden morgen +zoo frisch en krachtig mogelijk in het perk te kunnen verschijnen. + + + +_Van het steekspel te Camelot en hoe Lanceloet gewond werd._ Het +tournooi zou gehouden worden op een uitgestrekt weiland aan de +rivier. Daarheen begaven zich reeds in alle vroegte de bewoners van +Camelot met hunne vrouwen en kinderen. De gansche stad liep leeg; +slechts zij, die door ziekte verhinderd waren hunne woning te verlaten, +bleven in huis, verder stroomde jong en oud, rijk en arm naar de +plaats, waar het lang verbeide feest zou plaats vinden. + +De beide partijen der strijdenden stonden reeds aan weerskanten van +het perk opgesteld, toen Lanceloet en Lavaine vanuit het woud kwamen +aanrijden. + +Aan de ééne zijde van het veld bevonden zich koning Arthur en zijne +ridders, die gesteund werden door koning Anguish van Ierland en +den koning der Schotten; hunne tegenstanders waren de koningen van +Noord-Wallis en Northumberland, met hunne ridders en volgelingen. + +Lanceloet en zijn metgezel hielden zich schuil achter het geboomte, +dat de weide omzoomde om het verloop van den strijd af te wachten. Zij +waren namelijk overeengekomen, dat zij zich voegen zouden bij de +zwakste partij, onverschillig welke die zijn mocht. Weldra bleek het, +dat de tegenpartij van koning Arthur het niet lang zou kunnen volhouden +tegen den onstuimigen aanval der Tafel Ronde. Toen Lanceloet zag, +hoe de ridders van Wallis en Northumberland langzaam maar zeker het +veld moesten ruimen, gaf hij Lavaine een wenk en beiden stortten zich +onder luide kreten van aanmoediging in het strijdgewoel. + +De uitwerking van hunne deelname aan het gevecht was verbluffend. De +ridders, die op het punt waren den strijd op te geven, schepten +nieuwen moed en drongen met kracht voorwaarts. Bij de tegenpartij +daarentegen veroorzaakte hunne plotselinge verschijning een oogenblik +van verwarring, waarvan Lanceloet terstond gebruik wist te maken. Met +Lavaine aan zijne zijde joeg hij op zijne tegenstanders los, zijn +slagzwaard door de lucht zwaaiend. Verwarring en ontsteltenis +verspreidden zich door de gelederen der Arthur-ridders. Met +bijkans bijgeloovige vrees zagen zij naar den vreemden ridder met +het wapperende, roode kenteeken op zijn helm, die in woeste vaart +op hen toe kwam rijden. Een gemompel van "Lanceloet" ging door de +gelederen der strijdenden, geen ander toch wist zóó krachtig zijn +zwaard te hanteeren. Maar--Lanceloet was thuisgebleven en bovendien, +zelfs al zou hij zich op het laatste oogenblik bedacht hebben, men +had hem toch nooit met het geschenk eener dame als helmteeken in den +strijd zien treden. Het scheen intusschen, of de roode mouw den drager +geluk aanbracht, want nog nooit had hij zich zóó roekeloos gewaagd, +zonder dat hem het minste letsel werd toegebracht. Ook Lavaine hield +zich wakker, geen oogenblik week hij van Lanceloet's zijde en hij +steunde hem, waar en wanneer hij kon. Reeds liep de strijd ten einde, +toen één van de ridders der Tafel Ronde, Heer Bors, een der beste +vrienden van Lanceloet, kans zag, hem van ter zijde te benaderen en +hem zijne scherp gepunte speer in de zijde drukte. + +Even daarna bliezen de herauten het sein, dat de strijd was afgeloopen +en verkondigde de scheidsrechter, dat den ridder met de roode mouw +de prijs der overwinning was toegekend, welke hij vóór de tent des +konings in ontvangst kon komen nemen. Lanceloet echter schudde het +hoofd. Eene felle pijn brandde hem in de zijde en benam hem bijna het +bewustzijn. De gedachte zich daar ginds te laten huldigen en vieren, +was hem ondragelijk; hij snakte naar rust en kalmte en verlangde niets +liever, dan zoo spoedig mogelijk te ontsnappen aan die juichende, +joelende menschenmenigte. + +In haastige woorden verzocht hij Lavaine hem te volgen en +gebruik makend van de algemeene verwarring verliet hij ijlings het +strijdperk. Met de uiterste krachtsinspanning wist hij zich in het +zadel overeind te houden, tot zij door het dichte geboomte onttrokken +werden aan de blikken van hen, die hunne overhaaste vlucht hadden +opgemerkt. Toen was het echter met zijn uithoudingsvermogen gedaan. Met +een klagelijken kreet van pijn sloeg hij de armen omhoog en stortte +bewusteloos van zijn paard. + +Men kan zich de ontsteltenis van Lavaine voorstellen, toen hij zijn +vriend plotseling zulk een val zag doen. In een oogwenk was ook hij van +zijn paard gesprongen en knielde bij zijn strijdmakker neer. Bij een +haastig onderzoek naar de oorzaak van Lanceloet's bezwijming ontdekte +hij de speerpunt, die in zijne zijde stak. Met een kloek besluit trok +hij het wapen uit de wonde en na deze haastig verbonden te hebben, +zoo goed en zoo kwaad als het ging, tilde hij het bewustelooze lichaam +van zijn vriend opnieuw in den zadel en leidde zijn paard aan den +teugel naar de woning des kluizenaars, welke gelukkig niet ver van +de plek des onheils verwijderd was. + +Het duurde niet lang, of de vrome man wist zijn gast uit diens +verdooving te doen ontwaken door het toedienen van eenige opwekkende +middelen, waarvan hij het geheim verstond. Lanceloet's wonde liet +zich echter ernstig aanzien en de wijze heremiet voorspelde Lavaine, +dat het langen tijd zou duren, alvorens zijn vriend weder geheel +hersteld zou zijn. + +In het strijdperk te Camelot verdiepte men zich intusschen in gissingen +omtrent het plotseling verdwijnen van den vreemden ridder. Sommigen +beweerden, dat zij hem in gezelschap van een jongeling het bosch +hadden zien inrijden, anderen weer hielden vol, dat hij het veld niet +had verlaten. + +Koning Arthur vooral was zeer teleurgesteld, dat hem de kans werd +ontnomen om kennis te maken met den man, die zich zoo meesterlijk in +den strijd gedragen had. Zijne geheime hoop om dien vreemdeling voor +zijne Tafel Ronde te winnen, moest hij nu ook opgeven. Mistroostig +luisterde hij naar de opgewonden gesprekken om hem heen, tot +eindelijk Walewein, de teleurstelling van zijn vorst bemerkend, +aanbood om den vreemdeling te gaan zoeken. Zijne naspeuringen waren +echter tevergeefs!--na eenige dagen keerde hij onverrichter zake in +Camelot terug. + +Spoedig daarop ondernam de vorst met zijn gevolg de terugreis naar +Londen en ziet, toen gebeurde het, dat Walewein, die op zekeren avond +in de vallende duisternis van het overige gezelschap was afgedwaald, +zich genoodzaakt zag om gastvrijheid te vragen in het kasteel Astolat, +waar Lanceloet eenigen tijd te voren om een onderkomen had aangeklopt. + +Heer Bernard ontving hem met dezelfde gulle hartelijkheid, welke hij +Lanceloet had betoond en Walewein's belangstelling werd alras opgewekt +door het zoo uiteenloopende drietal: de eerbiedwaardige grijsaard, +zijn linksche, zwijgzame zoon en het bekoorlijke, jonge meisje. Toen +de gast zich in den loop van den avond liet ontvallen, dat hij +uit Camelot kwam, waar hij het beroemde steekspel had bijgewoond, +ging er een schok van ontroering door het kleine gezelschap en met +bevende stem vroeg Heer Bernard hem, of hij hun ook eenig bericht kon +geven omtrent zijn zoon, die in gezelschap van een vreemden ridder +ten strijde was getrokken. De naam van Lavaine bleek Heer Walewein +echter geheel onbekend te zijn, dus kon hij den bezorgden vader +geenerlei tijding over het welzijn van den knaap verschaffen. Wel +beschreef hij hun den loop van het tournooi en onder het vertellen +prees hij telkens weer het moedige gedrag van den vreemden ridder, +die ten slotte overwinnaar was gebleven. Op Heer Bernard's verzoek +om hem dien stoutmoedigen vreemdeling eens nader te beschrijven, +gaf hij ten antwoord, dat de ridder voorzien was van een wit schild +en dat hij op zijn helm eene roode mouw droeg, met paarlen bezet. + +Bij het hooren van deze woorden slaakte Elaine, die vol spanning had +zitten luisteren naar hetgeen Heer Walewein verhaalde, een kreet van +verrassing. Verbaasd zagen haar vader en zijn gast haar aan; zij was +opgesprongen van haar zetel en stond met glinsterende oogen en blozend +gelaat voor hen, terwijl zij uitriep: "Hoort gij het, Vader en gij, +Torre, die daar zoo suf voor u uit zit te staren? Hoort gij, wat Heer +Walewein vertelt? Hij is het, de vreemdeling, die hier overnacht heeft +en ons zulke wonderschoone verhalen van den koning en zijne ridders +wist te vertellen. Ik dacht het wel, dat er niemand sterker en moediger +was dan hij! O, hoe gaarne zou ik bij het tournooi tegenwoordig +geweest zijn om hem toe te juichen en als overwinnaar te huldigen!" + +Walewein had verbaasd naar hare woorden geluisterd; nu zij ophield +met spreken, wendde hij zich met eene hoffelijke hoofdnijging tot haar +en sprak: "Indien gij weet, wie de ridder met de roode mouw zijn kan, +zoo smeek ik u, mij zijn naam te noemen. Koning Arthur stelt er hoogen +prijs op, dien te weten en ook in zijn eigen belang is het beter, dien +niet langer geheim te houden. Hij is zwaar gewond uit het strijdperk +verdwenen, mogelijk ligt hij ergens weg te kwijnen door gebrek aan +hulp en verzorging. Daarom, nog eens, zeg mij, wie hij is en ik zal +onverwijld maatregelen nemen om zijne schuilplaats te ontdekken." + +Een doodelijk wit had Elaine's gelaat overtogen, bij het hooren +van die vreeselijke tijding. Hare ledematen schenen als verstijfd; +zij hoorde de stem van Heer Walewein, maar de beteekenis van wat +hij zeide kon zij niet in zich opnemen. Alleen de woorden: "hij is +zwaar gewond uit het strijdperk verdwenen", klonken haar in de ooren +en riepen haar de vreeselijkste visioenen voor den geest: Lanceloet +gewond, badend in zijn bloed--Lanceloet dood, met verstarde trekken +en groote, verglaasde oogen. Een oogenblik sloot zij de hare om +dat vreeselijk droombeeld buiten te sluiten, daarna deed zij eene +bijna bovenmenschelijke poging om hare kalmte te herwinnen en sprak: +"Zijn naam kunnen wij u helaas niet zeggen, Edele Heer, daar hij ons +dien niet heeft medegedeeld. Indien gij echter, zooals gij zooeven +zeidet, ook tot Arthur's hof behoort, zoo weet ik eene andere wijze, +waarop gij kunt ontdekken, wie de vreemde ridder was. Bij het heengaan +liet hij zijn schild hier achter, en verzocht mij, dit voor hem te +willen bewaren. Mogelijk herkent gij het." Na dit gezegd te hebben, +verliet zij met rassche schreden het vertrek en snelde de trappen +op naar hare kamer. Zij nam het schild, dat haar toevertrouwd was, +van den wand en begaf zich ermede naar de zaal, waar Walewein in +spanning haar terugkeer verbeidde. + +Alvorens hem het schild in handen te geven, ontdeed zij het van +het zijden omhulsel, waarmede hare handige vingeren het hadden +voorzien. Toen reikte zij het den ridder met de woorden: "Hem, +dien het toebehoort, heb ik lief met mijn gansche hart en ziel, red +mij daarom uit de kwellende onzekerheid en zeg mij, zoo gij kunt, +wie en waar hij is!" Diep ontroerd nam Walewein het schild van haar +aan. Eén blik erop was hem voldoende; met een luiden uitroep van +verrassing herkende hij het schild van zijn wapenmakker. Een stroom +van tegenstrijdige aandoeningen ging hem door de ziel, toen hij de +oogen van Elaine vol angstige spanning op zich gericht voelde en een +overweldigend gevoel van medelijden maakte zich van hem meester. Nooit +had zijne stem zóó zacht geklonken, als toen hij tot haar zeide: + +"Inderdaad, thans weet ik, wie de vreemde ridder is geweest. Het was +niemand anders dan Lanceloet, de dapperste, edelste ridder van het +hof. Geen wonder, dat hij in den strijd de overwinning behaalde, want +er is geen man ter wereld, die hem ooit heeft kunnen verslaan. Gij hebt +uw hart aan geen onwaardige geschonken, schoone jonkvrouw, en wat geene +vrouw ter wereld nog vermocht, hebt gij weten te volbrengen. Nooit +nog zag ik hem in den strijd verschijnen met de gift eener vrouw op +zijn helm!" + +Walewein zag, hoe Elaine's oogen begonnen te stralen van geluk. Een +oogenblik vroeg hij zich af, of het wellicht mogelijk kon zijn, dat +Lanceloet haar inderdaad had liefgekregen, maar toen rees het beeld +van koningin Ginevra voor hem op en zijn hart werd vervuld van zorg +en angst voor dit jonge kind, dat hem zoo argeloos hare liefde toonde +en zoo overtuigd scheen te zijn, dat die werd beantwoord. + +Nog zachter en vriendelijker klonk zijne stem toen hij voortging: +"Zooals ik u reeds zeide, verkeert men in ongerustheid omtrent het +lot van uw vriend. Hij is spoorloos uit het strijdperk verdwenen, +niemand weet waarheen, maar wel weten wij, dat hem even vóór het +einde van den strijd eene gevaarlijke wonde werd toegebracht door +de hand van een zijner beste vrienden, Heer Bors. Ach, wat zal die +ongelukkig zijn, wanneer hij verneemt, wie het is, dien hij gewond +heeft! Maar nu ter zake. Hoe ter wereld zullen wij ontdekken, waar +Lanceloet zich schuil houdt en wie zal den koning mededeelen, dat hij +het was, die in den strijd zich zoo schitterend heeft onderscheiden?" + +Toen klonk het kalm en vastbesloten uit Elaine's mond: "Dat zal ik u +zeggen. Gij, Heer ridder, keert terug naar het hof van koning Arthur +en meldt hem, wat gij hier gehoord hebt. Intusschen zal ik mij op weg +begeven om hem te zoeken, indien mijn vader zulks goedkeurt. Verbied +het mij niet," ging zij onstuimig voort, toen zij zag, dat graaf +Bernard eenige tegenwerpingen wilde maken, "ik bid u, vadertje, +sta mij toe om te gaan. Alles kan ik dragen, behalve deze martelende +onzekerheid omtrent zijn lot." De oude graaf zag zijne dochter diep +ontroerd in de oogen, toen haalde hij gelaten de schouders op en zeide: +"Ga dan, mijn kind, God behoede u op uw zwaren tocht!" + + + +_Hoe Elaine haar held ging zoeken en hoe zij Lanceloet verpleegde +tot hij geheel hersteld was._ Den volgenden morgen vroeg zette +Walewein zijne reis naar Londen voort en kwam nog dienzelfden +avond in het koninklijk paleis aan. Daar vertelde hij zijn vorst +op welke vreemde wijze hij het geheim van den ridder met de roode +mouw ontdekt had. Toen Arthur hoorde, dat de vreemdeling niemand +anders was geweest dan Lanceloet, toonde hij zich blij verrast, al +werd zijne bezorgheid voor het leven van den dapperen held er des te +grooter om. Met groote belangstelling luisterde hij naar Walewein's +beschrijving van zijne ontvangst op het kasteel Astolat en toen deze +hem vertelde, dat de roode mouw een geschenk was van het bekoorlijke +dochtertje van graaf Bernard, gleed er een glans van genoegen over 's +konings gelaat, terwijl hij opmerkte: "Dat is inderdaad goede tijding, +die gij brengt. Reeds lang was het mijn wensch, dat ook Lanceloet het +geluk der liefde zou leeren kennen. Ondanks al zijn roem en aanzien, +lijdt hij een eenzaam leven en allen, die hem liefhebben, zouden er +zich hartelijk in verheugen, wanneer hij op zijne beurt eene bruid +aan het hof bracht!" + +Allen, die hem liefhebben--echter niet koningin Ginevra. Uiterlijk +bedaard en kalm, maar inwendig bevend van woede en schaamte +over Lanceloet's trouweloosheid, had zij naar Walewein's woorden +geluisterd. Vlammen van hartstocht en nijd zetten haar in gloed en +met gebalde vuisten zwoer zij in stilte een duren eed van wraak op +de vrouw, die haar het hart van haar minnaar ontstolen had. + +Bij Heer Bors daarentegen, die, zonder het te willen, Lanceloet had +gewond, wekte het verhaal van Walewein een gevoel van diep leedwezen +op. Weliswaar had hij zich niets te verwijten, daar Lanceloet zelf +door zijne vermomming tot deze vergissing aanleiding had gegeven, maar +toch smartte het hem diep, dat hij aldus oorzaak was geweest van het +lijden, wellicht den dood van een zijner beste vrienden. Zijn besluit +was spoedig genomen; na den koning daartoe verlof te hebben gevraagd, +begaf hij zich onverwijld naar Camelot om zijn vriend te zoeken. + +Laat ons zien, hoe het intusschen met onzen held gesteld was. + +Denzelfden dag, dat Walewein van het kasteel Astolat vertrokken was, +had ook Elaine zich op reis begeven. + +Zij koos den kortsten weg naar Camelot, waar zij haar intrek nam bij +een haar bevriend gezin. Zonder haar gastheer en gastvrouw in kennis te +stellen met het doel harer reis, dwaalde zij den ganschen dag in den +omtrek van de stad rond. Zij had de stellige overtuiging, dat hij, +dien zij zocht, zich niet ver van de plaats zijner verwonding zou +bevinden. En ziet--haar verwachting werd niet beschaamd. Na verloop +van eenige dagen ontdekte zij op één harer ronddwalingen plotseling +de gestalte van haar broeder Lavaine, die op eene weide, even buiten +de stadsmuren, bezig was zijn paard af te rijden. + +Welk een vreugdevol weerzien was dat voor hen beiden! Lavaine geraakte +niet uitgepraat over den moed van zijn nieuwen vriend en Elaine +luisterde met gretige aandacht naar zijne opgewonden verhalen. Toen +kwam haar beurt om te spreken en zonder omwegen vertelde zij haar +broeder, met welk doel zij naar Camelot was gekomen. Op haar angstig +vragen, hoe de gewonde het maakte, antwoordde Lavaine, dat hij volgens +het zeggen van den vromen kluizenaar, die hem verpleegde, thans buiten +gevaar verkeerde, maar dat het nog geruimen tijd zou duren, alvorens +er van een algeheel herstel sprake kon zijn. Toen Elaine hem vroeg, +haar naar hunne verblijfplaats te geleiden, voerde hij haar langs een +dicht begroeid boschpad naar de woning des kluizenaars en weinige +oogenblikken later stond het jonge meisje aan het leger van hem, +dien zij liefhad. + +Er was niet veel overreding toe noodig om den vromen vader te bewegen, +zijne plaats naast het ziekbed aan haar af te staan. Hij was geheel +uitgeput door de zware, lange verpleging en nu het gevaar toch geweken +was, gaf hij zijne taak volgaarne aan andere handen over. + +Van dat oogenblik af waakte Elaine elken dag aan Lanceloet's +sponde. Iederen morgen in de vroegte sloop zij door de stille straten +van Camelot naar het bosch, iederen avond kwam zij als eene bleeke +schim tusschen de zwarte schaduwen van het woud te voorschijn glijden +om zich weer naar hare woning te begeven. Den loodzwaren last van hare +vermoeidheid voelde zij allengs niet meer; haar tenger lichaam werd met +den dag magerder, hare oogen straalden onnatuurlijk groot in het smalle +gelaat, maar toch hield zij vol en onder hare teedere zorgen herstelde +Lanceloet langzaam maar zeker van zijne zware verwondingen. De eerste +weken herkende hij haar nauwelijks en verkeerde hij meestentijds in een +toestand van verdooving, maar langzamerhand herwon hij zijn bewustzijn +en toonde weer eenige belangstelling voor de menschen en dingen om hem +heen. Zoo moest Elaine hem vertellen, wie haar zijn naam had verraden, +maar toen zij hem over het bezoek van Walewein sprak en hem zeide, +hoe deze terstond naar het hof was gereisd om daar het geheim van zijne +vermomming op te lossen, gleed er een donkere schaduw over het gelaat +van den zieke en scheen zijne belangstelling plotseling gedoofd. Dien +nacht en vele volgende nachten en dagen schilderde hij zich in zijne +door koorts verhitte verbeelding de ontvangst af, welke Walewein's +bericht, aan het hof ten deel zou zijn gevallen. Vóór alles echter +stelde hij zich de verbazing en ergernis van koningin Ginevra voor, +toen zij vernomen had, onder welke omstandigheden hij aan het tournooi +had deelgenomen. Zou haar liefde sterk genoeg zijn om den schok van de +ontdekking dezer schijnbare ontrouw te doorstaan? Dit was de vraag, +waarmede hij zich afpijnigde en die hem geen rust liet. Elaine zag +wel, dat er iets was, dat hem bezwaarde, daarom verdubbelde zij hare +teedere zorgen, maar tevergeefs! de zieke bleef moe en lusteloos. + +Op zekeren dag echter gebeurde er iets, dat Lanceloet uit zijne +stemming van gedruktheid opwekte. Lavaine, die naar Camelot was +gereden om aldaar eenige inkoopen te doen, keerde terug in gezelschap +van Heer Bors! De laatste had reeds eenigen tijd in den omtrek der +stad rondgezworven, in de hoop eenig bericht omtrent Lanceloet in te +winnen. Reeds wanhoopte hij er aan iets aangaande hem te vernemen, +toen hij plotseling dien middag Lavaine was tegengekomen, wiens +voorkomen hij zich meende te herinneren. Hij had niet gerust, alvorens +de jongeling beloofd had, hem naar Lanceloet te zullen brengen en zoo +knielde hij dan spoedig daarna aan het leger van zijn zieken vriend en +gaf zijn hart lucht in een vloed van berouwvolle woorden. Lanceloet +weigerde echter zijne betuigingen van spijt te aanvaarden. Hij zelf, +zoo beweerde hij, was immers de oorzaak van zijn ongeval. Door zijne +vrienden in den waan te brengen, dat hij een vreemdeling was, had +hij zich aan hunne aanvallen blootgesteld en hij zou de laatste +zijn, hun daarvan een verwijt te maken. Om de aandacht van Heer +Bors van zijn eigen persoon af te leiden, ondervroeg hij hem naar +de gebeurtenissen aan het hof en vernam zoodoende, dat de koning een +nieuw tournooi had uitgeschreven, hetwelk gehouden zou worden op het +feest van Allerheiligen. + +Het scheen, of dit bericht onzen held nieuw leven schonk; terstond +gaf hij den wensch te kennen om zoo mogelijk aan dit steekspel +deel te nemen en weldra was hij met Bors en Lavaine in geestdriftige +besprekingen verdiept aangaande de kansen der ridders, die zich volgens +Bors reeds beschikbaar hadden gesteld. Van dien dag af aan nam zijne +beterschap met rassche schreden toe en weldra was het oogenblik +gekomen, waarop hij voor 't eerst zijne krachten zou beproeven. In +volle wapenrusting steeg hij te paard en liet het dier allerlei +sprongen maken om zijne eigen krachten op de proef te stellen. Maar +helaas! hij waagde teveel; door de ongewone inspanning ging zijne +nauwelijks geheelde wonde weer open en begon hevig te bloeden. In zijn +ijver bemerkte hij niet, wat er geschied was, tot hij plotseling door +eene duizeling overvallen werd en bewusteloos van zijn paard stortte. + +Hevig ontsteld snelden Elaine en de kluizenaar op het hooren van +den slag toe, en overlaadden Bors en Lavaine, die beteuterd stonden +toe te zien, met de hevigste verwijten, dat zij hun vriend niet van +eene dergelijke roekeloosheid hadden teruggehouden. Toen Lanceloet +weer uit zijne bezwijming ontwaakt was en opnieuw op zijn rustbed lag +uitgestrekt, ried de wijze heremiet hem aan om voorloopig van deelname +aan het tournooi af te zien en Heer Bors alleen te laten vertrekken. Na +eenig aarzelen gaf onze held toe en spoedig daarop nam de brave Bors +afscheid en keerde terug naar het hof, waar hij zijn vorst uitvoerig +verslag uitbracht van de omstandigheden, waaronder hij zijn vriend +had aangetroffen. Hoezeer het koning Arthur ook speet zijn geliefden +ridder voorloopig niet te zullen zien, toch verheugde hij zich over +het feit, dat hij althans in leven was en zich in goede handen bevond. + +Koningin Ginevra luisterde met kalm en onbewogen gelaat naar het +verhaal van Heer Bors. Tusschen de wijde plooien van haar kleed +krampten zich hare handen in woede samen, toen zij hem in geestdriftige +bewoordingen het aanvallige wezen en de liefderijke zorgen van Elaine +hoorde prijzen, maar zij zeide niets. Even werd haar hart geroerd, +toen zij vernam, hoe Lanceloet al zijne krachten had ingespannen +om op het tournooi van Allerheiligen tegenwoordig te kunnen zijn, +maar de booze stem der achterdocht fluisterde haar toe, dat hij zulks +alleen gedaan had om opnieuw met het geschenk zijner nieuwe geliefde +op den helm in het perk te kunnen treden. Gehoor gevend aan die stem +verbande zij alle zachtere gevoelens uit haar hart en verleende de +kwade machten van wrok en bitterheid daarin vrijen toegang. + + + +Het steekspel, dat op Allerheiligen te Londen gehouden werd, behoefde, +ondanks het minder gunstige jaargetijde, in pracht en praal niet onder +te doen voor het tournooi van Maria Hemelvaart. Onder de vele koene +ridders, die eraan deelnamen, onderscheidden zich bovenal Heer Walewein +en Heer Bors door hunne schier ongeloofelijke stoutmoedigheid. Zoodra +de feestelijkheden, aan het steekspel verbonden, afgeloopen waren, +spoedde Bors zich naar de verblijfplaats van Lanceloet om zijn vriend +verslag uit te brengen over het gebeurde. Deze was thans geheel +hersteld en verlangde er vurig naar om in het gewone leven terug te +keeren. Het duurde dan ook niet lang, of de dag van zijn vertrek werd +bepaald. Na een dankbaar afscheid van den goeden kluizenaar te hebben +genomen, aanvaardde het viertal de reis naar Astolat, waar Heer Bernard +zijne kinderen en de beide ridders met vreugde welkom heette. Maar +ook hier wenschte Lanceloet niet lang te vertoeven; hij snakte terug +naar de omgeving van het hof, naar zijne vrienden en kennissen, zijne +dagelijksche plichten en bezigheden en bovenal--naar de koningin! Vóór +alle dingen wenschte hij zich tegenover haar te rechtvaardigen; uit +de verhalen van Bors had hij maar al te goed begrepen, dat Ginevra +vertoornd op hem was en de gedachte van in hare oogen een onwaardige +te schijnen, was hem ondragelijk. + +In zijne haast om weg te komen had hij weinig acht geslagen op zijne +omgeving en dus niet bemerkt, hoe Elaine met den dag stiller en bleeker +werd. Haar vader en hare broeders bemerkten wel de verandering, die +over haar gekomen was, maar schreven die toe aan de vermoeienis en +inspanning der laatste weken. + +Indien Heer Bernard al een ander vermoeden omtrent de oorzaak van +haar lijdend uitzien koesterde, zoo verborg hij dit in 't diepst van +zijn hart en waagde het niet, er over te spreken. + + + +_Hoe Elaine, tot wanhoop gedreven, Lanceloet hare liefde bekende._ De +dag van Lanceloet's vertrek was aangebroken, een van die wonderschoone, +late herfstdagen, die het den mensch zoo moeilijk maken, zich met de +gedachte aan den scheidenden zomer te verzoenen. Vroeg in den morgen +was Lanceloet, dien de opwinding over het naderend wederzien met +zijne geliefde reeds vroeg uit den slaap had gewekt, den rozentuin +ingedwaald, welke ter zijde van het kasteel was gelegen. Hier hadden +tijdens zijn eerste bezoek aan het slot de rozen gegeurd en gebloeid, +thans waren de struiken kaal, slechts een enkel knopje stak bedeesd +tusschen de takken omhoog, maar verder was het met groeien en bloeien +gedaan. Het stervende jaargetijde had zijn stempel gedrukt ook op +dit plekje grond; dorre bladeren lagen overal verspreid en blauwige +nevelsluiers hingen tusschen de boomen. Lanceloet liep peinzend +tusschen de ontbladerde rozenstruiken op en neer. Een gansche zomer +was dus voorbijgegaan, sinds hij zich hier had gereed gemaakt om +aan het tournooi van Camelot deel te nemen. Een ganschen zomer met +zijne reeks van zonnige dagen en lauwe sterrennachten had hij in +ballingschap doorgebracht, ver van het hof en zijne vrienden, ver van +zijne geliefde! Zijne gedachten vlogen terug naar vorige zomers en zóó +zeer raakte hij in zijne herinneringen verdiept, dat hij niet bemerkte, +hoe iemand met lichten tred het pad kwam oploopen, waar hij zich +bevond. Eerst toen eene hand zich schuchter op zijn arm legde, schrikte +hij op uit zijne overpeinzingen. Zich haastig omkeerend, bemerkte hij +Elaine, die vóór hem stond en hem recht in de oogen zag met een blik, +zóó innig droevig en smeekend, dat hij er van ontstelde. Hij wilde +iets zeggen, om de pijnlijke stilte te verbreken, maar tegen hare +gewoonte in, was het meisje hem vóór en begon op smartelijken toon: +"Het is dus waar, dat gij ons verlaten wilt, om naar het hof terug +te keeren! Ik heb steeds gehoopt en gebeden, dat het niet waar mocht +zijn en dat gij nog op uw besluit zoudt terugkomen of althans niet +van hier zoudt gaan, vóór gij door een enkel woord de onrust uit mijn +hart verdreven hadt. Nu echter het oogenblik van scheiden is gekomen, +zonder dat gij dit woord hebt gesproken, moet ik zelve spreken. Daarom +smeek ik u, neem mij met u mede naar Londen, naar Camelot, waarheen +gij maar wilt, doch laat mij niet alleen hier achter om van verlangen +naar u te sterven. Hebt gij het dan niet begrepen, in al die dagen, +in al die lange weken, dat ik aan uw ziekbed zat om te trachten u in +het leven te houden? Kondt gij dan niet voelen, hoe ik u liefheb met +eene liefde, die geene grenzen kent, en moet ik het u met eigen mond +zeggen? Welnu dan, luister! Ik bemin u, u en geen ander en wanneer +gij mij geene wederliefde schenken kunt, moet ik sterven!" + +Herhaalde malen had Lanceloet gepoogd den stroom van hare woorden +te stuiten, maar zij luisterde niet naar wat hij zeide. Hare stem, +aanvankelijk zacht en bevend, werd sterker naarmate zij voortging +met spreken en bij de bekentenis harer liefde klonk zij vast en helder. + +Toen zij zweeg en ook Lanceloet, ten prooi aan zijne aandoeningen, niet +bij machte was te spreken, heerschte er een oogenblik volmaakte stilte, +daarna was het met Elaine's zelfbeheersching gedaan; zij verborg +het hoofd in hare beide handen en barstte uit in een hartstochtelijk +weenen. Hare tranen gaven Lanceloet zijne kalmte terug. + +Liefderijk legde hij zijne hand op het gebogen hoofd van het meisje en +sprak bedarend: "Ween niet, Elaine. Ik ben diep geroerd door wat gij +mij hebt toevertrouwd en ik smeek u, mij te gelooven, als ik u zeg, +dat ik op uwe bekentenis in 't geheel niet was voorbereid. Nooit heb ik +kunnen vermoeden dat gij dergelijke gevoelens voor mij koesterdet. Wees +er echter van overtuigd, dat ik de eer, die ge mij toekent, niet +waardig ben, trouwens," zoo ging hij haastig voort, daar hij zag, +dat zij hem heftig in de rede wilde vallen, "zelfs al ware dit zoo, +dan nog zou ik niet op uwe woorden mogen ingaan. Ik zal nooit, versta +mij wel, nooit een huwelijk aangaan!" + +"Dat vraag ik ook niet," viel Elaine hartstochtelijk in, "zoo ik +slechts bij u mag zijn, zoo ge mij slechts mee wilt nemen en mij toe +wilt staan u lief te hebben, u in de oogen te zien en u te dienen +als eene nederige dienstmaagd. Meer vraag ik niet, meer zou ik niet +durven vragen!" + +Tot in 't diepst van zijne ziel getroffen, nam Lanceloet hare +bevende handjes in de zijne en sprak ernstig: "Dat kan en mag ik +niet toestaan, Elaine! Ware het niet, dat de eerbied, dien ik voor u +koester, mij ervan terughield, dan nog zou ik moeten bedenken, op welk +eene schandelijke wijze ik daardoor de gastvrijheid en vriendschap, +mij door uw vader bewezen, zou beloonen. Maar luister naar mij, die +zooveel ouder ben dan gij! Ge zijt jong en schoon; eens zult gij de +liefde leeren kennen in al haar rijkdom en volheid. Niet een man als +ik, die bijkans uw vader kan zijn in jaren, maar een jongeling van +gelijken leeftijd en aanleg als gij zal uw hart weten te veroveren. Hij +zal u vereeren en liefhebben; hij zal u dienen als zijne vorstin en +door hem zult gij het ware geluk vinden. Wat mijzelve betreft, ik wil +steeds uw trouwe dienaar blijven en u met raad en daad bijstaan, waar +en wanneer ik kan. Nooit zal ik u kunnen vergelden, wat gij voor mij +gedaan hebt, maar ik zal uwe liefderijke zorgen nimmer vergeten. Mocht +het toeval willen, dat de uitverkorene uws harten niet rijk is aan +geld en goed, zoo wil ik hem eene jaarlijksche uitkeering schenken +om hem in staat te stellen, met u te leven, zooals dit aan uw rang +en stand past. Geloof mij en wees niet bedroefd, wanneer ik u zeg, +dat gij mij eens dankbaar zult zijn voor mijne woorden, al mogen zij +u thans wreed en ongevoelig toeschijnen!" + +Elaine sprak geen woord; zij zag Lanceloet slechts aan met groote, +droeve oogen en bij het zien van dien smartelijken blik werd het den +ridder bang om het hart. Toch mocht hij niet anders handelen. Met +een paar vriendelijke afscheidswoorden verliet hij den rozentuin en +begaf zich met haastige schreden naar zijne vertrekken. Hij wenschte +niets liever dan zoo spoedig mogelijk te vertrekken om te ontsnappen +aan dien smeekenden blik, die hem met bange voorgevoelens vervulde. + +Elaine staarde hem na, tot hij in het slot verdwenen was, toen eerst +drong het besef van wat er gebeurd was tot haar door. Zij had Lanceloet +hare liefde bekend en hij had geweigerd die aan te nemen. Hare arme, +moede hersenen pijnigden zich tevergeefs af om eene oplossing voor +zijn gedrag vinden. Had hij haar dan niet gezegd dat zij schoon +was? Had hij haar geschenk niet op zijn helm gedragen, hij, die dit +nog nooit voor eenige vrouw ter wereld gedaan had? En toch had hij +haar niet lief? Maar waarom had hij haar dan aangezien met dien +eigenaardigen blik in zijne donkere oogen? Waarom had zijne stem +zachter en vriendelijker geklonken, telkens, wanneer hij het woord +tot haar richtte? Of--had zij zich dit alles slechts verbeeld? De +gedachte aan die mogelijkheid deed haar de oogen sluiten; eene +plotselinge duizeling overviel haar--angstig strekte zij de handen +om steun zoekend voor zich uit en viel bewusteloos neer. Toen hare +oude voedster eenigen tijd daarna in den tuin kwam om haar voor den +ochtendmaaltijd in huis te roepen, vond zij hare lieveling tusschen +de kale rozenstruiken op den grond liggen, met doodsbleek gelaat en +gesloten oogen. Eerst na langen tijd gelukte het de trouwe dienares +haar uit hare diepe bezwijming te doen ontwaken. + + + +Eenige uren later verliet Lanceloet in gezelschap van Lavaine, +die verlof had gevraagd hem naar het hof te mogen vergezellen, +het kasteel om de terugreis naar Londen te aanvaarden. Bij zijne +aankomst in het paleis werd hij door den koning en het gansche +hof met uitbundig vreugdebetoon begroet, alleen de koningin was +koud en strak en verwaardigde hem na de eerste begroeting met +geen blik. Hoezeer Lanceloet leed onder haar grievende houding, +laat zich niet gemakkelijk beschrijven. Hij poogde tevergeefs een +onderhoud met haar te verkrijgen; steeds wist zij dat op behendige +wijze te ontwijken. Eindelijk riep onze held zijn trots te hulp +om hem over de kwelling van deze onrechtvaardige behandeling heen +te helpen. Hij had zich in geen enkel opzicht iets te verwijten; +de schijn was weliswaar tegen hem, maar wat beteekende Ginevra's +liefde, als zij zich daardoor zoodanig liet beïnvloeden, dat zij hem +zelfs geene gelegenheid wilde schenken zich te rechtvaardigen? Liefde +zonder wederzijdsch vertrouwen was immers geene liefde? Hoe dikwijls +had Ginevra het trouwens al moeten ondervinden, dat haar wantrouwen +ongegrond was, het was immers niet de eerste maal, dat zij zich door +hare achterdocht had laten meesleepen! + +Van nu af aan ging Lanceloet rustig zijn eigen weg en vermeed het +bijzijn der koningin zooveel hij kon; hij was overtuigd, dat de loop +der gebeurtenissen hem tegenover haar in het gelijk zou stellen. + + + +_Van Elaine's dood en hoe zij in een bootje werd gelegd, dat haar naar +het paleis des konings bracht._ In het kasteel Astolat, in haar eenzaam +torenkamertje lag Elaine weg te kwijnen. Wat zij tot Lanceloet gezegd +had en wat deze had opgevat als eene uiting van jeugdige wanhoop, +bleek maar al te waar: zonder hem kon zij niet leven. Haar gestel, +dat door de zware verpleging en de lange tochten van en naar het woud +geheel was uitgeput, kon dezen schok niet verdragen en zij had het +gevoeld, zoodra men haar in haar eigen kamertje had neergelegd--zij +moest sterven. + +Uren lang lag zij onbeweeglijk te staren naar de kale, ontbladerde +takken voor haar venster, die door den guren herfstwind heen en +weer bewogen werden. Spreken deed zij bijna niet en de opbeurende +woorden van haar vader en broeder beantwoordde zij slechts met een +matten glimlach. + +Toen zij eene week zoo gelegen had, voelde zij haar einde naderen en +riep haar vader en Torre bij zich om hun hare laatste beschikkingen +mede te deelen. Zij smeekte Heer Bernard hare wenschen in deze +getrouwelijk op te volgen en toen hij dit beloofd had, beval +zij Torre om pen en papier ter hand te nemen en op te schrijven, +wat zij hem zeide. Langzaam, woord voor woord droeg zij hem op, +wat hij schrijven moest en toen de brief gereed was, slaakte zij +een zucht van verlichting en sprak tot Heer Bernard: "Vader, hoor +thans naar mijn verzoek, en bedenk, dat ge mij beloofd hebt dit te +zullen eerbiedigen. Ik heb niet lang meer te leven, dat weten wij +allen. Ween niet daarover, het is beter zoo, ik ga in vollen vrede +mijn einde tegemoet. Wanneer ik dan gestorven zal zijn, zoo verzoek +ik u, mij dezen brief in de hand te geven, vóór deze verstijfd zal +zijn. Vervolgens vraag ik u mijn lichaam naar de rivier te dragen en +het aldaar in eene boot neder te leggen. Laat dit vaartuig dan, met +een vertrouwd dienaar als stuurman aan boord, den stroom afdrijven +tot het bij het koninklijk paleis te Londen aankomt. Hoe vaak heb ik +niet, wanneer wij als kinderen op de rivier aan het roeien waren, +mijne broeders gesmeekt daarheen te mogen gaan, ten einde de fraai +gekleede edelvrouwen en ridders te kunnen bewonderen, van wie men +mij zooveel verteld had. Welnu dan, thans, nu ik hun eene boodschap +te brengen heb, zal mijn wensch vervuld worden en eerst wanneer men +aldaar mijn schrijven gelezen heeft, zal mijne ziel rust en vrede +vinden. Daarom handel naar mijn wensch, wat ik u bidden mag!" + +Weenend van smart beloofde Heer Bernard zijn stervend kind in alles +hare wenschen te eerbiedigen, doch bezwoer haar, niet aan sterven +te denken, maar uit te zien naar eene beterschap, die zeker niet +lang op zich zou laten wachten. Elaine echter glimlachte droevig en +schudde het hoofd, zij wist maar al te goed, hoe ijdel dergelijke +verwachtingen waren. + +Twee dagen later, op een fraaien herfstmorgen, stierf zij in de armen +van haar vader, het moede hoofdje tegen hem aangeleund. + +Groote rouw en droefenis heerschten in het kasteel van Astolat. Als +een beeld van stomme wanhoop zaten de graaf en zijn oudste zoon dien +geheelen dag bij het lijk van haar, die eens--het leek hun nu zoo +lang geleden!--de vreugde van hun huis geweest was en die daar nu +zoo stil en vredig lag, met een glimlach om de lippen, als ware de +gedachte aan den naderenden dood haar aangenaam geweest. + +Den volgenden morgen kleedde hare oude voedster onder snikken en +tranen Elaine's tengere lichaam in een kostbaar gewaad van witte +zijde en vlijde hare blonde haren als een wijden mantel om haar +heen. Zoo legde men haar op eene baar en droeg haar door de velden +naar de rivier. Daar lag een vaartuig aan den steiger, bedekt met een +kleed van zwart fluweel. Aan het stuur zat een der oudste dienaren +van het kasteel; hij was stom, de arme man, maar zijne knippende +oogen en bevende mond getuigden, beter dan woorden vermochten, van +zijne diepe smart. Behoedzaam legden de graaf en zijn zoon het doode +lichaam van Elaine in de boot en bedekten haar tot het middel met een +dekkleed van goudbrokaat. Met de ééne hand omvatte zij den brief, in +de andere hield zij eene lelie. Zoo zagen ze haar voor het laatst: met +een vredigen glimlach op het gelaat, in haar mantel van blonde haren. + +Op een teeken van Heer Bernard bracht de oude dienaar het vaartuig +in beweging, dat langzaam met den stroom mee de rivier afdreef. + +In den namiddag kwamen de trotsche torens van het paleis van +Westminster in het gezicht. De tuinen langs de rivier waren echter +verlaten en het duurde geruimen tijd, alvorens het vreemde vaartuig +iemands aandacht trok. Hij, die het ten slotte bemerkte, was koning +Arthur zelve, die zich met zijne gemalin in een vertrek bevond, dat +uitzicht had op de Theems. Onder het praten had hij zich naar het +venster begeven en tuurde naar buiten in de vallende schemering. Daar +bemerkte hij, hoe langs den oever van het park een bootje dreef, +waarover een kleed lag gespreid, hetwelk met lange slippen in het +water afhing. In het bootje lag iets, maar wat dit was, kon de vorst +niet nader onderscheiden. Terstond gaf hij eenigen ridders bevel het +vaartuig aan te houden en de zaak nader te onderzoeken. Na korten tijd +keerden zij terug, blijkbaar zeer onder den indruk van hetgeen zij +gezien hadden. In het vaartuig, zoo meldden zij hun vorst, lag eene +doode jonkvrouw, zóó schoon en bevallig, dat zij bijna een wezen uit +eene hoogere wereld geleek. Niemand wist, vanwaar zij gekomen was, +en de man aan het roer scheen stom te zijn, althans, hij gaf geen +antwoord op wat men hem vroeg. + +Nu begaven zich de koning en koningin, gevolgd door eene schaar +nieuwsgierigen, naar den landingssteiger, en staarden diep ontroerd +naar het vaartuig met zijn droeven last. Plotseling maakte koningin +Ginevra haar gemaal opmerkzaam op den brief, welken de jonkvrouw in +de hand hield. Voorzichtig maakte men hem los en bracht het schrijven +naar den koning, die het opende en las: + +"Edele Heer Lanceloet! Ik, die men de schoone maagd van Astolat +placht te noemen, ben herwaarts gekomen om u voor 't laatst vaarwel te +zeggen. Ik had u lief, maar mijne liefde werd door u niet beantwoord +en is daardoor mijn dood geworden. Gij vrouwen en meisjes, die dit +hoort, weent om mij en bidt voor mijne ziel en ook gij, Heer Lanceloet, +bid voor mij, dit is mijn laatste verzoek. God behoede u!" + +Ten zeerste geschokt door het droevige tooneel hadden de ridders +en edelvrouwen toegeluisterd; toen de koning ophield met lezen, +heerschte er eene doodsche stilte, die plotseling verbroken werd door +een fluisterend gemompel van: "Lanceloet! Daar komt hij zelve!" + +Inderdaad kwam onze held, gevolgd door Lavaine, naderbij getreden om +de oorzaak van de ongewone drukte aan den steiger te vernemen. Toen +Lanceloet de gestalte van Elaine in de boot ontdekte, deinsde hij +een oogenblik achteruit, terwijl schrik en ontsteltenis zich op zijn +gelaat afspiegelden. Aller blikken waren op hem gevestigd, maar hij +herstelde zich spoedig en wendde zich tot den koning om van hem eene +nadere verklaring van dit vreemde schouwspel te vernemen. Daarop +reikte Koning Arthur hem den brief. + +Toen Lanceloet dien gelezen had, werd hij zeer bleek en staarde eene +wijle zwijgend en met een blik vol innig medelijden, naar het gelaat +van haar, wier ondergang hij geweest was. Daarna wendde hij zich tot +de aanwezigen en sprak: "Sire! en gij allen, die hier tegenwoordig +zijt--ik verklaar u op mijn woord van edelman, dat ik niet bij machte +ben geweest om deze noodlottige gebeurtenis te verhinderen. Niemand kan +meer getroffen zijn door den dood van dit jonge, schoone kind, dan ik, +die er de oorzaak van ben geweest. Zij was rein en goed en beminde mij +met eene liefde, zooals men die maar zelden ziet. Maar--de gevoelens +des harten laten zich niet dwingen, vooral niet wanneer men, zooals ik, +zijne eerste jeugd achter zich heeft. Ik roep echter haar broeder Heer +Lavaine tot getuige, dat ik nooit aanleiding heb gegeven haar te doen +vermoeden, dat ik haar liefde beantwoordde. Meer kan ik niet zeggen!" + +Koning Arthur reikte zijn vriend de hand en sprak met bewogen stem: +"Wij allen kennen en vertrouwen u. Ware liefde kan niet afgedwongen +worden, maar moet als eene natuurlijke bron uit het hart omhoog +wellen. Laat ons haar, die daar ligt, naar binnen dragen en laat ons +trachten haar eene passende begrafenis te geven; het is het eenige, +dat wij doen kunnen!" + +Zoo geschiedde het. Lanceloet zelve droeg in zijne sterke armen het +doode lichaam de trappen op naar het paleis en legde het op een zacht +rustbed neer. + +Eenige dagen later had de teraardebestelling plaats. In eene lange +rij volgden de ridders der Tafel Ronde, met koning Arthur aan het +hoofd, de rijk versierde baar, na afloop van de plechtige lijkmis +in de kathedraal. Als eene koningin werd zij begraven, Elaine, +die den edelsten onder de ridders had liefgehad en voor hare liefde +was gestorven. Toen men haar neergelegd had tusschen de stoffelijke +overblijfselen van lang gestorven vorsten en vorstinnen, beval koning +Arthur dat in den grafsteen hare gestalte uitgebeiteld zou worden, +zooals zij in haar bootje was komen aandrijven, en dat het schild +van Lanceloet aan hare voeten zou worden geplaatst. Dit gebeurde +en rond haar graf schreef men in letters van goud en azuur hare +droeve geschiedenis, opdat allen, die er voorbij kwamen, het lezen +konden. Toen de stoet van de kathedraal naar het paleis teruggekeerd +was, nam de koningin Lanceloet ter zijde en smeekte hem om vergiffenis +voor haar gebrek aan vertrouwen. + +Somber zag onze held haar aan, toen hij antwoordde: "Hoe kan ik +anders doen dan u vergeven? Ben ik niet met onverbreekbare banden aan +u verbonden? Maar onthoud dit: afgunst en wantrouwen zijn een vloek +voor de ware liefde!" + +Dien avond zat Lanceloet alleen aan den oever der rivier en peinsde +over hetgeen er gebeurd was. Alles, wat hem door de liefde van +Elaine deelachtig had kunnen worden, werd hem in verleidelijk schoone +visioenen voor den geest gebracht. Een eigen thuis--de liefde eener +vrouw--een krachtig kroost van schoone dochters en wakkere zonen, dit +alles had zijn deel kunnen worden. Wat had hij nu? Huiverend zag hij +om zich heen. Alleen, was hij, altijd alleen, met het bewustzijn eener +zondige liefde, een bewustzijn, dat hem kwelde en vervolgde tot zelfs +in de oogenblikken van het innigst samenzijn met de geliefde. Moest +hij, voor zulk een samenzijn niet zijn vorst, dien hij vereerde en +liefhad, op laaghartige wijze bedriegen? Hoe kon hij nog eenig genot +daarvan verwachten? Hij, de eerste onder zijne tijdgenooten, beroemd +en gevierd als geen ander, was armer dan de minste onder Arthur's +hovelingen, die tegen den avond, als zijne dagtaak was afgeloopen, +in zijne eigen woning terugkeerde, waar hij met vreugde en liefde +begroet werd. + +Zoo bleef onze held langen tijd in somber gepeins verzonken en toen +hij eindelijk naar het kasteel terugkeerde, waren zijne oogen vochtig. + + + + + +INLEIDING TOT DE SAGE VAN PARCIVAL EN DEN HEILIGEN GRAAL. + + +Wie zich ten doel stelt den oorsprong der Graal-sage op te sporen en +hare ontwikkeling in de letterkunde van Europa na te gaan, zal weldra +bemerken, dat de omvang der taak, welke hij hierdoor op zich neemt, +inderdaad geweldig is. Over het wezen van den Graal, den wonderschotel +met zijne bezielende kracht, hangt een sluier van geheimzinnigheid, +welke ondanks veler pogen nog nooit geheel is opgelicht. + +Het is hier niet de plaats om uit te weiden over de vele theorieën, +welke ten opzichte van dit moeilijke vraagstuk door geleerden uit +verschillende landen zijn opgeworpen; wij willen slechts met een enkel +woord de richting aangeven, waarin deze zich ontwikkelen en voor het +overige de uiteenzetting van het probleem: het ontstaan der Graal-sage, +aan anderen, meer bevoegden overlaten. + +De Graal-sage--want als zoodanig willen wij voorloopig het +Parcival-verhaal beschouwen--is eene der meest geliefde sagen uit de +Middeleeuwsche letterkunde. Waardoor kunnen wij hare groote bekoring +verklaren, waarvan de tallooze dicht- en prozawerken, welke aan eene +behandeling van dit onderwerp gewijd zijn, getuigen? + +Het geheim van de groote populariteit van het Graal-verhaal is +hierin gelegen, dat het de vertolking is van 's menschen verlangen +naar een hooger leven, dat het ons de belichaming geeft van het +Goddelijk mysterie, hetwelk voor de zoekende menschenziel steeds +eene groote aantrekkingskracht heeft bezeten. Bovendien vonden in de +Graal-sage de tweeërlei stroomingen, welke zich in de Middeleeuwsche +kunstbeschouwing openbaarden, bevrediging. Zij, die doordrongen waren +van den geest der nieuwe, Christelijke beschaving, vonden er voedsel +voor hunne geestelijke behoeften; zij, wier smaak trouw was gebleven +aan de oude ridderverhalen, genoten volop van het avontuurlijke +element, dat ook in dit verhaal sterk naar voren komt. Zoo bleef de +Graal--gelijk hij dit in de oude heidensche verhalen in letterlijken +zin placht te doen--voedsel geven aan elk, die erom vroeg, zij het +thans van geestelijken aard. Tot op heden heeft de Graal-sage hare +bekoring behouden en zij zal dit blijven doen, omdat de menschelijke +ziel door alle eeuwen heen dezelfde blijft in haar zoeken en verlangen +naar de verwezenlijking harer hoogste idealen. + +Wat is de Graal? + +Vele antwoorden zijn op deze vraag gegeven; wij willen er voorloopig +slechts twee noemen, welke de meening weergeven van twee der +toonaangevende geleerden op dit gebied. + +Professor Alfred Nutt, de schrijver van het bekende werk: "Studies +in the Legend of the Holy Grail", Londen 1888, is van meening, dat de +oorsprong van den Graal te vinden is in de mythologie der oud-Iersche +Kelten, waar wij veelvuldige vermelding vinden van wonderbaarlijke +talismans, welke den bezitter een onuitputtenlijken overvloed +verschaffen van al, wat hij zich wenscht. Eén van die talismans is +een wonderketel, welke voedsel verschaft tot in het oneindige: hij +is het zinnebeeld van vruchtbaarheid en overvloed. In de oud-Iersche +mythologie, waarvan Professor Nutt eene bijzondere studie heeft +gemaakt en die hem de verklaring heeft doen vinden van veel, dat +tot nu toe duister was in de geschiedenis der Arthur-sagen, is het +beeld van dien wonderketel nauw verbonden aan dat van een zwaard, +een speer en een kostbaren steen. Zoo meent dus Professor Nutt den +oorsprong van den Graal te vinden in de heidensche godenleer der oude +Kelten; het Christelijk karakter van den Graal is volgens hem eerst +van lateren datum. + +Geheel anders denkt Professor A. Birch-Hirschfeld erover, de schrijver +van "Die Sage vom Gral", Leipzig 1877. Volgens hem is de Graal van +den aanvang af een zuiver Christelijk zinnebeeld geweest, al mogen +de eigenschappen, welke eraan verbonden waren, eenige overeenkomst +vertoonen met die van voorwerpen uit de oude volksoverleveringen. + +Jessie Weston, de schrijfster van een zeer belangwekkend werk: "The +Legend of Sir Perceval", Grimms Library, vol. XVII, London, D. Nutt +1906, is evenals Prof. Nutt de meening toegedaan, dat de Graal van +heidenschen oorsprong is en eene rol speelde in de natuur-eeredienst, +welke in de Britsche eilanden vóór de tijden van het Christendom in +zwang was. + +Wij spraken over "de Graal-sage", doch feitelijk bestaat er eene +geheele reeks van Graal-sagen, welke gesplitst kan worden in twee +groepen: de sagen, die tot onderwerp hebben: het zoeken van den held +naar den heiligen wonderschotel en zij, die den oorsprong en den aard +van den Graal beschrijven. + +Het beroemdste werk uit de eerste groep is wel het oud-Fransche +gedicht: "Perceval ou Le Conte del Graal", geschreven door Chrétien de +Troies tusschen de jaren 1150 en 1180. De Graal wordt hier beschreven +als een tooverschotel, maar de dichter wenscht blijkbaar zijne +lezers in spanning te houden aangaande het eigenlijk wezen van dien +schotel. Ongelukkigerwijze is hij nooit toegekomen aan de oplossing van +dit raadsel; zijn gedicht is onvoltooid gebleven. Drie andere dichters: +Wauchier de Denain [53], Manessier en Gerbert hebben getracht, zijn +werk te voltooien; zij schreven tusschen de jaren 1190 en 1240. Op +het werk van deze dichters hopen wij nader terug te komen. Behalve +hunne gedichten moeten wij nog eenige andere werken noemen, welke +eveneens het zoeken van den Graal tot onderwerp hebben. In de +eerste plaats den beroemden "Parzival", van den Beierschen dichter +Wolfram von Eschenbach, geschreven omstreeks het jaar 1200 op zijn +burcht Wildenberg. Wolfram ontleende zijne stof aan het werk van +een Provençaalsch dichter: Kyot of Guiot. Verder noemen wij eene +proza-vertolking uit Wales, die te vinden is in den reeds meermalen +genoemden "Mabinogion" en waarvan het handschrift dagteekent uit +de 13e eeuw. Als levensbeschrijving van Parcival noemen wij in dit +verband nog: "Sir Percyvelle", een Middel-Engelsch gedicht, geschreven +omstreeks het midden der 15e eeuw, waarin echter geene melding wordt +gemaakt van den Graal. + +Tot de tweede groep, welke zich bezig houdt met eene beschrijving +van den aard en de herkomst van den Graal, behoort allereerst een +oud-Fransch proza-werk: "Le Grand St. Graal", waarvan de schrijver +onbekend is gebleven. [54] Vervolgens eene trilogie, vermoedelijk van +de hand van Robert de Borron, welke geschreven werd tusschen de jaren +1170-1212. De drie deelen, welke in één handschrift voorkomen, zijn: +1 Joseph d' Arimathie, 2. Merlin en 3 de zoogenaamde Didot-Perceval, +een proza-werk, zoo genoemd omdat het eenige handschrift, waarin +het wordt aangetroffen, toebehoorde aan den bekenden verzamelaar van +manuscripten A. F. Didot. [55] + +Over het feit, of dit derde en laatste deel ook van de hand van Borron +is, zijn de geleerden verschillenden meeningen toegedaan. Gaston Paris, +Professor Birch-Hirschfeld en Jessie Weston betoogen met klem, dat +wij inderdaad Borron als den schrijver van de drie romantische werken +moeten beschouwen, Prof. Alfred Nutt is van eene tegenovergestelde +meening. + +Als derde werk over den oorsprong van den Graal noemen wij: +"Perceval le Gallois", een Fransch proza-werk, geschreven voor een +zekeren Jean, Heer van Nesle, in Vlaanderen, die leefde in het begin +der 13e eeuw. Dit werk wordt thans veelal "Perlesvaus" genoemd, +de eerstgenoemde naam was die, welken de eerste uitgever M. Potvin +eraan gaf. Het werk werd in het Engelsch vertaald door Dr. Sebastian +Evans onder den titel: "The High History of the Holy Grail." [56] + +Ten slotte verdient hier vermelding de proza-roman "La Quête del +St. Graal", waarin de held niet langer Parcival is, maar Galahad. De +oorzaken dezer verwisseling bespreken wij hieronder nader. De schrijver +van dit werk is Walter Map, wiens invloed op de Arthur-sagen wij elders +in deze inleiding nog nader zullen toelichten. Uit dit werk putte +Thomas Malory voor de wedergave der Graalsage, welke wij aantreffen +in zijn "Morte d' Arthur". + +De meeste van bovengenoemde verhalen stemmen overeen in de +beschrijving van den Graal als een wondervoorwerp van heilige, +Goddelijke herkomst. Sommige schrijvers zeggen, dat het de beker was, +waaruit Christus dronk aan het laatste Avondmaal, anderen zien erin +den schotel, waarin Jozef van Arimathea het bloed opving, dat uit +de wonden van Christus druppelde, toen Deze aan het kruis hing. In +Wolfram's gedicht is de Graal een steen, welke hem of haar, die hem +ziet, het eeuwige leven en de eeuwige jeugd kan schenken; in andere +gedichten lezen wij hoe de Graal het vermogen bezit om voedsel te +verschaffen aan een groot aantal menschen. Over de verschillende +theorieën omtrent den eigenlijken oorsprong van den Graal werd +hierboven reeds met een enkel woord gesproken. + +Er zijn drie ridderfiguren, die in den loop der tijden door de dichters +en schrijvers tot Graalheld werden uitverkoren: Walewein, Parcival en +Galahad. Tegenwoordig wordt algemeen als stellig aangenomen, dat de +oorspronkelijke held der Graal-sage Walewein moet zijn geweest. Als +zoodanig komt hij voor in de vertolking door Bleheris [57], welke +Wauchier de Denain, den eersten voortzetter van Chrétien's werk, +tot bron diende en welke beschouwd wordt als de oudste vorm van +de Graal-sage. + +In de werken van de andere navolgers van Chrétien nemen de avonturen +van Walewein eene bijkans even voorname plaats in als die van +Parcival. De laatste is, zooals wij zullen zien, de held in Wolfram von +Eschenbach's gedicht, evenals in de meeste andere Graal-verhalen. Hij +wordt meestal voorgesteld als zijnde de kleinzoon van Brons, welke +laatste de zwager was van Jozef van Arimathea en deze verwantschap +maakt onzen held voorbestemd om den Graal te vinden en te behouden. + +Volgens Jessie Weston dagteekent de verwisseling van Walewein +en Parcival dan ook uit den tijd, toen de Graal-sage aangepast +werd aan de beginselen der Christelijke kerk. Dat de persoon van +Walewein nauw verbonden zou zijn met de vage overleveringen van +een ouden en mystieken eeredienst, is waarschijnlijk. Toen de sage, +welke uit deze overleveringen ontstond, dienstbaar werd gemaakt aan +christelijk-godsdienstige doeleinden, was hij daarin niet langer op +zijne plaats. + +In de eerste Parcival-Graal-verhalen, waartoe ook Wolfram's "Parzival" +behoort, wordt de held ons geteekend als eene zuiver menschelijke +figuur, die wel is waar eene Goddelijke roeping heeft ontvangen, doch +wiens fouten en zwakheden hem bij het vervullen van die hooge roeping +in den weg staan en wiens hart verdeeld wordt tusschen den drang +naar het vervullen van zijne taak en het verlangen naar Condwiramur, +zijne jonge vrouw. + +In de latere werken, zooals de "Quête", de "Didot-Perceval" en +"Perceval le Gallois" zien wij het ascetische element steeds meer op +den voorgrond treden. Dit werd sterk bevorderd door de geestelijkheid, +die in de Graal-sage een welkom middel zag voor het verspreiden van +hare leerstellingen aangaande onthouding en zelfbeproeving, welke een +tegenwicht moesten vormen voor de heerschende weelde en bandeloosheid. + +Als gevolg van dezen sterken invloed der geestelijkheid, die eene +nieuwe strooming teweegbracht in de letterkunde der Middeleeuwen, +treedt in het zoo juist genoemde drietal Graal-romans naast of in de +plaats van Parcival een nieuwe held op den voorgrond: Galahad. Deze +wordt ons beschreven als een vlekkeloos-reine jongeling, die aan +Arthur's hof komt, waar hij, door een zwaard uit een drijvenden steen +te trekken, het bewijs levert, dat hij de edelste onder de ridders is, +en dus voorbestemd om den Graal te vinden; hij gaat met hart en ziel +op in zijne verheven taak om den Graal te veroveren en is door geene +banden aan zijne medemenschen gebonden. + +Wij treffen hem, zooals wij reeds zeiden, als Graal-held aan in de +"Quête", welk werk een deel uitmaakt van den grooten, oud-Franschen +proza-roman: "Lancelot", dien wij in de Inleiding tot de sage van +Lanceloet en Elaine reeds noemden. + +Galahad is de zoon van Lanceloet en door die afstamming is de band +gelegd tusschen laatstgenoemden held en den Graal. Sedert eenigen +tijd had men gevoeld, dat men Lanceloet, den befaamdsten ridder van +Arthurs hof, niet buitengesloten kon houden, waar het betrof het +meest verspreide en beroemd geworden avontuur: het zoeken naar den +heiligen Graal. Lanceloet zelf kon op dien tocht echter niet slagen +ten gevolge van zijne zondige liefde voor Ginevra. Evenmin kon hij +die liefde prijsgeven, daar dan een der meest geliefde thema's voor +het maken van liederen en gedichten zou komen te vervallen. + +De oplossing was deze: niet hij zelf, maar zijn zoon zou de held +van het Graal-avontuur worden. Natuurlijk kon deze zoon niet een +kind zijn van Ginevra, doch men deed hem geboren worden uit eene +verbintenis, welke op bovennatuurlijke wijze tusschen Lanceloet +en de dochter des Graal-konings tot stand was gekomen. Deze reine +jonkvrouw werd de moeder van Galahad en zoodoende kunnen de latere +Graal-verhalen beschouwd worden eene verheerlijking te zijn van het +geslacht van Lanceloet. Op deze wijze worden twee onafhankelijke +en geheel verschillende sagen, die van Lanceloet en die van den +Graal te zamen gebracht. Dat dit niet geschieden kon, zonder de +oude verhalen geweld aan te doen, spreekt vanzelf, wanneer men +bedenkt, hoe geheel verschillend van inhoud en strekking de beide +zijn. Galahad, juist door zijne geestelijke volmaaktheid, ontneemt +aan de Graal-sage die eigenschappen, welke haar in het geval van den +oorspronkelijken held zoo aantrekkelijk maakten. Bij Galahad is er +geen sprake van eenigen twijfel omtrent de hooge roeping, waartoe +God hem heeft uitverkoren. Hij groeit op, als het ware in de schaduw +van den wonderschotel en is van zijne prilste jeugd af vertrouwd met +de nauwe betrekking, waarin deze tot hem staat. Maar juist door zijne +bekendheid met de taak, die hem is opgelegd, missen wij in het verhaal +zijner lotgevallen datgene, wat ons in de levensbeschrijving van +Parcival zoo weet te boeien: het lijden en strijden van den mensch, +die streeft naar innerlijke volmaking, die in zijne onwetendheid +het goede oogenblik om te handelen ongebruikt voorbij laat gaan en +eerst na eene lange worsteling met zuiver menschelijke zonden en +verleidingen waardig wordt bevonden het goddelijk mysterie, dat in +den Graal wordt belichaamd, te aanschouwen. + +De proza-roman: "Lancelot" moet oorspronkelijk bestaan hebben +uit vier deelen, waarvan het eerste verloren is geraakt. De drie +bestaande deelen zijn: 1e de eigenlijke "Lancelot"; 2e de "Quête +del St. Graal" en 3e de "Morte Artus". Het werk wordt toegeschreven +aan Walter Map, een geestelijke en geleerde aan het hof van Hendrik +II van Engeland (1154-1189). Het was het streven van den schrijver +om door de toevoeging der Graal-legende eene diepere, geestelijke +beteekenis te geven aan de oude verhalen. Hoezeer hij zich ook als +hoveling en man van de wereld kon verlustigen in de veelvuldige +beschrijvingen van schitterende hoffeesten en tournooien, welke +wij in de oude ridderverhalen aantreffen, toch miste hij daarin +de godsdienstige strekking, welke die sagen in overeenstemming zou +kunnen brengen met den geest der Christelijke samenleving uit die +dagen. De sage van den heiligen Graal moest dienen om den samenhang +tusschen de Arthur-verhalen en de nieuwe Christelijke denkbeelden +te bewerkstelligen. + +Zooals hierboven reeds vermeld werd, vinden wij eene wedergave van het +Graal-verhaal uit de "Quête" in Thomas Malory's "Morte d' Arthur". Ook +hier is de held Galahad, evenals in Tennyson's Koningsidylle "The holy +Grail", waarvoor de dichter Malory's werk als bron heeft gebruikt. Wel +brengt hij er eenige wijzigingen in aan, teneinde de allegorische +beteekenis zijner Idylle nog sterker te doen uitkomen. + +Wij willen thans met een enkel woord melding maken van de meeningen +der verschillende geleerden omtrent het ontstaan der Parcival-sage +en hare samensmelting met de sage van den Graal. Hunne houding wordt +bepaald door het standpunt, waarop zij zich plaatsen ten opzichte van +het ontstaan der Arthur-sagen in het algemeen. Ook hier staan de twee +partijen lijnrecht tegenover elkander: de Fransche, Amerikaansche +en Engelsche geleerden met aan het hoofd mannen als: Gaston Paris, +[58] Ferd. Lot, Kittredge en Schofield en Alfred Nutt [59], zijn de +meening toegedaan, dat de oorsprong der Arthur-sagen en dus ook van +het Parcival-verhaal te vinden is in de oude, Keltische overleveringen +der Britsche eilanden, welke volgens G. Paris bewaard zijn gebleven +door de sagenvertellers van Wales, de beroemde "conteurs gallois" +[60], die ze aan het hof van Willem den Veroveraar voordroegen, +waar zij door de Normandische en Fransche dichters met ijver werden +overgenomen. Eveneens werden zij volgens hem door de rondreizende +zangers en harpspelers verspreid, ook op het vasteland, onder de +Keltische stamgenooten in Bretagne en in de kasteelen der Fransche +edelen in het naburige Normandië, tot zij ook daar door middel +van Normandisch-Fransche vertalingen binnen het bereik kwamen +van Fransche dichters als Chrétien de Troies. Gaston Paris neemt +als stellig aan het bestaan eener groep van Anglo-Normandische +gedichten, welke de verbindingsschakel moet hebben gevormd tusschen +de oud-Keltische verhalen en de bestaande Fransche gedichten. Van +die Anglo-Normandische gedichten is echter geen enkel werk bewaard +gebleven, waaruit zijne tegenstanders de gevolgtrekking maken, dat +zij er ook nimmer geweest zijn. De bovengenoemde partijgenooten van +Paris, deelen over het algemeen zijne inzichten, al leggen zij meer +den nadruk op het eerstgemelde punt: het ontstaan der verhalen uit +Keltische volksoverleveringen. Alfred Nutt en de Amerikaansche school +van Kittredge en Schofield zoeken den oorsprong dier overleveringen +meer bepaaldelijk onder de oud-Iersche volksverhalen en mythologie. + +De Duitsche geleerden, onder aanvoering van Professor Wendelin +Foerster, den bewerker der beroemde, critische uitgave van Chrétien's +gedichten, en Professor Golther, willen van het ontstaan der +Arthur-sagen op de Britsche eilanden niets weten. Volgens hen zijn de +schamele historische overleveringen betreffende den persoon van Arthur +het eenige, dat Wales ons inzake het ontstaan van den Arthur-cyclus +kan aanbieden. De romantische sagenkring, welke zich om hem en zijn +hof vormde, ontstond, meenen zij, uitsluitend in Bretagne, dus op +het vasteland, waar Chrétien de Troies de eerste was om de sagen in +dichtmaat te bezingen. [61] Wat de Parcival-Graal-sage in het bijzonder +aangaat, zijn deze beide geleerden van meening, dat wij in Chrétien +den oorspronkelijke schepper hiervan moeten zien. Deze bewering te +weerleggen is het hoofddoel van Jessie Weston's reeds genoemde studie: +"The Legend of Sir Perceval". Zij komt hierin tot de slotsom, dat de +oorsprong van den Graal oneindig veel dieper is gelegen en dat wij om +dien te vinden, terug moeten gaan tot de tijden lang vóór de prediking +van het Christendom. De schrijfster is van meening, dat Chrétien de +sage in haren oudsten vorm nooit heeft gekend, dat deze den dichter +eerst in haar tweede stadium, toen Parcival reeds de held was en het +verhaal reeds eene Christelijke strekking had verkregen, ter oore is +gekomen en hij dus geen recht heeft, om, zooals de Duitsche geleerden +dit wenschen, als de schepper van het verhaal beschouwd te worden. + +Onderstaande behandeling van de Parcival-sage is in hoofdzaak ontleend +aan Wolfram von Eschenbach's "Parzival". Slechts werden eenige +bekortingen aangebracht: zoo is het verslag van Walewein's avonturen, +hetwelk niets met den verderen loop van het verhaal uitstaande heeft, +weggelaten. Verder vindt men den Graal, welke door Wolfram wordt +voorgesteld als een steen, hieronder beschreven onder den meer +gebruikelijken vorm van een schotel. + +In Wolfram's gedicht vinden wij eene zuivere voorstelling van het +symbolische karakter, dat de Graal door alle tijden heen, zij het +onder telkens wisselenden vorm, heeft gehad. De wonderschotel is +daarin het zinnebeeld van het ongeziene in het leven, waardoor het +zuiver-menschelijk streven in ons wordt wakker geroepen om door +te dringen tot dat, wat wij achter de zichtbare wereld verborgen +voelen. Het is de bedoeling van den dichter om ons een beeld te geven +van 's menschen pogen het vergankelijke leven in aanraking te brengen +met dat, wat ons het eeuwig voortbestaan belooft. + + + + + +DE SAGE VAN PARCIVAL EN DEN HEILIGEN GRAAL. + + + ...So unselig-selig strebt + Jeder hier, so lang er lebt, + Sucht und drängt nach seinem Gral. + Jeder Mensch ist Parzival! + + (Parzival, ein Abenteurerroman + erzählt von Will Vesper.) + + +_Hoe prins Gamuret uit zucht naar avontuur de wereld introk en in +den strijd het leven liet._ Prins Gamuret, de tweede zoon van den +koning van Anjou, was gehuwd met Herzeleide, de jonge koningin van +Noord-Wallis en Valois. Het erfdeel, dat hem als jongeren zoon bij den +dood zijns vaders werd toegewezen, bestond uit eenige sterke burchten, +omringd door welige landerijen, die voldoende opbrachten om hem een +bestaan te doen voeren, een koningszoon waardig. Een tijd lang leefde +hij zeer gelukkig met zijne jonge gemalin op één zijner kasteelen, +waar hij open tafel hield voor de ridders uit den omtrek en zich naar +hartelust overgaf aan de genoegens van jacht en ridderspel. + +Na eenigen tijd begon dit leven van niets doen hem echter te +vervelen. Van zijn vader had hij diens onrustigen, avontuurlijken +aard geërfd, welke hem reeds als jongen knaap de wijde wereld had +ingedreven. Voor eene wijle had de liefde tot Herzeleide hem weten te +binden aan zijn geboorteland, maar op den duur kon hij het daar niet +uithouden, al sterker en sterker pijnigde hem het verlangen opnieuw +de wereld in te trekken. + +Niettegenstaande de smeekbeden van zijne jonge vrouw, vatte hij het +besluit op om zijn dorst naar avontuur te bevredigen en toen hij kort +daarna vernam, dat in het verre Oosten een krijg was uitgebroken, +gaf hij den wensch om daaraan deel te nemen, als voorwendsel op voor +zijn vertrek. + +Wel viel het afscheid van Herzeleide hem zwaar, maar hij troostte zich +met de gedachte, dat het niet voor eeuwig was en dat zij in de toekomst +nog vele jaren gelukkig samen zouden kunnen leven! Hij dacht er niet +aan, dat hij, die op de toekomst bouwt, dikwijls bedrogen uitkomt. + +Vol moed trok Gamuret heen en wierp zich, in het land zijner +bestemming aangekomen, met vuur in den strijd. Helaas! het zou zijn +laatste gevecht zijn, want reeds den eersten dag werd hij door eene +vergiftigde speer doodelijk gewond en bezweek korten tijd daarna +onder de vreeselijkste pijnen. + + + +_Van de geboorte van Parcival._ Wie schetst de wanhoop van Herzeleide, +toen zij het bericht van den dood haars echtgenoots ontving? Onder het +storten van bittere tranen verwenschte zij den noodlottigen drang tot +avontuur, die den man huis en haard, vrouw en geliefde doet verlaten +om in den vreemde het gevaar te gaan opzoeken. Zij zwoer daarbij een +plechtigen eed, dat, zoo het kind, hetwelk zij verwachtte, een jongen +mocht zijn, zij al het mogelijke zou doen, om elke zwerversneiging +in hem te onderdrukken. Haar zoon zou, althans in dit opzicht, zijns +vaders voorbeeld niet volgen en nooit zou men van hem kunnen zeggen, +dat hij zijne moeder en later misschien zijne echtgenoote ongelukkig +had gemaakt. + +Toen de tijd was aangebroken bracht Herzeleide een zoon ter wereld, +dien zij Parcival noemde. Nog vóór het kind een jaar oud was, verliet +zij den fraaien burcht, dien zij bewoonde en trok zich met enkele harer +vrouwen en dienaren terug in een eenzaam slot, dat omgeven was door een +onmetelijk woud. Zij verbood hare dienaren ten strengste, om haren zoon +ooit te spreken over ridderschap en alles, wat daarmede verband hield +en wijdde zich geheel aan de verzorging en opvoeding van haar kind. + +Parcival groeide op tot een slanken, welgebouwden knaap. Hij was +geheel vertrouwd met de dieren en planten uit het woud en als kind +kende hij geen grooter genoegen, dan te luisteren naar het gezang +der vogels en te leeren hunne stemmen te onderscheiden. Soms kon hun +liefelijk geluid of hun snelle wiekslag langs het blauwe luchtruim +hem aan het peinzen brengen over de vraag, wie de wereld om hem +heen zoo schoon gemaakt had; wie de bloemen deed bloeien langs de +hellingen der bergen, wie de beekjes deed stroomen door de dalen en de +afwisseling der jaargetijden op aarde deed plaats hebben. Wanneer hij +met dergelijke vragen tot zijne moeder kwam, vertelde deze hem van den +goeden God, Die schooner en lichter was dan de schoonste lentemorgen, +Wien alle menschen dienen moesten om goed en gelukkig te worden en Die +steeds de menschen wilde helpen en steunen en hen in den nood wilde +bijstaan. Wanneer de knaap dan om zich heen zag in het geurende, +bloeiende woud, werd zijn hart met dankbaarheid vervuld voor den +Schepper van al dit schoons en riep hij uit: "Ik wil God zoeken in +de wereld en Hem dienen, waar en wanneer ik kan!" + +Dan sloot Herzeleide ontroerd haar zoon in de armen en dacht bij zich +zelve: "Het ware het beste, wanneer ik van mijn kind een geestelijke +maakte. Zulk een ambt is Gode welgevallig en ik kan hem dan steeds +in mijne nabijheid behouden. + +De jaren verliepen en Parcival rijpte tot jongeling. Zijne moeder had +hem onderricht doen geven in het jagen en rijden, tot hij in die beide +kunsten zeer bedreven was. De vele beweging en het leven in de open +lucht had zijne spieren gestaald en zijne gestalte kloek en mannelijk +gemaakt, maar zijn hart was rein en onschuldig als dat van een kind, +dat niets weet van de wereld en zijne dagen verdroomt tusschen de +boomen en bloemen van het woud. Wanneer hij, op een heuvel staande, +somtijds uitzag over het land, werd hij wel eens bevangen door eene +vreemde onrust, die zijn hart sneller deed kloppen. Daarginds, aan gene +zijde der heuvelen, zoo meende hij, moest God wonen, Die schoon was +en goed en Dien hij, Parcival, aanhing met al de liefde en vereering +zijner jongelingsdroomen. Eens zou er een dag komen, dat hij God zou +gaan zoeken en Hem zijne diensten zou aanbieden. Nooit echter kwam +het bij hem op om dien dag nader te bepalen; hij was tevreden met +zijn leven en verlangde geen ander gezelschap dan dat zijner moeder. + +Spoedig zou dit anders worden. + + + +_Hoe Parcival in het bosch vier ridders ontmoette en hoe hij besloot +naar het hof van koning Arthur te gaan._ Eens op een morgen, +toen Parcival neuriënd langs den woudzoom liep, naderden van de +tegenovergestelde richting vier ridders te paard. Vroolijk rinkelden de +belletjes aan het hoofdstel der paarden en hunne kurassen glansden als +zilver in het heldere morgenlicht. De knaap bleef stilstaan en zag met +open mond naar die schitterende gestalten. Met verbazing vroeg hij zich +af, wie het zijn konden, toen eene plotselinge gedachte hem door het +brein schoot. Had zijne moeder hem niet verteld, dat God, de Schepper +van het aardrijk en de Helper en Vertrooster der menschen, schoon en +licht was als de schoonste lentemorgen? Welnu dan, het kon niet anders, +of deze wonderschoone wezens, wier schittering hem de oogen verblindde, +waren God en Zijne engelen. Juichend liep hij de ruiters tegemoet en +viel voor hen op de knieën, maar de ridders hielden, half verbaasd, +half vertoornd, hunne paarden in en één hunner riep uit: + +"Sta op, knaap! Waarom ligt gij voor ons op de knieën, alsof gij +bezig waart, God zelven te aanbidden! Wijs ons liever den naasten +weg naar Camelot. Gisterenavond zijn wij, door de duisternis misleid, +een verkeerd pad ingeslagen en sindsdien is het ons nog niet gelukt +om den rechten weg terug te vinden." + +Parcival stond op uit zijne knielende houding en zag den spreker +onthutst aan. + +"Zijt gij dan God niet?" vroeg hij verbaasd, "wie zijt gij dan +wel? Nooit in mijn leven zag ik mannen zooals gij!" + +De ridders zagen elkander aan en haalden met een spottend lachje de +schouders op, maar één hunner, die medelijden had met de onnoozelheid +van den knaap, boog zich voorover tot Parcival en sprak: "Wij zijn +ridders van de Tafel Ronde en Gods dienaren, zooals elk waarachtig +ridder een dienaar van God is. Wij trekken op avontuur door het land en +veroveren sterke burchten, schoone vrouwen en machtige koninkrijken!" + +Parcival's oogen begonnen te schitteren. + +Welk een schoon bestaan moest dat zijn: door de wereld te trekken en +God te dienen: niet in eene eenzame cel, zooals de vrome kluizenaars in +het woud dit deden, maar te paard gezeten, in een glinsterend gewaad, +zooals deze mannen! + +De zucht tot avontuur, die als vaderlijk erfdeel diep in zijn hart +sluimerde, ontwaakte in hem en deed hem uitroepen: + +"Ik wil een ridder worden zooals gij en God dienen! Zeg mij, edele +Heer, wie mij tot ridder kan maken?" + +"Dat kan alleen koning Arthur," antwoordden de ridders als uit één +mond en daarna gaven zij hunnen paarden de sporen en reden verder. + +Parcival echter snelde, zoo vlug hij maar kon, naar zijne moeder, +viel haar om den hals en riep uit:"Moeder, ik wil een ridder worden!" + +Herzeleide ontstelde hevig en antwoordde:" Wie heeft u van ridders +gesproken? Zeg het mij en ik zal hem doen dooden!" Maar toen Parcival +haar met zijne onschuldige oogen aanzag en verbaasd vroeg: + +"Is het dan zondig, moeder, om een ridder te zijn?" boog zij het +hoofd en zeide: "Neen, mijn kind, het is eene eer!" + +"Ik wist het wel," riep de knaap verheugd uit, "zij dienen immers God!" + +Van toen af aan was hij niet meer te houden. Of zijne moeder hem +ook smeekte en bad om bij haar te blijven, hij liet haar geen rust, +vóór zij hem toestond naar het hof van koning Arthur te gaan en dezen +te vragen, hem tot ridder te slaan. Eindelijk verzon Herzeleide eene +list. Zij kleedde den knaap in een narrenpak van grauwe stof, bezet +met bontgekleurde strepen. Een paar grove laarzen van kalfsvel gaf zij +hem aan de voeten en zoo uitgerust wilde zij hem laten vertrekken, +in de hoop, dat de spotternijen, welke hij zou hebben te verduren, +hem spoedig den lust tot reizen zouden benemen en hem tot haar terug +zouden doen keeren. + +Parcival was uitgelaten van vreugde over de verkregen toestemming. Geen +oogenblik kwam het bij hem op zich over zijn uiterlijk te bekommeren, +en toen zijne moeder hem een boerenpaard en eene korte werpspies ten +geschenke gaf, toonde hij zich hierover even verheugd, als waren het +een edel strijdros en een zwaard met gouden greep geweest. + +Op den morgen van zijn vertrek gaf Herzeleide hem nog eenige wijze +raadgevingen. + +"Wees vriendelijk en hulpvaardig jegens alle menschen," zoo sprak zij, +"onverschillig of zij arm of rijk, oud of jong zijn. Eert den ouderdom, +en zoo een grijsaard u raad wil geven, neem dien dan dankbaar aan. Wees +een trouw dienaar der vrouwen en als eene schoone vrouw u een ring +of een groet schenkt, neem haar dan in uwe armen en kus haar; niets +kan een ridder meer tot eer strekken!" + +In alle vroegte reed Parcival heen; zijne moeder liep hem na en +volgde hem met hare oogen tot hij bij eene kromming van den weg uit +het gezicht verdween. Toen keerde zij zich om, maar bij het zien +harer eenzame woning brak haar het hart. Met een luiden kreet stortte +zij voorover en toen hare kamervrouwen toeschoten, vonden zij hare +meesteresse levenloos ter aarde liggen. + + + +_Van Parcival's reis naar het hof._ Een vroolijk deuntje zingend reed +Parcival voort en stuurde zijn vreemdsoortig rijdier in de richting +van het bosch van Broceliande. Tegen den middag kwam hij voorbij een +grasveld, in welks midden hij eene tent vond opgeslagen. Nieuwsgierig +naar wat zich daarbinnen bevond, steeg hij van zijn paard en sloop +naderbij. Hij lichtte eene slip van het zijden tentdoek op en kon +nauwelijks een kreet van bewondering onderdrukken, toen hij daarbinnen +op een zijden rustbed eene wonderschoone vrouw zag liggen, in diepen +slaap verzonken. Het was de jonge hertogin Jeschute, wier echtgenoot, +Heer Orilus, op de jacht was getogen en haar eene wijle in hunne tent +alleen had gelaten. Vol eerbied zag Parcival op haar neer; plotseling +ontdekte zijn oog een gouden ring, welke aan haar vinger glinsterde, +en begeerig als hij was, om reeds nu eene ridderlijke onderscheiding +deelachtig te worden, trok hij voorzichtig den ring van hare hand, nam +de inmiddels ontwaakte schoone in zijne armen, kuste haar en verliet +haastig de tent, de hertogin in de grootste verbazing achterlatend. + +Kort daarop kwam haar echtgenoot, Heer Orilus, van de jacht terug. Toen +hij in het bedauwde gras de voetstappen van een man bemerkte, ontstak +hij in hevigen toorn en beschuldigde zijne gemalin, dat zij gedurende +zijne afwezigheid eene heimelijke samenkomst met haren geliefde had +gehad. Het baatte niet, of Jeschute hem al bezwoer, dat er niemand +bij haar was geweest dan een baardelooze knaap in narrenkleeding, +die haar in den slaap een ring had ontnomen en haar vervolgens op de +wang had gekust--de jaloersche echtgenoot was niet van de waarheid +harer woorden te overtuigen! Hij brak in aller haast de tent op, zette +zijne ontstelde echtgenoote te paard en joeg het dier met stokslagen +voor zich uit, terwijl hij de arme Jeschute met de vreeselijkste +beschuldigingen overlaadde. + +Parcival vervolgde intusschen opgeruimd zijn weg; getrouw aan +den raad zijner moeder groette hij een ieder, dien hij tegenkwam, +op vriendelijke, bescheiden wijze. Wanneer hij door een dorp reed, +lachten de kinderen hem uit om zijne wonderlijke kleedij, maar hij, +die niet wist, wat spot was, lachte vroolijk met hen mede en vroeg hun +om hem den kortsten weg naar het hof van koning Arthur te wijzen. De +één zond hem hier, de ander daarheen, want niemand beschouwde zijne +vraag als ernstig gemeend. Zoo zwierf hij vele dagen door het land, +tot het toeval hem eindelijk voor de muren der stad Nantes bracht, +waar koning Arthur destijds hof hield. + +Vóór de poort trof hij een ridder aan in roode wapenrusting, die hem +staande hield en hem naar het doel zijner reis vroeg. Toen Parcival +zijn wensch te kennen gaf door koning Arthur tot ridder geslagen te +worden, barstte de roode ridder in lachen uit, zoodat onzen jongen +held van ergernis het bloed naar de wangen steeg. Dit ziende, bedwong +de ridder zich en sprak: + +"Gij schijnt mij tamelijk jong en onervaren om reeds nu onder de +ridders van koning Arthur te worden opgenomen. Doch dit is niet mijne +zaak. Luister, ik heb u een verzoek te doen. Wanneer gij toegang krijgt +tot den koning, zoo zeg dan aan de ridders, die gij om hem heen ziet +staan, dat Heer Ither--zoo is mijn naam--hen uitdaagt tot een tweekamp +om het bezit van dezen zilveren beker, welken ik van den koninklijken +disch heb meegenomen. De koning denkt, dat ik een kind ben, maar hij +zal zien, dat hij zich vergist! Ik wil den beker en mijne eer tot +mijn laatsten snik verdedigen: meld dit aan de Tafel Ronde." + +Parcival beloofde zijne boodschap te zullen overbrengen en drong door +tot vóór den troon des konings. Daar gekomen viel hij voor den vorst +op de knieën en bracht hem de uitdaging van Heer Ither over. Een +spottend gemompel ging door de rijen der aanwezige ridders en ook +over het gelaat des konings gleed een glimlach, toen hij antwoordde: + +"Wij allen kennen de nukken en luimen van Heer Ither. Waarschijnlijk +gevoelt hij zich beleedigd door de eene of andere miskenning zijner +waardigheid en zendt hij daarom deze dwaze boodschap. Wij doen beter, +ons niet om hem te bekommeren, tot zijne drift wat bekoeld is, dan zal +hij wel uit zichzelven naar het paleis terugkeeren. En gij, knaap", +zoo vervolgde hij tot Parcival, "hebt gij mij nog iets anders te +zeggen, dat gij zoo geknield blijft liggen? Spreek, wat wenscht gij?" + +Thans was het oogenblik gekomen, dat Parcival gedurende zijn langen +zwerftocht als doelwit voor oogen had gezweefd. Hij richtte zich op uit +zijne knielende houding, zag den koning recht in het gelaat en sprak: + +"Heer koning, ik heb slechts één wensch op aarde en die is, dat gij +mij tot één uwer ridders maken wilt!" + +De ridders uit 's konings omgeving konden hun lachen nauwelijks +bedwingen, toen zij Parcival's wensch hoorden. Deze halfwassen, +potsierlijk uitgedoste knaap wilde toegelaten worden tot de befaamde +ridderschap der Tafel Ronde! Het was inderdaad belachelijk en hoe +eerder men den jongen zulke gedachten uit het hoofd praatte, des te +beter voor hem. + +Maar de koning lachte niet; hij zag hoe het gelaat van den +knaap straalde van edele geestdrift; wat hij daarop las was geen +jeugdige overmoed, het was de heilige bezieling voor eene hooge +roeping! Vriendelijk zag hij Parcival aan en sprak: "Uw gelaat bevalt +mij, knaap! Gij zijt nog jong en onervaren, maar eens zult gij een +goed en dapper man worden en dan zal ik het mij tot eene eer rekenen, +u onder mijne ridders te begroeten. Blijf tot zoolang in mijn dienst +hier aan het hof, ten einde u voor te bereiden voor de schoone, +maar zware levenstaak, welke u wacht. Bedenk, dat er meer noodig is, +om een goed ridder te zijn, dan een open oog en een sterke arm!" + +Maar Parcival was met 's konings belofte niet tevreden; hij viel +opnieuw voor Arthur op de knieën en riep smeekend: + +"Wat ik u bidden mag, spreek mij niet van uitstel en wachten! Nu, +op dit oogenblik wil ik tot ridder gemaakt worden. Het is niet om aan +het hof te blijven en als hoveling goede sier te maken, dat ik het u +vraag, neen, ik wil de wereld zien en God zoeken! Hem wil ik dienen, +maar ik wil Hem dienen als één der uwen." + +Toen de koning bij zijne weigering bleef volharden, vroeg Parcival +hem verlof om zichzelven eene wapenrusting te verschaffen. De roode +rusting van Heer Ither, daarginds voor de poort, beviel hem, deze +zou hij vragen. Toen de koning en het gansche hof in een schaterlach +uitbarstten over zijn onnoozel plan, werd Parcival boos en liep de +zaal uit, zeggende, dat, wanneer de roode ridder hem niet goedschiks +zijne wapenrusting afstond, hij zich die met geweld zou verschaffen. + +Zoo geschiedde het inderdaad, Heer Ither, die aanvankelijk het verzoek +van den knaap slechts met een schamper lachen ontving, zag weldra +in, dat het den jongeling ernst was met zijn verlangen. Vertoornd +over zulk eene onbeschaamdheid, lichtte hij met een welgemikten +speerstoot onzen held uit het zadel en meende hiermede de zaak +afgedaan te hebben. Parcival ontstak echter in zóo hevige woede over +zijn smadelijken val, dat hij op Heer Ither toeliep, hem zijne korte +werpspies door de oogopeningen in den helm stak, en hem de hersenen +doorboorde. Als een blok viel Heer Ither neer en gaf den geest, +Parcival knielde bij het ontzielde lichaam neer, maakte de beenstukken +en het kuras los en gespte die zichzelven om. Daarna zette hij zich +den helm op het hoofd, greep de lans van den gevallen ridder en steeg +weer te paard. + +Eenige schildknapen, die uit het paleis kwamen aanloopen, klaagden +luide over den dood van hun heer en verweten Parcival, dat hij een +man, die hem geenerlei kwaad gedaan had, in koelen bloede had doen +sneven. Onze held stoorde zich echter niet veel aan wat zij zeiden en +toen zij hem dreigden met de ongenade des konings, riep hij vroolijk +uit: "Wat gaat mij de toorn van koning Arthur aan? Nu ik een ridder +geworden ben, wil ik God dienen, niet slechts den koning!" + +Met deze woorden reed hij heen, maar in het paleis van koning Arthur +treurde men om den dood van Heer Ither en verwenschte den vreemdeling, +die hem gedood had. + + + +_Parcival komt aan het slot van heer Gurnemanz._ Na eenige dagen +zwervens kwam Parcival bij een machtig slot; vóór de poort, onder de +schaduw eener linde zat een oude man, met een sperwer op de gesloten +vuist. Bij het zien van den grijsaard herinnerde de jongeling zich den +raad zijner moeder; hij steeg af, groette den oude eerbiedig en sprak: + +"Mijne moeder heeft mij geleerd den raad van een grijsaard te +eerbiedigen. Eenige dagen geleden heb ik mijzelven met geweld deze +wapenrusting verschaft; van de gebruiken der ridderschap ben ik +evenwel geheel onkundig. Kunt en wilt gij ze mij leeren?" + +De grijsaard werd getroffen door het kinderlijk vertrouwen, dat de +knaap in hem stelde, en beloofde hem te zullen helpen. Daarop wierp +hij zijn sperwer omhoog in de lucht en het dier, dat aan zijn hals een +gouden schelletje droeg, vloog met lustig gerinkel over den slotmuur +om de komst van zijn meester aan te kondigen. + +Gurnemanz--zoo heette de grijsaard--en Parcival volgden hem weldra +binnen den gastvrijen burcht, waar den jongeling een gul onthaal +ten deel viel. Geruimen tijd bleef hij de gast van Heer Gurnemanz, +die hem onderwees in alle kundigheden, waarmede een ridder vertrouwd +moet zijn. Hij vond in Parcival een vluggen, ijverigen leerling, +die weldra zijn meester dreigde voorbij te streven. Eén ding prentte +Gurnemanz den knaap vast in het geheugen: niets misstaat den ridder +meer dan nieuwsgierigheid en onbescheidenheid. Daarom moet hij, +wanneer hem het een of ander bevreemdt, zich er voor hoeden naar +de verklaring hiervan te vragen. Wanneer hij die behoort te weten, +zal hij ze wel zonder vragen te weten komen. + +Toen Parcival gevoelde, dat er voor hem op het slot niets meer +te leeren viel, gaf hij Gurnemanz zijn voornemen te kennen om te +vertrekken en zijne onderbroken reis voort te zetten. + +Gaarne had de oude ridder hem bij zich gehouden, want zijne beide +zonen waren in den strijd gevallen en niets zou hij liever gezien +hebben dan een huwelijk tusschen Parcival en zijn eenig dochtertje +Liasse. Maar het hart laat zich niet dwingen en dat van den knaap +sluimerde nog. Wel mocht hij de kleine Liasse gaarne lijden, maar +het kwam niet bij hem op haar tot vrouw te begeeren. + +Zoo nam hij dus afscheid van zijn trouwen leermeester en dankte hem +voor alles, wat hij voor hem gedaan had. Hij kuste Liasse op beide +wangen en bemerkte niet, hoe droevig zij hem aanzag. Toen zadelde hij +zijn paard en verliet den burcht, waar hij zooveel goeds en nuttigs +geleerd had en reed opnieuw de wereld in. + + + +_Van het huwelijk tusschen Parcival en Condwiramur en hoe hij zijne +vrouw verliet om God te zoeken._ Onze held zwierf door het land en +zocht God. Overal verwachtte hij Hem te vinden. Als de boomen van +het woud steunden en kraakten onder den druk van den wind, als de +sneeuw dreunend van de bergen stortte, als de watervallen bruisten, +als de donder rolde en de bliksemstralen flitsten, dacht hij steeds: +"Nu zal het gebeuren! Nu komt God!" + +Maar God kwam niet en Parcival trok verder, nu eens troosteloos over +zijne teleurgestelde verwachtingen, dan weer blij en opgewekt door +een innerlijk gevoel van hoop en vertrouwen. + +Eens op een dag reed hij langs het strand, diep geroerd door +de schoonheid der zee, die zich voor hem uitstrekte en in haar +klaren spiegel het blauw van den hemel ving. Na eenige uren rijdens +kwam hij aan de monding eener breede rivier, aan welker overzijde +eene versterkte stad gelegen was. Aan de drukte en bedrijvigheid, +die rondom de muren heerschten, kon hij zien, dat men bezig was, +zich voor te bereiden op een vijandelijken aanval. Daarom waren de +bruggen over den stroom reeds alle vernietigd, met uitzondering van +ééne, welke men juist begon af te breken. Parcival sprong ijlings +op de wankelende balken en bereikte de overzijde, waar hij door zijn +plotseling verschijnen eene groote ontsteltenis veroorzaakte onder de +werklieden en krijgsknechten. Toen zij evenwel zagen, dat hij alleen +was en hij hen allen vriendelijk groette, werden zij gerustgesteld en +kwamen naderbij. Op zijn belangstellend vragen vertelden zij hem, dat +de burcht het eigendom was van de jonge hertogin Condwiramur, die na +den dood haars vaders werd lastig gevallen door koning Clamides, die +haar tot een huwelijk met hem wilde dwingen. Reeds verscheidene malen +had hij zijn maarschalk, Kingrun, naar haar slot Bel Repair gezonden +om bij de hertogin aan te dringen op eene verwezenlijking van zijn +verlangen, maar Condwiramur bleef weigeren. Thans had hij gedreigd, +de stad te zullen belegeren en de hertogin te dwingen zijne vrouw +te worden. Daarom was men druk in de weer om den burcht in staat van +verdediging te brengen, want den volgenden morgen zou Kingrun voor de +laatste maal komen om het antwoord der hertogin te vernemen en wanneer +dit opnieuw eene weigering bevatte, zou het beleg spoedig volgen. + +Parcival was diep begaan met het lot der ongelukkige jonkvrouw en +verzocht den knechten hem bij haar te brengen. + +Daarop leidden zij hem naar den ingang van het kasteel. Daar vond +hij een dienaar, die hem in een ruim vertrek voerde, waar de jonge +hertogin met hare kamerjuffers aan het venster zat om van daar uit +de toebereidselen voor het beleg gade te slaan. + +Condwiramur trad den binnentredende tegemoet, vol spanning over het +doel zijner komst, maar toen zij tegenover hem stond, vergat zij haren +grooten nood en de gevaren, welke haar bedreigden. Evenzoo ging het +hem. Hij vergat alles om zich heen en kon slechts vol bewondering +staren naar het gelaat der jonkvrouw, dat, ondanks de sporen van +vergoten tranen, hem schooner toescheen dan eenig vrouwengelaat hem +ooit was voorgekomen. + +Condwiramur was de eerste om zich te herstellen en heette Parcival +welkom in haren burcht. Zij gaf hem op zijn verzoek een meer omstandig +verslag van den benarden toestand, waarin zij verkeerde, maar onze +held hoorde nauwelijks wat zij zeide, zóó zeer was zijn gansche wezen +bevangen door de zoete bedwelming der ontluikende liefde. Toen zij +ophield met spreken, kon hij slechts eenige woorden van troost en +opbeuring stamelen, daarop vroeg hij zijne gastvrouw verlof om zich +voor den nacht ter ruste te begeven. + +Eenige uren later, toen hij juist, na lang woelen en peinzen, in een +onrustigen slaap verzonken was, werd hij uit zijne droomen gewekt +door het gevoel van iets vochtigs op zijn gelaat. + +Hij richtte zich overeind en zag tot zijne verbazing eene witte +gestalte vóór zijn bed neergeknield liggen. Het was Condwiramur, +die met het hoofd in de handen lag te snikken, alsof haar hart +zou breken. Toen Parcival haar op ontstelden toon vroeg, wat haar +deerde, hief zij haar door tranen overstroomd gelaat tot hem omhoog +en klaagde hem haar grooten nood. Nadat Parcival zich ter ruste had +begeven, zoo zeide zij, had zij opnieuw eene bespreking gehouden met +hare raadslieden. Deze hadden haar ten slotte in overweging gegeven, +om het aanzoek van koning Clamides aan te nemen, daar dit de eenige +uitweg was om haar volk en hare stad voor een wissen ondergang te +behoeden. Zij kon er evenwel niet toe besluiten om de vrouw te worden +van een man, dien zij haatte en minachtte om de wijze, waarop hij +zich in hare gunsten trachtte te dringen. Liever zocht zij den dood. + +Dit droevig verhaal maakte diepen indruk op Parcival's jeugdig +gemoed. Zijne gevoelens van recht en ridderlijkheid, maar nog meer de +nieuwe, teedere gevoelens, welke dien dag in zijne ziel tot ontluiking +waren gekomen, kwamen in heftigen opstand tegen het onrecht, zijne +geliefde aangedaan. Hij bezwoer Condwiramur bij alles wat haar heilig +was om zich de gedachte aan een huwelijk met dien onverlaat uit het +hoofd te zetten; hij, Parcival, zou haar helpen! Hierdoor eenigermate +gerustgesteld deelde de jonkvrouw hem mede, dat haar meest gevreesde +vijand niet was koning Clamides, maar diens maarschalk en afgezant, +Kingrun. Wanneer de vorst, zooals nu en dan geschied was, neiging +vertoonde om zijne booze plannen op te geven, was het Kingrun, +die telkens weer zijne kwade lusten en hartstochten wist op te +wekken. Menig ridder uit de hofhouding van Condwiramur had hij +reeds in een tweegevecht gedood en morgen zou hij opnieuw komen om +de rechten van zijn heer te bepleiten! Toen Parcival dit hoorde, was +zijn besluit genomen: hij zou met den valschen maarschalk strijden en +met Gods hulp zou het hem gelukken, den booswicht een verder optreden +onmogelijk te maken. + +Condwiramur ging getroost heen en Parcival legde zich opnieuw ter +ruste, maar het duurde geruimen tijd, alvorens hij den slaap weer +kon vatten. + +Den volgenden morgen in alle vroegte kwamen de dienaren der hertogin +hem roepen en hem wapenen voor den komenden strijd. Kort daarop +verkondigde een luid bazuingeschal van den slottoren, dat Kingrun +voor de poorten der stad verschenen was. Op groven toon daagde hij één +van de volgelingen der hertogin tot een tweegevecht met het zwaard uit. + +De brug werd neergelaten en Parcival reed naar buiten, gekleed +in zijne roode wapenrusting en met zijn glinsterend zwaard--een +geschenk van Heer Gurnemanz--in de hand. Recht en fier troonde hij +op zijn ongeduldig trappelend strijdros, een toonbeeld van jeugd +en schoonheid. Welk eene tegenstelling met het uiterlijk van zijn +tegenstander! Kingrun was krom en gebocheld, maar zijne spieren waren +als van ijzer en staal en zijne kracht maakte hem gevreesd door het +gansche land. + +Parcival wist niets omtrent de sterkte van zijn vijand; hij wist +alleen, dat nu het oogenblik gekomen was om de wijze lessen van +zijn ouden leermeester in praktijk te brengen en te toonen, wat hij +kon. Bovenal echter had hij het besef, dat hij streed voor de eer +en het behoud van de vrouw, die hij liefhad, en dit besef schonk hem +een onweerstaanbaren moed en kracht. + +Zoo kwam het dan ook, dat onze held na een strijd, welke zijne weerga +niet vond in hevigheid, erin slaagde zijn vijand zoodanig af te matten, +dat het hem ten slotte gelukte Kingrun van zijn paard te werpen. De +verleiding hem te dooden was sterk, maar hij bedacht zich en droeg in +plaats daarvan den overwonnene op om naar het hof van koning Arthur +te gaan en aldaar melding te maken van het feit, dat de roode ridder +hem in het gevecht overwonnen had. + +Toen de ongelukkige maarschalk zich verwijderd had, openden zich +de wijde poorten van het kasteel en de dienaren en knechten van +Condwiramur stroomden naar buiten om den held van den dag in +feestelijken optocht naar hunne meesteres te geleiden. + +De jonge hertogin wachtte haren bevrijder op boven aan de breede +trappen, welke naar den hoofdingang van het kasteel voerden. Wederom +stonden hare schoone oogen vol tranen, maar ditmaal waren het tranen +van vreugde en dankbaarheid. Toen Parcival voor haar op de knieën +viel en den zoom van haar kleed kuste, richtte zij hem op, sloot +hem in de armen en verklaarde ten aanzien van de verzamelde menigte, +dat zij geen anderen man tot haren echtgenoot begeerde dan hem. + +Juichend en jubelend omstuwde het volk het jeugdige paar, dat elkander +bevend van geluk omarmd hield en nog dienzelfden dag werd de bruiloft +gevierd. + +Niets ontbrak aan het geluk der jonge echtgenooten. Weliswaar trok +koning Clamides met zijn leger op naar de stad om de nederlaag +van Kingrun te wreken, maar de bezetting van Bel Repair werd door +Parcival's leiding en het geluk hunner geliefde meesteres met nieuwen +moed bezield en wist de aanvallen der belegeraars met goed geluk af +te slaan. Toen het ten slotte tot een tweestrijd kwam tusschen de +beide aanvoerders en Parcival daarin overwinnaar bleef, kende het +geluk en de blijdschap der inwoners van Bel Repair geen grenzen. Ook +koning Clamides werd naar het hof van koning Arthur gezonden om van +de zegepraal des rooden ridders te getuigen en in den burcht vierde +men de overwinning met blijde feestgelagen. Zoo troonde het jonge +paar in de volheid van hun geluk op Bel Repair en het verwoeste land +daaromheen kwam allengs tot nieuwen bloei. + +Een tijd lang vond Parcival vrede en voldoening in het samenzijn met +zijne geliefde gemalin en in de zorgen voor het bestuur van haar land, +maar ten slotte sloop de onrust weer binnen in zijne ziel en maakte +het oude verlangen om God te zoeken, zich opnieuw van hem meester. + +Het rustige leven aan de zijde zijner echtgenoote, die hij toch zoo +liefhad, bevredigde hem niet langer. Nog had hij God niet gevonden, +mocht hij dan zijne verdere dagen in ledigheid doorbrengen, en doof +blijven voor die innerlijke stem, welke hem aanspoorde om niet te +versagen? + +Hij deelde Condwiramur zijn voornemen om te vertrekken mede en hoewel +haar hart verscheurd werd bij de gedachte aan eene scheiding, zweeg +zij nochtans stil en eerbiedigde zijn verlangen. + +Zoo reed onze held opnieuw de wijde wereld in, maar ditmaal was hij +droevig gestemd, want zijn hart bleef bij Condwiramur. + + + +_Parcival komt aan den graalburcht: Montsalvasch._ Parcival zwierf +door de velden en wouden, tot hij aan eene bergachtige streek kwam, +vol diepe ravijnen en donkere spelonken. Een ieder, dien hij tegenkwam, +vroeg hij, waar God woonde, maar niemand kon het hem zeggen, hoewel +zij allen voorgaven, Hem te dienen. Soms werd onze held ongeduldig +over zijn langen wachttijd; dan twijfelde hij er wel eens aan, +of hij God ooit zou vinden en vergat, dat men God niet kan dwingen, +maar dat zij, die Hem zoeken, Zijne schreden moeten volgen in deemoed +en naastenliefde, tot dat God Zelve hen tot zich roept. + +Na een langen, vermoeienden zwerftocht kwam Parcival eens op een +avond bij een klein meer, omgeven door hooge berghellingen. Op het +meer lagen eenige visschersbooten voor anker en in eene van deze +leunde een oude man over de verschansing. Het was een grijsaard, +wiens kostbare kleederen hem eenigszins misplaatst deden schijnen in +de ruwe visschersschuit. Meer nog dan door de pracht zijner kleeding +werd Parcival getroffen door de treurige uitdrukking van zijn gelaat +en met verbazing vroeg hij zich af, waarom de grijsaard met zulk eene +sombere uitdrukking in het water staarde. + +Daar de avond kil en vochtig was, vroeg hij den grijsaard op bescheiden +toon om hem een onderkomen voor den nacht aan te wijzen en ziet, toen +de oude man hem aanzag, scheen het Parcival toe, of er een glans van +blijde verwachting in zijne doffe oogen kwam. Hij gaf den jongeling +op zijne vraag te kennen, dat de streek, waarin hij zich bevond, +zeer eenzaam en bijkans onbewoond was, maar dat zijn eigen slot +zich niet ver van daar bevond en geheel tot Parcival's beschikking +stond. Hierop wees hij den jongeling den weg daarheen en na eenig +zoeken zag onze held inderdaad de torens en tinnen van een burcht +tusschen de boomen van het woud doorschemeren. Het was eene woeste, +eenzame plek, te midden van dichte bosschen; de burcht was op eene +hooge rots gelegen, en ving de laatste stralen der ondergaande zon +in zijne vensters. Een diepe afgrond gaapte vóór het slot, maar bij +Parcival's nadering viel er eene zware ophaalbrug dreunend over de +kloof en maakte den toegang tot het kasteel mogelijk. + +Een aantal ridders en knapen kwamen den gast tegemoet treden en +begroetten hem eerbiedig, maar allen zagen er somber en ernstig uit +en over het gansche slot scheen eene stemming van rouw te hangen. + +Nadat zij Parcival van zijn harnas en wapenen hadden ontdaan en hem +een stel fraaie kleederen hadden doen brengen, voerden zij hem voor +den maaltijd in eene groote, ruime zaal. Hier brandden een ontelbaar +aantal kaarsen, die, in zware lichtkronen gevat, naar alle kanten +een warm gouden schijnsel verspreiden. Langs de muren stonden een +aantal rustbedden; vóór elk bed lag eene zware vacht. In drie marmeren +haarden vlamden open vuren en vóór het middelste vuur lag op eene lage +rustbank de zieke burchtheer, in kostbaar pelswerk gehuld. Parcival +werd uitgenoodigd, aan zijne zijde plaats te nemen, waarop de zaal +zich langzamerhand vulde met eene schare van ridders, die zich op +de rustbedden langs den muur nederzetten. Toen allen gezeten waren, +vloog de deur der zaal open en een knaap trad binnen. In zijne +uitgestrekte hand droeg hij eene lange speer met eene bloedige punt, +waarvan de roode droppels omlaag vielen op de mouw van den drager. Op +het zien van de lans begonnen alle aanwezigen luidkeels te jammeren +en te weenen en hun geweeklaag verstomde eerst, toen de knaap, na de +lans langs de vier muren te hebben gedragen, weer met zijn vreemden +last uit de zaal verdween. Een oogenblik was er stilte, toen openden +zich de wijde zaaldeuren opnieuw en binnen trad eene jonkvrouw, die in +hare opgeheven handen een schotel of kom droeg, welke een verblindend +licht uitstraalde. Voor den schijn van dit licht, dat rozig was als +het licht van den dageraad, maar nochtans verblindend als de felste +zonnestralen, verbleekte het honderdvoudige licht der kaarsen. Alle +ridders verhieven zich van hunne rustplaats en bogen eerbiedig het +hoofd, ook Parcival moest voor dien fellen schijn de oogen sluiten. Het +was hem, of hij eene zachte muziek door de zaal hoorde ruischen en +hij voelde eene siddering van ontroering zijn lichaam doortrillen. + +Middelerwijl had een schildknaap een kostbaar zwaard naderbij +gedragen, welks greep met robijnen was bezet, en de kranke burchtheer +overhandigde het Parcival en verzocht hem het te willen aannemen als +vergoeding voor wat er mogelijk aan zijne ontvangst ontbroken had; +hij zelf had het in menigen kamp gebruikt, tot God hem met eene +ongeneeslijke kwaal gestraft had. Geheel uit het veld geslagen door +al het wonderlijke om hem heen, stamelde onze held een paar woorden +van dank, waarop de zieke door een aanval van pijn scheen te worden +overvallen, althans hij viel steunend in de kussens. + +Duizend vragen drongen den jongeling naar de lippen bij het zien van +den wonderschotel, die op een marmeren tafel te glanzen stond, maar, +gedachtig aan de wijze lessen van Gurnemanz, weerhield hij zich naar +de beteekenis van dit alles te vragen, weinig vermoedend, welk een +onheil hij door zijn zwijgen teweegbracht. + +"Het is een vreemde burcht", zoo dacht hij, "en er heerschen hier +vreemde gebruiken. Wat mag toch wel de reden zijn van de droevige +stemming, welke hier heerscht? Wat kan de herkomst wezen van dien +lichtenden schotel en waaraan ontleent hij zijn wonderglans? Hoe +gaarne zou ik dit alles weten, maar--zeide mijn leermeester mij niet, +dat bescheidenheid onder alle omstandigheden als hoogste deugd des +ridders geprezen moest worden? Bovendien--ik kan den slotheer niet +helpen. Ieder mensch heeft zijn eigen leed te dragen, heb ik niet +het mijne, dat mij rusteloos voortjaagt in ongestild verlangen naar +een doel, dat ik wellicht nooit bereiken zal?" + +Op dit punt gekomen geraakte onze held verdiept in droefgeestig +gepeins over zijn eigen kommer, die zijn hart zóó zeer vervulde, dat +het ongevoelig werd voor het lijden van anderen. Eerst veel later zou +hij dermate door de smart gelouterd zijn, dat hij zijn eigen verdriet +genoegzaam op zijde kon zetten om oog en oor open te houden voor het +leed zijner medemenschen. + +Onder eene drukkende stilte werd de maaltijd genuttigd; de Graal, +zooals Parcival den schotel fluisterend hoorde noemen, verschafte +daarbij al het noodige. Men behoefde zich slechts iets te wenschen, +of het verlangde verscheen onmiddellijk in de schalen en bekers. + +Toen het maal was afgeloopen, droeg de jonkvrouw den Graal uit de zaal +weg en leidde men Parcival naar een weelderig ingericht slaapvertrek. + +Uitgeput door zijn langen rit en al het vreemde, dat hij gezien had, +viel hij spoedig in een doffen slaap, waaruit hij eerst ontwaakte, toen +de zon reeds hoog aan den hemel stond. Ontsteld over zijn lang slapen, +riep hij terstond om de knapen, die hem den vorigen avond bij het +ontkleeden behulpzaam waren geweest, maar niemand verscheen--doodsche +stilte heerschte in het gansche slot. Daar bemerkte Parcival, +dat zijne kleederen en wapenrusting voor zijn bed gereed lagen, +dus besloot hij zichzelven te helpen. Tegen zijne rustbank geleund +stonden twee zwaarden: het zijne en dat, hetwelk de zieke slotheer +hem ten geschenke had gegeven. + +Toen hij geheel gereed was, begaf hij zich langs de breede trappen +naar beneden, naar alle kanten spiedend, of hij niet een spoor van +leven kon ontdekken. Maar neen--het slot was als uitgestorven. Op +het voorplein vond hij zijn paard gezadeld, en in een haast om weg te +komen uit deze vreemde omgeving, waar de drukkende stilte hem benauwde, +stoof hij de ophaalbrug over. Nauwelijks had zijn paard de hoeven van +de brug gelicht, of deze werd met knarsend geluid omhoog getrokken +en eene stem vanuit den burcht riep hem na: "Dwaas, die gij zijt, +scheer u weg van hier! Waarom hebt gij uwen gastheer de verlossende +vraag niet gedaan? Den sleutel tot het hoogste geluk hieldt gij in +de hand, maar gij hebt dien niet weten te gebruiken, omdat uw hart +koud is als ijs. Thans zijt gij vervloekt in alle eeuwigheid!" + +Parcival had zich omgewend en wilde den burcht opnieuw naderen, maar +de gapende afgrond hield hem tegen en op al zijn roepen ontving hij +geen antwoord. + +Mismoedig haalde hij de schouders op en vervolgde zijn weg door het +eenzame woud. + +Na eenigen tijd kwam hij langs eene open plek tusschen de struiken, +waar hij eene jonkvrouw vond met het lijk van een ridder in de +armen. Toen Parcival haar vroeg naar de oorzaak van den dood van +haren metgezel, vertelde zij hem, dat zij beiden met vele andere +edelvrouwen en ridders op een naburig kasteel woonden, waar zij zich +allen wijdden aan het nastreven van een hoog en heilig doel. Kort +geleden op een middag hadden zij vanaf de slotmuren een hond uit +het bosch te voorschijn zien springen, die een kostbaren halsband +droeg, bezet met flonkerende diamanten. Daar zij wisten, dat er in +verren omtrek geen menschelijke woning te vinden was, waren zij ten +zeerste verbaasd over het zien van den hond en Sigune--zoo heette de +jonkvrouw--had haren geliefde schertsenderwijze bevolen om, zoo hij +haar werkelijk liefhad, dien fraaien band voor haar te bemachtigen. + +Drie lange dagen was hij weggebleven totdat eindelijk de onrust +Sigune in het woud gedreven had, om hem te zoeken. Zij vond hem, maar +helaas! onder welke omstandigheden--in een doodelijken kamp gewikkeld +met Heer Orilus, die, sinds de vermeende ontrouw zijner echtgenoote +Jeschute, als een woesteling door het land trok en mensch noch dier, +die hij op zijn weg ontmoette, spaarde. Sigune was nog juist bijtijds +gekomen, om haren stervenden vriend in hare armen op te vangen en +hem de oogen te sluiten. + +Parcival was diep ontroerd door het treurige verhaal der +jonkvrouw. Getroffen zag hij haar aan, toen zijn oog plotseling viel op +het beeld eener witte duif, dat zij, evenals haar ontslapen echtgenoot, +op hare kleederen droeg. Hij herinnerde zich datzelfde teeken gezien +te hebben op de kleedij der ridders in het geheimzinnige slot. Zou +de jonkvrouw hem de verklaring kunnen geven van wat hij daarginds +voor raadselachtigs gezien en gehoord had? + +In haastige bewoordingen vertelde hij Sigune zijn wedervaren en terwijl +hij sprak, kwam er een glans van groote vreugde op het gelaat zijner +toehoordster, welke echter allengs plaats maakte voor eene uitdrukking +van verbazing en groeiende ontsteltenis. + +Toen hij ophield met spreken, nam Sigune het woord en zeide op +bitteren toon: + +"Heer, ik weet bijna niet, wat ik zeggen zal. God had u tot de +hoogste heerlijkheid uitverkoren en gij zijt die onverschillig +voorbijgegaan. Hoe kondt gij zwijgen bij het zien van het lijden +des kranken konings? hoe kondt gij zwijgen bij het aanschouwen van +den Graal, het goddelijk mysterie, dat elke ridder dienen en eeren +moet?" Maar toen Parcival wanhopig uitriep, wat dan toch die Graal +was en waarom allen in het slot hem zoo droevig hadden aangezien, +werd hare stem zachter en zij hernam: + +"Heer, luister naar mij! De Graal is een wonderschotel, zooals er +geen tweede op aarde te vinden is. Christus zelf heeft hem gemaakt en +gebruikte hem bij het laatste Avondmaal, dat Hij met Zijne jongeren +nuttigde. Na Zijn heengaan, liet Hij den Graal achter als teeken Zijner +goedheid. Toen nu echter de heidenen in het land vielen, vluchtten zij, +die met den zorg voor den Graal belast waren, en brachten hem hier, +in deze wildernis. Zij verzamelden een aantal ridders om zich heen, +die den Graal moesten bewaken en stelden aan hun hoofd een koning, die +over de geheele wereld regeerde en wien de Graal kracht verleende om +ten allen tijde het recht te steunen en het booze te bestrijden. Zijne +volgelingen, de Graalridders, waartoe ook mijn geliefde behoorde, zond +die koning de wereld in om hem die heilige taak te helpen vervullen +en, waar deze ook heentrokken, steeds bleef de heilige glans van den +Graal hen omzweven en maakte hen sterk en schier onoverwinlijk. + +Zoo was het vele jaren, tot eindelijk de menschelijke boosheid de +macht van den Graal kwam verstoren. De tegenwoordige koning, Amfortas, +dezelfde, dien gij ziek en lijdend op zijn burcht Montsalvasch hebt +zien liggen, erfde het Graal-koningschap van zijn vader, toen hij +nog zeer jong was. Kort daarop kwam de booze hertogin Orgeluse en +veroverde zijn hart met haar schoonheid. Wel mogen de Graalridders +liefhebben--immers zonder liefde is het leven onvolkomen--maar zij +beminnen met eene heilige, innige liefde, welke die der andere menschen +te boven gaat. Orgeluse echter rustte niet, alvorens de jonge Amfortas +zich willoos en zinneloos in hare macht had gegeven. + +Wat was het gevolg? De Graalridders volgden het voorbeeld van hun +koning en brachten hun tijd door in ledigheid en bedwelmend zingenot, +zonder zich te bekommeren over de hooge levenstaak, die God hun had +opgelegd. De glans van den Graal verminderde allengs, alsook zijne +macht; ware dit niet het geval geweest, dan zou mijn geliefde nog in +leven zijn! Eens op een dag vond Amfortas zijne geliefde in de armen +eens medeminnaars en hij, de Graalkoning, de beschermer van recht en +billijkheid, ontstak in zulk eene blinde woede, dat hij den ongelukkige +met een speerstoot doodde. Sindsdien ondergaat hij de straf, die God +hem heeft opgelegd. Hij ligt weg te kwijnen aan eene slepende kwaal, +waarvan de dood hem niet verlossen zal, alvorens" ... hier werd hare +stem van een plechtigen ernst en hare oogen begonnen te stralen, +"alvorens het wonder is geschied en de nieuwe Graalkoning zijn ambt +heeft aanvaard!" + +"Wie zal dat zijn?" vroeg Parcival in ademlooze spanning en Sigune +antwoordde: "Als een kind in de eenvoud zijns harten, als een held in +de sterkte van zijn arm, een ridder en tevens een dwaas, zoo zal de +nieuwe Graalkoning zijn. Amfortas is oud en vergrijsd en snakt naar +rust. Die rust is nabij--sedert eenigen tijd straalt de Graal met +vernieuwden glans en langs den rand van den heiligen schotel staat in +vlammend schrift de naam te lezen van hem, die eerlang komen zal. Wij +allen hebben dien naam vernomen, maar hij, die hem draagt, is zich +niet bewust, wat van hem verwacht wordt. Niemand mag hem helpen den +Graal te zoeken, niemand mag hem over den Graal spreken, wanneer hij +er niet uit eigen beweging naar vraagt. Komt hij op het slot en vraagt +hij niets, dan is de Graal voor eeuwig voor hem verloren!" + +Onder hare woorden was Parcival alles duidelijk geworden; een +vreeselijk berouw greep hem aan en angstig vatte hij Sigune bij den +arm, terwijl hij uitriep: + +"Voor eeuwig! Dat kunt gij niet meenen! Waarom zou hem de kans niet +geboden worden, om zijne fout te herstellen?" + +Hierop sprak Sigune: "Slechts hij kan den Graal vinden, die een zacht +en hulpvaardig gemoed heeft en die medelijden gevoelt voor het lijden +van zijne medemenschen. Hij, die door de smart van den koning en zijne +ridders ongeroerd bleef, moet een hart van steen hebben, en is niet +waard den Graal te bezitten!" + +Parcival's ziel kwam in opstand tegen het noodlot, dat hem zóó strafte. + +"Is het dan zulk een schoon en begeerlijk lot om Graalkoning of +-ridder te zijn?" vroeg hij nog, maar Sigune zag hem verontwaardigd +aan en sprak: + +"Wat spreekt gij domme taal! Wie den Graal dient, dient God. God +geeft zijne ziel vrede en kracht om het booze te bestrijden en het +goede te willen. Is er iets schooners denkbaar? Gij echter zijt hard +en ongevoelig, gij leeft, maar het goddelijk heil zult gij ontberen, +nu en altijd. Door u is de redding, die zoo nabij scheen, voor goed +verloren. Waarom spreek ik nog met u? Voort! Gij, die ongeluk brengt, +waar gij maar komt, die uwe moeder van verdriet deedt sterven, omdat +gij haar alleen liet, gij zijt het kind van uw vader, een avonturier +zonder hart! Voort! ik wil u niet langer zien!" + +Het hart vervuld van wroeging en bitterheid reed Parcival verder. De +plotselinge tijding van den dood zijner moeder had hem diep geroerd +en onder het langzaam voortrijden werd er een stroom van herinneringen +bij hem wakker, die zijne ziel vervulden met een smartelijk verlangen +naar het land en den tijd zijner kindsheid. + +Geheel verdiept in zijne sombere overpeinzingen sloeg hij weinig acht +op zijne omgeving, tot zijn oor plotseling getroffen werd door een +klagelijk geween. Opziende, bespeurde hij aan den kant van den weg +eene vrouwengestalte, die met luide stem zat te jammeren. + +Parcival hield zijn paard in en vroeg haar naar de oorzaak van haar +verdriet. Hoe verbaasd was hij, toen de aangesprokene de edelvrouwe +bleek te zijn, die hij--hoe lang geleden scheen het hem!--kort na +zijn vertrek uit de ouderlijke woning in hare tent had gekust. + +Ook Jeschute--want zij was het--herkende hem en in een stroom van +bitter-droeve woorden deelde zij hem mede, welke noodlottige gevolgen +zijne onbezonnenheid voor haar gehad had. + +Terstond besloot Parcival het onrecht, hetwelk haar echtgenoot +haar aandeed, zooveel hij kon te herstellen. Even daarna stormde +hertog Orgilus uit de struiken naderbij en overlaadde de arme vrouw +met smaadredenen. Toen hij haar in Parcival's gezelschap aantrof, +kende zijne woede geen grenzen en wat onze held ook zeide, om zijn +toorn te doen bedaren, niets vermocht hem de overtuiging te geven, +dat zijne vrouw inderdaad onschuldig was. Zoo kwam het eindelijk +tusschen de beide mannen tot een gevecht, waarin Parcival de +overwinning behaalde. Hij schonk zijn overwonnen tegenstander het +leven, op voorwaarde, dat deze zich met zijne vrouw verzoenen zou, +hetgeen geschiedde. Toen hij het tweetal zich samen zag verwijderen, +had onze held voor het eerst sinds vele weken een gevoel van voldoening +door het bewustzijn, eene goede daad te hebben verricht. + +Hertog Orgilus trok naar het hof van koning Arthur en legde daar +eene eerlijke bekentenis af over het onrecht, dat hij zijne vrouw +had aangedaan. Toen hij vervolgens vertelde hoe een ridder in roode +wapenrusting hem tot de erkenning van dit onrecht had gedwongen, +werd Arthur, wien nu reeds ten derden male getuigd werd van den moed +en kracht van dien onbekenden held, zóó verlangend om te weten, wie +die onbekende was, dat hij besloot, den rooden ridder op te zoeken +en hem te vragen, een der zijnen te worden. Hij begaf zich met een +talrijk gevolg op weg in de richting, vanwaar Heer Orgilus gekomen +was en liet zijne tenten opslaan in de nabijheid van de plek, waar +deze met den rooden ridder gestreden had. Toevallig kwam onze held na +eenige dagen zwervens opnieuw bij de plaats des gevechts en zoodoende +in de buurt van 's konings legerplaats. + +In den nacht was er sneeuw gevallen. Een valk, die toebehoorde +aan een der ridders uit Arthur's gevolg, was ontsnapt en had jacht +gemaakt op eene vlucht wilde ganzen, waarvan hij er één had weten +te vangen. Terwijl hij bezig was zijne prooi te verslinden, hoorde +hij Parcival's paard langs het boschpad naderbij komen. Met een +luid klapwieken vloog de valk weg, eenige losse veeren en een paar +bloeddruppels als sporen van zijn wreed bedrijf achterlatend. + +Parcival zag de helderroode druppels afsteken tegen de blanke sneeuw +en ziet--voor zijn geestesoog verrees het beeld van het gelaat zijner +jonge vrouw, blank als de sneeuw aan zijne voeten en rozig getint +door den warmen blos der jeugd. Hoe weinig had hij aan haar gedacht +den laatsten tijd en toch, hoe dierbaar was zij hem! + +Hij verzonk in zoet gepeins over zijne geliefde en bemerkte niet, +hoe een ridder te paard hem naderde. Een schildknaap, die uitgezonden +was om den ontsnapten valk te vangen, had in Arthur's kamp de mare +verspreid van de nadering des rooden ridders en terstond had een der +ridders zich gereed gemaakt om den vreemdeling te bestrijden en de +eer der Tafel Ronde tegenover hem te verdedigen. + +Als in een droom stelde Parcival zich teweer, toen hij aangevallen +werd, maar nochtans slaagde hij erin zijn aanvaller uit het zadel +te lichten. + +Het gebeurde herhaalde zich, toen Heer Key, vergramd over den +nederlaag van zijn vriend, waarvan hij op eenigen afstand getuige +was geweest, den rooden ridder aanviel. Ook hij werd van zijn paard +geworpen en brak daarbij een arm en een been. Maar zelfs deze tweede +overwinning was niet in staat om onzen held uit zijn gemijmer wakker +te schudden. Peinzend staarde hij voor zich uit en doorleefde in zijne +gedachten nog eens den korten tijd van echtelijk geluk, welken hij +aan de zijde van Condwiramur had doorgebracht en waaraan hij zelve +op ruwe wijze een einde had gemaakt. De ridders van koning Arthur +sloegen hem op eenigen afstand met verbazing gade, tot eindelijk Heer +Walewein op hem toereed en hem met zachten drang tot de werkelijkheid +wist terug te roepen. Op zijn aandringen volgde Parcival hem naar de +legerplaats des konings, die hem hartelijk welkom heette en hem deed +aanzitten aan zijn disch. + +Nauwelijks waren zij gezeten, of het doek voor 's konings tent +werd op ruwe wijze uiteengescheurd en in de opening verscheen eene +afschuwelijke gestalte: eene oude vrouw, met boosaardig grijnzend +gelaat en fladderende, grijze haren. Bij haar binnentreden rezen +alle ridders van hunne zetels overeind. "Kundri, de Graalbode," +fluisterden zij met huiverend ontzag, "wat zou zij te melden hebben?" + +De oude vrouw liet hare blikken glijden langs de rij der +aanwezigen. Toen zij Parcival ontdekte, sloeg zij beide armen omhoog +en riep met krijschende stem: + +"Weg met hem! den harteloozen verrader, die zijne Goddelijke +roeping verloochend heeft en den glans des heiligen Graals heeft +doen verflauwen! Wat zit hij hier temidden van dappere mannen, wier +gezelschap hij tot schande is! Voort met hem in de eeuwige duisternis, +nu hij het licht der Goddelijke openbaring vrijwillig den rug heeft +toegekeerd!" + +Na deze woorden uitgestooten te hebben, verdween de grijze Kundri weer +even plotseling als zij gekomen was. Parcival had onder het aanhooren +harer verwenschingen het hoofd gebogen; toen hij het weer ophief, +was hij alleen in de tent met Walewein, die hem droevig aanzag. + +Toen onze held bespeurde, dat allen waren weggevlucht uit zijne +tegenwoordigheid, als ware hij de drager eener besmettelijke ziekte, +werd zijn hart met bitterheid vervuld en hij riep uit: "Mijn gansche +leven heb ik getracht, God te zoeken ten einde Hem mijne diensten aan +te bieden. Wat is mijn loon hiervoor? Gehoond en vervolgd word ik als +een uitgestootene, alleen omdat ik den raad van mijn leermeester poogde +op te volgen. Heb ik daarom mijne moeder verlaten en haar, die mij het +liefste is op aarde? Thans heb ik genoeg geleden! Wanneer er een God +was, zou Hij mij voor dezen onverdienden smaad bewaard hebben! Ik wil +Hem niet langer dienen! God is de oorzaak van al mijn lijden! Wanneer +Hij mij niet de onrust in het hart had gelegd, woonde ik nu gelukkig +en tevreden met mijne geliefde, zooals alle andere menschen. Ieder +spreekt van God, als kenden zij Hem, maar ik, die Hem overal zoek, +ken Hem niet. Waarom verbergt Hij zich voor mij, die bij alles wat +ik doe, Zijnen wil indachtig ben? Maar genoeg! Van nu af aan zal ik +zonder God mijn weg zoeken en Hem ten spijt zal ik den Graal vinden, +al zou het mij het leven kosten! Wat geef ik om Gods vloek? Indien +Hij mij vervloekt, zoo vervloek ik Hem!" Haastig wilde hij de tent +verlaten, maar Walewein hield hem terug en sprak: + +"Vriend, waar wilt gij heen? Weet gij dan niet, dat niemand den Graal +vinden kan, zonder Gods hulp en steun? Wat wilt gij alleen uitrichten?" + +Parcival echter rukte zich los en riep uit: "Laat mij gaan!" daarop +sprong hij te paard en reed het donkere bosch in, dat niet donkerder +was dan zijne ziel. + +Toen zwierf Parcival vier lange jaren door het land, in zijn stalen +harnas, de lange speer in de hand. Het was hem onverschillig, waarheen +het lot hem voerde; hij zag zelden om zich heen, maar staarde steeds +voor zich uit met donkeren, speurenden blik. De koude des winters, +de verzengende zomerhitte--hij voelde ze nauwelijks; de schoonheid der +jaargetijden gleed aan hem voorbij zonder zijne ziel te beroeren. Zijn +hart was met tweestrijd vervuld, nu eens drong het hem terug te keeren +naar Condwiramur om in hare liefde troost te vinden voor zijne gewonde +ziel, dan weer joeg het hem voort in de onbekende toekomst, waar het +beeld van den Graal hem lokte met stralenden schijn. Somber en in zich +zelf gekeerd vervolgde hij zijn tocht; alleen wanneer hij kans zag +zich in den strijd te onderscheiden, verdween de bittere trek om zijn +mond en scheen hij voor eene wijle op te leven uit zijne moedeloosheid. + +In alle gevechten bleef hij overwinnaar; roem en eer gewerden hem, +maar zijn hart bleef koud en bitter en den Graal vond hij niet. + +Nooit ging hij meer ter kerke en wanneer men hem over God sprak, +lachte hij luid en hoonend, zoodat de menschen hem verschrikt aanzagen +en haastig een kruis sloegen. + + + +Voor de vijfde maal sedert Parcival de legerplaats des konings verlaten +had, was de lente in het land gekomen. Een teer groen waas lag over +de takken van het woud en tusschen de struiken ritselde en schuifelde +het van jong, nieuw leven. + +Parcival had het vizier van zijn helm omhooggeslagen en voelde +den zoelen lentewind over zijne wangen streelen. Onwillekeurig zag +hij omhoog naar de blauwe lucht, waarlangs de witte wolken dreven; +hij hoorde het kweelen der vogels en zag, hoe de knoppen zwollen +aan de boomen. Van heel ver drong het kleppen van een kerkklok tot +hem door. Langs een zijpad naderde een klein gezelschap in grijze +boetekleederen. Het waren de heer van een naburig kasteel met zijne +vrouw en hunne beide dochters, die zich naar de mis begaven, want +het was Goede Vrijdag, de dag, waarop men het lijden en sterven van +den Heer herdenkt. + +Toen de kerkgangers een ruiter in volle wapenrusting bespeurden, +stonden zij stil en de hertog riep uit: "Wie zijt gij, Heer, dat gij op +een dag als dezen met wapenen in de hand, als voor den strijd gereed, +door het land trekt? Weet gij dan niet, dat het heden de Goede Vrijdag +is, die voor alle Christenen een dag van heilige herdenking zijn moet, +omdat Christus op dien dag voor hen gestorven is?" + +Maar Parcival antwoordde norsch: + +"Laat mij met rust! Wat maal ik om den Goeden Vrijdag? God heeft mij +uit Zijnen dienst verstooten; sindsdien erken ik Hem niet langer als +mijn Heer." + +De grijze hertog sloeg ontzet de handen ineen over deze lastertaal +en zeide: + +"Uwe woorden doen mij pijn! Gij moet inderdaad zwaar geleden hebben, +om zóó diep gezonken te zijn. Gij hebt raad en bijstand noodig, maar +van een beter en wijzer man dan ik. Niet ver van hier woont een vrome +kluizenaar, Trevizent, die u de geestelijke voorlichting zal geven, +welke gij behoeft. Ga tot hem en hij zal u helpen, om in Gods veilige +hoede terug te keeren. Daar en daar alleen zult gij troost vinden +voor uw lijden!" + +Parcival haalde de schouders op, maar de woorden van den grijsaard +en de overtuiging, waarmede hij gesproken had, hadden toch indruk +gemaakt en na een vriendelijk woord van dank wendde hij zijn paard +in de richting der kluizenaarswoning. + +Terwijl hij zoo voortreed door het bloeiende woud en overal om zich +heen het ontwaken der natuur gadesloeg, drong voor het eerst sinds +langen tijd iets van de reine klaarheid van dien lentemorgen door tot +zijne ziel. Aarzelend begon hij zich af te vragen, of hij God misschien +onrecht had aangedaan, door Hem te zoeken zooals een jager het wild +opspoort en door te veronderstellen, dat Zijn toorn persoonlijk en +haatdragend kon zijn als die van een mensch. + +Toen hij bij de hut des kluizenaars gekomen was, steeg hij van zijn +paard, legde schild en speer terzijde en boog zich voor den vromen +grijsaard op de knieën. Met een nieuwen, ongekenden deemoed in het +hart sprak hij: "Vader, help mij om vrede te vinden!" Daarop vertelde +hij hem zijne gansche levensgeschiedenis. + +Zwijgend luisterde de grijsaard naar het verhaal van Parcival's lijden +en strijden. Toen hij uitgesproken had, legde Trevizent hem de hand +op het hoofd en zeide: + +"Mijn zoon, ik ken uw strijd uit eigen ervaring. Ook ik was eens +jong en wilde het leven en ook God met geweld veroveren. Het leed +heeft mij gelouterd. Ik heb geleerd te berusten en mij aan Gods wil +te onderwerpen. Mijn broeder Amfortas was als ik en stelde lust en +begeerte hooger dan de ware christelijke gezindheid. God heeft ons +beiden gestraft. Mijn broeder ligt weg te teren aan eene doodelijke +krankheid en ik, die mij in de eenzaamheid heb teruggetrokken, om +te trachten door vasten en zelfkastijding ons met God te verzoenen, +ben niet in staat om hem genezing te brengen. Eens scheen het of +die genezing zou komen, maar hij, die ze brengen moest, was hard +en liefdeloos en kon mijn broeder niet helpen! Hoe vaak heb ik den +ongelukkige beklaagd." + +"Heer," sprak Parcival nederig, "die ongelukkige ben ik! Ik heb den +Graal verloren door eigen schuld. Nu zoek ik hem reeds verscheidene +jaren, maar ik kan den weg naar den Graalburcht niet terug vinden. Toch +zal ik nooit ophouden hem te zoeken!" + +Toen zag Trevizent hem droevig aan en sprak: + +"Weet gij dan niet, dat slechts hij in staat is om den Graal te vinden, +dien God daartoe heeft uitverkoren? Zonder Zijne hulp zal het u nooit +gelukken den wonderburcht te vinden. Daarom raad ik u aan om eenigen +tijd bij mij te blijven en door vasten en gebeden te trachten, u met +God te verzoenen!" + +Parcival vertoefde twee dagen in de woning van den vromen vader en +toen hij op den Paaschmorgen zijn gastheer vaarwel zegde, was hij +een ander mensch geworden. + +De wijze levenslessen van den kluizenaar en de vredige stilte van het +woud hadden de stormen in zijn hart doen bedaren. Hij was teruggekeerd +tot het geloof zijner kinderjaren, maar de blijde overmoed, waarmede +hij eens was uitgereden om God te zoeken had plaats gemaakt voor een +kalmen, diepen ernst. Niet langer zocht hij God te veroveren als een +kostbaren buit, dien men zegevierend met zich draagt--thans wist hij, +dat men Hem zoeken moet met stillen eerbied in 't hart en met volkomen +vertrouwen in Zijne wijsheid en goedheid. + +Toen hij Trevizent gedankt had voor al wat deze voor hem gedaan had, +nam hij afscheid van hem met de woorden: "Ik trek thans weer de wereld +in, bereid om het werk te verrichten, waartoe God mij roepen zal. Al +heb ik het bezit van den Graal verspeeld, toch wil ik trachten om +diens heerschappij over de wereld te bevorderen, door het recht te +dienen, waar ik kan en de zwakken en onderdrukten te helpen. + +In die stemming van blijde hulpvaardigheid reed Parcival heen, niet +langer met gebogen hoofd en gefronst voorhoofd, maar met een dankbaar +hart en een open oog voor al het schoone om zich heen. + +Hij Liet zijn paard den vrijen teugel en het trouwe dier droeg hem +door de bloeiende wouden, waar de bloemen geurden en de vogels in de +twijgen zongen. + + + +_Hoe Parcival den Graal gewon._ Plotseling herinnerde hij zich, +dat hij dit pad, dat beekje, die hooge struiken reeds eerder gezien +had. Eene vage onrust maakte zich van hem meester. Hij drukte de +sporen in de flanken van zijn ros, dat voortjoeg in dolle vaart. En +ziet--eene juichkreet drong uit zijne keel--daarginds--recht voor +hem uit--daar rezen in den stralenden zonneschijn de torens van den +Graalburcht omhoog, glinsterend en flikkerend in het gouden licht. + +Parcival staarde en staarde; hij kon bijna niet gelooven, dat het +werkelijkheid was, wat hij zag, maar hoor! daar klonk bazuingeschal +en een koor van blijde stemmen vervulde de lucht. + +Dreunend viel de zware slotbrug neer en eene jubelende schare stroomde +hem tegemoet. Als in een droom liet onze held zich meevoeren naar +binnen, waar hij neerknielde voor den stervenden Amfortas, die hem +zegenend de handen boven het hoofd hield. + +Daarna plaatsten de Graalridders hem op een troon en na een oogenblik +van stilte werden de breede deuren der zaal geopend en een verblindende +lichtschijn drong naar binnen. Plechtige muziek ruischte door de +gewelven en allen--ook Parcival--bogen het hoofd in diepen eerbied +voor wat komen ging. + +Toen Parcival de oogen weer opsloeg, zag hij den Graal vóór zich, +stralend in ongekenden luister; langs den rand stond in vlammende +letters zijn naam geschreven. + +Eene hooge, gesluierde vrouwengestalte droeg den kostbaren schotel en +plaatste hem vóór Parcival's troon. Daarna sloeg zij den sluier van +haar gelaat weg en zag hem aan. Toen was het den held, of de poorten +des hemels zich eerst recht voor hem openden, want zij, die hem aanzag, +was zijne geliefde: Condwiramur! + +"Wilt gij thans opnieuw van mij vluchten?" vroeg zij en stak hem hare +beide handen toe, en als eenig antwoord sloot Parcival haar jubelend +in zijne armen. + +Zoo leefden Parcival en Condwiramur lange, lange jaren gelukkig op +het slot Montsalvasch in dienst van den Heiligen Graal, het recht +verdedigend, waar zij maar konden, en datgene bestrijdend, wat boos +en slecht was. + + + +Eeuwen zijn verstreken, sedert Parcival na lijden en strijden den +Graal veroverde. De burcht Montsalvasch is in puin vervallen en de +Graal zelve is door engelen heengevoerd, zoo meldt de overlevering. Wie +zal zeggen waarheen? + +Toch houden sommigen vol, dat de Graal nog bestaat en dat wie hem +zoekt met inspanning van alle krachten hem vinden zal. + +Nog heden ten dage trekt menigeen uit om den Graal te zoeken. Hij, +die dit doet, tracht het goede te dienen en het kwade te bestrijden +onder welken vorm hij het ook ontmoet. + +Wie onzer zal dan met stelligheid durven beweren, dat de hooge prijs, +dien hij zoekt, hem onthouden zal worden? + + + + + +ARTHUR'S DOOD. [62] + + +_Hoe heer Agravaine en heer Modred het geheim van de schuld der +koningin aan den koning verrieden._ Langzaam maar zeker was het +geheim van de liefde tusschen Koningin Ginevra en Heer Lanceloet in +de hofkringen bekend geworden. Hunne heimelijke bijeenkomsten, de +voorkeur voor Lanceloet's gezelschap, welken de koningin op rijtoeren +en hoffeesten aan den dag legde, de teedere blikken, waarmede hij +haar bij die gelegenheden placht aan te staren,--dit alles kon niet +onopgemerkt blijven. Nog waren er enkele ridders, die, ondanks den +kwaden schijn, volhielden, dat de koningin even rein en onschuldig +was als de heilige, wier naam zij droeg, maar hun getal werd steeds +kleiner. De meerderheid der hovelingen was overtuigd van haren schuld +en steeds sterker werd de stem van hen, die het noodig vonden om ook +den koning in te lichten over wat er aan zijn hof geschiedde. + +Eindelijk was het zoover gekomen! + +Een aantal ridders, met Heer Agravaine en Heer Modred aan het hoofd, +verzochten hun vorst om een onderhoud, waarin zij hem in korte woorden +vertelden, welk eene zondige verhouding er bestond tusschen de koningin +en Heer Lanceloet. + +Niemand, die van het onderhoud getuige was geweest, zou ooit +de uitdrukking van vertwijfeling vergeten, waarmede de koning +zijne ridders aanzag, toen de beteekenis van het gehoorde tot hem +doordrong. Het was niet slechts de smart van den bedrogen echtgenoot, +die op zijn gelaat te lezen stond, het was de wanhoop van den man, +die, in zijne heiligste gevoelens gekwetst, voelt, dat hij de kracht +mist om verder te leven, nu datgene, wat voor hem de grootste waarde +bezat, hem op zulk eene ruwe wijze ontnomen werd. + +Modred en Agravaine en al de andere ridders, die jaren lang met zekeren +wellust naar dit oogenblik hadden uitgezien, bogen het hoofd en gingen +zwijgend heen, het hart vol mededoogen voor het lijden van hun vorst. + +Zoo bleef Arthur alleen met de folterende gedachte aan al het +vreeselijke, dat hij zoo juist vernomen had. Toen kwam er een +oogenblik, waarop zijne ziel weigerde te gelooven aan de waarheid +der afschuwelijke beschuldiging, welke men tegen Ginevra had +uitgesproken. Hij verlangde bewijzen, bewijzen! zoo bezwoer hij +den teruggeroepen ridders, die zwijgend de schouders ophaalden en +beloofden ze hem te zullen verschaffen. Daartoe moest de koning, +hoewel vol inwendigen afschuw over wat hij deed, zich naar hunne +plannen schikken en mede helpen om eene samenzwering tegen de +beide beschuldigden op touw te zetten. Hij gaf Ginevra te kennen, +dat hij voor eenige dagen op de jacht dacht te gaan, maar reeds den +eersten nacht keerde hij heimelijk naar het paleis terug. Terwijl +hij zich daar in een afgelegen vertrek schuil hield, ten prooi aan de +folterendste zielesmart, begaven twaalf ridders, onder aanvoering van +Modred, zich in alle stilte naar de vertrekken der koningin en ziet, +hunne vreeselijke voorspelling werd bewaarheid, Lanceloet bevond zich +bij haar. Koning Arthur werd gewaarschuwd en kwam. Eene worsteling +ontstond; wel gelukte het Lanceloet te ontsnappen, maar Ginevra bleef +achter in de handen van den koning en zijne ridders. Arthur liet zich +geheel medesleepen door zijne gevoelens van haat en verbittering; hij +zwoer bij al wat hem heilig was, dat hij de schuldigen zou straffen, +dat hij Lanceloet zou opsporen en dooden en Ginevra, de trouwelooze, +den onteerenden dood op den brandstapel zou doen sterven. + +Van toen af aan nam het drama der wraakneming zijn vasten loop. De +maatregelen voor de voltrekking van het vonnis der koningin werden +genomen, alles was gereed en men stond op het punt haar in de +vlammen te werpen, toen plotseling Lanceloet, gevolgd door een aantal +volgelingen, ten tooneele verscheen, zijne geliefde bevrijdde uit de +handen harer belagers en haar op zijn paard met zich wegvoerde. In +het algemeene gevecht, dat hieraan voorafging, lieten vele dappere +mannen het leven, onder hen ook Agravaine en Gaheris, twee der zonen +van koning Lot. Vreeselijk was de smart van Heer Walewein over den +dood zijner broeders en, bij hunne bloedige lijken neergeknield, +zwoer hij een duren eed, dat hij zich wreken zou op Lanceloet voor +het leed, dat door diens toedoen veroorzaakt was. + +Naar alle zijden werden boden uitgezonden om te verspieden, waar de +vluchtelingen zich ophielden, en weldra bleek het, dat Lanceloet +zich met zijne geliefde had teruggetrokken in een zijner sterke +burchten aan de grenzen van het rijk. Terstond maakte de koning zich +op om met een machtig leger het beleg om dien burcht te slaan, in de +hoop dat Lanceloet hem, bij een mogelijken uitval der belegerden, +in handen zou vallen. Lanceloet scheen echter een treffen met zijn +vorst zooveel mogelijk te willen vermijden. Het beleg zou dan ook +misschien maanden geduurd hebben, indien er niet op zekeren dag in +Arthur's kamp renboden waren aangekomen, die den vorst een schrijven +overhandigden van Zijne Heiligheid den paus, waarin deze hem gebood, +zich met zijne gemalin te verzoenen. Stond er niet geschreven: +"Wat God vereend heeft, mag de mensch niet scheiden?" + +Daarop deed Arthur de koningin weten, dat zij zonder gevaar voor +haar leven aan het hof kon wederkeeren. Ginevra nam dit aanbod aan, +waarop de koning het beleg om den burcht opbrak. Niemand echter uit +zijne omgeving, die niet wist, dat met deze schijnbare verzoening de +zaak nog niet beslist was. + +Toen de koning in zijne hoofdstad teruggekeerd was, bracht hij alles +voor eene langdurige afwezigheid in gereedheid. Hij stelde orde op +zijne zaken, hoorde zijne raadslieden over de maatregelen, welke zij +voor het welzijn van zijn land moesten treffen en wees Modred aan +als regent. Daarna trok hij met zijn leger over zee naar Benwick, +het land van Heer Lanceloet, waarheen deze in zijne wanhoop over het +verlies zijner geliefde de wijk had genomen. + +Door de groote overmacht zijner vijanden gedwongen, trok Lanceloet zich +terug in een zijner kasteelen en trachtte dit met alle middelen, die +hem ten dienste stonden, tegen een mogelijk beleg te versterken. Wat +hij verwacht had, geschiedde. Weldra naderden Arthur's legerscharen +den machtigen burcht, welken zij zóó nauw omsingelden, dat er van +eenige gemeenschap tusschen de belegerden en de buitenwereld geen +sprake kon zijn. + +Heer Walewein was in het leger van zijn vorst mede naar Benwick +getrokken. De smart over het sterven zijner broeders was overgegaan in +eene toomelooze woede tegen den bewerker daarvan en hij zag reikhalzend +uit naar eene gelegenheid om zich op Lanceloet te wreken. Toen +het beleg geene vorderingen maakte, werd Walewein dan ook zoodanig +door zijn ongeduld overmeesterd, dat hij den koning verlof vroeg om +zich met een ridder uit de belegerde vesting in een tweegevecht te +meten. Zoo werd er eene uitdaging naar den burcht gezonden, welke, +naar Walewein heimelijk hoopte, ten gevolge zou hebben, dat Lanceloet +zelve zich voor een tweekamp beschikbaar zou stellen. + +Inderdaad toonde de laatste zich ook geneigd om persoonlijk op de +uitdaging van Heer Walewein in te gaan. De dood in een eerlijken strijd +van man tegen man scheen hem een welkom middel om te ontsnappen aan +de folteringen van zijn berouw en de pijnigende onzekerheid over het +toekomstig lot der koningin. + +Toen hij echter zijne makkers deelgenoot maakte van zijne plannen, +rustten deze niet, alvorens zij hem tot andere gedachten hadden +gebracht. Hij was het zijnen volgelingen verplicht, zoo meenden zij, +om niet dan in den uitersten nood het kasteel te verlaten. Indien +hij viel, wat zou dan het lot zijn van hen, die tegen de bevelen des +konings in, zijne partij hadden gekozen? + +Het slot van de besprekingen was, dat Heer Bors, de trouwe vriend van +Lanceloet, Walewein's uitdaging aannam, maar helaas!--nog dienzelfden +avond droeg men zijn lijk binnen het kasteel. Hetzelfde lot trof zijn +jongeren broeder, Lionel, die zich vol geestdrift had aangeboden om +den dood van Bors te wreken. + +Toen was Lanceloet's besluit genomen en reeds den volgenden morgen +zond hij een bode naar het vijandelijke kamp, om Walewein tot een +beslissend gevecht uit te dagen. + +Tot twee maal toe streden de beide ridders, die eens zulke trouwe +vrienden waren geweest, met elkander, en in beide gevechten bleef +Lanceloet overwinnaar. Het ware hem gemakkelijk gevallen om zijn +tegenstander te dooden, maar op het beslissende oogenblik deinsde +hij telkens voor die daad terug. + +Reeds was het tijdstip voor een derde treffen tusschen de beide helden +bepaald, toen eene plotselinge tijding den loop der gebeurtenissen +eene andere wending gaf. + + + +_Hoe koning Arthur verneemt, dat Modred zich van de heerschappij +over zijn rijk had meester gemaakt._ Op zekeren dag kwamen in +de legerplaats des konings eenige mannen, die op dringenden toon +verzochten tot hun vorst te worden toegelaten, daar zij hem eene +uiterst gewichtige tijding kwamen brengen. Toen men hen bij den +koning bracht, vielen zij voor Arthur op de knieën en smeekten hem +onverwijld naar Brittannië terug te keeren, ten einde zijn land en +volk voor een wissen ondergang te behoeden. Toen de vorst hun op +ontstelden toon vroeg, wat zij hiermede zeggen wilden, vertelden zij +hem, dat Modred zich gedurende zijne afwezigheid meester had gemaakt +van zijn troon. Hij had het volk door valsche brieven wijsgemaakt, +dat hun koning in den strijd was gevallen en hem in zijne laatste +beschikkingen tot zijn opvolger had aangewezen. Dit was echter nog +niet alles. De ellendige verrader had zich verstout om de koningin +zijne liefde te bekennen en toen deze hem verachtelijk afwees, had hij +gezworen haar te zullen dwingen, zijne vrouw te worden. Ginevra had +toen de vlucht genomen in de sterke vesting van Londen en ijlboden naar +Benwick gezonden om haar gemaal van den stand van zaken te verwittigen. + +Er bleef Arthur geene keuze over. + +In aller haast brak hij het beleg op en keerde terug naar Engeland, +waar hij eenige weken later te Dover landde. + +Zoodra Modred van zijne komst in kennis was gesteld, zond hij een groot +leger uit, om Arthur het binnendringen in het land te beletten. In +de nabijheid van Dover kwam het tusschen de twee legers tot een +treffen. In dien bloedigen slag werden door beide partijen vele dappere +daden volbracht, maar het einde was, dat Modred's leger in wanorde op +de vlucht sloeg. De vreugde der overwinning werd bij Arthur's troepen +alras getemperd door de mare, dat Heer Walewein, de man, die om zijne +daden en deugden door een ieder werd geprezen, in den strijd gevallen +was. Weenend zat Arthur bij het ontzielde lichaam van den wakkeren +held, ook deze steun moest hem ontnomen worden! Wat restte hem thans +nog? Zijne vrouw, zijn vriend, drie zijner dappere neven waren hem +ontvallen; Merlijn, zijn trouwe raadsman in tijden van nood, had hem +eveneens verlaten, De grijze toovenaar was het slachtoffer geworden +van de booze fee Viviane, die hem door hare schoonheid had weggelokt +uit het paleis, hem al zijne geheimen ontfutseld had en hem thans +gevangen hield in hare ondergrondsche rotswoning. + +Zoo het koning Arthur al droef te moede was aan het einde van den dag, +welke hem toch eene overwinning had gebracht, hoeveel te grooter +waren de woede en ergenis van Modred, toen hij het bericht van de +nederlaag zijner troepen ontving. + +Terstond vatte hij het plan op om zich persoonlijk aan het hoofd van +zijn leger te stellen en reeds weinige dagen later kwam het tot een +nieuwen veldslag, die onbeslist bleef. + +Koning Arthur trok thans met zijne legerscharen naar het Westen, +in de richting van Wallis, het land, dat zich altijd zeer trouw had +betoond jegens hem en zijn vorstenhuis. Voorloopig nam hij zijn intrek +in Salisbury en zond van uit die stad boden in alle richtingen, om de +bewoners der omliggende streken aan te sporen, zich aan zijne zijde +te scharen. + +Modred volgde hem derwaarts en legerde zich met zijne troepen op eene +naburige vlakte. Toen hij echter bericht ontving, dat Arthur's leger +dagelijks in sterkte toenam, begreep hij, dat langer talmen voor hem +nadeelig zou zijn en zond hij daarom een boodschapper naar 's konings +legerkamp om zijn vorst uit te dagen tot een beslissenden slag, +welke geleverd zou worden op den dag na het feest van Allerheiligen. + +Den nacht vóór den slag had Arthur een wonderlijken droom. Hij +droomde, dat hij, in een mantel van goudbrokaat gekleed en met de +koningskroon op het hoofd, gezeten was op een groot rad, dat langzaam +rondwentelde. Onder hem bevond zich een zwarte poel, waaruit een +aantal draken hunne afschuwelijke koppen omhoog staken. Plotseling +begon het rad sneller te draaien en hij werd meegesleurd naar omlaag, +waar de draken hem met hunne scherpe klauwen vastgrepen. + +Met een luiden schreeuw werd de koning wakker, badende in zijn +zweet. Zijne bedienden kwamen hevig ontsteld aanloopen, maar Arthur +stelde hen gerust, door te verklaren, dat het slechts een booze droom +was geweest, die hem had doen schrikken. + +Spoedig daarna viel hij weer in slaap en opnieuw had hij een +droom. Ditmaal stond hij aan den oever van eene rivier en staarde over +het land, toen hij plotseling de gedaante van een ridder op zich zag +toetreden. Het was Walewein, die gevolgd werd door eene lange rij van +engelen: dit waren al degenen, die de ridder in zijn leven met raad +en daad had bijgestaan en die thans zijne beste vrienden waren. Hij +verzocht, neen, hij smeekte den koning, om Modred voor te stellen, de +vijandelijkheden een maand lang te staken; na afloop van dien termijn +zou Lanceloet komen om zijn vorst te helpen. Na dit gezegd te hebben, +verdween de gestalte van Walewein en de koning ontwaakte. + + + +_Hoe Arthur zijnen vijanden om een wapenstilstand verzocht en hoe door +eene vergissing de strijd toch ontbrandde._ Toen Arthur zijne ridders +den volgenden morgen deelgenoot had gemaakt van zijne vreemde droomen, +zagen de meesten van hen hierin een voorteeken, dat de kansen van den +strijd hun voor het oogenblik niet gunstig waren en daarom rieden zij +den koning aan, den raad, dien de geest van Walewein hem in zijn droom +gegeven had, op te volgen. Arthur deed zulks en zond boodschappers naar +Modred om hem een wapenstilstand van een maand voor te stellen. Deze +weigerde echter kortaf dien toe te staan, daar hij wel begreep, +dat zijne kansen door dit uitstel niet gebaat zouden zijn. De boden +des konings, die een dergelijk antwoord wel verwacht hadden, kwamen +nu met een tweede voorstel, waartoe zij opdracht hadden ontvangen, +ingeval het eerste werd afgewezen. Zij gaven Modred in overweging, +den strijd te beëindigen en Arthur in vrede te laten regeeren, +dan zou deze op zijne beurt beloven, de rechten op den troon na +zijn dood aan Modred af te staan. Modred had hier wel ooren naar, +want hij begon in te zien, dat het volk nooit zou dulden, dat hun +vorst wederrechtelijk de troon ontnomen werd. Daar hij echter ook +eenig onmiddellijk voordeel uit de overeenkomst wenschte te behalen, +eischte hij, dat de graafschappen Cornwallis en Kent thans reeds aan +hem zouden worden afgestaan. De boden beloofden hem zijn eisch aan +den koning te zullen kenbaar maken en spraken af, dat den volgenden +morgen eene samenkomst zou plaats hebben tusschen Arthur en Modred, +waarin de voorwaarden van den wapenstilstand nader zouden worden +vastgesteld. Op verlangen van Modred zou die samenkomst plaats hebben +in tegenwoordigheid der beide legers. + +Zoo geschiedde het. Den volgenden dag, in den grauwen Novembermorgen, +dreunden de heuvelen van Salisbury onder het hoefgetrappel van +vele honderden paarden en weerklonk van alle zijden het schetterend +hoorngeschal der strijdtrompetten. + +Toen de beide legers in slagorde tegenover elkander stonden opgesteld, +begaven de aanvoerders, elk vergezeld van een tiental ridders, zich +naar een aangegeven punt in de tusschenliggende vlakte om aldaar +te onderhandelen. + +Arthur stelde niet veel vertrouwen in Modred's bedoelingen; daarom +had hij, alvorens zich naar de plaats der onderhandelingen te begeven, +zijne ridders gewaarschuwd om op hunne hoede te zijn en scherp uit te +zien, of er ook verraad dreigde. Het eerste spoor hiervan: het eerste +wapen, dat getrokken werd, moesten zij beschouwen als een bevel om met +alle kracht den vijand aan te vallen, zoo luidden 's konings orders. + +Modred had eveneens zijne bevelen achtergelaten en toevallig stemden +deze geheel overeen met die van koning Arthur. Niet, dat hij verraad +vreesde! Hij kende het karakter van zijn vorst te goed, dan dat hij +daar bang voor behoefde te zijn, maar hij vreesde, dat wellicht een der +ridders uit 's konings gevolg, zich niet zou kunnen weerhouden om hem, +den verrader, te dooden. Daarom deed ook hij zijnen troepen weten, dat +zij bij het zien van een getrokken wapen terstond moesten aanvallen. + +Helaas, weinig besefte hij, welke noodlottige gevolgen deze opdracht +hebben zou! + +De onderhandelingen hadden een aanvang genomen. De beide aanvoerders +stonden tegenover elkaar: Arthur met zijne fiere gestalte en edel +gelaat, waarin de smart diepe lijnen had gegroefd, en Modred, die +tevergeefs trachtte zich eene trotsche houding te geven, terwijl +zijne oogen schitterden van boosaardige voldoening. + +Reeds was men het over de hoofdpunten eens geworden, toen er iets +vreeselijks gebeurde. + +Eén der ridders, die tot het geleide van Modred behoorden, werd door +eene adder in het been gebeten en, zonder aan de beteekenis van zijne +daad te denken, trok hij zijn zwaard om het dier te dooden. Dit +was voor beide legers, die scherp toezagen, wat daarginds op de +vlakte geschiedde, het teeken tot den aanval. Onder een donderend +krijgsgeschreeuw stormden de mannen de heuvels af en stortten zich +op elkander in een vreeselijken strijd zonder genade. Hier was +geen tegenhouden meer mogelijk. Als wilde dieren wierpen Arthur's +manschappen zich op hunne vijanden. Maar ook Modred's volgelingen +lieten zich niet onbetuigd. Opgewonden door de schoone beloften, welke +hun aanvoerder hun gedaan had, indien zij in den strijd overwinnaar +bleven, zetten zij alles op het spel om de zege te behalen, ten einde +al dat goede deelachtig te worden. + +Den ganschen, somberen herfstdag duurde de strijd. In de mistwolken, +die over de vlakte hingen, konden de strijdenden soms niet +onderscheiden, of zij vriend of vijand tegenover zich hadden, +maar zij vochten blindelings voort en sloegen links en rechts met +hunne lange zwaarden. Het gejammer der stervenden vermengde zich +met de wilde strijdkreten en het gekletter der wapenen. Groote +plassen bloed drenkten den gronden het aantal krijgers werd steeds +kleiner. Eindelijk bleven slechts vier mannen over, die zich, hoewel +allen gewond, staande wisten te houden. Het waren Arthur met twee +zijner volgelingen: Heer Lucanus en Heer Bedivere--en Modred. + +Met een wenk beduidde Arthur zijnen volgelingen, zich op een afstand +te houden, toen zwaaide hij zijn zwaard Excalibur hoog in de lucht en +snelde op Modred toe. Een verwoed gevecht volgde. Omringd door hunne +doode en stervende volgelingen streden deze beiden een wanhopigen +strijd, de één om het behoud van zijn troon en zijne eer, de ander +uit een natuurlijken drang tot zelfbehoud. + +Een welgemikte speerstoot--en Modred tuimelde met een wilden kreet van +pijn achterover; met inspanning van zijne laatste krachten richtte +hij zich echter nog éénmaal overeind en wist Arthur met zijn zwaard +zulk een zwaren slag toe te brengen, dat deze kreunend ineenzonk. + + + +_Van Arthur's dood en hoe deze heer Bedivere beval zijn zwaard +Excalibur in het meer te werpen._ IJlings snelden de beide volgelingen +des konings naderbij en droegen den stervenden vorst naar eene kleine, +vervallen kapel, welke zich niet ver van het slagveld bevond. Daar +legden zij hem op de trappen vóór het altaar en knielden naast +hem neer. Onder het prevelen van de vurigste gebeden voor zijn +behoud, maakten zij Arthur's kleederen los en wieschen zijne +wonden. Helaas! het was maar al te duidelijk, dat het einde van den +held naderde; het bloed gutste hem in een breeden stroom uit zijne +wonden en eene vale doodstint scheen zich reeds over zijn gelaat +te verspreiden. De beide ridders waren eveneens gewond, maar zij +voelden dit nauwelijks, zóózeer waren zij vervuld van het streven om +het leven van hun geliefden heer zoo lang mogelijk te rekken. + +Na eenige oogenblikken stelde Heer Lucanus voor om den koning naar eene +plaats te brengen, waar hij de noodige verpleging kon verkrijgen. Nadat +hij zijn vriend had verzocht, te zien of er mogelijk onraad dreigde, +nam hij behoedzaam het lichaam van zijn vorst in zijne armen en wendde +zijne schreden naar den ingang der kapel. + +Nauwelijks had hij echter eenige stappen gedaan, of hij werd door +eene plotselinge duizeling bevangen; de inspanning was te groot +geweest! Nog vond hij de kracht om den koning op den grond neer +te leggen; toen stak hij de handen omhoog en met een diepen zucht +sloeg hij achterover. Toen Bedivere hevig ontsteld naderbij kwam, +had Lucanus reeds den laatsten adem uitgeblazen. + +Wanhopig staarde de ridder om zich heen; wat nu te beginnen? Hoe zou +hij alleen, gewond en verzwakt als hij was, zijn vorst en zichzelven +in veiligheid kunnen brengen? Hij peinsde en zon, wat hem te doen +stond, toen hij plotseling bemerkte, dat Arthur zich uit zijne +liggende houding had opgericht en de aandacht van zijn volgeling +poogde te trekken. Terstond begaf deze zich naar hem toe, boog zich +over hem heen en ving toen de volgende woorden op, welke de koning +met gesmoorde stem tot hem sprak: "Bedivere, mijn trouwe vriend, ik +ga sterven. Nog weinige uren en ik zal u moeten verlaten om mij te +begeven naar een land, waar men dood noch scheiding kent. Hoor dus +naar dit, mijn laatste verzoek! Neem mijn zwaard Excalibur en begeef +u daarmede naar het meer, dat ginds tusschen de boomen ligt. Werp +het zwaard in het meer en kom mij berichten, wat er daarna geschiedt!" + +Bedivere nam het zwaard in de hand en begaf zich naar de aangewezen +plek, maar toen hij onder het voortgaan het fraaie wapen eens nader +bekeek, kon hij het niet over zich verkrijgen om het aldus weg +te werpen. + +"Het kan mij in den strijd nog goede diensten bewijzen," dacht hij, +"en wanneer ik het in het meer werp, is het niemand meer van eenig +nut." Hij verborg dus het zwaard tusschen de struiken en keerde terug +naar de kapel. + +"Wat zaagt gij, toen gij het zwaard in het meer wierpt?" vroeg hij +terstond, en Bedivere, die op deze vraag was voorbereid, antwoordde +rustig: "Sire, ik heb niets gezien dan eenige vogels, die langs het +watervlak scheerden en geen ander geluid vernomen dan het kabbelen +der golfjes tegen den oever." + +Een vluchtig rood overtoog 's konings gelaat en met toornige stem +riep hij uit: + +"Gij hebt het zwaard hier of daar verborgen, om het voor u zelven +te bewaren! Schande over u, dat gij mijn laatsten wensch niet weet +te eerbiedigen. Ik herhaal u mijn bevel: ga heen en werp mijn zwaard +Excalibur in het meer!" + +Bedivere keerde zich berouwvol om en haalde het wapen uit zijne +schuilplaats te voorschijn. Toen hij het uit de scheede trok, werd hij +opnieuw getroffen door den edelen glans van het metaal. Zou hij een +dergelijk meesterstuk wegwerpen? Hoe vaak had hij het zijn vorst in +den strijd zien gebruiken, welke eene reeks van dappere heldendaden, +door Arthur verricht, riep het hem in herinnering! Neen, het wapen +moest behouden blijven, al ware het slechts als aandenken aan hem, +wien het had toebehoord. Vastbesloten verborg hij het zwaard opnieuw +tusschen de struiken en begaf zich met de scheede naar het meer, waarin +hij deze met luiden plons deed neerkomen. Toen keerde hij naar den +koning terug. Deze zag hem vorschend aan en sprak: "Hebt gij nu mijne +opdracht volvoerd? Wat zaagt gij, toen het zwaard in het water viel?" + +Bedivere aarzelde een oogenblik, toen sprak hij: "Heer, gij spant +uwe verwachtingen te hoog. Ik heb niets gezien dan het wuiven der +rietpluimen langs den waterkant en niets gehoord dan het ruischen +van den avondwind door de boomen." Ongeduldig bewoog de gewonde zich +heen en weer. "Gij hebt mij opnieuw bedrogen," riep hij uit! "Ontrouwe +dienaar, die gij zijt, hoe durft gij het wagen mijne bevelen aldus te +veronachtzamen? Maar ik weet wel, waarom gij zulks durft te doen! Het +is, omdat ik niet langer in staat ben, mijnen woorden de noodige +kracht bij te zetten. Helaas, moet dit dan mijn lot zijn: te zien, +dat men mij niet langer gehoorzaamt, mij, die eens door iedereen met +eerbied naar de oogen werd gezien!" + +Zijne woorden sneden Bedivere door de ziel. Hij vluchtte heen, zocht +het wapen weer op en snelde ermede naar het meer. Zonder zich verder +een oogenblik te bedenken wierp hij het zwaard met een forschen zwaai +in het water. En ziet, wat geschiedde? Op het oogenblik, dat de punt +van het wapen den waterspiegel raakte, stak een arm, in wit fluweel +gehuld, daaruit omhoog, vatte het bij den gouden greep, zwaaide het +driemaal door de lucht en verdween er mede in de donkere diepte. + +Bedivere haastte zich terug naar de kapel en toen hij Arthur het +gebeurde had medegedeeld, gleed er een glans van voldoening over's +konings gelaat en hij zeide: "Thans kan ik rustig heengaan!" + +Na eenige oogenblikken verzocht hij Bedivere hem naar den oever van +het meer te dragen. Deze voldeed aan zijn verzoek en ziet, toen zij +aan den waterkant waren aangekomen, zagen zij een rank vaartuig, +dat door de vallende schemering naar den oever kwam varen. In het +vaartuig bevonden zich een aantal schoone vrouwen, die op zachten +toon een weemoedig lied zongen. Eén van haar, de schoonste van allen, +steeg aan land en droeg den stervenden vorst in het vaartuig. Zij +waren op het punt om wederom van wal te steken, toen Bedivere, die +in stomme verbazing dit wonderlijk schouwspel had gadegeslagen en +nu eerst recht begon te beseffen, dat hij gansch alleen achterbleef, +naar den oever snelde en smeekend uitriep: + +"Sire, laat mij niet alleen, of, zoo ge mij niet met u mede kunt +nemen, zeg mij dan althans, waar gij heengaat, opdat ik het uw volk +kan melden." + +Hierop antwoordde Arthur met eene stem, die helder en duidelijk over +het water klonk: + +"Zeg aan mijn volk, dat ik voor eene wijle ben heengegaan naar +het eiland Avalon, om aldaar genezing te vinden voor mijne +wonden. Vaarwel!" + +Nauwelijks had hij het laatste woord gesproken, of het vaartuig +verdween uit het gezicht en Bedivere bevond zich alleen in de +toenemende duisternis. Peinzend over de woorden van zijn vorst dwaalde +hij den ganschen nacht door het woud, tot hij bij het aanbreken van +den dag bij de hut van een kluizenaar kwam, die hem liefderijk opnam +en verzorgde. Zóó zeer hadden de gebeurtenissen der afgeloopen weken +den held aangegrepen, dat hij geen moed gevoelde om tot zijn vroeger +leven terug te keeren. Hij verzocht zijn gastheer bij hem te mogen +blijven en werd een kluizenaar als hij, die zijn leven wijdde aan +het lezen van gebeden en het verrichten van goede werken. + + + +_Hoe koningin Ginevra haar leven eindigde in een klooster en +hoe Lanceloet kwam om haar vaarwel te zeggen._ Een maand na den +veldslag landden een aantal schepen in Dover, bemand met gewapende +krijgsknechten. Het waren de volgelingen van Heer Lanceloet, die, +zoodra men hem verteld had, welk gevaar den koning naar Engeland +had terug doen keeren, het plan had opgevat zijn vorst te volgen. De +gevaren, die zijn geliefden meester bedreigden, hadden in Lanceloet's +hart het gevoel van vervreemding, dat hem van Arthur scheidde, doen +verdwijnen om plaats te maken voor de oude gevoelens van vriendschap +en eerbied. + +Ontzetting greep hem aan, toen hij bij zijne landing vernam, +wat er geschied was. Het land verkeerde in een staat van hopelooze +verwarring. Het leger van den koning was vernietigd, zijne raadslieden +hadden naar alle hoeken van het land de vlucht genomen, koningin +Ginevra vertoefde in het klooster van Almesbury en scheen geheel +verslagen te zijn van smart en droefheid en de koning zelve--omtrent +hem deden de zonderlingste geruchten de ronde. Volgens sommigen +was hij gesneuveld op het veld van eer, volgens anderen leefde hij +nog en hield hij zich schuil in het bergland van Wallis, waar hij +trachtte de bevolking op te wekken tot eene poging om de orde in het +rijk te herstellen. Een ander gerucht zeide, dat hij stervende was +weggevoerd in een boot naar het eiland Avalon, vanwaar hij eens zou +wederkeeren om zijn land en volk tot nieuwen bloei te brengen. Dit +laatste gerucht won allengs veld, één der ridders van koning Arthur, +zoo heette het, had met eigen oogen gezien, hoe een vaartuig, waarin +vele schoone vrouwen waren gezeten, den koning had medegenomen. Wie die +ridder was en waar hij vertoefde, kon niemand met juistheid zeggen, +wel wist men te vertellen, dat hij de wereld had vaarwel gezegd en +in vrome afzondering zijn leven wenschte te eindigen. + +Dit alles vernam Lanceloet bij zijne aankomst in Brittannië; terstond +was zijn plan gemaakt: hij wilde vóór alles Ginevra spreken. + +Eenzaam reed hij door de kale vlakten van Engeland, terwijl de +herfststormen om hem heen gierden en de kille nevels over de velden +trokken. Dood en verwoesting grijnsden hem tegen in de dorpen en +steden: de ruwe krijgsbenden van Modred hadden op hun weg mensch noch +dier gespaard en bij het doortrekken hadden zij vaak de dorpen in +brand gestoken, ten einde hunne wandaden onder de rookende puinhoopen +te verbergen. De enkele dorpelingen, die niet gevlucht waren, liepen +met eene uitdrukking van wanhoop op het gelaat tusschen de bouwvallen +rond en smeekten Heer Lanceloet, om hen te helpen bij het zoeken +naar hunne verloren eigendommen. Maar deze gunde zich geen rust, +alvorens hij de poorten van het nonnenklooster had bereikt, waarin +koningin Ginevra de wijk had genomen. Het duurde geruimen tijd, eer +hij de vorstin kon doen bewegen, hem te ontvangen, maar eindelijk +verklaarde zij zich bereid hem een kort onderhoud toe te staan. + +Daar stonden zij tegenover elkander--de twee, die door hunne liefde +zooveel onheil hadden te weeg gebracht. Zij zagen elkander aan en +in dien langen blik proefden zij opnieuw het bitterzoete van hunnen +hartstocht, dien zij niet hadden weten te overwinnen. Eindelijk begon +Ginevra te spreken. De handen wringend onder de donkere plooien van +haar kleed, smeekte zij Lanceloet om terug te keeren naar zijn land +en haar te vergeten. Zij wilde gedurende den tijd van haar leven, die +haar nog restte, trachten om door berouw en zelfverloochening vergeving +te vinden voor hare zonde. Dit zou haar echter gemakkelijker vallen, +indien zij de overtuiging bezat, dat Lanceloet niet in hare nabijheid +vertoefde en ginds in zijn eigen land zich een nieuw leven trachtte te +scheppen. Toen zij ophield met spreken en Lanceloet smeekend aanzag, +bewaarde hij een oogenblik het zwijgen en boog het hoofd als een +teeken van eerbiedige instemming met haren wensch. + +Toen begon hij te spreken. Een nieuw leven te beginnen, was hem, +zoo zeide hij, onmogelijk na alles wat hij had doorgemaakt, maar +evenals zij gevoelde hij eene dringende behoefte om boete te doen +voor zijn zondig leven. Hij wenschte dus niets liever dan zich in de +eenzaamheid terug te trekken en te trachten zich door vurige gebeden +met God te verzoenen. + +Toen scheidden zij. Ginevra keerde terug naar de nonnen, die haar +met schuchteren eerbied bejegenden; Lanceloet begaf zich naar buiten +en besteeg opnieuw zijn paard, dat hem met tragen stap in de donkere +schemering henen droeg. + + + +Dit was het einde van Arthur's leven en van dat zijner getrouwen: +in de sombere herfstnevels werd de koning weggevoerd naar het +geheimzinnige rijk der Vrouwe van Avalon, voor langen tijd, voor +altijd misschien--wie zal het zeggen? Rouw en droefenis, schrik en +verwarring liet hij achter, maar gelijk eene heldere ster kan lichten +aan den duisteren horizon, zoo straalde in het hart der Britten de +hoop, dat hij eens zou wederkeeren, om zijn volk te regeeren en zijn +rijk te brengen tot nieuwen, nooit gekenden bloei. + + + + + +BIBLIOGRAPHIE. + + +_Bibliographie bij de Sagen van Arthur's Komst en Arthur's Dood._ + + +_Historia Regum Brittanniae_ van Geoffrey of Monmouth, boek IX hst. IX +en XIII. Engelsche vertaling van Sebastian Evans, L. L. D. Everyman's +Library, London. Dent. + +_Le Morte d' Arthur_ by Sir Thomas Malory, vol. I. Everyman's Library, +London, Dent. + +_Idylls of the King_ by Alfred, Lord Tennyson. Golden Treasury Series, +bld. 4-24. Macmillan and Co., London. + + + +_Bibliographie bij de Sage van Heer Walewein en den Groenen Ridder._ + + +_Syr Gawayne and the grene Knyght_. Ed. by R. Morris, revised by +Isaac Golancz. Early E. T. S. 1864, 1915. + +_Histoire Littéraire de la France_. Tome XXX: Chapitre sur les Romans +en Vers du Cycle de la Table Ronde, par Gaston Paris. + +_The Legend of Sir Gawain_ by Jessie R. Weston, London, 1897. + +_Syr Gawayn and the grene Knyght_ by J. R. Hulbert. Modern +Philology. Dec. 1915; April 1916. + +_A Study of Gawain and the green Knight_ by George Lyman Kittredge, +Harvard University Press 1916. + + + +_Bibliographie bij de Sage van Balin en Balan._ + + +_Merlin, roman en prose du XIIIe_ Siècle, publié avec la mise en +prose du poême de Merlin de Robert de Borron, d'après le manuscrit +appartenant à M. Alfred H. Huth, par G. Paris et J. Ulrich. Société +des anciens textes français, Paris 1886. + +_Le Morte Darthur by Syr Thomas Malory_, the original edition of +William Caxton, now reprinted and edited by H. O. Sommer, London 1889. + +A. Tennyson, _Tiresias, and other Poems_, 1885. + +A. Ch. Swinburne, _The Tale of Balen_, 1896. + +_El Baladro del Sabio Merlin_. Nueva bibliotheca de autores españolas +bajo la direccion del M. Menéndez y Pelayo, Vol. VI. Madrid, 1907. + +J. Bausewein, _Die Poetischen Bearbeitungen der Balin- und Balansage +von Tennyson und Swinburne und ihr Verhältnis zu Malory_. Diss, +Heidelberg, Würzburg, 1914. + +E. Vettermann, _Die Balen-Dichtungen und ihre +Quellen_. Cap. I-IV. Diss, Leipzig, Halle, 1914. + + + +_Bibliographie bij de Sage van den Leeuwenridder._ + + +Kristian von Troyes _Yvain_, Textausgabe mit Einleitung, erklärenden +Anmerkungen und vollständigem Glossar, herausgegeben von W. Foerster, +Halle 1906. Romanische Bibliothek V. + +_Ywain and Gawain._ Mit Einleitung und Anmerkungen herausgegeben von +Gustav Schleich. Berlin. Verlag von Wilhelm Gronau. + +_The Mabinogion_ translated by Lady Charlotte Guest: _The Lady of +the Fountain_. Everyman's Library, London, Dent. + +Wace, _Roman de Brut_, ed. Le Roux de Lincy, 2 vols., Rouen, 1836-1838. + +_La Femme dans l'Oeuvre de Chrétien de Troyes_. Thèse pour le Doctorat +d'Université présentée par Myrrha Borodine. Paris, A. Picard et +Fils, 1909. + + + +_Bibliographie bij de Sage van Tristan en Isolde._ + + +_Le Roman de Tristan_ par Béroul et un anonyme, publié par Ernest +Muret. Société des anciens Textes français, 1903. + +_Le Roman de Tristan_, I et II, par Thomas, publié par Joseph +Bédier. Société des anciens Textes français, 1902-5. + +_Le Roman en prose de Tristan_ etc. Analyse critique par +E. Löseth. Bibl. de l'Ec. d. H. études, fasc. 82. + +_Sir Tristrem_, uitgegeven door E. Kölbing, Heilbronn 1878-'82. + +_Les deux Poèmes de la Folie Tristan_, publiés par J. Bedier. Société +des anciens Textes français, 1907. + +Thomas Malory, _Le Morthe d' Arthur_. Eerste uitgave 1485, herdrukt +in de uitgave van H. O. Sommer, 1889-'91. + +Matthew Arnold, _Tristram and Iseult_ (Early and Narrative Poems) 1853. + +Alfred Tennyson, _Idylls of the King: The Last Tournament_, 1871. + +Algernon Charles Swinburne, _Tristram of Lyonesse_, 1882. + +Jessie Weston, _Tristan and Iseult_. Rendered into English from the +German of Gottfried of Strassburg, 1899. + +Gaston Paris, _Tristan et Iseut_, dans la Revue de Paris, 1894, +1er avril, article reproduit dans Poèmes et Légendes du moyen âge, +Paris, 1900. + +_Le Roman de Tristan et Iseut_, renouvelé par J. Bédier, préface +de G. Paris, Sevin et Rey, Paris. Ouvrage couronné par l'Académie +française. + +_De Roman van Tristan en Isolde_, naar de bewerking van J. Bédier, +vertaald door Marie Loke, 1903. + +Prof. A. G. van Hamel, _Cligés et Tristan_, Romania, 1904, 465-489. + +Prof. A. G. van Hamel, _Middeleeuwsche Tristan-romans_. Gids 1905, +477-516. + +W. Golther, _Tristan und Isolde in den Dichtungen des Mittelatters +und der neueren Zeit_, Leipzig, Hirzel, 1907. + +M.J. Loth, _Contributions à l'étude des Romans de la Table Ronde_, +Paris, Champion, 1912. + +G. Schoepperle, _Tristan and Isolt_, a Study of the source of the +romance, 2 vol. Frankfurt and London, 1913. + +Dr. K. Sneyders de Vogel, _Tristan et Iseut, d'après les publications +récentes_. Neophilologus. Eerste Jaargang. Tweede aflevering. + +_Tristan und Isolde, ein Liebesroman_, erzählt von Will Vesper. Bücher +der Rose. Wilhelm Langewiesche Brandt, Ebenhausen bei München. + + + +_Bibliographie bij de Sage van Heer Gareth._ + + +_Le Morte d' Arthur_ by Sir Thomas Malory. Everyman's Library, +London, Dent. + +_Idylls of the King: Gareth and Lynette_, by Alfred Lord +Tennyson. Golden Treasury Series, Macmillan, London, 1916. + +_Essays on Lord Tennyson's Idylls of the King_, by Harold Littledale, +M. A. London, Macmillan and Co., 1893. + + + +_Bibliographie bij de Sage van Erec en Enide._ + + +_Erec und Enide von Christian von Troyes_, herausgegeben von Wendelin +Foerster, Halle, Max Niemeyer, 1890. + +_Kristian von Troyes Erec und Enide_. Neue verbesserte Textausgabe mit +Einleitung und Glossar, herausgegeben von Dr. Wendelin Foerster. Halle +a. S. Verlag von Max Niemeyer, 1896. + +Gaston Paris: _Compte-rendu sur: "Erec und Enide" von Christian von +Troyes herausgegeben von Wendelin Foerster, Halle, Niemeyer, 1870_; +LV--361 pages. Romania XX, p. 148-166. + +Emmanuel Philipot, _Un Episode d'Erec und Enide: "La Joie de la +Cour-Mabon l'Enchanteur_." Romania XXV, p. 258-294. + +_La Femme dans l'Oeuvre de Chrétien de Troyes_. Thèse pour le Doctorat +d'Université, présentée par Myrrha Borodine. Paris, A. Picard et Fils, +Editeurs, 1909. + +_The Mabinogion: Geraint, the Son of Erbin_, translated by Lady +Charlotte Guest. Everyman's Library, London, Dent. + +Alfred Lord Tennyson, _Idylls of the King: The Marriage of Geraint, +Geraint and Enid_. Golden Treasury Series, Macmillan, London, 1916. + + + +_Bibliographie bij de Sage van Lanceloet en Elaine._ + + +_Le Morte Arthur_, a romance in Stanzas of eight lines, re-edited +from M. S. Harley 2252, in the British Museum, by J. Douglas Bruce, +Ph. D. E. E. T. S. Extra Series, LXXXVIII. + +_Morte Arthur. Two early English Romances_ with an Introduction by +Lucie Allen Paton. Everyman's Library, London, Dent. + +_Le Morthe d'Arthur_ by Sir Thomas Malory. Everyman's Library, London, +Dent. Book XVIII, ch. IX-XX. + +Alfred Lord Tennyson. _Idylls of the King: Lancelot and Elaine_. Golden +Treasury Series. Macmillan, London, 1916. + +_The Legend of Sir Lancelot du Lac_ by Jessie L. Weston. Grimm Library +vols. XIII and XV, D. Nutt, London. + + + +_Bibliographie bij de Sage van Parcival en den Heiligen Graal._ + + +Wolfram von Eschenbach: _Parzival_, von Karl Lachmann, 4 Ausgabe, +Berlin 1879. + +Chrétien de Troyes. _Perceval Le Gallois (Le Conte del Graal)_. Potvin, +Mons, 1866-1871. + +Wilhelm Hertz: _Die Sage von Parzival und dem Gral_, in: Deutsche +Bücherei, Breslau, 1882. + +_The Mabinogion: Peredur, the Son of Evrawc_, transl. by Lady Charlotte +Guest. Everyman's Library, London, Dent. + +_Parzival: Ein Abenteurerroman_, erzählt von Will Vesper, Bücher der +Rose. Wilhelm Langewiesche Brandt, Ebenhausen bei München. + +Jessie L. Weston. _The Legend of Sir Perceval, in 2 vol._ Grimm +Library, vol. XIX, London, D. Nutt, 1909. + +Alfred Nutt. _The Legends of the Holy Grail_. Popular Studies in +Mythology, Romance & Folklore no. 14. London, D. Nutt. + +Sebastian Evans. _The High History of the Holy Grail_, translated +from the old French. Everyman's Library, London, Dent. + + + + + +REGISTER. + + +A. + +Agavin met de Roode Haren, drost van Koning Gumurun, wenscht prinses +Isolde te huwen, 246-257. + +Agravaine, derde zoon van Koning Lot en Koningin Morgawse, 326; 330; +416; 494-496. + +Aliers, Graaf, bedreigt het slot van eene jonkvrouw, 157; wordt door +Iwein verslagen, 159, 160. + +Amfortas, de Graalkoning, zijne geschiedenis, 483-484; 491; 493. + +Androcles, sage van Androcles en den leeuw, 130. + +Arimathea, Jozef van, brenger van den Graal naar Engeland, 117; +119; 454-455. + +Arnold, Matthew, schrijver van "Tristram and Iseult", 193. + +Arthur, Koning, _Arthur's Komst_: zijne geboorte, jeugd, +troonsbestijging en huwelijk, 1-26; viert met zijne ridders het +Kerstfeest te Camelot, 39-41; ontvangt aldaar den Groenen Ridder, +42-47; geeft een afscheidsfeest voor Walewein, 50; hoort het verslag +van diens avonturen, 90; verbant Balin van het hof, 100; ontvangt de +zwaardjonkvrouw aan zijn hof, 101-104; staat de Meervrouwe te woord, +105, 106; zendt Balin opnieuw in ballingschap, 107; strijdt tegen +Koning Nero, 112, 113; houdt hof te Cardiff, 133; verneemt de avonturen +van Colgrevance, 141; besluit hem te wreken, 141; komt met zijn leger +bij de bron, 151; is gast op het slot van Iwein, 153; spreekt recht in +de zaak van twee twistende zusters, 172; is getuige bij de vuurproef +van Isolde, 292-294; hoort naar de wenschen van Gareth, 329-332; +luistert naar de klachten van Lynette, 335-337; neemt Gareth op onder +de ridders der Tafel Ronde, 349; gaat met zijne ridders op jacht naar +het witte hert, 358, 359; kent Enide den schoonheidsprijs toe, 374; +roept zijne ridders bijeen voor een steekspel te Camelot, 411; begeeft +zich daarheen, 414; ontvangt Parcival aan zijn hof, 468-470; begeeft +zich op weg om den Rooden Ridder te zoeken, 486-487; _Arthur's Dood:_ +verneemt de ontrouw zijner gemalin, wil zich op Lanceloet wreken, +wordt door Modred verraden, sneuvelt en wordt weggevoerd naar het +eiland Avalon, 494-512. + +Astolat, Graaf Bernard van, vader van Elaine, ontvangt Lanceloet op +zijn slot, 418-424; krijgt een bezoek van Walewein, 430-433; zijne +droefheid over den dood van Elaine, 445. + +Aue, Hartmann von, schrijver van "Iwein" en "Erec", 130; 350; 351; +353: 355. + +Avalon, de Vrouwe van, 94; zendt de zwaardjonkvrouw naar het hof, +101; 108; voert Arthur mede naar haar rijk, 509. + + +B. + +Balan, zie: _de Sage van Balin en Balan_, 92-124. + +Balin, zie: _de Sage van Balin en Balan_, 92-124. + +Bédier, Joseph, bewerker van het Tristan-gedicht van Thomas, 180, +182-186; schrijver van "Le Roman de Tristan et Iseut", 194. + +Bedivere, volgeling van Koning Arthur, 505; krijgt bevel om het zwaard +Excalibur in het meer te werpen, 507-508; trekt zich uit de wereld +terug, 509. + +Belinus, god der duisternis uit de Keltische mythologie, 95. + +Bel Repair, slot van Condwiramur, 473-477. + +Benwick, het vaderland van Lanceloet, 499; 501. + +Berenton, Tooverbron van, 129. + +Bernlak de Hautdesert, 35; maakt zich aan Walewein bekend, 86; geeft +hem den groenen gordel ten geschenke, 88; neemt afscheid, 89. + +Béroul, schrijver van het oudste bestaande gedicht over de +Tristan-sage, 28; 186-190. + +Birch Hirschfeld, A., schrijver van "Die Sage vom Gral", 452; 453. + +Blanchefleur, zuster van Koning Mark, hare jeugd, 200-202; vat +liefde op voor Rivalin, 202-205; bekent hem hare liefde, 208; volgt +hem naar zijn land, 211; brengt een zoon ter wereld en sterft, 212; +haar broeder verneemt het geheim van haar huwelijk, 227. + +Borodine, Myrrha, schrijfster van: "La Femme dans l' Oeuvre de Chrétien +de Troyes", 355. + +Borron, Robert de, schrijver van "Merlin", VII, 96; 453. + +Bors, brengt Lanceloet eene wonde toe, 428, 433; gaat naar Camelot om +hem te zoeken, 434; vindt hem, 436; onderscheidt zich op het steekspel +van Allerheiligen, 438; valt in een tweekamp tegen Walewein, 500. + +Bran, god van het licht uit de Keltische mythologie, 95. + +Brandigan, de Burcht, eigendom van Koning Evrain, 396; verblijf van +Erec op B. 397-403. + +Brangwaine, dienstmaagd van Isolde, 249, 250; krijgt van de koningin +een liefdesdrank in bewaring, 258; jammert over het verkeerde gebruik +daarvan, 261, 262; belooft Isolde om hare plaats in te nemen, 263, +264; geeft hare meesteres raad, 267, 269; maakt het Tristan en Isolde +mogelijk om met elkander te spreken, 270; bewerkstelligt voor hen een +laatste samenzijn, 295, 296; troost hare meesteres, 309, 311, 312; +vergezelt Isolde naar Bretagne, 318; deelt Koning Mark de waarheid +omtrent den liefdesdrank mede, 322. + +Brastias, volgeling van Gorlois, 5. + +Bréri (= Bledhericus), sagenverteller uit Wales, 187; 455. + +Brink, ten, schrijver van een Duitsch werk over Engelsche letterkunde, +31. + +Broceliande, het tooverwoud van, 129; 467. + + +C. + +Cadroc van Tabriol, wordt door Erec uit de handen der reuzen bevrijd, +389. + +Calogrenant, 129. + +Cambrensis, Giraldus, geschiedschrijver uit Wales, X; 187; 455. + +Camelot, de stad, 16; de tocht van Ginevra naar C., 19-23; het +Kerstfeest te C., 39-47; 49; 53; Walewein's terugreis naar C., 88, +89; Balin te C., 99, 100; Launceor van Ierland te C., 107; Koning Nero +trekt op naar C., 112; Gareth gaat naar C., 326-329; zijn diensttijd +aldaar, 334, 335; het tournooi te C., 408, 411, 427-429; Elaine komt +te C., 435; Bors komt te C., 436. + +Canterbury, de aartsbisschop van, 10. + +Caradoc, neef van koning Arthur, 31. + +Cardiff, de stad, Arthur houdt hof te C., 133; 140; 403. + +Cardigan, de stad, Koning Arthur houdt hof te C., 358; Erec en Enide +komen te C., 373. + +Carnant, woonplaats van Koning Lac, 375 + +Caxton, William, drukker van Malory's werk, 96. + +Cervantes, 191. + +Champagne, Gravin Marie van, begunstigster van Chrétien de Troies, +127; 189; 406. + +Clamides, Koning, dingt naar de hand van Condwiramur, 473-476. + +Colgrevance, de avonturen van C., 133, 134; Iwein besluit hem te +wreken, 140, 141. + +Condwiramur, echtgenoote van Parcival, 455; wordt door Parcival uit +den nood gered, 473-476; huwelijk, 476; moet afscheid nemen van P., +477; brengt hem den Graal, 493. + +Corbin, het slot, Lanceloet strijdt op het slot C. tegen een draak, +421. + + +D. + +Dimilioc, slot van, eigendom van Gorlois, 4. + +Dinas van Lidan, vriend van Tristan, 290; 297. + +Dublin, de stad, 236, 237, 238; 243; 244; 248; 250. + +Dubricius, Aartsbisschop van Camelot, zegent het huwelijk in tusschen +Arthur en Ginevra, 23. + + +E. + +Ector, wordt door Merlijn aangewezen als pleegvader over Arthur, +6; begeeft zich met zijne zonen naar het steekspel te Londen, 11; +ontsluiert het geheim van Arthur's geboorte, 12, 13. + +Elaine, de jonkvrouw van Astolat, zie: _de Sage van Lanceloet en +Elaine_, 404-449. + +Enide, geliefde van Erec, zie: _de Sage van Erec en Enide_, 350-403. + +Ephese, de weduwe van, 129. + +Erec, zoon van Koning Lac: zie: _de Sage van Erec en Enide_, 350-403. + +Eschenbach, Wolfram von, schrijver van het Middel-Hoogduitsche gedicht: +"Parzival", 453, 454, 455, 460. + +Eufemia, Koningin, van Denemarken, 351. + +Evans, Dr. Sebastian, vertaler van "Perceval le Gallois", 454. + +Evrain, Koning, ontvangt Erec op zijn slot en wijst hem het avontuur: +"De Vreugde van het Hof", 396-403. + +Excalibur, zwaard van Koning Arthur, wordt den koning gegeven, 14, +15, 16; 105; Arthur geeft Bedivere bevel om het in het meer te werpen, +507-508. + + +F. + +Foerster, Prof. Wendelin, bewerker van eene critische uitgave van +Chrétien's werken, 125; 131; 350; 352; 354; 355: 459; 460. + +Freiburg, Heinrich von, voltooier van den "Tristan" van Gottfried +von Straszburg, 188. + + +G. + +Gaheris, vierde zoon van Koning Lot en Koningin Morgawse, 326; +330; 496. + +Gaimar, Geoffrey, schrijver van eene verloren geraakte vertaling van de +"Historia" van Monmouth, XIII. + +Galahad, als held van de Graal-sage, 454-457. + +Galoain, Graaf, Erec en Enide in het gebied van Graaf G., 382-386. + +Gamuret, vader van Parcival, 461-462. + +Gareth, jongste zoon van Koning Lot en Koningin Morgawse, zie: _de +Sage van Heer Gareth_, 324-349. + +Garlon, bedrijver van verschillende wandaden, 114; 116-118. + +Gerbert, 452. + +Gilain, Hertog, geeft Tristan het hondje Petitcrû ten geschenke, +297, 298. + +Gildas, schrijver van het oudste werk over Britsche geschiedenis, +X, 96. + +Ginevra, Koningin, Arthur geeft zijn plan te kennen om haar te +huwen, 15-18; zendt Lanceloet om haar te halen, 18; de reis van +G. en Lanceloet naar Camelot, 19-23; het huwelijk met Arthur wordt +voltrokken, 24; 29; Kerstfeest te Camelot, 40; ontsteltenis over den +Groenen Ridder, 47; 58; 87; luistert naar het verhaal van Colgrevance, +134; 140; 192; vraagt verlof haar echtgenoot op de jacht te mogen +vergezellen, 359: volgt den jachtstoet in gezelschap van Prins +Erec, 360-362; voorziet Enide van de haar passende kleederen, +374; geschiedenis van hare verhouding tot Lanceloet, 406-408; +is niet in staat haar gemaal naar Camelot te vergezellen, 412, +413; spoort Lanceloet aan om den koning daarheen te volgen, 415; +hare woede over Lanceloet's vermeende ontrouw, 434, 438, 443; vraagt +Lanceloet om vergeving voor haar wantrouwen, 448; Arthur ontdekt het +geheim harer verhouding tot Lanceloet, 494-496; wordt door Lanceloet +van den brandstapel gered, 496; wordt door den paus met haar gemaal +verzoend, 499; neemt de wijk voor Modred in de vesting Londen, 501; +trekt zich terug in het klooster van Almesbury, 510; neemt afscheid +van Lanceloet, 511-512. + +Golther, Wilhelm, schrijver van artikelen en studies over de +Arthur-sagen, 184; 185; 352; 459-460. + +Gorlois, Hertog van Cornwallis, komt op het Paaschfeest aan het hof, +2, 3; wordt door den koning achtervolgd, 4, 5; sneuvelt, 6. + +Gouvernail, leermeester van Tristan, 213; 215; 217; 228; volgt zijn +jongen meester naar Ierland, 235; helpt hem bij zijne vlucht met +Isolde, 278, 280; brengt het hondje Petitcrû bij Isolde, 298; volgt +Tristan naar Bretagne, 299; sterft, 314. + +Graal, de Heilige, 116; 119; 191; zie: _de Sage van Parcival en den +Heiligen Graal_, 450-493. + +Gringalet, strijdros van Walewein, 50-54; 79. + +Guest, Lady Charlotte, schrijfster van eene Engelsche vertaling van +den "Mabinogion", X; XI; 131; 351. + +Guivret le Petit, Erec's ontmoeting met G. le P., 387, 388; G. valt +Erec in het woud aan, 395; verpleegt hem op zijn kasteel, 396; +vergezelt hem naar het hof, 396-403. + +Gumurun, Koning van Ierland, vader van Isolde, 246; 248; 250; 255; +256; 257; 288. + +Gurnemanz, Parcival op het slot van Heer G., 471-472. + + +H. + +Haakon V van Denemarken, 187. + +Hamel, Prof. A. G. van, schrijver van artikelen en studies over de +Arthur-sagen, 185. + +Harpijn, de Reus, wordt door Iwein gedood, 166, 167. + +Hastings, slag bij, 183. + +Hendrik de Leeuw, Hertog van Brunswijk, 187. + +Herz, Wilhelm, vertaler van het gedicht van Gottfried von Straszburg, +191. + +Herzeleide, moeder van Parcival, 461-466. + +Howel, Koning, de Goede, 185. + +Hulbert, J. R., schrijver van eene studie over Walewein, 34-36. + +Husdan, hond van Tristan, wordt door hem aan Isolde ten geschenke +gegeven, 295; herkent zijn meester, 312. + + +I. + +Igerna, echtgenoote van Gorlois, komt aan het hof 2, 3; neemt de wijk +in het slot Tintagel, wordt de gemalin van Koning Uther, 5, 6, 9. + +Isolde, Koningin van Ierland, geneest Tristan van zijne wonden 237-239; +verpleegt hem voor de tweede maal 249, 250. + +Isolde van Ierland, geliefde van Tristan, 29; zie: _de Sage van +Tristan en Isolde_, 180-323. + +Isolde met de Blanke Handen (=van Bretagne) 188; 193; kennismaking +en huwelijk met Tristan, 300-305; verpleegt haar gewonden echtgenoot, +314, 315; hoort van zijne liefde voor Isolde van Ierland, 316; wreekt +zich op haren echtgenoot, 319-321, + +Ither, daagt een der ridders van de Tafel Ronde uit, 468; strijdt +tegen Parcival, 470. + +Iwein, de Leeuwenridder, 41; zie: _de Sage van den Leeuwenridder_, +125-179. + + +J. + +Jeschute, wordt in haar tent gekust door Parcival, 467; wordt door +haar echtgenoot gehoond, 482; Parcival dwingt hem om zich met J. te +verzoenen, 485. + +Jonckbloet, Dr. W. J. A., bewerker van den Middel-Nederlandschen +"Lanceloet", 406. + + +K. + +Kaherdin, broeder van Isolde van Bretagne, 299; wordt bevriend met +Tristan, 300-303; gaat voor hem naar Cornwallis om Isolde te halen, +314-320. + +Kariol, ridder van Koning Mark, 306; 309. + +Key, zoon van Arthur's pleegvader, 10, 11; seneschalk van Koning +Arthur, beproeft de zwaardjonkvrouw te bevrijden, 102; spot met Heer +Colgrevance, 134; hoont Iwein, 140, 151; wordt door hem verslagen +152; gedraagt zich zeer onheusch jegens Gareth 332-335; wordt door +hem verslagen, 339; strijdt tegen Parcival, 487. + +Kièvre, Le, schrijver van een verloren gegaan gedicht over de +Tristan-sage, 190. + +Kingrun, maarschalk van Koning Clamides, 473; wordt door Parcival +verslagen, 475-476. + +Kittredge, George, Lyman, schrijver van eene studie over Walewein, +33, 34; over het ontstaan der Arthur-sagen, 458-459. + +Kölbing, E., schrijver van eene studie over de "Erex-saga", 351. + +Kundri, de Graalbode, hare verschijning aan het hof, 487. + +Kurz, Hermann, vertaler van het gedicht van Gottfried von Straszburg, +191. + +Kyot, of Guiot, Provençaalsch dichter, 453. + + +L. + +Lac, Koning, vader van Erec, 360; 367; 375; 376; 378; 395. + +Lamorak, probeert de zwaardjonkvrouw te bevrijden, 103; zoon van +Pellinore, 105; L.'s hulp ingeroepen door Lyonors, 336. + +Lanceloet, gaat Ginevra halen, 18-22; 29; 33; 41; tracht de +zwaardjonkvrouw te bevrijden, 102; 181; 190; 192; berispt Heer Key, +333; slaat Gareth tot ridder, 339; 340; _Sage van Lanceloet en Elaine_, +404-440. L.'s verhouding tot de Graal-sage, 456-457; Arthur ontdekt +het geheim zijner verhouding tot Ginevra, 494-496; L. redt Ginevra +van den brandstapel, 496; wordt door den koning vervolgd en in een +zijner kasteelen belegerd, 499-501; strijdt tegen Walewein, 500; +neemt afscheid van Ginevra en trekt zich uit de wereld terug, 510-512. + +Laudine, 129; droefheid over haar gesneuvelden echtgenoot, 146-149; +huwelijk met Iwein, 150; ontvangt Koning Arthur op haar slot, 152; +afscheid van Iwein, 154; zendt hem zijn ring terug, 155; Iwein's +verlangen naar L., 156; 162; L. verstoot hare dienares, Luned, +164; is tegenwoordig bij Luned's terechtstelling, 168; dankt den +Leeuwenridder voor zijne hulp, 169; laat hem weer vertrekken, 170; +172; angst over de verdediging der tooverbron, 175, 176; roept de +hulp van den Leeuwenridder in, 177; verzoent zich met Iwein, 178, 179. + +Launceor van Ierland, 94; wil Balin straffen voor zijn optreden tegen +den koning, 107-111. + +Lavaine, jongste broeder van Elaine, 418; vergezelt Lanceloet naar +Camelot, 422-427; neemt deel aan het steekspel, 427-429; brengt +Elaine bij het ziekbed van Lanceloet, 435; vergezelt Lanceloet naar +het hof, 443. + +Layamon, schrijver van het Middel-Engelsche gedicht: "Brut", XIV; +96; 404; 409. + +Leodogran, Koning van Cameliard, wordt door Arthur gesteund in zijn +strijd tegen de heidenen, 15; geeft zijne dochter Ginevra ten huwelijk +aan Arthur, 16-19; biedt Arthur de Tafel Ronde ten geschenke, 23. + +Liasse, dochtertje van Heer Gurnemanz, 472. + +Limors, Graaf van, voert Enide mede naar zijn slot, 391; wordt door +Erec gedood, 392. + +Lionel, jongere broeder van Bors, valt in een tweekamp tegen Walewein, +500. + +Liones, naam van Lyonors in de "Morte d'Arthur", 325. + +Loke, Dr. Marie, vertaalster van Bédier's "Roman de Tristan et +Iseut," 194. + +Londen, de stad, 10, 11; het steekspel van Allerheiligen te, 438; +het lijk van Elaine komt in een bootje aandrijven voor het paleis te, +446; Ginevra neemt de wijk in L., 501. + +Longinus, wondde Christus met eene speer in de zijde, 119. + +Lot, Koning der Orcadische eilanden, echtgenoot van Morgawse, 27, +41; vader van Walewein, 174; zijn huwelijksleven, 324-327; 347. + +Lot, Ferdinand, schrijver van artikelen en studies over de +Arthur-sagen, 183; 184; 187; 355; 375; 458. + +Loth, M. J. schrijver van artikelen en studies over de Arthur-sagen, +185. + +Lucanus, volgeling van Koning Arthur, 505; sterft aan zijne +verwondingen, 507. + +Lucius, Keizer van Rome, eischt schatting van Koning Arthur, 27. + +Luned, dienares van Laudine, 131; redt Iwein van den dood, 143; +verbergt hem in haar kamer, 144, 145; brengt zijn huwelijk met Laudine +tot stand, 146-149; komt hem zijne ontrouw verwijten, 155, 158; wordt +valschelijk beschuldigd en door Iwein van den brandstapel gered, 164, +165, 168; belooft zijne voorspraak te zijn, 170; 172; bewerkt zijne +verzoening met Laudine, 176-178. + +Lynette, komt Arthur's hulp inroepen voor hare zuster, 336; hoont +Gareth om zijne vermeende lage afkomst, 342-347; vraagt hem om +vergeving, 348. + +Lyonors, de klacht van Vrouwe, 336; Gareth nadert het kasteel van, +343, 344; hare verschijning voor het venster, 347; haar huwelijk met +Gareth, 349. + + +M. + +Mabonagrain, de geschiedenis van M., 401, 402. + +Maccallum, M. W., schrijver van een werk over de Arthur-sage, XV; XVI. + +Madden, Sir Frederick, eerste bewerker van het Middel-Engelsche +gedicht: "Sir Tristrem", 31. + +Maerlant, Jacob van, bewerker van Middel-Nederlandsche Arthur-romans, +VII, VIII. + +Maisières, Paiens de, schrijver van "La Mule sanz Frain", 31. + +Malmesbury, William of, schrijver van pseudo-historische kroniek, +27; 96. + +Malory, Thomas, schrijver van "Morte d'Arthur", XVII; 96; 97; 191; +324; 325; 408-410; 454; 458. + +Manessier, 452. + +Map, Walter, schrijver van den prozaroman "Lancelot", 408; van "La +Quête del St. Graal", 454; zijn invloed op de Arthur-sagen, 457-458. + +Mark, Koning van Cornwallis, 183; 184; 190; 191; ontvangt Rivalin +van Ermonie op zijn slot Tintagel, 196-200; trekt uit tegen zijne +vijanden, 205; 206; Tristan komt aan het hof van koning M., 220-226; +M. verneemt het geheim van Tristan's geboorte, 226-228; weigert de +Iersche schatting te betalen, 230; 231; besluit tot een huwelijk +240-243; begroet zijne bruid, 263; zijn huwelijk met Isolde van +Ierland, 264-265; zijn groeiende achterdocht, 265-276; veroordeelt +Tristan en Isolde tot den vuurdood, 276-280; gaat op jacht naar het +woud van Morois, 284-286; neemt Isolde weer als zijn vrouw aan, +288-291; laat Isolde de vuurproef ondergaan, 292-295; ontdekt de +beide gelieven in den paleistuin, 296; Tristan komt, als nar vermomd, +aan zijn hof, 309-313; M. volgt zijne gemalin naar Bretagne, 322-323. + +Meervrouwe, de, komt aan het hof, 105. + +Melot, handlanger van Meriadoc, 269; verzint eene list om de schuld +der koningin te bewijzen, 271-274; helpt den koning om hare schuld +te ontdekken, 276; 291. + +Meriadoc, bespiedt Tristan en Isolde, 265-269; vat liefde op voor +Isolde, 291; haalt den koning over om haar de vuurproef te doen +ondergaan, 292. + +Merlijn, de toovenaar, brengt de verbintenis tusschen Uther en Igerna +tot stand, 4-7; voorspelt de komst van Arthur, 10-15; waarschuwt den +koning voor een huwelijk met Ginevra, 15-17; voorspelling over het +lot van Balin, 108-113; 119; meldt den dood der beide broeders aan +Koning Arthur, 124; het einde van M., 501. + +Modred, als minnaar van Ginevra, 29; M.'s ouders, 326, 327; M. aan het +hof, 330; als minnaar der koningin, 407, 408; 416; klaagt Ginevra aan +bij haar echtgenoot, 494-495; maakt zich meester van Arthur's rijk, +500; trekt met zijne troepen tegen den koning, 501-505; wordt door +Arthur gedood, 506. + +Monmouth, Geoffrey of, schrijver van "Historia Regum Brittanniae", +XII; 27; 95. + +Montsalvasch, de Graalburcht, 477; Parcival op den Graalburcht, +478-481; zijn tweede bezoek aan M., 492-493. + +Morgan, Hertog, leenheer van Rivalin, 196; erkent diens +onafhankelijkheid, 197; dringt binnen in Rivalin's graafschap, 209-213; +wordt door Tristan gedood, 228. + +Morgan le Fay, toovenares, hare wraakneming op de ridders der Tafel +Ronde, 35, 36, 86, 87; geeft eene wonderzalf ten geschenke, 157. + +Morgawse, gemalin van Koning Lot, moeder van Walewein, 27; moeder +van Gareth, 324; haar huwelijksleven, 326, 327; staat Gareth toe om +naar Camelot te gaan, 328; schrijft aan Koning Arthur, wie haar zoon +is, 349. + +Morholt, komt schatting opeischen van Koning Mark en wordt door +Tristan verslagen, 229-233; 235; 238; 241; 244; 252; 257; 273; 314. + +Morois, woud van, schuilplaats voor Tristan en Isolde, 280; de koning +begeeft zich op jacht daarheen, 284; Tristan en Isolde keeren uit +het woud terug, 289; 322. + +Morris, Richard, bewerker van eene uitgave van "Sir Tristrem", 31. + +Mountbeliard, Perin de, slachtoffer van Garlon, 114; 115. + + +N. + +Nennius, oud-Britsch geschiedschrijver, IX; 96. + +Nero, Koning, trekt op tegen Koning Arthur, 112; 113. + +Newburgh, William of, Middel-Engelsch kroniekschrijver, XII. + +Nutt, Alfred, schrijver van "Studies in the Legend of the Holy Grail", +451; 453; 458-459. + +Nutt, David, uitgever, 324. + + +O. + +Oberge, Eilhart von, eerste bewerker der Tristan-sage in Duitschland, +187; 195. + +Orgeluse, geliefde van Amfortas, 483. + +Orilus, jaloersche echtgenoot van Jeschute, 467; 482; verzoent zich +met Jeschute, 485. + +Othmer, Karl, schrijver van een dissertatie over de Erec-sage, 352. + + +P. + +Parcival, 28; 105; 116; 325; _de Sage van Parcival en den Heiligen +Graal_, 450-493. + +Paris, Gaston, 34; 131; theorie over het ontstaan der Tristan-legende, +182; 184; 185; 186; 187; 194; over den oorsprong der verhalen uit +den "Mabinogion", 352; over het "Verliegen" van den ridder, 353; +355; 357; over de trilogie van Borron, 453; over Bledhericus, 455; +over het ontstaan der Arthur-sagen, 458-459. + +Pellam, Koning, 94; Balin's avontuur aan zijn hof, 116-119. + +Pellinore, Koning, vader van Parcival en Lamorak, 105. + +Penevric, het slot van Guivret le Petit, 395; 396. + +Penning en Vostaert, dichters van den roman van Walewein, VII. + +Petitcrû, het tooverhondje, 297, 302. + +Philipot, Emmanuel, schrijver van eene studie over de Erec-sage, 357. + +Potvin, uitgever van "Perlesvaus", 454. + +Pucci, Antonio, schrijver van "Dà un exempli", 32. + + +R. + +Rhys, Sir John, schrijver van "Studies in the Arthurian Legend", +XI; 95. + +Rience van Wallis, Koning, trekt Arthur's rijk binnen, 101, 107; +wordt door Balin en Balan verslagen en naar het hof van Arthur +gebracht, 110-112. + +Riol, vazal van den graaf van Bretagne, 299; belegert zijn leenheer, +300; wordt door Tristan gedood, 302. + +Rivalin van Ermonie, vader van Tristan, begeeft zich naar het hof +van Koning Mark, 196-200; vat liefde op voor Blanchefleur, 204-209; +neemt haar mede naar zijn land, 210, 211; valt in den strijd, 212; +Koning Mark verneemt dat R. de vader van Tristan was, 226-228. + +Robert, Broeder, vervaardiger van eene Noorsche proza-bewerking der +Tristan-sage, 187. + +Rohand, neemt het bestuur over Rivalin's graafschap op zich, 197; +wordt pleegvader over Tristan, 212-217; gaat zijn pleegzoon zoeken +en vindt hem te Tintagel, 224-226; deelt den koning het geheim van +Tristan's geboorte mede, 227, 228. + + +S. + +Schoepperle, G., schrijfster van eene studie over de Tristan-sage, 186. + +Schofield, over het onstaan der Arthur-sagen, 458-459. + +Scott, Sir Walter, eerste bewerker van "Sir Tristrem", 188. + +Segramore, bijgenaamd de Begeerige, 133. + +Segwarides, 190. + +Sigune, een der Graaljonkvrouwen, deelt Parcival den oorsprong van +den Graal mede, 481-485. + +Simroch, Karl, vertaler van het gedicht van Gottfried von Straszburg, +191. + +Straszburg, Gottfried von, dichter van het Middel-Hoogduitsche gedicht: +"Tristan", 187; 188; 191. + +Swinburne, Algernon, Charles, schrijver van "A Tale of Balen" 97; +"Tristram of Lyonesse", 180; 193; 194. + +Sommer, Dr. H. Oskar, bewerker van een critische uitgave van de +"Morte d'Arthur", 324. + + +T. + +Tafel Ronde, de, wordt Arthur ten geschenke gegeven, 19; plechtige +inwijding, 23-25; 32; 35; de Groene Ridder daagt de ridders der +T. R. uit, 44; 57; 65; 71; 87; 91; 102; 180; 181; 341; Gareth tot de +T. R. toegelaten, 349. + +Tantris de Speelman (= Tristan), 236; 249; 250; 252. + +Tennyson, Alfred, XVII; 29; 96; 192; 325; 352; 353; 407; 410; 458. + +Thomas (genaamd: van Brittannië), Normandisch dichter uit de 12e eeuw, +schrijver van een der eerste Fransche Tristan-gedichten, 182; 187-190; +195; over de bron van zijn werk, 455. + +Thomas van Ercildoune, vermoedelijk schrijver van "Sir Tristrem", 188. + +Tintagel, de burcht, eigendom van Gorlois, 4-6; verblijfplaats van +Koning Mark van Cornwallis, 195; 198; 201: 202; 206; 209; 220; 224; +227; 229; 231; 234; 239; 270; 273; 274; 287; 290; 295; 299; 304; 306; +316; 317; 318; 323. + +Torre, oudste broeder van Elaine, 418; 431; 444. + +Trevizent, de kluizenaar, brengt Parcival tot inkeer, 490-492. + +Tristan, 28; 29; poogt de zwaardjonkvrouw te bevrijden, 102; _de Sage +van Tristan en Isolde_, 180-323. + +Troies, Chrétien de, Fransch hofdichter uit de 12e eeuw, schrijver +van gedichten over de Arthur-sage, V; XIV; 28; 31; 33; 125-131; 181; +189; 190; 350-352; 353; 375; 404-406; 452; 458; 460. + +Türheim, Ulrich von, voltooier van den "Tristan" van Gottfried von +Straszburg, 188. + +Türlin, Heinrich von dem, schrijver van "Diu Crône", 31. + + +U. + +Ulfius, vriend van Koning Arthur, 5. + +Uriens, koning van Wallis, vader van Iwein, 133; 148; 157. + +Uther Pendragon, vader van Arthur, vat liefde op voor Igerna 2-5; +neemt haar ten huwelijk, 6; sterft, 9; 19; 141. + + +V. + +Vance, de Vrouwe van, geliefde van Koning Rience, 111. + +Velthem, Lodewijk van, verzamelaar van een aantal Middel-Nederlandsche +Arthur-Sagen, VII. + +Viviane, de booze fee, lokt Merlijn in hare rotswoning, 501. + +Vostaert, zie: Penning. + + +W. + +Wace, schrijver van het Normandische gedicht: "Le Roman du Brut", +XIII; 28; 96; 129. + +Wagner, Richard, 180; 192. + +Walewein, zie: _de Sage van W. en den Groenen Ridder_, 27-91; probeert +de zwaardjonkvrouw te bevrijden, 102; verwijt Key zijn lasterpraat +over Iwein, 151; blijdschap over de ontmoeting met Iwein, 152; haalt +hem over naar het hof terug te keeren, 153; benarde toestand van W.'s +zwager, 164, 166; strijdt voor de rechten van eene jonkvrouw, 171-173; +herkent zijn tegenstander, 174; 181; 326; 330; wijst den koning op het +gevaar van den schoonheidsprijs, 358; als minnaar der koningin, 407; +W.'s ongunstige rol in "Le Morte Arthur", 410; gaat na het steekspel +te Camelot zoeken naar den ridder met de roode mouw, 429; komt in het +kasteel Astolat, 430; herkent het schild van Lanceloet, 432; brengt +aan het hof verslag uit over zijn tocht, 433; onderscheidt zich op +het steekspel van Allerheiligen, 438; als held van de Graal-sage, +454-455; brengt Parcival aan Arthur's hof, 487-488; besluit den dood +zijner broeders op Lanceloet te wreken, 496; strijdt tegen Lanceloet, +500; valt in den strijd, 501. + +Wauchien de Denain, 452; 455. + +Weston, Jessie, schrijfster van "The Legend of Sir Gawain", 31; +v. Engelsche prozavertaling van Gottfried von Straszburg's "Tristan", +192; van "The Legend of Sir Lancelot du Lac", 405-407; van "The Legend +of Sir Perceval", 452; 453; 455; 460. + +Willem de Veroveraar, Hertog van Normandië, 183; 458. + +Winchester, de stad, 2; 275. + +Windsor, de stad, 37. + + +Y. + +Yder, wordt door Erec op het steekspel van den Sperwer verslagen, 371. + + +Z. + +Zatzikhoven, Ulrich von, schrijver van het Middel-Hoogduitsche gedicht: +"Lanzelet", 405. + +Zimmer, Prof. Heinrich, schrijver van een artikel over de eigennamen +in de Arthur-Sagen, 183; 352; 357; 375. + +Zwaardjonkvrouw, de, 94; komt aan het hof, 101. + + + + + +INHOUD. + + + Bladz. + Algemeene Inleiding I + Arthurs Komst 1 + De Sage van Heer Walewein en den Groenen Ridder 27 + De Sage van Balin en Balan 92 + De Sage van den Leeuwenridder 124 + De Sage van Tristan en Isolde 180 + De Sage van Heer Gareth 324 + De Sage van Erec en Enide 350 + De Sage van Lanceloet en Elaine 404 + De Sage van Parcival en den Heiligen Graal 450 + Arthurs Dood 494 + Bibliographie 513 + Register 517 + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] "Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen", door +H. A. Guerber, bewerkt door Dr H. W. Ph. E. v. d. Bergh +v. Eysinga.--Zutphen.--W. T. Thieme & Cie. hoofdstuk XI en XIV. + +[2] Zie Inleiding tot de Sage van Tristan en Isolde. + +[3] Eene bewerking van het gelijknamige gedicht van Chrétien de Troies. + +[4] In het jaar 401 werden de Romeinsche legioenen naar Italië +teruggeroepen, om dit land te helpen verdedigen tegen de invallen +der barbaren. + +In 410 waren de laatste Romeinen uit Brittannië verdwenen en werden +de oorspronkelijke bewoners van het land, na ongeveer 300 jaar door +hen geregeerd geweest te zijn, weder aan hun eigen lot overgelaten. + +[5] Zie hiervoor het verhaal van Kilhwch and Olwen in de bekende +sagenverzameling van Wales: The Mabinogion, Engelsche vertaling +van Lady Charlotte Guest, Everyman's Library, London, Dent. De naam +"Mabinogion" is een verzamelnaam voor de overleveringen, liederen en +sagen, welke de jongeling, die zich voor het ambt van Bard bekwamen +wilde, behoorde te kennen. De Barden vormden eene afzonderlijke +klasse, waartoe men eerst na eene strenge, letterkundige opleiding +kon worden toegelaten. Hij, die zich hieraan onderwierp, werd Mabinog +genoemd. In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik nog +meermalen gelegenheid vinden om op den Mabinogion terug te komen. + +Zie ook over de Mabinogion-verhalen en de plaats der +Arthur-sage in de Keltische literatuur: "Keltische Mythen +en Legenden", door T. W. Rolleston, bewerkt door Dr +B. C. Goudsmit.--Zutphen.--W. J. Thieme & Cie., bld. 308 e. v. + +[6] De naam Camlan wordt ook genoemd in "Kulhwch and Olwen" en in "The +Dream of Rhonabwy", twee verhalen van zuiver Britschen oorsprong uit +den Mabinogion, verder vinden wij hem vermeld in de Welsche Triaden +en tot tweemaal toe in oude Welsche gedichten. + +[7] De Welsche "Triaden" danken hun naam aan de omstandigheid, dat de +personen en zaken, welke daarin beschreven worden, telkens in groepen +van drie vermeld staan. Waarschijnlijk wijst deze vorm van schrijven +terug op een tijd, toen men zijne kennis nog slechts uit mondelinge +overleveringen putte en de verschillende feiten in groepen van drie +rangschikte om ze des te gemakkelijker te kunnen onthouden. + +[8] Zie John Rhys: "Studies in the Arthurian Legend", Oxford, 1891. + +[9] Avallach is het latere Avalon. Wij vinden hier de eerste aanwijzing +van Arthur's heengaan naar het land der gelukzaligen, waar hij, +volgens latere schrijvers, het eeuwige leven ging genieten. + +[10] De schrijver geeft ons in zijn werk een verslag van de +geschiedenis der Britten, van af den tijd van Brutus, den z.g. stichter +van hun volk tot den dood van Cadwallader, den laatsten Britschen +koning, in 689. De geschiedenis van Arthur beslaat hierin vijf van +de twaalf boeken, waarin de schrijver zijn werk verdeelde. + +[11] In Geoffrey's werk wordt Arthur verheven tot den rang van +wereldveroveraar, en almachtig heerscher over een schitterend hof, dat +de weerspiegeling is van het Normandische hof van die dagen. Geoffrey +komt de eer toe van de eerste te zijn geweest, die zijn held omringde +met de ridderlijke gebruiken van het hoofsche leven uit de 12e eeuw. + +In de "Historia" vinden wij eene beschrijving van Modred's verraad +en van de ontvoering van koningin Ginevra. Ook is Geoffrey de eerste +geweest, die ons een helder beeld schonk van den ouden toovenaar +Merlijn, een der belangrijkste personen uit Arthur's omgeving. Een +eigenaardig Latijnsch gedicht: "Vita Merlini", geschreven omstreeks +1148, waarin wij avonturen van Merlijn vermeld vinden, welke niet in +de "Historia" voorkomen, wordt verondersteld ook van Geoffrey's hand +te zijn. + +[12] Brut: regel 9994 e. v. + +[13] Zie: Inleiding tot de Sage van Parcival. + +[14] Over Chrétien de Troies zie Inleidingen tot de Sagen van den +Leeuwenridder, Erec en Enide, en Lanceloet en Elaine. + +[15] Zooals de Sage van Heer Walewein en den groenen Ridder, in mijn +bundel opgenomen. + +[16] Zie Inleidingen tot de sagen van den Leeuwenridder, Tristan en +Isolde, Erec en Enide, Parcival. + +[17] Deze zijn: de Karelromans, de Alexanderromans en de Arthurromans, +welke door den Franschen dichter Jean Bodel in zijn "Chanson de +Saisnes" aldus worden aangeduid: + + + "Ne sonts que trois matières à nul home attendant, + De France et de Bretaingne et de Rome la grant." + + +[18] De schrijver noemt zijne bronnen slechts in vage termen, zooals: +"the French book says." Eene meerdere bekendheid met de Fransche +ridderromans heeft zijne bronnen echter aan het licht gebracht, +zoodat wij ze thans kennen voor al de een-en-twintig boeken, waarin +de Morte d'Arthur verdeeld is, met uitzondering van die voor Boek VII, +de geschiedenis van Heer Gareth. (Zie de Inleiding tot die Sage). + +Het vijfde boek, waarin Arthur's veldtocht tegen de Romeinen vermeld +wordt, is het eenige, waarvan de stof aan de Engelsche letterkunde +ontleend is. De bron hiervoor is het allitereerende Middel-Engelsche +gedicht "Morte Arthure", geschreven door een onbekend gebleven dichter +omstreeks het midden der 14e eeuw. + +[19] Voor de geschiedkundige en legendarische overleveringen aangaande +den persoon van Koning Arthur, zie inleidend hoofdstuk: "De Oorsprong +en Ontwikkeling der Arthursage." + +[20] Gaston Paris in tome XXX der Histoire Littéraire de la France +vermeldt het gedicht als behoorend tot de 16e eeuw. + +[21] Ook het vasthouden van den held aan de bloedwraak, welke hem +aanzet de Vrouwe van het Meer te dooden, is een overblijfsel uit +vóór-Christelijke tijden. + +[22] Zie Inleiding tot de Sage van Lanceloet en Elaine. + +[23] Zie Inleiding tot de Sage van Erec en Enide. + +[24] Zie Inleiding tot de Sage van Erec en Enide. + +[25] Voor de verklaring van den naam "Mabinogion", zie Algemeene +Inleiding. + +[26] Deze ontdekking hebben wij te danken aan een Duitsch geleerde: +Professor Heinrich Zimmer. Vgl. zijn artikel, getiteld: "Zur +Namenforschung in den Altfranzösischen Arthurepen". (Zeitschrift für +franz. Sprache und Litteratur, t. XIII, p. 57 ss.). Zijne studies +over dit onderwerp werden voortgezet door Ferdinand Lot, in: Etudes +sur la provenance du cycle Arthurien (Romania XXIV et XXV). + +[27] Hieruit blijkt, dat reeds in den tijd der Triaden, die geacht +worden zeer oude overleveringen te bevatten, de naam van Tristan +verbonden was met dien van koning Arthur. Ook in "The Dream of +Rhonabwy", een der oudste verhalen uit den "Mabinogion", dat ontstaan +moet zijn vóór de Normandische invloed zich deed gelden, komt onze +held voor als een der raadgevers van koning Arthur. + +[28] Hij beroept zich op het verhaal van een zekeren Bréri, die kende: + + + "--les gestes et les cuntes + de tuz les reis de tuz les cuntes + qui orent esté en Bretaingne." + + +Deze Bréri is niemand anders dan Bledhericus, de beroemde +sagenverteller uit Wallis, die door Giraldus Cambrensis in zijn werk: +"Descriptio Cambriae" wordt genoemd. Zie voor nadere bizonderheden de +noot voorkomend in de Inleiding tot de Sage van Parcival. Zie ook wat +Gaston Paris en Ferdinand Lot over dezen Bréri schreven in Romania +VIII p. 425 en Romania XXVIII p. 336. + +[29] Deze fragmenten, acht in getal, vormen de overblijfselen van +vijf afschriften van het werk van Thomas. Verscheidene dekken elkaar +en alle hebben zij betrekking op de laatste levensjaren en den dood +van den held. Zij bevatten ruim 3000 regels en worden verondersteld, +een zesde uit te maken van het oorspronkelijk geheel. + +[30] Twee andere Duitsche dichters hebben getracht het te voltooien, +aan de hand van het Fransche origineel. Het zijn: Ulrich von Türheim +en Heinrich von Freiburg, welke laatste er een aantal episoden aan +toevoegde, die verband houden met het hof van koning Arthur. + +[31] Hoofdstuk 63-67. + +[32] Voor eene verdere vergelijking tusschen "Cligés" en +"Tristan-romans" verwijs ik den lezer naar het artikel van +Prof. A. G. van Hamel in "Romania" XXXIII (1904) p. 465 ss., hetwelk +in het Hollandsch is verschenen in Taal en Letteren, Juni 1904. + +[33] Zie Inleiding tot de Sage van den Leeuwenridder. + +[34] Bovendien bezitten wij nog aanwijzingen omtrent een verloren +geraakt gedicht, waarvan alleen de naam van den schrijver: Le Kiévre +is bewaard gebleven. + +[35] Dit kan gedeeltelijk te wijten zijn aan den invloed der beroemde +satire van Cervantes. + +[36] "Le Roman de Tristan et Iseut", traduit et restauré par +Joseph Bédier, Parijs 1901. Hier zij tevens melding gemaakt van de +fraaie Nederlandsche vertaling door wijlen Dr. Marie Loke, lectrice +a.d. Rijksuniversiteit te Groningen, waarvan eenigen tijd geleden +een herdruk verscheen in de bekende serie der Wereldbibliotheek. + +[37] Deze spotnaam werd den jongen prins geschonken door Heer Key, +den boosaardigen tafelmeester van koning Arthur. + +[38] Deze uitgave bestaat uit drie deelen en werd uitgegeven te Londen +door David Nutt. + +Het eerste deel, inhoudend den tekst der Morte d' Arthur, verscheen +in 1889, het tweede deel, hetwelk eene inleiding bevat, in 1890 en +het derde, eene studie over de bronnen, in 1891. + +[39] Dit is de naam, welke Tennyson aan de belegerde schoone geeft +en dien zij ook in de volgende bladzijden draagt. Malory noemt haar +Liones, wat verwarring kan geven met den naam der landstreek Lyonesse, +welke veelal verbonden wordt aan Tristan's naam. + +[40] Zie Inleiding tot de Sage van den Leeuwenridder. + +[41] Dit zijn: "The Lady of the Fountain" en "Peredur, the Son of +Evrawc", die in inhoud overeenkomen met Chrétien's "Yvain" en "Conte +del Graal". + +[42] Deze stelling wordt voor "Erec" nader uitgewerkt in de Bonner +dissertatie getiteld: "Das Verhältnis von Christian von Troyes' +Erec und Enide zu dem Mabinogio: Geraint ab Erbin" van Karl Othmer, +Köln 1889. Volgens den schrijver van dit proefschrift blijkt de +afhankelijkheid van het Mabinogion-verhaal vooral daaruit, dat daarin +op twee plaatsen een duidelijk misverstaan van Chrétien's tekst valt +waar te nemen. + +[43] Eene nabootsing van het bovengenoemde thema wordt aangetroffen +in den ridderroman "Floriant". + +[44] Romania XX p. 148-166. + +[45] Romania XXVIII p. 335. + +[46] Zie Inleiding tot de Sage van den Leeuwenridder. + +[47] Over de beteekenis van deze episode zie de studie van Emmanuel +Philipot, getiteld: "Un Episode d'Erec et Enide, La Joie de la +Cour-Mabon l'Enchanteur" in Romania XXV, bldz. 258-294. + +[48] Het "Carnant" van Chrétien is volgens prof. Zimmer Caer: Nant += Nantes. J. Loth voert den naam terug tot Carnant, eene stad in +Zuid-Wales en F. Lot noemt eene plaats: Ros Carnant in Cornwalls. + +[49] Een spotnaam, die Lanceloet gegeven werd, omdat hij eens, na +verlies van zijn paard, op eene kar verder was gereden. + +[50] Zie hierover: Inleiding tot de Sage van Parcival. + +[51] Dit is b.v. het geval in den buitengewoon vromen Franschen +Graal-roman: "Perceval Le Gallois". + +[52] Zie de Inleiding tot de Sage van Heer Walewein en den Groenen +Ridder. + +[53] Alfred Nutt noemt hem Gautier. + +[54] Het werk is voorzien van een proloog, waarin wordt beweerd, +dat Christus zelve als de schrijver moet worden beschouwd. + +[55] De eerste twee deelen worden ook in andere handschriften, zonder +bijvoeging van het derde deel, aangetroffen en bestaan in proza zoowel +als in versmaat. + +[56] Deze vertaling is verschenen in de bekende uitgave: Everyman's +Library, London, Dent. + +[57] Bleheris is de Fransche vorm voor het Latijnsche Bledhericus en +het Welsche Bledri of Bréri. Waarschijnlijk wordt hier dan ook bedoeld +de Bledhericus, die als "famosus ille fabulator" genoemd wordt door +Giraldus Cambrensis in zijn "Descriptio Cambriae" chap. XVII en volgens +de verklaring van Gaston Paris is hij dezelfde Bréri, aan wiens zangen +Thomas verklaart zijn "Tristan" te hebben ontleend. (Zie Inleiding +tot de Sage van Tristan en Isolde). Deze Bledhericus, die geboortig +was uit Wales, moet volgens Gaston Paris geleefd hebben in het begin +der 12e eeuw, Jessie Weston stelt den tijd van zijn leven nog vroeger. + +[58] Zie: Société Historique et cercle Saint Simon, Bulletin no. 2, +p. 99, Paris 1883 en: Romania XVIII, bld. 588. + +[59] Zie: Studies in the Legend of the Holy Grail, A. Nutt, London +1888. + +[60] De beroemdste onder hen was de reeds genoemde Bledhericus, +die door Giraldus Cambrensis vermeld wordt in zijn werk: Descriptio +Cambriae. + +[61] Deze denkbeelden worden gesteund door Prof. Zimmer, die het +bewijsmateriaal voor zijne stellingen tracht te vinden door eene +nauwkeurige studie te maken van de eigennamen, welke in de Arthur-sagen +voorkomen en waarvan er volgens hem vele van Bretonschen oorsprong +zijn. (Zie Inleiding tot de Tristan-sage). + +[62] Voor de overleveringen aangaande Arthur's dood, zie Algemeene +Inleiding. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Sagen van Koning Arthur en de Ridders +van de Tafelronde, by Nelly Montijn-De Fouw + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KONING ARTHUR *** + +***** This file should be named 23759-8.txt or 23759-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/3/7/5/23759/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
