summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/23759-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '23759-8.txt')
-rw-r--r--23759-8.txt18759
1 files changed, 18759 insertions, 0 deletions
diff --git a/23759-8.txt b/23759-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..b2e1ba1
--- /dev/null
+++ b/23759-8.txt
@@ -0,0 +1,18759 @@
+The Project Gutenberg EBook of Sagen van Koning Arthur en de Ridders van
+de Tafelronde, by Nelly Montijn-De Fouw
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
+
+Author: Nelly Montijn-De Fouw
+
+Illustrator: Arthur Rackham
+
+Release Date: December 7, 2007 [EBook #23759]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KONING ARTHUR ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ SAGEN VAN KONING ARTHUR
+ EN DE RIDDERS VAN DE
+ TAFELRONDE.
+
+
+
+
+
+ AAN MIJN MAN.
+
+
+
+
+
+
+
+ SAGEN VAN
+ KONING ARTHUR
+ EN DE RIDDERS VAN
+ DE TAFELRONDE
+
+
+
+ DOOR
+
+ NELLY MONTIJN-DE FOUW,
+
+ GEILLUSTREERD DOOR
+
+ ARTHUR RACKHAM.
+
+
+ ZUTPHEN--W. J. THIEME & CIE.
+
+
+
+
+
+
+
+ALGEMEENE INLEIDING.
+
+
+Doordat ik mij bij mijne studie in de Engelsche Taal en Letterkunde
+meer in het bijzonder had beziggehouden met de studie der Arthur-sagen
+en dus wist, hoe uitgebreid het veld daarvan is, heb ik niet dan met
+eenige aarzeling de bewerking van eenige dier sagen voor de pers op
+mij genomen.
+
+Het was inderdaad niet gemakkelijk om uit het groote aantal
+Arthur-sagen, welke verspreid zijn over de letterkunde van bijkans
+gansch Europa, eene geschikte keuze te doen. Of ik hierin geslaagd
+ben met de tien verhalen, welke in de volgende bladzijden zijn
+opgenomen--de toekomst zal het leeren!
+
+Het ligt voor de hand, dat ik door mijne reeds genoemde studie gedreven
+werd om mij, wat de keuze der sagen betreft, het eerst te wenden tot
+de Engelsche letterkunde; het meerendeel mijner verhalen is dan ook
+hieraan ontleend.
+
+Een tweetal sagen: de sage van den Leeuwenridder en die van Erec en
+Enide hebben elk als bron een gedicht van Chrétien de Troies, den
+Franschen hofdichter uit de 12e eeuw, wiens groote verdiensten voor
+de ontwikkeling der Arthur-sagen nauwelijks kunnen worden overschat
+en op wiens werken ik nog meermalen hoop terug te komen.
+
+De Tristan-sage mag beschouwd worden te behooren tot de
+wereld-literatuur, aangezien dichters van alle tijden en van alle
+volken haar tot onderwerp van hunne werken hebben gekozen.
+
+De Parcival- en Graal-sagen vonden hare hoogste volmaking in het
+Middel-Hoogduitsche gedicht van Wolfram von Eschenbach, hetwelk ik
+daarom in mijn verhaal gevolgd heb.
+
+Ik heb mij, wat betreft deze beide verhalen, van eene opname in mijn
+bundel niet laten weerhouden door het feit, dat zij reeds in andere
+sagenbundels zijn verschenen. [1] Beide behooren tot den Arthur-cyclus;
+de naam van Tristan wordt reeds in de oudste documenten verbonden met
+dien van Koning Arthur [2] en het verhaal van zijne liefde voor de
+schoone Isolde moet dus zeer zeker beschouwd worden als behoorende tot
+de Arthur-sagen. Wat het Graal-verhaal betreft, deze zeer bijzondere
+sage houdt zulk een nauw verband met de lotgevallen van de ridders
+der Tafel-Ronde en heeft bovendien zulk een grooten invloed gehad op
+het wezen der Arthur-legenden, dat men haar in eene verzameling als
+deze moeilijk zou kunnen missen.
+
+Het eerste en het laatste der opgenomen verhalen, waarin eene
+beschrijving wordt gegeven van Arthur's Komst en Arthur's Dood,
+bevatten de oudste overleveringen aangaande dezen held; die
+overleveringen zijn van zuiver Britschen oorsprong. De andere verhalen,
+mogen zij al door mij aan de Engelsche letterkunde zijn ontleend,
+zijn toch steeds in hunnen oorspronkelijken vorm terug te voeren tot
+oud-Fransche dicht- of prozawerken.
+
+In deze tien verhalen hoop ik in hoofdtrekken een beeld te hebben
+gegeven van de Arthur-sagen, zooals deze zich in de 12e en 13e eeuw
+verspreidden over de letterkunde van Europa. Het kan uiteraard slechts
+een zeer gebrekkig beeld zijn, want het aantal sagen, dat zich in
+den loop dezer eeuwen rond den eigenlijken kern ontwikkeld heeft,
+is inderdaad verbazingwekkend; het bestek dezer uitgave maakte echter
+eene beperkte keuze noodzakelijk.
+
+In verband hiermede moet ik met een enkel woord mijn leedwezen betuigen
+over het feit, dat ik uit de Middel-Nederlandsche letterkunde,
+welke toch ook verscheidene Arthur-sagen bevat, geen enkel verhaal
+heb overgenomen.
+
+Niet gaarne zou ik den schijn op mij laden, als keurde ik de
+letterkunde van mijn eigen land minder aandacht waardig dan die van
+andere landen. Waar echter na de Britsche Arthur-sagen de oud-Fransche
+ridderromans door hunne grootere oorspronkelijkheid mij vóór alles
+de vermelding waard schenen, zoo moge gebrek aan plaats-ruimte als
+mijne verontschuldiging dienen, dat ik geen gelegenheid had, ook een
+der Middel-Nederlandsche Arthur-romans in mijn bundel op te nemen.
+
+Het zij mij echter vergund, hier een kort overzicht te geven van de
+meest belangrijke der Arthur-verhalen van Nederlandschen bodem.
+
+Op enkele uitzonderingen na zijn het vertalingen en min of meer
+getrouwe navolgingen van Fransche romans, welke door Vlaanderen
+en Brabant ons land waren binnengekomen. Immers aan het hof van
+Vlaanderen, onder de hooge bescherming der kunstlievende Vlaamsche
+graven en gravinnen, kwam de Fransche dichtkunst tot ongekenden bloei
+en hier ontstonden ook de beste ridderromans uit die dagen.
+
+Geen wonder, dat deze verhalen ook spoedig doordrongen tot in ons land,
+waar zij een dankbaar onthaal vonden, al was de geest, die eruit sprak,
+geheel vreemd aan den volksaard hier te lande.
+
+Het meerendeel der Middel-Nederlandsche Arthur-sagen is tot ons
+gekomen in de groote Lancelot-compilatie: eene verzameling sagen,
+welke in het begin der 14e eeuw werd bijeengebracht door Lodewijk van
+Velthem. Het werk omvat drie deelen: 1º een zeer uitgebreid berijmd
+verslag van de avonturen van Lancelot, welk verslag helaas slechts
+gedeeltelijk tot ons is gekomen, 2º de Graalqueste en 3º Artur's
+Dood. Verder komen in deze compilatie voor: een roman over Percevael,
+[3] waarvan slechts een duizendtal versregels bewaard zijn gebleven,
+een Walewein-boek, een roman "van den Ridder metter Mouwen", en een
+"van de Wrake van Ragisel" benevens nog enkele andere. Deze verhalen,
+oorspronkelijk onafhankelijk van elkander, werden door Velthem
+door zijn Lancelot-roman heengevlochten, de onderlinge samenhang is
+echter zeer gebrekkig. Bijzondere vermelding onder deze toegevoegde
+romans verdient het verhaal van Ferguut, den eenvoudigen boerenzoon,
+die door zijne liefde voor de schoone Galiene zich ontwikkelt tot
+een volmaakt ridder. Deze roman is in zijn geheel bewaard gebleven,
+het is eene bewerking, waarschijnlijk door twee dichters, van den
+Franschen roman Fergus.
+
+Ook vinden wij in de Lancelot-compilatie den roman van Moriaen, die
+te meer onze belangstelling vraagt, omdat hiervan geen bron bestaat
+en wij hem dus als een oorspronkelijk werk mogen beschouwen. Dit is
+ook het geval met den roman van Walewein, die geschreven werd in de
+13e eeuw door de dichters Penning en Vostaert.
+
+Jacob van Maerlant (± 1235-± 1290), de beroemde Vlaamsche dichter
+en schrijver, wijdde in de eerste periode van zijn werktijd zijne
+volle aandacht aan den ridderroman. Hij vervaardigde bewerkingen
+van de romans van Merlijn, den Graal en van Torec, alle tusschen de
+jaren 1257-1264.
+
+"De Historie van den Grale" en "Merlijns Boeck" vormen te zamen de
+vertaling van een Franschen proza-roman van Robert de Borron. In 1326
+voltooide Lodewijk van Velthem "het boek van Koning Artur", dat zich
+bij Maerlant's "Merlijn" aansluit en de vertaling is van een Fransch
+"Livre du Roi Artus."
+
+Van den roman van Torec, die opgenomen werd in de Lancelot-compilatie,
+is tot nu toe geen Fransch origineel gevonden, dus is deze
+waarschijnlijk als eene oorspronkelijke schepping van Maerlant te
+beschouwen.
+
+Behalve bovengenoemde ridderromans, welke althans gedeeltelijk nog
+in wezen zijn, moeten er nog vele andere hier te lande bekend zijn
+geweest. Zoo maakt Maerlant in zijne verschillende werken melding
+van de volgende verhalen: "Tristan en Isoude", "Octaviaan", "Madocs
+Droom" en "Amadas en Ydoine", van deze zijn echter geen Nederlandsche
+bewerkingen bewaard gebleven.
+
+Na deze korte uitweiding op het gebied der letterkunde van ons eigen
+land keeren wij terug naar de sagen in dezen bundel.
+
+In de inleidingen, welke daaraan voorafgaan, heb ik getracht,
+een kort overzicht te geven van het ontstaan en de ontwikkeling der
+verschillende verhalen. Deze inleidingen maken _allerminst_ aanspraak
+op wetenschappelijke waarde en volledigheid; zij hebben slechts ten
+doel om hem of haar, die iets naders omtrent het wezen der sage wil
+weten, eenigszins in zijn pogen daartoe van dienst te zijn en den
+belangstellenden lezer enkele werken aan de hand te doen, waarin hij
+zijne weetgierigheid kan bevredigen. Daar ik in deze inleidingen
+elke sage afzonderlijk besproken heb, wil ik hier nog slechts het
+een en ander zeggen over het ontstaan en den ontwikkelingsgang der
+Arthur-sage in het algemeen. Ook dit kan niet meer zijn dan eene
+vluchtige schets; eene eenigszins volledige beschouwing over dit zeer
+uitgebreide onderwerp zou buiten het kader dezer inleiding vallen en
+is trouwens in verschillende handboeken voor een ieder, die er belang
+in stelt, te lezen. Ik zal dus kort zijn.
+
+Wie was Koning Arthur? Wanneer en waar heeft hij geleefd? Ziedaar
+twee vragen, waarmede geleerden van alle tijden zich hebben bezig
+gehouden en tot welker beantwoording zij hebben trachten te geraken
+door een nauwkeurig onderzoek van alle beschikbare documenten, welke
+eenig licht zouden kunnen werpen in het duister dat dit vraagstuk
+omgeeft. En toch--ondanks al hun pogen--zijn zij slechts gedeeltelijk
+geslaagd. De gestalte van Koning Arthur blijft gehuld in een waas van
+geheimzinnigheid, waardoor het ons slechts nu en dan vergund wordt
+een blik te slaan op zijne werkelijke persoonlijkheid.
+
+Voor de weinige op historie berustende overleveringen van onzen held
+moeten wij ons wenden tot Wales, het land, waarheen de oudste bewoners
+van Brittannië, de Britten, een Keltische volksstam, de wijk namen voor
+de Germaansche overweldigers, die in de 5e en 6e eeuw hun land kwamen
+binnenvallen. Wij vinden den naam van Arthur het eerst vermeld in de
+"Historia Brittonum", waarvan de schrijver: Nennius of Nynniaw genaamd,
+afkomstig was uit Wales en geleefd moet hebben omstreeks het jaar 800.
+
+Zijn werk kan in twee deelen gesplitst worden; in het eerste,
+quasi-historische deel, geeft hij eene vluchtige schets van de
+geschiedenis van Brittannië van de oudste tijden af tot de achtste
+eeuw toe; het tweede deel is van meer romantischen aard.
+
+De rang, welken Arthur volgens dit werk bekleedde, was niet
+die van koning, maar van "dux bellorum". Dit was een militaire
+titel, waarschijnlijk afkomstig uit den tijd der Romeinsche
+overheersching. Als "dux bellorum" moet Arthur in de 5e eeuw de
+Britten hebben aangevoerd in niet minder dan twaalf veldslagen tegen
+de Saksen, waarvan er twee beroemd zijn geworden in de Arthuriaansche
+letterkunde. Dit zijn: de veldslag bij het slot Guinnion, waarin Arthur
+het beeld der Heilige Maagd op zijne schouders droeg, welk feit kan
+beschouwd worden als de eerste aanwijzing van zijne verheerlijking
+als held der Christenheid en de slag bij den berg Badon--Mons
+Badonis--waarvan vermeld wordt, dat Arthur bij die gelegenheid
+eigenhandig negen honderd en zestig vijanden doodde. Hierin zien wij
+de eerste kenteekenen van de neiging om onzen held te begiftigen met
+wonderbaarlijke kracht en dapperheid.
+
+Wij zien dus, dat volgens het werk van Nennius Arthur een soort
+legeraanvoerder geweest moet zijn. Wanneer wij hem nu in de oude
+verhalen van Wales bekleed zien met den rang van "imperator", moeten
+wij dit hieraan toeschrijven, dat, toen de Romeinsche keizer ophield
+macht te bezitten over Brittannië [4], het volk als vanzelfsprekend
+zijn titel overdroeg op den militairen bevelhebber, wiens ambt door
+de Romeinen was ingesteld.
+
+Van den aanvang af schijnt Arthur's naam verbonden te zijn geweest
+met het begrip van het wonderlijke en bovennatuurlijke. Lezen
+wij reeds in het eerste deel van het werk van Nennius over zijne
+schitterende wapenfeiten, welke getuigenis afleggen van zijn
+bovenmenschelijken moed, in het tweede deel, dat de z. g. "Mirabilia"
+bevat, (d. w. z. zekere natuurwonderen en andere merkwaardigheden,
+welke in Brittannië waren voorgekomen en welke Nennius volgens zijn
+zeggen beschreef, zooals anderen vóór hem gedaan hadden wordt de
+romantische zijde van zijne persoonlijkheid nog meer naar voren
+gebracht. Wij lezen hier van Arthur's hond: Cabal of Cavall, die
+met zijne voorpooten een afdruk maakte in een hoop steenen, waarvan
+sindsdien de bovenste steen nooit meer verwijderd kon worden. Waar
+men hem ook heen droeg, steeds werd hij den volgenden morgen weer op
+zijne oude plaats aangetroffen. Het maken van dien afdruk geschiedde,
+toen Arthur met zijn hond op jacht was naar het wilde zwijn Troit of
+Trwyth, waarvan ook in andere oude verhalen van Wales sprake is. [5]
+
+Verder wordt ons in de "Mirabilia" verteld van het graf, dat Arthur
+bouwde voor zijn zoon Amir, en dat voortdurend veranderde van vorm
+en grootte.
+
+Vreemd genoeg komt Arthur's naam niet voor in het oudste werk over
+de Britsche geschiedenis: "De Excidio et Conquestu Brittanniae"
+geschreven door een monnik: Gildas in de 6e eeuw. Wel noemt hij den
+slag bij Mons Badonis, doch den naam van den held van dien slag
+noemt hij niet. Wij kunnen dit misschien hieruit verklaren, dat
+Gildas behoorde tot de Romeinsche partij en met minachting neerzag
+op alles, wat Britsch was. Wij mogen dus niet van hem verwachten,
+dat hij één der leiders der Britten in zijn werk zou prijzen. Om
+soortgelijke redenen kan de naam van onzen held zijn weggelaten
+uit de Angel-Saksische Kroniek, welke ten tijde van Koning Alfred
+(871--901) begonnen werd en de geschiedenis van Brittannië geeft
+vanaf de verovering door Julius Caesar (55 vóór Chr.) tot den dood
+van koning Steven en de troonsbestijging van Hendrik II in 1154.
+
+In eene andere kroniek, de "Annales Cambriae", welke in een handschrift
+uit de 6e eeuw bewaard is gebleven, vinden wij daarentegen Arthur's
+naam vermeld in verband met eenige veldslagen, waarin hij heeft
+medegevochten. De slag van Mons Badonis wordt hierin genoemd voor het
+jaar 516, terwijl 537 wordt vermeld als zijnde het jaar, waarin de slag
+bij Camlan geleverd werd: "in which Arthur and Medraut fell". Hier
+vinden wij de eerste aanduiding van den beruchten veldslag, die door
+latere schrijvers en dichters wordt beschreven als het rampzalig
+einde van Arthur's roemrijk bestaan. [6]
+
+Reeds zijn wij aan het einde gekomen van de korte reeks
+der geschiedkundige overleveringen aangaande den persoon van
+Arthur. Thans dient nog verklaard te worden, hoe het mogelijk is,
+dat een legeraanvoerder van een klein en overwonnen volk in korten
+tijd verheven werd tot koning in het rijk der romantiek, tot vorst
+over een schitterend hof en tot heer en meester over de beroemdste
+ridders der Christenheid.
+
+Een blik op de oude letterkunde van Wales toont ons, dat de schrijvers
+van dat land niet zooveel aandacht aan onzen held hebben geschonken,
+als men zou verwachten. Weliswaar komt hij voor in den reeds genoemden
+"Mabinogion", maar slechts in vijf van de twaalf verhalen, welke in
+de vertaling van Lady Guest zijn opgenomen. In de oudste gedichten
+van Wales vinden wij slechts nu en dan melding van zijn naam en in
+de Welsche "Triaden" [7], die volgens Sir John Rhys [8] de eerste
+vermelding van Koning Arthur bevatten, zijn de toespelingen op hem,
+hoewel zeer belangwekkend, tamelijk vaag. Wij lezen hierin van
+Arthur's veldtocht tegen de Romeinen, van Modred's verraad, van den
+slag bij Camlan, van Arthur's dood en--dit is zeer belangrijk--van
+zijne begrafenis in een paleis op het eiland Avallach. [9]
+
+In eene andere Triade vinden wij den naam van onzen held in verband
+gebracht met de drie beroemde zwijnenhoeders van het land. Een hunner
+is Drystan, zoon van Tallwch, die de zwijnen hoedt van March, zoon
+van Meirchion, terwijl de eigenlijke hoeder eene boodschap voor hem
+overbrengt naar Essylt. In zijne afwezigheid komen Koning Arthur en
+zijne ridders en pogen Drystan één zijner dieren afhandig te maken,
+hetgeen hun echter niet gelukt. Drystan is natuurlijk niemand anders
+dan Tristan en Essylt is Isolde, de vrouw van zijn oom, koning Mark
+van Cornwall.
+
+Men ziet hieruit, hoe reeds in de oudste overleveringen de naam van
+Tristan met dien van Arthur verbonden is.
+
+Al deze vermeldingen wijzen op oude overleveringen betreffende den
+persoon van Arthur, welke overleveringen niet altijd begrijpelijk
+waren voor de middeleeuwsche schrijvers en daardoor vaak op verwarde
+wijze door hen werden weergegeven. Het bestaan van die overleveringen
+moeten wij in het oog houden, wanneer wij straks willen verklaren, hoe
+de verhalen omtrent onzen held plotseling zóó zeer uitgebreid werden,
+dat zij tenslotte als een der groote middeleeuwsche sagenkringen
+moeten worden beschouwd.
+
+Het mag betwijfeld worden of zij ooit tot dezen ongekenden bloei
+geraakt zouden zijn, als hieraan niet de stoot was gegeven door het
+werk van Geoffrey of Monmouth, die ons omstreeks het jaar 1139 in zijn:
+"Historia Regum Brittanniae" het eerste volledige verslag gaf van de
+Arthur-geschiedenis [10]. Het vraagstuk van Geoffrey's bronnen is nog
+steeds onopgelost; of hij ooit het "most ancient book in the British
+language" gebruikte, waarover hij in zijne opdracht aan Robert, graaf
+van Gloucester, spreekt en hetwelk hij voorgeeft ter vertaling in
+het Latijn te hebben ontvangen van een zekeren Walter, aartsdeken van
+Oxford, blijft altijd een punt van twijfel uitmaken. Hoe dit ook zij,
+zooveel is zeker, dat de schrijver door eene handige samensmelting van
+geschiedkundige--of quasi-geschiedkundige--en romantische bestanddeelen
+erin geslaagd is om Koning Arthur eene plaats te verzekeren onder de
+meest beminde helden van zijn tijd [11]. Het boek had een zeer groot
+succes, ondanks de verwijten van kroniekschrijvers als William of
+Newburgh, die het eene schandelijke bedriegerij noemde. Het succes
+blijkt wel het best uit de vele vertalingen en navolgingen. Zoo werd
+het werk korten tijd vóór den dood des schrijvers overgebracht in
+Anglo-Normandische verzen door een zekeren Geoffrey Gaimar, wiens
+gedicht echter in zijn oorspronkelijken vorm verloren is geraakt.
+
+Verder werd zijn werk tot grondslag genomen door den Normandischen
+dichter Wace, die in 1155 zijn gedicht "Brut" voltooide, waarin wij
+de gebeurtenissen uit de "Historia" vermeld zien, met bijvoeging van
+vele Bretonsche legenden en nieuwe gebeurtenissen in het leven van
+onzen held.
+
+Zoo wordt ons aangaande het sterven van Koning Arthur medegedeeld:
+niet alleen, dat hij--zooals wij reeds in de "Historia" lazen--naar
+het eiland Avalon werd gevoerd om aldaar genezing te vinden voor
+zijne wonden, maar dat hij eens vandaar zou wederkeeren, ten einde de
+heerschappij over de Britten opnieuw te aanvaarden. Dit vertrouwen in
+Arthur's onsterfelijkheid en terugkeer, de z. g. "hope of Britain",
+vinden wij in de latere geschriften over onzen held steeds weer
+uitgedrukt, maar Wace is de eerste geweest om ervan te gewagen.
+
+Ook spreekt Wace in zijn "Brut" het eerst over de Ronde Tafel, welke
+zulk eene belangrijke rol vervult in de latere Arthur-verhalen. Hij
+doet dit in de volgende woorden:
+
+
+ "Por les nobles barons qu'il ot,
+ Dont cascuns mieldre estre quidot.....
+ Fist Artus la roonde table,
+ Dont Breton dient mainte fable:
+ Ilve seeient li vassal
+ Tuit chevalment et tuit ingal." [12]
+
+
+In hedendaagsch Fransch overgezet luiden deze regels ongeveer als
+volgt:
+
+
+ Pour les nobles barons qu'il avait
+ Dont chacun voulait être meilleur _(que l'autre)_
+ Arthur faisait la ronde table
+ Dont les Bretons racontent beaucoup de fables.
+ Là s'asseyaient les vassaux,
+ Tous vaillants et tous égals.
+
+
+Deze regels bewijzen, dat men in het midden der 12e eeuw, behalve
+het werk van Geoffrey, in het verfranschte Engeland en in Normandië
+nog eene menigte andere verhalen kende over Arthur en zijne ridders.
+
+In de eerste jaren der volgende eeuw werden de werken van Geoffrey
+en van Wace voor de Engelsch-sprekende bevolking van Brittannië
+toegankelijk gemaakt door de vertaling van Layamon, een Engelsch
+priester uit Worcestershire. In zijn allitereerend gedicht: "Brut"
+treffen wij een aantal Welsche legenden aan, welke Wace niet kende. Het
+werk van Layamon geeft uiting aan de vaderlandslievende gevoelens
+van den schrijver en heeft ten doel om de "noble deeds of England"
+te verheerlijken en Arthur, den grooten Christenkoning van Engeland,
+als het ware tot zijn land en volk terug te doen keeren.
+
+In het z. g. Fransche tijdperk der Arthur-sagen wordt de kleine groep
+van Arthur en zijne twee of drie getrouwe trawanten uit de oude,
+Keltische overleveringen: Key, Bedivere en Walewein, uitgebreid
+tot een schitterenden hofkring, waarvan deel uitmaken ridders als
+Lanceloet, Tristan en Parcival, wier daden zelfs die van hun koning
+in dapperheid overtreffen.
+
+Op de wijze, waarop de Arthur-sagen in handen der Fransche dichters
+zijn gekomen, kom ik later nog met een enkel woord terug [13].
+
+Die Fransche dichters nu, met aan het hoofd de beroemde hofdichter
+Chrétien de Troies [14], hebben aan den Arthur-cyclus den vorm
+gegeven, waaronder wij hem thans kennen en bewonderen. Zij hebben
+er aan toegevoegd de sagen van Lanceloet, van Tristan en Isolde,
+van den Heiligen Graal enz. enz. Dit viel hun des te gemakkelijker,
+omdat Arthur's koninkrijk, ergens in het verre Westen gelegen, allengs
+zijne vaste grenzen verloren had en deze onbegrensdheid het mogelijk
+maakte, dat ridders uit de verste streken van het rijk der mythe zich
+onder Arthur's vanen schaarden.
+
+Wij moeten twee tijdperken onderscheiden in de behandeling van het
+Arthuriaansche thema in Frankrijk. Het eerste: dat der romans in
+versmaat, valt in de tweede helft der 12e eeuw, het tweede: dat der
+proza-romans, in de eerste helft der 13e eeuw.
+
+In Engeland werden in de 13e en 14e eeuw eveneens romantische
+gedichten over onzen held en zijne ridders geschreven; met eene enkele
+uitzondering [15] staan deze echter verre ten achter bij de Fransche
+gedichten in letterkundige beteekenis en dichterlijke schoonheid.
+
+Wij moeten hierbij echter niet vergeten, dat de kring van lezers,
+waarvoor deze Engelsche romans geschreven werden, tot de volksklasse
+behoorde, daar Fransch in die dagen de taal was van het hof en de
+hoogere kringen.
+
+Ook in Duitschland vonden de romantische gedichten grooten bijval en
+navolging. Over enkele dier gedichten hoop ik later te spreken [16].
+
+Zoo groeide en bloeide de Arthur-cyclus in de Middeleeuwen, tot wij
+hem mogen beschouwen als de meest populaire der drie groote kringen
+[17] van ridderromans uit die dagen.
+
+Waaraan moeten wij die voorkeur van het Middeleeuwsche publiek voor
+de verhalen der Tafel Ronde toeschrijven?
+
+M. W. Maccallum in zijn werk, getiteld: "Tennyson's Idylls of the
+King and Arthurian Story from the XVIth Century", Glasgow, 1894,
+vindt er eene verklaring voor. De ridderschap, zoo zegt hij, trachtte
+eene overbrugging te vinden voor de tegenovergestelde machten in de
+Middeleeuwen: de kerkelijk-godsdienstige denkbeelden der geestelijkheid
+en het ruwe leven der leeken. Toen de nieuwe leerstellingen der kerk de
+hoogere klassen der Middeleeuwsche samenleving begonnen te beïnvloeden,
+stelden deze zich niet langer tevreden met het vrije, bandelooze leven,
+dat zij tot hiertoe geleid hadden. Hoe konden zij, die hunne eigen
+meesters waren, die elken wensch of begeerte, welke bij hen opkwam,
+terstond zochten te bevredigen, die leefden in zorgelooze weelde, hoe
+konden zij een dergelijk bestaan vereenigen met de drie geloften van
+gehoorzaamheid, kuischheid en armoede, waartoe de kerk hen wenschte
+te verbinden? Toen was het, zegt Maccallum, dat de grondslagen werden
+gelegd voor het rijk der ridderschap. Al bestond dit rijk meer in de
+harten en de verbeelding der menschen dan in de werkelijkheid, toch is
+de ridderlijkheid in den loop der eeuwen nooit geheel ten onder gegaan.
+
+De ridder vormde in de Middeleeuwen als het ware de schakel tusschen
+den monnik, die zijn leven doorbracht in strenge afzondering van de
+wereld en den gewonen leek. De invloed der kerk was reeds te bespeuren
+bij den aanvang van de loopbaan des jongen ridders. Ook hij werd
+gebonden door drie geloften, weliswaar niet door de strenge geloften
+van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid, maar door die van mildheid,
+hoffelijkheid en eerbaarheid.
+
+Toch blijft hij een man van de wereld in den volsten zin des woords en
+talloos zijn dan ook de beschrijvingen van vroolijke feestgelagen, van
+zang en dans en schitterende hoffeesten, welke wij in de ridderromans
+aantreffen.
+
+Om nu de voorkeur van het Middeleeuwsche publiek voor de Arthur-sagen
+te verklaren, toont de schrijver aan, hoe van de drie groote kringen
+van ridder-romans in dien van Karel den Grooten het kerkelijke
+bestanddeel de overhand heeft. De romans van Alexander daarentegen,
+hoezeer zij ook getuigenis afleggen van de groote bekoring, welke de
+glans en pracht van het Oosten steeds voor de Westersche volkeren
+bezeten heeft, bevatten te weinig dieperen zin om op den duur te
+kunnen boeien.
+
+In de Arthur-romans, zoo besluit Maccallum zijn betoog, worden de
+beide stroomingen vereenigd tot een harmonisch geheel.
+
+Koning Arthur, wiens wonderbaarlijke heldendaden, beschreven in de
+gloeiende bewoordingen der oude Keltische verhalen, hem bij uitstek
+geschikt maakten om als held te worden vereerd, voldeed door zijn
+strijden voor het Christelijk geloof aan de eischen van hen, die vóór
+alles eene godsdienstige strekking zochten in de oude verhalen.
+
+Het einde der 15e eeuw bracht het einde der Middeleeuwen en het verval
+der ridderschap.
+
+Twee gebeurtenissen, hoe weinig zij ook op het eerste gezicht
+verband houden met het bestaan der ridderlijke samenleving, maakten
+er plotseling een einde aan. Ik doel hier op de uitvinding van het
+buskruit en die der boekdrukkunst. De eerste maakte het beeld van
+den ridder, die zich roem verwierf in den strijd met zijn lans
+en schild, tot eene onmogelijkheid. De tweede, welke eene snel
+toenemende bekendheid van andere landen en volkeren met zich mede
+bracht, doodde de illusie van de onbekende, gevaarvolle landstreken,
+waarin de ridder zich waagde, zoodra hij buiten de naaste omgeving
+van het kasteel was gekomen.
+
+Nieuwe onderwerpen begonnen de menschen te boeien; de vele ontdekkingen
+en uitvindingen eischten al hunne aandacht op en het gevolg was,
+dat de algemeene belangstelling voor de romantische verhalen uit den
+riddertijd begon te verflauwen.
+
+Op het oogenblik zelve, dat de oude verhalen van koning Arthur in de
+vergetelheid dreigden te geraken, werden zij, wat Engeland betrof,
+van den ondergang gered en neergelegd in een werk van blijvende waarde
+en bekoring.
+
+Een ieder, die zich met het bestudeeren der Arthur-sagen heeft
+beziggehouden, zal begrijpen, dat ik hier doel op de "Morte d'Arthur",
+het standaardwerk van Sir Thomas Malory.
+
+Dit werk, dat geschreven werd omstreeks het midden der 15e eeuw
+(1469), bevat eene verzameling Arthur-sagen, nagenoeg alle ontleend
+aan de Fransche ridderromans [18] en naverteld op eene wijze, welke
+ons thans nog evenzeer weet te bekoren als het publiek, waarvoor het
+geschreven werd. Malory's boek zal altijd een der standaardwerken
+blijven van de Arthuriaansche letterkunde en dichters, zooals Alfred
+Tennyson, musici, schilders en geleerden op het gebied der folk-lore
+hebben door alle tijden heen steeds daaruit hunne kennis geput.
+
+Vanaf het einde der 15e eeuw komen, zooals hierboven reeds werd
+aangeduid, andere onderwerpen de aandacht der schrijvers en dichters
+opeischen. Gedurende de volgende drie eeuwen hooren wij weinig over
+Koning Arthur en zijne ridders, hoewel het feit, dat, om bij Engeland
+te blijven, dichters als Spenser, Milton en Dryden het onderwerp
+hunne aandacht waardig keurden, als een bewijs mag dienen, dat de
+belangstelling voor de oude sagen niet geheel verdwenen was.
+
+In de 19e eeuw valt eene opleving van de waardeering voor de
+Arthur-legenden waar te nemen.
+
+De romantiek had eene algemeene belangstelling voor de Middeleeuwen
+wakker gemaakt en zoo kwamen ook de oude ridderverhalen weer voor
+het voetlicht.
+
+Niet alleen, dat geleerden van alle landen zich beijverden om de
+oude gedichten door critische uitgaven en verklarende aanteekeningen
+genietbaar te maken voor hen, die met de oude taal onbekend waren,
+niet alleen, dat er eene gansche letterkunde ontstond van belangrijke
+studies en beschouwingen over die sagen, ook de dichters van alle
+landen namen de oude verhalen ter hand en verwerkten ze in hunne
+verzen.
+
+In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik gelegenheid hebben
+op de namen van die dichters en schrijvers terug te komen, ik zal
+ze hier dus niet noemen. Zij allen bewijzen, dat de belangstelling
+voor de verhalen der Tafel Ronde thans bijkans even levendig is,
+als toen de Middeleeuwsche dichter Jean Bodel uitriep:
+
+
+ "Li Conte de Bretaingne sont si vain et plaisant!"
+
+
+Moge de volgende bladzijden er toe bijdragen om die belangstelling
+gaande te houden.
+
+
+Houten, (U.), 1920. N. M.--d. F.
+
+
+
+
+
+
+ARTHURS KOMST. [19]
+
+
+_Van de geboorte van koning Arthur._ In lang vervlogen tijden werd het
+volk der Britten geregeerd door een vorst, die uitmuntte in wijsheid en
+dapperheid. Zijn naam was Uther Pendragon, hetgeen in de oude Britsche
+taal zeggen wilde: Uther met den drakenkop. Men had hem die benaming
+geschonken, omdat hij gewoon was op zijn helm een gouden drakenkop
+te dragen.
+
+Deze vorst bestuurde zijn volk met wijsheid en verstand en voerde
+zijne dappere legerscharen ter overwinning in vele veldtochten
+tegen de Saksen, die het land met hunne woeste invallen plachten te
+teisteren. Eindelijk gelukte het Uther zijnen vijanden eene beslissende
+nederlaag toe te brengen en den vrede in zijn rijk te herstellen.
+
+Zegevierend keerden de Britsche legers terug naar de hoofdstad
+van het land, Winchester. In de landstreken, waar zij doortrokken,
+stonden de inwoners langs den weg geschaard om hen te huldigen; zij
+werden behangen met kransen van groen en bloemen, wijn en andere
+lafenis werd hun geboden en de lucht was vervuld van het gejubel
+der menigte. Nooit schalden de juichkreten hooger op, dan wanneer de
+statige figuur van Uther Pendragon zichtbaar werd. Recht en fier zat
+de koning in den zadel, met een minzamen glimlach dankte hij het volk
+voor de hem gebrachte hulde; de zon overgoot zijne vorstelijke gestalte
+met hare stralen en deed den gouden drakenkop op zijn helm schitteren.
+
+Na den glorierijken intocht in Winchester, riep Uther zijne baronnen
+bijeen, om aldaar met hem het Paaschfeest te vieren. Van alle zijden
+kwamen de edelen met hunne vrouwen en gevolg aangereden om aan die
+uitnoodiging gehoor te geven en weldra was het in de straten der
+oude bisschopsstad een gewoel en gedraaf van knechten en vrouwen in
+hunne kleurige kleedij, die vooruit gezonden waren om alles voor de
+ontvangst hunner meesters in gereedheid te brengen.
+
+Op den dag van het heilige feest der opstanding was er in de zalen van
+het koninklijk paleis een groot gastmaal aangericht, waaraan eenige
+honderden personen deelnamen. Onder de hooge gewelven weergalmde een
+luid rumoer van stemmen, waartusschen nu en dan een vroolijk gelach
+opdaverde; nu eens klonken eenige regels van een lustig drinklied,
+dan weer ontaardde het vroolijk praten in een heftig twistgesprek,
+maar over het algemeen liet de stemming onder de gasten niets te
+wenschen over.
+
+Onder de genoodigden bevond zich ook hertog Gorlois van Cornwallis met
+zijne jonge vrouw Igerna. Deze laatste was eene plaats aangewezen
+tegenover den koning en naarmate de uren verliepen, de wijn het
+bloed in de aderen der aanzittenden verhitte en hunne hoofden
+benevelde, gingen de blikken van den vorst steeds vaker naar de
+overzijde der tafel, waar zij bleven rusten op het gelaat der schoone
+hertogin. Herhaaldelijk richtte hij het woord tot haar, hij deed
+haar de fijnste schotels toekomen en uit zijne gansche houding sprak
+duidelijk de groote bewondering, die hij voor haar had opgevat.
+
+Van zijne plaats aan den disch bespiedde Gorlois op eenigen afstand de
+houding van den vorst tegenover zijne vrouw. Met ergernis en wantrouwen
+zag hij hoe Uther teedere blikken naar Igerna wierp en haar boven
+alle andere dames de voorkeur scheen te geven. Gorlois moest zich
+op de lippen bijten om zijne woede te bedwingen, onrustig schoof hij
+heen en weer op zijn zetel, hij luisterde nauwelijks naar wat er om
+hem heen gesproken werd en liet de uitgezochte spijzen ongebruikt aan
+zich voorbijgaan; met inspanning van al zijne zintuigen poogde hij
+het gesprek, dat daarginds tusschen die beiden gevoerd werd, te volgen.
+
+Eindelijk was de maaltijd afgeloopen en verspreidde het gezelschap
+zich in het park om het paleis. Den ganschen avond week de koning
+niet van de zijde der hertogin en steeds duidelijker werd het
+den aanwezigen, dat het hem ernst was met de hulde, die hij haar
+bewees. Vol verbeten woede moest Gorlois toezien, nochtans waagde
+hij het niet, tusschenbeide te komen.
+
+Toen de gasten zich echter ter ruste hadden begeven en alles sliep in
+het paleis, gaf Gorlois zijne dienaren heimelijk bevel, zijne paarden
+te zadelen en vóór het eerste morgenkrieken was hij met zijn gevolg
+al op eenige mijlen afstands van de hoofdstad, op weg naar zijn land.
+
+De woede en spijt van koning Uther, toen hij het vertrek van Igerna
+bemerkte, kenden geene grenzen. Terstond zond hij eenige zendboden
+naar Cornwallis om den hertog te gelasten, dadelijk terug te keeren,
+maar Gorlois weigerde kortaf, aan dien oproep gehoor te geven. Zijne
+weigering deed de woede van den vorst nog toenemen, zijn hartstocht
+voor de schoone hertogin liet hem geen rust; 's nachts kon hij den
+slaap niet vatten en overdag liep hij rond als een getemd dier, al
+zijn denken slechts op één doel gericht: zijn verlangen naar haar
+te bevredigen.
+
+Eindelijk had hij een besluit genomen--hij moest, hij zou Igerna de
+zijne kunnen noemen, al moest hij haar met kracht van wapenen aan
+haren echtgenoot ontrukken. Hiertoe rustte hij een machtig leger uit
+en aan het hoofd daarvan trok hij naar Cornwallis, vastbesloten niet
+zonder Igerna huiswaarts te keeren.
+
+Gorlois had door vertrouwde dienaren laten verspieden, wat er aan
+het hof voorviel, zoodoende was de voorgenomen veldtocht van den
+vorst hem in tijds medegedeeld en kon hij zijne maatregelen nemen,
+om het welslagen daarvan zoo mogelijk te verhinderen. Ten einde de
+veiligheid van zijne vrouw zooveel hij kon te verzekeren, plaatste hij
+haar met hare vrouwen in den sterken burcht van Tintagel, die hoog op
+de rotsen aan de kust van Cornwallis gelegen was. Van de zeezijde was
+deze burcht beslist onneembaar, want de kale rotswanden rezen bijkans
+loodrecht uit het water omhoog; van de landzijde kon men hem slechts
+genaken langs een smal en bochtig bergpad, dat desnoods door twee of
+drie man verdedigd kon worden. Hijzelf begaf zich met zijne volgelingen
+in het machtige slot van Dimilioc. Zijn toeleg gelukte. Uther, die
+vernam, dat Gorlois zich in Dimilioc bevond, en niet anders meende,
+of Igerna was bij hem, sloeg het beleg voor die vesting en bewerkte
+de zware muren met zijne balken en stormrammen.
+
+Daar ontving hij het bericht, dat de hertogin met haar gevolg zich
+in het naburige slot van Tintagel bevond. Radeloos over den verloren
+tijd liet hij Merlijn, den ouden toovenaar, bij zich komen, om hem
+te vragen, wat hem thans te doen stond.
+
+Toen de koning hem de zaak had uiteengezet, zag de grijze ziener
+eenigen tijd peinzend voor zich uit, daarna sprak hij langzaam,
+met plechtige stem:
+
+"Sire, ik ben met uw lot begaan en zal u helpen. Al ken ik de pijn
+van het liefdesverlangen niet uit eigen ondervinding, ik heb de
+uitwerking ervan bij mijne medemenschen voldoende gadegeslagen om te
+weten, dat zij eene vreeselijke kwelling is, die diepe wonden slaat
+in het menschelijk hart en waarvoor geene andere genezing bestaat
+dan de bevrediging der opgewekte begeerten. Maar niet alleen om u
+van dit lijden te verlossen voldoe ik aan uw verzoek. Er is ook een
+andere reden, die mij daartoe aanzet. Luister naar mijne woorden,
+o vorst. Deze vrouw, die gij zoo boven alles bemint, zal u een zoon
+schenken, die koning zal worden over een machtig rijk, die beroemd
+zal zijn in alle streken der wereld en van wiens moed de dichters en
+zangers tot in lengte van dagen zullen gewagen. Wanneer ge mij belooft,
+dien zoon in zijne jeugd aan mij af te staan, opdat ik zijne eerste
+schreden leide op het pad der wijsheid, zoo zal ik aan uw dringend
+verlangen voldoen en nog heden nacht zult gij Igerna de uwe noemen."
+
+Met bevende stem beloofde Uther alles te zullen doen, wat Merlijn
+van hem verlangde, mits deze hem helpen wilde. Daarop ontvouwde de
+toovenaar zijn plan. Door eene geheime toovermacht verleende hij den
+koning het aanzien van hertog Gorlois, hijzelve nam de gedaante aan
+van een bloedverwant des hertogen en Ulfius, een vertrouwd vriend
+van den koning, schonk hij de gestalte van Heer Brastias, eveneens
+een volgeling van Gorlois.
+
+Zoo betraden zij het rotspad, dat naar Tintagel voerde, en vertoonden
+zich aan de poorten van het slot, die, toen de wachters den slotheer
+herkenden, terstond wijd werden geopend. Met luid gejuich begroetten
+de bewoners hun geliefden meester en ook bij Igerna bestond niet
+de minste twijfel, of het was inderdaad Gorlois, die de gevaren
+van eene vijandelijke ontmoeting had getrotseerd, om haar te
+bezoeken. Dien avond hield Uther, gelijk hij zoo vurig gewenscht had,
+de geliefde zijns harten in zijne armen en Merlijns voorspelling
+ging in vervulling: Igerna zou het leven schenken aan een zoon,
+die voorbestemd was, om de eerste vorst der Christenheid te worden.
+
+Het leger van koning Uther had tijdens de afwezigheid der aanvoerders
+een aanval gewaagd op het belegerde slot. Daarbij werd Gorlois in den
+strijd op de wallen gedood. De burcht werd door de belegeraars geheel
+verwoest en geplunderd en de ruwe krijgsknechten van den koning namen
+eruit, wat van hunne gading was. Daarna zonden zij eenige knechten uit
+de overwonnen bezetting naar Igerna, om haar den dood van haar gemaal
+te melden. Wie beschrijft echter de verbazing dezer boodschappers,
+toen zij bij het binnentreden in Tintagel hunnen heer en meester
+in levenden lijve naast de hertogin zagen zitten! Ontsteld weken de
+boden terug en zagen elkander verbijsterd aan; hoe was het mogelijk,
+dat Gorlois, dien zij met eigene oogen levenloos in zijn tent hadden
+zien liggen, thans gezond van lijf en leden voor hen zat? Hier moesten
+hoogere machten in het spel zijn, die de dooden tot het leven konden
+terugroepen. Zóózeer waren de mannen uit het veld geslagen, dat zij
+met geen enkel woord van het doel hunner komst waagden te reppen.
+
+Nog dienzelfden dag keerde Uther naar zijn leger terug, onder
+voorwendsel, dat hij trachten wilde, zich met zijn vorst te
+verzoenen. In zijn kamp aangekomen, hoorde hij, wat er geschied was
+en hoewel de dood van den dapperen Gorlois hem leed deed, kon het niet
+anders, of zijn hart klopte sneller bij de gedachte, dat nu de eenige
+belemmering voor de vervulling zijner droomen uit den weg was geruimd.
+
+Zoo spoedig mogelijk keerde hij naar Tintagel terug, waar weldra het
+huwelijk tusschen hem en Igerna op plechtige wijze werd ingezegend.
+
+Toen de tijd daartoe aangebroken was, werd op een morgen in het
+vroege voorjaar aan Uther een zoon geboren. Men wikkelde het kind in
+linnen doeken en droeg het de breede trappen van het kasteel af, het
+park door, tot men aan eene kleine poort in den slotmuur kwam. Daar
+wachtte de oude Merlijn, die met eerbiedige teederheid het kind in
+zijne armen nam. Hij bracht het naar de woning van een eenvoudig,
+rechtschapen edelman, Ector genaamd, wiens vrouw den jonggeborene
+als haar eigen kind opnam en verzorgde.
+
+
+
+_Van Uther Pendragons dood en hoe Arthur tot koning werd gekozen._
+Nadat Uther lange jaren gelukkig met Igerna geleefd had, openbaarde
+zich bij hem eene sleepen de kwaal, die hem weldra aan den rand
+van het graf bracht. Ondanks de hulp van bekwame heelmeesters en de
+liefderijke verzorging zijner echtgenoote was het een ieder weldra
+duidelijk, dat de koning sterven moest. Rouw en droefenis heerschten
+alom in het land, toen de mare van het naderend einde zich onder het
+volk verspreidde, maar de vijanden des konings vatten nieuwen moed
+en zonnen op wraak. Zij sloten een geheim verbond met de heidensche
+volksstammen buiten de landgrenzen en deden een onverhoedschen
+inval in het rijk. Toen vlamde Uthers oude strijdlust voor het
+laatst op tot eene laaiende vlam en hij zwoer een duren eed, dat
+hij de verraders zou straffen voor hun snooden toeleg. Daartoe riep
+hij zijne vazallen om zijn ziekbed bijeen en wist hen door zijne
+onverflauwbare geestdrift en vastberadenheid zoodanig te bezielen,
+dat zij beloofden, alles te zullen doen, wat in hun vermogen lag,
+om de orde in het rijk te herstellen.
+
+Zoo ziek als hij was, liet de koning zich temidden zijner soldaten
+dragen en maakte den veldtocht persoonlijk mede. Zijne tegenwoordigheid
+werkte bezielend op den geest zijner strijders en de heidenen moesten
+tot hunne schande ondervinden, dat er met den zieken koning niet te
+spotten viel.
+
+Ten einde raad namen zij hunne toevlucht tot verraad. In de nabijheid
+van Uthers legerplaats bevond zich eene bron, waaruit de dienaren des
+konings gewoon waren diens drinkwater te putten. De valsche verraders
+strooiden nu een snelwerkend gif in het heldere bronwater en reeds den
+volgenden morgen bezweek koning Uther onder de vreeselijkste pijnen.
+
+Wat nu te doen? Voor zoover de baronnen wisten, was hun vorst
+gestorven zonder een rechtmatigen erfgenaam van den troon na te
+laten. Wie moest nu in zijne plaats regeeren en het land voor de
+rampen van een burgerkrijg behoeden? Goede raad was duur en in
+hunne wanhoop wendden de edelen zich tot Merlijn. Deze gaf toen den
+aartsbisschop van Canterbury opdracht, om alle ridders van het rijk
+samen te roepen in Londen, waar zij gezamenlijk het Kerstfeest zouden
+vieren. Op den heiligen geboortedag van Christus, zoo voorspelde
+hij, zou God een wonder doen geschieden, om den man aan te wijzen,
+die het arme, geteisterde land tegen de invallen der barbaren zou
+weten te beschermen.
+
+Zoo geschiedde het. Op den Kerstmorgen verzamelden de vazallen zich
+in de trotsche St. Paulskerk om de heilige mis bij te wonen. Vroom
+prevelden zij hunne gebeden, plechtig klonken de koraalgezangen
+door de hooge ruimte en eene stemming van wijding heerschte onder de
+nedergeknielde menigte.
+
+Voor het hoogaltaar stond de grijze prelaat en hief de heilige hostie
+omhoog, met handen, die beefden van godsdienstige ontroering, terwijl
+hij met trillende stem God smeekte om een redder te zenden in den nood.
+
+Toen de ridders na afloop der godsdienstoefening uit het kerkgebouw
+traden, zagen zij een ongewoon schouwspel op het ruime plein vóór
+de kathedraal. In een hoek, tegen de muren der kerk, lag een groot,
+grijs steenblok. Hoe dit daar gekomen was, wist niemand, zeker was het,
+dat het gedurende den dienst op onverklaarbare wijze daarheen moest
+zijn gebracht. Op het steenblok rustte een massief ijzeren aanbeeld
+en daarin stak een groot slagzwaard, welks gouden scheede glinsterde
+in de morgenzon.
+
+Weldra had zich om het aanbeeld eene dichte haag van nieuwsgierigen
+verzameld, die tevergeefs trachtten de vreemde letters te ontcijferen,
+welke in het zwaard stonden gegrift. Ook beproefden velen het wapen
+uit het aanbeeld te trekken, maar er was geene beweging in te krijgen
+en spoedig zagen zij dan ook het nuttelooze van hun pogen in.
+
+Na zich verdiept te hebben in allerlei gissingen omtrent de herkomst
+van den steen, gaven de ridders eindelijk het zoeken naar eene
+verklaring van het raadsel op; zij wezen vier onder de jongere
+edellieden aan, om den steen te bewaken en begaven zich aan den
+maaltijd.
+
+Na afloop daarvan zou een groot steekspel gehouden worden op het open
+veld vóór het koninklijk paleis, waarvoor duizenden toeschouwers waren
+samengestroomd. Onder de ridders, die zich voor de deelneming aan het
+tournooi hadden opgegeven, behoorde ook Key, de zoon van Ector. Deze
+laatste was met zijn gansche gezin, waaronder ook Arthur, thans een
+knaap van vijftien jaren, naar Londen getogen om bij dit wapenfeit van
+Key tegenwoordig te zijn. Op het laatste oogenblik, even vóór de strijd
+zou beginnen, bemerkte Key, dat er eene kleinigheid haperde aan zijn
+zwaard, waardoor het in den strijd onbruikbaar zou zijn. Niet wetend,
+wat te doen, verzocht hij zijn jongen pleegbroeder, hem een zwaard te
+halen uit de uitrusting van een der andere ridders. Gewillig liep de
+jonge Arthur naar den ingang van het slot, toen zijn oog werd getroffen
+door het glinsterend zwaard in den steen. De ridders, die aangewezen
+waren om de wacht bij het wapen te houden, hadden zich een oogenblik
+verwijderd, om naar de toebereidselen voor het steekspel te gaan zien
+en zoo stond het zwaard onbewaakt en schitterde en straalde in den
+zonneschijn. Arthur, die niet tegenwoordig was geweest bij de mis en
+dientengevolge nog niets vernomen had omtrent de vreemde verschijning
+van het steenblok op het kerkplein, ontwaarde met vreugde het wapen,
+dat hem als 't ware in de hand gegeven werd. Met vlugge schreden liep
+hij op het aanbeeld toe, nam het zwaard bij den rijk versierden greep
+en ziet--zonder eenige moeite trok hij het uit het aanbeeld los. In
+een oogwenk was hij ermede bij Key teruggekeerd, maar toen deze
+het kostbare wapen in handen nam, kon hij niet nalaten te vragen,
+van wien zijn broeder dit fraaie zwaard ter leen had ontvangen. "Van
+wien?" herhaalde de jongeling lachend, "wel, van niemand! Toen ik
+op het punt was, het paleis binnen te gaan, ontdekte ik plotseling
+op het plein voor de kathedraal een stalen aanbeeld, dat rustte
+op een steenblok en waarin dit zwaard was gestoken. Daar het wapen
+aan niemand scheen toe te behooren, en het er schoon en deugdelijk
+uitzag, meende ik niet beter te kunnen doen, dan het voor u mede te
+brengen. Zonder de minste moeite trok ik het uit het staal en liep
+er fluks mee hierheen. Moge het u in den strijd veel geluk brengen!"
+
+In stomme verbazing had Key naar de woorden van zijn pleegbroeder
+geluisterd, ook hij had nog niets van de vreemde ontdekking vernomen
+en begreep dus weinig van de zonderlinge beschrijving, die Arthur hem
+gaf. Aarzelend bezag hij het fraaie wapen, dat hem zoo verleidelijk
+toeblonk, maar hij dorst het niet gebruiken, eer hij zijns vaders
+raad had ingeroepen. Juist kwam Ector aangeloopen en binnen weinige
+oogenblikken had Key hem het gebeurde medegedeeld. Toen geschiedde
+er iets wonderlijks.
+
+
+
+_Hoe koning Arthur als koning gehuldigd werd._ De bejaarde ridder viel
+voor zijn pleegzoon op de knieën en riep met eene stem, die beefde
+van aandoening: "Heil u, o koning, gij, die door God gezonden zijt,
+om het land te redden uit den nood en ons volk te voeren langs wegen
+van roem en eer!"
+
+Met groote, verschrikte oogen blikte Arthur op zijn pleegvader neer,
+wiens woorden hem als een raadsel in de ooren klonken, maar toen Ector
+hem het geheim zijner geboorte verklaarde en Merlijn hem de waarheid
+daarvan kwam bevestigen, drong het besef zijner hooge roeping allengs
+tot hem door. Al voelde hij zich eensdeels bezwaard door den last,
+dien men hem op de schouders legde, toch klopte zijn hart sneller
+bij de gedachte aan den roem, die hem in de vervulling van zijne taak
+ten deel zou vallen.
+
+Het gerucht van zijne daad verspreidde zich alras onder de aanwezige
+ridders en weldra ging de mare als een loopend vuur onder het volk,
+dat Arthur, de pleegzoon van Heer Ector, niemand anders was dan de
+wettige zoon en rechtmatige erfgenaam van den overleden koning.
+
+Toen het tournooi zou beginnen en de ridders in wijden boog het
+strijdperk binnenreden, voerden zij Arthur in hun midden en niet
+zoodra had het volk hem ontdekt, of het verbrak de omheining en
+stroomde het veld binnen onder de kreten van: "Den koning heil! Leve
+Arthur! Leve de koning!" Het was een grootsch oogenblik in het leven
+van den jongen prins, toen hij voor de eerste maal de hulde van zijn
+volk in ontvangst mocht nemen.
+
+De heldere winterzon bescheen het kleurige schouwspel--naar alle zijden
+strekten zich de besneeuwde velden van Engeland uit en op het van
+sneeuw gezuiverde, groene grasveld verdrong zich de joelende, juichende
+menigte van poorters en poorteressen in hunne bonte kleederdracht,
+waartusschen de wapenrustingen en bepluimde helmen der ridders
+glinsterend afstaken. Temidden van die mengeling van kleuren troonde de
+jonge, blozende knaap op zijn vurig ros. Vroolijk zwaaide hij naar alle
+kanten met zijn muts, de wind speelde door zijne blonde lokken, zijne
+oogen glinsterden van trots en vreugde en de opwinding kleurde zijne
+wangen helder rood. Met welgevallen zag Merlijn op eenigen afstand
+toe; zijn opzet was gelukt, met groote geestdrift schaarde het volk
+zich om zijn jongen vorst, wiens plotseling verschijnen in de ure des
+gevaars door eene bovenaardsche macht bewerkstelligd scheen te zijn.
+
+Korten tijd daarop ondernam Arthur zijn eersten veldtocht aan het hoofd
+zijner troepen en ziet--het scheen of deze met een onweerstaanbaren
+moed en volhardingszin bezield waren. De zegevierende legers drongen
+door tot in de verste hoeken van het koninkrijk en brachten den
+heidenschen horden eene verpletterende nederlaag toe. Ten slotte waren
+Wallis, Schotland en Ierland van de kwellingen der barbaren bevrijd en
+kon de koning met een gerust gemoed naar zijne hoofdstad terugkeeren.
+
+Eens geschiedde het, in een strijd tegen oproerige vazallen, dat
+Arthur zijn zwaard verloor. Den nacht daarop bracht hij in gezelschap
+van Merlijn door in de woning van een vromen kluizenaar. Toen hij den
+volgenden morgen, na het bijwonen der mis, vertrekken wilde, verzocht
+Merlijn den jongen vorst hem te vergezellen naar eene naburige plek,
+waar Arthur, zoo beloofde de toovenaar, een nieuw wapen zou vinden.
+
+Na eenigen tijd zwijgend door een bosch te zijn gegaan, kwamen zij
+aan een klein meer, zooals men dikwijls in dichte wouden verscholen
+vindt. Op het watervlak, dat donker beschaduwd werd door de boomen,
+die het meertje omringden, groeiden hier en daar waterplanten, een
+enkele blanke waterlelie dreef er tusschen, langs den oever schoten
+riet en biezen welig omhoog. Geen geluid verbrak de stilte van deze
+eenzame plek, het droomerig ruischen van den wind door de boomen en
+het kraken der dorre takken onder de voeten der tochtgenooten waren de
+eenige klanken, die vernomen werden. Vragend zag Arthur zijn grijzen
+begeleider aan, maar deze zweeg en wees slechts naar het midden van
+het meer.
+
+Nieuwsgierig volgde de jeugdige vorst deze aanwijzing met de oogen,
+geen golfje beroerde het watervlak, tot plotseling uit de donkere
+diepte een arm omhoog stak, gehuld in wit fluweel, die een glinsterend
+zwaard omhoog hief.
+
+Toen kwam er beweging in de gestalte van den ouden ziener; met een
+snel gebaar beduidde hij Arthur, om plaats te nemen in een bootje,
+dat tusschen het riet verborgen lag, en naar het midden van het meer
+te roeien, waar de hand hem wenkte. In een toestand van verbijstering
+gaf Arthur aan dit bevel gehoor en nam eerbiedig het zwaard uit de
+blanke hand aan, die daarop in het water verdween. Het was een wapen
+van groote schoonheid; de greep was van het zuiverste goud, bezet
+met flonkerende edelgesteenten en de kling was van het beste staal,
+sterk en veerkrachtig en glinsterend als zilver. In het goud van den
+greep waren letters gegrift in eene vreemde taal en langs den rand
+stond de naam van het zwaard te lezen: _Excalibur_.
+
+Toen Arthur zich dien dag in het gevecht waagde en het zwaard
+Excalibur uit de scheede trok, werden zijne vijanden verblind door
+den schitterenden glans van het staal; ontzet deinsden zij achteruit
+en toen Arthur het wapen met krachtigen zwaai door de lucht bewoog,
+duurde het niet lang, of zij namen in wanorde de vlucht.
+
+
+
+_Hoe de edelen er bij den koning op aan drongen, dat hij een huwelijk
+zou sluiten en hoe hij Merlijn vertelde van zijne liefde voor Ginevra._
+Toen Arthur het land eenigen tijd in vrede geregeerd had, begonnen
+de ridders en edellieden er op aan te dringen, dat hun koning een
+huwelijk zou sluiten, om te verhoeden, dat het rijk na zijn dood in
+vreemde handen zou overgaan. Als steeds wendde de koning zich tot
+Merlijn, om diens raad in te winnen. Toen de toovenaar hem vroeg,
+of hij zijne keuze reeds bepaald had, knikte de jongeling blozend
+van ja en op Merlijns verder aandringen vertelde hij hem het volgende.
+
+Eenigen tijd tevoren was er een verzoek om hulp ingekomen van koning
+Leodogran van Cameliard, wiens landstreken te lijden hadden onder
+de invallen der heidenen. Getrouw aan zijne roeping om de boozen te
+bestrijden en de zwakken te helpen, waar hem daartoe de gelegenheid
+geboden werd, was Arthur met een leger naar Cameliard getrokken, om
+te zien, wat hij doen kon. Zoo was hij langs den burcht van koning
+Leodogran gereden te midden zijner ridders, gekleed als dezen in eene
+eenvoudige wapenrusting, een stalen helm op het hoofd, zooals hij op
+zijne veldtochten placht te dragen.
+
+De bewoners van den burcht stonden op de wallen geschaard en begroetten
+het voorbijtrekkende leger met uitroepen van vreugde en dankbaarheid.
+
+Maar Arthur zag niet op; zijn blik werd geboeid door een groepje
+personen, die zich naast de poort van den burcht hadden opgesteld.
+
+Daar, tegen den grijzen, verweerden slotmuur geleund, temidden
+harer dienaressen, stond de liefelijke gestalte van Ginevra,
+de eenige dochter van koning Leodogran en tuurde omhoog naar de
+voorbijrijdende ridderschaar, nieuwsgierig, wie van hen de jonge koning
+zou zijn. Weinig kon zij vermoeden, dat zij het hart van dengene,
+dien zij zocht, in vlam zette door hare lieftallige schoonheid en
+dat de herinnering aan haar den koning steeds bij zou blijven op zijn
+verderen tocht.
+
+Wanneer hij dreigde te versagen in den strijd tegen de heidenen,
+die, met het boschachtig terrein van Cameliard bekend, hem van alle
+zijden bestookten, verscheen opnieuw het bekoorlijke beeld der jonge
+prinses voor zijn geest en scheen hem te smeeken, om vol te houden en
+haar te redden van de gevaren, die haar bedreigden. Dan greep hij met
+vaste hand zijn zwaard Excalibur en waagde zich in het dichtst van
+het krijgsgewoel, zijne manschappen door zijn persoonlijk voorbeeld
+aansporend tot vernieuwde krachtsinspanning.
+
+Na een langen, hardnekkigen strijd gelukte het hem, de heidenen uit
+het land te verdrijven. Ook richtte hij eene slachting aan onder de
+wilde dieren, die de omgeving door hunne rooftochten onveilig maakten,
+en door de dichte wouden liet hij paden maken voor de ridders en
+jagers. Daarna keerde hij terug naar Camelot, vergezeld van de
+zegewenschen der gansche bevolking.
+
+Nooit had hij echter de schoone Ginevra kunnen vergeten en nu er
+sprake was van een huwelijk, keerden zijne gedachten vanzelf terug
+naar het beeld van de eenige vrouw, die zijn hart had weten te bekoren.
+
+Nadat hij dit alles aan Merlijn had medegedeeld, eindigde hij met
+de verklaring, dat hij prinses Ginevra en geene andere tot zijne
+echtgenoote begeerde, waarop hij zijn grijzen raadsman verzocht,
+hem bij de vervulling van dien wensch behulpzaam te willen zijn.
+
+De oude toovenaar zweeg; somber staarden zijne oogen voor zich uit,
+zijn voorhoofd was in diepe rimpels samengetrokken, als werd zijn
+geest gepijnigd door een smartelijk visioen; eindelijk opende hij
+den mond tot spreken en zeide: "Sire, liever, duizendmaal liever had
+ik gezien, dat uwe keuze eene andere was geweest. Schoon is zij en
+bevallig, de jonge prinses, maar nochtans zal een huwelijk met haar
+u geen geluk brengen. Integendeel," hier werd zijne stem luider en
+nadrukkelijker, "ik zie donkere wolken samenpakken aan den horizon,
+ik zie tweedracht en vijandschap, wantrouwen, afgunst en bedrog door
+haar toedoen de overmacht krijgen in uw rijk en het ten slotte ten
+val brengen. Daarom, o koning, kies u eene andere bruid. Er zijn vele
+schoone vrouwen in uw rijk, waarom zoudt gij deze ééne de voorkeur
+geven boven al hare zusteren?"
+
+Arthur echter wierp het hoofd in den nek en barstte uit in een luiden
+lach. "Uwe neiging tot profeteeren wordt met den dag sterker, Merlijn,"
+riep hij uit, "en krijgt de overhand boven uw gezond verstand. Hoe kan
+nu een jong meisje, dat bovendien één en al onschuld en lieftalligheid
+is, een machtig rijk als het mijne ten val brengen? Wat weet zij
+van de kuiperijen en samenspanningen van het staatkundig leven,
+zij, die nooit buiten de muren van haars vaders paleistuin geweest
+is? Neen, uwe zwartgallige bespiegelingen kunnen mij niet van mijn
+plan terughouden! Ginevra wordt de mijne, wanneer haar vader tenminste
+mijn aanzoek om haar hand niet afslaat!"
+
+Merlijn haalde gelaten de schouders op. "Tegen den overmoed der jeugd
+en den drang van het menschelijk hart valt niet te strijden," zeide
+hij, "de toekomst zal leeren, wie van ons beiden gelijk heeft." Maar
+Arthur luisterde nauwelijks naar zijne woorden; reeds woelden duizenden
+gedachten en voornemens door zijn brein en vóór alles vroeg hij zich
+af, wien hij onder zijne ridders zou belasten met de eervolle opdracht
+om bij koning Leodogran aanzoek te gaan doen om Ginevra's hand en
+de jonge prinses naar zijne hoofdstad te geleiden. Lang behoefde
+hij niet te aarzelen, Lanceloet, den dappersten zijner ridders,
+zijn strijdmakker en boezemvriend zou hij verzoeken, die hooge taak
+op zich te nemen; geen, dat wist hij, zou er zich op waardiger wijze
+van weten te kwijten. Aldus geschiedde het.
+
+Op een fraaien lentemorgen reed Lanceloet aan het hoofd van een
+talrijk gevolg de hoofdstad uit in de richting van Cameliard. Hij
+aanvaardde den tocht met gevoelens van dankbare voldoening, het geluk
+en het aanzien van zijn vorst gingen hem boven alles en dat deze
+hem nu uitverkoren had voor het volbrengen dezer gewichtige zending,
+vervulde hem met trots en vreugde.
+
+Helaas! hoe weinig vermoedde hij welke noodlottige gevolgen deze reis
+met zich brengen zou!
+
+Koning Leodogran aarzelde geen oogenblik, om zijne toestemming te
+geven tot het aanzoek des konings, integendeel, hij voelde zich
+ten hoogste vereerd en gevleid bij de gedachte, dat zijne dochter
+koningin zou worden van het machtige Britsche rijk. Toen hij Ginevra
+had medegedeeld, welke onderscheiding haar te beurt was gevallen, werd
+het jonge meisje beurtelings bleek en rood van vrees voor de onbekende
+toekomst en kinderlijk verlangen naar de weelde en eerbewijzen, die
+haar als koningin ten deel zouden vallen. Het kwam geen oogenblik
+bij haar op, om den wil haars vaders in deze te weerstreven, stipte
+gehoorzaamheid aan de bevelen harer ouders was haar van hare vroegste
+jeugd af ingeprent en ook in de keuze van haren echtgenoot was het
+haar niet vergund eene eigen meening te bezitten.
+
+Weldra werden de toebereidselen gemaakt voor het vertrek der jonge
+prinses uit hare ouderlijke woning. Op den avond, vóór zij de reis
+naar haren bruidegom zou aanvaarden, riep de koning Lanceloet
+bij zich en sprak tot hem: "Heer ridder! morgen zult gij onze
+woning verlaten om onze dochter naar het hof van haren toekomstigen
+echtgenoot te voeren. Wij hebben ervoor gezorgd, dat hare uitrusting
+en bruidschat in overeenstemming zijn met den hoogen rang, dien zij
+zal bekleeden. Maar ook aan koning Arthur zelven zouden wij gaarne een
+passend bruidsgeschenk willen aanbieden. Landstreken en kasteelen bezit
+hij in overvloed, talrijker en schooner dan ik ze hem geven kan. Toch
+weet ik iets, waar ik hem genoegen mee kan doen. Vele jaren geleden
+ontving ik van zijn vader, Uther Pendragon, dien ik in den strijd tegen
+de barbaren had bijgestaan, als belooning voor mijne hulp, de Tafel
+Ronde, waaraan honderd en vijftig ridders kunnen aanzitten. Tot heden
+ben ik er niet in geslaagd, hun aantal voltallig te maken, slechts
+honderd dappere mannen heb ik om mij heen kunnen verzamelen. Deze
+honderd nu en de Tafel zelve wil ik aan koning Arthur afstaan als blijk
+mijner ingenomenheid met het huwelijk mijner dochter. Wat dunkt u,
+zou een dergelijk geschenk den vorst welgevallig zijn?"
+
+Vol vreugde dankte Lanceloet koning Leodogran uit naam van zijn heer
+voor zijne kostbare gift en den volgenden morgen vroeg werd de reis
+naar Camelot ondernomen.
+
+In de heldere Mei-zon trok de stoet door de dichte wouden van Cameliard
+en bereikte weldra de grens van Arthurs rijk. Daar werd hij opgewacht
+door boodschappers van den koning, die Ginevra kostbare geschenken
+aanboden en haar uit zijn naam welkom heetten in haar nieuwe vaderland.
+
+Het gezelschap, waarbij zich ook de honderd ridders der Tafel Ronde
+hadden aangesloten, was nu zóó talrijk geworden, dat het onmogelijk
+was, onder het rijden steeds bij elkander te blijven. Lanceloet en
+Ginevra reden meestal op eenigen afstand voor den overigen stoet
+uit. Geen oogenblik verloor de eerste de hem toevertrouwde prinses
+uit het oog, eerbiedig bleef hij haar ter zijde en poogde haar de
+ongemakken van den langen rit zooveel mogelijk te besparen. Ginevra
+zelve voelde zich als een vrijgelaten vogel, die uit de nauwe kooi is
+ontsnapt en jubelend het onbegrensde luchtruim invliegt. Hare gansche
+jeugd had zij doorgebracht in den burcht haars vaders en van de wereld
+daarbuiten kende zij slechts de sombere dennenbosschen van Cameliard,
+waaruit de zon nooit de donkere schaduwen geheel wist te verdringen.
+
+De levenswijze aan het hof van koning Leodogran was zeer eenvoudig
+en huiselijk en het bestaan der jonge prinses verschilde dan ook niet
+veel van dat der edelvrouwen in de riddersloten uit hare omgeving.
+
+En nu? Hoe geheel verschillend was dit nieuwe landschap van dat harer
+geboortestreek! Om haar heen golfden de velden van Brittannië, badend
+in het schitterend licht der lentezon. Overal groeide en bloeide het,
+dat het een lust was om te zien, soms scheen het, of zij door eene
+zee van bloemen en welig opschietende gewassen reden, waartusschen
+de pooten der paarden geheel schuil gingen. In de helderblauwe lucht
+jubelden en kweelden de vogels; om haar heen zoemden de bijen; het was,
+of de geheele natuur feest vierde, het wonderschoone, altijd nieuwe
+feest der lente. Soms ook voerde hun weg door een boschrijk gebied,
+maar hoe verschillend waren deze loofbosschen met hun teergroen
+bladerdak, afstekend tegen den onbewolkten voorjaarshemel, van de
+sombere wouden om haar vaderlijk slot!
+
+Hier drongen de koesterende zonnestralen tot op den bemosten bodem,
+waar zij lichtplekjes tooverden van vreemden, steeds wisselenden vorm,
+hier sprongen de eekhorentjes met kluchtige sprongen van tak op tak
+en bouwden de vogels hunne nesten onder het beschuttende loover,
+hier was het àl leven, jong, dartel leven, dat men hoorde en zag!
+
+Maar niet alleen de schoone natuur om haar heen, deed het hart der
+jonge prinses luide kloppen, de hulde en eerbied, die men haar alom
+bewees, waren daar mede de oorzaak van. Zij genoot volop van die
+nieuwe gewaarwording, het middelpunt te zijn van eene bewonderende,
+eerbiedig buigende omgeving. Met kinderlijk genot liet zij zich
+door hare dienstmaagden helpen en bedienen en haar hart klopte luide
+van trots en voldoening, wanneer zij de eerbiedig knielende ridders
+genadiglijk tot den handkus toeliet.
+
+De overgang was ook zoo groot, van haar eenvoudig meisjesleven naar den
+rang van koningin, geen wonder, dat hare plotselinge vrijheid en al het
+fraais, waarmede men haar omringde, haar als 't ware bedwelmden, gelijk
+een prikkelende wijn de zinnen der menschen bedwelmt. Het kwam haar
+soms voor als een droom, dat zij het was, Ginevra, die men aansprak met
+"Hooge Vrouwe", voor wie men draafde en liep om het haar naar den zin
+te maken, die des avonds, wanneer de zon begon te dalen, hare tenten
+opgeslagen vond op eene beschutte plek en zich daar liet bedienen en
+verzorgen tot het oogenblik dat zij zich uitstrekte op eene zachte
+legerstede; die overladen werd met de fraaiste geschenken, en--dit
+kwam haar nog het wonderlijkst en schoonst van alles voor--die den
+ganschen dag een jong en hoffelijk ridder aan hare zijde vond, wiens
+levenstaak het scheen te zijn, hare reis zoo aangenaam mogelijk te
+maken. Nu, daar slaagde hij dan ook volkomen in, zoo verzekerde zij hem
+meermalen met de kinderlijke onbevangenheid, die haar in de oogen van
+haren begeleider zoo bekoorlijk maakte. Hij was de eerste jonge man,
+met wien zij langeren tijd alleen vertoefde en als vanzelf liet zij hem
+deelen in de vreugde en blijdschap over haar nieuw bestaan. Al hare
+opgetogenheid over de schoone natuur, hare lang gewenschte vrijheid,
+het heerlijke lenteweer en de fraaie geschenken van haren bruidegom
+vertrouwde zij hem toe in opgewonden bewoordingen. Wanneer zij dan
+zoo vroolijk babbelend naast hem voortreed, gevoelde Lanceloet, die
+gewoon was aan den omgang met de vormelijke edelvrouwen aan het hof,
+zich diep ontroerd door den natuurlijken eenvoud van hare ziel, welker
+aandoeningen zij zoo onbevangen voor hem bloot legde en zijn hart werd
+door medelijden bewogen, wanneer hij bedacht, hoeveel dit eenvoudige
+kind nog zou moeten leeren, alvorens zij zich geheel aangepast had
+aan de strenge etiquette van het hof.
+
+Soms gebeurde het, dat Ginevra in eene plotselinge bui van dartelheid
+haar paard de sporen gaf en van zijne zijde wegvluchtte. Hij was dan
+wel genoodzaakt, haar te volgen, al strookte een dergelijk spel niet
+geheel met den eerbied, dien hij aan zijne toekomstige meesteresse
+verschuldigd was. Maar wanneer hij haar dan had ingehaald en zij
+zich lachend en hijgend gewonnen gaf, met blozende wangen en oogen,
+die glinsterden van vreugde en levenslust, kon hij het niet over zich
+verkrijgen, dien gelukkigen lach van haar gelaat te verdrijven door
+eene toespeling te maken op de plichten van haren toekomstigen staat.
+
+Wanneer zij het overige gezelschap door hun dollen rit geheel uit het
+oog hadden verloren, gaf ook hij zich geheel over aan de bekoring
+van dit samenzijn, alleen met dit jonge, lieftallige kind, in die
+bloeiende lentewereld en ook hij voelde zich als verjongd, nu hij
+het stijve pantser der hoofsche gebruiken voor eene wijle van zich
+af kon schudden en jong kon zijn met haar.
+
+
+
+_Hoe Ginevra en Lanceloet liefde voor elkander opvatten._ Zoo verliepen
+de dagen in onbezorgd genieten, maar weldra kwam er eene merkbare
+verandering in de houding der jonge lieden. Ginevra's vroolijk gesnap
+werd meermalen onderbroken door lange poozen van stilzwijgen, waarin
+het jonge meisje mijmerend voor zich uit staarde. 's Avonds viel ze
+niet, als in de eerste dagen van hun tocht terstond in een vasten,
+droomloozen slaap, waaruit zij eerst den volgenden morgen verkwikt
+ontwaakte; neen, zij lag langen tijd te woelen tusschen de donzen
+kussens van haar rustbed en wanneer zij eindelijk insliep, had zij
+onrustige droomen, waarin haar toekomstige echtgenoot onder allerlei
+vreemde gestalten voor haar verscheen.
+
+Ook Lanceloet had de rust en de blijde tevredenheid der eerste dagen
+verloren. Hij moest zich geweld aandoen, om vroolijk en natuurlijk
+te schijnen, soms beklemde hem een gevoel van bange vrees voor de
+toekomst; dan weer joeg eene vreemde onrust hem in de eenzaamheid en
+vermeed hij Ginevra's gezelschap zooveel hij maar kon.
+
+Eindelijk kwam de ontknooping; op een zoelen Mei-avond hadden zij
+langen tijd zwijgend naast elkander voortgereden, toen plotseling
+als door eenzelfde ingeving gedreven, beiden de oogen opsloegen en
+elkander aanzagen. In dien blik verrieden zij het geheim, dat zij zoo
+angstig hadden pogen te verbergen, thans was het uit met veinzen; wat
+zij zoo langen tijd hadden gehoopt en gevreesd was nu tot zekerheid
+geworden. Geen woord werd er tusschen hen gewisseld, maar beiden
+wisten met onweerlegbare stelligheid dat zij elkander toebehoorden,
+eens en voor altijd.
+
+Eindelijk kwamen de torens van Camelot in het gezicht. Luid
+bazuingeschal en trompetgeschetter kondigden aan, dat hunne nadering
+op het kasteel was opgemerkt; weldra wapperden bontgekleurde vaandels
+en banieren van alle torens en huizen en het volk van Camelot stroomde
+de poorten der stad uit, om zijne toekomstige vorstin te begroeten.
+
+Weinige oogenblikken later heette Arthur zijne jonge bruid welkom
+binnen de muren van zijn voorvaderlijk slot. Het was een der schoonste
+oogenblikken in zijn leven, toen hij Ginevra daar zag binnentreden
+en in zijn hart dankte hij God, dat Hij hem de verwezenlijking van
+zijn schoonsten droom had toegestaan.
+
+Toen koning Arthur vernam, welk eene kostbare gift hij van koning
+Leodogran als bruidsgeschenk ontvangen had, droeg hij Merlijn op,
+het getal der ridders aan te vullen door edellieden uit zijne eigen
+omgeving. Op den dag van het huwelijk des konings zou dan de plechtige
+inwijding der Tafel Ronde plaats hebben.
+
+
+
+_Hoe het huwelijk tusschen koning Arthur en Ginevra werd voltrokken._
+Weldra brak die dag aan, een stralende Meimorgen. In de kerk van den
+heiligen Stefanus in Camelot zegende Dubricius, Aartsbisschop van de
+stad der Legioenen, in tegenwoordigheid van het gansche hof en vele
+genoodigden, het huwelijk in tusschen Arthur en Ginevra. Met diep
+bewogen stem smeekte hij Gods heiligen zegen af voor de verbintenis
+dier beide jonge menschen, daarna wees hij hen op de heilige plichten,
+die zij op zich hadden genomen, niet alleen jegens elkander, maar
+ook jegens hun volk. Ernstig, maar toch met eene uitdrukking van
+innige voldoening op zijn gelaat, hoorde Arthur naar de woorden van
+den grijzen geestelijke; vol hoop en vreugdevolle verwachting ging
+hij de toekomst tegemoet, bezield met de beste voornemens voor het
+heil van zijn land en zijn volk.
+
+Dankbaar ging zijn oog over de schare in 't wit gekleede ridders,
+die langs de trappen van het altaar stonden opgesteld; kon een man
+zich beteren steun wenschen dan deze? Toen bleef zijn blik rusten
+op de schoone vrouw aan zijne zijde en zijn hart begon onstuimig te
+kloppen van trots en geluk, zij bovenal zou hem helpen en bijstaan,
+zij zou zich met hem verheugen in den bloei van zijn rijk, maar zij
+zou ook de zorgen des levens met hem deelen en met hare zachte hand
+de rimpels van zijn voorhoofd weten weg te strijken. Inderdaad,
+wel mocht hij zich gelukkig prijzen en vol moed het leven ingaan,
+waar hij zulk eene vrouw en zulke vrienden naast zich had.
+
+Daar werden de plechtige woorden gesproken, die Arthur en Ginevra tot
+man en vrouw maakten; tegelijk viel een heldere zonnestraal door de
+gekleurde kerkvensters en belichtte het jonge paar, dat eerbiedig voor
+het altaar lag neergeknield. Arthur hief het hoofd op en zag recht
+in het stralend zonnelicht, dat zijne haren als goud deed glanzen,
+maar de jonge bruid boog het hoofd nog dieper over haar saamgevouwen
+handen, als schuwde zij den lichtstraal, die naar binnen drong.
+
+Eindelijk was de plechtigheid afgeloopen en vertoonden de jonggehuwden
+zich voor 't eerst in hun nieuwen staat aan de juichende volksmenigte.
+
+Dienzelfden middag had de inwijding der Tafel Ronde plaats. De
+koning nam plaats op eene kleine verhevenheid aan het hoofd zijner
+ridders, daarna sprak hij hen toe en zijne stem beefde van aandoening,
+toen hij hen smeekte, hem tot steun te willen zijn bij zijn pogen,
+om zijn rijk tot bloei en welvaart te brengen. Hij wees hen op de
+groote macht van het kwade in de wereld en hij zwoer hun, steeds de
+boozen te zullen bestrijden en de zwakken en hulpeloozen te helpen.
+
+Er was iets verhevens in de figuur van den jongen vorst, die bezield
+met de schoonste voornemens het leven inging; geen wonder, dat zijne
+woorden op alle aanwezigen diepen indruk maakten en menigeen de tranen
+in de oogen kreeg.
+
+Nadat Arthur zijne ridders aldus had toegesproken, verbond hij hen door
+eeden van trouw en gehoorzaamheid om mede te werken tot verwezenlijking
+van zijne idealen. Plechtig klonk het "ja! dat zweren wij" uit hunne
+monden en een glans van voldoening gleed over 's konings gelaat.
+
+Daarna trad de bisschop van Canterbury naar voren en zegende de
+zetels der Tafel Ronde. Toen daarop het oogenblik was aangebroken,
+dat de ridders voor de eerste maal zouden gaan aanzitten, klonk een
+langgerekt bazuingeschal van de vier hoeken der wallen en was het of
+een warm gouden licht in de hooge ruimte der zaal drong. En ziet,
+toen zij opstonden, vonden zij hunne namen met vergulde letters in
+den rug hunner zetels gegrift.
+
+In de volgende dagen werden de bruiloftsfeesten met grooten luister
+gevierd; de zalen van het koninklijk slot weergalmden van het gejoel
+der feestvierende menigte, op de grasvelden in het park deden de
+potsenmakers met hunne kluchtige sprongen en buitelingen de omstanders
+schudden van het lachen en in een hoek van den tuin vermaakte
+Arthurs hofnar het gezelschap met zijne dolle kwinkslagen. Vreugde en
+blijdschap heerschten alom, de ridders van de Tafel Ronde wedijverden
+in hoofsche voorkomendheid jegens de edelvrouwen; tot zelfs de natuur
+scheen feest te vieren met de menschen, want dag in dag uit straalde
+de zon aan den blauwen hemel en speelde de zoele zuidenwind tusschen
+het geboomte van het slotpark.
+
+Stralend van geluk bewoog de jonge vorst zich onder de menigte zijner
+gasten. Voor elk hunner had hij een vriendelijk woord en hij vervulde
+zijne gastheersplichten op de meest hoffelijke wijze.
+
+Zoo begon Arthurs huwelijksleven, onder zang en dans en in eene wereld,
+die jong en schoon was als hij.
+
+
+
+
+
+INLEIDING TOT DE SAGE VAN "HEER WALEWEIN EN DE GROENE RIDDER".
+
+
+Onder de volgelingen van koning Arthur, die uitmunten door kracht
+en behendigheid, is er één, die meer dan alle anderen geprezen
+wordt als een voorbeeldig ridder, in wien de ridderlijke deugden van
+eerlijkheid, offervaardigheid, zachtheid, nederigheid en hoffelijkheid
+hare hoogste volmaking hadden bereikt en wiens moed en dapperheid hem
+tot een bijkans onoverwinlijk tegenstander in het gevecht maakten. Dit
+is Walewein, de neef van koning Arthur. Wij vinden zijn naam voor
+'t eerst vermeld in William of Malmesbury's werk, getiteld: "Gesta
+Regum Angliae". In deze pseudo-historische kroniek, dagteekenend uit de
+eerste helft der 12e eeuw lezen wij eene beschrijving van het graf van
+Walewein, dat te vinden moet zijn in Ross in Pembrokeshire. Daarbij
+maakt de schrijver melding van het feit, dat onze held de zoon was
+van Arthurs zuster Morgawse, gehuwd met Lot, koning der Orcadische
+eilanden, en dus een neef van den grooten koning.
+
+In de "Historia Regum Brittanniae" van Geoffrey of Monmouth, die
+slechts een tiental jaren jonger is dan bovengenoemd werk, speelt
+Walewein eene belangrijke rol. Als afgezant van koning Arthur trekt
+hij naar het hof van keizer Lucius om aldaar te onderhandelen over
+eene schatting, die door de Romeinen geëischt wordt. Zijn optreden
+aan het hof te Rome is van dien aard, dat de oorlogsverklaring
+aan koning Arthur niet lang op zich laat wachten en in den daarop
+volgenden veldtocht onderscheidt Walewein zich door zijne trouw en
+dapperheid. Ook in den strijd tegen Modred treedt hij op den voorgrond
+als de kampioen van zijn oom en vorst.
+
+In zijne Anglo-normandische vertaling van de "Historia Regum
+Brittanniae" weet Wace niets aan de geschiedenis van Walewein
+toe te voegen; toch blijkt uit zijn werk, dat hij zijn held reeds
+uit andere verhalen kent en dat de roem van Walewein reeds ver was
+doorgedrongen. Terzelfdertijd wordt die roem bevestigd door Béroul,
+die in zijn "Tristan" aan Walewein de rol toekent van een intiemen
+vriend van den held en hem beschrijft als een voorbeeldig ridder,
+toegerust met alle deugden, die deze behoort te bezitten.
+
+In de werken van Chrétien de Troies stijgt Walewein tot het toppunt
+van zijne glorie. Hoewel geen enkel gedicht naar hem genoemd is, wordt
+hij in alle werken van dien schrijver beschreven als een onoverwinlijk
+strijder, een dapper en hoffelijk edelman, wiens gaven van verstand
+en hart hem vaak doen uitblinken boven den eigenlijken held van het
+gedicht. Walewein is het toonbeeld van wat een ridder moet zijn en
+het kan niet anders of deze volmaaktheid zijner deugden doen hem
+een weinig te kort schieten in persoonlijkheid. Hij wordt min of
+meer het "type" der volmaakte ridderschap, maar verliest daardoor
+aan individualiteit. Een gevolg hiervan is, dat hij niet, zooals
+andere beroemde Arthurridders--men denke slechts aan Parcival en
+Tristan--eene eigen levensbeschrijving heeft; ook is zijn naam niet
+steeds verbonden aan dien van eene zelfde geliefde. Walewein is bij
+uitstek de held der "romans épisodiques", die in tegenstelling met de
+"romans biographiques", slechts eene zekere periode uit het leven
+van den held tot onderwerp hebben.
+
+De latere Fransche schrijvers zijn minder hoffelijk geweest in
+hunne opvatting van Waleweins karakter. In de prozaromans, die
+dagteekenen uit het einde der 12e eeuw, zien wij onzen held eene
+gedaanteverwisseling ondergaan, die hem gansch onherkenbaar maakt.
+
+Niet langer wordt hij ons voorgesteld als een dapper ridder, wiens
+onkreukbare trouw en groote hoffelijkheid hem tot een steun der zwakken
+en een bestrijder der boozen maken--integendeel: wij worden ingelicht
+over zijne valschheid en onbetrouwbaarheid en over de lafhartigheid van
+zijne gedragingen. De oorzaak van dezen grooten ommekeer in de houding
+der romanschrijvers is niet met juistheid vast te stellen. Bijna
+zeker is het, dat Walewein oorspronkelijk de held der Graal-sage was,
+voordat deze een werktuig werd in de handen der geestelijkheid tot
+verspreiding der Christelijke leerstellingen. Ook als minnaar van
+koningin Ginevra vinden wij zijn naam genoemd vóór dien van Modred
+en Lanceloet; waarschijnlijk moest hij voor dezen de plaats ruimen,
+toen eene dergelijke onwettige liefde onvereenigbaar bleek te zijn
+met zijn ridderlijk karakter. Of dit laatste ten slotte te gunstig
+heeft afgestoken bij dat van Tristan en Lanceloet, wier beider eer
+was bevlekt door hunne zondige verhouding tot Isolde en Ginevra,
+en men hem daarom van het voetstuk heeft pogen af te lichten, waar
+hij praalde als de "chevalier sans peur et sans reproche"--zeker is
+het, dat hij in de latere ridderromans geheel en al van karakter is
+veranderd. Ook de moderne dichters, die hunne werken op deze romans
+gegrond hebben, volharden in de ongunstige opvatting van Waleweins
+karakter en Alfred Tennyson begaat in zijne Koningsidyllen eene
+groote fout, door zich bij deze onrechtvaardige beschouwing van den
+geliefkoosden held der middeleeuwsche ridderromans aan te sluiten.
+
+Dat wij Walewein inderdaad zoo mogen noemen blijkt onder meer uit het
+feit, dat hij in de Middel-Engelsche letterkunde de eenige figuur
+is, behalve dan koning Arthur zelf--die een kring van ridderromans
+om zich heen verzameld heeft, bestaande uit niet minder dan elf
+gedichten. Daarbij dient nog vermeld, dat hij bovendien eene rol
+speelt in vele andere gedichten, waar aan de beschrijving zijner
+lotgevallen dikwijls meer plaats wordt toegekend dan aan die van den
+held van het verhaal.
+
+Onderstaande sage mag met recht beschouwd worden als de hoogststaande,
+zoowel wat taal als inhoud betreft, der Middel-Engelsche letterkunde
+en wij moeten den schrijver er dankbaar voor zijn, dat hij door zijn
+werk een verheffend en blijvend eerbetoon heeft bewezen aan een der
+schoonste figuren der ridderliteratuur.
+
+Wie de schrijver van het gedicht geweest is, valt niet met zekerheid
+te zeggen. Wel kan worden vastgesteld, dat het gedicht geschreven
+werd omtrent 1370 in het Noord-Westen van Engeland.
+
+Het handschrift, waarin het tot ons is gekomen, bevat drie andere
+gedichten, die vele punten van overeenstemming vertoonen met het
+gedicht van Walewein en daarom door vele geleerden worden beschouwd
+van dezelfde hand te zijn.
+
+De geschiedenis, zooals zij hieronder vermeld staat, is op geen
+andere wijze tot ons gekomen dan in bovengenoemde Middel-Engelsche
+vertolking. Toch heeft de schrijver van "Syr Gawayne and the grene
+Knyght" geen oorspronkelijk werk geleverd. Zooals hij zelf in zijn werk
+zegt, het verhaal bestond al en was reeds sinds langen tijd "locked
+in lettered lore" geweest. Men kan dan ook bijna zeker zeggen, dat
+hij zijne stof ontleend heeft aan een Franschen of Anglo-Franschen
+ridderroman, die voor ons verloren is gegaan. Welke hiervan de
+juiste vorm is geweest, wanneer en door wien de oorspronkelijke
+roman geschreven is en welke de verhouding was tusschen het Engelsche
+gedicht en zijne oorspronkelijke bron--deze vragen wachten tot nu toe
+op een stellig antwoord, al hebben vele geleerden zich beijverd om
+eene oplossing voor het vraagstuk te vinden. De eerste schreden op
+den weg, die tot deze oplossing leidt, werden vergemakkelijkt door
+het feit, dat de twee hoofdthema's, waarin het verhaal reeds bij
+eene eerste lezing uiteenvalt, ieder afzonderlijk in verscheidene
+andere sagen en legenden voorkomen. Die twee hoofdthema's kunnen
+wij kortheidshalve "de onthoofdingsproef" en "de getrouwheidsproef"
+noemen. De "onthoofdingsproef" vermeldt, hoe een ridder uit eene
+betoovering wordt bevrijd, doordat eerst hemzelf het hoofd wordt
+afgeslagen en daarna een ander ridder zich goedschiks eveneens aan
+eene onthoofding blootstelt. De "getrouwheidsproef" geeft ons de
+beschrijving van hetgeen een ridder ondergaat bij het getrouwelijk
+nakomen der verplichtingen, die hij jegens zijn gastheer verschuldigd
+is.
+
+Over den oorsprong dezer beide thema's en over de wijze waarop zij
+tezamen zijn gebracht, bestaan natuurlijk verschillende opvattingen,
+waarvan hieronder enkele zijn aangestipt.
+
+Sir Frederick Madden, de eerste uitgever van het Middel-Engelsche
+gedicht, Richard Morris, die eene uitgave ervan bewerkt heeft voor
+de Early English Text Society, en ten Brink, de schrijver van een
+Duitsch boek over Engelsche literatuurgeschiedenis, nemen aan, dat
+"Syr Gawayne and the grene Knyght" gegrond is op eene episode uit
+de eerste voortzetting van Chrétien de Troies, "Conte del Graal",
+waar de held niet Walewein, maar Caradoc, eveneens een neef van
+koning Arthur is. Daartegenover dient gesteld de meening van Jessie
+Weston, die in haar werk, getiteld "The Legend of Sir Gawain", met
+den grootsten nadruk verklaart, dat bovengenoemde episode nooit ten
+oorsprong kan hebben gelegen aan het Middel-Engelsche gedicht.
+
+Behalve in de reeds vermelde voortzetting van de "Conte del Graal"
+komt het eerste hoofdthema: dat der "onthoofdings-proef", voor in
+verscheidene oud-Fransche gedichten. Deze bevatten evenwel niet
+de oudste wedergave van de sage, daar deze reeds voorkomt in een
+oud-Iersch heldendicht: "Fled Bricrend" of "het Feest van Bricrin",
+waarin zelfs twee vermeldingen van de proef worden gevonden. Het
+handschrift van dit epos dagteekent uit het einde der 11e eeuw, maar
+het werk zelf moet veel ouder zijn, daar het zelfs geen sporen van
+Christelijke beginselen vertoont. Bovengenoemde sage moet op een
+vroeg tijdstip doorgedrongen zijn tot het vasteland, waar wij in
+vijf verschillende ridderromans eene min of meer getrouwe navolging
+ervan aantreffen.
+
+Deze zijn: "La Mule sanz Frain", door Paiens de Maisières (begin 13e
+eeuw), welk verhaal werd opgenomen door den Duitschen dichter Heinrich
+von dem Türlin in zijn onsamenhangend en lang gedicht: "Diu Crône",
+hetwelk waarschijnlijk geschreven werd omstreeks 1210. Vervolgens werd
+de onthoofdingsperiode opgenomen in het Fransche of Anglo-normandische
+gedicht, dat ten grondslag lag aan "Syr Gawayne and the grene Knyght",
+in de bovengenoemde voortzetting van de "Conte del Graal" en in de
+prozaroman "Perlesvaus".
+
+Volledigheidshalve dient hier nog vermeld de ridderroman getiteld
+"Gauvain et Humbaut", waar hetzelfde verhaal, zij het in een zeer
+gebrekkigen vorm, wordt verteld.
+
+Wat het tweede hoofdthema: de "getrouwheidsproef" aangaat, ook dit
+treffen wij elders aan. Het vindt eveneens zijn oorsprong in oude
+volkssagen en overleveringen, waar veelvuldig melding wordt gemaakt
+van eene soortgelijke proef, waaraan bovennatuurlijke wezens hunne
+menschelijke gasten of bezoekers onderwerpen, alvorens hun toegang
+te verleenen tot hun rijk. In den oud-Franschen ridderroman "Ider"
+(eerste helft der 13e eeuw) komt eene episode voor, die groote
+overeenstemming toont met de episode uit de Walewein-sage, al treft
+ons terstond het verschil in toon tusschen den beide verhalen. In den
+"Ider" heerscht eene ruwheid in zeden en gewoonten, die bijna aan het
+barbaarsche grenst, de Walewein-sage daarentegen ademt een geest van
+hoffelijkheid en beschaving.
+
+Twee andere ridderromans: de Middel-Engelsche "Carl of Carlisle"
+en de Fransche "Chevalier à l'Epée" vermelden eene soortgelijke
+getrouwheidsproef; zij zijn waarschijnlijk gegrond op eenzelfde
+Fransch gedicht.
+
+Ten slotte vinden wij eene dergelijke gebeurtenis beschreven in twee
+korte Italiaansche gedichten uit de 14e eeuw; het eene, waarvan de
+schrijver onbekend is gebleven, is getiteld "Morale", het andere,
+waarin de held een Romeinsch edelman is en geenerlei melding wordt
+gemaakt van de Ronde Tafel, is getiteld: "Dà un exempli" en werd
+geschreven door Antonio Pucci. Waarschijnlijk wijzen ook deze beide
+terug naar hetzelfde Fransche gedicht, waar de "Carl of Carlisle"
+en de "Chevalier à l'Epée" aan ontleend zijn.
+
+Op welke wijze moeten wij nu aannemen, is uit deze hier en daar
+voorkomende episoden de met recht zoo hoog geprezen roman van "Walewein
+en de groene Ridder" voortgekomen?
+
+Ter beantwoording van deze vraag verwijzen wij naar de studie over
+onze sage, getiteld: "A Study of Gawain and the green Knight", door
+George Lyman Kittredge. Harvard University Press, 1916.
+
+De schrijver stelt als zijne meening voorop, dat de beide
+hoofdthema's der sage geheel onafhankelijk van elkander zijn in
+oorsprong en geschiedenis en slechts in deze sage tot één verhaal
+zijn vereenigd. Vervolgens gaat hij nauwkeurig het ontstaan en de
+ontwikkeling der beide thema's na en beproeft steeds de ontbrekende
+schakels in den ontwikkelingsgang, dien hij aanneemt, aan te
+vullen. Deze is ongeveer als volgt: in de 12e eeuw werd, waarschijnlijk
+in Engeland, een korte episodische roman over Walewein samengesteld,
+die ontleend was aan de onthoofdings-episode uit het oud-Iersche
+heldendicht "Fled Bricrend". Deze episodische Walewein-roman,
+geschreven in het Anglo-Normandische dialect, is verloren geraakt,
+maar de sage van de onthoofdingsproef werd er uit overgenomen in drie
+Fransche romans: 1e de "Mule sanz Frain", 2e de proza "Perlesvaus",
+waarin het verhaal een anderen held krijgt, n.l. Lanceloet en
+3e "Gauvain et Humbaut", waar het zich in een eigenaardigen vorm
+vertoont. Om en bij 1200 of een weinig vroeger werd de bovengenoemde
+Walewein-roman herzien of geheel opnieuw geschreven door een Fransch
+dichter in een dialect van het vastelands-Fransch. Deze bewerking
+van het oude verhaal was veel beschaafder en verfijnder dan de
+oorspronkelijke en hieraan was het, dat de stof werd ontleend voor de
+Caradoc-episode in de eerste voortzetting van Chrétien's Conte del
+Grael. Ten slotte was het ook uit deze bewerking, dat de Fransche
+dichter putte, die de onthoofdings-episode verbond aan een geheel
+verschillende sage omtrent onzen held en uit de samensmelting van
+die beide thema's een nieuw en samenhangend geheel deed ontstaan,
+dat weliswaar zelf verloren is geraakt, maar waarvan wij de vrije
+en oorspronkelijke bewerking in "Syr Gawayne and the grene Knyght"
+kunnen bewonderen. Het Fransche gedicht wordt door Kittredge geacht
+omstreeks 1250 tot stand te zijn gekomen.
+
+De schrijver toont vervolgens aan, in welke opzichten de Engelsche
+dichter van zijne bron is afgeweken. Dit is vooral merkbaar aan het
+slot der geschiedenis; het is geheel tegen den geest der oud-Fransche
+ridderromans, om Walewein anders dan zegevierend uit eene onderneming
+te voorschijn te doen treden en in ons verhaal keert onze held min
+of meer schuldbewust en boetvaardig naar het hof van koning Arthur
+terug. Waarschijnlijk is de ontknooping eerst geweest als volgt:
+doordat Walewein, getrouw aan zijne belofte, den zwaardslag uit de hand
+des groenen ridders heeft afgewacht, is de laatste uit een toestand van
+betoovering bevrijd en tot zijn menschelijken vorm teruggekeerd. Vol
+vreugde over zijne bevrijding besluit hij Walewein te volgen en deze
+keert zegevierend naar het hof terug, waar de groene ridder onder de
+vazallen des konings wordt opgenomen.
+
+Dat dit inderdaad de ontknooping van het verhaal is geweest, bewijst de
+schrijver uit twee andere Engelsche gedichten: "The Turk and Gawain",
+hetwelk dateert uit het einde der 14e eeuw [20] en uit eene ballade,
+getiteld: "The grene Knyght", welke voorkomt in het Percy H. S. van
+1765. Beide gaan volgens den schrijver terug op hetzelfde Fransche
+gedicht, waaraan "Syr Gawayne and the grene Knyght" ontleend is en
+toonen aan, waar laatstgenoemd gedicht van het oorspronkelijke verhaal
+is afgeweken.
+
+Eene andere opvatting omtrent het ontstaan en den groei van de sage
+vinden wij in eene studie, door J. R. Hulbert; getiteld: "Syr Gawayne
+and the Grene Knyght", die verschenen is in Modern Philology (December
+1915, April 1916). De schrijver tracht aan te toonen, in tegenstelling
+met de algemeen gehuldigde meening, dat de beide hoofdthema's der sage,
+hoewel logisch onafhankelijk, dit toch niet geschiedkundig zijn. Tot
+bewijs dezer stelling toont schrijver aan, dat in drie der verhalen,
+waarin de onthoofdingsproef voorkomt, deze dienen moet om den held te
+helpen in het veroveren zijner geliefde, die geen menschelijk wezen,
+maar eene fee is.
+
+Waartoe nu, zoo zegt schrijver, dient die beproeving bij
+Walewein? Zeker niet, om den held te vernederen, want--en dit is
+inderdaad een onverklaarbaar element in het verhaal--Morgan, de
+bekende toovenares, die in vele Arthur-verhalen voorkomt en ook in
+deze geschiedenis hare macht doet gelden, moet als toovenares vooruit
+hebben geweten, wat het resultaat zou zijn van de wraakneming,
+die zij wenschte te volvoeren. Welnu dan, zegt schrijver, indien
+het niet was om Walewein en in hem de ridders van de Ronde Tafel te
+vernederen, dan was het ook hier, om hem de hand zijner geliefde te
+doen winnen. De feiten, die tegen de houdbaarheid eener dergelijke
+veronderstelling schijnen te spreken, zijn 1e dat de schoone vrouw
+van Heer Bernlak slechts voorwendt haren gast lief te hebben en 2e
+dat Walewein de beproeving van den bijlslag eerst ondergaat, nadat
+de dame hem hare liefde heeft aangeboden. Deze punten verklaart de
+schrijver door aan te nemen, dat het oorspronkelijke verhaal gewijzigd
+is, om te kunnen dienen als dichterlijke verklaring voor de stichting
+eener orde. Inderdaad hebben vele geleerden verband gezocht tusschen
+het dragen van den groenen gordel en de stichting der orde van den
+Kouseband door Richard III in 1345.
+
+Dit verband wordt bevestigd door het feit, dat wij aan het einde van
+het M. S., als later daaraan toegevoegd, het devies van deze orde
+geschreven vinden. Bovendien zien wij hoe in den reeds genoemden 15e
+eeuwschen ridderroman "The grene Knyght" hetzelfde verhaal gebruikt
+wordt, om den oorsprong van de Bath-orde te verklaren.
+
+Mr. Hulbert is eveneens van meening, dat het Middel-Engelsche gedicht
+voor dit doel gebruikt is, d.w.z. als verklaring voor de stichting
+van eene orde, echter niet, zooals wij zullen zien van die van den
+Kouseband. Om die reden, zoo zegt hij, werden de gebeurtenissen in
+het verhaal gewijzigd. Doordat de dichter de orde wilde verbinden aan
+het begrip van trouw en eerlijkheid, stelde hij de liefdesbetuigingen
+der burchtvrouwe voor als eene zware verleiding, waartegen de held te
+strijden had en verplaatste hij de tooneelen tusschen hen naar het
+gastvrij slot, waar volgens de oude overleveringen de held verblijf
+houdt alvorens zich door de onthoofdingsproef den toegang tot de andere
+wereld en de daarin verblijf houdende geliefde te verschaffen. Daardoor
+komt nu de onthoofdingsepisode achteraan en kan zij dienen als een
+blijk van Waleweins trouw aan zijn gegeven woord. De ballade van "The
+grene Knyght", die volgens den schrijver gegrond is op een ouderen
+vorm van de sage, bewijst volgens hem, dat er grond bestaat voor de
+juistheid zijner opvattingen daaromtrent. Hier koestert de slotvrouwe
+inderdaad liefde voor Walewein, hoewel zij hem nooit gezien heeft,
+een veelvuldig voorkomend feit in de oude ridderromans. Daarbij
+vinden wij hier geenerlei melding van Morgan le Fay, die in het
+latere gedicht zulk eene vreemde en bijkomstige rol speelt, dat het
+voor de hand ligt om aan te nemen, dat hare figuur eerst later door
+den dichter is ingeschoven. Ten slotte wordt in "The grene Knyght"
+de uitdaging tot onthoofding gebruikt om Walewein naar het slot te
+lokken van de dame, die hem liefheeft.
+
+Deze drie punten nu verklaren volgens J. R. Hulbert, dat de sage
+van Walewein en den groenen Ridder oorspronkelijk ten doel had om de
+avonturen te beschrijven, die voorafgaan aan het winnen eener geliefde
+uit het feeënrijk.
+
+Wat nu de orde betreft, voor welker stichting onze sage de verklaring
+moest leveren, zoo is dit volgens Hulbert in geen geval die van den
+Kouseband. De groene kleur, waarin de vreemde bezoeker is uitgedost,
+terwijl de kleur van de Kouseband-orde blauw is--het feit, dat in het
+gedicht steeds sprake is van Kerst- en Nieuwjaarsfeesten, terwijl de
+viering van de orde op den naamdag van St. George valt en ten slotte
+de omstandigheid, dat bedoelde viering steeds in Windsor geschiedde,
+terwijl het gedicht geschreven is in een Noord-Westelijk dialect--al
+deze dingen wijzen er volgens den schrijver op, dat onze sage geen
+verband kan houden met de stichting van deze orde. Wel meent hij zulks
+te ontdekken in het geval van de Bath-orde. Tot deze veronderstelling
+wordt hij gebracht door het feit, dat in oude beschrijvingen van het
+tot ridder slaan van deze orde, melding wordt gemaakt van een groen
+kleed, waarmede de geridderden werden omhangen. Verder dient vermeld,
+dat hoewel de Bath-orde zelf eerst in 1725 werd gesticht, er reeds
+in oude tijden melding wordt gemaakt van ridders van dien naam. Is
+de schrijver juist in zijne veronderstelling, dan zou deze sage,
+evenals die van "The Grene Knyght", reeds van den aanvang af verband
+houden met de legende omtrent het ontstaan van de Bath-orde.
+
+De nadruk, die in het gedicht gelegd wordt op de viering der Kerst-
+en Nieuwjaarsfeesten, doen den schrijver aan het slot van zijn artikel
+de veronderstelling opperen, dat de romance bestemd was om bij een
+dier beide feestgelegenheden te worden voorgedragen.
+
+De slotsom van zijne studie is dus volgens den schrijver, dat "Syr
+Gawayne and the green Knight" niet eene samensmelting is van twee
+afzonderlijke verhalen, maar eene eenigszins gewijzigde bewerking van
+één enkele oude sage; verder, dat het gedicht niets uitstaande heeft
+met de stichting van de Orde van den Kouseband en dat bij het zoeken
+van eenig verband tusschen de sage en het ontstaan eener orde de groene
+kleur van den gordel en de tijd, waarin de gebeurtenissen, in het
+verhaal vermeld, zich afspelen, in aanmerking moeten worden genomen.
+
+Al blijkt uit het voorgaande, dat de meeningen omtrent het ontstaan en
+den groei der sage nogal uiteenloopen, toch zijn alle geleerden het
+er over eens, dat de geschiedenis van Walewein en den Groenen Ridder
+eene bewerking is van een Fransch gedicht. In hoever de Engelsche
+dichter van het oorspronkelijke is afgeweken, laten wij hier buiten
+beschouwing, als vaststaand mogen wij aannemen, dat hij ons eene min
+of meer getrouwe vertolking hiervan heeft geleverd. Toch moeten wij
+zijn werk allerminst beschouwen als eene slaafsche vertaling van een
+reeds bestaand gedicht. Immers in het Engelsche gedicht treffen ons
+verscheidene nieuwe bestanddeelen, die een voornaam aandeel van onze
+bewondering voor het kunstwerk opeischen. De Fransche dichter moge
+handig geweest zijn in het samenstellen van zijn gedicht en moge
+bovendien de gave hebben bezeten van onderhoudend vertellen, zijn
+Engelsche navolger was een dichter in den vollen zin des woords, die
+zijne stof wist te doordringen van eene hoogere zedelijke strekking
+zonder daardoor het verhaal als zoodanig ook maar in 't minst te
+schaden.
+
+Hij maakt zich niet schuldig aan lange betoogen en breedvoerige
+beschouwingen zooals zoovelen onder zijne tijdgenooten, de lijn
+der onderhandeling wordt niet onderbroken door afdwalingen van het
+hoofdthema, de karakters in zijn gedicht tintelen van geest en leven,
+terwijl de fijne natuurschilderingen en jachtbeschrijvingen alleen
+den schrijver reeds eene eerste plaats onder de dichters van zijn
+tijd waardig zouden doen zijn.
+
+
+
+
+
+DE SAGE VAN HEER WALEWEIN EN DEN GROENEN RIDDER.
+
+
+ "Entre toz les bons chevaliers
+ Doit estre Gauvains li premiers."
+
+ (Chrétien de Troies: Erec 1690-91).
+
+
+_Wanneer het jaar ten einde spoedde, waren de ridders der ronde
+tafel gewoon, zich naar Camelot te begeven, om aldaar met hun vorst
+het kerstfeest te vieren._ Reeds in den aanvang zijner regeering had
+koning Arthur den wensch te kennen gegeven, om ter herdenking van dit
+plechtig geboortefeest een zoo groot mogelijk aantal zijner getrouwen
+om zich heen verzameld te zien. Geen wonder dus, dat de ridders,
+voor wie elke wensch van hun geliefden heer een gebod was, elk jaar
+in grooten getale naar Camelot optrokken, onverschillig waar zij
+zich op dat tijdstip bevonden of welke moeilijkheden de lange tocht
+door het besneeuwde land hun in den weg legde. Een woord van welkom
+uit den mond van hun koning vergoedde hun ten volle de doorstane
+ontberingen en na een tijd van vertrouwelijk samenzijn met vrienden
+en bekenden, van wier bijzijn zij in dit jaargetijde uit den aard der
+zaak meer konden genieten dan in den zomer, als het gezelschap zich
+verspreidde in veld en bosch, plachten zij gesterkt naar lichaam en
+geest, naar hunne haardsteden terug te keeren. Zoo ging er van dit
+rustig samenzijn in den barren wintertijd een verheffende invloed
+uit en in de vertrouwelijke gesprekken tusschen den vorst en zijne
+volgelingen, scheen er in de harten der ridders iets neer te dalen van
+den vrede van het Kerstfeest, waardoor de gedachten aan roem en eer,
+aan vrouwenliefde en vorstengunst voor eene wijle op den achtergrond
+werden gedrongen.
+
+Maar de ridders brachten niet al hun tijd door met het voeren van
+ernstige gesprekken, de koning wenschte vóór alles, dat het Kerstfeest
+een tijd zou zijn van ontspanning voor hen, wien mogelijk in het
+Nieuwe Jaar eene zware taak of eene harde beproeving wachtte.
+
+Daarom droeg hij zorg, dat in die dagen vreugde en jolijt den boventoon
+voerden aan zijn hof, hij liet er bekwame harp- en luitspelers
+ontbieden, beroemde minnezangers en geestige potsenmakers vonden er
+een gastvrij onthaal en een vorstelijk loon en zoo bracht elke dag
+den gasten nieuwe verstrooiing.
+
+De dag, waarop de gebeurtenissen, in dit verhaal vermeld, een aanvang
+namen, was de eerste van het Nieuwe Jaar en een talrijk gezelschap van
+rijk gekleede ridders en edelvrouwen was in de groote feestzaal van
+het koninklijk paleis verzameld, gereed om zich aan tafel te begeven.
+
+De dienst in de slotkapel was zoo juist afgeloopen, de plechtige
+kerkgezangen waren verstomd en nadat het gezelschap in het paleis was
+teruggekeerd, had men elkander op vroolijken toon gelukgewenscht met
+het Nieuwe Jaar, onder het aanbieden der gebruikelijke geschenken. De
+zaal was vervuld met een blij gegons van stemmen en een zacht ritselen
+van zijden vrouwenkleeren, terwijl zoo nu en dan het gekletter van
+een zwaard of het rinkelen van riddersporen weerklonk.
+
+Eindelijk bliezen herauten het sein tot den maaltijd en onder vroolijk
+gelach en gepraat schikten de gasten zich aan weerszijden van de
+lange tafels, waar een keur van spijzen stond opgediend. Aan het
+hoofd der eeretafel, die dwars op de richting der andere stond,
+zou het vorstelijk echtpaar aanzitten met de edelsten onder de
+ridders. Koningin Ginevra had reeds plaats genomen in haren hoogen
+gebeeldhouwden stoel. Een nauwsluitend, groen kleed omsloot hare ranke
+gestalte, de wijd afhangende mouwen waren rijk geborduurd in helder
+glanzende kleuren en de breede gordel, dien zij om het midden droeg,
+was bezaaid met fonkelende edelsteenen. In het blonde haar droeg zij
+een gouden kroontje. De uitdrukking van haar gelaat was minzaam, en
+vroolijk straalden haar grijze oogen bij den aanblik van dit gezelschap
+van edele ridders en schoone vrouwen, die allen hier waren gekomen om
+haar en haren gemaal hulde te brengen. Aan de zijde der vorstin waren
+de dapperste en meest geziene ridders van het hof gezeten: Walewein,
+de zoon van koning Loth en de eigen neef van koning Arthur, Iwein,
+bijgenaamd de Leeuwenridder, Lanceloet en eenige anderen. De koning
+zelve had nog steeds geen plaats genomen op zijn zetel aan de zijde
+der koningin. Pratend en gekscherend liep hij op en neer, nu eens
+tot dezen, dan weer tot dien ridder het woord richtend. Het was in
+het begin zijner regeering, dat de te melden gebeurtenissen zich
+afspeelden, in den tijd, toen hij nog jong en krachtig was en het
+besef zijner hooge roeping hem het bloed sneller door de aderen deed
+vloeien. In die dagen bruiste het in hem van moed en levenlust en de
+gedachte aan de heldendaden en wapenfeiten, die hij zou verrichten,
+deden zijne oogen fonkelen en een onrust in hem ontwaken, die het
+hem onmogelijk maakte om langen tijd op een plek te vertoeven. Ook nu
+kon hij geen rust vinden; de wereld daarbuiten riep hem met lokkende
+stem en gaarne zou hij uit zijn gereden, de bosschen in, waar de
+prikkel der jacht hem gelegenheid zou geven zijn lust tot avontuur te
+botvieren. Lachend zwoer hij, dat hij zich niet aan tafel zou begeven,
+alvorens hem eene of andere heldendaad of gevaarlijk waagstuk zou zijn
+ter oore gekomen om het Nieuwe Jaar waardig in te zetten. Intusschen
+liepen de knechten ijverig heen en weer om de dampende schotels aan te
+brengen. Een geur van gebraad en andere kostelijke spijzen steeg op in
+de zaal, de wijn vloeide klokkend uit de gouden en zilveren kannen in
+de sierlijke bokalen en het geluid der stemmen vermengde zich met de
+zachtklinkende muziek der luitspelers, die in een hoek der zaal hadden
+plaatsgenomen. Toen de eerste gerechten waren rondgediend, verstomde
+het gepraat allengs en hoorde men een tijdlang niets dan het getik
+der lepels tegen de borden en het neerzetten van een beker op de tafel.
+
+
+
+_Van de plotselinge verschijning des groenen ridders._ Plotseling werd
+de deur, die toegang gaf tot de zaal met een luiden slag opengeduwd en
+op den drempel verscheen een ruiter, bij wiens aanblik alle aanwezigen
+ophielden met eten en elkander in stomme verbijstering aanstaarden. De
+ridder namelijk, die zoo juist was binnengekomen, was een reusachtige
+gestalte en vertoonde bovendien--en dit was 't vreemdst van alles--van
+het hoofd tot de voeten eene groene kleur. Alles aan hem was groen:
+zijn wambuis en schoudermantel, de edelgesteenten, die glinsterden op
+zijn gordel en zijne sporen, het dekkleed over zijn paard en het ros
+zelf eveneens. De ridder droeg geene wapenrusting en speer noch schild,
+maar in de eene hand hield hij een hulsttak, terwijl de andere eene
+zware strijdbijl torste, waarvan de snede vlijmscherp geslepen was.
+
+Zonder een woord te spreken stuurde hij zijn ros in de richting der
+eeretafel en vroeg toen met luider stemme, wie de heer en meester
+van het gezelschap was.
+
+Doodsche stilte heerschte in de zaal, waar alle aanwezigen in stomme
+verbazing de vreemde verschijning gadesloegen. Vanwaar kon hij zoo
+plotseling gekomen zijn, deze zonderlinge ridderfiguur en wat beduidde
+die groene kleur? Eensdeels scheen het, of hij met vriendschappelijke
+bedoelingen kwam, want hij droeg harnas noch helm, maar waarom dan
+die scherp geslepen bijl? Al deze vragen woelden om in het brein der
+aanwezigen en in spanning richtten zij hun blik op den koning om te
+zien welke houding hij tegenover dezen ongenooden gast zou aannemen.
+
+Koning Arthur evenwel scheen geen oogenblik zijne kalmte
+te verliezen. Met rustigen tred deed hij eenige schreden in de
+richting van den vreemdeling en sprak: "Wees welkom in mijn paleis,
+heer ridder! In mij ziet gij den heer van dit gezelschap; mijn naam
+is Arthur en deze uitgelezen schaar van dappere mannen zijn mijne
+ridders! Zet u neder in hun midden, wat ik u bidden mag en deel met
+ons dezen maaltijd. Na afloop zult gij ons dan vertellen, wat er van
+uw verlangen is!"
+
+"Neen, waarlijk niet", antwoordde de vreemdeling, "dat is niet, hetgeen
+ik hier zoek! Het is niet om van uwe gastvrijheid te genieten, dat
+ik hierheen ben gekomen, maar wel om de veel geroemde dapperheid uwer
+ridders op de proef te stellen. Wanneer zij werkelijk de moedigste en
+edelste mannen ter wereld zijn, zullen zij mijn verzoek niet weigeren."
+
+"Spreek vrij uit", hernam koning Arthur op trotschen toon, "en wanneer
+gij een sterken arm of een scherp zwaard behoeft, om uwe kracht mede
+te meten, zoo zijt gij hier op de rechte plaats om die te vinden!"
+
+"Ik zoek geen strijd", antwoordde de groene ridder, en zijn blik
+dwaalde met eene uitdrukking van minachting over de aanwezigen, "gij
+ziet immers aan mijne kleeding en aan den hulsttak, dien ik draag,
+dat ik met vreedzame bedoelingen herwaarts gekomen ben. Ware dit niet
+het geval, dan zoudt ge mij in volle wapenrusting gezien hebben, met
+den helm op 't hoofd, en mijne lange strijdspeer in de hand. En geen
+dezer baardelooze knapen zou dan in staat zijn geweest, mij uit den
+zadel te lichten. Neen, mijn verlangen is van gansch anderen aard. Het
+is een Kerstgrap, die ik wensch, eene dolle scherts, die past in dezen
+tijd van boert en kortswijl. Daarom vraag ik u, of er één is onder
+uwe ridders, koen en stout genoeg, om mij een slag toe te brengen
+in ruil voor een anderen? Zoo ja, dan zal ik hem als belooning deze
+kostbare strijdbijl schenken en mij bovendien beschikbaar stellen
+om den eersten slag uit zijne hand af te wachten. In ruil daarvoor
+behoud ik mij echter het recht voor, om hem op mijne beurt een slag
+toe te brengen, waartoe ik hem twaalf maanden uitstel geef. Wie uwer
+neemt mijn voorstel aan?" Nadat hij deze woorden gesproken had, steeg
+de groene ridder van zijn paard en, leunend op zijn wapen, liet hij
+zijne rollende oogen met eene uitdrukking van spot en minachting over
+het gezelschap gaan.
+
+Stom zaten de ridders bijeen; het vreemde voorstel en de reusachtige
+gestalte van den groenen ridder vervulden hen met angst en
+wantrouwen. Dit was geen gewone uitdaging, zooals zij die gewend
+waren van vreemde ridders, die aan het hof te Camelot kwamen,
+om hunne krachten te beproeven tegen de ridders der Ronde Tafel;
+dit was een voorstel, dat oogenschijnlijk gunstig voor hen leek,
+maar waarachter zij, als door eene natuurlijke ingeving, vermoedden,
+dat een groot gevaar stak. Daarom was niemand belust er op in te gaan
+en wachtte elkeen eerst af, of zijn buurman wellicht die taak van hem
+zou overnemen. De groene ridder evenwel barstte uit in een luid en
+smadelijk lachen. "Zijn dit de hoog geprezen en veel geroemde ridders
+der Ronde Tafel? deze bloodaards, die bij het noemen van 't gevaar
+zich reeds schuchter terugtrekken? Waar zijn nu uwe dapperheid en
+strijdlust, waar uw moed en ondernemingsgeest? Met een enkel woord
+heb ik ze tot leugen gemaakt en u getoond wie ge zijt; een troep
+laffe knapen, gemakkelijk uit het veld te slaan door wapengekletter
+en krijgsgerucht."
+
+Maar verder kwam de vreemdeling niet, want koning Arthur viel hem
+in de rede met een donderend: "Zwijg! Niet ongestraft zult gij
+mijne ridders beleedigen! Meen niet, dat zij bevreesd zijn voor uwe
+geheimzinnige uitdaging. Indien zij zwijgen, dan doen zij zulks,
+omdat het een wijs man past, eerst met zijn verstand te rade te gaan,
+alvorens hij een besluit neemt. Voorwaar, dit zeg ik u! in de harten
+mijner ridders schuilt geen vrees of angst! Ik zelve zal u bewijzen,
+dat wij in staat zijn aan uw wensch te voldoen. Geef mij uw wapen en
+ik zal u den slag toebrengen, dien gij verlangt te ontvangen." Daarop
+sprong de vorst op den vreemdeling toe, die hem met eene nijging van
+het hoofd de strijdbijl overhandigde en daarna in gebogen houding
+den slag scheen af te wachten.
+
+Plotseling ontstond er beweging aan de eeretafel, waar Heer Walewein,
+zich half oprichtend uit zijn zetel, den koning aansprak met de
+volgende woorden: "Sire, het zou niet stroken met uwen koninklijken
+staat, indien gij uw leven waagdet in deze onderneming, waarvan wij de
+strekking nog niet kunnen doorgronden. Waar zoovelen aanwezig zijn,
+om dit werk van u over te nemen, is het onnoodig, dat gij u in het
+gevaar begeeft. Daarom smeek ik u mij toe te staan, dit avontuur op
+mij te nemen. Vergun mij, de tafel te verlaten en laat mij in deze
+uw kampioen zijn. Al ben ik onwaardig om u te vervangen, toch hoop
+ik met Gods hulp en de kracht mijner vuist, deze taak te volbrengen,
+indien ge mij steunen wilt met uw vertrouwen!" De andere ridders
+waren getroffen door den plechtigen ernst, waarmede Walewein deze
+woorden sprak en toen hij zweeg en den koning smeekend aanzag, viel
+een koor van stemmen hem bij, die allen poogden Arthur over te halen
+om Waleweins bede in te willigen.
+
+Met een minzaam handgebaar wenkte de vorst den jongen ridder om van
+tafel op te staan; deze gaf daaraan gehoor, deed een paar haastige
+schreden in de richting van zijn koning en knielde eerbiedig voor
+hem neer. Arthur overhandigde hem toen de strijdbijl en voegde hem
+op ernstigen toon toe: "Mogen God en alle heiligen u bijstaan in de
+zware taak, die gij vrijwillig op uwe schouders hebt genomen. Mogen zij
+uw hart en lichaam sterken en u behouden doen wederkeeren tot allen,
+die u dierbaar zijn!"
+
+Walewein begaf zich nu met de bijl in de hand naar den groenen ridder
+en zeide tot hem:
+
+"Spreek, wat wilt gij, dat ik doen zal?"
+
+"Vóór wij verder gaan, moet ge mij uw naam zeggen", antwoordde de
+vreemdeling. "Daarna zullen wij nader de voorwaarden vaststellen,
+waaronder ik wensch te handelen."
+
+"Mijn naam is Walewein, en ik verbind mij u een slag toe te brengen,
+waarvoor ge mij in ruil een anderen slag moogt geven, wanneer wij
+twaalf maanden verder zijn", antwoordde de jonge ridder trotsch.
+
+De groene ridder zag zijn jeugdigen tegenstander vriendelijk aan en
+zeide op zachteren toon, dan hij tot nu toe gebezigd had: "Gij spreekt
+als een dapper man, Heer Walewein, en van niemand liever dan van een
+edel ridder als gij, zou ik den slag wenschen te ontvangen. Eén ding
+moet gij mij echter beloven, en wel, dat ge mij, wanneer het jaar
+verstreken is, zelve zult komen zoeken, waar ge slechts denkt mij te
+kunnen vinden". "Indien ik dat doen zal, dient ge mij eerst te zeggen,
+wie gij zijt en vanwaar gij komt", gaf Walewein hem ten antwoord,
+"want hoe zal ik u vinden, indien ik zelfs den naam niet weet van hem,
+dien ik zoek?" De groene ridder lachte en sprak: "Mijn naam zal ik u
+zeggen, wanneer ge mij met de bijl geraakt hebt en mocht het gebeuren,
+dat ik niets meer zeg, welnu, zooveel te beter dan voor u! En nu, wat
+ik u verzoeken mag, sla toe!" Daarop boog hij zich voorover, schudde
+zijne lange lokken weg van zijn hals en legde dien bloot. Walewein
+greep met vaste hand de zware strijdbijl om het handvat, zwaaide het
+wapen omhoog en deed het toen met snelle vaart neerdalen op den nek
+van den gebogen ridder. Zoo hevig was de kracht, waarmede de slag
+aankwam, dat het hoofd van den ongelukkige met één slag van den romp
+gescheiden werd. Met een luiden bons viel het op den vloer der zaal,
+waar de ridders het verachtelijk wegschopten. Wie beschrijft echter
+hunne ontzetting, toen de romp recht overeind bleef staan, hoewel
+het bloed omhoog spoot en de heldergroene kleeding rood kleurde.
+
+In twee passen was de ijselijke gestalte bij de plek gekomen, waar het
+hoofd lag, bukte zich tot ieders verbazing, raapte dit op van den vloer
+en sprong toen in het zadel, het hoofd in de rechterhand bij het haar
+vasthoudend. Daarna keerde het gelaat zich naar de eeretafel toe en
+ziet: de oogleden gingen omhoog en de levenlooze mond begon te spreken:
+"Nog éénmaal herinner ik u aan uwe belofte, heer ridder! Over twaalf
+maanden wacht ik u om op uwe beurt een bijlslag te ontvangen en wee
+u! indien ik tevergeefs wacht! Wanneer ge mij zoekt, vraag dan den
+weg naar de groene kapel, daar zult ge mij vinden. Men noemt mij den
+groenen ridder, een anderen naam kan ik u niet zeggen. Wees getrouw
+aan uw woord, vaarwel!"
+
+Daarna gaf de vreemdeling zijn paard de sporen en stoof met zulk eene
+vaart het paleis uit, dat de hoeven van het strijdros vonken sloegen
+uit de vloersteenen.
+
+Verstomd en met afgrijzen zagen de ridders elkander aan; Arthur was de
+eerste, die zijne kalmte herwon. Hoewel hij inwendig niet geheel gerust
+was over den afloop der onderneming wist hij zich te beheerschen en
+zeide tot koningin Ginevra, die bleek en bevend in haren stoel zat:
+"Wees niet ontsteld, liefste! Zulk eene grap past immers bij een
+vroolijk feest als dit! Eén ding is zeker! Met een vrij geweten kan
+ik mij nu aan tafel begeven, want aan mijn wensch om een avontuur te
+beleven, is voldaan!" Daarop wendde hij zich tot Walewein en voegde
+hem toe: "Hang uwe strijdbijl op aan gindschen muur, waarde neef! voor
+heden heeft zij u voldoende diensten bewezen en zij heeft hare rust
+wel verdiend!"
+
+Walewein voldeed aan zijn verzoek en schikte zich opnieuw aan de tafel,
+waar ook koning Arthur plaats nam en waar zich weldra een stroom van
+knechten en volgelingen verdrong om hun de uitgezochtste spijzen en
+kostelijkste dranken aan te bieden. Onder vroolijk gekout verdween
+spoedig de schaduw, die de vreemde verschijning een oogenblik op het
+feest geworpen had en scherts en boert hernamen den boventoon. Tot
+laat in den nacht duurde het feest; onder zang en dans vlogen de uren
+om en eerst tegen den morgen scheidde men om zich ter ruste te begeven.
+
+De winter verstreek. De dagen werden lichter en langer en weldra
+naderde de lente met hare wonderschoone belofte van nieuw, jong
+leven. Als de ridders in de schemering huiswaarts reden, het lichaam
+zwaar van eene gezonde vermoeidheid, zagen zij, hoe in de bosschen een
+zacht groen waas zich spreidde over boom en struik en in de velden om
+Camelot klonk het klagelijk geblaat der jonge lammeren. Weldra deden
+de zonnestralen en de malsche lenteregens bloem en blad ontluiken
+en was het alom in de natuur een feest van geuren en kleuren,
+zooals alleen de lente ons brengen kan! De menschen wierpen hunne
+donkere winterkleeren van zich af en tooiden zich in lichte, kleurige
+gewaden om zich één te voelen met al die bloeiende, frissche tinten
+daarbuiten. De ridders voelden een drang tot daden in zich ontwaken,
+zij lieten hunne schildknapen zorgvuldig de harnassen en wapens nazien,
+en zij zelven trokken naar buiten om zich te oefenen in speerwerpen
+en schijfschieten, waardoor hunne spieren weer los en krachtig werden.
+
+Op hare beurt maakte de lente plaats voor den zomer. De zon brandde
+fel op veld en akker, en verschroeide het gras in den paleistuin,
+waar tegen den avond een zware rozengeur opsteeg. Onder het dichte
+gebladerte der boomen klonk het zachte kirren der woudduiven, de
+bijen gonsden van bloem tot bloem, maar verder verbrak geen geluid
+de stilte. Eene algemeene loomheid scheen zich van de natuur meester
+gemaakt te hebben, waaraan ook de mensch zich niet kon onttrekken. Wie
+niet noodzakelijke bezigheden te verrichten had, waagde zich niet
+van huis vóór het avond werd en de zon als eene vlammende schijf aan
+den horizon verzonk. In de lange zomeravonden werden verre ritten
+te paard ondernomen door het welig bloeiende zomerland. Na afloop
+bleef men langen tijd bijeen aan den avondmaaltijd, die in de open
+lucht werd opgediend. De liederen, die men den zangers dan opdroeg
+te zingen, waren zangen van liefde en hartstocht en in het vallend
+duister droomden de jonge ridders van schoone vrouwen, in wier dienst
+zij daden van ongehoorden moed en stoutmoedigheid zouden verrichten.
+
+Maar ook de zomer vlood voorbij en werd gevolgd door den herfst. Toen
+klonk reeds vroeg in den morgen, als de blauwe nevels nog tusschen
+de boomen hingen, het geschal der jachthoorns door de wouden en menig
+onschuldig dier viel ten prooi aan de scherpe pijlen der ridders. Eene
+algemeene bedrijvigheid heerschte in huis en hof. Terwijl het zweet
+hun tappelings langs het gelaat liep, waren de landbouwers bezig
+de laatste karrevrachten van den kostbaren oogst binnen te halen;
+in de keukens van het paleis hadden de koks met hunne knechts druk
+werk om het wild, dat in groote hoeveelheden werd binnengebracht,
+voor den middagdisch te bereiden en intusschen hadden in het
+strijdperk de groote tournooien plaats, die jaarlijks duizenden
+menschen naar Camelot lokten. Met lauwerkransen getooid, kwamen de
+ridders 's avonds in het koninklijk slot, waar de tegenstanders van
+dien dag zich aan een vriendschappelijken maaltijd vereenigden en
+zich uitputten in wederzijdsch eerbetoon. Tot laat in den herfst
+duurden de wedstrijden en steekspelen, daarna keerden de vreemde
+gasten naar hunne woonplaatsen terug en werd het allengs stil in
+Camelot. Ook in de natuur was een tijdperk van rust aangebroken. De
+hevige najaarsstormen hadden de boomen van hunne bladeren beroofd,
+die als een bruin tapijt den woudbodem bedekten. Geen vogelgefluit
+weerklonk meer, nu en dan vloog een kraai met krassend geluid door
+de lucht, verder hoorde men niets dan het suizen van den wind door
+de kale takken en het ritselend geluid van een enkel blad dat zich
+nog hardnekkig aan een twijg had vastgeklemd.
+
+Voor wie het vrije leven in bosch en veld liefheeft, is er iets
+beklemmends in dit langzaam afsterven van al wat leeft in de
+natuur en in het vooruitzicht van den langen, somberen winter. Ook
+Walewein kende dit gevoel en meer nog dan andere jaren kwam het hem
+ditmaal overvallen. Wanneer zijne makkers om hem heen lachten en
+schertsten, kon hij plotseling stil voor zich uit zitten staren,
+tot een vroolijke uitroep van een zijner vrienden hem tot de
+werkelijkheid terugbracht. Geen wonder ook dat hij ditmaal met
+eenige beklemming den winter zag naderen. Hem wachtte geen vroolijk
+Kerstfeest, waarop zang en snarenspel en het gezelschap zijner
+vrienden de donkere winteravonden zouden doen omvliegen. Tegen den
+tijd dat de elders wonende ridders zich gereed maakten om den tocht
+naar het hof te ondernemen, moest hij zich op reis begeven naar de
+geheimzinnige groene kapel, waar, dat voelde hij zeker, een gevaar
+hem wachtte, dreigender dan hij nog ooit onder de oogen had gezien. De
+herinnering aan den groenen ridder, welke in den loop der maanden wat
+was vervaagd, herleefde te sterker naarmate de tijd van zijn vertrek
+naderde en hoewel hij geen oogenblik berouw had over het feit, dat
+hij diens uitdaging had aangenomen--besefte hij eerst nu, tot welk
+eene gevaarlijke onderneming hij zich verbonden had.
+
+
+
+_Hoe Walewein vertrok om den groenen ridder te gaan opzoeken._ De
+weken verliepen en weldra naderde Allerheiligen, op welken dag koning
+Arthur zijne ridders had uitgenoodigd tot een afscheidsfeest ter eere
+van zijn geliefden neef. Na het gastmaal begaf Walewein zich naar zijn
+vorst en sprak: "Sire, vergun mij, dat ik mij morgen op weg begeef,
+om den groenen ridder te zoeken. Gij weet tot welke afspraak ik mij
+verbonden heb, gij kent de voorwaarden ervan en zult het mij niet
+euvel duiden, indien ik reeds nu van hier ga. Tot geenen prijs zou
+ik te laat op de plaats van samenkomst willen verschijnen!"
+
+Deze woorden van Walewein maakten diepen indruk op alle aanwezigen. Bij
+de gedachte aan de gevaren, die hunnen dierbaren vriend bedreigden,
+drongen velen de tranen naar de oogen. Sommige edelvrouwen snikten
+luide, anderen wischten in 't geheim een traan weg en verscheidene
+ridders verdrongen zich om Walewein om hem door een handdruk of een
+opwekkend woord hunne deelneming te betuigen. Onze held echter drong
+met kracht de angstige voorgevoelens terug, die hem vervulden en
+met een vroolijken lach riep hij uit: "Mijne vrienden, vanwaar die
+sombere stemming? Is het dan voor het eerst, dat ik mij in 't gevaar
+begeef? Zijn mijne oogen niet scherp als die van een valk en heeft
+mijn strijdros Gringalet mij tot heden niet steeds ter overwinning
+gevoerd? Weg dan die tranen en zuchten! Ik strijd voor de eer van mijn
+koning en Hij, die de Koning der koningen is, zal mij niet verlaten!
+
+Den volgenden morgen vroeg werden hem in tegenwoordigheid van den
+vorst en de gansche hofhouding zijne wapenen gebracht. In het midden
+der zaal legde men een kostbaar tapijt neer, waarop Walewein plaats
+nam. Hij was gekleed in een buis van blauwe zijde, dat zijne fiere
+gestalte ten volle deed uitkomen. Eerst bukten twee knechten zich voor
+hem neer om zijne stalen voet- en beenbekleedselen aan te gespen,
+aan de laatste werden de dijstukken bevestigd. Vervolgens kwamen
+twee anderen aandragen met den glinsterenden maliënkolder, waarvan
+elk schakeltje vooraf nauwkeurig was nagezien. De armen werden bedekt
+met passende stalen platen en de handen beschut door handschoenen van
+hetzelfde metaal. Over dit alles werd het zware harnas bevestigd,
+waarna de gouden sporen en het zwaard, dat door een zijden gordel
+vastgehouden werd, des ridders uitrusting kwamen voltooien. Toen
+Walewein aldus voor de reis gereed was, begaf hij zich naar de kapel
+om de mis bij te wonen. Hij zond een vurig gebed op tot God om hem
+sterkte te verleenen in de komende gevaren. Daarna nam hij afscheid
+van den koning en van zijne mede-ridders, die hem allen volgden naar
+het slotplein, waar zijn paard, Gringalet, vastgehouden door twee
+stalknechten, hem wachtte. Ongeduldig stampte het edele dier met de
+vóórvoeten op de steenen en bij elke beweging van den kop rinkelden
+de bellen aan het hoofdstel en glinsterde het goudkleurig dekkleed in
+de juist doorbrekende morgenzon. Uit de handen van een zijner trouwste
+dienaren nam Walewein zijn helm aan, kuste het helmteeken en drukte den
+helm toen vast op het hoofd. Langs de achterzijde hing een linnen doek,
+waarop rijk geborduurde vogels in de bontste kleuren te zien waren, de
+rand van den helm was bezet met schitterende diamanten. Toen Walewein
+te paard was gestegen, ontving hij als laatste toevoegsel aan zijne
+uitrusting zijn schild met den pentagoon, welk teeken hem beschermen
+moest tegen de aanvallen van booze geesten. In zuiver goud teekenden
+de lijnen van den vijfhoek zich af tegen den donkeren achtergrond van
+het schild en wel paste het Walewein, dit heilige teeken te dragen,
+want hij muntte uit in de vijf deugden, die het sieraad zijn der
+ridderschap, te weten: offervaardigheid, eerlijkheid, nederigheid,
+zachtheid en hoffelijkheid. Daarbij waren de vijf zintuigen bij hem
+op edele wijze ontwikkeld en stelde hij zijn hoogste vertrouwen in de
+vijf wonden van Christus en in de vijf genietingen, die de Heilige
+Maagd van haren zoon mocht smaken. Daarom ook prijkte het beeld van
+Maria boven den pentagoon op zijn schild en scheen ze neer te zien
+op de vijf lijnen die in en door elkander liepen, gelijk de deugden
+van zijn gemoed elkander raakten en aanvulden. Toen onze held zijn
+schild had omgegespt, greep hij met de rechterhand den lans met de
+vlijmend scherpe punt, drukte zijne sporen in de flanken van zijn
+strijdros en reed met een laatst "Vaarwel!" de poort van het kasteel
+uit. Zij, die hem nastaarden, zuchtten luid en bejammerden het wreede
+lot, dat zulk een edel ridder veroordeelde om door de handen van een
+dergelijke verschijning te sterven. Dien avond heerschten er rouw en
+droefheid in de zalen van het paleis. Met bedrukte stem spraken de
+ridders over hun afwezigen vriend; zij brachten elkander Waleweins
+deugden in herinnering en prezen zijne voortreffelijke eigenschappen
+van geest en hart. Aan den toon van hun gesprek kon men bemerken,
+dat geen van hen er op rekende den vertrokkene ooit weer te zien.
+
+Inmiddels reed onze held onversaagd zijns weegs door het wintersche
+landschap. De Novemberstormen gierden en bliezen hem om het hoofd,
+de zware herfstnevels deden hem het pad bijster raken, de fijne
+jachtsneeuw sloeg hem in het gezicht en verblindde zijne oogen--toch
+reed hij voort, al dieper het eenzame land in. Dagen gingen voorbij
+zonder dat hij een menschelijk wezen ontmoette, zijn trouwe Gringalet
+was de eenige metgezel op zijn pad. Nu en dan dreigde hij moedeloos
+te worden, wanneer hij bij het vallen van den avond tevergeefs eene
+schuilplaats zocht om den nacht door te brengen en zich eindelijk
+tevreden moest stellen met de beschutting, die een overhangend rotsblok
+of een vochtige bergspelonk hem boden. Dan, terwijl hij neergehurkt zat
+bij een vuur, waarvoor hij, vermoeid als hij was, zelf de brandstof
+had moeten bijeenrapen, dwaalden zijne gedachten heen naar Camelot,
+waar men nu gezellig bijeen zat om het helder brandende vuur in de
+schouw van de groote feestzaal. Het scheen hem een droom toe, dat
+ook hij tot voor korten tijd had aangezeten aan sierlijk aangerechte
+tafels en zich op zijne wenken had laten bedienen. Wanneer hij dan nu
+neerzag op zijne verroeste wapenrusting, op zijne vuile en gescheurde
+kleederen en op zijn met modder bespat rijpaard, voelde hij zich
+als een verschoppeling, als iemand, die voorgoed het recht verbeurd
+heeft om zich onder een gezelschap van goed gekleede en wel verzorgde
+menschen te bewegen. Het ergste van alles was, dat hij nog steeds
+geen spoor kon ontdekken van het oord zijner bestemming. Iedereen, die
+hij op zijne tocht ontmoette, ondervroeg hij angstvallig of zij ooit
+gehoord hadden van eene groene kapel, waar hij, dien men den groenen
+ridder noemde, verblijf hield, maar het scheen wel, of de laatste op
+onzichtbare wieken naar Camelot was komen aandrijven--niemand kende
+zijn naam en geen mensch kon zeggen, waar zijne woonplaats was.
+
+Moedeloos trok Walewein voort in de richting van Noord-Wallis en
+vandaar steeds verder het Noorden in. Eens op een morgen ontwaakte hij
+in eene witte wereld, de winter was ingetreden! Van nu af aan werden
+zijne ontberingen steeds grooter. Slechts met moeite wist Gringalet
+zich een weg te banen door de sneeuw, die verscheidene voeten hoog
+lag, de hevige koude deed het bloed in de aderen zijns meesters bijna
+verstijven en al meer en meer geraakte Walewein buiten het bereik
+van menschelijke hulp. Niemand of niets kwam hij meer op zijn eenzaam
+pad tegen dan wolven en beren en nu en dan een wild zwijn, dat, door
+honger gedreven, hem aanviel en hem met zijne slagtanden dreigde
+te verscheuren. Steeds moeilijker viel het Walewein om met zijne
+uitgeputte krachten zich tegen een dergelijken aanval te verdedigen en
+soms vroeg hij zich af, of hij niet beter deed met zich ergens in de
+sneeuw neer te leggen en daar den dood af te wachten. Maar dan drong
+hij weer met verontwaardiging eene dergelijke gedachte terug. Zoolang
+er leven was, was er hoop en zulk eene lafheid mocht een ridder van
+koning Arthur slechts in den uitersten nood begaan. Al zijne wilskracht
+bijeenrapend, vervolgde hij zijne reis en alsof de natuur hem beloonen
+wilde voor zijn moed, kwamen er nu dagen van zonneschijn en frissche,
+wintersche kou. De hemel was blauw en onbewolkt, en de zonnestralen
+verlichtten de besneeuwde vlakten van het Noorderland. De sneeuw
+kraakte onder de hoeven van Gringalet en de prikkelende winterlucht
+deed het bloed van den held sneller stroomen. Op zulke dagen voelde
+hij de hoop in zijn hart weer ontwaken en vaster zette hij zich in
+het zadel. Maar na korten tijd werd de lucht weer grauw, een kille
+mist trok over de velden en een fijne ijsregen begon te vallen. Zoo
+bleef het tot den avond vóór Kerstmis. Toen Walewein ditmaal zijne
+schuilplaats voor den nacht had gevonden en met veel moeite een vuur
+had aangelegd, knielde hij, alvorens zich ter ruste te begeven, neer en
+zond een vurig gebed omhoog naar de Maagd Maria, Haar smeekend, dat Zij
+hem althans naar eene plek zou voeren, waar hij de plechtige mis ter
+herdenking van de geboorte van zijn Heer zou kunnen bijwonen. Daarna
+begaf hij zich ter ruste.
+
+De volgende morgen brak aan, koud en grijs. Bij het ontwaken zag
+Walewein de hooge stammen der boomen zich in vage omtrekken tegen den
+grauwen winterhemel afteekenen. Geen geluid van Kerstklokken--slechts
+het ruischen van den wind in de kale takken en het klagelijk gesjilp
+van een enkelen vogel. Met een gevoel van weemoed herdacht Walewein
+de Kerstfeesten van vorige jaren: de blijde stemming, die alom
+heerschte, het vroolijk wederzien van vrienden en bekenden en de
+gemeenschappelijke dienst in de groote kathedraal, waar de koren
+omhoog werden gedragen op wolken van wierook en de priesters in hun
+rijk bestikte gewaden zich om het altaar verdrongen.
+
+Huiverend zag hij om zich heen in de grijze kilte, maar plotseling
+herinnerde hij zich zijn gebed van den vorigen avond en in vast
+vertrouwen op de goedertierenheid der Heilige Jonkvrouw, maakte hij
+tot drie maal toe het teeken des kruises en zeide met plechtige stem:
+"Heilige Moeder Gods, sta mij bij, ter wille van Hem, die aan het
+kruis voor ons stierf."
+
+En ziet, op hetzelfde oogenblik geschiedde een wonder, bij het
+zien waarvan de adem hem in de keel stokte. In het midden van het
+woud, op een heuvel, waar een oogenblik geleden nog slechts kale
+boomstammen hun armen ten hemel hieven, verrees plotseling, als door
+eene tooverspreuk omhoog gedreven, een prachtig kasteel. De zon,
+die zoo juist was doorgebroken, bescheen de spitse torens en speelde
+over de gekanteelde muren, waar de schildwachten liepen met hun scherp
+gepunte hellebaarden. Op de vier hoektorens stonden de onbeweeglijke
+gestalten der wachters, die tuurden naar alle richtingen, of er ook
+gevaar dreigde. Om het kasteel boog eene breede slotgracht, de brug
+was opgehaald en de groote hoofdpoort gesloten. Op de hoogste toren
+wapperde een standaard, bewogen door den morgenwind; hieruit viel af
+te leiden, dat het slot bewoond was.
+
+
+
+_Van Waleweins ontvangst in het vreemde ridderslot._ Met verbazing
+staarde Walewein naar dit plots verschenen beeld. Aanvankelijk kon
+hij niet gelooven, dat het werkelijkheid was, wat hij zag, maar toen
+hij de gedaanten op den slotmuur zag heen en weer bewegen, begreep
+hij, dat inderdaad zijne bede verhoord was. In dankbare ontroering
+viel hij op de knieën neer en stortte zijn hart uit in een vurig
+dankgebed. Daarna besteeg hij zijn paard en stuurde het in de richting
+der slotpoort. Aan den rand der slotgracht gekomen, riep hij met luider
+stem den poortwachter toe en gebood hem zijn meester te verzoeken, of
+hij een zwervend ridder eenige dagen huisvesting wilde verschaffen. Met
+groote bereidwilligheid gaf de aangesprokene aan zijn wensch gehoor en
+verdween uit het gezicht, om na korten tijd opnieuw te verschijnen,
+gevolgd door eene schaar van ridders en knechten. Toen de poort was
+geopend en de zware ophaalbrug was neergelaten, stroomden deze allen
+naar buiten en begroetten Walewein op eerbiedige wijze. Eenigen van hen
+vielen op de knieën neer en heetten hem uit naam van hun heer welkom
+in het kasteel, anderen namen zijn paard bij de teugels en voerden het
+over de brug, waar opnieuw eenige ridders gereed stonden om hem bij
+het afstijgen behulpzaam te zijn. Toen namen de knechten zijn paard
+van hem over en leidden het weg met de belofte, het goed te zullen
+verzorgen. Een van de ridders kwam op Heer Walewein toe en verzocht
+den held op hoffelijken toon, hem te volgen. Daarop geleidde hij hem
+over het breede slotplein, het kasteel binnen. Weldra kwamen zij in
+een ruim vertrek; de muren waren behangen met warmgetinte bekleedsels,
+jachttafereelen voorstellend. Op den grond lagen zware tapijten, die
+hunne voetstappen dempten en aan beide zijden der zaal brandde een
+groot vuur onder een zwaar gebeeldhouwden schoorsteen. Om één dier
+vuren stond een groep ridders verzameld, die zich bij het openen der
+deur haastig omwendden. Eén van hen trad eenige stappen naar voren,
+stak Walewein beide handen toe en zeide met diepe stem: "Wees welkom,
+edele heer, in mijne woning!" Hij, die deze woorden sprak, had een
+lang, forsch figuur; zijn gelaat met de fonkelende oogen was frisch
+getint, als van iemand, die zich veel in de open lucht beweegt, een
+lange blonde baard golfde hem over de borst en zijne hand omsloot die
+van Walewein als een ijzeren greep. In antwoord op Waleweins verzoek
+om eenige dagen huisvesting, gaf de slotheer hem ten antwoord, dat
+hij het zich tot eene eer rekende, zulk een edel ridder zijn gast te
+mogen noemen en dat zijne woning te allen tijde en voor zoolang hij
+dit wenschte, voor hem open stond. Daarop beval hij een der aanwezige
+ridders om zijn gast naar een vertrek te brengen, waar hij zich
+van zijne zware wapenrusting kon ontdoen. De ridder voerde Walewein
+thans naar eene kamer in een anderen vleugel van het kasteel, waar
+twee pages gereed stonden om hem te ontvangen. Als in een droom liet
+onze held toe, dat zij hem ontdeden van wapenrusting en helm. Daarna
+bracht men hem welriekend water en zachte linnen doeken om zich te
+wasschen en ten slotte kwamen de pages aandragen met zijden kleederen,
+die hem als aan het lichaam gegoten zaten. Toen zij hem eindelijk den
+rijk geborduurden riddermantel omhingen, was er in heel Brittannië
+geen schooner, mannelijker gestalte denkbaar dan Heer Walewein,
+zooals hij met opgeheven hoofd en de baret met de wuivende veer in de
+hand, opnieuw het vertrek binnentrad, waar de heer van het slot zich
+bevond. Deze kwam hem met eenige vriendelijke welkomstwoorden tegemoet
+en geleidde hem naar eene gedekte tafel, die ter zijde van den schouw
+voor den vreemden gast was aangericht. Met een gevoel van welbehagen
+zette Walewein zich aan den disch en liet zich de keur van gerechten
+goed smaken. Met lange teugen dronk hij den fonkelrooden wijn, die hem
+als vuur door de aderen vloeide en de overgang tusschen de koude en
+ontberingen daar buiten en deze feestelijke ontvangst in het verwarmde
+slot deden zijne oogen schitteren van een nieuwen levenslust. Toen hij
+gegeten en gedronken had, verzocht zijn gastheer hem plaats te nemen
+op een hoogen zetel. Hij zelf ging tegenover hem zitten en vroeg toen
+zijn gast in de hoffelijkste bewoordingen hem te zeggen, wie hij was.
+
+Walewein sprak als volgt: "Mijn naam is Walewein en de vorst, dien ik
+dien is Arthur, hij, die de Ronde Tafel heeft ingesteld tot bevordering
+van den bloei der ridderschap".
+
+Alle aanwezigen hoorden verheugd op bij het vernemen van des
+vreemdelings naam en herkomst, want de roem van zijne dapperheid was
+wijd en zijd verspreid. Vol blijdschap riepen zij uit: "Meer nog dan
+anders zij deze dag gezegend, nu hij dezen held in ons midden brengt,
+die onze schreden kan geleiden op het pad van fijne beschaving en
+hoofsche gebruiken! Wees welkom, Heer Walewein! gij die de edelste
+onder de edelen genoemd moogt worden!"
+
+Toen de avond begon te vallen, begaven allen zich naar de slotkapel,
+om de heilige Kerstmis bij te wonen. Het was een gewemel van bonte
+kleuren in het ruime kerkgebouw, dat verlicht werd door honderden
+kaarsen. De heer van het kasteel verzocht zijn gast om in zijne bank
+plaats te nemen. Eerbiedig boog deze het hoofd in de handen alvorens
+te gaan zitten en prevelde een innig dankgebed aan de Moeder Gods, die
+hem uit zoo grooten nood bevrijd had. De oogen opslaand zag hij, hoe
+in de bank tegenover hem twee vrouwen hadden plaats genomen. Eene van
+haar was oud en gebogen, hare haren waren vergrijsd aan de slapen en de
+vingers, waarmede ze het gebedenboek omknelde, beefden. Toch lichtten
+hare oogen scherp en boosaardig, wanneer zij haren blik liet gaan over
+de geknielde menigte en eene valsche grijns trok om haar tandeloozen
+mond. Naast haar zat de schoonste vrouw, die Walewein ooit gezien
+had. In het warme kaarslicht vonkten haar oogen met een betooverenden
+glans, haar gelaat en hals waren niet minder blank dan de sneeuwwitte
+halsdoek, dien zij droeg, en in de kroon van vlechten op haar hoofd
+straalden en flikkerden de diamanten bij elke beweging. Het scheen
+den held toe of zij in schoonheid zelfs koningin Ginevra overtrof
+en toch kende hij voordien gene, van wie dit met waarheid gezegd kon
+worden. Na één blik op hem geworpen te hebben, scheen de bekoorlijke
+vrouwe slechts aandacht te hebben voor den plechtigen dienst, maar
+Waleweins oogen zwierven telkens naar de overzijde, waar zij zat.
+
+Na afloop traden de beide vrouwen op den slotheer toe, die zijn gast
+aan haar bekend maakte, en Walewein bemerkte, dat de schoone vrouw
+de echtgenoote van den burchtgraaf was. Eerbiedig viel hij voor haar
+op de knie en drukte hare hand aan zijne lippen.
+
+Vervolgens begaf het gansche gezelschap zich naar een ander vertrek,
+waar bekers met gekruiden wijn werden rondgediend. De stemming werd
+gaandeweg vroolijker. Schertsend en lachend zat men in een wijden
+kring om het vlammend vuur, nu en dan werd een lied aangeheven en
+door allen uit volle borst meegezongen, dan weer vertelde een der
+aanwezigen van een vreemd avontuur, dat hem was overkomen of van
+een dollen streek dien hij in zijne jonge jaren had uitgehaald. Dan
+schalde het lachen door de zaal en de verteller moest zich verdedigen
+tegen een kruisvuur van nieuwsgierige vragen en plagerijen. Tegen
+middernacht ging men uiteen en Walewein werd naar zijn slaapvertrek
+geleid, waar een donzen rustbed hem tot slapen noodde.
+
+Den volgenden morgen heerschte de Kerstvreugde opnieuw in het
+kasteel. Langs de met groen omkranste trappen daalden de gasten omlaag
+om gezamenlijk het noenmaal te nuttigen. Den ganschen dag bleef men in
+huis, daar de barre koude weinig tot uitgaan lokte, maar de uren vlogen
+om. De slotheer bleef steeds in de nabijheid der oude, gerimpelde
+vrouw, die Walewein in de kapel bemerkt had, op gedempten toon spraken
+zij met elkaar en schenen gewichtige zaken te verhandelen. Aan Walewein
+werd eene plaats toegewezen aan de zijde der jonge slotvrouwe en ook
+zij vonden elkander genoeg te zeggen. Op haar aandringen vertelde hij
+haar zijn levensloop en beschreef de avonturen, die hij beleefd had
+en de vreemde landen, die hij gezien had. En al hield hij daarbij
+steeds zijne eigen persoonlijkheid angstvallig op den achtergrond,
+toch kon het niet anders of het moest haar blijken welk een dapper
+held daar aan hare zijde zat. Hare oogen straalden van bewondering
+en steeds meer wilde zij weten, altijd meer! Ook over de vrouwen, die
+hij had liefgehad, verlangde zij te hooren en toen hij lachend zwoer,
+dat zijn hart aan zijn vorst behoorde en aan niemand anders, weigerde
+zij hem te gelooven. Onder haar lokkend oogenspel en de onmiddellijke
+nabijheid harer bloeiende schoonheid voelde Walewein zijn hart warm
+worden. Zijn bloed klopte met feller slag in zijne slapen en steeds
+dieper boorden zijne oogen in die zijner schoone gastvrouw.
+
+Zoo verliepen de Kerstdagen in een roes van feestgedruisch. Toen
+zij verstreken waren, maakten de talrijke gasten in het slot zich
+gereed om te vertrekken. Ook Walewein begaf zich naar zijn gastheer
+om afscheid van hem te nemen en hem te danken voor zijn gastvrij
+onthaal, maar deze wilde van geen afscheid weten. Den held terzijde
+nemend betuigde hij hem, hoe trotsch en verheugd het verblijf in zijn
+kasteel van zulk een beroemd man als Heer Walewein hem gemaakt had en
+verzocht hem ten slotte om hem nog eenige dagen langer het genoegen
+van zijn gezelschap te schenken. Walewein echter verzekerde zijn
+gastheer met de meeste beslistheid, dat dit onmogelijk was, wilde
+hij niet in de verplichtingen, die hij op zich genomen had, te kort
+schieten en op de verwonderde vraag van den ridder, welke dan die
+dringende verplichtingen waren, vertelde hij hem het avontuur met den
+groenen ridder en zwoer, dat hij liever sterven zou dan te verzuimen,
+op tijd bij de groene kapel te zijn. Toen hij uitgesproken had,
+barstte zijn gastheer in luid lachen uit. "Voorwaar, gij kondt het
+niet beter getroffen hebben!" riep hij uit, "want de groene kapel,
+die gij zoo ijverig zoekt, is slechts twee mijlen van hier verwijderd
+en ikzelf zal een mijner dienaren gelasten u er heen te geleiden,
+wanneer de afgesproken tijd is aangebroken. Tot zoolang echter moet
+ge mijn gast zijn en de laatste dagen van het jaar benutten om uwe
+krachten te verzamelen voor den komenden strijd." Met beide handen
+nam Walewein dit gastvrij aanbod aan. Nu het doel van zijne reis zoo
+nabij bleek te zijn, kon hij zich met een gerust hart overgeven aan
+het genot van dit gezellig samenzijn--het laatste misschien, dat hem
+op aarde ten deel zou vallen. Met volle teugen wilde hij daarom nog
+eenmaal genieten! en zijn stem klonk nog helderder, zijn stap was nog
+fierder dan gewoonlijk, toen hij zich tot zijne gastvrouw wendde om ook
+haar zijnen dank te betuigen voor de vriendelijke uitnoodiging. Maar
+de heer van het kasteel vroeg opnieuw zijne aandacht. "Waarde vriend",
+sprak hij, "want zoo mag ik u immers wel noemen, sta mij één verzoek
+toe, wat ik u bidden mag!" "Spreek, gij hebt slechts te bevelen",
+antwoordde Walewein. "Welnu dan", hernam de ander, "beloof mij, dat gij
+in de eerstvolgende dagen gedurende de vroegmis het bed zult houden,
+opdat gij geheel versterkt en uitgerust den tocht naar de groene kapel
+zult kunnen ondernemen. Gij kunt u dan na afloop van den dienst met
+mijne gemalin aan tafel begeven en haar den verderen dag gezelschap
+houden tot mijne thuiskomst. Ik zelf zal mij namelijk 's morgens op
+jacht begeven en het wild, dat ik als jachtbuit huiswaarts breng, is
+voor u, op voorwaarde dat, wat gij in den loop van den dag als buit
+zult behalen, aan mij wordt afgestaan. Wat dunkt u hiervan?" Walewein
+lachte vroolijk. "Mij dunkt dat dit voor mij eene alleszins voordeelige
+afspraak is!" riep hij uit, "en gaarne neem ik haar aan!" Daarop
+brachten de dienaren van den ridder twee bekers met schuimenden wijn
+en werd de overeenkomst door den gebruikelijken dronk bekrachtigd. Toen
+ging men onder scherts en gelach voor den nacht uiteen.
+
+Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag heerschte er reeds
+eene bedrijvige drukte in de omgeving van het kasteel. In de grijze
+morgenschemering kon men op het voorplein slechts vaag de gestalten
+onderscheiden van de schildknapen en de stalknechts, die haastig heen
+en weer liepen om alles voor de jacht in gereedheid te brengen. De
+paarden werden gezadeld en stampten ongeduldig op den leemen vloer der
+stallen. Bij de hondenhokken waren de dienaren van den graaf bezig den
+dieren hun ochtendmaal toe te dienen en deze verdrongen zich voor de
+hekken om het voedsel machtig te worden. Gretig hapten en snapten zij
+naar de groote stukken rauw vleesch, die de knechten hun vóórhielden
+en trachtten elkander de lekkerste beten afhandig te maken. Hun keffend
+geblaf vervulde de lucht en gulzig slokten zij het eten naar binnen.
+
+
+
+_Hoe de graaf met zijne ridders op de hertenjacht ging._ Nog vóór de
+dag goed en wel was aangebroken, verscheen de graaf met zijne ridders
+in de kapel om den ochtenddienst bij te wonen, na afloop waarvan
+zij in de groote slotzaal, staande een haastig maal nuttigden. Toen
+begaven zij zich naar buiten, waar de knechten aan kwamen draven
+met de jachtpaarden aan den teugel. Onder luid gepraat en gelach
+steeg men te paard, de honden werden losgelaten en renden onder een
+oorverdoovend geblaf de brug over, het bosch in, op den voet gevolgd
+door den langen jachtstoet. In het stille bosch, waar de sneeuw kraakte
+en knerpte onder de hoeven der paarden en de takken zwaar neerhingen
+onder hunne witte vracht, was het plotseling een bont gewemel van
+kleuren en klanken. De vroolijke tonen van den jachthoorn vermengden
+zich met het schelle hondengeblaf en het bosch scheen een oogenblik
+te ontwaken uit zijn doodschen winterslaap. Na eenigen tijd verdeelde
+de stoet zich; de speurders trokken vooruit om hunne standplaatsen
+in te nemen en het verdere gezelschap volgde de honden, die op den
+reuk van het wild afgingen.
+
+Opgeschrikt door hun geblaf snelden de herten uit het dal de hoogten
+op, maar werden daar teruggeschrikt door de jagers, die met een luid
+hallo-geroep uit de struiken te voorschijn sprongen. Doodelijk ontsteld
+stoof het wild opnieuw het dal in, maar onderweg viel er menig hert
+terneer, getroffen door de scherpe pijlen der ridders. Nu ging het in
+wilden galop het dal door, voorop de herten, die de sneeuw nauwelijks
+schenen te raken met hunne slanke pooten, daarachter de jachthonden,
+de lichamen tot het uiterste gestrekt, de tongen uit den bek, hijgend
+en blaffend en ten slotte de jagers, die, voorovergebogen hunne paarden
+tot den grootst mogelijken spoed trachtten aan te sporen. Eindelijk
+kwam de dolle rit tot stilstand en lag het meerendeel van het edele
+wild op den grond te zieltogen, terwijl de sneeuw zich rood kleurde met
+hun bloed. Alvorens de buit nader te bezichtigen werd er halt geblazen,
+de ruiters stegen af en rekten de stijfgeworden ledematen, de honden
+kwamen kwispelstaartend op hunne meesters toe, om een prijzend woord
+te ontvangen voor hunnen arbeid en in opgewonden stemming besprak men
+de spanning en den goeden uitslag der jacht. Intusschen beijverden
+de dienaren zich, om uit de meegebrachte tasschen en manden den
+mondvoorraad te voorschijn te halen en weldra konden de jagers zich
+verkwikken aan een teug wijn en een smakelijk maal van brood en gebak.
+
+Het was een vroolijke maaltijd in het stille bosch; de voldoening over
+den rijken jachtbuit maakte de tongen los en uitte zich in menigen
+scherts of vroolijk jachtverhaal. De honden lagen aan den voet hunner
+meesters en deelden in het maal en ook de vogels van het woud waagden
+zich naderbij om de vallende kruimpjes weg te pikken. Alleen de donkere
+plek daarginds op de sneeuw getuigde, dat dit vroolijk gezelschap
+met andere bedoelingen hier was gekomen dan enkel onschuldig schertsen.
+
+Toen allen verkwikt waren, toog men aan den arbeid om het wild te
+ontweien. Onder toezicht der ridders begaven de bekwame jagermeesters
+zich aan het werk, dat verscheidene uren duurde. Ten slotte echter
+waren de herten in stukken gesneden, de onbruikbare deelen verwijderd
+en de overige op hoopen gestapeld. Nu werden fluks draagbaren
+gemaakt van saamgevlochten twijgen en de buit met koorden hierop
+bevestigd. Eerst daarna werd de terugtocht ondernomen en de lange stoet
+reed huiswaarts, langzamer dan zij gekomen was, want mensch en dier
+waren vermoeid van den langen dag en de inspanning der jacht. Daarbij
+vereischte het meedragen van den buit ook eenige voorzichtigheid. Toen
+men eindelijk het kasteel naderde, was de vroege schemering reeds
+gedaald, met luid hoorngeschal kondigden de jagers hunne komst aan
+en dreunend viel de zware ophaalbrug voor hen neer. De poorten van
+het slot werden wijd geopend om het gezelschap binnen te laten en
+met luide welkomstkreten werden de thuiskomenden begroet.
+
+Wat was er nu dien dag met Walewein geschied?
+
+Terwijl de overige ridders zich naar de vroegmis begaven en zich
+vervolgens voor de jacht gereed maakten, lag onze held in diepe rust
+verzonken tusschen de zijden kussens van zijne legerstede. Toen onder
+zijn venster het hondengeblaf en de hoornsignalen het vertrek van
+den jachtstoet aankondigden, bewoog hij even onrustig in zijn slaap,
+maar weldra verzonk zijn geest opnieuw in het rijk der droomen en
+sluimerde hij rustig verder. Plotseling echter werd hij met een schok
+wakker. Zijn waakzame geest, die door de ondervinding geleerd had,
+steeds op een mogelijken onverhoedschen aanval bedacht te zijn, deed
+hem werktuigelijk de hand uitstrekken naar zijn zwaard, dat naast
+hem in de scheede hing. Wat was er gebeurd? Hij voelde, meer nog dan
+hij hoorde, dat er zich iemand bewoog aan de deur van zijn vertrek,
+maar nu scheen het weer, alsof hij het zich verbeeld had, want hij
+zag geene beweging aan den deurknop en diepe stilte heerschte om hem
+heen in het slot, dat wel uitgestorven leek te zijn.
+
+Maar neen, daar hoorde hij opnieuw eenig geluid, hij liet de opgeheven
+hand zakken, overtuigd als hij nu was, dat zijn wapen zich binnen
+zijn onmiddellijk bereik bevond en liet zijn hoofd weer in het kussen
+zinken. Door de half geloken oogen zag hij echter scherp toe. Wie
+beschrijft zijne verbazing, toen hij de deur zachtjes zag opengaan
+en op den drempel zijne schoone gastvrouw bemerkte, die geruischloos
+de kamer binnenkwam en, na de deur behoedzaam achter zich gesloten
+te hebben, op het bed toetrad? Bij hare nadering sloot Walewein zijne
+oogen geheel en wendde voor in diepen slaap verzonken te zijn. Toen de
+gravin bij de legerstede gekomen was, sloeg zij een der bedgordijnen
+terug en zette zich op den rand, de oogen op den slapende gericht. Deze
+was een oogenblik in twijfel, welke houding hij zou aannemen, maar
+eindelijk besloot hij, dat hij beter deed met zijne bezoekster ronduit
+te vragen naar het doel harer komst. Zoo natuurlijk mogelijk sloeg
+hij daarom de oogen op, alsof hij nu eerst uit eene diepe sluimering
+ontwaakte en bij het zien der gestalte, die zich naar hem overboog,
+maakte hij eene beweging van schrik en richtte zich ten deele op uit
+zijne liggende houding, alsof hij het bed wilde verlaten. De gravin
+legde echter hare hand op zijnen arm en sprak, vriendelijk lachend:
+"Goeden morgen, Heer Walewein, gij zijt inderdaad een onbezorgd slaper,
+dat gij u aldus laat verrassen. Maar nu zijt gij dan ook mijn gevangene
+en laat ik u niet meer vrij!"
+
+"Goeden morgen, schoone Vrouwe", antwoordde Walewein, "ik geef mij
+onvoorwaardelijk aan u over, doe met mij, wat gij wilt, in alles wil
+ik uw getrouwe dienaar zijn. Sta mij slechts toe, dat ik het bed
+verlaat en mij in passender kleeding steek om u te ontvangen." De
+gravin schudde lachend het hoofd. "Neen, edele heer," sprak zij,
+"mijn gevangene laat ik niet los. Het gebeurt slechts zelden dat ik
+zulk een dapper man als Heer Walewein voor mij alleen heb, hem, dien
+men niet zonder reden den edelsten, schoonsten en hoffelijksten ridder
+der Ronde Tafel noemt. Mijn echtgenoot is op de jacht, de bewoners
+van het kasteel zijn nog in diepe rust verzonken en zullen ons niet
+storen. Alles is stil in huis, wij beiden zijn alleen en de deur,
+die toegang geeft tot dit vertrek, heb ik stevig gegrendeld. Weet
+dan, dat ik u liefheb en dat ik hierheen ben gekomen, om u dit te
+zeggen. Handel met mij naar verkiezen!"
+
+"Vrouwe", sprak Walewein, "ik ben onwaardig, om zulke woorden van u
+te vernemen, maar geloof mij, wanneer ik u zeg, dat ik u dienen wil
+met alle middelen, die in mijn vermogen zijn!"
+
+"Heb dank", antwoordde zij, "voor uw aanbod. Het zou mij slecht passen
+om het niet met dankbaarheid te aanvaarden, maar meer nog dan op de
+kracht van uwe vuist stel ik prijs op een blik van liefde uit uwe
+oogen. Geloof mij, dat er vele vrouwen zijn, die uw gezelschap zouden
+verkiezen boven al het goud, dat de aarde haar schenken kon! Indien
+ikzelve vrij was om te kiezen, zou ik geen ander dan u tot mijn
+echtgenoot begeeren en het zou mij een genot zijn om al uwe wenschen
+te vervullen."
+
+Het kon niet anders, of deze woorden uit den mond van zulk eene schoone
+spreekster moesten Walewein diep treffen en de toon, waarop hij haar
+antwoordde werd dan ook steeds warmer en inniger. Zij spraken over
+de liefde, over de vreugde en droefenis, die zij brengen kan in het
+leven der menschen, en steeds dieper boog de gravin zich over hem
+heen, steeds dringender zagen hare oogen in die van Walewein. Deze
+laatste echter wist met schrander beleid het gesprek telkens weer
+in andere banen te voeren. De gedachte aan zijn afwezigen gastheer
+en ook aan het naderend avontuur met den groenen ridder vervulden
+zijne ziel en deden hem tegen het uitlokkend optreden zijner schoone
+bezoekster eene zekere terughouding in acht nemen. Ten slotte stond
+de gravin met een lichten zucht op van den rand der legerstede en
+maakte aanstalten om heen te gaan. Bij de deur gekomen wendde zij
+het hoofd om, zag hem over den schouder aan en sprak schertsend:
+"Vaarwel, heer ridder! Schoon zijt gij en welsprekend als geen ander,
+maar toch twijfel ik er aan, of gij Walewein zijt!"
+
+"Waarom twijfelt gij daaraan?" vroeg de held haastig, bevreesd dat
+hij in hoffelijkheid van houding en manieren te kort was geschoten. De
+gravin bleef hem lachend aanzien en zeide: "Mij dunkt, dat een ridder
+als Heer Walewein, die zóó geschoold is in hoofsche zeden en gebruiken,
+niet zulk een langen tijd in gezelschap eener dame vertoefd zou hebben,
+zonder haar om een kus te verzoeken!" "Wanneer ik wist, dat ge mij
+die schenken zoudt", antwoordde de held, "zou ik niet aarzelen u er
+om te vragen!" Nauwelijks had hij dit gezegd of de gravin kwam terug,
+boog zich naar hem over en kuste hem op het voorhoofd. Het volgende
+oogenblik was zij verdwenen.
+
+Walewein bleef eenige oogenblikken peinzend liggen, daarop sprong hij
+het bed uit en riep zijn kamerdienaar om hem bij het kleeden behulpzaam
+te. zijn. Vervolgens begaf hij zich naar de kapel, waar hij den dienst
+bijwoonde. Den ganschen middag bleef hij daarop in gezelschap van de
+gravin en hare vrouwen, die hij met luchtigen scherts en vroolijke
+verhalen wist te vermaken.
+
+Tegen den avond keerde de graaf met zijne ridders van de jacht
+terug. Walewein ging zijn gastheer tot aan de slotpoort tegemoet en de
+beide ridders begroetten elkander hartelijk. Daarop beval de graaf om
+den buit in de groote feestzaal te brengen en in tegenwoordigheid van
+alle bewoners van het kasteel, voerde hij Walewein tot vóór den hoogen
+wildstapel en sprak: "Ziehier mijn buit, dien ik volgens afspraak
+hierbij aan u overdraag. Wat dunkt u van deze verzameling, loont zij
+de moeite van het jagen niet en heb ik niet stipt woord gehouden?"
+
+Vol bewondering liet Walewein zijn blik gaan over de prachtige
+hertebouten, krachtig schudde hij zijn gastheer de hand en sprak:
+"Gij hebt woord gehouden, zooals dat een edelman betaamt, maar ook ik
+zal dat doen. Ziehier de buit, dien ik veroverd heb vandaag." Daarop
+boog hij zich naar zijn gastheer toe en kuste hem. "Uw geschenk is
+wel van gansch anderen aard als het mijne!" riep de graaf vroolijk
+uit, "maar vertel mij eens, waarde vriend, bij welke gelegenheid gij
+het ontvangen hebt? ik ben verlangend om dat te vernemen!" Walewein
+echter schudde het hoofd. "Dat was niet in onze afspraak begrepen",
+zeide hij lachend, "en daarom behoef ik het u niet te zeggen. Wat
+ik heden ontving, heb ik u eerlijk teruggegeven, verder reikt onze
+overeenkomst niet!"
+
+Daarop begaven allen zich aan den gemeenschappelijken maaltijd en
+onder het genot van zang en dans verliep de avond snel. Alvorens
+zich ter ruste te begeven, hernieuwden de graaf en zijn gast hunne
+afspraak voor den volgenden dag.
+
+
+
+_Hoe de graaf met zijne ridders op jacht ging om een wild zwijn te
+vangen._ Nauwelijks had de haan zijn schel gekraai doen hooren of de
+heer van het kasteel en zijne ridders hadden hunne paarden bestegen
+en waren uitgereden op jacht naar een wild zwijn. Met luide kreten
+vuurden de jagers hunne honden aan, die weldra het spoor van den ever
+ontdekten en in vollen ren hem trachtten te volgen. Hun zwaar geblaf
+vervulde de lucht en weerkaatste tegen de hooge rotsen.
+
+De jagers vuurden hen aan met hun schallende jachtkreten en in eene
+bonte mengeling joeg de gansche stoet door de bosschen. Plotseling
+maakten de honden halt bij een vooruitstekend rotsblok aan den rand van
+een half bevroren poel. Begeerig snuffelend verdrongen de honden zich
+om den rots en om het hooge struikgewas, dat daar naast groeide. De
+schildknapen stegen van hunne paarden en sloegen met stokken op de
+struiken om het dier, dat zich naar alle waarschijnlijkheid daarin
+bevond, te bewegen om te voorschijn te komen. Hun pogen had het
+gewenschte gevolg. Met een luid geknor stoof een groot zwijn uit de
+struiken te voorschijn, zijne borstels stonden dreigend overeind,
+zijne kleine oogen glinsterden boosaardig en zijne vreeselijke
+slagtanden zagen er onheilspellend uit. Bij den eersten stoot vielen
+drie der honden onder klagelijk gejank ter aarde, daarna stoof de ever
+door de springende, bassende massa heen het bosch in en verdween in
+wilde vlucht tusschen de struiken. De jagers en honden volgden hunnen
+prooi evenwel op den voet en in ijlende vaart ging het nu er op los,
+over omgevallen boomstammen, door struik en bosch, over bevroren
+plassen en besneeuwde velden, achter het wild aan. Tegelijkertijd
+suisden de pijlen door de lucht, die nu en dan doel troffen, doch
+welke niet meer deden dan slechts de buitenste huidlaag van het dier
+doorboren. Na eene lange jacht werd het zwijn echter zóó geprikkeld
+door de scherpe pijlpunten en geraakte het zóó uitgeput van den
+dollen wedloop, dat het plotseling stand hield om daarna met zijne
+scherpe slagtanden dreigend op de honden af te komen. Vreeselijk
+was de slachting, die hij onder hen aanrichtte, met opengereten
+buiken vielen de arme dieren neer en wentelden zich huilend in de
+sneeuw. Het zwijn maakte van een oogenblik van aarzeling onder zijne
+aanvallers gebruik om de vlucht te nemen in een rotsspelonk aan den
+oever van eene beek. Het schuim stond hem op den bek, zijne oogen
+waren rood beloopen en zóó afschrikwekkend zag het dier er uit,
+dat niemand der jagers het waagde om het te lijf te gaan. De graaf,
+die bemerkte dat zijne ridders aarzelden om tot den aanval over te
+gaan, steeg van zijn paard, trok zijn lang slagzwaard uit de scheede
+en naderde voorzichtig de spelonk, waarin het ondier zich verscholen
+hield. Zoodra het zwijn bespeurde van welken kant het gevaar dreigde,
+schoot het uit zijne schuilplaats te voorschijn en kwam met gebogen
+kop op den graaf af. Deze was echter op den aanval bedacht. Op het
+oogenblik, dat het zwijn den kop omhoog hief om den stoot te wagen,
+stak hij hem de punt van zijn zwaard in den buik, zoodat een straal
+bloed te voorschijn spoot. Onder een vreeselijk gebrul viel het dier
+zijdelings op den grond en nauwelijks hadden de honden dit gezien,
+of zij schoten luid blaffend op hem af en beten hem met hunne scherpe
+tanden de strot door. Met een luid gejuich begroetten de ridders
+het slagen van hun tocht en vele rappe handen haastten zich om het
+zwijn te ontweien. Eerst werd de kop afgeslagen, en daarna de romp
+overlangs in tweeën gesneden. De ingewanden werden verwijderd en op
+de asch van een inmiddels aangelegd vuur gebraden, daarna wierp men
+ze voor de honden, die met graagte er op aanvielen. De beide helften
+van den romp werden met de pooten aan een stok gebonden en door twee
+knechten op de schouders genomen. Den kop bracht men aan den graaf
+als jachttropee en deze haastte zich met zijne ridders huiswaarts.
+
+Laat ons thans zien, wat inmiddels in het slot was
+voorgevallen. Getrouw aan de afspraak met zijn gastheer had Walewein
+zijn schildknaap last gegeven hem niet te roepen en zoo sliep hij
+ongestoord voort, terwijl de andere ridders zich voor de jacht in
+gereedheid brachten. In zijne droomen zwierf hij rond in een groot
+bosch op zoek naar den groenen ridder, maar bij iedere kromming van
+den weg, verscheen inplaats van hem, dien hij zocht, de gestalte van
+zijne bevallige gastvrouw, die hem wenkte tot haar te komen. Wanneer
+hij dan op haar toesnelde en op het punt was haar bij de hand te
+vatten, verdween zij plotseling voor zijne oogen en liet hem alleen
+in het onherbergzame woud, om kort daarop weer tusschen de struiken
+op te rijzen. Onrustig bewoog de held zich op zijne legerstede,
+tot plotseling--hoor! daar drong het geluid van eene deur, die
+openging in zijne droomen door en de oogen opslaand, zag hij in die
+der gravin. Met zachten tred kwam deze zijn slaapvertrek binnen en
+zette zich, evenals den vorigen dag op den rand van zijn rustbed.
+
+Minzaam lachend zag zij op hem neer en sprak:
+
+"Heer Walewein, een ieder roemt u als een wijs, verstandig man en toch
+moet ik bemerken, dat gij nu reeds vergeten zijt, wat ik u gisteren
+heb trachten te leeren. Hoe rijmt gij dat?"
+
+"Wat ge mij gisteren hebt trachten te leeren", herhaalde de ridder
+verbaasd, "wat kan dat zijn? Zeg het mij spoedig, wat ik u bidden mag,
+want ik zou niet gaarne onachtzaam schijnen tegenover u!"
+
+Daarop boog de gravin zich nog dieper over hem heen, zag hem in de
+oogen en zeide: "Ik trachtte u te leeren, hoe een ridder de vrouw
+kust, die hem haren voorkeur toont en nu schijnt het of gij u die
+les gansch niet meer herinnert."
+
+Walewein richtte zich half overeind en sprak toen zacht: "Schoone
+Vrouwe, vergeef mij, indien ik u voorkom, in hoffelijkheid te zijn
+te kort geschoten. Hoe gaarne zou ik u om een kus vragen, wanneer ik
+niet vreesde, eene weigering te zullen ontvangen!" "Eene weigering",
+antwoordde zij lachend, "en wat dan nog? Zijt ge niet sterk genoeg om
+datgene, wat gij verlangt, desnoods met geweld af te dwingen?" "Gij
+spreekt waarheid, edele Vrouwe," hervatte Walewein, "zeer zeker zou
+ik daartoe in staat zijn, maar in het land, waar ik vandaan kom, zou
+men mij zulk eene handelwijze euvel duiden en bovendien: eene gift,
+die ongaarne geschonken wordt, verliest hare waarde voor hem, die ze
+ontvangt! Daarom wil ik mij in dit geval onvoorwaardelijk aan uwen
+wil onderwerpen, slechts dan, wanneer het werkelijk uw verlangen is,
+wil ik u kussen."
+
+Toen hij uitgesproken had, boog de gravin zich voorover en kuste hem
+op de wang, waarna zij beiden nog langen tijd op fluisterenden toon
+met elkander spraken."
+
+"Hoe komt het toch", sprak zij na eenigen tijd, "dat gij, die zoo jong
+en levenslustig zijt en zoo goed bekend met de wetten der liefde,
+mij nooit over die liefde gesproken hebt? Was het niet eene fraaie
+gelegenheid om een jong ding als ik ben, een weinig onderricht daarin
+te geven? Mijn echtgenoot is afwezig en niemand zal ons storen."
+
+Walewein voerde in zijn binnenste een harden strijd. De gelegenheid
+was inderdaad gunstig! Hij had slechts de armen uit te strekken en de
+schoonste vrouw, die hij ooit gezien had, zou de zijne zijn. Waarom
+zou hij niet genieten van wat de omstandigheden hem zoo verleidelijk
+aanboden. Nog weinige dagen en hij zou een strijd moeten aanbinden,
+waarin hij bijna zeker den dood zou vinden. Was het niet dwaas om
+nu niet toe te grijpen en te genieten van wat jeugd en schoonheid
+hem zoo willig boden? Maar er was eene andere stem in zijn hart,
+die sprak van eer en ridderlijkheid en van de verplichtingen, die
+de gastvrije ontvangst in het kasteel hem oplegde. Wat! zou hij,
+Walewein, een ridder van de Ronde Tafel, een vertrouwd vriend van
+koning Arthur, de wetten der gastvrijheid schenden en zijn gastheer
+bedriegen, die hem vol vertrouwen in het slot had achtergelaten? En
+was hij dan vergeten, met welk doel hij hierheen was gekomen, dat
+hem binnenkort een zware strijd, misschien de dood wachtte, waarvoor
+hij zijn arm sterk en zijn geweten zuiver moest houden? Waar hij zoo
+spoedig de eeuwigheid in zou kunnen gaan, paste het hem voorwaar aan
+andere dingen te denken dan aan ijdel minnekoozen met schoone vrouwen
+en hoe zou hij voor den rechterstoel van God durven verschijnen met
+een dergelijken trouwbreuk op zijn geweten? Allengs werd de stem der
+eer luider en bracht die andere stem tot zwijgen.
+
+Walewein omvatte met zijne beide handen die der gravin, zag haar
+recht in de oogen en sprak ernstig: "God is mijn getuige, dat ik
+niets liever doe dan met u spreken, en dat ik u dankbaar ben voor de
+gunsten, die ge mij bewijst, maar om u te onderrichten in het spel
+der liefde is een kundiger man noodig dan ik ben. Daarom, bid ik u,
+houd het mij ten goede, wanneer ik hierover zwijg en laat mij u in
+alle andere dingen mogen dienen." De gravin, die inzag dat zij ook
+ditmaal haar doel niet bereiken zou, schikte zich met een zucht in
+het onvermijdelijke en nadat zij zich nog eenigen tijd met haren gast
+onderhouden had, verliet zij het vertrek.
+
+In den loop van den middag keerde de graaf van de jacht terug. Het was
+inmiddels gaan sneeuwen, een fijne jachtsneeuw, die de jagers deed
+rillen onder hunne zware mantels. Half verkleumd kwamen zij binnen,
+in de ruime hal van het slot, waar het vuur knetterde en de vlammen
+oplaaiden in den ruimen haard. Met trots vertoonde de graaf den
+geweldigen kop van het zwijn en bood hem lachend aan Walewein. Deze
+sloeg den arm om de schouders van zijn gastheer en kuste hem met den
+uitroep: "Ziehier mijn buit!" Daarop verzocht hij den graaf hem de
+lotgevallen van dien dag mede te deelen, aan welk verzoek deze gaarne
+voldeed. In opgewonden bewoordingen deed hij Walewein verslag van de
+jacht op het wilde zwijn en beschreef hem de gevaren, die hij en zijne
+ridders daarbij getrotseerd hadden. Vol lof verklaarde onze held,
+dat hij nog nimmer zulk een reusachtigen kop gezien had, als die,
+welken de graaf als zegeteeken meegebracht had en prees de dapperheid
+en behendigheid van de jagers.
+
+Weldra kondigden drie bazuinstooten aan, dat de avondmaaltijd gereed
+was en de gasten schikten zich om den welvoorzienen disch, dien zij
+alle eer bewezen. 's Avonds zat men onder gezelligen kout te zamen en
+menig jachtverhaal deed de ronde. Walewein was opnieuw de eereplaats
+aangewezen naast de bekoorlijke gravin en deze deed al wat zij kon
+om hem te behagen. Alvorens een ieder zich naar zijn slaapvertrek
+begaf, wendde Walewein zich tot den graaf en gaf zijn verlangen te
+kennen om den volgenden morgen te vertrekken, maar deze wilde er
+niets van hooren!
+
+"De groene kapel bevindt zich slechts een halfuur gaans van
+hier", sprak hij. "Wanneer gij u dus op Nieuwjaarsmorgen tijdig
+daarheen begeeft, kunt gij er zeker van zijn, daar niet te laat te
+komen. Vertrouw op mij, ik zal zorgen, dat gij uw afspraak houdt!"
+
+Zoo liet Walewein zich overhalen, om nog een nacht in het slot te
+vertoeven en de overeenkomst tusschen hem en den graaf werd hernieuwd.
+
+De laatste was opnieuw vroeg uit de veeren en bij het aanbreken
+van den dag reed hij met zijne ridders uit op de vossenjacht. Er
+heerschte eene doodsche stilte in de natuur; na de sneeuwjacht van den
+vorigen avond was het gaan vriezen en de ruiters moesten de uiterste
+voorzichtigheid gebruiken om hunne paarden voor vallen te behoeden. De
+lucht was grijs en strak, nu en dan viel een enkele sneeuwvlok als
+aankondiging van een nieuwe bui. Langzaam reed het gezelschap de
+poort uit, een vlugge draf was voorloopig onmogelijk, maar tusschen
+de boomen, waar het meer beschut was, werd de grond zachter en kwamen
+de paarden vlugger vooruit. Plotseling kondigde een luid geblaf aan,
+dat de honden het spoor van den vos ontdekt hadden en in versnelden
+draf ging het nu voorwaarts. Na verloop van eenigen tijd kwam de
+vos in het gezicht en nu werd het een dolle wedren: voorop de vos,
+als een donker stipje tegen de witte sneeuwvlakte, daarachter een
+verward kluwen van honden, wier hijgend blaffen zich vermengde met
+de uitroepen der jagers, die ze tot meerderen spoed aanspoorden. De
+vos gaf zich echter niet spoedig gewonnen; zonder zijne vaart te
+verminderen snelde hij door het struikgewas, over oneffenheden in den
+bodem en afgewaaide takken en de afstand, die hem van zijne vervolgers
+scheidden werd niet kleiner. Tenslotte zonderde de graaf zich af van
+het overige gezelschap en reed in een wijden boog in de richting,
+die de vos moest nemen. Toen deze het gevaar bemerkte dat hem dreigde,
+maakte hij eene zijwaartsche zwenking, maar geraakte hierdoor binnen
+het bereik der honden. Een van hen greep hem tusschen de tanden
+en beet hem dood. De graaf echter nam hem het wild uit den bek en,
+den vos triomfantelijk boven het hoofd zwaaiend kondigde hij met een
+luid hallo-geroep het welslagen van de jacht aan. Allen snelden toe
+en prezen den buit, daarop werd Reinaert ontdaan van zijne vacht en
+voerde men deze als zegeteeken mee naar huis.
+
+In het slot wachtte men in vroolijke stemming de thuiskomst der jagers
+af. 's Morgens vroeg, eer de achtergebleven slotbewoners ontwaakt
+waren, was de gravin tot een laatst bezoek in het slaapvertrek
+van Walewein binnengeslopen. Deze had ditmaal hare komst wakend
+afgewacht. Het hoefgetrappel der jachtpaarden had hem uit een diepen,
+droomloozen slaap gewekt en de spanning of zijne schoone gastvrouw
+opnieuw zou komen, had hem belet weer in te sluimeren. Hij behoefde
+trouwens niet lang te wachten. Nauwelijks waren de geluiden der
+vertrekkende jagers verstomd, of hij zag, hoe de deurknop voorzichtig
+werd omgedraaid en in de grijze ochtendschemering sloop een slanke
+gedaante het vertrek binnen.
+
+De gravin droeg een wijden karmozijnrooden mantel, met kostbaar bont
+omzoomd, die haren hals en armen geheel vrij liet. Om den hals droeg
+zij een snoer paarlen en edelsteenen lichtten tusschen hare donkere
+vlechten. Op het venster toetredend, schoof zij de gordijnen opzij om
+het morgenlicht door te laten, daarna bukte zij zich over den ridder,
+die bij hare binnenkomst de oogen had gesloten en kuste hem op den
+mond, zeggend:
+
+"Ontwaak, edele heer! de morgen is aangebroken en uwe dienares is
+hier, die u vaarwel wil zeggen, eer gij uw gevaarvollen tocht gaat
+ondernemen. Het is ons laatste samenzijn, laat ons ervan genieten
+zoolang het duurt, want morgen zijt ge ver van hier!"
+
+Bij het voelen harer warme lippen op de zijne, doortrilde Walewein
+een schok van blijde verrassing en toen hij daarna de oogen opsloeg en
+hare schoonheid en lieftalligheid in zich opnam, moest hij zich geweld
+aandoen, om haar niet in zijne armen te nemen. Met kracht balde hij de
+vuisten samen onder het dek en zijn stem klonk onvast, toen hij zeide:
+"Goeden morgen, liefste! Hoe zal ik u danken voor de eer en gunst,
+die ge mij betoont, door ten derden male mij te bezoeken!"
+
+"Er is slechts ééne wijze, waarop ge mij uwe dankbaarheid kunt
+betoonen," sprak de gravin, "en die kan ik u niet zeggen, gijzelve
+moet die raden!"
+
+Maar al te goed wist Walewein, waar zijne schoone bezoekster op
+doelde, maar tevens wist hij dat, zoo hij haren wenk opvolgde, hij
+in de oogen van zichzelven en allen, die het hoorden, een eerloos
+man zou zijn. Daarom trachtte hij, hoeveel moeite het hem ook kostte,
+het gesprek eene andere wending te geven. Voor eene wijle gelukte het
+hem, maar spoedig bracht een teedere blik van de gravin hem opnieuw
+in verwarring en er viel eene pijnlijke stilte.
+
+"Zeg mij, Heer Walewein", sprak de gravin, "of gij op aarde eene
+liefste hebt, die gij boven alle andere vrouwen vereert en bemint? Zoo
+ja, noem mij haar dan eerlijk!" "Op mijn woord, schoone vrouwe,
+antwoordde Walewein, "in heel de wijde wereld ken ik geene vrouw, die
+schooner of lieftalliger is dan gij. Ik ben echter geen meester van
+mijn hart, daar ik gezworen heb vóór alle dingen deze onderneming tot
+een goed einde te brengen. Ik mag dus geene andere gedachten hebben
+dan die, welke het avontuur met den groenen ridder betreffen".
+
+Zuchtend boog de gravin het hoofd.
+
+"Welnu dan", sprak zij, "indien wij werkelijk scheiden moeten, geef
+mij dan een aandenken aan onze vriendschap, dat mij de uren van
+verlangen naar u zal helpen verlichten; eene kleinigheid, zij het
+slechts een handschoen, dien gij gedragen hebt, zal mij troosten in
+uwe afwezigheid."
+
+"Helaas", antwoordde de ridder, "wat zal ik u geven? Bij het
+aanvaarden van mijn eenzamen en gevaarvollen tocht heb ik alles, wat
+ik aan kostbare kleinoodiën bezat, aan het hof achtergelaten. Had ik
+slechts mijne koffers hier, dan zou ik een schat van sieraden aan uwe
+voeten uitschudden en u verzoeken het mooiste en kostbaarste eruit
+als eene herinnering aan mij te willen aannemen. Eene vrouw als gij,
+biedt men toch immers niet een simpelen handschoen als aandenken aan?"
+
+"Bekommer u niet langer over mijne vraag", antwoordde de gravin,
+"ook zonder tastbaar aandenken zal ik u niet vergeten! Wanneer ge mij
+echter geene gedachtenis schenken wilt, zoo kunt ge toch zonder bezwaar
+een klein geschenk van mij aannemen. Ziehier een ring, dien ik nacht
+en dag aan den vinger draag. Mag ik u dien geven als herinnering
+aan uw verblijf te mijnent?" Maar Walewein schudde afwijzend het
+hoofd. "Zulk een kostbaar geschenk kan ik niet van u aannemen, zonder
+u daar mijnerzijds iets voor terug te geven," sprak hij. "Vergeef mij,
+indien ik onhoffelijk schijn, maar onder deze omstandigheden zou uw
+geschenk mij geen genoegen doen!" "Het zij zoo", antwoordde de gravin,
+"en tegen uwe bezwaren kan ik niets inbrengen, maar ziehier dan een
+ander geschenk, dat eenvoudiger schijnt en bijkans onwaardig om het
+aan een edel ridder, als gij zijt, aan te bieden. Moge het echter
+al eene simpele gift schijnen, zoo bevat zij voor hem, die ze kent,
+hoedanigheden van onschatbare waarde!" Onder het spreken had zij
+haren mantel teruggeslagen en gespte nu een groen zijden gordel
+los, die haar middel omsloot. Toen zij hem aan Walewein voorhield,
+werd zijn oog verblind door de schitterende kwartsen, waarmede hij
+bezet was. In alle tinten en kleuren glinsterden zij hem tegen, maar
+de meesten waren groen als de zijde zelf, van eene eigenaardige,
+doorschijnend groene tint. Weer schudde Walewein het hoofd, maar
+vóór hij iets zeggen kon, sprak de gravin op nog dringerder toon
+dan te voren: "Weiger mijn geschenk niet, alvorens ik u de verborgen
+hoedanigheden ervan heb medegedeeld. Hij, die dezen gordel draagt is
+onkwetsbaar, geen lans- of pijlpunt kan hem deren, geen zwaardslag
+kan hem eenig letsel toebrengen. Denk aan den naderenden strijd en
+neem den gordel aan, die u beschermen zal tegen de aanvallen van den
+groenen ridder! Eén ding moet ge mij echter beloven: dat gij niet
+aan mijn echtgenoot zult verraden, welk geschenk ik u gegeven heb!"
+
+
+
+_Hoe Walewein van de gravin een gordel ten geschenke kreeg._ Walewein
+dacht eenige oogenblikken na over hare woorden en kon het zich niet
+verhelen, dat de gordel hem in de komende dagen van groot nut zou
+kunnen zijn. Hoe zou hij zonder een dergelijk beschermmiddel eenige
+kans hebben om den slag, dien de groene ridder hem volgens afspraak
+mocht toebrengen, te overleven? Mocht hij dan deze gelegenheid
+voorbij laten gaan, die hem een uitkomst bood? Hij was toch nog te
+jong om te sterven; het leven beloofde hem nog zooveel schoons en
+heerlijks! Roem, liefde, eerbetoon en macht, alles hield de toekomst
+nog in haren schoot verborgen en dat alles zou hij moeten missen door
+deze toevallige overeenkomst met een bloeddorstigen vreemdeling? Neen,
+een dwaas zou hij zijn om niet het middel aan te grijpen, dat hem tot
+redding geboden werd, en vriendelijk lachend nam hij den gordel uit
+de handen zijner schoone bezoekster aan, zeggend: "Zulk een geschenk
+en op zulk eene wijze aangeboden, mag ik niet weigeren. Ontvang daarom
+mijn dank, schoone vrouwe, voor uwe waardevolle gift en wees overtuigd,
+dat ik bij het dragen steeds de bevallige geefster zal gedenken."
+
+Nog langen tijd nadien bleven beiden te zamen en toen de gravin
+afscheid nam had zij Walewein tot drie malen toe gekust.
+
+De morgen verstreek en in den middag kwam het gezelschap van de jacht
+terug. Met blijde voldoening overhandigde de graaf zijn gast de buit
+van dien dag en ontving daarvoor van Walewein drie kussen. Van den
+groenen gordel werd echter met geen woord gerept.
+
+De laatste avond van Waleweins verblijf in het kasteel werd met
+grooten luister gevierd. Een keur van uitgezochte spijzen wachtte
+op den feestelijk gedekten tafel, en na afloop van den maaltijd
+werd het gezelschap vermaakt door de zoetvloeiende liederen der
+minstreelen. Maar al te gauw was de avond voorbij en brak het oogenblik
+van scheiden aan. Toen allen zich gereed maakten om zich naar hunne
+slaapvertrekken te begeven, naderde Walewein zijn gastheer en betuigde
+hem zijnen dank voor zijn gastvrij onthaal. Nooit, zoo zeide hij,
+zou hij de genotvolle dagen vergeten, die hij op het slot had mogen
+doorbrengen en die hem na de geleden ontberingen van zijn wintersche
+reis, dubbel schoon waren voorgekomen. Hij gaf hem zijn leedwezen te
+kennen over het feit, dat hij den volgenden morgen vertrekken moest
+en herinnerde zijn gastheer aan zijne belofte om hem een dienaar als
+gids aan te wijzen. De graaf beval daarop een zijner schildknapen zich
+gereed te houden om met Walewein mede te gaan en toen deze met hem was
+overeengekomen, op welk uur zij zouden vertrekken, begaf onze held zich
+naar het gezelschap der edelvrouwen om ook van haar afscheid te nemen.
+
+Eenmaal nog zag hij in de schoone oogen der gravin en kuste
+haar de hand, daarna wendde hij zich af en begaf zich naar zijn
+slaapvertrek. Hij kon echter den slaap niet vatten, de gebeurtenissen
+der laatste dagen trokken als een bonte stoet van kleurige tafereelen
+door zijn brein. Nu eens hoorde hij de zachte stem der gravin, die hem
+teedere woorden toefluisterde, dan weer klonk hem het hoorngeschal der
+terugkeerende jagers in de ooren. Voor zijne oogen zag hij de zaal
+van het kasteel met de sierlijk gekleede ridders en edelvrouwen,
+waartusschen telkens het donkergelokte hoofd zijner gastvrouw in
+hare bloeiende schoonheid opdook. Wanneer hij dan met geweld zijne
+gedachten in de toekomst liet gaan, rees voor zijne verbeelding het
+sombere woud zijner omzwervingen omhoog, en hij rilde onder de donzen
+dekens bij de gedachte aan wat hem daarginds te wachten stond.
+
+Toen hij eindelijk insliep, was zijn slaap onrustig, in zijne droomen
+streed hij tegen den groenen ridder, die steeds grooter en grooter
+werd, naarmate het gevecht voortduurde. Wanhopig zwaaide hij zijn
+zwaard, maar het scheen, of hij al verder en verder in 't niet zonk
+tegenover de reusachtige afmetingen van zijn tegenstander. Badende
+in zijn zweet werd hij bij het eerste morgenkrieken gewekt door
+den schildknaap van den graaf. Huiverend zag hij rond in het grauwe
+morgenlicht van zijn vertrek. Hoe geheel anders was zijn ontwaken de
+laatste dagen geweest, toen de lieflijke stem eener schoone vrouw
+hem uit den slaap gewekt had en de dag hem een onafgebroken reeks
+van genotvolle uren beloofde! Maar niet lang gaf hij zich over aan
+dergelijke overpeinzingen. Zijn lichaam voelde hij versterkt na de
+dagen van rust, zijn geest was helder en de spieren van zijn arm waren
+krachtig en lenig: wat zou hij dan vreezen? Zijne oude strijdlust
+werd bij hem wakker, met voldoening bezag hij zijne glimmend gepoetste
+wapenen en greep zijne hand naar het gevest van zijn zwaard. Was hij
+niet Walewein, de gevreesde, die nog nooit in den strijd het onderspit
+had moeten delven? En zou hij nu opzien tegen de ontmoeting met dezen
+onbekenden vreemdeling, hij, tegen wien de vermaardste ridders ter
+wereld den strijd hadden moeten opgeven?
+
+Met een gevoel van krachtigen overmoed daalde Walewein de trappen af
+en begaf zich na een haastig ontbijt genuttigd te hebben naar buiten,
+waar Gringalet hem wachtte. Hij steeg te paard en reed, gevolgd door
+den dienaar, de slotpoort uit, nog eenmaal zag hij omhoog naar de
+bovenvensters van het kasteel en onwillekeurig tastten zijne vingers
+naar zijne linkerzijde, waar onder zijne wapenrusting de groene gordel
+verborgen was, daarop richtte hij zijn blik vooruit en vervolgde zijn
+weg zonder verder om te zien. Eene dichte sneeuwjacht belette hem
+verder dan enkele passen voor zich uit te zien, een hevige stormwind
+joeg de sneeuw te zamen in de holten en kuilen terzijde van den weg,
+de takken der boomen kraakten en zuchtten onder den zwaren sneeuwlast,
+maar verder verbrak geen geluid de stilte; de dieren van het woud
+hielden zich schuil tot de storm bedaard zou zijn.
+
+De weg, dien de schildknaap hem aanwees, voerde de ruiters omhoog
+tusschen de heuvels, waarvan de toppen in een dikken mist gehuld
+waren. Juist op dat oogenblik hield het op met sneeuwen en brak de
+zon door, die het gansche landschap met hare schitterende stralen
+overgoot. Als een glinsterend wit kleed lag de sneeuw over de bosschen
+en velden, waartegen een vlucht van donkere vogels scherp afstak.
+
+Waleweins gids maakte nu een teeken met de hand om den held aan
+te duiden, dat zij hier stil moesten houden en sprak: "Edele heer,
+wij zijn hier op eene plek gekomen, die niet ver van de groene kapel
+verwijderd is. Aan uw wensch is dus voldaan. Van hier uit kunt gij
+verder ook zonder mijne hulp de plaats uwer bestemming bereiken. Vóór
+gij u echter daarheen begeeft, moet ik u waarschuwen tegen hem, dien
+gij daar vinden zult. De groene ridder, zooals hij zich noemt, is een
+monster in menschengedaante. Niets en niemand is veilig voor hem. Een
+ieder, die aan zijne woning voorbijgaat: heer of knecht, oud of jong,
+rijk of arm, allen doodt hij met een slag van zijn zwaard. Bezin u dus
+goed, alvorens u in zijne nabijheid te wagen. Het ware te betreuren,
+indien een edel ridder als gij, ook als slachtoffer van zijn wreed
+begeeren zou moeten vallen. Daarom raad ik u dit: verlaat dit oord, eer
+het te laat is en ik zweer u, bij alles wat mij heilig is, dat ik geen
+sterveling zal verraden, dat gij het gevaar ontvlucht zijt!" Walewein
+echter schudde lachend het hoofd: "Heb dank, beste vriend, voor uwe
+goede bedoeling, maar wat uw raad betreft: nog nooit heeft Walewein
+de vlucht genomen en ook ditmaal zal hij het niet doen! Nooit zal men
+mij van lafhartigheid kunnen beschuldigen, ook nu niet. Daarom ben ik
+vast besloten den groenen ridder op te zoeken en hem, getrouw aan mijne
+belofte, mijn hoofd tot den zwaardslag aan te bieden." "Het zij zoo",
+hervatte de schildknaap, "gij weet nu, dat ik u gewaarschuwd heb, moge
+God u bijstaan! Wanneer gij dus tot elken prijs uw leven wilt wagen,
+rijd dan dit pad af tot ge in het dal komt. Daar zult gij spoedig de
+groene kapel ontdekken. Vaarwel!"
+
+Walewein sloeg het aangewezen pad in, dat met vele kronkelingen langs
+een hoogen rotswand de heuvel afdaalde. Hier en daar had hij moeite
+zijn paard op de been te houden op den gladden, besneeuwden rotsbodem,
+maar ten slotte belandde hij veilig en wel in het dal, dat aan alle
+zijden door hooge heuvels was ingesloten. Op deze beschutte plek
+voelde men bijkans geen wind en de donkere stammen der denneboomen
+staken onbeweeglijk omhoog in de ijle winterlucht. Behoedzaam spiedde
+Walewein om zich heen, of hij ergens een spoor van eene kapel kon
+ontdekken, maar nergens trof zijn oog iets anders dan besneeuwde
+boomen en struiken. Door het dal stroomde een beekje, aan welks
+oever de ridder op eenigen afstand eene kogelvormige verhevenheid
+ontdekte. Getroffen door den eigenaardigen vorm van deze oneffenheid
+in den bodem begaf Walewein zich er heen, bond zijn paard aan een
+naastbijzijnden boom en ging voorzichtig op den vreemden heuvel af.
+
+Naderbij gekomen bemerkte hij, dat er zich aan ééne zijde eene
+opening bevond, die toegang scheen te geven tot een donker hol. De
+rotsspelonk, want dit scheen het te zijn, was geheel begroeid met gras,
+nu bedekt met sneeuw, dat zich als een koepelvormig dak er over heen
+welfde. Hoever het hol zich daarbinnen uitstrekte kon men van buiten
+af niet bepalen, het eenige wat men door de opening zag, was een
+donkere afgrond, waaruit een kille aardlucht naar buiten drong. Het
+geheel maakte zoo'n somberen indruk, dat de held bij het zien ervan
+haastig een kruis sloeg en uitriep: "Eene geschikte plaats voor den
+groenen ridder om zijne godsdienstoefeningen te houden! Hij kan er
+zeker van zijn, dat de duivel in eigen persoon tegenwoordig zal zijn!"
+
+Nauwelijks waren deze woorden over zijne lippen gekomen, of een
+doordringende kreet drong van de overzijde der beek tot hem door
+en zich omwendend zag hij tusschen de hooge struiken den groenen
+ridder te voorschijn komen. Onheilspellend rolden zijne oogen en
+dreigend zwaaide hij eene gloednieuwe, glinsterende strijdbijl in
+zijne rechterhand. Aan de beek gekomen, sprong hij er over heen en
+schreed met lange stappen op Walewein toe. Deze wachtte hem rustig af,
+de vuist om het gevest van zijn zwaard geklemd en toen de vreemdeling
+hem genaderd was, sprak Walewein met vaste, rustige stem: "Goeden
+dag, heer ridder! Getrouw aan onze overeenkomst, die wij heden voor
+een jaar gesloten hebben, ben ik hier gekomen om een slag van u te
+ontvangen in ruil voor dien, welken ik u een jaar geleden gaf!"
+
+De groene ridder boog groetend het hoofd en zeide:
+
+"Gij hebt uwe belofte gehouden, zooals dit een edelman betaamt. Het
+oogenblik is aangebroken, waarop ik u den slag kan teruggeven,
+dien ik van u mocht ontvangen. Daarom verzoek ik u, om uwen hals
+te ontblooten."
+
+Walewein voldeed aan zijn verlangen. Hij zag nog eenmaal omhoog in
+de helderblauwe lucht, die hij dacht nooit weder te zien, daarna boog
+hij het hoofd en sloot de oogen. Hij hoorde hoe de groene ridder met
+boosaardig lachen de bijl omhoog zwaaide en die toen duizelend door
+de lucht neer deed komen. Toen het wapen aldus op zijn nek dreigde
+neer te komen, maakte Walewein onwillekeurig eene terugtrekkende
+beweging met de schouders, maar zoodra zijn vijand dit bespeurde,
+stuitte hij het wapen in zijne vaart en riep toornig uit: "Schaam u,
+Heer Walewein! gij, die beroemd zijt om uwe dapperheid en die toch
+reeds beeft van vrees, nog eer gij eenig letsel hebt bekomen. Toen
+gij mij geslagen hebt, toonde ik in geene enkele beweging, dat ik
+uwen aanval vreesde, en zelfs toen ik mijn hoofd moest verliezen,
+heb ik nog niet het hazenpad gekozen. Daarom durf ik zeggen, dat ik
+dapperder ben dan gij en dat men ten onrechte u prijst als een der
+onversaagdste ridders van het land."
+
+Diep beschaamd hoorde Walewein zijne woorden aan en na eenig
+stilzwijgen sprak hij: "Gij hebt gelijk, het was laf en onridderlijk
+van mij om angst te toonen, maar geloof mij, het zal mij geen tweede
+maal overkomen. Daarom, sla toe, wat ik u bidden mag!" "Welnu dan,"
+antwoordde de groene ridder, "uw wensch worde vervuld!" Onder het
+zeggen van deze woorden hief hij zijne bijl omhoog en zwaaide hem
+door de lucht, maar alvorens hij den hals van zijn vijand aanraakte,
+hield hij opnieuw het wapen tegen en sprak goedkeurend tot Walewein:
+"Inderdaad, nu zie ik, dat gij een dapper ridder zijt, want uwe
+schouders verroeren zich niet, hoewel het wapen des doods er boven
+zweeft!" Onze held echter, die slechts door de uiterste wilsinspanning
+zijne kalmte wist te bewaren, ontstak in toorn over dit nieuwe
+oponthoud en sprak heftig: "Draal niet langer, heer! maar breng mij den
+slag toe, die voor mij bestemd is. Daarna kunnen wij verder spreken!"
+
+"Ziehier dan!" riep de groene ridder met donderende stem en nog eens
+hoorde Walewein het duizelend geluid, waarmee het wapen de lucht
+doorkliefde. Hij sloot de oogen, klemde de vuisten opeen en bereidde
+zich voor op den dood. Wie beschrijft echter zijne verbazing, toen
+hij voelde, hoe de bijl slechts aarzelend zijn hals scheen aan te
+raken. Wel drong de scherpe snede van het wapen door de opperhuid en
+zag hij, hoe zijn bloed in langzame druppels op de sneeuw neerviel,
+maar daarna scheen het of eene hand de bijl terugtrok uit de wonde
+en ongedeerd kon hij het hoofd omhoog heffen. Toen was het ook met
+zijn geduld gedaan. Bliksemsnel richtte hij zich op uit zijne bukkende
+houding, met vaste hand omknelde hij het gevest van zijn zwaard en het
+scheen, of alle vreugde om het verloren gewaande en nu herwonnen leven
+zich uitte in zijne stem, toen hij zegevierend uitriep: "Tot hiertoe
+en niet verder, edele heer! Aan de bepalingen onzer overeenkomst
+is voldaan en van nu af aan behoud ik mij het recht voor, om uwe
+aanvallen met het zwaard in de vuist af te wachten. Nauwelijks had
+hij deze woorden gesproken, of tot zijne groote verbazing barstte de
+groene ridder los in een luid gelach, dat de lucht met een schallend
+geluid vervulde en door de kale rotswanden werd weerkaatst. Het scheen
+of er geen eind aan zijne vroolijkheid kon komen, blazend en proestend
+leunde hij op zijne bijl en schudde heen en weer, telkens uitbarstend
+in een nieuwen aanval van lachen. Eindelijk bedaarde hij en sprak,
+zich de tranen van 't lachen uit de oogen wisschend: "Houd het mij
+ten goede, heer ridder, dat ik aldus uiting geef aan mijn gevoel,
+maar het spel, dat wij hier gespeeld hebben, is ook zóó kostelijk,
+dat ik moet lachen, of ik wil of niet, en gij zult hetzelfde doen,
+daar ben ik zeker van, wanneer ik u verteld heb, hoe de zaak zich heeft
+toegedragen. Maar alvorens ik hiertoe over ga, moet ik u verzoeken,
+uw zwaard in de scheede te steken en het daar te laten tot zich eene
+betere gelegenheid voordoet om het te gebruiken. Geloof mij, hij,
+dien gij voor u ziet, is uw vriend en elke vijandige bedoeling is
+verre van hem."
+
+Aarzelend stak Walewein zijn zwaard in de scheede. Het gansche
+tooneel leek hem een verwarde droom, waaruit hij zoo straks tot de
+werkelijkheid zou ontwaken. Waarom had de groene ridder hem gespaard,
+inplaats van zijne bedreigingen ten uitvoer te brengen en vanwaar thans
+die uitbundige vroolijkheid en die vriendschappelijke bejegening, waar
+zij toch kort geleden als vijanden tegenover elkander hadden gestaan?
+
+De groene ridder bemerkte zijne verwarring en kwam lachend op hem
+toe. "Gij staat verbaasd, Heer Walewein en dat niet geheel zonder
+reden," sprak hij, "maar wat u thans zoo zonderling toeschijnt,
+kan ik u met een enkel woord verklaren. Weet dan allereerst, dat
+mijn naam is Bernlak de Hautdesert en dat het kasteel, waar gij
+de laatste week hebt doorgebracht, het mijne is. Dat ge mij niet
+herkendet, toen ik u bij uwe aankomst begroette en dat gij in mij
+ook thans niet de gelijkenis met uw gastheer terugvindt, dank ik
+aan de tooverkunst van Morgan Le Fay, de vermaarde toovenares, die,
+zoo zegt men, bij den grooten Merlijn in de leer is geweest. Zij was
+het, die mij de gestalte verleende van den groenen ridder en die mij
+naar het hof des konings zond, deels om de dapperheid der ridders van
+de Ronde Tafel op de proef te stellen, deels om hare aartsvijandin,
+koningin Ginevra, een schrik te bezorgen, die haar wellicht noodlottig
+zou zijn. Morgan Le Fay, met wie ik in verre bloedverwantschap sta,
+vertoeft als gast in mijn huis en is niemand anders dan de oude vrouw,
+in wier gezelschap gij mijne gemalin voor 't eerst begroettet. Toen
+zij mij voorstelde, om haar in haar plan behulpzaam te zijn, heb ik
+gaarne toegestemd, want ook ik verlangde, om de beroemde ridderschap
+der Ronde Tafel eens met eigen oogen te zien en bovendien was elke
+afleiding mij welkom. De winter is lang in eene woeste, eenzame streek
+als deze en een tocht naar het hof van koning Arthur bood eene niet
+te versmaden afwisseling. Ziedaar dus, hoe ik er toe kwam om als
+tooverfiguur aan het hof te verschijnen en er schrik en ontsteltenis
+te verspreiden. Reeds dadelijk trof mij aldaar uw moedig optreden
+en het deed mij genoegen, dat gij het waart, die mijn gast zou zijn
+dezen winter, want ook dit was door Morgan vooraf bepaald. Van wat
+gedurende uw verblijf ten mijnent zich tusschen u en mijne vrouw heeft
+afgespeeld, ben ik geheel op de hoogte. Ikzelf gaf haar bevel om u
+te bezoeken, ten einde uwe gevoelens van eer en trouw op de proef te
+stellen. Gij hebt het vertrouwen, dat ik in u stelde niet beschaamd
+gemaakt, maar u gedragen als een edel ridder behoort te doen. Daarom
+heb ik u heden gespaard en u slechts in schijn den slag teruggegeven,
+die u krachtens onze overeenkomst toekwam. De eerste twee slagen,
+die ik voorwendde u te geven, waren eene straf voor de kussen,
+die gij van mijne vrouw ontvingt, maar omdat gij ze mij des avonds
+eerlijk terug hebt gegeven, waren mijne slagen slechts geveinsd. De
+derde maal echter hebt gij tegen onze afspraak gezondigd door te
+verzwijgen, dat gij den groenen gordel als geschenk van haar hadt
+aanvaard. Om u daarvoor te straffen, heb ik u met de punt van mijne
+bijl geraakt, echter zonder u ernstig verwonden, want ik wist dat uw
+zwijgen slechts voortkwam uit den natuurlijken drang tot zelfbehoud,
+die elk mensch is aangeboren. Thans weet ge alles en rest mij slechts,
+u te verzoeken, mij te volgen naar mijn kasteel en aldaar met mij en
+de mijnen het Nieuwjaarsfeest te blijven vieren."
+
+Het is moeilijk de aandoeningen te beschrijven, waarmede Walewein
+naar de woorden van den groenen ridder geluisterd had. Gevoelens
+van schaamte, vernedering, toorn en gekrenkten hoogmoed streden met
+elkaar om den voorrang in zijn gemoed, maar het gevoel van schaamte
+en bittere vernedering was sterker dan alle andere en toen Bernlak de
+Hautdesert gedaan had met spreken, barstte hij los in een stroom van
+hevig zelfverwijt. "Vervloekt zijn lafheid en begeerigheid," riep hij
+uit, "want die zijn de bron van alle kwaad!" Daarop gespte hij zijn
+harnas los, wond den groenen gordel van zijn middel en wierp dien den
+ridder toe onder het uiten van heftige verwenschingen. De laatste
+echter sprak: "Gij maakt u zelven ten onrechte een verwijt van wat
+geschied is en bovendien is een mensch, die zoo openhartig als gij
+zijne fouten erkent, in mijne oogen even rein van hart als een die
+nooit gezondigd heeft. Wat den gordel aangaat, zoo zou ik u willen
+verzoeken, dien van mij aan te nemen als herinnering aan uw avontuur
+bij de groene kapel. Behoud hem dus en laat ons thans huiswaarts
+keeren, waar men onze terugkomst met verlangen tegemoet ziet."
+
+Walewein schudde het hoofd en terwijl hij zich opnieuw de groene
+zijde om de heupen wikkelde, sprak hij ernstig: "Uw geschenk wil
+ik gaarne aanvaarden als eene herinnering aan onze kennismaking
+en eene waarschuwing om mij niet opnieuw door schoone vrouwenoogen
+tot lafheid en eerverzuim te doen brengen. Wanneer de trots om eene
+volbrachte heldendaad mij dreigt te overmeesteren, zal een enkele blik
+op dezen gordel mij tot een helderder besef mijner tekortkomingen
+terugbrengen. Aan uwe vriendelijke uitnoodiging om met u naar uw
+kasteel terug te keeren, kan ik echter geen gehoor geven. Mijn weg
+voert thans naar Camelot, waar mijn vorst mij wacht en in spanning
+den uitslag van mijn avontuur verbeidt. Vaarwel dus en heb dank voor
+de les, die ge mij gegeven hebt."
+
+Hierop scheidden de beide ridders en reden in tegenovergestelde
+richtingen heen. Bernlak de Hautdesert keerde terug naar zijn kasteel
+en Walewein vond met veel moeite den weg, dien hij gekomen was en
+die hem na wekenlange omzwervingen weer naar Camelot terugvoerde.
+
+
+
+_Van Waleweins terugkeer aan het hof van koning Arthur._ Tegen het
+einde van Februari, op een zoelen namiddag, terwijl het landschap om
+hem heen reeds de eerste sporen vertoonde van het naderend voorjaar,
+zag hij de trotsche torens van Arthurs paleis tegen den gezichtseinder
+oprijzen. Met een gevoel van innige dankbaarheid blikte onze held om
+zich heen. Hoe verschilde de stemming, waarin hij zich thans bevond,
+van die, waarin hij eenige maanden te voren door de hem welbekende
+streek gereden was. Toen had hij zich gevoeld als een ten doode
+opgeschrevene en de natuur om hem heen had met hem mede gerouwd onder
+haar grijze sluiers van mist en regen. Thans echter keerde hij behouden
+en wel uit zijne gevaarlijke onderneming huiswaarts, zijn woord had
+hij gehouden en toch leefde hij! Al brandde de groene gordel hem
+als vuur om de leden, wanneer hij dacht aan het oogenblik, waarop de
+groene ridder hem zijne geheimhouding daarover verweet--toch waren
+zulke gedachten niet bij machte om de vreugde over zijne behouden
+thuiskomst uit zijne ziel te verbannen. Het scheen hem toe, alsof
+hij een weerklank van die vreugde vond in de ontwakende natuur om
+zich heen. Het zingen der vogels, het ruischen van den wind door de
+boomen, waar de knoppen zwollen, het klaterend geluid der beekjes,
+die, gevoed door de smeltende sneeuw, van de heuvels stroomden, het
+scheen hem of het zoo vele stemmen waren, die met hem juichten over
+zijne wonderbaarlijke redding en hem in herinnering brachten, wat al
+schoons en heerlijks hem nog in zijn jonge leven te wachten stond!
+
+In opgeruimde stemming bereikte hij het paleis en niet zoodra was
+het bericht van zijne thuiskomst in de zalen doorgedrongen, of van
+alle zijden stroomden de ridders tezamen om hun vriend, dien zij
+verloren waanden, te begroeten. In een oogwenk zag Walewein zich
+omringd door lachende gezichten en elkander verdringende gestalten,
+vroolijke uitroepen en blij gelach vervulden de lucht en getuigden,
+hoezeer hij bij allen aan het hof geëerd en bemind was.
+
+Toen de eerste vreugde van het wederzien bedaard was, namen de
+ridders onzen held in hun midden en voerden hem zegevierend naar
+binnen, waar in de groote slotzaal koning Arthur hem wachtte. Diep
+ontroerd omhelsde de vorst zijn neef, dien hij als een zoon liefhad,
+en verzocht hem toen aan zijne zijde plaats te nemen en hem verslag
+te doen van zijn wedervaren.
+
+Walewein gaf gehoor aan zijn verzoek en verhaalde zonder omwegen, wat
+er sinds den dag van zijn vertrek met hem gebeurd was. Daarbij spaarde
+hij zichzelf niet, ook de lotgevallen in het kasteel, de gesprekken
+met zijne schoone gastvrouw en de gevoelens, die gedreigd hadden
+hem daarbij te overmeesteren, deelde hij mede aan zijn aandachtig
+luisterend gehoor. Wel brandden zijne wangen van schaamte, toen hij
+het voorval met den gordel vermeldde, maar hij hield zijne oogen
+vast gericht op het gelaat van zijn vorst en verzweeg niets. Toen
+hij aan het einde van zijn verhaal was gekomen, haalde hij van
+onder zijne kleederen den gordel te voorschijn en toonde hem aan
+den koning. Deze nam hem aan, bezag hem langen tijd en sprak toen
+ernstig: "Mijn zoon! Hij, die zijne fouten bekent als een waar en
+eerlijk man, is waard dat zij hem vergeven worden. Zoo zij het ook
+met u! Moogt gij ook al gezondigd hebben uit zucht tot zelfbehoud,
+zoo hebt gij uw verzuim eerlijk opgebiecht en daarom is het overbodig,
+u er verder voor te straffen. Daar het echter voor elk mensch nuttig
+is, om aan zijne fouten herinnerd te worden, zoo stel ik voor, dat
+allen, die hier aanwezig zijn, een groenen gordel zullen dragen,
+die hen moge behoeden voor verkeerde neigingen. Wanneer een hunner
+dan te eeniger tijd de eischen van eer en ridderlijkheid uit het oog
+dreigt te verliezen, dan zal een blik op den gordel hem uw avontuur
+in herinnering roepen en hij zal de kwade ingevingen van lafheid en
+begeerigheid geen gehoor schenken. Zoo zal uw voorbeeld hun een les
+zijn en hun ten slotte ten zegen strekken."
+
+Het geschiedde gelijk de koning bevolen had. Van dat oogenblik af
+droegen alle ridders der Ronde Tafel, die Waleweins verhaal hadden
+aangehoord, een groen zijden gordel en zóózeer spoorde deze hen
+aan tot het bestrijden van alle onridderlijke eigenschappen dat de
+ridders van den groenen gordel weldra bekend stonden als de beste en
+edelste der Christenheid. Zoo werd de groene gordel spoedig beschouwd
+als een eereteeken en zij, die hem droegen, werden geëerd en geroemd
+als geen anderen. Onder hen was er echter één, die, zoo zeide men,
+meer dan alle overige ridders deze onderscheiding verdiende, en dat
+was Heer Walewein.
+
+
+
+
+
+INLEIDING TOT DE SAGE VAN BALIN EN BALAN.
+
+
+_De sage van Balin en Balan behoort tot de minder bekende van den
+Arthur-cyclus._ Terwijl de avonturen van andere ridders vele malen
+zijn beschreven, zoowel in gedichten als in proza-romans, en aan
+schrijvers van verschillenden tijd en landaard de stof voor hunne
+werken hebben geleverd, vinden wij in de gezamenlijke literatuur van
+Europa, de lotgevallen van deze beide helden slechts vermeld in een
+zestal bewerkingen. Wat de reden mag zijn van deze stiefmoederlijke
+behandeling van eene sage, die ondanks hare vele onvolkomenheden,
+toch zooveel aantrekkelijks bezit? Wie zal het zeggen? Misschien vindt
+het eensdeels zijn oorzaak in het ontbreken van het erotische element,
+anderdeels in het feit, dat de sage bij eene eerste kennismaking eenen
+eenigszins verwarden indruk maakt door de vele afdwalingen van de
+hoofdlijn van het verhaal, waaraan de schrijver van het oorspronkelijke
+werk zich heeft schuldig gemaakt.
+
+En toch, voor wie doordringt tot het wezen der sage, voor
+wie heeft geleerd den held--want er is feitelijk slechts één
+hoofdpersoon: Balin--naar waarde te schatten, ondanks zijne fouten en
+tekortkomingen--misschien juist ter wille van deze--bevat het tragische
+verhaal van zijn leven en sterven, zooveel aangrijpends en schoons,
+dat hij het op gelijke hoogte stelt met menige beroemder sage. De
+held behoort in dit geval niet tot die breede schare van ridders,
+die onvergelijkelijken moed paarden aan hoofsche verfijndheid en die
+door de vereeniging van die beide eigenschappen het hof van koning
+Arthur tot het beroemdste en schitterendste van zijn tijd maakten.
+
+Balin is een kind der natuur. Hij is opgegroeid in het eenzame slot van
+zijn vader temidden der uitgestrekte wouden van Northumberland. Het
+gezang der vogels en het lied der zee zijn hem vertrouwder dan
+de liederen der minnezangers; de sierlijke hoofsche gebruiken en
+plichtsplegingen zijn hem ten eenen male onbekend. Met een hart vol
+droomen en idealen trekt hij op naar het hof van koning Arthur, waar
+hij roem en eer hoopt te behalen onder de banieren van zijn vorst. Het
+zich bewust zijn van zijne jonge kracht doet hem geen tegenstander
+onoverwinlijk, geen hinderpaal onoverkomelijk achten, maar hij vergeet,
+dat er machten zijn, waartegen met het zwaard niet te strijden valt,
+en dat, wie de wereld overwinnen wil, beginnen moet met zich zelven
+te overwinnen. In het feit, dat hij deze groote les niet geleerd
+heeft, schuilt de oorzaak van zijn val en wanneer dan bovendien nog
+de duistere machten van het noodlot tegen hem samenspannen, is zijne
+zaak verloren.
+
+Één voor één zien wij de gebeurtenissen in de sage zich samenvoegen
+tot eene keten van noodlottigheden, die, wij voelen het duidelijk,
+slechts eindigen kan in den dood van onzen held. En inderdaad is het
+einde, dat Balin en zijn broeder, die hem boven alles dierbaar was,
+door elkanders hand sterven.
+
+Hoe kan het anders, of deze tragische geschiedenis van zielestrijd
+en noodlotsdwang moet een diepen indruk maken op wie haar leest?
+
+Dat de sage in den vorm, waarin zij tot ons is gekomen, vele
+onvolkomenheden bevat, werd hierboven reeds opgemerkt. Daartoe
+behooren in de eerste plaats eenige toespelingen op gebeurtenissen
+in het verhaal, welke op het oogenblik van vermelding zeer belangrijk
+schijnen te zijn en die desniettemin in den loop van de vertelling door
+den schrijver geheel uit het oog worden verloren. Zoo, bijvoorbeeld,
+de voorspelling, dat Balin met het zwaard, hetwelk hij van de jonkvrouw
+ontvangt, haren broeder zal dooden. Met den noodigen nadruk wordt dit
+geprofeteerd; evenwel vinden wij in den verderen loop van het verhaal
+geene enkele aanwijzing omtrent de vervulling van die voorspelling. Ook
+lezen wij, dat Balin, wanneer hij Launceor van Ierland in een
+tweegevecht gedood heeft, diens zwaard met zich medevoert, zoodat
+hij de ridder met twee zwaarden wordt genoemd. Nochtans moet hij in
+het kasteel van koning Pellam de vlucht nemen, wanneer hij zich van
+zijn zwaard beroofd ziet, en wel omdat--zooals wij lezen--hem geen
+ander wapen ter verdediging overblijft.
+
+Ook in eene beschouwing der karakters vallen ons eenige punten op,
+welke wij anders zouden wenschen. Zo zouden wij zoo gaarne wat meer
+vernemen omtrent de figuur van Balan, den jongeren broeder van den
+held. Wij hooren, hoe innig Balin hem lief heeft, hoe hij de eenige
+is, die hem tot reden kan brengen, wanneer hij zich laat meesleepen
+door zijne drift, maar aangaande het karakter van den jongeling, van
+wien deze invloed ten goede uitgaat, vernemen wij weinig of niets. Hij
+blijft eene bijfiguur, die slechts even ten tooneele verschijnt na het
+tweegevecht met Launceor, om spoedig daarna weer te verdwijnen. Slechts
+in het laatste bedrijf der handeling vertoont hij zich opnieuw om de
+droeve voorspelling der jonkvrouw tot waarheid te maken.
+
+Eenzelfde lot ondergaan de andere bijpersonen, vooral de vrouwelijke
+karakters: de Zwaardjonkvrouw en de Vrouwe van Avalon hebben iets
+raadselachtigs en geheimzinnigs, waarvan wij de ware beteekenis
+niet doorgronden. Ook de figuren van koning Arthur en zijne ridders
+worden ons slechts in vage lijnen geschetst. Hoofdzaak is en blijft
+het voor den schrijver, om ons de figuur van Balin duidelijk voor
+oogen te stellen in al zijnen eenvoud en dapperheid.
+
+De geest van het verhaal ademt die vereeniging van christelijke
+en heidensche denkbeelden, die kenschetsend is voor de
+Middeleeuwen. Wanneer hij zich in gevaar bevindt, wendt Balin
+zich tot God met eene kinderlijke vroomheid, maar toch zijn het
+de voorspellingen van den ouden toovenaar Merlijn, die zijn lot
+beheerschen en hem ten val brengen. [21]
+
+Bovendien is de wijze, waarop het verhaal geschreven is, kenmerkend
+voor de letterkundige klasse, waartoe het behoort. Want gelijk in
+zoovele ridderromans het geval is, bevat het plotselinge overgangen
+en is ook de wijze van bewerking telkens geheel verschillend: nu eens
+wordt de handeling gerekt, dan weer schijnt zij zich als met groote
+sprongen voort te bewegen.
+
+Dat het verhaal hierdoor aan duidelijkheid verliest, behoeft geen
+betoog! En niettegenstaande dit alles, boeit ons de geschiedenis
+toch! Zou de bekoring, die er voor ons van dergelijke oude verhalen
+uitgaat, soms gedeeltelijk schuilen in de eigenschappen, die
+hun hierboven als fouten zijn aangerekend? Kan het zijn, dat wij
+juist iets aantrekkelijks vinden in de vrije, onafhankelijke wijze,
+waarop de schrijvers met hunne stof omgingen? Zonder zich gebonden
+te voelen door regels van logica en samenhang, lieten zij zich als
+kinderen door hunne verbeelding leiden en schreven neer, wat deze
+hun ingaf. En wanneer het de verheerlijking van hunnen held gold,
+offerden zij daar blijmoedig de belangen van alle andere personen
+uit hun verhaal aan op. Het resultaat was: eene sage van Balin,
+op het eerste gezicht onduidelijk, ingewikkeld soms door de vele
+uitweidingen en afdwalingen, maar bij eene nadere kennismaking van
+eene somtijds ontroerende schoonheid.
+
+Wat betreft den oorsprong en de ontwikkeling der sage, zoo dient hier
+vermeld, dat John Rhys in zijn "Studies in the Arthurian Legend"
+tracht aan te toonen, dat zij eene latere bewerking is van eene
+oud-Keltische natuurmythe en dat de ridders Balin en Balan de plaats
+innemen van de mythologische figuren Belinus en Bran, de elkander
+steeds bestrijdende broeder-goden van duisternis en licht. In het
+derde boek van Geoffrey of Monmouth's "Historia Regum Brittanniae"
+verschijnen de broeders onder de namen Belinus en Brennius als
+twee oud-Britsche koningen. Verder is de Arthur-literatuur vóór
+Thomas Malory buitengewoon zwijgzaam omtrent de geschiedenis der
+beide helden. Hunne namen komen in geen der werken van de oude
+geschiedschrijvers zooals Nennius, Gildas, William van Malmesbury
+voor; Layamon en Wace noemen hen evenmin, en ook in de verhalen,
+die in Wales over Arthur en zijne ridders geschreven zijn, zoeken
+wij hunne namen tevergeefs. Thomas Malory daarentegen geeft in het
+tweede boek van zijne "Morte d' Arthur", dat waarschijnlijk in 1469
+geschreven, maar eerst in 1485 door William Caxton gedrukt werd,
+eene uitvoerige beschrijving van de tragische lotgevallen der beide
+helden. Zijne bron was, gelijk bij het meerendeel der sagen, welke
+hij in zijn boek te zamen bracht, een Fransche ridderroman en wel
+die, welke onder den titel van "Merlin" is bewaard gebleven in een
+handschrift uit de 13e eeuw. Daar deze roman een vervolg is op den
+algemeen bekenden "Merlin" van Robert de Borron, wordt hij veelal
+aangeduid met den naam: "Suite de Merlin".
+
+In de Spaansche literatuur vinden wij twee bewerkingen der Balin-sage,
+één daarvan is bewaard gebleven in de bladzijden van een roman,
+getiteld: "El baladro del Sabio Merlin", die in 1498 te Burgos
+gedrukt werd, doch waarvan het handschrift verloren is geraakt, de
+andere komt voor in het eerste deel van een roman, die in 1515 te
+Toledo verscheen onder den titel: "Demanda del sancto Grial con les
+maravillo sos fechos de Lançarote y de Galaz su hijo."
+
+Ten slotte vinden wij in de moderne Engelsche literatuur twee
+gedichten, welke onze sage tot onderwerp hebben. In 1885 verscheen in
+den dichtbundel "Tiresias and other Poems", een gedicht, dat onder den
+titel "Balin and Balan" aan den kring van Tennyson's Koningsidyllen
+werd toegevoegd. De dichter ontleende zijne stof aan het werk
+van Thomas Malory, maar--dit dient dadelijk hieraan toegevoegd te
+worden--wijzigde haar geheel, om haar te benutten voor het ten einde
+voeren van de allegorie in zijn werk.
+
+Eene getrouwere navolging van het oude verhaal gaf Algernon Charles
+Swinburne in zijn "Tale of Balen", dat in 1896 verscheen. Zijne
+bewerking van de sage volgt die van Thomas Malory op den voet, sommige
+zinnen en uitdrukkingen zijn zelfs woordelijk overgenomen. Een nieuw
+bestanddeel vormen de rijke natuurschilderingen, die bij Malory geheel
+ontbreken. Ook legt hij, meer dan de oude romanschrijver dit deed,
+den nadruk op de macht van het noodlot, dat Balin ten val brengt en
+waartegen niet te strijden valt.
+
+Wij kunnen niet anders zeggen, dan dat de stof zich bij uitstek leent
+tot deze aanpassing aan Swinburne's levensopvatting en dat het wezen
+der sage er niet door geschaad wordt.
+
+De wedergave van de geschiedenis van Balin en Balan, zooals die in de
+volgende bladzijden wordt gevonden, is gegrond op de "Morte d'Arthur"
+van Thomas Malory.
+
+
+
+
+
+DE SAGE VAN BALIN EN BALAN.
+
+
+ ...."two brethren of Northumberland,
+ in life and death good knights."
+
+ (Swinburne: "The Tale of Balen.")
+
+
+_Hoe Balin en Balan aan het hof van koning Arthur kwamen en hoe
+de eerste tot ballingschap veroordeeld werd._ Onder de ridders van
+koning Arthur bevonden zich twee broeders, Balin en Balan genaamd. Zij
+kwamen uit het Noorden, uit het graafschap Northumberland, waar zij
+opgevoed waren in het eenzame kasteel van hun vader, omgeven door
+donkere bosschen en uitgestrekte heidevelden, in de nabijheid van de
+zee, die schuimend tegen de hooge rotsen der kust sloeg. Daar zij van
+jongs af aan geen ander dan elkanders gezelschap gekend hadden, was de
+band tusschen hen veel inniger geworden, dan misschien onder andere
+omstandigheden het geval zou zijn geweest. Balin, de oudste broeder,
+vereenigde in zijn karakter al de eigenschappen, die de bevolking
+der Noordelijke streken onderscheiden van die der Zuidelijke. Het
+scheen, of er iets van het wilde en ongebondene der Noordsche natuur
+was binnengeslopen in zijn gemoed. Wanneer hij streed in het gevecht,
+hanteerde hij zijn zwaard met dezelfde onstuimige kracht, als waarmede
+de golven tegen de klippen van zijn geboorteland beukten en zijn ziel
+bevatte donkere diepten van hartstocht, waar het stormen kon als in
+de wouden van Northumberland, wanneer de grond bedekt is met sneeuw
+en de noordenwind door de kale takken giert. Maar ook het eerlijke
+en onbedorvene van zijne landgenooten was zijn deel geworden, hij
+was opgegroeid ver van de hoofsche samenleving en daardoor was hij
+vrij gebleven van vleierij en bedrog. Hij was een kind der natuur,
+trotsch in zijne mannelijke kracht, met eene vurige bewondering voor
+al wat schoon en goed was en met eene warme liefde voor zijn jongeren
+broeder Balan, den eenige, die door een woord van kalme overreding
+de stormen in het gemoed van Balin kon doen bedaren en hem met een
+enkelen blik tot bezinning kon brengen, wanneer hij dreigde zich te
+laten meesleepen door zijne booze driften.
+
+Toen de beide broeders den mannelijken leeftijd bereikt hadden was
+de mare van Arthurs roem allengs doorgedrongen tot de eenzaamheid van
+hun vaderlijk kasteel en beiden voelden den wensch bij zich opkomen om
+naar Camelot te gaan en koning Arthur hunne diensten aan te bieden. Wat
+kon er heerlijker bestaan dan te strijden onder de banieren van zulk
+een vorst, den krachtigsten en edelsten der Christenheid!
+
+Aan het hof te Camelot gekomen, onderscheidde Balin zich al
+spoedig door zijne groote dapperheid, welke voor geen gevaar
+terugdeinsde. Geene onderneming achtte hij te zwaar, waar het gold den
+naam van zijn vorst luister bij te zetten. Het spreekt van zelf, dat
+de roem van zijne heldendaden hem zoowel benijders als bewonderaars
+verschafte. De eersten zochten steeds eene gelegenheid om hem te
+kwetsen en te beleedigen door toespelingen te maken op zijne Noordsche
+herkomst, op zijne simpele kleedij, zijne eenvoudige manieren en op
+de zeden en gewoonten van zijn vaderland. Gewoonlijk wist Balan door
+een verstandig woord den aanval van drift, die in zijn broeder dreigde
+op te komen bij het hooren van dergelijke schampere opmerkingen, te
+bezweren, maar eens gebeurde het tijdens Balans afwezigheid, dat een
+der hovelingen, een neef van den koning, zich spottend uitliet over
+de ridders, die uit vreemde streken naar het hof van koning Arthur
+waren gekomen. Zij hoorden er niet thuis, meende hij, en daar zij
+toch nooit in staat zouden zijn, om zich de hoofsche manieren en de
+fijne beschaving, die daar heerschten, eigen te maken, deden zij beter
+met in hun land te blijven, onder de boeren en dorpelingen. Bij het
+hooren van deze woorden ontstak Balin in zulk eene woede, dat hij
+alles om zich heen vergat en op den lasteraar toesnellend, hem met
+één enkelen zwaardslag den schedel doorkliefde.
+
+Toen hij tot bezinning kwam, lag hij gebonden aan handen en voeten
+in één der kerkers van het koninklijk slot en moest hij daar het
+vonnis voor zijne misdaad afwachten. Hij werd veroordeeld tot
+eene ballingschap van zes maanden. Gedurende dien tijd zwierf hij
+rond door het zuiden van Engeland en hoewel hij nog kon trillen
+van woede bij de herinnering aan de grievende beleediging, hem en
+zijnen landgenooten aangedaan, zoo maakte hij zich toch de bitterste
+verwijten, dat hij zich ten aanzien van alle ridders en hovelingen
+zóó had laten meesleepen door zijne noodlottige drift. Deze was nu
+oorzaak, dat hij als banneling rondzwierf, inplaats van te strijden
+onder 's konings edele ridderschap. Maar toen de maanden van zijne
+verbanning bijna verstreken waren, toen de lente in het land kwam en
+de natuur om hem heen begon te groeien en te bloeien, toen scheen het,
+of ook in Balins hart een nieuw leven ontwaakte, dat hem aanspoorde tot
+daden van roem en dapperheid, grootscher en schooner dan hij nog ooit
+volbracht had. Kort daarna kwam er een boodschapper van den koning,
+die hem uitnoodigde, terug te keeren aan het hof, waar de ridders
+zijne voorspraak waren geweest bij Arthur en dezen overreed hadden
+om Balin uit zijne ballingschap terug te roepen, nog vóór de zes
+maanden verstreken waren. De jonge held reed terug naar Camelot door
+de bloeiende velden, door de in jeugdig groen prijkende bosschen,
+waar de vogels hun vreugde uitzongen over den terugkeer der lente,
+en werd weer in genade aangenomen door zijn vorst. Nu volgde een
+tijd van vreugde en zorgeloosheid voor Balin. Met het naderen van
+den zomer reden de ridders iederen dag uit tot het maken van verre
+tochten, of om zich te oefenen in het boogschieten en speerwerpen in
+de velden bij Camelot. 's Avonds, wanneer allen teruggekeerd waren
+en tezamen vereenigd zaten aan den maaltijd in de groote zaal van
+Arthurs paleis, kwamen de harp- en luitspelers hen vermaken met hunne
+liederen of hoorden zij verhalen over vreemde streken uit den mond
+van den een of anderen ridder, die als gast aan het hof vertoefde. En
+het gejuich, dat dan opging in de groote zaal, wanneer er sprake was
+van een buitengewoon stoutmoedige daad, of wanneer er een grappig
+lied werd gezongen, was zóó luid, dat de schilden aan de muren ervan
+trilden. Balin voelde zich gelukkig, elke dag bracht hem nieuwen
+roem, hij begon geheel thuis te geraken onder de ridders van het hof,
+die hem wegens zijne dapperheid en eenvoudige vriendelijkheid met
+onderscheiding en welwillendheid tegemoet kwamen en de booze geesten,
+die hem plachten aan te zetten tot daden van drift en hartstocht,
+schenen geheel uit zijne ziel verbannen te zijn.
+
+
+
+_Hoe Balin optreedt als redder der zwaardjonkvrouw._ Eens op een dag,
+toen de ridders zich om den koning verzameld hadden, om te beraadslagen
+over een veldtocht tegen koning Rience van Wallis, die met eene
+groote strijdmacht het land was binnengetrokken en alle dorpen en
+steden op zijn weg verwoestte en verbrandde, kwam er eene jonkvrouw
+de groote zaal van het paleis binnentreden. Toen zij vóór den troon
+van koning Arthur stond, neeg zij eerbiedig. Daarop sloeg zij haren
+kostbaren, met bont omzoomden mantel open en vertoonde aan den koning
+en de verbaasde hovelingen een groot zwaard, dat aan haar gordel
+bevestigd was en dat zij moeizaam met zich droeg. Toen sprak zij:
+"Heer koning! mij heeft gezonden de Vrouwe van Avalon, om u te smeeken,
+mij hulp en bijstand te verleenen. Gij ziet den zwaren last, dien ik
+torsen moet, alleen een ridder van onbevlekten naam en weergalooze
+dapperheid, kan mij daarvan bevrijden. Help gij mij, zulk eenen te
+vinden!" Daarop antwoordde de koning trotsch: "Indien gij een ridder
+zoekt van onbevlekten naam en faam, deedt gij wel, hierheen te komen,
+want de ridders van de Ronde Tafel zijn de dapperste en edelste ter
+wereld. Ik zelf zal het eerst eene poging wagen, om u te bevrijden
+van uwen drukkenden last, niet omdat ik zeker ben te voldoen aan de
+hooge eischen, die gij aan uwen redder stelt, maar om mijne ridders tot
+voorbeeld te strekken. Houd goeden moed, spoedig zult gij, bevrijd van
+deze kwelling, naar huis kunnen terugkeeren!" Nadat hij deze woorden
+gesproken had, trad de koning op de jonkvrouw toe, greep het zwaard,
+dat aan hare zijde hing, en poogde het met een forschen greep los te
+rukken. Maar tevergeefs! het week niet uit de scheede! Daarna snelden
+de ridders, geprikkeld door deze beleediging, hun aangedaan in den
+persoon huns konings, naderbij om ook hunne krachten te beproeven. De
+eerste, die eene kans waagde was Lanceloet. Met zijne sterke vuist
+greep hij het zwaard bij het gevest en trok er aan met alle macht,
+tot de spieren van zijn arm opzwollen van inspanning, maar hij kon er
+niet in slagen, het zwaard ook maar een duimbreed te doen wijken. En
+toen hij terugging naar zijne plaats aan de lange tafel, hield hij
+het trotsche hoofd gebogen, want hij wist maar al te goed, waarom
+het hem niet gelukt was, de jonkvrouw te verlossen uit haar nood.
+
+Daarop naderde Tristan met vluggen, veerkrachtigen tred. Een
+zonnestraal, welke door een der hooge boogvensters viel, verlichtte
+zijne blonde haren en zijne oogen schenen ver weg te zien, alsof hij
+leefde in eene andere wereld, waar de hoogste wet eene andere was dan
+die, welke gold in het rijk van Arthur. Het was met dien wonderlijken
+blik in zijn oogen, dat Tristan het zwaard greep, dat de jonkvrouw
+omgordde, maar hoe hij ook trok, het bleef als met onwrikbare ketenen
+aan hare zijde vastgeklonken.
+
+Na hem kwamen andere ridders: Walewein, die lachte in jeugdigen
+overmoed, toen ook zijne moeite tevergeefsch bleek te zijn, Key, die
+zich norsch afwendde en eenige verwenschingen mompelde, terwijl hij
+zijne plaats weer opzocht, Lamorak, de minnaar van een der gasten des
+konings, eene schoone koningin, wier gloeienden blik hij op zich voelde
+rusten, toen hij zich aanbood om op zijne beurt eene kans te wagen en
+nog vele anderen na hem. En toen er geen enkele in staat bleek, om den
+toets te doorstaan en de jonkvrouw luid klagend heen wilde gaan, om
+elders een verlosser te vinden, riep koning Arthur op bitteren toon:
+"Helaas! is er dan géén onder mijne ridders, wiens naam zonder smet
+of blaam is en wiens dapperheid zóó groot is, dat hij deze proef kan
+doorstaan! Nog liever ware ik gestorven, dan dat ik den dag moest
+beleven, waarop ik den roem van mijne ridderschap geschandvlekt zie!"
+
+Toen verrees ten laatste Balin van zijn zetel achter in de zaal,
+vanwaar hij tot nu toe het schouwspel had gadegeslagen. Hij had
+het niet durven wagen, zich te voegen bij de vermaarde ridders,
+die gevolg hadden gegeven aan den oproep des konings; het gevoel
+zijner minderheid tegenover deze beroemde helden en een gemis aan
+zelfvertrouwen hadden hem daarvan teruggehouden. Maar nu--na dezen
+wanhopigen uitroep van zijn geliefden vorst--voelde hij plotseling
+dat, hoe onwaardig hij ook mocht zijn, om de daad te verrichten,
+hij haar toch wilde beproeven. Met vaste schreden ging hij op de
+jonkvrouw toe, maar toen deze hem zag naderen in zijne eenvoudige
+kleedij, zoo geheel verschillend van de sierlijk bepluimde en met
+edelsteenen getooide wapenrustingen der andere ridders, week zij
+onwillekeurig eene schrede terug en riep op spottenden toon: "Wat
+nu? Denkt gij te slagen, waar zoovele anderen, machtiger, rijker
+en edeler dan gij, het moesten afleggen? Keer terug naar uw dorp,
+vanwaar gij gekomen zijt en laat het verrichten van heldendaden over
+aan uwe meerderen!" "Schoone jonkvrouw", antwoordde Balin, "meerdere
+waarde schuilt niet in hooge afkomst of sierlijke kleederen, het is
+in de ziel der menschen, dat God den toetssteen legt voor hun hooger
+kunnen. Met Zijne hulp wil ik beproeven u te verlossen."
+
+Daarop legde hij zijne hand op het zwaard en bij de eerste poging
+vloog het uit de scheede en glinsterende in den zonneschijn. Trotsch
+en gelukkig wendde Balin zich tot koning Arthur en sprak: "Heer
+koning! sta mij toe, dit zwaard te behouden, dat ik met eigen
+inspanning verworven heb! Vergun mij nu, heen te gaan van uw hof
+en met behulp van dit wapen te trachten nieuwen roem te verwerven,
+waardoor de luister van uw naam steeds helderder moge schijnen!" Maar
+vóór de koning kon antwoorden, kwam de jonkvrouw haastig en dringend
+tusschenbeide en sprak tot Balin: "Heer ridder! groot is mijn
+dankbaarheid jegens u en diep mijn leedwezen, dat ik u zoo even
+met mijne booze woorden gekrenkt heb, maar wat ik u bidden mag,
+geef mij het zwaard terug, waarvan gij mij bevrijd hebt. Het zal
+u ongeluk aanbrengen--geloof mij--ik smeek er u om!" Maar wat zij
+ook sprak, Balin wilde het zwaard niet afstaan, er was een gevoel
+van groote rust en zekerheid over hem gekomen en hij voelde zich in
+staat om groote dingen te doen en om allen tegenstand, ook dien van
+het noodlot het hoofd te bieden. "Geef mij het zwaard terug," smeekte
+de jonkvrouw nog eens, "het is voor uw bestwil, dat ik er om vraag,
+want luister naar mij en onthoud wat ik u zeg: Wanneer gij dit zwaard
+behoudt zult gij er hem mede dooden, die u het dierbaarst is op aarde
+en zal het uw ondergang worden. Geef het mij daarom terug, vóór het
+te laat is!" Nochtans wilde Balin zijn eervol verworven schat niet
+afstaan. "Wanneer het de wil van God is, dat ik sterven zal," zoo
+sprak hij ernstig, "dan vermag mijne luttele kracht daar niet tegen
+te strijden. Ik kan slechts de taak vervullen, waartoe ik mij geroepen
+voel, en wat mijn leven en sterven betreft, die zijn in Gods hand."
+
+Met deze woorden verliet hij het gezelschap en begaf zich naar de
+stallen om zijn strijdros te zadelen en zich gereed te maken voor
+zijn vertrek.
+
+
+
+_Van de komst der meervrouwe aan het hof en hoe Balin haar doodde._
+Terwijl hij hiermede bezig was, weerklonk er bazuingeschal van
+den toren en spoedig daarna reed eene schoone jonkvrouw, op een
+sneeuwwitten telganger gezeten, de poorten van het paleis binnen. Zij
+droeg een slepend kleed van eene heldergroene kleur, dat bij elke
+beweging een zacht ritselend geluid maakte. Een krans van zeewier
+omstrengelde haar hoofd en door hare blonde haren waren lange slingers
+gevlochten van groene waterplanten. Hare gestalte was slank en trotsch
+en hare oogen waren van het zuiverste blauw, dat men zich denken
+kan. Toen zij de zaal van Arthurs paleis binnentrad, bogen allen
+eerbiedig ter aarde, want men herkende in haar de Meervrouwe, haar,
+die Arthur eenmaal zijn beroemd zwaard Excalibur geschonken had,
+toen hij in den strijd tegen Pellinore, den vader van Parcival en
+Lamorak, zijn zwaard verloren had. De Vrouwe van het Meer had bij die
+schenking de voorwaarde gemaakt dat, mocht er ooit eene gelegenheid
+komen, waarop zij Arthur om eene gunst zou verzoeken, hij haar die
+niet zou weigeren. Nu was het oogenblik gekomen, waarop zij hem aan
+die belofte wenschte te herinneren. Zij ging op den troon des konings
+toe, boog het hoofd ter begroeting en sprak: "Sire! gij herinnert u,
+hoe gij mij destijds beloofdet elk verzoek, dat ik u zou doen, in
+te willigen, in ruil voor het zwaard Excalibur, dat ik u geschonken
+heb?" "Ik herinner het mij zeer goed", antwoordde de koning, "en
+zal gaarne aan mijne verplichtingen voldoen, indien zulks in mijne
+macht ligt." "Welnu dan", hernam zij, "ik vraag van u het hoofd der
+jonkvrouw, die zoo juist hier binnen kwam, of anders dat van den
+ridder die haar bevrijdde." Het gelaat van den koning betrok. "Dat
+kan ik u niet geven", sprak hij, "elken anderen eisch, dien gij mij
+stellen wilt, zal ik echter gaarne inwilligen." Maar de Meervrouwe
+schudde het hoofd. "Dezen en geen anderen wensch ter wereld heb ik,"
+sprak zij, "dan het hoofd te bezitten van haar, die de oorzaak is
+geweest van mijns vaders dood of van hem, die de moordenaar was van
+mijn geliefden broeder. Vervul dien wensch, o Koning, gij zijt het
+aan uwe eer verplicht." Nauwelijks had zij deze woorden uitgesproken
+of Balin, gereed om zich op weg te begeven, trad de zaal binnen. Toen
+hij hoorde, wie de hooge bezoekster was en waarom zij kwam, snelde
+hij op haar toe en verweet haar in de bitterste bewoordingen, dat
+zij de oorzaak was geweest van den dood zijner moeder. Drie lange
+jaren had hij rondgezworven om haar te zoeken en nu hij plotseling
+voor haar stond en zich al het leed herinnerde, dat zij hem en den
+zijnen berokkend had, werd hij zóó door zijn toorn overmeesterd,
+dat hij ten slotte uitriep: "Gij zijt hier gekomen, om mij het hoofd
+te doen verliezen, maar die reis zal u het uwe kosten!" en met een
+enkelen zwaardslag kliefde hij haar het hoofd van de schouders.
+
+Deze daad veroorzaakte groote ontsteltenis onder de omstanders. Koning
+Arthur beval Balin op hoogen toon onmiddellijk het hof te verlaten, nu
+hij zóó weinig eerbied voor zijn vorst getoond had, dat hij eene dame
+en nog wel ééne, die onder 's Konings hooge bescherming stond, onder
+zijne oogen op zulk een verraderlijke wijze gedood had. Balin zweeg
+een oogenblik, maar toen wendde hij zich tot Arthur en sprak: "Heer
+Koning! het ware eene misdaad geweest tegenover mijne medemenschen
+om een dergelijk vergrijp, als waaraan deze booze vrouw zich had
+schuldig gemaakt, ongestraft te laten! Indien ik misschien in mijne
+handelwijze te haastig ben geweest, zoo geschiedde dit niet uit gebrek
+aan eerbied jegens u, dien ik boven allen hoog stel. Dit hoop ik u
+door mijne daden te bewijzen!"
+
+Met deze woorden nam hij het hoofd van den vloer, keerde zich om en
+verliet de zaal. Weldra hoorde men den hoefslag van zijn paard over de
+ophaalbrug vóór het paleis dreunen. Toen hij even buiten de poort was
+gekomen, deed hij zijn paard stilhouden, overhandigde het hoofd aan
+zijn schildknaap en beval dezen, ermede naar Northumberland te rijden
+en zijnen vrienden en magen te melden, onder welke omstandigheden en
+ten koste waarvan hij den dood zijner moeder gewroken had. Toen de
+knaap hem beklaagde, omdat hij in ongenade gevallen was bij koning
+Arthur, verhief Balin zich trotsch in den zadel en zeide tot hem:
+"Wees niet bekommerd over mij! Ik zal naar het land van koning Rience
+rijden en hem zien te dooden en wanneer ik koning Arthur het hoofd van
+zijnen doodsvijand brengen kan, zal hij mij gemakkelijk mijne schuld
+vergeven." Hierop nam hij afscheid van den knaap en reed alleen verder,
+de onbekende toekomst tegemoet. Ondanks alles wat er gebeurd was,
+gevoelde hij geen vrees voor den toorn des konings. Het bewustzijn,
+eene goede daad te hebben verricht en de hoop van 's konings vijand
+te kunnen verslaan, deden hem berusten in de tijdelijke verbanning
+van het hof en deden het vertrouwen in hem rijzen, dat hij eenmaal de
+gunst van zijn vorst zou mogen herwinnen. En bovendien--de zon scheen
+zoo vroolijk over de velden, de bosschen, waar hij door reed, waren zoo
+schoon in hunne zomerpracht en het kabbelen der beekjes klonk hem zoo
+welluidend in de ooren, dat hij weldra alle zorgen des levens vergat
+in zijne vreugde om de schoonheid der natuur en zijne onbezorgde jeugd.
+
+
+
+_Hoe Launceor van Ierland zich opmaakt om Balin te volgen._ Eenige uren
+nadat Balin het paleis verlaten had, reed een ridder het binnenplein
+van Arthurs kasteel op. Het was Launceor, de zoon van den koning
+van Ierland, een hoogmoedig, ijverzuchtig ridder. Reeds lang hadden
+de geruchten van Balin's heldendaden, die zelfs tot aan het hof van
+zijn vader waren doorgedrongen, zijne afgunst opgewekt en den wensch
+bij hem doen opkomen om dezen eenvoudigen knaap uit het Noorden eens
+te toonen, dat er nog sterker en machtiger waren dan hij en dat hij
+het niet moest wagen zich te meten met een koningszoon. Met dit doel
+was hij naar Camelot getrokken en toen hij bij zijne aankomst aldaar
+vernam, wat er geschied was, wendde hij zich tot den vorst en sprak:
+"Heer Koning! sta mij toe, dat ik uittrek om dezen weerspannigen
+ridder te zoeken en vergun mij dat ik de beleediging, u aangedaan,
+op hem wreke! Het ware ongehoord, dat een ridder, en nog wel een van
+niet-koninklijke afkomst, u op zulk eene wijze zou mogen vernederen,
+zonder dat hem daarvoor eene gerechte straf werde toegediend!"
+
+De koning, wiens misnoegen over Balin door deze woorden werd versterkt,
+gaf Launceor vergunning om heen te gaan. Nog terwijl deze zich
+voor zijne reis gereed maakte, kwam Merlijn, de grijze toovenaar,
+tot den koning en vertelde hem, dat de jonkvrouw, die met het zwaard
+aan het hof was gekomen, eene booze, valsche vrouw was. Zij had een
+minnaar gehad, met wien zij nachtelijke samenkomsten hield in een
+eenzaam priëel in het park van haren vader. Eens op een avond had
+haar broeder hen beiden daar verrast, en in toorn ontstoken over
+de schande zijne zuster aangedaan, had hij haren minnaar voor hare
+oogen gedood. Hierop was de jonkvrouw hulp en raad gaan zoeken bij
+de Vrouwe van Avalon, en had deze gesmeekt haar in staat te stellen,
+zich op haren broeder te wreken. De toovenares had haar toen dit
+zwaard gegeven en haar opgedragen een ridder te zoeken, die het uit de
+scheede zou kunnen trekken. Alleen hij, die zonder vrees of blaam was,
+zou erin slagen, dit feit te volbrengen en hij die het volbracht, zou
+tevens de moordenaar van haren broeder worden. Toen Merlijn zoover
+gekomen was, vertelde men hem, wie de ridder was, die de jonkvrouw
+van het zwaard bevrijd had. Daarop begon de grijze ziener op luiden
+toon te weeklagen, dat het juist Balin, een der dapperste en edelste
+ridders van het hof, zijn moest, die het slachtoffer zou worden,
+"want", zoo voegde hij aan zijne woorden toe, "hij, die het zwaard
+uit de scheede trok, is voorbestemd, om door dat zwaard te sterven."
+
+Intusschen had Launceor zijn harnas aangegespt en, den helm met een
+wuivenden vederbos op het hoofd, het zware schild aan den schouder
+en het zwaard in de hand, reed hij de poorten van het kasteel uit en
+sloeg den weg in, dien Balin eenige uren tevoren genomen had. Deze
+laatste was juist aan den rand van een groot bosch gekomen, toen
+hij het dreunen van naderende hoefslagen achter zich hoorde en, zich
+omwendend, een ridder in vliegende vaart op zich zag afkomen. Terstond
+deed hij zijn paard stilstaan en vroeg den naderenden ridder, wien
+hij zocht en wat zijn verlangen was. "Wat mijn verlangen is?" riep
+Launceor spottend: "dat zal ik u spoedig duidelijk maken! Ik ben
+gezonden door koning Arthur om de beleediging te wreken, die gij hem
+hebt aangedaan. Dientengevolge daag ik u hierbij uit tot een gevecht
+op leven en dood!"
+
+"Zoo zij het!" sprak Balin, "al gevoel ik geen berouw over wat ik deed,
+toch zult ge uwe uitdaging niet behoeven te herhalen!" Met gevelde
+lans reden de beide ridders op elkander in. Een hevig gevecht volgde,
+de grond dreunde van het getrappel der paardenhoeven, de lansen
+kletterden en flikkerden in het zonlicht, tot eindelijk Balin met
+een behendigen stoot zijn tegenstander in het hart trof. Toen hij
+zag, dat het met zijnen vijand gedaan was, steeg hij van zijn paard
+en trad naderbij, maar op hetzelfde oogenblik hoorde hij kreten van
+ontzetting achter zich en zag hij eene vrouwengestalte, die zich onder
+luid geweeklaag op het levenlooze lichaam van Launceor wierp. Toen
+de eerste aanval van smart bedaard was, wendde de jonkvrouw zich tot
+hem en verweet hem in woorden van hartstochtelijke droefenis den
+dood van haar geliefde. Tevergeefs poogde Balin haar duidelijk te
+maken, dat de uitdaging tot den strijd van Launceor was uitgegaan,
+zij hield niet op met hem de schuld te geven van haar verlies en
+ging voort met in de wanhopigste bewoordingen haar eenzaam lot te
+bejammeren. Eindelijk greep zij het zwaard van den dooden ridder
+en, vóór Balin het haar beletten kon, stortte zij er zich in met
+een laatsten kreet van smart. Diep geschokt door het gebeurde,
+stond Balin een tijdlang roerloos bij de lijken der twee gelieven,
+tot hij zich eindelijk met een zucht afwendde om zijn weg te vervolgen.
+
+Daar zag hij aan den rand van het bosch een ridder te paard, dien
+hij tot zijne groote vreugde herkende als zijn broeder Balan. Het was
+eene blijde ontmoeting, want het was geruimen tijd geleden sinds de
+broeders elkander het laatst gezien hadden. Nadat elk den ander de
+lotgevallen had medegedeeld, welke hij sindsdien beleefd had en Balan
+zijne blijdschap te kennen had gegeven over het feit, dat zijn oudere
+broeder uit zijne zesmaandelijksche verbanning, door tusschenkomst
+van de andere ridders, teruggeroepen was, vertelde Balin, hoe hij zich
+opnieuw de ongenade des konings op den hals had gehaald en hoe hij nu,
+zonder het te willen, de oorzaak was geweest van den dood der twee
+gelieven. Maar Balan troostte hem: "Wat gij deedt, deedt gij omdat
+ge daartoe gedwongen waart. God kent de drijfveer uwer daden en houdt
+daar bij het schenken van zijne vergiffenis rekening mede. Wat verder
+de ongenade uws konings betreft, ik zal u vergezellen op uw tocht,
+naar koning Rience; tezamen zullen wij hem verslaan en daarmede uw
+goeden naam bij koning Arthur herstellen."
+
+Alvorens zij zich op weg begaven, dolven zij een graf voor Launceor
+en zijne geliefde. Terwijl zij hiermede bezig waren, kwam Merlijn
+op de plaats des gevechts en toen hij zag, wat er was voorgevallen,
+hief hij de handen ten hemel en sprak tot Balin: "Helaas! wat hebt
+gij, ongelukkige, gedaan? De ridder, die hier verslagen ligt, was
+een dapper koningszoon en deze jonkvrouw beminde hem met eene trouwe,
+teedere liefde. Al hun geluk is door uw toedoen verwoest en gij zijt
+het, die hen in den bloei hunner jeugd gedood hebt!" Toen Balin hem
+antwoordde, dat hij den strijd met Launceor niet gezocht had, schudde
+de wijze toovenaar mismoedig het hoofd en zeide: "Desalniettemin
+zult gij de gevolgen uwer daad ondervinden, want de dood dezer
+beiden is oorzaak, dat de edelste man ter wereld door uwe handen zal
+komen te sterven en door zijne dood zullen drie koninkrijken in rouw
+gedompeld worden." "Helaas", riep Balin uit, "indien uwe voorspelling
+waarheid bevat, dan zou ik wenschen, dat ik gevallen ware in plaats
+van Launceor!" Maar vóór hij verder kon gaan, was Merlijn verdwenen
+en de beide broeders wendden zich af van de plaats des onheils en
+begaven zich op weg naar het rijk van koning Rience. Alvorens heen
+te gaan, nam Balin evenwel nog het zwaard van Launceor en bevestigde
+dit naast het zijne aan zijnen gordel.
+
+Toen zij eenigen tijd stilzwijgend naast elkander waren voortgereden,
+kwamen zij aan een donker woud en bij den ingang daarvan kwam hen een
+oud man tegemoet, armoedig gekleed en leunend op een stok. "Waar voert
+uw weg heen, edele heeren?" zeide hij met bevende stem. "Wie zijt gij
+en waarom vraagt gij ons dit?" was het antwoord. "Wie ik ben, kan ik
+u niet zeggen, maar een antwoord op mijn vraag kan ik zelf wel geven,
+want ik weet zeer goed, dat gij uitgetrokken zijt om koning Rience
+van Wallis te zoeken en hem te dooden." "Indien gij dat weet," sprak
+Balin, "kunt gij niemand anders zijn dan Merlijn en indien dit waar
+is, kunt gij ons helpen om hem, dien wij zoeken, te vinden."
+
+"Welnu dan," sprak Merlijn, want deze was het inderdaad, "luistert! Gij
+zijt dichter bij het doel uwer reis, dan gij vermoeden zoudt, want
+heden avond komt koning Rience met een gevolg van honderd ridders door
+dit bosch rijden, daar hij van plan is om dezen nacht zijne geliefde,
+de Vrouwe van Vance, in haar naburig kasteel te bezoeken. Wanneer
+gij u dus hier in hinderlaag legt, kunt gij hem verrassen en hem
+dooden." De broeders volgden zijn raad op. Zij ontdeden hunne paarden
+van zadel en tuig en lieten ze grazen op de weide aan den zoom van
+het bosch; zijzelven legden zich neer in de schaduw van een grooten
+eik en wachtten aldaar het vallen van den avond af.
+
+Toen de duisternis gedaald was en men niets meer hoorde in het woud,
+dan het suizen van den wind door de bladeren en het krijschend
+geluid der nachtvogels, kwam koning Rience met zijne ridders het
+bosch binnenrijden. Met uitzondering van twee vertrouwde vrienden
+liet hij zijne metgezellen aan den ingang van het woud achter en gaf
+dezen bevel om daar op zijne terugkomst te wachten. Toen de koning met
+zijne beide volgelingen in de nabijheid der beide broeders was gekomen,
+sprongen deze uit hunne schuilplaats te voorschijn, grepen de teugels
+der paarden en dwongen de berijders zich over te geven. Daar deze in de
+duisternis niet konden zien, hoe groot het aantal hunner tegenstanders
+was, waren zij wel genoodzaakt zich hieraan te onderwerpen. Balin en
+Balan brachten nu den koning gebonden naar het paleis te Camelot en
+gaven hem daar over in handen van de wacht. Toen Rience voor den troon
+van koning Arthur gebracht was, vroeg deze den gevangene wie hem aldus
+gekneveld herwaarts had gevoerd. "Sire", antwoordde koning Rience,
+"ik weet niet de namen van mijne overwinnaars, maar het waren de ridder
+met de twee zwaarden en zijn broeder en beiden zijn dappere helden."
+
+"De ridder met de twee zwaarden en zijn broeder", herhaalde de koning,
+"die beiden ken ik niet, maar wel moeten het wakkere strijders
+zijn geweest!" "Sire", sprak toen Merlijn, "vergun mij, dat ik u
+hunne namen noem, het zijn Balin en zijn broeder Balan, twee der
+dapperste ridders van uw hof. Spoedig zult gij nog meer reden hebben,
+om aan hunne dapperheid en aan hunnen eerbied jegens u te gelooven,
+want er is een groote strijd op handen tusschen u en koning Nero,
+den broeder van hem, die hier gevangen voor u staat!"
+
+En inderdaad, den volgenden morgen vroeg vermeldden de torenwachters,
+dat er een groot leger in aantocht was, dat met allen spoed naar
+Camelot optrok en tegen den middag kwam het reeds tot een treffen. In
+den hevigen strijd, die daarop ontbrandde, werd aan beide zijden
+met groote dapperheid gestreden, maar geen der ridders onderscheidde
+zich meer dan Balin en Balan. In het dichtst van 't gevecht, op de
+gevaarlijkste plaatsen, overal waar het leger van koning Arthur dreigde
+te bezwijken voor de verpletterende overmacht, zag men de gestalte
+van den ridder met de twee zwaarden uit het strijdgewoel opduiken
+en steeds bleef Balan zijn ouderen broeder trouw ter zijde. Maar
+toen eindelijk de strijd beslist was en het leger van koning Nero
+in groote verwarring de vlucht moest nemen, waren de beide broeders
+plotseling van het gevechtsterrein verdwenen. Tevergeefs zond koning
+Arthur boodschappers in alle richtingen om hen te zoeken en hen te
+vragen tot hem te komen om zijnen dank voor hunne heldendaden in
+ontvangst te nemen, de beide ridders schenen als met een tooverslag
+van den aardbodem verdwenen te zijn. Toen daarop Merlijn aan den
+koning vertelde, hoe het de wil van het noodlot was, dat Balin zou
+sterven in de volle kracht van zijnen mannelijken leeftijd, werd
+het den koning angstig te moede, nu hij moest inzien dat tegen die
+onverbiddelijke macht de wil der menschen, zij het ook de wil van
+een vorst, niets vermag. Mistroostig legde hij zich ter ruste in
+zijne rijk versierde veldtent, maar ditmaal kon hij, ondanks alle
+vermoeienissen van den dag, den slaap niet vatten. Plotseling hoorde
+hij, hoe iemand steunend en zuchtend aan zijne tent voorbijkwam en toen
+hij den voorhang terugsloeg zag hij de gebogen figuur van een ridder
+zich in de richting van het bosch verwijderen. Met luider stem riep de
+koning hem toe om terug te keeren en hem de oorzaak zijner droefheid
+mede te deelen, maar wat hij ook riep, de ridder keerde zich niet om
+en vervolgde zijnen weg in de richting van het woud. Plotseling zag de
+koning Balin te paard naderen, met de strijdlans in de hand. Toen hij
+bij de tent des konings was gekomen, steeg hij af en begroette zijn
+vorst op eerbiedige wijze. Deze sprak: "Zoo ik u om een dienst mag
+verzoeken, Heer Balin, rijd dan heen en verzoek gindschen ridder, om
+u de reden te zeggen van zijne smart en breng hem vervolgens tot mij."
+
+"Sire, gij hebt slechts te bevelen", antwoordde Balin, sprong in het
+zadel en reed in de richting van het bosch. Toen hij het woud nog
+slechts even was binnengedrongen vond hij den ridder, dien hij zocht,
+op den mosbodem neergeknield, het hoofd verborgen in den schoot eener
+jonkvrouw, in eene houding, welke de diepste smart en wanhoop scheen
+uit te drukken. Hij bracht hem de boodschap van koning Arthur over,
+maar had de grootste moeite, om hem over te halen, zich naar het
+kamp des konings te begeven. Eindelijk, toen Balin hem plechtig
+beloofd had, met zijn leven borg te blijven voor zijne veiligheid,
+stond de treurende ridder op en volgde hem met langzame schreden in
+de richting van het kamp. Toen zij voor den koning waren gekomen en de
+laatste den vreemdeling vriendelijk gebood, te zeggen, wat hem deerde,
+wilde de ridder juist met spreken beginnen, toen plotseling eene lans,
+door eene onzichtbare hand gericht, hem het hart doorboorde en hem aan
+de voeten des konings ineen deed zinken. Vóór hij den laatsten adem
+uitblies, smeekte hij Balin om tot de jonkvrouw te gaan en haar in
+zijne plaats te begeleiden op den moeilijken en gevaarvollen tocht,
+waartoe zij eerst hem uitverkoren had. Tevens vroeg hij hem, zoo
+mogelijk zijn dood te wreken en noemde als zijn moordenaar Garlon,
+een boosaardig ridder, die de macht bezat, zich onzichtbaar te maken
+en zoodoende op sluwe en verraderlijke wijze menig edel hart den
+doodsteek had toegebracht. Balin beloofde den stervende gehoor te
+geven aan zijne bede en met een bezwaard gemoed steeg hij weer te
+paard en zocht de jonkvrouw op, om haar de treurige tijding van den
+dood van haren geliefde mede te deelen. Vóór zij te zamen verder
+reden, overhandigde hij haar de schacht van de speer, waarmede de
+moord op haren minnaar was gepleegd, en ried haar aan goed zorg te
+dragen, dat zij die steeds bij zich hield, om haar later misschien
+als bewijsmiddel, te kunnen gebruiken.
+
+Na eenigen tijd ontmoetten zij een ridder te paard, die hun verwonderd
+vroeg, wat toch wel de reden mocht zijn, dat zij er zoo somber en
+mistroostig uitzagen. Na eenige aarzeling vertelde Balin hem het
+gebeurde, waarop de vreemdeling, die zeide Perin de Mountbeliard te
+heeten, verontwaardigd over zulk eene lafhartige handelwijze, zwoer,
+dat hij met hen zou gaan en hen niet zou verlaten, alvorens zij den
+listigen sluipmoordenaar gevonden en hem de straf toegebracht hadden,
+welke hij zoo ruimschoots verdiende. Maar nauwelijks had hij dit
+gezegd, of opnieuw schoot eene lans, als door tooverkracht gedreven,
+uit de struiken te voorschijn en met een luiden kreet stortte Perin
+de Mountbeliard levenloos ter aarde.
+
+Nadat zij den vreemden ridder een graf gedolven hadden en hem daarin
+hadden neergelegd op een bed van mos en bladeren, vervolgden Balin en
+zijne gezellin hunnen weg, maar zij waren blijde, toen zij in de verte
+de tinnen van een kasteel zagen oprijzen uit het geboomte. Het was nu
+volle dag geworden en de vermoeienissen van hunnen nachtelijken rit,
+gepaard aan de treffende gebeurtenissen, welke zich op hun tocht
+hadden afgespeeld, deden hen reikhalzend uitzien naar eene plaats
+waar zij eenige uren rust zouden kunnen nemen. Zij gaven dus hun
+paarden de sporen en reden weldra de poorten van het slot binnen. Wie
+beschrijft echter Balins ontsteltenis, toen hij, zijne gezellin
+enkele stappen vooruit gereden zijnde om haar bij het afstijgen
+behulpzaam te kunnen zijn, plotseling met een luiden slag de poort
+achter zich hoorde dichtvallen en met een blik door het kijkvenster
+bemerkte, hoe de jonkvrouw omringd werd door ruwe strijdknechten,
+die dreigden haar van het paard te trekken. Met één sprong was Balin
+op de borstwering, die om het vóórplein liep en stortte zich zonder
+aarzelen in de breede slotgracht, die hij met enkele krachtige slagen
+overzwom. Met het zwaard in de vuist liep hij op de mannen toe, die
+de jonkvrouw omringden en beval hun met luider stem haar met rust te
+laten. Een van hen wendde zich tot Balin en sprak: "Heer! het ligt
+niet in de bedoeling, uwe dame eenig letsel aan te doen, wees dus
+niet vertoornd op ons! Wij verzoeken haar slechts om de gewoonte te
+volgen, waaraan elke jonkvrouw, die dit slot binnentreedt, zich moet
+onderwerpen." Toen Balin hem vroeg, welke die gewoonte was, kreeg hij
+ten antwoord: "Sinds vijf lange jaren is onze Vrouwe lijdende aan
+eene doodelijke krankheid, waarvan zij slechts genezing kan vinden
+door het bloed eener reine maagd. Daarom moet iedere jonkvrouw,
+die hier binnenkomt, in een zilveren schotel eenige druppels
+van haar bloed storten. Maar helaas! tot op heden heeft het onze
+Vrouwe nog steeds niet gebaat." "Als dat zoo is", sprak Balin,
+"dan zal ook deze jonkvrouw bereid gevonden worden, om van haar
+bloed te offeren", en spoedig daarna traden allen het slot binnen,
+waar Balin en zijne reisgenoote een gastvrij onthaal vonden. Helaas
+kon ook echter ditmaal het bloed der jonkvrouw de slotvrouwe geen
+genezing brengen, eerst veel later zou de zuster van Parcival, zij,
+die door hare onbevlekte reinheid den heiligen Graal mocht aanschouwen,
+er in slagen de krankheid van haar weg te nemen.
+
+Toen zij geheel versterkt en uitgerust waren, verlieten Balin en
+zijne gezellin het slot om hunnen tocht te vervolgen. Overal, waar
+zij kwamen, hoorden zij verhalen over de wandaden en wreedheden van
+Garlon, tot eindelijk Balin nog slechts één wensch koesterde: om dien
+sluwen booswicht te dooden. Zoo kwamen zij ook op hun weg aan een
+kasteel, waar de zoon van den slotheer wegkwijnde aan de gevolgen eener
+verwonding, die hij in den strijd tegen een vreemden ridder ontvangen
+had, welke wonde slechts zou kunnen genezen door het bloed van zijn
+tegenstander. Daar hij echter niet wist, wie de onbekende ridder was,
+tegen wien hij gestreden had, scheen het, of hij aan zijne wonden zou
+moeten sterven en groote droefenis heerschte daarom in het kasteel
+zijns vaders. Toen Balin hoorde, dat de onbekende ridder de macht
+bezat om zich onzichtbaar te maken, begreep hij terstond, dat het
+niemand anders kon zijn dan zijn aartsvijand Garlon en plechtig zwoer
+hij zijn gastheer, dat hij alles zou doen, wat in zijn vermogen lag,
+om diens zoon het geneesmiddel te bezorgen, dat hij behoefde.
+
+"Wanneer dit inderdaad uw voornemen is", sprak de slotheer, "dan kan
+ik u eene gelegenheid verschaffen, om dezen Garlon, dien gij zegt
+te haten als geen ander op aarde, te ontmoeten. Weet dan, dat hij de
+broeder is van koning Pellam van Listeneise, een edel en godvruchtig
+man, die onder zijne voorvaderen den vromen Jozef van Arimathea telt,
+van wien vermeld wordt, dat hij het bloed van Christus in eene schaal
+heeft opgevangen. Deze koning Pellam nu, heeft een groot tournooi
+uitgeschreven, waaraan alleen ridders, die in gezelschap van eene dame
+zijn, mogen deelnemen. Wanneer gij nu besluit om derwaarts te gaan,
+kunt gij er zeker van zijn, Garlon op het steekspel aan te treffen."
+
+
+
+_Balins besluit om aan het tournooi van Koning Pellam deel te nemen en
+van zijn bezoek aan het slot van dien vorst._ Balin behoefde geene
+verdere aansporing en den volgenden morgen maakten zij zich met
+hun gastheer, die hen zou vergezellen, reisvaardig. Na een rit van
+eenige uren kwamen zij bij het slot van koning Pellam. Het was een
+oud en verweerd gebouw, dat gelegen was in het midden van een dicht
+en bijkans ondoordringbaar woud. De muren waren begroeid met mos en
+slingerplanten, waarvan de lange ranken een dicht netwerk vormden voor
+de hooge boogvensters. Hier en daar dreigde een muur ineen te storten;
+tusschen de steenen op het voorplein schoot het onkruid welig omhoog
+en de kettingen van de ophaalbrug maakten een akelig knarsend geluid,
+toen deze neergelaten werd om Balin en zijne beide gezellen binnen te
+laten. Toegelaten in de groote slotzaal, vonden zij daar een talrijk
+gezelschap bijeen. Vele ridders met hunne jonkvrouwen, die van heinde
+en ver gekomen waren, om het steekspel bij te wonen, hadden zich
+aan de lange tafels geschaard en deden zich te goed aan de spijzen,
+welke door de knechten van koning Pellam in groote hoeveelheden werden
+binnengedragen. Ook Balin werd eene plaats aangewezen, waar hij zich
+met zijne dame kon neerzetten, maar alvorens plaats te nemen zwierf
+zijn blik langs de rijen der gasten tot hij bleef rusten op hem,
+dien hij zocht.
+
+Aan het hoofd der lange tafel zat koning Pellam, eene grijze,
+eerbiedwaardige figuur, die met het hoofd in de hand peinzend voor zich
+uit staarde. Aan zijne rechterhand zat Garlon met een boosaardigen
+lach op het gelaat, waarin de sluwe oogen onrustig flikkerden,
+terwijl zij van den een naar den ander zwierven, als wilde hij
+het gehalte peilen van hen, die morgen tegen hem in het strijdperk
+zouden treden. Zoo ontmoetten zij den blik van Balin, en toen deze
+de oogen niet neersloeg, riep Garlon hem toe met spottende stem:
+"Hei daar! gij ridder, die het laatst zijt binnengekomen, zie mij
+niet zoo aan, want dat past u niet! Eet liever van wat u hier gegeven
+wordt, want dat is het immers, waarom gij hier gekomen zijt!" Bij
+het hooren van deze woorden voelde Balin zulk eene hevige woede in
+zich opbruisen, dat hij alles om zich heen vergat. Met den kreet van:
+"Ik zal u toonen, waarom ik hier gekomen ben!" rende hij op Garlon
+toe en doodde hem met zijn zwaard. Daarop nam hij de speerschacht uit
+de handen der jonkvrouw en sloeg ermede op het lichaam van Garlon,
+terwijl hij uitriep: "Ziehier uwe straf voor den verraderlijken moord,
+dien gij op een edel en onschuldig ridder pleegdet!"
+
+Groote ontsteltenis en verwarring ontstonden in de zaal, alle ridders
+grepen naar hunne wapenen en wilden Balin te lijf, maar deze sloeg
+zoo wild en onstuimig om zich heen, dat niemand het waagde hem te
+naderen. De oude koning Pellam evenwel, die diep geschokt was door het
+gebeurde, greep het zwaard van zijnen gestorven broeder en zwoer,
+dat hijzelve den smadelijken dood van Garlon wilde wreken. Hij
+liep op Balin toe en sloeg zóó hevig met zijn zwaard op dat van
+zijn tegenstander, dat het in tweeën brak. Toen Balin zag, dat zijn
+wapen onbruikbaar was geworden, rende hij de zaal uit, om een ander
+te zoeken, achtervolgd door den koning en zijne volgelingen. Eene
+wilde jacht volgde, langs trappen en portalen, door lange rijen van
+vertrekken tot Balin eindelijk in eene ruime zaal kwam, behangen met
+zware tapijten. In het midden stond een rijk versierd praalbed en
+daarnaast eene tafel, waarvan het blad, vervaardigd uit zuiver goud,
+rustte op zilveren pooten. Op de tafel lag eene lange speer van vreemd
+bewerkt metaal. Toen Balin het wapen zag, dat hem zoo onverwachts
+geboden werd, greep hij de speer van de tafel en zich omwendend, sloeg
+hij er koning Pellam zóó hard mede op het hoofd, dat deze bewusteloos
+ineenzonk. Op hetzelfde oogenblik werd de lucht vervuld van een
+vreeselijk gekraak en stortte het geheele slot boven Balins hoofd
+ineen, hem en allen, die er in waren, onder zijne puinhoopen begravend.
+
+Na drie dagen werd Balin uit zijn bewusteloozen toestand opgewekt
+door Merlijn, die hem op zijn dringend vragen naar de oorzaak en
+beteekenis der ramp, antwoordde, dat hij zelve er de aanleiding toe
+geweest was. De speer, waarmede hij Pellam den slag had toegebracht,
+was dezelfde, met welke Longinus de zijde van Christus doorboord
+had. Bovendien had in de zaal, waar Balin de speer had gevonden,
+de heilige Graal gestaan en op het praalbed rustte hij, die dezen
+wonderschotel, gevuld met het bloed van Christus, naar Engeland had
+overgebracht, de vrome Jozef van Arimathea. Door dezen noodlottigen
+slag hadden allen, die met Balin in het kasteel waren, ook zijne
+reisgenoote den dood gevonden en waren drie rijken in droefenis en
+rouw gedompeld. Toen Merlijn dit alles verklaard had, nam hij afscheid
+van Balin met woorden: "Vaarwel! in deze wereld zullen wij elkander
+niet meer zien!"
+
+Balin steeg te paard en reed alleen verder. Overal, waar hij kwam,
+zag hij tooneelen van smart en verwoesting. De dorpen en steden op
+zijn weg waren verwoest en ingestort, de bewoners waren gedood en
+enkele overlevenden zaten luid weeklagend op de puinhoopen hunner
+woningen en overlaadden Balin als hij voorbijreed met de bitterste
+verwijten. Het leek hem alles een vreeselijke droom, waarin het
+bewustzijn van zijne schuld hem drukte als een zware last. Toen hij
+eindelijk de grenzen van Pellams rijk overschreden had, ademde hij
+ruimer en durfde hij voor het eerst na vele dagen het hoofd weer vrij
+omhoog te heffen. Toch kon hij de herinnering aan het gebeurde niet
+van zich af zetten en het was hem, alsof hij een willoos slachtoffer
+dreigde te worden in de handen van het noodlot, dat hem aanzette
+tot vreeselijke daden, waarvan hij de beteekenis niet vermocht te
+doorgronden, dat hem voortjoeg, altijd voort, eene onbekende toekomst
+tegemoet, waarin hij overgeleverd zou worden aan duistere machten.
+
+
+
+_Balin komt aan een kruispunt, waar een Grijsaard hem aanraadt terug
+te keeren._ Na vele dagen kwam hij aan een viersprong, waar een
+glinsterend gouden kruis stond, met eenige letters erin gegrift. Toen
+Balin naderbij kwam, las hij de volgende woorden: "Laat hij, die
+alleen is, het niet wagen verder te gaan!"
+
+Op hetzelfde oogenblik verscheen een oud man aan den rand van
+het pad, die Balin met aandrang verzocht, terug te keeren, daar
+er een groot gevaar was, dat hem bedreigde indien hij het waagde,
+verder te gaan. Terwijl hij sprak, klonken uit het geboomte langs
+den weg drie hoornsignalen, zooals die geblazen worden om den
+dood van het opgejaagde wild aan te kondigen. En het scheen Balin
+toe, alsof hij zelve een stuk wild was, dat in den dood gedreven
+werd. Half schertsend, half weemoedig sprak hij: "Hoor! daar blaast
+men reeds ten teeken van mijn dood en toch leef ik nog en ben sterk
+en gezond. Waarom zou ik het gevaar ontvluchten, indien het zich op
+mijn weg plaatst? Mijn leven is in Gods hand, Zijn wil geschiede!" Met
+deze woorden reed hij verder tot hij bij eene kromming van den weg een
+gezelschap fraai gekleede jonkvrouwen en ridders te paard ontmoette,
+die hem in hun midden namen en hem meevoerden naar een trotsch kasteel,
+waar hij rijkelijk onthaald werd. 's Avonds bleef men in vroolijke
+stemming bijeen, maar alvorens zich ter ruste te begeven sprak de
+slotvrouwe tot Balin: "Edele heer! morgen bij het aanbreken van
+den dag moet gij u gereed maken ten strijde. Niet ver van hier is
+een klein eiland, dat bewaakt wordt door één enkelen ridder. Tegen
+dien moet elke gast, die in mijn kasteel komt, den strijd aanbinden,
+alvorens ik hem kan toestaan zijnen weg te vervolgen." "Voorwaar eene
+vreemde gewoonte", antwoordde Balin, "om uwen gasten zulk een dwang
+op te leggen, maar het zij zoo!" En den volgenden morgen bij het
+krieken van den dag maakte hij zich tot het gevecht gereed. Toen hij
+geharnast en gespoord op het slotplein verscheen, waren alle inwoners
+van het kasteel daar verzameld, om hem uitgeleide te doen en één der
+aanwezige ridders zeide tot hem: "Heer ridder! Sta mij toe, u mijn
+schild te leenen. Het is grooter en sterker dan het uwe en zal u in
+den strijd goede diensten bewijzen." Getroffen door dit vriendelijk
+aanbod, gespte Balin zijn schild los en nam met eenige woorden van
+dank dat van den vreemden ridder aan.
+
+Spoedig daarna reed hij de slotpoort uit. De aanwijzingen zijner
+gastvrouw volgend, kwam hij aan een breed water met een eilandje in het
+midden. Hij sprong in eene boot, welke aan den oever lag vastgemeerd,
+en roeide zichzelven en zijn paard naar den overkant. Daar ontmoette
+hij eene jonkvrouw, die tot hem zeide: "Helaas, edele ridder, waarom
+liet gij uw schild achter en naamt een vreemd met u mede? Dit maakt
+u onherkenbaar en zal daardoor de oorzaak zijn van uwen val." Het
+was Balin, alsof hetzelfde angstige voorgevoel van den vorigen dag,
+zich opnieuw van hem meester maakte, maar hij sprak moedig: "Wat ik
+op mij genomen heb, zal ik volbrengen!" en reed het bosch binnen,
+waar het eiland mee begroeid was. In het midden daarvan kwam hij
+aan eene open plek, waar een ridder in roode wapenrusting op hem
+scheen te wachten. Het was niemand anders dan Balan, die zich daar
+bevond en die, toen hij Balin uit het bosch op zich zag toerijden,
+één oogenblik dacht, in hem zijnen broeder te herkennen. Een blik
+op het vreemde schild hield echter den uitroep van blijdschap terug,
+dien hij op de lippen had en met gevelde speren reden de beide ridders
+op elkander toe. Spoedig waren zij in een heet gevecht gewikkeld,
+waarin nu de één, dan weer de ander, de overhand scheen te krijgen.
+
+Het zweet gutste den strijdenden van het voorhoofd, hun adem ging snel
+en onregelmatig, maar toch bleven zij op de been en de hitte van het
+gevecht spoorde hen aan tot steeds grooter krachtsinspanning. Zij
+hadden elkaar reeds menige diepe wond toegebracht, toen eindelijk
+Balan, afgemat van den strijd, zich terugtrok, om eenige rust te nemen,
+alvorens het gevecht opnieuw te beginnen.
+
+Toen vroeg Balin hem, wie hij was en vanwaar hij kwam, want nog
+nooit had hij zulk een hardnekkigen tegenstand ondervonden als in
+dezen kamp. Balan sloeg het vizier van zijn helm op en sprak: "Mijn
+naam is Balan; ik ben een broeder van den grooten Balin, van wien gij
+wel hebt hooren spreken." Toen nu Balin hoorde, dat hij gestreden had
+tegen zijn eigen broeder, die hem van alle menschen het dierbaarst op
+aarde was, wierp hij zijn zwaard van zich af, hief de handen ten hemel
+en stortte ter aarde. Balan, die geheel uitgeput was door het hevige
+bloedverlies, kroop op handen en voeten naar hem toe en beproefde
+zijn helm los te gespen. Toen hij het geliefde gelaat daaronder zag,
+haast onherkenbaar door het bloed en de stof, die eraan kleefden,
+barstte hij in luid snikken uit. Te zamen beweenden zij het noodlot,
+dat hen aldus had samengevoerd; Balin verwenschte den ridder, die
+hem het vreemde schild had gegeven, waardoor hij voor zijn broeder
+onherkenbaar was geworden, en het toeval, dat hem in de nabijheid
+van het kasteel gevoerd had. Toen de slotvrouwe met haar gevolg
+op het eiland was gekomen, om den afloop van den strijd te zien,
+waren allen diep getroffen door het treurige schouwspel, dat hun
+daar geboden werd, en zelfs de hartelooze vrouwe kon hare tranen niet
+bedwingen. Balin smeekte haar, om hen beiden in één graf te leggen,
+zoodat zij in den dood vereenigd zouden zijn en verzocht haar om op
+dat graf hunne droeve geschiedenis te vermelden, zoodat een ieder,
+die het zag, voor hunne zielen zou bidden. Zij beloofde zulks te
+zullen doen en alle aanwezigen snikten luide, zóózeer waren zij van
+medelijden vervuld bij het zien van dit droevig tooneel. Balan stierf
+spoedig daarop, maar de oudere broeder bleef nog dien ganschen dag
+in leven. Terwijl hij daar zoo lag en het leven langzaam uit zich
+voelde wegvloeien, trokken de verschillende gebeurtenissen uit zijn
+kortstondig leven aan het oog zijner verbeelding voorbij. Zijne
+gedachten gingen terug naar zijne zonnige jeugd in het land zijner
+vaderen, naar zijn ouderlijk huis, waar hij zoo gelukkig en onbezorgd
+leefde. Hij herdacht de lange tochten langs de rotsige kust en
+door de dichte bosschen, welke hij met zijn vader en broeder gewoon
+was te doen. Daarna doorleefde hij opnieuw zijne jongelingsjaren,
+het genot van den eersten jachtrit, dien hij meemaakte, de trots
+in zijne toenemende kracht en behendigheid. Vervolgens verwijlden
+zijne gedachten bij den tijd, waarin hij droomde van macht en roem,
+en het plechtig oogenblik, waarop hij door zijn vader tot ridder
+geslagen werd. Toen had hij zichzelf gezworen, om steeds te strijden
+voor het goede en schoone, om de zwakken te helpen en de boozen te
+verslaan. Kort daarop was hij aan het hof van koning Arthur gekomen en
+na dien tijd scheen zijn leven hem één strijd geweest te zijn tegen de
+onverbiddelijke macht van het Noodlot, hetwelk zich verbonden had met
+de kwade hartstochten in zijn binnenste en hem gedwongen had tot eene
+reeks van daden, die zijn ondergang ten gevolge hadden gehad. Nu was
+het met strijden gedaan en lag hij te sterven, maar zijne ziel kwam
+niet in opstand tegen dezen vroegtijdigen dood. Toen de zon onderging
+en de schemering langzaam over de aarde daalde, strekte Balin zich uit
+met een zucht en stierf met een glimlach op de lippen, als een kind dat
+slapen gaat. Den volgenden dag kwam Merlijn en vond de beide broeders
+slapend in elkanders armen en nadat zij begraven waren, schreef de
+oude toovenaar hunne namen met gouden letters op hun graf en ging
+toen peinzend heen om de droeve tijding aan koning Arthur te melden.
+
+
+
+
+
+INLEIDING TOT DE SAGE VAN DEN LEEUWENRIDDER.
+
+
+_Over den oorsprong dezer legende, gelijk over dien van zoovele
+andere Arthur-verhalen, valt niets met zekerheid te zeggen._ De
+eerste vorm, onder welken wij haar kennen, is een Fransch gedicht:
+"Yvain" uit de tweede helft der 12e eeuw (waarschijnlijk uit de jaren
+1172-'73), geschreven door den beroemden dichter Chrétien de Troies. In
+tegenstelling met zijne andere gedichten, wordt in zijn "Yvain" geen
+"livre" of "conte" genoemd, waaraan hij verklaart de stof voor zijn
+werk te hebben ontleend; volgens Prof. Foerster, den bewerker der
+bekende uitgave van Chrétien's werken, behoeven wij daar ook niet
+verder naar te zoeken. In de oogen van dezen geleerde is "Yvain" eene
+vrije schepping van den grooten hofdichter, die het verhaal opbouwde
+uit eenige bestaande legenden en overleveringen, die oorspronkelijk
+geheel los van elkander waren en waarop wij later terug hopen te komen.
+
+De naam van Chrétien de Troies heeft voor hen, die de Arthur-sage
+in haar groei en ontwikkeling hebben gadegeslagen en haar op prijs
+stellen, een vertrouwden klank! Men moge lang twisten over de meerdere
+of mindere oorspronkelijkheid zijner gedichten, zijne beteekenis voor
+de letterkundige en vooral voor de artistieke ontwikkeling der oude
+Arthur-verhalen wordt er niet minder belangrijk om. Hij en niemand
+anders heeft er een toon van hoofsche beschaving in aangebracht en
+meer nog, hij heeft de karakters, die er in beschreven worden, voor
+ons ontleed tot in de fijnste zielkundige schakeeringen, zoodat de
+beschrijvingen van het gevoelsleven zijner helden en heldinnen, van de
+aandoeningen, die hunne zielen doorkruisten, een belangrijk aandeel
+vragen van de belangstelling, die wij voor hunne levensgeschiedenis
+gevoelen.
+
+Meer nog heeft de Fransche dichter ons gegeven: hij maakte van het
+hof van koning Arthur--en wie was deze anders dan de vorst van een
+overwonnen volksstam, die door de vreemde heerschers was teruggedrongen
+tot in de verste hoeken van zijn rijk--het schitterendste hof der
+Christenheid, waar de dapperste ridders vertoefden, waar een pracht
+en praal heerschten als aan geen ander. Als zoodanig zien wij het
+beschreven in de werken der velen, die na Chrétien dit onderwerp hebben
+behandeld; als zoodanig leeft het daarom in onze verbeelding, maar wij
+mogen niet vergeten, aan wien wij deze voorstelling te danken hebben.
+
+Aan dit hof, rijk aan al het schoons, dat eene weelderige verbeelding
+en een romantische geest het konden schenken brengt Chrétien
+de ridders, wier namen hij met dien van Arthur verbonden heeft,
+en wier lotgevallen in belangrijkheid veelal uitsteken boven die
+van hun vorst. Arthur wordt het middelpunt, dat hen allen te zamen
+houdt. Zijn eigen persoon geraakt echter daardoor eenigszins op den
+achtergrond, daar onze belangstelling nu eens door dezen, dan weer
+door genen onder zijne ridders wordt opgeëischt.
+
+Als laatste en belangrijkste bestanddeel, door Chrétien in de
+Arthur-romans aangebracht, noemen wij het begrip der liefde, of beter
+gezegd der hoofsche liefde, de "Amour courtois", zooals die in de
+12e eeuw in Frankrijk werd verheerlijkt. Om te begrijpen, hoezeer
+onze dichter doordrongen moet zijn geweest van wat deze kunst--want
+liefhebben werd in dien tijd tot eene kunst opgedreven--van hare
+discipelen eischte, behoeven we ons slechts te herinneren, dat hij
+geleefd heeft aan de hoven van Vlaanderen en Champagne, welke de
+brandpunten waren van het letterkundig leven in die dagen en waar de
+beroemde "Cours d'amour" gehouden werden.
+
+Geen wonder dus, dat Chrétien, als een rechtgeaard kind van zijn tijd,
+de hoofsche liefde in zijne werken verheerlijkte en haar maakte tot een
+kunstig weefsel van fijn uitgesponnen gewaarwordingen en aandoeningen,
+een teeder spel van wisselende stemmingen, waarbij de spelenden
+er behagen in schepten zich te wagen in een doolhof van grillen en
+gevoeligheden, waarin zij soms den weg dreigden kwijt te raken. Zij
+dienden de liefde door nachtelijke samenkomsten, door heimelijke
+blikken en listig verzonnen teekens, want meestal was het een verboden
+hartstocht, die hunne harten in vlam had gezet. Men ging in dien tijd
+zelfs zoover te beweren, dat de ware liefde onvereenigbaar was met
+den huwelijksband. Dat Chrétien deze inzichten niet geheel deelde,
+staat vast; hij verheerlijkt dan ook slechts in één enkel zijner
+bewaard gebleven gedichten: "Lancelot ou le Roman de la Charrette"
+[22] de onwettige liefde en dit gedicht schreef hij op bevel van
+zijne meesteres, gravin Marie van Champagne.
+
+Wat hem in het gezelschapsleven van zijn tijd het meest getroffen moet
+hebben is de strijd om de opperheerschappij tusschen liefde en eer in
+het leven van den ridder. Beide eischen van hem algeheele overgave;
+als een trouw volgeling van de wetten der hoofsche liefde, moet hij in
+een staat van voortdurende aanbidding verkeeren voor zijne "dame", haar
+geheimste wenschen vervullen, nog vóór zij die uiting heeft gegeven
+en altijd op zijn post zijn om hare bevelen te gehoorzamen. Aan den
+anderen kant moet hij vóór alles zijne eer hoog houden en zich roem
+zien te verwerven door het verrichten van dappere daden. Hoe nu die
+beide verplichtingen met elkander te vereenigen? Ziedaar het vraagstuk,
+dat Chrétien zich stelde en waarvan hij ons in elk zijner gedichten
+eene verschillende keerzijde voor oogen houdt. In drie zijner werken:
+"Cligés", "Lancelot" en "Yvain" ("Tristan", een verloren gegaand
+jeugdwerk, worde hier als zoodanig buiten beschouwing gelaten) heerscht
+de liefde boven alle andere aandoeningen in het hart des ridders,
+de wil der vrouw bepaalt als hoogste wet al zijn doen en denken.
+
+In "Cligés" ontvangt de held eene even groote genegenheid van de zijde
+der vrouw; ook zij heeft lief met haar gansche hart en zinnen. In
+"Lancelot" is die overeenstemming in de gevoelens der beiden reeds
+verbroken, daar vinden wij voor 't eerst het beeld der aangebedene,
+die de liefde beschouwt als een spel, waarin zij haar grillen
+kan botvieren; waarin zij alles eischt en niets geeft. In "Yvain"
+vinden wij ten slotte het verzet van den man tegen de dwingelandij der
+liefde, maar het is een verzet, dat vruchteloos blijkt te zijn en hem
+na eindeloos lijden weer aan de voeten der geliefde terugbrengt. In
+dit opzicht is "Yvain" te beschouwen als een tegenhanger van "Erec"
+[23] het eerste Arthur-gedicht van Chrétien's hand, dat voor ons
+bewaard is gebleven. In "Erec" wint de eer het van de liefde, hoewel
+deze laatste reeds macht genoeg bezit om den held tot een tijdelijk
+niets doen te bewegen. Voor deze verheerlijking der liefde ten koste
+zijner ridderplichten moet Erec echter even zwaar boeten als Yvain,
+wanneer hij zich aan de tegenovergestelde fout schuldig maakt. In
+"Erec" is de heldin de trouwe gade, die zelve erkent, dat de eischen
+der riddereer machtiger zijn dan hare eigen rechten, in "Yvain" wordt
+haar gevoel van eigenwaarde bevredigd, wanneer zij haren echtgenoot
+boetvaardig voor zich ziet nederknielen en beseft, dat hij voortaan
+vóór alles _haar_ zal dienen. Dat het karakter der vrouw moet lijden
+onder eene alles gevende en niets eischende aanbidding van de zijde
+des echtgenoots voelde Chrétien, fijn besnaard dichter als hij was,
+natuurlijk heel goed, daarom treffen ons in "Yvain" sommige regels,
+waaruit eene zekere geringschatting van de heldin spreekt. Hier en
+daar is zijn toon bitter en niet zonder ironische bijbedoeling weidt
+hij uit over den grooten, alles beheerschenden hartstocht van den
+held voor eene vrouw, die hem in den grond onwaardig is. Hiertoe
+had volgens hem de vrouwendienst geleid: het karakter der vrouw,
+die slechts hulde en aanbidding kreeg, was er armer, dat van den man,
+die slechts te geven had, was er rijker door geworden.
+
+Welke waren nu de bronnen, waaruit de dichter geput heeft voor de
+samenstelling van zijn verhaal? Als eerste dient genoemd te worden
+de sage van de tooverbron, die in de plaatselijke legenden van
+verschillende landen veelvuldig voorkomt. Wij vinden haar het eerst
+genoemd in het Normandische gedicht: "Le Roman du Brut" van Wace, waar
+sprake is van de beroemde bron van Berenton, gelegen in het tooverwoud
+van Broceliande in Bretagne. Deze bron wordt de eigenschap toegekend,
+regen te veroorzaken, wanneer men een daarnaast gelegen steen met
+water bevochtigt. Met zekerheid kan gezegd worden, dat Chrétien
+zijn denkbeeld van eene tooverbron aan Wace heeft ontleend. Dat hij
+het verder met de geographie in zijn gedicht niet al te nauw neemt,
+blijkt uit het feit dat, hoewel het hof van koning Arthur in Engeland
+en de tooverbron in Bretagne is gelegen, er nergens sprake is van eene
+zeereis. Hiervan wordt geenerlei melding gemaakt bij de drie tochten
+van den held en evenmin bij die, welke Calogrenant en koning Arthur
+naar de bron ondernemen. Waarschijnlijk heeft Chrétien de sage van
+de wonderbron alleen willen benutten om zijn held en zijne heldin tot
+elkander te brengen. Immers, wanneer Iwein zijne jonge vrouw verlaat,
+om aan het hof terug te keeren, hooren wij niets meer over de bron en
+hare verdediging, tot Iwein haar opnieuw gebruikt om eene verzoening
+met Laudine tot stand te brengen.
+
+De geschiedenis der heldin, haar huwelijk met den moordenaar van
+haren echtgenoot, ontleende de dichter aan eene algemeen verspreide
+overlevering, die van de gemakkelijk te troosten weduwe, welke haren
+oorsprong vindt in het bekende verhaal van de weduwe van Ephese. Hier
+dient opgemerkt, dat het karakter van Laudine in vele opzichten afwijkt
+van dat der oorspronkelijke heldin uit de geschiedenis. Ten slotte
+merken wij het bestaan eener derde sage op, die Chrétien zich bij de
+samenstelling van zijn gedicht van nutte heeft gemaakt, n.l. die van
+den leeuw van Androcles. De trouw van den leeuw doet de wankelbaarheid
+der menschelijke gevoelens dubbel sterk uitkomen. Deze drie sagen
+zijn door den dichter op meesterlijke wijze tezamengebracht en dooreen
+gevlochten. Alle drie werden zij dienstbaar gemaakt aan het hoofddoel
+van zijn werk: het aantoonen van de almacht der liefde, die boven alle
+andere gevoelens in het hart der menschen troont. Ook andere motieven
+werden door Chrétien gebruikt, maar deze kunnen hier worden weggelaten,
+als hebbende geene betrekking op de hoofdlijn van het verhaal.
+
+Hoe zeer "Yvain" de algemeene belangstelling trok, blijkt ten eerste
+uit het feit, dat wij van het gedicht niet minder dan acht volledige
+handschriften bezitten en vervolgens uit het groot aantal vertalingen
+en bewerkingen, die er van bestaan. Ook blijkt uit de omstandigheid,
+dat we in andere gedichten en ook in de latere prozaromans veelvuldige
+toespelingen aantreffen op de geschiedenis van den Leeuwenridder,
+hoe veel gelezen en hoe geliefd deze sage in dien tijd was.
+
+Onder de vertalingen van "Yvain" dient als eerste genoemd te
+worden, die van den Duitschen dichter Hartmann von Aue, denzelfden,
+die ook reeds een ander gedicht van Chrétien: "Erec" [24] bij
+zijne landgenooten had ingeleid. Zijn "Iwein" toont echter in het
+karakter der heldin een aanmerkelijk verschil in opvatting met het
+Fransche werk. Of de wijzigingen, die door den Duitschen dichter
+zijn aangebracht in den aard en het wezen van Laudine, steeds in
+overeenstemming zijn met het oorspronkelijk karakter van het gedicht,
+blijft de vraag. Eene figuur moet beschouwd worden in de omlijsting
+van haren tijd en al moge het verleidelijk zijn, om haar naar onze
+wenschen te vervormen en haar te tooien met eigenschappen, die ons
+sympathiek zijn, toch blijft dit een gevaarlijk werk.
+
+Ongeveer honderd jaar jonger dan Hartmann's "Iwein" is de Noorsche
+prozabewerking van "Yvain", die op hare beurt de bron werd voor een
+Zweedsch en Deensch gedicht. Het laatste werd onmiddellijk uit het
+Zweedsche gedicht vertaald.
+
+Bovendien treffen wij de geschiedenis van den Leeuwenridder aan onder
+de verhalen van den "Mabinogion" [25], eene verzameling Welsche
+verhalen, welke in 1849 door Lady Charlotte Guest in het Engelsch
+werden overgebracht. Drie dezer verhalen, waarvan het handschrift
+uit de 14e eeuw dagteekent, maar die waarschijnlijk van veel ouderen
+datum zijn, toonen in hun inhoud groote overeenkomst met drie gedichten
+van Chrétien de Troies, n.l. met "Erec", "Yvain" en "Conte del Graal".
+
+Of inderdaad de drie Welsche verhalen navolgingen zijn van de Fransche
+gedichten, zooals Professor Foerster en met hem vele andere geleerden
+meenen te moeten veronderstellen--of dat in dit geval het Welsche
+prozaverhaal en het Fransche gedicht tot eene gemeenschappelijke
+bron terug te brengen zijn, zooals een aantal Fransche geleerden met
+Gaston Paris aan het hoofd, trachten te bewijzen, worde hier verder
+in het midden gelaten. Het verhaal, dat met onze sage overeenstemt is
+getiteld "The Lady of the Fountain" en verschilt in zooverre van het
+Fransche gedicht, dat de lotgevallen van den held er aanmerkelijk in
+bekort zijn; de verzoening tusschen hem en zijne jonge vrouw vindt
+reeds plaats, nadat hij Luned van den brandstapel heeft gered. Over
+de wijze, waarop deze verzoening tot stand komt, wordt daarbij met
+geen woord gerept.
+
+Ten slotte dient genoemd de Middel-Engelsche bewerking van "Yvain",
+getiteld "Ywain and Gawain", welke in het begin der 14e eeuw in het
+Noorden van Engeland door een tot nu toe onbekend gebleven dichter
+geschreven werd. Wat het verhaal betreft, houdt het Middel-Engelsche
+gedicht zich nauwkeurig aan zijn oorspronkelijk, wij missen er echter
+_geheel_ de fijne zielkundige beschouwingen, die het Fransche dichtwerk
+zoo bizonder aantrekkelijk maken. Daarentegen bezit het Engelsche
+gedicht een bekoorlijken eenvoud, die het gunstig doet afsteken bij
+de niet te loochenen gekunsteldheid van het Fransche. Ook in het
+karakter der hoofdpersonen, voornamelijk in dat der heldin, bespeuren
+wij eene merkbare verandering, die ten doel schijnt te hebben om haar
+meer in overeenstemming te brengen met den nieuwen kring van lezers,
+waarin de Engelsche dichter haar binnenleidt. Geen dezer bewerkingen
+overtreft echter over het geheel genomen het werk van den Franschen
+meester. Terecht wordt "Yvain" beschouwd als staande op het hoogtepunt
+der hoofsche epiek. Het verhaal der lotgevallen van den held en bovenal
+de beschrijving van zijn bitter berouw en zijne boetedoening houden
+onze aandacht gespannen als weinig andere verhalen en de wijze, waarop
+de dichter ons de gevoelens en den gedachtengang zijner hoofdpersonen
+kenbaar maakt, doet ons hem beschouwen als een meester op het gebied
+van zielkundig waarnemen en begrijpen.
+
+
+
+
+
+DE SAGE VAN DEN LEEUWENRIDDER.
+
+
+ ...."this es the knight with the liown,
+ that es halden of so grete renown."
+
+ ("Ywain and Gawain", Middel-Engelsch
+ gedicht uit de 14e eeuw).
+
+
+_Hoe heer Colgrevance aan het hof verslag uitbrengt van wat hem op
+zijne reizen overkomen is._ Eens gebeurde het, dat koning Arthur
+zijne ridders had uitgenoodigd tot een groot feest in zijn slot te
+Cardiff. Uit alle streken des lands waren de hooge gasten met hun
+gevolg komen aanrijden, want de feesten aan het hof van koning Arthur
+waren wijd en zijd beroemd om hun gullen overvloed en ongedwongen,
+vroolijke stemming. Na het gastmaal, dat aangericht was in de groote
+slotzaal, verspreidden de aanwezigen zich in de aangrenzende vertrekken
+en in de tuinen om het paleis. De koning en koningin begaven zich
+intusschen naar hunne eigen vertrekken om enkele oogenblikken rust te
+nemen, alvorens zich opnieuw in het feestgewoel te mengen. Enkelen
+onder 's konings vertrouwde ridders betrokken de wacht voor zijne
+vertrekken. Onder hen waren Segramore, bijgenaamd de Begeerige,
+Colgrevance, Key, de seneschalk en Iwein, de zoon van koning Uriens van
+Wallis. Om den tijd te korten, verzochten de ridders Heer Colgrevance,
+die eenige dagen tevoren na eene lange afwezigheid aan het hof was
+teruggekeerd, om hun de avonturen te vertellen, welke hem op zijn
+tocht overkomen waren. Na eenige overreding stemde Colgrevance er
+in toe zulks te doen, maar juist toen hij met zijn verhaal beginnen
+wilde, ging de deur van het vertrek des konings geruischloos open en
+verscheen koningin Ginevra op den drempel. Colgrevance was de eenige
+der ridders, die haar bemerkte; terstond verhief hij zich uit zijne
+zittende houding en groette zijne vorstin eerbiedig. De anderen
+volgden dra zijn voorbeeld, maar Key, wiens booze, ijverzuchtige
+natuur het niet kon verkroppen, dat Colgrevance hem vóór was geweest
+in het verschuldigde eerbetoon, sprak spottend tot de koningin:
+"Edele Vrouwe! gij komt juist intijds om het verslag te hooren van de
+avonturen, die Colgrevance op zijne reis beleefd heeft. Wij kunnen
+er zeker van zijn, dat hij ons wondere verhalen zal doen van zijne
+heldendaden en wapenfeiten!"
+
+Colgevrance beet zich op de lippen, om zijne ergernis over deze
+hoonende woorden niet te uiten, maar toen allen hem verwachtend
+aanzagen, wendde hij zich tot koningin Ginevra en zeide op kalmen
+toon: "Vergun mij, schoone Vorstinne, dat ik mijn verhaal uitstel
+tot een volgend keer, want ik vrees dat, hetgeen ik te vertellen
+heb, u weinig belang zal inboezemen. Het zijn geen heldendaden,
+die ik ga vermelden en Heer Key vergist zich, wanneer hij denkt,
+dat het verslag van wat mij is overkomen, strekken moet om mijn
+aanzien aan het hof te vergrooten!" De koningin, wier nieuwsgierigheid
+geprikkeld werd door deze toespelingen, gaf den spreker vriendelijk
+ten antwoord: "Wat ik u bidden mag, let niet op de woorden van Heer
+Key; wij allen weten immers, dat zijne woorden vaak boozer schijnen,
+dan zij werkelijk bedoeld zijn en wat uw verhaal betreft, zoo verzoek
+ik u, ons dat niet te onthouden. Indien uwe ontmoetingen tijdens uwe
+rondzwervingen u geen roem en glorie gebracht hebben, valt het dubbel
+in u te prijzen, wanneer gij ze ons niettemin mededeelt. Het strekt
+een ridder tot eer, wanneer hij openlijk erkennen durft, dat hij
+overwonnen is!" Met eene eerbiedige hoofdbuiging dankte Colgrevance
+zijne vorstin voor haar welwillende woorden en sprak toen als volgt:
+"Indien het uw wil is, Hooge Vrouwe, en ook de uwe, mijne vrienden,
+zoo zal ik u naar waarheid vertellen, wat mij overkomen is. Gelijk gij
+allen weet, heb ik van mijne prilste jeugd af een drang in mij gevoeld,
+om vreemde landen en streken te bezoeken. Toen ik een man was geworden,
+voelde ik dien lust steeds sterker in mij oprijzen en weldra werden de
+grenzen van mijns vaders graafschap mij te eng en besloot ik de wijde
+wereld in te trekken op jacht naar avontuur. Zoo vroeg ik eenigen
+tijd geleden den koning verlof om een tocht te mogen ondernemen naar
+verre streken. Koning Arthur gaf mij genadiglijk zijne toestemming
+en op een schoonen najaarsmorgen verliet ik mijn vaderlijk kasteel,
+waar mijne moeder mij met betraande oogen omhelsde en mijn vader mij
+zijne beste zegewenschen op mijne reis medegaf.
+
+Ik zou u vervelen, wanneer ik u al de avonturen moest melden, welke
+ik op mijne zwerftochten beleefde; ik wil u slechts dit zeggen, dat
+ik vreemde landstreken bezocht, waar de wetten en gebruiken geheel
+verschillen van de onze. Ik streed onder vreemde vorsten, indien het
+mij toescheen, dat zij het recht aan hunne zijde hadden, en wanneer
+het mij gelukte in den strijd eenigen roem te behalen, dan kende ik
+de verdienste daarvan toe aan mijn koning, die mij steeds op het pad
+der dapperheid was voorgegaan. Zoo verliep de winter en toen de lente
+kwam, maakte ik mij gereed om naar mijn land terug te keeren, want mijn
+hart begon te verlangen naar mijne vrienden en stamgenooten. Het was op
+mijne terugreis naar het hof, dat ik het avontuur beleefde, waarover ik
+u wilde vertellen. Ik had reeds verscheidene dagen gereden, zonder een
+menschelijk wezen te ontmoeten, toen ik tegen den avond in eene smalle
+vallei kwam. Links en rechts van mij verhieven zich hooge heuvels,
+dwars door het dal stroomde eene rivier en langs den oever daarvan
+liep een smal pad met boomen beplant. Het scheen mij toe een veel
+bereden weg te zijn en daaruit afleidende, dat hij wellicht naar de
+eene of andere woning voerde, waar ik den nacht zou kunnen doorbrengen,
+besloot ik hem te volgen. En inderdaad zag ik spoedig de muren van een
+kasteel door de boomen schemeren. Op de brug stond een ridder met een
+valk op de hand; hij beantwoordde mijn groet op vriendelijke wijze en
+was mij bij het afstijgen behulpzaam. Daarop noodigde hij mij uit,
+hem te volgen. Het slotplein lag geheel verlaten, nergens trof mijn
+oog een spoor van menschelijk leven, maar toen mijn gastheer driemaal
+op een schild had geslagen, dat naast de poort hing, verscheen als
+bij tooverslag een leger van knechten en volgelingen uit de deuren
+van het kasteel. Uit het bonte gewemel van mannelijke en vrouwelijke
+bedienden in hunne kleurige livreien, trad eene bevallige jonkvrouw
+op mij toe, nam mij bij de hand en leidde mij het slot binnen. Zij
+bracht mij naar een ruim en luchtig vertrek, waar ik gelegenheid vond
+mij te ontdoen van het stof en vuil, waarmede ik door den langen
+rit bedekt was. Eigenhandig bracht de jonkvrouw mij water om mij
+te wasschen in een sierlijk bewerkte kom, daarbij doeken van het
+fijnste linnen en ten slotte legde zij een volledig stel kleederen,
+uit de kostbaarste stoffen vervaardigd, voor mij neer. Toen ik geheel
+gereed was, kwam zij om mij te halen en geleidde mij naar de slotzaal,
+waar een rijk voorziene disch stond gespreid. De ridder, dien ik op
+de brug had gevonden en die de heer van het kasteel bleek te zijn,
+heette mij met eenige hoffelijke woorden welkom en noodigde mij uit
+plaats te nemen. Na afloop van den maaltijd verzocht hij mij om,
+indien het niet onbescheiden was zulks te vragen, hem mede te deelen,
+vanwaar ik kwam en wat het doel was van mijn tocht. Toen hij nu hoorde,
+dat ik op reis was gegaan uit zucht naar avontuur, staarde hij eenige
+oogenblikken peinzend voor zich uit en sprak eindelijk: "Heer ridder,
+indien gij belust zijt op vreemde avonturen, zoo zou ik er u een aan
+de hand kunnen doen, dat moeilijker te volbrengen is dan één dergene,
+die u tot nu toe op uwen weg zijn overkomen. Ik aarzel evenwel,
+om het u te zeggen, want gij zijt jong en wellicht onervaren en er
+is nog nooit een ridder geweest, die de onderneming, waarop ik doel,
+tot een goed einde heeft gebracht." Gij begrijpt, mijne vrienden, dat
+deze woorden voldoende waren om het vuur van mijn ondernemingsgeest,
+dat door het naderend weerzien van mijne vrienden en bloedverwanten
+een weinig verkoeld was, tot nieuwen gloed aan te wakkeren en ik
+smeekte mijn gastheer dringend, om zich nader te verklaren. Daarop
+zeide hij, dat het niet in zijne macht lag, om mij den juisten aard
+van het avontuur te omschrijven, maar, indien ik er meer van weten
+wilde, moest ik mij naar een naburig bosch begeven, waar ik verdere
+aanwijzingen omtrent datgene, wat er van mij geëischt werd, zou vinden.
+
+Met deze eenigszins vage aanduidingen moest ik mij tevreden stellen
+en den volgenden morgen vroeg verliet ik het gastvrij slot en sloeg
+den weg in, dien mijn gastheer mij aanwees. Vóór mijn vertrek moest
+ik hem echter beloven dat, indien ik heelhuids van de gevaarlijke
+onderneming, die mij wachtte, terug zou komen, ik hem persoonlijk
+verslag zou komen uitbrengen van mijn wedervaren.
+
+Het pad, dat ik was ingeslagen, voerde mij al spoedig naar een dicht
+woud en toen ik eenigen tijd tusschen het geboomte had voortgereden,
+scheen er licht door de stammen en kwam ik weldra op eene open
+plaats. Wie beschrijft mijne ontzetting, toen ik zag, dat alle wilde
+dieren van het woud: leeuwen, tijgers en nog vele andere diersoorten,
+zich in grooten getale op die plaats verzameld hadden. In hun midden,
+op eene kleine verhevenheid zat een man en één blik op hem vervulde
+mij met nog meer ontzetting dan het gezicht der wilde dieren. Zijne
+gestalte was reusachtig van omvang, zijne haren hingen tot op zijn
+gordel, waarin een zware knots stak. Zijne wenkbrauwen waren dicht
+en stekelig, zijne tanden geleken op die van een wolf. Zijn rug
+was gebogen, zoodat zijn hoofd bijna op zijn borst hing en met
+zijne boosaardige oogen keek hij mij uitdagend aan. Toen de wilde
+dieren mij bemerkten, begonnen zij vervaarlijk te brullen, maar op
+eene handbeweging van den reus, verstomde dit en met een klagelijk
+gehuil vielen alle dieren hem ten voet. De reus verhief zich daarop
+moeizaam van zijn zetel en vroeg mij met donderende stem, wie ik was
+en waarheen ik ging. Ik vertelde hem toen, hoe men mij naar het woud
+had gezonden om nadere aanwijzingen te ontvangen omtrent een avontuur,
+dat in de nabijheid op mij wachtte. Tevens vroeg ik hem, wie hij was
+en waarom hij daar omringd zat door de dieren van het woud. Hij gaf
+mij ten antwoord, dat hij hun aller heer en meester was, dat zij hem
+moesten gehoorzamen en dienen en dat hij eene onbeperkte macht over
+hen bezat. Daarna gebood hij mij een zeker pad te volgen, dat mij op
+eene vlakte brengen zou. Op die vlakte zou ik eene bron vinden met een
+steen er naast. Wanneer ik een avontuur zocht, moest ik water uit die
+bron op den steen sprenkelen, de rest zou dan van zelf wel volgen. Hij
+waarschuwde mij echter, mij vooraf goed te bedenken, want nog nooit
+had hij een ridder levend van die plek zien wederkeeren. Ondanks
+zijne vermaningen sloeg ik zonder eenige aarzeling het aangeduide
+pad in en weldra stond ik aan den rand van eene onafzienbare vlakte.
+
+Eenige schreden voor mij uit ontdekte ik de bron, waar de reus over
+gesproken had. Zij bevond zich onder een boom, welks dicht gebladerte
+een heerlijken schaduw bood aan den voorbijganger. Naast de bron
+lag een groote platte steen en aan een der laagste takken van den
+boom hing een gouden schotel aan een langen ketting. Het water in
+de bron was helder als kristal en borrelde met een zacht klaterend
+geluid omhoog. Vol gespannen verwachting schepte ik met behulp van den
+schotel eenig water uit de bron en sprenkelde toen met de hand enkele
+druppels op den steen. De uitwerking was vreeselijk. De zon werd met
+een dicht floers overtrokken, zware wolken pakten zich samen aan den
+hemel, en ontlastten zich weldra in een vreeselijk onweder. Aan alle
+kanten zag ik den bliksem flitsen en het doffe gerommel van den donder
+vervulde de lucht. Daarbij viel er een zware regen van hagelsteenen,
+zoo groot als duiveneieren, op mij neer. Met moeite wist ik mijn
+paard te bedwingen, dat sloeg en steigerde van schrik. Toen ik het
+eenigszins tot kalmte had gebracht, legde ik mijn schild over zijn
+rug en poogde zooveel ik kon, er ons beiden mee te beschermen tegen
+de woedende elementen. Gelukkig duurde de bui niet lang; weldra brak
+de zon door de wolken, de hagelregen werd minder dicht en het onweer
+trok af. Toen ik echter opzag uit mijne bukkende houding, bemerkte ik,
+dat de boom, waaronder ik geschuild had, geheel ontbladerd was. Een
+oogenblik daarna streek een vlucht vogels op de kale takken neer en
+hun lieflijk gezang vervulde mij met nieuwen moed. Spoedig zou ik
+dien noodig hebben, want in de verte naderde een ridder te paard,
+wiens houding en gebaren mij deden vermoeden, dat er opnieuw gevaar
+voor mij dreigde. Toen hij naderbij was gekomen, daagde hij mij uit
+tot een tweegevecht, na mij ervan beschuldigd te hebben, dat door
+mijn toedoen zijne landerijen verwoest waren en zijn veestapel gedood
+was. De ridder droeg eene wapenrusting van zwart gepolijst staal, zijn
+strijdros was bedekt met een zwart kleed en van dezelfde kleur was ook
+de wuivende vederbos op zijn helm. Zonder een antwoord van mij af te
+wachten, reed hij met gevelden lans op mij in en bracht mij zulk een
+geweldigen stoot toe, dat ik uit het zadel werd geworpen. Alvorens
+ik tijd had, om mij op te richten, stak de vreemdeling de punt van
+zijn lans door de teugels van mijn paard en voerde het aldus met zich
+mee, zonder zelfs eene poging aan te wenden om mij gevangen te nemen
+of althans te ontwapenen. Er bleef mij niets anders over dan langs
+denzelfden weg terug te keeren, dien ik gekomen was, maar wie zal
+mijn gevoel van schaamte en vernedering beschrijven, toen ik opnieuw
+voorbij de open plaats in het bosch kwam, waar de reus verblijf hield
+en diens spottende woorden moest aanhooren! In vertwijfeling rende
+ik het boschpad af, tot ik mij plotseling de belofte herinnerde,
+die ik aan mijn vriendelijken gastheer gedaan had. Ik besloot na
+eenige aarzeling,--want ik zag er tegen op, om het verhaal van mijne
+smadelijke nederlaag aan anderen mede te deelen--opnieuw een beroep
+te doen op zijne gastvrijheid, vóórdat ik mijne reis vervolgde. Het
+was reeds tegen den nacht, toen ik het kasteel bereikte, maar ik werd
+er ondanks het late uur met dezelfde welwillendheid ontvangen als bij
+mijn eerste bezoek. Allen betuigden mij hunne vreugde over het feit,
+dat ik gezond en wel tot hen was teruggekeerd en zij slaagden erin, het
+onteerende gevoel, dat mijne ontmoeting bij mij had achtergelaten, door
+hunne hartelijke ontvangst eenigermate te verzachten. Den volgenden
+morgen vond ik bij mijn vertrek een edel strijdros op het plein voor
+het kasteel, en mijn gastheer verzocht mij met eenige vriendelijke
+woorden, dit als een geschenk van hem te willen aannemen. Kort daarop
+bereikte ik Cardiff en daarmede is mijn verhaal ten einde. Gelijk
+gij ziet, strekt het mij niet tot eer!"
+
+
+
+_Hoe Iwein besluit om zijn vriend te wreken en hoe hij in stilte van
+het hof vertrekt._ Nadat hij deze laatste woorden op half schertsenden,
+half bitteren toon gesproken had, zweeg Colgrevance stil. Alle
+aanwezigen hadden in gespannen aandacht naar hem geluisterd, vooral
+Iwein, wiens warme genegenheid voor den spreker, die bovendien een
+eigen neef van hem was, hem het verhaal van zijne avonturen dubbel
+belangwekkend deed voorkomen. Toen Colgrevance dan ook ophield met
+spreken, barstte Iwein los met den uitroep: "Gij deedt wel, waarde
+neef, met ons te vermelden, wat u overkomen is en ik zweer u bij onze
+vriendschap, dat ik den smaad, u aangedaan, zal wreken!" Nauwelijks
+had hij deze woorden gezegd, of opnieuw kwam Key tusschenbeide. "Hoort
+gij het allen goed?" riep hij uit. "Iwein zal zijn vriend wreken,
+maar zeggen en doen is twee, bedenk dat wel, edele heer!" Ten tweeden
+male mengde koningin Ginevra zich in het gesprek en sprak tot Key:
+"Gij moest u schamen, om zulke woorden te zeggen tegen een dapper
+ridder als Heer Iwein! Gij weet immers even goed als wij allen, dat
+het niet in zijn aard ligt om groote woorden te spreken, zonder dat
+het hem ernst daarbij is!" en zich tot Iwein wendend, voegde zij er
+vriendelijk aan toe: "Wij allen hopen en vertrouwen, dat gij in de
+onderneming, die gij op u denkt te nemen, slagen zult. Onze beste
+wenschen zullen u op uw gevaarvollen tocht vergezellen!"
+
+Intusschen was ook koning Arthur uit zijne vertrekken te voorschijn
+getreden en had zich bij de groep gevoegd en nu verzocht hij de
+koningin, hem omtrent het onderwerp van gesprek in te lichten. Toen
+hij het gebeurde vernomen had, verklaarde ook hij Heer Colgrevance
+te zullen wreken.
+
+Bij de heilige nagedachtenis van mijn Vader, den grooten Uther
+Pendragon," sprak hij plechtig, "zweer ik u, dat ik over twee weken,
+op den vooravond van het St. Jansfeest, uit zal trekken, om dien
+overmoedigen vreemdeling te toonen, dat hij niet ongestraft een ridder
+van Arthurs hof kan beleedigen. Allen, die mij op dien tocht willen
+vergezellen, geef ik gaarne daartoe mijne toestemming!" Iwein gevoelde
+bij die woorden wel eenige teleurstelling; het ware hem immers veel
+liever geweest, indien hij alleen had uit mogen gaan, om zijn neef
+en vriend in zijne eer te herstellen en nu zou het nog kunnen zijn,
+dat een ander die taak van hem overnam. Heimelijk besloot hij daarom,
+den koning vóór te zijn en toen des avonds het feest opnieuw in
+vollen gang was, wist hij onbemerkt weg te sluipen naar den stal,
+waar hij zijn schildknaap opdroeg, zijn paard te zadelen. In alle
+stilte maakte hij zich verder gereed voor de reis en nog vóór het
+feestgedruisch in de zalen van het paleis verstomd was, had hij door
+eene zijpoort het slot verlaten. Zonder veel moeite vond hij het
+rivierdal, waar het kasteel van den gastvrijen ridder zich bevond en
+van dat oogenblik af waren zijne ondervindingen dezelfde als die van
+Colgrevance. Ook hem werd de weg naar het bosch gewezen, waar hij
+den reus nog steeds vond tronen, temidden der wilde dieren. Zijne
+aanwijzingen volgend bereikte hij de bron, waar, toen hij den steen
+met water bevochtigde, de verschijnselen zich herhaalden, waarvan
+zijn vriend hem verteld had. Een onweer verduisterde het uitspansel,
+de hagel kletterde neer op het land, de bliksem lichtte om hem heen,
+maar een oogenblik later werd de lucht ook weer blauw en zonnig en
+zongen de vogels hun jubellied in de kale takken van den boom. Kort
+daarop zag Iwein de gedaante van den zwarten ridder in de verte
+verschijnen en op zijne korte uitdaging volgde het tweegevecht. Na
+een verwoeden strijd, die eenige uren duurde, slaagde Iwein er in,
+zijn vijand in het hart te treffen. Doodelijk gewond wist deze met
+zijne laatste krachten zijn paard te doen keeren en alsof het trouwe
+dier begreep, wat er van hem verlangd werd, droeg het zijn meester
+in gestrekten draf huiswaarts. Iwein volgde hem op den voet en zoo
+bereikten beiden een statig slot, dat de woonplaats bleek te zijn van
+den zwarten ridder. De laatste, die zich nauwelijks meer in het zadel
+overeind kon houden, verdween juist door de valpoort, toen Iwein door
+de steenen buitenpoort de brug over de slotgracht opreed. Schielijks
+gaf hij zijn paard de sporen om zijn onbekenden tegenstander in te
+halen, toen plotseling met een luiden slag de beide poorten dicht
+vielen en hem als een rat in den val tusschen zich in sloten. Goede
+raad was duur, hij kon vóór, noch achteruit en daarbij begreep hij, dat
+de dienaren van den zwarten ridder, zoodra zij den toestand bemerkten,
+waarin hun meester zich bevond, het kasteel zouden verlaten om diens
+moordenaar te zoeken. Hij wist maar al te goed, wat dan zijn lot zou
+zijn en er bleef hem dus niets anders over, dan den naderenden dood
+kalm en onverschrokken af te wachten.
+
+Hoe groot was zijne verbazing, toen hij opeens eene zachte stem hoorde,
+die van gene zijde der valpoort scheen te komen en die tot hem zeide:
+"Schoone ridder! nooit waart gij in grooter gevaar dan op den dag
+van heden. Weet wel, dat gij den heer van dit slot een stoot hebt
+toegebracht, die hem het leven kosten zal. Mijne meesteres weent en
+jammert, alsof haar hart zal breken en hare ridders en volgelingen
+zweren bij alle heiligen, dat zij zijnen dood zullen wreken. Wanneer
+zij u hier vinden, vrees ik voor uw leven. Er is slechts één, die u
+helpen kan, en dat ben ik." Iwein, die in verbazing naar deze woorden
+geluisterd had, ontwaarde door de tralies van de valpoort vóór hem, de
+gestalte van eene bevallige jonkvrouw in een lang slepend kleed. Zij
+opende een deurtje in de poort en trad op hem toe, daarop ging zij
+voort met spreken: "Ik zie wel, dat gij mij niet herkent en toch heb ik
+u vroeger aan het hof van koning Arthur ontmoet. Het gebeurde eenige
+jaren geleden, dat ik derwaarts werd gezonden om eene boodschap van
+mijne meesteres aan den koning over te brengen. Toenmaals was ik nog
+dwaas en onverstandig, zooals men dat in zijne jonge jaren pleegt te
+zijn en onder de hovelingen waren er velen, die misbruik maakten van
+mijne jeugd en onwetendheid. Gij echter, Heer Iwein, waart van al de
+ridders de eenige, die mij steeds hoffelijk en voorkomend bejegende
+en daarom wil ik u nu redden uit het gevaar, dat u dreigt. Gij ziet
+dezen ring? Welnu, hij heeft de macht u onzichtbaar te maken, evenals
+in den herfst de nevel met zijne dichte sluiers de boomen van het
+woud aan het menschelijk oog onttrekt. Wanneer gij dus de dienaren
+van het kasteel hoort naderen, steek dan fluks dien ring aan uw vinger
+en gij zijt veilig. Ik zal op het slotplein op u wachten. Wanneer uwe
+vervolgers vertrokken zijn, moet gij naar mij toekomen en uwe hand op
+mijn schouder leggen, want ook voor mij zult gij onzichtbaar zijn. Ik
+zal u dan verder helpen, zooveel in mijn vermogen is."
+
+Ten zeerste getroffen door dit vriendelijk hulpbetoon, nam Iwein den
+ring van de jonkvrouw aan, die daarop verdween zooals zij gekomen
+was. Spoedig daarop hoorde onze held verwarde kreten uit het slot
+tot zich doordringen, die naderbij schenen te komen en het duurde
+niet lang of de valpoort werd op ruwe wijze geopend om een leger van
+ridders en lansknechten door te laten. Iwein had zich echter op hunne
+komst voorbereid en den ring van Luned, zooals de jonkvrouw zeide te
+heeten, aan den vinger gestoken. Bij gevolg stormden zijne vijanden
+hem in woeste vaart voorbij, zonder hem te bemerken en waren weldra
+door de hoofdpoort verdwenen. Toen trad Iwein het slotplein op,
+waar hij Luned op zich vond wachten.
+
+
+
+_Hoe Iwein getuige is van de plechtige begrafenis van den slotheer en
+hoe hij in liefde ontbrandt voor diens schoone Weduwe._ Luned gebood
+hem haar te volgen en bracht hem door een doolhof van gangen naar een
+achthoekig torenvertrek, dat uitzag op het plein vóór het kasteel. In
+een der hoeken stond een bed, welks dekkleed, vervaardigd van zijden
+damast, afhing tot op den grond, en waarop eenige met goud bestikte
+kussens lagen. Luned noodigde haren gast uit zich ter ruste te leggen
+en daar Iwein uitgeput was door den strijd en den langen rit, gaf hij
+gaarne gevolg aan haar verzoek. Toen hij eenigen tijd gesluimerd had,
+werd hij opgeschrikt door een luid gezang en zich tot Luned wendend,
+die in een hoek van het vertrek bezig was een maaltijd voor haren
+gast te bereiden, vroeg hij: "Wat beduidt het luide gezang, dat ik
+hoor?" Luned antwoordde: "Het zijn de liederen der geestelijken, die
+mijnen heer het laatste oliesel toedienen." Iwein sliep opnieuw in,
+maar na korten tijd wekten de geluiden, die uit het kasteel oprezen,
+hem ten tweeden male uit zijne droomen. Weer zeide hij tot Luned:
+"Wat beduidt al dat gejammer en geklaag?" en Luned antwoordde: "Het
+zijn de treurzangen en het geween der slotbewoners om mijnen heer,
+die gestorven is." Toen Iwein de spijzen had genuttigd, die Luned
+voor hem bereid had, begaf hij zich opnieuw ter ruste en ontwaakte
+eerst vroeg in den morgen uit een diepen, verkwikkenden slaap, Toen
+hij luisterend het hoofd ophief, troffen opnieuw klanken zijn oor en
+hij sprak tot Luned, die nog steeds de wacht bij het venster hield:
+"Wat beduidt het rumoer op het slotplein?" "Heer", sprak zij, "het
+zijn de klaagzangen bij het lijk van mijnen heer, dat naar de kerk
+gedragen wordt."
+
+Iwein sprong op van zijne legerstede en ging aan het venster staan,
+om te zien, wat daar beneden geschiedde. Toen hij zich voorover boog,
+om beter te kunnen zien, trof zijn oog een schouwspel dat hem diep
+ontroerde.
+
+In groote plechtigheid werd het lijk van den slotheer naar de kapel
+gedragen. Aan beide zijden van den af te leggen weg stonden zijne
+getrouwen geschaard, die in eerbiedig gebogen houding en met ontbloot
+hoofd den treurigen stoet aan zich lieten voorbijgaan. Voorop ging
+met langzamen tred de huiskapelaan in zijn slepend overkleed, die
+in de opgeheven handen een gouden kruis droeg, dat schitterde in de
+morgenzon. Achter hem liepen eenige andere geestelijken, die hem bij
+den lijkdienst behulpzaam zouden zijn, en daarna volgde het lijk op
+een baar, gedragen door de vier oudste volgelingen van den dooden
+ridder, lieden, die in den dienst van zijn huis vergrijsd waren. Het
+lichaam rustte op een schild en werd voorafgegaan door twee koorknapen,
+die zilveren wierookvaten in de hand droegen, waaruit blauwe wolken
+opstegen en de lucht met hunnen zoeten geur vervulden. Achter de
+lijkdragers gingen twee ridders, waarvan de één de lans en de ander
+den helm van hunnen meester droeg. Daarachter liep met wankele schreden
+en aan weerszijden ondersteund door eene dienares, eene wonderschoone
+vrouw, de weduwe van den overledene en één enkele blik op haar gelaat
+deed in het hart van Iwein een gevoel ontwaken, dat hij nog nooit
+gekend had. Als geboeid volgden zijne oogen de gebogen gestalte, die
+een toonbeeld was van diepe, troostelooze smart. Haar prachtige gouden
+haren vielen los en wanordelijk om haar heen, haar schoone oogen waren
+rood en gezwollen door het weenen, haar blanke handen had zij tot
+bloedens toe gewrongen. Toch voelde Iwein bij het zien van die door
+smart verteerde gedaante, wat hij tot dusver voor geen enkele vrouw,
+hoe schoon zij ook wezen mocht, gevoeld had en zijn hart kende maar
+één wensch meer: die vrouw de zijne te mogen noemen. Zich tot zijne
+gezellin keerend, vroeg hij met bevende stem: "Zeg mij, Luned, wie
+is die schoone vrouw, die ginds achter het lijk van uwen meester gaat?"
+
+"Helaas! arme vrouw!" sprak Luned, "dat is mijne meesteres, die
+half waanzinnig van smart is over den dood van haren geliefden
+echtgenoot. Zij is niet alleen de schoonste, maar ook de edelste
+en verstandigste vrouwe ter wereld en God zende haar troost in haar
+smartelijk verlies!"
+
+"De hemel gave, dat ik nooit geboren was, om deze smartelijke tijding
+van u te vernemen", sprak Iwein, "want deze vrouw is het, die ik
+boven alles bemin!" "Indien dit werkelijk zoo is", antwoordde Luned,
+"dan zal ik uw voorspraak zijn bij mijne meesteres. Blijf gij hier
+en wacht, tot ik terugkom".
+
+Hierop verliet zij het vertrek en een oogenblik later zag Iwein,
+die in droef gepeins verzonken aan het venster bleef staan, haar de
+binnenplaats oversteken en door een der deuren van het hoofdgebouw
+verdwijnen. In de vertrekken van hare meesteres gekomen, bleef Luned
+wachten tot deze uit de kapel was teruggekeerd. Toen verzocht zij
+om een onderhoud met haar, wat haar gereedelijk werd toegestaan,
+daar zij tot de meest vertrouwde dienaressen van Laudine, dit was de
+naam der slotvrouwe, behoorde. Luned vond hare meesteres uitgestrekt
+op eene rustbank, het hoofd in de armen verborgen, ten prooi aan de
+diepste wanhoop.
+
+"Waarom weent gij zoo, Vrouwe?" vroeg Luned op zachten toon. Driftig
+hief Laudine het hoofd omhoog en zeide, met door tranen verstikte
+stem: "Hoe kunt gij mij zoo iets vragen? Weet gij dan niet, dat gij
+hier de rampzaligste vrouw ter wereld voor u ziet? Zijt gij dan doof
+en blind geworden, dat gij niet gehoord en gezien hebt, hoe mijn
+echtgenoot, de dapperste en edelste ridder, die op Gods wijde wereld
+te vinden was, door een sluwen moordenaar gedood is? En vraagt gij
+mij dan nog, waarom ik ween? Ik had andere taal uit uw mond verwacht
+en reeds bevreemdde het mij, dat gij niet eerder tot mij waart
+gekomen, om mij uwe deelneming te betuigen in mijn onherstelbaar
+verlies!" "Onherstelbaar?" hervatte Luned op den zelfden zachten
+toon. "God geve, dat dit niet zoo zij, want wie zal in de toekomst uwe
+landen en eigendommen verdedigen, wanneer gij blijft treuren over iets,
+dat nu eenmaal gebeurd is? Mijn meester was een edel man en moedig
+in den strijd, maar de wereld kent nog dapperder en sterker ridders
+dan hij!" "Ik gebied u te zwijgen!" riep Laudine haar met fonkelende
+oogen toe. "Nooit zag ik in mijn leven een ridder, die uwen heer in
+moed en behendigheid overtrof en het past u allerminst om hem aldus te
+belasteren, nu hij niet meer in ons midden is!" "En de ridder dan, die
+hem versloeg?" hervatte Luned, "gij zult toch niet willen ontkennen dat
+hij sterker moet geweest zijn dan uw echtgenoot! Wat baat het u, om te
+treuren over den doode? Wanneer straks koning Arthur met zijne ridders
+aan de bron komt en hij niemand vindt om hem te weerstaan, zal hij uwe
+bezittingen verbeurd verklaren, omdat gij niet in staat zijt, ze te
+verdedigen. Daarom moet gij zoo schielijk mogelijk uitzien naar een
+ridder, die de plaats van uw gestorven echtgenoot in zal nemen". "Ga
+weg uit mijne nabijheid, hartelooze vrouw!" riep Laudine "en kom mij
+nooit meer onder de oogen! Liever verloor ik al mijne have en goed,
+dan dat ik zulk eene trouwbreuk pleegde aan de herinnering van hem,
+die mij boven alles dierbaar was!" "Het zij zoo", antwoordde Luned,
+"wat ik zeide, was voor uw eigen bestwil, maar gelijk meestal het geval
+is: onbaatzuchtige raad vindt zelden een goed gehoor". Met deze woorden
+verwijderde zij zich langzaam in de richting der deur, maar alvorens
+zij deze bereikte, riep Laudine, die zich de vele diensten herinnerde,
+welke Luned haar reeds bewezen had, haar terug en zeide: "Ga niet zoo
+heen! Ik weet het, uwe bedoeling is goed, maar gij moet toch inzien,
+dat het onmogelijk voor mij is, uwen raad op te volgen? Waar zou
+ik een ridder vinden, die mij en de mijnen zou willen beschermen en
+verdedigen?" "Laat dat maar aan mij over", riep Luned op verheugden
+toon uit, "ik zelve zal naar het hof van koning Arthur rijden en
+den edelsten en machtigsten ridder aldaar zal ik verzoeken, om u te
+helpen. Vertrouw op mij; ik zal niet zonder hem terugkeeren!" Half
+ongeloovig zag hare meesteres haar aan. "En indien gij eens te laat
+mocht komen", sprak zij, "wat moet ik dan beginnen, die hier alleen en
+zonder bescherming achterblijf?" "Dat zal niet gebeuren", stelde Luned
+haar gerust. "Binnen drie dagen kan ik van mijne reis teruggekeerd zijn
+en vóór dien tijd kan het leger van koning Arthur onmogelijk de bron
+bereikt hebben. Wees gerust, alles zal in orde komen!" Dienzelfden
+avond maakte Luned zich met veel vertoon van haast voor haren tocht
+gereed; in werkelijkheid echter hield zij zich drie dagen achtereen
+verscholen in hare torenkamer en op den avond van den derden dag
+begaf zij zich opnieuw, ditmaal echter in gezelschap van Iwein,
+naar de vertrekken harer meesteres. Zij verzocht hem in de gang op
+haar te wachten en trad alleen de kamer van Laudine binnen. Deze liep
+haar in angstige spanning tegemoet, greep haar bij den arm en sprak:
+"Welnu, wat brengt gij voor nieuws?" "Goed nieuws breng ik u, edele
+vrouwe!" antwoordde Luned, "want den dappersten held aan Arthurs
+hof heb ik bereid gevonden om u bij te staan en voor uwe belangen
+te strijden!" "Wie is dat dan? zeg het mij, vlug! opdat ik uit de
+vreeselijke spanning dezer laatste drie dagen bevrijd worde!" "Het
+is Iwein, edele vrouwe! de zoon van koning Uriens van Wallis, een
+der hoogst aangezetenen van Arthurs ridderschap!" "Wanneer komt
+hij?" "Vrouwe, hij is reeds hier en wacht met ongeduld het oogenblik
+af, waarop gij hem wilt ontvangen!" "Laat hem binnenkomen!" Daarop
+ging Luned naar de deur, opende die en verzocht Iwein om binnen te
+treden. Aarzelend en met neergeslagen oogen trad deze de kamer binnen,
+waar hij voor 't eerst zijne geliefde zou ontmoeten. Een zekere schroom
+belette hem, de oogen naar haar op te slaan; hij kon het denkbeeld
+niet van zich afzetten, dat hij, zij het ook in een eerlijken strijd,
+haar echtgenoot gedood had en de gestalte van den zwarten ridder scheen
+zich tusschen hem en de vrouw, die hij liefhad, te plaatsen. Daarbij
+hinderde het hem, dat Laudine van dit alles niets afwist en hij
+zoodoende onder een valschen schijn zijn doel zou bereiken.
+
+Laudine daarentegen vestigde hare oogen in gretige afwachting op
+den naderenden ridder en toen zij Iwein zag, werd zij onwillekeurig
+getroffen door zijn schoon en krachtig voorkomen. Hij was gekleed
+in een engsluitend karmozijnrood buis, om het midden droeg hij een
+breeden gordel, bezet met edelgesteenten en van zijne schouders golfde
+een wijde mantel van goudkleurig brocaat. De baret met de lange,
+wuivende veer hield hij in de rechterhand, de linker rustte op het
+gevest van zijn zwaard.
+
+Toen hij voor den zetel van Laudine was genaderd, boog de ridder
+zich diep ter aarde en waagde het daarna eindelijk, de oogen tot
+haar op te slaan. Nog steeds echter sprak hij geen woord, totdat
+Luned, die door zijn zwijgen ongeduldig werd en voor het welslagen
+van haar plan begon te vreezen, hem toeriep: "Maar spreek dan toch,
+Heer! nooit tevoren zag ik een ridder, die in de tegenwoordigheid
+eener schoone vrouwe zoo goed het stilzwijgen kon bewaren! Zeg haar
+het geheim van uw hart en laat haar beslissen over uw lot!"
+
+Daarop begon Iwein te spreken. Hij viel op de knieën voor Laudine
+neer en zeide met zachte, doch vaste stem: "Schoone Vrouwe, uw
+dienares heeft gelijk met zich te verbazen over mijn stilzwijgen,
+maar mijn hart is zóó vol, van alles wat ik u te zeggen heb, dat ik
+niet recht weet, waarmede te beginnen. Laat mij dan vóór alle dingen
+aan u bekennen, dat ik het ben geweest, die uw echtgenoot den doodsteek
+toebracht!" Bij het hooren van deze woorden deinsde Laudine achteruit,
+alsof zij door een vergiftig dier gestoken werd, maar uit den blik,
+dien Iwein naar haar opsloeg sprak zooveel eerbiedige bewondering en
+eerlijk zelfvertrouwen, dat zij besloot haar oordeel op te schorten,
+tot zij meer omtrent zijne geschiedenis wist en met eene enkele
+handbeweging beduidde zij hem, om verder te gaan.
+
+"Oordeel niet te hard over mij, wat ik u bidden mag", vervolgde
+Iwein, "ik streed met hem in een eerlijk tweegevecht, waartoe hij
+mij uitdaagde en ware de strijdkans hem gunstig geweest, dan zou hij
+misschien een volgend maal gevallen zijn. Daarom, smeek ik u, wees
+niet vertoornd op mij, maar aanvaard mijne diensten, die ik u aanbied!"
+
+"Zoudt gij dan werkelijk bereid zijn, om voor mij te strijden en
+mijne eigendommen te verdedigen tegen de aanvallen, die er tegen
+ondernomen zullen worden?" vroeg Laudine. "Waarom zoudt gij zulks
+doen? Het is eene zware taak, die gij op uwe schouders neemt, bedenk
+dat wel, en niemand dwingt er u toe!" "Daarin vergist gij u", gaf
+Iwein ten antwoord, "er is eene macht op aarde, sterker dan het
+gezag van koningen en keizers. Zij regeert over armen en rijken,
+over den vorst evengoed als over den bedelaar en haar gezag is
+onverbiddelijk als de dood. Deze macht is de liefde en zij is het,
+die mij aanspoort om u te dienen, want één ding moet ik u zeggen,
+al zou het mij mijn leven kosten: ik bemin u met geheel mijne ziel
+en mijn hoogste wensch op aarde is: u de mijne te mogen noemen!"
+
+Laudine had met stijgende ontroering naar zijne woorden geluisterd en
+toen hij ophield met spreken en nog steeds geknield voor haar bleef
+liggen, stak zij hem beide handen toe en zeide blozend: "Het zou
+ondankbaar van mij zijn, indien ik uw vriendelijk aanbod beantwoordde
+met u te laten dooden en bovendien onverstandig ook, want waar zou
+ik een anderen ridder vinden, die mij op zulk eene onbaatzuchtige
+wijze wilde helpen? Neen, blijf liever voor mij leven en indien het u
+gelukkig maakt, kan ons huwelijk binnen korten tijd voltrokken worden."
+
+Dienzelfden avond riep Laudine hare edelen en volgelingen bijeen,
+om hunne goedkeuring over haar besluit te vernemen. Toen zij hoorden,
+dat Iwein, een prins van den bloede en een dapper ridder, om de hand
+van hunne meesteres was komen dingen en de gelofte had afgelegd, dat
+hij de bron zou verdedigen tegen alle aanvallen, gaven zij volgaarne
+hunne toestemming tot het huwelijk.
+
+Dit werd dienzelfden avond nog voltrokken en in de zalen, die eenige
+dagen tevoren getuigen waren geweest van den rouw en de droefenis
+om den gestorven meester, heerschten nu vreugde en feestgejoel om
+de komst van den nieuwen heer. De bruiloftsfeesten werden in alle
+pracht en praal gevierd en duurden verscheidene weken. Het was eene
+bonte aaneenschakeling van feestgelagen, ridderspelen en vroolijke
+samenkomsten in de zalen en parken van het prachtige kasteel en
+elke dag bracht nieuwe gelegenheid voor Iwein om zich bij zijne
+nieuwe vrienden gezien en bemind te maken. Plotseling evenwel kwam de
+tijding, dat het leger van koning Arthur bij de bron was aangekomen,
+en onmiddellijk nadat hij het bericht ontvangen had, maakte Iwein
+zich op ten strijde.
+
+Zijne afwezigheid had inmiddels aan het hof groote verbazing en
+ontsteltenis gewekt. Wel dachten velen, dat hij, zooals inderdaad het
+geval bleek te zijn, vooruit was gegaan om zich de wraakneming voor
+zijn vriend niet te laten ontnemen, maar toen zij bij aankomst aan
+de bron geen spoor van hem ontdekten, begonnen zij aan de juistheid
+dier veronderstelling te twijfelen. "Ziet gij nu wel", sprak Key
+triomfantelijk, "dat ik gelijk had, toen ik zeide, dat zeggen en doen
+twee zijn! Waarschijnlijk is Iwein in 't geheel niet op deze plek
+geweest en was het slechts grootspraak van hem, toen hij zwoer, zijn
+neef te zullen wreken!" Maar Walewein voegde hem verontwaardigd toe:
+"Schaamt gij u niet, booze lasteraar, om zulke dingen te zeggen! De
+toekomst zal ons nog leeren, wat er van Iwein geworden is, maar
+dat zijne woorden slechts holle snoeverij bevatten, kan ik niet
+gelooven." Intusschen was koning Arthur afgestegen en schepte met
+behulp van den schotel een weinig water uit de bron, waarmede hij
+den steen bevochtigde. Onmiddellijk daarop barstte het onweer los en
+toen de lucht weer klaar en onbewolkt was geworden, zagen de verbaasde
+ridders eene zwarte figuur te paard naderen. Niemand herkende daarin
+Iwein en Key smeekte den koning om hem 't eerst tegen den vreemdeling
+te laten strijden, wat hem werd toegestaan. Toen Iwein zag, wie zijn
+tegenstander zou zijn, zette hij zich met een gevoel van voldoening
+vaster in het zadel, drukte zijne sporen dieper in de flanken van
+zijn strijdros en reed met gevelde lans op Key toe. Deze laatste
+moest weldra in den strijd het onderspit delven en het duurde niet
+lang of Iwein wist hem met een krachtigen lansstoot uit het zadel te
+lichten. Daarop nam hij Key's paard bij de teugels, geleidde het naar
+den koning en overhandigde hem de leidsels met de woorden: "Sire,
+neem gij dit paard, dat ik in den strijd veroverd heb en behoud het
+als eene herinnering aan hem, die geen anderen wensch koestert dan
+uw dienaar en trouwe onderdaan te mogen zijn."
+
+"Ik wil uwe gift gaarne aannemen," sprak de vorst, "doch slechts op
+ééne voorwaarde: dat gij mij zegt, wie gij zijt."
+
+Als eenig antwoord sloeg Iwein het vizier van zijn helm omhoog en
+met een kreet van vreugde herkenden de ridders hunnen vriend. Vooral
+Walewein toonde groote blijdschap over deze ontmoeting en bracht op
+zegevierenden toon Key de voorbarigheid van zijne voorspellingen onder
+het oog, zich verheugend over de schitterende wijze, waarop Iwein
+deze gelogenstraft had. De laatste vertelde inmiddels aan den koning
+en een breede kring van aandachtige toehoorders het verhaal van zijne
+avonturen en eindigde met zijn vorst te verzoeken hem met zijne ridders
+te volgen naar zijn kasteel en aldaar zijn gast te zijn. Volgaarne
+namen alle aanwezigen deze uitnoodiging aan en weldra reed een
+schitterende stoet de ophaalbrug van het slot over. Op het voorplein
+wachtte Laudine, omgeven door hare dienaressen, de hooge gasten op,
+van wier komst zij door een boodschapper verwittigd was. Toen zij den
+gouden draak op den helm des konings herkende, liep zij op hem toe
+en bukte zich eerbiedig, om hem bij het afstijgen behulpzaam te zijn,
+maar de vorst wees met hoffelijk gebaar haar hulp van de hand, steeg af
+en kuste haar op beide wangen. Groot was de vreugde van Laudine, toen
+zij haren echtgenoot ongedeerd terugzag en met luide welkomstkreten
+werd onze held door zijne ridders en onderhoorigen begroet.
+
+
+
+_Hoe Iwein met zijne vroegere vrienden aan het hof terugkeert en hoe
+hij langzamerhand zijne jonge vrouw vergeet._ Nu brak er een tijd van
+blijdschap en jolijt aan. Ter eere van koning Arthur werden op het
+kasteel schitterende feesten gegeven, waartoe de gansche ridderschap
+uit den omtrek met hunne dames uitgenoodigd werden. Elken avond
+weergalmden de zalen van het luide gejoel der feestende gasten, de
+tafels schenen gebukt te gaan onder den last van kostelijke spijzen,
+de wijn vloeide bij stroomen en eerst laat in den nacht werden de
+lichten in het slot gedoofd. Toen dit leven van pret maken eenige weken
+geduurd had, begon de koning van heengaan te spreken, daar ernstiger
+plichten aan het hof hem wachtten. Ondanks de gastvrije uitnoodiging
+van Iwein om nog eenigen tijd onder zijn dak te vertoeven, werd de dag
+van vertrek spoedig bepaald. Er heerschte eene koortsachtige drukte
+in het kasteel om alles voor de reis gereed te maken, in de stallen
+draafden de stalknechts heen en weer tusschen de stampende rossen,
+op het voorplein waren de smeden bezig de wapenen der vertrekkende
+ridders na te zien, in de keukens stonden de koks met hoogrood
+gelaat voor de groote ovens om voor den mondvoorraad te zorgen,
+die den reizigers zou worden meegegeven.
+
+Temidden van al die drukte kwam Walewein bij zijn gastheer en vroeg
+hem om zich op den dag van vertrek bij het gevolg des konings te
+voegen en zijne vrienden naar het hof te vergezellen, waar hem nieuwe
+roem en hulde wachtten. "Laat het niet van u gezegd kunnen worden",
+sprak hij dringend tot zijn vriend, "dat gij na uw huwelijk uwen tijd
+slechts doorbrengt in dienst uwer schoone vrouw. Hij, die terwille
+eener jonkvrouw zijn roem en eer vergeet, is hare liefde niet waard en
+zij zelve zou er u ten slotte een verwijt van maken. Ga daarom met ons
+mee en tracht nieuwe lauweren te verwerven in den dienst van uw vorst!"
+
+Iwein had aandachtig naar de woorden van zijn vriend geluisterd en
+besloot zijn raad op te volgen, hoe veel het hem ook kostte om zijne
+vrouw reeds nu te verlaten. Daarom begaf hij zich naar Laudine en vroeg
+haar verlof om voor eenigen tijd heen te gaan. Aanvankelijk wilde zij
+niets van zijn plan weten, maar toen hij haar in zijne armen nam en
+haar onder de innigste liefdesbetuigingen smeekte, zijn verzoek in
+te willigen, daar het hun beider eer betrof, stemde zij er ten slotte
+in toe, hem voor een jaar aan den koning af te staan. Zij bezwoer hem
+echter om, wanneer die termijn verstreken zou zijn, tot haar weder te
+keeren. "Wanneer gij uwe belofte niet gestand doet", sprak zij ernstig,
+"is uwe liefde slechts spel en hartstocht geweest! Gij behoeft dan
+nimmer hier terug te keeren, want mijn geloof en vertrouwen hebt gij
+dan voor altijd verloren."
+
+Iwein zwoer haar bij alles wat hem dierbaar was, dat hij woord zou
+houden en spoedig daarna verliet hij het kasteel in het gevolg van
+den koning.
+
+In de eerste maanden van zijne afwezigheid werd hij dikwijls
+gekweld door het verlangen naar zijne jonge vrouw, maar gaandeweg
+drongen de bonte tafereelen van het hofleven het beeld van Laudine
+op den achtergrond. Na den tijd van feesten en genietingen boden de
+avontuurlijke tochten en gevaarvolle ondernemingen hem een nieuwen
+prikkel, die hem aanzette tot steeds grooter onversaagdheid. Hij
+onderging de bekoring van het gezelschap zijner vrienden als iemand,
+die na lange afwezigheid in het land zijner vaderen terugkeert en toch
+was het slechts luttele maanden geleden, dat hij uit was getrokken
+om de wonderbron te zoeken.
+
+Zoo verstreken de maanden; de herinneringen aan zijne liefste werden
+steeds flauwer en flauwer, en de gestalte van Laudine vertoonde
+zich slechts af en toe in vage omtrekken voor het oog zijner
+verbeelding. Toen nu de tijd naderde, dat hij tot zijne vrouw zou
+wederkeeren, gebeurde het, dat de koning een groot steekspel uitschreef
+en in de toebereidselen daarvoor, die al zijn tijd in beslag namen,
+vergat Iwein geheel en al zijne belofte. Eenige weken later, toen het
+steekspel reeds aan den gang was en men des avonds bijeen zat om Iwein,
+den held van dien dag, te huldigen, trad plotseling Luned de feestzaal
+binnen, neeg eerbiedig voor den zetel des konings en zeide: "Sire,
+wees gegroet! en ook gij, edele ridders, die hier aanwezig zijt, allen
+behalve Iwein, de trouwelooze, die het hart mijner meesteres gebroken
+heeft. Valsch en bedriegelijk waren de schoone woorden, waarmede hij
+haar van zijne liefde sprak en nadat hij haar door listige vleitaal
+overreed had, de zijne te worden, trok hij heen en liet haar achter
+in een toestand, die nog treuriger is dan het lot eener weduwe. Hij,
+die zoo handelt, is niet waard, ridder genoemd te worden. God straffe
+hem voor zijne trouweloosheid."
+
+Na deze woorden gesproken te hebben, trad zij op Iwein toe, trok hem
+den ring, dien Laudine hem als afscheidsgeschenk gegeven had van den
+vinger en verliet het kasteel.
+
+Iwein bleef achter in een staat van groote verslagenheid. De
+verwijten, welke Luned hem had toegeslingerd, waren als scherpe
+pijlen doorgedrongen tot in 't diepst van zijne ziel en deden zijn
+hart bloeden van schaamte en berouw. Voor zijne oogen herrees klaar
+en duidelijk het beeld van Laudine, zooals zij bij het afscheid in
+zijne armen had gelegen, het schoone gelaat nat van tranen, de oogen
+smeekend en vol liefde op hem gericht en hij hoorde weer de trillende
+tonen harer stem, die hem bad, tot haar terug te keeren.
+
+En hij, in den roes van roem en eerzucht had haar vergeefs naar
+hem doen uitzien. In zijn overspannen geestestoestand riep hij zich
+voor oogen, hoe zij keer op keer den toren van het slot beklommen
+moest hebben, om naar hem uit te zien en hoe zij dan telken male
+teleurgesteld de trappen was afgedaald om in de eenzaamheid harer
+vertrekken zijne trouweloosheid te beweenen! Nu was alles voorbij! Hij
+herinnerde zich hare afscheidswoorden en begreep dat hij nooit den
+moed zou hebben om een poging tot verzoening te wagen. Neen, nooit
+meer zou hij die oogen vol innige teederheid op zich voelen rusten,
+nooit meer zou hij dien schoonen mond kussen of die glanzende haren
+streelen. Voorbij! voorbij! en dat alles door eigen schuld! Als een
+getemd dier liep Iwein heen en weer op eene eenzame plek achter in
+den slottuin, met zijne gebalde vuisten sloeg hij zich tegen het
+hoofd en slechts stamelende klanken kwamen over zijne lippen. Wat
+zijne vrienden ook zeiden, het hielp niets, hij wilde naar geen rede
+luisteren en weigerde hardnekkig alle voedsel.
+
+Toen deze toestand eenige dagen geduurd had, gebeurde het 's morgens,
+dat een bode van den koning hem tevergeefs zocht in zijne vertrekken,
+ook in de nabijheid van het kasteel was hij nergens te vinden.
+
+De wanhoop over het verloren geluk had zijn verstand verbijsterd en
+als een waanzinnige zwierf hij rond in de bosschen. Zijne kleederen
+scheurde hij aan takken en doornen, zijne haren hingen hem verwilderd
+om het hoofd en een lange baard golfde hem weldra op de borst. Eens
+op een dag ontmoette een houthakker hem, maar toen de man hem zag,
+ontstelde hij zóó van Iwein's verwilderd en woest voorkomen, dat
+hij pijl en boog, die hij in de hand had, wegwierp en het hazenpad
+koos. Met behulp van deze wapenen doodde Iwein nu en dan een stuk wild,
+waarvan hij het vleesch rauw en in groote stukken verslond. Verder
+voedde hij zich met wortelen en wilde vruchten en leschte zijn
+dorst met bronwater. De dagen en weken verliepen, zonder dat hij er
+zich van bewust was; nog steeds was zijn brein vervuld van verhitte
+koortsphantasieën, nog steeds stamelden zijne lippen den naam van
+Laudine. Soms, wanneer de smart en wroeging hem te machtig werden,
+sloeg hij als een razende om zich heen, zoodat de vogels onder
+verschrikt gekrijsch wegvlogen uit de naburige boomen en struiken. Na
+zoo'n aanval viel hij meestal neer op het mos in een toestand van
+halve verdooving. Zoo lag hij eens op een dag onder de schaduw van
+een grooten eik, toen de stilte van het bosch verbroken werd door
+helder opklinkende stemmen en het getrappel van paardenhoeven. Weldra
+verschenen om de kromming van het boschpad drie vrouwengestalten te
+paard. Het waren drie adellijke dames, de eigenaresse van een naburig
+kasteel, tot wier gebied het bosch behoorde, waarin Iwein op zijne
+zwerftochten was verdwaald geraakt, en twee harer dienaressen. Toen
+zij voorbij den boom kwamen en een menschelijke gedaante ontwaarden,
+die daar als levenloos op den grond lag uitgestrekt, hielden zij
+nieuwsgierig hare rossen in en de burchtvrouwe beval één harer
+gezellinnen om af te stijgen en de zaak nader te onderzoeken. Op
+de teenen sloop de jonkvrouw naderbij, want het uiterlijk van den
+vreemdeling boezemde haar niet veel vertrouwen in. Toen zij echter
+dicht aan den slapende genaderd was, en hem in het gelaat had gezien,
+boog zij zich met een uitroep van verrassing over hem heen, streek hem
+de lange haren uit het gezicht en keerde zich toen tot hare meesteres
+met den uitroep: "Wie denkt gij, dat hier ligt? Het is Heer Iwein,
+de zoon van koning Uriens van Wallis, één der dapperste ridders van
+Arthurs hof. Ik herken hem aan het litteeken boven den linkerslaap, dat
+hij in een tournooi, waar ook ik bij tegenwoordig was, heeft opgedaan.
+
+Maar wat ziet hij er vreeselijk uit! Zijn kleeren hangen hem als
+lompen om het lijf, zijn gelaat en handen zijn vol schrammen en geheel
+bebloed, wat kan er met hem gebeurd zijn? Helaas! dat wij hem zoo
+moeten vinden! Ik zeg u, indien hij gezond was, zou geen ridder ter
+wereld u beter van dienst kunnen zijn in den komenden strijd tegen
+den valschen graaf Aliers dan hij, die hier ligt!"
+
+Hare meesteres keek peinzend eenige oogenblikken voor zich uit en
+riep toen plotseling met blijde stem: "Ik heb het gevonden! Ga gij
+vlug met mij mede, mijn slot is immers slechts enkele mijlen hier
+vandaan en daar zal ik u eene kostbare zalf geven, waarmede gij den
+ongelukkige genezen kunt. Die zalf werd mij ten geschenke gegeven
+door de toovenares Morgan Le Fay en zij bezit de tooverkracht om
+genezing te brengen voor alle ziekten en kwalen, zoowel lichamelijke
+als geestelijke". Zoo gezegd, zoo gedaan. Spoorslags reden de
+drie jonkvrouwen naar het naburig kasteel, waar de slotvrouwe hare
+dienares de vaas met de genezing brengende zalf overhandigde. "Wees er
+zuinig mee", sprak zij, "en breng mij, wat er na gebruik overblijft,
+zorgvuldig terug". Daarna beval zij haar een stel kleederen en wapenen,
+zooals die aan Iwein's rang en stand pasten, mede te nemen, benevens
+een fraai rijpaard. Van dit alles voorzien, begaf de jonkvrouw zich
+opnieuw naar het bosch, waar zij Iwein nog in dezelfde houding vond
+liggen. Voorzichtig legde zij de kleederen naast hem op den grond,
+bond het paard met de teugels aan den boom vast, knielde toen bij
+den slapenden ridder neer en wreef zijn hoofd en lichaam in met de
+welriekende zalf. Daarop sloop zij voorzichtig heen, steeg te paard
+en wachtte op eenigen afstand den loop der verdere gebeurtenissen af.
+
+Met een diepen zucht ontwaakte Iwein uit zijn bewusteloozen
+toestand. Toen hij de oogen opsloeg en om zich heen zag, gevoelde hij
+terstond, dat er iets met hem was voorgevallen. Het scheen hem toe,
+of er een drukkende band van zijne hersenen was weggenomen, en hij
+nu weer in staat was om helder te denken. Geen verwarde droombeelden
+trokken langer in bonte rij voor het oog zijner verbeelding voorbij,
+hij zag het groene woud om zich heen, hij hoorde het gekweel der vogels
+in de dicht bebladerde takken boven zijn hoofd en voor 't eerst bezag
+hij zichzelven met een gevoel van schrik en afschuw. Daar viel zijn
+oog op de nieuwe uitrusting, welke voor hem gereed lag en op het
+ongeduldig stampende strijdros. Als in een droom ontdeed hij zich
+van de havelooze lompen, waarin hij gekleed was, en trok de fraaie
+kleeren aan, wier fijne, zachte stoffen hem bij de eerste aanraking
+vreemd aandeden. Daarna steeg hij te paard en toen hij den voet in den
+stijgbeugel stak en den rug van het dier onder zich gevoelde, trokken
+de laatste nevelen in zijn brein op om het licht der herinnering
+vrijen doortocht te verleenen. Alles stond hem nu weer helder voor
+den geest, zijn leven aan het hof, het bezoek van Luned, haar woorden
+van smaad--maar van wat daarna geschied was, had hij slechts eene
+verwarde herinnering, als van een benauwden koortsdroom. Hij vroeg
+zich af, hoe hij zoo plotseling genezen kon zijn en wie de kleederen
+en het paard aan hem gezonden kon hebben. Terwijl hij aarzelde, welke
+richting hij uit zou rijden, ontwaarde hij tusschen de struiken de
+jonkvrouw te paard en weldra vernam hij van haar, hoe zijne redding
+zich had toegedragen. Gaarne voldeed hij aan haar verzoek om haar te
+volgen naar het kasteel harer meesteres en aldaar aangekomen, bedankte
+hij de burchtvrouwe in warme bewoordingen voor wat zij voor hem gedaan
+had. Hij eindigde met haar zijne diensten aan te bieden, indien zij
+haar van nut konden zijn. "Dat is helaas maar al te zeer het geval",
+sprak zijne schoone gastvrouw zuchtend; "want mijne bezittingen worden
+bedreigd door een boozen graaf, en wat vermag ik, zwakke vrouw, tegen
+hem en zijne ridders?" "Welnu dan", antwoordde Iwein, "sta mij toe,
+dat ik den strijd tegen uw vijand aanbind en zoo God wil, zal ik u
+uit zijnen dwang bevrijden". Dit aanbod bleek te rechter tijd gedaan
+te zijn, want reeds den volgenden morgen meldden de torenwachters
+den aantocht van een groot leger, dat weldra zijne tenten rondom
+het kasteel opsloeg en alles voor eene belegering in gereedheid
+bracht. Den ganschen dag heerschte er groote bedrijvigheid in het
+vijandelijke kamp, maar Iwein wachtte bedaard zijne kans af en eerst
+toen de avond viel en de geluiden die uit de legerplaats van graaf
+Aliers opstegen, allengs verstomden achtte hij het oogenblik gekomen
+om zijn slag te wagen. In alle stilte wapende hij zich en gebood een
+tiental aanhoorigen van het kasteel om hetzelfde te doen. Daarop gaf
+hij bevel de ophaalbrug neer te laten en onder het aanheffen van een
+luiden strijdkreet draafde hij met zijne volgelingen de hoofdpoort van
+het kasteel uit. Alles wat hun in den weg kwam, werd terneergeveld
+en hun uitval was zóó onstuimig en tevens zóó verrassend, dat de
+dienaren van den graaf, die in de vallende duisternis het ware getal
+hunner aanvallers niet naar juistheid konden schatten, in aller ijl
+het hazenpad kozen. Links en rechts om zich heen slaand, baande Iwein
+zich een weg door den verwarden drom van strijdende en vluchtende
+knechten en bevond zich weldra tegenover den graaf, die in aller
+haast te paard was gestegen om zijne manschappen te verzamelen.
+
+Met een behendigen zwaardstoot sloeg Iwein hem de strijdspeer uit de
+hand en toen hij aldus zijn vijand in zijne macht had, dwong hij Aliers
+voor hem uit te rijden in de richting van het kasteel. Zoo bracht hij
+hem het slotplein op, waar de burchtvrouwe met haar gevolg in angstige
+spanning den afloop van den strijd verbeidde, en deed hem neerknielen
+voor haren zetel. De strijd was nu natuurlijk beslist. Graaf Aliers
+moest plechtig beloven de bezittingen van Iwein's gastvrouw met rust
+te laten en de helft zijner landgoederen als losprijs aan haar af te
+staan. Eerst toen kreeg hij zijne vrijheid terug en mocht naar zijn
+graafschap wederkeeren, terwijl in het kasteel de heugelijke afloop van
+den strijd met blijden jubel werd gevierd. Den volgenden morgen kwam de
+Vrouwe van het slot tot Iwein en sprak: "Edele Heer! hoe kan ik u ooit
+genoeg danken voor wat gij voor mij en de mijnen gedaan hebt. Zonder
+uw hulp stond ik thans arm en van have en goed beroofd in de wereld,
+maar gij hebt mij gered uit de handen van dien booswicht. Daarom
+kom ik tot u om u te vragen welke belooning ik u geven kan voor uw
+menschlievend en dapper gedrag. Wanneer het voor u eenige waarde heeft,
+zoo bied ik u mijzelve en al mijne bezittingen aan. Indien gij in ons
+midden blijven wilt, zal ik u tot heer en meester maken van alles,
+wat ik bezit en ik zelve zal mijn leven wijden aan uw geluk".
+
+Iwein schudde het hoofd: "Gij zijt mij geen dank verschuldigd, schoone
+vrouwe", sprak hij ernstig, "zonder u zwierf ik nog als een wild dier
+rond in de bosschen en het weinige, dat ik voor u deed, geschiedde uit
+diepe erkentelijkheid. Is het bovendien niet de plicht van iederen
+ridder om te strijden voor recht en billijkheid; om de zwakken te
+steunen en de boozen te bestrijden? Wat nu verder uw aanbod betreft,
+zoo dank ik u daarvoor uit het diepst van mijne ziel. Ik mag echter
+de wonderschoone gave, die gij mij aanbiedt, niet van u aannemen,
+want mijn hart is niet vrij, al ben ik ook veroordeeld om eenzaam,
+zonder liefde, rond te dolen. Daarom moet ik verder gaan; mijne
+smart laat mij geen rust om langeren tijd ergens te vertoeven. Sta
+mij slechts toe om de uitrusting, die ge mij geschonken hebt, als
+loon voor wat ik deed, mede te nemen en nu--Vaarwel!"
+
+
+
+_Van Iwein's verdere zwerftochten en van zijne ontmoeting met den
+leeuw._ Daarop nam Iwein afscheid van de jonkvrouw, steeg te paard
+en reed opnieuw de bosschen in. Nu de opwinding van den strijd
+bedaard was, kwam de smart om het geluk, dat hij verspeeld had, met
+vernieuwde kracht bij hem boven en in somber gepeins reed hij over
+de smalle boschpaden, waar de takken zóó dicht naar elkaar toebogen,
+dat zij in het voorbijrijden langs zijn gelaat streken.
+
+Plotseling werd hij opgeschrikt door een klagelijk gebrul en op het
+geluid afgaand, bevond hij zich weldra op een open plek in het bosch,
+waar een zonderling schouwspel zijn oog trof. In het midden lag
+een groot rotsblok en uit eene diepe kloof daarin stak de kop van
+eene slang, welke in gevecht was geraakt met een leeuw. Deze poogde
+tevergeefs om voorbij de rots te komen, maar de slang schoot telkens
+van uit de rots te voorschijn en spuwde haar venijn in de richting
+van haren tegenstander.
+
+Toen Iwein dit zag, sprong hij uit het zadel, verborg zich in
+het kreupelhout en het oogenblik te baat nemend, dat de slang zich
+opnieuw vertoonde, sloeg hij haar met een enkelen zwaardslag den kop
+af. Hij veegde zijn wapen af aan het lange gras en maakte zich gereed
+om zich tegen den leeuw te verdedigen, toen hij tot zijne verbazing
+zag, hoe het dier zich voor hem ter aarde wierp, op de buik naar hem
+toekroop en met zijne breede tong zijne voeten trachtte te likken. Toen
+Iwein het zwaard in de scheede stak en weer te paard steeg, volgde,
+de leeuw hem als een hond. Op aandoenlijke wijze trachtte het dier
+zijnen aangenomen meester zijne dankbaarheid te betuigen. Bij het
+vallen van den avond, toen Iwein zijn legerplaats voor den nacht
+in gereedheid wilde brengen en hout ging verzamelen voor een vuur,
+was de leeuw hem daarbij behulpzaam en toen daarop Iwein zijn paard
+verzorgde, verdween de leeuw, om na eenigen tijd terug te keeren met
+een dooden reebok in zijn bek. Luide gaf hij zijne dankbaarheid te
+kennen, toen zijn meester hem daarvan eenige stukken toewierp.
+
+Zoo zwierven deze vreemde metgezellen eenigen tijd samen rond en
+naarmate de dagen tot weken en de weken tot maanden werden, voelden zij
+zich steeds nauwer aan elkander verbonden. De trouwe aanhankelijkheid
+van den leeuw deed Iwein weldadig aan en zijn gezelschap was hem op
+dit oogenblik liever dan dat zijner medemenschen.
+
+
+
+_Hoe Iwein op zijn zwerftochten opnieuw aan de bron komt en van zijne
+ontmoeting aldaar._ Na eenige maanden gebeurde het, dat de beiden op
+hunne omzwervingen opnieuw bij de bron kwamen, waar Iwein Laudine's
+echtgenoot verslagen had. Alles op die plek was onveranderd gebleven;
+slechts de bladeren van den boom waren goudbruin inplaats van groen
+en nu en dan vielen er eenige omlaag op den steen. Toen Iwein al deze
+bekende dingen terug zag, die in hem de herinnering verlevendigden
+aan de gebeurtenissen uit het verleden, werd hij opnieuw door zijne
+smart overmeesterd en kreunend zonk hij naast de bron neer. Wat
+baatte hem zijn bitter berouw en verlangen? Hij had gezondigd tegen
+den wil zijner liefste, hij had haar verwaarloosd en vergeten in
+de blinde jacht naar eer en aanzien en nu had hij voor altijd haar
+verloren, zonder wie zijn bestaan voor hem geen waarde had! Wat zou
+hij nog langer blijven voortleven? Liever dood, dan deze kwellende
+eenzaamheid! Zijn besluit was genomen, met vaste hand greep hij zijn
+zwaard en wilde er zich in storten, toen een smartelijk gehuil van
+den leeuw hem van deze wanhoopsdaad terughield. Opziende bemerkte hij
+hoe zijn trouwe metgezel zich voor hem op den grond wentelde van angst
+en hem aanzag met een blik, zóó vol smartelijke verbazing, dat hij de
+smeeking daarvan niet kon weerstaan. "Dit arme dier heeft mij lief",
+zoo dacht hij, "en ter wille van hem zal ik in 't leven blijven."
+
+Nauwelijks had hij deze woorden tot zich zelven gesproken of hij hoorde
+het geluid eener menschelijke stem, die scheen te komen uit eene kleine
+kapel, welke op korten afstand van de bron was gelegen. Aanvankelijk
+meende hij, dat hij het zich slechts verbeeldde, want het scheen
+hem onmogelijk toe, dat zich inderdaad een menschelijk wezen op deze
+eenzame plek zou bevinden, maar toen hij dichter bij de kapel kwam,
+hoorde hij het geluid nog duidelijker en kon hij zelfs de woorden
+onderscheiden. In het begin waren het slechts vage klanken, diepe
+zuchten en smartelijk gekreun, maar na eenigen tijd verstond hij het
+volgende: "Zou er iemand op de wereld zijn, die ongelukkiger is dan
+ik? Nog één dag, nog een luttel aantal uren en ik zal een wreeden
+dood sterven en toch heb ik niets gedaan om zulk een vreeselijk lot
+te verdienen. Is er dan niemand, die mij helpen kan?" Daarop volgde
+een wanhopig gesnik. Ontsteld luisterde Iwein toe. Aan de stem hoorde
+hij, dat het eene vrouw was, die daarbinnen was opgesloten, wie kon
+zoo wreed zijn om haar te willen dooden? Met zijne speer klopte hij
+op de deur van de kapel en vroeg dringend: "Wie zijt gij? en waarom
+klaagt gij zoo? Van welken kant dreigt u gevaar en waarmede kan ik u
+helpen"? Een oogenblik was het stil in de kapel, toen begon de stem
+weer te spreken, maar op geheel anderen toon. "Zou er werkelijk nog
+redding voor mij komen opdagen? Ik hoor het aan uwe stem, die een
+vriendelijken, bijkans vertrouwden klank heeft: gij zijt mij goed
+gezind! Welnu, luister dan, want de tijd dringt en zoo ge mij helpen
+wilt, dient dit spoedig te geschieden. Mijn naam is Luned en tot voor
+korten tijd was ik de vertrouwde dienares van eene rijke, edele vrouwe,
+Laudine genaamd. De voorkeur, die zij mij schonk, wekte echter groote
+afgunst onder hare volgelingen, die steeds erop bedacht waren om mij
+tegenover mijne meesteres in een zwart daglicht te stellen. Eindelijk
+scheen hun dat te gelukken; ik werd van verraad beschuldigd door
+den hofmeester en zijne beide broeders en hunne aanklacht was zoo
+listig opgezet, dat zij allen schijn van waarheid bezat. Toen heb ik,
+dwaze, in een oogenblik van hooghartigen overmoed, hun toegeroepen,
+dat ik gemakkelijk een ridder zou kunnen vinden, die mijn goeden
+naam met de kracht van zijn zwaard tegen hen zou willen verdedigen en
+terstond namen zij mijne uitdaging aan. Zij gaven mij veertig dagen
+uitstel, om een ridder te zoeken, die voor mijne zaak wilde strijden,
+doch wanneer ik hem na afloop van dien termijn niet gevonden had,
+zouden zij mij op den brandstapel terechtstellen. Gisteren waren de
+veertig dagen verstreken en ik heb tevergeefs gezocht, want er zijn
+slechts twee ridders, die mij kunnen helpen: de één is Heer Iwein,
+maar helaas, ik weet niet, of hij leeft, of dood is, en de ander,
+Heer Walewein, was juist afwezig, toen ik aan het hof kwam, om zijne
+hulp in te roepen. Mijne belagers hebben mij nu hier opgesloten en
+morgen in den namiddag zal het vonnis aan mij voltrokken worden".
+
+Het is moeilijk de aandoeningen te beschrijven, die zich van Iwein's
+gemoed meester maakten bij het hooren van dit droevig verhaal. Het
+was dus Luned, de trouwe dienares, die hem in het schoone verleden
+zulke onschatbare diensten had bewezen, die nu in zulk een groot
+gevaar verkeerde. Hoe dankte hij God, dat hij te rechter tijd aan de
+bron was gekomen om haar te redden, aan wie hij zooveel verschuldigd
+was? Met ontroerde stem sprak hij: "Wees niet langer bevreesd, Luned,
+ik ben Iwein, die tot u spreekt en ik zal u helpen, opdat ik aan u goed
+moge maken, wat ik tegenover uwe meesteres misdeed. Morgen zal ik op
+den vastgestelden tijd aanwezig zijn om u te verdedigen. Noem echter
+mijn naam niet, wat ik u bidden mag, want ik wensch niet herkend te
+worden. Morgen zien wij elkander hier!"
+
+Daarop reed Iwein verder, om zoo mogelijk een onderkomen voor den
+nacht te vinden. Met het oog op den komenden strijd verlangde hij
+zich eenige uren uit te kunnen strekken op een zachter rustbed
+dan de woudbodem hem bieden kon en ook lachtte het denkbeeld hem
+toe, om zich voor 't eerst na langen tijd aan een goed voorzienen
+disch te schikken. Met blijdschap ontdekte hij daarom de tinnen van
+een kasteel en hij spoorde zijn vermoeid paard aan tot vernieuwden
+spoed. De hoofdpoort van den burcht werd bewaakt door vier gewapende
+lansknechten, die bij zijne nadering eerbiedig ter zijde traden om
+hem door te laten. Toen zij echter den leeuw bespeurden, die Iwein
+nog steeds op den voet volgde, wierpen zij onder luide angstkreten
+hunne wapenen weg en renden ijlings het voorplein op. Iwein riep hen
+evenwel terug en stelde hen met een enkel woord gerust. Toen zij hem
+echter verzochten, den leeuw buiten het kasteel te laten, weigerde hij
+beslist, zulks te doen. Zoo traden dus de beiden het kasteel binnen,
+waar Iwein welwillend werd ontvangen door den burchtheer, zijne dochter
+en een talrijk gevolg van edelen. Ondanks de vriendelijke ontvangst,
+bemerkte hij spoedig, dat alle aanwezigen in eene gedrukte stemming
+verkeerden. Zijn gastheer staarde bijwijlen somber voor zich uit
+en zijne schoone dochter wischte nu en dan steelsgewijze eenige
+tranen weg.
+
+Bezorgd vroeg Iwein naar de oorzaak van deze gedruktheid en na eenig
+aarzelen gaf zijn gastheer hem ten antwoord: "Weliswaar past het mij
+niet, om onzen gast te onthalen op een verslag van onze tegenspoeden,
+maar het zou ten slotte onmogelijk zijn de noodlottige ramp, die ons
+dreigt, voor u te verbergen. Weet dan, dat de omtrek hier onveilig
+gemaakt wordt door een reus, Harpijn genaamd. Dit monster heeft mijne
+bezittingen reeds grootendeels verwoest, maar erger nog dan dat,
+hij heeft twee mijner vier zonen op gruwelijke wijze om het leven
+gebracht. Toen nu onlangs de beide anderen in het bosch op de jacht
+waren, heeft hij hen onverhoeds overvallen en gevankelijk met zich mede
+gevoerd. Hij dreigt hen het lot hunner ongelukkige broeders te doen
+ondergaan, indien ik hem niet mijne dochter tot vrouw wil geven. Morgen
+komt hij mijn antwoord halen en hij zweert, dat hij mijne zonen voor
+mijne oogen zal dooden, als ik weiger. Gij kunt u denken, wat er in
+mij omgaat! Mijne zoons zijn mij dierbaarder dan mijn leven, maar
+aan den anderen kant is het mij onmogelijk, mijne dochter, het licht
+mijner oogen, aan een dergelijk monster over te leveren. Tevergeefs
+zond ik een bode naar het hof van koning Arthur ten einde Walewein,
+mijn zwager, te verzoeken, mij te helpen. Ik zelve ben oud en zwak en
+geen mijner volgelingen durft den strijd tegen den reus aan te binden".
+
+Diep ontroerd door de smart van den grijzen ridder bood Iwein hem
+aan, om te trachten zijne zoons uit de klauwen van het monster te
+bevrijden, zonder daartoe zijne dochter op te offeren. "Ter wille van
+de gastvrijheid, die gij mij ondanks uwe droevige omstandigheden zoo
+vriendelijk geboden hebt, en ook ter wille van uwe verwantschap tot
+Walewein, mijn vriend, bied ik u mijne diensten aan, indien tenminste
+de strijd morgen vroeg kan plaats vinden, want in den namiddag heb
+ik mijn woord gegeven, om elders te strijden". Groot waren de vreugde
+en dankbaarheid van den burchtheer en zijn gezin.
+
+Toen de morgen aanbrak, meldden de wachters op de wallen de nadering
+van den reus. Deze was inderdaad een afschrikwekkend monster; zijn
+borstelig haar stond recht overeind, zijne oogen rolden onheilspellend
+en zijn reusachtig lichaam rustte op twee kromme beenen, waardoor hij
+een waggelenden gang kreeg. Met bulderende stem riep hij den burchtheer
+toe, hem zijne dochter uit te leveren en dreigend zwaaide hij zijne
+knots tegen de twee ongelukkige jongelingen, die hij meer dood dan
+levend achter zich aan sleepte. De arme vader, die zich van angst
+nauwelijks op de been kon houden, gaf hem ten antwoord, dat hij de
+zaak wilde doen beslissen in een tweegevecht, waartoe een ridder uit
+zijn slot zich bereid had verklaard. Met een vreeselijken hoonlach
+nam Harpijn de uitnoodiging aan en een oogenblik later reed Iwein
+met gesloten vizier de poorten van het kasteel uit. Toen de reus
+hem zag naderen, schoot hij hem onder afschuwelijk gebrul tegemoet
+en zwaaide onheilspellend zijne knots, maar Iwein liet zich niet
+afschrikken en richtte zijne speer nauwkeurig op de borst van zijnen
+vijand. Zijn krachtige stoot deed den reus achterover tuimelen,
+een breede bloedstroom golfde uit de wond, maar nog wist Harpijn
+zich op de been te houden en in razende woede sloeg hij thans op
+Iwein los. Deze had alle moeite om zich staande te houden en de
+beukende slagen van zijn aanvaller zooveel mogelijk te ontwijken,
+toen plotseling de leeuw, die in angstige spanning den strijd van
+zijn geliefden meester had gadegeslagen, met een luid gebrul naar
+voren sprong en met zijne scherpe klauwen den reus van het hoofd
+tot de voeten het vel van het lichaam scheurde. Iwein vatte bij het
+zien van deze onverwachte hulp nieuwen moed, greep zijn slagzwaard
+en scheidde met een enkelen slag zijn tegenstander het hoofd van den
+romp. Terstond schalden luide juichkreten van de muren van den burcht;
+de poorten werden opengeworpen en eene groote menigte stroomde naar
+buiten en omringde Iwein met uitbundige dank- en vreugdebetuigingen. De
+beide zoons van den slotheer werden behoedzaam naar binnen geleid,
+waar zij onder de teedere zorgen hunner moeder weldra het doorgestane
+leed vergaten en Iwein werd gehuldigd als hun aller helper in den nood.
+
+Onder al deze gebeurtenissen was de zon allengs haar toppunt
+genaderd en onze held maakte zich haastig gereed om naar de kapel
+te rijden. Tevergeefs noodigde zijn gastheer hem uit om na afloop
+van den strijd terug te keeren en eenigen tijd in zijn kasteel te
+vertoeven. Iwein wist maar al te wel, dat er voor hem geen plaats
+bestond, waar hij rust en verpoozing kon vinden, zoolang de smart
+over zijne scheiding van Laudine hem kwelde. Het eenige bestaan,
+dat hem dragelijk toescheen, was een rusteloos voortjagen van het
+eene avontuur naar het andere, in welk opwindend bestaan hij eene
+tijdelijke vergetelheid vond voor zijn knagend verdriet.
+
+Na een ademloozen rit kwam hij nog juist op tijd bij de kapel aan. Een
+talrijke menschendrom had zich op de vlakte verzameld om de uitspraak
+van het vonnis bij te wonen en hoog boven de menigte uit sloegen
+reeds de lekkende vlammen van den brandstapel.
+
+Maar Iwein zag niets van dit alles. Zijn blik bleef gespannen op
+één punt, waar op eene kleine verhevenheid, Laudine troonde. Met
+begeerige oogen nam Iwein het dierbare gelaat in zich op, het was
+bleek en ernstig en de mooie, blauwe oogen zagen droef en peinzend
+voor zich uit. Men kon zien, dat zij in deze treurige zaak slechts
+den wil van hare aanhoorigen volgde, maar dat haar hart ineenkromp bij
+de gedachte aan het vreeselijk lot dat Luned zou treffen. Deze stond
+met gebogen hoofd en op den rug samengebonden handen haar vonnis af
+te wachten. Toen zij het gedreun van naderende paardenhoeven hoorde,
+lichtte zij het hoofd op en een zwakke straal van vreugde verlichtte
+haar bleek en beschreid gelaat.
+
+"Gij komt juist op tijd, edele heer", sprak zij, "ik vreesde reeds,
+dat gij uwe belofte niet zoudt nakomen, moge God u bijstaan in den
+komenden strijd!"
+
+Iwein groette eerbiedig Laudine en alle verdere aanwezigen, zonder
+echter zijn vizier op te lichten, daarna wendde hij zijn paard in de
+richting van den hofmeester en zijne broeders, die Luned van verraad
+beschuldigd hadden en daagde hen met luider stem uit ten strijde. Toen
+zijne tegenstanders den leeuw zagen, die met dreigend opgeheven kop
+achter zijn meester bleef staan en de lucht deed trillen van zijn
+vervaarlijk gebrul, waagden zij zich niet voorwaarts en eischten van
+Iwein, dat hij het dier buiten den strijd zou laten. Iwein gebood
+den leeuw toen te gaan liggen, aan welk bevel hij gevolg gaf. Daarop
+begon de strijd van drie tegen één. Door zijne buitengewone krachten
+en behendigheid wist Iwein de slagen af te weren, die van alle zijden
+op hem neerregenden. Zelf slaagde hij er na korten tijd in, den
+hofmeester uit het zadel te lichten. Deze viel met een doffen smak op
+den grond, maar richtte zich weldra op en kwam met het zwaard in de
+hand op hem toe. Toen de leeuw dit nieuwe gevaar voor zijn heer zag
+opdagen, kon hij zich niet langer bedwingen. Met één sprong wierp hij
+zich op den hofmeester en verpletterde hem onder zijne klauwen. De
+beide broeders van den ongelukkige keerden zich nu tegen den leeuw,
+dien zij verscheidene diepe wonden toebrachten, maar toen Iwein het
+bloed zag vloeien van zijne trouwen makker, ontstak hij in zulk eene
+heftige woede, dat hij weldra zijn beide tegenstanders ter neder
+geveld had. Daarop wierp hij hunne lichamen op den brandstapel met
+den uitroep: "Zoo moge het allen verraders vergaan!"
+
+Groot was de vreugde allerwegen over Iwein's overwinning, want de
+hofmeester was gehaat en gevreesd bij zijne onderhoorigen. Laudine
+dankte den ridder, met tranen van dankbaarheid in de oogen, voor
+de hulp aan hare dierbare vriendin bewezen en verzocht hem haar te
+volgen naar haar kasteel om aldaar genezing te vinden voor de wonden,
+die hij in den strijd had opgedaan. Maar Iwein, die begreep, dat deze
+vriendelijke bejegening niet hemzelf gold, maar den vreemdeling, dien
+zij in hem zag, weigerde hoffelijk, maar beslist, aan hare uitnoodiging
+gevolg te geven. "Zeg mij dan tenminste uwen naam", sprak Laudine,
+"opdat ik weten zal, wien ik zooveel dank verschuldigd ben!" "Vrouwe,
+men noemt mij den Leeuwenridder", antwoordde Iwein, "meer kan en
+wil ik u niet zeggen. Vaarwel! en moge de hemel u beschermen en elke
+droefenis, die u drukt, in blijdschap doen verkeeren!"
+
+Met deze woorden nam hij afscheid van Laudine, maar vóór zijn vertrek
+wist hij nog in 't geheim eenige woorden met Luned te wisselen. "Bewaar
+het geheim van mijn naam", verzocht hij haar, "maar wanneer gij iets
+voor mij wenscht te doen, beproef dan mijne vrouw gunstig voor mij
+te stemmen en eene verzoening tusschen ons beiden mogelijk te maken".
+
+Luned beloofde gaarne zulks te doen en nadat zij hem nogmaals haar
+innigen dank had betuigd, reed Iwein verder. Hij kwam echter slechts
+moeilijk vooruit, want de vele verwondingen, die hij in den strijd
+had opgeloopen, maakten het hem bijna onmogelijk zich in het zadel
+overeind te houden en ook de leeuw sleepte zich moeizaam verder. Toen
+hij dus na korten tijd voorbij de muren van een slot kwam, aarzelde
+hij niet, daar een onderkomen te verzoeken. De ontvangst, die men hem
+bereidde, overtrof zijne stoutste verwachtingen. De bewoners omringden
+hem en zijn leeuw met vriendelijke zorgen, zij ontdeden hem van zijne
+wapenrusting en kleederen, wieschen zijne wonden en bestreken ze met
+een pijnstillend middel en geleidden hem toen naar een luchtig vertrek
+waar hij, na een hartig maal genoten te hebben, eene zachte legerstede
+vond om zijne vermoeide en stijve ledematen op uit te strekken.
+
+In deze gastvrije omgeving nemen wij tijdelijk afscheid van onzen
+held om onzen blik te richten op andere gebeurtenissen, welke het
+land in beroering brachten.
+
+
+
+In een naburig graafschap woonden twee zusters, die na den dood
+van haar vader in strijd waren geraakt over de verdeeling zijner
+nagelaten bezittingen. De oudste der beiden, eene valsche, begeerige
+vrouw, was niet tevreden met het deel der goederen, dat haar, rechtens
+haars vaders laatste beschikkingen, was toegewezen en in alle stilte
+ging zij naar het hof, om een ridder te zoeken, die de andere helft
+der bezittingen voor haar zou willen bemachtigen. De beschrijving,
+die zij den koning van haren toestand en de houding harer zuster gaf,
+was geheel bezijden de waarheid en zij wist haar verhaal op zulk eene
+aandoenlijke wijze voor te dragen, dat Walewein, tot wien zij zich
+richtte, haar beloofde het zwaard voor haar op te nemen. Hij verzocht
+haar echter onder geene voorwaarde zijn naam te noemen. Intusschen
+had de jongere zuster ingezien, dat zij zonder geweld van wapenen haar
+rechtmatig erfdeel nooit zou kunnen behouden; ook zij begaf zich dus
+naar het hof om de hulp van een ridder in te roepen.
+
+Walewein, wien zij om hulp verzocht, moest haar echter zijn steun
+ontzeggen, al deelde hij haar de reden zijner weigering niet mede.
+
+Diep teleurgesteld bezon de jonkvrouw zich, tot wien zij zich nu zou
+wenden, maar geen der andere ridders boezemde haar zóóveel vertrouwen
+in, als juist Walewein. Toen gebeurde het, dat er aan het hof geruchten
+doordrongen over den moed en de behendigheid van den Leeuwenridder. De
+edelman, wiens zonen Iwein uit de handen van den reus had verlost,
+kwam aan het hof en gaf in geestdriftige bewoordingen uiting aan zijne
+dankbaarheid jegens den onbekende, die hem en den zijnen onschatbare
+diensten had bewezen. Hij vertelde Walewein, hoe de vreemde ridder
+zich zijn vriend had genoemd en hoe hij het heldenfeit gedeeltelijk
+om zijnentwille volbracht had. Toen de jonkvrouw zooveel hoorde
+spreken over dezen befaamden Leeuwenridder, die, zoo zeide men, reeds
+eenmaal eene jonkvrouw van den brandstapel gered had, besloot zij aan
+hem en geen ander te vragen, of hij haar helpen wilde. Zij verzocht
+den koning, haar veertig dagen uitstel van vonnis te geven, wat haar
+werd toegestaan en nog dienzelfden dag besteeg zij haren telganger om
+haren moeilijken tocht te ondernemen. Dagen achtereen reed zij voort,
+maar nergens kon zij een spoor ontdekken van hem, dien zij zocht. Wel
+hadden alle menschen, die zij op haren weg ontmoette, wondere verhalen
+gehoord over de heldendaden van den Leeuwenridder, maar niemand
+wist te zeggen, waar hij zich op het oogenblik bevond. Wanhopig
+vervolgde het arme meisje haren tocht: door bosschen en velden,
+langs diepe ravijnen en gapende bergkloven. De regen sloeg haar in
+'t gezicht en doorweekte hare kleederen. de zon verblindde hare
+oogen en verschroeide hare teedere huid, maar zij sloeg geen acht
+op dit alles en reed voort, altijd voort, zich slechts terwille van
+haar paard nu en dan eenige uren rust gunnend. Zoo kwam zij ook aan
+het kasteel van Laudine, waar men haar vertelde van de bevrijding
+van Luned en van de vreeselijke straf, die de vreemde ridder haren
+beschuldigers had doen ondergaan. Toen zij verzocht te mogen vernemen,
+in welke richting de Leeuwenridder vertrokken was, bracht men haar
+naar Luned, die haar op vriendelijke wijze te woord stond en zelfs
+aanbood haar een eindweegs te vergezellen, tot aan de plaats waar zij
+haren redder vaarwel had gezegd. Toen reed de jonkvrouw weer op goed
+geluk verder en kwam weldra aan het kasteel waar Iwein zoo liefderijk
+verpleegd was. Op hare vraag of men aldaar ook een ridder kende,
+die vergezeld van een leeuw door het land trok op avontuur, kreeg
+zij tot hare groote vreugde ten antwoord, dat hij, dien zij zocht,
+slechts eenige uren tevoren, het slot had verlaten en dat de hoefsporen
+van zijn paard nog duidelijk den weg aangaven, dien hij gekozen had.
+
+Bij het vernemen van deze blijde tijding besteeg de jonkvrouw ijlings
+weer haren telganger en reed in snellen draf in de aangeduide
+richting. Weldra bespeurde zij in de verte, een ruiter, die zich
+slechts langzaam voortbewoog. Spoedig had zij hem ingehaald en gelukkig
+bleek het de lang gezochte te zijn. In korte bewoordingen legde zij hem
+haar geval uiteen en terstond beloofde Iwein haar te zullen helpen. Te
+zamen trokken zij nu op naar het hof van koning Arthur, waar zij
+korten tijd vóór den afloop van den gestelden termijn aankwamen. Toen
+de dag was aangebroken, waarop de zaak der zusters beslist zou worden,
+liet de koning haar beiden voor zich verschijnen en trachtte nogmaals
+door eene minnelijke schikking het geschil tot eene oplossing te
+brengen. De jongste zuster was geneigd om hiertoe mede te werken,
+maar de oudste, die hare verwachtingen bouwde op den sterken arm van
+Walewein, weigerde hooghartig om met welke schikking dan ook genoegen
+te nemen. Zij stond er op, dat de zaak, zooals afgesproken was,
+door een tweestrijd op leven en dood beslist zou worden. Daarbij
+rekende zij er op, dat hare zuster er niet in geslaagd zou zijn,
+een beschermer te vinden en indien zij er al een gevonden had, zou
+hij toch zeker niet opgewassen zijn tegen Walewein. De laatste had
+zich eenigen tijd tevoren uit de stad verwijderd en kwam nu op het
+vastgestelde tijdstip het strijdperk binnenrijden, gekleed in eene
+vreemde wapenrusting. Reeds wilde de oudste jonkvrouw zich smalend
+tot hare zuster wenden met de vraag, waar nu háár kampioen bleef,
+toen Iwein, die zich tot dusver in de stad verborgen had gehouden,
+in fiere houding van de andere zijde het perk binnenreed.
+
+Weldra gaven drie korte bazuinstooten het sein, dat het gevecht een
+aanvang zou nemen en in gestrekten draf reden de beide ridders op
+elkander toe. Hadden zij zich slechts aan elkander bekend gemaakt,
+hoe geheel anders zou dan hunne ontmoeting geweest zijn! Nu sloegen de
+zwaarden met kletterend gedruisch tegen elkaar, de rossen steigerden
+en snoven en hulden de strijders in een wolk van opdwarrelend zand,
+de helmen weerkaatsten de felle zonnestralen en de kleurige schilden
+zwaaiden van de eene zijde naar de andere. Het scheen of het gevecht
+eindeloos zou voortduren, nu eens was het of Iwein, dan weer of
+Walewein de zege zou behalen, maar steeds wist de andere partij zich
+te herstellen en wierp zich met vernieuwde woede in den strijd. Toen
+eindelijk de avond begon te vallen en de duisternis de beide helden
+aan het oog der toeschouwers dreigde te onttrekken, hief Iwein de hand
+met het schild erin omhoog en sprak: "Wakkere vijand! de vallende
+schemering maakt het ons onmogelijk, om verder te strijden. Niemand
+zal het ons ten kwade duiden, indien wij ons gevecht staken. Vóór wij
+echter scheiden, zeg mij, bid ik u, wie gij zijt want nog nooit heb
+ik zulk een sterken tegenstander te bestrijden gehad, als op den dag
+van heden". "Mij gaat het evenzoo", antwoordde Walewein op hoffelijken
+toon, "nimmer nog had ik zóóveel moeite om mij tegenover mijn vijand
+staande te houden. Wat nu uw verzoek betreft, ik wil daar gaarne aan
+voldoen. Mijn naam is Walewein en ik ben de zoon van Lot, koning der
+Orcadische eilanden." Nauwelijks had hij deze woorden gesproken,
+of Iwein wierp zijn zwaard ver van zich af, sprong van zijn paard
+en snelde op Walewein toe met de woorden: "Walewein, mijn dappere,
+edele vriend! Welk een afschuwelijk misverstand heeft hier plaats
+gehad! Zie mij aan, ik ben Iwein, uw neef!" Groot was de vreugde over
+deze ontmoeting, de beide vrienden omarmden elkander en stortten
+tranen van aandoening over dit treffend wederzien. Daarna begaven
+zij zich naar den koning, waar een edelmoedige strijd begon over de
+vraag, wien de lauweren der overwinning toekwamen. Iwein wilde ze
+aan Walewein en deze wederkeerig aan Iwein toegekend zien. Eindelijk
+besloten zij de beslissing aan den koning over te laten en deze
+sprak in tegenwoordigheid van het gansche hof het eindvonnis uit,
+waarbij de bezittingen gelijkelijk onder de zusters werden verdeeld.
+
+Daarop gaf hij last, de wonden der beide helden door bekwame
+heelmeesters te doen onderzoeken en verbinden. Terwijl men hiermede
+bezig was rende plotseling onder vervaarlijk gebrul de leeuw het
+paleis binnen. Sinds vroeg in den morgen zocht hij zijn meester,
+want Iwein had hem in alle stilte en heimelijk verlaten, opdat het
+trouwe dier zijn vertrek niet zou bemerken. Toen de leeuw zijn heer
+nu terugvond uitte hij zijne vreugde door in groote sprongen om hem
+heen te loopen, zijne handen en voeten te likken en een luid gebrul
+uit te stooten. De hovelingen, die aanvankelijk bij het zien van den
+leeuw vol schrik waren weggevlucht, maar op eenige geruststellende
+woorden van Iwein weer naderbij kwamen, riepen vol vreugde uit:
+"Heil den Leeuwenridder! den dapperen bestrijder van reuzen, den
+edelen redder van jonkvrouwen!"
+
+Toen Walewein zag, dat de befaamde Leeuwenridder en Iwein één en
+dezelfde persoon waren, dankte hij hem voor wat hij voor zijne zuster
+gedaan had; en vervolgens begaven de beide vrienden zich naar de
+feestzaal van het paleis, waar een rijk voorziene disch hen wachtte.
+
+
+
+_Hoe Iwein zich opnieuw naar de bron begeeft en hoe hij zich met
+Laudine verzoent._ Na eenige dagen rust genoten te hebben, maakte
+Iwein zich weer reisvaardig, ondanks de dringende smeekbeden van
+zijne vrienden, die hem althans eenigen tijd aan het hof wenschten te
+behouden. Hij kon niet langer bevrediging vinden in de afleidingen
+van het hoofsche leven, zijn hart werd nog steeds verteerd van
+verlangen naar Laudine en temidden van de vroolijkste jachtpartijen en
+uitbundigste feestgelagen verviel hij somtijds in een droef gepeins,
+waaruit zijne vrienden hem slechts met moeite wisten los te rukken.
+
+Daarom maakte hij zich op zekeren morgen, toen alle bewoners van
+het kasteel nog sliepen, reisvaardig en trok opnieuw de wereld
+in. Als vanzelf stuurde hij zijn paard in de richting van de bron
+en niet lang daarna stond hij weer onder de breede takken van den
+ouden boom. Door nieuwsgierigheid gedreven, greep zijne hand naar
+den ketting. Wat zou er gebeuren indien hij opnieuw de toovermachten
+uit de bron opriep? Zou een ander ridder zijn plaats hebben ingenomen
+en als Laudine's beschermer aan den horizont verschijnen? Hij moest,
+hij zou zekerheid hebben!
+
+Met vaste hand liet hij den schotel in de bron neerdalen, haalde haar
+gevuld omhoog en schudde eenige waterdroppels op den steen.
+
+Terstond herhaalden zich de hem bekende natuurverschijnselen. De donder
+rommelde, de bliksemstralen schoten langs den donkeren hemel en de
+hagelsteenen kletterden ratelend op hem neer. In spanning wachtte
+hij het einde van het onweer af. Eindelijk werd de lucht weer blauw,
+de vogels streken neer op den boom, maar geen ruiter vertoonde zich
+in de verte.
+
+Terwijl Iwein links en rechts spiedde of er geen ridder ter verdediging
+van de bron opdaagde, heerschten in het kasteel van Laudine groote
+angst en verslagenheid. Een vreemde ridder, zoo zeide men, was aan de
+bron verschenen en had de tooverkrachten, die daarin verscholen lagen,
+in werking gesteld. Ten gevolge van deze daad dreunde het slot weldra
+op zijn grondvesten en de angstige bewoners, die in groepen bij de
+vensters in de groote zaal stonden samengeschoold, tuurden angstig
+naar buiten, in de onheilspellende duisternis. Nu en dan verlichtte
+een kronkelende bliksemflits het landschap en toonde aan de bevende
+toeschouwers, hoe de zware hagelsteenen als een vernieling brengende
+regen op veld en akker neervielen.
+
+In wanhoop wrong Laudine hare handen en vertwijfeld vroeg zij zich af,
+wat er straks geschieden zou, wanneer de vreemde ridder niemand vond
+om hem voor zijn onheilsdaad te straffen. Ten einde raad wendde zij
+zich om steun tot Luned en deze, die wel vermoedde, wie de vreemde
+ridder was, gaf haar ten antwoord: "Hooge Vrouwe! het is moeilijk u te
+raden, want gij verkeert inderdaad in een zeer benarden toestand. Is
+er dan niet één onder uwe ridders, die den strijd tegen den vreemdeling
+durft aanbinden?"
+
+"Ach neen, Luned", antwoordde Laudine weenend, "gij weet toch, dat
+velen hunner afwezig zijn en dat er voor deze onderneming meer moed
+en zelfopoffering noodig zijn, dan ik onder degenen, die hier zijn,
+zal kunnen vinden. Één was er, die niet geaarzeld zou hebben, maar
+hij...." hier werd haar stem door snikken onderbroken en luid klagend
+sloeg zij de handen voor het gezicht.
+
+"In dat geval ken ik slechts één man, die u helpen kan en dat is hij,
+dien men den Leeuwenridder noemt", sprak Luned, "en gaarne zou ik
+hem voor u gaan zoeken, ware het niet dat hij slechts onder ééne
+voorwaarde u zal willen helpen en ik weet niet, of gij die zult
+willen vervullen." "Spreek! welke is die voorwaarde", viel Laudine
+haar in de rede, "indien het in mijne macht staat haar te vervullen,
+zal ik niet aarzelen dit te doen."
+
+"Welnu dan, luister!" zeide Luned, "deze ridder leeft sinds langen
+tijd in onmin met zijne gemalin, die hij nochtans boven alles
+liefheeft. Hij kent geen anderen wensch op aarde dan zich met haar
+te verzoenen en eischt van elk, wien hij zijn diensten aanbiedt,
+dat hij of zij alles zullen doen, wat in hun vermogen ligt, om die
+verzoening tot stand te brengen. Wilt ook gij daartoe uwe medewerking
+verleenen?" Laudine ademde verruimd op, zij had een moeilijker te
+vervullen eisch verwacht. "Welzeker wil ik dat", antwoordde zij
+vriendelijk, "voorwaar, zulk een dapper, edel man verdient niet door
+eene vrouw verstooten te worden!" "Zweer mij dan op dit heilig boek",
+sprak Luned, "dat gij uw woord zult houden", en Laudine voldeed aan
+haar verzoek.
+
+Daarop begaf de trouwe dienares zich in aller ijl naar de bron,
+waar zij haar vermoeden bewaarheid vond. Iwein zat onder den boom,
+en staarde peinzend voor zich uit, het hoofd gesteund op de hand. Vóór
+hem lag de leeuw, met zijn trouwen blik op het gelaat zijns meesters
+gericht. Toen deze Luned zag naderen, sprong hij verheugd op, want
+aan de uitdrukking van haar gelaat zag hij, dat zij goede tijding
+bracht. Nadat hij van haar vernomen had, welke plechtige belofte
+zij Laudine had afgedwongen, kende zijne blijdschap geene grenzen
+meer en ontroerd kuste hij haar de hand met tranen van vreugdevolle
+dankbaarheid in de oogen. Zonder een oogenblik te verliezen begaven zij
+zich op weg naar het kasteel, waar hunne nadering met vreugdekreten
+werd begroet. De tijding van hunne aankomst drong spoedig door tot
+Laudine, die bij het hooren ervan een zucht van blijde verlichting
+slaakte. Terstond gaf zij bevel, den vreemdeling in hare vertrekken
+te ontbieden en weldra traden Luned en de Leeuwenridder hare kamer
+binnen. Toen Iwein voor den zetel was gekomen van haar, die hij zoo
+innig liefhad, naar wie al zijne verlangens, al zijn denken en streven
+der laatste jaren waren uitgegaan, viel hij eerbiedig op de knieën voor
+haar neer en drukte den zoom van haar kleed aan zijne lippen. Laudine
+echter stak hem vriendelijk de hand toe, deed hem opstaan en zeide:
+"Heb dank, dat gij gekomen zijt, edele Heer! en weest overtuigd
+dat ik alles zal doen, wat in mijn vermogen ligt, om de voorwaarde,
+die ge mij steldet, te vervullen!"
+
+Hier kwam Luned op vroolijken toon tusschenbeide: "Niemand kan
+dit beter dan gij", sprak zij lachend, "en al moge dit u vreemd
+toeschijnen, gij zult mijne woorden beter begrijpen, wanneer gij den
+Leeuwenridder eens goed in 't gelaat ziet!"
+
+Iwein begreep, dat het beslissende oogenblik gekomen was, hij
+sloeg langzaam het vizier omhoog en zag Laudine smeekend aan. Deze
+deinsde achteruit met een kreet van schrik en allerlei verschillende
+gewaarwordingen doorkruisten hare ziel. Een blik op Iweins gelaat
+deed het geheele verleden in haar ontwaken; zij doorleefde weer het
+volmaakte geluk der eerste huwelijksmaanden, de smart om de wreede
+scheiding, het smachtend verlangen naar Iweins terugkomst, gevolgd
+door het gevoel van bittere vernedering, toen de termijn verstreek,
+zonder dat hij tot haar wederkeerde. Daarna de lange strijd tusschen
+haar trots en haar liefde, waarin ten slotte de laatste, naar zij
+meende, de nederlaag had geleden. Vreemd, nu hij daar vóór haar stond
+en haar aanzag met dien innigen, smeekenden blik scheen het of de
+muur van gekrenkten hoogmoed, dien zij met zooveel strijd en moeite
+tusschen hen beiden had opgetrokken, als sneeuw versmolt voor de zon
+harer liefde, die haar woorden van vergeving en teederheid naar de
+lippen drong en die haar de handen naar hem deed uitstrekken in een
+gebaar van hulpeloos verlangen. Maar neen, zij kon en wilde zich niet
+zoo gewonnen geven! Had zij dan geen trots meer, was zij vergeten,
+hoe deze man haar gekrenkt en vernederd had en haar tot een voorwerp
+van spot en beklag had gemaakt in de oogen harer dienaren? Neen,
+duizendmaal neen! liever sterven van verdriet en verlangen dan hem
+toonen, hoe groot de macht was, die hij over haar bezat. Met geweld
+dwong zij de woorden van liefde terug, welke haar op de lippen zweefden
+en toen zij sprak, was haar stem ijskoud:
+
+"Wat beduidt dit vreemde spel, Heer ridder? Is het nog niet genoeg,
+dat gij mij eens voorgelogen hebt? Wilt gij thans ten tweede male
+misbruik maken van mijn goed vertrouwen? Welnu dan, wees gerust,
+den eed, dien ik gezworen heb, zal ik houden, maar vraag mij niets
+meer!" Vóór zij zich evenwel kon afwenden, begon Iwein te spreken. Hij
+vertelde haar alles, wat hem in de laatste jaren overkomen was; hij
+smeekte haar om vergiffenis voor wat hij misdreven had en verhaalde
+haar, wat er sindsdien gebeurd was; hij beschreef haar zijn waanzin,
+zijn rusteloos zwerven, zijn dwalen van 't eene avontuur naar 't
+andere en zijne blijdschap, toen hij eene kans zag om zich met haar
+te verzoenen. Uit dit alles sprak zooveel eerlijk schuldbewustzijn,
+maar ook zooveel innige liefde, dat Laudine het steeds moeilijker vond,
+om zich tegen den verzachtenden invloed, die van zijne woorden uitging,
+te verzetten. Peinzend zag zij op hem neer. Wat zou zij doen? Haar
+gevoel van eigenwaarde eischte van hem eene volledige boete, welnu,
+die had hij gedaan. Als een berouwvol zondaar lag hij voor haar
+nedergeknield, het hing slechts van haar af, of hij eindeloos gelukkig,
+dan wel diep rampzalig uit die houding zou opstaan.
+
+Nu dan, zij zou goedertieren zijn en ze _kon_ dit zijn, zonder gevaar
+voor zichzelve. Immers, deze man, dat voelde zij duidelijk, zou haar
+nooit weer verlaten en haar wil zou voortaan ook de zijne zijn.
+
+Toen Iwein dan ook zijn verhaal beëindigd had en haar met eene stomme
+vraag in de oogen aanzag, reikte zij hem hare beide handen en liet toe,
+dat hij haar in zijne armen nam.
+
+Daarmede namen de zwerftochten van den Leeuwenridder een einde. Hij
+aanvaardde opnieuw het beheer over Laudine's bezittingen en leidde
+met haar samen een lang en gelukkig leven. Nooit ontstond er meer
+eenige verwijdering tusschen hen en de liefde, die zij elkander
+toedroegen, maakte hun leven gelijk aan een klaren, blauwen hemel,
+zooals wij dien zien, wanneer de storm is uitgewoed en de wind de
+donkere wolken heeft verjaagd.
+
+
+
+
+
+INLEIDING TOT DE SAGE VAN TRISTAN EN ISOLDE.
+
+
+_Wie kent niet de namen van Tristan en Isolde?_ Bij wien roepen zij
+niet een min of meer volledig beeld in het geheugen van de droeve
+geschiedenis dier beide gelieven? Of men zich hunne lotgevallen
+herinnert uit Wagners muzikaal-psychologisch drama, uit het Fransche
+prozagedicht van Joseph Bédier of uit de schoone verzen van Swinburne's
+"Tristram of Lyonesse", een ieder kent het verhaal van hartstocht en
+weemoed, dat door alle eeuwen heen de dichters en schrijvers heeft
+weten te bezielen.
+
+Wanneer men de sage in haren oorspronkelijken vorm leest, zooals
+zij in de volgende bladzijden is weergegeven, schijnt het, of
+het verhaal weinig of niets uitstaande heeft met den kring der
+Arthur-legenden. Immers, het tooneel der handeling ligt geheel buiten
+het hof van dien vorst, geen der ridders van de Tafelronde wordt ook
+zelfs maar genoemd en alleen koning Arthur zelve speelt eene, overigens
+zeer bijkomstige, rol in het drama. De reden, waarom de sage ondanks
+dit alles, toch gerekend mag worden te behooren tot den Arthur-cyclus,
+is hierin gelegen, dat zij de levens- en lijdensgeschiedenis geeft
+van een held, wiens naam in de Arthur-verhalen veelvuldig voorkomt en
+wiens lotgevallen daarin steeds eng verbonden zijn met die der andere
+Arthur-ridders. In de latere werken, die aan de verheerlijking van
+Tristan gewijd zijn, zien wij zelfs, dat zijne avontuurlijke tochten
+in gezelschap van andere Arthur-ridders en de rivaliteit tusschen
+hem en Lanceloet de belangstelling van den schrijver meer hebben
+bezig gehouden dan het verhaal van zijn noodlottigen hartstocht
+voor koningin Isolde. In het zoogenaamde Fransche tijdperk van den
+Arthur-cyclus, toen Chrétien de Troies zijne gedichten schreef en
+de groote proza-romans ontstonden, werd Tristan geheel beschouwd als
+behoorende tot de ridders der Ronde Tafel en in bovengenoemde werken
+wedijvert hij dan ook met Walewein en Lanceloet in daden van moed en
+ridderlijkheid. Wel dient opgemerkt, dat Tristan in al deze verhalen
+slechts als gast aan het hof van koning Arthur verkeert. Hij is
+daar niet thuis, zooals de andere ridders, maar vertoeft er slechts
+voor korteren of langeren tijd, om deel te nemen aan een steekspel
+of rust te vinden na een zwaren krijgstocht. Toch is hij geen
+vreemdeling, wiens naam men eerst op een hoogeren ontwikkelingstrap
+van de Arthur-sagen met dien van den beroemden vorst verbonden heeft
+om dezen meerderen luister bij te zetten. Zooals wij zien zullen,
+wordt hij daarentegen reeds in de oudste overleveringen gerangschikt
+onder de volgelingen van koning Arthur.
+
+Uit dit alles blijkt wel, dat er een alleszins gegronde reden bestaat,
+om de sage van Tristan en Isolde te rangschikken onder de in dit boek
+voorkomende verhalen. Terstond verrijzen nu twee vragen: wat is de
+oorsprong van deze beroemde legende en hoe is het te verklaren, dat
+zij, meer dan alle andere sagen uit het grijze verleden, de harten
+der menschen heeft weten te boeien met eene blijvende bekoring?
+
+Laat ons voorloopig trachten, de eerste dier beide te beantwoorden. De
+vraag, waar wij de bakermat moeten zoeken van de Tristan-sage, heeft
+vele pennen in beweging gebracht. Verschillende theorieën zijn daarover
+opgeworpen, men heeft ze aangenomen, bestreden en na eenigen tijd zijn
+ze verworpen om plaats te maken voor nieuwe denkbeelden. Vele zijn
+de artikelen, die geschreven zijn, om de waarheid der verschillende
+zienswijzen aan te toonen of te weerleggen en eene lijst van de namen
+der geleerden, die ze hebben samengesteld, zou eene aanzienlijke
+ruimte beslaan. Het is hier niet de plaats, om in bizonderheden op
+dit alles in te gaan; een ieder, die belang stelt in het vraagstuk
+van den oorsprong der Tristan-sage behoef ik slechts te verwijzen
+naar de verschillende jaargangen van de tijdschriften: "Romania",
+"Revue de Paris" en "Zeitschrift für Romanische Philologie", om hem
+ruimschoots gelegenheid te geven, zich met de verschillende meeningen
+daaromtrent vertrouwd te maken. Toch dienen enkele namen hier genoemd
+te worden, vóór alles die van Gaston Paris, den beroemden Keltoloog,
+die in de April-aflevering van de "Revue de Paris" voor het jaar 1894,
+een schitterend geschreven betoog hield voor den Keltischen oorsprong
+der Tristan-sage. Volgens hem moeten wij de eerste sporen van het
+verhaal zoeken onder de oudste Keltische poëzie, waar ons reeds verteld
+wordt van een liefdesdrank met noodlottige gevolgen. Om dit bestaande
+gegeven zouden zich dan, volgens Gaston Paris, episodische verhalen
+hebben gevormd, die door de rondreizende zangers van Wallis en Bretagne
+gezongen werden met begeleiding van de harp. Deze liederen, de bekende
+"lais bretons", werden gewijzigd en verspreid door Fransche zangers,
+tot ze eindelijk in handen vielen van dichters, die ze omwerkten tot
+een samenhangend geheel. Zoodoende ontstonden de eerste Tristan-romans,
+waarvan, zooals we zullen zien, fragmenten zijn overgebleven.
+
+Langen tijd hield de theorie van Gaston Paris stand, maar allengs
+begonnen zich stemmen daartegen te verheffen, die zelfs voortkwamen uit
+den kring van zijne eigen leerlingen. Deze legden hunne denkbeelden
+neer in eene reeks artikelen in "Romania" XV en XVI. Vooraan onder
+hen staat Joseph Bédier, wiens naam door allen, die de Tristan-sage
+kennen en bewonderen, met eerbied dient genoemd te worden. Zijne
+theorie omtrent het ontstaan der legende is te vinden in het tweede
+deel zijner uitgave van een der eerste Fransche Tristan-gedichten,
+n.l. dat van Thomas, een Normandisch dichter uit de 12e eeuw. Bédier
+onderscheidt drie tijdperken in den ontwikkelingsgang der sage. Volgens
+hem stamt onze held uit het hooge Noorden van Groot-Brittannië, waar
+wij zijn naam onder den vorm van "Drostân" [26] aantreffen als dien van
+een geliefd held bij de volksstammen der Picten en Schotten. Aan de
+Kelten uit het Zuiden van Engeland, uit Wallis, komt de eer toe, den
+naam van dien Schotschen held te hebben verbonden met dien van koning
+Mark van Cornwallis en daardoor den eersten stoot te hebben gegeven
+tot de vorming der later zoo beroemd geworden Tristan-sage. Op welke
+wijze nu geraakte deze bekend onder de Fransche dichters, die haar in
+de 12e eeuw tot onderwerp hunner verzen maakten? Om Bédier's verklaring
+hiervoor begrijpelijker te maken, brengt hij ons eerst in herinnering,
+welk eene nauwe gemeenschap in de 10e en 11e eeuw bestond tusschen
+Bretagne en Normandië. De regeerende huizen van deze beide landen waren
+onderling meerdere malen door huwelijken verbonden en jaar in jaar uit
+waren de Bretonsche "jongleurs", zooals zij genoemd werden, naar het
+naburige hertogdom getrokken, waar zij eene warme ontvangst vonden
+in de kasteelen der Normandische edelen. Wie waren die Bretonsche
+jongleurs? Afstammelingen van de Kelten uit Groot-Brittannië, die in
+de 6e eeuw de wijk hadden genomen naar Bretagne, om te ontkomen aan
+de vervolgingen der Angelen en Saksen. Toen dus die "jongleurs" na den
+slag bij Hastings hunne meesters, de Normandische edellieden, die tot
+het gevolg van Willem den Veroveraar behoorden, naar Engeland volgden,
+sloten zij zich daar spoedig aan bij de volksdichters en zangers,
+aan wie zij zich door hunne afkomst nauw verwant voelden. Zij leerden
+van hen verscheidene oude legenden en overleveringen, waarmede zij
+hunne Bretonsche verhalen aanvulden en uit deze vermenging ontstond de
+beroemde "matière de Bretagne", welke zulk eene hooge plaats inneemt
+in de middeleeuwsche letterkunde. Zoo ontstond ook volgens Joseph
+Bédier, de Tristansage, zooals wij die kennen en bewonderen.
+
+Uit het eerste, het Pictische tijdperk der legende, dagteekent, zooals
+reeds vermeld is, de naam van den held: "Drostân". In het tweede,
+dat, waarin de Kelten uit Wallis en Cornwallis den grondslag legden
+tot de eigenlijke sage, vinden wij dien naam terug als "Drystan". Deze
+"Drystan ab Tallwch" wordt in de Triaden van Wallis genoemd als een der
+kampioenen van Arthurs hof. [27] Ook wordt hem de twijfelachtige eer
+toegekend van een der beste zwijnenhoeders van het land te zijn. In een
+der Triaden wordt beschreven hoe Drystan den zwijnenhoeder van koning
+March ab Meirchion met een brief naar koningin Essylt zendt. Hijzelve
+zal in dien tusschentijd zijne taak overnemen en zóó goed kwijt hij
+zich daarvan, dat nòch Arthur, nòch Mark, nòch Key erin slagen kunnen
+hem eene zijner zeugen afhandig te maken.
+
+Welke zijn nu de Keltische, welke de Fransche bestanddeelen in de
+sage, zooals die door de eeuwen heen tot ons gekomen is? In zijne
+meening hieromtrent wijkt Bédier, en met hem andere geleerden, zooals
+Golther en Ferdinand Lot, af van de inzichten van Gaston Paris. Één
+voor één bestrijdt Bédier de vele voorbeelden, die zijn leermeester
+aanvoerde, om den Keltischen oorsprong der sage te bewijzen, tot er
+slechts enkele overblijven, welke door hem werkelijk als zoodanig
+worden erkend. De wijze, waarop hij dit doet en de houding, die hij
+daarbij tegenover de denkbeelden van zijn geliefden meester aanneemt,
+spreekt van eerbiedig ontzag voor de fijn gevoelde opvattingen van
+diens betoog, welken hij echter meer dichterlijke schoonheid dan
+volkomen betrouwbaarheid toekent.
+
+Volgens Bédier betreffen de Keltische bestanddeelen slechts den
+uiterlijken vorm der sage. Wat deze aan dichterlijke waarde en
+innerlijke schoonheid bezit, ligt echter in den zielestrijd der
+beide gelieven, die zich eensdeels gebonden voelen door de wetten
+en gebruiken van de samenleving, waarin zij leven, anderdeels, door
+hunnen hartstocht gedreven, die wetten steeds met voeten treden. Daar
+nu volgens Bédier de huwelijksband onder de Kelten zeer los was,
+wat hij bewijst door eene aanhaling uit de wetten van koning Howel
+den Goeden, moet datgene, wat de sage hare grootste bekoring gaf,
+eraan toegevoegd zijn in Frankrijk, in eene christelijke samenleving
+en door iemand met een fijn-besnaard, dichterlijk gemoed. In een
+volgend hoofdstuk van zijne studie toont Bédier aan, dat, dank zij
+de verschillende critische uitgaven der oude Tristan-gedichten, de
+theorie, dat de "lais bretons" de grondstof voor deze gedichten zouden
+hebben geleverd, meer en meer op den achtergrond wordt gedrongen. Uit
+eene vergelijking der bestaande gedichten blijkt het verband, dat
+tusschen deze onderling bestaat en daardoor wordt hunne schijnbare
+zelfstandigheid aanmerkelijk verminderd. Ten slotte komt de schrijver
+tot de gevolgtrekking, dat aan al die oude gedichten één enkel,
+verloren geraakt gedicht ten grondslag moet liggen, dat in het begin
+der 12e eeuw door een man van genie vervaardigd werd. Ook hierin,
+zien wij, is hij het oneens met Gaston Paris, die de "lais bretons"
+als bron voor de Fransche gedichten beschouwde.
+
+Bovenstaande theorie van Bédier, die op heldere wijze door Professor
+van Hamel is uiteengezet in zijn Gidsartikel, getiteld: "Middeleeuwsche
+Tristan-romans" (Gids, 1905, 477-516), wordt in hoofdtrekken door vele
+andere geleerden gedeeld. Zoo pleit ook W. Golther in zijne studie:
+"Tristan und Isolde in den Dichtungen des Mittelalters und der neueren
+Zeit" (Leipzig, Hirzel, 1907) voor de stelling, dat de verschillende
+fragmenten der eerste Tristan-romans terug te brengen zijn tot één
+oorspronkelijk werk, waar ze alle op berusten.
+
+In de laatste jaren zijn de denkbeelden van Bédier en Golther van
+verschillende zijden aangevallen. Onder de velen, die over dit
+onderwerp geschreven hebben, noemen wij slechts M. J. Loth, die in
+zijne "Contributions à l'étude des Romans de la Table Ronde" (Paris,
+Champion 1912) met kracht Bédiers bewering bestrijdt, als zouden de
+huwelijkswetten bij de Kelten weinig bindend zijn geweest. Integendeel,
+zoo zegt de schrijver, trouwbreuk werd bij hen als een ernstig vergrijp
+beschouwd en ook zeer streng gestraft. Bovendien tracht hij aan te
+toonen, dat de Tristan-legende stamt uit Cornwallis; hij verwerpt den
+Pictischen oorsprong van den naam Tristan, welken hij phonetisch
+onverklaarbaar acht. Ook de andere eigennamen, die in de sage
+voorkomen, zoomede het feit, dat men in de bestaande gedichten eene
+mengeling van Keltische, Angelsaksische en Fransche namen aantreft,
+bevestigen volgens hem de waarheid zijner stelling. Ten slotte zij
+hier nog vermeld het werk van Miss G. Schoepperle: "Tristan and Isolt,
+a Study of the source of the romance", 2 vol., Frankfort en Londen,
+1913. In dit lijvige boekdeel komt de schrijfster tot eene slotsom,
+die het midden schijnt te houden tusschen de theorieën van Gaston
+Paris en die van Bédier.
+
+In tegenstelling met den laatste kent zij groote waarde toe aan de
+Keltische elementen in de sage, welke volgens haar veel talrijker
+zijn dan Bédier meent. Om te bewijzen, dat zij werkelijk aanspraak
+kunnen maken op den naam van Keltisch, toetst zij ze aan de oud-Iersche
+handschriften, welke aanmerkelijk ouder en daardoor betrouwbaarder zijn
+dan die uit Wallis en Cornwallis, welke bijna alle Franschen invloed
+vertoonen. De schrijfster vindt dan vele punten van overeenstemming
+tusschen de feiten, vermeld in de Tristan-sage en die, welke zij in
+de oud-Iersche handschriften beschreven ziet.
+
+Zij komt dan tot de gevolgtrekking, dat de Tristan-legende ontstaan
+is in de Keltische letterkunde, maar dat zij in de gedaante, waarin
+zij in de gedichten tot ons is gekomen, beschouwd moet worden als
+eene zuiver Fransche schepping.
+
+Welke zijn nu die gedichten?
+
+Het oudste, bestaande gedicht over de Tristan-sage is dat van een
+Normandisch schrijver, Béroul genaamd, en dagteekent ongeveer uit het
+jaar 1165. Zijn werk bleef onvoltooid, maar werd tegen het einde der
+12e eeuw van een slot voorzien door een dichter, wiens naam onbekend
+is gebleven. Van Béroul's werk is een fragment van ongeveer 3000
+regels bewaard gebleven; dit werd de bron voor de eerste bewerking
+der sage in Duitschland. Hiermede wordt bedoeld het werk van Eilhart
+von Oberge, een vazal van Hendrik den Leeuw, hertog van Brunswijk,
+die zijn gedicht geschreven moet hebben tusschen 1190 en 1213.
+
+Belangrijker dan het werk van Béroul is dat van den dichter Thomas,
+langen tijd genoemd Thomas van Brittannië, die omstreeks 1170 in
+Engeland zijn beroemd geworden, "poème de Tristan" schreef. [28]
+Den inhoud van zijn gedicht kennen wij behalve uit de oorspronkelijke
+fragmenten [29], uit vijf navolgingen. Deze zijn:
+
+1e. eene Noorsche proza-vertaling, geschreven in het jaar 1226 door een
+zekeren broeder Robert, op verzoek van koning Haakon V van Denemarken
+(1217-1263). In tegenstelling met de andere navolgingen van het
+Fransche gedicht is deze vertaling een volledig geheel en geeft ons
+daardoor het meest getrouwe beeld van den oorspronkelijken tekst.
+
+2e. Het groote romantische dichtwerk van Gottfried von Straszburg,
+geschreven in de eerste helft der 13e eeuw. Het beschrijft
+de geschiedenis tot het huwelijk van den held met Isolde van
+Bretagne. [30] Juist op dit punt beginnen de fragmenten van het
+oorspronkelijke gedicht, zoodat eene vergelijking tusschen het werk
+van Gottfried en dat van Thomas slechts over een honderdtal regels
+gemaakt kan worden.
+
+3e. Als derde groote navolging van het Fransche werk dient genoemd
+het Middel-Engelsche gedicht: "Sir Tristrem", dat geschreven werd
+in het Noorden van Engeland tegen het einde der 13e eeuw. Het werd
+voor de eerste maal uitgegeven in 1804 door niemand minder dan Sir
+Walter Scott. Hij gaf het den voormelden naam, verdeelde het in drie
+afdeelingen, voegde het ontbrekende slot er aan toe, geschreven
+in dezelfde versmaat als het overige gedeelte--en verklaarde ten
+slotte, dat de schrijver ervan was: Thomas van Ercildoune, ook wel
+genoemd Thomas de Rijmer. Deze verklaring is later meermalen in
+twijfel getrokken en thans neemt men algemeen aan, dat de schrijver
+onbekend gebleven is en dat de naam Thomas, die tot drie maal toe in
+het gedicht voorkomt, betrekking heeft op den Franschen schrijver.
+
+De beide overige navolgingen zijn van minder belang dan de drie
+bovengenoemde.
+
+Het zijn: 4e een kort gedicht, getiteld: "La Folie Tristan" (bewaard in
+het z.g. Douce H. S.) en eenige hoofdstukken [31] in het Italiaansche
+proza-werk "La Tavola Ritonda".
+
+Eene vergelijking tusschen de gedichten van Béroul en Thomas zou buiten
+het bestek dezer inleiding gaan, toch dient hier met een enkel woord
+vermeld, dat zij een geheel verschillenden geest ademen. Bérouls
+opvatting van het gegeven is eenvoudiger, primitiever dan die van
+Thomas. De eerste gevoelt eene behoefte om de beide gelieven te
+beschermen tegen de beschuldigingen, waaraan hunne zondige liefde
+hen blootstelt. Daarom laat hij den noodlottigen invloed van den
+liefdesdrank slechts vier jaren duren; nadien, ontslagen van den
+bovennatuurlijken dwang, die op hen werd uitgeoefend, krijgen zij
+beiden berouw over wat zij gedaan hebben en beginnen een nieuw leven.
+
+In het werk van Thomas daarentegen vinden we geen spoor van eenige
+poging tot verontschuldiging der beide hoofdpersonen. Zijn gedicht is
+eene verheerlijking der liefde, de liefdesdrank is het zinnebeeld
+van haar goddelijk recht. Ook spreekt er uit dit dichtwerk een
+geest van beschaving en hoofschen sier, die geheel ontbreekt in
+den eenvoudigen verhaaltrant van Béroul. Al wat ruw en onbeholpen
+was in de oude sage heeft Thomas zorgvuldig eruit verwijderd en de
+dichter verdiept zich met wellust in de spitsvondige woordspelingen
+en nauwkeurige gevoelsontledingen, welke zoo kenschetsend zijn voor
+den tijd, waarin hij schreef. Dat daardoor het verhaal dikwijls iets
+van zijn roerenden eenvoud en innige bekoring inboet, is licht te
+begrijpen, al staat daartegenover, dat het wint aan duidelijkheid en
+waarschijnlijkheid van gegeven.
+
+Men kan zich voorstellen, dat de sage van Tristan en Isolde,
+de ontleding en beoordeeling van hunne gevoelens, spoedig na het
+verschijnen van het gedicht van Thomas, een geliefd onderwerp moet
+zijn geworden voor eindelooze besprekingen en beschouwingen. Dat
+velen aan het verhaalde aanstoot namen blijkt uit het feit, dat
+Chrétien de Troies, de beroemde Fransche hofdichter, een gedicht
+schreef: "Cligés", waarin hij aantoonde, hoe Tristan en Isolde hadden
+behooren te handelen. [32] Zooals reeds elders vermeld staat, [33]
+deelde Chrétien, hoewel hij leefde aan het hof van gravin Marie van
+Champagne, niet de inzichten zijner meesteres, die meende, dat ware
+liefde onvereenigbaar was met het huwelijk. In zijne beste gedichten
+verheerlijkt Chrétien dan ook de echtelijke liefde, of die, welke hare
+hoogste volmaking in het huwelijk vindt. Wel kunnen zijne bezwaren
+tegen het thema der Tristan-sage ook gedeeltelijk zijn voortgekomen
+uit eene zekere "jalousie de métier", want ook hij had een gedicht
+over dit onderwerp geschreven, dat niet veel opgang schijnt te hebben
+gemaakt. Dit gedicht zelf is helaas verloren gegaan, wij vinden er
+slechts eenige toespelingen op in "Erec", het eerste bestaande gedicht
+van Chrétien's hand.
+
+De werken van Béroul en Thomas vormen de bestaande dichterlijke
+vertolkingen van de Tristan-sage in de Fransche letterkunde der
+middeleeuwen. [34]
+
+Daarnaast staat de groote Fransche proza-roman: "Tristan". Hier wordt
+alle aandacht van den lezer gevraagd voor den wedijver tusschen
+Lanceloet en Tristan en voor een verward relaas van de avonturen
+dezer beide helden, waarin de meest aandachtige lezer meermalen den
+draad van het verhaal dreigt te verliezen.
+
+De karakters der hoofdpersonen, vooral dat van koning Mark, hebben
+in den proza-Tristan eene merkbare verandering ondergaan. Isolde's
+echtgenoot wordt erin beschreven als een booze tiran, die zich door
+lafhartig bedrog en slinksche streken den haat en verachting van
+zijne onderdanen op den hals haalt. Ook onze held wordt er eenigszins
+anders in voorgesteld, hij is niet zoo standvastig in zijne liefde
+voor Isolde als in de andere werken, de vijandschap tusschen hem en
+zijn oom ontstaat gedeeltelijk uit hun beider wedijver om de gunsten
+van de schoone vrouw van Heer Segwarides. Door deze veranderingen
+verliest de liefde tusschen Tristan en Isolde veel van hare noodlottige
+schoonheid, maar zij bekleedt ook niet langer eene eerste plaats
+in het verhaal, Tristans heldendaden en krijgsavonturen hebben haar
+daarvan verdreven. In den proza-roman missen we ook de ontroerende
+beschrijving van Tristans dood. Zijn einde vindt hier plaats onder
+geheel andere omstandigheden dan in het oude verhaal; hij wordt door
+koning Mark in den rug gedood, terwijl hij op de harp zit te spelen
+voor koningin Isolde.
+
+Onder de Middel-Engelsche gedichten is "Sir Tristrem" vreemd genoeg
+het eenige, dat aan de lotgevallen van onzen held gewijd is, alleen
+beslaat het verslag van zijne lotgevallen een belangrijk deel van de
+"Morte d'Arthur" van Thomas Malory, die zijne wedergave van de legende
+ontleent aan den Franschen prozaroman. Hij verhaalt echter slechts de
+helft van het verhaal, dan breekt hij den draad plotseling af om zich
+te verdiepen in de geschiedenis van den Graal. Eenige hoofdstukken
+verder vinden wij dan terloops het treurig einde van den held in een
+paar regels vermeld.
+
+Na de 15e eeuw valt er over geheel Europa eene vermindering van
+belangstelling waar te nemen voor de oude ridderverhalen. [35] In
+dit lot deelde ook de Tristan-sage; gedurende eenige eeuwen wordt
+het oude verhaal door de dichters en schrijvers veronachtzaamd. Toen
+echter gedurende de 18e eeuw de belangstelling voor alles wat de
+Middeleeuwen betrof, allengs herleefde, werden ook de oude sagen
+en legenden opnieuw ter hand genomen. Zoo mogen wij in de 19e eeuw
+spreken van eene wedergeboorte der Tristan-sage en de gelieven van
+Cornwallis werden op velerlei wijze door dichters van verschillenden
+landaard bezongen.
+
+Het zou onmogelijk zijn, eene volledige opsomming te geven van alles,
+wat er in de afgeloopen eeuw over deze sage geschreven is, daarom
+noemen wij hier slechts een enkele onder de velen, die haar tot het
+onderwerp hunner scheppingen hebben gemaakt.
+
+In Duitschland verschenen in de 19e eeuw niet minder dan drie
+vertalingen van Gottfried von Straszburg's meesterwerk. De schrijvers
+hiervan zijn Karl Simrock, Hermann Kurz en Wilhelm Herz; vooral deze
+laatste moet geprezen worden om de meesterlijke wijze, waarop hij
+zich van zijne taak heeft gekweten. Ook dient hier melding gemaakt
+van eene Engelsche prozavertaling van Gottfrieds werk, van de
+hand van Jessie Weston, welke bij David Nutt, Londen, in eene zeer
+aantrekkelijke uitgave is verschenen. De groote belangstelling, die
+men in de afgeloopen eeuw in Duitschland voor de Tristan-sage voelde,
+kwam op edele wijze tot uiting in Richard Wagner's muziekdrama:
+"Tristan und Isolde", waarvan de eerste opvoering in 1859 plaats
+vond. Met een te bewonderen inzicht heeft de dichter-componist drie
+episodes uit het oude verhaal gekozen en is erin geslaagd om ons in
+drie akten niet slechts de uiterlijke feiten van eene noodlottige
+liefdesgeschiedenis voor oogen te voeren, maar ons tevens een blik te
+doen slaan in den strijd en de aandoeningen van eene menschelijke ziel,
+die tot in haar diepste wezen geroerd wordt door de macht van eene
+allesoverheerschende liefde. Het nauwe verband tusschen die liefde
+en den dood kan beschouwd worden als het "Leitmotif" van deze kunst
+schepping. Als Isolde stervend neerzinkt op het doode lichaam van haren
+geliefde en hare ziel uitstort in een laatste lied van hartstochtelijke
+liefde, voelen wij, dat dit het hoogtepunt is van de handeling,
+waar al het gebeuren van den aanvang af op gericht is geweest.
+
+In de Engelsche letterkunde vinden wij in de 19e eeuw de geschiedenis
+van Tristan en Isolde terug onder Tennyson's Koningsidyllen. De
+wijze, waarop hij het schoone gegeven behandelt, doet den smaak en
+het letterkundig gevoel van den dichter geen eer aan. Hij gebruikt
+de legende om aan te toonen tot welk een toestand van verval en
+verdorvenheid het hof van koning Arthur is afgedaald en daarom
+beschrijft hij de liefde tusschen Tristan en Isolde als eene van die
+zondige verhoudingen, waartoe het slechte voorbeeld van Lanceloet en
+Ginevra aanleiding had gegeven. Dat hij het noodig heeft gevonden
+om daartoe eene der schoonste en teederste liefdesgeschiedenissen,
+die de wereld ooit gekend heeft, te verminken en te bederven, wekt
+niet alleen onze verbazing, maar ook onze verontwaardiging op.
+
+Twee andere Engelsche dichters hebben in de afgeloopen eeuw de liefde
+van Tristan en Isolde bezongen: Matthew Arnold in zijn gedicht:
+"Tristram and Iseult" en Algernon Charles Swinburne in "Tristram of
+Lyonnesse". Onder hun bijna overeenstemmende titels vertoonen deze
+beide gedichten groote verschilpunten, die te verklaren zijn uit den
+verschillenden aanleg der beide dichters. Arnold's gedicht is slechts
+een fragment; het beschrijft de laatste levensdagen van den held in
+zijn eenzaam slot aan de kust van Bretagne, de komst van Isolde van
+Ierland, het sterven der beiden en het eenzaam achterblijven der jonge
+weduwe: Isolde van Bretagne. Zijne opvatting van het oude verhaal wijkt
+af van die, welke algemeen door de dichters gehuldigd is. Arnold's
+strenge opvatting van 's menschen zedelijke plichten maakt het hem
+onmogelijk om deelneming te gevoelen voor het lijden en de smart der
+beide gelieven, zijne sympathie is geheel aan de zijde der andere
+Isolde, die hij beschrijft als eene zachte, teedere vrouw en eene
+liefhebbende moeder voor hare twee kinderen. Arnold's pessimistische
+levensbeschouwing draagt er toe bij, dat hij ons niet den tijd voor
+oogen voert, toen de liefde het leven van Tristan en Isolde ondanks
+al hunne moeilijkheden tot iets schoons en heerlijks maakte, maar
+veeleer hun treurig einde toont als een bewijs, waartoe de mensch
+gedreven wordt, die zijne lusten en begeerten den vrijen teugel laat.
+
+Geheel verschillend van opvatting is Swinburne's "Tristram of
+Lyonesse". Het gedicht bestaat uit negen zangen, voorafgegaan door
+eene inleiding, eveneens in dichtmaat, welke ons eene verheerlijking
+der liefde geeft.
+
+Het gegeven is er een, dat bij uitstek geschikt is om door dezen
+dichter bezongen te worden. Met wellust stort hij er al den gloed
+en kleurenrijkdom van zijn woordenschat, de verrassende schoonheid
+zijner beeldspraak op uit. Het gedicht begint met Tristan's reis van
+Ierland naar Cornwallis; van wat er daarvóór is geschied hooren wij
+niets, al de belangstelling van den lezer wordt samengetrokken op
+de liefdesgeschiedenis van den held. In regels van groote schoonheid
+beschrijft hij de gevoelens der verschillende hoofdpersonen en door
+alle gebeurtenissen heen voelen wij hoe de invloed van den noodlottigen
+liefdesdrank hen voortdrijft door een leven van lijden en smart
+naar een ontijdigen dood, uiting van Swinburne's fatalisme. Door het
+gansche gedicht klinkt als een achtergrond voor den zielestrijd der
+beide gelieven het ruischen der machtige zee, die de dichter boven
+alles liefhad. Dat hij dit motief telkens en telkens weer in zijn
+werk bezigt, is niet meer dan natuurlijk, want de zee speelt eene
+groote rol in het drama van Tristan en Isolde. Daarom is het zeer
+goed gezien van Swinburne, dat hij hen ten slotte laat rusten in den
+schoot der golven, grootscher en waardiger rustplaats zouden wij ons
+moeilijk kunnen voorstellen.
+
+Voor een laatsten blik op het leven van onzen held keeren wij een
+oogenblik terug naar Frankrijk, het land, waar zijne lotgevallen
+voor het eerst werden bezongen. In 1900 verscheen aldaar een werk
+geschreven door denzelfden Joseph Bédier, wiens naam hierboven reeds
+meermalen vermeld werd, hetwelk een ieder in staat stelt de schoonheid
+der oude legende volop te genieten. De schrijver heeft getracht, en
+is er meesterlijk in geslaagd, om uit de verschillende middeleeuwsche
+fragmenten een proza-roman samen te stellen, geschreven in hedendaagsch
+Fransch, maar in den geest der oude tijden. Wie het werk niet kent,
+herstelle dit verzuim zoo spoedig mogelijk, want de schoone taal en
+inhoud maken het lezen ervan tot een hoog genot. [36]
+
+Het boek bevat eene voorrede van Gaston Paris, waarin de
+belangstellende lezer eene uiteenzetting vindt van de wijze, waarop
+het werk tot stand is gekomen. Naar die inleiding verwijzen wij ook
+diegenen, die een antwoord verlangen op onze tweede vraag, waarom
+deze legende, meer dan alle andere verhalen uit vervlogen tijden,
+de bewondering der menschen telkens weder opnieuw voor zich heeft
+weten te winnen. Wie zou hare zaak waardiger en schooner weten te
+bepleiten dan de man, die zich zoo zeer beijverd heeft om haar aan
+de vergetelheid te ontrukken en de belangstelling zijner tijdgenooten
+voor haar wakker te maken?
+
+
+
+In de volgende bladzijden wordt de Tristan-sage in hoofdzaak
+weergegeven, zooals zij in de gedichten van Thomas en diens navolgers
+te vinden is.
+
+De beschrijving, hoe Tristan, als nar vermomd, na zijn huwelijk naar
+Tintagel terugkeert, om Isolde nog eenmaal te zien, is eene toevoeging
+uit andere bron; dit feit wordt slechts vermeld in twee episodische
+gedichten, in het werk van Eilhart von Oberge en in den proza-roman.
+
+
+
+
+
+DE SAGE VAN TRISTAN EN ISOLDE.
+
+
+ "Iseult ma drue, Iseult m'amie,
+ En vus ma mort, en vus ma vie."
+
+ (Thomas: "Roman de Tristan").
+
+
+_Hoe graaf Rivalin van Ermonie naar het hof van koning Mark kwam,
+om zich de hoofsche gebruiken eigen te maken._ Lange jaren geleden
+leefde er in Ermonie, eene landstreek van het hertogdom Bretagne,
+een jong en dapper edelman, Rivalin genaamd. Ondanks zijn jeugdigen
+leeftijd werd hij alom geprezen als een toonbeeld van ridderlijke
+deugden en vele ridders trokken op naar zijn burcht, om onder zijne
+leiding zich te bekwamen in de kundigheden, die het een ridder past,
+zich eigen te maken. Behalve over het erfdeel zijner vaderen, voerde
+de jonge graaf het bestuur over een aanzienlijk grondgebied, dat
+behoorde aan zijn leenheer, hertog Morgan. Deze laatste nu werd door
+het gansche volk gehaat en gevreesd om zijne hardheid en wreedheid,
+geen wonder dus dat Rivalin steeds op middelen zon, om zich van
+den drukkenden last van zijn leenmanschap te bevrijden. Toen hij
+daarom den volwassen leeftijd had bereikt en zag, hoe zijne ridders
+en dienaren hem aanhingen in trouw en genegenheid, besloot hij eene
+kans te wagen om dien gehaten druk van zijne schouders te werpen. In
+alle stilte maakte hij zich op ten strijde en toen hij de kans schoon
+zag, deed hij geheel onverwachts een inval in het land van hertog
+Morgan. Zoozeer waren zijne volgelingen bezield met moed en bewondering
+voor hunnen jongen heer en zóózeer haatten zij den boozen hertog,
+dat de in aantal veel sterkere strijdkrachten van dezen laatste in
+verwarring op de vlucht sloegen voor hun onstuimigen aanval. Weldra
+was Rivalin met zijn leger genaderd tot voor de poorten der hoofdstad
+en hertog Morgan, wilde hij eene smadelijke overgave voorkomen,
+moest wel toestemmen in de voorwaarden, die zijne belegeraars hem
+oplegden. Uiterlijk kalm, maar inwendig kokend van woede en wraaklust,
+teekende hij het gezegeld document, dat Rivalin's onafhankelijkheid
+bekrachtigde. Daarop trok deze met zijn leger terug naar Ermonie,
+waar hij met gejuich en eerbetoon door het volk begroet werd.
+
+Na eenige jaren rustig over zijn land geregeerd te hebben, voelde
+Rivalin een drang in zich ontwaken, om de wereld in te trekken en
+vreemde landen en volkeren te leeren kennen. Hij gevoelde zich beklemd
+door de enge grenzen van zijn graafschap en eene kwellende onrust
+maakte zich meester van zijn gemoed, waar tot heden slechts geluk en
+tevredenheid hadden gezeteld. De hulde en eerbied van zijne onderdanen
+voldeden hem niet langer; het verdroot hem om steeds de eerste te
+zijn, voor wien alles zich boog in nederige onderworpenheid, ook hij
+wilde op zijne beurt dienen, maar dan één, die hooger, machtiger en
+sterker was dan hij.
+
+Daarom besloot hij het bestuur over zijn land voor eenigen tijd toe
+te vertrouwen aan Rohand, zijn trouwsten dienaar en zich met eenige
+volgelingen op reis te begeven naar het rijk van koning Mark van
+Cornwallis, aan wiens hof, zoo zeide men, de dapperste ridders ter
+wereld te vinden waren.
+
+Hij koos dus een twaalftal zijner meest geliefde ridders uit en beval
+hen, zich reisvaardig te maken, tevens liet hij een schip uitrusten
+en bevrachtte het met eene lading van kostbare geschenken. Op een
+mooien lentemorgen ging het gezelschap aan boord en stevende met een
+gunstigen wind de haven uit. Na eene voorspoedige zeereis kondigden
+de wachters tegen het vallen van den avond aan, dat er land in 't
+zicht was, men liet het anker vallen, daar het onmogelijk was om
+in de vallende duisternis eene veilige landingsplaats te vinden,
+en eerst den volgenden morgen vroeg werd de reis voortgezet.
+
+Steil en ongenaakbaar rezen de hooge rotsen van Cornwallis omhoog uit
+de zee, die zich als een onmetelijk blauw vlak tot aan den horizon
+uitstrekte. Geen windje beroerde den waterspiegel, slechts aan den
+voet der grijze rotswanden krulde een witte rand schuim. Hoog boven
+de zee op een der hoogste klippen, wier wanden schier loodrecht uit
+het water oprezen, lag het kasteel van Tintagel, waar koning Mark
+den langsten tijd van het jaar verblijf placht te houden. Trotsch en
+ontoegankelijk als de rots, waarop het rustte, bood het slot inderdaad
+eene geschikte woning aan voor een machtig vorst. De hooge muren waren
+opgetrokken uit den grijzen rotssteen, waarmede zij één geheel schenen
+uit te maken, de smalle vensters waren verscholen in diepe nissen en
+reeds bij den eersten aanblik zag men, dat noch de woede der elementen,
+noch de stormrammen van vijandelijke aanvallen in staat zouden zijn,
+om deze muren te doen bezwijken.
+
+Eerbiedig staarden de schepelingen omhoog naar het fiere slot,
+van welks hoogsten toren de koninklijke standaard uithing. Nadat
+zij eenigen tijd heen en weer gekruist hadden, bemerkten zij, hoe
+op één punt, waar de rotsen een natuurlijken inham vormden, eene
+breede trap was uitgehouwen, welke toegang tot het kasteel scheen
+te verleenen. Weldra lag het schip voor anker en zond Rivalin
+twee boodschappers omhoog, die koning Mark zijn bezoek moesten
+aankondigen. Na verloop van eenigen tijd keerden zij terug, gevolgd
+door een aantal ridders, die den jongen graaf op de meest hoffelijke
+wijze verzochten, hen naar den koning te volgen.
+
+Gaarne gaf Rivalin gehoor aan dat vriendelijke verzoek en steeg met
+zijne begeleiders langs de breede trappen omhoog. Hoe klopte daarbij
+zijn hart van vreugdevolle verwachting, nu hij op het punt stond zijne
+droomen en verlangens der laatste jaren in vervulling te zien gaan!
+
+Op het ruime voorplein van het koninklijk slot stond een uitgelezen
+gezelschap van hovelingen en ridders geschaard om den jongen koning,
+wiens tengere gestalte gehuld was in een ruim kleed van purperen
+zijde. Zijne gelaatstrekken waren scherp en onregelmatig, onder de
+zware, donkere wenkbrauwen lichtten de oogen met een onrustigen glans
+en om de smalle lippen speelde een weemoedige glimlach. Eerbiedig
+naderde Rivalin zijn koninklijken gastheer, wiens roem ook tot zijn
+afgelegen graafschap was doorgedrongen. Dit was dus koning Mark,
+hij, van wiens dapperheid en moed de rondreizende zangers plachten
+te gewagen en wiens hoffeesten zij in hunne gedichten in gloeiende
+kleuren bezongen.
+
+In leeftijd verschilde hij niet veel van Rivalin, maar toch groefden
+zich reeds diepe lijnen om den mond van den jongen vorst, die schenen
+aan te duiden, dat eene kroon soms zwaarder drukken kan, dan men
+wel zou gelooven en dat de strijd en de zorgen van het leven ook
+een koning niet bespaard blijven. Thans echter, nu hij naar voren
+trad om zijn gast te begroeten, verdreef een vriendelijke glimlach
+den bitteren trek van Mark's gelaat en zijne stem klonk opgewekt,
+toen hij Rivalin welkom heette in zijn kasteel.
+
+Half beschroomd, half vrijmoedig, verhaalde deze toen, wat de reden was
+van zijne komst. Hij zeide, dat hij niet langer tevreden was geweest
+met de trouwe onderdanigheid zijner landgenooten, omdat zijne ziel
+wegkwijnde van verlangen naar ruimer landstreken, waar hij zich het
+gezelschap van dapperder, wijzer en hoffelijker mannen dan hij was,
+ten nutte zou kunnen maken.
+
+Toen hij ophield met spreken, voerde Mark hem aan de hand naar binnen
+in het slot en verzocht hem aan zijne zijde plaats te nemen. Op een
+wenk van Rivalin droegen toen zijne dienaren de koffers met geschenken
+naderbij, die hij van zijn land had medegebracht. Gehoor gevend aan
+zijn bevel, stalden zij een schat van kostbare voorwerpen aan de
+voeten des konings uit: rijk geborduurde mantels en zijden stoffen;
+kannen en drinkbekers van het zuiverste goud; zwaardscheeden,
+bezet met fonkelende edelsteenen, alles hoopte zich op tot eene
+glinsterende massa. Nadat de vorst zijne keuze gedaan en den gever
+zijn minzamen dank betuigd had, deelde Rivalin met kwistige hand
+de overigen geschenken uit onder de aanwezige vrouwen en ridders en
+deze mildheid, gevoegd aan het vriendelijk bescheiden optreden van
+den jongen graaf deden hem terstond een gunstigen indruk maken bij
+de volgelingen des konings. Met algemeene instemming begroetten zij
+dan ook Mark's uitnoodiging aan Rivalin, om voor onbepaalden tijd op
+het slot te gast te zijn.
+
+De weken vlogen om en allengs begon men toebereidselen te maken voor
+het Meifeest, dat steeds met grooten luister aan het hof gevierd
+werd. Naar alle zijden waren uitnoodigingen verzonden om de ridders
+op te wekken tot deelname aan het steekspel, dat de hoofdgebeurtenis
+der feestelijkheden was. Ten einde hierin uit te blinken oefenden de
+hovelingen zich iederen dag op het voorplein van het kasteel, waar
+zij door proeven in het schijfschieten en speerwerpen hun oog vast en
+hunne spieren krachtig en los poogden te maken. Rivalin was met hart
+en ziel betrokken bij de voorbereidselen tot dit groote feest; zijn
+vurigste wensch was om zich in het komende steekspel te onderscheiden
+en onvermoeid begaf hij zich elken dag opnieuw naar het terrein,
+waar de oefeningen gehouden werden. Wanneer hij dan des avonds met
+de andere ridders tezamen zat in de ruime slotzaal, schitterden zijne
+oogen van kracht en levenslust, een blos van gezondheid kleurde zijne
+wangen en zijn scherts en vroolijkheid sleepten het gansche gezelschap
+mede. Menige verstolen blik werd hem toegezonden vanuit den hoek der
+zaal, waar de edelvrouwen bijeen zaten, maar geene, die zóó vaak en
+zóó lang naar hem keek als Blanchefleur, de zuster des konings.
+
+Fijngebouwd en slank was zij, de jonge prinses, en donker van
+haar, gelijk haar broeder, maar hare gelaatstrekken waren zacht
+en vriendelijk en hare oogen spiegelden in hunne kalme onschuld de
+reinheid harer ziel. Na den vroegtijdigen dood harer ouders, die zij
+nauwelijks gekend had, leefde zij aan het hof van haren broeder, waar
+zij in onbezorgde tevredenheid hare kinderjaren gesleten had onder
+de trouwe zorg harer voedster. Steeds was zij gelukkig en tevreden
+geweest en had zij voldoening gevonden in de kalme genoegens van haar
+afgezonderd bestaan: de lange ritten te paard aan de zijde van haar
+broeder, die meestal zwijgend voor zich uitstaarde en haar vroolijk
+gepraat maar half scheen te hooren; het balspel in de tuinen van het
+kasteel met hare vrienden en vriendinnen, die de koning zorgvuldig
+voor haar uitkoos onder de jongere leden der hofhouding en--waar
+zij misschien nog 't meest van genoot--de lange winteravonden,
+als zij in haar torenkamertje zat en luisterde naar de verhalen
+uit lang vervlogen tijd, die hare trouwe verzorgster haar placht te
+vertellen. Dan, terwijl de wind gierde en raasde om de muren van den
+ouden toren, terwijl de meeuwen krijschten en de golven tegen de rotsen
+van Tintagel beukten, zat Blanchefleur aan de voeten der oude vrouw
+en luisterde in gespannen aandacht naar de wonderverhalen over lang
+gestorven ridders en hunne geliefden. Wanneer de vertelster zich dan
+uitputte in wijdloopige beschouwingen over de ongehoorde dapperheid en
+volmaaktheid harer helden, gebeurde het wel eens, dat de gedachten van
+het jonge meisje afdwaalden naar de toekomst, waarin ook zij woorden
+van liefde zou hooren uit den mond van een schoon en edel ridder, die
+om harentwil zou wenschen uit te blinken door daden van grooten moed.
+
+Zoo waren hare kinderjaren verloopen en nu was zij volwassen en sinds
+eenigen tijd had haar broeder haar toegestaan, om deel te nemen aan
+het hofleven met zijne feesten en partijen. Van het oogenblik af,
+dat zij voor de eerste maal, schuchter en blozend, aan de hand des
+konings in het openbaar was verschenen, had men haar gehuldigd zooals
+men dat aan haren rang verschuldigd was, maar het duurde niet lang,
+of zij had bovendien aller harten gewonnen door hare eenvoudige
+lieftalligheid. Spoedig waren van wijd en zijd mededingers naar hare
+hand komen opdagen, maar tot nu toe had zij ze allen vriendelijk,
+maar beslist afgewezen. Zij voelde zich volmaakt gelukkig in het slot
+te Tintagel, waar iedereen zich vriendelijk en welwillend jegens haar
+betoonde en waar zij in kalme tevredenheid voortleefde, bewaakt en
+verzorgd door de vrienden harer kindsheid.
+
+Maar vreemd, sinds eenigen tijd scheen het, of die rust en kalmte haar
+niet langer bevredigden. Wanneer zij met haar borduurraam was gezeten
+onder de groote boomen van het slotpark, dat aan de achterzijde van
+het kasteel langs de berghelling omlaag glooide, en luisterde naar
+de eentonige stem harer voedster, die de levensgeschiedenis van den
+een of anderen heilige voorlas, gebeurde het soms, dat zij, gedreven
+door een plotselingen tegenzin, het werk van haar schoot wierp, in
+eene bui van uitgelatenheid de arme vrouw om het middel greep en een
+wilden rondedans met haar uitvoerde. Dan weer kon zij urenlang met
+de handen in den schoot zitten peinzen, zij, die anders de ziel van
+het gezelschap was. Hare vrienden en bloedverwanten verbaasden zich
+weliswaar over de verandering, die in Blanchefleur had plaatsgegrepen,
+maar schreven die toe aan uiterlijke omstandigheden, zonder de ware
+oorzaak te vermoeden. Ook het jonge meisje zelve verkeerde daaromtrent
+geheel in 't duister, zij gaf zich geen rekenschap van wat er in haar
+omging en liet zich slechts gaan op de stemming van het oogenblik.
+
+Zoo brak de morgen van den eersten Meidag aan, den dag, waarop
+het groote steekspel zou beginnen. De rotsen van Tintagel baadden
+zich in het heldere morgenlicht, de zon goot hare stralen over den
+helderblauwen zeespiegel en over de groene weiden, die tusschen
+de rotsen waren gelegen, boven de glinsterende golfjes en tegen
+de kale rotswanden zwenkten de zeevogels en in de omgeving van het
+koninklijk slot heerschten leven en bedrijvigheid. Het middelpunt van
+al die ongewone drukte op dit vroege morgenuur was een groot veld,
+dat op eenigen afstand van het kasteel op de hoogvlakte lag. Daar
+draafden en zwoegden de knechten en werklieden, om het terrein voor
+het steekspel in gereedheid te brengen; daarheen begaven zich ook de
+poorters van de naburige kasteelen, die met hunne gezinnen naar het
+schouwspel kwamen kijken. In het midden van het veld was een vierkant
+stuk land opengehouden, dat als strijdperk dienst zou doen, terwijl
+aan alle klanten eene flinke ruimte voor de toeschouwers beschikbaar
+bleef. In die ruimte, langs één der zijden van het strijdperk, werden
+de tenten opgeslagen voor de leden der hofhouding. In het midden
+prijkte die van den vorst, waar het purperen tentdoek het koninklijk
+wapen, in goud geborduurd, te zien gaf, aan weerszijden stonden de
+tenten der ridders en hovelingen. Toen te twaalf ure de herauten het
+sein gaven, dat de strijd zou beginnen, had zich eene dichte haag van
+toeschouwers rondom het strijdperk opgesteld en ook bij de tenten der
+hofhouding was het een gekrioel van belang. De edelvrouwen hadden zich
+op het gras buiten hare tenten neergezet en geleken in hare kleurige
+kleederen op bontgetinte bloemen. De ridders, die niet aan het tournooi
+deelnamen, of die eerst later op den middag in het perk zouden treden,
+hadden zich aan hare voeten uitgestrekt en poogden door onderhoudende
+scherts hare gunsten te winnen. Hier en daar schoolden eenige jonge
+knapen bijeen en bespraken ijverig de kansen der strijdenden, of
+betastten de wapenrusting der ridders met een gevoel van naijver en
+bewondering. Dichtbij de koninklijke tent troonde Blanchefleur temidden
+harer vrouwen. Nooit had de jonge prinses er schooner en lieftalliger
+uitgezien dan op dezen dag, nu de opwinding over den komenden strijd
+hare wangen zachtrood kleurde en hare oogen heller deed glanzen. Hare
+donkere lokken werden bijeengehouden door een krans van witte rozen
+en een tuiltje van dezelfde bloemen stak tusschen de plooien van haar
+lichtgroen kleed. Vroolijk praatte en lachte zij met hare vriendinnen;
+alle onrust en neerslachtigheid schenen uit hare ziel verdwenen te
+zijn. Indien hare oogen ook gedurig afdwaalden naar het strijdperk,
+vanwaar het gekletter der wapenen en het gestamp der paardehoeven tot
+haar doordrong, welnu, dan was dit toch slechts eene zeer verklaarbare
+belangstelling in den strijd, die aller aandacht vroeg en gold die
+belangstelling ook niet alle dappere helden, die eraan deel namen? Zoo
+sprak en redeneerde het jonge meisje met zich zelve en wilde het
+zich niet bekennen, dat hare oogen onder de strijdenden slechts
+één ruiter zochten, dat hare ooren onder de uitroepen, waarmede de
+omstanders de vechtende ridders poogden aan te moedigen, slechts één
+naam onderscheidden, dien van Rivalin van Ermonie. Zij wilde zich
+verzetten tegen dien onweerstaanbaren drang van haar hart, die haar
+dwong om bij een jachtrit haar paard te sturen in de richting van het
+zijne, om zijne meening te stellen boven die der andere ridders en die
+haar elk feest, elk samenzijn doodsch en vervelend deden voorkomen,
+wanneer hij daarbij niet aanwezig was. En toch, naarmate de strijd in
+hevigheid toenam en ook het gevaar voor de deelnemers grooter werd,
+kon zij hare aandacht al minder en minder bepalen bij de luchtige
+gesprekken der toeschouwers. In angstige spanning hingen hare oogen aan
+die ééne ridderfiguur, wier wuivende vederbos hoog boven de verwarde
+kluwen van vechtende edellieden uitstak. Wanneer hij een oogenblik
+door de opjagende stofwolken aan het oog onttrokken werd, kromp haar
+hart ineen van angstige pijn en ademde zij eerst weer verruimd op,
+wanneer zij hem nog ongedeerd te paard bespeurde. Wat zij de laatste
+weken als eene kwellende onrust gevoeld en bestreden had, werd haar
+met het verstrijken der uren allengs duidelijker. Als eene heldere
+zekerheid drong zich de wetenschap aan haar op, dat zij dezen man lief
+had, zóó lief, dat, wanneer hij in den strijd den dood mocht vinden,
+het leven voor haar alle waarde verloren zou hebben.
+
+Ten slotte was het gevecht beslist en onder de luide juichkreten der
+omstanders verliet Rivalin als overwinnaar het strijdperk. Minzaam
+buigend nam hij de huldebewijzen in ontvangst, en hoewel zijn hart
+onstuimig klopte van trots en voldoening, bleef zijn optreden kalm en
+bescheiden. Toen hij uit de handen des konings den kostbaren gouden
+beker in ontvangst had genomen, die als prijs voor den overwinnaar
+was uitgeloofd, moest hij op weg naar zijne tent voorbij de plek
+komen, waar Blanchefleur gezeten was. Een regen van bloemen begroette
+hem, toen hij langs de groep van edelvrouwen ging en Blanchefleur,
+die hem in spanning had zien naderen, riep hem toe, half ernstig,
+half schertsend: "Heil u! overwinnaar, die den sterksten onder
+onze ridders te sterk is geweest! Vóór gij echter verder gaat,
+zeg mij één ding, waarom gij mij, arme, zwakke vrouw hebt willen
+kwetsen?" "Ik u kwetsen!" herhaalde Rivalin op verbijsterden toon,
+"wanneer en hoe zou ik dat gedaan hebben? Spreek, zoo bid ik u en zeg
+mij, hoe ik dit kwaad, zoo ik het wellicht onbewust bedreven heb,
+ongedaan kan maken!" "Het kwaad is geschied", hernam Blanchefleur,
+"en geene macht ter wereld kan het ongedaan maken, maar let niet op
+mijne woorden, en ga kalm uws weegs. God zegene en behoede u!" Deze
+laatste woorden sprak zij op zachten, innigen toon, daarop boog zij
+het hoofd en Rivalin reed verder. Het was den jongen graaf, alsof hij
+droomde. Wat kon wel de beteekenis zijn van deze geheimzinnige woorden,
+waarin kon hij de prinses, zij die in zijne oogen boven alle vrouwen
+uitstak in liefelijke bekoorlijkheid, gekwetst hebben? En dan die
+zegewensch, op zoo teederen toon uitgesproken, die bijna klonk als
+een afscheid! Peinzend ontdeed Rivalin zich van zijne wapenrusting,
+en zijne vrienden, die naar de tent waren gekomen om hem met zijne
+overwinning geluk te wenschen, vonden hem verstrooid en afgetrokken.
+
+Van dien dag af zocht Rivalin bij alle voorkomende gelegenheden het
+gezelschap van Blanchefleur en het duurde niet lang, of de eerbiedige
+bewondering, welke hij voor de schoone prinses koesterde, groeide aan
+tot liefde. Nog werd er tusschen hen met geen woord gesproken over
+den aard hunner gevoelens, maar nochtans wisten beiden met stellige
+zekerheid, dat hunne harten elkaar toebehoorden. Elke blik, elk woord,
+dat zij wisselden, kreeg eene nieuwe, diepere beteekenis en zoo
+leefden zij voort in een schoonen droom, zonder er zich rekenschap
+van te geven, dat op elken droom, hoe schoon hij ook zijn moge,
+een ontwaken volgt.
+
+Ook bij hen bleef dit niet uit.
+
+Eens op een dag werd koning Mark ontsteld door het bericht, dat een
+zijner machtigste vijanden een verraderlijken inval in zijn land had
+gedaan, waar hij alles verwoestte, wat hem in den weg kwam. Indien de
+koning niet spoedig ingreep, zouden een groot aantal zijner onderdanen
+gedood en het grootste deel zijner bloeiende steden en dorpen in de
+asch gelegd worden. Met bekwamen spoed liet de vorst alles voor den
+veldtocht in gereedheid brengen en begaf zich in allerijl op weg om
+den indringer te weerstaan. Onder de ridders, die zich vol geestdrift
+hadden aangemeld om aan den komenden strijd deel te nemen, bevond zich
+ook Rivalin. Hij was het, die door zijne onweerstaanbare geestdrift
+de anderen wist te bezielen, en die zich, toen het tusschen de beide
+legers tot een treffen kwam, zonder aarzelen in het dichtst van het
+strijdgewoel waagde. Na een heet gevecht, hetwelk den ganschen dag
+duurde, slaagde het leger van koning Mark er in, om den vijand tot de
+vlucht te nopen. Een tijdlang zetten de ridders de vervolging voort,
+aangevoerd door Rivalin, en ziet, juist op het oogenblik, dat zij terug
+wilden keeren, trof een der door de vluchtenden achterwaarts geschoten
+pijlen, den jongen graaf in de borst. Doodelijk gewond stortte hij
+van zijn paard op den grond, hij, wiens leven den ganschen dag als
+door een wonder gespaard was gebleven.
+
+In een oogwenk werd hij omringd door zijne vrienden, die hem
+voorzichtig opbeurden en hem, in zijn mantel gewikkeld, naar het
+slot van Tintagel terugdroegen. Daar heerschte inmiddels reeds eene
+feestelijke stemming over den goeden uitslag van den veldslag. In
+klinkende feestredenen en schallende krijgsliederen werd de
+overwinning gevierd, en de stemming werd steeds uitgelatener. In hun
+overwinningsroes vergaten de feestvierenden allengs hen, die in den
+strijd het leven hadden gelaten en ook over het lot der gewonden en
+stervenden bekommerden zij zich weinig. In een klein vertrek, in een
+afgelegen vleugel van het groote kasteel, lag Rivalin, verpleegd door
+een trouwen dienaar, te strijden met den dood. Zijn lichaam brandde van
+den koortsgloed, zijn hoofd bonsde en klopte en zijn adem kwam hijgend
+en moeilijk. Dof staarden zijne oogen voor zich uit en tevergeefs
+beproefde hij zich in de herinnering te roepen, wat er met hem geschied
+was en wat de oorzaak was van deze duldelooze pijnen. Maar hij was het
+niet alleen, die uren van foltering doorleefde. In haar hooggelegen
+torenvertrek zat Blanchefleur en wrong hare handen in wanhoop. Toen zij
+Rivalin niet zag terugkeeren in den stoet van zegevierende ridders,
+was haar hart samengekrompen van angst en vrees, maar zij had zich
+staande weten te houden en eerst toen zij volkomen zekerheid had
+over het lot van haren geliefde, was zij heengevlucht naar hare eigen
+vertrekken om daar, waar zij hare schoonste toekomstdroomen gedroomd
+had, nu hare bitterste droefheid uit te weenen.
+
+In den dollen feestroes had men hare afwezigheid niet opgemerkt en
+zoo kon zij dus ongestoord hare smart den teugel vieren en peinzen,
+wat haar te doen stond. Dat er voor Rivalin geene hoop op herstel
+was, had zij maar al te goed begrepen uit de berichten, die zij van
+de terugkeerende strijders vernomen had, en dus zou zij hem voortaan
+moeten missen, hem, die het geluk in haar leven had gebracht. Wat haar
+het meeste kwelde, was de gedachte, dat zij het hem nooit had gezegd
+en het hem nu ook nooit meer zou kunnen zeggen, hoeveel hij voor haar
+geweest was en dat hij aldus heen zou gaan met slechts eene vage hoop
+in 't hart, dat hare liefde hem toebehoorde. Maar neen, dat was niet
+noodig! Nog leefde hij en daarom, vóór hij stierf en haar achterliet
+in eene wereld, waaruit alle zon en glans voorgoed verdwenen zouden
+zijn, kon zij hem nog zeggen, hoezeer zij hem liefhad en hoe haar
+gansche wezen hem voor altijd, ook na zijn dood, zou toebehooren. De
+grootste spoed was echter vereischt, elk oogenblik kon de dood hem
+aan haar ontnemen; daarom was er geen oogenblik te verliezen. In
+koortsachtige haast sloeg het jonge meisje zich een wijden, donkeren
+mantel om de schouders, die hare lichte feestkleederen geheel bedekte,
+daarop riep zij eene trouwe dienares en beval deze met haar mede te
+gaan en haar te brengen naar de plaats, waar men den gewonden graaf had
+nedergelegd. Als twee donkere schimmen gleden de beide vrouwen door de
+gangen van het kasteel en kwamen weldra aan de deur van het vertrek,
+vanwaar het kreunen van den stervende tot haar doordrong. Blanchefleur
+gebood toen hare dienares om naar binnen te gaan en alle aanwezigen
+uit de kamer te verwijderen, onder voorwendsel, dat de prinses den
+held van dien dag alleen wenschte te spreken, om hem vóór zijn dood
+dank te zeggen voor wat hij gedaan had. Tegen den deurpost geleund,
+met kloppend hart en bevend over al hare leden wachtte Blanchefleur
+tot de deur opnieuw openging en hare dienares haar wenkte om binnen
+te treden. Even daarna was zij met den gewonde alleen. Een oogenblik
+staarde Blanchefleur in bange onzekerheid naar den hoek van het
+vertrek, vanwaar het zwakke gekreun tot haar doordrong en waar zij
+in het bleeke maanlicht, dat door de hooge vensters in het vertrek
+binnendrong, de gestalte van Rivalin ontdekte, uitgestrekt op eene
+smalle legerstede.
+
+Het volgend oogenblik lag zij naast hem op de knieën, hare handen in de
+zijne en poogde door woorden van innige teederheid hem als het ware in
+het leven terug te roepen. En ziet, het was of hare stem inderdaad eene
+toovermacht bezat, die den held belette de grenzen te overschrijden
+van die duistere vallei, waaruit niemand terug kan keeren. Reeds bij
+de eerste woorden, die zij sprak, kwam er een glimp van bewustzijn
+in de oogen van den lijder, zijn adem werd rustiger en zelfs voelde
+Blanchefleur, hoe hij, schoon zacht, den druk van hare handen poogde
+te beantwoorden. Haast buiten zich zelve van vreugde, wist het jonge
+meisje zich toch in zooverre te beheerschen, dat zij alle middelen
+aanwendde, om dit vonkje van opflikkerende levenskracht aan te
+wakkeren. Zij goot den zieke een teug versterkenden wijn tusschen de
+tanden, zij wreef zijne slapen en handen om het langzaam stroomende
+bloed in snellere beweging te brengen en zij wiesch zijne wonden met
+een pijnstillend middel, van wonderbaarlijke genezingskracht, waarvan
+het geheim slechts aan weinigen bekend was. Spoedig reeds werd hare
+moeite beloond, Rivalin's blik werd helderder en na eenige oogenblikken
+drong het licht van blijde herkenning de laatste nevelen van zijne
+oogen terug. Met een kreet van: "Liefste, gij hier!" strekte hij de
+armen uit naar het jonge meisje, dat eenige schreden van het bed was
+teruggetreden en toen zij zich, half schuchter, half toegevend aan een
+innerlijken drang over hem heenboog, trok hij haar tot zich omlaag in
+eene hartstochtelijke omarming. Zoo vierden zij in den nacht, die zijn
+stervensnacht had dreigen te worden, het feest hunner liefde. Eerst
+tegen den morgen sloop Blanchefleur door het slapende slot naar hare
+eigen vertrekken terug.
+
+De bezielende kracht der liefde had Rivalin in het leven gehouden;
+rust en eene goede verpleging deden het overige, zoodat hij na eenige
+weken weer geheel hersteld was. Toen volgden vele maanden van stil
+genieten voor de beide jonge menschen. In alle heimelijkheid--want
+niemand was er, die hun zoet geheim vermoedde--kwamen zij samen
+en steeds weer vonden zij nieuwe bekoring in elkanders gezelschap,
+telkens weer ontdekten zij nieuwe woorden om elkander hunne liefde toe
+te fluisteren. Zij leefden slechts in het heden; aan de toekomst, aan
+Rivalin's plichten tegenover zijn land en volk en aan de gevoelens van
+koning Mark, wanneer hij het geheim hunner verhouding zou ontdekken,
+dachten zij niet, tot eindelijk de werkelijkheid hen met harde hand
+uit hun zoeten droom deed ontwaken.
+
+
+
+_Hoe Rivalin naar zijn land wordt teruggeroepen en van de geboorte
+van Tristan._ Op een schoonen morgen landde een schip uit Frankrijk
+aan de rotsen van Tintagel, waarop zich eenige boodschappers uit
+Ermonie bevonden. Zij zeiden gewichtige mededeelingen te brengen
+aan graaf Rivalin en in het hun toegestane onderhoud meldden zij
+hem dan ook de onrustbarende tijding, dat hertog Morgan met een
+groot leger zijn graafschap was binnengedrongen, om zich over de hem
+aangedane beleediging te wreken. Er stond onzen held niets anders
+te doen dan zich in aller ijl voor de thuisreis gereed te maken en
+afscheid te nemen van zijn koninklijken gastheer en al degenen, die
+hem in de maanden van zijn verblijf aan het hof tot trouwe vrienden
+waren geworden. Viel hem dit afscheid al niet licht, wie zal zijne
+gevoelens beschrijven, toen hij zich ten slotte naar het vertrek der
+prinses begaf, om ook haar vaarwel te zeggen. Blanchefleur wachtte
+hem geheel alleen in hare kamer; hare oogen waren rood van de tranen,
+die zij geschreid had, sinds zij het bericht van Rivalin's vertrek
+had vernomen. Nu weende zij echter niet meer; in stomme wanhoop lag
+zij in zijne armen en kon geen woord spreken, zoo werd haar de keel
+dichtgesnoerd van angst en smart. Rivalin poogde haar te troosten
+door bezweringen van onwankelbare liefde en trouw; hij beloofde tot
+haar terug te zullen keeren, wanneer hij in de naderende gevaren het
+leven mocht behouden en spoorde haar aan, zich dapper te houden, opdat
+nòch haar broeder, nòch één der hovelingen iets van hare smart zouden
+bespeuren. Blanchefleur echter bleef als versteend van droefheid onder
+zijne vurige kussen en teedere woorden en eerst toen hij haar eindelijk
+bad en smeekte om hem ook eenige woorden van afscheid mede te geven,
+hief zij het hoofd op en sprak: "Geliefde! meen niet, dat ik als eene
+zwakke vrouw toegeef aan mijn verdriet, zonder daartegen te strijden;
+het is niet enkel de smart om uw heengaan, die mij het hart verstijft
+en het spreken belet, maar wat ik sinds eenigen tijd vreesde, is nu
+zekerheid geworden. Onze verhouding kan niet langer geheim blijven en
+de gedachte aan het kind, dat ik in smart en schande ter wereld zal
+brengen, doet mijne ziel ineenkrimpen van schaamte en wroeging. Wanneer
+mijn broeder ons geheim ontdekt, wacht u een smadelijke dood en ook
+mij en ons kind kan de toekomst slechts grondelooze verachting en
+groote ellende brengen. Daarom, hoeveel het mij ook kost, om u te
+laten gaan, toch verblijdt mij de gedachte, dat gij althans voor dit
+vreeselijk lot gespaard zult blijven en in eer en veiligheid naar uw
+land zult terugkeeren, waar een lang en roemrijk leven uw deel moge
+zijn. Ik zelve kan slechts afwachten, wat er met mij geschiedt". Na
+deze woorden gesproken te hebben, viel zij half bewusteloos in
+Rivalin's armen. Deze had in klimmende ontroering toegeluisterd, nu
+echter overdekte hij haar gelaat en hare gesloten oogen met kussen
+en riep uit: "Geen gedachte werp ik verder van mij af, dan u hier
+alleen in het gevaar achter te laten! Wat ge mij verteld hebt, maakt
+u nog dierbaarder in mijne oogen, dan ge mij reeds waart. Kies! wat
+wenscht gij? óf wij blijven hier en ik zelve zal naar uw broeder gaan,
+om hem ons geheim te openbaren en den eersten storm van zijn toorn te
+trotseeren, of ik neem u mee naar mijn land, waar ik u voor de oogen
+van geheel mijn volk tot mijne wettige gemalin zal maken en met mijn
+leven voor uwe veiligheid zal waken! Wat is hierop uwe beslissing?"
+
+Onmogelijk ware het, den indruk te beschrijven, dien Rivalin's woorden
+maakten op het hart van Blanchefleur. Het was haar, of wat hij zeide
+een zwaren steen van haar gemoed wegnam. Weg angst en vrees! in plaats
+van smaad en verachting, wachtte haar nu een leven vol blijdschap en
+geluk, aan de zijde van den geliefden man. Zóó groot was de overgang
+tusschen den stijgenden angst der laatste weken en het geluk van dit
+oogenblik, dat zij zich moest vastklemmen aan Rivalin, om niet te
+vallen. Op fluisterenden toon spraken zij nu af, dat Blanchefleur,
+die heengaan verkoos boven blijven, den avond van Rivalin's vertrek,
+hem heimelijk aan boord van zijn schip zou volgen en zoo geschiedde
+het. Zoodra het duister was gevallen slopen twee gesluierde gedaanten
+het kronkelend rotspad af, dat langs de klippen omlaag voerde en
+een oogenblik later werden de zeilen geheschen en verdween het schip
+in het nachtelijk donker. Groot was de vreugde in Ermonie, toen de
+tijding van Rivalin's thuiskomst bekend werd en nog grooter werd zij,
+toen men vernam, dat de graaf van zijne reis eene schoone jonge vrouw,
+een prinses van vorstelijken bloede nog wel, had medegebracht.
+
+Alvorens hij uittrok met zijn leger tegen hertog Morgan, liet de
+graaf in de groote slotkerk op plechtige wijze zijn huwelijk inzegenen
+en toen hij aldus Blanchefleur voor de oogen der gansche wereld tot
+zijne vrouw had gemaakt, vertrouwde hij haar toe aan de zorgen van
+Rohand met de woorden: "Waak over haar, alsof zij uwe eigen vrouw was
+en mocht mij iets overkomen, wees gij dan haar trooster en beschermer."
+
+Na een hartroerend afscheid reed Rivalin heen aan het hoofd van
+zijn leger en nog geen drie dagen later kwam het tusschen hem en
+hertog Morgan tot een treffen, waarin de laatste de overwinning
+behaalde. De mannen van Rivalin's leger vluchtten in wanorde terug
+naar hunne hoofdstad en helaas! met zich droegen zij het lijk van
+hun jongen meester.
+
+Wie zal de smart beschrijven van Blanchefleur, toen haar de
+vreeselijke tijding bereikte? Waar bleven nu al hare droomen
+van toekomstig geluk? leeg en koud lag het leven voor haar, haar
+bestaan had allen inhoud verloren, nu Rivalin er niet meer was,
+om het te vullen. Kreunend van wanhoop lag zij op hare legerstede,
+half bezwijmd van verdriet. Deze toestand duurde eenige dagen en op
+den derden dag na Rivalin's dood, bracht zij onder hevig lijden een
+zoon ter wereld. Toen was het echter met hare krachten gedaan en daar
+zij voelde, dat zij sterven ging, liet zij den trouwen Rohand tot zich
+roepen en sprak tot hem: "U, die de vriend en vertrouwde zijt geweest
+van mijn dierbaren echtgenoot, u vertrouw ik zijn zoon toe. Terwille
+van de liefde, die gij voor zijn vader koesterdet, smeek ik u, wees
+goed voor hem en neem hem aan als uw eigen kind. Ten slotte geef ik
+u dezen ring, mijn vader gaf hem aan koning Mark en deze schonk hem
+mij. Mocht er ooit een oogenblik komen, waarop gij mijns broeders hulp
+voor mijn zoon noodig mocht hebben, toon hem dan dezen ringen hij zal
+den jongen dadelijk herkennen als het kind zijner zuster." Na deze
+woorden gesproken te hebben viel Blanchefleur uitgeput achterover en
+nog dienzelfden avond gaf zij den geest.
+
+Getrouw aan zijne opdracht nam Rohand het kind van zijn heer als het
+zijne aan en hield zelfs zijne geboorte een diep geheim, vreezend,
+dat hertog Morgan booze plannen jegens den zoon van zijn vijand
+zou kunnen smeden. Tegenover de menschen liet hij het voorkomen,
+als ware hem zelf een zoon geboren en hij omringde het kind met
+liefderijke zorgen. Toen de priester kwam om hem te doopen en Rohand
+den jonggeborene een naam moest geven, zag hij langen tijd zwijgend
+op hem neer en sprak toen ernstig: "Voor allen rouw en droefheid,
+waaronder hij geboren is, voor de smarten en beproevingen, die zijne
+komst op deze wereld voorafgingen, geef ik hem den naam van Tristan:
+dat is een mensch, die in droefheid leeft."
+
+Niemand, die het kind zag, wist, hoe toepasselijk die naam was en hoe
+hij reeds het grootste verlies had geleden, dat een kind treffen kan,
+dat zijner ouders. En zelfs hij, die hem zijn naam geschonken had,
+vermoedde niet, dat zijn gansche leven dien waar zou maken; dat hij,
+die onder lijden en smart ontvangen en geboren was, ook in lijden
+en smart de dagen zijns levens zou moeten slijten, tot de dood hem
+verloste. Slechts zij, die deze geschiedenis teneinde lezen, zullen
+ten volle beseffen, hoezeer deze naam voor hem geëigend was.
+
+Jaren verliepen en Tristan groeide onder de liefderijke hoede van
+Rohand en zijne vrouw op tot een aanvalligen, schoonen knaap. Toen
+hij zes jaren oud was, koos zijn pleegvader met zorg een leermeester
+voor hem uit, die hem moest onderrichten in alles, wat de zoon van
+een edelman behoort te weten. Deze leermeester was Gouvernail, een
+braaf en edel mensch, die zijne taak met liefde en plichtsbetrachting
+vervulde. Hij onderwees Tristan in alle kunsten, die een ridder uit
+die dagen placht te beoefenen: hij onderrichtte hem in het schieten
+met pijl en boog, in het speerwerpen en zwaard vechten en leerde
+hem rijden, tot zelfs de meest wilde en ongetemde paarden tam en
+volgzaam werden onder zijne hand. Ook ging hij met hem op jacht, met
+valken of honden en wees hem, hoe hij volgens jagersgebruik den buit
+moest ontleden en behandelen. Maar niet alleen in vechten, rijden
+en jagen onderwees Gouvernail zijn leerling, ook in de zangkunst
+en het harpspelen gaf hij hem onderricht en weldra was er in gansch
+Ermonie geen, die zóó schoon kon spelen en zingen als Tristan, de zoon
+van Rohand. Deze zag met genoegen hoe zijn pleegzoon alle deugden
+zijner ouders in ruime mate scheen te bezitten; hij was eerlijk en
+bescheiden, dapper en hoffelijk en door zijn minzaam optreden en zijn
+innemend uiterlijk nam hij allen, die hem zagen, terstond voor zich
+in. Elken dag ontdekte zijn trouwe verzorger nieuwe eigenschappen
+van geest en hart in den jongen Tristan, die hem herinnerden aan
+zijne overleden ouders en zoo kon het niet anders, of uit de houding,
+die hij tegenover zijn jeugdigen pleegzoon aannam, sprak zoowel eene
+vaderlijke genegenheid als een zekere eerbied jegens den zoon zijns
+meesters. Dat de andere zonen van Rohand zich somtijds beklaagden over
+de onderscheiding, waarmede hun jongere broeder door hem behandeld
+werd, spreekt van zelf, maar geen hunner vermoedde ook maar in 't
+minst, dat deze uit iets anders voortsproot dan uit eene onbewuste
+voorliefde, welke men wel meer bij ouders aantreft. Wanneer zij dan
+ook den een of anderen wensch door hun vader wenschten ingewilligd te
+zien, waren zij gewoon om Tristan te verzoeken hunne zaak bij Rohand te
+bepleiten en meestal deed de jongeling, vriendelijk en welwillend als
+hij was, wat zij van hem verlangden, vaak met het gewenschte gevolg.
+
+Op zekeren dag werd de stad in beroering gebracht door het bericht,
+dat een Noorsch schip, beladen met rijke en veelsoortige koopwaar in
+de haven was binnengeloopen en dat de vreemde handelaars reeds bezig
+waren, hunne waren ter bezichtiging uit te stallen. Daaronder behoorde
+ook, zoo zeide men, naast vele schoone en kostbare zaken, eene partij
+fraaie valken en haviken, welke voor de jacht waren afgericht.
+
+Toen Rohand's zonen, die hartstochtelijke jagers waren, deze tijding
+vernamen, begaven zij zich naar Tristan en smeekten hem hun vader
+vergunning te vragen, om een bezoek aan het schip te mogen brengen
+en daar eenige vogels te koopen. Rohand gaf gaarne zijne toestemming
+en de jongelingen begaven zich in gezelschap van Gouvernail naar de
+haven, waar het vreemde vaartuig lag vastgemeerd. Aan boord vergaten
+zij weldra uur en tijd, zóó veel was er te zien en te bewonderen. De
+Noorsche kooplieden hadden hunne waren met smaak en overleg ten toon
+gespreid en menige koop werd er dan ook in den loop van den middag
+gesloten. Daarbij maakte Tristan zich steeds zeer verdienstelijk,
+daar hij tot de weinigen behoorde, die de Noorsche taal meester
+waren, en dus als tolk kon dienen tusschen de vreemdelingen en zijne
+landgenooten. Plotseling werd zijn oog getroffen door een schaakbord,
+waarvan de stukken uit blank ivoor gesneden waren. Verrast zag hij om
+zich heen en vroeg of wellicht een der vreemdelingen het spel verstond
+en eene partij met hem wilde spelen. Een der Noren verklaarde zich
+gaarne bereid en weldra zaten beiden onder een scherm van tentdoek,
+dat hen tegen de zonnestralen moest beschutten, in hun spel verdiept,
+omringd door een kring van nieuwsgierige toeschouwers.
+
+De middag was nu allengs verstreken en het werd tijd om huiswaarts te
+keeren. Een der pleegbroeders van Tristan, ziende dat deze nog met
+alle aandacht bij het spel was, tikte hem op den schouder en zeide:
+"Broeder Tristan, het wordt tijd voor ons, om naar huis te gaan en wij
+hebben bovendien alles bezichtigd, wat wij wenschten te zien. Daarom
+gaan wij reeds vooruit, gij zult ons dan wel volgen, zoodra uw spel
+is afgeloopen." Daarop namen zij afscheid van hem en verlieten het
+schip, slechts de trouwe Gouvernail bleef aan boord achter.
+
+Toen nu alle koopers verdwenen waren, begonnen sommigen onder de
+kooplieden hunne hoofden bijeen te steken en te spreken over de
+buitengewone kundigheden van den jongen edelman, die daar in het
+schaakspel verdiept was. Zij prezen zijn aangenaam voorkomen,
+zijn vrijmoedig optreden en zijne hoofsche manieren en uitten
+hunne verwondering over het feit dat hij, ondanks zijn jeugdigen
+leeftijd, toch reeds hunne taal machtig was en met kennis van zaken
+de verschillende koopwaren wist te schatten. Zulk een begaafde knaap,
+zoo meenden zij, zou beter op zijne plaats zijn aan het hof van een
+machtig vorst, die zijne diensten zou weten te gebruiken. Waarom
+zouden zij niet trachten, hem die plaats te verschaffen door hem weg
+te voeren uit zijne omgeving en hem tegen een hoogen losprijs aan
+den een of anderen rijken koning af te staan?
+
+Dit plan vond algemeene instemming en toen zij zagen, dat Tristan
+slechts oog en oor had voor zijn spel, beval de kapitein, in
+alle stilte het anker te lichten en zee te kiezen. Zoo gezegd,
+zoo gedaan. De zeilen werden geheschen, de roeiriemen in het water
+nedergelaten en het schip zette zich langzaam in beweging. Nog bemerkte
+Tristan niets, maar toen zij reeds op eenigen afstand van de kust
+waren, deed eene plotselinge windvlaag het doek boven zijn hoofd
+klapperen en opziende van zijn spel werd hij tot zijne ontzetting
+gewaar, dat het schip zich in volle zee bevond en eene vage lijn aan
+den horizon het eenige was, wat er van zijn vaderland te bespeuren
+viel. Met een luiden kreet sprong hij overeind van zijn zetel en op
+de knieën vallend voor den kapitein, smeekte hij dien om hem terug
+te brengen naar zijne ouders en broeders. Maar deze bracht hem aan
+het verstand, dat zulks onmogelijk was en maande hem aan, zich kalm
+en rustig te gedragen, daar hem dan geen leed zou geschieden. Tristan
+echter hield niet op met klagen en weenen en ook Gouvernail stemde met
+zijne smeekbeden in. Toen hun geklaag den kapitein begon te vervelen,
+gaf hij bevel om Gouvernail in eene kleine boot, voorzien van eenige
+levensmiddelen, te plaatsen en hem aldus eene kans te geven, de kust
+te bereiken; den jongen Tristan echter beval hij aan boord te houden,
+zulk een kostbaren buit mocht men niet laten ontsnappen.
+
+Het baatte niet, of Gouvernail al weigerde, zijn jongen meester
+alleen achter te laten, met ruwe handen grepen de matrozen hem vast
+en plaatsten hem in eene kleine boot. Daarop gaven zij hem een paar
+riemen en stieten hem van het schip af.
+
+Men kan nagaan, onder welke gewaarwordingen Tristan zijn trouwen vriend
+zag vertrekken; luid weenend strekte hij de handen naar hem uit en
+bad hem om hem niet alleen te laten. Tevergeefs!--Steeds wijder werd
+de afstand, die hem van den laatsten zijner landgenooten scheidde en
+weldra zag hij nog slechts een donker stipje, dat de plaats aanduidde,
+waar Gouvernail met de golven kampte. Ook dezen liepen de tranen
+over de wangen, toen hij bedacht, aan welk een onzeker lot hij zijn
+beschermeling moest overlaten, maar met alle macht verzette hij zich
+tegen zijne aandoeningen en trachtte het land te bereiken, vanwaar
+hij tenminste eenige kans had om Tristan te hulp te komen. Inderdaad
+gelukte het hem na groote inspanning, nog dienzelfden avond roeiend
+de haven binnen te loopen. Hier vond hij reeds Rohand met zijne
+zonen en vele andere bekenden in grooten angst heen en weder loopen;
+een kreet van vreugde steeg omhoog, toen zij in het vallend duister
+Gouvernail uit het ranke bootje zagen stijgen, maar bitter was hunne
+teleurstelling, toen zij vernamen, dat hij slechts alleen was. Deze
+teleurstelling nam nog toe, toen zij hoorden, welk een droevig lot
+hun geliefden Tristan was overkomen. Vooral Rohand was troosteloos van
+smart en wroeging; hij herinnerde zich de plechtige belofte, welke hij
+aan zijn gestorven meester en aan diens gemalin gedaan had. Hij had
+beloofd om steeds over hun zoon te blijven waken en nu was door zijne
+nalatigheid, doordat hij dien kostbaren schat aan de hoede van anderen
+had overgelaten, dit vreeselijke feit geschied en wachtte den knaap
+daarginds in het vreemde land eene bittere ballingschap en wellicht een
+gewelddadige dood. Zijn geweten liet hem geen vrede en hij rustte niet,
+alvorens hij een schip had uitgerust om Tristan te gaan zoeken. Na
+weinige dagen vertrok hij aan boord van dit vaartuig, vergezeld door
+de beste wenschen der achterblijvenden en zette koers naar vreemde
+streken in de hoop zijn pleegzoon terug te vinden. Eerst na lange
+jaren mocht hem dit gelukken. Waar en onder welke omstandigheden hun
+wederzien plaats vond, zullen wij later vernemen. Voorloopig keeren wij
+terug naar onzen jeugdigen held, zooals hij tegen den mast geleund,
+met betraande oogen naar den gezichteinder staart, waar het laatste
+stipje van zijn geboorteland allengs achter de golven verdwijnt.
+
+Eenigen tijd zette het vaartuig zijne reis naar het Noorden zonder
+verhindering voort, maar toen de duisternis gevallen was, wakkerde
+de wind aan tot een stevigen bries, die weldra overging in een
+hevigen storm. Den ganschen nacht loeide en kraakte het, als ware
+een leger van booze geesten rondom het vaartuig losgelaten; de masten
+steunden en bogen onder den druk van den wind, de riemen braken door
+de aanzwellende kracht van het water en de zeilen scheurden van de
+touwen af. Bij het eerste morgenschemeren dreef het schip als een
+ontredderd wrak rond op de baren, de storm woedde met onverflauwde
+hevigheid en het scheepsvolk school in angstige groepjes bijeen en
+mompelde iets over eene gerechte straf, die God hun oplegde voor
+hunne zonden. Dit onderdrukt gemompel werd langzaam aan luider en
+verspreidde zich ook onder de roeiers, tot eindelijk eenigen onder
+hen zich naar den kapitein begaven en van hem eischten, dat hij hun
+gevangene de vrijheid zou weergeven om de woede van het Opperwezen over
+dezen wreeden roof te doen bedaren. Hoezeer het den kapitein speet,
+zijn kostbaren buit te moeten laten ontsnappen, hij moest wel toegeven
+en zoo gaf hij order een der scheepsbooten in gereedheid te brengen
+en van proviand te voorzien. Zoodra hij daartoe bevel had gegeven,
+bedaarde als door een tooverslag het woeden der elementen. De wolken
+verdwenen van den hemel, de zon brak door en de lucht werd helder
+blauw; de wind ging liggen en het bruisen der golven bedaarde. Het
+scheepsvolk viel op de knieën en dankte God voor de wonderbare redding,
+daarna haastte een ieder zich om de geleden schade te herstellen en
+weldra sloegen de riemen weer met geregelden slag in het water en
+zwollen de nieuwe zeilen in de frissche morgenbries.
+
+Het spreekt van zelf, dat men door den nachtelijken storm een flink
+eind uit den koers was geraakt en niemand kon dan ook zeggen op welke
+hoogte men zich bevond. Toen men echter aan den horizon land ontdekte,
+achtte men het oogenblik gekomen om zich van den onheilbrengenden gast
+te ontdoen; men plaatste daarom Tristan in de gereed gemaakte boot, gaf
+hem een paar riemen in de hand en beval hem in de richting van het land
+te roeien, daarop liet men hem aan zijn lot over en beijverde zich,
+om door sneller roeien en het bijzetten van meer zeil den verloren
+tijd in te halen. Met angst en vrees in het hart stuurde onze jonge
+held intusschen aan op het vreemde land, waar zijne eenige, zij het
+ook onzekere, redding was gelegen.
+
+Bij nadering bleek het eene steile, rotsachtige kust te zijn,
+waarvan de grijze klippen loodrecht uit zee omhoogrezen. Na eenig
+zoeken ontdekte Tristan echter eene kleine baai, waar hij zijn
+bootje veilig in kon sturen en zoo duurde het niet lang, of hij
+zette voet op den vasten wal. Toen rees echter de vraag: waar ben
+ik en waar moet ik heen? Huiverend zag de arme knaap om zich heen
+in het doodsche, verlaten landschap, dat door zijne verbeelding
+bevolkt werd met verschillende dieren en wilde volksstammen, zooals
+hij ze in avontuurlijke jachtverhalen had hooren beschrijven. Maar
+na eenigen tijd kregen zijn moed en ondernemingsgeest opnieuw de
+bovenhand en besloot hij te gaan onderzoeken, wat achter die hooge
+rotsen verborgen lag. Behendig klauterde hij omhoog en op den top
+aangekomen kreeg hij een ruimeren blik op het land en ontdekte hij op
+eenigen afstand een breeden heirweg, die zich als een lint door het
+landschap slingerde. Zonder veel moeite wist hij dien te bereiken en,
+zich aan den kant van den weg nederzettend, besloot hij de komst van
+voorbijgangers af te wachten, om zich door hen op de hoogte te laten
+brengen omtrent de streek, waar hij zich bevond. Hij behoefde niet
+lang te wachten. Na enkele oogenblikken verschenen aan de kromming
+van den weg twee gedaanten, die langzaam naderden en die Tristan
+weldra als pelgrims herkende. Zij droegen breedgerande hoeden,
+om zich tegen de hitte der zonnestralen te beschutten, hun lange,
+linnen kleederen waren bestikt met zeeschelpen en vreemde teekenen
+en op den rug droegen zij een palmtak, om aan te duiden, dat zij naar
+het Heilige Land waren geweest. Hunne lange baarden golfden hun over
+de borst en onder het voortgaan leunden zij op hun staf en zongen
+pelgrimsliederen, die zij afwisselden door het prevelen van gebeden.
+
+Toen Tristan zag, dat het vreedzame lieden waren, ging hij hen
+tegemoet, kruiste zijne handen voor de borst en boog eerbiedig voor
+hen neer. Daarna zeide hij: "Vrome vaders! Op de jacht zijnde ben ik
+van mijne metgezellen afgedwaald, mijn paard is met mij van een rots
+gevallen en ligt ginds met een gebroken rug; kunt gij mij zeggen,
+waar ik ben en waar deze weg heenleidt?" "Deze weg", antwoordden de
+pelgrims, "voert naar Tintagel, het slot van koning Mark. Indien
+uw pad ook in die richting voert, kunnen wij een eindweegs samen
+gaan." Vol vreugde nam Tristan hun aanbod aan en de drie vervolgden
+gezamenlijk hun weg. Nauwelijks hadden zij echter eenige schreden
+afgelegd, of vanuit het bosch weerklonk luid hoorngeschal, vermengd
+met hondengeblaf. Bij het hooren daarvan begon Tristan's hart luider
+te kloppen en haastig sprak hij: "Hoort! daar zijn mijne metgezellen,
+die ik verloren had. Ik wil trachten ze zoo spoedig mogelijk in te
+halen!" Daarop wendde hij zich om en liep in de richting, vanwaar
+het geluid kwam. Toen hij het bosch een eind was binnengedrongen,
+ontwaardde zijn oog een bont jachttafereel. Op eene open plek in
+het woud streed een edel hert den doodsstrijd met de hem omringende
+honden. Onder luid gejubel omringden de jagers den kostbaren buit; met
+een behendigen speerstoot brachten zij het dier den doodsteek toe en
+reeds wilde de jagermeester met zijn dolk het wild den hals afsnijden,
+toen Tristan, die dit vol afschuw bemerkte, tusschenbeide sprong met
+den uitroep: "Houdt op, houdt op! een hert is toch geen wild zwijn,
+dat men eerst worgt en dan den kop afsnijdt! Hoe kunt gij zulk een edel
+wild zóó behandelen!" Vol verbazing zagen de jagers om bij het hooren
+van die stem en toen zij Tristan bemerkten, werden zij zóó getroffen
+door zijne jeugd en schoonheid, dat zij hunne honden terugriepen en
+hunnen arbeid staakten. De jagermeester, een bedaard en vriendelijk
+man, trad op Tristan toe en sprak: "Wij behandelen het wild, zooals
+ons dat geleerd is; kunt gij ons eene betere wijze aan de hand doen,
+zoo spreek en toon ons die!" Tristan liet zich niet lang bidden. Hij
+kwam eenige passen naderbij, knielde bij het hert neer en begon met
+vaste hand het in stukken te snijden, zooals hij dit in zijn vaderland
+geleerd had. Eerst ontdeed hij het dier van de huid, welke hij ter
+zijde legde en waarop hij achtereenvolgens de verschillende deelen
+stapelde, welke hij van den romp afsneed. Aan de ademloos toeziende
+omstanders toonde hij, welke stukken volgens aloud jachtgebruik aan
+de honden werden gegeven, welke het eigendom bleven van den heer van
+de jacht, welke aan de jagers en welke aan de armen toekwamen. Daarna
+rangschikte hij de afgesneden stukken naar hunne waarde en verdeelde
+ze onder de dragers. Toen zij allen hun aangewezen deel van den buit
+in ontvangst hadden genomen, stelde hij op verzoek van de jagers
+den jachtstoet op, zooals men dat in zijn vaderland gewoon was en
+wilde toen afscheid van hen nemen. De jagers wilden hem echter niet
+laten gaan en verzochten hem, hen naar het hof te vergezellen. Op
+weg daarheen vroegen zij Tristan hun te zeggen, waar hij vandaan
+kwam en hoe hij heette, maar de knaap was zoo voorzichtig om hun
+niet dadelijk te vertellen, wat er met hem was geschied en dus zeide
+hij slechts, dat hij, een koopmanszoon uit Ermonie, gevlucht was uit
+zijn vaderlijk huis om vreemde streken te bezoeken. Zijne metgezellen
+verbaasden er zich over, dat een eenvoudig koopmanszoon zóó bedreven
+was in ridderlijke gebruiken en zij prezen het land, waar de zonen
+der burgers tot zoo schoone en hoffelijke jongelingen opgroeiden.
+
+Onder het voortrijden--één der ridders had Tristan zijn paard
+afgestaan--brak deze de jonge twijgjes af van de lindeboomen langs
+den weg en vlocht zich een krans in het blonde haar, zoo naderden
+zij onder scherts en lach den trotschen burcht van Tintagel. Toen
+zij in het gezicht van het kasteel waren gekomen, vroeg één der
+ridders aan den knaap, onder welken naam men hem aan den koning moest
+voorstellen. Deze antwoordde: "Mijn vader en mijne broeders noemen
+mij Tristan!" Zijne woorden werden met uitroepen van verbazing en
+spot begroet. "Hoe dwaas en zinneloos!" riepen allen uit."Jeugd,
+vreugde, schoonheid! zoo moest gij heeten, maar niet Tristan--dat
+klinkt als rouw en eeuwige smart!" Zoo waren zij tot aan de poorten
+van het kasteel genaderd. Plotseling nam Tristan zijn jachthoorn en
+blies daarop een jachtlied, zóó lustig en vroolijk, dat alle jagers
+met hunne hoorns in het refrein meestemden. De slotbewoners liepen vol
+verbazing de poort uit, zóó hadden de jagers nog nooit hunne thuiskomst
+aangekondigd en zij zagen met verwondering naar den welgeordenden
+stoet, die onder vroolijk hoorngeschal de brug overreed. Koning Mark
+was ook naar buiten gekomen; zijne gestalte was nog schraler geworden
+dan vroeger en hoewel hij eerst den middelbaren leeftijd had bereikt,
+waren zijne haren vergrijsd aan de slapen en liep hij gebogen als een
+oud man. Zijn scherpe blik trof dadelijk den blonden knaap, die daar
+temidden der jagers kwam aanrijden en terstond wendde hij zich tot
+den opperjagermeester en vroeg hem, wie die vreemdeling was. Deze
+antwoordde eerbiedig: "Sire, het is een koopmanszoon uit Ermonie,
+dien wij in het bosch gevonden hebben en die ons velerlei omtrent de
+edele jachtgebruiken geleerd heeft. Ondanks zijne eenvoudige afkomst
+is hij even hoffelijk in taal en manieren als de edelste onder ons en
+zelfs een koningszoon zou hem daarin niet tot schande brengen!" Daarop
+beval de koning Tristan vóór hem te brengen en vol edelen zwier
+knielde de knaap voor hem neder. Geen van beiden vermoedde daarbij,
+hoe nauw de band was, die hen tezamen bond, maar wel werd het koning
+Mark wonderlijk te moede, toen hij in de heldere kinderoogen zag, die
+zoo vol vertrouwen naar hem werden opgeslagen. Met zacht gebaar legde
+hij zijne hand op Tristan's schouder en deed hem opstaan, terwijl hij
+tot hem sprak: "Men heeft ons veel goeds van u verteld, knaap, en wij
+hebben jongelingen als gij zijt noodig. Wanneer gij zulks verlangt,
+kunt gij in onzen dienst treden." Dankbaar en verheugd nam Tristan's
+konings aanbod aan en zoo werd hij opgenomen onder de jagermeesters
+van den koning.
+
+Nu brak er een schoone tijd aan voor den jongen held. Slechts zelden
+gingen zijne gedachten terug naar zijn geboorteland, het verleden was
+als een gesloten boek voor hem, maar van het heden, het wonderschoone
+heden, genoot hij met volle teugen. Weldra gevoelde hij zich geheel
+thuis aan het schitterende hof, waar hij aller lieveling was en waar
+de koning hem slechts zelden uit zijne nabijheid duldde.
+
+Eens op een avond was het gansche hof bijeen verzameld om te luisteren
+naar de liederen van een vreemden zanger, die van ver over de zee
+gekomen was. Onder zijne liederen was dat van Graaf Gurun en zijne
+geliefde, wie de verraders het hart haars minnaars te eten gaven en
+die van smart en kommer omkwam. Tristan luisterde met de anderen samen,
+hij was geheel verzonken in de weemoedige tonen van het lied, maar toen
+de zanger zweeg, sprong hij overeind en riep met luider stem: "Bravo,
+meester! Gij hebt goed gezongen: uwe stem klinkt helder en krachtig,
+en weet op waardige wijze het lot der helden te bezingen. Ook de
+tonen uwer harp zijn rein en edel. Gij hebt de oude zangwijzen goed
+bewaard en ze geen geweld aangedaan".
+
+De zanger verbaasde zich over dit kundig oordeel; wat kon zoo'n
+jonge knaap van zang en snarenspel weten? Nieuwsgierig vroeg hij
+Tristan of deze wellicht ook een lied ten beste kon geven. Zonder
+aarzelen greep Tristan de harp. Hij zong en zijne stem was van zulk
+eene innige schoonheid, dat de harten van alle aanwezigen tot in 't
+diepst geroerd werden. Zij, die zóó zingen kunnen, zijn een zegen der
+menschheid; de schoonste droomen uit verleden en toekomst tooveren zij
+ons voor den geest, de gestalten van dierbare afgestorvenen doen zij
+in onze ziel herleven en de harten der toehoorders doen zij opengaan
+om visioenen van teedere schoonheid binnen te laten. Toen Tristan
+ophield met zingen, greep Koning Mark hem bij de hand; zijne oogen
+stonden vol tranen en zijne stem beefde toen hij sprak: "Kind, van
+nu af aan moogt gij mij nooit meer verlaten. God heeft u hierheen
+gezonden om eene ledige plaats in mijn huis te vullen en mijn hart,
+dat somber en treurig was, tot nieuwen levensmoed op te wekken. Van
+nu af aan zal er weer licht en vroolijkheid aan mijn hof heerschen."
+
+De koning hield woord; van dien dag af moest Tristan steeds in zijne
+nabijheid zijn, op de jacht, zoowel als in huis en de eenzaam levende
+man hechtte zich met al de kracht zijner natuur aan den blonden knaap,
+dien hij liefhad als zijn eigen zoon.
+
+Zoo groeide Tristan op tot een kloeken jongeling, den trots van het
+gansche hof. Toen hij den leeftijd van negentien jaren bereikt had,
+gebeurde het, dat zijn pleegvader Rohand op zijne omzwervingen aan
+het hof van koning Mark kwam. Hem was ter oore gekomen bij monde
+van de beide pelgrims, die Tristan den weg hadden gewezen en die
+Rohand toevalligerwijze in Denemarken had ontmoet, dat zijn dierbare
+pleegzoon zich te Tintagel bevond, waar hij door den koning in dienst
+was genomen.
+
+De lange jaren van zwerven en trekken hadden hunne sporen nagelaten
+op het lichaam van den trouwen Rohand; de doorgestane ontberingen
+hadden zijne leden stram en zijne haren grijs gemaakt en niemand zou
+in den verwaarloosd uitzienden vreemdeling, die toegang vroeg tot het
+kasteel, den fieren, kloeken man van weleer hebben herkend. Het was
+dan ook slechts met moeite, dat hij de wachters wist te overreden,
+hem door te laten, maar toen hij zeide, de brenger te zijn van eene
+tijding, welke Tristan genoegen zou doen, en hij hun bovendien eene
+ruime gift in de hand drukte, openden zij, hoewel aarzelend, de poort
+en lieten hem binnen.
+
+Het liep juist tegen het uur van het middagmaal en in de groote zaal
+van het kasteel heerschte de gewone bedrijvigheid, welke daaraan
+voorafgaat. Juist schikten de gasten zich aan tafel, toen Rohand
+ongemerkt door eene zijdeur het vertrek binnentrad. Vol spanning
+zwierf zijn blik door de zaal en ziet--ginds! aan de linkerzijde
+van den grooten koning zelf, zat hij, dien hij zocht: veranderd en
+tot jongeling gerijpt, maar met al de schoonheid en minzaamheid,
+die hem reeds als kind kenmerkten. Verrukt hingen de oogen van den
+trouwen dienaar aan de gestalte van zijn pleegzoon; hij raakte
+maar niet uitgekeken. Wat was hij groot geworden en krachtig,
+hoe fier en vrijmoedig zag hij om zich heen en wat scheen hij zich
+thuis te gevoelen onder deze hooggeplaatste edellieden! Trouwens,
+rijk en machtig konden zij zijn, de trotsche hovelingen, geen van
+hen kon wedijveren met Tristan in schoonheid en adeldom van houding
+en gelaat! Toen de brave Rohand zich dit vol trots en vreugde had
+bekend, drong het plotseling tot hem door, hoezeer hij zelf, in
+zijne eenvoudige kleedij, welke bovendien door de reis was bevlekt en
+bestoven, moest afsteken bij de rijk gekleede ridders van het hof en
+eene stem in zijn binnenste zeide hem, dat hij wellicht beter deed,
+heen te gaan, om Tristan de noodzakelijkheid te besparen, zich over
+hem te moeten schamen. Na een laatsten blik op zijn lieveling geworpen
+te hebben, wendde hij zich om, ten einde het vertrek te verlaten, toen
+Tristan plotseling zijne richting uitkeek. Een oogenblik staarde hij
+zijn pleegvader aan, zonder hem te herkennen, toen drong een straal van
+blijde verrassing uit zijne oogen en met den uitroep: "Vader!" sprong
+hij overeind, liep op Rohand toe en omhelsde hem hartelijk. Daarna trok
+hij hem met beide handen naar de plaats, vanwaar koning Mark in stomme
+verbazing dit wederzien had gadeslagen en riep met juichende stem:
+"Sire, dit is mijn vader, die uit verre landen is gekomen om mij te
+zoeken. Mag ik hem uit Uw naam hier welkom heeten?"
+
+Tranen van vreugdevolle ontroering kwamen Rohand in de oogen. Dit was
+zijn eigen, dierbare pleegzoon, dien hij wedergevonden had en die
+temidden van de pracht en praal zijner nieuwe omgeving den eenvoud
+van zijn kinderlijk gemoed had weten te bewaren. Hoe zegende hij dit
+oogenblik, dat hem ruimschoots alle gevaren en ontberingen vergoedde,
+welke hij om zijnentwil doorstaan had.
+
+Koning Mark heette den verren gast hartelijk welkom aan zijn hof;
+hij liet hem zelfs eene plaats aan zijne zijde inruimen en bediende
+hem met gulle hand van de spijzen, die voor hem werden aangedragen. Na
+afloop van den maaltijd begaf het gezelschap zich naar een aangrenzend
+vertrek, waar de vorst zijn gast verzocht, om verslag uit te brengen
+over zijn wedervaren. Nu was het oogenblik gekomen, dat Rohand zoo
+lang verbeid had; de trouwe dienaar zag om zich heen in den kring
+van aandachtig luisterende toehoorders, haalde diep adem en begon:
+"Sire, het moge u bevreemden, dat ik zoo langen tijd van huis en haard
+ben weggebleven om dezen, mijn zoon te zoeken, vooral waar thuis nog
+drie andere zonen mijne vaderzorgen behoeven, maar meer nog zal het
+u bevreemden, wanneer ik u vertel, dat hij, voor wien ik mij al deze
+moeite en last hebt getroost, niet eens mijn zoon, maar feitelijk een
+vreemde voor mij is!" Toen hij deze woorden gesproken had, sprong
+Tristan, die zich aan zijne voeten had neergezet, ontsteld op en
+riep uit: "Vader, weet gij wel, wat gij daar zegt? Ben ik uw zoon
+niet? Wie zou ik anders zijn en waarom hebt ge mij dat nooit eerder
+gezegd?" Maar Rohand legde bedarend zijne hand op het blondgelokte
+hoofd van den opgewonden knaap en sprak: "Dat zal ik u zeggen, mijn
+kind, maar vóór ik verder ga, dient gij te weten, dat geen vader zijn
+zoon meer lief kan hebben dan ik u doe en dat gij eene plaats inneemt
+in mijn hart naast die van mijne eigen kinderen." Daarna wendde hij
+zich opnieuw tot koning Mark en vervolgde: "Wat ik u nu ga vertellen,
+Heer koning, is van grooter belang voor u, dan gij kunt vermoeden, en
+reeds vooraf moet ik u om vergeving vragen, wanneer ik mogelijk eene
+pijnlijke snaar bij u aanroer. Zooals ik u reeds zeide, is Tristan nòch
+mijn zoon, nòch mijn bloedverwant, maar hij werd mij toevertrouwd door
+mijn gestorven meester: Rivalin van Ermonie." Op het hooren van dien
+naam rees Mark als door een pijl getroffen omhoog uit zijn zetel,
+zijn voorhoofd trok samen in diepe rimpels en zijne oogen schoten
+dreigende vonken, maar nog eer hij den mond tot spreken kon openen,
+ging Rohand haastig voort: "Zwijg, Sire! want de woorden, die ge
+wilt zeggen, zouden de nagedachtenis van een dapper en edel man ten
+onrechte beleedigen. Ik weet, dat de naam van Rivalin bij u pijnlijke
+herinneringen opwekt, maar wat gij vreest, is niet waar. De moeder van
+Tristan was inderdaad uwe zuster Blanchefleur, maar zij was ook de voor
+God en de menschen wettig erkende echtgenoote van mijn gestorven heer."
+
+Deze woorden maakten diepen indruk en vooral op den koning hadden
+zij eene geweldige uitwerking. Hij kon het zich bijna niet indenken,
+dat zijne bittere schaamte, over wat zijne zuster gedaan had, van
+allen grond ontbloot was geweest. Toen hij echter den ring zag,
+dien Blanchefleur aan Rohand had toevertrouwd, verdween de laatste
+schaduw van twijfel uit zijn ziel en luid jubelend sloot hij Tristan
+in de armen. Nu eerst besefte hij, waarom hij reeds bij den eersten
+aanblik zulk eene warme genegenheid voor den knaap had opgevat,
+het was de stem des bloeds, die gesproken had.
+
+Wat Tristan betreft, ook hij kon aanvankelijk niet begrijpen, wat
+Rohand's woorden voor hem beduidden. Zijn eerste gevoel was er een
+van smart, toen hij vernam, dat hij geen vader of moeder in de wereld
+bezat en dat hij, dien hij als een vader liefhad, feitelijk een vreemde
+voor hem was. Maar toen hij alle bijzonderheden over zijne geboorte
+vernomen had, verdwenen die gevoelens allengs uit zijn binnenste om
+plaats te maken voor eene innige dankbaarheid jegens den man, die hem
+zoo trouw en liefderijk had verzorgd. Ook zegende hij het toeval,
+dat hem naar Tintagel had gevoerd en hem in staat had gesteld om
+de genegenheid te winnen van den eenigen bloedverwant, dien hij op
+aarde bezat. Diep geroerd viel hij op de knieën voor de beide mannen,
+die hem zoo dierbaar waren: den machtigen koning en den eenvoudigen
+edelman, maar koning Mark deed hem opstaan en zeide met plechtige stem:
+"Van nu af aan beschouw ik u als mijn eigen zoon, want niet alleen om
+uws zelfs wil, maar ook terwille van haar, die gestorven is, zal ik u
+voortaan liefhebben. Als mijn zoon zult gij aan mijn hof verkeeren en
+na mijn dood zult gij heer worden over mijne bezittingen, dat zweer
+ik bij al wat mij heilig is!"
+
+De koning hield woord; reeds den volgenden dag maakte hij in eene
+plechtige bijeenkomst van al zijne vazallen bekend, dat hij Tristan
+aanwees als zijn wettigen erfgenaam en geen was er onder de aanwezigen,
+die hem die onderscheiding misgunde.
+
+De eerste gunst, die de jonge held zijn koninklijken oom verzocht,
+was om heen te mogen gaan naar zijn eigen land om zich aldaar op hertog
+Morgan te kunnen wreken voor den dood van zijn vader. Gaarne gaf Mark
+hiervoor zijne toestemming, want ook hij wenschte niets liever dan den
+man, die de oorzaak was geweest van den dood zijner dierbare zuster,
+zijne gerechte straf te zien ondergaan. Weinige dagen daarna vertrok
+Tristan in gezelschap van den trouwen Rohand naar Ermonie, waar al
+ras de waarheid omtrent zijne afkomst onder het volk bekend werd. Van
+alle zijden ontving hij bewijzen van trouw en aanhankelijkheid en toen
+men vernam, dat hij besloten was om den dood zijns vaders met geweld
+van wapenen te wreken, stroomden van alle zijden aanhangers toe,
+die zich bereid verklaarden, hem in zijn pogen bij te staan.
+
+Tegen een opstand, die zich zóózeer in de gunst van het gansche
+volk mocht verheugen, vermochten de huurlingen van Hertog Morgan
+niets uit te richten. Na een korten, maar hevigen strijd, waarin
+Tristan den hertog eene doodelijke wond wist toe te brengen, gaven
+zij zich gewonnen. Rivalin's dood was gewroken en onder het gejuich
+der bevolking hield Tristan zijne blijde intocht in de stad zijner
+vaderen. Het was echter zijn plan niet om langen tijd daar te blijven,
+zijn hart trok hem naar de bergen van Cornwallis, waar hij in den
+dienst van zijn oom zich meer zou kunnen onderscheiden dan in het
+kleine Ermonie. Daarom vaardigde hij een besluit uit, waarin hij het
+bestuur over zijn graafschap opdroeg aan den oudsten van Rohand's
+zonen, hijzelf echter scheepte zich met eenige getrouwen, waaronder
+ook zijn dienaar Gouvernail, dien hij na al die jaren gezond en wel
+had teruggevonden, in, om naar Cornwallis terug te keeren.
+
+
+
+_Van Tristan's strijd tegen den Ierschen Morholt._ Toen Tristan in het
+kasteel van Tintagel terugkeerde, werd hij verbaasd door de sombere
+gezichten, die hij overal om zich heen zag. Uit de vertrekken der
+vrouwen drong onderdrukt gesnik tot hem door en de ridders schoolden
+in groepjes bijeen en spraken met gedempte stem onder elkander. Toen
+Tristan naar de oorzaak vroeg van deze droeve stemming, deelde men
+hem mede, dat de gevreesde Iersche krijger, Morholt, in het land
+gekomen was, om in naam zijns konings eene schatting te eischen,
+bestaande uit driehonderd knapen en meisjes, aan te wijzen uit de
+nakomelingschap der edelsten uit den lande. Op zijn verder vragen
+vernam hij, dat het betalen der jaarlijksche schatting dagteekende
+uit den tijd, toen Cornwallis, door binnenlandsche twisten verzwakt,
+niet opgewassen bleek tegen den machtigen koning van Ierland, wiens
+harde voorwaarden het daarom moest aanvaarden. Zoo werd het arme,
+geteisterde land eene schatting afgedwongen, welke het eerste van
+elke vier jaren bestaan zou uit driehonderd ponden koper, het tweede
+uit driehonderd ponden zilver en het derde uit hetzelfde gewicht
+aan goud. Het vierde jaar echter, en dit was wel het vreeselijkst
+van alles, moest de schatting bestaan uit driehonderd jongelingen en
+meisjes uit de edelste families van Cornwallis, die als knechten en
+dienstmaagden naar Ierland gevoerd werden.
+
+Reeds eenige malen was die zware schatting betaald geworden en onder
+bitter geween had men de hoop van het vaderland in ballingschap zien
+gaan, maar toen het rijk onder het bestuur van koning Mark allengs
+machtiger werd, begon men meer en meer het vernederende van een
+dergelijken eisch in te zien en elk jaar werd het gemor en geklaag,
+waaronder men de gevraagde som bijeenbracht, luider. Toen nu eenige
+jaren tevoren het oogenblik gekomen was, waarop de levende schatting
+moest worden uitbetaald, hadden de edelen uit het rijk rondweg
+geweigerd om hunne zonen en dochteren af te staan en op hoogen toon
+had men de Iersche boodschappers teruggezonden naar hun land. Drie
+jaren achtereen had de koning van Ierland zijn harden eisch herhaald,
+drie jaren achtereen had koning Mark, hoe bevreesd hij ook inwendig
+zijn mocht voor de gevolgen, geweigerd dien eisch in te willigen en nu
+was Morholt gekomen, om ten laatsten male de verplichte schatting op
+te eischen. Werd die niet betaald, dan zou de koning van Ierland een
+machtig leger zenden om zijnen bedreigingen kracht bij te zetten. Wat
+dit zeggen wilde, wisten de bewoners van Cornwallis slechts al te
+wel. Trouwens de ouden van dagen konden hen, die den ernst van een
+dergelijk dwangbevel niet inzagen, nog voldoende inlichten omtrent
+de gruwelen van een Ierschen inval, zooals zij dien in hunne jeugd
+hadden meegemaakt. Maar wat dan te doen? moest men dan de keur der
+jongelingschap, de bloem der jonge maagden goedschiks overleveren
+aan een vreeselijk lot? In spanning wachtte men de komst van den
+gevreesden Morholt af. Deze was de broeder der Iersche koningin, wijd
+en zijd geducht en gevreesd om de kracht zijner vuisten en het ruwe,
+bijkans dierlijk geweld, waarmede hij in den strijd zijn tegenstander
+wist aan te vallen.
+
+Met eene uitdrukking van hoon op het gelaat was hij het paleis van
+koning Mark binnengetreden; spot en minachting spraken uit den toon,
+waarop hij den edelen toeriep: "Indien er één is onder ulieden, die
+uw land van dezen smaad wil bevrijden, ben ik bereid jegens hem in
+het perk te treden. Mocht hij in den strijd overwinnen, dan zijt gij
+voor altijd van uwe verplichtingen ontslagen. Indien het lot te mijnen
+gunste beslist, zoo is het niet meer dan billijk, dat uwe kinderen tot
+knechten worden. Maar ik zie het al, geen uwer waagt het den strijd
+met mij aan te binden!" en luid schalde zijn spotlach door de zaal.
+
+Bevend van woede en toorn had Tristan naar de woorden van Morholt
+geluisterd. Nu sprong hij overeind en riep met trillende stem den
+edelen toe: "Schaamt u, gij lafaards! Een dier doet nog meer om het
+leven zijner jongen te redden, dan gij doet om uwe kinderen datgene
+te besparen, wat nog erger is dan de dood!" Toen liep hij op Morholt
+toe, slingerde hem zijn handschoen in het gelaat en riep: "Ik zal met
+u strijden voor de eer van mijn land, en het behoud mijner vrienden
+en stamgenooten. Noem slechts plaats en uur!"
+
+Morholt nam lachend den handschoen van den grond op en sprak: "Wat wil
+die knaap van mij? Moet ik soms een houten zwaard gebruiken, wanneer
+ik met hem vecht?" Maar niettegenstaande zijne snoevende minachting
+moest Morholt Tristan's uitdaging wel aannemen en zoo werden dag
+en uur van den strijd bepaald. Het gevecht zou plaats vinden op een
+eilandje, dat niet ver van Tintagel op eenigen afstand van de kust
+was gelegen. Reeds vroeg in den morgen van den vastgestelden dag had
+zich eene groote menigte aan het strand verzameld, die getuige wilde
+zijn van dezen spannenden strijd, welke over het wel en wee van het
+vaderland zou beslissen. Tegen den middag kwam Morholt, op een zwart
+ros gezeten, uit de richting der stad aanrijden. Onder de dreigende
+blikken der toeschouwers nam hij met zijn paard plaats in een bootje,
+dat hij met eenige krachtige slagen naar het eiland roeide; daar
+aangeland, meerde hij zijn vaartuig vast aan een steiger, steeg aan
+wal en wachtte, te paard gezeten, de verdere gebeurtenissen af.
+
+Korten tijd daarna verscheen Tristan op het strand, onder het daverend
+gejuich der menigte. Zijne gestalte was gehuld in een stalen harnas,
+dat blonk als zilver, het vizier van zijn helm was opgeslagen en met
+vriendelijk lachend gelaat dankte hij voor de hem betoonde hulde. Zijne
+vrienden verdrongen zich om zijn sneeuwwitten schimmel en wedijverden
+met elkander in het geven van goeden raad en heilwenschen. Op
+dezelfde wijze als Morholt bereikte hij het eiland, maar toen hij
+aan land was gestapt, stiet hij met den voet het vaartuig, waarin
+hij gekomen was, van den oever af, zoodat het met den stroom naar zee
+dreef. Op Morholt's vraag, waarom hij dit deed, gaf hij ten antwoord:
+"Één van ons beiden zal dit eiland niet levend verlaten en voor hem,
+die terugkeert, is één vaartuig voldoende."
+
+Kort daarop begon de strijd, die vele uren duurde. Zij, die vanaf
+het strand in angstige spanning naar het eiland tuurden, om den
+loop van het gevecht te kunnen volgen, zagen, hoe de krijgskansen
+steeds wisselden. Wat Morholt boven zijn tegenstander voor had,
+waren zijne meerdere kracht en zijne jarenlange ervaring in het
+vechten. Tristan daarentegen won het van hem in behendigheid en
+vlugheid van beweging. Daar trof Morholt's zwaard den jongen held diep
+in de linkerzijde; één oogenblik scheen het, of hij den strijd zou
+moeten opgeven, zóó fel brandend was de pijn, maar dadelijk herstelde
+hij zich weer. Morholt had echter zijne aarzeling bemerkt en zijn
+zwaard terughoudend riep hij uit: "Houd op, knaap, eer het te laat
+is. Wat maalt gij om die menschen daar ginds op het strand? Uw moed en
+behendigheid bevallen mij en ik wensch niet langer uw dood. Weet dan,
+dat de punt van mijn zwaard in gif gedrenkt is en dat er niemand
+is, die u van uwe wonde kan genezen dan mijne zuster, koningin
+Isolde. Daarom leg uwe wapens neer en ga met mij naar Ierland, waar
+gij genezing zult vinden en waar men u gelegenheid zal verschaffen,
+u roem en eer te verwerven!"
+
+Tristan luisterde echter nauwelijks naar zijne woorden. Woedend sprong
+hij op Morholt toe, terwijl hij uitriep: "Mijne eer en de vrijheid van
+mijn land zijn mij meer waard dan mijn leven. Ik heb ze beide in mijne
+hand en zal ze verdedigen tot mijn laatsten ademtocht!" Met vernieuwde
+onstuimigheid drong hij op zijn tegenstander in en slechts weinige
+oogenblikken later gelukte het hem, met een krachtigen zwaardslag
+Morholt's schedel te doorklieven. Met een doffen slag stortte de reus
+op den grond. Tristan steeg van zijn paard en trok met moeite zijn
+wapen uit de gapende wond. Zóó diep was het lemmer van het zwaard in
+het been doorgedrongen, dat een splinter van het staal in den schedel
+bleef steken.
+
+Toen Tristan zich overtuigd had, dat Morholt inderdaad niet meer tot
+de levenden behoorde, begaf hij zich aan boord van diens vaartuig
+en roeide naar de kust. Zij, die daar stonden en den vorm van het
+vaartuig herkenden, sloegen de handen in elkaar en begonnen luide
+te weeklagen, want zij meenden niet anders, of Tristan was in den
+strijd gevallen. Wie beschrijft dus hunne vreugde, toen de geliefde
+held uit het vaartuig aan den wal sprong, ongedeerd naar het scheen,
+want de vreugde der overwinning deed hem voor het oogenblik de pijn
+vergeten, die hem in de zijde brandde. Met fieren tred trad hij op
+de kleine groep van Morholt's metgezellen toe en riep, zóó luid, dat
+alle omstanders het hooren konden: "Gaat heen naar uw land en breng uw
+vorst als schatting, hem, dien ge op gindsch eiland zult vinden. Zeg
+hem, dat, zoo de aard dier schatting hem bevalt, hij slechts nieuwe
+boodschappers behoeft te zenden, om er nog meer van te ontvangen."
+
+Van bange voorgevoelens vervuld, roeiden Morholt's vrienden naar het
+eiland, waar zij het lijk van hun makker vonden. Zij wikkelden het
+doode lichaam in fijn linnen doeken en voerden het met zich mee naar
+Ierland. Groot was aldaar de rouw bij het vernemen der smartelijke
+tijding. De trotsche koning van Ierland beet zich op de lippen van
+woede en schaamte, maar hij zond geen nieuwe boodschappers naar
+Cornwallis. De koningin echter en hare dochter, de schoone Isolde,
+stortten bittere tranen over het ontzielde lichaam; zij wieschen
+en balsemden het en hulden het in een kostbaar doodskleed. Zoo
+ontdekten zij ook de stalen zwaardpunt, die in de wonde was blijven
+steken. Zorgvuldig legden zij het kostbare bewijsstuk ter zijde en
+zij zwoeren een duren eed, dat hij, aan wien het toebehoorde, zijne
+straf niet zou ontgaan.
+
+Degene, tegen wien deze bedreigingen geuit werden, lag intusschen weg
+te kwijnen op zijne legerstede in een der zijvleugels van het paleis
+van koning Mark. Onder het oorverdoovend gejubel der saamgepakte
+menigte had Tristan de terugreis naar Tintagel ondernomen. Van alle
+kanten drongen de menschen op hem aan om hem te danken voor hetgeen
+hij voor hen en hun land gedaan had. Vreemde ridders drukten hem de
+hand, schoone edelvrouwen vielen hem te voet en stamelden hun dank
+onder snikken en tranen, jonge meisjes strooiden bloemen op zijn pad
+en allen huldigden hem als den held van den dag. Voor den hoofdingang
+van zijn paleis stond koning Mark en toen Tristan hem naderde, strekte
+hij beide armen naar den jongeling uit en drukte hem aan zijn hart,
+te zeer ontroerd, om een woord uit te brengen.
+
+Maar nu was het ook met Tristan's krachten gedaan; met een kreet van
+pijn drukte hij zijne hand in de zijde en zonk bewusteloos ineen.
+
+Van alle kanten snelde men toe, om hem te helpen en met de grootste
+omzichtigheid droeg men hem naar een koel en rustig vertrek, waarheen
+de koning weldra de bekwaamste geneesheeren liet ontbieden om zijne
+wonden te onderzoeken. Maar niettegenstaande al hun pogen, kon geen van
+hen er in slagen, hem de zoo vurig begeerde genezing te brengen. Alle
+middelen faalden; dieper en dieper woekerde het gif in zijn bloed;
+zijn lichaam nam eene onheilspellende, donkere kleur aan en uit
+zijne wonden kwam eene vreeselijke lucht, die het den omstanders
+onmogelijk maakte om langeren tijd in het vertrek te vertoeven. Zoo
+gingen de weken voorbij; de geneesheeren schudden hunne wijze hoofden
+en mompelden Latijnsche namen, maar het angstig smeeken van koning
+Mark beantwoordden zij slechts met een weifelend schouderophalen
+en Tristan lag onder dit alles onrustig woelend terneer en voelde,
+hoe de koorts in zijne aderen brandde en zijne krachten verteerde.
+
+Door alle koortsvisioenen heen, die zijn brein benevelden hoorde
+hij de stem van Morholt, die hem toeriep: "Weet dan, dat er niemand
+is, die u van uwe wonde kan genezen, dan mijne zuster, koningin
+Isolde." Inderdaad, dit scheen maar al te waar te zijn, want hij
+voelde, dat zijne krachten met den dag afnamen en dat de beroemde
+geneesmiddelen, die men hem toediende, niets vermochten tegen het
+sloopend gif, dat hem verschroeide als een inwendig vuur. Hoe zou
+hij dan nog op genezing kunnen hopen, hij, die zich nooit in Ierland
+zou kunnen vertoonen, zonder zeker te zijn, dat men hem als den
+moordenaar van den broeder der koningin, een vreeselijken dood zou
+doen sterven? En hoe zou hij trouwens hulp mogen verwachten van haar,
+wier naasten bloedverwant hij om het leven gebracht had?
+
+Eens op een morgen, toen eene tijdelijke opklaring van zijn brein hem
+het denken mogelijk maakte, lag hij te peinzen over zijn toestand. Of
+het kwam, dat het afnemen der koorts hem nieuwe hoop gaf, of doordat de
+zonnestralen, welke door het venster vielen, hem er aan herinnerden,
+hoe schoon de wereld daarbuiten was,--hoe het ook zij, zijn heele
+wezen kwam in opstand tegen den naderenden dood en met inspanning van
+al zijne denkvermogens zon hij op een middel, dat hem, trots alle in
+den weg staande moeilijkheden, de zoo vurig gewenschte genezing zou
+doen verkrijgen.
+
+Langzaam rijpte toen in zijne hersenen het plan, dat, hoe gevaarlijk
+ook, hem althans eene kans op redding bood. Na overleg gepleegd te
+nebben met koning Mark liet Tristan zich op een mooien zomermorgen aan
+boord dragen van een vaartuig, waarop zich niemand anders bevond dan
+Gouvernail en de noodige bemanning, die geheel uit vertrouwde dienaren
+bestond. Van al zijne schatten en kostbaarheden nam hij niets met zich
+mede dan zijne harp en zoo begon hij zijn gevaarvollen tocht onder de
+zegewenschen van zijn vorst. Daar hij vreesde, dat de mare van zijne
+komst Ierland zou bereiken, nog vóór hij zelve daar kwam, bewaarde
+hij een diep stilzwijgen over het doel zijner reis en aan vrienden
+en belangstellenden deed hij voorkomen als ging hij naar Salerno,
+om daar de hulp van een beroemd heelmeester in te roepen. Niemand
+dan koning Mark vermoedde waar hij werkelijk heenging.
+
+Vele dagen duurde de tocht, want de wind was ongunstig en dreef het
+schip uit zijn koers. Tristan lag op dek, rustend op zijden kussens
+en wanneer zijne pijnen het hem toelieten, speelde hij op zijne harp
+de oude, lang vergeten wijzen uit zijn vaderland. Zacht en droomerig
+klonken de tonen van het instrument over het wijde watervlak en
+vergleden in de onmetelijke ruimte. Zoo naderde het schip de groene
+kustlijn van Ierland, waar voor Tristan de redding, maar ook het
+gevaar schuilde.
+
+Vroeg in den morgen waren eenige visschers buiten de haven van Dublin
+bezig hunne netten uit te werpen, toen hun oor plotseling getroffen
+werd door de klanken van een zoetvloeiend lied, die uit zee tot hen
+kwamen aandrijven. Verbaasd zagen zij om zich heen. Vanwaar kwam die
+stem, die zoo schoon en innig wist te zingen, dat men ernaar luisteren
+moest of men wilde of niet? Toen bemerkten zij op eenigen afstand
+een vreemd vaartuig, dat anders van bouw was dan de hunne. Fluks
+roeiden zij er heen en daar, op het dek, uitgestrekt op een bed van
+kussens, ontwaarden zij den zanger, een jongen man, wiens fijne,
+edele gelaatstrekken door de pijn verwrongen waren en den grauwen
+doodstint reeds schenen te hebben aangenomen. Nochtans gleden zijne
+vingers over de snaren en ontlokten daaraan tonen van zulk eene
+roerende schoonheid, dat zelfs de ruwe harten der visschers er door
+geboeid werden. Nieuwsgierig vroegen zij naar naam en herkomst van den
+vreemden zanger en deze, die op een dergelijk verhoor was voorbereid,
+vertelde hun, dat hij Tantris heette en dat hij, op weg naar Spanje,
+door zeeroovers was overrompeld, die zijn schip hadden geplunderd en
+hemzelf eene gevaarlijke wonde hadden toegebracht. Op zijne wedervraag,
+waar hij zich thans wel bevinden mocht, antwoordden de visschers hem,
+dat gindsche stad Dublin was, de hoofdstad van het machtige Iersche
+rijk. Getroffen door het lijdend voorkomen van den jongen vreemdeling
+boden zij hem gastvrijheid in hunne eenvoudige woning aan, welk aanbod
+gretig door hem werd aanvaard.
+
+Al spoedig verspreidde zich het gerucht door het land van den
+jongen zanger, die lag weg te kwijnen aan eene doodelijke wonde,
+doch wiens zang en harpspel zóó schoon waren, dat een ieder, die ze
+hoorde, onder de betoovering kwam. Ook roemde men den vreemdeling om
+zijne hoffelijke, vriendelijke manieren en de kalmte en geestkracht,
+waarmede hij zijn vreeselijk lijden droeg. Tot in het koninklijk paleis
+drongen deze geruchten door en de jonge prinses Isolde bad en smeekte
+hare moeder om den vreemdeling aan het hof te ontbieden en hem op
+te dragen, haar in de kunst van het harpspelen te onderrichten. Zoo
+gebeurde het en toen de koningin den schoonen jongeling zag, die
+ondanks zijne onduldbare pijnen toch zijne kalmte en levensmoed
+wist te bewaren, besloot zij al hare krachten aan te wenden, om hem
+van zijne kwaal te genezen. Met eigen hand bereidde zij toen eenige
+geneesmiddelen, volgens een geheim en oud recept, dat zij nog van
+hare moeder had medegekregen; zij wiesch zijne wonden met eene
+zuiverende vloeistof, die het gif uit het bloed wist te trekken
+en ziet, binnen weinige dagen was er reeds eene verandering ten
+goede merkbaar in het voorkomen van den zieke. Zijne oogen werden
+helderder, zijne gelaatstint werd weer gezond en de pijnen namen af
+in hevigheid. Vóór er drie weken verstreken waren, was Tristan geheel
+genezen en gedreven door innige dankbaarheid jegens haar, die hem
+het leven gered had, wijdde hij zich geheel aan zijne nieuwe taak,
+om de jeugdige prinses te onderwijzen in alles, wat de edelvrouwen
+van zijn land zoo hoog deed uitsteken boven hare tijdgenooten. Hij
+leerde haar schoone liederen zingen en die op de harp begeleiden;
+ook onderrichtte hij haar in het zeggen van verzen en het onderhoudend
+vertellen van oude sagen en legenden. Daarbij zag hij nauwkeurig toe,
+dat houding, gelaatsuitdrukking en stembuiging alle in overeenstemming
+waren met den inhoud van het verhaalde. Ook toonde hij Isolde, hoe in
+zijn land de vrouwen met hoofsche nijgingen en vriendelijk handgebaar
+den vreemdeling begroetten, die in hare woning binnentrad, hoe zij met
+sierlijken zwaai den langen sleep van haar rijkleed over den schouder
+wierpen, zoodra zij van het paard gestegen waren en hoe zij, voor het
+vuur gezeten, eene slip van haren hoofddoek gebruikten, om zich tegen
+de hitte der vlammen te beschutten. Al deze dingen maakte Isolde zich
+eigen en haar ouders verheugden zich, wanneer zij zagen, hoe hunne
+dochter dagelijks toenam in gratie van houding en manieren. Isolde zelf
+zag hoog op tegen haren leermeester en bewonderde hem als een toonbeeld
+van beschaving en ridderlijkheid. Ook hij voelde zich getroffen door
+het lieftallig wezen der jonge prinses, maar zijn hart was nog vrij
+van alle gedachten aan liefde en vrouwengunst, dus leefden deze beide
+jonge lieden gelukkig en tevreden bij en met elkander voort, zonder
+aan andere dingen te denken dan aan de fraaie klanken van een lied
+of de schoonheid van een zomermorgen aan het strand van Dublin.
+
+Toen de maanden verliepen en Tristan weer geheel hersteld was, begon
+hij terug te verlangen naar zijn vaderland, waar zijn oom in bange
+onzekerheid zijne terugkomst verbeidde.
+
+Al werd hij door gevoelens van dankbaarheid aan het Iersche hof
+gebonden, zijn plicht riep hem terug naar Cornwallis en bovendien,
+hij verkeerde steeds in angst, of de metgezellen van Morholt hem ook
+zouden herkennen. Daarom begaf hij zich eens op een dag naar koningin
+Isolde en vroeg haar verlof, om naar zijn land terug te keeren. "Mijne
+vrienden en bloedverwanten", zoo zeide hij, "verkeeren steeds in
+onzekerheid omtrent mijn lot, daar zij sedert mijn vertrek niets meer
+van mij vernomen hebben. Het wordt tijd voor mij, om tot hen terug
+te keeren. Nooit echter zal ik vergeten, wat gij voor mij gedaan hebt
+en mijn leven lang zal ik uw getrouwe dienaar blijven, over wien gij
+vrijelijk zult kunnen beschikken, waar en wanneer u dit goed dunkt."
+
+Na eenig beraad gaf de koningin hare toestemming tot zijn vertrek;
+het viel haar niet gemakkelijk, om Tristan te laten gaan, want zij was
+hem gaan liefhebben als haar eigen zoon, zoowel ter wille van hemzelf,
+als ter wille van dat, wat hij voor haar kind gedaan had.
+
+Korten tijd daarna stak het vaartuig, waarin Tristan gekomen was, weer
+in zee en landde, na eene voorspoedige reis, in de haven van Tintagel.
+
+De blijdschap van koning Mark, toen hij zijn geliefden neef gezond en
+krachtig terugzag, kende geene grenzen en ook Tristan's vrienden en
+bekenden verheugden zich hartelijk over zijn veiligen terugkeer. Zij
+konden hunne oogen bijna niet gelooven toen zij hem, dien zij doodelijk
+krank en lijdend hadden zien vertrekken, nu zoo frisch en gezond
+terugzagen en er waren er onder de ridders, die iets mompelden van
+tooverij en booze geesten. Dit gerucht verspreidde zich allengs en
+vond gretigen ingang bij hen, die sinds langen tijd naijverig waren op
+Tristan's roem en op de gunsten, die koning Mark hem betoonde. Het was
+duidelijk, zoo zeiden zij, dat er hoogere machten in het spel waren
+geweest, die tot Tristan's genezing hadden bijgedragen. Hoe zou het
+ook anders mogelijk zijn, dat men in Ierland hem niet herkend had en
+dat hij koningin Isolde had weten te bewegen, om hem te genezen, hem,
+dien zij toch meer dan alle menschen op aarde moest haten. Nu eerst
+zag men, welk een gevaarlijk mensch deze Tristan was en hoe hij met den
+Booze in nauwe gemeenschap stond! Trouwens, was hij niet ook in andere
+opzichten een geheimzinnig wezen, was er wel één, die de waarheid wist
+omtrent zijne afkomst en de wijze, waarop hij in het land gekomen was?
+
+Zoo praatten en stookten de jaloersche baronnen en ontzagen zich zelfs
+niet om in Tristan's tegenwoordigheid bedekte toespelingen te maken
+op de verdachte omstandigheden, waaronder hij aan het hof gekomen was
+en de slimme wijze, waarop hij zich in de gunsten des konings had
+weten te dringen. Tristan voelde maar al te duidelijk de vijandige
+stemming, die hem omringde, maar hij stoorde er zich weinig aan en
+ging kalm zijns weegs, overtuigd van zijn goed recht.
+
+Naarmate de weken verliepen en onze held weer geheel zijne vroegere
+plaats aan het hof had ingenomen, groeiden de nijd en afgunst van
+de baronnen en konden zij zich hoe langer hoe minder vereenigen met
+het feit, dat Tristan eens hun heer en vorst zou zijn. Wat, deze
+vreemdeling, deze bastaard, zou hun koning worden en regeeren over
+het schoone land van Cornwallis? Waarom konden zij geen rechtmatigen
+erfgenaam van den troon hebben? het was immers de plicht van ieder
+vorst om daarvoor te zorgen! Nog was het niet te laat, koning Mark was
+weliswaar niet jong meer, maar toch nog niet te oud om een huwelijk
+aan te gaan en dat er geen prinses te vinden zou zijn, die den troon
+met hem wilde deelen, dat kon men toch niet aannemen! Op grond van deze
+overwegingen begaven zij zich naar koning Mark en verzochten hem, ter
+wille van zijn volk en zijn land, uit te zien naar eene jonge bruid,
+die hem een erfgenaam voor den troon zou schenken. De koning hoorde hen
+met verbazing aan en sprak: "Wat wilt gij van mij? Weet ge dan niet,
+dat Tristan, het kind mijner gestorven zuster, mijn erfgenaam zal
+zijn en kunt gij u een wijzer en dapperder koning wenschen dan hij
+zijn zal?" Maar de baronnen lieten niet af. Tristan, zoo beweerden
+zij, was en bleef een vreemdeling en wanneer hij na 's konings dood
+den troon wilde bestijgen, zouden diens verre bloedverwanten hem het
+recht daartoe betwisten, waardoor het rijk ten prooi zou vallen aan
+binnenlandsche twisten en oorlogen. Wanneer daarentegen de koning
+een huwelijk wilde aangaan, was de erfopvolging verzekerd en zou het
+land de rust blijven genieten, welke noodig was voor zijn verderen
+bloei en welvaart. Aanvankelijk bleef de koning doof voor hunne
+inblazingen. Zijn eens gegeven woord wilde hij niet breken en geene
+vrouw zou de plaats aan zijne zijde innemen, zoolang Tristan aan
+het hof verkeerde. Maar ook deze begon te bemerken, wat de baronnen
+wenschten en liever dan voort te leven onder dien druk van haat en
+afgunst, wenschte hij afstand te doen van alle rechten, die zijn oom
+hem had geschonken. Daarom begaf hij zich naar den koning en smeekte
+hem, de eischen zijner baronnen in te willigen, daar hij zich anders
+genoodzaakt zou zien, het hof te verlaten en als een arm, maar vrij
+man de wereld in te trekken. Koning Mark zag, dat hem niets anders
+overbleef, dan toe te geven, maar hij nam zich voor, zijne eischen
+zoo zwaar mogelijk te maken, opdat hij nog eene kans zou hebben,
+zijne vrijheid te behouden en Tristan de plaats te geven, die dezen
+volgens zijne koninklijke belofte toekwam.
+
+Hij riep dus zijne baronnen in plechtige vergadering bijeen en sprak:
+"Na rijp beraad ben ik besloten, om, ingevolge uw verlangen, een
+huwelijk aan te gaan. Er is echter slechts ééne enkele prinses, die ik
+tot vrouw begeer en zij en geene andere zal den troon van Cornwallis
+met mij deelen. Luistert! Toen ik vanmorgen vroeg te peinzen lag,
+vlogen twee zwaluwen door het open venster van mijn slaapvertrek naar
+binnen. In hunne snavels droegen zij een lang, goudblond vrouwenhaar,
+dat glinsterde in de morgenzon. Toen zij boven mijn rustbed gekomen
+waren, lieten zij plotseling het haar vallen, dat neerdwarrelde op
+mijne legerstede. Voorzichtig nam ik het op om het te bekijken en
+terwijl ik dit deed, schoot mij plotseling te binnen, hoe Tristan
+steeds de lange, gouden haren van prinses Isolde van Ierland geprezen
+had. Sindsdien heb ik haar beeld niet meer uit mijne gedachten kunnen
+verbannen en begon ik het brengen van het vrouwenhaar door de zwaluwen
+als eene aanduiding te beschouwen, dat zij en niemand anders dan zij,
+mijne gemalin moest worden." Hier zweeg de koning en zag triomfantelijk
+rond. Hoe zouden de baronnen aan zijn verlangen kunnen voldoen, om
+eene prinses uit een hem vijandig rijk voor zijne hand te winnen? Het
+was immers onmogelijk dat de koning van Ierland ooit de hand zijner
+dochter zou schenken aan den man, die de indirecte oorzaak was geweest
+van Morholts dood. Welnu, de baronnen zouden, wanneer hij slechts
+voet bij stuk hield, ten slotte wel het onmogelijke van hun plan
+inzien en de troon zou, bij gebrek aan een rechtstreekschen erfgenaam,
+vanzelf aan Tristan vervallen. Inderdaad zagen de edellieden elkander
+eenigszins bedrukt en teleurgesteld aan, want zij begrepen, dat het
+bijna onmogelijk zou zijn, om de hand van prinses Isolde voor hun
+vorst te winnen. Zij poogden Mark het onredelijke van zijn verlangen
+onder het oog te brengen; zij wezen op de vijandschap tusschen de
+beide landen en prezen de schoonheid en lieftalligheid van andere
+prinsessen. Alles tevergeefs! Koning Mark bleef bij zijn eisch:
+Isolde van Ierland moest zijne vrouw worden, of hij zou tot zijn
+dood toe ongehuwd blijven en Tristan zou hem opvolgen. Wanhopig
+zagen de baronnen elkander aan en menige booze blik trof Tristan,
+dien men als de oorzaak van 's konings koppigheid beschouwde. Zeker
+was hij het, die Mark een dergelijk voorstel aan de hand had gedaan,
+om daardoor zijne eigen rechten op den troon verzekerd te zien. Zoodra
+Tristan zich van dit nieuwe blijk van wantrouwen bewust werd, was zijn
+besluit genomen en temidden der pijnlijke stilte die op eene hernieuwde
+weigering des konings gevolgd was, riep hij uit: "Lafaards zijt ge,
+om eene taak onuitvoerbaar te beschouwen, nog eer gij uwe krachten
+daaraan beproefd hebt. Ik zelve Sire, zal u Isolde van Ierland brengen,
+of het moest mij mijn leven kosten. Geef mij slechts twintig edelen
+mede om uw aanzoek te ondersteunen. Bovendien zal ik honderd ridders
+kiezen, die mij in den nood terzijde zullen staan en tezamen zullen
+wij de prinses voor u veroveren, al moesten we haar aan de klauwen
+van een draak ontrukken!" De baronnen kregen den schrik over deze
+overmoedige woorden en beefden bij de gedachte, dat zij Tristan op
+zijn gevaarlijken tocht zouden moeten vergezellen. Andermaal wendden
+zij zich smeekend tot hun vorst en verzochten hem eene andere keuze
+te doen, maar nog vóór hij antwoorden kon, riep Tristan uit: "Er is
+slechts ééne vrouw ter wereld, die waard is om de gemalin van koning
+Mark te worden en dat is prinses Isolde met de gouden haren! Haar
+wil ik voor hem zien te veroveren of in het pogen den dood vinden!"
+
+In allerijl rustte Tristan nu een schip uit, dat hij belaadde met
+allerhande kostbare waren, zooals vreemde kooplieden gewoon zijn, van
+hunne reizen mede te brengen. Vergezeld van het vastgestelde aantal
+edelen en ridders zette hij koers naar Ierland en weldra dook de hem
+bekende kustlijn aan den horizon op. Toen zij de landingsplaats van
+Dublin naderden, gaf hij zijnen reisgenooten bevel, zich in het ruim
+van het schip te begeven en aldaar verborgen de verdere gebeurtenissen
+af te wachten. Hij zelf, zoo zeide hij, was van plan, om in de stad
+te gaan en te zien, wat hij doen kon. Wanneer hij na verloop van
+drie weken niet terug was gekomen, raadde hij zijne metgezellen aan,
+terug te keeren naar hun land en eene andere bruid voor koning Mark te
+zoeken. Zij konden dan aannemen, dat hij zijn leven in de onderneming
+gelaten had.
+
+Aan het strand van Dublin heerschte intusschen onder de samengestroomde
+menigte groote nieuwsgierigheid aangaande het vreemde vaartuig, dat
+op eenigen afstand buiten de haven voor anker was gaan liggen. Ook
+de maarschalk, in wiens handen het bestuur over de stad berustte,
+kwam met zijne dienaren naar den waterkant, om te onderzoeken, wie
+wel de eigenaar van het schip kon zijn en met welke bedoelingen hij
+gekomen was.
+
+Tristan naderde de aanlegplaats in een klein bootje. Over zijne
+wapenrusting droeg hij een langen koopmansmantel en eene ruig
+wollen muts bedekte zijne blonde haren. Toen hij den voet aan wal
+zette drong het volk naderbij en bij het zien van zijne uitheemsche
+kleedij, gingen er scheldwoorden en uitroepen van spot onder de
+menigte omhoog. Tristan stoorde zich echter niet aan de vijandige
+houding der bevolking; met kalmen tred ging hij op den maarschalk
+toe en sprak: "Heer maarschalk, wat beduiden die dreigende uitroepen
+en gebaren? Toen ik hierheen voer, waar ik zoo vele jaren achtereen
+mijne kostbare koopwaar van de hand heb gedaan, was ik niet op eene
+dergelijke ontvangst voorbereid. Wanneer men mij echter liever ziet
+vertrekken, zoo zeg mij dit ronduit; ik keer dan terug naar mijn schip
+en zal trachten in een gastvrijer oord dan dit eene afzetplaats voor
+mijne waren te vinden. Vergun mij echter u dezen beker aan te bieden,
+dien ik voor u uit het Frankenland, waar mijne geboorteplaats is,
+heb medegebracht". Daarbij bood hij den maarschalk een zwaar gouden
+beker aan. Deze nam vol vreugde de kostbare gift in ontvangst en
+sprak vriendelijk: "Duid het den menschen niet ten kwade, wat ik u
+bidden mag, dat zij u minder vriendelijk bejegenen, dan gij verwacht
+hadt. De reden daarvan is, dat ons een groot leed is wedervaren. De
+broeder onzer geliefde vorstin, een dapper en edel ridder, is in den
+vreemde op sluwe wijze ten val gebracht en sindsdien verdenkt men
+iederen vreemdeling van booze plannen te onzen opzichte. Het land,
+waar Morholt zijn dood vond, was Cornwallis en zoo gij uit Frankenland
+herwaarts zijt gekomen, zal u hier geen leed geschieden; integendeel,
+men zal uwe waren koopen als voorheen, indien zij even schoon en
+kostbaar zijn als deze beker".
+
+Zoodoende kon Tristan vrijelijk de stad betreden, waar prinses
+Isolde woonde, en behoefde hij slechts eene gunstige gelegenheid af
+te wachten om haar te naderen.
+
+Deze gelegenheid deed zich spoedig voor. In de bosschen bij Dublin
+huisde een vreeselijk monster: een draak, die mensch en dier bedreigde,
+die boom en struik verzengde met het vuur, dat hij spuwde, en wiens
+wandaden hem tot schrik der gansche bevolking maakten. Steeds dichter
+waagde het ondier zich bij de muren der stad, steeds talrijker werden
+zijne slachtoffers, tot eens op een dag de koning, die ten einde raad
+was, op plechtige wijze liet bekend maken, dat hij hem, die den draak
+wist te dooden, zijne dochter Isolde tot vrouw zou geven.
+
+Van heinde en ver kwamen nu de ridders opdagen, die, aangelokt door
+den hoogen prijs, het waagstuk wilden beproeven, maar geen hunner
+slaagde erin, het ondier te dooden en velen verloren in den strijd
+het leven. Ook Tristan was de belofte des konings ter oore gekomen
+en hij besloot op zijne beurt eene kans te wagen, om zoodoende de
+hand der schoone prinses voor zijn oom te winnen.
+
+Op een vroegen morgen liet hij in alle stilte zijn paard zadelen en
+begaf zich op weg in de richting van het woud, waar de draak zich
+ophield. Even buiten de stad gekomen, ontmoette hij drie ruiters, die
+hem in suizende vaart voorbijjoegen, onder het roepen van: "De draak,
+Heer! de draak!" Toen hij hun vroeg: "Waar is de draak?" wezen zij
+met den vinger achterwaarts en riepen: "Hij volgt ons op de hielen";
+het volgend oogenblik waren zij in eene wolk van stof verdwenen.
+
+Behoedzaam om zich heen speurend, vervolgde Tristan zijn weg en het
+duurde niet lang, of hij ontmoette hem, dien hij zocht. Het monster was
+inderdaad vreeselijk om aan te zien en een minder stoutmoedig man dan
+Tristan zou bij zijn aanblik de moed in de schoenen zijn gezonken;
+onze held echter reed onversaagd op den draak toe en het gevecht
+begon. Het was een zware strijd, waarin Tristan al zijne kracht en
+behendigheid noodig had, om niet het onderspit te moeten delven. Het
+bloed stroomde hem uit de gapende wonden, welke het ondier hem met
+zijne klauwen geslagen had, en bovendien kon hij nauwelijks ademhalen
+door den heeten, verstikkenden adem, dien de draak hem in het gelaat
+blies. Zijn paard zonk doodelijk gewond ter aarde, waarop hij te voet,
+gedekt door zijn schild, den ongelijken strijd voortzette. Eindelijk
+gelukte het hem met eene behendige zwenking van zijn arm, zijne lange
+speer zóó diep in den muil van het monster te stooten, dat de punt tot
+bijna in het hart doordrong. Onder een vreeselijk gebrul rende de draak
+in de richting van zijn hol, de grond besproeiend met een verzengenden
+vuurregen en een spoor van donker bloed achterlatend. Tristan
+vervolgde hem zoover zijne uitgeputte krachten hem dit toelieten en
+bracht hem steeds nieuwe wonden toe. Vóór zijn hol gekomen, wendde
+het monster zich om tot een laatsten, wanhopigen kamp, maar uitgeput
+door bloedverlies kon hij niet lang meer weerstand bieden en weldra
+bracht Tristan hem den doodsteek toe. Vreeselijk was het gerochel,
+waarmede de draak ineenzonk; het vuur, dat uit zijn opengesperden
+muil kwam, spatte uiteen tot een regen van vonken en de lucht werd
+verpest door den vreeselijken stank van het gif, dat hem uit de keel
+vloeide. Tristan echter greep met vaste hand de tong van het monster,
+die hem uit den bek hing en sneed die af om haar als bewijsstuk mede
+te nemen. Daarna verzamelde hij zijne laatste krachten en begaf zich
+met wankelende schreden in de richting van een beekje, dat hij niet
+ver van de plaats des gevechts hoorde klateren, om zijn brandenden
+dorst te lesschen. Toen hij echter, daar aangekomen, zich voorover
+wilde buigen om te drinken, werd hij zoodanig bedwelmd door de giftige
+dampen, die door de tong, welke hij in zijn zak geborgen had, werden
+uitgewasemd, dat hij zijn bewustzijn verloor en als levenloos in het
+struikgewas ter zijde van de beek, neerviel.
+
+Terwijl hij daar zoo lag, had zich een ander ridder in de nabijheid
+van den draak gewaagd. Dit was Agavin met de Roode Haren, de drost van
+koning Gumurun, een dwaas en ijdel man. Sinds langen tijd beminde hij
+prinses Isolde in stilte en poogde door het dragen van fraaie kleederen
+en glinsterende edelsteenen hare aandacht te trekken. Wanneer zij
+hem dan spottend vroeg, om medelijden te hebben met de arme vrouwen
+en meisjes, wien hij door zijne schoonheid het hart ontstal, meende
+hij, dat zij in ernst sprak en verheugde zich over den indruk, dien
+hij op haar gemaakt had. Toch waagde hij het niet, haar zijne liefde
+te bekennen en wachtte, tot er zich eene gunstige gelegenheid zou
+voordoen, om te spreken. Toen nu koning Gumurun wijd en zijd liet
+bekend maken, dat hij den ridder, die den draak om het leven zou
+brengen, de hand zijner dochter Isolde tot belooning zou geven, besloot
+Agavin terstond, eene kans te wagen, om dien hoogen prijs te veroveren.
+
+Verscheidene malen had hij zich reeds buiten de stad gewaagd, maar
+wanneer hij dan in de verte het monster hoorde brullen, ontzonk hem
+telkenmale alle moed en haastte hij zich, binnen de veilige muren
+der stad terug te keeren.
+
+Ook dezen morgen had hij na eene nieuwe poging het hazenpad gekozen
+en bevond zich onder de drie vluchtende ridders, die Tristan op
+zijn weg was tegengekomen. Toen hij zag, dat de vreemde ridder hunne
+raadgevingen om met hen terug te keeren, in den wind sloeg en zich toch
+in het gevaar waagde, besloot hij, door nieuwsgierigheid gedreven,
+op veiligen afstand den uitslag van het gevecht af te wachten. Hij
+twijfelde er geen oogenblik aan, of Tristan zou in den strijd tegen het
+monster den dood vinden en wie weet, welk voordeel er dan nog voor hem
+uit deze onderneming te behalen zou zijn. Zoo sloop hij, bevend van
+angst, langs den zoom van het woud, waaruit de afschuwelijke kreten
+van het monster tot hem doordrongen en hem met vrees en ontsteltenis
+vervulden. Na eenigen tijd verstomde het gebrul en Agavin besloot
+zich, van de juiste oorzaak hiervan te overtuigen. Al zijn moed
+bijeenzamelend, besteeg hij zijn paard en reed het bosch in, naar
+alle kanten spiedend, of soms gevaar dreigde. Plotseling hield hij
+met heftigen ruk de teugels in. Daar vóór hem op den grond lag het
+monster, dat hij zocht, met zijne vreeselijke klauwen uitgestrekt
+op den woudbodem en zijne vurige oogen wijd opengesperd. Zonder zich
+te overtuigen, of de draak levend of dood was, sprong Agavin ijlings
+uit het zadel en rende de struiken in, waar hij sidderend over lijf
+en leden den verderen loop der gebeurtenissen afwachtte. Maar tegen
+zijne verwachting in, bleef alles rustig: geen monster baande zich
+een weg door het struikgewas, om hem te zoeken en de stilte van het
+woud bleef onverstoord. Met kloppend hart waagde Agavin zich opnieuw
+in de nabijheid van het gevreesde ondier en eerst toen hij zag,
+dat zijn paard ongedeerd was gebleven en kalm aan het grazen was,
+begreep hij, dat de draak werkelijk dood was. Voorzichtig boog hij
+zich over hem heen en beschouwde hem vol afschuw; daar ontdekte
+hij het half verkoolde lichaam van Tristan's paard en diens schild,
+dat hij na afloop van den strijd ter zijde geworpen had. Een glans
+van boosaardig genoegen gleed over Agavin's gelaat, toen zijn zoeken
+naar het lichaam van den dapperen vreemdeling tevergeefsch bleek te
+zijn. Het leed geen twijfel, of het monster had hem met huid en haar
+verslonden, zooals het zoo velen vóór hem had gedaan en de belooning
+voor zijne wakkere daad zou hij nooit deelachtig worden. Plotseling
+schoot hem iets te binnen. Waarom kon hij zich niet de verdienste
+toeëigenen den draak gedood te hebben en daardoor zijn hartewensch
+in vervulling zien gaan? Wie zou ooit kunnen bewijzen, dat niet hij,
+maar de onbekende, die zich zoo roekeloos in het gevaar begeven had,
+het stoute feit had volbracht? Nogmaals keek hij behoedzaam om zich
+heen, om zich te overtuigen, dat geen ander getuige was geweest van
+zijne ontdekking, maar nergens kon hij een spoor van menschelijk
+leven ontdekken; toen bezag hij vol vreugde het monster aan zijne
+voeten, dat hem de verwezenlijking zijner stoutste droomen brengen
+zou. Daarop overlegde hij snel, hoe hij zijn plan het best ten uitvoer
+kon brengen. Met een enkelen zwaardslag sloeg hij den draak den kop
+af; toen besteeg hij zijn paard en reed terug naar de stad, iedereen,
+dien hij op zijn weg ontmoette, toeroepend: "Gaat heen naar het bosch
+en ziet, wat daar is geschied! Met het zwaard, dat ik hier in de
+hand draag, heb ik het land bevrijd van het monster, dat de omgeving
+onveilig maakte. Voortaan kunnen de burgers van Dublin zich veilig
+buiten de stad begeven, want de draak, die hunne levens bedreigde,
+is dood, gevallen door mijne hand! Daarvoor wacht mij de schoonste
+belooning, die men zich denken kan: de hand van prinses Isolde!"
+
+Als een loopend vuur verbreidde zich de mare, dat Agavin met de Roode
+Haren den draak had gedood en weldra drong het bericht ook door binnen
+de muren van het vorstelijk paleis. Toen Isolde vernam, wie het stoute
+stuk had volbracht, lachte zij eerst luide, en verklaarde, dat dit
+de beste grap was, die zij in langen tijd gehoord had! Toen men haar
+echter vertelde, dat er eenige burgers met eene kar uit de stad waren
+gereden om den kop van den draak te halen en dat Agavin een onderhoud
+met den koning had verzocht, betrok haar gezicht en toornig riep zij
+uit: "Wil men mij dan werkelijk wijs maken, dat een man als Agavin,
+die bekend staat als de grootste lafaard van het land, een dergelijk
+feit zou hebben bedreven? Nooit zal ik gelooven, dat hij inderdaad den
+draak overwonnen heeft, het is een valstrik, dien hij ons spant om mij
+tot zijne vrouw te maken. Dit zal hem echter nooit gelukken; liever dan
+zijne echtgenoote te worden, zou ik mij zelve van het leven berooven!"
+
+Daarop begaf zij zich naar hare moeder, koningin Isolde en smeekte haar
+om mede te gaan naar de plaats des gevechts, ten einde te trachten de
+oplossing van het raadsel te vinden. De koningin stemde hierin toe en
+den volgenden morgen begaven de beiden zich in alle vroegte op weg,
+slechts vergezeld door Brangwaine, Isolde's vertrouwde dienares. Toen
+zij bij de plaats van den strijd gekomen waren, vonden zij daar het
+lijk van Tristan's paard en zijn schild, dat, hoewel deerlijk gehavend,
+toch nog sporen vertoonde van zijne vroegere pracht. Verheugd nam
+Isolde het op van den grond en riep uit: "Ziet gij nu wel, dat mijne
+vermoedens juist waren? Niemand anders dan de ridder, wien dit schild
+toebehoort, heeft het ondier gedood. Laat ons trachten, hem te vinden,
+hij kan niet ver van hier zijn."
+
+De drie vrouwen doorzochten nu ijverig den ganschen omtrek en na
+eenigen tijd ontdekte Isolde het lichaam van Tristan, half verborgen
+tusschen het struikgewas aan den oever van het beekje. Met een
+kreet van vreugde, die hare gezellinnen naar de plaats deed snellen,
+waar zij zich bevond, bukte zij zich over hem heen en nauwelijks had
+zij zijn gelaat gezien, of zij riep verwonderd uit: "Dit is niemand
+anders dan Tantris, de speelman, die mij eenige jaren geleden in het
+harpspelen onderwees. Hoe komt hij plotseling hier en dan in zoo'n
+toestand?" Behoedzaam tilden de vrouwen hem op en droegen hem naar den
+waterkant, daargekomen, maakten zij zijne wapenrusting en kleederen
+los en wieschen zijne wonden met het heldere bronwater. Spoedig
+werd hunne moeite beloond en sloeg Tristan de oogen op. Toen hij
+het schoone gelaat van Isolde over zich heen gebogen zag, scheen het
+hem toe als een droom, waaruit hij spoedig zou ontwaken. Maar neen,
+daar hoorde hij hare stem, die hem Tantris noemde en hem vroeg,
+hoe hij hier gekomen was en of inderdaad hij het was, die den
+draak gedood had. Opnieuw moest hij een leugen verzinnen, die zijne
+aanwezigheid in Ierland verklaarbaar zou maken en zoo sprak hij. "Ja,
+schoone prinses, ik ben het, de speelman Tantris, dien uwe moeder
+jaren geleden uit het doodsgevaar redde. Sinds ik u vaarwel zegde,
+heb ik verre reizen gedaan en vreemde landen bezocht. Overal roemde
+men mijne kunst, maar toch voelde ik, hoe men mij beschouwde als een
+dwaas, die de vreugden en smarten des levens bezingt zonder dat hij
+ze zelf doorleefd heeft, wiens liederen den trots om eene volbrachte
+krijgsmansdaad beschrijven, zonder dat hij dien ooit zijn lichaam
+heeft voelen doorgloeien en wiens roemrijkste wapenfeit bestaat
+in eene schermutseling met een landlooper of struikroover, die het
+hem op zijne tochten lastig maakt. Daarom besloot ik om mijzelven
+roem en naam te verwerven en toen ik dus hoorde van den draak, die
+de omgeving hier onveilig maakte, en vernam, welken hoogen prijs
+koning Gumurun op zijn hoofd had gesteld, was mijn besluit genomen
+en reisde ik hierheen om mijne kans te wagen. Hoe ik hierin slaagde,
+is u reeds bekend en ook, hoe ik zonder uwe hulp, wellicht den dood
+gevonden zou hebben. Ten tweeden male hebt ge mij het leven gered!"
+
+Toen hij deze woorden gesproken had, viel Tristan uitgeput achterover
+en verloor opnieuw zijn bewustzijn. Koningin Isolde echter, zond
+ijlings Brangwaine terug naar Dublin om hulp te halen en nog vóór het
+dagelijksche leven in de stad begonnen was, had men Tristan in alle
+stilte het koninklijk paleis binnengedragen en hem in de vertrekken der
+koningin op eene zachte legerstede neergevlijd. Daar genoot hij eene
+uitmuntende verpleging onder de persoonlijke zorgen van de koningin en
+de jonge prinses, die zich beijverden, om hem van dienst te zijn. Door
+hare toewijding en de heilzame middelen, welke zij hem toedienden,
+herstelde hij spoedig van zijne wonden en werd weldra weer geheel de
+oude. Intusschen had Agavin bij den koning aanzoek gedaan om Isolde's
+hand en daarbij den kop van den draak overgelegd als bewijsstuk,
+dat hij inderdaad het recht had, de schoone prinses te huwen. De
+koning gevoelde weinig lust om zijne dochter af te staan aan een man,
+die steeds het mikpunt was van aller hoon en spotternij; ook twijfelde
+hij in zijn hart aan de waarheid van Agavin's woorden. Daar hij echter
+geen bewijzen tegen hem had, moest hij wel in zijn verzoek toestemmen,
+wilde hij zijn gegeven woord gestand doen. Hij besloot daarom een dag
+vast te stellen, waarop Agavin zijn aanzoek in alle plechtigheid en in
+tegenwoordigheid van het geheele hof zou herhalen. Had de koning vóór
+dien tijd niets naders omtrent de ware toedracht der zaak vernomen,
+dan moest men aannemen, dat Agavin werkelijk den draak had gedood
+en dan zou ook Isolde's vader zijne belofte getrouw blijven en hem
+zijne dochter tot vrouw geven.
+
+Toen Isolde hoorde, wat er geschieden zou, liep zij vol schrik naar
+Tristan om zijn raad in te winnen; deze echter glimlachte fijntjes
+en sprak: "Wees niet bezorgd, schoone prinses! Ik beloof u hierbij
+plechtig, dat een edeler man dan deze ijdele dwaas, uw echtgenoot
+zal worden. Vertrouw slechts op mij!"
+
+Isolde zag hem peinzend aan. Vanwaar toch dat fiere zelfbewustzijn
+in dien eenvoudigen speelman? Zou men niet denken, dat hij van
+edele geboorte was, wanneer men hem hoorde spreken en zingen? Zijne
+beschaafde, zachte stem, zijn edele bouw en fiere gelaatsuitdrukking,
+alles scheen er op te wijzen, dat hij slechts voorgaf een eenvoudig
+muzikant te zijn. Wie weet, was hij niet een koningszoon, die,
+gedreven door een luim of gril, met zijne harp door het land trok
+uit zucht naar avontuur! De romantische verbeelding van het jonge
+meisje werd geprikkeld door de schoonheid en hoffelijkheid van den
+jongen vreemdeling en vaak onderzocht zij zijne wapenen en kleederen,
+of zij niet een kenteeken kon ontdekken, dat haar eenig licht omtrent
+zijne afkomst kon verschaffen.
+
+Wanneer Tristan haar aldus bezig zag, kon hij een glimlach niet
+onderdrukken en deze versterkte Isolde in hare overtuiging, dat
+hij iets voor haar verborgen hield. Eens op een dag, dat zij bij
+Tristan's legerstede was gezeten en hij haar opnieuw verteld had,
+hoe hij den draak had gedood, nam zij spelend het zwaard op, dat
+naast zijn bed hing, trok het uit de scheede en liet de zonnestralen
+in het glinsterend staal weerkaatsen. Haar oog werd getroffen door
+den edelen vorm van het wapen en langzaam gleed haar blik langs het
+blinkend lemmer, tot hij rusten bleef op eene kerf onderaan bij het
+gevest. Hoe vreemd, dat een prachtig zwaard als dit zóó geschonden was,
+waar had zij dien vorm van keep toch meer gezien? Plotseling schoot
+haar iets te binnen en snel opspringend liep zij naar een hoek van
+het vertrek, waar zij in een fraai houten kistje den metaalsplinter
+bewaarde, welken men in Morholt's schedel gevonden had. In een oogwenk
+had zij dien in het zwaard gevoegd en ziet, hij paste volkomen! Een
+oogenblik scheen het, of haar hart stilstond, toen begon het te
+bonzen en te kloppen van woede en schrik. Hare moeder en zij hadden
+dus Tristan, den moordenaar van haar dierbaren oom, met zoo veel zorg
+verpleegd. Tantris, de speelman, was Tristan--Tantris--Tristan! zoo
+flitste het door haar brein, klonk dat niet als een raadsel, een
+eenvoudig spelletje, waarmede men kinderen zoet houdt en waardoor zij
+beiden om den tuin waren geleid? Stikkend bijna van woede en schaamte
+liep zij met het zwaard in de opgeheven hand op Tristan toe, terwijl
+zij uitriep: "Laffe moordenaar, die ons door listig woordenspel wildet
+misleiden! Thans weet ik, wie gij zijt en dit zweer ik u, gij zult uwe
+gerechte straf niet ontgaan! Hetzelfde zwaard, waarmede gij Morholt
+den doodslag toebracht, zal ook uw dood zijn!" Dreigend zwaaide zij
+het wapen boven zijn hoofd. Tristan echter zag haar onverschrokken in
+de oogen en antwoordde kalm: "Sla toe, schoone Isolde, maar bedenk,
+dat hij, dien gij doodt, uw gast is, die zich vol vertrouwen in uw
+huis gewaagd heeft en dat hij geene andere zonde bedreven heeft, dan
+dat hij in een eerlijken strijd, waartoe hij bovendien door Morholt
+was uitgedaagd, zijn tegenstander heeft verslagen! Wilt gij nochtans
+uw wraakzuchtig voornemen ten uitvoer brengen, zoo ben ik bereid te
+sterven. Mocht ge ooit wroeging over deze daad gevoelen, zoo zult gij
+in de armen van Agavin al ras het onrecht vergeten, dat gij uw gast
+hebt aangedaan!" Deze laatste woorden misten hun doel niet! Weenend
+sloeg de jonge prinses de handen voor het gelaat en verliet haastig
+het vertrek.
+
+Tristan echter begaf zich naar koning Gumurun en bekende hem openlijk
+zijn naam en afkomst. Daarbij deelde hij den vorst het doel zijner
+komst mede en verzocht hem eerbiedig om de hand zijner dochter voor
+zijn oom, koning Mark van Cornwallis. In levendige termen schilderde
+hij hem af, welke voordeelige gevolgen deze verbintenis voor het
+gansche rijk zou medebrengen en welke hulde en eerbetoon prinses Isolde
+in het rijk van haren toekomstigen gemaal te wachten stonden. Zijne
+woorden hadden de gewenschte uitwerking; weldra stemde Gumurun toe in
+het vereerend aanzoek, dat vrede en vriendschap zou brengen tusschen
+Ierland en Cornwallis. In aller ijl begaf Tristan zich nu aan boord
+van zijn schip, waar men zich reeds hevig ongerust begon te maken
+over zijne afwezigheid en gebood den baronnen zich in hunne fraaiste
+kleederen aan land te begeven en de koffers met bruidsgeschenken,
+welke voor Isolde bestemd waren, met zich mede te brengen.
+
+Inmiddels was de dag aangebroken, waarop Agavin met de Roode Haren
+in tegenwoordigheid der gansche hofhouding zijne aanspraken op de
+hand van prinses Isolde zou bewijzen en haar openlijk als zijne bruid
+zou opeischen.
+
+De groote troonzaal van het paleis was gevuld met eene dichte menigte,
+die in druk gepraat de kansen van den drost besprak. Plotseling viel
+eene diepe stilte onder de verzamelden en aller oogen richtten zich
+naar de deur, door welke de honderd ridders en de twintig edelen uit
+Cornwallis in plechtigen optocht de zaal binnentraden.
+
+Vol bewondering staarden de aanwezigen naar de schitterende uitrusting
+en de fiere houding der vreemdelingen en verbaasd vroeg men elkander
+af, vanwaar deze ridders gekomen waren. Tristan's volgelingen namen
+zwijgend plaats ter rechterzijde van den troon. Weldra verschenen ook
+koning Gumurun met zijne gemalin en de jonge prinses, die bleek en
+angstig om zich heen zag. Nadat de herauten tot stilte hadden gemaand,
+stond Agavin met de Roode Haren, die ter linkerzijde van den troon was
+gezeten, op van zijn zetel en begon in snoevende bewoordingen verslag
+uit te brengen van de wijze, waarop hij den draak had omgebracht. Met
+druk stemgeluid en heftig handgebaar poogde hij zijne hoorders van de
+waarheid zijner woorden te overtuigen en toen hij ophield met spreken
+en als laatste bewijsstuk den kop van den draak aan de voeten des
+konings neerlegde, zag hij triomfantelijk rond als om de aanwezigen
+te tarten, het verhaalde te logenstraffen.
+
+In de diepe stilte, die op zijne woorden volgde, viel met donderend
+geluid Tristan's stem, die uitriep: "Sire, ik beschuldig dezen man
+voor God en u allen van leugen en bedrog! Niet hij heeft den draak
+gedood, maar ik! Niet hij heeft daarom recht op de hand der prinses,
+maar ik! Wanneer gij zulks eischt, wil ik mijne bewering met kracht
+van wapenen staven!"
+
+De drost was onwillekeurig achteruitgedeinsd bij het vernemen dezer
+beschuldiging, en toen Tristan zweeg en hem verwachtend aanzag, poogde
+hij tevergeefs eenig zelfvertrouwen uit zijne stem te doen klinken,
+toen hij antwoordde: "Wat behoeft men door wapenen te bewijzen, wat
+door de feiten reeds zonneklaar is aangetoond? Heb ik niet den kop
+van den draak meegebracht als getuigenis voor wat ik deed en blijkt
+hieruit niet reeds voldoende, dat ik inderdaad het monster gedood heb?"
+
+Maar Tristan lachte spottend en sprak luide:
+
+"Den kop hebt ge het doode monster afgeslagen en dien hierheengebracht,
+maar zeg mij, waarde drost, waar hebt gij de tong gelaten? Vergis ik
+mij niet, dan hebt gij die in de haast vergeten!" Fluks snelden de
+dienaren van den vorst toe en braken den bek van het ondier open en
+inderdaad, de tong was afgesneden! Tristan haalde haar zegevierend uit
+zijn zak te voorschijn en riep: "Ziehier, edele heeren! Is het u nu
+voldoende gebleken, hoe deze leugenaar u trachtte te misleiden? Zoo
+niet, dan zal ik hem op andere wijze dwingen zijne valschheid te
+bekennen!" Met deze woorden greep hij naar zijn zwaard en snelde op
+Agavin toe, deze echter week verschrikt terug en onder het daverend
+hoongelach van alle aanwezigen verliet hij ijlings door eene zijdeur
+het vertrek.
+
+Van alle kanten verdrong men zich nu om Tristan, om hem met zijne
+heldendaad geluk te wenschen en met luider stem verzochten de ridders
+hem om zich aan hen bekend te maken.
+
+Tristan trad eenige schreden terug, om zich ruimte te verschaffen,
+hief het hoofd fier omhoog en sprak, zóó luid dat allen het hooren
+konden: "Mijn naam is Tristan van Ermonie!"
+
+Een oogenblik was het doodstil in de groote zaal, toen scheen het
+of er eene trilling door de menigte ging en een verward geroep van
+stemmen brak los. "Weg met den moordenaar! Slaat hem dood! Gedenk
+Morholt!" Zoo klonk het van alle kanten en dreigend drongen de Ieren
+op Tristan toe. De ridders en baronnen uit diens gevolg schaarden zich
+beschermend om hem heen, maar Tristan zelf verloor geen oogenblik zijne
+kalmte. Rustig trad hij voor den koning en herhaalde zijne woorden.
+
+Toen zagen de Iersche ridders tot hunne groote verbazing, hoe koning
+Gumurun zich vooroverboog en Tristan den vredeskus gaf. Het roepen
+bedaarde om plaats te maken voor een toornig gemompel, maar koning
+Gumurun verhief zich van zijn zetel en riep uit: "Van nu af aan zij
+er vrede tusschen de rijken van Cornwallis en Ierland. De oude veeten
+en grieven worden begraven en tot teeken der algeheele verzoening
+vertrouw ik mijne eenige dochter toe aan dezen ridder, opdat hij haar
+met zich voere naar zijn land, waar zij de bruid zal worden van zijn
+heer en meester, koning Mark."
+
+Deze oplossing scheen allen te bevallen, luide toejuichingen barstten
+los en onder de jubelkreten der aanwezigen legde koning Gumurun de
+hand van prinses Isolde in die van Tristan als plechtig teeken harer
+verloving met koning Mark.
+
+
+
+_Hoe Tristan en Isolde aan boord van het vaartuig, dat hen naar
+Cornwallis zou brengen, den liefdesdrank dronken._ Toen nu de dag
+naderde, waarop Isolde zich aan boord van het schip zou begeven, dat
+haar naar Cornwallis moest brengen, begaf de koningin, hare moeder,
+zich naar buiten op de heuvelen rondom de stad en verzamelde daar
+kruiden tot het bereiden van een liefdesdrank. In haar hart twijfelde
+zij eraan, of de bejaarde koning er in zou slagen de liefde zijner
+jonge bruid voor zich te winnen en daarom nam zij al hare kunde en
+wijsheid in het zoeken van kruiden te baat om de harten dier beiden tot
+elkander te brengen. Onder het prevelen van tooverspreuken en innige
+gebeden voor het welzijn en het geluk harer dochter, kookte zij die
+kruiden tot een drank, welke de kracht bezat, om de harten van hen, die
+hem dronken, in liefdegloed te doen ontvlammen en door onverbreekbare
+banden levenslang aan elkaar te snoeren. Toen de drank gereed was,
+goot zij het kostbare vocht in eene aarden kruik en beval Brangwaine,
+die hare jonge meesteres naar haar nieuwe vaderland zou vergezellen,
+den inhoud daarvan over twee bekers te verdeelen en die Isolde en haar
+echtgenoot op hunnen huwelijksavond ten dronk te reiken. Zij droeg
+Brangwaine op, de uiterste voorzichtigheid er mede te betrachten,
+opdat de drank niet in verkeerde handen zou geraken en wees haar op
+de noodlottige gevolgen, die ontstaan konden, wanneer dit onverhoopt
+gebeurde.
+
+Het afscheid was genomen en het vaartuig met prinses Isolde aan boord
+stevende langzaam de haven uit, de open zee tegemoet. Vroolijk klonk
+het gezang der zeelieden en in opgewekte stemming zaten de ridders
+van koning Mark bijeen. Het doel hunner reis was bereikt! Wat geen
+hunner had durven droomen was geschied: de schoone prinses met de
+blonde haren zou de gemalin van koning Mark worden en daarmede was
+niet alleen de toekomst van hun rijk verzekerd, maar waren tegelijk
+ook de aanspraken van Tristan op den troon nietig verklaard. Deze
+laatste stond zwijgend tegen den mast geleund en tuurde in het
+blauwe verschiet. In zijne gedachten doorleefde hij opnieuw het
+afscheidstooneel tusschen Isolde en hare ouders en vrienden. Hij zag,
+hoe de jonge prinses zich onder bittere tranen vastklemde aan hare
+moeder en haar smeekte, om in Ierland te mogen blijven, bij allen,
+die ze liefhad, in plaats van te moeten gaan naar het vreemde land,
+waar zij niemand kende en waar zij de vrouw zou moeten worden van
+dien vreemden koning, dien zij nooit te voren gezien had. Maar hare
+smeekbeden waren vergeefsch geweest. Met zachten drang had de koningin
+zich los gemaakt uit hare armen en had tot haar gesproken van de hooge
+plichten, welke haar in haar nieuwe vaderland wachtten. Zij had hare
+dochter erop gewezen, hoe zij daar het leven van haren toekomstigen
+gemaal met haar zonnigen lach zou weten op te vroolijken, hoe zij
+gehuldigd zou worden als vorstin over een machtig en groot land en
+hoe door haar toedoen een hechte band zou ontstaan tusschen Ierland
+en Cornwallis, die beide rijken ten goede zou komen.
+
+Nog zag Tristan in zijne verbeelding, hoe de jonge prinses op het
+oogenblik, dat de ankers gelicht werden en de boot zich langzaam van
+de kade verwijderde, zich over de verschansing had heengebogen en met
+uitgestrekte armen om hare moeder had geroepen, hoe zij eindelijk,
+half bezwijmd in de armen harer trouwe dienares was gevallen en hoe
+deze haar weggedragen had naar de rijkversierde tent, die te haren
+behoeve op het dek van het vaartuig was opgeslagen. Sindsdien had
+Tristan haar niet meer gezien, maar het hartroerend afscheid had
+de vreugde over het welslagen van zijn tocht vergald en steeds weer
+vroeg hij zich af, of hij geen onrecht beging door dit jonge meisje
+in de armen van koning Mark te voeren.
+
+De eerste uren na het vertrek was de reis voorspoedig, maar allengs
+ging de wind liggen en moesten de zeelieden de riemen ter hand nemen,
+wilde men het schip in beweging houden. De hitte was drukkend; fel
+brandden de zonnestralen op het dek en boven Isolde's tent hing de
+koninklijke standaard slap terneer. Op het middaguur werd de warmte
+zóó ondragelijk, dat er bevel werd gegeven, het roeien te staken
+en de uitgeputte zeelieden strekten zich op het dek uit, om te
+rusten. Onbeweeglijk lag het schip op de blauwe zee; de edellieden
+en ridders waren meerendeels ingeslapen, alleen Tristan waakte. De
+gordijnen voor Isolde's tent waren teruggeslagen en door de opening
+was de gestalte der jonge prinses zichtbaar, uitgestrekt op eene
+lage rustbank.
+
+Tristan naderde de tent en boog zich eerbiedig voor haar
+neder. Belangstellend vroeg hij, hoe zij het maakte en trachtte met
+haar in gesprek te raken; na eenige moeite gelukte hem dit en wist hij
+haar zelfs zoover te krijgen, dat zij hem eenige vragen stelde over
+het leven en de gebruiken in haar nieuwe vaderland. Zoo spraken zij
+eenigen tijd met elkander, tot Isolde, dorstig geworden door de hitte,
+hem vroeg, haar een teug wijn te brengen. Tristan begaf zich naar de
+plek, waar de wijn bewaard werd, maar ziet, deze was tot den laatsten
+droppel door de dorstige zeelieden opgedronken. Wat nu te doen? Hij
+kon de prinses toch geen beker water aanbieden? Aarzelend zag hij
+om zich heen, daar ontdekte zijn oog in een hoek eene kleine aarden
+kruik hij nam haar op, goot den inhoud in een zilveren drinkbeker en
+tot zijne verbazing was het wijn, diep donkerroode wijn, waaruit een
+zoete geur omhoogsteeg.
+
+Vol vreugde bood hij den beker aan Isolde, deze nam hem gretig aan,
+zette hem aan den mond en dronk eruit met lange teugen, daarop bood
+zij hem op hoffelijke wijze aan Tristan en beduidde hem, den beker
+te ledigen. Deze voldeed aan haar verlangen, maar nauwelijks was het
+vocht hem door de keel gevloeid of eene vreemde, zoete bedwelming
+scheen over hem te komen. Langzaam dronk hij verder en terwijl hij dit
+deed scheen het of zijne oogen met onweerstaanbare kracht naar Isolde
+werden getrokken. Of--was dit inderdaad Isolde? dit jonge meisje
+met de vochtig glanzende oogen, die hem aanzagen, zóó vreemd--zóó
+innig, als nog nooit eene vrouw hem aangezien had? Haar mond was half
+geopend, haar adem kwam snel en hijgend. Waarom zag ze hem zoo aan,
+waarom strekte zij hare handen uit, als om steun te zoeken? Zou zij,
+evenals hij, dien onweerstaanbaren drang in zich gevoelen, die hem
+naar haar toe dreef, die hem woorden en klanken deed stamelen van
+liefde en innigheid, die hem deed hunkeren om haar in zijne armen te
+nemen en haar te kussen: hare oogen, hare blonde haren en hare roode
+lippen? Een oogenblik zagen de beiden elkander aan: toen klonk het
+zacht "Isolde!" en daarna "Tristan!" en Tristan hield de bruid van
+koning Mark in zijne armen.
+
+Een luide kreet wekte hen uit hun zoeten droom. Met opgeheven handen
+stond Brangwaine voor hen: "Meesteresse, wat hebt gij gedaan!" riep
+zij in vertwijfeling; "gij hebt van den tooverdrank gedronken, die
+u en uwen gemaal door eeuwige liefde te zamen moest binden en ziet,
+wat nu geschied is!" Van nu af aan klopt uw hart slechts voor dezen
+vreemdeling en nooit zal koning Mark erin slagen, uwe liefde te
+winnen! Mijne arme meesteres, het is de dood, dien gij beiden uit
+dezen beker gedronken hebt!
+
+Tristan en Isolde zagen elkander aan, toen sprak de eerste plechtig:
+"Indien het waar is, wat ge zegt, zoo zou ik liever duizend dooden
+sterven, dan voort te leven zonder den troost dezer liefde!" en
+opnieuw drukte hij Isolde aan zijn hart.
+
+Jammerend en de handen wringend van wroeging en smart verliet
+Brangwaine de tent. Tevergeefs zon zij op middelen, om de dreigende
+ramp te voorkomen, de liefdesdrank had zijne uitwerking niet gemist.
+
+Toen de avond viel en de schemering daalde over het breede watervlak,
+toen alle geluid aan boord verstomd was en slechts het kabbelen
+der golfjes tegen de kiel van het schip de stilte verbrak, waren de
+gordijnen van Isolde's tent gesloten. De standaard van koning Mark
+hing slap en mistroostig omlaag en voor de tent hurkte eene eenzame
+gedaante: Brangwaine, die met angst en wanhoop in het hart waakte
+over het eerste samenzijn der twee gelieven.
+
+
+
+Na eene voorspoedige reis naderde het schip de rotsen van
+Cornwallis. Groote vreugde heerschte onder de baronnen, die van den
+koning eene vorstelijke belooning verwachtten voor het welslagen
+hunner onderneming en de gevaren, waaraan zij zich om zijnentwille
+hadden blootgesteld. Onder opgewekten kout bracht men den tijd door,
+die nog verloopen moest, eer men voet aan wal kon zetten, lach en
+scherts weerklonken aan alle kanten.
+
+In hare tent zat Isolde en liet zich door hare dienaressen tooien en
+sieren voor de eerste ontmoeting met haren bruidegom. Zij kleedden
+haar in een ruim, loshangend gewaad van glinsterende zijde, zij
+vlochten haar paarlen en robijnen door het blonde haar en voortdurend
+spraken zij haar van den luister en pracht van Mark's hofhouding en de
+schitterende feesten, waarmede hij zijn huwelijk dacht te vieren. Nooit
+nog waren er zulke toebereidselen gemaakt als voor deze gelegenheid,
+nooit nog waren er zulke festijnen aan het hof gehouden als die,
+waarmede koning Mark zijne jonge bruid zou huldigen.
+
+Maar zij, die de hoofdpersoon moest wezen op deze feesten, zag er bleek
+en bedrukt uit; op de opgewonden verhalen harer vrouwen antwoordde
+zij met een matten glimlach en eerst toen Tristan liet vragen of zij
+gereed was, daar men de kust naderde, scheen zij uit hare verdooving
+te ontwaken. Met een gebiedend gebaar zond zij hare dienaressen heen,
+met uitzondering van Brangwaine, die zij verzocht te blijven. Toen
+zij beiden alleen waren, stond zij haastig op, greep hare trouwe
+vriendin bij den arm en fluisterde haar toe: "Brangwaine, ik moet
+u om een dienst verzoeken, die moeilijker en zwaarder te volbrengen
+is, dan eenige dienst, dien ge mij ooit bewezen hebt. Nochtans moet
+ik er u om vragen. Zult ge mij dien dienst weigeren?" "Vrouwe",
+antwoordde Brangwaine, "indien het in mijn vermogen is, u te helpen,
+dan zal ik het doen, meer kan ik niet beloven!" "Nu, luister dan",
+sprak Isolde; "gij en gij alleen weet, wat er is geschied, gij weet
+dat mijn lichaam en ziel Tristan toebehooren en dat de gedachte aan een
+anderen echtgenoot mij doet rillen van vrees en afkeer. Niettemin zal
+koning Mark mij tot zijne vrouw maken. Om die afschuwelijke gebeurtenis
+te verhinderen moet gij mij helpen. Wanneer de gasten den koning
+en mij naar het bruidsvertrek hebben geleid en de lichten gedoofd
+zijn, moet gij mijne plaats aan de zijde des konings innemen, in het
+duister zal hij uw gelaat niet herkennen en eer de dag aanbreekt,
+zal ik u aflossen. Spreek, wilt gij dit voor mij doen?"
+
+Langen tijd hield Brangwaine het hoofd gebogen; zij voerde een
+vreeselijken strijd in haar binnenste, maar eindelijk hief zij het
+gelaat omhoog, haar oogen stonden vol tranen en een trek van pijn
+groefde zich om haar mond, toch klonk hare stem vast en kalm, toen
+zij zeide: "Ik zal doen, wat gij mij vraagt." Daarop vlood zij heen
+uit vrees, zich niet langer te kunnen beheerschen.
+
+Aan den steiger, die met groen en bloemen was versierd, wachtte een
+uitgelezen gezelschap de aankomst der boot af. Vooraan stond koning
+Mark, den gouden kroon op het hoofd en tuurde in onrustige spanning
+naar het schip. Toen Isolde den voet aan land zette ging er een
+gemompel van bewondering door de verzamelde menigte, want de jonge
+prinses was schoon als de morgenstond. De zon verlichtte haar gouden
+haren en speelde om hare lieflijke gestalte en toen zij op den koning
+toetrad was het, of er iets van het warme licht, dat haar omstraalde,
+in zijn eenzaam hart drong.
+
+Tristan zelf voerde Isolde aan zijne hand en bracht haar naar zijn oom;
+toen zij voor den koning genaderd waren, sprak hij met luider stem:
+"Sire, ingevolge uwe bevelen breng ik u prinses Isolde van Ierland,
+die gij als uwe bruid hebt uitverkoren." Daarna liet hij de hand der
+prinses los, boog en verdween onder de menigte.
+
+Met grooten luister en praal werd het bruiloftsfeest gevierd en alle
+gasten waren het er over eens, dat men nooit schooner en bevalliger
+bruid gezien had dan Isolde met de Gouden Haren. Wel vond men haar
+wat bleek en stil, maar men schreef dit toe aan de vermoeienissen der
+reis en den indruk, dien haar nieuwe staat en de vreemde omgeving op
+haar maakten.
+
+Toen de nacht zijne donkere sluiers over de aarde spreidde, werden de
+lichten in het paleis gedoofd en geleidde men, volgens aloud gebruik,
+de jonggehuwden naar het rijk versierde slaapvertrek. Spoedig daarna
+had de verwisseling plaats. In het korte oogenblik, dat Mark zijne
+jonge vrouw alleen liet, sloop deze heen, om plaats te maken voor
+Brangwaine en zij, die bevend in zijne armen lag, was niet Isolde
+met de Gouden Haren, maar hare trouwe dienares.
+
+
+
+Vreugde en zonneschijn hadden aan het hof van koning Mark hunne
+intrede gedaan met de komst van diens jonge gemalin. Een nieuw,
+jong leven vulde de groote zalen van het paleis met blij geluid;
+zang en snarenspel weerklonken in den stillen slottuin.
+
+Koning Mark was innig gelukkig met zijne schoone vrouw; zijne oogen
+straalden blij, zijn gang was veerkrachtig en fier en telkens weer
+zegende hij de ingeving, die hem had doen toestemmen in den eisch
+der baronnen, om zich eene bruid te zoeken. Ook Isolde was gelukkig;
+haar echtgenoot liet haar uit kiesche bescheidenheid volle vrijheid
+en zoo wist zij elken dag eenige oogenblikken te vinden om met
+haren geliefde samen te zijn. Die oogenblikken waren haar eigenlijk
+leven; den overigen tijd leefde zij als in een droom, doorproevend de
+zaligheid van het doorleefde en reikhalzend uitziend naar eene volgende
+samenkomst. De menschen om haar heen hoorde en zag zij slechts vaag,
+zóó zeer waren hare gedachten vervuld van wat zij daar binnen in haar
+hart voor schoons en heerlijks verborgen hield, maar zij had voor
+elk een vriendelijk woord en een droomerige, lieve glimlach speelde
+steeds om haar mond.
+
+En Tristan?--voor hem, den man, die zich niet geheel kon overgeven
+aan de bedwelmende bekoring van den hartstocht, was het leven eene
+foltering. Gedreven door een gevoel van schuld tegenover zijn koning,
+die hem steeds met liefde had omringd, streed hij in zijn binnenste
+een voortdurenden strijd tegen de alles overheerschende macht der
+liefde. Slechts in de uren van samenzijn met Isolde kon hij voor een
+oogenblik de kwellingen van schaamte en wroeging vergeten, die hem
+het bestaan ondragelijk maakten.
+
+Zoo ging het leven aan het hof eenigen tijd voort en allengs werden
+de beide gelieven stoutmoediger in het beramen hunner plannen. Niet
+slechts in de bosschen en tuinen om het paleis, maar ook in het slot
+zelf kwamen zij samen en overmoedig geworden door het welslagen van
+hun pogen, begonnen zij langzamerhand de noodige voorzichtigheid uit
+het oog te verliezen. Het spreekt dus van zelf, dat hunne verhouding
+niet langer een geheim kon blijven voor hunne omgeving. Hier en daar
+geraakten de booze lastertongen in beweging en naijverige hovelingen
+bespiedden hunne gangen en zonnen op verraad. Tot dezen behoorde
+Meriadoc, een der ridders van koning Mark.
+
+Sinds langen tijd was hij jaloersch op Tristan, wien hij diens
+hooge plaats aan het hof misgunde en nu hij vermoedde, dat er
+eene schuldige verhouding tusschen hem en de koningin bestond, was
+al zijn denken en doen er op gericht, om bewijzen te verkrijgen,
+waarmede hij den nietsvermoedenden koning zou kunnen overtuigen. Het
+duurde niet lang, of hij verkreeg de zoo zeer gewenschte zekerheid. Om
+Tristan's handelingen nauwkeuriger te kunnen bespieden had hij, onder
+voorwendsel van groote vriendschap voor hem te gevoelen, hem verzocht
+om zijn slaapvertrek met hem te mogen deelen en zoo sliepen de beide
+ridders thans te zamen in een der zijgebouwen van het paleis. Eens op
+een nacht ontwaakte Meriadoc door een kouden tocht, die hem langs het
+gelaat streek en vond tot zijne verbazing de buitendeur van het vertrek
+openstaan. Onmiddellijk tastte hij naar het bed van Tristan en wat hij
+vermoedde, bleek juist te zijn: het was onbeslapen. Haastig schoot
+Meriadoc eenige kleedingstukken aan en begaf zich naar buiten. Het
+was October en dien nacht was de eerste sneeuw gevallen. Bij het
+schijnsel der maan bespeurde hij een spoor van versche voetstappen,
+dat in de richting van het slot leidde. Voorzichtig voegde Meriadoc
+zijne schreden naar die van zijn voorganger en ziet, bij de omheining
+gekomen, welke de vertrekken des konings omringde, bemerkte hij, hoe
+iemand zich door het wegnemen van eene plank toegang had verschaft
+tot het afgesloten gedeelte. Door de opening heen zag hij, dat de
+voetsporen rechtstreeks voerden tot de vensters der koninklijke
+vertrekken. Nu was geen twijfel meer mogelijk; met eene boosaardige
+grijns op het gelaat zocht Meriadoc zijne legerstede weer op en besloot
+den volgenden morgen den koning over het gebeurde in te lichten.
+
+Door listige toespelingen en sluwe aanduidingen wist hij den argwaan
+van koning Mark op te wekken en deelde hem ten slotte zijne vreeselijke
+vermoedens omtrent de koningin en Tristan mede.
+
+In hevige verontwaardiging wees de vorst de aantijging van de hand en
+het scheelde niet veel, of hij had den valschen lasteraar in zijne
+blinde woede terneergeveld. Maar deze gaf den strijd niet op. In
+geveinsden ootmoed boog hij zich voor zijn vorst en smeekte hem om
+vergiffenis; hij zwoer hem, slechts de eer van zijn meester voor oogen
+te hebben bij het indienen zijner aanklacht en wendde voor alleen
+gedreven te worden door heilige verontwaardiging over het schandelijk
+bedrog en de grievende beleediging, zijn heer aangedaan. Zijne woorden
+bleven niet zonder uitwerking op het gemoed van den koning en al
+wierp hij elke verdenking van zijne jonge vrouw verre van zich af,
+toch begon hij haar onwillekeurig nauwer gade te slaan in haar doen en
+laten. Wanneer zij met hare vrouwen bij het haardvuur zat te spinnen en
+zij Tristan riep, om haar een lied voor te zingen, zwierven de blikken
+van den vorst onrustig heen en weer tusschen de beide jonge menschen,
+die zoo vroolijk met elkander praatten en schertsten. Onwilllekeurig
+trachtte hij in hunne woorden en gebaren eene geheime beteekenis te
+zoeken en luisterde hij scherper toe, wanneer zij hunne stemmen tot
+een zacht gefluister lieten dalen. Wanneer hij hen dan bijeen zag,
+beiden zoo jong en schoon en zijn blik viel toevallig op een der lange
+wandspiegels, waarin hij zijn eigen beeld weerkaatst zag, gleed er
+soms een bittere glimlach over 's konings gelaat en eene stem in zijn
+binnenste zeide hem, dat het geen wonder zou zijn, indien Isolde het
+gezelschap van een jong en schoon ridder als Tristan verkoos boven
+het zijne.
+
+Zoo werd het gemoed van koning Mark gepijnigd door vrees en twijfel
+en weldra kende hij nog slechts één wensch: zekerheid te hebben,
+ook al ontnam die hem zijne laatste hoop op geluk. Om die zekerheid
+te verkrijgen verzon hij eene list. Eens op een avond zeide hij tot
+Isolde: "Liefste, sedert langen tijd rust op mij de verplichting
+om een pelgrimstocht te ondernemen naar verre streken. Ik wil dien
+tocht niet langer uitstellen, maar er is één ding, dat mij ervan
+terughoudt: in wiens zorg zal ik u hier achterlaten? Spreek, aan
+welken van mijne ridders zou ik u het best kunnen toevertrouwen?" Een
+glans van vreugde kwam in Isolde's oogen en zij antwoordde zonder
+aarzelen: "Aan wien beter dan aan Tristan, Heer? Onder zijne hoede
+zal mij geen kwaad geschieden!" De koning wendde zich zwijgend af,
+het was hem of eene ijskoude hand zich op zijn hart legde en er
+alle warmte uit verdreef, nu had hij immers zekerheid aangaande
+de gevoelens zijner vrouw? Deze echter snelde naar Brangwaine en
+deelde haar vol blijdschap mede, dat de koning voor langeren tijd op
+reis dacht te gaan en haar verzocht had, een beschermer te kiezen,
+die zijne plaats gedurende zijne afwezigheid zou innemen. "Wien hebt
+gij gekozen?" vroeg Brangwaine en hare meesteres antwoordde lachend"
+Wien anders dan Tristan!" Maar Brangwaine schudde het hoofd en wees
+haar op het onvoorzichtige harer woorden, die den koning, zoo hij
+wellicht eenigen argwaan koesterde, op het spoor harer gevoelens
+zouden kunnen brengen. Op haar aanraden zeide Isolde den volgenden
+morgen tot haren gemaal: "Heer, den ganschen nacht hebben mij uwe
+woorden van gisterenavond in de ooren geklonken en ik begin te
+gelooven, dat het u ernst was, met hetgeen ge zeidet. Aanvankelijk
+meende ik, dat ge slechts schertsen wildet en daarom heb ik u ook in
+scherts geantwoord." Een straal van hoop verlichtte het gelaat van
+koning Mark. "Wat wilt ge dan?" vroeg hij. "Hebt ge niet Tristan,
+mijn neef, uitgekozen, om hier te blijven en u te behoeden tegen
+mogelijk gevaar?" "Zwijg over dien man!" riep Isolde met fonkelende
+oogen, "meent ge werkelijk, dat ik hem, den moordenaar van mijn oom,
+tot mijn beschermer zou kiezen? Ik weet, weliswaar, dat hij mij met
+smeekende oogen en vleiende woorden achtervolgt, maar dat is slechts
+uit angst voor mijne wraak. Neen, indien hij niet uw neef was, zou
+ik niet rusten, vóór hij zijne gerechte straf had ondergaan."
+
+Het hart van koning Mark was gerust; zou eene vrouw zóó spreken over
+hem, dien zij liefhad? Hij schold Meriadoc uit voor verrader en dreigde
+hem met de vreeselijkste straffen, indien hij zijne beschuldiging
+durfde herhalen.
+
+Deze liet wijselijk eenigen tijd voorbijgaan, alvorens hij opnieuw
+met zijne verdachtmakingen bij den koning aankwam en ditmaal ging hij
+nog omzichtiger te werk, zoodat hij den vorst als 't ware zelf op het
+denkbeeld deed komen, om zijne gemalin nogmaals op de proef te stellen.
+
+"Vrouwe", zoo sprak hij tot Isolde, "eenigen tijd geleden hebt ge mij
+gezegd, welk een haat gij mijn neef Tristan toedraagt. Nu ben ik tot
+het besluit gekomen, dat ik hem liever naar zijn land wil terugzenden,
+dan dat zijn aanblik u hier eene dagelijksche kwelling is. Daarom wil
+ik hem vóór mijn vertrek van hier sturen, zoodat hij u gedurende mijne
+afwezigheid geen overlast kan aandoen". Isolde ontstelde hevig, toen
+zij deze woorden hoorde en riep terstond: "Neen, edele Heer! dat moogt
+gij niet doen. Tristan is uw zusters zoon en heeft nooit eenig kwaad
+jegens u misdreven, integendeel, hij heeft u altijd trouw en eerlijk
+gediend. Wat deert het u, of ik hem niet lijden mag? Om mijnentwil
+moogt gij geene onrechtvaardige daad begaan en bovendien zal ik mij
+wellicht in den loop der jaren met hem verzoenen, daar ik wel inzie,
+dat hij een dapper ridder is!"
+
+Opnieuw zaaiden hare woorden wantrouwen in het hart des konings en
+treurig verliet hij het vertrek. Toen Isolde Brangwaine deelgenoote
+maakte van wat haar bedreigde, wees deze laatste haar ten tweede
+male op het gevaar van zich aldus bloot te geven en haren raad
+volgend, sprak Isolde dienzelfden avond tot haren gemaal: "Heer,
+indien gij werkelijk meent, dat gij, zonder Tristan onrecht aan
+te doen, hem naar zijn land kunt doen terugkeeren, zoo zou mij
+niets aangenamer zijn. Zoolang gij hier blijft, is het mij mogelijk
+zijne tegenwoordigheid te dulden, maar wanneer gij vertrekt, zal de
+ergernis van hem dagelijks te moeten zien, mij het leven ondragelijk
+maken. Het beste zou zijn, wanneer gij hier zoudt kunnen blijven of
+mij met u medenemen."
+
+Ook ditmaal wist zij de stem van twijfel in het hart van haren
+echtgenoot tot zwijgen te brengen; vol verrukking klemde koning Mark
+haar aan zijne borst en zwoer, haar nimmer te zullen verlaten.
+
+Zoo waren dus rust en kalmte wedergekeerd in 's konings gemoed, maar
+de verraders rustten niet en waren er steeds op bedacht, om nieuwe
+bewijzen van de schuld der koningin te ontdekken. Ter bereiking van
+dit doel had Meriadoc een dwerg, Melot genaamd, in zijn dienst genomen,
+die bekend stond om zijne groote geslepenheid. Hij had hem opgedragen,
+scherp toe te zien op de gangen van de koningin en Tristan. Weldra
+was ook Melot zeker van hun beider schuld, al was het hem tot nu
+toe onmogelijk gebleken, hen op heeterdaad te betrappen. In zijne
+verdenking versterkt door Melot's aanwijzingen begaf Meriadoc zich
+met eenigen zijner vrienden naar den vorst en eischte op hoogen
+toon, dat de koning, ter wille van zijn goeden naam en dien van
+het gansche rijk, Tristan van het hof zou verbannen. Aanvankelijk
+weigerde Mark om aan hun verzoek te voldoen, maar ten slotte moest
+hij wel toegeven. Hij begaf zich dus naar Tristan en zeide tot hem:
+"Booze tongen spreken kwaad van uwe verhouding tot de koningin. Al
+geloof ik zelf, dat het slechts vuige laster is, wat zij zeggen,
+toch moet men ook den schijn van het kwade vermijden. Daarom verzoek
+ik u niet langer de vorstin in hare vertrekken te bezoeken en u voor
+eenigen tijd van het hof te verwijderen."
+
+Tristan boog het hoofd en ging heen, maar toen hij de ophaalbrug over
+reed om het kasteel te verlaten, scheen eene plotselinge loomheid in
+armen en beenen hem het voortgaan te beletten. Hij kwam niet verder
+dan het marktplein der stad Tintagel, daar huurde hij een woonvertrek
+en bracht zijn tijd door in droef gepeins over het lot der geliefde.
+
+
+
+_Hoe Tristan en Isolde door middel van een beekje met elkaar spraken._
+De weken gingen voorbij, Tristan en Isolde kwijnden weg van verlangen
+en smart. De koningin zat uren lang aan haar venster en staarde
+zwijgend naar buiten, mijmerend over haar droevig lot. Tristan zat in
+een hoek van zijn eenzaam vertrek met gebalde vuisten en verwenschte
+zijn koning en zichzelf. Eindelijk begon Brangwaine, die wist waar
+Tristan zich schuil hield, zich zóó ongerust te maken over het lijdend
+uitzien harer meesteres, dat zij peinsde en zon, tot zij ten laatste
+een middel gevonden had, om de beide gelieven te helpen.
+
+Door de tuinen van het paleis stroomde een helder beekje, dat zijn
+oorsprong dankte aan eene bron in het naburig bosch. Dit beekje vloeide
+ook door de vertrekken der koningin, waar het in de warme zomerdagen
+koelte en verkwikking bracht en den vrouwen eene gelegenheid bood
+om zich door een bad in het heldere bronwater te verfrisschen. Dit
+beekje nu moest als liefdesbode dienen. Wanneer Tristan de kans schoon
+zag om de koningin tot een onderhoud in den slottuin uit te noodigen,
+wierp hij, op aanraden van Brangwaine, eenige berkentakjes, waarop hij
+met een scherp voorwerp inkervingen had gemaakt, in het water, om de
+plaats van samenkomst aan te geven. Het beekje droeg die takjes op den
+stroom mede en onder de marmeren overkapping door het paleis binnen,
+tot in de kamer van Isolde. Zoo konden dus de beiden met elkander
+spreken, zonder dat iemand vermoedde, wie daarbij hun tolk was.
+
+Wie beschrijft de vreugde van het eerste ontmoeten na zoo lange
+scheiding? Als een donkere vlinder zweefde Isolde in het nachtelijk
+uur den slottuin in, waar Tristan haar met uitgespreide armen en
+een onderdrukten kreet van verlangen ontving. Hij voerde haar mede
+naar een donkeren hoek van het park, waar de sterren door het dichte
+gebladerte gluurden en het klateren van het beekje het eenig geluid
+was, dat de stilte verbrak. Den ganschen nacht bleven zij te zamen in
+de hoogste zaligheid en eerst in de grijze ochtendschemering, toen de
+omtrekken van het paleis zich vaag begonnen af te teekenen tegen den
+roodgekleurden morgenhemel, sloop Isolde terug naar hare vertrekken.
+
+Eenigen tijd lang gelukte het hun, deze nachtelijke bijeenkomsten
+voor hunne bespieders verborgen te houden, maar weldra ontdekte het
+waakzaam oog van Melot hun zoet geheim. Vol trots ging hij tot den
+koning en zeide hem, dat, indien hij slechts zijn voornemen te kennen
+gaf om voor eenige dagen op de jacht te gaan, hij, Melot, hem weldra
+het overtuigend bewijs van de schuld der koningin zou kunnen leveren.
+
+Het hart vol bittere schaamte over deze slinksche handelwijze
+voldeed koning Mark aan het verzoek. Hij zeide tot Isolde, dat hij
+een verren jachtrit ging ondernemen en dus voor eenige dagen van
+huis zou zijn. Wat de dwerg vermoed had, gebeurde. Dienzelfden avond
+nog sloop Tristan den tuin van het kasteel binnen, begaf zich naar
+de bron en wierp eenige takjes in het beekje, die op den vluggen
+stroom heendreven in de richting van het paleis. Peinzend stond hij
+daarna aan den rand van het water en volgde in gedachten de boden
+zijner liefde, die Isolde tot hem zouden roepen. Maar--wat zag hij
+daar in het door de maan beschenen water--In de takken van den boom,
+welke in het beekje weerspiegeld werden, bewogen twee gestalten: het
+waren de koning en Melot, die zich daar verborgen hadden, ten einde
+hun samenzijn te bespieden. Bliksemsnel kruisten de gedachten door
+Tristan's brein, vóór alles vreesde hij, dat Isolde, die zoo dadelijk,
+nietsvermoedend, daarheen zou komen, door hare woorden, haar groet,
+al dadelijk hun geheim zou verraden. Wat te doen? Ongetwijfeld hadden
+de takjes Isolde nu reeds bereikt en wellicht maakte zijne liefste
+zich op dit zelfde oogenblik gereed om vol vreugde naar hem toe te
+snellen. Angstig tuurde hij in de richting van het paleis en ziet,
+daar naderde reeds eene donkere gedaante. Het was Isolde, die ook
+hem reeds bemerkt had. Haar hart klopte onstuimig van vreugde en
+verlangen, zoo dadelijk zou hij op haar toesnellen en haar omvatten
+met zijne sterke armen. Maar waarom bleef hij zoo onbeweeglijk staan,
+waarom kwam hij haar niet als gewoonlijk tegemoet om haar te omarmen,
+nog eer zij de plaats van samenkomst had bereikt? Hare denkvermogens
+waren door de liefde en de geheimhouding zoozeer gescherpt, dat
+zij terstond onraad vermoedde en nauwkeurig speurde zij dus rond
+om te ontdekken, vanwaar het gevaar kon komen. Daar ontdekte zij
+in den boom de twee gedaanten en onmiddellijk wist zij, wat haar
+te doen stond. Met kalmen tred naderde zij de plek, waar Tristan
+haar stond op te wachten en sprak op koelen, hooghartigen toon:
+"Heer ridder! aan uw dringend verzoek om een onderhoud heb ik gehoor
+gegeven. Het moet inderdaad wel een zeer gewichtige reden zijn,
+waarom ge mij op dit nachtelijk uur naar buiten roept. Zeg mij vlug,
+wat gij op het hart hebt, want weet, dat door hier te komen, ik mijn
+goeden naam in gevaar breng. Wat zou de koning ervan denken, indien
+hij wist, dat ik aldus bij nacht en ontij in het park ronddool, om
+u te ontmoeten? Spreek dus en wees een volgend maal verstandiger in
+de keuze van uw tijd!" Tristan begreep terstond, waarom Isolde zoo
+sprak en hij antwoordde haar dus ootmoedig: "Edele Vrouwe! ik liet
+u om een onderhoud verzoeken, omdat ik u smeeken wilde, de goede
+verstandhouding tusschen mijn koning en mij te herstellen. Mijn
+geheele leven heb ik hem trouw gediend; de heerschappij over mijn
+land heb ik om zijnentwil afgestaan; Morholt heb ik met gevaar van
+mijn leven verslagen en ik heb door mijne worsteling met den draak
+eene schoone vrouw voor mijn vorst veroverd. Wat is mijn dank voor
+dit alles? Als een lastigen bedelaar zendt hij mij weg van het hof,
+zoodra hem zulks belieft!" "Inderdaad", antwoordde Isolde, "ik heb
+medelijden met uw droevig lot, maar hoe kan ik u helpen? Wanneer ik
+uwe zaak bij den koning bepleit, zullen mijne woorden slechts strekken
+om zijn wantrouwen aan te wakkeren en uw lot zal daardoor eer slechter
+dan beter worden. Zijn trouw en edel hart is vergiftigd door de valsche
+leugens, welke men hem inblaast en ik sta machteloos daar tegen".
+
+"Welnu dan", hernam Tristan, "het zij zoo! Leugen en bedrog zijn
+machtiger vijanden dan ijzer en staal. Van dit oogenblik af geef ik
+den strijd daartegen op en zal morgen van hier trekken, om nimmer
+terug te keeren! Vaarwel Vorstin! gij hebt mij twee maal het leven
+gered, geen wonder dus, dat ik u aanhang in onderdanige liefde en
+trouw. Moge het u wel gaan en moge uw gemaal spoedig het onrecht
+inzien, dat hij u aandoet."
+
+Met deze woorden scheidden de twee gelieven, koning Mark echter,
+die tot in het diepst van zijn hart geroerd was door hetgeen hij
+gehoord had, keerde zich vol woede tegen den dwerg, slingerde hem
+uit den boom tegen den grond en zou hem zeker gedood hebben, als niet
+Melot zich met een behendigen sprong uit de voeten gemaakt had. Hij
+vluchtte uit het rijk en besloot niet terug te keeren, vóór de koning
+hem gunstiger gezind zou zijn dan thans.
+
+Den volgenden morgen reeds keerde de vorst terug naar zijn
+paleis. Zóózeer verlangde hij naar zijne jonge vrouw, van wier
+onschuld hij thans ten volle overtuigd was, dat hij eene reden
+verzon om zijne voorgewende reis te onderbreken en in aller ijl
+naar Tintagel terugkeerde. Toen hij Isolde vroeg, hoe zij gedurende
+zijne afwezigheid den tijd had doorgebracht, antwoordde zij hem:
+"Heer, wij vrouwen zijn vreemde wezens. Wie op ons medelijden werkt,
+kan met ons doen, wat hij wil en kan onze hulp en steun inroepen voor
+zijne zaak, ook al heeft die zelve niet onze volle instemming." "Wat
+bedoelt gij, liefste?" vroeg de koning. "Heer", antwoordde Isolde,
+"bij het spreken dezer woorden dacht ik aan Tristan. Hij heeft zich bij
+mij beklaagd over de hardvochtige wijze, waarop hij door u behandeld
+is geworden. Hij ziet zich gedwongen, van hier te gaan, al doet het
+hem leed u te verlaten. Hoewel gij weet, dat ik hem niet mag lijden,
+werd ik toch door zijne woorden geroerd en besloot om nog éénmaal
+een beroep te doen op uwe rechtvaardigheid. Daarom verzoek ik u,
+zijne trouw en zijne verdiensten te gedenken, alvorens gij hem naar
+zijn land laat terugkeeren."
+
+"Dat zal ik", riep de vorst vol vreugde uit. "Nog heden zend ik een
+boodschapper om Tristan op te sporen en van nu af aan zal hij weer
+zijne oude plaats innemen aan mijn hof en in mijn hart, vanwaar
+naijver en boosheid hem verjaagd hadden."
+
+Zoo geschiedde het. Tristan keerde terug naar het hof en ten aanzien
+der geheele hofhouding verzoende de vorst zich met zijn neef. Wel
+morden en klaagden de baronnen, maar de koning was voor het oogenblik
+geheel doof voor hunne aantijgingen en genoot met volle teugen van
+zijn herkregen geluk.
+
+Maar ook ditmaal was zijne rust niet van langen duur. Meer en meer
+verspreidde zich onder de leden der hofhouding het gerucht van de
+zondige verhouding, die bestond tusschen koningin Isolde en Tristan,
+den neef des konings. Zelfs het volk in de straten van Tintagel
+lachte meesmuilend, wanneer de grijze vorst met zijne jonge gemalin
+voorbij reed en bespotte hun koning over zijne verblindheid. Toen
+kwamen op een dag de baronnen in grooten getale bijeen, begaven zich
+naar koning Mark en eischten, dat hij in deze zaak recht zou doen en
+zijne eer en die van zijn hof voor verderen smaad zou behoeden.
+
+Het duurde lang, eer zij Mark konden overtuigen, dat hij handelend
+moest optreden, indien hij wilde voorkomen, dat zijn huwelijk
+tot een onderwerp van spot werd voor het gansche volk. Eindelijk
+dreigden zijne ridders hem dat, indien hij niet aan hunnen wensch
+wilde voldoen, zij zich in hunne burchten zouden terugtrekken en hem
+allen gezamenlijk den oorlog zouden aandoen. Voor deze bedreiging
+moest de vorst zwichten en hij stemde erin toe, om Melot uit zijne
+ballingschap terug te roepen en hem nogmaals eene kans te geven,
+zijne beschuldiging door overtuigende bewijzen waar te maken.
+
+De gelegenheid daartoe liet niet lang op zich wachten. Eens op een
+avond nam de dwerg den koning ter zijde en sprak tot hem: "Sire,
+het oogenblik is gekomen, waarop ik u door feiten kan aantoonen, dat,
+wat ik zeide omtrent de koningin en Heer Tristan, waarheid was. Let
+nu goed op, wat ik u zeg. Heden avond, wanneer Tristan reeds te bed
+ligt, moet gij hem opdragen, om vóór het aanbreken van den dag eene
+dringende boodschap naar het hof van koning Arthur te brengen. Gij
+zelve moet uw voornemen te kennen geven om te middernacht de mis bij
+te wonen. Daardoor zult gij uwe gemalin alleen achterlaten. Voor wat
+verder dient te geschieden zal ik zorg dragen."
+
+De koning deed, wat hem verzocht was. Eenigen tijd nadat Tristan zich
+ter ruste had begeven in een hoek van de groote zaal, waar ook de
+koning en koningin sliepen, trad Mark aan zijne legerstede en beval
+hem, om bij het eerste ochtendgloren zijn paard te zadelen en zich
+op weg te begeven naar het paleis van koning Arthur te Winchester,
+om hem een dringenden brief te overhandigen.
+
+De eerste gedachte van Tristan was, dat hij niet heen kon gaan zonder
+afscheid te hebben genomen van Isolde en zoodra hoorde hij niet,
+dat Mark zich gereed maakte om de nachtelijke mis in de slotkapel te
+gaan bijwonen, of hij besloot van die afwezigheid gebruik te maken,
+om zijn plan te volvoeren.
+
+Stilte heerschte in de groote zaal, waaruit de koning met zijn gevolg
+zooeven ter kerke was getogen.
+
+In een hoek van het vertrek stonden eenige wachten half slapend
+op hunne wapenen geleund, in vage omtrekken teekende zich de rijk
+gebeeldhouwde legerstede der koningin, welke tegen één der muren was
+geplaatst, in het zwakke maanlicht af. Tristan richtte zich overeind
+in zijn bed, dat meer dan eene speerlengte van dat der koningin
+verwijderd was en speurde voorzichtig in het rond. Geen geluid verbrak
+de stilte, toen plotseling van uit een hoek der zaal eene kromme,
+wanstallige gedaante naar voren sloop en zich met geruischloozen
+tred door het vertrek bewoog. Bij het onzekere schijnsel der maan
+ontwaarde Tristan, hoe Melot, want het was niemand anders dan deze,
+den grond tusschen de beide bedden met meel bestrooide, dat hij in een
+korfje bij zich droeg. Terstond begreep onze held, welken valstrik
+men hem daar gespannen had en glimlachend over de verijdeling van
+dien boozen toeleg, legde hij zich weer neder om te overleggen, wat
+hem te doen stond. Weldra was zijn besluit genomen. Met de oogen mat
+hij den afstand, die hem van Isolde's legerstede scheidde en toen
+alles weer stil was in het vertrek, waagde hij den sprong, die hem,
+zonder den vloer te raken, in het bed der geliefde bracht. Eene korte,
+innige omhelzing, eenige haastige woorden tot afscheid en Tristan
+keerde op dezelfde wijze naar zijne slaapplaats terug. Hij was geen
+oogenblik te vroeg, want reeds klonk het geluid van stemmen aan de
+deur en kort daarop verlichtte het roodachtig schijnsel van fakkels
+het gansche vertrek. De wachten schrokken op uit hunne sluimering en
+grepen haastig naar hunne wapens, daar trad reeds koning Mark, van de
+mis teruggekeerd, de zaal binnen. Zijn eerste blik gold de koningin,
+die zich slapend hield, evenals Tristan, daarna keek hij naar den
+vloer tusschen de beide bedden. Geen sporen van voetstappen waren
+in het fijngestrooide meel te bekennen, maar wacht, wat beduidde die
+donkere streep? Bij het licht der haastig bijgehouden fakkels bukte
+de koning zich diep voorover en tot zijne verbazing bespeurde hij,
+dat eene reeks bloeddruppels zich op den vloer afteekende, die als
+een onweerlegbaar bewijsstuk de legersteden der beide schuldigen
+verbond. Met een vreeselijken kreet was koning Mark in één sprong
+bij het bed der koningin; hij sloeg het dek terug en ziet, op het
+blanke linnen kleurden helderroode bloedvlekken. Steunend van felle
+smart sloeg de vorst de handen voor het gelaat. Hij zonk bijna ineen
+van schaamte en verdriet, maar toen men hem berichtte, dat ook in
+Tristan's bed dezelfde roode sporen waren opgemerkt, en dat het
+bloed scheen voort te komen uit eene pas genezen beenwond, die door
+de een of andere buitengewone krachtsinspanning was opengesprongen,
+drong al het vernederende en pijnlijke van het tooneel eerst recht
+tot hem door. Hij ontstak in hevige woede en beval, dat men de beide
+schuldigen zou binden en hen zou opsluiten in den donkersten kerker
+van het paleis. Den volgenden dag, zoo zwoer hij, zouden zij naast
+elkander den vuurdood sterven en ten aanzien van het gansche volk
+zouden de lekkende vlammen van den brandstapel den naam des konings
+reinigen van de smet, die eraan kleefde.
+
+Den volgenden morgen verspreidde zich alras de mare der komende dingen
+onder de inwoners der stad. Bij alle rangen en standen heerschte
+diep medelijden met het lot der arme koningin. Al veroordeelde men
+haar om wat zij gedaan had, toch achtte men de straf te zwaar en met
+angst en ontsteltenis zag men toe bij het maken der toebereidselen
+voor de vreeselijke gebeurtenis. Tristan werd het eerst naar den
+brandstapel geleid.
+
+De weg, dien de gevangenen moesten nemen om het marktplein te bereiken,
+waar hun vonnis zou voltrokken worden, voerde gedeeltelijk langs de
+kust en zoo kwamen zij ook langs een punt, waar op een vooruitspringend
+rotsblok eene kleine kapel gebouwd was. Deze kapel, die als 't ware in
+de ruimte hing boven het zandige strand, dat langs den voet der rotsen
+liep, werd veel bezocht door hen, die vrienden en bloedverwanten op
+zee hadden en aldaar voor hunne veiligheid kwamen bidden.
+
+Toen nu Tristan langs de kapel kwam, verzocht hij zijne bewakers
+hem toe te staan om zich een oogenblik naar binnen te begeven
+voor een laatst gebed tot God, Dien hij daar zoo dikwijls had
+aangeroepen. Begaan met het lot van den jongen ridder, stonden zijne
+begeleiders hem dit toe; Tristan trad binnen en zij, die bij hem waren,
+vatten post voor den ingang der kapel. Toen onze held zijne ziel had
+uitgestort in een vurig gebed, stond hij nog eene wijle te peinzen
+aan een der hooge vensters die uitzicht gaven op zee en terwijl hij
+zijn blik liet gaan over het oneindige watervlak, bedacht hij, hoe
+veel zoeter het moest zijn te rusten in de koele, blauwe golven dan
+ten aanzien van eene nieuwsgierige menigte een langzamen folterdood
+in de vlammen te sterven. Één sprong naar beneden en het zou gedaan
+zijn met allen angst en strijd en wie weet of koning Mark, wanneer
+hij hoorde, dat Tristan voorgoed uit den weg was, zijne jonge vrouw
+niet op nieuw in genade zou aannemen. Zoo zou hij misschien Isolde
+het leven kunnen redden, mocht hij dan aarzelen? Met een enkelen
+vuistslag verbrijzelde hij één der glasruiten, het volgend oogenblik
+stond hij in de vensteropening en met uitgespreide armen waagde hij den
+sprong. Men zegt wel eens, dat er eene afzonderlijke voorzienigheid
+bestaat voor kinderen en gelieven--zeker is het, dat Tristan's leven
+als door een wonder gespaard bleef. De wind blies zijn wijden mantel
+omhoog en maakte er een valscherm van, dat de kracht van zijn val
+brak en hem ongedeerd deed neerkomen op het zachte zand.
+
+
+
+_Hoe Tristan zijne geliefde uit de handen der melaatschen redde._
+Toen de krijgsknechten een oogenblik later in de kapel traden om
+Tristan tot meerderen spoed aan te manen, vonden zij haar ledig. Bij
+onderzoek verrieden de scherven op den grond en de zeewind, die door
+het open venstergat blies, langs welken weg hun gevangene ontsnapt
+was. Zij twijfelden niet, of Tristan had bij den sprong in dien diepen
+afgrond het leven verloren, dus keerden zij terug naar het paleis om
+onder angst en beven dit den koning mede te deelen. Alleen Gouvernail,
+de trouwe dienaar, die zijn meester op diens laatsten tocht gevolgd
+was, besloot de zaak nader te onderzoeken. Hij begaf zich naar het
+strand, Tristan's wapenen en strijdros met zich mede nemend en wat
+hij nauwelijks had durven hopen, bleek waarheid te zijn, hij trof
+zijn geliefden heer ongedeerd en in goeden welstand aan. Terstond
+spoorde hij hem aan te vluchten, maar Tristan weigerde te vertrekken,
+alvorens hij zekerheid had omtrent het lot van Isolde.
+
+Wat was er intusschen met de koningin geschied?
+
+Toen koning Mark vernam, dat Tristan aan zijne straf ontkomen was,
+ontstak hij in blinde woede. Het baatte niet, of men hem trachtte te
+overtuigen, dat hij den gevaarlijken sprong onmogelijk levend kon
+volbracht hebben, Mark hield vol, dat de gevangene ontsnapt moest
+zijn. Eene uitdrukking van duivelschen haat vertrok zijn gelaat en
+zijne trekken waren verwrongen van woede en wraaklust, toen hij daarop
+beval, dat men Isolde naar den brandstapel zou geleiden. "Ik zal dien
+verrader dat ontnemen, wat hem meer waard is dan zijn eigen leven," zoo
+sprak hij; "laat hij zelf dan maar ontsnappen, zonder zijne minnares
+is hem het bestaan toch tot eene kwelling, die erger is dan de pijnen
+van den brandstapel." Isolde echter hief hare geboeide handen omhoog
+en dankte God, dat Hij Tristan uit de klauwen des doods gered had.
+
+Reeds knetterden en laaiden de vlammen, reeds had men de touwen
+losgebonden, waarmede men de koningin geboeid had en bereidde de
+ademloos wachtende menigte zich voor, om het vreeselijk schouwspel
+te zien beginnen, toen de menschendrom naar beide kanten uiteenweek
+om een troep melaatschen door te laten, die zich door de menigte
+heendrong. Hij, die aan het hoofd van deze afzichtelijke bende liep,
+riep met drieste stem tot den vorst: "Sire, ons is ter oore gekomen,
+dat gij heden eene schoone vrouw op den brandstapel dooden wilt. Ziet,
+wij zijn melaatschen en hebben geene vrouwen, daarom vragen wij u,
+geef ons deze, gij zult daardoor beter gewroken zijn, dan wanneer
+gij haar den vuurdood laat sterven."
+
+Een gemompel van afgrijzen ging door de menigte, maar koning Mark,
+die door haat en hartstocht geheel verblind was, riep uit: "Zoo neem
+haar dan en doet met haar, wat gij wilt!" Daarbij dacht hij, dat hij
+inderdaad niet beter gewroken kon worden dan op deze wijze. Wanneer
+Tristan nog leefde en hij hoorde, wat er met Isolde was geschied,
+zou die gedachte hem meer folteren dan het bericht van haren dood en
+tot krankzinnig makens toe zou hem het denkbeeld van zijne geliefde
+in de armen der melaatschen vervolgen.
+
+Met schelle kreten van vreugde omringden de uitgestootenen de koningin,
+Isolde strekte smeekend de armen uit naar haren echtgenoot en bad
+hem, haar toch duizendmaal liever den vuurdood te laten sterven dan
+een dergelijk lot te doen ondergaan. Maar Mark was onverbiddelijk en
+zegevierend voerden de melaatschen haar mede naar het woud, waar zij
+hunne holen en schuilplaatsen hadden.
+
+Zoo kwamen zij voorbij de plek, waar Tristan en Gouvernail, in het
+struikgewas verborgen, den loop der gebeurtenissen afwachtten. Hunne
+aandacht werd getrokken door het geschreeuw der bende, die luid
+joelend naderde en voorzichtig tuurden zij naar den weg om te zien
+wat er gaande was. Daar naderde de troep van afgrijselijke gestalten,
+in hun midden trokken en sleepten zij iets voort, wat, dat konden de
+beide wachtenden niet zoo spoedig ontdekken. Plotseling richtte de
+gebogen gestalte, die te midden der melaatschen werd voortgesleurd,
+zich wat hooger op en tot Tristan's onbeschrijfelijke ontzetting
+herkende hij het bleeke, schoone gelaat zijner geliefde. Met één sprong
+was hij uit het kreupelhout op den weg, met woeste sabelhouwen dreef
+hij Isolde's belagers uiteen en het volgend oogenblik hield hij haar
+in zijne armen en bedekte haar gelaat met wilde kussen.
+
+Daarop steeg hij te paard, nam Isolde vóór zich op het zadel en joeg
+met Gouvernail in pijlsnelle vaart het bosch in, ver, ver weg naar
+het woud van Morois, dat aan de grens van Cornwallis was gelegen.
+
+Zoodra koning Mark hoorde, wat er gebeurd was, liet hij een ban
+uitvaardigen, waarin hij honderd gouden kronen uitloofde aan dengene,
+die Tristan of Isolde levend of dood zou weten te vangen.
+
+De gelieven vluchtten ver weg tot in 't diepst van het woud, daar
+eerst voelden zij zich veilig voor de dienaren des konings. Zij bouwden
+zich eene hut van takken en bladeren en toen hunne woning gereed was,
+zond Tristan zijn trouwen dienaar terug naar het hof, om na te speuren,
+wat de koning tegen hen zou ondernemen.
+
+Tristan en Isolde bleven dus alleen in het groote bosch en toen in
+hunne harten de schrik over het gebeurde allengs vervaagde, begon
+er voor hen een leven van geluk en vrede, zooals zij het nog nooit
+gekend hadden. Weliswaar was hun bestaan vol ontberingen, maar het
+genot elkander geheel te mogen toebehooren, deed hen deze gemakkelijk
+over het hoofd zien. Wat deerde het, of zij zich moesten voeden met
+het vleesch der dieren uit het woud en de wilde vruchten, die zij
+tusschen de struiken vonden? Zij smaakten hun beter dan de fijnste
+schotels in het paleis van koning Mark, omdat zij ze in elkanders
+gezelschap mochten verorberen. Wat gaf het, of de wind soms blies door
+de reten der loofhut, zij drongen zich wat dichter tegen elkander en
+wisten van geen koude.
+
+En hoe schoon was het bosch! Als de hemel blauw en helder was en de
+zonnestralen grillige figuren trokken op den bemosten woudbodem,
+maar ook als de regen op het bladerendak ruischte en witte nevels
+tusschen de boomstammen zweefden. Altijd ontdekten Tristan en
+Isolde weer nieuwe schoonheden in het landschap, dat hen omringde,
+'s Morgens liepen zij op bloote voeten over het bedauwde gras, waar
+hunne voetstappen blauwige sporen nalieten; tegen den middag zochten
+zij de schaduw en vlijden zich neder onder de breede kruin van een
+beuk, of, als de hitte al te drukkend werd, namen zij een bad in het
+koele water van een beekje en lieten zich door zon en wind drogen.
+
+Als het avond werd, zaten zij langen tijd zwijgend bijeen en
+luisterden naar den wind, die door de hooge boomen suisde, of naar
+het lied van den nachtegaal, die in de takken boven hun hoofd zijne
+zoetste liefdeszangen uitkweelde. Tristan bezat de gave om het zingen
+der vogels zóó getrouw te kunnen nabootsen, dat hij hen lokken kon,
+waarheen hij maar wilde. Meermalen kwamen dan de glinsterende goudvink,
+de schrandere lijster, de kleine, sierlijke meesjes, het lustige
+winterkoninkje en de nachtegaal, hun aller koning, op zijn lokkend
+gefluit aanvliegen. Zij streken neer op het dak der loofhut en dan
+werd het een roepen en zingen, een kweelen en tjilpen, als nooit te
+voren in het bosch gehoord was. Tristan en Isolde zaten dicht bijeen
+en luisterden naar het koor van stemmen. Dan voelden zij hoe al die
+trillende, hijgende vogelkeeltjes een zelfde lied zongen, waarvan
+zij den weerklank hoorden in hunne eigen ziel--een lied van liefde
+en geluk, van lente en zonneschijn, dat zoo oud is als de wereld en
+dat toch steeds nieuw blijft voor hen, die het hooren.
+
+De lente ging voorbij en werd gevolgd door den zomer. Alles bloeide
+en geurde in het woud en ook het geluk van Tristan en Isolde bereikte
+zijn hoogtepunt in de rustige kalmte om hen heen. Maar reeds al te
+spoedig werd het killer in het bosch, de dagen werden koeler en de
+nachten kouder. Toen zagen de twee gelieven uit naar een passend
+winterverblijf, dat zij vonden in eene donkere rotsspelonk. Tristan
+behing de wanden met dierenvellen, afkomstig van het wild, dat hij
+in de afgeloopen maanden gedood had. Hij maakte eene opening in de
+rots om den rook te laten ontsnappen en toen de eerste sneeuw begon te
+vallen, betrokken zij hunne nieuwe woning. De winter kwam met stormen,
+die gierden om de tochtige spelonk, met vorst, die de beekjes in het
+bosch deed stollen en de sneeuw deed kraken onder den voet.
+
+Tristan en Isolde zaten te zamen bij het rookende vuur en vertelden
+elkander verhalen over gelieven uit vroegere tijden, over Phyllis,
+die zoo lang op haar minnaar wachtte, tot zij veranderd werd in
+een moerbeiboom, uit welks bladerengeruisch men tot op heden nog
+duidelijk het zuchten en steunen der arme verlatene vernemen kan. Of
+van Griseldis, de lijdzame, die door haar gemaal gehoond en versmaad
+werd en die, toen hij haar op den brandstapel wilde ter dood brengen,
+met haar kind naar het woud vluchtte, waar zij onder Gods bescherming
+veilig voortleefde, tot hare onschuld aan het licht werd gebracht. Ook
+van Dido en Aeneas spraken zij, van Byblis, de koningsdochter, die haar
+eigen broeder lief kreeg en hem vervolgde over de gansche wereld, tot
+zij veranderd werd in een vogel, die immer rusteloos over de wateren
+der aarde drijft. Over al deze gelieven spraken zij met elkander, maar
+steeds was hunne slotsom deze, dat geen hunner de liefde gekend had,
+zooals zij die kenden, en dat hunne eigen wederzijdsche genegenheid
+schooner en inniger was dan twee menschen ooit voor elkander gevoeld
+hadden. Dan scheen het hun, of de donkere rotsspelonk zich uitbreidde
+tot eene zaal vol glanzend licht, waar de wanden behangen waren met
+fonkelende edelgesteenten, waar geen geluid van buiten doordrong,
+maar waar slechts de zoete stem der liefde gehoord werd; waar de
+fontein van den hartstocht hare parelende wateren omhoog zond en waar
+koude en ontbering plaats moesten maken voor koesterende warmte en
+verzadigenden overvloed.
+
+Wie kent niet het tooverslot der liefde? De een bouwt het in de
+stad, de ander op het land, want het is aan geen plaats gebonden. Te
+beklagen zijn zij, die het niet kennen, zij hebben het schoonste in
+het leven gemist!
+
+Maar van liefde alleen kan men helaas niet leven. Terwijl de harten van
+Tristan en Isolde zich koesterden in warmen gloed, verstijfden hunne
+lichamen in de barre koude en allengs zag onze held, hoe zijne geliefde
+er bleek en lijdend begon uit te zien, terwijl Isolde hetzelfde bij
+Tristan ontwaarde.
+
+Somtijds, wanneer Isolde vermoeid tegen hem aanleunde en hij zag,
+hoe haar schoon gelaat mager en ingevallen was, ontwaakte voor een
+oogenblik bij Tristan de gedachte, of hij zijne geliefde geen onrecht
+aandeed, door haar aldus bloot te stellen aan een leven vol armoede en
+ontbering, haar, die geboren en getogen was in weelde en overvloed. En
+Isolde op hare beurt kon soms een gevoel van smart niet onderdrukken,
+wanneer zij bedacht hoe Tristan om harentwil afstand had gedaan van
+al den roem, die hem anders zoo rijkelijk ten deel zou zijn gevallen,
+hoe hij door haar toedoen rondzwierf als een verstootene, hij, die
+een der meest gevierde ridders van het land placht te zijn.
+
+Het voorjaar naderde, de beekjes ruischten met onstuimige vaart van
+de heuvels omlaag, en in het bosch zongen de vogels in de groenende
+takken der boomen.
+
+Toen gebeurde het, dat koning Mark zich gereed maakte om een grooten
+tocht, die verscheidene dagen duren zou, te ondernemen naar het
+woud van Morois. Weldra werd de stilte van het bosch verstoord door
+vroolijke stemmen, onder de hooge boomen werden de tenten der ridders
+opgeslagen en groote vuren zonden hunne rookwolken omhoog, tusschen
+de groene struiken.
+
+Onze gelieven bemerkten niets van dit alles, want het woud van Morois
+was verscheidene dagreizen diep en tot nog toe was hunne eenzaamheid
+niet verstoord geworden. Eens op een dag was Tristan reeds vroeg op de
+jacht getogen en kwam tegen den middag doodelijk vermoeid terug; hij
+strekte zich uit in de schaduw der loofhut, legde zijn zwaard naast
+zich neder en viel weldra in een diepen slaap. Isolde zag hem daar
+liggen. Langen tijd beschouwde zij aandachtig zijn dierbaar gelaat
+en als eene felle pijn doorschokte haar de gedachte, hoe men in hem,
+zooals hij daar voor haar lag, nauwelijks meer den fieren edelman
+zou herkennen, die aan het hof haars vaders was gekomen om hare hand
+te vragen. Eene wijle bleef zij zoo in droef gepeins verzonken, toen
+werd ook zij door de loome voorjaarslucht bevangen en weldra sliep
+zij aan Tristan's zijde.
+
+Nu gebeurde het juist op dien dag, dat koning Mark bij de vervolging
+van een hert zich verder dan gewoonlijk in het bosch gewaagd had en
+zoo in de nabijheid der loofhut was gekomen. Uitgeput van vermoeienis
+had hij eindelijk de jacht opgegeven en zich in de schaduw nedergezet,
+daarbij had hij zijn jagermeester opgedragen, om hem een frisschen
+dronk te halen uit het beekje, dat hij in de verte hoorde kabbelen. Dit
+beekje nu was hetzelfde, waaraan Tristan en Isolde hunnen dorst
+plachten te lesschen; toen de jachtmeester dus aan den oever van het
+stroompje genaderd was, ontwaarde hij op eenigen afstand de loofhut
+en daarvóór, slapend op den grond, de gestalten der beiden. Omzichtig
+sloop hij door het struikgewas terug naar de plek, waar zijn meester
+hem wachtte en deelde hem mede, wat hij gezien had. Toen ontwaakten
+in het hart van den vorst opnieuw de oude wrok en haat tegen de beide
+wezens, die hem het dierbaarst geweest waren op aarde en die hem zoo
+jammerlijk bedrogen hadden. Al had hij in het afgeloopen jaar dikwijls
+berouw gehad over zijne onverzoenlijke houding jegens hen en al had
+hem meermalen de gedachte gekweld, hoe hij Isolde aan de melaatschen
+had kunnen overleveren--thans kregen wraaklust en bitterheid opnieuw
+de overhand in zijne ziel en met het ontbloot zwaard in de hand
+begaf hij zich naar de hem aangewezen plaats. Inderdaad, daar lagen
+zij, de beiden, die hem zooveel grievend leed hadden berokkend,
+maar niet zooals hij ze zich had voorgesteld, dicht aaneengevlijd,
+in elkanders armen--neen, zij sliepen als twee kinderen zij aan zij
+met Tristan's zwaard tusschen hen in. Koning Mark werd onwillekeurig
+getroffen door de verandering, die hij bij hen opmerkte; beiden waren
+sterk vermagerd, hunne kleederen hingen hun als lompen aan het lijf,
+maar om hunne lippen speelde een gelukkige glimlach en zij bleven
+schoon door hunne jeugd en natuurlijke bevalligheid. De stormen in
+'s konings hart bedaarden; een straal van hoop verlichtte opnieuw
+zijn binnenste--zouden zij toch onschuldig zijn?
+
+Langzaam bukte hij zich voorover, nam behoedzaam Tristan's zwaard
+van den grond en legde er het zijne voor in de plaats. Daarna ging
+hij peinzend heen.
+
+Na eenigen tijd ontwaakte Tristan uit zijne sluimering en zijn zwaard
+opnemend, bemerkte hij de verwisseling. Snel wekte hij Isolde. "Voort,
+geliefde!" riep hij uit. "Terwijl wij sliepen is uw echtgenoot hier
+geweest, zeker is hij heengegaan, om zijne dienaren te halen en ons
+dan door hen te laten dooden. Laat ons vluchten, eer het te laat is!"
+
+Opnieuw begon toen voor hen het zwerversleven; verder en verder trokken
+zij het bosch in, bij elk geritsel in de struiken schrikten zij op,
+achter elken boom speurden zij verraad. Eindelijk meenden zij eene
+veilige schuilplaats te hebben gevonden. Daar bouwde Tristan opnieuw
+eene hut en terwijl Isolde zich, uitgeput van vermoeienis, terstond ter
+ruste begaf, zat hij langen tijd voor den ingang, tuurde omhoog naar
+den hemel, waar donkere wolken langs het luchtruim joegen en dacht na,
+wat hem te doen stond. Gedurende de reis had hij met stijgenden angst
+bemerkt, hoe Isolde ondanks inspanning van al hare krachten, niet meer
+opgewassen bleek tegen de vermoeienissen van hun zwerversbestaan. Wel
+had zij dit steeds voor hem verborgen trachten te houden, maar hij,
+wiens blik door de liefde verscherpt was, had maar al te goed gezien,
+hoe hare krachten gesloopt werden door de lange dagreizen en hoe zij
+zich soms nauwelijks staande kon houden.
+
+Opnieuw scheen eene stem hem toe te fluisteren, dat hij verkeerd
+deed met Isolde langer bloot te stellen aan een leven vol kommer en
+ontbering. Hoe kon hij het aanzien dat zij, de koningin van een machtig
+rijk, die gekleed placht te gaan in zijde en fluweel, op wier wenken
+eene gansche hofhouding vloog, dat die vrouw thans een moeilijker en
+zorgvoller bestaan voerde dan de minste harer hovelingen, dat zij
+slapen moest op een bed van bladeren en hare voeten wondde aan de
+scherpe steenen der boschpaden. Maar ook Isolde kon den slaap niet
+vatten; zij zag, hoe Tristan in sombere houding zat te peinzen en
+zij vergeleek hem opnieuw bij den Tristan van vroeger, den fieren
+jongeling, wiens naam door alle ridders met eerbied werd genoemd,
+die blijde liederen tokkelde op zijne harp en door zijne hoofsche
+bevalligheid de harten der vrouwen voor zich wist te winnen. Mocht
+zij langer van hem vergen, dat hij om harentwil afstand deed van alles
+wat het hart van een man dierbaar was: roem en aanzien, krijgsmanseer
+en vertrouwen? Daar trad Tristan de hut binnen, hij nam haar in zijne
+armen en zeide met diep ontroerde stem: "Isolde! ik heb langen tijd
+nagedacht over wat koning Mark gedaan heeft en ben tot de overtuiging
+gekomen, dat hij geen kwade bedoelingen met ons had, toen hij zijn
+zwaard tusschen ons neerlegde. Immers, wanneer hij zich had willen
+wreken had hij ons gemakkelijk in den slaap kunnen dooden. Hij heeft
+dit niet gedaan, dus is hij ons blijkbaar goed gezind. Moeten wij de
+hand der verzoening, die hij ons reikt, niet aannemen? Wanneer ik u
+weder veilig in uwe vroegere rechten hersteld weet, verlaat ik het
+land, maar waar ik ook gaan moog', waarheen het lot mij ook zende,
+mijn hart blijft steeds bij u en in gedachten zullen wij bij elkander
+zijn." "Tristan's verlangen gaat uit naar daden van roem en eer",
+zoo dacht Isolde, maar zij sprak slechts: "Het zij zoo, Heer! Zonder
+u is mijn leven leeg en waardeloos, maar mijne gedachten zullen u
+volgen op uwe reizen en wanneer de roem van uwe daden wijd en zijd
+weerklinkt, zal mijn hart sneller kloppen van trots en vreugde." Zoo
+verborgen deze beiden hunne innigste gevoelens en poogden slechts
+elkander moed in te spreken voor de naderende scheiding.
+
+Den volgenden morgen begaven zij zich op weg naar de woning van een
+vromen kluizenaar, die daar in de eenzaamheid van het woud leefde. Hem
+vertrouwde Tristan de zorg over zijne geliefde toe, hij zelf begaf
+zich naar Tintagel, waar hij een pijl, omwikkeld met een brief van
+den volgenden inhoud, in de kamer van koning Mark schoot: "Sire! nog
+éénmaal waag ik het een beroep te doen op uwe rechtvaardigheid. Zonder
+eenig vertoon van rechtspraak hebt gij uwe gemalin, eene prinses van
+den bloede, veroordeeld tot den brandstapel. Alsof dit niet genoeg
+was, hebt gij haar op het laatste oogenblik overgeleverd aan een lot,
+waarvan de gedachte alleen het menschelijk gemoed van ontzetting doet
+rillen. Van dit lot heb ik met Gods hulp haar kunnen redden. Elke
+poging om haar tot u terug te brengen hebt gij door uw ban en den
+prijs, dien gij op onze hoofden zettet, verijdeld. Thans is een
+jaar verstreken. Het teere gestel der koningin heeft zeer geleden
+door de ontberingen, welke ik haar niet heb kunnen besparen. Zijn
+er nog onder uw gevolg, die den lasterpraat over den goeden naam der
+vorstin volhouden, zoo ben ik bereid, hun met het zwaard in de vuist
+daarover te woord te staan. Ik bied u hierbij aan, koningin Isolde tot
+u terug te brengen, mits gij uw koninklijk woord geeft, haar eene haar
+passende ontvangst te bereiden. Ik zelve zal dan het land verlaten,
+om mogelijke nieuwe beschuldigingen te voorkomen. Wanneer gij mijn
+voorstel aanneemt, laat dan uw antwoord toekomen aan den kluizenaar in
+het woud van Morois, weigert gij om Isolde als uwe wettige echtgenoote
+te erkennen, dan blijft ons geen andere uitweg dan de dood, maar
+wacht u in dat geval voor de wraak van koning Gumurun en de zijnen;
+wanneer zij vernemen zullen, wat er is geschied!"
+
+Nog dienzelfden dag riep koning Mark zijne edelen bijeen, om hunnen
+raad in te roepen. Hij las hun Tristan's boodschap voor en vroeg met
+luider stem wie van hen bereid was, met Tristan te strijden over het
+goed recht zijner beschuldiging, maar allen zwegen, ook Meriadoc,
+die, de kracht van Tristan's arm kennend, zich niet met hem in het
+gevecht wenschte te begeven.
+
+Met minachtenden blik zag koning Mark om zich heen. Waar bleven
+nu de hooghartige woorden, waarmede de edelen hunne vorstin hadden
+aangeklaagd? Verbitterd over zooveel lafhartigheid wendde hij zich
+tot zijn kanselier, een eerwaardigen grijsaard en sprak tot hem:
+"Vader, mijn hart is vervuld van onrust en twijfel, ik weet niet,
+wat te doen. Wilt gij mij helpen en mij een uitweg toonen uit deze
+bange onzekerheid?" Daarop antwoordde de grijze kanselier: "Mijn zoon,
+ik ben een geestelijke en als zoodanig gehoorzaam aan de wetten en
+voorschriften der Heilige Kerk. Wat God heeft samengebracht, zal de
+mensch niet scheiden. Koningin Isolde is uwe wettige echtgenoote;
+als zoodanig zult gij haar eeren en beschermen, hoe kondt gij haar
+dan al dien tijd aan de zorg van een anderen man overlaten? Bovendien
+ben ik overtuigd, dat zij onschuldig is. Wij beiden zijn oud en grijs,
+maar Tristan en Isolde zijn kinderen, jong, dartel en onervaren. Het is
+mijns inziens uw plicht om de koningin opnieuw de plaats toe te kennen,
+die haar toekomt. Tristan echter zou ik, zooals hij zelf voorstelt,
+voor eenigen tijd van het hof verwijderd houden, om allen argwaan
+tegen te gaan."
+
+Dankbaar luisterde koning Mark naar de woorden van zijn trouwen dienaar
+en ijlings zond hij naar de woning van den kluizenaar een boodschapper,
+die Tristan verzoeken moest om de koningin op eene vastgestelde plaats
+te brengen, waar haar gemaal haar op eervolle wijze zou ontvangen.
+
+De plek, die Mark voor de samenkomst had bestemd, was eene doorwaadbare
+plaats in de rivier, die langs den zoom van het woud van Morois
+vloeide. Daarheen begaven zich de beide gelieven op den aangewezen
+tijd. Alvorens afscheid te nemen van zijne hooge gasten, was de
+kluizenaar naar de naastbijgelegen stad gereden en had daar van zijne
+moeizaam vergaarde spaarpenningen een stel kleederen voor de koningin
+gekocht, waarin zij op passende wijze voor haren gemaal zou kunnen
+verschijnen. Op een wit muildier gezeten, eveneens een geschenk van
+den vromen vader, reed Isolde langzaam naar den oever der rivier, aan
+hare zijde ging Tristan, nog steeds in lompen gekleed. Beiden zwegen,
+het scheen of hunne kelen dichtgesnoerd waren van smart, hun harten
+waren beklemd en als gedrukt door een zwaren last, zóó vreesden zij
+de naderende scheiding. Ten laatste verbrak Isolde de stilte en sprak:
+"Tristan, dierbare vriend, vóór wij scheiden heb ik eene laatste bede
+aan u, die ge mij, hoop ik, niet zult weigeren. Wanneer ge mij straks
+tot mijn echtgenoot voert, en gij verlaat dit land, blijf ik hier
+geheel alleen achter. Wie zal zeggen, of de koning mij werkelijk goed
+gezind is; of het hem ernst was, toen hij beloofde, mij opnieuw als
+zijne gemalin te zullen eeren en beschermen? Wie zal mij helpen, indien
+hij gedurende uwe afwezigheid booze plannen tegen mij smeedt? Daarom
+smeek ik u, om u voorloopig schuil te houden in de nabijheid der stad,
+mocht ik uwe hulp noodig hebben, dan behoef ik slechts Brangwaine
+naar u toe te zenden en ge zijt bij mij. Indien de koning echter woord
+houdt en mijne vrees dus ongegrond blijkt te zijn, zoo zou ik u willen
+verzoeken, om nog éénmaal in den tuin van het paleis te komen voor
+een laatst vaarwel, eer ik u voor altijd moet verliezen. Dit zal dan
+de laatste verboden daad zijn, waartoe ons de liefde brengt." Tot in
+het diepst van zijne ziel bedroefd beloofde Tristan de koningin aan
+haar verzoek te voldoen en zwijgend vervolgden zij hun zwaren tocht.
+
+Aan den oever der rivier wachtte het volk van Tintagel met wuivende
+banieren en wapperende vaandels zijne koningin op; in schitterende
+kleedij stonden de hovelingen om hun koning geschaard. Daar naderden
+de beide gestalten aan den anderen oever. Een luid gejuich steeg op
+uit de menigte, toen het rijdier der koningin voet aan wal zette en zij
+hunne geliefde meesteres opnieuw in hun midden zagen. Koning Mark trad
+naar voren en nam de teugels van het muildier uit Tristan's handen
+over, de laatste sprak daarop met luidklinkende stem, zoodat alle
+aanwezigen het hooren konden: "Heer koning! ik breng u hier Isolde,
+uwe echtgenoote, weder. Zij is de uwe, zooals zij dit altijd geweest
+is. Vóór ik heenga, wend ik mij hier tot mijne vijanden onder uwe
+baronnen en daag hen uit tot een eerlijken kamp, waarin zal worden
+beslist, aan welke zijde meer onrecht is geschied."
+
+Niemand antwoordde hem. Toen vatte Dinas van Lidan, een trouw en
+eerlijk ridder en een waar vriend van Tristan, moed; hij nam den
+koning ter zijde en vermaande hem, om Tristan niet aldus te laten
+vertrekken en daardoor een der beste en edelste ridders van zijn hof
+te verliezen. Maar de overige ridders, die Tristan vijandig gezind
+waren, spoorden den koning aan, om in zijn heengaan te berusten,
+waar dit hem den vrede aan zijn hof zou verzekeren.
+
+Met een enkelen handdruk scheidden de gelieven, Tristan wendde zich
+om en wilde heengaan; toen eerst sprak koning Mark tot hem: "Ik kan u
+niet aldus in lompen zien vertrekken. Zoo ge wilt, ga dan naar mijne
+schatkamer en neem daaruit, zooveel gij voor uwen tocht denkt noodig
+te hebben!" Tristan echter wierp het hoofd in den nek en antwoordde
+trotsch: "Geen penning, Heer, zou ik van u willen aannemen. Ik hoop
+mij in den vreemde loon genoeg te kunnen verwerven!" Daarop ging hij
+heen en Isolde volgde hem met hare blikken.
+
+Eenigen tijd scheen het of de rust en vrede aan het hof waren
+teruggekeerd. De koning was opgewekter dan hij in lang geweest was en
+de verraders: Meriadoc, Melot en hunne handlangers verheugden zich
+over de wijze, waarop zij Tristan uit den weg hadden geruimd. Toen
+gebeurde het, dat Meriadoc zelve liefde opvatte voor zijne schoone
+vorstin en hoopte wederkeerig door haar bemind te zullen worden. Isolde
+echter behandelde hem met koele minachting en zag hem nauwelijks aan,
+wanneer hij het woord tot haar richtte. Al hare gedachten, al hare
+verlangens waren bij Tristan, hoe zou zij dan een blik over hebben
+voor dezen lafaard, die, zooals zij heel goed wist, haar en haren
+geliefde verraden had.
+
+
+
+_Hoe Meriadoc den koning trachtte over te halen om Isolde de vuurproef
+te doen ondergaan._ Langzamerhand begon het in de ziel van Meriadoc
+te koken van woede en hartstocht, hij zon op een middel om zich te
+wreken en toen hij meende dit gevonden te hebben, sprak hij gedurende
+een jachtrit tot koning Mark: "Sire, wij allen weten thans, dat de
+koningin rein en onschuldig is, het volk echter mort en klaagt en
+roept om bewijzen. Zooals gij vroeger Tristan en Isolde zonder eenige
+rechtspraak tot den vuurdood hebt veroordeeld, zoo hebt gij uwe gemalin
+eveneens zonder rechtspraak wederom in uwe gunsten aangenomen. Het volk
+meent, dat gij de wetten des lands door zoo te handelen met voeten
+treedt. Wat doet nu een man, wiens vrouw ten onrechte van trouwbreuk
+beschuldigd wordt? Hij laat haar door de vuurproef in het aangezicht
+van alle menschen hare onschuld bewijzen. Handel gij eveneens zoo en
+het volk zal tevreden zijn."
+
+Koning Mark barstte bij het hooren van deze woorden uit in
+een stortvloed van verwenschingen tegen den spreker, die hem
+zijne rust niet gunde en hem steeds weer met nieuwe verwijten
+overstelpte. Meriadoc en zijne vrienden lieten echter niet af en
+dreigden het hof te zullen verlaten, indien hij bleef weigeren aan
+hun verzoek te voldoen.
+
+In toornige stemming keerde de vorst huiswaarts. Isolde, die terstond
+vreesde, dat zijne ontstemming in verband stond met Tristan, wiens
+schuilplaats wellicht ontdekt was, rustte niet, vóór zij den waren
+grond van zijn toorn ontdekt had. Verruimd haalde zij adem, toen zij
+den eisch der baronnen hoorde; nog was Tristan dus veilig en wellicht
+bood zich hier eene gelegenheid om alle verdenking voorgoed uit den
+weg te ruimen.
+
+Daarom sprak zij: "Heer! ditmaal beschuldigt gij uwe edelen ten
+onrechte. Zij hebben gelijk; dit is de eenige wijze, waarop ik mij
+in de oogen van het volk van alle blaam zal kunnen zuiveren. Daarom
+ben ik bereid, de vuurproef te ondergaan, echter niet alleen in
+tegenwoordigheid uwer baronnen, die toch niet zouden ophouden mij
+te belasteren! Neen, ik verzoek u dringend, een bode te zenden naar
+koning Arthur van Engeland en hem uit te noodigen met zijn geheele
+gevolg bij het komende godsgericht tegenwoordig te zijn. Hij zelve
+zal dan mijn getuige zijn!"
+
+Aanvankelijk wilde de koning niets van haar plan hooren, maar Isolde
+bleef aandringen en eindelijk besloot hij aan haren wensch gehoor
+te geven. Aan den oever der rivier die de rijken van Cornwallis en
+Engeland scheidde, zou men samenkomen om van het plechtig Godsgericht
+getuige te zijn. Toen men tijd en plaats bepaald had, zond de koningin
+hare dienares naar Tristan en verzocht hem, zich, als pelgrim vermomd,
+daarheen te begeven en hare komst af te wachten, daar zij meende
+zijne hulp noodig te zullen hebben.
+
+Op den dag, die voor de vuurproef was vastgesteld, kwamen koning Mark
+en koningin Isolde met hunne gansche hofhouding naar den oever der
+grensrivier. Aan de overzijde wachtte koning Arthur hen reeds op,
+omgeven door zijne ridderschap. Aan beide zijden was aan de oevers
+eene dichte menigte samengestroomd, die in spanning de komende
+gebeurtenissen afwachtte. Aan den rand van het water zat Tristan,
+gekleed in een wijden pelgrimsmantel; hij hield den voorbijgangers
+zijn houten geldbakje voor en smeekte hun op klagelijken toon om
+eene aalmoes. Daar naderde de boot, die de koningin over den stroom
+moest brengen. Langs den oever was het water zeer ondiep, waardoor het
+vaartuig niet geheel aan land kon komen en de inzittenden moesten over
+den modderigen rivieroever den vasten bodem bereiken. Isolde stond
+op de voorplecht van het schip en zag hoe men toebereidselen begon
+te maken om te landen. Daarop riep zij uit: "Zeg mij, edele heeren,
+hoe ik den oever zal bereiken zonder mijne kleederen te bevuilen op
+den modderigen waterkant. Ik wil niet, dat een man van ridderlijken
+stam mij aanraakt alvorens ik de vuurproef heb doorstaan, maar ziet,
+ginds zit een vrome pelgrim aan den rand van het water, die kan mij
+veilig aan wal dragen."
+
+Met gebiedende stem riepen de ridders den pelgrim naderbij, deze nam
+Isolde vast in zijne armen en waadde met haar door den stroom. Terwijl
+hij haar zoo voortdroeg, fluisterde zij: "Liefste, wanneer wij op
+den oever zijn gekomen, laat u dan met mij in uwe armen in het zand
+vallen." Tristan deed, wat hem geboden was: zoodra hij voet aan wal
+gezet had, struikelde hij en viel op den grond, de koningin steeds
+omvat houdend.
+
+Met stokken en speren snelden de ridders en dienaren naderbij, om
+den onhandige te straffen, maar vóór zij Tristan konden bereiken, was
+de koningin overeind gesprongen en sprak vriendelijk: "Laat hem met
+vrede. Hij is moede en uitgeput van zijn langen pelgrimstocht." Daarop
+reikte zij den pelgrim een gouden gesp, dien zij loshaakte van haar
+kleed en begaf zich naar de plek, waar koning Arthur hen wachtte.
+
+Vóór de vorstelijke tent stonden op eene houten tafel de heilige
+reliquieën uitgestald, die door de ridders eerbiedig werden
+bewaakt. Op eenigen afstand was een groot vuur aangelegd, waarin enkele
+roodgloeiende bouten staken. Daar omheen hadden zich de geestelijken
+geschaard, die geheel verdiept waren in het prevelen hunner gebeden.
+
+Isolde begaf zich naar de voor haar ingerichte tent en ontdeed zich
+van hare kostbare bovenkleederen. Zij nam zich de gouden kroon van
+het hoofd, legde hare sieraden af en hulde zich in een wijd boetekleed.
+
+Zoo trad zij voor hare rechters. In ademlooze stilte zag het volk
+toe, hoe zij zich naar de plek begaf, waar de beide vorsten naast
+elkander hadden plaats genomen, waarop zij de volgende woorden
+sprak: "Sire, mijn echtgenoot, en gij, Sire, die heer zijt over het
+machtige Engeland, ik verschijn hier voor u beiden, in het kleed eener
+boetelinge, om mijne onschuld te bewijzen, ten aanzien van allen, die
+hier tegenwoordig zijn. Daarbij zweer ik, dat geen man ter wereld ooit
+aan mijne zijde gelegen heeft, noch mij in zijne armen heeft gehouden
+dan gij, mijn echtgenoot, en"--hier gleed een schalksche glimlach
+over haar gelaat--"de vrome pelgrim, die mij zooeven aan land gedragen
+heeft. Deze woorden ben ik bereid om door de vuurproef waar te maken."
+
+Daarop ging Isolde met vaste schreden, doch met angstig kloppend
+hart, naar het vuur, greep den gloeienden ijzeren bout, die er in
+stak, met beide handen vast en droeg dien tot vóór den zetel des
+konings. Daar gekomen liet zij hem op den grond vallen, en stak hare
+beide handen omhoog, de palmen naar de beide vorsten gericht. Een
+kreet van verlichting steeg op uit de menigte, Isolde's handen waren
+blank en ongedeerd.
+
+Plechtig daalde koning Mark van zijn hoogen zetel af en kuste zijne
+gemalin op beide wangen. Het bewijs harer onschuld was nu geleverd
+en niemand zou het meer wagen, een vinger tegen haar op te heffen.
+
+Onder luid vreugdebetoon trok het volk huiswaarts en ook de beide
+vorsten namen afscheid van elkander, waarbij koning Arthur Isolde
+verzekerde van zijn steun, indien zij dien ooit noodig mocht hebben.
+
+In gelukkige stemming reisde koning Mark terug naar zijn paleis, de
+laatste schaduw van twijfel was uit zijn hart verdwenen en hij bouwde
+zich de schoonste luchtkasteelen van zijn toekomstig samenleven met
+zijne jonge vrouw.
+
+Helaas! ze zouden weldra in rook verdaan
+
+Toen Isolde in het slot te Tintagel was teruggekeerd, zond zij terstond
+Brangwaine met eene boodschap naar Tristan om hem uit te noodigen
+tot een laatste samenzijn, alvorens hij het land zou verlaten.--De
+tuinen om het paleis lagen te stoven in zomersche hitte, toen de beide
+gelieven zich naar de afgesproken plek begaven. Geen windje beroerde
+het dichte loof der boomen, de zon schoot hare verzengende stralen
+neer op bloemen en struiken; mensch en dier zochten tevergeefs naar
+eene koele plek om de brandende hitte voor eene wijle te ontvluchten.
+
+Brangwaine had de wacht betrokken voor den ingang van den boomgaard,
+waar Tristan en Isolde hun laatste, bitter-zoete samenzijn
+genoten. Alle inwoners van het slot hadden zich in de koele zalen
+teruggetrokken, niemand dreigde dus hen te storen. Nog éénmaal hield
+Tristan Isolde in zijne armen, nog éénmaal spraken zij over hunne
+liefde en de pijn en zaligheid, welke deze hun gebracht had, daarop
+stak de koningin Tristan eenen ring aan den vinger, waarmede hij
+haar, waar hij zich ook bevond, tot zich kon roepen, indien hij hare
+tegenwoordigheid om de een of andere reden dringend vereischte. In
+ruil voor dit geschenk vroeg zij Tristan, haar zijnen hond Husdan
+af te staan, aan welk verzoek hij gaarne voldeed. Zoo spraken zij
+over het naderend afscheid en zwoeren elkander onwankelbare trouw,
+tot zij eindelijk, uitgeput door de groote hitte en de aandoeningen,
+welke zij doorstaan hadden, in elkanders armen in slaap vielen.
+
+Eenigen tijd nadien begaf koning Mark, die ongerust begon te worden
+over het lang uitblijven der koningin, zich in den tuin om Isolde te
+zoeken. Een dienaar, dien hij daar ontmoette, verwees hem naar den
+boomgaard, waar hij meende de koningin te hebben zien binnengaan. De
+koning wendde zijne schreden daarheen, ging de doodelijk verschrikte
+Brangwaine met een vriendelijken groet voorbij en trad den boomgaard
+binnen, weinig vermoedend, welk een vreeselijke aanblik hem daar
+wachtte.
+
+Zoo gebeurde het, dat, juist toen koning Mark volle zekerheid
+meende te hebben verkregen omtrent de onschuld zijner gemalin,
+juist toen Tristan en Isolde elkander voor eeuwig vaarwel hadden
+gezegd, de beide gelieven werden ontdekt. Bij eene kronkeling in
+het pad ontdekte koning Mark hunne gestalten, rustend in het gras
+onder de groene vruchtboomen. In enge omarming hielden zij elkander
+omstrengeld, hunne hoofden waren dicht te zamen gevlijd en hunne
+monden waren vereenigd in een kus. Mark streek zich verward over
+het voorhoofd. Droomde of waakte hij? Waren dit inderdaad Isolde,
+zijne geliefde gemalin, en Tristan, zijn neef, die hem dierbaarder was
+dan zijn eigen zoon? Was het dus toch waar, wat de baronnen over hen
+gezegd hadden? Vol afgrijzen, met de handen in wanhoop omhoog geheven,
+ijlde de koning terug naar zijn paleis om getuigen te halen bij dit
+ontzettend schouwspel. Het geluid zijner wegsnellende voetstappen
+deed Tristan ontwaken, nog juist zag hij de gedaante des konings om
+den hoek van het pad verdwijnen. In een oogwenk was hij overeind en
+wekte Isolde. "Vlug, liefste, wij zijn ontdekt! Uw echtgenoot is hier
+geweest en is nu heengegaan om getuigen te halen. Vóór hij terugkomt,
+moet ik verdwenen zijn!" Nog ééne omarming, een laatste stamelen van
+den geliefden naam en Tristan verdween tusschen de boomen.
+
+Toen de koning spoedig daarop in den boomgaard trad, gevolgd door
+eene schaar van edelen en baronnen, lag Isolde in slapende houding
+in het gras. Het hoofd met de golvende blonde haren rustte op haren
+arm en zij ademde kalm en rustig als een kind. Weinig vermoedden zij,
+die haar zoo zagen liggen, dat stormen van hartstocht en verlangen
+door haar hart joegen en dat hare ziel tot stervens toe bedroefd was.
+
+Sprakeloos van verbazing zag koning Mark neer op het liefelijk beeld
+der slapende. Was het dan slechts een droom geweest, het vreeselijk
+visioen, dat in vlammende lijnen in zijn brein gegrift stond? De
+baronnen konden een glimlach niet onderdrukken, toen zij den verbaasd
+ontstelden blik des konings ontmoetten en Dinas van Lidan riep uit:
+"Het is slechts een gevolg van uw overspannen geestestoestand geweest,
+Sire, die u schimmen voor den geest toovert en ze u voor werkelijkheid
+doet aanzien. Wij allen weten immers, dat Tristan na den terugkeer
+der koningin het land heeft verlaten. Wij allen weten ook, dat uwe
+gemalin rein en onschuldig is, wilt gij dan nog sterker bewijs dan
+dat van de onlangs doorstane vuurproef? Bedwing toch uw wantrouwen,
+Sire, het voert u op dwaalwegen en doet uwe wijsheid geen eer aan!"
+
+Beschaamd hoorde de koning deze woorden aan en wendde zich af,
+overtuigd, dat Heer Dinas inderdaad waarheid had gesproken.
+
+
+
+_Hoe Tristan rondzwierf in vreemde landen en hoe hij tevergeefs
+trachtte om zijne geliefde te vergeten._ Tristan reisde over de zee
+en kwam in het land van een jongen hertog, Gilain genaamd, wien
+hij zijne diensten aanbood. Weldra maakte hij zich beroemd door
+zijne daden van dapperheid en hertog Gilain kreeg hem lief als een
+broeder. Tevergeefs beproefde Gilain de somberheid, die op het gelaat
+van zijn vriend zetelde, door scherts en lach te verdrijven, steeds
+bleef Tristan neerslachtig en terneergedrukt. Hij begaf zich temidden
+van het volle, woelige leven, om die ééne stem in zijn binnenste
+tot zwijgen te brengen, de lokkende stem van Isolde van Ierland,
+maar het gelukte hem niet. Nu had hertog Gilain eenigen tijd tevoren
+een wonderbaar geschenk ontvangen van eene fee uit het eiland Thule,
+die hem reeds lang in stilte beminde. Het was een tooverhondje,
+Petitcrû genaamd. Het diertje was vervaardigd uit verschillende
+soorten van edelgesteenten en om den hals droeg het een band, waar
+zilveren klokjes aan bengelden. Wie nu die klokjes liet luiden,
+vergat als door een tooverslag al het leed, dat hem ooit wedervaren
+was, en zijne ziel werd licht als die van een kind.
+
+Eens op een dag kwam Gilain tot Tristan en gaf hem het hondje met
+de woorden: "Neem gij dit kleinood van mij aan, dat mij liever is
+dan iets ter wereld. Ik ben jong en heb geen toovermiddel noodig,
+om vroolijk te zijn. Gij echter, die de smarten des levens hebt
+leeren kennen, kunt door de toovermacht, die er aan verbonden is,
+uwe zorgen vergeten en blij en vroolijk worden als weleer."
+
+Diep getroffen dankte Tristan zijn gastheer voor diens waardevol
+geschenk en voegde er aan toe: "Niet voor mij goede vriend, maar voor
+eene edele koningin, die onder zwaar leed gebukt gaat, neem ik het
+dankbaar van u aan!"
+
+Daarna zond hij Gouvernail met het hondje naar Isolde om het haar uit
+zijn naam aan te bieden. Na veel moeite slaagde de trouwe dienaar erin,
+het de koningin in handen te geven, en van dit oogenblik af keerden de
+glans in Isolde's oogen en de blos op hare wangen terug. Zij liet een
+kostbaar kastje van blank ivoor vervaardigen, waarin zij het hondje
+steeds met zich droeg. Telkens weer liet zij de zilveren schelletjes
+klinken en wanneer zij zich dan zoo vroolijk en opgeruimd gevoelde
+als zij in langen tijd niet geweest was, schreef ze dit toe aan het
+feit, dat zij bij het hooren ervan aan Tristan dacht, die het haar
+gegeven had.
+
+Maar allengs bemerkte zij, dat het beeld van haren geliefde voor haren
+geest steeds flauwer en flauwer werd en dat zij zich, bij het luisteren
+naar de klokjes, zijne trekken nauwelijks meer voor oogen wist te
+halen. Toen begreep zij, dat zij hare terugkeerende opgewektheid aan
+eene betoovering dankte, die van het geschenk scheen uit te gaan.
+
+Dadelijk was haar besluit genomen. Nooit zou het hart van Tristan
+tevergeefs het hare zoeken; liever wilde zij den lijdensbeker, dien
+zij aan de lippen gezet had, tot den bodem ledigen. Zij maakte den
+band, die om den hals van het hondje was gebonden los, en wierp de
+zilveren klokjes uit het open venster in zee. De bittere droefheid,
+die daarna opnieuw haar hart binnensloop, was haar liever dan de
+zorgelooze blijheid der laatste weken, die haar van haren geliefde
+had pogen te vervreemden.
+
+
+
+Tristan zwierf intusschen in den vreemde rond en poogde tevergeefs
+in het dichtst van het krijgsgewoel vergetelheid te vinden voor de
+liefdesmart, die hem het leven tot een last maakte. Wijde landstreken
+en breede stroomen, bergen en dalen plaatste hij tusschen zijne
+geliefde en zichzelf, maar alles tevergeefs; zijne ziel bleef
+in kluisters gebonden voor de poorten van Tintagel. Wel verwierf
+hij zich roem en eer, wel huldigde men hem om zijne dapperheid en
+krijgsmansgaven, maar dit alles had geene waarde voor hem en hij
+bleef steeds somber en terneergedrukt.
+
+Na maandenlange omzwervingen kwam hij in het rijk van den ouden
+graaf van Bretagne, wiens eigendommen bedreigd werden door een
+zijner vazallen, Heer Riol. Daar Tristan het zich steeds tot taak
+stelde om de verdrukten te helpen en te strijden voor het recht,
+besloot hij den hertog te hulp te komen. Deze was door den vijand
+teruggedrongen in eene zijner laatste versterkingen, een machtigen
+burcht aan de rotsige kust van Bretagne. Door het nachtelijk duister
+beschermd slaagden Tristan en Gouvernail erin, zich toegang tot het
+slot te verschaffen, na de wachters overtuigd te hebben van hunne
+vriendschappelijke bedoelingen. Met luid gejubel werden zij door den
+ouden graaf en zijn zoon Kaherdin begroet; de naam van Tristan was hun
+goed bekend en waarborgde hun een machtigen steun. De jonge Kaherdin,
+die terstond eene groote vereering voor den beroemden gast opvatte,
+nam hem met zich mede en leidde hem rond door het gansche kasteel. Zoo
+kwamen zij ook in het vrouwenvertrek, waar Kaherdin's moeder en zuster
+bezig waren met op een vergulden achtergrond bontgekleurde vogels en
+bloemen te borduren.
+
+Vol trots maakte Kaherdin zijn gast op het fijne naaldwerk
+opmerkzaam. "Wat dunkt u van dit fraaie stiksel?" sprak hij tot
+Tristan, "is het niet fijn en kunstvol? Toch bevallen mij nog beter
+de figuren, die mijne zuster met hare slanke vingeren op het doek
+weet te tooveren. Zeg mij, edele Heer, heb ik geen gelijk wanneer ik
+haar Isolde met de Blanke Handen noem?"
+
+Een hevige schok doortrilde onzen held, toen hij zoo plotseling den
+geliefden naam hoorde noemen en met een langen, doordringenden blik
+zag hij het jonge meisje aan, die zoo heette. Voorwaar, als iemand het
+waard was, dien dierbaren naam te dragen, dan was zij het, die hier
+voor hem zat en onder zijn blik bedeesd de oogen neersloeg. Zij was
+fijn en tenger van gestalte, de jonge gravin; onder hare donkere haren
+zagen hare oogen met eene uitdrukking van rein en kinderlijk vertrouwen
+de wereld in en om haar mond speelde een zachte glimlach. Men kon het
+haar aanzien, dat zij tot dusverre bewaard was gebleven voor hevige
+aandoeningen van smart en vreugde en dat de stormen des levens hare
+jeugdige ziel tot heden onberoerd hadden gelaten.
+
+Weldra gevoelde Tristan zich geheel thuis in het gezin van den
+graaf. Aan het hoofd der dappere bezetting waagde hij menigen
+goedgeslaagden uitval in het kamp van Heer Riol en deed vele van diens
+krijgsknechten sneuvelen. Tusschen hem en Kaherdin was eene hechte
+vriendschap ontstaan, die door de gezamenlijk volbrachte wapenfeiten
+tot een steeds inniger band aangroeide.
+
+Wanneer zijne krijgsmansplichten hem niet opvorderden, bracht Tristan
+meerendeels zijn tijd door in het vrouwenvertrek. Uren lang kon hij
+peinzend toezien, hoe Isolde's blanke handen over het borduurraam heen
+en weer bewogen. Ook nam hij dikwijls zijne harp ter hand om haar een
+lied voor te zingen, dan bleven de vingeren der jonge gravin rusten
+in haren schoot en hingen hare oogen aan de lippen van den vreemden
+ridder, die zulke wonderschoone wijzen wist te zingen. Dikwijls werd
+in die liederen de naam Isolde genoemd en dan kwam er een plotselinge
+glans in de oogen van den zanger, die zijne toehoordster verlegen
+maakte en haar haastig naar de naald deed grijpen, om haar blozend
+gelaat aan zijne blikken te onttrekken. Zij, die haar liefhadden,
+hare ouders en Kaherdin, verheugden zich over deze teekenen van een
+inniger verstandhouding tusschen Isolde en den edelen gast. Wien zouden
+zij liever hunne dochter en zuster toevertrouwen dan aan Tristan,
+den dappersten en hoffelijksten aller ridders! En onze held zelf?
+
+Wanneer hij in stille achtermiddagen, als het strijdgedruisch om de
+muren van den burcht eene wijle verstomd was, aan de zijde van het
+jonge meisje zat en zwijgend toezag, hoe hare blanke handen speelden
+tusschen de zijden draden van haar werk, beving hem een gevoel van
+welbehagen, van innige rust en kalmte, en ging het hem als een zeeman,
+die na langen strijd tegen de woelige baren zijn vaartuig eindelijk
+in eene veilige haven voelt binnenloopen. Dit jonge meisje, dat zoo
+weinig vroeg, dat hem steeds vriendelijk en met zachte toegevendheid
+tegemoetkwam, bekoorde hem, zooals de onschuld van een kind den man
+bekoort, die het leven met al zijn schijn en leugen heeft leeren
+haten. Wanneer Isolde hem dan aanzag met haren reinen, teederen blik,
+die zoo duidelijk verried, wat er in hare ziel omging, doemde voor
+een oogenblik bij Tristan de gedachte op aan een mogelijk huwelijk met
+haar, waarin een kalm en rustig geluk zijn deel zou worden. Maar--dan
+werden steeds met volle kracht de oude herinneringen in hem wakker en
+met verontwaardiging verwierp hij eene dergelijke gedachte weer. Wat,
+zou hij ontrouw worden aan zijne geliefde, die hij gezworen had,
+voor eeuwig te zullen beminnen? Voor zijn geestesoog vergeleek hij
+de beide Isoldes. Hoe zonk het jonge meisje ondanks al hare slanke
+gratie in het niet bij de koninklijke gestalte van Isolde van Ierland,
+hoe weinig wist dit schuchtere kind van de liefde tusschen man en
+vrouw, van de hoogten van hartstocht en de diepe valleien van zoeten
+weemoed, waarlangs zijne geliefde en hij te zamen gegaan waren. Hoe
+kon hij, die het geluk eens in de opperste volmaking gekend had, zich
+tevreden stellen met wat daarvan slechts een poovere weerschijn kon
+zijn? Wanneer dergelijke gedachten zijn brein doorkruisten, placht
+hij het gezelschap der jonge gravin te vermijden; uren lang liep hij
+dan rond op de wallen en in de tuinen van den burcht en niemand waagde
+het in die oogenblikken hem te storen, zóó somber lichtten zijne oogen!
+
+Toch keerde hij dan na eenige dagen weer bij Isolde terug, die hem
+steeds met onverholen blijdschap placht te begroeten. Als balsem
+vielen hare vriendelijke woorden in zijne gewonde ziel en spraken
+tot hem van berusting in het onvermijdelijke en van hoop op eene
+nieuwe toekomst. In die stemming placht hij zijne gedachten aan
+een mogelijk geluk te verontschuldigen door zich wijs te maken, dat
+Isolde van Ierland hem misschien reeds lang vergeten had, dat zij in
+zijne afwezigheid zich had laten troosten door haren echtgenoot en
+dat de zilveren klokjes van Petitcrû hare smart in blijdschap hadden
+doen verkeeren.
+
+De strijd om het kasteel werd met wisselend succes gevoerd, tot
+eindelijk Heer Riol, wien het langdurig beleg begon te mishagen, eene
+laatste kans besloot te wagen om den burcht te veroveren. In alle
+stilte beraamde hij een nachtelijken aanval, die van alle zijden
+tegelijk moest worden uitgevoerd, maar de belegerden ontdekten
+nog tijdig zijnen toeleg en besloten hem vóór te zijn. In twee
+afdeelingen, onder aanvoering van Tristan en Kaherdin, stormde de
+wakkere bezetting de poorten van het slot uit, terwijl zij door luid
+krijgsgeschreeuw bij den vijand den indruk trachtten te vestigen,
+dat zij in aantal aanmerkelijk sterker waren, dan inderdaad het
+geval was. In eene niet te stremmen vaart leidden de beide vrienden
+hunne volgelingen tot midden in de vijandelijke legerplaats. Wel
+werden zij van alle kanten met pijlen en lansen bestookt, maar als
+dooreen wonder bleven de beide aanvoerders gespaard. Met den kreet
+van "Tristan! Kaherdin!" volgden de getrouwen van den graaf en bij
+het hooren van Tristan's naam verspreidden zich schrik en ontzetting
+onder de vijandelijke gelederen. Toen onze held kort daarop met zijn
+zwaard Heer Riol doodde, was het gedaan met het uithoudingsvermogen
+van de huurtroepen des hertogen. In wilde wanorde sloegen zij op de
+vlucht, het geheele kamp en het lijk van hun meester in de handen
+hunner vijanden latend.
+
+Groot was de vreugde in het slot over de wonderbaarlijke bevrijding en
+in rumoerige feestgelagen huldigde men Tristan als den redder uit den
+nood. Dien avond nam Kaherdin zijn vader ter zijde en sprak tot hem:
+"Vader, wat zou, dunkt u, eene passende belooning zijn voor al wat
+Tristan voor ons gedaan heeft? Zonder hem zouden wij zeker in handen
+onzer vijanden zijn gevallen. Is het dan niet zaak, hem door eene
+kostbare gift aan ons huis en ons land te binden, zoodat wij ook in
+de toekomst op zijn sterken arm zullen mogen rekenen? Gij weet, welke
+de kostbare gift is, die ik bedoel, ook gij hebt u verheugd in de
+groeiende genegenheid tusschen Isolde en onzen gast. Aan wien zouden
+wij haar beter kunnen afstaan dan aan Tristan?" "Gij hebt gelijk,
+mijn zoon!" antwoordde de grijze graaf, "nog hedenavond zal ik met
+Tristan spreken en indien onze vermoedens waar blijken te zijn, zal
+niets mij gelukkiger maken dan mijne dochter aan de zijde van dien
+edelen man te zien."
+
+Hij hield woord. Nog dienzelfden avond bood hij Tristan in
+tegenwoordigheid van zijn geheele gevolg in plechtige bewoordingen
+de hand zijner dochter aan.
+
+Schuchter en blozend zat Isolde aan de zijde harer moeder; toen haar
+vader opgehouden had met spreken en alle aanwezigen in gespannen
+verwachting het antwoord van Tristan verbeidden, hield zij hare oogen
+neergeslagen en drukte de hand tegen haar hart om het angstig kloppen
+tegen te gaan. Tristan zag onwillekeurig hare richting uit en terstond,
+als voelde zij zijn blik op zich rusten, sloeg zij de oogen op en zag
+hem aan. In dien blik las Tristan zóóveel liefde en aanhankelijkheid,
+zóóveel hoop op de toekomst en bovenal zóóveel roerend vertrouwen
+in het antwoord, dat hij geven zou, dat hij daaraan geen weerstand
+kon bieden. Hij trad op Isolde toe, nam haar bij de hand en voerde
+haar naar haren vader, wien hij met ontroerde stem om zijnen zegen
+smeekte. Terwijl hij dit deed, scheen het of eene weldadige kalmte
+zich over zijn gansche wezen verspreidde, die de stormen in zijn
+gemoed deed bedaren en hem vertrouwen schonk op de toekomst.
+
+In wijdsche praal en luister werden de bruiloftsfeesten gevierd en ten
+slotte was het oogenblik gekomen, waarop men de jonggehuwden in het
+bruidsvertrek alleen liet. Toen Tristan zich ontdeed van zijn zijden
+overkleed, bleef de ring, dien Isolde van Ierland hem tot afscheid
+geboden had, toevallig haken en gleed van zijn vinger. Rinkelend viel
+het sieraad op den vloer van het vertrek.
+
+Haastig bukkend raapte hij den ring op en stak hem weer aan zijne
+hand. Peinzend bleef zijn oog hangen aan den fonkelenden steen,
+die een blauw-groenen glans afwierp. Blauw de kleur der trouw,
+die ondanks scheiding en gemis het hart warm doet kloppen voor de
+afwezige geliefde; groen de tint der hope, die de ziel doet uitzien
+naar een wederzien in de toekomst, waarin het leed om de gedwongen
+scheiding vergoeding zal vinden. Hoe had hij, Tristan, die gevoelens
+van trouw en hoop verzaakt! Daar stond hij nu naast zijne schoone,
+jonge vrouw, gereed een nieuw leven te beginnen en daar ginds in het
+slot van Tintagel, waakte zijne geliefde en bad tot God, dat Hij hem
+zou behoeden voor gevaren en hem tot steun zou zijn op zijn eenzamen
+levensweg. Weinig vermoedde zij, dat die weg niet langer eenzaam
+was en dat eene andere haar plaats in zijn hart had ingenomen. Een
+stroom van herinneringen brak zich baan in Tristan's hart en vóór
+alles verrees in scherpe lijnen voor zijn geestesoog het beeld van
+zijn laatste samenzijn met Isolde van Ierland in den paleistuin te
+Tintagel, toen zij hem den ring had geschonken. Hij doorleefde weer
+die oogenblikken van hoogste zaligheid; hij zag weer het dierbare
+gelaat zijner geliefde, bleek van sidderenden hartstocht, hij hoorde
+hare stem die hem eeuwige trouw beloofde.
+
+Daar riep eene stem aan zijn oor hem tot de werkelijkheid
+terug. "Tristan, geliefde, wat deert u?" zoo klonk het zacht en vóór
+hem stond zijne jonge vrouw. Als vertwijfeld zag Tristan om zich heen
+in het rijk versierde vertrek. Hoe kon hij haar tot de zijne maken,
+terwijl zijn hart en ziel vervuld waren van het beeld eener andere:
+Isolde met de Blonde Haren, Isolde van Ierland! Was het geen verraad,
+dat hij pleegde, verraad aan zijne bruid, aan zijne geliefde en aan
+zichzelf? Hij kon, hij mocht niet verder gaan met dit afschuwelijk
+spel.
+
+Met zachte hand voerde hij Isolde naar eene rustbank, deed haar plaats
+nemen en knielde voor haar neer; daarop sprak hij: "Isolde, mij drukt
+een zwaar gevoel van schuld, nu mij eene bekentenis van 't hart moet,
+die ik reeds vroeger had moeten afleggen. Jaren lang werd ik gekweld
+door eene vreeselijke kwaal, waarvoor een wijs heelmeester mij ten
+slotte genezing beloofde. Onder de voorschriften, welke hij mij
+oplegde, behoorde ook de verplichting, om, indien ik trouwde, eerst
+een jaar na mijn huwelijk mijne bruid tot mijne vrouw te maken. Zeg
+mij, kunt ge mij mijn stilzwijgen vergeven en wilt gij mij helpen om
+den raad, welke mij gegeven werd, op te volgen?"
+
+Isolde boog het donkere hoofd; het licht in hare oogen en de blos
+op hare wangen waren verdwenen, maar zij zeide zacht: "Heer! het
+geschiede alles volgens uwen wensch."
+
+Den volgenden morgen kwamen hare moeder en hare dienaressen en
+tooiden haar met de kleederen en sieraden, die pasten aan hare nieuwe
+waardigheid. Toen zij geheel gereed was, voerden zij haar voor den
+spiegel, om haar te toonen hoe schoon zij was, maar niemand harer
+begreep, waarom er, bij het aanschouwen van haar spiegelbeeld, zulk
+eene droeve glimlach gleed over het gelaat der jonge vrouw.
+
+
+
+De maanden verliepen en Tristan's verlangen naar Isolde van Ierland
+werd sterker en sterker. Ten slotte besloot hij eene laatste kans
+te wagen, om zekerheid te verkrijgen omtrent het welzijn zijner
+geliefde. Tot zijne vrouw zeide hij, een pelgrimstocht te willen
+ondernemen, die voor eenigen tijd zijne afwezigheid noodzakelijk zou
+maken. Na het noodige geregeld te hebben, scheepte hij zich in en
+na eene voorspoedige reis zag hij weldra de rotsen van Tintagel uit
+de zee omhoog rijzen. Hoe klopte zijn hart bij de gedachte, dat daar
+ginds, in het oude slot, dat zich hoog boven de huizen der stad op de
+rotsen verhief, zijne geliefde woonde en misschien op dit oogenblik
+op hem neerzag! Maar hoe haar nu te bereiken?
+
+Tristan dwaalde langs de kust tot hij bij de woning van een armen
+visscher kwam, van wien hij een oud stel kleederen kocht. Daarop
+schoor hij zijne haren af, bestreek zijn gelaat met een bijtend sap,
+schilderde zijne wenkbrauwen zwart en zijne lippen rood en toen
+hij zich ten slotte met rood krijt een kruis op den kalen schedel
+geteekend had, zou niemand in dien haveloozen nar den schoonen ridder
+van voorheen herkend hebben.
+
+Met een knuppel in de hand ging Tristan met dansende schreden den weg
+op, die naar den ingang van het kasteel voerde en verzocht onder een
+stortvloed van grappen en dwaze spotternijen toegang tot het slot.
+
+Dienzelfden morgen zat koningin Isolde in haar vertrek en staarde
+droevig naar buiten. Hare gedachten waren als altijd bij haren
+afwezigen geliefde en terwijl zij zich treurig afvroeg, wat er toch
+van hem geworden zou zijn en waar hij zou vertoeven, grepen hare
+handen naar de snaren der harp en ontlokten daaraan een weemoedig
+lied. Daar ging de deur open en binnen trad, Heer Kariol, een graaf
+in dienst van koning Mark, die sedert lang de koningin met begeerige
+oogen aanzag en alle middelen in het werk stelde, om zich in hare
+gunst te dringen. Met vleiende stem vroeg hij: "Waarom zingt gij
+zulk een droevig lied, edele vorstin? Het schijnt wel, alsof gij
+den dood van een geliefden vriend beweent, is het soms de mijne? Dit
+zou zeer wel mogelijk zijn, want gij moet immers sinds lang bemerkt
+hebben, dat ik sterf van liefde voor u!" Smalend antwoordde Isolde:
+"Indien dit zoo is, zoo zou ik wenschen, u reeds begraven te zien,
+daar ik nog na uw dood uw ijdel gepraat moet aanhooren."
+
+Hare woorden deden Kariol in woede ontsteken, maar hij bedwong zich,
+wetend dat hij een wapen had, waarmede hij Isolde eene diepere wonde
+kon slaan, dan zij hem ooit kon toebrengen. Langzaam, haar vast in de
+oogen ziende, zeide hij: "Vóór het zoover is, schoone vorstin, zij het
+mij vergund, u eene blijde mare mede te deelen, die u zeker genoegen
+zal doen. Zij betreft uwen neef, Tristan van Ermonie. Hij heeft in
+den vreemde eene schoone, jonge vrouw gehuwd, met wie hij gelukkig te
+zamen leeft aan het hof van haren vader, den graaf van Bretagne. Is
+dit nu geene blijde tijding voor hen, die Tristan liefhebben?"
+
+Sidderend over haar geheele lichaam had Isolde naar de booze woorden
+van Heer Kariol geluisterd. Het scheen, of hemel en aarde, het gansche
+heelal om haar ineenstortten en of zij medegetrokken werd, om onder
+te gaan in een afgrond van smart en schaamte.
+
+Zoodra zij alleen was, liet zij Brangwaine tot zich komen en aan de
+borst dezer trouwe vriendin snikte zij al haar droefheid uit. Aan
+tafel zat zij bleek en zwijgend, doch toen koning Mark haar bezorgd
+vroeg, wat haar toch scheelde, antwoordde zij hem met geveinsde
+vroolijkheid, dat zij zich nooit beter en opgewekter had gevoeld dan
+op dien dag. Even daarna kwam het bericht, dat een nar, uit vreemde
+streken afkomstig, toegang verlangde tot het slot en de vorst, die
+hoopte dat zijne komst de koningin eenige verstrooiing zou bezorgen,
+gaf bevel hem binnen te laten.
+
+Met opgeheven hoofd kwam Tristan de zaal binnen en bijna ontzonk hem de
+kracht tot spreken, toen zijne oogen Isolde's gestalte ontwaarden. Hij
+hield zich echter goed en toen de koning hem schertsend vroeg, wat
+het doel zijner komst was, had hij zich voldoende hersteld om zijne
+rol te kunnen volhouden.
+
+"Heer koning!" zoo riep hij met schallende stem, "gij vraagt mij,
+waarom ik hier gekomen ben? Welnu dan, mijn verlangen gaat uit
+naar Isolde van Ierland, Isolde met de Blonde Haren, zij, die mijne
+meesteresse is en de uwe. Om u de waarheid te zeggen, was zij eerst
+de mijne, gij hebt haar mij ontstolen. Daarom, o koning, geef ze mij
+terug en zoek u eene andere vrouw uit de vele schoonen van het land. U
+zal dit niet moeilijk vallen, maar welke andere vrouw zal in mij,
+armen, dwazen nar, behagen vinden?"
+
+De koningin fronste de wenkbrauwen, maar koning Mark en zijne edelen
+lachten luid en de vorst sprak: "Gij zijt een bescheiden dwaas,
+maar hoe weet gij, dat gij de koningin bevallen zult?"
+
+"Dat heeft zij mij zelve verzekerd", antwoordde Tristan, "niet eens,
+maar vele malen. Veel heb ik voor haar gedaan en om harentwille ben
+ik nar geworden."
+
+"En waar wilt gij haar heenvoeren," vroeg de koning verder "wanneer
+zij de uwe is? Moet zij mede gaan bedelen door het land?"
+
+Toen sprak Tristan: "O neen, Sire, wees verzekerd, dat ik Isolde naar
+waarde zou weten te schatten! Ik zou haar medenemen naar een fraai
+kasteel, gelegen tusschen hemel en aarde, waar het altijd zomer is,
+waar de bloemen geuren en de vogels zingen, waar geene plaats is voor
+tranen of zuchten, maar waar een ieder gelukkig is. Daar zouden wij te
+zamen wonen: Isolde met de Blonde Haren en de arme, dwaze nar." Steeds
+luider lachten de baronnen, maar de koningin verhief zich toornig
+van haren zetel en wilde het vertrek verlaten. Haar echtgenoot hield
+haar echter bij eene slip van haar kleed terug en zeide: "Liefste, wat
+bekommert gij u over de woorden van een dwaas? Lach liever zooals wij,
+dat zal u goed doen en de wolken van uw voorhoofd verdrijven." Daarop
+wendde hij zich opnieuw tot Tristan en zeide schertsend: "Eén ding
+hebt gij ons nog verzwegen en dat is uw naam. Wie zijt gij en waar
+komt gij vandaan?"
+
+Daarop antwoordde Tristan: "Sire en gij allen, edele heeren, die hier
+te zamen zijt, het verbaast mij, dat gij mij eene dergelijke vraag
+stelt. Herkent gij mij dan niet? Ik ben Tristan van Ermonie, uw neef
+en dienaar, hij, die aan uw hof placht te vertoeven en die sindsdien
+naar verre landen is getrokken." Hierop barstten alle aanwezigen in
+een onbedaarlijk lachen uit; het was ook al te dwaas, de vergelijking
+tusschen Tristan's fiere, mannelijke gestalte, zooals zij allen die
+zich zoo goed herinnerden, en deze onnoozele narrenfiguur! Isolde
+echter was bij het hooren van Tristan's naam omhoog gerezen en, in
+'t diepst van hare ziel gegriefd over de krenkende wijze, waarop er
+met haren geliefde de spot gedreven werd, verliet zij het vertrek,
+terwijl zij met fonkelende oogen uitriep: "Nu is het genoeg! Ik
+verkies niet langer het onderwerp te zijn van den dronkemanspraat
+van een ellendigen nar!" Tristan hield met eene diepe buiging de
+deur voor haar open, daarbij zag hij haar diep in de oogen en zeide:
+"Dronken, ja, dat ben ik, schoone vorstin! Hebben wij niet te zamen,
+daarginds op de wiegende golven, den wijn gedronken, die ons dronken
+maakte van liefde en geluk en waarvan de nawerking het gansche leven
+voortduurt?" Als door een slag getroffen, deinsde Isolde terug bij
+het hooren dezer woorden, maar zij herstelde zich terstond en met een:
+"Zwijg! dwaas, die gij zijt!" ijlde zij de kamer uit.
+
+Als gewoonlijk, wanneer zij in nood verkeerde, begaf zij zich naar
+Brangwaine en viel haar snikkend om den hals. "Nu zou ik 't liefste
+sterven", klaagde zij, "nu Tristan mij niet alleen vergeten heeft,
+maar ook onze dierbaarste herinneringen toevertrouwt aan dwazen, als
+dezen nar, die ze tot een voorwerp van spot voor de geheele wereld
+maakt! Hoe anders weet hij van wat er op zee is gebeurd, indien Tristan
+het hem niet heeft verteld?" Brangwaine poogde haar te troosten. "Het
+is mogelijk, dat deze nar een bode is van Heer Tristan", sprak zij,
+"en dat hij door deze woorden, waarvan gij alleen de beteekenis
+kondt doorgronden, uwe aandacht heeft willen trekken. Laat ons hem
+hierheen ontbieden en zien of mijne veronderstelling juist is." Maar
+de koningin wilde hiervan niets weten; nooit meer wenschte zij dien
+gehaten nar te zien, zoo zwoer zij! Den ganschen nacht zat zij aan
+haar venster en treurde over haar verloren geluk; terwijl Tristan op
+zijn strooleger in een hoek van den stal lag en zon op middelen, om
+zich aan Isolde bekend te maken. Plotseling schoot hem iets te binnen,
+waardoor hij de koningin bewijzen kon, dat hij inderdaad Tristan was.
+
+Toen Isolde zich den volgenden morgen vroeg met Brangwaine in
+den slottuin begaf, om hare oogen, die brandden van het weenen,
+door de frissche morgenlucht te laten verkoelen, zagen de beide
+vrouwen plotseling hoe Husdan, Tristan's hond, dien hij Isolde als
+afscheidsgeschenk had gelaten, onder luid geblaf naar eene plek sprong,
+waar aan den kant van het pad een mannengestalte lag uitgestrekt. Deze
+was in volle wapenrusting gekleed, maar toen de beide vrouwen
+naderden, nam hij den helm, dien hij diep in de oogen gedrukt had,
+van het hoofd en vertoonde het kaalgeschoren hoofd van den nar.
+
+Bevend klemde Isolde zich vast aan Brangwaine, maar Husdan, die den
+drang van zijn onfeilbaar instinct volgde, rende in groote sprongen om
+Tristan heen, blafte van vreugde en trachtte zijn gelaat en handen te
+likken. Nu drong ook het begrip van wat zij vóór zich zag tot Isolde
+door. Tristan was opgestaan en kwam met uitgestoken handen op zijne
+geliefde toe, zacht haar naam noemend. Het volgend oogenblik rustte
+zij aan zijne borst.
+
+
+
+Gedurende eenige weken bleef de nar aan het hof van koning Mark en
+vermaakte een ieder met zijne potsierlijke grappen en kunsten, maar
+'s avonds, als de schemering viel, sloop Tristan naar de vertrekken
+der koningin en vierde met haar het feest der liefde.
+
+Lang kon deze toestand niet duren, dat voelden zij beiden en daarom
+sprak Tristan eens op een dag: "Geliefde! wij moeten scheiden. Reeds
+werpen de hovelingen steelsche blikken op mij en vragen, wat ik toch
+voor gewichtigs te bespreken heb in de vertrekken der koningin. Hoe
+gaarne zou ik bij u blijven of met u samen vluchten, maar wij zijn
+niet vrij. Uwe plaats is aan de zijde des konings, op mij rust de
+taak om tot mijne vrouw terug te keeren, die reeds lang over mij in
+ongerustheid zal zijn. Daarom moet ik u vaarwel zeggen, echter slechts
+voor korten tijd, dat voel ik. Het is of eene stem in mijn binnenste
+mij toeroept, dat mijn einde nadert; welnu dan, als dit zoo is, zal
+ik u roepen vóór ik sterven ga en gij zult komen, niet waar? Dan zal
+God ons misschien vergunnen om samen dit leven te verlaten en dan,
+liefste, neem ik u mede naar het wonderschoone slot onzer droomen,
+waar men scheiding noch harteleed kent en waar wij rust zullen vinden
+na al ons lijden."
+
+Den volgenden morgen vroeg verliet de nar het paleis des konings en
+daalde zingend den weg af, die naar zee voerde. Toen de hovelingen
+hem vroegen, waar hij heen ging en waarom hij niet wat langer aan
+het hof bleef vertoeven, antwoordde hij: "Houdt mij niet op met uw
+dom gepraat. Wat weet gij van de heimelijke oogmerken van mijn gaan
+en komen? Maar daar gij zoo nieuwsgierig zijt, wil ik u zeggen, dat
+ik heenga om mijne woning in gereedheid te brengen voor het bezoek
+der koningin. Mijne dienaren zullen de kamers sieren met slingers van
+groen en bloemen, mijne koks zullen de fijnste gerechten opdisschen
+en den edelsten wijn schenken, alle lichten zullen worden ontstoken
+en ikzelve zal op den drempel staan, om Isolde met de Blonde Haren te
+verwelkomen, die het huis van den armen nar met hare tegenwoordigheid
+wil eeren. Daarom laat mij gaan! Eer de zon ter kimme neigt, moet
+ik thuis zijn om alles voor Hare komst klaar te maken. Lang zal ik
+niet op Haar behoeven te wachten, Zij zal spoedig komen!" Onder luid
+gelach van de hovelingen vervolgde Tristan zijn weg. Aan de haven
+gekomen zag hij nog eenmaal omhoog naar den burcht, die zijne liefste
+herinneringen binnen zijne muren besloten hield en dien hij nooit
+weer zou zien, daarna begaf hij zich aan boord van een vaartuig,
+dat hem weldra naar Bretagne terugvoerde.
+
+
+
+Daar begon weer het oude leven. Om zijn steeds weer aangroeiend
+verlangen te bedwingen, zocht Tristan afleiding in de jacht en
+in avontuurlijke tochten, waarbij Kaherdin zijn trouwe metgezel
+was. Zoo waren zij eens uitgetrokken tegen een edelman uit een
+naburig graafschap, die met behulp van zijne zeven broeders er in
+geslaagd was, om een jong meisje, de bruid van één der Bretonsche
+ridders, te ontvoeren. Tristan en zijne vrienden trokken op naar
+zijn burcht. Langen tijd duurde het beleg, tot eindelijk de sterke
+muren bezweken en het slot genomen werd. In den strijd op de wallen,
+welke daaraan voorafging, werd Gouvernail, Tristan's trouwe dienaar,
+gedood en even daarna werd zijn meester door een vergiftigden pijl
+in de zijde getroffen.
+
+Met groote moeite slaagde Kaherdin erin, zijn vriend naar diens slot
+terug te voeren. Isolde met de Blanke Handen was hevig ontsteld over
+het gebeurde en omringde haren echtgenoot met de liefderijkste zorgen,
+maar ondanks al hare toewijding en de hulp van kundige artsen uit
+alle streken van het land, voelde Tristan zijn einde naderen. Hij was
+gaarne bereid te sterven, want het leven kon hem niets meer schenken
+dan lijden en smart, maar toch wilde hij niet heengaan zonder zijne
+geliefde nog éénmaal te hebben weergezien. Daarom riep hij Kaherdin
+tot zich en sprak tot hem: "Waarde vriend! ik heb een verzoek aan u,
+het laatste, waarmede ik u lastig zal vallen, want ik voel, dat ik
+sterven ga. Luister dus goed! Vele jaren geleden, toen ik tegen Morholt
+heb gestreden om Cornwallis van de Iersche schatting te bevrijden,
+heeft Isolde van Ierland mij van mijne wonden genezen; ook later,
+toen ik in het gevecht met den draak door het vergif bedwelmd was,
+heeft zij mij van den dood in het leven teruggeroepen. Indien er
+dus één is, die mij redden kan, dan is zij het. Daarom smeek ik u,
+ga naar Cornwallis en vraag de koningin tot mij te komen en mij te
+helpen. Tegen de menschen kunt gij zeggen, dat gij eene wijze vrouw
+gaat halen, die de heelkunst verstaat en die mij wellicht redding kan
+brengen." In angstige onzekerheid zag Kaherdin zijn vriend aan. "Hoe
+gaarne zou ik u helpen", sprak hij, "maar ik vrees, dat mijne reis
+tevergeefsch zal zijn. Nooit zal de koningin mij volgen!" "Twijfel
+daaraan niet", hervatte Tristan dringend, "zij zal u volgen,
+waarheen gij haar voeren wilt, wanneer gij haar dezen ring toont en
+haar zegt, dat Tristan haar roept. Ach, lieve vriend! waarom zou ik
+het u verzwijgen, ik, die reeds met één voet in het graf sta? Welnu
+dan, ik bemin Isolde van Ierland met mijn gansche hart en ziel en
+ik heb nooit eene andere vrouw liefgehad. Zij was de mijne, vóór
+zij de gemalin van koning Mark werd, voor haar heb ik geleefd en
+in hare armen wil ik sterven. Ik weet, dat ik uwe zuster misleid en
+bedrogen heb, maar wees daarover niet te zeer vertoornd, slechts hij,
+die waarachtig liefheeft, kan oordeelen over wat ik gedaan heb."
+
+Diep getroffen had Kaherdin toegeluisterd; één blik op het zwakke,
+uitgeteerde gelaat van zijn geliefden vriend had den toorn over de
+beleediging, zijne zuster aangedaan, doen bedaren en toen Tristan
+ophield met spreken, zeide hij zacht: "Ik zal gaan en met Gods hulp
+zal ik de koningin mede terug brengen!" "Dank! dank! edele vriend,"
+stamelde Tristan, "hoe zal ik smachten naar uwe terugkomst! Vóór gij
+heengaat nog dit ééne: elken dag zal ik mij naar het strand laten
+brengen, om naar uw schip uit te zien. Wanneer gij nu mijne geliefde
+met u medebrengt, hijsch dan witte zeilen, mocht uw tocht echter
+tevergeefsch zijn geweest, laten de zeilen dan zwart, de kleur des
+doods, zijn. Zoodoende zal ik terstond weten, welke de uitslag van
+uwe reis geweest is." Na dit gezegd te hebben zonk Tristan uitgeput
+in de kussens terug.
+
+Nu wilde het toeval, dat Tristan's echtgenoote, Isolde met de Blanke
+Handen, zich gedurende dit gesprek in de aangrenzende zaal bevond. Toen
+Tristan begon te spreken over een laatst verzoek, dat hij Kaherdin
+wenschte te doen, had zij haar oor tegen den muur gedrukt, om beter
+te kunnen hooren. Een laatst verzoek van Tristan, zoo meende zij,
+moest ook haar betreffen en wellicht kon zij haren broeder in de
+uitvoering daarvan behulpzaam zijn. Zoo kwam het, dat zij alles hoorde,
+wat daarnaast werd besproken; in klimmenden angst luisterde zij toe,
+tot zij eindelijk, bij het vernemen der vreeselijke waarheid, half
+bewusteloos tegen den wand van het vertrek ineenzonk.
+
+Terwijl haar lichaam in eene roerlooze verstijving terneerlag,
+werkte haar geest met eene wonderlijke snelheid. Alles werd haar
+nu duidelijk. Wat tot nu toe slechts vermoedens waren geweest, vage
+schimmen harer angstige verbeelding, werd thans alles zekerheid. Eén
+voor één toetste zij de feiten uit haar huwelijksleven en den tijd
+daarvóór aan de thans verkregen wetenschap. En ziet, voor alles vond
+zij eene verklaring. Tristan's somberheid, zoo onbegrijpelijk in een
+jong en gevierd man, zijne voorkeur voor haar naam, dien hij zoo vaak
+in zijne liederen bezongen had, en waaruit zij, dwaze, het bewijs had
+gezien zijner groeiende genegenheid, zijn aarzelen om hare hand aan
+te nemen, toen haar vader hem die aanbood, zijne woorden op den avond
+van hun huwelijk, zijne lange afwezigheid en thans zijne berusting
+in den naderenden dood--dit alles vond eene oorzaak in zijne liefde
+voor die andere Isolde, daarginds in Cornwallis.
+
+Wee den haat eener vrouw, wanneer zij zich aldus in hare innigste
+gevoelens gekrenkt en beleedigd ziet! Toen Isolde met de Blanke Handen
+zich eindelijk van den grond verhief, was zij eene gansch andere
+vrouw geworden. Liefde, zachtheid en toewijding hadden als angstige
+schimmen de vlucht genomen uit haar hart om plaats te ruimen voor de
+booze geesten van toorn en bitterheid. Eén gedachte bezielde haar en
+hield haar staande: zij wilde zich wreken op den man, die haar zoo
+smadelijk bedrogen had.
+
+Na het onderhoud met Tristan had Kaherdin zich in aller ijl gereed
+gemaakt om de reis naar Cornwallis te ondernemen. Zijn schip had
+hij bevracht met kostbare waren en zichzelf vermomd als een reizend
+koopman. Zoo kwam hij te Tintagel aan, waar hij verlof vroeg, om
+den koning zijne waren voor te leggen. Toen hem dit werd toegestaan,
+koos hij uit het vele schoons, dat hij had medegebracht, eene vaas
+met kostbaar reukwerk, die hij met eenige welgekozen woorden den vorst
+ten geschenke bood, uit dankbaarheid voor de welwillendheid, waarmede
+hij aan het hof was ontvangen. Toen wendde hij zich tot de koningin,
+die lusteloos aan het venster zat, en toonde haar een gouden gesp,
+terwijl hij sprak: "Hoe bevalt u dit sieraad, hooge Vrouwe? Het is
+vervaardigd uit zuiver goud, zonder bijvoeging van ander metaal. Dat
+ik waarheid spreek, kunt ge zien, wanneer gij den gesp vergelijkt
+met dezen ring, die overal geprezen wordt om zijne schoonheid. Ziet,
+wanneer gij de beide naast elkander houdt, kunt gij duidelijk zien,
+dat het goud van den gesp het wint in schoonheid van glans en kleur."
+
+Dit zeggend, hield hij Isolde den ring van Tristan voor. Deze stond
+haastig op, een gloeiende blos verspreidde zich over haar gelaat en
+terwijl zij Kaherdin's arm krampachtig omknelde, fluisterde zij hem
+toe: "Gij komt van Tristan. Spreek, welke boodschap zendt hij mij?" Met
+een haastigen wenk in de richting van het overige gezelschap maande
+Kaherdin haar aan tot voorzichtigheid; Isolde herwon hare kalmte door
+schier bovenmenschelijke inspanning en sprak op halfluiden toon,
+zoodat zij, die in hare onmiddellijke nabijheid waren, het hooren
+konden: "Deze gesp bevalt mij, koopman. Kom daarom even ter zijde,
+opdat wij het eens worden over den prijs. Mijn echtgenoot behoeft
+niet te weten hoeveel geld hij mij waard is." In een hoek van de
+zaal ging de koningin zitten, nu was het met hare kalmte gedaan en
+op angstigen, dringenden toon smeekte zij Kaherdin haar te melden,
+hoe het met Tristan ging en waarom hij een bode naar Tintagel had
+gezonden. Daarop vertelde Kaherdin haar, hoe Tristan verwond was
+door een vergiftigden pijl en hoe hij nu lag te sterven in zijn slot
+aan de kust van Bretagne. Hij zeide haar, dat zijn vriend gaarne
+afstand deed van het leven, maar dat hij de eeuwige rust niet kon
+ingaan, zonder afscheid te hebben genomen van zijne geliefde. Isolde
+was stil en bleek geworden; slechts een krampachtig trekken om
+haren mond verried hare innerlijke ontroering, maar Kaherdin werd
+getroffen door de vastheid van stem, waarmede zij hem antwoordde:
+"Heb dank voor uwe mededeeling. Morgen vroeg zal ik aan boord zijn,
+om de reis naar Bretagne te aanvaarden."
+
+
+
+_Hoe Isolde zich op reis begaf naar Bretagne en hoe de beide gelieven
+daar den dood vonden._ Den volgenden morgen in de vroegte begaven de
+koningin en Brangwaine zich naar de haven, alsof zij op het vaartuig
+van den vreemden koopman diens waren in oogenschouw wilden nemen. Geen
+mensch bewoog zich nog in de straten van Tintagel en niemand zag
+dus, hoe de zeelieden, toen de koningin zich aan boord had begeven,
+in aller haast het anker lichtten en koers zetten naar zee.
+
+Middelerwijl lag Tristan op zijn ziekbed te smachten van verlangen
+naar de terugkomst van Kaherdin en het wederzien met Isolde. Zijne
+krachten werden gesloopt door de koorts, die hem als vuur in de aderen
+brandde, elken dag werd hij zwakker en soms scheen het den omstanders
+of zijn lichaam reeds gestorven was en slechts zijn geest zich nog
+staande hield in eene uiterste wilsinspanning. Hij kon, hij wilde niet
+sterven, vóór hij zekerheid had omtrent den uitslag van Kaherdin's
+onderneming en dus voerde zijn uitgeteerde lichaam, dat zoozeer naar
+rust verlangde, een strijd met zijne ontembare wilskracht, die hem deed
+vasthouden aan het leven, zoolang zijn laatste wensch onvervuld bleef.
+
+Zijne vrouw verpleegde hem met dezelfde toewijding als voorheen,
+maar wanneer zij, bij het vuur gezeten, den zieke hoorde ijlen en hem
+den naam van Isolde hoorde prevelen, kwam er een glans van haat in
+hare oogen, die haar gelaat geheel deed veranderen. De eerste dagen
+na Kaherdin's vertrek liet Tristan zich 's morgens op de wallen van
+het slot dragen, vanwaar hij de zee tot aan den verren gezichteinder
+kon overzien, maar reeds spoedig bemerkte hij, dat deze tochten hem
+te veel inspanden; hij bleef dus in zijn eigen vertrek en moest zich
+vergenoegen met wat anderen hem meedeelden. Telkens weer vroeg hij
+Isolde, om uit te zien of Kaherdin's schip nog niet in 't zicht was,
+maar steeds luidde het antwoord ontkennend. Dan troostte zij hem met
+zachte woorden, en zeide hem, dat het nu niet lang meer duren kon,
+eer het schip met de wijze vrouw kwam, die hem zou genezen en hem
+tot het leven terug zou brengen. Maar de zieke zag niet, hoe hard de
+uitdrukking harer oogen was en hoe een bittere trek zich om haar mond
+groefde, zoodra zij hem den rug toekeerde.
+
+Zoo kropen de dagen voorbij in angstige spanning en martelende
+onzekerheid voor den zieke en zijne verzorgster, tot eens op een
+morgen Isolde op zee eene donkere stip ontdekte, welke langzamerhand
+grooter werd en de omtrekken van een schip aannam. De jonge vrouw
+kon eene beweging van schrik niet onderdrukken, eene koude rilling
+ging haar door de leden en met wijd opengesperde oogen staarde zij
+naar buiten. Daar naderde dus haar noodlot in de gestalte dier gehate
+vrouw, want dat Isolde van Ierland komen zou, daaraan twijfelde zij
+geen oogenblik. Toch bleef zij in spanning naar het vaartuig turen,
+nog was het te ver af om de kleuren der zeilen te kunnen onderscheiden,
+maar het naderde snel, gedreven door een gunstigen wind. Daar klonk
+eene klagende stem van uit het vertrek: "Waarheen tuurt gij zoo
+lang? Is er nog geen schip in 't zicht? Ziet gij geen enkel teeken
+van een naderend vaartuig op zee? Spreek, wat ziet gij daarbuiten?" En
+Isolde antwoordde: "Heel in de verte zie ik een vaartuig, dat met volle
+zeilen nadert. Vergis ik mij niet, dan is het dat van mijn broeder,
+nog een weinig geduld, liefste en gij zijt gered!"
+
+Hijgend verhief de zieke zich van zijne legerstede: "De zeilen, de
+zeilen!" riep hij uit; "welke kleur hebben zij, spreek vrouw, martel
+mij niet langer, hoe zijn zij, wit of zwart?" Isolde keerde zich
+langzaam naar hem toe en zag hem aan. In de oogen van den stervende
+straalde een hoopvolle glans, die het uitgeteerde gelaat in gloed
+scheen te zetten. Hij strekte zijne bevende handen smeekend naar haar
+uit. Welk eene verandering met de doffe, lijdzame houding der vorige
+dagen, toen elke beweging hem te veel was en zij op haar belangstellend
+vragen nauwelijks een woord ten antwoord kreeg. Eene doffe woede maakte
+zich van de jonge vrouw meester, één ding stond vast, zij moest de vonk
+van geluk in zijne oogen dooven, eer die uitsloeg tot eene laaiende
+vlam, want die te zien zou haar dood zijn. Zij balde hare handen tot
+vuisten, zij bedwong zich om het niet uit te gillen van wilden triomf,
+maar met zekere stem sprak zij: "Het schip nadert snel, liefste en
+reeds kan ik de kleur der zeilen onderscheiden. Zij zijn zwart."
+
+"Zwart! O, Isolde, geliefde!" met een snijdenden kreet was Tristan
+in de kussens teruggevallen en nog eer de verschrikte vrouw zijne
+zijde kon bereiken, had hij den geest gegeven.
+
+
+
+Korten tijd daarna bereikte het schip van Kaherdin de haven. Isolde
+met de Blonde Haren stond op de voorplecht van het vaartuig en
+tuurde met oogen, die brandden van onvergoten tranen, omhoog naar
+het kasteel, waar haar geliefde woonde. Zoodra het schip aan de kade
+lag vastgemeerd, trad zij aan wal en liet zich door Kaherdin den
+kortsten weg naar het slot wijzen. Doch wat beduidden die opgehoopte
+menschenscharen in de straten? Waarom gingen er kreten van droefheid en
+smart op uit de menigte? Waarom hoorde zij Tristan's naam roepen? Het
+scheen Isolde of een verlammende angst zich over haar gansche lichaam
+verspreidde en haar het voortgaan belette, maar zij vocht er tegen
+met al de kracht van haar wezen en vervolgde moedig haar weg. Bij de
+poort van het kasteel gekomen, leunde zij een oogenblik hijgend tegen
+den zwaren steenen muur en toen eerst vroeg ze een ouden bedelaar,
+die haar zijne muts toestak voor eene aalmoes: "Zeg mij eens, vriend,
+waarom het volk in de straten samenschoolt en klaagt?" "Vanwaar komt
+gij, schoone vrouwe, dat gij dit vraagt?" antwoordde de grijsaard
+verwonderd. "Weet gij dan niet, dat Heer Tristan gestorven is?"
+
+Een oogenblik was het of Isolde ineen zou zinken, doch zij hield
+zich staande en snelde het slot binnen. Als door eene geheime
+ingeving gedreven vond zij den weg naar Tristan's vertrek; door lange
+gangen moest zij gaan, waar de knechten en vrouwen in groepen bijeen
+stonden. Wanneer zij voorbijsnelde, staakten de dienaren een oogenblik
+hun klagen en zagen met verwondering de hooge vrouwengestalte na. Nog
+nooit hadden zij zooveel wanhoop en tegelijk zóóveel vastberadenheid
+op een menschelijk gelaat gelezen.
+
+Daar trad Isolde de zaal binnen, waar Tristan lag. Een oogenblik stond
+zij stil op den drempel en overzag het ruime vertrek. Door de hooge
+vensters drong de morgenzon binnen en wierp haar helder schijnsel
+over wanden en vloer. Zacht klonk het ruischen der zee tot haar door;
+de zee, die hen te zamen had gebracht in hoogste zaligheid en die hen
+daarna van elkander gescheiden had gehouden, en hen zoodoende beroofd
+had van hunne laatste samenkomst. Haar blik gleed langs de voorwerpen
+en meubels in het vertrek en bleef toen rusten op de legerstede in den
+hoek, waar eene tengere vrouwengestalte jammerend overheen lag gebogen.
+
+Een wonderzacht licht kwam in Isolde's oogen, toen zij langzaam op het
+bed toetrad; haar gang was rustig en zeker en haar gelaat glansde van
+oneindige liefde. In schuchteren eerbied weken de vrouwen, die aan den
+voet der legerstede zaten terneergehurkt, terug. Aan het bed gekomen
+bukte zij zich en raakte met den vinger de jammerende vrouwenfiguur
+aan. Isolde met de Blanke Handen hief het hoofd op en zag haar met
+verwilderde oogen aan. De koningin echter schoof haar met zachten
+drang weg van het doode lichaam.
+
+"Ga heen, vrouwe! ik heb hem meer liefgehad dan gij," was het eenige
+wat zij zeide. Toen strekte zij zich naast den doode op het rustbed
+uit; zij omvatte hem met hare armen en drukte hem vast tegen zich
+aan. Hare blonde haren spreidde zij als een sluier over hen beiden
+uit, toen drukte zij haren mond op den zijne en in dien kus gaf zij
+den geest.
+
+
+
+_Hoe koning Mark van Brangwaine de waarheid omtrent den liefdesdrank
+vernam en hoe hij de lijken der beide gelieven naar Engeland liet
+brengen._ Koning Mark vernam weldra het vertrek der koningin. Toen
+hij hoorde, waarheen zij gegaan was, liet hij een schip uitrusten om
+de voortvluchtige te achterhalen en zoo landde hij weinige uren later
+in Bretagne. Vervuld van gedachten van wraak en haat betrad hij het
+slot en met diezelfde gevoelens bezield kwam hij het doodsvertrek
+binnen. Daar viel eene weenende vrouwengestalte hem te voet, het
+was Brangwaine. Met door tranen verstikte stem smeekte zij hem,
+om haar te straffen voor het gebeurde, aangezien zij de schuld was
+van alles en toen de koning haar in verbazing vroeg, zich nader te
+verklaren, vertelde zij hem van den aanvang af, hoe alles zich had
+toegedragen. Zij verhaalde hem van den liefdesdrank, die de harten der
+beiden met een onverbreekbaren band had samengebonden, zij beschreef
+hem hunnen strijd tegen den hartstocht, welke hen doof maakte voor de
+stemmen van eer en plicht, zij teekende hem hun rusteloos verlangen,
+wanneer zij gescheiden waren en de innige zaligheid van de daarop
+volgende oogenblikken van vereeniging. Van hun samenzijn in het woud
+van Morois vertelde zij hem, waar de liefde hun de armelijke loofhut
+tot een tooverpaleis maakte, maar ook sprak zij van den strijd in
+hunne harten, die hen ten slotte, ter wille van elkander, in de
+samenleving had teruggedreven.
+
+Toen zij ophield met spreken, was het een oogenblik stil in het groote
+vertrek. Daarop beval koning Mark met diep ontroerde stem om de lijken
+aan boord van zijn schip te brengen en nog dienzelfden dag zette het
+vaartuig met zijne droeve lading koers naar Tintagel.
+
+Daar werden de lichamen der beide gelieven gebalsemd en met veel
+eerbetoon bijgezet in de slotkapel, aan weerszijden van het altaar.
+
+In den nacht na de begrafenis echter, zoo verhalen de oude dichters,
+ontsproot er een rozenstruik aan het graf van Tristan, welks takken
+zich slingerden langs het kerkgewelf en weer afdaalden in het graf van
+Isolde. Zoo werden de lichamen der beide gelieven in den dood verbonden
+door een slinger van rozen, welke de kerk vervulden met haren zoeten
+geur, hunne zielen echter namen te zamen de vlucht naar het schoone
+paleis hunner droomen, waar zij de rust en het geluk vonden, die zij
+op aarde tevergeefs hadden gezocht.
+
+
+
+
+
+INLEIDING TOT DE SAGE VAN HEER GARETH.
+
+
+De sage van heer Gareth, den jongsten zoon van koning Lot en
+koningin Morgawse, die een jaar lang als keukenjongen aan het hof
+van koning Arthur diende, is ontleend aan de Engelsche letterkunde,
+waar wij haar aantreffen in het zevende boek van de Morte d' Arthur
+van Thomas Malory. Terwijl men voor alle overige verhalen, welke
+in genoemd standaardwerk zijn opgenomen, eene bron heeft weten te
+vinden, is men er tot nog toe niet in geslaagd, om te ontdekken aan
+welk gedicht of prozawerk de sage van "Sir Beaumains" [37] zooals de
+held door Malory genoemd wordt, ontleend is. Dr. H. Oskar Sommer,
+de bewerker der beroemde critische uitgave [38] van Malory's werk,
+meent, dat onze sage wellicht ontstaan is uit een volksverhaal,
+hetwelk oorspronkelijk geen verband hield met den Arthur-cyclus,
+totdat Malory, of een ander, onbekend gebleven schrijver vóór hem,
+het overnam, waarschijnlijk uit een verloren geraakt Fransch gedicht
+en het in verband bracht met den persoon en het hof van koning Arthur.
+
+Wij vinden onze sage terug onder de Konings-idyllen van Alfred
+Tennyson, onder den titel: "Gareth and Lynette." In dit gedicht
+treffen wij enkele afwijkingen aan van den inhoud der oorspronkelijke
+geschiedenis: Gareth huwt niet Lyonors [39] om wier wille hij zulk
+een gevaarlijken tocht onderneemt, maar Lynette, zijne gezellin op
+dien tocht, die hem eerst hoont en bespot om zijn nederigen staat,
+maar hem tenslotte leert liefhebben en eerbiedigen om zijn grooten
+moed en zijn nog grooter geduld.
+
+De beschrijving van Gareth's jeugd op het eenzaam slot van zijn vader
+en van den angst zijner moeder, dat deze jongste zoon haar evenals
+zijne broeders zal verlaten, heeft Tennyson waarschijnlijk ontleend
+aan het begin der sage van Parcival, zooals die onder den titel:
+"Peredur, the Son of Evrawc", voorkomt in den Mabinogion. Hier en
+daar heeft de dichter nog eenige veranderingen aangebracht in den
+loop van het verhaal, teneinde de allegorische beteekenis daarvan
+te doen uitkomen, maar in hoofdzaken stemt hij met Malory overeen in
+zijne wedergave der sage.
+
+In de volgende bladzijden vindt men het verhaal van den proeftijd
+van prins Gareth weergegeven, zooals het in de Morte d'Arthur
+beschreven staat, eenige onbelangrijke bekortingen daargelaten. De
+vóórgeschiedenis van den jongen held en de naam zijner bruid zijn
+ontleend aan Tennyson's gedicht.
+
+
+
+
+
+DE SAGE VAN HEER GARETH.
+
+
+ "Let be my name, until I make my name".
+
+ (Alfred Tennyson: "Gareth and Lynette").
+
+
+_Hoe de zonen van koningin Morgawse naar het hof te Camelot trokken._
+Lot, koning der Orcadische eilanden en zijne gemalin Morgawse hadden
+vijf zonen. Vier van hen: Walewein, Modred, Agravaine en Gaheris waren,
+zoodra zij den jongelingsleeftijd bereikt hadden, naar het hof van
+hun oom, koning Arthur, getrokken en keerden slechts nu en dan voor
+een kort verblijf naar het ouderlijk slot terug. De jongste zoon
+daarentegen: Gareth, was langer dan zijne broeders in het ouderlijk
+huis blijven vertoeven, gehoor gevend aan den dringenden wensch
+zijner moeder.
+
+Met angst en vreeze in 't hart zag koningin Morgawse den dag naderen,
+waarop de laatste en liefste harer zonen de wijde wereld zou intrekken
+en haar alleen zou achterlaten in het eenzame slot van haren gemaal,
+waar zij zich in de lange jaren van haar huwelijk nooit geheel thuis
+had gevoeld. Misschien was dit laatste toe te schrijven aan het groote
+verschil in landaard tusschen de bevolking uit hare geboortestreek,
+het Zuiden van Engeland, en die van haar nieuwe vaderland. Ginds was
+men gewoon het leven te genieten, hier, onder de stugge eilandbewoners,
+zocht men zijn geluk in het rustig volbrengen zijner dagelijksche
+plichten, zonder naar verstrooiing of genot te vragen. Mogelijk
+ook was de onvoldaanheid der koningin voor een deel te wijten aan
+het koude, zwijgzame karakter van haren echtgenoot, die elke uiting
+van uitbundige levensvreugde van de zijde zijner gemalin met koele
+onverschilligheid trachtte te dempen. Deze had ten slotte geleerd
+zichzelve te beheerschen en voor het uiterlijk de statige, trotsche
+vrouw te zijn, die hij zich als gemalin wenschte, maar niemand in
+hare omgeving kon vermoeden, hoe zij leed onder dit bedwingen van
+hare werkelijke persoonlijkheid. Als de kille zeedamp het eilandenrijk
+dagenlang met een ondoordringbaren nevelmuur omringde en het krijschen
+der zeemeeuwen het eenige geluid was, dat de stilte verbrak, als de
+vrome eilandbewoners nedergeknield lagen voor hunne heiligenbeelden
+en gebeden prevelden voor het welzijn van hen, die daar ginds op de
+baren zwalkten, zat koningin Morgawse in hare eigen vertrekken en
+staarde naar buiten in den grijzen mist. Dan kwam haar hart soms in
+opstand tegen het onverbiddelijk noodlot, dat haar, die voor vreugde
+en blijdschap geschapen scheen, veroordeelde om haar leven te slijten
+in deze sombere omgeving, waar niemand haar begreep en liefhad.
+
+Dat de verhouding tusschen de beide echtgenooten te wenschen overliet,
+was geen geheim voor hunne omgeving en de hovelingen, die hunnen vorst
+met groote trouw aanhingen, weten dit geheel aan de koningin, die zich
+zoo moeilijk had weten aan te passen aan hare nieuwe omgeving. Men
+beschuldigde haar van lichtzinnigheid, ja zelfs van ergere dingen,
+want toen kort nadat de koningin van eene reis naar haar geboorteland
+was teruggekeerd, haar tweede zoon Modred geboren werd, ging er een
+gerucht, dat deze geen kind van koning Lot was, maar dat hij gesproten
+was uit eene onwettige verbintenis, welke de vorstin daarginds in
+het Zuiden gesloten had. De juistheid van dit vermoeden werd nooit
+met stelligheid bevestigd, maar een feit bleek het, dat Modred, toen
+hij opgroeide, zoowel uiterlijk als innerlijk geheel verschilde van
+zijne broeders.
+
+Het scheen aanvankelijk, of koningin Morgawse in hare kinderen
+vergoeding zou vinden voor wat zij in den omgang met haren echtgenoot
+te kort kwam. Zij had hen allen zonder onderscheid hartstochtelijk
+lief; hoe zwaar moest het haar dus vallen, om hen, zoodra zij tot
+jongeling waren gerijpt, te moeten afstaan en hen te zien heentrekken
+naar het hof van haren broeder.
+
+Alleen Gareth, die met zijne oudere broeders aanmerkelijk in leeftijd
+verschilde en daardoor langer kind was gebleven dan zij, restte haar
+nu nog van het vroolijke vijftal, dat de zalen van het oude kasteel
+had doen daveren van zijn wilde spelen. En ziet--nu werd ook die
+jongste zoon onrustig en sprak den laatsten tijd van niets anders
+dan van zijn plan om zich op zijne beurt naar het hof te Camelot te
+begeven en aldaar het volle leven te leeren kennen. Hoe zijne moeder
+hem ook bad en smeekte, het mocht niet baten; zijn hart was daarginds,
+bij zijne broeders en hij had geen rust, vóór hij de toestemming van
+zijne ouders had ontvangen, om zich bij hen te voegen.
+
+Eindelijk was de koningin wel gedwongen, hem die te geven,
+maar--slechts onder ééne voorwaarde; en deze, zoo meende zij, was
+van dien aard, dat zij den jongeling eens voor al van zijn voornemen
+zou terugbrengen. Zij eischte namelijk van Gareth, dat hij, aan het
+hof gekomen, een jaar lang als keukenjongen in 's konings dienst zou
+treden en al dien tijd zijn naam en afkomst voor zijne omgeving geheim
+zou houden. Den trotschen aard van haar zoon kennend, meende koningin
+Morgawse, dat deze voorwaarde hem onuitvoerbaar zou toeschijnen en dat
+hij dus, hoe ongaarne ook, zijne reis naar het hof zou opgeven. Maar
+neen! Sterker nog dan zijn gevoel van eigenwaarde was de lust naar
+avontuur in het hart van den jongeling en na zich eene wijle bedacht te
+hebben, stemde hij toe in den eisch zijner moeder. Van dat oogenblik af
+moest de koningin met leede oogen toezien, hoe Gareth zich beijverde
+om de toebereidselen voor zijn vertrek in den kortst mogelijken tijd
+te treffen en weldra brak dan ook de gevreesde dag aan, waarop de
+reis naar Camelot bepaald was.
+
+Vergezeld door twee zijner dienaren, ging Gareth vervuld van de
+schoonste verwachtingen voor de toekomst, op weg. Wel lachte het
+denkbeeld om een jaar in de keuken van het koninklijk paleis te
+moeten dienen, hem niet bepaald toe, maar--zoo redeneerde hij met
+jeugdige zorgeloosheid,--twaalf maanden zijn gauw voorbij! Hij had
+nu toch zijn zin; hij ging naar Camelot, waar de ridders woonden,
+van wier heldendaden hij zooveel had hooren vertellen, waar de groote
+tournooien werden gehouden, waar men op de jacht ging naar herten en
+zwijnen, waar de vreemde speellieden hunne liederen kwamen zingen,
+kortom: waar men het leven in al zijne rijkdom en heerlijkheid kon
+leeren kennen! Wat deed het er dan toe, of hij voorloopig slechts
+toeschouwer mocht zijn bij al dat schoons? Honderd-, neen duizendmaal
+liever was hij een eenvoudige keukenjongen in Camelot dan een prins
+in zijns vaders koninkrijk.
+
+Na lange dagen reizens kwam het kleine gezelschap voor de poorten van
+Camelot aan. Naar het uiterlijk schenen zij drie eenvoudige landlieden,
+die van verre gekomen waren, om hun vorst te begroeten. Gareth had
+zorg gedragen, dat zijne kleeding in geen enkel opzicht afweek van
+die zijner reismakkers.
+
+
+
+_Hoe Gareth als keukenjongen bij koning Arthur in dienst trad en hoe
+hij door Key gehoond werd._ Zonder eenige moeite slaagde het drietal
+erin om tot de tegenwoordigheid des konings te worden toegelaten,
+daar deze zich steeds op dezen tijd van den dag beschikbaar placht te
+stellen voor een ieder, die zich met eenig verzoek tot hem wenschte
+te richten. Gareth en zijne volgelingen werden dan ook terstond door
+een der paleisdienaren door een doolhof van gangen en portalen naar
+de groote slotzaal geleid, waar de koning, omringd door zijne gansche
+hofhouding, zitting hield om de wenschen en klachten van zijn volk
+aan te hooren. Lieden van allerlei slag knielden neer voor zijn troon
+en nooit gebeurde het, dat zij onvoldaan huiswaarts moesten keeren.
+
+Terwijl Gareth zijne beurt afwachtte, liet hij zijne blikken dwalen
+door de ruime zaal, waarvan de wanden bedekt waren met eene bonte
+reeks van geschilderde tafereelen, welke een overzicht gaven van
+Arthurs krijgstochten tegen de heidenen. Meer echter nog dan door de
+fraaie wandschilderingen werd zijne aandacht geboeid door de personen,
+die zich in de zaal bevonden. Allereerst bleef zijn blik rusten op de
+vorstelijke gestalte des konings, zooals hij daar in fiere houding op
+zijn troon gezeten was, de linkerhand aan de greep van een glinsterend
+zwaard, dat met de punt op den grond rustte, de rechter steunend
+op de leuning van zijn zetel. Met eene uitdrukking van vriendelijke
+belangstelling luisterde hij naar het relaas eener arme weduwe, die
+zijne hulp kwam inroepen om het erfdeel van haren echtgenoot, dat men
+haar ontstolen had, te herwinnen. Vol bewondering hoorde Gareth toe,
+op welk eene welwillende en oordeelkundige wijze de vorst de weenende
+vrouw te woord stond en het hart van den jongeling klopte luide van
+ontroering, toen hij de ongelukkige haren dank hoorde stamelen. Daarna
+zag hij verder om zich heen en tuurde langs de rijen der hovelingen,
+of hij onder hen ook zijne broeders kon ontdekken. Weldra vond hij hen,
+die hij zocht: de kloeke, mannelijke gestalte van Walewein, die in de
+onmiddellijke nabijheid des konings was gezeten; het donkere gelaat van
+Modred, dat steeds eene uitdrukking van arglistig wantrouwen droeg,
+daarnaast, als gewoonlijk, de tengere gestalte van Agravaine, die
+zijn ouderen broeder als een schaduw placht te volgen, en eindelijk,
+onder de jongere edellieden, zijn vierden broeder: Gaheris. Gareth kon
+een glimlach niet onderdrukken, toen hij bedacht, hoe verbaasd zijne
+broeders zouden zijn, indien zij wisten, wie de eenvoudig gekleede
+jongeling was, die zich onder de wachtende menigte bevond, maar hij
+behoefde geen vrees te hebben dat zij hem zouden herkennen, zóó lang
+was het geleden, sinds zij hem de laatste maal in hun vaderlijk slot
+gezien hadden.
+
+Intusschen was de beurt aan hem gekomen om den koning zijne verlangens
+kenbaar te maken. Eerbiedig viel hij voor Arthur op de knieën, daarna
+richtte hij het gebogen hoofd op, zag den vorst frank en vrij in de
+oogen en sprak:
+
+"Sire, mijne beide makkers en ik zijn uit verre streken hierheen
+gekomen om u te huldigen en te dienen. Daar ik vernomen heb, dat gij
+elkeen, die hier binnentreedt, veroorlooft, om u zijne verlangens
+mede te deelen, zoo durf ik het wagen, u mijne wenschen voor te
+dragen. Sire! sta mij toe, dat ik u om drie gunsten vraag; geloof
+mij, al klinkt mijn verzoek wellicht onbescheiden, de gunsten, die
+ik bedoel, zijn van dien aard, dat, indien gij wilt, gij ze zonder
+bezwaar kunt inwilligen. De eerste wilde ik u thans vragen, de beide
+andere daarentegen zou ik u eerst na verloop van een jaar wenschen
+mede te deelen. Vergeef mij, indien ik te veel van uwe goedheid verg!"
+
+Hier zweeg prins Gareth en zag den koning met eenige beschroomdheid
+aan. Arthur had met welgevallen naar de woorden van den jongeling
+geluisterd, wiens innemende verschijning en aangenaam, bescheiden
+optreden het hart van den vorst voor zich gewonnen hadden. Toen hij
+zweeg, aarzelde de koning dan ook niet lang, hoe hij zijn verzoek
+zou opnemen en sprak vriendelijk: "Welnu dan, vriend, welke zijn die
+gunsten, die ge mij wildet vragen. Ik beloof u vooruit, ze te zullen
+inwilligen, indien zij tenminste de grenzen van het betamelijke niet
+overschrijden. Spreek, wat verlangt ge van mij?"
+
+"Sire", antwoordde Gareth, "ik zou u willen vragen, mij gedurende
+een jaar eene plaats in te ruimen onder uwe keukenbedienden. Als
+zoodanig wilde ik u twaalf maanden dienen en eerst na verloop van
+mijn diensttijd hoop ik u mijne beide andere wenschen voor te leggen."
+
+Verbaasd en eenigszins teleurgesteld zag koning Arthur hem aan, zulk
+een verzoek had hij allerminst verwacht uit den mond van dien kloeken,
+rijzigen jongeling. Toch klonk zijne stem welwillend als altijd,
+toen hij Gareth ten antwoord gaf:
+
+"Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik van u een gansch anderen wensch
+verwacht had. Het verbaast mij, dat een jong, krachtig man als gij,
+geene hoogere eerzucht kent, dan eene plaats te verkrijgen onder mijne
+bedienden. Ik doe evenwel mijn woord gestand. Aan uw wensch zal worden
+voldaan en Heer Key, onze opperhofmeester, zal u uw nieuwen werkkring
+aanwijzen." Dit zeggend, wenkte de vorst een der ridders uit zijne
+naaste omgeving, een somber uitziend man, en droeg hem op, om den
+jongeling eene plaats te geven onder het personeel van de hofkeuken.
+
+Heer Key zag den knaap minachtend aan en gelastte hem op ruwen toon
+hem te volgen. In de ruime keuken van het paleis aangekomen, wees hij
+hem, welk werk hem te doen viel. Het bestond hierin, dat hij zich ten
+allen tijde gereed moest houden om de koks bij hun arbeid behulpzaam
+te zijn. Den overigen tijd moest hij besteden met het spoelen van
+vaatwerk en het poetsen en schuren der keukengereedschappen. Eene
+ongewone bezigheid voor een prins van den bloede! Geen wonder dan
+ook, dat het bloed Gareth naar de wangen steeg bij de gedachte, dat
+dit zijn werk zou zijn en dat hij een geheel jaar in deze omgeving
+zou moeten doorbrengen. Maar meer nog dan dit vooruitzicht ergerde
+hem de onheusche toon, waarop Heer Key tot hem sprak. Wel was hij
+zoo verstandig, met geen enkel woord te antwoorden op de norsche
+bevelen, die hem als 't ware naar het hoofd werden geslingerd, maar
+uit zijne saamgeknepen lippen sprak duidelijk genoeg zijne nauwelijks
+te verkroppen ergernis. Key scheen die ook te bemerken; hij besloot
+althans zijne opdrachten met de woorden: "En pas op, dat ik geenerlei
+klachten ontvang over uw optreden tegenover uwe meerderen! Alles, wat
+u opgedragen wordt, ook al is het werk niet geheel naar uw zin, zult
+gij stipt ten uitvoer brengen. Bij het eerste woord van tegenspraak,
+dat mij ter oore komt, zullen wij elkander nader spreken. Weet wel,
+met mijne ongenade valt niet te spotten. En nu vooruit, aan het
+werk! en vlug ook!"
+
+"Key, Key!" zoo klonk eene diepe, bedarende stem, "wat vaart gij toch
+uit tegen een knaap, die u tot dusverre niets misdaan heeft! Kunt ge
+dan niet zien, dat het werk, hetwelk gij hem opdraagt, nieuw voor hem
+is en dat hij allerminst gewend is, om op zulk een toon toegesproken
+te worden? Matig u toch, zulk een optreden strekt u niet tot eer!"
+
+"Eer, eer!" gaf Key den binnengetreden ridder ten antwoord: "wat
+bazelt gij over eer, Heer Lanceloet! Zou ik niet het recht hebben,
+om een ellendigen keukenjongen, een deugniet, die waarschijnlijk het
+ouderlijk huis ontvlucht is, op zijne plichten te wijzen? Ik raad u
+aan, mij voortaan met rust te laten en eerst eens na te gaan, hoe het
+met uwe eigen eer gesteld is!" Dit zeggend, verliet hij met een sarrend
+hoongelach het vertrek, op den voet gevolgd door den vreemden ridder,
+wiens gelaat, zooals Gareth nog juist gelegenheid had om op te merken,
+bij Key's laatste woorden met een diep hoogrood overtogen werd.
+
+Onze jongeling bleef achter in een toestand van verwarring. Eene
+bonte mengeling van indrukken beklemde zijne ziel, maar alle werden
+overheerscht door een gevoel van vereering en dankbaarheid voor den
+man, die zooeven zijne partij gekozen had. Dat was dus de groote
+Lanceloet, over wien hij zijne broeders zooveel had hooren spreken,
+welnu, zij hadden niet te veel gezegd van hun held! Welk een edel
+gelaat, welk eene nobele gestalte en bovenal: welke eene vriendelijke
+gedachte van zulk een hooggeplaatst ridder om voor een armen koksjongen
+in de bres te springen! Vol jeugdig vuur nam Gareth zich voor, om in
+alles den grooten Lanceloet tot voorbeeld te nemen, daarna begaf hij
+zich met een zucht aan zijn werk.
+
+Een jaar verliep en gedurende al dien tijd diende onze held in de
+keukens van het vorstelijk paleis. Het was een harde proeftijd
+voor den jongen prins, want het werk viel hem ongewoon zwaar en
+de behandeling was somtijds verre van zacht. Toch duurde het niet
+lang, of Gareth had zich in zijne nieuwe omgeving vele vrienden
+gemaakt. De koks prezen zijne nauwlettendheid en ijver en werden het
+liefst door hem gediend, maar ook de andere koksjongens mochten hem
+gaarne lijden, daar hij altijd vroolijk was en steeds bereid, hen te
+helpen. Wanneer hunne dagtaak ten einde liep en het keukenpersoneel
+zich in een wijden kring om den schouw had verzameld, placht Gareth
+zijne ruwe makkers te vertellen van het leven in zijn vaderland. Hij
+beschreef de nachten, waarin de schippers uitvoeren ter vischvangst,
+en de stormen en gevaren, waarmede zij te kampen hadden. Dan luisterden
+zijne toehoorders, die voor het meerendeel de zee nooit gezien hadden,
+met open mond naar zijne levendige beschrijvingen, tot hij, het praten
+moede, hun op zijne beurt tot vertellen drong. Dan kwamen de verhalen
+los over de groote tournooien, over de gastmalen en hoffeesten,
+welke in het paleis te Camelot gegeven werden en nu was het Gareth,
+die gretig toehoorde en niet ophield met vragen. Soms gingen die
+vragen boven het bereik zijner eenvoudige vertellers en kreeg hij
+dus geen bevredigend antwoord.
+
+Zoo leerde Gareth van uit zijn nederigen schuilhoek de hofwereld
+kennen. Uit de opmerkingen en verhalen der bedienden kreeg hij
+een helder inzicht in de karakters der verschillende ridders, nog
+vóór hij hen persoonlijk had leeren kennen. Hij hoorde van hunne
+vriendschappen en kibbelpartijen, hij wist nauwkeurig te zeggen,
+wie van hen de sterksten in het strijdperk en wie de vroolijksten
+aan den disch waren. Ook andere, minder gunstige dingen hoorde hij
+van hen vertellen. Soms staken de koksjongens de hoofden bijeen
+en fluisterden den naam eener schoone, aan wie een der ridders een
+nachtelijk bezoek had gebracht. Wanneer zij dan echter Gareth in hun
+gesprek wilden betrekken, wilde deze nimmer naar hen luisteren. Hij
+begon dan een vroolijk lied te zingen of een lustig deuntje te
+fluiten. Aanvankelijk werd hij hierom door zijne makkers gehoond,
+maar ten slotte kregen zij eerbied voor zijn optreden en verloren
+zelf den lust tot dergelijken lasterpraat.
+
+De eenige, die Gareth een kwaad hart toedroeg, was Heer Key. Of hij
+onwillekeurig gevoelde, dat de knaap zijn meerdere was in afkomst en
+beschaving, of het was, dat hij zich ergerde over het onverstoorbaar
+goed humeur, waarmede Gareth zijne schimpscheuten verdroeg, zeker
+is het, dat hij nooit naliet, den jongeling, waar hij maar kon, te
+hinderen. Hij droeg hem het zwaarste en vuilste werk op, had steeds
+aanmerkingen op al wat hij deed, kortom, hij scheen het er op aan te
+leggen, om Gareth zijn geduld te doen verliezen en een twist met hem
+uit te lokken, die hem eene reden zou geven, zich over hem bij den
+koning te beklagen. Maar Gareth hield zich goed. Al kookte hij ook
+inwendig van woede over Key's onheusche houding en al snakte hij er
+naar om hem zijne verachting in het gezicht te slingeren, toch wist
+hij zijne uiterlijke kalmte te bewaren. Daarbij besefte hij zeker
+niet, hoezeer deze moeilijke les in zelfbeheersching hem later ten
+goede zou komen.
+
+
+
+_Hoe eene jonkvrouw naar het paleis te Camelot kwam en hoe Gareth
+gelegenheid had den koning zijne beide andere gunsten te vragen._
+Eindelijk liepen de twaalf lange maanden ten einde en Gareth zag den
+dag naderen, waarop hij de hem toekomende plaats aan het hof zou
+kunnen innemen. Toen gebeurde het, dat op een fraaien lentemorgen
+eene jonkvrouw de poorten van het vorstelijk paleis binnenreed en
+den toegesnelden dienaren beval, haar terstond naar koning Arthur
+te geleiden, daar zij den vorst over eene dringende aangelegenheid
+wenschte te spreken.
+
+Het was een der laatste dagen van Gareth's diensttijd en onze held
+was bezig met eenig huiswerk in de groote slotzaal, toen de deuren
+wijd werden geopend om de vreemde bezoekster binnen te laten. Deze
+liep terstond naar den hoek van het vertrek, waar koning Arthur
+in gezelschap van eenigen zijner ridders zich bevond en viel luid
+jammerend voor den vorst op de knieën.
+
+Ontsteld boog deze zich voorover om het weenende meisje te doen opstaan
+en liet haar plaats nemen op een zetel aan zijne zijde. Eindelijk
+had de jonkvrouw zich in zooverre hersteld, dat zij kon spreken en
+onder tranen en snikken zeide zij als volgt:
+
+"Sire! ik ben herwaarts gekomen om de hulp van één uwer ridders in te
+roepen voor mijne zuster, Vrouwe Lyonors, die sinds maanden in haar
+kasteel belegerd wordt door een boozen roofridder, die bekend staat
+als de Ridder der Roode Vlakte. Deze woestaard, die een wanhopigen
+hartstocht voor mijne zuster heeft opgevat, zweert dat zij de zijne zal
+worden, al moest het beleg jaren duren. Velen van onze ridders hebben
+hem tot een tweegevecht uitgedaagd, maar helaas! hij heeft hen allen
+verslagen en hunne lijken op de gruwelijkste wijze verminkt. Thans
+gaat de mare door het land, dat hij zich wenscht te meten met een
+uwer ridders, zij het Lanceloet of Lamorak of een ander, en dat,
+wanneer hij er in geslaagd is hem te verslaan, hij zich met geweld
+een toegang zal verschaffen tot het kasteel en wat er dan met mijne
+arme zuster geschieden zal...." hier brak hare stem en de aandoening
+belette haar verder te gaan.
+
+Diep ontroerd hadden allen naar deze droeve mare geluisterd; onder
+hen ook Gareth. Ontzet poogde hij zich den gemoedstoestand in te
+denken van die vrouw daarginds, die zich omringd wist door vijanden
+en bedreigd door de booze lusten van een ellendeling. Hij zag hoe
+de ridders, onder den indruk van het verhaal, onthutst stilzwegen,
+dit bracht hem op een denkbeeld, dat hem het bloed naar de wangen
+joeg en hem plotseling deed opspringen. Hij snelde naar den koning
+toe en riep met luide stem:
+
+"Heer koning! mijn diensttijd is op enkele dagen na verstreken! Sta
+mij toe, dat ik u thans om de beide andere gunsten verzoek, welke
+gij mij beloofd hebt!"
+
+In spanning wachtte hij op het antwoord van zijn vorst en wie
+beschrijft zijne blijdschap, toen Arthur sprak:
+
+"Ik herinner mij onze afspraak. Spreek, wat wenscht gij?"
+
+"Sire", hernam Gareth, "sta mij toe, deze jonkvrouw te volgen naar
+het kasteel harer zuster en de eer uwer ridders hoog te houden
+tegenover dien wellusteling, die de veiligheid van Vrouwe Lyonors
+bedreigt. Als tweede gunst verzoek ik u, dat ik tot ridder geslagen
+mag worden en wel door de hand van den edelsten onder uwe edelen,
+Heer Lanceloet. Wanneer deze mij op mijn tocht vergezellen wil,
+zal er zich wellicht eene gelegenheid voordoen, om mij die hooge
+onderscheiding waardig te keuren."
+
+Koning Arthur had onder het spreken met welgevallen neergezien op het
+gelaat van den jonkman, dat straalde van ijver en edele geestdrift
+voor de zware taak, welke hij geheel vrijwillig op zich nam. In het
+afgeloopen jaar had de vorst zich nu en dan doen inlichten over het
+optreden van den jongen vreemdeling in zijne nederige omgeving en wat
+hem daarvan ter oore was gekomen had er niet weinig toe bijgedragen
+om den gunstigen indruk, welken hij op het eerste gezicht van den
+knaap had gekregen, nog te versterken. Hij was ervan overtuigd, dat de
+eenvoudige kleedij, waarin Gareth naar het hof was gekomen, slechts
+eene vermomming was en dat er aan zijn verschijnen aldaar een geheim
+was verbonden, dat te rechter tijd zou worden opgehelderd. Zonder
+aarzelen gaf hij Gareth daarom ten antwoord: "Wanneer gij ten volle
+den omvang beseft van de verplichtingen, welke gij door dit verzoek
+op u neemt, zoo wil ik u mijne toestemming niet onthouden. Ga daarom
+heen, om u voor de reis gereed te maken en moge God u behouden tot
+ons doen wederkeeren!"
+
+Verheugd en dankbaar drukte Gareth een eerbiedigen kus op de hand,
+welke Arthur hem toestak, daarop ijlde hij heen, maar nog vóór hij
+het vertrek had verlaten, klonk hem een doordringende kreet in de
+ooren. Het was de jonkvrouw, die daarin uiting gaf aan hare gevoelens
+van afschuw over de handelwijze des konings. Verontwaardigd riep
+zij uit:
+
+"Wat hoor ik, Sire? Wilt gij een knecht, een armzaligen keukenjongen
+de taak opdragen, waartoe ik den edelsten onder uwe ridders kwam
+oproepen? Is dat uwe hooggeroemde hulpvaardigheid? Beseft gij dan
+niet, dat gij mij nog beter zonder hulp kondt wegsturen, dan mij zulk
+een geleider mede te geven? O, wat zal die ellendeling daarginds
+mij hoonen, wanneer hij hoort, wie de ridder is, die komt om hem
+te bestrijden! Mijne arme zuster! Een keukenjongen, gewend om het
+braadspit te draaien! Het is te erg! Ik ga heen, vóórdat hij mij
+met zijne tegenwoordigheid kan lastig vallen en nooit, nooit keer
+ik hier terug!" Dit zeggend, snelde zij met opgeheven handen de zaal
+uit. Gareth had niets van dit alles vernomen. Zonder zich te storen
+aan wat er achter hem geschiedde, had hij de zaal verlaten om afscheid
+te nemen van zijne makkers en zich voor de reis gereed te maken. Zijn
+hart was vol dankbaarheid jegens zijn vorst, welke nog toenam, toen
+hij bij zijn terugkeer uit de keukens op het voorplein een gezadeld
+strijdros en eene volledige wapenrusting vond, die de koning hem als
+loon voor zijne trouwe diensten ten geschenke bood.
+
+Met welk een welgevallen wierp Gareth de donkere kleederen van zich
+af, die hem alle vernederingen van het afgeloopen jaar in herinnering
+brachten en met welk een schuchteren eerbied kleedde hij zich in
+zijne wapenrusting, de eerste, die hij ooit gedragen had. Thans was
+hij gereed en onder de juichkreten van zijne vroegere metgezellen
+reed hij de slotbrug over.
+
+
+
+_Van Gareth's eerste wapenfeiten en hoe hij tot ridder geslagen werd._
+Tevergeefs had Gareth bij het verlaten van het paleis uitgezien naar
+de jonkvrouw, wie hij zijne hulp had toegezegd. Thans, nu hij den weg
+opreed, welke naar het aangrenzende woud voerde, ontwaarde hij in de
+verte hare vluchtende gestalte. Hij drukte zijn paard de sporen in
+de zijden en het duurde niet lang, of hij had haar ingehaald. Vóór
+hij echter den mond tot spreken kon openen, hief zij met een afwerend
+gebaar de hand op en riep uit:
+
+"Wat ik u bidden mag, zwijg en beleedig mijne ooren niet met uwe
+platte taal. Laat het u genoeg zijn, dat ge mij uw onwelkom gezelschap
+opdringt, maar spaar mij uwe gesprekken!"
+
+Gareth was op het punt haar een heftig antwoord te geven, maar hij
+bedacht zich nog juist bijtijds. Hoe kon de jonkvrouw ook weten,
+dat hij niet inderdaad was, die hij scheen, en hoe zou het hem in
+hare plaats te moede zijn, indien hem in stede van een hooggeboren
+en dapper ridder een arme keukenjongen als geleide werd medegegeven?
+
+Op dit oogenblik weerklonk het geluid van naderende hoefslagen
+en omziend bemerkte hij een ridder, die in gestrekten draf vanuit
+de richting van het paleis hem achterop kwam rijden. Het was Heer
+Key. Toen hij de plek genaderd was, waar Gareth hem in alle kalmte
+opwachtte, riep hij uit: "Wat beteekent het, dat gij u op dit uur
+buiten het paleis bevindt? Weet gij dan niet, dat binnen enkele
+uren het middagmaal in de groote zaal moet worden opgediend? Terug,
+naar de keuken, daar is uwe plaats, niet hier, in gezelschap eener
+edele jonkvrouw!"
+
+Onder het hooren van deze woorden, brak zich bij Gareth al de
+ergernis baan, welke hij een jaar lang had moeten verkroppen. Hij
+gevoelde een plotselingen aandrang, om zich thans, nu de gelegenheid
+daartoe schoon was, te wreken over al de beleedigingen, welke hij in
+de afgeloopen maanden had moeten verdragen. Met gevelde lans stoof
+hij Heer Key tegemoet, terwijl hij hem met luider stem toeriep:
+"Mijn diensttijd is voorbij, zooals gij zeer wel weet! Van nu af aan
+erken ik u niet langer als mijn meerdere, integendeel, ik beschouw u
+als den onwellevendsten ridder aan het gansche hof. Wanneer gij met
+die beschouwing geen genoegen neemt, laat dan de wapenen beslissen,
+wie van ons beiden gelijk heeft."
+
+Woedend over dezen uitval trok Heer Key zijn zwaard, om den jongeling
+voor zijn overmoed te straffen, maar Gareth was hem vóór en eer Key
+wist, wat er geschiedde, werd hij uit het zadel gelicht en lag hij
+languit op den grond.
+
+Terwijl Gareth vol voldoening op hem neerzag, trad er iemand tusschen
+de struiken te voorschijn. Het was Heer Lanceloet, die van daar uit
+het gevecht had gadegeslagen. "Flink zoo! wakkere vriend!" riep hij
+uit, "die zege hebt gij ruimschoots verdiend, en voor Heer Key zal
+het eene les zijn, die hem heugen zal! Van den koning vernam ik,
+dat gij door mij tot ridder wenscht geslagen te worden. Wat dunkt u,
+is het thans geene geschikte gelegenheid, om tot die plechtigheid
+over te gaan? Door uw koenen durf van zooeven, maar nog meer door
+uwe maandenlange zelfbeheersching en plichtsbetrachting hebt ge die
+onderscheiding ten volle verdiend!"
+
+Het is te begrijpen, dat onze jonge held vol vreugde het voorstel van
+Heer Lanceloet aannam en weinige oogenblikken daarna legde hij in de
+koele stilte van het woud de plechtige gelofte af, waardoor hij zich
+verbond, de drie ridderdeugden: mildheid, hoffelijkheid en eerbaarheid
+onder alle omstandigheden des levens getrouw te zullen betrachten.
+
+Niemand hoorde zijne getuigenis, behalve Heer Lanceloet en de
+jonkvrouw, welke laatste hem op eenigen afstand met minachting
+gadesloeg, maar voor onzen held was zijne gelofte desondanks even
+heilig en bindend als wanneer hij ze in eene volle zaal, ten aanhoore
+der gansche hofhouding, had afgelegd.
+
+Toen Lanceloet hem met de punt van zijn zwaard tot ridder geslagen
+had en de plechtigheid hierdoor was beëindigd, nam hij afscheid van
+onzen held en keerde naar het paleis terug.
+
+Gareth wendde zich tot de jonkvrouw en verzocht haar hem de richting
+te wijzen, welke zij moesten volgen, maar bij het eerste woord, dat
+hij tot haar richtte, hield ze spottend hare vingers in de ooren,
+terwijl zij uitriep:
+
+"Zwijg, Heer keukenridder! Heb ik u niet verzocht om mij niet lastig te
+vallen met uwe gesprekken? Meent gij, dat gij thans, nu Heer Lanceloet
+u tot ridder heeft geslagen, mijn gelijke zijt geworden? Vlei u niet,
+in mijne oogen blijft gij, die gij waart, een keukenjongen, die thuis
+behoort onder koks en hunne maats!"
+
+Gareth zweeg, maar hij moest zich op de lippen bijten om zijn geduld
+niet te verliezen. Toch gelukte het hem kalm te blijven en onder een
+drukkend stilzwijgen vervolgden de beiden hunne reis.
+
+Tegen den middag kwamen zij aan eene open plek in het bosch, waar
+een bloeiende haagdoorn groeide. Tusschen de bloesems hing een
+zwart schild en daarnaast wapperde een zwarte banier. Tegen den
+stam leunde eene scherpgepunte speer en achter den boom bemerkte
+Gareth een groot zwart paard, dat in onbewegelijke houding stond te
+wachten. Vol verbazing zag onze held naar dit alles, maar plotseling
+deinsde hij verschrikt achteruit, toen daar uit het struikgewas de
+gestalte van een reusachtigen ridder te voorschijn sprong. Deze was
+van het hoofd tot de voeten in eene dof-zwarte wapenrusting gekleed,
+ongetwijfeld behoorden de wapenen daar ginds bij den boom hem toe. In
+een oogwenk was de Zwarte Ridder op het paard gesprongen, had het
+schild en de speer ter hand genomen en kwam in dreigende houding op
+Gareth af. Nog vóór hij hem echter bereiken kon, stuurde de jonkvrouw
+haar paard tusschen de beide ridders in en riep den vreemdeling toe:
+
+"Bezin u wel, Heer ridder, alvorens gij u met dezen knaap in het
+gevecht begeeft! Zeker meent gij in hem een ridder der Tafel Ronde te
+zien! Welnu dan, ik zeg u, dat hij niet waard is, door u bestreden
+te worden, want hij is niets meer dan een armzalige koksjongen uit
+de keukens van het koninklijk paleis!"
+
+De vreemde ridder barstte uit in een spottenden schaterlach. "Een mooi
+geleide voorwaar!" riep hij uit, "voor eene jonkvrouw als gij! Als
+gij mijn raad wilt aannemen, keer dan terug naar het hof en haal u
+een anderen metgezel. Wat dezen knaap betreft, ik zal mij vergenoegen
+met hem te ontwapenen. Het ware jammer, om den koks van koning Arthur
+zulk een wakkeren steun te ontnemen!"
+
+Thans was het gedaan met de zelfbeheersching van onzen held. Het bloed
+kookte hem in de aderen van woede en schaamte over den hoon, die hem
+werd aangedaan. Met vaste hand greep hij zijn zwaard, rende op den
+Zwarten Ridder toe en nog vóór de lach op diens lippen bestorven was,
+had onze held hem met een geweldigen zwaardslag den schedel doorkliefd.
+
+Toen steeg hij van zijn paard, ontdeed zijn vijand van diens
+wapenrusting en verwisselde die met de zijne. Daarna sprong hij
+opnieuw in het zadel en beduidde de jonkvrouw met een kort handgebaar
+om haren weg te vervolgen.
+
+Deze had stilzwijgend het gebeurde gadegeslagen; de uitdrukking van
+trotsche minachting op haar gelaat had plaats gemaakt voor een blik
+van ontzetting over het vreeselijk einde van den Zwarten Ridder;
+tevens kon zij een gevoel van bewondering voor den koenen moed van
+den jongeling nauwelijks onderdrukken. Dit gevoel duurde echter niet
+lang en vóór zij verder reden, voegde zij Gareth op smalenden toon toe:
+
+"Gij meent zeker, thans aanspraak te kunnen maken op den naam van held,
+nu gij den Zwarten Ridder bij verrassing verslagen hebt! Maar dit
+zeg ik u, er wachten u nog gansch andere gevaren! Deze ridder, dien
+gij op zulk eene wreede wijze overrompeld hebt, heeft twee broeders:
+één van hen is de ridder, die mijne zuster in haar kasteel belegert;
+in den strijd met hem zult gij stellig het onderspit delven! De
+vraag is echter of gij het ooit zoover brengen zult, dat gij u met
+hem in het gevecht begeeft, want de andere broeder, de Groene Ridder,
+doolt hier in den omtrek rond en zal den dood van zijn broeder niet
+ongewroken laten. Daarom raad ik u aan, alsnog naar het hof terug te
+keeren en uw vroeger bedrijf weer op te vatten!"
+
+"Vrouwe", antwoordde Gareth, "uwe woorden kunnen mij niet deren! Zij
+gelijken op een zwerm kwade vliegen, die zich neerzetten op den rug
+van mijn paard en het trachten te steken, maar die het dier met eene
+enkele beweging van zich afslaat. Op dergelijke wijze schud ik uwe
+booze woorden van mij af. In uw hart weet gij, dat ge mij onrecht
+aandoet door zoo te spreken en eens zal er een oogenblik komen, dat
+gij spijt zult gevoelen, mij zoo behandeld te hebben. Thans bid ik u,
+voort te rijden en mij den weg te toonen naar het slot uwer zuster."
+
+Opnieuw reden zij eenigen tijd zonder spreken naast elkander voort, tot
+zij bij het vallen van den avond bij eene kromming van den weg werden
+staande gehouden door een ridder te paard, die geheel in het groen
+was gekleed. Toen hij Gareth in zijne zwarte wapenrusting bemerkte,
+wilde hij vol vreugde op hem toe ijlen, denkend, dat het zijn broeder
+was, maar Lynette, zoo heette de jonkvrouw, stak waarschuwend hare
+hand omhoog en riep uit:
+
+"Vergis u niet, edele Heer! De man, dien ge vóór u ziet, heeft uw
+broeder, den Zwarten Ridder, gedood en zich in diens wapenrusting
+gestoken om uwe wraak te ontkomen. Spaar hem niet, bedenk, dat hij
+uw broeders moordenaar is!"
+
+De Groene Ridder had geen verdere aansporing noodig. Met een kreet
+van toorn stormde hij op Gareth los, maar deze was op zijn aanval
+voorbereid en wist met eene behendige zwenking van zijn paard zijn
+zwaardslag te ontwijken. Daarop viel hij op zijne beurt aan en weldra
+waren de beiden in een heet gevecht gewikkeld.
+
+Na een langen strijd gelukte het Gareth zijn tegenstander diens
+wapenen uit de hand te slaan. De Groene Ridder stak beide handen
+omhoog en smeekte om genade, maar Gareth, die opgewonden was door
+den gunstigen afloop van het gevecht, riep uit:
+
+"Slechts onder ééne voorwaarde wil ik u het leven schenken en die is,
+dat de jonkvrouw Lynette mij dit als eene gunst verzoekt. Weigert
+zij zulks te doen, dan zijt gij een kind des doods."
+
+Lynette ontstak in hevige verontwaardiging. "Ik u iets verzoeken?" riep
+zij uit; "nimmer zal ik dat doen! Alles wil ik doen, om het leven van
+dezen ridder te sparen, maar dat nooit, neen nooit!" Maar toen zij zag,
+dat het Gareth ernst was met wat hij zeide en dat hij zijn zwaard reeds
+omhoog hief om den Groenen Ridder den genadeslag toe te brengen, kreeg
+haar gevoel van medelijden de overhand boven haar trots en sprak zij:
+
+"Welnu dan, het zij zoo! Ik verzoek u als eene persoonlijke gunst het
+leven van dezen ridder te sparen." Na deze woorden gesproken te hebben,
+wendde zij zich af en verborg het schaamrood gelaat in hare handen.
+
+Vol vreugde over zijne redding dankte de Groene Ridder Gareth voor
+zijne genade en verzocht hem en zijne gezellin den nacht in zijn
+kasteel door te brengen. Gaarne namen zij zijne uitnoodiging aan en na
+een verkwikkenden slaap begaven zij zich den volgenden morgen versterkt
+en uitgerust op weg. Het kasteel van Vrouwe Lyonors was nu nog slechts
+eene dagreis verwijderd van de plaats, waar zij zich bevonden, en zij
+hadden hoop het reeds den daaropvolgenden morgen te kunnen bereiken.
+
+De dag verliep zonder verdere avonturen en toen de avond begon te
+vallen betraden zij het gebied van Lyonors.
+
+Op aanraden van Lynette zochten zij een onderkomen in de woning van
+een kluizenaar, wien Lyonors een ruimen voorraad spijzen en dranken
+had doen toekomen om haren bevrijder, indien hij mocht komen, te
+laven en voor den komenden strijd te sterken.
+
+Het vooruitzicht van den op handen zijnden strijd belette Gareth om
+lang te slapen en reeds vóór het krieken van den dag was hij bezig,
+zijne wapenen na te zien, of alles voor het gevecht in orde was. Ook de
+jonkvrouw was vroeg uit de veeren en na een haastig ontbijt verlieten
+de beiden de eenzame kluis.
+
+Na eenige uren rijdens rezen de tinnen van een statig ridderslot op
+eenigen afstand voor hen op en weldra betraden zij de vlakte, welke
+zich aan den voet van het slot uitstrekte. Daar trof een vreeselijk
+schouwspel hun oog.
+
+In de vlakte waren vele tenten opgeslagen, welke tot huisvesting
+moesten dienen aan het leger van den Rooden Ridder en aan de boomen,
+die daar omheen groeiden, hingen--O schrik!--de afschuwelijk verminkte
+lijken van een aantal ridders.
+
+Vol ontzetting vroeg Gareth de jonkvrouw naar de beteekenis van
+dit afgrijselijk schouwspel, waarop Lynette hem op half spottenden,
+half medelijdenden toon ten antwoord gaf:
+
+"Heer, het zijn de lijken van uwe voorgangers, ridders, die, evenals
+gij, getracht hebben om mijne zuster te bevrijden. Ge ziet, hoe het
+hun daarbij vergaan is. Wat dunkt u, hebt ge nog moed om uwe kans
+te wagen?"
+
+Gareth aarzelde geen oogenblik, maar vroeg zijne gezellin kortaf om hem
+te wijzen, waar de Roode Ridder zich bevond. Toen bracht Lynette hem
+naar een wilden vijgeboom, in welks knoestige takken een reusachtige
+hoorn hing, en verzocht hem hierop te blazen.
+
+Gareth deed zulks en reeds bij den eersten hoornstoot vulden
+de wallen van het kasteel zich met vrouwen en ridders, die in
+angstige spanning omlaag zagen, om den nieuwen strijder voor hunne
+bevrijding te aanschouwen. In een der hoofdtorens van het kasteel
+werd een venster geopend en op een kreet van Lynette richtte Gareth
+zijne oogen daarheen. En ziet--voor het venster vertoonde zich
+eene vrouwengestalte, die zich in blijkbare spanning vooroverboog
+en Gareth recht in het gezicht zag. Bij het aanschouwen van dit
+bekoorlijk gelaat maakte eene ongekende ontroering zich van Gareth
+meester. Al zijne vernederingen en krenkingen waren vergeten, hij
+staarde en staarde naar dit lieflijk gelaat, en kon zich maar niet
+verzadigen aan den aanblik van die schoone oogen, die hem zoo angstig
+smeekend aanzagen. Plotseling werd hij zich met een schok bewust,
+dat dit de geliefde moest zijn uit zijne jongelingsdroomen, die zijne
+wenschen naar liefde en geluk zou verwezenlijken en die datgene,
+wat hem tot nu toe slechts in vage, zoete droomen had voorgezweefd,
+tot wonderschoone werkelijkheid zou maken. Zóózeer was de jongeling
+verdiept in de aanschouwing der schoone vrouwe, dat hij geheel vergat,
+welk een zware strijd hem wachtte, alvorens hij zich tot haar kon
+begeven. Een luide uitroep van Lynette riep hem tot de werkelijkheid
+terug en zich omwendend zag hij uit een der tenten een ridder te
+voorschijn treden, gekleed in eene bloedroode wapenrusting en voorzien
+van een schild en speer van diezelfde kleur. De ridder daagde hem op
+ruwen toon uit tot een tweegevecht op leven en dood, maar gebood hem,
+zich vooraf bekend te maken.
+
+Toen was het lang verbeide oogenblik gekomen, dat Gareth zich in zijne
+ware gedaante mocht vertoonen. Zijn blik gleed langs het gelaat van
+Lynette, waarop de hem bekende uitdrukking van minachting zetelde,
+toen zag hij omhoog naar Lyonors en riep met luider stem, zoodat ook
+de slotbewoners het hooren konden:
+
+"Mijn naam is Gareth, ik ben de zoon van koning Lot, die heerscher
+is over de Orcadische eilanden. Ik ben herwaarts gekomen om Vrouwe
+Lyonors te bevrijden, daar het de plicht is van ieder ridder om de
+zwakken in den nood bij te staan. Ik beschuldig u van verzaking uwer
+ridderplichten en bedreiging van vrouweneer. Die beschuldiging zal
+ik met kracht van wapenen staven!"
+
+Hierop begon het gevecht, dat in hevigheid alle voorgaande gevechten,
+welke de Roode Ridder gevoerd had, overtrof. Met al de kracht van zijne
+frissche jeugd wierp Gareth zich op zijn tegenstander en, mocht deze
+hem al in lichaamsgrootte en kracht overtreffen, zoo behaalde onze held
+menig voordeel door zijne meerdere vlugheid. Daarbij was het gevoel,
+onder de oogen zijner geliefde te strijden, hem eene aansporing te
+meer om zich tot het uiterste in te spannen en de gedachte aan het lot,
+dat haar bedreigde, wanneer hij in den strijd het onderspit zou delven,
+schonk hem eene schier bovenmenschelijke kracht.
+
+Toen het gevecht eenigen tijd had geduurd, begon de Roode Ridder
+teekenen van vermoeidheid te vertoonenen zoodra Gareth dit bemerkte,
+verdubbelde hij zijne krachtsinspanning. Toen zijn tegenstander kort
+daarop zijn schild ophief om een zwaardslag van Gareth, welke op zijn
+hoofd gericht was, af te weren, maakte onze held hiervan gebruik om hem
+met de linkerhand zijne scherpe speerpunt in de zijde te drukken. Met
+een kreet van pijn liet de Roode Ridder zijn schild uit de hand vallen
+en verklaarde zich overwonnen.
+
+Welk eene vreugde! Van de muren van het kasteel schalden de
+juichkreten, de poorten werden geopend, de breede slotbrug werd
+neergelaten en eene blijde menigte volks kwam Gareth tegemoet, toen hij
+zich aan de hand van Lynette naar den ingang van het slot begaf. Het
+jonge meisje had hem onder een stortvloed van tranen haar leedwezen
+betuigd over haar gedrag en hem gesmeekt haar te willen vergeven,
+maar onze held luisterde nauwelijks naar wat zij zeide.
+
+Bevend van spanning verzocht hij haar hem naar hare zuster te brengen
+en zoo gingen zij te zamen de brug en het slotplein over en naderden de
+hoofddeur van het kasteel. Daar werden de wijde vleugeldeuren geopend
+en naar buiten trad de schoone slotvrouwe, die met betraande oogen
+en uitgestrekte handen op Gareth toekwam. Toen zij hem zag in al den
+bloei zijner mannelijke schoonheid en in zijne oogen de bewondering
+las, die hij voor haar gevoelde, ontvlamde wederkeerig in haar hart
+de liefde voor dezen jongen held, die haar door zijne dapperheid voor
+een vreeselijk lot bewaard had.
+
+Eenige dagen later werd hunne verloving gevierd en te zamen keerden
+zij kort daarop terug naar het hof des konings. De laatste had
+intusschen uit een schrijven van zijne zuster, koningin Morgawse,
+vernomen, wie de jongeling was, die hem in de afgeloopen maanden zoo
+trouw had gediend. Geen wonder dus, dat de terugkomst van onzen held
+met spanning door het gansche hof werd verbeid.
+
+Toen hij als overwinnaar terugkeerde en nog wel met eene schoone
+bruid aan zijne zijde, kende de algemeene vreugde geene grenzen.
+
+Weldra werd het huwelijk tusschen het jonge paar voltrokken en op
+dienzelfden dag werd Gareth plechtig opgenomen onder de ridders der
+Tafel Ronde. Thans waren zijne stoutste droomen verwezenlijkt: liefde
+en eer, geluk en aanzien waren zijn deel geworden. Lange jaren brachten
+hij en zijne schoone gemalin in vrede en voorspoed door aan het hof
+van koning Arthur. Hij bewees zijn vorst in den loop der jaren vele en
+gewichtige diensten, onderscheidde zich in menig gevaarvol avontuur,
+maar nooit vergat hij zijn proeftijd aan het hof, noch zijn eersten
+tocht als ridder naar het kasteel van Lyonors.
+
+
+
+
+
+INLEIDING TOT DE SAGE VAN EREC EN ENIDE.
+
+
+De eerste vorm, waaronder deze sage hare intrede heeft gedaan in
+de Middeleeuwsche letterkunde, was een gedicht van Chrétien de
+Troies. Omstreeks het jaar 1160 schreef deze zijn "Erec", dat als
+het oudste bestaande dichtwerk van zijne hand voor ons bewaard is
+gebleven. De dichter zegt als bron te hebben gebruikt een "conte
+d'aventure", dus een verhaal, dat hem bij monde van een reizend
+zanger of speelman ter oore was gekomen. Op deze "estoire" beroept
+hij zich eenige malen, maar toch moeten wij aannemen, dat de sage in
+hoofdzaak eene oorspronkelijke schepping van den dichter is geweest,
+al mag hij er hier en daar eene episode uit een reeds bestaand verhaal
+doorheen geweven hebben.
+
+Van het werk van Chrétien de Troies werden in de Middeleeuwen drie
+dichterlijke bewerkingen gemaakt. Als eerste dient genoemd het
+Middel-Hoogduitsche gedicht: "Erec", geschreven in de 13e eeuw door
+Hartmann von Aue, denzelfden dichter, die ook Chrétien's "Yvain"
+vertaalde. [40] Terwijl Hartmann zich in laatstgenoemde bewerking
+slechts enkele kleine wijzigingen veroorlooft, vertoont zijn "Erec"
+daarentegen groote oorspronkelijkheid in de behandeling van het
+Fransche gegeven. Dit wordt door Prof. W. Foerster, den bekenden
+uitgever van Chrétien's gedichten, hierdoor verklaard, dat Hartmann
+bij de bewerking van "Yvain" niet geheel naar zijn eigen wil heeft
+gewerkt, maar om de een of andere reden zich heeft moeten schikken
+naar den wensch van een vriend of beschermheer, die een getrouwer
+beeld van het Fransche gedicht verlangde, dan de dichter indertijd van
+"Erec" had gegeven.
+
+Als tweede bewerking noemen wij de Noorsche "Erex-saga", die dagteekent
+uit de 14e eeuw en die behoort tot den kring van Noorsche vertalingen,
+welke vervaardigd werden op last van Eufemia, gemalin van koning
+Haakon, in het begin der 14e eeuw.
+
+In "Germania" XVI, bld. 382-414, vinden wij eene studie van E. Kölbing,
+waarin voor de eerste maal de verhouding tusschen het Noorsche gedicht
+en dat van Chrétien nauwkeurig onderzocht wordt. De schrijver komt dan
+tot de slotsom, dat de Erex-saga over 't algemeen als eene getrouwe
+navolging van het Fransche dichtwerk kan worden beschouwd. Op sommige
+plaatsen evenwel stemt de loop der gebeurtenissen niet overeen
+met die in Chrétien's vertelling, maar wel met die in Hartmann's
+werk. Daaruit wil Kölbing afleiden, dat de Erex-saga en het Duitsche
+gedicht weliswaar op Chrétien's werk berusten, maar dat voor deze
+beide vertalingen een ander handschrift gebruikt werd dan hetgeen men
+thans gewoonlijk voor de kennismaking met den Franschen "Erec" benut.
+
+Behalve de beide genoemde bewerkingen treffen wij de geschiedenis
+van Erec en Enide ook aan onder de verhalen van den Mabinogion, de
+reeds meermalen genoemde Keltische sagenverzameling, welke eveneens
+eene bewerking van "Yvain" bevat. Onze sage verschijnt in de bekende
+Engelsche vertaling van Lady Charlotte Guest onder den titel "Geraint,
+the Son of Erbin." De naam Geraint heeft een bekenden klank in de oude
+letterkunde van Wallis, hij komt voor in de Triaden, waar de drager
+een beroemd zeeheld is, zelfs vinden wij melding van een heilige van
+dien naam.
+
+Evenals bij de beide andere verhalen [41] uit den Mabinogion, welke
+overeenstemmen met gedichten van Chrétien de Troies, bestaat ook in het
+geval van de Erec-sage bij de geleerden verschil van meening omtrent
+de verhouding tusschen de vertelling, zooals zij in den Mabinogion
+voorkomt en het overeenstemmende Fransche gedicht.
+
+De Duitsche geleerden, onder aanvoering van Foerster, Zimmer en Golther
+houden vol, dat de drie bovenbedoelde verhalen in den Mabinogion wel
+degelijk te beschouwen zijn als vertalingen van Chrétien's gedichten,
+[42] Gaston Paris daarentegen tracht in Romania XX, 1891, bld. 148-166,
+aan te toonen, dat de schrijver van deze verhalen behalve Chrétien
+nog eene andere Fransche bron voor zijn werk gebruikt moet hebben.
+
+Hoe het ook zij, de geschiedenis van Erec en Enide, zooals wij die in
+den Mabinogion aantreffen, maakt op den lezer een geheel anderen indruk
+dan het Fransche verhaal. Alles wat naar hoofsche sier en fijnere
+beschaving zweemt, heeft de schrijver van het proza-verhaal zorgvuldig
+ter zijde gelaten, ook zijn alle gevoelsuitingen en beschrijvingen uit
+de vertelling verdwenen. Zelfs het hoofdthema, dat in het Fransche
+gedicht bestaat in den strijd tusschen liefde en riddereer in het
+hart van den held, is hier geheel verschillend: Erec's handelwijze
+wordt verklaard door een nieuw motief, dat der jaloezie, waarvan in
+het oorspronkelijke werk geen sprake is. Dit motief vinden wij terug
+in Alfred Tennyson's vertolking van de Erec-sage, welke onder den
+titel van "Geraint and Enid" (in de uitgave van 1888 gesplitst in:
+"The Marriage of Geraint" en "Geraint and Enid") deel uitmaakt van
+zijne Koningsidyllen. De geschiedenis wordt hier weergegeven, zooals
+wij haar vinden in het Mabinogion-verhaal, alleen het laatste avontuur:
+"de Vreugde van het Slot", ontbreekt; in Tennyson's gedicht keeren
+Erec en Enide na het gebeurde in het kasteel van Limors zonder
+verder oponthoud naar het hof van koning Arthur terug. Nu wordt
+dit laatste avontuur in het Mabinogion-verhaal ook eenigszins vaag
+en onduidelijk geteekend en schijnt daardoor, meer nog dan in het
+gedicht van Chrétien, los te staan van de rest der vertelling. Toch
+is dit slechts in schijn het geval en is het avontuur wel degelijk van
+beteekenis voor den samenhang van het geheel. Erec neemt er aan deel,
+onmiddellijk na zijne verzoening met Enide, als wilde de dichter ons
+een overtuigend bewijs leveren van de vrijheid van handelen, welke
+het nauwelijks herwonnen geluk den held moet blijven veroorloven en
+ook werkelijk veroorlooft.
+
+Alvorens op de sage zelve nader in te gaan, dient hier nog melding
+gemaakt van de proza-bewerking, uit de 15e eeuw, vervaardigd in den
+kring van het Bourgondische hof in Vlaanderen. Ook het bestaan van
+eene bewerking uit dien kring is een punt van overeenkomst tusschen
+de Erec-sage en die van Yvain.
+
+Niet alleen echter in de lotgevallen der beide sagen, ook in
+het wezen der legenden zelve, vertoonen deze twee verhalen groote
+overeenkomst. Beide behandelen hetzelfde gegeven: dat, wat Hartmann
+von Aue in zijne Erec-vertaling het "Verliegen" noemt, n.l.: de
+verwaarloozing der ridderplichten terwille van de liefde voor eene
+vrouw. Hoe het kwam, dat dit vraagstuk zoozeer de aandacht van den
+dichter trok, bespraken wij reeds in de Inleiding tot de Sage van
+den Leeuwenridder.
+
+Volgens Gaston Paris bestond reeds in de 12e eeuw bij de Kelten in
+Wales de vrees voor eene te groote macht der vrouw in het leven van den
+ridder, die zoodoende uit liefde voor haar zijne plichten zou kunnen
+verzuimen. Indien deze bewering waarheid bevat, kan dus de Erec-sage,
+zooals Paris ons wil doen gelooven, ontstaan zijn in eene Keltische
+samenleving en door de Bretonsche zangers zijn overgebracht naar de
+Fransche hofwereld, waar zij de aandacht heeft getrokken van Chrétien
+de Troies, die het verhaal heeft aangepast aan de minder ruwe zeden
+van zijn tijd en er een gedicht van gemaakt heeft, met toevoeging
+van vele nieuwe bestanddeelen.
+
+Professor W. Foerster daarentegen is hieromtrent eene gansch
+andere meening toegedaan. Volgens hem zijn de begrippen van het
+"Verliegen"--alsook van de innige, echtelijke liefde tusschen held en
+heldin--zuiver Fransche bestanddeelen, die slechts door een Fransch
+dichter als Chrétien aan het verhaal kunnen zijn toegevoegd. Volgens
+hem waren deze beide voorstellingen den Kelten geheel vreemd, eene
+stelling welke derhalve in lijnrechte tegenspraak is met die van
+Paris. Wel vinden wij hetzelfde thema reeds vóór het ontstaan van
+"Erec" behandeld in den "Roman d' Alexandre", maar ook in de figuur
+van den Macedonischen held wordt het ideaal van een Fransch ridder uit
+dien tijd geteekend. [43] Volgens Foerster dient dus aan Chrétien in de
+vervaardiging van zijn "Erec" de grootst mogelijke oorspronkelijkheid
+te worden toegekend.
+
+Waar nu zooeven werd gezegd, dat de beide gedichten: "Erec" en
+"Yvain" gewijd zijn aan eene beschouwing van hetzelfde vraagstuk,
+zoo dient hier terstond te worden vastgesteld, dat de oplossing
+daarvan in het eerstgenoemde werk geheel verschillend is van die in
+het latere gedicht.
+
+In "Erec" moet de liefde zich buigen voor de gemeenschapsplichten
+van den held. De vrouw is de teeder liefhebbende echtgenoote, wier
+wil onderworpen is aan dien van haren man. Erec is en blijft de
+meester. Wanneer hij inziet, hoezeer hij Enide heeft miskend, komt
+het niet bij hem op, zich voor haar te verootmoedigen; zelfs op het
+oogenblik, dat hij innig berouw gevoelt over zijn hardvochtig optreden,
+spreekt uit zijne woorden een zeker gevoel van meerderheid. Trots en
+heerschzucht zijn de hoofdtrekken van zijn karakter; wanneer Enide,
+die hij toch oprecht liefheeft, hem mededeelt, hoezeer men hem om
+zijne overgroote liefde voor haar bespot en veracht, weet zijn
+gekrenkte hoogmoed voor eene wijle alle gevoelens van liefde en
+teederheid uit zijn hart te verbannen en is hij zelfs in staat tot
+grove en onridderlijke handelwijzen. Daarom zijn wij ook de meening
+toegedaan van Myrrha Borodine, die in haar werk, getiteld: "La Femme
+dans l'Oeuvre de Chrétien de Troyes" betoogt, dat nòch het motief
+der jaloezie, dat door Gaston Paris [44] en Ferdinand Lot [45] wordt
+verdedigd, nòch dat der "mésalliance", hetwelk in Hartmann's vertaling
+meer naar voren wordt gebracht en dat ook door Foerster in de Inleiding
+tot zijne Erec-uitgave met klem wordt bepleit, aan Erec's handelingen
+ten grondslag kunnen liggen. Volgens Myrrha Borodine zijn Erec's
+houding tegenover Enide, zijn vertrek uit zijns vaders slot en zijn
+gedrag nadien, alleen te verklaren uit een gevoel van diep gekrenkten
+trots. Eerst wanneer de wonde, die Enide's woorden hem geslagen hebben,
+geheeld is door de overtuiging, dat hij inderdaad de held gebleven is,
+die hij was, en dat hij nog in staat is een ieders eerbied, ook dien
+van zijne vrouw, op te wekken, wijkt de bitterheid uit zijn hart,
+om plaats te maken voor de zachtere gevoelens van liefde en vertrouwen.
+
+In "Yvain" nu is, zooals wij gezien hebben, [46] de oplossing van
+het vraagstuk eene gansch andere, men zou bijna zeggen, dat de
+slotsom, waartoe de dichter komt, juist tegenovergesteld is aan
+die in "Erec". In "Yvain" zegeviert de vrouw en in haar de liefde
+over den trots van den man. Deze laatste poogt weliswaar zich los te
+maken van de banden, die hem aan de schoone Laudine gebonden houden,
+ten einde opnieuw zijn vroeger leven op te vatten, maar weldra ziet
+hij in, dat hij niet zonder zijne geliefde kan leven. Na een zwaren
+beproevingstijd keert hij tot haar terug, als een ootmoedig zondaar
+valt hij voor haar op de knieën en voortaan zal, zoo voelen wij,
+haar wil de wet zijn, waaraan hij zijn leven zal onderwerpen.
+
+Wanneer wij ons de vraag stellen, welke van deze beide opvattingen zich
+het meest in de gunst des dichters kon verheugen, behoeven wij niet
+lang te aarzelen. Uit de wijze, waarop hij de karakters der beide
+heldinnen teekent, spreekt zoo duidelijk mogelijk zijne voorkeur
+voor de persoonlijkheid van Enide. Zij is in de oogen des dichters
+de ideale vrouw, teeder en zachtmoedig, maar met een ondergrond van
+kracht en rechtgeaarde fierheid, die tot uiting komen, wanneer zij
+in het kasteel van Limors hare eer bedreigd ziet.
+
+Zooals reeds eerder vermeld werd, is "Erec" het eerste gedicht
+van Chrétien de Troies, dat voor ons in handschriften bewaard is
+gebleven. Het aantal dezer handschriften is zeven. Over den tijd
+van ontstaan is in het gedicht geenerlei aanwijzing te vinden,
+zelfs ontbreekt elke toespeling op tijdgenooten of gelijktijdige
+gebeurtenissen. Wij kunnen dus de plaats, welke "Erec" inneemt
+onder de dichtwerken van Chrétien, slechts vaststellen aan de hand
+van toespelingen daarop, voorkomende in zijne andere gedichten. Deze
+toespelingen zijn echter zóó duidelijk, dat er over dit punt geenerlei
+twijfel bestaat en wij "Erec" zonder aarzelen kunnen rangschikken
+tusschen den verloren geganen "Tristan" en "Cligés". Dat het dichtwerk
+bij de tijdgenooten van den schrijver in den smaak is gevallen,
+staat vast; als bewijs daarvoor dienen de vele navolgingen van
+en toespelingen op de sage, welke wij in andere werken van dien
+tijd aantreffen. De naam van den held komt voor in verscheidene
+Arthurromans, zooals in: "Durmart", "Fergus", "Desconnus", "Claris"
+etc. In andere ridderverhalen vinden wij zelfs geheele episodes uit
+onzen roman opgenomen, zoo komt het verhaal van den dwerg met zijne
+zweep voor in "Fergus", "Meraugis", "Meriaduc" en andere, de jacht
+op het witte hert wordt genoemd in "Fergus" en in "Raguidel", de
+sperwer-episode in "Meraugis", "Desconnus" en "Durmart". Het avontuur
+van de Vreugde van het Hof [47] vinden wij op plompe wijze nagebootst
+in "Meraugis" en in "Rigomer".
+
+De naam Erec vindt volgens professor Zimmer zijn oorsprong in het
+Germaansche Euric, volgens Gaston Paris daarentegen stamt hij af
+van het Bretonsche Weroc, een naam, welke gedragen werd door een
+der voornaamste Britsche hoofden, die zich in de 5e eeuw in Bretagne
+kwamen vestigen.
+
+
+
+
+
+DE SAGE VAN EREC EN ENIDE.
+
+
+ "O purblind race of miserable men
+ How many among us at this very hour
+ Do forge a life-long trouble for ourselves,
+ By taking true for false, or false for true."
+
+ (Alfred Tennyson: "Geraint and Enid").
+
+
+_Hoe koning Arthur en zijne ridders op jacht gingen naar het witte
+hert en wat er dien dag verder geschiedde._ Het was aan den vooravond
+van het Paaschfeest. Koning Arthur hield hof te Cardigan in Wallis
+en de ridders van de Tafel Ronde hadden met hun gevolg hun intrek
+genomen in het vorstelijk paleis, om aldaar gezamenlijk het feest der
+Opstanding te vieren. Toen men des avonds in wijden kring bijeenzat,
+om te bespreken, op welke wijze men de komende dagen zou doorbrengen,
+kwam een der jagermeesters des konings de zaal binnentreden met het
+bericht, dat in de wouden rondom de stad een wit hert van buitengewone
+schoonheid was ontdekt. Terstond besloten de ridders eene poging te
+wagen om dit zeldzame wild te vangen en koning Arthur liet tegen den
+volgenden morgen een jachtrit uitroepen, waaraan een elk, die lust
+daartoe gevoelde, kon deelnemen. Tevens verklaarde hij, dat degene,
+die erin slaagde het hert te dooden, tot belooning het recht zou
+verkrijgen, om de schoonste vrouw van het hof een kus te geven.
+
+Walewein wees hem op het gevaar, dat deze belofte inhield. "Nijd
+en afgunst zullen het gevolg zijn van een dergelijk besluit", sprak
+hij, "immers, er is geene enkele vrouw aan het hof, of zij bezit een
+echtgenoot, vader of broeder om hare aanspraken op die onderscheiding,
+desnoods met kracht van wapenen, te doen gelden. Geen uwer ridders
+zal dulden, dat eene andere vrouw dan de zijne, verklaard wordt de
+schoonste te zijn!" De koning echter kon zijn eens gegeven woord niet
+herroepen en zoo bleef zijne belofte van kracht.
+
+Gedurende het overige deel van den avond heerschte er onder de ridders
+en hovelingen groote bedrijvigheid, om alles voor de komende jacht
+in gereedheid te brengen. Temidden der toebereidselen trad koningin
+Ginevra op haren echtgenoet toe en vroeg hem vergunning, om hem op
+dien tocht te vergezellen. Dit werd haar gaarne toegestaan en verheugd
+begaf de vorstin zich ter ruste, om den volgenden morgen vroegtijdig
+bij de hand te kunnen zijn.
+
+Bij het eerste morgenkrieken verliet Arthur zijne legerstede en maakte
+zich voor den rit gereed. De koningin sluimerde echter nog zoo rustig,
+dat haar gemaal het niet over zich kon verkrijgen, haar te wekken. Hij
+gaf hare kamervrouwen last, haar niet te storen en verliet in alle
+stilte het vertrek, om zich met zijne ridders op weg te begeven.
+
+Eenige uren later ontwaakte Ginevra uit haren diepen slaap door een
+zonnestraal, die door het venster juist op haar gelaat viel. Even
+bleef zij liggen in dien toestand tusschen droomen en waken, waarin het
+besef van wat er gedurende den vorigen dag is geschied, langzaam tot
+den geest terugkeert. Zoo drong ook de herinnering aan den voorgenomen
+jachtrit allengs tot haar brein door en, nu zij geheel ontwaakt was,
+trof haar de ongewone stilte, die in het paleis heerschte. Verschrikt
+rees zij overeind. Zou zij te lang geslapen hebben en zich daardoor
+het genot ontzegd zien van de vroolijke jacht, waar zij zich zóó
+op verheugd had? Hare kamervrouwen bevestigden haar vermoeden en
+vertelden haar, dat de koning zelve bevel gegeven had, hare rust
+niet te storen. Verdrietig over deze teleurstelling besloot Ginevra
+zich in aller ijl naar het woud te begeven, in de hoop ten minste
+bij het einde der jacht tegenwoordig te kunnen zijn. Zij beval hare
+dienaressen haar zoo snel mogelijk bij het kleeden behulpzaam te zijn
+en al zeer spoedig reed zij op haren witten telganger, vergezeld van
+één harer vrouwen de slotbrug over. Nauwelijks waren zij den zoom van
+het woud genaderd of het geluid van een dravend paard achter haar,
+deed de beide vrouwen omzien. In de verte naderde in vliegenden draf
+een ruiter, die, toen hij naderbij kwam, een der ridders van het hof
+bleek te zijn. Het was Erec, de zoon van koning Lac, welke laatste tot
+de aan Arthur schatplichtige vorsten behoorde. Blijkbaar had ook hij
+de jacht verzuimd, want hij droeg geene wapenrusting en geen ander
+wapen dan een zwaard met gouden greep. Om zijne schouders hing een
+purperen bandelier, aan welks beide uiteinden een gouden appel was
+bevestigd, die lustig heen en weer zwaaide bij den vluggen draf van
+zijn paard. Zijn breede mantel hing in zware plooien tot over den
+rug van zijn rijdier, onder dien mantel glinsterde zijn zijden buis,
+dat met gouddraad bestikt was.
+
+Minzaam hield de koningin haar rijpaard in, tot Erec haar had
+ingehaald. Deze boog eerbiedig het hoofd, maar Ginevra reikte hem
+vriendelijk lachend de hand en zeide: "Wij beiden zijn lotgenooten,
+Heer Prins! daarom moeten wij trachten, elkander te troosten. Wat
+dunkt u, zou het ons nog mogelijk zijn, om iets van de jacht te zien?"
+
+Erec bedacht zich even, toen antwoordde hij: "Niet ver van hier is
+een heuvel, vanwaar men den ganschen omtrek kan overzien. Indien wij
+ons daarheen begeven, zullen wij misschien den jachtstoet tusschen
+de boomen van het woud ontdekken en kunnen wij ons wellicht nog bij
+het overige gezelschap voegen, vóór de jacht ten einde is."
+
+Zijne aanwijzingen volgend, reed het kleine gezelschap eenige
+minuten voort, tot het bij eene verhevenheid in den woudbodem kwam,
+vanwaar men een ruimen blik had over het omliggende land. Aandachtig
+spiedde het drietal tusschen het dichte geboomte van het woud of zij
+niet de groene gestalten der jagers ontdekten, maar niets bewoog
+zich dan de wisselende schaduwen van takken en twijgen. Toen zij
+eenigen tijd zwijgend hadden staan wachten, kwam op een smal pad,
+dat langs den voet van den heuvel liep, een ridder aanrijden, in
+volle wapenrusting, met gesloten vizier en gevelde lans. Aan zijne
+zijde reed eene jonkvrouw en achter hen volgde een dwerg te paard,
+die het schild van den ridder droeg. Nieuwsgierig volgde Ginevra met
+hare blikken het vreemde drietal, dat zwijgend aan haar voorbijreed;
+nòch de jonkvrouw, nòch de ridder waren haar bekend. Waar zouden zij
+vandaan komen en wat zou het doel zijn van hunne reis? Zich tot hare
+dienares wendend, sprak de koningin: "Gaat heen en vraag gindschen
+ridder zijn naam en dien zijner gezellin!"
+
+De aangesprokene deed, wat haar bevolen was; zij stuurde haar paard den
+heuvel af in de richting der voorbijtrekkenden, maar toen zij dezen
+wilde naderen, reed de dwerg haar tegemoet en vroeg haar, wat zij
+verlangde. Op hare mededeeling, dat hare meesteres wenschte te weten,
+wie de vreemde ridder was, die daar henen reed, werd haar op ruwen
+toon ten antwoord gegeven, dat de vreemdeling weigerde zijn naam te
+noemen. Toen zij, verontwaardigd over deze onheusche bejegening, bleef
+aandringen, sloeg de dwerg haar zóó hardhandig met eene lange rijzweep
+in het gelaat, dat het bloed haar langs de wangen vloeide. Weenend van
+pijn en schaamte vluchtte het jonge meisje terug naar de plek, waar de
+koningin en Erec den uitslag van het onderhoud afwachtten en toen de
+laatste zag, hoe zij door den dwerg mishandeld was, gaf hij terstond
+zijn paard de sporen, om den onbeschaamde te straffen voor de grove
+beleediging, welke deze zijne vorstin in hare dienares had aangedaan.
+
+Opnieuw plaatste de dwerg zich in het pad, dat Erec nemen moest,
+en wachtte met eene boosaardige grijns op het gelaat diens nadering
+af. Op hoogen toon gelastte de ridder hem, terstond den naam zijns
+meesters te zeggen, maar ook tegenover hem bleef de dwerg in zijne
+weigering volharden. Erec wendde zijn paard in de richting van den
+vreemden ridder, die, zonder zich te bekommeren over hetgeen achter
+hem voorviel, zijn weg vervolgde, om dien ridder zelven rekenschap te
+vragen over de beleedigende houding, die zijn dienaar tegenover Erec
+aannam. Toen de dwerg Erec's plan bemerkte, reed hij hem in den weg
+en sloeg hem met zijne zweep in het gezicht. Dit was te veel voor den
+trotschen ridder. Kokend van woede wilde hij zich op den dwerg werpen,
+om hem met zijn zwaard den schedel te splijten, maar hij bedwong zich
+juist bijtijds. Het ging toch niet aan, dat hij, een ridder der Tafel
+Ronde, zich in een tweegevecht zou begeven met een erbarmelijk wezen
+als dezen dwerg, boven wien hij zich zóó hoog verheven voelde als boven
+het stof onder zijne voeten! En dan nog wel ten aanzien van zijne
+geëerbiedigde vorstin, neen, die vernedering zou te groot zijn! Hij
+deed beter met dien vreemden ridder, die daar zoo kalm en onverstoord
+zijn weg vervolgde, terwijl zijn dienaar zich aan dergelijke grofheden
+schuldig maakte, ter verantwoording te roepen. Maar--zoo bezon hij
+zich--de vreemdeling was in volle wapenrusting en bovendien voorzien
+van lans en schild--hij zelve daarentegen droeg zijne hofkleedij: het
+zijden buis met den wijden mantel, die hem bij het vechten in zijne
+bewegingen zou belemmeren. Toch, zoo zwoer hij bij zich zelven, zou hij
+zich niet straffeloos laten beleedigen! Zich op de lippen bijtend van
+verbeten woede, reed hij den heuvel weer op, waar Ginevra hem wachtte
+en vroeg haar verlof om den vreemdeling te volgen, tot hij aan eene
+plaats zou komen, waar hij zich wapenen en rusting kon verschaffen,
+om zich over de hem aangedane beleediging te wreken. Na verloop
+van drie dagen hoopte hij aan het hof terug te keeren, tot zoolang
+verzocht hij Ginevra, hem bij den koning te willen verontschuldigen.
+
+Gaarne stond de vorstin hem zijn verzoek toe; ook zij gevoelde zich
+diep gekrenkt door de handelwijze van den dwerg en de gedachte, dat
+hem daarvoor eene gerechte straf zou worden toegediend, kon haar dus
+niet anders dan aangenaam zijn.
+
+Erec nam dus afscheid van zijne meesteresse en haastte zich, den
+vreemden ridder, die reeds bijna uit het gezicht verdwenen was, weder
+in te halen. Urenlang volgde hij hem op eenigen afstand; langs velden
+en beemden, door uitgestrekte, donkere bosschen liet hij zich door
+het vreemde drietal leiden, tot hij hen tegen het einde van den middag
+eene hooge helling zag bestijgen. Op den top van den heuvel aangekomen,
+staken hunne gestalten een oogenblik als drie donkere schimmen tegen
+den helderen voorjaarshemel af, daarna schenen zij weg te duiken aan
+gene zijde des heuvels. Erec gaf zijn paard de sporen en draafde de
+hoogte op. Toen hij den top bereikt had, zag hij aan zijne voeten
+een dal, aan alle zijden omgeven door begroeide heuvels. Door het dal
+stroomde eene rivier en aan den oever daarvan verrees een ridderslot,
+welks tinnen glinsterden in de namiddagzon.
+
+Rondom het slot lagen een aantal woningen door het dal verspreid
+en bij nadering bleek het Erec, dat daarin eene ongewone drukte
+heerschte. Van alle zijden klonk een geluid als het hameren van staal
+op een aanbeeld en inderdaad, overal bleken smeden aan het werk te
+zijn. Ook waren de straten vol van dringende, schreeuwende menschen
+en spoedig was het onzen held duidelijk, dat men zich hier aan den
+vooravond van eene gewichtige gebeurtenis bevond. Één ding was zeker:
+zoo ergens, zou hij er hier in slagen, zich wapenen te verschaffen,
+waarmede hij zich op zijn onbekenden vijand wreken kon. Deze was
+intusschen voor Erec's oogen in het slot aan de rivier verdwenen, waar
+hij met gejuich door de bewoners was binnengehaald. Erec kreeg allengs
+behoefte aan rust en daar de avond begon te vallen, besloot hij vóór
+alles naar een geschikt nachtverblijf om te zien. Het viel hem echter
+niet gemakkelijk, dit te vinden; overal werd hij afgewezen, het scheen
+wel, of de gansche stad volgepakt was met menschen. Eindelijk verwees
+men hem naar een vervallen kasteel, niet veel meer dan een bouwval,
+dat zich op geringen afstand van het slot bevond.
+
+Bij de brug over de uitgedroogde slotgracht zat een grijsaard
+en staarde somber voor zich uit. Zijne kleeding toonde aan, dat
+hij betere dagen gekend had; de stof moest eens fraai en kostbaar
+geweest zijn, maar was thans vaal en versleten. De oude leunde met het
+hoofd op de hand en peinzend speelden zijne vingers met zijn langen,
+grijzen baard. Aarzelend trad Erec naderbij, iets in het gelaat van
+den grijsaard en in de wijze, waarop deze hem bij zijne nadering
+tegemoet trad, scheen erop te wijzen, dat hij van goede afkomst was,
+en dat slechts de dwang der omstandigheden hem tot dezen staat van
+gebrek had gebracht.
+
+Op hoffelijken, bescheiden toon vroeg Erec om een onderkomen voor
+den nacht. Toen hij uitgesproken was, antwoordde de grijsaard:
+"Wanneer gij u wilt vergenoegen met een eenvoudig maal en een nederig
+nachtverblijf, heet ik u welkom in mijne woning. Armelijk en vervallen
+is zij en gansch verschillend van haren vroegeren staat, maar nooit nog
+hebben wij den voorbijtrekkenden vreemdeling een onderkomen behoeven
+te weigeren. Daarom, treed binnen en wees nogmaals welkom geheeten
+in mijn huis."
+
+Erec reed de brug over en het voorplein op, waar het onkruid wortel
+had geschoten tusschen de verbrokkelde steenen. Overal werd zijn
+oog getroffen door sporen van armoede en verval. De muren van het
+slot waren gedeeltelijk ingestort en op de bouwvallen tierden welige
+woekerplanten. Hier had een enkel stuk muur zich staande gehouden,
+en zag Erec den roodgekleurden avondhemel door de omlijsting van wat
+eens een boogvenster was geweest; ginds bespeurde hij eene torentrap,
+waarvan de omringende muren waren ingestort en die nu nutteloos
+was geworden; lange klimopranken hingen langs de trap omlaag en
+bedekten de uitgesleten treden met hare groene slingers. Getroffen
+door al deze kenteekenen van tegenspoed en achteruitgang zag Erec
+zijn gastheer aan en deze, die op het gelaat van zijn gast kon
+lezen, wat er in hem omging, lachte bitter en zeide: "Ik bemerk,
+dat gij getroffen zijt, door het armoedig uitzien mijner woning. Het
+gevoel van medelijden, dat ik op uw gelaat weerspiegeld zie, doet uw
+goede hart eer aan. Inderdaad, wel zijn de omstandigheden veranderd
+bij vroeger, toen een ieder het zich tot eene eer rekende, in mijn
+huis te worden ontvangen, waar ik steeds open tafel hield, en waar
+de zalen weergalmden van blijde stemmen en vroolijk gelach. Kwade
+lastertongen hebben het hunne gedaan, om mij ten val te brengen,
+ook mijne eigen goedgeloovigheid en te groote mildheid zijn daaraan
+schuld. Maar kom, niet langer getreurd over wat voorbij is! Treed
+binnen in onze nederige woning; gij vindt er een even gastvrij,
+zij het een minder ruim onthaal dan vroeger".
+
+Bij deze woorden leidde de grijze edelman Erec naar den middenbouw van
+het kasteel, het eenige gedeelte, waarvan de muren zich hadden staande
+gehouden. Door de hoofddeur traden zij eene ruime zaal binnen, waar
+zich twee vrouwen bevonden, bezig met eenig huiswerk. De eene was eene
+bejaarde dame, wier waardig voorkomen en statige houding aantoonden,
+dat het werk, hetwelk zij thans verrichtte, haar vroeger vreemd moest
+zijn geweest, de andere scheen de dochter des huizes te zijn. Nooit
+nog had Erec een lieftalliger verschijning gezien dan die van dit
+jonge meisje. Haar gelaat was frisch en bloeiend als eene roos, haar
+blonde haren hingen haar in twee vlechten op den rug en het eenvoudige,
+grijze kleedje, dat zij droeg, deed de slanke lijnen harer gestalte
+voordeeliger uitkomen, dan het fraaiste staatsiekleed zou kunnen
+doen. Maar het was niet alleen hare schoonheid, die Erec's hart sneller
+deed kloppen, er was iets in haren oogopslag, in de onbewuste gratie,
+waarmede zij over haar werk gebogen zat, dat hem onweerstaanbaar
+bekoorde. Zijn gastheer maakte zijne echtgenoote en dochter aan hem
+bekend en verzocht de laatste, om het paard van den gast naar den
+stal te leiden en van voedsel te voorzien. Haastig sprong Erec op,
+ten einde haar bij die taak behulpzaam te zijn, maar zijn gastheer
+hield hem terug met de woorden: "Bij gebrek aan een stalknecht, neemt
+Enide, mijne dochter, diens plichten op zich. Weerhoud haar niet wat
+ik u bidden mag, want de gedachte zou ons ondraaglijk zijn, dat een
+gast zelve zijn paard moest verzorgen". Zoo moest Erec dus lijdelijk
+toelaten, dat Enide met vluggen tred het vertrek verliet, zijn ros
+bij den teugel nam en het met zich mee voerde. Zoolang hij kon volgde
+hij haar met de oogen, toen zette hij zich neer en begon op aandringen
+van zijn gastheer te vertellen, wat hem herwaarts had gevoerd.
+
+Bij de beschrijving, die hij gaf van den vreemden ridder met zijne
+dame en den dwerg, knikte de grijsaard eenige malen bevestigend met
+het hoofd en toen Erec eindigde met hem te vragen, wat wel de oorzaak
+kon zijn van de ongewone drukte en beweging in den omtrek, gaf hij ten
+antwoord: "De reden daarvan is vlug genoeg gezegd. Morgen zal hier het
+groote jaarlijksche steekspel gehouden worden, dat bekend staat als
+het Steekspel van den Sperwer. De deelnemers daaraan strijden om den
+schoonheidsprijs voor hunne dame, welke prijs bestaat uit een gouden
+sperwer, rustend op eene zilveren staaf, die aan de ééne zijde van
+het strijdperk tusschen twee vorken is opgehangen. De ridder, dien
+gij zoekt, is de laatste twee jaren als overwinnaar uit het perk te
+voorschijn getreden; mocht het hem dit jaar opnieuw gelukken, zijne
+tegenstanders te verslaan, dan wordt de gouden sperwer en daarmede
+het recht der schoonste, voorgoed toegekend aan zijne geliefde."
+
+"Dat mogen alle heiligen verhoeden!" riep Erec uit, "ik zelve zal tegen
+hem in het veld treden en bitter zal hij boeten voor de beleediging,
+mijne vorstin aangedaan! Wanneer ge mij slechts de noodige wapenen
+wilt verschaffen, zal ik deze gelegenheid om mij te wreken, niet
+onbenut laten voorbijgaan!"
+
+"Wapenen kan ik u wel bezorgen", hernam de grijsaard, "maar om eene
+andere reden zal het u, vrees ik, onmogelijk zijn, aan den strijd
+deel te nemen. Allen, die dit doen, moeten vergezeld zijn van eene
+dame, voor wie zij den schoonheidsprijs opeischen en gij reist
+immers alleen?"
+
+Bij deze woorden schoot Erec het bloed naar de wangen. Gedurende den
+ganschen tijd, dat hij met zijn gastheer in gesprek was geweest,
+hadden zijne blikken de bekoorlijke gestalte van het jonge meisje
+gevolgd, dat na haren terugkeer uit den stal zich onledig had gehouden
+met het bereiden van een eenvoudig avondmaal. De kalme opgewektheid,
+waarmede zij hare bezigheden verrichtte, de vriendelijke wijze, waarop
+zij hare moeder het werk uit handen nam, en de teederheid, waarmede
+zij hare bejaarde ouders scheen te omringen, hadden op het gemoed
+van den jongen man een diepen indruk gemaakt, die nog versterkt werd
+door haar liefelijk voorkomen. Zonder zich een oogenblik te bedenken,
+gehoor gevend aan eene plotselinge ingeving van zijn hart, riep hij
+uit: "Laat mij uw dochters rechten op den schoonheidsprijs mogen
+verdedigen! Geene, die hem meer waardig is dan zij. Daarom, vergun
+mij te trachten hem voor haar te veroveren en wanneer ik ongedeerd
+uit den strijd te voorschijn treed, schenk mij dan hare hand! Sedert
+ik hier binnentrad, ken ik geen grooter wensch op aarde, dan haar
+de mijne te mogen noemen; geloof mij, ik zal haar gelukkig maken en
+haar mijn leven lang eeren en liefhebben. Nog steeds weet ge niet,
+wie ik ben. Mijn naam is Erec, ik ben de zoon van koning Lac en een
+ridder van koning Arthur. Reeds lang drong mijn vader er op aan, dat
+ik eene vrouw zou nemen; hij zal dus uwe dochter met vreugde welkom
+heeten en haar met geschenken overladen. Ook aan uwe armoede zal hij
+een einde maken; de goede tijden van weleer zullen wederkeeren en uw
+hart zal zich verjongd gevoelen door het geluk van uw kind!"
+
+Toen hij zweeg, vatte Enide's vader hem geroerd bij de hand en
+sprak: "Gij hebt waardig en eerlijk gesproken; uw naam en die van uw
+vader waarborgen ons, dat het u ernst is, met wat ge zegt. Daarom,
+wanneer Enide geen bezwaar heeft, zal zij uwe vrouw worden. Moge God u
+morgen in den strijd bijstaan en u langen tijd voor ons kind gespaard
+houden! En nu, wat denkt Enide zelve ervan, waar is zij?" Dit zeggend,
+zag de edelman om zich heen, maar Enide was nergens te bespeuren;
+bij het hooren van haar naam had zij ijlings het vertrek verlaten,
+door maagdelijken schroom gedreven. Lachend zagen hare ouders elkander
+aan en de moeder stond fluks op om hare dochter te volgen, terwijl
+Erec met zijn gastheer diens wapenen in oogenschouw ging nemen,
+om daaruit zijne keuze voor den volgenden dag te doen.
+
+De morgen van het groote steekspel brak helder en zonnig aan. Tegen
+het aanvangsuur stond een dichte menschenhaag geschaard om het ruime
+grasveld, waar het tournooi gehouden zou worden. Aan de ééne zijde
+glinsterde en flikkerde de gouden sperwer in den zonneschijn, aan de
+andere zijde van het perk waren de tenten der ridders opgesteld, die
+aan den strijd zouden deelnemen. Een aantal schoone vrouwen bevonden
+zich onder de toeschouwers en wierpen begeerige blikken naar den prijs.
+
+Daar kwam Erec aanrijden op zijn vurig ros en aan zijne zijde reed
+Enide, de blonde haren golvend in den wind en een blos van opwinding
+op de wangen.
+
+Juist toen de herauten het sein wilden geven, dat de strijd zou
+beginnen, reed de vreemde ridder in woeste vaart het strijdperk binnen,
+gevolgd door zijne geliefde. Met ruwe hand greep hij den sperwer van
+de zilveren staaf, zwaaide hem uitdagend boven het hoofd en reikte
+hem toen aan zijne dame met de woorden: "Als de schoonste onder de
+schoonen overhandig ik u dezen prijs en daag tevens een ieder, die
+lust daartoe gevoelt, uit, om mij het recht daartoe te betwisten!"
+
+Alle aanwezige ridders zwegen, maar Erec drukte de sporen in de flanken
+van zijn paard en reed het perk binnen, terwijl hij uitriep: "Dat doe
+ik en wel op grond, dat mijne geliefde schooner is dan de uwe. Voorts
+heb ik nog eene rekening met u te vereffenen wegens de grievende wijze,
+waarop uw dwerg mijne vorstin en mij beleedigd heeft. Laat ons zien,
+wie het recht aan zijne zijde heeft!"
+
+Daarop begon een lange en hevige strijd, waarin de beide ridders
+wedijverden in kracht en behendigheid. Nu eens scheen Erec, dan
+weer zijn onbekende tegenstander het onderspit te moeten delven, maar
+telkens herstelden zij zich en vielen met hernieuwde kracht op elkander
+aan. Eindelijk gelukte het Erec, zijn vijand uit den zadel te lichten;
+met een behendigen zwaai sprong ook hij van zijn paard, zette den
+vreemdeling de punt van zijn zwaard op de borst en riep uit: "Geef u
+gewonnen of ik dood u!" De aldus toegesprokene wierp zijn wapen weg en
+smeekte om genade, daarop beval Erec den ridder op te staan en hem zijn
+naam te noemen. "Gaarne wil ik dat doen", antwoordde de vreemdeling,
+"want ik erken uwe meerderheid. In een open en eerlijk gevecht hebt
+ge mij verslagen en de rechten uwer geliefde op den schoonheidsprijs
+op mannelijke wijze verdedigd. Geen ridder behoeft het zich tot eene
+schande te rekenen door u verslagen te worden. Weet dan, mijn naam
+is Yder, en van nu af aan stel ik mijne diensten tot uwe beschikking."
+
+"Als dat zoo is," hernam Erec, "zoo draag ik u op naar het hof van
+koning Arthur te gaan en de koningin te melden, wie ge zijt en vanwaar
+gij komt. Tevens kunt gij haar mededeelen, dat ik weldra volgen zal
+en dat ik eene schoone, jonge bruid van mijne reis mede terugbreng."
+
+Yder deed, wat hem bevolen was en Erec begaf zich met Enide, die
+den gouden sperwer met zich mededroeg, in gezelschap van hare ouders
+huiswaarts.
+
+Groote vreugde heerschte dien avond in het bouwvallige kasteel; de oude
+graaf was opgewonden over den goeden afloop van den strijd en over
+al het geluk, dat zijn gezin daardoor ten deel zou vallen. Telkens
+weer drong hij er bij Erec op aan hem te vertellen, hoe zich alles
+aan het hof toedroeg, wie zijne vrienden waren en op welke wijze
+zij den tijd doorbrachten. Ook hoorde hij gaarne beschrijvingen van
+hoffeesten en aan de schittering in zijne oogen kon men zien, dat
+hij met zijne gedachten weer in het verleden verkeerde, toen ook hij
+bij dergelijke festijnen tegenwoordig placht te zijn. Nu en dan bleef
+zijn blik vol trots op zijne dochter rusten en stelde hij zich voor,
+hoe zij weldra aan het hof de plaats zou innemen, waarop zij door
+hare geboorte en schoonheid aanspraak mocht maken.
+
+Enide bewoog zich intusschen rustig en kalm door het vertrek en
+verrichtte hare huiselijke bezigheden als gewoonlijk. Slechts nu en
+dan zond zij een verstolen blik in de richting van Erec en wanneer het
+dan zoo trof, dat zijne oogen eveneens de hare zochten, verspreidde
+zich een warme blos over hare wangen en boog zij zich haastig over
+haar werk met eene uitdrukking van bekoorlijke verlegenheid op het
+schoone gelaat.
+
+Des avonds, toen Enide zich ter ruste had begeven, drong Erec er bij
+hare ouders op aan, dat zij reeds den volgenden morgen hem naar het
+hof zou vergezellen. Nadat hij de toestemming daartoe had verkregen,
+wilde de gravin zich ijlings verwijderen om het een en ander voor
+de reis in gereedheid te brengen; Erec hield haar echter terug en
+zeide: "Nog een ander verzoek heb ik aan u, dat u wellicht vreemd zal
+toeschijnen. Gaarne zou ik zien, dat Enide mij volgde in hetzelfde
+eenvoudige kleed, waarin ik haar gisteren voor 't eerst gezien heb
+en waarin zij mijn hart heeft weten te bekoren. Langen tijd geleden
+zeide koningin Ginevra eens tot mij, dat, zoo ik ooit eene bruid
+aan het hof mocht brengen, zij zelve haar de kleederen en sieraden
+wenschte te schenken, die aan haren rang pasten. Het aanbod was te
+vriendelijk om af te slaan, daarom, bid ik u, doe wat ik u verzoek."
+
+Hoewel Enide's moeder het denkbeeld niet aangenaam was, dat hare
+dochter in zulk eene eenvoudige kleedij aan het hof zou verschijnen,
+kon zij Erec's verzoek niet weigeren en werd dus aan zijn wensch
+voldaan.
+
+Den volgenden morgen vroeg begaven Erec en Enide zich op weg, nadat
+de laatste een teeder afscheid had genomen van hare ouders en van de
+woning harer kindsheid.
+
+Welk eene heerlijke reis was dat voor het jonge paar! Onder het
+helderblauwe hemelgewelf, door het zonbeschenen landschap, reden zij
+naast elkander voort. Aanvankelijk wilde het gesprek niet vlotten;
+het was alles nog zoo nieuw en vreemd voor hen, maar weldra raakten
+de tongen los en hadden zij elkander honderd dingen te vragen en te
+vertellen van hun beider jeugd, hunne vrienden en speelgenooten en
+hunne droomen en verlangens voor het leven.
+
+De uren vlogen voorbij, zonder dat zij het bemerkten; tegen den middag
+rustten zij eene wijle tegen een begroeiden heuvelrug en gebruikten een
+eenvoudig maal, dat Enide's moeder hun had medegegeven. Daarna drong
+Erec er op aan, dat het jonge meisje wat rust zou nemen en ondanks
+haar aanvankelijke tegenwerpingen bleek zij daar wel behoefte aan
+te hebben, althans zij viel al ras in eene lichte sluimering. Erec
+zat naast haar en beschouwde haar bekoorlijk gelaat. Een gevoel van
+trots en voldoening maakte zich van hem meester, toen hij bedacht,
+hoe men aan het hof zou staan te kijken, wanneer hij zijne bruid
+daar binnenvoerde en hoe naijverig de andere ridders zouden zijn op
+het bezit van zulk eene schoone vrouw. Ook het besef, dat hij van
+nu af aan haar natuurlijke beschermer was, dat zij vol vertrouwen
+met hem was meegegaan in het vreemde land en daar nu zoo rustig
+onder zijne hoede lag te sluimeren, gaf hem een streelend gevoel van
+zelfvoldoening. Toen hij haar eenigen tijd zwijgend had gadegeslagen,
+kon hij de verleiding niet langer weerstaan en hij wekte haar met een
+kus op de frissche lippen. Blozend rees Enide overeind en toen hij zijn
+kus wilde herhalen, en zij hem lachend afweerde werd het een vroolijk
+spel van stoeien en kozen tusschen de geurende bloemen en struiken.
+
+Onder scherts en gelach werd de reis voortgezet en tegen den avond
+bereikten de beiden den burcht te Cardigan. Den ganschen dag had de
+koningin de torenwachters doen uitzien naar Erec's komst en toen zij
+eindelijk van hen bericht ontving, dat een ridder met eene jonkvrouw
+te paard het kasteel naderde, ging zij in eigen persoon de komenden
+tot op het voorplein tegemoet. Minzaam ontving zij het jonge meisje,
+dat beschroomd en vol ontzag voor hare hooge gastvrouw, op haar
+toetrad en terstond nam zij Enide mede naar haar eigen vertrekken,
+terwijl Erec zich naar den koning begaf om verslag uit te brengen
+over zijn wedervaren.
+
+In de groote slotzaal vond hij den vorst met zijne gansche hofhouding
+bijeen, want dienzelfden avond zou beslist worden, aan welke der
+edelvrouwen koning Arthur--want hij was het, die het witte hert
+had weten te dooden--den kus als schoonheidsprijs zou toekennen. Met
+belangstelling luisterde men naar Erec's avonturen en toen de herauten
+na eenigen tijd de komst der koningin aankondigden, richtten aller
+oogen zich vol verwachting naar de deur van het vertrek.
+
+Daar trad koningin Ginevra binnen, schoon en bevallig als altijd, maar
+ditmaal hadden de aanwezigen weinig aandacht voor hare schoonheid,
+zóó zeer werd aller belangstelling geboeid door de lieftallige
+verschijning aan hare zijde.
+
+Ook Erec kon zijne oogen nauwelijks gelooven. Was deze vorstelijke
+verschijning, die hare kostbare kleederen zoo sierlijk en natuurlijk
+wist te dragen, alsof zij nooit anders gewend was geweest, inderdaad
+Enide, het eenvoudige, jonge meisje in haar grijze kleedje, dat hem
+daar ginds bediend en verzorgd had?
+
+Inderdaad, zij was het, met haar vriendelijk gelaat, hetwelk thans
+overtogen was met een diepen blos van opwinding, met hare lieve,
+blauwe oogen, die terstond bij haar binnentreden in de zaal de zijne
+zochten en met hare blonde haren, glinsterend als gesponnen goud,
+waartusschen zich nu een keten van blanke paarlen slingerde.
+
+Met bonzend hart en stralende oogen ging Erec zijne bruid tegemoet
+en leidde haar tot aan de treden van den troon onder het algemeen
+stilzwijgen der aanwezigen. Koning Arthur daalde van zijn zetel af en
+heette Enide met eenige welgekozen woorden welkom aan het hof; daarop
+liet hij haar aan zijne zijde plaats nemen en vond Erec gelegenheid
+om de koningin dank te zeggen.
+
+Spoedig daarop had de beslissing plaats aan wie de vorst den
+schoonheidskus zou schenken. Onder luide toejuichingen van het gansche
+hof verklaarde koning Arthur, dat hij Enide, de bruid van prins Erec,
+deze onderscheiding het meest waardig keurde en de daad bij het woord
+voegend, stond hij op en kuste het blozende meisje op beide wangen.
+
+Korten tijd daarna begonnen de voorbereidselen tot de bruiloft, die met
+Pinksteren gevierd zou worden. Ter gelegenheid van Erec' s huwelijk
+schreef de koning een groot tournooi uit, waaraan de edelste ridders
+uit het land deelnamen. Vele dagen duurden de bruiloftsfeesten, maar
+eindelijk naderde de zoo vurig verbeide dag, waarop de beide jonge
+menschen in den echt verbonden werden.
+
+Nadat zij eenigen tijd na hun huwelijk aan het hof hadden vertoefd, was
+de tijd gekomen, dat Erec zijne jonge vrouw naar zijn land zou voeren,
+om haar aan zijn vader, koning Lac, voor te stellen. Na van allen
+aan het hof een hartelijk afscheid te hebben genomen en na beloofd
+te hebben, dat zij spoedig zouden wederkeeren, vertrokken Erec en
+Enide, begeleid door een gevolg van zestig ridders, naar Carnant [48]
+in Zuid-Wallis, waar koning Lac verblijf hield. Daar werd hun eene
+feestelijke ontvangst bereid. Reeds bij den eersten aanblik van Enide
+toonde Erec's vader zich ten zeerste ingenomen met de keuze van zijn
+zoon, terwijl ook de leden der hofhouding zich er zeer over verheugden.
+
+Weldra gevoelde Enide zich geheel thuis in hare nieuwe omgeving en
+onder de algemeene belangstelling en welwillendheid bereikte het
+geluk van het jonge paar zijn vollen bloei.
+
+Naarmate de weken en maanden verliepen, ging Erec zich steeds meer aan
+zijne schoone vrouw hechten. Voortdurend zocht hij haar gezelschap;
+op de feesten aan het hof week hij niet van hare zijde en ook in zijn
+eigen slot verloor hij Enide geen oogenblik uit het oog.
+
+Soms zat hij uren lang naast haar, terwijl hare nijvere vingeren zich
+onledig hielden met eenig naaldwerk, en staarde in verrukking naar haar
+schoon gelaat. Wanneer een der aanwezigen dan iets tegen hem zeide,
+antwoordde hij nauwelijks, zóó zeer was al zijn denken door Enide
+in beslag genomen. Als in een der naburige landstreken een steekspel
+werd uitgeschreven en de ridders van koning Lac hem verzochten, hen
+daarheen te vergezellen, wist hij steeds een voorwendsel te vinden,
+om thuis te kunnen blijven, zóó ondragelijk was hem de gedachte om
+voor één of meerdere dagen zijne geliefde te moeten verlaten. Ook
+wanneer zijne vrienden uitreden op jacht naar wolven of wilde zwijnen,
+placht hij zijn tijd door te brengen in de vrouwenvertrekken, aan de
+voeten van Enide.
+
+
+
+_Hoe de hovelingen Erec bespotten over zijne liefde voor Enide en hoe
+deze hem dit mededeelde._ Weldra begon men aan het hof te fluisteren
+over de verandering, die in Erec had plaats gegrepen, en achter zijn
+rug werd spottend gemompeld over zijn hartstocht voor Enide, die hem
+tot een laffen dwaas maakte. In bedekte toespelingen verweet men hem
+zijn gedrag, dat zulk slecht voorbeeld was voor de jonge ridders uit
+zijne omgeving.
+
+Erec, in zijne verblindheid, bemerkte niets van de afkeurende stemming
+om hem heen, maar Enide, wier blik door de liefde gescherpt was,
+bespeurde alras, hoe men over hunne verhouding dacht. De spottende
+blikken, welke men op haren echtgenoot wierp, wanneer hij haar na het
+middagmaal naar hare vertrekken volgde, de heimelijke toespelingen en
+de schampere opmerkingen uit hare omgeving wondden haar in 't diepst
+harer ziel, maar nochtans vond zij niet den moed om haren echtgenoot
+eerlijk en ronduit te zeggen, wat haar het hart beklemde.
+
+Eens op een morgen, toen Enide vroegtijdig was ontwaakt en den slaap
+niet meer kon vatten, zette zij zich naast de legerstede van haren
+echtgenoot en beschouwde aandachtig diens slapende gestalte. Het
+kon niet anders, of zij moest getroffen worden door de schoonheid
+van zijn mannelijk voorkomen, zooals hij daar in rustige sluimering
+verzonken lag. De groote liefde, die zij voor hem gevoelde en haar
+trots op zijne kracht en dapperheid deden haar hart sneller kloppen,
+maar tegelijk drong de gedachte zich bij haar op, hoe zeer het
+te betreuren viel, dat zulk een edel en dapper man zich door den
+hartstocht zoodanig liet beheerschen, dat hij roem en aanzien, ja
+zelfs zijn goeden naam als ridder, er door dreigde te verliezen. In
+'t diepst van haar gevoelig hart maakte Enide er zich een verwijt
+van, dat zij de oorzaak was van dit alles en bijna wenschte zij,
+dat Erec haar nooit gezien had, zóó zeer kwelde haar de gedachte,
+dat hij door haar toedoen een onteerd man zou worden. Hoe langer zij
+het geliefde gelaat bezag, des te treuriger werd het haar te moede,
+tot zij eindelijk zachtkens begon te weenen. Een harer tranen viel
+op het gelaat van den slapende en deed hem ontwaken. Hevig verschrikt
+door den aanblik zijner weenende vrouw, rees Erec overeind en bezwoer
+Enide hem de oorzaak van haar verdriet mede te deelen.
+
+Toen, plotseling moed vattend, zeide zij, zonder hem te sparen, hoe
+de ridders en hovelingen hem achter zijn rug uitlachten en bespotten,
+hoe zij hem verweten, dat hij onverschillig geworden was voor roem
+en eer, hoe ze hem voor verwijfd en lafhartig scholden en voor een
+zwakkeling, die zijn wil had leeren te onderwerpen aan de luimen en
+grillen eener vrouw.
+
+De uitwerking harer woorden op Erec was vreeselijk. Het was hem, of de
+wereld, zijne wereld, waarin hij zoo trotsch en gelukkig voortleefde,
+uit hare voegen werd gerukt. Wat! hij een zwakkeling, hij buigen voor
+de grillen eener vrouw, hij, Erec, de fiere koningszoon, wiens wil
+wet was in het rijk zijns vaders en die, in het bewustzijn van zijn
+hoogen rang, vol hoogmoed placht neer te zien op de ridders uit zijne
+omgeving! Hoe durfden zij het wagen, die laffe vleiers en kruipers,
+om hem achter zijn rug te bespotten! Die gedachte joeg hem het bloed
+naar het hoofd en hij kon zich nauwelijks bedwingen met het zwaard
+in de hand naar buiten te snellen en hun rekenschap te vragen van
+hun schandelijk gedrag.
+
+En zij, Enide, het eenvoudige meisje, dat hij uit de diepste
+armoede tot zich had omhoog geheven, dacht zij misschien zooals
+die anderen? Gevoelde ook zij in haar hart slechts eene spottende
+geringschatting voor den armen dwaas, dien zij zoo geheel in hare
+macht had weten te krijgen? Beschuldigde zij hem soms ook van lafheid
+en eerloosheid? Dit denkbeeld deed hem nog veel meer leed dan het
+vorige, maar hij was te trotsch om haar te vragen, hoe zij over hem
+dacht. Zijn hart was slechts vervuld van één verlangen: haar en al
+die anderen te toonen, wie hij was! Door daden van dapperheid zou hij
+hen dwingen te erkennen, dat zij hem onrecht hadden aangedaan met te
+zeggen, dat hij een lafaard en zwakkeling was! Maar niet hier, aan
+het hof van zijn vader kon hij dit bewijzen; geen oogenblik langer
+dan noodig was, wilde hij in deze nu zoo gehate omgeving blijven,
+waar tot zelfs de muren hem zijne zwakheid schenen te verwijten.
+
+Niets had Erec geantwoord op hetgeen Enide gezegd had en de laatste,
+die reeds lang berouw gevoelde over haar openhartigheid, maakte zich
+inwendig de hevigste verwijten, dat zij door hare woorden den vrede
+tusschen hen verstoord had. Plotseling klonk Erec's stem, koud en
+hard, zooals zij die nog nooit gehoord had. "Het is genoeg!" zeide
+hij. "Wij zullen zien, of uwe woorden waarheid bevatten." Maak u gereed
+tot eene lange reis, wij vertrekken over een uur van hier." Daarop
+verliet hij het vertrek.
+
+Toen Enide een uur later, bevend van angst en spanning, het voorplein
+betrad, vond zij daar Erec, staande naast twee gezadelde paarden,
+omringd door een aantal hovelingen. Ook koning Lac bevond zich bij
+de groep van ridders en trachtte met hen de oorzaak te ontdekken
+van dit plotseling vertrek. Maar Erec was er niet toe te bewegen,
+iets anders daaromtrent mede te deelen, dan dat het hem behaagde om
+vreemde streken te bezoeken. Op het dringend verzoek van zijn vader
+om althans eenige ridders als gevolg mede te nemen, ten einde hem in
+het gevaar bij te staan, gaf hij kortaf ten antwoord, dat hij geen
+ander gezelschap wenschte dan dat zijner vrouw, omdat hij meende zich
+zelven en haar voldoende tegen elken aanval te kunnen beschermen.
+
+Nadat alle aanwezigen een hartelijk afscheid van Enide hadden genomen,
+reden de beiden zwijgend de slotbrug over. Nog éénmaal zag Enide
+om naar het kasteel, waar zij zulk een innig gelukkigen tijd had
+doorgebracht, nog éénmaal wuifde zij haren vrienden een laatst vaarwel
+toe, toen zette zij zich met een zucht vaster in den zadel en wierp
+tersluiks een angstigen blik op het booze gelaat van haren echtgenoot,
+die, zonder om te zien, somber voor zich uit starend, voortreed.
+
+Toen zij eenigen tijd zwijgend naast elkander waren voortgereden,
+hield Erec zijn paard in. Voor 't eerst sedert zij het slot hadden
+verlaten, zag hij Enide aan. Met eene uitdrukking van grimmigen ernst
+op zijn gelaat voegde hij haar toe: "Luister! Indien een verzoek
+van mij nog eenige waarde voor u heeft, zoo vraag ik u bij deze,
+om, wat er ook geschiede en wat gij ook zien moogt op uw pad, niet
+tegen mij te spreken. Hebt ge mij begrepen?" Enide knikte zwijgend;
+het spreken was haar onmogelijk, zóó zeer snoerde het verdriet over
+Erec's harde woorden haar de keel toe.
+
+Met gebogen hoofd reden zij verder en zonder het elkander te verraden
+maakten zij beiden onwillekeurig eene vergelijking tusschen dezen
+tocht en hun eersten gezamenlijken rit naar het hof, toen alles in
+hen jubelde en zong van blij geluk. Welk een verschil met thans, nu
+gekrenkte trots en angstige beschroomdheid hen van elkander verwijderd
+hielden! Zouden zij ooit weer tot elkaar komen?
+
+Nauwelijks hadden zij eenige mijlen afgelegd, of Enide bespeurde,
+hoe langs den zoom van het woud, dat vóór hen oprees, drie roovers
+kwamen aanrijden. Zonder zich een oogenblik te bedenken, riep zij
+uit: "Heer, wees op uw hoede! Ginds naderen drie mannen te paard,
+die zeker niet veel goeds in hun schild voeren!"
+
+"Heb ik u dáárom verboden tot mij te spreken?" voer Erec toornig uit:
+"dat gij bij de eerstkomende gelegenheid mijn gebod overschrijdt? Gij
+denkt zeker, dat ik te laf en te zwak ben geworden, om mij
+tegen die drie te verdedigen en dat ik u dus onbeschermd hier zal
+achterlaten! Gij behoeft echter niet bevreesd te zijn, zoover is het
+nog niet met mij gekomen!"
+
+Enide sloeg beschaamd de oogen neer, om aanstonds weer op te zien,
+toen zij bemerkte, hoe Erec in volle vaart op de roovers afstoof
+en hen met getrokken zwaard te lijf ging. Met een geweldigen zwaai
+van zijn wapen scheidde hij één zijner tegenstanders het hoofd van
+den romp en bracht den tweeden zulk een slag met zijn schild toe,
+dat de roover bewusteloos van zijn paard stortte. De derde was door
+het lot van zijne makkers zóó ontsteld, dat hij uit het zadel sprong
+en door het dichte struikgewas te voet het hazenpad koos.
+
+Enide, die op eenigen afstand den strijd had gadegeslagen, ademde
+verruimd op, toen zij Erec ongedeerd tot haar zag wederkeeren. Het
+eenige, wat hij haar van het voorgevallene toevoegde, was: "Ziet ge
+nu wel, dat uwe vrees ongegrond was?" daarna beval hij haar, de drie
+paarden bij den teugel te nemen en ze voor zich uit te drijven. Hij
+eindigde met haar nogmaals op het hart te drukken, om vooral niet
+tegen hem te spreken.
+
+Voor eene wijle gingen zij ongestoord huns weegs, toen plotseling
+Enide's waakzaam oog vijf ruiters ontdekte, die met gevelde lans op
+hen kwamen toerijden. Een oogenblik voerde zij een zwaren strijd in
+haar binnenste. Zou zij opnieuw zondigen tegen Erec's gebod en hem
+waarschuwen voor het dreigend gevaar? Het zou gewis zijne gramschap
+tegen haar nog doen toenemen, maar aan den anderen kant, bij een
+onverhoedschen aanval van zulk eene verpletterende overmacht zou hij
+zeer zeker het onderspit delven. Neen, liever nog haalde zij zich zijn
+toorn op den hals, dan dat zij zou verzuimen hem voor een dergelijk
+gevaar te waarschuwen. Zich omwendend naar Erec, die achter haar reed,
+riep zij hem toe: "Heer, opnieuw dreigt gevaar! Ditmaal zijn het vijf
+ridders, die u willen aanvallen. Ik smeek u, wees op uwe hoede!"
+
+De angst en bezorgdheid in haren toon waren Erec niet ontgaan en deden
+zijn gewond hart goed, maar zijne stem klonk nog barscher dan voorheen,
+toen hij Enide ten antwoord gaf: "Hoe dikwijls moet ik u hetzelfde
+verzoeken? Gij schijnt inderdaad allen eerbied voor mij verloren
+te hebben, dat gij mijn wil zoo herhaaldelijk wederstreeft. Wat die
+vijf schelmen betreft, ik zal ze eene passende ontvangst bereiden,
+daar kunt ge zeker van zijn!"
+
+Van achter een boom zag Enide in angstige spanning toe, hoe haar
+echtgenoot den ongelijken strijd tegen het vijftal aanbond, maar
+ook thans wist Erec door zijn onstuimigen aanval en verpletterende
+zwaardslagen zijne vijanden te verslaan. Drie der ridders lagen weldra
+op den grond te zieltogen, de beide anderen vluchtten met achterlating
+van hunne paarden en wapenen. Zonder een woord te spreken bond Erec de
+teugels der dieren samen, overhandigde ze aan Enide en beval haar voort
+te rijden. Met groote moeite hield deze de acht onwillige paarden in
+bedwang en toen Erec dit bespeurde, kwam het een oogenblik bij hem op
+om haar te hulp te komen en haar de teugels uit handen te nemen. Hij
+dwong echter met kracht elke aandoening van zachtheid in zijn hart
+terug en vervolgde zwijgend zijn weg.
+
+Het was allengs avond geworden en de beide reizigers zagen zich
+gedwongen, in het bosch te overnachten. Toen zij aan eene daarvoor
+geschikte plek waren gekomen, bond Erec de paarden aan een boom vast en
+begon hout te verzamelen voor een vuur. Enide was uitgeput op het gras
+neergezonken, maar toen Erec haar kortaf beval eenige rust te nemen,
+terwijl hij zou waken, weigerde zij met ongekende beslistheid, zulks
+te doen. Aan zijne gelaatstrekken en zijne gebogen houding zag zij,
+hoezeer de zware strijd hem vermoeid had en hoezeer hij behoefte had
+aan eenige uren slaap. Daarom liet zij niet af, alvorens hij zich
+naast het vuur had uitgestrekt en toen zij even daarna aan zijne
+rustige ademhaling bemerkte, dat hij was ingesluimerd, kwam er een
+glans van voldoening op haar gelaat. Op hare teenen sloop zij naar
+hem toe en spreidde haren mantel over hem uit, daarna zette zij zich
+naast hem neer en bracht den nacht wakende door. Hare overpeinzingen,
+terwijl zij daar zoo zat, waren niet van vroolijken aard. In den
+slaap was de booze, harde uitdrukking van Erec's trekken weggevaagd
+en het scheen zelfs, of er iets van een glimlach om zijne lippen
+speelde. Nu zij hem zoo zag liggen en zich de gebeurtenissen van dien
+dag in het geheugen terugriep, kwam het haar schier ongeloofelijk
+voor, dat de hovelingen het hadden durven wagen Erec van lafheid
+te beschuldigen. Opnieuw verweet zij zich hare openhartigheid, die
+het hart van haren geliefde voor haar had gesloten en zijne ziel met
+wrok en wantrouwen had vervuld. Was dit haar dank voor alles, wat hij
+voor haar gedaan had, dat zij het zijn moest, die hem deze pijnlijke
+wonde toebracht? Maar--zoo sprak eene andere stem in haar binnenste,
+had zij het niet gedaan uit liefde voor hem, was het niet beter hem
+eerlijk te wijzen op zijne fouten, dan hem te laten voortleven in
+een bestaan, dat hem tot oneer strekte?
+
+Zoo wikte en woog Enide het vóór en tegen van hare handelwijze en
+tobde zich af met het uitdenken van middelen, die Erec met haar zouden
+verzoenen, totdat het eindelijk begon te dagen tusschen de boomen en
+kort daarop de zonnestralen haar koesterend omvingen. Toen ontwaakte
+Erec, geheel verfrischt door zijne lange sluimering. Na een karig
+maal gebruikt te hebben, hervatten beiden zwijgend hunne reis.
+
+Tegen den middag lieten zij het bosch achter zich en zagen voor zich
+uit de tinnen oprijzen van een kasteel, dat gelegen was op den top van
+een heuvel, tegen welks helling eenige woningen verspreid lagen. Langs
+een pad, dat van den heuvel naar omlaag voerde, naderde een jongeling
+met eene groote mand op de schouders, waaruit een geur van versch
+gebakken brood opsteeg. Ondanks zijne zware vracht liep hij vlug en
+opgewekt, onder het voortgaan een lustig liedje neuriënd. Erec hield
+hem staande: "Wat hebt ge daar in uwe mand, vriend?" sprak hij, "en
+waar brengt gij ze heen? Indien het iets eetbaars is, wat ge draagt
+en het is voor geld te koop, zoo geef het ons. Wij hebben den nacht
+in het bosch doorgebracht en zijn zeer hongerig."
+
+De jongeling lachte vroolijk. "Ik wil u gaarne afstaan, wat ik draag,
+edele Heer," gaf hij ten antwoord, "het is brood en landwijn, die
+ik brengen moet aan de maaiers van mijn meester, Graaf Galoain,
+die daar ginds in de velden aan het werk zijn. Ik kan echter zoo
+noodig gemakkelijk nieuwen voorraad uit het slot halen, dus neem,
+waar ge lust in hebt." Dit zeggend, plaatste hij zijne mand op den
+grond en haalde er een verschgebakken brood en eenige kruiken wijn uit.
+
+Erec en Enide lieten zich niet tweemaal nooden. Zij zetten zich in
+het lange gras aan den kant van den weg en lieten zich het aangeboden
+voedsel kostelijk smaken. Toen zij gegeten en gedronken hadden,
+bood Erec den vriendelijken jongeling, die intusschen zijne mand
+aan de maaiers gebracht had, één zijner buitgemaakte paarden aan,
+tot belooning voor zijne welwillendheid. Opgetogen van vreugde dankte
+de knaap hem voor dit kostbare geschenk en toen Erec hem verzocht,
+hun een geschikt onderkomen voor den nacht aan te wijzen, verzekerde
+hij hem, daar gaarne voor te willen zorgen.
+
+Het drietal begaf zich nu den heuvel op en weldra had Erec met
+behulp van den knaap eene herberg gevonden, waar men hem een ruim
+vertrek aanwees als nachtverblijf voor hem en Enide. De jongeling was
+intusschen naar het kasteel teruggekeerd, waar hij vol trots aan een
+ieder, die het hooren wilde, vertelde, wat hem overkomen was. Het
+verhaal van zijn wedervaren kwam zoodoende ook ter oore aan Graaf
+Galoain zelven, die den knaap vóór zich liet verschijnen en zich
+persoonlijk verslag deed uitbrengen van zijne avonturen. Deze gaf
+hem zulk eene opgetogen beschrijving van den gullen en vriendelijken
+vreemdeling en de wonderschoone dame, die hem vergezelde, dat de
+graaf lust begon te gevoelen, zelf eens kennis te gaan maken met die
+onbekende gasten in zijne stad. Daarom beval hij zijn paard te zadelen
+en weinigen tijd later stapte hij af aan de herberg, waar Erec zijn
+intrek genomen had. Deze werd door den waard van de komst van zijnen
+hoogen bezoeker verwittigd en toen de graaf met zijn gevolg in het
+vertrek binnentrad, vond hij aldaar eene feestelijk gedekte tafel
+aangericht, bedekt met eene keur van kostelijke spijzen. Terstond werd
+hij getroffen door de hoffelijkheid, waarmede Erec hem tegemoet kwam,
+maar meer nog door de bevallige gratie van Enide. Na afloop van het
+middagmaal bleven de ridders tot laat in den avond bijeen. Onder een
+beker schuimenden wijn geraakten de tongen los en weldra zochten
+zij elkander te overtreffen in opgewonden verhalen van avonturen,
+die zij in den loop der jaren beleefd hadden. Enide had zich, zoo
+spoedig zij dit ongemerkt kon doen, van het gezelschap verwijderd en
+plaats genomen aan een open venster.
+
+Naar buiten, starend in den zwoelen zomernacht, geraakte zij weldra
+geheel verdiept in hare droeve overpeinzingen en hoorde niets meer van
+het luidruchtig gelach en gepraat der ridders. Ook bemerkte zij niet,
+hoe de graaf, wiens hoofd door den wijn verhit was, steeds vaker
+zijne blikken in hare richting liet dwalen. Eindelijk kon hij zich
+niet langer bedwingen en vroeg Erec vergunning om vóór zijn vertrek
+nog afscheid te mogen nemen van zijne schoone gastvrouw. Met een
+onverschillig handgebaar gaf Erec hiervoor zijne toestemming en een
+oogenblik later werd Enide opgeschrikt door de stem van den graaf aan
+haar oor, die haar op heeschen toon toefluisterde: "Waarom wendt gij
+uw schoon gelaat zoo hardnekkig van ons allen af? Is het om hem niet
+te zien, die uw echtgenoot is, maar die u niet gelukkig maakt? Want
+gelukkig zijt ge niet, dat zie ik aan de treurige uitdrukking uwer
+oogen, aan den droeven trek om uw mond. En toch zijt gij geschapen om
+blij en vroolijk te zijn, om te worden aangebeden als het schoonste en
+kostbaarste kleinood, dat een man ten deel kan vallen. Hij daar ginds
+is een dwaas, een lompe vlegel, die niet in staat is, uwe gaven naar
+waarde te schatten. Maar"--hier zag hij haar diep in de oogen--"er zijn
+anderen, die dit wel kunnen, die het zich tot een onschatbaar voorrecht
+zouden rekenen, u te mogen dienen en liefhebben. Eén woord van u en
+ik dood uw echtgenoot met een enkelen slag van mijn zwaard. Dan voer
+ik u mede naar mijn kasteel, waar gij heerschen zult over mij en de
+mijnen. Spreek, gij hebt slechts te bevelen!"
+
+Bij het vernemen dezer woorden voelde Enide zich een oogenblik als
+verlamd van schrik. Eén blik in de richting van haren echtgenoot toonde
+haar, dat hij ongewapend was en dus een gemakkelijk slachtoffer zou
+zijn voor een onverhoedschen aanval zijner gasten. Wat te doen? Met
+den graaf in zijn opgewonden geestestoestand viel niet te praten,
+dat begreep zij maar al te goed. Een oogenblik was zij radeloos, toen
+verzon haar vlugge geest eene list. Al hare wilskracht verzamelend
+om den afkeer te overwinnen, dien Galoain haar inboezemde, boog zij
+zich tot hem voorover, zag hem vast in de oogen en sprak fluisterend:
+"Gij hebt gelijk! Mijn echtgenoot maakt mij niet gelukkig en eene
+verandering van lot, zooals gij mij die voorspiegelt, zou mij dan
+ook niet onaangenaam zijn. Eene arme vrouw als ik kan echter niet
+voorzichtig genoeg zijn, waar het haar goeden naam betreft. Wanneer
+gij mijn echtgenoot thans dooddet, zouden uwe ridders mij steeds
+kunnen verwijten, u daartoe aangezet te hebben en nooit zouden zij
+voor mij den eerbied kunnen gevoelen, dien zij aan uwe echtgenoote
+verschuldigd zijn.
+
+Daarom smeek ik u, ga thans heen, maar keer morgen in de vroegte
+terug om mij te halen. Uwe daad zal dan den schijn dragen van eene
+plotselinge overrompeling, waartegen ik mij niet kan verzetten."
+
+Opgetogen over hare instemming met zijn plan, beloofde de graaf, haren
+raad te zullen opvolgen en verliet kort daarop met zijn gevolg de
+herberg, na een hartelijk afscheid van zijn gastheer te hebben genomen.
+
+Deze begaf zich weldra ter ruste en ook Enide maakte zich in den
+tegenovergelegen hoek van het vertrek voor den nacht gereed. Hare
+sluimering was echter slechts van korten duur. Nog vóór het eerste
+morgenkrieken was zij reeds weer op de been en sloop geruischloos
+door het vertrek om alles voor een plotselingen aftocht gereed
+te maken. Toen zij Erec's kleederen en wapenen had klaargelegd,
+begaf zij zich naar het venster en wachtte daar het aanbreken van
+den morgen af. Zoodra het daarbuiten licht begon te worden, wekte
+zij Erec en deelde hem in haastige woorden het plan van den graaf
+mede. Toen hij vernomen had, wat er zou gebeuren, ontbood hij ijlings
+den waard en beval hem hunne paarden te zadelen. Daarop schonk hij
+hem als betaling de zeven paarden, welke hij aan de roovers ontnomen
+had en spoedig daarna begaven hij en Enide zich op weg.
+
+Niet lang nog waren zij voortgereden, of zij hoorden achter zich een
+luid geschreeuw en getier, benevens hoefgetrappel, dat de nadering
+van eene groote schare ruiters aankondigde. Omziende zagen zij, in een
+dichte stofwolk gehuld, een aantal ridders naderen, die hevig joelend
+met gevelde lans op hen toereden; de graaf aan de spits. Deze was kort
+na het vertrek der beiden in de herberg gekomen en toen hij vernam, dat
+de vreemde gasten in alle vroegte vertrokken waren, had hij begrepen,
+dat hij om den tuin was geleid. Met eene schaar van honderd ridders
+had hij toen de vluchtenden achtervolgd en nu hij hen ingehaald had,
+daagde hij op hooghartigen toon Erec tot een tweegevecht uit. In den
+strijd, die nu volgde, moest Galoain het echter tegenover de groote
+krijgsmanskunst van zijn vijand weldra afleggen en toen Erec hem
+eene diepe wonde in de zijde had toegebracht, zonk hij op de knieën
+en smeekte om genade. Terwijl hij daar geknield lag, viel zijn blik
+op Enide en toen hij de uitdrukking van innige dankbaarheid over den
+afloop van den strijd op hare ontspannen trekken las, besefte hij
+eerst, hoe zij haren man met hart en ziel moest liefhebben, ook al
+gaapte er op dat oogenblik een diepe kloof tusschen hen beiden. Hij
+schaamde zich over zijn hartstocht van den vorigen avond, die hem
+bijna tot zulk eene oneervolle daad had gebracht en zich omwendend,
+beval hij zijnen ridders huiswaarts te keeren, waarheen hij hen
+langzaam en in gedachten verzonken, volgde.
+
+Erec en Enide zetten intusschen hunne reis verder ongehinderd voort,
+tot zij aan eene breede rivier kwamen, aan welker oever een fraai
+ridderslot was gelegen. Dicht onder de muren van het slot voerde
+eene breede brug over den stroom en daar Erec niemand op de wallen
+bespeurde, aan wien hij inlichtingen omtrent den te nemen weg kon
+vragen, besloot hij, de rivier over te steken om te zien, wat zich aan
+genen oever daarvan bevond. Nauwelijks echter had zijn rijpaard de brug
+betreden, of een uitroep van Enide deed hem omzien. "Heer!" riep zij
+uit, "ginds nadert een ruiter, blijkbaar de eigenaar van het kasteel,
+tot wiens eigendommen ook deze brug schijnt te behooren. Zeker
+wil hij u ter verantwoording roepen over het feit, dat gij zonder
+zijne toestemming wilt trachten de rivier over te steken. Ik bid
+u, wees voorzichtig en vermijd zoo mogelijk een nieuwen strijd,
+nu gij nauwelijks van de vermoeienissen van een vorig gevecht zijt
+bekomen." Uit hare woorden sprak zóó duidelijk hare bezorgdheid voor
+hem, dat een warm gevoel van vreugde Erec doorstroomde. Had zij hem
+dan tòch nog lief, na al hetgeen er gebeurd was en was het werkelijk
+slechts vrees voor zijn leven en niet vrees voor haar eigen veiligheid
+geweest, die haar ondanks zijn verbod tot spreken had gedwongen? Al
+brak een straal van hoop door de duisternis, die Erec's ziel vervulde,
+toch klonk zijne stem koel en hard als te voren, toen hij tot Enide
+sprak: "Het schijnt nutteloos te zijn, u iets te gebieden, want keer
+op keer overschrijdt gij mijne bevelen. Doe daarom voortaan, wat u
+goed dunkt, ik zal er mij niet langer om bekommeren."
+
+Bij deze woorden deed hij zijn paard op de brug omkeeren en reed
+langzaam den naderenden ridder tegemoet.
+
+Deze was zóó klein van gestalte, dat hij bijkans een dwerg geleek,
+maar al was hij smal en nietig van bouw, toch glinsterden zijne oogen
+van moed en strijdlust, toen hij Erec tot den kamp uitdaagde. De strijd
+was spoedig beslist, de vreemde ridder moest weldra inzien, dat hij
+tegen de meerdere kracht van zijn tegenstander niet bestand was. Hij
+verdedigde zich echter met zulk een moed en volharding, dat Erec eene
+groote bewondering in zich voelde opkomen voor den durf, waarmede
+hij den ongelijken strijd was aangegaan. Hij weerhield zich dus van
+hem te dooden en vergenoegde zich met hem zijn zwaard uit handen te
+slaan. Daarop sprak hij: "Laat ons dezen onnutten strijd niet langer
+voortzetten; de natuur heeft mij met meerdere lichaamsgrootte en kracht
+bedeeld dan u; aan deze en aan geene andere oorzaken dank ik het, dat
+ik in dezen strijd overwinnaar ben gebleven. Ik koester echter grooten
+eerbied voor uw moed en dapperheid. Wanneer gij mij dus wilt toestaan,
+uw vriend te worden, zal ik dit als eene hooge eer beschouwen!"
+
+De aangesprokene nam zijn edelmoedig aanbod dankbaar aan; hij
+verklaarde toen Guivret Le Petit te heeten en heer te zijn over
+uitgestrekte landerijen in den omtrek. Nadat Erec zijn aanbod om
+eenigen tijd zijn gast te zijn had afgeslagen onder voorwendsel, dat
+dringende zaken hem elders riepen, namen de beide ridders afscheid
+van elkander onder warme vriendschapsbetuigingen.
+
+Na eenige uren rijdens kwamen Erec en Enide in een dicht woud,
+waar zij zich slechts met moeite een weg door het kreupelhout konden
+banen. Plotseling werd de diepe stilte om hen heen verbroken door een
+luid gejammer, dat uit de struiken tot hen kwam. Op het hooren van
+dit klagelijk geluid greep Erec terstond naar zijn zwaard en nadat
+hij Enide bevolen had op hem te wachten, drong hij te paard door
+het dichte struikgewas in de richting van het geluid. Spoedig kwam
+hij aan eene open plek in het bosch, waar hij eene luid weenende
+jonkvrouw op den grond vond uitgestrekt. Op zijn deelnemend
+vragen vertelde zij hem, dat haar geliefde door twee reuzen was
+weggevoerd, die hem met de vreeselijkste folteringen bedreigden en
+die gezworen hadden terug te zullen keeren om ook haar hetzelfde
+lot te doen ondergaan. Terstond beloofde Erec haar al het mogelijke
+te zullen doen, om haren geliefde te bevrijden en nadat hij van de
+ongelukkige eenige aanwijzingen had ontvangen omtrent de richting,
+waarin de roovers vertrokken waren, begaf hij zich terstond op
+weg. Inderdaad had hij nog niet lang gereden, toen hij op eenigen
+afstand den ontvoerden ridder ontwaarde. Hij verkeerde werkelijk
+in een deerniswekkenden toestand. Zijne beulen hadden hem, bijna
+geheel ontkleed, op een rijpaard vastgebonden en liepen elk aan
+een kant van hun slachtoffer, dat zij met hunne zware knuppels op
+de vreeselijkste wijze mishandelden. Eene hevige verontwaardiging
+maakte zich van Erec meester, toen hij dit erbarmelijk schouwspel
+aanzag. In vliegende vaart stoof hij op de reuzen af en dezen, die in
+'t geheel niet voorbereid waren op zulk een onverwachten aanval, waren
+er zóó door uit het veld geslagen, dat zij na een korten strijd luid
+schreeuwend het hazenpad kozen. Erec's eerste werk was toen om den
+vreemden ridder, die half bewusteloos op zijn paard hing, te ontdoen
+van zijne knellende banden en te trachten hem tot bewustzijn terug te
+brengen. Boven verwachting gelukte hem dit vrij spoedig. Hoewel zeer
+stijf en pijnlijk, had de gevangen ridder geene enkele gevaarlijke
+kneuzing opgeloopen en zoo kon hij aan Erec's arm strompelend de
+plek bereiken, waar zijne geliefde hem wachtte. Het was roerend de
+dankbaarheid der beiden jegens hun redder aan te zien. Zij vielen
+voor Erec op de knieën, en kusten zijne handen, terwijl de tranen
+van blijdschap en geluk hun over de wangen stroomden. Het werd Erec
+bij het zien van hunne vreugde over het feit, dat zij voor elkander
+behouden waren gebleven, vreemd te moede. Ook hem wachtte ginds eene
+geliefde, die in spanning verkeerde over den afloop van het avontuur,
+en al zou hare blijdschap over zijn behouden wederkeer niet zoo
+uitbundig zijn als deze, toch,--dit voelde hij in 't diepst zijner
+ziel als eene onomstootelijke waarheid--, zij zou haar in innigheid
+zeer zeker evenaren, zoo niet overtreffen. Waarom kon hij dan den muur
+niet breken, die hen scheidde en het woord van verzoening spreken,
+dat haar in zijne armen zou voeren? Het was zijn gekrenkte trots,
+die hem daarvan terughield en die meerdere boetedoening eischte van
+de vrouw, die hem door hare woorden zoo diep beleedigd had. Hier werd
+hij uit zijn gepeins opgeschrikt door den vreemden ridder, die zich
+aan hem bekend maakte als Heer Cadroc van Tabriol en nu wederkeerig
+wenschte te weten, welke de naam was van zijn bevrijder. Maar Erec,
+wiens weeke stemming van zooeven weer geheel verdwenen was, weigerde
+kortaf dien te noemen en beval Heer Cadroc naar het hof van koning
+Arthur te gaan om hem aldaar te vernemen.
+
+Na een hartelijk en dankbaar afscheid van de zijde der gelieven,
+keerde hij naar de plaats terug, waar hij Enide had achtergelaten. Wie
+zal de gevoelens van dankbare verlichting beschrijven, waarmede
+deze haar echtgenoot ongedeerd uit het struikgewas te voorschijn zag
+komen? Welke folteringen had zij gedurende zijne afwezigheid doorstaan
+en hoe vaak was zij op het punt geweest hem in het gevaar te volgen,
+liever dan die martelende onzekerheid langer te dragen! Al waagde
+zij het niet, een woord te zeggen, toch gaf iedere trek van haar
+gelaat, iedere beweging van hare gestalte uiting aan hare overgroote
+vreugde, nu Erec, voor zoover zij zien kon, zonder letsel tot haar was
+wedergekeerd. Deze laatste had intusschen onder het rijden bemerkt,
+dat hij gekwetst was. Toen hij zijne hand aan zijne zijde bracht,
+voelde hij hoe zijne kleeren op die plek kleefden van het bloed,
+dat hem uit eene diepe wonde vloeide. Hij besloot echter met geen
+woord hiervan te reppen en te wachten, tot zij aan eene geschikte
+rustplaats kwamen, waar hij gelegenheid zou hebben, zijne wonde
+zelf uit te wasschen en te verbinden. Het denkbeeld van zulk een
+dienst onder deze omstandigheden door Enide te laten verrichten,
+was hem ondragelijk. Met inspanning van al zijne krachten hield hij
+zich dus in het zadel overeind, hoewel hij zich door het aanhoudend
+bloedverlies steeds zwakker voelde worden. Enide reed intusschen in
+bijna opgewekte stemming voort, zóó groot was de terugslag na haar
+angst van zooeven. Daar hoorde zij een doffen slag achter zich en haar
+hart stond bijna stil van schrik, toen zij, omziende, Erec naast zijn
+paard op den grond zag liggen met gesloten oogen en doodsbleek gelaat.
+
+In een oogwenk lag zij naast hem nedergeknield en terwijl zij
+met geweld de snikken onderdrukte die haar in de keel kropten,
+beproefde zij met alle middelen, die haar ten dienste stonden, om de
+levensgeesten weer bij hem op te wekken. Maar tevergeefs; Erec sloeg
+de oogen niet op en toen zij inzag, dat al haar pogen nutteloos was,
+liet zij eindelijk haar tranen den vrijen loop en barstte los in een
+hartstochtelijk weenen.
+
+
+
+_Hoe Enide medegevoerd werd door den graaf van Limors en wat er
+met haar in diens slot gebeurde._ Hoe lang zij daar zoo troosteloos
+gezeten had met Erec's hoofd in haar schoot, kon zij zich later niet
+herinneren; ten slotte geraakte zij in een toestand van verdooving,
+waaruit ruwe stemmen haar deden opschrikken. Het was de graaf van
+Limors, een roofridder uit een naburig kasteel, die met zijne
+manschappen langs de plek kwam rijden, waar Enide bij het als
+levenlooze lichaam van haren echtgenoot zat te klagen. De graaf
+hield zijn paard in en vroeg Enide nieuwsgierig, wat er gebeurd
+was. Zóó zeer werd hij bekoord door haar schoonheid, dat hij zijnen
+dienaren beval, Erec op te nemen en hem voorzichtig naar zijn slot te
+dragen. Eigenhandig hielp hij daarna Enide om haar paard te bestijgen
+en voerde zoo de beiden met zich mede. In zijn slot aangekomen deed hij
+het lichaam van Erec nederleggen op eene baar in de groote slotzaal;
+Enide ruimde hij eene plaats in aan zijne zijde, waar hij haar met
+beleefdheden overlaadde. De onverschilligheid, waarmede zij die in
+ontvangst nam, spoorde hem tot steeds grooter voorkomendheid aan en
+deed het vuur van zijn hartstocht aanwakkeren tot eene steeds hooger
+oplaaiende vlam. Die vrouw moest en zou de zijne worden, en wilde
+zij zulks niet goedschiks, dan zou hij haar wel weten te dwingen.
+
+Na eenigen tijd werd het sein tot den maaltijd gegeven, waaraan ook
+Enide gedwongen werd deel te nemen. Vol angst, de oogen in bange
+vrees op de baar gericht, waar Erec lag, zat zij aan tafel, waar
+zij alle spijzen ongebruikt aan zich voorbij liet gaan. Maar dit
+was niet de bedoeling van den graaf. Met luider stem gelastte hij
+haar om te eten en toen zij ronduit weigerde, dit te doen, zeggend,
+dat zij niets wilde gebruiken, alvorens haar echtgenoot hiertoe ook
+weer in staat was, liet de woesteling zich zoodanig door zijne woede
+overmeesteren, dat hij haar met een ruwen vloek in het gezicht sloeg.
+
+De ridders, die aan tafel waren gezeten, sprongen verontwaardigd
+overeind; al waren zij gewend aan de woeste zeden en gebruiken in
+het kasteel van hun meester, een dergelijk feit hadden zij toch
+nog nooit beleefd! Met eenige heftige verwenschingen beval Limors
+hun zich niet met zijne zaken te bemoeien en zóó zeer stonden zij
+onder den dwang van zijne ruwe heerschappij, dat zij zwegen. Limors
+wendde zich opnieuw tot Enide en gebood haar te eten, maar zijn
+heerscherstoon en de aanmatigende wijze, waarop hij tot haar sprak,
+deden in het hart der jonge vrouw den moed ontwaken, die eene lange
+reeks van dappere voorvaderen haar als erfdeel hadden geschonken. Met
+opgeheven hoofd en helder klinkende stem weigerde zij ten éénenmale,
+om zijn bevel op te volgen en verweet hem op krachtige wijze zijne
+onridderlijke houding tegenover eene zwakke, onbeschermde vrouw.
+
+Limors begroette haar betoog met een schallend hoongelach. Wat kon
+het hem schelen, of hij zich in hare oogen onridderlijk gedroeg? Zij
+was immers in zijne macht en wanneer hij zulks wilde, kon hij dat
+trotsche hoofd in een oogwenk doen buigen. Om haar zijne overmacht
+te toonen gaf hij haar opnieuw een slag in het gezicht.
+
+Toen eerst drong bij Enide het besef door, hoe volkomen zij aan hem
+was overgeleverd. Indien de graaf nog den minsten twijfel gevoelde,
+of Erec wel werkelijk dood was, zou hij zóó niet durven handelen. Het
+moest dus inderdaad een feit zijn: haar geliefde was dood en zij--al
+het vreeselijke van haar toestand werd haar nu eerst duidelijk! Onder
+het slaken van een hartverscheurenden kreet zonk zij ineen.
+
+Die kreet was hare redding. Hij drong door tot in Erec's brein,
+de nevelen zijner bezwijming verscheurend en riep hem terug tot
+het leven. Met één sprong was onze held overeind en bij den eersten
+blik zag hij, wat er geschied was. Zijn zwaard grijpend stortte hij
+zich op den graaf, die zich juist tot Enide wilde vooroverbuigen en
+spleet hem met een enkelen slag van zijn wapen den schedel. Vol schrik
+sprongen de aanwezigen van hunne zetels op; zij meenden niet anders,
+of Erec was uit den dood opgestaan en onder angstig geschreeuw namen
+allen de vlucht. Allen--behalve Enide, die in verstomming, maar
+met een gevoel van onuitsprekelijke verlichting had toegezien. Zij
+durfde nauwelijks hare oogen gelooven en vreesde bijna, dat het een
+droom was, waaruit zij zoo straks tot de vreeselijke werkelijkheid
+zou worden teruggeroepen. Maar neen, hij was het toch, Erec, haar
+echtgenoot, haar geliefde, die met uitgestrekte handen op haar toetrad,
+een glans van geluk in zijne oogen, haar in zijne armen nam en haar
+toefluisterde: "Liefste! van nu af aan verdwijnen alle schaduwen van
+vrees en wantrouwen tusschen ons. Als voorheen zullen wij elkander
+liefhebben, al zal die liefde in de toekomst rekening hebben te
+houden met de plichten, welke wij in de wereld moeten vervullen. Uwe
+woorden van toen heb ik u vergeven, vergeef gij mij mijne hardheid
+en wreedheid en laat ons te zamen een nieuw leven beginnen, waarin
+de liefde ons niet langer omlaag zal trekken, maar integendeel ons
+omhoog zal voeren tot meerdere eer en roem".
+
+En Enide?--zij snikte zachtkens aan zijne borst, tranen van
+dankbaarheid en geluk, over de herwonnen liefde van haar echtgenoot. In
+'t vervolg zou zij niet meer zooals vroeger al zijn doen en denken in
+beslag nemen, maar zij zou hem steunen en troosten in zijn verdriet,
+met hem jubelen over den roem, dien hij zou behalen, en hem in alles
+ter zijde staan als eene trouwe, teedere echtgenoote.
+
+Nu gold het voor hen beiden om weg te komen uit deze omgeving, vóór de
+ridders, van hunnen eersten schrik bekomen, den dood van hun meester
+wilden wreken. Op het voorplein vonden zij Erec's strijdros. In een
+oogenblik zat onze held in het zadel en zich bukkend nam hij Enide
+vóór zich op het paard. Zoo reden zij spoorslags de brug over, het
+donkere bosch in, dat zich om het kasteel uitstrekte.
+
+Onverschillig waar het lot hem heenvoerde, zoo het slechts uit de
+nabijheid van het rooversnest Limors was, liet Erec de teugels van zijn
+paard los hangen en stond het trouwe dier toe zijn eigen pad te kiezen
+door de dichte duisternis van het woud. Enide lag stil en gelukkig
+in zijne armen en onder het voortrijden fluisterde hij haar woorden
+toe vol hartstocht en teederheid. Het samenzijn in het nachtelijk
+bosch, waar alles om hen heen in rust verzonken lag, scheen hen nog
+dichter tot elkander te brengen. Het was of de gansche wereld zich
+had teruggetrokken, om hen beiden alleen te laten. Als in een droom
+luisterde Enide naar de liefkoozende woorden van haren echtgenoot; na
+de angst en spanning der laatste dagen scheen het of zij plotseling
+van uit de woeste zee in een veilige haven was aangeland. Met een
+zucht van welbehagen nestelde zij zich nog dichter in Erec's armen,
+uit welke veilige schuilplaats geene macht ter wereld haar ooit meer
+zou kunnen verdrijven.
+
+Daar werd de doodsche stilte om hen heen verstoord door naderend
+hoefgetrappel. Een ruiter naderde--maar met welke bedoelingen kwam
+die in het holst van den nacht door het woud rijden? Ijlings lichtte
+Erec zijne geliefde uit het zadel en verzocht haar zich achter de
+zware boomen verscholen te houden, tot hij had uitgevorscht, wie
+daar naderde. Mogelijk was het een der ridders van Limors, die zijn
+meester kwam wreken!
+
+Eene gedaante te paard kwam op Erec af en weldra bemerkte Enide uit het
+wapengekletter en het snuiven der paarden, dat het tusschen Erec en den
+onbekende tot een treffen was gekomen. Zij moest zich geweld aandoen om
+het niet uit te gillen van angst; het was ook te wreed, het nauwelijks
+herkregen geluk opnieuw in gevaar gebracht te zien. Bovendien wist
+zij, dat Erec door het vele bloedverlies zeer verzwakt moest zijn,
+wat haar het ergste deed vreezen. Inderdaad, haar vermoedens werden
+slechts al te spoedig bewaarheid. In het onzekere maanlicht zag zij,
+hoe haar echtgenoot zich al minder en minder krachtig tegen den regen
+van slagen, die op hem neerviel, wist te verdedigen. Daar wankelde
+hij in het zadel en daar--O, ontzetting! stortte hij met een doffen
+smak op den grond.
+
+Met een kreet sprong Enide van uit hare schuilplaats te voorschijn
+en liep met opgeheven handen op den vreemden ridder toe: "Houd op,
+houd op!" riep zij uit, "schaamt gij u niet een ridder, die zwaar
+gewond en door bloedverlies uitgeput is, aan te vallen? Wilt gij uw
+geweten nog verder bezwaren door een moord?"
+
+De vreemdeling hield de teugels van zijn paard in en poogde tevergeefs
+in het maanlicht de trekken der spreekster te onderscheiden. "Wie
+zijt gij?" vroeg hij verbaasd, "en waar komt gij zoo plotseling
+vandaan? Uwe stem heeft een bekenden klank. Spreek, hoe is uw naam
+en die van uw begeleider?"
+
+"Hij, dien gij zoo lafhartig hebt neergeveld," antwoordde Enide op
+trotschen toon, "is prins Erec, de eenige zoon en erfgenaam van koning
+Lac en ik ben Enide, zijne echtgenoote."
+
+De onbekende slaakte een uitroep van ontsteltenis.
+
+"Dan zijt gij het, dien ik zoek!" riep hij uit, "mijn vriend Erec,
+die, zoo zeide men mij, door de roofridders van Limors gevankelijk was
+medegevoerd en dien ik uit dat hol van verderf wilde bevrijden! God
+geve, dat ik in mijne onbesuisdheid geen misdaad heb begaan!"
+
+Dit zeggend, sprong Guivret Le Petit, want hij was het, van zijn
+paard en liep naar de plaats, waar Erec ter aarde lag, maar de
+trouwe Enide was hem vóórgeweest en lag reeds bij het lichaam van
+haar echtgenoot nedergeknield. Met vereende krachten slaagden zij
+er in, de levensgeesten bij Erec weder op te wekken. Met behulp van
+eenige takken en Erec's mantel wist Guivret eene tent op te slaan,
+waarin de gewonde werd neergelegd. Guivret waakte bij den ingang en
+Enide bracht den nacht door aan de zijde van haar echtgenoot.
+
+Toen de morgen daagde, stelde Guivret zijnen vrienden voor om hem te
+vergezellen naar zijn slot Penevric, dat niet ver van daar gelegen
+was. Ginds, zoo hoopte hij, zou Erec onder de goede zorgen van
+Enide en Guivret's beide zusters spoedig geheel herstellen van de
+doorgestane vermoeienissen.
+
+Zoo gezegd, zoo gedaan.
+
+In Penevric werden zij door de twee genoemde edelvrouwen op de
+hartelijkste wijze ontvangen en al wilde Enide den persoonlijken zorg
+van haren echtgenoot aan niemand anders overlaten, toch volgde zij
+dankbaar de aanwijzingen harer gastvrouwen, die zich in de heelkunst
+eene groote bekwaamheid hadden verworven. Spoedig waren Erec's wonden
+geheel genezen en op een schoonen morgen namen onze held en heldin
+afscheid van de gastvrije slotbewoners om de terugreis naar het hof
+van Koning Arthur te ondernemen.
+
+Op het laatste oogenblik vroeg Guivret verlof, hen daarheen te mogen
+vergezellen, wat hem door Erec gaarne werd toegestaan.
+
+
+
+_Van het avontuur, dat men de vreugde van het hof placht te noemen._
+Aanvankelijk kenmerkte hunne gezamenlijke reis zich door geen enkel
+avontuur, tot zij op zekeren avond vanaf den top van een heuvel een
+ridderslot zagen liggen, aan alle zijden omgeven door water. Getroffen
+door den fraaien bouw van het kasteel vroeg Erec aan zijn metgezel,
+of deze hem ook zeggen kon, aan wien het slot toebehoorde. Guivret
+vertelde hem daarop, dat het de burcht Brandigan was, het eigendom van
+Koning Evrain. Terwijl hij dit zeide, scheen hij eenigszins verlegen;
+het was bijna, of hij iets voor Erec verborgen hield. Dit prikkelde de
+nieuwsgierigheid van onzen held en ten einde de oorzaak van Guivret's
+geheimzinnige houding te ontdekken, gaf hij zijn voornemen te kennen
+om in het slot een onderkomen voor den nacht te vragen.
+
+Guivret geraakte over dit voorstel in groote opwinding; hij bezwoer
+zijn vriend om zijn plan op te geven en liever in de open lucht
+te overnachten, dan zich naar den burcht Brandigan te begeven. Op
+Erec's dringend vragen, wat de reden mocht zijn van een dergelijk
+vooroordeel tegen het kasteel en welke de gevaren konden zijn, die
+hem daar wachtten, gaf hij eerst slechts ontwijkende antwoorden. Toen
+Erec echter bleef aandringen, vertelde hij hem eindelijk, dat er aan
+een bezoek op dit slot een avontuur verbonden was, hetwelk men de
+Vreugde van het Hof noemde en waarvan nog geen enkel ridder behouden
+was wedergekeerd. Hij smeekte Erec daarom, zich te bezinnen, eer het
+te laat was en het slot voorbij te rijden, zonder af te stappen, want,
+zoo zeide hij, elkeen, die in Brandigan te gast was, moest zich aan
+het avontuur onderwerpen. Ook Enide zag haar echtgenoot smeekend aan,
+maar zij weerhield zich een woord te spreken om hem van zijn voornemen
+terug te brengen. Nooit moest hij ter wille van haar eene gelegenheid
+laten voorbijgaan om zich roem te verwerven.
+
+Erec aarzelde langen tijd; eenerzijds lokte hem het geheimzinnige
+avontuur, anderzijds wilde hij zijn leven niet nutteloos in de
+waagschaal stellen, vooral niet nu het nieuwe geluk er nieuwe
+waarde aan schonk. Ten slotte werd de verleiding zich nog meer roem
+te verschaffen hem te sterk en tevens vond hij het eene schoone
+gelegenheid, om te bewijzen, dat zijne liefde voor Enide, hoe groot
+en teeder die ook zijn mocht, niet langer zijne ridderplichten in
+den weg stond. Vastberaden wendde hij zich tot Guivret en zeide hem
+eene kans te willen wagen, om het avontuur tot een goed einde te
+brengen. Daarna greep hij onder het rijden Enide's hand en sprak haar
+moed in door woorden van troost en opbeuring.
+
+In de stad gekomen, die om den burcht Brandigan was gelegen, werden
+zij terstond omringd door eene luid klagende menigte. Op Guivret's
+vraag, waarom zij zoo jammerden, gaf men hem ten antwoord, dat zulks
+geschiedde uit mededoogen voor den schoonen, jongen ridder, wien zulk
+een droevig lot te wachten stond.
+
+Op het slot bereidde Koning Evrain hun een gul onthaal. Nadat de
+reizigers zich door een stevig maal versterkt hadden, verzocht Erec
+den vorst hem zonder omwegen mede te deelen, waarin het avontuur,
+dat men de Vreugde van het Hof placht te noemen, bestond.
+
+Alvorens hij aan zijn verzoek voldeed, waarschuwde Evrain zijn jongen
+gast, zich nog eens goed te bedenken, waartoe hij zich verbond. Oudere,
+meer ervaren ridders dan hij, hadden het avontuur ondernomen en geen
+van hen was er heelhuids van teruggekeerd. Wilde hij toch eene kans
+wagen, zoo moest hij zich bij het aanbreken van den dag gereed houden
+en Evrain zelf zou hem de noodige inlichtingen geven omtrent de wijze,
+waarop hij te werk moest gaan.
+
+Erec bleef bij zijn eens genomen besluit en den volgenden morgen begaf
+hij zich geheel gewapend op weg, vergezeld van koning Evrain en diens
+gevolg. Alle menschen, die zij op hun weg ontmoetten, zagen Erec met
+meewarige blikken aan en de vrouwen der hovelingen konden zich niet
+weerhouden te weenen, wanneer zij aan het rampzalig einde dachten,
+dat de jonge held tegemoet ging.
+
+Even buiten de stad gekomen, stond de koning stil. Hij beduidde
+zijn gevolg op hem te wachten en wenkte Erec en Enide om hem te
+volgen. Nadat zij eenige minuten voortgegaan waren, werden zij
+plotseling omgeven door een dichten nevel, die hun het verdergaan
+belette. Toen sprak de koning plechtig: "Het oogenblik is gekomen,
+waarop ik u zal mededeelen, waaruit het avontuur bestaat, dat men de
+Vreugde van het Hof noemt. Daarom, luistert goed. Op eenige schreden
+van hier bevindt zich een boomgaard, welke geheel omgeven is door
+een ondoordringbaren muur van mist. Niemand dan ik kan u daarbinnen
+toegang verschaffen. In dien boomgaard nu groeien winter en zomer de
+schoonste bloemen en vruchten en de vogels zingen er, alsof het altijd
+lente was. Toch schuilt te midden van dit bloeiende leven de dood met
+al zijne verschrikkingen, hoe, dat zal ik u toonen!" Na deze woorden
+gesproken te hebben, voerde de koning Erec en Enide dwars door den
+dichten nevel in een waren toovertuin vol kleuren en geuren. Links
+en rechts groeiden de fraaiste bloemen; tusschen de takken der
+boomen bloosden de kostelijkste vruchten en een koor van jubelende
+vogelstemmen scheen de binnenkomenden te begroeten. Plotseling
+slaakte Enide een kreet van schrik en greep Erec bij den arm, hem met
+ontsteld gelaat opmerkzaam makend op eene reeks palen, elk gekroond
+met een afgeslagen menschenhoofd. De laatste van de rij alleen droeg
+niet zulk een afgrijselijk versiersel, doch in plaats daarvan een
+hoorn. Ook Erec kon eene rilling van afschuw niet onderdrukken en
+zich tot den koning wendend, vroeg hij hem naar de beteekenis van dit
+vreeselijk schouwspel. Evrain antwoordde: "Zeide ik u niet, dat de dood
+u bedreigde temidden van al dit schoons? Deze hoofden hebben toebehoord
+aan de ridders, die vóór u beproefd hebben het avontuur tot een goed
+einde te brengen; gij ziet wat er van hen geworden is! De hoorn is
+bestemd voor hem, die als overwinnaar uit den strijd te voorschijn
+treedt; door hem te blazen, zult ge wijd en zijd verkondigen, dat
+gij er in geslaagd zijt, de Vreugde van het Hof tot werkelijkheid te
+maken. Wanneer gij echter niet gelukkiger zijt dan uwe voorgangers,
+zoo zal nog heden uw hoofd prijken, waar thans de hoorn hangt en
+voor dezen laatsten zal een nieuwe paal uit den grond verrijzen. Nu
+weet gij alles; het verdere moet ge zelf ondervinden. Er blijft
+mij slechts over u kracht en sterkte toe te wenschen en u in Gods
+heilige hoede aan te bevelen. Neem thans afscheid van uwe geliefde,
+ik zal haar bij de kromming van den weg afwachten. Vaarwel!"
+
+Toen de koning heengegaan was, nam Erec zijne vrouw in zijne armen
+en omhelsde haar innig. Hij kon daarbij niet beletten, dat de tranen
+van aandoening hem over de wangen stroomden. In het aangezicht van
+den dood, met die afgrijselijke staken vóór zich, kwam het leven hem
+dubbel schoon en begeerenswaard voor en bijna berouwde het hem, niet
+naar Guivret's raad geluisterd te hebben. Hij bedwong echter zijne
+smart zooveel hij kon om het afscheid voor Enide niet nog moeilijker
+te maken en poogde haar met opbeurende woorden moed in te spreken,
+hoe zwaar hem dit ook viel.
+
+Eindelijk scheidden zij; Enide liep met wankelende schreden het pad
+af, waarlangs zij gekomen waren en Erec ging den boomgaard verder
+in. Voorzichtig naar alle kanten spiedend of er ook gevaar dreigde,
+het getrokken zwaard in de hand, liep hij verder, tot hij, een hoek
+omslaande, plotseling vol verrassing stilstond.
+
+Eenige passen voor hem uit, onder de breede kruin van een wilden
+vijgeboom, stond een zilveren bed, dat rustte op vier gouden
+voetstukken. Daarin lag eene jonkvrouw, naar het scheen in diepen slaap
+verzonken. Nieuwsgierig trad Erec naderbij om het vreemde schouwspel
+nader te onderzoeken, toen plotseling uit de struiken een ridder
+te voorschijn schoot, gekleed in eene vuurroode wapenrusting. Met
+donderende stem beval hij Erec hem genoegdoening te verschaffen over
+dit schaamtelooze binnendringen in het heiligdom zijner geliefde.
+
+In den strijd, die weldra tusschen hen ontbrandde, bemerkte Erec al
+spoedig, dat hij nog nooit zulk een geweldig tegenstander had gehad
+als nu. De vreemdeling was zijn meerdere zoowel in grootte, als ook
+in lichaamssterkte, Erec daarentegen won het in vlugheid van beweging.
+
+Lang duurde de strijd; het zweet liep den beiden ridders in stroomen
+langs het gelaat, hun adem kwam hijgend en zwoegend, terwijl zij steeds
+weer in verblinde woede op elkander indrongen. Eindelijk begon Erec's
+tegenstander sporen van vermoeidheid te vertoonen, zijne bewegingen
+werden langzamer en zijne slagen verminderden in hevigheid. Dit
+bemerkend, verdubbelde Erec zijne inspanning. Zijne laatste krachten
+bijeenrapend stormde hij nogmaals op zijn vijand los en wist hem met
+eenen handigen stoot van zijn zwaard het evenwicht te doen verliezen.
+
+Toen hij zijn tegenstander voor zich op de knieën zag vallen,
+stak Erec met een gevoel van groote dankbaarheid zijn zwaard in
+de schede, reikte den overwonnene de hand en beduidde hem op te
+staan. De vreemdeling rees verheugd overeind en dankte Erec voor diens
+ridderlijk optreden. Tevens verzocht hij hem zijn naam te noemen,
+opdat hij weten zou, wie hem overwonnen had. Erec zeide hem dien, maar
+verlangde wederkeerig van hem te vernemen, met welk doel hij zich in
+den boomgaard bevond en waarom men het avontuur, dat hem derwaarts
+had gevoerd, de Vreugde van het Hof noemde. Hierop antwoordde de
+vreemdeling hem als volgt: "Mijn naam is Mabonagrain; ik ben afkomstig
+uit een naburig hertogdom, en een jongere zoon van den regeerenden
+hertog. Van mijne jeugd af, zoolang ik mij herinneren kan, had ik de
+jonkvrouw lief, die daar ginds op het rustbed ligt. Zij beminde mij
+eveneens en beiden haakten wij naar het oogenblik, waarop onze levens
+voorgoed aan elkander verbonden zouden worden. In afwachting van dien
+dag eischte zij echter van mij, dat ik alle plichten en genoegens,
+die mij van hare zijde wegriepen, om harentwil zou opgeven. Het
+onredelijke van haar verzoek en de onmogelijkheid om er mij steeds aan
+te houden waren aanleiding tot twisten en oneenigheid tusschen ons,
+wat ons geluk verstoorde. Meestal was ik het, die toegaf, want ik
+kon het niet over mij verkrijgen om haar, die ik boven alles beminde,
+eenig verdriet aan te doen. Zoo naderde onze huwelijksdag. Op den avond
+tevoren, toen wij ons in den tuin van het slot haars vaders bevonden,
+vroeg ze mij, haar eene gunst te willen bewijzen. Verliefde dwaas,
+die ik was, zwoer ik een duren eed, dat ik elk verzoek, hetwelk ze
+mij doen mocht, onvoorwaardelijk zou inwilligen. Weinig dacht ik,
+dat zij zóó berekenend en listig zou zijn om misbruik te maken van
+mijne opgewonden stemming. Toch was dit het geval. De gunst, welke ze
+mij verzocht, was niets minder dan eene belofte mijnerzijds om mijn
+gansche leven met haar in dezen boomgaard te slijten. Bovendien moest
+ik elken ridder, die hier binnendrong, uitdagen tot een tweegevecht
+en slechts wanneer ik daarin verslagen werd, stond zij mij toe den
+boomgaard te verlaten. Ik had mijn woord verpand en moest dus doen,
+wat van mij gevraagd werd; maar meen niet, dat het met mijne instemming
+geschiedde! Menigmaal heb ik terugverlangd naar het volle leven aan
+gene zijde van den nevelmuur en vaak heeft het mij verdroten, dat om
+mijnentwil, of eigenlijk ter voldoening aan de gril eener zelfzuchtige
+vrouw, zoovele wakkere mannen het leven moesten laten. Thans echter
+is mijne ballingschap voorbij! Ziet, ginds trekken de nevelwolken
+tusschen de boomen omhoog! Voortaan zullen de voorbijtrekkende ridders
+veilig kunnen vertoeven in het slot van Koning Evrain, de ommuurde
+boomgaard met zijne grimmige heg van doodshoofden zal verdwijnen en
+de druk van geheimzinnigheid en doodsgevaar zal van het land worden
+weggenomen. Wanneer gij dit alles door een stoot op den hoorn aan
+de omgeving bekend maakt, zult gij inderdaad de brenger zijn van
+"de Vreugde van het Hof!" Daarom verzoek ik u niet langer te dralen
+en het teeken te geven tot mijne bevrijding!"
+
+Daarop begaven de beide ridders zich naar de plaats, waar de hoorn aan
+den staak hing en weldra verkondigde een lustig geschal den goeden
+afloop van het avontuur aan de angstig wachtenden daarbuiten. Toen
+de laatste tonen wegstierven, verdwenen ook de laatste nevelsluiers
+tusschen de struiken en de boomgaard lag open voor de oogen der
+hovelingen. Vol blijdschap stroomde het gansche gezelschap naar binnen,
+voorop Enide aan den arm van Koning Evrain met den trouwen Guivret
+aan hare zijde.
+
+Wat een vreugde en geluk, toen Erec hen ongedeerd tegemoet trad en
+met welk eene belangstelling luisterde men naar het verslag van zijn
+wedervaren! Alle aanwezigen drukten hem de hand en gevoelden behoefte
+om hem te danken voor wat hij gedaan had; een ieder roemde om strijd
+zijne dapperheid. Ook Mabonagrain werd vriendelijk begroet, toen men
+zijne geschiedenis van Erec vernomen had; dat hij zelf innig verblijd
+was over zijne bevrijding stond duidelijk op zijne gelaatstrekken
+te lezen.
+
+Zoo betoonden allen zich verheugd over den uitslag van het gebeurde,
+behalve ééne en dat was de geliefde van Mabonagrain. Zij besefte maar
+al te goed, dat zij door hetgeen er geschied was, de macht over haren
+echtgenoot grootendeels verloren had en tevens vreesde zij met recht,
+dat zijne liefde voor haar door hare zelfzuchtige dwingelandij zeer
+geleden zou hebben. Somber zat zij in een hoek van het vertrek, waar
+de anderen feestvierden, en peinsde over haar toekomstig leven. Daar
+vond Enide haar en de jonge vrouw, die zelve zoo innig gelukkig was,
+beijverde zich terstond om haar te troosten en op te beuren. Zij
+vertelde haar van het leed, dat zij had moeten doorworstelen, alvorens
+zij geleerd had, de behoeften aan geluk van haren echtgenoot te stellen
+boven de hare. Zij wees er de mismoedige op, dat het leven van een
+man niet enkel gevuld kan worden door liefde, dat het ook verlangen
+heeft naar roem en eerbetoon, wat voor eene vrouwenziel onbegrijpelijk
+is. Waar de bevrediging dier verlangens echter bijdraagt tot zijn
+geluk is het de plicht der vrouw om ze in hem aan te wakkeren, ook al
+handelt zij daardoor schijnbaar tegen haar eigen belangen in. De eenige
+ware manier, zoo besloot Enide, om gelukkig te worden, is te trachten
+zichzelf te vergeten en slechts te leven om anderen gelukkig te maken.
+
+Nadat zij was heengegaan, om zich bij het vroolijke gezelschap aan
+tafel te voegen, waarheen Erec haar riep, bleef de andere jonge vrouw
+nog langen tijd in gemijmer verzonken. Enide's woorden hadden haar
+wakker geschud uit hare ijdele zelfzucht en toen zij zich dien avond
+te slapen legde, was het met een hart vol goeden wil. Zij nam zich
+ernstig voor om goed te maken, wat zij jegens haren echtgenoot had
+misdreven en te trachten, door een nieuw leven vol zorg en toewijding
+zijne liefde te herwinnen.
+
+Erec en Enide begaven zich den volgenden morgen opnieuw op weg,
+vergezeld door Guivret Le Petit. Na eenige dagen reizens kwamen zij
+in Cardiff aan, waar zij met groote vreugde door koning Arthur werden
+begroet. Aan zijn hof bleven zij vertoeven, totdat eenige jaren later
+het bericht van den dood van Erec's vader onzen held naar zijn eigen
+land terugriep. Daar aanvaardde hij het bestuur over zijn volk, dat
+hij tot in hoogen ouderdom met wijsheid wist te regeeren. Steeds bleef
+hij gelukkig in zijn huwelijk met Enide en toen de jaren verliepen,
+groeide er een jong en krachtig kroost rondom hen op, dat door zijne
+frissche jeugd hun de zorgen des ouderdoms verlichtte.
+
+
+
+
+
+INLEIDING TOT DE SAGE VAN LANCELOET EN ELAINE.
+
+
+De voorname plaats, welke Lanceloet bekleedt onder de ridders van
+koning Arthur, alsook zijne verhouding tot koningin Ginevra, maken
+het wenschelijk, dat wij in deze inleiding een weinig dieper ingaan
+op de geschiedenis van dien held, dan, strikt genomen, voor een juist
+begrip van onderstaande legende noodzakelijk is.
+
+De figuur van Lanceloet, die zulk eene belangrijke rol zou vervullen
+in den Arthur-cyclus, doet haar intrede gedurende het tweede, Fransche
+tijdperk der Arthur-sagen.
+
+In de oude verhalen van Wales en in het bekende Middel-Engelsche
+gedicht "Brut" van Layamon, wordt Lanceloet's naam niet genoemd;
+het eerst lezen wij dien in "Erec" van Chrétien de Troies, waar
+onze held als derde genoemd wordt onder de ridders van Arthur's
+hof. In dit gedicht, alsook in het latere "Cligés", eveneens van
+Chrétien's hand, is Lanceloet slechts een naam. Opmerkelijk is het,
+dat het laatste gedicht tot onderwerp heeft de liefde van den held,
+Cligés, voor de jonge vrouw van zijn oom _en vorst_ en dat, terwijl
+wij daarin veelvuldige toespelingen vinden op de sage van Tristan en
+Isolde, er toch met geen enkel woord wordt gerept van de verhouding
+tusschen Lanceloet en Ginevra! In het volgende gedicht van Chrétien
+de Troies, dat getiteld is: "Le Chevalier de la Charrette" [49] staan
+wij plotseling voor eene geheel uitgewerkte en in bijzonderheden
+vertelde beschrijving van Lanceloet's verhouding tot de schoone
+koningin. Deze verhouding, waarover in de vorige gedichten in 't
+geheel niet werd gesproken, is thans een voldongen feit en levert
+de stof voor eindelooze beschouwingen en bespiegelingen over de
+liefde. In het volgende gedicht: "Yvain" vinden wij slechts één
+vluchtige vermelding van Lanceloet's naam; in Chrétien's laatste werk:
+"Perceval", wordt hij in het geheel niet genoemd.
+
+Hoe nu dit alles te verklaren?
+
+Volgens Jessie Weston, de schrijfster van "The Legend of Sir
+Lancelot du Lac", Grimms Library, vol. XIII, is de oorsprong van de
+Lanceloet-legende te vinden in een van die vele Bretonsche liederen,
+de beroemde "lais bretons", welke de minnezangers van Wales en Bretagne
+in de 12e eeuw plachten te zingen in de kasteelen der Normandische en
+Fransche edelen en die zooveel hebben bijgedragen tot de verspreiding
+der Arthur-sagen. De inhoud van dit lied zou dan geweest zijn de roof
+van een koningszoon door eene waterfee. Dit blijkt het eenige gegeven
+omtrent onzen held te zijn, dat in al zijne levensbeschrijvingen
+voorkomt; onder welke gedaante hij ons vertoond wordt, steeds is en
+blijft hij "Lancelot _du Lac_."
+
+Het eerste verslag van zijne lotgevallen vinden wij in een
+Middel-Duitsch gedicht: "Lanzelet", dat dagteekent uit de eerste jaren
+der 13e eeuw en geschreven werd door Ulrich van Zatzikhoven. Hoewel
+het werk van lateren datum is dan Chrétien's gedicht, is de stof, die
+daarin verwerkt wordt, van veel ouderen oorsprong en moet het dus ook
+als ouder beschouwd worden. Uit den lossen bouw van het gedicht maakt
+Jessie Weston op, dat het is samengesteld uit een aantal "_lais_",
+die elk op zichzelf een afzonderlijk geheel vormden.
+
+De Fransche dichter was evenwel de eerste, die den naam van den held
+in verband heeft gebracht met dien van de schoone, jonge gemalin
+van koning Arthur. Zijn "Chevalier de la Charrette" werd geschreven
+op bevel en waarschijnlijk volgens aanwijzingen van gravin Marie
+de Champagne, die zulk eene belangrijke rol heeft gespeeld in het
+letterkundige leven van haar tijd. Bovengenoemd gedicht is eene
+verheerlijking der hoofsche liefde, zooals zij in die dagen werd
+gepredikt in de galante kringen van Frankrijk. De held is in blinde
+aanbidding verzonken voor zijne geliefde, die door hare grillen en
+luimen de standvastigheid zijner gevoelens op de proef tracht te
+stellen. De bewondering voor zulk eene onnatuurlijke verhouding was
+het gevolg van de over-beschaving uit die dagen en de overdreven
+verheerlijking der vrouw was eene verklaarbare reactie op de
+geringschatting, waarmede men in de voorafgaande eeuwen op haar
+nederzag. Ons echter, die dergelijke toestanden ontgroeid zijn,
+treft bovenal het gekunstelde van zulke verhoudingen en daarom kan
+ons Chrétien's gedicht, waarin deze gevoelens op de spits worden
+gedreven, niet werkelijk ontroeren. Hoe geheel anders worden wij
+getroffen door de sage van Tristan en Isolde, ongeveer in denzelfden
+tijd ontstaan, maar waarin, dat voelen wij terstond, van werkelijke
+liefde en hartstocht sprake is.
+
+De Lanceloet-sage komt tot voltooiing in den Franschen prozaroman:
+"Lancelot", waar de geschiedenis van den held in verband wordt gebracht
+met de Graal-sage. [50]
+
+Het handschrift van "Lancelot" dagteekent uit de 14e eeuw, maar
+Dr. Jonckbloet, de bewerker van den Middel-Nederlandschen "Lanceloet",
+de eenige in dichtmaat geschreven vertolking van het Fransche werk,
+is van meening, dat de tekst van veel ouderen datum is.
+
+Alvorens over te gaan tot eene nadere beschouwing van den oorsprong
+van onderstaande sage, dient hier nog een enkel woord gezegd te worden
+over de reeds bovengenoemde verhouding tusschen onzen held en koningin
+Ginevra. Reeds in de oudste Arthur-verhalen vinden wij melding van
+Ginevra's ontrouw aan haren echtgenoot, maar haar medeschuldige is
+hier niet Lanceloet, maar Modred, die volgens sommige schrijvers de
+neef, volgens anderen tevens de natuurlijke zoon was van koning Arthur.
+
+In de letterkunde van Wales, waar Lanceloet zelfs niet bij name bekend
+was, wordt de volle nadruk gelegd op Ginevra's schuld en betuigen
+de schrijvers hunne diepe verontwaardiging over haar gedrag. Geheel
+anders is de houding, welke de latere Fransche schrijvers tegenover
+haar aannemen. In hunne werken blijft Ginevra's zedelijk karakter
+geheel onaangetast door hare verhouding tot Lanceloet en in de "Quête
+del St.Graal", een werk van beslist godsdienstige strekking, wordt
+haar naam zelfs met eerbied genoemd. Volgens Jessie Weston is de zaak
+aldus: de ongunstige voorstelling van Ginevra's persoonlijkheid in
+de oude verhalen van Wales wijst op eene vroegere, meer primitieve,
+maar gezondere samenleving dan die uit den Franschen riddertijd.
+
+De oorspronkelijke minnaar der koningin was waarschijnlijk Walewein,
+welke stelling door vele aanwijzingen in de oudste Keltische
+overleveringen gesteund en bevestigd wordt. In latere verhalen
+werd echter Modred als minnaar genoemd; het Christelijk-ethische
+element, dat zich in de Arthur-sagen begon te ontwikkelen, maakte
+het onmogelijk, dat Walewein anders eene eervolle plaats onder de
+volgelingen des konings bleef innemen. Hetzelfde bezwaar deed zich
+gelden voor Ginevra en wij zien haar dus allengs voorgesteld als
+valsch en bedriegelijk.
+
+Een tijd lang nemen de dichters en schrijvers eene streng afkeurende
+houding tegenover haar aan, dan volgt er een tijdperk, dat van de
+Fransche proza-romans, waarin hare afdwaling van het pad der deugd
+wordt vergoelijkt en ten slotte geheel uit het oog verloren. In deze
+romans wordt zij, gelijk reeds hierboven werd vermeld, beschreven als
+eene deugdzame vrouw, die door sommige schrijvers [51] zelfs wordt
+geacht hooger te staan dan haar echtgenoot.
+
+De opvatting van 19e eeuwsche schrijvers, zooals Tennyson is
+begrijpelijkerwijze gegrond op overwegingen, welke geheel verschillen
+van die uit bovengenoemde tijden. De moderne dichters keuren Ginevra's
+verhouding tot Lanceloet af, maar hunne afkeuring is vermengd met
+medelijden.
+
+Hoe kwam het nu, dat Lanceloet de plaats ging innemen van den valschen,
+listigen Modred? Dit geschiedde om twee redenen: 1º om te voldoen
+aan de eischen der hoofsche liefde, 2º om zijne geschiedenis te doen
+gelijken op de zeer populair geworden Tristan-sage.
+
+Reeds hebben wij er op gewezen, dat de verhouding tusschen Lanceloet
+en Ginevra toch altijd eene gansch andere blijft als die, welke bestaat
+tusschen de gelieven van Cornwall. De eerste draagt geheel het stempel
+van den tijd, waarin zij ontstond, het is de ware "amour courtois",
+die zich uit in slaafsche aanbidding en onderdanig huldebetoon aan de
+zijde van den ridder en in hooghartig neerzien en heerschzuchtigen
+trots aan de zijde van zijne "_dame_". Eene dergelijke liefde,
+die kenschetsend was voor de zeden en gewoonten uit dien tijd, was
+voorbestemd om met dien tijd te verdwijnen. De liefde van Tristan en
+Isolde daarentegen heeft door de eeuwen heen de menschheid weten te
+boeien, omdat zij eene natuurlijke uiting is van het menschelijk hart,
+dat door alle tijden heen hetzelfde is gebleven.
+
+Bepalen wij thans onze aandacht tot de sage, welke in de volgende
+bladzijden vermeld wordt. Zij verhaalt van de noodlottige liefde, welke
+de jonkvrouw van Astolat voor onzen held had opgevat, toen deze op
+zijne reis naar het tournooi te Camelot, eenige dagen in haars vaders
+kasteel vertoefde. Het verhaal, zooals het hieronder is weergegeven,
+is ontleend aan Malory's "Morte D'Arthur", waar het deel uitmaakt van
+het achttiende boek. Gelijk ook het geval is met de andere verhalen,
+welke wij in Malory's verzameling aantreffen, moeten wij den oorsprong
+dezer sage elders zoeken en wel in het eerste deel van den Franschen
+prozaroman: "Lancelot". In dit eerste deel schildert de schrijver,
+Walter Map, ons het ridderleven in de daartoe geëigende bontheid van
+kleuren. De episode van Lanceloet's verblijf op het kasteel Astolat
+valt op een tijdstip, waarin onze held reeds geheel onder den ban
+verkeert van zijne liefde voor koningin Ginevra.
+
+Behalve in Thomas Malory's werk vinden wij in de Middel-Engelsche
+literatuur nog eene tweede vertolking van de Sage van Lanceloet
+en Elaine, daar deze ook het gegeven vormt van een Middel-Engelsch
+gedicht uit het einde der 14e eeuw. De schrijver van dit werk is,
+evenals de meeste dichters uit zijn tijd, onbekend gebleven, maar uit
+de schrijfwijze blijkt, dat hij behoord moet hebben tot de klasse
+der minnezangers. Het gedicht, dat getiteld is: "Le Morte Arthur"
+(aangezien het voor het grootste deel gewijd is aan eene beschrijving
+van de gebeurtenissen, die leidden tot Arthur's dood) is geschreven
+in acht-regelige coupletten; het dialect is dat van het Noordwesten
+van Engeland. Hoewel de letterkundige schoonheid van het gedicht niet
+zeer groot is, verdient het toch onze belangstelling, niet alleen om de
+aantrekkelijkheid van het onderwerp, maar ook om de aangename, zij het
+soms ietwat eentonige wijze van vertellen. Op groote oorspronkelijkheid
+kan de dichter niet bogen, zijne beschrijvingen vertoonen een zeker
+gebrek aan verbeeldingskracht, maar daar staat tegenover, dat hij
+ons nu en dan weet te treffen door de eenvoudige, gevoelvolle wijze,
+waarop hij de lotgevallen zijner heldin verhaalt. Bovendien heeft
+zijn werk de verdienste, de eerste Engelsche bewerking te zijn van het
+Lanceloet-Elaine verhaal en van de romantische sage van Arthur's dood,
+al werd van deze laatste reeds eene korte aanduiding in Layamon's
+"Brut" aangetroffen.
+
+Wat nu de verhouding tusschen "Le Morte Arthur" en de vertolking onzer
+sage in Malory's prozawerk betreft, zoo is door sommige geleerden
+de stelling opgeworpen, als zou de laatste aan het Middel-Engelsche
+gedicht zijn ontleend.
+
+Latere geleerden zijn het hiermede niet eens en de algemeene meening
+is thans wel, dat beide afstammen van eene gemeenschappelijke bron:
+een verloren gegaan handschrift van den Franschen "Lancelot", waarin
+de gebeurtenissen eenige afwijkingen vertoonen van die uit het bewaard
+gebleven manuscript.
+
+Alfred Tennyson wijdde één zijner Koningsidyllen aan de behandeling
+onzer sage. Hij gebruikt als bron het Middel-Engelsche gedicht, en
+neemt daar dus ook uit over de ongunstige rol, welke de dichter van
+"Le Morte Arthur" Walewein daarin laat spelen.
+
+Gelijk wij elders [52] gelegenheid hadden te bespreken, heeft het
+karakter van dezen ridder, aanvankelijk een der aanzienlijkste en
+edelste helden van Arthur's hof, in de latere Fransche prozaromans--dus
+ook in den "Lancelot"--eene opmerkelijke verandering ten kwade
+ondergaan en Tennyson, die de sagen in haren ouderen vorm niet schijnt
+gekend te hebben, beschrijft Walewein in zijne gedichten als een
+onbetrouwbaar en lichtzinnig man.
+
+In Malory's vermelding van Walewein's bezoek op Astolat, speelt deze
+geen dubbele rol, daarom is ook in onderstaande wedergave der sage
+zijn goede naam onaangetast gebleven.
+
+
+
+
+
+DE SAGE VAN LANCELOET EN ELAINE.
+
+
+ "Allas", they sayden, "launcelot du lake,
+ That euyr shuldistow se the quene!"
+
+ ("Le Morthe Arthur", Middel-Engelsch
+ gedicht uit de 14e eeuw).
+
+
+_Van het steekspel te Camelot en hoe Lanceloet daarvan thuis bleef,
+maar door de koningin werd aangespoord om toch te gaan._ Koning Arthur
+had ter eere van het feest, waarop de Hemelvaart der Heilige Maagd werd
+herdacht, zijne edelen opgeroepen tot een groot steekspel te Camelot
+aan de Theems. De koninklijke herauten hadden opdracht gekregen, de
+mare hiervan wijd en zijd in den lande te verkondigen en alle ridders
+op te wekken tot deelname aan dit tournooi, dat alle voorafgaande
+feesten in luister en pracht verre zou overtreffen. De koning zelve,
+zoo verklaarden zij aan een ieder, die het hooren wilde, zou ditmaal in
+eigen persoon aan den strijd deelnemen en had zich bereid verklaard,
+om tezamen met zijne ridders een kamp aan te gaan tegen elke groep
+tegenstanders, die zich daarvoor aanbood. Onnoodig te zeggen, dat dit
+bericht de belangstelling voor het komende steekspel aanmerkelijk
+deed stijgen. Velen, die anders zeker tegen de moeite en kosten,
+aan den langen tocht naar Camelot verbonden, zouden hebben opgezien,
+besloten thans toch de reis te ondernemen, ten einde dit belangwekkende
+schouwspel bij te wonen.
+
+Ook in het paleis van koning Arthur sprak men weken van te voren
+over niets anders dan over de komende feesten te Camelot. Uren lang
+wikten en wogen de ridders de kansen van hen, die zich reeds als
+deelnemers aan den strijd hadden aangemeld en verdiepten zich in
+gissingen omtrent het aantal der vreemde ridders, die zich alsnog
+daarbij zouden voegen. De edelvrouwen aan het hof bespraken ijverig
+de keuze hunner kleederen en verlustigden zich bij voorbaat in het
+vele schoons, dat zij in Camelot te zien zouden krijgen.
+
+Koningin Ginevra nam geen deel aan deze gesprekken. Gedurende het
+grootste deel van den afgeloopen winter was zij lijdende geweest
+aan de gevolgen eener zware gevatte koude en nog steeds gevoelde
+zij zich zwak en lusteloos. Den ganschen dag bracht zij door in
+een hoogen zetel aan het raam van een harer eigen vertrekken, het
+gepraat der vrouwen vermoeide haar en 't liefst was zij alleen. Dan
+zat zij uren lang naar buiten te staren en aan de uitdrukking van haar
+gelaat kon men zien, dat hare overpeinzingen niet van de vroolijkste
+waren. Tegen den middag, als de lentezon koesterend over de paden
+van het slotpark scheen, wist koning Arthur haar met zachten dwang
+te overreden om hare vertrekken voor een oogenblik te verlaten en
+met hem naar buiten te gaan. Dan wandelde Ginevra, leunend op den
+arm van haren gemaal, eenigen tijd in de tuinen rond het paleis en
+met genoegen bemerkte de vorst, hoe bij het huiswaarts keeren een
+zacht rood de wangen der zieke kleurde. Ook Ginevra zelve voelde,
+dat de zoele voorjaarslucht haar goed deed. Wanneer zij aldus alleen
+met haar echtgenoot was, temidden der vrije natuur, terwijl om haar
+heen de vogels tjilpten en kweelden en alles sprak van een nieuw
+ontwakend leven, scheen het, of ook in haar arm, gefolterd hart
+iets van den ouden levensmoed terugkeerde. Als zij dan opzag naar
+'s konings edel gelaat, dat zich vol zorg en toewijding tot haar
+neerboog, trachtte zij zich zelve op te dringen, dat hij het was,
+dien zij liefhad en niet die andere, Lanceloet, wiens beeld haar
+steeds voor oogen zweefde. Waarom kon zij niet gelukkig zijn, zij,
+die zich boven zoo vele vrouwen begenadigd moest voelen door de liefde
+van één, die goed en nobel was als geen ander?
+
+Zij zou, zij moest gelukkig worden en dien ander trachten te vergeten;
+hier buiten, in den koesterenden zonneschijn, met haar arm in dien
+van haar echtgenoot en zijne vriendelijke, opbeurende stem in hare
+ooren, meende zij ook werkelijk dat zij het zou kunnen. Maar, eenmaal
+terug in hare vertrekken, als men haar alleen liet en de vermoeienis
+der wandeling haar afgemat deed neerzinken in de kussens van haren
+zetel, miste zij de kracht om zich te verzetten tegen den stroom
+van bitterzoete herinneringen, welke zich van hare ziel meester
+maakten. Tegen den avond voelde zij zich dan weer moe en slap en de
+wijze artsen schudden hunne geleerde hoofden en spraken van geduld
+en langzamen vooruitgang.
+
+Nu de algeheele beterschap der koningin zoo lang op zich liet wachten,
+kon er geen sprake van zijn, dat zij den koning naar het tournooi te
+Camelot zou kunnen vergezellen. De vermoeienissen van een dergelijken
+tocht zouden haar te veel aangrijpen. Hoezeer het koning Arthur ook
+leed deed zijne gemalin alleen achter te laten, toch zag hij in,
+dat het niet anders kon. Maar nog eene andere teleurstelling wachtte
+hem. Daags voor zijn vertrek kwam Lanceloet, de dapperste zijner
+ridders bij hem en verzocht hem om van deelname aan het tournooi
+te worden vrijgesteld. Als reden tot dit verzoek gaf hij op eene
+nog niet geheel genezen beenwond, welke hij eenigen tijd tevoren
+bij een val van zijn paard had opgeloopen en die hem in den strijd
+hinderlijk kon zijn. Geheel uit het veld geslagen hoorde Arthur toe;
+een steekspel zonder Lanceloet miste voor hem zijne grootste bekoring
+en juist nu hij zelf aan den strijd dacht deel te nemen, viel het
+hem dubbel zwaar in de afwezigheid van zijn meest geliefden ridder
+te moeten berusten. Geen oogenblik kwam het bij hem op, verband te
+zoeken tusschen diens thuisblijven en dat der koningin; toen hij zag,
+dat elke poging om Lanceloet tot meegaan te bewegen, vruchteloos was,
+gaf hij hem met een zucht de gevraagde toestemming. Daarbij ontging
+hem de glans van vreugde, die zich over het gelaat van den ridder
+verspreidde, toen deze zich omwendde om het vertrek te verlaten.
+
+De dag van vertrek was aangebroken en een lange stoet van ridders en
+onderhoorigen stond op het voorplein opgesteld, gereed om de reis
+naar Camelot te aanvaarden. Arthur begaf zich naar de vertrekken
+der koningin om afscheid van haar te nemen. Vol teedere zorg over
+haar welzijn, liet hij Ginevra beloven, gedurende zijne afwezigheid
+de uiterste voorzichtigheid in acht te nemen. Toen zij hem veel
+genoegen te Camelot wenschte, schudde hij het hoofd en sprak: "Zonder
+u en Lanceloet is mij het zijn aldaar veeleer eene kwelling dan een
+genoegen. Hoezeer zal ik uw dierbaar gelaat missen onder de rijen der
+vrouwen, die het tournooi met hare tegenwoordigheid zullen opluisteren
+en hoe zal ik in den strijd den sterken arm en het nooit falend zwaard
+ontberen van Lanceloet, mijn trouwen vriend en strijdmakker. Neen,
+het genoegen van het spel te Camelot is mij vergaan, nu ik de beiden,
+die mij 't liefst zijn op aarde, daar niet zien zal. Ware ik niet de
+koning, maar slechts een eenvoudig ridder, ik zou niet aarzelen om
+thuis te blijven. Het is echter mijn plicht mijn volk niet teleur te
+stellen en daarom ga ik heen. Mijn eenige troost is, dat ik u thans
+in de beste hoede achterlaat!"
+
+De koningin had tot dusverre niets vernomen omtrent Lanceloet's
+thuisblijven. Deze had haar willen verrassen en haar daarom niet van
+te voren over zijn plan gesproken. Hare eerste gewaarwording was dan
+ook een gevoel van onstuimige vreugde, toen haar vlugge geest haar in
+eene reeks van visioenen voor oogen tooverde, wat dit thuisblijven
+voor hen beiden beteekende. Maar toen Arthur voortging met spreken
+en al zijne woorden uiting gaven aan zijne groote liefde voor haar
+en aan het onbegrensd vertrouwen, dat hij in haar en ook in Lanceloet
+stelde, maakte dat gevoel van blijdschap plaats voor een van bittere
+schaamte. Zij moest zich geweld aandoen om niet neer te knielen voor
+haren echtgenoot en hem hare schuld te belijden, maar zij deinsde
+terug voor de gevolgen van die bekentenis. Toen losten hare schaamte en
+wroeging zich op in een gevoel van bittere ergernis tegen Lanceloet,
+die de schuld was van dit alles. Nadat de koning vertrokken was
+en zij hem vanuit haar venster een laatst vaarwel had toegewuifd,
+liet zij Lanceloet bij zich ontbieden. Met een gelaat, waarop hij
+tevergeefs beproefde, de vreugde over dit samenzijn te verbergen,
+trad de ridder het vertrek binnen. Deze uitdrukking van blijdschap,
+waaruit tevens de zekerheid sprak over de liefdevolle ontvangst,
+die hem van hare zijde zou ten deel vallen, droeg er het hare toe
+bij de geprikkelde stemming, waarin de koningin verkeerde, nog te
+verhoogen. De houding, waarin zij hem ontving, was dan ook gansch
+anders, dan Lanceloet zich had voorgesteld. Eerbiedig knielde hij
+voor haar neer, maar zij bleef rechtop in haren zetel zitten en reikte
+hem zelfs niet de hand ten groet. Op ijskouden toon voegde zij hem toe:
+
+"Wat beduidt uwe aanwezigheid hier, als alle ridders zijn
+vertrokken? Hebt gij dan allen eerbied voor mij uit het oog verloren,
+dat ge mij aldus blootstelt aan den lasterpraat van nieuwsgierige
+hovelingen, die ons doen en laten met venijnige blikken bespieden? Hoe
+durft gij aldus handelen, zonder eerst met mij in overleg te zijn
+getreden, waar het eene zaak betreft, die mij zoo nauw aangaat? Nog
+is het tijd, om allen boozen vermoedens den kop in te drukken. Daarom,
+maak u gereed en begeef u alsnog naar Camelot. Het zal u niet moeilijk
+vallen den koning in te halen, daar hij door den langen stoet, die
+hem vergezelt, slechts langzaam vooruitkomt. Haast u en verlaat dit
+vertrek, waar ge reeds lang genoeg hebt vertoefd, om de achterdocht
+der hovelingen gaande te maken!"
+
+Met somberen blik zag Lanceloet haar aan.
+
+"Gij zijt plotseling wel zeer wijs en verstandig geworden, edele
+vrouwe", sprak hij, "en toch was er een tijd, dat gij de eischen
+van het hart wist te stellen boven die der voorzichtigheid. Spaar
+mij echter uwen toorn, nog heden zal ik den koning naar Camelot
+volgen. Daar ik echter eene verklaring moet vinden voor het feit, dat
+ik niet terstond ben mede gegaan, zoo ben ik van zins als een onbekend
+ridder aan het tournooi deel te nemen. Het zal dan tevens blijken,
+of ik ook zonder den steun van mijn naam, bij machte ben om mij in
+den strijd te onderscheiden." Dit zeggend boog hij eerbiedig voor de
+koningin en wilde het vertrek verlaten. Zóó kon Ginevra hem echter niet
+laten gaan. Zijne woorden en nog meer de sombere uitdrukking van zijn
+gelaat hadden den muur verbroken, waarmede zij in hare stemming van
+ergernis haar hart had trachten te omringen en zij voelde, hoe haar
+gansche wezen doorstroomd werd door de liefde voor dezen man. Met een
+kreet van verlangen strekte zij de armen naar hem uit en het volgende
+oogenblik lag zij aan zijne borst en snikte hare wanhoop uit in een
+vloed van tranen. Lanceloet hield haar vast omklemd, maar toen zij
+hem smeekte, haar niet te verlaten en den tocht naar Camelot op te
+geven, maakte hij zich zachtkens los uit hare omarming, leidde haar
+naar eene rustbank en knielde voor haar neder, zeggende:
+
+"Liefste, weet gij, waarom uwe booze woorden van zooeven mij zoo dubbel
+griefden? Het was, omdat zij eene kern van waarheid bevatten. Gij hadt
+gelijk met mij mijn thuisblijven te verwijten. Ik had moeten bedenken,
+hoezeer ik uw goeden naam daarbij in de waagschaal stelde. Niet langer
+is onze liefde een geheim voor onze omgeving. Ridders als Modred en
+Agravaine loeren en spieden om ons te verraden. Het past ons thans
+dubbel voorzichtig te zijn, daarom bid ik u, laat mij gaan!"
+
+Weenend verborg Ginevra het hoofd in de kussens. Ook zij begreep,
+dat het wijzer was Lanceloet te laten vertrekken, maar hoeveel
+kostte het haar om afscheid van hem te nemen! De indruk van Arthur's
+afscheidswoorden was geheel weggevaagd; haar geheele wezen klopte en
+beefde van hartstocht voor hem, die daar geknield voor haar lag. Toch
+moesten zij scheiden en na een laatst vaarwel, eene laatste, lange
+omhelzing verliet Lanceloet het vertrek om zich voor de reis gereed
+te maken.
+
+Eenige uren later reed hij de poorten van het vorstelijk paleis uit,
+in verbazing nagestaard door de achtergebleven ridders, die maar
+niet konden begrijpen, waarom Heer Lanceloet zoo plotseling op zijn
+besluit om niet naar het tournooi te gaan, was teruggekomen.
+
+Een storm van aandoeningen ging hem onder het voortrijden door de
+ziel, want de liefde voor Ginevra bracht hem naast oogenblikken van
+innigste zaligheid ook tijden van folterend berouw. Wanneer hij zijn
+vorst in het gelaat zag en in zijne oogen de liefde en het vertrouwen
+las, welke deze voor hem koesterde, moest hij zich geweld aandoen om
+het niet uit te schreeuwen van felle zielepijn. Hoe dikwijls nam hij
+zich voor om het gezelschap der koningin te vermijden en te trachten
+haar uit zijn hart te verbannen! Tevergeefs! telkens weer trok zij
+hem met onweerstaanbare macht tot zich en koning Arthur werkte in
+zijne argeloosheid hun beider samenzijn vaak in de hand.
+
+Geheel verdiept in zijne sombere overpeinzingen had Lanceloet niet
+bemerkt, dat het allengs avond was geworden. De schaduwen op het
+boschpad werden langer en langer; nu en dan struikelde zijn paard
+over een boomwortel, die over den weg groeide en weldra was het
+onmogelijk om op eenigen afstand voor zich uit te zien. Uit zijn
+gepeins ontwakend, besloot Lanceloet, zoo spoedig mogelijk een
+onderkomen voor den nacht te zoeken en daar hij wist, dat hij zich in
+de nabijheid van het kasteel Astolat moest bevinden, dat op eenigen
+afstand van Camelot aan de Theems was gelegen, stuurde hij zijn ros
+in de richting der rivier. Nadat hij eenigen tijd langs den oever
+was voortgereden, zag hij bij eene kromming van den stroom de donkere
+massa van een ridderslot voor zich oprijzen.
+
+Bij het laatste schemerlicht, dat over de velden langs den rivieroever
+hing, zocht hij den ingang van het slot en meldde zich aan bij de
+poortwacht als een ridder van koning Arthur, die op weg naar Camelot
+door den nacht was overvallen en thans om een onderkomen voor zich en
+zijn paard verzocht. Het noemen van 's konings naam deed de wachters
+haastig de poort voor hem ontsluiten en spoedig daarna trad hij de
+zaal binnen, waar het gezin van den slotheer rond den avonddisch
+zat geschaard. De oude graaf Bernard van Astolat trad hem met een
+vriendelijk welkomstwoord op de lippen tegemoet. Hij werd gevolgd door
+zijne beide zonen: Torre, een bleeken, ziekelijk uitzienden jongeling
+en Lavaine, een frisschen blozenden knaap van nauwelijks achttien
+jaren. Daarachter kwam schuchter en verlegen Heer Bernards eenig
+dochtertje Elaine, de jongste van het drietal en nog bijna een kind in
+leeftijd en uiterlijk. Blozend reikte zij den vreemden ridder de hand
+en toen deze die eerbiedig kuste, zag zij in angstige verlegenheid
+op naar haar vader, als om hem te vragen, wat haar thans te doen stond.
+
+Graaf Bernard trok vroolijk lachend zijn dochtertje naar zich toe
+en zeide: "Onze Elaine is een natuurkind, Heer ridder, en kent de
+gebruiken van het hof niet. Gij moet haar dit niet ten kwade duiden,
+wij leiden hier een eenvoudig en teruggetrokken leven en ik stel er
+prijs op, dat mijn dochtertje zoo lang het mogelijk is, hare blijde
+jeugd geniet. Later zal zij dan moeten leeren, hoe zich in de hofwereld
+te gedragen."
+
+"Dat zal haar niet moeilijk vallen", antwoordde Lanceloet met
+de hem aangeboren hoffelijkheid, "jeugd en schoonheid zijn twee
+machtige beschermers, waarvan men de waarde ook ginds weet te
+waardeeren. Wanneer men die bezit, is men er zeker van, dat men overal
+vriendelijk ontvangen wordt, de rest volgt dan van zelf."
+
+"Ho, ho! Heer vreemdeling," lachte de oude graaf, "dergelijke vleitaal
+hoort hier niet thuis en is allerminst geschikt voor de ooren van
+een jong meisje als onze Elaine, wier hoofdje gij er licht mee op
+hol zoudt kunnen brengen. Maar kom, genoeg van dit alles. Zet u neder
+aan onzen eenvoudigen maaltijd en vertel ons, wat u hier henen voert."
+
+Lanceloet voldeed aan dit verzoek en vertelde zijn vriendelijken
+gastheer, dat hij tot de ridders der Tafel Ronde behoorde en op weg was
+naar Camelot om aldaar aan het tournooi deel te nemen. Tevens verzocht
+hij hem, van het noemen van zijn naam verschoond te mogen blijven,
+daar hij als onbekende aan den strijd wenschte deel te nemen. Na
+afloop van het steekspel, zoo beloofde hij, zou hij zich aan graaf
+Bernard bekend maken, tot zoo lang verzocht hij zijn gastheer, hem
+te willen verontschuldigen.
+
+Met de grootste welwillendheid ging de graaf op het voorstel van zijn
+vreemden gast in en toen deze hem vervolgens een schild ter leen vroeg
+om het geheim van zijn persoon nog beter te kunnen bewaren, antwoordde
+hij vriendelijk: "Met genoegen wil ik u dit geven. Doordat mijn oudste
+zoon, Torre, bij het eerste gevecht, waaraan hij deelnam, nadat hij
+tot ridder geslagen was, eene ernstige verwonding heeft opgeloopen,
+kan hij voorloopig zijn schild niet gebruiken en stel ik dat thans
+gaarne te uwer beschikking. Ik heb echter wederkeerig een verzoek
+aan u en wel, dat deze knaap",--hierbij legde hij zijne hand op het
+blonde hoofd van Lavaine, die naast hem zat--"met u mede mag rijden
+naar Camelot. Sedert weken houdt hij niet op mijne toestemming te
+vragen om aan het tournooi deel te mogen nemen. Ik vond hem echter te
+jong om alleen daarheen te gaan, maar beloofde hem, dat, indien zich
+een geschikt geleide voordeed, ik zijne zaak zou bepleiten. Spreek,
+hebt gij er geen bezwaar tegen hem met u mede te nemen?"
+
+Lanceloet zag lachend in het gelaat van den knaap, dat bij zijns
+vaders woorden hoogrood werd gekleurd en hem nu vol spanning aanzag,
+daarna sprak hij: "Niet in 't minst, waarde graaf! Het is mij steeds
+eene aangename taak, de eerste schreden van een jongeling op het pad
+des roems te leiden, dus neem ik gaarne uw zoon met mij mede. Gij
+kunt gerust zijn, dat ik goed voor hem zorgen zal!"
+
+Nu alles zoodoende tot ieders genoegen was geschikt, verliep de
+maaltijd verder onder vroolijk gekout. Na afloop schaarde het
+gezelschap zich om de breede schouw, waar een helder vlammend
+vuur eene aangename warmte afstraalde en de kilte van den vroegen
+voorjaarsavond verjoeg.
+
+De graaf noodde zijn gast om hem en zijnen zonen het een en ander
+van zijne krijgstochten te vertellen en Lanceloet, die zich dankbaar
+gestemd voelde door de gulle ontvangst op het slot, verklaarde zich
+gaarne daartoe bereid. Met aandacht luisterde Heer Bernard naar het
+verslag zijner krijgsavonturen, ook Torre's belangstelling werd door
+het gehoorde opgewekt en hij zette zich wat rechter overeind in zijn
+stoel. Lavaine hing in ademlooze spanning over den rug van zijns
+vaders zetel en genoot met hart en ziel van Lanceloet's verhalen; in
+gedachten leefde hij mede met den verteller en stelde hij zich zelven
+in diens plaats. Zijn hart klopte luider van vreugde bij de gedachte,
+dat ook hij spoedig dergelijke avonturen zou beleven en dankbaar zag
+hij den vreemdeling aan, die voor hem de poorten van de wonderschoone
+wereld zou ontsluiten.
+
+Aan de voeten van haar vader, op een laag bankje bij het vuur zat
+Elaine. Het was haar lievelingsplekje, waar zij steeds placht te
+zitten, wanneer haar vader en broeders na het avondmaal spraken over
+jacht en landbouwbedrijf en de dagelijksche voorvallen in huis en
+hof. Dan vond zij er een genot in om urenlang in de haardvlammen te
+staren en met hare levendige verbeelding zich daarin allerlei schoons
+voor oogen te tooveren. Temidden van den rossen vlammengloed bouwde zij
+zich een sprookjespaleis, zóó schoon, zóó rijk, als er op aarde geen
+te vinden was. Daar troonde zij in één der zalen, waarvan de muren
+glinsterden als goud, en aan hare voeten knielde een ridder. Hoe die
+ridder er uitzag, hoe hij heette en vanwaar hij kwam, waren slechts
+bijkomstige omstandigheden, waarin zij zich tot dusverre nooit
+verdiept had; de hoofdzaak was, dat hij eens komen zou en dat hij
+haar lief zou hebben en vereeren, zooals de schoone vrouwen uit de
+liederen der minnezangers, die somtijds in haars vaders slot kwamen,
+bemind plachten te worden.
+
+En nu was hij gekomen, de held harer droomen, de prins uit haar
+sprookjespaleis. In de gestalte van een edelen vreemdeling zat hij
+thans te praten met haar vader, zóó kalm en rustig, als ware heden door
+zijne komst niet het groote wonder geschied, waarop zij reeds zoo lang
+wachtte! Zou hij er zelf geen besef van hebben, welk een gewichtige dag
+het voor hen beiden was? Het scheen bijna van niet, maar toch--had hij
+hare hand niet gekust, had hij haar niet schoon genoemd en haar daarbij
+aangezien, wel ernstig, ja, maar zóó vriendelijk en zacht, dat zijn
+blik haar hartje had doen kloppen van eene vreemde, warme ontroering?
+
+Nooit nog had één der makkers van hare beide broeders haar zóó
+aangezien, beteekende die blik dan niet, dat hij haar ook gaarne zag?
+
+Met glanzende oogen zag Elaine naar den vreemdeling op; ditmaal keurde
+zij de heldere haardvlammen geen blik waardig, zelfs keerde zij het
+vuur bijna den rug toe om toch maar vooral geen woord te verliezen,
+van wat de vreemde ridder sprak. Zij hoorde hem vertellen, hoe hij
+op het slot Corbin had gestreden tegen een vuurspuwenden draak, die
+de eer en veiligheid der slotvrouwe bedreigde, en terwijl hij sprak,
+beschouwde zij aandachtig zijn gelaat. Hij zag er nu geheel anders
+uit, dan toen hij voor 't eerst bij hen binnentrad. Zijne oogen, die
+toen zoo somber voor zich uitzagen, hadden nu eene bijna vroolijke
+uitdrukking aangenomen; zijne stem klonk helder en opgewekt en men kon
+zien, dat hij met hart en ziel bij zijn verhaal was. Eindelijk werd het
+tijd om zich ter ruste te begeven, want den volgenden morgen zouden de
+reizigers reeds in alle vroegte op weg moeten gaan. Toen Elaine bij het
+goeden nacht wenschen opnieuw Lanceloet's lippen op hare hand gevoelde,
+ging er eene rilling door al hare leden en haastig vlood zij heen,
+naar haar eenzaam torenkamertje, waar zij van kindsbeen af geslapen
+had. Daargekomen opende zij haar venster en staarde naar buiten, waar
+de sterren flikkerden en straalden aan den helderen avondhemel. De
+bevende handjes tegen haar hart gedrukt luisterde zij toe, tot alle
+geluiden in het kasteel verstomd waren, toen begaf ook zij zich ter
+ruste, maar het duurde lang, eer zij den slaap kon vatten.
+
+
+
+_Hoe Lanceloet en Lavaine zich op weg begaven en hoe de eerste zijn
+schild ter bewaring gaf aan Elaine._ Tegen het krieken van den morgen
+maakten Lanceloet en Lavaine zich gereed om den tocht naar Camelot te
+ondernemen. In de grijze ochtendschemering betraden zij het slotplein,
+waar de stalknechts van Graaf Bernard hunne paarden bij den teugel op
+en neer leidden. De diepe stilte, die aan den dageraad voorafgaat,
+heerschte om hen heen, slechts nu en dan verbroken door het kraaien
+van een haan of het getjilp van een vroegen vogel. Terwijl Lanceloet
+het tuig van zijn paard onderzocht om te zien of alles in orde was,
+ging Lavaine het kasteel binnen om zijns broeders schild te halen,
+hetwelk zijn vader aan hun gast beloofd had. Toen hij met vluggen
+tred de hoofddeur binnenliep en in één der vóórvertrekken verdween,
+zag hij niet, hoe eene kleine gedaante langs de breede trap omlaag
+kwam sluipen. Het was Elaine.
+
+Alvorens zij dien nacht was ingeslapen, had zij besloten, dat zij
+den volgenden morgen vroeg op wilde staan om den vreemden ridder nog
+éénmaal te zien, vóór hij heenging. Het gestamp der paardehoeven op
+het voorplein onder haar raam had haar uit hare onrustige sluimering
+gewekt; ijlings was zij opgestaan en had zich met bevende vingers,
+aangekleed. Zoo kwam zij thans beneden en een zucht van verlichting
+ontsnapte haar, toen zij door de open deur de paarden der vertrekkenden
+nog op het voorplein zag staan. Goddank! zij was nog juist op tijd.
+
+Een oogenblik later meende Lanceloet, die in gebukte houding bij de
+paarden stond, een zacht geritsel achter zich te hooren; haastig
+zag hij om, denkend dat het Lavaine was, die hem het schild kwam
+brengen. Op het zien van Elaine kon hij een kreet van verrassing
+niet onderdrukken. En inderdaad, wel mocht de plotselinge aanblik van
+het jonge meisje, zooals hij haar daar roerloos en met neergeslagen
+oogen zag staan, hem treffen. In haar witte kleedje, waarvan zij de
+slippen over den arm geslagen had, opdat ze haar bij het voortgaan
+niet zouden hinderen, met de lange blonde haren golvend om haar heen
+en het fijne gelaat, waaruit de aandoening alle kleur verdreven had,
+geleek zij een wezen uit eene andere wereld, eene fee van den dageraad,
+die zoo aanstonds, als de wereld uit hare sluimering ging ontwaken,
+weer heen zou vluchten naar het schimmenrijk, waar zij thuis behoorde.
+
+De nabijheid van haren held had Elaine al haren moed ontnomen en zoo
+bleef zij met neergeslagen oogen vóór hem staan, terwijl hare vingers
+onrustig heen en weer gleden langs de plooien van haar kleed. Lanceloet
+van zijn kant staarde haar in klimmende verbazing en ontroering aan;
+de diepe indruk, dien hare plotselinge verschijning op hem maakte,
+belette hem het spreken.
+
+Eindelijk waagde Elaine het de oogen naar hem op te slaan en stamelde,
+zóó zacht, dat hij zich voorover buigen moest om te verstaan,
+wat zij zeide: "Ik ben gekomen om u en Lavaine eene goede reis te
+wenschen. Moge God u behoeden en beschermen in het gevaar."
+
+Terwijl zij deze woorden sprak, kwam Lavaine uit het slot aanloopen,
+met het schild van Torre. Op het zien van zijne zuster, slaakte
+hij een uitroep van verbazing en naderbij gekomen, plaagde hij het
+jonge meisje op vroolijken toon met haar vroege opstaan. Zijne woorden
+joegen Elaine het bloed naar de wangen. Lanceloet haalde verruimd adem,
+nu aan de spanning van het oogenblik een einde was gekomen en hij in
+haar weer een menschelijk wezen kon zien, een jong meisje dat blozen
+kon als elk ander, bij een schertsend woord van haar broeder.
+
+Terwijl Lavaine zich bukte om zich eveneens te vergewissen, dat zijn
+paard behoorlijk voor den tocht was uitgerust, legde Elaine haar
+handje op Lanceloet's mouw en sprak snel: "Heer ridder, ik heb een
+verzoek aan u, dat ge mij, hoop ik, niet zult weigeren. Zoo gaarne
+zou ik zien, dat gij in het tournooi te Camelot een herinneringsteeken
+van mij wildet dragen. Wilt ge dat doen?"
+
+"Heb dank voor uw aanbod," antwoordde Lanceloet, "en geloof mij,
+wanneer ik u zeg, dat ik van niemand liever dan van u een teeken zou
+willen dragen. Toch kan ik niet aan uw verzoek voldoen, daar ik, om
+persoonlijke redenen, nooit aan die gewoonte heb medegedaan. Duid het
+mij niet euvel, indien ik hierdoor onhoffelijk mocht schijnen. Elk
+ander verzoek van u zal ik met graagte inwilligen, slechts dit niet."
+
+Elaine echter liet niet los. Zij trad nog eene schrede dichterbij en
+den ridder met hare groote oogen smeekend aanziend, zeide zij: "Ik
+bid u, weiger mij mijn verzoek niet. Het zou mij zoo innig gelukkig
+maken, te weten, dat gij in den strijd eene kleine herinnering aan
+mij medenaamt. En wat uw bezwaar daartegen betreft, hebt ge ons
+gisterenavond niet verteld, dat gij in Camelot onbekend wenscht te
+blijven? Welnu dan, hoe kunt gij u op meer afdoende wijze vermommen,
+dan dat gij, die nooit het geschenk eener dame draagt, thans daarmede
+in het perk verschijnt? Zelfs uwe beste vrienden zullen, uw beginsel
+hieromtrent kennend, er door om den tuin worden geleid."
+
+Lanceloet kon zich de waarheid harer woorden niet
+ontveinzen. Inderdaad, nooit zou men gelooven, dat hij, Lanceloet,
+zich had laten bewegen om in een tournooi uit te komen met het geschenk
+eener vrouw als talisman. Bovendien werd het hem steeds moeilijker
+om den dringenden blik van Elaine's reine kinderoogen te weerstaan,
+daarom greep hij hare hand, die op zijne mouw rustte, drukte die
+hartelijk en sprak: "Gij hebt gelijk! Door aan uw verzoek te voldoen,
+zal ik in den strijd dubbel onherkenbaar zijn. Daarom zal ik ditmaal
+van mijne gewoonte afwijken. Maar," zoo voegde hij er lachend aan toe,
+"ware gij het niet geweest, die het mij vroeg, zou zoo ik er zeer
+zeker niet toe hebben kunnen besluiten!"
+
+Het was Elaine, of eene warme golf van ontroering haar doorstroomde;
+diep blozend stamelde zij eenige woorden van dank en reikte den ridder
+eene mouw van karmozijnrood fluweel, bezet met blanke paarlen.
+
+Lanceloet nam zich den helm van het hoofd, maakte den wuivenden
+vederbos er van los, en bevestigde de mouw daarvoor in de
+plaats. Daarna zette hij hem weer op het hoofd en zeide vroolijk:
+"Moge het mij gegeven zijn, het geschenk in ongeschonden staat aan
+de schoone geefster terug te brengen!"
+
+Lavaine had thans het onderzoek van zijn paard beëindigd en stelde
+Lanceloet voor om te vertrekken. Deze was terstond bereid, maar,
+alvorens hij zich te paard zette, wendde hij zich nogmaals tot het
+jonge meisje en zeide vriendelijk: "Sta mij toe, u wederkeerig
+om een dienst te verzoeken. Uw broeder heeft mij zoo juist het
+schild gebracht, dat uw vader mij zoo welwillend ter leen heeft
+afgestaan. Mijn eigen schild is thans overbodig geworden, wilt gij
+het zoo lang voor mij bewaren, tot ik het na afloop van het steekspel
+in eigen persoon kom terughalen? Niet gaarne zou ik willen, dat het
+in verkeerde handen geraakte, want het roept de herinnering in mij
+wakker aan vele roemrijke veldtochten, waarin het mij steeds trouw
+gediend heeft!"
+
+Vol vreugde nam Elaine het schild in ontvangst, dat Lanceloet haar
+toereikte.
+
+Een oogenblik later zaten de beide ridders in den zadel en reden na
+een laatst vaarwel de slotpoort uit. Even dreunde de ophaalbrug onder
+de hoeven hunner paarden, daarna draafden zij den breeden heirweg op
+in de richting van Camelot.
+
+Het jonge meisje was hen tot aan de slotpoort gevolgd, daar tuurde
+zij hen na, leunend op het zware schild, terwijl haar hartje klopte
+van vreugde en verlangen en in hare ooren nog steeds de woorden
+weerklonken: "Ware gij het niet geweest, zoo zou ik er zeer zeker
+niet toe hebben kunnen besluiten!"
+
+Met den weerklank van die woorden in het hoofd, keerde zij
+langzaam naar het slot terug en besteeg de breede trappen naar haar
+torenkamertje. Moeizaam torste zij het schild in hare armen; af en toe
+moest zij even stilstaan, om uit te rusten, maar toch kwam het niet
+bij haar op, om den zwaren last aan andere handen toe te vertrouwen,
+voor niets ter wereld zou zij hem hebben afgestaan.
+
+In haar eigen vertrek gekomen, zette zij zich neder in de breede
+vensternis, het schild op hare knieën. Aandachtig bezag zij het
+kostbare snijwerk en met eene huivering van angst en nieuwsgierigheid
+gleden hare vingers over de vele deuken en krassen, welke het in de
+verschillende gevechten had opgeloopen. Daarbij poogde zij zich voor
+te stellen, op welke wijze en onder welke omstandigheden die slagen
+waren toegebracht. Zoo droomde zij van haar held en volgde hem in
+gedachten op zijn tocht, die hem ook thans weer in het gevaar zou
+brengen. Telkens, wanneer zij aan het steekspel te Camelot dacht,
+ging er eene rilling van angst door hare leden; dan klemde zij hare
+handjes vast ineen en zond een vurig gebed omhoog, waarin zij Maria
+en alle Heiligen smeekte om haren geliefde in den strijd te beschermen.
+
+Lanceloet en Lavaine hadden intusschen in weinige uren den afstand
+afgelegd tusschen het kasteel Astolat en Camelot. Aldaar gekomen,
+vonden zij de stad in groote opwinding over het tournooi, dat den
+volgenden dag zou beginnen. Het bleek onmogelijk om nog een geschikt
+onderdak te vinden, daarom besloot Lanceloet den volgenden nacht
+door te brengen bij een bevrienden kluizenaar in het naburig bosch,
+in wiens woning hij reeds meermalen gastvrijheid had genoten. Op
+weg daarheen vertelde hij zijn jeugdigen metgezel, wie hij was,
+hem tevens verzoekend, zijn geheim te willen bewaren.
+
+Het hooren van zijn beroemden naam maakte diepen indruk op het
+ontvankelijk gemoed van den jongeling, die, van zijne jeugd af aan,
+Lanceloet vereerd en bewonderd had en geen vuriger wensch koesterde,
+dan hem eens, zij het ook van verre, te mogen aanschouwen. En nu reed
+hij in gezelschap van den held zijner droomen naar Camelot en deze,
+de beroemde, gevierde ridder behandelde hem als zijn vriend en gaf
+hem op kameraadschappelijken toon allerlei wenken en raadgevingen
+voor den komenden strijd.
+
+Bij den kluizenaar aangekomen, vond het tweetal een gastvrij onthaal;
+reeds vroeg begaven zij zich ter ruste, ten einde den volgenden morgen
+zoo frisch en krachtig mogelijk in het perk te kunnen verschijnen.
+
+
+
+_Van het steekspel te Camelot en hoe Lanceloet gewond werd._ Het
+tournooi zou gehouden worden op een uitgestrekt weiland aan de
+rivier. Daarheen begaven zich reeds in alle vroegte de bewoners van
+Camelot met hunne vrouwen en kinderen. De gansche stad liep leeg;
+slechts zij, die door ziekte verhinderd waren hunne woning te verlaten,
+bleven in huis, verder stroomde jong en oud, rijk en arm naar de
+plaats, waar het lang verbeide feest zou plaats vinden.
+
+De beide partijen der strijdenden stonden reeds aan weerskanten van
+het perk opgesteld, toen Lanceloet en Lavaine vanuit het woud kwamen
+aanrijden.
+
+Aan de ééne zijde van het veld bevonden zich koning Arthur en zijne
+ridders, die gesteund werden door koning Anguish van Ierland en
+den koning der Schotten; hunne tegenstanders waren de koningen van
+Noord-Wallis en Northumberland, met hunne ridders en volgelingen.
+
+Lanceloet en zijn metgezel hielden zich schuil achter het geboomte,
+dat de weide omzoomde om het verloop van den strijd af te wachten. Zij
+waren namelijk overeengekomen, dat zij zich voegen zouden bij de
+zwakste partij, onverschillig welke die zijn mocht. Weldra bleek het,
+dat de tegenpartij van koning Arthur het niet lang zou kunnen volhouden
+tegen den onstuimigen aanval der Tafel Ronde. Toen Lanceloet zag,
+hoe de ridders van Wallis en Northumberland langzaam maar zeker het
+veld moesten ruimen, gaf hij Lavaine een wenk en beiden stortten zich
+onder luide kreten van aanmoediging in het strijdgewoel.
+
+De uitwerking van hunne deelname aan het gevecht was verbluffend. De
+ridders, die op het punt waren den strijd op te geven, schepten
+nieuwen moed en drongen met kracht voorwaarts. Bij de tegenpartij
+daarentegen veroorzaakte hunne plotselinge verschijning een oogenblik
+van verwarring, waarvan Lanceloet terstond gebruik wist te maken. Met
+Lavaine aan zijne zijde joeg hij op zijne tegenstanders los, zijn
+slagzwaard door de lucht zwaaiend. Verwarring en ontsteltenis
+verspreidden zich door de gelederen der Arthur-ridders. Met
+bijkans bijgeloovige vrees zagen zij naar den vreemden ridder met
+het wapperende, roode kenteeken op zijn helm, die in woeste vaart
+op hen toe kwam rijden. Een gemompel van "Lanceloet" ging door de
+gelederen der strijdenden, geen ander toch wist zóó krachtig zijn
+zwaard te hanteeren. Maar--Lanceloet was thuisgebleven en bovendien,
+zelfs al zou hij zich op het laatste oogenblik bedacht hebben, men
+had hem toch nooit met het geschenk eener dame als helmteeken in den
+strijd zien treden. Het scheen intusschen, of de roode mouw den drager
+geluk aanbracht, want nog nooit had hij zich zóó roekeloos gewaagd,
+zonder dat hem het minste letsel werd toegebracht. Ook Lavaine hield
+zich wakker, geen oogenblik week hij van Lanceloet's zijde en hij
+steunde hem, waar en wanneer hij kon. Reeds liep de strijd ten einde,
+toen één van de ridders der Tafel Ronde, Heer Bors, een der beste
+vrienden van Lanceloet, kans zag, hem van ter zijde te benaderen en
+hem zijne scherp gepunte speer in de zijde drukte.
+
+Even daarna bliezen de herauten het sein, dat de strijd was afgeloopen
+en verkondigde de scheidsrechter, dat den ridder met de roode mouw
+de prijs der overwinning was toegekend, welke hij vóór de tent des
+konings in ontvangst kon komen nemen. Lanceloet echter schudde het
+hoofd. Eene felle pijn brandde hem in de zijde en benam hem bijna het
+bewustzijn. De gedachte zich daar ginds te laten huldigen en vieren,
+was hem ondragelijk; hij snakte naar rust en kalmte en verlangde niets
+liever, dan zoo spoedig mogelijk te ontsnappen aan die juichende,
+joelende menschenmenigte.
+
+In haastige woorden verzocht hij Lavaine hem te volgen en
+gebruik makend van de algemeene verwarring verliet hij ijlings het
+strijdperk. Met de uiterste krachtsinspanning wist hij zich in het
+zadel overeind te houden, tot zij door het dichte geboomte onttrokken
+werden aan de blikken van hen, die hunne overhaaste vlucht hadden
+opgemerkt. Toen was het echter met zijn uithoudingsvermogen gedaan. Met
+een klagelijken kreet van pijn sloeg hij de armen omhoog en stortte
+bewusteloos van zijn paard.
+
+Men kan zich de ontsteltenis van Lavaine voorstellen, toen hij zijn
+vriend plotseling zulk een val zag doen. In een oogwenk was ook hij van
+zijn paard gesprongen en knielde bij zijn strijdmakker neer. Bij een
+haastig onderzoek naar de oorzaak van Lanceloet's bezwijming ontdekte
+hij de speerpunt, die in zijne zijde stak. Met een kloek besluit trok
+hij het wapen uit de wonde en na deze haastig verbonden te hebben,
+zoo goed en zoo kwaad als het ging, tilde hij het bewustelooze lichaam
+van zijn vriend opnieuw in den zadel en leidde zijn paard aan den
+teugel naar de woning des kluizenaars, welke gelukkig niet ver van
+de plek des onheils verwijderd was.
+
+Het duurde niet lang, of de vrome man wist zijn gast uit diens
+verdooving te doen ontwaken door het toedienen van eenige opwekkende
+middelen, waarvan hij het geheim verstond. Lanceloet's wonde liet
+zich echter ernstig aanzien en de wijze heremiet voorspelde Lavaine,
+dat het langen tijd zou duren, alvorens zijn vriend weder geheel
+hersteld zou zijn.
+
+In het strijdperk te Camelot verdiepte men zich intusschen in gissingen
+omtrent het plotseling verdwijnen van den vreemden ridder. Sommigen
+beweerden, dat zij hem in gezelschap van een jongeling het bosch
+hadden zien inrijden, anderen weer hielden vol, dat hij het veld niet
+had verlaten.
+
+Koning Arthur vooral was zeer teleurgesteld, dat hem de kans werd
+ontnomen om kennis te maken met den man, die zich zoo meesterlijk in
+den strijd gedragen had. Zijne geheime hoop om dien vreemdeling voor
+zijne Tafel Ronde te winnen, moest hij nu ook opgeven. Mistroostig
+luisterde hij naar de opgewonden gesprekken om hem heen, tot
+eindelijk Walewein, de teleurstelling van zijn vorst bemerkend,
+aanbood om den vreemdeling te gaan zoeken. Zijne naspeuringen waren
+echter tevergeefs!--na eenige dagen keerde hij onverrichter zake in
+Camelot terug.
+
+Spoedig daarop ondernam de vorst met zijn gevolg de terugreis naar
+Londen en ziet, toen gebeurde het, dat Walewein, die op zekeren avond
+in de vallende duisternis van het overige gezelschap was afgedwaald,
+zich genoodzaakt zag om gastvrijheid te vragen in het kasteel Astolat,
+waar Lanceloet eenigen tijd te voren om een onderkomen had aangeklopt.
+
+Heer Bernard ontving hem met dezelfde gulle hartelijkheid, welke hij
+Lanceloet had betoond en Walewein's belangstelling werd alras opgewekt
+door het zoo uiteenloopende drietal: de eerbiedwaardige grijsaard,
+zijn linksche, zwijgzame zoon en het bekoorlijke, jonge meisje. Toen
+de gast zich in den loop van den avond liet ontvallen, dat hij
+uit Camelot kwam, waar hij het beroemde steekspel had bijgewoond,
+ging er een schok van ontroering door het kleine gezelschap en met
+bevende stem vroeg Heer Bernard hem, of hij hun ook eenig bericht kon
+geven omtrent zijn zoon, die in gezelschap van een vreemden ridder
+ten strijde was getrokken. De naam van Lavaine bleek Heer Walewein
+echter geheel onbekend te zijn, dus kon hij den bezorgden vader
+geenerlei tijding over het welzijn van den knaap verschaffen. Wel
+beschreef hij hun den loop van het tournooi en onder het vertellen
+prees hij telkens weer het moedige gedrag van den vreemden ridder,
+die ten slotte overwinnaar was gebleven. Op Heer Bernard's verzoek
+om hem dien stoutmoedigen vreemdeling eens nader te beschrijven,
+gaf hij ten antwoord, dat de ridder voorzien was van een wit schild
+en dat hij op zijn helm eene roode mouw droeg, met paarlen bezet.
+
+Bij het hooren van deze woorden slaakte Elaine, die vol spanning had
+zitten luisteren naar hetgeen Heer Walewein verhaalde, een kreet van
+verrassing. Verbaasd zagen haar vader en zijn gast haar aan; zij was
+opgesprongen van haar zetel en stond met glinsterende oogen en blozend
+gelaat voor hen, terwijl zij uitriep: "Hoort gij het, Vader en gij,
+Torre, die daar zoo suf voor u uit zit te staren? Hoort gij, wat Heer
+Walewein vertelt? Hij is het, de vreemdeling, die hier overnacht heeft
+en ons zulke wonderschoone verhalen van den koning en zijne ridders
+wist te vertellen. Ik dacht het wel, dat er niemand sterker en moediger
+was dan hij! O, hoe gaarne zou ik bij het tournooi tegenwoordig
+geweest zijn om hem toe te juichen en als overwinnaar te huldigen!"
+
+Walewein had verbaasd naar hare woorden geluisterd; nu zij ophield
+met spreken, wendde hij zich met eene hoffelijke hoofdnijging tot haar
+en sprak: "Indien gij weet, wie de ridder met de roode mouw zijn kan,
+zoo smeek ik u, mij zijn naam te noemen. Koning Arthur stelt er hoogen
+prijs op, dien te weten en ook in zijn eigen belang is het beter, dien
+niet langer geheim te houden. Hij is zwaar gewond uit het strijdperk
+verdwenen, mogelijk ligt hij ergens weg te kwijnen door gebrek aan
+hulp en verzorging. Daarom, nog eens, zeg mij, wie hij is en ik zal
+onverwijld maatregelen nemen om zijne schuilplaats te ontdekken."
+
+Een doodelijk wit had Elaine's gelaat overtogen, bij het hooren
+van die vreeselijke tijding. Hare ledematen schenen als verstijfd;
+zij hoorde de stem van Heer Walewein, maar de beteekenis van wat
+hij zeide kon zij niet in zich opnemen. Alleen de woorden: "hij is
+zwaar gewond uit het strijdperk verdwenen", klonken haar in de ooren
+en riepen haar de vreeselijkste visioenen voor den geest: Lanceloet
+gewond, badend in zijn bloed--Lanceloet dood, met verstarde trekken
+en groote, verglaasde oogen. Een oogenblik sloot zij de hare om
+dat vreeselijk droombeeld buiten te sluiten, daarna deed zij eene
+bijna bovenmenschelijke poging om hare kalmte te herwinnen en sprak:
+"Zijn naam kunnen wij u helaas niet zeggen, Edele Heer, daar hij ons
+dien niet heeft medegedeeld. Indien gij echter, zooals gij zooeven
+zeidet, ook tot Arthur's hof behoort, zoo weet ik eene andere wijze,
+waarop gij kunt ontdekken, wie de vreemde ridder was. Bij het heengaan
+liet hij zijn schild hier achter, en verzocht mij, dit voor hem te
+willen bewaren. Mogelijk herkent gij het." Na dit gezegd te hebben,
+verliet zij met rassche schreden het vertrek en snelde de trappen
+op naar hare kamer. Zij nam het schild, dat haar toevertrouwd was,
+van den wand en begaf zich ermede naar de zaal, waar Walewein in
+spanning haar terugkeer verbeidde.
+
+Alvorens hem het schild in handen te geven, ontdeed zij het van
+het zijden omhulsel, waarmede hare handige vingeren het hadden
+voorzien. Toen reikte zij het den ridder met de woorden: "Hem,
+dien het toebehoort, heb ik lief met mijn gansche hart en ziel, red
+mij daarom uit de kwellende onzekerheid en zeg mij, zoo gij kunt,
+wie en waar hij is!" Diep ontroerd nam Walewein het schild van haar
+aan. Eén blik erop was hem voldoende; met een luiden uitroep van
+verrassing herkende hij het schild van zijn wapenmakker. Een stroom
+van tegenstrijdige aandoeningen ging hem door de ziel, toen hij de
+oogen van Elaine vol angstige spanning op zich gericht voelde en een
+overweldigend gevoel van medelijden maakte zich van hem meester. Nooit
+had zijne stem zóó zacht geklonken, als toen hij tot haar zeide:
+
+"Inderdaad, thans weet ik, wie de vreemde ridder is geweest. Het was
+niemand anders dan Lanceloet, de dapperste, edelste ridder van het
+hof. Geen wonder, dat hij in den strijd de overwinning behaalde, want
+er is geen man ter wereld, die hem ooit heeft kunnen verslaan. Gij hebt
+uw hart aan geen onwaardige geschonken, schoone jonkvrouw, en wat geene
+vrouw ter wereld nog vermocht, hebt gij weten te volbrengen. Nooit
+nog zag ik hem in den strijd verschijnen met de gift eener vrouw op
+zijn helm!"
+
+Walewein zag, hoe Elaine's oogen begonnen te stralen van geluk. Een
+oogenblik vroeg hij zich af, of het wellicht mogelijk kon zijn, dat
+Lanceloet haar inderdaad had liefgekregen, maar toen rees het beeld
+van koningin Ginevra voor hem op en zijn hart werd vervuld van zorg
+en angst voor dit jonge kind, dat hem zoo argeloos hare liefde toonde
+en zoo overtuigd scheen te zijn, dat die werd beantwoord.
+
+Nog zachter en vriendelijker klonk zijne stem toen hij voortging:
+"Zooals ik u reeds zeide, verkeert men in ongerustheid omtrent het
+lot van uw vriend. Hij is spoorloos uit het strijdperk verdwenen,
+niemand weet waarheen, maar wel weten wij, dat hem even vóór het
+einde van den strijd eene gevaarlijke wonde werd toegebracht door
+de hand van een zijner beste vrienden, Heer Bors. Ach, wat zal die
+ongelukkig zijn, wanneer hij verneemt, wie het is, dien hij gewond
+heeft! Maar nu ter zake. Hoe ter wereld zullen wij ontdekken, waar
+Lanceloet zich schuil houdt en wie zal den koning mededeelen, dat hij
+het was, die in den strijd zich zoo schitterend heeft onderscheiden?"
+
+Toen klonk het kalm en vastbesloten uit Elaine's mond: "Dat zal ik u
+zeggen. Gij, Heer ridder, keert terug naar het hof van koning Arthur
+en meldt hem, wat gij hier gehoord hebt. Intusschen zal ik mij op weg
+begeven om hem te zoeken, indien mijn vader zulks goedkeurt. Verbied
+het mij niet," ging zij onstuimig voort, toen zij zag, dat graaf
+Bernard eenige tegenwerpingen wilde maken, "ik bid u, vadertje,
+sta mij toe om te gaan. Alles kan ik dragen, behalve deze martelende
+onzekerheid omtrent zijn lot." De oude graaf zag zijne dochter diep
+ontroerd in de oogen, toen haalde hij gelaten de schouders op en zeide:
+"Ga dan, mijn kind, God behoede u op uw zwaren tocht!"
+
+
+
+_Hoe Elaine haar held ging zoeken en hoe zij Lanceloet verpleegde
+tot hij geheel hersteld was._ Den volgenden morgen vroeg zette
+Walewein zijne reis naar Londen voort en kwam nog dienzelfden
+avond in het koninklijk paleis aan. Daar vertelde hij zijn vorst
+op welke vreemde wijze hij het geheim van den ridder met de roode
+mouw ontdekt had. Toen Arthur hoorde, dat de vreemdeling niemand
+anders was geweest dan Lanceloet, toonde hij zich blij verrast, al
+werd zijne bezorgheid voor het leven van den dapperen held er des te
+grooter om. Met groote belangstelling luisterde hij naar Walewein's
+beschrijving van zijne ontvangst op het kasteel Astolat en toen deze
+hem vertelde, dat de roode mouw een geschenk was van het bekoorlijke
+dochtertje van graaf Bernard, gleed er een glans van genoegen over 's
+konings gelaat, terwijl hij opmerkte: "Dat is inderdaad goede tijding,
+die gij brengt. Reeds lang was het mijn wensch, dat ook Lanceloet het
+geluk der liefde zou leeren kennen. Ondanks al zijn roem en aanzien,
+lijdt hij een eenzaam leven en allen, die hem liefhebben, zouden er
+zich hartelijk in verheugen, wanneer hij op zijne beurt eene bruid
+aan het hof bracht!"
+
+Allen, die hem liefhebben--echter niet koningin Ginevra. Uiterlijk
+bedaard en kalm, maar inwendig bevend van woede en schaamte
+over Lanceloet's trouweloosheid, had zij naar Walewein's woorden
+geluisterd. Vlammen van hartstocht en nijd zetten haar in gloed en
+met gebalde vuisten zwoer zij in stilte een duren eed van wraak op
+de vrouw, die haar het hart van haar minnaar ontstolen had.
+
+Bij Heer Bors daarentegen, die, zonder het te willen, Lanceloet had
+gewond, wekte het verhaal van Walewein een gevoel van diep leedwezen
+op. Weliswaar had hij zich niets te verwijten, daar Lanceloet zelf
+door zijne vermomming tot deze vergissing aanleiding had gegeven, maar
+toch smartte het hem diep, dat hij aldus oorzaak was geweest van het
+lijden, wellicht den dood van een zijner beste vrienden. Zijn besluit
+was spoedig genomen; na den koning daartoe verlof te hebben gevraagd,
+begaf hij zich onverwijld naar Camelot om zijn vriend te zoeken.
+
+Laat ons zien, hoe het intusschen met onzen held gesteld was.
+
+Denzelfden dag, dat Walewein van het kasteel Astolat vertrokken was,
+had ook Elaine zich op reis begeven.
+
+Zij koos den kortsten weg naar Camelot, waar zij haar intrek nam bij
+een haar bevriend gezin. Zonder haar gastheer en gastvrouw in kennis te
+stellen met het doel harer reis, dwaalde zij den ganschen dag in den
+omtrek van de stad rond. Zij had de stellige overtuiging, dat hij,
+dien zij zocht, zich niet ver van de plaats zijner verwonding zou
+bevinden. En ziet--haar verwachting werd niet beschaamd. Na verloop
+van eenige dagen ontdekte zij op één harer ronddwalingen plotseling
+de gestalte van haar broeder Lavaine, die op eene weide, even buiten
+de stadsmuren, bezig was zijn paard af te rijden.
+
+Welk een vreugdevol weerzien was dat voor hen beiden! Lavaine geraakte
+niet uitgepraat over den moed van zijn nieuwen vriend en Elaine
+luisterde met gretige aandacht naar zijne opgewonden verhalen. Toen
+kwam haar beurt om te spreken en zonder omwegen vertelde zij haar
+broeder, met welk doel zij naar Camelot was gekomen. Op haar angstig
+vragen, hoe de gewonde het maakte, antwoordde Lavaine, dat hij volgens
+het zeggen van den vromen kluizenaar, die hem verpleegde, thans buiten
+gevaar verkeerde, maar dat het nog geruimen tijd zou duren, alvorens
+er van een algeheel herstel sprake kon zijn. Toen Elaine hem vroeg,
+haar naar hunne verblijfplaats te geleiden, voerde hij haar langs een
+dicht begroeid boschpad naar de woning des kluizenaars en weinige
+oogenblikken later stond het jonge meisje aan het leger van hem,
+dien zij liefhad.
+
+Er was niet veel overreding toe noodig om den vromen vader te bewegen,
+zijne plaats naast het ziekbed aan haar af te staan. Hij was geheel
+uitgeput door de zware, lange verpleging en nu het gevaar toch geweken
+was, gaf hij zijne taak volgaarne aan andere handen over.
+
+Van dat oogenblik af waakte Elaine elken dag aan Lanceloet's
+sponde. Iederen morgen in de vroegte sloop zij door de stille straten
+van Camelot naar het bosch, iederen avond kwam zij als eene bleeke
+schim tusschen de zwarte schaduwen van het woud te voorschijn glijden
+om zich weer naar hare woning te begeven. Den loodzwaren last van hare
+vermoeidheid voelde zij allengs niet meer; haar tenger lichaam werd met
+den dag magerder, hare oogen straalden onnatuurlijk groot in het smalle
+gelaat, maar toch hield zij vol en onder hare teedere zorgen herstelde
+Lanceloet langzaam maar zeker van zijne zware verwondingen. De eerste
+weken herkende hij haar nauwelijks en verkeerde hij meestentijds in een
+toestand van verdooving, maar langzamerhand herwon hij zijn bewustzijn
+en toonde weer eenige belangstelling voor de menschen en dingen om hem
+heen. Zoo moest Elaine hem vertellen, wie haar zijn naam had verraden,
+maar toen zij hem over het bezoek van Walewein sprak en hem zeide,
+hoe deze terstond naar het hof was gereisd om daar het geheim van zijne
+vermomming op te lossen, gleed er een donkere schaduw over het gelaat
+van den zieke en scheen zijne belangstelling plotseling gedoofd. Dien
+nacht en vele volgende nachten en dagen schilderde hij zich in zijne
+door koorts verhitte verbeelding de ontvangst af, welke Walewein's
+bericht, aan het hof ten deel zou zijn gevallen. Vóór alles echter
+stelde hij zich de verbazing en ergernis van koningin Ginevra voor,
+toen zij vernomen had, onder welke omstandigheden hij aan het tournooi
+had deelgenomen. Zou haar liefde sterk genoeg zijn om den schok van de
+ontdekking dezer schijnbare ontrouw te doorstaan? Dit was de vraag,
+waarmede hij zich afpijnigde en die hem geen rust liet. Elaine zag
+wel, dat er iets was, dat hem bezwaarde, daarom verdubbelde zij hare
+teedere zorgen, maar tevergeefs! de zieke bleef moe en lusteloos.
+
+Op zekeren dag echter gebeurde er iets, dat Lanceloet uit zijne
+stemming van gedruktheid opwekte. Lavaine, die naar Camelot was
+gereden om aldaar eenige inkoopen te doen, keerde terug in gezelschap
+van Heer Bors! De laatste had reeds eenigen tijd in den omtrek der
+stad rondgezworven, in de hoop eenig bericht omtrent Lanceloet in te
+winnen. Reeds wanhoopte hij er aan iets aangaande hem te vernemen,
+toen hij plotseling dien middag Lavaine was tegengekomen, wiens
+voorkomen hij zich meende te herinneren. Hij had niet gerust, alvorens
+de jongeling beloofd had, hem naar Lanceloet te zullen brengen en zoo
+knielde hij dan spoedig daarna aan het leger van zijn zieken vriend en
+gaf zijn hart lucht in een vloed van berouwvolle woorden. Lanceloet
+weigerde echter zijne betuigingen van spijt te aanvaarden. Hij zelf,
+zoo beweerde hij, was immers de oorzaak van zijn ongeval. Door zijne
+vrienden in den waan te brengen, dat hij een vreemdeling was, had
+hij zich aan hunne aanvallen blootgesteld en hij zou de laatste
+zijn, hun daarvan een verwijt te maken. Om de aandacht van Heer
+Bors van zijn eigen persoon af te leiden, ondervroeg hij hem naar
+de gebeurtenissen aan het hof en vernam zoodoende, dat de koning een
+nieuw tournooi had uitgeschreven, hetwelk gehouden zou worden op het
+feest van Allerheiligen.
+
+Het scheen, of dit bericht onzen held nieuw leven schonk; terstond
+gaf hij den wensch te kennen om zoo mogelijk aan dit steekspel
+deel te nemen en weldra was hij met Bors en Lavaine in geestdriftige
+besprekingen verdiept aangaande de kansen der ridders, die zich volgens
+Bors reeds beschikbaar hadden gesteld. Van dien dag af aan nam zijne
+beterschap met rassche schreden toe en weldra was het oogenblik
+gekomen, waarop hij voor 't eerst zijne krachten zou beproeven. In
+volle wapenrusting steeg hij te paard en liet het dier allerlei
+sprongen maken om zijne eigen krachten op de proef te stellen. Maar
+helaas! hij waagde teveel; door de ongewone inspanning ging zijne
+nauwelijks geheelde wonde weer open en begon hevig te bloeden. In zijn
+ijver bemerkte hij niet, wat er geschied was, tot hij plotseling door
+eene duizeling overvallen werd en bewusteloos van zijn paard stortte.
+
+Hevig ontsteld snelden Elaine en de kluizenaar op het hooren van
+den slag toe, en overlaadden Bors en Lavaine, die beteuterd stonden
+toe te zien, met de hevigste verwijten, dat zij hun vriend niet van
+eene dergelijke roekeloosheid hadden teruggehouden. Toen Lanceloet
+weer uit zijne bezwijming ontwaakt was en opnieuw op zijn rustbed lag
+uitgestrekt, ried de wijze heremiet hem aan om voorloopig van deelname
+aan het tournooi af te zien en Heer Bors alleen te laten vertrekken. Na
+eenig aarzelen gaf onze held toe en spoedig daarop nam de brave Bors
+afscheid en keerde terug naar het hof, waar hij zijn vorst uitvoerig
+verslag uitbracht van de omstandigheden, waaronder hij zijn vriend
+had aangetroffen. Hoezeer het koning Arthur ook speet zijn geliefden
+ridder voorloopig niet te zullen zien, toch verheugde hij zich over
+het feit, dat hij althans in leven was en zich in goede handen bevond.
+
+Koningin Ginevra luisterde met kalm en onbewogen gelaat naar het
+verhaal van Heer Bors. Tusschen de wijde plooien van haar kleed
+krampten zich hare handen in woede samen, toen zij hem in geestdriftige
+bewoordingen het aanvallige wezen en de liefderijke zorgen van Elaine
+hoorde prijzen, maar zij zeide niets. Even werd haar hart geroerd,
+toen zij vernam, hoe Lanceloet al zijne krachten had ingespannen
+om op het tournooi van Allerheiligen tegenwoordig te kunnen zijn,
+maar de booze stem der achterdocht fluisterde haar toe, dat hij zulks
+alleen gedaan had om opnieuw met het geschenk zijner nieuwe geliefde
+op den helm in het perk te kunnen treden. Gehoor gevend aan die stem
+verbande zij alle zachtere gevoelens uit haar hart en verleende de
+kwade machten van wrok en bitterheid daarin vrijen toegang.
+
+
+
+Het steekspel, dat op Allerheiligen te Londen gehouden werd, behoefde,
+ondanks het minder gunstige jaargetijde, in pracht en praal niet onder
+te doen voor het tournooi van Maria Hemelvaart. Onder de vele koene
+ridders, die eraan deelnamen, onderscheidden zich bovenal Heer Walewein
+en Heer Bors door hunne schier ongeloofelijke stoutmoedigheid. Zoodra
+de feestelijkheden, aan het steekspel verbonden, afgeloopen waren,
+spoedde Bors zich naar de verblijfplaats van Lanceloet om zijn vriend
+verslag uit te brengen over het gebeurde. Deze was thans geheel
+hersteld en verlangde er vurig naar om in het gewone leven terug te
+keeren. Het duurde dan ook niet lang, of de dag van zijn vertrek werd
+bepaald. Na een dankbaar afscheid van den goeden kluizenaar te hebben
+genomen, aanvaardde het viertal de reis naar Astolat, waar Heer Bernard
+zijne kinderen en de beide ridders met vreugde welkom heette. Maar
+ook hier wenschte Lanceloet niet lang te vertoeven; hij snakte terug
+naar de omgeving van het hof, naar zijne vrienden en kennissen, zijne
+dagelijksche plichten en bezigheden en bovenal--naar de koningin! Vóór
+alle dingen wenschte hij zich tegenover haar te rechtvaardigen; uit
+de verhalen van Bors had hij maar al te goed begrepen, dat Ginevra
+vertoornd op hem was en de gedachte van in hare oogen een onwaardige
+te schijnen, was hem ondragelijk.
+
+In zijne haast om weg te komen had hij weinig acht geslagen op zijne
+omgeving en dus niet bemerkt, hoe Elaine met den dag stiller en bleeker
+werd. Haar vader en hare broeders bemerkten wel de verandering, die
+over haar gekomen was, maar schreven die toe aan de vermoeienis en
+inspanning der laatste weken.
+
+Indien Heer Bernard al een ander vermoeden omtrent de oorzaak van
+haar lijdend uitzien koesterde, zoo verborg hij dit in 't diepst van
+zijn hart en waagde het niet, er over te spreken.
+
+
+
+_Hoe Elaine, tot wanhoop gedreven, Lanceloet hare liefde bekende._ De
+dag van Lanceloet's vertrek was aangebroken, een van die wonderschoone,
+late herfstdagen, die het den mensch zoo moeilijk maken, zich met de
+gedachte aan den scheidenden zomer te verzoenen. Vroeg in den morgen
+was Lanceloet, dien de opwinding over het naderend wederzien met
+zijne geliefde reeds vroeg uit den slaap had gewekt, den rozentuin
+ingedwaald, welke ter zijde van het kasteel was gelegen. Hier hadden
+tijdens zijn eerste bezoek aan het slot de rozen gegeurd en gebloeid,
+thans waren de struiken kaal, slechts een enkel knopje stak bedeesd
+tusschen de takken omhoog, maar verder was het met groeien en bloeien
+gedaan. Het stervende jaargetijde had zijn stempel gedrukt ook op
+dit plekje grond; dorre bladeren lagen overal verspreid en blauwige
+nevelsluiers hingen tusschen de boomen. Lanceloet liep peinzend
+tusschen de ontbladerde rozenstruiken op en neer. Een gansche zomer
+was dus voorbijgegaan, sinds hij zich hier had gereed gemaakt om
+aan het tournooi van Camelot deel te nemen. Een ganschen zomer met
+zijne reeks van zonnige dagen en lauwe sterrennachten had hij in
+ballingschap doorgebracht, ver van het hof en zijne vrienden, ver van
+zijne geliefde! Zijne gedachten vlogen terug naar vorige zomers en zóó
+zeer raakte hij in zijne herinneringen verdiept, dat hij niet bemerkte,
+hoe iemand met lichten tred het pad kwam oploopen, waar hij zich
+bevond. Eerst toen eene hand zich schuchter op zijn arm legde, schrikte
+hij op uit zijne overpeinzingen. Zich haastig omkeerend, bemerkte hij
+Elaine, die vóór hem stond en hem recht in de oogen zag met een blik,
+zóó innig droevig en smeekend, dat hij er van ontstelde. Hij wilde
+iets zeggen, om de pijnlijke stilte te verbreken, maar tegen hare
+gewoonte in, was het meisje hem vóór en begon op smartelijken toon:
+"Het is dus waar, dat gij ons verlaten wilt, om naar het hof terug
+te keeren! Ik heb steeds gehoopt en gebeden, dat het niet waar mocht
+zijn en dat gij nog op uw besluit zoudt terugkomen of althans niet
+van hier zoudt gaan, vóór gij door een enkel woord de onrust uit mijn
+hart verdreven hadt. Nu echter het oogenblik van scheiden is gekomen,
+zonder dat gij dit woord hebt gesproken, moet ik zelve spreken. Daarom
+smeek ik u, neem mij met u mede naar Londen, naar Camelot, waarheen
+gij maar wilt, doch laat mij niet alleen hier achter om van verlangen
+naar u te sterven. Hebt gij het dan niet begrepen, in al die dagen,
+in al die lange weken, dat ik aan uw ziekbed zat om te trachten u in
+het leven te houden? Kondt gij dan niet voelen, hoe ik u liefheb met
+eene liefde, die geene grenzen kent, en moet ik het u met eigen mond
+zeggen? Welnu dan, luister! Ik bemin u, u en geen ander en wanneer
+gij mij geene wederliefde schenken kunt, moet ik sterven!"
+
+Herhaalde malen had Lanceloet gepoogd den stroom van hare woorden
+te stuiten, maar zij luisterde niet naar wat hij zeide. Hare stem,
+aanvankelijk zacht en bevend, werd sterker naarmate zij voortging
+met spreken en bij de bekentenis harer liefde klonk zij vast en helder.
+
+Toen zij zweeg en ook Lanceloet, ten prooi aan zijne aandoeningen, niet
+bij machte was te spreken, heerschte er een oogenblik volmaakte stilte,
+daarna was het met Elaine's zelfbeheersching gedaan; zij verborg
+het hoofd in hare beide handen en barstte uit in een hartstochtelijk
+weenen. Hare tranen gaven Lanceloet zijne kalmte terug.
+
+Liefderijk legde hij zijne hand op het gebogen hoofd van het meisje en
+sprak bedarend: "Ween niet, Elaine. Ik ben diep geroerd door wat gij
+mij hebt toevertrouwd en ik smeek u, mij te gelooven, als ik u zeg,
+dat ik op uwe bekentenis in 't geheel niet was voorbereid. Nooit heb ik
+kunnen vermoeden dat gij dergelijke gevoelens voor mij koesterdet. Wees
+er echter van overtuigd, dat ik de eer, die ge mij toekent, niet
+waardig ben, trouwens," zoo ging hij haastig voort, daar hij zag,
+dat zij hem heftig in de rede wilde vallen, "zelfs al ware dit zoo,
+dan nog zou ik niet op uwe woorden mogen ingaan. Ik zal nooit, versta
+mij wel, nooit een huwelijk aangaan!"
+
+"Dat vraag ik ook niet," viel Elaine hartstochtelijk in, "zoo ik
+slechts bij u mag zijn, zoo ge mij slechts mee wilt nemen en mij toe
+wilt staan u lief te hebben, u in de oogen te zien en u te dienen
+als eene nederige dienstmaagd. Meer vraag ik niet, meer zou ik niet
+durven vragen!"
+
+Tot in 't diepst van zijne ziel getroffen, nam Lanceloet hare
+bevende handjes in de zijne en sprak ernstig: "Dat kan en mag ik
+niet toestaan, Elaine! Ware het niet, dat de eerbied, dien ik voor u
+koester, mij ervan terughield, dan nog zou ik moeten bedenken, op welk
+eene schandelijke wijze ik daardoor de gastvrijheid en vriendschap,
+mij door uw vader bewezen, zou beloonen. Maar luister naar mij, die
+zooveel ouder ben dan gij! Ge zijt jong en schoon; eens zult gij de
+liefde leeren kennen in al haar rijkdom en volheid. Niet een man als
+ik, die bijkans uw vader kan zijn in jaren, maar een jongeling van
+gelijken leeftijd en aanleg als gij zal uw hart weten te veroveren. Hij
+zal u vereeren en liefhebben; hij zal u dienen als zijne vorstin en
+door hem zult gij het ware geluk vinden. Wat mijzelve betreft, ik wil
+steeds uw trouwe dienaar blijven en u met raad en daad bijstaan, waar
+en wanneer ik kan. Nooit zal ik u kunnen vergelden, wat gij voor mij
+gedaan hebt, maar ik zal uwe liefderijke zorgen nimmer vergeten. Mocht
+het toeval willen, dat de uitverkorene uws harten niet rijk is aan
+geld en goed, zoo wil ik hem eene jaarlijksche uitkeering schenken
+om hem in staat te stellen, met u te leven, zooals dit aan uw rang
+en stand past. Geloof mij en wees niet bedroefd, wanneer ik u zeg,
+dat gij mij eens dankbaar zult zijn voor mijne woorden, al mogen zij
+u thans wreed en ongevoelig toeschijnen!"
+
+Elaine sprak geen woord; zij zag Lanceloet slechts aan met groote,
+droeve oogen en bij het zien van dien smartelijken blik werd het den
+ridder bang om het hart. Toch mocht hij niet anders handelen. Met
+een paar vriendelijke afscheidswoorden verliet hij den rozentuin en
+begaf zich met haastige schreden naar zijne vertrekken. Hij wenschte
+niets liever dan zoo spoedig mogelijk te vertrekken om te ontsnappen
+aan dien smeekenden blik, die hem met bange voorgevoelens vervulde.
+
+Elaine staarde hem na, tot hij in het slot verdwenen was, toen eerst
+drong het besef van wat er gebeurd was tot haar door. Zij had Lanceloet
+hare liefde bekend en hij had geweigerd die aan te nemen. Hare arme,
+moede hersenen pijnigden zich tevergeefs af om eene oplossing voor
+zijn gedrag vinden. Had hij haar dan niet gezegd dat zij schoon
+was? Had hij haar geschenk niet op zijn helm gedragen, hij, die dit
+nog nooit voor eenige vrouw ter wereld gedaan had? En toch had hij
+haar niet lief? Maar waarom had hij haar dan aangezien met dien
+eigenaardigen blik in zijne donkere oogen? Waarom had zijne stem
+zachter en vriendelijker geklonken, telkens, wanneer hij het woord
+tot haar richtte? Of--had zij zich dit alles slechts verbeeld? De
+gedachte aan die mogelijkheid deed haar de oogen sluiten; eene
+plotselinge duizeling overviel haar--angstig strekte zij de handen
+om steun zoekend voor zich uit en viel bewusteloos neer. Toen hare
+oude voedster eenigen tijd daarna in den tuin kwam om haar voor den
+ochtendmaaltijd in huis te roepen, vond zij hare lieveling tusschen
+de kale rozenstruiken op den grond liggen, met doodsbleek gelaat en
+gesloten oogen. Eerst na langen tijd gelukte het de trouwe dienares
+haar uit hare diepe bezwijming te doen ontwaken.
+
+
+
+Eenige uren later verliet Lanceloet in gezelschap van Lavaine,
+die verlof had gevraagd hem naar het hof te mogen vergezellen,
+het kasteel om de terugreis naar Londen te aanvaarden. Bij zijne
+aankomst in het paleis werd hij door den koning en het gansche
+hof met uitbundig vreugdebetoon begroet, alleen de koningin was
+koud en strak en verwaardigde hem na de eerste begroeting met
+geen blik. Hoezeer Lanceloet leed onder haar grievende houding,
+laat zich niet gemakkelijk beschrijven. Hij poogde tevergeefs een
+onderhoud met haar te verkrijgen; steeds wist zij dat op behendige
+wijze te ontwijken. Eindelijk riep onze held zijn trots te hulp
+om hem over de kwelling van deze onrechtvaardige behandeling heen
+te helpen. Hij had zich in geen enkel opzicht iets te verwijten;
+de schijn was weliswaar tegen hem, maar wat beteekende Ginevra's
+liefde, als zij zich daardoor zoodanig liet beïnvloeden, dat zij hem
+zelfs geene gelegenheid wilde schenken zich te rechtvaardigen? Liefde
+zonder wederzijdsch vertrouwen was immers geene liefde? Hoe dikwijls
+had Ginevra het trouwens al moeten ondervinden, dat haar wantrouwen
+ongegrond was, het was immers niet de eerste maal, dat zij zich door
+hare achterdocht had laten meesleepen!
+
+Van nu af aan ging Lanceloet rustig zijn eigen weg en vermeed het
+bijzijn der koningin zooveel hij kon; hij was overtuigd, dat de loop
+der gebeurtenissen hem tegenover haar in het gelijk zou stellen.
+
+
+
+_Van Elaine's dood en hoe zij in een bootje werd gelegd, dat haar naar
+het paleis des konings bracht._ In het kasteel Astolat, in haar eenzaam
+torenkamertje lag Elaine weg te kwijnen. Wat zij tot Lanceloet gezegd
+had en wat deze had opgevat als eene uiting van jeugdige wanhoop,
+bleek maar al te waar: zonder hem kon zij niet leven. Haar gestel,
+dat door de zware verpleging en de lange tochten van en naar het woud
+geheel was uitgeput, kon dezen schok niet verdragen en zij had het
+gevoeld, zoodra men haar in haar eigen kamertje had neergelegd--zij
+moest sterven.
+
+Uren lang lag zij onbeweeglijk te staren naar de kale, ontbladerde
+takken voor haar venster, die door den guren herfstwind heen en
+weer bewogen werden. Spreken deed zij bijna niet en de opbeurende
+woorden van haar vader en broeder beantwoordde zij slechts met een
+matten glimlach.
+
+Toen zij eene week zoo gelegen had, voelde zij haar einde naderen en
+riep haar vader en Torre bij zich om hun hare laatste beschikkingen
+mede te deelen. Zij smeekte Heer Bernard hare wenschen in deze
+getrouwelijk op te volgen en toen hij dit beloofd had, beval
+zij Torre om pen en papier ter hand te nemen en op te schrijven,
+wat zij hem zeide. Langzaam, woord voor woord droeg zij hem op,
+wat hij schrijven moest en toen de brief gereed was, slaakte zij
+een zucht van verlichting en sprak tot Heer Bernard: "Vader, hoor
+thans naar mijn verzoek, en bedenk, dat ge mij beloofd hebt dit te
+zullen eerbiedigen. Ik heb niet lang meer te leven, dat weten wij
+allen. Ween niet daarover, het is beter zoo, ik ga in vollen vrede
+mijn einde tegemoet. Wanneer ik dan gestorven zal zijn, zoo verzoek
+ik u, mij dezen brief in de hand te geven, vóór deze verstijfd zal
+zijn. Vervolgens vraag ik u mijn lichaam naar de rivier te dragen en
+het aldaar in eene boot neder te leggen. Laat dit vaartuig dan, met
+een vertrouwd dienaar als stuurman aan boord, den stroom afdrijven
+tot het bij het koninklijk paleis te Londen aankomt. Hoe vaak heb ik
+niet, wanneer wij als kinderen op de rivier aan het roeien waren,
+mijne broeders gesmeekt daarheen te mogen gaan, ten einde de fraai
+gekleede edelvrouwen en ridders te kunnen bewonderen, van wie men
+mij zooveel verteld had. Welnu dan, thans, nu ik hun eene boodschap
+te brengen heb, zal mijn wensch vervuld worden en eerst wanneer men
+aldaar mijn schrijven gelezen heeft, zal mijne ziel rust en vrede
+vinden. Daarom handel naar mijn wensch, wat ik u bidden mag!"
+
+Weenend van smart beloofde Heer Bernard zijn stervend kind in alles
+hare wenschen te eerbiedigen, doch bezwoer haar, niet aan sterven
+te denken, maar uit te zien naar eene beterschap, die zeker niet
+lang op zich zou laten wachten. Elaine echter glimlachte droevig en
+schudde het hoofd, zij wist maar al te goed, hoe ijdel dergelijke
+verwachtingen waren.
+
+Twee dagen later, op een fraaien herfstmorgen, stierf zij in de armen
+van haar vader, het moede hoofdje tegen hem aangeleund.
+
+Groote rouw en droefenis heerschten in het kasteel van Astolat. Als
+een beeld van stomme wanhoop zaten de graaf en zijn oudste zoon dien
+geheelen dag bij het lijk van haar, die eens--het leek hun nu zoo
+lang geleden!--de vreugde van hun huis geweest was en die daar nu
+zoo stil en vredig lag, met een glimlach om de lippen, als ware de
+gedachte aan den naderenden dood haar aangenaam geweest.
+
+Den volgenden morgen kleedde hare oude voedster onder snikken en
+tranen Elaine's tengere lichaam in een kostbaar gewaad van witte
+zijde en vlijde hare blonde haren als een wijden mantel om haar
+heen. Zoo legde men haar op eene baar en droeg haar door de velden
+naar de rivier. Daar lag een vaartuig aan den steiger, bedekt met een
+kleed van zwart fluweel. Aan het stuur zat een der oudste dienaren
+van het kasteel; hij was stom, de arme man, maar zijne knippende
+oogen en bevende mond getuigden, beter dan woorden vermochten, van
+zijne diepe smart. Behoedzaam legden de graaf en zijn zoon het doode
+lichaam van Elaine in de boot en bedekten haar tot het middel met een
+dekkleed van goudbrokaat. Met de ééne hand omvatte zij den brief, in
+de andere hield zij eene lelie. Zoo zagen ze haar voor het laatst: met
+een vredigen glimlach op het gelaat, in haar mantel van blonde haren.
+
+Op een teeken van Heer Bernard bracht de oude dienaar het vaartuig
+in beweging, dat langzaam met den stroom mee de rivier afdreef.
+
+In den namiddag kwamen de trotsche torens van het paleis van
+Westminster in het gezicht. De tuinen langs de rivier waren echter
+verlaten en het duurde geruimen tijd, alvorens het vreemde vaartuig
+iemands aandacht trok. Hij, die het ten slotte bemerkte, was koning
+Arthur zelve, die zich met zijne gemalin in een vertrek bevond, dat
+uitzicht had op de Theems. Onder het praten had hij zich naar het
+venster begeven en tuurde naar buiten in de vallende schemering. Daar
+bemerkte hij, hoe langs den oever van het park een bootje dreef,
+waarover een kleed lag gespreid, hetwelk met lange slippen in het
+water afhing. In het bootje lag iets, maar wat dit was, kon de vorst
+niet nader onderscheiden. Terstond gaf hij eenigen ridders bevel het
+vaartuig aan te houden en de zaak nader te onderzoeken. Na korten tijd
+keerden zij terug, blijkbaar zeer onder den indruk van hetgeen zij
+gezien hadden. In het vaartuig, zoo meldden zij hun vorst, lag eene
+doode jonkvrouw, zóó schoon en bevallig, dat zij bijna een wezen uit
+eene hoogere wereld geleek. Niemand wist, vanwaar zij gekomen was,
+en de man aan het roer scheen stom te zijn, althans, hij gaf geen
+antwoord op wat men hem vroeg.
+
+Nu begaven zich de koning en koningin, gevolgd door eene schaar
+nieuwsgierigen, naar den landingssteiger, en staarden diep ontroerd
+naar het vaartuig met zijn droeven last. Plotseling maakte koningin
+Ginevra haar gemaal opmerkzaam op den brief, welken de jonkvrouw in
+de hand hield. Voorzichtig maakte men hem los en bracht het schrijven
+naar den koning, die het opende en las:
+
+"Edele Heer Lanceloet! Ik, die men de schoone maagd van Astolat
+placht te noemen, ben herwaarts gekomen om u voor 't laatst vaarwel te
+zeggen. Ik had u lief, maar mijne liefde werd door u niet beantwoord
+en is daardoor mijn dood geworden. Gij vrouwen en meisjes, die dit
+hoort, weent om mij en bidt voor mijne ziel en ook gij, Heer Lanceloet,
+bid voor mij, dit is mijn laatste verzoek. God behoede u!"
+
+Ten zeerste geschokt door het droevige tooneel hadden de ridders
+en edelvrouwen toegeluisterd; toen de koning ophield met lezen,
+heerschte er eene doodsche stilte, die plotseling verbroken werd door
+een fluisterend gemompel van: "Lanceloet! Daar komt hij zelve!"
+
+Inderdaad kwam onze held, gevolgd door Lavaine, naderbij getreden om
+de oorzaak van de ongewone drukte aan den steiger te vernemen. Toen
+Lanceloet de gestalte van Elaine in de boot ontdekte, deinsde hij
+een oogenblik achteruit, terwijl schrik en ontsteltenis zich op zijn
+gelaat afspiegelden. Aller blikken waren op hem gevestigd, maar hij
+herstelde zich spoedig en wendde zich tot den koning om van hem eene
+nadere verklaring van dit vreemde schouwspel te vernemen. Daarop
+reikte Koning Arthur hem den brief.
+
+Toen Lanceloet dien gelezen had, werd hij zeer bleek en staarde eene
+wijle zwijgend en met een blik vol innig medelijden, naar het gelaat
+van haar, wier ondergang hij geweest was. Daarna wendde hij zich tot
+de aanwezigen en sprak: "Sire! en gij allen, die hier tegenwoordig
+zijt--ik verklaar u op mijn woord van edelman, dat ik niet bij machte
+ben geweest om deze noodlottige gebeurtenis te verhinderen. Niemand kan
+meer getroffen zijn door den dood van dit jonge, schoone kind, dan ik,
+die er de oorzaak van ben geweest. Zij was rein en goed en beminde mij
+met eene liefde, zooals men die maar zelden ziet. Maar--de gevoelens
+des harten laten zich niet dwingen, vooral niet wanneer men, zooals ik,
+zijne eerste jeugd achter zich heeft. Ik roep echter haar broeder Heer
+Lavaine tot getuige, dat ik nooit aanleiding heb gegeven haar te doen
+vermoeden, dat ik haar liefde beantwoordde. Meer kan ik niet zeggen!"
+
+Koning Arthur reikte zijn vriend de hand en sprak met bewogen stem:
+"Wij allen kennen en vertrouwen u. Ware liefde kan niet afgedwongen
+worden, maar moet als eene natuurlijke bron uit het hart omhoog
+wellen. Laat ons haar, die daar ligt, naar binnen dragen en laat ons
+trachten haar eene passende begrafenis te geven; het is het eenige,
+dat wij doen kunnen!"
+
+Zoo geschiedde het. Lanceloet zelve droeg in zijne sterke armen het
+doode lichaam de trappen op naar het paleis en legde het op een zacht
+rustbed neer.
+
+Eenige dagen later had de teraardebestelling plaats. In eene lange
+rij volgden de ridders der Tafel Ronde, met koning Arthur aan het
+hoofd, de rijk versierde baar, na afloop van de plechtige lijkmis
+in de kathedraal. Als eene koningin werd zij begraven, Elaine,
+die den edelsten onder de ridders had liefgehad en voor hare liefde
+was gestorven. Toen men haar neergelegd had tusschen de stoffelijke
+overblijfselen van lang gestorven vorsten en vorstinnen, beval koning
+Arthur dat in den grafsteen hare gestalte uitgebeiteld zou worden,
+zooals zij in haar bootje was komen aandrijven, en dat het schild
+van Lanceloet aan hare voeten zou worden geplaatst. Dit gebeurde
+en rond haar graf schreef men in letters van goud en azuur hare
+droeve geschiedenis, opdat allen, die er voorbij kwamen, het lezen
+konden. Toen de stoet van de kathedraal naar het paleis teruggekeerd
+was, nam de koningin Lanceloet ter zijde en smeekte hem om vergiffenis
+voor haar gebrek aan vertrouwen.
+
+Somber zag onze held haar aan, toen hij antwoordde: "Hoe kan ik
+anders doen dan u vergeven? Ben ik niet met onverbreekbare banden aan
+u verbonden? Maar onthoud dit: afgunst en wantrouwen zijn een vloek
+voor de ware liefde!"
+
+Dien avond zat Lanceloet alleen aan den oever der rivier en peinsde
+over hetgeen er gebeurd was. Alles, wat hem door de liefde van
+Elaine deelachtig had kunnen worden, werd hem in verleidelijk schoone
+visioenen voor den geest gebracht. Een eigen thuis--de liefde eener
+vrouw--een krachtig kroost van schoone dochters en wakkere zonen, dit
+alles had zijn deel kunnen worden. Wat had hij nu? Huiverend zag hij
+om zich heen. Alleen, was hij, altijd alleen, met het bewustzijn eener
+zondige liefde, een bewustzijn, dat hem kwelde en vervolgde tot zelfs
+in de oogenblikken van het innigst samenzijn met de geliefde. Moest
+hij, voor zulk een samenzijn niet zijn vorst, dien hij vereerde en
+liefhad, op laaghartige wijze bedriegen? Hoe kon hij nog eenig genot
+daarvan verwachten? Hij, de eerste onder zijne tijdgenooten, beroemd
+en gevierd als geen ander, was armer dan de minste onder Arthur's
+hovelingen, die tegen den avond, als zijne dagtaak was afgeloopen,
+in zijne eigen woning terugkeerde, waar hij met vreugde en liefde
+begroet werd.
+
+Zoo bleef onze held langen tijd in somber gepeins verzonken en toen
+hij eindelijk naar het kasteel terugkeerde, waren zijne oogen vochtig.
+
+
+
+
+
+INLEIDING TOT DE SAGE VAN PARCIVAL EN DEN HEILIGEN GRAAL.
+
+
+Wie zich ten doel stelt den oorsprong der Graal-sage op te sporen en
+hare ontwikkeling in de letterkunde van Europa na te gaan, zal weldra
+bemerken, dat de omvang der taak, welke hij hierdoor op zich neemt,
+inderdaad geweldig is. Over het wezen van den Graal, den wonderschotel
+met zijne bezielende kracht, hangt een sluier van geheimzinnigheid,
+welke ondanks veler pogen nog nooit geheel is opgelicht.
+
+Het is hier niet de plaats om uit te weiden over de vele theorieën,
+welke ten opzichte van dit moeilijke vraagstuk door geleerden uit
+verschillende landen zijn opgeworpen; wij willen slechts met een enkel
+woord de richting aangeven, waarin deze zich ontwikkelen en voor het
+overige de uiteenzetting van het probleem: het ontstaan der Graal-sage,
+aan anderen, meer bevoegden overlaten.
+
+De Graal-sage--want als zoodanig willen wij voorloopig het
+Parcival-verhaal beschouwen--is eene der meest geliefde sagen uit de
+Middeleeuwsche letterkunde. Waardoor kunnen wij hare groote bekoring
+verklaren, waarvan de tallooze dicht- en prozawerken, welke aan eene
+behandeling van dit onderwerp gewijd zijn, getuigen?
+
+Het geheim van de groote populariteit van het Graal-verhaal is
+hierin gelegen, dat het de vertolking is van 's menschen verlangen
+naar een hooger leven, dat het ons de belichaming geeft van het
+Goddelijk mysterie, hetwelk voor de zoekende menschenziel steeds
+eene groote aantrekkingskracht heeft bezeten. Bovendien vonden in de
+Graal-sage de tweeërlei stroomingen, welke zich in de Middeleeuwsche
+kunstbeschouwing openbaarden, bevrediging. Zij, die doordrongen waren
+van den geest der nieuwe, Christelijke beschaving, vonden er voedsel
+voor hunne geestelijke behoeften; zij, wier smaak trouw was gebleven
+aan de oude ridderverhalen, genoten volop van het avontuurlijke
+element, dat ook in dit verhaal sterk naar voren komt. Zoo bleef de
+Graal--gelijk hij dit in de oude heidensche verhalen in letterlijken
+zin placht te doen--voedsel geven aan elk, die erom vroeg, zij het
+thans van geestelijken aard. Tot op heden heeft de Graal-sage hare
+bekoring behouden en zij zal dit blijven doen, omdat de menschelijke
+ziel door alle eeuwen heen dezelfde blijft in haar zoeken en verlangen
+naar de verwezenlijking harer hoogste idealen.
+
+Wat is de Graal?
+
+Vele antwoorden zijn op deze vraag gegeven; wij willen er voorloopig
+slechts twee noemen, welke de meening weergeven van twee der
+toonaangevende geleerden op dit gebied.
+
+Professor Alfred Nutt, de schrijver van het bekende werk: "Studies
+in the Legend of the Holy Grail", Londen 1888, is van meening, dat de
+oorsprong van den Graal te vinden is in de mythologie der oud-Iersche
+Kelten, waar wij veelvuldige vermelding vinden van wonderbaarlijke
+talismans, welke den bezitter een onuitputtenlijken overvloed
+verschaffen van al, wat hij zich wenscht. Eén van die talismans is
+een wonderketel, welke voedsel verschaft tot in het oneindige: hij
+is het zinnebeeld van vruchtbaarheid en overvloed. In de oud-Iersche
+mythologie, waarvan Professor Nutt eene bijzondere studie heeft
+gemaakt en die hem de verklaring heeft doen vinden van veel, dat
+tot nu toe duister was in de geschiedenis der Arthur-sagen, is het
+beeld van dien wonderketel nauw verbonden aan dat van een zwaard,
+een speer en een kostbaren steen. Zoo meent dus Professor Nutt den
+oorsprong van den Graal te vinden in de heidensche godenleer der oude
+Kelten; het Christelijk karakter van den Graal is volgens hem eerst
+van lateren datum.
+
+Geheel anders denkt Professor A. Birch-Hirschfeld erover, de schrijver
+van "Die Sage vom Gral", Leipzig 1877. Volgens hem is de Graal van
+den aanvang af een zuiver Christelijk zinnebeeld geweest, al mogen
+de eigenschappen, welke eraan verbonden waren, eenige overeenkomst
+vertoonen met die van voorwerpen uit de oude volksoverleveringen.
+
+Jessie Weston, de schrijfster van een zeer belangwekkend werk: "The
+Legend of Sir Perceval", Grimms Library, vol. XVII, London, D. Nutt
+1906, is evenals Prof. Nutt de meening toegedaan, dat de Graal van
+heidenschen oorsprong is en eene rol speelde in de natuur-eeredienst,
+welke in de Britsche eilanden vóór de tijden van het Christendom in
+zwang was.
+
+Wij spraken over "de Graal-sage", doch feitelijk bestaat er eene
+geheele reeks van Graal-sagen, welke gesplitst kan worden in twee
+groepen: de sagen, die tot onderwerp hebben: het zoeken van den held
+naar den heiligen wonderschotel en zij, die den oorsprong en den aard
+van den Graal beschrijven.
+
+Het beroemdste werk uit de eerste groep is wel het oud-Fransche
+gedicht: "Perceval ou Le Conte del Graal", geschreven door Chrétien de
+Troies tusschen de jaren 1150 en 1180. De Graal wordt hier beschreven
+als een tooverschotel, maar de dichter wenscht blijkbaar zijne
+lezers in spanning te houden aangaande het eigenlijk wezen van dien
+schotel. Ongelukkigerwijze is hij nooit toegekomen aan de oplossing van
+dit raadsel; zijn gedicht is onvoltooid gebleven. Drie andere dichters:
+Wauchier de Denain [53], Manessier en Gerbert hebben getracht, zijn
+werk te voltooien; zij schreven tusschen de jaren 1190 en 1240. Op
+het werk van deze dichters hopen wij nader terug te komen. Behalve
+hunne gedichten moeten wij nog eenige andere werken noemen, welke
+eveneens het zoeken van den Graal tot onderwerp hebben. In de
+eerste plaats den beroemden "Parzival", van den Beierschen dichter
+Wolfram von Eschenbach, geschreven omstreeks het jaar 1200 op zijn
+burcht Wildenberg. Wolfram ontleende zijne stof aan het werk van
+een Provençaalsch dichter: Kyot of Guiot. Verder noemen wij eene
+proza-vertolking uit Wales, die te vinden is in den reeds meermalen
+genoemden "Mabinogion" en waarvan het handschrift dagteekent uit
+de 13e eeuw. Als levensbeschrijving van Parcival noemen wij in dit
+verband nog: "Sir Percyvelle", een Middel-Engelsch gedicht, geschreven
+omstreeks het midden der 15e eeuw, waarin echter geene melding wordt
+gemaakt van den Graal.
+
+Tot de tweede groep, welke zich bezig houdt met eene beschrijving
+van den aard en de herkomst van den Graal, behoort allereerst een
+oud-Fransch proza-werk: "Le Grand St. Graal", waarvan de schrijver
+onbekend is gebleven. [54] Vervolgens eene trilogie, vermoedelijk van
+de hand van Robert de Borron, welke geschreven werd tusschen de jaren
+1170-1212. De drie deelen, welke in één handschrift voorkomen, zijn:
+1 Joseph d' Arimathie, 2. Merlin en 3 de zoogenaamde Didot-Perceval,
+een proza-werk, zoo genoemd omdat het eenige handschrift, waarin
+het wordt aangetroffen, toebehoorde aan den bekenden verzamelaar van
+manuscripten A. F. Didot. [55]
+
+Over het feit, of dit derde en laatste deel ook van de hand van Borron
+is, zijn de geleerden verschillenden meeningen toegedaan. Gaston Paris,
+Professor Birch-Hirschfeld en Jessie Weston betoogen met klem, dat
+wij inderdaad Borron als den schrijver van de drie romantische werken
+moeten beschouwen, Prof. Alfred Nutt is van eene tegenovergestelde
+meening.
+
+Als derde werk over den oorsprong van den Graal noemen wij:
+"Perceval le Gallois", een Fransch proza-werk, geschreven voor een
+zekeren Jean, Heer van Nesle, in Vlaanderen, die leefde in het begin
+der 13e eeuw. Dit werk wordt thans veelal "Perlesvaus" genoemd,
+de eerstgenoemde naam was die, welken de eerste uitgever M. Potvin
+eraan gaf. Het werk werd in het Engelsch vertaald door Dr. Sebastian
+Evans onder den titel: "The High History of the Holy Grail." [56]
+
+Ten slotte verdient hier vermelding de proza-roman "La Quête del
+St. Graal", waarin de held niet langer Parcival is, maar Galahad. De
+oorzaken dezer verwisseling bespreken wij hieronder nader. De schrijver
+van dit werk is Walter Map, wiens invloed op de Arthur-sagen wij elders
+in deze inleiding nog nader zullen toelichten. Uit dit werk putte
+Thomas Malory voor de wedergave der Graalsage, welke wij aantreffen
+in zijn "Morte d' Arthur".
+
+De meeste van bovengenoemde verhalen stemmen overeen in de
+beschrijving van den Graal als een wondervoorwerp van heilige,
+Goddelijke herkomst. Sommige schrijvers zeggen, dat het de beker was,
+waaruit Christus dronk aan het laatste Avondmaal, anderen zien erin
+den schotel, waarin Jozef van Arimathea het bloed opving, dat uit
+de wonden van Christus druppelde, toen Deze aan het kruis hing. In
+Wolfram's gedicht is de Graal een steen, welke hem of haar, die hem
+ziet, het eeuwige leven en de eeuwige jeugd kan schenken; in andere
+gedichten lezen wij hoe de Graal het vermogen bezit om voedsel te
+verschaffen aan een groot aantal menschen. Over de verschillende
+theorieën omtrent den eigenlijken oorsprong van den Graal werd
+hierboven reeds met een enkel woord gesproken.
+
+Er zijn drie ridderfiguren, die in den loop der tijden door de dichters
+en schrijvers tot Graalheld werden uitverkoren: Walewein, Parcival en
+Galahad. Tegenwoordig wordt algemeen als stellig aangenomen, dat de
+oorspronkelijke held der Graal-sage Walewein moet zijn geweest. Als
+zoodanig komt hij voor in de vertolking door Bleheris [57], welke
+Wauchier de Denain, den eersten voortzetter van Chrétien's werk,
+tot bron diende en welke beschouwd wordt als de oudste vorm van
+de Graal-sage.
+
+In de werken van de andere navolgers van Chrétien nemen de avonturen
+van Walewein eene bijkans even voorname plaats in als die van
+Parcival. De laatste is, zooals wij zullen zien, de held in Wolfram von
+Eschenbach's gedicht, evenals in de meeste andere Graal-verhalen. Hij
+wordt meestal voorgesteld als zijnde de kleinzoon van Brons, welke
+laatste de zwager was van Jozef van Arimathea en deze verwantschap
+maakt onzen held voorbestemd om den Graal te vinden en te behouden.
+
+Volgens Jessie Weston dagteekent de verwisseling van Walewein
+en Parcival dan ook uit den tijd, toen de Graal-sage aangepast
+werd aan de beginselen der Christelijke kerk. Dat de persoon van
+Walewein nauw verbonden zou zijn met de vage overleveringen van
+een ouden en mystieken eeredienst, is waarschijnlijk. Toen de sage,
+welke uit deze overleveringen ontstond, dienstbaar werd gemaakt aan
+christelijk-godsdienstige doeleinden, was hij daarin niet langer op
+zijne plaats.
+
+In de eerste Parcival-Graal-verhalen, waartoe ook Wolfram's "Parzival"
+behoort, wordt de held ons geteekend als eene zuiver menschelijke
+figuur, die wel is waar eene Goddelijke roeping heeft ontvangen, doch
+wiens fouten en zwakheden hem bij het vervullen van die hooge roeping
+in den weg staan en wiens hart verdeeld wordt tusschen den drang
+naar het vervullen van zijne taak en het verlangen naar Condwiramur,
+zijne jonge vrouw.
+
+In de latere werken, zooals de "Quête", de "Didot-Perceval" en
+"Perceval le Gallois" zien wij het ascetische element steeds meer op
+den voorgrond treden. Dit werd sterk bevorderd door de geestelijkheid,
+die in de Graal-sage een welkom middel zag voor het verspreiden van
+hare leerstellingen aangaande onthouding en zelfbeproeving, welke een
+tegenwicht moesten vormen voor de heerschende weelde en bandeloosheid.
+
+Als gevolg van dezen sterken invloed der geestelijkheid, die eene
+nieuwe strooming teweegbracht in de letterkunde der Middeleeuwen,
+treedt in het zoo juist genoemde drietal Graal-romans naast of in de
+plaats van Parcival een nieuwe held op den voorgrond: Galahad. Deze
+wordt ons beschreven als een vlekkeloos-reine jongeling, die aan
+Arthur's hof komt, waar hij, door een zwaard uit een drijvenden steen
+te trekken, het bewijs levert, dat hij de edelste onder de ridders is,
+en dus voorbestemd om den Graal te vinden; hij gaat met hart en ziel
+op in zijne verheven taak om den Graal te veroveren en is door geene
+banden aan zijne medemenschen gebonden.
+
+Wij treffen hem, zooals wij reeds zeiden, als Graal-held aan in de
+"Quête", welk werk een deel uitmaakt van den grooten, oud-Franschen
+proza-roman: "Lancelot", dien wij in de Inleiding tot de sage van
+Lanceloet en Elaine reeds noemden.
+
+Galahad is de zoon van Lanceloet en door die afstamming is de band
+gelegd tusschen laatstgenoemden held en den Graal. Sedert eenigen
+tijd had men gevoeld, dat men Lanceloet, den befaamdsten ridder van
+Arthurs hof, niet buitengesloten kon houden, waar het betrof het
+meest verspreide en beroemd geworden avontuur: het zoeken naar den
+heiligen Graal. Lanceloet zelf kon op dien tocht echter niet slagen
+ten gevolge van zijne zondige liefde voor Ginevra. Evenmin kon hij
+die liefde prijsgeven, daar dan een der meest geliefde thema's voor
+het maken van liederen en gedichten zou komen te vervallen.
+
+De oplossing was deze: niet hij zelf, maar zijn zoon zou de held
+van het Graal-avontuur worden. Natuurlijk kon deze zoon niet een
+kind zijn van Ginevra, doch men deed hem geboren worden uit eene
+verbintenis, welke op bovennatuurlijke wijze tusschen Lanceloet
+en de dochter des Graal-konings tot stand was gekomen. Deze reine
+jonkvrouw werd de moeder van Galahad en zoodoende kunnen de latere
+Graal-verhalen beschouwd worden eene verheerlijking te zijn van het
+geslacht van Lanceloet. Op deze wijze worden twee onafhankelijke
+en geheel verschillende sagen, die van Lanceloet en die van den
+Graal te zamen gebracht. Dat dit niet geschieden kon, zonder de
+oude verhalen geweld aan te doen, spreekt vanzelf, wanneer men
+bedenkt, hoe geheel verschillend van inhoud en strekking de beide
+zijn. Galahad, juist door zijne geestelijke volmaaktheid, ontneemt
+aan de Graal-sage die eigenschappen, welke haar in het geval van den
+oorspronkelijken held zoo aantrekkelijk maakten. Bij Galahad is er
+geen sprake van eenigen twijfel omtrent de hooge roeping, waartoe
+God hem heeft uitverkoren. Hij groeit op, als het ware in de schaduw
+van den wonderschotel en is van zijne prilste jeugd af vertrouwd met
+de nauwe betrekking, waarin deze tot hem staat. Maar juist door zijne
+bekendheid met de taak, die hem is opgelegd, missen wij in het verhaal
+zijner lotgevallen datgene, wat ons in de levensbeschrijving van
+Parcival zoo weet te boeien: het lijden en strijden van den mensch,
+die streeft naar innerlijke volmaking, die in zijne onwetendheid
+het goede oogenblik om te handelen ongebruikt voorbij laat gaan en
+eerst na eene lange worsteling met zuiver menschelijke zonden en
+verleidingen waardig wordt bevonden het goddelijk mysterie, dat in
+den Graal wordt belichaamd, te aanschouwen.
+
+De proza-roman: "Lancelot" moet oorspronkelijk bestaan hebben
+uit vier deelen, waarvan het eerste verloren is geraakt. De drie
+bestaande deelen zijn: 1e de eigenlijke "Lancelot"; 2e de "Quête
+del St. Graal" en 3e de "Morte Artus". Het werk wordt toegeschreven
+aan Walter Map, een geestelijke en geleerde aan het hof van Hendrik
+II van Engeland (1154-1189). Het was het streven van den schrijver
+om door de toevoeging der Graal-legende eene diepere, geestelijke
+beteekenis te geven aan de oude verhalen. Hoezeer hij zich ook als
+hoveling en man van de wereld kon verlustigen in de veelvuldige
+beschrijvingen van schitterende hoffeesten en tournooien, welke
+wij in de oude ridderverhalen aantreffen, toch miste hij daarin
+de godsdienstige strekking, welke die sagen in overeenstemming zou
+kunnen brengen met den geest der Christelijke samenleving uit die
+dagen. De sage van den heiligen Graal moest dienen om den samenhang
+tusschen de Arthur-verhalen en de nieuwe Christelijke denkbeelden
+te bewerkstelligen.
+
+Zooals hierboven reeds vermeld werd, vinden wij eene wedergave van het
+Graal-verhaal uit de "Quête" in Thomas Malory's "Morte d' Arthur". Ook
+hier is de held Galahad, evenals in Tennyson's Koningsidylle "The holy
+Grail", waarvoor de dichter Malory's werk als bron heeft gebruikt. Wel
+brengt hij er eenige wijzigingen in aan, teneinde de allegorische
+beteekenis zijner Idylle nog sterker te doen uitkomen.
+
+Wij willen thans met een enkel woord melding maken van de meeningen
+der verschillende geleerden omtrent het ontstaan der Parcival-sage
+en hare samensmelting met de sage van den Graal. Hunne houding wordt
+bepaald door het standpunt, waarop zij zich plaatsen ten opzichte van
+het ontstaan der Arthur-sagen in het algemeen. Ook hier staan de twee
+partijen lijnrecht tegenover elkander: de Fransche, Amerikaansche
+en Engelsche geleerden met aan het hoofd mannen als: Gaston Paris,
+[58] Ferd. Lot, Kittredge en Schofield en Alfred Nutt [59], zijn de
+meening toegedaan, dat de oorsprong der Arthur-sagen en dus ook van
+het Parcival-verhaal te vinden is in de oude, Keltische overleveringen
+der Britsche eilanden, welke volgens G. Paris bewaard zijn gebleven
+door de sagenvertellers van Wales, de beroemde "conteurs gallois"
+[60], die ze aan het hof van Willem den Veroveraar voordroegen,
+waar zij door de Normandische en Fransche dichters met ijver werden
+overgenomen. Eveneens werden zij volgens hem door de rondreizende
+zangers en harpspelers verspreid, ook op het vasteland, onder de
+Keltische stamgenooten in Bretagne en in de kasteelen der Fransche
+edelen in het naburige Normandië, tot zij ook daar door middel
+van Normandisch-Fransche vertalingen binnen het bereik kwamen
+van Fransche dichters als Chrétien de Troies. Gaston Paris neemt
+als stellig aan het bestaan eener groep van Anglo-Normandische
+gedichten, welke de verbindingsschakel moet hebben gevormd tusschen
+de oud-Keltische verhalen en de bestaande Fransche gedichten. Van
+die Anglo-Normandische gedichten is echter geen enkel werk bewaard
+gebleven, waaruit zijne tegenstanders de gevolgtrekking maken, dat
+zij er ook nimmer geweest zijn. De bovengenoemde partijgenooten van
+Paris, deelen over het algemeen zijne inzichten, al leggen zij meer
+den nadruk op het eerstgemelde punt: het ontstaan der verhalen uit
+Keltische volksoverleveringen. Alfred Nutt en de Amerikaansche school
+van Kittredge en Schofield zoeken den oorsprong dier overleveringen
+meer bepaaldelijk onder de oud-Iersche volksverhalen en mythologie.
+
+De Duitsche geleerden, onder aanvoering van Professor Wendelin
+Foerster, den bewerker der beroemde, critische uitgave van Chrétien's
+gedichten, en Professor Golther, willen van het ontstaan der
+Arthur-sagen op de Britsche eilanden niets weten. Volgens hen zijn de
+schamele historische overleveringen betreffende den persoon van Arthur
+het eenige, dat Wales ons inzake het ontstaan van den Arthur-cyclus
+kan aanbieden. De romantische sagenkring, welke zich om hem en zijn
+hof vormde, ontstond, meenen zij, uitsluitend in Bretagne, dus op
+het vasteland, waar Chrétien de Troies de eerste was om de sagen in
+dichtmaat te bezingen. [61] Wat de Parcival-Graal-sage in het bijzonder
+aangaat, zijn deze beide geleerden van meening, dat wij in Chrétien
+den oorspronkelijke schepper hiervan moeten zien. Deze bewering te
+weerleggen is het hoofddoel van Jessie Weston's reeds genoemde studie:
+"The Legend of Sir Perceval". Zij komt hierin tot de slotsom, dat de
+oorsprong van den Graal oneindig veel dieper is gelegen en dat wij om
+dien te vinden, terug moeten gaan tot de tijden lang vóór de prediking
+van het Christendom. De schrijfster is van meening, dat Chrétien de
+sage in haren oudsten vorm nooit heeft gekend, dat deze den dichter
+eerst in haar tweede stadium, toen Parcival reeds de held was en het
+verhaal reeds eene Christelijke strekking had verkregen, ter oore is
+gekomen en hij dus geen recht heeft, om, zooals de Duitsche geleerden
+dit wenschen, als de schepper van het verhaal beschouwd te worden.
+
+Onderstaande behandeling van de Parcival-sage is in hoofdzaak ontleend
+aan Wolfram von Eschenbach's "Parzival". Slechts werden eenige
+bekortingen aangebracht: zoo is het verslag van Walewein's avonturen,
+hetwelk niets met den verderen loop van het verhaal uitstaande heeft,
+weggelaten. Verder vindt men den Graal, welke door Wolfram wordt
+voorgesteld als een steen, hieronder beschreven onder den meer
+gebruikelijken vorm van een schotel.
+
+In Wolfram's gedicht vinden wij eene zuivere voorstelling van het
+symbolische karakter, dat de Graal door alle tijden heen, zij het
+onder telkens wisselenden vorm, heeft gehad. De wonderschotel is
+daarin het zinnebeeld van het ongeziene in het leven, waardoor het
+zuiver-menschelijk streven in ons wordt wakker geroepen om door
+te dringen tot dat, wat wij achter de zichtbare wereld verborgen
+voelen. Het is de bedoeling van den dichter om ons een beeld te geven
+van 's menschen pogen het vergankelijke leven in aanraking te brengen
+met dat, wat ons het eeuwig voortbestaan belooft.
+
+
+
+
+
+DE SAGE VAN PARCIVAL EN DEN HEILIGEN GRAAL.
+
+
+ ...So unselig-selig strebt
+ Jeder hier, so lang er lebt,
+ Sucht und drängt nach seinem Gral.
+ Jeder Mensch ist Parzival!
+
+ (Parzival, ein Abenteurerroman
+ erzählt von Will Vesper.)
+
+
+_Hoe prins Gamuret uit zucht naar avontuur de wereld introk en in
+den strijd het leven liet._ Prins Gamuret, de tweede zoon van den
+koning van Anjou, was gehuwd met Herzeleide, de jonge koningin van
+Noord-Wallis en Valois. Het erfdeel, dat hem als jongeren zoon bij den
+dood zijns vaders werd toegewezen, bestond uit eenige sterke burchten,
+omringd door welige landerijen, die voldoende opbrachten om hem een
+bestaan te doen voeren, een koningszoon waardig. Een tijd lang leefde
+hij zeer gelukkig met zijne jonge gemalin op één zijner kasteelen,
+waar hij open tafel hield voor de ridders uit den omtrek en zich naar
+hartelust overgaf aan de genoegens van jacht en ridderspel.
+
+Na eenigen tijd begon dit leven van niets doen hem echter te
+vervelen. Van zijn vader had hij diens onrustigen, avontuurlijken
+aard geërfd, welke hem reeds als jongen knaap de wijde wereld had
+ingedreven. Voor eene wijle had de liefde tot Herzeleide hem weten te
+binden aan zijn geboorteland, maar op den duur kon hij het daar niet
+uithouden, al sterker en sterker pijnigde hem het verlangen opnieuw
+de wereld in te trekken.
+
+Niettegenstaande de smeekbeden van zijne jonge vrouw, vatte hij het
+besluit op om zijn dorst naar avontuur te bevredigen en toen hij kort
+daarna vernam, dat in het verre Oosten een krijg was uitgebroken,
+gaf hij den wensch om daaraan deel te nemen, als voorwendsel op voor
+zijn vertrek.
+
+Wel viel het afscheid van Herzeleide hem zwaar, maar hij troostte zich
+met de gedachte, dat het niet voor eeuwig was en dat zij in de toekomst
+nog vele jaren gelukkig samen zouden kunnen leven! Hij dacht er niet
+aan, dat hij, die op de toekomst bouwt, dikwijls bedrogen uitkomt.
+
+Vol moed trok Gamuret heen en wierp zich, in het land zijner
+bestemming aangekomen, met vuur in den strijd. Helaas! het zou zijn
+laatste gevecht zijn, want reeds den eersten dag werd hij door eene
+vergiftigde speer doodelijk gewond en bezweek korten tijd daarna
+onder de vreeselijkste pijnen.
+
+
+
+_Van de geboorte van Parcival._ Wie schetst de wanhoop van Herzeleide,
+toen zij het bericht van den dood haars echtgenoots ontving? Onder het
+storten van bittere tranen verwenschte zij den noodlottigen drang tot
+avontuur, die den man huis en haard, vrouw en geliefde doet verlaten
+om in den vreemde het gevaar te gaan opzoeken. Zij zwoer daarbij een
+plechtigen eed, dat, zoo het kind, hetwelk zij verwachtte, een jongen
+mocht zijn, zij al het mogelijke zou doen, om elke zwerversneiging
+in hem te onderdrukken. Haar zoon zou, althans in dit opzicht, zijns
+vaders voorbeeld niet volgen en nooit zou men van hem kunnen zeggen,
+dat hij zijne moeder en later misschien zijne echtgenoote ongelukkig
+had gemaakt.
+
+Toen de tijd was aangebroken bracht Herzeleide een zoon ter wereld,
+dien zij Parcival noemde. Nog vóór het kind een jaar oud was, verliet
+zij den fraaien burcht, dien zij bewoonde en trok zich met enkele harer
+vrouwen en dienaren terug in een eenzaam slot, dat omgeven was door een
+onmetelijk woud. Zij verbood hare dienaren ten strengste, om haren zoon
+ooit te spreken over ridderschap en alles, wat daarmede verband hield
+en wijdde zich geheel aan de verzorging en opvoeding van haar kind.
+
+Parcival groeide op tot een slanken, welgebouwden knaap. Hij was
+geheel vertrouwd met de dieren en planten uit het woud en als kind
+kende hij geen grooter genoegen, dan te luisteren naar het gezang
+der vogels en te leeren hunne stemmen te onderscheiden. Soms kon hun
+liefelijk geluid of hun snelle wiekslag langs het blauwe luchtruim
+hem aan het peinzen brengen over de vraag, wie de wereld om hem
+heen zoo schoon gemaakt had; wie de bloemen deed bloeien langs de
+hellingen der bergen, wie de beekjes deed stroomen door de dalen en de
+afwisseling der jaargetijden op aarde deed plaats hebben. Wanneer hij
+met dergelijke vragen tot zijne moeder kwam, vertelde deze hem van den
+goeden God, Die schooner en lichter was dan de schoonste lentemorgen,
+Wien alle menschen dienen moesten om goed en gelukkig te worden en Die
+steeds de menschen wilde helpen en steunen en hen in den nood wilde
+bijstaan. Wanneer de knaap dan om zich heen zag in het geurende,
+bloeiende woud, werd zijn hart met dankbaarheid vervuld voor den
+Schepper van al dit schoons en riep hij uit: "Ik wil God zoeken in
+de wereld en Hem dienen, waar en wanneer ik kan!"
+
+Dan sloot Herzeleide ontroerd haar zoon in de armen en dacht bij zich
+zelve: "Het ware het beste, wanneer ik van mijn kind een geestelijke
+maakte. Zulk een ambt is Gode welgevallig en ik kan hem dan steeds
+in mijne nabijheid behouden.
+
+De jaren verliepen en Parcival rijpte tot jongeling. Zijne moeder had
+hem onderricht doen geven in het jagen en rijden, tot hij in die beide
+kunsten zeer bedreven was. De vele beweging en het leven in de open
+lucht had zijne spieren gestaald en zijne gestalte kloek en mannelijk
+gemaakt, maar zijn hart was rein en onschuldig als dat van een kind,
+dat niets weet van de wereld en zijne dagen verdroomt tusschen de
+boomen en bloemen van het woud. Wanneer hij, op een heuvel staande,
+somtijds uitzag over het land, werd hij wel eens bevangen door eene
+vreemde onrust, die zijn hart sneller deed kloppen. Daarginds, aan gene
+zijde der heuvelen, zoo meende hij, moest God wonen, Die schoon was
+en goed en Dien hij, Parcival, aanhing met al de liefde en vereering
+zijner jongelingsdroomen. Eens zou er een dag komen, dat hij God zou
+gaan zoeken en Hem zijne diensten zou aanbieden. Nooit echter kwam
+het bij hem op om dien dag nader te bepalen; hij was tevreden met
+zijn leven en verlangde geen ander gezelschap dan dat zijner moeder.
+
+Spoedig zou dit anders worden.
+
+
+
+_Hoe Parcival in het bosch vier ridders ontmoette en hoe hij besloot
+naar het hof van koning Arthur te gaan._ Eens op een morgen,
+toen Parcival neuriënd langs den woudzoom liep, naderden van de
+tegenovergestelde richting vier ridders te paard. Vroolijk rinkelden de
+belletjes aan het hoofdstel der paarden en hunne kurassen glansden als
+zilver in het heldere morgenlicht. De knaap bleef stilstaan en zag met
+open mond naar die schitterende gestalten. Met verbazing vroeg hij zich
+af, wie het zijn konden, toen eene plotselinge gedachte hem door het
+brein schoot. Had zijne moeder hem niet verteld, dat God, de Schepper
+van het aardrijk en de Helper en Vertrooster der menschen, schoon en
+licht was als de schoonste lentemorgen? Welnu dan, het kon niet anders,
+of deze wonderschoone wezens, wier schittering hem de oogen verblindde,
+waren God en Zijne engelen. Juichend liep hij de ruiters tegemoet en
+viel voor hen op de knieën, maar de ridders hielden, half verbaasd,
+half vertoornd, hunne paarden in en één hunner riep uit:
+
+"Sta op, knaap! Waarom ligt gij voor ons op de knieën, alsof gij
+bezig waart, God zelven te aanbidden! Wijs ons liever den naasten
+weg naar Camelot. Gisterenavond zijn wij, door de duisternis misleid,
+een verkeerd pad ingeslagen en sindsdien is het ons nog niet gelukt
+om den rechten weg terug te vinden."
+
+Parcival stond op uit zijne knielende houding en zag den spreker
+onthutst aan.
+
+"Zijt gij dan God niet?" vroeg hij verbaasd, "wie zijt gij dan
+wel? Nooit in mijn leven zag ik mannen zooals gij!"
+
+De ridders zagen elkander aan en haalden met een spottend lachje de
+schouders op, maar één hunner, die medelijden had met de onnoozelheid
+van den knaap, boog zich voorover tot Parcival en sprak: "Wij zijn
+ridders van de Tafel Ronde en Gods dienaren, zooals elk waarachtig
+ridder een dienaar van God is. Wij trekken op avontuur door het land en
+veroveren sterke burchten, schoone vrouwen en machtige koninkrijken!"
+
+Parcival's oogen begonnen te schitteren.
+
+Welk een schoon bestaan moest dat zijn: door de wereld te trekken en
+God te dienen: niet in eene eenzame cel, zooals de vrome kluizenaars in
+het woud dit deden, maar te paard gezeten, in een glinsterend gewaad,
+zooals deze mannen!
+
+De zucht tot avontuur, die als vaderlijk erfdeel diep in zijn hart
+sluimerde, ontwaakte in hem en deed hem uitroepen:
+
+"Ik wil een ridder worden zooals gij en God dienen! Zeg mij, edele
+Heer, wie mij tot ridder kan maken?"
+
+"Dat kan alleen koning Arthur," antwoordden de ridders als uit één
+mond en daarna gaven zij hunnen paarden de sporen en reden verder.
+
+Parcival echter snelde, zoo vlug hij maar kon, naar zijne moeder,
+viel haar om den hals en riep uit:"Moeder, ik wil een ridder worden!"
+
+Herzeleide ontstelde hevig en antwoordde:" Wie heeft u van ridders
+gesproken? Zeg het mij en ik zal hem doen dooden!" Maar toen Parcival
+haar met zijne onschuldige oogen aanzag en verbaasd vroeg:
+
+"Is het dan zondig, moeder, om een ridder te zijn?" boog zij het
+hoofd en zeide: "Neen, mijn kind, het is eene eer!"
+
+"Ik wist het wel," riep de knaap verheugd uit, "zij dienen immers God!"
+
+Van toen af aan was hij niet meer te houden. Of zijne moeder hem
+ook smeekte en bad om bij haar te blijven, hij liet haar geen rust,
+vóór zij hem toestond naar het hof van koning Arthur te gaan en dezen
+te vragen, hem tot ridder te slaan. Eindelijk verzon Herzeleide eene
+list. Zij kleedde den knaap in een narrenpak van grauwe stof, bezet
+met bontgekleurde strepen. Een paar grove laarzen van kalfsvel gaf zij
+hem aan de voeten en zoo uitgerust wilde zij hem laten vertrekken,
+in de hoop, dat de spotternijen, welke hij zou hebben te verduren,
+hem spoedig den lust tot reizen zouden benemen en hem tot haar terug
+zouden doen keeren.
+
+Parcival was uitgelaten van vreugde over de verkregen toestemming. Geen
+oogenblik kwam het bij hem op zich over zijn uiterlijk te bekommeren,
+en toen zijne moeder hem een boerenpaard en eene korte werpspies ten
+geschenke gaf, toonde hij zich hierover even verheugd, als waren het
+een edel strijdros en een zwaard met gouden greep geweest.
+
+Op den morgen van zijn vertrek gaf Herzeleide hem nog eenige wijze
+raadgevingen.
+
+"Wees vriendelijk en hulpvaardig jegens alle menschen," zoo sprak zij,
+"onverschillig of zij arm of rijk, oud of jong zijn. Eert den ouderdom,
+en zoo een grijsaard u raad wil geven, neem dien dan dankbaar aan. Wees
+een trouw dienaar der vrouwen en als eene schoone vrouw u een ring
+of een groet schenkt, neem haar dan in uwe armen en kus haar; niets
+kan een ridder meer tot eer strekken!"
+
+In alle vroegte reed Parcival heen; zijne moeder liep hem na en
+volgde hem met hare oogen tot hij bij eene kromming van den weg uit
+het gezicht verdween. Toen keerde zij zich om, maar bij het zien
+harer eenzame woning brak haar het hart. Met een luiden kreet stortte
+zij voorover en toen hare kamervrouwen toeschoten, vonden zij hare
+meesteresse levenloos ter aarde liggen.
+
+
+
+_Van Parcival's reis naar het hof._ Een vroolijk deuntje zingend reed
+Parcival voort en stuurde zijn vreemdsoortig rijdier in de richting
+van het bosch van Broceliande. Tegen den middag kwam hij voorbij een
+grasveld, in welks midden hij eene tent vond opgeslagen. Nieuwsgierig
+naar wat zich daarbinnen bevond, steeg hij van zijn paard en sloop
+naderbij. Hij lichtte eene slip van het zijden tentdoek op en kon
+nauwelijks een kreet van bewondering onderdrukken, toen hij daarbinnen
+op een zijden rustbed eene wonderschoone vrouw zag liggen, in diepen
+slaap verzonken. Het was de jonge hertogin Jeschute, wier echtgenoot,
+Heer Orilus, op de jacht was getogen en haar eene wijle in hunne tent
+alleen had gelaten. Vol eerbied zag Parcival op haar neer; plotseling
+ontdekte zijn oog een gouden ring, welke aan haar vinger glinsterde,
+en begeerig als hij was, om reeds nu eene ridderlijke onderscheiding
+deelachtig te worden, trok hij voorzichtig den ring van hare hand, nam
+de inmiddels ontwaakte schoone in zijne armen, kuste haar en verliet
+haastig de tent, de hertogin in de grootste verbazing achterlatend.
+
+Kort daarop kwam haar echtgenoot, Heer Orilus, van de jacht terug. Toen
+hij in het bedauwde gras de voetstappen van een man bemerkte, ontstak
+hij in hevigen toorn en beschuldigde zijne gemalin, dat zij gedurende
+zijne afwezigheid eene heimelijke samenkomst met haren geliefde had
+gehad. Het baatte niet, of Jeschute hem al bezwoer, dat er niemand
+bij haar was geweest dan een baardelooze knaap in narrenkleeding,
+die haar in den slaap een ring had ontnomen en haar vervolgens op de
+wang had gekust--de jaloersche echtgenoot was niet van de waarheid
+harer woorden te overtuigen! Hij brak in aller haast de tent op, zette
+zijne ontstelde echtgenoote te paard en joeg het dier met stokslagen
+voor zich uit, terwijl hij de arme Jeschute met de vreeselijkste
+beschuldigingen overlaadde.
+
+Parcival vervolgde intusschen opgeruimd zijn weg; getrouw aan
+den raad zijner moeder groette hij een ieder, dien hij tegenkwam,
+op vriendelijke, bescheiden wijze. Wanneer hij door een dorp reed,
+lachten de kinderen hem uit om zijne wonderlijke kleedij, maar hij,
+die niet wist, wat spot was, lachte vroolijk met hen mede en vroeg hun
+om hem den kortsten weg naar het hof van koning Arthur te wijzen. De
+één zond hem hier, de ander daarheen, want niemand beschouwde zijne
+vraag als ernstig gemeend. Zoo zwierf hij vele dagen door het land,
+tot het toeval hem eindelijk voor de muren der stad Nantes bracht,
+waar koning Arthur destijds hof hield.
+
+Vóór de poort trof hij een ridder aan in roode wapenrusting, die hem
+staande hield en hem naar het doel zijner reis vroeg. Toen Parcival
+zijn wensch te kennen gaf door koning Arthur tot ridder geslagen te
+worden, barstte de roode ridder in lachen uit, zoodat onzen jongen
+held van ergernis het bloed naar de wangen steeg. Dit ziende, bedwong
+de ridder zich en sprak:
+
+"Gij schijnt mij tamelijk jong en onervaren om reeds nu onder de
+ridders van koning Arthur te worden opgenomen. Doch dit is niet mijne
+zaak. Luister, ik heb u een verzoek te doen. Wanneer gij toegang krijgt
+tot den koning, zoo zeg dan aan de ridders, die gij om hem heen ziet
+staan, dat Heer Ither--zoo is mijn naam--hen uitdaagt tot een tweekamp
+om het bezit van dezen zilveren beker, welken ik van den koninklijken
+disch heb meegenomen. De koning denkt, dat ik een kind ben, maar hij
+zal zien, dat hij zich vergist! Ik wil den beker en mijne eer tot
+mijn laatsten snik verdedigen: meld dit aan de Tafel Ronde."
+
+Parcival beloofde zijne boodschap te zullen overbrengen en drong door
+tot vóór den troon des konings. Daar gekomen viel hij voor den vorst
+op de knieën en bracht hem de uitdaging van Heer Ither over. Een
+spottend gemompel ging door de rijen der aanwezige ridders en ook
+over het gelaat des konings gleed een glimlach, toen hij antwoordde:
+
+"Wij allen kennen de nukken en luimen van Heer Ither. Waarschijnlijk
+gevoelt hij zich beleedigd door de eene of andere miskenning zijner
+waardigheid en zendt hij daarom deze dwaze boodschap. Wij doen beter,
+ons niet om hem te bekommeren, tot zijne drift wat bekoeld is, dan zal
+hij wel uit zichzelven naar het paleis terugkeeren. En gij, knaap",
+zoo vervolgde hij tot Parcival, "hebt gij mij nog iets anders te
+zeggen, dat gij zoo geknield blijft liggen? Spreek, wat wenscht gij?"
+
+Thans was het oogenblik gekomen, dat Parcival gedurende zijn langen
+zwerftocht als doelwit voor oogen had gezweefd. Hij richtte zich op uit
+zijne knielende houding, zag den koning recht in het gelaat en sprak:
+
+"Heer koning, ik heb slechts één wensch op aarde en die is, dat gij
+mij tot één uwer ridders maken wilt!"
+
+De ridders uit 's konings omgeving konden hun lachen nauwelijks
+bedwingen, toen zij Parcival's wensch hoorden. Deze halfwassen,
+potsierlijk uitgedoste knaap wilde toegelaten worden tot de befaamde
+ridderschap der Tafel Ronde! Het was inderdaad belachelijk en hoe
+eerder men den jongen zulke gedachten uit het hoofd praatte, des te
+beter voor hem.
+
+Maar de koning lachte niet; hij zag hoe het gelaat van den
+knaap straalde van edele geestdrift; wat hij daarop las was geen
+jeugdige overmoed, het was de heilige bezieling voor eene hooge
+roeping! Vriendelijk zag hij Parcival aan en sprak: "Uw gelaat bevalt
+mij, knaap! Gij zijt nog jong en onervaren, maar eens zult gij een
+goed en dapper man worden en dan zal ik het mij tot eene eer rekenen,
+u onder mijne ridders te begroeten. Blijf tot zoolang in mijn dienst
+hier aan het hof, ten einde u voor te bereiden voor de schoone,
+maar zware levenstaak, welke u wacht. Bedenk, dat er meer noodig is,
+om een goed ridder te zijn, dan een open oog en een sterke arm!"
+
+Maar Parcival was met 's konings belofte niet tevreden; hij viel
+opnieuw voor Arthur op de knieën en riep smeekend:
+
+"Wat ik u bidden mag, spreek mij niet van uitstel en wachten! Nu,
+op dit oogenblik wil ik tot ridder gemaakt worden. Het is niet om aan
+het hof te blijven en als hoveling goede sier te maken, dat ik het u
+vraag, neen, ik wil de wereld zien en God zoeken! Hem wil ik dienen,
+maar ik wil Hem dienen als één der uwen."
+
+Toen de koning bij zijne weigering bleef volharden, vroeg Parcival
+hem verlof om zichzelven eene wapenrusting te verschaffen. De roode
+rusting van Heer Ither, daarginds voor de poort, beviel hem, deze
+zou hij vragen. Toen de koning en het gansche hof in een schaterlach
+uitbarstten over zijn onnoozel plan, werd Parcival boos en liep de
+zaal uit, zeggende, dat, wanneer de roode ridder hem niet goedschiks
+zijne wapenrusting afstond, hij zich die met geweld zou verschaffen.
+
+Zoo geschiedde het inderdaad, Heer Ither, die aanvankelijk het verzoek
+van den knaap slechts met een schamper lachen ontving, zag weldra
+in, dat het den jongeling ernst was met zijn verlangen. Vertoornd
+over zulk eene onbeschaamdheid, lichtte hij met een welgemikten
+speerstoot onzen held uit het zadel en meende hiermede de zaak
+afgedaan te hebben. Parcival ontstak echter in zóo hevige woede over
+zijn smadelijken val, dat hij op Heer Ither toeliep, hem zijne korte
+werpspies door de oogopeningen in den helm stak, en hem de hersenen
+doorboorde. Als een blok viel Heer Ither neer en gaf den geest,
+Parcival knielde bij het ontzielde lichaam neer, maakte de beenstukken
+en het kuras los en gespte die zichzelven om. Daarna zette hij zich
+den helm op het hoofd, greep de lans van den gevallen ridder en steeg
+weer te paard.
+
+Eenige schildknapen, die uit het paleis kwamen aanloopen, klaagden
+luide over den dood van hun heer en verweten Parcival, dat hij een
+man, die hem geenerlei kwaad gedaan had, in koelen bloede had doen
+sneven. Onze held stoorde zich echter niet veel aan wat zij zeiden en
+toen zij hem dreigden met de ongenade des konings, riep hij vroolijk
+uit: "Wat gaat mij de toorn van koning Arthur aan? Nu ik een ridder
+geworden ben, wil ik God dienen, niet slechts den koning!"
+
+Met deze woorden reed hij heen, maar in het paleis van koning Arthur
+treurde men om den dood van Heer Ither en verwenschte den vreemdeling,
+die hem gedood had.
+
+
+
+_Parcival komt aan het slot van heer Gurnemanz._ Na eenige dagen
+zwervens kwam Parcival bij een machtig slot; vóór de poort, onder de
+schaduw eener linde zat een oude man, met een sperwer op de gesloten
+vuist. Bij het zien van den grijsaard herinnerde de jongeling zich den
+raad zijner moeder; hij steeg af, groette den oude eerbiedig en sprak:
+
+"Mijne moeder heeft mij geleerd den raad van een grijsaard te
+eerbiedigen. Eenige dagen geleden heb ik mijzelven met geweld deze
+wapenrusting verschaft; van de gebruiken der ridderschap ben ik
+evenwel geheel onkundig. Kunt en wilt gij ze mij leeren?"
+
+De grijsaard werd getroffen door het kinderlijk vertrouwen, dat de
+knaap in hem stelde, en beloofde hem te zullen helpen. Daarop wierp
+hij zijn sperwer omhoog in de lucht en het dier, dat aan zijn hals een
+gouden schelletje droeg, vloog met lustig gerinkel over den slotmuur
+om de komst van zijn meester aan te kondigen.
+
+Gurnemanz--zoo heette de grijsaard--en Parcival volgden hem weldra
+binnen den gastvrijen burcht, waar den jongeling een gul onthaal
+ten deel viel. Geruimen tijd bleef hij de gast van Heer Gurnemanz,
+die hem onderwees in alle kundigheden, waarmede een ridder vertrouwd
+moet zijn. Hij vond in Parcival een vluggen, ijverigen leerling,
+die weldra zijn meester dreigde voorbij te streven. Eén ding prentte
+Gurnemanz den knaap vast in het geheugen: niets misstaat den ridder
+meer dan nieuwsgierigheid en onbescheidenheid. Daarom moet hij,
+wanneer hem het een of ander bevreemdt, zich er voor hoeden naar
+de verklaring hiervan te vragen. Wanneer hij die behoort te weten,
+zal hij ze wel zonder vragen te weten komen.
+
+Toen Parcival gevoelde, dat er voor hem op het slot niets meer
+te leeren viel, gaf hij Gurnemanz zijn voornemen te kennen om te
+vertrekken en zijne onderbroken reis voort te zetten.
+
+Gaarne had de oude ridder hem bij zich gehouden, want zijne beide
+zonen waren in den strijd gevallen en niets zou hij liever gezien
+hebben dan een huwelijk tusschen Parcival en zijn eenig dochtertje
+Liasse. Maar het hart laat zich niet dwingen en dat van den knaap
+sluimerde nog. Wel mocht hij de kleine Liasse gaarne lijden, maar
+het kwam niet bij hem op haar tot vrouw te begeeren.
+
+Zoo nam hij dus afscheid van zijn trouwen leermeester en dankte hem
+voor alles, wat hij voor hem gedaan had. Hij kuste Liasse op beide
+wangen en bemerkte niet, hoe droevig zij hem aanzag. Toen zadelde hij
+zijn paard en verliet den burcht, waar hij zooveel goeds en nuttigs
+geleerd had en reed opnieuw de wereld in.
+
+
+
+_Van het huwelijk tusschen Parcival en Condwiramur en hoe hij zijne
+vrouw verliet om God te zoeken._ Onze held zwierf door het land en
+zocht God. Overal verwachtte hij Hem te vinden. Als de boomen van
+het woud steunden en kraakten onder den druk van den wind, als de
+sneeuw dreunend van de bergen stortte, als de watervallen bruisten,
+als de donder rolde en de bliksemstralen flitsten, dacht hij steeds:
+"Nu zal het gebeuren! Nu komt God!"
+
+Maar God kwam niet en Parcival trok verder, nu eens troosteloos over
+zijne teleurgestelde verwachtingen, dan weer blij en opgewekt door
+een innerlijk gevoel van hoop en vertrouwen.
+
+Eens op een dag reed hij langs het strand, diep geroerd door
+de schoonheid der zee, die zich voor hem uitstrekte en in haar
+klaren spiegel het blauw van den hemel ving. Na eenige uren rijdens
+kwam hij aan de monding eener breede rivier, aan welker overzijde
+eene versterkte stad gelegen was. Aan de drukte en bedrijvigheid,
+die rondom de muren heerschten, kon hij zien, dat men bezig was,
+zich voor te bereiden op een vijandelijken aanval. Daarom waren de
+bruggen over den stroom reeds alle vernietigd, met uitzondering van
+ééne, welke men juist begon af te breken. Parcival sprong ijlings
+op de wankelende balken en bereikte de overzijde, waar hij door zijn
+plotseling verschijnen eene groote ontsteltenis veroorzaakte onder de
+werklieden en krijgsknechten. Toen zij evenwel zagen, dat hij alleen
+was en hij hen allen vriendelijk groette, werden zij gerustgesteld en
+kwamen naderbij. Op zijn belangstellend vragen vertelden zij hem, dat
+de burcht het eigendom was van de jonge hertogin Condwiramur, die na
+den dood haars vaders werd lastig gevallen door koning Clamides, die
+haar tot een huwelijk met hem wilde dwingen. Reeds verscheidene malen
+had hij zijn maarschalk, Kingrun, naar haar slot Bel Repair gezonden
+om bij de hertogin aan te dringen op eene verwezenlijking van zijn
+verlangen, maar Condwiramur bleef weigeren. Thans had hij gedreigd,
+de stad te zullen belegeren en de hertogin te dwingen zijne vrouw
+te worden. Daarom was men druk in de weer om den burcht in staat van
+verdediging te brengen, want den volgenden morgen zou Kingrun voor de
+laatste maal komen om het antwoord der hertogin te vernemen en wanneer
+dit opnieuw eene weigering bevatte, zou het beleg spoedig volgen.
+
+Parcival was diep begaan met het lot der ongelukkige jonkvrouw en
+verzocht den knechten hem bij haar te brengen.
+
+Daarop leidden zij hem naar den ingang van het kasteel. Daar vond
+hij een dienaar, die hem in een ruim vertrek voerde, waar de jonge
+hertogin met hare kamerjuffers aan het venster zat om van daar uit
+de toebereidselen voor het beleg gade te slaan.
+
+Condwiramur trad den binnentredende tegemoet, vol spanning over het
+doel zijner komst, maar toen zij tegenover hem stond, vergat zij haren
+grooten nood en de gevaren, welke haar bedreigden. Evenzoo ging het
+hem. Hij vergat alles om zich heen en kon slechts vol bewondering
+staren naar het gelaat der jonkvrouw, dat, ondanks de sporen van
+vergoten tranen, hem schooner toescheen dan eenig vrouwengelaat hem
+ooit was voorgekomen.
+
+Condwiramur was de eerste om zich te herstellen en heette Parcival
+welkom in haren burcht. Zij gaf hem op zijn verzoek een meer omstandig
+verslag van den benarden toestand, waarin zij verkeerde, maar onze
+held hoorde nauwelijks wat zij zeide, zóó zeer was zijn gansche wezen
+bevangen door de zoete bedwelming der ontluikende liefde. Toen zij
+ophield met spreken, kon hij slechts eenige woorden van troost en
+opbeuring stamelen, daarop vroeg hij zijne gastvrouw verlof om zich
+voor den nacht ter ruste te begeven.
+
+Eenige uren later, toen hij juist, na lang woelen en peinzen, in een
+onrustigen slaap verzonken was, werd hij uit zijne droomen gewekt
+door het gevoel van iets vochtigs op zijn gelaat.
+
+Hij richtte zich overeind en zag tot zijne verbazing eene witte
+gestalte vóór zijn bed neergeknield liggen. Het was Condwiramur,
+die met het hoofd in de handen lag te snikken, alsof haar hart
+zou breken. Toen Parcival haar op ontstelden toon vroeg, wat haar
+deerde, hief zij haar door tranen overstroomd gelaat tot hem omhoog
+en klaagde hem haar grooten nood. Nadat Parcival zich ter ruste had
+begeven, zoo zeide zij, had zij opnieuw eene bespreking gehouden met
+hare raadslieden. Deze hadden haar ten slotte in overweging gegeven,
+om het aanzoek van koning Clamides aan te nemen, daar dit de eenige
+uitweg was om haar volk en hare stad voor een wissen ondergang te
+behoeden. Zij kon er evenwel niet toe besluiten om de vrouw te worden
+van een man, dien zij haatte en minachtte om de wijze, waarop hij
+zich in hare gunsten trachtte te dringen. Liever zocht zij den dood.
+
+Dit droevig verhaal maakte diepen indruk op Parcival's jeugdig
+gemoed. Zijne gevoelens van recht en ridderlijkheid, maar nog meer de
+nieuwe, teedere gevoelens, welke dien dag in zijne ziel tot ontluiking
+waren gekomen, kwamen in heftigen opstand tegen het onrecht, zijne
+geliefde aangedaan. Hij bezwoer Condwiramur bij alles wat haar heilig
+was om zich de gedachte aan een huwelijk met dien onverlaat uit het
+hoofd te zetten; hij, Parcival, zou haar helpen! Hierdoor eenigermate
+gerustgesteld deelde de jonkvrouw hem mede, dat haar meest gevreesde
+vijand niet was koning Clamides, maar diens maarschalk en afgezant,
+Kingrun. Wanneer de vorst, zooals nu en dan geschied was, neiging
+vertoonde om zijne booze plannen op te geven, was het Kingrun,
+die telkens weer zijne kwade lusten en hartstochten wist op te
+wekken. Menig ridder uit de hofhouding van Condwiramur had hij
+reeds in een tweegevecht gedood en morgen zou hij opnieuw komen om
+de rechten van zijn heer te bepleiten! Toen Parcival dit hoorde, was
+zijn besluit genomen: hij zou met den valschen maarschalk strijden en
+met Gods hulp zou het hem gelukken, den booswicht een verder optreden
+onmogelijk te maken.
+
+Condwiramur ging getroost heen en Parcival legde zich opnieuw ter
+ruste, maar het duurde geruimen tijd, alvorens hij den slaap weer
+kon vatten.
+
+Den volgenden morgen in alle vroegte kwamen de dienaren der hertogin
+hem roepen en hem wapenen voor den komenden strijd. Kort daarop
+verkondigde een luid bazuingeschal van den slottoren, dat Kingrun
+voor de poorten der stad verschenen was. Op groven toon daagde hij één
+van de volgelingen der hertogin tot een tweegevecht met het zwaard uit.
+
+De brug werd neergelaten en Parcival reed naar buiten, gekleed
+in zijne roode wapenrusting en met zijn glinsterend zwaard--een
+geschenk van Heer Gurnemanz--in de hand. Recht en fier troonde hij
+op zijn ongeduldig trappelend strijdros, een toonbeeld van jeugd
+en schoonheid. Welk eene tegenstelling met het uiterlijk van zijn
+tegenstander! Kingrun was krom en gebocheld, maar zijne spieren waren
+als van ijzer en staal en zijne kracht maakte hem gevreesd door het
+gansche land.
+
+Parcival wist niets omtrent de sterkte van zijn vijand; hij wist
+alleen, dat nu het oogenblik gekomen was om de wijze lessen van
+zijn ouden leermeester in praktijk te brengen en te toonen, wat hij
+kon. Bovenal echter had hij het besef, dat hij streed voor de eer
+en het behoud van de vrouw, die hij liefhad, en dit besef schonk hem
+een onweerstaanbaren moed en kracht.
+
+Zoo kwam het dan ook, dat onze held na een strijd, welke zijne weerga
+niet vond in hevigheid, erin slaagde zijn vijand zoodanig af te matten,
+dat het hem ten slotte gelukte Kingrun van zijn paard te werpen. De
+verleiding hem te dooden was sterk, maar hij bedacht zich en droeg in
+plaats daarvan den overwonnene op om naar het hof van koning Arthur
+te gaan en aldaar melding te maken van het feit, dat de roode ridder
+hem in het gevecht overwonnen had.
+
+Toen de ongelukkige maarschalk zich verwijderd had, openden zich
+de wijde poorten van het kasteel en de dienaren en knechten van
+Condwiramur stroomden naar buiten om den held van den dag in
+feestelijken optocht naar hunne meesteres te geleiden.
+
+De jonge hertogin wachtte haren bevrijder op boven aan de breede
+trappen, welke naar den hoofdingang van het kasteel voerden. Wederom
+stonden hare schoone oogen vol tranen, maar ditmaal waren het tranen
+van vreugde en dankbaarheid. Toen Parcival voor haar op de knieën
+viel en den zoom van haar kleed kuste, richtte zij hem op, sloot
+hem in de armen en verklaarde ten aanzien van de verzamelde menigte,
+dat zij geen anderen man tot haren echtgenoot begeerde dan hem.
+
+Juichend en jubelend omstuwde het volk het jeugdige paar, dat elkander
+bevend van geluk omarmd hield en nog dienzelfden dag werd de bruiloft
+gevierd.
+
+Niets ontbrak aan het geluk der jonge echtgenooten. Weliswaar trok
+koning Clamides met zijn leger op naar de stad om de nederlaag
+van Kingrun te wreken, maar de bezetting van Bel Repair werd door
+Parcival's leiding en het geluk hunner geliefde meesteres met nieuwen
+moed bezield en wist de aanvallen der belegeraars met goed geluk af
+te slaan. Toen het ten slotte tot een tweestrijd kwam tusschen de
+beide aanvoerders en Parcival daarin overwinnaar bleef, kende het
+geluk en de blijdschap der inwoners van Bel Repair geen grenzen. Ook
+koning Clamides werd naar het hof van koning Arthur gezonden om van
+de zegepraal des rooden ridders te getuigen en in den burcht vierde
+men de overwinning met blijde feestgelagen. Zoo troonde het jonge
+paar in de volheid van hun geluk op Bel Repair en het verwoeste land
+daaromheen kwam allengs tot nieuwen bloei.
+
+Een tijd lang vond Parcival vrede en voldoening in het samenzijn met
+zijne geliefde gemalin en in de zorgen voor het bestuur van haar land,
+maar ten slotte sloop de onrust weer binnen in zijne ziel en maakte
+het oude verlangen om God te zoeken, zich opnieuw van hem meester.
+
+Het rustige leven aan de zijde zijner echtgenoote, die hij toch zoo
+liefhad, bevredigde hem niet langer. Nog had hij God niet gevonden,
+mocht hij dan zijne verdere dagen in ledigheid doorbrengen, en doof
+blijven voor die innerlijke stem, welke hem aanspoorde om niet te
+versagen?
+
+Hij deelde Condwiramur zijn voornemen om te vertrekken mede en hoewel
+haar hart verscheurd werd bij de gedachte aan eene scheiding, zweeg
+zij nochtans stil en eerbiedigde zijn verlangen.
+
+Zoo reed onze held opnieuw de wijde wereld in, maar ditmaal was hij
+droevig gestemd, want zijn hart bleef bij Condwiramur.
+
+
+
+_Parcival komt aan den graalburcht: Montsalvasch._ Parcival zwierf
+door de velden en wouden, tot hij aan eene bergachtige streek kwam,
+vol diepe ravijnen en donkere spelonken. Een ieder, dien hij tegenkwam,
+vroeg hij, waar God woonde, maar niemand kon het hem zeggen, hoewel
+zij allen voorgaven, Hem te dienen. Soms werd onze held ongeduldig
+over zijn langen wachttijd; dan twijfelde hij er wel eens aan,
+of hij God ooit zou vinden en vergat, dat men God niet kan dwingen,
+maar dat zij, die Hem zoeken, Zijne schreden moeten volgen in deemoed
+en naastenliefde, tot dat God Zelve hen tot zich roept.
+
+Na een langen, vermoeienden zwerftocht kwam Parcival eens op een
+avond bij een klein meer, omgeven door hooge berghellingen. Op het
+meer lagen eenige visschersbooten voor anker en in eene van deze
+leunde een oude man over de verschansing. Het was een grijsaard,
+wiens kostbare kleederen hem eenigszins misplaatst deden schijnen in
+de ruwe visschersschuit. Meer nog dan door de pracht zijner kleeding
+werd Parcival getroffen door de treurige uitdrukking van zijn gelaat
+en met verbazing vroeg hij zich af, waarom de grijsaard met zulk eene
+sombere uitdrukking in het water staarde.
+
+Daar de avond kil en vochtig was, vroeg hij den grijsaard op bescheiden
+toon om hem een onderkomen voor den nacht aan te wijzen en ziet, toen
+de oude man hem aanzag, scheen het Parcival toe, of er een glans van
+blijde verwachting in zijne doffe oogen kwam. Hij gaf den jongeling
+op zijne vraag te kennen, dat de streek, waarin hij zich bevond,
+zeer eenzaam en bijkans onbewoond was, maar dat zijn eigen slot
+zich niet ver van daar bevond en geheel tot Parcival's beschikking
+stond. Hierop wees hij den jongeling den weg daarheen en na eenig
+zoeken zag onze held inderdaad de torens en tinnen van een burcht
+tusschen de boomen van het woud doorschemeren. Het was eene woeste,
+eenzame plek, te midden van dichte bosschen; de burcht was op eene
+hooge rots gelegen, en ving de laatste stralen der ondergaande zon
+in zijne vensters. Een diepe afgrond gaapte vóór het slot, maar bij
+Parcival's nadering viel er eene zware ophaalbrug dreunend over de
+kloof en maakte den toegang tot het kasteel mogelijk.
+
+Een aantal ridders en knapen kwamen den gast tegemoet treden en
+begroetten hem eerbiedig, maar allen zagen er somber en ernstig uit
+en over het gansche slot scheen eene stemming van rouw te hangen.
+
+Nadat zij Parcival van zijn harnas en wapenen hadden ontdaan en hem
+een stel fraaie kleederen hadden doen brengen, voerden zij hem voor
+den maaltijd in eene groote, ruime zaal. Hier brandden een ontelbaar
+aantal kaarsen, die, in zware lichtkronen gevat, naar alle kanten
+een warm gouden schijnsel verspreiden. Langs de muren stonden een
+aantal rustbedden; vóór elk bed lag eene zware vacht. In drie marmeren
+haarden vlamden open vuren en vóór het middelste vuur lag op eene lage
+rustbank de zieke burchtheer, in kostbaar pelswerk gehuld. Parcival
+werd uitgenoodigd, aan zijne zijde plaats te nemen, waarop de zaal
+zich langzamerhand vulde met eene schare van ridders, die zich op
+de rustbedden langs den muur nederzetten. Toen allen gezeten waren,
+vloog de deur der zaal open en een knaap trad binnen. In zijne
+uitgestrekte hand droeg hij eene lange speer met eene bloedige punt,
+waarvan de roode droppels omlaag vielen op de mouw van den drager. Op
+het zien van de lans begonnen alle aanwezigen luidkeels te jammeren
+en te weenen en hun geweeklaag verstomde eerst, toen de knaap, na de
+lans langs de vier muren te hebben gedragen, weer met zijn vreemden
+last uit de zaal verdween. Een oogenblik was er stilte, toen openden
+zich de wijde zaaldeuren opnieuw en binnen trad eene jonkvrouw, die in
+hare opgeheven handen een schotel of kom droeg, welke een verblindend
+licht uitstraalde. Voor den schijn van dit licht, dat rozig was als
+het licht van den dageraad, maar nochtans verblindend als de felste
+zonnestralen, verbleekte het honderdvoudige licht der kaarsen. Alle
+ridders verhieven zich van hunne rustplaats en bogen eerbiedig het
+hoofd, ook Parcival moest voor dien fellen schijn de oogen sluiten. Het
+was hem, of hij eene zachte muziek door de zaal hoorde ruischen en
+hij voelde eene siddering van ontroering zijn lichaam doortrillen.
+
+Middelerwijl had een schildknaap een kostbaar zwaard naderbij
+gedragen, welks greep met robijnen was bezet, en de kranke burchtheer
+overhandigde het Parcival en verzocht hem het te willen aannemen als
+vergoeding voor wat er mogelijk aan zijne ontvangst ontbroken had;
+hij zelf had het in menigen kamp gebruikt, tot God hem met eene
+ongeneeslijke kwaal gestraft had. Geheel uit het veld geslagen door
+al het wonderlijke om hem heen, stamelde onze held een paar woorden
+van dank, waarop de zieke door een aanval van pijn scheen te worden
+overvallen, althans hij viel steunend in de kussens.
+
+Duizend vragen drongen den jongeling naar de lippen bij het zien van
+den wonderschotel, die op een marmeren tafel te glanzen stond, maar,
+gedachtig aan de wijze lessen van Gurnemanz, weerhield hij zich naar
+de beteekenis van dit alles te vragen, weinig vermoedend, welk een
+onheil hij door zijn zwijgen teweegbracht.
+
+"Het is een vreemde burcht", zoo dacht hij, "en er heerschen hier
+vreemde gebruiken. Wat mag toch wel de reden zijn van de droevige
+stemming, welke hier heerscht? Wat kan de herkomst wezen van dien
+lichtenden schotel en waaraan ontleent hij zijn wonderglans? Hoe
+gaarne zou ik dit alles weten, maar--zeide mijn leermeester mij niet,
+dat bescheidenheid onder alle omstandigheden als hoogste deugd des
+ridders geprezen moest worden? Bovendien--ik kan den slotheer niet
+helpen. Ieder mensch heeft zijn eigen leed te dragen, heb ik niet
+het mijne, dat mij rusteloos voortjaagt in ongestild verlangen naar
+een doel, dat ik wellicht nooit bereiken zal?"
+
+Op dit punt gekomen geraakte onze held verdiept in droefgeestig
+gepeins over zijn eigen kommer, die zijn hart zóó zeer vervulde, dat
+het ongevoelig werd voor het lijden van anderen. Eerst veel later zou
+hij dermate door de smart gelouterd zijn, dat hij zijn eigen verdriet
+genoegzaam op zijde kon zetten om oog en oor open te houden voor het
+leed zijner medemenschen.
+
+Onder eene drukkende stilte werd de maaltijd genuttigd; de Graal,
+zooals Parcival den schotel fluisterend hoorde noemen, verschafte
+daarbij al het noodige. Men behoefde zich slechts iets te wenschen,
+of het verlangde verscheen onmiddellijk in de schalen en bekers.
+
+Toen het maal was afgeloopen, droeg de jonkvrouw den Graal uit de zaal
+weg en leidde men Parcival naar een weelderig ingericht slaapvertrek.
+
+Uitgeput door zijn langen rit en al het vreemde, dat hij gezien had,
+viel hij spoedig in een doffen slaap, waaruit hij eerst ontwaakte, toen
+de zon reeds hoog aan den hemel stond. Ontsteld over zijn lang slapen,
+riep hij terstond om de knapen, die hem den vorigen avond bij het
+ontkleeden behulpzaam waren geweest, maar niemand verscheen--doodsche
+stilte heerschte in het gansche slot. Daar bemerkte Parcival,
+dat zijne kleederen en wapenrusting voor zijn bed gereed lagen,
+dus besloot hij zichzelven te helpen. Tegen zijne rustbank geleund
+stonden twee zwaarden: het zijne en dat, hetwelk de zieke slotheer
+hem ten geschenke had gegeven.
+
+Toen hij geheel gereed was, begaf hij zich langs de breede trappen
+naar beneden, naar alle kanten spiedend, of hij niet een spoor van
+leven kon ontdekken. Maar neen--het slot was als uitgestorven. Op
+het voorplein vond hij zijn paard gezadeld, en in een haast om weg te
+komen uit deze vreemde omgeving, waar de drukkende stilte hem benauwde,
+stoof hij de ophaalbrug over. Nauwelijks had zijn paard de hoeven van
+de brug gelicht, of deze werd met knarsend geluid omhoog getrokken
+en eene stem vanuit den burcht riep hem na: "Dwaas, die gij zijt,
+scheer u weg van hier! Waarom hebt gij uwen gastheer de verlossende
+vraag niet gedaan? Den sleutel tot het hoogste geluk hieldt gij in
+de hand, maar gij hebt dien niet weten te gebruiken, omdat uw hart
+koud is als ijs. Thans zijt gij vervloekt in alle eeuwigheid!"
+
+Parcival had zich omgewend en wilde den burcht opnieuw naderen, maar
+de gapende afgrond hield hem tegen en op al zijn roepen ontving hij
+geen antwoord.
+
+Mismoedig haalde hij de schouders op en vervolgde zijn weg door het
+eenzame woud.
+
+Na eenigen tijd kwam hij langs eene open plek tusschen de struiken,
+waar hij eene jonkvrouw vond met het lijk van een ridder in de
+armen. Toen Parcival haar vroeg naar de oorzaak van den dood van
+haren metgezel, vertelde zij hem, dat zij beiden met vele andere
+edelvrouwen en ridders op een naburig kasteel woonden, waar zij zich
+allen wijdden aan het nastreven van een hoog en heilig doel. Kort
+geleden op een middag hadden zij vanaf de slotmuren een hond uit
+het bosch te voorschijn zien springen, die een kostbaren halsband
+droeg, bezet met flonkerende diamanten. Daar zij wisten, dat er in
+verren omtrek geen menschelijke woning te vinden was, waren zij ten
+zeerste verbaasd over het zien van den hond en Sigune--zoo heette de
+jonkvrouw--had haren geliefde schertsenderwijze bevolen om, zoo hij
+haar werkelijk liefhad, dien fraaien band voor haar te bemachtigen.
+
+Drie lange dagen was hij weggebleven totdat eindelijk de onrust
+Sigune in het woud gedreven had, om hem te zoeken. Zij vond hem, maar
+helaas! onder welke omstandigheden--in een doodelijken kamp gewikkeld
+met Heer Orilus, die, sinds de vermeende ontrouw zijner echtgenoote
+Jeschute, als een woesteling door het land trok en mensch noch dier,
+die hij op zijn weg ontmoette, spaarde. Sigune was nog juist bijtijds
+gekomen, om haren stervenden vriend in hare armen op te vangen en
+hem de oogen te sluiten.
+
+Parcival was diep ontroerd door het treurige verhaal der
+jonkvrouw. Getroffen zag hij haar aan, toen zijn oog plotseling viel op
+het beeld eener witte duif, dat zij, evenals haar ontslapen echtgenoot,
+op hare kleederen droeg. Hij herinnerde zich datzelfde teeken gezien
+te hebben op de kleedij der ridders in het geheimzinnige slot. Zou
+de jonkvrouw hem de verklaring kunnen geven van wat hij daarginds
+voor raadselachtigs gezien en gehoord had?
+
+In haastige bewoordingen vertelde hij Sigune zijn wedervaren en terwijl
+hij sprak, kwam er een glans van groote vreugde op het gelaat zijner
+toehoordster, welke echter allengs plaats maakte voor eene uitdrukking
+van verbazing en groeiende ontsteltenis.
+
+Toen hij ophield met spreken, nam Sigune het woord en zeide op
+bitteren toon:
+
+"Heer, ik weet bijna niet, wat ik zeggen zal. God had u tot de
+hoogste heerlijkheid uitverkoren en gij zijt die onverschillig
+voorbijgegaan. Hoe kondt gij zwijgen bij het zien van het lijden
+des kranken konings? hoe kondt gij zwijgen bij het aanschouwen van
+den Graal, het goddelijk mysterie, dat elke ridder dienen en eeren
+moet?" Maar toen Parcival wanhopig uitriep, wat dan toch die Graal
+was en waarom allen in het slot hem zoo droevig hadden aangezien,
+werd hare stem zachter en zij hernam:
+
+"Heer, luister naar mij! De Graal is een wonderschotel, zooals er
+geen tweede op aarde te vinden is. Christus zelf heeft hem gemaakt en
+gebruikte hem bij het laatste Avondmaal, dat Hij met Zijne jongeren
+nuttigde. Na Zijn heengaan, liet Hij den Graal achter als teeken Zijner
+goedheid. Toen nu echter de heidenen in het land vielen, vluchtten zij,
+die met den zorg voor den Graal belast waren, en brachten hem hier,
+in deze wildernis. Zij verzamelden een aantal ridders om zich heen,
+die den Graal moesten bewaken en stelden aan hun hoofd een koning, die
+over de geheele wereld regeerde en wien de Graal kracht verleende om
+ten allen tijde het recht te steunen en het booze te bestrijden. Zijne
+volgelingen, de Graalridders, waartoe ook mijn geliefde behoorde, zond
+die koning de wereld in om hem die heilige taak te helpen vervullen
+en, waar deze ook heentrokken, steeds bleef de heilige glans van den
+Graal hen omzweven en maakte hen sterk en schier onoverwinlijk.
+
+Zoo was het vele jaren, tot eindelijk de menschelijke boosheid de
+macht van den Graal kwam verstoren. De tegenwoordige koning, Amfortas,
+dezelfde, dien gij ziek en lijdend op zijn burcht Montsalvasch hebt
+zien liggen, erfde het Graal-koningschap van zijn vader, toen hij
+nog zeer jong was. Kort daarop kwam de booze hertogin Orgeluse en
+veroverde zijn hart met haar schoonheid. Wel mogen de Graalridders
+liefhebben--immers zonder liefde is het leven onvolkomen--maar zij
+beminnen met eene heilige, innige liefde, welke die der andere menschen
+te boven gaat. Orgeluse echter rustte niet, alvorens de jonge Amfortas
+zich willoos en zinneloos in hare macht had gegeven.
+
+Wat was het gevolg? De Graalridders volgden het voorbeeld van hun
+koning en brachten hun tijd door in ledigheid en bedwelmend zingenot,
+zonder zich te bekommeren over de hooge levenstaak, die God hun had
+opgelegd. De glans van den Graal verminderde allengs, alsook zijne
+macht; ware dit niet het geval geweest, dan zou mijn geliefde nog in
+leven zijn! Eens op een dag vond Amfortas zijne geliefde in de armen
+eens medeminnaars en hij, de Graalkoning, de beschermer van recht en
+billijkheid, ontstak in zulk eene blinde woede, dat hij den ongelukkige
+met een speerstoot doodde. Sindsdien ondergaat hij de straf, die God
+hem heeft opgelegd. Hij ligt weg te kwijnen aan eene slepende kwaal,
+waarvan de dood hem niet verlossen zal, alvorens" ... hier werd hare
+stem van een plechtigen ernst en hare oogen begonnen te stralen,
+"alvorens het wonder is geschied en de nieuwe Graalkoning zijn ambt
+heeft aanvaard!"
+
+"Wie zal dat zijn?" vroeg Parcival in ademlooze spanning en Sigune
+antwoordde: "Als een kind in de eenvoud zijns harten, als een held in
+de sterkte van zijn arm, een ridder en tevens een dwaas, zoo zal de
+nieuwe Graalkoning zijn. Amfortas is oud en vergrijsd en snakt naar
+rust. Die rust is nabij--sedert eenigen tijd straalt de Graal met
+vernieuwden glans en langs den rand van den heiligen schotel staat in
+vlammend schrift de naam te lezen van hem, die eerlang komen zal. Wij
+allen hebben dien naam vernomen, maar hij, die hem draagt, is zich
+niet bewust, wat van hem verwacht wordt. Niemand mag hem helpen den
+Graal te zoeken, niemand mag hem over den Graal spreken, wanneer hij
+er niet uit eigen beweging naar vraagt. Komt hij op het slot en vraagt
+hij niets, dan is de Graal voor eeuwig voor hem verloren!"
+
+Onder hare woorden was Parcival alles duidelijk geworden; een
+vreeselijk berouw greep hem aan en angstig vatte hij Sigune bij den
+arm, terwijl hij uitriep:
+
+"Voor eeuwig! Dat kunt gij niet meenen! Waarom zou hem de kans niet
+geboden worden, om zijne fout te herstellen?"
+
+Hierop sprak Sigune: "Slechts hij kan den Graal vinden, die een zacht
+en hulpvaardig gemoed heeft en die medelijden gevoelt voor het lijden
+van zijne medemenschen. Hij, die door de smart van den koning en zijne
+ridders ongeroerd bleef, moet een hart van steen hebben, en is niet
+waard den Graal te bezitten!"
+
+Parcival's ziel kwam in opstand tegen het noodlot, dat hem zóó strafte.
+
+"Is het dan zulk een schoon en begeerlijk lot om Graalkoning of
+-ridder te zijn?" vroeg hij nog, maar Sigune zag hem verontwaardigd
+aan en sprak:
+
+"Wat spreekt gij domme taal! Wie den Graal dient, dient God. God
+geeft zijne ziel vrede en kracht om het booze te bestrijden en het
+goede te willen. Is er iets schooners denkbaar? Gij echter zijt hard
+en ongevoelig, gij leeft, maar het goddelijk heil zult gij ontberen,
+nu en altijd. Door u is de redding, die zoo nabij scheen, voor goed
+verloren. Waarom spreek ik nog met u? Voort! Gij, die ongeluk brengt,
+waar gij maar komt, die uwe moeder van verdriet deedt sterven, omdat
+gij haar alleen liet, gij zijt het kind van uw vader, een avonturier
+zonder hart! Voort! ik wil u niet langer zien!"
+
+Het hart vervuld van wroeging en bitterheid reed Parcival verder. De
+plotselinge tijding van den dood zijner moeder had hem diep geroerd
+en onder het langzaam voortrijden werd er een stroom van herinneringen
+bij hem wakker, die zijne ziel vervulden met een smartelijk verlangen
+naar het land en den tijd zijner kindsheid.
+
+Geheel verdiept in zijne sombere overpeinzingen sloeg hij weinig acht
+op zijne omgeving, tot zijn oor plotseling getroffen werd door een
+klagelijk geween. Opziende, bespeurde hij aan den kant van den weg
+eene vrouwengestalte, die met luide stem zat te jammeren.
+
+Parcival hield zijn paard in en vroeg haar naar de oorzaak van haar
+verdriet. Hoe verbaasd was hij, toen de aangesprokene de edelvrouwe
+bleek te zijn, die hij--hoe lang geleden scheen het hem!--kort na
+zijn vertrek uit de ouderlijke woning in hare tent had gekust.
+
+Ook Jeschute--want zij was het--herkende hem en in een stroom van
+bitter-droeve woorden deelde zij hem mede, welke noodlottige gevolgen
+zijne onbezonnenheid voor haar gehad had.
+
+Terstond besloot Parcival het onrecht, hetwelk haar echtgenoot
+haar aandeed, zooveel hij kon te herstellen. Even daarna stormde
+hertog Orgilus uit de struiken naderbij en overlaadde de arme vrouw
+met smaadredenen. Toen hij haar in Parcival's gezelschap aantrof,
+kende zijne woede geen grenzen en wat onze held ook zeide, om zijn
+toorn te doen bedaren, niets vermocht hem de overtuiging te geven,
+dat zijne vrouw inderdaad onschuldig was. Zoo kwam het eindelijk
+tusschen de beide mannen tot een gevecht, waarin Parcival de
+overwinning behaalde. Hij schonk zijn overwonnen tegenstander het
+leven, op voorwaarde, dat deze zich met zijne vrouw verzoenen zou,
+hetgeen geschiedde. Toen hij het tweetal zich samen zag verwijderen,
+had onze held voor het eerst sinds vele weken een gevoel van voldoening
+door het bewustzijn, eene goede daad te hebben verricht.
+
+Hertog Orgilus trok naar het hof van koning Arthur en legde daar
+eene eerlijke bekentenis af over het onrecht, dat hij zijne vrouw
+had aangedaan. Toen hij vervolgens vertelde hoe een ridder in roode
+wapenrusting hem tot de erkenning van dit onrecht had gedwongen,
+werd Arthur, wien nu reeds ten derden male getuigd werd van den moed
+en kracht van dien onbekenden held, zóó verlangend om te weten, wie
+die onbekende was, dat hij besloot, den rooden ridder op te zoeken
+en hem te vragen, een der zijnen te worden. Hij begaf zich met een
+talrijk gevolg op weg in de richting, vanwaar Heer Orgilus gekomen
+was en liet zijne tenten opslaan in de nabijheid van de plek, waar
+deze met den rooden ridder gestreden had. Toevallig kwam onze held na
+eenige dagen zwervens opnieuw bij de plaats des gevechts en zoodoende
+in de buurt van 's konings legerplaats.
+
+In den nacht was er sneeuw gevallen. Een valk, die toebehoorde
+aan een der ridders uit Arthur's gevolg, was ontsnapt en had jacht
+gemaakt op eene vlucht wilde ganzen, waarvan hij er één had weten
+te vangen. Terwijl hij bezig was zijne prooi te verslinden, hoorde
+hij Parcival's paard langs het boschpad naderbij komen. Met een
+luid klapwieken vloog de valk weg, eenige losse veeren en een paar
+bloeddruppels als sporen van zijn wreed bedrijf achterlatend.
+
+Parcival zag de helderroode druppels afsteken tegen de blanke sneeuw
+en ziet--voor zijn geestesoog verrees het beeld van het gelaat zijner
+jonge vrouw, blank als de sneeuw aan zijne voeten en rozig getint
+door den warmen blos der jeugd. Hoe weinig had hij aan haar gedacht
+den laatsten tijd en toch, hoe dierbaar was zij hem!
+
+Hij verzonk in zoet gepeins over zijne geliefde en bemerkte niet,
+hoe een ridder te paard hem naderde. Een schildknaap, die uitgezonden
+was om den ontsnapten valk te vangen, had in Arthur's kamp de mare
+verspreid van de nadering des rooden ridders en terstond had een der
+ridders zich gereed gemaakt om den vreemdeling te bestrijden en de
+eer der Tafel Ronde tegenover hem te verdedigen.
+
+Als in een droom stelde Parcival zich teweer, toen hij aangevallen
+werd, maar nochtans slaagde hij erin zijn aanvaller uit het zadel
+te lichten.
+
+Het gebeurde herhaalde zich, toen Heer Key, vergramd over den
+nederlaag van zijn vriend, waarvan hij op eenigen afstand getuige
+was geweest, den rooden ridder aanviel. Ook hij werd van zijn paard
+geworpen en brak daarbij een arm en een been. Maar zelfs deze tweede
+overwinning was niet in staat om onzen held uit zijn gemijmer wakker
+te schudden. Peinzend staarde hij voor zich uit en doorleefde in zijne
+gedachten nog eens den korten tijd van echtelijk geluk, welken hij
+aan de zijde van Condwiramur had doorgebracht en waaraan hij zelve
+op ruwe wijze een einde had gemaakt. De ridders van koning Arthur
+sloegen hem op eenigen afstand met verbazing gade, tot eindelijk Heer
+Walewein op hem toereed en hem met zachten drang tot de werkelijkheid
+wist terug te roepen. Op zijn aandringen volgde Parcival hem naar de
+legerplaats des konings, die hem hartelijk welkom heette en hem deed
+aanzitten aan zijn disch.
+
+Nauwelijks waren zij gezeten, of het doek voor 's konings tent
+werd op ruwe wijze uiteengescheurd en in de opening verscheen eene
+afschuwelijke gestalte: eene oude vrouw, met boosaardig grijnzend
+gelaat en fladderende, grijze haren. Bij haar binnentreden rezen
+alle ridders van hunne zetels overeind. "Kundri, de Graalbode,"
+fluisterden zij met huiverend ontzag, "wat zou zij te melden hebben?"
+
+De oude vrouw liet hare blikken glijden langs de rij der
+aanwezigen. Toen zij Parcival ontdekte, sloeg zij beide armen omhoog
+en riep met krijschende stem:
+
+"Weg met hem! den harteloozen verrader, die zijne Goddelijke
+roeping verloochend heeft en den glans des heiligen Graals heeft
+doen verflauwen! Wat zit hij hier temidden van dappere mannen, wier
+gezelschap hij tot schande is! Voort met hem in de eeuwige duisternis,
+nu hij het licht der Goddelijke openbaring vrijwillig den rug heeft
+toegekeerd!"
+
+Na deze woorden uitgestooten te hebben, verdween de grijze Kundri weer
+even plotseling als zij gekomen was. Parcival had onder het aanhooren
+harer verwenschingen het hoofd gebogen; toen hij het weer ophief,
+was hij alleen in de tent met Walewein, die hem droevig aanzag.
+
+Toen onze held bespeurde, dat allen waren weggevlucht uit zijne
+tegenwoordigheid, als ware hij de drager eener besmettelijke ziekte,
+werd zijn hart met bitterheid vervuld en hij riep uit: "Mijn gansche
+leven heb ik getracht, God te zoeken ten einde Hem mijne diensten aan
+te bieden. Wat is mijn loon hiervoor? Gehoond en vervolgd word ik als
+een uitgestootene, alleen omdat ik den raad van mijn leermeester poogde
+op te volgen. Heb ik daarom mijne moeder verlaten en haar, die mij het
+liefste is op aarde? Thans heb ik genoeg geleden! Wanneer er een God
+was, zou Hij mij voor dezen onverdienden smaad bewaard hebben! Ik wil
+Hem niet langer dienen! God is de oorzaak van al mijn lijden! Wanneer
+Hij mij niet de onrust in het hart had gelegd, woonde ik nu gelukkig
+en tevreden met mijne geliefde, zooals alle andere menschen. Ieder
+spreekt van God, als kenden zij Hem, maar ik, die Hem overal zoek,
+ken Hem niet. Waarom verbergt Hij zich voor mij, die bij alles wat
+ik doe, Zijnen wil indachtig ben? Maar genoeg! Van nu af aan zal ik
+zonder God mijn weg zoeken en Hem ten spijt zal ik den Graal vinden,
+al zou het mij het leven kosten! Wat geef ik om Gods vloek? Indien
+Hij mij vervloekt, zoo vervloek ik Hem!" Haastig wilde hij de tent
+verlaten, maar Walewein hield hem terug en sprak:
+
+"Vriend, waar wilt gij heen? Weet gij dan niet, dat niemand den Graal
+vinden kan, zonder Gods hulp en steun? Wat wilt gij alleen uitrichten?"
+
+Parcival echter rukte zich los en riep uit: "Laat mij gaan!" daarop
+sprong hij te paard en reed het donkere bosch in, dat niet donkerder
+was dan zijne ziel.
+
+Toen zwierf Parcival vier lange jaren door het land, in zijn stalen
+harnas, de lange speer in de hand. Het was hem onverschillig, waarheen
+het lot hem voerde; hij zag zelden om zich heen, maar staarde steeds
+voor zich uit met donkeren, speurenden blik. De koude des winters,
+de verzengende zomerhitte--hij voelde ze nauwelijks; de schoonheid der
+jaargetijden gleed aan hem voorbij zonder zijne ziel te beroeren. Zijn
+hart was met tweestrijd vervuld, nu eens drong het hem terug te keeren
+naar Condwiramur om in hare liefde troost te vinden voor zijne gewonde
+ziel, dan weer joeg het hem voort in de onbekende toekomst, waar het
+beeld van den Graal hem lokte met stralenden schijn. Somber en in zich
+zelf gekeerd vervolgde hij zijn tocht; alleen wanneer hij kans zag
+zich in den strijd te onderscheiden, verdween de bittere trek om zijn
+mond en scheen hij voor eene wijle op te leven uit zijne moedeloosheid.
+
+In alle gevechten bleef hij overwinnaar; roem en eer gewerden hem,
+maar zijn hart bleef koud en bitter en den Graal vond hij niet.
+
+Nooit ging hij meer ter kerke en wanneer men hem over God sprak,
+lachte hij luid en hoonend, zoodat de menschen hem verschrikt aanzagen
+en haastig een kruis sloegen.
+
+
+
+Voor de vijfde maal sedert Parcival de legerplaats des konings verlaten
+had, was de lente in het land gekomen. Een teer groen waas lag over
+de takken van het woud en tusschen de struiken ritselde en schuifelde
+het van jong, nieuw leven.
+
+Parcival had het vizier van zijn helm omhooggeslagen en voelde
+den zoelen lentewind over zijne wangen streelen. Onwillekeurig zag
+hij omhoog naar de blauwe lucht, waarlangs de witte wolken dreven;
+hij hoorde het kweelen der vogels en zag, hoe de knoppen zwollen
+aan de boomen. Van heel ver drong het kleppen van een kerkklok tot
+hem door. Langs een zijpad naderde een klein gezelschap in grijze
+boetekleederen. Het waren de heer van een naburig kasteel met zijne
+vrouw en hunne beide dochters, die zich naar de mis begaven, want
+het was Goede Vrijdag, de dag, waarop men het lijden en sterven van
+den Heer herdenkt.
+
+Toen de kerkgangers een ruiter in volle wapenrusting bespeurden,
+stonden zij stil en de hertog riep uit: "Wie zijt gij, Heer, dat gij op
+een dag als dezen met wapenen in de hand, als voor den strijd gereed,
+door het land trekt? Weet gij dan niet, dat het heden de Goede Vrijdag
+is, die voor alle Christenen een dag van heilige herdenking zijn moet,
+omdat Christus op dien dag voor hen gestorven is?"
+
+Maar Parcival antwoordde norsch:
+
+"Laat mij met rust! Wat maal ik om den Goeden Vrijdag? God heeft mij
+uit Zijnen dienst verstooten; sindsdien erken ik Hem niet langer als
+mijn Heer."
+
+De grijze hertog sloeg ontzet de handen ineen over deze lastertaal
+en zeide:
+
+"Uwe woorden doen mij pijn! Gij moet inderdaad zwaar geleden hebben,
+om zóó diep gezonken te zijn. Gij hebt raad en bijstand noodig, maar
+van een beter en wijzer man dan ik. Niet ver van hier woont een vrome
+kluizenaar, Trevizent, die u de geestelijke voorlichting zal geven,
+welke gij behoeft. Ga tot hem en hij zal u helpen, om in Gods veilige
+hoede terug te keeren. Daar en daar alleen zult gij troost vinden
+voor uw lijden!"
+
+Parcival haalde de schouders op, maar de woorden van den grijsaard
+en de overtuiging, waarmede hij gesproken had, hadden toch indruk
+gemaakt en na een vriendelijk woord van dank wendde hij zijn paard
+in de richting der kluizenaarswoning.
+
+Terwijl hij zoo voortreed door het bloeiende woud en overal om zich
+heen het ontwaken der natuur gadesloeg, drong voor het eerst sinds
+langen tijd iets van de reine klaarheid van dien lentemorgen door tot
+zijne ziel. Aarzelend begon hij zich af te vragen, of hij God misschien
+onrecht had aangedaan, door Hem te zoeken zooals een jager het wild
+opspoort en door te veronderstellen, dat Zijn toorn persoonlijk en
+haatdragend kon zijn als die van een mensch.
+
+Toen hij bij de hut des kluizenaars gekomen was, steeg hij van zijn
+paard, legde schild en speer terzijde en boog zich voor den vromen
+grijsaard op de knieën. Met een nieuwen, ongekenden deemoed in het
+hart sprak hij: "Vader, help mij om vrede te vinden!" Daarop vertelde
+hij hem zijne gansche levensgeschiedenis.
+
+Zwijgend luisterde de grijsaard naar het verhaal van Parcival's lijden
+en strijden. Toen hij uitgesproken had, legde Trevizent hem de hand
+op het hoofd en zeide:
+
+"Mijn zoon, ik ken uw strijd uit eigen ervaring. Ook ik was eens
+jong en wilde het leven en ook God met geweld veroveren. Het leed
+heeft mij gelouterd. Ik heb geleerd te berusten en mij aan Gods wil
+te onderwerpen. Mijn broeder Amfortas was als ik en stelde lust en
+begeerte hooger dan de ware christelijke gezindheid. God heeft ons
+beiden gestraft. Mijn broeder ligt weg te teren aan eene doodelijke
+krankheid en ik, die mij in de eenzaamheid heb teruggetrokken, om
+te trachten door vasten en zelfkastijding ons met God te verzoenen,
+ben niet in staat om hem genezing te brengen. Eens scheen het of
+die genezing zou komen, maar hij, die ze brengen moest, was hard
+en liefdeloos en kon mijn broeder niet helpen! Hoe vaak heb ik den
+ongelukkige beklaagd."
+
+"Heer," sprak Parcival nederig, "die ongelukkige ben ik! Ik heb den
+Graal verloren door eigen schuld. Nu zoek ik hem reeds verscheidene
+jaren, maar ik kan den weg naar den Graalburcht niet terug vinden. Toch
+zal ik nooit ophouden hem te zoeken!"
+
+Toen zag Trevizent hem droevig aan en sprak:
+
+"Weet gij dan niet, dat slechts hij in staat is om den Graal te vinden,
+dien God daartoe heeft uitverkoren? Zonder Zijne hulp zal het u nooit
+gelukken den wonderburcht te vinden. Daarom raad ik u aan om eenigen
+tijd bij mij te blijven en door vasten en gebeden te trachten, u met
+God te verzoenen!"
+
+Parcival vertoefde twee dagen in de woning van den vromen vader en
+toen hij op den Paaschmorgen zijn gastheer vaarwel zegde, was hij
+een ander mensch geworden.
+
+De wijze levenslessen van den kluizenaar en de vredige stilte van het
+woud hadden de stormen in zijn hart doen bedaren. Hij was teruggekeerd
+tot het geloof zijner kinderjaren, maar de blijde overmoed, waarmede
+hij eens was uitgereden om God te zoeken had plaats gemaakt voor een
+kalmen, diepen ernst. Niet langer zocht hij God te veroveren als een
+kostbaren buit, dien men zegevierend met zich draagt--thans wist hij,
+dat men Hem zoeken moet met stillen eerbied in 't hart en met volkomen
+vertrouwen in Zijne wijsheid en goedheid.
+
+Toen hij Trevizent gedankt had voor al wat deze voor hem gedaan had,
+nam hij afscheid van hem met de woorden: "Ik trek thans weer de wereld
+in, bereid om het werk te verrichten, waartoe God mij roepen zal. Al
+heb ik het bezit van den Graal verspeeld, toch wil ik trachten om
+diens heerschappij over de wereld te bevorderen, door het recht te
+dienen, waar ik kan en de zwakken en onderdrukten te helpen.
+
+In die stemming van blijde hulpvaardigheid reed Parcival heen, niet
+langer met gebogen hoofd en gefronst voorhoofd, maar met een dankbaar
+hart en een open oog voor al het schoone om zich heen.
+
+Hij Liet zijn paard den vrijen teugel en het trouwe dier droeg hem
+door de bloeiende wouden, waar de bloemen geurden en de vogels in de
+twijgen zongen.
+
+
+
+_Hoe Parcival den Graal gewon._ Plotseling herinnerde hij zich,
+dat hij dit pad, dat beekje, die hooge struiken reeds eerder gezien
+had. Eene vage onrust maakte zich van hem meester. Hij drukte de
+sporen in de flanken van zijn ros, dat voortjoeg in dolle vaart. En
+ziet--eene juichkreet drong uit zijne keel--daarginds--recht voor
+hem uit--daar rezen in den stralenden zonneschijn de torens van den
+Graalburcht omhoog, glinsterend en flikkerend in het gouden licht.
+
+Parcival staarde en staarde; hij kon bijna niet gelooven, dat het
+werkelijkheid was, wat hij zag, maar hoor! daar klonk bazuingeschal
+en een koor van blijde stemmen vervulde de lucht.
+
+Dreunend viel de zware slotbrug neer en eene jubelende schare stroomde
+hem tegemoet. Als in een droom liet onze held zich meevoeren naar
+binnen, waar hij neerknielde voor den stervenden Amfortas, die hem
+zegenend de handen boven het hoofd hield.
+
+Daarna plaatsten de Graalridders hem op een troon en na een oogenblik
+van stilte werden de breede deuren der zaal geopend en een verblindende
+lichtschijn drong naar binnen. Plechtige muziek ruischte door de
+gewelven en allen--ook Parcival--bogen het hoofd in diepen eerbied
+voor wat komen ging.
+
+Toen Parcival de oogen weer opsloeg, zag hij den Graal vóór zich,
+stralend in ongekenden luister; langs den rand stond in vlammende
+letters zijn naam geschreven.
+
+Eene hooge, gesluierde vrouwengestalte droeg den kostbaren schotel en
+plaatste hem vóór Parcival's troon. Daarna sloeg zij den sluier van
+haar gelaat weg en zag hem aan. Toen was het den held, of de poorten
+des hemels zich eerst recht voor hem openden, want zij, die hem aanzag,
+was zijne geliefde: Condwiramur!
+
+"Wilt gij thans opnieuw van mij vluchten?" vroeg zij en stak hem hare
+beide handen toe, en als eenig antwoord sloot Parcival haar jubelend
+in zijne armen.
+
+Zoo leefden Parcival en Condwiramur lange, lange jaren gelukkig op
+het slot Montsalvasch in dienst van den Heiligen Graal, het recht
+verdedigend, waar zij maar konden, en datgene bestrijdend, wat boos
+en slecht was.
+
+
+
+Eeuwen zijn verstreken, sedert Parcival na lijden en strijden den
+Graal veroverde. De burcht Montsalvasch is in puin vervallen en de
+Graal zelve is door engelen heengevoerd, zoo meldt de overlevering. Wie
+zal zeggen waarheen?
+
+Toch houden sommigen vol, dat de Graal nog bestaat en dat wie hem
+zoekt met inspanning van alle krachten hem vinden zal.
+
+Nog heden ten dage trekt menigeen uit om den Graal te zoeken. Hij,
+die dit doet, tracht het goede te dienen en het kwade te bestrijden
+onder welken vorm hij het ook ontmoet.
+
+Wie onzer zal dan met stelligheid durven beweren, dat de hooge prijs,
+dien hij zoekt, hem onthouden zal worden?
+
+
+
+
+
+ARTHUR'S DOOD. [62]
+
+
+_Hoe heer Agravaine en heer Modred het geheim van de schuld der
+koningin aan den koning verrieden._ Langzaam maar zeker was het
+geheim van de liefde tusschen Koningin Ginevra en Heer Lanceloet in
+de hofkringen bekend geworden. Hunne heimelijke bijeenkomsten, de
+voorkeur voor Lanceloet's gezelschap, welken de koningin op rijtoeren
+en hoffeesten aan den dag legde, de teedere blikken, waarmede hij
+haar bij die gelegenheden placht aan te staren,--dit alles kon niet
+onopgemerkt blijven. Nog waren er enkele ridders, die, ondanks den
+kwaden schijn, volhielden, dat de koningin even rein en onschuldig
+was als de heilige, wier naam zij droeg, maar hun getal werd steeds
+kleiner. De meerderheid der hovelingen was overtuigd van haren schuld
+en steeds sterker werd de stem van hen, die het noodig vonden om ook
+den koning in te lichten over wat er aan zijn hof geschiedde.
+
+Eindelijk was het zoover gekomen!
+
+Een aantal ridders, met Heer Agravaine en Heer Modred aan het hoofd,
+verzochten hun vorst om een onderhoud, waarin zij hem in korte woorden
+vertelden, welk eene zondige verhouding er bestond tusschen de koningin
+en Heer Lanceloet.
+
+Niemand, die van het onderhoud getuige was geweest, zou ooit
+de uitdrukking van vertwijfeling vergeten, waarmede de koning
+zijne ridders aanzag, toen de beteekenis van het gehoorde tot hem
+doordrong. Het was niet slechts de smart van den bedrogen echtgenoot,
+die op zijn gelaat te lezen stond, het was de wanhoop van den man,
+die, in zijne heiligste gevoelens gekwetst, voelt, dat hij de kracht
+mist om verder te leven, nu datgene, wat voor hem de grootste waarde
+bezat, hem op zulk eene ruwe wijze ontnomen werd.
+
+Modred en Agravaine en al de andere ridders, die jaren lang met zekeren
+wellust naar dit oogenblik hadden uitgezien, bogen het hoofd en gingen
+zwijgend heen, het hart vol mededoogen voor het lijden van hun vorst.
+
+Zoo bleef Arthur alleen met de folterende gedachte aan al het
+vreeselijke, dat hij zoo juist vernomen had. Toen kwam er een
+oogenblik, waarop zijne ziel weigerde te gelooven aan de waarheid
+der afschuwelijke beschuldiging, welke men tegen Ginevra had
+uitgesproken. Hij verlangde bewijzen, bewijzen! zoo bezwoer hij
+den teruggeroepen ridders, die zwijgend de schouders ophaalden en
+beloofden ze hem te zullen verschaffen. Daartoe moest de koning,
+hoewel vol inwendigen afschuw over wat hij deed, zich naar hunne
+plannen schikken en mede helpen om eene samenzwering tegen de
+beide beschuldigden op touw te zetten. Hij gaf Ginevra te kennen,
+dat hij voor eenige dagen op de jacht dacht te gaan, maar reeds den
+eersten nacht keerde hij heimelijk naar het paleis terug. Terwijl
+hij zich daar in een afgelegen vertrek schuil hield, ten prooi aan de
+folterendste zielesmart, begaven twaalf ridders, onder aanvoering van
+Modred, zich in alle stilte naar de vertrekken der koningin en ziet,
+hunne vreeselijke voorspelling werd bewaarheid, Lanceloet bevond zich
+bij haar. Koning Arthur werd gewaarschuwd en kwam. Eene worsteling
+ontstond; wel gelukte het Lanceloet te ontsnappen, maar Ginevra bleef
+achter in de handen van den koning en zijne ridders. Arthur liet zich
+geheel medesleepen door zijne gevoelens van haat en verbittering; hij
+zwoer bij al wat hem heilig was, dat hij de schuldigen zou straffen,
+dat hij Lanceloet zou opsporen en dooden en Ginevra, de trouwelooze,
+den onteerenden dood op den brandstapel zou doen sterven.
+
+Van toen af aan nam het drama der wraakneming zijn vasten loop. De
+maatregelen voor de voltrekking van het vonnis der koningin werden
+genomen, alles was gereed en men stond op het punt haar in de
+vlammen te werpen, toen plotseling Lanceloet, gevolgd door een aantal
+volgelingen, ten tooneele verscheen, zijne geliefde bevrijdde uit de
+handen harer belagers en haar op zijn paard met zich wegvoerde. In
+het algemeene gevecht, dat hieraan voorafging, lieten vele dappere
+mannen het leven, onder hen ook Agravaine en Gaheris, twee der zonen
+van koning Lot. Vreeselijk was de smart van Heer Walewein over den
+dood zijner broeders en, bij hunne bloedige lijken neergeknield,
+zwoer hij een duren eed, dat hij zich wreken zou op Lanceloet voor
+het leed, dat door diens toedoen veroorzaakt was.
+
+Naar alle zijden werden boden uitgezonden om te verspieden, waar de
+vluchtelingen zich ophielden, en weldra bleek het, dat Lanceloet
+zich met zijne geliefde had teruggetrokken in een zijner sterke
+burchten aan de grenzen van het rijk. Terstond maakte de koning zich
+op om met een machtig leger het beleg om dien burcht te slaan, in de
+hoop dat Lanceloet hem, bij een mogelijken uitval der belegerden,
+in handen zou vallen. Lanceloet scheen echter een treffen met zijn
+vorst zooveel mogelijk te willen vermijden. Het beleg zou dan ook
+misschien maanden geduurd hebben, indien er niet op zekeren dag in
+Arthur's kamp renboden waren aangekomen, die den vorst een schrijven
+overhandigden van Zijne Heiligheid den paus, waarin deze hem gebood,
+zich met zijne gemalin te verzoenen. Stond er niet geschreven:
+"Wat God vereend heeft, mag de mensch niet scheiden?"
+
+Daarop deed Arthur de koningin weten, dat zij zonder gevaar voor
+haar leven aan het hof kon wederkeeren. Ginevra nam dit aanbod aan,
+waarop de koning het beleg om den burcht opbrak. Niemand echter uit
+zijne omgeving, die niet wist, dat met deze schijnbare verzoening de
+zaak nog niet beslist was.
+
+Toen de koning in zijne hoofdstad teruggekeerd was, bracht hij alles
+voor eene langdurige afwezigheid in gereedheid. Hij stelde orde op
+zijne zaken, hoorde zijne raadslieden over de maatregelen, welke zij
+voor het welzijn van zijn land moesten treffen en wees Modred aan
+als regent. Daarna trok hij met zijn leger over zee naar Benwick,
+het land van Heer Lanceloet, waarheen deze in zijne wanhoop over het
+verlies zijner geliefde de wijk had genomen.
+
+Door de groote overmacht zijner vijanden gedwongen, trok Lanceloet zich
+terug in een zijner kasteelen en trachtte dit met alle middelen, die
+hem ten dienste stonden, tegen een mogelijk beleg te versterken. Wat
+hij verwacht had, geschiedde. Weldra naderden Arthur's legerscharen
+den machtigen burcht, welken zij zóó nauw omsingelden, dat er van
+eenige gemeenschap tusschen de belegerden en de buitenwereld geen
+sprake kon zijn.
+
+Heer Walewein was in het leger van zijn vorst mede naar Benwick
+getrokken. De smart over het sterven zijner broeders was overgegaan in
+eene toomelooze woede tegen den bewerker daarvan en hij zag reikhalzend
+uit naar eene gelegenheid om zich op Lanceloet te wreken. Toen
+het beleg geene vorderingen maakte, werd Walewein dan ook zoodanig
+door zijn ongeduld overmeesterd, dat hij den koning verlof vroeg om
+zich met een ridder uit de belegerde vesting in een tweegevecht te
+meten. Zoo werd er eene uitdaging naar den burcht gezonden, welke,
+naar Walewein heimelijk hoopte, ten gevolge zou hebben, dat Lanceloet
+zelve zich voor een tweekamp beschikbaar zou stellen.
+
+Inderdaad toonde de laatste zich ook geneigd om persoonlijk op de
+uitdaging van Heer Walewein in te gaan. De dood in een eerlijken strijd
+van man tegen man scheen hem een welkom middel om te ontsnappen aan
+de folteringen van zijn berouw en de pijnigende onzekerheid over het
+toekomstig lot der koningin.
+
+Toen hij echter zijne makkers deelgenoot maakte van zijne plannen,
+rustten deze niet, alvorens zij hem tot andere gedachten hadden
+gebracht. Hij was het zijnen volgelingen verplicht, zoo meenden zij,
+om niet dan in den uitersten nood het kasteel te verlaten. Indien
+hij viel, wat zou dan het lot zijn van hen, die tegen de bevelen des
+konings in, zijne partij hadden gekozen?
+
+Het slot van de besprekingen was, dat Heer Bors, de trouwe vriend van
+Lanceloet, Walewein's uitdaging aannam, maar helaas!--nog dienzelfden
+avond droeg men zijn lijk binnen het kasteel. Hetzelfde lot trof zijn
+jongeren broeder, Lionel, die zich vol geestdrift had aangeboden om
+den dood van Bors te wreken.
+
+Toen was Lanceloet's besluit genomen en reeds den volgenden morgen
+zond hij een bode naar het vijandelijke kamp, om Walewein tot een
+beslissend gevecht uit te dagen.
+
+Tot twee maal toe streden de beide ridders, die eens zulke trouwe
+vrienden waren geweest, met elkander, en in beide gevechten bleef
+Lanceloet overwinnaar. Het ware hem gemakkelijk gevallen om zijn
+tegenstander te dooden, maar op het beslissende oogenblik deinsde
+hij telkens voor die daad terug.
+
+Reeds was het tijdstip voor een derde treffen tusschen de beide helden
+bepaald, toen eene plotselinge tijding den loop der gebeurtenissen
+eene andere wending gaf.
+
+
+
+_Hoe koning Arthur verneemt, dat Modred zich van de heerschappij
+over zijn rijk had meester gemaakt._ Op zekeren dag kwamen in
+de legerplaats des konings eenige mannen, die op dringenden toon
+verzochten tot hun vorst te worden toegelaten, daar zij hem eene
+uiterst gewichtige tijding kwamen brengen. Toen men hen bij den
+koning bracht, vielen zij voor Arthur op de knieën en smeekten hem
+onverwijld naar Brittannië terug te keeren, ten einde zijn land en
+volk voor een wissen ondergang te behoeden. Toen de vorst hun op
+ontstelden toon vroeg, wat zij hiermede zeggen wilden, vertelden zij
+hem, dat Modred zich gedurende zijne afwezigheid meester had gemaakt
+van zijn troon. Hij had het volk door valsche brieven wijsgemaakt,
+dat hun koning in den strijd was gevallen en hem in zijne laatste
+beschikkingen tot zijn opvolger had aangewezen. Dit was echter nog
+niet alles. De ellendige verrader had zich verstout om de koningin
+zijne liefde te bekennen en toen deze hem verachtelijk afwees, had hij
+gezworen haar te zullen dwingen, zijne vrouw te worden. Ginevra had
+toen de vlucht genomen in de sterke vesting van Londen en ijlboden naar
+Benwick gezonden om haar gemaal van den stand van zaken te verwittigen.
+
+Er bleef Arthur geene keuze over.
+
+In aller haast brak hij het beleg op en keerde terug naar Engeland,
+waar hij eenige weken later te Dover landde.
+
+Zoodra Modred van zijne komst in kennis was gesteld, zond hij een groot
+leger uit, om Arthur het binnendringen in het land te beletten. In
+de nabijheid van Dover kwam het tusschen de twee legers tot een
+treffen. In dien bloedigen slag werden door beide partijen vele dappere
+daden volbracht, maar het einde was, dat Modred's leger in wanorde op
+de vlucht sloeg. De vreugde der overwinning werd bij Arthur's troepen
+alras getemperd door de mare, dat Heer Walewein, de man, die om zijne
+daden en deugden door een ieder werd geprezen, in den strijd gevallen
+was. Weenend zat Arthur bij het ontzielde lichaam van den wakkeren
+held, ook deze steun moest hem ontnomen worden! Wat restte hem thans
+nog? Zijne vrouw, zijn vriend, drie zijner dappere neven waren hem
+ontvallen; Merlijn, zijn trouwe raadsman in tijden van nood, had hem
+eveneens verlaten, De grijze toovenaar was het slachtoffer geworden
+van de booze fee Viviane, die hem door hare schoonheid had weggelokt
+uit het paleis, hem al zijne geheimen ontfutseld had en hem thans
+gevangen hield in hare ondergrondsche rotswoning.
+
+Zoo het koning Arthur al droef te moede was aan het einde van den dag,
+welke hem toch eene overwinning had gebracht, hoeveel te grooter
+waren de woede en ergenis van Modred, toen hij het bericht van de
+nederlaag zijner troepen ontving.
+
+Terstond vatte hij het plan op om zich persoonlijk aan het hoofd van
+zijn leger te stellen en reeds weinige dagen later kwam het tot een
+nieuwen veldslag, die onbeslist bleef.
+
+Koning Arthur trok thans met zijne legerscharen naar het Westen,
+in de richting van Wallis, het land, dat zich altijd zeer trouw had
+betoond jegens hem en zijn vorstenhuis. Voorloopig nam hij zijn intrek
+in Salisbury en zond van uit die stad boden in alle richtingen, om de
+bewoners der omliggende streken aan te sporen, zich aan zijne zijde
+te scharen.
+
+Modred volgde hem derwaarts en legerde zich met zijne troepen op eene
+naburige vlakte. Toen hij echter bericht ontving, dat Arthur's leger
+dagelijks in sterkte toenam, begreep hij, dat langer talmen voor hem
+nadeelig zou zijn en zond hij daarom een boodschapper naar 's konings
+legerkamp om zijn vorst uit te dagen tot een beslissenden slag,
+welke geleverd zou worden op den dag na het feest van Allerheiligen.
+
+Den nacht vóór den slag had Arthur een wonderlijken droom. Hij
+droomde, dat hij, in een mantel van goudbrokaat gekleed en met de
+koningskroon op het hoofd, gezeten was op een groot rad, dat langzaam
+rondwentelde. Onder hem bevond zich een zwarte poel, waaruit een
+aantal draken hunne afschuwelijke koppen omhoog staken. Plotseling
+begon het rad sneller te draaien en hij werd meegesleurd naar omlaag,
+waar de draken hem met hunne scherpe klauwen vastgrepen.
+
+Met een luiden schreeuw werd de koning wakker, badende in zijn
+zweet. Zijne bedienden kwamen hevig ontsteld aanloopen, maar Arthur
+stelde hen gerust, door te verklaren, dat het slechts een booze droom
+was geweest, die hem had doen schrikken.
+
+Spoedig daarna viel hij weer in slaap en opnieuw had hij een
+droom. Ditmaal stond hij aan den oever van eene rivier en staarde over
+het land, toen hij plotseling de gedaante van een ridder op zich zag
+toetreden. Het was Walewein, die gevolgd werd door eene lange rij van
+engelen: dit waren al degenen, die de ridder in zijn leven met raad
+en daad had bijgestaan en die thans zijne beste vrienden waren. Hij
+verzocht, neen, hij smeekte den koning, om Modred voor te stellen, de
+vijandelijkheden een maand lang te staken; na afloop van dien termijn
+zou Lanceloet komen om zijn vorst te helpen. Na dit gezegd te hebben,
+verdween de gestalte van Walewein en de koning ontwaakte.
+
+
+
+_Hoe Arthur zijnen vijanden om een wapenstilstand verzocht en hoe door
+eene vergissing de strijd toch ontbrandde._ Toen Arthur zijne ridders
+den volgenden morgen deelgenoot had gemaakt van zijne vreemde droomen,
+zagen de meesten van hen hierin een voorteeken, dat de kansen van den
+strijd hun voor het oogenblik niet gunstig waren en daarom rieden zij
+den koning aan, den raad, dien de geest van Walewein hem in zijn droom
+gegeven had, op te volgen. Arthur deed zulks en zond boodschappers naar
+Modred om hem een wapenstilstand van een maand voor te stellen. Deze
+weigerde echter kortaf dien toe te staan, daar hij wel begreep,
+dat zijne kansen door dit uitstel niet gebaat zouden zijn. De boden
+des konings, die een dergelijk antwoord wel verwacht hadden, kwamen
+nu met een tweede voorstel, waartoe zij opdracht hadden ontvangen,
+ingeval het eerste werd afgewezen. Zij gaven Modred in overweging,
+den strijd te beëindigen en Arthur in vrede te laten regeeren,
+dan zou deze op zijne beurt beloven, de rechten op den troon na
+zijn dood aan Modred af te staan. Modred had hier wel ooren naar,
+want hij begon in te zien, dat het volk nooit zou dulden, dat hun
+vorst wederrechtelijk de troon ontnomen werd. Daar hij echter ook
+eenig onmiddellijk voordeel uit de overeenkomst wenschte te behalen,
+eischte hij, dat de graafschappen Cornwallis en Kent thans reeds aan
+hem zouden worden afgestaan. De boden beloofden hem zijn eisch aan
+den koning te zullen kenbaar maken en spraken af, dat den volgenden
+morgen eene samenkomst zou plaats hebben tusschen Arthur en Modred,
+waarin de voorwaarden van den wapenstilstand nader zouden worden
+vastgesteld. Op verlangen van Modred zou die samenkomst plaats hebben
+in tegenwoordigheid der beide legers.
+
+Zoo geschiedde het. Den volgenden dag, in den grauwen Novembermorgen,
+dreunden de heuvelen van Salisbury onder het hoefgetrappel van
+vele honderden paarden en weerklonk van alle zijden het schetterend
+hoorngeschal der strijdtrompetten.
+
+Toen de beide legers in slagorde tegenover elkander stonden opgesteld,
+begaven de aanvoerders, elk vergezeld van een tiental ridders, zich
+naar een aangegeven punt in de tusschenliggende vlakte om aldaar
+te onderhandelen.
+
+Arthur stelde niet veel vertrouwen in Modred's bedoelingen; daarom
+had hij, alvorens zich naar de plaats der onderhandelingen te begeven,
+zijne ridders gewaarschuwd om op hunne hoede te zijn en scherp uit te
+zien, of er ook verraad dreigde. Het eerste spoor hiervan: het eerste
+wapen, dat getrokken werd, moesten zij beschouwen als een bevel om met
+alle kracht den vijand aan te vallen, zoo luidden 's konings orders.
+
+Modred had eveneens zijne bevelen achtergelaten en toevallig stemden
+deze geheel overeen met die van koning Arthur. Niet, dat hij verraad
+vreesde! Hij kende het karakter van zijn vorst te goed, dan dat hij
+daar bang voor behoefde te zijn, maar hij vreesde, dat wellicht een der
+ridders uit 's konings gevolg, zich niet zou kunnen weerhouden om hem,
+den verrader, te dooden. Daarom deed ook hij zijnen troepen weten, dat
+zij bij het zien van een getrokken wapen terstond moesten aanvallen.
+
+Helaas, weinig besefte hij, welke noodlottige gevolgen deze opdracht
+hebben zou!
+
+De onderhandelingen hadden een aanvang genomen. De beide aanvoerders
+stonden tegenover elkaar: Arthur met zijne fiere gestalte en edel
+gelaat, waarin de smart diepe lijnen had gegroefd, en Modred, die
+tevergeefs trachtte zich eene trotsche houding te geven, terwijl
+zijne oogen schitterden van boosaardige voldoening.
+
+Reeds was men het over de hoofdpunten eens geworden, toen er iets
+vreeselijks gebeurde.
+
+Eén der ridders, die tot het geleide van Modred behoorden, werd door
+eene adder in het been gebeten en, zonder aan de beteekenis van zijne
+daad te denken, trok hij zijn zwaard om het dier te dooden. Dit
+was voor beide legers, die scherp toezagen, wat daarginds op de
+vlakte geschiedde, het teeken tot den aanval. Onder een donderend
+krijgsgeschreeuw stormden de mannen de heuvels af en stortten zich
+op elkander in een vreeselijken strijd zonder genade. Hier was
+geen tegenhouden meer mogelijk. Als wilde dieren wierpen Arthur's
+manschappen zich op hunne vijanden. Maar ook Modred's volgelingen
+lieten zich niet onbetuigd. Opgewonden door de schoone beloften, welke
+hun aanvoerder hun gedaan had, indien zij in den strijd overwinnaar
+bleven, zetten zij alles op het spel om de zege te behalen, ten einde
+al dat goede deelachtig te worden.
+
+Den ganschen, somberen herfstdag duurde de strijd. In de mistwolken,
+die over de vlakte hingen, konden de strijdenden soms niet
+onderscheiden, of zij vriend of vijand tegenover zich hadden,
+maar zij vochten blindelings voort en sloegen links en rechts met
+hunne lange zwaarden. Het gejammer der stervenden vermengde zich
+met de wilde strijdkreten en het gekletter der wapenen. Groote
+plassen bloed drenkten den gronden het aantal krijgers werd steeds
+kleiner. Eindelijk bleven slechts vier mannen over, die zich, hoewel
+allen gewond, staande wisten te houden. Het waren Arthur met twee
+zijner volgelingen: Heer Lucanus en Heer Bedivere--en Modred.
+
+Met een wenk beduidde Arthur zijnen volgelingen, zich op een afstand
+te houden, toen zwaaide hij zijn zwaard Excalibur hoog in de lucht en
+snelde op Modred toe. Een verwoed gevecht volgde. Omringd door hunne
+doode en stervende volgelingen streden deze beiden een wanhopigen
+strijd, de één om het behoud van zijn troon en zijne eer, de ander
+uit een natuurlijken drang tot zelfbehoud.
+
+Een welgemikte speerstoot--en Modred tuimelde met een wilden kreet van
+pijn achterover; met inspanning van zijne laatste krachten richtte
+hij zich echter nog éénmaal overeind en wist Arthur met zijn zwaard
+zulk een zwaren slag toe te brengen, dat deze kreunend ineenzonk.
+
+
+
+_Van Arthur's dood en hoe deze heer Bedivere beval zijn zwaard
+Excalibur in het meer te werpen._ IJlings snelden de beide volgelingen
+des konings naderbij en droegen den stervenden vorst naar eene kleine,
+vervallen kapel, welke zich niet ver van het slagveld bevond. Daar
+legden zij hem op de trappen vóór het altaar en knielden naast
+hem neer. Onder het prevelen van de vurigste gebeden voor zijn
+behoud, maakten zij Arthur's kleederen los en wieschen zijne
+wonden. Helaas! het was maar al te duidelijk, dat het einde van den
+held naderde; het bloed gutste hem in een breeden stroom uit zijne
+wonden en eene vale doodstint scheen zich reeds over zijn gelaat
+te verspreiden. De beide ridders waren eveneens gewond, maar zij
+voelden dit nauwelijks, zóózeer waren zij vervuld van het streven om
+het leven van hun geliefden heer zoo lang mogelijk te rekken.
+
+Na eenige oogenblikken stelde Heer Lucanus voor om den koning naar eene
+plaats te brengen, waar hij de noodige verpleging kon verkrijgen. Nadat
+hij zijn vriend had verzocht, te zien of er mogelijk onraad dreigde,
+nam hij behoedzaam het lichaam van zijn vorst in zijne armen en wendde
+zijne schreden naar den ingang der kapel.
+
+Nauwelijks had hij echter eenige stappen gedaan, of hij werd door
+eene plotselinge duizeling bevangen; de inspanning was te groot
+geweest! Nog vond hij de kracht om den koning op den grond neer
+te leggen; toen stak hij de handen omhoog en met een diepen zucht
+sloeg hij achterover. Toen Bedivere hevig ontsteld naderbij kwam,
+had Lucanus reeds den laatsten adem uitgeblazen.
+
+Wanhopig staarde de ridder om zich heen; wat nu te beginnen? Hoe zou
+hij alleen, gewond en verzwakt als hij was, zijn vorst en zichzelven
+in veiligheid kunnen brengen? Hij peinsde en zon, wat hem te doen
+stond, toen hij plotseling bemerkte, dat Arthur zich uit zijne
+liggende houding had opgericht en de aandacht van zijn volgeling
+poogde te trekken. Terstond begaf deze zich naar hem toe, boog zich
+over hem heen en ving toen de volgende woorden op, welke de koning
+met gesmoorde stem tot hem sprak: "Bedivere, mijn trouwe vriend, ik
+ga sterven. Nog weinige uren en ik zal u moeten verlaten om mij te
+begeven naar een land, waar men dood noch scheiding kent. Hoor dus
+naar dit, mijn laatste verzoek! Neem mijn zwaard Excalibur en begeef
+u daarmede naar het meer, dat ginds tusschen de boomen ligt. Werp
+het zwaard in het meer en kom mij berichten, wat er daarna geschiedt!"
+
+Bedivere nam het zwaard in de hand en begaf zich naar de aangewezen
+plek, maar toen hij onder het voortgaan het fraaie wapen eens nader
+bekeek, kon hij het niet over zich verkrijgen om het aldus weg
+te werpen.
+
+"Het kan mij in den strijd nog goede diensten bewijzen," dacht hij,
+"en wanneer ik het in het meer werp, is het niemand meer van eenig
+nut." Hij verborg dus het zwaard tusschen de struiken en keerde terug
+naar de kapel.
+
+"Wat zaagt gij, toen gij het zwaard in het meer wierpt?" vroeg hij
+terstond, en Bedivere, die op deze vraag was voorbereid, antwoordde
+rustig: "Sire, ik heb niets gezien dan eenige vogels, die langs het
+watervlak scheerden en geen ander geluid vernomen dan het kabbelen
+der golfjes tegen den oever."
+
+Een vluchtig rood overtoog 's konings gelaat en met toornige stem
+riep hij uit:
+
+"Gij hebt het zwaard hier of daar verborgen, om het voor u zelven
+te bewaren! Schande over u, dat gij mijn laatsten wensch niet weet
+te eerbiedigen. Ik herhaal u mijn bevel: ga heen en werp mijn zwaard
+Excalibur in het meer!"
+
+Bedivere keerde zich berouwvol om en haalde het wapen uit zijne
+schuilplaats te voorschijn. Toen hij het uit de scheede trok, werd hij
+opnieuw getroffen door den edelen glans van het metaal. Zou hij een
+dergelijk meesterstuk wegwerpen? Hoe vaak had hij het zijn vorst in
+den strijd zien gebruiken, welke eene reeks van dappere heldendaden,
+door Arthur verricht, riep het hem in herinnering! Neen, het wapen
+moest behouden blijven, al ware het slechts als aandenken aan hem,
+wien het had toebehoord. Vastbesloten verborg hij het zwaard opnieuw
+tusschen de struiken en begaf zich met de scheede naar het meer, waarin
+hij deze met luiden plons deed neerkomen. Toen keerde hij naar den
+koning terug. Deze zag hem vorschend aan en sprak: "Hebt gij nu mijne
+opdracht volvoerd? Wat zaagt gij, toen het zwaard in het water viel?"
+
+Bedivere aarzelde een oogenblik, toen sprak hij: "Heer, gij spant
+uwe verwachtingen te hoog. Ik heb niets gezien dan het wuiven der
+rietpluimen langs den waterkant en niets gehoord dan het ruischen
+van den avondwind door de boomen." Ongeduldig bewoog de gewonde zich
+heen en weer. "Gij hebt mij opnieuw bedrogen," riep hij uit! "Ontrouwe
+dienaar, die gij zijt, hoe durft gij het wagen mijne bevelen aldus te
+veronachtzamen? Maar ik weet wel, waarom gij zulks durft te doen! Het
+is, omdat ik niet langer in staat ben, mijnen woorden de noodige
+kracht bij te zetten. Helaas, moet dit dan mijn lot zijn: te zien,
+dat men mij niet langer gehoorzaamt, mij, die eens door iedereen met
+eerbied naar de oogen werd gezien!"
+
+Zijne woorden sneden Bedivere door de ziel. Hij vluchtte heen, zocht
+het wapen weer op en snelde ermede naar het meer. Zonder zich verder
+een oogenblik te bedenken wierp hij het zwaard met een forschen zwaai
+in het water. En ziet, wat geschiedde? Op het oogenblik, dat de punt
+van het wapen den waterspiegel raakte, stak een arm, in wit fluweel
+gehuld, daaruit omhoog, vatte het bij den gouden greep, zwaaide het
+driemaal door de lucht en verdween er mede in de donkere diepte.
+
+Bedivere haastte zich terug naar de kapel en toen hij Arthur het
+gebeurde had medegedeeld, gleed er een glans van voldoening over's
+konings gelaat en hij zeide: "Thans kan ik rustig heengaan!"
+
+Na eenige oogenblikken verzocht hij Bedivere hem naar den oever van
+het meer te dragen. Deze voldeed aan zijn verzoek en ziet, toen zij
+aan den waterkant waren aangekomen, zagen zij een rank vaartuig,
+dat door de vallende schemering naar den oever kwam varen. In het
+vaartuig bevonden zich een aantal schoone vrouwen, die op zachten
+toon een weemoedig lied zongen. Eén van haar, de schoonste van allen,
+steeg aan land en droeg den stervenden vorst in het vaartuig. Zij
+waren op het punt om wederom van wal te steken, toen Bedivere, die
+in stomme verbazing dit wonderlijk schouwspel had gadegeslagen en
+nu eerst recht begon te beseffen, dat hij gansch alleen achterbleef,
+naar den oever snelde en smeekend uitriep:
+
+"Sire, laat mij niet alleen, of, zoo ge mij niet met u mede kunt
+nemen, zeg mij dan althans, waar gij heengaat, opdat ik het uw volk
+kan melden."
+
+Hierop antwoordde Arthur met eene stem, die helder en duidelijk over
+het water klonk:
+
+"Zeg aan mijn volk, dat ik voor eene wijle ben heengegaan naar
+het eiland Avalon, om aldaar genezing te vinden voor mijne
+wonden. Vaarwel!"
+
+Nauwelijks had hij het laatste woord gesproken, of het vaartuig
+verdween uit het gezicht en Bedivere bevond zich alleen in de
+toenemende duisternis. Peinzend over de woorden van zijn vorst dwaalde
+hij den ganschen nacht door het woud, tot hij bij het aanbreken van
+den dag bij de hut van een kluizenaar kwam, die hem liefderijk opnam
+en verzorgde. Zóó zeer hadden de gebeurtenissen der afgeloopen weken
+den held aangegrepen, dat hij geen moed gevoelde om tot zijn vroeger
+leven terug te keeren. Hij verzocht zijn gastheer bij hem te mogen
+blijven en werd een kluizenaar als hij, die zijn leven wijdde aan
+het lezen van gebeden en het verrichten van goede werken.
+
+
+
+_Hoe koningin Ginevra haar leven eindigde in een klooster en
+hoe Lanceloet kwam om haar vaarwel te zeggen._ Een maand na den
+veldslag landden een aantal schepen in Dover, bemand met gewapende
+krijgsknechten. Het waren de volgelingen van Heer Lanceloet, die,
+zoodra men hem verteld had, welk gevaar den koning naar Engeland
+had terug doen keeren, het plan had opgevat zijn vorst te volgen. De
+gevaren, die zijn geliefden meester bedreigden, hadden in Lanceloet's
+hart het gevoel van vervreemding, dat hem van Arthur scheidde, doen
+verdwijnen om plaats te maken voor de oude gevoelens van vriendschap
+en eerbied.
+
+Ontzetting greep hem aan, toen hij bij zijne landing vernam,
+wat er geschied was. Het land verkeerde in een staat van hopelooze
+verwarring. Het leger van den koning was vernietigd, zijne raadslieden
+hadden naar alle hoeken van het land de vlucht genomen, koningin
+Ginevra vertoefde in het klooster van Almesbury en scheen geheel
+verslagen te zijn van smart en droefheid en de koning zelve--omtrent
+hem deden de zonderlingste geruchten de ronde. Volgens sommigen
+was hij gesneuveld op het veld van eer, volgens anderen leefde hij
+nog en hield hij zich schuil in het bergland van Wallis, waar hij
+trachtte de bevolking op te wekken tot eene poging om de orde in het
+rijk te herstellen. Een ander gerucht zeide, dat hij stervende was
+weggevoerd in een boot naar het eiland Avalon, vanwaar hij eens zou
+wederkeeren om zijn land en volk tot nieuwen bloei te brengen. Dit
+laatste gerucht won allengs veld, één der ridders van koning Arthur,
+zoo heette het, had met eigen oogen gezien, hoe een vaartuig, waarin
+vele schoone vrouwen waren gezeten, den koning had medegenomen. Wie die
+ridder was en waar hij vertoefde, kon niemand met juistheid zeggen,
+wel wist men te vertellen, dat hij de wereld had vaarwel gezegd en
+in vrome afzondering zijn leven wenschte te eindigen.
+
+Dit alles vernam Lanceloet bij zijne aankomst in Brittannië; terstond
+was zijn plan gemaakt: hij wilde vóór alles Ginevra spreken.
+
+Eenzaam reed hij door de kale vlakten van Engeland, terwijl de
+herfststormen om hem heen gierden en de kille nevels over de velden
+trokken. Dood en verwoesting grijnsden hem tegen in de dorpen en
+steden: de ruwe krijgsbenden van Modred hadden op hun weg mensch noch
+dier gespaard en bij het doortrekken hadden zij vaak de dorpen in
+brand gestoken, ten einde hunne wandaden onder de rookende puinhoopen
+te verbergen. De enkele dorpelingen, die niet gevlucht waren, liepen
+met eene uitdrukking van wanhoop op het gelaat tusschen de bouwvallen
+rond en smeekten Heer Lanceloet, om hen te helpen bij het zoeken
+naar hunne verloren eigendommen. Maar deze gunde zich geen rust,
+alvorens hij de poorten van het nonnenklooster had bereikt, waarin
+koningin Ginevra de wijk had genomen. Het duurde geruimen tijd, eer
+hij de vorstin kon doen bewegen, hem te ontvangen, maar eindelijk
+verklaarde zij zich bereid hem een kort onderhoud toe te staan.
+
+Daar stonden zij tegenover elkander--de twee, die door hunne liefde
+zooveel onheil hadden te weeg gebracht. Zij zagen elkander aan en
+in dien langen blik proefden zij opnieuw het bitterzoete van hunnen
+hartstocht, dien zij niet hadden weten te overwinnen. Eindelijk begon
+Ginevra te spreken. De handen wringend onder de donkere plooien van
+haar kleed, smeekte zij Lanceloet om terug te keeren naar zijn land
+en haar te vergeten. Zij wilde gedurende den tijd van haar leven, die
+haar nog restte, trachten om door berouw en zelfverloochening vergeving
+te vinden voor hare zonde. Dit zou haar echter gemakkelijker vallen,
+indien zij de overtuiging bezat, dat Lanceloet niet in hare nabijheid
+vertoefde en ginds in zijn eigen land zich een nieuw leven trachtte te
+scheppen. Toen zij ophield met spreken en Lanceloet smeekend aanzag,
+bewaarde hij een oogenblik het zwijgen en boog het hoofd als een
+teeken van eerbiedige instemming met haren wensch.
+
+Toen begon hij te spreken. Een nieuw leven te beginnen, was hem,
+zoo zeide hij, onmogelijk na alles wat hij had doorgemaakt, maar
+evenals zij gevoelde hij eene dringende behoefte om boete te doen
+voor zijn zondig leven. Hij wenschte dus niets liever dan zich in de
+eenzaamheid terug te trekken en te trachten zich door vurige gebeden
+met God te verzoenen.
+
+Toen scheidden zij. Ginevra keerde terug naar de nonnen, die haar
+met schuchteren eerbied bejegenden; Lanceloet begaf zich naar buiten
+en besteeg opnieuw zijn paard, dat hem met tragen stap in de donkere
+schemering henen droeg.
+
+
+
+Dit was het einde van Arthur's leven en van dat zijner getrouwen:
+in de sombere herfstnevels werd de koning weggevoerd naar het
+geheimzinnige rijk der Vrouwe van Avalon, voor langen tijd, voor
+altijd misschien--wie zal het zeggen? Rouw en droefenis, schrik en
+verwarring liet hij achter, maar gelijk eene heldere ster kan lichten
+aan den duisteren horizon, zoo straalde in het hart der Britten de
+hoop, dat hij eens zou wederkeeren, om zijn volk te regeeren en zijn
+rijk te brengen tot nieuwen, nooit gekenden bloei.
+
+
+
+
+
+BIBLIOGRAPHIE.
+
+
+_Bibliographie bij de Sagen van Arthur's Komst en Arthur's Dood._
+
+
+_Historia Regum Brittanniae_ van Geoffrey of Monmouth, boek IX hst. IX
+en XIII. Engelsche vertaling van Sebastian Evans, L. L. D. Everyman's
+Library, London. Dent.
+
+_Le Morte d' Arthur_ by Sir Thomas Malory, vol. I. Everyman's Library,
+London, Dent.
+
+_Idylls of the King_ by Alfred, Lord Tennyson. Golden Treasury Series,
+bld. 4-24. Macmillan and Co., London.
+
+
+
+_Bibliographie bij de Sage van Heer Walewein en den Groenen Ridder._
+
+
+_Syr Gawayne and the grene Knyght_. Ed. by R. Morris, revised by
+Isaac Golancz. Early E. T. S. 1864, 1915.
+
+_Histoire Littéraire de la France_. Tome XXX: Chapitre sur les Romans
+en Vers du Cycle de la Table Ronde, par Gaston Paris.
+
+_The Legend of Sir Gawain_ by Jessie R. Weston, London, 1897.
+
+_Syr Gawayn and the grene Knyght_ by J. R. Hulbert. Modern
+Philology. Dec. 1915; April 1916.
+
+_A Study of Gawain and the green Knight_ by George Lyman Kittredge,
+Harvard University Press 1916.
+
+
+
+_Bibliographie bij de Sage van Balin en Balan._
+
+
+_Merlin, roman en prose du XIIIe_ Siècle, publié avec la mise en
+prose du poême de Merlin de Robert de Borron, d'après le manuscrit
+appartenant à M. Alfred H. Huth, par G. Paris et J. Ulrich. Société
+des anciens textes français, Paris 1886.
+
+_Le Morte Darthur by Syr Thomas Malory_, the original edition of
+William Caxton, now reprinted and edited by H. O. Sommer, London 1889.
+
+A. Tennyson, _Tiresias, and other Poems_, 1885.
+
+A. Ch. Swinburne, _The Tale of Balen_, 1896.
+
+_El Baladro del Sabio Merlin_. Nueva bibliotheca de autores españolas
+bajo la direccion del M. Menéndez y Pelayo, Vol. VI. Madrid, 1907.
+
+J. Bausewein, _Die Poetischen Bearbeitungen der Balin- und Balansage
+von Tennyson und Swinburne und ihr Verhältnis zu Malory_. Diss,
+Heidelberg, Würzburg, 1914.
+
+E. Vettermann, _Die Balen-Dichtungen und ihre
+Quellen_. Cap. I-IV. Diss, Leipzig, Halle, 1914.
+
+
+
+_Bibliographie bij de Sage van den Leeuwenridder._
+
+
+Kristian von Troyes _Yvain_, Textausgabe mit Einleitung, erklärenden
+Anmerkungen und vollständigem Glossar, herausgegeben von W. Foerster,
+Halle 1906. Romanische Bibliothek V.
+
+_Ywain and Gawain._ Mit Einleitung und Anmerkungen herausgegeben von
+Gustav Schleich. Berlin. Verlag von Wilhelm Gronau.
+
+_The Mabinogion_ translated by Lady Charlotte Guest: _The Lady of
+the Fountain_. Everyman's Library, London, Dent.
+
+Wace, _Roman de Brut_, ed. Le Roux de Lincy, 2 vols., Rouen, 1836-1838.
+
+_La Femme dans l'Oeuvre de Chrétien de Troyes_. Thèse pour le Doctorat
+d'Université présentée par Myrrha Borodine. Paris, A. Picard et
+Fils, 1909.
+
+
+
+_Bibliographie bij de Sage van Tristan en Isolde._
+
+
+_Le Roman de Tristan_ par Béroul et un anonyme, publié par Ernest
+Muret. Société des anciens Textes français, 1903.
+
+_Le Roman de Tristan_, I et II, par Thomas, publié par Joseph
+Bédier. Société des anciens Textes français, 1902-5.
+
+_Le Roman en prose de Tristan_ etc. Analyse critique par
+E. Löseth. Bibl. de l'Ec. d. H. études, fasc. 82.
+
+_Sir Tristrem_, uitgegeven door E. Kölbing, Heilbronn 1878-'82.
+
+_Les deux Poèmes de la Folie Tristan_, publiés par J. Bedier. Société
+des anciens Textes français, 1907.
+
+Thomas Malory, _Le Morthe d' Arthur_. Eerste uitgave 1485, herdrukt
+in de uitgave van H. O. Sommer, 1889-'91.
+
+Matthew Arnold, _Tristram and Iseult_ (Early and Narrative Poems) 1853.
+
+Alfred Tennyson, _Idylls of the King: The Last Tournament_, 1871.
+
+Algernon Charles Swinburne, _Tristram of Lyonesse_, 1882.
+
+Jessie Weston, _Tristan and Iseult_. Rendered into English from the
+German of Gottfried of Strassburg, 1899.
+
+Gaston Paris, _Tristan et Iseut_, dans la Revue de Paris, 1894,
+1er avril, article reproduit dans Poèmes et Légendes du moyen âge,
+Paris, 1900.
+
+_Le Roman de Tristan et Iseut_, renouvelé par J. Bédier, préface
+de G. Paris, Sevin et Rey, Paris. Ouvrage couronné par l'Académie
+française.
+
+_De Roman van Tristan en Isolde_, naar de bewerking van J. Bédier,
+vertaald door Marie Loke, 1903.
+
+Prof. A. G. van Hamel, _Cligés et Tristan_, Romania, 1904, 465-489.
+
+Prof. A. G. van Hamel, _Middeleeuwsche Tristan-romans_. Gids 1905,
+477-516.
+
+W. Golther, _Tristan und Isolde in den Dichtungen des Mittelatters
+und der neueren Zeit_, Leipzig, Hirzel, 1907.
+
+M.J. Loth, _Contributions à l'étude des Romans de la Table Ronde_,
+Paris, Champion, 1912.
+
+G. Schoepperle, _Tristan and Isolt_, a Study of the source of the
+romance, 2 vol. Frankfurt and London, 1913.
+
+Dr. K. Sneyders de Vogel, _Tristan et Iseut, d'après les publications
+récentes_. Neophilologus. Eerste Jaargang. Tweede aflevering.
+
+_Tristan und Isolde, ein Liebesroman_, erzählt von Will Vesper. Bücher
+der Rose. Wilhelm Langewiesche Brandt, Ebenhausen bei München.
+
+
+
+_Bibliographie bij de Sage van Heer Gareth._
+
+
+_Le Morte d' Arthur_ by Sir Thomas Malory. Everyman's Library,
+London, Dent.
+
+_Idylls of the King: Gareth and Lynette_, by Alfred Lord
+Tennyson. Golden Treasury Series, Macmillan, London, 1916.
+
+_Essays on Lord Tennyson's Idylls of the King_, by Harold Littledale,
+M. A. London, Macmillan and Co., 1893.
+
+
+
+_Bibliographie bij de Sage van Erec en Enide._
+
+
+_Erec und Enide von Christian von Troyes_, herausgegeben von Wendelin
+Foerster, Halle, Max Niemeyer, 1890.
+
+_Kristian von Troyes Erec und Enide_. Neue verbesserte Textausgabe mit
+Einleitung und Glossar, herausgegeben von Dr. Wendelin Foerster. Halle
+a. S. Verlag von Max Niemeyer, 1896.
+
+Gaston Paris: _Compte-rendu sur: "Erec und Enide" von Christian von
+Troyes herausgegeben von Wendelin Foerster, Halle, Niemeyer, 1870_;
+LV--361 pages. Romania XX, p. 148-166.
+
+Emmanuel Philipot, _Un Episode d'Erec und Enide: "La Joie de la
+Cour-Mabon l'Enchanteur_." Romania XXV, p. 258-294.
+
+_La Femme dans l'Oeuvre de Chrétien de Troyes_. Thèse pour le Doctorat
+d'Université, présentée par Myrrha Borodine. Paris, A. Picard et Fils,
+Editeurs, 1909.
+
+_The Mabinogion: Geraint, the Son of Erbin_, translated by Lady
+Charlotte Guest. Everyman's Library, London, Dent.
+
+Alfred Lord Tennyson, _Idylls of the King: The Marriage of Geraint,
+Geraint and Enid_. Golden Treasury Series, Macmillan, London, 1916.
+
+
+
+_Bibliographie bij de Sage van Lanceloet en Elaine._
+
+
+_Le Morte Arthur_, a romance in Stanzas of eight lines, re-edited
+from M. S. Harley 2252, in the British Museum, by J. Douglas Bruce,
+Ph. D. E. E. T. S. Extra Series, LXXXVIII.
+
+_Morte Arthur. Two early English Romances_ with an Introduction by
+Lucie Allen Paton. Everyman's Library, London, Dent.
+
+_Le Morthe d'Arthur_ by Sir Thomas Malory. Everyman's Library, London,
+Dent. Book XVIII, ch. IX-XX.
+
+Alfred Lord Tennyson. _Idylls of the King: Lancelot and Elaine_. Golden
+Treasury Series. Macmillan, London, 1916.
+
+_The Legend of Sir Lancelot du Lac_ by Jessie L. Weston. Grimm Library
+vols. XIII and XV, D. Nutt, London.
+
+
+
+_Bibliographie bij de Sage van Parcival en den Heiligen Graal._
+
+
+Wolfram von Eschenbach: _Parzival_, von Karl Lachmann, 4 Ausgabe,
+Berlin 1879.
+
+Chrétien de Troyes. _Perceval Le Gallois (Le Conte del Graal)_. Potvin,
+Mons, 1866-1871.
+
+Wilhelm Hertz: _Die Sage von Parzival und dem Gral_, in: Deutsche
+Bücherei, Breslau, 1882.
+
+_The Mabinogion: Peredur, the Son of Evrawc_, transl. by Lady Charlotte
+Guest. Everyman's Library, London, Dent.
+
+_Parzival: Ein Abenteurerroman_, erzählt von Will Vesper, Bücher der
+Rose. Wilhelm Langewiesche Brandt, Ebenhausen bei München.
+
+Jessie L. Weston. _The Legend of Sir Perceval, in 2 vol._ Grimm
+Library, vol. XIX, London, D. Nutt, 1909.
+
+Alfred Nutt. _The Legends of the Holy Grail_. Popular Studies in
+Mythology, Romance & Folklore no. 14. London, D. Nutt.
+
+Sebastian Evans. _The High History of the Holy Grail_, translated
+from the old French. Everyman's Library, London, Dent.
+
+
+
+
+
+REGISTER.
+
+
+A.
+
+Agavin met de Roode Haren, drost van Koning Gumurun, wenscht prinses
+Isolde te huwen, 246-257.
+
+Agravaine, derde zoon van Koning Lot en Koningin Morgawse, 326; 330;
+416; 494-496.
+
+Aliers, Graaf, bedreigt het slot van eene jonkvrouw, 157; wordt door
+Iwein verslagen, 159, 160.
+
+Amfortas, de Graalkoning, zijne geschiedenis, 483-484; 491; 493.
+
+Androcles, sage van Androcles en den leeuw, 130.
+
+Arimathea, Jozef van, brenger van den Graal naar Engeland, 117;
+119; 454-455.
+
+Arnold, Matthew, schrijver van "Tristram and Iseult", 193.
+
+Arthur, Koning, _Arthur's Komst_: zijne geboorte, jeugd,
+troonsbestijging en huwelijk, 1-26; viert met zijne ridders het
+Kerstfeest te Camelot, 39-41; ontvangt aldaar den Groenen Ridder,
+42-47; geeft een afscheidsfeest voor Walewein, 50; hoort het verslag
+van diens avonturen, 90; verbant Balin van het hof, 100; ontvangt de
+zwaardjonkvrouw aan zijn hof, 101-104; staat de Meervrouwe te woord,
+105, 106; zendt Balin opnieuw in ballingschap, 107; strijdt tegen
+Koning Nero, 112, 113; houdt hof te Cardiff, 133; verneemt de avonturen
+van Colgrevance, 141; besluit hem te wreken, 141; komt met zijn leger
+bij de bron, 151; is gast op het slot van Iwein, 153; spreekt recht in
+de zaak van twee twistende zusters, 172; is getuige bij de vuurproef
+van Isolde, 292-294; hoort naar de wenschen van Gareth, 329-332;
+luistert naar de klachten van Lynette, 335-337; neemt Gareth op onder
+de ridders der Tafel Ronde, 349; gaat met zijne ridders op jacht naar
+het witte hert, 358, 359; kent Enide den schoonheidsprijs toe, 374;
+roept zijne ridders bijeen voor een steekspel te Camelot, 411; begeeft
+zich daarheen, 414; ontvangt Parcival aan zijn hof, 468-470; begeeft
+zich op weg om den Rooden Ridder te zoeken, 486-487; _Arthur's Dood:_
+verneemt de ontrouw zijner gemalin, wil zich op Lanceloet wreken,
+wordt door Modred verraden, sneuvelt en wordt weggevoerd naar het
+eiland Avalon, 494-512.
+
+Astolat, Graaf Bernard van, vader van Elaine, ontvangt Lanceloet op
+zijn slot, 418-424; krijgt een bezoek van Walewein, 430-433; zijne
+droefheid over den dood van Elaine, 445.
+
+Aue, Hartmann von, schrijver van "Iwein" en "Erec", 130; 350; 351;
+353: 355.
+
+Avalon, de Vrouwe van, 94; zendt de zwaardjonkvrouw naar het hof,
+101; 108; voert Arthur mede naar haar rijk, 509.
+
+
+B.
+
+Balan, zie: _de Sage van Balin en Balan_, 92-124.
+
+Balin, zie: _de Sage van Balin en Balan_, 92-124.
+
+Bédier, Joseph, bewerker van het Tristan-gedicht van Thomas, 180,
+182-186; schrijver van "Le Roman de Tristan et Iseut", 194.
+
+Bedivere, volgeling van Koning Arthur, 505; krijgt bevel om het zwaard
+Excalibur in het meer te werpen, 507-508; trekt zich uit de wereld
+terug, 509.
+
+Belinus, god der duisternis uit de Keltische mythologie, 95.
+
+Bel Repair, slot van Condwiramur, 473-477.
+
+Benwick, het vaderland van Lanceloet, 499; 501.
+
+Berenton, Tooverbron van, 129.
+
+Bernlak de Hautdesert, 35; maakt zich aan Walewein bekend, 86; geeft
+hem den groenen gordel ten geschenke, 88; neemt afscheid, 89.
+
+Béroul, schrijver van het oudste bestaande gedicht over de
+Tristan-sage, 28; 186-190.
+
+Birch Hirschfeld, A., schrijver van "Die Sage vom Gral", 452; 453.
+
+Blanchefleur, zuster van Koning Mark, hare jeugd, 200-202; vat
+liefde op voor Rivalin, 202-205; bekent hem hare liefde, 208; volgt
+hem naar zijn land, 211; brengt een zoon ter wereld en sterft, 212;
+haar broeder verneemt het geheim van haar huwelijk, 227.
+
+Borodine, Myrrha, schrijfster van: "La Femme dans l' Oeuvre de Chrétien
+de Troyes", 355.
+
+Borron, Robert de, schrijver van "Merlin", VII, 96; 453.
+
+Bors, brengt Lanceloet eene wonde toe, 428, 433; gaat naar Camelot om
+hem te zoeken, 434; vindt hem, 436; onderscheidt zich op het steekspel
+van Allerheiligen, 438; valt in een tweekamp tegen Walewein, 500.
+
+Bran, god van het licht uit de Keltische mythologie, 95.
+
+Brandigan, de Burcht, eigendom van Koning Evrain, 396; verblijf van
+Erec op B. 397-403.
+
+Brangwaine, dienstmaagd van Isolde, 249, 250; krijgt van de koningin
+een liefdesdrank in bewaring, 258; jammert over het verkeerde gebruik
+daarvan, 261, 262; belooft Isolde om hare plaats in te nemen, 263,
+264; geeft hare meesteres raad, 267, 269; maakt het Tristan en Isolde
+mogelijk om met elkander te spreken, 270; bewerkstelligt voor hen een
+laatste samenzijn, 295, 296; troost hare meesteres, 309, 311, 312;
+vergezelt Isolde naar Bretagne, 318; deelt Koning Mark de waarheid
+omtrent den liefdesdrank mede, 322.
+
+Brastias, volgeling van Gorlois, 5.
+
+Bréri (= Bledhericus), sagenverteller uit Wales, 187; 455.
+
+Brink, ten, schrijver van een Duitsch werk over Engelsche letterkunde,
+31.
+
+Broceliande, het tooverwoud van, 129; 467.
+
+
+C.
+
+Cadroc van Tabriol, wordt door Erec uit de handen der reuzen bevrijd,
+389.
+
+Calogrenant, 129.
+
+Cambrensis, Giraldus, geschiedschrijver uit Wales, X; 187; 455.
+
+Camelot, de stad, 16; de tocht van Ginevra naar C., 19-23; het
+Kerstfeest te C., 39-47; 49; 53; Walewein's terugreis naar C., 88,
+89; Balin te C., 99, 100; Launceor van Ierland te C., 107; Koning Nero
+trekt op naar C., 112; Gareth gaat naar C., 326-329; zijn diensttijd
+aldaar, 334, 335; het tournooi te C., 408, 411, 427-429; Elaine komt
+te C., 435; Bors komt te C., 436.
+
+Canterbury, de aartsbisschop van, 10.
+
+Caradoc, neef van koning Arthur, 31.
+
+Cardiff, de stad, Arthur houdt hof te C., 133; 140; 403.
+
+Cardigan, de stad, Koning Arthur houdt hof te C., 358; Erec en Enide
+komen te C., 373.
+
+Carnant, woonplaats van Koning Lac, 375
+
+Caxton, William, drukker van Malory's werk, 96.
+
+Cervantes, 191.
+
+Champagne, Gravin Marie van, begunstigster van Chrétien de Troies,
+127; 189; 406.
+
+Clamides, Koning, dingt naar de hand van Condwiramur, 473-476.
+
+Colgrevance, de avonturen van C., 133, 134; Iwein besluit hem te
+wreken, 140, 141.
+
+Condwiramur, echtgenoote van Parcival, 455; wordt door Parcival uit
+den nood gered, 473-476; huwelijk, 476; moet afscheid nemen van P.,
+477; brengt hem den Graal, 493.
+
+Corbin, het slot, Lanceloet strijdt op het slot C. tegen een draak,
+421.
+
+
+D.
+
+Dimilioc, slot van, eigendom van Gorlois, 4.
+
+Dinas van Lidan, vriend van Tristan, 290; 297.
+
+Dublin, de stad, 236, 237, 238; 243; 244; 248; 250.
+
+Dubricius, Aartsbisschop van Camelot, zegent het huwelijk in tusschen
+Arthur en Ginevra, 23.
+
+
+E.
+
+Ector, wordt door Merlijn aangewezen als pleegvader over Arthur,
+6; begeeft zich met zijne zonen naar het steekspel te Londen, 11;
+ontsluiert het geheim van Arthur's geboorte, 12, 13.
+
+Elaine, de jonkvrouw van Astolat, zie: _de Sage van Lanceloet en
+Elaine_, 404-449.
+
+Enide, geliefde van Erec, zie: _de Sage van Erec en Enide_, 350-403.
+
+Ephese, de weduwe van, 129.
+
+Erec, zoon van Koning Lac: zie: _de Sage van Erec en Enide_, 350-403.
+
+Eschenbach, Wolfram von, schrijver van het Middel-Hoogduitsche gedicht:
+"Parzival", 453, 454, 455, 460.
+
+Eufemia, Koningin, van Denemarken, 351.
+
+Evans, Dr. Sebastian, vertaler van "Perceval le Gallois", 454.
+
+Evrain, Koning, ontvangt Erec op zijn slot en wijst hem het avontuur:
+"De Vreugde van het Hof", 396-403.
+
+Excalibur, zwaard van Koning Arthur, wordt den koning gegeven, 14,
+15, 16; 105; Arthur geeft Bedivere bevel om het in het meer te werpen,
+507-508.
+
+
+F.
+
+Foerster, Prof. Wendelin, bewerker van eene critische uitgave van
+Chrétien's werken, 125; 131; 350; 352; 354; 355: 459; 460.
+
+Freiburg, Heinrich von, voltooier van den "Tristan" van Gottfried
+von Straszburg, 188.
+
+
+G.
+
+Gaheris, vierde zoon van Koning Lot en Koningin Morgawse, 326;
+330; 496.
+
+Gaimar, Geoffrey, schrijver van eene verloren geraakte vertaling van de
+"Historia" van Monmouth, XIII.
+
+Galahad, als held van de Graal-sage, 454-457.
+
+Galoain, Graaf, Erec en Enide in het gebied van Graaf G., 382-386.
+
+Gamuret, vader van Parcival, 461-462.
+
+Gareth, jongste zoon van Koning Lot en Koningin Morgawse, zie: _de
+Sage van Heer Gareth_, 324-349.
+
+Garlon, bedrijver van verschillende wandaden, 114; 116-118.
+
+Gerbert, 452.
+
+Gilain, Hertog, geeft Tristan het hondje Petitcrû ten geschenke,
+297, 298.
+
+Gildas, schrijver van het oudste werk over Britsche geschiedenis,
+X, 96.
+
+Ginevra, Koningin, Arthur geeft zijn plan te kennen om haar te
+huwen, 15-18; zendt Lanceloet om haar te halen, 18; de reis van
+G. en Lanceloet naar Camelot, 19-23; het huwelijk met Arthur wordt
+voltrokken, 24; 29; Kerstfeest te Camelot, 40; ontsteltenis over den
+Groenen Ridder, 47; 58; 87; luistert naar het verhaal van Colgrevance,
+134; 140; 192; vraagt verlof haar echtgenoot op de jacht te mogen
+vergezellen, 359: volgt den jachtstoet in gezelschap van Prins
+Erec, 360-362; voorziet Enide van de haar passende kleederen,
+374; geschiedenis van hare verhouding tot Lanceloet, 406-408;
+is niet in staat haar gemaal naar Camelot te vergezellen, 412,
+413; spoort Lanceloet aan om den koning daarheen te volgen, 415;
+hare woede over Lanceloet's vermeende ontrouw, 434, 438, 443; vraagt
+Lanceloet om vergeving voor haar wantrouwen, 448; Arthur ontdekt het
+geheim harer verhouding tot Lanceloet, 494-496; wordt door Lanceloet
+van den brandstapel gered, 496; wordt door den paus met haar gemaal
+verzoend, 499; neemt de wijk voor Modred in de vesting Londen, 501;
+trekt zich terug in het klooster van Almesbury, 510; neemt afscheid
+van Lanceloet, 511-512.
+
+Golther, Wilhelm, schrijver van artikelen en studies over de
+Arthur-sagen, 184; 185; 352; 459-460.
+
+Gorlois, Hertog van Cornwallis, komt op het Paaschfeest aan het hof,
+2, 3; wordt door den koning achtervolgd, 4, 5; sneuvelt, 6.
+
+Gouvernail, leermeester van Tristan, 213; 215; 217; 228; volgt zijn
+jongen meester naar Ierland, 235; helpt hem bij zijne vlucht met
+Isolde, 278, 280; brengt het hondje Petitcrû bij Isolde, 298; volgt
+Tristan naar Bretagne, 299; sterft, 314.
+
+Graal, de Heilige, 116; 119; 191; zie: _de Sage van Parcival en den
+Heiligen Graal_, 450-493.
+
+Gringalet, strijdros van Walewein, 50-54; 79.
+
+Guest, Lady Charlotte, schrijfster van eene Engelsche vertaling van
+den "Mabinogion", X; XI; 131; 351.
+
+Guivret le Petit, Erec's ontmoeting met G. le P., 387, 388; G. valt
+Erec in het woud aan, 395; verpleegt hem op zijn kasteel, 396;
+vergezelt hem naar het hof, 396-403.
+
+Gumurun, Koning van Ierland, vader van Isolde, 246; 248; 250; 255;
+256; 257; 288.
+
+Gurnemanz, Parcival op het slot van Heer G., 471-472.
+
+
+H.
+
+Haakon V van Denemarken, 187.
+
+Hamel, Prof. A. G. van, schrijver van artikelen en studies over de
+Arthur-sagen, 185.
+
+Harpijn, de Reus, wordt door Iwein gedood, 166, 167.
+
+Hastings, slag bij, 183.
+
+Hendrik de Leeuw, Hertog van Brunswijk, 187.
+
+Herz, Wilhelm, vertaler van het gedicht van Gottfried von Straszburg,
+191.
+
+Herzeleide, moeder van Parcival, 461-466.
+
+Howel, Koning, de Goede, 185.
+
+Hulbert, J. R., schrijver van eene studie over Walewein, 34-36.
+
+Husdan, hond van Tristan, wordt door hem aan Isolde ten geschenke
+gegeven, 295; herkent zijn meester, 312.
+
+
+I.
+
+Igerna, echtgenoote van Gorlois, komt aan het hof 2, 3; neemt de wijk
+in het slot Tintagel, wordt de gemalin van Koning Uther, 5, 6, 9.
+
+Isolde, Koningin van Ierland, geneest Tristan van zijne wonden 237-239;
+verpleegt hem voor de tweede maal 249, 250.
+
+Isolde van Ierland, geliefde van Tristan, 29; zie: _de Sage van
+Tristan en Isolde_, 180-323.
+
+Isolde met de Blanke Handen (=van Bretagne) 188; 193; kennismaking
+en huwelijk met Tristan, 300-305; verpleegt haar gewonden echtgenoot,
+314, 315; hoort van zijne liefde voor Isolde van Ierland, 316; wreekt
+zich op haren echtgenoot, 319-321,
+
+Ither, daagt een der ridders van de Tafel Ronde uit, 468; strijdt
+tegen Parcival, 470.
+
+Iwein, de Leeuwenridder, 41; zie: _de Sage van den Leeuwenridder_,
+125-179.
+
+
+J.
+
+Jeschute, wordt in haar tent gekust door Parcival, 467; wordt door
+haar echtgenoot gehoond, 482; Parcival dwingt hem om zich met J. te
+verzoenen, 485.
+
+Jonckbloet, Dr. W. J. A., bewerker van den Middel-Nederlandschen
+"Lanceloet", 406.
+
+
+K.
+
+Kaherdin, broeder van Isolde van Bretagne, 299; wordt bevriend met
+Tristan, 300-303; gaat voor hem naar Cornwallis om Isolde te halen,
+314-320.
+
+Kariol, ridder van Koning Mark, 306; 309.
+
+Key, zoon van Arthur's pleegvader, 10, 11; seneschalk van Koning
+Arthur, beproeft de zwaardjonkvrouw te bevrijden, 102; spot met Heer
+Colgrevance, 134; hoont Iwein, 140, 151; wordt door hem verslagen
+152; gedraagt zich zeer onheusch jegens Gareth 332-335; wordt door
+hem verslagen, 339; strijdt tegen Parcival, 487.
+
+Kièvre, Le, schrijver van een verloren gegaan gedicht over de
+Tristan-sage, 190.
+
+Kingrun, maarschalk van Koning Clamides, 473; wordt door Parcival
+verslagen, 475-476.
+
+Kittredge, George, Lyman, schrijver van eene studie over Walewein,
+33, 34; over het ontstaan der Arthur-sagen, 458-459.
+
+Kölbing, E., schrijver van eene studie over de "Erex-saga", 351.
+
+Kundri, de Graalbode, hare verschijning aan het hof, 487.
+
+Kurz, Hermann, vertaler van het gedicht van Gottfried von Straszburg,
+191.
+
+Kyot, of Guiot, Provençaalsch dichter, 453.
+
+
+L.
+
+Lac, Koning, vader van Erec, 360; 367; 375; 376; 378; 395.
+
+Lamorak, probeert de zwaardjonkvrouw te bevrijden, 103; zoon van
+Pellinore, 105; L.'s hulp ingeroepen door Lyonors, 336.
+
+Lanceloet, gaat Ginevra halen, 18-22; 29; 33; 41; tracht de
+zwaardjonkvrouw te bevrijden, 102; 181; 190; 192; berispt Heer Key,
+333; slaat Gareth tot ridder, 339; 340; _Sage van Lanceloet en Elaine_,
+404-440. L.'s verhouding tot de Graal-sage, 456-457; Arthur ontdekt
+het geheim zijner verhouding tot Ginevra, 494-496; L. redt Ginevra
+van den brandstapel, 496; wordt door den koning vervolgd en in een
+zijner kasteelen belegerd, 499-501; strijdt tegen Walewein, 500;
+neemt afscheid van Ginevra en trekt zich uit de wereld terug, 510-512.
+
+Laudine, 129; droefheid over haar gesneuvelden echtgenoot, 146-149;
+huwelijk met Iwein, 150; ontvangt Koning Arthur op haar slot, 152;
+afscheid van Iwein, 154; zendt hem zijn ring terug, 155; Iwein's
+verlangen naar L., 156; 162; L. verstoot hare dienares, Luned,
+164; is tegenwoordig bij Luned's terechtstelling, 168; dankt den
+Leeuwenridder voor zijne hulp, 169; laat hem weer vertrekken, 170;
+172; angst over de verdediging der tooverbron, 175, 176; roept de
+hulp van den Leeuwenridder in, 177; verzoent zich met Iwein, 178, 179.
+
+Launceor van Ierland, 94; wil Balin straffen voor zijn optreden tegen
+den koning, 107-111.
+
+Lavaine, jongste broeder van Elaine, 418; vergezelt Lanceloet naar
+Camelot, 422-427; neemt deel aan het steekspel, 427-429; brengt
+Elaine bij het ziekbed van Lanceloet, 435; vergezelt Lanceloet naar
+het hof, 443.
+
+Layamon, schrijver van het Middel-Engelsche gedicht: "Brut", XIV;
+96; 404; 409.
+
+Leodogran, Koning van Cameliard, wordt door Arthur gesteund in zijn
+strijd tegen de heidenen, 15; geeft zijne dochter Ginevra ten huwelijk
+aan Arthur, 16-19; biedt Arthur de Tafel Ronde ten geschenke, 23.
+
+Liasse, dochtertje van Heer Gurnemanz, 472.
+
+Limors, Graaf van, voert Enide mede naar zijn slot, 391; wordt door
+Erec gedood, 392.
+
+Lionel, jongere broeder van Bors, valt in een tweekamp tegen Walewein,
+500.
+
+Liones, naam van Lyonors in de "Morte d'Arthur", 325.
+
+Loke, Dr. Marie, vertaalster van Bédier's "Roman de Tristan et
+Iseut," 194.
+
+Londen, de stad, 10, 11; het steekspel van Allerheiligen te, 438;
+het lijk van Elaine komt in een bootje aandrijven voor het paleis te,
+446; Ginevra neemt de wijk in L., 501.
+
+Longinus, wondde Christus met eene speer in de zijde, 119.
+
+Lot, Koning der Orcadische eilanden, echtgenoot van Morgawse, 27,
+41; vader van Walewein, 174; zijn huwelijksleven, 324-327; 347.
+
+Lot, Ferdinand, schrijver van artikelen en studies over de
+Arthur-sagen, 183; 184; 187; 355; 375; 458.
+
+Loth, M. J. schrijver van artikelen en studies over de Arthur-sagen,
+185.
+
+Lucanus, volgeling van Koning Arthur, 505; sterft aan zijne
+verwondingen, 507.
+
+Lucius, Keizer van Rome, eischt schatting van Koning Arthur, 27.
+
+Luned, dienares van Laudine, 131; redt Iwein van den dood, 143;
+verbergt hem in haar kamer, 144, 145; brengt zijn huwelijk met Laudine
+tot stand, 146-149; komt hem zijne ontrouw verwijten, 155, 158; wordt
+valschelijk beschuldigd en door Iwein van den brandstapel gered, 164,
+165, 168; belooft zijne voorspraak te zijn, 170; 172; bewerkt zijne
+verzoening met Laudine, 176-178.
+
+Lynette, komt Arthur's hulp inroepen voor hare zuster, 336; hoont
+Gareth om zijne vermeende lage afkomst, 342-347; vraagt hem om
+vergeving, 348.
+
+Lyonors, de klacht van Vrouwe, 336; Gareth nadert het kasteel van,
+343, 344; hare verschijning voor het venster, 347; haar huwelijk met
+Gareth, 349.
+
+
+M.
+
+Mabonagrain, de geschiedenis van M., 401, 402.
+
+Maccallum, M. W., schrijver van een werk over de Arthur-sage, XV; XVI.
+
+Madden, Sir Frederick, eerste bewerker van het Middel-Engelsche
+gedicht: "Sir Tristrem", 31.
+
+Maerlant, Jacob van, bewerker van Middel-Nederlandsche Arthur-romans,
+VII, VIII.
+
+Maisières, Paiens de, schrijver van "La Mule sanz Frain", 31.
+
+Malmesbury, William of, schrijver van pseudo-historische kroniek,
+27; 96.
+
+Malory, Thomas, schrijver van "Morte d'Arthur", XVII; 96; 97; 191;
+324; 325; 408-410; 454; 458.
+
+Manessier, 452.
+
+Map, Walter, schrijver van den prozaroman "Lancelot", 408; van "La
+Quête del St. Graal", 454; zijn invloed op de Arthur-sagen, 457-458.
+
+Mark, Koning van Cornwallis, 183; 184; 190; 191; ontvangt Rivalin
+van Ermonie op zijn slot Tintagel, 196-200; trekt uit tegen zijne
+vijanden, 205; 206; Tristan komt aan het hof van koning M., 220-226;
+M. verneemt het geheim van Tristan's geboorte, 226-228; weigert de
+Iersche schatting te betalen, 230; 231; besluit tot een huwelijk
+240-243; begroet zijne bruid, 263; zijn huwelijk met Isolde van
+Ierland, 264-265; zijn groeiende achterdocht, 265-276; veroordeelt
+Tristan en Isolde tot den vuurdood, 276-280; gaat op jacht naar het
+woud van Morois, 284-286; neemt Isolde weer als zijn vrouw aan,
+288-291; laat Isolde de vuurproef ondergaan, 292-295; ontdekt de
+beide gelieven in den paleistuin, 296; Tristan komt, als nar vermomd,
+aan zijn hof, 309-313; M. volgt zijne gemalin naar Bretagne, 322-323.
+
+Meervrouwe, de, komt aan het hof, 105.
+
+Melot, handlanger van Meriadoc, 269; verzint eene list om de schuld
+der koningin te bewijzen, 271-274; helpt den koning om hare schuld
+te ontdekken, 276; 291.
+
+Meriadoc, bespiedt Tristan en Isolde, 265-269; vat liefde op voor
+Isolde, 291; haalt den koning over om haar de vuurproef te doen
+ondergaan, 292.
+
+Merlijn, de toovenaar, brengt de verbintenis tusschen Uther en Igerna
+tot stand, 4-7; voorspelt de komst van Arthur, 10-15; waarschuwt den
+koning voor een huwelijk met Ginevra, 15-17; voorspelling over het
+lot van Balin, 108-113; 119; meldt den dood der beide broeders aan
+Koning Arthur, 124; het einde van M., 501.
+
+Modred, als minnaar van Ginevra, 29; M.'s ouders, 326, 327; M. aan het
+hof, 330; als minnaar der koningin, 407, 408; 416; klaagt Ginevra aan
+bij haar echtgenoot, 494-495; maakt zich meester van Arthur's rijk,
+500; trekt met zijne troepen tegen den koning, 501-505; wordt door
+Arthur gedood, 506.
+
+Monmouth, Geoffrey of, schrijver van "Historia Regum Brittanniae",
+XII; 27; 95.
+
+Montsalvasch, de Graalburcht, 477; Parcival op den Graalburcht,
+478-481; zijn tweede bezoek aan M., 492-493.
+
+Morgan, Hertog, leenheer van Rivalin, 196; erkent diens
+onafhankelijkheid, 197; dringt binnen in Rivalin's graafschap, 209-213;
+wordt door Tristan gedood, 228.
+
+Morgan le Fay, toovenares, hare wraakneming op de ridders der Tafel
+Ronde, 35, 36, 86, 87; geeft eene wonderzalf ten geschenke, 157.
+
+Morgawse, gemalin van Koning Lot, moeder van Walewein, 27; moeder
+van Gareth, 324; haar huwelijksleven, 326, 327; staat Gareth toe om
+naar Camelot te gaan, 328; schrijft aan Koning Arthur, wie haar zoon
+is, 349.
+
+Morholt, komt schatting opeischen van Koning Mark en wordt door
+Tristan verslagen, 229-233; 235; 238; 241; 244; 252; 257; 273; 314.
+
+Morois, woud van, schuilplaats voor Tristan en Isolde, 280; de koning
+begeeft zich op jacht daarheen, 284; Tristan en Isolde keeren uit
+het woud terug, 289; 322.
+
+Morris, Richard, bewerker van eene uitgave van "Sir Tristrem", 31.
+
+Mountbeliard, Perin de, slachtoffer van Garlon, 114; 115.
+
+
+N.
+
+Nennius, oud-Britsch geschiedschrijver, IX; 96.
+
+Nero, Koning, trekt op tegen Koning Arthur, 112; 113.
+
+Newburgh, William of, Middel-Engelsch kroniekschrijver, XII.
+
+Nutt, Alfred, schrijver van "Studies in the Legend of the Holy Grail",
+451; 453; 458-459.
+
+Nutt, David, uitgever, 324.
+
+
+O.
+
+Oberge, Eilhart von, eerste bewerker der Tristan-sage in Duitschland,
+187; 195.
+
+Orgeluse, geliefde van Amfortas, 483.
+
+Orilus, jaloersche echtgenoot van Jeschute, 467; 482; verzoent zich
+met Jeschute, 485.
+
+Othmer, Karl, schrijver van een dissertatie over de Erec-sage, 352.
+
+
+P.
+
+Parcival, 28; 105; 116; 325; _de Sage van Parcival en den Heiligen
+Graal_, 450-493.
+
+Paris, Gaston, 34; 131; theorie over het ontstaan der Tristan-legende,
+182; 184; 185; 186; 187; 194; over den oorsprong der verhalen uit
+den "Mabinogion", 352; over het "Verliegen" van den ridder, 353;
+355; 357; over de trilogie van Borron, 453; over Bledhericus, 455;
+over het ontstaan der Arthur-sagen, 458-459.
+
+Pellam, Koning, 94; Balin's avontuur aan zijn hof, 116-119.
+
+Pellinore, Koning, vader van Parcival en Lamorak, 105.
+
+Penevric, het slot van Guivret le Petit, 395; 396.
+
+Penning en Vostaert, dichters van den roman van Walewein, VII.
+
+Petitcrû, het tooverhondje, 297, 302.
+
+Philipot, Emmanuel, schrijver van eene studie over de Erec-sage, 357.
+
+Potvin, uitgever van "Perlesvaus", 454.
+
+Pucci, Antonio, schrijver van "Dà un exempli", 32.
+
+
+R.
+
+Rhys, Sir John, schrijver van "Studies in the Arthurian Legend",
+XI; 95.
+
+Rience van Wallis, Koning, trekt Arthur's rijk binnen, 101, 107;
+wordt door Balin en Balan verslagen en naar het hof van Arthur
+gebracht, 110-112.
+
+Riol, vazal van den graaf van Bretagne, 299; belegert zijn leenheer,
+300; wordt door Tristan gedood, 302.
+
+Rivalin van Ermonie, vader van Tristan, begeeft zich naar het hof
+van Koning Mark, 196-200; vat liefde op voor Blanchefleur, 204-209;
+neemt haar mede naar zijn land, 210, 211; valt in den strijd, 212;
+Koning Mark verneemt dat R. de vader van Tristan was, 226-228.
+
+Robert, Broeder, vervaardiger van eene Noorsche proza-bewerking der
+Tristan-sage, 187.
+
+Rohand, neemt het bestuur over Rivalin's graafschap op zich, 197;
+wordt pleegvader over Tristan, 212-217; gaat zijn pleegzoon zoeken
+en vindt hem te Tintagel, 224-226; deelt den koning het geheim van
+Tristan's geboorte mede, 227, 228.
+
+
+S.
+
+Schoepperle, G., schrijfster van eene studie over de Tristan-sage, 186.
+
+Schofield, over het onstaan der Arthur-sagen, 458-459.
+
+Scott, Sir Walter, eerste bewerker van "Sir Tristrem", 188.
+
+Segramore, bijgenaamd de Begeerige, 133.
+
+Segwarides, 190.
+
+Sigune, een der Graaljonkvrouwen, deelt Parcival den oorsprong van
+den Graal mede, 481-485.
+
+Simroch, Karl, vertaler van het gedicht van Gottfried von Straszburg,
+191.
+
+Straszburg, Gottfried von, dichter van het Middel-Hoogduitsche gedicht:
+"Tristan", 187; 188; 191.
+
+Swinburne, Algernon, Charles, schrijver van "A Tale of Balen" 97;
+"Tristram of Lyonesse", 180; 193; 194.
+
+Sommer, Dr. H. Oskar, bewerker van een critische uitgave van de
+"Morte d'Arthur", 324.
+
+
+T.
+
+Tafel Ronde, de, wordt Arthur ten geschenke gegeven, 19; plechtige
+inwijding, 23-25; 32; 35; de Groene Ridder daagt de ridders der
+T. R. uit, 44; 57; 65; 71; 87; 91; 102; 180; 181; 341; Gareth tot de
+T. R. toegelaten, 349.
+
+Tantris de Speelman (= Tristan), 236; 249; 250; 252.
+
+Tennyson, Alfred, XVII; 29; 96; 192; 325; 352; 353; 407; 410; 458.
+
+Thomas (genaamd: van Brittannië), Normandisch dichter uit de 12e eeuw,
+schrijver van een der eerste Fransche Tristan-gedichten, 182; 187-190;
+195; over de bron van zijn werk, 455.
+
+Thomas van Ercildoune, vermoedelijk schrijver van "Sir Tristrem", 188.
+
+Tintagel, de burcht, eigendom van Gorlois, 4-6; verblijfplaats van
+Koning Mark van Cornwallis, 195; 198; 201: 202; 206; 209; 220; 224;
+227; 229; 231; 234; 239; 270; 273; 274; 287; 290; 295; 299; 304; 306;
+316; 317; 318; 323.
+
+Torre, oudste broeder van Elaine, 418; 431; 444.
+
+Trevizent, de kluizenaar, brengt Parcival tot inkeer, 490-492.
+
+Tristan, 28; 29; poogt de zwaardjonkvrouw te bevrijden, 102; _de Sage
+van Tristan en Isolde_, 180-323.
+
+Troies, Chrétien de, Fransch hofdichter uit de 12e eeuw, schrijver
+van gedichten over de Arthur-sage, V; XIV; 28; 31; 33; 125-131; 181;
+189; 190; 350-352; 353; 375; 404-406; 452; 458; 460.
+
+Türheim, Ulrich von, voltooier van den "Tristan" van Gottfried von
+Straszburg, 188.
+
+Türlin, Heinrich von dem, schrijver van "Diu Crône", 31.
+
+
+U.
+
+Ulfius, vriend van Koning Arthur, 5.
+
+Uriens, koning van Wallis, vader van Iwein, 133; 148; 157.
+
+Uther Pendragon, vader van Arthur, vat liefde op voor Igerna 2-5;
+neemt haar ten huwelijk, 6; sterft, 9; 19; 141.
+
+
+V.
+
+Vance, de Vrouwe van, geliefde van Koning Rience, 111.
+
+Velthem, Lodewijk van, verzamelaar van een aantal Middel-Nederlandsche
+Arthur-Sagen, VII.
+
+Viviane, de booze fee, lokt Merlijn in hare rotswoning, 501.
+
+Vostaert, zie: Penning.
+
+
+W.
+
+Wace, schrijver van het Normandische gedicht: "Le Roman du Brut",
+XIII; 28; 96; 129.
+
+Wagner, Richard, 180; 192.
+
+Walewein, zie: _de Sage van W. en den Groenen Ridder_, 27-91; probeert
+de zwaardjonkvrouw te bevrijden, 102; verwijt Key zijn lasterpraat
+over Iwein, 151; blijdschap over de ontmoeting met Iwein, 152; haalt
+hem over naar het hof terug te keeren, 153; benarde toestand van W.'s
+zwager, 164, 166; strijdt voor de rechten van eene jonkvrouw, 171-173;
+herkent zijn tegenstander, 174; 181; 326; 330; wijst den koning op het
+gevaar van den schoonheidsprijs, 358; als minnaar der koningin, 407;
+W.'s ongunstige rol in "Le Morte Arthur", 410; gaat na het steekspel
+te Camelot zoeken naar den ridder met de roode mouw, 429; komt in het
+kasteel Astolat, 430; herkent het schild van Lanceloet, 432; brengt
+aan het hof verslag uit over zijn tocht, 433; onderscheidt zich op
+het steekspel van Allerheiligen, 438; als held van de Graal-sage,
+454-455; brengt Parcival aan Arthur's hof, 487-488; besluit den dood
+zijner broeders op Lanceloet te wreken, 496; strijdt tegen Lanceloet,
+500; valt in den strijd, 501.
+
+Wauchien de Denain, 452; 455.
+
+Weston, Jessie, schrijfster van "The Legend of Sir Gawain", 31;
+v. Engelsche prozavertaling van Gottfried von Straszburg's "Tristan",
+192; van "The Legend of Sir Lancelot du Lac", 405-407; van "The Legend
+of Sir Perceval", 452; 453; 455; 460.
+
+Willem de Veroveraar, Hertog van Normandië, 183; 458.
+
+Winchester, de stad, 2; 275.
+
+Windsor, de stad, 37.
+
+
+Y.
+
+Yder, wordt door Erec op het steekspel van den Sperwer verslagen, 371.
+
+
+Z.
+
+Zatzikhoven, Ulrich von, schrijver van het Middel-Hoogduitsche gedicht:
+"Lanzelet", 405.
+
+Zimmer, Prof. Heinrich, schrijver van een artikel over de eigennamen
+in de Arthur-Sagen, 183; 352; 357; 375.
+
+Zwaardjonkvrouw, de, 94; komt aan het hof, 101.
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+   Bladz.
+ Algemeene Inleiding I
+ Arthurs Komst 1
+ De Sage van Heer Walewein en den Groenen Ridder 27
+ De Sage van Balin en Balan 92
+ De Sage van den Leeuwenridder 124
+ De Sage van Tristan en Isolde 180
+ De Sage van Heer Gareth 324
+ De Sage van Erec en Enide 350
+ De Sage van Lanceloet en Elaine 404
+ De Sage van Parcival en den Heiligen Graal 450
+ Arthurs Dood 494
+ Bibliographie 513
+ Register 517
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] "Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen", door
+H. A. Guerber, bewerkt door Dr H. W. Ph. E. v. d. Bergh
+v. Eysinga.--Zutphen.--W. T. Thieme & Cie. hoofdstuk XI en XIV.
+
+[2] Zie Inleiding tot de Sage van Tristan en Isolde.
+
+[3] Eene bewerking van het gelijknamige gedicht van Chrétien de Troies.
+
+[4] In het jaar 401 werden de Romeinsche legioenen naar Italië
+teruggeroepen, om dit land te helpen verdedigen tegen de invallen
+der barbaren.
+
+In 410 waren de laatste Romeinen uit Brittannië verdwenen en werden
+de oorspronkelijke bewoners van het land, na ongeveer 300 jaar door
+hen geregeerd geweest te zijn, weder aan hun eigen lot overgelaten.
+
+[5] Zie hiervoor het verhaal van Kilhwch and Olwen in de bekende
+sagenverzameling van Wales: The Mabinogion, Engelsche vertaling
+van Lady Charlotte Guest, Everyman's Library, London, Dent. De naam
+"Mabinogion" is een verzamelnaam voor de overleveringen, liederen en
+sagen, welke de jongeling, die zich voor het ambt van Bard bekwamen
+wilde, behoorde te kennen. De Barden vormden eene afzonderlijke
+klasse, waartoe men eerst na eene strenge, letterkundige opleiding
+kon worden toegelaten. Hij, die zich hieraan onderwierp, werd Mabinog
+genoemd. In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik nog
+meermalen gelegenheid vinden om op den Mabinogion terug te komen.
+
+Zie ook over de Mabinogion-verhalen en de plaats der
+Arthur-sage in de Keltische literatuur: "Keltische Mythen
+en Legenden", door T. W. Rolleston, bewerkt door Dr
+B. C. Goudsmit.--Zutphen.--W. J. Thieme & Cie., bld. 308 e. v.
+
+[6] De naam Camlan wordt ook genoemd in "Kulhwch and Olwen" en in "The
+Dream of Rhonabwy", twee verhalen van zuiver Britschen oorsprong uit
+den Mabinogion, verder vinden wij hem vermeld in de Welsche Triaden
+en tot tweemaal toe in oude Welsche gedichten.
+
+[7] De Welsche "Triaden" danken hun naam aan de omstandigheid, dat de
+personen en zaken, welke daarin beschreven worden, telkens in groepen
+van drie vermeld staan. Waarschijnlijk wijst deze vorm van schrijven
+terug op een tijd, toen men zijne kennis nog slechts uit mondelinge
+overleveringen putte en de verschillende feiten in groepen van drie
+rangschikte om ze des te gemakkelijker te kunnen onthouden.
+
+[8] Zie John Rhys: "Studies in the Arthurian Legend", Oxford, 1891.
+
+[9] Avallach is het latere Avalon. Wij vinden hier de eerste aanwijzing
+van Arthur's heengaan naar het land der gelukzaligen, waar hij,
+volgens latere schrijvers, het eeuwige leven ging genieten.
+
+[10] De schrijver geeft ons in zijn werk een verslag van de
+geschiedenis der Britten, van af den tijd van Brutus, den z.g. stichter
+van hun volk tot den dood van Cadwallader, den laatsten Britschen
+koning, in 689. De geschiedenis van Arthur beslaat hierin vijf van
+de twaalf boeken, waarin de schrijver zijn werk verdeelde.
+
+[11] In Geoffrey's werk wordt Arthur verheven tot den rang van
+wereldveroveraar, en almachtig heerscher over een schitterend hof, dat
+de weerspiegeling is van het Normandische hof van die dagen. Geoffrey
+komt de eer toe van de eerste te zijn geweest, die zijn held omringde
+met de ridderlijke gebruiken van het hoofsche leven uit de 12e eeuw.
+
+In de "Historia" vinden wij eene beschrijving van Modred's verraad
+en van de ontvoering van koningin Ginevra. Ook is Geoffrey de eerste
+geweest, die ons een helder beeld schonk van den ouden toovenaar
+Merlijn, een der belangrijkste personen uit Arthur's omgeving. Een
+eigenaardig Latijnsch gedicht: "Vita Merlini", geschreven omstreeks
+1148, waarin wij avonturen van Merlijn vermeld vinden, welke niet in
+de "Historia" voorkomen, wordt verondersteld ook van Geoffrey's hand
+te zijn.
+
+[12] Brut: regel 9994 e. v.
+
+[13] Zie: Inleiding tot de Sage van Parcival.
+
+[14] Over Chrétien de Troies zie Inleidingen tot de Sagen van den
+Leeuwenridder, Erec en Enide, en Lanceloet en Elaine.
+
+[15] Zooals de Sage van Heer Walewein en den groenen Ridder, in mijn
+bundel opgenomen.
+
+[16] Zie Inleidingen tot de sagen van den Leeuwenridder, Tristan en
+Isolde, Erec en Enide, Parcival.
+
+[17] Deze zijn: de Karelromans, de Alexanderromans en de Arthurromans,
+welke door den Franschen dichter Jean Bodel in zijn "Chanson de
+Saisnes" aldus worden aangeduid:
+
+
+ "Ne sonts que trois matières à nul home attendant,
+ De France et de Bretaingne et de Rome la grant."
+
+
+[18] De schrijver noemt zijne bronnen slechts in vage termen, zooals:
+"the French book says." Eene meerdere bekendheid met de Fransche
+ridderromans heeft zijne bronnen echter aan het licht gebracht,
+zoodat wij ze thans kennen voor al de een-en-twintig boeken, waarin
+de Morte d'Arthur verdeeld is, met uitzondering van die voor Boek VII,
+de geschiedenis van Heer Gareth. (Zie de Inleiding tot die Sage).
+
+Het vijfde boek, waarin Arthur's veldtocht tegen de Romeinen vermeld
+wordt, is het eenige, waarvan de stof aan de Engelsche letterkunde
+ontleend is. De bron hiervoor is het allitereerende Middel-Engelsche
+gedicht "Morte Arthure", geschreven door een onbekend gebleven dichter
+omstreeks het midden der 14e eeuw.
+
+[19] Voor de geschiedkundige en legendarische overleveringen aangaande
+den persoon van Koning Arthur, zie inleidend hoofdstuk: "De Oorsprong
+en Ontwikkeling der Arthursage."
+
+[20] Gaston Paris in tome XXX der Histoire Littéraire de la France
+vermeldt het gedicht als behoorend tot de 16e eeuw.
+
+[21] Ook het vasthouden van den held aan de bloedwraak, welke hem
+aanzet de Vrouwe van het Meer te dooden, is een overblijfsel uit
+vóór-Christelijke tijden.
+
+[22] Zie Inleiding tot de Sage van Lanceloet en Elaine.
+
+[23] Zie Inleiding tot de Sage van Erec en Enide.
+
+[24] Zie Inleiding tot de Sage van Erec en Enide.
+
+[25] Voor de verklaring van den naam "Mabinogion", zie Algemeene
+Inleiding.
+
+[26] Deze ontdekking hebben wij te danken aan een Duitsch geleerde:
+Professor Heinrich Zimmer. Vgl. zijn artikel, getiteld: "Zur
+Namenforschung in den Altfranzösischen Arthurepen". (Zeitschrift für
+franz. Sprache und Litteratur, t. XIII, p. 57 ss.). Zijne studies
+over dit onderwerp werden voortgezet door Ferdinand Lot, in: Etudes
+sur la provenance du cycle Arthurien (Romania XXIV et XXV).
+
+[27] Hieruit blijkt, dat reeds in den tijd der Triaden, die geacht
+worden zeer oude overleveringen te bevatten, de naam van Tristan
+verbonden was met dien van koning Arthur. Ook in "The Dream of
+Rhonabwy", een der oudste verhalen uit den "Mabinogion", dat ontstaan
+moet zijn vóór de Normandische invloed zich deed gelden, komt onze
+held voor als een der raadgevers van koning Arthur.
+
+[28] Hij beroept zich op het verhaal van een zekeren Bréri, die kende:
+
+
+ "--les gestes et les cuntes
+ de tuz les reis de tuz les cuntes
+ qui orent esté en Bretaingne."
+
+
+Deze Bréri is niemand anders dan Bledhericus, de beroemde
+sagenverteller uit Wallis, die door Giraldus Cambrensis in zijn werk:
+"Descriptio Cambriae" wordt genoemd. Zie voor nadere bizonderheden de
+noot voorkomend in de Inleiding tot de Sage van Parcival. Zie ook wat
+Gaston Paris en Ferdinand Lot over dezen Bréri schreven in Romania
+VIII p. 425 en Romania XXVIII p. 336.
+
+[29] Deze fragmenten, acht in getal, vormen de overblijfselen van
+vijf afschriften van het werk van Thomas. Verscheidene dekken elkaar
+en alle hebben zij betrekking op de laatste levensjaren en den dood
+van den held. Zij bevatten ruim 3000 regels en worden verondersteld,
+een zesde uit te maken van het oorspronkelijk geheel.
+
+[30] Twee andere Duitsche dichters hebben getracht het te voltooien,
+aan de hand van het Fransche origineel. Het zijn: Ulrich von Türheim
+en Heinrich von Freiburg, welke laatste er een aantal episoden aan
+toevoegde, die verband houden met het hof van koning Arthur.
+
+[31] Hoofdstuk 63-67.
+
+[32] Voor eene verdere vergelijking tusschen "Cligés" en
+"Tristan-romans" verwijs ik den lezer naar het artikel van
+Prof. A. G. van Hamel in "Romania" XXXIII (1904) p. 465 ss., hetwelk
+in het Hollandsch is verschenen in Taal en Letteren, Juni 1904.
+
+[33] Zie Inleiding tot de Sage van den Leeuwenridder.
+
+[34] Bovendien bezitten wij nog aanwijzingen omtrent een verloren
+geraakt gedicht, waarvan alleen de naam van den schrijver: Le Kiévre
+is bewaard gebleven.
+
+[35] Dit kan gedeeltelijk te wijten zijn aan den invloed der beroemde
+satire van Cervantes.
+
+[36] "Le Roman de Tristan et Iseut", traduit et restauré par
+Joseph Bédier, Parijs 1901. Hier zij tevens melding gemaakt van de
+fraaie Nederlandsche vertaling door wijlen Dr. Marie Loke, lectrice
+a.d. Rijksuniversiteit te Groningen, waarvan eenigen tijd geleden
+een herdruk verscheen in de bekende serie der Wereldbibliotheek.
+
+[37] Deze spotnaam werd den jongen prins geschonken door Heer Key,
+den boosaardigen tafelmeester van koning Arthur.
+
+[38] Deze uitgave bestaat uit drie deelen en werd uitgegeven te Londen
+door David Nutt.
+
+Het eerste deel, inhoudend den tekst der Morte d' Arthur, verscheen
+in 1889, het tweede deel, hetwelk eene inleiding bevat, in 1890 en
+het derde, eene studie over de bronnen, in 1891.
+
+[39] Dit is de naam, welke Tennyson aan de belegerde schoone geeft
+en dien zij ook in de volgende bladzijden draagt. Malory noemt haar
+Liones, wat verwarring kan geven met den naam der landstreek Lyonesse,
+welke veelal verbonden wordt aan Tristan's naam.
+
+[40] Zie Inleiding tot de Sage van den Leeuwenridder.
+
+[41] Dit zijn: "The Lady of the Fountain" en "Peredur, the Son of
+Evrawc", die in inhoud overeenkomen met Chrétien's "Yvain" en "Conte
+del Graal".
+
+[42] Deze stelling wordt voor "Erec" nader uitgewerkt in de Bonner
+dissertatie getiteld: "Das Verhältnis von Christian von Troyes'
+Erec und Enide zu dem Mabinogio: Geraint ab Erbin" van Karl Othmer,
+Köln 1889. Volgens den schrijver van dit proefschrift blijkt de
+afhankelijkheid van het Mabinogion-verhaal vooral daaruit, dat daarin
+op twee plaatsen een duidelijk misverstaan van Chrétien's tekst valt
+waar te nemen.
+
+[43] Eene nabootsing van het bovengenoemde thema wordt aangetroffen
+in den ridderroman "Floriant".
+
+[44] Romania XX p. 148-166.
+
+[45] Romania XXVIII p. 335.
+
+[46] Zie Inleiding tot de Sage van den Leeuwenridder.
+
+[47] Over de beteekenis van deze episode zie de studie van Emmanuel
+Philipot, getiteld: "Un Episode d'Erec et Enide, La Joie de la
+Cour-Mabon l'Enchanteur" in Romania XXV, bldz. 258-294.
+
+[48] Het "Carnant" van Chrétien is volgens prof. Zimmer Caer: Nant
+= Nantes. J. Loth voert den naam terug tot Carnant, eene stad in
+Zuid-Wales en F. Lot noemt eene plaats: Ros Carnant in Cornwalls.
+
+[49] Een spotnaam, die Lanceloet gegeven werd, omdat hij eens, na
+verlies van zijn paard, op eene kar verder was gereden.
+
+[50] Zie hierover: Inleiding tot de Sage van Parcival.
+
+[51] Dit is b.v. het geval in den buitengewoon vromen Franschen
+Graal-roman: "Perceval Le Gallois".
+
+[52] Zie de Inleiding tot de Sage van Heer Walewein en den Groenen
+Ridder.
+
+[53] Alfred Nutt noemt hem Gautier.
+
+[54] Het werk is voorzien van een proloog, waarin wordt beweerd,
+dat Christus zelve als de schrijver moet worden beschouwd.
+
+[55] De eerste twee deelen worden ook in andere handschriften, zonder
+bijvoeging van het derde deel, aangetroffen en bestaan in proza zoowel
+als in versmaat.
+
+[56] Deze vertaling is verschenen in de bekende uitgave: Everyman's
+Library, London, Dent.
+
+[57] Bleheris is de Fransche vorm voor het Latijnsche Bledhericus en
+het Welsche Bledri of Bréri. Waarschijnlijk wordt hier dan ook bedoeld
+de Bledhericus, die als "famosus ille fabulator" genoemd wordt door
+Giraldus Cambrensis in zijn "Descriptio Cambriae" chap. XVII en volgens
+de verklaring van Gaston Paris is hij dezelfde Bréri, aan wiens zangen
+Thomas verklaart zijn "Tristan" te hebben ontleend. (Zie Inleiding
+tot de Sage van Tristan en Isolde). Deze Bledhericus, die geboortig
+was uit Wales, moet volgens Gaston Paris geleefd hebben in het begin
+der 12e eeuw, Jessie Weston stelt den tijd van zijn leven nog vroeger.
+
+[58] Zie: Société Historique et cercle Saint Simon, Bulletin no. 2,
+p. 99, Paris 1883 en: Romania XVIII, bld. 588.
+
+[59] Zie: Studies in the Legend of the Holy Grail, A. Nutt, London
+1888.
+
+[60] De beroemdste onder hen was de reeds genoemde Bledhericus,
+die door Giraldus Cambrensis vermeld wordt in zijn werk: Descriptio
+Cambriae.
+
+[61] Deze denkbeelden worden gesteund door Prof. Zimmer, die het
+bewijsmateriaal voor zijne stellingen tracht te vinden door eene
+nauwkeurige studie te maken van de eigennamen, welke in de Arthur-sagen
+voorkomen en waarvan er volgens hem vele van Bretonschen oorsprong
+zijn. (Zie Inleiding tot de Tristan-sage).
+
+[62] Voor de overleveringen aangaande Arthur's dood, zie Algemeene
+Inleiding.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Sagen van Koning Arthur en de Ridders
+van de Tafelronde, by Nelly Montijn-De Fouw
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KONING ARTHUR ***
+
+***** This file should be named 23759-8.txt or 23759-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/3/7/5/23759/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.