summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/20071012-23018-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/20071012-23018-8.txt')
-rw-r--r--old/20071012-23018-8.txt2751
1 files changed, 2751 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/20071012-23018-8.txt b/old/20071012-23018-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..d518305
--- /dev/null
+++ b/old/20071012-23018-8.txt
@@ -0,0 +1,2751 @@
+Project Gutenberg's Goethe's Faust, by Johannes Diderik Bierens de Haan
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.net
+
+
+Title: Goethe's Faust
+
+Author: Johannes Diderik Bierens de Haan
+
+Release Date: October 12, 2007 [EBook #23018]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GOETHE'S FAUST ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Handboekjes Elck 't Beste
+
+ Onder leiding van L. Simons
+
+
+ Uitgegeven door de
+ Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur
+ Amsterdam
+
+
+
+
+
+ Goethe's Faust
+
+ Studie door
+
+ Dr. J. D. Bierens de Haan
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Gedrukt ter drukkerij "De Degel", Amsterdam.
+
+
+
+
+
+
+WOORD VOORAF
+
+
+Goethe heeft in de twee gedeelten van den Faust aan zijn lezers het
+beeld voor oogen gesteld van den mensch en zijn hoogste streven. Niet
+een historisch bepaalden persoon, gelijk in menig drama, noch een
+zielkundig merkwaardig wezen, als genie of "Uebermensch" heeft
+hij geschilderd; maar den mensch, die wij allen zijn. Al het
+fantastisch eigenaardige van het Faust-gedicht is dichterlijke
+verbeeldingswijze. Het zal ons, die over de Faust-figuur gaan
+filosofeeren te doen zijn, om het menschelijke in dezen mensch,
+en om niets anders.
+
+
+B. de H.
+
+_Aerdenhout_, Oktober 1914.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+I DE KLACHT VAN FAUST
+
+
+
+1. De famulus Wagner, de begrensde mensch.
+
+
+Nauwelijks verschijnt ons de figuur van Faust of wij vernemen zijn
+klacht, een klacht zoo zeer uit de geheele persoonlijkheid opgeweld,
+dat wij Faust niet kennen, zoolang wij de klacht niet verstaan. En
+door in haar te verwijlen, zoodat de snaren onzer ziel meetrillen,
+verstaan wij haar. Niet slechts muziek of roman willen genoten worden
+door medeleving, maar ook de wijsheid, en ook datgene wat aan de
+wijsheid voorafgaat.
+
+Terwijl wij nu de klacht van Faust zullen uitspreken, en bepeinzen wat
+zij inhoudt--zie daar ontmoeten wij een mensch in Faust's omgeving en
+met wien hij elken dag verkeert: zijn eigen famulus, den helper bij
+zijn natuurkundige proeven, Wagner. Hij is een mensch (of zeggen wij:
+hij is "de" mensch) die de klacht van Faust niet kent en haar niet
+begrijpt en die te dezen opzichte het niet verder brengt dan tot een
+schamele verzuchting. Het is langs den famulus Wagner, dat wij tot
+Faust naderen; het is door tegenstelling dat wij de beteekenis van
+Faust's klacht duidelijk maken.
+
+
+
+"Reeds weet ik veel doch gaarne wist ik alles" (Zwar weiss ich viel,
+doch möcht ich alles wissen). Met deze woorden treedt de famulus
+Wagner uit Faust's studeercel af; zij zijn kort en wel de prachtigste
+karakteristiek van een benepen mensch. De man wien deze woorden in
+den mond gelegd zijn, is voorgoed belachelijk en met hem het heele
+ras der zijnen; de kordate weetvastheid van zoo'n schepsel, zijn
+beslist voornemen om de weterij van dag tot dag te vermeerderen, en de
+volkomen argeloosheid van zulk gemoed zijn zoo heerlijk bijeengebracht
+in dat ééne volzinnetje, dat wij Goethe den oprechten dank onzer
+harten schuldig zijn, die zoo treffend de heele bent van weetwijzen
+heeft gekarakteriseerd.
+
+Deze menschen hebben éen eerbied, en die is groot, voor degenen die
+nog meer weten dan zij; zij hebben één verlangen en dat is groot: hun
+medewetenden voorbij te streven of althans in te halen; hoe gaarne
+zouden ze twee honderd jaren oud worden, wanneer dat hun hielp om
+alles te weten. Zij zijn het die de opstapeling der leervakken hebben
+uitgevonden en de vergelijkende examens.
+
+Wagner is de _begrensde_ mensch. Maar waarin bestaat dan wel zijn
+begrensdheid, terwijl toch zijn verlangen zóo ver reikt? Tevreden met
+halve maatregelen vinden wij hem niet en de hoeveelheid weten, door hem
+verzameld, is hem nooit genoeg, daar hij immers tot de al-wetendheid
+toe zou willen voortwerken. Respektabel is de kennis der Wagners, en
+zij gelijken in hoeveelheid van opgezamelde wetenschap op musea. Hun
+vatbaarheid schijnt onbegrensd. Zijn zij niettegenstaande dit een
+begrensd type van menschen, waarin ligt deze begrensdheid dan?
+
+Zij ligt in een eigenschap huns geestes waardoor zij den zin en
+beteekenis van hun eigen weten misverstaan. In een misverstand ligt
+hun begrensdheid; en het misverstand is van dien aard, dat hij die het
+opeens inziet, tot de klacht van Faust vervalt. Maar ook van dien aard
+is het misverstand dat men slechts krachtens geestelijke beperktheid
+daarbij blijven kan en dat de ware, ruime en diepe geest niet anders
+kan dan het misverstand ontsluieren en dus komen moet tot de klacht
+van Faust. En deze klacht verwoest de vorige vreugde en spreekt het
+vonnis uit over de schoone illusie van voorheen.
+
+Wat de famulus Wagner niet verstaat is: dat al deze kennis een nadering
+is tot het Onbegrepene. Ja: de diepere _waarheid_ der kennis ligt
+hierin--een waarheid die vooralsnog verbijstert en verblindt, zooals ze
+aan Faust doet, maar die later wordt verstaan, wanneer het Onbegrepene
+niet zonder meer on-begrepen blijft. De Wagners echter verstaan niets
+van dezen geestelijken zin en wonderbare waarde der menschelijke
+kennis: hun is het te doen om de verzameling der weetzaken. Zij
+kloppen begeerig aan de deur van Faust's denkvertrek "om met hem te
+treden in geleerde overweging," maar niet om wijsheid. De vrees, die
+hen een enkelen maal bij hun wetenschap overvalt, is niet de vrees
+of ook al het weten de toenadering is tot een ontzaglijk geheim,
+te groot voor menschenhart. Maar hun vrees is dat het korte leven
+niet genoeg zij om de hoeveelheid der weetbaarheden te verzamelen:
+"de kunst is lang en kort het leven" "eer de halve weg is afgelegd moet
+een arme drommel misschien sterven." De _kwantiteit_ van het weetbare
+verontrust hen soms; en zoo ze ooit over de begrensdheid onzer kennis
+hebben nagedacht, dan is het om deze grenzen verkeerd te stellen:
+de begrensdheid onzer zintuigen en van ons geheugen en der werktuigen
+die wij aanwenden, de kwantitatieve onvolmaaktheid van het menschelijk
+verstand is de eenige grens, die zij zich indenken: maar dat mogelijk
+het verstand zelf (ook het ver-reikendste) niet levert wat wij ons
+inbeelden, dat het verstand zelf _voert tot het onbegrepene_; dat aldus
+het verstand eindigt niet bij het doel, waarvoor wij 't inspanden,
+maar bij de ontkenning des doels--dàt te verstaan is verre buiten het
+vermogen der famuli Wagner. Zoo verstaan zij ook niet wat wèl de zin
+der verstandswerking mag zijn. In hun mond past de volgende lofspraak:
+
+Wij hebben met nauwlettendheid de bewegingen van gemoed en verstand
+gadegeslagen, geklassificeerd en ingedeeld onder psychische wet. Wij
+hebben de bronnen der historie van volken en geslachten geopend
+en bestudeerd. Wij hebben de aarde opgegraven en daar de archieven
+aangetroffen voor de prae-historische geschiedenis der menschheid; wij
+hebben door geologische onderzoekingen den ouderdom van onze aardsche
+woonplaats berekend en een algemeene voorstelling harer wordingsfazen
+verkregen; de afstanden vastgesteld in het stelsel der planeten; onze
+blik reikt tot eindlooze verten heen; de richting is aangewezen waarin
+het menschelijk verstand nog jaren en jaren zijn onderzoekingswerk
+kan voortzetten: zwar weiss ich viel, doch möcht ich alles wissen!
+
+Oefent de verrukking der Wagners niet zekere verlokking uit en zou
+men haar uitspraak niet liever aanhooren dan de klacht van Faust,
+de bittere en doodelijke klacht: "Ik zie dat wij niets kunnen weten"
+(ich sehe dass wir nichts wissen können)?
+
+"Nu heb ik, ach, filosofie, rechtswetenschap en medicijnen, en
+ook helaas theologie met vurigen ijver bestudeerd. Daar sta ik nu,
+een arme dwaas en ben zoo wijs als bij 't begin. Ik heet Magister,
+Doctor zelfs en trek nu al een tiental jaren, omhoog omlaag en scheef
+en krom scholieren bij hun neuzen rond en zie dat wij niets weten
+kunnen: dat brandt mijn hart met felle pijnen."
+
+Aldus luidt de klacht, waarmeê Fausts nachtelijke alleenspraak in de
+studeercel aanvangt en waarvan geen famulus Wagner iets verstaat.
+
+Voor dezen is wetenschap nog niets anders dan lofwaardige geleerdheid,
+streelend voor het menschelijk gevoel van eigenwaarde. Dat wereld
+en leven _raadsel_ zijn vermoedt hij niet. Tegenover de klacht van
+Faust klinkt zijn tevredenheid als onbewuste bespotting van zichzelf:
+"het is een groot genot zich in den geest der tijden te verplaatsen,
+toeziende hoe voorheen een wijs man heeft gedacht, hoe heerlijk ver
+ten laatste wij gekomen zijn."
+
+
+
+2. Wetenschap is herleiding tot het Onbegrepene.
+
+
+De klacht van Faust betreft niet de kwantiteit van het weten: het
+te weinig aan kennis. Deze kwaal ware wellicht door den arbeid van
+duizend jaren te verhelpen, waarna de klacht kon worden te boek
+gesteld als bewijs van het te kort in een voorafgaand stadium der
+menschelijke ontwikkeling.
+
+De klacht van Faust houdt in dat de kennis een nadering is tot het
+Onbegrepene. Dit is het wat hem kwelt: hoemeer deze schipper zijn
+vaart bespoedigt, zoo dichter nabij den kolk wordt hij gedreven,
+waarin elk vaartuig vergaat. Juist het tegenovergestelde van wat
+hij wenscht bereikt hij; het licht waarnaar hij versmacht blijkt
+duisternis. Tevoren, toen hij als onwetende door het leven liep, was
+hij niet ongelukkig; zijn behoefte aan kennis hield nog de belofte
+in eener toekomstige vervulling. Thans echter is hij de kennis
+deelachtig en ziet: het kennen drijft hem ijlings in de ellende:
+het Onbegrepene is voor zijn oog verrezen. Het is alsof nevels den
+horizont onzichtbaar maken zoodat wie kunnen leven zonder horizont,
+tevreden zijn met het beperkte bestaan hun gegund. Maar zij, wie
+de beperktheid het leven benauwt, doorwaden de nevelen en wat zien
+zij? Monsters die het bestaan bedreigen.
+
+Wij willen uit het begrip der wetenschap, de wetenschap van natuur
+en zielsleven, nagaan waardoor Faust tot zijn klacht gedreven is.
+
+Faust heeft op alle gebied van het menschelijk weten zijn kennis
+uitgebreid: wat wil het zeggen: de uitbreiding der kennis? Het wil
+zeggen dat de waargenomen stof, die eerst een voorwerp was voor
+de tuchtlooze fantasie, al meer onder algemeene gezichtspunten des
+verstands gebracht wordt: de zonnekar met de vurige rossen en den
+kloeken menner, die eertijds de fantastische behoefte der jeugdige
+volken bevredigde, heeft de plaats geruimd voor een mechanische wet van
+beweging naar de eischen van het tucht-lievend verstand. Nu zijn wij
+verstandiger en wij zijn vooruit gegaan; wij hebben voldaan aan den
+eisch onzer eigen bewustheid. Maar _begrijpen_ wij nu? Het voorbarig
+"ja" als antwoord op deze vraag past in den mond der famuli Wagner.
+
+Ons verstand leert ons de bizondere gevallen begrijpen uit het
+algemeene; den val van een steen begrijpen we uit de algemeene wet der
+aantrekking; het ontkiemen van een zaad begrijpen wij uit de algemeene
+wet der organische ontwikkeling. In zoover kan men zeggen dat wij door
+het verstand iets begrijpen. Maar zal dit begrijpen volledig zijn en
+niet een verwijzing naar het onbegrijpbare, dan moeten wij ook het
+Algemeene begrijpen--en dat kunnen wij niet. Zoo is er dan deze reden,
+om welke ons verstand niet in staat is tot wezenlijk begrijpen: dat het
+verstand de waargenomen wereld der bizondere gevallen (verschijnselen,
+gebeurtenissen) herleidt tot het Algemeene (algemeene wetten) en het
+Algemeene is voor hem onbegrijpelijk.
+
+
+
+Voorbeeldig in ijver werkt het verstand voort aan zijn matelooze
+taak, om de veelvormige en veelvervige stof der waarneming te brengen
+onder de tucht van het Algemeene. Maar bij nadere bepeinzing wordt
+ons duidelijk dat wij niet vermogen raadsels op te lossen, doch
+te klassificeeren. Wij herleiden de raadseltjes tot raadsels;
+de bizondere raadseltjes tot algemeene raadsels; het bizondere
+raadseltje van het vallen eener steen tot het algemeene raadsel der
+aantrekkingskracht. Ons verstand is de ondernemer van een dierentuin,
+die zijn kooien in regelmatige orde bouwt naast elkaar en geleidelijk
+den toeschouwer door de opklimmende rang-orde der dierenwereld
+voortleidt; elke kooi draagt een welgeschilderd opschrift, waar
+geslacht en soort van het vertoonde schepsel te lezen staat. Maar
+het wezen zelf dat als representant der soort zich hier voordoet, is
+een onoplosbaar raadsel. Hier is de tijger, felis tigris, gevaarlijk
+roofdier, exemplaar der katten-familie; orde: roofdieren (carnivora);
+onderklasse: eigenlijke zoogdieren (monodelphia); klasse der zoogdieren
+(mammalia) en behoorend tot de eerste type van het dierenrijk: de
+gewervelde (animalia vertebrata.) Maar ik vraag u: wat loert in dat
+oog? Zoo gij mij dat dier wilt vertoonen, bij de goden leg mij uit
+wat de natuur is, dat zij zulke wezens schiep en wat de _zin_ der
+schepping is, waarin dit dier zijn plaats heeft en: wat beteekent de
+tijger in de rangorde der wezens die gij mij zoo keurig benaamdet? Of
+zie dien dommen papegaai, bij welken de uil waard is vogel van Athene
+te zijn: wat wil de natuur dat zij dezen papegaai in haar bosschen
+laat. Zonder raadsels kwam ik in uw dierentuin, waarin ge mij de wereld
+zoudt vertoonen gekatalogiseerd: ik zou uitgaan als een begrijpende;
+maar gij hebt mij alleen vertoond geklassificeerde raadselen.
+
+Ons verstand is de ondernemer van dien dierentuin. Het heeft een
+tweeledigen arbeid: _vooreerst_ de klassifikatie (schematisatie)
+der waargenomen voorwerpen naar hun eigenschappen. Wanneer wij een
+slak, een olifant en een nijlpaard beschouwen, blijkt al dadelijk,
+dat de eigenschappen der laatste twee meer onderling overeenstemmend
+zijn dan der eerste twee. Zoo ontstaat een indeeling der waargenomen
+wereld in verscheidene rangen: de anorganische wereld; de organische
+(plantenrijk), de bewuste wereld (dierenrijk) en de wereld der
+redelijke wezens. De _tweede_ taak van het verstand is: het leven
+der voorwerpen van elke klasse na te sporen; herleidend het verschil
+der eigenschappen tot verschil van levensfunktie: in de anorganische
+wereld is dit leven tweeërlei: chemische verbinding en ontbinding
+der stoffen èn mechanische beweging; in de organische wereld is dit
+leven: groei (voeding, procreatie, sterven); in de bewuste wereld:
+bewust-zijn; in de redelijke wereld: denken en wil.
+
+En wanneer wij nu de gekompliceerde verschijnselen, die zich overal
+voordoen, herleid hebben tot de _enkelvoudige algemeene gevallen_
+(wetten) van het leven eener toebehoorende klasse, dan mag ons verstand
+even voldaan zijn als de famulus Wagner.
+
+Maar nu begint de klacht van Faust: want, het algemeene geval der
+aantrekkingskracht of van den groei of van het bewust-zijn of van
+den wil: dat is juist het onbegrepene.
+
+In het eerste zijn wij voldaan. Zoolang wij de waarnemingswereld voor
+oogen hebben zijn wij voldaan met de wetenschap, dat de veelvuldige
+werkingen, elk met hun eigen aanschijn, berusten op een zelfde
+algemeenheid; de groei van deze lelie gaat evenzoo als de groei van
+honderd andere planten, die gij reeds kent; bevruchting en voeding
+hier geschieden gelijk als daar. Herkennen wij in het aanschouwde
+natuurverschijnsel een algemeene wet, dan bevinden wij ons in
+een aangename situatie daar tegenover; wij zijn niet verbijsterd
+als tegenover het ongewone; wij weten heel wel het verschijnsel te
+plaatsen. Te zijnen opzichte zijn wij voldaan als Wagner.... Totdat we
+gaan peinzen over dat Algemeene! Over den groei zelf; over ontstaan en
+bevruchting en voeding en sterven. En nu niet meer over een bepaald
+geval ervan, maar over deze dingen zelf; hier helpt geen analogie
+noch verwijzing naar iets anders, tenzij naar een hooger Algemeene,
+dat alsdan aan uw verbijsterd oog zich vertoont. Staat ge nu niet
+met uw aangezicht voor het Onbegrepene? Een steen valt.... ziedaar
+de bizondere verschijning van het algemeen geval: de (wet der)
+aantrekking. Ge noemt het algemeene: de aantrekkings_kracht_. Kracht
+beteekent mysterie.
+
+Wilt ge u verwonderen? Aanschouw gindsche pompoenstruik; voor drie
+maanden ging een nietig zaad in de aarde. Thans staat daar een
+plant van vollen en schoonen vorm; de groene hoekige stengels dragen
+fraaie en breede bladeren, sierlijk generfd en zacht-behaard; oranje
+bloemkelken pronken tusschen het groen en reeds begint zich een geel
+en groen gevlekte vrucht te ronden. Bedenk nu niet de analogie met
+andere gevallen van gelijken aard: bedenk het Algemeene,--den groei;
+de verbandstelling tusschen het nietig ovaalvormig zaadje, dat gij
+nederwierpt èn deze schoone volle plant; er is niet één overeenkomst;
+het is even wonderlijk als dat een krokodil een eikeboom werd of
+een paddestoel veranderde in een mensch. Wij zijn er aan _gewoon_;
+maar het gewone is even groot wonder als het ongewone; het Algemeene
+is puur mysterie en ondoordringbaar voor ons wetenschappelijk verstand.
+
+In het Algemeene (de algemeene wet) is niets geschied dan de
+vereenvoudiging van het bizondere; het verwarde beeld, dat door de
+aanschouwing voor onze oogen komt, is er tot zijn enkelvoudigen vorm,
+d. i. tot denkbeeld, gereinigd. Het verstand, tot zijn grens genaderd,
+heeft principieel en duidelijk het onkenbare voor den dag gebracht, dat
+zich bij de onoverwogen aanschouwing der dingen alsnog verborgen hield.
+
+Wetenschap is een herleiding tot het Onbegrepene. Vandaar de klacht van
+Faust: Zij die van haar de openbaring der waarheid verwacht hadden en
+teleurgesteld uitkwamen, hebben gesproken van haar bankroet. Volkomen
+ten onrechte; wat zij ondervonden hebben is het bankroet hunner
+verwachting. Het positivisme heeft zijn belofte niet gehouden waar het
+de wetenschap tot een religie maakte. Maar de menschheid, van welke
+Faust lid is, behoeft de verheldering van het innerlijk en deze is
+het die zij op den moeilijken weg der wetenschap heeft gezocht.
+
+Konden nu maar de Fausten inzien dat het Algemeene een poort is, wel
+gesloten, maar aan den ingang van het rijk der Waarheid gebouwd, dan
+zouden zij, op den weg van hun nadenken voortgeschreden hun klacht
+uiten met berusting, maar nu ten einde raad, klagen zij "dat wij
+niets kunnen weten."
+
+De scepticus houdt bij dit inzicht halt, en acht het _wijsheid_. Zijn
+karakter brengt den eisch van intellektueele zekerheid niet voort; het
+negatieve besluit is hem te meer welkom, omdat hij nu met handhaving
+zijner verstandelijke reputatie het deel des gemaks kan kiezen in het
+leven. En zeker: de klacht van Faust klinkt als wijsheid tegenover de
+wetenswaan der Wagners; maar toch is zij op die wijze niet bedoeld. In
+den mond der kleinere geesten is Faust's klacht de uitspraak van het
+zelftevreden intellekt, dat nu met zijne wetenschap van het niet-weten
+een eindpunt heeft bereikt. "Que sais-je" vraagt Montaigne en wordt
+door zijn onwetendheid niet verontrust. Hij was een verstandig mensch
+en een elegante geest, niet zonder bekoring; maar hij was geen Faust.
+
+Ook de groote zoekers van ons geslacht, Socrates zoowel als Paulus,
+hebben beleden dat de kennis waarop een menigte van halfwetenden zich
+verhoovaardigt, voor den dóórschouwer een oorzaak der vertwijfeling
+zou zijn, zoo hij niet tot nog hooger gezichtspunt klom. Van Paulus
+is de uitspraak: zoo iemand meent iets te weten, die heeft nog
+niets gekend gelijk men behoort te kennen. En Socrates zegt: ik,
+daar ik niets weet, zoo meen ik ook niet te weten. Doch de God is
+wel in waarheid wijs en meent dat de menschelijke wetenschap weinig
+waard is, als zeide hij: Deze o menschen is de wijste van u, die,
+gelijk Socrates heeft ingezien, dat hij niets waard is in wetenschap.
+
+Faust is geen scepticus, geen twijfelaar tevreden met zijn
+twijfelkunst. Het hoogere gezichtspunt, waarin de waarheid opengaat,
+is hem alsnog gesluierd. Zijn klacht klinkt tegen het gewelf van zijn
+studeercel in deze nacht van onderzoek en versmachting. Hoe zal deze
+man aan zijn klacht ontkomen?
+
+
+
+Een weg der ontkoming is er en die niet maar de vlucht is van een
+moedelooze. De tot twijfel en vertwijfeling vervallene kan vluchten
+in den schoot der moederkerk; maar een echte ontkoming ware dat niet:
+veeleer een insluimering, het moede hoofd op zijden kussen neergelegd,
+terwijl de groote klokken der beschermende kathedraal de gedachten
+bedwelmen en het gelijkmatig rythme den slaap begeleidt. Maar de
+vlucht is voor Faust de weg der ontkoming niet. Hij zal niet ontkomen,
+maar te boven komen.
+
+De weg, dien men niet aanstonds vindt is deze: het leven zelf
+samenvatten en verheffen tot zedelijke daad en op die wijze van
+binnen uit met nieuwe energie het denken sterken. Het denken, door
+de zedelijke daad des levens tot redelijkheid verdiept, heeft het
+richtsnoer der waarheid in zich. Is de beschouwing over de wereld,
+natuur, en historie uitgeloopen in de klacht der onwetendheid, dan
+zal nu de aandacht, van deze "buiten"-wereld afgeleid, zich tot den
+denkenden mensch zelf bepalen en binnen-in-zich zal men werkelijkheid
+vinden en een geestelijke levensbeschouwing wordt gewonnen. De wereld
+blijft dan het kleurig gordijn, waarvoor zich het leven afspeelt. In
+eigen boezem wordt werkelijkheid wat daarbuiten tot tastlooze
+onzekerheid versplinterd is: "gij hebt haar verwoest de schoone wereld,
+in eigen boezem bouw haar op". Zoo komt de geest zijn twijfel te boven
+en vestigt zijne zekerheid; hij komend tot de innerlijkheid des levens,
+komt tot de redelijkheid van het denken en de klacht wordt omgezet
+in gejuich. Er is noodig een omzetting des levens, die niet in éen
+moment, maar in een innerlijke geschiedenis zich voltrekt. Niet een
+"bekeering" maar een verdieping en bevinding onzer innerlijke waarde.
+
+
+
+3. Faust zoekt ontkoming bij de magische fantasie.
+
+
+Maar zoover is Faust nog niet, en juist de pogingen om tot waarheid
+te geraken éer hij zich in het leven werpt, zoekend naar zijne
+daad--juist zijn voorafgaande pogingen hebben een enorme bekoring. Want
+daarin komen groote en zinvolle vermoedens van het menschenhart tot
+uitspraak. De waarheid, door het verstand niet bereikt, wordt misschien
+bereikt door.... de fantasie? En ziehier de gedachte vleugelen
+aandoen om fantastisch in de geestelijke waarheid der wereld op te
+stijgen. Mogelijk wordt het mysterie der natuur aldus geopend? Mogelijk
+heeft de fantasie den gouden sleutel der poort, waarvan 't verstand
+niet anders vermag dan de konstruktie te bestudeeren.
+
+De vooruitgang der kennis is geweest een gaan van de fantasie
+tot het verstand. De oude mythologische verbeelding verklaart de
+natuurverschijnselen door goden en nimfen, terwijl het latere verstand
+de natuurverschijnselen verklaart door het algemeene (de algemeene
+natuurwetten). Het in de aarde geworpen zaad ontkiemt volgens een
+algemeene wet van organischen groei, zoo leert het verstand; maar de
+mythologische fantasie houdt het daarvoor, dat een fee des nachts
+met haar tooverstaf de zaden aanroert en het leven eruit opwekt,
+zoodat ze ontkiemen. Wanneer dan de mensch, ten einde des verstands en
+uitgekomen bij de klacht der onwetendheid, eens vàn het verstand tót
+de fantasie terugkeerde? Of neen niet terugkeerde, maar vóórtging:
+een nieuwe mythologie, een natuurfilosofische mythologie uitvond,
+waarin de resultaten der wetenschap omgewerkt werden in mythologischen
+zin? Het algemeene des verstands omgezet in het persoons-beeld der
+fantasie? De algemeene werkingen der natuur toegeschreven aan de
+energie van geesten?....
+
+Ziehier een weg, die schijnt een weg der ontkoming aan de klacht.
+
+Het onpersoonlijk-Algemeene was de troostelooze uitkomst van het
+overdenken der natuur; tegenover het Algemeene staat de mensch als
+tegenover het steenen aangezicht der Sfinx. Maar deze uitkomst wordt
+blij-eindig omgezet, indien het Algemeene niet meer het troostelooze
+einde onzer gedachten is, doch daarin een verwantschap aan onzen
+eigen geest wordt vermoed.
+
+Heeft ook Schiller niet in zijn gedicht "Die Götter Griechenlands"
+met weemoed deze orde der fantasie verheerlijkt en uitgeroepen:
+"Schoone wereld, waar zijt Gij? Keer terug o bloeiende jeugd der
+natuur! Ach slechts in het feeënland der dichtkunst is uw fabelachtig
+spoor thans te herkennen. Uitgestorven treurt het zaadveld en aan
+mijn blik vertoont zich geen godheid meer" ....wanneer zich nu wèl
+in het zaadveld een god vertoonde en de wereldkrachten geestelijke
+machten waren, die mijn voetspoor omringden....
+
+Gij weet wat het is.... magie? Zij is niet hetzelfde als de
+mythologische fantasie en wanneer misschien aan den Faustischen mensch
+de dichterlijke en mythologische fantasie een oogenblik het brein
+doorkruist, dan wijst hij haar toch af voor die andere: de _magische_,
+zooveel zinvoller dan haar zuster. De mythologische fantasie zingt,
+maar de magische fluistert; de dichterlijke fantasie speelt, maar de
+magische werkt. Zij verheft zich, belooft, bezweert en dreigt. Zij
+is vol angst en vol belofte, geheimzinnig als de slaap en majestueus
+als de dood.
+
+Verzeker dat de aantrekkingskracht liefde is, en noem de electriciteit
+ijver; blijf niet bij deze verklaringen in het algemeen, maar vat
+alle natuurwerking op als streven van geestelijke oer-wezens. Zeg
+dat de liefde een liefde is van elementen-geesten en dat een
+geheimzinnig huwelijk de tegengestelde krachten verbindt.... Zeg
+deze inzichten tot uzelf in het half-duister van den maannacht, in uw
+studeercel. Zeg ze tot uzelf, o Faust, te midden der oude perkamenten,
+retorten en instrumenten, terwijl ge onrustig in vergeten geschriften
+bladert.... en bevind dan de uitwerking uwer gedachten, terwijl de
+smeulende lamp knettert en de nachtwind door het geopende hooge venster
+steunt. Om u heen bewegen de ritselingen van opgeroepen geesten.
+
+Het is de Neo-Platonische en -Pythagoreische mystiek, die aldus het
+geheim der natuur wilde lezen. In de eerste eeuwen onzer jaartelling,
+toen de menschelijke gedachte een bewegelijkheid had als nooit
+tevoren en op alle wegen uitging om waarheid te zoeken, vond ook
+de magie grooten aanhang. Jamblichus (± 300) had een beroemden naam
+als filosoof, maar ook als wonderdoener en bezweerder der geesten en
+van hem vertelde men, dat hij Eros en Anteros, geesten van liefde en
+wederliefde, in levende gestalten uit twee bronnen van zijn syrisch
+vaderland te voorschijn riep. In den tijd der Renaissance, toen het
+kerkelijk systeem was losgemaakt en het denken ongehinderd op vrije
+wegen ging, was ook aanstonds de geesten-theorie gevonden als middel
+tot doorgronding van het bestaande. Heel de natuur is een werk van
+geestelijke machten welke men kan leeren kennen en op welke men kan
+invloed oefenen door de magie. De naam Paracelsus zegt genoeg: maar
+er is een andere naam, die in verband met Faust meer zegt: Agrippa
+von Nettesheim († 1535), want deze man is niet slechts een belijder
+der natuurmystiek, maar is ertoe gekomen langs den weg van Faust. En
+terwijl zijn eene geschrift den titel draagt: "over de onzekerheid
+en ijdelheid der wetenschappen" heet het andere "okkulte filosofie";
+de weg dóór het verstand tot de klacht "ik zie dat ik niets weet"
+en vàn de klacht tot de fantasie.
+
+Nu is voor Faust de wereld veranderd en de kennis geen herleiding meer
+tot het Onbegrepene. Ons eigen streven begrijpen wij: tenminste is het
+feit onzer eigen strevende natuur ons zóó vertrouwd, dat wij hier geen
+geheimenis achter zoeken, dan welke wij rechtstreeks verstaan. Hetgeen
+aan ons streven verwant is en tot vorm van streven kan herleid worden,
+achten wij ook begrijpelijk. Welke nieuwe zienswijs, wanneer op eens
+de geheele natuur met haar werkingen wordt voorgesteld als aan ons
+streven verwant!
+
+"Wanneer de natuur u onderwijst, dan gaat de zielenkracht voor
+u open en verstaat ge hoe de eene geest tot den andere spreekt";
+"de geestenwereld is niet toegesloten; uw verstand is toe en dood
+uw hart. Rijs op leerling! En baad onbezwaard uw aardsche borst in
+het geestes-morgenrood." Bij de aanschouwing der magische teekens,
+waardoor de beschouwer in rechtstreeksche aanraking komt met de
+aangeduide geestelijke kracht, vloeit zaligheid door alle zintuigen,
+een jong en vernieuwd levensgeluk stroomt nieuwgloeiend door Faust's
+zenuwen. Is het een God die in het magisch teeken die macht heeft
+neergelegd? Is hij, Faust, zelf een godheid? Hem wordt het tot licht
+van binnen en de werkende natuur ligt voor zijn ziel geopend!
+
+
+
+4. Faust's klacht herhaald (verschijning van den Aardegeest).
+
+
+Deze toenadering tot het wezen der natuur, en waarbij de magiër
+niet slechts de natuur bedoelt, maar het hart der wereld en der
+werkelijkheid zelve, heeft het kenmerk der voorbarigheid. Wat Faust van
+het daglicht der wetenschap verzekert, kan ook van het nachtlicht der
+magie gelden: "De geheimenvolle natuur laat in het licht des daags
+zich van haar sluier niet ontdoen en wat zij niet verkiest aan uw
+geest te openbaren, dat ontwringt gij haar niet met hevels en met
+schroeven". Ook voor de magische fantasie opent zij haar geheim niet.
+
+De geestesverrukking van Faust, als hij uitroept "o welke weelde welt
+in dezen aanblik" is begrijpelijk. "Welke weelde vloeit door al mijn
+zinnen! Ik gevoel jong en heilig levensgeluk gloeiend door zenuwen en
+aderen stroomen. Was het een God, die deze teekens schreef, die mijn
+innerlijke bruising bedaren, mijn arme hart vervullen met vreugde, en
+met geheimzinnigen drang de krachten der natuur rondom ontsluieren? Ben
+ik een God? ik gevoel mij zoo licht!" De geestesverrukking van
+Faust is begrijpelijk, omdat zij de opstijging der ziel is uit de
+neerslachtigheid tot de hoop. Terwijl plotseling de klacht staakt
+en een nieuw vergezicht geopend wordt, trilt de aandoening door alle
+zenuwen en wordt de gang der gedachten rythmisch; de ziel is alreeds
+door het nieuwe licht omstraald--zoolang de opwekking duurt. Weldra
+zal de weg der fantasie een pad van vergissing blijken, wanneer het
+spiedend oog ook daar de richting kwijt raakt. De denker Faust zal
+ontwaren, dat deze wereld niet de gelijke is van den menschegeest en
+dat het Onbegrepene ook hier mensch en wereld uit elkaar scheidt. De
+droomen der magie voeren eerst recht het Onbegrepene tot vlak nabij
+en ontstellen den geest, die waarheid zoekt.
+
+Het was de vraag om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap met
+den menschengeest: dan zou hun zin ontsluierd zijn en het geheim der
+dingen openbaar. Maar het spreekt vanzelf, dat deze verwantschap,
+al bestaat ze ook, dieper ligt dan ons _bewustzijn_. Maar zou
+er sprake zijn om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap
+met den menschengeest, dan zou deze verwantschap bestaan moeten
+juist met ons _bewuste_ zieleleven. Wat hielp het, zoo de natuur
+verwantschap aanwees met de _onbewuste_ gronden van ons menschelijk
+wezen? Maar zie: het kleine gebied van ons innerlijk leven, dat met
+onze eigen lantaren wordt toegelicht, is niet meer dan een oppervlakte:
+afgronden liggen in ons en berghoogten verrijzen, waarvan nu en dan
+een vermoeden en zelfs een innerlijke ervaring in ons ontwaakt. Wij
+die onszelf niet kennen, ontberen die zelfkennis, waarbij het heelal
+wordt toegelicht, en waardoor God, wereld en natuur voor ons kenbaar
+zijn. Uit verwantschap met onzen onbewusten en diepen geest zou
+de groote wereld door ons begrepen worden.... zoo wij niet beperkt
+waren tot het kleine land van ons eigen bewustzijn. Hier blijkt de
+magie met haar verbeelding van mensch-gelijke krachten in de natuur,
+een fantasie van kinderlijke dwazen en gevaarlijk misbruik onzer
+krachten. De volledige zelfkenner zou de ware Magiër zijn, die alsdan
+de magie zou verachten en in de spiegel zijns eigenen geestes de
+eeuwige wereld kennen zou zonder toovermiddel. Maar _deze_ zelfkenner
+is onder de menschen niet te vinden, en met de groote teleurstelling
+staat Faust voor het Onbegrepene.
+
+"Hoe voel ik mij u nabij" durft Faust den Aardegeest toeroepen, die het
+leven en den zin der historie van aarde en menschheid in zijn werking
+samenvat. "Uw gelijke ben ik!"--maar deze moed is overmoed, of het
+is de moed der wanhoop die op dit ééne oogenblik alles te winnen of
+alles te verliezen heeft. Het antwoord is verpletterend "gij gelijkt
+den geest _dien gij begrijpt_, niet mij".... en de geest verdwijnt.
+
+Zoo eindigt de eerste weg van Faust, waar hij begon, hij eindigt
+bij de klacht; en het einde is smartelijker dan het begin; de tweede
+klacht overtreft de eerste; zij is roerender en dieper; zij heeft geen
+melancholie en geen droefheidshumor; zij heeft alleen verschrikking:
+"Ik gelijk niet u? Wien dan? Ik, evenbeeld der Godheid.... ik gelijk
+niet eens op u!"
+
+
+
+In diepe neerslachtigheid blijft Faust achter, wanneer de
+geest der aarde, door zijne magische fantasie opgeroepen, hem
+verlaat.... "o gelukkig wie nog hopen kan aan deze zee van dwaling
+te ontkomen. Wat men niet weet, dat juist kan men ontberen, en wat
+men weet is overbodig."--Zoo spreekt hij tot zijn famulus Wagner,
+die tot geen hooger gezichtspunt stijgt dan van het interessante. De
+onbewust-komische kracht van deze Wagners is een troost, waaraan de
+Fausten zich laven een kortstondig oogenblik.
+
+
+
+
+
+II FAUST EN MEFISTOFELES
+
+
+
+1. Het eeuwige in den mensch (de proloog in den Hemel).
+
+
+De denker Faust wil een kennis van het absolute. Met niets minder
+is hij voldaan, want wat in hem leeft en beweegt is de _oneindige
+drang_. Faust is eeuwigheidsmensch. De oneindige drang is het wezen
+zijner menschelijkheid.
+
+Hiermede is Faust niet "Uebermensch" maar _mensch_. Hij is, zoo ge
+wilt, de geniale mensch. Maar het genie is niet een menschensoort,
+die, buiten de kondities van het menschelijke bestaan levend, een
+eigene roeping vervult en eigen karakter heeft. Het genie is de
+mensch in zijn volheid, en bestaat in een zuiverder uitdrukking van
+het mensch-zijn. Het genie is zich op dieper wijze van het algemeen
+en waar menschelijke bewust. Zoo ook Faust: hij is zich bewust van
+den oneindigen drang, die ongeweten ook in Wagner werkt. Hij is zich
+bewust van de eeuwigheid in hem en daardoor streeft zijn denkerschap
+naar het allerhoogste.
+
+In dit opzicht zijn wij aan Faust verwant. Waarlijk, noch Faust,
+noch zijn streven zouden ons belang inboezemen, zoo wij ons niet aan
+hem verwant wisten en zoo niet in zijn lot een beeld van het onze
+geschilderd was, hoewel in blinkender kleuren. Het loutere verhaal
+boeit slechts kinderen; de geschiedenis van iemands worstelingen zonder
+meer houdt ons eenige uren bezig; maar wat in het Faust-gedicht een
+eeuw lang de lezende en denkende menschheid geboeid en verwonderd
+heeft, is de aanschouwing van haar eigen streven en haar eigen
+levensdrang in dichterlijk beeld. Zoo is de oneindige drang het wezen
+ook onzer menschlijkheid.
+
+Tot het begrijpen van de Faustfiguur dalen wij af naar de _gronden_
+onzer menschelijkheid; de dichter zelf heeft ons dezen weg gewezen
+door aan het optreden van zijn figuur een "proloog in den hemel"
+te doen voorafgaan.
+
+Hier zien wij God op den hemelschen troon gezeten en door engelen
+omringd. Wij hooren het gezang der aartsengelen, verheerlijkend de
+werken der natuur, den omloop der zon, die instemt in den reizang der
+planeten en haar dagreis met donderslag voltooit. De engelen ontvangen
+sterkte uit dezen aanblik en de onbegrijpelijk verhevene werken Gods
+zijn heerlijk als op den eersten scheppingsdag. Ook de aarde wentelt
+in de ruimte met haar pracht in snelle beweging om en de helderheid
+als van het paradijs wisselt af met diepe huiveringwekkende nacht;
+de zee schuimt met haar breede vloeden; rots en zee bewegen mede
+in de omwenteling der planeet, en stormen bruisen, een verband van
+ingrijpende werkingen uitoefenend en bliksemende verwoesting vlamt
+vooruit op het pad des donders. Maar Gods boden verheerlijken het
+zachte wandelen van den dag.
+
+Terwijl aldus de Aartsengelen als wereldmachten de kosmische
+werkzaamheid Gods verkondigen, verschijnt Mefistofeles met zijn
+ironisch beklag over den mensch. Hij kent ze de menschen, wezens die
+zich aftobben, bedeeld met de rede, die een valsche schijn is van
+het hemelsche licht en waarvan ze niet anders kunnen dan misbruik
+maken. Een hunner is de doctor Faust, die in zijn onbevredigd zoeken
+de schoonste ster van den hemel vordert en de hoogste lust van de
+aarde. Al het verhevene, dat God in dien mensch ziet, is niet anders
+dan dwaze waan: zoo Mefistofeles hem maar eens mocht meenemen op
+zìjne wegen, zou hij volgaarne afstand doen van zijn dusgewaande
+hoogere natuur.
+
+Welaan! zoo spreekt de goddelijke wijsheid over dezen mensch: hij zij
+overgegeven aan Mefistofeles om van zijn oorsprong te worden afgerukt;
+hij worde omlaag gevoerd op Mefistofeles' weg: eindelijk zal de
+verleider beschaamd staan wanneer hij moet erkennen: een goede mensch
+blijft in het duistere gedrang zich van den rechten weg welbewust.
+
+En hieraan voegt de goddelijke wijsheid toe: al te licht verslapt des
+menschen werkkracht en bemint hij de onbepaalde rust; daarom geef ik
+hem den medgezel, die aanspoort en drijft en die als duivel zijn moet
+in gestadige werking.
+
+In dezen "proloog in den hemel" wordt dus Faust genoemd in
+een ander verband dan van zijn studeercel. Eerst worden ons het
+kosmisch leven en de groote werkingen der wereldmachten voor oogen
+gevoerd en aanstonds daarna wordt de mensch herdacht als lid in dit
+wereldgeheel. Het is God zelf, die na het gezang der aartsengelen
+den naam van Faust uitspreekt. In de groote werkingen des heelals is
+hij ingedacht; hij heet onafscheidbaar van zijn eeuwigen oorsprong
+en treedt ons dus voor oogen als eeuwigheidswezen. Niet maar een
+vergankelijk deel der aardsche verschijning is hij, maar een door
+God met hoogeren inhoud toegeruste; en terwijl Mefistofeles hem
+vatbaar waant voor verderf en ondergang, weet God, dat in hem een
+kracht woont, door geen verderf aantastbaar. In den mensch is het
+oneindige; krachtens den onuitputtelijken, oneindigen drang is hij
+_mensch_. In iederen mensch is het _bovenpersoonlijke_, algemeene
+en kosmische. Het wereldgeheel is in hem vertegenwoordigd, zooals de
+val van een voorwerp de aantrekkingskracht in het algemeen beduidt,
+en zooals in een enkele plant de geheele natuur werkzaam is.
+
+
+
+2. De verstorende macht.
+
+
+Faust dan is vergezeld door _Mefistofeles_. Reeds in den proloog is
+deze figuur toegelicht; te duidelijker blijkt zijn wezen waar hij
+zich aan Faust onthult in de studeercel en in den omgang, dien hij
+met zijn geleider pleegt.
+
+De inkleeding der Mefisto-gedachte is evenals het Gods- en hemelbegrip
+in den proloog aan de Middeleeuwsche voorstelling ontleend; maar de
+gedachte zelf is mijlen ver van het Middeleeuwsche geloof verwijderd.
+
+Het Middeleeuwsche geeft hier zijn magisch-dichterlijken glans af:
+de booze geest in een zwarten poedel geïnkarneerd, loopt op Faust,
+die met Wagner langs de velden wandelt, in al nauwer kring toe, een
+vuurspoor achterlatend. Daarna in de studeercel van Faust meegekomen
+en door magische spreuken gedwongen, onthult hij zich als Mefistofeles
+in de gedaante van een reizend scholier, zooals de Middeleeuwen ze bij
+menigte telde en aan wier reputatie vaak een geheimzinnig verdachte
+bijsmaak was.
+
+Welke nu is de beteekenis van Mefistofeles in het Faustgedicht? Want
+deze figuur heeft een zeer bepaalde beteekenis voor Faust. De dichter
+heeft in het Middeleeuwsche beeld de Middeleeuwsche gedachte verlaten,
+niet bedoeld een persoonlijken duivel, boozen geest of zelfstandig
+wezen, maar een faktor van Faust's menschelijkheid zelf, een element
+_in_ den menschegeest. Geen wezen naast Faust maar een wezen in Faust.
+
+In Faust vindt, gelijk ieder mensch, de goddelijke geest (die het
+menschelijk _wezen_ zelf is in zijn hoogere Algemeenheid) eene
+belichaming, en Faust is zich hiervan als van een oneindigen drang
+bewust. Dit hoogere en algemeene wezen is in ons een aanleg, die
+zich moet verwerkelijken. Niet in eens zijn wij die wij _zijn_. De
+majesteit van ons wezen is nog omhuld. Het is nog niet openbaar
+wat wij zijn zullen, zegt de apostel Paulus. Dit beteekent dat de
+bepaalde persoonlijkheid, die wij zijn, een grond en diepte verbergt,
+die eerst in de voltooiing des levens tot volle verschijning komt.
+
+Deze oneindige drang nu verwerkelijkt zich door eerst zijn _tegendeel_
+te stellen en in zich zijn tegendeel te overwinnen. Is niet de
+mannelijke wijsheid veroverd op de dwaasheid der jeugd en wordt niet
+de innerlijke vrijheid gewonnen na het bewustzijn van benauwing en
+onmacht, zoodat alle schoonheid en waarheid onzes geestes tot stand
+komen door een overwicht over het leelijke en over de leugen? Het
+licht schept de duisternis, die niet anders is dan een tegenstelling
+des lichts, maar daarna zal het licht de duisternis overwinnen. Daar
+nu de mensch een kosmisch wezen is, doorleeft hij dezen wereldstrijd
+in zichzelf; zijn oneindige drang, een werkende en scheppende macht,
+roept zijn eigen tegendeel, het begrenzend en verstorend element
+te voorschijn. In de triomf over dit zal de oneindige natuur zich
+verwerkelijken. Faust brengt zijn Mefistofeles voort om over hem te
+triomfeeren. Bij de onthulling in de studeercel verklaart Mefisto,
+dat hij is een deel van die kracht, die steeds het booze wil en het
+goede voortbrengt. Hij is het Faustisch deel van deze; de kracht zelve
+is het duister element dat de Goddelijke scheppingsdrang voortbrengt
+uit zichzelf, afscheidt en overwint; deze wil ten kwade wordt tot
+het goede aangewend. In de menschelijkheid van Faust heeft hetzelfde
+plaats. Faust's titanisch wezen, werpt een duistere schaduw van zich
+af, gelijk iedere mensch zijn schaduw heeft. En gelijk een schaduw
+met ons is totdat ze verbleekt, zoo is Mefisto de reisgezel van
+Faust. Mefisto is de negatieve zijde van Faust's wezen.
+
+Ook het denken van Faust is een kamp tegen Mefistofeles. En hier is
+Mefisto de ontkenner van de waarheid. Tegenover den wil tot waarheid,
+stelt hij de ironie en den twijfel. De twijfel is zijn beginsel
+omdat daarin de oneindige waarheidsdrang is verloochend en om den
+waarheidsdrang te fnuiken leert hij tevens een pedante voldaanheid
+met het beetje ordinaire wetenschap, alreeds verzameld.... bij welke
+voldaanheid het hooggestemd gemoed zal inslapen en ten gronde gaan.
+
+De verstandsheld is met zijn wetenschap tevreden en bemerkt niet eens,
+dat het denken zijn grenzen heeft. De famulus Wagner met zijn beperkten
+geestesaard is nog steeds aan het verzamelen van feiten. De grazende
+koeien zijn zich niet bewust, dat de natuur, die hen van gras voorziet,
+mysteries in haar schoot omvat. Wie chemische formules toepast op de
+stof vindt werk en bemerkt van geen grond des geheims in deze formules
+zelf omsloten. Maar de eeuwigheidsmensch die ook den lust kent van
+het nijvere weten, en de verleiding om zich daaraan te vergasten,
+onbekommerd over diepte, hoogte en mysterie--de eeuwigheidsmensch
+heeft toch verkozen de klacht over de onkenbaarheid der wereld en wil
+worstelend naar de verborgen waarheid zoeken. Voldaanheid met minder
+dan het volstrekte zou voor hem een _ontkenning_ van de waarheid
+zijn, een verderving van zijn hoogste verlangen, een Mefistofelische
+leugen. Zijn eigen hoogere wezen ware daardoor getroffen en te gronde
+gericht. De titanische natuur van Faust verlangt geen gemakkelijke
+voldaanheid, maar streven.
+
+De onvoldaanheid van Faust, die een bewustzijn is van onze
+oneindigheid, wie heeft haar niet op eigen wijze nagevoeld? Zelfs
+de famulus Wagner zuchtte eens: ach God, de kunst is lang en kort
+is ons leven, ook hij besefte de ons opgelegde taak te groot voor
+verwerkelijking. Als wij teleurgesteld zijn om het onbereikbare, of
+mismoedigd ons werktuig neerleggen, over het werk ontevreden, dat wij
+toch niet opgeven; als onze hoop met vreeze is vervuld.... telkens
+weder schrijnt de onvoldaanheid onze worstelende natuur. Zooals een
+laat-zomer-avond ons met zijn melancholie overvalt, zoo stort het
+leven een droefheid om het oneindige in ons uit. Ons bepalen bij
+de genoegens en voldoeningen, die het menschelijk bestaan meebrengt
+kunnen wij niet. Zoo wij onszelven toestonden voldaan te zijn, het
+ware een onderwerping aan Mefistofeles.
+
+Mefistofeles is een verleider, die ons poogt af te leiden van
+onze hooge menscheroeping; maar zijn oogmerk ligt verder dan een
+verleiding zonder meer; de verleiding is niet meer dan middel en
+het doel, waarheen hij streeft is _verstoring_. Hij wil verderven,
+te niet doen. Hij wil den waren levensdrang vernietigen.
+
+"Ik ben de geest die steeds ontkent" roept hij tot Faust. Wel is waar
+is het onmogelijk om louter ontkennend te zijn en niet anders dan
+ontkennend en verstorend te werken; want de ontkenning staat in dienst
+van een erkenning (nl. de erkenning van het tegenovergestelde)--maar
+dit is bewijs te meer, dat Mefisto niet als zelfstandige grootheid
+bedoeld is, maar als een deel van Faust's persoonlijkheid. Van
+zijn standpunt uit "is alles wat bestaat waard om te gronde te
+gaan". Immers al wat bestaat, bestaat krachtens een drang van leven,
+en deze drang zelf wordt door Mefisto verstoord. Hij, die in allen
+menschelijken arbeid het teeken ziet van den drang ten leven, acht het
+beter dat niets ontstond; en daar het booze de verwoesting is van het
+levensgeluk, noemt hij het booze zijn eigenlijke element. Let wel: niet
+om het kwaad als zoodanig, maar om de verstorende uitwerking daarvan.
+
+Met plechtiger gebaar dan men van dezen ironischen verwoester
+verwachten zou, redeneert hij tot Faust: "Ik ben een deel des deels,
+dat in den aanvang het al was: een deel der duisternis, waaruit het
+licht geboren werd, het trotsche licht, dat nu aan zijn moeder de nacht
+den ouden rang en plaats misgunt." Ja, Mefistofeles is het tegendeel
+der goddelijke scheppingskracht, en waar deze uit den chaos het licht
+als levenskracht doet verrijzen, daar zal eens, gelijk hij hoopt,
+het licht tot den duisteren chaos terugkeeren en alle schepping des
+lichts zal zijn vergaan.
+
+
+
+3. Mefistofeles: ontkenning en ironie.
+
+
+Wij komen hier nog eenmaal terug op onze bewering, dat Mefistofeles
+een deel is van Faust zelf. De oneindige levensdrang stelt zijn
+tegendeel om in de overwinning hierover zichzelf te bevestigen, en
+aldus het oneindige en eeuwige in ons te verwerkelijken. De zin tot
+hoogste waarheid moet eerst den twijfel doorleven en deze komt niet van
+elders, maar is een voortbrengsel van ons eigen wezen. Worstelend met
+haar eigen negatie komt onze diepe menschelijkheid tot de overwinning.
+
+Is het raadselachtig, dat Faust-zelf zijn Mefistofeles
+voortbrengt? Zeker niet, wanneer wij bedenken dat in de wereld
+tegenstrijdige beginselen noodwendiglijk met elkaar verbonden zijn,
+en dat het eene de ontkenning is van het andere. De oneindigheid is
+ons wezen en wij leven onder eindige voorwaarden: zoo moeten deze
+laatste zich tegen ons keeren. Wij bestaan uit eindige faktoren,
+al onze daden zijn pogingen, onze liefde is maar betrekkelijk en ons
+kunnen is begrensd; geen kunstenaar die in eigen werk meer ziet dan de
+halfgeslaagde uitdrukking zijner idee. Het werk keert zich tegen hem en
+al onze pogingen verschijnen ons als een ontkenning onzer oneindigheid.
+
+Op hoeveel hooger trap onze levensuitingen bedoeld zijn, zooveel te
+meer zijn ze mislukt: is er één godsdienstige vorm, die niet jammerlijk
+achterblijft bij de religieuze idee? Zoo ooit dan treft ons hier de
+Mefistofelische ironie, die onze hoogste bedoelingen verstoort. De
+menschegeest is een oceaan, die moet omvat worden in een vijver: de
+eindigheid onzer levensvoering keert zich als een verstorend geweld
+tegen ons hooger ik.
+
+Dat in onze levensvoering een ontkenning schuilt tegenover ons hoogere
+wezen, is voor iedereen ondervindbaar, die niet, als de heroën, alle
+verleiding te boven is. Maar wij menschen pogen het eindige met het
+oneindige te verzoenen; wij regelen voorloopig onzen wil naar ons
+vermogen, aldus den oneindigen levensdrang niet ontkennend, maar
+hem tijd gevende en een toekomst belovend, om zijn vollen aanleg te
+verwerkelijken. Daarbij komt, dat de geestelijke verrichtingen, die
+het meest dien drang aanzetten, natuurbewondering, kunst, wijsbegeerte,
+godsdienst, dezelfde zijn, die hem bevredigen, zoodat een geleidelijk
+te vervullen taak, die zich tot in verre verschieten verlengt, de
+gelukkige afleiding is voor een al te hevig innerlijk konflikt.
+
+Maar toch blijft de tegenstelling bestaan en zoo ons eeuwige wezen
+zich bedreigd weet door de Mefistofelische verleiding, rijst het
+op en keert zich tegen Mefistofeles en zijn arglistige ontkenning,
+ja keert zich tegen alle zinnelijke voldaanheid, als waarin zich
+Mefistofeles met de bedoeling om het oneindige te belagen, vermomd
+heeft. De Indische leer der begoocheling, die de geheele zichtbare
+wereld als onware schijnwerkelijkheid verwerpt; de Neo-platonische
+leer, dat de ziel zich in deze wereld bevindt als in een gevangenschap;
+het christelijke ascetisme, dat alle zingenot verwerpt; de mystische
+versmachting van een heilige Theresia; het oneindigheidsverlangen
+der duitsche Romantiek en niet het minst de wijsgeerige benadering
+van het Absolute, waarbij de menschegeest zich van de eindigheid
+der ervaarbare wereld bevrijdt--zij alle zijn de poging van den
+oneindigheidsdrang om de aardsche begrenzing omver te stooten. Zij zijn
+een tebovenstijging boven de aardsche voldaanheid, door Mefistofeles
+aangepraat en waarmeê hij ons innerlijke wezen verstoren wil. De
+hooggestegen geesteskracht getuigt alsdan tegen maatschappij,
+bestaanden godsdienstvorm, overlevering, zede, instelling, kerk,
+eigendom, huisgezin, zinnenschoon. Alle voorwaarden der gewone
+levensvreugd moeten het ontgelden, omdat Mefistofeles zich in hen
+heeft vermomd als vijand onzer oneindigheid. De oneindigheidsdrang
+zegeviert; verscheurt de begoocheling, bevrijdt de ziel en verzaakt de
+wereld, met alle historisch gegroeide en betrekkelijke werkelijkheid in
+botsing. Het absolute bevestigt zich door het nietige en betrekkelijke
+te verstoren. Zoo overwint de oneindigheid in ons den Mefistofeles.
+
+Maar voorloopig is de verhouding nog andersom en kant zich Mefisto met
+verstorende bedoeling tegen Faust, Meesterlijk hanteert hij de ironie,
+dit ideëele middel om de waarheid omver te loopen; de ironie rukt alles
+uit zijn hooge verband en brengt het verhevene tot het alledaagsche
+terug. Zij is het vuur van den wereldbrand, de verwoestende vlam,
+dienaresse van het Niet. Mefisto zegt, na zijn uitspraak dat uit
+alle wereldelementen het leven ontspringt: "had ik mij niet de
+vlam voorbehouden, er ware niets eigens voor mij overgebleven." Dat
+echter de ironie wondt, maar niet kan dooden wat leeft, dat zij geen
+macht is, maar een onmacht, is niet aan Mefistofeles, maar wel aan
+Faust bekend. Op juiste wijze karakteriseert Faust het vergeefsche
+werk van zijn tegenstander: "Zoo heft gij tegen de eeuwig werkzame
+heilzaam-scheppende macht de koude duivelsvuist op, die gij boosaardig
+balt, doch vergeefs".
+
+
+
+4. De weddenschap van Faust en Mefistofeles.
+
+
+Maar Faust zal eerst gaan op den weg van Mefistofeles, alvorens hij
+zijn tegenstander overwint. Hij die in het zoeken naar de absolute
+kennis is teleurgesteld en geschokt is in het bewustzijn van zijn
+oneindige menschewaarde, is te meer vatbaar voor de Mefistofelische
+verleiding. Mefisto acht dat Faust op dit oogenblik gaarne een
+weinig zinnenroes als surrogaat voor zijn oneindigheidsverlangen
+zal aanvaarden en dat dan de oneindigheidsdrang wel bezwijken
+zal. Inderdaad is Faust, ook al zal hij met Mefisto meegaan, zich
+van de onverstoorbaarheid zijner hoogere natuur bewust, zooals in den
+proloog verklaard werd: een goede mensch is in het duistere gedrang
+toch zich van den rechten weg bewust. Nooit zal Faust bevredigd bij
+den zinnenlust, die de negatie zijns wezens is, verwijlen. Nooit zal
+hij de oneindigheid vergeten. Werd hij inderdaad bevredigd, dan zou
+hij verzinken in de macht van het onwezen, dat tot hem sprak: al wat
+ontstaat is waard om te gronde te gaan.
+
+Hier ligt de beteekenis der weddenschap tusschen Faust en Mefisto. Uit
+Mefisto's oogpunt schijnt het mogelijk den levensdrang van Faust in de
+ontkenning te doen ondergaan. Immers zoodra hij met bevrediging in het
+betrekkelijke en in den zinnenlust verwijlt, doet Faust afstand van
+zijn ware menschelijkheid. Mefisto, de negatieve, acht dit mogelijk,
+daar hij den inhoud van het menschelijk wezen niet begrijpt. Indien
+maar Faust's geest zich een weinig beperken wil, meent hij, is het
+geen reuzenwerk hem te voeren tot die zelfvoldaanheid waarmee hij ten
+ondergaat. Met verleidende woorden poogt Mefisto den oneindigen drang
+te binden. "Wat gij wilt, zoo spreekt hij tot Faust, het al-tegelijk,
+dat is slechts voor een God gemaakt. Gij zijt tenslotte.... wat gij
+zijt, ook al zet ge u een pruik van millioen lokken op het hoofd en
+zet uw voet op hakken van meters hoog."
+
+Faust daarentegen ontkent bij zichzelf de mogelijkheid van
+vernietiging; hij weet dat de oceaan niet in een drinkbeker kan
+geledigd worden en dat het oneindige bewustzijn niet bevredigd wordt
+in een oogenblik van zinnenlust. Daarom durft hij zonder aarzeling
+de weddenschap met Mefisto aan: "wanneer ik ooit bevredigd mij op
+het bed der traagheid neerleg, zoo zij het met mij gedaan; kunt gij
+mij door vleierij beliegen en mij bedriegen door het genot, zoodat
+ik mijzelf behaag, dan zij mijn laatste dag aangebroken. Wanneer ik
+tot het oogenblik zeg: blijf, want gij waart schoon genoeg, sla mij
+dan in boeien, want dan mag ik te gronde gaan. Deze weddenschap ga
+ik aan met u!"
+
+De zinnelijkheid, eensdeels het uitingsmiddel onzer geestelijke
+natuur, is anderzijds een ontkenning onzer hoogste waarde. De mensch
+als geestelijk wezen is zich van de ontoereikendheid en onmacht der
+zinnelijke natuur bewust. Krachtens dit hooge besef durft Faust de
+weddenschap met Mefistofeles aan.
+
+
+
+
+
+III FAUST IN DE WILDERNIS
+
+
+
+1. Zelfverlies in den zinnenlust
+
+
+Faust heeft door zijn klacht om het hoogere weten het geloof betoond
+aan zijn oneindige wezenheid. En toen zelfs de magie hem niet tot
+het inzicht der waarheid leidde, heeft hij waarheid gezocht bij
+den dood. Faust wil sterven opdat de dood hem wijs make: hij wil
+dat duister ingaan, dat bij het binnendringen misschien zich als het
+geopenbaarde geheim onthullen zal. Door den dood heen grijpen naar het
+absolute. Vandaar dat hij plotseling in jubel uitbreekt: de aardgeest
+heeft hem verbijsterd, maar desniettegenstaande heeft hij zelf den
+weg der waarheid gevonden. En waarlijk niet in wanhoop, maar in den
+triomf begroet hij den giftbeker: "ik groet u gij kristallen schaal,
+die ik nu met eerbied aanvat; in u vereer ik menschelijk vernuft en
+kunst. Gij samenvatting der zoete sluimersappen, uittreksel aller
+doodelijke krachten, bewijs thans uw gunst aan den meester! Ik zie
+u, de smart verzacht; ik vat u aan: ik voel mijn jacht verminderen;
+de vloed des geestes gaat over in eb en wijst mij naar de volle zee
+henen; het spiegelende water glanst aan mijne voeten en tot nieuwe
+oevers lokt een nieuwe dag.... bereid gevoel ik mij op nieuwe baan
+het luchtruim te doordringen naar sferen van nieuwe werkzaamheid. O
+hooge leven, o godenweelde! Te voren nog een worm en nu reeds verdien
+ik deze. Keer vastbesloten den rug toe aan de aardsche zon; vermeet
+u slechts de poort te openen langs welke ieder mensch het liefst
+voorbijsluipt! Hier is het oogenblik gekomen om door daden te bewijzen,
+dat mannenwaarde niet voor godenhoogte terugwijkt!"
+
+Nochtans bezwijkt dit doodsenthousiasme voor den zang des levens, die
+stroomend van de Paaschklokken in Faust's studeercel binnendringt. De
+weg door den dood tot het mysterie is op eens versperd. Een andere
+weg moet zich openen. Deze ligt van de studeercel in de _menschelijke
+samenleving_. De oneindige drang, welke Faust's natuur is, zal hier
+niet ondergaan, slechts anders gericht worden. In het leven waar hij
+nu ingaat, geldt zijn weddenschap met Mefistofeles.
+
+In de menschenwereld, waarin Faust door Mefisto geleid wordt, had
+zijn oneindigheidsdrang zich kunnen voordoen als een Napoleontische
+heerschzucht of als de zucht naar apotheose, zooals der Romeinsche
+Caesaren; zelfs had hij naar het wonderbaarlijke kunnen streven
+gelijk Apollonius en Cagliostro. Immers op deze wijze kon Mefisto
+gepoogd hebben aan zijn hevige verlangen te gemoet te komen. Maar
+de oneindigheidsdrang onder Mefisto's leiding openbaart zich in een
+_onstuimige zinnelijkheid_: "de draad van het denken is doorgebroken;
+van alle wetenschap walg ik: laat ons in de diepte der zinlijkheid
+gloeiende hartstochten stillen! Storten wij ons in den roes des
+tijds en in de wenteling der gebeurtenissen!" Meen echter niet dat
+Faust in deze razernij een voldoening zoekt en zich aan Mefistofeles
+zal gevangen geven. Veeleer zal hij als een stormwind alle geluk en
+geluksvoorwerp uiteen blazen en eerste stort hij zich in het niets
+dan zich te vleien met begoocheling. Vandaar ook zijn schrikwekkend
+woord: "ik vervloek alles wat de ziel omspant met lokwerk van
+begoocheling! vervloekt zij de hooge illusie van den menschelijken
+geest, vervloekt de verblindende schijn; vervloekt de bedriegelijke
+droom van roem en bezit, van vrouw en kind en knecht en heer; vervloekt
+het balsemsap der druiven en vervloekt de zaligheid der min; vloek
+over de hoop en over het geloof en vloek voor alles over het geduld!"
+
+De zinnenbegeerte van Faust is geheel anders dan Mefistofeles
+bedoelt. Zij stamt uit den oneindigen drang naar zielsverzadiging
+en kenmerkt zich door voorbijstreving van haar doel. Zij wil niet
+genieten, maar zich verliezen. Tevoren was Faust's leven ontbering;
+nu wil hij niet-ontberen en zijn geweldig streven tot het uiterste der
+gevoels-spanning voortzetten en in zielsverrukking sterven. "Zalig wien
+de dood in den glans der overwinning de bloedige lauwers om de slapen
+windt; zalig wien hij na de razernij van den dans in de armen van een
+meisje aantreft." Of anders verkiest hij een snerpende ontgoocheling,
+die met zijn geestesaard beter overeenstemt dan de voldoening welke
+Mefisto belooft: "Hebt gij spijs die niet verzadigt, rood goud dat
+als kwikzilver mij in de hand ontloopt; een spel waarbij men nimmer
+wint; een meisje dat aan mijn borst gelegen, zich reeds met het wenken
+der oogen aan mijn nabuur verbindt; de godenlust der eer die als een
+meteoor verdwijnt--geef ze mij! Toon mij de vrucht die verrot eer men
+haar plukt!" Faust wijdt zich aan de dronkenheid en het genot dat met
+smarten zegent, aan den haat der liefde, aan het verdriet, dat de ziel
+verkwikt. Voor geen smart gesloten, wil hij genieten wat toebedeeld is
+aan de gansche menschheid, haar vreugd èn jammer; zijn eigen zelf tot
+het zelf der menschheid verbreeden, en met haar wil hij ten onder gaan.
+
+Ziehier de zinnenbegeerte van dezen titanischen mensch. Het is geen
+genot dat hij zoekt. "Gij hoort toch: om vreugd is het mij niet te
+doen." Het is zelf-verlies; gelijk hij door een teug uit den giftbeker
+zichzelven gewelddadig wou inslingeren in het mysterie des doods,
+zoo werpt hij zich thans in de zinnelijkheid met de onstuimigheid van
+zijn rusteloos gemoed. Hoe zou het mogelijk zijn dat Mefistofeles
+dezen stormenman in zijne bedwelming ving! Onder de leiding echter
+van zijn verstorende macht is het voor Faust niet anders mogelijk
+dan te vertoeven in een wildernis.
+
+Het omslaan uit den weetdrang naar den zinnenlust heeft vele lezers
+van Goethe's gedicht verwonderd; het kwam hun voor dat de Faust van
+den eersten monoloog, de uitspreker van de klacht, èn de Faust, die
+Gretchen verleidt niet meer gemeen hebben dan den naam, en dat wij in
+waarheid een geheel ander karakter voor oogen hebben hier en daar. Bij
+deze beoordeeling vergeet men echter dat de Faust geen psychologisch
+persoonsdrama is, gelijk in de school der Fransche klassieke gegeven
+werd; maar een symbolisch gedicht. Racine had zeker van den Faust niets
+begrepen en hem uit een oogpunt van dramatische kompositie dubbel
+en dwars afgekeurd. De eenheid van gedrag des hoofdpersoons is ver
+te zoeken. Faust is geen bepaalde persoon; maar hij is de _mensch_
+en de mensch in verscheidene fasen van het oneindigheidsbewustzijn;
+de tafereelen van het dichtstuk hangen niet samen als voorvallen uit
+het leven eener bepaalde menschenfiguur. Het geestelijk leven kan
+zich verjeugdigen. Het kan zijn dat een grijsaard voller idealist is
+dan een jonkman, die zijn levenslust verloor; men kan eerst oud zijn
+naar den geest en daarna jong. Zoo verschijnt Faust in het begin als
+bejaard man en in de Gretchen-episode als een jeugdig kavalier. Hier
+zijn geestelijke fasen in beeld gebracht. De verjongingsdrank, dien de
+dichter aan zijn held in de heksenkeuken te genieten geeft, is niet
+anders dan de aanwijzing van overgang tot nieuwe geestesfase. Moge
+hierdoor het Faust-drama een onwaarschijnlijkheid hebben en verwarring
+stichten voor een uitwendigen verstaander, de inwendige toedracht is
+zoo geheel waar en de inwendige eenheid des poeëems zoo onbestrijdbaar,
+dat de verbazing over verschillende gestalten van Faust allen grond
+verliest.
+
+
+
+2. De onmacht van Mefistofeles (Faust in Mefisto's leiding)
+
+
+De wildernis waarin Mefistofeles Faust vergezelt heeft verschillende
+gebieden; Faust vertoeft tusschen de drinkende boeren in
+Auerbachs wijnkelder, bezoekt de heksenkeuken, verwijlt in de
+zoete vreugde van Gretchens liefde en komt te gast met de heksen
+in Walpurgisnacht. Alleenlijk het verkeer met Gretchen oefent een
+schoone verleiding uit en daarin schijnt het soms als zal Faust de
+weddenschap verliezen door tot het oogenblik te zeggen: houd stand,
+want gij zijt schoon genoeg. Voor Gretchen misschien zal hij den
+oneindigheidsdrang verloochenen. Is zij niet het toonbeeld der lieve
+onschuld van het aardsche geluk? In haar is de wereld op haar schoonst,
+gelijk in den bloei der vruchtboomen op een zonnigen Meimorgen. Zoo er
+onbetwist geluk is en zijn mag, en zoo wij met de wereld en het leven
+ons verzoenen, en de vraag naar het oneindige met reden tot zwijgen
+gebracht wordt--het is bij de aanschouwing eener zoo landelijke en
+vredige lieflijkheid, als wij in hare verschijning belichaamd zien.
+
+Maar ach, nu Faust's oneindigheidsdrang in Mefistofeles' leiding tot
+een verstorend geweld werd en nu zijn begeerte zoo hevig brandt als
+te voren zijn drang naar kennis, nu kan het niet anders of het geheele
+geluk van Faust en van Gretchen moet als tot een wildernis vergaan.
+
+Het meisje, wier leven door den storm van Faust's hartstocht
+verwoest wordt, staat niet als een vreemdeling buiten Faust, maar
+houdt verband met de aardsch-nederige en tevredene zijde van Faust's
+eigen karakter. Het levensproces eens menschen is een proces in de
+ziel en de dichter stelt het in beelden voor en laat het dus buiten
+den mensch voorvallen. Maar in deze beelden ligt de aanduiding van de
+worstelingen des karakters. Faust's karakter heeft de lieflijke, humane
+zijde evenzeer als de titanische, maar zij is geen hoofdeigenschap
+en zal dus door den oneindigen drang worden aangestormd. De behoefte
+aan levensgeluk is hem gelijk allen menschen eigen. Hoe vrij heeft
+hij geademd in de voorjaarsnatuur van den Paaschmorgen, terwijl de
+vroolijke menigte de wegen vult. Te midden van deze heeft hij zich
+mensch gevoeld en zijn recht op het leven erkend. In de liefde voor
+Gretchen eindelijk werden de teerste snaren van het menschelijk
+gemoed aangeslagen. Het konflikt tusschen den oneindigen drang en
+den aardschen vrede, is een konflikt, waarmede wel de bestaande orde
+der maatschappij wordt aangetast, maar dat ten slotte in de ziel
+van dien titanischen mensch zelf wordt uitgestreden. De woede der
+titanische zinnelijkheid komt aldus Faust, in het beeld van Gretchen,
+op een ondergang van alle aardsche vreugd te staan; hij verstoort
+zijn aardsche bestaan door den drang der oneindigheid en eindigt
+hier met nog heviger klacht, dan welke hij ophief na de verschijning
+van den aardgeest; een klacht welke ditmaal een aanklacht is tegen
+de macht der verstoring: "Hond, afschuwelijk ondier, word o slang
+veranderd in de hondgestalte waarin gij mij verscheent; verander in
+uw lievelingsbeeld en kruip op den buik in het stof, en ik trap u met
+den voet, verworpeling. Ellende, door geen menschenziel te vatten,
+dat meer dan éen ziel in de diepte van zulken jammer verzinken
+moest...." "O ware ik nimmer geboren."
+
+Het einde van dezen weg in de wildernis van het leven bereikt
+Faust in zijn wilden dans met de heksen op den Blocksberg in
+Walpurgisnacht. Alleenlijk deze fantastische spookwereld blijft
+nog over, nu Faust in Gretchens omgang het verlangde oogenblik der
+voldaanheid niet heeft beleefd. Mefisto zal hier hem tot het laagste
+punt des levens heenvoeren. Mogelijk dat het walgelijke aan zijn
+titanischen drang voldoet, nu hij het bekoorlijke verwierp. Aan den
+heksendans is tenminste een diabolisch genot te beleven, en daar
+niets anders overblijft zal misschien Faust zich hier gewonnen
+geven. Bereidwillig laat hij zich meevoeren. Door een dwaallicht
+geleid, schrijden Faust en Mefisto de tooversfeer binnen, de rotsen
+hebben menschen-neuzen, spookvogel, kievit en ekster zijn wakker
+gebleven en de hagedissen kruipen met de muizen door het struikenbosch,
+terwijl boomwortels uit den bodem steken en glimwormen een verwarrend
+geleide geven. Onderwijl draait het geheele landschap en is het alsof
+rots en boomen gezichten trekken; vuurgloed en lichtstrepen maken
+de wereld geheimzinnig; vonken storten zich uit als fonteinstralen
+en de geheele rotswand is verlicht. Onderwijl steekt de storm op en
+schudden de denneboomen, wier takken afbreken al krakend; gegier,
+gesis en geraas doorblaast de lucht en langs den geheelen berg stroomt
+woedend een tooverzang. Een menigte van heksen nadert door de lucht
+varende, zoodat Mefisto voor Faust ruimte moet maken opdat hij niet
+worde omvergeworpen. Zij wijken ter zijde en terwijl bij uitgegloeide
+kolen een klein gezelschap van oude heeren zitten, vinden zij weldra
+twee heksen, een oude en een jonge; en terwijl Mefisto de oude grijpt
+voor den dans dwingt hij Faust om met de jonge om te springen.
+
+Dit oogenblik is het dieptepunt der leidingen van Mefistofeles. Hij
+meene echter niet, dat de Faustische geest hier iets anders zal
+beseffen dan afkeer. Reeds zoovele malen is Mefisto's onmacht gebleken
+om Faust te verderven. Elke periode zijner werking eindigt met een
+zelfbevrijding. In den wijnkelder van Auerbach, heeft Faust het gansche
+schouwspel met onverschilligheid bijgewoond, en wanneer ten slotte
+de lustige drinkers uitroepen "wij voelen ons heelemaal kanibalisch
+lekker gelijk aan vijfhonderd varkens" heeft hij nog slechts éen
+wensch te uiten: ik verlang nu heen te gaan. In de heksenkeuken wordt
+Faust geboeid door het in den spiegel aanschouwde beeld van Helena:
+een nieuw verlangen wordt in hem levend, maar voor het overige vindt
+hij in al het gedoe dezer onsympathieke wezens niets dan smakeloos
+bedrog. Daarop volgt de Gretchen-episode. Ongekende gevoelens van
+teedere bekoring stillen de machtige levensdorst van Faust; en
+misschien zou hij hier het gevaarlijk oogenblik bereiken, zoo niet
+een geheimzinnige aantrekkingskracht hem uit de oase naar de woestijn
+terugtrok. Deze vreugde moet eindigen in wanhoop; ook terwijl Gretchen
+zijn gemoed en zinnen bevredigt, verkeert Faust in de wildernis, die
+weldra zich in groot onheil openbaren zal. De scala der aandoeningen
+van Gretchens gemoed teekent deze afzinking naar het jammer, waarin
+Faust aan Mefisto ontkomt; terwijl de genotsbevrediging hem aan Mefisto
+zou hebben overgeleverd. Bezorgdheid is de grondtoon van haar liefde,
+sedert haar ontboezeming "mijn rust is henen, mijn hart is bezwaard"
+en het klagende lied voor het beeld der Mater Dolorosa is zóo van
+leed vervuld, dat wij hier het ergste voorzien: "help en red mij
+van smaad en dood! ach buig gij smartenrijke genadig uw aangezicht
+tot mijn ellende neer!" Het leed van Gretchen zal het leed van Faust
+blijken; het is niet anders dan de afspiegeling van zijn titanische
+natuur, die alle aardsche verhoudingen verbreekt en wiens geluk
+vanzelf in ongeluk omslaat. Wanneer dan Gretchens broeder Valentin
+in een tweegevecht met Faust is omgekomen, nadat ook haar moeder,
+niet zonder schuld der gelieven, gestorven is en bij den lijkdienst
+in de domkerk het dreunend orgel den donkeren choorzang begeleidt,
+den zang van het goddelijk oordeel--dan is niets meer te wachten van
+levenslust of liefdevreugd en aan Mefistofeles zal zeker de macht over
+Faust ontgaan: in déze wildernis des gemoeds weet geen Mefisto den weg.
+
+Maar nu de Walpurgisnacht op den Blocksberg: terwijl Faust zijn
+tijdelijke laagten doorwaadt in vergetelheid van Gretchens liefde
+en haar ongeluk, wordt hij plotseling door de gedachte aan haar
+opgeschrikt. Weelde en wanhoop doorkruisen zijn gemoed en terwijl
+hij van de bepeinzing niet scheiden kan doorflikkert de gedachte aan
+dood en straf zijn overdenking. "Een in lange niet gevoelde afschuw,
+de gansche ellende der menschheid grijpt mij aan. Hier toeft zij
+achter vochtige muren", roept hij uit, staande voor de gevangenis,
+waarin zij om den in waanzin gepleegden moord op haar kind geworpen is;
+"haar misdaad was het verkeeren in zoeten waan. Gij aarzelt tot haar
+te gaan? Gij vreest haar weder te zien! Voort! uw talmen brengt haar
+dood naderbij!"
+
+Zoo verscheurt Faust het net dat Mefisto over hem heenwerpt. Het
+woord uit den proloog in den hemel wordt bewaarheid: de goede mensch
+blijft in het duister gedrang zich van den rechten weg bewust. Bij
+alle omdwaling in de wildernis blijft Faust de ware richting des
+levens beseffen en zijn verheven menschelijkheid gaat niet ten onder.
+
+
+
+
+
+IV DE WEG VAN FAUST
+
+
+
+1. De nacht van uitrusten voor den nieuwen morgen
+
+
+Zoo Goethe aan zijn Faust-drama den ondertitel "een tragedie"
+heeft toegevoegd, is deze benaming toch niet in eigenlijken zin
+aangewend. De onmogelijkheid om dit gedicht bij een der bestaande
+dichtsoorten in te deelen, verontschuldigt de halftoepasselijke
+aanwijzing. In een tragedie traden van oudsher figuren op van
+grootscher bouw dan die van het dagelijksch leven; de beweegkrachten
+en ondervindingen waren eer heroisch dan gewoon en het levenslot dier
+"helden" was het lot der enkelen die naar het uiterste streefden. In
+zoover kan Faust een tragische figuur heeten. Maar in de tragedie is
+de held tot den ondergang geroepen: zijn grootsche aanleg, grootsch
+in deugd of ondeugd, bestemt hem tot een lijden, dat zich niet meer
+te zijnen gunste wenden laat. Van den beginne af hangt over zijn
+leven het noodlot. In dit opzicht waarin juist het tragische der
+tragedie bestaat, kon het Faust-drama niet bij deze dichtsoort worden
+gerekend; wat niet voor den tragischen lijder, maar wel voor Faust
+bestaat is: de weg der ontkoming aan de wildernis. Evenmin als om de
+helsche ondervindingen van Dante de Divina Commedia een tragedie is,
+evenmin is Faust zulks om het eerste deel des gedichts; en het tweede
+deel, dat "den weg van Faust" bezingt, is niet maar een toevoegsel,
+waarin de oorspronkelijke opzet van het poeem verloochend wordt,
+maar een van den aanvang af bedoelde voortzetting en de uitwerking
+der grondgedachte waarmee het gedicht opent: een goed mensch blijft in
+het duister gedrang zich van den rechten weg bewust. De kontinuïteit
+der beide gedeelten is onmiskenbaar.
+
+Toch is het verschil tusschen den tweeden Faust en den eerste op vele
+manieren groot: een andere toon wordt vernomen, een andere omgeving
+geschapen, andere figuren treden op. Een veel meer bedachte kompositie,
+een verstandelijker konstruktie kenmerkt het tweede gedeelte tegenover
+het eerste. Terwijl de eerste Faust den indruk maakt van een gedicht
+uit des levens bloeitijd, schijnt de tweede een gedicht van den
+ouderdom. Is het ook niet begrijpelijk, dat ouder wijsheid den _weg_
+vindt, terwijl de jeugd avontuurt in de _wildernis_? Faust II heeft
+kunstmatigheid waar het eerste gedicht vrijheid heeft.
+
+
+
+Faust II is een heden na het gisteren van Faust I. Tusschen beide
+gedeelten van het Faust-poeem ligt een _nacht_, een nacht van
+vergetelheid en diepen slaap. Het geheele Eerste Deel kan beschouwd
+worden als een avondgebeurtenis na een voorafgeganen dag van zware
+inspanning en overladen werk. De monoloog, waarmede het eerste
+Faustgedicht aanvangt, geeft aanstonds een blik op dezen voltooiden
+en vermoeienden werkdag: "nu heb ik ach, filosofie, rechtswetenschap
+en medicijnen en helaas ook theologie grondig bestudeerd met vurigen
+ijver." Ziehier de al te zware dagtaak, welke Faust achter zich heeft,
+wanneer wij met hem kennismaken. Op dit oogenblik gaat zijn geest
+den avond in, den avond met zijn geheimzinnige aanspraak tot het
+menschelijk gemoed, een avond reeds aangekondigd in den "proloog"
+met de schildering van de zon, die haar voorgeschreven dagreis met
+donderslag voltooit. In dien zielsavond neigt hij tot de wereld
+der geesten met hun duistere wetenschap en verlangt hij naar den
+dood, die een hooger licht dan het aardsche daglicht over hem zal
+uitgieten. De dood wenkt hem verlokkend toe uit kristallen schaal. De
+magische heksenkeuken, het spiegelbeeld van Helena zijn verschrikkende
+en verteederende avondfantasieën. De zucht naar weelde en genot
+herleeft: de zinlijkheid bekoort met haar schaduwzwarte diepten;
+Faust verlangt het al der wereld te doorleven en zijn ziel daarin te
+laten vervloeien. Gretchens liefde is zijn avondweelde en avondtroost
+en in haar nabijheid verdoezelt zich zijn godsdienstig gevoel tot
+pantheïsme, avondgodsdienst zonder omtrekken, welks leuze is: naam is
+klank en rook; wees in gevoelens zalig en noem het zooals gij wilt:
+geluk, hart, liefde, God. De zachte stemming èn vreemde fantasie zijn
+de terugwerking op een dag van vruchtelooze moraliteit des werks. De
+vergeefsche inspanning van den harden werker verkeert zich tot deze
+maatlooze zieletoestanden.
+
+Maar het einde des avonds, en waar hij tot nacht wordt is zwaar
+en van jammer vol. Het is de wilde spooknacht der wroeging en der
+radeloosheid, die met waanzin dreigt. De hevigste onrust als van een
+heksendans op den Blocksberg is het laatste loon van dezen langen
+dagtijd vol ondervinding.
+
+Het zestiend'eeuwsche Faust-gedicht laat Faust ter helle varen;
+de hel is het hopelooze en onherstelbare, en het schijnt wel of
+na Faust's ondervindingen geen anderen uitweg bestaat. Immers, wat
+is er te herstellen voor een man, die zoowel in het denken als in
+het verkeer, in het waarheidsverlangen als in de liefde op ellende
+uitkwam? Nu staat de strever naar het hoogste voor het Niet, het
+ledige Duister der sterrenlooze middernacht.
+
+Maar na de middernacht breekt de na-nacht aan, en de na-nacht zal
+Faust's rusttijd zijn. Nu is het spookuur voorbij en hoogere geesten
+onder leiding van Ariël, den geest der lucht, hebben den vermoeiden
+lijder opgenomen en op een bloemenrijken grasgrond uitgestrekt;
+zij zingen hem in slaap en zweven om hem heen, terwijl zij de rust
+in zijn gemoed herstellen: "Nu is de nacht neergezonken en heilig
+verbindt ster aan sterre zich; groote lichten, en kleine glinsteren
+nabij en ter verte, glinsteren weerspiegeld in het meer, glanzen in
+de heldere hoogten des nachts. Het geluk van diepe rust wordt door
+de volle pracht der maan bezegeld." Onder deze zegening slaapt Faust
+een slaap, die tijden duurt; hij doorslaapt het tijdperk der nacht;
+het is de periode der uitrusting uit welke men niet met wroeging of
+ellende ontwaken zal. De zwevende geesten verteederen zijn afgepijnd
+hart, genezen de wonden van het zelfverwijt en reinigen zijn innerlijk
+bestaan van het doorleefde tumult.
+
+
+
+Nu kan de nieuwe Morgen komen en hij zal geen morgen van nieuwe
+zorgen zijn. Met welk morgenlied ook vangt het tweede deel van het
+Faust-gedicht aan! Het eerste deel was met den zang der aartsengelen
+ingeluid. Zij zongen het _avondlied_ van de zon, die haar dagreis
+voleindigt, en van de aarde in wier wenteling paradijsglans plaats
+maakt voor diepen nacht--maar de geesten, die het tweede gedicht
+openen, zingen het lied van de juichende ontwaking des Lichts:
+"Schouw, zoo roepen zij tot den slapenden Faust, naar den glans,
+die ginds verschijnt! Slechts lichtelijk zijt gij met slaap omvangen:
+slaap is als een schaal, werp haar af; verzuim niet u te verkloeken,
+terwijl de menigte talmend aarzelt: alles vermag de edele mensch, die
+verstaat en snel handelt." En bij dit woord verkondigt een geweldig
+gedruis de nadering der zon: "hoort o hoort naar het aanstormen der
+Horen; voor geestes-ooren blinkend wordt geboren de nieuwe dag."
+
+Met dezen aanroep is Faust ontwaakt.
+
+
+
+2. De nieuwe zedelijkheid (zedelijk streven en zelfbevrijding).
+
+
+En hiermede begint zijn nieuwe weg. De inhoud van het tweede
+Faust-poëem bevat meer dan de vertooning en verbeelding van dezen weg;
+geheel het denken van Goethe's tijd en vooral de natuurfilosofie
+voeren er het dichterlijke woord; maar wij laten dit ter zijde
+en zoeken te bepalen den weg dien Faust ging. In het eerste deel
+hebben wij Faust, teleurgesteld in zijn oneindige verlangst naar
+kennis, zich zien storten in het levensgenot: door de oneindigheid,
+die hij in zich beseft, heeft eerst zijn natuurweten schipbreuk
+geleden. Daarna in het leven gekomen, leed zijn genieten dezelfde
+schipbreuk op de onvoldaanheid zijner hoogere natuur. Faust heeft
+den oneindigen eisch gesteld en daarop is zoowel zijn kennis als zijn
+levensvreugd gestrand. Niets was bestand tegen dezen drang naar het
+absolute, die tegen alle beperktheid stoot en voor welks aangezicht
+alle levens-vrede tot verwoesting keert.
+
+De vraag, welke wij thans stellen, is: welke weg blijft voor Faust
+over na dit twee-ledig bankroet? Er is een mogelijkheid van klein te
+eindigen, nadat men groot begonnen is. De aanstichter van een nieuwe
+wereldbeweging kan mislukken in zijn grootschen toeleg en--na eenige
+jaren teruggevonden worden als vreedzaam burger van een klein dorp
+bij de grenzen; na het eerste hoofdstuk van den nieuwen bijbel der
+menschheid geschreven te hebben, is de vlaag der genialiteit gedoofd,
+en men biedt, na wat verpoozens, litteratuur van derden rang. Indien
+Mefistofeles den Faust geschreven had, ware er geen ironischer
+vervolg van het eerste boek geweest dan den held te laten optreden
+als gevierd middelpunt van een dorpskring, bemind op sociëteit
+en letterkundigen krans. De overmacht van de negatie had zich dan
+bewezen in de uitsterving van dien oneindigen drang, die Faust's wezen
+uitmaakt. Zoo er echter een weg voor Faust is, moet het een weg zijn,
+waarop hij zijn wezen bewaart en tegen Mefistofeles de geheele diepte
+van zijn menschelijk karakter volhoudt. De weddenschap blijft gelden:
+zoodra Faust het mindere aanvaardt als voldoend en zijn oneindigen
+drang ontkent, is hij verloren; maar dus ook: zoolang hij wezenlijke
+mensch blijft en zijn eeuwigheidsnatuur door eenig voorloopig resultaat
+van zijn streven niet wordt vervuld--zoolang is zijn streven zelf
+zijn levensweg. _Het oneindig streven is de weg van Faust._
+
+Deze uitspraak gelijkt op rhetoriek, maar zij bevat een diepen inhoud
+en is vol wijsheid. In haar is de nieuwe zedelijkheid uitgedrukt in
+tegenstelling met de oude.
+
+
+
+Met oude zedelijkheid bedoel ik de levensopvatting der Zeventiende
+Eeuw; met nieuwe zedelijkheid het begrip van persoonlijkheid en
+leven, dat in de Negentiende Eeuw is gangbaar geworden. Faust is geen
+zeventiend' eeuwsche, maar een moderne mensch. De oude zedelijkheid
+is Israëlitisch gestempeld, en door ontkoming aan het Israëlitisme
+is Faust een mensch van den nieuwen tijd. De tegenstelling, die hier
+geldt is een andere dan de vaak genoemde tusschen de twee geestelijke
+standpunten: Israël en Hellas. De Israëliet is vooral zedelijke mensch,
+doch in dezen bizonderen zin van te staan onder de zedewet, waarbij het
+schuldgevoel des menschen tegenover de heiligheid Gods de grondtoon
+der geheele gezindheid bepaalt. Deze mensch weet niet dat in hem een
+goddelijk licht brandt: hij kent zich als zondaar en ontleent uit een
+geschreven wetgeving den maatstaf der zelfbeoordeeling. De Helleen
+daarentegen is aesthetische mensch, die geen onvoorwaardelijkheid kent
+op zedelijk gebied, geen zedelijk gebod, maar een zedelijke intuïtie;
+in schoonen arbeid geniet hij het geluk zijns levens.
+
+Deze tegenstelling nu kan niet rechtstreeks op die tusschen oude en
+nieuwe zedelijkheid worden overgedragen, al is er overeenkomst: de
+oude (zeventiend' eeuwsche) zedelijkheid is Israëlitisch gestempeld;
+de nieuwe is aan Hellas verwant doordat zij het recht der vrije
+persoonlijkheid erkent.
+
+In den oud-Germaanschen vrijheidszin is de nieuwe zedelijkheid
+voorgeschaduwd. Reeds Parzival, de Germaansche held, wordt uit zijn
+verwildering gered, doordat "in hem een vaste zin was en onversaagde
+mannenmoed, die niet gebroken werd door harden druk." Zijn zedelijkheid
+was de vastberadenheid van een streven, dat de vertwijfeling
+overwon. Faust is een tweede Parzival, de vernieuwer dezer Germaansche
+zelfbevrijding. Aan het einde van zijn levensloop wordt over hem
+gesproken: "wie altijd strevend werkzaam is, dien kunnen wij verlossen"
+(wer immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen).
+
+Het onderscheid van oude moraliteit en nieuwe bestaat hierin, dat
+de oude moraal het zwaartepunt der deugd buiten den mensch legt,
+de nieuwe moraliteit stelt het in ons; d. i. in de menschelijke
+persoonlijkheid, genomen in den vollen en diepen zin van dit begrip. De
+Zeventiende Eeuw is, binnen de nieuwe Geschiedenis gelijk wij zeiden,
+de vertegenwoordigster der oude zedelijkheid, hoewel juist toen een der
+groote scheppers der nieuwe leer geleefd heeft: Spinoza. De oude moraal
+stelt de zedelijkheid in deugden, plichten, werken, die als meer of
+min afgepaste en aangewezen geestelijke grootheden door een zedelijke
+wetgeving zijn afgekondigd en gekodificeerd. Dat alle deugden, plichten
+en werken de openbaring zijn van éen innerlijk levensbeginsel, en dat
+er dus geen zedelijkheid is dan als een verwerkelijking van dit; dat
+zedelijkheid de verwerkelijking is van het eeuwige zelf des menschen,
+vermoedt zij niet. De oude zedelijkheid is gedrag volgens de zedewet,
+en deze zedewet is een goddelijke _instelling_, geen opwelling uit
+het menschenhart zelf.
+
+De Zeventiende Eeuw heeft het _mechanisch_ denken tot overwinning
+gevoerd; zij stelde de mechanika vast als methode der natuurleer,
+en bestreed de Middeleeuwsche opvatting, volgens welke de natuur
+met verborgen eigenschappen en geestelijke krachten werkte. Het
+mechanische denken rekent met uitwendige oorzaken alleen en behandelt
+alle gebeurtenissen in de natuur als toepassingen van algemeene wetten,
+die wiskunstig moeten berekend worden. De astronomie is het zuiverste
+voorbeeld van mechanische natuurwetenschap. Huyghens, Harvey en
+zoovele natuurkundige ontdekkers der 17de en 18de eeuw hebben door de
+mechanische methode de natuurwetenschap tot haar hoogte gebracht. De
+wiskunde is het hart der mechanika en Cartesius had de wiskundige
+methode van denken ook op de geestelijke wetenschappen van toepassing
+verklaard. Zoo is dan ook de opvatting dat zedelijkheid een gedrag is
+volgens de ingestelde zedewet, de vrucht van een mechanisch denken: de
+zedewet werd evenals de natuurwet geacht door den schepper der wereld
+te zijn ingesteld. Aan deze voor de levensleer noodlottige opvatting
+beantwoordde het Calvinisme, deze algemeen geldige geestelijke richting
+des tijds. Het Calvinisme is een herleving van den Israëlitischen geest
+in het Christendom, gekeerd tegen de idee der vrije individualiteit
+volgens Grieksch en tegen die der zelfberaden persoonlijkheid volgens
+Germaansch begrip. Het Calvinisme immers hield de zedelijkheid
+voor een gehoorzaming aan een zedewet, van bovenaf aan de menschen
+gedekreteerd op het ontoegankelijkste rotsgebergte, de Sinai, alsof
+de zedewet van ergens anders stamde dan van onze menschelijkheid zelf!
+
+De Zeventiende Eeuw is theologisch: het aanvangspunt van denken is
+er de tegenstelling tusschen God en mensch. Spinoza, die haar niet
+erkende, werd voor atheïst gescholden. In deze tegenstelling komt de
+mensch ontledigd tegenover God te staan, waarbij een negatief begrip,
+het zonde-begrip, het uitgangspunt der levensbeschouwing wordt. Het
+dwars-verkeerde dezer beschouwing is niet meer goed te maken. Zij
+berooft den mensch van de waarheid zijns wezens. De heilsleer der
+Zeventiende Eeuw is hetero-soterisch; d. i. de krachten die het
+leven tot heil brengen werken van buiten af. Calvinisme, Piëtisme,
+Lutheranisme zijn in dit opzicht gelijk. Deze hoofdstroomingen der
+Zeventiend' Eeuwsche levensleer mogen onderling verschillen als meer
+intellektualistisch of meer empiristisch gekleurd--in de levensleer
+is aller opvatting op het door ons genoemde punt gelijk. Inzonderheid
+het Piëtisme, dat aan Lutheranisme en aan Calvinisme de gemoedswarmte
+gaf en een religieuze ervaringsleer kan heeten, heeft in zijn
+heilige boek _Bunyans Pilgrims Progress_ een uiting geleverd,
+die de zedelijk-religieuze opvatting des tijds op het duidelijkst
+uitsprak. Het Engelsche Piëtisme dat in dit boek tot uiting komt,
+heet gewoonlijk Methodisme. Bunyans "Christenreize naar de Eeuwigheid"
+is het Zeventiend' Eeuwsche heilsboek; het heeft zijn verdienste in
+groote menschenkennis en is _het tegendeel van Faust_. Geen boek ter
+wereld is zoozeer in tegenspraak met de moderne levensopvatting. De
+mensch is er ongeniaal, uit zichzelf voelt hij alleen onmacht en
+ellende. Uit een boek, dat hem van elders in de handen komt, leest
+hij den beteren levensweg; andere wezens leiden hem; alles komt van
+buiten behalve de zonde; in zichzelf is hij negatief. Hij is geen
+persoonlijkheid, hij is alleen maar behoefte. Het Piëtisme is de leer
+eener reeks van gevoelservaringen, die doorloopen moeten worden,
+en die niet uiting zijn van eigen geestelijk streven, maar waar de
+mensch, de lijdelijke, wordt doorheen-geleid. Het geestelijk leven
+als stroomend uit den eigen innerlijken bronwel en zijn rijkdommen
+uit zichzelf voortbrengend--dit nieuwer levensbegrip is er onbekend.
+
+Dat zedelijkheid niet is een gehoorzaamheid aan een wil die van buiten
+af beveelt, maar des menschen eigen aspiratie, wordt door deze oude
+leer niet bevroed.
+
+Maar ziehier juist de kern der nieuwe levensgedachte. Spinoza
+reeds had de stelling uitgesproken, dat des menschen "streven om in
+eigen zijn te volharden" het eenige fondament der deugd is. In deze
+uitspraak klinken de bazuinen der nieuwe levensleer. De mensch, aan
+banden eener ingestelde zedewet vastgelegd, zal opnieuw ontwaren, dat
+zijn eigen wezen de zedewet inhoudt. Dat beteekent: de geestelijke
+natuur van den mensch zelf is de grond aller deugd, en er is geen
+andere deugd dan deze: onze geestelijke natuur verwerkelijken;
+zich-_zelf_-zijn. Voorheen gold de zedewet door bedreiging en
+belofte, als door dwangmiddelen; des menschen vrijheid beteekende
+de vrijwilligheid, waarmeê hij dezen band verdroeg of niet verdroeg:
+nu geldt de gedachte andersom: er is geen ander beginsel van zedelijk
+leven, dan de idealiteit onzes wezens: de zedewet niet heerschappij
+voerend over den mensch, maar de mensch als voortbrenger van de
+zedewet. Deze moraal is die der vrije persoonlijkheid, die de zedewet
+niet boven zich, maar in zich heeft.
+
+De levensopvatting, hier geldig is niet de mechanische, maar de
+_organische_. Terwijl de steenen op elkaar gezet worden en uitwendig
+door de kalk saamgebonden tot een muur, volgens het plan van den
+metselaar, die ze behandelt--groeit het zaad tot een plant niet
+door uitwendige toevoeging, maar krachtens een innerlijk beginsel en
+volgens een wet, die in het leven en den groei des zaads is vervat. Het
+geestelijk leven als de oprichting van dezen muur te begrijpen is
+de mechanische opvatting der oude moraliteit: maar dat het zedelijke
+aan een innerlijke levenswet, veeleer op den groei der plant gelijkt,
+organisch, is de Negentiend' Eeuwsche gedachte.
+
+Het Nieuwe Testament heeft menige uitspraak in deze richting; de
+middel-eeuwsche mystieken en Luther hebben dergelijke tonen van
+hun instrument doen klinken; in geen tijdperk der Christelijke
+kultuur-geschiedenis heeft de stem der zedelijke vrijheid geheel
+gezwegen: maar de andere opvatting heeft deze nieuwere telkens
+overstemd en de "oude" zedelijkheid heeft zich als de kettermeester
+der nieuwe gedragen.
+
+Goethe's Faust vertoont deze levensleer op de meest klare wijze in
+het dichterlijke beeld. De Faust is een kultuurboek, waarin niet
+slechts de geest van Goethe, maar vooral de geest der aangevangen
+Negentiende Eeuw zich spiegelt.
+
+De dichter van Faust heeft den overgang tot den nieuwen tijd in zich
+meegeleefd en de groote revolutie gadegeslagen. Nu is zijn gedicht
+breed geworden, encyclopaedisch van opzet, daar het den nieuwen
+mensch vertoont in zijn zedelijk streven en dit streven naar alle
+zijden ontwikkelt: de nieuwe zedelijkheid heeft haar verhouding tot
+staat en maatschappij, kunst, natuur en godsdienst.
+
+
+
+3. Het besluit tot daden.
+
+
+"In den beginne was de Daad", zoo heeft reeds in zijn studeercel Faust
+gefilosofeerd. Er staat geschreven: "in den beginne was het Woord",
+maar het woord kon hij zoo hoogelijk niet vereeren; evenmin de rede,
+ook niet de kracht.
+
+Het zedelijk streven, waarin hij Mefisto zal te boven komen, zal voor
+Faust bestaan in het uitoefenen van de levende daad.
+
+In het eerste Faust-gedicht overheerscht de negatie,
+Mefistofeles. Faust wordt er door Mefisto geleid en geeft zich aan zijn
+inspraken over; alleenlijk bewaart hij zichzelf tegen dien leidsman,
+zoodat hij nooit ten onder gaat. Zijn leven is nog bewogen door den
+levensnood; de passie overheerscht, de levensgang is verwilderd. Dit
+is de noodwendige aanvang van elk zedelijk leven: het leven begint in
+laagtestand en gaat door het heilsgemis naar het heilsbezit, evenals in
+Carlyle's Sartor Resartus Professor Teufelsdrökh door het Everlasting
+No heen moet om het Everlasting Yea te bereiken. Maar hiermee is
+het leven niet verloren: zijn de negatieve wateren doorkliefd, dan
+komt het schip in positieven stroom. Mefisto heeft zich aan Faust
+onmachtig gemaakt, doordat Faust in de volgzaamheid aan zijn leidsman,
+zichzelf tegen hem heeft vastgehouden, de weddenschap op geene wijze
+verliezende.
+
+Eindelijk is het positief beginsel in Fausts natuur voldoende tot
+eigen kracht van daden gerijpt, zoodat Mefisto niet meer den weg
+behoeft aan te wijzen, doch alleen als Faust's dienaar kan blijven
+geduld. In het tweede poëem is Faust zijn eigen meester en betreedt
+door eigen streven den weg van het levensheil.
+
+Faust's moraliteit is dus: zichzelf te zijn, en het aktueel beginsel
+van zijn streven is het _besluit tot de levende daad_. De daad is
+uiting der inwendige aktiviteit; in haar betoont de mensch zichzelf;
+zij is niet wat de oude moraliteit bedoelt: een gedraging of werk
+volgens de zedewet; geen "werk der dankbaarheid" of wat ook, waarbij
+een handeling uitgevoerd wordt, die reeds tevoren was voorgeschreven in
+een kodex van deugdwerken; neen maar de daad als _getuigenis_. De daden
+waartoe Faust besluit, zijn pure uitingen van inwendigen drang; zij
+zijn niet te voren bij eenige zedelijke wetgeving bepaald; zij zijn de
+betooningen van den zedelijken mensch die zijn moreele persoonlijkheid
+doet gelden: "dit aardegebied verschaft nog ruimte tot groote daden;
+tot het doen van koene en verbazingwekkende werken voel ik de kracht."
+
+Misschien acht menigeen zulke ideëele moraliteit geen degelijke
+zedelijkheid te zijn. Het schijnt of het Faust-poëem het lied is van
+den aesthetischen mensch Goethe, die zichzelf bezingt. Men wil een meer
+geëikte deugd. Het besluit tot daden, niet eens tot bepaalde en als
+zedelijk goed voorgeschrevene, maar het besluit tot _zelf-uiting in de
+daad_ schijnt den menschen, die aan konventioneeler deugd gewend zijn,
+nevelig en onbestemd. Zij begrijpen niet dat er geen vruchten zijn dan
+uit de groeikracht van den boom en dat er evenmin deugden, plichten,
+werken, zedelijke handelingen zijn dan als levensopwelling van een
+menschenhart zelf. Er is misschien voor een dogmatisch verstand geen
+houvast aan een zedelijkheid, die van binnen stamt, gelijk er een zeer
+gemakkelijk houvast is aan zedelijkheid, die een bestaande wetgeving
+opvolgt. De Muzelman heeft aan zijn trias van aalmoes doen, bidden,
+vasten, een algemeen begrijpelijker deugdsysteem, dan de Germaansche
+strever aan zijn besluit tot de loutere daad. Dit verhindert niet
+dat de zedelijkheid in laatstgenoemden vorm de ware is.
+
+Aan Faust's besluit tot daad (het positief moreel princiep) gaat
+vooraf het _berouw_. Het berouw is de reaktie na het verblijf in de
+wildernis. Als de negatie is doorgemaakt, blijft een nijpend gevoel
+van leegheid over; de mensch beseft de laagte, waarin hij heeft geleefd
+en klaagt zichzelf aan om zijn verblindheid. Deze negatieve moraliteit
+volgt op het negatieve levensgedrag en is de weerslag op Mefistofeles'
+leiding, de terugschrik na de zelfherkenning. Het Piëtisme zou dit
+zedelijk moment, het berouw van Faust, hebben doen aanzwellen tot
+hoofdbelang; in litteratuur kon het in 't breede geëxploiteerd worden
+als tijdperk van zelfverwijt en zelfontreddering; de Zeventiend'
+Eeuwsche moraal althans had met voorliefde op deze negatieve zijde
+van het zedelijk leven de schrilste lichten geworpen--Goethe is te
+zeer menschkundig om het berouw te ontkennen in zijn heilzame werking,
+te schoon van geest, dan dat hij er zwaarder gewicht aan gaf dan als
+overgang uit lager tot hooger levensstand. Het berouw van Faust wordt
+ondervonden in de diepte van het naar binnen gekeerde bewustzijn,
+aanvaard als krisis des inwendigen levens. Zoo volstaat Goethe ook
+met een fijnvoelige vingerwijzing, die den begrijpers genoeg is:
+in den aanvang van het tweede Deel spreekt Ariël tot de geesten:
+"brengt den grimmigen strijd zijns harten tot rust, verwijdert
+de scherpe pijlen van zijn zelfverwijt; en reinigt zijn innerlijk
+van doorleefden schrik." Hier is het geestelijk herstel van Faust
+geteekend. En als hiermee de negatieve faze zijns levens (de wildernis)
+voorbij is, zie! daar ontwaakt "een krachtig besluit om volhardend
+naar den hoogsten levensstaat te streven."
+
+
+
+4. De klassieke beschaving als leerschool.--geestelijke vorming.--de
+idee der schoonheid.
+
+
+Faust heeft dan besloten tot de zedelijke daad, d. i. tot de betooning
+zijns innerlijken wezens. En waarin deze ook besta--een streven
+rechtstreeks naar het absolute, gelijk hem eenmaal vervulde, is niet
+meer te wachten: hij getuigt dat het geestenlicht hem heeft verblind,
+en roept nu uit: "den waterval, die het rotsrif doorbruist, beschouw
+ik met toenemende vreugd; in duizend en meer dan duizend stroomen giet
+hij zich uit al nederstortende, zijn schuim in de lucht spattend. Die
+spiegelt het menschelijke streven af; overpeins hem en begrijp dat
+wij het leven hebben in den kleurigen weerglans der zon." De waterval
+werpt zich in de aardsche wereld, en weerkaatst in zijn stralen het
+zonlicht, zonder het licht te gemoet te streven: zoo zal Faust doen;
+hij zal zijn drang naar het absolute verwerkelijken in de lichtende
+daden van zijn hart. Ziehier zijn weg.
+
+Faust zoekt op dien weg te komen; maar hoe? Wij vinden hem aan het
+keizerlijk hof genoodigd wegens den roem zijner geleerdheid. Het
+keizerlijk aanzoek heeft hij opgevolgd in de hoop aldaar gelegenheid
+te vinden tot heilzame daden. Maar het is niet in deze omgeving dat
+hij slagen zal. De toestand van het Keizerrijk is verre van fraai;
+uiterlijk vol glans is het rijk innerlijk krachteloos en vervallen;
+de keizer zelf leeft voor het genot in de grootste verkwisting en de
+schatkist is tot den bodem geleegd.
+
+Faust, die nog naar zijn weg zoekt, moet in deze omgeving tot
+inzicht komen, dat de zedelijke daad des menschen vrij is tegenover
+alle bestaande ordening. Voor den Jood uit Jezus' tijd is het
+godsdienstig volks-instituut de sfeer, die het zedelijke bepaalt;
+voor den oud-Indiër de kaste; voor den Griek het staatsverband,
+zoodat hij zedelijk mensch is in dit opzicht, dat hij zijn arbeid doet
+voor het staatsgeheel. De Middel-Eeuwer, over 't algemeen genomen,
+acht zich zedelijk handelend volgens voorschrift van en in dienst
+aan de kerk. Zijn barmhartigheid, eedstrouw en gerechtigheid zijn een
+verplichting, die de kerk hem oplegt. Voor Faust echter zal al zulke
+instelling wegvallen. Geen bestaande ordening zal als verplichtende
+macht zich aan hem voordoen: in de sfeer van het keizerrijk valt
+voor hem niets van zedelijke beteekenis uit te richten. Tegelijk
+blijkt hem, dat deze keizerlijke staatsordening (en daarmee alle
+"instituut") de echte nooden der gemeenschap niet lenigt, en een
+van boven opgelegde figuur is, die met het ware leven der volkeren
+in geen verband staat. Wie zedelijk werken wil, doe het niet ten
+dienste aan eenige instelling of organisatie, maar doe het voor de
+menschelijke schare, dat is voor het _gemoed_ der menigte, want dit
+is voor zedelijke weldaden ontvankelijk.
+
+
+
+Maar om tot machtige daden bekwaam te zijn moet Faust een scholing
+doorloopen. Het "strevend in werking zijn" (strebend sich bemühen)
+moet voortkomen uit een welgeordenden en evenredigen geest, want anders
+is het werk chaotisch, vormeloos. Faust moet nu niet in een wildernis
+rondwaden, maar zich een weg banen in het leven, en de dichter van
+Faust acht, dat hiertoe geen betere scholing is dan het verkeer
+met de klassieke Grieksche kultuur en hare schoonheid. Door deze zal
+Faust de mateloosheid van zijn strevenden drang te boven komen en dien
+louteren. Immers, zooals het moderne, Germaansche, romantische streven
+zich _uitleeft_, zoo wil het Grieksche _zich inhouden_. Werther is de
+romantische mensch, subjektief en onbegrensd in zijn aandoeningen;
+maar hij zou in de Grieksche zelfbepaling tot vruchtbaarheid zijn
+gekomen, terwijl hij zonder deze kwam tot ondergang. Faust zal niet
+als Werther lijden, maar hijzelf weet welke leerschool hij behoeft.
+
+Het verkeer van Faust aan het keizerlijk hof wordt bekroond met
+een maskerade, waarin de krachten en faktoren van het menschelijk
+leven en der maatschappij in symbolische gestalten worden vertoond:
+een schouwspel, waarin Faust een tegengestelde houding aanneemt, dan
+die hij in het leven wil voeren: hij is er werklooze toeschouwer. De
+keizer ziet de fraaiheid van de vertooning, maar de aldus gesymboleerde
+werkelijkheid heeft veel onschoons en op 't einde gaat de geheele
+maskerade in vlammen op. De keizer, wiens lust naar schoone vertooning
+aldus ontstoken is, wil zich nog meer vermaken en wenscht het meest
+uitgezochte voorbeeld van menschenschoon te zien vertoond: Paris en
+Helena uit het doodenrijk te voorschijn geroepen, moeten voor zijn
+oogen verschijnen!
+
+Deze vertooning is voor hem niet meer dan een lichtzinnig
+amusement. Maar in Faust heeft de gedachte aan de klassieke schoonheid,
+in Helena vertegenwoordigd, een horizont van inzicht geopend. Hijzelf
+zal naar de diepte der wereld afdalen en door de macht zijns geestes
+de Helena-gestalte te voorschijn roepen. Waarheen zal hij afdalen? Men
+daalt slechts in zichzelven af en deze afdaling heet de _bezinning_,
+maar de bezinning brengt den bezinner tot de algemeene gronden waar
+het leven, waar elk geestesleven, ontspringt. In de dichterlijke
+voorstelling heeten deze gronden: de Moeders en van hen wordt
+met plechtig geluid verzekerd: "godinnen tronen verheven in hun
+eenzaamheid; rondom hen is alle Ruimte opgeheven, geen Tijd is daar;
+over hen kan niet gesproken worden: de Moeders zijn zij. Welke weg
+leidt tot hen? geen weg! De weg tot hen gaat in het onbetreden en niet
+te betreden gebied; door geen navraag vindbaar: zijt gij bereid? geen
+sloten en geen grendels behoeven weggeschoven; door eenzaamheden
+wordt gij heen gedreven: hebt gij begrip van het verlatene en van de
+eenzaamheid?" Het is Mefistofeles, die deze aanwijzing geeft, en zij
+is gegeven uit zijn zienswijs: de levensdiepte geldt voor hem niet;
+maar met kloeke verzekerdheid antwoordt Faust: "in uw Niets hoop
+ik het Al te vinden." Wanneer het aan Faust gelukt om uit de diepe
+bezinning op het leven de idee der schoonheid op te roepen, staat hij
+aan den aanvang zijner geestelijke scholing. Wat hij gedaan heeft is
+bij zichzelf de noodzaak en onmisbaarheid der leerschool vaststellen,
+die hij doorloopen moet.
+
+Uit de diepe gronden zijns levens brengt hij de idee der schoonheid
+te voorschijn, maar de enthousiaste omhelzing daarvan werpt alsnog
+de idee zelve in verbrijzeling. Faust verliest Helena terwijl hij
+haar aangrijpt.
+
+Niet als bloote gedachte lichtend voor hem uit, doch als duurzame
+levenservaring moet de schoonheid aan zijn bestaan deelnemen: daartoe
+neme Faust de klassieke beschaving in zich op: het _huwelijk met
+Helena_ zal hem tot de zedelijke daad bekwamen.
+
+Maar de klassieke beschaving moet recht begrepen worden. Ook zij
+heeft haar excessen en verwarringen. Geen kultuur is feitelijk
+volmaakt, en het is niet meer dan de geest en de idee der klassieke
+beschaving, welke Faust zich eigen make. Hij moet zich beschermen
+tegen de spookgestalten, die ook hier zich voordoen; in de "Klassieke
+Walpurgisnacht" moet hij tot het inzicht komen, dat niet overal
+waar Griekenland is Helena woont. Niet de spookachtige fantasie,
+die griffioenen, sfinxen, sirenen, centauren, pygmaeën en wat
+half-dierlijks er meer zij, voortbracht--maar de klare en zuivere
+geest, die de gestalte van Helena opriep, is de ware geest der
+Grieksche beschaving. Om Faust rond te leiden in de spokenwereld,
+daartoe is Homunculus, een kunstmatig menschje, in chemische retorten
+bewerkt, voldoende: voor zijn huwelijk met Helena drage hij zelf zorg.
+
+
+
+5. Het huwelijk van Faust en Helena. Harmonie en maat.
+
+
+De schoonheidszin is van het geestesleven een integreerend deel. Geen
+geestesleven is gaaf zonder deze. Aan de "oude zedelijkheid" heeft
+de schoonheidszin ontbroken; de Calvinist heeft nooit beseft dat
+er verband is tusschen het goede en het schoone. De theologische,
+mechanische aanleg van het Zeventiend' Eeuwsche denken, sluit den
+schoonheidszin eer buiten dan in zich.
+
+Het Piëtisme is vaak vijandig gestemd tegenover hem, daar het
+de wereld verwerpt; zelfs Spinoza heeft zich zeventiende-eeuwer
+betoond door van hem niet te gewagen. Onze groote schilderkunst heeft
+geen verband gehouden met het zedelijk bewustzijn des volks, en het
+zedelijk bewustzijn heeft zich niet geopend voor de kunst noch voor de
+aesthetische ontroering. Eerst het geslacht, waartoe Goethe behoorde,
+begreep het verband tusschen schoonheid en levensbestemming. Faust
+treedt in het huwelijk met Helena, en dit huwelijk is een noodzaak
+tot zijn volmaking.
+
+Het is hier niet te doen om een aesthetische beschaving in de plaats
+der ethische, een oppervlakkig schoonheidsbehagen, dat met de diepe
+gronden des levens zich niet afgeeft. Zulk aestheticisme, dat de
+kunst tot zijn godsdienst heeft, is in de Negentiende Eeuw opgekomen;
+maar het huwelijk van Faust en Helena heeft diepere waarde: het is
+de scholing in de klassieke kultuur, de vorming van den zedelijken
+mensch door harmonie, klaarheid en innerlijke orde. Faust heeft
+aanraking met den _geest_ der Grieksche beschaving.
+
+Het huwelijk met Helena is voor den zedelijken mensch noodig,
+omdat hij, naar de nieuwe opvatting, de wet zijns eigenen wezens te
+vervullen heeft. Moet de mensch zichzelf verwerkelijken, dan loopt
+hij daarbij het gevaar eener redelooze emancipatie en afzondering uit
+het geheel. Zoo hij de nieuwe moraal als een wil tot macht opvat en
+meent, dat aan zijn eigen wil alles geoorloofd is, ware het beter dat
+hij nog onder het toezicht der oude wetgeving stond. Met dergelijke
+Nietzschiaansche op de spits drijving zijner individualiteit is de
+wonderbare harmonie des bestaans verbroken. Wie slechts eigen macht
+erkent is tyran en tyranniseert de wereldorde, in welke wij omvat zijn
+en waarin ons leven redelijkheid bezit. Juist daar de wereld-orde
+in ons bewustzijn inwoont zijn wij onszelf ten wet. Zoo behoort
+de mensch der nieuwe moraliteit van de idee der orde en harmonie
+doordrongen te zijn. Geen wild-romantieke vrij-machtigheid besture
+zijn daden. De student, die in Faust's studeercel kwam verkondigen,
+dat hij persoonlijk het superieure subjekt der wereld was, en dat het
+op- en ondergaan der zon van zijn denken afhing, vertoont de nieuwe
+moraliteit als karikatuur. Maar Faust zal innerlijk rijpen en zich
+van de idee van orde en wet doordringen, opdat zijn streven niet
+romantisch zij.
+
+Het altijd-durende streven gaat verloren, zoo daaraan de rust der
+zelfbeheersching ontbreekt; de fantasie vindt willekeurige slingerwegen
+maar niet den weg tot het doel. Zoo moet het streven zich scholen
+door de schoonheid, die niet anders is dan de evenredigheid en
+algemeene orde der wereld. Griekenland heeft de wereld als "kosmos"
+opgevat. De schoonheidszin is uit Griekenland geboren. Overal liggen
+zijne voorteekenen verspreid: Indië, Egypte, Assyrië, Babel, Israël,
+Phoenicië, Germanië zijn vol voorteekenen die de geboorte van den
+schoonheidszin aanzeggen; maar eerst Hellas heeft de schoonheid
+_geweten_ en het vormelooze verworpen voor de erkenning van harmonie
+en maat. Eerst Hellas heeft dit inzicht tot beginsel eener geheele
+kultuur gemaakt.
+
+Dit is dus de vrucht van Faust's scholing door de klassieke kultuur,
+dat hij leert innerlijk maatvol zijn, en dat zijn strevende
+werkzaamheid daardoor planmatig en doelmatig wordt.
+
+
+
+Maar het huwelijk met Helena is leerschool en niet meer. Evenmin
+als een leerschool is het tot bestendigheid beschikt. Zal Faust tot
+uitvoering der zedelijke daad komen, dan moet dit huwelijk achter
+hem liggen, al is ook de leering, daarin ondergaan, van blijvende
+beteekenis. Zoo zien wij Helena aan Faust's armen ontzinken. Wat
+zij hem verwekt heeft is de _poëzie_. Immers deze is niet anders
+dan maatvolle gedachte en Goethe noemt haar Euforion. Voor hem
+was de poëzie niet een kunstvol spel, maar een innerlijk vermogen,
+om het leven en de werkelijkheid als een kunstwerk te zien en te
+beleven; zij was hem een scheppende macht, die zich uitte in denken
+en doen. Zal Faust tot zedelijken werker worden, dan moet hij door
+de poëzie bezield zijn tot dienst aan de wereldorde en door haar tot
+maatvolle wijsheid zijn bekwaamd. Deze vrucht zal blijken, wanneer
+de huwelijkstijd met Helena voorbij is; tijdens het huwelijk zal zij
+hem verschijnen als lichtende beeld. De lichtende gestalte Euforion,
+in het huwelijk van Faust en Helena verwekt, blinkt voor beider
+verwonderde oogen, maar gaat als een meteoor voorbij, waarna ook
+Helena's oogenblik van verscheiden is gekomen. Wanneer zij aan Faust
+ontzinkt, blijven als aandenken, kleed, mantel en lier achter. Dit
+beteekent dat de nieuwe zedelijkheid de sporen bewaart van hare
+scholing in de klassieke kultuur, maar dat zij toch een andere is,
+zelfstandig, en uit haar leerschool is verrezen als een vrije macht,
+stichtster harer eigen beschaving.
+
+
+
+6. Stichting eener vrije wereld. Waarde en ontoereikendheid der
+zedelijke daad.
+
+
+Het oneindig streven, Germaansch van oorsprong maar geadeld in de
+leerschool der klassieke beschaving; de zedelijke zelfbetooning, door
+het besef van maatvolle orde verhelderd--ziehier den _weg van Faust_:
+op deze wijze zal hij zijn Mefistofeles te boven komen.
+
+Maar waarin bestaat het dat Faust Mefisto te boven komt? Indien hij in
+het zedelijk streven, dat toch ook naar bepaalde doeleinden uitgaat
+_bevredigd_ wordt, is dan de oneindige drang, deze richting naar het
+Absolute, niet tòch verloochend? en wie heeft dan overwonnen: Faust,
+die beweerde met niets te zullen bevredigd zijn, of Mefisto die daar
+al te gemakkelijken raad op wist?
+
+Ziehier de vraag, die de ontknooping van het Faust-drama beheerscht.
+
+De zedelijke daad, die Faust uitvoert is grootsch, bovenal zoo zij in
+haar symbolische beteekenis doorzien wordt. "Mijn oog was gericht,
+zoo spreekt Faust, naar de hooge zee; zij zwol op om in zichzelve
+omhoog te streven--dan zonk zij in en schudde haar golven om daarmede
+de breedte der vlakke oevers te bestormen. En dat verdroot mij,
+gelijk de overmoed door zijn hartstochtelijk opgezweepten zin den
+vrijen geest, die slechts het recht waardeert, ergert.
+
+"Ik achtte het toeval, scherpte mijn oog: de golf stond op en rolde dan
+terug, trok weg van het trotsch bereikte doel; het oogenblik komt en
+hij herhaalt zijn spel. Dan sluipt hij weer aan op duizend plaatsen,
+de onvruchtbare, om overal onvruchtbaarheid uit te strooien. Het
+is een zwellen en toenemen en uitstorten over het woeste gebied,
+en dan weder terugtrekken en er is niets volvoerd. Mij beangstigt
+dit schouwspel tot vertwijfeling; doellooze kracht van bandelooze
+elementen! Hier waagt mijn geest het boven zijn macht te streven:
+hier wil ik strijden en hier wil ik overwinnen! En dit is mogelijk:
+zoo vloedend als zij is, golft de zee langs elken heuvel heen; al
+beweegt zij zich nog zoo overmoedig: een geringe opgeworpen hoogte
+weerstaat haar trots en een geringe diepte trekt haar machtig tot
+zich neer. Toen heb ik snel in mijn geest het plan gevormd: verwerf
+het kostelijk genot om de heerschzuchtige zee van den oever af te
+sluiten, het gebied dier vloeiende massa in te krimpen, en haar diep
+binnenwaarts terug te dringen in haarzelf. Van schrede tot schrede
+heb ik mij het plan voor den geest geroepen: dit te volvoeren is mijn
+wensch, waag het de uitvoering te bevorderen."
+
+Faust wil de zee aan banden leggen en het onvruchtbaar zeegebied
+herscheppen tot vruchtbaar land; daar wil hij een door menschen
+veroverde woonplaats stichten, een vrijen grond voor een vrij volk,
+dat zich in vrije werkzaamheid oefent.
+
+Het veld zal vruchtbaar zijn, een land als een paradijs; laat aan
+zijn buitenkant de vloed den dijk bestormen: de samenwerking eener
+schare is haastig bereid om de kleinste scheur te versperren. De
+symboliek dezer Faustische daad is duidelijk: de zee is de negatie
+der vruchtbare aarde; terwijl deze uit een onbegrensden levensdrang
+het leven voortbrengt, plant, dier en mensch ontspruiten doet,
+en uit haar schoot de delfstoffen opwerpt--doet de zee niets dan
+verzwelgen; in haar diepte schuilen monsters en de kolk van gevaar
+blijft zij voor ieder, die zich op haar bedriegelijke vlakten
+waagt. De zee is het verstorend element; zij is de Mefistofeles in
+de aardsche schepping; van den oer-chaos overgebleven. Nu zal Faust
+de zee terugdrijven. Zinrijke daad! Ziehier het heilswerk, in eigen
+geestelijke vrijheid uitgedacht en volvoerd, geheel anders dan de
+"goede werken" voorgeschreven door een gekodificeerde moraal. Deze
+daad beteekent Faust's overwinning over Mefistofeles.
+
+Een bekoorlijk tafereel schildert het welslagen dezer daad van
+Faust: een vroeger schipbreukeling, eenmaal aan deze kust gespoeld
+en verpleegd in de hut van Philemon en Baucis zoekt nu, jaren later,
+zijn weldoeners op, en aanschouwt van hun in 't duin gelegen woonplaats
+af, geen zee maar een vruchtbaar land: hetgeen u grimmig mishandeld
+heeft, de zee met haar schuimend wilde golven, ziet gij in een
+tuin herschapen: een tafereel als een paradijs! Koene knechten van
+verstandige heeren groeven en dijkten de zee in, verminderden haar
+rechtsgebied en werden heerscher in hare plaats. Zie toch hoe weide
+naast weide groent, beemd, tuin, woud en dorp! rechts en links over
+groote uitgestrektheid is het gebied dichtbevolkt!
+
+
+
+Maar is Faust nu voldaan? en heeft in deze daad zijn oneindige drang,
+d. i. zijn drang naar het Oneindige vervulling gevonden? Indien ja, dan
+is eenerzijds Mefistofeles overwonnen, omdat niet in de verlokkingen
+van dezen, maar in Faust's eigen gevonden en geschapen taak zijn
+drang vervuld is.
+
+Mefisto heeft Faust in de wildernis gevoerd.. Nu heeft hij zelf uit
+de wilde zee een bewoonbaar en vruchtbaar land geschapen!
+
+Anderzijds heeft toch Faust een voldoening gevonden beneden het
+Oneindige. Eenmaal heeft hij het wezen der wereld gezocht met het
+denkend intellekt; de magie is door hem te hulp geroepen; hij heeft
+den dood gewild om langs dezen weg in de eeuwige waarheid in te
+dringen; diep en ontroerend was de klacht over zijn onvermogen; in
+zijn ongeleschten kendorst dreigde hij te zullen bezwijken, en heeft
+gezworen dat niets hem ooit zou bevredigen: "zal ik ooit gerustgesteld
+mij neerleggen op het bed der ledigheid, dan zij het tegelijk met
+mij ten einde; kunt gij mij zoo beliegen dat ik mijzelf behaag,
+mijn laatste dag zij aangebroken; zal ik tot het oogenblik spreken:
+blijf toch want gij zijt schoon genoeg, dan wil ik te gronde gaan."
+
+Faust is voldaan.... maar zóo dat hij het niet is. Dat is: hij
+heeft de daad gedaan die de meest zuivere _omzetting_ is van zijn
+oneindigen drang in de aardsche omgeving. Maar deze daad is op
+elk oogenblik nog slechts een _betrekkelijke_ uitdrukking van zijn
+drang, en om haar volledig te denken, denkt hij haar verlengd in het
+toekomstige. Bovendien: aan het werk zelf heeft Mefistofeles deel en
+zoo is het een onvolkomen werk.
+
+Wat dit laatste aangaat: in het werk mengt zich onrecht; dus houdt
+het een bewijs zijner onvolmaaktheid in. De Faust-dichter schildert
+deze ongerechtigheid in den aanval van Mefisto met drie gevaarlijke
+gezellen op het huisje van Philemon en Baucis. Faust ergert zich
+aan het oud-modisch klokgebengel, waarmeê deze oudjes nog steeds
+den verleden tijd dienen. Hij heeft hun in 't nieuwe gebied een
+beter woning en welvarender landgoed aangeboden; maar vond slechts
+weigering. Mefisto volgt Faust's wenk op eigen manier en.... de hut
+gaat in vlammen op, terwijl de bewoners omkomen. Voor Faust geeft deze
+handeling stof tot bepeinzing. Ook de werken van zedelijke bezieling,
+naar bepaalde doeleinden uitgaand, kunnen de eeuwigheidswaarde van
+den mensch niet vervangen; zij zijn eindige grootheden, heilzame
+doch begrensde gewrochten en zij houden den mensch binnen zijn
+eindige levensvoorwaarden besloten. Evenmin als de opstapeling
+der wetenschappelijke resultaten, bereikt de vermenigvuldiging der
+zedelijke daden het eeuwige. Waar de Wagners juichen zijn de Fausten
+onvoldaan. Dat de zedelijke handelingen den mensch niet vergoddelijken
+bewijst het onrecht dat ongewild ook daarin binnensluipt.
+
+
+
+Toch heeft Faust _zijn weg_ gevonden. Maar de weg is niet het doel,
+doch het middel. Na de scholing door de oude kultuur heeft hij in
+een nieuwe zedelijkheid _zich tot het hoogste voorbereid_.
+
+
+
+Nog is, gelijk wij zagen, Mefistofeles niet geheel overwonnen. In
+beginsel is zijn macht over Faust gebroken, hiermeê dat Faust in de
+zedelijke daad zijn ware zelf verwerkelijkt. Niet meer leider maar
+dienaar van Faust is hij, maar ook in deze verhouding is hij nog de
+medgezel. Weldra doet zich het verstorend element zijns persoons
+aan Faust gelden; want reeds in den proloog in den hemel is deze
+onontkoombare waarheid over hen uitgesproken: de mensch dwaalt zoolang
+hij streeft.
+
+Voor den strevenden mensch is er geen mogelijkheid om de negatie,
+de verstoring, het kwaad, den Mefistofeles te niet te doen--zoolang
+hij streeft. Maar in beginsel is hij, zoodra zijn strevenden wil
+zich verheft, hem te boven. Nu nadert tot den oud geworden Faust
+een gestalte, die lang afwezig is gebleven, maar toch op hem geloerd
+heeft zoolang Mefisto met hem ging: de Zorg.
+
+Is iemand hier? vraagt Faust. De vraag vereischt een ja, antwoordt
+zij.--En gij wie zijt gij dan?--Ik ben nu hier.--Verwijder u!--Ik
+ben ter rechter plaats.--Neem u in acht! zegt Faust, en spreek geen
+tooverwoord! En zij: al zou mij geen oor vernemen, toch weerklink
+ik in de harten; op wegen, op de zeetochten ben ik de steeds
+beangstigende medgezel. Steeds gevonden, nooit gezocht, ik wordt
+gevleid en gevloekt. Hebt ge nooit de zorg gekend? "Uw macht erken
+ik niet" roept Faust haar toe, maar zij blaast haar adem over hem
+uit en Faust wordt blind.
+
+Hij buigt zich niet voor de tegenstandster, zooals hij zich niet
+buigt voor Mefistofeles; hij is zichzelf en handelt uit aansporing van
+zijn eigen wezen, maar tegelijk vervult hem zijn grootsche daad met
+onbevredigdheid. "Nog heb ik mij niet opgeworsteld tot de vrijheid"
+roept hij uit; en: "de mensch doorreize zijn aardschen dag; als geesten
+spoken ga hij zijn vrijen gang. In het voortschrijden vinde hij smart
+en geluk, hij, onbevredigd elk oogenblik."
+
+De beperktheid van zijn kunnen en het te-kort van zijn zedelijk
+streven wordt aan den mensch te ondervinden gegeven door de macht,
+die zich tegenover hem stelt. Maar in zichzelf vindt hij zijn streven
+en de geestelijke kracht, die hem daarbij geleidt. Faust wordt door
+de zorg weerstaan, maar in zichzelf beseft hij den aandrang tot
+voortzetting zijner grootsche daad en voor zijn innerlijke oogen
+spiegelt het vizioen der voltooiing. Terwijl Mefisto's gezellen
+bezig zijn het graf te delven, waarin hij Faust hoopt te vangen,
+(want vernietiging acht hij het einde ook van dit leven), hoort
+de blindgeworden strever in het geklank der spaden het werk der
+arbeiders, die hij geroepen heeft. Immers een kanaal graven zij om
+een moeras af te leiden en aldus de gezondheid der streek voor haar
+bewoners te verhoogen? Het volk dat hier in vrijheid woont, zal zich
+uitbreiden. Het gevaar kennend en afwerend zal jeugd, manschap en
+grijsheid hier zijn lange leven in noeste werkzaamheid volvoeren!
+
+Deze gedachte is het die Faust vervult en als vizioen voor zijn blinde
+oogen zweeft, en in het licht daarvan roept hij uit: "nu waag ik tot
+het oogenblik te zeggen: blijf, want gij zijt schoon genoeg. In aeonen
+kan het spoor van mijn aardsche dagen niet vergaan. In het voorgevoel
+van zulk verheven geluk, geniet ik thans het hoogste oogenblik."
+
+Deze woorden zijn de laatste en Faust zinkt stervend op den grond. Dat
+hij de weddenschap met Mefistofeles slechts naar den klank des woords
+verloren heeft, is duidelijk. Hij zelf, aan Mefisto ontgroeid, is van
+hem vrijgekomen. Hij heeft zijn oneindig wezen tegen den ondergang
+bewaard.... maar niet verwerkelijkt. Het zedelijke streven is niet het
+hoogste bereik der menschelijke persoonlijkheid. "Wiens geest altijd
+strevend werkzaam is, dien kunnen wij verlossen" zal van Faust gelden:
+dat de zedelijke streving zelve de voltooiing van het menschelijk
+bestaan inhoudt, is daarmee niet gezegd!
+
+
+
+
+
+V FAUST'S VOLEINDIGING
+
+
+
+1. De liefdemacht. God en mensch. Overschrijding der begrensdheid.
+
+
+"God kennen is de hoogste deugd" leert Spinoza. Dit "hoogste"
+noemt hij summa virtus, hetgeen nog iets anders beteekent dan
+"hoogste" nl. toppunt der deugd. Het begrip "hoogste" duidt aan
+iets betrekkelijks, zijnde de uitkomst eener vergelijking; het
+beteekent niet, dat het nòg-hoogere is uitgesloten; slechts over het
+thans-voorhandene doet het uitspraak. Maar "toppunt" beteekent het
+logisch uiteinde der opstreving, waarbij het nòg-hoogere niet gedacht
+kan worden. Hier is het streven ten einde in zijn bereikte doel.
+
+De oude zedelijkheid erkende niet dat het geestesleven zijn
+(natuurlijke) voltooiing had in de eenheid met God en op deze eenheid
+was aangelegd. Zij geloofde aan de tegenstelling tusschen mensch en God
+(door de zonde) en hoopte te eindigen bij een verzoening. Dit is de
+oude religie, die uitgaat van het zondebesef, en met alle middelen de
+overtuiging hunner onwaardigheid bij de menschen aankweekt. Maar de
+ware religie, die zoo oud is als de beschaving, al bleef ze in het
+verborgen, beleed de fundamenteele identiteit des menschen met God
+(zooals de zonnestralen fundamenteel één zijn met de zon) en erkent dat
+in de bewuste eenheid met God het leven tot zijn waarheid is gekomen.
+
+Deze eenheid met God is een verheffing des bewustzijns, waarin het
+betrekkelijke is overwonnen; zij is onze vereeniging, die door
+de mystische denkers zelfs "vergoding" (theosis) is genoemd. De
+religieuze zielkunde handelt over haar in een diepzinnig hoofdstuk
+en het is deze vergoding als een voleindiging van het geestesleven,
+welke de Faust-dichter in de slot-scène van het gedicht heeft in
+beeld en klank en woord gebracht. In haar is geen Mefistofeles die
+het bewustzijn der oneindigheid tracht af te leiden of uit te dooven.
+
+Een bergwand rotsachtig met kloven en met bosch begroeid; niet bewoond
+dan door eenige kluizenaars; een geest van diepe geheimzinnigheid
+hangt daar; de berg is in lagere en hoogere gebieden verdeeld;
+geestelijke wezens zweven af en aan, en een koor van zalige knapen
+beweegt zich kringvormig om den hoogsten top; engelen van mindere
+en van meerdere volmaking gaan zingend om, terwijl zwevend de Mater
+gloriosa nadert op den aanroep van haar grootsten vereerder. Zalige
+vrouwen onder wie eene (weleer Gretchen genoemd) aanbidden haar,
+terwijl het onsterfelijk deel van Faust door Engelen wordt opwaarts
+gedragen en het geheele tafereel met een mystisch koor eindigt,
+waarin de eeuwigheid als voltooiing van den tijd bezongen wordt.
+
+Dit alles heeft de beteekenis van aanwijzing van een hoogere
+werkelijkheid. Deze berg is onttrokken aan de aardsche natuur en
+natuurwet; de wezens, die er vertoeven, zijn in zwevende beweging
+en de geheele berg is een heilige schuilplaats der liefde. Ook het
+streven en de zedelijke strijd bestaan hier niet. Wat in de wereld
+niet geldt, geldt hier: het is de almachtige Liefde die alles vormt
+en alles koestert.
+
+In deze sfeer wordt het wonder voltrokken der voleindiging van
+het geestesleven. De voltooiing moge een logisch gevolg zijn van de
+voorafwerkende krachten, zoodat het geestesleven uit zichzelf naar haar
+heenwijst--toch is haar werkelijkheid een _nieuwe_ daad. Beter nog:
+in de voltooiing komt aan het licht welke kracht in het geestesleven
+verborgen was: de liefdekracht van God. De zedelijke houding van
+Faust was een strevende zelfwerkzaamheid, en het is dit streven,
+dat hem tot de volmaking voert ("wie altijd strevend werkzaam is,
+dien kunnen wij verlossen" zingen de engelen)--maar nu blijkt dat dit
+menschelijke streven nog een andere waarde heeft dan het streven van
+een mènsch te zijn: het is de ervaarbare keerzijde der Godskracht: de
+eeuwige scheppingshandeling Gods draagt het geheele leven, gelijk zij
+draagt de geheele wereld en waar wìj van zedelijk streven gewagen is
+'t in waarheid deze groote kracht, die zich in menschen openbaart. De
+groeikracht, waarmee de plant zich uit den aardbodem opheft, is niet
+haar speciale eigendom, maar is de Natuur zelve in haar werkzaamheid:
+zoo is het niet anders dan de Kosmische Liefde, die zich in Faust
+voordeed en vermomde als zijn eigen strevende wil. Zoo lang de mensch
+nog in zijn streven is bevangen en de Mefistofeles hem begeleidt,
+weet hij niet anders of het is zijn eigen zedelijke natuur die
+handelt.... maar dit wordt anders in de voleindiging.
+
+Ja dit is de voleindiging dat hij zich bewust is van de Godskracht
+als zijn eigen wezen. Op eens aanschouwt hij in zich niet zijn eigen
+persoon, maar het groote Wezen. Dit is de Godskennis waarvan Spinoza
+zegt dat zij het einde is der deugd, God schouwende met een helderheid
+als waarmee wij te voren van ons eigen streven bewust waren.
+
+Want de mensch leeft in het Wereldgeheel en de geheele wereldorde,
+die is de geest van God, woont in hem. Deze is de "eeuwige Liefde
+die alle dingen vormt" en in de voleindiging des levens hebben wij
+niet het partikuliere zelfbewustzijn, maar het bewustzijn van God,
+dat is van de eeuwige Liefde. Wij zìjn ons bewust van de Oneindige
+Tegenwoordigheid. Als "de Liefde van boven aan ons deelneemt roept de
+heilige schaar ons het welkom toe." De Pater Seraphicus, langs den
+berg zwevend, roept op tot deze ondervinding: "Stijgt opwaarts tot
+hooger gebied, groeit ongemerkt, want hier versterkt u de zuivere
+tegenwoordigheid van God. Dit is het voedsel der geesten, regeerend
+in het vrije hemelruim; dit is de openbaring der eeuwige Liefde,
+die zich in ons tot zaligheid ontvouwt."
+
+De beteekenis van Faust's oneindigen drang wordt nu verstaan: wat
+hem drong is het Oneindige zelf: zijn strevende natuur is van den
+beginne aan niets anders geweest dan de oneindige kracht Gods in haar
+menschelijke keerzij: datgene waarvan de Wagners onbewust waren, werd
+door de Fausten beseft; maar met een vóórbesef dat zich nu eerst tot
+levend inzicht voltooit.
+
+Nu eerst.... De mensch streeft zoolang hij leeft en zoolang hij
+streeft dwaalt hij en is door Mefistofeles vergezeld. Faust wordt
+voleindigd door den dood heen. De ingang in het groote Mysterie
+is de voorwaarde tot de voleindiging. Faust zelf heeft nog in zijn
+laatste levensstonde verzekerd, dat het "uitzicht naar boven" hem is
+afgesloten en dus de _kennis_ van het oneindige, waarnaar hij tevoren
+zoo vurig smachtte, niet verkregen is. Maar het onbekende is niet het
+onwerkelijke, en gelijk hij eenmaal den dood heeft willen roepen om
+hem in het mysterie in te wijden, zoo komt nu de dood met het mysterie
+en wijdt hem in. Slechts de dood geeft die zuivering waarbij de geest
+des menschen tot zichzelven komt, de uitwendigheid der wereld aan de
+aandacht ontzinkt. "Reeds is hij schoon en groot van heilig leven"
+zingt over Faust een schare van zalige knapen.
+
+Het zedelijk streven van den mensch is, in zijn grond beschouwd,
+niet eigen werk, maar de Godskracht in hare werkzaamheid; want naar
+ons wezen zijn wij het Algemeene, en de Geest des Geheels heeft
+hier zijne inwoning. Het streven opwaarts is, alzoo beschouwd, de
+aantrekkingskracht die van boven werkt, en de Faust-dichter noemt deze
+aantrekkingskracht: _het eeuwig-vrouwelijke_. "Het eeuwig-vrouwelijke
+trekt ons opwaarts" luiden de slotwoorden van het Faust-gedicht:
+
+
+ "Das ewig-weibliche zieht uns hinan."
+
+
+Wat is de beteekenis dezer uitspraak? Naar ons voorkomt deze: tot nu
+toe kenmerkt Faust zich door de strevende werkzaamheid. Het streven is
+het eeuwig-mannelijke; deze drang tot werken, deze voortschrijdende
+daadkracht is de scheppende macht, gewrochten voortbrengend en van
+den eenen tot den anderen arbeid voortgaand. Maar, "wie immer in
+strevende werking is dien kunnen wij verlossen"; hetgeen beteekent dat
+niet deze mannelijke gezindheid zelve de verlossing is: in haar wordt
+Mefistofeles geleidelijk overwonnen, maar het eindpunt der overwinning
+wordt niet bereikt. Doch in 't einde moet de mensch inzien, dat niet
+hijzelf, dat is niet zijn individueele eigen-persoon, de voleindiging
+toebereidt, maar dat hij haar verwerft krachtens de Godheid die zijne
+werkende macht is. Hij, als eigenpersoon, _geeft zich over_. Hier
+treedt het passieve moment in, dat de aktiviteit bekroont. Wat hem
+tevoren werk toescheen schijnt hem nu rust.
+
+Daarom is de Godheid in dit opzicht dat zij het geestesleven
+voleindigt, voor hem niet de werkzame Man, maar degene in wien het werk
+ten einde is en bij wien de mannenkracht uitrust: zijn tegendeel: het
+eeuwig-Vrouwelijke. Man en Vrouw, Mannelijkheid en Vrouwelijkheid zijn
+symbolische namen en symbolische begrippen om de goddelijke werking
+aan te duiden. In dit opzicht van ten einde zijn des werks en van
+overgave onzer persoonlijkheid aan den Voleinder is het goddelijke
+vrouwelijk gedacht. Hier is een _innigheid_ die tusschen man en man
+niet bestaat. Wat de Middeleeuwen in de Maria-dienst, wat de Griek
+in de Aarde-moeder nabij was, deze aflegging van den menschelijken
+eigen-wil en van het eigen-bewustzijn, vindt Faust in zijn opstijging,
+aangetrokken door het eeuwig-Vrouwelijke der goddelijke Liefde. Hier
+is niet bedoeld een onderdompeling in het onbewuste onzer zinnelijke
+natuur, gelijk men heeft verklaard, maar een opstijging boven het
+bepaalde bewustzijn van ons verstandelijk daglicht.
+
+
+
+Het menschenleven voleindigt zich door inkeer tot zijn grond; het
+eindigt bij zijn aanvang. Het Faust-gedicht begint in den hemel
+d. i. in de sfeer van God en vindt er zijn einde. In het einde is de
+eeuwige Dag aangelicht.
+
+De eerste Dag van Faust was het vale, voorbijgezwoegde tijdperk zijner
+vergeefsche inspanning, eindigend in de klacht. Daarna de avond
+met mysterieuse diepten en zinnelijkheid en eindelijk de voornacht
+bespookt door wroeging en verwijt. Deze eerste Dag is het eerste
+Deel des gedichts. De na-nacht brengt kalmte en geeft den strever
+geestes-rust. Nu verschijnt de nieuwe Morgen van arbeid, de morgen van
+het groote streven en deze morgen geeft zich over aan den Eeuwigen Dag.
+
+In dien Nieuwen Dag der goddelijke Tegenwoordigheid is de Drang naar
+het Absolute bevredigd. [1]
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+ WOORD VOORAF
+
+ I DE KLACHT VAN FAUST:
+
+ 1. De famulus Wagner, de begrensde mensch
+
+ 2. Wetenschap is herleiding tot het
+ Onbegrepene
+ 3. Faust zoekt ontkoming bij de magische
+ fantasie
+ 4. Faust's klacht herhaald (verschijning van
+ den Aardegeest)
+
+ II Faust en Mefistofeles:
+
+ 1. Het eeuwige in den mensch (de proloog in
+ den Hemel)
+ 2. De verstorende macht. Het noodwendige
+ Tegendeel in wereld en leven. Mefistofeles
+ 3. Mefistofeles: ontkenning en ironie
+ 4. De weddenschap van Faust en Mefistofeles
+
+
+ III FAUST IN DE WILDERNIS:
+
+ 1. Zelfverlies in den zinnenlust
+ 2. De onmacht van Mefistofeles (Faust in
+ Mefisto's leiding)
+
+ IV DE WEG VAN FAUST:
+
+ 1. De nacht van uitrusten voor den nieuwen
+ morgen
+ 2. De nieuwe zedelijkheid (zedelijk streven
+ en zelfbevrijding.)
+ 3. Het besluit tot daden
+ 4. De klassieke beschaving als leerschool;
+ geestelijke vorming; de idee der schoonheid
+ 5. Het huwelijk van Faust en Helena. Harmonie
+ en maat
+ 6. Stichting eener vrije wereld. Waarde en
+ ontoereikendheid der zedelijke daad. Het
+ einde van Faust's streven
+
+ V FAUST'S VOLEINDIGING:
+
+ 1. Overschrijding onzer begrensdheid in
+ de religie; de goddelijke Liefdemacht; de
+ overgave
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENING
+
+
+[1] Verg. Dr. J. D. Bierens de Haan, Dante's mystische reis (Amsterdam,
+1914), Hoofdstuk XIII, Het kristallijnen bewustzijn en Idee-studies
+(Amsterdam 2de druk 1913): De geestelijke ontroering; en: door de
+Rede tot de Aanschouwing.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Goethe's Faust, by Johannes Diderik Bierens de Haan
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GOETHE'S FAUST ***
+
+***** This file should be named 23018-8.txt or 23018-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/3/0/1/23018/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.net/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.net
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.net),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.net
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.