diff options
Diffstat (limited to 'old/20071012-23018-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/20071012-23018-8.txt | 2751 |
1 files changed, 2751 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/20071012-23018-8.txt b/old/20071012-23018-8.txt new file mode 100644 index 0000000..d518305 --- /dev/null +++ b/old/20071012-23018-8.txt @@ -0,0 +1,2751 @@ +Project Gutenberg's Goethe's Faust, by Johannes Diderik Bierens de Haan + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.net + + +Title: Goethe's Faust + +Author: Johannes Diderik Bierens de Haan + +Release Date: October 12, 2007 [EBook #23018] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GOETHE'S FAUST *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + Handboekjes Elck 't Beste + + Onder leiding van L. Simons + + + Uitgegeven door de + Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur + Amsterdam + + + + + + Goethe's Faust + + Studie door + + Dr. J. D. Bierens de Haan + + + + + + + + + + + Gedrukt ter drukkerij "De Degel", Amsterdam. + + + + + + +WOORD VOORAF + + +Goethe heeft in de twee gedeelten van den Faust aan zijn lezers het +beeld voor oogen gesteld van den mensch en zijn hoogste streven. Niet +een historisch bepaalden persoon, gelijk in menig drama, noch een +zielkundig merkwaardig wezen, als genie of "Uebermensch" heeft +hij geschilderd; maar den mensch, die wij allen zijn. Al het +fantastisch eigenaardige van het Faust-gedicht is dichterlijke +verbeeldingswijze. Het zal ons, die over de Faust-figuur gaan +filosofeeren te doen zijn, om het menschelijke in dezen mensch, +en om niets anders. + + +B. de H. + +_Aerdenhout_, Oktober 1914. + + + + + + + + + +I DE KLACHT VAN FAUST + + + +1. De famulus Wagner, de begrensde mensch. + + +Nauwelijks verschijnt ons de figuur van Faust of wij vernemen zijn +klacht, een klacht zoo zeer uit de geheele persoonlijkheid opgeweld, +dat wij Faust niet kennen, zoolang wij de klacht niet verstaan. En +door in haar te verwijlen, zoodat de snaren onzer ziel meetrillen, +verstaan wij haar. Niet slechts muziek of roman willen genoten worden +door medeleving, maar ook de wijsheid, en ook datgene wat aan de +wijsheid voorafgaat. + +Terwijl wij nu de klacht van Faust zullen uitspreken, en bepeinzen wat +zij inhoudt--zie daar ontmoeten wij een mensch in Faust's omgeving en +met wien hij elken dag verkeert: zijn eigen famulus, den helper bij +zijn natuurkundige proeven, Wagner. Hij is een mensch (of zeggen wij: +hij is "de" mensch) die de klacht van Faust niet kent en haar niet +begrijpt en die te dezen opzichte het niet verder brengt dan tot een +schamele verzuchting. Het is langs den famulus Wagner, dat wij tot +Faust naderen; het is door tegenstelling dat wij de beteekenis van +Faust's klacht duidelijk maken. + + + +"Reeds weet ik veel doch gaarne wist ik alles" (Zwar weiss ich viel, +doch möcht ich alles wissen). Met deze woorden treedt de famulus +Wagner uit Faust's studeercel af; zij zijn kort en wel de prachtigste +karakteristiek van een benepen mensch. De man wien deze woorden in +den mond gelegd zijn, is voorgoed belachelijk en met hem het heele +ras der zijnen; de kordate weetvastheid van zoo'n schepsel, zijn +beslist voornemen om de weterij van dag tot dag te vermeerderen, en de +volkomen argeloosheid van zulk gemoed zijn zoo heerlijk bijeengebracht +in dat ééne volzinnetje, dat wij Goethe den oprechten dank onzer +harten schuldig zijn, die zoo treffend de heele bent van weetwijzen +heeft gekarakteriseerd. + +Deze menschen hebben éen eerbied, en die is groot, voor degenen die +nog meer weten dan zij; zij hebben één verlangen en dat is groot: hun +medewetenden voorbij te streven of althans in te halen; hoe gaarne +zouden ze twee honderd jaren oud worden, wanneer dat hun hielp om +alles te weten. Zij zijn het die de opstapeling der leervakken hebben +uitgevonden en de vergelijkende examens. + +Wagner is de _begrensde_ mensch. Maar waarin bestaat dan wel zijn +begrensdheid, terwijl toch zijn verlangen zóo ver reikt? Tevreden met +halve maatregelen vinden wij hem niet en de hoeveelheid weten, door hem +verzameld, is hem nooit genoeg, daar hij immers tot de al-wetendheid +toe zou willen voortwerken. Respektabel is de kennis der Wagners, en +zij gelijken in hoeveelheid van opgezamelde wetenschap op musea. Hun +vatbaarheid schijnt onbegrensd. Zijn zij niettegenstaande dit een +begrensd type van menschen, waarin ligt deze begrensdheid dan? + +Zij ligt in een eigenschap huns geestes waardoor zij den zin en +beteekenis van hun eigen weten misverstaan. In een misverstand ligt +hun begrensdheid; en het misverstand is van dien aard, dat hij die het +opeens inziet, tot de klacht van Faust vervalt. Maar ook van dien aard +is het misverstand dat men slechts krachtens geestelijke beperktheid +daarbij blijven kan en dat de ware, ruime en diepe geest niet anders +kan dan het misverstand ontsluieren en dus komen moet tot de klacht +van Faust. En deze klacht verwoest de vorige vreugde en spreekt het +vonnis uit over de schoone illusie van voorheen. + +Wat de famulus Wagner niet verstaat is: dat al deze kennis een nadering +is tot het Onbegrepene. Ja: de diepere _waarheid_ der kennis ligt +hierin--een waarheid die vooralsnog verbijstert en verblindt, zooals ze +aan Faust doet, maar die later wordt verstaan, wanneer het Onbegrepene +niet zonder meer on-begrepen blijft. De Wagners echter verstaan niets +van dezen geestelijken zin en wonderbare waarde der menschelijke +kennis: hun is het te doen om de verzameling der weetzaken. Zij +kloppen begeerig aan de deur van Faust's denkvertrek "om met hem te +treden in geleerde overweging," maar niet om wijsheid. De vrees, die +hen een enkelen maal bij hun wetenschap overvalt, is niet de vrees +of ook al het weten de toenadering is tot een ontzaglijk geheim, +te groot voor menschenhart. Maar hun vrees is dat het korte leven +niet genoeg zij om de hoeveelheid der weetbaarheden te verzamelen: +"de kunst is lang en kort het leven" "eer de halve weg is afgelegd moet +een arme drommel misschien sterven." De _kwantiteit_ van het weetbare +verontrust hen soms; en zoo ze ooit over de begrensdheid onzer kennis +hebben nagedacht, dan is het om deze grenzen verkeerd te stellen: +de begrensdheid onzer zintuigen en van ons geheugen en der werktuigen +die wij aanwenden, de kwantitatieve onvolmaaktheid van het menschelijk +verstand is de eenige grens, die zij zich indenken: maar dat mogelijk +het verstand zelf (ook het ver-reikendste) niet levert wat wij ons +inbeelden, dat het verstand zelf _voert tot het onbegrepene_; dat aldus +het verstand eindigt niet bij het doel, waarvoor wij 't inspanden, +maar bij de ontkenning des doels--dàt te verstaan is verre buiten het +vermogen der famuli Wagner. Zoo verstaan zij ook niet wat wèl de zin +der verstandswerking mag zijn. In hun mond past de volgende lofspraak: + +Wij hebben met nauwlettendheid de bewegingen van gemoed en verstand +gadegeslagen, geklassificeerd en ingedeeld onder psychische wet. Wij +hebben de bronnen der historie van volken en geslachten geopend +en bestudeerd. Wij hebben de aarde opgegraven en daar de archieven +aangetroffen voor de prae-historische geschiedenis der menschheid; wij +hebben door geologische onderzoekingen den ouderdom van onze aardsche +woonplaats berekend en een algemeene voorstelling harer wordingsfazen +verkregen; de afstanden vastgesteld in het stelsel der planeten; onze +blik reikt tot eindlooze verten heen; de richting is aangewezen waarin +het menschelijk verstand nog jaren en jaren zijn onderzoekingswerk +kan voortzetten: zwar weiss ich viel, doch möcht ich alles wissen! + +Oefent de verrukking der Wagners niet zekere verlokking uit en zou +men haar uitspraak niet liever aanhooren dan de klacht van Faust, +de bittere en doodelijke klacht: "Ik zie dat wij niets kunnen weten" +(ich sehe dass wir nichts wissen können)? + +"Nu heb ik, ach, filosofie, rechtswetenschap en medicijnen, en +ook helaas theologie met vurigen ijver bestudeerd. Daar sta ik nu, +een arme dwaas en ben zoo wijs als bij 't begin. Ik heet Magister, +Doctor zelfs en trek nu al een tiental jaren, omhoog omlaag en scheef +en krom scholieren bij hun neuzen rond en zie dat wij niets weten +kunnen: dat brandt mijn hart met felle pijnen." + +Aldus luidt de klacht, waarmeê Fausts nachtelijke alleenspraak in de +studeercel aanvangt en waarvan geen famulus Wagner iets verstaat. + +Voor dezen is wetenschap nog niets anders dan lofwaardige geleerdheid, +streelend voor het menschelijk gevoel van eigenwaarde. Dat wereld +en leven _raadsel_ zijn vermoedt hij niet. Tegenover de klacht van +Faust klinkt zijn tevredenheid als onbewuste bespotting van zichzelf: +"het is een groot genot zich in den geest der tijden te verplaatsen, +toeziende hoe voorheen een wijs man heeft gedacht, hoe heerlijk ver +ten laatste wij gekomen zijn." + + + +2. Wetenschap is herleiding tot het Onbegrepene. + + +De klacht van Faust betreft niet de kwantiteit van het weten: het +te weinig aan kennis. Deze kwaal ware wellicht door den arbeid van +duizend jaren te verhelpen, waarna de klacht kon worden te boek +gesteld als bewijs van het te kort in een voorafgaand stadium der +menschelijke ontwikkeling. + +De klacht van Faust houdt in dat de kennis een nadering is tot het +Onbegrepene. Dit is het wat hem kwelt: hoemeer deze schipper zijn +vaart bespoedigt, zoo dichter nabij den kolk wordt hij gedreven, +waarin elk vaartuig vergaat. Juist het tegenovergestelde van wat +hij wenscht bereikt hij; het licht waarnaar hij versmacht blijkt +duisternis. Tevoren, toen hij als onwetende door het leven liep, was +hij niet ongelukkig; zijn behoefte aan kennis hield nog de belofte +in eener toekomstige vervulling. Thans echter is hij de kennis +deelachtig en ziet: het kennen drijft hem ijlings in de ellende: +het Onbegrepene is voor zijn oog verrezen. Het is alsof nevels den +horizont onzichtbaar maken zoodat wie kunnen leven zonder horizont, +tevreden zijn met het beperkte bestaan hun gegund. Maar zij, wie +de beperktheid het leven benauwt, doorwaden de nevelen en wat zien +zij? Monsters die het bestaan bedreigen. + +Wij willen uit het begrip der wetenschap, de wetenschap van natuur +en zielsleven, nagaan waardoor Faust tot zijn klacht gedreven is. + +Faust heeft op alle gebied van het menschelijk weten zijn kennis +uitgebreid: wat wil het zeggen: de uitbreiding der kennis? Het wil +zeggen dat de waargenomen stof, die eerst een voorwerp was voor +de tuchtlooze fantasie, al meer onder algemeene gezichtspunten des +verstands gebracht wordt: de zonnekar met de vurige rossen en den +kloeken menner, die eertijds de fantastische behoefte der jeugdige +volken bevredigde, heeft de plaats geruimd voor een mechanische wet van +beweging naar de eischen van het tucht-lievend verstand. Nu zijn wij +verstandiger en wij zijn vooruit gegaan; wij hebben voldaan aan den +eisch onzer eigen bewustheid. Maar _begrijpen_ wij nu? Het voorbarig +"ja" als antwoord op deze vraag past in den mond der famuli Wagner. + +Ons verstand leert ons de bizondere gevallen begrijpen uit het +algemeene; den val van een steen begrijpen we uit de algemeene wet der +aantrekking; het ontkiemen van een zaad begrijpen wij uit de algemeene +wet der organische ontwikkeling. In zoover kan men zeggen dat wij door +het verstand iets begrijpen. Maar zal dit begrijpen volledig zijn en +niet een verwijzing naar het onbegrijpbare, dan moeten wij ook het +Algemeene begrijpen--en dat kunnen wij niet. Zoo is er dan deze reden, +om welke ons verstand niet in staat is tot wezenlijk begrijpen: dat het +verstand de waargenomen wereld der bizondere gevallen (verschijnselen, +gebeurtenissen) herleidt tot het Algemeene (algemeene wetten) en het +Algemeene is voor hem onbegrijpelijk. + + + +Voorbeeldig in ijver werkt het verstand voort aan zijn matelooze +taak, om de veelvormige en veelvervige stof der waarneming te brengen +onder de tucht van het Algemeene. Maar bij nadere bepeinzing wordt +ons duidelijk dat wij niet vermogen raadsels op te lossen, doch +te klassificeeren. Wij herleiden de raadseltjes tot raadsels; +de bizondere raadseltjes tot algemeene raadsels; het bizondere +raadseltje van het vallen eener steen tot het algemeene raadsel der +aantrekkingskracht. Ons verstand is de ondernemer van een dierentuin, +die zijn kooien in regelmatige orde bouwt naast elkaar en geleidelijk +den toeschouwer door de opklimmende rang-orde der dierenwereld +voortleidt; elke kooi draagt een welgeschilderd opschrift, waar +geslacht en soort van het vertoonde schepsel te lezen staat. Maar +het wezen zelf dat als representant der soort zich hier voordoet, is +een onoplosbaar raadsel. Hier is de tijger, felis tigris, gevaarlijk +roofdier, exemplaar der katten-familie; orde: roofdieren (carnivora); +onderklasse: eigenlijke zoogdieren (monodelphia); klasse der zoogdieren +(mammalia) en behoorend tot de eerste type van het dierenrijk: de +gewervelde (animalia vertebrata.) Maar ik vraag u: wat loert in dat +oog? Zoo gij mij dat dier wilt vertoonen, bij de goden leg mij uit +wat de natuur is, dat zij zulke wezens schiep en wat de _zin_ der +schepping is, waarin dit dier zijn plaats heeft en: wat beteekent de +tijger in de rangorde der wezens die gij mij zoo keurig benaamdet? Of +zie dien dommen papegaai, bij welken de uil waard is vogel van Athene +te zijn: wat wil de natuur dat zij dezen papegaai in haar bosschen +laat. Zonder raadsels kwam ik in uw dierentuin, waarin ge mij de wereld +zoudt vertoonen gekatalogiseerd: ik zou uitgaan als een begrijpende; +maar gij hebt mij alleen vertoond geklassificeerde raadselen. + +Ons verstand is de ondernemer van dien dierentuin. Het heeft een +tweeledigen arbeid: _vooreerst_ de klassifikatie (schematisatie) +der waargenomen voorwerpen naar hun eigenschappen. Wanneer wij een +slak, een olifant en een nijlpaard beschouwen, blijkt al dadelijk, +dat de eigenschappen der laatste twee meer onderling overeenstemmend +zijn dan der eerste twee. Zoo ontstaat een indeeling der waargenomen +wereld in verscheidene rangen: de anorganische wereld; de organische +(plantenrijk), de bewuste wereld (dierenrijk) en de wereld der +redelijke wezens. De _tweede_ taak van het verstand is: het leven +der voorwerpen van elke klasse na te sporen; herleidend het verschil +der eigenschappen tot verschil van levensfunktie: in de anorganische +wereld is dit leven tweeërlei: chemische verbinding en ontbinding +der stoffen èn mechanische beweging; in de organische wereld is dit +leven: groei (voeding, procreatie, sterven); in de bewuste wereld: +bewust-zijn; in de redelijke wereld: denken en wil. + +En wanneer wij nu de gekompliceerde verschijnselen, die zich overal +voordoen, herleid hebben tot de _enkelvoudige algemeene gevallen_ +(wetten) van het leven eener toebehoorende klasse, dan mag ons verstand +even voldaan zijn als de famulus Wagner. + +Maar nu begint de klacht van Faust: want, het algemeene geval der +aantrekkingskracht of van den groei of van het bewust-zijn of van +den wil: dat is juist het onbegrepene. + +In het eerste zijn wij voldaan. Zoolang wij de waarnemingswereld voor +oogen hebben zijn wij voldaan met de wetenschap, dat de veelvuldige +werkingen, elk met hun eigen aanschijn, berusten op een zelfde +algemeenheid; de groei van deze lelie gaat evenzoo als de groei van +honderd andere planten, die gij reeds kent; bevruchting en voeding +hier geschieden gelijk als daar. Herkennen wij in het aanschouwde +natuurverschijnsel een algemeene wet, dan bevinden wij ons in +een aangename situatie daar tegenover; wij zijn niet verbijsterd +als tegenover het ongewone; wij weten heel wel het verschijnsel te +plaatsen. Te zijnen opzichte zijn wij voldaan als Wagner.... Totdat we +gaan peinzen over dat Algemeene! Over den groei zelf; over ontstaan en +bevruchting en voeding en sterven. En nu niet meer over een bepaald +geval ervan, maar over deze dingen zelf; hier helpt geen analogie +noch verwijzing naar iets anders, tenzij naar een hooger Algemeene, +dat alsdan aan uw verbijsterd oog zich vertoont. Staat ge nu niet +met uw aangezicht voor het Onbegrepene? Een steen valt.... ziedaar +de bizondere verschijning van het algemeen geval: de (wet der) +aantrekking. Ge noemt het algemeene: de aantrekkings_kracht_. Kracht +beteekent mysterie. + +Wilt ge u verwonderen? Aanschouw gindsche pompoenstruik; voor drie +maanden ging een nietig zaad in de aarde. Thans staat daar een +plant van vollen en schoonen vorm; de groene hoekige stengels dragen +fraaie en breede bladeren, sierlijk generfd en zacht-behaard; oranje +bloemkelken pronken tusschen het groen en reeds begint zich een geel +en groen gevlekte vrucht te ronden. Bedenk nu niet de analogie met +andere gevallen van gelijken aard: bedenk het Algemeene,--den groei; +de verbandstelling tusschen het nietig ovaalvormig zaadje, dat gij +nederwierpt èn deze schoone volle plant; er is niet één overeenkomst; +het is even wonderlijk als dat een krokodil een eikeboom werd of +een paddestoel veranderde in een mensch. Wij zijn er aan _gewoon_; +maar het gewone is even groot wonder als het ongewone; het Algemeene +is puur mysterie en ondoordringbaar voor ons wetenschappelijk verstand. + +In het Algemeene (de algemeene wet) is niets geschied dan de +vereenvoudiging van het bizondere; het verwarde beeld, dat door de +aanschouwing voor onze oogen komt, is er tot zijn enkelvoudigen vorm, +d. i. tot denkbeeld, gereinigd. Het verstand, tot zijn grens genaderd, +heeft principieel en duidelijk het onkenbare voor den dag gebracht, dat +zich bij de onoverwogen aanschouwing der dingen alsnog verborgen hield. + +Wetenschap is een herleiding tot het Onbegrepene. Vandaar de klacht van +Faust: Zij die van haar de openbaring der waarheid verwacht hadden en +teleurgesteld uitkwamen, hebben gesproken van haar bankroet. Volkomen +ten onrechte; wat zij ondervonden hebben is het bankroet hunner +verwachting. Het positivisme heeft zijn belofte niet gehouden waar het +de wetenschap tot een religie maakte. Maar de menschheid, van welke +Faust lid is, behoeft de verheldering van het innerlijk en deze is +het die zij op den moeilijken weg der wetenschap heeft gezocht. + +Konden nu maar de Fausten inzien dat het Algemeene een poort is, wel +gesloten, maar aan den ingang van het rijk der Waarheid gebouwd, dan +zouden zij, op den weg van hun nadenken voortgeschreden hun klacht +uiten met berusting, maar nu ten einde raad, klagen zij "dat wij +niets kunnen weten." + +De scepticus houdt bij dit inzicht halt, en acht het _wijsheid_. Zijn +karakter brengt den eisch van intellektueele zekerheid niet voort; het +negatieve besluit is hem te meer welkom, omdat hij nu met handhaving +zijner verstandelijke reputatie het deel des gemaks kan kiezen in het +leven. En zeker: de klacht van Faust klinkt als wijsheid tegenover de +wetenswaan der Wagners; maar toch is zij op die wijze niet bedoeld. In +den mond der kleinere geesten is Faust's klacht de uitspraak van het +zelftevreden intellekt, dat nu met zijne wetenschap van het niet-weten +een eindpunt heeft bereikt. "Que sais-je" vraagt Montaigne en wordt +door zijn onwetendheid niet verontrust. Hij was een verstandig mensch +en een elegante geest, niet zonder bekoring; maar hij was geen Faust. + +Ook de groote zoekers van ons geslacht, Socrates zoowel als Paulus, +hebben beleden dat de kennis waarop een menigte van halfwetenden zich +verhoovaardigt, voor den dóórschouwer een oorzaak der vertwijfeling +zou zijn, zoo hij niet tot nog hooger gezichtspunt klom. Van Paulus +is de uitspraak: zoo iemand meent iets te weten, die heeft nog +niets gekend gelijk men behoort te kennen. En Socrates zegt: ik, +daar ik niets weet, zoo meen ik ook niet te weten. Doch de God is +wel in waarheid wijs en meent dat de menschelijke wetenschap weinig +waard is, als zeide hij: Deze o menschen is de wijste van u, die, +gelijk Socrates heeft ingezien, dat hij niets waard is in wetenschap. + +Faust is geen scepticus, geen twijfelaar tevreden met zijn +twijfelkunst. Het hoogere gezichtspunt, waarin de waarheid opengaat, +is hem alsnog gesluierd. Zijn klacht klinkt tegen het gewelf van zijn +studeercel in deze nacht van onderzoek en versmachting. Hoe zal deze +man aan zijn klacht ontkomen? + + + +Een weg der ontkoming is er en die niet maar de vlucht is van een +moedelooze. De tot twijfel en vertwijfeling vervallene kan vluchten +in den schoot der moederkerk; maar een echte ontkoming ware dat niet: +veeleer een insluimering, het moede hoofd op zijden kussen neergelegd, +terwijl de groote klokken der beschermende kathedraal de gedachten +bedwelmen en het gelijkmatig rythme den slaap begeleidt. Maar de +vlucht is voor Faust de weg der ontkoming niet. Hij zal niet ontkomen, +maar te boven komen. + +De weg, dien men niet aanstonds vindt is deze: het leven zelf +samenvatten en verheffen tot zedelijke daad en op die wijze van +binnen uit met nieuwe energie het denken sterken. Het denken, door +de zedelijke daad des levens tot redelijkheid verdiept, heeft het +richtsnoer der waarheid in zich. Is de beschouwing over de wereld, +natuur, en historie uitgeloopen in de klacht der onwetendheid, dan +zal nu de aandacht, van deze "buiten"-wereld afgeleid, zich tot den +denkenden mensch zelf bepalen en binnen-in-zich zal men werkelijkheid +vinden en een geestelijke levensbeschouwing wordt gewonnen. De wereld +blijft dan het kleurig gordijn, waarvoor zich het leven afspeelt. In +eigen boezem wordt werkelijkheid wat daarbuiten tot tastlooze +onzekerheid versplinterd is: "gij hebt haar verwoest de schoone wereld, +in eigen boezem bouw haar op". Zoo komt de geest zijn twijfel te boven +en vestigt zijne zekerheid; hij komend tot de innerlijkheid des levens, +komt tot de redelijkheid van het denken en de klacht wordt omgezet +in gejuich. Er is noodig een omzetting des levens, die niet in éen +moment, maar in een innerlijke geschiedenis zich voltrekt. Niet een +"bekeering" maar een verdieping en bevinding onzer innerlijke waarde. + + + +3. Faust zoekt ontkoming bij de magische fantasie. + + +Maar zoover is Faust nog niet, en juist de pogingen om tot waarheid +te geraken éer hij zich in het leven werpt, zoekend naar zijne +daad--juist zijn voorafgaande pogingen hebben een enorme bekoring. Want +daarin komen groote en zinvolle vermoedens van het menschenhart tot +uitspraak. De waarheid, door het verstand niet bereikt, wordt misschien +bereikt door.... de fantasie? En ziehier de gedachte vleugelen +aandoen om fantastisch in de geestelijke waarheid der wereld op te +stijgen. Mogelijk wordt het mysterie der natuur aldus geopend? Mogelijk +heeft de fantasie den gouden sleutel der poort, waarvan 't verstand +niet anders vermag dan de konstruktie te bestudeeren. + +De vooruitgang der kennis is geweest een gaan van de fantasie +tot het verstand. De oude mythologische verbeelding verklaart de +natuurverschijnselen door goden en nimfen, terwijl het latere verstand +de natuurverschijnselen verklaart door het algemeene (de algemeene +natuurwetten). Het in de aarde geworpen zaad ontkiemt volgens een +algemeene wet van organischen groei, zoo leert het verstand; maar de +mythologische fantasie houdt het daarvoor, dat een fee des nachts +met haar tooverstaf de zaden aanroert en het leven eruit opwekt, +zoodat ze ontkiemen. Wanneer dan de mensch, ten einde des verstands en +uitgekomen bij de klacht der onwetendheid, eens vàn het verstand tót +de fantasie terugkeerde? Of neen niet terugkeerde, maar vóórtging: +een nieuwe mythologie, een natuurfilosofische mythologie uitvond, +waarin de resultaten der wetenschap omgewerkt werden in mythologischen +zin? Het algemeene des verstands omgezet in het persoons-beeld der +fantasie? De algemeene werkingen der natuur toegeschreven aan de +energie van geesten?.... + +Ziehier een weg, die schijnt een weg der ontkoming aan de klacht. + +Het onpersoonlijk-Algemeene was de troostelooze uitkomst van het +overdenken der natuur; tegenover het Algemeene staat de mensch als +tegenover het steenen aangezicht der Sfinx. Maar deze uitkomst wordt +blij-eindig omgezet, indien het Algemeene niet meer het troostelooze +einde onzer gedachten is, doch daarin een verwantschap aan onzen +eigen geest wordt vermoed. + +Heeft ook Schiller niet in zijn gedicht "Die Götter Griechenlands" +met weemoed deze orde der fantasie verheerlijkt en uitgeroepen: +"Schoone wereld, waar zijt Gij? Keer terug o bloeiende jeugd der +natuur! Ach slechts in het feeënland der dichtkunst is uw fabelachtig +spoor thans te herkennen. Uitgestorven treurt het zaadveld en aan +mijn blik vertoont zich geen godheid meer" ....wanneer zich nu wèl +in het zaadveld een god vertoonde en de wereldkrachten geestelijke +machten waren, die mijn voetspoor omringden.... + +Gij weet wat het is.... magie? Zij is niet hetzelfde als de +mythologische fantasie en wanneer misschien aan den Faustischen mensch +de dichterlijke en mythologische fantasie een oogenblik het brein +doorkruist, dan wijst hij haar toch af voor die andere: de _magische_, +zooveel zinvoller dan haar zuster. De mythologische fantasie zingt, +maar de magische fluistert; de dichterlijke fantasie speelt, maar de +magische werkt. Zij verheft zich, belooft, bezweert en dreigt. Zij +is vol angst en vol belofte, geheimzinnig als de slaap en majestueus +als de dood. + +Verzeker dat de aantrekkingskracht liefde is, en noem de electriciteit +ijver; blijf niet bij deze verklaringen in het algemeen, maar vat +alle natuurwerking op als streven van geestelijke oer-wezens. Zeg +dat de liefde een liefde is van elementen-geesten en dat een +geheimzinnig huwelijk de tegengestelde krachten verbindt.... Zeg +deze inzichten tot uzelf in het half-duister van den maannacht, in uw +studeercel. Zeg ze tot uzelf, o Faust, te midden der oude perkamenten, +retorten en instrumenten, terwijl ge onrustig in vergeten geschriften +bladert.... en bevind dan de uitwerking uwer gedachten, terwijl de +smeulende lamp knettert en de nachtwind door het geopende hooge venster +steunt. Om u heen bewegen de ritselingen van opgeroepen geesten. + +Het is de Neo-Platonische en -Pythagoreische mystiek, die aldus het +geheim der natuur wilde lezen. In de eerste eeuwen onzer jaartelling, +toen de menschelijke gedachte een bewegelijkheid had als nooit +tevoren en op alle wegen uitging om waarheid te zoeken, vond ook +de magie grooten aanhang. Jamblichus (± 300) had een beroemden naam +als filosoof, maar ook als wonderdoener en bezweerder der geesten en +van hem vertelde men, dat hij Eros en Anteros, geesten van liefde en +wederliefde, in levende gestalten uit twee bronnen van zijn syrisch +vaderland te voorschijn riep. In den tijd der Renaissance, toen het +kerkelijk systeem was losgemaakt en het denken ongehinderd op vrije +wegen ging, was ook aanstonds de geesten-theorie gevonden als middel +tot doorgronding van het bestaande. Heel de natuur is een werk van +geestelijke machten welke men kan leeren kennen en op welke men kan +invloed oefenen door de magie. De naam Paracelsus zegt genoeg: maar +er is een andere naam, die in verband met Faust meer zegt: Agrippa +von Nettesheim († 1535), want deze man is niet slechts een belijder +der natuurmystiek, maar is ertoe gekomen langs den weg van Faust. En +terwijl zijn eene geschrift den titel draagt: "over de onzekerheid +en ijdelheid der wetenschappen" heet het andere "okkulte filosofie"; +de weg dóór het verstand tot de klacht "ik zie dat ik niets weet" +en vàn de klacht tot de fantasie. + +Nu is voor Faust de wereld veranderd en de kennis geen herleiding meer +tot het Onbegrepene. Ons eigen streven begrijpen wij: tenminste is het +feit onzer eigen strevende natuur ons zóó vertrouwd, dat wij hier geen +geheimenis achter zoeken, dan welke wij rechtstreeks verstaan. Hetgeen +aan ons streven verwant is en tot vorm van streven kan herleid worden, +achten wij ook begrijpelijk. Welke nieuwe zienswijs, wanneer op eens +de geheele natuur met haar werkingen wordt voorgesteld als aan ons +streven verwant! + +"Wanneer de natuur u onderwijst, dan gaat de zielenkracht voor +u open en verstaat ge hoe de eene geest tot den andere spreekt"; +"de geestenwereld is niet toegesloten; uw verstand is toe en dood +uw hart. Rijs op leerling! En baad onbezwaard uw aardsche borst in +het geestes-morgenrood." Bij de aanschouwing der magische teekens, +waardoor de beschouwer in rechtstreeksche aanraking komt met de +aangeduide geestelijke kracht, vloeit zaligheid door alle zintuigen, +een jong en vernieuwd levensgeluk stroomt nieuwgloeiend door Faust's +zenuwen. Is het een God die in het magisch teeken die macht heeft +neergelegd? Is hij, Faust, zelf een godheid? Hem wordt het tot licht +van binnen en de werkende natuur ligt voor zijn ziel geopend! + + + +4. Faust's klacht herhaald (verschijning van den Aardegeest). + + +Deze toenadering tot het wezen der natuur, en waarbij de magiër +niet slechts de natuur bedoelt, maar het hart der wereld en der +werkelijkheid zelve, heeft het kenmerk der voorbarigheid. Wat Faust van +het daglicht der wetenschap verzekert, kan ook van het nachtlicht der +magie gelden: "De geheimenvolle natuur laat in het licht des daags +zich van haar sluier niet ontdoen en wat zij niet verkiest aan uw +geest te openbaren, dat ontwringt gij haar niet met hevels en met +schroeven". Ook voor de magische fantasie opent zij haar geheim niet. + +De geestesverrukking van Faust, als hij uitroept "o welke weelde welt +in dezen aanblik" is begrijpelijk. "Welke weelde vloeit door al mijn +zinnen! Ik gevoel jong en heilig levensgeluk gloeiend door zenuwen en +aderen stroomen. Was het een God, die deze teekens schreef, die mijn +innerlijke bruising bedaren, mijn arme hart vervullen met vreugde, en +met geheimzinnigen drang de krachten der natuur rondom ontsluieren? Ben +ik een God? ik gevoel mij zoo licht!" De geestesverrukking van +Faust is begrijpelijk, omdat zij de opstijging der ziel is uit de +neerslachtigheid tot de hoop. Terwijl plotseling de klacht staakt +en een nieuw vergezicht geopend wordt, trilt de aandoening door alle +zenuwen en wordt de gang der gedachten rythmisch; de ziel is alreeds +door het nieuwe licht omstraald--zoolang de opwekking duurt. Weldra +zal de weg der fantasie een pad van vergissing blijken, wanneer het +spiedend oog ook daar de richting kwijt raakt. De denker Faust zal +ontwaren, dat deze wereld niet de gelijke is van den menschegeest en +dat het Onbegrepene ook hier mensch en wereld uit elkaar scheidt. De +droomen der magie voeren eerst recht het Onbegrepene tot vlak nabij +en ontstellen den geest, die waarheid zoekt. + +Het was de vraag om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap met +den menschengeest: dan zou hun zin ontsluierd zijn en het geheim der +dingen openbaar. Maar het spreekt vanzelf, dat deze verwantschap, +al bestaat ze ook, dieper ligt dan ons _bewustzijn_. Maar zou +er sprake zijn om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap +met den menschengeest, dan zou deze verwantschap bestaan moeten +juist met ons _bewuste_ zieleleven. Wat hielp het, zoo de natuur +verwantschap aanwees met de _onbewuste_ gronden van ons menschelijk +wezen? Maar zie: het kleine gebied van ons innerlijk leven, dat met +onze eigen lantaren wordt toegelicht, is niet meer dan een oppervlakte: +afgronden liggen in ons en berghoogten verrijzen, waarvan nu en dan +een vermoeden en zelfs een innerlijke ervaring in ons ontwaakt. Wij +die onszelf niet kennen, ontberen die zelfkennis, waarbij het heelal +wordt toegelicht, en waardoor God, wereld en natuur voor ons kenbaar +zijn. Uit verwantschap met onzen onbewusten en diepen geest zou +de groote wereld door ons begrepen worden.... zoo wij niet beperkt +waren tot het kleine land van ons eigen bewustzijn. Hier blijkt de +magie met haar verbeelding van mensch-gelijke krachten in de natuur, +een fantasie van kinderlijke dwazen en gevaarlijk misbruik onzer +krachten. De volledige zelfkenner zou de ware Magiër zijn, die alsdan +de magie zou verachten en in de spiegel zijns eigenen geestes de +eeuwige wereld kennen zou zonder toovermiddel. Maar _deze_ zelfkenner +is onder de menschen niet te vinden, en met de groote teleurstelling +staat Faust voor het Onbegrepene. + +"Hoe voel ik mij u nabij" durft Faust den Aardegeest toeroepen, die het +leven en den zin der historie van aarde en menschheid in zijn werking +samenvat. "Uw gelijke ben ik!"--maar deze moed is overmoed, of het +is de moed der wanhoop die op dit ééne oogenblik alles te winnen of +alles te verliezen heeft. Het antwoord is verpletterend "gij gelijkt +den geest _dien gij begrijpt_, niet mij".... en de geest verdwijnt. + +Zoo eindigt de eerste weg van Faust, waar hij begon, hij eindigt +bij de klacht; en het einde is smartelijker dan het begin; de tweede +klacht overtreft de eerste; zij is roerender en dieper; zij heeft geen +melancholie en geen droefheidshumor; zij heeft alleen verschrikking: +"Ik gelijk niet u? Wien dan? Ik, evenbeeld der Godheid.... ik gelijk +niet eens op u!" + + + +In diepe neerslachtigheid blijft Faust achter, wanneer de +geest der aarde, door zijne magische fantasie opgeroepen, hem +verlaat.... "o gelukkig wie nog hopen kan aan deze zee van dwaling +te ontkomen. Wat men niet weet, dat juist kan men ontberen, en wat +men weet is overbodig."--Zoo spreekt hij tot zijn famulus Wagner, +die tot geen hooger gezichtspunt stijgt dan van het interessante. De +onbewust-komische kracht van deze Wagners is een troost, waaraan de +Fausten zich laven een kortstondig oogenblik. + + + + + +II FAUST EN MEFISTOFELES + + + +1. Het eeuwige in den mensch (de proloog in den Hemel). + + +De denker Faust wil een kennis van het absolute. Met niets minder +is hij voldaan, want wat in hem leeft en beweegt is de _oneindige +drang_. Faust is eeuwigheidsmensch. De oneindige drang is het wezen +zijner menschelijkheid. + +Hiermede is Faust niet "Uebermensch" maar _mensch_. Hij is, zoo ge +wilt, de geniale mensch. Maar het genie is niet een menschensoort, +die, buiten de kondities van het menschelijke bestaan levend, een +eigene roeping vervult en eigen karakter heeft. Het genie is de +mensch in zijn volheid, en bestaat in een zuiverder uitdrukking van +het mensch-zijn. Het genie is zich op dieper wijze van het algemeen +en waar menschelijke bewust. Zoo ook Faust: hij is zich bewust van +den oneindigen drang, die ongeweten ook in Wagner werkt. Hij is zich +bewust van de eeuwigheid in hem en daardoor streeft zijn denkerschap +naar het allerhoogste. + +In dit opzicht zijn wij aan Faust verwant. Waarlijk, noch Faust, +noch zijn streven zouden ons belang inboezemen, zoo wij ons niet aan +hem verwant wisten en zoo niet in zijn lot een beeld van het onze +geschilderd was, hoewel in blinkender kleuren. Het loutere verhaal +boeit slechts kinderen; de geschiedenis van iemands worstelingen zonder +meer houdt ons eenige uren bezig; maar wat in het Faust-gedicht een +eeuw lang de lezende en denkende menschheid geboeid en verwonderd +heeft, is de aanschouwing van haar eigen streven en haar eigen +levensdrang in dichterlijk beeld. Zoo is de oneindige drang het wezen +ook onzer menschlijkheid. + +Tot het begrijpen van de Faustfiguur dalen wij af naar de _gronden_ +onzer menschelijkheid; de dichter zelf heeft ons dezen weg gewezen +door aan het optreden van zijn figuur een "proloog in den hemel" +te doen voorafgaan. + +Hier zien wij God op den hemelschen troon gezeten en door engelen +omringd. Wij hooren het gezang der aartsengelen, verheerlijkend de +werken der natuur, den omloop der zon, die instemt in den reizang der +planeten en haar dagreis met donderslag voltooit. De engelen ontvangen +sterkte uit dezen aanblik en de onbegrijpelijk verhevene werken Gods +zijn heerlijk als op den eersten scheppingsdag. Ook de aarde wentelt +in de ruimte met haar pracht in snelle beweging om en de helderheid +als van het paradijs wisselt af met diepe huiveringwekkende nacht; +de zee schuimt met haar breede vloeden; rots en zee bewegen mede +in de omwenteling der planeet, en stormen bruisen, een verband van +ingrijpende werkingen uitoefenend en bliksemende verwoesting vlamt +vooruit op het pad des donders. Maar Gods boden verheerlijken het +zachte wandelen van den dag. + +Terwijl aldus de Aartsengelen als wereldmachten de kosmische +werkzaamheid Gods verkondigen, verschijnt Mefistofeles met zijn +ironisch beklag over den mensch. Hij kent ze de menschen, wezens die +zich aftobben, bedeeld met de rede, die een valsche schijn is van +het hemelsche licht en waarvan ze niet anders kunnen dan misbruik +maken. Een hunner is de doctor Faust, die in zijn onbevredigd zoeken +de schoonste ster van den hemel vordert en de hoogste lust van de +aarde. Al het verhevene, dat God in dien mensch ziet, is niet anders +dan dwaze waan: zoo Mefistofeles hem maar eens mocht meenemen op +zìjne wegen, zou hij volgaarne afstand doen van zijn dusgewaande +hoogere natuur. + +Welaan! zoo spreekt de goddelijke wijsheid over dezen mensch: hij zij +overgegeven aan Mefistofeles om van zijn oorsprong te worden afgerukt; +hij worde omlaag gevoerd op Mefistofeles' weg: eindelijk zal de +verleider beschaamd staan wanneer hij moet erkennen: een goede mensch +blijft in het duistere gedrang zich van den rechten weg welbewust. + +En hieraan voegt de goddelijke wijsheid toe: al te licht verslapt des +menschen werkkracht en bemint hij de onbepaalde rust; daarom geef ik +hem den medgezel, die aanspoort en drijft en die als duivel zijn moet +in gestadige werking. + +In dezen "proloog in den hemel" wordt dus Faust genoemd in +een ander verband dan van zijn studeercel. Eerst worden ons het +kosmisch leven en de groote werkingen der wereldmachten voor oogen +gevoerd en aanstonds daarna wordt de mensch herdacht als lid in dit +wereldgeheel. Het is God zelf, die na het gezang der aartsengelen +den naam van Faust uitspreekt. In de groote werkingen des heelals is +hij ingedacht; hij heet onafscheidbaar van zijn eeuwigen oorsprong +en treedt ons dus voor oogen als eeuwigheidswezen. Niet maar een +vergankelijk deel der aardsche verschijning is hij, maar een door +God met hoogeren inhoud toegeruste; en terwijl Mefistofeles hem +vatbaar waant voor verderf en ondergang, weet God, dat in hem een +kracht woont, door geen verderf aantastbaar. In den mensch is het +oneindige; krachtens den onuitputtelijken, oneindigen drang is hij +_mensch_. In iederen mensch is het _bovenpersoonlijke_, algemeene +en kosmische. Het wereldgeheel is in hem vertegenwoordigd, zooals de +val van een voorwerp de aantrekkingskracht in het algemeen beduidt, +en zooals in een enkele plant de geheele natuur werkzaam is. + + + +2. De verstorende macht. + + +Faust dan is vergezeld door _Mefistofeles_. Reeds in den proloog is +deze figuur toegelicht; te duidelijker blijkt zijn wezen waar hij +zich aan Faust onthult in de studeercel en in den omgang, dien hij +met zijn geleider pleegt. + +De inkleeding der Mefisto-gedachte is evenals het Gods- en hemelbegrip +in den proloog aan de Middeleeuwsche voorstelling ontleend; maar de +gedachte zelf is mijlen ver van het Middeleeuwsche geloof verwijderd. + +Het Middeleeuwsche geeft hier zijn magisch-dichterlijken glans af: +de booze geest in een zwarten poedel geïnkarneerd, loopt op Faust, +die met Wagner langs de velden wandelt, in al nauwer kring toe, een +vuurspoor achterlatend. Daarna in de studeercel van Faust meegekomen +en door magische spreuken gedwongen, onthult hij zich als Mefistofeles +in de gedaante van een reizend scholier, zooals de Middeleeuwen ze bij +menigte telde en aan wier reputatie vaak een geheimzinnig verdachte +bijsmaak was. + +Welke nu is de beteekenis van Mefistofeles in het Faustgedicht? Want +deze figuur heeft een zeer bepaalde beteekenis voor Faust. De dichter +heeft in het Middeleeuwsche beeld de Middeleeuwsche gedachte verlaten, +niet bedoeld een persoonlijken duivel, boozen geest of zelfstandig +wezen, maar een faktor van Faust's menschelijkheid zelf, een element +_in_ den menschegeest. Geen wezen naast Faust maar een wezen in Faust. + +In Faust vindt, gelijk ieder mensch, de goddelijke geest (die het +menschelijk _wezen_ zelf is in zijn hoogere Algemeenheid) eene +belichaming, en Faust is zich hiervan als van een oneindigen drang +bewust. Dit hoogere en algemeene wezen is in ons een aanleg, die +zich moet verwerkelijken. Niet in eens zijn wij die wij _zijn_. De +majesteit van ons wezen is nog omhuld. Het is nog niet openbaar +wat wij zijn zullen, zegt de apostel Paulus. Dit beteekent dat de +bepaalde persoonlijkheid, die wij zijn, een grond en diepte verbergt, +die eerst in de voltooiing des levens tot volle verschijning komt. + +Deze oneindige drang nu verwerkelijkt zich door eerst zijn _tegendeel_ +te stellen en in zich zijn tegendeel te overwinnen. Is niet de +mannelijke wijsheid veroverd op de dwaasheid der jeugd en wordt niet +de innerlijke vrijheid gewonnen na het bewustzijn van benauwing en +onmacht, zoodat alle schoonheid en waarheid onzes geestes tot stand +komen door een overwicht over het leelijke en over de leugen? Het +licht schept de duisternis, die niet anders is dan een tegenstelling +des lichts, maar daarna zal het licht de duisternis overwinnen. Daar +nu de mensch een kosmisch wezen is, doorleeft hij dezen wereldstrijd +in zichzelf; zijn oneindige drang, een werkende en scheppende macht, +roept zijn eigen tegendeel, het begrenzend en verstorend element +te voorschijn. In de triomf over dit zal de oneindige natuur zich +verwerkelijken. Faust brengt zijn Mefistofeles voort om over hem te +triomfeeren. Bij de onthulling in de studeercel verklaart Mefisto, +dat hij is een deel van die kracht, die steeds het booze wil en het +goede voortbrengt. Hij is het Faustisch deel van deze; de kracht zelve +is het duister element dat de Goddelijke scheppingsdrang voortbrengt +uit zichzelf, afscheidt en overwint; deze wil ten kwade wordt tot +het goede aangewend. In de menschelijkheid van Faust heeft hetzelfde +plaats. Faust's titanisch wezen, werpt een duistere schaduw van zich +af, gelijk iedere mensch zijn schaduw heeft. En gelijk een schaduw +met ons is totdat ze verbleekt, zoo is Mefisto de reisgezel van +Faust. Mefisto is de negatieve zijde van Faust's wezen. + +Ook het denken van Faust is een kamp tegen Mefistofeles. En hier is +Mefisto de ontkenner van de waarheid. Tegenover den wil tot waarheid, +stelt hij de ironie en den twijfel. De twijfel is zijn beginsel +omdat daarin de oneindige waarheidsdrang is verloochend en om den +waarheidsdrang te fnuiken leert hij tevens een pedante voldaanheid +met het beetje ordinaire wetenschap, alreeds verzameld.... bij welke +voldaanheid het hooggestemd gemoed zal inslapen en ten gronde gaan. + +De verstandsheld is met zijn wetenschap tevreden en bemerkt niet eens, +dat het denken zijn grenzen heeft. De famulus Wagner met zijn beperkten +geestesaard is nog steeds aan het verzamelen van feiten. De grazende +koeien zijn zich niet bewust, dat de natuur, die hen van gras voorziet, +mysteries in haar schoot omvat. Wie chemische formules toepast op de +stof vindt werk en bemerkt van geen grond des geheims in deze formules +zelf omsloten. Maar de eeuwigheidsmensch die ook den lust kent van +het nijvere weten, en de verleiding om zich daaraan te vergasten, +onbekommerd over diepte, hoogte en mysterie--de eeuwigheidsmensch +heeft toch verkozen de klacht over de onkenbaarheid der wereld en wil +worstelend naar de verborgen waarheid zoeken. Voldaanheid met minder +dan het volstrekte zou voor hem een _ontkenning_ van de waarheid +zijn, een verderving van zijn hoogste verlangen, een Mefistofelische +leugen. Zijn eigen hoogere wezen ware daardoor getroffen en te gronde +gericht. De titanische natuur van Faust verlangt geen gemakkelijke +voldaanheid, maar streven. + +De onvoldaanheid van Faust, die een bewustzijn is van onze +oneindigheid, wie heeft haar niet op eigen wijze nagevoeld? Zelfs +de famulus Wagner zuchtte eens: ach God, de kunst is lang en kort +is ons leven, ook hij besefte de ons opgelegde taak te groot voor +verwerkelijking. Als wij teleurgesteld zijn om het onbereikbare, of +mismoedigd ons werktuig neerleggen, over het werk ontevreden, dat wij +toch niet opgeven; als onze hoop met vreeze is vervuld.... telkens +weder schrijnt de onvoldaanheid onze worstelende natuur. Zooals een +laat-zomer-avond ons met zijn melancholie overvalt, zoo stort het +leven een droefheid om het oneindige in ons uit. Ons bepalen bij +de genoegens en voldoeningen, die het menschelijk bestaan meebrengt +kunnen wij niet. Zoo wij onszelven toestonden voldaan te zijn, het +ware een onderwerping aan Mefistofeles. + +Mefistofeles is een verleider, die ons poogt af te leiden van +onze hooge menscheroeping; maar zijn oogmerk ligt verder dan een +verleiding zonder meer; de verleiding is niet meer dan middel en +het doel, waarheen hij streeft is _verstoring_. Hij wil verderven, +te niet doen. Hij wil den waren levensdrang vernietigen. + +"Ik ben de geest die steeds ontkent" roept hij tot Faust. Wel is waar +is het onmogelijk om louter ontkennend te zijn en niet anders dan +ontkennend en verstorend te werken; want de ontkenning staat in dienst +van een erkenning (nl. de erkenning van het tegenovergestelde)--maar +dit is bewijs te meer, dat Mefisto niet als zelfstandige grootheid +bedoeld is, maar als een deel van Faust's persoonlijkheid. Van +zijn standpunt uit "is alles wat bestaat waard om te gronde te +gaan". Immers al wat bestaat, bestaat krachtens een drang van leven, +en deze drang zelf wordt door Mefisto verstoord. Hij, die in allen +menschelijken arbeid het teeken ziet van den drang ten leven, acht het +beter dat niets ontstond; en daar het booze de verwoesting is van het +levensgeluk, noemt hij het booze zijn eigenlijke element. Let wel: niet +om het kwaad als zoodanig, maar om de verstorende uitwerking daarvan. + +Met plechtiger gebaar dan men van dezen ironischen verwoester +verwachten zou, redeneert hij tot Faust: "Ik ben een deel des deels, +dat in den aanvang het al was: een deel der duisternis, waaruit het +licht geboren werd, het trotsche licht, dat nu aan zijn moeder de nacht +den ouden rang en plaats misgunt." Ja, Mefistofeles is het tegendeel +der goddelijke scheppingskracht, en waar deze uit den chaos het licht +als levenskracht doet verrijzen, daar zal eens, gelijk hij hoopt, +het licht tot den duisteren chaos terugkeeren en alle schepping des +lichts zal zijn vergaan. + + + +3. Mefistofeles: ontkenning en ironie. + + +Wij komen hier nog eenmaal terug op onze bewering, dat Mefistofeles +een deel is van Faust zelf. De oneindige levensdrang stelt zijn +tegendeel om in de overwinning hierover zichzelf te bevestigen, en +aldus het oneindige en eeuwige in ons te verwerkelijken. De zin tot +hoogste waarheid moet eerst den twijfel doorleven en deze komt niet van +elders, maar is een voortbrengsel van ons eigen wezen. Worstelend met +haar eigen negatie komt onze diepe menschelijkheid tot de overwinning. + +Is het raadselachtig, dat Faust-zelf zijn Mefistofeles +voortbrengt? Zeker niet, wanneer wij bedenken dat in de wereld +tegenstrijdige beginselen noodwendiglijk met elkaar verbonden zijn, +en dat het eene de ontkenning is van het andere. De oneindigheid is +ons wezen en wij leven onder eindige voorwaarden: zoo moeten deze +laatste zich tegen ons keeren. Wij bestaan uit eindige faktoren, +al onze daden zijn pogingen, onze liefde is maar betrekkelijk en ons +kunnen is begrensd; geen kunstenaar die in eigen werk meer ziet dan de +halfgeslaagde uitdrukking zijner idee. Het werk keert zich tegen hem en +al onze pogingen verschijnen ons als een ontkenning onzer oneindigheid. + +Op hoeveel hooger trap onze levensuitingen bedoeld zijn, zooveel te +meer zijn ze mislukt: is er één godsdienstige vorm, die niet jammerlijk +achterblijft bij de religieuze idee? Zoo ooit dan treft ons hier de +Mefistofelische ironie, die onze hoogste bedoelingen verstoort. De +menschegeest is een oceaan, die moet omvat worden in een vijver: de +eindigheid onzer levensvoering keert zich als een verstorend geweld +tegen ons hooger ik. + +Dat in onze levensvoering een ontkenning schuilt tegenover ons hoogere +wezen, is voor iedereen ondervindbaar, die niet, als de heroën, alle +verleiding te boven is. Maar wij menschen pogen het eindige met het +oneindige te verzoenen; wij regelen voorloopig onzen wil naar ons +vermogen, aldus den oneindigen levensdrang niet ontkennend, maar +hem tijd gevende en een toekomst belovend, om zijn vollen aanleg te +verwerkelijken. Daarbij komt, dat de geestelijke verrichtingen, die +het meest dien drang aanzetten, natuurbewondering, kunst, wijsbegeerte, +godsdienst, dezelfde zijn, die hem bevredigen, zoodat een geleidelijk +te vervullen taak, die zich tot in verre verschieten verlengt, de +gelukkige afleiding is voor een al te hevig innerlijk konflikt. + +Maar toch blijft de tegenstelling bestaan en zoo ons eeuwige wezen +zich bedreigd weet door de Mefistofelische verleiding, rijst het +op en keert zich tegen Mefistofeles en zijn arglistige ontkenning, +ja keert zich tegen alle zinnelijke voldaanheid, als waarin zich +Mefistofeles met de bedoeling om het oneindige te belagen, vermomd +heeft. De Indische leer der begoocheling, die de geheele zichtbare +wereld als onware schijnwerkelijkheid verwerpt; de Neo-platonische +leer, dat de ziel zich in deze wereld bevindt als in een gevangenschap; +het christelijke ascetisme, dat alle zingenot verwerpt; de mystische +versmachting van een heilige Theresia; het oneindigheidsverlangen +der duitsche Romantiek en niet het minst de wijsgeerige benadering +van het Absolute, waarbij de menschegeest zich van de eindigheid +der ervaarbare wereld bevrijdt--zij alle zijn de poging van den +oneindigheidsdrang om de aardsche begrenzing omver te stooten. Zij zijn +een tebovenstijging boven de aardsche voldaanheid, door Mefistofeles +aangepraat en waarmeê hij ons innerlijke wezen verstoren wil. De +hooggestegen geesteskracht getuigt alsdan tegen maatschappij, +bestaanden godsdienstvorm, overlevering, zede, instelling, kerk, +eigendom, huisgezin, zinnenschoon. Alle voorwaarden der gewone +levensvreugd moeten het ontgelden, omdat Mefistofeles zich in hen +heeft vermomd als vijand onzer oneindigheid. De oneindigheidsdrang +zegeviert; verscheurt de begoocheling, bevrijdt de ziel en verzaakt de +wereld, met alle historisch gegroeide en betrekkelijke werkelijkheid in +botsing. Het absolute bevestigt zich door het nietige en betrekkelijke +te verstoren. Zoo overwint de oneindigheid in ons den Mefistofeles. + +Maar voorloopig is de verhouding nog andersom en kant zich Mefisto met +verstorende bedoeling tegen Faust, Meesterlijk hanteert hij de ironie, +dit ideëele middel om de waarheid omver te loopen; de ironie rukt alles +uit zijn hooge verband en brengt het verhevene tot het alledaagsche +terug. Zij is het vuur van den wereldbrand, de verwoestende vlam, +dienaresse van het Niet. Mefisto zegt, na zijn uitspraak dat uit +alle wereldelementen het leven ontspringt: "had ik mij niet de +vlam voorbehouden, er ware niets eigens voor mij overgebleven." Dat +echter de ironie wondt, maar niet kan dooden wat leeft, dat zij geen +macht is, maar een onmacht, is niet aan Mefistofeles, maar wel aan +Faust bekend. Op juiste wijze karakteriseert Faust het vergeefsche +werk van zijn tegenstander: "Zoo heft gij tegen de eeuwig werkzame +heilzaam-scheppende macht de koude duivelsvuist op, die gij boosaardig +balt, doch vergeefs". + + + +4. De weddenschap van Faust en Mefistofeles. + + +Maar Faust zal eerst gaan op den weg van Mefistofeles, alvorens hij +zijn tegenstander overwint. Hij die in het zoeken naar de absolute +kennis is teleurgesteld en geschokt is in het bewustzijn van zijn +oneindige menschewaarde, is te meer vatbaar voor de Mefistofelische +verleiding. Mefisto acht dat Faust op dit oogenblik gaarne een +weinig zinnenroes als surrogaat voor zijn oneindigheidsverlangen +zal aanvaarden en dat dan de oneindigheidsdrang wel bezwijken +zal. Inderdaad is Faust, ook al zal hij met Mefisto meegaan, zich +van de onverstoorbaarheid zijner hoogere natuur bewust, zooals in den +proloog verklaard werd: een goede mensch is in het duistere gedrang +toch zich van den rechten weg bewust. Nooit zal Faust bevredigd bij +den zinnenlust, die de negatie zijns wezens is, verwijlen. Nooit zal +hij de oneindigheid vergeten. Werd hij inderdaad bevredigd, dan zou +hij verzinken in de macht van het onwezen, dat tot hem sprak: al wat +ontstaat is waard om te gronde te gaan. + +Hier ligt de beteekenis der weddenschap tusschen Faust en Mefisto. Uit +Mefisto's oogpunt schijnt het mogelijk den levensdrang van Faust in de +ontkenning te doen ondergaan. Immers zoodra hij met bevrediging in het +betrekkelijke en in den zinnenlust verwijlt, doet Faust afstand van +zijn ware menschelijkheid. Mefisto, de negatieve, acht dit mogelijk, +daar hij den inhoud van het menschelijk wezen niet begrijpt. Indien +maar Faust's geest zich een weinig beperken wil, meent hij, is het +geen reuzenwerk hem te voeren tot die zelfvoldaanheid waarmee hij ten +ondergaat. Met verleidende woorden poogt Mefisto den oneindigen drang +te binden. "Wat gij wilt, zoo spreekt hij tot Faust, het al-tegelijk, +dat is slechts voor een God gemaakt. Gij zijt tenslotte.... wat gij +zijt, ook al zet ge u een pruik van millioen lokken op het hoofd en +zet uw voet op hakken van meters hoog." + +Faust daarentegen ontkent bij zichzelf de mogelijkheid van +vernietiging; hij weet dat de oceaan niet in een drinkbeker kan +geledigd worden en dat het oneindige bewustzijn niet bevredigd wordt +in een oogenblik van zinnenlust. Daarom durft hij zonder aarzeling +de weddenschap met Mefisto aan: "wanneer ik ooit bevredigd mij op +het bed der traagheid neerleg, zoo zij het met mij gedaan; kunt gij +mij door vleierij beliegen en mij bedriegen door het genot, zoodat +ik mijzelf behaag, dan zij mijn laatste dag aangebroken. Wanneer ik +tot het oogenblik zeg: blijf, want gij waart schoon genoeg, sla mij +dan in boeien, want dan mag ik te gronde gaan. Deze weddenschap ga +ik aan met u!" + +De zinnelijkheid, eensdeels het uitingsmiddel onzer geestelijke +natuur, is anderzijds een ontkenning onzer hoogste waarde. De mensch +als geestelijk wezen is zich van de ontoereikendheid en onmacht der +zinnelijke natuur bewust. Krachtens dit hooge besef durft Faust de +weddenschap met Mefistofeles aan. + + + + + +III FAUST IN DE WILDERNIS + + + +1. Zelfverlies in den zinnenlust + + +Faust heeft door zijn klacht om het hoogere weten het geloof betoond +aan zijn oneindige wezenheid. En toen zelfs de magie hem niet tot +het inzicht der waarheid leidde, heeft hij waarheid gezocht bij +den dood. Faust wil sterven opdat de dood hem wijs make: hij wil +dat duister ingaan, dat bij het binnendringen misschien zich als het +geopenbaarde geheim onthullen zal. Door den dood heen grijpen naar het +absolute. Vandaar dat hij plotseling in jubel uitbreekt: de aardgeest +heeft hem verbijsterd, maar desniettegenstaande heeft hij zelf den +weg der waarheid gevonden. En waarlijk niet in wanhoop, maar in den +triomf begroet hij den giftbeker: "ik groet u gij kristallen schaal, +die ik nu met eerbied aanvat; in u vereer ik menschelijk vernuft en +kunst. Gij samenvatting der zoete sluimersappen, uittreksel aller +doodelijke krachten, bewijs thans uw gunst aan den meester! Ik zie +u, de smart verzacht; ik vat u aan: ik voel mijn jacht verminderen; +de vloed des geestes gaat over in eb en wijst mij naar de volle zee +henen; het spiegelende water glanst aan mijne voeten en tot nieuwe +oevers lokt een nieuwe dag.... bereid gevoel ik mij op nieuwe baan +het luchtruim te doordringen naar sferen van nieuwe werkzaamheid. O +hooge leven, o godenweelde! Te voren nog een worm en nu reeds verdien +ik deze. Keer vastbesloten den rug toe aan de aardsche zon; vermeet +u slechts de poort te openen langs welke ieder mensch het liefst +voorbijsluipt! Hier is het oogenblik gekomen om door daden te bewijzen, +dat mannenwaarde niet voor godenhoogte terugwijkt!" + +Nochtans bezwijkt dit doodsenthousiasme voor den zang des levens, die +stroomend van de Paaschklokken in Faust's studeercel binnendringt. De +weg door den dood tot het mysterie is op eens versperd. Een andere +weg moet zich openen. Deze ligt van de studeercel in de _menschelijke +samenleving_. De oneindige drang, welke Faust's natuur is, zal hier +niet ondergaan, slechts anders gericht worden. In het leven waar hij +nu ingaat, geldt zijn weddenschap met Mefistofeles. + +In de menschenwereld, waarin Faust door Mefisto geleid wordt, had +zijn oneindigheidsdrang zich kunnen voordoen als een Napoleontische +heerschzucht of als de zucht naar apotheose, zooals der Romeinsche +Caesaren; zelfs had hij naar het wonderbaarlijke kunnen streven +gelijk Apollonius en Cagliostro. Immers op deze wijze kon Mefisto +gepoogd hebben aan zijn hevige verlangen te gemoet te komen. Maar +de oneindigheidsdrang onder Mefisto's leiding openbaart zich in een +_onstuimige zinnelijkheid_: "de draad van het denken is doorgebroken; +van alle wetenschap walg ik: laat ons in de diepte der zinlijkheid +gloeiende hartstochten stillen! Storten wij ons in den roes des +tijds en in de wenteling der gebeurtenissen!" Meen echter niet dat +Faust in deze razernij een voldoening zoekt en zich aan Mefistofeles +zal gevangen geven. Veeleer zal hij als een stormwind alle geluk en +geluksvoorwerp uiteen blazen en eerste stort hij zich in het niets +dan zich te vleien met begoocheling. Vandaar ook zijn schrikwekkend +woord: "ik vervloek alles wat de ziel omspant met lokwerk van +begoocheling! vervloekt zij de hooge illusie van den menschelijken +geest, vervloekt de verblindende schijn; vervloekt de bedriegelijke +droom van roem en bezit, van vrouw en kind en knecht en heer; vervloekt +het balsemsap der druiven en vervloekt de zaligheid der min; vloek +over de hoop en over het geloof en vloek voor alles over het geduld!" + +De zinnenbegeerte van Faust is geheel anders dan Mefistofeles +bedoelt. Zij stamt uit den oneindigen drang naar zielsverzadiging +en kenmerkt zich door voorbijstreving van haar doel. Zij wil niet +genieten, maar zich verliezen. Tevoren was Faust's leven ontbering; +nu wil hij niet-ontberen en zijn geweldig streven tot het uiterste der +gevoels-spanning voortzetten en in zielsverrukking sterven. "Zalig wien +de dood in den glans der overwinning de bloedige lauwers om de slapen +windt; zalig wien hij na de razernij van den dans in de armen van een +meisje aantreft." Of anders verkiest hij een snerpende ontgoocheling, +die met zijn geestesaard beter overeenstemt dan de voldoening welke +Mefisto belooft: "Hebt gij spijs die niet verzadigt, rood goud dat +als kwikzilver mij in de hand ontloopt; een spel waarbij men nimmer +wint; een meisje dat aan mijn borst gelegen, zich reeds met het wenken +der oogen aan mijn nabuur verbindt; de godenlust der eer die als een +meteoor verdwijnt--geef ze mij! Toon mij de vrucht die verrot eer men +haar plukt!" Faust wijdt zich aan de dronkenheid en het genot dat met +smarten zegent, aan den haat der liefde, aan het verdriet, dat de ziel +verkwikt. Voor geen smart gesloten, wil hij genieten wat toebedeeld is +aan de gansche menschheid, haar vreugd èn jammer; zijn eigen zelf tot +het zelf der menschheid verbreeden, en met haar wil hij ten onder gaan. + +Ziehier de zinnenbegeerte van dezen titanischen mensch. Het is geen +genot dat hij zoekt. "Gij hoort toch: om vreugd is het mij niet te +doen." Het is zelf-verlies; gelijk hij door een teug uit den giftbeker +zichzelven gewelddadig wou inslingeren in het mysterie des doods, +zoo werpt hij zich thans in de zinnelijkheid met de onstuimigheid van +zijn rusteloos gemoed. Hoe zou het mogelijk zijn dat Mefistofeles +dezen stormenman in zijne bedwelming ving! Onder de leiding echter +van zijn verstorende macht is het voor Faust niet anders mogelijk +dan te vertoeven in een wildernis. + +Het omslaan uit den weetdrang naar den zinnenlust heeft vele lezers +van Goethe's gedicht verwonderd; het kwam hun voor dat de Faust van +den eersten monoloog, de uitspreker van de klacht, èn de Faust, die +Gretchen verleidt niet meer gemeen hebben dan den naam, en dat wij in +waarheid een geheel ander karakter voor oogen hebben hier en daar. Bij +deze beoordeeling vergeet men echter dat de Faust geen psychologisch +persoonsdrama is, gelijk in de school der Fransche klassieke gegeven +werd; maar een symbolisch gedicht. Racine had zeker van den Faust niets +begrepen en hem uit een oogpunt van dramatische kompositie dubbel +en dwars afgekeurd. De eenheid van gedrag des hoofdpersoons is ver +te zoeken. Faust is geen bepaalde persoon; maar hij is de _mensch_ +en de mensch in verscheidene fasen van het oneindigheidsbewustzijn; +de tafereelen van het dichtstuk hangen niet samen als voorvallen uit +het leven eener bepaalde menschenfiguur. Het geestelijk leven kan +zich verjeugdigen. Het kan zijn dat een grijsaard voller idealist is +dan een jonkman, die zijn levenslust verloor; men kan eerst oud zijn +naar den geest en daarna jong. Zoo verschijnt Faust in het begin als +bejaard man en in de Gretchen-episode als een jeugdig kavalier. Hier +zijn geestelijke fasen in beeld gebracht. De verjongingsdrank, dien de +dichter aan zijn held in de heksenkeuken te genieten geeft, is niet +anders dan de aanwijzing van overgang tot nieuwe geestesfase. Moge +hierdoor het Faust-drama een onwaarschijnlijkheid hebben en verwarring +stichten voor een uitwendigen verstaander, de inwendige toedracht is +zoo geheel waar en de inwendige eenheid des poeëems zoo onbestrijdbaar, +dat de verbazing over verschillende gestalten van Faust allen grond +verliest. + + + +2. De onmacht van Mefistofeles (Faust in Mefisto's leiding) + + +De wildernis waarin Mefistofeles Faust vergezelt heeft verschillende +gebieden; Faust vertoeft tusschen de drinkende boeren in +Auerbachs wijnkelder, bezoekt de heksenkeuken, verwijlt in de +zoete vreugde van Gretchens liefde en komt te gast met de heksen +in Walpurgisnacht. Alleenlijk het verkeer met Gretchen oefent een +schoone verleiding uit en daarin schijnt het soms als zal Faust de +weddenschap verliezen door tot het oogenblik te zeggen: houd stand, +want gij zijt schoon genoeg. Voor Gretchen misschien zal hij den +oneindigheidsdrang verloochenen. Is zij niet het toonbeeld der lieve +onschuld van het aardsche geluk? In haar is de wereld op haar schoonst, +gelijk in den bloei der vruchtboomen op een zonnigen Meimorgen. Zoo er +onbetwist geluk is en zijn mag, en zoo wij met de wereld en het leven +ons verzoenen, en de vraag naar het oneindige met reden tot zwijgen +gebracht wordt--het is bij de aanschouwing eener zoo landelijke en +vredige lieflijkheid, als wij in hare verschijning belichaamd zien. + +Maar ach, nu Faust's oneindigheidsdrang in Mefistofeles' leiding tot +een verstorend geweld werd en nu zijn begeerte zoo hevig brandt als +te voren zijn drang naar kennis, nu kan het niet anders of het geheele +geluk van Faust en van Gretchen moet als tot een wildernis vergaan. + +Het meisje, wier leven door den storm van Faust's hartstocht +verwoest wordt, staat niet als een vreemdeling buiten Faust, maar +houdt verband met de aardsch-nederige en tevredene zijde van Faust's +eigen karakter. Het levensproces eens menschen is een proces in de +ziel en de dichter stelt het in beelden voor en laat het dus buiten +den mensch voorvallen. Maar in deze beelden ligt de aanduiding van de +worstelingen des karakters. Faust's karakter heeft de lieflijke, humane +zijde evenzeer als de titanische, maar zij is geen hoofdeigenschap +en zal dus door den oneindigen drang worden aangestormd. De behoefte +aan levensgeluk is hem gelijk allen menschen eigen. Hoe vrij heeft +hij geademd in de voorjaarsnatuur van den Paaschmorgen, terwijl de +vroolijke menigte de wegen vult. Te midden van deze heeft hij zich +mensch gevoeld en zijn recht op het leven erkend. In de liefde voor +Gretchen eindelijk werden de teerste snaren van het menschelijk +gemoed aangeslagen. Het konflikt tusschen den oneindigen drang en +den aardschen vrede, is een konflikt, waarmede wel de bestaande orde +der maatschappij wordt aangetast, maar dat ten slotte in de ziel +van dien titanischen mensch zelf wordt uitgestreden. De woede der +titanische zinnelijkheid komt aldus Faust, in het beeld van Gretchen, +op een ondergang van alle aardsche vreugd te staan; hij verstoort +zijn aardsche bestaan door den drang der oneindigheid en eindigt +hier met nog heviger klacht, dan welke hij ophief na de verschijning +van den aardgeest; een klacht welke ditmaal een aanklacht is tegen +de macht der verstoring: "Hond, afschuwelijk ondier, word o slang +veranderd in de hondgestalte waarin gij mij verscheent; verander in +uw lievelingsbeeld en kruip op den buik in het stof, en ik trap u met +den voet, verworpeling. Ellende, door geen menschenziel te vatten, +dat meer dan éen ziel in de diepte van zulken jammer verzinken +moest...." "O ware ik nimmer geboren." + +Het einde van dezen weg in de wildernis van het leven bereikt +Faust in zijn wilden dans met de heksen op den Blocksberg in +Walpurgisnacht. Alleenlijk deze fantastische spookwereld blijft +nog over, nu Faust in Gretchens omgang het verlangde oogenblik der +voldaanheid niet heeft beleefd. Mefisto zal hier hem tot het laagste +punt des levens heenvoeren. Mogelijk dat het walgelijke aan zijn +titanischen drang voldoet, nu hij het bekoorlijke verwierp. Aan den +heksendans is tenminste een diabolisch genot te beleven, en daar +niets anders overblijft zal misschien Faust zich hier gewonnen +geven. Bereidwillig laat hij zich meevoeren. Door een dwaallicht +geleid, schrijden Faust en Mefisto de tooversfeer binnen, de rotsen +hebben menschen-neuzen, spookvogel, kievit en ekster zijn wakker +gebleven en de hagedissen kruipen met de muizen door het struikenbosch, +terwijl boomwortels uit den bodem steken en glimwormen een verwarrend +geleide geven. Onderwijl draait het geheele landschap en is het alsof +rots en boomen gezichten trekken; vuurgloed en lichtstrepen maken +de wereld geheimzinnig; vonken storten zich uit als fonteinstralen +en de geheele rotswand is verlicht. Onderwijl steekt de storm op en +schudden de denneboomen, wier takken afbreken al krakend; gegier, +gesis en geraas doorblaast de lucht en langs den geheelen berg stroomt +woedend een tooverzang. Een menigte van heksen nadert door de lucht +varende, zoodat Mefisto voor Faust ruimte moet maken opdat hij niet +worde omvergeworpen. Zij wijken ter zijde en terwijl bij uitgegloeide +kolen een klein gezelschap van oude heeren zitten, vinden zij weldra +twee heksen, een oude en een jonge; en terwijl Mefisto de oude grijpt +voor den dans dwingt hij Faust om met de jonge om te springen. + +Dit oogenblik is het dieptepunt der leidingen van Mefistofeles. Hij +meene echter niet, dat de Faustische geest hier iets anders zal +beseffen dan afkeer. Reeds zoovele malen is Mefisto's onmacht gebleken +om Faust te verderven. Elke periode zijner werking eindigt met een +zelfbevrijding. In den wijnkelder van Auerbach, heeft Faust het gansche +schouwspel met onverschilligheid bijgewoond, en wanneer ten slotte +de lustige drinkers uitroepen "wij voelen ons heelemaal kanibalisch +lekker gelijk aan vijfhonderd varkens" heeft hij nog slechts éen +wensch te uiten: ik verlang nu heen te gaan. In de heksenkeuken wordt +Faust geboeid door het in den spiegel aanschouwde beeld van Helena: +een nieuw verlangen wordt in hem levend, maar voor het overige vindt +hij in al het gedoe dezer onsympathieke wezens niets dan smakeloos +bedrog. Daarop volgt de Gretchen-episode. Ongekende gevoelens van +teedere bekoring stillen de machtige levensdorst van Faust; en +misschien zou hij hier het gevaarlijk oogenblik bereiken, zoo niet +een geheimzinnige aantrekkingskracht hem uit de oase naar de woestijn +terugtrok. Deze vreugde moet eindigen in wanhoop; ook terwijl Gretchen +zijn gemoed en zinnen bevredigt, verkeert Faust in de wildernis, die +weldra zich in groot onheil openbaren zal. De scala der aandoeningen +van Gretchens gemoed teekent deze afzinking naar het jammer, waarin +Faust aan Mefisto ontkomt; terwijl de genotsbevrediging hem aan Mefisto +zou hebben overgeleverd. Bezorgdheid is de grondtoon van haar liefde, +sedert haar ontboezeming "mijn rust is henen, mijn hart is bezwaard" +en het klagende lied voor het beeld der Mater Dolorosa is zóo van +leed vervuld, dat wij hier het ergste voorzien: "help en red mij +van smaad en dood! ach buig gij smartenrijke genadig uw aangezicht +tot mijn ellende neer!" Het leed van Gretchen zal het leed van Faust +blijken; het is niet anders dan de afspiegeling van zijn titanische +natuur, die alle aardsche verhoudingen verbreekt en wiens geluk +vanzelf in ongeluk omslaat. Wanneer dan Gretchens broeder Valentin +in een tweegevecht met Faust is omgekomen, nadat ook haar moeder, +niet zonder schuld der gelieven, gestorven is en bij den lijkdienst +in de domkerk het dreunend orgel den donkeren choorzang begeleidt, +den zang van het goddelijk oordeel--dan is niets meer te wachten van +levenslust of liefdevreugd en aan Mefistofeles zal zeker de macht over +Faust ontgaan: in déze wildernis des gemoeds weet geen Mefisto den weg. + +Maar nu de Walpurgisnacht op den Blocksberg: terwijl Faust zijn +tijdelijke laagten doorwaadt in vergetelheid van Gretchens liefde +en haar ongeluk, wordt hij plotseling door de gedachte aan haar +opgeschrikt. Weelde en wanhoop doorkruisen zijn gemoed en terwijl +hij van de bepeinzing niet scheiden kan doorflikkert de gedachte aan +dood en straf zijn overdenking. "Een in lange niet gevoelde afschuw, +de gansche ellende der menschheid grijpt mij aan. Hier toeft zij +achter vochtige muren", roept hij uit, staande voor de gevangenis, +waarin zij om den in waanzin gepleegden moord op haar kind geworpen is; +"haar misdaad was het verkeeren in zoeten waan. Gij aarzelt tot haar +te gaan? Gij vreest haar weder te zien! Voort! uw talmen brengt haar +dood naderbij!" + +Zoo verscheurt Faust het net dat Mefisto over hem heenwerpt. Het +woord uit den proloog in den hemel wordt bewaarheid: de goede mensch +blijft in het duister gedrang zich van den rechten weg bewust. Bij +alle omdwaling in de wildernis blijft Faust de ware richting des +levens beseffen en zijn verheven menschelijkheid gaat niet ten onder. + + + + + +IV DE WEG VAN FAUST + + + +1. De nacht van uitrusten voor den nieuwen morgen + + +Zoo Goethe aan zijn Faust-drama den ondertitel "een tragedie" +heeft toegevoegd, is deze benaming toch niet in eigenlijken zin +aangewend. De onmogelijkheid om dit gedicht bij een der bestaande +dichtsoorten in te deelen, verontschuldigt de halftoepasselijke +aanwijzing. In een tragedie traden van oudsher figuren op van +grootscher bouw dan die van het dagelijksch leven; de beweegkrachten +en ondervindingen waren eer heroisch dan gewoon en het levenslot dier +"helden" was het lot der enkelen die naar het uiterste streefden. In +zoover kan Faust een tragische figuur heeten. Maar in de tragedie is +de held tot den ondergang geroepen: zijn grootsche aanleg, grootsch +in deugd of ondeugd, bestemt hem tot een lijden, dat zich niet meer +te zijnen gunste wenden laat. Van den beginne af hangt over zijn +leven het noodlot. In dit opzicht waarin juist het tragische der +tragedie bestaat, kon het Faust-drama niet bij deze dichtsoort worden +gerekend; wat niet voor den tragischen lijder, maar wel voor Faust +bestaat is: de weg der ontkoming aan de wildernis. Evenmin als om de +helsche ondervindingen van Dante de Divina Commedia een tragedie is, +evenmin is Faust zulks om het eerste deel des gedichts; en het tweede +deel, dat "den weg van Faust" bezingt, is niet maar een toevoegsel, +waarin de oorspronkelijke opzet van het poeem verloochend wordt, +maar een van den aanvang af bedoelde voortzetting en de uitwerking +der grondgedachte waarmee het gedicht opent: een goed mensch blijft in +het duister gedrang zich van den rechten weg bewust. De kontinuïteit +der beide gedeelten is onmiskenbaar. + +Toch is het verschil tusschen den tweeden Faust en den eerste op vele +manieren groot: een andere toon wordt vernomen, een andere omgeving +geschapen, andere figuren treden op. Een veel meer bedachte kompositie, +een verstandelijker konstruktie kenmerkt het tweede gedeelte tegenover +het eerste. Terwijl de eerste Faust den indruk maakt van een gedicht +uit des levens bloeitijd, schijnt de tweede een gedicht van den +ouderdom. Is het ook niet begrijpelijk, dat ouder wijsheid den _weg_ +vindt, terwijl de jeugd avontuurt in de _wildernis_? Faust II heeft +kunstmatigheid waar het eerste gedicht vrijheid heeft. + + + +Faust II is een heden na het gisteren van Faust I. Tusschen beide +gedeelten van het Faust-poeem ligt een _nacht_, een nacht van +vergetelheid en diepen slaap. Het geheele Eerste Deel kan beschouwd +worden als een avondgebeurtenis na een voorafgeganen dag van zware +inspanning en overladen werk. De monoloog, waarmede het eerste +Faustgedicht aanvangt, geeft aanstonds een blik op dezen voltooiden +en vermoeienden werkdag: "nu heb ik ach, filosofie, rechtswetenschap +en medicijnen en helaas ook theologie grondig bestudeerd met vurigen +ijver." Ziehier de al te zware dagtaak, welke Faust achter zich heeft, +wanneer wij met hem kennismaken. Op dit oogenblik gaat zijn geest +den avond in, den avond met zijn geheimzinnige aanspraak tot het +menschelijk gemoed, een avond reeds aangekondigd in den "proloog" +met de schildering van de zon, die haar voorgeschreven dagreis met +donderslag voltooit. In dien zielsavond neigt hij tot de wereld +der geesten met hun duistere wetenschap en verlangt hij naar den +dood, die een hooger licht dan het aardsche daglicht over hem zal +uitgieten. De dood wenkt hem verlokkend toe uit kristallen schaal. De +magische heksenkeuken, het spiegelbeeld van Helena zijn verschrikkende +en verteederende avondfantasieën. De zucht naar weelde en genot +herleeft: de zinlijkheid bekoort met haar schaduwzwarte diepten; +Faust verlangt het al der wereld te doorleven en zijn ziel daarin te +laten vervloeien. Gretchens liefde is zijn avondweelde en avondtroost +en in haar nabijheid verdoezelt zich zijn godsdienstig gevoel tot +pantheïsme, avondgodsdienst zonder omtrekken, welks leuze is: naam is +klank en rook; wees in gevoelens zalig en noem het zooals gij wilt: +geluk, hart, liefde, God. De zachte stemming èn vreemde fantasie zijn +de terugwerking op een dag van vruchtelooze moraliteit des werks. De +vergeefsche inspanning van den harden werker verkeert zich tot deze +maatlooze zieletoestanden. + +Maar het einde des avonds, en waar hij tot nacht wordt is zwaar +en van jammer vol. Het is de wilde spooknacht der wroeging en der +radeloosheid, die met waanzin dreigt. De hevigste onrust als van een +heksendans op den Blocksberg is het laatste loon van dezen langen +dagtijd vol ondervinding. + +Het zestiend'eeuwsche Faust-gedicht laat Faust ter helle varen; +de hel is het hopelooze en onherstelbare, en het schijnt wel of +na Faust's ondervindingen geen anderen uitweg bestaat. Immers, wat +is er te herstellen voor een man, die zoowel in het denken als in +het verkeer, in het waarheidsverlangen als in de liefde op ellende +uitkwam? Nu staat de strever naar het hoogste voor het Niet, het +ledige Duister der sterrenlooze middernacht. + +Maar na de middernacht breekt de na-nacht aan, en de na-nacht zal +Faust's rusttijd zijn. Nu is het spookuur voorbij en hoogere geesten +onder leiding van Ariël, den geest der lucht, hebben den vermoeiden +lijder opgenomen en op een bloemenrijken grasgrond uitgestrekt; +zij zingen hem in slaap en zweven om hem heen, terwijl zij de rust +in zijn gemoed herstellen: "Nu is de nacht neergezonken en heilig +verbindt ster aan sterre zich; groote lichten, en kleine glinsteren +nabij en ter verte, glinsteren weerspiegeld in het meer, glanzen in +de heldere hoogten des nachts. Het geluk van diepe rust wordt door +de volle pracht der maan bezegeld." Onder deze zegening slaapt Faust +een slaap, die tijden duurt; hij doorslaapt het tijdperk der nacht; +het is de periode der uitrusting uit welke men niet met wroeging of +ellende ontwaken zal. De zwevende geesten verteederen zijn afgepijnd +hart, genezen de wonden van het zelfverwijt en reinigen zijn innerlijk +bestaan van het doorleefde tumult. + + + +Nu kan de nieuwe Morgen komen en hij zal geen morgen van nieuwe +zorgen zijn. Met welk morgenlied ook vangt het tweede deel van het +Faust-gedicht aan! Het eerste deel was met den zang der aartsengelen +ingeluid. Zij zongen het _avondlied_ van de zon, die haar dagreis +voleindigt, en van de aarde in wier wenteling paradijsglans plaats +maakt voor diepen nacht--maar de geesten, die het tweede gedicht +openen, zingen het lied van de juichende ontwaking des Lichts: +"Schouw, zoo roepen zij tot den slapenden Faust, naar den glans, +die ginds verschijnt! Slechts lichtelijk zijt gij met slaap omvangen: +slaap is als een schaal, werp haar af; verzuim niet u te verkloeken, +terwijl de menigte talmend aarzelt: alles vermag de edele mensch, die +verstaat en snel handelt." En bij dit woord verkondigt een geweldig +gedruis de nadering der zon: "hoort o hoort naar het aanstormen der +Horen; voor geestes-ooren blinkend wordt geboren de nieuwe dag." + +Met dezen aanroep is Faust ontwaakt. + + + +2. De nieuwe zedelijkheid (zedelijk streven en zelfbevrijding). + + +En hiermede begint zijn nieuwe weg. De inhoud van het tweede +Faust-poëem bevat meer dan de vertooning en verbeelding van dezen weg; +geheel het denken van Goethe's tijd en vooral de natuurfilosofie +voeren er het dichterlijke woord; maar wij laten dit ter zijde +en zoeken te bepalen den weg dien Faust ging. In het eerste deel +hebben wij Faust, teleurgesteld in zijn oneindige verlangst naar +kennis, zich zien storten in het levensgenot: door de oneindigheid, +die hij in zich beseft, heeft eerst zijn natuurweten schipbreuk +geleden. Daarna in het leven gekomen, leed zijn genieten dezelfde +schipbreuk op de onvoldaanheid zijner hoogere natuur. Faust heeft +den oneindigen eisch gesteld en daarop is zoowel zijn kennis als zijn +levensvreugd gestrand. Niets was bestand tegen dezen drang naar het +absolute, die tegen alle beperktheid stoot en voor welks aangezicht +alle levens-vrede tot verwoesting keert. + +De vraag, welke wij thans stellen, is: welke weg blijft voor Faust +over na dit twee-ledig bankroet? Er is een mogelijkheid van klein te +eindigen, nadat men groot begonnen is. De aanstichter van een nieuwe +wereldbeweging kan mislukken in zijn grootschen toeleg en--na eenige +jaren teruggevonden worden als vreedzaam burger van een klein dorp +bij de grenzen; na het eerste hoofdstuk van den nieuwen bijbel der +menschheid geschreven te hebben, is de vlaag der genialiteit gedoofd, +en men biedt, na wat verpoozens, litteratuur van derden rang. Indien +Mefistofeles den Faust geschreven had, ware er geen ironischer +vervolg van het eerste boek geweest dan den held te laten optreden +als gevierd middelpunt van een dorpskring, bemind op sociëteit +en letterkundigen krans. De overmacht van de negatie had zich dan +bewezen in de uitsterving van dien oneindigen drang, die Faust's wezen +uitmaakt. Zoo er echter een weg voor Faust is, moet het een weg zijn, +waarop hij zijn wezen bewaart en tegen Mefistofeles de geheele diepte +van zijn menschelijk karakter volhoudt. De weddenschap blijft gelden: +zoodra Faust het mindere aanvaardt als voldoend en zijn oneindigen +drang ontkent, is hij verloren; maar dus ook: zoolang hij wezenlijke +mensch blijft en zijn eeuwigheidsnatuur door eenig voorloopig resultaat +van zijn streven niet wordt vervuld--zoolang is zijn streven zelf +zijn levensweg. _Het oneindig streven is de weg van Faust._ + +Deze uitspraak gelijkt op rhetoriek, maar zij bevat een diepen inhoud +en is vol wijsheid. In haar is de nieuwe zedelijkheid uitgedrukt in +tegenstelling met de oude. + + + +Met oude zedelijkheid bedoel ik de levensopvatting der Zeventiende +Eeuw; met nieuwe zedelijkheid het begrip van persoonlijkheid en +leven, dat in de Negentiende Eeuw is gangbaar geworden. Faust is geen +zeventiend' eeuwsche, maar een moderne mensch. De oude zedelijkheid +is Israëlitisch gestempeld, en door ontkoming aan het Israëlitisme +is Faust een mensch van den nieuwen tijd. De tegenstelling, die hier +geldt is een andere dan de vaak genoemde tusschen de twee geestelijke +standpunten: Israël en Hellas. De Israëliet is vooral zedelijke mensch, +doch in dezen bizonderen zin van te staan onder de zedewet, waarbij het +schuldgevoel des menschen tegenover de heiligheid Gods de grondtoon +der geheele gezindheid bepaalt. Deze mensch weet niet dat in hem een +goddelijk licht brandt: hij kent zich als zondaar en ontleent uit een +geschreven wetgeving den maatstaf der zelfbeoordeeling. De Helleen +daarentegen is aesthetische mensch, die geen onvoorwaardelijkheid kent +op zedelijk gebied, geen zedelijk gebod, maar een zedelijke intuïtie; +in schoonen arbeid geniet hij het geluk zijns levens. + +Deze tegenstelling nu kan niet rechtstreeks op die tusschen oude en +nieuwe zedelijkheid worden overgedragen, al is er overeenkomst: de +oude (zeventiend' eeuwsche) zedelijkheid is Israëlitisch gestempeld; +de nieuwe is aan Hellas verwant doordat zij het recht der vrije +persoonlijkheid erkent. + +In den oud-Germaanschen vrijheidszin is de nieuwe zedelijkheid +voorgeschaduwd. Reeds Parzival, de Germaansche held, wordt uit zijn +verwildering gered, doordat "in hem een vaste zin was en onversaagde +mannenmoed, die niet gebroken werd door harden druk." Zijn zedelijkheid +was de vastberadenheid van een streven, dat de vertwijfeling +overwon. Faust is een tweede Parzival, de vernieuwer dezer Germaansche +zelfbevrijding. Aan het einde van zijn levensloop wordt over hem +gesproken: "wie altijd strevend werkzaam is, dien kunnen wij verlossen" +(wer immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen). + +Het onderscheid van oude moraliteit en nieuwe bestaat hierin, dat +de oude moraal het zwaartepunt der deugd buiten den mensch legt, +de nieuwe moraliteit stelt het in ons; d. i. in de menschelijke +persoonlijkheid, genomen in den vollen en diepen zin van dit begrip. De +Zeventiende Eeuw is, binnen de nieuwe Geschiedenis gelijk wij zeiden, +de vertegenwoordigster der oude zedelijkheid, hoewel juist toen een der +groote scheppers der nieuwe leer geleefd heeft: Spinoza. De oude moraal +stelt de zedelijkheid in deugden, plichten, werken, die als meer of +min afgepaste en aangewezen geestelijke grootheden door een zedelijke +wetgeving zijn afgekondigd en gekodificeerd. Dat alle deugden, plichten +en werken de openbaring zijn van éen innerlijk levensbeginsel, en dat +er dus geen zedelijkheid is dan als een verwerkelijking van dit; dat +zedelijkheid de verwerkelijking is van het eeuwige zelf des menschen, +vermoedt zij niet. De oude zedelijkheid is gedrag volgens de zedewet, +en deze zedewet is een goddelijke _instelling_, geen opwelling uit +het menschenhart zelf. + +De Zeventiende Eeuw heeft het _mechanisch_ denken tot overwinning +gevoerd; zij stelde de mechanika vast als methode der natuurleer, +en bestreed de Middeleeuwsche opvatting, volgens welke de natuur +met verborgen eigenschappen en geestelijke krachten werkte. Het +mechanische denken rekent met uitwendige oorzaken alleen en behandelt +alle gebeurtenissen in de natuur als toepassingen van algemeene wetten, +die wiskunstig moeten berekend worden. De astronomie is het zuiverste +voorbeeld van mechanische natuurwetenschap. Huyghens, Harvey en +zoovele natuurkundige ontdekkers der 17de en 18de eeuw hebben door de +mechanische methode de natuurwetenschap tot haar hoogte gebracht. De +wiskunde is het hart der mechanika en Cartesius had de wiskundige +methode van denken ook op de geestelijke wetenschappen van toepassing +verklaard. Zoo is dan ook de opvatting dat zedelijkheid een gedrag is +volgens de ingestelde zedewet, de vrucht van een mechanisch denken: de +zedewet werd evenals de natuurwet geacht door den schepper der wereld +te zijn ingesteld. Aan deze voor de levensleer noodlottige opvatting +beantwoordde het Calvinisme, deze algemeen geldige geestelijke richting +des tijds. Het Calvinisme is een herleving van den Israëlitischen geest +in het Christendom, gekeerd tegen de idee der vrije individualiteit +volgens Grieksch en tegen die der zelfberaden persoonlijkheid volgens +Germaansch begrip. Het Calvinisme immers hield de zedelijkheid +voor een gehoorzaming aan een zedewet, van bovenaf aan de menschen +gedekreteerd op het ontoegankelijkste rotsgebergte, de Sinai, alsof +de zedewet van ergens anders stamde dan van onze menschelijkheid zelf! + +De Zeventiende Eeuw is theologisch: het aanvangspunt van denken is +er de tegenstelling tusschen God en mensch. Spinoza, die haar niet +erkende, werd voor atheïst gescholden. In deze tegenstelling komt de +mensch ontledigd tegenover God te staan, waarbij een negatief begrip, +het zonde-begrip, het uitgangspunt der levensbeschouwing wordt. Het +dwars-verkeerde dezer beschouwing is niet meer goed te maken. Zij +berooft den mensch van de waarheid zijns wezens. De heilsleer der +Zeventiende Eeuw is hetero-soterisch; d. i. de krachten die het +leven tot heil brengen werken van buiten af. Calvinisme, Piëtisme, +Lutheranisme zijn in dit opzicht gelijk. Deze hoofdstroomingen der +Zeventiend' Eeuwsche levensleer mogen onderling verschillen als meer +intellektualistisch of meer empiristisch gekleurd--in de levensleer +is aller opvatting op het door ons genoemde punt gelijk. Inzonderheid +het Piëtisme, dat aan Lutheranisme en aan Calvinisme de gemoedswarmte +gaf en een religieuze ervaringsleer kan heeten, heeft in zijn +heilige boek _Bunyans Pilgrims Progress_ een uiting geleverd, +die de zedelijk-religieuze opvatting des tijds op het duidelijkst +uitsprak. Het Engelsche Piëtisme dat in dit boek tot uiting komt, +heet gewoonlijk Methodisme. Bunyans "Christenreize naar de Eeuwigheid" +is het Zeventiend' Eeuwsche heilsboek; het heeft zijn verdienste in +groote menschenkennis en is _het tegendeel van Faust_. Geen boek ter +wereld is zoozeer in tegenspraak met de moderne levensopvatting. De +mensch is er ongeniaal, uit zichzelf voelt hij alleen onmacht en +ellende. Uit een boek, dat hem van elders in de handen komt, leest +hij den beteren levensweg; andere wezens leiden hem; alles komt van +buiten behalve de zonde; in zichzelf is hij negatief. Hij is geen +persoonlijkheid, hij is alleen maar behoefte. Het Piëtisme is de leer +eener reeks van gevoelservaringen, die doorloopen moeten worden, +en die niet uiting zijn van eigen geestelijk streven, maar waar de +mensch, de lijdelijke, wordt doorheen-geleid. Het geestelijk leven +als stroomend uit den eigen innerlijken bronwel en zijn rijkdommen +uit zichzelf voortbrengend--dit nieuwer levensbegrip is er onbekend. + +Dat zedelijkheid niet is een gehoorzaamheid aan een wil die van buiten +af beveelt, maar des menschen eigen aspiratie, wordt door deze oude +leer niet bevroed. + +Maar ziehier juist de kern der nieuwe levensgedachte. Spinoza +reeds had de stelling uitgesproken, dat des menschen "streven om in +eigen zijn te volharden" het eenige fondament der deugd is. In deze +uitspraak klinken de bazuinen der nieuwe levensleer. De mensch, aan +banden eener ingestelde zedewet vastgelegd, zal opnieuw ontwaren, dat +zijn eigen wezen de zedewet inhoudt. Dat beteekent: de geestelijke +natuur van den mensch zelf is de grond aller deugd, en er is geen +andere deugd dan deze: onze geestelijke natuur verwerkelijken; +zich-_zelf_-zijn. Voorheen gold de zedewet door bedreiging en +belofte, als door dwangmiddelen; des menschen vrijheid beteekende +de vrijwilligheid, waarmeê hij dezen band verdroeg of niet verdroeg: +nu geldt de gedachte andersom: er is geen ander beginsel van zedelijk +leven, dan de idealiteit onzes wezens: de zedewet niet heerschappij +voerend over den mensch, maar de mensch als voortbrenger van de +zedewet. Deze moraal is die der vrije persoonlijkheid, die de zedewet +niet boven zich, maar in zich heeft. + +De levensopvatting, hier geldig is niet de mechanische, maar de +_organische_. Terwijl de steenen op elkaar gezet worden en uitwendig +door de kalk saamgebonden tot een muur, volgens het plan van den +metselaar, die ze behandelt--groeit het zaad tot een plant niet +door uitwendige toevoeging, maar krachtens een innerlijk beginsel en +volgens een wet, die in het leven en den groei des zaads is vervat. Het +geestelijk leven als de oprichting van dezen muur te begrijpen is +de mechanische opvatting der oude moraliteit: maar dat het zedelijke +aan een innerlijke levenswet, veeleer op den groei der plant gelijkt, +organisch, is de Negentiend' Eeuwsche gedachte. + +Het Nieuwe Testament heeft menige uitspraak in deze richting; de +middel-eeuwsche mystieken en Luther hebben dergelijke tonen van +hun instrument doen klinken; in geen tijdperk der Christelijke +kultuur-geschiedenis heeft de stem der zedelijke vrijheid geheel +gezwegen: maar de andere opvatting heeft deze nieuwere telkens +overstemd en de "oude" zedelijkheid heeft zich als de kettermeester +der nieuwe gedragen. + +Goethe's Faust vertoont deze levensleer op de meest klare wijze in +het dichterlijke beeld. De Faust is een kultuurboek, waarin niet +slechts de geest van Goethe, maar vooral de geest der aangevangen +Negentiende Eeuw zich spiegelt. + +De dichter van Faust heeft den overgang tot den nieuwen tijd in zich +meegeleefd en de groote revolutie gadegeslagen. Nu is zijn gedicht +breed geworden, encyclopaedisch van opzet, daar het den nieuwen +mensch vertoont in zijn zedelijk streven en dit streven naar alle +zijden ontwikkelt: de nieuwe zedelijkheid heeft haar verhouding tot +staat en maatschappij, kunst, natuur en godsdienst. + + + +3. Het besluit tot daden. + + +"In den beginne was de Daad", zoo heeft reeds in zijn studeercel Faust +gefilosofeerd. Er staat geschreven: "in den beginne was het Woord", +maar het woord kon hij zoo hoogelijk niet vereeren; evenmin de rede, +ook niet de kracht. + +Het zedelijk streven, waarin hij Mefisto zal te boven komen, zal voor +Faust bestaan in het uitoefenen van de levende daad. + +In het eerste Faust-gedicht overheerscht de negatie, +Mefistofeles. Faust wordt er door Mefisto geleid en geeft zich aan zijn +inspraken over; alleenlijk bewaart hij zichzelf tegen dien leidsman, +zoodat hij nooit ten onder gaat. Zijn leven is nog bewogen door den +levensnood; de passie overheerscht, de levensgang is verwilderd. Dit +is de noodwendige aanvang van elk zedelijk leven: het leven begint in +laagtestand en gaat door het heilsgemis naar het heilsbezit, evenals in +Carlyle's Sartor Resartus Professor Teufelsdrökh door het Everlasting +No heen moet om het Everlasting Yea te bereiken. Maar hiermee is +het leven niet verloren: zijn de negatieve wateren doorkliefd, dan +komt het schip in positieven stroom. Mefisto heeft zich aan Faust +onmachtig gemaakt, doordat Faust in de volgzaamheid aan zijn leidsman, +zichzelf tegen hem heeft vastgehouden, de weddenschap op geene wijze +verliezende. + +Eindelijk is het positief beginsel in Fausts natuur voldoende tot +eigen kracht van daden gerijpt, zoodat Mefisto niet meer den weg +behoeft aan te wijzen, doch alleen als Faust's dienaar kan blijven +geduld. In het tweede poëem is Faust zijn eigen meester en betreedt +door eigen streven den weg van het levensheil. + +Faust's moraliteit is dus: zichzelf te zijn, en het aktueel beginsel +van zijn streven is het _besluit tot de levende daad_. De daad is +uiting der inwendige aktiviteit; in haar betoont de mensch zichzelf; +zij is niet wat de oude moraliteit bedoelt: een gedraging of werk +volgens de zedewet; geen "werk der dankbaarheid" of wat ook, waarbij +een handeling uitgevoerd wordt, die reeds tevoren was voorgeschreven in +een kodex van deugdwerken; neen maar de daad als _getuigenis_. De daden +waartoe Faust besluit, zijn pure uitingen van inwendigen drang; zij +zijn niet te voren bij eenige zedelijke wetgeving bepaald; zij zijn de +betooningen van den zedelijken mensch die zijn moreele persoonlijkheid +doet gelden: "dit aardegebied verschaft nog ruimte tot groote daden; +tot het doen van koene en verbazingwekkende werken voel ik de kracht." + +Misschien acht menigeen zulke ideëele moraliteit geen degelijke +zedelijkheid te zijn. Het schijnt of het Faust-poëem het lied is van +den aesthetischen mensch Goethe, die zichzelf bezingt. Men wil een meer +geëikte deugd. Het besluit tot daden, niet eens tot bepaalde en als +zedelijk goed voorgeschrevene, maar het besluit tot _zelf-uiting in de +daad_ schijnt den menschen, die aan konventioneeler deugd gewend zijn, +nevelig en onbestemd. Zij begrijpen niet dat er geen vruchten zijn dan +uit de groeikracht van den boom en dat er evenmin deugden, plichten, +werken, zedelijke handelingen zijn dan als levensopwelling van een +menschenhart zelf. Er is misschien voor een dogmatisch verstand geen +houvast aan een zedelijkheid, die van binnen stamt, gelijk er een zeer +gemakkelijk houvast is aan zedelijkheid, die een bestaande wetgeving +opvolgt. De Muzelman heeft aan zijn trias van aalmoes doen, bidden, +vasten, een algemeen begrijpelijker deugdsysteem, dan de Germaansche +strever aan zijn besluit tot de loutere daad. Dit verhindert niet +dat de zedelijkheid in laatstgenoemden vorm de ware is. + +Aan Faust's besluit tot daad (het positief moreel princiep) gaat +vooraf het _berouw_. Het berouw is de reaktie na het verblijf in de +wildernis. Als de negatie is doorgemaakt, blijft een nijpend gevoel +van leegheid over; de mensch beseft de laagte, waarin hij heeft geleefd +en klaagt zichzelf aan om zijn verblindheid. Deze negatieve moraliteit +volgt op het negatieve levensgedrag en is de weerslag op Mefistofeles' +leiding, de terugschrik na de zelfherkenning. Het Piëtisme zou dit +zedelijk moment, het berouw van Faust, hebben doen aanzwellen tot +hoofdbelang; in litteratuur kon het in 't breede geëxploiteerd worden +als tijdperk van zelfverwijt en zelfontreddering; de Zeventiend' +Eeuwsche moraal althans had met voorliefde op deze negatieve zijde +van het zedelijk leven de schrilste lichten geworpen--Goethe is te +zeer menschkundig om het berouw te ontkennen in zijn heilzame werking, +te schoon van geest, dan dat hij er zwaarder gewicht aan gaf dan als +overgang uit lager tot hooger levensstand. Het berouw van Faust wordt +ondervonden in de diepte van het naar binnen gekeerde bewustzijn, +aanvaard als krisis des inwendigen levens. Zoo volstaat Goethe ook +met een fijnvoelige vingerwijzing, die den begrijpers genoeg is: +in den aanvang van het tweede Deel spreekt Ariël tot de geesten: +"brengt den grimmigen strijd zijns harten tot rust, verwijdert +de scherpe pijlen van zijn zelfverwijt; en reinigt zijn innerlijk +van doorleefden schrik." Hier is het geestelijk herstel van Faust +geteekend. En als hiermee de negatieve faze zijns levens (de wildernis) +voorbij is, zie! daar ontwaakt "een krachtig besluit om volhardend +naar den hoogsten levensstaat te streven." + + + +4. De klassieke beschaving als leerschool.--geestelijke vorming.--de +idee der schoonheid. + + +Faust heeft dan besloten tot de zedelijke daad, d. i. tot de betooning +zijns innerlijken wezens. En waarin deze ook besta--een streven +rechtstreeks naar het absolute, gelijk hem eenmaal vervulde, is niet +meer te wachten: hij getuigt dat het geestenlicht hem heeft verblind, +en roept nu uit: "den waterval, die het rotsrif doorbruist, beschouw +ik met toenemende vreugd; in duizend en meer dan duizend stroomen giet +hij zich uit al nederstortende, zijn schuim in de lucht spattend. Die +spiegelt het menschelijke streven af; overpeins hem en begrijp dat +wij het leven hebben in den kleurigen weerglans der zon." De waterval +werpt zich in de aardsche wereld, en weerkaatst in zijn stralen het +zonlicht, zonder het licht te gemoet te streven: zoo zal Faust doen; +hij zal zijn drang naar het absolute verwerkelijken in de lichtende +daden van zijn hart. Ziehier zijn weg. + +Faust zoekt op dien weg te komen; maar hoe? Wij vinden hem aan het +keizerlijk hof genoodigd wegens den roem zijner geleerdheid. Het +keizerlijk aanzoek heeft hij opgevolgd in de hoop aldaar gelegenheid +te vinden tot heilzame daden. Maar het is niet in deze omgeving dat +hij slagen zal. De toestand van het Keizerrijk is verre van fraai; +uiterlijk vol glans is het rijk innerlijk krachteloos en vervallen; +de keizer zelf leeft voor het genot in de grootste verkwisting en de +schatkist is tot den bodem geleegd. + +Faust, die nog naar zijn weg zoekt, moet in deze omgeving tot +inzicht komen, dat de zedelijke daad des menschen vrij is tegenover +alle bestaande ordening. Voor den Jood uit Jezus' tijd is het +godsdienstig volks-instituut de sfeer, die het zedelijke bepaalt; +voor den oud-Indiër de kaste; voor den Griek het staatsverband, +zoodat hij zedelijk mensch is in dit opzicht, dat hij zijn arbeid doet +voor het staatsgeheel. De Middel-Eeuwer, over 't algemeen genomen, +acht zich zedelijk handelend volgens voorschrift van en in dienst +aan de kerk. Zijn barmhartigheid, eedstrouw en gerechtigheid zijn een +verplichting, die de kerk hem oplegt. Voor Faust echter zal al zulke +instelling wegvallen. Geen bestaande ordening zal als verplichtende +macht zich aan hem voordoen: in de sfeer van het keizerrijk valt +voor hem niets van zedelijke beteekenis uit te richten. Tegelijk +blijkt hem, dat deze keizerlijke staatsordening (en daarmee alle +"instituut") de echte nooden der gemeenschap niet lenigt, en een +van boven opgelegde figuur is, die met het ware leven der volkeren +in geen verband staat. Wie zedelijk werken wil, doe het niet ten +dienste aan eenige instelling of organisatie, maar doe het voor de +menschelijke schare, dat is voor het _gemoed_ der menigte, want dit +is voor zedelijke weldaden ontvankelijk. + + + +Maar om tot machtige daden bekwaam te zijn moet Faust een scholing +doorloopen. Het "strevend in werking zijn" (strebend sich bemühen) +moet voortkomen uit een welgeordenden en evenredigen geest, want anders +is het werk chaotisch, vormeloos. Faust moet nu niet in een wildernis +rondwaden, maar zich een weg banen in het leven, en de dichter van +Faust acht, dat hiertoe geen betere scholing is dan het verkeer +met de klassieke Grieksche kultuur en hare schoonheid. Door deze zal +Faust de mateloosheid van zijn strevenden drang te boven komen en dien +louteren. Immers, zooals het moderne, Germaansche, romantische streven +zich _uitleeft_, zoo wil het Grieksche _zich inhouden_. Werther is de +romantische mensch, subjektief en onbegrensd in zijn aandoeningen; +maar hij zou in de Grieksche zelfbepaling tot vruchtbaarheid zijn +gekomen, terwijl hij zonder deze kwam tot ondergang. Faust zal niet +als Werther lijden, maar hijzelf weet welke leerschool hij behoeft. + +Het verkeer van Faust aan het keizerlijk hof wordt bekroond met +een maskerade, waarin de krachten en faktoren van het menschelijk +leven en der maatschappij in symbolische gestalten worden vertoond: +een schouwspel, waarin Faust een tegengestelde houding aanneemt, dan +die hij in het leven wil voeren: hij is er werklooze toeschouwer. De +keizer ziet de fraaiheid van de vertooning, maar de aldus gesymboleerde +werkelijkheid heeft veel onschoons en op 't einde gaat de geheele +maskerade in vlammen op. De keizer, wiens lust naar schoone vertooning +aldus ontstoken is, wil zich nog meer vermaken en wenscht het meest +uitgezochte voorbeeld van menschenschoon te zien vertoond: Paris en +Helena uit het doodenrijk te voorschijn geroepen, moeten voor zijn +oogen verschijnen! + +Deze vertooning is voor hem niet meer dan een lichtzinnig +amusement. Maar in Faust heeft de gedachte aan de klassieke schoonheid, +in Helena vertegenwoordigd, een horizont van inzicht geopend. Hijzelf +zal naar de diepte der wereld afdalen en door de macht zijns geestes +de Helena-gestalte te voorschijn roepen. Waarheen zal hij afdalen? Men +daalt slechts in zichzelven af en deze afdaling heet de _bezinning_, +maar de bezinning brengt den bezinner tot de algemeene gronden waar +het leven, waar elk geestesleven, ontspringt. In de dichterlijke +voorstelling heeten deze gronden: de Moeders en van hen wordt +met plechtig geluid verzekerd: "godinnen tronen verheven in hun +eenzaamheid; rondom hen is alle Ruimte opgeheven, geen Tijd is daar; +over hen kan niet gesproken worden: de Moeders zijn zij. Welke weg +leidt tot hen? geen weg! De weg tot hen gaat in het onbetreden en niet +te betreden gebied; door geen navraag vindbaar: zijt gij bereid? geen +sloten en geen grendels behoeven weggeschoven; door eenzaamheden +wordt gij heen gedreven: hebt gij begrip van het verlatene en van de +eenzaamheid?" Het is Mefistofeles, die deze aanwijzing geeft, en zij +is gegeven uit zijn zienswijs: de levensdiepte geldt voor hem niet; +maar met kloeke verzekerdheid antwoordt Faust: "in uw Niets hoop +ik het Al te vinden." Wanneer het aan Faust gelukt om uit de diepe +bezinning op het leven de idee der schoonheid op te roepen, staat hij +aan den aanvang zijner geestelijke scholing. Wat hij gedaan heeft is +bij zichzelf de noodzaak en onmisbaarheid der leerschool vaststellen, +die hij doorloopen moet. + +Uit de diepe gronden zijns levens brengt hij de idee der schoonheid +te voorschijn, maar de enthousiaste omhelzing daarvan werpt alsnog +de idee zelve in verbrijzeling. Faust verliest Helena terwijl hij +haar aangrijpt. + +Niet als bloote gedachte lichtend voor hem uit, doch als duurzame +levenservaring moet de schoonheid aan zijn bestaan deelnemen: daartoe +neme Faust de klassieke beschaving in zich op: het _huwelijk met +Helena_ zal hem tot de zedelijke daad bekwamen. + +Maar de klassieke beschaving moet recht begrepen worden. Ook zij +heeft haar excessen en verwarringen. Geen kultuur is feitelijk +volmaakt, en het is niet meer dan de geest en de idee der klassieke +beschaving, welke Faust zich eigen make. Hij moet zich beschermen +tegen de spookgestalten, die ook hier zich voordoen; in de "Klassieke +Walpurgisnacht" moet hij tot het inzicht komen, dat niet overal +waar Griekenland is Helena woont. Niet de spookachtige fantasie, +die griffioenen, sfinxen, sirenen, centauren, pygmaeën en wat +half-dierlijks er meer zij, voortbracht--maar de klare en zuivere +geest, die de gestalte van Helena opriep, is de ware geest der +Grieksche beschaving. Om Faust rond te leiden in de spokenwereld, +daartoe is Homunculus, een kunstmatig menschje, in chemische retorten +bewerkt, voldoende: voor zijn huwelijk met Helena drage hij zelf zorg. + + + +5. Het huwelijk van Faust en Helena. Harmonie en maat. + + +De schoonheidszin is van het geestesleven een integreerend deel. Geen +geestesleven is gaaf zonder deze. Aan de "oude zedelijkheid" heeft +de schoonheidszin ontbroken; de Calvinist heeft nooit beseft dat +er verband is tusschen het goede en het schoone. De theologische, +mechanische aanleg van het Zeventiend' Eeuwsche denken, sluit den +schoonheidszin eer buiten dan in zich. + +Het Piëtisme is vaak vijandig gestemd tegenover hem, daar het +de wereld verwerpt; zelfs Spinoza heeft zich zeventiende-eeuwer +betoond door van hem niet te gewagen. Onze groote schilderkunst heeft +geen verband gehouden met het zedelijk bewustzijn des volks, en het +zedelijk bewustzijn heeft zich niet geopend voor de kunst noch voor de +aesthetische ontroering. Eerst het geslacht, waartoe Goethe behoorde, +begreep het verband tusschen schoonheid en levensbestemming. Faust +treedt in het huwelijk met Helena, en dit huwelijk is een noodzaak +tot zijn volmaking. + +Het is hier niet te doen om een aesthetische beschaving in de plaats +der ethische, een oppervlakkig schoonheidsbehagen, dat met de diepe +gronden des levens zich niet afgeeft. Zulk aestheticisme, dat de +kunst tot zijn godsdienst heeft, is in de Negentiende Eeuw opgekomen; +maar het huwelijk van Faust en Helena heeft diepere waarde: het is +de scholing in de klassieke kultuur, de vorming van den zedelijken +mensch door harmonie, klaarheid en innerlijke orde. Faust heeft +aanraking met den _geest_ der Grieksche beschaving. + +Het huwelijk met Helena is voor den zedelijken mensch noodig, +omdat hij, naar de nieuwe opvatting, de wet zijns eigenen wezens te +vervullen heeft. Moet de mensch zichzelf verwerkelijken, dan loopt +hij daarbij het gevaar eener redelooze emancipatie en afzondering uit +het geheel. Zoo hij de nieuwe moraal als een wil tot macht opvat en +meent, dat aan zijn eigen wil alles geoorloofd is, ware het beter dat +hij nog onder het toezicht der oude wetgeving stond. Met dergelijke +Nietzschiaansche op de spits drijving zijner individualiteit is de +wonderbare harmonie des bestaans verbroken. Wie slechts eigen macht +erkent is tyran en tyranniseert de wereldorde, in welke wij omvat zijn +en waarin ons leven redelijkheid bezit. Juist daar de wereld-orde +in ons bewustzijn inwoont zijn wij onszelf ten wet. Zoo behoort +de mensch der nieuwe moraliteit van de idee der orde en harmonie +doordrongen te zijn. Geen wild-romantieke vrij-machtigheid besture +zijn daden. De student, die in Faust's studeercel kwam verkondigen, +dat hij persoonlijk het superieure subjekt der wereld was, en dat het +op- en ondergaan der zon van zijn denken afhing, vertoont de nieuwe +moraliteit als karikatuur. Maar Faust zal innerlijk rijpen en zich +van de idee van orde en wet doordringen, opdat zijn streven niet +romantisch zij. + +Het altijd-durende streven gaat verloren, zoo daaraan de rust der +zelfbeheersching ontbreekt; de fantasie vindt willekeurige slingerwegen +maar niet den weg tot het doel. Zoo moet het streven zich scholen +door de schoonheid, die niet anders is dan de evenredigheid en +algemeene orde der wereld. Griekenland heeft de wereld als "kosmos" +opgevat. De schoonheidszin is uit Griekenland geboren. Overal liggen +zijne voorteekenen verspreid: Indië, Egypte, Assyrië, Babel, Israël, +Phoenicië, Germanië zijn vol voorteekenen die de geboorte van den +schoonheidszin aanzeggen; maar eerst Hellas heeft de schoonheid +_geweten_ en het vormelooze verworpen voor de erkenning van harmonie +en maat. Eerst Hellas heeft dit inzicht tot beginsel eener geheele +kultuur gemaakt. + +Dit is dus de vrucht van Faust's scholing door de klassieke kultuur, +dat hij leert innerlijk maatvol zijn, en dat zijn strevende +werkzaamheid daardoor planmatig en doelmatig wordt. + + + +Maar het huwelijk met Helena is leerschool en niet meer. Evenmin +als een leerschool is het tot bestendigheid beschikt. Zal Faust tot +uitvoering der zedelijke daad komen, dan moet dit huwelijk achter +hem liggen, al is ook de leering, daarin ondergaan, van blijvende +beteekenis. Zoo zien wij Helena aan Faust's armen ontzinken. Wat +zij hem verwekt heeft is de _poëzie_. Immers deze is niet anders +dan maatvolle gedachte en Goethe noemt haar Euforion. Voor hem +was de poëzie niet een kunstvol spel, maar een innerlijk vermogen, +om het leven en de werkelijkheid als een kunstwerk te zien en te +beleven; zij was hem een scheppende macht, die zich uitte in denken +en doen. Zal Faust tot zedelijken werker worden, dan moet hij door +de poëzie bezield zijn tot dienst aan de wereldorde en door haar tot +maatvolle wijsheid zijn bekwaamd. Deze vrucht zal blijken, wanneer +de huwelijkstijd met Helena voorbij is; tijdens het huwelijk zal zij +hem verschijnen als lichtende beeld. De lichtende gestalte Euforion, +in het huwelijk van Faust en Helena verwekt, blinkt voor beider +verwonderde oogen, maar gaat als een meteoor voorbij, waarna ook +Helena's oogenblik van verscheiden is gekomen. Wanneer zij aan Faust +ontzinkt, blijven als aandenken, kleed, mantel en lier achter. Dit +beteekent dat de nieuwe zedelijkheid de sporen bewaart van hare +scholing in de klassieke kultuur, maar dat zij toch een andere is, +zelfstandig, en uit haar leerschool is verrezen als een vrije macht, +stichtster harer eigen beschaving. + + + +6. Stichting eener vrije wereld. Waarde en ontoereikendheid der +zedelijke daad. + + +Het oneindig streven, Germaansch van oorsprong maar geadeld in de +leerschool der klassieke beschaving; de zedelijke zelfbetooning, door +het besef van maatvolle orde verhelderd--ziehier den _weg van Faust_: +op deze wijze zal hij zijn Mefistofeles te boven komen. + +Maar waarin bestaat het dat Faust Mefisto te boven komt? Indien hij in +het zedelijk streven, dat toch ook naar bepaalde doeleinden uitgaat +_bevredigd_ wordt, is dan de oneindige drang, deze richting naar het +Absolute, niet tòch verloochend? en wie heeft dan overwonnen: Faust, +die beweerde met niets te zullen bevredigd zijn, of Mefisto die daar +al te gemakkelijken raad op wist? + +Ziehier de vraag, die de ontknooping van het Faust-drama beheerscht. + +De zedelijke daad, die Faust uitvoert is grootsch, bovenal zoo zij in +haar symbolische beteekenis doorzien wordt. "Mijn oog was gericht, +zoo spreekt Faust, naar de hooge zee; zij zwol op om in zichzelve +omhoog te streven--dan zonk zij in en schudde haar golven om daarmede +de breedte der vlakke oevers te bestormen. En dat verdroot mij, +gelijk de overmoed door zijn hartstochtelijk opgezweepten zin den +vrijen geest, die slechts het recht waardeert, ergert. + +"Ik achtte het toeval, scherpte mijn oog: de golf stond op en rolde dan +terug, trok weg van het trotsch bereikte doel; het oogenblik komt en +hij herhaalt zijn spel. Dan sluipt hij weer aan op duizend plaatsen, +de onvruchtbare, om overal onvruchtbaarheid uit te strooien. Het +is een zwellen en toenemen en uitstorten over het woeste gebied, +en dan weder terugtrekken en er is niets volvoerd. Mij beangstigt +dit schouwspel tot vertwijfeling; doellooze kracht van bandelooze +elementen! Hier waagt mijn geest het boven zijn macht te streven: +hier wil ik strijden en hier wil ik overwinnen! En dit is mogelijk: +zoo vloedend als zij is, golft de zee langs elken heuvel heen; al +beweegt zij zich nog zoo overmoedig: een geringe opgeworpen hoogte +weerstaat haar trots en een geringe diepte trekt haar machtig tot +zich neer. Toen heb ik snel in mijn geest het plan gevormd: verwerf +het kostelijk genot om de heerschzuchtige zee van den oever af te +sluiten, het gebied dier vloeiende massa in te krimpen, en haar diep +binnenwaarts terug te dringen in haarzelf. Van schrede tot schrede +heb ik mij het plan voor den geest geroepen: dit te volvoeren is mijn +wensch, waag het de uitvoering te bevorderen." + +Faust wil de zee aan banden leggen en het onvruchtbaar zeegebied +herscheppen tot vruchtbaar land; daar wil hij een door menschen +veroverde woonplaats stichten, een vrijen grond voor een vrij volk, +dat zich in vrije werkzaamheid oefent. + +Het veld zal vruchtbaar zijn, een land als een paradijs; laat aan +zijn buitenkant de vloed den dijk bestormen: de samenwerking eener +schare is haastig bereid om de kleinste scheur te versperren. De +symboliek dezer Faustische daad is duidelijk: de zee is de negatie +der vruchtbare aarde; terwijl deze uit een onbegrensden levensdrang +het leven voortbrengt, plant, dier en mensch ontspruiten doet, +en uit haar schoot de delfstoffen opwerpt--doet de zee niets dan +verzwelgen; in haar diepte schuilen monsters en de kolk van gevaar +blijft zij voor ieder, die zich op haar bedriegelijke vlakten +waagt. De zee is het verstorend element; zij is de Mefistofeles in +de aardsche schepping; van den oer-chaos overgebleven. Nu zal Faust +de zee terugdrijven. Zinrijke daad! Ziehier het heilswerk, in eigen +geestelijke vrijheid uitgedacht en volvoerd, geheel anders dan de +"goede werken" voorgeschreven door een gekodificeerde moraal. Deze +daad beteekent Faust's overwinning over Mefistofeles. + +Een bekoorlijk tafereel schildert het welslagen dezer daad van +Faust: een vroeger schipbreukeling, eenmaal aan deze kust gespoeld +en verpleegd in de hut van Philemon en Baucis zoekt nu, jaren later, +zijn weldoeners op, en aanschouwt van hun in 't duin gelegen woonplaats +af, geen zee maar een vruchtbaar land: hetgeen u grimmig mishandeld +heeft, de zee met haar schuimend wilde golven, ziet gij in een +tuin herschapen: een tafereel als een paradijs! Koene knechten van +verstandige heeren groeven en dijkten de zee in, verminderden haar +rechtsgebied en werden heerscher in hare plaats. Zie toch hoe weide +naast weide groent, beemd, tuin, woud en dorp! rechts en links over +groote uitgestrektheid is het gebied dichtbevolkt! + + + +Maar is Faust nu voldaan? en heeft in deze daad zijn oneindige drang, +d. i. zijn drang naar het Oneindige vervulling gevonden? Indien ja, dan +is eenerzijds Mefistofeles overwonnen, omdat niet in de verlokkingen +van dezen, maar in Faust's eigen gevonden en geschapen taak zijn +drang vervuld is. + +Mefisto heeft Faust in de wildernis gevoerd.. Nu heeft hij zelf uit +de wilde zee een bewoonbaar en vruchtbaar land geschapen! + +Anderzijds heeft toch Faust een voldoening gevonden beneden het +Oneindige. Eenmaal heeft hij het wezen der wereld gezocht met het +denkend intellekt; de magie is door hem te hulp geroepen; hij heeft +den dood gewild om langs dezen weg in de eeuwige waarheid in te +dringen; diep en ontroerend was de klacht over zijn onvermogen; in +zijn ongeleschten kendorst dreigde hij te zullen bezwijken, en heeft +gezworen dat niets hem ooit zou bevredigen: "zal ik ooit gerustgesteld +mij neerleggen op het bed der ledigheid, dan zij het tegelijk met +mij ten einde; kunt gij mij zoo beliegen dat ik mijzelf behaag, +mijn laatste dag zij aangebroken; zal ik tot het oogenblik spreken: +blijf toch want gij zijt schoon genoeg, dan wil ik te gronde gaan." + +Faust is voldaan.... maar zóo dat hij het niet is. Dat is: hij +heeft de daad gedaan die de meest zuivere _omzetting_ is van zijn +oneindigen drang in de aardsche omgeving. Maar deze daad is op +elk oogenblik nog slechts een _betrekkelijke_ uitdrukking van zijn +drang, en om haar volledig te denken, denkt hij haar verlengd in het +toekomstige. Bovendien: aan het werk zelf heeft Mefistofeles deel en +zoo is het een onvolkomen werk. + +Wat dit laatste aangaat: in het werk mengt zich onrecht; dus houdt +het een bewijs zijner onvolmaaktheid in. De Faust-dichter schildert +deze ongerechtigheid in den aanval van Mefisto met drie gevaarlijke +gezellen op het huisje van Philemon en Baucis. Faust ergert zich +aan het oud-modisch klokgebengel, waarmeê deze oudjes nog steeds +den verleden tijd dienen. Hij heeft hun in 't nieuwe gebied een +beter woning en welvarender landgoed aangeboden; maar vond slechts +weigering. Mefisto volgt Faust's wenk op eigen manier en.... de hut +gaat in vlammen op, terwijl de bewoners omkomen. Voor Faust geeft deze +handeling stof tot bepeinzing. Ook de werken van zedelijke bezieling, +naar bepaalde doeleinden uitgaand, kunnen de eeuwigheidswaarde van +den mensch niet vervangen; zij zijn eindige grootheden, heilzame +doch begrensde gewrochten en zij houden den mensch binnen zijn +eindige levensvoorwaarden besloten. Evenmin als de opstapeling +der wetenschappelijke resultaten, bereikt de vermenigvuldiging der +zedelijke daden het eeuwige. Waar de Wagners juichen zijn de Fausten +onvoldaan. Dat de zedelijke handelingen den mensch niet vergoddelijken +bewijst het onrecht dat ongewild ook daarin binnensluipt. + + + +Toch heeft Faust _zijn weg_ gevonden. Maar de weg is niet het doel, +doch het middel. Na de scholing door de oude kultuur heeft hij in +een nieuwe zedelijkheid _zich tot het hoogste voorbereid_. + + + +Nog is, gelijk wij zagen, Mefistofeles niet geheel overwonnen. In +beginsel is zijn macht over Faust gebroken, hiermeê dat Faust in de +zedelijke daad zijn ware zelf verwerkelijkt. Niet meer leider maar +dienaar van Faust is hij, maar ook in deze verhouding is hij nog de +medgezel. Weldra doet zich het verstorend element zijns persoons +aan Faust gelden; want reeds in den proloog in den hemel is deze +onontkoombare waarheid over hen uitgesproken: de mensch dwaalt zoolang +hij streeft. + +Voor den strevenden mensch is er geen mogelijkheid om de negatie, +de verstoring, het kwaad, den Mefistofeles te niet te doen--zoolang +hij streeft. Maar in beginsel is hij, zoodra zijn strevenden wil +zich verheft, hem te boven. Nu nadert tot den oud geworden Faust +een gestalte, die lang afwezig is gebleven, maar toch op hem geloerd +heeft zoolang Mefisto met hem ging: de Zorg. + +Is iemand hier? vraagt Faust. De vraag vereischt een ja, antwoordt +zij.--En gij wie zijt gij dan?--Ik ben nu hier.--Verwijder u!--Ik +ben ter rechter plaats.--Neem u in acht! zegt Faust, en spreek geen +tooverwoord! En zij: al zou mij geen oor vernemen, toch weerklink +ik in de harten; op wegen, op de zeetochten ben ik de steeds +beangstigende medgezel. Steeds gevonden, nooit gezocht, ik wordt +gevleid en gevloekt. Hebt ge nooit de zorg gekend? "Uw macht erken +ik niet" roept Faust haar toe, maar zij blaast haar adem over hem +uit en Faust wordt blind. + +Hij buigt zich niet voor de tegenstandster, zooals hij zich niet +buigt voor Mefistofeles; hij is zichzelf en handelt uit aansporing van +zijn eigen wezen, maar tegelijk vervult hem zijn grootsche daad met +onbevredigdheid. "Nog heb ik mij niet opgeworsteld tot de vrijheid" +roept hij uit; en: "de mensch doorreize zijn aardschen dag; als geesten +spoken ga hij zijn vrijen gang. In het voortschrijden vinde hij smart +en geluk, hij, onbevredigd elk oogenblik." + +De beperktheid van zijn kunnen en het te-kort van zijn zedelijk +streven wordt aan den mensch te ondervinden gegeven door de macht, +die zich tegenover hem stelt. Maar in zichzelf vindt hij zijn streven +en de geestelijke kracht, die hem daarbij geleidt. Faust wordt door +de zorg weerstaan, maar in zichzelf beseft hij den aandrang tot +voortzetting zijner grootsche daad en voor zijn innerlijke oogen +spiegelt het vizioen der voltooiing. Terwijl Mefisto's gezellen +bezig zijn het graf te delven, waarin hij Faust hoopt te vangen, +(want vernietiging acht hij het einde ook van dit leven), hoort +de blindgeworden strever in het geklank der spaden het werk der +arbeiders, die hij geroepen heeft. Immers een kanaal graven zij om +een moeras af te leiden en aldus de gezondheid der streek voor haar +bewoners te verhoogen? Het volk dat hier in vrijheid woont, zal zich +uitbreiden. Het gevaar kennend en afwerend zal jeugd, manschap en +grijsheid hier zijn lange leven in noeste werkzaamheid volvoeren! + +Deze gedachte is het die Faust vervult en als vizioen voor zijn blinde +oogen zweeft, en in het licht daarvan roept hij uit: "nu waag ik tot +het oogenblik te zeggen: blijf, want gij zijt schoon genoeg. In aeonen +kan het spoor van mijn aardsche dagen niet vergaan. In het voorgevoel +van zulk verheven geluk, geniet ik thans het hoogste oogenblik." + +Deze woorden zijn de laatste en Faust zinkt stervend op den grond. Dat +hij de weddenschap met Mefistofeles slechts naar den klank des woords +verloren heeft, is duidelijk. Hij zelf, aan Mefisto ontgroeid, is van +hem vrijgekomen. Hij heeft zijn oneindig wezen tegen den ondergang +bewaard.... maar niet verwerkelijkt. Het zedelijke streven is niet het +hoogste bereik der menschelijke persoonlijkheid. "Wiens geest altijd +strevend werkzaam is, dien kunnen wij verlossen" zal van Faust gelden: +dat de zedelijke streving zelve de voltooiing van het menschelijk +bestaan inhoudt, is daarmee niet gezegd! + + + + + +V FAUST'S VOLEINDIGING + + + +1. De liefdemacht. God en mensch. Overschrijding der begrensdheid. + + +"God kennen is de hoogste deugd" leert Spinoza. Dit "hoogste" +noemt hij summa virtus, hetgeen nog iets anders beteekent dan +"hoogste" nl. toppunt der deugd. Het begrip "hoogste" duidt aan +iets betrekkelijks, zijnde de uitkomst eener vergelijking; het +beteekent niet, dat het nòg-hoogere is uitgesloten; slechts over het +thans-voorhandene doet het uitspraak. Maar "toppunt" beteekent het +logisch uiteinde der opstreving, waarbij het nòg-hoogere niet gedacht +kan worden. Hier is het streven ten einde in zijn bereikte doel. + +De oude zedelijkheid erkende niet dat het geestesleven zijn +(natuurlijke) voltooiing had in de eenheid met God en op deze eenheid +was aangelegd. Zij geloofde aan de tegenstelling tusschen mensch en God +(door de zonde) en hoopte te eindigen bij een verzoening. Dit is de +oude religie, die uitgaat van het zondebesef, en met alle middelen de +overtuiging hunner onwaardigheid bij de menschen aankweekt. Maar de +ware religie, die zoo oud is als de beschaving, al bleef ze in het +verborgen, beleed de fundamenteele identiteit des menschen met God +(zooals de zonnestralen fundamenteel één zijn met de zon) en erkent dat +in de bewuste eenheid met God het leven tot zijn waarheid is gekomen. + +Deze eenheid met God is een verheffing des bewustzijns, waarin het +betrekkelijke is overwonnen; zij is onze vereeniging, die door +de mystische denkers zelfs "vergoding" (theosis) is genoemd. De +religieuze zielkunde handelt over haar in een diepzinnig hoofdstuk +en het is deze vergoding als een voleindiging van het geestesleven, +welke de Faust-dichter in de slot-scène van het gedicht heeft in +beeld en klank en woord gebracht. In haar is geen Mefistofeles die +het bewustzijn der oneindigheid tracht af te leiden of uit te dooven. + +Een bergwand rotsachtig met kloven en met bosch begroeid; niet bewoond +dan door eenige kluizenaars; een geest van diepe geheimzinnigheid +hangt daar; de berg is in lagere en hoogere gebieden verdeeld; +geestelijke wezens zweven af en aan, en een koor van zalige knapen +beweegt zich kringvormig om den hoogsten top; engelen van mindere +en van meerdere volmaking gaan zingend om, terwijl zwevend de Mater +gloriosa nadert op den aanroep van haar grootsten vereerder. Zalige +vrouwen onder wie eene (weleer Gretchen genoemd) aanbidden haar, +terwijl het onsterfelijk deel van Faust door Engelen wordt opwaarts +gedragen en het geheele tafereel met een mystisch koor eindigt, +waarin de eeuwigheid als voltooiing van den tijd bezongen wordt. + +Dit alles heeft de beteekenis van aanwijzing van een hoogere +werkelijkheid. Deze berg is onttrokken aan de aardsche natuur en +natuurwet; de wezens, die er vertoeven, zijn in zwevende beweging +en de geheele berg is een heilige schuilplaats der liefde. Ook het +streven en de zedelijke strijd bestaan hier niet. Wat in de wereld +niet geldt, geldt hier: het is de almachtige Liefde die alles vormt +en alles koestert. + +In deze sfeer wordt het wonder voltrokken der voleindiging van +het geestesleven. De voltooiing moge een logisch gevolg zijn van de +voorafwerkende krachten, zoodat het geestesleven uit zichzelf naar haar +heenwijst--toch is haar werkelijkheid een _nieuwe_ daad. Beter nog: +in de voltooiing komt aan het licht welke kracht in het geestesleven +verborgen was: de liefdekracht van God. De zedelijke houding van +Faust was een strevende zelfwerkzaamheid, en het is dit streven, +dat hem tot de volmaking voert ("wie altijd strevend werkzaam is, +dien kunnen wij verlossen" zingen de engelen)--maar nu blijkt dat dit +menschelijke streven nog een andere waarde heeft dan het streven van +een mènsch te zijn: het is de ervaarbare keerzijde der Godskracht: de +eeuwige scheppingshandeling Gods draagt het geheele leven, gelijk zij +draagt de geheele wereld en waar wìj van zedelijk streven gewagen is +'t in waarheid deze groote kracht, die zich in menschen openbaart. De +groeikracht, waarmee de plant zich uit den aardbodem opheft, is niet +haar speciale eigendom, maar is de Natuur zelve in haar werkzaamheid: +zoo is het niet anders dan de Kosmische Liefde, die zich in Faust +voordeed en vermomde als zijn eigen strevende wil. Zoo lang de mensch +nog in zijn streven is bevangen en de Mefistofeles hem begeleidt, +weet hij niet anders of het is zijn eigen zedelijke natuur die +handelt.... maar dit wordt anders in de voleindiging. + +Ja dit is de voleindiging dat hij zich bewust is van de Godskracht +als zijn eigen wezen. Op eens aanschouwt hij in zich niet zijn eigen +persoon, maar het groote Wezen. Dit is de Godskennis waarvan Spinoza +zegt dat zij het einde is der deugd, God schouwende met een helderheid +als waarmee wij te voren van ons eigen streven bewust waren. + +Want de mensch leeft in het Wereldgeheel en de geheele wereldorde, +die is de geest van God, woont in hem. Deze is de "eeuwige Liefde +die alle dingen vormt" en in de voleindiging des levens hebben wij +niet het partikuliere zelfbewustzijn, maar het bewustzijn van God, +dat is van de eeuwige Liefde. Wij zìjn ons bewust van de Oneindige +Tegenwoordigheid. Als "de Liefde van boven aan ons deelneemt roept de +heilige schaar ons het welkom toe." De Pater Seraphicus, langs den +berg zwevend, roept op tot deze ondervinding: "Stijgt opwaarts tot +hooger gebied, groeit ongemerkt, want hier versterkt u de zuivere +tegenwoordigheid van God. Dit is het voedsel der geesten, regeerend +in het vrije hemelruim; dit is de openbaring der eeuwige Liefde, +die zich in ons tot zaligheid ontvouwt." + +De beteekenis van Faust's oneindigen drang wordt nu verstaan: wat +hem drong is het Oneindige zelf: zijn strevende natuur is van den +beginne aan niets anders geweest dan de oneindige kracht Gods in haar +menschelijke keerzij: datgene waarvan de Wagners onbewust waren, werd +door de Fausten beseft; maar met een vóórbesef dat zich nu eerst tot +levend inzicht voltooit. + +Nu eerst.... De mensch streeft zoolang hij leeft en zoolang hij +streeft dwaalt hij en is door Mefistofeles vergezeld. Faust wordt +voleindigd door den dood heen. De ingang in het groote Mysterie +is de voorwaarde tot de voleindiging. Faust zelf heeft nog in zijn +laatste levensstonde verzekerd, dat het "uitzicht naar boven" hem is +afgesloten en dus de _kennis_ van het oneindige, waarnaar hij tevoren +zoo vurig smachtte, niet verkregen is. Maar het onbekende is niet het +onwerkelijke, en gelijk hij eenmaal den dood heeft willen roepen om +hem in het mysterie in te wijden, zoo komt nu de dood met het mysterie +en wijdt hem in. Slechts de dood geeft die zuivering waarbij de geest +des menschen tot zichzelven komt, de uitwendigheid der wereld aan de +aandacht ontzinkt. "Reeds is hij schoon en groot van heilig leven" +zingt over Faust een schare van zalige knapen. + +Het zedelijk streven van den mensch is, in zijn grond beschouwd, +niet eigen werk, maar de Godskracht in hare werkzaamheid; want naar +ons wezen zijn wij het Algemeene, en de Geest des Geheels heeft +hier zijne inwoning. Het streven opwaarts is, alzoo beschouwd, de +aantrekkingskracht die van boven werkt, en de Faust-dichter noemt deze +aantrekkingskracht: _het eeuwig-vrouwelijke_. "Het eeuwig-vrouwelijke +trekt ons opwaarts" luiden de slotwoorden van het Faust-gedicht: + + + "Das ewig-weibliche zieht uns hinan." + + +Wat is de beteekenis dezer uitspraak? Naar ons voorkomt deze: tot nu +toe kenmerkt Faust zich door de strevende werkzaamheid. Het streven is +het eeuwig-mannelijke; deze drang tot werken, deze voortschrijdende +daadkracht is de scheppende macht, gewrochten voortbrengend en van +den eenen tot den anderen arbeid voortgaand. Maar, "wie immer in +strevende werking is dien kunnen wij verlossen"; hetgeen beteekent dat +niet deze mannelijke gezindheid zelve de verlossing is: in haar wordt +Mefistofeles geleidelijk overwonnen, maar het eindpunt der overwinning +wordt niet bereikt. Doch in 't einde moet de mensch inzien, dat niet +hijzelf, dat is niet zijn individueele eigen-persoon, de voleindiging +toebereidt, maar dat hij haar verwerft krachtens de Godheid die zijne +werkende macht is. Hij, als eigenpersoon, _geeft zich over_. Hier +treedt het passieve moment in, dat de aktiviteit bekroont. Wat hem +tevoren werk toescheen schijnt hem nu rust. + +Daarom is de Godheid in dit opzicht dat zij het geestesleven +voleindigt, voor hem niet de werkzame Man, maar degene in wien het werk +ten einde is en bij wien de mannenkracht uitrust: zijn tegendeel: het +eeuwig-Vrouwelijke. Man en Vrouw, Mannelijkheid en Vrouwelijkheid zijn +symbolische namen en symbolische begrippen om de goddelijke werking +aan te duiden. In dit opzicht van ten einde zijn des werks en van +overgave onzer persoonlijkheid aan den Voleinder is het goddelijke +vrouwelijk gedacht. Hier is een _innigheid_ die tusschen man en man +niet bestaat. Wat de Middeleeuwen in de Maria-dienst, wat de Griek +in de Aarde-moeder nabij was, deze aflegging van den menschelijken +eigen-wil en van het eigen-bewustzijn, vindt Faust in zijn opstijging, +aangetrokken door het eeuwig-Vrouwelijke der goddelijke Liefde. Hier +is niet bedoeld een onderdompeling in het onbewuste onzer zinnelijke +natuur, gelijk men heeft verklaard, maar een opstijging boven het +bepaalde bewustzijn van ons verstandelijk daglicht. + + + +Het menschenleven voleindigt zich door inkeer tot zijn grond; het +eindigt bij zijn aanvang. Het Faust-gedicht begint in den hemel +d. i. in de sfeer van God en vindt er zijn einde. In het einde is de +eeuwige Dag aangelicht. + +De eerste Dag van Faust was het vale, voorbijgezwoegde tijdperk zijner +vergeefsche inspanning, eindigend in de klacht. Daarna de avond +met mysterieuse diepten en zinnelijkheid en eindelijk de voornacht +bespookt door wroeging en verwijt. Deze eerste Dag is het eerste +Deel des gedichts. De na-nacht brengt kalmte en geeft den strever +geestes-rust. Nu verschijnt de nieuwe Morgen van arbeid, de morgen van +het groote streven en deze morgen geeft zich over aan den Eeuwigen Dag. + +In dien Nieuwen Dag der goddelijke Tegenwoordigheid is de Drang naar +het Absolute bevredigd. [1] + + + + + + + +INHOUD + + + WOORD VOORAF + + I DE KLACHT VAN FAUST: + + 1. De famulus Wagner, de begrensde mensch + + 2. Wetenschap is herleiding tot het + Onbegrepene + 3. Faust zoekt ontkoming bij de magische + fantasie + 4. Faust's klacht herhaald (verschijning van + den Aardegeest) + + II Faust en Mefistofeles: + + 1. Het eeuwige in den mensch (de proloog in + den Hemel) + 2. De verstorende macht. Het noodwendige + Tegendeel in wereld en leven. Mefistofeles + 3. Mefistofeles: ontkenning en ironie + 4. De weddenschap van Faust en Mefistofeles + + + III FAUST IN DE WILDERNIS: + + 1. Zelfverlies in den zinnenlust + 2. De onmacht van Mefistofeles (Faust in + Mefisto's leiding) + + IV DE WEG VAN FAUST: + + 1. De nacht van uitrusten voor den nieuwen + morgen + 2. De nieuwe zedelijkheid (zedelijk streven + en zelfbevrijding.) + 3. Het besluit tot daden + 4. De klassieke beschaving als leerschool; + geestelijke vorming; de idee der schoonheid + 5. Het huwelijk van Faust en Helena. Harmonie + en maat + 6. Stichting eener vrije wereld. Waarde en + ontoereikendheid der zedelijke daad. Het + einde van Faust's streven + + V FAUST'S VOLEINDIGING: + + 1. Overschrijding onzer begrensdheid in + de religie; de goddelijke Liefdemacht; de + overgave + + + + + + +AANTEEKENING + + +[1] Verg. Dr. J. D. Bierens de Haan, Dante's mystische reis (Amsterdam, +1914), Hoofdstuk XIII, Het kristallijnen bewustzijn en Idee-studies +(Amsterdam 2de druk 1913): De geestelijke ontroering; en: door de +Rede tot de Aanschouwing. + + + + + + +End of Project Gutenberg's Goethe's Faust, by Johannes Diderik Bierens de Haan + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GOETHE'S FAUST *** + +***** This file should be named 23018-8.txt or 23018-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/3/0/1/23018/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.net/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.net + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.net), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.net + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
