diff options
Diffstat (limited to '22968-8.txt')
| -rw-r--r-- | 22968-8.txt | 25612 |
1 files changed, 25612 insertions, 0 deletions
diff --git a/22968-8.txt b/22968-8.txt new file mode 100644 index 0000000..948b178 --- /dev/null +++ b/22968-8.txt @@ -0,0 +1,25612 @@ +The Project Gutenberg EBook of Nederlandsche Volkskunde, by Jos Schrijnen + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Nederlandsche Volkskunde + +Author: Jos Schrijnen + +Release Date: October 12, 2007 [EBook #22968] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE VOLKSKUNDE *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + Nederlandsche Volkskunde + + + Door Dr Jos. Schrijnen + + Bijz. Hoogleeraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht + + + Zutphen--W. J. Thieme & Cie + + + + + Aan de bevolking + van Groot-Nederland + hereenigd in dagen + van beproeving + + + + + + +TER INLEIDING. + + +"Unsere Zeit ist klug, aber arm" zegt Paul Keller in een +zijner aantrekkelijkste romans, die als titel voert: Das letzte +Märchen. Daarin wil hij alles redden, wat nog jong, wat nog kind in +hem is, daarin wil hij meetroonen naar het sprookjesland allen, wien +de kinderziel nog uit de oogen lacht, wien het oude kinderhart nog +enkele malen klopt in den boezem, die vaak nog een onbepaald heimwee +voelen en met zachten weemoed herdenken de oorden van kinderspel +en kinderlust; die niet te trotsch zijn, en ook niet te arm, om een +onbezorgden sprookjestocht te ondernemen, en in rijpere dagen gaarne +nog eens willen aanschouwen hun prille wonderlanden, thans met een +anderen lichtglans overgoten. + +Inderdaad--arm is onze tijd en arm ons leven te midden van de wonderen +der wetenschap! Arm is onze tijd, arm en kil en nuchter, gladstrijkend, +waar hij het vermag, tot de zwakste sporen van eigen aard in zeden en +gebruiken, doovend tot de laatste sprankjes poëzie, die nog opvonken +uit de gulden schatkamers van sprookjes, sagen en legenden. Wat +een tiental eeuwen niet vermochten, dat vermag helaas! stoom en +elektriciteit en ... aviatiek, dat vermag onze prozaïsche, hoogwijze, +cynisch-onverschillige tijdgeest. + +De romantiek past kwalijk in een eeuw van triomfeerend realisme. Laat +ze vluchten naar de diepste schuilhoeken,--de zoeklichten +der wetenschap hebben haar spoedig achterhaald. Laat ze zich +terugtrekken naar de eenzame hoogplateau's, waar het Edelweiss +nog bloeit in ongerepte pracht,--de berglokomotieven hebben haar +spoedig bereikt. Laat ze, ook in onze lage landen, de wijk nemen naar +afgelegen oorden,--snorrende auto's volgen weldra verdelgend haar +spoor. Zij kwijnt weg in onze atmosfeer, bezwangerd met den walm van +ontelbare schoorsteenen van mijnen en fabrieken, monotoon oplijnend +tegen een valen gezichteinder boven de vormelooze huizengroepen der +moderne fabrieksstad, waar een trieste nevel hangt van gewoontesleur +en landerigheid. + +Wij worden zoo praktisch en verstandig, maar ons alledaagsch-bestaan +wordt zoo eentonig en kleurloos en arm. Wij bestudeeren de natuur, en +verwijderen ons van haar. Oòk aan Maas en Schelde rekt het volksleven +een veeg bestaan: het volksleven, dat het volkskarakter weerspiegelt +in zijn menigvuldige uitingen en als een flonkersteen met duizenden +facetten het blijde, spelende zonnelicht opvangt en uitstraalt +naar alle richtingen. Zijn gezworen vijanden zijn overbeschaving +en banaliteit, die in haar sloopingswerk elkaar de hand reiken en +hoogtij vieren òok in de groote steden van Groot-Nederland, eens zoo +prat op zijn Dietschen volksaard. Niet in luidruchtige straatmuziek +en straatgetier ligt besloten de poëzie van het volksleven, maar +in de stille huiselijkheid rond den gezelligen haard. De naïeven, +de eenvoudigen van harte zijn de bezittenden. + +Arm is onze tijd aan poëzie, die niet slechts schuilt in de romantiek +van sprookjes en legenden, maar evenzeer in de onuitputtelijke +schachten van volksgebruik en volksgeloof, hoe ruw dat erts somtijds +dan ook moge wezen en met hoeveel onedele bestanddeelen vermengd; die +uitbot in alle loten van het volksleven, hoeveel wilde scheuten dat +leven ook moge uitranken. Maar toch, Gode zij dank, niet algemeen arm +is onze tijd aan belangstelling. Een groote kern waardeert althans +de uitingen van het volksleven, zoekt naar begrip en verklaring, +vorscht naar herkomst en ontwikkeling. Voor hen zijn deze bladzijden +geschreven. Voor hen, die de waarde van hun volkswezen weten te +schatten, en wien de eer ter harte gaat van een verleden, waarin +het heden zijn diepe wortels schiet. Waardeering wekt waardeering, +en zoo kunnen zij door hun belangstelling een groot maatschappelijk +nut stichten, een werk verrichten van waarlijk nationaal belang. + +Niet als zou het zaak wezen, kunstmatig de liefde tot den volksaard +weer op te wekken en aan te kweeken: want in zijn teerste uitingen is +hij zoo vaak als het gevoelige plantje, dat bij de geringste aanraking +de blaadjes dichtplooit. Maar door de volksziel te beluisteren, +het heden te ontraadselen door het verleden, door te dringen tot de +kiemcel van het kontemporaine kultuurleven, kan de hooger beschaafde +ruimheid winnen van blik, frissche, kerngezonde levenskracht garen; +en op anderen en telkens weer anderen zal hij de diepgevestigde +overtuiging overstorten, dat hij tot het volk behoort met lijf en ziel, +dat het volk van zijn geboortegrond van zijn vleesch, zijn bloed, zijn +gebeente is. Zóo wordt geteeld echte, onvervalschte vaderlandsliefde. + +Maar ook, zóo kan worden overbrugd de kloof, die gaapt tusschen volk +en hooger beschaafden, kan worden bewerkstelligd een verzoening +der standen. Een waarlijk aristokratisch-denkend man zal zich +het volk nader voelen, wanneer hij van dat volk kennis neemt, +en gelijkvormigheid in wezen van zijne kultuur met de volkskultuur +beseft. Tot het volk zal hij zich nader getrokken voelen dan tot het +beschavingsgepeupel. Want, zegt Albrecht Dietrich, "der Parvenu ist +dem Volke immer am fernsten". + +Met hen, die belang stellen en belangstelling wekken, wensch ik een +tocht te ondernemen naar het land der Folklore.-- + +Ik weet het, die belangstelling is niet dezelfde in alle deelen +van Groot-Nederland. Zelfs geloof ik aan de waarheid niet te kort +te doen, met te beweren, dat Zuid-Nederland hierin mijlen vooruit +is. Noord-Nederland kan niet bogen op namen als Gezelle, Gittée, Pol +de Mont, Teirlinck, om slechts eenigen te noemen; en nog minder kan +het wijzen op iemand, die van de volkskunde zijn levenstaak maakt, +als A. de Cock,--aan hem mijn eeresaluut! + + + +De term Folklore werd het eerst gebezigd in een Athenaeum-nummer van +1846 door Mr. Thoms, sekretaris der Cambden-Society, die zijn opstel +schreef onder den schuilnaam Ambrose Merton. Folklore, zoo beweert hij, +omvat "the traditional beliefs, legends and customs, current among +the common people." Immers, deze term beduidt het weten, de wijsheid +des volks, de mondeling voortgeplante volksoverlevering, en niet de +kunde van en aangaande het volk. Naam en wetenschap vonden bijval +en ingang, en in 1877 werd te Londen de Folk-Lore Society opgericht, +die zich thans in een zoo reusachtige uitgebreidheid verheugt. + +Intusschen wordt de uitdrukking "Folklore" nog slechts een enkele +maal gebezigd, terwijl "Volkskunde", en met recht, hare plaats heeft +ingenomen. Maar hierbij heeft het merkwaardige feit zich voorgedaan, +dat men het Engelsche woord door "Volkskunde" meende te vertalen, +en nu in plaats van de wetenschap der volkswijsheid een wetenschap +van volk en volksaard kreeg. Van subjektief werd de beteekenis +objektief, en bleef dit. Zoo werd echter de jeugdige wetenschap in +een min of meer bedenkelijke richting gestuurd, tot men ten slotte +de Volkskunde ging beschouwen als de kunde van het volk in al +zijn levensuitingen. Weinhold heeft in 1890 de definitie gegeven: +"Die Volkskunde hat die Aufgabe, das Volk, das ist eine bestimmte, +geschichtlich und geographisch abgegrenzte Menschenverbindung +von Tausenden oder Millionen, in allen Lebensäusserungen zu +erforschen." Inderdaad neemt hij in zijn folkloristisch program +de volksfysiologie op, den lichaamsbouw, de schedelvorming, de +gelaatskleur, de volksvoeding enz. Tot het uiterste wordt deze +opvatting wel gedreven in het werkplan van den "Sächsischen Verein +für Volkskunde." Dit toch omvat niet alleen het onderzoek naar de +geologische gesteldheid van den bodem, maar verder ook alles wat +behoort tot het begrip van geografie in engeren zin: koloniseering, +bevolkings-, krimineele-, religieuze-, beroepsstatistiek, schoolwezen +en wat al niet meer! Dit is inderdaad meer land- dan volkskunde; +en dat zulk een opzet veel te grootscheepsch is, is zonneklaar. + +Welke is dan de specifieke beteekenis van "volk" in +"Volkskunde"? "Volk" is niet het plebs, het "vulgus in populo", +de onderste laag, de heffe der maatschappij. Zeer zeker, het +volkskarakter komt veel meer tot uitdrukking in de lagere, dan in de +hoogere standen, maar het "Volkstümliche" leeft en werkt toch óok in +de hoogere lagen der maatschappij. "Volk" is evenmin synoniem van +"natuurvolk", waardoor ik versta de zeer min beschaafde stammen, +vaak ten onrechte niet-kultuurstammen geheeten, terwijl toch algeheel +gemis aan kultuur nooit en nergens wordt aangetroffen. Met hen is het, +dat de ethnologie zich in hoofdzaak bezig houdt. Maar het objekt der +volkskunde kunnen zij niet zijn, eenerzijds, omdat de individuëele +volksgeaardheid hier in geenerlei mate op den voorgrond treedt, en +anderzijds, omdat hier voor een tegenstelling tusschen de kultuur der +verschillende volkslagen geen ruimte is. Wèl bieden de zeden, gewoonten +en voorstellingen dezer natuurvolken hoogst merkwaardige punten ter +vergelijking. Want de volkskunde is een vergelijkende wetenschap, en +was dit van meet af aan. Niet tevreden, op beperkt terrein eene reeks +van min of meer samenhangende verschijnselen op een gegeven oogenblik +op het leven te betrappen of ook hooger opwaarts te vervolgen, zoekt +de volkskundige analoge sagen en gebruiken bij verwante stammen of +ook bij de natuurvolken op te sporen. Hij ontdoet het aldus verkregen +materiaal van alle heterogene bestanddeelen, vergelijkt en tracht +zoodoende tot de kern en oorspronkelijke beteekenis door te dringen. + +Toch is de volkskunde met de ethnologie of volkenkunde nauw verwant: +immers de ruwere kultuurlagen, die de ethnologie bij de natuurvolken +onderzoekt, doorvorscht zij bij die volkeren, waar de tegenstelling +tusschen hoogere en lagere kultuur te voorschijn treedt; en daar +bestudeert zij het volk in de volkskultuur. Zij houdt zich dus +niet bezig met wat men gewoon is in den strikten zin des woords +de kultuur van een bepaald volk te noemen, maar met datgene, wat +het bonte substraat daarvan vormt en wat alleen in staat is, iets +eigenaardigs, iets karakteristieks aan het volksleven te schenken; +niet met de hoogere kutuur, maar met de onderkultuur. + +Zoo komen wij dan tot de slotsom, waartoe ik reeds in het tijdschrift +"Volkskunde" XXIV (1913), bl. 4 vlg. geraakte, dat volkskunde is: +de systematische, rationeele navorsching van den ondergrond der +kultuur. Zij is de ethnologie der kultuurvolken. En wanneer de +ethnologie, volgens de moderne opvatting, niets anders kan beoogen, +dan te zijn een kultuurgeschiedenis der natuurvolken, dan dient men +ook de volkskunde als een onderdeel der algemeene kultuurgeschiedenis +te beschouwen. Zie F. Graebner, Methode der Ethnologie (Heidelberg +1911), bl. IX; W. Foy, Führer durch das Rautenstrauch-Joest-Museum +der Stadt Cöln (Cöln 1910), bl. 22 vlg. + +Wat wij doorgaans "kultuur" noemen, het resultaat van de werking +der verschillende sociaal-psychische faktoren, met wier onderzoek +de kultuurhistorie zich bezig houdt, wortelt voor een groot deel +in de moederaarde der volkskultuur, van die beschaving, zoo innig +met den volksaard verbonden. Het recht vertoont zich dáar in den +vorm van zede en gewoonte. De religie van het "volk" is vaak een +ruw, ongelouterd of niet te louteren, vaak ook onschadelijk-naïef, +ja in dichterlijken vorm gestoken bijgeloof, andermaal omvat zij +voorstellingen, die tot het kerkelijk geloof in nauwe betrekking +kunnen staan. Een helderen blik op deze formatie verleent ons de +volksheortologie of feestenleer. De wetenschap ligt nog in de windsels, +men denke b.v. aan de volksgeneeskunde, etymologie en plantlore. Streng +wetenschappelijk onderzoek, in de beteekenis van systematisch teruggaan +tot de oorzaak, is aan het volk in weerwil van zijn kausaliteitsdrang +ten eenenmale vreemd. Volkswetenschap is synoniem van volksbijgeloof, +volksverbeelding, volkspoëzie. De kunst mist konventioneele vormen, +maar ook overal maat en regel; hier ontmoeten wij volksliederen, +spreekwoorden, rijmpjes, raadsels, sprookjes, sagen en legenden; +en "ein Volk ohne solche Erzeugnisse seiner Phantasie und seines +Verstandes", zegt Karl Knortz, "ist bis jetzt noch nicht entdeckt +worden". Dat hier een strenge scheiding van het volksgeloof ondoenlijk +is, ligt voor de hand. Wat waar is voor de kunst, geldt ook voor de +taal, die den vorm vertoont van vulgaire omgangstaal en taaleigen +of dialekt. Wat de ekonomie betreft, deze raakt van zeer nabij het +privaatleven, en gaat geheel op in woningbouw en grondbeheer. + +In aansluiting met deze beschouwingen en uiteenzettingen volge nu +de verdeeling van dit boek. Op volledigheid wil en kan ik zelfs +bij benadering geen aanspraak maken. Wat ik bedoeld heb, is een +systematische omlijsting te geven, waarbinnen ieder zonder moeite +de hem bekende gegevens kan invoegen en rangschikken, en tevens den +sleutel ter verklaring der belangrijkste groepen van verschijnselen +aan de hand te doen. Bij het tweede deel wordt een ethno-geografische +kaart gevoegd, waarop het verbreidingsgebied van enkele folkloristische +kriteriën (dialekten, plaatsnamen, boerenwoningen enz.) door bepaalde +lijnen wordt aangeduid, om te zien, tot welke resultaten men hierdoor +voor de nadere kennis der stamverdeeling over den Nederlandschen +bodem geraken kan. Over deze methode zie b.v. Willi Pressler, +Ethno-geographische Wellen des Sachsentums, in het tijdschrift Wörter +und Sachen I, i, bl. 47 vlg.; en Richtlinien zu einem Volkstums-Atlas +von Niedersachsen (Hannover 1909). + +Maar vooraf nog een woord van dank aan al degenen, die mij bij +het schrijven van dit boek behulpzaam zijn geweest. Tot bijzondere +erkentelijkheid voel ik mij verplicht jegens mijn vriend Dr. H. van +der Velden, die mij bij het doorzien der drukproeven, maar ook +anderszins met oordeelkundig dienstbetoon steeds gaarne ter zijde +stond. Mijn dank ook aan de Heeren Onderwijzers van Limburg, +Noord-Brabant en Gelderland voor de waardevolle gegevens in de +volijverig ingevulde lijsten mij verstrekt; aan den Heer A. Brom, +amanuensis aan de Universiteitsbibliotheek te Utrecht, die mij den +moeizamen literatuurarbeid in niet geringe mate verlichtte, en aan +den Heer Jan Beudeker, litt. stud., die mij behulpzaam was bij het +samenstellen van het algemeen register. + +Aan U, hooggeachte De Cock, hulde en dank, maar ook een woord +van bemoediging in deze zware tijden. Rotsvast staat bij ons de +overtuiging: een volk, dat een volksaard bezit en zijn volkswaarde +beseft, als het Vlaamsche, kan niet te gronde gaan. + + + + + + +VERDEELING DER NEDERLANDSCHE VOLKSKUNDE. + + +Eerste Hoofdstuk. _Algemeene beginselen en maatschappelijke +instellingen_. + + I. Lagen en gebied onzer volkskultuur. + + II. Dorp en dorpsgebied. + + III. De boerenwoningen. + + IV. Volkstypen en kleederdrachten. + + +Tweede Hoofdstuk. _De Volksreligie_. + + I. Volksreligie en geestenwereld. + + II. De volksfeesten. + + +Derde Hoofdstuk. _Het Privaatleven_. + + I. Geboorte en kindsheid. + + II. Liefde en huwelijk. + + III. Het huiselijk verkeer. + + IV. Akkerbouw en veeteelt. + + V. Ziekte, dood en begrafenis. + + +Vierde Hoofdstuk. _De Volkstaal_. + + I. Het taaleigen. + + II. Onze plaatsnamen. + + +Vijfde Hoofdstuk. _De Volkskunst_. + + I. Raadsels en spreekwoorden. + + II. Sprookjes, sagen en legenden. + + III. Het volkslied. + + IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst. + + +Zesde Hoofdstuk. _De Volkswetenschap_. + + I. Volksetymologie. + + II. Volksgeneeskunde. + + III. Natuurverklaring en weêrkunde. + + IV. Plantlore. + + + + + + +INHOUD. + + +Ter Inleiding + + +Eerste Hoofdstuk. _Algemeene beginselen en maatschappelijke +instellingen_ + + + I. Lagen en gebied onzer volkskultuur + + Praehistorie. Kelten. Germanen. Romeinen. Christendom. + + + II. Dorp en dorpsgebied + + Allmende. Nederzettingen in + dorpen. Eschdorpen. Terpdorpen. Streekdorpen of + rijdorpen. Straatdorpen. Dijkdorpen. Duindorpen. + Groepdorpen. Afzonderlijke hoeven. Steden. + + + III. De boerenwoningen + + Het huis. Het Saksische type. Hooibergen. Het Friesche + type. Het Frankisch-Keltische of langgevel-type. Het + Frankisch-Romeinsche type. + + + IV. Volkstypen en kleederdrachten + + Het somatische volkstype. Het + psychische volkstype. Kleederdracht en + versierselen. Oorijzer. Naald. Zeeuwsche + knoop. Huifmuts. + + +Tweede Hoofdstuk. _De Volksreligie_ + + I. Volksreligie en geestenwereld + + Natuurlijke en historische laag. Animisme. Germaansche + Mythologie. Elfen. Witte Vrouwen. Dwergen of + aardmannetjes. Kaboutermannetjes. Meerminnen. + Boschnimfen. Wilde Jacht. Weerwolf. Mare. Heksen. + Hoefijzer. Zout. Dwaallicht. Vuurman. Spook en + spookdier. Reuzen. Romeinsche Mythologie. Keltische + Mythologie. Christendom. Kerstputten. Duivel. Klokken. + + II. De volksfeesten + + Joelfeest. Bevruchtingstijdperk. Sint + Maartensdag. Sint Maartensvuur. Noodvuur. Sint + Maartensliedjes. Varkensslachten. Sint + Maartensgans. Gaarde. Sint Katharina. Sint + Andries. Sint Elooi. Sint Barbara. Sint + Nikolaas. Schoenzet-liedjes. Sint + Lucia. Guldenmis. Sint Thomasdag. Kerstmis. Roos van + Jericho. Kerstblok. Kerstboom. Gebaksvormen. Sint + Stefanusdag. Sint Jan + Evangelist. Allerkinderen. Oudejaarsavond en + Nieuwjaarsdag. Nieuwjaarsliedjes. Driekoningendag. + Driekoningenliedjes. Kaarsjespringen. Boonenkoeken + koningsbrieven. Sint Pontianus- en Sint + Agnesdag. Vrouwkesavond. Koppermaandag. + Antonius-abt. Sint Sebastianus. Pauli + Bekeering. Maria Lichtmis. Klootschieten. Sint + Blasius. Vastenavond. Maskerade. + Vastenavondkoeken. Vastenavondliedjes. Haanslaan + en gansrijden. Vastenavondvuur. Strarijden. Asch + woensdag. Fakkelzondag. Kwenezondag. Laetare. Sint + Pieter-in-den-Winter. 1 Maart. Gregoriusdag. Sint + Geertrui. Lentefeest. Meiboom. Palmzondag. + Palmpaasch. Palmpaaschrijmpjes. Kalfdag. Witte + Donderdag. Goede Vrijdag. Goede + Zaterdag. Paaschdag. Paaschei. Paaschvuur. Paaschbrood. + Vlöggelen. Paaschmaandag. Beloken Paschen. Natte + Paschen. 1 April. Meidag. Meitaksteken. Meiliedjes. + Meifluitjes. Meigilden. Meileeste. Hemelvaartsdag. + Luilak. Pinksteren. Pinksterbloem. Nustekook. + Pinksterkroon. Tweede Pinksterdag. Pinkstergilden. Sint + Jan de Dooper. Sint Janstak. Sint Jansvuur. Petrus- + en Paulusdag. Rozenhoed. Sint Marten-in-den-Zomer. + Maria-Hemelvaart. Bedevaarten. Maria-Geboorte. + Michielsdag. Allerheiligen. Allerzielen. Sint + Hubertusdag. + + +Derde Hoofdstuk. _Het Privaatleven_ + + I. Geboorte, doop, kindsheid + + De geboorte. Ooievaar. Bronnen en + boomen. Zwangerschap. Levensboom. Scheidings- en + opnamegebruiken. Doopsel. Kerkgang. Kinderziekten. + Wiegeliedjes. Loopen en spreken. Schootliedjes. + Knieliedjes. Kinderspel. Hoorspel, gezichtspel, + gevoelspel. Speeldrift. Loopspelen. Springspelen. + Dansspelen. Werpspelen. Balspelen. Bolspelen. + Ambachtspelen. Schommelspelen. Knikkerspelen. + Tolspelen. Hoepel- en vliegerspelen. Sneeuw- + en ijsspelen. Lutje leeft nog. Vindings- en + schenkingsrecht. Eerste schooldag. Eerste Kommuniedag. + + II. Liefde en huwelijk + + Minnen en + werven. Liefde-orakels. Vrijstemarkten. Kweesten + en strunen. Dorhoed. Ketelmuziek. Volksrechtspraak. + Verloving. Huwelijksdag. Ontwikkelingsgeschiedenis + van het huwelijk. Noodigen ter + bruiloft. Huwelijksmei. Heemgeleide. Het opeischen + en schutten der bruid. Haalleiden. Het zich verbergen + der bruid. Bruiloftsmaal. Huilbier. + + III. Het huiselijk verkeer + + Introuwen. Gebed. Voedsel. Het familiefeest. Kermis. + Schuttersgilden. Vogelschieten. Draaksteken. Spinning. + + IV. Landbouw en veeteelt + + De buurtschap. Verhuizen. Vuurbeuten. Schildverteren. + Bier(maal). Zaaien. Koorndaemon. Graanoogst. + Oogstlied. Laatste schoof. Oogstkrans. Hanenslaan. + Martelgans. Arenlezen. Dorschen. Dorschlied. Laatste + slag. Hooi-oogst. Zwaluwliedjes. Vlasoogst, hopoogst, + zaadoogst. De fooi. Veeteelt. + + V. Ziekte, dood, begrafenis + + Ziekte. Dood. Scheidingsgebruiken. Uitlichten. Laatste + snik. Lijkstroo. Lijkplank. Doodskleed. Openen + en luiken der + vensters. Stroowisschen. Doodenwake. Overluiden. Het + kisten. Lijkdeur. Begrafenis. Lijkstoet. Lijkweg. + Doodenmei. Op het kerkhof. Lijkmaal. Uitvaartbrood. + Levenslicht. Rouwtijd. Graftooi. + + +Vierde Hoofdstuk. _De Volkstaal_ + + Inleiding + + I. Het taaleigen + + Het Friesche taaleigen. Het + Saksische taaleigen. Het Frankische + taaleigen. Woordenschat en syntaxis. Analytische + richting. Woordvorming. Woordvoorraad en + semantiek. Zinsbouw. Emphatisch karakter. + + II. Onze plaatsnamen + + Inleidend overzicht over persoons- + en geslachtsnamen. Keltische + plaatsnamen. Romeinsche plaatsnamen. Germaansche + plaatsnamen. Huisnamen. Landerijen. Dorpen + en steden. Stambepalende waarde der + plaatsnamen. Straatnamen. Klemtoon. Spotnamen van + steden en dorpen. + + +Vijfde Hoofdstuk. _De Volkskunst_ + + Inleiding + + I. Raadsels en spreekwoorden + + Raadsels. Beschrijvende raadsels. Verhalende raadsels. + Kwelraadsels. Letterraadsels. Raadselsprookjes. + Spreekwoorden. Stafrijmen. Eindrijmen. Halve + rijmen. Rijmlooze wederwoorden. Saksische + spreekwoorden. Friesche spreekwoorden. Frankische + spreekwoorden. Christelijke spreekwijzen. Apologische + spreuk. Apologisch dierenspreekwoord. Psychologie der + spreekwoorden. Volksluim. Volksluim bij plaatsnamen + miet of zonder woordspeling. Spotrijmpjes op + steden en dorpen. Spotrijmpjes op voornamen + en familienamen. Spotrijmpjes op standen + en ambachten. Spotrijmpjes op gebreken en + mismaaktheden. Wat de klokken vertellen. Uien. + + II. Sprookjes, sagen en legenden + + Sprookje, sage, legende. Het sprookje. De bakermat + der sprookjes. Grimm, Benfey, Cosquin, Bédier, + Bastian, Aarne. Sprookjesmotieven. De dierenwereld + in het sprookje. Het draakmotief. De dankbare + visch. De drie wenschen. Het dierensprookje. Het + verzamelmotief. Ethnologische motieven. Het + Polyfemusmotief. Het Klein-Duimpjesmotief. Het + verhaal van de Twee Broeders. Mythische motieven. + Verlossingsmotief. Vormveranderingen. Tooverij + en onwondbaarheid. Droommotieven. Wensch-, + vergeet- en raadselmotief. Karaktermotieven. + Asschepoester. Karakteristiek van het Nederlandsche + sprookje. Kwelsprookjes. De sage. Mythische + sagen. Spook- en tooversagen. Vogeltjes-, + tekst- en Matthusalemmotief. Volkssage en + kultuursage. Maresagen. Heksensagen. Natuursagen. + Christelijke sagen. Duivelssagen. Historische sagen + Heldensagen. Abasverus. Gewestelijke sagen. De + legenden. Marialegenden. Andere heiligenlegenden. + + III. Het Volkslied + + Psychologie van het volkslied. Volkslied en + rythme. Liederenmotieven. Volkslied en kultuurlied. + Muziek. Arbeidslied. Oogstlied. Dorschlied. Andere + arbeidsliederen. Bruiloftslied. Danslied. Kinderlied. + Bij het touwtjespringen. Rondedansen. Reuzenlied. Klein + Anna. Reidansen. Andere speelliedjes. Loopspelliedjes. + Aftelliedjes. Balspelliedjes. Schommelliedjes. + Wiegeliedjes. Minnelied. Cecilialied. + Afscheidsliederen. Wachterliederen. Spotlied + en gezelschapslied. Verhalend lied. De + Twee Koningskinderen. Sprookjeslied. Het + dierensprookje. Historisch lied. Feestlied. Geestelijk + lied. Bedevaartliedjes. Het lied van den Boom. Het + lot van het volkslied. + + IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst + + De volksbouwkunst. Stad en stadswoning. De + privaatwoning. Het moderne stadsbeeld. De landelijke + woning. De dekoratieve volkskunst. Vloer en + haard. Spinnewiel en bedsteden. Verdere meubileering. + Spreuken. Gevelspreuken. Uithangborden. Bidprentjes. + Huiszegen. Processievaantjes. Volksprenten. Jan + de Wasscher. Klein Duimpje. De volksprenten en het + feestelijke jaar. Het volkstooneel. Het poppenspel. + + +Zesde Hoofdstuk. _De Volkswetenschap_ + + Inleiding + + I. Volksetymologie + + De term volksetymologie. Klank- en + begripsassociaties. Etymologische + natuurverklaring. Volksetymologie in plaatsnamen. + + II. Volksgeneeskunde + + Volksgeneeskunde en kultuurgeneeskunde. Het + beginsel der sympathie. Bezwering. Bannen + en overdragen. Sympathetische + geneesmiddelen. Offersurrival? Geneeskrachtige kruiden. + + III. Natuurverklaring en weerkunde + + Natuurverklaring. Natuurverklarende sprookjes. In + de dierenwereld. In de plantenwereld. De + volksweerkunde. Dichterlijke uitdrukking. Faktor der + sympathie. Planten en dieren in de volksweerkunde. Het + beginsel der periodiciteit. Kritische dagen. De + volksweerkalender. + + IV. Plantlore + + De bloem als zinnebeeld. Volksbenamingen + der planten. Tooverkracht. Invloed van het + Christendom. Volksheiligen in de plantlore. Onze + flora het beeld van den Nederlandschen volksaard. Het + volkswezen van Groot-Nederland. De volkskultuur de + ziel der natie. + + +Bij de isethnen-kaart + + + + + +ALGEMEENE BEGINSELEN EN MAATSCHAPPELIJKE INSTELLINGEN. + + + +I. Lagen en gebied onzer volkskultuur. + + +Hoe geheel ons land in den diluvialen tijd door ijs en water was +overdekt; hoe het opdook uit de golven in het alluviale tijdperk, +door steeds zwakker-stroomende rivieren doorploegd; hoe de bodem zich +allengs vormde uit kompakte zand- en leemmassa's en meer regelmatige +steen- en klei- en zandlagen,--dit alles is zonder twijfel van belang +voor de verklaring van bewoonbaarheid, uitoefening van bedrijven, +bronnen van bestaan, plaatselijke verordeningen en gebruiken enz., +maar ligt toch te ver van ons onderwerp. Meer van belang zijn de +verschillende kultuurlagen, die zich ten gevolge der stroomingen +van volkeren en rassen en ideeën hebben afgezet en waarneembaar zijn +ook in den ondergrond der hedendaagsche kuituur: het zijn de lagen +onzer volkskultuur. + +1. _Praehistorie_. Aangaande de oudste bewoners van ons land, +de volksstammen, die in praehistorische tijden of ook in den +schemerschijn der geschiedenis huisden op Nederlandschen bodem, moeten +wij ons grootendeels tot gissingen bepalen. Waarschijnlijk dan woonde +eertijds in Noord- en Zuid-Nederland, met name op de boorden van Maas +en Lesse, een kortschedelig ras, dat Europa bevolkte vóor de komst, +althans vóor de definitieve uitbreiding der Indogermanen. "Wanneer de +verschijnselen in Zuid-Limburg niet bedriegelijk blijken", schrijft +Dr. J. H. Holwerda Jr., in Nederland's vroegste Beschaving (Leiden +1907), "moet daar al zeer vroeg, mogelijk reeds 3000 voor Chr., een +onbeschaafde stam hebben gewoond, maar zeker zien we in den maker van +het hunnebedvaatwerk, den bouwer dier grafmonumenten, een verwante +van dien voorhistorischen stam, die eenmaal een groot deel van Europa, +ook van de klassieke wereld, bewoonde" (bl. 49). + +Naar men weet, verstaat men door hunnebedden (of hunebedden) steenen +grafkamers van verschillende afmetingen, gevormd door een kring van +erratische gesteenten, die in het diluviale tijdperk rechtstreeks +door landijs waren aangebracht. Enkele dier zwerfsteenen dienden +als dekking dezer sober-majestueuze grafsteden--wij noemen de minder +ingewikkelde vormen ook wel "grafkelders"--waarin de oerbewoners van +ons land hunne lijken neerlegden; de urnen dagteekenen uit lateren +tijd, want in Nederland evenals elders is de lijkverbranding jonger dan +het begraven. Naast de lijken legde men wapenen of andere voorwerpen, +welke den doode dierbaar geweest waren, of die hij, naar men meende, +noodig kon hebben in zijn laatste woonstede. Op dit geloof aan het +voortbestaan der ziel na den dood in zijn menigvuldige vormen en +uitingen zullen wij nog verder in de gelegenheid zijn de aandacht +der lezers te vestigen. Ook op de hunnebedden komen wij naderhand +terug. Hier zij slechts opgemerkt, dat het voorkomen van brandurnen +in hunnebedden niet pleit tegen de stelling der prioriteit van het +begraven. Want vooreerst is het waarschijnlijk, dat ook de Kelten en +Germanen, zij het dan ook in navolging hunner voorgangers, die zich +met hen--vooral met de Kelten--vermengd en wier kultuur zij ten deele +hebben overgenomen, dergelijke grafkamers hebben gemaakt. Verder kan +men gereedelijk aannemen, dat wederom door later-levende menschen +brandurnen in de ommanteling van reeds bestaande hunnebedden zijn +neergezet, zoodat het daarin gevondene: steenen, bronzen, zelfs +ijzeren voorwerpen, uit verschillende tijden en van verschillende +volksstammen afkomstig kan wezen. + +Tuschen 1500 en 1000 vinden wij deze kultuur in Drente, zuidelijk +Friesland, Overijssel en het Gooi. De beschaving is een zuivere +steenkultuur. Het bruinachtig vaatwerk, zonder draaischijf gevormd, +vertoont typische gedaanten en versieringen. Wat de geestelijke +kultuur betreft met betrekking tot het hedendaagsche folklore, +hieromtrent is weinig met voldoende zekerheid vast te stellen. Menig +Nederlandsch begrafenisgebruik stoelt zeer zeker op animistischen +grondslag, maar ook het volksgeloof onzer Germaansche voorvaderen +vertoont sterk-animistische trekken. Insgelijks is de matriarchale +familie-inrichting--waarbij de vrouw alleszins de meerdere is, +de afstammingslijn aangeeft, den naam verleent en het erfrecht +bepaalt--, die bij de oorbewoners van ons land de heerschende zou +geweest zijn, bij de oude Germanen in een zeer vroege periode bekend +geweest: zie hierover mijne Essays en Studiën in vergelijkende +godsdienstgeschiedenis, mythologie en folklore (Venloo, 1910), +bl. 176 vlg. Trouwens hier behoeft niet alleen sprake te zijn van +"overleefsels" of "bezinksel", zooals wij te gelegener plaatse zullen +aantoonen. + +2. Over begrip en omvang van den term _"Kelten"_ verkeert men in +het onzekere. Zeker is aan sommige stammen ten onrechte die naam +geschonken. Of wij met name den volksstam, die kort na 1000 v. Chr. van +uit het zuiden ons land binnendrong, tot de Kelten kunnen rekenen, +is hoogst onzeker. In alle geval behoort hij tot het Alpine ras. Hij +vertegenwoordigt de zoogen. "Klokkebeker-kultuur", die over een groot +deel van Europa is verspreid geweest: men ontmoet deze Alpinen in +een gedeelte van de provincie Utrecht, in Drente, Twente en op de +Veluwe. Den naam ontleent deze kultuur aan een eigenaardig vaatwerk, +geelbruin van tint en uit de hand gevormd, terwijl het vaasprofiel +klokkevormig gebogen en eigenaardig versierd is. Naast steenen vindt +men ook bronzen werktuigen en voorwerpen ter versiering, b.v. bronzen +ringen. + +Deze urnen zijn slechts ten deele brandurnen. Want de dragers der +klokkebekerkultuur hebben ook hun dooden begraven en wel onder vrij +hooge opgeworpen heuvels. Bij het onderzoeken van zulke grafheuvels +op de Veluwe bleek het, dat wat een aardheuvel leek, niets anders +was dan een ineengestorte massa vergaan hout en zand, afkomstig van +een koepelvormigen bouw uit houten balken, met zand of heideplaggen +overdekt. Nu is het de verdienste van Dr. Holwerda, gewezen te hebben +op de analogie van deze grafheuvels met de prachtige koepelgraven +van Mykene; hiervoor verwijzen wij naar een Gids-artikel van zijn +hand (1912 Jan.), waar hij o.m. deze overeenkomst op populaire en +overzichtelijke wijze behandelt. + +Een ander volk, ook behoorende tot het rondhoofdige Alpine ras, +waren de Galliërs, die omstreeks 300 v. Chr. in onze zuidelijke +provinciën de zoogen. "Hallstatt-kultuur" brachten. Op hen is de +naam "Kelten" zeker meer toepasselijk. De eigenaardige urn dezer +beschavingsperiode vertoont een min of meer bollen buik, terwijl +de rand daarin zeer geleidelijk overgaat òf er scherp op staat en +uitbuigt. De ornamentlijnen zijn meestal zigzagvormig. Zulke urnen +vond men in Noord-België, in het zuiden van Brabant en in Noord-Limburg +(b.v. te Wellerlooi, Oyen en Afferden). Enkele exemplaren vond men ook +op de Veluwe. Zoo vormt dan b.v. Hoog Soeren de noordelijkste schakel +van een keten, die wij door Nederland, België, Duitschland (Rijnland +en Würtemberg) tot in Italië kunnen volgen. Naar men aanneemt heeft +de vroeg-Italische bevolking omstreeks de VIIIe eeuw v. Chr. deze +beschaving geformeerd; de vormen der Hallstatt-urn in gebakken aarde, +zoo sterk herinnerend aan de metaaltechniek, hebben zij inderdaad +van een metalen urnvorm afgeleid. + +Nu blijkt echter uit de opgravingen, dat deze beschaving in ons +land eerst in de laatste eeuwen vóór en in de eerste eeuwen na +Christus valt te dateeren. Hieruit mag men het besluit trekken, dat de +Hallstatt-kultuur, die in het Zuiden van Midden-Europa en in Frankrijk +betrekkelijk spoedig door de zoogen. "La Tène-kultuur" is vervangen, in +onze streken, hoewel in armelijker vorm, is blijven voortbestaan. Wij +hebben hier te doen met late afstammelingen van het Alpine ras. + +De vindplaatsen der urnen stemmen overeen met de geschiedkundige +gegevens. De Grieksche geschiedschrijver Dio Cassius, die Rome's +historie heeft te boek gesteld, verhaalt, dat de Kelten oudtijds de +beide oevers van den Rijn bewoond hebben en zelfs ook daar gevestigd +waren, waar de stroom, Gallië ter linker zijde latend, in den Oceaan +valt; terwijl Julius Caesar meedeelt, dat de Keltische Menapiërs kort +vóór zijn komst in deze streken den rechter Rijnoever bewoonden. + +Ook de plaatsnamen kunnen ons eenigermate van dienst zijn, om het +verbreidingsgebied der Kelten in ons land te bepalen. Te geschikter +plaatse zal ik de Nederlandsche plaatsnamen uitvoeriger bespreken; +hier volgen dus slechts enkele namen als criteria. + +Evenals de Duitsche plaatsjes Remagen, Dormagen e.a. verraadt +_Noviomagus_ zijn Keltische herkomst. Misschien is deze plaats +identiek met _Batavodurion:_ "fort der Bataven", terwijl anderen +deze plaats voor Wijk-bij-Duurstede, weer anderen voor Batenburg +houden. _Arenacum_ is vermoedelijk Arnhem. De Bataafsche burcht van +den Keltischen handelsgod Lug, n.l. _Lugdunum Batavorum_, draagt een +Keltischen naam, die misschien nog in Loosduinen voortleeft. Zuidelijk +hebben wij verder _Coriovallum_, op de heirbaan van Maastricht naar +Keulen, thans de stad Heerlen; en wat veel zegt, de namen onzer drie +groote rivieren: Rijn, Maas en Schelde zijn beslist Keltisch. Ten +onrechte heeft men ook de Waal voor Keltisch willen verslijten; +deze benaming vertoont Germaansch karakter, verwant als zij is met +het Angelsaksische _wôh_ "krom" en het Gotische _wâhs_ in _unwâhs_ +"onberispelijk". Zie de verhandeling van Prof. H. Kern in het +Tijdschrift van het Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap, 2de +serie XXI, bl. 773 vlg. + +Verder heeft onze taal, of liever het Germaansch, een niet +onbelangrijke hoeveelheid taalgoed van de Kelten overgenomen, die +ik in het Vierde Hoofdstuk bij de behandeling van het taaleigen zal +bespreken. Laat ik hier slechts wijzen op zeer gebruikelijke woorden +als _volk, duin, rijk, ambacht_, misschien _havik_. Deze leenwoorden +zijn daarom zoo van belang, dewijl zij min of meer als maatstaf +kunnen gelden voor het overnemen van algemeene kultuur. Wij mogen +dus besluiten, dat ook heel wat kultuurgoed of althans elementaire +beschavingsbestanddeelen zijn overgenomen en uitgewisseld, waarvan de +bouwtrant der boerenwoningen in bepaalde streken o.m. getuigt. Maar +verder blijkt hieruit, dat de Keltische beschaving niet minderwaardig +was vergeleken bij de Germaansche; integendeel! Waar een groote +kultuurkloof gaapte, zijn de verhoudingen anders geweest. Zoo is het +een feit, dat het Keltisch op Keltischen bodem door het Vulgairlatijn +als het ware is opgezogen, en dat het slechts een niet noemenswaardig +aantal woorden in het Fransch heeft achtergelaten. Teekenend is het +ook, dat de Slaven, die in den loop der eeuwen in zoo grooten getale +zich in Griekenland gevestigd, en vooral in den Peloponnesus zich +zoo sterk met de Grieken vermengd hebben, wèl een grooten somatischen +invloed op de Grieksche natie vermochten uit te oefenen, maar in het +Nieuw-Grieksch nauwelijks enkele sporen van hun aanwezigheid konden +achterlaten. + +3. De volkeren, die opdrongen uit het Noorden en Oosten, steeds +door weer andere stamgenooten gevolgd, waren de _Germanen_, +vertegenwoordigers van het Teutonische ras. Wij kunnen hun sporen +volgen links van den Rijn in de zuidelijke gewesten, en verder in +Gelderland, Overijssel, Drente, het Gooi, wanneer wij letten op de +grove Germaansche cylinderurnen, die onder Romeinschen invloed steeds +meer verwantschap beginnen te vertoonen met de La Tène-kultuur. + +Wij kunnen hier drie stammen onderscheiden: de Friezen, Saksers +(of Sassen) en Franken. + +De Friezen wonen thans vrij onvermengd hoofdzakelijk nog slechts +in Friesland met uitzondering van het Bilt, een bedijking in den +mond der vroegere Middelzee, door Hollandsche kolonisten bevolkt, en +verder van Ooststellingwerf en Weststellingwerf. Ook Schiermonnikoog +en Terschelling wordt nog door Friezen bewoond. Maar eertijds reikte +hun gebied van de Dollard tot het Zwin, een voormaligen zeeboezem +in Zeeuwsch-Vlaanderen. Hun gebied vormde een lang uitgerekte, +smalle kleistreek, een kustzoom, zonder geografisch middelpunt: +en zoo verklaart men hunne spoedige vermenging en staatkundige +versnippering. Friesch leven en Friesche volksaard heerschte dus in de +provincies Groningen en Friesland, in het Westen van Drente, Overijssel +en Utrecht, in Holland met uitzondering van Kennemerland, waar de +Kannenefaten woonden, in Zeeland en het Vrije van Brugge. Sporen +van Friesche zeden en taal vindt men nog in ruime mate in Holland, +met name bij de landbouwers op de geestgronden. Vgl. Dr. H. Blink, +Nederland en zijn bewoners (Amsterdam 1892) III, bl. 143 vlg. + +Het begin van den inval der Saksers in ons land kan op grond van +archaeologische gegevens gesteld worden op korten tijd na het begin +onzer jaartelling: tal van resten van vaatwerk, die een Saksisch +karakter vertoonen, zijn gevonden in Twente en Drente, en ook +sporadisch verder westwaarts. Deze stammen nu, die na Caesar's +tijd ons land van uit het Oosten zijn binnengedrongen, blond en +kortschedelig, mogen wellicht niet als zuivere Teutonen (Germanen) +worden beschouwd; maar door de Romeinen werden zij steeds bij de +Germanen gerekend. Aan hun verwantschap met den beslist-Saksischen +stam, die omstreeks de IVe of Ve eeuw binnendrong, is wel niet te +twijfelen. Maar Dr. Holwerda noemt ze terecht "proto-Saksers". Zij +vestigden zich in de oostelijke streken van Nederland, begrensd door +den IJssel, doch drongen verder op. + +Hoe sterk de Saksers--in hun geheel genomen--zich over Nederland +verspreid hebben, toont o.a. het Saksische vaatwerk, dat men in Drente, +Friesland, Overijssel, Gelderland en Limburg vindt. Het zuiverst wordt +wel het Saksisch gesproken in de Graafschap, in Salland en Twente. In +Twente vindt men ook het sterkst-uitgesproken Saksische karaktertype; +en ook daar juist heeft de weefkunst, een Saksische huisindustrie, zich +tot grootindustrie ontwikkeld. Saksische mengbevolking, mengkultuur +en mengdialekten vindt men in Limburg, Gelderland, Holland, Overijssel +en elders. + +Overheerschte aan den IJssel het Saksische element, aan den Rijn had +het Frankische de bovenhand. Raadselachtig is deze stam, in zoover +wèl het bestaan van een Frankisch volk vaststaat, dat zich over een +groot deel van West-Europa heeft uitgebreid; maar zijn herkomst ligt +in het duister. Omstreeks 300 na Christus vielen zij in het land der +Batavers, het eiland tusschen Maas en Rijn. Deze, de vertegenwoordigers +van een ouderen Frankischen stam, immers volgens Tacitus verwant met +de Chatten, waren het eerst met de Romeinen in aanraking gekomen: +reden, waarom zij, hoezeer ook ten onrechte, als de oorspronkelijke +bewoners van Nederland werden beschouwd. + +De Franken woonden in het begin hoofdzakelijk in Salland. In de IVe +eeuw nestelden zij zich in Toxandrië om naderhand verder door te +dringen naar het zuiden. De Frankische grens in België vormt ook de +zuidelijke grens van het Nederlandsche taalgebied. Zij is nauwkeurig +vastgesteld door Prof. G. Kurth, La frontière linguistique en Belgique +et dans le Nord de la France (Bruxelles 1898). Ongeveer volgt zij de +groote Romeinsche heirbaan van Boulogne over _Castellum Menapiorum_ +(Cassel, in Fransch-Vlaanderen), _Tornacum_ (Doornik) en _Aduatica +Tungrorum_ (Tongeren) naar Keulen. + +Nakomelingen van den Frankischen stam vindt men heden ten dage +hoofdzakelijk in Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Zuid- en Noord- Brabant, +Belgisch en Nederlandsch Limburg, in het zuidelijk gedeelte van +Gelderland, Lijmers, Betuwe, Land van Maas en Waal, Tielerwaard, +Bommelerwaard en het Rijk van Nijmegen, in de Alblasserwaard en de +Vijf Heerenlanden (prov. Zuid-Holland) en in het grootste gedeelte +van Utrecht. In Zuid-Limburg wonen de afstammelingen der Ripuarische +Franken: de Usipeten, Tenkteren, Brukteren, Sunucers en Eburonen, +die vanaf de IVe eeuw hun woonplaatsen aan de boorden van den Rijn +(van waar hun naam) verlaten hadden, om zich op beide Maasoevers +te vestigen. + +Van de Noord-Nederlandsche steden zijn volgens Blink Deventer en +Zutfen wel de meest Saksische, 's-Hertogenbosch de meest Frankische, +Leeuwarden de meest Friesche. + +Op de Veluwe stooten de drie stammen: Friezen, Saksers en Franken +aan elkaar. In het Westen van het land heeft meestal vermenging van +het Friesch met het Frankisch, in het Oosten van het Friesch met het +Saksisch, en van het Saksisch met het Frankisch plaats gehad. + +4. Machtige invloed op volkswezen en volkskultuur is uitgeoefend +door de _Romeinen_. Toen deze veroverend ons land binnenrukten, +vonden zij daar Germaansche, Kelto-Germaansche en Keltische +volksgroepen. Ten noorden van den Rijn en op de eilanden aan de +monding woonden de Bataven en Kannenefaten, noordelijker de Friezen, +aan den Beneden-Rijn de Kelto-Germanen en Kelten. De groote stam der +Menapiërs in Noord-Brabant en een gedeelte van Limburg, Antwerpen en +Oost-Vlaanderen was wel overwegend Keltisch, maar toch met Germaansch +bloed en Germaansche kultuur vermengd. Hetzelfde geldt voor de +Toxandriërs in Noord-Brabant, de Moriners in West-Vlaanderen, de +Nerviërs in Zuid-Brabant, Henegouwen en Vlaanderen, de Atrebaten om +Atrecht, de Aduatikers in Luik en Belgisch Limburg. Daarentegen mag +men de Eburonen bij het latere Maastricht als vrij zuiver Germaansch +beschouwen. Zie hierover P. J. Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche +Volk (Leiden 1912) I, bl. 14 vlg. + +Nog dient te worden opgemerkt, dat ten gevolge van den inval der +Romeinen het nationale gevoel meer werd opgewekt, zoodat in de IIe +en IIIe eeuw na Chr. de kleinere stammen zich tot groote volksgroepen +aaneensloten. + +De Romeinsche overheersching heeft tallooze offers gevergd en harden +strijd. Vooral in het tegenwoordige België werden geheele stammen +uitgemoord en de bodem gedrenkt met stroomen bloeds. Tevergeefs poogden +ook de Friezen en Bataven het Romeinsche juk af te werpen. Maar toch +moet men erkennen, dat in vele opzichten Rome's heerschappij onze +landen ten zegen gestrekt heeft. Bij de komst der Romeinen waren onze +voorvaderen nog zoo goed als natuurvolken, in schamele kleeding van +ruw-bewerkte dierenhuiden gehuld. Spoedig zou dit anders worden. Overal +vertoont de bodem, bij opgravingen, sporen van Romeinsche beschaving, +al bepalen zich de kultuurvoorwerpen tot import: schalen, borden, +kommetjes, potjes, urnen, flesschen enz. Het meest vermaard is wel +de zoogen, _terra sigillata_, rood, met het fabrieksmerk gestempeld +vaatwerk. Hiernaast wapenen, munten enz. Vooral de linker Rijnoever +werd geromaniseerd. Weldra doorsneden tallooze grachten den bodem; +dijken werden opgeworpen en bruggen geslagen, vaste kasteelen verrezen, +heirbanen werden aangelegd. Dit waren hoofdzakelijk de volgende: + +1. Van _Lugdunum Batavorum_ over _Traiectum_ en _Fectio_ (Vechten) +naar _Noviomagus_. Uit dit _Traiectum_ met het voorzetsel _ût_ +(uit) ontstond _Utrecht_. J. W. Muller vergelijkt _Ut-bremen_ en het +Westvlaamsche _Uutkerke_. De naam _Ultraiectum_ voor _Ultratraiectum_ +is een verlatijnsching, eerst na de renaissance opgekomen. + +2. Van _Lugdunum Batavorum_ over _Forum Hadriani_ langs den linker +Waaloever naar _Noviomagus_. Dit _Forum Hadriani_, het tegenwoordige +Voorburg, werd door keizer Hadrianus gesticht niet ver van den +Rijnmond. _Voor_- heeft hier dus met onze partikel _voor_ niets te +maken en kan slechts volksetymologisch er mee verbonden worden. + +3. Van _Noviomagus_ over _Cevelum_ (Kuik?) en _Blaricum_ (Blerik) +naar _Pons Mosae_ (Maastricht), ook wel _Traiectum (Mosae_ of _ad +Mosam_) geheeten. + +4. Van _Noviomagus_ over _Castra Vetera_ (Fürstenberg, bij Xanten) +naar _Colonia Agrippina_ (Keulen). + +5. De reeds genoemde weg van Boulogne naar Keulen. + +Uit de vaste kasteelen aan deze heirbanen, van zoo reusachtige +beteekenis voor het handelsverkeer, ontwikkelden zich belangrijke +plaatsen. Onnoodig te zeggen, in welke mate ook de ontwikkeling van +landbouw, veeteelt en nijverheid hiermee gebaat was, men denke slechts +aan de tegelbakkerij. Ook de zeevaart bleef niet achter. Aken en Spa +waren bekende badplaatsen. Overblijfselen van Romeinsche _villa's_ +worden telkens weer opgedolven; en een merkwaardige getuige van den +invloed der Romeinsche kultuur is wellicht de nader te bespreken +villabouw der boerenwoningen. + +Sterker dan eenige andere taal heeft het Latijn op onze taal ingewerkt, +ik noem slechts de leenwoorden: _keizer, kerker, wijn, pauw, venster, +zegel, poort, tegel, kelk, brief_ enz. + +Na enkele eeuwen ging de Romeinsche beschaving hier te niet. Maar van +blijvenden aard zou wezen het door Rome's invloed hier verspreide en +gevestigde Christendom. + +6. Het _Christendom_ bracht inwendige beschaving en vernieuwing, +en het heeft den drang der tijden doorstaan. Wellicht dagteekent het +Christendom in onze landen sporadisch reeds van vóor het jaar 400: +Christelijke oudheden te Nijmegen, Wijk bij Duurstede en elders +gevonden wettigen eenigermate dit vermoeden. Maar in de Ve eeuw +deed het in alle geval voor goed zijn intrede in deze gewesten. Het +vestigde zich eerst in het Zuiden en heeft zich dan snel noordwaarts +uitgebreid. Te Tongeren werd het Evangelie gepredikt door den heiligen +Servatius, die zijn bisschopszetel verplaatste naar Maastricht. Daar +zetelde in de VIe eeuw de h. bisschop Monulfus, in de VIIe eeuw +Amandus, die het geloof predikte aan de Friezen. Terzelfder tijd +predikten Eligius en Weranfridus onder de Franken en Friezen. Maar +ook Vlaanderen werd door den h. Eligius bezocht, waar reeds door +Victricius van Rouaan met vrucht aan de kerstening der bevolking +was gearbeid. De hh. Lambertus en Hubertus waren de apostelen van +Taxandrië en van de Ardennen. + +Een kenmerkend feit voor de kerstening van Nederland is de stichting +van het bisdom Utrecht door den h. Willebrordus in de VIIIe eeuw; onder +hem was werkzaam de h. Bonifacius, aartsbisschop der Friezen. Blijvend +vestigde zich het Christendom in deze streken onder de Karolingers. + + + +II. Dorp en dorpsgebied. + + +De nederzettingen der bevolking van Nederland in dorpen (gehuchten, +vlekken) en steden moeten in verband met de natuurlijke gesteldheid +van den bodem en het karakter van den stam der nederzetting, zooveel +mogelijk aan de hand der geschiedenis, worden verklaard. Deze +verklaring is onontbeerlijk voor het goed begrip van vele +folkloristische verschijnselen. + +Ten tijde van Caesar leefden de Germanen nog grootendeels van +jacht en visscherij; ook met de veeteelt waren zij eenigermate +vertrouwd. Zij vormden nog een echt nomadenvolk, dat in groepen +van een zeker aantal families of geslachten rondzwierf van de eene +plaats naar de andere. Met privaatbezit waren zij ten eenenmale +onbekend. Gemeenschappelijk werd een ongedeeld stuk grond in +bezit genomen, een _marke_, d.i. grensland, een binnen bepaalde +grenzen omsloten gebied, dat in Saksische streken nog voortleeft als +"onverdeelde gronden, aan een markgenootschap behoorende" en verwant +is met het Oudsaksische _marka_, het Oudhoogduitsche _marcha_ en het +Latijnsche _margo_ "rand". Het verouderde Nederlandsche _mark, marke_ +leeft voort in _markgraaf_ en _markies_. Zoodra dit stuk grond was +uitgeput, werd het met een ander verwisseld. + +Tacitus kent echter ook zulke nederzettingen, waarbij elk familiehoofd +een bepaalde hoeveelheid land ter ontginning en bebouwing kreeg. Wij +vinden hier een overgangsvorm tot het privaatbezit, waarop wij nader +zullen terugkomen. + +Toen eindelijk het akkerland in privaatbezit was overgegaan, bleef +toch weideland, heide, veen en bosschen in het bezit der gemeenschap: +_de allmende_. Ten slotte werd het recht hierop georganiseerd +en alleen toegewezen aan de nakomelingen der oude bewoners, +die daarop recht bezaten. Zoo ontstonden de markvereenigingen +of markgenootschappen, die meestal in de oorspronkelijk Saksische +gedeelten van ons land: Drente, Overijssel en Gelderland voorkwamen en +eerst door de wet van 10 Mei 1886 grootendeels zijn verdwenen. Deze +wet toch machtigde ieder markgenoot de verdeeling der onverdeelde +eigendommen te vorderen. In 1886 bestonden in Noord-Nederland nog ± +36000 H.A. onverdeelde markegronden. Zie hierover en tevens voor de +verdere behandeling van dit onderwerp Dr. H. Blink, Nederland en zijne +bewoners (Amsterdam 1889-1892) III, blz. 248; Ontwikkeling van den +grondeigendom in Nederland, in Vragen van den Dag IV, bl. 98 vlg.; +Studiën over nederzettingen in Nederland, in het Tijdschrift van het +Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap 1902, XVIII, bl. 754 vlg. + +Natuurlijk bleven de marken op de schrale gronden van het zand- +en grintdiluvium langer bestaan, dan b.v. in de eertijds Frankische +provincies. Daar verdwenen zij onder den invloed van het leenstelsel, +wat natuurlijk met de gesteldheid van den bodem samenhangt. In het +Gooi, op de Veluwe, en nog elders, met name in het Oosten van het land +is het gemeenschappelijk grondbezit nog blijven voortbestaan. Soms +in rudimentairen vorm; zoo b.v. in den _stoppelgang._ + +Wanneer n.l. het land na den oogst in de stoppels lag, keerde het +gemeenschappelijk grondgebruik weer. Dan ontstond de _stoppelweide_ of +de _stoppelgang_, het recht om vee op den akker te drijven na afloop +van den oogst. Men noemde dit ook _overal_, vanwaar het spreekwoord: +"Na St. Gal loopen de schapen overal". + +Dit recht blijkt ook uit vele verboden en bepalingen. In een keure +van het Land van Cuijk uit het jaar 1538 leest men: "En als de half +oogst voorbij is, mag men de schapen en beesten laten gaan, als van +ouds gewoon is, ongeschut"; en in de landrechten van Roermond; "Alle +erfschap van akkerland, dat onbezaaid ligt, is den kerspelluiden met +schapen en varkens te bedrijven gemeen, tenzij dat het ware besloten, +want geenen scheper of zwijn geoorloofd is, besloten kamp te openen +en te bedrijven". + +Een eigenaardige uitzondering vinden wij in het landrecht van Drente: +"Niemand zal op de gemeene esschen mogen weiden op de stoppelen, +zoolang in de groote buurtschappen en in de kleine twee verscheidene +lieden nog koren op het land hebben, uitgezonderd boekweit". Immers +boekweit, al was het reeds door de Kruisvaarders ingevoerd, werd als +een nieuw gewas beschouwd. Ook bij plakaat van Utrecht werd tijdens +prins Maurits het drijven van vee en paarden op het stoppelland +verboden. + +In Vlaanderen, Zeeland, Holland en Friesland, dus in landen met betere +gronden en levendiger verkeer, kwam het privaatbezit reeds vóor Karel +den Grooten tot stand.-- + +Bij de landelijke nederzetting onzer bevolking dient men twee +hoofdgroepen te onderscheiden, n.l. de nederzettingen in dorpen, +en in afzonderlijke hoeven. + +I. _Nederzettingen in dorpen_. Hierin heerscht bonte +verscheidenheid. Een voorname afdeeling vormen de planloos +geconcentreerde nederzettingen, die wij _komdorpen_ noemen en voor +welke men in het Duitsch de benaming _Haufendorf_ heeft. Elk huis heeft +zijn eigen richting en ligt op zich zelf: het raakt de naburige huizen +niet en rijgt zich met hen niet tot éen reeks aaneen. Het wegennet +van een komdorp is dan ook planloos, krom en hoekig. In Duitschland +komt dit type oorspronkelijk in Sleeswijk-Holstein, Oost-Hanover, +Brunswijk, Hessen en Thüringen voor, om zich naderhand over het +grootst gedeelte van Middel- en Opper-Duitschland uit te breiden. + +Tot de oudste Germaansche nederzettingen in Nederland kunnen gerekend +worden de komdorpen op de Drentsche hoogvlakte, die den naam van +Hondsrug draagt. Zij vertoonen het tijpe der + +1. _Eschdorpen_ en liggen op hooge, droge gronden, waar het water +aan het bouwen geen beletsel bood en waar men niet zuinig behoefde +te zijn met de ruimte. De Hondsrug was eertijds de natuurlijke brug, +die de noordelijke kuststreken met de landstreken van het Bentheimsche +en Overijssel verbond. De Keltische bewoners, die zich daar hadden +gevestigd, werden verdrongen door een Germaanschen stam, die later +wel met Franksische en Saksische stammen in aanraking kwam, maar +toch zijn eigen aard wist te handhaven. Welke die eigen aard was, +is moeilijk te bepalen; in alle geval stond hij de Saksers nader dan +de Franken. Wij denken met name aan de dorpen Emmen, Borger, Rolde, +Gieten, Grolloo, Zwinderen en Weerdinge. + +Men vestigde zich steeds in de nabijheid van zachtoploopende heuvels, +die goeden grond voor bouwland boden, zoodat in den regel de dorpen +gebouwd zijn op den rand der bouwlanden: _esschen_ of _engen_. De +grondverdeeling kan men zich ongeveer volgenderwijs voorstellen: + +Elk der dorpelingen kreeg op dezen esch door 't lot--waaraan +niet zelden hoogere beschikking werd toegekend--een strook gronds +ter bewerking, zooals b.v. bij het aardappelen rooien aan elk der +arbeiders een strook wordt toegewezen. Later moest men weer andere +stukken in bewerking nemen, en ook daar werkten de dorpsgenooten in +dezelfde volgorde en op gelijken afstand van elkaar. Heide, bosch, +veen en weideland werd gemeenschappelijk benut. + +Het bouwland werd verdeeld in drie slagen, en wel om de vruchtbaarheid +te bevorderen volgens het drieslagstelsel: éen gedeelte werd bestemd +voor wintergraan, het tweede voor zomergraan, het derde bleef braak +liggen. Elk dezer drie hoofddeelen werd dan in gelijke rechthoeken +verdeeld, en in elk der slagen kreeg de dorpsgerechtigde een aandeel +naar zijn recht. De scheiding dezer rechthoeken was door voren, met +den ploeg getrokken, en door zware grenskeien aangeduid. Van daar de +naam _voorgenoten_, Nederduitsch _Vorgenaten_. + +De oudste nederzettingen werden gevestigd aan den rand van een +bosch; en hieraan herinnert een groot aantal Nederlandsche dorpsnamen +op--_woud,--holt,--loo,--horst,--rode,--rade_ enz. Elke woning nam dan +een open plek in het bosch in, en langzamerhand werd het bosch om en +te midden van de woningen der nederzetting meer en meer uitgeroeid, +en vormden de afzonderlijke huisplaatsen een aaneengesloten geheel. + +Maar op de open plekken tusschen de huizen, de _brinken_ [1], +bleef het geboomte in stand, al werd elders het bosch gerooid. Daar +vergaderden de bewoners in de schaduw der oude eiken om naar de wijze +der oude Germanen hun belangen te bespreken. Is ook menig oud gebruik +verdwenen, nog heden zijn de brinken een sieraad onzer dorpen en uit +dorpen gegroeide steden (b.v. Laren, Blarikum, Bussum, Hilversum), +en wijzen op een nauw met het Saksisch element verwante herkomst. Ook +vindt men bij vele boerenwoningen nog begroeide brinken, "een spoor", +zegt Dr. Blink, "van den oorspronkelijken toestand, toen het geboomte +elke woning overschaduwde". + +Welke die gemeenschappelijke belangen ter bespreking op den brink zijn +konden, springt in het oog. Allen, die een zelfden slag bebouwden of +bebouwd hadden, dienden een gemeenschappelijk overleg te plegen voor +het ploegen en oogsten, voor het gebruik der wegen, die naar het eene +stuk liepen over het land van den ander, en omgekeerd. Het gevolg dezer +samenkomsten was het tot stand komen van gemeenschappelijke bepalingen, +waaraan ieder zich had te onderwerpen, van een soort _velddwang_. + +Tot het tot stand komen en in stand blijven van gemeenschapszin, +gemeenschappelijk overleg, gemeenschappelijke bepalingen droeg ook in +groote mate bij de gemeenschappelijke afkomst. Want doorgaans waren +de leden eener zelfde nederzetting door familiebetrekkingen verbonden, +zoodat men inderdaad van een "vermaagschapt" dorp zou kunnen spreken, +waarvoor men in het Duitsch de uitdrukkingen _Sippendorf_ kent. Ten +gevolge der isoleering bleef de herinnering aan de gemeenschappelijke +herkomst bestaan, ook toen de natuurlijke betrekkingen steeds losser +en losser werden. Oorspronkelijke verwantschapsverhoudingen spreken +ook uit plaatsnamen, die b.v. op--_ingen_ en--_ongen_ uitgaan, +want hierdoor wordt meestal de afstamming van een bepaalden persoon +uitgedrukt [2]. Breidde het gezin door het huwelijk der kinderen zich +uit, dan werd hierdoor de eenheid niet verbroken; het gezin bleef zoo +lang mogelijk op dezelfde hoeve, en de schoonzoon of schoondochter +trad eenvoudig als nieuwe werkkracht naast de andere kinderen bij +de familie in. Allen arbeidden voor _de_ familie, de zoons gingen +met den boer naar het land, de dochters bezorgden met de boerin de +huishouding. Nog heden treft men in Drente 3 tot 4 generaties aan in +één huis. Wie of in zulk een gezinskomplex den boventoon voert? Naar +verluidt, wordt het beslissend woord gesproken door "het oude mensch", +d.i. de oude boerin. + +Zoo vormden dan de dorpelingen een zekeren clan, met een _buurtschap_ +als nauwere kern. Vooral wanneer in bepaalde omstandigheden des +levens de hulpzame hand viel te bieden, waagde het niemand, zich aan +enkele clan-bepalingen in den vorm van dienstbetoon te onttrekken: bij +geboorte of overlijden, bij verhuizing, bij het bewerken van vlas, bij +het scheren der schapen, bij het oogsten, bij het bouwen eener woning +enz. Hier vinden wij ook de kiem van het soms op zoo eigenaardige +wijze zich uitende dorpsindividualisme, hierin b.v. dat, wanneer een +boerenzoon naar de hand dingt van een meisje uit een naburig dorp, +hem door de jongelieden van dat dorp allerlei zwarigheden in den weg +gelegd worden. + +Nog lang riep de _boerhoorn_ de Drentsche dorpsgenooten ter vergadering +tot het gemeenschappelijk vaststellen van zaai- en oogsttijd en tot +het bespreken van onderwerpen van algemeen belang. Na het laatste +signaal op den boerhoorn waagde geen maaier het meer, de zeis te +haren,--wie zich verzette, werd beboet. Den boer, die den dekstier +hield, was dat jaar ook de boerhoorn toevertrouwd. Met trots sneed +hij er zijn naam in; met een gevoel van zelfwaarde blies hij ter +waarschuwing of verzameling bij brand, dreigend onweer en begrafenis. + +Ook bij onze oostelijke naburen vertoont het volksleven van dezen +oorspronkelijken toestand nog menig rudiment. In Anhalt worden op +derden Pinksterdag des namiddags de paarden en koeien schoongemaakt en +de geiten gemolken; en zoodra de koeherder op den boerhoorn blaast, +verzamelen zich allen met hun vee vóor het dorp. In plechtigen +stoet, de paarden voorop en de ganzen het laatst, gaat het dan naar +de pinkstweide, door den "Dorfknecht" afgezet en ieder weidt zijn +vee. Bekranst keert het vee huiswaarts en de koeherder krijgt van den +boer, die dat jaar den bul houdt, het schoonste geschenk, een hals- +of zakdoek en een stuk koek. Veelal wordt elders in Nederduitschland +de hoorn vervangen door de klok. + +2. Een anderen vorm van het komdorp vertegenwoordigen de _terpdorpen_ +in Groningen en Friesland, en elders. + +Terpen zijn kunstmatige kleiheuvels met zacht-oploopende hellingen, +slechts enkele meters lang, en dienende als vluchtheuvels. De hoogste +dier terpen vond men te Midlum, Winsum, Dronrijp, Beetgum, Holwerda, +Anjum. Enkele zijn weer geheel of gedeeltelijk afgegraven; "want thans +wordt weder vernietigd", schrijft Dr. Blink, "wat voor eeuwen met +veel moeite tot stand werd gebracht": _Nederland en zijne bewoners_ +II, bl. 306; vgl. III, bl. 259. + +De naam _terpen_ geldt meest voor Friesland en Groningen. Hier spreekt +men ook van _wierden_, in Zeeland van _killen_ en _vliedbergen_; +de Zeeuwsche hillen zijn over het algemeen kleiner dan de Friesche +en Groningsche terpen. + +Welnu, deze terpen hebben in overoude tijden tot het vestigen van +nederzettingen gediend, n.l. op zeekleilanden, reeds bewoond vóor +er bedijking langs de zee had plaats gevonden. Deze nederzettingen +zijn de kern onzer terpdorpen: Marsum, Kantens, Warfum, Bafloo, dan +ook Dokkum, Franeker, Leeuwarden enz. De kringvormige ligging wijst +op hun herkomst. + +In de geschiedenis der nederzettingen op terpen kunnen wij vier fazen +onderscheiden. [3] + +In de eerste faze waren de bewoners nog arme visschers, die op de +uiterste kust hun bedrijf uitoefenden. In het midden der eerste +eeuw na Christus beschrijft de Romeinsche natuurvorscher Plinius de +vluchtheuvels met haar schamele hutten gedurende dit tijdperk. [4] +Hij zelf heeft ze aanschouwd, in het Noorden, bij het volk der +groote en kleine Cauchen, oprijzend te midden eener uitgestrekte +vlakte, die tweemaal des daags en des nachts door den oceaan wordt +overstroomd. "Het armzalige volkje woont daar op hooge heuvels of +banken, met de hand opgeworpen tot op een hoogte, waar zij beschermd +zijn tegen de hoogste vloeden en waarop zij hutten bouwen, gelijk +zeevarenden omringd door de wateren, gelijk schipbreukelingen, die +op het droge gered zijn en bij hun vlucht voor het water jagen op +de visschen der zee". Ook de terpen der tweede faze zijn nog niet +hoog. Men vindt daarin lagen mest, stroo en afval, afwisselend met +kleilagen of daarmee aangevuld. Reeds zijn de bewoners veehouders +geworden. De gevonden palen zijn afkomstig van schuttingen, +drinkwaterputten, palen waaraan het vee gebonden werd, misschien van +leem- en stroohutten. Vermoedelijk verbouwden zij ook zomervruchten, +maar niet geregeld en slechts in geringe hoeveelheid. + +Landbouwers in den engeren zin des woords worden zij eerst in de +derde faze. In deze heeft een ophooging der terpen plaats gehad door +het aanbrengen van klei, en in deze ophooging wordt veel minder mest +gevonden. De landbouwers achtten het noodzakelijk een afzonderlijke +kleilaag ten behoeve hunner behuizingen aan te brengen. + +Gedurende de vierde faze verrijzen op de terpen dorpen met kerken +en kloosters: men denke aan Warfum, Uskwerd, Rottum, Oldeklooster +in de Marne, Oldeklooster bij Appingedam, Mariëngaard te Hallum, +O.L. Vrouw ten Dale te Lidlum, Klaarkamp bij Dokkum enz. + +In den regel werden de terpen in de oudste tijden slechts door éene +familie bewoond. Bij al te groote uitbreiding der familie legde men +dan in de nabijheid der oude hoeve een nieuwe aan. Later, onder de +schutse der bedijking, waagde men het ook, nieuwe nederzettingen te +vestigen in het vlakke land. Zoo ontstonden huizengroepen van een +vijftal of ook meer woningen met een kleine gemeenschap, waaronder +de eigenaar der oudste woning het familiehoofd en als het ware de +landheer was [5]. Daar, waar zulke nederzettingen op een kruispunt van +land- of waterwegen lagen, waar een kerk, klooster of herberg stond, +ontwikkelde zich de nederzetting tot een dorp. + +Toch waren op de grootere terpen reeds van meet af aan ook grootere +nederzettingen gevestigd, die men terecht als oorspronkelijke +terpdorpen mag beschouwen.-- + +Andere groepen van dorpen zijn niet komvormig, maar reeks- of rijvormig +gebouwd; het zijn de + +3. _Streekdorpen_ of _rijdorpen_, meestal twee rijen huizen langs +wegen en kanalen; zijstraten zijn zoo goed als onbekend. Evenals +in de komdorpen woont en leeft men naast elkaar, maar ieder bewerkt +zijn grond naar eigen goeddunken. De verre lengtewegen en de talrijke +kanalen en slooten--hoe noodzakelijk ook-- verslinden veel terrein. + +Natuurlijk ligt de reden van dezen bouwtrant in de gesteldheid +van den bodem. Verlaat men het Drentsche diluviale hoog-plateau +en nadert men de veenranden, dan stoot men vrij plotseling op +streekdorpen. Wie opmerkzaam door de verschillende nederzettingen +heentijgt, ziet de agrarische ontwikkeling van het land als een +reuzenfilm voorbijtrekken. In elk dorp wandelen wij als het ware +door de ruïnen van den voortijd, ouder en merkwaardiger dan zoovele +befaamde gedenkteekenen uit de Middeleeuwen, en de staalkaart der +bezittingen vertolkt ons de begrippen en bedoelingen der stichters. + +Wij wijzen vooreerst op de _veendorpen_. Zij vertoonen alle een +eigenaardig karakter en een systeem van grondverdeeling, dat in nauwe +betrekking staat tot hun wording. Het landschap is geenszins rijk +aan afwisseling, veeleer eentonig. "Het poetische, schilderachtige +landschapsbeeld der oude zandgronden ontbreekt er geheel, ook al +bieden enkele gedeelten door goede bebossching werkelijk natuurschoon +aan. Stijf, afgemeten als het landschap, is het karakter van de +bevolking der [veen]kolonie; geen dichterlijke sagen leven er voort +in de volksverbeelding, en alleen de overleveringen van heksen en +spoken, droog en dor als zij zijn, tendencieus als zij werken, zijn +hier niet zelden blijvend en inwerkend": Dr. H. Blink, Studiën enz. in +het Tijdschrift v. h. Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap 1902, +dl. XIX, bl. 66. + +In sommige nederzettingen, als Ruinerwold, Giethoorn en Koekange, +zijn de huizen als één vaste reeks gegroepeerd. Zij ontstonden +als vaste dorpen aanvankelijk midden in het afgeveend land, niet +aan een rijweg. Daarentegen zijn b.v. Hoogeveen en Smilde jonge +nederzettingen in de venen, die zich tot een dubbelrijig lengtedorp +hebben geformeerd. Hier is dus het dorp in twee rijen gebouwd, aan +weerszijde van den weg, welke de lange, smalle landerijen aan beide +kanten rechthoekig snijdt. Zoo nog Wanneperveen, Koldeveen en Veendijk. + +Staphorst en Rouveen zijn verschoven veenkolonies. Hier volgde +de nederzetting de afgraving van het veen, om ten slotte stabiel +te worden aan beide zijden van een geschikten verkeersweg. Beide +dorpen hebben waarschijnlijk thans hun derde plaats. Terwijl de +andere tweereeksige veenkolonies meestal door een mengelmoes van +velerlei herkomst bevolkt worden, wijzen deze beide dorpen op een +gemeenschappelijke, eenvormige afkomst. De bevolking heeft dan ook +iets zeer typisch en oorspronkelijks. Zij houdt weinig voeling met +de buurtschap, terwijl aloude zeden en gewoonten veelal in eere bleven. + +Nog niet zoo heel lang geleden had te Staphorst bijna geen huis een +schoorsteen. Gaat de boer een nieuw huis bouwen, dan verzekert hij +zich eerst van de toestemming der buren, die dan weer ouder gewoonte +de verplichting hebben, hem bij het transport van het bouwmateriaal +en anderszins behulpzaam te zijn. + +De greppels tusschen de verschillende akkers worden nooit in orde +gebracht of in rechte lijn doorgetrokken, maar kronkelen zich +in allerlei bochten en zigzaglijnen tusschen de akkers van twee +buurlieden heen. + +Elk Staphorster is boer. Een eigenlijke arbeidersbevolking +ontbreekt. Wie op zijn land niet genoeg werk en verdienste vindt, +helpt zijn beter gezeten nabuur. + +Hoogst belangrijk is ook de ontwikkeling van den grondeigendom aldaar; +zie hierover Dr. J. Frost, Agrarverfassung und Landwirtschaft, bl. 143 +vlg. Staphorst dankt zijn oorsprong aan een kleine nederzetting van +Friesche monniken in de XIIIe eeuw. + +Tot de tweereeksige dorpen behooren ook de nederzettingen der +veengravende boeren, die eigenlijk van meet af aan van de boerderij hun +hoofdbedrijf maakten. Zij liggen aan de veenranden, b.v. de Meeden, +Kropswolde, Beerta, en de nederzettingen ten Oosten der Hunze, als +Wolfsbergen, Annerveen, Gieterveen enz. In de kern van het hoogveen +verrezen mettertijd de veenkolonies Veendam en Wildervank; het eerste +nam een stedelijk karakter aan, terwijl het tweede meer het cachet +van een dubbel streekdorp behouden heeft. + +Den vorm van een streekdorp vertoonen nog de veendorpen Helenaveen +in Noord-Brabant en Griendtsveen (gemeente Horst) in Limburg. + +Eenigermate het type der veendorpen vertoonen de Noord-Brabantsche +_straatdorpen_, met name de dorpen in de Langstraat: Raamsdonk, Waspik, +Kapelle, Besooien, Waalwijk, Baardwijk, Drunen en Nieuwkuik. Dit kan +niet bevreemden, als men weet, dat in 1396 een turfvaart van Den Bosch +naar 's Gravenmoer werd gegraven, en dat in het begin der XVIe eeuw de +turfhandel van de Langstraat op Holland en Zeeland zeer aanzienlijk +was. Toen het vervenen verliep, meent Blink, zochten de arbeiders +naar werk. De kleibodem was niet geschikt voor bouwland; daarentegen +gaf het vele goede water uitstekend gelegenheid tot leerlooierij, +waartoe de veeteelt vele huiden, de bosschen op de zandgronden niet +zeer verre de schors leverden. Zoo ontwikkelde zich in de Langstraat +de schoenen- en leerindustrie. + +Meer nog vertoonen het karakter van veenkolonies 's Gravenmoer, +Vrijhoeve, Kapelle en Sprang. Tot de straatdorpen behooren ook de +dorpen in de Streek tusschen Hoorn en Enkhuizen. + +4. Veel overeenkomst met de streekdorpen vertoonen de _dijkdorpen,_ +nederzettingen gevestigd langs een dijk. Zij zijn veelvuldig op +kleigronden en laagveenlanden, waar de bodem meestal door dijken tegen +overstrooming moet beschermd worden. Zij liggen op den oever van groote +rivieren, maar ook aan de kleinere waterwegen. Wij noemen de dorpen +in de Haarlemmermeer en de Beemster; in Zuid-Holland: Kinderdijk, +Alblasserdam, Ridderkerk, Papendrecht, Sliedrecht, Giessendam. + +5. De _duindorpen_ en de dorpen op de geestgronden onderscheiden zich +door hun verstrooide, onregelmatige of centrale groepeering der huizen. + +6. De _groepdorpen_ zijn overheerschend in Noord-Brabant, Limburg +en een gedeelte van Gelderland, maar ook in dat deel van België, +waarover zich ons onderzoek uitstrekt; m.a.w. in geheel ons zuidelijk +volksgebied. Zij vertoonen het Frankische type. "Groepdorpen" noemen +wij deze, omdat zij doorgaans hun ontstaan danken aan den drang der +bewoners, in grootere of kleinere groepen bij elkaar te wonen, zonder +dat die groep op verwantschap berust. De levendige, sociaal-aangelegde +aard, het Frankisch karakter met zijn Keltischen ondergrond, noopte hen +zich te vereenigen in dorpen en dorpjes en gehuchten. Gehuchtsgewijze +hebben oorspronkelijk de talrijke verstrooide nederzettingen plaats +gehad, die de Frankische gouwen overdekken. Op den voorgrond staat +het begrip van de vrije deelbaarheid van den bodem, welke zich in die +streken reeds vroeg moet hebben ontwikkeld. Op kleine schaal heeft het +in bezit nemen van den bodem plaats gehad. De oudste nederzettingen +vormden zich op smalle, groene strooken, vlak aan het water, soms aan +weerszijden van een beek. Nergens is de grond zoo versnipperd: hoekjes, +kampjes, akkertjes liggen verstrooid door elkaar; de verstrooide +ligging van het grondbezit was nog willekeuriger en planloozer dan +in de akkerdorpen. + +Alles wijst op partikularisme, op ontginning van partikulieren, die +onregelmatig en naar de omstandigheden hun kultuurland uitbreidden; +zie Blink, Studiën enz., t.a.p., dl. XXI, bl. I vlg.; Frost, +Agrarverfassung und Landwirtschaft, bl. 129 vlg. + +De bewoners waren buitenmate gehecht aan de plek hunner inwoning, +en de landgewoonte wilde, dat de landbezittingen door de ouders onder +de kinderen werden verdeeld. Dit leidde er toe, dat ieder boer moest +trachten het kultuurland uit te breiden; maar dit gebeurde buiten de +gemeenschap, het was overgelaten aan elks persoonlijk initiatief. + +Versnippering van kultuurland en gemis aan aaneengesloten grondbezit +vindt men ook, en wel in hooge mate, in de Graafschap Zutfen, +ofschoon daar toch slechts een klein gedeelte der bevolking in +dorpskommen gevestigd is. De woningen staan er meestal over de velden +verspreid. Zij vertoonen het type der: + +II. _Afzonderlijke hoeven_. Geïsoleerd liggende te midden van +de bijbehoorende landerijen dragen zij een Saksisch en Friesch +karakter. Men vindt ze dan ook in het Zuid-Oosten van Groningen, het +Westerwolder kwartier, in het Oosten van Overijsel en Gelderland, +in Twente en den Gelderschen Achterhoek, in Friesland, Noorden +Zuid-Holland en sporadisch op Frankischen bodem. Zoo treft men ze in +België, Nederland en Duitschland aan benoorden een lijn, die loopt +van Bergen langs de Dyle naar Leuven, en vandaar langs de Demer in +de richting van Maastricht. Bij Maaseyk gaat zij volgens Meitzen, +Siedelung und Agrarwesen I, bl. 517, over de Maas, en loopt dan +de Swalm opwaarts over Wegberg, Dahlen, Odenkirchen, Grefrath en +Neuss naar den Rijn, dien zij te Kaiserswerth kruist. Voor België +zijn typeerende voorbeelden: Berghem bij Brussel, Meygem bij Gent en +Ellicum bij Maaseyk. In Nederlandsch Limburg begint dus het gebied der +afzonderlijke hoeven benoorden Roermond en valt min of meer samen met +dat van het Frankisch-Keltische huis, waarover naderhand meer. Men +treft echter weer afzonderlijke hoeven aan in de zuidlimburgsche +zijdalen: Geuldal, Geleendal enz. + +De meening van Meitzen, dat deze afzonderlijke hoeven niet van +Germaanschen, maar van Keltischen oorsprong zouden zijn, vindt niet +voldoende steun in den woontrant der Gallische, Britsche en Iersche +Kelten, terwijl zijne hypothese, die hiermee verband houdt, dat het +Keltische halle-huis als het type van het Nederlandsche woonhuis +moet worden beschouwd, beslist onwaar blijkt. Afzonderlijke hoeven +liggen in echt kern-Germaansche streken, die nimmer door Kelten zijn +bewoond, als in Noorwegen, noordelijk Zweden en op de Westkust van +Sleeswijk-Holstein. + +Karakteristiek voor de nederzettingen in afzonderlijke hoeven is minder +de bouwtrant der huizen, dan wel de eigenaardigheid, dat elk huis door +de bijbehoorende landerijen omgeven is, en dat deze bezittingen in +kampen zijn verdeeld, d.i. kwadraatvormig begrensde stukken bouwgrond +of weiland, door afzonderlijke heggen of greppels omgeven. Deze +afgeslotenheid der afzonderlijke bezittingen heeft tot gevolg, dat +zij geïsoleerd verspreid liggen over de geheele uitgestrektheid van +het dorpsgebied. Het kultuurland ligt versnipperd en verstrooid, +omgeven door hagen en singels van hakhout. Iedere boer woont op een +afzonderlijk stuk gronds. Zóo is de gesteldheid van nederzetting en +grondverdeeling b.v. te Terborg, Lichtenvoorde, Varsseveld, Groenloo, +Beltrum enz. Waar men hier dorpen of gehuchtvormige huizengroepen +vindt, die kerk of markt omzoomen, zijn deze hoofdzakelijk niet door +landbouwers, maar door ambtenaren of neringdoenden bewoond. + +Wat de verkeerswegen betreft: zij verbinden eigenlijk niet hoeve +met hoeve, maar dorp met dorp en stad met stad. De hoeven bereikt de +wandelaar slechts op zijpaden, en de bewoners trachten langs allerlei +zijweggetjes en dwarspaadjes, kriskras getrokken over de kampen heen, +kerk en markt te bereiken. Aan de hoofdstraat te wonen wordt heel +niet als een voordeel beschouwd. + +Deze vorm van nederzettingen, die ook in geheel West-Duitschland van +Noord tot Zuid wordt aangetroffen, wortelt zeer zeker ten deele in het +stamkarakter, ten deele ook in oorspronkelijke familieverhoudingen: had +de landbouwer geen maagschap, stond hij met zijn familie geïsoleerd, +dan zal hij vaak zelfstandige bodemkultuur verkozen hebben boven een +zich-aaneensluiten met niet-verwante personen. Maar de machtigste +faktor was toch de gesteldheid van den bodem. Zoo was het b.v. in de +vette greidstreken van belang, het vee in de onmiddellijke nabijheid +van het huis te laten weiden. Verder treffen wij de afzonderlijke +hoeven daar aan, waar de betere grondgesteldheid en verscheidenheid van +den bodem aan een algemeene bebouwing der landerijen geen hinderpalen +in den weg stelde; terwijl de akkerdorpen bij al hun verruiming +en uitbreiding toch steeds oasen in het dorre heideland gebleven +zijn. Anderzijds duldde echter het feit, dat de bodem door watertjes +en rivier doorsneden was, geen inbezitneming van omvangrijke stukken. + +Bij het erfrecht staat de ondeelbaarheid van hoeve en hoeveland op +den voorgrond. Alles lag hier bij elkaar, en wel in voldoende mate +om de familie te onderhouden. Waartoe zou men deelen, terwijl elders +nog zooveel gelegenheid tot nederzetting geboden werd? Daarom werden +jongere zoons en dochters, die de hoeve verlieten, met vee, huisraad +enz. tevreden gesteld, terwijl de boer zijn wensch kon vervullen: +de hoeve voor de familie te behouden. Zoo hoort men nog: "de hoeve +moet bij het bloed blijven", en "hoeve gaat boven kind". + +Het heden ten dage geldende erfrecht heeft deze in het kern-Saksische +gedeelte van ons land ingewortelde rechtsbegrippen slechts onbelangrijk +kunnen wijzigen: in Twente, in den Achterhoek en elders is het erfrecht +Oudsaksich gebleven. + +Elk boerenerf draagt zijn eigen naam en oorspronkelijk zijn eigen +huismerk: een eenvoudige, uit enkele lijnen samengestelde figuur, +later een monogram. De naam blijft aan het huis gehecht in weerwil +van alle wisseling van bezitters. Het "heem" of "heim" gaat boven +het geslacht. De hoevenamen zijn ouder dan de famielienamen. + +III. Meerdere dezer dorpen zijn uitgegroeid tot _steden_ van den echt +Germaanschen stempel. + +Verscheidene faktoren hebben tot den Nederlandschen stedenbouw +meegewerkt. De Kelten hadden steden als handelscentra; ik noemde reeds +Noviomagus, Batavodurum, Lugdunum Batavorum, Coriovallum. Om deze +centra zelf zette zich een belangrijke laag Romeinsche beschaving, +zoo b.v. Nijmegen, een bij uitstek belangrijk strategisch, staatkundig +en ook ekonomisch middelpunt, door Tacitus de stad der Batavieren bij +uitnemendheid genoemd: _Oppidum Batavorum_ (Hist. V, 19). Andere steden +van Romeinschen oorsprong vermeldde ik bl. 8. Tot de allervoornaamste +behoort zonder twijfel het oude Trecht, een plaats, door de natuurlijke +ligging aangewezen als grensstation. Over het bestuur en burgerrecht +dezer steden zijn wij slecht ingelicht. + +De steden nu van beslist Germaanschen oorsprong, zooals gezegd uit +dorpen gegroeid, zijn te danken aan een geleidelijke ekonomische +ontwikkeling. De aanleiding, de stoot tot die ontwikkeling +werd gegeven door het bouwen van een kerk, het stichten van een +klooster, het optrekken van een burcht, welks heer ten slotte de +heer werd over de stad. Maar zeer juist zegt Prof. Brugmans in zijn +Oud Nederlandsche Steden in haar ontstaan, groei en ontwikkeling +(Leiden 1912), dat deze oorzaken niet steeds afzonderlijk werkten, +maar te zamen en in vereeniging: "Niet alleen omdat er een kasteel, +kerk, klooster of marke was ontstaan, vormde zich daar een tot +stad uitgegroeid dorp, maar omdat de plaats, waar dat kasteel, +die kerk, dat klooster of die marke gelegen was, gunstig was voor +het ontstaan van een handelscentrum. Dezelfde oorzaken, die eerst +het kasteel hebben doen ontstaan, doen daarna de stad uitgroeien; +beide zijn in hun soort, op eigene wijze, ekonomische middelpunten +van den omtrek. Veelal is de stedenformatie de resultante van een +parallelogram van krachten. Groningen b.v. is tegelijk een marke en +een markt, een landbouwdorp en een handelscentrum" (bl. 4). + +De ekonomische emancipatie ging de politieke vooraf. Het +staatsgezag heeft hier niet scheppend, maar bevorderend en ten slotte +sanktioneerend gewerkt. Maar de voornaamste aanleidende oorzaak houdt +op de stad haar stempel gedrukt. Bisschop Balderik was de eigenlijke +stichter van het Middeleeuwsche Utrecht: en zoo draagt deze stad in +haar staatsrechtelijken en maatschappelijken bouw en ontwikkeling alle +eigenaardigheden van een bisschopsstad. Groningen is een gildestad. De +Friesche steden Sneek, Bolsward, Franeker, Dokkum, Leeuwarden +blijven het karakter vertoonen van zuivere landsteden. Nijmegen +is een keizersstad, Zutfen, met haar talrijke dochtersteden, een +grafelijke hofstad. Brugge, Gent, Yperen, Antwerpen, Amsterdam, +Dordrecht, Vlaardingen en het jongere Rotterdam zijn op-ende-op +handelssteden. Tot de min talrijke kategorie der gestichte steden +behoort 's Hertogenbosch. + + + +III. De Boerenwoningen. + + +Bij de beschouwingen over dorp en dorpsgebied zijn wij eigenlijk +slechts aan de oppervlakte van het volksbestaan gebleven. De aard der +verschillende nederzettingen vergunde ons geen diepen blik te slaan +in het volksleven: het hart van dat leven, de intieme haard van dat +bestaan is het huis. + +Hoe heeft ons volk op Nederlandschen bodem zich zijn heemstede gebouwd, +ter berging en ter schutse van zich en zijn gezin, ter berging van +veestapel en moeizaam verworven hooi- en vruchtenoogst? Hoe hebben onze +vaderen dit heem geformeerd, ten einde er hun welbehagen te vinden, +zonder in strijd te komen met ekonomische vereischten? + +"De landman die zijn huis bouwt", aldus Stijn Streuvels in zijn +bekoorlijk-frissche boekje over De Landsche Woning in Vlaanderen +(Amsterdam), "heeft iets van de begaafdheden die eigen waren aan +den middeleeuwschen bouwmeester. In alles gebruikt hij overleg en +gezond verstand en hij streeft er naar om met 't minste middelen, +het grootst mogelijk uitwerksel te bekomen. Hij bekommert zich niet +om pracht of praal--een huis dient enkel om er in te wonen en alzoo +ziet hij er niet naar of denkt er nooit aan dat zijn huis langs de +straat moet staan... om gezien te worden, maar als 't zoo gelegen komt, +bouwt hij het met den achterkant naar de straat om 't met den voorkant +naar 't Oosten of 't Zuiden te keeren en alzoo licht en warmte op te +vangen--twee dingen die hem van groote waarde zijn" (bl. 17, 18). + +Ik spreek hier alweer over den bouwtrant der boerenwoningen, en niet +der stadswoningen. Want in de boerenwoningen spreekt zich meer het +volkskarakter uit, komt het volkseigenaardige meer tot zijn recht, +is het oorspronkelijke het best bewaard. Daarom heeft tot nog toe +de wetenschappelijke volkskunde dan ook zoo goed als uitsluitend oog +gehad voor de landsche woning,--al zou het zeker de moeite loonen na +te gaan, hoe deze huistypen in de steden tot burgerwoningen werden +vervormd. Vooral het Oudhollandsche en Oudvlaamsche koopmanshuis met +zijn smalle straatfaçade, en evenzeer de visscherswoning, die zich +stellig niet tot de eilanden beperkt, zijn nadere onderzoekingen in +deze richting overwaard. Wat betreft de publikatie van Mr. S. Muller +en Prof. Dr. W. Vogelsang: Het Oud-Hollandsche Huis (Utrecht 1909), +deze ontwerpt een beeld van de Nederlandsche beschaving in de XVIIe +en XVIIIe eeuw aan de hand der Nederlandsche poppenhuizen; zie aldaar +over de indeeling en het gebruik van de Oudhollandsche patricische +huizen, bl. 26, 27. Vrijwel uitsluitend op historisch-architektonisch +gebied liggen de belangrijke bijdragen over onze Oudgeldersche gevels +van C. L. van Balen, gepubliceerd onder de rubriek "Oud-Limburg" +in Limburg's Jaarboek XI, bl. 65, 153; XII, bl. 154; XIV, bl. 43. + +Dan ook,--de industrie blijkt hier opnieuw de gezworen vijandin van +het typische in den volksaard, zelfs in de landsche woning. Dit kan +weer niemand beter betoogen dan Stijn Streuvels: "Waar de nijverheid +ergens een landstreek binnendringt en de bevolking overweldigt, +ziet men dien tooi en zorg aan de woningen gauw vergaan. Waar de +landsche lieden hun bestaan vinden in fabrieken of groote werkhuizen, +zelfs waar de huisarbeid geoefend wordt, ziet men die liefhebberij +niet om de woning een lachend uitzicht te geven. Gevels worden niet +meer gewit en de ramen niet meer geschilderd, bloemen en boomen +heeft men niet meer van doen en wat de huisbaas aan de woning niet +wil verstellen, laat de huurder maar vervallen. Daar heeft heel die +streek en het landschap een ander uitzicht--iets als de kleurlooze +verlatenheid van onbewoonde huizen, grauw, vaal als een achterbuurt en +'t geheel heeft het aanzien van armoede en lustelooze slordigheid" +(De Landsche Woning, bl. 30). + +Buiten beschouwing blijft hier ook het dorpshuis, niet hoeve +tevens, dat meestal in zijn tegenwoordigen vorm van jongen datum +is, afhankelijk van de gemeentelijke verordeningen. Wat de kleine +arbeiderswoning betreft, somtijds volgt zij op kleinere schaal het +type van het boerenhuis der streek. Maar de latere arbeiderswoning +vertoont meestal denzelfden droevigen internationalen stijl, dien +men ook in de kleine huizen der steden aantreft. Daarentegen gaat +de mijnwerkerswoning in Limburg, dank zij vooral de goede zorgen +der maatschappij "Ons Limburg", een aesthetisch en architektonisch +beslist beteren weg op. + +De boer is in de wijze, waarop hij zijn woning bouwt, uitermate +konservatief. Gelijk zijn vaderen voor eeuwen hun hoeve ingericht +hadden, zoo doet hij het nog heden. Een treffend voorbeeld van dit +konservatisme geeft Prof. Gallée: "In de laatste vijf en twintig jaren +hebben groninger boeren aangevangen de heidevelden aan de Dedemsvaart +te ontginnen. Zij hebben hunne huizen en schuren daar naast die van +den overijsselschen landbouwer gevestigd. Men zou verwachten, dat +zij hun bedrijf zoo inrichtten als de sinds eeuwen en eeuwen daar +gezeten boer; maar neen. Terwijl deze op dezelfde wijze als zijn +stamgenooten aan Regge of IJssel zijn huis en hof heeft ingericht, +volgt de groninger boer daar aan de vaart geheel het friesche type, +waaraan hij in zijn groningsche land gewoon was." Zie het verslag +van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap 1907, bl. 12. + +De verschillende typen van de Germaansche woning--en hiertoe behooren +de boerenwoningen van Groot-Nederland--zijn het voorwerp van nauwgezet +en scherpzinning onderzoek geweest bij onze oostelijke naburen. Ik +wensch hier slechts te wijzen op Rudolf Henning, Das Deutsche Haus in +seiner historischen Entwicklung, Quellen und Forschungen XLVII; Die +Deutschen Haustypen, Quellen und Forschungen LV, 2; Otto Lasius, Das +Friesische Bauernhaus in seiner Entwicklung während der letzten vier +Jahrhunderte, Quellen und Forschungen LV, I; vooral: August Meitzen, +Das Deutsche Haus in seinen volkstümlichen Formen (Berlin 1882) en: +Siedelung und Agrarwesen der Westgermanen und Ostgermanen enz. (Berlin +1895), waar hij den Germaanschen woningbouw in de breede omlijsting +van het agrarische recht en de landbouwekonomie behandelt. Nu is op +het werk van Meitzen wel eens scherpe kritiek uitgeoefend, met name +door Karl Rhamm in Globus 1897, bl. 169 vlg., zóo scherp, dat hij +zelfs "in den bezüglichen Ausführungen Meitzens, wenigstens was die +Endergebnisse anbelangt, keinen Fortschritt gegen die Henningsche +Ära erblicken kann." Toch houdt het kloeke werk van Meitzen in deze +materie groote waarde en gezag,--al moeten wij Rhamm toegeven, dat +b.v. de theorie van den Keltischen oorsprong van het Saksische huis +verre van steekhoudend is (zie Siedelung und Agrarwesen I, bl. 184, +620; II, bl. 91 vlg.; III, bl. 126 vlg.). + +De Nederlandsche bouwtrant is hoofdzakelijk onderzocht door wijlen +Prof. J. H. Gallée: Het Boerenhuis in Nederland en zijne bewoners +(Utrecht 1908), waaraan ik in de volgende uiteenzettingen dankbaar +meerdere gegevens en beschouwingen ontleen. Van de hand van denzelfden +geleerde verscheen een verhandeling in Les Pays-Bas (Cercle des +Journalistes étrangers), bl. 501 vlg., getiteld: Moeurs et Coutumes; +zie ook zijn rede gehouden in het Provinciaal Utrechtsch Genootschap, +medegedeeld in het Verslag van 5 Juni 1907. + +Wij onderscheiden in ons land vier hoofdtypen: het Saksische, +het Friesche, het Frankisch-Keltische en het Frankisch-Romeinsche +type. Gallée noemt het Saksische type liever het halle-huis, +omdat het toch ook bij anderen dan Saksen gevonden wordt; en het +Frankisch-Keltische huis noemt hij liever het langgevel-type, of het +huis met den breeden, horizontalen voorgevel. Dit is ongetwijfeld +juist. Maar ik verkies uit praktisch oogpunt de benamingen, die in +verhouding staan tot de drie hoofdstammen, welke de bevolking van +Groot-Nederland uitmaken. + +I. Het _Saksische type_ vertoont éen groote halle met hoog dak, +waaronder mensch en vee zonder eenige afscheiding huizen. Nu +vertegenwoordigt deze huisvorm echter niet alleen het alleroudste +Germaansche type, maar is in wezen met het oudste Indogermaansche type +identiek. Dit toch had den vorm van een vierkante hut, uit balken +en leem, rijshout en ruwe steenen, met of zonder mortel verbonden +opgetrokken. Wij onderscheiden twee lange en twee smalle zijden met +hoog en schuin dak. Driedeelig, met langwerpig grondvlak, vereenigt +het onder deze hellende afdakking woning, schuur en stalling. + +Wijd en zijd vinden wij dit type verspreid. "Ueber die Anlage und die +Dimensionen des alt-europäischen viereckigen Hauses sind wir durch +sorgfältig ausgeführte Untersuchungen der Ueberreste von Ansiedlungen +im Erdboden an vielen Stellen Europas genau unterrichtet," schrijft +Sigmund Feist, Kultur, Ausbreitung und Herkunft der Indogermanen +(Berlin 1913). "Demnach ist der Urtypus dieses germanischen, slavischen +und griechischen Hauses ein Viereck, mit deutlich unterschiedener +Giebel und Langseite, der Herd steht ungefähr in der Mitte und eine +offene (oder spater geschlossene) Vorhalle von geringer Tiefe liegt vor +dem Hauptgebäude. Dieser Haustypus erstreckt sich von Norwegen durch +Norddeutschland, Polen und die Karpathenländer bis nach Griechenland +und Kleinasien (bl. 128, 129). + +Maar dit type is toch vooral Saksisch. Hoe treffend b.v. de grenzen +van het Oudsaksische taaleigen en van "het huis met de lange deel" +elkaar dekken--behoudens enkele goed-verklaarbare afwijkingen--blijkt +wel het best uit Willi Pessler's opstel over de "Ethno-geographische +Wellen des Sachsentums" met bijgaande Is-ethnenkaart in het tijdschrift +Wörter und Sachen I, bl. 49 vlg. [6] + +In het Saksische boerenhuis in zijn meest oorspronkelijken vorm +koncentreert zich alles om de deel. Aan de eene gevelzijde van het huis +woont de boer, de andere omspant een reuzenpoort, die naar de deel +leidt; aan weerszijde van het huis zijn de huisdieren ondergebracht; +hierbij valt op te merken, dat de koeien op de mest met de koppen +naar de deel gekeerd staan, waar de voedergoot is. + +In de oudste huizen ontbreekt hier zoo goed als elke scheidsmuur of +schutting. Tegenover de groote schuurdeur, aan het andere eind van de +deel, bevindt zich de haard, waar de boerin den maaltijd bereidt en +waaromheen het gezin zich verzamelt. Deze open, vrij-liggende vuurstede +behoort mèt het omsloten-zijn van woning, stalling en schuur in éen +enkele ongescheiden ruimte tot de meest karakteristieke kenteekenen +van het Oudsaksische type en getuigt tevens van hooge oudheid. + +In de groote, ruime halle heeft de boer heel zijn have en goed, heel +zijn bezittingen onder de oogen, in zijn onmiddellijke nabijheid. Zij +wordt begrensd door twee rijen van zuilen of stijlen. Boven deel +en stalling en woongedeelte verheft zich het hooge dak, dat als +bergplaats dient, en welks nok van voren naar achteren in éene +onafgebroken lijn doorloopt. + +De ontwikkeling is tweeërlei richting gevolgd. Eenerzijds streefde +en streeft men er naar, den haard uit het midden naar den zijkant te +verdringen, uit de vrije, aloude woonruimte naar een engere keuken, +en hem een soort van hulphaard toe te voegen ter verwarming van een +meer moderne woonruimte, n.l. de kachel. Anderzijds tracht men woning, +stalling en schuur te scheiden, aanvankelijk nog onder éen dak, +dan over verschillende gebouwen verdeeld. + +_a_. In Twente en in het Oosten der Graafschap vindt men nog het +"lösse hoes", de hoeve met éen enkele ruimte voor mensch en vee. Als +ingang tot de deel dient de groote _bansdeure_ en _niendeure_, die +onder het eerste _gebint_ staan, terwijl het dak oversteekt. Deze +oversteek heet de _oos_ of de _onderschûr_ [7]. + +Daarnaast vindt men niet zelden rechts en links afhangende dakvakken, +waaronder veelal rechts de paardenstal is. De woonruimte is soms met +tegeltjes geplaveid. Aan den wand bij de voordeur is de _götte_ of +'t waschhok; aan de andere zijde zijn de bedsteden. In sommige huizen +vindt men achter de bedsteden een kleine kamer voor "de deerns". + +De stijlen, waarop het dak rust, worden twee aan twee door _bakke_ +verbonden, die een _gebint_ vormen; het meerendeel der huizen heeft +vier gebinten. Op de stijlen worden de sporen gesteld, die zich +boven de dakspar vereenigen en een eind onder de dakspar door de +_hanenbalken_ samengehouden worden. Onderling zijn de balken verbonden +door de _balkensleete_, dunnere boomen, die de deel dekken; hierop +wordt het koren of hooi gevlijd. De groote opening, waardoor het +hooi wordt opgestoken, heet het _balkenslob_ (Gallée, het Boerenhuis, +bl. 45, 48). + +Het Saksische boerenhuis munt uit door zijn ekonomische eenheid en +overzichtelijkheid. Bij den _haard_ is de zitplaats der boerin, die +van daaruit haar oog laat gaan door de geheele ruimte, om het doen +en laten, het komen en gaan, het rustelooze beweeglijke leven van +mensch en vee gade te slaan. Als op een open schouwtooneel speelt het +zich vóor den haard af. De arbeidsgemeenschap van daarbuiten wordt in +het inwendige des huizes voortgezet: nergens grijpt het veelzijdige +arbeidsleven zóo vastsluitend ineen, nergens is het samenleven van +familie en gezin zóo innig als onder het ruime Oudsaksische dak, +om den gezelligen Oudsaksischen haard. + +Die haard, het middelpunt van dit oorkonservatieve familieleven, +de aan alle zijden vrijliggende _heerd_, de _raakkûle,_ is eigenlijk +en oorspronkelijk niets dan een rond gat in den bodem, omgeven door +steentjes. Hierop wordt het vuur van turf of _schadden_ en hout +ontstoken. Aan de eene zijde ligt het brandhout: dit is _den stòkhôk_. + +Het vuur vlamt op en walmt op en hult somwijlen de heele ruimte in +dikke rookwolken, opkronkelend langs de stijlen en binten, een uitweg +zoekend langs het _balkenslop_, door de _walmgaten_, ja door de voegen +en naden van het stroodak, alles beroetend en besmeurend. Op den haard +wordt het vuur smeulende gehouden in de asch, en eerst wanneer gloed +noodig is, word het tot nieuw leven opgewekt. Zoo wordt naar aloude +zede bewaard het eeuwige haardvuur. + +Vóor den haard, op de deel, worden de feestgelagen gehouden; daar +wordt het bruiloftsmaal gevierd; daar wordt lustig gedanst op het +oogstfeest; ... daar, in de gemeenschap van mensch en vee, op het +tooneel van het roerige, bonte alledaagsch-leven, wordt ook het lijk +ter schouw gelegd. Maar de gewichtigste en schoonste handeling van +het privaatleven, de blijde inkomst der bruid, het binnenleiden der +jonge huisvrouw in haar nieuwe huisgenootschap en het tooneel harer +huiselijke bezigheid,--die plechtigheid wordt bij den haard zelf +gevierd. Zij is van groote kultuur-historische beteekenis er in haar +bleef voortleven een der schoonste en zinrijkste handelingen van het +Indogermaansche bruiloftsritueel. De bruid--naderhand de meid--wordt +om den haard geleid ten teeken, dat zij daarvan bezit neemt; zij wordt +_gehaald_. Op dit gebruik kom ik in het Derde hoofdstuk (Privaatleven) +nader terug. Hierbij spelen ook de haal en de haalketting een voorname +rol, die aan de _wendezûle_, een zware, rechtopstaande stijl met +dwarsbalk, hangt. Aan de haal, die hooger en lager kan gesteld worden, +hangt de ketelhaak met den grooten ketel. + +Bij de groote, eigenlijke hoeve bevinden zich veelal binnen een +omwalde of omheinde ruimte nog een hooischuur, meestal van hout, +met riet gedekt, dan een wagenschuur, een korenschuur (_het spîker_), +kalverstallen, bergplaatsen, varkenskotten, bijenschuur, waschhuis, +bakhuis enz. + +Over een reusachtige uitgestrektheid van de Germaansche laaglanden is +dit type verspreid, omvattend de Saksische gouwen benoorden een lijn, +die van af de Maas--naar het heet nabij Venloo--in oostelijke richting +loopt en haar weg vervolgt over het Rothaargebergte. In Nederland--en +op Nederland past het boven beschreven type in de eerste plaats--vindt +men dezen huisvorm in het Oosten van Groningen, in Oost-Drente, +Overijsel, Gelderland, Utrecht, een groot deel van Zuid-Holland en +Limburg. Het zuiverste en meest archaïeke type vindt men in Twente +en den Achterhoek van Gelderland, Drente en Westerwolde; elders komen +verschillende varianten voor, ten deele onder te bespreken. + +Een eigenaardig type treft men te Staphorst en Rouveen aan +(bl. 21). Gallée beschrijft dit type (Het Boerenhuis bl. 39 vlg.), +dat ook beoosten de Boorne, in een deel van Friesland gevonden +wordt, als een gemengd-Friesch type, en geeft het den naam van +"Zuiderzee-type". Zeker vallen hier Friesche bestanddeelen +waar te nemen. Maar op beslist Saksisch karakter wijst toch de +vrijliggende haard, de lange, ruime deel en de _banderdeur_. Thans +is de woning veelal van de schuur gescheiden door een _middelschot_ +met _middeldeure_ of _milldeure_. + +Men vindt dezen bouwtrant ook nog in het Gooi, bij Bussum, Hilversum, +Laren, Blaricum, Soest, de Vuursche. Volgens J. Claerhout, Biekorf +XXIV, bl. 312 komt de Oudsaksische bouworde mede in de Kempen voor. + +_b_. Voor Twente vormt de Regge de westgrens van het zuivere, +onvermengde type. Westelijk van de Regge heeft men al vroeg een +scheidsmuur tusschen dorschvloer en woning, tusschen den koestal en +de bewoners opgericht. Op dezen scheidsmuur rust dan soms een zeer +lage zoldering boven het woonvertrek. Het hooi wordt hier geborgen in +afzonderlijke hooischuren of _hooibergen_. Deze bestaan uit vier of +vijf zware palen, de _bergroeden_, welke door een vierkant of vijfkant +dak steken, verplaatsbaar, van hout gemaakt en met riet gedekt. + +De haard wordt verlegd naar den scheidsmuur of naar de keuken. De +ingang tot de keuken is nu eens in een gang, die van de voordeur tot +de deeldeur doorloopt, dan weer door een klein portaal. Aan de eene +zijde van de keuken is de opkamer, aan de andere een slaapplaats voor +de volwassen dochters. + +Dit type komt met belangrijke wijzigingen hier en daar ook in +Noord-Brabant voor, b.v. in het land van Heusden en in de Langstraat. + +_c_. "Ook in het noorden van Limburg, beoosten de Peel en ten noorden +van Tegelen, wordt een huistype gevonden, dat hiermede overeenkomt ..., +nergens echter met een hooiberg, noch met een dorschvloer in dezelfde +schuur met de koeien. Schijnbaar is er volkomen overeenkomst, doch +de langdeel ontbreekt en in de plaats daarvan heeft men een koestand +met mestvaalt en een gang voor den koestand langs den zijmuur. De +groote schuurdeur in den achtergrond geeft toegang tot de mestvaalt +en geeft gelegenheid om in te rijden met hooiwagens ten einde het +hooi boven de koeien te bergen. In een schuur achter het woonhuis is +de dorschvloer en daarboven de bergplaats voor koren, hooi en andere +gewassen ..." Aldus Gallée, Het Boerenhuis, bl. 57, 58. + +De uitdrukking "in het noorden van Limburg, beoosten de Peel en ten +noorden van Tegelen" kan ik niet beamen. Ik ontken niet het bestaan +van enkele hoeven, die dezen vorm vertoonen, benoorden Tegelen b.v. te +Well, Bergen, Gennep enz. Maar dit is een groote zeldzaamheid. Uit +autopsie weet ik, dat de gewone huisvorm in de omstreken van Venloo, +te Velden, Grubbenvorst, Horst, Arcen, Well, Wellerlooy, Bergen, +Afferden, Heijen enz. de Keltisch-Frankische is, reden, waarom ik +hierbij afzonderlijk een grondplan geef der boerenwoning van Venloo +en omstreken. Gallée geeft ook slechts één voorbeeld, n.l. een huis +te Gennep (pl. XIX, 3--5, pl. XXII, 8, 9). + +Bij Willi Pessler, Das altsächsische Bauernhaus in seiner +geographischen Verbreitung (Braunschweig 1906), vind ik overeenstemmend +met mijne bevindingen bl. 137: "Jenseits der Maas in der holländischen +Provinz Limburg bei Venloo und Roermond finden sich keinerlei Anklänge, +sondern nur langgestreckte Wohnbauten, in denen Stuben, Viehstall, +Diele von einem Giebel bis zum anderen aneinander gereiht sind". Dan +stelt hij zich de vraag, bij welk Duitsch dorp beoosten Venloo de +huisgrens dan wel eigenlijk begint? Hij komt tot de slotsom, dat +wij "Gladbach, Hinsbeck und Leuth (alle Kreis Geldern) getrost mit +dem Zeichen des ausgestorbenen sächsischen Bauernhauses bezeichnen +können". Ik geloof, dat wij voor de dorpen benoorden Venloo tot +een zelfde konklusie kunnen komen. Wij bevinden ons hier in een +Saksisch menggebied, zooals de taalgrenzen uitwijzen; hierop kom +ik nader terug. Maar de Saksische bouwtrant mag men in deze streek +grootendeels als uitgestorven beschouwen. + +_d_. Een laatste type is het T-huis of dwarshuis, in Noord-Brabant +_krukhuis_ genoemd. Hier is de schuur, die wat inrichting der +stijlen en van het dak, verdeeling der stalruimte en plaatsing van +deur betreft, met het hallehuis groote overeenkomst vertoont, in een +zijgevel ondergebracht, waarvan de dakspar met die van het woonhuis +een hoek van 90 graden vormt. Men vindt deze huizen langs Rijn, +IJssel en Vecht. In de Betuwe is het de meest voorkomende vorm; vrij +veelvuldig is hij ook in het land van Maas en Waal en in de Langstraat. + +2. Het _Friesche type_. + +_a_. De Friezen beschouwen als het voornaamste gedeelte hunner hoeve +de bewaarplaats van het hooi. Daar veeteelt en zuivelbereiding het +hoofdmiddel van hun bestaan uitmaken, is ruime hooiberging op de +allereerste plaats noodzakelijk. De hooiberg vormt dus het middelpunt, +waaromheen zich stalling, dorschvloer en melkerij groepeeren. + +Hij verheft zich in het midden van een vrijwel kwadraatvormig +grondplan. Tusschen vier zware kapstijlen wordt het hooi hoog tot in +den nok opgetast, zoodat de lage, vierkante onderbouw door een hoog +rieten- of pannendak in den vorm eener pyramide wordt bekroond. + +Dit viervakkig dak is het _stelpdak_, vanwaar de benaming: stelphoeve. + +Waar de landbouw wordt uitgeoefend, die ruime berging van veldvruchten +en ruime dorschvloeren vereischt, daar neemt de schuur zeer groote +afmetingen aan. Aldus in Groningen en Friesland. Maar overal vindt +men hetzelfde grondbeginsel: de stapel, hooi of veldvruchten, vormt +het vierkant, waaromheen alles gelegen is. + +De stijlen, _stenders_ of _zûlen,_ worden twee aan twee verbonden +door balken en onderling door twee dwarsleggers. Elk samenstel van +twee stijlen met een balk wordt een _bint_ genoemd. De ruimte binnen +vier van zulke stijlen heet het _vierkant_ of _vak_, in Friesland en +oostelijk _de golf_, in Noord-Holland _de tas_. Is éen vierkant niet +voldoende, dan worden de vakken vermeerderd en de schuur krijgt een +langwerpig uiterlijk (Gallée, Het Boerenhuis, bl. 17, 18). + +Men heeft wel eens beweerd, dat het Friesche type zich uit het +Saksische heeft ontwikkeld, en wel door de deel met oogstgaven (hooi, +vruchten) te vullen en van wege het grootere brandgevaar huis en schuur +scherper te scheiden. Wat hiervan zij, dit eene staat vast, dat beide +typen in vroegere tijden veel dichter bij elkaar stonden. Bij het +Friesche type mist de boer het overzicht over het geheel, maar bij +de hoogopgevoerde ekonomische eischen is althans schijnbaar de vorm +van het éen-huis gered. + +Dit type wordt aangetroffen in geheel Oost-Friesland, in Groningerland +en Noord-Holland tot even ten zuiden van Amsterdam. Verder in het +zuiden van Zuid-Holland (Alblasserwaard, IJselmonde, Beierland, Voorne, +het Dortsche eiland) en in den Zevenbergschenhoek in Brabant. Enkele, +en wel vrij oude vormen van dezen bouwtrant, vindt men in Zeeland. + +Wat de stalling betreft dient te worden opgemerkt, dat het vee met den +kop naar den muur staat--dus omgekeerd als op de Saksische hoeve--en +met de achterzijde naar de stalgang. Elke koe, of elk paar koeien, +heeft een door planken of balken gescheiden stand. Het licht valt door +kleine venstertjes, veelal van gordijntjes voorzien. De zindelijkheid +is overal bepaald voorbeeldig te noemen. De meeste boerderijen hebben +een reusachtigen melkkelder, thans zoo goed als overbodig, daar de +bewerking der melk meestal in de centrifuges plaats heeft. + +De dorschvloer heet in Noord-Holland de _darsch_. Aan de keuken, waar +de groote schouw is, geeft men in Friesland den naam van _pîzel_: +eigenlijk was dit de naam van de groote hang of schouw zelf, Latijn +_pensile._ Bij den Frieschen huisvorm in Duitschland beduidt _pêsel_ +de woonkamer of feestzaal. + +Voor België vind ik hieromtrent bij Claerhout, Biekorf XXIV, bl. 313 +na de beschrijving van het Friesche type het volgende: "Zulke +Friesche hofsteden zijn er in Westvlaanderen niet te vinden, maar +de Westvlaamsche bergschuur, hier en daar nog te zien, namelijk te +Leffinghe, te Snaeskerke, te Steenkerke, te Heyst en te Ramskapelle +en wellicht elders, moet ook door Friezen gebouwd zijn, want zij +vertoont de gedaante eener Friesche hofstede; 't en is maar de woning +van den boer die er in te kort is." Een grondig onderzoek in deze is +m.i. noodzakelijk en kan tot hoogst belangrijke resultaten leiden. + +_b_. Terwijl het type der eigenlijke Stelphoeve vrij zuiver in +Noord-Holland, met name in de Streek, wordt aangetroffen, vindt men in +Friesland en Groningen meestal het gewijzigde type van "de hoeve met +de lange schuur". Hier is het vierkant tot een rechthoek verlengd, +terwijl woning en schuur niet onder één dak zijn vereenigd. Het +woonhuis is daar met de schuur door een smal dwarshuis verbonden, +dat zich uit de verbindingsgang heeft ontwikkeld, of de woning is +dwars vóor de schuur gebouwd. + +Van de eilanden heeft Terschelling het Friesche type. Ameland +is daarentegen geheel afwijkend; óok in taal en kleeding komen de +bewoners het meest met die van Holland om Amsterdam overeen. + +3. Het _Frankisch-Keltische of langgevel-type._ + +Hoofdbeginsel is hier, dat de afzonderlijke deelen van het huis naast +elkaar liggen. Bij den voorgevel begint het woonhuis; dan komt de +voorstal, de koestal, de deel (veelal _den_ geheeten), de schuur +of bergplaats voor hooi en stroo, en de _schop_ of bergplaats voor +gereedschap en brandhout: dit alles achter elkaar zich aaneenrijend, +en gescheiden door wanden, die loodrecht op den langgevel staan. + +Gewoonlijk is de hoofdingang een kleine deur, die even om den hoek +in den langgevel is aangebracht. Maar men vindt ze toch ook in den +gevel der smalle zijde. Hierdoor komt men in de keuken of voorhuis, +veelal ook kortweg _het huis_ of _de heerd_ genoemd. Hier is de +stookplaats onder de groote schouw, waaraan de draaiboom met den +haalketting is. Hieraan grenzen opkamer, kelder, waschhok (_stort_) +enz. Van het voorhuis komt men in een smalle gang, den zoogenaamden +_voorstal_, in welks muur aan de stalzijde een soort venster is +aangebracht, waardoor de koeien gevoederd worden. De zich hier +aansluitende koestal is diepliggend en niet geplaveid. Woning, stal, +deel enz. hebben alle afzonderlijke, meest groen geverfde deuren, +naast elkaar in den langgevel gelegen. Het groot aantal deuren in +den langgevel is reeds, van verre gezien, een duidelijk kenteeken. De +ligging der verschillende lokaliteiten is in ekonomisch opzicht hoogst +onpraktisch en werkt vooral storend bij groot bedrijf. Ook laat de +zindelijkheid vaak te wenschen over. + +Huizen met dit grondbeginsel en deze rangschikking vindt men +bezuiden Maas en Waal door geheel Limburg en Brabant, behalve +in den Zevenbergschen hoek. In het Zuiden van Limburg heeft een +ander type de overhand, zooals wij zien zullen. Dan treft men het +sporadisch aan langs de zeekust: te Loosduinen, Wassenaar, Noordwijk, +Castricum enz. Noordelijk van de Waal vindt men het, volgens Gallée, +Het Boerenhuis, bl. 63, hier en daar in de Betuwe, benoorden den Rijn +langs den Veluwezoom, verder bij Amerongen, Bunnik, Utrecht, Harmelen, +Woerden. Dan nog verspreid in het Gooi, bij Amersfoort en eindelijk +bij Harderwijk, Nunspeet en op de Veluwe, o.a. bij Kootwijk. Bij de +westelijke vertegenwoordigers van dit type is somwijlen een groote +of kleine schuur bijgebouwd, waarin dorschvloer en wagenbergplaats +en varkenskotten. + +_b_. Bij het Zeeuwsche type (Zeeland en het eiland Flakkée) zijn haast +overal huis en schuur gescheiden. De woonhuizen hebben nagenoeg alle +den ingang in den vlakken gevel. De schuren zijn van hout en vrij +groot. De schuurruimte bestaat uit eenige _winkels_ of _tassen_ voor +de veldvruchten. Daartusschen zijn de dorschvloeren, en vlak hierbij +de koe- en paardenstallen. + +Het dak komt in konstruktie veel met het Brabantsche overeen: ook +hier wordt de daknaald door de sporen gedragen. + +Hoogstwaarschijnlijk is deze bouwtrant van Keltischen oorsprong. Het +type sluit zich in plan en konstruktie van den opstand aan bij +huisvormen, die men in Frankrijk en ook in Engeland, Schotland en +Ierland vindt. In België heeft dit type onbetwistbaar de bovenhand, +men vindt het in Vlaanderen, Antwerpen en Brabant, maar vooral in +Belgisch Limburg. + +Het is dan ook geenszins te verwonderen, dat deze huisvorm in +Noord-Nederland juist in die streken wordt aangetroffen, waar wij +de Keltische grondlaag der bevolking hebben aangetoond, met name in +Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe en op de Veluwe. Ook de taal +vertoont hier Keltischen inslag. + +4. Het _Frankisch-Romeinsche type_, of de "Zuidlimburgsche hoeve" +begint in Hollandsch Limburg bezuiden Venloo. + +De rangschikking der gebouwen is als volgt: de hoeve in haar geheel is +steeds omgeven door een muur met een ingang en enkele vensters aan de +zijde van den grooten weg. De gebouwen liggen om een rechthoekige, +ongedekte mestvaalt. Vlak om deze loopt de _luif_ (vgl. luifel), +d.i. de gang, die zich onder het overhangend dak, de eigenlijke _luif_ +bevindt. Rechts van de opvaart of oprit ligt meestal het woonhuis; +dan volgen de stallen. De achterzijde dient als schuur, de linkerzijde +als stal en bergplaats. De weg van den ingang naar de schuur loopt +voor de oogstkar dwars over de mestvaalt. + +Het geheel is opgetrokken in steen; veelal is de bovenbouw van houten +vakwerk met steenen er tusschen. Somtijds bestaan de muren uit vakwerk +met vlechtwerk van takken en leem aangevuld. De meeste kamers zien op +de binnenplaats en zijn zeer eenvoudig; een enkele pronkkamer heeft +ramen aan de straat. + +Het ruimst treft men dit type aan bij de groote boerenhoeven, de +zoogenaamde "pachthoeven". De kleinere hoeven daarentegen behelpen +zich vaak met de beide dwarsgebouwen en begrenzen de mestvaalt door +een _schop_. + +Ook in Belgisch Limburg is dit type sterk verspreid; volgens Claerhout, +Biekorf XXIV, bl. 312, wordt het verder aangetroffen in Oostvlaanderen, +Brabant, Henegouwen, Luik en Namen. Voor het Zuiden van Westvlaanderen, +b.v. Kortrijk, vind ik hiervan de bevestiging bij Johan Winkler, +Oud Nederland ('s-Gravenhage 1888), bl. 112. + +Het uitzicht dezer hoeven lijkt Herm. van der Kloot Meyburg, Onze Oude +Boerenhuizen (Rotterdam 1912), veelal onvriendelijk, "de binnenplaats +daarentegen is, ondanks haar onzindelijkheid, zeer aantrekkelijk. De +gevels zijn hier zeer afwisselend samengesteld; niet alleen, dat +zij van vele raam- en deuropeningen zijn voorzien, doch ook de aard +hunner constructie is zeer gemengd. Vakwerkbouw en massief muurwerk +van bak- of groepsteen werden gelijktijdig toegepast, waardoor het +schilderachtig karakter ten zeerste wordt verhoogd. Bovendien strekt +het dak, dat op zware karbeels rust, ver over.... De muren zijn +geheel of gedeeltelijk gepleisterd en doorgaans lichtblauw getint; +overigens zijn de kleuren weinig sprekend" (bl. XXII). + +Deze bouworde is sterk verspreid in Midden- en Zuid-Duitschland en +strekt zich uit van den Midden-Rijn tot in Silezië en Zevenburgen. Of +de Romenische villa hier als model gediend heeft? Een treffende +overeenkomst is zeer zeker niet te ontkennen: de gebouwen zijn +gerangschikt om de mestvaalt evenals bij de Romeinen om het +_compluvium_. Verder is het merkwaardig, dat juist in Zuid-Limburg +verscheidene Romenische _villa's_ zijn opgegraven, zoo b.v. in 1870 +door Habets op het plateau "op den Billich" ten Zuiden van Haasdal, +gemeente Schimmert, en door Dr. W. Goossens en Dr. J. H. Holwerda +bij den Heihof en bij het Ravenbosch bij Valkenburg. Van de +inrichting dezer laatste hoeve geven genoemde geleerden in de +Oudheidkundige Mededeelingen van het Rijksmuseum van Oudheden te +Leiden II (1908), bl. 34 het volgende zeer duidelijke overzicht: +"Door de smalle vestibule den geplaveiden hoofdingang binnentredende +staat men in den noordwesthoek van een hof, die links en rechts +door zijvertrekken begrensd wordt, terwijl het geheel door eene +breede achtergalerij wordt afgesloten; deze laatste staat dan nog +in verbinding met een klein bijgebouwtje. In den hof zelf heeft men +onmiddellijk links een afdak en daarop volgend eene afgeschoten ruimte +in den noord-oosthoek; vóor dat afdak ligt de mestvaalt en daarachter +bevindt zich nog een afsluitingsmuurtje. Recht achter den ingang ziet +men den toren, en daarachter toont nog een smal plaveiseltje door de +achtergalerij de plaats van een achteruitgang van het gebouw" (bl. 34, +35). Zeer onlangs, van 1911-'13, werden door dezelfde oudheidkundigen +opgegraven en onderzocht de overblijfselen der villa Vlengendaal, +gemeente Bocholz. + +Over het grondtype der Romeinsche _villae_ vindt men een uitvoerige +beschrijving van de hand van Dr. J. H. Holwerda in Elzeviers +Maandschrift 1907. + +In weerwil van de vele punten van overeenkomst is het niet onmogelijk, +dat andere faktoren op den bouwtrant der Zuidlimburgsche hoeven hun +invloed hebben doen gelden. Zulke faktoren kunnen volgens Dr. Goossens +geweest zijn: de wijze van exploitatie van een groot domein door +lijfeigenen, vrijheids- en veiligheidsoverwegingen, en vooral de +konstruktie der Lombardische kloosters. + +De inrichting van de huizen, de versiering der gevels, de aesthetische +waarde der verschillende bouwvormen enz. bespreken wij in het Vijfde +Hoofdstuk, dat gewijd is aan de Volkskunst. + + + +IV. Volkstypen en Kleederdrachten. + + +1. Het somatische volkstype. + + +Het spreekt wel van zelf, dat men het type der oorspronkelijke bewoners +het zuiverst ten platten lande aantreft. De vermenging met vreemd +bloed is het sterkst geweest en is dit nog in de groote steden. Ook +zijn historische momenten in deze van grooten invloed geweest; laat ik +slechts wijzen op Spanje,--al is de bewering onjuist, dat de Zeeuwsche +bevolking haar donker uiterlijk aan een vermenging met Spaansch +bloed te danken zou hebben--"mariage de la neige et du soleil"--en +op de Fransche uitgeweken Protestanten. Somatisch en maatschappelijk +nemen ook de Israëlieten, ofschoon sinds lang staatsrechtelijk en +burgerrechtelijk met de overige ingezetenen van de Nederlanden volkomen +gelijkgesteld, nog steeds een eenigszins afgezonderde positie in. + +Zooals wij hebben aangetoond, behoort de bevolking van Nederland voor +het meerendeel tot het Teutonische of Germaansche en tot het Alpine +of Keltische ras. + +Het Teutonische ras is langhoofdig (dolichocephaal), lichtblond van +haar, grijs-blauw van oog en rijzig van gestalte. Het Alpine ras +is korthoofdig of rondschedelig (brachycephaal), donkerblond tot +zwart van haar, bruinoogig, en meer middelmatig van lichaamsbouw: +over het algemeen is dit ras sterker gepigmenteerd. Daar nu juist +de pigmentatie zich het best van de drie kenmerken tot een globaal +overzicht bij een rassenonderzoek leent, heeft Prof. Bolk te dezen +einde in de verschillende provincies van Nederland gegevens verzameld +omtrent het voorkomen der onderscheiden oog- en haarkleuren. Zijne +resultaten heeft hij neergelegd in de Verslagen der Koninkl. Akad. van +Wetenschappen te Amsterdam, 5 Mei 1904, en in Gallée's meermalen +aangehaald werk over het Boerenhuis in Nederland, Bijlage III, bl. 12 +vlg. Wij ontleenen hieraan het volgende. + +Het lichte oog is in het Noorden van ons land het talrijkst, en naar +het Zuiden toe ziet men dit allengs minder talrijk worden, om in de +beide meest zuidelijke provinciën--Limburg en Zeeland-- het minimum +te bereiken. Hand in hand daarmede neemt in zuidelijke richting de +bruinoogigheid toe. Ten opzichte van dit verschijnsel kan men het +land in drie zònen verdeelen. De vier noordelijkste provinciën hebben +gezamenlijk 79.1 procent lichtoogigen, de vier provinciën, die de +middelzône innemen, 69.9, en de drie zuidelijke provincies gezamenlijk +gemiddeld 60.5. Vergelijkt men met deze cijfers de vermindering der +blondharigen, dan blijkt het, dat deze beide verschijnselen vrijwel +evenwijdig verloopende reeksen vormen, n.l. de noordelijke zône staat +bovenaan met 80 procent blondharigen, dan volgt de middelste met 72.2, +dan de zuidelijke met 64.2. Duidelijkheidshalve zij nog vermeld, +dat de noordelijke zône omvat de provincies Groningen, Friesland, +Drente en Overijssel; de middelzône Gelderland, Utrecht en Holland; +de zuidelijke Limburg, Brabant en Zeeland. De totale vermindering +aan lichtoogigen bedraagt dus 18.6%, aan blondharigen 15.7%. + +Ter vergelijking volge hier een staatje, waaruit blijkt, hoe ook in +Duitschland het blonde type van het Noorden naar het Zuiden afneemt. De +pigmentatie van haar, oog en huid is hier gezamenlijk genomen. + + + Noord-Duitschland 43-33% blondinen, 12-7% brunetten + Middel-Duitschland 32.5-30% ,, 18-13% ,, + Zuid-Duitschland 24.5-18.4% ,, 12-7% ,, + + +Uit het hooge percentage aan brunetten in de zuidelijke zone van ons +land blijkt ook weer, dat de bewoners van Noord-Brabant, Limburg, +zuidoostelijk Gelderland en Zeeland een eenheid vormen, welke geen +andere is dan de eenheid van het Alpine ras. Deze bevolking zet zich +ook in België voort tot op het plateau der Ardennen. + +Nu zou men verwachten, dat met het brunettengehalte ook de +brachycephalie in zuidelijke richting zou toenemen; immers het +Teutonische ras is lang-, het Alpine rondhoofdig. Maar de verandering +in den _index cephalicus_ (die de verhouding aangeeft van de lengte +tot de breedte van het hoofd) blijkt bijna geheel onafhankelijk van de +veranderingen in het brunettenpercentage; terwijl het brunettengehalte +in zuidelijke richting toeneemt, neemt de brachycephalie toe in +oostelijke richting. Deze toestand is dus niet primair: de noordelijke, +blonde bevolking is rondhoofdig, en de donkere rondhoofdige bevolking +van de zuidelijke gewesten is meer langhoofdig geworden. Prof. Bolk, +De Bevolking van Nederland t.a.p. bl. 182 vlg. verklaart dit zóo, +"dat een uit het Oosten afkomstig volkstype, dat blond en rondhoofdig +is, zich gemengd heeft met de oorspronkelijke langhoofdige bevolking +onzer Noordelijke provinciën, en de geschiedenis leert ons, dat +deze volksstam de zoogenaamde Saksen waren." Wat nu deze Saksen +betreft, "een ding kan men wel als vaststaand beschouwen, dat +zij anthropologisch niet als zuivere Teutonen of Germanen zijn te +beschouwen. M.i. komt eene verwantschap met de Slavische bevolking +van het westelijke en middelste gedeelte der Noord-Duitsche laagvlakte +veel meer in aanmerking" (bl. 185, 186). + +Dat de tegenwoordige bevolking van Zeeland langhoofdig is geworden, is +te danken aan de vermenging van het alpine type met het Teutonische, +nl. met de Friezen. De fusie is echter eerst na 1500 tot stand +gekomen. "Deze kruising mag vooral door de kombinatie van het bruine +oog met het lang ovale aangezicht een zeer gelukkige genoemd worden. De +Zeeuwsche bevolking geldt met recht als een der schoonste van Europa". + +Laat ik hier ten slotte nog aanstippen, dat volgens Prof. Bolk het +Germaansche type het zuiverst bewaard is gebleven in de dorpen Katwijk +en Noordwijk, misschien in 't algemeen in de visschersbevolking van +onze Hollandsche Noordzeekust, en het Alpinetype in de omstreken +van Venlo. Het wil mij echter voorkomen, dat de frekwentie van het +brunette type in Zuid-Limburg veel grooter is. Wellicht komt hier +echter de invloed der Romaniseering in het spel. + +Ook in België neemt volgens Léon Vanderkindere, Recherches sur +l'Ethnologie de la Belgique (Bruxelles 1872), het brunette type van +het Noorden naar het Zuiden aanmerkelijk toe. Het hoogste percentage +aan lichtoogigen en blondharigen heeft de provincie Antwerpen. + +Wat den lichaamsbouw betreft kan men België in drie zônen verdeelen. De +eerste omvat West- en Oostvlaanderen; de tweede Antwerpen, Limburg, +Brabant en Henegouwen; de derde Namen en Luxemburg. Het percentage der +personen met rijzige gestalte neemt regelmatig toe van Noord naar Zuid. + + + +2. Het psychische volkstype. + + +De hoofdkaraktertrek van het Noordnederlandsche volk is wel het +flegmatische, het bedaarde. Dit begrip van bedaard "lost zich op in +de termen: bedachtzaam in het overleggen, langzaam in het handelen, +koel in voorspoed, geduldig in tegenspoed, volhardend bij weerstand, +niet hartstochtelijk in het ongeluk, niet druk onder het genot": +R. Fruin en S. L. Vissering, Het Karakter van het Nederlandsche volk +(zie Algemeene Statistiek van Nederland II, 3), bl. 7, 8. + +Deze eigenschappen hebben aan het Nederlandsche volk den roep +bezorgd van betrouwbaarheid, bezadigdheid en deege degelijkheid. Maar +ontaarden zij tot gebreken en ondeugden, dan slaan zij licht over +tot traagheid, stroefheid, stijf- en stijfhoofdigheid, of ook tot +flauwheid en Jan-Salie-geest. + +De Noord-Nederlander is bedachtzaam, zelden gehaast, meer man van ernst +dan van fantasie; tot doortastende maatregelen is hij niet dan in den +uitersten nood bereid. Het kost hem moeite zich over partikularisme +en provincialisme heen te zetten. Ondernemingsgeest is hem niet +vreemd--de geschiedenis getuigt het--maar hij gaat niet graag over ijs +van éen nacht: van grootsche plannen is hij huiverig, en volgen is +hem liever dan voorgaan. In alles toont hij nuchterheid, zuinigheid +en overleg; en dit bezadigd overleg, deze koele berekening, al voert +zij somswijlen tot trekschuit-sympathieën, geeft hem doorgaans taaie +vasthoudendheid en vooral zelfvertrouwen en zelfstandigheid. Vandaar +zijn sterk ontwikkelde praktische, persoonlijke vrijheidszin, die +zich liefst zoo min mogelijk om wet of regel bekreunt, en daarom niet +zelden in bandeloosheid ontaardt. + +Eenvoud van zeden, godsdienstzin en huiselijkheid kenmerken over het +algemeen de Nederlandsche natie. De zindelijkheid in het beheer van +woning en huisraad heeft wel vooral haar grond in de vochtigheid van +het klimaat, dat die zorg noodig maakt; bodem en luchtgesteldheid nopen +tot het leven in besloten kring en kweeken zin voor huiselijkheid. De +vele behoeften, door het leven geschapen, eischen voortdurende +inspanning en zijn drijvende prikkels tot gestadige werkzaamheid. + +De hoofdscheidslijn in karakter en volksaard ligt tusschen Noord +en Zuid, en hiermee bedoel ik niet alleen België, maar ook de +zuidelijke gedeelten van Nederland. Ook hier openbaart zich krachtig +de eenheid van stam, met haar Keltisch-Frankischen ondergrond of +inslag. Bedachtzaamheid en bezadigdheid ruimen hier de plaats voor +luchthartige zorgeloosheid, die vaak tot laksheid en lichtzinnigheid +overslaat. In het Zuiden vindt men meer geestdrift en bezieling, +meer durf en ondernemingsgeest, maar ook meer vermetelheid, +wispelturigheid en ras getogen zelfvergenoegdheid. Het leven is er +meer expansief, de gastvrijheid ruimer, het verkeer gemoedelijker, +de toon inniger, de vreugde luidruchtiger, niet zelden leidend tot +uitgelatenheid en buitensporig genot. Wij zochten de diepliggende +oorzaak van dit verschil in het stamkarakter; daarbij mag men echter +ekonomische, historische en religieuze invloeden niet uit het oog +verliezen. Handel en nijverheid geven het volkskarakter een scherpe +plooi; het zeemanswezen noopt zoo niet tot doortastendheid, dan toch +tot degelijkheid en energie, terwijl de landbouw--lokaal bedrijf bij +uitstek--behoudlievende gezindheid schenkt en gehechtheid aan oude +gewoonten, zeden en overleveringen. De nederzetting in afzonderlijke +hoeven kweekt zelfs niet alleen aanhankelijkheid aan eigen bodem, maar +leidt in tegenstelling met het krachtig-uitbottend gemeenschapsgevoel +der akkerdorpen, tot verregaand partikularisme. Op het kweeken +van den eigenaardigen zelfstandigheids- en vrijheidszin met name +in de Hollandsche, Zeeuwsche en Vlaamsche gewesten is ook wel van +invloed geweest de vroegtijdige ontwikkeling der vrije steden met +haar zelfstandig bestuur. De inwerking der religie blijkt b.v. uit +de tegenstelling der min of meer sombere levensopvatting van den +streng-Calvinistischen Veluwenaar met de blijde levenslust van den +katholieken Limburger of Brabander. Zoo is ook de bevolking van het +streng-protestantsche Marken ernstig en stug, die van het katholieke +Volendam jolig, opgewekt en vroolijk. + +Maar ook elke stam, hoezeer vermengd, behoudt zijn eigenaardig cachet, +stamkarakter, dat spreekt uit het gelaatstype. Weinig sprekend--het +is waar--is over het algemeen het Friesche gelaatstype; maar de +gedecideerde trek om den ietwat breeden mond en het terugwijkende van +de breede kin verraadt toch vrij sterk die beslistheid, die vastheid +en vastberadenheid, welke, tot stugheid en onbuigzaamheid aangescherpt, +spreekwoordelijk werd. + +De Sakser is meer terughoudend, ook stroever en hoekiger, en hoekigheid +van gelaatsvorm is dan ook kenmerkend voor het type. Daarbij geven de +sterk ontwikkelde beenderen en het naar verhouding breede bovenhoofd +den indruk van wilskracht en van zelfbeheersching, die zich ook in +soberheid van woorden uit. Sober, terughoudend, berekend, eenigszins +wantrouwend en wantrouwen wekkend is de Tucker bovenal. De somberheid +en geslotenheid van het halle-huis heeft zonder twijfel zijn invloed +op de bewoners doen gelden, maar niet minder de huiselijke innigheid, +die deze woningsvorm kweekt en openbaart. Want moge het Saksisch +karakter weinig rimpeling vertoonen aan de oppervlakte, het meet +groote diepte en bergt een schat van zonnewarmte.--In de plaatselijke +nuances weerspiegelt zich de verscheidenheid van het landschap: guller, +goedhartiger, meer open is het karakter van den Graafschapper, stoerer +dat van den Twentenaar, stijf en afgemeten de bevolking der Drentsche +veendorpen; daarentegen stoelt de levendige en beweeglijke aard der +kolonisten ten oosten van den Hondsrug op grooter internationaliteit +van herkomst. Harmonie tusschen landschap en bewoners vindt men ook bij +de sobere, stemmig, bij voorkeur donker gekleede, kalme Veluwenaars te +midden van hun schrale heidevelden, en dat bij al de rasvermenging, +waarvan de Veluwe getuige was. Zie ook de karakterschets van den +Veluwenaar door Mr. C. A. Nairac, in zijn aantrekkelijk boekje: +Een oud hoekje der Veluwe (Barneveld 1878), bl. 88 vlg. + +Sterk gedifferentieerd is vooral het Frankisch karakter. Wat ik van +het Noordnederlandsche karakter in het algemeen gezegd heb, is voor +het meerendeel meer in het bijzonder op het Hollandsch-Frankische type +toepasselijk, en dit laatste heeft zich tengevolge van het staatkundige +en godsdienstige overwicht van Holland--zij het ook maar officiëel--min +of meer op de geheele natie afgedrukt. In Zeeland teelde de kruising +van het blondine met het brunette type innigheid van temperament tot +dolle hartstochtelijkheid toe, maar bezonken tot duurzaamheid van +affektie. Spreekwoordelijk is ook Zeeuwsche rondheid, en niet ten +onrechte. Konservatisme gaat gepaard met frisschen ondernemingsgeest, +terwijl het stille element durf en ondernemingsgeest schonk. De +Zeeuwen vormen als het ware de schakel tusschen Westvlamingen en +Hollanders, en bij het zien van deze en dergelijke karakterketens, +wier schakels door een som van overeenkomsten worden verbonden, +denkt men onwillekeurig aan Joh. Schmidt's golf-theorie. + +Zoo vormen ook weer de Noord- en Zuidbrabantsche Franken den middelterm +tusschen de Frankische kustbewoners en de Limburgsche, Ripuarische +Franken. Gemoedelijkheid voert bij hen den boventoon, de volksaard is +losser, levendiger, in het Zuiden mogen wij zeggen rumoeriger. Met +het Brabantsche type worden de Franken meer gemoedsmenschen, breekt +het sanguïnisch temperament door. In afzonderlijke hoeven voelen +zij zich dan ook niet thuis; steeds scholen zij in dorpen en dorpjes +samen op hun uiterst versnipperd grondgebied. De familiezin is sterk +ontwikkeld, groot de eerbied voor het gezag, de godsdienst omsluit +hen als een hechte band. Zelden verlaten zij hun dorp, want, vertelde +eens een boer uit Wijk, zij beschouwen het als een groot verlies, +ook maar éen dag den klokketoon van hun kerktoren te moeten missen. + +Ik kom eindelijk tot Oost-Brabant, Belgisch en Hollandsch Limburg, +de Lijmers, de Overbetuwe. De Oostbrabanders typeert Dr. Van Ginneken +in zijn Handboek der Nederlandsche taal (Nijmegen 1913) I, bl. 170 met +den geur hunner boekweitvelden: in de verdrukking ietwat dof geworden +zielsparfum.--Maar met dat zielsparfum gaat heel wat welgedaanheid +en een voortreffelijke lichaamskultuur gepaard. Aan vroolijkheid +geen gebrek, evenmin als in het Land van Maas-en-Waal en in de +Overbetuwe. Zijn kulminatiepunt bereikt dit zuidoostelijk karakter +bij de Limburgers, van wie genoemde taal-psycholoog t.a.p. deze fraaie +schets geeft: "De Limburgers zoowel Zuid als Noord, West als Oost, zijn +de Italianen van ons land. Juist als hun oude stamgenooten bij Keulen +aan den Rijn, zijn zij lichthartiger en vroolijker, veel beweeglijker, +veel veranderlijker, maar ook veel rijker van geest dan de Hollanders +niet alleen, maar dan de Noord-Brabanders, Vlamingen en Antwerpenaars +bovendien. Zij hebben veel meer met de Luiker Walen gemeen, die +even wisselend en vol zijn als zij, met evenveel lust in feesten en +optochten, gaarne opgewonden praten bij een glas zwaar rinsch bier: +Lambiek of Maastrichtsch. Daarbij hoort en komt een levendige, dolle +verbeelding, zich uitsprekend in allerlei vertellingen en sagen, +en soms ook wel eens in tamelijk avontuurlijke daden. Veel aanleg +voor zang en muziek. Velen kunnen het den Rijnlander Rückert nazeggen: + + + "Ein denkendes Gefühl, ein innerlicher Sang + Ist alles was ich bin, was mir zu sein gelang." + + +Toch zijn ze verre van oppervlakkig en gewoonlijk veel scherpzinniger +en geestiger dan hun Noordelijke taalbroeders, die ze, fijne +menschenkenners als ze zijn, o zoo graag beetnemen, en bij wie ze dan +wel eens niet zonder reden den indruk van sluwe geslepenheid wekken, +die ze zelf liever als voorzichtige wijsheid betitelen. Veel geleerden +van grooten naam zijn in Limburg geboren en getogen. In Limburgsche +kloosters bloeien mystieke rozen. Ietwat neiging tot chauvinisne en +opvliegende woede ontsieren dezen schoonen aanleg. + +Kortom tegenover de perseveratie of secundaire functie der Hollanders, +wordt het temperament der Limburgers heel en al gedomineerd door de +primaire functie: d.w.z. den oogenblikkelijken indruk. Bovendien zijn +zij óók emotioneel, hoewel ietwat minder dan de Vlamingen, die mede +door hun vlugger bewegelijker activiteit, evenals zij, scherp bij de +kalme Hollanders afsteken". + + + +3. Kleederdracht en versierselen. + + +Op de Tentoonstelling van Nationale Kleerderdrachten in 1878 +te Amsterdam gehouden vond men een merkwaardige verzameling van +hetgeen aan eigenaardige karateristieke kleedij in Nederland nog +voorhanden is. In het Rijksmuseum te Amsterdam zijn de voornaamste +stukken dezer verzameling ondergebracht. Voor de studie van +dit onderwerp verwijzen wij vooral naar Prof. J. H. Gallée, Het +Boerenhuis, bl. 76 vlg (met Atlas); Johan Winkler, Oud Nederland +('s Gravenhage 1888), bl. 105 vlg., 263 vlg.; Dr. J. C. De Kan, +Zeeuwsche Kleederdrachten. Herinnering aan het bezoek van Hare +Majesteit de Koningin en Hare Majesteit de Koningin-Regentes aan het +eiland Walcheren (Middelburg 1894); en Albert Dubois, Types et Costumes +(Bruxelles 1887). Over het algemeen geldt de opmerking, dat de oude, +nationale kleederdrachten hoe langer hoe meer verdwijnen. + +_a_. In Friesland ziet men de korte jas en de korte broek alleen nog +bij volksfeesten. De vrouw uit het volk draagt over hemd en borstrok +_het onderst_, in Noord-Holland, om de Zuiderzee en in Drente _de +kroplap_ genoemd: een vierkante lap, met een gat om het hoofd door te +steken, terwijl op de borst een opening is aan den hals, die met knoop +en lus gesloten wordt. Eigenaardig is de hoofdbedekking. Over de haren +draagt de vrouw een wit mutsje, dan de zwartsatijnen muts, en hierover +het oorijzer. Over het oorijzer ging de groote floddermuts. De lange +floddermuts vindt men nog op de Zuidhollandsche eilanden; in Friesland, +Groningen en Noord-Holland is zij korter en korter geworden. Bewesten +Utrecht vindt men de Noordhollandsche muts met opgeslagen punten. + +Het Friesche _oorijzer_ was oorspronkelijk een ring, zooals nog de +Zeeuwsche benaming "beugel" of "hoepel" getuigt. Inderdaad leeft +in de Friesche oorijzers nog voort de Oudgermaansche hoofdband of +diadeem; dit is bepaaldelijk betoogd door den Frieschen oudheidkundige +J. H. Halbertsma in zijn opstel over Den Ring van Epe, Overijsselsche +Almanak 1849. De oudste vorm der oorijzers was dan ook de volle +ongebroken ringvorm. Deze vorm was wellicht in 1600 nog niet geheel +buiten gebruik gekomen; althans op een afbeelding van Waterlandsch +landvolk uit het jaar 1611 draagt een boerenmeisje nog zulk een +hoofdring onbedekt over haar en voorhoofd; zie L. Splitgerber, +Boerenkleeding omstreeks 1600, in De Oude Tijd 1874. Volgens Winkler +is deze hoofdring tusschen 1000 en 1500 doorgesneden, opengebogen, +waardoor hij werd tot een veerenden, steeds passenden hoofdbeugel. + +Een hoofdring, gevonden bij een grooten _cairn_ in de gemeente +Lumphanan (Aberdeenshire) loopt, zooals Halbertsma in een tweede +opstel: Ringmutsen en Oorijzers t.a.p. 1853, bl. 283 vlg. meedeelt, in +twee geplatte vlakken uit, bestemd om op het voorhoofd te rusten. Deze +uiteinden konden kruisend in elkander haken en versierden aldus +het voorhoofd. Maar toen de mutsen zoo diep daalden, dat zij het +boven-voorhoofd niet meer vrij lieten, moesten deze vlakken of knoppen +ruimte maken. Men deed dit op tweeërlei wijze. Of wel men liet den +hoofdring zijn volle lengte houden, maar hing de uiteinden bij de +ooren schuins naar beneden om: van hier de naam "oorijzer". Deze +wijze was wel de oorspronkelijke; zij karakteriseert het oorijzer +van Groningen en Friesland, en ook in Holland waren blijkens de +afbeeldingen in de XVIIe eeuw nog de smalle oorijzers met omgebogen +punt in gebruik. Thans worden ze nog gedragen door de weezen in het +Burger-Weeshuis van Amsterdam en in het Weeshuis van Delft. Maar men +kon ook--en dit was de latere Hollandsche behandeling--den hoofdband, +tevens verbreed, in een rechte strook laten doorloopen, maar den +geheelen beugel zooveel inkorten, dat de knoppen niet verder dan de +hoeken der oogholten reikten, waardoor het voorhoofd vrij en onbedekt +bleef. In Noord-Holland worden de eenmaal omgebogen gedeelten, vierkant +en plat, aan het breede oorijzer geklonken. Deze vierkante stukken +heeten in Holland _boeken_ of _pooten_, in haakvorm _token_. Men +gaf ze allerlei vormen, allerlei versierselen, als dierenkoppen, +bloemvazen enz. In Groningen en Drente spreekt men van _stiften_, +in Friesland van _knoppen_, in Zeeland van _stikken_. Daar, waar +men de uiteinden omboog, liet niet zelden de weelde zich gelden, de +haken al grooter en grooter te nemen en al meer en meer in te krullen: +vandaar de kegelvormige spiralen, die men aantreft in Zeeland, op de +Zuidhollandsche eilanden en in de streken om de Zuiderzee. + +De naam van het oorijzer schijnt vast verbonden aan den naam van het +metaal, waaruit de oudste ringen vervaardigd werden: het ijzer. Men +hoort ook "hoofdijzer", of kortweg "ijzer". Maar in werkelijkheid +worden ijzeren oorijzers nergens meer gedragen. Thans zijn ze van +koper, verguld koper, zilver of goud. + +Het verspreidingsgebied van het oorijzer is vrij groot. Behalve bij +de eigenlijke Friesche bevolking vindt men het in Zeeland, om de +Zuiderzee, en ook in Drente, waarschijnlijk van wege de Friesche +dracht der marktcentra Groningen en Meppel. In België wordt het +aangetroffen daar, waar men Frieschen inslag vindt, nl. in noordelijk +Oost-Vlaanderen (in het Land van Waas en het Meetjesland), en in het +grootste deel van West-Vlaanderen. + +Bij het oorijzer hoort de naald, oorspronkelijk even veelvuldig als +de haarring; thans wordt ze steeds zeldzamer. Om de Zuiderzee is ze +onbekend. Zij wordt ingestoken en heeft de gedaante van een halven +ring, die om het halve hoofd sluit, hooger dan het oorijzer: smal +aan het achtereinde, dat onder de muts en onder de bladen van het +oorijzer gestoken wordt, breed en plat aan het vooreinde, dat op het +vooreinde uitkomt. Zij is van goud en vaak met edelsteenen bezet. De +naald mag in Noord-Holland en Friesland slechts door gehuwden worden +gedragen. De boerin draagt ze slechts in vol ornaat. Andere, kleinere +naalden worden terzijde van het voorhoofd gedragen. + +Eigenaardig is vooral de Friesche dracht op het eiland Marken. Tot +het zesde levensjaar is er geen verschil in de kleeding van jongens en +meisjes: zij dragen beiden de bonte kleeding der vrouw. Marken heeft +een voorliefde voor bonte, sterk sprekende kleuren, evenals het oude +Hindeloopen. Een jongen is slechts kenbaar aan de cirkelvormige vlak +achter op het mutsje. Het meisje houdt dezelfde kleeding. Maar is zij +grooter geworden en zijn haar eigen haren niet lang genoeg, dan hangt +zij zich twee lange blonde krullen over de ooren. Voorliefde voor het +bonte vindt men ook in de zuiver Friesche bevolking van Spakenburg +en Bunschoten (Vgl. Gallée, het Boerenhuis bl. 82). + +_b_. In Zeeland is de vroegere kuitbroek nagenoeg verdwenen: voorheen +droeg men ook zilveren gespen op de knie en op de schoenen. Aan +het bovenlijf draagt de Zeeuw een gekleurden borstrok met twee +rijen zilveren knoopen, aan den hals gesloten door twee gouden +knoopen. Ook bleven bewaard twee of vier zilveren broekplaten, die +men _broekstrikken_ noemt. Het hoofd wordt gedekt met een hoogen, +eenigszins spits toeloopenden vilten hoed met kleinen omgeslagen +rand. Onmisbaar is het mes met zilveren heft in de lederen scheede en +de sierlijk gemonteerde houten pijpekast, die uit den broekzak steekt. + +De _Zeeuwsche knoop_ en gordel- of broekplaat gaan terug tot den +primitieven doorn, dien de oude Germanen voor spang bezigden. Toen +deze doorn vervangen werd door een metalen spang, ging men deze +spoedig versieren, zooals de spangen, in de Friesche terpen gevonden, +getuigen; zie Mr. P. Boeles in de Vrije Fries XX, bl. 431 vlg. De +groote vorm dient om mantel of gordel vast te houden, de kleinere om +lichte kleedingstukken te verbinden of op te sieren: de knoop. De +knoopen vindt men in Zeeland en elders in het Friesche stamgebied; +de gordelplaten slechts in Zeeland, om de Zuiderzee, op Urk en Marken +en in Volendam. Deze versierselen vertoonen een spiraalbasis met +ringen en knoppen van gevlochten draad. Een ander soort knoopen en +platen hebben den vorm van halfronde bollen van plaatgoud, van boven +belegd met knopjes in geometrische vormen of bol uitgeslagen. De aldus +bewerkte knoopen worden aangetroffen in Zeeland, Zuid-Holland en om de +Zuiderzee; de broekplaten in Zeeland, Staphorst en Rouveen en op Urk. + +De vrouwenkleeding is specifiek Friesch; het "onderst" heet in +Zeeland _de beuk_: hierover draagt men een gekleurden omslagdoek met +zijden rand. De haarbedekking bestaat uit ondermuts, oorijzer en +bovenmuts. Het smalle oorijzer wordt hier _de beugel_ of _hoepel_ +genoemd. De gebogen gouden uiteinden noemt men de _krullen_ en zij +hebben dan ook den vorm van een krul, van een spiraal of kurkentrekker; +aan deze krullen hangen de gouden plaatjes, die men _strikken_ noemt, +ronde, gouden plaatjes, plat, niet bol. Ook de naald ontbreekt niet. + +De ondermuts, hagelwit en van gebloemd katoen, met kantjes er aan, +sluit netjes om de slapen, maar komt van voren een goed stuk uit +de bovenmuts uit. Deze heet gewoonlijk _de langet muts_, ook in +Zuid-Holland en in Groningen. Op Walcheren haalt men ze van achter +met een lintje bij, reden waarom ze _trekmuts_ heet. Daarover draagt +men aldaar een geelstrooien _kaphoed_, aan de achterzijde met een +smaakvolle waaiervormige garneering van gekleurd zijden lint, en aan +de voorzijde met loshangende linten van dezelfde stof. Zuid-Beveland +onderscheidt zich door zijn zwierige bovenmuts. Zij is van terzijde, +rond, breed-uitstaande, met een steunsel van karkas, bij het +achterhoofd vierkant. De muts is bij de roomsch-katholieke vrouwen veel +grooter en het onderste gedeelte van naar achteren afhangende kant; +bij de protestanten loopt de muts in een boog door naar voren. In +westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen (Cadzant, Aardenburg enz.) draagt men +een karkasmuts met breeden, gelaat en kin omplooienden rand; zij is +van kant of tule, en het achterstuk, het rabatje, heet kortweg _de +kant_. Van beugel, strikken of krullen hier geen spoor. + +Zeer eigenaardig zijn in het land van Axel de hooge pofmouwen, +eigenlijk ontstaan door het eigenaardig plooien van den doek. Hulst +onderscheidt zich door den Vlaamschen klepmantel en de muts, die +althans wat de slippen betreft, veel op de Brabantsche lijkt. Deze +overeenkomst is weer opmerkelijk, maar kan goed op ontleening +berusten. De min of meer kostbare kant, met _het pasje_ er aan, daalt +langs de schouders naar beneden; maar van achteren komen die slippen +eenvoudig tot den hals bij elkander en niet met een lange strook +langs den rug, zooals bij het Thoolsche model. Vgl. Dr. J. C. De Man, +Zeeuwsche kleederdrachten, bl. 11, 21, 36, 50, 57 enz. + +In België vindt men het oorijzer vooral noord- en oostwaarts van Brugge +en langs de Noordnederlandsche grenzen, in het stadje Damme en in de +dorpen Lapscheure, Oostkamp, Moerkerke, Dudzele, Heyst enz. Verder, +zooals gezegd, in noordelijk Oost-Vlaanderen, in het Land van Waas +en in het Meetjesland. In de eerste helft van verleden eeuw werd het +nog gedragen door geheel het noordelijk en middendeel van Vlaanderen, +tot Kortrijk en Poperinghe toe. + +_c_. Bepaalde eigenaardigheden vinden wij in het Zuiderzeegebied met +zijn gemengde bevolking. Vooral in de omstreken van Kampen, Elburg, +Harderwijk enz. vindt men de krullen en spiralen aan het oorijzer, die +wij leerden kennen in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden. In dit +gebied kent men verder, alweer evenals in Zeeland, de groote gordel- +en broekplaten, en eindelijk den eigenaardiggevormden Zeeuwschen +knoop, waarvan bl. 56, 57 sprake was. Het oorijzer is hier nauwelijks +twee of drie vingers breed; de vorm van Staphorst en Rouveen kan als +model gelden. + +In het Gooi en op de Veluwe tusschen Nijkerk en Nunspeet, daar waar +de Keltisch-Frankische inslag wellicht het aanzienlijkst is, hebben +de sloten der halskettingen een vierkanten vorm, en wel vooral bij +de bevolking met donkere pigmentatie en met het Keltisch-Frankische +huis. Meestal zijn dan negen knoppen in het vierkant aangebracht, +omgeven door bladwerk, dat verbonden is door spiraalwerk. Een +vierkanten vorm, maar met late motieven, vindt men ook van Twente +tot in het Westland. Meestal zijn de sloten echter rond. + +Overigens komt de kleederdracht van dit gebied vrijwel overeen met +die der andere bewoners om het bekken der Zuiderzee, die nog de oude +dracht hebben bewaard. Tot het vierde jaar hebben de jongens en meisjes +de dracht der vrouw, de jongens onderscheiden door een zilveren knoop +onder de mouw, de meisjes door een rood koorden afzetsel aan de muts. + +_d_. Wij maakten reeds de opmerking, dat Drente de Friesche +kleederdracht heeft aangenomen. Daarentegen heerscht in Overijssel +en Gelderland de Saksische dracht. Ook hier is de korte broek +verdwenen. Maar typisch is de _pijjekker_ of lange jas, die over +het vest met dubbele rij knoopen gedragen wordt en tot ver over de +grenzen te vinden is. De hoofdbedekking is de pet, eertijds was het +de hooge hoed, die thans nog alleen voor staatsie dient. + +Het meisje draagt in de eerste jaren _de bonnet_, een zwarte, zijden +muts. Daarna bestaat de hoofdtooi uit een ondermuts, wit of zwart, +waarover de bovenmuts gaat. De witte bovenmuts of _knipmuts_ heeft van +voren een geplooide, door karkas strak en uitstaande strook. Vroeger +was die "streppel" heel breed, zegt W. H. Heuvel, Volksgeloof en +Volksleven (Zutphen 1909), bl. 338, zoodat het hoofd als in een +huifwagen wegdook; thans is hij smal en meestal zonder karkas. Achter +hangt de kant in den nek af, vroeger kort, thans lang, vaak tot over +de schouders. De muts zelf was vroeger met bloemen geborduurd. Bij +feestelijke gelegenheden of bij kerkgang wordt hierover dan nog +een stroohoed gedragen, waaraan twee linten met zilveren haak. Maar +meestal draagt men thans over de muts een modernen hoed, en eveneens +een modern kleed in plaats van het van voren laag uitgesneden wollen +of linnen lijfje, dat op zijde werd vastgemaakt. Nog thans draagt +men in het Overveldsche op de Veluwe over het jak een geplooiden +wollen omslagdoek, die elders op den duur door de knoopdoekjes werd +verdrongen. + +_e_. In het Frankische gebied zijn de mannen gekleed als in +Gelderland. Bezuiden Roermond vindt men echter voor mannen- en +vrouwenkleeding bijna overal de dracht der groote magazijnen. De +blauwe kiel bij de mannen, zoowel in Nederland als in België, en de +omslagdoek en het manteltje bij de vrouwen geven soms aan de kleedij +nog iets eigenaardigs. Het witte mutsje met een gekleurd bloempje, +dat de vrouw om het hoofd draagt, heet _het pläkske_. De mannen +dragen veelal knevel, of knevel en baard, in tegenstelling met het +gladgeschoren gelaat, waaraan men gewoon is in het Noorden. + +Terwijl het Land van Heusden wat betreft de vrouwenmuts meegaat met +de Betuwe en Veluwe, waar immers de knipmuts domineert, is de gewone +dracht in Brabant en Noord-Limburg de Brabantsche "groote muts", +de zoogenaamde _huifmuts_. Over de gladgestreken haren gaat eerst de +zwarte ondermuts. Dan komt de eigenlijke huifmuts, van tule, en hierop +wordt de groote tuil bloemen en linten gelegd, dien men _de poffer_ +noemt; de geheele dracht is zeer kostbaar. Daarnaast heeft men nog +een groote zwarte muts. In sommige plaatsen, b.v. te Bergen-op-Zoom, +Ossendrecht enz., draagt men reeds de zwierige Vlaamsche muts met +haar losplooiende, wuivende slippen, die wij ten deele ook in Zeeland +hebben aangetroffen. Zie H. Hymans in Patria Belgica (Bruxelles 1875) +III, bl. 755. + +Naast de Vlaamsche muts heeft men nog den Vlaamschen stroohoed met +zijn eigenaardigen kapvorm en zijn linten versierselen en ontelbare +spelden, door de landmeisjes óok in de omstreken van Antwerpen veel +gedragen. Men treft hem verder nog aan op de grens, b.v. te Clinge, +Stoppeldijk, Hontenisse enz. Elders, rond Brussel b.v., en wel in heel +Zuid-Brabant, plooit men een doekje om het hoofd, dat onder de kin +wordt vastgeknoopt. Algemeen vindt men den _neuzik_ of _neusdoek_, +een vierkanten omslagdoek, gebloemd of gekleurd, die om de schouders +gedragen wordt. + +Er resten nog twee vrouwelijke kleedingstukken te vermelden, die +voor het meerendeel in België gedragen worden, slechts sporadisch +in Nederland. Dat is vooreerst de falie, een kleedingstuk van +zwarte zijde, met een rand van franje, waarmee men het hoofd omhult, +terwijl de van voren elkaar kruisende slippen een soort van boezelaar +vormen. Bij Bergen-op-Zoom en in de Langstraat wordt zij o.a. gedragen +bij kerkgang; ook in Limburg is zij nog bekend. Bij kerkgang in +engeren zin, d.i. wanneer volgens katholiek gebruik de kraamvrouwen +kerkwaarts togen ter zegening van moeder en kind, droeg men tot voor +enkele jaren in Limburg de bonte Schotsche shawl. De falie is niet +onwaarschijnlijk van Spaansche herkomst en herinnert aan de artistiek +gedrapeerde mantilla. De Vlaamsche huik, kap, of klepmantel, is een +soort cloak van vrij dikke stof, die men 's winters en 's zomers bij +regenweer draagt. De kap slaat men over muts en hoed. Voorheen werd +zij ook in geheel Staats-Vlaanderen gedragen, thans nog slechts in +het Land van Hulst. + +Eindelijk in Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van Nijmegen en in +Zeeland, dus over de geheele uitgebreidheid van het Keltisch-Frankische +gebied, worden hangers gedragen. Zij zijn vooral bij de katholieken +in zwang om het kruis te dragen en bestaan doorgaans uit bladgoud +met spiralen aan metalen kettinkjes. De hartvormige hanger heet _de +schoef_. Merkwaardiger wijs vinden wij dezen hanger met eenigszins +gewijzigden vorm ook weer in het Zuiderzeegebied (met het Gooi). Nauwer +hangt dit gebied weer met Zeeland samen door een breeden platten ring +met spiraalwerk van blaadjes. Daarentegen vindt men uitsluitend in +Brabant en Limburg een eigenaardigen gouden of zilveren mantelhaak, +die uit verschillende stukken is samengesteld. + + + + +DE VOLKSRELIGIE. + + +I. Volksreligie en Geestenwereld. + + +Het kan niet in mijn bedoeling liggen hier het godsdienstig leven +der bewoners van Groot-Nederland in zijn veelvuldige uitingen te +schetsen. Hoe vreemd het bij den eersten oogopslag ook schijnen +moge: "religie des volks" en "volksreligie" zijn niet synoniem. Deze +laatste toch is spontaan uit het volk opgegroeid onder den invloed van +christelijke, maar ook van heidensche voorstellingen en begrippen. Het +religieuze denken en leven des volks vormt een machtig stuk van zijn +kultuurbezit, terwijl de volksreligie, die alleen tot het domein der +Volkskunde behoort, hiervan substraat of bezinksel is, vervorming, +uitvloeisel of uitbreiding, ressorteerend onder het gebied der +onderkultuur. Vandaar dat beide begrippen zich slechts dekken bij de +natuurvolken: de volksgoddienst is heel hùn godsdienst. + +In de volksreligie zullen wij dus aantreffen een sterk uitgesproken +synkretisme, een intensieve wisselwerking van heidensche en +christelijke begrippen. Atributen van heidensche goden werden door het +volk op Christen-heiligen overgebracht, heidensche legenden werden +met christelijke persoonlijkheden verbonden. Anderzijds putte het +kerkelijk geloof uit het volksgeloof, of steunde daarop, waar het +gold heidensche gebruiken te kerstenen of met volksgebruiken haar +feestkring en liturgie te verrijken. Waar het volksgeloof met het +kerkelijk geloof in botsing komt, dus strikt-populair blijft, daar +draagt het den naam van bijgeloof. Het ligt derhalve op onzen weg, +dit bijgeloof nader te onderzoeken, alsmede den volksfeestkring, +waar de wisselwerking tusschen de verschillende bestanddeelen der +volksreligie het meest treffend tot uiting komt. + +Ik zeg: "waar het volksgeloof strikt-populair blijft", en bedoel +hiermee: waar het een tegenstelling vormt niet het kerkelijk +geloof. Maar zoo vaak loopen volksreligie en kultuurreligie parallel, +kabbelt het beekje der religieuze volksopvatting en volksvereering +rustig naast den stroom der kerkreligie voort, om niet zelden daarin +uit te monden. Frissche, naïeve, dichterlijke opvattingen ontmoeten +wij hier in groote getale, opvattingen, die innige vroomheid ademen +en diepen godsdienstzin. Andermaal is een historisch-heidensche +of animistische voorstelling dermate verzwakt, dat slechts een +onschuldig residuum van naïeve volksverbeelding overblijft. Wie zal +de volksvoorstelling laken, dat Sinterklaas bij het gieren en loeien +van den Decemberwind op zijn schimmel heen rijdt over de daken, +of het volksgebruik van het bekransen der laatste schoof of van den +palmpaasch? Eindelijk, waar velen animisme speuren, zie ik niets dan +dichterlijke uitdrukking, dichterlijke persoonsverbeelding, met name +verpersoonlijking der natuur, waarvan elk animistisch begrip of elke +animistische nuance verre blijft. + +In de volksreligie onderscheid ik in aansluiting met het bovengezegde +een _natuurlijke_ en een _historische laag_. + +I. Op den bodem der _menschelijke natuur_ liggen de begrippen van +Godsbestaan, vergelding, voortleven der ziel e.a. Men vindt ze niet +alleen bij de kultuurvolken, maar--zij het ook in de grilligste vormen +gehuld--insgelijks bij de minst beschaafde stammen. + +Daarenboven bevat het hedenclaagsche folklore de voortbrengselen eener +steeds werkzame, rusteloos arbeidende, mythenvormende aandrift des +volks, die eertijds zich voortbewoog op de dwaalwegen en kronkelpaden +van het polytheïsme, die het hare bijdroeg tot het tot stand komen +van menige mythische formatie van voorheen, maar die ook voor het +heden nog een overvloedige bron is van volksreligie en magie. Vooral +Wilh. Mannhardt heeft op dit bestanddeel de aandacht gevestigd +in zijn Baumkultus der Germanen und ihrer Nachbarstämme (Berlin +1877). Bij alle Noordeuropeesche volkeren, met name bij de Germanen, +neemt hij een uitgebreiden daemonkultus aan in een voorhistorisch +tijdperk. Deze kultus veronderstelt de primitieve wereldbeschouwing +van het _animisme_: het toekennen van een ziel aan alle dingen, +bewerktuigd en onbewerktuigd, gesproten uit een geestestoestand, +waarin de mensch geen scherpe scheidslijn weet te trekken tusschen +hem zelf en de hem omringende natuur. De kloof tusschen mensch, +dier, plant, mineraal is bij zulke wereldbeschouwing overbrugd, er +is geen plaats meer voor het wonderbaarlijke; het meest ongelooflijke +lijkt niet meer dan natuurlijk. Menschen kunnen evengoed in boomen en +rotsen veranderen als omgekeerd. Zie hierover verder mijne Essays en +Studiën in vergelijkende godsdienstgeschiedenis, mythologie en foklore +(Venloo 1910), bl. 51, 52. + +Uit het beschouwen van den plantengroei, zegt Mannhardt, heeft de +mensch eertijds het besluit getrokken eener wezenlijke overeenkomst +tusschen de plant en hem. Aan de plant schreef hij een ziel +toe, gelijkvormig aan de zijne, en uit haar ontwikkelde zich de +_Vegetationsdämon_, die in de Germaansche boomvereering zulk een +gewichtige rol speelt. Van daar het gebruik, een boom te planten +bij de geboorte van een kind; vandaar de gebruiken, die samenhangen +met laatste schoof, meiboom, levensroede enz. Zij houden verband met +een voortsluimerende, hoewel onbewuste vereering van den geest der +vruchtbaarheid, die naar men eertijds geloofde in die voorwerpen zijn +verblijf hield. Verlaat echter de boomziel haar gewone verblijfplaats, +dan schenkt zij het aanzijn aan Wildemannen, Witte en Groene Juffers +en dergelijke. + +Nu hoede men zich in deze voor overdrijving of generaliseering. Het +animisme, òok het thans nog onbewust voorttierende, is ten slotte een +primitief-wijsgeerige wereldbeschouwing, uit gebrekkige waarneming +met nog gebrekkiger oordeel afgeleid. Maar bespiegelende wijsbegeerte +is nog geen godsdienst, en dus gaat het niet aan van een werkelijken +volkskultus te spreken, wanneer geen hooger bestanddeel aanwezig +is. Men denke daarenboven, zooals reeds gezegd, aan de mogelijkheid +eener figuurlijke opvatting, eener poëtische persoonsverbeelding, +die m.i. in vele gevallen stellig aanwezig is. Moge b.v. met het +gebruik van den meiboom, in zijn verschillende vormen, nog in zekere +mate een vaag begrip van "boomziel" gemoeid zijn,--een "boomdienst" is +dit stellig niet meer. Ook weten wij, dat parallel met het Christendom +onder den vorm van bijgeloof een zeker volksgeloof aan de huisgeesten +bleef voortwoekeren, nu eens welig uitbottend, dan weer door gezonder +leer besnoeid. Maar men zal mij moeten toegeven, dat de vorm van +dit volksgeloof in de vereering--zoo daarvan sprake kan zijn--van +het gemoedelijk volkje der aardmannetjes en kaboutermannetjes op +vaderlandsche bodem al bizonder onschadelijk is. + +II. Volgens het zooeven gezegde zullen wij in de _Germaansche +Mythologie,_ die in zoo nauwe betrekking staat tot het hedendaagsche +folklore, een tweevoudig bestanddeel moeten onderscheiden: een +lagere en een hoogere mythologie. Naast animisme in engeren zin, +d.i. zielengeloof en zielenvereering, voor een groot deel veroorzaakt +door den drang om het levensbeginsel, bij den dood geweken, +weder te vinden in de omringende natuur, bloeide een uitgebreide +daemonkultus; deze stoelde eveneens op genoemde primitief-wijsgeerige +wereldbeschouwing, maar werd als kultus voor een groot deel door +erkenning van het hoogere in de natuurkrachten te weeg gebracht. Aldus +werden geboren de wind- en berggeesten, aldus de woud- en watergodheden +der Oude Germanen. + +Ziedaar den oorsprong van menige formatie in onze +volksreligie. Zielengeloof verklaart op de beste en eenvoudigste wijze +het verwijlen van koningen en andere lievelingen des volks in rotsen en +bergspelonken: men denke slechts aan Barbarossa, Hendrik den Vogelaar, +Karel V, Karel den Grooten in Duitschland, koning Artur in Engeland, +koning Olaf in Zweden, maar ook aan de Venus- en Hollebergen, waar +de zielen huizen onder den schepter der doodsgodin. Want Holle, +de vrouwe in het wit, is de doodsgodin. Tusschen het dorp Elspeet +en de buurtschap Uddel (G.) bevindt zich een hoogte, bekend onder +den naam van _de hulde_ of _het hul_, verdeeld in een kleine en +groote hul. Men heeft getracht deze benaming te verklaren als +verbastering van het Engelsche _hill_ "heuvel". Evenwel, "daar de +legende zich ook aan deze plaats heeft vastgeknoopt en zegt, dat een +reus daar eens het overtollige zand uit zijn klompen heeft geschud; +daar het bovendien vreemd zou zijn, dat juist die éene heuvel een +Engelschen naam ontving, moet men aan eene andere afleiding denken": +Dr. L. Knappert, De Beteekenis van de wetenschap van het Folklore +voor de Godsdienstgeschiedenis (Amsterdam 1887), bl. 157. Ik ga met +schrijver akkoord, wanneer hij hier aan Holdavereering denkt. + +Want Vrouw Holle is de koningin der _elfen_: deze toch, de lievelingen +der volksfantasie en der dichtkunst, zijn zielen der afgestorvenen, +zijn dus van animistischen oorsprong in engeren zin. Troepsgewijze +wonen zij bij elkaar, niet slechts in de bergen, maar ook in +bosschen en rivieren. Zij komen uit Elfenheim of Engelland. Ook hun +eigen koning hebben ze, den _Alfen-, Ellen_- of _Erlen_-koning, in +het Fransch _roi des aunes_. Het woord _elf_, Middelnederl. _elf_ +of _alf_, Angelsaks. _aelf_, is verwant met het Oudindische _rbhu_ +"geest, ziel van een afgestorvene". In onze Middelnederlandsche +letterkunde zijn zij uitermate bekend, maar slechts in de ongunstige +beteekenis van kwelgeesten of bedrieglijke schijnbeelden, zoo b.v. in +de Sotternije van Lippijn 105: + + + Wat duvel heeft God die werelt gheplaecht + Met alven ende met elvinnen. + + +En aldaar 146: + + + Wat! ben ic dronken van den biere + Ochte vlieghen dalve achter straten? + + +Zie over dit onderwerp vooral de verhandeling van Dr. L. Knappert in +De(n) Tijdspiegel 1898 II, bl. 353 vlg., III, bl. 29. + +Vele trekken van Holda en haar stoet zijn overgegaan op de _Witte +Vrouwen_ met haar sterk animistischen grondtoon. Men kent ze in +Engeland, Duitschland en Oostenrijk, maar ook in ons land. Kiliaen +neemt ze in zijn woordenboek op; de Teutonist noemt ze _guede holden_ +en _belewitten_, dit laatste oorspronkelijk benaming van goede geesten, +later van tooverheksen: zie hierover het opstel van Prof. J. W. Muller +in Volkskunde XIX, bl. 8 vlg. De predikant Jan Picardt geloofde vast +aan haar en spreekt het anathema uit over allen, "die door ignorantie +van oude dingen voor fabeltjes houden al wat van deze witte wijven +verhaalt wert." Vooral in het Oosten van ons land zijn de _Witte +Wiêven_ bekend, met name in Gelderland en Overijssel. Op de Lochemsche +bergen kent men een Witte-wijvenkuil. V. D. Bergh beweert in zijn +Kritisch Woordenboek op bl. 361, dat zij bekend zijn "in N.-Brabant, +Gelderland, Overijssel, Drenthe, Groningen, Friesland en het dus +genoemde West-Friesland of N.-Holland", en, naar hij, meent, ook in +Zeeland. "In het eigenlijke Holland en Utrecht" heeft hij daarvan geen +sporen aangetroffen. Zij wonen in heuvelen, _wiêvenbelter_ geheeten, +meestal drie bij elkaar, soms talrijker, zeldzaam éene afzonderlijk; +zoo wonen zij te Buurse (O.) in den _Langenbelt_, en daar worden +nog eigenaardig-gevormde pijpjes gevonden, waaruit zij rookten. Te +Vriezenveen (O.) huisden zij op de _Jöst_. Niet zelden klopten zij +'s avonds aan en vroegen dan om een _balkenhaze_ (kat); bij weigerend +antwoord oefenden ze wraak, drongen met gloeiende breinaalden in het +varkenshok en doodden de zwijnen. Zelfs door het riemsgaatje konden +zij binnenkomen: Driem. Bladen I, bl. 66, 101, 103; II, bl. 1. Eens +is het gebeurd, toen een boer bij maneschijn over de eenzame Groot +Driener heide reed (O.), dat in een oogwenk drie witte vrouwen uit +haar geheimzinnige verblijfplaatsen verrezen. De boer, goed geluimd, +sprak haar toe: + + + Witte wiêven wit! + 'k Wol oe wal broan, maar hebbe geen spit; + En um da'k neet hebbe en spit, + Roop ik moar: witte wiêven wit! + + +Hierop antwoordden de geesten: "Wacht tot da' we deene schoband to +eknupt en doare' to erukt hebt". Maar de boer was zoo verstandig, +niet te wachten, anders was het hem slecht gegaan. Aldus Halbertsma, +Overijss. Alman. 1837, bl. 242. + +Elders worden zij _Witte Juffers_ genoemd. Dr. L. Jansen heeft +verhaald over "de witte Juffer van Monferland", een berg, rond en +begroeid, gelegen aan den weg van Doesburg naar 's Heerenberg (G.), +zie Geldersche Volksalm. 1842, bl. 192 vlg. Volksverhalen van Witte +Juffers zijn ook in Limburg niet schaarsch. Zij vertoonen zich graag +bij warmen zonneschijn en helder maanlicht aan jonge schaapherders en +koewachters, kammen het lange haar, kloppen vlas, hekelen, spinnen, +en wijzen, stampend met den voet, de plekken aan, waar een schat +bedolven ligt. De Limburgsche volkskundige H. Welters verhaalt in zijn +Limburgsche Legenden, Sagen, Sprookjes en Volksverhalen (Venloo) I, +bl. 213 van de Witte Juffer van het "Gebroken Slot" bij Grubbenvorst; +Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven (Leeuwarden 1895) I, +bl. 120 van het Juffershout ten noorden van Sint Anna-Parochie, +en van de Juffersbrug te Harlingen. + +Tot de elfen behooren ook de _dwergen_ of _aardmannetjes_, in Noord- +en Zuid-Nederland overbekend. In de volksfantasie leven of leefden +zij voort als oude mannetjes, klein van gestalte, met langen, grijzen +baard en in het grijs gekleed: immers, evenals alle elfen ontleenen +zij het kostuum aan hun omgeving. Zij huizen in de bergen en wellicht +wijst de kap, waardoor zij zich onzichtbaar kunnen maken, op den nevel, +die de bergen aan het oog onttrekt. + +Overdag korten zij den tijd met spel en zang in hun ondergrondsch +verblijf; het is een jolig, snaaksch, doch tevens listig, sluw, +bedreven volkje. In Belgisch Limburg bewoonden zij de konijnenpijpen, +vooral in den Alverberg bij Diepenbeek; in Hollandsch Limburg de +zoogenaamde _haagten_, d.i. onderaardsche gangen. Zulke bestonden +o.a. te Geleen, Stein, Echt, Reuver, Brunsum en Hoensbroek, waar +men nog een Auverberg en een Auvermoerbeek heeft. Ook huisden zij +op den Krekelsberg te Roggel, op den Pijpenberg te Haelen, en op +den Spekberg te Steijl. Te Venloo vertelde men vroeger, dat de +aardmannetjes te middernacht op het fort Beerendonk uit den grond +kwamen en dansten. Want slechts des nachts wagen zij zich buiten, +zij schuwen het daglicht, en zoo wordt de animistische grondtrek +van hun karakter weer duidelijk zichtbaar. Een Alverberge bestaat in +Zuid-Brabant o.a. te Bekkevoort en te Lubbeek. + +Over het algemeen zijn zij hulpvaardig en dankbaar voor bewezen +diensten. In Vlaanderen wasschen zij al het linnen op éen nacht, +in Belgisch en Hollandsch Limburg schuren zij het koper- en tinwerk +blank. Nog weet men rond Hasselt te verhalen, dat huisvrouwen +en meiden potten en pannen naar een bepaalde plaats brachten, en +daar ter vergoeding eenige centimes en een zakje tabak neerlegden: +want zij rookten uit kleine, typische pijpjes. Ook in Antwerpen, +en Brabant zijn zij bekend, b.v. te Mechelen, Leuven, Aerschot, +Turnhout, Ghyseghem, Tremeloo en Herselt, waar sommige hunner ook wel +in bosschen woonden. Dit geldt ook voor de Veluwe; in het Soerensche +bosch b.v. droeg een plaats den naam van _Aardmanshegge_. + +De aardmannetjes heetten ook _alvermannekes, auvermannekes, laplanders, +klablers, roodmutsjes, Jan met de roode muts, bergmannetjes, +heuvelmannetjes_ enz.; een vrij volledige lijst geeft De Cock in +zijn Brabantsch Sagenboek I, bl. 183. Te Groningen noemt men ze de +_'Aimpies_, in Vlaanderen ook _de Alven_. Vandaar de uitdrukking: "gij +zult door d'Alven geleid worden", d.i. door de geesten, die iemand +het spoor doen bijster worden. Misleiding wordt ook toegeschreven +aan _den Dalf_ in het land van Aalst en aan _den Als_ in de buurt +van Dendermonde. Volgens Lenaerts, De verdwijning der Alvermannetjes +(Antwerpen 1898), bl. 136, moet _den Alf_, geest, die 's nachts de +reizigers misleidt, wel degelijk van de Aardmannetjes gescheiden +worden. Zie nog Ons Volksleven I, bl. 66, VIII, bl. 213, IX, bl. 160; +Volk en Taal III, bl. 89; IV, bl. 57, 123; Wolf, Niederl. Sagen, +no. 3 474, 475, 476, 479. + +Eigenlijk verschillen van deze groep de _kaboutermannetjes_, ook wel +_boezemannen_ en _kobolden_ geheeten. Zij zijn aan het huis gebonden +en vertoeven meestal in de daksparren. Hulpvaardig staan zij den boer +in het ploegen van het land, den molenaar, den timmerman enz. in al +hun bezigheden ter zijde. Hun intiem, huiselijk karakter spreekt sterk +uit de opvatting, die men in Noord-Holland (Zuiderwoude, Koog aan de +Zaan, Tessel, enz.), luidens de mededeeling van Dr. Boekenoogen, van +de _klabouters_ of _nachtwerkertjes_ had. Veelal werd ter vergelding +voor de goede bewezen diensten eten neergezet. Dit bestond in een +schoteltje met melk, en men plaatste het in een blindvenster, dat +is: het terzijde van den schoorsteen in de tegels gemetselde nisje; +zie Volkskunde XXI, bl. 221 vlg. + +Eertijds, bij het hooren van de echo, meende men de stem der +aardmannetjes te vernemen. Thans zijn zij grootendeels verdwenen, het +volk zegt, omdat zij het luiden der klokken niet konden verdragen.-- +Vgl. Wolf, Niederl. Sagen, nos 206--211, 477, 478; V. D. Bergh, +Woordenb. 120; Gittée, Nederl. Museum II, 2 bl. 352; Welters, +Limb. Legenden II, bl. 25; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 59. + +De watergeesten bij uitstek zijn wel de nixen en _meerminnen_. Zij +bezitten de proteusnatuur en de gave der voorspelling. Wandelt men +'s avonds langs het water, dan hoort men veelal haar stem. Vaak ook +weerklinkt haar verlokkend gezang in het stille van den nacht en +trachten zij de menschen in het verderf te storten. De beleedigde +waternix vooral weet zich te wreken. Haar wezen is identiek met dat +der oude Sirenen. + +Wellicht wijst op dit volksgeloof de naam van een bosch in de +nabijheid van O.L. Vrouw-Waver, nl. "de Meermin"; zie Volkskunde +XXII, bl. 68. Volgens een oude overlevering zou ook Muiden eens met +een meermin hebben kennis gemaakt, die, uit de Zuiderzee opgedoken, +dezen vloek over de stad zou hebben uitgesproken: + + + Muden sal Muden bliven + Muden en sal noit bekliven. + + +Naar men weet, heeft Muiden als wapen een blauwen paal op zilveren +schild, vastgehouden door twee meerminnen.--In de groote kerk te Edam +op een der beschilderde glazen achter den preekstoel is een meermin +afgebeeld; terwijl de Purmerpoort aldaar een konterfeitsel vertoonde +van het "groene wijf", met dit bijschrift: + + + Dit beeld hier opgericht tot een gedachtenis + Wat in het Purmer-meyr voorheen gevangen is. + Anno 1403. + + +Immers, volgens de legende werd in dat jaar in de Zuiderzee een +monster gevangen met de gedaante eener vrouw, geheel met groen +mos begroeid. Naar Edam gebracht, leefde zij nog eenige jaren. Zie +F. W. Drijver, Mozaïek (Groningen 1906), 3e druk, bl. 202. + +Belangrijker is het stellig na te gaan, wat van dit volksgeloof aan +watergeesten nog rest. Spoken bant men in Belgisch Limburg naar de +_weiers_ (vijvers), wat wijst op hun karakter en herkomst. Ook kent +men de _Grijze Meer_. Kinderen maakt men bang met den _waterwolf_, +om het spelen aan het water tegen te gaan. In Vlaanderen dragen de +watergeesten den naam van _nekkers_. Ook in Overijssel worden of +werden nog voor betrekkelijk korten tijd geesten geacht in vijvers +hun verblijf te houden, zoo b.v. te Zwolle de _watersnaak_. + +Wat betreft de in België niet onbekende _boschnimfen_, die in +Duitschland de typische benamingen van _Moosfräulein, Wald-weiblein, +Selige Fräulein_ e.a. hebben, deze behooren tot de windgeesten. In +Noord-Bohemen heeft de boschnimf de gedaante van een stokoud +moedertje, met sneeuwwit, wild rondfladderend haar en bloote +voeten. Zij steunt op een knoestigen stok en schenkt gele blâren, +die in goud veranderen. Wanneer in de lente en in den herfst ijle +nevelgedaanten uit het gebergte opstijgen, wanneer "der Wald raucht", +dan pleegt men te zeggen: "Das Buschweibchen kocht". + +'s Winters, als de stormwind over onze lage landen heenvaart en door +'t geboomte huilt en fluitend over de daken en om de schoorsteenen +giert, dan stormt het geestenheir door het luchtruim. Het is de _Wilde +Jacht,_ die in de volksverbeelding een zoo voorname plaats inneemt. De +voorstelling is ooroud en ook niet uitsluitend Germaansch. In de hymnen +van den Rig-Veda vinden wij als aanvoerder den windgod Vâyu-Indra +aan het hoofd van zijne _Maruts_. In de Germaansche landen voerde +Wôdan op zijn schimmel _Sleipnir_ het geestenheir aan. In den loop +der tijden hebben vele persoonlijkheden aan Wôdan deze eereplaats +betwist: in Engeland koning Artur, in Skandinavië koning Waldemar, +in Sleeswijk koning Abel. Frankrijk heeft de Germaansche voorstelling +overgenomen en op Karel den Grooten en Karel V toegepast; volgens +een Bourgondisch gedicht uit de XVIIe eeuw rijdt Charlemagne aan de +spits van het geestenheir, terwijl Roland het vaandel draagt. + +Over geheel Duitschland is de sage van een vervloekten jager +verspreid, die, wegens het schenden van den Zondag, gedoemd werd, +met zijn honden achter zich, door het luchtruim te jagen tot den +jongsten dag. Hij draagt den naam van _Hackelberg_, uit _hackel +bärend_ "mantel dragend". Het Limburgsche folklore kent deze figuur +onder de benaming van "Henske met de hond"; "Henske" wordt ook +als duivelsnaam gebezigd. In Gelderland spreekt men plaatselijk +van de _Berndekesjacht_, en wordt als voorrijder genoemd _Dirk met +den beer_. Men meent te onderscheiden het gekrijsch van vogels en +verwijderd hondengeblaf. Wanneer op een hoeve "d'n bòvenste neendure" +'s avonds wat laat open blijft, vliegt de Wilde Jacht wel eens +daarbinnen om uit te rusten. Ook hier leeft nog de legende, dat het de +jachtstoet is van een tot eeuwigdurig jagen gedoemden Zondagsschender; +vergel. Driem. Bladen III, bl. 3. + +Somtijds, zooals plaatselijk in Hollandsch Limburg, is van een +aanvoerder volstrekt geen sprake, en dan openbaart zich de volksmythe +in haar ruimsten, wellicht ook in haar oudsten vorm. Veelal bestaat +het geestenheir uit de zielen van ongedoopte kinderen, of wel uit +dronkaards en allerlei soort misdadigers, zooals de _Aasgaardsreia_ +in Noorwegen. In Belgisch Limburg spreekt men van _Helsche Jacht_ of +_Helsche Wagel_, ook wel van _Turkusjacht, Kluppeljacht, Tieltjesjacht_ +(Hageland) en, evenals rond Leuven, _Tilkesjacht_: wonderschoone +muziek, maar als men slechts een woord spreekt, houdt ze op. Naar men +weet, verbreekt de menschelijke stem in het volksgeloof den ban van +de geestenwereld, van het bovennatuurlijke: vandaar, dat volstrekt +stilzwijgen gevorderd wordt bij het schatgraven, waterscheppen, +oudtijds bij het offeren enz. In Vlaanderen verklaart men het +geheimzinnige gerucht als de muziek van heksen of vrijmetselaars, die +zich naar hun vergaderplaats begeven. In Drente en Groningen geloofde +men aan een "vurigen" of "gloeienden" wagen, met vier of zes honden +bespannen,; en insgelijks sprak men van een "ijzeren" wagen, onder +vreeselijk geraas gemend door een voerman van ontzettende gedaante, +rijdend tusschen Nijkerk en Letterbert. In de Overbetuwe kende men +den _Helwagen_, te Zwartewaal in Zuid-Holland den _Oogstwagen_ met +overeenkomstige beteekenis. Zie verder Ons Volksleven II, bl. 9; +'t Daghet in den Oosten II, bl. 167, 191. + +Een animistisch karakter vertoont ook de _weerwolf_, letterlijk +"manwolf", immers het eerste gedeelte komt overeen met het Gotische +_wair_ en het Latijnsche _vir_, dat wij ook nog hebben in ons +"weergeld" d.i. "man-geld." De term "Lykanthropie" is van het +overeenkomstige Grieksche woord afgeleid. + +De weerwolf-mythen hebben alle Indogermaansche volken gemeen; vooral +vindt men ze in grooten getale bij de Slaven, waar zij nauwverwante +trekken met onze heksen en vuurmannen vertoonen; zie b.v. Fr. Kraus, +Volksglaube und religiöser Brauch der Südslaven (Munster 1890), +bl. 112. Den Slavischen weerwolf slacht vrijwel diens naamgenoot op de +massale dijken langs Lek en Waal. De Betuwsche weerwolf, zegt Marie +Ramondt in Volkskunde XXIII, bl. 161, heeft niets menschelijks meer; +hij is niet de "man-wolf van onze andere landouwen, hij is een hond met +gloeiende oogen en een vurige tong, zooals Kludde uit de Brabantsche +sagenwereld, en evenals deze loopt hij op zijn achterpooten en rammelt +met een ketting.--Deze _Kludde_, die, naar het schijnt, benoorden +Brussel, en bezuiden Brussel onder den naam van _Lodder_, de plaats van +den weerwolf inneemt, houdt eigenlijk het midden tusschen weerwolf en +vuurman. Te Aalst en omstreken heet hij _Kledden_, te Brecht _Klodde +met zijn bellen_. Van bedriegers, die als weerwolf rondloopen, zegt men +dat zij "Kledden-loopen." Ook komt hij wel overeen met den grappigen +Gelderschen _Stoep_, die den verschrikten wandelaar voortdurend op den +rug springt. Zie De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek (Gent 1909) +I, bl. 82 vlg.; Ons Volksleven V, bl. 147; X, bl. 142. + +Het volk houdt zich vast overtuigd van de waarheid, dat sommige +personen de gave bezitten zich op bepaalde tijden, meest omstreeks +Kerstmis of St. Jan, in wolven te veranderen: de wolf is een mythisch, +daemonisch wind- of neveldier, zooals uit exotische gegevens voldoende +blijkt. De verandering in een wolf heeft plaats door het aanleggen +van de wolfshuid of den wolfsgordel--men vergelijke het aanleggen +van het zwanenhemd--, in de volkstaal kortweg "het vel" geheeten; +vgl. de uitdrukking "uit zijn vel springen", waarover Prof. Verdam, +Sporen van volksgeloof in onze taal en letterkunde, in de Handel, +van de Maatsch. d. Nederl. Letterk. te Leiden 1897--98, bl. 46. + +Ons folklore is rijk aan verhalen, waarin op het middernachtelijk uur +het wolfsvel uit den schoorsteen op het vuur valt. Het verbranden van +de huid brengt de verlossing. Deze en dergelijke sagen zijn wijd en +zijd verspreid; in België, vooral in Vlaanderen en Limburg, ten deele +in Brabant, met name te Aerschot, Liedekerke, Hoogstraten, Hubertingen +en Maaseik; in de sagen van Belgisch en Hollandsch Limburg is de +weerwolf niet onkwetsbaar. Te Ohe en Laak b.v. bracht een jager hem een +zware wonde toe, en, het bloedspoor volgend, vond hij in een hut een +man liggen, die in de zijde doodelijk getroffen was. In Nederland kent +men den weerwolf in de provincies Limburg, Noord-Brabant, Friesland, +in de Graafschap, Salland enz. Van de zeven na elkaar uit hetzelfde +huwelijk geboren zoons of dochters is de zevende een weerwolf. Men +erkent hem o.a. aan eenige vezeltjes doek, die hij steeds tusschen +de tanden heeft. Ter bezwering trekke men met den voet een streep +over den weg, zeggende: "Als ge van God komt, dan nader; als ge +van den duivel zijt, dan blijf vóor de streep." Hij toont zich ook +dankbaar voor bewezen weldaden; zie Volk en Taal I, bl. 48; verder +III, bl. 209, IV, bl. 5. Vergel, ook H. Welters, Limb. Legenden II, +bl. 38 vlg.; De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek I, bl. 93; Panken, +Noordbrab. Sagen (Brecht 1893), no 42 vlg.; Rond den Heerd IV, bl. 2. + +Nauwverwant is de _mare_ of nachtmerrie. Het Middelnederl. _mâre_, +nog in Hollandsch Limburg en Zuid-Nederland gebruikelijk, is +verwant met het Oudhoogduitsche en Oudnoorsche _mara_ en beteekent +"nachtspook, nachtbelemmering"; in Noord-Brabant spreekt men dan ook +van _nachtmaar_. Het woord is waarschijnlijk afkomstig van een wortel, +die zoowel in ons _meren_ "vastleggen, binden", als in _marren_ +"talmen, dralen" steekt. Met ons woord _alfdruk_ vergelijke men het +Fransche _cauchemar: cauche_ is afkomstig van het Latijnsche _calcare_ +"drukken". + +Wat bewoog het volk, de termen _nachtmare_ en _merrie_ in verband te +brengen? De ziekelijke verbeelding van den slapende of droomende stelt +zich den drukkenden, haast tastbaren last, die zijn borst beklemt en +zijn adem belemmert, onder allerlei dierlijke en menschelijke gestalten +voor, doorgaans van het vrouwelijk geslacht. Meestal is het een paard, +een _merrie_, die den slapende _berijdt_, vandaar de uitdrukking: +_marenrit_. Bij ons te lande hoort men de verwensching: "Ik wou, dat +je de maar reed". Taalkundig hebben wij hier dus te doen met een geval +van zoogenaamde volksetymologie: het volk verbindt _mare_ met het niet +vermaagschapte _merrie_; godsdiensthistorisch met den slaap en droom +als mythologischen faktor, waarop het eerst door Laistner gewezen is. + +Deze nachtelijke kwelling wordt veelal aan heksen of aan den duivel +toegeschreven, maar oorspronkelijk aan luchtelfen. Zij plagen niet +slechts de menschen, maar ook het vee, met name de paarden. Zijn de +paarden 's nachts door de _maar_ gereden, dan vindt men ze 's morgens +nat bezweet en met gevlochten manen en staart op stal staan. Het kan +gebeuren, dat men de _maar_ in den stal verrast; dan zit ze onder de +krib, te Heerlen onder het paard zelf, in de gedaante van een oud wijf, +dat bezig is, met het haar te kammen. + +Afweermiddelen zijn de volgende: men laat een kaars branden, of +plaatst een mes op de borst, met de punt omhoog, of men zet de +schoenen omgekeerd voor het bed. Op de Veluwe raadt men een vrouw, +bij het naar bed gaan den stoel te verzetten, waarop haar kleeren +liggen. Daar en in Overijssel bevestigt men ook als afweermiddel een +paardekop boven den stal, op welks beteekenis ik nader terugkom. Men +beveiligt de paarden ook, door ze te bestrooien met garst; dan is de +kwelgeest den volgenden dag in de schuur achter de wan te vangen. In +België nam men een handvol zand en strooide dat in het vertrek rond; +dan moest de nachtmerrie verschijnen. Teenstra, Volksverhalen bl. 52 +verhaalt ook, dat men een pannekoek bakte: was er een nachtmerrie in +huis, dan kon die koek niet gaar worden en kwam geschonden uit de pan. + +Ook marentakken (_viscum album_) houden de nachtmerrie uit den +stal. Berust dit op het algemeene beginsel der sympathie, in dit +geval taalkundige overeenkomst tusschen afweermiddel en te bannen +voorwerp? Of heeft de misteltwijg zijn naam ontvangen, òmdat hij +de mare afweert, of omdat zij op zijn bladeren uitrust--als op de +korenhalmen of de hop,--of dewijl hij den boom drukt evenals de mare +den mensch? Wij komen op dit punt nader terug bij het behandelen +der Plantlore. + +Gaat de mare uit rijden, dan verlaat ze het lichaam als een bij, kever, +vlinder enz., en keert ook weer in deze gedaante terug. Te Vilvoorde +vertoonde zich de mare eens onder de gedaante van een klein diertje, +een vinger lang en zeldzaam gevormd, dat van verre kwam aanloopen +en een slapende vrouw in den mond kroop. Men ziet, hoe luidens de +volksopvatting de ziel het lichaam verlaat, althans kàn verlaten +gedurende den slaap. Dit geloof is wijd en zijd verbreid. Soedaneezen +zagen eens uit den mond van een slapende iets kruipen ter grootte van +een krekel, zich op weg begeven naar een sadagoristruik en weer den +neus binnensluipen; zie Wilken, Het animisme bij de volken van den +Indischen Archipel (Leiden 1885), bl. 16. Vaak neemt de ziel ook de +gedaante eener muis aan: de zielen der bannelingen vervolgen Hatto +van Bingen als muizen; als muizen verdwijnen de kinderen, door den +rattenvanger van Hamelen gelokt. Vergel. mijne Essays en Studiën, +bl. 83, 90 en een artikel in Volkskunde XIV, bl. 1 vlg.; Wolf, +Niederl. Sagen nos. 249, 253, 254, 515, 563; Ons Volksleven XI, +bl. 132; Biekorf V, bl. 301. + +De woordafleiding en de mythische oorsprong der spookachtige wezens, +die men _heksen_ heet, ligt vrijwel in het duister. Slechts mag +men--hoe sterk het heksengeloof ook met Christelijke bestanddeelen +is vermengd--als zeker aannemen, dat zij haar oorsprong in het +heidendom hebben, vooral door hare betrekkingen tot den duivel; en +verder, dat zij van animistischen oorsprong zijn en deel uitmaken +van het geestenheir, dat rondvaart bij het woeden der elementen. De +Zuid-Slaven gelooven, dat in elke heks een booze, helsche geest huist, +die bij nacht het lichaam verlaat, en zich dan in een vlinder, kip, +kraai, maar het liefst in een pad verandert. + +Wij hebben oorspronkelijk te doen met boosaardige spooksels, met +kwalijk-gezinde zielen van afgestorvenen. Het feest valt dan ook +samen met dat der ziele-geesten in het midden van den winter. Zooals +bekend is, gold het tooveren bij de oude Germanen als bizondere gave +der vrouwen. Na den dood zetten zij haar werkzaamheid voort. Maar +bij sommige vrouwen scheidt zich de ziel reeds tijdens het leven van +het lichaam, en neemt deel aan het joelen der zielegeesten. Van deze +moeten zij hare kunst leeren, en zoo ontstond het volksgeloof aan +de samenkomst van aardsche vrouwen met de geesten. Immers, telkens +valt er in de verhalen de nadruk op, dat de aardsche heksen op +bepaalde dagen, waarop vooral de geesten hun spel drijven, de macht +bezitten, door de lucht te rijden--op 'n bok, bezemsteel enz.--en +aan de vergadering der geesten deel te nemen. Zoo ontstond dus het +geloof aan de levende, menschelijke heksen, dat door de bekende +heksenprocessen een kultuurhistorische beteekenis kreeg. + +Haar animistischen oorsprong verraden de heksen door haar +Proteus-natuur. Zij komen binnen door het sleutelgat en kunnen de +gedaante aannemen van hagedissen,--waarschijnlijk wortelverwant +met het woord _heks_--van uilen, honden en vooral van padden, +hazen en katten. De kat immers is een nachtdier en heeft, door den +lichtglans harer oogen in het duister, door haar onhoorbaren gang +en nachtelijk gejank, inderdaad iets daemonisch over zich: ook de +duivel verandert zich in een kat of kater, men denke aan _duvekater_ +en _drommekater_. Maar juist als nachtdier is zij ook onweêrs- of +neveldier, en zoo komt het, dat zoovele weêrregels met de kat in +verband staan: als de kat zich poetst, wordt het weêr goed; likt zij +zich tegen het haar in, dan komt er regen: regent het in de wasch, +dan heeft men de kat niet goed verzorgd; zie vooral Sloet, De dieren +in het Germaansche volksgeloof en volksgebruik ('s-Gravenhage 1827), +bl. 1 vlg.--De verhouding van heks tot duivel blijkt ook nog uit de +parallelle der spreekwoorden: "Als het regent en de zon schijnt, +bakt elke heks pannekoeken";--"Als het regent en de zon schijnt, +is het kermis in de hel". + +De heksen berokkenen steeds schade: zij melken de koeien des +nachts, veroorzaken veepest en muizenplaag, beheksen de kinderen, +leggen de kwade hand en veroorzaken daardoor allerlei ziekten, +beoefenen het nestelknoopen, door onder den echtelijken zegen een +slot toe te knippen en in het water te werpen (hierover nader), +bederven het graan en verwekken hagel, wind en storm. Ook kunnen +zij iemand op een bepaalde plaats vast tooveren, vanwaar het +Limb. _heksenscheut_, Hoogd. _Hexenschuss_. Grooten invloed hebben +zij ook op het karnen van de boter. Is de koe werkelijk "behekst", +dan mag de boerin karnen, zooveel zij wil: boter komt er niet; +terwijl de heks slechts met een stokje in de sloot heeft te roeren, +om alle boter te krijgen. Eindelijk, zij verdorren het gras, vanwaar +de heksenkringen. Het is geraden, eierschalen te vergruizelen, want +daarin verbergen zich de heksen. + +Vindt men kroontjes in de bedkussens, dan zijn ook deze _betsjoend_, +zooals het in Friesland luidt. Hiertegen beveiligt een _kruuske-kaai_, +d.i. een sleutel met een kruis in het benedeneinde. Maar men kan +die verdachte voorwerpen ook in een ketel met kokend water werpen en +laten koken, dan moet de heks binnenkomen. Vrijwel hetzelfde effekt +verkrijgt men door een arend en zwarten haan in een ketel boven het +vuur te hangen. Een eigenaardig sympathetisch toovermiddel is nog het +volgende: men maakt een ploegijzer gloeiend en spreekt dan plechtig den +naam der vermeende heks uit; deze zal dan de hevigste smart voelen. Van +een heks mag men geen koffie of brandewijn aannemen, dan komt men in +haar macht, en evenmin mag men hare vragen driemaal achtereen met +"ja" beantwoorden. Vrouwen, die zich in heksen kunnen veranderen, +zijn dan ook wel buiten genoemde toovermiddelen kenbaar. Zij hebben +vergroeide wenkbrauwen, druipoogen en platvoeten. Iemand vlak in +het gelaat zien is haar niet mogelijk, en ook kunnen zij over geen +bezemsteel heenstappen, of over een kruis of kruisvormig voorwerp, +b.v. twee doodsbeenderen over elkaar. + +Vooral beveiligt een hoefijzer boven den stal of elders +aangebracht. Het hoefijzer is een algemeene talisman, het brengt +geluk, maar vooral het heeft afwerende kracht. Daarom wordt het +ook op de masten van schepen gespijkerd. Ook behoort het tot +de Wôdanssymbolen, heilig was met name het hoefijzer van Wôdans +ros. Maar ik houd dit voor sekondair, en breng de primaire beteekenis +liever in verband met de paardeschedels, in stallingen ingemetseld, +en met de houten paardekoppen op den nok der huizen, vooral der +Saksische boerenwoningen, in die mate, dat men, in verband met andere +gegevens, het paard als een Saksisch stamteeken kan beschouwen. Ter +bescherming is het dier zelf niet noodzakelijk; het wordt ten volle +vertegenwoordigd door zijn exuviën, dus ook door het hoefijzer. + +Na zich met heksenzalf bestreken te hebben, rijdt de heks door den +schoorsteen ter vergadering, door den duivel voorgezeten en geleid. Het +geschiedt natuurlijk bij nacht, en wel na twaalven; immers: "Tusschen +twaalf en een zijn alle heksen op de been". Zij rijden ook weg op een +spinnewiel, op bokken en kalveren onder de spreuk: "Over haag en over +heg, te Keulen (Spanje enz.) in den wijnkelder." De heksenvaart wordt +niet zelden begeleid door wonderschoone muziek. De verzamelplaats der +heksen is op weiden, heideplaatsen of galgenbergen. Zoo heeft men de +_Hommelheide_ nabij Susteren, waar men dan ook heksenkringen vindt, en +de _Haar_ bij Bunschoten; maar de groote verzamelplaats in Nederland +is toch de beruchte Mookerheide. In Belgische sagen worden als +zoodanig b.v. genoemd de _Kemmelberg_ bij Yperen en het _Galgenveld_ +bij Antwerpen. Worden heksen eenmaal verhinderd in haar heksendans, +dan mogen zij gedurende zeven maal zeven jaren geen vergadering meer +bijwonen (Hageland). + +Op den heksensabbath mag de naam Gods niet genoemd worden, noch ook +de naam van het zout. De geestenwerende kracht van het zout behoort +wel tot de oudste lagen van het volksgeloof. Ook in de klassieke +Oudheid gold het niet slechts als zeer waardevol, maar ook als +reinigend, van tooverij zuiverend: immers men meende, dat het de +elementen van water en vuur in zich vereenigde. Aldus begrijpt men +de heiligheid der zoutbronnen en der bosschen, waarin deze zich +bevonden, bij onze Germaansche voorouders; wij danken dit bericht +aan Tacitus. De bereiding van het zout stond dan ook onder toezicht +van priesteressen. Zoo begrijpen wij verder, waarom het morsen met +zout en het omstooten van het zoutvat ongeluk en tweedracht brengt; +waarom het zout zulk een voorname rol speelt in de volksgeneeskunde; +waarom schatgravers brood en zout bij zich moeten hebben; waarom men +plaatselijk, als men in België ter bedevaart tijgt, brood en zout +bij zich heeft; enz.--Ook de vlierstruik doet uitstekend tegen heksen +dienst, waarover nader in de Plantlore. + +Buitengemeen groot is het aantal volksverhalen, waarin een heks als +kat, kraai enz. wordt gewond; den volgenden dag is dan de verwonding +bij de een of andere vrouw merkbaar. Personen, vooral kinderen, die +onder den invloed van heksen geraken, worden _behekst_, en dienen +door een heksenmeester of heksenbanner _belezen_ te worden. Staan +de paarden met verwarde manen en druipend van het zweet op stal, dan +zijn ook deze waarschijnlijk behekst. Zie vooral Waling Dijkstra, Uit +Friesland's Volksleven II, bl. 158. Verder Welters, Limb. Legenden +II, bl. 65 vlg.; De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek I, bl. 7 +vlg; Friesche Volksalm. 1865, bl. 17; Rond den heerd V, bl. 70; +Ons Volksleven II, bl. 8; VI, bl. 119; IX, bl. 201. + +Een laatste animistische groep vormen de _dwaallichten_, eigenlijk +de zielen als vlammen op graven of in hunne nabijheid. Zij +worden beschouwd als de zieltjes van ongedoopte kinderen en heeten +plaatselijk: _divaal-, drog-, hip-, dwaas-, stallichten; drogfakkels; +stalkaarsen; valsche lantarens_. De Friesche benaming _wylde +lanteernen_ geldt eigenlijk over het algemeen de afgestorvenen, die +geen rust kunnen vinden in hun graf. Ook meent men, dat ter plaatse, +waar men vaak een dwaallichtje ziet, een schat begraven ligt; men +noemt ze dan ook wel _blauwe vuurtjes_. Tot deze groep kan nog gerekend +worden het _St. Elmsvuur_, dat op de masten der schepen verschijnt. + +Aanvankelijk waren de dwaallichtjes boosaardig, trachtten zij den +eenzamen wandelaar opzettelijk te misleiden. Maar het volk heeft deze +opvatting op eigenaardige en dichterlijke wijze gekerstend; het zijn +nu de zielen der ongedoopte kinderen, die op den reiziger toehuppelen +en trachten hem naar een water of poel te leiden, om gedoopt te +worden. Als men in Vlaanderen en Noord-Brabant de _stalkeersen_ wil +doopen, een kruis over hen maakt en de doopformule uitspreekt, komen +ze in ontzaglijken getale rondom u. Het best is dan maar te zeggen: +"Ik doop u allen" enz. + +Nauw met hen verwant is de _vuurman_. In Drente zijn vuurmannen meestal +landmeters, die, omgekocht als ze waren, hun taak niet eerlijk hebben +verricht. Deze opvatting geldt ook voor Zuid-Holland, Friesland, +Groningen, de Overbetuwe. In geheel Drente is de vuurman _Lapöoge_ +bekend, de kwelgeest met zijn gloeienden meetketting. _Glende kerels_ +zweven ook als vlammende stroobossen langs de marke-scheidingen, +b.v. te Havelte, Zuid-Laren, Borger, Rolde, Zeegze, Tijnaarloo enz. In +Belgisch Limburg heeten ze _vierman, schoevert, schoeffer, sjoverik_ +(b.v. te Genk) enz.; in de Kempen ook wel _brandende schoof_. Men +mag niet met den vinger naar den vuurman wijzen en ook niet fluiten +of hem bespotten: dan komt hij op u af en, redt u de vlugheid niet, +dan zijt ge verloren,--òf ge moest bij u hebben een knipmes met +houten hecht. Kunt ge het lemmer in den grond steken, dan komt het +licht daar op af, en ge zijt verlost. In Hollandsen Limburg wandelt +hij o.a. tusschen Arcen en Velden. Ook spookte eertijds een vuurman +te Venloo in de nabijheid van den ondersten Houtmolen. De bewoners +van den omtrek moesten hem elk jaar een kar zand, een paar blikken +schoenen en zeven en een halven stuiver geven. Eens kwam een knecht +van den bovensten Houtmolen 's avonds laat van de stad en zag op een +hoogte een man staan, dien hij voor een zijner vrienden hield. Hij +riep hem dus toe: "Dikke, geef me eens wat vuur", doch daar kwam de +vuurman hem na. Zoo hard hij kon ging de knecht er van door en was +juist de schuur van den molen binnen, toen de vuurman op het punt stond +hem in te halen. Den volgenden morgen vond men op de schuurdeur een +koolzwarte hand afgeteekend. Dit is trouwens het eensluidende slot +van dergelijke geschiedenissen. + +Over den Brabantschen _Kludde_ is gesproken. Zulk overgangstype +tusschen vuurman en weerwolf vindt men hier te lande in het +_hêmanneken._ Te Hoogland b.v. wordt hij gezien bij ruw weêr en +roept aldoor: "hêej, hêej." Beantwoordt iemand dat geroep, dan +springt hij hem op den rug en verlaat hem niet, tot de woning bereikt +is. Intusschen gluurt hij den drager voortdurend met "gleunige ôogen" +als een kat aan. Zie Welters, Limb. Legenden II, bl. 31; Drentsche +Volksalm. 1845, bl. 232; Nederl. Museum II 12, bl. 352; Volkskunde X, +bl. 182, 206, 236 vlg.; XIV, bl. 161. + +Waar de geestenwereld haar spel drijft, daar _spookt_ het. "Spook" +en "spoken" zijn dus generische uitdrukkingen. Weer is de etymologie +van het Germaansche _spôka_- raadselachtig. Het spoken is gebonden aan +bepaalde tijden en plaatsen, zooals wij reeds ten deele zagen. Vooral +spookt het op de kruiswegen; daar drijven de geesten hun spel, daar +kan men met hen in gemeenschap treden. Reeds de H. Eligius en Burchard +van Worms ijveren tegen de bijgeloovige vereering der kruiswegen +(VIIe en XIe eeuw). Toch zwijgen de Oudgermaansche bronnen hierover, +zoodat het niet onwaarschijnlijk is, dat dit volksgeloof zich onder +Romeinschen invloed ontwikkeld heeft. Anderzijds oefenen de kruiswegen +ook weer geestwerende kracht uit en moeten de geesten zich hierover +laten heendragen; ter belooning werpen zij dan een goudstuk toe. + +Ook de doode, die "terugkeert", komt spoken en geeft stof tot vele +spooksagen. Meestal zijn dit personen, die in hun graf geen rust +kunnen vinden, omdat zij tijdens hun leven hebben misdaan, of een +gelofte--b.v. een bidweg--niet zijn nagekomen, of wien de overlevenden +de verschuldigde eerbewijzen niet hebben gebracht. Zij kunnen verzoend, +"verlost" worden en vinden dan eindelijk rust. Wie geld begraven heeft, +moet zoolang tusschen hemel en aarde zweven, tot de schat gevonden is. + +Maar het volksgeloof kent ook _spookdieren_. Wij zagen reeds +herhaaldelijk, dat de ziel in diervorm het lichaam kan verlaten; in +diervorm kan zij ook "terugkeeren" of blijven voortleven. Zielen, +die in diervorm rondspoken, kiezen daartoe bij voorkeur de +gedaante van katten, hazen, wolven, honden en paarden, storm- of +onweêrsdieren. Vandaar, dat katten, hazen enz., die over den weg +loopen, ongeluk beteekenen; het is niet het dier, dat de mensch +ontmoet, maar de ziel van een gestorvene. Vooral in den vroegen +morgen is zulke ontmoeting van belang, "het eerste gemoet", zegt +men te Brugge. Zoo komt het, dat de dieren ook de toekomst kunnen +voorspellen; immers de ziel van een overledene kan in de toekomst +zien. Hierdoor verklaart men licht de beteekenis van het blaffen van +honden, het hinniken van paarden, het krassen van raven en uilen, +het janken van katten. "Krast er een uil, breekt er een glas. Dan +sterft de meesteresse ras", zegt men in Gelderland. Ook het huilen +van honden bij nacht kondigt doorgaans een sterfgeval aan. Vooral +kraaien en raven zijn ongeluksvogels; men dient te weten, dat de raaf +oorspronkelijk wit was en eerst na den zondvloed zwart geworden is. Te +Canne, bij Maastricht, zingt de jeugd: + + + De eksters en de kraaien, + Die zwaaien al over mijn hoofd + En snakken al naar mijn dood; + Die dood begint te naken, + Ik zal het niet lang meer maken. + + +De zienersgave dezer zielevogels blijkt ook uit spreekwijzen als: +"De kraaien zullen het uitbrengen";--"Alles komt uit, al moesten de +kraaien (of raven) het uitbrengen", en ook wellicht "Daar zal geen +haan naar kraaien." + +Spookdieren zijn over het algemeen een kwaad voorteeken en verkondigen +onheil; niet aldus de zwaluw, de ooievaar, de koekoek. Hoe kan het +anders? Het zijn alle drie lenteboden. Vandaar dan ook, dat het als +een zegen wordt beschouwd, wanneer zwaluw of ooievaar op een huis hun +nest bouwen. "Zwaluwen in 't dak, guldens op zak;" en op de Veluwe: +"Waar een zwaluw aan den stal nestelt, daar sterven de kalveren +niet." Dit teekent meer onze praktische, nuchtere levensopvatting; +poëtischer is de Duitsche spreuk: "Wo die Schwalbe nistet im Haus, +Zieht der Segen niemals aus". Een zwaluwnest vernielen, brengt +ongeluk. Ook het Westvlaamsche volk toont dichterlijken zin, als het +de zwaluwen "de vogels van O.L. Vrouw" noemt, dewijl zij omtrent Mei +(Maand van Maria) aankomen en omstreeks Maria Geboorte (8 Sept.) weer +vertrekken. Een volksverhaal weet te vertellen, dat, waar O.L. Vrouw +ook reisde of vluchtte, een zwaluw steeds met haar medevloog: Rond +den Heerd XXIV, bl. 115. + +Ook de ooievaar brengt geluk en welvaart en lang leven. Waar hij +nestelt, is het huis gevrijwaard tegen vuur en bliksem, en sterven +geen kraamvrouwen. De kinderen zingen: + + + Ooievaar, lepelaar, + Met je lange bekke, + Wanneer zal je thuis kommen? + Als de muis piep zeit. + Piep zei de muis: + Ooievaar komt t' avond thuis. + + +Ooievaar brengt ook de kindertjes. "Als een stork over 't huis +vliegt", heet het te Almelo, "komt er gauw een kleine schreeuwer in +de wieg". Hierop wijst o.m. het Geldersche rijmpje: + + + Uiver, uiver, pielepoot, + Breng een kindje in moeders schoot. + + +Maar de waarzegger bij uitstek is de koekoek. Het Belgisch rijmpje, +dat zijn voorzeggingsgave inroept, luidt: + + + Koekoek Steven (of even), + Hoelang mag ik leven? + + +en vrijwel gelijkluidend hoort men in het Sassenland: + + + Kukuk vom häven, + Wo lange sall ik leven? + + +en dan telt men: zooveel maal de koekoek roept, zooveel jaren blijven +den vrager te leven over. Op de Veluwe bekransten de jongens en +meisjes zich bij den eersten koekoeksdeun en riepen dan: + + + Koekoek, bakkersknecht, + Zeg mij recht, + Zeg mij waar, + Hoeveel jaar + Ik dit kransje nog dragen zal? + + +Te Nederweert (L.) is hij ook weêrprofeet.--Maar het wordt tijd, +tot onze spookdieren terug te keeren. Van spokende honden weet men +vooral in Groningen en in de Ommelanden veel te vertellen; verder +in Friesland, Brabant, Zeeland en elders. Plaatselijk draagt de +spookhond den naam van _stommelstaart, borries_ of _helhond_. Het +is een zwarte hond met vurige oogen, soms beladen met gloeiende +ketenen.--Het spookpaard heet in het Oldambt _hommel-stommel_; ook +waren veelal spokende veulens rond, en zonder kop. In België zijn de +spookdieren doorgaans hazen en konijnen. Niet zelden worden al deze +spookdieren driebeenig en éenoogig gedacht. + +Er bestaat nog een andere reden, waarom sommige dieren in ongunstigen +roep staan, deze namelijk, dat zij uiteraard in nadere betrekking +traden tot de Germaansche godenwereld. Aldus het snelle ros +(_Sleipnir_) tot Wôdan als Windgod; aldus de raven (_Hugin_ en +_Munin_: de Gedachte en Gedachtenis) en de wolven (_Geri_ en _Freki_: +de Gulzige en Vraatzuchtige) tot Wôdan als Wind- en Oorlogsgod. De +kat was gewijd aan Frija, de huwelijksgodin en de godin van den +huiselijken arbeid. Daar nu de geloofsverkondigers de afgoden +als duivels voorstelden, werden gemelde dieren ook satellieten +van den satan. Zelfs de koekoek, de blijde lentevogel, ontging +niet volstrekt het lot van zijn heer, wien hij als waarzegvogel +heilig was: en zoo verklaart men het best de ongunstige beteekenis +onzer zegswijzen: "Loop naar den koekoek" (d.i. naar den drommel); +"hale u de koekoek", vgl. "hol dich der Kukuk und sein Küster", en +"le diable t'emporte";--"Dat wete de koekoek" (d.i. dat mag Joost +weten);--"Je bent een koekoekskind" (d.i. een satanskind). + +Hierbij komt nog, dat sommige dieren, als katten en raven, ook +rechtstreeks tot duivel en heksen in betrekking gebracht werden; +en eindelijk, dat de begrippen "gewijd, heilig" en "gevaarlijk, te +vermijden" in het volksgeloof veelal synoniem zijn. Maar dit geldt +eigenlijk meer voor personen, dan ook voor zaken. + +Voor zoover ik weet, is de specht alleen dezen dans +ontsprongen. Plinius gaf hem den bijnaam _Martius_, daar hij den god +Mars was gewijd. Maar uit _Martis avis_ is _Martini avis_ gegroeid, +zooals ook blijkt uit de variant van sommige handschriften: "Sant +Martisvogel, Mertissvogelin." Ik kom naderhand op dezen vogel terug, +maar wensch hier alleen de aandacht te vestigen op het feit, dat de +specht, die toch óok gevaar van vermaledijding liep, aan dit lot +is ontsnapt, doordat het volk hem aan St. Maarten toevoegde. Zie +V. D. Bergh, Kritisch Woordenboek, bl. 210; Sloet, De Dieren in het +Germaansche volksgeloof, _passim_; De Cock, Een en ander over de +folklore van dieren en planten, in de Handel. v. h. derde Vlaamsche +Natuur- en Geneeskundig Congres (1899), bl. 85 vlg.; Ons Volksleven +XII, bl. 15; 't Daghet in den Oosten XIX, bl. 6; Limburg's Jaarboek V, +3, bl. i vlg.; Volkskunde XXI, bl. 211 vlg.; XXII, bl. 33 vlg. + +Verpersoonlijking der bandelooze elementen, der ruwe natuurkrachten +is het geslacht der _reuzen_. Nu eens vertegenwoordigen zij den +winter, dan weer den nacht of den stormwind. Zoo ver de mensch in +lichaamskracht boven den dwerg of kabouter staat, zoo ver blijft hij +beneden de plompe dommekracht van den reus. Bekend uit de Noorsche +mythologie is de oorreus IJmir, uit wien de wereld geschapen werd: +uit zijn vleesch vormden de goden de aarde, uit zijn bloed de zee, +uit zijn beenderen de bergen, uit zijn schedel het hemelgewelf. + +Ook in ons volksgeloof zijn de reuzen niet onbekend. Een Overijsselsche +sage verhaalt van een reus, die aarde in de slip van zijn mantel +droeg. Bij het overstappen van de Vecht ontviel hem de Bestemerberg, +bij het gaan over de Regge de Lemelerberg, eindelijk de Luttenberg. De +rest niet meer dragenswaard achtend, had hij die langs Hellendoorn en +verderop uitgeschud. Een analogen oorsprong hebben twee heuvels bij +Heelsum, een heuvel bij Valburg, de Woldbergen op de Veluwe. Ook +West-Friesland werd eertijds door reuzen en reuzinnen bewoond, +van wie Lem, Dibbald, Walberich, Hillegond omstreeks Leiden, +Haarlem en Rotterdam gelokaliseerd worden. Deze Hillegond had eens +een schortekleed zand van het zeestrand gehaald. Maar gekomen ter +plaatse, waar thans de kerk te Hillegersberg staat, brak de band van +haar voorschoot, en het uitgestorte zand vormde een heuvel. Het is wel +onnoodig te zeggen, dat wij hier met natuurverklarende volksverhalen +te doen hebben. + +Dit is ook het geval met de sage der beide Rijn-gravende reuzen. Volle +honderd jaren hadden zij dapper gedolven zonder een woord te wisselen, +toen de éen het stilzwijgen brak. De ander wordt hierop toornig, +antwoordt, dat hij niet langer met zulk een babbelaar wenscht samen +te werken, en gaat de Waalbedding graven. In een Belgische sage van +dezen aard, gelokaliseerd te Hekelghem, is de reus reeds een duivel +geworden. Em. Seipgens verhaalt, dat het reuzengat te Echt (tusschen +Echt, Montfort en Posterholt) eigenlijk een onvoltooid gebleven +reuzenwoning is. De koning der reuzen zou gaan trouwen en volgens +'s lands wijs moest hij met de aanstaande koningin zijn eigen woning +in den grond delven; wegens het gepraat zijner aanstaande liet hij +ten slotte het werk steken. "Daarom is de koning der reuzen nooit +getrouwd en de woning onafgewerkt gebleven. De reuzen volgden het +voorbeeld van hun koning, omdat zij alle vrouwen snapsters vonden, +en zoo is het reuzengeslacht in Limburg uitgestorven." (In Welters, +Limb. Legenden I, bl. 219). + +Volgens een overoude sage hebben de reuzen een gedeelte van Brussel +gesticht; vandaar natuurlijk ook de naam van Reuzenberg. Eertijds +gingen dan ook elf reuzen, met verschillende benamingen, in den +vermaarden Brusselschen Ommegang, en wel achter de Gilden en Ambachten; +thans nog twee: Janneken en Mieke. Ook te Venloo werden van oudsher +twee reusachtige poppen rondgedragen, die de stichters van Venloo: +"Valuas en z'n vrouw" voorstelden, en wel door het akkermansgilde op +Maandag vóor de zomerkermis. Sedert eenige jaren is dit gebruik weer +ingevoerd. Luidens een Venloosch archiefstuk werden in het begin der +XVIIIe eeuw deze beelden ook in de processie rondgedragen. Zooals te +Brussel, worden ook te Geerardsbergen Janneken en Mieke rondgedragen; +te Hasselt kent men den Langen Man, te Antwerpen Druon Antigoon, +te Wetteren den Reus en de Reuzin. + +De reuzen hebben niet alleen rivieren gegraven en bergen opgestapeld, +zij hebben ook de terpen en de hunebedden gebouwd. Hier heeft +verwisseling of liever vermenging der begrippen "reuzen" en "hunen" +plaats. Ook is het begrip van den term _hunen_ zelf niet homogeen: +immers het woord _hûn_, een echt-Germaansch woord, beteekent +"reus", maar ook "Hun, Hongaar"; waarschijnlijk is de naam _Hûn_ +op verschillende volkeren toegepast. Misschien vertegenwoordigen +zij, hetgeen ook wel van de Elfen beweerd wordt, het een of ander +uitgestorven Europeesch oorvolk. Wat hiervan zij: de Hunen vormden +in het volksgeloof een met de reuzen nauw verwante, maar toch +zelfstandige, meer historische groep. Hun naam leeft voort in de +Hunenbedden niet alleen, maar ook in den Overijsselschen _Hunerborg_, +in den _Hunerberg_ en de _Hunerpoort_ te Nijmegen en in den _Hunsberg_ +van Merchtem. (Z.B.) + +De reuzen vormen als het ware den middelterm tusschen de lagere en +de hoogere mythologie; van overgang geen sprake. Het reuzengeloof +wortelt in de omringende natuur, in de elementen, maar vertoont geen +spoor van zielengeloof. De hoogere mythologie, volstrekt zelfstandig +ten overstaan der lagere, wordt vertegenwoordigd door de vereering van +den machtigen god des hemels, den Indischen _Dyâush_, den Griekschen +_Zeus_, den Romeinschen _Jupiter_, die bij de Oude Germanen den +naam droeg van _Ziu_. Alle Indogermaansche talen wijzen hier op +een vereering van den "Stralenden Hemel" als hoogste godheid. Maar +op den duur veranderde het wezen van dezen hoogsten hemelsgod, óok +van den Germaanschen _Ziu_; velerlei attributen zijn hem ontnomen, +om aan afzonderlijke godheden te worden toevertrouwd. De weg loopt +hier van de eenheid of betrekkelijke eenheid naar de veelheid. Zóo +ontstonden de Westgermaansche godheden: Wódan, Donar, Frija enz. + +Van deze hoogere mythologie is bezinksel in ons folklore +achtergebleven, en niemand heeft dit beter aangetoond dan Jacob Grimm +in zijn standaardwerk "Deutsche Mythologie". Al blijkt het, dat hij +veel te eenzijdig is te werk gegaan, met volle recht mag hij den titel +dragen van "vader der Germaansche mythologie" als wetenschap; met +behulp der kritiek wordt zijn werk de rijkst mogelijke vindplaats. Wij +zullen in de volgende bladzijden dan ook herhaaldelijk stooten +op survivals van Wôdan en zijn kring: een sekondaire mythologische +vorming dus. Laat ik slechts wijzen op enkele uitdrukkingen. Wij lezen +in een Nederlandsch hs. van 1470: "Ende de poeten in heure fablen +heetend ourse, dat is te segghene Woenswaghen". Het sterrenbeeld van +den Grooten Beer werd dus als Wôdanswagen beschouwd. In Zuid-Limburg +spreekt men nog van een "zielewagen", die door de lucht rijdt. De naam +leeft ook voort in ons hedendaagsch _Woensdag_, dial. _Goonsdaag_, +en in de plaatsnamen _Woensdrecht_ = Wodani traiectum, _Woensel_, +wellicht _Woenum_ of _Wenum_. De herinnering aan Donar bewaart ons +_Donderkruid_ of _Donderbaard_, het _Sempervivum tectorum_, voorheen +ook _Barba Jovis_ genoemd, in Zwitserland nog _Joubarbe_. Bij de +invoering van het Christendom droeg de volksfantasie vele attributen +van goden en godinnen op Christus en de heiligen over; vandaar dat het +_Frigjargras_ tot _Mariagras_ werd; de aan Frija als godin der geboorte +heilige _Asperula odorata_, waarvan een bundel bij zwangere vrouwen +in bed gelegd werd, ontving den naam van _O.L. Vrouwenbedstroo_, het +_Labrum Veneris_ dien van _Mariadistel_; enz. Ook behoort het hoogst +waarschijnlijk tot de sekondaire laag in ons folklore, wanneer de +kat, het heilige dier van Frija-Frigg, in zoo nauwe betrekking tot +het huwelijk treedt. Wie op zijn trouwdag door goed weêr begunstigd +wil worden, moet de kat goed voeren, of de kat streelen (_kören_), +zooals men te Ubach-over-Worms zegt. Wie geen katten lijden mag, +meent men ook, krijgt geen mooie bruid. + +2. _Romeinsche Mythologie_.--Dat de betrekkingen tusschen Romeinen en +Germanen niet spoorloos voor de religie onzer vaderen voorbij gingen, +ligt voor de hand; met name met het oog op de hoogere Romeinsche +kultuur. Laat ik terstond enkele voorbeelden geven. Romeinsch +was het gebruik, namen te geven aan de dagen der week, gewijd +aan de Zon; de Maan; Things, resp. Tius: Mars; Wôdan: Mercurius; +Donar: Jupiter; Frija: Venus; en Saturnus, voor wien geen passende +Germaansche interpretatie kon gevonden worden. Deze substitutie had +vermoedelijk in de IIIe of IVe eeuw n. Ch. plaats; zie Dr. Roesler, +Ueber die Namen der Wochentage (Berlin 1865), bl. 20 vlg.--Volledige +ontleening had plaats met de namen Venus en Diana, men denke aan de +Venusbergen en het Venushaar. Verder hebben wij de votiefsteenen, +door Germanen geplaatst, waarop men nu eens een Romeinschen god, +dan weer een Romeinschen god met Germaanschen bijnaam vindt. Zoo was +b.v. in den muur der oude Romaansche kerk te Horn bij Roermond een +geloftesteen aan Mars en een aan Mercurius ingevoegd. + +Trouwens het plaatsen van votiefsteenen op zich zelf is specifiek +Romeinsch; zie hierover Karl Helm, Altgerman. Religionsgeschichte +(Heidelberg 1913) I, 345 vlg. Op twee votiefïnskripties wordt _Mars +Thincsus_ gezamenlijk met twee Germaansche godinnen genoemd. De +vindplaats van beide inschriften ligt in Engeland te Housesteads, nabij +den Hadrianuswal; zij dagteekenen uit den tijd van Alexander Severus +(222-235) en werden gesticht door een afdeeling Germaansche ruiterij, +die den naam van _Cuneus Frisorum_: "Friesche afdeeling" droeg. Hiermee +is echter niet gezegd, dat het Friezen waren; waarschijnlijk Bataven, +in alle geval Twentenaren. Te vermelden valt nog de bijzonderheid, +dat op een bij de altaren behoorend halfrond kapiteel in het midden +een gewapend krijger (Mars) met een vogel is voorgesteld, en aan +weerszijden twee zwevende geniën; zie verder W. Pleyte, Mededeel, +d. Kon. Akad. van Wetensch. III, 2, bl. 110 vlg.--Van een onbekende +godin _Vagdavercustis_ spreekt een votiefsteen, gevonden in het +riviertje de Linge bij Hemmen (G.). + +Een vrij groote verspreiding had de vereering der godin _Hludana_, +getuige o.a. een steen uit Beekgum (F.), verwant met de Noorsche godin +Hlódyn en, wat meer zegt, met de besproken godin Holda. Buitengewoon +rijk is de monumentale overleving van de godin _Nehalennia_. Zij +wordt vermeld op niet minder dan 26 votiefsteenen, die alle--met +uitzondering van 2 te Deutz gevonden--bij Domburg op Walcheren uit het +duinzand zijn opgedolven. Tien ervan zijn geheel, acht ten deele door +een brand der kerk te Domburg in 1848 vernietigd; maar zij bleven +voor ons weten behouden door de publikatie van L. J. F. Janssen, +De Romeinsche beelden en gedenksteenen van Zeeland (1845). Men +noemt Nehalennia een Bataafsche godin, ofschoon voor haar vereering +eigenlijk eerder de zuidwestelijke buren der Bataven, n.l. de Marsaci +en Sturii in aanmerking komen. Maar het Germaansche karakter der godin +is boven allen twijfel verheven. Zij schijnt beschermster van handel +en scheepvaart te zijn en godin der zee, en wordt voorgesteld, gezeten +op een troon, of ook staande; naast haar een hond, aan weerszijden +hoorns van overvloed. Op drie steenen steunt zij met den linkervoet +op den voorsteven van een schip. Wellicht behoort de hond bij het +type der met haar vereenzelvigde Egyptische godin Isis thuis. + +Sporen van den Nehalennia-kultus vinden wij wellicht in een +Middeleeuwsch gebruik, van kracht in Zuid-Nederland en in de +Rijnprovincie: een feestelijk opgetuigd en versierd schip op +raderen werd van plaats tot plaats getrokken onder het feestgejubel +der bevolking. Zulk een optocht uit het jaar 1133 wordt uitvoerig +beschreven in een klooster-kroniek van St. Truiden. Het schip kwam +het eerst naar Aken, dan naar Maastricht, waar het van mast en zeilen +voorzien werd, dan naar Tongeren, Looz enz. Maar door toedoen der +geestelijkheid werd deze stoet door den Graaf van Leuven met kracht +onderbroken en belet, en hiermee schijnt het gebruik aldaar uitgeroeid +te zijn. Waarschijnlijker echter dan met den Nehelennia-kultus bestaat +samenhang met de karnavalsgebruiken van Romeinsche herkomst. + +Over het algemeen mogen wij besluiten tot een Germaansch-Romeinsch +synkretisme, welks sporen in het hedendaagsche folklore nog aanwezig +zijn. + +3. _Keltische Mythologie_.--Inwerking van den godsdienst der kultureel +hoogstaande Kelten op de Germanen kon niet uitblijven. Op een bij +Vechten (U.) gevonden votiefsteen wordt een zekere godin _Viradecdis_, +voor wie in het Germaansche domein geen aanknoopingspunt te vinden +is, vereerd door de Batavi en Tungri. Maar verreweg het voornaamste +verschijnsel is de Matronenvereering, die beslist aan de Kelten is +ontleend. De Matronen zijn plaatselijke schutsgodinnen, wellicht +ook beschermgodinnen eener familie met haar bezittingen, en wier +vereering bij de Keltische volken inheemsch was. Wij ontmoeten ze hier +te lande in een min of meer Kelto-Romaanschen vorm. Ik wijs b.v. op de +inschriften, die voor het bestaan van zulk een Matronendienst pleiten, +bij de Marsaci aan den Scheldemond en bij hun naburen de Frisaevonen +(C. I. L. XIII 860, 8633). Meestal zijn de schutsgodinnen ten getale +van drie.--Tot oudere Keltische lagen behoort de vereering van den +handelsgod _Lugus_ of _Lug_. + +III. Volstrekt eenig is de invloed op de volksreligie uitgeoefend door +het _Christendom_, een invloed, die grootendeels nieuw-scheppend, +somwijlen sparend en hervormend was. Waar opvattingen en gebruiken +lijnrecht in strijd waren met de nieuwe heilsleer, daar werd een +onverzoenlijke strijd aangebonden en de oude volksreligie met kracht +onderdrukt. Maar dit verhinderde niet, dat echte "survivals" of +overleefsels den strijd met de Christelijke ideeën bleven voortzetten, +verbod en prediking ten spijt; laat ik onmiddellijk wijzen op het taaie +bijgeloof, dat zich in valsche heiligenvereering en ongemotiveerd +wondergeloof uitbundig uit. Op bedevaartsplaatsen b.v. ziet men bij +het volk thans nog vaak een zeker synkretisme van christendom en +heidendom. Andermaal hooren wij in het huidige folklore onschuldige +nagalmen uit den heidenschen voortijd zachtkens voorttrillen. Eindelijk +vond de Kerk aanleiding onderscheid te maken tusschen vorm en stof, +tusschen schors en kern, dan werd deze verworpen, maar gene niet zelden +gered, dienstbaar gemaakt aan het Christelijk geloof en aldus gelouterd +en "gekerstend." Het zou vreemd geweest zijn, wanneer de Kerk, die zich +wenschte te verspreiden te midden der Graeco-Romeinsche beschaving, +een geheel nieuwe taal gebezigd had en systematisch alle vormen had +versmaad, die tot dan toe dienst gedaan hadden om aan de begrippen en +gevoelens van godsvereering uiting te geven. Dit geldt natuurlijk ook +voor de Germaansche beschaving. Laat ik nog slechts het psychologische +dezer verkerstening in herinnering brengen. "Naast onwankelbare +eenheid der groote en heilige beginselen", schrijft Dr. Gisb. Brom, +"een onuitputtelijke verscheidenheid en plooibaarheid van vormen. Zij +[de Kerk] gebruikt niet een en denzelfden stijven vorm, om dien met +despotisch gezag aan al haar bekeerlingen, van welke natie ook, op te +dringen en te drukken. Een Procustus-bed bleef haar ten allen tijde +vreemd. Maar zij voegt zich naar de natuurlijke geaardheid van ieder +volk, zoowel als van elk individu.... Hoe dit ééne met het andere +samengaat? Omdat al wat de Kerk rein _natuurlijks_ aantreft in de +samenleving of in den individueelen mensch, zij dat niet tracht +te vernietigen, maar het onder den leuterenden, veredelenden en +verheffenden invloed der genade laat voortbestaan." + +Aldus vinden wij wijding en veredeling van oorden, feestdagen, +feestgebruiken, volksvoorstellingen enz. Kenschetsend en teekenend +is b.v. de geschiedenis onzer Nederlandsche _kerstputten_ +of kerstpoelen. Het meerendeel is van heidenschen oorsprong +d.w.z. stond met een heidenschen kultus in verband. Maar doordat +in die bronnen gedoopt werd, zijn zij gekerstend en in dienst van +Christus gesteld. Vandaar het groot aantal putten, die den naam der +heilige geloofsverkondigers Bonifacius en Willebrordus dragen. Te +Dokkum vindt men b.v. drie Bonifaciusbronnen; Willebrordusputten +treft men aan te Osch, Diessen, Deurne, Zoutlande, Bakel, Asten, +Maarhees, Geisteren, Venray, Stamproy, Wulpen en eertijds te Berchem +bij Antwerpen. Natuurlijk werd ook een groot aantal bronnen aan Maria +gewijd. Verder zijn om meermalen vermelde reden verscheiden bronnen +met den satan in verband gebracht; vandaar de Duivelsput te Herdersen +en te Hekelgem, het _Heintjes-börreken_ te Meerbeke (men denke aan +"Heintjepik") en de Helleput te Dendermonde. + +Wat deed intusschen de volksfantasie? Bij de intrede van het +Christendom werd haar werkzaamheid niet gebroken; zij spon haar +draden en weefde haar weefsel voort, maar meestal met veranderd +patroon. Wegens toevallige overeenkomst van hoedanigheid of het +samenvallen van den tijd der feestviering werden heidensche +mythen op menigen heilige overgebracht, werden mythologische +trekken in hun legenden ingelascht; zoo trad Maria in meer dan +één opzicht in de plaats van Frija, terwijl Sinterklaas de figuur +van Wôdan uitbeeldde. Maar afgescheiden hiervan dient men in de +Christelijk-geaarde volksreligie in ruime mate rekening te houden met +de steeds levendige, steeds vruchtbare, dichterlijke, sagenscheppende +aandrift des volks. Zoo is het b.v. gesteld met de attributen en +legenden der HH. Katharina, Lucia en Clara: met voldoende zekerheid +mag men beweren, dat deze attributen en legenden te danken zijn aan +het feit, dat de drie heiligen etymologisch met het begrip "licht, +reinheid, helderheid" in nauw verband staan. Zie hierover mijne Essays +en Studiën, bl. 68, 251. + +Eindelijk, de goden werden vaak als duivels voorgesteld, en zoo +is het gebeurd, dat menige heidensche overlevering op den satan is +overgedragen. Eenzelfde godheid kan dus nu eens in de volkslegende van +een heilige, dan weer in die van den satan opduiken. In plaats van +"der goden minne" te drinken, d.i. een herinnerings- en offerdrank +aan de goden te wijden, dronken de bekeerde heidenen, met vermijding +van het offerbegrip, voortaan de "minne" van St. Jan, St. Maarten, +St. Steven enz. Maar bij Luitprand in zijn _De rebus gestis Ottonis_ +vindt men ook: "des duivels minne drinken." + +Zoo komen wij er als vanzelf toe, een enkel woord te zeggen over de +volksdaemonologie: over den _duivel_ in het volksgeloof. + +Het begrip "duivel" als zoodanig was aan de heidensche godenleer +vreemd. Het meest nabij kwam nog de Oudnoorsche Loki, die bij het +daemoniseeren dan ook het eerst zijn beurt kreeg. Slechts met het +Christendom deden leer en voorstelling van een volstrekt boosaardig +wezen, dat de menschen kwelt, haar intrede in de Germaansche wereld; +doch meer dan éene nadere bepaling ontleenden zij in de volksopvatting +aan de heerschende heidensche ideeën. + +De Germaansche duivels vormen een soort van monarchie, maar de +zinnelijke voorstelling van hun rijk komt geheel op rekening +van fantasie en tradioneele voorstellingswijze des volks. Er zijn +Germaansche duivels, die eenige attributen van de kobolden overnemen, +evenals deze den mensch dienstbaar zijn. De duivel moet zich soms +bepaald afsloven; hij bouwt molens, beploegt steengronden en graaft +rivierbeddingen, maar komt hij om zijn loon, dan is men veelal "den +duivel te slim af." De "bedrogen duivel" of "domme duivel" is een +geliefkoosde figuur van onze sagenwereld. Men laat den duivel wegen +aanleggen, als te Ternath, schuren bouwen, als te Galmaarde, Hamelgem, +Vilvoorde, Kessel-Loo, Bierbeek enz. Maar door het hanengekraai na +te bootsen dwingt men hem, op de vlucht te slaan; het werk blijft +dan, althans ten deele, onvoltooid. Immers de roode haan stelt den +bliksem voor, in zoover deze de onweêrswolken splijt en den dampkring +zuivert. Het heldere weêr roept hij andermaal te voorschijn. Zijn +gekraai verdrijft ook het nachtelijk duister, de bonte, veelkleurige +tinten van zijn vederdos zijn de weerglans der morgenschemering. Bij +het eerste hanengekraai is dan ook de hellemacht gebroken, de geesten +slaan op de vlucht. "Men verhaalt", zoo getuigde eertijds de Romeinsche +dichter Prudentius, "dat de rondwarende duivels, die zich vermeien in +het nachtelijk duister, bij het gekraai van den haan in verschillende +richtingen heenvluchten." Uit deze aanhaling blijkt de algemeenheid +van dit volksgeloof. + +Ook wanneer de duivel kloosters of kathedralen wilde verpletteren, +werd hij niet zelden misleid; dit getuigt b.v. de duivelsberg bij +Rolduc (L.). + +Een enkele maal, wanneer de duivel de menschen wil plagen, bedriegt +hij zich zelf; zoo b.v. toen hij het zaagblad kerfde en aldus de +getande zaag uitvond. + +Natuurlijk speelt de duivel een groote rol in de volksuitdrukkingen; +zoo b.v.: "Hij is een duivelskind;--hij vloekt alle duivels uit +de hel;--hij laat geen duivel op zijn hart barsten;--hij heeft +den duivel in, of den duivel in den zak;--daar kan geen duivel uit +wijs worden;--hij is uit de hel gekropen, toen de duivel sliep;-- +'t is, of de duivel er in zit;--de duivel steekt zijn staart op;-- +de duivel steekt er zijn staart tusschen;--hij is er op uit, als de +duivel op een ziel;--hij is te gek, om met den duivel te dansen;-- +den duivel een kaarsje aansteken;--dat dank je den duivel; enz. enz; +zie b.v. J. A. Hoens in Limburg's Jaarboek VIII, bl. 239. Ik kom +hier nader op terug. Laat ik voor het oogenblik slechts opmerken, +dat onze uitdrukking de "de duivel is los" of "dan is de duivel los" +niet specifiek Nederlandsch, zelfs niet specifiek Germaansch is. Het +is waar, ook van den god Loki geldt het: _Loki er or böndum:_ "Loki is +ontbonden." Maar de "gebonden duivel" is ook elders bekend, b.v. bij +Lactantius, die beweert, dat de satan in boeien geklonken zal worden, +wanneer het zoogenaamd millenarische rijk begint.--Verder is het +eigenaardig, dat in de folklore zoo vaak van 's duivels vrouw, moeder +of grootmoeder sprake is; ik herinner aan het Venloosche aftelrijmpje: + + + Ter duvel zien vrouw ging wortele schrabbe, + Ze wis neet woa ze 't mets meus pakke, + Ze pagde 't hii, ze pagde 't doa, + Ze pagde ter duvel bii de hoar. + + +Waarschijnlijk hebben we met werkelijk heidensch bezinksel te doen; +maar de grootmoeder is het oorspronkelijke. Immers wij worden herinnerd +aan het Noorsche verhaal, hoe Thórr en Týr bij den reus Hymir aan huis +komen, en daar zijn negenhonderdhoofdige grootmoeder aantreffen. Op een +mythische verklaring van een natuurverschijnsel wijst onze zegswijze +"de duivel slaat zijn wijf", als het regent en de zon schijnt. + +Volksbenamingen zijn: _blikskater, boeman, bokspoot, de booze, +deksel, duker, donder, droes, drommel, duivekater, hänsken, heintje, +heintjepek, hinkepoot_, (men denke aan "kromme duivel"), _joost, +koekoek, nikker, d'olle, pikheintje, de zivarte, zwarte piet_. In +Belgisch Limburg noemt men hem veelal kortweg _"het kwaad_." + +De duivel is pikzwart en draagt bokshoorns, bokspooten of +paardenhoeven; men denke aan de betrekking van den bok tot de heksen +en aan de Zuidlimburgsche _bokkenrijders_. Ook vertoont hij zich als +Italiaan, onberispelijk in het zwart gekleed, met zwarten baard. Hij +bezit de gave, zich in dieren te veranderen, en verschijnt als kat, +zwarte hond met gespleten pooten, draak, spin, vlieg. In een oude +Brabantsche sage komt de duivel onder de gedaante eener reusachtige +spin een kontrakt terugbrengen. Gaarne mengt hij zich ook ongekend +onder de menschen, vorscht hen uit, speelt met hen kaart, ziet of er +niets voor hem te halen is; hij is uitnemend musicus en voortreffelijk +danser. Hij speelt valsch, drinkt en vloekt zwaar. Daar zijn menschen, +die den duivel hun ziel verkoopen; menigeen, die plotseling, zonder +kenbare reden, rijk werd, heeft aldus zijn vermogen verworven. Is de +termijn afgeloopen, dan haalt hem de duivel en breekt hem den hals +of draait hem den nek om. + +Hij houdt er ook personeel op na. Te Utrecht werd eertijds een groote +keisteen, scheiding tusschen twee buurten, steeds verplaatst. Het +heette, dat de duivel en zijn zwarte knechts met dien steen kaatsten +van de Volderbrug naar de Geertebrug. + +Zijn idenditeit met den voorrijder der "Wilde Jacht" blijkt wel uit +een trek in het Geldersche folklore, waar hij wordt voorgesteld, +zich vertoonende in een windhoos. Hij huist veelal in de lucht; +somwijlen langs den straatweg. Ook te Nederweert voert _Hänske_ het +joelende geestenheir aan. In Duitschland behoort deze voorstelling +tot de meest gewone. Zie De Cock, Brabantsche Sagen I, bl. 225 vlg.; +Geldersche Volksalm. 1853, bl. 98; Limburg's Jaarboek VI, bl. 183; +Volkskunde XXI, bl. 5; XXII, bl. 10; V. D. Bergh, Kritisch Woordenboek, +bl. 27. + +De duivel is vooral bang voor het gelui der _klokken_. Het +volk hecht iets specifiek-Christelijks aan het klokkengelui. En +inderdaad: de klokken worden "gedoopt", de klokken roepen ter kerke, +de klokken vermelden den huwelijkszegen, zij begeleiden ter laatste +rustplaats. Zoo vaak voelt het volk zich door het klokkengelui verheven +boven het saaie, alledaagsche proza-leven. In de Goede Week reizen de +klokken naar Rome, en wel op Goeden Donderdag na het _Gloria_, om op +Goeden Zaterdag terug te keeren; dan brengen zij de paascheieren mee. + +Op ongedoopte, ongewijde klokken heeft de duivel natuurlijk vat. Zoo +had men bij de stichting van het klooster Sint-Odolf te Staveren +vergeten de klokken te wijden. Honderd jaar later vloog _Joost_ in +woeste vaart naar den toren, haalde de klokken er uit en slingerde +ze weg. Sedert hooren de visschers op de Fluessen en de bewoners van +Galamadammen (F.) soms des nachts een dof gebombam in de diepte: dan +luidt de duivel de klokken van Sint-Odolf. Hetzelfde wordt verhaald +van de klokken van Driel en van Lochem. Deze wierp de duivel in twee +kolken niet ver van den Berkel, waar men ze nog in den Kerstnacht +te twaalf ure kan hooren luiden. Vandaar dat deze twee plassen +den naam van "duivelskolken" dragen. Zoo dompelde de satan nog een +klok van Horst in het zwarte, diepe water der Peel, en begroef te +Hoensbroek een ongedoopte klok in den waterplas tusschen de kerk en +de Geleen-beek. Al deze klokken luiden op Kerstnacht; ook die van +den _klokkekuil_ te Swolgen: Welters, Limb. Legenden II, bl. 71; +Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 31. + +Wanneer dus het volk heden ten dage zegt, dat de duivel vlucht bij +het hooren van het klokkegelui, en dat de alvermannetjens verdwenen +zijn, omdat zij het klokkegelui niet konden verdragen, dan hecht het +hieraan zonder den minsten twijfel een Christelijke beteekenis. Toch +ligt hieraan ten deele een heidensch begrip ten grondslag, nl. de +geestenwerende en geestenbannende kracht van het klokkengelui. Vandaar +ook het klokkenluiden bij onweêr en sterfgeval,--niets dan een +gekerstende volksopvatting. + + + +II. De Volksfeesten. + + +Wanneer ik spreek van "volksfeesten", dan bedoel ik hiermee het komplex +van feestgebruiken, die bij het hedendaagsche volk van de viering van +Oudgermaansche of Christelijke feestgetijden zijn overgebleven. Immers +de feestvreugde kleedde zich in tal van overlevende blijheidsuitingen, +die niet zelden, van het oorspronkelijk hoofdmotief losgetornd, +ontaardden en oversloegen tot uitspattingen en misbruik. + +Deze volksfeesten droegen dus oorspronkelijk een religieus, maar +ook een huiselijk karakter. Evenals in het oude Rome, wanneer ik +deze analogie hier mag aanvoeren, was het huisgezin de kern, de +cel, van waaruit de georganiseerde vroolijkheid en blijheid zich +in ruimer kring en op ruimer terrein verspreide; en in het gezin +zelf werd de feestviering, van geslacht tot geslacht overgeleverd, +onder toezicht en leiding van den vader of van de moeder des gezins +voltrokken. Ik spreek hier dus niet over de volksvermakelijkheden, +als loopen, springen, klimmen, harddraven, wedrennen enz., en over +de gezelschapsspelen evenmin; zie hierover desgewenscht Ter Gouw, +De Volksvermaken (Haarlem 1871), bl. 321-397 en 563-694. Immers deze +hebben met religie en familiale organisatie niets gemeen en dragen +een dermate internationaal karakter, dat zij onmogelijk kunnen dienen +om den volksaard nader te bepalen. Iets anders is het, wanneer een +bepaald spel door een bepaalde leeftijdsgroep op eigenaardige wijze +wordt uitgevoerd of gevarieerd, waarover nader. + +De oude Germanen kenden eigenlijk geen feestdagen, maar wel +feesttijden, _hoogtijden_, een benaming, die zich tot heden staande +hield. Op voorname Christelijke feestdagen gaat in katholieke streken +de eene familie bij de andere nog "zalig hoogtijd" wenschen. + +Men vierde eertijds waarschijnlijk vier offertijden, en om het offer +groepeerden zich dan de overige feestelijkheden: twee winterfeesten, +het lente- en zomerfeest. Eigenlijk begon het eerste winterfeest (of +herfstfeest), dat het Germaansche jaar opende, met de nachtevening +van September. Maar in den Juliaanschen kalender valt het begin +van den winter op 10 November, en zoo kreeg, door verschuiving der +feestgebruiken van het Germaansche nieuwjaar, de Martinidag zijn +beteekenis. Voeg hierbij, dat het kerkelijk jaar aanving met den +Advent, die oorspronkelijk 5 weken omvatte (eerst Paus Gregorius VII +bracht hem op 4 weken), terwijl het Adventsvasten den 11den November, +dus op Martinidag begon. Zoo vereenigde zich ook het eerste met +het tweede, het groote winterfeest, dat ook den naam draagt van +Midwinterfeest of Joelfeest en welks gebruiken voor een groot deel +op het Kerstfeest overgingen. Het _Joelfeest_ immers, ontegenzeglijk +het hoogste feest der Germanen, viel in de tweede helft van December +en in de eerste van Januari. Dit wordt het tijdperk der "Twaalf +Nachten" genoemd; de Duitschers spreken van de _Zwölften, Unternächte, +Rauchnachte_ of _Losstage_. Dit feest, dat, naar zijn etymologie te +oordeelen, zeer waarschijnlijk "het tooverrijke", dan "het vroolijke" +beteekende, werd inderdaad gekenschetst, evenals trouwens het +eerste winterfeest, door een uitgelaten vroolijkheid, veroorzaakt: +1o door het genieten der offergaven, die gedurende dien tijd aan de +zielen der afgestorvenen en aan Wôdan, Holda en andere chthonische en +windgodheden werden gebracht; en 2o--reden van ekonomischen aard--door +de twee groote slachttijden, die met de winterfeestviering samenvielen, +wanneer deze niet zelf de hoofdaanleiding tot de winterfeestviering +gegeven hebben, zooals Alex. Tille beweert in zijn boek over Die +Geschichte der deutschen Weihnacht (Leipzig 1893), bl. 6. + +Het was de heiligste tijd van het jaar. Dromsgewijze joelden en +raasden de geesten door het luchtruim, door hun befaamden voorrijder +aangevoerd; lotsvoorspelling, droomverklaring en tooverij vierden +hoogtij; heel de geestenwereld: heksen, weerwolven, elfen, dwergen, +waren los; men dronk de _minne_, d.i. de gedachtenis der afgestorvenen; +men stelde de geesten onder allerlei vermommingen voor, die thans +nog in min of meer gekerstenden vorm voortbestaan. + +Geofferd werd gedurende dit tijdperk aan de geesten en aan Wôdan, +in zijne hoedanigheid van god der vruchtbaarheid, ter wille der +vruchtbaarheid van de akkers. Uit menig volksgebruik, dat wij te +geschikter plaatse zullen bespreken, blijkt trouwens, dat deze +geheele periode een vruchtbaarheidskarakter draagt. Men beschouwde +--en beschouwt nog thans, zonder zich duidelijk rekenschap van +deze voorstelling te geven--in den barren Joeltijd de aarde als +sluimerend onder het mollig sneeuwkleed, nieuwe sappen garend, om in +de lente de natuur met bloemen te tooien en het wintergraan te doen +gedijen. Met goed recht zou men derhalve van een bevruchtingstijdperk +kunnen spreken, zooals ik in Volkskunde XII, bl. 89 vlg. voorstelde: +het schieten in de boomen, het binden van stroobanden om de boomen, +het zweepen der boomen heeft stellig bevruchting ten doel. + +Gegeven nu, dat het eerste winterfeest een vrij groote reeks van +dagen in beslag nam, en dat het Joelfeest meestal tusschen Kerstmis +en Driekoningen, plaatselijk echter ook vroeger of later kon vallen, +dan krijgen we een bijna aaneengesloten feesttijdperk, dat zich +van omstreeks het begin van November tot het midden van Januari +uitstrekte. In dit tijdperk vallen vooral de Christelijke feesten: +St. Martinus (11 Nov.), St. Clemens (23 Nov.), St. Andreas (30 +Nov., men denke vooral aan St. Andreasnacht), St. Barbara (4 Dec.), +St. Nikolaas (6 Dec.), St. Lucia (13 Dec.), St. Thomas (21 Dec.), +Kerstmis (25 Dec.), St. Stefanus (26 Dec.), Onnoozele Kinderen (28 +Dec.), Besnijdenis (1 Jan.), Driekoningen (6 Jan.). Zie hierover mijn +geschrift De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond, 1898), bl. 9, 10. + +Het volksfeest stoelt dus op de religie. De godsvereering der Oude +Germanen schonk haar adepten echter ook verpoozing van den harden +arbeid op akker of weideveld: de feestviering droeg een religieus, +maar tevens een ekonomisch-maatschappelijk karakter, wat des te +meer in het oog valt, wanneer men bedenkt, dat onze voorouders +veel meer dan heden leefden met de natuur, arbeidden en rustten +overeenkomstig de natuur. Ook hier is het Christendom met wijs +beleid te werk gegaan, en heeft het niet willen uitroeien, maar +veredelen en verheffen of althans, in het geoorloofde, lijdelijk +willen toezien. Terecht. Want indien er iets bestaat, zegt Ozanam, +waaraan de menschen nog meer vasthouden dan aan den bodem, die hen +voedt, dan zijn het de overleveringen, welke hun land in hun oogen +verheffen, en de feesten of hoogtijden, die hen voor een wijl aan de +harde, eentonige zorgen des levens onttrekken. + +Wij beginnen dus het feestelijk jaar in Groot-Nederland met _Sint +Maartensdag_ (11 November), gewijd aan de vereering van den grooten +volksheilige, Martinus, bisschop van Tours. Den apostel van Gallië, +den grooten heilige der Franken, is ook in Nederland en België een +ongemeen hooge vereering te beurt gevallen; in Duitschland viert men +hem vooral in Frankenland, en in het naburige Zwaben en Westfalen. In +België zijn honderden kerken hem toegewijd; in Nederland vereerde +men hem als patroon te Utrecht, Groningen, Middelburg, Sneek, Arnhem, +Tiel, Bolsward, Venloo, Weert, Wijk-Maastricht, Dokkum, Bovenkarspel +enz. enz. De dorpen St. Maarten, St. Maartensdijk, Maartenshoek voeren +zijn naam. Vooral het bisdom, de stad en de burgerij van Utrecht +stonden onder zijn bescherming. Te Utrecht stond zijn beeltenis op de +torenspits zijner kerk, aan de hoeken der straten, in het voorportaal +der kapittelzaal. Het prijkte op het oude wapen der stad en op de +bisschoppelijke banieren. Vandaar dan ook, dat de burgers van Utrecht +eeuwen lang den naam droegen van _Sint Maartens-mannen,_ evenals die +van Egmond _Sint Alberts-mannen_ en de Leuvenaren _Sint Pieters-mannen_ +genoemd werden. Vielen de Hollanders de Stichtenaren aan onder het +krijgsgeroep "Holland! Holland!", deze beantwoordden het met "Sint +Martijn, Sint Martijn!" Zie o.a. Schotel, Tilburgsche Avondstonden, +bl. 36 vlg. + +Ook kreeg de geheele periode van Sint Maarten tot Kerstmis--Adventstijd +in den ruimsten zin--den naam van Sint Maartensvasten. De H. Perpetuus, +bisschop van Tours, die in de Ve eeuw leefde, bepaalde nl., dat van +af 11 November tot Kerstmis driemaal per week moest gevast worden; +naar men weet, dagteekent dit 3 maal vasten per week (Woensdag, +Vrijdag en Zaterdag) reeds uit het einde der IIe eeuw. Naderhand werd +deze bepaling over heel Frankrijk uitgebreid. + +Intusschen, hoe groot de vereering van den H. Martinus ook in +onze landen mag geweest zijn, zij verklaart kwalijk een aantal +feestgebruiken als: het Sint-Maartensvuur, de Sint-Maartensdronk, +-gans, -gaard enz. + +Vooreerst dan het Sint-Maartensvuur. De meeste feestvuren zijn niet +van christelijken, maar van heidenschen oorsprong. Naderhand heeft +men de Sint-Maartensvuren aldus verklaard, dat zij oorspronkelijk uit +vreugde over den val van het heidendom zouden ontstoken zijn. Dit +is echter een van de vele verklaringen, die de feiten zoekt aan te +passen aan vooropgestelde theorieën. In waarheid hangen de feestvuren +samen met de Oudgermaansche _noodvuren_, Oudsaksisch _nôdfiur_, +waarin _nôd_- verwant is met het Oudhoogduitsche werkwoord _nûan_ +"stukwrijven". Immers het werd ontstoken, doordat men een stuk hout in +de opening van een ander of van een wagenrad stak en zoolang draaide, +tot het hout vuur vatte. Het voedsel voor het nieuwe vuur, hout en +stroo, moest door alle leden der gemeente worden meegebracht. Brandde +het vuur, dan moesten menschen en vee daar driemaal doorheen loopen. Na +afloop nam ieder een verkoold stuk hout mee naar huis: het was een +voorbehoedmiddel tegen besmettelijke ziekte onder menschen en vee. + +Merkwaardig is hetgeen Sebast Frank in zijne Wahrhaftige Beschreibunge +aller Teile der Welt (1567) over een dezer vuren meedeelt: "Zu +Mitterfasten flechten sie ein alt Wagenrad voller Stroh, tragens auf +einen hohen, jähen Berg, haben darauf den ganzen Tag einen guten Mut, +mit vielerlei Kurzweil, singen, springen, dantzen, Geradigkeit und +anderer Abenteuer, umb die Vesperzeit zünden sie das Rad an, und +lassens mit vollem Lauff ins Thal lauffen, das gleich anzusehen ist, +als ob die Sonne vom Himmel liefe". Dit noodvuur had het karakter van +een zoenoffer aan de hoogere machten, het was een reinigings (en dus +vruchtbaarheids-) vuur, dan ook een offervuur aan de verpersoonlijkte +vegetatie en vruchtbaarheidsgoden, wellicht met name aan Wôdan +als zonnegod, wiens symbool het rad, het zonnerad was; vandaar, +dat de _Indiculus superstitionum et paganiarum_, een opsomming van +capitularia uit de VIIe eeuw, waarschuwt tegen het heidensch gebruik +van vuur door het wrijven van hout: _De igno fricato de ligno, id est +nôd-fyr_. Oorspronkelijk stonden deze vuren met geen bepaalden tijd van +het jaar in verband en werden ontstoken, telkens als men de godheid +iets te vragen had of ook haar dank wilde brengen. Maar mettertijd +hebben zij zich bij de hoofdofferfeesten gevoegd, en zoo krijgen wij +dan onze Sint-Maartensvuren, Kerst- en Nieuwjaarsvuren, Vastenavond- +en Paaschvuren, en St. Jans of Pinkstervuren, die vrij wel met de vier +genoemde groote ofifertijden der Germanen samenvallen. Als kriteriën +van den heidenschen oorsprong der nog bestaande vuren kan men met +Grimm, Deutsche Mythologie I, bl. 35 aannemen: "das reiben der heiligen +Flamme, laufen durch die brände, werfen von blumen in das feuer, backen +und austheilen grosser brote oder kuchen, und der reihentanz." Voegen +wij hierbij het rondloopen met fakkels door de velden. + +Talrijk zijn de dorpen, vooral in het Zuiden van ons land, waar +de Sint-Maartensvuren nog opflikkeren; ook springt men nog over +het vuur heen. Daarentegen is het _fakkelen_ veelal verdwenen, --in +België bestaat het nog plaatselijk, b.v. te Hombeek, Hoeleden, enz., +en ook in Hollandsen Limburg en Brabant, vgl. Limburg's Jaarboek I, +bl. 72: "Op Sint Maartensavond kan men door geheel Limburg en Brabant +op de heuvelen langs de Maas de Sint Maartensvuren in flikkerende +vlam met rossen gloed zien opgaan.... Terwijl de stapel brandt, +zwerven de knapen met ontstoken fakkels door de velden." Te Obbicht, +Papenhoven enz. noemt men dit _flakkeren_. De toortsen zijn slechts in +rudimentairen vorm overgebleven in de kaarsjes of gekleurde lampions +of uitgeholde en tot lantaarns vervormde rapen en pompoenen (pronk- of +bronkappelen), waarmee thans de dorps- en veelal ook nog de stadsjeugd +langs de huizen trekt. Te Brugge en rond Maaseik loopen de kinderen +met eindjes touw, bestreken met teer. De vuren vervangt men in de +steden, b.v. te Venloo, door kaarsjes. Op Sint-Maartensavond vormen +ouden en jongen een kring; dan wordt lustig in de rondte gedanst en +de kinderen springen herhaaldelijk over het vlammetje. Dit kinderlijk +gebruik verbindt dus ons folklore niet alleen met den grijzen voortijd, +maar ook met de volksgebruiken der verre Donaulanden, van Meissen +en Thüringen, waar men althans bij de Sint-Jansvuren nog over den +gloed heenspringt. + +Bij den rondedans zingt men te Venloo het bekende: + + + Sintermertes veugelke + Hêt ein roeëd keugelke + En ein blauw stertje + Hoepsa Sintermerte! + + +Appingedam: + + + Sunte Meertens vogeltje + Met ziên kip kap kogeltje + Met ziên rooie rokje, + Met ziên vleddern stokje. + + +Ter vergelijking diene nog het door Halbertsma meegedeelde: + + + Sunte Maartens veugeltje + Zat al op een heuveltje + Met zijn rood rokje; + + +en verder het rijmpje, dat men hoort in de Altmark: + + + Märtiin Märtiins Vaegelken + Mett siin verguit Snaevelken! + Geft us watt un lat us gan, + Datt wii hüüt noch wiier kam'n. + + +In het leven van den heilige komt geen vogel voor, en toch ontmoet +men den Martinusvogel reeds in de gedichten der Middeleeuwen. Ook in +Frankrijk kent men den "oiseau St. Martin" en in Spanje den "pajaro +St. Martin." + +Over dezen Sint-Maartensvogel is heel wat geschreven, zie +b.v. Dr. Knappert, Wödan-St. Maarten in den Gron. Volksalmanak 1899, +bl. 102; Dr. Knippenberg, Sintermertesveugelke, in Limburg's Jaarboek +1911, bl. 75 enz. Persoonlijk heb ik deze kwestie onderzocht in mijn +opstel, getiteld: Overblijfselen van den Wôdan-kultus in Limburg, +in Limburg's Jaarboek 1898, bl. 34 vlg. Mij dunkt thans, dat men +de zaak als uitgemaakt kan beschouwen. De handschriften, die "Sant +Martisvogel, Mertissvogelin" geven, wekken het gegronde vermoeden, +dat _Martini avis_ uit _Martis avis_ ontstaan is; in alle geval is +de specht bedoeld, de bonte specht (_picus maior_), met zijn donkere, +staalblauwe staartveêren en donkerrooden nek. Het woord "keugelke" is +immers het Middelnederlandsche _cogele_ "halskraag, mantelkap", men +denke aan de zegswijze: "kat en kogel verliezen", ontstaan uit "kap +en kogel verliezen", elders "kap en keuvel"; vergel. ten overvloede +het Veendamsche en Delfzijlsche rijmpje: + + + Kip, kap, kogel, + Sint Maartinsvogel. + + +Zoo ook het Duinkerksche: + + + Sinte-Martens veugeltje + Kwam met zijn roo kapeugeltje + Gestoven + Gevlogen + Al over den Rijn, + Waar dat vette verkens zijn! + Goede vrouwe, geeft ons wat, + Alle hennen leggen wat!-- + + +Ik keer nu terug tot den ronddans in de binnenkamer. Als tweede +couplet zingt men een lied, dat aanvankelijk bij het inzamelen van +hout enz. aan de huizen gezongen werd, en thans nog gezongen wordt +dáar, waar deze inzameling door de jeugd in typischen lichtstoet +nog gehouden wordt. Tot goed begrip dezer strofe dient men zich de +legende van den H. Martinus te herinneren. Het was in den strengen +winter van het jaar 332, toen Martinus, nog krijgsman en katechumeen, +een naakten en van koude schier verkleumden bedelaar ontmoette bij +een der poorten van Amiens. Terstond trekt hij zijn zwaard en deelt +zijn krijgsmantel in tweeën, geeft de eene helft aan den arme, die +in Christus' naam een aalmoes vraagt, en bedekt zich zelf zoo goed +mogelijk met de ander. Vandaar in het lied de uitdrukking "met zijn +bloote armen". Denzelfden nacht zag hij in zijn slaap den Zaligmaker, +met het deel van den mantel, dat hij den bedelaar gegeven had, bedekt, +zeggende: "Martinus, hoewel nog katechumeen (niet gedoopt), heeft mij +met dit kleed gedekt." De bedelaar heet in het lied "Sinterkrukken". + +Vooraf nog een algemeene opmerking over volksrijmpjes, of volkspoëzie, +zoo men wil. Een groot deel dezer gelegenheidsrijmpjes, die van +mond tot mond gaan, is verdorven en onverstaanbaar geworden. De +volksfantasie varieert op alle mogelijke wijze, verbastert, neemt +allerlei bestanddeelen en restantjes van andere, vreemde liedjes op, +enz. Maar bij de rekonstruktie moet men uiterst voorzichtig zijn en +vooral niet te veel logica verwachten. Niet slechts het eene idee, +maar ook het eene rijm, de eene klank roept den anderen op, vooral +in de zoogen. _kettingrijmpjes_, en zoo wijkt men soms mijlen ver +van het hoofdthema af. Ik geef hier enkel de stroofjes, die m.i. de +meest voorkomende en de minst verhaspelde zijn, en zooveel mogelijk +ontdaan van hun dialektisme, voor zoover zij een algemeen karakter +dragen. Voor de volledige Vlaamsche liedjes zie De Cock-Teirlinck, +Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 110 vlg.; voor Noord-Nederland +vooral ook Driem. Bladen III, bl. 64; IV, bl. 113; VII, bl. 80. + + + Vandaag is 't Sinter Marten + En morgen Sinter Krukken, + Wij komen uit goeder harte + En hadden zoo gaarn een stuksken: + Een houtjen of een turfjen + In Sinter Martens kurfjen, + En wij zullen van hier niet gaan, + Of wij hebben wat opgedaan. + + Sinter Marten is zoo koud, + Geef 'm een turfjen of een hout, + Om zich bij te warmen + Met zijn bloote armen. + Geef wat, houd wat, + Tegen 't jaar al weer wat. + + +Of wel: + + + Geef vuur, geef vuur, + Sinter Marten is zoo duur. + + +In de volkspoëzie vinden we ook metrische eigenaardigheden, en behalve +sporen van stafrijm, allerlei verouderde rhythmische vormen. Het hier +volgende rijmpje herinnert aan het oude metrum, dat geregeld werd +door het aantal heffingen in ieder vers, en niet door het aantal +lettergrepen; zie hierover G. J. Boekenoogen, Onze Rijmen (Leiden +1893), bl. 32. + + + Híer wóont een ríjk mán, + Díe véel géven kán. + Véel wíl hij gévén, + Láng zál hij lévén, + Zálig zál hij stérvén, + Den hémel zál hij érvén; + Gód zál hem lóonén + Met hónderddúizend krónén, + Met hónderddúizend rókjes an, + Dáar komt Sínter Márten áan. + + +Of wel: + + + Met hónderd dúizend líchtjes áan, + Dáar komt Sínt Martínus weer áan. + + +Te Venloo volgt na den vierden regel ook wel: + + + Honderd joar en einen daag + Zit det mêdje op die bank, + Loat det mêdje valle, + Tröl, tröl + Loat det mèdje valle (?). + + +Ruim verspreid is verder: + + + Sint Martinus bisschop, + Roem van onze landen, + Dat wij hier met lichtjes loopen + Is voor ons geen schande. + ----------------- + Martijn, + Turf in den murf [mond] in den maneschijn. + Gooi in den most, + Gooi in den wijn, + Hier woont Sinte Martijn. + Martijn had een schaartje, dat wou niet knippen, + Martijn had een mesje, dat wou niet snijden, + Martijn had een touwtje, dat wou niet knoopen, + Geef me een korfje of een houtje en laat me loopen. + + +Alkmaar, Hoorn: + + + D'r is brand al in de lantaren, + En de vonken, die vliegen d'r uit, + De meisjes loopen om garen + En de jongens om beschuit. + ------------------ + Sinte, Sinte Marten, + De kalveren dragen starten, + De koeien dragen horens, + De kerken dragen torens, + De torens dragen klokken, + De meisjes dragen rokken, + De jongens dragen broeken, + De wijven schorteldoeken. + + +West-Vlaanderen: + + + Sinte Martens avond, + De torre [lantaarn] gaat mee naar Gent, + En als mijn moeder wafels bakt, + Dan ben ik daar geern omtrent. + + Stook vier, maak vier, + Sinte Maarten komt hier, + We zetten hem in een hoekje, + We geven hem daar een koekje, + En we zetten hem onder de tafele, + En we geven hem daar een wafele. + + +Land van Waas: + + + De jongens van de dorpen, + Die waren hier al bijeen, + Het geldeken, dat wij 's jaren haên, + Dat is hier al verteerd. + Wij zullen gaan leeren hout rapen, + Turf rapen, + Al op Sint Jans manieren! + Vrolijk zullen wij vieren, + Gelijk wij 's jaren plachten. + Een stuk van zijnen mantel + Al met zijn billekens bloot! + En wilde gij dat niet geven, + Dan zijde gij een groote jood! + Een houtje of een turf ken + In Sinte Maartens kurfken. + + +Krijgt men niets, dan wordt gezongen: + + + Hier hangt een baksken met zemelen uit, + En daar vliegt de gierige duivel uit. + + +Of wel: + + + Een bosje met zwavel, + Een bosje met kruit, + Hier hangt de gierige duivel uit. + + +Reeds in de XIIIe eeuw wordt de Sint-Maartensdag _Scuddecorfsdag_ +genoemd; niet zoozeer, omdat dan de broodkorf geschud werd, d.i. een +algemeene uitdeeling onder de armen plaats had [8] maar een korf +met appelen, kastanjes, noten, mispelen enz. werd boven het vuur +aanhoudend geschud, zoodat de inhoud naar alle kanten vloog en door +de grabbelende jeugd werd opgeraapt. De korf zelf verbrandde langzaam +onder het schudden; vanwaar in Duitschland het rijmpje: + + + O Marten, Marten, + Der Korb muss verbrennet sein; + Das Geld aus den Taschen, + Der Wein in die Flaschen, + Die Gans vom Spiess, + Da sauf und friss, + Wer sich vollsaufen kann, + Wird ein rechter Martensmann.-- + + +In den Gelderschen Volksalmanak van 1837 leest men, hoe het +Schuddekorfsfeest binnenshuis werd gevierd. Aan den zolder werden +papieren builen opgehangen met rozijnen, amandelen, kastanjes enz. Aan +deze builen bevestigde men een langen papieren slinger. De slinger +wordt aangestoken, de vlam komt nader en nader, het laatste vonkje +deelt zich mee aan 'n kleine hoeveelheid buskruit, die ontvlamt,--en de +buil scheurt aan stukken. Nu regent het lekkernijen, en de grabbelende +jeugd stoeit en strijdt, wie het meest mag oprapen. + +Veel meer karakteristiek is het uitdeelen van versnaperingen aan de +kinderen in de zuidelijke provinciën. De avond vóor Sint Maarten is +de echte strooiavond; en de kinderen, ronddansend om het kaarsje +en "Sinter Mertes veugelke" zingend, zien verlangend naar den +schoorsteen, want Sint Maarten rijdt, d.i. werpt zijn gaven door den +schoorsteen. Sint Maarten is de kindervriend en treedt herhaaldelijk +voor Sinter Klaas in de plaats. Te Herdersem, te Aalst, te Sint +Nikolaas zetten de kinderen hun schoen op Sint Maartensavond. Men +legt voor het paard van den heilige, die 's nachts rondrijdt, hooi en +wortelen in den schoen; te Ieperen hangen de kinderen op den vooravond +hun met hooi gevulde kous in het huis hunner ouders of grootouders +op, in de hoop deze 's morgens met geschenken gevuld te vinden. Te +Antwerpen is het strooiavond, evenals te Venloo en in de Kempen; +in bisschoppelijk ornaat verschijnt de heilige in de kinderkamer en +beloont of tuchtigt naar verdienste. + +Immers, wij staan aan het begin van het Joeltijdperk, eertijds +gewijd aan Wôdan, als god der vruchtbaarheid, maar ook aan de +schimmen der afgestorvenen, het tijdperk der vruchtbaarheid en der +bevruchting, gedurende hetwelk genoten en gegeven wordt, en nieuwe +gaven worden verhoopt van de aarde, sluimerend en welhaast zich +dekkend met het mollige, blanke dekkleed van sneeuw. Onmiskenbaar +heeft het Oudgermaansche Midwinterfeest een grooten invloed op onze +hedendaagsche gebruiken uitgeoefend. Men toonde zich dankbaar voor +het genotene, men bracht het eerste winteroffer, maar genoot ook van +de offergaven en vierde feest met uitgelaten vroolijkheid. Martinidag +was de eerste smuldag bij de intrede van den winter. De oogst is nu +binnen gehaald, ten volle kan men genieten van de rust na den arbeid +en van den oogstzegen,--en de eerste groote slachttijd is daar. Zoo +vindt men in dit Joeltijdperk dan ook de meeste smuldagen en de meest +verscheiden gebaksvormen; zoo worden dan in deze periode de kinderen +op allerlei snuisterijen onthaald, voorgesteld als hemelgaven, door +de godheid verleend,--naderhand nemen Sint Maarten, Sinterklaas, het +Kerstkind, de Driekoningen enz. de plaats der chthonische godheden +in: ekonomische en religieuze motieven gaan hier hand in hand. Sint +Maarten _rijdt_ deze gaven, evenals Sinterklaas en de Engelen op +Palmzondag; _rijden_ is gelijkwaardig met "geschenken geven", door +welke synonimie het verband tusschen "wind" (rijden door de lucht) +en "vruchtbaarheid" in een helder daglicht treedt. "Veel wind, veel +ooft", zegt een spreekwoord. In Limburg kent men zelfs Sint Maarten +in de funktie van den Wilden Jager (vgl. bl. 71), als aanvoerder van +het geestenheir, begeleid door zijn knecht. + +Aldus verklaart men ook de eigenaardige koeken, met Sint Maarten +gebakken en _Sint Maartenshoorntjes_ genoemd. Ook in het Freudental +(Oostenr. Silezië) mogen de _Martinshörndl_ niet ontbreken. Hiermee +hangt samen het varkensslachten, dat op Sint Maarten gebruikelijk is, +zoodat men in Duitschland schertsend van _Speckmärten_ spreekt. Vooral +de kleine man slacht dan het zorgzaam gemeste dier: + + + Op Sint Martijn + Slacht de arme het zwijn. + + +Te Hoogstade (België) zingt men: + + + Sinte Maarten, + Koeken en taarten, + Brood en wijn, + Al voor Sinte Maartens zwijn! + + +Niet minder past bij de opening van dit tijdperk de Sint +Maartensgans. Zij is om dezen tijd het vetst en wordt dus als +bijzondere lekkernij genoten; vroeger werd zij over het algemeen +meer gegeten dan thans, ik herinner slechts aan de markten, die nog +haar naam dragen. Het gebruik der Sint Maartensgans is heinde en ver +verbreid en houdt met geen enkel goed vaststaand feit uit het leven +van den heilige verband. Men denke er toch aan, dat het volk niet +met getaldatums, maar met heiligendagen rekende, zoodat men tegen +Sint Maarten (d.i. 11 Nov.) de gans slachtte, tegen Sint Andries +(d.i. 30 Nov.) de pacht betaalde, tegen Sint Margriet (d.i. 10 Juni) +omslag in het weer verwachtte enz., enz.--Slechts in Engeland is de +gans de oudvaderlijke schotel op Sint Michaëlis (29 Sept.), n.l. de +_Michaelmass-goose,_ terwijl den 11en November het _Martinmass-beef,_ +gerookt vleesch, op tafel prijkt. Ook in Friesland is het eten van +ganzen meer omstreeks Sinterklaas en Kerstmis gebruikelijk. + +Reeds sinds eeuwen werd de heilige met een gans afgebeeld; op Noorsche +runenkalenders vindt men 11 Nov. door een gans aangeduid, evenals op +Tirolsche boerenkalenders. Luidens de legende zouden de ganzen den +heilige door hun gesnater bij het preeken gestoord hebben, waarom +hij ze slachten en oppeuzelen liet! Anderen berichten, dat de ganzen +zijn schuilplaats verrieden, toen hij zich had verborgen, ten einde +zich aan de bisschoppelijke waardigheid te onttrekken. Op het dak +der Sint Maartenskerk teWorms (XIIe eeuw) is mede een gans geplaatst. + +In Gelderland, Overijssel enz. werd de gans 4 weken te voren +gekocht en dan gemest; befaamd waren de ganzenmarkten te Deventer en +Zwolle. Sommigen _pilden_ de beestjes, d.i. duwden hun meel-ballen tot +barstens toe in den gorgel. Te Deventer werd zelfs door de schooljeugd +aan "Meester" een malsche gans ten geschenke gegeven; deze gaf dan +vakantie. Hier en ook nog in enkele andere plaatsen van Noord-Nederland +bleef na de Reformatie de "papistische grouwel" van het gans-eten +voortbestaan.--Een deftig Deventersch hooggeleerde uit de XVIIe eeuw, +Martinus Schoockiius verhaalt, hoe de hoogstgewichtige vraag behandeld +werd, of het geoorloofd was, op Sint Maarten een gans te eten, en meer +bepaaldelijk, of men een Sint Maartensgans mocht opdisschen aan de +Deventersche studenten in de heilige godgeleerdheid, die gezamenlijk +het middagmaal gebruikten. De hooggeleerde is vrijzinnig genoeg, +er geen bezwaar in te zien; zie Eelcoo Verwijs, Nutsalmanak. 1868, +bl. 151 vlg. + +Eigenlijk behoort de St. Maartensgans thuis in de Saksische gewesten +van ons land. Ik ben de meening toegedaan, dat men de gans kan +beschouwen als een Saksisch stamdier, waarop m.i. ook het liedje uit +Westerwolde wijst: + + + Er kwam een gans uit Sassen, + Uit Sassen kwam die gans, + Hij was zoo wel gewassen, + Gewassen was die gans.-- + + +Voor een groot deel van ekonomischen aard is ook de +Sint-Maartensdronk. In de volksrijmpjes heet het: + + + Sint Martijn, Sint Martijn, + T' avond most en morgen wijn. + + +Men dronk nieuwen most en nieuwen wijn, want het feest valt omstreeks +den tijd, dat de nieuwe wijnen worden gekelderd: het valt samen met +het einde van den wijnoogst. Van oudsher werden b.v. te Dordrecht, +de stapelstad, de Fransche wijnen gekelderd op Sint Maarten. Zoo +komt het, dat in sommige Fransche kalenders een beker het attribuut +van Sint Maarten is, en dat hij in Frankrijk veelal als de patroon +der wijnbouwers en hotelhouders geldt.--Uiteraard ontaardde dan ook +het Sint Maartensfeest niet zelden in een zwelgpartij, zooals dit +b.v. op de bekende schilderij van den Boeren-Breughel in het Museum +van Antwerpen is voorgesteld. + +De historische Martini-dronk, die den naam van _Sint Maartens minne_ +draagt, is oorspronkelijk een heidensche offerdronk. Hierover spreek +ik nader bij het behandelen der Sint-Jansminne. + +Eindelijk, Sint Maarten evenals Sinterklaas en andere persoonlijkheden, +die geschenken uitdeelen, is gewapend met een roede of gaarde. Deze +staat met het vruchtbaarheidsbegrip in verband, en elk begrip van +tuchtroede is haar aanvankelijk vreemd. Het is een oud Indogermaansch +volksgeloof, dat het treffen van dier of plant met een roede, onder +zekere plechtigheden, dat dier of die plant vruchtbaar maakt. Mannhardt +vooral heeft over dit onderwerp in zijn Baumkultus onder den titel +van: "Der Schlag mit der Lebensrute" een meesterlijk gedachte en +keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Den 10en November wordt de +_Martinsgerte_ door den Beierschen herder aan zijn meester ter hand +gesteld: achter krib of staldeur gestoken, beschut zij gedurende +den winter het vee tegen alle onheil, en in de lente drijft men er +de koeien mee naar de weide. Hierbij bedient men zich te Etzendorf +(Beieren) van de volgende spreuk: + + + Kommt der heilig St. Märten + Mit seiner Gerten; + _Soviel Krawitbeeren_, + _Soviel Ochsen und Stiere!_ + _Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!_ + Steekt sie hinter den Kühbarn, + So wird auf's Jahr keine Kuh verloren, + Und steckt sie hinter der Stalltür, + Treibt sie auf's Jahr mit Freuden herfür. + + +Bij de kerstgebruiken kom ik op dit onderwerp terug. Laat ik nog +slechts aanstippen, dat ook het slaan met riemen, hetwelk de _Luperci_ +zich te Rome op het feest der _Lupercalia_ veroorloofden, slechts +in schijn een tuchtiging was. Zelfs versperden de vrouwen, volgens +Juvenalis, den _Lupercis_ den weg, om zich in de vlakke hand te doen +treffen: Nec prodest agili palmas praebere luperco: "En het baat niet +den vluggen Lupercus de vlakke hand te bieden" (_Sat._ II, 14). + +Wij volgen nu verder den kalender, door de heiligenfeesten aangeduid: +den waren _volks_kalender. + +_Sint Katharina (25 Nov.),_ van Alexandrië, maagd en martelares. Door +hare wijsheid beschaamde zij de heidensche wijsgeeren, van waar zij +van oudsher als patrones van de wijsgeeren en redenaars gold, en ook +de Seminaries haar als zoodanig huldigen. Geen wonder, dat ook eenige +der oudste Belgische Rederijkerskamers haar als patrones verkozen, +b.v. te Hasselt, Eecloo, Leuven en Aalst, waar de _Catharinisten_ +nog heden bestaan. De Romeinsche keizer Maximinus veroordeelde haar +na vele folteringen om geradbraakt te worden; maar op haar gebed werd +het met scherpe punten beslagen wiel verbrijzeld, waarna men haar +onthoofde: zoo werden een gebroken rad, boek, palm en zwaard hare +attributen, en verkozen haar de wiel- en wagenmakers, pottebakkers +en spinsters als patroonheilige. Evenals de namen der HH. Lucia en +Clara, staat haar naam etymologisch met het begrip "licht, reinheid, +helderheid" in verband. Dit had tot gevolg, dat de Kathrijnedag tot +_dies criticus_ werd: beslissende dag voor het weêr. Herhaaldelijk komt +hij in weêrregels voor. Men laat plaatselijk omtstreeks dezen datum +den winter een aanvang nemen, en zoo heet het dan: "St. Katharina +komt in het wit gekleed". In Westfalen zegt men: "Katharina hett den +winter innen Schraine". Ook kent men bij ons het rijmpje: + + + Met Sint Katrijn + Moeten de koeien aan de lijn. + + +Na regen verleent zij zonneschijn. Dit blijkt o.a. uit het volgende, +op vele plaatsen en met vele varianten (vooral aan het slot) gezongen +rijmpje: + + + Sinte-Katerijne (of Katelijne), + Laat het zonneke schijnen, + Laat den regen overgaan, + Dat de kinderkens naar school toe gaan! + Wie zal hun leeren? + Onze lieven Heere. + Wie zal ze trouwen? + Onze lieve Vrouwe. + Wie zal hun te eten geven? + Sinte-Pieter, die goede man, + Die alle kinderen geeselen kan. + + +Of: + + + Wie zal de misse doen? + Peetje met zijn gelapten schoen; enz. enz. + + +Sint-Kathrijnedag is ook een Schuddekorfsdag. De schoolkinderen gaan +in Belgisch Limburg van deur tot deur en roepen: "Geeft aan de jongens +van St. Katrien!" Krijgen ze centen, appelen, noten enz., dan roepen +ze nog eens: "Goê Sinte-Katrien!" Krijgen ze niets, dan schreeuwen +ze heel hard: "Kwâ Sinte-Katrien!" Eenige jaren geleden zong men nog: + + + Wij komen al rond op Sinte-Katriene, + Wij hadden zoo geerne wat boekweitbloem. + Wij zullen ze luisterlijk vieren + Al op een zalige maniere. + + +Of: + + + Al op onze oude manieren.-- + Gelijk wij verleên jaar hebben gedaan, + Huis voor huis al afgegaan, + Ter eere van Sinte-Katriene. + Geeft wat + Houdt wat + Tegen 't jaar nog wat. + + +Zie 't Daghet in den Oosten II, bl. 179; IX. bl. 95; XI. bl. 47; De +Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust IV, bl. 180 vlg., VII, +bl. 174, 175; De Cock, Volkskunde, 259; Schrijnen, Essays en Studiën, +bl. 68, 251. + +_Sint Andries (30 Nov.)_ is insgelijks een kritische dag: "Sint Andries +brengt de vries", ook weer niet zonder volksetymologischen bijsmaak. + +Deze dag deelt verder in de St. Maartens- en Sinterklaasgebruiken. Het +is hier of daar weer Schuddekorfsdag. Op Sint Andriesavond gaan te +St. Marie-Laathem de jongens rond om een _snik_ (appel). Zij staan +bij elk huis stil en roepen: + + + 'k Kom om mijnen snik! + + +Wie geeft, wordt bedankt; wie niet geeft, wordt onthaald op; + + + Wilde nie geên, ge meugt 'et houwen, + Maar 'et zalder u wel berouwen! + Die niet en geeft, die es en beest, + Dat es N.N. om te meest! + + +Sint Andries_nacht_ speelt ook een voorname rol in de tooverwereld, +al mogen wij niet vergeten, dat het rekenen met nachten wel het +oorspronkelijke was; vgl. Volk en Taal I, bl. 11, 12. + +_Sint Elooi (l Dec.)._ De H. Eligius werd in 588 in het Westen van +Frankrijk geboren en toonde reeds als knaap groote vaardigheid in +de teeken- en goudbewerkerskunst. De koningen Clotarius en Dagobert +lieten hem kunstvoorwerpen voor zich vervaardigen, o.a. een gouden +zetel. Naderhand stichtte hij een klooster en werd bisschop van +Noyon. De volkssage maakt hem tot een gewonen smid, vooral hoefsmid, +en vereerde hem tevens het patroonschap over de paarden. Vooral bekend, +en ook vaak in lijn en beeld gebracht, is de legende, hoe de heilige +een koppig paard, dat hij beslaan moest, den poot afsneed, zonder het +een druppel bloed te doen verliezen. Dan besloeg hij den hoef op het +aanbeeld en zette de twee stukken weer aan elkaar. + +De feestdag van Sint-Elooi wordt op het Vlaamsche platteland door +smeden, voerlieden en paardeboeren nog gevierd, o.a. te Poeke, Vinkt, +Vosselare, Burst, Herdersem, Grembergen en Tielrode. Wat betreft de +zoogenaamde paardenprocessies ter eere van den heilige, deze hebben +thans meestal den 29sten Juni, dus op St. Petrus en Paulus plaats. De +boeren leggen dan met hun rijdieren in vollen draf driemaal den grooten +processieweg af, vatten daarna post voor de kerkdeur, worden gezegend +en rijden dan stapvoets driemaal om de kerk. + +Te Mechelen hadden volgens V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge +II, bl. 295, de leerjongens de gewoonte, dien dag van meester tot +meester te gaan om een fooi te vragen onder het zingen van bepaalde +rijmpjes. + +_Sint Barbara (4 Dec.)_ werd door haar heidenschen vader in een +toren opgesloten; vandaar, dat de metselaars en timmerlieden haar tot +patrones kozen. Te Keulen is zij met haar geschenken de voorloopster +van Sinterklaas. In Limburg snijdt men de zoogenaamde _Barbara-takken:_ +kersen- of berkentwijgen, die in water of in vochtige aarde gezet, +op Kerstmis zullen bloeien,--treffende kerstening en symboliseering +van het vruchtbaarheidsidee. + +_Sint Nikolaas (6 Dec.)._. Een groote, krachtige gestalte te paard, +den staf in de hand, den mijter op het hoofd, den ruim-geplooiden +bisschopsmantel om de schouders geslagen,--zoo stelt zich de +kinderwereld den heiligen bisschop van Myra voor. Hij lijkt inderdaad +veel op de figuur van Wôdan, het rijzige lichaam in een wijden, +donkeren mantel gehuld, waarin hij zijn beschermelingen door de lucht +draagt, en gezeten op zijn trouwe schimmel Sleipnir. + +Na de overwinning van het Christendom in de IXe en Xe eeuw, toen het +werkelijk geloof aan Wôdan en zijn kring was verloren gegaan, was die +schimmel een onbeheerde zaak, een _res derelicta primi occupantis,_ +slechts bereden door een half-goddelijke, half-daemonische schim, +die zich nog hier of daar in het folklore vertoont (zie bl. 72), +maar welke het niet moeilijk viel voor edeler, meer reëele figuren +te doen wijken. Op dien schimmel heeft het volk in den loop der +tijden aan allen, die het hoog hield, omdat zij een aanzienlijke rol +gespeeld hadden in kerkelijke of staatkundige geschiedenis of ook +sage--heiligen, koningen, legerhoofden en anderen--een eereplaats +gegund; en zoo heeft Sleipnir ook als substraat gediend voor de +vereering van Sint Nikolaas. + +Het paard is voor den heilige het onmisbare vervoermiddel op zijn verre +tochten. Soms is hij gedwongen, de reis te onderbreken en zijn paard +te laten beslaan; de smid wordt rijkelijk beloond. Het laat ook niet +zelden een hoefindruk achter, evenals de schimmel van _Karel Quinte_, +als deze uit den _Gudinsberg (Wuodenesberg_) komt. Sinterklaas komt van +verre, van het land van licht en zonneschijn, vanwaar hij appelen en +kastanjes meebrengt. In onze Sinterklaasliedjes is dit meestal Spanje, +dan ook Condé: + + + Drie appelkens van Condé, + Breng mijn broerkens ook wat mee. + + +(West-Vlaanderen). + + + Om appelkens van Condé, + Breng er mij een g'heel schootjen mee! + + +(Oost-Vlaanderen). + +Te Venloo laat men hem weer terugkeeren naar Picardië: + + + Gank oet rieje + Noa 't lendje van Picardië. + + +Tegen voetzeer schijnt het paard niet beveiligd: + + + Sinter Klaas zen peerdje, + Dat häd een kranke poot, + Laten we doa voor bejen, + Dat het beter weurdt. + + +(Hasselt.--'t Daghet in den Oosten IV, bl. 121). + +Beter lijkt me de Venloosche lezing: + + + En Sinterklaos zie(n) pêrd, + Det hêt 'n kwoaje voot, + En as me doa veur bêjt, + Dan wuurdt dê ouk weer good. + + +In ons land is Sinterklaas het voornaamste schenkingsfeest; hij _rijdt_ +geschenken, met name voor kinderen. De _pakjesavond_ onzer noordelijke +provinciën is een late, gladstrijkende en prozaïsche vervorming. Aan +het vruchtbaarheidstijdperk herinnert verder de peperkoek in zijn +tal van grillige vormen en benamingen, waaraan oud en jong zich te +goed doet. Men vergelijke hiermee de _Klausenmannle_ in Hohenzollern, +de _Nicolaus-Lebkuchen_ in Hessen-Nassau enz. + +Evenals de Wilde Jager en Sint Maarten _rijdt_ Sinterklaas door +den schoorsteen. En inderdaad, de schoorsteen is de koker der +geestenwereld, de verbindingsweg tusschen de hoogere wezens en de +gewone stervelingen,--de ruime, ouderwetsche schoorsteen boven +den oorspronkelijk vrijliggenden haard, de aloude offerstede, +steeds het gezellige middelpunt van het intieme huiselijke +leven. Is het wonder. dat de schoorsteen een groote rol in de +tooverwereld speelt? Dat men op Silvesteravond, in het hartje +van den Joeltijd, in den schoorsteen ziet, om de toekomst te +doorschouwen? Dat toovermiddelen bij voorkeur in den schoorsteen +worden opgehangen? Vooral de huisgeesten dalen door den schoorsteen +tot den huiselijken haard af. Bij het plaatsen van vulkachels en het +aanleggen van centrale-verwarming nemen zij al schielijk de vlucht. + +Onder den schoorsteen wordt de schoen gezet, vanwaar de uitdrukking +"een schoen zetten bij iemand" synoniem is van "iemand iets +afbedelen." Nu staat de schoen van Sinterklaas in het folklore niet +alleen. Ook de Wilde Jager vult schoenen en laarzen, en wel met +goud. Op Kerst- en Silvesteravond, en ook wel op Thomasavond, werpen +zich in Oostenrijk en Mecklenburg jongens en meisjes een schoen over +het hoofd, om te zien, wat hun te wachten staat. Maar hoofdzaak is, +dat de schoen hier op de eerste plaats dient om het voeder te bevatten +"voor Sinterklaas zijn paard." Plaatselijk in heel ons land, maar +met name in de zuidelijke provinciën en in België, wordt in schoen of +klomp haver, hooi, wortelen enz. voor het dier gereed gezet. Vergelijkt +men nu hiermee het op vele plaatsen van Duitschland en Skandinavië, +en ook nog in Twente bestaande oogstgebruik, eenige halmen op den +akker te laten staan, zooals het veelal uitdrukkelijk heet, "voor Wode +en zijn paard," dan dunkt me, dat ook hier weer de oorsprong van een +volksgebruik naar het land moet verlegd worden. Op dit hooioffer kom +ik te gelegener plaatse nader terug; hier volge slechts de slotsom, +dat wij in het hooi voor het paard van den heilige hoogstwaarschijnlijk +een schamel, overigens onschuldig _survival_ te zien hebben van een +voormalig offer aan den god, of liever aan het paard van den god der +vruchtbaarheid, en wel een offer van hooi, dat immers reeds in de +Oudnoorsche Edda _Sleipnis verdr_, "Sleipnir's spijs" genoemd werd. + +Bij het schoenzetten behooren enkele liedjes, waarvan hier de +voornaamste, meest algemeen verspreide lezing: + + + Sinte Niklaas, + Nobele baas, + Breng iets in mijn schoentje, + Een appeltje of een citroentje (limoentje). + + + Sinte Niklaas kapoentje, + Rijd wat in mijn schoentje, + Een appeltje of een citroentje, + Een nootje om te kraken, + Het zal zoo lekker smaken! + + + Sinterklaas bisschop, + Zet uw hooge muts op, + Trek uw besten tabbaard aan, + Rijd er mee naar Amsterdam, + Van Amsterdam naar Spanje, + Appeltjes van Oranje! + + + Sinterklaas, goed heilig man, + Trek uw besten tabbaard aan, + Geef de kleine kinderen wat, + Geef de grooten een schop voor het gat, + Laat ze daarmee loopen, + Kousen en schoenen verkoopen. + + + Sint Niklaas, mijn goede man, + Wilt ge me wel wat geven, + Dan dien ik u al mijn leven; + Geef je me niet, + Dan dien ik je niet, + Dan ben je mijn Sint-Niklaasje niet. + + +Sinterklaas rijdt rond met zijn knecht, in ons land meest Pieterman +geheeten, in de Rijnprovincie _Hans Muff_, in den Elzas _Hans Trapp_, +elders anders. In Noord-Duitschland verschijnt op Kerstavond een +baardige, in pels en erwtenstroo gehulde figuur, die appelen, noten +enz. onder de jeugd rond deelt. Wij hebben hier stellig te doen met +een elfische gedaante. Sinterklaas of Pieterman dragen de roede, +evenals Sint Maarten. In Zwitserland draagt St. Nikolaas plaatselijk +een opgesmukt boompje, in Hamburg voorheen een groene twijg. Over de +beteekenis dezer roede is boven gesproken (bl. 116). Laat ik hier +nog slechts bijvoegen, dat te Mähren (Oostenrijk) op den vooravond +van Sinterklaas boerenknapen met zweepen de velden doortrekken, +om de groeikracht te bevorderen. Volgens TlLLE, Die Geschichte der +deutschen Weihnacht, bl. 196, heeft het Protestantisme de levens- +en vruchtbaarheidsroede van onzen heilige tot strafinstrument en +plak hervormd. + +Sinterklaas, eindelijk, is ook de patroon der schippers, en dit +attribuut heeft er zeker niet weinig toe bij gedragen, dat zijn feest +te Amsterdam zoo uitermate populair is. Het schipperliedje luidde: + + + Wij sullen ons scheepken wel stieren + Al over die wilde see, + Al op Sinterklaes manieren, + Soo gaet er ons soetlief meê. + + +Dit patroonschap is zonder twijfel te danken aan het bekende verhaal, +waarvolgens de heilige, op reis naar het H. Land, een door hem +voorspelden storm door zijn gebed deed bedaren. + +Zie Eelco Verwijs, Sinterklaas ('s Gravenhage 1863); Schrijnen, +De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond 1898); Ter Gouw, De +Volksvermaken, bl. 252 vlg. + +_Sint Lucia (13 Dec.)_ is een echte volksheilige. Zij heeft tal van +attributen van de godin Holda-Perchta overgenomen. In Nederland en +België wordt zij bij oogziekten aangeroepen, op grond der etymologie +van haar naam (van _lux_ "licht"). Vandaar, meent De Smedt, de +gewoonte, haar voor te stellen met twee oogen in de hand of op een +schotel; en hiervandaan komt de legende, volgens welke zij zich de +oogen zou hebben uitgerukt, om zich aan de lagen van een door hare +schoonheid betooverd jongeling te onttrekken. Zie mijne Essays en +Studiën, bl. 68, 251, 244.-- + +Den eersten der Quatertemperdagen in den Advent, dus +Quatertemperwoensdag vóór het kerstfeest, wordt ter eere der H. Maria +een plechtige mis gezongen, die den naam draagt van _Guldenmis_: niet +omdat zij vroeger met gulden letters in de missalen stond geschreven, +of van wege de gulden pracht der misgewaden; maar "gulden" beteekent +hier "voortreffelijk", "krachtig". Zij wordt ook de _Rorate-mis_ +genoemd, omdat zij begint met de woorden _Rorate cocli_. In de +noordelijke provinciën heet zij ook wel de _Schippersmis_. De +Westvlaamsche naam is _Duvekedaals-messe,_ omdat in het mysteriespel +der Boodschap, dat eertijds in Vlaanderen met haar verbonden was, +bij de woorden: "De H. Geest zal over u nederdalen en de macht des +Allerhoogsten zal u overschaduwen", uit de hoogte een duif, door +licht omgeven, over Maria werd neergelaten. + +Volgens V. Reinsberg-Düringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 424, is dit +mysteriespel in sommige katholieke landen nog gebruikelijk. Zoodra +de zegen gegeven is, begint een knaap, die den engel voorstelt, +welke de boodschap bracht, te zingen: + + + Ave Maria, gratia plena! + (Wees gegroet Maria, vol van genade), + + +en het volk valt in en zingt verder: + + + Benedicta tu in mulieribus! + (Gezegend zijt Gij onder de vrouwen). + + +_St. Thomasdag (21 Dec.)_ wordt beschouwd als de inleiding tot het +tijdperk der _Twaalf Nachten_. De geesten drijven hun spel, tooverij +en bijgeloof vieren hoogtij. Deze dag is een lotsdag, geschikt om +de toekomst te doorschouwen. In Bohemen meent men, dat Sint Thomas +op een vurigen wagen door de lucht rijdt,--een bijzonder aspekt van +het volksgeloof aan de Wilde Jacht en haar voorrijder. In Oostenrijk +en Mecklenburg is op Thomasavond het schoenwerpen (bl. 123) nog meer +gebruikelijk dan op Nikolaas- of Sylvesteravond. + +Het is de kortste dag van het jaar en daarom geldt het als een schande, +op dezen dag lang te slapen. Evenals in Westfalen eertijds degene, +die 's morgens dien dag het laatst ter school kwam, door de kinderen +_Domesesel_ (Thomasezel) genoemd werd, zoo noemt men in Hollandsch +Limburg nog thans den langslaper _Thomas_; analoog is het gebruik, +waarvolgens jaren geleden in Noord-Brabant de jongen, die op den +laatsten dag van het jaar, Sint Silvester, het laatst ter school +kwam, _Paus Silvester_ geheeten werd. En K. de Gheldere, Dietsce Rime +(Brugge 1896), bl. 148 vermeldt: "Die op dezen dag [St. Silvester] in +'t een of ander de laatste bevonden wordt, heet _Silvester_ en moet +beschenken." Het is een straf voor de lang-slapers en telaat-komers, +die eveneens den _Luilak_ treft, die den eersten meidag verslaapt. Ook +de _Pinksterbruid_ is een langslaapster, waarover nader. Natuurlijk +heeft men dit gebruik in verband gebracht met het Evangelieverhaal +van den H. Thomas, die "te laat kwam", toen de anderen reeds vergaderd +waren. In Rond den Heerd IV, bl. 130 wordt nog vermeld: "De Maandag na +Palmen-zondag hiet te Brugge over oude tijden Kalfdag; die op Kalfdag +laatst in schole of te huis kwam was kalf, wierd kalf gescholden, +en, in die hoedanigheid, geplaagd en gezeerd." Op Palmzondag begint +het tijdperk van het eigenlijke Lentefeest. + +Het begrip "'s morgens te laat komen" trad meer en meer op den +voorgrond; en zoo komt het, dat men heden ten dage hier vader +en moeder, ginder den onderwijzer buitensluit. Men noemt dit te +Brugge iemand _thomassen_. Het feest heet "Sluiterkensavond", +"Sluiterkensdag", "Buitensluit", enz. Het te laat komen wordt +op de eene of andere wijze afgekocht. Merkwaardig zijn nog de +Sluitertjensdagen vóor Aschwoensdag (dus in het begin der lente) +in West-Vlaanderen. Den eersten dag sluit men de moeder uit: 't is +Wijvekenszaterdag; den tweeden den vader: 't is Mannetjeszondag; +den derden de dochters: 't is Meisjesmaandag; den vierden de zoons: +'t is Knechtjesdijsendag. Te Waasmunster worden op Zaterdag vóor +Nieuwjaar, en Maandag en Dinsdag daarna de vrouwen (Zaterdag), +de meisjes (Dinsdag) en de jongens (Maandag) buitengesloten. Te +Velthoven wordt de meester op den feestdag der Onnoozele Kinderen +buitengesloten, bewijs te meer, dat dit gebruik niets met den dag, +en nog minder met het feest heeft uitstaan. Zie De Bo, West-Vlaamsch +Idioticon; zie ook De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust +VII, bl. 152, 252; Volkskunde XIV, bl. 111; V. Reinsberg-Düringsfeld, +Calendrier belge II, bl. 319 vlg. + +Eindelijk, de verwantschap van Midwinter- en Lentefeest blijkt o.a. ook +nog hieruit, dat men te Venloo den 21sten December kinderen naar +den Lichtenberg stuurt, om te gaan zien naar "het wijfje, dat daar +peperkoek spint". De overeenkomst is hier sprekend met den 1en April: +"Verzendekensdag," waarover nader. + +_Kerstmis (25 Dec.)_. Den 25sten December begon het groote +Germaansche Midwinterfeest ter eere der chthonische godheden, het +groote zielenfeest of Joelfeest, dat het tijdperk der _Twaalf Nachten_ +opende. Ook hier heeft de groote vroolijkheid, waarmee de feestenreeks +werd gevierd, hoofdzakelijk haar oorsprong in het genieten der gaven +voor het groote winteroffer, alsmede in redenen van ekonomischen aard: +de groote slachttijd, die met de winterfeestviering samenviel. Of +dit feest ook een zonnefeest was, ter eere van het terugkeerende en +groeiende zonnelicht--hetgeen door Mogk e.a. wordt betwist--laat +ik buiten bespreking. Maar een feit is het, dat geofferd werd aan +de geesten voor de vruchtbaarheid, en dat in de kerstgebruiken van +heden nog schuil gaat een zekere vereering van de groei- en teelkracht +der natuur. De aarde slaapt nu, nieuwe sappen garend, om in de lente +de natuur met jeugdige, frissche kruiden en bloemen te tooien: wij +bevinden ons in waarheid in het bevruchtingstijdperk. Zooals ik reeds +zeide, heeft het schieten in de lucht en in de boomen, het luiden +met klok en bel rechtstreeks reiniging, zuivering van kwade geesten +en andere schadelijke invloeden (evenals het berooken), en daardoor +vruchtbaarheid ten doel ook. Ook met het binden van stroobanden om +de boomen en met het slaan der boomen op kerstnacht wordt bevruchting +beoogd. Gerucht, in welken vorm dan ook, is een probaat middel om de +geesten te verdrijven: het lossen van geweerschoten, in het Noorden +van ons land en in Zuid-Brabant nog veelal gebruikelijk, is hiervan +slechts een moderne vorm. Op kerstavond loopen op vele plaatsen van +Duitschland knapen met riemen vol koebellen door de dorpen. Over de +Barbara-takken is reeds gesproken. De Westvlaming zet op St. Luciadag +een kersen- of appeltakje in water, en beweert, dat het in den +kerstnacht zal uitbotten. Meestal echter snijdt men een twijgje in +den kerstnacht af, dat, in water gezet, op O.L. Vrouwe Lichtmis zal +bloeien. Als men dien nacht den tak van een vruchtboom in water zet, +meent men in Limburg, zal een goed fruitjaar niet uitblijven. + +Nu is het geenszins te verwonderen, dat, toen het feest van de geboorte +van Christus op 25 December in de IVe eeuw door de Kerk werd ingevoerd, +aldra de gekerstende volksfantasie gebruiken en volksvoorstellingen ten +deele in christelijken zin herschiep. De christelijk feestmystiek is +ten deele volksmystiek; en vooral de volksmystiek van het Kerstfeest +bergt menig Oudgermaansch overleefsel. + +Een voorbeeld. In Limburg vindt men nog kwijnende het gebruik, op +kerstavond een plant in water te zetten, die den naam van _Roos van +Jericho_ draagt. Tegen middernacht spreiden de korte vertakkingen der +plant zich uit en vertoont ze een bloeivorm als van een roos. Hetzelfde +gebruik is in zwang in het Zuid-Zwitsersche _Val di Poschiavo_. Terwijl +men op de ontplooing der bloem wacht, worden kerstliederen gezongen, +of men brengt den tijd in gebed en overweging door. Ook in Duitschland +is de _Roos van Jericho_ geen onbekende. De berichten over dit gebruik +klimmen op tot het begin der XVIIe eeuw. + +De hygroskopisciteit der plant, het sluiten en vrij plotseling +heropenen harer bladeren, haar vluchtig herleven werd steeds als iets +wonderbaars beschouwd en zoo kreeg zij een eereplaats tusschen de +tooverplanten en speelt ze een voorname rol in de waarzeggerij, in de +droomverklaring vooral. Maar tevens is zij de plant der dichtkunst, +van het volksgeloof en van de legende. Wonderbare nevelen spreidden +zich als een zilveren waas geheimzinnig om stengel en knop. Men +beschouwde haar als het zinnebeeld der opstanding, vanwaar haar naam: +_Anastatica_. Volgens de sage ontlook de eerste bloem bij de geboorte +van Christus; zij sloot zich bij de kruisiging en ontlook ten tweeden +male bij 's Heeren Verrijzenis. Bij de vlucht naar Egypte ontsproot zij +in de woestijn op de plaatsen, die Maria met haar voet had aangeraakt. + +Op de vraag: "Waarom wordt deze plant in den kerstnacht in water +gezet?" dient m.i. een drieledig antwoord. De _Roos van Jericho_ is +het zinnebeeld van de geboorte van Christus; men denke slechts aan het +treffende Oudduitsche kerklied: "Es ist ein ros entsprungen--aus einer +wurzel zart" enz. Ook deed de vrome christelijke volksverbeelding +de geheele natuur deel hebben aan de vreugde, die den mensch bij +de geboorte des Heeren doortintelt: "D'Erd grünet und bringet +rössle,--der Heyland kompt von Himmel" enz. Dan, op kerstavond +bereikt het volksgeloof aan de groei- en bloeikracht der natuur +haar toppunt: deze tijd is immers het kulminatiepunt van het +vruchtbaarheidstijdperk. Maar dit geloof is hier op eigenaardige wijze +door het volk gekerstend. Ook de mystieke beteekenis blijft niet uit: +Christus is de boom des levens. "Hij staat in het midden der Kerk", +zegt Hugo van St. Viktor, "zooals de levensboom stond in het midden van +het paradijs". Tot de uitverkoren gewassen, die in den kerstnacht in +bloei raken, behoort ook nog de doornstruik en het _Allräunchen;_ in +Tirol bloeit zelfs het varenkruid. In Overijssel zegt men, dat dan de +vlierboom uitbot: immers het kruis was van vlierhout. Volgens een oude +Bruggesche overlevering openen alle bloemen hare kelken en knoppen. + +Eindelijk, de kerstnacht is vermaard in de tooverwereld. Te +middernacht wordt alle water wijn. De bijen gaan aan 't gonzen en +zingen kerstliedekens; in West-Vlaanderen spreken de paarden, en de +schapen zitten geknield; in Limburg staan de koeien op stal te praten; +te Moelingen (B.-L.) roept de haan: "'t Kindeke Jezus is geboren," +waarop de duif vraagt: "Moe, moe?" (waar, waar?), en het lammetje +antwoordt: "Te Bêthlehêm". In Brabant richten de schapen hun oogen +naar de ster uit het Oosten, en te Brugge richt het vee zich op, +om het kindeke te groeten. Te Heel, Beek en elders in Limburg wordt +het veevoeder buitengezet, dat het gezegend worde; nog elders is dit +gebruik in zwang. Het schoenwerpen wordt toegepast. In de Graafschap +bergen de boeren alle gereedschap op, omdat zij meenen, dat dit anders +beschadigd wordt door _Derk met den Beer_--een soort voorrijder van +de Wilde Jacht. Vuurbollen vliegen rond. Klokgelui stijgt op uit de +diepte van vijvers en bronnen. + +De vereering van de teelkracht der natuur treedt ook sterk op den +voorgrond bij de gebruiken van het kerstblok en den kerstboom. Het +kerstblok of de kersttobbe, Duitsch _Julblock, Weihnachtsblock_ +enz., herinnert aan de offervuren; maar daarenboven vertegenwoordigt +het een algemeen verspreide, immers Indogermaansclie symboliek: het +nieuwe leven, door den wederkeerenden zonnegloed de vegetatiewereld +ingestort. In dezen zin kan het Kerstfeest toch ook een zonnefeest +genoemd worden, al was de zon niet het hoofdobjekt der vereering. Dat +het kerstblok eertijds in Limburg bekend was, blijkt o.m. uit eene +uitspraak der schepenen van Susteren in een charter van 1264. Hierdoor +wordt bepaald: "dat elk der ingezetenen een dooden boom uit het bosch +mocht halen, om tegen kerstmis in zijn huis te verbranden." Heden nog +worden o.a. te Belfeld, Echt, Weert, Heithuizen enz. de beste stukken +hout voor kerstmis bewaard. In andere deelen van ons land spreekt +men van _kerststokjes_. Ook in de oostelijke provincies wordt hier +of daar de kersttobbe nog op den haard gelegd. Overblijfsels van het +verkoolde blok hebben onheil-afwerende en vruchtbaarheidschenkende +kracht: zij worden op den akker gestrooid. Wat den kerstboom betreft, +deze is in ons land nog van verschen datum en komt uit Duitschland. Hij +heeft vele trekken met den meiboom gemeen. De kerstboom vervangt dan +Sinterklaas.--In sommige deelen van Vlaanderen, waar geen kerstboom +bekend is, "rijden" de engeltjes op kerstnacht; de kinderen vinden +'s morgens den _engeltjeskoek_ op hun peluw. + +In verband hiermee zingen de kinderen te Veurne op kerstavond: + + + Engeltjen, engeltjen Gabrieël, + Woont zooverre van mijn kasteel, + Op mijn kasteel alleene! + Bak mij een koekjen kleene + En een koekjen groot, + Om te leggen + Op Moeder Mariaatjes schoot! + + +Te Gent noemt men dezen koek _engelbewaarderskoek_. Gaan de Belgische +kinderen op kerstdag "Zalig Hoogtij" wenschen, dan zingen zij: + + + Heerderkens van buiten, + Spoedt u op de been, + Met trommelkens en met fluiten + Recht naar Bethleëm; + Want daar is geboren + Den God van al, + Die ons het leven + Heeft gegeven + In den stal. + + + Ik heb hier nog drie eieren, + Warm uit den nest; + Ik heb hier nog een kalfken, + Dat is vet gemest; + Ik heb hier nog wat vlaaikens + In mijn korfken staan, + Om te vereeren + Het kindeken teere, + Laat ons gaan! + + +Als zij nog heel klein zijn: + + + Met den tikkenhaan in de hand + Komen wij den herder groeten; + Met den tikkenhaan in de hand + Groeten den herder van het land. + Tik, tik, tik, tikkeliere, + Groeten den herder van het land. + + +Het vruchtbaarheidsbegrip uit zich in vele gebaksvormen, ik noem +slechts de in ons land zoo bekende kerstbrooden, kerstkransen, +en de Vlaamsch-Brabantsche kerstkoeken, van welke reeds Kiliaan +vele benamingen geeft; de kerst-wikken, kerst-stoeten enz. De +Noordhollandsche benaming is _deuvekater_; in Delft en Schieland +_kersttimp_. Een bijzondere vermelding verdient het kerstbroodje +van Geleen (L.). Dit werd op kerstdag na de Vespers door den koster +uit den kerktoren aan de verzamelde jeugd van Geleen, Lutterade en +Krawinkel toegeworpen, nadat hij het gedurende zes weken in den oven +had laten hard worden; tot loon voor zijn moeite mocht hij in elk +huis der parochie een brood ophalen. Het behalen van dit kerstbrood +werd met moed en vuur betwist, terwijl de overwinnaar, na reusachtige +inspanning daarvan meester geworden, het boven zijn hoofd verhief en +uitriep: "Kerstbrood, mijn brood", en den titel van "broodjeskoning" +ontving. Dit gebruik is in 1842 afgeschaft; zie Jos. Russel, De +heerlijkheid Geleen, bl. 73. + +Het ekonomisch karakter (Kerstmis als slachttijd) uit zich o.a. in +het eten van zwijnskop, waarbij dan b.v. te Zelhem gezongen werd: + + + Kärsöaventjen, Kärsöaventjen, + Dan hebben we volop, + Dan slacht miên vader 'n verksken, + En dan krieg ik de kop. + + +Zie A. Tille, Die Geschichte der Deutschen Weihnacht, _passim_: +Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 237 en Volkskunde XVII, bl. 161; +Aug. Gittée, Nederlandsche Kerstgebruiken, in Vragen van den Dag XI, +bl. 52; Mannhardt, Baumkultus, bl. 224 vlg.; V. Reinsberg-Düringsfeld, +Calendrier belge, bl. 319; De Cock, Volkskunde, 229. + +_St. Stefanusdag (26 Dec.)_ heeft ook zijn vruchtbaarheidsuitingen. Te +Merkelbeek, Brunsum, Oirsbeek (L.) gaan dan de kinderen het dorp rond +en roepen "heio", waarop hun appelen en noten worden toegeworpen. Te +Neeroeteren (B.L.) halen alle kinderen een broodje bij den +molenaar. Voorheen at men op Stefanusdag in den Eifel tweërlei brood, +het eene zuur, het andere zoet, zooals nog thans in de Rijnlanden. + +Deze dag, waarop eertijds de Sint Stefanus Minne werd gedronken, is +ook, mèt Sint Elooi, de paardendag. Dan werd eertijds hooi en haver +voor de paarden gewijd; maar vooral worden op dezen dag omritten +te paard gehouden om huis en dorpsgebied, ten einde de landerijen +tegen schadelijke invloeden te bewaren en hare vruchtbaarheid te +verzekeren. Zulke omgangen ten behoeve der vruchtbaarheid zijn overoud, +men denke slechts aan het Romeinsche _pro frugibus lustrare agros_: +de akkers rondtrekken voor het gedijen der veldvruchten. Zoo kwam het +hoogst waarschijnlijk, dat Sint Stefanus beschermheilige der paarden +werd, al is het niet te ontkennen, dat hij ook enkele trekken van +een of ander Germaanschen god heeft aangenomen,--zonder daarom een +"verkapte god" te zijn, zooals schijngeleerdheid wel eens betoogt. In +zekere zegenspreuk heelt Michaël (Wôdan?) het paard van Stefanus +(Baldr?); zie Grimm, Deutsche Mythologie II, bl. 1033, vgl. 1030. + +Het rondrijden met de paarden, den _Stephanusrit_, vindt men in +Zweden, Holstein, Engeland, Estland, Finland enz. In het Oosten +van ons land noemen de boerenjongens het "Sint-Steffen rieën" of +"Sinte-Steffen jagen."-- + +Arme kinderen geven dezen dag een stukje brood of een topje hooi aan +de koeien en zeggen tegen de boeren: "Ik steffen jôe kôe", en bij +arbeiders, die geen koe hebben,: "Ik steffen jôe." Te Borger (D.) ziet +men vroeg in den morgen kleine jongens rondloopen met een bosje hooi +onder den arm. Zij gaan van 't eene huis naar het andere, het eerst +naar de deel om de koeien te steffen (stèffenen), al zingende: + + + Hum, kôe, hum. + Sint Steffen is gekomen + Hard geloopen; duur verkoopen, + Honderd gulden veur dieë kôe, + En een dikke stoetbrugg' toe. + + +Te Oosterhesselen komt hier nog bij: + + + Met dikke boter, die mag ik, en die mag elk, + Dan gef de kôe ook botter en melk. + + +Dan legt de knaap een weinig hooi voor elke koe, gaat naar de keuken +en zegt: "Ik heb jôe kôenen steft"; waarop hij door de boerin wordt +onthaald. + +_Sint Jan Evangelist (27 Dec.)_. Een eigenaardig gebruik op dezen +dag, dat dreigt welhaast te zullen verdwijnen, bestaat of bestond +nog kortelings in sommige plaatsen van Hollandsch Limburg, met name +te Simpelveld, Mechelen, Vijlen, Munstergeleen en Oirsbeek. Het +volk drinkt dan ter kerke uit een beker met gewijden wijn, onder +de formule: "_bibe amorem sancti Johannis, in nomine patris_ etc.": +"drink St. Jans Minne, in den naam des Vaders enz." Hetzelfde gebruik +leeft nog op verscheidene plaatsen in Duitschland, vooral in Zwaben. + +Evenals de St. Geerten Minne, St. Michaëls Minne, St. Martinus +Minne en St. Stefanus Minne is de St. Jans Minne oorspronkelijk +een herinneringsdronk, een offerdronk, aan de goden gewijd. Immers, +het woord "minne" heeft met "genegenheid, liefde" niets gemeen, maar +wordt slechts volksetymologisch hiermee verbonden; vandaar het Duitsche +_St.-Johannisliebe_, vandaar de term _amor_ in de Limburgsche formule: +_bibe amorem sancti Johannis_ enz. Het woord is afkomstig van den +Indogermaanschen wortel _men_, met de beteekenis "denken, overdenken, +zich herinneren"; slechts in het Westgermaansch ontwikkelde zich de +beteekenis van "beminnen." + +Men dronk eertijds de "minne" der goden, vooral van Wôdan-Odhin; +hij toch was de doodengod, en ook aan de afgestorvenen werd deze +offerdronk gebracht: reden, waarom het tijdperk der Twaalf Nachten +daartoe bij uitstek geschikt mocht heeten. Na hun bekeering wijdden +de Germanen dezen dronk aan Christus en de heiligen, doch niet meer +als offerdronk, maar als herinneringsdronk. De volksfantasie kan met +volle recht het vaderschap van de verkerstening dezer minnedronken +voor zich opeischen. Voor het meerendeel bleven zij volksgebruiken +in den engeren zin des woords; slechts van de St. Jans Minne weten +wij, dat zij althans sedert de XVe eeuw, toen de christelijke tint +de oorspronkelijke beteekenis geheel gedekt had, den kerkelijken +drempel overschreed. + +Ter verklaring van het kwalijk begrepen gebruik werd naderhand de +legende uitgedacht, als zou een zekere afgodendienaar, Aristodemus +genaamd, den H. Johannes vergiftigden wijn hebben aangeboden, met +de verklaring, christen te willen worden, wanneer de heilige den +beker zonder letsel zou ledigen. Deze dronk vervolgens den giftbeker, +zonder dat hem eenig nadeel overkwam. Volgens een andere lezing zou +de lieveling des Heeren den wijn gezegend hebben, waarop het vergif +uit den beker spatte in de gedaante eener slang. St. Jan wordt daarom +veeltijds met een beker en een slang daar boven afgebeeld. + +Waarom de offer- en herinneringsdronk van het Joeltijdperk nu +juist op den H. Johannes is overdragen, is wel hieraan te danken, +dat hij--evenals St. Stefanus, St. Maarten, St. Michaël--een zeer +geliefde volksheilige is. Den 29sten December dronk men eertijds in +Brabant nog St. Davids-minne. Maar een gewichtige faktor was ook de +term _minne_ zelf. Was het niet natuurlijk, dat der goden _minna_, +door het Latijnsche _amor_ weergegeven, bij voorkeur op den apostel der +liefde overging? Ook vindt men _dilectio_ en _potus caritatis_. Zoo +verklaart men tevens m.i. het best, dat de St. Jans Minne naderhand +ook verzoeningsdronk werd; zie mijne Essays en Studiën, bl. 221 vlg. + +_Allerkinderen (28 Dec.)_ vertoont een beslist christelijk karakter en +herinnert aan de vermoording der Onnoozele Kinderen te Bethlehem. Dan +viert men in de weeshuizen feest. In de families zijn de kinderen +baas, of eigenlijk het jongste kind, dat dan mag zeggen, wat dien dag +gegeten wordt: de kinderen voeren het huiskommando. In Zuid-Nederland, +Noord-Brabant en Limburg leeft nog het gebruik, dat de kinderen dan, +in het pak hunner ouders gestoken, als "vader en moeder" over straat +loopen en zich bij hun familieleden laten zien. Plaatselijk is dit +gebruik in een bedelpartij ontaard; zoo b.v. in het Land van Waas, +waar men zingt: + + + 't Is vandaag Onnoozele-Kinderdag, + Geeft de moerkens en de vaarkens wat! + Geeft wat, houdt wat, + 't Naaste jaar nog wat! + Ik weet daar nog een goede vrouw. + Die mij zoo geern wat geven zou. + Zij zal mij wel wat geven; + Hoelang mag zij leven? + Honderd jaar en éenen dag, + Zoolang als ze kaas en brookes mag. + + +Men vergelijke hiermee de liedjes op Schuddekorfsdag, b.v. bl. 108 vlg. + +Verder dient vermeld het Middeleeuwsch gebruik van den +"Kinderbisschop", ook in de noordelijke provinciën bekend, b.v. te +Oldenzaal, Utrecht, Dordrecht enz. Een kind beneden de twaalf jaar +fungeerde dien dag in de kerk als bisschop en zat met myter en staf +op den bisschoppelijken troon. Hij ontving den staf in de eerste +Vespers bij de woorden van het _Magnificat_: "Hij heeft heerschers +van tronen neergehaald en geringen verheven", en behield hem tot de +tweede Vespers. Reeds in 1304 komt in de stadsrekening van Brugge een +post voor: _Item_ den biscop van den scoelkinderen van Sint Donaas +... XVIJ schellinghen"; en eveneens wordt in 1363 een gift vermeld voor +de Dordsche "scoelnaars ende horen biscop". Hij draagt dan ook den +naam van "Bisschop van de scholieren", "Bisschop van de koorknapen", +enz. Ook in andere landen was de kinderbisschop bekend. Het gebruik +klimt tot de oudste tijden op en is m.i. evenzeer van christelijken +oorsprong. Men bedenke ook, dat het feest der Onnoozele Kinderen +op 28 December reeds op den oudsten kalender der kerk van Karthago +voorkomt en in het Westen overal deze plaats handhaaft. + +Daarentegen leven hier en daar nog enkele typische Midwintergebruiken, +b.v. het geven van geschenken en het slaan met roede en zweep als +tuchtiging voor de langslapers; zie Rond den Heerd I, bl. 26. Eindelijk +op enkele plaatsen, b.v. te Herdersem (O.-V.), wordt deze dag gevierd +als St. Gregoriusdag, waarover nader. + +_Oudejaarsavond_ en _Nieuwjaarsdag (31 Dec. en 1 Jan.)_. + + + Ik wensch U al te gaar + Een zalig Nieuwe Jaar; + In voorspoed en verdriet + Vergeet den Schepper niet! + + +klonk het op nieuwjaarsnacht door de straten, toen de klepperman nog +het nachtelijk uur aankondigde. + +Eertijds was het nieuwjaar-zingen over geheel Nederland sterk +verspreid. Maar sedert kerkeraad en regeering hiertegen, als zijnde +"onnutte superstitiën" of "ongeregelheden", te velde trokken, zijn +er in Noord-Nederland nog slechts schamele resten van overgebleven; +zoo verzekert b.v. de Drentsche Volksalmanak van 1842, dat men daar +nog "aan datzelfde euvel mank ging". Het is heden ten dage vooral +nog in België gebruikelijk; men raadplege de rijke verzameling van +nieuwjaarsliedjes bij De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust +VII, bl. 7 vlg. Slechts een enkel wensch ik hieraan te ontleenen. + +Herdersem: + + + Op eenen nieuwjaarsavond, + Dan zullen wij vroolijk zijn, + Met een geboren maged + En een klein kindeken klein. + + Wie zal dat kindeken dragen? + De dochter al van Jeroen! + De klokken zullen luien, + Den kerkweg zullen wij doen. + + Als wij op 't kerkhof kwamen, + Wie zagen wij daar staan? + Jezus van Nazarenen + Aan 't kruis genageld staan. + + Met eenen doornenkroone + Op Jezus hoofd gedaan, + Vol rozen en roo nelen (_leeljen_) + Om naar den hemel te gaan. + + +Echte kinderrijmjes vindt men in de Kempen. Zoo b.v. + + + Maria was gezeten + Met 't kindjen op den schoot, + Om pappeken te laten eten, + Gekookt met wittebrood. + Daar zat een ratteke + Aan Jezus pappeke! + Maria maak het klaar, + Met deze zalige nieuwjaar. + + +Van geheel anderen aard is het zeer verspreide: + + + Op eenen nieuwe jare + Sloeg een bakker zijn wijf, + Met eenen eiken kluppel + Zoo deerlijk op haar lijf! + + De vrouw begon te kermen, + "Ach bakker 't doet mij zoo zeer!" + De bakker zonder ontfermen + Sloeg nog wel tienmaal meer. + + De vrouw kroop onder den oven, + De bakker van achternaar! + Daar kwamen zij uitgestoven [bestoven?], + Met dezen nieuwe jaar. + + +Al zingende gaan de kinderen rond bij de inwoners van het +dorp. Zij ontvangen noten, appelen, krakelingen enz., maar +ook nieuwjaarskoeken, in West-Vlaanderen _lukken, liefkoeken_, +in Oost-Vlaanderen _nieuwjaarkes_ geheeten: kleine wafeltjes, +in een bijzonder wafelijzer gebakken. Eene bijzondere vermelding +verdienen de _nijjaorskôken_ en _kniêpertiês_, de _spekkendikken_, +spekpannekoeken, vetkrabben, oliekrabben en _juffertiês_ uit den +Achterhoek, verorberd op oudejaarsavond of _täofeltiêsaovend_ (Raalte, +Ommen, Collendoorn enz.), wanneer meiden en knechts, ja het heele +gezin uitgaat _hen kôken_ of _hen taofelen_. Op een ijzeren plaat +brandt er vuur, en in het front prijkt de _kôokstomp_, tot dit doel +reeds in den zomer uitgezocht en gedroogd. Hierop komt te rusten het +_kôokiêzer_ of _nijjaorsiêzer_. Elders begint de smulpartij met een +_poddik_ (pudding), dan volgt rijst en daarna 't _beestenvleesch_, +de hoofdschotel. + +De koekijzers zijn versierd met kunstig graveerwerk en inschriften, +wier spiegelschrift door den nieuwjaarskoek leesbaar wordt weergegeven; +zoo b.v.: "Segt niemand U Geheim nog U geheime gedachte. Die heden +Is U Friend Sal morgen U verachten" (Twente). Ook elders bakt men +_vollaards_, _prauwels_ en _ijzerkoekjes_, te Groningen _olde wieven_, +te Velthoven (N.-B.) _towten_. + +Men ziet het, wij zijn volop in het vruchtbaarheidstijdperk. Dit +blijkt ook hieruit, dat te Roosteren (L.) de kinderen hun "heio" +roepende op nieuwjaarsdag rond gaan, te Echt, Einighausen, Nunhem, +Buggenum, Beegden (L.) enz. op Silvesteravond. Dan zingt men het +eeuwenoude liedje: + + + Ich kwaam al aangeloupe, + Ich sêg 't see rouke, + Ich sêg wal aan den oave wis, + Dat er get gebakken is. + Isser niks gebakke, + Dan gèft ene korf vol appele, + Is de korf te klein of te groot, + Dan gèft mig ene volle schoot. + + +Te Soerendonk (N.-B.) luidt dan het Schuddekorfslied: + + + Vrouwke, vrouwke, nieuwjaar geven, + Ge zult verdienen het eeuwig leven. + Het eeuwig leven is bitter gewonnen, + Voor een gulden een draad gesponnen. + Kijk eens in je korfje, + Daar liggen drie appeltjes in, + Even groot, kralo, vrouwke lo, + Geef wat, houd wat, + Volgend jaar weer wat. + + +Men noemt dit b.v. te Buggenum _ringzingen_ (ring=soort krakeling); +na het zingen volgt het _grabbelen_, Maasbree: _griebelen_. Meestal +krijgen de kinderen _ringen_, maar ook ander snoepgoed. Te Koedijk +(N.-H.) gaat in den nieuwjaarsnacht de plaatsvervanger van Sinterklaas, +"de gouden [goede?] engel" rond, om de kinderen wat lekkers te rijden. + +Eindelijk, met het vruchtbaarheidsbegrip staat, naar men weet, ook +in verband het schieten in den nieuwjaarsnacht, veelal verboden, +maar in het zuidelijk volksgebied nog doorgaans gebruikelijk. Ook +elders, te Deventer b.v., schiet men nog "van het olde in 't nije", +of men "schieët het olde uut". Dit schieten wordt thans nog slechts +als vreugdeteeken beschouwd. + +Het "nieuwjaar afwinnen" is nog steeds in zwang. Bij het +nieuwjaarsbezoek worden veelal (Staphorst enz.) koeken opgedischt, +te Venloo een bepaalde soort moppen, die dan ook _nieuwjaarsmoppen_ +heeten. + +Eén eigenaardigen gebaksnaam liet ik nog onbesproken, n.l. het +Westvlaamsche _strijne_ of _strene_ (rondom Veurne), dat door +het Fransche _étrennes_ op het Latijnsche _strenae_ teruggaat: +zoo heetten de kleine, maar aangename geschenken, die men elkaar +in het oude Rome op Nieuwjaarsdag vereerde. Immers bij de gebruiken +der jaarswisseling dient men niet alleen rekening te houden met de +Christelijke en Germaansche bestanddeelen, maar ook met den invloed, +uitgeoefend door de Romeinsche kalenderviering, die den god Janus +golden. Zie Driem. Bladen VIII, bl. 62; V, bl. 80; II, bl. 1 vlg.; +Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg, +bl. 13; Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 109. + +_Driekoningendag (6 Jan.)_. De kinderschaar, die langs de huizen trekt +en daar om brandhout of versnaperingen vraagt, somtijds nog met den +ouden _rommelpot_ of _foekepot_, neemt op Driekoningendag een geheel +bijzonderen vorm aan door een sterkere vermenging met het Christelijk +element: ik bedoel het bekende _sterzingen_, op het oogenblik tot +België en sommige plaatsen in de zuidelijke provinciën beperkt. Drie +jongens, als koningen verkleed--en éen hunner is met roet zwart +gemaakt--, gaan van huis tot huis en dragen aan een staak een ster, +uit papier gesneden, en met goud en zilver versierd. Trekken ze aan +een koord, dan draait de ster als een molen. Zij dragen de namen der +H.H. Driekoningen: Caspar, Melchior en Balthasar. + +Eenmaal kende men de sterdragers in alle steden en gewesten van +Groot-Nederland. Het lied, dat zij zongen, en dat nòg gezongen +wordt, is in tallooze varianten overgeleverd, maar kan althans in +hoofdtrekken worden gerekonstrueerd. Het is subliem van roerenden +eenvoud. Treffend vooral is het sterk op den voorgrond zich dringende +lyrisch-dramatische karakter: en inderdaad, uit de dramatische +voorstelling der Aanbidding van de Drie Koningen is het ontstaan, +heeft het zich gevormd en vervormd. Oorspronkelijk krijgen wij dan +buiten het kerkgebouw een rondgang van koorknapen en scholieren, later +van de jeugd in het algemeen. Te Weert bestond in 1840 nog het gebruik, +dat op Driekoningenavond drie misdienaars in hun koorgewaad met ster, +lantaarn en proviandkorf van huis tot huis trokken. + +Het lied, dat in de Zaanstreek en langs de Noordzee het zuiverst +bewaard bleef, moet oorspronkelijk ongeveer geluid hebben als volgt: + + + Wij komen getreden met onze sterre, + Wij zoeken Heer Jezus, wij komen van verre. + (wij hadden Hem gaerne). + + Wij kwamen al voor Herodes zijn deur, + Herodes, de koning, kwam zelvers veur. + + Herodes, die sprak met valscher hart: + "Hoe ziet er de jongste van drieën zoo zwart?"-- + + "Hij ziet er wel zwart, maar hij is welbekend, + "Het is er de Koning van Oriënt." + + Wij kwamen den hoogen berg opgegaan, + Daar zag men de starre stille staan, + Ja stille staan. + +(Pauze.) + + Och starre, jij moet er niet stille staan, + Je moet er met ons tot Bethlehem gaan. + + Tot Bethlehem, in die schoone stad, + Daar Maria met haar klein kindeke zat. + + Hoe kleiner kind, hoe grooter God: + Een zalig Nieuwjaar verleen ons God. + + +Noordwijk: + + + Daar al de Joden mee hebben gespot. + + +Dit lied is nauw verwant met een ander, dat opgeteekend staat in +_Het Hofken der geestelijcker Liedekens_ (Loven 1577), bl. 28; +het begint: + + + Het quamen drij Coninghen uut verre landen, + Nu wiegen, nu wieghen wij, + om Gode te doen een offerande. + Des waren sij vro. + Alle mijnen troost, mijn toeverlaet + is Maria soon. + + Sij quamen van Ooste, sij quamen van verre, + Nu wiegen, nu wieghen wij, + Al bijt verlichten van eender sterre. + Des waren sij vro. + Alle mijnen troost, enz. + + Maer doen sij binnen Jerusalem quamen, + Nu wiegen, nu wieghen wij, + Die claerheyt der sterre sij niet en vernamen. + Des waren zij droef. + Alle mijnen troost, enz. + + +Zie Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied, bl. 2042. Dr. Boekenoogen wijst +er zeer terecht op, hoe het refrein aantoont, dat het lied ook gezongen +is bij het wiegen van het Kerstkindje in de kerk; zie het Jubelnummer +van Volkskunde, bl. 24 vlg., waar hij ook op voortreffelijke wijze +de verschillende parodieën van het sterrelied behandelt; vergel. nog +Knuttel, Het Geestelijke Lied enz., bl. 106. + +De rondgaande kinderen zongen en zingen ook veelal het lied van Maria +Magdalena (eveneens met talrijke varianten): + + + Op eenen Driekoningenavond, + Op eenen Driekoningendag, + Toen zat Maria Magdalena + Al op Heer Jezus' graf. + + Sta op, Maria Magdalena, + Sta op van den bitteren dood! + Uw zondekens zijn u vergeven, + Al waren zij nog zoo groot. + + +Een meer volledige, juister wellicht meer uitgewerkte lezing van dit +lied vindt men in Volk en Taal I, bl. 53; in bedelliedjes werd het +herhaaldelijk geparodieerd. + +Aan de nieuwjaarsvuren herinnert het kaarsjespringen; immers +de engere Joeltijdperiode, die den 6den Januari eindigt, is het +eigenlijke nieuwjaarstijdperk. Als besluit van dit tijdperk wordt +Driekoningendag in Vlaanderen dan ook plaatselijk _Dertiendag_ of +_Dertiennacht_ genoemd; ook in oude Nederlandsche kalenders wordt hij +nog aangehaald als _Dertiendagh_. Te Zwolle was het kaarsjespringen +dan ook op oudejaarsavond gebruikelijk: naar men ziet, hangt het +noch met den H. Martinus, noch met de Driekoningen samen, maar is +het een rudimentaire vorm van de aloude feest- en offervuren. Op +Driekoningendag kent men het nog te Breda, Huissen enz.; eertijds was +het algemeen in het Noorden van ons land. De _koningskaarsjes_ waren, +volgens Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 177, kaarsen met drie armen, +waarvan de middelste zwart geverfd was en "het Moorken" of _Melckert_ +(d.i. Melchior) heette. Zóo was het gebruik eenigermate gekerstend. In +de Middeleeuwen noemde men deze kaarsjes zelfs de _gebenedijde_ +of _heylighe keerskens_. Bij het dansen zong men: + + + Kaarsies, kaarsies, drie aan een, + Springen wij er over heen heen. + Al wie daar niet over kan, + Die en weet er nou niemendal van. + + +In België verdwijnt het gebruik of is het verdwenen. Te Sint Truiden +zong men: + + + Keerske, keerske over het keersbeenke, + En al wie daar niet over en kan, + Die weet er niet van! + + En al wie daar niet over en kan, + Die blijft er van, + Die blijft er van! + Keerske, keerske over het keersbeenke! + + +Zie 't Daghet in den Oosten II, bl. 115. + + +In Noord-Brabant, Antwerpen, Belgisch Limburg en West-Vlaanderen kent +men ten slotte nog het volgende rijmpje: + + + Drie koningen, drie koningen, + Geef mij een nieuwen hoed. + Mijn oude is versleten, + Mijn moeder mag 't niet weten, + Mijn vader heeft het geld + Op den rooster geteld. + + +Of wel (Noord-Brabant): + + + Vader mag het niet weten, + Moeder is niet thuis, + Piep zegt de muis + In 't zomerhuis (in 't voorhuis). + + +Driekoningen werd in de Middeleeuwen niet alleen in de kerk, +maar ook daarbuiten in ruimen kring luisterrijk gevierd. Op +Driekoningenavond heerschte vreugde alom, in de paleizen, maar ook +in de schamele woningen der armen. De steden gaven aan de kloosters, +en de kloosters verstrekten aan de arme lieden brood en bier tot +"hun Coninxfeeste". Dat dit ook naderhand nog voortduurde, ergerde +den ouden Walich Sieuwertsz zeer, en hij beklaagde zich dan ook, +dat nog in 't begin der XVIIe eeuw voorname en officiëele personen +zich niet schaamden, "op Derthienden avent Coningsken te spelen, +en haer voor Godt en de menschen niet en schamen dit naer te volgen +ende te onderhouden." + +"'t Was wel de moeite waard", schrijft Ter Gouw, "zich over zoo'n +onschuldig huiselijk vermaak zoo te ergeren! En nog langen, zeer langen +tijd, nadat Walich en zijn boek reeds lang vergeten waren, speelden +dan ook de Hollanders nog even vrolijk koninkje als weleer. De bakker +leverde, of de huismoeder bakte zelve, een brood, waarin een boon +verborgen was; bij de boeren heette 't "de bonekoek", in de steden +"'t coninxbrood"; en de boon was het, die "het lot van conig te sijn" +besliste." (Volksvermaken, bl. 175). Het _Driekoningenbrood_ is nog +niet in onbruik. + +Boonenkoek en koningsbrieven, die verkocht of getrokken worden, +en waardoor de rollen van koning, koningin, hofnar, asschepoester, +Zwarte Piet (herinnering aan den zwarten koning?) enz. verdeeld worden, +zijn in Noord-Brabant en Limburg nog veelal gebruikelijk. Te Antwerpen +worden op den vooravond de koningsbrieven door de kinderen op straat +gevent; dan hoort men aanhoudend: + + + Koningsbrieven en kroon en kroon! + Koningsbrieven en kroon! + + +De Cock, Volkskunde, bl. 235 bericht hierover nader: "Op slechts enkele +plaatsen van het Vlaamsche Land (in Brabant en West-Vlaanderen) is de +boonkoek nog bekend. Daarnaast bestaat echter een andere manier om den +koning aan te duiden, n.l. door het trekken van de "keuningsprentjes +of -briefkens", reeds in 1469 in de gemeenterekeningen van Veurne +vermeld, en, wat meer zegt, in een oude kroniek van Doornik in 1281 al +een oud gebruik geheeten. Dit wordt nog heden in verscheiden steden +en dorpen van de beide Vlaanderen aangetroffen. Een volledig stel +gedrukte koningsbriefjes bevat afbeeldingen voor zestien personages, +n.l. den koning met zijn hovelingen en bedienden: raadsman, sekretaris, +rent- en hofmeester, schenker, voorsnijder, biechtvader, medecijn, +portier, bode, zanger, speelman, zot en kok,--elk voorzien van een +passend vierregelig versje, dat min of meer de rol aangeeft, die +men te vervullen krijgt. In de dorpen, waar gedrukte koningsbriefjes +doorgaans ontbreken, worden deze eenvoudig geschreven, vaak in een +zeer populairen, boertigen vorm. Na trekking der briefjes zijn de +rollen verdeeld; de koning moet zijn onderdanen te drinken geven en +drinkt zelf de eerste teug: thans gewoonlijk gesuikerde jenever met +een lepel uit een kom geschept en hieruit opgeslurpt. Op dat oogenblik +dienden de hovelingen te roepen: ""De koning drinkt."" De zot zag +toe, of niemand daaraan te kort schoot en de nalatige werd met een +koolstreep in 't aangezicht gemerkt." Zie verder zijne Spreekwoorden en +zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden (Gent 1908), +bl. 171. Men denke ook aan de doeken van Jordaens: "De koning drinkt." + +De koningskoek komt nog elders voor. In Engeland vooral bakt men +koningskoeken van allerlei grootte en vorm, als een waardig besluit +van het Vruchtbaarheidstijdperk. + +Het "koninkje spelen" is waarschijnlijk een Romeinsch bestanddeel, +een overblijfsel van de heidensche _Saturnalia_, dat door den +Driekoningendag een christelijk vernisje kreeg. Dan toch vierde +men te Rome de zegeningen van den gulden voortijd: toen de god +Saturnus onder de menschen leefde en overal vrijheid en gelijkheid +bloeide. Vooral de slaven hadden het dien dag goed, werden door de +meesters als huns gelijken of zelfs als meerderen behandeld en door +hen aan tafel bediend. Feestgelagen waren in dezen tijd aan de orde +van den dag, en veelal liet men bij deze dan het lot beslissen, wie +koning der tafel werd, feestkoning, tevens ceremoniemeester. Trouwens +het koningsspel was te Rome overoud; Suetonius noemt dit "het spel om +gezag en heerschappij". Het verloten geschiedde meestal door middel +van boonen, die een sakrale beteekenis hadden. + +Wellicht berust op de gebruiken gedurende de _Saturnalia_-feesten ook +nog het geven van geschenken op _St. Pontianus en St. Agnesdag (14 +en 21 Jan.)_, het "Ponsen en Angen" of "Ponsen en Nieten", vroeger +in Nederland en België gebruikelijk; mogelijk stoelen de gebruiken +dezer dagen ook op het feestelijk overbrengen der relikwiëen van +de H.H. Pontianus en Agnes. Eigenlijk gaven de mannen op 21 Januari +geschenken aan de vrouwen en meisjes, terwijl zij op 14 Januari een +tegengeschenk ontvingen van de door hen op Koppermaandag begiftigde +vrouwen. + +_Vrouwkensavond (19 Jan.)_, te Brussel gevierd, naar verluidt +ter herinnering aan den 19den Januari 1101, toen de Brusselaren, +aan het zwaard der Saracenen ontkomen, onverhoopt naar huis +terugkeerden. Telken jare luiden nog heden des avonds alle klokken +van Brussel een half uur lang. De vrouwen zijn uitsluitend baas, en na +'t avondmaal trachten zij zelve hun echtgenooten naar bed te dragen. + +_Koppermaandag_ heet de Maandag na Driekoningen: _kopperkensdagh, +kopperkensmaendagh._ Men verklaart dezen naam aldus, dat deze Maandag +ongeschikt werd geacht om koppen te zetten, zoodat de koppers +vrijaf hadden. Wellicht is het juister van het oude _kopperen_ +"smullen, drinken, pret maken" uit te gaan, dat van _kop_ "beker" +kan komen. Een volksetymologische vervorming is _koppeltjesmaandag_, +wegens het bijeenkomen van het gemeene volk, evenals _koperen maandag_, +naar de kopermunt, die dan als fooi gegeven wordt. Andere namen zijn: +_gekke maandag, raasmaandag, kopjesmaandag_ (Groningen), _verloren-, +verzworen-, verkoren_-, ja _Flora-maandag_. Te Diest zegt men nog +_blijde maandag_. "Verloren" Maandag werd verklaard door het daags +te voren gelezen evangelie van het "verloren" kind Jezus, of omdat +deze dag van wege de feestelijkheden van de eedsaflegging der lagere +ambtenaren toch verloren was. Deze laatste verklaring is zeer zeker +te verkiezen, wanneer men tevens in het oog houdt, dat "verloren" +weer volksetymologisch verbasterd is uit "versworen", de benaming, +die in de oudste dokumenten voorkomt en op genoemde eedsaflegging +betrekking heeft. Men doet goed dezen Maandag te beschouwen als den +heksluiter van het nieuwjaarstijdperk, wat dan ook het best strookt +met de ambtsaanvaarding der beambten. In sommige deelen van Vlaanderen +zegt men: _Egyptische Maandag_, omdat men daar een omgang hield, +en ten deele nog houdt, die de vlucht naar Egypte voorstelde. + +Te Amsterdam had eertijds op dezen dag een optocht der leprozen plaats, +te Utrecht en elders liep men gemaskerd door de straten. In Gelderland +en Limburg werd koppermaandag nog niet lang geleden luidruchtig met +ganstrekken en katknuppelen gevierd. Merkwaardig is het zeker, dat +dan te Haltert, Oosterzeele en andere dorpen van Oost-Vlaanderen +de schoolmeester door de leerlingen wordt gebonden, hetgeen aan +de gebruiken op St. Thomasdag herinnert (bl. 126). In Nederland, +waar de dag voorheen door alle gilden gevierd werd, blijft heden +hoofdzakelijk nog de viering door zetters en boekdrukkers over. Wel +trekken nog in enkele Friesche dorpen de kinderen geruchtmakend en +met ketens rammelend door de straten. Te Holwerd zingt men hierbij: + + + Kopermoandei, blikken tiisdei [Dinsdag], + Noch in dei, + Dan is kopermoandei wei [weg]. + + +Zie Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 167. + +_Antonius-abt (17 Jan.)_ behoort in België tot de meest populaire +heiligen. Vele broederschappen of gilden van Sint Antonius drinken +dien dag haar halve ton gildebier. Zijn attribuut is het varken, +omdat de duivel in varkensgedaante hem bekoorde. Vandaar, dat de +heilige naderhand algemeen als patroon van het vee werd beschouwd, en +als zoodanig door boeren, vleeschhouwers en spekslagers vereerd. In +de Middeleeuwen hadden de Sint Antoniusgilden het recht, een zwijn, +dat als herkenningsteeken een klokje aan den hals droeg, overal vrij +te laten weiden; zelfs in de steden zag men dit _Antoniuszwijn_ +ongehinderd rondloopen. In België, de Rijnprovincie en, tot voor +eenige jaren, in Limburg (Vaals, Hoensbroek enz.) wordt den I7en +Januari varkensvleesch geofferd en na de kerkelijke diensten onder +de armen verdeeld. + +_Sint-Sebastianus (20 Jan.),_ de met pijlen doorschoten martelaar, +wordt door de schuttersgilden, wier patroon hij is, plechtig +gevierd. De schuttersgilden bloeien nog in België en in de zuidelijke +gewesten van Nederland. Vaak luisteren zij de processies of religieuze +ommegangen met haar vaandels, trom, fluit, wapens en versierselen +op. Hun "koning" is met zilveren platen omhangen. Eén plaat, met +zilveren vogel, is het teeken, dat hij op het gildefeest den vogel met +zijn boog heeft afgeschoten, vanwaar de uitdrukking: "Hij heeft den +vogel af." Vooral des zomers worden door de handboogschutterijen druk +bezochte prijskampen gehouden; op dit onderwerp kom ik naderhand terug. + +_Pauli Bekeering (25 Jan.)._ Ook deze dag is een _dies criticus_. een +beslissende dag voor het weêr. Hier geldt natuurlijk alleen de +datum, het tijdstip, niet de geschiedenis van den heilige, niet zijne +attributen, niet de volksetymologie van zijn naam, zooals dit b.v. het +geval is met de H.H. Clara, Lucia, Andries, Mathijs en Katharina. De +Tirolers verzekeren van den 25sten Januari: + + + Paul bekehr', + Der halbe Winter hin, der halbe Winter her. + + +V. Reinsberg-Düringsfeld verhaalt nog, dat de Belgische wijnbouwers +dezen dag beschouwen als beslissend voor den wijnoogst: "ils sont +contents s'il est clair, mais très tristes si le contraire a lieu" +(Calendrier belge I, bl. 76). + +De heilige wordt ook gestraft, als hij niet voor goed weêr zorgt. Wij +hebben hier een sprekend geval van het mishandelen of straffen van +heiligen, door hun beeltenissen te onteeren of te kastijden: typisch, +onvervalscht fetissisme. Immers Schotel vermeldt in zijn Tilburgsche +Avondstonden, bl. 12, dat men "elders een strooien Paulus aan den +haard plaatste, terwijl de vrouw koeken bakte. Was het goed weêr, +dan wierp zij een pan met boter over hem heen, of sloeg hem met een +geboterden koek in het aangezigt. Was het weer slecht, dan wierp zij +hem in het vuur". Ter vergelijking diene het bericht, dat in het begin +der XVIe eeuw de inwoners eener kleine Duitsche stad gewoon waren op +St. Maartensdag het beeld van den heilige openlijk langs de straten +rond te dragen. Geschiedde zulks bij helder weêr, dan begoten zij het +met wijn; maar regende het, dan wierpen zij het met slijk en modder. + +Zoo valt licht op een gebruik, dat te Jutfaas (Utrecht) vroeger en +wellicht thans nog bij de boerenbewoners heerschende is. Op Pauli +Bekeeringsdag placht men bij vrienden en kennissen een _Paulus_ +of _Paulusje_ in huis te brengen, "binnen te brengen". Dit was +een grootere of kleinere pop, die men in een hoek van het vertrek +plaatste. Gebeurde zulks, zonder dat de brenger nat werd gegooid, +dan moest de vrouw des huizes 's avonds koeken bakken, enz. + +Zooals uit het bovenstaande blijkt, gold dit koeken bakken, dit met +water gooien oorspronkelijk den heilige, of liever de pop, die den +heilige voorstelde. Wellicht is deze wijze van mishandelen ontleend +aan een vaak terugkeerend vruchtbaarheidsgebruik, dat de Duitsche +folkloristen _Regenzauber_ noemen, waarover nader. Zie over Pauli +Bekeering mijn opstel in het Jubelnummer van Volkskundc, bl. 21 vlg. + +_Maria Lichtmis_ (_2 Febr._). Dat dit feest voor een heidensch in de +plaats trad, waarom en hoe, leert Paus Innocentius III in een preek +op Maria-Zuivering: "De heidenen hadden de maand Februari aan de goden +der onderwereld toegewijd, omdat, naar zij ten onrechte meenden, in het +begin dier maand Proserpina door Pluto geroofd was; men geloofde, dat +hare moeder Ceres haar den ganschen nacht in Sicilië had gezocht met +brandende fakkels. Ter gedachtenis daaraan hielden zij [de heidenen] +in het begin der maand een ommegang door de stad met brandende +fakkels. Daarom werd dit feest _Amburbale_ genoemd. Maar wijl onze +heilige voorouders deze gewoonte niet geheel en al konden uitroeien, +hebben zij bepaald, dat men ter eere der H. Maagd Maria brandende +kaarsen dragen zou. En zoo geschiedt thans ter eere der H. Maagd, +wat vroeger plaats had ter eere Van Ceres. En wat eerst gebeurde ter +eere van Proserpina, wordt thans gedaan tot lof van Maria." + +Naar De Cock vermeldt, bestaat in België plaatselijk het gebruik, +de op 2 Februari gewijde lichtkaars te ontsteken vóor het kisten +van het lijk en dan enkele droppels in de kist te laten leken; soms +laat men op dezelfde wijze, bij de bereiding van het zaaigraan, wat +smeltend was tusschcn de korrels afdruipen; zie Volkskunde, bl. 237. + +Vroeger verlieten of verwisselden de dienstboden op dezen dag +hun dienst. Dit was wel een der oorzaken van de baldadigheden en +verkwistingen op Lichtmisdag in Holland en Vlaanderen. Zoo kreeg +het woord "lichtmis" de beteekenis van "losbol". Hierop wijst ook de +Westvlaamsche benaming: O.L. Vrouw-_Schud-de-panne._ + +Deze dag is vermaard in de volksweêrkunde. "Wanneer op O.L. Vrouw +Lichtmis de zon op het misboek schijnt", zegt men in Limburg, "dan +kruipt de vos nog zes weken in zijn hol." En verder: "Op Lichtmisdag +ziet de boer liever den wolf in zijn schaapstal dan de zon".--"Lichtmis +donker, maakt den boer tot jonker"; enz. enz. Wij komen hierop terug +in het hoofdstuk over de Volksweêrkunde.-- + +Een Duitsch rijmpje zegt: + + + Wenn die Tage langen. + Kommt der Winter gegangen, + + +en, inderdaad, ook in ons land begint na Nieuwjaar, als het toenemen +der dagen merkbaar is, de eigenlijke periode der volksspelen en +wintervermakelijkheden. Zoo had b.v. te Elburg ouder gewoonte tusschen +Nieuwjaar en Vrouwendag het klootschieten plaats. Elk speler krijgt +een houten kloot, d.i. een platte, ronde schijf, terwijl de wal als +speelterrein dient. Men dient nu in het minst aantal worpen den wal in +het vierkant om te schieten, te beginnen aan een der vier poorten. Aan +hem, die in het minst aantal worpen den stadsmuur heeft rondgeschoten, +wordt de prijs toegekend. + +Het klootschieten is wel een onmiddellijke afstammeling van het +Oudgcrmaansche steenwerpen. Ook te Ootmarsum en Oldenzaal heeft het +lang stand gehouden. De Hollanders en Gooiers waren eveneens groote +minnaars van dit spel, in de Zuidhollandsche dorpen _schietklooten_ +genoemd; zie vooral Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 322 vlg. + +_Sint Blasius (3 Febr.)._ De volksetymologïe heeft bewerkt, dat de +H. Blasius in Vlaanderen wordt aangeroepen als patroon tegen zweren +of huidontstekingen, die "blazen", d.i. blaren, genoemd worden. In +Denemarken beschermt hij tegen den blazenden wind, op welk verband +door de Vlaamsche spreekwijze: "Blasius blaast", als het omstreeks +3 Februari sterk waait, een helder licht valt. Zoo wordt ook de +H. Lambertus door het volk aangeroepen tegen de lamheid en de H. Rosa +tegen de roos. Henri Estienne geeft over dit verschijnsel de voor +zijn tijd merkwaardige opmerking: "A quelques saincts on a assigné +les offices suivant leurs noms, comme (pour exemple) quant aux saincts +médecins, on a avisé que tel sainct guariroit de la maladie, qui avait +un nom approchant du sien." Zie vooral Gittée's belangrijk artikel: +"Scherzhaft gebildete und angewendete Eigennamen im Niederländischen", +in de Zeitschrift des Vereins für Volkskunde III, bl. 415 vlg. + +_Vastenavond_ bestaat uit de drie "vette" dagen (Zondag, Maandag +en Dinsdag), die de groote Veertigdaagsche Vasten voorafgaan. De +Kerkvergadering van Leptines in 743 veroordeelde de _Spurcalia +in Februario_, waarmee zeer waarschijnlijk de uitspattingen van +den Vastenavond bedoeld werden; dat echter de term _spurcalia_ +het aanzijn zou geschonken hebben aan onzen vorm _sprokkelmaand_, +Middelnederl. _sporkelmaent_, is niet geloofwaardig. Men vindt +ook reeds vroeg Vaste_l_avond, met de bekende variatie van _n_ +en _l_, die ook in _vasteldag_ en _schrikkeljaar_, en in het +Middelnederl. _werkeldach_ worden aangetroffen. + +Wij moeten m.i. drie bestanddeelen onderscheiden, die tot het +ontstaan der vastenavondfeestviering hebben bijgedragen. Vooreerst +een lente-vóorfeest, zooals ook uit menig vruchtbaarheidsgebruik +in binnen- en buitenland blijkt; en ik geloof, dat Julius Lippert, +Christenthum, Volksglaube und Volksbrauch (Berlin 1882), bl. 598 het +ware treft, wanneer hij in de kern der feestviering een _Romeinsch_ +lentefeest ziet, in onze streken geïmporteerd, en dat zich naderhand +van het Westen naar het Oosten uitbreidde. Maar dit feest trof +in de Germaansche landen de resten van een specifiek-Germaansche +feestviering, een feestperiode, die zich door offervuren en +offermaaltijden kenmerkte. Mogk houdt deze periode voor een feest der +wederkeerende zon, vooral ook, omdat dan het wagenrad als symbool der +zon een rol speelt. Niet onbelangrijk zijn in dit opzicht de woorden +van Sebast. Franck, die ik bl. 104 bij het bespreken der noodvuren +heb aangehaald. + +Maar het Christendom heeft deze feestviering voor het meerendeel +teruggedrongen tot vóór het begin van zijn veertigdaagschen Vastentijd, +met het gevolg, dat nog slechts enkele overblijfsels aan bepaalde +dagen in de Vasten bleven vastgehecht, met name aan Halfvasten: +"'t Is een feest der Brabantsche en Antwerpsche kinderen, dat met +het St. Niklaasfeest kan vergeleken worden.-- De kinderen zetten +in de schouw hunnen schoen of een korfken met hooi, dit laatste +voor het paard van den Greef, die 's nachts zijne ronde doet en +iets lekkers voor de goede, eene roede voor de slechte kinderen +achterlaat"; aldus De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust +VII, bl. 71.--Zoo kreeg ook het geheel der Vastenavondfeestviering +een eenigszins christelijke tint. Wat betreft het woord _Carnaval_, +dit is afkomstig van het Toskaansche _carnevale_. dat waarschijnlijk +eenigszins haplologisch voor _carnelevale_ staat; en deze vorm zelf is +door progressieve assimilatie uit _carnelevare_ ontstaan: "het opruimen +van het vleesch." Hierbij dient echter vermeld, dat Romanisten van naam +nog de voorkeur blijven geven aan de bekende verklaring als "vleesch, +vaarwel!": _carne_ + _vale_. Zij zien hierin een volkshumoristische +uitdrukking der kloostertaal. --De Romaansche benamingen van den +Vastenavond werden voortreffelijk behandeld door Merlo in Wörter und +Sachen III, 1, bl. 88 vlg.; vergel. III, 2, bl. 196. + +In de Middeleeuwen bereikte de vastenavondpret haar hoogtepunt. Ik +herinner slechts aan de vertooningen der vastenavondkluchten door de +Rederijkers, aan de grootsche optochten en aan de dolle uitgelatendheid +der feestvierenden in zotskleedij, zoo meesterlijk door Pieter Breughel +den Ouden gepenseeld. In het protestantsche Noorden is de Vastenavond +zoo goed als uitgestorven; niet aldus in het Zuiden, men denke nog, +behalve België, aan Den Bosch en Maastricht. In het Rijnland is vooral +vermaard de vastenavondpret te Keulen en Maintz. + +1. Iets zeer eigenaardigs is de maskerade, het vermomd over straat +loopen. "Zot loopen" was de gangbare uitdrukking; wij spreken nog +heden van "Vastenavondgekken".Maar "de tegenwoordige maskeraden zijn +slechts de schaduw van de vroegere", zegt De Cock, Volkskunde, bl. 239; +"de straat geeft ons al niet veel meer te aanschouwen dan piepjonge, +schreeuwerige gekken, vaak in poovere, afschuwelijke zotsplunje +gestoken, wel eens groepsgewijze met een paar trompetters in een +gewoon rijtuig zittend, en links en rechts den wandelaar, vooral de +jonge meisjes, een varkensblaas op den rug slaande, of handvollen +confetti's in het gelaat gooiend: een tooneel, dat veeleer walging- +dan lachwekkend mag heeten". Dit vermommings-gebruik is stellig uit +Rome afkomstig, uit de volksfeestviering, die aan "den goeden ouden +tijd" herinnerde, misschien wel een overblijfsel van de _Saturnalia_ +(bl. 148) of van het Romeinsche "Narrenfeest" (_feriae stultorum_) +op den 17den Februari. Hierbij zij opgemerkt, dat inderdaad in +sommige streken in het buitenland de Vastenavond beschouwd wordt +als een verlengstuk van het Joeltijdperk, en de periode tusschen +Driekoningen en Aschwoensdag vult. Te Berg en Terblijt (L.) heeten +nog de Donderdagen tusschen O.L. Vrouw-Lichtmis en Vastenavond de +"Vette Donderdagen", omdat aardappelen met spek dan de hoofdschotel is. + +2. Overvloed van spijs en drank, veelal ontaardend in overdaad, heeft +te allen tijde de vastenavondfeestviering gekenmerkt; drinkgelagen +en smulpartijen zijn dan aan de orde en stijgen op _Vetten Dinsdag_ +ten top: in waarheid een vruchtbaarheidsfeestviering. Befaamd +zijn de _vastenavondkoeken_, verschillend van naam en van +vorm (vastenavondtaart, pannekoek, spekkoek, groenkoek, wafels, +geknepe-pletskes, poffertjes enz.), die voor de koekepan een eereplaats +in onzen spreekwoordenschat veroverden. In België hoort men: "Zij +vliegen meer als de heetekoekpan op Vastenavond"; in Limburg heeft men +het somwijlen "zoo druk als de pan op Vastenavond". Ook in Engeland is +Vastenavond-Dinsdag de groote _Pancake-dag_. Die dagen gaan in Brabant +en Limburg de arme kinderen onder het zingen van vastenavondliedjes +aan de deuren pannekoek bedelen: "Spek en eier en braadworst is goeie +vastenavondkost", meent men te Bree (B.L.). Te Reek (N.-B.) worden +dan bij partikulieren wel eens worsten, eieren en spek weggehaald, +wat doorgaans niet kwalijk genomen wordt. Vroeger werden te Afferden +worsten bijeengehaald en aan lange houten gaffels over straat gedragen. + +3. Worst is een onmisbaar bestanddeel van het vastenavondmenu. Dit +blijkt ook uit de vastenavondliedjes, die eigenlijk rommelpotliedjes +zijn, d.i. gezongen met begeleiding van den rommelpot of foekepot +(bl. 142). Vandaar, dat op de Veluwe de Vastenavond plaatselijk +_foekedag_ wordt genoemd. De foekepot is een aarden pot, half vol +water, waarover een varkensblaas is gespannen; in het midden hiervan +is een rietstokje bevestigd, dat door den duim en twee nat gemaakte +vingers of door de geheele hand wordt gewreven en dan een dof-rommelend +geluid veroorzaakt. Ook in het Noorden van ons land is dit instrument +bekend en luidt het zeer zeker meest gangbare deuntje: + + + Ik heb al zoo lang met den rommelpot geloopen, + Ik heb geen geld om brood te koopen. + Rommelpotterij, rommelpotterij, + Geef mij een oortje, dan ga ik voorbij. + + +De rommelpot heet te Dalen, Zweeloo, Weerdinge, Eext, Zuidlaren, +Rolde en Norg (D.) _hotfot_ of _hottefot_, te Diever _fortelpot_, te +Zoutkamp _pooverpot_, in Noord-Holland veelal _rompot_. Men bezigt hem +ook omstreeks Paschen, Kerstmis en Nieuwjaar; zie Driem, Bladen II, +bl. 115. + +De rommelpotliedjes, die zelf niet van dit instrument gewagen, worden +gekenmerkt door het refrein: "ho, man, ho!" Zoo b.v.: + + + De Schout van Leiden heeft een bult, + Ho, man, ho! + Die is met ouwe lappen gevuld, + Ho, man, ho! enz. + + +En zoo bezat ook het meest bekende en meest verspreide +vastenavondliedje oorspronkelijk dit refrein: + + + Vrouw, 't is Vastenavond, ho, man, ho! + 'k Kom niet thuis voor t'avond, ho, man, ho! + 'k Kom niet thuis voor morgenvroeg, + Dan is het nog wel tijds genoeg, ho, man, ho! + + +Een zeer merkwaardige en volledige lezing gewerd mij uit +Rosmalen (N.-B.); ik laat ze hier, behoudens enkele termen, in +algemeen-Nederlandsche transskriptie volgen, omdat het liedje beslist +algemeen-Nederlandsch is: + + + Vrouw, 't is Vastenavond, + Ik kom niet thuis voor te avond, + Te avond in den maneschijn, + Als vader en moeder naar bed toe zijn. + Gekke Griet, vertel het niet, + Want onze Jan is dronken. + Dronken Piet is onze gebuur, + Schriks tegen ons over. + Vat 'n stoel en zit bij 't vuur, + De prutselpot hangt over. + Boven in de schouwe, + Daar hangen de worsten aan touwen, + Vrouw geef mij een lange, + En laat de korte maar hangen. + Snij maar diep, snij maar diep, + Snij maar in mijn vinger niet. + 'k Heb gezongen en niets gehad, + Geef me een stuk van 't varken z'n gat, + Koekebakkerij, koekebakkerij, + Geef me een cent, dan ga ik voorbij. + + +Vrij overeenkomstig hoort men dit liedje te Schijndel, Maashees, +(N.-B.), Merselo, Heer, Beegden, Buggenum (L.) enz. Te Deventer luidt +regel 3--7: + + + Ik kom nieët in huus veur margen vrog, + Is dat nieët vrog genog? + Vrouw, geef mien dit, + Vrouw, geef mien dat, + Geef mien een stuk van de varkenssta(r)t. + + +Veelal vormen, als te Buggenum, deze regels, die men ook bij menig +ander kalenderliedje aantreft, het besluit: + + + Vrouw gêftj, det jer lang lêftj, + Det jer riek en zalig werdj. + + +Maar worden de zangers met ledige handen weggezonden, dan luidt de +laatste regel wel eens: + + + Det uch 't humme aan 't gaat klêftj. + + +Verder kent men nog: + + + Foeke, foeke, langesjtaaf, + Gêftj mich ei sjtök van 't vräkesgaat; + Ich höb al zoo lang mitte foekepot geloupe, + Ich höb gei gellj òm brood te koupe, + Dei, dei, dikje dikje dei, + Gêftj mich ei centje, dan goa ik voorbij.-- + + +Een ander zeer verspreid vastenavondliedje heeft ongeveer dezen vorm: + + + Vastenavond, die komt aan, + Als de meisjes vroeg op staan, + Dan staan zij in den spiegel: + Moeder, staat mijn mutsken knap? + Mijn lief zal t'avond komen. + Komt hij dezen avond niet, + Dan komt hij den halven vastenavond niet. + Zet het mesken al langs de bank, + Snijd het spek drie ellen lank, + Laat het mesken zinken + Tot op de witte schinken; enz. + + +(Bree). + +Te Mill en Wanroy volgt op de zeven eerste regels: + + + Jobbik, Jobbik Janssen, + De gek, die moet dansen, + Ik en de gek + En een goed stuk spek. + Snij maar diep, snij maar diep, + Snij maar in uwe vinger niet! + Boven in die horste, + Daar hangen die lange worsten, + Als de lange gegeten zijn, + Dan zullen de korte wel beter zijn. + + +Vergelijk hiermee het Zutfensche: + + + Vastelavond, die komt aan, + Als de meisjes vroeg opstaan, + Dan gaan ze voor den spiegel staan: + Moeder, zit mijn kapje wel? + Daar komt Floris Janssen, + Die zal op den foekepot spelen, + En de gek zal dansen. + + +Volge nu een noordelijke en een zuidelijke lezing van een ander +bekend rommelpotliedje. + +Te Eenrum (G.) en omstreken zingt men: + + + Foeke, foeke, rommelpot + En hestoe nog gein man, + Ik heb 'n broaden houndertien, + Dat zal der t'oavend an. + Als ik mien houndertien broaden zal, + Dan wordt mien potje voel, + Als ik mien potje schrabben zal, + Dan kittelt (kippert) mie de doem. + Dan goan wie noar de smid, + Dei moakt ons potje wit; + Dan goan wie noar de heeren, + En loaten ons poddien smeren.-- + Zet hier een stoul, zet doar een stoul, + Op ieder stoul een kussen, + En doar een mooi meissien tusschen. + + +Vanaf den vijfden regel luidt een zeer eigenaardige variant te +Groningen: + + + Schippien van drei weken + Loat heur zailtien streken. + Boven in de hangeltop + Doar hangt 'n dikke metworst. + Snie wat braid, snie wat snel, + Snie joe den moar nijt in 't vel. + Snie wat braid, snie wat roem, + Snie joe den moar nijt in doem. + + +De zuidelijke lezing is bekend te Turnhout en omstreken en in +een groot deel van Noord-Brabant, met name in het zuidoostelijk +gedeelte: Eersel, Velthoven enz. Ook Druten en omstreken heeft voor +het meerendeel gelijkluidend: + + + Vastenavond, goede gebuur, + Ik heb nog geenen man, + Ik heb nog een klein hoentje, + Dat moet er t' avond an. + En als ik mijn hoentje braden wil, + Dan is mijn panneken vuil, + En als ik mijn panneken schuren wil, + Dan tintelt mijnen duim. + Dan loop ik naar de geburen, + Daar laat ik mijn panneken schuren, + Dan loop ik naar de Franschen, + Daar laat ik mijn potteken dansen. + + +De laatste regels van de noordelijke lezing bevatten een motief uit +een ander vastenavondliedje: + + + Vastenavond, die komt aan + Klinken op de bussen, + Hier eene stoel en daar eene stoel, + Op iedere stoel een kussen, + Meisje [Vrouwtje], hou je kinnebak toe, + Of ik sla er een pannekoek tusschen. + + +Te Barneveld vervolgt men: + + + Tusschen de neus en de kin, + Daar kan nog wel een pannekoek in. + Ho, man, ho! + + +"Klinken op de bussen" is wel synoniem van "in de bus blazen, geld +uit geven": Driem. Bladen I, bl. 77, III, bl. 26. Deze uitdrukking +komt ook voor in het Zwolsche: + + + 't Is van oavend Vastenoavend, + Klink moar op de bussen! + Alle mooie meissies kriegt een man, + Behalve ik en mien zusse. + + +4. Op sommige plaatsen behoort tot het vastenavondvermaak het haanslaan +(of haansmijten) en het gansrijden (gansjagen, -sabelen, -trekken, +-slaan, -knuppelen), ook wel _gent_ of _voejagen_ genoemd. Een +opzettelijk daartoe gemeste gans wordt tusschen twee palen of boomen +aan een lijn met den kop naar beneden opgehangen. In vollen draf rijden +nu de ruiters (voorheen de leden van het gansrijdersgild) onder de +gans door en trachten het dier den kop af te rukken. Ook de jongens +van 12--17 jaar jagen "de voe"; zij zijn gezeten op stokpaarden, +dragen een chapeau-claque van bordpapier, versierd met vederbos en +klatergoud, en draven op hun stokpaarden onder de lijn door. + +Op de meeste plaatsen is dit gebruik thans in onbruik geraakt; te +Guttecoven (L.), Rijkevoort (N.-B.) en elders heeft het zich weten +te handhaven. Te Guttecoven wordt de vogel aan een boom gehangen en +ieder slaat er naar met een sikkel. Wie het dier den kop af slaat, +is koning of koningin; want ook meisjes doen mee. Koning of koningin +worden getooid en met hen trekt men nu langs de huizen, bedelend om +spek, eieren en worst: + + + Vasteloavend, + Sjtokvastoavend, + Hiê ene sjtool en doa ene sjtool, + Op jede sjtool ei kösse, + En doa ein broadwoosj tössche; + Op jede sjtool ene pannekook, + Det deit de jong meitjes good. + + +Maar al werd het gansjagen afgeschaft, op tal van plaatsen gaat nog +de worstenkar rond, of trekt althans nog de jeugd, om spek, worst +en eieren bedelend, door de straten. Aldus te Afferden, Buggenum, +Swalmen, Tegelen, Boxmeer enz. Men noemt dit gebruik _fooien-jagen,_ +een (volksetymologische?) vervorming van _voejagen._ Bij dezen rondgang +zongen vroeger de jongens in Twente: + + + Boven in de hörste + Doar hange de spiele mit wörste: + Doo mi eenen langen, + Moar loat dee kleine mer hangen. + + +Men vergelijke hiermee bl. 158 en 160. In Engeland is het haanslaan +nog zeer verbreid, met name in Essex en Suffolk. + +5. Voor de vastenavondvuren wordt natuurlijk inzameling van +brandstof gehouden. Wij treffen dus weer motieven aan uit wat wij +het"schuddekorfslied" noemden (bl. 108 vlg). In de Limburgsche dorpen +op de Duitsche grens zingt de jeugd in verschillend dialekt: + + + Een kluitjen en een kooltjen + Een vonkelhoutjen, een! + Hier woont een rijk man, + Die ons nog iets geven kan. + Geeft ons iets en laat ons gaan, + Laat ons niet zoo lang hier staan, + Wij moeten nog zoo wijd gaan! + + +Deze rondgang heeft te Sint Pieter (L.) op Donderdag vóor Vastenavond +plaats onder het zingen van: + + + Heije, meije klötsje, + Zoe dik es ên hötsje, + Zoe dik es ên boen, + Dat us God loent! + Hei woent nog êne rieke maan, + Dee us nog get geve kaan, + Kaan heer us niks geve, + Dan zalleveer neet lang mie leve. + + _Den hoegen hiemel is opgedoon_, + Gef us get en loat us goon, + Loat us neet lang stèlstoan, + Gef get, spaart get, + 't Ander joar alweer get. + Dit joar êne sjèlling + 't Ander joar êne pèling, + Eeder sjèlling woag ê poond, + Maar de vrouw blijf hei gezoond. + Snijt oan de lange, + Loat de korte hange, + Gef get! + + +Zie de rijmpjes op bl. 158, 160 en 164. + +Met den negenden regel: "Den hoegen hiemel is opgedoon" vergelijke +men dezen passus van een rommelpotslied uit Slochteren (G.): + + + De hemel, de hemel wordt opengedoan, + Daar komen wie arme zondoartjes an + Mit ain strooband, mit twei strooband; + + +en uit Winschoten: + + + De hemel wordt opengedaan. + Daar zullen wij arme zondaars ingaan + Met een stroobant, + Daar gaan wij mee naar 't ander land. + + +In Zeeland luidt de tweede strofe van het rommelpotslied op Sint +Silvester: + + + Ik heb er den hemel al opengedaan, + Daar zag ik twee arme zondaars staan; + Met oogen als vuur en een strooband, + Zoo rijden zij naar dat andere land. + + +De beteekenis van den strooband is mij niet helder. + +6. De vastenavondviering in de zeedorpen van het eiland Schouwen +bestaat eigenlijk in het zoogenaamde strand- of stra-rijden ("de +stra"). Dit is niets anders, dan dat men te paard naar het strand +en vervolgens een eindje de zee inrijdt. Tegen tien uur wordt een +trein gevormd, waarbij een ruiter als voorrijder dienst doet en de +flinkste en best opgetuigde paarden voorafgaan.--Blijkbaar moet dit +gebruik ingeschakeld worden in de reeks der vastenavondoptochten, +en hebben wij te doen met een reinigings- en vruchtbaarheidsritus; +zie C. V. D. Graft, Volkskunde XVII, bl. 31. Over vastenavondliedjes +en -gebruiken vergel. Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 187; G. Kalff, Het +Lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 518; Welters, Feesten enz., +bl. 24; De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 56; +v. Reinsberg-Düringsfeld), Calendrier belge, bl. 127; Boekenoogen, +Onze Rijmen, bl. 58 en Driem. Bladen I, bl. 53, 111, 119; IV, 114; +Volk en Taal II, bl. 154; 't Daghet in den Oosten IV, bl. 124; X, +bl. 190 enz. + +_Aschwoensdag_ stelt paal en perk aan de vastenavondpret. Te +Blitterswijk (L.) hield men in den voormiddag den _doodendans_, +d.i. nog driemaal werd op de viool gekrast en nog driemaal lustig +rondgesprongen; dàn eerst was het "Vasten". Men noemt hem ook +_kruiskensdag_, omdat de katholieken dien dag ter kerke een +asschen kruisje op het voorhoofd ontvangen ter herinnering aan +de vergankelijkheid van het lichaam in stof en ter opwekking tot +boetvaardigheid. "Wie zijn kruisje houdt tot Paschen", zegt het volk, +"krijgt een nieuw kleed." Na den dienst wordt niet zelden "het kruisken +verdronken", door den voormiddag in de herberg te slijten. + +Op enkele plaatsen wordt dien dag ook nog na den kerkdienst de _haring +gebeten_ of _gereden_, b.v. te Maaseyck; te Posterholt (L.) heette +het _haringspringen_. Een haring, aan een koord opgehangen, moet de +kop worden afgebeten. Haring met witte boonen vormen het hoofdgerecht. + +_Fakkelzondag_ (_Invocabit_) is de eerste Zondag in de Vasten. "Als +men op dezen dag met een brandende fakkel onder de boomen waait, zal +veel fruit groeien", zeggen de boeren in Limburg. Wij hebben hier dus +te doen met het reinigings-, en bijgevolg vruchtbaarheidsbegrip. Het +branden, walmen, berooken enz. diende, zooals men weet, om de booze +geesten te verdrijven (vgl. bl. 128). Dit blijkt ook duidelijk +uit het rijmpje, dat men te Simpelveld (L.) onder het walmen in de +boomgaarden zingt: + + + Vink vonk fakkel. + Zoo menge vonk, + Zoo menge appel. + + +Te Epen en Wittem (L.) wordt dien dag vuurtje gestookt, _de burk_ +genaamd, en om brandstof rondgaande zingt de jeugd: + + + Bötje, bötje, burkstreuë + Annemerjan, sjottelepan, + Haste niks veur de burk te breeënne. + + +Te Ieperen heet deze Zondag _Borelle-Zondag;_ ook te Denderwindeke, +Aspelare, Aalst, Denderleeuw enz. is het _walmen_ of _fakkels branden_ +bekend; zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, +bl. 66. Men noemt dezen dag in Vlaanderen ook _brood- en kaaszondag,_ +omdat men meent alsdan zevenderlei brood te moeten eten: te dien +einde bezoekt men zeven bevriende gezinnen; ook in Duitschland kent +men den naam _Brot-und Kässontag_. In Voralberg, Tirol, Beieren +en Zwaben trekt men dan voorzien van bussels brandend hooi over de +bergen, de zoogenaamde _Fackellauf_, die gesymboliseerd wordt als +de gevangenneming vau Christus. Vandaar de benaming _Funkentag_, +fr. _dimanche des brandons_. Dit fakkelloopen dient als een aanhangsel +der vastenavondvuren te worden beschouwd. + +Een eigenaardig gebruik heeft plaats te Geeraardsbergen, het eerst, +voor zoover mij bekend, beschreven door P. van Duyse in het Belgisch +Museum 1837, bl. 176 vlg. Daar trekken onder de tonen der muziek +"de regeering met andere ontzachbare heeren en de geestelijkheid +met den pastoor aan het hoofd, al deftig uitgedoscht" naar een +naburige kapel, waar den pastoor een feestbeker met een levend +vischje gereikt wordt, dat hij mee moet doorslikken. Daarna regent +het mastellen en haring. Dit gebruik wordt met de tweede belegering +van Geeraardsbergen door Walther van Edinghen in 1381 in verband +gebracht, òf men laat het opklimmen tot het midden der XIe eeuw, +toen Geeraard van Hunneghem zijn kasteel aan Boudewijn VI, den +stichter der stad, verkocht. V. Fris, Volkskunde XVIII, bl. 136, +ziet hierin een overleefsel van Keltisch-Frankische bronvereering; +naar de opvatting van Dr. Höfler, Volkskunde XVIII, bl. 236, heeft men +hier te doen met een geval van Bacchanalische omophagie: 't verorberen +van levend, lillend rauw vleesch. Geen dezer verklaringen lijkt mij +afdoende. Trouwens, zou met het oog op het haringeten van het volk +de verklaring niet wat minder ingewikkeld kunnen zijn?-- + +Het feest van Fakkelzondag wordt op Maandag voortgezet, de echte +_blauwe Maandag_, welke benaming later op alle andere Maandagen +is overgegaan. Vandaar dat "blauwe Maandag houden" de beteekenis +gekregen heeft van "leegloopen en feestdag houden". "Blauw" beduidt +hier "onbeduidend" (men denke aan _blauwe boodschap_), zoodat de +oorspronkelijke beteekenis was: Maandag, die als werkdag niet meetelt; +vgl. Stoett, Spreekwoorden, no 212. + +_Kwenezondag_ (_Oculi_), den derden Zondag in de Vasten, liepen te +Ieperen de kinderen rond met een korf, waarin een pop verborgen zat, +terwijl zij zongen: + + + Oude kwene, babbelboone! + Is se oud, s'en is niet schoone! + Gheeft se doch een ey, + Daer me looptse wey! + + +Volgens De Bo heet men echter _kwenen_ de kinderen, die op Passiezondag +van deur tot deur gaan. + +Op dezen Zondag verbrandt men den winter (_Pier Vrieze_), den dood, +den vastenavond enz. onder de gedaante van een aangekleede stroopop; +plaatselijk survival hiervan is het verbranden van een haan. Ook wordt +"de winter" wel begraven of in het water geworpen. Waarschijnlijk +is hier het begraven ouder dan het verbranden, en is "de winter" de +vegetatie-daemon, de in den winter gedoode groeikracht; zie Mannhardt, +Baumkultus, bl. 418. In het buitenland heeft dit winterverbranden +meestal plaats op + +_Laetare_ of Halfvasten. In België herleeft weer de vastenavondpret, +gemaskerden trekken door de straten, feestgelagen worden +aangericht. Maar de groote folkloristische beteekenis van dezen +dag ligt toch in de aankomst van de Lente (of van den Zomer; +immers het volk kent eigenlijk slechts twee jaargetijden: zomer en +winter). Worden gedurende het vruchtbaarheidstijdperk nieuwe gaven +van de sluimerende aarde verwacht (zie bl. 102, 113) en treden dan +Sint-Maarten, Sinterklaas en het Kerstkind op als uitdeelers der +hemelgeschenken, thans verschijnen als vertegenwoordigers van den +lentezegen: op Laetare de _Greef van Halfvasten,_ en op Palmzondag +de Engeltjes. De Brabantsche en Antwerpsche kinderen zetten hun +schoen of korfje met hooi onder den schoorsteen, dit laatste voor het +paard van den Greef, die 's nachts de rondte doet op zijn schimmel, +de brave kinderen bedeelend met lekkers, maar de ondeugende met een +roe. Vroeger reed de Greef als een andere Sinterklaas op zijn schimmel +plechtig door de straten van Antwerpen. "De arme huisvader uit de +Antwerpsche volkswijken schenkt gewoonlijk aan elk kind slechts een +massepeinen scheepje," schrijft De Cock, Volkskunde, bl. 240; "soms +enkel een tikkenhaantje, uit brooddeeg gebakken, met een pluimpje +op den kop, wat voor het kind niet veel beteekent; vandaar bij den +Sinjoor [Antwerpenaar] het nog steeds populaire spreekwoord: Liever +geen Grèèf dan zoo'n tikkenhaantje." + +Te Turnhout zingt men: + + + Kinderkens, hangt uw korfkens uit, + Ik heb wat nieuws vernomen: + Dat de Greef, + Uwe neef, + Die zal morgen komen. + + Wat heeft de Greef al meegebracht? + Vijgen en rozijnen, + Koek en tes, + Scheer en mes, + Haantjens op een steksken! + + Maar als gij dan niet wijzer zijt, + Dan zal ik m'er niet mee moeien; + Dan zal de Greef, + Uwe neef, + Brengen een dikke roeie! + + +Ook in Noord-Brabant en Limburg bestaat iets dergelijks. Te Geldrop +krijgen de kinderen op Halfvasten een haan van taai-taai, aan den +staart versierd. Te Munstergeleen en te Sittard worden dan krombroodjes +onder de kinderen geworpen, te Sittard bij de zeven kapelletjes +langs den weg naar den Kollenberg. Het Christelijk symbolisme ziet +hierin een herinnering aan het evangelieverhaal van dien dag over de +wonderbare spijziging der 5000 Galileeërs. Te Schaesberg (L.) wordt +op Laetare gefakkeld, waarbij men zingt (vgl. bl. 167) + + + Vink, vonk, fakkel. + Zoo menge vonk, + Zoo menge appel. + + +_Sint Pieter-in-den-Winter_ (_Cathedra Petri_, 22 Februari) is een +lotsdag, een _dies criticus_, eertijds als het begin van de lente +beschouwd. Vandaar zijn voorname rol in de volksweêrkunde. Vriest +het den nacht vóor dezen feestdag, dan duurt de kou veertig dagen; +is het zacht weer, dan vriest het niet in Mei. + +Het volk viert dan een lente-vóorfeest, vooral de schippers en herders, +en wel over geheel het Germaansche en Slavische gebied. Op dezen dag +moet men beginnen de landerijen te bewerken; bouwlanden worden meest +verhuurd, om ze te aanvaarden op Sint-Pieter. Te Grouw (F.) viert mee +dan een kinderfeest; en evenals men den 5den December Sinterklaas-avond +noemt, zoo noemt men te Grouw den 21sten Februari Sint Pieter-avond. + +Ook het balslaan, dat vroeger op verscheidene plaatsen in Friesland +voorkwam, is een typisch lentegebruik en heeft natuurlijk met +St. Petrus niets te maken. In Duitschland heeft het meestal op +Paaschdag plaats; ook schijnt het met het Paaschvuur samen te +hangen. Te Dantumadeel sloegen de kinderen ballen uit, waaronder +éen met loovers versierd; daarmee begon de wedloop, om den mooien +Sint-Petersbal te bemachtigen. Een andere manier van "bal uitslaan", +eveneens in de Dokkumer Wouden, was een vermakelijkheid, die uitging +van een jong paar, dat op trouwen stond, ter wille van hun vrienden en +vriendinnen, altijd op Sint Pietersdag; zie hierover Waling Dijkstra, +Uit Friesland's Volksleven I, bl. 168. + +Te Gees (D.) trekt na 12 uur de geheele schooljeugd zingend door het +dorp en brengt een ovatie aan wie in 't afgeloopen jaar zijn getrouwd: + + + Hier komen wij knechtjes en meisjes aan, + Al om Sint Pieter den bal te slaan. + Waren wij niet in de gilde gegaan, + Dan hoefden we Sint Pieter den bal niet te slaan. + Slaan, slaan, slaan, + Het liedje, dat is gedaan. + + +Dan worden pepernoten en andere versnaperingen gestrooid en de +kinderen grabbelen; vgl. J. Bergsma, Driem. Bladen XII, bl. 117; +Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 113. + +_l Maart_ treden veelal de knechten en meiden in dienst. Zoo zegt +men te Esch (N.-B.): + + + Op den eersten Mert + Moeten de booien zijn op den herd, + Anders zijn ze de kost niet werd. + + +Elders is de datum half Maart, weer elders de 1e Mei. De boer zelf +haalt de nieuwe meid of knecht op den _kistenwagen_ af. Bij het +verhuren ontvangen zij den gods- of goospenning, oorspronkelijk het +geld, dat men bij het aangaan van de huur den arme "om Godswille" +gaf; vergelijk hiermede den trouwpenning, waarover nader. + +_Gregoriusdag_ (12 Maart) was voorheen in geheel Brabant, Vlaanderen +en Antwerpen het groote schoolfeest: prijsuitdeeling, Gregoorkes-mis, +en naderhand het _Gregoria-zingen,_ een rondgang van de jeugd langs +de huizen, zingend en bedelend om eieren en geld. + +_Sint Geertrui_ (17 Maart). De dochter van Pepijn van Landen is een +zeer bekende volksheilige. Volgens de legende stuitte zij eens een +muizenplaag; feitelijk wordt zij door het volk als patrones tegen +de muizen aangeroepen, o.a. te Ternath, Appelterre, Wichelen en +Baasroode-Vlassenbroek rond Aalst en Dendermonde. Ook vindt men haar +vaak met een muis voorgesteld, o.a. in de Gertrudiskerk te Leuven en +in de Groote Kerk te Breda; de reden is wel deze, dat de H. Gertrudis +eenige trekken van de Germaansche doodsgodin heeft overgenomen; immers +in de volksvoorstelling neemt de ziel vaak de gedaante eener muis +aan. Zoo verklaart men ook het voormalig gebruik der _Sint Geerten +Minne_ of _Schaal van Nivelles_: want even als de Sint Jans Minne was +dit oorspronkelijk een herinneringsdronk aan de afgestorvenen gewijd; +zie mijne Essays en Studiën, bl. 226 vlg.-- + +Wij komen nu tot de eigenlijke periode van het Lentefeest (of +begin-Zomerfeest), dat zich tot na Pinksteren uitstrekt; en in +het midden der feestviering staat het symbool van den genius der +groeikracht, van het nu welig-uitbottende jonge leven: de Meiboom +in zijn verscheidenheid van vormen en eenheid van beteekenis. Op den +1sten Mei, met Pinksteren of op den avond van den 23sten Juni heeft +in Duitschland, Engeland, Frankrijk en in de Westslavische landen het +inhalen en planten van den meiboom plaats. In Nederland kwam hij in +'t begin der vorige eeuw nog slechts sporadisch voor en thans is hij, +tenminste in zijn volstrekt-oorspronkelijken vorm, geheel verdwenen. De +eenige bekende afbeelding van den Nederlandschen meiboom komt voor bij +J. Cats, Spiegel van den Ouden en den Nievven Tijdt (Den Haag 1632). + +De groote meiboom werd geplant midden op den markt of het +dorpsplein. Niet zelden was de stam tot aan de bladerkroon van takken +beroofd en afgeschild, terwijl alleen de top prijkte met vollen +bladerdos. Maar steeds was--en is dit nog, waar in het buitenland het +gebruik heerscht in zijn oorspronkelijken vorm--de mei met linten, +kransen en klatergoud gesierd, met koek en vruchten en vooral +met eieren--symbool der vruchtbaarheid--behangen. En dat wij hier +werkelijk te doen hebben met de verpersoonlijking der levenverwekkende +natuurkracht, kan blijken uit een Poolsch lied, dat te Lacza in +Opper-Silezië gezongen wordt, wanneer het volk, na eerst een stroopop +in het water te hebben geworpen, geld en eieren verzamelend met den +Mei het dorp binnenkomt (vgl. Mannhardt, Baumkultus, bl. 181): + + + Wij droegen de pest uit het dorp, + Wij brengen _de spruit_ (of zomer) in het dorp. + Ons boompje is groen, + Schoon opgesierd, + Op ons Meiboompje + Zijn geverfde eieren, enz.-- + + +Eindelijk, de meiboom wordt doorgaans gekroond door een weèrhaan, +rechtstreeks afweervogel van booze invloeden, en daardoor +onrechtstreeks ook weer vruchtbaarheidssymbool. + +Deze meiboom is het oortype van den _oogstmei_, die de laatste voer +hooi siert, wanneer de oogst wordt binnengehaald; van den _richtmei,_ +die op het dak gezet wordt, als men "gericht" d.i. het huis onder de +kap gebracht heeft,--in het Noorden van ons land is dit dichterlijk +en sprekend gebruik verdwenen en kent men slechts een versiering +met de vlag; van den _liefdemei_ vóor het huis of op het dak van de +aangebedene, waarover nader; van den _bruidsmei_, den levensboom, +op den bruidswagen gestoken, of vóor het huis van het jonge paar +geplant; van den _schutsmei_: jonge berken- of dennenboompjes, door de +dorpsjeugd op den 1sten Mei uit het bosch gehaald en vóor de huisdeur, +den veestal, of op den nok geplant, dat zij het huis mogen beschermen, +het vee vruchtbaar maken en alle kwade invloeden verdrijven,--hiermee +gaat vaak een inzameling van eieren, brood, spek en geld gepaard; +eindelijk van den _palmpaasch_, zooals door Mannhardt, Baumkultus, +bl. 246 wordt betoogd. Op deze verwantschap vestigde ik reeds voor +een vijftiental jaren de aandacht door deze regelen: "De palmpaasch +is in laatste analyse slechts een rudimentaire meiboom, zoo men +wil een christelijke loot van den heidenschen stam, een schamele +rest, evenals het Sint Maartens-kaarsje in de binnenkamer niets +dan een zwakke weerschijn is van het Sint Maartens-vuur daarbuiten" +(Volkskunde XIII, bl. 108). Hij vindt zijn plaats op + +_Palmzondag_, reeds in de IVde eeuw door de Kerk gevierd ter +gedachtenis van Jezus' intocht te Jeruzalem. Van deze feestviering +bezitten wij eene nauwgezette beschrijving in een voor de liturgie +hoogst belangrijk reisverhaal eener non uit Provence (Arles?), die in +de IVe eeuw een reis naar het H. Land ondernam en in haar nagelaten +aanteekeningen de hoogoude ceremoniën der Kerk te Jeruzalem beschrijft: +de _Peregrinatio Aetheriae_: "Tegen vijf uur in den namiddag wordt de +plaats uit het evangelie gelezen, waar de kinderen met olijftwijgen of +palmtakken den Heer tegemoet gaan, roepende: Gezegend, Die komt in den +naam des Heeren. Dan staat de bisschop en het heele volk onverwijld +op en trekken van den top van den Olijfberg te voet naar beneden: +heel het volk gaat hem voor onder het gezang van hymnen en antifonen, +waarop telkens geantwoord wordt met de woorden: Gezegend, Die komt in +den naam des Heeren. Alle kinderen uit deze plaatsen, zelfs zij, die +te klein zijn om te kunnen loopen en gedragen moeten worden, hebben, +hetzij palmtakken, hetzij olijftwijgen in de hand; en zoo begeleidt +men den bisschop naar de wijze, waarop toen Christus begeleid werd" +(c. XXXI, 2, 3). + +Wij hebben hier dus een plechtige processie met palmtwijgen op +Palmzondag; vanaf de VIIe eeuw werd deze ook in de Westersche Kerk +gehouden. De palmzegening is iets jonger en dagteekent waarschijnlijk +uit de VIIIe of IXe eeuw. In de Middeleeuwen nam deze omgang in +vertoon en luister toe; hij kreeg een geheel dramatisch karakter, +overeenkomstig de liturgisch-didaktische praktijken van dien +tijd. De persoon, die Christus uitbeeldde, reed op een ezel. Maar +somwijlen stelde men zich met een houten Christusbeeld tevreden, +gezeten op een houten ezel. Deze werd gedragen of getrokken. Vandaar, +dat Palmzondag door de Vlamingen vroeger wel eens het "Ezelsfeest" +werd genoemd. Te Utrecht trok deze stoet van de Domkerk naar de vlak +bijgelegen Pieterskerk. Te Amsterdam had hij aanvankelijk alleen aan +de Oude Zijde plaats, d.i. uit Jeruzalem (een kapel naast de St.-Olofs- +of Oudezijdskapel) naar de Oude Kerk; doch sedert 1498 kreeg de Nieuwe +Zijde om 't andere jaar ook haar beurt. De houten ezel wordt op enkele +plaatsen in het buitenland thans nog rondgevoerd. + +Nu weten wij, dat voorheen de palmboomen of -boompjes, in deze +processie rondgedragen, niet zelden met koekjes, vruchten en andere +versnaperingen waren behangen. Dit is ons niet alleen bekend uit +een bericht over de Moskousche palmprocessie in de XVIIe eeuw; maar +de Calendrier belge I, bl. 212 weet te verhalen, hoe te Thienen +de kinderen gedurende den stoet den palmtak poogden te plunderen, +dien het Christusbeeld droeg: immers hij hing vol vijgen, druiven en +wafeltjes. De verklaring is deze, dat hier wederom een synkretisme, +een vermenging van heterogene bestanddeelen, van twee verschillende +gebruiken heeft plaats gehad: palmprocessie en meiboom, christendom +en (onbewuste) natuurreligie. Want de Palmzondag viel samen met den +aanvang van het lentefeest, en zoo drong de langzamerhand verkleinde, +maar steeds met rijke gaven behangen meiboom de palmprocessie +binnen. Op den duur werd hij nog kleiner, zoodat ieder kind een +exemplaar erlangde. Als gever dezer goede gaven trad nu de Zaligmaker +op, of liever de Zaligmaker met behulp der Engeltjes (b.v. te 's +Hertogenbosch, Roermond, Venloo enz.). Deze organiseeren des nachts een +soort van Wilde Jacht door de lucht, als Sinterklaas en Sintermaarten, +en "rijden" den overvloed van goede gaven op den palmpaasch, te Venloo +voor de grooteren op een bord. Maar behalve de "rijdende" engeltjes +heeft het Christendom _de palmen_ aan den palmpaasch afgestaan.--In +België vindt men geen spoor van den palmpaasch; de kinderbedeeling +heeft daar, zooals reeds vermeld, door den Greef op Halfvasten +plaats. Kerkelijk verband tusschen palmpaasch en liturgie bestaat +b.v. nog te Venloo, in zoover daar de kinderen met het _palmhoutje_ +ter kerk tijgen en zich onder de geloovigen opstellen, die palmtakjes +en palmbundels (_buxus sempervirens_) laten zegenen. Ook te Basel laat +ieder knaap zijn palmboompje ter kerke zegenen; dit bestaat uit een +rijk met linten en appelen versierd dennenboompje, welks kruin met +een schat van steekpalmen--liefst met roode bessen--prijkt. En dat +de palm en de wijding niet tot het wezen van den verkleinden meiboom +behooren, blijkt o.a. uit het feit, dat zonder de minste religieuze +betrekking te Stockholm, volgens getuigenis van Mannhardt, telken +jare den 22sten juni een formeele markt "mit Laubzweigen und _kleinen +Maistangen für Kinder_" gehouden wordt, voor welke de heele omtrek +de handelsartikelen levert (Baumkultus, bl. 152). Een herinnering +aan de palmprocessie is wellicht ook het _Hei, koerei_ of _Eikoerei_ +van het meest gebruikelijke palmpaaschrijmpje; dit is waarschijnlijk +de verbastering van _Kyrie eleison_: "Heer ontferm U onzer" uit het +litaniegebed. Bedoeld rijmpje, gebruikelijk bij het rondtrekken met +den palmpaasch, luidt: + + + Palm, palmpaschen! + Hei, koerei! + Over eenen Zondag, + Dan krijgen wij een ei. + Eén ei is geen ei, + Twee ei is een half ei, + Drie ei is een paaschei! + + +Of ook: + + + Palm palmpaschen! + De koetjes die gaan grazen, + De schaapjes in de wei, + Als het Paasch is krijgen wij een ei! + + +Te Dwingeloo en Ruinerwold luidt het: + + + Haentien op 'n stokkien, + Biet moar van mien brokkien, + Biet moar van mien stukkien brood, + Morgen is mien haentien dood. + + +Vrij schaars komt de palmpaasch voor in Zeeland, Groningen, Friesland, +Zuid-Holland, Noord-Brabant en Limburg. Het ware palmpaaschgebied +is Gelderland, Drente en Overijssel. Behalve _palmpaasch_ en +_palmpaschen_, vindt men de benamingen _palmstok, palmpaascheistok, +palmpaaschtak, palmpaaschstok, palmtak, pikhaan, weitenhennetje, +zwaantje, palmhoutje, palmebessem, krakeling, haantje, haantjepik, +eendje, kukelehaantje_ enz. Dr. C. V. D. Graft onderscheidt twee +hoofdtypen: 1e De lange stok, die allerlei lekkernijen doorboort, +het Friesche type; en 2e De vlechtvormige hoofdkrans, gewoonlijk +"krakeling", maar ook wel "rad" of "wiel" genoemd: het Saksische +type. Wat hiervan zij,--indien het waar is, dat men de palmpaasch als +een kleinen meiboom dient te beschouwen, dan moet zij ook, althans +oorspronkelijk, de drie hoofdbestanddeelen van den meiboom vertoond +hebben, te weten: _stam_ (stok), _krans_ en _haan_. De krans is +nagebootst in koekdeeg--ten onrechte spreekt Höfler van "haaroffer +in deegvorm",--terwijl de haan, in zijn nagebootsten vorm onkenbaar +geworden, vaak door andere vogels vervangen is. De roode haan stelt den +bliksem voor, in zoover deze de onweerswolken splijt en den dampkring +zuivert. Het heldere weêr roept hij andermaal te voorschijn. Zijn +gekraai verdrijft immers ook, zooals gezegd (bl. 96), het nachtelijk +duister, bij het eerste hanengekraai is de hellemacht gebroken. Daarom +troont ook een haan op den nok van vele Westfaalsche huizen en doet +daar, ter bescherming tegen onweêr en andere rampen, denzelfden dienst, +dien een paardenkop elders in Duitschland verricht; want ook het paard, +als stormdier, weert onheil af.-- Aldus verklaart men de gewoonte, den +top van sommige boomen in haanvorm te knippen; zoo verklaart men ook +het haantje op den toren, naderhand met de verloochening van Petrus +in verband gebracht, of ook uitgelegd als symbool der waakzaamheid +en der verrijzenis. Maar haan en paard waren Saksische stamdieren, +terwijl in Friesche (en Vlaamsche) streken de zwaan als zoodanig de +gevelversiering vormt. Het is dus zeer waarschijnlijk, dat de zwaan, +als Friesch stamdier, op Frieschen bodem den haan op de Palmpaasch +verdrongen heeft. Een Frankisch palmpaasch-type bestaat niet. + +Op het eiland Schouwen (Zierikzee enz.) kent men zoogenaamde +_aeremstokjes_, d.i. ruitertjes te paard van brooddeeg, die op een +stokje door de kinderen worden rondgedragen, óok op Palmzondag, +en dan zijn er palmtakjes in gestoken. Daarbij wordt gezongen: + + + Aerem stokje + Turf in je rokje, + Turf in je staart, + Aerem stokje is geen oortje meer waard. + + +Een lentegebruik, ten deele christelijk gekleurd, leeft ten slotte +nog in het steken van gewijde en niet-gewijde palmtakjes achter de +daksparren, in de schuur, in het woonvertrek, in den akker enz., en +dat gebruik is over geheel Nederland en België verspreid. In België, +Noord-Brabant en Limburg steekt men een palmtakje op de vier hoeken +van den akker ter bevordering der vruchtbaarheid, veelal onder het +lezen van 't Sint Jans evangelie. + +Zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 160 vlg., 246 vlg.; vooral ook +Volkskunde XII, bl. 229, waar Dr. A. Beets een oproep richtte tot +de lezers, om nadere berichten over de palmpaasch te ontvangen. Aan +dezen oproep werd vlijtig gehoor verleend; Beets gaf ook den stoot tot +de palmpaaschtentoonstelling te Utrecht in 1906. Verder: Volkskunde +XIII, bl. 52, 81, 104; XIV, bl. 117, 221; XVII, bl. 1; XVIII, bl. 40; +XX, bl. 157, 205; Driem. Bladen II, bl. 95; VI, bl. 40; De Cock, +Volkskunde, bl. 241; V. D. Graft, Palmpaasch; Ter Gouw, Volksvermaken, +bl. 202. + +Over _Kalfdag_, den dag na Palmzondag, werd reeds bl. 127 een woord +gezegd. Het wijst stellig op een lentegebruik, wanneer te Brugge en +elders de leerling, die dien dag het laatst in school of thuis kwam, +geplaagd en uitgelachen werd; hij werd "kalf" genoemd. Men vergelijke +verder de gebruiken op den 1sten Meidag.-- + +Met dezen dag is de _Goede Week_ begonnen, ook wel de _Heilige-, +Pilatus-, Judas-, Duivelsweek_, in protestantsche streken de _Stille +Week_ genoemd. Het weêr is in deze week meestal slecht, meent het volk. + +_Witte of Groene Donderdag_ dankt zijn naam waarschijnlijk aan de +witte misgewaden, die de priester dien dag aanlegt. In de omstreken +van Weert en Thorn (L.) eet men dien dag soep van twaalfderlei +groenten. Men noemt ze _discipelen_- of _apostelensoep_. Hij, die +het eerst den lepel in den schotel steekt, wordt Judas genoemd. In +Vlaanderen at men dien dag _weitene weggen_ of wittebrood met _mede_; +dit heette _soppen_, vanwaar _Soppendonderdag_. + +Als bijzondere eigenaardigheid dient nog vermeld het +_apostelbrokken-rapen_ te Rupelmonde, vlak onder de vensters van +'t stadhuis; zie Volkskunde XX, bl. 163. + +Na de Gloria zwijgt in de kerken klok, orgel en bel. Dan gaan de +klokken naar Rome, zeggen de kinderen, om door den paus te worden +gezegend. + + + Op Witte Donderdag + Gaan de klokken naar Roomen, + Al over hagen en boomen, + En Paaschavond komen ze thuis. + + +Aldus een Vlaamsch rijmpje; de Westvlaamsche speldenwerksters tellen: + + + Den Donderdag is 't soppedoppe, + Den Vrijdag zoo kruipt men, + Den Zaterdag klopt men de Vasten uit. + + +Dit "kruipt men" heeft betrekking op de kruisvereeniging van + +_Goeden Vrijdag_. Dan rust het werk, met name de timmerlieden +en smeden staken den arbeid, ter gedachtenis aan de kruisiging +des Heeren. De visschers steken niet in zee, want de vischvangst +zou niet slagen. Eigenaardige kracht wordt dien dag aan bloemen en +gewassen toegekend, die eenigermate den kerstnacht in herinnering +roept: fruitboomen, dan begoten, schenken veel ooft; wie violier +zaait, zal dubbele bloemen hebben. Eieren, op Goeden Vrijdag gelegd, +beschermen tegen den bliksem en, in het zaadkoren gemengd, zijn ze +een voorbehoedmiddel tegen het "zwart." + +_Goeden_ of _Stillen Zaterdag_ keeren vóor de Gloria de klokken uit +Rome terug en brengen de paascheieren mee. De kinderen worden naar +buiten gestuurd, om de voorschooten op te houden en de eieren, die +wel eens uit de lucht vallen, op te vangen. + +_Paaschdag_ worden de eieren achter struiken of allerlei voorwerpen +verborgen, en de kinderen gaan ze zoeken. De klokken hebben ze +meegebracht, of de paaschvogel of de paaschhaas (deze is eigenlijk +meer een oostelijk import). Het is een blijde dag voor de kinderen, +maar evenzeer voor de volwassenen, die zich steken in hun "paaschbest" +pak. Ook de natuur werkt mee: immers, op Paaschdag "danst het zonneke +van blijdschap." Wat wonder, dat aan het water dien dag een bijzondere +geneeskracht wordt toegeschreven, waar reeds in overoude tijden het +water, op heilige tijden geput, het _heilawâc_, voor zoo bijzonder +geneeskrachtig gold? + + + Om middernacht is alle water wijn, + Als onze Heer Jezus zal verrezen zijn, + + +luidt het te Erembodegem. Water, op paaschmorgen _zwijgend_ geput, +kan niet bederven. Koud water, op dezen dag gedronken, sterkt de +gezondheid. + +Het gebruik der paascheieren was vroeger algemeen en is thans nog in +het Zuiden van Groot-Nederland overheerschend. Ook in Friesland bestaat +plaatselijk thans nog het maal op Paaschdag zoo goed als uitsluitend +uit een schotel gekookte eieren. Veelal worden de eieren gekleurd, +geel, oranje, rood, paars enz. Verder placht men vroeger in Limburg +sommige eieren te laten zegenen, om ze dan na de hoogmis ten geschenke +te geven. Nog heden bestaat de gewoonte van het eieren _tikken_ +of _kippen_ in de gezinnen, plaatselijk ook in 't openbaar, b.v. te +Venloo op de markt. Eertijds gebeurde dit te Arnhem op de Praast, +te Wageningen en Nunspeet op den Paaschberg, te Tiel op de Hooge +Weide, te Deventer op de Worp, te Zwolle op en bij den Spoolderberg, +te Lochem op den Paaschberg, te Winterswijk op de Weme, te Ootmarsum op +den Paaschkamp, te Dwingeloo op het Dwingelerzand, --maar meestal toch +op Paaschmaandag. Te Nes op Ameland gaan op Paaschdinsdag de kinderen +naar de Paaschduin eiersmijten of eierrollen. De eieren worden tot dit +doel hard gekookt in koffie, in water met uienschillen, of in andere +kleurstoffen. Het spel bestaat hoofdzakelijk in het laten afrollen +van hardgekookte eieren langs de hellingen der duinen; breekt er een, +dit wordt terstond opgegeten. Op Walcheren was eertijds het _eiergaren_ +een geliefkoosdspel; ook den _eierdans_ kende men. + +Wat het eieren-kippen betreft, hierbij wint hij het, die het sterkste +ei heeft; houdt elk der partijen bij het kippen éen kant--spits of +bot--onbeschadigd, dan blijft het pleit onbeslist. Bij het kippen +behoort eigenlijk het rijmpje: + + + 1. Eén ei is geen ei + 2. Twee ei is een half ei + 3. Drie ei is een paaschei. + + +Dit rijmpje wordt zoo goed als over het geheele land gezongen met +tallooze varianten, waarvan wel de voornaamste zijn: + +Borkeloo, Almen enz.: + + + 2. Twee ei paaschei. + + +Venloo: + + + 3. Drie ei is een ei + 4. Vier ei is een paaschei. + + +In vele streken heerscht nog het gebruik--in België, Limburg en +Noord-Brabant op de dorpen zoo goed als algemeen--eieren in te zamelen +voor pastoor en koster, vroeger ook voor den onderwijzer. Plaatselijk, +b.v. te Simpelveld (L.), doen dit de misdienaars; maar veelal heeft de +inzameling reeds op Witten Donderdag of op Goeden Zaterdag plaats. Te +Welle gaat nog telken jare de klokluider-doodgraver om eieren rond. Op +het klokkenluiden ten teeken van dezen rondgang wijst het lied: + + + Bimbambeieren, + De koster lust geen eieren, + Wat lust hij dan? + Spek in de pan, + Met een roggen boterham. + + +Ook gaan de kinderen wel voor hen zelf om eieren rond, en zingen dan: + +Antwerpen: + + + Vrouw, vrouw geeft ons een ei, + Die de zwarte hinne lei! + Zijn ze zwart of zijn ze rood, + Daarom leggen zij te nood; enz. + + +Haaren (N.-B.): + + + Vrouwke, vrouwke, doe uw best, + Haal de eikes uit het nest + Van die witte hennen, + God zal ze kennen. + Een ei is geen ei, + De tweede is een half ei, + De driede is een paaschei. + Van die wit en van die zwart, + Geef van elk henneke wat. + + +Het paaschei is het zinnebeeld van het jeugdig-ontkiemende leven, het +symbool van de vruchtbaarheid, zooals uit de vergelijking met andere +volksgebruiken, zoo b.v. het ei aan den Meiboom en de Laatste Schoof +duidelijk blijkt. Daarom vindt men het ei ook wel in graven; zoo werden +b.v. in 1892 geverfde eieren gevonden bij Worms in een steenen graf, +dat een meisjesskelet en munten uit 320 v. Chr. bevatte. Maar het +ei heeft christelijke beteekenis erlangd en werd beschouwd als het +symbool der Verrijzenis, vanwaar het zegenen van eieren, dat reeds +voor de IVe eeuw bewijsbaar is. Hierbij komt de groote ekonomische +beteekenis der eieren als voedingsmiddel voor een eenvoudig gezin +voor dezen tijd van het jaar, waarop het inzamelen van eieren, dat +vroeger zeer zeker meer algemeen was, schijnt te wijzen. + +Te vermelden vallen nog de paaschvuren, waarbij de teerton plaatselijk +onmisbaar schijnt: lentevuren, die vruchtbaarheid brengen over de +velden en stallen, en die vreugdevuren werden of ook zuiveringsvuren +in christelijken zin, want het volk spreekt dichterlijk van het +"doornenkroon verbranden". Van Geldersche, Limburgsche en Brabantsche +dorpen, waar men paaschvuren brandt, noem ik b.v. Reek, Beers, Velp, +Ewijk, Afferden. Ook in het Zutfensche, op de Veluwe, in Overijssel +en Drente zijn de overoude paaschvuren nog in eere, Te Dwftigeloo +wordt bij het ophalen der brandstof gezongen: + + + Heb ie ook 'en olde mande, + Die wie tot Paeschen brande? + Heb ie ook 'en bossien riet? + Oare hebben wie veur 't paaschvuur niet. + + +Te Gorssel zingt men bij het paaschvuur dit rijmpje: + + + Hei in de Mei, + En de muts op zij! + Van linksum + Van rechtsum, + En keer oe weer um. + + +Op Texel: + + + Hooi, heb-je geen strooi, + Heb-je geen oude manden? + Die zullen in de meierblits branden, + Hekken en stekken, joten en palen, + Als je niet komt, dan zullen we je halen. + Boer, wil-je het laten staan, + Hekken en stekken an enden slaan. + + +Laat ik nog met name de plaatsen Lochem, Barchem, Zwiep en Vorden +vermelden. Ook te Nes op Ameland, bij de katholieke kerk, wordt het +paaschvuur gebrand. Van het Vordensche geeft Prof. Gallée ons in de +Driem. Bladen I, bl. 24 ongeveer de volgende beschrijving. In een +weide was een groote stapel takkeboomen gevlijd op dikke blokken, +met een paal in het midden. Boven op den paal was een rad, met een +palmpaasch. De takkebossen werden aangestoken met een brandend stuk +hout, dat uit den haard was gehaald. Als de stapel brandde, werd +een groote rondedans hand aan hand om het vuur gehouden, drie maal +rechtsom en driemaal linksom. Hierbij werden liederen gezongen als: + + + Hei Koerei, hei Koerei, + Eén ei is geen ei, + Twee ei is 'n halfei, + Drie ei is 'n paaschei. + + +Dan: + + + Lange, lange riêge, + Twintig is en stiège, + Dartig is en rozenkrans, + Veertig is de poppendans; enz. + + +Na den reidans kreeg ieder een brandend stuk hout in de hand en +al zingend liep men met het hout in de rechterhand, die naar het +vuur gekeerd was, en daarna omgekeerd in de linkerhand, om het vuur +heen. Daarna werden de stukken hout op den hoop geworpen. Was alles +verbrand, dan kreeg ieder, die maar wilde, een stuk verkoold hout. Dit +is natuurlijk onheilwerend en vruchtbaarheidverleenend. + +Wij hebben hier het lentevuur in een zeer oorspronkelijken vorm; +vooral de rondedans om het vuur, waarbij eigenlijk nog behoort een +reinigend _springen_ over het vuur, vgl. bl. 105. Het brandend _rad_, +dat elders bij de lentevuren een zoo voorname rol speelt, zou men +met Mogk als een zonnesymbool kunnen beschouwen; het _Hei Koerei_ +of _Eikoerei_ herinnert, zooals gezegd (bl. 176), aan de verbinding +van volksgebruik en eeredienst. Dit wordt bevestigd door een oud +Amsterdamsch paaschavonddeuntje: + + + De dommele metten [donkere metten] + De Vaste is uyt! + Kyrie eleison! + Te Paschen zullen wij eieren eten, + Soo is de Vaste al vergeten. + Kyrie eleison! + + +Met deze paaschvuren hangen als herinneringen aan overoude +offermaaltijden samen de _paaschbrooden, paaschmikken_ (Den Bosch), +_paaschlammetjes_ enz. In België is het paaschbrood meestal in onbruik +geraakt, terwijl dit in het Noorden van ons volksgebied juist tot de +schaarsche overblijfsels der voormalige feestviering behoort. Groote +verscheidenheid van paaschkoeken kent men te Roesselare: + + + 't Zit 'nen Allelujakoeke in den oven! + Elk 'ne zalige Paaschen! + + +Er rest mij, de aandacht te vestigen op de eigenaardige wijze, waarop +het paaschfeest te Ootmarsum (O.) wordt gevierd. Op Paaschzondag komen +vroeg in den morgen eenige mannen en jongens op de markt bijeen en +heffen daar het oude paaschlied aan, waarvan de eerste strofe luidt: + + + Christus is opgestanden + Al van de Joden hun handen, + Dus willen we allen vroolijk zijn, + Christus zal onze verlosser zijn. Halleluja. + + +Over dit lied meer bij Dr. J. G. R. Acquoy in het Archief van +Nederl. Kerkgeschiedenis I, bl. i vlg., en Dr. C. V. D. Graft in +Volkskunde XXII, bl. 45 vlg. Ook elders in Overijssel wordt dit +lied nog gezongen en wel bij het paaschvuur. Zingend trekken de +Ootmarsummers de straten door, keeren op het marktplein terug en gaan +ter kerke. In den namiddag wordt dit gezang herhaald en besloten door +den middagdienst. Tegen vier uur wordt nogmaals gezongen bij het +paaschvuur. Dan trekt men naar de stad terug; bij den ingang geven +mannen, vrouwen, jongens, meisjes, kinderen elkaar de hand, en nu +gaat het in lange rijen zingend over de straten en door de huizen, tot +eindelijk op de markt de slotplechtigheid plaats heeft. Dit gebruik, +dat _vlöggelen_ (vleugelen) heet, wordt op Paaschmaandag herhaald. Het +pleit weer voor den samenhang van liturgie en volksgebruiken en +herinnert aan den Middeleeuwschen dramatischen kerkdienst en de +paaschprocessie, of althans aan den vasten processiegang omstreeks +den paaschtijd. + +Zie nog De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 78; +De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken +en volkszeden, bl. 131; J. F. Willems, in het Belgisch Museum +1843, VII; Pol de Mont, in het Nederl. Museum 1888, I, bl. 181; +Loquela 1886, bl. 25; Noordbrabantsche Volksalm. 1843, bl. 55; +Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 205. J. H. Maronier, Het Paaschfeest +(Arnhem 1894), _passim_; J. Lippert, Christenthum, Volksglaube und +Volksbrauch, bl. 602; R. Andree, Braunschweiger Volkskunde, bl. 337, +340; Driem. Bladen XIII, bl. 43; Waling Dijkstra, Uit Friesland's +Volksleven I, bl. 173. + +_Paaschmaandag_. Behalve de reeds besproken viering op de verschillende +plaatsen, herinner ik aan de _begankenis_ van Hakendover, door Frans +van Leemputte op doek gebracht. De processie wordt door honderden +ruiters vergezeld, die, evenals de nieuwsgierigen, dwars door de velden +draven op hunne met groen en bloemen versierde paarden en de vruchten +vertrappen, zonder eenig verzet vanwege den eigenaar. Integendeel, +want deze ommegang schenkt hem akkerzegen. Deze processie is een +overleefsel van den lente-intocht.--n Drente heeft bij het paaschvuur +en het fakkelen der jeugd het eiertikken plaats; maar meer bekend nog +is het notenschieten; zie H. Tiesing, Vragen van den Dag XXII, bl. 865. + +Op _Beloken Paschen_ (_Dominica in albis, sc. depositis_) worden de +laatste paascheieren gegeten, maar strikt genomen geen gekleurde. De +volksetymologie maakt van deze benaming in Limburg plaatselijk +_Broake-Poaschen._ + +_Natte Paschen_, Tweede Zondag na Paschen, worden de nieuwe knechten +en meiden, die dien dag na de Vespers in dienst treden, te Ziewent en +andere plaatsen van den Achterhoek door de huisgenooten en vooral door +de reeds in dienst zijnde knechts en meiden nat gemaakt, totdat zij bij +den haard zijn genaderd en het haal hebben vastgegrepen. Waarschijnlijk +is dit geen _Regenzauber_--een sympathetisch vruchtbaarheidsgebruik, +vergel. bl. 152--maar slechts een overgangsgebruik; zie Paul Sartori, +Sitte und Brauch II (Leipzig 1911), bl. 92, 61. + +_l April_. + + + Op den eersten April + Stuurt men de gekken waar men wil + + +luidt een bekend rijmpje en, evenals in onze landen, pleegt men dien +dag in Engeland (_all fools day_), Duitschland, Denemarken, Frankrijk +(_poissons d'avril_) enz. elkaar beet te nemen door het verzinnen +eener looze of onmogelijke boodschap. Uit deze algemeenheid blijkt, +dat het niet aangaat, de Aprilgrappen met een historisch feit in +verband te brengen. De Vlaamsche benaming is _verzendekensdag_. + +Ik sprak bl. 128 reeds over de overeenkomst tusschen Verzendekensdag +en St. Thomasdag. Neemt men over het algemeen aan, dat de +gekken (_stulti_) de _langslapers_ en _telaatkomers_ zijn, dan +wordt het begrijpelijk, waarom men juist in den aanvang van het +lentefeest--evenals op de laatste dagen van het jaar--met de sukkelaars +in het algemeen zijn spel drijft. Het is dan een opeenhooping van +grappen en aardigheden, die anders slechts bij vaste gelegenheden +plaats hebben. B.v. bij het slachten stuurt men om een worstpatroon, +een penshaak, een bloedboor (te Gieten, Tinaarloo, Westervelde); +bij het hooien om een _heuischarm_ (Assen); bij het stoelmatten +om de stoelschaar. Zoo kent men ook een balkenschaar, hooischaar, +plafondschaar (België) enz.; zie vooral De Cock, Spreekwoorden en +Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en zeden, bl. 176; verder +Driem. Bladen XI, bl. 6. Op 1 April stuurt men om muggenvet, Aprilzaad +enz. Ter vergelijking diene nog, dat men op den laatsten dag van het +jaar kinderen en sukkelaars naar de markt stuurt, om den man te gaan +zien, die zooveel neuzen heeft, als er (nog) dagen in 't jaar zijn. + +_Meidag_. De eerste Mei geldt als de heerlijkste dag van het +lentetijdperk, als het begin van den voorzomer. Bl. 172 sprak ik reeds +van den meiboom. Het was oorspronkelijk een groote, levende boom en +het planten droeg een officieel, gemeenschappelijk karakter. Maar op +den duur trad de overheid tegen dit gebruik op, en zóo ontstond de +boom, dien wij nog sporadisch aantreffen: een hooge staak met schamele +versiering van loovertjes, linten en klatergoud. Wellicht is het nog +een overblijfsel van de gewoonte, den meiboom uit het bosch te halen, +dat men in den Achterhoek, en ook te Ede, Bennekom enz., bij het +omhakken van akkermaalshout telkens éen recht stammetje laat staan; +zie Driem. Bladen VI, bl. 32, 44. + +Daarentegen is het aloude meiboomplanten nog vrij goed bewaard +gebleven in enkele Limburgsche dorpen: Valkenburg, Berg en Terblijt +(hier althans nog voor enkele jaren), Afferden, Kerkrade: "Daar +wordt de Mei-den nog geplant, dien de jeugd voor dit doel, met of +zonder toestemming van den eigenaar, in het bosch heeft geveld. De +mooiste, hoogste boom wordt gekozen; en opgesierd met bonte papieren +en slingers rijdt men hem rond het dorp": Volkskunde, XXIII, bl. 122; +zie nog vooral De Cock's Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van +oude gebruiken en zeden, bl. 181 vlg. + +Intusschen speelt het meer bescheiden, spichtiger meiboompje en +eveneens de kleine, sobere meitak en meidoorn nog een voorname rol +overal, waar natuurpoëzie en gevoel voor natuurschoon nog niet door +banale alledaagschheid werd gedoofd. Den eersten dag van Wonne- +of Bloeimaand siert men plaatselijk nog de huizen met meitakken +of _meien_. Dan tijgt het Venloosche volk, onder de schetterende +tonen der "Fanfare", naar het kapelletje Genooi en tooit zich bij +het terugkeeren met groenende twijgen. "Straks keeren de muzikanten +opgetogen huiswaarts"; schrijft Dr. Knippenberg, "de hoeden omkranst +met het jonge loof van den heerlijken Mei" (Limburg's Jaarboek XVIII, +bl. 160). Maar vooral ook plant men in het zuidelijk volksgebied +den _liefdemei_ voor de deur of steekt hem op het dak. Dit gebruik +moet zeer oud zijn, hetgeen o.a. hieruit blijkt, dat de uitdrukking +"den coelen mey planten" ten minste reeds in de XVe eeuw voorkomt in +eene overdrachtelijke beteekenis, die voor de hand ligt; zie G. Kalff, +Het lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 302. + +Het verbreidingsgebied van het meitaksteken is zeer groot; vertrouwbare +berichten gewerden mij hieromtrent o.a. uit Sittard, Buggenum, Heeze, +Soerendonk, Valkenburg, Berg en Terblijt, Hooge Mierse, Reusel, Mierde, +Hunsel, Waalre, Velthoven enz. Men steekt doorgaans meitakken op het +huis der geliefde; maar ook worden de huwbare meisjes over het algemeen +bedacht, en de takken spreken een voor ieder verstaanbare taal. Fijne +mast duidt goedheid aan; dennentak (steeds groen): gestadige liefde; +berkentak: goed en schoon. Deze takken spreken echter niet alleen lof, +maar ook blaam; zoo b.v. kersentak (waaraan ieder plukt): veranderlijk; +hagedoorn: stekelig, een katje, niet zonder handschoen aan te vatten; +rusch (bieschbosje): houdt het met elken vrijer.--De meisjes staan op +den 1sten Mei vroeg op, benieuwd, welke meitak haar deel zal zijn. Den +fijnen mast laten zij zoo lang mogelijk staan prijken. + +Op Ameland maakten vroeger de kinderen op den eersten Mei een kroon in +den vorm van een hoepel of ring, geheel omvlochten met madeliefjes, die +op het eiland meibloempjes (elders meizoentjes) worden genoemd. Met +meitakken in de hand, gaan thans nog in Vlaanderen de kinderen +op den vooravond van deur tot deur en vereeren hem met een twijg, +die eieren of versnaperingen schenkt. In het Gentsche noemt men dit +"den Mei gaan zingen"; want meiliedjes zingend, trekken de kleinen +rond. Te Hansbeke heeft het meilied dezen verkorten vorm: + + + Mei, Mei, + Ik plante mijne mei, + En 'k krake mijn ei, + En de dorre [dooier] viel uit mijn schale; + Bazinneke, wilde mij een eitje geven, + 'k En zal uw dochterken niet halen! + + +In Oost-Vlaanderen, op de Nederlandsche grens, luidt een verrukkelijk +meiliedje aldus: + + + De koude winter is nu verdwenen, + Den zoeten zomer die komt er al aan; + Dan ziet gij al de bottekens en boomen + Te bloeien staan. + + Onze lieve Vrouw, die weerdige bruid, + Zij liet haar vallen al op het kruid, + Alle de bloemekens, die sproten daar uit: + De dobbele pioene, + Die staat er al zoo groene! + Ai! wie heeft er de mei van doene? + De vischkens in het watere, + De vogelkens in de wei, + Al die zingen te zamen de groene mei. + + +Van de Noordnederlandsche meiliedjes is stellig het meest bekende en +meest verspreide, hetgeen wij thans nog slechts als parodie hebben +behouden: + + + Daar ging een patertje langs den kant, + + +met het refrein: + + + Hei 't was in de Mei, Mei, Mei, + Hei 't was in de Mei. + + +Een ander meiliedje heeft betrekking op het snijden van fluitjes uit +wilgenhout, dat den eersten meidag begint. In Gelderland, Overijssel +en Drente--ik noem hier b.v. Geesteren, Ootmarsum, Ochten, Avereest, +Koekange, Elspeet, Oldemarkt, Druten--snijden de jongens een wilgentak +af, maken dien nat, en kloppen dan met het hecht van het mes zacht +in de rondte, waardoor de bast loslaat. Het kloppen geschiedt op maat +van liedjes als dit: + + + Sap, sap, siêpe + Wanneer zinst doe riêpe? + In Mei, in Mei + As alle veugelkens 'en eiken legt. + Woar legt ze dan? + In 't spinvat, doar kan ze nummes nich vinden + As doe dan nich of wis + Dan za'k diê met 't mesken den hals afsniêën + + +Aldus te Geesteren; en te Barneveld: + + + Sieppe, sappe, sieppe, + Wanneer zuj-je pieppe? + Te Mei, te Mei, + Dan leggen alle voegeltjes een ei, + Behalve de kwartel en de griet, + Die leggen in de meimaand niet. + Heel of, hallef of, + Sniêt ten boer de kop mer of. + + +Met de bedreiging in den laatsten regel der beide rijmpjes vergelijke +men den aanvang van het fluitjesliedje, dat de jongens in Holstein +en Karinthië zingen. Het fluitjessnijden draagt den naam van _maien_: + + + Pfeifel, Pfeifel, ich mai' dich, + Oder ich zerschneide dich. + + +Vele rijmpjes gewagen ook van "de booze hesse (hekse)", die met een +scherp mes het katje den kop afsnijdt. Eenigszins afwijkend luidt +een meifluitjes-deuntje te Horst (L.): + + + Rieke, tieke, taken, + Ik wil een fluitje maken, + Van wilgen of van esschen, + Welke zijn de beste? + Heel af, half af, + Snijdt de koe den staart af, + Maakt er zeven jongen van, + Zeven jongen in eenen nest. + + +Zie Limburg's Jaarboek I, bl. 68; Dr. Van Vloten, Baker- en +Kinderrijmen, bl. 84 vlg.; verder Driem. bladen I, bl. 17, 50, 87, +92; II, bl. 80; III, bl. 30, 35, 90; IV, bl. 48; VII, bl. 55. + +Stroomend water is vooral heilzaam en geneeskrachtig op den eersten +meidag. In sommige streken van ons land is het de gewoonte, alsdan in +stroomend water te baden; dit beveiligt vooral tegen huidziekte. In +Oldemarkt drijft men 's nachts de schapen door het water: + + + Meimaand trekt men de schapen door de vaart, + Dan blijven ze van de schurft bewaard. + + +De kinderen loopen in den meiregen, die immers zoo groeizaam is: +"Meiregen, Meizegen". Op Texel ontsteekt men den vooravond een +lentevuur, de zoogenaamde _meierblits_; vergel. bl. 184 en Volkskunde +XIX, bl. 123. + +In Oost-Vlaanderen--vooral rond Aalst en Dendermonde--bestaan +nog meigilden met hun graven of dekens, oorspronkelijk om den +meiboom te planten. Deze Meigraaf kiest zijn bruid en maakt haar +tot Meigravin. Iets dergelijks vinden wij in Limburg te Beek, Geleen, +Oirsbeek, Klimmen, Merkelbeek, Schinnen, Epen, Wylre, Gulpen, Slenaken, +Valkenburg, Mechelen, Vylen, Vaals, Simpelveld, Ubachsberg, Eis, +Bingelrade, Heer, Berg en Terblijt enz. Daar wordt--of werd nog zeer +kort geleden--de _meileeste_ (Meiliefste) uitgeroepen, en wel door den +kapitein van de "jonkheid". Op den 1sten Mei, of wel op den eersten +Zondag in Mei, worden de huwbare meisjes door de jongelieden onder +elkaar verdeeld of, zooals te Berg en Terblijt, bij hoogste bod aan +de jongens toegewezen. Het verdeelen hangt nog met den meiboom samen, +in zoover als de lijst, waarop de paren voorkomen, veelal op den +meiboom ter bekendmaking wordt geplakt, onverminderd het officieële +uitroepen. De Meiliefste wordt natuurlijk in de herberg onthaald. Dit +gebruik is vooral bekend door de novelle van Ecrivisse: Het Meilief +van Geleen. In Hessen, Westfalen en Rijnland spreekt men van het +_Mailehen_ (= Meiliefste); in de Romaansche landen en in Engeland +heeft een overeenkomstig gebruik plaats op Valentijnsdag (14 Febr.), +op welken dag het volk meent, dat de vogels paren; men spreekt daar +van _Valentines_. + +De Meigraaf is in wezen identiek met den _Laubkönig, Graskönig, +Pfingstlümmel_ enz., en beeldt uit de groeikracht der natuur; zie +Mannhardt, Baumkultus, bl. 341, 355, 376. + +Te Genemuiden (O.) gaan op den 1sten of 2den Mei de kinderen met een +versierde ladder rond, waarop een jongen of meisje met een vlaggetje +in de hand zit, al zingende: + + + Luie motte, luie zotte, + Op gaan staan! + Die moet naar bed toe gaan. + + +Zie Driem. Bladen VIII, bl. 33; men vergelijke de Luilakliedjes op +bl. 194, 196 en 197, alwaar de verklaring. + +_Hemelvaartsdag._ 's Morgens vroeg ging men voorheen in Holland +_hemelvaren,_ d.i. naar buiten, in het vrije veld, om van den +heerlijken meimorgen te genieten. Plaatselijk bestaan nog overblijfsels +van dit gebruik, dat ook _dauwtrappen_ of _dauwtreden_ wordt genoemd +en ook wel op pinkstermorgen plaats heeft. De eigenaardige viering +van Hemelvaartsdag te Hengelo en Zutfen (Mulderskermis) behoort tot +het verleden; men vindt ze beschreven in den Gelderschen Volksalmanak +van 1844, bl. 54. + +_Luilak_ is de Zaterdag vóor Pinksteren, maar oorspronkelijk degene, +die dien Zaterdag, dien schoonen meidag, te lang slaapt. Te Amsterdam +moesten alle laatkomers trakteeren: de ambachtsgezel, die 't laatst +in de werkplaats, de groenteboer, die 't laatst aan de markt, +de schooljongen, die 't laatst op school kwam. Thans nog zijn de +Luilak-gebruiken te Amsterdam en elders niet uitgestorven; zij zijn +in geheel Noord-Holland in zwang. Te Zaandam moet de laatkomer de +overigen onthalen op warme bollen en stroop. Op Luilakmorgen gaan +de kinderen voor dag en dauw met de _korrie_, een laag wagentje +aan een lang touw, uit naar de naburige dorpen; zij hebben daarbij +groene takken en brandnetels bij zich, en terwijl deze--ook _luilak_ +of _looielak_ genoemd--worden rondgedragen, zingt men: + + + De looie lak, de slaperige zak, + Vanmorgen niet vroeg op 'estaan, + Je ken wel weer naar bed toe gaan. + + +Elders: + + + Luilak, + Slaapzak, + Beddejak, + Kermispop, + Staat om negen uren op. + + +Verveelt hun dit spel, dan wordt de looielak te water gegooid, onder +het zingen van: + + + Van eenen, van tweeën, van drieën, van vieren, van vijven, + Gooi dien looielak maar te drijven. + + +Men vergelijke de gebruiken op 1 April en op Sint-Thomasdag. De +luilak is natuurlijk weer identiek met den Meigraaf, _Laubkönig_ +enz., zie bl. 193; eveneens met de Pinksterbloem, waarover nader. Zeer +merkwaardig is het te water gooien; ook de _groene George_ wordt bij +de Slovenen in Krain en Karinthië te water geworpen. Bij ons heet hij +de _groene man_ of ook, zooals te Haarlem, _klisseboer,_ omdat hij +geheel met klissen overdekt is. Hier hebben wij in werkelijkheid +den _Regenzauber:_ een sympathetischen vruchtbaarheids-ritus, +om door indompeling den onontbeerlijken voorjaarsregen te +erlangen. Zie hierover Mannhardt, Baumkultus, bl. 313, 327 vlg.; +over het Luilakvieren Dr. G. J. Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal +(Leiden 1897), bl. 590; Onze Rijmen, bl. 59; Ter Gouw, Volksvermaken, +bl. 221.--Deze dag brengt ook de _luilakbollen_. + +_Pinksteren._ Mei- en Pinkstergebruiken vallen vrijwel samen; aan het +Meilief beantwoordt de _Pinksterbloem_ of _Pinksterbruid_. Ook zij is +een verpersoonlijking van den genius der groeikracht, wat o.a. uit haar +bloemkroon en loofversiering blijkt. Te Sittard heeft zij hoofd, leest +en armen omwonden met kransen van roode kollen en blauwe korenbloemen. + +Het schoonste meisje van het dorp werd eertijds met bloemen getooid +en als koningin door haar speelgenootjes onder gezang en gejuich +rondgeleid; maar naderhand ontaardde het gebruik in een bedelpartij. Te +Schermerhorn, den Beemster, Purmerend en elders ging een weesmeisje in +het wit gekleed, met bloemen getooid en met een bekransten beker in +de hand rond, met een weesjongen als geleider, die een met bloemen +omwonden stok in de hand droeg. Ook te Molkwerum fungeerden meisjes +van 12 tot 15 jaar als Pinksterbloem; te Franeker, Bolsward en Makkum +was het een kleine jongen, die in een zoogenaamden tempel liep, +een soort bijenkorf, samengesteld uit hoepels en stokken en met +groen behangen. Te Vriezenveen werden op 2en Pinksterdag de kleinste +meisjes met groen behangen en onder een groot schort van huis tot huis +geleid. Thans is dit gebruik, dat in de XVIIe eeuw nog te Amsterdam, +Utrecht, Deventer, Arnhem, Enkhuizen en in het Kennemerland plaats +had, zooals uit de verordeningen blijkt, vrijwel uitgestorven, en +wel, als zoo vaak, in zuidelijke richting. Te Ubbergen hielden nog +kort geleden drie meisjes uit de mindere volksklasse haar omgang, +van wie de middelste de Pinksterbloem voorstelde; zie hierover +Mr. W. V. D. Poll, in den Gelderschen Volksalm. 1897, bl. 185 + +In Limburg en Noord-Brabant bestaat de Pinksterbloem nog, eveneens +in sommige plaatsen van Vlaanderen; ik noem Horn, Amby, waar zij +insgelijks in een "huisje" met groen zit, Schinnen, Doenrade, Cuyk, +Blitterswijk, Guttecoven, Afferden. Het lied, dat bij het rondgaan +gezongen wordt, is hoofdzakelijk van tweeërlei aard. + +Cuyk (N.-B.): + + + Vierge, vierge Pinksterbloem, + Daar komt zij aangegangen, + Met een krans al om haar hoofd + En twee gebloemde wangen. + Vrouwtje, als gij niet deugen wilt, + Dan zullen wij u gaan verkoopen. + Dan gaan wij naar het groene woud, + Daar zingen de vogeltjes jong en oud, + Keert u es om, + Draait u es om, + Vierge, vierge Pinksterblom. + + +Einighausen (L.): + + + Pinksterbroed, + De wien is oet, + Wie lengen weer de dagen, + Eine mei, eine mei, eine liebesmei, + Eine mei van groene blaren. + + +Wie doet nu eigenlijk dienst als Pinksterbloem? Wie verbeeldt +den vruchtbaarheidsgenius? Welken eigenaardigen vorm neemt het +vegetatiegebruik op Pinksterdag aan? + +Het antwoord geeft ons o.a. een pinksterrijmpje uit Horn (L.): + + + Pinksterbloem, slechte roem, + Gij hebt zoolang geslapen; + Hadt gij vroeger opgestaan, + Dan waart ge mijn kameraadje! + + +De Pinksterbruid of de Pinkstlummel is dus de langslaper; want de +taak, als vegetatiegenius te fungeeren, was aanvankelijk allesbehalve +een huldiging van den persoon, maar slechts van den genius; en daarom +alleen zette men haar of hem de kroon op het hoofd. Het was een zekere +tuchtiging van den telaatkomer, van den luiaard, die een heerlijken +meimorgen versliep. Mannhardt daarentegen meent de verklaring van het +feit, dat voor Pinksterbruid de laatst-ontwaakte genomen wordt, hierin +te moeten zoeken, dat de Pinksterbloem de uit den slaap ontwaakte +lentedaemon is. Deze verklaring komt mij te zeer gekunsteld voor en +niet in overeenstemming met alle feiten. Veeleer moet de luiaard zich +in loof laten steken, dienst doen als vegetatiegeest, zij het tegen +wil en dank. Op vele plaatsen wordt hij dan ook met een kroon van stroo +of brandnetels getooid, hij wordt met brandnetels gegeeseld (dit slaan +heeft natuurlijk weer betrekking op de vruchtbaarheid, vgl. bl. 102), +men _drijft_ hem of haar voor zich uit, en zingt in Westfalen: + + + Pinksterblome, + fûle sûge (Sau)! + harstu êr uppestaun, + harr et di kîn leid edaun. + + +Van daar ook de benamingen _Pfingstlümmel, Pfingstschläfer, +Wasservogel_ (dewijl men hem in het water werpt) enz. + +Zeer nauw hiermee verwant is het Drentsche +nustekook-gebruik. "_Nust_koek" hangt met "nusselen", d.i. talmen, +samen. + +Op Pinkstermaandag spoeden zich, volgens de mededeeling van Dr. Bergsma +in den Nieuwen Drentschen Volksalm. 1900, bl. 104, de koejongens voor +dag en dauw met de koeien naar de weiden. Die 't laatst met zijn koeien +"op den diek" verschijnt, d.i. op den gemeenschappelijken weg, die +naar de verschillende weiden voert, heet _nustekook_. Zijn terugkomst +wordt door de andere koejongens vóor op den dijk afgewacht; zij zetten +hem een van russchen gevlochten steek op, slaan hem met brandnetels om +hoofd en handen en trekken daarna zingend door het dorp; het opgehaalde +geld wordt gemeenschappelijk verteerd. Aldus te Zuidlaren, Gasselte +enz. Tegenwoordig versieren zich te Zuidlaren bijna alle kinderen +met een russchen hoed en vragen geld aan de deuren. Te Zeegze is het +gebruik afgeschaft.--Een eigenaardigen vorm, ook in het buitenland +bekend, vertoont het gebruik te Borger. Daar wordt de _nustekook_ +geslagen, en een ander, een arme jongen, in bloeiende brem gestoken, +wordt als _Pinksterbroed_ het middelpunt van den optocht. Waar een +_Pinksterbroed_ is, is ook een _broedsleider_. Te Gees heet hij +broedegom, te Zweeloo heeten ze broedhen en broedhaan. Te Gees is de +Pinksterbruid het geheele jaar de versukkeling. + +De kinderen verzamelen zich te Koevorden aan den ingang van de weide +en letten op, welk beest het laatste van den stal gekomen is en de +weide binnentreedt. Die koe is dan 't voorwerp van het feest der +kinderen, 's Namiddags plukken zij bloeiende braamtwijgen of ander +groen, omhangen de koe daarmee en leiden ze onder schaterend gejuich +de stad binnen, al zingende: + + + Pinksterbloed (of Pinksterbroed) + Oranjezoet, + Hoe zit je zoo diep in de veeren? + Had je _wat eerder opgestaan_, + Dan had je geen nood gekregen. + + +In Neder-Duitschland heet deze koe of os, die met bloemen getooid en +bekroond wordt: _Pingstkaue, Pingstosse_. Vandaar het spreekwoord: +"opgedirkt als een pingstos." Men vergelijke met bovenstaand rijmpje +het volgende, dat te Zuidlaren wordt gezongen van den _nustkoek_ +of langslaper: + + + Nustkoek, nustkoek, + Zits dou zoo diep in de vaerren, + Kanst het geroup niet heurren, + Hast dou geen oogies van kiekerdekiek, + Komst ja te laat met de koe'n op den diek. + + +Het kind, dat de koeien het eerst in de weide dreef, heet _vroegrijp_, +het tweede _dauwworm_, het derde _midden-in-de-ton._ + +En nu weer een schoolgebruik, treffend door zijn +overeenkomst. Dr. R. de Gheldere, Dietsce Rime (Brugge 1896), bl. 148 +beweert, dat men het meisje, dat op Pinksteravond te laat in school +komt, _Sinksenbruid_ noemt en dat haar wordt toegezongen: + + + Sinksenbruid, + De loegaard uit! + Hadt je _eerder opgestaan_, + Gij hadt ook eerder naar school gegaan! + + +Te Bergues, in Fransch-Vlaanderen, werd den leerling, die daags vóór +de kermis te laat op school kwam, een biezenkroon op het hoofd gezet; +zoo werd hij naar huis gejaagd en de schooljeugd achtervolgde hem +zingende. Ik sprak reeds bl. 194 over de overeenkomst met de gebruiken +op Sint Thomasdag. Ook plachten te Sint Truiden de kinderen op Sint +Thomasdag papieren kronen op te zetten.-- + +Elders wordt de groeikracht gehuldigd in den vorm van bloemen, +pinksterbloemen. Ik wensch hier echter nogmaals de opmerking te maken, +dat wij in deze bloemen met een symbool te doen hebben, dat tot +zuiver, niet-kultisch symbool geworden is. In Biekorf VI, bl. 366, +leest men: "Den Vrijdag voor Cinxenhoogdag worden hoven, weiden +en velden doorloopen van de kinders der vlaamsche bewaarschool der +blauwe zusters binnen Veurne, die geheele panders blommen naar huis +brengen. De hoogstgeschatte zijn de ""Cinxebruids"" (beuterblomme, +_butterflower, jaunet_). 's Avonds, met moeders hulpe, maken de +kinders eenen hoepel van wijdauw, daarrond vlechten zij hunne geluwe +"Cinxenbruids." Zoo ook te Zutfen, waar de kinderen op de Pinksterdagen +kronen uit hoepels maken (of kortelings nog maakten), die ze met +groen en bloemen versieren en aan touwen ophangen. Te Hattem werd +hierbij gezongen: + + + Rosa [rozen], Rosa, Rosa bloeien op mijn hoed. + Alles geld is alles goed; + Kies, wie gij wilt, + En de schoonste, die gij vindt; enz. + + +Over de stroopop op Pinksternacht spreek ik in het volgende hoofdstuk, +II: Liefde en Huwelijk. + +_Tweede Pinksterdag_ is ten deele reeds besproken. Te Anderlecht +(Z.-B.) hebben dan de bekende paarden-ommegangen plaats, evenals te +Mechelen en te Werchter. De deelnemers rijden op hun getooide paarden +eerst driemaal om de kerk, wonen daarna den dienst bij, en gaan dan nog +driemaal om het hoogaltaar en het beeld van St. Gwijde (Guido). Men +vergelijke dit gebruik met _Sunte Steffenjagen_ (bl. 134). In +Duitschland spreekt men van den meirit, _das Maireiten,_ hetwelk +Mannhardt behandelt in zijn Baumkultus, bl. 347 vlg. De Pinkstruiters, +d.i. de _Pfingstl_ met zijn gevolg, rijden om de akkers ter bevordering +der vruchtbaarheid. In Beneden-Beieren heeft dit op Pinkstermaandag, +elders op Hemelvaartsdag of Paaschdag plaats. Ook b.v. in Zwaben heeft +deze rit een kerkelijk karakter aangenomen: op de vier hoeken van den +akker wordt daar het Evangelie gelezen, terwijl bij het _Königsreiten_ +in Oostenrijksch Silezië, waar alle notabelen aan dezen akkerrit +deelnemen, gedurenden den ommegang vrome liederen gezongen worden +ter afwering van onweêr en hagelslag. + +Op dezen dag worden veelal de schuttersfeesten der gilden gevierd, +een aloud gebruik, dat den naam van _Pinxtergilden_ voor sommige +schuttersgilden rechtvaardigt. De gilden, waarover reeds bl. 192 +gesproken werd en nog verder sprake zal zijn, vertoonen, evenals +de Germaansche gilden over het algemeen, een gekerstenden vorm van +de Oudgermaansche bloedsbroederschappen. Plicht was het eertijds, +den kultus der afgestorven leden te behartigen door een lijkmaal, +plicht bleef het later, het gildemaal te houden op het feest van den +patroonheilige. Het schieten is dan wel een erfstuk der Oudgermaansche +volksweerbaarheid. Wat den term betreft, hangt het woord _gilde_ +(vgl. _geld_), Middelnederl. _ghilde,_ met het Oudnoorsche _gildi_ +samen, dat de beteekenissen van "inleg" en "gelag" in zich vereenigt; +zie verder mijne Essays en Studiën, bl. 115. + +De schuttersgilden, die men vindt in steden en dorpen, waren vroeger +in Nederland volstrekt algemeen. Maar door het ijveren der predikanten +werden vele gilden ontbonden, zoodat b.v. in Holland in de XVIIe eeuw +de meeste te gronde gingen. Zij bloeien nog in Limburg, Gelderland, +Noord-Brabant en België. + +Bij deze gilden heeft het vogelschieten echter meestal plaats op den +feestdag van den patroonheilige of op kermis-Maandag; hierover nader +in het volgende hoofdstuk, III: Huiselijk Verkeer. Over het gildewezen +zie Ter Gouw, De Gilden (Amsterdam 1866); De Volksvermaken, bl. 502; +Volkskunde XVII, bl. 121; over de Pinksterviering J. H. Maronier, Het +Pinksterfeest (Arnhem 1894), _passim_; De Cock, Volkskunde, bl. 247; +Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 221 vlg.; V. Reinsberg-Düringsfeld, Das +Festliche Jahr, bl. 191; Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, +bl. 183; De Navorscher II, bl. 186; Drentsche Volksalm. XLIV, bl. 120; +Biekorf XIII, bl. 161 vlg., 177 vlg. + +_Sint Jan de Dooper_ (24 Juni) is de groote dag van het Midzomerfeest +met zijn offervuren en offermaaltijden, en speelt daarom in het +Germaansche volksleven een voorname rol. Reeds vroeg trad het +geboortefeest van dezen heilige in verband met het Midzomer-, +of Zonnestilstandsfeest, en dit verband werd nauwer, naarmate men +meer innerlijke betrekking tusschen beide feesten meende te kunnen +waarnemen. Zoo schrijft de H. Augustinus (_Sermo_ 289): "Opdat de +mensch mocht vernederd worden, is heden geboren Johannes, nu de dagen +beginnen af te nemen; opdat God verheven worde, is Christus geboren +op dien dag, waarop de dagen beginnen te groeien." Zoo werd dan ook +b.v. het gebruik, dezen dag in stroomend water te baden (vgl. bl. 192), +aldus gekerstend, dat men het gebruik bijhield ter eere van 's Heeren +doopsel in den Jordaan. Zeer heilzaam is ook de Sint Jansdauw, het +dauwtrappen op Sint Jansdag. Planten, dien dag geplukt, bezitten groote +tooverkracht. Maar vooral de _Sint Janstak_ pleit voor de overeenkomst +tusschen het Midzomerfeest en de Meiviering, hetgeen elders uit de +oprichting van een meiboom op Sint Jansdag blijkt. Het is een krans +van groen en bloemen, dien men buiten tegen den muur van het woonhuis +hangt, waar hij blijft hangen, tot hij verdord is. Dit gebruik bestaat +o.a. te Vortum, Beers, Afferden, Waalre. Hij beschermt tegen onweêr +en moet bestaan uit korenbloemen, notenblaren en Sint Janskruid: de +noteboom is een bekend vruchtbaarheidssymbool, en het Sint Janskruid +(_sedum purpureum_), ook _Jaag den duivel_ genoemd, heeft het vermogen, +booze geesten te verdrijven. Te Duiven worden de huizen met noten- +en rozentwijgen versierd. + +Op Sint Jansnacht drijven, evenals op de Walpurgisnacht, de geesten +hun spel: het is een der geheimzinnige toovernachten. Dan snijdt men +de wichelroede, dan plukt men Sint Janskruid, dan durft de schipper +niet uitvaren op het Haringvliet. Dan legt men doeken buiten, om +den Sint Jansdauw op te vangen, en deze dauw geneest voortreffelijk +bij oogziekte (Vortum). Herhaaldelijk komt Sint Jan ook voor in de +volksweêrkunde. Als de koekoek roept na Sint Jan, komt duurte.--Vóor +Sint Jan bidt om regen, na Sint Jan komt hij ongelegen.--Regent het na +Sint Jan, dan _kort_ (korrelt) het graan slecht, zegt men in Limburg. + +Op enkele plaatsen bestaan nog de oude Sint Jansvuren, _survivals_ +van het groote Zomeroffer; ook vertoonen zij vaak het karakter +der noodvuren (bl. 104). Daags vóor Sint Jan gaan b.v. te Wichelen +(O.-V.) de kinderen om brandhout rond, al zingende: + + + Hout, hout, timmerhout, + Wij komen om Sint Janshout; + Geeft een beetjen en houdt een beetjen, + Tot op Sint Peetersavond. + + +Men vergelijke de uitdrukking in het Sint Maartenslied: "op Sint Jans +manieren", bl. 111. + +De meeste Sint Jansvuren zijn echter overgegaan op: + +_Petrus en Paulusdag_ (29 Juni), die ten deele nog in Limburg, maar +vooral in België gevierd wordt, waar men om het vuur danst, zingende: + + + Sinte Peeter, komt alhier, + In ons ronde van plezier. + + +Op vele plaatsen, waar vroeger het geheele volk aan de feestviering +deel nam, is deze thans beperkt tot de kinderen. Aldus te +Herdersem, Eename, Aspelare (O.-V.) enz., alsmede in vele dorpen van +West-Vlaanderen; zie ook Rond den Heerd IX, bl. 257; Loquela III, +bl. 10. + +Wat gebeurde met het Sint Maartensvuur, heeft ook met de Sint +Pietersvuren plaats gehad: de feestviering werd veelal beperkt tot +den rondedans om een kaarsje; aldus te Kruibeke, waar men zingt: + + + Sinte Pieter mee zijn bloote armen, + Die zou hem gêren komen warmen. + + +Men vergelijke het Sint Maartenslied, bl. 109. + +In geheel Oost-Vlaanderen en West-Brabant bestaat verder het gebruik +van den _rozenhoed_. Het is een meigebruik, dat wij bl. 200 te Zutfen +en elders op Pinksterdag vonden. Enkele met bloemen en groen omwonden +hoepels vormen een kroon, en deze hangt men aan een over de straat +gespannen koord op. 's Avonds wordt hieronder gedanst en gezongen; +zoo b.v. te Lokeren: + + + Sinte Pieter, die is goed + Al voor onzen (_bis_) + + Sinte Pieter, die is goed + Al voor onzen rozenhoed. + + +Te Wetteren plaatst men onder den rozenhoed een tafeltje met brandende +kaarsjes, en daaromheen dansen de kinderen, zingende: + + + St. Pieter is onze Patroon! + Wij zullen hem gaan vieren; + Wij maken hem een kroon, + Te midden van onz' plezieren! + Bom la la, bom la la, bom la la sa sa! + En daar heeft niemand iets aan, + Troe la la, troe la la! + En daar heeft niemand iets aan, + Troe la la sa sa. + + +Wij herinneren er aan, met het oog op dit kaarsje-ronddansen onder de +kroon, dat het oudtijds de gewoonte was, bloemen, kransen en kruiden in +het zuiverend offervuur te werpen, waar men omheen danste en overheen +sprong. Vooral notenblaren worden plaatselijk in de Sint Jansvuren +geworpen; vgl. bl. 202 en de steeds fundamentale behandeling van +het Sint Jansvuur bij Grimm, Deutsche Mythologie I, bl. 513. Dat het +gebruik van den rozenhoed eertijds ook elders met vuurstoken gepaard +ging, blijkt uit een liedje uit het land van Waas: + + + Stokvier, maakt stokvier! + Sinte Pieter is alhier, + Om zijn bloote armen + Nog wat te warmen; enz. + + +Te Ter-Alfene vindt men nog het algemeen-Germaansche, sterksprekende +vruchtbaarheidsgebruik, dat jongelieden dien dag met de zweepen +klappend rondloopen. Zoo ook te Wambeek (Z.-B.); te Roesbrugge-Haringe +(W.-V.) gebeurt dit op Sint Elooi. + +Mettertijd heeft men den rozenhoed in verband gebracht met de +pauselijke tiaar. Een ander Christianisme is de visschersprocessie +te Rumpst. + +_Sint Marten-in-den-Zomer (4 Juli),_ ook de "Warme Marten" genoemd, +draagt in West-Vlaanderen den naam van _Schuddekorfdag_, ofschoon +van geen schuddekorfgebruik sprake is. Hoogstwaarschijnlijk is deze +benaming aan Sint Maarten-in-den-Winter ontleend. + +_Maria Hemelvaart (15 Aug.)_, ook genoemd _Maria-Kruidwisch,_ +of _O.L. Vrouw Kruidwijn_ (=wijding), wordt vooral in Limburg +gevierd; hier is de feestviering uit Duitschland, waar zij +algemeen is, ingevoerd. Weken te voren reeds worden door de kinderen +allerhande kruiden en bloemen verzameld, en op den feestdag wordt een +reusachtige ruiker ter kerke gebracht, waarin de geheele midzomerflora +vertegenwoordigd is, maar toch vooral de koningskaars of hemelbrand +prijkt, de Limburgsche kruidwisch bij uitnemendheid. Deze gewijde +bloemen dienen--ongeveer als de palm--als behoedmiddel tegen onweszr, +ziekten enz. Als het onweêrt, worden zij onder het bidden van den +_huiszegen_ verbrand. + +Aan den Rijn moeten deze kruiden Donderdags te voren (volksetymologisch +verband met "donder"?) bij zonsopgang met de hand geplukt +worden. Deze omstandigheid doet vermoeden, dat het gebruik wellicht +van Oudgermaansche afkomst is en oorspronkelijk op natuurvereering +berustte, of de een of andere Germaansche godheid gold. Wat hiervan +zij, de treffende legende, waarvolgens de Apostelen in het graf van +Maria in stede van haar lichaam een weelde van geurige bloemen en +kruiden vonden, schenkt aan dit gebruik een onmiskenbaar christelijk +karakter.-- + +De zomermaanden zijn ook het tijdperk der bedevaarten of processies +naar befaamde bedevaartsplaatsen, uiteraard meerendeels in het Zuiden +van het volksgebied. Voor Noord-Nederland noem ik Heiloo, den Briel, +voor de zuidelijke provincies Kevelaer, Roermond, Scherpenheuvel +(kaarsjesprocessie) en Brugge (H. Bloed). Van plaatselijke ommegangen +dient de Boetprocessie te Veurne en de zevenjarige jubileum-processie +te Hasselt (_Virga Jesse_) te worden vermeld. De straten der plaats, +waar de processie gehouden wordt, zijn feestelijk getooid; bloemen, +groen en papierknipsels zijn gestrooid over den te volgen weg. Het +volksgeloof wil, dat dit processiestrooisel beschermende macht bezit +tegen ratten en muizen, en tegen onweêr; ook legt men het tusschen +het graan, want het waarborgt een overvloedigen oogst en weert "het +zwart" uit de tarwe. + +Sommige dezer processies zijn zeer oud en met het volksleven +samengegroeid, zoodat zij als tijdsbepaling dienst doen, of in +dagelijksche zegswijzen zijn binnengedrongen. Zoo hoort men b.v. te +Venloo, dat de bramen rijpen, "als de processie naar Kevelaer gaat", +en dat "als de processie van Kevelaer terugkomt, geen oud wijfje +aan het spinnewiel blijft". Zijn de straten doodsch en verlaten, dan +"lijkt het wel, of de processie naar Kevelaer is"; enz. + +Te Blitterswijk zingt men: + + + Ik zeug zo gêr no Kêvele goan, + Wen er mar gene grune wolf zaat, + Joa, joa, do zit er ene, + Nie der zit er gene. + + +Over de karakteristieke processievaantjes spreek ik nader in het +Vijfde Hoofdstuk: Volkskunst. Bij gelegenheid der Hasseltsche +processie bestaat het eigenaardig gebruik, aan het volk erwtensoep +met stukjes spek uit te deelen; dit doen de leden van de Broederschap +onder feestelijk beiaardspel. Zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel +en Kinderlust VII, bl. 92 vlg.; De Cock, Volkskunde, bl. 253; +V. Reinsberg-Díringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 288, 297. + +_Maria-Geboorte_ (8 Sept.) wordt ter onderscheiding van het feest +op 15 Aug. de "Kleine Lieve Vrouw" genoemd. In sommige streken van +Vlaanderen was het bekend onder den naam van _zwaluwen-afscheidsdag._ +In den avond van den 7den September liet men in zekere Westvlaamsche +dorpen nooit na, te drinken op de gelukkige afreis der zwaluwen van +Onze Lieve Vrouw. Volgens een bekoorlijke legende vroeg Maria, in +een arme vrouw verkleed, eens een voerman te drinken en reikte hem, +om den drank op te vangen, den blanken kelk der haagwinde. Vandaar, +zegt de Brugsche Zondagsbode, dat in eenige dorpen van Vlaanderen +de meisjes op O.L. Vrouw-Geboorte "tikken" en drinken uit zulke +bloembekertjes, in de rondte dansen en zingen: + + + Aan Ons Lieve Vrouwen geboort + Gaan de lieve zwaluwen voort. + + +_Michielsdag_ (29 Sept.) kan worden beschouwd als het einde van den +zomer en het begin van den voorwinter, of der herfstperiode: zooals +gezegd, kenden onze voorouders, en ten deele het volk heden nog, +slechts zomer en winter. Nu wordt de ploeg geborgen. Wij krijgen +reeds een voorspel van de herfst- en wintergaven in de Vlaamsche +_vollerte_, een bijzonder soort wittebrood, dat men 's nachts ter +sluik de kinderen onder het hoofdkussen legt, om bij het ontwaken +gevonden te worden. Voorheen dronk men dezen dag de _Michaëls-minne,_ +zie mijne Essays en Studiën, bl. 234. + +Deze dag is een kritische dag, van belang in de volksweêrkunde. Bekend +is ook de _Sint Michielszomer_, waarop wel betrekking heeft het +Vlaamsche paailiedje: + + + Draaie, draaie, wielke, + t' Avond komt Machielke, + Komt Machielke t' avond niet, + Hij en komt van g'heel de weke niet. + + +En de kinderen op den Vlaamschen Steenweg te Brussel zingen: + + + Sinte-Michiel + Draait zijn wiel + Mee zijnen blooten erremen. + + +De verwantschap van Sint Michiels- met Sint Maartensdag blijkt ook +nog uit de Drentsche _Sint Michielsjacht_. + +_Allerheiligen_ (1 Nov.) brengt somwijlen den Allerheiligen-zomer, +ook wel door het volk "Oudewijven-zomer" genoemd.--Reeds in den +namiddag begint in de katholieke streken het bezoek der graven, +immers het is de vooravond van + +_Allerzielen_ (2 Nov.). Als de stormwind begon te huilen door de +ontbladerde boomen, dan stormde het dooden-, het geestenheir door +het luchtruim, en in den aanvang van dit tijdperk vierden de oude +Germanen hun doodendag. Na de invoering van het Christendom werd +deze private feestviering gekerstend en steunde voortaan op het +geloof aan de "gemeenschap der heiligen", terwijl ook de min of meer +animistische gebruiken, als het bezoeken der graven, het branden +van kaarsen, het brengen van bloemen of spijsoffers, òf officieel +werden afgeschaft, òf in christelijken zin werden hervormd; hetgeen +natuurlijk niet belette, dat nog heel wat animistische voorstellingen +en gebruiken bij het volk bleven voortbestaan. Als het stormt, spreekt +men thans nog van den _zielewagen_, en rond Scherpenheuvel heet het: +"dit zijn zielkes uit het vagevuur, die vragen verlost te worden". Op +meerdere plaatsen heerscht het volksgeloof, dat de "geloovige zielen" +gedurende de twee eerste Novemberdagen het vagevuur mogen verlaten +en haar vroegere woonsteden bezoeken. Natuurlijk geeft dit rondwaren +der zielen aanleiding tot menige bijgeloovige vrees. Kerkelijk werd +de 2de November aan de nagedachtenis der geloovige zielen gewijd, het +eerst door Odilo, abt van Cluny, in 998; later werd dit gebruik door +verscheidene diocesen gevolgd, het eerst door Luik, waar bisschop +Notker het in het begin der XIe eeuw invoerde. Zie H. Kellner, +Heortologie3 (Freiburg i/B. 1911), bl. 242, 248. + +Op tal van plaatsen in Vlaanderen bakt men _zielebroodjes_ of +_zieltjeskoeken_, een bijzonderen vorm van koeken, en deze laat men +'s nachts "voor de arme zielen" staan; hieruit spreekt duidelijk +de animistische voorstelling van het stoffelijk voortbestaan der +ziel in of nabij het graf. Of ook, de zieltjeskoek wordt in de asch +geworpen of zelf genuttigd, waarbij dan de grondstelling geldt: +"hoe meer men eet, hoe meer zieltjes men verlost." Ik herinner hier +aan de zieltjesbroodjes van Dixmuiden, Nieuwpoort, Veurne, Aalst en +Yperen. Ter vergelijking diene, dat in Karinthi, bij het toebereiden +der spijzen "voor de arme zielen", iets in het vuur wordt geworpen, +terwijl men in Tirol het overgeblevene van het avondeten op tafel laat +staan met de woorden: "Das gehört den armen Seelen." Vgl. De Cock, +Volkskunde XIV, bl. 140; H. Coninckx, Mechelsche gebruiken I, bl. 21. + +Met deze zielebroodjes hangt allicht samen het gebruik, op _Sint +Hubertusdag_ (3 Nov.) zoogenaamde _Hubertusbroodjes_ te laten wijden, +zooals in Vlaanderen en Limburg geschiedt. Volgens de legende was +de H. Hubertus, eerste bisschop van Luik, een hartstochtelijk +jager. Vandaar, dat hij als patroon der jagers geldt en tegen +de hondsdolheid wordt aangeroepen. In België zijn onder het volk +bezweringsformules gangbaar als deze, om de dolle honden af te weren: + + + Ik kwam al over Sint-Huibrecht zijn graf, + Zonder stok of zonder staf; + Kwaden hond, sta stille: + Het is Sint-Huibrechts wille. + + + + +HET PRIVAATLEVEN. + + +I. Geboorte, doop, kindsheid. + + +De _geboorte_ van het kind is met gulden sprookjesdraden omsponnen. De +ooievaar brengt ze, de heilige vogel, die volgens zijn naam zelf "met +geluk komt", de _heil-över,_ zooals hij in den Achterhoek heet. Hij +haalt ze met zijn snavel uit den vijver, evenals op de weilanden de +spartelende kikkertjes uit de slooten: + + + Eibert, eibert, langebeen, + Waarom is je poot zoo kleen? + Waarom is je bek zoo lang?-- + Omdat 'k altied kikkers vang. + + +Daar bij zijn komst in het land de groei- en teelkracht in de +natuur zich openbaren, verwacht men dan ook de geboorte van het +jonge menschenleven: + + + Ooievaar, + Lepelaar, + Takkedief, + Ooievaar heeft de kindertjes lief. + + +Te Kuilenburg zingt men: + + + Ooievare klep, + Met je langen bek, + Met je lange pooten + Ga je over slooten, + Ga je over 't huis: + Breng me een broertje of een zusje thuis. + + +De ooievaar brengt heil en zegen. Waar hij op het huis zetelt, woont +geluk; wie een ooievaarsnest op zijn dak heeft, wordt benijd en een +misdaad is het, zulk een nest uit te halen. Niet alleen in Westfalen +en de Rijnprovincie, ook in Nederland is hij populair, is hij haast +een nationale vogel geworden, vooral in het waterrijke Noorden. Hij +brengt voor broertjes en zusjes de "muisjes" mee. Vergel, bl. 85. + +Maar de kinderen komen ook uit bronnen, putten, vijvers of uit +den watermolen, en wel volgens een Oudgermaansche opvatting, +dat nl. het leven uit de bronnen komt en na den dood ook weer tot +bronnen en vijvers terugkeert. Wij ontmoeten hier den bronnenkultus, +zoo populair bij de Franken, Saksen en Friezen; hij verklaart tevens +de verhouding, waarin Holda als godin der geboorte en des doods +tot de bronnen staat. In zijn diepste wezen berust hij op wijding en +symboliseering der animale vruchtbaarheid en levenskracht. Te Deventer +komen de kleinen uit den Hoenderput, te Almeloo uit den Kloosterput, +in de stad Groningen uit de _Woalpudde_, de pomp in 't wijde van de +Heerestraat; in de Zaansche dorpen uit de watermolens, in het Oldambt +van Groningen uit den Dollard. Elders vinden wij sporen van het oude +volksgeloof, dat de bewoners van het zielenrijk over water in een +schip het land der levenden bereiken. Zoo komen in sommige deelen +van Friesland de kinderen uit de Wouden, en de kraamvrouw doet een +Woudreis om ze te halen in een scheepje met een wit zeiltje en een +paar witte zwaantjes er voor. Te Amsterdam komen zij overgevaren +uit de Volewijk, in de Beemster worden zij met een schuitje uit den +rietschoot gehaald. Te Hekelgem (Z.B.) gaan de kinderen kijken in +het Kluizeputteken van O.L. Vrouw-ter-kluis om te zien, of er geen +kindje in ligt. Of wel ze leggen zich met het oor op den rand van +den put en denken dan soms kindergeschrei te hooren. + +Eindelijk, ook de vegetatie openbaart jeugdige levenskracht, en daarom +komen de kinderen uit holle boomen, groeien in de boomen, komen uit +de kool en andere planten. In de Friesche Wouden en vooral ook in +Noord-Holland groeien zij in de boomen als appelen en roepen dan: + + + Pluk mijn! pluk mijn! + 'k Zal alle dagen zoet zijn. + + +De holle boomen zijn kinderen-telend in sommige gedeelten van +Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Groningen en +Friesland. Te Utrecht werden de kinderen uit den Munnekenboom +geschud, een zeer ouden lindenboom in den tuin van het vroegere +Karthuizerklooster aan de Vecht buiten de Weerdpoort. In België laat +het volksgeloof ze veelal groeien aan rosmarijnstruiken. Waarom juist +aan rosmarijnstruiken? Zeker is het niet toevallig, dat het jeugdige +echtpaar bij voorkeur met rosmarijn is getooid en dat "de slag met de +levensroede", die, zooals wij zagen, vruchtbaarheid beoogt, veelal met +rozemarijnstengels wordt toegediend.--Wellicht moeten de holle boomen +echter anders beoordeeld worden dan de gewone boomen, en zag men in +hen slechts een toegang tot de geheimzinnige onderaardsche wereld. + +Laat ik hier ten slotte aan toevoegen, dat de kinderen ook door dokter +of vroedvrouw gebracht worden, of door de ouders worden gekocht, +b.v. in missielanden. Zie hierover vooral Boekenoogen, Volkskunde XXII, +bl. 18, 143, 193; XXIII, bl. 29; Knappert, Folklore, bl. 188 vlg.; +Utrechtsche Volksalmanak, 1853, bl. 2 vlg. + +Vrouwen in gezegenden staat ondervinden een bijzondere oplettendheid +van den kant der buurvrouwen en vriendinnen. Zij mogen geen leelijke +of vreemde dingen zien en moeten den aanblik van kreupelen en +roodharigen vermijden. Wordt het kind geboren met hazenlip of ander +gebrek, dan is dit hoofdzakelijk te wijten aan de onvoorzichtigheid +der moeder tijdens haar zwangerschap. Tot haar omgeving staat zij in +sympathetisch verband: een boom, die voor het eerst vruchten draagt, +zal overvloediger dragen, als een vrouw in den tijd der verwachting +van de vruchten eet. Verder is het een algemeen verbreide meening, dat +het zeer verkeerd is gedurende de zwangerschap waschgoed op te hangen, +onder een drooglijn door te loopen, met de armen boven het hoofd te +slapen. Over deze en dergelijke volksopvattingen zie vooral M. A. van +Andel, Volksgeneeskunde in Nederland (Utrecht 1909), bl. 105 vlg. + +De vertraging der geboorte en het verstrijken van den barenstijd, +naar berekening, wordt veelal toegeschreven aan den invloed der maan: +"Zij zal de nieuwe maan, het eerste kwartier afwachten", ineenen +de buurvrouwen. + +Wordt het kind met een stuk der vliezen over het hoofd geboren, +met "den helm", dan is het _beeldwit_ (blijkbaar een verbastering +van het Middelnederl. _belewitte_, zie bl. 67): zoo iemand kan +voorspellingen doen omtrent sterfgevallen, branden en het vergaan +van schepen. Sommigen, die met den helm geboren zijn, moeten 's +nachts opstaan, om de hekken te openen voor een lijkwagen. De helm +en navelstreng spelen ook als toovermiddel in onze landen zoowel +als elders een niet onbeduidende rol in het volksgeloof; zie vooral +M. Sabbe in Volkskunde XXIII, bl. 91 vlg.; en R. Meringer in Wörter +und Sachen, V, bl. 43 vlg. Ook Zondags- en Kerstkinderen kunnen in de +toekomst zien; het zijn gelukskinderen, evenals de Woensdagskinderen; +Vrijdagskinderen sterven spoedig. Kinderen met een dubbele kruin +worden knap of koppig. De roodharigen zijn "van God geteekend" en staan +aan plagerij en bespotting bloot: "Rood haar en elzenhout groeien op +slechten grond", meent het volk. Zie Prof. J. W. Muller, Volkskunde +XIX, bl. 8; Prof. Verdam, Handel. en Mededeel. v. d. Maatschappij der +Nederl. Letterkunde te Leiden 1897--98; H. Heuvel, Driem. Bladen II, +bl. 8. + +Terstond na de geboorte ontvangt in katholieke streken het kind +den vaderlijken zegen. De baker geeft het eerste bad en met dit +badwater worden in Duitschland jonge boompjes begoten: zóo, als +het boompje groeit, zal ook het kind groeien en gedijen. Dit hangt +samen met de opvatting, dat het leven van den mensch als het ware +een dubbelganger heeft in het vegetatieve leven van een boom, die +al zijn lotsbeschikkingen deelt of zelfs bepaalt: een opvatting, die +stoelt op de animistische voorstelling eener wezenlijke overeenkomst +tusschen de plant en den mensch. Vandaar het planten van den levensboom +bij de geboorte, een gebruik, vooral bij de Zuid-Slaven in zwang +en door Fr. Krauss in zijn Volksglaube und religiöser Brauch der +Südslaven (Munster 1890), bl. 32 vlg. zoo treffend geschetst. Ook +bij de huwelijksgebruiken speelt deze levensboom een rol. In het +Limburgsche is dit veelal een eik, beuk of vruchtboom, al dreigt +het gebruik thans uit te sterven; en ook in menig Vlaamsch dorp +kent men nog het geboorteboompje, doorgaans door den vader in den +tuin geplant, als zijn vrouw hem een telg schenkt: dit boompje zal +mèt het kind, als zijn evenbeeld, opgroeien en bloeien, om eenmaal +te verdorren. Voor jongens kiest men een noten- of appelboom, voor +meisjes een pereboom. Is het een goed noten- of appeljaar, dan worden +veel jongens geboren; zijn de peren overvloedig, dan komen veel +meisjes ter wereld. Ik herinner nog aan de treffende spreekwijze: +"zijn levensboom verdort." Zie Is. Teirlinck, De Plant--een levend, +bezield, handelend wezen (Gent 1892); Bloeiende Reuzen (Rousselare +1886). De vroedvrouw (_wiezemoêr, wiesvrouiv_), die den geneesheer +vervangt, is ook meestal zeer bedreven in de lotsvoorspelling van +den pas geborene. De baker laat het kind kijken en strijkt daarvoor +de gebruikelijke fooien op.--En nu, voorzichtig! De kleine mag niet +op de linker zij worden gelegd, anders wordt hij linksch; men mag +niet over de wieg heen reiken, waar hij slaapt; men mag niet met een +ledige wieg wiegen, dat verijdelt de nachtrust, òf het kind sterft. Het +mag niet gemeten worden, anders meet men zijn doodkistje. Houdt het +zijn vuistjes gesloten, dan wordt het gierig; houdt het ze open, dan +wordt het vrijgevig. Van een stuurschen, onwilligen jongen zegt men +in Limburg; "hij is overkops gewiegd". Ook moet de moeder de nagels +van den jonggeborene afbijten, anders leert hij stelen. Het afknippen +der nagels en der haren, het baden, enz., hetgeen bij de natuurvolken +dikwijls als ritueele handeling beschouwd wordt, behoort tot de +zoogenaamde scheidingsgebruiken, die ten doel hebben, ook een inwendige +scheiding te bewerkstelligen; zie hierover vooral A. Van Gennep, +Les rites de passage (Paris 1909), _passim_; Paul Sartori, Sitte und +Brauch 1 (Leipzig 1910), bl. 18. De scheidingsgebruiken vormen mèt +de opname-gebruiken in hoofdzaak de groep der overgangsgebruiken, +die den overgang van den eenen toestand tot den anderen, van de eene +sociale groep tot de andere, plegen te kenmerken; bij de volken met +lagere kultuur zijn zij meestal in magisch-religieuze vormen gehuld. + +Wanneer ik nu zeg, dat tot onze opname-gebruiken in de +allereerste plaats _het doopsel_ en de naamgeving behooren, +bedoel ik allerminst, hierin een criterium voor lagere kultuur te +ontdekken. Integendeel! Immers het lagere ligt niet in het religieuze, +maar in het magico-religieuze,--het _lagere_, zonder dat hierdoor iets +ten gunste van de prioriteit dezer kultuurlaag wordt beslist. Peter en +meter worden doorgaans genomen uit de naaste bloedverwanten. Veelal +geeft de peter aan het kind zijn naam en beschouwt dit als zijn +recht; geeft men het kind den naam der ouders, dan sterft het vóor +de ouders. Het erft de hoedanigheden van peter en meter; ook neemt +de doodstrijd van iemand, wiens meter nog leeft, geen einde, zoolang +deze niet aan het ziekbed verschijnt. Bij den doop van den eersten +zoon is gewoonlijk de mansvader peter, bij den doop van het eerste +meisje de vrouwsmoeder meter. + +Ongedoopte kinderen zwerven na hun dood als dwaaltochten rond boven +de moerassen of vormen een deel van de Wilde Jacht. Kinderen, die, +gedoopt zijnde, sterven, worden engeltjes: in Duitschland kent men +den _Engelgarten_, de begraafplaats van gedoopte kinderen. + +Kinderzegen beschouwt men in Groot-Nederland, althans op het platte +land, grootendeels nog als geluk en als eere, al is het treffende +Boheemsche spreekwoord onbekend: "Zooveel kinderen de vrouw heeft, +zooveel sporten komt zij den hemel nader". + +Het doopkleed wordt in vele families zorgvuldig bewaard. Nog bestaan +kanten doopkleeden van groote waarde in sommige families, waarin +vijf geslachten ten doop gedragen werden. Peter en meter plachten +eertijds aan hun petekind een _pillegift_ te schenken, een woord, dat +nog voortleeft in het Westvlaamsche _villegift_: een gouden penning, +zilveren lepel, of iets dergelijks. + +Natuurlijk gaan geboorte en doopsel ook met de noodige feestelijkheden +gepaard, "'t Kind verdrinken", noemde men voorheen het feest voor +de buurvrouwen. Ook het _doopmaal_ was vast gebruik. In België +wordt na den doop de noodige _kindersuiker_ gekocht, om deze aan de +buurtjeugd uit te deelen; en ook in Noord-Nederland worden buren, +vrienden, magen, die "het kindje komen kijken", plaatselijk nog op +_suikerdebol_ onthaald. Te Weert eet men een soort wittebroodsbollen, +_lommerten_ genaamd. "Het kindje gaan zien" is op menig Limburgsch dorp +synomien geworden van: een glaasje gaan drinken in een herberg zonder +vergunning. Het gewoon onthaal bestaat echter in koffie, wittebrood en +beschuit, bestrooid met suikerkorrels: _sòkerkörkes_ of _muisjes_, +wit en rood, wat nog met de sekse in verband wordt gebracht. De +Friesche term is _poppebak_, en men vertelt, dat de _lytse pop_ +(het kraamkind) zulke _bakken_ heeft meegebracht. Of wij hierin een +overleefsel van offergaven moeten zien, durf ik niet uitmaken. + +Een ander gebruik is dit, dat gedurende negen dagen, die de bevalling +volgen en waarin de kraamvrouw het bed moet houden, de buurvrouwen +en vriendinnen, veelal gezamenlijk, haar komen bezoeken en het een +of ander ten geschenke meebrengen; dit heet in Limburg: _met den +eierschoot gaan_, in Noord-Brabant: _met den krommen arm_ of _de kromme +slip gaan_. Ook in het noordelijk gebied kent men _kraamschudden_; +het geschenk bestaat gewoonlijk in krentebrood. Te Brugge heet dit +gebruik _prijken_, elders _paanderen_, ook _te paanderinge_ of _te +pronkinge gaan_. + +Na een bepaalden dag houdt dan de moeder den kerkgang, en wel in +navolging van Maria, die het voorschrift der Joodsche wet nakwam, +waarvolgens de vrouwen, veertig dagen na de geboorte van een zoon, +zich tempelwaarts moesten begeven ter reiniging en om het kind +aan den Heer op te dragen. De kraamvrouw wordt op dezen gang door +de buurvrouwen vergezeld; na afloop van de plechtigheid heeft in +katholieke streken dan voorgoed de traktatie op koffie en stoete, +en brandewijn met rozijnen of kraamanijs plaats, die den naam van +_kindjeskermis_ of _kindjeskoffie_ draagt, en beantwoordt aan het +Drentsche _wievemoal_ en de Friesche _wievedei_. De Westvlamingen +heeten dit de _koffiebale_. Met jonge vrouwen, nog niet moeder, wordt +bij die gelegenheid wel eens wat gesold; men geeft ze schijnbaar een +eereplaats en zij krijgt den kleine op den schoot. In Friesland nam +dit gekscheren enkele malen een ruwen vorm aan; zie Waling Dijkstra, +Uit Friesland's Volksleven I, bl. 222. Deze traktatie wordt ook wel +_kinderbier_ genoemd; hierin heeft _bier_ natuurlijk een algemeene +beteekenis, die wij nog herhaaldelijk zullen ontmoeten. + +De ziekten van het kind gedurende de eerste levensjaren worden vaak +aan beheksen toegeschreven: stuipen, mazelen, kinkhoest, Oude Man +(_rachitis_) enz. Maar het volk weet raad en heeft voor al die kwalen +geneesmiddelen, waarop ik bij de behandeling der Volksgeneeskunde terug +kom. Over het algemeen maakt men een veelvuldig gebruik van amuletten, +b.v. een snoer pioenzaden, een rozenkoortje (rood katoenen koordje), +een kettinkje van lijsterbessen enz. tegen stuipen en moeilijke +doorbraak der tanden. Eigenaardig is in België de vereering van +_Sint Jan den Grijzer_ of _Krijter_ (Sint Jan in den Olie) en van +_O.L. Vrouwe ter Ruste_ tegen het schreien en woelen der kinderen +(sympathie). + +Een heuglijke gebeurtenis is het doorbreken van den eersten tand. Op +meer gevorderden leeftijd werpt het kind doorbrekende melktanden of +ook andere tanden over het hoofd en zingt daarbij: + +Zuid-Holland: + + + Onze Lieve Heertje, + Daar hebt U een oude tand, + Geef me weer een nieuwe tand, + Die er vaster in staat, + En er niet meer uit gaat. + + +Sluis: + + + Vleremuis + Kom 't avond t'huis, + Breng mijn nieuwen tand t'huis. + Mijn oude is versleten, + Mijn moeder mag 't niet weten, + Mijn vader heeft geen geld, + Heeft het al op hoopen gesteld. + + +Tiel: + + + Muis, muis, gimme een tand, + Die der noot meer uit kan. + + +Vlaanderen: + + + Muize--muize--manneken, + Geef mij een ander tanneken, + Liever 'nen tand van been, + Als eenen van steen. + + +Dat de muis, het knaagdier, hier als sympathetisch tooverdier geldt, +is duidelijk. Als merkwaardigheid zij vermeld, dat soortgelijke +formules, waarin de muis voorkomt, in gebruik zijn in Brandenburg, de +Rijnprovincie, Tirol, Würtemberg, Hessen, Baden, Pruisen, Bohemen, +Galicië, Bukowina en Rusland. Zie Van Andel, Volksgeneeskunst, +bl. 142 vlg. + +Nu meene men echter niet, dat alleen tooverij en bijgeloof hun +schepter zwaaien over de prille dagen der kindsheid. Het is waar, +geen tijdperk wellicht in het menschelijk leven wordt zóo door +traditioneele vormen en leefregels beheerscht, die wortelen in het +meest primitieve volksgeloof. Maar den boventoon voert toch koesterende +moederliefde en blijde vadertrots, aldoor geprikkeld en gevoed door de +hulpbehoevendheid van den kleinen lieveling. Wie in deze eerste dagen +de gezellige huiskamer met haar gulden innigheid, haar guitig wiegje, +welhaast haar drukken kinderstoel, van zonneglans en zonnewarmte doet +tintelen,--het is de kleine dwingeland in het hagelwitte linnen, +waarin hij reeds zoo lang werd verbeid en dat de Hollandsche en de +Vlaamsche moeder in de blijde dagen harer verwachting met moederweelde +en vreugde-kloppend hart heeft toebereid. Hoe teekenend en hoe innig, +hoe berekend voor de luistergrage oortjes, die naïeve _wiegeliedjes_, +met hun beperkte notenbeweging en hun rijkdom aan klankgehalte, +waarin de rythmische wiegbeweging, maar ook moederlijke bezorgdheid +en liefde zoo duidelijk hoorbaar doorklinken: + + + Slaap, kindje, slaap! + Daar buiten loopt een schaap, + Het heeft vier witte voetjes, + Het drinkt zijn melk zoo zoetjes, + Slaap, kindje slaap! + + +Of: + + + Het heeft zoo'n witte wol + En 't drinkt zijn buikje vol. + + +Dit ver verspreid wiegeliedje vinden wij met talrijke varianten in +de verschillende dialekten; zoo b.v. in het Limburgsch: + + + Sloap, kieneke, sloap! + Die vader heuit et schoap, + Dien moder heuit de bonte koe, + Kieneke, maak dien eugskes toe, + Sloap, kieneke, sloap! + + +Een enkel maal behelst het een ontboezeming: + + + Suja, poppedeine, + 't Kindje is nog kleine, + 'k Wou, dat 't kindje grooter was, + Dat kwam moeder wel te pas. + + +Een in Twente en op de Veluwe zeer bekend deuntje luidt: + + + Suja, suja, kindje, + 't Papje steet in 't spintjen, + Melkje van de bonte koe, + Kindje, doe je oogjes toe. + + +Hoeveel naïeve moederzorg ligt niet in 't Twentsche: + + + Suja, suja, lutke wicht, + Sloape zeute, eugskes dicht. + Hunnewiêve, 'k zal diê sloan, + Kumst du biê de huja stoan. + + +Tot de meest gewone Vlaamsche wiegeliedjes behoort wel: + + + Do, do, kinneken, do, + Slaap en doet uw oogskes toe, + Hebde geen vaak, ge moet nie slapen, + Hebde geen honger, ge moet nie gapen, + Do, do, kinneken, do. + + +Maar de wiegeliedjes zullen spoedig verdwijnen, nu de bovenkultuur +het wiegen onhygiënisch verklaart. En zal het met de groeiende +beschaving ook niet spoedig verdwijnen, het heerlijk-innige, over +geheel West-Europa verspreide, kindergebed? + + + 's Avonds als ik slapen ga, + Volgen mij veertien engeltjes na: + Twee aan mijn hoofdeind, + Twee aan mijn voeteneind, + Twee aan mijn linkerzij, + Twee aan mijn rechterzij, + Twee die mij dekken, + Twee die mij wekken, + Twee die mij wijzen + Naar 's hemels paradijzen. + + +In een spreukenverzameling uit de XVe eeuw wordt het reeds als +oud gebed betiteld; zie hierover o.a. Karl Wehrhan, Kinderlied und +Kinderspiel (Leipzig 1907), bl. 72. + +De moeder leert aldra het kind loopen en spreken. De leiband is, +evenals de loopwagen of loopkorf, in de laatste jaren in onbruik +geraakt. Wat het leeren spreken betreft, dient opgemerkt, dat dit +voor een groot deel onbewust geschiedt, maar ten deele toch ook +opzettelijk en volgens bepaalde beginselen: het vaak laten herhalen +van dezelfde klanken of lettergrepen, het vermijden van moeilijke +woorden of klankgroepen, het opzettelijk vervormen van woorden, +het zich aanpassen aan den lettervoorraad van het kind, enz. Zoo +kan men spreken van een voedstertaal, die de volwassenen vormen in +navolging der stamelwoorden van de kinderen. De eigenlijke kindertaal +is psychologisch hoogst belangrijk en heeft het tijdstip van de +ontplooiing der verstandelijke vermogens als grens. Reeds de taal der +kinderkamer is zeer merkwaardig en vormt een opmerkelijke groeptaal, +al is de sociale groep der kinderen op dien leeftijd nog betrekkelijk +onvast. Van bijzonder belang zijn de stamelwoorden, oorspronkelijk +zonder beteekenis, maar waaraan door de volwassenen uit de omgeving +een beteekenis wordt gehecht, als _ada_, _tata, toetoe_ enz., meestal +geredupliceerde vormen, alsmede de bestanddeelen der algemeene taal, +die in den kindermond een eigenaardige verandering ondergaan: _opoe, +botam_, (boterham), _mek_ (melk). Buitenmate rijk is deze periode +tot het maken van opmerkingen van psychologisch-maatschappelijke +aard. Het meest treffend is wel, dat de kinderen het best en het +vlugst van elkander leeren. Zie mijn rede over de Sociale klassieke +Taalkunde (Amsterdam 1912), bl. 14, 15. De kinderrijmpjes bespreek +ik afzonderlijk in het Vijfde Hoofdstuk. + +Wordt het kindje grooter, dan neemt moeder het op haar schoot, en nu +mag de kleine huppelen en hossen op de maat van het schootliedje: + + + Hop, Marianneke + Pop, Marianneke + [of: Stroop in het kanneke] + Laat de poppekes dansen, + Een goeie man, + Een brave man, + Een man van complaisance. + Hij roert de pap, hij wiegt het kind + En laat zijn vrouwke [hondje] dansen. + + +En dan, welk verrukkelijk genot, paardje te mogen rijden op vaders +of grootvaders knie; in het vlugge rythme hoort men het galoppeeren +van het paard: + + + Húp páardje óp een dráf + Mórgen ís het Zóndág. + Dán kómen de héerén, + Mét de bónte kléerén, + Dán kómen de vróuwén, + Mét de bónte móuwén, + Dán kómt de ákkermán + Mét zijn páardje áchterán. + + +Elders luidt het: + + + Hup, paardje, meulen, + De koster zit op 't veulen, + Pastoor zit op de bonte koe, + Die rijden naar de meulen toe, + Om een zakje haver, + Wat zal dat paardje draven, + Om een zakje mikken, + Wat zal dat paardje slikken, + Ja, ja, paardje, draf, + Morgen is het Zondag. + + +Vaak ook bezoekt men te paard de plaatsen in den omtrek; men lette +op de afwisseling van drie en vier heffingen: + + + Jóe, jóe, jóe, + Naar Hóorn óm een kóe, + Naar Álkmaar óm een várkén. + Zoo ríjden wíj naar Márkén, + Naar Márken óm een wágén. + Zoo ríjden wíj naar Schágén, + Naar Schágen óm een sjées. + Zoo ríjden wij náar de Bée(t)s, + Ván de Bée(t)s naar Ákkerslóot, + Óm een schóotje wíttebróod. + + +Nu vergelijke hiermee het Vlaamsche: + + + Juite, ko, mijn peerdje, + Naar Iper om e steertje, + Wilt da peerdje nie zee'der loopen, + 'k Zal 't e vatje met haver koopen; + Is er t' Iper geene, + 'k Ga van da na Meene; + Is ze te Meene goeie koop, + 'k Koope der tien of twaalf stoop. + + +Rupelmonde: + + + Juttekave ronde! + Van Gent noar Derremonde, + Van Derremonde noar Bevere, + Om e vat jenevere; + Van Bevere noar Kalloo, + Doar eten de pêrekens hoo(i). + + +Zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust IV, bl. 229 +(Wiegeliedjes), 250 (Paai- en Koozeliedjes), 291 (Kniedeuntjes); +Dr. Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 35 vlg., Dr. J. Van Vloten, +Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen (Leiden 1894), bl. 12 vlg. + +Thans begint het eerste onderricht: voorwerpen der naaste omgeving, +personen, lichaamsdeelen vooral krijgen de beurt, en schertsend +heet het: + + + Kinnetje knap, + Mondje hap, + Neusje snuit. + + +Maar vooral wordt aanschouwelijk en verhalend gewezen op het +onderscheid der verschillende vingers: + + + _Duimeling_ heeft een koe gekocht, + _Fikflak_ heeft hem thuis gebracht, + _Langeman_ heeft hem geslacht, + _Ringeling_ heeft de worst gemaakt, + En _Klein Schelmpje_ [met tallooze varianten] + heeft alles opgegeten! + + +Te Ieperen kent men den korteren vorm: + + + Dumeloot, + Kattepoot, + Langerake, + Korteknape, + Klein petietje. + + +Soms wordt de volgorde omgekeerd; aldus in het Hollandsche: + + + Pinkie, + Goûrinkie, + Langeliereboom, + Potteschrapper, + Ketellapper. + + +Zie hierover Volkskunde XVII, bl. 88 vlg. + +Het kindje wordt grooter, de gezichtskring verruimt zich, het verstand +ontluikt, naar alle richtingen steekt het zijn voelhoorns uit, de +sociale groep wordt omvangrijker en bestendiger, en uit den dreumes +groeit een jongen of een meisje. Het onderwijs op school wordt +voortgezet,--machtige, nu eens voortstuwende, dan weer stremmende +faktor in de volksontwikkeling van het kind. De taal is in hooge mate +aan de inwerking van dien faktor bloot gesteld, zij worden tweetalig, +terwijl hun kaste-geest zich treffend in de vele geheime taaltjes +en alfabetten openbaart. Ook de speeldrift komt in haar algeheele +volheid tot uiting in _kinderspel_ en kinderlust. + +Een enkel woord over het kinderspeeltuig der eerste periode. Natuurlijk +verandert dit volgens de landstreek en zijn b.v. molentjes, scheepjes +en boeiers in het noordelijk volksgebied heel wat veelvuldiger. Maar +meer nog houdt het speelgoed gelijken tred met sociale en ekonomische +ontwikkeling, met dit gevolg, dat het goedkoope, eenvoudige speelgoed +van vroeger door steeds duurder--maar niet duurzamer!--en ingewikkelder +speelgoed vervangen wordt, waarbij dan tevens de gedachte voorzit, +vooral leerzaam speelgoed te bieden. Men zou haast kunnen zeggen, +dat de kinderen vroeger meer speelden om te spelen, thans meer spelen +om te leeren. Poppen en bouwdoozen hebben zich doorgaans weten te +handhaven, maar vertoonen toch meer raffinement; poppen in nationale +kleederdracht worden zeldzamer. Den boventoon voeren, althans in de +steden, miniatuurspoortreinen, stoommachines, auto's, luchtschepen +enz. Tollen, ballen en hoepels behooren tot de kinderspelen der tweede +periode, tot de jongens- en meisjesspelen. De 183 nummers speelgoed +in het Museum van Folklore te Antwerpen (Catalogus, bl. 23 vlg.) zijn +in dit opzicht zeer belangrijk en leerzaam. + +Het heeft den schijn, alsof in de eerste periode meer met het kind +gespeeld wordt, dan dat het zelf speelt. Deze opvatting is onjuist: +het kind speelt intensief lang vóor het niet alleen hoepel en tol, +maar zelfs pop en hobbelpaard heeft leeren kennen. Daar bestaat een +periode van het _hoorspel_, waarin de kleine in de wieg luistergraag +let op den rammelaar, op het kloppen, tikken, spreken, fluiten, +zingen, rammelen van sleutels enz. Spoedig begint dan het kakelen +en schreeuwen, een schreeuwen zonder smartgevoel, alleen om den +speellust te bevredigen. Ook brengt het kind geluiden voort met +papier, sleutels, klapt in de handjes, werpt alle voorwerpen op +den grond om het speelgenot, ze te hooren rollen. Later maakt dit +pleizier in geraas en getier voor welbehagen aan welluidendheid, +voor een fijner hoorspel plaats. Daarnaast het _gezichtspel_. Behalve +het "licht"--en laat de moeder haar kind niet allereerst naar de +"lichtjes" zien?--neemt het slechts bewegingen waar. Daarna speelt +het met den slinger van de klok, met den damp, die opwalmt uit den +ketel, met den kronkelenden rook der sigaar, met de hoekige arm- en +beenbewegingen van den hansworst; en al spoedig wordt dit passieve +spel in een aktief omgezet. Eindelijk het _gevoelspel_, dat men ook +bewegingsspel zou kunnen noemen. Lachen, schreeuwen, kakelen schenkt +den kleine een behaaglijk gevoel, terwijl de organen worden geoefend en +in het bijzonder de spraakwerktuigen smijdig worden gemaakt. Allerlei +voorwerpen worden betast en beknabbeld, als pennehouders, gummi, +rammelaars. Hiertoe behoort ook het trappen op- en afklimmen, kruipen, +glijden enz. + +Aldus uit en ontwikkelt zich de vroeg ontwaakte, spoedig werkzame, +zich-zelf vormende en leidende speeldrift. Zij verwekt gevoelens +van lust en welbehagen, die de volwassene met zijn nuchter verstand +niet meer koesteren, zelfs veelal niet meer bevatten kan. Het kind +leeft als in een droomwereld, in een tooverland van fantasie, waarin +ook het stugste en meest bekrompen kind een rijkdom van begrippen, +van spraakvormen, van mimiek en pantomimiek vertoont, die vaak +verwondering wekken. Een groote faktor is de navolgingslust, die de +geheele maatschappij, in het klein, in miniatuurvorm, tracht weer +te geven: soldaatjespelen, schoolspelen, moedertjespelen--waarbij +dikwijls zulke fijnzinnige verschuiving der voorstellingen plaats +vindt--ja zelfs begrafenisspelen behoort tot de geliefkoosde thema's +(zie beneden). De voornaamste spelen zijn van socialen aard en worden +door de gemeenschap uitgevoerd, die al vrij dikwijls òf de jongens, +òf de meisjes afscheidt: zoo vindt ook reeds in het spel de neiging +tot differentiatie haar uiting, en met name de tegenstelling der +beide geslachten wordt met het jaar scherper. + +De grootste tijdsruimte der jeugd wordt ingenomen door het spel. Het +is veelsoortig, omdat ook de latere menschelijke werkzaamheid zoo +veelsoortig is. Het spelen van het kind is reeds berekend op het +handelen van den man: het is een voorschool van het leven. + +Over den oorsprong van de spelen kan ik kort zijn. Men heeft dien +in Indië, in Griekenland, te Rome en waar al niet gezocht. Het +bikkelspel vindt men vermeld bij Homerus (Ilias XXIII, 88); het +kiskassen,--waarbij gladde, platte steentjes, tusschen duim en +voorsten vinger gevat, beurtelings strijkend en opspringend over een +watervlakte vliegen--wordt merkwaardig overeenstemmend beschreven in +het _Onomasticon_ van Julius Pollux en in den _Octavius_ van Minucius +Felix. Maar hier is geen sprake van navolging of gemeenschap van +oorsprong, tenzij men als zoodanig de algemeene kinderlijke speeldrift +wenscht te beschouwen. Dit neemt niet weg, dat enkele kinderspelen +van elders komen, of op eigen bodem, gedurende eeuwen, van geslacht +op geslacht zijn overgegaan, zoodat zij nog maatschappelijke vormen +bewaren, welke de maatschappij der volwassenen reeds lang heeft +afgelegd. Ook in de bijbehoorende rijmpjes kan menig overleefsel +besloten liggen. Zoo is in vele aftelrijmen sprake van "Engelland", +"naar Engelland varen": hiermee wordt bedoeld het zielenrijk, het +Oudgermaansche hemelsche lichtland. + +Niemand heeft grondiger en vollediger, en tevens met meer toewijding de +kinderspelen onderzocht dan De Cock en Teirtinck in hun standaardwerk: +Kinderspel en Kinderlust, 8 dl. (Gent 1902-1908); zie verder Ter Gouw, +De Volksvermaken, bl. 28 vlg.; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, +bl. 412 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 225 +vlg. Kinderspelen, die met speelliedjes gepaard gaan, bespreek ik in +het Vijfde Hoofdstuk. + +Men heeft dikwijls de meening geuit, dat de verschillende spelen +geregeld en op gezette tijden in de verschillende jaargetijden +terugkeeren. Dit blijkt slechts ten deele juist. Een groot aantal +spelen is noch aan maanden, noch aan jaargetijden gebonden. Met de +auteurs van Kinderspel en Kinderlust nemen wij bij de rangschikking +als grondslag den aard van het spel zelf. En zoo onderscheiden +wij, vrijwel in overeenstemming met hun indeeling: loopspelen, +springspelen, dansspelen, werpspelen, ambachtspelen, raadspelen, +schommelspelen, knikkerspelen, tolspelen, hoepel- en vliegerspelen, +sneeuw- en ijsspelen. + +Loopspelen. Het _steltloopen_ was reeds bij de Grieken en Romeinen +bekend. Vroeger hadden op verscheidene plaatsen gevechten op stelten +plaats; thans verbindt men hier of daar nog het soldaatjespelen +met het stelten loopen. In Vlaanderen spreekt men van _schaatsen_ +en _krikken_.--Zeer algemeen is het _krijgertje-spelen_, op +de eilanden van Zuid-Holland ook wel _Jaagje-spelen_, elders +_haarvaartje-spelen_, Limb. _naloopertje-spelen_, België meestal +_katje-jagen_ geheeten.--Overoud is het _boompje-verwisselen_ of +_stuivertje-wisselen_, in België meestal _vierhoeken_ genoemd. Van +de vijf spelers houden vier een hoek, een boom, een paal b.v. bezet, +terwijl bij het wisselen de vijfde moet trachten, een der vrij komende +plaatsen in te nemen. Te Zaandijk roept men, als men met een ander +van plaats wil verwisselen: "Wip hem, soldaatje." In Limburg: "Eeder +van zien alt-alt iêzer aaf." Vergelijk hiermee het Brunswijksche: +"_Iser_männeken, hat kein stänneken, kann kein stänneken finnen." Laat +ik verder noemen het _haasje_- en _blindemannetje-spelen_, wat +dikwijls met rijmpjes gepaard gaat. Overal bekend, en een echt +jongensspel is het _baarspel_; de speelplaats is door twee lijnen +of _baren_ in twee kampen, met een gevechtsterrein daartusschen in, +verdeeld. Wie geraakt (_getakt_) wordt, is krijgsgevangene; hij moet op +de baar staan, maar kan door zijn partijgenooten verlost worden. Het +_verstoppertje-spelen_ heeft tallooze varianten; ik vermeld slechts +het Limburgsch _bergermuuske-speulen_, het Zaansche _honk-uit_, het +Geldersche _piepverstoppen_. De _honk_ is de vrijplaats, die bij deze +spelen gewoonlijk wordt afgebakend of aangewezen. Een mythologischen +ondergrond meent Dr. Boekenoogen (Navorscher 1891, bl. 107 vlg.) te +kunnen waarnemen bij het spel van _den wolf en liet schaaf_, in +Friesland _de zwarte leider_ of _de ruige wolven_ genoemd. Aan de +Zaan luidt de tweespraak tusschen den leider en den wolf als volgt: + + + Wolf.--Herder, laat je schaapjes gaan! + + Herder.--Ik durf niet. + + Wolf.--Waarom niet? + + Herder.--Van den ruigen wolf niet. + + Wolf.--De ruige wolf is gevangen + Tusschen twee ijzeren tangen, + Tusschen zon en maan, + Herder laat je schaapjes gaan! + + +De dikke, ruige wolf, gevangen tusschen zon en maan, zou Fenrir, de +zoon van Loki zijn, die in wolfsgestalte de Asen vervolgde en eindelijk +gevangen en tusschen twee rotsen werd vastgeklemd. Waarschijnlijker +gaat dit spel rechtstreeks op een sprookje terug; maar heeft dit +sprookje zelf geen mythologischen grondslag? + +Springspelen. Bij het _haasje-over_ springen tracht elk speler op beurt +over al de andere, die voorovergebogen staan met de handen op de knie, +heen te springen; bij het _bok-sta-vast_ staat een jongen met den rug +tegen een muur, een tweede legt het hoofd in diens gevouwen handen in +gebogen houding en een derde, een vierde enz. staan, den rug biedend, +tegen hem aan. De beste springer wipt nu over hem heen, zoo ver hij +kan, dan volgen de anderen. Het _hinkspel_ wordt meer door meisjes +dan door jongens gespeeld. Op den grond trekt men een bepaalde figuur +met verscheidene vakken en de speler moeten nu het hinkhout van het +eene vak naar het andere voortschoppen. Het voorlaatste vak heet +in België meestal _helle_ of _halve hemel_, het laatste _hemel_; +in Baden heet het voorlaatste _Ruhe,_ het laatste _Himmel_. + +Dansspelen. Zoowel bij het eenvoudige dansen, als bij het +_ronde-dansen_, het _reidansen_ en het _touwtjespringen_ wordt een +groote verscheidenheid van speelliedjes gezongen, te behandelen in +het Vijfde Hoofdstuk. + +Werpspelen. Het kiskassen kwam reeds ter sprake; andere benamingen +zijn: _stipstappen, botjes-schieten, briezelen, dopperen, keilen, +kietelen, schiffelen (schievelen_) enz. Insgelijk zeer oud schijnt het +_boeren (boer-pas-op_), waarbij een kleine steen, de _boer_, volgens +bepaalde regels, van een grooteren moet afgeworpen worden. Het Friesche +_tipelen_ geschiedt niet een kort stokje, dat aldus op een steen wordt +gelegd, dat men het kan doen opspringen, door er met een langer stok op +te slaan. Of wel, het korte stokje wordt over een kuiltje gelegd en met +den langen weggeslingerd; de tegenpartij tracht dan het vliegend stokje +op te vangen. Ook in Groningen kent men dit spel, zie Driem. Bladen IX, +bl. 63. Aan de Zaan heet het _puntelen_ of _priegelen_, in Hollandsch +en Belgisch Limburg _pinkelen_, terwijl de algemeene Belgische benaming +_anjelus-spelen_ is. Veel varianten biedt ook het _op-de-streep-gooien_ +met centen of knoopen, van de _meet_ af naar een andere lijn, de +_schreef_; België: _overschieten_, Limburg: _steken_, Zaan: _botten_, +Friesland: _opsmijten_, Gelderland: _pleien_. Maar merkwaardiger is het +overal bekende _kruis-of-munt-spelen_, vooral wegens de verschillende +benamingen der beide zijden van het muntstuk; zoo b.v. Zuid-Limburg: +_haan_ of _plaat_; Antwerpen en Vlaanderen: _kop_ of _letter_; +Leeuwarden: _kop_ of _luw_; Gelderland: _menneken_ of _letterken_; +Vriezenveen: _meunte_ of _misse_; enz. Het Vlaamsche _teppeke-schieten_ +heet in Limburg _stöpke-schieten,_ en aan de Zaan _tukkelen_. + +Balspelen. De _kaatsbal_ is in Noord-Brabant onder den naam van +_kwatsbal_, in Hollandsch Limburg onder dien van _prikkebal_, in +de Kempen als _pakkebal_ bekend. Bij het gewone kaatsspel staan +gemeenlijk vijf spelers in elk kamp; de bal wordt opgeslagen en de +tegenpartij tracht hem te keeren.--Ook maakt men vaak zooveel kuiltjes +als er spelers zijn. Elk speler tracht een bal in een der kuiltjes +te werpen; en nu is het de taak van den speler, in wiens putje de bal +terecht komt, den bal te grijpen en een der wegvluchtende spelers te +treffen. Hij, die geraakt wordt, krijgt een steentje in zijn kuiltje, +en eveneens als de achtervolgende speler met werpen mist. In plaats van +kuiltjes bezigt men dikwijls een hoed of pet, hetgeen invloed heeft op +de benaming. De gewone straf is, dat men door de _roffel_ (de _brits_, +de _spitsroe_, de _kordons_, de _stommeling_) loopen moet.--Een zeer +aangenaam spel, met veel afwisseling, maar dat zelden meer gespeeld +wordt, is het _beerhoeden,_ waarbij een der spelers een grooten bal +in het grootste kuiltje tracht te drijven, hetgeen de andere spelers, +die hun kleiner kuiltjes hoeden, met hun stok trachten te beletten. In +Noord-Brabant noemt men dit balspel _killen_, in België doorgaans +_zogdrijven_ of _zogspelen_, zoo ook plaatselijk in het Oosten van +ons land en in Limburg, b.v. te Doenrade, waar evenals in België de +_zogput_ bekend is. _Raket-_ en _kolfspel_ zijn voldoende bekend. + +In het _bikkel_- of _pikkelspel_ kan men twee spelen onderscheiden: +een meisjesspel, het eigenlijke _bikkelen_, en een jongensspel, +ook wel _kooten_ geheeten. Het speeltuig verschilt insgelijks: dat +der meisjes is de schaapskoot, terwijl de jongens bij hun spel de +kooten der koeien gebruiken. Er bestaat een groot aantal benamingen, +en wel voor den bikkel zelf, alsmede voor de vier verschillende +zijden. Terwijl nu bij het meisjesspel tijdens het opspringen van +den stuiter of bal de bikkels moeten omgekeerd of opgenomen worden, +wordt bij het kooten--een specifiek Noord-Hollandsch spel--door de +spelers met een koot (of _klauw_) naar een rij knikkers gegooid; +zie Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal, _sub verbo_; Terwey, Taal en +Letteren III, bl. 47. + +Al deze spelen dreigen verdrongen te worden door het uitheemsche +_voetbal-, korfbal-, lawn-tennis-, cricket_- en _croquet_spel. + +Balspelen. Het bekende _kegelen_ noemt Ter Gouw "den aanval op een +_bataillon carré_, met den bevelhebber in 't midden, wien men voorkeur +poogt te treffen." Vroeger was het ook in Holland vrij algemeen; +thans wordt het meestal in Vlaanderen, Noord- en Zuid-Brabant en +Zuid-Limburg gespeeld. De _koning_ heet te Brussel _de dame_, elders +_de paap, de pee, de zot_ enz. Het _beugelspel_ is in Noord-Brabant en +Noord-Limburg inheemsch, een zeer hygiënische oefening, die bij goede +spelers heel wat vaardigheid en kombinatiegave vereischt. Soms dagen +enkele beugelbazen de spelers van een ander dorp uit. Na bepaald te +hebben, wie de strijders zijn, en hoeveel partijen zullen gespeeld +worden, begint de wedstrijd. Winnen de uitdagers, dan worden de +_slagers_ der tegenpartij meegenomen en men spreekt af, wanneer de +verliezers revanche zullen nemen. + +De ambachtspelen berusten hoofdzakelijk op den besproken socialen +lust ter navolging of nabootsing. Ik vermeld het bakker-, +kleermaker-, schoenmaker-, weverspelen; paardenbeslaan- en +koetsierspelen; kruiwagen-rijen; huisjes en ovens bouwen in het zand; +tuintjes-aanleggen; _zage-zage-menneke_, met bijbehoorend speelliedje; +botermelk-verkoopen; winkeltje-spelen; schoolspelen; altaarprocessie- +en kerkhofspelen; soldaatje-, muzikant-, rechtbank-spelen. Dikwijls +zijn verscheidene bedrijven in éen spel verbonden en spreekt uit +handeling en dialoog heel wat dramatische kracht. Meisjes spelen +graag moedertje met de pop; over het bruidje-spelen zie 't Daghet in +den Oosten XIX, bl. 42. Zeer typisch is ook de neiging om gebreken +na te doen, vooral scheel-kijken en mankepoot-spelen. + +Raadspelen. De eenvoudigste vorm is deze, dat een kind éen of meer +knikkers (centen enz.) in de dichtgeknepen hand houdt, deze vooruit +steekt en laat raden: _paar of onpaar?_ Raadt men juist, dan zijn +knikkers of centen verbeurd; anders ontvangt het kind evenveel van +zijn speelgenoot. In West-Vlaanderen vraagt men: _effen of ontjes_ +(oneffentjes); in Friesland: _even of on_; Amstelland: _onkes of +evekes_; Zaanstreek: _onk of eef_; Limburg: _paar of omp_; Gelderland +en Overijssel_: paar of ompert_. Als algemeen Nederlandsch geldt: +_even of oneven_. Het _omsteken_ is meer algemeen, n.l. door het +vooruitsteken van de hand en het raden naar den inhoud bepalen, +wie van de twee spelers iets hebben zal, wie met iets beginnen mag enz. + +Van andere spelen vormt het raden een belangrijk bestanddeel, +b.v. van _Hansje-mijn-knecht_ (Groningen, Deventer, Friesland), +dat vrijwel met het Vlaamsche _goud-verkoopen_ en _koleuren-geven_ +overeenkomt. Eén fungeert als heer, verkooper enz., éen of twee zijn +dienstbaar (knecht, engel enz.), de andere kinderen krijgen een +bepaalde kleur, of verbeelden een voorwerp, als: gouden halsband, +zilveren kurk, juweelen ring. De dienaar moet kleur of voorwerp +raden en mag het kind dan meenemen. Zijn er twee dienaren, dan vormen +zich twee kampen, en het spel eindigt met _lijntrekken_, dat ook bij +andere spelen als finale dient: de partij, die over de lijn getrokken +wordt, verliest. Het Vlaamsche kleurenspel is typisch dramatisch; +het beeldt uit den strijd om de ziel tusschen engel en duivel in het +Laatste Oordeel. + +Van de zoekspelen is het _slofje-onder_ wel het meest bekend. Hierbij +wordt een slof onder de kniëen van de spelers doorgeschoven, die in +een kring op den grond zitten. Te Zaandijk roept degene, die de slof +heeft, terwijl hij daarmee op den grond klopt, om den zoeker (die +"er aan" is) te waarschuwen: + + + Herrie, herrie, herrie! + Slof-slof-slof. + + +Elders heet het _schoentje-schuiven_, te Antwerpen _schoentje-lap_; +in het buitenland is dit spel eveneens zeer verspreid (_jeu de la +savate. Pantoffel sunchen_). + +Ook de orakelspelen kunnen bij deze groep gerangschikt worden. Zal +ik trouwen en met wie? Dat wordt op een strengetje koralen afgeteld: +edelman--bedelman--dokter--burgemeester--koning--generaal enz.--Hoe +ben ik in het bezit van jas of vest gekomen? Dat wordt op de +knoopen afgeteld: geholen--gestolen--gevonden-- gekocht (Limburg); +gekocht--gevonden--gestolen--g'had (Vlaanderen); enz.--Waar zal ik na +den dood belanden? Weer doen de knoopen dienst: hemel--hel--vagevuur. + +Schommelspelen. De eenvoudigste schommel is een boomtak, bij voorkeur +een buigzame wilgetak. De knaap tracht hem te grijpen, laat er zich +aan hangen en een makker brengt hem in een schommelende beweging. Een +andere natuurlijke schommel is de wipplank; het spel heet in de +Kempen _kwikkwakken_, in het Geldersch-Overijsselsche _wibbelen_, +op de Veluwe _wipperwappen_, algemeen _wippen_. Het eigenlijke +schommelspel veronderstelt een koord, met of zonder zitplank. De +Noord-Brabantsche benaming, die ten deele ook voor Antwerpen en +Brabant geldt, is _sturen_; in Limburg heet het spel _schokken, +schokkelen, sjokkelen, joekelen_ (Kessel), _varen_ (Venloo); elders +_bijzen_ (Geeraardsbergen enz.), _rennen_ (Brugge), _rijtakken_ +(Kempen), _roesjen_ (Ninove enz.), _ruilen_ (Deventer), _talteren_ +en _tiltalteren_ (Noord-Nederland) enz. Maar hierover nader bij +de speelliedjes. + +Knikkerspelen behooren tot de meest geliefde jongensspelen. Men +heeft drie soorten van knikkers: 1. De gewone zuiver-ronde, +grijs-blauwe knikker, uit een soort kalksteen vervaardigd: _knikker, +marbel_ (België), _estrik_ (Overijssel), _huuf_ (Zuid-Limburg), +_kuls_ (Noord-Limburg), _knar_ (Zaanstreek). 2. De "knikker" (in +Noord-Nederland maakt men geen verschil) uit gebakken potaarde en +geelbruin van kleur; hiervoor is de gewone Belgische benaming +_knikker_, verder: _klits_ (Zuid-Limburg), _gepotsiemelde_ +(Venloo enz.), _pottebakker_ (Noord-Nederland). 3. De grootere, +schoonere knikker, insgelijks gebakken en zeer hard: de _stuiter_ of +_stuitknikker_; met tallooze plaatselijke benamingen, b.v. _bolket, +bonket_ (Vlaanderen), _kalebas, alikas_ (Westzaan, Assendelft, +Waterland, Vlaardingen), _lavoor_ (Aalst) enz. + +Het knikkerspel is niet alleen in Europa, maar over de geheele +wereld verspreid. In het Oosten is het algemeen. Men mag het ook als +praehistorisch beschouwen, daar men de kleine, bontgeverfde steentjes, +in de Oostfriesche urnen gevonden, gereedelijk als knikkers beschouwen +kan; zie R. Andree, Ethnographische Paralellen und Vergleiche +(N.F. Leipzig 1889), bl. 92 vlg. + +Men heeft vooreerst knikkerspelen, waarin _geschoten_ wordt. Het +schieten is niet iedermans werk. Een goed schieter klemt den knikker +tusschen den top van den wijsvinger en het eerste lid van den duim, +terwijl slechte schieters hem tusschen den nagel van den duim en +het derde lid van den wijsvinger klemmen. Ook mag men de hand niet +vooruitsteken op het oogenblik, dat men den knikker wil loslaten: een +goed schieter houdt de hand onbeweeglijk, en alleen de duim ageert. In +vele spelen moet de knikker van den speler den anderen raken; in +andere niet: dan wint de speler, als hij den afstand tusschen de twee +knikkers kan _overspannen_ of _overpalmen._ Het schieten gebeurt of +wel achtereen, of men schiet ingezette knikkers uit een kring; of +er wordt kuiltje-geschoten (_putje, poet_).--In een andere groep van +spelen wordt geworpen: de speler werpt met éen knikker, meestal een +stuiter; ook wordt deze wel eens langs den grond voortgerold.--In een +derde soort wordt met de knikkers tegen een muur gestuit, _gebot_ of +_gebotst_: de knikker van den tweeden speler moet, na den muur geraakt +te hebben, den knikker van den eersten speler raken of zoo dicht bij +hem liggen, dat hij hem kan spannen. Verder worden de knikkers soms +gerold: het bekende _kuiltje-rollen._ Rolt de speler een paar getal +in het kuiltje, dan zijn de knikkers zijn eigendom, anders zijn zij +de winst van de tegenpartij. De knikkers worden ook veelal in het +kuiltje _gestuikt_. Voor het overgroot aantal benamingen en alle +verdere bijzonderheden verwijs ik nogmaals naar het werk van De Cock +en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust; over dialektische uitdrukkingen +in het Venloosche knikkerspel, zie Limburg's Jaarboekje XX, bl. 161. + +Tolspelen. De meest gebruikelijk Hollandsche benaming is _tol_, België +_top_, een woord, dat ook in Holland, Drente en Friesland gevonden +wordt. Hiernaast komt voor: _priktol_ in Nederland, _pindop_ in +België, _dop_ in Nederland en België. Het woord _drieftol_ vindt men in +Nederland benoorden het Noordlimburgsche Afferden; de Zuidlimburgsche +benaming voor den drijftol is _kokerel_, met talrijke varianten. De +gewone wijze van tollen met den werptol is deze: de speler neemt den +tol in de linkerhand, legt het dunnere uiteinde der koord eerst om de +pin, draait dan de koord spiraalvormig om het hout, klemt het dikkere +uiteinde tusschen pink en ringvinger, heft de hand boven het hoofd +en trekt af. De tol komt op den grond terecht en draait om zijn as; +men kan hem nu op de hand wippen en laten doordraaien. De drijftol +wordt aan het draaien gebracht of gehouden door een zweep. Van de +verschillende samengestelde tol-spelen vermeld ik het _potje-tollen,_ +Friesch: _top-dikeljen,_ Belgisch: _oken-kappen._ Men trekt op de +speelplaats een kring. Een der spelers zet uit, d.i. laat zijn tol +binnen den kring ronddraaien. Nu tracht een ander dezen tol met +den zijnen zoo te treffen, dat beide ver weg spatten. Gelukt dit, +en geraakt daarbij de treffer van het gaan af, dan is de eigenaar +verplicht, zijn tol binnen den kring te leggen. Deze wordt nu het +mikpunt van alle anderen en alle tollen, die hierbij van het gaan +af raken, moeten binnen den kring gelegd worden. Zie Dijkstra, Uit +Friesland's Volksleven I, bl. 234. + +Hoepel- en vliegerspelen. De _hoepel_ is van hout of van ijzer en +wordt door middel van een stok voortgedreven. Hij heet _bandel_ van +af het Noordlimburgsche Afferden tot in Gelderland en Overijssel, +_bendel_ in Noord-Brabant, _reep_ in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant +en Oost-Vlaanderen, _reip_ in Hollandsch en Belgisch Limburg, _band_ +in Oost- en West-Vlaanderen. + +De _vlieger_ moet meer lang dan breed zijn, b.v. 70 centim. lengte +op 40 centim. breedte; ook dienen de twee vleugels even zwaar +te wegen. Eerst maakt men het geraamte: lat en stokje, met koord +bespannen en met papier overtrokken. Dan bevestigt men het lange +touw, waarmee de vlieger wordt opgelaten, en hecht aan het onderste +deel van den vlieger den staart. Dan gaat het naar buiten, waar het +waait, maar niet te hevig mag de wind zijn. Men ontrolt een deel van +het touw en loopt terzelfder tijd tegen den wind in. Dan zweeft de +_vlieger_ omhoog, als een _vogel_, zegt men in Hollandsch en Belgisch +Limburg, als een _draak_, meent men in Friesland en Vlaanderen, als +een _ballon_, heet het in Kempen. Men kan hem een brief nasturen, +door op het koord doorboorde papierschijfjes te steken: deze worden +dan door den wind omhoog gevoerd. + +Sneeuw- en ijsspelen. Het _glijden_ is een geliefkoosd winterspel: +_baantje-slieren,_ zegt men in het Land van Waas, _rijzen_ in Brabant, +_slabrikken, slidderen, slibberen_ in Hollandsch en Belgisch Limburg en +in Antwerpen. Hierbij kan men den eenen voet achter den anderen zetten, +of beiden naast elkaar; ook kan men zich onder het glijden op de +hurken zetten of andere kunststukjes vertoonen. Het _schaatsenrijden_ +is veeleer mannen-, dan kinderspel. Het Vlaamsche woord voor schaats +is _schaverdijne_, het Brabantsche (en ten deele Belgisch Limburgsche) +_schrikschoen_, d.i. loopschoen, vlg. het Middelnederl. _scricken_ +"met groote passen loopen", _schrikkeljaar_ "springjaar". Zooals +bekend, onderscheidt men hard- en kunstrijders. Op éen been rijden en +'t lichaam naar die zijde sterk doen overhellen, heet _de buitensnee +trekken_ of _buitenbeens_ rijden; beurtelings de beenen overeen +leggen, noemt men _overleggen_. Het voornaamste voertuig op het +ijs is de _slede_. De gewone slee wordt voortgetrokken, terwijl de +_prikslee_ met prikstokken wordt voortgestooten en beantwoordt aan +den Belgischen _ijsstoel_. Tot de groep der baksleeën behoort de +Venloosche _boonebak_.--Van de sneeuwspelen noem ik nog het met +sneeuwballen werpen en het sneeuwmannen maken. Dit laatste werd +eertijds zelfs door de kunstbroeders van St. Lukas beoefend. + +Toevoegsel. 1. De laatst besproken spelen behooren tot die groep, welke +een nadere betrekking aanduidt van het kind tot de natuur. Hiertoe +behoort ook een eigenaardig vuurspelletje, waaraan ik ten slotte een +enkel woord wil wijden. Weinig spelletjes zijn zoo algemeen verspreid +als ons _Lutje (Jutje) leeft nog_: een glimmende lucifer of spaan +gaat van hand tot hand; hij, in wiens hand de laatste vonk uitsterft, +verliest, en moet pand geven of "op Lutjes welvaart drinken". In +België heet het spel: _Djilleke leeft nog_, of _Gilleke leeft nog_, +te Denderbelle _Zielke leeft langst_, in Limburg _Vonkje leeft nog_, +vgl. het Duitsche _Der kleine lebt noch_ of _Stirbt der Fuchs, so gilt +der Balg._ Het Brunswijksche _Lütche funke lêwet noch_ herinnert aan +de Noordnederlandsche uitdrukking. In het Fransch luidt de spreuk: +_Petit bonhomme vit encore_, in het Provençaalsch _Monnet-viou:_ +zie Mélusine I, bl. 170; II, bl. 429. Het spel is ook in Spanje en +in Engeland bekend, ja heeft een variant in Siberië: daar gaat een +brandend hout van hand tot hand; wie het laat uitgaan, moet als boete +voor de anderen een dans uitvoeren. + +2. In hun spelen en spelend met elkaar omgaan bezigen de kinderen niet +zelden formules en spreekwijzen, die herinneren aan oude, uitgestorven +rechtsbegrippen en rechtshandelingen; Gaidoz en Rolland noemen dit: +"le folklore juridique des enfants". Het vindingsrecht is bij hen +nog volop in zwang. Te Hamme (Z.-B.) vraagt de vinder: + + + Wie is er iets verloren + Van achter op den toren? + Wie is er iets kwijt + Van achter op den dijk? + + +En antwoordt een der kinderen "ik", dan dient hij het voorwerp +wel degelijk nauwkeurig te beschrijven, om het verlorene terug te +krijgen. Wordt het niet opgeëischt, dan grondt de vinder zijn recht +op de spreuk: + + + Die vindt, die houdt. + + +Vinden twee kinderen een voorwerp te gelijk, dan is het zaak, het eerst +de geijkte formule uit te spreken, om het eigendomsrecht te erlangen; +ook dient de formule onder het oprapen te worden uitgesproken.-- + +Het schenkingsrecht heeft als hoofdbeginsel: "eens gegeven, blijft +gegeven". Ook het ruilrecht doet zich gelden, in zoover elke +ruilhandeling vergezeld gaat van een rijmpje of formulier, dat ze +bekrachtigt en onherroepelijk maakt. De ruiler wordt met de hel +bedreigd, als hij zijn woord breekt: + + + Kuutje-buutje [ruilen] snel, + Dreimoal deur de hel; + Op trap, trap neer, + Elk zien ijgen goud [goed] weer. + + +Aldus in de Groningsche volkstaal: Molema, Wörterbuch der Groningschen +Mundart (Norden u. Leipzig 1888), bl. 232. Zie verder De Cock, +Volkskunde XV, bl. 193; XVI, 54, 151, waar nog uitvoerig de kindereed +besproken wordt: "Mijn kop af"; enz. + +De eerste _schooldag_ is een gewichtig moment in het leven van het +kind. De kinderen verheugen zich op dezen dag, want in en buiten +school wordt hun de eerste schrede op den weg der kennis en wetenschap +niet zelden in den letterlijken zin des woords verzoet. Over de +schoolfeesten, met name over den Gregoriusdag en het feest der +Onnoozele Kinderen, werd reeds gesproken. Feestdag was voorheen, +en wellicht nog hier of daar te platten lande, de verjaardag van +"Mijnheer"; maar de dagen, waarop bij die gelegenheid een schoolklucht +gegeven werd met menigen raken zet, behooren overal reeds lang tot +het verleden. + +Over het algemeen heeft het gemoedelijke der oude scholen, toen +de meester meer vaderlijk met de kinderen omging, voor het meer +saai-officieele de plaats geruimd; dit hangt natuurlijk met den +vooruitgang der maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkeling, +maar toch ook wel met begripswijziging over de vorming van het kind +samen. Prijsuitdeelingen, waar ouders en kinderen zich in plechtgewaad +heen begaven, zijn nog slechts uitzonderingen. De nieuwjaarsbrief +wordt veelal nog op school opgesteld. + +Aan het slot dezer periode (van 6-12) stond nog kort geleden de +plechtige _eerste-Kommuniedag_ voor de katholieken; in het noordelijk +volksgebied spreekt men meestal van het _aannemen_, overeenkomstig de +uitdrukkingen, gebezigd in de protestantsche kerken. Het _aangenomen +worden, lidmaat worden_ of _belijdenis doen_ bij de protestanten, +een toelating tot het genot van het heilige avondmaal en besluit van +het katechetisch onderwijs, heeft echter in den regel eerst op den +leeftijd van om en bij de twintig jaar plaats. In katholieke streken +was de Eerste-Kommuniedag een familiefeest in den goeden zin van +het woord. Eenige dagen te voren ging in de Oostvlaamsche dorpen de +"eerste-kommunikant" aan peter en meter een "kruisken vragen"; en +algemeen was de gewoonte, onmiddellijk vóor de plechtigheid de ouders +om hun zegen te vragen en om vergiffenis. In feeststoet togen dan de +kinderen, de jongens in stemmig zwart, de meisjes als bruidjes in het +wit en met een bloemkrans getooid, onder de begeleidende tonen der +muziek kerkwaarts. Op enkele plaatsen in Limburg, b.v. te Venloo, +droegen de kommuniekinderen _pelmkes_, d.i. oleander-, laurier- +of hulsttakjes, met goud- of zilverblad belegd, al naar gelang de +sekse. Meestal had ieder zijn _paar_. Een familiemaal, afzonderlijk +of "paarsgewijze" gehouden, besloot dezen merkwaardigen dag, voor de +meesten een blijde herinneringsdag. + +Nu zijn jongens en meisjes kind-af; immers "zij hebben de +kinderschoenen uitgetrokken en aan de kerkdeur laten staan". + + + +II. Liefde en huwelijk. + + +_Minnen en werven_. Het woord _minnen_ is niet aan de volkstaal +ontleend. Deze kent noch (_be_)_minnen,_ noch een stamverwant, woord +van het Hoogduitsche _lieben_, maar slechts slappe omschrijvingen +als: _goed mogen lijden, liefhebben_ of _hebben, gaarne sien_ +enz. Daarentegen is aan woorden en wendingen, die het begrip "vrijen", +of ook een ruweren vorm van minnen en liefkoozen uitdrukken, geen +gebrek. + +Bij verscheidene gelegenheden trachten de jonge meisjes door +liefdesorakels den sluier der toekomst op te lichten, met name op +Sint-Thomas-, Sylvester- en Paaschdag; over het _schoenwerpen_ is +reeds gesproken (bl. 123); op Nieuwjaarsnacht ziet men den geliefde +in den spiegel. Van de Middeleeuwsche minnedrankjes en sympathetische +toovermiddelen zijn nog slechts zwakke overleefsels overgebleven, +allereerst de zegswijze: "een minnedrankje ingenomen hebben". Van +de thans nog bestaande liefdeverwekkende middelen vormen de haren, +nagelknipsel, zweet en bloed de hoofdbestanddeelen. Naar men weet, +vindt men overeenkomstige gebruiken bij de volken met lage kultuur. Ook +bezigt men te dezen einde valeriaan en wilde alsem, in den zak of +op het lijf gedragen; zie Volkskunde XI, bl. 242; XII, bl. 62, 136, +242; XXIV, bl. 51. Daarentegen dient het leggen van _nestelknoopen_, +knoopen in een riem of veter, om andermans huwelijksgeluk te +bederven. Het is een overoud sympathetisch toovermiddel, waaraan +dezelfde volksvoorstelling ten grondslag ligt, als aan de voorzorg, +gedurende de trouwplechtigheden geen knoopen in de kleederen te +hebben.--Ook versmaadt men niet, bij waarzegsters en kaartlegsters +te rade te gaan; en eindelijk, het bloemenorakel speelt nog steeds +een voorname rol. + +Droomt men van een huwelijk, van een bruiloft, dan heeft men +een doode te wachten. Men kan dit volksgeloof door de algemeene +"droomverklaring door omkeering" uitleggen en vergelijken met het +droomen over geld, hetgeen armoede, over omhelzing, hetgeen verraad +beduidt. Deze verklaring wordt ons aan de hand gedaan door Tylor, +die bij de Zoeloe's zulke droomverklaringen waarnam, verwekt door een +streven, zich tegen dwaling te beveiligen; want de Zoeloe's hadden +vaak ondervonden, dat hun droomen zich niet verwezenlijkten. Nochtans +geloof ik hier nog een anderen faktor te zien. Telkens en telkens +weer openbaart zich in het volksgeloof de schrijnende tragiek van +het leven met zijn gedurige wisseling van lief en leed. Een verdere +overeenkomst tusschen de huwelijks- en begrafenisgebruiken is deze, +dat beide in betrekking staan tot de zielen der afgestorvenen, vooral +van de voorvaderen. + +Men moet zijn dochters vroegtijdig uithuwelijken; "dochters en doode +brasems moet men niet lang bewaren," meent het volk, en trouwens +"wie dochters heeft, is altijd herder," en "een huis vol dochters +is een kelder vol zuur bier." Heeft de jonge dochter drie kruisjes +achter den rug, dan komt zij "op Sint-Anna's schapraai" (Limburg: +_schaap_), of -bankske, of -kapelleke. In Vlaanderen kent men nog +"het schipken van Sint-Annuit", wat waarschijnlijk op een verwarring +berust. Dan zegt men, dat "Hein-van-pas maar niet wil komen," of "dat +haar vent te Wachtebeke woont." Intusschen gebeurt dit op het land +vrij zelden, immers "daar is geen potje zoo scheef, of er past wel +een dekseltje op," en ook is "geen schip zoo oud, of 't doet nog wel +eens een reisje." Algemeen wordt het gelaakt, wanneer slechts "het +geld getrouwd wordt"; niet zelden trouwt men echter in de familie, +"opdat het geld bij elkaar blijve." + +Oudtijds kende men _vrijstermarkten_, en vooral die van Schermerhorn +was bekend. Boerenzoons, die graag een meisje wilden kiezen, bestelden +"koopdag" in _De Valk_, en lieten dit door den dorpsomroeper bekend +maken. De trouwlustige meisjes togen dan naar de herberg, waar de koop +gehouden werd. Een andere soort van vrijstermarkt was slechts voor +'t kermishouden ingesteld, al had deze dan ook meermalen een huwelijk +ten gevolge; en hiertoe behoorde de Schagermarkt. Veel overeenkomst +hiermee vertoont het gebruik op eenige dorpen van Noord-Holland, dat de +meisjes zich des Zondags na kerktijd neerzetten op het muurtje van het +kerkhof, wachtende tot er een gezel komt, die haar zal uitnoodigen, +om te zamen ter herberg te gaan; en eveneens de _Maartekeur_ te +Lochem en te Borculo op een marktdag in Maart, met het oog op de +aanstaande Meimarkt. Dan staan de boerinnetjes in een lange rij over +de geheele lengte van het plein en worden met rood of wit krijt op +den rug gemerkt. Zie hierover vooral J. H. Scheltema, Volksgebruiken +der Nederlanders bij het vrijen en trouwen (Utrecht 1832), bl. 65 en +Mr. N. de Roever, Van Vrijen en Trouwen (Haarlem 1891), bl. 81 vlg. + +De gewone en betere wijze is echter een bezoek ten huize, immers "de +beste koeien worden op stal verkocht". Hierbij is het verstandig, zich +eerst van de genegenheid der moeder te vergewissen; want "wie eerst +de dochter en dan de moeder vangt, vat het varken bij de ooren". Ook +wordt het terrein wel eens verkend door een huwelijksmakelaar, +soms _heiligmaker_, in West-Vlaanderen _handknecht_ genoemd. Dit +_heiligmaker_ is een volksetymologische vervorming van _heilikmaker_, +d.i. huwelijksmaker, van het Middelnederl. _hîlijc_. Aan de Zaan +bestond zijn belooning in geld of in een pak nieuwe kleeren: Schotel, +Zeden en Gebruiken aan de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 43. Ook de +koek, voor het meisje meegebracht, heet _hijlikmaker_. De verouderde +Zaansche benaming is _zelschappen_; de meer gebruikelijke benaming +voor uit vrijen gaan is ten platten lande _uit meiden gaan_. Hiervoor +is de Woensdag- en Zondagavond het meest geschikt; de Donderdag is +meer voor weduwnaars; Zaterdagavond is ook niet ongeschikt, maar +"Zaterdagavondloopers zijn koopers", zegt het spreekwoord. In de +meeste streken moet de vrijer klokke acht bij het meisje aan huis zijn; +in alle geval: + + + Vrijers, die 't meenen, + Komen vóor tienen + En gaan niet voor eenen. + + +Een uitzondering hierop maakt wel Hennaarderadeel (F.); daar zegt men: +"Die na achten komen, kunnen vóor negenen weer gaan." + +Uit de wijze van ontvangst kan de vrijer al spoedig bemerken, of zijn +komst en aanzoek welkom is. Blijft het meisje zitten en laat ze het +stoelzetten aan een der huisgenooten over; neemt de Friesche schoone +haar oorijzer van het hoofd en klaagt over hoofdpijn, dan weet de +vrijer, hoe laat het is en kan hij zijn matjes oprollen. Maar wordt hem +op de vraag: "mag ik mijn pijp, mijn sigaar even aansteken", bescheid +gedaan, biedt het meisje hem een lucifer, haalt ze hem een stoel, +brengt ze hem een pijp, dan nemen de zaken een gunstigen keer. Nog +beter staan de kansen, als hij door de vrijster bij zijn vertrek +tot aan de buitendeur wordt gevolgd; dat heet rond Aalst _een voois +krijgen_. Wordt de vrijer afgewezen, dan _loopt hij een blauwe scheen_, +of _loopt hij een blauwtje_. Deze uitdrukking wordt door Dr. Stoett, +Nederlandsche Spreekwoorden, n° 214, zeer zeker het eenvoudigst +aldus verklaard: "zijn scheen stooten, er tegen loopen; vandaar: niet +slagen." Een andere uitdrukking is: _een korf krijgen, door de mand +vallen_. Prof. Verdam beschouwt deze uitdrukking als eene herinnering +aan de oude strafoefening, waarbij de schuldige in een schandkorf +boven het water te pronk werd gesteld (Handel. v. d. Maatschappij +d. Nederl. Letterk. te Leiden 1901).--M.i. hebben wij hier stellig +met het overleefsel eener oude strafoefening te doen, maar niet met +de boven bedoelde. Ter vergelijking diene het gebruik uit den Eifel, +waar de minnaar, die een blauwtje geloopen heeft, door de meisjes +gekorfd wordt: ze werpen hem een bodemloozen korf over het hoofd en +trekken hem er door heen. In Brunswijk zet men den afgewezene een +ouden korf op het dak. Oorspronkelijk wordt de _ontrouw_ bij wijze +van volksrechtspraak aldus gestraft, dan ook de _onvruchtbaarheid_ +bespot; ik spreek hier over aanstonds nader, bij de behandeling van +den _dorhoed_. + +Voorts dient nog vermeld een zonderling gebruik, dat op Texel +en Vlieland is blijven voortleven, maar vroeger ook op Wieringen +en Terschelling en in vele Noord-Hollandsche dorpen bestond: _het +kweesten_ of nachtvrijen; eertijds bestond het in geheel Duitschland, +ja men mag zeggen over geheel Europa. Dit is een vorm van vrijen, +terwijl deuren of vensters openstaan, en de minnaar op de deken zit, +waaronder zijn beminde rust. Mocht soms de vrijer het wagen, niet +in eer en deugd te kweesten, dan volgde, voorheen althans, steeds +de volksjustitie bij wijze van ketelmuziek. Laat ik hier tevens nog +vermelden het _strunen_, het opzettelijk storen der vrijpartijtjes, +dat, naar het schijnt, in Friesland aan de orde was. Zie Waling +Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 196 vlg.; De Cock, +Spreekwoorden en Zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk +(Gent 1911), _passim_; Virginie Loveling, Volkskunde XV, bl. 152. + +Te lange verkeering is over het algemeen niet gewild. "Lange vrijage +is zelden mariage". + +_Dorhoed_ is de Noordhollandsche naam, waarmee ik eenige algemeen +verspreide liefde- en verkeeringsgebruiken wensch samen te +vatten. Volgens den Gelderschen Volksalm. van 1837, bl. 106 plaatsten +de jongelieden op Pinksterdag een strooman, potsierlijk uitgedost, +op een kar en reden het dorp rond. 's Nachts krijgen de meisjes, +"die zich zoo taai als leêr houden, of van vrijers veranderen als +van handschoenen", dien strooman op het dak; soms wordt hij ook aan +den hooiberg bevestigd. In Zuid-Limburg strooit men kaf op de stoep +van meisjes, die meer dan éen vrijer hebben. Wij vinden hier het +gebruik in zijn oorspronkelijken, justitiëelen vorm; de strooman is +de tegenhanger van den groenen Pinksterman, den vruchtbaarheidsgenius; +de dorhoed: pop, korf, mand, dorre tak, zelfs kaf alleen, symboliseert +onvruchtbaarheid. De dorhoed vormt een tegenstelling met den liefdemei. + +In Drente is de zoogenaamde _zoore paal_ (dorre paal) het geschenk +voor een vrijer of vrijster, wiens (of wier) vroegere beminde in het +huwelijk treedt: een dorre tak, zonder bladeren, gebonden aan de deur +van het huis. Ook wordt op vele plaatsen de weg tusschen de huizen van +de(n) ondertrouwde en de(n) verlaten beminde door het strooien van kaf, +haksel van stroo, zaagmeel enz. gemerkt, of wordt de verlatene daarmee +bestrooid. In sommige Vlaamsche dorpen worden dan lemen (vlasscheven) +gestrooid; hetzelfde gebruik is in Zuid-Duitschland en in den Eifel +bekend: het bespottingsbegrip, dat in de straf lag opgesloten, heeft +zich zelfstandig ontwikkeld. + +Het Noordhollandsch gebruik is nauwkeurig beschreven en toegelicht door +Dr. Boekenoogen in Volkskunde XIII, bl. 65 vlg.; XVII, bl. 112 vlg. Het +is een versierde stroopop, die men de verlaten vrijster of den verlaten +vrijer vereert; dit is meestal het werk der naaste buurgezellen. Het +gebruik schijnt voor het oogenblik echter alleen nog in Waterland en +het aangrenzende deel van West-Friesland te bestaan. De dorhoed wordt +vergezeld van een dorhoedsbrief, waarin verzen voorkomen als deze: + + + Wilt dit beeltenis aanschouwen, + Want het zal uw wel berouwen, + Dat zij nu zal trouwen gaan, + En gij moet nu agter staan. + + +Evenals men nu een pinkst_kroon_ kent (bl. 199), kent men ook een +strooien, dorre kroon, en aan deze soort van bruidskroon herinnert nog +de benaming _dorhoed_, later op de stroopop overgebracht. Zoo werd in +het Zutfensche den vrijer, wien zijn meisje ontvrijd was, een hoepel +met stroo om den hals geworpen. Ook Berkhey spreekt van een "kroon +van gekapt stroo". Het gebruik is insgelijks in Noord-Brabant bekend. + +Zooals gezegd, is de dorhoed de oorspronkelijke vorm van bestraffing, +door het volk den verleider of de verleidster toegediend. Ook wordt +zij wel eens toegepast op het paar, dat al te veel in jaren verschilt; +zie hierover Scheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen +en trouwen, bl. 125. + +Op een groot aantal plaatsen is de stroopop een onmisbaar element +bij de _ketelmuziek_, een anderen zeer gewonen en gebruikelijken vorm +van volksrechtspraak over al degenen, die openbare ergernis gegeven +hebben. Hoofdzakelijk is het een serenade met ketel- en ketengerammel, +belgerinkel, hoorngetoeter, zweepgeklets enz. voor de woning van +de(n) schuldige of beschuldigde, waarbij een oorverdoovend geschreeuw +wordt aangeheven. + +In België zijn de meest gebruikelijke benamingen: _scherminkelen, +de beest jagen_ en _den hond branden_. Hier beteekenen _scherminkel, +beest_ en _hond_ de stroopop. In Noord-Brabant spreekt men van +_tafelen_, in Noord-Limburg van _varen_, in Zuid-Limburg van _varen, +toeten, rammelen_ of _huulen_, in Midden-Limburg en verder plaatselijk +van _den ezel (aan)drijven_. Deze laatste uitdrukking heeft misschien +betrekking op den Middeleeuwschen ezelrit, maar in alle geval wijst +het meerendeel der uitdrukkingen op een rondrijden met de stroopop, +de(n) schuldige voorstellend, onder geraas en getier. Het gebeurt +bij alle laakbare handelingen, of ook handelingen, die het volk als +zoodanig beschouwt, b.v. bij een huwelijk met groot verschil van +leeftijd, of bij het hertrouwen van weduwnaar of weduwe; en eindelijk +in Limburg ook wel bij andere huwelijken in verband met het _huulbeer_, +waarover nader. De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude +gebruiken en volkszeden, bl. 362 vlg., betoogt, dat de ketelmuziek +oorspronkelijk bij gevallen van hertrouwen plaats heeft en wel om +de booze geesten te weren, met name den geest van de(n) eerste(n) +echtgenoot(e), die uit nijd de(n) hertrouwde zou komen kwellen; +vgl. Weinhold, Zeitschrift des Vereins für Volkskunde X, bl. 206. Maar +deze meening lijkt mij onhoudbaar: 1. dewijl bijna geregeld de +ketelmuziek met het onvruchtbaarheidssymbool verbonden wordt; en 2, +daar dan de ketelmuziek aanvankelijk een gunstige beteekenis zou gehad +hebben, terwijl toch, zooals De Cock zelf op bl. 372 uitvoerig betoogt, +sinds de oudste tijden het tweede huwelijk bij het volk in kwaden geur +stond. Ik houd de ketelmuziek dus voor een vorm der _volksrechtspraak_, +waarmee wij boven reeds kennis maakten, en die, zooals gezegd, op +Middeleeuwsche rechtsvormen, maar in haar diepste wezen op voldoening +van gekrenkte gemeenschapseer berust. In zuidoostelijk Noord-Brabant +kent men nog andere wijzen om een weerspannig of slecht befaamd lid der +gemeenschap te treffen: _de buurt_ oefent haar vernielzucht uit op een +kar van den betrokkene. Typisch is ook het _voor den ploeg spannen_ +van een lastigen echtgenoot, en wel krachtens een besluit van _de +buurt_, somtijds alleen van de buurvrouwen. Deze brengen dan zelf +ook het besluit ten uitvoer en drijven den voor den ploeg gespannen +echtgenoot met haar zweepen en stokken voort. Aldus nog een dertig +jaar geleden te Turnhout, Hoogstraaten, Bladel, Postel enz. Eenigen +tijd geleden was dit gebruik ook in Noord-Brabant, o.a. te Reusel, +nog heerschende. Het is dus meer recent, dan door V. D. Poll in den +Gelderschen Volksalm. 1887, bl. 161 vlg. vermoed werd. + +Van den liefdemei was reeds sprake (bl. 189, 245). Laat ik hier +bijvoegen, dat te Contich en omstreken de schuchtere minnaar gaarne de +gelegenheid te baat neemt, zijn liefde te verklaren, door heimelijk een +mei te plaatsen vóor de slaapkamer zijner beminde. Antwerpsche huwbare +dochters krijgen _Greefs_ van hun minnaar, d.i. ruiters van spekulatie +of marsepein, die den Greef van Halfvasten voorstellen (bl. 169). + +Met _verloving_ wordt bedoeld "vaste verkeering", daar de min of meer +plechtige verloving bij de gewone volksklasse zoo goed als onbekend +is. Men geve den beminde nooit een mesje of schaar ten geschenke, +want dit breekt de verkeering af (sympathie). Wanneer in Vlaanderen +een der partijen _beelt_, d.i. het gegeven woord breekt, dan heet het +ontworpen huwelijk _uitgebrand_, in 't Westvlaamsch _een beel_.--Het +geven van een ring is een gebruik, dat van de Romeinen tot ons gekomen +is; en evenals de ring te Rome eertijds het koopkontrakt bevestigde, +zoo verving in onze landen de ring het huwelijksgeld of handgeld, +dat met den handslag de verloving voltrok. Over de trouwpenningen +zie De Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 113 vlg.; Aug. Sassen, +Noordbrabantsche Volksalm. 1889, bl. 61. De ring behoort te worden +gedragen aan den ringvinger, omdat, volgens het volksgeloof, van +daaruit een zenuw loopt naar het hart. Op het land is de ring niet +gebruikelijk; noodzakelijk was ook de trouwpenning niet, want deze kon +zeer geschikt vervangen worden door een ander voorwerp: vingerhoed, +zakdoek, een paar hazelnoten, ja zelfs een stuk koek. Eigenaardig +was vroeger in Friesland de _knottedoek_, waarin de jonge man eenig +geld knoopte, om een en ander het meisje aan te bieden, met wie hij +zich wenschte te verloven. Trok zij den knoop toe, en nam zij dus +het geschenk aan, dan was de verloving gesloten. + +Op vele plaatsen zijn bruidsgeschenken, de zoogenaamde _bruidstukken_, +gebruikelijk. De bruid vervaardigt, althans plaatselijk in +Limburg--en eveneens in Zwaben, Westfalen enz.--de hemden, die +beiden op den trouwdag zullen dragen, alsmede de slaaplakens voor het +huwelijksbed. Het bruiloftshemd dient ook als doodshemd en de lakens +als doodsmantel. Daarentegen wordt in Gelderland in de dagen vóor het +huwlijk het doodshemd met muts en laken afzonderlijk vervaardigd en +door de bruid met zwart lint gezoomd of met zwart garen gemerkt. In +het Oosten van ons land maakt men hier en daar zelfs de planken voor +de doodkist gereed: hier vloeien huwelijks- en begrafenisgebruiken +ineen; vgl. bl. 241. + +Te Stamproy (L.) en omliggende plaatsen moet de bruidegom enkel +de schoenen aan zijn toekomstige echtgenoote verschaffen; bed +met toebehoor komt ten laste der bruid. De schoen speelt in de +huwelijksgebruiken van alle volken een groote rol, en volgens Ernst +Samter, Geburt, Hochzeit und Tod (Leipzig und Berlin 1911), bl. 195, +moet hier de schoen als een offer worden beschouwd; zie ook Zachariae, +Zum altindischen Hochzeitsritual, in de Wiener Zeitschrift f.d. Kunde +des Morgenlandes XVII, bl. 135. Maar ik geloof eerder, dat wij hier +met een bepaalde gave te doen hebben, die voor den doode bestemd is, +evenals het doodshemd. Het gebruik, den doode een paar schoenen in de +kist mee te geven, is overoud en was eertijds bij alle Indogermaansche +volken in zwang: de schoen heeft natuurlijk de bestemming, den tocht +naar het verre land aan gene zijde van het graf te vergemakkelijken. + +Straks hebben de kerkelijke afkondigingen of _roepen_ plaats, de +verloofden "rollen van den preekstoel", zooals het in katholieke +streken heet, of ook "zij worden van den preekstoel naar beneden +geworpen"; en na den besloten tijd volgt dan meestal het huwelijk. + +Bij den ondertrouw wordt in Noord-Brabant alreeds _de heug_ gevierd, +en doet men zich te goed aan wittebrood met koffie; ook begint dan +alreeds het schieten, waarover nader. _Heug_, verg. _heugelijk_, +komt van het Middelnederl. _hôghe, höghe_ en beteekent "vroolijkheid". + +_Huwelijksdag_. Het skelet der huwelijksgebruiken is nog steeds +Oudgermaansch en vertoont niet zelden Indogermaansch karakter; maar +meer en meer hebben Christelijke en ook moderne elementen er zich +aan vastgehecht. + +De huwelijksdag draagt in het Duitsch terecht den naam van _Hochzeit_, +het eerst bij Wolfram v. Eschenbach, nog met de toevoeging: +"der brûdloufte hochgezît". Immers deze dag is niet alleen het +voornaamste familiefeest, als zijnde het kulminatiepunt van twee +menschenlevens, maar hij is tevens een feest voor de gemeente. Naar +men weet, was _hoogtijd_ eertijds de benaming van alle hooge +kerkelijke en wereldlijke feesten (bl. 100). De namen _huwelijk_ +en _bruiloft_ drukken een bepaald deel der plechtigheid uit: +_huwelijk_, vergel. het Gotische _laiks_ "dans", wijst op den dans, +waaronder bij onze Germaansche voorouders het huwelijk voltrokken +werd; _bruiloft_, d.i. "bruidloop", beteekende oorspronkelijk den +optocht, waarmee de jonggehuwden naar hunne woning werden begeleid; +later werd deze benaming op het heele huwelijksfeest toegepast. Zie +o.a. Dr. Boekenoogen, Tijdschrift v. Nederl. Taal en Letterk. XI, +bl. 14; Dr. J. W. Muller, Woordenb. d. Nederl. Taal, _sub verbo_. + +Daar is wellicht geen feest, waardoor èn de familie èn de +gemeenschapszin in zoo hooge mate worden versterkt, als door +de huwelijksviering. Men gedenkt zelfs de afgestorven leden der +gemeenschap, vanwaar het treffende gebruik, de graven te bezoeken op +den huwelijksdag. + +Aan Bachofen komt de eer toe, het eerst gewezen te hebben op het +belangrijke en vérstrekkende ethnologisch-folkloristische verschijnsel +van het matriarchaat. In zijn opzienbarend boek: Das Mutterrecht +(Stuttgart 1864), werd een rijk materiaal door hem bijeengebracht om +te bewijzen, dat vóor den tijd der patriarchale familie-inrichting, +krachtens welke de man in allen deele het hoofd is van het gezin, +het menschdom een periode van vrouwenregeering doorleefd zou hebben, +een tijdperk dus, waarin het "zwakkere geslacht" den schepter zwaaide +en den man slechts een ondergeschikte rol was toegedacht: volgens hem +gaat de matriarchale gezinsvorm den patriarchalen vooraf. Deze theorie +steunt in hoofdzaak op het feit, dat tal van stammen met lage kultuur, +over de geheele aarde verspreid, het matriarchaat huldigen, en dat de +diepste folkloristische lagen van bijna alle volken overleefsels te +over bieden, om een karakteriseeren der matriarchale familie-inrichting +als de primitieve te rechtvaardigen. + +Sommige ethnologen meenden zelfs, dat de folkloristische gegevens hun +veroorloofden, nog veel omvangrijker konklusies te trekken. Men achtte +zich in staat tot het ontwerpen eener _ontwikkelingsgeschiedenis +van het huwelijk_. De verschillende, opeenvolgende stadia dezer +geschiedenis zouden zijn: promiskuïteit, groepenhuwelijk, polyandrie in +verscheidene nuancen, polygamie (monandrie), monogamie. Het instituut, +dat, volgens de meest gangbare opvatting, van lieverlede den weg +effende tot een geregelde familieverhouding, tot de monogamie en met +deze tot het patriarchaat, is het roofhuwelijk. Op een hoogere sport +van ontwikkeling trad voor de ruwe schaking de vrouwenkoop in de +plaats: een losprijs, aan den beleedigden stam betaald, om weerwraak +te voorkomen, een soort internationaal huwelijkskontrakt. Hier vertoont +zich het oorspronkelijk karakter van den bruidschat. Meer en meer trad +het begrip van beleediging op den achtergrond, terwijl de zoengave +gaandeweg geheel en al de beteekenis kreeg van een koopsom der vrouw. + +Verkocht werd echter alleen de vrouw, niet de kinderen. Deze behoorden +en bleven behooren aan de moeder en hadden in den oom van moederszijde +hun natuurlijken voogd en beschermer. Maar steeds sterker ontwaakt +in de vaderborst de liefde tot _zijn_ kroost, _zijne_ kinderen, wier +hulp hij trouwens bij het bebouwen van zijn akker niet langer meer kan +ontberen, en deze sympathie is het, die een erfrecht te hunnen gunste +tracht in het leven te roepen: motieven van ekonomisch-juridischen +aard komen in het spel. Een hardnekkige strijd wordt aangebonden, +waarvan de inzet is het eigendomsrecht over het kind, en het einde +de volkomen zegepraal des vaders en van het agnatische systeem. + +Nu is welhaast de familie gegrondvest, de huwelijksband gestrengeld. Om +den vaderlijken haard staat het vereende gezin, de vader aan het hoofd; +want hij is voortaan niet slechts de meerdere over zijn kinderen, +maar door den losprijs acht hij zich op den duur ook gerechtigd, +de vrouw, die hem als koopwaar werd overgeleverd, als zijn volle +eigendom te beschouwen. + +De fout van dit systeem, op het oog zoo onberispelijk-nauwsluitend, +ligt in te oppervlakkige waarneming en te groote generaliseering in +de gevolgtrekkingen. Men stelt zich niet tevreden met te beweren, +dat het matriarchaat een ver verspreid ethnologisch verschijnsel is +en was,--een feit, dat niet valt te loochenen; maar het moet en zal +de volstrekt-primitieve familie-inrichting geweest zijn; het heet de +eenig mogelijke: terwijl de huwelijkstheorie niet weergeeft het proces, +dat zich bij verschillende volkeren ten deele heeft afgespeeld of nog +voortduurt, maar aanspraak maakt op den titel van _de_ theorie van +_het_ menschelijk huwelijk. Ik zeg "ten deele"; want een andere fout +is deze, dat in dit systeem verschillende fragmenten, op verschillende +punten van den aardbodem verzameld, met een vrij ruime dosis apriorisme +tot een geheel worden aaneengevoegd. + +Vooral bij het beoordeelen en benuttigen der folkloristische gegevens +moet men uiterst voorzichtig zijn. Juist de huwelijksgebruiken en +huwelijksvormen bij de verschillende volken heeft men herhaaldelijk +als sterk-pleitende overleefsels beschouwd; maar gesteld, dat +zij matriarchale trekken vertoonen, wijzen zij dan juist daarom +op een primairen toestand? Kan hieraan geen meer volmaakter vorm +zijn voorafgegaan? "Im Völkerleben gelten die selben Gesetze der +Entwickelung wie im Leben der Individuen", zegt Paul de Lagarde, +"und im Leben der Individuen ist ein Sinken überall da festzustellen, +wo nicht ein Steigen stattfindet." + +Wat betreft de beoordeeling der afzonderlijke gevallen, een enkel +voorbeeld. Wellicht verwijst de Romeinsche huwelijksvorm der +_coemptio_ naar een tijd, waarin de _manus_, d.i. het volle recht +van den echtgenoot over de vrouw, niet in schijn, maar in volle +werkelijkheid werd gekocht. Maar volgt hieruit logisch, dat de koopsom +de losprijs was, _voor de geschaakte bruid betaald_? Tusschen het +huwelijk als koopkontrakt en het roofhuwelijk gaapt toch nog een +diepe kloof.--Verder behoort tot het bruiloftsritueel het bekende +gebruik, dat de bruid uit de armen der moeder wordt ontvoerd, om dan in +feeststoet geleid te worden naar het huis van den bruidegom. Hierbij +komt op tal van plaatsen een schijnvlucht, en zoo goed als algemeen, +dat de bruid zich verzet of uitbundig weent. Men noemt dit het +_roofsymbool_, en het is zeer wel mogelijk, dat in enkele gevallen +dergelijke gebruiken een voormaligen rooftoestand ten grondslag +hebben. Maar zou hier een meer natuurlijke verklaring niet veelal te +verkiezen zijn? Juist in de laatste jaren zijn dergelijke gebruiken +herhaaldelijk als scheidingsgebruiken beschouwd, vooral in het reeds +aangehaalde boek van A. Van Gennep, Les rites de passage, bl. 165 +vlg. Zie ook mijne Essays en Studiën, bl. 162 vlg. + +Na deze, tot het goed begrip der gebruiken m.i. noodzakelijke +voorafgaande bespreking, vat ik den draad mijner uiteenzetting +weer op. Wat betreft de bruidsgaven, dient men nog op te merken, +dat in alle geval niet als sporen van een alouden koopprijs die gaven +kunnen beschouwd worden, welke de beteekenis eener nauwere vereeniging +dragen, zoo b.v. linnen, halsdoek, wederzijds gegeven luxe-voorwerpen +enz. Bruid en bruidegom treden hierdoor in een nauwere zedelijke +betrekking, evenals de gast tot den gastheer--en omgekeerd--door het +geven van het gastgeschenk: aldus in de Oudheid Glaukos en Diomedes +door het wisselen hunner wapenen. + +Wat betreft den huwelijksdag, houdt het volksgeloof er weer een +eigenaardige zienswijze op na. Liefst trouwt men op Dinsdag en +Donderdag, niet op Woensdag of Vrijdag; en vooral met wassende maan +(sympathie). De meimaand is ook zeer ongeschikt: "Wat in de meimaand +trouwt, daar is geen goed haar aan"; zie De Cock, Spreekwoorden +en Zegswijzen over de vrouwen enz., bl. 161. Een bruid mag zich +niet _vóor_ den bruiloftsdag in het bruidskleed vertoonen. Om op den +huwelijksdag goed weêr te hebben, dient men de kat goed te voeren (zie +bl. 86, 90). Een droeve bruid maakt een blijde vrouw en omgekeerd +een blijde bruid een droeve vrouw; want "een bruidsgewaad is wel +eens met rouwgoed gevoerd". Weent de bruid op den trouwdag niet, +dan vloeien de tranen in het huwelijk. + +Het _noodigen ter bruiloft_ vindt men nog slechts op enkele plaatsen in +het Oosten van ons land in zijn voormaligen plechtigen vorm; en ook in +Drente hebben de _wasschupsneugers_ veel van hun vertoon en beteekenis +verloren. _Wasschup_ is identiek met _waardschap_ en beteekent +"gastmaal, feestmaal"; over deze _neugers_ zie H. Tiesing, in de Vragen +van den Dag XVIII, bl. 155; vgl. Driem. Bladen IX, bl. 77. Het noodigen +gaat van de buurt uit en wordt als _noaberplicht_ beschouwd. Te Borkulo +doen twee jongezellen uit de buurt als _broedlachtneugers_ dienst; zij +trekken er op uit met bontversierden hoed en stok en vangen aldus aan: + + + Goen dag! + Hier stoa ik op mienen staf, + En weet niet, wat ik zeggen mag ... + Nou weet ik, wat ik zeggen mag; enz. + + +Meestal noodigt het bruidspaar zelf de gasten tot het feest, dat ook +ten huize der bruid zal plaats hebben. Veelal wordt een voorbruiloft +gehouden, in het Friesch _gearjift_, vergel. de Noord-Brabantsche +_heug_ (bl. 249): het is een scheidingsgebruik zoowel voor de bruid +als voor den bruidegom. Het Friesche woord wijst nog op de vroegere +gewoonte, bij deze gelegenheid giften samen te brengen. Maar nog steeds +wordt door de buren en buurmeisjes geld opgehaald om de onkosten te +bestrijden van het sieren, schieten enz. + +Zoo is dan de huwelijksdag aangebroken. De buurmeisjes hebben den +_neuzik_ vastgespeld; ook de bruidskroon is klaar, eertijds door +de vriendinnen gevlochten. Zij is, evenals de ring, van Romeinschen +oorsprong en door de Kerk in onze zeden ingevoerd. Hetzelfde geldt +van de bruidskaars, die een gekerstende vervorming is der Romeinsche +huwelijksfakkel, welke dienst deed bij het heemgeleide. De buurt +is feestelijk uitgedost en prijkt met festoenen en eerebogen met +toepasselijke opschriften. Veelal wordt nog een huwelijksmei geplant +vóor het huis: lotsboompje, waarmee het huwelijksgeluk van het jonge +paar verbonden is, vergel. den _levensboom_ op bl. 214. Van alle huizen +wappert de driekleur en in feeststoet keeren bruidegom en bruid met +getuigen, bruidsmeisjes, familieleden, vrienden en bekenden uit de +kerk huiswaarts. Het burgerlijk huwelijk heeft veelal reeds daags te +voren plaats gehad. + +Nu wordt het paar feestelijk ingehaald. De meeste hierbij gebruikelijke +vormen zijn ontleend aan den alouden feeststoet, waarbij de bruidswagen +een hoofdrol speelt, en dien men nog betrekkelijk zuiver in Drente +en in den Achterhoek weervindt. Wij bedoelen het _heemgeleide_, dat +nu eens in afzonderlijke bedrijven, dan weer op verschillende dagen +plaats vindt. Doorgaans werd deze stoet gehouden vóor den bruiloftsdag. + +De bruidegom komt dan met een groot aantal open boerenwagens vol +jongens en meisjes aanrijden. Deuren en vensters van het huis der +bruid zijn dicht. Maar éen der jongelui treedt vooruit en verklaart +in gebonden of ongebonden taal, dat hij de bruid komt opeischen, +waarna de banderdeur zich opent en de geheele schare binnenlaat. Nu +gaat op de deel de kom met brandewijn rond, er wordt gefeest, +gegeten, gedronken en gedanst, en eindelijk rijdt de bruidegom met +de bruid op den versierden bruidswagen huiswaarts. Deze wagen, of de +volgende, zijn bepakt met beddegoed, stoelen, melkstel, spinnewiel +enz. Soms staat ook de bezem op den wagen, in Westfalen bindt men +er een haan boven op. Bezem en haan moeten de booze geesten verjagen +(bl. 96). Ook het schieten, dat thans nog zoo goed als over de geheele +uitgestrektheid van ons volksgebied gebruikelijk is, en nu uitsluitend +het karakter van vreugde en huldebetoon aanneemt, moest eertijds de +geesten verdrijven, om aldus zegen en vruchtbaarheid voor het huwelijk +te verwerven (vgl. bl. 102, 128). Hier of daar komt wellicht, ouder +gewoonte, nog de bruidskoe achteraan. Te Rijssen (O.) werd of wordt +(?) die koe gesierd en op stal gezet onder een deel van de zoldering, +dat uit geschaafde eikenplanken bestond; zie Driem. Bladen III, bl. 11. + +Herhaaldelijk op weg naar de nieuwe woning wordt de bruid geschut. Een +rest hiervan is zelfs het Vlaamsche gebruik, dat arme vrouwen en +kinderen de bruid bij het verlaten van het kerkportaal _de schoenen +vegen_, natuurlijk om een fooitje te krijgen. Verderop wordt de +weg door een koord versperd, en ook hier dient de doortocht te +worden gekocht: in Vlaanderen heet dit, rond Aalst, _afspannen_, +en westwaarts _stroppen_. In Nederland vindt het paar den weg door +een balk of versierde lijn versperd; in Baden en Tirol hakt men het +koord tegen losgeld met een sabel door. Aldus wordt de bruid uit +hare gemeenschap, vooral uit de buurtgemeenschap, afgekocht en in +de nieuwe ingekocht: het is een scheidings- en opname-ritus. Volgens +Samter, Geburt, Hochzeit, Tod, bl. 162 vlg., wordt eigenlijk niet aan +het bruidspaar, maar aan de kwade geesten de weg versperd. Bij deze +verklaring steunt hij vooral op het Indisch gebruik, fijne blauwe en +roode draden over den bruidsweg te spannen. Hiervoor zou ook pleiten +de vroeger in ons land heerschende gewoonte, door een bezem den weg te +versperren; immers volgens een wijd en zijd verspreid volksgeloof kan +men zich juist door het keren zeer doeltreffend van de geesten ontdoen; +vergel. den bezem op den bruidswagen en het keren in het sterfhuis. + +Onderweg strooit de bruid geldstukjes, appelen, noten en andere +versnaperingen. + +De woning der bruid is versierd, de zetels van het jonge paar zijn +omkranst, kinderen strooien bloemen, buurmeisjes bieden den eerewijn +aan en zeggen gedichtjes op, den bruidegom wordt een versierde pijp +aangeboden enz. Ook wordt wel eens de geheele stoet in alle bevriende +huizen, waar hij voorbij trekt, _beschonken_, d.i. op brandewijn +met suiker, wijn en knapkoek onthaald. Maar dit zijn alle moderne +vormen van weinig waarde. Belangrijker zijn enkele gebruiken, +die ten platten lande nog hebben stand gehouden, wanneer bruid +en bruidegom de woning betreden. Zij zijn overoud en behooren tot +het Indogermaansche bruiloftsritueel, vormen een gedeelte van den +oorspronkelijken _bruidloop_ naar de echtelijke woning. + +Op enkele plaatsen moet de bruid over den drempel worden gedragen +(Driem. Bladen IV, bl. 4), een overgangsgebruik, maar dat met een +afweergebruik samenhangt; het is zoo goed als over de geheele wereld +verspreid, in China zoowel, als eertijds in het oud Rome. Te Hooge +Mierse (N.-B.) legt men op den drempel een stok met een _rood_ +doek. Te Reusel (N.-B.) wordt het paar onder een krans naar de +nieuwe woning geleid. De krans wordt tegen de deurstijlen gevlijd +en het paar _springt_ naar binnen. Dat wij hier met een overleefsel +van den vrouwenroof te doen zouden hebben (Rossbach, V. Schröder, +Lubbock, Jevons), lijkt mij onaannemelijk; immers de bruid wordt +niet door den bruidegom, maar door een ander willekeurig persoon +gedragen, of ook springt over den drempel, en trouwens in beide +hoogst vertrouwbare mededeelingen uit Noord-Brabant wordt van bruid èn +bruidegom gesproken. Ook komt men niet verder met de verklaring, dat +het stooten tegen den drempel een slecht voorteeken zijn zou; waarom +juist tegen den drempel? De verklaring is wel deze, dat de drempel de +verblijfplaats der zielen is, wat uit tal van volksgebruiken blijkt; +wellicht werden zij bij voorkeur vóor den drempel begraven. Het roode +doek--rood is de tooverkleur en heeft in geheel het Indogermaansche +folklore geestenwerende kracht--heeft dan ten doel, kwaadwillige +geesten den toegang te beletten, terwijl het paar zich over den drempel +laat heen dragen of er overheen springt, om de geesten niet te storen +en te vertoornen. + +Dan volgt, veelal op den avond van den huwelijksdag, het _haalleiden_ +of _halen_, een Indogermaansch gebruik, dat men bij de Osseten +weervindt. De bruidegom geleidt de bruid driemaal om den haard en om +het haardvuur, waarna zij in de gemeenschap van het water en vuur wordt +opgenomen. Ook wordt de bruid op verscheidene plaatsen om den ketelhaak +of _haal_ gevoerd (zie bl. 35), vanwaar de benamingen _haalleiden, +hieëlen, hölen, heelen_ enz. De haal wordt altijd blinkend geschuurd, +dit is het laatste werk, waaraan de meeste zorg wordt besteed; +vandaar de spreekwijze: "Op den haal na, is alles gepoetst." + +Natuurlijk wordt voor het oorspronkelijke om-den-haard-leiden een +geheel vrijliggende haard verondersteld. Toen nu de haard tegen +den zijwand gelegd werd, moest men voor den haard een ekwivalent +zoeken, en als zoodanig nam men de haal of ketelhaak. Deze werd naar +voren getrokken of midden in het vertrek aan een balk gehangen, en +de bruid werd om haal en ketel geleid, ofwel de ketting werd haar +omgeslagen. Naarmate de haard vervangen werd door de kachel, of aan +beteekenis verloor door het plaatsen van een kachel in een der bij +vertrekken, is ook het haalgebruik op den achtergrond geraakt. Verder +werd het veralgemeend en ook op den man en op de meid, ja zelfs bij +verhuizing toegepast: uit den gedachtengang "de bruid betreedt de +nieuwe woning" heeft zich het laatste begrip losgemaakt en zelfstandig +ontwikkeld. + +In Nederduitschland is dit gebruik nog op vele plaatsen in zwang; +van onze grensplaatsen noem ik Heinsberg, waar men de bruid _hielt, +haalt_ of _helt_. In Midden- en Opper-Duitschland vindt men geen +spoor. Het gebruik schijnt alleen in de Saksische landen behouden te +zijn gebleven, zoozeer, dat b.v. de bewoners van het Saterland, een +Friesch taal- en volkseiland, dit gebruik mèt den bouwtrant--natuurlijk +ten gevolge van klimaat en grondgesteldheid--van de omwonende Saksen +hebben overgenomen. Waar Siebs echter meent, dat het overreiken van +den kooklepel of _sleef_ een specifiek Saterlandsch gebruik is, +vergist hij zich. Ook in Hollandsch Limburg bestaat dit gebruik, +b.v. te Grubbenvorst. + +Want, vreemd inderdaad, terwijl men dit gebruik het eerst in de zône +der hoeven van zuiver-Saksischen bouwtrant zou zoeken, is het juist +daar uitgestorven en leeft nog slechts in de streek der uitgestorven +Saksische hoeven en in die der Nederfrankische (dus ook lang niet +uitsluitend in 't Schependom van Nijmegen). Het Nijmeegsche _hoalleien_ +staat beschreven in den Gelderschen Volksalm. van 1840, bl. 9 vlg.; +maar het gebruik blijkt reeds verbasterd en dient nog slechts om een +nieuwen buurman te installeeren. + +Daarentegen voert dit gebruik een krachtiger leven zuidelijk en +zuidwestelijk van Nijmegen. Men kan zeggen, dat het _halen_ nog +in zwang is, of althans voor enkele jaren nog in zwang was, in +geheel Limburg tot aan de grens van den villabouw en in een groot +deel van Noord-Brabant. Het best bleef het bewaard in de omstreken +van Venray. Met name heb ik kunnen konstateeren, dat het in vrij +oorspronkelijken, of ook in meer gewijzigden vorm, optreedt of +kortelings nog optrad te: Venray, Swolgen, Meerlo, Oirloo, Leunen, +Merselo, Afferden, Maashees, Deurne, Wellerlooi, Beugen, Horst, Oploo, +Wanroy, Mill, Heeze, Mierde, Velp (N.-B.), Zeeland (N.-B.), Stiphout, +Escharen, Reek, Reusel, Aalst, Maasbree, Arcen, Belfeld; de benamingen +zijn hier _hölen, hoalen, hoalleien_.-- Verder rond Roermond, Sittard +en Weert, nl. te Melik, Beegden, Asenray, Guttecoven, Limbricht, +Buchten, Dieteren, Einighausen, Posterholt, Weert, Neeritter, Helden, +Panningen, Heel, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Kessel: _heelen, +hieëlen._ Het zuidelijkste spoor vond ik te Schinnen (zuidoostelijk +van Sittard). Het zal den lezer niet moeilijk vallen, aan de hand +van deze opsomming zelf de is-ethne te trekken (bl. 32). + +Somtijds is vrijwel alleen nog de naam overgebleven en verdwijnt het +ceremoniëel in een kleurloos trakteeren. Elders, en dit is zelfs +zeer vaak het geval, wordt de bruid door de meid vervangen, of is +het gebruik op den knecht overgebracht. Dikwijls worden bruid of +meid onder den schoorsteen geplaatst. Terwijl men haar nu om de haal +leidt, of den haalketting, die thans doorgaans de haal vervangt, om +de schouders slaat of driemaal boven het hoofd zwaait, luidt de spreuk: + + + Ik haal u in den naam des Heeren, + Wat ge niet kent, zullen wij [voor de bruid] u wel leeren. + + +of: [op dezelfde regels als vervolg speuk] + + + Wat ge niet kent,--zal de vrouw [voor de meid] u wel leeren. + Wat ge niet kent,--zal de baas [voor den knecht] u wel + leeren. + Dat is voor u [eerste maal], dat is voor ons [tweede maal], + dat is voor de gansche kompanij [derde maal], + Voor een liter foezel zijt ge vrij. + + +Of: + + + Ik haal u als meid en niet als knecht, + Een liter foezel is uw recht. + + +Of ook: + + + Ik haal u in den naam des Heeren, + In dit huis zult ge verkeeren + Niet als meid, maar als vrouw, + En wees uw man getrouw. + + +Haard en haal zijn plaatselijk door verschillende andere voorwerpen +vervangen: de tafel, de karn, de melkkan, den koffiemolen, den +koffiepot, den ketel, den melkstoel, voor den boer door schop op +zaaikorf. Gebeurt dit, met den haalketting om de schouders geslagen, +dan mag het nog tot het haalleiden gerekend worden. Anders behoort +het tot de groep van inhuldigingsgebruiken, waarbij de vrouw door +omleiding of bloote aanwijzing in het bezit of gebruik van het een +of ander voorwerp gesteld wordt, b.v. "dit is het bed";--"dit is de +kast";--"dit is de klok"; ook leidt men haar door de keuken, de schuur, +de stallen, naar het vee, de bijenkorven enz. Wel wordt de haalketting +somtijds nog vervangen door den ketelwisch, d.i. een gedraaide strooien +ring, aldus b.v. te Heeze, Aalst en Stiphout. Ook te Veldhoven wordt +de meid aan een stroowisch in alle vertrekken, op den stal en door +de schuur rondgeleid. Bij den knecht bezigt men aldus het haam. Te +Mill worden emmer, bezem enz. in _den hêrd_ gelegd, de meid gaat er +bij staan, en nu danst men er om heen. Elders gaat de jonge vrouw, of +ook de meid, op den melkstoel zitten, en zingend trekt de schare rond. + +Nog dien ik een zeer eigenaardigen vorm van het haalgebruik te +vermelden, zooals die in eenige dorpen noordwestelijk van Sittard, +nl. te Guttecoven, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Limbricht en +Dieteren gevonden wordt. Daar moet de bruid, of ook bruidegom en +bruid, met een versierde bijl in een versierd blok kappen. Gewoonlijk +verbergt zich de bruidegom, maar het baat niet; hij wordt door de +buurvrouwen achtervolgd en moet er aan gelooven.--Dit gebruik doet +mij veronderstellen, dat wij bij het haalleiden niet alleen met een +symbool, met een zuiveren opname-ritus te doen hebben, zooals dit +met het gewone rondleiden en omleiden om de huiselijke voorwerpen +het geval is. Zeer zeker, de bruid wordt ingeleid in het huiswezen, +en hierop wijst o.m. het Duitsche gebruik, dat de jonge vrouw in den +schoorsteen moet zien, om er mee vertrouwd te raken. Maar het kappen +in het blok wijst op een oorspronkelijk-religieuze handeling, op een +houtoffer aan de schutsgeesten des huizes: naar men weet, was de haard +de heiligste plaats van het huis, omdat het de oude offerplaats was +(bl. 35). En dat dit offer tevens een reinigings- of afweer-ritus +omsluit, blijkt uit het gebruik, dat de bruid _over het blok moet +heen springen_: dit was natuurlijk oorspronkelijk een springen over +den vrijliggenden haard. Zoo herinnert men zich te Reusel dan ook nog, +dat de bruid moest _springen over een kooltje vuur_, dat in een vooraf +geteekenden kring gelegd werd. Springen over vuur beduidt zuivering +en vruchtbaarheid (bl. 105). Het vruchtbaarheidsidee treedt dan ook +bij het Dietersche blokhouwen op den voorgrond. Blijft de bijl stevig +in het blok zitten, dan beduidt dit een _krolköpke_; anders blijft +het huwelijk onvruchtbaar. + +Een anderen vorm van inhuldiging van het nieuwe personeel, in +Twente in zwang op Natte Paschen (Natten Zondag), vindt men bl. 187 +beschreven. Ook hierbij speelt de haard en het haal een rol: door +het vast te grijpen, stellen de dienstboden zich als het ware onder +de bescherming van de heilige haardstede, beveiligen zij zich tegen +geweldpleging. Te Brunswijk nam eertijds de kooper een huis in bezit +door het aanraken van den ketelhaak. + +Een belangrijk _survival_ vindt men te Oldenzaal, Ootmarsum en +omstreken. Daar heerscht of heerschte nog kortelings het gebruik, +dat na afloop der bruiloft de bruid weer naar haar ouderlijk huis +terugkeerde. Den volgenden dag ging de jonge man naar het ouderlijk +huis der getrouwde bruid en vroeg: "Is hier soms een vrouwspersoon +aangekomen, die gisteren mijn vrouw geworden is?" Dan kwam de bruid +aangeloopen en antwoordde: "Hier ben ik al", en nu ging zij voorgoed +mèt het huisraad naar de nieuwe woonsteê. + +Wij hebben hier een vorm van het zich verbergen der bruid, zij laat +zich zoeken en geeft zich ten slotte gevangen. R. Reichhardt, Geburt, +Hochzeit und Tod (Jena 1913), zegt dus te onrechte, dat dit "heute wohl +nirgends mehr nachweisbar" is (bl. 92). De bruid trachtte nl. vroeger, +volgens vrij algemeen gebruik, na het huwelijk te ontvluchten en zich +te verbergen, waarop de bruidegom haar moest zoeken. Men zou hier een +overleefsel van het roofhuwelijk kunnen zien; klaarblijkelijk is het +echter slechts een overoud scheidingsgebruik. + +Van het oude Groningsche _brüdegamslah_en, het slaan van den bruidegom +ter bevordering der vruchtbaarheid (zie Dr. Knappert, Groningsche +Volksalm. 1902) is, voor zoo ver mij bekend, niets overgebleven. Het +was een "slag met de levensroede", vgl. bl. 116. Bij de Slavische +volken vindt men het nog herhaaldelijk. + +Het _bruiloftsmaal_ heeft weinig karakteristieks meer behouden: +eten, drinken en dansen is de boodschap. Den eeredans heeft het +jonge paar, of wel de bruid met den bruidsknecht, of de bruidegom +met het bruidsmeisje. Te Grubbenvorst, Helden enz. (L.) beginnen de +gasten midden onder het maal met de messen en vorken op de glazen +te tikken, totdat de bruid opstaat en zich door een zwager het huis +laat rondleiden, onder het geroep van: "de broed mot droet". Glazen +worden voor de deur stuk gegooid, en na afloop trekken de buurvrouwen +onder groot lawaai met pannen en deksels rondom het huis. Het zal +wel onnoodig zijn op te merken, dat wij hier met een geestenwerend +lawaai te doen hebben; vruchtbaarheid werd hiervan voorheen het +onrechtstreeksche, maar hoofdzakelijk bedoelde gevolg geacht. Zoo +werden nog voor eenigen tijd in Friesland op den avond der bruiloft de +glazen in den voorgevel stuk geschoten, en de vader der bruid achtte +zich hierdoor vereerd. Van iemand, die knappe dochters had, zei men: +"Die zullen hem wat glazen kosten!" + +'s Avonds brengen de jongelieden te Helden, Nunhem, Swalmen, Beesel +enz. aan het bruidspaar een eigenaardige serenade. Zij huilen en kermen +over de slechte tijden. Op de vraag, wat ze dan eigenlijk willen, +antwoordt de persoon, die Aartje voorstelt, dat zijn talrijk kroost +toch òok gaarne iets van de bruiloft had. Hierna worden zij onthaald. + +Men dient deze vertooning als een scheidingsgebruik op te vatten, +evenals het _huilbier_ (_huulbeer_), Hoogduitsch _Heulbier_. De +gedachte is wel deze, dat de bruid tot het tijdstip van haar huwelijk +aan de geheele gemeente behoort, en dus de jonge man ze moet afkoopen +door geschenken. Ook verbeeldt het wel een afscheid van den jongen man +aan zijn gezellen. Dit gelag heeft plaats vóor of na het huwelijk, en +komt dus vrij wel overeen met het Achterhoeksche _boksenbier_, waarop +de bruid haar _bruidstranen_ (brandewijn met suiker) schenkt. Komt +deze naam van het schieten met de _bokse_? Of van de gewoonte, dat de +bruidegom door zijn vrienden schertsenderwijze van de broek ontdaan +werd, hetzij om hem daarna in het bed te stoppen, hetzij om hem in +de gelegenheid te stellen, het echtelijk gezag, aldus symbolisch +hem ontnomen, weer te koopen? Meer hierover vindt men bij Scheltema, +Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen, bl. 270, +Driem. Bladen II, bl. 25, 27; 93 vlg. + +Volgens Reichhardt is de naam eigenlijk _heilbier_, en hij vergelijkt +het Middelhoogduitsche _heilwîn_. Ik meen echter, zooals gezegd +(bl. 246), aan de benaming van _huilbier_ te moeten vasthouden, en +vind het gebruik in zijn _oorspronkelijken_ toestand in die plaatsen +(b.v. Sittard, Beegden, Epen), waar het huilbier gegeven wordt door +den weduwnaar, die met een jong meisje huwt, of door den jongen man, +die met een weduwe trouwt: zij kunnen zich van het _huulen_ afkoopen +door een vrijgelag. Is deze opvatting juist, dan heeft zich het +gebruik eerst naderhand tot scheidingsgebruik ontwikkeld. + +In Drente kende men eertijds het _hanenbier_. Door de buren werd aan +de jonggehuwden een hanenmaal aangeboden. Men kocht een haan en deze +werd gebraden en in zijn natuurlijke houding, op drie pennen, in een +grooten schotel op tafel gezet. Uit de ontvangen fooien werden de +onkosten van het hanenbier bestreden; zie Drentsche Volksalm. 1842, +bl. 125. + +Na de bruiloft beginnen voor het paar de _wittebroodsweken_, of ook de +_zoetemelksweken_. Dan komt het jonge paar nog pas "van Zoetendaal"; +het slijt den zaligen tijd der eerste, jonge liefde; "de korstjes +kraken nog." + + + +III. Huiselijk Verkeer. + + +Maar de liefde rijpt, en een nieuw, rijk en vruchtbaar leven: het +huiselijk verkeersleven, neemt een aanvang. Zijn de jonge lieden bij +de oude lui ingetrouwd, dan worden door deze voorwaarden gesteld; +vooral de Drentsche boer staat niet graag zijn hoeve af, gedachtig +aan het spreekwoord: "Men moet zich niet uitkleeden, voor men naar +bed gaat." Dat dit _introuwen_ niet altijd in peis en vree verloopt, +getuigt het Limburgsche spreekwoord, dat "de bliksem en de introuw +nog niet beschreven zijn." + +Wordt de echt gezegend en moeten vader en moeder zich reppen om +hongerige mondjes te vullen, dan ontplooit zich het bedrijvige +huiselijke leven in zijn vollen omvang. Het vrome echtpaar stelt prijs +op Gods zegen, die het huis moge schutten, het onheil afwere en den +arbeid doe gedijen. In katholieke streken wordt het huis ingezegend, +het kruisbeeld prijkt boven den schoorsteenmantel, en daarop of op +de kast staan enkele heiligen-beeldjes. Naast de deur--meestal van +de slaapkamer--hangt een wijwatervaatje met gewijde palm; en in +den kersttijd vindt men veelal nog een Stalletje van Bethlehem en +in de meimaand een versierd Mariabeeld, waarbij gebeden en gezongen +wordt. Aan den wand hangen ingelijste woorden, als "God ziet mij" en +"Hier vloekt men niet"; en tegen de binnenzijde van de kastdeur is +veelal een gekleurde plaat bevestigd, de _Huiszegen_, waarop een gebed +bij tijden van onweêr: dan wordt ook de gewijde kaars ontstoken, die +tevens als doodenkaars dienst doet. De wandkaarten bij de protestanten +bevatten meestal korte teksten uit den Bijbel. Op de scheurkalenders +vindt men een tekst uit de H. Schrift met een korte verklaring ervan op +de voorzijde, tegelijk met een opgave van het gedeelte der H. Schrift +en een psalm- of gezangvers, dat 's morgens of 's avonds gelezen kan +worden. Aan de achterzijde vindt men meestal korte verhaaltjes, aan +het Christelijk leven, of geschiedenissen, aan de Zending ontleend; +terwijl op roomsche scheurkalenders naast Schriftuurteksten veelal +citaten uit kerkelijke schrijvers of korte verhalen uit de levens +der heiligen voorkomen. + +Het Christelijk gezin begint en eindigt den dag met _gebed_; en hier +wordt "gezin" genomen in ruimsten omvang, want, zitten nog slechts op +het platte land veelal de knechts en meiden mee aan den disch, bij de +gebedsstonden pleegt ook elders de vrome huisvader de onderhoorigen +met de andere huisgenooten te vergaderen. Des avonds wordt in vele +katholieke gezinnen gezamenlijk de Rozenkrans gebeden, onverminderd het +gewone avondgebed; ook laat men zelden na, des avonds te bidden voor de +"geloovige zielen", met name van de afgestorven bloedverwanten. Bij +de vrome protestanten is het regel, dat dagelijks de Bijbel gelezen +wordt. In sommige families geschiedt dit eenmaal daags, vóor of na het +ontbijt, in andere tweemaal, nl. ook des avonds vóor het naar bed gaan, +in weer andere driemaal, nl. ook na het middageten. Bij velen wordt, +nadat een kapittel uit de H. Schrift of een gedeelte daarvan gelezen +is, ook nog een stuk uit een Christelijk dagboek gelezen. Soms, als +men een huisorgel bezit, wordt er een psalmvers of een gezangvers +bij gezongen. + +Vóor elken maaltijd wordt gebeden, na elken maaltijd gedankt, +waarbij allen de handen vouwen en de oogen sluiten. Treffend heeft +Karel de Groux het familiale gebed vóor het eten afgebeeld in zijn +_Bénédicité._ In katholieke gezinnen bidt men na het kruisteeken een +Onze Vader en een Wees Gegroet: de vader of het jongste kind bidt voor, +en allen antwoorden met luider stem. Waar in protestantsche gezinnen +de huisvader hard op bidt en dankt, is het gebed een zoogenaamd vrij +gebed, dat in sommige gezinnen zelfs zeer lang kan zijn, of er wordt +een formuliergebed gebruikt. Meestal spreken de jonge kinderen dan +nog een klein gebed, b.v. "Heere, zegen deze spijs en drank, Amen", +of "Heere, wij danken U voor deze spijs en drank, Amen".-- + +Van zulk een hoofdmaaltijd--tegen het middaguur--vormt de brij of +pap op het land een voornaam bestanddeel. Des avonds is brood met +pap en aardappels zelfs het eenige _voedsel_. Verdere gerechten zijn +appelenpap, weggenmelk (van gedroogd wittebrood), spek, pannekoek +enz. De middagpot bestaat veelal uit boonen- of erwtensoep, +aardappelen met groenten, of ook met kool, boonen enz. vermengd +tot _stamp_ of _potage_, en vaak een stukje spek of vleesch. Uit +een gemeenschappelijken schotel wordt nog veelal gegeten, als het +aardappelen geldt met saus. Dan plaatst men midden op tafel de +kom met aardappelen en een bakje saus. Met stalen vorken worden +nu de aardappelen geprikt en in de saus gedompeld. Ook pap wordt +veelal uit éen schotel gegeten; een tafellaken is ten platten lande +onbekend.--Van ouds het voornaamste voedsel is het brood, en wel het +bruine roggebrood, zoozeer, dat b.v. in Limburg slechts dit "brood" +genoemd wordt, terwijl het wittebrood "mik" heet. Het brood wordt door +het volk dankbaar geëerd als de goede gave Gods. Daarom drukt de boerin +met den vinger een kruisje in het deeg; daarom maakt zij met het mes +een kruis op de onderzijde van het brood, vóor zij het aansnijdt; +daarom leert zij de kinderen, nooit een kruimel te laten verloren +gaan. Want, gaat de vader zijn kroost voor in noeste werkzaamheid en +voedt hij het op tot karaktervastheid en plichtsbetrachting, de moeder +vooral kweekt vroomheid en godsdienstzin, en tempert de strengheid van +het vaderlijk gezag met zacht beleid en trouwhartige, zorgzame liefde. + +Na het middagmaal of _de noon_ volgt in den zomer de rusttijd, de +_ungere_ (Limburg). Het koffie-uurtje heet dan de _achterungere_. Maar +worden de dagen korter, dan vervallen beide: "Sint Mecheel (Michiel) +verbuut den ungere en den achterungere".--Nog dient opgemerkt, +dat bij het maal ook de ambachtslui aanzitten, als de boer die aan +huis heeft, vooral de kleermaker of _snieder_. Vroeger vooral was +het ambacht op de dorpen niet in tel. "De snieder is ene mins," +zegt een Limburgsche spreekwijze, "as hê mit de andere minse oet de +kerk kump." Lager nog stond de wever: in de herberg kreeg hij nimmer +een gaaf glas. Werd aan een ander bij geval zulk een glas gebracht, +dan luidde de verontwaardigde vraag: "Ben ik soms een wever?" Het +laagst stond de vilder: hij mocht de herberg niet binnenkomen, maar +bleef in de gang staan, waar hem het bier gebracht werd. + +Voor eentonigheid en kleurloosheid wordt het gezinsleven behoed door +het _familiefeest_. Oorspronkelijk en op de allereerste plaats was dit +het naam- of patroonfeest van de ouders, later in Noord-Nederland door +de verjaardagen vervangen; dan ook het naamfeest en de verjaardagen +der kinderen. Nu doet de _mei_ weer dienst, en steekt men een groene +twijg, later een ruiker, in een koek, dien men de(n) feestvierende +vereert; vandaar de uitdrukking: "iemand _besteken_." Zoo noemde men +het eertijds nog "een meisje besteken," wanneer men ring of klopper +van haar huisdeur met groen versierde. + +Op den vooravond van het patroonfeest worden plechtig de geschenken +aangeboden onder het zingen van: + + + Van avond is 't den avond + En morgen is 't den dag, + Dat men Sint-N. besteken mag. + + +Vandaar, dat in Midden- en Zuid-Limburg de term _mei_ de benaming is +van het geschenk op den vooravond, en van het naamfeest zelf. + +De viering van den verjaardag mist doorgaans alle kleur. Maar +plaatselijk is het _besteken_ veranderd in het _bestrikken_ der jarige +kinderen, d.i. "kinderen op hun verjaardag een stuk koek enz. met +linten op den arm vastbinden" (Molema, Wörterb. d. Groningschen +Mundart, bl. 32). Maar oorspronkelijk kwamen er groen en kransen bij te +pas, zooals nog blijkt uit een door Waling Dijkstra aangehaald versje: + + + Ik kom u versieren + Met kransen en laurieren; + Ik bind u met hemelsch lof; enz. + + +In wezen een familiefeest, met een kerkelijk feest eng verbonden, +is ook de _kermis_. Het is een gedenkfeest der kerkwijding; immers +het Middelnederlandsche _keremisse_ beteekent "mis bij 't feest van de +kerkwijding", dan ook "viering van dit feest", en verder "jaarmarkt", +men denke aan de _Leipziger Messe_. Deze dag toch wordt tot aandenken +aan de stichting der kerk of van haar patroonfeest door een plechtige +hoogmis opgeluisterd. Tevens wordt in het zuidelijk volksgebied de +groote H. Sakraments-processie of _bronk_ gehouden; meien worden +geplant langs den geheelen weg, dien de processie nemen zal. + +Vele oude kermissen herinneren nog heden ten dage aan den dag van de +oprichting der gemeente als parochie en van de inwijding der kerk. Den +7den Mei 1777 verordenden de Generale Staten, dat in hun gebied, +in de landen van Overmaas, alle kermissen op Zondag na Sint-Martinus +(11 Nov.) zouden plaats hebben en niet langer dan drie dagen zouden +duren. Vandaar ontstond in Limburg de zoogenaamde _Hollandsche kermis_, +nog heden bewaard te Heerlen, Meersen, Bunde, Geulle, Beek, Voerendaal, +Itteren, Hulsberg, Klimmen, Margraten, Ubagsberg enz. + +De kerkmis trok bezoekers uit de naburige dorpen en van elders; de +toevloed van vreemden bracht markt en handel mee, en zoo trad het +wereldlijk element naast het kerkelijke, om dit ten slotte verre +te overvleugelen. In de groote steden met haar hoogere kuituur is +de kermis zelfs dermate ontaard in formaliteiten en losbandigheden, +dat men ze op verscheidene plaatsen wijselijk heeft afgeschaft. + +Maar in de kleine steden en dorpen, van ons zuidelijk gebied vooral, +daar viert zij nog hoogtij; daar kan men zeggen: geen plaats zonder +kermis, ja sommige plaatsen hebben er twee. De wereldsche feestviering +bestaat uit een groot komplex van overgeleverde gebruiken, genietingen +en vermakelijkheden, van welke de familiale feestviering de kern +vormt: wordt deze door het verslappen der gemeenschapsbanden of het +verflauwen van den familiezin aangetast, dan ontaardt de rest en +valt spoedig uiteen. Verwante of bevriende gezinnen, uren ver van +elkaar verwijderd, vinden op kermisdag de gelegenheid, de familie- +en vriendschapsbanden nauwer aan te halen. Ten bewijze, dat twee +gezinnen met elkaar bevriend zijn, zegt men dan ook, "dat zij bij +elkaar op de kermis komen." Hierbij komt, dat in een groot aantal +gevallen de gedachtenisviering der kerkwijding zich met gebruiken +uit het oogstfeest verbonden heeft, dat, zooals wij weten, een bij +uitstek intiem karakter droeg. Vandaar ook wellicht de overvloed +van gerechten: taart, knapkoek, krentenmik, rijstepap enz.; het +kermisgerecht bij uitstek is echter de Limburgsche en Brabantsche +_flaai_ (_vla_). Het kermismaal is een gebeurtenis van gewicht voor +het geheele gezin, en voor de zorgzame huisvrouw in het bijzonder: +met het oog hierop wordt het heele huis van onder tot boven geschrobd, +geschuurd, geboend, en wat al niet meer.-- + + + Vandaag is 't kermisavond + Morgen is 't kermisdag, dag, dag, + Da bierken, da gebrouwen es, + Da ich wel drinken mag, mag, mag, + + +zingen de kinderen te Hasselt op den vooravond van den lang verbeiden +dag. En inderdaad, de kermis is ook een kinderfeest: de markt is dan +dicht bezet met kramen en tenten, en vooral de mallemolen--tegenwoordig +veelal door vermakelijkheden van hooger volmaaktheid of kultuur +vervangen--mag niet ontbreken; in Vlaanderen verlangen de kinderen +naar hun _molens van plezier_. Maar laat ik ook _Jan Klaassen_ niet +vergeten, en evenmin het bekende _koekslaan_, o.a. te Venloo met een +stok, elders met een bijltje, vanwaar de benaming: _koekhakken_. + +Tot de oude kermisvermakelijkheden voor de volwassenen behoort, of +behoorde, het ringsteken, het afkeurenswaardige dassenbijten door +gedresseerde honden, het ganstrekken of gansrijden, het katknuppelen, +haanslaan, mastklimmen, kaatsen, schijfschieten enz. Aldus werd +"kermis" synoniem van allerlei pret en vermaak, met het gevolg, +dat menig andere ontspanning en feestelijkheid den naam van "kermis" +kreeg. Zoo b.v. de Geldersche _öskeskermis_ in November, ten huize, +waar een koe of os geslacht is, vgl. den Gelderschen Volksalm. XXXVI, +bl. 45; de Veluwsche _schaapskermis_, beschreven in den Gelderschen +Volksalm. 1862, bl. 151; de _Mulderskermis_; de _Haagsche Boschkermis_; +ja, men spreekt zelfs van een kermis op het ijs. Minder bekend is de +Noord-Brabantsche schaapskermis. Als te Reusel de schapen geschoren +worder, verzoekt men de kinderen uit de buurt en van de gezinnen, op +wier stoppelland de schaapherder zijn kudde drijven mag. De kinderen +komen helpen bij het scheren, door "een pootje vast te houden." + +Sedert eeuwen was de kermis onafscheidelijk verbonden met processie en +ommegang. Van deze ommegangen verdienen een afzonderlijke vermelding +de Reuzen-stoeten van Brussel, Leuven, Antwerpen, Mechelen, Brugge, +met hun _Antigoon, Janneken_ en _Mieken, Grand'Papa, Op-Sinjoorken,_ +de _Groote Turk_ enz. Nòg verschijnt te Hasselt de _Lange Man (Don +Christoffel_) en te Venloo _Valuas_ en zijn vrouw. Deze trekken op +met het akkermansgilde en voeren ten slotte een dans uit. Immers de +kermis is het groote gilde-feest. + +Met name de _schuttersgilden_ (vgl. bl. 200) trekken dan uit, +zwakke resten van de aloude schuttersgilden met hun heerlijke +landjuweelen. Toch schuilt nog heel wat kleur en poëzie, overgeërfde +wapentrots en zelfstandigheidsgevoel in het optrekken der Limburgsche +en Brabantsche _jonkheden_ met hun kapitein en andere gezagvoerders, +zoowel in als buiten de processie. Te Eysden (L.) trekken de jonkheden +van alle gehuchten met haar vaandels in de groote processie, elk +achter haar beschermheilige, mee. Des Maandags en Dinsdags worden +zielmissen gecelebreerd voor de overleden leden. Daarna heeft een +plechtige uittocht plaats naar het kasteel, waar een reidans, de +_cramignon_, wordt uitgevoerd: de leden der jonkheid houden elkaar bij +de hand vast en vormen, met den kapitein aan de spits, een lange rij, +die zich op de maat der muziek in allerlei slingeringen en bochten +wringt. Merkwaardig is het nog, dat door de oude geweerschutterij +van het gehucht Oost op Kermismaandag na de zielmis op de graven der +afgestorven leden en eereleden geweersalvo's worden gelost. + +Op Kermismaandag, Pinkstermaandag of op het patroonfeest van het +gilde wordt meestal de vogel geschoten. In plechtigen stoet trekt de +schutterij naar het feestterrein, waar de houten vogel op den mast +staat. Maar plaatselijk wordt die vogel ook den dag te voren door de +dorpsmeisjes _gepeeld_ (opgesierd), zoo b.v. te Sint Anthonis, gemeente +Oploo (N.-B.); in dit geval wordt hij in den stoet mee gedragen en ter +plaatse op de _wip_, d.i. den mast, den schutsboom, geplaatst. Bij +raak schieten wordt de trom geroerd. De koning krijgt een premie, +maar moet trakteeren, evenals zijn vrouw of aanstaande, die tot +koningin verheven wordt. Hij wordt nu bekleed met de versierselen: +zilveren halsketen met platen, ruitersabel of staf met zilveren +knop, en generaalshoed of kroon. Deze platen, met inskriptie, worden +door den koning gegeven en vormen, aaneengeregen, _het zilver,_ het +hoofdinsigne van het koningschap. Geflankeerd door zijn adjudanten, +keert hij triomfeerend huiswaarts, 's Avonds wordt gedanst; vooral +de carré-dans staat in eere. + +Bij het uittrekken der schuttersgilden wordt een bijzondere vaardigheid +vereischt van den vaandrig bij het _vaandel_- of _vendeldraaien,_ +dat vóor de kerkdeur en vóor het huis der plaatselijke autoriteiten +geschiedt. Vandaar de Vlaamsche uitdrukking "kwalijk het vendel +met iemand kunnen draaien", d.i. het met iemand niet goed kunnen +vinden. Ook wordt bij de intrede in het gilde het nieuwe lid +_ingevendeld_, d.i. het vaandel hem om het hoofd gezwaaid. Elders +heeft een soort van doopsel voor de nieuwe leden plaats. Een groote +oneer is het, als lid geschrapt te worden. Te Waalre (N.-B.) wordt een +onwaardig lid uit het gild (of _guld_) "getrommeld": een geldstukje +wordt op het trommelvel gelegd, en dan wordt zoo lang getrommeld, +tot het er van afspringt. + +Vroeger werd te Heer (L.) bij gelegenheid der kermis het zoogenaamde +_vreisjpeel_ gehouden. Na de hoogmis brachten de jongelui de +meisjes van 't kerkplein naar een herberg, waar gedanst en +gedronken werd. Te midden van den carré-dans maakte men halt, +en onder muziek werd een rondgang gehouden door een jongen man +met twee schotels, geflankeerd door twee jongelui, elk met een +brandende kaars. Gedroeg iemand zich niet ordelijk, dan werd hij +door den kapitein gestraft. Deze gaf namelijk order, den schuldige +midden in het vertrek neergehurkt en met de handen op den vloer, +te _britsen_, d.i. met een vierkante lat, in dunne latjes gespleten, +te tuchtigen. Nog dient vermeld het draaksteken te Heel en te Beesel +(L.). Vroeger was de ridder met den draak in de optochten en processies +een onmisbaar element. Albrecht Dürer zag hem te Antwerpen, terwijl +de draak door een dame, die Sint Margriet voorstelde, aan een rood +lint voortgetrokken werd. Vooral op de dorpen vermaakten de schutters +zich met het spel van Sint Joris-met-den-draak. De vertooningen in +genoemde Limburgsche dorpen zijn hiervan, voor zoover mij bekend, +de eenige overblijfselen,--afgezien van de spreekwijze "met iemand +den draak steken". + +Het monster is gemaakt van gevlochten teenen, met linnen overtrokken, +en van geschubde huid en groote vleugels voorzien. Het trekt met de +schutterij mee en wordt door een lid van het gilde voortbewogen. De +koning van het gilde stelt Sint Joris voor; drie maal rijdt hij op +den draak los, en den derden keer treft hij het monster, dat vuur en +water braakt. Dan voert een meisje in het wit het bedwongen ondier +in triomf weg. + +Op Kermisdinsdag wordt te Aalst, bij Eindhoven, _Machielke begraven:_ +een strooien pop wordt op de baar gelegd en op het marktveld onder den +grond gestopt. Ook aan een lijkrede laat men het niet ontbreken. In +Zuid-Limburg (b.v. te Schinnen) wordt het _kermiskiendje_ begraven. Men +vergelijke "den winter begraven" enz., en den Blitterswijkschen +_doodendans_ (bl. 166). In Vlaanderen "begraaft" men den laatsten +kermisdag, _kermis-kaluit_ geheeten, "het hespebeen"; ook houdt men +wel een verkoop van ledige beurzen. + +Een huiselijk instituut, dat echter tot vele misbruiken aanleiding +gaf, is ook de _spinning_, spinnerij, spinnejacht enz. Gedurende +de lange wintermaanden--die in huiselijke gezinnen meestal door +gezelschapsspelen als ganzebord, domino-, kien-, dam- en kaartspel +worden gekort--kwamen sinds overoude tijden de jonge meisjes en soms +ook de vrouwen uit de buurt met vlas en spinnewiel in het een of +ander ruime vertrek te zamen. Deze spinningen waren het gevolg van het +sterkontwikkelde gemeenschaps- en buurtwezen. De jonge dochters werden +verzocht, een handje te komen helpen, om door gemeenschappelijken +arbeid in éen dag zooveel vlas als mogelijk tot fijne draden te kunnen +verwerken. Later trad het liedjes-zingen en sprookjes-vertellen meer +op den voorgrond. Naderhand werd eigenlijk weinig meer gesponnen--want +het hoog-voorname spinnen raakte in oneere, en een spinnewiel, in +de salons te pronk gesteld, kan dit niet verhelpen,--maar des te +meer gezongen en--gevrijd: want de spinmalen waren de vrijpartijtjes +bij uitstek. Zie Drentsche Volksalm. 1839; Ter Gouw, Volksvermaken, +bl. 407 vlg. + +Zij bestaan nog, en plaatselijk zelfs in vrij oorspronkelijken vorm, +in het Oosten van het land, Brabant, Limburg en Vlaanderen. Gesponnen +wordt meestal in den nawinter, van Kerstmis tot Vastenavond. De +meisjes spinnen of breien doorgaans van zes tot negen; dan komen de +jongens uit de buurt allerlei dwaze streken uithalen, en er wordt +gekoosd, gevrijd, gezongen en gesprongen. Ook kort men den tijd +wel met gezelschapsspelletjes, maar van geheel anderen aard dan de +bovengenoemde; het is _pandverbeuren, bezemjagen_ in den Achterhoek, +_buurt of slage_ in Drente, _zökskes liggen_ of _den rooden hoan jagen_ +in zuidoostelijk Noordbrabant: te Beers, Schayk, Haps enz. Bij _buurt +of slage_ moeten de jongelui het meisje, waar zij mee koozen, aan een +ander afstaan, op straffe van met de plak geslagen te worden. De beide +Brabantsche spelletjes zijn zoekspelen, en slachten het beschreven +_slofje onder_. + + + +IV. Landbouw en veeteelt. + + +De _buurtschap_ is van landelijken oorsprong. Boven is uiteengezet, hoe +vooral in de eschdorpen gemeenschap van herkomst en van belangen den +gemeenschapszin kweekte, die tal van gemeenschappelijke bepalingen in +het leven riep en gemeenschappelijke hulp waarborgde. Aldus vormden de +dorpelingen een zekeren clan, met een buurtschap als nauwere kern, die +bleef voortbestaan, ook waar de dorpen tot steden zijn uitgegroeid. De +arbeidsgemeenschap was ook een strijd-, weer- en feestgemeenschap, +en als feestgemeenschap vooral openbaart zij zich naderhand in de +steden. Daar ook ontwikkelden zich de buurten tot buurgilden, met +bepaalde reglementen en met een president aan het hoofd, "den Heer van +de buurt", zooals hij in de Hollandsche steden genoemd werd. Dat de +buurdiensten hoog gewaardeerd werden, blijkt uit ons goed Nederlandsch +spreekwoord: "Een goede buur is beter dan een verre vriend". + +De buurt omvat doorgaans een zeker getal straten met een bepaald +centrum, zoo b.v. te Roermond, waar de _put_--zoo heet daar de +buurtgemeenschap--een pomp, waarop het beeld van den putheilige, als +middelpunt heeft. Op het land is de grens veelal een weg of een pad. + +Eertijds had jaarlijks een gemeenschappelijk buurmaal plaats, +waarvan de onkosten uit de buurtkas betaald werden; toen dit +afgeschaft was, trad het jaarlijksch potverteren in de plaats. Er +heerschte ook een zekere hiërarchische rangorde: eerste buur, +tweede buur enz. De _noodnoabers_ zijn de buren, tot wie men zich +in geval van nood het allereerst wendt; en mèt de benaming is het +instituut blijven voortleven. Als buur geschrapt, "uitgedaan" worden, +is een ontzettende schande. Nog steeds bewijst de buurt haar goede +diensten in de belangrijkste, zwaarste, heuglijkste en pijnlijkste +oogenblikken van het leven. Bij geboorte, huwelijk en sterfgeval +geschiedt de aankondiging vaak door de buren; bij huwelijk worden +buurt en huis versierd, alsmede de weg, dien het bruidspaar nemen +moet; bij het bouwen van een nieuw huis, het graven van een put, bij +onderscheidingen, een lid der buurtgemeenschap te beurt gevallen, +bij oogsten, dorschen, rooien, bij brand of hagelslag,--steeds is +het de buurt, die hare hulpvaardigheid en deelneming betoont. Daar +zijn andere minder gewichtige, maar toch ook sprekende momenten in +het buurtleven. Heeft iemand geslacht, dan noodigt hij niet zelden de +buren, om te komen zien, als 't varken op de ladder hangt. Ieder zegt +dan, zonder dat de keel droog wordt, zijn meening over het gewicht: +men noemt dit in Noord-Brabant "het varken prijzen". + +Vaste gebruiken kent men ook bij het verhuizen. Op den bepaalden dag +trekken de mannen en de meisjes uit de buurt met de noodige karren +naar het dorp, dat de nieuwe buurman metterwoon gaat verlaten. Een +kar, waarop het nieuwe gezin plaats neemt, is feestelijk versierd: +de huif is met kleurige papieren bloemen getooid, en voorin hangt een +bloemenkroon. Nu zet de vroolijke, joelende stoet zich in beweging, +en in Noord-Brabant wordt hierbij gezongen: + + + Te N. willen wij niet wonen, + Daar zijn de wijven te kwaad, + Maar te N. willen wij wonen, + Daar zijn ze beter van aard. + + +Of wel: + + + Te N. willen wij niet wonen, + Daar is 't een arrem land, + Maar te N. willen wij wonen, + Daar zijn rozen geplant. + + +Of wel: + + + Dat gaat naar Den Bosch toe, + Zoete lieve Gerritje, + Dat gaat naar Den Bosch toe, + Zoete lieve meid. + + + Wat zullen wij daar drinken enz. + Brandewijn met suiker enz. + Wie zal dat betalen enz. + De boer, dien wij gaan halen enz. + Waar zal hij dat halen enz. + Al uit zijn linnen beursje enz. + Wat zullen wij daar eten enz. + Rijstepap met suiker enz. + + +Deze rijmpjes worden doorgaans gevolgd door een langgerekt "kjoeuw". + +Intusschen is de nieuwe woning in orde gemaakt,--trouwens _elke_ +nieuwe woning wordt door de buurt in staat van bewoonbaarheid +gebracht. Het heele huis is schoongemaakt: de vloeren geschrobd, de +muren gewit, alles gepoetst, gewasschen, gesierd; daarna is de mei +of een kroon op het dak gezet en, ten teeken van volbrachten arbeid, +de bezem uit het dak gestoken; van daar de uitdrukking: "den bezem +uitsteken." Plaatselijk dansen de buurmeisjes dan in de feestelijk +uitgedoste woning. Zij hebben nu recht op een onthaal, in het Oosten +van het land het _intrekkingsmoal_ genoemd. In het zuidelijk gebied +heeft dit onthaal geen afzonderlijken naam. Natuurlijk wordt koffie +gedronken, waarbij krentenmik gegeten wordt "en andere"; elders +nuttigt men de onafscheidelijke stoete. De kroon, die de huifkar +tooide, wordt in het nieuwe heem opgehangen en blijft daar, tot ze +verdord of versleten is. + +Een oud gebruik, en waarschijnlijk oorspronkelijk wel bedoeld als een +offer aan de huisgeesten, is het oostelijke _vuurbeuten_, d.i. het vuur +aanleggen in de nieuwe woning door de buurvrouwen, plaatselijk--maar +jonger--ook door de buurmeisjes; men vergelijke hiermee het huisoffer +bij het huwelijk, bl. 261. Ook in het Bentheimsche bestaat dit +gebruik. In Oost-Vlaanderen loopt 's avonds de heele buurt samen, +elk met een bosje stroo, dat ter eere van den nieuwen buurman wordt +gebrand; men noemt dit, de nieuwe buren _inbranden_. Het onthaal +draagt den naam van de _overhaalfeeste_; zie Loquela XII, bl. 69. + +Overeenkomstig dit gebruik wordt een nieuwe herberg met meitakken +gesierd; ook plant men vóor de deur wel eens een meiboompje. Te Kessel +(L.) brengen de buurtjongens den kastelein het uithangbord; het hierop +volgend onthaal heet dan _schildverteren_. + +Bij ziekte wordt door de buurt geneesheer en geestelijke gehaald, +gewaakt, gebeden. Vooral na de berechting onderneemt in katholieke +streken de buurt een bidgang naar een nabijgelegen kapel. Treedt +de dood in, dan zijn het weer de buren, die den doode afleggen, +overluiden, bewaken. Zij belasten zich met de toebereidselen tot de +ter aarde bestelling, dragen het lijk, delven den kuil, verrichten de +begrafenis. Hoe treffend is niet de Limburgsche gewoonte, waarvolgens +de buurmeisjes kransjes vlechten voor de overleden kinderen en +ongehuwden, en in den lijkstoet palmtakken dragen, die dan gestoken +worden op het graf. + +De gezellige bijeenkomsten dragen den naam van _buurting_ of +_buuravond_; het onthaal, dat billijkerwijs de bewezen diensten volgt, +heet _bier_ of _maal_, terwijl het plaatselijk een specifieke benaming +mist. Dit _bier_ is een echt Nederduitsch instituut; zie ook Winkler, +Oud Nederland, bl. 816. De naam van den drank, die het hoofdbestanddeel +vormde, is op de feestelijke bijeenkomst zelf overgegaan en bleef, +ook toen deze drank geheel op den achtergrond raakte. Zoo kent men +het _geboorte_- of _kinderbier_, Friesch _bernebjiar_, het _meibier, +gildebier, vastelavondbier, schuttebier_, bij begrafenissen het +_doodbier, leedbier, troostbier, droefheidbier, groevebier_, Friesch +_leedbjiar_ en _treastelbjiar_, ook wel _loofbier_ genoemd, wanneer +de doode geloofd wordt; bij verloving het _verlovingsbier_. Was men +bij het bouwen van een huis in Friesland zoover gevorderd, dat men de +daksparren met pannen dekte, dan gaf men het _pannenbjiar_, vergel. de +Zeeuwsche uitdrukking _te biere gaeë_, zie ook De Bo, West-Vlaamsche +Idioticon, bl. 127. Over het Limburgsche _huulbeer_ is gesproken, +zie bl. 263. Elders spreekt men van een _intrekkingsmaal_ (bij +verhuizen), een _steendermaal_ (bij het aanbrengen van bouwmateriaal), +een _richtemaal_ (als de gebinten gericht zijn), een _mestmaal_ enz. + +Bij den landbouw en het akkermansleven openbaart zich een nauw +betrekkingsgevoel tusschen den landbewoner en de omringende natuur, +en een gevoel van wisselwerking tevens. Verkondigt een dorre twijg +den dood aan dengene, die hem het eerst waarnam, omgekeerd kan men, +door een stroopop in het water te werpen, de natuur tot regen dwingen +(vergel. bl. 195). Dit is meer dan poëzie en symboliek, dit is, +hoewel onbewuste, sympathetische magie, die op een zekere animistische +natuurbeschouwing en ten deele op natuurvereering berust, in zoover +hier althans van fetissisme spraak kan zijn. Maar naast en boven dit +animisme of dynamisme is in de akkergebruiken nog een andere faktor +werkzaam: het religieuze bewustzijn van de voorzienigheid Gods en +Zijn heerschappij over de natuur.-- + +Reeds is voor het _zaaien_ gezorgd door palmblaadjes tusschen het +zaadkoren te leggen; dit bevordert de vruchtbaarheid. Maar deze +maatregel is niet voldoende; want het is lang niet onverschillig, +wanneer gezaaid wordt. Vrijdag en Maandag zijn daartoe niet +geschikt. Verder meent de landbouwer, als vroorogge op Sint Pieter +vóor den middag gezaaid wordt, dan schieten er aren in; niet aldus, +wanneer in den namiddag gezaaid wordt. De laatste volle week van +September mag niet gezaaid worden; dit is de _springweek_, dan springt +het zaad uit den grond op. Rogge moet ook gezaaid worden met wassende +maan (sympathie), maar niet tusschen twaalf en éen, en evenmin op +Quatertemperdagen. Zoo mag men ook in de Kruisdagen geen boonen +poten. In Vlaanderen en in den Achterhoek acht men het verkeerd "bij +twee lichten" te zaaien, d.i. als zon en maan aan den hemel staan; +daarentegen zaait men in het Rijnland juist bij twee lichten gaarne +tarwe, dan wordt zij mooi wit (sympathie). + +Zeer verspreid is de gewoonte, vóor het zaaien een kruis te slaan +en ook de drie eerste worpen in kruisvorm te doen, en wel onder een +spreuk, waardoor Gods zegen wordt afgeroepen. Maar meer mag men +niet spreken, opdat de vogels het niet merken. Het zaad moet men +hoog opwerpen, dan groeit het graan hoog op (weer sympathetische +magie). Laat men des nachts ploeg of eg op het land staan, dan zet +men deze recht op in het veld, dat de heksen er onder kunnen vluchten +(Limburg). + +Intusschen schiet het graan welig op. Het is voor den landman een +heilige tijd, een tijd van bange zorg en blijde hoop, als de velden +zich steeds rijker bekleeden met den zegen des hemels. Nu rijdt +men om de akkers, dat de oogst moge gedijen; nu bezigt men allerlei +afweermiddelen tegen hagelslag, onweer, brand, vooral tegen de vratige +vogels: de vogelverschrikkers hebben niet slechts een praktisch doel, +maar doen tevens eenigermate als fetis dienst. Op de Duitsche grens +leest men plaatselijk 't Sint Jans Evangelie tegen de musschen; tegen +misgewas steekt men in Vlaanderen en Limburg een gewijd palmtakje op +de vier hoeken van den akker. Het is een belangrijke, hoog-ernstige +tijd: dans en andere vermakelijkheden moeten nu rusten ... + +Het omrijden der akkers en het rondtrekken om de graanvelden, wat +ook eertijds te Rome in zwang was, heeft ten deele een gekerstenden +vorm aangenomen in de processies. Het is zeker niet toevallig, +dat de _litania maior_, de voornaamste processie met litanie-gebed +op Marcusdag (25 April), juist op denzelfden datum valt, waarop +eertijds te Rome het voornaamste _ambarvale_ plaats had: ommegang, +bedegang door en om de velden voor het gedijen der veldvruchten en +het afweren van schadelijke invloeden. Ook bij deze en dergelijke +heidensche processies sprak men wisselgebeden in dialoogvorm. De +heidensche processie op den 25sten Maart werd gehouden ter eere van +_Robigo_, een godheid, aangeroepen ter afwending van ziekte in het +graan of van den meeldauw. Met het feest van den H. Marcus heeft de +_litania maior_ niets gemeen. + +Maar reeds heeft de kwartel den oogst aangekondigd; en de landman +weet het, als de kwartel slaat, dan korrelt het graan goed: + +"zooveel maal als hij slaat, zooveel vat uit de vim", zegt een +Limburgsch spreekwoord. + +Weldra, als de wind door de aren speelt en het graanveld doet golven, +dan gaat de koorndaemon door de halmen, evenals de boomgeest zich +openbaart in het ruischen van het loof. "De roggehonde loopt er +deur", zegt men dan in de Graafschap, of "de roggemeuje het de +varkens oet." Hier ontmoeten wij voor het eerst den genius der +vruchtbaarheid op het graanveld. Hij neemt nu eene menschelijke +gedaante aan (_korenmoeder, roggemeisje_), dan weer die van een dier +(hond, wolf, haan, haas, bok enz.). Kinderen, die het graan vertrappen, +waarschuwt men voor het korenwijf, de roggemoeder of den bok. De hond, +haas enz. komt er bij de laatste schoof uit; dan moet een der binders +met open schort voor de halmen gaan zitten, om hem te vangen. Zoo +komt het, dat elders de laatste schoof den vorm van een hond, haas +enz. aanneemt. Zie Sartori, Sitte und Brauch II, bl. 87; Mannhardt, +Baumkultus, bl. 611; Roggenwolf und Roggenhund2 (Danzig 1868), +_passim_; Die Korndämonen (Berlin 1867), _passim_. + +Het is een weldoende toon in het volksleven, dat de _graanoogst_, +het moeizaamste en gewichtigste werk van het geheele jaar, als een +feest wordt opgevat. Op Jacobidag (25 Juli) pleegt hij een aanvang +te nemen. Het nijvere landvolk zweet en zwoegt, de buren bieden de +helpende hand, maaien de halmen, binden de schooven, stapelen op de +oogstkar het kostbare loon van zooveel moeiten en zorgen, en bij +het haren der zeisen en het zwaaien der sikkels klinken vroolijke +oogstliederen als deze: + + + De wumpel de strumpel de kanne met bier, + Die hebben we hier op ons pleizier! + Zoetemelk met roome, + Jan Dirksen is mijn oome, + Peet Trijn, dat is mijn bestemoer, + Zoo gaane we mee op het leste voer. + + +(Noord-Holland). + + + Het laatste voer is op de baan, + Dat in den boer zijn schuur moet gaan. + De luie boeren alleen hebben nog staan. + + +(Oost-Vlaanderen). + +En nog komt met _Sint Joapik_ de boer handen te kort. Dit blijkt +uit verscheidene zegswijzen. Als 't heeft geijzeld, en de boeren +de hoefijzers der paarden moeten laten scherpen, zegt men: "'t +Hef glad iêzelt, de boer hef vandaag zienen Sint Joapik", en zijn +er veel huwelijken na den gesloten tijd, dan hoort men wel eens: +"Onze pastoor hef regtevoott zienen Sint Joapik". + +Eindelijk bindt men de laatste schoof. Evenals in de lentegebruiken de +vegetatiedaemon door den meiboom of door een omloofde menschenfiguur +wordt voorgesteld, aldus ook de koorngeest in de oogstgebruiken. Men +beeldt hem uit in een schoof, met bonte linten en bloemen gesierd en +veelal gebonden in den vorm van een pop, en deze draagt benamingen +als: _korenmoeder, roggewolf, roggehaan_ enz.; immers, het dier, +dat sprong door het golvende graan, heeft men gevangen in de laatste +garve. Buiten onze grenzen wordt ook wel de maaier in de laatste schoof +gebonden en in water gedompeld. Zij wordt ook vaak met eetwaren als +appelen, gebak, eieren enz. gesierd en men danst er om heen, als om +den meiboom. Een verdere overeenkomst met den meiboom is deze, dat +b.v. in Westfalen de laatste schoof wordt bekroond door een uit hout +gesneden en op een stok bevestigden haan, die met den haanvorm, waarin +somtijds de laatste schoof gebonden wordt, niets gemeen heeft. Deze +haan rust op den oogstkrans, en troont dan veelal op den zoogenaamden +_Harkelmai_, die zijn benaming aan de bijeengeharkte halmen dankt: +de overeenkomst met den kleinen meiboom, dien wij palmpaasch noemen, +is weer bijzonder treffend. Na afloop der feestviering spijkert men +den haan met den oogstkrans aan den gevel van het woonhuis, waar hij +tot het volgende jaar blijft prijken. Zoo verklaart men de gewoonte +van het hanenslaan in sommige streken na het oogstfeest--in den Elzas +bindt men een levenden haan aan den oogstmei!--en evenzeer de Twentsche +benaming voor het oogstfeest: _stoppelhanen_. + +De laatste schoof wordt ook de _geluksgarve_ genoemd, omdat +men van haar geluk en rijkdom verwacht voor het volgende jaar; +want de genius van de groeikracht en den wasdom, dien de oogstmei +uitbeeldt in betrekking tot de graanhalmen, welke hij tooit, wordt +ook beschouwd als de onafgebroken voortlevende groeikracht der +veldgewassen. Andere benamingen zijn: _de Olle, 't Olde Wief_ enz., +welke wellicht betrekking hebben op een Oudgermaansche goddelijkte +verpersoonlijking der vruchtbaarheid. + +Te Hengeloo, Steenderen, Zelhem, Ruurloo en andere dorpen van de +Graafschap maken de binders, als de laatste halmen gemaaid zijn, een +bijzonder groote garf, die uit vijftien gewone garven bestaat. Deze +wordt dan met groene takken en bloemen gesierd en draagt den naam +van _'t Olde Wief_. Straks komen de knechten met een langen staak, +steken haar dien door 't lijf en dragen haar in optocht naar de +woning van den boer, waar ze voor de deur wordt neergezet. Met eenige +plechtigheid wordt dan de feestgarve aan de vrouw, die inmiddels +naar buiten gekomen is, aangeboden. Ook draagt men de reuzenschoof +wel eens naar binnen en dan wordt er om heen gedanst. + +Ook elders bestaat een dergelijk gebruik. Te Neerbosch (G.) en +omstreken, Heel, Geleen, Vlodrop, Reuver, Tegelen enz. (L.) maakt men +de laatste schoof dubbel zoo dik als naar gewoonte; zij wordt met groen +en bloemen, met een _mei_, opgesmukt en dan op de kar geladen. Een +joelende menigte van jongens en meisjes omstuwt het voertuig, en langs +den grootst mogelijken omweg begeeft de stoet zich huiswaarts. In het +dorp zet men het feest tot laat in den avond voort, want rijkelijk +wordt de jeugd door den eigenaar op koffie, bier, brandewijn en vla +onthaald. Te Nederweert vergast men zich op _Zichtezondag_ aan bier en +zoete melk. Elders wordt alleen de laatste kar _gemeid_. Te Schinveld +maakt men nog een stroopop, waarmee gesold wordt. + +In sommige Friesche woudstreken is het de gewoonte, dat op de laatste +van het veld komende wagenvracht boekweit een meiboom wordt geplaatst, +en wel een tak van den lijsterbessenboom met de rijpe bessen er aan. Op +het Bildt zaten voorheen op den laatsten wagen boonschoven, die werden +binnengehaald, twee jongens met een strooman. Zij zongen aldus: + + + Moer, moer, de pan over 't vuur! + Hier hê wij _de leste gerven_ + Boven in de bergen, + Boven in de toppe. + Wanneer selle wij soppe? + Soppe wij van avond niet, + Dan soppe wij 't heele jaar niet. + + +In Zuid-Limburg draagt het oogstfeest de eigenaardige benaming van +_martelgaus_ (of _-gans],_ klaarblijkelijk een vervorming, zonder +eenige betrekking tot den gansvogel; een afdoende verklaring werd +tot nog toe niet gegeven. Elders op Nederlandschen bodem biedt het +oogstfeest weinig karakteristieks. In het Noorden heeft de vlag meestal +het meiboompje vervangen. In West-Vlaanderen draagt het oogstfeest, +of liever de feestmaaltijd, den naam van _oogstfooie_, elders dien +van _oogstkermis_. + +Ten slotte zij nog vermeld, dat in Oldenburg, Brunswijk, Hannover +enz. een stuk koren ongemaaid op den akker blijft staan: het +_Vergôdendêl,_ dat kwalijk anders kan vertaald worden, dan als: +"Frau Godens Anteil", een hooioffer dus aan Wôdan's gemalin. Hiermee +vergelijke men het schamel overleefsel, dat ons rest in het hooi voor +het paard van Sinterklaas (bl. 123). + +Het arenlezen is het recht der armen. Te Eibergen (G.) zingen de +kinderen, als ze na het _pungelen_ (aren lezen) huiswaarts keeren: + + + Moeder, moeder, ik heb moar eenen pungel epungeld, + Der was neet meer te kriêgen, + Want as der nog meer te kriêgen was, + Dan ha'k wal meer noa 't hoes ebrach; enz. + + +Terstond na het ten einde brengen van den veldarbeid begint het +_dorschen_: een zwaar, moeitevol werk, waar men gaarne reeds vroeg in +den morgen mee aanvangt. Volijverig hanteeren de dorschers den vlegel, +en uit het rythme van den dorschvlegel groeit het dorschlied met zijn +gespierde en toch zoo smijdige klankbeweging: + + + It klitst, it klatst, + 't Giet juwn toa gest, + Op tzies in brea + Mey 't heale gea. + + +(Friesland) + + + [Het klitst en klatst, + Het gaat van avond te gast, + Op kaas en brood + Met het halve dorp]. + + +Zouden er geen liederen gezongen worden in den trant van Cremer's +Betuwsch dorschliedje? Wij geven het natuurlijk met het noodige +voorbehoud: + + + Lange vlegel, wonderklop, + Sloa d'r helder lochtig op + Vief en twintig duuzend slag, + Ielken korten wienterdag, + Met verdrag. + Vlêgel! klap 'm, klep 'm, klop, + Die 't niet gleuft op stuggen kop. + + +Vooral het dorschlied steunt in zoo ruime mate de stelling van Karl +Bücher, dat het arbeidslied zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm, +dien het volk aan inspannenden, eentonigen arbeid gaf, om het eentonige +te breken en de vermoeienis te doen vergeten. + +Het gewichtigste oogenblik bij het uitdorschen is dat van den laatsten +slag. In ons zuidelijk volksgebied bestaat vrij algemeen het gebruik, +dat bij het afdorschen van het laatste koren alle dorschers tegelijk +met de vlegels op den vloer slaan; in het Oosten van ons land heette +dit de _drobbelslag_. Uit vergelijking met uitheemsche gebruiken +blijkt, dat deze slag oorspronkelijk den koorndaemon gold, die immers +mee in de schuur gevlucht is. Tegenwoordig is het een teeken, dat de +vrouw van den eigenaar moet komen, om de arbeiders te trakteeren. + +De greidboer heeft geen bouwland, hij is enkel veehouder, hij kent +alleen den _hooi-oogst._ Maar de gebruiken, hiermee verbonden, zijn +over het algemeen veel minder ontwikkeld dan die van den graanoogst. Na +afloop volgt het hooimaal, een afscheidsmaal, dat de boer aan zijn +werkvolk geeft; het bestond van ouds uit spekpannekoeken. De laatste +wagens worden op Ameland met vlaggen versierd. + +Worden de groote schuurdeuren geopend, dan gebeurt het vaak, dat +zwaluwen komen rondfladderen in de ledige ruimte der schuur. Dan +zingt de jeugd--en ook wel in het voorjaar bij den terugkeer,--het +zwaluwgetjilp nabootsend: + + + Verleden jaar, toen ik hier was, + Was dit vak vol en dat vak vol, + En nu is alles weer verteerd, verteerd, verteerd. + + +Of wel: + + + Toen ik weg ging, waren alle kistjes en kastjes vol, + Maar toen ik weer kwam, was alles verslikkerd, verslekkerd, + verslierd, verslierd. + + +Men vergelijke het Brunswijksche: + + + As ik weggung, as ik weggung, + Was dit fak vull, was dat fak vull, + As ik wê'erkam, as ik wê'erkam, + Was alles verslickert, verslüert. + + +Laat ik nog vermelden den vlasoogst, vroeger zoo belangrijk met het +oog op het algemeen gebruikelijke, huiselijke spinnen; den hopoogst, +die eertijds aanleiding gaf tot het befaamde Geldersche hopmaal met +zijn lekkere, gerezen pannekoeken; eindelijk den koolzaadoogst, +daarom niet onbelangrijk, dewijl de laatste zak door een groenen +tak, een _mei_ werd gesierd. Met de muzikanten voorop ging de stoet +zingende naar het huis van den boer. Maar reeds in 1839 was, volgens +den Gelderschen Volksalmanak, dit feest kwijnende. + +In Noord-Brabant, b.v. te Duizel, kent men nog de _aardappelfooi_, +vroeger in de omstreken van Breda de _boekweitfooi_, vergel. de +Antwerpsche _pataatfooi_, naast de Vlaamsche _oogst- vlas-_ en +_zaadfooi_ (bl. 283). Het woord _fooi_ heeft hier de beteekenis van +"afscheidsmaal", die ook het Middelnederl. _foy, voy_ bezat. Een +nog oudere beteekenis is "reis, weg"; immers het woord heeft zich +ontwikkeld uit het Fransche _voie_: "reis, reispenning, teerpenning." + +Zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 190 vlg.; Driem. Bladen I, bl. II, +bl. 70; Dr. De Vooys, in Volkskunde XXIV, bl. 154; Schrijnen, +in Limburg's Jaarboek I, 3, bl. 25 vlg.; H. Welters, Feesten enz.; +bl. 50; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 312 vlg.; Waling +Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 261. + +De _veeteelt_ is reeds elders ten deele besproken, zoo b.v. de +stalling bij de verschillende huistypen en eveneens de afweermiddelen, +die ter bescherming van het vee tegen onheilvolle invloeden worden +gebezigd. Ook de hooioogst behoort tot dit onderwerp. + +Vooral de paarden staan bloot aan betoovering en aan kwelling van +de maar, die onontwarbare knoopen in de manen vlecht en de dieren in +zweet drijft. Hiertegen bestaan afzonderlijke bezweringsformules. Ook +paardekoppen in den gevel oefenen beschermenden invloed uit. De koeien +en schapen worden op gezette tijden door de vaart gedreven, om ze +vruchtbaar te maken en tegen ziekten te beveiligen. Op een meidag +drijft men de koeien in de weide en tegen Sint Katherijne komen zij +weer op stal. In den omtrek van Bredevoort en Aalten (G.) hebben de +koewachters hun eigen deuntje, waarmee ze elkaar toeroepen: "Alleli, +allo, Derk, Jan, enz., allo, kom hier allo, gauw dan alio, alleli, +allo". Dit "Alio, alleli" dient ook om des avonds de koeien bijeen +te roepen. + +Bijzondere voorschriften gelden bij het melken, om te maken, dat de +melk overvloedig is, niet blauw, dat zij niet onmiddellijk stolt, +dat zij niet botert; hiertegen beveiligt vooral de vlierstruik. Ook +palm en kruidwisch worden in den stal aangebracht; spinnewebben ziet +men er graag. + +Schapen, geiten en varkens spelen in het volksgeloof een +ondergeschikte rol. Van meer belang zijn hond en kat, die vooral het +weêr voorspellen, maar toch ook geluk of ongeluk aankondigen. De kat +staat in betrekking tot het huwelijk (bl. 90, 253), kondigt bezoek +aan en ziet sterfgevallen vooruit. Van groot belang is, zooals wij +zagen, de haan bij de vruchtbaarheidsgebruiken, bij het oogstfeest +enz. Hij beveiligt tegen schadelijke invoeden en is daarom wel vooral +symbool der vruchtbaarheid, zooals ik reeds op bl. 96 en elders +heb betoogd. Eindelijk, in hooge eere staan de bijen, het eenige +insekt, dat huisdier geworden is. Zij staan in nauwe betrekking tot +het gezin van den iemker; zijn dood wordt hun aangekondigd; met de +naastbestaanden dragen zij rouw. + + + +V. Ziekte, dood, begrafenis. + + +Na de genoegens van het leven komen _ziekte_ en de dood. Menige zwakte +en menig lijden slaat de landbouwer lager aan dan de stedeling met +hooger kultuur, en het is zelfs een bekend feit, dat hij eerder den +veearts voor de stalbeesten zal ontbieden, dan den geneesheer voor +zich zelf of voor de leden van zijn gezin. En nog gaat hij dan bij +voorkeur bij waterdokters en konsorten te rade. Daarentegen is hij +voor kleine misvormingen zeer gevoelig, getuige b.v. het heirleger +van bezweringsformules tegen de wratten. Maar ik kom hier op het +gebied der volksgeneeskunde, die uitvoerig in het Zesde Hoofdstuk +zal besproken worden.-- + +Intusschen wordt de kwaal erger en erger en nadert de _dood_. Reeds +heeft men herhaaldelijk geheimzinnige lichten waargenomen, die onder +den naam van _veurbuken_, (_veurbukes, veurbuksel_ enz.) bekend zijn, +althans in het zuidelijk volksgebied. Voortdurend krast de uil en +de raaf, de waakhond slaat aan in het holle van den nacht, de klok +blijft stil staan of twee klokken slaan te gelijk, de katten bijten +elkaar; nu eens springt een glas, dan weer worden deuren plotseling +dichtgeworpen, en voortdurend laat het houtwormpje zijn eentonig +getik hooren. Hierbij komt nog, dat de huisgenooten voortdurend +droomen van huwelijk en bruiloft (vgl. bl. 241), of den priester +aan het altaar zien staan: geen twijfel meer mogelijk, spoedig zal +de zieke "het gewaagd hebben". "Hij gaat de gard af", fluisteren de +vrienden en magen, "hij riekt naar de schup". Bij kinderen klinkt de +volksuitdrukking zachter, gevoeliger: groote kinderoogen, luidt het, +zijn "kerkhofbloemen". + +Men kan niet zeggen, dat de landman den dood meer vreest dan de +stedeling, maar hij wordt er voortdurend aan herinnerd door zijn +intiem samenleven met de natuur, wier opvallende verschijnselen hij +als voorboden beschouwt. Hierop wijst m.i. het meest sprekend de +volksverklaring van een ontijdigen bloei: + + + Een bloem buiten den tijd + Is een bruid of een lijk. + + +Ook hier weer de verwantschap van dood en huwelijk als het telkens +wederkeerend refrein. + +De dood wordt door het volk beschouwd als een overgang, niet als +een einde: vandaar een heele reeks van scheidingsgebruiken uit de +wereld, die den mensch omringt, zoowel bij het sterven, als na +den dood, tot hij veilig en wel geborgen is in het graf. Want, +dat ieder mensch bestaat uit een tweevoudig ik, dat er bij den +dood een scheidingsproces plaats heeft, ten gevolge waarvan het +onsterfelijke gedeelte overblijft, om een nieuw leven te beginnen, +was een overtuiging, door de Oude Germanen met alle andere volken +en volkengroepen gedeeld. Deze overtuiging is algemeen-menschelijk, +en behoort tot de goudaderen in veelal waardeloos of minder waardevol +erts. Tot dit soort van gebruiken behoort het afknippen van nagels +en haar, het omwerpen van de stoelen en banken, het openzetten +der vensters, het rondgaan om het kerkhof enz. Ook bij de geboorte +hebben wij een dergelijken scheidingsritus ontmoet (bl. 214, 215); +hier is hij op zijn eigen domein. Zelfs voor de overlevenden is +hij van toepassing, ten einde scheiding te bewerkstelligen van den +doode en de doodsmachten en ter wederopneming in de wereld en in de +gemeenschap der levenden. Natuurlijk vermengen zich hiermee gevoelens +van teedere piëteit met den dierbaren stervende of doode. + +Na de berechting, in katholieke streken, wacht men met bange vrees en +klimmende bezorgdheid het naderend einde af. Komt het stervensuur +en heeft men allen grond, te duchten, dat de zieke het spoedig +zal hebben afgelegd, dan ontsteekt men de gewijde doodenkaars--in +Vlaanderen wordt dit _uitlichten_ genoemd--en roept de familie om +het sterfbed. Men tracht den stervende het verscheiden zoo licht +mogelijk te maken. Hij mag geen kleedingstuk aanhebben, waaraan op +Zondag genaaid is, want daarin kan hij niet sterven, maar blijft +voortdurend in doodstrijd. Men vraagt hem gaarne, of hij niets meer +"op zich heeft", een laatsten wensch, maar ook wellicht een belofte, +die men hem dan afneemt. Bestellingen en beschikkingen van een +stervende moet men volbrengen, anders kan hij geen rust vinden in +het graf; en evenmin vindt hij rust, als men de begrafenisgebruiken +verwaarloost. Houdt men na den dood ter volbrenging eener belofte van +den overledene een bidweg, dan moet men een stok of regenscherm voor +de deur zijner woning zetten en zeggen: "In den naam van God, ga voor, +ik zal u volgen." Blijkbaar wil men aldus den geest verschalken en +alvast voorop sturen; anders moet men hem dragen. + +In dit beslissend tijdsgewricht ducht men vooral het twaalfde uur; +immers dan "verzet" de tijd. + +Heeft de stervende den laatsten snik gegeven, heeft de ziel het +lichaam verlaten, naar het volk meent als ademtocht, dan wordt +de mond gesloten, de naaste verwanten drukken de oogen dicht, +en in katholieke streken omklemmen de saamgevouwen handen een +kruis of rozenkrans. Eertijds werd de stervende, naderhand ook de +doode afgelegd, en kwam hij van het bed op het lijkstroo te liggen, +in geheel België _reeuwstroo_, in Hollandsch Limburg _schoofstroo_ +genoemd; _reeuw_- beteeken "lijk", vergel. het Gothische _hraiw_- in +_hraiwadûbô_ "tortelduif, lijkduif." Het feit, dat de uitdrukking "op +zijn reeuwstroo liggen" in heel Vlaamsch België en in de aangrenzende +gewesten mondgemeen is, bewijst voldoende, dat zij verband houdt +met een algemeen verspreid gebruik. Het afleggen op stroo mag als +Pangermaansch, ja als algemeen Indogermaansch beschouwd worden. In +België schijnt het sedert enkele tientallen van jaren uitgestorven; +ook in Westfalen (_Revestroh_) en Rijnland is het gebruik veel +verminderd. In Nederland is het, voor zoover mij bekend, nog +slechts in Friesland en in Hollandsch Limburg in zwang: "Wanneer het +gewasschen en in het doodshemd gekleed is," schrijft Th. Dorren in +Limburg's Jaarboek XVI, bl. 13, "wordt het lijk--gewoonlijk op twee +aan elkaar geschoven tafels--in de beste kamer _op schouf_, d.i. op +stroo gelegd. De tijd, dat het lijk onbegraven daar ligt, heet het +"_euver eerd_ liggen." Vandaar de uitdrukking: "Hij komt van het bed +op het stroo," d.i. van euvel tot euvel, zonder dat het er beter op +wordt. Oorspronkelijk werd het lijk van het bed op een plank gelegd, +en deze, in Beieren het _Rebrett_ genoemd, dient in ons land nog op +tal van plaatsen, om den dood aan te kondigen. Zwart geverfd en met +een doodshoofd, waaronder de letters R.I.P., beschilderd, wordt het +_liêkbreed_ naast de deur van het sterfhuis geplaatst. + +Het lijk wordt dus gewasschen, geschoren, en men legt een doekje +onder de kin. Kinderen tooit men met een kransje, ook de ongehuwden +krijgen den bruidstooi, dien zij gedurende hun leven moesten ontberen: +den mirten- of rosmarijnkrans. Dan vangt het _verhennekleen_ aan, +d.i. het doodskleed of _hennekleed_ wordt den doode aangedaan of +liever over hem heen genaaid. De Friesche benaming is _hinnekleed_; +in Oost-Groningen zegt men ook _reekleed_, en met volksetymologische +vervorming _regenkleed_. Dit kleed is het eerste, wat de jonge +vrouw voor zich en haar man spint. Het wordt oospronkelijk met éen +draad en éene naald om het lijk vastgenaaid. Deze naald is "heilig" +en "gevaarlijk" tevens; beide begrippen raken elkaar (bl. 86). Zij +wordt dus doorgebroken en de stukken worden in de kist gedaan; ofwel +men werpt ze in het vuur. Raakt men er een kies mee aan, dan zou hij +uitvallen; éen prik er mee geeft een ongeneeslijke wonde. Anderzijds +brengt zij geluk bij het loten. + +In Limburg wordt de vrouw met het hemd bekleed, dat zij den eersten +huwelijksnacht en daarna nooit meer gedragen heeft. Elk jaar wordt het +gewasschen en dan zorgvuldig opgeborgen; wij ontmoeten hier wederom +de verwantschap van dood en huwelijk in het folklore (bl. 241). + +Na den dood worden onmiddellijk deuren en vensters geopend in +het sterfvertrek, althans op enkele plaatsen in Zuid-Limburg, een +scheidingsgebruik, dat de ziel er vrij uit kan _pfluderen_ (fladderen), +zooals men in Zwaben zegt. In de Graafschap, en in 't algemeen in +'t Oosten van Nederland, wordt onder het bed, of in de buurt ervan, +een bak met water of met water en melk gezet; dit gebruik heerscht +ook in Westfalen en andere streken van Noord-Duitschland. In Groningen +meent men, dat dit met een hygiënisch doel geschiedt, omdat dan alle +vuiligheid op dit water trekt; elders zegt men, dat anders alle water +en de melk in huis onrein wordt. Waarschijnlijk was de oorpronkelijke +bedoeling, de ziel een bad in water en melk te schenken. In Oostenrijk +keert men alle vaatwerk om, dat de ziel daar niet aan blijve hangen. In +Friesland wilde het gebruik, drie handjes vol gerstekorrels rond den +doode uit te strooien; het strooien van gerst of zand heeft over het +algemeen geestenwerende kracht; vgl. bl. 76. + +Nu zet men de klok stil en omfloerst den spiegel of keert hem om, +"omdat er anders spoedig een tweede sterfgeval in het huis zou +volgen", meent men in Friesland. De verklaring hiervan is deze, dat +het spiegelbeeld van den mensch met de ziel wordt gelijk gesteld; het +is dus te duchten, dat het spiegelbeeld van de overlevenden door den +geest van den overledene worde meegevoerd. Dit zelfde gebruik vindt +men plaatselijk, buiten onze grenzen, ook bij geboorte en huwelijk; +immers ook in deze gewichtige levensmomenten wordt de mensch in hooge +mate door de geesten bedreigd. + +Naderhand worden deuren en vensters weer gesloten, eigenlijk en +oorspronkelijk eerst na de begrafenis, om de ziel te verhinderen, terug +te keeren. Dit blijkt o.a. hieruit, dat men in Noord-Duitschland aan +de achterzijde van het sterfhuis een brok muur neerlegt, om zich voor +het wederkeeren der ziel te vrijwaren. Wil men in Limburg uitdrukken, +dat iemand reeds lang overleden is, dan zegt men: "Hij komt al haast +terug." Het luiken der vensters werd later rouwsymbool, òok bij de +naastbestaanden. + +Een krachtig middel, om den terugkeer der schimmen te beletten, is +ook het leggen van twee stroowisschen kruiselings over elkaar op de +kruiswegen, of in het algemeen tusschen woon- en begraafplaats op den +weg, dien de lijkstoet volgde: want de doode keert langs denzelfden +weg terug, dien hij gekomen is. Inderdaad wordt het lijk-, schoof- +of doodenstroo op verschillende wijze behandeld. + +1. Men verbrandt het, en dit is nog op tal van plaatsen in het +zuidelijk volksgebied het geval. Immers, de geest van den doode zou +aan het stroo kunnen blijven hechten; dit is dus een reinigings- +en scheidingsgebruik. In alle geval: + +2. Men verwijdert het na den dood uit het huis, evenals de +plank, waarop de doode gelegen heeft. Dit is natuurlijk weer een +reinigingsgebruik, evenals het keren van het huis en het verbranden +van kleêren en andere voorwerpen, waar de dood mee in aanraking +kwam. Vandaar het gebruik in Zeeland, Noord-Brabant, Gelderland, +Vlaanderen en enkele jaren terug ook in Limburg, na den dood +bossen stroo aan de deur van het sterfhuis te leggen, met of zonder +rouwbanden; naar den ouderdom van den overledene neemt dit grootere +afmetingen aan. In de Noordbrantsche buurten Loon-op-Zand, Sprang, +Capelle enz. wordt kort gesneden stroo onder drie naast elkaar liggende +steenen gevlijd. Naderhand dienden lijkstroo en lijkplank als teeken, +dat iemand overleden was. + +3. Het stroo wordt kruiselings voor de deur gelegd, of men maakt +er wisschen van, die op de kruiswegen gelegd worden. Ook wordt de +kist op het reestroo geplaatst, en op den weg naar het kerkhof worden +stroowisschen of enkele halmen van de kar op den grond geworpen. Aldus +in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant en Limburg, Gelderland enz. Dit +stroo dient om den geest het terugkeeren te verhinderen. Zelfs legt +men o.a. te Sittard twee stroohalmpjes kruiselings op hoofd, borst en +voeten, om den geest den lust te benemen, zich weer met het lichaam +te vereenigen. Deze en dergelijke gebruiken heet men te Mechelen +dan ook zeer juist "den doode verloren spelen"; zie H. Coninckx, +Mechelsche gebruiken II, bl. 51. Naderhand werd het gebruik ten deele +gekerstend en vroeg de stroowisch op kruiswegen om een gebed voor de +"geloovige zielen". + +Aldus verklaart men ook, waarom het stroo vóor het sterfhuis wordt +verbrand, terwijl het stroo langs of op den lijkweg daar moet blijven +liggen, tot het verrot is. + +Een aandoenlijke trek in het volksleven is het aanzeggen van den dood +aan de huisdieren, die geacht worden in nauwer betrekking te staan +tot den huiselijken kring en hun deel te hebben aan het wel en wee +van het gezin. Aan het vee, maar vooral aan de bijen wordt de dood +van den meester aangezegd. Het best is deze trek bewaard gebleven +daar, waar de huisgemeenschap van menschen en vee het innigst was, +nl. op de Oudsaksische hoeve; aldus te Weerdinge en Emmen, dan ook +eertijds te Meppel en Hoogeveen. Te Barneveld maakt men een zwarte +streep op de linkerzijde van elken korf als teeken van rouw; elders +in het Oosten van het land worden de bijenkorven van rouwstrikjes +voorzien; zie Driem. Bladen XII, bl. 52, vergel. III, bl. 81. In +Westfalen luidt de formule: + + + Imme, Imme, din Heer is dood, + Nu bliw bi mi in mine Nood. + + +Ook in West-Vlaanderen, de Kempen en het Meetjesland klopt men op +de korven en zegt: "Bietjes waakt, want de meester slaapt", of "de +meester vertrekt." + +Het overlijden wordt aangezegd door de naaste buren of door de +lijkbidders, en de buurt, vooral de _noodwakers,_ komen, om bij het +lijk te waken en te bidden. Wij hebben hier het overoud gebruik der +lijkwake of doodenwake, een gekerstend afweergebruik, dat echter +tegenwoordig, bij de protestanten althans, grootendeels in onbruik +geraakt is. Vroeger werden hierbij klaagliederen gezongen en een +lijkmaal gehouden. Of hier of daar bij deze gelegenheid nog opzettelijk +geweeklaag wordt aangeheven, is mij niet bekend; maar in Twente en +ook wel elders wordt die lijkwake nog etende en drinkende doorgebracht. + +Burenplicht is eigenlijk ook het overluiden, waarbij natuurlijk +_luibier_ behoort. Het gebruik is vrij algemeen, en volgens den regel +wordt driemaal geluid voor volwassenen en éenmaal voor kinderen, +of voor een volwassene wordt met de groote, voor een kind (ook wel +voor een vrouw) met de kleine klok geluid. Dichterlijk is de Duitsche +uitdrukking: _das Heimläuten_; bij ons is behalve de term _overluiden_ +ook wel _uitluiden_ gebruikelijk. Zooals uit vergelijking met tal +van analoge gebruiken blijkt, had zoowel de luide doodenklacht als +het overluiden oorspronkelijk ten doel, de geesten af te weren, +die zich van de scheidende ziel wenschten meester te maken. + +'s Avonds vóor de begrafenis wordt het lijk gekist; voor de doodkist +werden vroeger de planken opbewaard. Staat een doode 's Zondags over, +dan volgt binnen twee weken een tweede lijk. Ligt iemand "mooi" in de +kist, dan is dit insgelijks een teeken, dat weldra een nieuw sterfgeval +in dezelfde familie zal plaats hebben: "hij is mooi bestoorn", +zeggen de Friezen. Nu weet men, dat, volgens een zeer verspreide +animistische opvatting, de ziel een min of meer stoffelijk leven leidt +in of bij het graf; vandaar, dat men den doode meegeeft al datgene, +waaraan hij tijdens zijn leven bijzonder gehecht was. Vroeger waren +dit kleeren, wapens, mondvoorrraad, amuletten van allerlei aard,--in +Zweden geeft men nog heden ten dage tabakspijpen en zelfs gevulde +brandewijn-flesschen mee. Gouden en zilveren kostbaarheden werden op +den duur in geld omgezet en ten slotte vormde nog slechts een kleine +munt het rudimentaire en reeds meer symbolische overblijfsel. Den doode +zulk een munt in de hand te geven of in den mond te leggen is nog vrij +algemeen in verschillende streken van Duitschland. Dit geschiedt hier +te lande niet meer. Wel geeft men nog den doode het scheermes mee, +maar m.i. omdat dit door de aanraking, evenals de naald, waarmee het +doodskleed genaaid werd, "gevaarlijk" geworden is; dan ook rozenkrans +en medailles ter vervanging der amuletten van eertijds; aan vrouwen +wordt nog wel eens schaar, vingerhoed e.d. toegevoegd. + +Bij het kisten moet de doode met de voeten naar de deur gelegd worden, +en zóo draagt men hem uit de woning, recht door de _lijkdeur_, +de hoofddeur van het huis, maar die anders niet geopend wordt, dan +wanneer een lijk wordt uitgedragen of het bruidspaar zijn intrede doet +(bl. 241); aldus in Friesland, terwijl men ook op vele plaatsen in +Noord-Holland in ouderwetsche huizen nog de staat- en sterfdeur wijst, +die alleen bij trouw- en begrafenisplechtigheden geopend werd; zie +De Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 209. Uit vrees, dat de geest +terug keert, zegt menig drager en menige draagster uit den omtrek +van Aalst, wanneer de lijkstoet zich in beweging zet: "Geest, ga +voor, ik zal u volgen"; en als de deuren 's avonds gesloten worden: +"Geest, blijf buiten, en ik binnen." + +Zoo komen dan de naastbestaanden en buren ter _begrafenis_. In Brabant +hebben de buurmeisjes den avond te voren in 't sterfhuis _gepeeld_, +d.i. een kruis van groen en bloemen gemaakt, dat bij de begrafenis +door kinderen wordt gedragen, gedurende den lijkdienst op de kist +ligt, en naderhand het graf zal tooien. De familie verschijnt in +rouwkleeren, de vrouwen geheel in het zwart, zonder gouden sieraden, +en dragen somtijds den doek "met de krange kante buiten", zooals men +in het oostelijk volksgebied zegt. Te Weert, Nederweert, Neerbosch, +Lent enz. dragen de vrouwen dan nog de falie; te Lent dragen de +mannen bij deze gelegenheid mantels van een bepaald model, door den +doodgraver bezorgd. Bij deze mantels behooren natuurlijk bepaalde +hoeden, die plaatselijk na afschaffing van de mantels gebleven +zijn. Zoo komt het, dat b.v. te Neer de mannen bij den rondgang om +het altaar, elders gedurende de eerste helft der lijkmis, den hoogen +hoed opzetten. Op Zuid-Beveland wil de gewoonte, dat ieder lijkganger +den breeden rand van den Zuidbevelandschen hoed naar omlaag buigt, +waardoor een zoogenaamde _treurhoed_ ontstaat. + +Buiten 's huis wordt b.v. te Reusel de kist nog eens, en nu voor +het laatst, geopend. De buren dragen het lijk, en zoo zet zich dan +de lijkstoet in beweging, reeds door velen als _begangel_, d.i. in +schijngestalte drie dagen te voren gezien, zelfs door paarden, +schichtig voorbij rijdend langs het kerkhof. Ook hebben reeds dagen +te voren de hekkenopzetters de hekken geopend op den weg, dien de +stoet moet volgen. + +Na de begrafenisplechtigheden in de kerk, of ook wel terstond vanaf +het sterfhuis, wordt de kist op kar of wagen gezet en rijdt men +ter laatste rustplaats. De naaste buurman moet het lijk rijden, +en de regel geldt, dat wie den bruidswagen rijdt, ook de dooden ter +rustplaats moet brengen. De te volgen weg, die volgens oude gewoonte +voor iedere buurt en hoeve vast staat, is in Overijssel, Drente, +Gelderland, Friesland algemeen de _lijkweg, noodweg_ of _reeweg_; +hij wordt uitsluitend genomen bij het doopsel, huwelijk en begrafenis +(bl. 241). Veelal wil het gebruik, dat de stoet op bepaalde plaatsen, +b.v. bij kruiswegen, grenzen, bruggen, kapelletjes, een oogenblik +halt maakt, om dan na enkele gebeden of ceremoniën den weg te +vervolgen. Op de kar nemen twee of vier der naaste verwanten plaats, +meestal vrouwen. Ja, in verscheidene dorpen van Limburg, Friesland, +Drente, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant enz. zat de weduwe op +de kist, en dit gebruik is nog volstrekt niet geheel uitgestorven; +wellicht hebben wij hier te doen met een afweergebruik. Achter den +wagen volgen verdere bloedverwanten, buren en vrienden, meestal ook +vrouwen. "Opmerkelijk", zegt De Cock, "is nog het West-Vlaamsch +gebruik, dat den ""boever"" oplegt, 's avonds te voren reeds in +'t oor der paarden te gaan fluisteren: ""Morgen moet ge 'nen doôn +voeren"", anders zouden de dieren weigeren te trekken (Volkskunde, +bl. 223). In de streek van Ootmarsum droegen degenen, die het lijk +volgden, palmtakken, versierd met bladgoud, die ze naderhand in de +kist wierpen of daarop plantten. Dit gebruik leeft ten deele nog +in Noord-Brabant, Limburg en waarschijnlijk ook elders; te Vucht +b.v. worden voor overleden meisjes door meisjes palmtakken gedragen, +voor overleden jongens door jongens hulstakken: wij ontmoeten hier +het treffend en dichterlijk gebruik van den graf- of doodenmei. + +Het kerkhof ligt op de meeste dorpen van het zuidelijk volksgebied nog +om de kerk. In sommige gemeenten van Friesland en Overijssel heeft +zich het gebruik staande gehouden, op het kerkhof gekomen, driemaal +het pad om het kerkhof rond te gaan; ook volgens het Oudindisch +lijkritueel schreed men driemaal om het lijk, ten einde dit tegen +invloeden van boozen aard te beveiligen. Men vergelijke den rondgang +om de akkers, die immers een afweer-, en bijgevolg, voor dat geval, +een bevruchtingsritus is. In de groeve wordt het lijk georiënteerd, +d.i. met het gelaat naar het Oosten gericht, een gekerstend heidensch +gebruik, dat plaatselijk nog stand houdt; immers het Oosten was de +lichtzijde, maar Christus is het Licht, in het Oosten is Christus +verrezen, in het Oosten ligt het Paradijs, in het Oosten zal Christus +verschijnen ten oordeel.--Rust de kist in de groeve, dan werpt eerst +een der familieleden, vervolgens elk van de buren een schop aarde +er op, een ver verspreid gebruik, dat b.v. ook in China bekend +is. De bedoeling is, de ziel te nopen, rust te houden binnen het +graf. Gewoonlijk bedankt de naaste bloedverwant voor de bewezen eer. + +Het graf wordt getooid met groen en bloemen. Een eigenaardig gebruik +vind ik vermeld voor oostelijk Noord-Brabant, het eiland Schouwen, en +Staphorst en Rouveen; bij de begrafenis van een vrouw, die in kraambed +gestorven is, wordt een witte doek op de kist of op het graf gelegd. Te +Veldhoven (N.-B.) wordt die doek op het graf aan de vier hoeken met +een steen bezwaard en blijft liggen, tot hij geheel verteerd is. + +Tot het verleden behoort het gebruik, mondkost op de grafstede neer te +leggen: een waar doodenoffer. Daarentegen is het aloude doodenoffer +in den vorm van een lijkmaal plaatselijk in gewijzigden vorm of +ook slechts als _survival_ blijven voortbestaan. Het Oudgermaansche +doodenmaal werd bij het graf zelf gehouden en in christelijke tijden +herhaaldelijk verboden; in de XIe eeuw ijvert o.a. Burchard van +Worms er tegen in een zijner dekreten.-- Nog thans wordt in sommige +streken van het buitenland de doode geacht, aan deze smulpartijen, +die echter ten sterfhuize gehouden worden, onzichtbaar deel te nemen; +men laat zelfs een plaats voor hem open en de spijzen worden opgediend, +alsof hij tegenwoordig ware. + +In ons land wordt het begrafenismaal vóor of na de begrafenis gehouden; +bij welgestelde boeren neemt het wel eens den vorm aan van een vollen +maaltijd. Het draagt den naam van _groevemaal, lijkmaal, grafmaal_, +alsook van _lijkbier, troostelbier, leedbier_ enz. Een begrafenis +zonder lijkmaal heet in de _Trijwâlden_ (F.) een "begrafenis zonder +leed". Hoe meer hierbij gegeten en gedronken wordt, des te beter, +want het komt den doode ten goede; het verzuimen van een lijkmaal +wordt beschouwd als een oneer, den doode aangedaan. + +In België vindt men dit lijkmaal verder nog in gewijzigden vorm terug +in de zoogenaamde _eten-uitvaart,_ waarbij het _uitvaartbrood_ aan den +arme wordt uitgedeeld. Dit lijkt mij daarom zoo belangrijk, omdat de +kerstening hier eenzelfden weg is ingeslagen, als in de eerste eeuwen +van het Christendom. Toen werd nl. de lijkmaaltijd vooral gekerstend, +door de armen en ongelukkigen daartoe uit te noodigen: de lijkmaaltijd +werd liefdemaal of _agape_, en kreeg ekonomische beteekenis, trad in +dienst der christelijke armenzorg. + +In de omstreken van Kortrijk heet de rouwmaaltijd _molleprooi_, en +aan dat maal deelnemen noemt men "naar de _molleprooi_ gaan." Deze +uitdrukking zal wel zooveel beteekenen als op de _mollejacht_ gaan, +waarin het Bargoensche _mol_ "dood" beteekent. + +Men zou echter verkeerd doen, in dezen lijkmaaltijd uitsluitend het +overleefsel van een offermaal te willen zien. De rouwtijd is een +tusschenperiode, een middentoestand, vooral de tijd tusschen het +overlijden en de begrafenis. In dezen toestand treden de nagelaten +betrekkingen door scheidingsgebruiken, terwijl opnamegebruiken hen weer +in de wereld der levenden terugroepen. Tot deze wederopnamegebruiken +behoort ook het lijkmaal, dat de overlevenden tegen de doodsmachten +moet sterken. Zie V. Gennep, Les rites de passage, bl. 211; Preuss, +in Globus LXXXVII, bl. 418. + +Nog éen gebruik blijft ter vermelding en verklaring over. Bij het +terugkeeren van de begrafenis wordt op enkele grensplaatsen van +Friesland en Drente een licht uitgeblazen, dat den ganschen tijd +gebrand heeft, zoolang de doode boven aarde stond. Bedrieg ik mij niet, +dan hebben wij hier te doen met de ver verspreide volksvoorstelling van +het levenslicht. Na de begrafenis, als het lijk voor goed geborgen is +in het graf, is de doode ook voor goed uit de gemeenschap der levenden +geweken: zijn levenslicht is voor goed uitgedoofd. Vandaar ook, +dat elders een licht wordt aangestoken bij de geboorte van een kind. + +De rouwende familieleden, het werd reeds gezegd, vormen een soort +afzonderlijke gemeenschap, die staat tusschen leven en dood. De duur +van den rouwtijd wordt geregeld door de graden der verwantschap. Ook +de dienstboden dragen rouw. De rouwkleur is in den regel zwart, +soms ook grijs, bruin, blauw en wit. + +Op de graven rouwt de witte roos, opgegroeid uit de tranen van Maria +Magdalena, de lelie en de rosmarijn, die de bruidskroon tooide, +rouwen de iep, de taxis en de cypres, door den guren winter nimmer +van hun bladertooi beroofd, en daardoor troostbiedende symbolen der +onsterfelijkheid. + +Zie Gallée, Volkskunde XIII, 84, 122; Waling Dijkstra, Uit Friesland's +Volksleven I, bl. 404; De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig +van oude gebruiken en volkszeden, bl. 129, 217; Heuvel, Volksgeloof en +Volksleven, bl. 330; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 78; Volkskunde +XIV, bl. 101; XX, bl. 69; XXV, bl. 164; Limburg's Jaarboek I, bl. 181; +XVI, bl. 13; Rond den Heerd XXV, bl. 154. + + + + + +DE VOLKSTAAL. + + +De volkstaal wordt veelal gelijkgesteld met taaleigen of dialekt. Dit +nu is onjuist. Tegenover het taaleigen staat de algemeene taal, of +landstaal. Deze ontstaat meestal uit een tongval en is het gewrocht van +'t staatkundig, maatschappelijk, kerkelijk en letterkundig overwicht +van zeker gewest, partij of richting. De Nederlandsche algemeene +taal of landstaal ontstond in Limburg en onderging achtereenvolgens +den overheerschenden invloed van Vlaanderen, Brabant en vooral van +Holland. Zoo werd ook eens het dialekt van het Ile-de-France de +Fransche omgangstaal, zoo werd in het Oude Griekenland het Attisch +de algemeene taal of Koine. + +Maar tegenover de volkstaal of vulgaire taal staat de beschaafde--in de +beteekenis van hooger beschaafde--taal of kultuurtaal. "Algemeen" wijst +op het opgaan van de verschillende tongvallen in een centraal dialekt; +"beschaafd" wijst op het verschil in spreken tusschen de hoogere +en de lagere standen der maatschappij. De volkstaal is uiteraard en +in de normale gevallen slechts spreektaal, de kultuurtaal is beide: +spreektaal en kultuurtaal. + +Nu kan men wel zeggen, dat de algemeene taal hooger staat dan het +taaleigen in sociale waarde of beschaving. Maar dit neemt niet +weg, dat ook het taaleigen zijn volks- en kultuurtaal heeft. In +kultuurdialekt gestoken zijn niet alleen tallooze dicht- en prozawerken +van Westvlaamsche, Friesche, Limburgsche en Geldersche schrijvers; +maar kultuurdialekt spreken ook de beschaafde kringen van menige +Nederlandsche stad, waar de algemeene taal, het "algemeen beschaafd", +wèl in openbare bijeenkomsten, maar lang niet algemeen als omgangstaal +zelfs in de meest gegoede families gebezigd wordt. Het algemeen +beschaafd is dus niets anders dan een kultuurdialekt, dat zich tot +landstaal heeft weten op te werken. + +De volkstaal is een realiteit, al vertoont zij tal van schakeeringen +en afwijkingen. De kultuurtaal volgt wel een bepaalde norm,--al is zij +blootgesteld aan verschuiving bij verschuiving der maatschappelijke +verhoudingen; maar voor duizenden is zij toch een abstraktie, een +maatstaf, die aangeeft, hoe in beschaafde kringen gesproken mòet +worden. Zij is als een wetboek, dat gewijzigd kan worden volgens de +eischen van den tijd. Terwijl de volkstaal vrij is en ongebonden, +is de kultuurtaal binnen enge grenzen beperkt. + +De volkstaal is doorgaans gedifferentieerd: zij houdt vast aan +overleverde taal, aan plaatselijke vormen en uitdrukkingen, aan +zegswijzen, die in de kultuurtaal aldra voor verouderd gelden en +dus zoo ongeveer voor minderwaardig. Deze is integreerend van aard, +streeft naar eenvormigheid, vermijdt het te individuëele, het ongewone, +het platte, het onwelluidende. Het te bijzondere lijkt haar tegenover +sprekers uit andere kringen onheusch, het onkiesche stootend en +hinderlijk. Zij heeft grootere sociale waarde dan de volkstaal, +die over het algemeen op hooger natuurlijke kunstwaarde kan bogen. + +Immers, de volkstaal is kleurig en karakteristiek; daarentegen verliest +de kultuurtaal vaak in expressieve kracht, wat zij wint door polijsting +in netheid en door vereenvoudiging in vaardigheid. + +Maar welke de voortreffelijkheid der volkstaal ook zijn moge,--overal +waar zij een ernstigen strijd te voeren heeft met de kultuurtaal, +moet zij de vlag strijken. Wij zien dan ook dagelijks de volkstaal +terrein verliezen, elk onzer in zijn naaste omgeving. En evenzeer +moet de dialektische kultuurtaal onderdoen voor de algemeene +kultuurtaal. Dit blijkt wel het duidelijkst uit den taalstrijd +in België. Het is mijn vaste overtuiging, dat de zoo rechtmatige +eischen der Vlamingen in veel ruimere mate zouden zijn ingewilligd, +wanneer zij tegenover de Fransche kultuurtaal van meet af aan +een algemeene Nederlandsche kultuurtaal hadden gesteld. Hier kant +zich weer het praktisch belang tegen de kunst. "De taal is de taal +gelijk de sterren sterren zijn", schreef Guido Gezelle; en waar +zijn verdediging wordt opgenomen door Hugo Verriest schrijft deze: +"Moet hij daarom als particularist gedoemd worden, dan is elke vogel +te bossche en te velde een particularist, en de nachtehaal de grootste +van allen". Maar die betooverende verscheidenheid heeft met het oog +op praktisch nut wellicht te lang de noodige kultuurkrachtige eenheid +tegengehouden. Ik weet zeer goed, dat heden ten dage de voornaamste +Vlaamsche voormannen vrij wel de algemeene Nederlandsche kultuurtaal +bezigen. Ik zeg "vrij wel", want het ligt in den aard der zaak, dat +de Vlamingen bij voorkeur zullen putten uit den rijkdom der Vlaamsche +tongvallen, en dat hun spreken en schrijven de meerdere expansieve +kracht en soepelheid zal vertoonen, die het zuidelijk volksgebied +met zijn Keltischen grondslag eigen is. Maar toch ook zóo slechts +vermogen zij een evenwaardige, in elk geval gelijkgeaarde taal te +stellen tegen de algemeene kultuurtaal der Waalsche provinciën. Niet +zoozeer de vasthoudendheid aan de dialekten heeft de Vlamingen parten +gespeeld, maar veeleer de verkeerde, kortzichtige gevolgtrekkingen uit +het feit, dat sommige dezer dialekten zich tot hoogstaande literaire +kultuurdialekten hadden ontwikkeld, getuige de taal van een Gezelle, +Streuvels en zoo vele anderen: deze nl., dat bedoelde tongvallen ook +in voldoende mate kultuurkrachtig zouden blijken in den strijd met +het Fransch. En waar in België zelf ter aaneensluiting een kultureel +centrum met voldoende overwicht ontbrak, daar bleef het zich-aansluiten +aan de Noordnederlandsche algemeene kultuurtaal de eenige aangewezen +weg. Maar laten wij niet te streng rechten. Het taaie vasthouden +aan eigen idioom, óok waar het gemeenschappelijke belangen geldt, +heeft iets licht-verklaarbaars, ja iets groots, iets edels: het +weerspiegelt de volksziel met haar trotsche zelfbewustzijn, dat ook +de kleinste der kleinen siert. Slechts vergete men niet, dat in dit +zelfbewustzijn kracht en zwakheid liggen beide.-- + +Verder loopt de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal niet evenwijdig +met die in sociale groeptalen, welke berust op de maatschappelijke +struktuur van elke taalgemeenschap. Hiermee worden bedoeld de +verschillende sociale groepen, die hare eigenaardige spreekvormen en +uitdrukkingen hebben, waardoor rimpeling en golving de effen gladheid +van het taalniveau verbreekt. De afzonderlijke sociale verhoudingen +toch, zoo tastbaar en toch zoo onvoldoende onderzocht en in het oog +gehouden, voeren tot zoogenaamde "Sondersprachen", waardoor meer +taalvariatie bedoeld wordt, dan een afzonderlijk dialekt. + +Somtijds bestaan zij slechts uit een komplex van enkele woorden of +woordgroepen, maar andere malen hebben wij te doen met een uitgewerkt +taalsysteem, dat door zelfstandige woord- en zinsvorming wordt +gekenmerkt; zie verder mijne Rede over Sociale Klassieke Taalkunde +(Amsterdam 1912), bl. 12 vlg. De sociologische struktuur der +Nederlandsche taal wordt voortreffelijk behandeld in de twee eerste +deelen van het Handboek der Nederlandsche Taal van Dr. J. Van Ginneken. + +Men mag zeggen, dat de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal die +in groeptalen snijdt. Bij den groei en de ontwikkeling der taal is +zij de latere. Immers, bij het voortschrijden der kultuur wordt de +hoofdgroepeering der maatschappij zelf anders, en loopt de scheidslijn +veeleer tusschen de spreekvormen der lagere maatschappelijke klassen, +en die van het meer beschaafde gedeelte der maatschappij. De sociale +hervorming differentiëert dus de taal in volkstaal en kultuurtaal. Dan +volgt definitieve integratie in de algemeene kultuurtaal. + +Nu ligt het echter voor de hand, dat het volksleven en volkswezen zich +het trouwst weerspiegelt in de dialektische volkstaal. Dáar komen het +best de algemeene caracteristica der volkstaal tot hun recht; dáar +geeft zich de man-uit-het-volk met heel zijn eigenaardig begrips- +en gevoelsleven, met zijn breedsprakigheid, zijn herhalingen van +woorden of zinsneden, hetzij in hun geheel, hetzij in verkorten +vorm, zijn schijnbaar onlogische konstrukties, zijn emphatisch +karakter, zijn voorliefde voor spreekwoorden en zegswijzen, zijn +volkswijsheid en volksredeneerkunde. In deze taal krijgen de sprookjes +hun tooverglans. "Jede Provinz", zegt Goethe, "liebt ihren Dialekt, +denn er ist doch eigentlich das Element, in welchem die Seele ihren +Athem schöpft". In de streektaal is de volksman op eigen terrein; +daar groeit de volkstaal uit de gemeenschap; daar spreekt het +volkswezen het best, óok omdat de sociale bestanddeelen zich daar +huwen aan momenten van ethnischen aard. Wij wenschen dus de volkstaal +vooreerst en hoofdzakelijk te leeren kennen in en uit het dialekt; +een zuiver-taalkundige behandeling der dialekten ligt natuurlijk +buiten het bestek van dit werk. + + + +I. Het Taaleigen. + + +Onze Nederlandsche tongvallen behooren tot de westelijke groep der +Germaansche dialekten. Deze omvat nl., behalve de weinig bekende +taal der oude Longobarden, de dialekten der Germaansche veroveraars +van Engeland: Angelen, Jutten en een deel der Saksers; verder het +Friesch, dat zich uitstrekte tusschen Schelde en Weser; het Saksisch +van het vaste land; het Frankisch; het Hessisch en Thuringisch; +het Allemannisch en Beiersch, de voornaamste dialekten van het +Opperduitsch. Overeenkomstig den stam der volken, die opdrongen +uit het Noorden en Oosten, om onze gewesten te bevolken, zijn onze +Nederlandsche dialekten van Friesche, Saksische en Frankische +herkomst. Plaatselijk zijn ze met andere, met name Keltische +bestanddeelen vermengd. + +Ook heeft men gemeend Ooreuropeesche invloeden en bestanddeelen +te kunnen waarnemen, zooveel als Ooreuropeesche fossielen [10]: +overeenstemming met Keltische en Slavische taalverschijnselen, die +zou berusten op gemeenschappelijk Ooreuropeeschen grondslag. Als +zulk een fossiel beschouwt men b.v. de ratelende _z_ (_zr, rz, rs_), +die in Oost-Brabant, d.w.z. het grootste gedeelte van de Meijerij, +met de landen van Cuyk en Ravensteyn, tot in het westelijke deel +van Maas en Waal in het Noorden en tot in Peel- en Kemperland in +het Zuiden gehoord wordt in plaats van de gewone _r_, b.v. rooster: +_rzeuster_; berispen: _berzispen_; kar: _karz_. Deze klank vertoont +inderdaad groote overeenkomst met de Boheemsche _r_. Maar fonetische +overeenkomst behoeft niet noodzakelijk door gemeenschap van herkomst +te worden verklaard. + +_1. Het Friesche taaleigen._ Friesch leven, taal en volkaard, wij zagen +het reeds (I, bl. 6), heerschte eertijds in de provincies Groningen +en Friesland, in het Westen van Drente, Overijsel en Utrecht, in +Holland met uitzondering van Kennemerland, in Zeeland en het Vrije +van Brugge. Thans is het Friesch gebied heel wat ineengekrompen. Het +Landfriesch, zoo heet het zuiverste Friesche dialekt, wordt gesproken +tusschen Vlie en Lauwers en omvat 1. de tongvallen der Waldjers in het +Noordoosten; 2. die der Klaikers in het Westen en 3. het Zuidhoeksch, +dat grenst aan den Saksischen tongval van de Stellingwerven. Verder +behoort hiertoe 4. het taaleigen van West- en Oost-Terstelling. Te +Midsland op Terschelling wordt tegenwoordig hetzelfde Noordhollandsche +dialekt gesproken als op Texel. + +De Klaikers zijn de bewoners van de kleistreken, de Waldjers de +bewoners van de Dokkumer woudstreken of zandgronden. Het is zeker +niet louter toevallig, dat hun dialekt eenigermate afwijkt, al wordt +dit verschil thans met den dag geringer. Gesteldheid van den bodem +op de alleerste plaats, wellicht in samenwerking met het klimaat, +heeft een sociologische differentiatie tot stand gebracht, die niet +zonder invloed op het dialekt gebleven is. Ook de lokale afwijkingen +van visschersdorpen als Wierum en Moddergat zijn sociologisch licht +verklaarbaar; zie vooral Joh. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch +Dialecticon ('s Gravenhage 1874) I, bl. 428 vlg. Ligging en bedrijf +hebben ongetwijfeld ook hun invloed doen gelden op het afwijkend +taaleigen van Schiermonnikoog en eveneens op het Hindeloopensch, dat +over de taal van Molkwerum meer de overige, boven genoemde dialekten +nadert. Is Hindeloopen niet in alle opzichten uitermate karakteristiek, +zoo in vorming als in kleeding, zoo in volksvoorstellingen als in +zeden en gebruiken? + +Trouwens de gezamenlijke Friesche taal- en volksgroep draagt +zoo heelemaal een eigenaardig cachet van vasthoudendheid +en vastberadenheid, tweelingstelg uit zijn huwelijk met de +zee. Theod. Siebs verklaart den naam _Fresa(n_) door verwantschap +met het Oudhoogduitsche _freisôn_ "in gevaar zweven", waardoor +bedoeld worden de gevaren der zee. De Friesche taal neemt onder de +Germaansche talen dan ook een geheel bijzondere plaats in: zij is +een tak der Engelsch-Friesche taaleenheid, en het Angelsaksisch--met +name het Northumbrisch--bestaat haar het naast in den bloede. De +Friezen behooren tot de weinigen, die thans nog wonen, waar zij zich +in de oudste tijden vestigden, zij het ook met belangrijke beperking +van hun gebied. Het vokalisme is vrij eentonig; zoo b.v. schaap: +_skieëp;_ jaar: _jieër;_ rijk: _riek_; voet: _foeët;_ huis: _hoes_; +deel: _deel;_ steen: _stieën;_ oog: _eea_g; sturen: _stjoere;_ hand: +_haan_; oud: _aald;_ vogel: _foegel;_ hond: _hoen_ enz. [11] De drie +persoonsuitgangen eindigen in het meervoud allen op een toonlooze +_e_. De _n_ wordt in de onbepaalde wijs en in de verbuigingsuitgangen +na toonlooze _e_ weggelaten. Het verleden deelwoord kent geen +voorvoegsel. Een eigenlijk wederkeerig voornaamwoord ontbreekt. Ook +het konsonantisme streeft naar eenvormigheid. De groep _sk_ blijft in +'t begin, midden en einde der woorden: _skieëp, woskje, fisk_; _ch_ +wordt _ks_: _okse_, en niet _ss_ als elders. Ook is zangerigheid aan +het Friesche taaleigen vreemd,--zegt men niet: "Frisia non cantat"? + +Dit Landfriesch of Boerenfriesch heeft zich weten te verheffen +tot een rijk kultuurdialekt. Laat ik aan de hand van Winkler hier +de namen vermelden van Gysbert Japicx, "den frieschen Vondel"; +Tjeerd Ritske's Velstra, "den frieschen Poot"; Waling Dijkstra, +"den frieschen Fritz Reuter". Verder de gebroeders Halbertsma, +Rein Postumus, die o.a. eenige werken van Shakespeare in het Friesch +vertaalde, en Tiete Roelof's Dijkstra, oprichter van het Selskip for +frîske tael- end skriftekinnisse. + + + +Friesch. + + +(_Voor "Nederlandsche Volkskunde" geschreven door_ F. U. Lourensz). + + +De klokken fen Sint-Odolf. + + +It forneamde Kleaster Sint-Odolf te Starum, dat în 'e earste helte fen +'e 9e ieuw bouwd wier, waerd letter troch de sé înslokt.--By in tîge +lege sé în 1430 en in kear of whet letter, koe min de oerbljuwsels van +de Kleasterkapel op it hege tsjerkhôf sjen.--Dit plak în 'e Sudersé +wirdt troch de séljue nog altijd as "it tsjerkhôf fen Ald-Starum" +oanwîsd en hja komme as 't kin, der net tichte bij.-- + +Bij it bouwen oan it Kleaster Sint-Odolf, wier forgetten de ségen oer +de klokken üt te sprekken; mar dat hie în 't bigjin gjin neidélige +gefolgen. + +Hondert jier lang gong it goed. Mar do waer throch ien, dy it +by oerlevering lîke te witen, de saek oan 'e biskop fen Utert +forklapt;--dy, tîge lilk wier do 't er det hearde, en rîp: "Dan binne +dy klokken des dîvels".--Dat wier alheel whet for Joost. Hy fleag nei +de toer fen Sint-Odolf, helle de klokken der üt en slingere se foart, +oan it doarp Himelum ta. Der sloegen se in gat în 'e groun, sa great, +dat er wel in boeresküre în stean koe. Mar de âlde hellebaes wier +meî dizze bût sa în 't snjit, dat hy der mear plesier fen ha woe. In +neef fen him wenne bij de Galamadammen, en die der saken mei in âlde +tsjoenster, dy 't in bulte kwea die. + +Alle nachten bigounen Joost en sîn neef nou mei de beide klokken +te keatsen. + +Omke siet te Himelum en neef op 'e Galamadammen; sa smieten se elkoar +de klokken ta en sloegen se wherom, krekt as in keatsebal. Dat gong +in nacht of whet goed.--Mar do die de jonge dîvel in misset; hy wier +net sa handig en bedreven as de âlde. Ien fen 'e klokken liet er în +'t wetter fen 'e Galamadammen truzzelje en de oare, in eintsje der ôf, +în het mar de Fluessen. De swiere metalen gedrochten, drongen throch +de ierdkoarste hinne en kamen în 'e onderwrâld torjuchte. + +Sint dy tyd hearre de fiskers op 'e Fluessen en de biwenners van de +Galamadammen 's nachts soms in dof gebombam în 'e djipte. + +Dan liedt de dîvel de klokken fen Sint-Odolf. Men heart dit net altyd +gelyke dûdlik; soms is it hast net to hearren en dan ek wol wer is +whet better. + +Het lieden heart men it beste, as immen op in heel lot în 'e Haagsche +lotterij de hûndert tûzen trokken hat.--Dan is der blydskip în 'e hel. + + + +Het Stadfriesch, dat vooral te Leeuwarden, Harlingen, Dokkum, Franeker +en Sneek, maar ook te Midsland op Terschelling en op Ameland gesproken +wordt, is eigenlijk een mengelmoes, waarvan men niet weet, of men +het Saksisch-getint Friesch dan wel Friesch-getint Saksisch moet +noemen. Merkwaardig is het, hiervan na te gaan, welke dialektische +bijzonderen de taaiste levenskracht vertoonen. Het zijn: _sk_ voor +_sch_; de scherpe uitspraak van _v_ en _z_ als _f_ en _s_ in het +begin der woorden; het ontbreken van het voorvoegsel der verleden +deelwoorden en de omgekeerde volgorde van twee onbepaalde wijzen, +b.v.: "Dou hât dat wel laten kunnen" (Je hadt dat wel kunnen laten); +eindelijk de uitspraak _bien, tien, breg, pet_, voor been, steen, +brug en put. + +Deze eigenaardigheden vindt men dan ook als overleefsels aan +de overzijde der Zuiderzee, te beginnen met Strandhollandsch (of +Strandfriesch), het taaleigen, gesproken in de visschersdorpen Egmond, +Wijk aan Zee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Scheveningen. Hoe +verschilt dit dialekt, dank zij ligging en bedrijf, van dat in +het naburige Bloemendaal, Sassenheim, Rijnsburg en Loosduinen! Men +hoort hier ook nog de Engelsche _w_ als beginletter. Dan volgt het +Noordhollandsch met de dialekten van Kennemerland, de Zaanstreek en +Waterland. Wat Amsterdam betreft, het zeventiende-eeuwsch, ons uit de +kluchten van Bredero bekend, komt in meer dan éen opzicht overeen +met het dialekt, dat thans benoorden het IJ wordt gehoord. Het +oorspronkelijkst echter, en het minst door Hollandschen invloed +gewijzigd, is de volkstaal van West-Friesland. Dit gewest bestaat +uit twee deelen: het eigenlijke West-Friesland, tusschen Alkmaar en +den Helder, en het tusschen Hoorn, Enkhuizen en Medemblik gelegen +Drechterland. Hiertoe behooren ook de eilanden Texel en Wieringen. + + + +Zaansch. + + +(_Uit Leopold, Van de Schelde tot den Weichsel I, bl. 274_). + + + +Oitje met een Jachie. + + +'t Volgend schetsje werd me aan de Zaan gedicteerd door een man uit +het volk. + +Oitje is een eigenaardige uitdrukking voor prettig uitstapje en onder +jachie of glaze jachie verstaat men die kleine, vaak met verguld en +gekleurd snijwerk versierde plezierjachten, die door één man geroeid +worden en in hunne overdekte en met veel raampjes voorziene ruimte +plaats bieden aan vier tot zes personen. Vroeger bezat bijna ieder +der gegoede Zaansche familiën zulk een vaartuigje, dat vaak keurig net +was ingericht. Men liet zich er mee ter kerk of familiebezoek brengen. + +Tegenwoordig wordt hun getal zeer klein. Hoofdzakelijk bij de kermissen +ziet men ze nog op de Zaan. Zij dienen dan om een of ander gezelschap, +meest vrouwen, naar de plaats van pleizier te brengen. + +Voor zulk een oitje wordt door de gezelschapjes vrouwen uit de +nijvere volksklasse het geheele jaar door geld bijeen gelegd, en ik +heb het aan de Zaan van menig huismoeder gehoord, dat ze geen grooter +pleizier kende, dan zoo'n oitje met een jachie op de Zaandammer- +of Wormerveerder kermis. Wat het bijeenbrengen der gelden voor zulk +een feestje betreft, 't gebeurt wekelijks met de grootste stiptheid, +'t Is trouwens merkwaardig, met hoeveel voorliefde er aan de Zaan +"gepot" wordt voor vele soort van zaken. + +Men brengt wekelijks iets bijeen voor een leesgezelschap, voor een +uitstapje in den zomer, ja, voor brandstof en andere zaken, en velen +bewaren alle dikke-nieuwe-centen, om aan 't des jaars voor bijzondere +uitgaven een apart sommetje te hebben. Verder laat ik het woord aan +den verteller. + +'t Was Zaandamse kermis. Al een week had er een rumoer en gejoel +e-weest, dat hoore en zien je vergong, en 't was ook wel te +begraipe. Op zoo'n kermis den rake die mensche, zooals olieslagers, +pelders en andere, eres uit er dommelechaid eskud. Voor heurloi is +'t alle dage maar net hetzelfde: van daag begin je zoo en morge is +'t nag zoo. Maar met zoo'n kermis, den haal je je asem nag eres bai je +reg op en je slane je vlerke nag eres oit as en veugeltje in de lucht. + +Zóó dochte ook Griet en Train, Ma en Neel. Ze hadde een potje +op-egaart; alle weke een stoiver, om deer veur met 'et jachie te +kermis te gaan. Ook hadde ze 'et esteld op Vraidag, dat was nag al +een drokke dag; want hoe drokker, hoe liever. + +Dus, 'et jachie en die het roeie most, ware 'ehuurd voor Vraidag; +den most het beure--weer of gien weer;--ze hadde er al goeie lucht op. + +Maar wie zou 'et jachie oitreste? + +Gien ien leek er eerst zin in te hewwe. Achterné zait Griet: "Nou, +den zei ik 'et wel doen. Ik bak een dikke-koek of twee;--wet brood +met vleesch, wet garreneel, sla met aiere, en, om niet te vergete, +een avvekateborrel, en we binne klaar." + +"Goed", zegge de are, "of-esproke". + +De Vraidag kwam. 't Was wel windig, maar toch aars goed weer. Nou aan +'t klaar make. Griet dribbelde op er moile zonder hiele, om toch de +boel maar goed in orde te brenge en om het zoo netjes, as ze op heur +menier kon, voor te zette. + +De knecht kwam met 'et jachie en nou wier de boel 'elade. Wel man, +'et zag er maar avvenant oit. + +"Hè", zai Griet, "ik ben der loof van. Deer is heel wet an te stunnike +eer het zoo veer is, maar dat doet er niet toe. Ik loof, dat we toch +wel ket en norrie hewwe zelle. Deer mekeert het nooit an, asse we oit +benne. De op-egaarde Zeeuwe zelle der an geloove, al zoue we der ook +voor in de mallemole gaan of ze aan bulleboissies versnoepe." + +De are drie kwamme nou ook en héel gauw gonge ze skeep. Elk had +en nuwe jas an en de kap met drie naalde op. Ze keke allegaar eve +bloemzoet en meukel en ze kakelde as kippe, die pas een bietje garst +ekrege hewwe. Wet zatte ze premantig achter de gerdaintjes te glure, +toe ze zoo langs de Zaan eroeit wiere as prinsesse. + +Je konne wel zien, dat ze 'et alle dage niet ewend ware om oit te +gaan. Wet lachte ze, as een turfskipper veurbai voer, die een pus +met water skepte en derloi een mal woordje toeriep. Ja, ze gierde +het bai taie oit om 't lekker oitje en dat ze nou al zoo'n lol hadde. + +Op iens zait Neel: "Groote groen in 't hoissie, weer is me +knippie?"--Ze voelt in der zakke, maar vindt het niet. + +"Wat," vrage de are, "je hèt je knippie toch niet estrooid, +Neel?" "Nee," zegt deuze, maar da's nou toch nochter van me. Ik +bedenk me deer net. 'k Heb het leete legge op 't bontje, vlak bij +'t hoochie van den smoiger. Da's een malle boel.--Maar wacht eres. 'k +Heb nag een buultje in me zak, deer ik dikke centen in opgaar. Deer +ken ik het wel mee redde, om eres in een kaikspul te gaan of in de +rollebol te speule." + +"Nou," zait Ma, die ook ereis in der zak voelt of ze wet vergete hèt, +"je hewwe toch zeker meer noodig. Je wille toch zeker ook welderes +bai een liedebord of Jan Klaasse-spul kaike, dat kost je toch ook +gauw een cent of wet, as je ten minste niet al te gierig bene." + +"Wet," zait Neel, "ik gierig? Nee, ik durf van me arremoed of nag wel +een cent te geve an een kerel mit ien arm of ien bien, en hew ik hem +niet, dan zou ik hem nag wel te lien kraige van deuze of giene." + +"Hou nou je groote babbelbek maar es dicht," zait Griet. "Deer hê-je +een avvekaatje." + +"Zoip, zwager, oome Jan is jarig!" + +Meteen neme ze elk een ferme wup oit er glassie. Nou kwam er an 't +kakele gien end. De ien wist dut, de aar dat. Die praatte over der man, +die over der lieve kind; de ien over der buurwaif en de are over de +dure taid. Ze leke wel spraakwater in ekrege te hewwe en zagge zoo +rood as een haan. + + + +Maar ik kom nog even terug op het Amsterdamsch dialekt, dat van +groot belang is voor de studie der volkstaal. Het behoort tot +het Waterlandsch. Het is lang niet eenvormig en valt uiteen in +verschillende tongvallen, waarop door Joh. Winkler in zijn Dialecticon +II, bl. 86 vlg. de aandacht gevestigd is. Wij hebben hier m.i. vooral +te doen met de inwerking van het _bedrijf_ op de taal, waardoor +afzonderlijke sociale taalgroepen geboren werden; somwijlen schuilt +de oorzaak in scherp-omlijnde plaatselijke afscheiding. Amsterdam +staat hier trouwens niet alleen, maar het verschijnsel openbaart +zich in meerdere of mindere mate in alle groote steden, b.v. te +Brussel. Daar spreekt men in het noordelijke deel der stad, en +in de noordelijke voorsteden Schaarbeek, St. Joos-ten-Oode enz., +anders dan in het middelste deel der stad, rondom de groote markt, +en ook weer anders dan in het westelijke gedeelte van Brussel en dan +in de westelijke voorsteden en dorpen, St. Jan's Molenbeek enz. Ook +te Gent verschilt de volkstaal van de eene wijk tot de andere. Men +heeft hier vooral twee onderscheiden tongvallen. De eene heet te +Gent de Nieuwbrugsche, omdat hij vooral inheemsch is in de wijk der +Nieuwe Brug of van de Neder-Schelde. Hier wonen veel werklieden en +fabriekarbeiders. De andere tongval geldt als het Gentsch bij uitstek, +en wordt gesproken door de eigenlijke kern der Gentsche bevolking, +zelfs door de hoogste standen, wanneer deze hun moedertaal spreken. Ook +in kleinere steden verschilt wel eens het taaleigen der eene straat +van dat der andere. J. Ter Gouw, een volbloed Amsterdammer, kende +niet minder dan negentien Amsterdamsche tongvallen, waarvan de meeste +thans nog in leven zijn. Ik schakel hier het Jodenhoeksch uit, dat weer +uiteen valt in het Amsterdamsch Joodsch, het Joodsch-Hollandsch en den +tongval der Christenen, die in den Jodenhoek wonen; en wel, omdat hier +een vreemde faktor zijn inwerking doet gevoelen. Maar wij hebben verder +vooral nog het Kattenburgsch, het idioom van de voormalige Kattenburger +scheepstimmerlui, mèt het bedrijf thans sterk in verval. De vraag b.v.: +"moet je ook geschoren worden" luidt in den Kattenburgschen tongval: +"mój jók geskórre wórre". Hiervan verschilde vroeger het Rapenburgsch +eenigermate, thans is geen verschil meer te hooren. Het Nieuwmarktsch +wordt gesproken van af de Nieuwmarkt tot de Oude Schans, en aan de +andere zijde langs de Kloveniersburgwal en de Hoogstraat. Het is +ontstaan uit het beroep der kleerekramers en winkeliers in linnen, +sajet en breikatoen. Bepaald klankrijk is het Bierkaaisch, de tongval +gesproken door de zeer afgescheiden en haast oorspronkelijke bevolking +van het doolhof van steegjes en dwarssteegjes, gelegen in den vierhoek +tusschen Warmoesstraat, Oudekerksplein, Voorburgwal en Pijlsteeg. Het +Komkommerbuurtsch hoort men in de zoogenaamde Komkommerbuurt: +'t Weesperplein, Roeterseiland, Varkenseiland en Weesperveld. Het +Franschepadsch werd vooral gesproken op de Goudsbloemgracht, in +de Goudsbloemstraat en Palmstraat en in de dwarsstraten en stegen +daartusschen, en kenmerkte zich door zijn rijkdom van woorden en +uitdrukkingen, aan de dieven- en bedelaarstaai ontleend. Laat ik ten +slotte nog vermelden het Kalverstraatsch, het Gebed-zonder-endsch, +een echte vischwijventongval, en last not least het sociologisch zoo +merkwaardige Duvelshoeksch, inheemsch in den Duvelshoek, een labyrinth +van stegen tusschen de Reguliersbreestraat, Reguliersdwarsstraat en +Vijzelstraat. Het Duvelshoeksch is een taaltje van de platste platheid, +"doormengd met tal van woorden uit de dieven- en bedelaarstaal, uit +het mofsch en koeterwaalsch der kermisgasten, _négociants, nomades, +colporteurs, vagabonds, chevaliers d'industrie,_ duitsche kwakzalvers, +luikerwaalsche tooverlantaarn- en rarekiekvertooners, keulsche potten- +en kannenwijven, fransche goochelaars, rottevangers en ""verdrijvers +van wandgedierten" ", savooische lieremannen, orgeldraaiers en +marmottejongens, italiaansche schoorsteenvegers, tot verloopende en +verwaaide duitsche en brabantsche studenten incluis, die er allen hun +verblijf hielden en er te zamen een duvelshoeksch _jargon_ prevelden": +Joh. Winkler, Dialecticon II, bl. 92. + +Op de Heeren- en Keizersgracht spreekt men eigenlijk meer een +daar gelokaliseerd kultuurdialekt. Een analoog verschijnsel vindt +men b.v. te Hasselt (Belgisch Limburg), waar de taal der hoogere en +lagere standen vrij veel verschilt. De kultuurtaal heet het eigenlijke +Hasseltsch, de volkstaal het Beeksch, dewijl deze meestal door de +minder gegoeden gesproken wordt, die "obbe Beek" wonen. Zie Gittée, +Nederlandsch Museum 1888, II. bl. 310. + +2. _Het Saksische taaleigen_. Het zuiverste Saksisch wordt +op Nederlandschen bodem gesproken in de Graafschap, Salland en +Twente. Hierbij dient echter opgemerkt, dat het Zutfensch zelf niet +bij het Graafschapsch, maar met het Arnhemsen, Doetichemsch enz. bij +het Zuidoostveluwsch behoort, dat zich vooral onderscheidt door den +deminutiefuitgang _-ien,_ en door _lief, bier_. Het Oostdrentsch +(Rolde, Grolloo, Norg enz.) wijkt belangrijk af; vooral dit is een +kenmerkend teeken, dat de oorspronkelijke korte, maar gerekte _a_ +in het Oostdrentsch den _oa-(ao_)klank heeft aangenomen, terwijl +zij in het Twentsch den helderen _a_-klank bewaard heeft. Dus: +Twentsch _dage, hane_, Drentsch _doage, hoane_. Prof. Te Winkel, +Inleiding tot de Geschiedenis der Nederl. Taal II, bl. 302, ziet in +deze en andere eigenaardigheden het gevolg van mislukte pogingen, +door de oorspronkelijke Frankische Drenten gedaan, om zich het +Saksisch volkomen meester te maken; vgl. ook Vragen van den Dag XIV, +bl. 117 vlg. Twente en de Graafschap, vormen inderdaad het Saksische +kernland. Daar vindt men nog het "lösse hoes", de hoeve met éen +enkele ruimte voor mensch en vee. Daar vindt men ook het zuiverst de +Saksische kleederdracht. Met het eigenaardig type der boerenwoningen, +dat men te Staphorst en Rouveen aantreft--type, zooals wij zagen, met +beslist Saksischen grondtoon (I, bl. 36)--stemt overeen het feit, dat +het dialekt dier dorpen verscheiden Friesche schakeeringen vertoont +op een Saksisch patroon. Naar men weet zijn Staphorst en Rouveen +verschoven veenkolonies. + +Het merkwaardigste kenmerk van het Saksische taaleigen is stellig +de meervoudsvorming van den tegenwoordigen tijd: 1ste, 2e en 3e +persoon gaan uit op _t_. Het verleden deelwoord wordt voorafgegaan +door een toonlooze _e_: _estoan_ (gestaan). De Sakser is gesloten, +óok in zijn taal; het terughoudende en berekende vindt er zijn +uitdrukking. Hij rondt zijn woorden niet af, hij bijt ze veeleer +af, laat de klanken niet in hun volheid komen over de omheining der +tanden, zooal nog blijkt uit het vervormen van den uitgang _en_ tot +een sonantische _n_: dus _hooren_ wordt _heurn_. Verder zijn _î_ en +_û_ niet gediphthongeerd en zegt men derhalve _mien, wien, huus(hoes), +zoegn_. Konservatief betoont zich het Saksisch verder in behouden van +_al_ en _ol_ voor een volgende _d_ en _t_, b.v. _old_ (oud) en _talter_ +(schommel). Maar vooral ook de woordvoorraad is belangrijk en werpt +op het karakter der Saksische volkstaal het helderste licht. Hier is +het weer Gallée, die zich het meest verdienstelijk maakte door zijn +Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch dialekt (Den Haag 1895). + +Volgen nu twee dialektproeven uit het Saksische kernland, beide van +folkloristischen aard, óok om hun inhoud. + + + +Achterhoeksch I. + + +(_Uit Driem. Bladen I, bl. 80_). + + + +Ho ze knikkert in Eibarge. + + +'n Klein zetjen eleden sloog 't half eene op ten Eibargschen toorn; +'t warkvolk is allemaole noa 't hoes hen en de kindere bunt oet +de schoole; ze zölt wal haoste met 't etten edaone wèzen, want ze +holt zich om 't zeggen: "Ellef uur den pot op 't vuur, um twalef uur +wat etten". Op ten schoolplas is no nog nummes te zeene. Joa toch, +doar kump net Batjen langs 't hekke van den meister zînen hof hen +en hé loert es of nog geen kameraods zut; zee daar he'j den dikken +Bennad, daor gens kump Lulefken ok al andraven; doar kuj van op an, +he hef zien grotmoder ok weer leelik veur den aap ehad, want zo vrog +mag hé nooit het hoes oet. Henne zal no ok wal gauw kommen, den kan +zoo lomp gauw etten. Daor he'j 'm al. Oet de wîte smit ê al met ne +sleiferkei en he röp: "ik magge 't eerste oetsmîten watte? we doot +toch knikkeren? Zonnen fijnen sleiferkei he'j noo nog nooit ezeene; +'k heb 'm evondene op de Grolsche grinte bie Hendrik van den Trekpot, +kik es wat 'n mooien!" "We doot kuultjen scheeten" zeg Batjen, "Oa +wat! weês toch wîzer, we doot oetsmîten, want van de meete is mie +niks weerd; doar hek gisteren toch zoo mee verknold," zeg ten dikken +Bennad. ,Vîve an, wée dut er mee?" schreeuwt Lulefken. "No, too dan +moar," zeg Batjen, "dan wil ik 't laatste oetsmîten, heur!" "'k Heb +'t anders al lange ezeg" schreeuwt Henne, "maor't kan mie ok neet +schellen, 'k komme toch wal bôven alles!" Noo zet ze de knikkers fijn +op een heupken, hoo meer köpkes, hoo mooier, dan he'j ok nog meer +kans dat ze melken mot. "Hier zal de kip wezen," zeg Batjen, en hé +trök ne streepe adig kort bie de knikkers, zee da's 't kortste bie, +da'i meugt liggen. "Ik zal wal 't eerste oetsmîten," zeg Bennad. He +geet achter 't pötjen staon en smit met den sleiferklei 'n pas of tine +wît. Doar maakte ê'n streepken. "Daor gao 'k boaven," röp Henne, den +altîd boven alles wil wèzen; moar al kan ê fijn knikkeren, verspöllen +deut ê toch op ten doer en manges is ê heelemaole bos. Kik 'm es en +onmundig ende smîten. Den steen rolt ok nog, zoodat ê eiges röp: +"Da's ok wît genog" en de andere lacht en zegt: "Henne wat bu'j +toch 'ne onwîzen." Lulefken smit tusschen Henne en Bennad in. No +mot Batjen oetsmîten. "Wacht" dech e, "ze könt ter wal es allemaole +langs hen mikken en he röp "'k gao op de kip, dar!" Zeezoo, no kan +'t beginnen. Batjen geet ter achter staan en Henne smit: den steen +sleifert fijn, 't geet er goed op aan, joa, he raakt ze efkes, +een paar köpkes valt ter of. "Melken, melken" röp e! En noo geet e +der op de kneene bie liggen en de anderen ok allemaole der ummehen, +want ze wilt zeen of e ok jödden wil, maar dat deut e neet; he nemt +zoovölle van 't heupken af ase kan zonder dat er en köpken völt; met +spieë mag neet, heb ze ezeg. "Noo, mîne vîve he'k," schreeuwt Henne, +too 't köpken völt, "no mot ie Lulef." Lulef smit, maor raakt niks; +he smit vlak langs Bennad zînen klomp; of e um eraakt hef? "Ze hebt +'m emeut Bennad," röp e, "mozze motte weerumme." "Dat leeg ie." "Da's +al." "Ik zeg oe van neet." "No," zeg Lulef, ik nemme mîne vîve", +en he löp ter as'n haze hen. "Neet grîpen" schreeuwt Batjen en +veur de sekurigheid grip e eiges 't heele pötjen op; "dan mot Lulef +moar översmîten." Lulef smit maor raakt niks. "Onreg verdeelt zich," +schreeuwt Batjen. "'t Is toch gemeen, hè had 't anders secuur edaone, +leelekert," röp Lulef, "Lig toch neet te schennebekken," zeg Henne, +"ie mot smîten Bennad." Kik 'm es loeren en mikken, 't Geet er wal +ne voot biehen en Batjen, den vlak bie de knikkers ligt, zet ze net +op ten kop en ze stoevet oet mekare. Moar wat grip e ze nèrig op, +want he vertrouwt te anderen geenen cent. "Kom jongens, noe nog 'n +pötjen," rup Henne al weer, "der bunt er nog meer biêkommen, dat zal +'ne fijnen pot worden. Vîve an! Haroet, haroet!', + +H. P. t. B. + + + +Achterhoeksch II. + + +(_Uit Driem. Bladen VII, bl. 21._) + + + +Hanenèfken en Hennenichjen. + + +(En heel old spreuksken dêpe uut den Achterhook). + +Doar wazzen es en Hanenèfken en Hennenichjen en die wonden bij mekare +en kokten samen de pot. Toe de beeste 's arfstens op de spörrie etuurd +wieren kä(r)nden ze zich en pötjen beste spörriebotter en zetten et +in de kelder. "Zee, nichte," zei Hanenèfken, "doar zöw ons nog es an +verslakken as de sneebluemkes vleêgt". + +Hanenèfken gong den volgenden margen uut hen krèien en pie(r)n vangen +en Hennenichjen mos es effen goan kîeken of 't pötjen der nog ston +en prüven of de botter ok stark wier. 't Pötjen ston der nog en de +botter smekte goed en was nêet stark. + +En 's margens derop ging Hanenèfken weer uut en Hennenichjen gong +hen kîeken en prüven. + +En as Hanenèfken uut was ging Hennenichjen iederbots kîeken en prüven. + +Zie, ij konnen nîet wetten, dat ko'j nêet. + +'t Wier kolder en kolder en de botter was zoo an de krimp eraakt, +dat Hennenichjen der van schrök. Zie krabde zich met den poot langs +de nebbe en wis nîet, wat ze zol anvangen. + +Toe haalde ze de botter der uut, knèden het tönneken voel +hôonderkötteltjes en leî der baoven en dun bäomken botter aover hen. + +Den volgenden margen vlaogen de sneebluemkes en Hanenèfken zegtegen +Hennenichjen: "haalt mîn het pötjen met botter uut de kelder." + +"Toe, Hennenichjen! pik ij der moar eerst niet", zei Hanenèfken. "Nee, +Hanenèfken, ij gaot veur!" Toe pikten Hanenèfken 't eerste en hie +hadde de heele nekke voel....höonderköttels. + +Godsbarmelik, wat was e kwaod. Hî maakten zich zoo nîdig, dat e +Hennenichjen 't vel aover de oorne trok. Hî hong et velleken bij den +puttenpos op den bézenbos um te dreugen. + +Toe kwamen Grîsgrauwgruwweltjen en haalde Hennenichjes velleken weg. + +Hanenèfken kwam buuten en 't velleken was weg, Hî maakten zich en kaore +van en wortele, die höllen e uut en spannen der rattemoeze veur. Toe +ging et naor 't huus van Grîsgrauwgruwweltjen. Hî was weg en toe kwam +um en osse in tegen. Die zei "Hanenèfken, waor geet dat nao tôo?" + +"Ik gao nao Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken +weerumme." + +"Za'k moar met gaon?" + +"Jao, sprink maor achter op de kaore." + +Veerder kump um en hane integen, die zei: + +"Hanenèfken, waor mo'j nao töo?" + +"Ik gao nao 't huus van Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes +velleken weerumme." + +"Za'k maor mee goan?" + +"Jao, sprink maor achter op de kaore." + +En toe kwam der nog een hekkele, en spelde, en naolde, en ei en en +slîpsteen en allemaole sprongen ze achter op de kaore. + +Zoo kwammen ze bij 't huus van Grîsgrouwgruwweltjen. Maor...de deure +was op de gruntele. + +"Hoe dook der met," zeg Hanenèfken. + +"Ik witte raod", zei de Hane, "ik zal deur 't hôondergat kroepen en +de deure lös doen". + +Zoo ezeg, zoo edaon. De hane mîk de deure lös. Hî zöch de kaste nao +en vund Hennenichtjes velleken in en deusken. + +"Hoe doew der now met?" zeg Hanenèfken. + +"Daor zölle wij wel veur zorgen" zekt die metereden bunt. + +'t Ei geet in 't vuur liggen, de spelde en naolde kroept in de matte +van den stool. + +De hekkele geet met de rugge in 't bedde liggen; de osse geet in de +stal staon en de hane achter in de koostal op 't rik. De slîpsteen +henk zich op baoven de deure. + +'s Aovens kump Grîsgrauwgruwweltjen in huus. Hî wil de lampe anstekken, +en "poef!" zeg et ei en vlug um in de oogen. "O! min oogen" krouwt +e en hî völt op den stool neer; maor, daor stekt um de spelde en de +naolde: "O! mîn eers, mîn eers!" Van pîne löt e zich in bedde vallen, +waor de hekkele lig. "O! mîn rugge, mîn rugge!" + +Van benauwdheid mot e uut de bokse. Hî löp nao den stal, maor de osse +nump um op de haorne en kwakst um tegen de hilde. "Smît um mîn maor +boo", schreeuwt de hane, "dan za'k um nog anders toetakelen!" + +Van schrik wil e nao buuten en toen e de klinke van de deure wil lös +doon, völt um de slipsteen op den kop. + +En too wasse ha(r)dstikke dood. + +G. J. Klokman. + + + +Ik besprak reeds het mengdialekt van Staphorst en Rouveen. Ook +te Vollenhoven, Genemuiden, Zwartsluis, Kampen enz. wordt een +Saksisch mengdialekt gesproken. Maar de twee voornaamste Saksische +mengdialekten, met Frieschen inslag, zijn het Groningsch en het +zoogenaamd Stellingwerfsch, dat weer in verscheiden kleinere idiomen +uiteenvalt. + +Het Groninger dialekt lijkt de Friezen hard en zwaar; bij het +spreken wordt de mond breed geplooid. De voornaamste bijzonderheden +zijn wel: de uitgang _-en_ van den 1sten en 3en persoon meervoud +van den tegenwoordigen tijd; het ontbreken van de _e_ vóor het +verleden deelwoord; de voorliefde voor den _ai_-klank, tegenover de +Saksische _ee_ en _ei_. Wat het Stellingwerfsch betreft, dit wordt +o.a. gekenmerkt door den 2den persoon meervoud _jimme_, en door _voet, +boek_ tegenover _voot_ en _book_. + + + +Westerwoldsch. + + +(_Uit Driem. Bladen XIII, bl. 67_). + + + +Op Aovondproot. + +'t Was Dunderdagaovend. 't Vroor dat 't knapte. De lucht was helder +van sterens en de grond zoo hard as 'n bikkel. Snij lag d'r nich; +'t weide ook nich en nò was 't zoo heur in de lucht, dat m' duudelk +heuren kön, dat 't leeren oetkwöm. Men kön wol heuren wel stevels en +wel klompen aan aanhad'n. + +Zug, daor koomt drij jongs aan op klompen, man ijne hef twij stevels +op de nakke hangen. Zij gaot deur de achterweg, waor 't anders veul +te modderg en te glidderg is, man nò keunt ze d'r best langs. Ik +wijt wol, waor ze hen wilt: zij gaot nao de schounmaoker; dat dout +ze alle Dunderdagaovond um 'n beetk'n te proten en 'n kop koffie te +drinken. IJn van heur hef altied wol 'n bösschop. + +Ik gao d'r ook hen; 'k wil ijs heuren of mien schoune klaor bint; +dan kan 'k ijs wat mit proten over 't ies en 't weer en wat 't 'r +meer veur 'n dag komp. Wie gaot de bansterdeure in over de deele en +bint dan vot in de keuken. + +"Gaot man zitten jongs; trekt man 'n stoele bie 't vuur. Och, Aoldien, +doe steist door net bie de hörn, smiet nog 'n kijnstobbe op 't vuur, +de ooren vrijst joe van de kop! Hinderk, geef doe mie de beentbessem +ijs aan......" "Wacht man, baos, ik schal de plaote wel even aanvegen." + +Bijter krig de tabaksduize oet de vessienbuze (vestzak) en zeg as he +stopt hef: "wolt ook aansteken, Geert?" + +"Nee," zeg Geert, "'k heb 'n kolle" (_pruim_). De duize knapt weer +tou en geit weer op 't olle stee. "Geef mie de tange ijs Hinderk, +doe bist 'n de hörn kropen, magst bedijnen van aovend". De tange geit +in 't vuur, komp 't 'r mit 'n koolk'n vuur oet, dij in Pijter zien +borstklopper geit. "Hij! doe stichst brand, daor lig 'n kole vuur bie +dien klompe op de vlouer." "O, wacht man, laot de tange man staon, +'t geit zoo wol", en Pijter trekt de klompe oet en schept de kole vuur +in de raokeldobbe. "Verbraanst dien zokke." "Nee, 't schal wol gouw +gaon. Haf' we Jan Tools zien hond hier man, dan höf we nooit 'n kole +vuur aanvegen." "Wat dee dij hond dan?" "Hest nooit van dij looze hond +heurd?" zeg Pijter, as m' tegen dij hond zee: haol mie de tabak, dan +göng vot nao 't kammenet en kwam mit de punt in de bek weerum." "O, +dat kan onze boer zien hond ook wol." "Ja, man Jan Tools zien hond +dee dat ook mit 'n kole vuur. As 't 'r 'n kole oet 't heerdk'n op de +plaote völ, höf ie niks te zeggen as: Stroom, pak op! in dan kreeg +he de kole in de bek en smeet hum weer op 't vuur." "Dat kön nooit, +dan brandde zien bek ja!" "Ja, jong, man hij m..... de kole eerst +oet." "Luchst allemaol; zeg mie man lijver, wat 'r op dien piepkop +steit, daor heb 'k al zoo lank tegen aankeken." "Daor, kiek man +ijs goud, 't kan best wezen, dat 't nog familie van die is." "Wel +kerel, jijzes man! nò man daor bin ik gijn familie van--ik zij wel +'t is--horens op de kop en bokspoten. Ik wijt nich, houst 'r mit +loopen duurst." "Wat mijnst dan wel 't is", zeg Pijter. "De olle +knecht, gijn ijne anders." "Laot ijs zijn", zeg Hinderk. "Verdold, +Geert hef gliek, 't is hum." "Man, wat mot dij schaope d'r toch bie," +zegt baos, dij ook nieuwsgierig worden is en mit 't hekke (bril) +op de neuze de piepkop bekik, "'k heb nooit heurd, dat de duvel +op de schaope past. En 't is net of het zit te fluitspeulen." "Dij +schaope kan he wol stolen hebben. Mien bier hef hum op de Hoge IJ +ijs 'n maol op 'n aovond zijn, dou he achter drij Vrijsche schaopen +aanzat." "Man hest hum zölf wijl ijs zijn?" Geert zee niks. Man opijns: +"Um de waarheid te zeggen, jao. Ik heb hum zijn achter 't iemhok van +Janoom, en ik wil die vertellen, dat ik s' aovends daor nooit weer +achter 't hoes langs gao." "Hou zag he d'r dan oet, net as op mien +piepkop?" Dat kön 'k zoo nich zijn, man 'k schal joe vertellen wat +'k zijn heb. 't Was verleden jaar op Steffen. Ik was met Berend Sips +en Hiske van Muike bie Wubbe Lots west, man ik was net zoo nöchtern +as op 't oogenblik. Bie de handwiezer göng ik van de anderen of en +um de houk bie Janooms hoes keek ik onwillekeurig nao 't iemhok, +umdat mien boer mie ijs verteld hef, dat Janoom zien vader doar ijs +'n hijle nacht mit de duvel op de nakke rondzwabberd har. Dij har daor +wat zijn achter 't iemhoes en hij was zoo dom west um te kieken wat +'t was. Um d'r te komen mös he 't heksk'n deur en dou was he van +zien recht of. Op ijns heurt he, 'n geschatter en daor springt d' +olle knecht hum op de pokkel... en de hijle nacht hef he d'r mit um +argewijerd; in 't leste har he 't heksk'n mit d' ijne hand pakt en +dou mös de duvel hum weer löslaoten; hij was weer op zien recht." Hef +dien boer die dat verteld?" zeg Pijter. "Jao en dij lug nich." Geert +har 'n grenzeloos vertrouwen op zijn boer, de grootste osse van +hijl Westerwolde. "Zeg man aan dien boer, dat Janoom zien vaoder de +nachtmerrie had hef." "Ja, doe wolt niks leuven, dat wij 'k wol, man +wat ik d'r zölf zijn heb dat kaanst mie nich oet de zin proten. Ik +zag op ijns 'n kop boven 't iemhok oet komen. Ik wör d'r kei van, +want ik dacht vot aan Janoom zien vaoder, wat dij d'r beleefd har, +'t was net op 'k aan de knijen tou deur 't zaand göng. Man ik keek +nog ijs weer, en dou was 'n d'r twij koppen, ik dochte: jong, red di, +het gijt um dien zijle en ik ik op de rek (_aan de haal_). Dou 'k +veur onze valdeure kwöm, har 'k aan ieder haor 'n zwijtdrup. 'k Bin +boven over de underdeure hensprongen, 'k heb de deure dicht maakt +en bin op bedde kropen." "En dat is de duvel west?" "Wat mijnst +doe dan? Doe möst dij grelle kop man ijs zijn hebben." "Och, kerel, +'t was Steffen, daar hebt 'n jong en 'n wicht mit 'n ander staon te +vrijen. Schost d'r man gerust hen gaon wezen, meschijn har 't wicht +die ook wol 'n smok geven." "Jawol, ik har 'n smok kregen van 'n hijl +ander, zukke smokken begeer ik nich. Man doe hest nö 'n hijl woord, +en ik wijt wol dat doe nich hijl bange oetvallen bist; ik mög toch +wol ijs zijn, dat he die tegen kwöm um ijs gewaar te worren hou hard +doe loopen kaanst: de maorze schol die nich schimmeln." "Ik heb hum +al 'n maol zijn" zeg Pijter hijl dreuge. "Doe? Waarzoo? En wat hest +dou daon?" "'k Heb hum de nakke umdreid". "Verrek um mie, nö heb +'k genog van dien leugens: het rookt die boven de kop!" + +"Wolt 't nich leuven jong, zegt Pijter terwiel he Geert in de knij +knip, "'t is echt waor. Jong, Aoldienmeu, hei je d'r nog 'n kopk'n in, +dan keer 'k nich um." "Jewol, jong, vertel man op." + +"Te wijt wol baos, dat ik vrouher dijnd heb bie Brug Engel. Zien +dochter Geertruud, dij laoter nao de Opstreek trouwd is, was dou nog +in hoes en dan hadden ze 'n meid oet de Pekel, Jantje. Hou ze wieder +heit, wij 'k nich meer; 'k wijt wol dat ze altied stom kwaod was, +as wie tegen heur zeden van Jandien, dat wol ze nich wezen, want in +de Pekel hijtte ze altied Jantje, zee ze. 't Was 'n viet ding, man +'n beetke'n eelsk en ongemakkelk plaogerg oetvallen. Zij en Geetruud +dij gijn haor beter was, hebt mie vaok bedonderd, man ijnmaol hebt +ze mie 'n schrik aanjagd, dij 'k heur nie gouw vergaf. + +Ik kwöm ijs op 'n aovond um tien uur 't loug (deel van 't dorp) +oet um vot op bedde te gaon, en göng over de deele nao de kougange, +waor ik sluip. Ik trok mien overschrijter oet en dee de beddeure +open,... en stönd stief van schrik: daor lag de duvel mit zien +gleude kop op mien bedde. Ik stende 't eerst oet van benauwdheid en +'t göng mie net as Geert, ik wör kel as is. Man 't duurde nich laank; +ik kreeg mien kracht weerum en 'k wör duvelsch. Ik zee: "satan, olle +duivel, hest mie noch nich! Ich bin nich bange veur die--koom man +op, satan! en anders griep ik die...." en ik griep hum mit beide +handen bie de strötte.... en wat har ik te pakken? twij törven, +dij aan 'n ander bonden wad'n. Oogen, neuze, en mond bestönden oet +glimholt. Ik stön verstomd. Man daor heurde ik in 't kaarnhoes 'n +verdacht gegnies en dou 'k kieken wol, stoven dij beide vrouwluu in +draf weg. Ik was wol zoo vergreld, als ik 't 'r ijne van pakt har, +dan hak heur vijerkant in de kougroupe stopt. En dou 'k dij meid d' +ander dag alleine achter 't hoes trof, zee 'k tegen heur: as 'k die +'n raod schuldig bin, loop dan nich te dichte aan mie langs, anders +könst wol ijs 'n schop kriegen, daorst genog aan hast. Dou keek ze +raor op en 'k heb laoter gijn last weer van heur had. Man ik was +laoter ook nich bange meer veur d'olle, umda 'k hum de nakke umdreid +en de kop over de kougange mieterd har." "Jijzes, Pijter," zee Geert, +"wat bist doe 'n kerel. Kiek, as mie 't overkomen was, ik was vot nao +'t veurenne vlogen en har de boer roupen." "Ja, zoo geit 't jong, +as m' de boudel nich underzöcht. 'n Smid oet Wedde vertelde mie ijs, +dat he 's aovends van de Pekel komen was langs 'n binnenpad over de +heide. Op ijns heurd he daor veur zuk wat stemmen en daor kiekt hum +twij gleude oogen aan. Maar hij was ijne, dij ook nich gauw umliggen +göng, hij geit 't 'r op of en wat is 't? 'n Lijk schaopk'n dat op +de heide achter bleven was. As ik nò nich zoo goud döst har, zee he, +dan was ik daor deur de heide posterd en har overal verteld, dat ik de +duvel zijn har. En daorum zeg ik die nog weer, Geert, as 't 'r zoowat +is, gao d'r dan rustig op of en underzuik 't en dan scholt zijn, dat 't +allemaol 'n natuurlijke oorzaak hef. Wat zegst doe, Hinderk!" Hinderk +dij nog niks zegd har, kik op de klokke. "Ketijer veur tiene? Dan wot +'t mien tied. As ik nao tiene in hoes kom, verandert mien ol mensch in +'n saotan, daor al joen duvels kwajongs bie bint. Genaovendsaom." + +"Wacht," zegt Geert, "ik gao mit, dan heb 'k zoo wied gezelschop." "Ja, +ik gao ook mit," zeg Pijter, "baos ik heb joe mien stevels bie deure +hen zet, kan 'k dij Zaoterdag wol weerum haolen? D'r mout halve zolen +en hakken under." + +"'t Schal wel gaon. Gòjenaovend." + +A. H. Smith. + + + +3. _Het Frankische taaleigen_. Hier en daar met Friesche en +Saksische bestanddeelen vermengd, wordt het Frankisch gesproken +in Vlaamsch België, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg, Utrecht en +een gedeelte van Holland. Aan Maas en Rijn heeft het Frankisch +element beslist de bovenhand. Maar eng verbonden hiermee hebben wij +reeds herhaaldelijk het Keltisch ontmoet. Kelten waren wellicht de +vertegenwoordigers der Klokkebeker-kultuur in Utrecht, Drente, Twente +en op de Veluwe. Kelten waren stellig de Galliërs, die omstreeks 300 +n.Chr. de Hallstatt-kultuur brachten in onze zuidelijke provinciën. De +algemeene Nederlandsche taal kent Keltische plaatsnamen en andere +Keltische leenwoorden. Een hoeve-type, hoogstwaarschijnlijk van +Keltischen oorsprong, het langgevel-type, vinden wij hoofdzakelijk +in België, Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe, op de Veluwe en +in de duinstreek. De brunetten zijn het sterkst vertegenwoordigd in +Noord-Brabant, Limburg, zuidoostelijk Gelderland en Zeeland. Ook het +emotioneele volkskarakter stemt hiermee overeen, met uitzondering van +de Veluwe. Maar op de Veluwe stooten de drie Nederlandsche hoofdstammen +aan elkaar; nergens trouwens is de invloed van het landschap,--hier: de +schrale, sombere heidevelden--zóo merkbaar inwerkend op de geaardheid +des volks. "De bodem der N.-W.-Veluwe", schrijft W. van Schothorst, "is +met uitzondering van de lage, waterrijke, en hier en daar veenachtige +Westelijke helft, hoog, dor en onvruchtbaar. Slechts dennen, sparren +en eikenhout vindt men op den schralen grond, wanneer deze niet +met heide is begroeid of uit stuifzanden bestaat. Een onafzienbare +heivlakte met golvenden bodem, aan den gezichtseinder begrensd door +donkere bosschen en rijen witte zandheuvels, als stoffage een enkel +boerderijtje met wat armoedige boompjes, en op een verheffing van den +bodem een kudde schapen door haar eenzamen herder met zijn trouwen +hond gehoed, ziedaar een typisch Veluwsch landschap!" (Het Dialect +der Noord-West-Veluwe. Utrecht 1904, bl. III). + +Ook kleederdracht en versierselen wijzen op gemeenschappelijken +Keltischen inslag. In Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van +Nijmegen en in Zeeland worden hangers gedragen. Met eenigszins +gewijzigden vorm vinden wij den hartvormigen hanger, de _schoef_ +genaamd, ook in het Zuiderzeegebied met het Gooi. Nauwer hangt dit +gebied door een breeden, platten ring met spiraalwerk van blaadjes +weer met Zeeland samen. Eigenaardig-bewerkte knoopen, gordel- en +broekplaten, halskettingen van bepaalden vierkanten vorm treft men +aan in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden, in het Gooi en op +de Veluwe om de Zuiderzee. + +Wij krijgen aldus een uitgestrekt samenhangend gebied; en vergelijkt +men dit met het gebied, waar nakomelingen van Frankische stammen te +vinden zijn (I, bl. 8), dan zal men tot de bevinding komen, dat beide +territoren elkaar nagenoeg dekken. Hierbij komt, dat de dialekten der +bevolking, hoe uiteenloopend ook, een aantal kenteekenen vertoonen, +die men althans ten deele ook in de Keltische talen weervindt. Waar wij +nu van een Keltisch-Frankisch huis gesproken hebben, zal men het dus +niet kunnen misbillijken, dat ook de benaming van Keltisch-Frankisch +dialekt door ons gebezigd wordt. Natuurlijk behoeft elke overeenkomst +op-zich niet op gemeenschappelijke herkomst te berusten, ik wijs +slechts op het nasaleeren van een klinker vóor gedekte nasaal en +het verwaarloozen der _h_, ook elders nawijsbaar, zie b.v. Groninger +Volksalman. 1900, bl. 28. + +Enkele der meest eigenaardige kenmerken van de Keltisch-Frankische +dialektgroep laat ik hier volgen. + +1. Het voorvoegsel _ge_ bij het deelwoord. + +2. Het wegvallen der _n_ van den uitgang -_en_, behalve vóor klinkers, +_h_, _b_ en _d_. Vergelijk: d_e_ groeët_en_ boum, de_n_ domm_e_ +mins, d_e_ groeët_e_ minse (Venloosch taaleigen). Keltisch +survival?--Het meervoud van den tegenwoordigen tijd gaat dus uit op +_e_ of _en_, _t_, _e_ of _en_. + +3. De _d_ tusschen twee medeklinkers wordt _j_ (_i_) of verdwijnt: +_moede_, _moeje_, _moe_. De Nederlandsche kultuurtaal bevindt zich te +dezen opzichte nog in een periode van weifelen, die zeer lang aanhoudt; +men denke b.v. aan _bloeden_: _bloejen_, zelfs _woedend_: _woejend_. + +4. De groepen _al_ en _ol_ worden tot _au_ en _ou_ vóor _d_ of +_t_. Dus: _ald_ en _gold_ worden in zuiver Frankisch _oud_ en _goud_ +of nauwverwante klanken. + +5. Lange _î_ en _û_ zijn meestal tweeklanken geworden, dus: _mijn +huis_, tegenover Saksisch _mien hoes_. Dit verschijnsel is van +Keltischen oorsprong, zie Te Winkel, Inleiding II. bl. 304 en N. van +Wijk, Taal en Letteren XII, bl. 36 vlg. + +6. De tweeklank _au_ wordt _oo_, b.v. _dood_, _oog_, tegenover Friesch +_deea_d, _eea_g. + +7. De groep _ft_ gaat over in _cht_. Dus: _koopen_: _gekocht_; +verder _lucht_, _gracht_, _hecht_ enz. Slechts hier en daar bleef een +sporadische _f_ behouden, zoo te Tilburg en in Oost-Brabant: _zoft_ +(zacht); Sliedrecht: _zoft, gekoft_ (gekocht); Veluwsch _koften_ voor +_kochten_. Ook wordt de _chs_ geassimileerd tot _ss_, vgl. _Brussel: +Bruxelles; Tessel: Texel_. Hier is eveneens Keltische invloed werkzaam +geweest; zie Te Winkel, Inleiding II, bl. 304; Van Ginneken, Handboek +I, bl. 87. + +8. De Westgermaansche _â_ wordt vertegenwoordigd door _â_ en +_oa_, b.v. _schaap, schoap_. Alleen in het Zeeuwsch en in het +Zuidoost-Hollandsch hoort men _schaep_. + +Nu meent Van Wijk, Tijdschr. XXX, bl. 161 (vgl. Indogerm. Forsch. XXVI, +bl. 275), dat deze _ae_ een ouderen toestand vertegenwoordigt, dien +wij ook voor het Noord-West-Veluwsch en voor het Nederbetuwsch +kunnen rekonstrueeren. Wij mogen dientengevolge met vrij veel +waarschijnlijkheid een nauwere verwantschap veronderstellen voor een +gebied, dat Zeeland en een deel van Zuid-Holland, de Neder-Betuwe +en een deel van de Veluwe omvatte. Ja wij kunnen ons dit gebied +nog ruimer voorstellen, zoodat het zich dekt met het terrein van +hetgeen men zou kunnen noemen: de Hollandsch-Frankische dialekten, +d.i. West-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, Neder-Betuwe, N.-W.-Veluwe, +Zeeland en West-Vlaanderen, reikend van Elberg tot Duinkerken. Zooals +wij zagen, pleiten ook enkele bijzondere versierselen voor een +nauweren samenhang juist van deze gewesten. De geheele groep wordt nog +gekenmerkt door het gebruik van de pronominaalvormen _jij_ en _jou_. + +Te Winkel noemt deze dialekten in zijn Charakteristik, bl. 12, met +uitzondering van het Veluwsch en Nederbetuwsch, Friesch-Frankisch. Het +is zijn recht. Want inderdaad hebben zich Friesche invloeden hier doen +gelden. Wij kunnen ze dus het best beschouwen als Frankische dialekten +met Keltischen ondergrond en met een Friesch vernis. Voor het Zeeuwsch +vermoedt ook de Amsterdamsche hoogleeraar Keltischen inslag. + +Zou nu met dit uitgestrekt dialektgebied ook niet samenhangen +het taaleigen van enkele streken om de Zuiderzee, en van enkele +eilanden, waar men ook in lichaamstooi en kleederdracht overeenkomstige +versierselen vindt? Ik denk allereerst aan het Gooi (Hilversum, Laren, +Blaricum, Huizen), maar ook aan Vlieland, Schokland, Urk, Enkhuizen +en aan een strook van den Overijsselschen zeekant: Vollenhoven, +Genemuiden, de Kuinder enz., waar men een Friesch-Saksisch mengdialekt +spreekt. Ook deze dialekt-groep toch wordt door enkele bijzonderheden +met de _ae_-groep verbonden; ik noem het wegvallen van de _h_ en den +Urker-Gooischen _ae_-klank in _schaep_. Onderling houdt zij verband +door een eigenaardigen _i_- en _u_-klank. Zij vormt een overgang van +het Frankisch naar het Friesch of van het Friesch naar het Frankisch +en ten deele naar het Saksisch; en de veronderstelling van Winkler +lijkt zeer aannemelijk, dat wij te doen hebben met de taalresten van +een afzonderlijken, niet volbloed-Frieschen stam, die in het eerste +millennium onzer tijdrekening woonde op de oevers van het meer Flevo; +zie Dialecticon II, bl. 52; vgl. II, bl. 20, I. bl. 381. Zou ook hier +de Keltische grondslag niet kunnen dienen ter verdere oplossing van +het ingewikkeld probleem? + +Andere eigenaardigheden wijzen op nauweren samenhang van het +Oost-Hollandsch met het Brabantsch en het Strand-Hollandsch; vooral +deze, dat de vierde naamval voor eigennamen en persoonsnamen zonder +determinatief den vorm heeft aangenomen van den tweeden naamval, +b.v.: Ik heb et vaders gezeid; ik heb tantes nog gekend; ik ben bij +Janne geweest. Zie hierover Van Ginneken, Handboek I, bl. 94, 95. + + + +Veluwsch. + + +(Uit _Leopold, van de Schelde tot de Weichsel I, bl. 519_). + + + +Minnebrief van en sniierknecht. + +Miekelief! 't Hef noe gans en gaor gin fatsoen, da je miin liefde zoa +kold en zoa verwierd handelen bliift. Hoe 'k et oak mit oe zuuk te +riigen en te plooien, ik kriig er maor nie zoa ak et gaerne ha. Altiids +bliift oew hart nog rechtevoort tägen mii as stiif linnen. Mennig +kamezaol, boks en wammes van de goeje luuj heb ik bekant stik verknipt +en versniien, daor 'k zat, en miin heufd oaver oe tornde en pluusde. Da +'k er oak heftig oaver epruust heb, en er vinnig ziek af ewest bin, +da's oe bekend; en nao de leste krupsie bin 'k nog nie zoa 'k heur, +want hoe 'k et wend of drääi, 'k weet oan oe gin mouwen te passen. + +Zeg et toch glad uut, wa je tägen mii het, dat je mii as en olde +lappe op zii' smiit. Bin 'k nie zoa goed bii de pinken as de beste +veur miin brood? De heele wäke, van 's maondags tot zaoterdags, zit +ik jummers stik staovast van 's märgens tot 's aovens bii baos Nol op +'e taofel: en veur miin jannever-centen laot de wäärd =u=ut de Golden +Ploege gin neie schuur bii 't huus zetten. Zondag, da mis nie, zie +je me altiids in de predekaotie en 's aovens, nao koffitiid, bii oew +vaoder op den haerd, om te höören naor 't neis =u=ut de krant. Dan +doe 'k jummers puur alles veur oe, en 'k maok et oe zoa handzaom, +as in minn krank vermeugen is: en da naodje zol zoa deurloapen as i +ens miin vrouw waort gin enkele steeke zal er aon losgaon. + +Maor 'k leuve, daor zit um de kneupe nie. 't Is nog die ägenste smalle +heerschop, die klarke van onzen notaoris, die 't um duut. Daorum gao +je, oak deur den dag altiids zoa mooi aon'edaon, 'egold en 'ezilverd, +bekant of i nao de karke gaot. Miekelief! Miekelief! waor dwaolen +ouw zinnen; hoe kan i zoa bot ziin? 'k Heb oe al zoa mennigmaol oaver +dissen gepokkeneerden snoeshaon onder 't parsiizer 'ehad en zint er +nog de olde knepen niet uut? Hoe kan oe et hart toch zoa hooge staon, +da je um dien kwibus en goeien wärkman onder stelt? + +Meinde mit um te zullen äten uut de kurf zonder zörge? Nemaor, da's +vlak de lappe neffen 't gat. Da klarken lait um maor wiendaiers: +en zolt i de maot holden veur de juffer van en notaoris al is 't oak +op en plat dörpke? Nemaor, daerne! daor zii i nie toe 'esnejen: da +zol oe vugen as en neie lap op en old wammes; da stao nie en da holdt +nie.--Da mot dissen verwierden heerschop oak nie vremd ziin, hoe zunig +hi kiiken kan, maor hi teutelt mit oe, um oew rooie wängkes en oew +blaouwe eugkes, en as i oe in d'ellene hef ebrocht, zal i oe handelen +as en lapzalver; waor veinde dan heul veur oew hartepiin? Daorum, +Miekelief! stel dissen springer uut oew zin en hold oe lääg bii 'e +grond, dan val i nie hoog. Denk aon 't spreukske: "Ongeliiken aord, +dient niet 'epaord". Wij passen mekaor, waor je et beziet, um saomen +genuuglik te läven en onzen staot te bliiven vuren. Kwik er ens mit +oew olders, daor doe je braof aon; die zullen et oe wel veurmäten; en +as ik zondag bii oe kom en i mii beduudt, da je met mii houwen wilt, +zal miin martelen en armoeien t'ende ziin, en van klinklaor plezier +za 'k oe en heftig mooi loddereinsdeuske kaopen veur en pressent, +al kost et oak en golden dekaot. + +Hadee, Mieke! tot zondag. S. + + + +Ostendsch. + + +(_Voor "Nederlandsche Volkskunde" geschreven door den Eerw. Heer +Frank Baur, docts_, litt.) + +De gelijkenis van den Verloren Zoon zooals zij te Ostende in het +Schipperskwartier wordt verteld [12]. + + + +Eer wos e kér e våder, è jâ twé zuns. + +Den årme man wos wéewåre! È de joengsten va de twei hâde goesten om e +vojåzetsje te doene. Mo de kwèsje wos va d'ortsjes! De joenge brakke +goeng no ze vådere èn i zej: "Våder, gée m' osjeblief 't chelt da +me toekomt, 't part va moeder zåliger!" De våder schuddege zen hôofd +èn zej: "Joengen, joengen, je lop no jen oengeluk!"--"Ba 'k en doe, +antwordege de kwåpèrte: lat et min mo riskieren!" + +È je kréég ze part! È je goenk nor en vèrre stréke, olover 't +zeitsje! È je wos nog mo fine 't gat üt, of je begoste va ze gèld +te léven, lik God üpt Sas! Olie dågen schinken è drinken, smeiren en +teiren mè de schonste nichtsjes, è ze traktéren mè tartsjes è spekken +è goedewèrk. + +È ja, è dat en kostege azo ni lange deuren: ze portekadee gerocht +olichte léég, ze kleiren vielen in slunsen, je zach ter üt lik ne +schooier! Mè véle rooi kwaamp i te lange laste bi nen beistekopman in +de kost: mor in platse van olle dågen ze bükstje goe vul te krigen, wos +'t årmoe va god za m' zégen! En os zen dèrmen grolden, je mochte nog +üt den trog va de zwins ni mêe éten! Mèd ol ze werken è vroeten ât en, +os 't ol te fin effekte kwam, nog gén någel om ze gat te krauwen! 't +Wåter liep va zen èrte, os 't en an 't üs pejsde, wo dat de knechten +åten è droenken è tafeltje-dèk-je spéélden! Wo dat de stüten zo vèt +gebutterd waren, è 't Roesselaersch bier zo lèkker! + +Toe tat en up ne schônen dag ol zen koeråze in zen 'anden paktege, +è no ze våder goenk è zej: "Våder, 'k èn ol me geld vertsjoekt; +'k zin te vül dan 'k nog je zeune zoen kunnen zin: mo lat me bi joen +blüven voe knècht!..." + +"Wei, joengen toch!" riep ze våder: "è je zoe tog ni willen zéker! Gée +me zeire en tóóte: 'k èn tog zo lange no je gewacht!" È je kréeg nieuwe +kleirs en nieuwe sluffers an: è je wos wéer de zeune va ze våder! + + + +Het Brabantsch vormt den middelterm tusschen het Hollandsch en het +Limburgsen; en onder Brabantsch verstaan wij hier het Westbrabantsch, +het Antwerpsch, het Aalstersch, het Leuvensch, het Oostvlaamsch. Wij +wezen op de overeenkomst met het Oost- en Strandhollandsch. Maar +slapheid van artikulatie verbindt de taal van de afstammelingen +der Salische Franken toch ook met de Zeeuwen, die zij immers ook +zeer nabij staan in volkstype en in innigheid van temperament. Op +gemeenschappelijk Keltisch substraat wijst, behalve de eigenaardigheid +van de behandeling der finale _n_, de herhaling van het persoonlijk +voornaamwoord vóor en na den werkwoordsvorm: _ik-ekik_ enz. En +anderzijds verbindt hen de Keltische toon, de lossere volksaard, +het sanguïnisch temperament weer met Limburg. De bonte staalkaart +der Brabantsche dialekten--mag ik even wijzen op de voortreffelijke +behandeling van het Aalstersch door Prof. Colinet en van het +Leuvensch door L. Goemans?--is het reflex van hun sterk-uitgesproken +gemeenschapszin, van hun aanhankelijkheid aan stad en dorp, van de +versnippering van hun grondgebied. + + + +Leuvensch. + + +(_Voor "Nederlandsche Volkskunde" geschreven door den Heer Frans +Smeesters, stud. litt._) + + + +De Koeisjieters. + +(Leuvensch Verhaal). + + +In dânen tâd (tijd) waz et spel nogal dikkels de woegel oep [13]: +den iene kie woere de Sponjoede mister, dan wee d' Oestenrâkers, +ofwel probeede de Vloinderiers den boes te speele. Et was altâd e wa +fes: vechten en battere zonder oepaave. Te Leeve woere z' oek noet ni +grist. Moe ze woere der doevee oek oep verzien, zelle: d' iel stad +was oemringd mee vestinge mee dikke mieren oep. Doe kost niemand in +och uit de stad nit, as dee de poote on de groete stieweege en dâ +woere bewokt dee saldoete. + +Oep ene kie aa 't er wee lilek gespanne en wit er van iene pas gebrand +en gemoet: 't was tege den oevend, oep den Eksentoore, woe da naa de +luibank stoet oep den boelvar Remie. Da was doe de verstêreking van +de Brisselse poot; 't kloester van de Sellebries stont doe toen nog +nit achter en doemee kost de schilwacht van doe den ielen Brisselse +stieweg overzien tot on den Azeren bereg, mee klier wier. Zoe +tisse licht en doenker ziet dâne woeker iet van den Azeren bereg +af kome gelak en troep saldoete, mee witte broeke en doenker jasse: +"Da moette d'Oestenrâkers zân!" + +Rietepakie loept em den tooren af en goet de wacht verwittege. De +poot wed toegedon en nen troemelier loept de Brisselse stroet af vee +de garsevik bojien te troemele: al et folk kwam boete gebetteld en +d'iel stad stond oep en ing. 't Was er e lieve van den elsen dievel: +de joengelen on 't blête, de vraalie on 't jenken en de manne roepen +en tieren onderie. + +Twie boemkeetels woeren oep den Eksentoore geplaceet en de saldoete +mee donderbissen en gewiere doeneffe. Tisse de boeme zoege ze dâ +witgeplekte troep oep eer zeevetien gemakken afkome, jist ofda z' +oep wandel woere. Na was doe iene van dâ manne, die janfatoet wilde +speelen achter ze sjietgat. Zonder noe de kapetaan te wachte sjit em +ze gewier af flak in den troep oep de stieweg. Zoe gaa as d' ander +dad oede begoste z' oek te sjiete: tot iene van de boemkeetels toe +goenk mee ne lileke slag af! + +D' Oestenrâkers stoven oetien last alle kante: e stik of twie +kwoempen in volle charge oep de stad afgeloope, woe dat de verschrikte +Leeveniers zoege daddet koeie woeren in ploits van saldoete. + +Seedert toen widde de Leeveniers Koeisjieters geiete! + + + +Bredasch. + + +(_Uit Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel I, bl. 328)._ + + + +Breeë wiele. + +('t Zuiden van de Baronie van Breda). + + +A. Hedde de wiele van oew kèr al laote veraandere, Bart? [14] + +B. Neeë, Arjaon! zou da toch mötte? + +A. Jao, jao, da möt zeker; ik hoar zegge, das ze d'n earste van +d'aander mand mee smalle raoje niemar meuge rije. + +B. Nou, de mijn zulle dan toch nog nie veraanderd zen: d'aambachte +kunne 't ok aomal nie gedaon krijge. Hedde gij de jou al veraanderd? + +A. Van m'n éán kèr wel; die he'k mee breeë wiele laote maoke, al vur +'n jaor of twea, om vur de waaie te gebruike; mar mee d'aandere möt +ik er nog aon. + +B. Vur de waaie geloaf ik das ze goed zen de breeë raoje, mar om vur +dur 't zand te rije, jonge, davvur zen m'er mee vernukt. + +A. Da sa 'k nie zegge: mee de breeë wiele zulde zo'n groate gaote +nie in 't spoor maoke, as mee de smalle, en ge kunt het spoor maoke, +as mee de smalle, en ge kunt het spoor ok makkelik verlegge. + +B. Jao, protte ge mar; mar smenke zegge, dagge mee de breeë bedeane +vast zit, as 't nat is. + +A. Neeë, man, ze zulle de wege dan zo nie kapot rije: de breeë wiele +snijen er zo nie deur, en te zomer zal den weg zo schoan zen azne +dörsvloer. + +B. Nou, dan zulle ze toch mear mötte paniere as ze tegenworrig doen. + +A. Neeë, jonge, davvur hoeve ze niks mear te paniere, want d'n weg +zal uit zen aaige goed blijve, omdat er dan g'n gaote en kuile mar +zulle gemakt worre. + +B. Mar in d'n baomus dan, as 't nat is, dan zulle ze toch wel blijve +steke. + +A. Da sa 'k nog nie zegge. Ikke en Koop van Hentjes hebbe vleeën baomus +den healen dag mis gereeë mee twea kère dur 'n heal nat straotje, en +'s aovus waor d'n weg nog net zoo goed as 's maregus mar we haaie 't +spoor dikkels verleet. En as ge da mar doet, dan zulde g'n gaote rije, +en dan zulde 't mee breeë raoje langer volhouë as mee smalle. As de +meense der mar is aon gewoan zen, dan zulle ze g'n smalle raoje mar +verlange; mar nou zen ze der op tege, omdas z' aomaol der wiele mötte +laote vermaoke, en da sen groate koste; mar as ze 'n paor wiele vur +niks krege, dan zouwe ze der nie tege pruttele.... Mar ik houwe vur +'n goei ding, die breeë wiele. + +B. Jao, gij prot goed; mar wa zulle de klène boerkes doen, die mee +nun os rije? Die kunne, as 't nat is, toch ginnen weg. + +A. Jao, jao, genog; mar 't is vur hullie èrig, omdas z' in de zak +zulle mötte. Mar as ze der wiele mar is hebbe, dan zulle ze der wel +over kontent zen. + +B. 't Kan gebeure; mar ik mot het earst zien, vur ik 'et geloaf. + + + +Zoo komen wij ten slotte tot de Limburgsche dialekten. Het Frankisch +in zijn geheel genomen is door de zoogenaamde tweede klankverschuiving +in twee groote helften gesplitst: het Neder- en Opperfrankisch. De +aandrang ging uit van het Opperduitsche bergland; langzaam plantte de +golving zich voort, om weg te sterven tusschen den 50sten en 52sten +breedtegraad. De grenslijn draagt den naam van _Benrather linie_, omdat +zij benoorden het plaatsje Benrath over den Rijn gaat. In oostelijke +richting doorsnijdt zij geheel Duitschland tot aan de Poolsche grens; +westwaarts loopt zij bezuiden Neuss, Rheydt, Erkelenz, Heinsberg, +en overschrijdt bij Geilenkirchen het Nederlandsche grondgebied. Dit +verlaat zij weer tusschen Cottesen en Vaals, en valt dan omstreeks +Malmedy samen met de scheidslijn tusschen het Germaansche en Romaansche +taalgebied. Men mag dus beweren, dat het in Groot-Nederland gesproken +Frankisch zoo goed als uitsluitend Nederfrankisch is. + +Dit nu wordt verdeeld in Noordlimburgsch en Oostbrabantsch (Meyerijsch) +eenerzijds, en Zuidlimburgsch anderzijds, en wel door de zoogenaamde +_Uerdinger linie_, die benoorden Uerdingen den Rijn overschrijdt en den +dam vormt, waartegen de laatste golvingen der tweede klankverschuiving +breken: ik bedoel de verschuiving van _k_ tot _ch_ in de woordjes _ik_ +en _ook_. Benoorden en bewesten de linie, waar men dus _ik_ en _ook_ +hoort, liggen, Herongen-Venloo, Blerik, Maasbree, Meijel, Leende, +Borkel en Schaft; en in België: Lommel, Baelen, Tessenderloo, Sichem, +Bekke voort, Thielt, Bautersem. Bezuiden en beoosten, waar men _ich_ +en _auch_ zegt, liggen: Leuth-Tegelen, Baarloo, Helden-Panningen, +Ospel, Nederweert, Maashees, Soerendonck en Budel; in België: Achel, +Neerpelt, Exel, Hechtel, Beverloo, Beeringen, Diest, Roosbeek en +Vertrijk. Bautersem en Vertrijk, westelijk en oostelijk eindpunt +der lijn, liggen ongeveer een uur gaans ten westen van Thienen, het +groote uitstralingspunt der Nederlandsche dialekten. Daar stuit de +Uerdinger linie op de Waalsche grens of, nauwkeuriger gezegd, op een +dier grensstrooken, die door het Romaansch op het Germaansch veroverd +zijn; zie God. Kurth, La frontière linguistique en Belgique et dans +le nord de la France (Bruxelles 1895--98) II, bl. 526; III, bl. 4 vlg. + +Een juister indeeling zal, naar ik hoop, de vrucht wezen van ons +uitgebreid, maar helaas door de tijdsomstandigheden bemoeilijkt, +onderzoek der Zuidoostelijke dialekten. Ook hier groote differentiatie, +evenals in het Brabantsch, maar die benoorden Venloo daarenboven op +een ethnische reden stoelt. Daar immers, de lezer herinnere het zich, +is een Saksisch menggebied, maar waar de Saksische bouwtrant vrij +wel als uitgestorven kan worden beschouwd (I, bl. 37, 38). Wij hebben +hier te doen met een dier zeldzame gevallen, waarin de taal taaier en +duurzamer bleek te zijn dan de hoevenbouw. Want benoorden de linie +vinden wij een dialekt, door Te Winkel Saksisch-Frankisch genoemd, +en dat uiteenvalt in het taaleigen van Venraai, van de Landen van +Cuyk en Nijmegen, de Lijmers (Eltenberg en omstreken), de Duffel en +de Over-Betuwe. Hier hoort men b.v. _ald_ (_aald_) en _kiend_, en +doorgaans _bleeëk, deeël, steeën, dooëd, pooët_ (of _bleiëk, doeëd_ +enz.). Van het aangrenzende Brabantsch (Meierijsch) onderscheiden +zich deze dialekten door het niet-diphthongeeren van _î_ en _û_, dus: +_mien, riek, wief, zoor (zoer), hoes_. In dit dialektgebied vertoont +een bepaalde landstrook, die de plaatsen Venloo, Blerik, Maasbree, +Velden, Grubtenvorst, Lom en Arcen omvat, grootere overeenkomst met +het Zuidlimburgsch; zie hierover mijn artikel in het Tijdschrift voor +Nederl. Taal en Letterk. XXVI, bl. 81 vlg. + +De geheele streek bezuiden de Uerdinger linie noemt men het +_Mich-kwartier,_ een benaming, die uit België schijnt afkomstig +te zijn; en wel omdat daar de oude akkusatieven _mich_ en _dich_ +zijn bewaard gebleven. Ook hoort men hier _ich_ en meestal _auch_ +(ook). Te Winkel spreekt van Ripuarisch Frankisch. Toch vindt men +ook hier tal van verschillen; met name het dialekt van Belgisch +Limburg vormt voor het meerendeel een zekere eenheid, die wel eens +Westlimburgsch genoemd wordt; deze benaming kan echter tot verwarring +aanleiding geven. Verder is de Oudgermaansche _sk_, die in het Friesch +haar oorspronkelijken klank behield, in bijna geheel het Mich-kwartier +gepalataliseerd tot _sj_, dus Friesch: _skaap_, Hollandsch: _schaap_, +Roermondsch: _sjoap_. Deze palataliseering vindt men ook op de +Veluwe en in Eemland, wat weer op gemeenschappelijken ondergrond +wijst. Maar daarenboven is bezuiden de Uerdinger linie de stemlooze +spirant _s_ in de klankverbindingen _sp, st, sl, sm, sn_ en _sw_ +tot _sj_ geworden beoosten een lijn, die van af het dorp Panningen in +zuid-westelijke richting geheel Limburg doorsnijdt. Eerst volgt zij den +linker Maasoever, gaat bij Wessem de rivier over en vervolgt nu haar +weg op den rechter Maasoever, tot zij tusschen Maastricht en Breust +de Belgische grens en het Romaansche taalgebied bereikt. Deze linie +noemde ik de _Panninger linie_. Het ruimere gebied der palataliseering +van _sk_ tot _sj_ wordt begrensd door de _Panninger zijlinie_. Zie +hierover mijn artikels in het Tijdschrift voor Nederl. Taal- en +Letterk. XXI, bl. 249; XXVI, bl. 81; Limburgs's Jaarboek XIII, bl. 229; +Leuvensche Bijdragen 1908. Laat ik nog vermelden de dialektstudies +van J. Houben. Het Dialect der stad Maastricht (Maastricht 1905); +L. Grootaers, Het Dialect van Tongeren (Lier 1910); en voor de studie +van het Noordlimburgsch: H. Bruijel, Het Dialect van Elten-Bergh +(Utrecht 1901). + +Het Limburgsch wijkt sterk van het algemeen Nederlandsen af en +de Limburger handhaaft zijn taal met zeldzame taaiheid. Eerst in +de laatste tientallen van jaren wordt in sommige families van den +deftigen stand de algemeene Nederlandsche kultuurtaal gesproken. Aan +differentiatie heeft het, zooals gezegd, niet ontbroken, en ook +scheppen nog steeds handwerk, beroep en industrie--tabaksbewerkers, +leerlooiers, steenbakkers, mijnwerkers tuiniers [15]--talrijke +sociale groepen en groepjes. Toch blijft een sterk gevoel van nauwere +psycho-ethnische verwantschap zich handhaven. + +Tot de eigenaardige algemeen-Limburgsche dialekt-verschijnselen +behoort het isosyllabisme van de nominale meervoudsvormen met +die van het enkelvoud; b.v. _bal: bel; kop: köp; knoak: knök_; +enz. Verder het eigenaardige muzikaal accent, met name de syllaben +met stijgenden sleeptoon, die heel wat taalverschijnselen kunnen +verklaren. Ook het zinsaccent, de zinsmelodie en het spreektempo +zijn in deze dialektgroep zeer eigenaardig en sprekend, en wel in +veel hoogere mate dan in de noordelijke tongvallen. Dit blijkt zelfs, +wanneer een bewoner der zuidelijke provinciën de algemeene kultuurtaal +spreekt: men zegt dan "dat hij zingt". Er is natuurlijk verschil +tusschen vraag, uiting van verwondering of andere gemoedsbeweging en +simpele bewering,--een uitgestrekt terrein, dat nader dient te worden +onderzocht. Eindelijk de retrogressieve of terugwerkende assimilatie +bij het zwakke praeteritum--veelal van palataliseering begeleid--, +waar het algemeen Nederlandsch progressieve of vooruitstrevende +assimilatie vertoont; b.v. pakte: _pagde_ en _pagd'e_ [16]; danste: +_danzde_. Ook bij andere vormen ontmoeten wij dit verschijnsel, +dat allicht met het accent in betrekking staat. + +Laat ik ten slotte nog even wijzen op de grootere eenheid +van Zuid-Limburg. Zij wordt gekenschetst door de hoeve van het +Frankisch-Romeinsche type, maar ook door het doorgaans ontbreken +van de afzonderlijke hoeven, geïsoleerd liggende te midden der +afzonderlijk landerijen (I, bl. 42, 24). Van een nauwere dialektische +eenheid bezuiden Sittard diene als specimen het gerundium op _-têre: +loupentêre, lachentêre_ enz., dat men te Maastricht, Sittard, Heerlen, +Tongeren, Hasselt, kortom over geheel het zuidelijkste gebied verspreid +vindt. Over het gebruik te Hasselt zie Gittée, in het Nederl. Museum +1888, z. bl. 306. Het verschijnsel is nog steeds raadselachtig in +wezen en herkomst, en dient nader te worden onderzocht. Zie verder +de isethnenkaart. + + + +Venloosch. + + +(_Fragment uit "De Sage uit het Ven", Limburgsch's Jaarboek VIII, +bl. 63, eenigszins gewijzigd_). + + + +Jan en Helmus oêt 't Ven. + + +Op ein half oor van de stad, aan de Winkelveldstroat, leet Besjeshoaf, +en dên hoaf hebbe de akkerlu Van R. sterk twieë ieëwe van elder +tot elder bewoeënd. Op ein paar noa de leste van eur, die doa den +reek hanteerde, waas Jan van R., eine strausse mins mit snuje geis, +dê ei nateurlik slaag had van vertelle en al waat de stadsboetenieë +raa_g_de, hoarklein kinde. Bij de Venlu stonte veur gelierd, +want hê kos in den almenaak lêze, ziene naam schrieve en mit +kriêt rêkene. Ouk waasse drijmoal keuning gewês: twieëmaol bij 't +vogelschete in 't Kraneveld, en eine kier bij 't rieje van de gaas +aan Sinter Banus. In 1848 isse gestorve, 92 joar ald,--des neet in +de weeg, wie? + +Mit eine Julidaag van 1778 trok Jan mit ziene knech Helmus, eine +Veldese jong, noa de Hêringse hei um struitsel te houwe in eine kamp, +dêje veur zes vette kukes 's joars, aan 't hoês Caan in Stroale te +levere, gepach had. 't Waas dên daag schreujend heit, en doarum ginge +ze iers smiddaags um vief oor van den hoaf, veurnemes door te werke +zoeë laat azzet gong. Veur de lochtigheit zote eeder eine lichte +vink op en as oavesête nome ze drij bokeskeuëk mei in vere gesneje, +en daobij twieë tuite botermelk, die ze op de gebroekelike meneer +mit reemkes aan de heizigs gebonde euver den rök honge. + +Weus en akelig waas in dên tiêd nog de Venstreek, die ze ein ind +meuste doortrekke. Aan weerszie van den alde Stroalse wêg loge +wiedluipige zompe en peul, dich begreuid mit luus en reet en +umzuimp mit elze holt, vane en broamelestruûk. Doa hoort me niks as +'t gekwaak van de kikvors en 't gesnater van de ênde, woavan der soms +'n kloch oêt de zomp opvloog. + +Toe Jan mit zienen Helmus bij de kamp waren aangekome, loge ze eure +knapzak tösse einen berke stroêk en begoste te hakke. Jonk +en ieferig wie ze ware, gunde ze zich gein rös as um wat oassem te +schöppe en te drinke of knips ein half oor um eur proviand aan te +sprêke. Ze wisten ouk van gein oêtscheije, en doe ze 't struitsel in +huip hadde gezat, waas den oavond al ein hieël ind gevalle. Ze nome +de heizigs weer op de schouwers en gongen noa den hoaf truuk. + +Doeëd meug door de zwoaren en lankwieligen erbeid sukkelde oos Besjeslu +gedoek en druimerig veuroet, in volle kompenie mit de hiere van 't +brook, die bij eeder stap verschrik veur eur opspronge. Maar +klam hadde ze den _Arenborg_ en _Genroai_ achter den rök, of doa, +aan einen tomp van de wêg, meinde Helmus inens ein gedruus +en gejuister in de loch te hure. De mood za_g_den--um in de +hoaze, en vol engs greeppe Besjesboer bij den erm en reep: "baas, +kiek ens umhoeëg. Eine veurige wage mit veer pêrd en eine mins derin, +dê lammenteert!" + +"Jong", zag Jan, "zêgen dich en bêj eine Vaderons, det +os gei kwaod euverkump. Ik weit wê 't is." + +Doe ma_g_de ze bein en kêrde ze den diek euver noa den alde Stroalse +wêg, op de hakke gezête, wie ze meinde, door allerlei buës gespuus, +woatêge einen heizig niks vermaag. En neet veur det ze de töp van +Besjes hoeëg linde in 't verscheet krege, veel eur de de schrik van +et hert en doe vroog de knech: "baas, wê hebbe we gezeen? Zoe et de +man mit ziene wage zien, dê now en dan door de loch riet +en woavan Sint Hoeberts Drik nog pas hêt opgehoald?" + +--"Precies jong", zag den ander, "hê was et. Hazepoeët de Schelm, +dê de loeën van de werklu achterheel. + +"Zien straf is nog neet oet; zoolang motte mit ziene gleujende +wage door de loch rieje en wuurte geschreuid, totte zal hebbe +voldoan: ein waarschouwing veur andere van zie slaag. + +"Now is 't te laat, maar ezondaag zal ik dich zien hieël +historie waal ens van nödje tot zökske vertelle, ik kin ze". + + + +Ter kenschetsing van de dialektische volkstaal steunden wij in het +bovenstaande, zooals gebruikelijk, vooral op klankleer en flexie. Toch +zijn ook _woordenschat_ en _syntaxis_ van het grootste belang, +vooral wanneer men de volkstaal behandelt in tegenstelling met de +kultuurtaal. Wij kunnen hier echter onmogelijk diep op de zaak ingaan +en verwijzen dus naar de afzonderlijke idiotica. Zoo b.v. Gallée voor +het Geldersch-Overijselsch, Molema voor het Groningsch, Bergsma voor +het Drentsch (onvoltooid), Waling Dijkstra en Buitenrust Hettema voor +het Friesch, Boekenoogen voor het Zaansch, Bouman voor de volkstaal +in Noord-Holland, Opprel voor het Oudbeierlandsch, Van Schothorst +voor het N.W. Veluwsch, Van de Water voor de volkstaal in het Oosten +van de Bommelerwaard, Simons voor het Roermondsch, Jongeneel voor het +Heerlensch. Zuid-Nederland heeft in het opteekenen der idiotismen meer +ijver en belangstelling getoond dan Noord-Nederland. Wij kunnen hier +wijzen op het omvangrijke Algemeen Vlaamsche Idioticon van Schuermans, +op het Westvlaamsche Idioticon van De Bo, op het tot een Idioticon +omgewerkte Gezelle-tijdschrift Loquela. Verder maakte Cornelissen en +Vervliet zich verdienstelijk door het opteekenen van de volkstaal van +Antwerpen, Tuerlinckx en Claes voor het Hagelandsch, Rutten voor het +Haspengouwsch, Teirlinck voor den woordenschat der Zuidoostvlaamsche +tongvallen; enz. + +Hier liggen inderdaad "schatten van de volkstaal" +opeengestapeld. Hoeveel beter dan in de kultuurtaal zien wij hier de +strooming en tegenstrooming van integratie en differentiatie, het zich +splitsen, zich vertakken, en weer ineenvloeien van de verscheidene +beroepstalen, het eenerzijds stoer-behoudende en anderzijds ook +weer koen-vooruitstrevende in het leven der taal. Archaïsmen, +ware survivals uit overoude tijden, vindt men in de meest gewone +populaire zinswendingen. Zoo b.v. het Limburgsche "met bed en +bult vertrekken", waar _bult_ nog _de_ beteekenis heeft van het +Middelnederlandsche _bulte, bult_ "stroozak"; de uitdrukking "van +het bed op het stroo komen" herinnert aan een overoud lijkgebruik (I, +bl. 290). In het Sallandsche: "hi kan lêzen en broodsnieën", d.i. hij +kan twee dingen tegelijk doen, heeft _lêzen_ de oude beteekenis van +"bidden". De algemeene Nederlandsche volkstaal kent uitdrukkingen als +"van den hak op den tak", waar _hak_ nog de oude beteekenis bezit +van "krommen tak";--"hij heeft kind noch kraai", waar _kraai_ "den +kraaier" beteekent, d.i. den haan, welk woord immers etymologisch +samenhangt met het Latijnsche _canere_ "zingen";--in "kap en kogel +verliezen" is _kogel_ de halskraag;--in de zegswijze "wie het onderst +uit de kan wil hebben, die valt het lid op den neus" is _het lid_ +de deksel. Naast deze archaïsmen staan echter ook weer neologismen, +vooral, naar wij zullen zien, in de woordvorming. + +De volkstaal beweegt zich in analytische richting. Regelmatig worden +de omschrijvende naamvallen voor de verbogen naamvallen gebezigd. Men +zegt dus niet: "vaders jas", maar "de jas van vader", of "vader +zijn jas". In plaats van den vergrootenden of overtreffenden trap +wordt somtijds het woord in den stellenden trap herhaald: "het is +droevig en droevig"; en zoo vervangt men ook het bijwoord: "het gaat +beter en beter", d.w.z. steeds beter. Het woord _beter_ wordt echter +ook als positief beschouwd, en dan vormt het volk den eigenaardigen +komparatief _beterder_. Het meervoud, of liever het begrip "enkele", +vindt men niet zelden omschreven door "een of twee", of door "een gas", +"een koppel". Potentieële vormen treft men zeldzamer aan, naar mate +men dieper in de lagen der volkstaal doordringt. Het twijfelende en +onzekere bij vermoeden of veronderstelling wordt uitgedrukt door een +bijwoord als "misschien" of door een hulpwerkwoord. Bij deze richting +sluit zich aan het sloopen van de werkwoordelijke tijden. De verleden +tijd gaat in de volksvertelling hard achteruit. Meestal bezigt men +het praesens of perfectum, dat veelal nog de plaats moet ruimen voor +het plusquamperfectum: "wij waren geweest, wij hadden gezien", voor: +"wij zijn geweest, wij hebben gezien". Deze meer dan voltooid voltooide +tijd komt vooral veel voor in Zuid-Limburg. Het praeteritum weet +zich echter te handhaven in het zoogenaamd apologische spreekwoord +(zie Vijfde Hoofdstuk I); terwijl de tegenwoordige tijd het tempus is +van het volkslied als praesens historicum. Het futurum wordt dikwijls +vervangen door het praesens. Zoo vloeien de grenzen van het feitelijke +en het mogelijke, van het verleden en van de toekomst meer ineen +dan in de kultuurtaal.--Daarentegen beweegt zich een tot indirekt +reflexivum verzwakte dativus ethicus weer in synthetische richting: +"zich een pijp rooken, zich een glas drinken." + +Het terrein der werkwoorden _doen_ en _laten_ strekt zich in de +volkstaal veel verder uit dan in de kultuurtaal. Hoogst belangrijk is +ook de woordvorming, stout en realistisch, met bepaalde voorliefde voor +frekwentatieven en diminutieven. Als voorbeeld van de verscheidenheid +en het koloriet der populaire woordvorming diene de synonymie +(natuurlijk met genuanceerde beteekenis) van het werkwoord _gaan_ in de +Graafschap (zie Driem. Bladen III, bl. 105 vlg.). Men kent daar _goan_: +gaan; _sjoksen_: loopen en in de knieeën zakken; _snoksen_: de voeten +bij het loopen op ongewone en tevens onverschillige manier neerzetten; +_gèspelen_: draven; _flearen_: het vlug en driftig loopen eener vrouw; +_zobben_: op een draf loopen met zwaren gang; _bizzen_: vlug loopen; +_bozzeken_ en _foddeken_: vlug met kleine passen loopen; _sabelen_: +vlug met groote stappen loopen; _schriêden:_ stappen; _loopen; kuiern; +hompelen_: gebrekkig loopen; _strompelen; geiselen_: zoo vlug mogelijk +loopen; _drapsen_: herhaaldelijk eenzelfden weg loopen; _striéken:_ +flink stappen zonder de voeten hoog op te lichten; _steigern_: met +den neus in den wind loopen; _tippeln_: licht loopen met vluggen +tred; _krummeln_: langzaam met kleine passen loopen; _pladdeken_: +met bloote voeten loopen. + +Dat deze expressieve en oorspronkelijke populaire woordvorming +vooral ook bij de scheldwoorden en scheldnamen tot uiting komt, +behoeft wel geen betoog. Laat ik nog enkele volksuitdrukkingen voor +_drinken_ aanhalen, door De Cock bijeengegaard (zie De Navorscher, +XLVII, bl. 56; XLVIII, bl. 40; IL, bl. 130): _Bekeren; pimpelen; +borrelen; borlesoesen; borleboppen; toeteren; fleppen; swobbelen; +gulpen; duimen; loreeren; zich bekladderen; tullen; pullen; avoezen; +sippen; lepelen; leppen; lepperen; petteren; pampelen; sassen; heften; +kiepen; spichteren; kwasten; kwiskwassen; schossebrokken; zoppedoppen; +swijnswansen; swijnswollen; slampampen;_ enz. enz.--Typisch is +ook het klanknabootsend element in de scheppingen der volkstaal; +het is zoo goed als interprovinciaal. Hoe roept de boer het vee? De +jonge ganzekuikens met _wiede-wiede-wiede-wiede_ (of _wiele_ enz.); +de eenden met _piele-piele-piele-piele;_ de jonge kippetjes met +_tik-tik-tik-tik-tikketikketik._ Het roepwoord wordt, naar men ziet, +meest viermaal herhaald. Dit geldt ook voor het roepen op de kippen: +_tuut_; op de jonge katjes: _pie_; (het roepwoord voor oudere katten +is _poes_); op de geit: _sik_; op de jonge schaapjes: _suuk_; +op jonge kalveren: _kies_; op het veulen: _siesken_; op de koei: +_hooi_. Biggetjes roept men door een smakkend geluid met de tongpunt, +die artikuleert tegen het gehemelte. Den hond roept men bij zijn +naam. Zie Driem. Bladen VI, bl. 58. + +Merkwaardig zijn nog de uitermate veelvuldige en expressieve vormen, +die een bevestiging, ontkenning of verwondering te kennen geven, +als: _ménschekinderen! héeremijntijd! wélallemáchies! kindergóads! +jóngesjóngens!_ dit laatste is zelfs tot in Sleeswijk doorgedrongen. De +ontkenningspartikel wordt somtijds verdubbeld zonder de ontkenning +op te heffen; men denke aan "niets niemendal". De Maastrichtenaar +kent twee bevestiginspartikels, éen gewone en éen beleefdere, welke +met _het_ is samengesteld, dus _joa_ en _joat_. + +De woordvoorraad en de semantiek der volkstaal eischen verder onze +volle aandacht. Het is een fabel, dat deze heele voorraad slechts uit +een paar duizend woorden zou bestaan. Zonder twijfel ontbreken in de +volkstaal tallooze uitdrukkingen voor begrippen uit het gemoeds- en +geestesleven, uit het gebied van wetenschap en techniek. Zoo is het +zelfs met de verklanking der gevoelens van liefde en vriendschap +gesteld, toch zoo diep geworteld, en van sommige zinnelijke +waarnemingen, met name van kleur en reuk. Maar hier staat tegenover, +dat het volk woorden in overvloed heeft om schakeeringen van de een +of andere handeling uit te drukken, zooals wij dit zagen voor het +begrip "loopen". Het kan weergeven de meest verscheiden toestanden en +soorten van planten en dieren, van weêr en natuurverschijnselen in het +algemeen, van lichaamsdeelen, huisraad, maten en gewichten enz. enz. + +Ook moet men bij de beoordeeling van dit alles zeer voorzichtig +zijn. Ik zal mij tot enkele voorbeelden bepalen, omdat, zoodra de +tijdsomstandigheden dit gedoogen, het rijke voor ons dialektonderzoek +bestemde materiaal ook ten bate der semantiek zal verwerkt worden. Op +tal van plaatsen in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland noemt het +volk elken kleinen vogel een _musch_, evenals de Amsterdammer over +een _finkie_ spreekt. Wat is echter gebeurd? Het woord _musch_, +hoogstwaarschijnlijk aan het Latijn ontleend, waar het "vlieg" +beteekende (_musca_), heeft een groote uitbreiding, een verwijding +van beteekenis ondergaan en heeft generische waarde gekregen +als synoniem van "kleine vogel". Of liever, het heeft "vogel" +in deze beteekenis verdrongen. De afzonderlijke vogeltjes missen +dan ook geenszins hun afzonderlijke benamingen, soms ruw, andermaal +geestig, steeds karakteristiek. Het muschje zelf heet b.v. te Beesel +_koarerakker_, te Lottum _koarevrêter,_ te Blitterswijk _koarepikker_ +of _koarejietser_ (Limburgsch _jietsen_ is synoniem van _biesen_, +d.i. "vlug loopen, vliegen, schieten"), te Swolgen _korepikker_, te +Swalmen en Neer _guut_ (guit), te Niftrik _huiskrits_, te Groesbeek +_huusklets_, te Grubbenvorst _floets_, te Maasbree _schroep_, te Helden +_hoeskets_. Om beurt wordt het landelijke, diefachtige, huiselijke, +vlugge, brutale, ja komische van dit bij uitstek populaire vogeltje +voortreffelijk uitgebeeld! Men denke ook aan het Hoog-duitsche _Spatz_, +een komische kortnaam voor _Sperling_. Hoe rijk vertoont zich hier +de volkssemantiek, waarvan echter slechts gekleurde kaarten in den +trant van die van Gilliéron een overzichtelijk en tevens verklarend +beeld zullen kunnen geven. + +Een ander voorbeeld. Voor "kikvorsch" kent het volk de benamingen +_kikker(t), kwakker(t), kwekker(t), kwakvorsch, kwakvos, kwak_ +(Panningen), maar ook _kikbil_ (Wanroy) en _peddemoeëk_(Weert). "Êrst +kuulkop zeen, êr men kwakkert wêrtj", meent men te Beegden, en te +Lottum gaat men hiermee akkoord: "Hê mint enne kwekvôrsch te zien, +en hên is nog genne pannestart." + +De groote, zwarte korrels in rijpende roggearen, het zoogenaamde +moederkoren (_secale cornutum_), dat bij bevalling medische toepassing +vindt, vanwaar zijn naam, is ook onder dezen naam bij het volk +bekend. Maar het heet ook _wolfskoare_ (Maashees), _wolvepitten_ +(Reusel), _wolfstand_ (Nifkrik, Wanroy), _doevekoare_ (Weert), +_mössekoare_ (Panningen), _pèrdentaand_ (St. Anthonis, Deurne), _krog_ +(Berghem), _duvelsköre_ (Swolgen), _brantj-in-'t koare_ (Beegden, +en met fonetische wijziging te Mheer). + +Tot de belangrijkste verschijnselen op het gebied der beteekenisleer +behooren wel de benamingen van den _vlinder_ in de volkstaal. Men +treft in Limburg en Noord-Brabant vooral verscheidene samenstellingen +met -_vogel_ aan; zoo b.v. _zomervogel, roevogel, pannevogel, +pennevogel, kapelvogel_ (d.i. manteltjesvogel), vereenvoudigd tot +_kapel, fenienvogel_ (rupsvogel) enz.; elders komen namen als _kog_, +en _snuffelter_ voor, deze laatste in noordwestelijk Limburg. Van uit +het Romaansche taalgebied drong het woord _pepel_ binnen, zooals onze +isethnenkaart aanwijst. + +In den zinsbouw treft ons weer vooral de analytische richting, +die zich hier uit in de _parataxe_ of nevenschikking, waar wij in +de kultuurtaal meestal onderschikking aantreffen. In plaats van: +"Wil je zoo goed zijn, mij dat boek te geven", konstrueert de +man-uit-het-volk: "Wil je zoo goed zijn en mij dat boek geven", of: +"Wil je zoo goed zijn en geef mij dat boek". Opvallend is ook de +voorliefde voor werkelijke tusschenzinnen, die b.v. de bevestiging van +den spreker inhouden, dàt hij spreekt, of de reden, waarom hij spreekt: +"Dat kan wel zijn, zeg-ik, dat hij ziek is, zeg-ik". Hier speelt +het emphatisch moment wel een hoofdrol, waarover nader. In andere +gevallen hebben wij te doen met een streven naar verduidelijking, +zoo b.v. in het boven aangehaalde: "_wie_ het onderst uit de kan wil +hebben, _die_ valt het lid op den neus; --_die_ eerst komt, _die_ +eerst maalt". Een streven naar vereenvoudiging ligt ten grondslag bij +het weglaten van voorzetsels, als het taalgevoel sterk genoeg is, +b.v. in de spreekwijze "hê geit heim" (Zuidlimb), voor "noa heim," +d.i. huiswaarts, en bij de ellipse van woorden als "jaar" en "dag." + +Wat ik als den meest markanten trek van de volkstaal beschouw is +haar emphatisch, eenigszins gezwollen karakter. Luister slechts naar +het verhaal van een representatief man uit den volksstand, en let +op zijn breedsprakigheid, zijn samengekoppelde voegwoorden _alsdat, +alswanneer_, luister, hoe hij herhaaldelijk spreekwoorden of zegswijzen +in zijn verhaal- en betoogtrant invlecht, hoe hij aldoor vergelijkingen +en omschrijvingen bezigt en in herhalingen valt, somtijds in beknopten, +resumeerenden vorm: "Mijnheer, ik zeg, dat is niet eerlijk; neen, +dàt is het stellig niet". Of ook: "Piet moet maar blij zijn; dàt +moet-ie." Ook het negatieve parallelisme is den volksman niet vreemd. + +Hij wil u de zaak ophelderen, u overtuigen. Daartoe bezigt +hij--nog afgezien van gebarenspel en mimiek--krachtige, ja pikante +uitdrukkingen, frekwentatieven, deminutieven, superlatieven ja +desuperlatieven, zelfs dichterlijke uitdrukkingen, als het gewone +hem te slap voorkomt. Inderdaad raken de dichterlijke taal en de +volkstaal elkaar niet zelden, omdat beide behoefte hebben aan ruimheid +en vrijheid. + +Deze breedsprakigheid en zucht tot vergelijking uit zich tot in +de straatroepen: "Haal Zeeuwsche moss'le, ze benne zoo fijn", +--"leest burgers, leest";--"kom nou, juffrouw, kom nou";--"elft as +zalm";--"rapen as kinderhoofies." De term "haal" is van ouds typisch +in de straatventerstaal. Ik herinner nog aan den straatroep der +vrouwen, die te Nijmegen met kersen venten: "En vier cent het pond, +riep en rond." De mosselenverkoopster uit de Schietschijfstraat te +St. Joos-ten-Oode roept: "Mosselen, álderschoónste mosselen!" + +Hoe verder te lange en te korte woorden verdwijnen; hoe woorden en +woordkonstrukties opkomen, vervormd worden, zich handhaven of de plaats +ruimen voor andere, dit alles is onze aandacht overwaard en dient door +gezette studie nader onderzocht. Maar reeds bovenstaande vluchtige +schets heeft ons in voldoende mate het bewijs kunnen leveren, hoe +door archaïsmen en neologismen, nuchtere en dichterlijke spreekwijzen, +omslachtigheid en streven naar vereenvoudiging, uitsterven en herleven +van woorden en taalvormen, begripsverwijding en begripsvernauwing +vooral ook de golving en deining in de levende volkstaal voortreffelijk +zichtbaar wordt: de wetten van integratie en differentiatie, die de +hartslag zijn van elk levend taalorganisme. + + + +II. Onze plaatsnamen. + +(_Met inleidend overzicht over onze persoons- en geslachtsnamen_). + + +De namenkunde heeft zich in den laatsten tijd een belangrijke plaats +in Volks- en Volkenkunde weten te veroveren. De reden hiervan is het +archaïeke karakter der verschillende benamingen. Plaats-, persoons- en +geslachtsnamen zijn in staat ons een menigte bijzonderheden te verhalen +over dingen, die op geen andere wijze kunnen worden achterhaald; en zoo +zullen zij ook over den volksaard en zijn herkomst getuigenis kunnen +afleggen voor tijden, waaromtrent de taal van zeden en gebruiken, +van volksopvattingen, volkskunst en volkswetenschap verstomt. Laat +ik hier terloops aanstippen, hoe A. Fick er in slaagde, door middel +der plaatsnamen de eenheid te bewijzen van de oude bevolking van +Klein-Azië, en van het Zuiden van het Balkan-schiereiland en de +eilanden in de Aegeïsche Zee vóor de volksverhuizing der Helleensche +stammen; en vooral, hoe de geniale onderzoekingen van Wilh. Schulze +over de Latijnsche eigennamen den diepgaanden invloed van Etrurië op +Rome en de Romeinsche kultuur hebben aangetoond. De stad Rome zelf +en de Tiberstroom dragen Etruskische namen. + +Toch ligt het in mijn bedoeling, alleen de plaatsnamen iets +uitvoeriger te behandelen, zooals reeds uit het opschrift van +deze paragraaf blijkt. Reden is, dat de studie der Nederlandsche +persoons- en geslachtsnamen eigenlijk meer behoort tot het domein +van de geschiedenis der Nederlandsche taal in het algemeen, dan van +de Nederlandsche volkskunde. + +1. De oude Germanen hadden slechts éen naam, die eigenlijk +gelijkwaardig was met onzen doop- of voornaam. Zoo b.v. _Gerhard_ "de +sterke met de speer", _Adelbrecht_, "de schitterende door adeldom", +_Everhard_ "sterk als het everzwijn", _Wigburga_ "steun in den slag" +enz. Van _Gerhard_ (of _Hardger_) is dan _Gero_ de verkleinnaam, +de vleinaam (_epicoristicon_), streelnaam of kortnaam die, wat de +funktie betreft, van Indogermaanschen oorsprong en ook Indogermaansch +gemeengoed is. + +Toch stelde men zich hiermee niet steeds tevreden en trachtte men ook +de afstamming of verwantschap uit te drukken en wel door alliteratie +(_Heribrand_, _Hildebrand_ en _Hadubrand_: grootvader, vader en zoon +in het Hildebrandslied); of ook men maakte gebruik van een deel van +den vaderlijken naam om den naam van den zoon samen te stellen. + +Oorspronkelijk hebben de ouders hun kind den naam gegeven als wensch, +b.v. "hij moge sterk zijn als een beer": _Berinhard_; maar later +werd deze oorspronkelijke beteekenis niet meer gevoeld en was het +doel uitsluitend, den drager van een bepaalden naam van anderen te +onderscheiden. Ook toen het Christendom zegevierend zijn intrede +deed in onze Germaansche landen, kwam in deze naamgeving weinig +verandering. De Christelijke doopnamen drukken het heuglijk feit der +wedergeboorte uit of wel den dag des doopsels; maar al dagteekenen deze +uit de IIIe eeuw, in onze landen heeft de kerstening lang op zich laten +wachten, en het heeft allen schijn, dat de Kerk--afgezien van de namen, +die een heidensche godheid aanduidden--ook hier een Oudgermaansch +gebruik, waarin niets heidensch stak, liever niet met geweld wilde +keeren. Slechts enkele malen vinden wij een _Stephanus_, _Nicolaas_, +_Johannes_ of _Christianus_, tusschen de Germaansche benamingen +als verdwaald. Deze blijven regel en ondergaan regelmatig de gewone +verkorting, vanwaar de namen _Otte_, _Huig_ en _Koen_ ontstonden. + +Maar omstreeks de XIIIe eeuw heeft een belangrijke verandering +plaats gehad. In een register van de abdij van Egmond vinden wij de +namen vermeld van _Jacob_, _Katerine_, _Pieter_, _Clare_ enz. naast +_Garbrant_, _Dideric_ en andere. Wij vinden dus specifiek-Christelijke +namen, doch niet in den Latijnschen vorm, maar in dien, welken zij +in de Germaansche wereld hadden aangenomen. En zoo staat het ook met +de namen, gedragen door heiligen van Germaansche afkomst: zij zijn +in hun Germaanschen vorm in gebruik gebleven; en eerst later zijn +zij gelatiniseerd. Na de Hervorming zijn een groot aantal Bijbelsche +namen in zwang gekomen. Ook heeft de Renaissance haar invloed doen +gevoelen. Zoo krijgen wij dan: + +_a_. Profane Germaansche voornamen, nog in gebruik. Men vindt deze het +meest bij de Friezen, die trouwens het minst van de heiligennamen der +Martyrologiën hebben gebruik gemaakt. Dit geldt ook voor Noord-Holland +met zijn doorslaand Frieschen aard; de naamlijsten komen daar +op treffende wijze met de Friesche overeen. Zoo luidde _Dieuwer_ +in zijn oorspronkelijken Frieschen vorm _Thiadewara_; _Guurtje_ +is waarschijnlijk uit _Gundrada_ ontstaan; _Ermpje_ is kortnaam van +_Ermengaarde_. Men denke nog aan _Wendert_ (_Windhard_), _Jelbout_ +(_Ethelbold_), _Nanning_ enz. Over het groot aantal voornamen in +Friesland zie R. Posthumus in den Nieuwen Frieschen Almanak 1859, +bl. 49. + +_b_. Door de heiligen van Germaanschen stam zijn tal van Germaansche +namen bewaard gebleven, natuurlijk in verkorten vorm. Aldus _Wilbert_, +_Willebrord_, _Wille_, _Wilfried_, _Huibert_, _Huib_, _Hille_ +(_Hildebert_ en _Hildegundis_), _Siegfried_ enz. + +_c_. Uitheemsche heiligennamen in Nederlandsche kleedij zijn +o.m. _Pieter_, _Maarten_, _Trijne_, _Klaas_, _Aagje_, _Teunis_, _Nijs_ +(_Dijs_, _Denys_, van _Dionysius_), _Tijs_. Ook _Arie_ en _Adriaan_, +verkort tot _Janus_. In België vindt men o.a. _Janus_, _Baaf_, +_Albrecht_, _Bert_, _Geertje_ (_Geertrui_) en _Roelke_ (_Rolendis_), +die men vrij wel als nationale namen kan beschouwen. Vele Belgische +namen vertoonen ook een Frieschen vorm en zijn dus waarschijnlijk +van Westvlaamsche herkomst. Een lijst van de meest gebruikelijke +Zuidnederlandsche voornamen is uitgegeven van wege de Koninklijke +Vlaamsche Akademie (Gent 1902). + +Merkwaardig is het feit, dat niet alleen elke streek, maar tot +elke stad, ja elk dorp haar geliefkoosde voornamen heeft, die zich +natuurlijk plooien naar de eischen van het plaatselijk dialekt. Maar +over het algemeen raken de zuiver-Germaansch klinkende namen wel +wat in de verdrukking. Terecht maakt hier J. J. Graaf de opmerking +in zijn voortreffelijk werkje over Nederlandsche Doopnamen (Bussum +1915): "Wij ... meenen maar altijd, dat we, openlijk optredend, +eerst dan naar behooren voor den dag komen, als we in het Latijn +worden aangediend. En toch hebben we in den taalschat onzer vaderen +wel degelijk vaderlandsche namen, die, in goed Nederlandsen, waardige +vormen zijn voor de Grieksche of Latijnsche doopnamen. Maar ze zijn +helaas, door onverstand in minachting geraakt, als waren zij ook +slechts verbasteringen van een alleen-fatsoenlijk Latijn" (bl. 16). + +Zie verder Joh. Winkler, Studiën in Nederlandsche Namenkunde (Haarlem +1900), bl. 171, 196, 225 vlg.; De Nederlandsche Geslachtsnamen +in oorsprong, geschiedenis en beteekenis (Haarlem 1885); Friesche +Naamlijst (Leeuwarden 1898); Boekenoogen in zijn Inleiding op de +Zaansche Volkstaal, bl. LXXXIV vlg.; Onze Voornamen, in De Gids, +Aug. 1890, bl. 448 vlg.; Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3, +bl. 124 vlg. + +2. De persoonsnaam was aanvankelijk en gedurende langen tijd de +eenige benaming onzer Germaansche voorouders, en hierin bleven zij +de Indogermaansche gewoonte trouw. Alleen de Romeinen bezaten een +drievoudige benaming, bestaande uit persoons-, geslachts- en bijnaam; +maar wij weten, dat dit benamingssysteem van Etruskische herkomst is. + +Langzamerhand kwam een tweede naam op, voortgesproten uit de +wenschelijkheid, iemand van een ander met denzelfden naam te +onderscheiden, en ook uit de neiging tot het geven van bijnamen of +spotnamen. Daar zijn ook in ons land bepaalde steden, die hierin +uitmunten, en hoe intiemer het samenleven, hoe krachtiger deze +neiging zich uit. Maar toen de bevolking aangroeide en deze aanwas +de individuëele personen met heillooze verwarring bedreigde, werd +een tweede naam haast noodzakelijk. Hiertoe koos men den naam van +den vader of van de moeder, van den echtgenoot, van het beroep, +van de woonplaats, of hiertoe konden ook de gemelde spotnamen +dienst doen. Geslachtsnamen, met hun kenmerk van vastheid en +onveranderlijkheid, werden deze namen echter eerst in den aanvang der +XIXe eeuw, toen zij met de invoering van den Burgelijken Stand een +staatsrechtelijk karakter kregen. Trouwens ook heden ten dage is het +niet overal een vaste gewoonte, iemands geslachtsnaam te gebruiken, +vooral ten platte lande. Men noemt iemand: "Jan van Piet", of "van +Pieten"; "Klaas van Trijn", of "van Trijntjes"; men spreekt van +"Dirk den Schilder", "Jan den Mulder", "Willem den Slager"; men +heet iemand "Klaas van den Molen", "Jan van de Brug"; en vooral in +het Oosten en Zuiden van ons land duidt men iemand gaarne aan door +den naam der hoeve, waar hij geboren is: "Zandhof Willem". "Kees +van den Krom" is Kees, wonende bij een kromming van den weg, en in +"Mottige Willem" dient de spotnaam als herkenningsnaam en is op weg +naar den geslachtsnaam. + +Voor de vorming der geslachtsnamen maakte men vaak gebruik van het +Germaansche achtervoegsel _-ing,_ dat de beteekenis aannam van +"behoorende tot het geslacht van." Zoo ontstonden de namen der +bekende koningsgeslachten bij de oude Franken: de Merov_ingen_, de +Carol_ingen_, de Capet_ingen_. Maar zoo ontstonden ook onze Frankische +geslachtsnamen _Benning_ (zoon van Benno), _Nolting_, _Budding_; de +Saksische _Geerdink_, _Abbink_, _Eggink_; de Friesche _Stallinga_, +_Idsinga_, _Hattinga_. + +De patronymica gaan uit op _-zoon_ (_-sone_, _-soen_), _-son_, -_sen_, +-_se_, _-s_: _Jansen_, _Harmsen_, _Japikse_, _Bartels_; maar ook +op _-en_, den zwakken tweeden naamval enkelvoud, en op _-ens_, een +jongere vorming; deze _-en_ wordt als tweede naamval nog gehoord in +het Strand-hollandsch, waar men spreekt van "Dirken waegen", "Krijnen +dochter." Zóó ontstonden de namen _Huijgens_ en _Huijgen_. In namen +als _Smaassen_ (_Maas_ ontstond uit _Thomas_) gaat de _s_ aan den +genitief van den naam vooraf. Vlaamsche vadersnamen hebben vaak +het voorvoegsel _ser-_ (_des heren_) en _ver-_ (_der vrouwen_): +_Serclaes_, _Vertruyen_. + +Een belangrijke groep geslachtsnamen heeft _van_ als voorvoegsel, +gevolgd door een bijzonderen of algemeen aardrijkskundigen naam. Dus +of: _Van Deventer_, _Van Vlijmen_, _Van Wamel_, _Van Schijndel_ of: +_Van Dijk_, _Van den Heuvel_, _Van den Berg_, _Van der Molen_, _Van +der Heide_. In plaats van de praepositie _van_ vindt men niet zelden +_aan_ en _in_, waardoor met plaatselijke dialektische vervorming de +Limburgsche geslachtsnamen _Aangevoort_, _Aengenent_, _Ingendael_ +ontstonden. Omslachtige omschrijvingen als _Van den Eerenbeemt_, +_Van de Cleemputte_, _Van de Crommenacker_ enz. vindt men meestal in +ons zuidelijk volksgebied. + +Op lichamelijke eigenschappen wijzen de geslachtsnamen _De Lange_, +_De Vette_, _De Jong_, _Mooi_, _Blauw_, _De Wit_, _De Bruin_ enz., +maar ook: _Langbeen_, _Spillebeen_, _Crombeen_ e.a. Vele dezer +familienamen vinden hun oorsprong in spotnamen. Eindelijk wordt +een zeer groot aantal verklaard door ambacht of uithangbord: _In de +Swaen_ (_De Swaen_, _Swaen_), _Van der Ploeg_, _Van de Wijnperse_, +_Spillemaeckers_, _Brouwers_, _Smids_ enz. + +Het zuidelijk volksgebied had eenige jaren vroeger min of meer vaste +geslachtsnamen dan het Noorden. Hierin is de verklaring te zoeken van +het feit, dat er meer namen van zuidelijken oorsprong te vinden zijn +in de noordelijke gewesten, dan omgekeerd. + +Laat ik ten slotte nog wijzen op enkele eigenaardigheden, die den +volksstam kenschetsen. De Friesche patronymica gaan uit op de tweede +naamvals-suffixen _-inga_ en _-a_; maar ook op _-ma,_ d.i. _man_, +met de beteekenis van "zoon, afstammeling, hoorige"; terwijl _-stra_ +dient om van bijzondere plaatsnamen Friesche geslachtsnamen te +vormen, b.v. _Dijkstra_. Verder vertoonen sommige op algemeene +wijze gevormde geslachtsnamen eigenaardige Friesche voornamen, +als _Sikkes_ en _Doedes_, andere zijn met typisch Friesche woorden +samengesteld. Zoo beteekent _Soepboer_: karnemelkboer; _Bouwfeint_: +knecht van een landbouwer; _Skriemer_: iemand die weent of schreit. + +De Groninger namen zijn met de Friesche nauwverwant, vooral de +geslachtsnamen op _-sema_: _Geertsema_, _Ilpsema_. Eigenaardig zijn +de--trouwens ook Friesche--namen met den uitgang _-ker_, _-tjer_, +die de herkomst uit de een of andere plaats of streek aanduiden: +_Veenker_, _Woltjer_ (woudbewoner). Buitenmate groot is het aantal +namen, dat uitgaat op _-huis_; deze waren oorspronkelijk aan huizen, en +niet aan personen eigen: _Bolhuis_, _Dijksterhuis_. Drente sluit zich +bij Groningen en Friesland aan. De Saksische namen worden gekenmerkt +door de patronymica op _-ink_ en de voorzetsels _ten_, _ter_, _te_, +antwoordend op de vraag: "Waar woont gij?" B.v. _Ten Bruggencate_. In +Overijssel ontmoet men de namen op _-belt_, kleine hoogten in het +veen, b.v. _Knottenbelt_. Ook Holland kent veel Friesche namen. Een +eigenaardigheid der Noordhollandsche familienamen in het algemeen, +en der Zaansche in het bijzonder, is de kortheid, laat ik zeggen het +monosyllabisme: _Top_, _Pot_, _Pan_, _Pont_, meestal wel teruggaande +op een Frieschen voornaam in zeer verkorten vorm. De namen in Zeeland, +Brabant, Limburg en Vlaanderen vertoonen het Frankisch cachet. In +Noord-Brabant zijn vooral talrijk de namen op _-mans_: _Heuvelmans_, +_Mosmans_. De Westvlaamsche gaan vaak uit op _-inck_, _-ynck_, _-incx_, +b.v. _Teirlinck_, _Hebbelynck_, _Warblinckx_. Op Frieschen inslag +wijst weer het feit, dat wij zooveel Westvlaamsche geslachtsnamen in +Friesland weervinden. + +Natuurlijk wijzen ook namen als _De Smed_ (smid) en _Temmerman_ +(timmerman) op Zuid-Nederland; en evenzeer _Zulver_ (zilver) op +Noord-Holland, _Groenewolt_, _Saverkoul_, _Eekholt_ op het Oosten +van het land, _D'Haese_, _D'Hont_ op België. Zie vooral het boven +aangehaalde werk van Joh. Winkler over de Nederlandsche Geslachtsnamen; +verder Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 131; Boekenoogen, +Zaansche Volkstaal CIII; Driem. Bladen I, bl. 29; V, bl. 101; XII, +bl. 122. + +3. Bij de studie onzer plaatsnamen komen de oudste lagen van onzen +volksaard weer aan het licht; maar moeizaam is het opdelven. Op bl. 5 +van het Eerste Deel gewaagde ik reeds van de Keltische herkomst der +benamingen van de steden Nijmegen, Wijk-bij-Duurstede (?), Arnhem, +Batenburg (?), Loosduinen, Heerlen is het oude _Coriovallum_, +en onze drie groote rivieren: Rijn, Maas, Schelde dragen beslist +Keltische namen, dus ook de talrijke plaatsnamen, die met een +dezer riviernamen zijn samengesteld. Over het algemeen steekt in +deze soort plaatsnamen veel waardevol taalgoed. Maar het onderzoek +wordt hierdoor bemoeilijkt, dat sommige rivieren blijkbaar van +naam verwisseld zijn, en anderzijds, dat rivieren hun loop hebben +gewijzigd. Försteman beschouwt het in zijn Deutsche Ortsnamen +als een der merkwaardigste uitkomsten zijner onderzoekingen, dat +eertijds een Keltische volkstam zich van het Noordoosten naar het +Zuidwesten gericht heeft en ongeveer ter hoogte van Keulen den +Rijn overschreed. Den tak, die naar Nederland afboog, vinden wij +deels aan den IJssel, deels in de Maasstreek: _Edana_, _Adanhe_ +(Först. 510); _Edesthorpa_ (Först. 509); _Adingamore_ (Först. 137), +Antwerpen; verder _Carambunt_, _Adrichem_ (Först. 138). Van Holland +wijst de stroom naar Vlaanderen, waar de omstreken van Gent Keltische +volksplantingen vertoonen, b.v. _Pitelinghem_, _Addingahem_. Zie ook +K. Kaiser, Die Kelten des Bardengaus (Hannover--Berlin 1909), maar met +omzichtigheid te gebruiken. In Holder's Altkeltischer Sprachschatz +vinden wij eveneens enkele Nederlandsche plaatsnamen als Keltisch +verklaard; zie echter Cuvelier-Huijsmans, Toponymische studie over +de oudere en nieuwere plaatsnamen der gemeente Bilsen (Gent 1897), +bl. 36 vlg. J. Claerhout, Het Belfort 1896, 2, bl. 287 (vlg. 1897, +2, bl. 200) wijst op de plaatsnamen _Gennep_, _Epe_ en _Velp_, die op +het wellicht Keltische _apa_ "water" berusten; en verder op _Thuine_ +bij Lingen, dat in 't jaar 1000 _Dune_ heette. + +Ook de invloed van de Romeinen op volksaard en volkskultuur wordt +door onze plaatsnamen betuigd; zie Deel I, bl. 10, waar de meeste +plaatsen zijn aangegeven. Ik voeg hier nog bij _Santpoort_: _Sancta +Porta_; _Kestre_: _Castra_; en _Kemenade_: _Caminata_. Maar het +overgroote meerendeel is toch van Germaanschen oorsprong. Ik dien +hier eigenlijk te beginnen met de huisnamen welke, zooals wij zagen, +vaak geslachtsnamen geworden zijn, maar anderzijds ook niet zelden uit +persoons- en familienamen ontstonden: _Stevenshuis_, _Hendriken_, _den +Egberink_, _Wesselshuis_; en eveneens uit ambt, handwerk of bedrijf: +de _Karsman_, de _Kistenmaker_, de _Roodververij_, _ter Meulen_, +_Timmerije_, _Smitterije_. Het Limburgsche dorp _Reuver_, eigenlijk +_Den Reuver_, ontleent zijn naam aan een hoeve, waarschijnlijk +toebehoorende aan _Johan de Rover_. De _Enkevoort_, een hoeve onder +Baarloo, is naar de _Enckevoorts_ genoemd; zie Limburg's Jaarboek +II, bl. 292. Een menigte boerenhoeven heeten ook naar den eigenaar, +van wien men ze in pacht heeft, b.v. _Sandershof_. + +Een huis bij de oude landweren heette _Landweer_, en nabij de +slagboomen en de verdedigingswallen vond men meestal den naam +_Runneboom_. Een groot aantal huisnamen is ook ontleend aan de +uithangteekens. Hiertoe behooren ten deele de diernamen, als +_Nachtegaal_, _Koekoek_, _Snip_, _Pedde_; maar zij kunnen ook +op persoonsnamen berusten, of wijzen op de omgeving, de ligging +van het huis, wat vrij zeker lijkt van namen als _Oelenhorst_ en +_Kraaienbelt_. Zoo ook _Valkenborg_, _Bijenhof_, _Voskamp_. Van +omgeving en ligging vertellen ook _Lindeboom_, _Eikenhof_, +_Sparrendaal_, _Hageveld_, _Muggebroek_, _Hulshof_, _Veenendaal_, +_Lovendaal_, _Leemkuil_, _Stuivezand_; aan bepaalde gebeurtenissen +herinnert wellicht een naam als _Jammerdaal_. + +Volgen de benamingen van landerijen. Dikwijls wordt de bestemming +uitgedrukt, vanwaar namen als _Vaarzenweide_, _Schapenkamp_, +_Schaapsdijk_, _Ossenland_, _Bulven_ d.i. het stukje land, waarop de +stier, de bul, alleen weidt, te Venloo volksetymologisch vervormd +tot _Bultenven_. Andere stukken worden genoemd naar den eigenaar, +waarbij valt op te merken, dat het stuk bij wisseling van eigenaar niet +altijd ook van naam verwisselt: _Heintjesven_, _Louwesakker_; weer +andere stukken drukken de plaatselijke gesteldheid uit: _Steenkamp_, +_Muizenven_, _Vlietsven_, _Ilpakker_, of worden bepaald door hun +vorm: _Lange Stuk_, _Tweebeen_, _Splitkamp_; enkele namen zijn ook +historisch, als _Galgeland_, _Schinderskuil_, _Paaschweide_, en +eveneens _Spaarpot_, _Koekepan_, _Kibbelaar_ of _Twistgrond_. Zie +vooral Boekenoogen, Zaansche Volkstaal bl. CXXII, en Heuvel, +Volksgeloof en Volksleven, bl. 270 vlg. Eigenaardige namen dragen ook +niet zelden de polders of sluizen; zoo b.v. _Achterklapspolder_, +_Boerenverdriet_ (waar de boeren met hun groenteschuiten lang +moeten wachten), _Kijfhoek_, _Kostverloren_ (als de aanleg onnoodig +blijkt), _Pannekoek_, _Schuddebeurs_ (die veel geld kostte), enz.; +zie E. Laurillard, Op Uw stoel door Uw Land (Arnhem-Nijmegen 1901), +bl. 270. + +Vrijwel dezelfde faktoren zien wij werkzaam bij het benoemen onzer +dorpen en steden. Trouwens verscheiden plaatsnamen blijken zich +uit benamingen van landerijen te hebben ontwikkeld, ik herinner +slechts aan _Barneveld_, _Meerveld_, _Pijnakker_, _Franeker_, +d.i. Vroonakker. Andere wettigen althans gegronde vermoedens, als _'s +Heerenhoek_, _Zandkoek_, _Zuidhorn_, _Plorn_, _Uithoorn_, waar _horn_ +de beteekenis heeft van "hoek". + +_a_. Nederland is een waterland bij uitstek. Vooral het Noorden van +ons land, door rivieren, grachten, kanalen doorsneden, wordt geheel +door de golven omspoeld en zoo heeft het dan een voortdurenden strijd +te voeren tegen het vochtige element, bron van welvaart en rampspoed, +van trots, van blijheid, maar ook van duizend bange zorgen. Ligging +en strijd met het water zullen in ruime mate tot uiting moeten komen +in de plaatsnamen. + +-Dam: _Amsterdam_, _Zaandam_ (uit _Zaanredam_), _Appingedam_; -dijk: +_Odijk_, _Langendijk_, _Dijken_; -sluis: _Maassluis_, _Nieuwersluis_; +-rak (strook lands langs het water gelegen): _Langerak_, _Gouderak_; +-beek: _Oosterbeek_, _Bierbeek_ (Zuid-Brabant), _Hilvarenbeek_ +(Noord-Brabant): in Brabant, met zijn door beekjes versnipperd +grondgebied, zijn de benamingen met -beek buitenmate talrijk; +-meer: _Diemermeer_, _Meerkerk_, _Boxmeer_; -monde (Frankische +vorm): _IJsselmonde_, _Rupelmonde_, _Roermond_, _Helmond_; -muiden +(Saksisch-Friesche vorm): _IJsselmuiden_, _Cellemuiden_, _Genemuiden_, +merkwaardig in het Zeeuwsche _Arnemuiden_ en in het Westvlaamsche +_Dixmuiden_; -broek: _Lutjebroek_, _Oldebroek_, _Bennebroek_, +_Broekhuizen_; -ooi (weiland, aan het water gelegen en verwant met +"ouwe" in Rijnouwe en landouw): _Renooi_, _Wadenooien_, _Genooi_; +-waard, weerd, voord (ingedijkt land): _Zandvoort_, _Bekevoort_ +(Brabant), _Lichtevoorde_, _Amersfoort_, _Bolsward_, _Valkenswaard_, +_Weert_, _Stevensweert_, _Bredevoort_, _Westervoort_. De namen op +-voort vindt men vooral in de Lijmers en de Graafschap; bewesten het +land van Maas en Waal beginnen de namen op -waard, als _Heerewaarden_; +-vliet: _Poortvliet_; -a (of aa, Oudgermaansch woord, dat "water" +beteekent): _Breda_; -veen: _Rouveen_, _Venloo_, _Loven_, _Zutfen_; +-zijl (sluis): _Delfzijl_, _Blokzijl_; -veer: _Wormerveer_; -polder: +_Willemspolder_; -brug: _Brugge_, _Diemerbrug_ enz. Onnoodig hier te +gewagen van de plaatsnamen met riviernamen samengesteld, voor zoover +de rivier de plaatsnamen karakteriseert. + +_b_. Maar Nederland is niet slechts een waterland. Lommer en koelte +wuiven u tegemoet in bosschen en hagen, en de zegen der vruchtbaarheid +rust op akkers en velden: -woud (Frankische vorm): _Woudenberg_, +_Berkenwoude_, _Katwoude_; -wolde (Saksische vorm) _Ruinerwolde_, +_Finsterwolde_; -bosch: _'s Hertogenbosch_, _Oudenbosch_, _Neerbosch_; +-haag: _'s Gravenhage_, _Prinsenhage_; -hout: (Frankische vorm): +_Voorhout_, _Aardenhout_, _Oosterhout_, _Turnhout_; -holt (Saksische +vorm): _Posterholt_, _Engelanderholt_; -horst (dicht kreupelhout, +struikgewas): _Horst_, _Nederhorst_, _Staphorst_; -veld: _Meerveld_, +_Barneveld_; -akker: _Pijnakker_, _Franeker_ (Vroonakker), _Oostakker_. + +_c_. Een kerkelijk karakter dragen natuurlijk op de eerste plaats +de namen op -kerk: _Oudekerk_, _Lekkerkerk_, _Grijpskerke_;--maar +ook de namen, samengesteld met het verwante -kerspel, -karspel +(van kercspel, evenals kermis van kercmisse, met de beteekenis van +"kerkgebied"): _Bovenkarspel_, _Weesperkarspel_; -parochie: _Sint +Annaparochie_, _Jacobiparochie_. Groot is het aantal plaatsnamen, +die heiligennamen zijn, of althans hiermee samengesteld: _Sint +Nicolaas_, _Sint Truiden_, _Sint Anne ter Muiden_, _Sint Joris Winge_ +(Z.-Brabant), _Sint Odiliënberg_. + +_d_. Onze plaatsnamen bergen ook historie. Gaarne vermelden zij +den naam van een persoon en een door iemand bekleede waardigheid: +_'s Hertogenbosch_, _'s-Gravenhage_, _Zierikzee_ (waarschijnlijk +verkort uit _Zierikseport_, d.i. stad van Zierik, d.i. van Siegerik), +_Stevensweerd_, _'s Heerenberg_, _Hillegom_, _Doetinchem_: huis van den +zoon van Dodo. Aan den oorsprong der plaats herinneren de stedenamen +op -burg: _Middelburg_, _Doesburg_, _Valkenburg_ en, met behoud van +het oude, vrouwelijke woordgeslacht, _Terborg_. + +_e_. Sommige plaatsnamen drukken slechts in het algemeen een +wijkplaats uit, vooral die op -wijk, poort, donk, dorp, stad: +_Katwijk_, _Nieuwpoort_, _Beek en Donk_, _Raamsdonk_ (deze soort +vooral in Brabant), _Noorddorp_, _Willemstad_; -heem, heim, veelal +verkort tot -hem, -em, -um, -om: _Heemstede_, _Herdershem_, _Reckhem_, +_Hattem_, _Woudrichem_, _Sassenheim_, _Haarlem (Heslehem_), _Heukelum_, +_Heelsum_, _Hillegom_, _Bennekom (Benninchem_). + +_f_. De plaatsnamen op -ingen en -ongen drukken, zooals gezegd (I, +bl. 16), meestal de afstamming van een bepaalden persoon uit. + +_g_. Eigenaardige vormen vertoonen de Friesche en Groninger +plaatsnamen. Zij staan niet buiten de boven beschreven groepen, +maar vormen toch in hun Friesche kleedij een merkwaardige +eenheidsfiguur. Over den aard der nederzetting en vestiging +vertellen ons: _Ureterp_; _Poppingawier_, _Oosterwierum_, _Engwier_; +_Holwerd_, _Rauwerd_; _Gaasterland_; _Grootegast_, _Lutjegast_, +waar _gast_ evenwaardig is met het Hollandsche _geest_, b.v. in +_Endegeest_, _Oestgeest_. Ik vermeld nog: _Tietjerkseradeel_ (_tjerk_ +beteekent kerk); _Oostergo_ (gouw); _Weststellingwerf_ (_stelling_ +beteekent rechterstoel); _Abbega_, _Oudega_ (_ga_, _gea_ is dorp); +_Munnekezijl_, _Pieterzijl_; _Koningsdiep_ (_diep_ is een kanaal of +gegraven vaart). Zie Friesche Volksalm. 1840, bl. 137; 1841, bl. 165. + +_h_. Sommige plaatsnamen werden ook door den lokatief uitgedrukt, +die met den datief is samengevallen; b.v. _Venendaal_, d.i. -dale, +_Bloemendaal_, d.i. -dale: in het Bloemendal. Zoo ook _Nieuwersluis_, +_Ouderkerk_; en verder Den _Haag_, Den _Helder_, Den _Bosch_; eindelijk +de plaatsnamen op -ingen, -schoten, -hoven, -huizen, -buren, -bergen +enz., b.v. _Groningen_, _Voorschoten_, _Vollenhoven_, _Veenhuizen_, +_Kloosterburen_, _Steenbergen_. Plaatsbepalend is ook het voorzetsel +_te_, de proklitsche vorm van _toe_ (mag ik belangstellenden even +wijzen op het verwante Oudlatijnsche _en-do_?), b.v. in _Terborg_, +_Terneuzen_; ook _op_ komt herhaaldelijk voor: _Opbroek_, _Opmeer_. + +Aldus zijn onze plaatsnamen gegroeid uit enkel- of meervoudige +karakteriseerende benamingen van nationalen, historischen, kerkelijken, +plaatselijken aard. Zij zijn een organisch produkt van den volksgeest, +die oorspronkelijk alleen de bedoeling had, die plaats te kenmerken +en te onderscheiden van andere, en niet, haar een blijvenden naam te +geven. Zij hangen dus innig met de plaats zelve samen en zijn derhalve +geen kunstprodukt, geen opgeplakte etiketten, zooals de nieuwere +plaatsnamen,--even kunstmatig trouwens als de stichting van het dorp, +de stad, die zij heeten te kenmerken. De etymologische, historische, +folkloristische waarde van zulke moderne benamingen is nul. + +Ten slotte nog enkele beschouwingen over de vormingen op -loo, -drecht, +-rode: rade. + +_Loo_ is de oude vorm voor "akkermaalshout, eikenbosch". Wij vinden het +in plaatsnamen als _Venloo_ (Veenbosch), _Corbeek-Loo_, _Tremeloo_, +_Baarloo_; maar ook in _Grolle_ (naast _Groenloo_), _Wamel_ (uit +_Wameloo_), _Gorsel_ (uit _Gerstloo_), _Pamel_, _Steenhuffel_ enz. Den +uitgang -drecht vindt men in _Woensdrecht_ = Wodani Trajectum (I, +bl. 90), _Papendrecht_, _Zwijndrecht_. Somtijds beteekent het "veer, +overvaart", andermaal "drift", d.i. veedrift, weideplaats, waarheen het +vee gedreven wordt. Wij hebben hier weer de Frankische _cht_ uit _ft_, +zie bl. 39. Waar wij te doen hebben met het Latijnsche _traiectum_, +als in _Woensdrecht_ en eveneens in _Utrecht_ en _Maastricht_, wordt +beslist een veerplaats of doorwaadbare plaats aangeduid. + +Het meest belangrijk uit taal- en vooral uit kultuurhistorisch oogpunt +zijn wel de plaatsnamen samengesteld met _-rode_ en _-rade_. Zij +herinneren, evenals die op _-woud_, _-holt_, _-loo_, _-horst_, aan +het feit, dat zoovele oude nederzettingen werden gevestigd aan den +rand van een bosch. Langzamerhand werden de boomen gerooid en het +land omgeploegd, en aldus voor bouwland geschikt gemaakt, en zulk +land heette _rode_ of _rade_. Zie over dit onderwerp vooral Gallée, +Nomina Geographica Neerlandica II, bl. 32 vlg., III, bl. 348, 352; +Jos. Habets, ib. bl. 73 vlg. + +Wij weten, dat de _marke_ een grensland was, een binnen bepaalde +grenzen omsloten gebied. Ieder markgenoot had recht op een of meer +aandeelen in de onverdeelde gronden; hij mocht dus ook in later tijd +bepaalde gedeelten ontginnen, die dan wéer later in privaatbezit +overgingen. _Rode_ en _rade_ drukken dus den aard der werkzaamheid uit +èn het verkregen resultaat. Een vaste grenslijn tusschen de plaatsnamen +met beiderlei vormen samengesteld is moeilijk te trekken, te meer, +daar de vroegere spelling van een plaatsnaam zoo vaak afwijkende +vormen vertoont. Over het algemeen mag men echter zeggen, dat namen +met _-rade_ bezuiden de _Uerdinger linie_, dus in Ripuarisch Limburg, +het meest voorkomen: _Asenraai_, _Bingelrade_, _Doenrade_, _Vaasrade_, +terwijl het domein van het Salische Frankisch voor het meerendeel den +vorm _-rode_ vertoont: _Brederode_, _Berkenrode_, _Sint Oedenrode_. In +België vindt men, met uitzondering van _Rade_ bij Lembeek en _Rath_ +bij Antwerpen, uitsluitend _rode_: _Sint Pietersrode_, _Nieuwrode_, +_Waanrode_ enz., een feit van niet te onderschatten beteekenis, +vooral wanneer men bedenkt, dat de namen op _-rade_ eigenlijk slechts +in de Nederlandsche provincies Limburg, Overijssel en Gelderland +voorkomen. Westelijk van de Maas, en in de provincies Noord-Brabant, +Holland, Zeeland en Utrecht vindt men _-rade_ zoo goed als niet +(merkwaardig is echter de groep _Venray_, _Tienray_, _Castenray_). Ook +in het zuiden en in het midden van Hessen hebben de namen op _-rode_ +en _-roth_ verre de bovenhand, en eveneens in de streken, die zuidelijk +van de Moezel gelegen zijn. Maar in oostelijke en noordoostelijke +richting heerscht pariteit tusschen _-rode_ en _-rade_, tot in +Sleeswijk toe. Dit alles wijst in ieder geval op een grooter eenheid +voor de bevolking der westelijke en zuidwestelijke _rode_-groep. + +Hiermee is weer een belangrijk gegeven gewonnen voor de stambepaling +van ons land. Ook de studie eener enkele provincie kan ons hiervan +overtuigen. Beschouwt men de plaatsnamen van Gelderland, dan zal +men zien, dat een deel, grootendeels ten oosten van den IJssel, en +als welks zuidgrens ten naasten bij de Oude IJssel kan dienen, in +taalkundig opzicht dichter bij de plaatsnamen van Overijssel staat, +terwijl de plaatsen tusschen Waal en Maas meer tot het Brabantsch +naderen, die in de Lijmers zich eng aansluiten aan de taal van het land +van Kleef en Emmerik, en het Noorden van de Veluwe tot aan het Gooi +weer meer het idioom van de Graafschap en Overijssel nadert. Naar wij +zien, komt hier het Saksisch, Frankisch en gemengd Saksisch-Frankisch +karakter der bevolking vrij goed tot zijn recht. + +Ook op Franschen bodem treft men Nederduitsche plaatsnamen +aan; zie hierover Joh. Winkler, Plaatsnamen in Frankrijk (Gent +1894). Hoofdbron voor de studie der plaatsnamen zijn de ten deele +aangehaalde studiën in de Nomina Geographica Neerlandica, uitgegeven +vanwege het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap. Zie ook Verdam, +Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 139 vlg.; C. V. D. Bergh, Handboek +der Middelnederlandsche Geographie2, _passim_; R. Andree, Braunschweiger +Volkskunde, bl. 59, vlg.; Tijdschrift IV, bl. 212; Friesche Volksalman. +1897, bl. 48. + +4. Nadere opmerkzaamheid verdienen nog de straatnamen, die +een eigenaardige, vrij zelfstandige groep vormen te midden der +Nederlandsche plaatsnamen. Hier geldt dezelfde opmerking, dat nl. de +onbewuste benamingen--wat betreft het doel der naamgeving--ook +de meest karakteristieke zijn, althans eenigermate innerlijk met +de bedoelde straat samenhangen. Kunstmatig is de naamgeving naar +bekende persoonlijkheden, hoeveel goeds en nuttigs daarin ook +mag gelegen zijn, en hoe onbeduidend de organische straatnamen ook +mogen lijken of zijn. Tot de meest eenvoudige behooren _Langstraat_, +_Hoogstraat_, _Houtstraat_, _Beekstraat_, _Nieuwstraat_, _Breestraat_, +_Varkensmarkt_; verder namen, die de richting aangeven en natuurlijk +meer belang hadden in een tijd, die geen stoomwezen of elektriciteit +kende: _Utrechtschestraat_, _Naamschestraat_, _Mechelschestraat_, +_Haarlemmerstraat_. Herhaaldelijk treffen wij hier dezelfde +formatieve bestanddeelen aan als in de namen van steden en dorpen; zoo +b.v. _Bemuurde Weerd_ (Utrecht), de dijk langs de Vecht, even beneden +de stad. Historische namen zijn niet b.v. _Waterlooplein_ of _Plein_ +1813, maar wèl de Venloosche _Keisersgats_ (steeg, vlg. _Gasse_), +waardoor keizer Napoleon volgens de overlevering zijn weg nam. Hiertoe +behooren ook--of zullen behooren--de straatnamen, die wijzen op +kerken, gestichten, kloosters, in die straat gelegen: _Mariastraat_, +_Jansstraat_, _Minrebroederstraat_, _Agnietenstraat_,--ik behoef hier +slechts een greep te doen in de straatnamen van Utrecht, zoo rijk aan +historie! De Utrechtsche _Keistraat_ schijnt haar naam te danken aan +het huis _De Krakeling_, door Jonker Meyster gebouwd _Achter Sint +Pieter_, en waar een stuk kei boven de achterdeur was aangebracht; +zie Scheltema, Mengelwerk V, 2 bl. 214. De Groninger _Kijk-in-'t +Jatstraat_ schijnt aldus genoemd naar het hoekhuis, prijkend met een +zonderlingen kop, waaronder de woorden: "ick kick nog int", dat moet +worden aangevuld door: "in 't jat", d.i. ik kan nog in de straat +zien; zie Groninger Volksalman. 1838, bl. 134. Natuurlijk vinden +wij in de straatnamen ook tal van verouderde vormen, b.v. _rak_ +in _Damrak_, met de beteekenis "strook land langs het water", en +in het Venloosche _Schriksel_, immers het werkwoord _schrikken_, +Middelnederl. _scricken_, beteekende oorspronkelijk "met groote +passen loopen", ook "springen", men denke aan _schrikkeljaar_. Het +Hasseltsche _schrikschoen_ beteekent "schaats." + +5. In de plaatsnamen vertoont zich op zeer sprekende wijze het +psychologisch moment van den klemtoon, zoowel in plaatsnamen in +den engeren zin des woords (stads- en dorpsnamen), als in namen van +straten, grachten enz. Deze klemtoon wordt door Jespersen zoo juist de +_Einheitsdruck_ genoemd, omdat hij wil vereenigen wat bijeenbehoort, +en scheiden, wat dient uit elkaar gehouden te worden. Dit accent is +nu eens _initiaal_, dan weer _finaal_. Rust de klemtoon op het eerste +lid, dan verleent hij dit een zekere waarde; wij kunnen dan spreken +van waardeaccent. Daarentegen ligt de eigenlijke karakteristieke +eenheidsklemtoon steeds op het laatste lid. Hierdoor wordt sterker de +eenheid van het geheel op den voorgrond geschoven, doordat men nl. over +het eerste lid als 't ware heenglijdt, en den hoorder voorbereidt op +hetgeen komen moet; en dit is weer overeenkomstig den algemeenen regel, +dat de spreker het tempo verhaast, als hij er zich van bewust is, +dat hij nog een lange reeks van klanken moet afwerken. Hij spreekt dan +"in éen adem." Aldus spaart de spreker in deze benamingseenheid zijn +krachten op voor het laatste lid als einddoel, en hij slaat de finale +zoo krachtig mogelijk aan. Ook de hoorder vat eerst bij deze finale +de voorafgaande syllaben samen. Wij spreken hier van het eigenlijke +eenheidsaccent. Vgl. Jespersen-Davidsen, Lehrbuch der Phonetik +(Leipzig 1904), bl. 175, 212. + +Bij woorden als _bloémkrans_, _áchterdeur_, _uítpakken_, in +tegenstelling met _burgemeéster_, _volvoéren_, _misbruíken_, +_verpákken_ is dit alles helder en klaar. Maar bij aardrijkskundige +namen, vooral bij plaats- en straatnamen wordt de zaak meer +ingewikkeld, en alleszins gerechtigd was een vraag, door +Prof. Niermeijer over "De klemtoon in Amsterdamsche straatnamen" +in Vragen en Mededeelingen I, Ser. I, 8, 25 Febr. 1910, bl. 92 gesteld. + +Het wil mij voorkomen, dat wij, uitgaande van de natuur en de algemeene +vereischten voor waarde- en eenheidsaccent, voor aardrijkskundige +woorden den regel aldus kunnen formuleeren: 1. Zij dragen het initiale +accent, wanneer het eerste lid als het voornaamste beschouwd wordt; +zij dragen het finale accent, wanneer het tweede lid òf het geheele +woord belangrijker beschouwd worden dan het eerste lid. 2. Het eerste +lid kan als het belangrijkste beschouwd worden òf om zich zelf, +òf ter wille van de tegenstelling. 3. Het tweede lid wordt als het +belangrijkste beschouwd, wanneer men oordeelt, dat het de plaats op +voldoende wijze bepaalt. + +Laat ik nu allereerst als voorbeeld kiezen de straatnamen der +stad Venloo, wat men mij als geboren Venlonaar niet ten kwade zal +duiden. Men zegt: _Kérkstraat_, _Maásstraat_, _Vleéschstraat_ +enz.; maar _Maaspoórt_, _Keulschepoórt_, _Gelderschepoórt_, +_Roermondschepoórt_, en eveneens _Oude-márkt_, _Ariënsplaáts_, +_Hakkesplaáts_. Waarom? Omdat men desnoods kan zeggen: "die +of die persoon woont aan de poort, op de markt, op de plaats", +welke aanduiding dan nader kan worden bepaald; maar het is vlakweg +onmogelijk te zeggen: "hij woont in de straat". Zoo kan men ook +best zeggen: "hij woont op het _Schriksel_", en daarom draagt bij +samenstelling deze straatnaam zelfs terwille van de tegenstelling +niet het initiale accent: _Maasschríksel_, _Helschríksel_. Slechts als +antwoord op de vraag: "Op wèlk _Schriksel_?" zal het antwoord luiden: +"Op het _Maásschriksel_" of "op het _Hélschriksel_". Maar waarom dan +_Moésmarkt_ (groentemarkt)? Omdat de koop- en verkoopwaar hier het +eerste lid tot het voornaamste maakt. + +Maken wij nu de toepassing voor de Amsterdamsche straatnamen. Altijd: +_Heerengrácht_, _Prinsengrácht_, _Martelaarsgrácht_;--_Torensluís_, +_Weteringscháns_, _Nieuwendíjk_, _Zeedíjk_, _Muiderpoórt_, +_Weesperpoórt_, _Waterloopleín_, _Marinierspleín_, _Nieuwmárt_. Het +meest kenschetsende, en op-zich desnoods voldoende lid draagt het +accent. Maar: _Heérenstraat_, _Prínsenstraat_, _Kálverstraat_, +waar _straat_ ten slotte een soort van toonloos achtervoegsel +geworden is; en eveneens: _Bótermarkt_, _Áppelenmarkt_. Schijnbare +uitzonderingen zijn _Utrechtschestraát_, _Leidschestraát_ (evenals +te Leiden _Haarlemmerstraát_), omdat _straat_ daar oorspronkelijk +de beteekenis had van "straatweg". Ook het initiale accent op +_Káttenburg_ en _Wíttenburg_ is goed verklaarbaar, omdat _-burg_ +alle determineerende beteekenis verloren heeft. Wat eindelijk het +accent op de samenstellingen met _steeg_ betreft, dat hangt af van +een plaatselijk waardeeringsoordeel. In de meeste steden schijnt +men het met _gracht_, _plein_ op éene lijn te stellen, en zoo +spreekt de Amsterdammer dan ook van _Halvemaansteég_, _Torensteég_, +_Balkinhetoogsteég_, _Heintjeshoeksteég_; te Rotterdam daarentegen +schijnt men te accentueeren: _Mólsteeg_, _Hoófdsteeg_. + +Ten slotte de plaatsnamen. Men kan zeggen: "Hij woont op den Dam, +in de Meer", vandaar: _Amsterdám_, _Watergraafsmeér_, _Enkhuízen_, +_Blokzíjl_; maar: _Voórburg_, _Veénendaal_, en eveneens _Vénloo_, +_Óploo_, _Héngeloo_, _Zwíjndrecht_, _Dórdrecht_, _Sássenheim_, +_Núnhem_, _Aúdergem_ (Brabant), _Sint Oédenrode_. + +Nu konstateeren wij, dat het finale accent, het ware eenheidsaccent, +veld wint ten koste van het initale waardeaccent; en wel, omdat +de naam langzamerhand meer in waarde en beteekenis verliest, +afslijt en zuiver formule wordt. De plaatsnamen volgen in deze de +algemeene sociale richting der taal, en zij zullen te spoediger +deze richting volgen, naarmate de plaatselijke taal een levendiger +sociaal karakter draagt. Zoo zien wij het initiale accent vaak +in finaalaccent veranderen. Maar zoo gebeurt het ook, dat sommige +plaatsnamen verschillend worden uitgesproken. De bewoners zelf noemen +hun woonplaats b.v. _Genemuíden_, omdat de naam voor hen tot simpele +aanduidingsformule is afgesleten; terwijl personen daarbuiten ofwel +het oorspronkelijke initiale accent nòg houden, of ook blijven houden, +om de plaats van andere op _-muiden_ te onderscheiden, en dus zeggen: +_Génemuiden_. + +_6_. De spotnamen van steden en dorpen berusten grootendeels op een +bekrompen gevoel van plaatselijke genoegzaamheid en laatdunkendheid, +dat ruime wederzijdsche waardeering, ja zelfs erkenning van volks- +en stamgenootschap belet. Natuurlijk draagt een te nauw besloten-zijn +binnen de wallen en een te eng vasthouden aan de plek, waar men +geboren en getogen is, hiervan de meeste schuld. Zóo blijven de +oude volkseigenheden stellig het best bewaard; maar de keerzijde der +medaille is niet zelden kleingeestig chauvinisme en min vriendelijke +verhouding vooral tot naburige steden en dorpen, somtijds zelfs +onderlinge afgekeerdheid, die voorheen tot bloedige vechtpartijen +aanleiding gaf. + +Nu moet men deze afgekeerdheid ook weer niet te hoog aanslaan. Het +mag dwaas lijken, dat men de Leeuwarders en Dokkumers elkaar als +_Leeuwarder Galgelappers_ en als _Dokkumer Garnaten_ hoort uitschelden, +en evenzeer, dat Amsterdammers en Haarlemmers elkaar spottend de +namen van _Koeketers_ en _Muggen_ toevoegden,--men moet ook open oog +hebben voor de komische zijde van het geval en in aanmerking nemen, +dat de spotnaam veelal boozer lijkt dan de bedoeling en niet zelden +slechts een onschuldige, typische en typeerende uiting van schalkschen +spotlust is. Somtijds is de spotnamen zelfs een eerenaam. + +De plaatselijke spotnamen zijn oud en levenskrachtig; ook teelt de +volksgeest telkens weer nieuwe, al is het in mindere mate. Kieskeurig +is het volk hierin allerminst. De namen berusten op een geschiedkundig +feit, op het wapen van de stad, op een bijzonder voorval, waarvan dan +de belachelijke zijde het sterkst belicht wordt; andere zijn ontleend +aan een bijzonderen tak van handel, van nering of bedrijf, of danken +hun ontstaan aan de een of andere plaatselijke lekkernij. Van de +tallooze spotnamen laat ik hier de meest bekende volgen. Plaatsruimte +belet mij, telkens de verklaring er bij te voegen; laat ik hiervoor +verwijzen naar het desbetreffende hoofdstuk in Winkler's Studiën in +Nederlandsche Namenkunde, bl. 3 vlg. en naar De Cock, Brabantsch +Sagenboek III, bl. 197 vlg. Het talrijkst zijn de spotnamen in de +Friesche en Vlaamsche gewesten. + +Friesland. Leeuwarden: _Speknekken_ en _Galgelappers_. "De Leewarders, +omdat se soo skriel waren, dat se gien nije galge betale waden, die +hewwe daar fan de bijnaam kregen van _Leeuwarder Galgelappers_ tot +'e dag fan fandaag toe." + +Harlingen: _Tobbedounsers_, d.i. Tobbedansers, daar de Harlinger +stoffenverwer als 't ware te dansen stond in de tobbe. + +Sneek: _Dúmkefretters._ Dúmkes zijn een bijzonder soort klein gebak +in vorm en groote als een mansduim. + +Bolsward: _Oaljekoeken_ (oliekoeken, worden bedoeld lijnkoeken). + +Hallum: _Koekefretters_. + +Dokkum: _Garnaten_ (Garnalen). Hoe ze aan dien naam kwamen, wordt +uitvoerig verteld in de Rimen ind Teltsjes fen de Broarren Haltertsma. + +Franeker: _Klokkedieven_, omdat het wapenschild hunner stad een gouden +klok vertoont op een blauw veld. Ook de ingezetenen van Oudewater, +Delfzijl, Schermerhorn en Carolinensijl (Oost-Friesland) dragen +dezen naam. + +Ameland: _Balkedieven_, immers hun wapenschild vertoont op de eene +helft drie balken; verder _Schalken_ en _Guiten_. + +Workum: _Brijbekken_, hetzij van _brij_, hetzij van het eigenaardig +rollen der _r_, dat de Hollander _brouwen_ heet. Men zegt dit ook +van de Zwollenaars. + +Hindeloopen: _Tjeunken_, oorsprong onbekend; ook wel _Uilen_. + +Staveren: _Ribbekliuwers,_ van het eigenaardige, snel-vorderende +schaatsenrijden (_ribben_ wijst op een overoud gebruik van te rijden +op koeribben), dat men "klauwen" noemt. + +Berlikum: _Hounefretters_ (Hondevreters), wellicht naar aanleiding +van een gevelsteen, voorstellende een hond in een pan. + +Peasum: _Hountsjes_ (Hondjes). + +Wierum: _Katsjes_ (Katjes). + +Winaldum en Baard: _Katten_. + +Midlum: _Rotten_. + +Warga: _Brêgebidlers_ (Bruggebedelaars), vanwege den bruggetol. + +Ureterp: _Oanbreide Hoasen_ (Aangebreide Kousen). + +Eernewoude: _Luzeknippers_. + +Warns: _Skiepeloarten_ (Schapekeutels). + +Winsum: _Spinsekken_ (Spinzakken), daar zij eertijds het gesponnen +garen in groote zakken naar de naburige stad brachten. + +Irnsum: _Kattekneppelders_ (Kattenknuppelaars), een naam, die met +het bekende kermisvermaak samenhangt (I, bl. 140, 269). + +Rinsumageest: _Hounewippers_ (Hondewippers), van een soortgelijk +kermisvermaak. + +Sint-Anna-Parochie: _Raapkoppen_. + +Onze-Lieve-Vrouwen-Parochie: _Wortelkoppen_. + +Oldeboorn: _Toermjitters_ (Torenmeters). In de XVIIe eeuw zou te +Oldeboorn een nieuwe kerktoren gebouwd worden. Het moest de hoogste +toren worden, hooger zelfs dan die van Tzum. De Boornsters vaardigden +dus twee man af, om den Tzummer toren te meten. Maar toen zij na +volbrachten arbeid in de herberg zaten, wisten de Tzummers listiglijk +een paar ellen van het touw af te snijden. Van daar de spotnaam van + +Tzum: _Lyntjesniders_ (Lijntjesnijders). + +Grouw: _Tsjiisfordounsers_ (Kaasverdansers). Een groepje lustige +Grouwsters hadden eens geen geld meer, om den speelman te betalen. Een +van de dansers deed dit toen met kaas uit zijns vaders pakhuis. + +Akkrum: _Skytstoelen_. Of deze meubels te Akkrum bijzonder mooi +waren? Zulk een oud meubelstuk uit het begin der XVIIIe eeuw, dat +gespaard bleef, vertoont niets opmerkelijks. Wèl opmerkelijk is het +rijmpje, dat er op geschilderd staat: + + + In 't jaer 1710 + Werd ick voor het eerst gesien, + Ick was versierd al nae behooren + Als kackstoel voor den eerstgeboren + Uyt de houwlickstrou + Van Geert Ackrum en syn vrouw. + + +Makkum: _Strânjutten_ (Strandroovers). Daarentegen is _Miigen_ een +eerenaam, want hij wijst er op, dat de Makkumers dit Friesche woord, +dat "magen, bloedverwanten", in 't bijzonder "neven, kleinzonen" +beteekent, nog in eere houden. + +Lollum: _Stippers_. Door _stip_ wordt een mager sausje aangeduid. + +Molkwerum: _Tsjoensters_ (Heksen) heeten de vrouwen. + +Birdaard: _Skiepekoppen_ (Schapekoppen). + +Wirdum: _Toerkefretters_ (Torentjevreters), dewijl zij in 1680 een +der beide kerktorens, toen de geldmiddelen gering waren, voor afbraak +verkochten. + +IJlst (Drylst): _Kjipmantsjes_ (Koopmannetjes), een soort moppen. + +Zie verder nog het rijke materiaal bij Waling Dijkstra +t.a.p. I. bl. 288-294. + +Groningen. Groningen: _Molboonen_ (Kindersnoeperij), _Kluunkoppen_ +(_Kluun_ is een bijzonder soort bier), _Klaereproevers_. + +Delfzijl: _Klokkedieven_, _Krabben_. Men beweert, dat de bewoners +een ruim geweten hebben, wat het plunderen van gestrande schepen +betreft. Bij ongeluk komt eensdaags een _Delfsylster_ in den +hemel. Maar een _Damster_ (Appingedam en Delfzijl kunnen elkaar +niet zetten) weet den H. Petrus, die met de zaak verlegen is, goeden +raad te geven. Een paar engelen moeten buiten de hemelpoort roepen: +"Een schip in nood!" Aldus geschiedt, en ziedaar, bij 't hooren van +dien kreet snelt de _Delfsylster_ naar buiten, zoo hard hij loopen kan. + +Wagenborgen: _Aardappeldoggen_. + +Ter Munten: _Koedieven_. + +Zuidlaren: _Witmakers._ + +Uskwerd: _Metworsten_. + +Meeden: _Ketelschijters_. + +Grijpskerk: _Smalruggen_. + +Garnwerd: _Gortvreters_. + +Bafloo: _Koarschoevers_ (Kaarschuivers). + +Winsum: _Gladhakken_. + +Bedum: _Geutslikkers_. + +Holwierde: _Doofpotten_. + +Ezinge en Sauwert: _Koevreters_. + +Onderdendam en Niehove: _Poepen_. + +Den Andel: _Turken_. + +Drente. Meppel: _Muggespuiters_ of _Muggen_. Een groote muggenzwerm +omzweefde eens de spits van den toren te Meppel. De burgers +dachten, dat het rook was, en begonnen den vermeenden torenbrand +te blusschen. Men denke aan de Maneblusschers van Mechelen en +Middelburg. Een anderen naam, de _Kloeten_, danken zij aan de groote +kluiten boter, die nog tot in de tweede helft van verleden eeuw door +de boeren uit den omtrek daar ter markt werden gebracht. + +Grolloo: _Knollen_. + +Anderen: _Moeshappers_, + +Elp: _Koekoeken_. + +Annen: _Oelen_. + +Assen: _Straatslipers_, _Tellerlikkers_ en _Biggen_. + +Borger: _Schöttellikkers._ + +Broekskreek (d.i. Mantinge, Balinge en Garminge): _Stalpoalen_. + +Buinen: _Poepen_. + +Duurse: _Geldbeurzen_ en _Boksen_. + +Dwingeloo: _Doeven_. + +Eelde: _Hekkenspringers_ en _Geelgatten_. + +Zie verder Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1903, bl. 55. + +Overijssel. Zwolle: _Blauwvingers_. In 1682 viel te Zwolle de toren +van de Sint-Michiels kerk in. Het klokkenspel werd aan Amsterdammers +verkocht, die den aanmerkelijken prijs in louter dubbeltjes betaalden, +waaraan de Zwollenaars zich blauwe vingers konden tellen. + +Kampen: _Steuren_. Naar verluidt, vingen de Kampenaars oudtijds in +hun rivier eens een reusachtigen steur. Met het oog op een gastmaal, +dat zij over eenigen tijd wilden aanrichten, werden zij te rade, +hem voorloopig nog wat te laten zwemmen; en om hem naderhand beter +te kunnen vinden, bonden zij hem een bandje met een belletje om den +hals. Men zegt, dat een echte Kampenaar, als hij over de IJsselbrug +gaat, nog heden altijd in 't water tuurt, of de steur er soms nog is, +want: "Je kunt het toch maar nooit weten."--Ik maak hier de opmerking, +dat de spotnamen in vele gevallen samenhangen met een domineerenden +karaktertrek van de bevolking: vasthoudendheid, gierigheid, sluwheid, +bekrompenheid enz. Nu is het een feit, dat men meestal de minder +gunstige hoedanigheden bij zijn gebuur opmerkt en de gunstige over +het hoofd ziet. + +Blankenham: _Brijhappers_. + +Blokzijl: _Katten_. + +Genemuiden: _Rudekikkers_ en _Ruusvorens_. + +De Kuinder: _Kroggen_. + +Zwartsluis: _Bleien_ of _Bleisteerten_. + +Hengeloo: _Windmakers_. + +Delden: _Kwekkeschudders_. + +Oldenzaal: _Gruppendrieters_, d.i. die hun behoefte doen in een +greppel. + +Deventer: _Stokvisschen_, _Poepen_ en _Geutendrieters_. + +Borne: _Meelvreters_. + +Over de benaming _Tukker_ voor Twentenaar is veel geredetwist. De +waarschijnlijkste afleiding lijkt mij die van _tukker_, een vogeltje, +dat zich veel in de eenzame heidestreken van Twente ophoudt; elders +draagt het den naam van _heikneutje_ of _robijntje_. Naar dezen vogel +zijn dan ook verscheidene Twentsche hoeven benaamd, en deze vindt men +steeds aan den heikant. In de volkstaal noemt men de heidebewoners vaak +_Heettukkers_: Driem. Bladen VII, bl. 84; VIII, bl. 51; anders VIII, +bl. 92. Laat ik hier terloops aan de zegswijze herinneren: "Ij kommt +oet 't land van de Tukkers, woar ze onzen leeven Hèèr "Doe" neumt." + +Gelderland. Nijmegen: _Knotsendragers_. + +Zutfen: _Metworsten_. + +Lochem: _Koolhazen_. + +Doesburg: _Mosterdpotten_. + +Enspijk: _Hanenknippers_. Deze benaming zou het gevolg zijn van een +artikel in de Tielsche Courant, waarin de inwoners van Enspijk als +"Enspiksche Hanenknippers" werden begroet. Men zou daar nl. hebben +voorgesteld, ter gelegenheid van het kroningsfeest den 12den Mei 1874 +tot opluistering der feestelijkheid hanen, van hun vederen ontdaan, +tegen elkander te laten vechten; zie het opstel van Anspach in De +Navorscher XXVI, bl. 264. + +Nunspeet: _Knutten_ en _Huibasten_. Hieronder verstaat men personen, +die veel wei of hui in hun "bast" drinken. + +Driel: _Vleescheters_. De bewoners van Driel hadden in de Middeleeuwen +een kerkelijke vergunning, waarbij hun werd toegestaan, ook in den +Vastentijd zuivel- en vleeschspijzen te gebruiken: Kist, Kerkelijk +Archief I, bl. 176, III, bl. 469. + +Elburg: _Pepernoten_. + +Harderwijk: _Bokkingkoppen_. + +Uddel: _Heugters_. + +Haaften: _Kraaien_. + +Ek en Ingen: _Kladden_. + +Zoelen: _Kozakken_. In 1814 was daar een troep kozakken gelegerd, +die weigerden het veld te ruimen, nu hun diensten niet meer noodig +waren. Op bevel van den souvereinen vorst moest nu de Tielsche +schutterij in samenwerking met den landstorm deze plunderzieke gasten +verjagen; zie Driem. Bladen III, bl. 54. + +Utrecht. Amersfoort: _Keisleepers_ of _Keitrekkers_. De bewoners vonden +nl. eens op een heideveld een zeer grooten keisteen. Triomfantelijk +sleepten zij hem naar de stad, en plaatsten hem op de Varkenmarkt +(1661). + +IJsselstein: _Apenluiders_, dewijl zij eens bij vergissing de doodsklok +luidden voor een dooden aap: De Navorscher IV, Bijblad, bl. XXXVIII. + +Limburg. Weert: _Rogstekers_. Men verhaalt, dat er oudtijds een +vrachtkar o.a. met rog beladen van Antwerpen naar Roermond reed. Bij +Weert viel een rog van de kar en bleef in het wagenspoor liggen. Een +Weertenaar zag het hem onbekende gedrocht en liep verschrikt naar de +stad om hulp te halen. Gewapend trok men er op uit, dreef den rog +een spiets door het lijf en voerde hem als oorlogsbuit zegepralend +naar het stadje mee. + +Nederweert: _Pinstekers_. + +Venloo: _Wannevliegers_. Een snaak had doen uitroepen, dat hij met +behulp van twee wannen over den Lichtenberg zou vliegen. Toen de +burgerij vergaderd was, vroeg hij, of ze al ooit een mensch hadden +zien vliegen. Neen, riep het volk. Welnu, hernam hij, dan zult gij +het ook heden niet zien, en maakte zich met het te voren opgehaalde +geld uit de voeten. Naar een eigenaardige gebaksoort spreekt men ook +van Venloosche _Moppen_. Door de Blerikschen worden de Venlonaars +_Reubeslikkers_ (Raapslikkers) genoemd. + +Blerik: _Wortelepinnen_, door de Venlonaars aldus genoemd. Vergelijk +de spotnamen van St-Anna-Parochie en Onze-Lieuwe-Vrouwen-Parochie. + +Venraay, Horst enz.: _Peelhazen_. + +Helden: _Kuzen_. + +Sittard: _Laammekers_. Lam maken = zwaar op de hand zijn. De +Sittardenaars zelf bedoelen: zich op hun manier ten koste van anderen +vermaken. + +Noord-Brabant. Heusden: _Wieldraaiers_. Het stadje voert een wiel in +zijn wapen. + +Os: _Dubbeltjessnijders_. + +Werkendam: _Brijbroeken_. + +Woudrichem: _Mosterdpotten_. + +Schijndel: _Hopbellen_. + +Uden: _Kaaieschijters_. + +Sint-Oedenrode: _Papbuiken_. + +Zeeland. Cadzand: _Peren_. Dit _pere_ is het Fransche _père_ en +wordt gebezigd tusschen personen van ongeveer gelijken leeftijd in +de vertrouwlijke omgangstaal. + +Middelburg: _Maanblusschers_. Het schijnen van de maan op den toren +werd voor brand gehouden. Men noemt ze ook _Schavotbranders_. + +Vlissingen: _Flesschedieven_, van de flesch op het wapenschild. + +Goes: _Ganzekoppen_, van de gans in het wapen. + +Zierikzee: _Koedieven_, _Steenkoopers_, _Torenkruiers_. + +Axel: _Aardappelkapers_. + +Zaamslag: _Strooplikkers_. + +Sluis: _Windmakers_. + +Noord-Holland. Schagen: _Roodjes_. Naar men beweert hebben vele +Schagenaars rossig haar. + +Alkmaar: _Gortzakken_, ter oorzake van de vele grutterijen. Ook +_Ketelkruipers_. + +Schermerhorn: _Mollen_, naar den mol in het wapen. + +Langendijk: _Koolstruiken_, omdat in de vier dorpen, die den Langendijk +vormen, kool de hoofdteelt is. + +Egmond aan Zee: _Vischteven_, men denke aan de Tsjoensters van +Molkwerum. + +Groot Schermer: _Wildjes_, naar hun woest gedrag bij het kermishouden. + +Oostzaan: _Kooleters_.--Men noemt ze ook het _Volk van Klaas Kompaan_, +een naam, dien zij te danken hebben aan hun ouden dorpsgenoot, den +beruchten Oostzaner kaper Claes Gerritsz Compaen; zie Boekenoogen, +De Zaansche Volkstaal, bl. 488. + +Zaandam: _Galgezagers_. De oorsprong ligt in het omzagen van de galg, +waaraan de schuldigen van het Zaandammer turfoproer (Mei 1678) hingen: +Boekenoogen, t.a.p. bl. 223. + +Amsterdam: _Koeketers_, een zeer oude spotnaam. Maar men zegt het ook +van de Zaandammers, en eveneens van de inwoners van de Koog, Krommenie +en Uitgeest. Die van Medemblik, Hoorn, De Kreil, De Beemster en Jisp +heeten _Moppen_. + +Texel: _Kwallen_. + +Den Helder: _Traanbokken_. + +Enkhuizen: _Vijgen_. + +Hoorn: _Krentebollen_. + +Lutjebroek: _Uilen_. + +Heiloo: _Rapenplukkers_. + +Ursem: _Langslapers_. + +Monnikendam: _Monnikentroeters_. + +Purmerland: _Platpooten_. + +Zaandijk: _Krentekakkers_. + +Westzaan: _Kroosduikers_. + +Wormer: _Boonpeulen_, _Steenegooiers_, _Uilen_. + +Wormerveer: _Gladooren_. + +Broek-in-Waterland: _Vinken_. + +Beverwijk: _Klapbessen_. + +Assendelft: _Kiplanders_, _Spanjaarden_. + +Haarlem: _Muggen_. + +Naarden: _Kalven_. + +Zuid-Holland. Leiden: _Peueraars_, _Blauwmutsen_, _Hondendooders_ +en _Sleuteldragers_, het laatste weer naar de sleutels in het wapen. + +Delft: _Kalfschieters_. In 't jaar 1574 wilden eenige Spanjaarden +een aanslag op Delft beproeven. Maar tijdig ontdekt zijnde werd hun, +toen ze al lang buiten schot waren, een hagelbui van kogels achterna +gezonden. Slechts een kalf werd hierdoor gedood: De Navorscher III, +bl. 373. + +Gouderak: _Rakkers_, berustend op volksetymologie. + +Schiedam: _Toovenaars_. Men zegt: "Twintig van Schiedam, negentien +kunnen tooveren." + +Hillegom: _Hangkousen_. + +Den Haag: _Ooievaars_ (naar het wapen), _Waterkijkers_, _Bluffers_. + +Gouda: _Gapers_. + +Oudewater: _Klokkedieven_, vgl. Franeker, Delfzijl enz. + +Rotterdam: _Kielschieters_, omdat zij een bootje, dat met de kiel +naar boven in de Maas dreef, voor een walvisch hielden, waarop zij +hun geweren afvuurden. + +Dordrecht: _Schapedieven_. + +Den Briel: _Zeelepers_ en _Puiers_. + +Gorichem: _Blieken_. + +De Zuidnederlandsche spotnamen zijn zeer talrijk. Dit strookt wel +is waar met den opgewekten, levendigen, schalkschen gemoedsaard +van Vlamingen en Brabanders. Maar als de gemoedsaard den doorslag +geeft, dan is het vreemd, dat juist de zuidelijke provinciën van +Noord-Nederland zoo betrekkelijk arm aan spotnamen zijn, terwijl +zij hoogtij vieren in de Friesche gedeelten en in Noord-Holland met +zijn rijken Frieschen inslag. Het wil mij voorkomen, dat woelzucht +en onbuigzaamheid, uitbottend in twist en tweedracht, in dezen tot +een overeenkomstig partikularisme hebben gevoerd. + +West-Vlaanderen. Brugge: _Zotten_. + +Kortrijk: _Pastei-eters._ + +Diksmuiden: _Boterkoppen_. + +Meenen: _Taartenbakkers_ en _Wagenwielvangers_. + +Poperingen: _Keikoppen_ en _Gekken_. + +Heist-op-Zee: _Keuns_ (Konijnen). + +Blankenberge: _Geernaarts_, d.i. Garnalen, vergelijk den spotnaam +der Dokkumers. + +Nieuwkerke: _Schapen_. + +Yperen: _Kinders_. Deze naam heeft een loffelijke beteekenis. Hij is, +volgens de overlevering, ontleend aan een gezegde van Margaretha, wier +zoon Willem van Dampierre door geldelijke bijdragen van de bewoners +van Yperen uit de gevangenschap der Turken was bevrijd. "Het zijn +onze kinders van Yperen", zou Margaretha gezegd hebben, "die ons dit +bewijs van liefde hebben gegeven." Zie Belgisch Museum I, bl. 270. + +Oost-Vlaanderen. Gent: _Heeren_ en _Stroppedragers_; zie Volkskunde +XXIII, bl. 242. + +Dendermonde: _Knaptanden_. + +Baasroode: _Kalefaters_. + +Opdorp: _Platte Keesboeren_. + +Ninove: _Wortels_. + +Ronse: _Zotten_, _Vliegenvangers_ en _Slekkentrekkers_. + +Oudenaarde: _Boonenknoopers_. Men noemt ze ook _Kiekefreters_. + +Dat komt zóó: De Gentenaars lieten voortijds de kiekens en ander +pluimgedierte op de markt te Oudenaarde opkoopen. Toen ze nu eens, +om Philips den Goeden rijkelijk te kunnen onthalen, volgens de +Oudenaarders hierin wat te radikaal te werk gingen, trachtten deze +hen dit te beletten en voegden hun toe: "Wij kunnen zelf onze kiekens +wel opvreten"; zie Belgisch Museum V, bl. 440. + +Geeraartsbergen: _Bergkruipers_. + +Onkerzele: _Tooverheksen_, vgl. de _Toovenaars_ van Schiedam. + +Mendonk: _Palingstroopers_. + +Wachttebeke: _Zotten_. + +Moerbeke: _Smeerkoeketers._ + +Exaarde: _Blauwbuiken_. + +Aalst: _Witvoeten_, _Draaiers_ en _Ajuinen_. + +Akkergem: _Koolkappers_. + +Limburg. Neerpelt: _Torenblusschers_. + +Peer: _Muggeblusschers_, vgl. de Muggespuiters van Meppel. + +Hasselt: _Beekrotten_ (maar slechts de Hasselaars, die op de Beek +wonen, vgl. bl. 15). + +Antwerpen. Antwerpen: _Sinjoren_. In dezen naam schuilt een herinnering +aan den Spaanschen tijd, toen de aanzienlijke Antwerpenaren den +Spaanschen titel van _Señor_ droegen. + +Mechelen: _Maneblusschers_, zie Volkskunde XXI, bl. 236. + +Turnhout: _Muggeblusschers_, vgl. Peer en Meppel. + +Lier: _Schapekoppen_. + +Rethy: _Kortooren_. + +Ramsel: _Poteerddabbers_. + +Huigene: _Eters_. + +Meerhout: _Katten_ en _Knikkers_. + +Arendonk: _Gorteters_, _Tjokkers_ en _Pinnekenmakers_. + +Poppel: _Janhagelmannen_. + +Liezele: _Pieren_. + +Breendonk: _Meutes_ (nuchtere kalven). + +Hoboken: _Mestblusschers_. + +Wilrijk: _Geitekoppen_. + +Bornhem: _Boschkrabbers_. + +Gierle: _Schijters_. + +Hove: _Keeskoppen_. + +Loenhout: _Pezerikken_ en _Moeszakken_. + +Oost-Halle: _Joden_. + +West-Halle: _Smousen_. + +Willebroek: _Vaartkapoenen_. + +Hoogstraten: _Speelzakken_. + +Brecht: _Struiven_, _Halfhouten_ en _Mastendoppen_. + +St. Amands: _Gipsheeren_. + +Zoersel: _Drijvers_ en _Kluppelaars_. + +Ook hier weer, zooals men ziet, naast louter smaadnamen, verscheidene +benamingen aan nering en bedrijf of aan plaatselijke eigenaardigheden +ontleend. + +Volge nu een keuze uit het overgroote aantal der Brabantsche spotnamen; +voor de volledige opsomming en meer ampele verklaringen betreffende +sagen raadplege men A. De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 197-241 +en J.Th. de Raadt, Les Sobriquets des communes belges (Bruxelles, +1904), _passim_. + +Beersel: _Keesboeren_ en _Boterdieven_. + +Bertem: _Tuischers_ (paardenkooplui). + +Boschvoorde: _Bessembinders_. + +Brussel: _Kiekefretters_. Deze schimpnaam zou opklimmen tot de XIVe +eeuw, nl. tot den veldslag van Baesweiler, waar een sterk Brabantsch +leger door de hertogen van Gulik en Gelder en den graaf van Berg totaal +verslagen werd. Deze nederlaag wordt door den kroniekschrijver Jean +Froissart aan de gulzigheid der Brusselaars toegeschreven; er dient +echter gezegd, dat hij slechts van zalm-, forel- en palingpastei +spreekt, en niet uitdrukkelijk van kiekens gewaagt. + +Zij heeten verder: _Apendrillers_. Eens betrokken twee bejaarde +burgers te middernacht op den toren van Wollendries (bij de Wolstraat) +de wacht. Plotseling zagen zij een vreemdsoortig wezen het wachthuis +binnendringen, en vol angst sloegen zij op de vlucht--voor een aap, +zooals naderhand bleek. + +Diest: _Mostaardschijters;_ zie Ons Volksleven IX, bl. 102. + +Dormaal: _Weerwolven_ en _Vuurmannen_. + +Elsene: _Hondenknagers_; deze spotnaam dagteekent wellicht uit tijden +van hongersnood. + +Esschene: _Patattenboeren_. + +Gooik: _Telloorlekkers_. + +Hal: _Vaantjesboeren_, van wege de processievaantjes. + +Leuven: _Peetermannen_. Sint Pieter is de patroonheilige van de +stad. Men noemt ze ook de _Koeischieters_, omdat naar verluidt, de +Leuvenaars een kudde hoornvee voor vijanden aanzagen. Zie Volkskunde V, +bl. 169; Ons Volksleven VIII, bl. 38. + +Linkebeek: _Moeliedauwers_. Zij duwden eens iemand uit scherts in +een moelie (baktrog); maar de grap liep verkeerd af. + +Messelbroek: _Kalotten_. + +Molenbeek: _Vaartkapoenen_; vgl. Willebroek. + +Schaarbeek: _Ezels_. Oud-Schaarbeek telde vele hoveniers en molenaars, +die Brussel voorzagen van groenten en meel; het gewone vervoermiddel +was een ezelkarretje. + +Scherpenheuvel: _Keerskatten_, naar de processiekaarsjes, die zij +aan de pelgrims verkoopen. + +Sichem: _Heeren_. Ten tijde van Maria-Theresia zond het gemeentebestuur +van Sichem, naar verluidt, een verzoekschrift naar de Generale Staten +van Brabant, dat aldus aanhief: "Wij, Heeren van Sichem, vragen +aan U lieden de toelating om eene merkt te mogen oprichten." Waarop +geantwoord werd: + + + "Als gij sijt Heeren en wij lieden, + Dan sal de merkt van Sichem nooit geschieden." + + +Den spotnaam van _Heeren_ draagt een groot aantal Brabantsche dorpen. + +St. Gillis: _Koolkappers_. + +Tienen: _Kwêkers_. Tijdens een oorlog wilden de Tienenaars de +Leuvenaars in een hinderlaag lokken, maar het gesnater der eenden +waarschuwde den vijand; zie echter Ons Volksleven VIII, bl. 37. + +Men noemt ze ook _Maneblusschers_ en _Boterpotten_, omdat ze in 1830 +hun veste met boterpotten verdedigden. + +Ukkel: _Kersenkrakers_. + +Vilvoorde: _Peerdefretters_. + +Vorst-bij-Brussel: _Hondenfretters._ + +Wambeek: _Klaverboeren_. + +Zout-Leeuw: _Waterheeren_. + + + + + +DE VOLKSKUNST. + + +Staat de mensch tegenover God en de maatschappij als redelijk en +maatschappelijk wezen, als zinnelijk wezen staat hij tegenover de +natuur, en als zoodanig zijn zijne betrekkingen deels van praktischen, +deels van theoretischen aard. Praktisch is hij werkzaam op ekonomisch +gebied;--bij het volk, wij zagen het reeds, gaat de ekonomie geheel op +in woningbouw en grondbeheer; theoretisch werkzaam toont hij zich in +kunst en wetenschap. Immers de geest van den mensch is een spiegel van +het heelal: een mikrokosmos. Maar die wereldopvatting is geen doode, +volstrekt-passieve afspiegeling, maar veeleer tevens een opgewekte +werkzaamheid. Want bij het aanschouwen voegt zich het wèl-bewuste +omvatten en doordringen van het objekt, de reproduktie van het +aanschouwde in beelden en vormen, kleuren en tonen, groepen en typen. + +Kunst is: _zelf-openbaring van den geest door belichaming van het +ideale in de stof_. Zij beduidt een streven, met de beste zielekrachten +in te grijpen in de buitenwereld, en kan zelfs beschouwd worden +als een worstelen om bezit en behoud van de ideale goederen des +levens. De volkskunst streeft niet steeds naar de hoogste idealen; +maar zij volgt toch ook den zieledrang, te scheppen en te belichamen, +en met streelende zelfvoldoening vermeit zij zich in hetgeen verstand +en wil en fantasie konden wrochten. En waar het scheppend vermogen te +kort schiet, daar neemt het volk volle welbehagen in de bevrediging +van zijn navolgingsdrift. De enkeling kan als volwassene met zijn +nuchter verstand de momenten van lust en welbehagen meestal zelfs +niet meer bevatten, die de speeldrift hem als kind zoo ruimschoots +toedeelde. Maar het volk leeft en blijft leven, evenals het kind, +in een tooverland van fantasie; zijn navolgingsdrift is speeldrift, +en die speeldrift verwekt den lust te zingen, te rijmen, te bouwen, +te schilderen, te sieren. In dezen zin mag men zeggen, dat ook bij +de hoogere, de kultuurkunst, de speeldrift ten grondslag ligt. + +Want volkskunst en kultuurkunst, of, zoo men wil, beschavingskunst +[17], zijn geen wezenlijk-verschillende begrippen; zij berusten +beide op dezelfde aesthetische grondvesten, gelegd in den bodem +der éenvormige menschelijke natuur. Principieele verschillen +bestaan tusschen volkskunst en kultuurkunst evenmin als tusschen de +kunstuitingen der kultuurvolken en die der natuurvolken, hoe ruw en +tastend deze laatste dan ook zijn mogen. + +Wat de volkskunst soms mangelt aan scheppend kunnen of aan bewuste +stelselmatigheid, dat wint zij niet zelden in oorspronkelijkheid, +in spontaneïteit van uitingsvermogen, in frischheid van opspattende +levenskracht. Teert de kultuurkunst op konventioneelen vormenschat en +slijt zij droeve dagen in kwijnende bloedarmoede, dan kan de volkskunst +haar versche levenskracht in de aderen gieten. Al mist zij den glans +der polijsting, al vormen tal van onedele bestanddeelen vaak het +ruwe omhulsel,--kernglans en kernreinheid zijn er niet minder om, +ja zijn er vaak te veiliger om beschut. + +Bovenkultuur zonder kunst is ondenkbaar; maar onderkultuur evenmin. De +volkenkunde kent dan ook geen kultuur_looze_, wel kultuur_arme_ volken; +en men mag zeggen, dat mèt het kunstgehalte de kracht en teerheid +van het volkswezen groeit. "Een volk zonder kunst is geestelijk +dood", schrijft Poelhekke. Het sterft den hongerdood. Want het haken +van het volk naar kunst onder allerlei vormen, zelfs dan, wanneer +overbeschaving in die vormen het snelstwerkend venijn verborgen heeft, +kan mede gelden als bewijs voor de eeuwige waarheid: _dat de mensch +van brood alleen niet leven kan_. + +Gevoel voor het schoone en behoefte aan uiting en bevrediging van +dit schoonheidsgevoel behoort tot het mensch-zijn, is het normale +bij het individu en moet tevens als een normaal maatschappelijk +verschijnsel worden beschouwd. Want bij de volkskunst treedt het +sociaal-psychische element sterk op den voorgrond; ook de volkskunst +behoort tot de "sociale feiten", wier substraat de gemeenschap is, +en die met hun imperatief karakter een sterken, dwingenden invloed +op het individuëele leven uitoefenen. + +Kunst, zelf-bewust vormen en scheppen, is een terugwerken, een op beurt +ingrijpen van den vrijen menschelijken wil in de buitenwereld, die wil +en gedachte door haar inwerking heeft bepaald. Kunst is zelfopenbaring, +en volkskunst is de zelfopenbaring der volksziel, maar tevens een +worstelstrijd om levenslicht en levenslucht, om niet onder te gaan +in het individuëele en banale, om niet te worden overweldigd door de +doode en doodende stof. Waar het volk zijn eigenwaarde nog beseft, +daar kan het op den duur geen weerstand bieden aan die drift, dien +scheppingslust van eigen beeld en gelijkenis, die wortelt in zijn +verstandelijk kenvermogen en het koningszegel drukt op zijn pogen +en wrochten; ja, die een trek is zijner Godverwantschap. Het gevoel +dezer Godverwantschap is zelfs de bron van het menschelijk artistieke +welbehagen. + +Natuurlijk staan niet alle kunsten en takken van kunstnijverheid op +dezelfde trap, en evenmin staan den kunstdrang geschikte middelen +ter realiseering in gelijke mate ter beschikking. De volkskunst kan +soms gering en onbeduidend schijnen; andermaal beweegt zij zich in de +lijnen van een stuitend realisme, al is dit niet het produkt eener +ziekelijke hyperkultuur. Maar weer andermaal--welk een schat van +naïeve frischheid en oorspronkelijkheid! + +Van de zoogenaamd permanente kunsten bespreek ik slechts de bouwkunst +en de dekoratieve kunst; van de momentane, wier scheppingen strikt +genomen verdwijnen met de spanne tijds, waarin zij voltooid worden, +behandel ik eerst de lagere vormen van raadsels, spreekwoorden en +zegswijzen, om daarna langs de sprookjes- en sagenladder op te klimmen +tot het volkslied. + + + +I. Raadsels en Spreekwoorden. + + +De _raadsels_ behooren tot de lagere trappen der kunstuitingen, in +die mate, dat de litteratuur van sommige laag ontwikkelde volken--ik +denk o.m. aan de bewoners der Battalanden--zoo goed als uitsluitend +uit raadsels en volksverhalen bestaat. + +Meestal zijn de raadsels gestoken in rythmischen vorm, en naast +het gewone rijm vertoonen zij veelal nog assonantie, stafrijm en +andere eigenaardige klankvormingen en vervormingen. Het waardevolle +ligt stellig in de eigenaardige karakteristiek der dingen, al is +die uiteraard vaak duister en al mag men hierbij niet uit het oog +verliezen, dat het volk de dingen en begrippen niet zelden zoo geheel +anders karakteriseert dan wij. Zoo worden in een oud raadsel van de +zeven vogels zonder bezwaar de bij en de vleermuis meegeteld. Het +intieme wezen van het raadsel is de drang, het onpersoonlijke +te verpersoonlijken, het gewone op te smukken, het zinnelijke te +vergeestelijken, en aan die beeldspraak de scherpzinnigheid van een +ander te toetsen. + +Het volksraadsel kan bogen op een reusachtige oudheid en +verspreiding. Van de eilanden in de Noordzee tot Meklenburg en +zuidwaarts tot de Alpen reikt het duizendjarige raadsel van de sneeuw, +die door de zomerwarmte smelt. Op Ameland luidt dit: + + + Daar vloog een vogel Vederloos + Op een boom Bladerloos, + Toen kwam een juffrouw Mondeloos, + Die at den vogel Vederloos + Van den boom Bladerloos. + + +Ik schrijf "Vederloos" enz. met hoofdletter, want het is hier +werkelijk als eigennaam bedoeld. Zoo heet de kers _Roodrok_, +het varken _Knorrepot_, de appel _Gladkop_, de ooievaar _Hap-op_, +de donder _Holderdebolder_, de wieg _Wikkeldewakkel_, de kikvorsch +_Hipperdewip, Hip-op, Ikkerdebik_, de zwaan _Mijnheer De Wit_, het +water _Juffer De Lang_. Dit zijn klanknabootsende en begrips- en +gevoelverklankende benamingen, zooals ook het kind die zoo gaarne aan +levende en levenlooze zaken schenkt, alvorens met de veelal afgesleten +benamingen bekend en vertrouwd te raken. + +Merkwaardige raadsels vinden wij vooral in het Oosten: bij de Hebreeën, +de Perzen, de Indiërs, de Arabieren; maar ook bij de oude Germanen +en niet het minst bij de Grieken en Romeinen. Het gaat trouwens, +wat de onderlinge verwantschap betreft, met de raadsels als met de +sprookjes, en het is uitermate moeilijk bij gelijkenis van patroon +over de autochthonie onzer volksraadsels te oordeelen. Zoo kennen +wij b.v. een Grieksch raadsel in dezen vorm: + + + Daar was een man, en 't was geen man, + Hij liep op een pad, en 't was geen pad, + Hij droeg water zonder vat; + Rà, rà, wat is dat? + + +(Een bruidegom, die op het ijs liep met een stukje ijs in zijn hand). + +Een Latijnsch raadsel luidt bij ons: + + + Die het maakt behoeft het niet, + Die het vraagt behoudt het niet, + Die het koopt begeert het niet, + Die het heeft die weet het niet. + + +(Een doodkist). + + +In vele gevallen is vervorming van litteraire raadsels +(kultuurraadsels) tot volksraadsels na te wijzen of althans zeer +aannemelijk. De gewone gang van zaken is echter omgekeerd. + +1. De beschrijvende raadsels zijn verreweg de schoonste. Het +regent hier beeldspraken en gelijkenissen. Het volk praat dan +kinderlijk-gemeenzaam met en over steenen en bloemen langs de wegen, +en allerlei levende en levenlooze dingen. "Hier ziet gij beurtelings +de wijde natuur met heure verschijnselen", schrijft Amaat Joos, +"de sneeuw, het witte laken, dat Onze Lieve Vrouw over land en zand +spreiden komt; den donder, het roode veulen dat ginder verre staat +te briesschen; de wolken, de duizend lapkens die zonder naald of +twijn aaneengenaaid zijn; het ijs, de groote plank die door God over +de waters geleid wordt; de zon, het wonder ding dat door het glas +valt en 't niet en breekt; de sterren, het geld dat ge niet tellen +kunt; den hemel, het laken waar niet aan te vouwen valt;--den mensch +met al zijn bedrijf en gerief: den mond, rood huizeken, de tanden, +witte stoelekens, en de tong, rood tapijteken; de keers, madameken +met een wit kleedje aan en een rood hoedeken op; de lamp, aardig +ding dat zijn vleesch eet en zijn bloed drinkt; den vingerhoed, zoo +klein en toch zoo rijk in vensters als een koningshuis; de naald, +stalen peerdje dat rijdt met vlassen steertje; de egge, heeren +die het land omkeeren; de zeilen van den meulen, roode wijvekens +die malkander nutteloos achterna loopen; den meulen, hooge droge +boom die altijd bloem draagt;--de dieren die loopen en vliegen: +den haan, wonderen profeet die de dooden verrijzen doet; de spin, +aardig wijfken dat, zonder naald of draad, zijn roksken 't onderste +boven naait; de vlooi, stout boven stout, die iedereen, te water en +te lande, aanranden durft; de koe, vreemd gestel van vier gangers, +vier hangers en twee tuinenbrekers [overoud raadsel, nawijsbaar van +Noorwegen tot de Alpen];--de boomen en planten met hunne vruchten: +de kool, die op éenen poot staat en heur hoofd in heur herte draagt; +den doorn, manneken uit het veld met een rood hoedeken op zijn hoofd; +het vlas, koning met de blauwe kroon; het graan, dat tusschen twee +steenen zijnen naam verliest; den kriekelaar, die op éen been staat en +duizend steenen draagt; den eik, honderdduizend nesten en in ieder +nest een ei; den appel, met zijn groene muren en witte geburen; +de noot, die op haar stoeleken zit met een groen kazaksken aan." + +Op het dorp, in den blijden, gullachschen landelijken kring voelt dit +raadsel zich weer het meest thuis en bij voorkeur, wij hoorden het, +kleedt het veld en weiland, plant en dier, akkerbouw en veeteelt +in een fantastisch gewaad. Het legt zijn oor te luisteren naar de +geheimzinnigheden der levende en levenlooze natuur; en lichtelijk neemt +het een plaatslijke tint aan, in overeenstemming met de landstreek, +waar het vertoeft. + +1. + + + Holderdebolder + Liep over den zolder; + En zeven mansheeren + Die konden Holderdebolder niet keeren. + + +(De donder). + +2. + + + Verre boven de drieschen + Hoorde ik een peerdeken brieschen; + Daar is noch wijf noch man, + Die dat peerdeken breidelen kan. + + +(De donder.--België). + +3. + + + Mijn moeder kent een laken, dat kan zij niet vouwen, + Mijn vader kent een appel, dien kan hij niet schellen, + Mijn zuster kent kralen, die kan ze niet tellen. + + +(Hemel, maan, sterren). + +Belgische vorm: + + + Laken, dat ge niet vouwen kunt, + Een appel, dien ge niet schellen kunt, + En geld, dat ge niet tellen kunt. + + +4. + + + Tusschen hier en Romen + Staan zeven hooge boomen; + 't Zijn geen iepen, 't zijn geen esschen, + Je zult het niet raden, al was je met z'n zessen. + + +(Het zevengesternte). + +5. + + + Achter in mijn vaders tuin, + Daar staat een boom met kralen, + En die die kralen tellen kan, + Die is de baas van allen. + + +(De sterren). + + +6. + + + Lapken, lapken, + Duizend lapken, + 't Is genaaid zonder naald of twijn, + 'k Geef u te raden, welk lapken dat zou zijn. + + +(Een wolk.--Dendermonde). + +7. + + + Tusschen hemel en aard + Staat een lange groene gaard. + 't Zijn geene eiken, 't zijn geene esschen, + Je zult het niet raden, al waart je met zessen. + + +(De regenboog.--Limburg). + +8. + + + Ons Lieve Vrouwken van Laken + Spreidt een wit laken + Op land en zand, + Maar niet op den waterkant. + + +(De sneeuw.--Antwerpen). + +9. + + + Daar staat een juffrouw in de deur, + Met een witte schorldoek veur. + Hoe meer dat ze staat, + Hoe meer dat ze vergaat. + + +(De sneeuw). + +10. + + + Eene planke + Van Godes danke; + Het en is noch hout noch eeke, + Noch eeke noch hout. + Als gij het kunt raden, + Geef ik u eene ton met goud. + + +(Het ijs.--België). + +11. + + + Daar gaat een ding om het huis, + Dat kijkt door alle gaatjes. + + +(De zon). + +12. + + + Rondom de meulen + Liepen twee pèretjes speulen. + Der is geen eenen ouwen man, + Die déé twee pèëren keeren kan. + + +(De zon en de maan.--Zeeland). + +13. + + + Toen ik was jóng en schóon, + Droeg ík een bláuwe króon. + Toen ík was óud en stíjf, + Slóegen ze me óp het líjf. + Tóen ik wás genóeg gedrágen, + Wérd ik van prínsen en gráven gedrágen. + + +(Het vlas). + +14. + + + Eerst zoo wit als vlas, + Dan zoo groen als gras, + Dan zoo rood als bloed, + En dan zoo zwart als roet. + + +(De braambes). + +15. + + + Van binnen wit, van buiten zwart, + Drie ruggen en geen start. + + +(De boekweitkorrel). + +16. + + + Der sit in jifferke yn 't grien, + Mei in mooi read rokje oan. + Als men ze knypt den skriemt se, + En dôch het se in stiennen hert. + + +(De kers.--Friesland). + +17. + + + Daar staat een boom in 't Westen, + Met twee en vijftig nesten, + Ieder nest met zeven jongen, + Râ, wat namen zij ontvongen? + + +(Het jaar). + +Talloos zijn de raadsels van het ei. Sommige vormen zijn bekend bij +alle Germaansche stammen. + +Ons bekend rijmpje: + +18. + + + Hummeltje Tummeltje klom op den wagen, + Hummeltje Tummeltje viel van den wagen, + Daar is geen eene timmerman, + Die Hummeltje Tummeltje maken kan, + + +waarvan een Vlaamsche lezing luidt: + +19. + + + Hippekentippeken op de bank, + Hippekentippeken onder de bank; + Daar is geen smid in Ingeland, + Die Hippekentippeken maken kan, + + +vertoont in Brunswijk den vorm: + + + Hummelke Trummelke lag up'r bank, + Hummelke Trummelke feil von'r bank; + Et was kein doktor in'n gansen land, + De Hummelke Trummelke we'er mâken kann. + + +In Engeland luidt het raadsel aldus: + + + Humpty Dumpty sate on a wall, + Humpty Dumpty had a great fall, + Three score men and three score more + Cannot place Humpty Dumpty as he was before. + + +Bekend in geheel het zuidelijk volksgebied (dus ook b.v. in Hollandsch +Limburg) is het eiraadsel: + +20. + + + Ik klopte al op een witte deur, + Daar kwam een bruine pater veur. + + +Ruim verspreid is ook het raadsel van de Snijboonen, natuurlijk met +de noodige varianten: + + +21. + + + Achter in mijn vaders tuin + Daar staat een boom met groente; + Hier een boom, daar een boom, + Ieder boom een tak; + Hier een tak, daar een tak, + Ieder tak een nest; + Hier een nest, daar een nest, + Ieder nest een ei; + Hier een ei, daar een ei, + Ieder ei een zwart plek op 't gat; + Râ, râ, wat is dat? + + +Ik kan niet nalaten nog op enkele waardevolle raadsels te wijzen, +waarin zoo menige trek van dichterlijke natuurbeschouwing en gevoel +voor het landschappelijk-schoone spreekt: + +22. + + + Oude, grijze, grauwe, + Staat alle nachten in de dauwe, + Heeft vleesch noch bloed + En is voor alle menschen goed. + + +(De molen). + +23. + + + Er vloog een vogel snel + Al over de diepe del (de zee); + Hij droeg botten en beenen + En had er zelve geene. + + +(Het schip). + +24. + + + Achter molens duun + Dèr leit in oud peerd bruun, + Zonder kop en zonder steert, + Al syn ribben leggen verkeerd. + + +(Een omgeploegd stuk land.--Ameland). + + +25. + + + Daar waren eens vier zustertjes, + Die klommen op hooge mutstertjes; + Daar waren eens vier broertjes, + Die klommen op hooge stoeltjes; + Ze naaiden zijden kapjes + Van honderd duizend lapjes, + Zonder naald en zonder twijn: + Je zult het niet raden, al ben je fijn. + + +(De spin, die haar net maakt). + +26. + + + Er ging een mannetje door den dam + Met een fluweelen wammesje an. + + +(De mol). + +Of ook: + +27. + + + Jan De Bruin + Zat in den tuin, + Hij had geen paard of ploeg, + En toch bouwde hij land genoeg. + + +(De mol). + +28. + + + Daar is een ding + Dat pinkt + Dat knipt en winkt + En lacht en vinkt ... + 'k Zou alzoo wel willen pinken, + Knippen en winken + Lonken en vinken, + Gelijk dat ding + Dat pinkt + En knipt en winkt + En lonkt en vinkt. + + +(Een Ster--Vlaanderen). + + +29. + + + Daar gíng een mánnetje óver den díjk + Mét zijn óogjes kíjkerdekíjk, + Mét zijn háartjes krúlderdekrúl; + Je zúlt het niet ráden, al werd je dúl. + + +(Het schaap). + +30. + + + Het is, waarin het water vloeit, + Het is, waarop de bloeme bloeit, + Het is, waarop bij dag en nacht + De moede mensch de rust verwacht, + Het is, gelijk men dikwijls zegt, + Van dat, waarin men dooden legt. + + +(Het hout.--Land van Waas). + +Somtijds is de inkleeding van het raadsel dramatisch. Zoo vraagt de +ketel aan het water, dat uit de pomp vloeit: + +31. + + + Dribbel drabbel dribbelgat, + Hwêr komst dou fen dinne? + --Ut de ierde, + Swart forbarnde tsjettelkop. + + +(Friesland). + +Hoogst merkwaardig is het gesprek tusschen weide en beek, dat zeer +oud is en wijd en zijd verspreid: + +32. + + + --Du kromme, du lange, + Van waar komde gegangen? + --Ei du met dijn geschoren gat, + Waarom vraagde mij dat? + + +De Zeeuwsche vorm luidt: + +33. + + + --Joe kromme, joe slomme, + Wèr kom je van dèn gezwomme? + --Joe afgeschoren schietgat, + Wèrom verwiet je me dat? + + +Men vergelijke hiermee het Brunswijksche: + + + --Lanke krummumme, wo wutte hen? + --Korte vorschorne, wo frägste nâ, + Kann mînen weg bî dâge un bî nacht finnen. + + +2. De verhalende raadsels zijn somtijds zeer ingewikkeld. De oplossing +omvat niet zelden een vrij groot aantal personen of zaken en raakt +zelfs historische gebeurtenissen, veelal verhalen uit het Oude +Testament. Zoo b.v. + +34. + + + De kist, die leefde, + Die er in zat, beefde; + De kist, die at, + Die er in zat, + Bad. + + +(Jonas in den visch.--België). + +Ook het raadsel van de sneeuw, waarvan boven sprake was (bl. 87), +is een verhalend raadsel: de sneeuw valt op een boomtak, smelt door +de zonnewarmte en droppelt er van af. + +35. + + + In 't Land van Cadsant + Ging een man over zijn land + Met 'nen ginger, + Met 'nen springer, + Met 'nen hoepsasa; + Hij hield iets in zijn handen; + Hij ging al zoo zeere + Om zijn land te keeren. + + +(Hij ging met een paard en een riek). + +36. + + + Hoop en vrees zat op den wagen: + Hij zag tweebeen vierbeen dragen. + Heeren raadt en zegt het mij, + Als ge 't niet raadt, dan ben ik vrij. + + +Dit raadsel maakt op ons een vrij zonderlingen indruk. Maar het +dagteekent uit oude tijden en past in het kader der raadselverhalen, +waardoor misdadigers, ter dood veroordeeld, zich het leven konden +redden door de rechters een raadsel op te geven, dat deze niet +kunnen oplossen. Wij moeten hierbij in aanmerking nemen, dat voorheen +hoogernstige menschen zich bezighielden met elkander raadsels op te +geven. De raadsels behooren tot de groep van folktoristica die, bij +het wijzigen van de tijden, van de ouderen tot de jongeren, en van +de hoogere tot de lagere kringen zijn afgedaald. Dit bewijst niet, +dat wij in de hedendaagsche raadsels den _detritus_, den afgesleten +vorm hebben, maar dat de volkskunst uit ruimere kringen verbannen +is. Zoo ging het met het Sint-Maartensvuur, met het luilak-gebruik +enz. (vgl. I, bl. 104, 194). Bekend is de raadselwedstrijd tusschen +Wolfram van Eschenbach en den toovenaar Klingsor; en eveneens de +raadselstrijd van Odhin met koning Heidhrekr in de Oudnoorsche +Edda. Deze lost b.v. het raadsel op, door Odhin, als Gestumblindi, +hem gesteld: wie het paard is, dat ter vergadering rijdt, met drie +oogen, tien voeten en één staart,--antwoordende, dat het Odhin op +het achtpootige paard Sleipnir is (vgl. I, bl. 72). + +Bovenstaand raadsel nu werd aan de rechters opgegeven door een +veroordeelde, die de belofte had weten te verkrijgen, dat hij zijn +leven zou kunnen redden als hij een raadsel kon opgeven, dat de +rechters niet vermochten op te lossen. De oplossing luidt: toen +de misdadiger op een wagen naar de galg gevoerd werd, had hij een +ooievaar zien vliegen met een kikvorsen in den snavel. Hij hoopte, +dat niemand het mocht raden, en vreesde de terechtstelling. Somtijds +is het ook de vrouw, de moeder of de dochter van den schuldige, +die verzoekt het raadsel te mogen opgeven. + +Een raadselverhaal, dat nog leeft in West-Vlaanderen en in het +Meetjesland, geldt een moeder, wier drie zoons soldaat moesten +worden. De koning ontsloeg hen van den dienst, indien de moeder hem +een raadsel wist op te geven, dat hij niet kon oplossen. Bij het +ter kerk gaan vond zij in het doodenhuisje een doodshoofd liggen, +waarin een musschennest met vijf jongen. Van daar dit raadsel: + +37. + + + Ik ging en ik kwam + Waar ik vijf levenden uit éenen doode nam; + Die vijf maakten mijn drij vrij; + Weet ge 't, zegt het mij. + + +Een variant hiervan is het verhaal van de vrouw, die haar +echtgenoot door een raadsel kan redden. Langs den weg vindt zij +een paardenschedel, waarin spreeuwen nestelen. Op den bepaalden +dag keert zij terug, neemt de vijf jongen uit het nest en geeft het +raadselverhaal op: + +38. + + + Toen ik henenging en wederkwam, + Vijf levenden uit den doode nam, + De zesde maakte den zevende vrij, + Nu, heeren, raadt en zegt het mij. + + +Wijd en zijd verspreid is ook het raadselverhaal met het motief, +dat een man, tot den hongerdood veroordeeld, heimelijk door zijn +dochter met de borst wordt gelaafd. Zoo stelt deze het raadsel: + +39. + + + Gezogen, gezogen, + Landsheeren bedrogen, + Kind geweest + En moeder geworden. + + +Dit luidt in West-Brabant (Ternath en omstreken) aldus: + +40. + + + Heeren bedrogen, + Muren doorzogen, + Wiens kind ik ben, + Wiens moeder ik wierd. + + +"Muren doorzogen", omdat hier de dochter haar vader door een buis in +den muur met voedsel laafde. + +Tot de groep van raadselverhalen dienen ook gerekend te worden het +overgroot aantal raadseltjes, waar personen of zaken naar het getal der +beenen of pooten _tweebeen, driebeen_ enz. genoemd worden. Zoo b.v.: + +41. + + + Tweebeen zit op driebeen + En trekt aan vierbeen. + + +(Het melkmeisje). + +42. + + + Tweebeen zat op driebeen, + Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten, + Toen nam tweebeen driebeen, + Om er vierbeen mee te smijten. + + +(Een man pakt een drievoet om er een hond mee te smijten). + +3. De eigenlijke, direkt-vragende raadsels werden door Guido Gezelle +_kwelvragen_ genoemd. Het zijn inderdaad kwelraadsels in zoo ver zij +den gevraagde trachten te verschalken door hun algemeene bewoordingen, +door hun listig bijgevoegde gedachten, hun afleiden van de aandacht, +hun verrassende zinspelingen, hun opzettelijk maskeeren van den +juisten klemtoon, hun dubbelzinnige woordopvatting. + +Tot de meest bekende behoort wel het raadseltje van Keizer Karels hond: + +43. + + + _K_eízer _K_árel _h_ád een _h_ónd, + _H_óe _h_éet _K_eízer _K_arels _h_ond? + + +De naam van den hond was _Hoe_. Let hier vooral weer op het stafrijm +en eveneens op de allitteratie. Als tweede versregel hoort men vaak: +"Ik leg het woord al in uw mond", of iets dergelijks, Deze regel is +stellig een bijvoegsel van jongeren datum. + +Vergelijk hiermee, wat betreft het antwoord in de vraag, het +Achterhoeksche: + +44. + + + Krom omgebogen, + Vlecht door getogen (getrokken), + Wan ik jou 't zekg, + Zul ei 't niet roan. + + +(De wan). + +Zeer bekend is nog het kattenraadsel: + +45. + + + Daar ging een mannetje over de brug, + Met zeven katten op zijn rug, + En ieder kat had zeven jongen, + Râ, râ, hoeveel pooten over de brug gongen? + + +(Twee). + +Op de tweeduidigheid van het woord _heeten_ spekuleert het raadsel: + +46. + + + Koolwarmoes, die koud is + En drie dagen oud is, + Hoe heeten ze dat in Brabant? + + +(Boven het vuur). + +Overoud is ook het volgende raadselrijmpje, waarbij de oude versmaat +weer even onmisbaar is, als bij dat van Keizer Karels hond: + +47. + + + A'msterdám, die gróote stád, + Met hóeveel létters spélt men dát? + + +(Met drie: d a t). + +Volgen nu nog eenige raadselvragen in denzelfden trant: 48. Waarom +dragen de meeste boerinnen rooie kralen? (Om den hals).--49. Wat voor +haar had Mozes' hond? (Hondenhaar).--50. Hoe is de eerste vloo over +den Rijn gekomen? (Bruin).--51. Hoeveel eieren kon de reus Goliath +nuchteren op? (Eén).--52. Wat weegt zwaarder, een pond veêren of een +pond lood? (Even zwaar).--53. Wie gaat op zijn kop naar de kerk? (De +spijkers in de schoenen).--54. Hoeveel krullen zijn er in een rechten +varkensstaart? (Geen een).--55. Welke weg wordt niet begaan? (De +melkweg). + +Meer spottend van aard, en dus eigenlijk behoorende tot de volksluim, +zijn raadsels als deze: 56. Waarom knijpt de haan zijn oogen toe, als +hij kraait? (Omdat hij zijn liedje van buiten kent).--57. Wie heeft de +eer, den koning bij den neus te vatten? (De barbier).--58. Wie steekt +er 's morgens het eerst zijn neus in de kerk? (De sleutel).--59. Hoe +hiet Mozes, toen hij klein was? (Mozesje).--60. Wie zit tot over +de ooren in de schuld? (Wie een slaapmuts draagt, die nog niet +betaald is). + +Eindelijk, tot de letterraadsels behooren: 61. Wat staat er midden +in den hemel? (De letter _m_). Zoo ook: + +62. + + + 't Is in de vrouw en niet in den man, + 't Is in 't bier en niet in de kan, + 't Is in 't koren en niet in de wan, + 't Is in Karel en niet in Jan; + Zeg mij wie dit raden kan. + + +(De letter _r_). + +4. In de raadselsprookjes, ook bij ons in ruime mate bekend, huwt de +koning veelal zijn dochter uit aan dengene, die bepaalde raadsels kan +oplossen, of wel raadsels opgeeft, die niemand raden kan. In andere +sprookjes komen raadsels ook buiten dit verband voor, zoo b.v. in het +verhaal van den herdersknaap, die antwoord geeft op de drie vragen: +"Hoeveel water is er in de zee? Hoeveel sterren staan er aan het +uitspansel? Hoe hoog is de hemel? Geheel als raadsel op te vatten +is een sprookje als het volgende, ons door Waling Dijkstra, Uit +Friesland's Volksleven II, bl. 143 meegedeeld: + +Er was eens een meisje, dat vrijde met een ruiter. Zij wist niet, hoe +die ruiter heette en evenmin, wie hij was. Eens op een avond kwam hij +bij haar te paard, en vertelde haar, dat hij een mooi groot slot had, +daar wilde hij haar heen brengen; maar het was heel ver weg. En toen +nam hij haar bij zich op het paard en reed met haar weg, zeer ver, +zeer ver, door den duisteren nacht, zoo snel, zoo snel, dat geen +vogel zoo snel vliegen kon. En de ruiter zong: + + + Het maantje dat schijnt er zoo helder, + Het paardje dat loopt er zoo snelder, + Zoetliefje, zoetliefje, berouwt het je niet? + + +Eindelijk kwamen zij aan het slot. En toen trouwden ze en hebben +bruiloft gehouden. En het meisje is nooit weer bij haar vader en +moeder teruggekomen. + +Raad eens, wat is dat?-- + +Dat meisje had de tering en de ruiter was de dood. + +Zeer eigenaardig is het slot van vele raadsels. Soms klinkt het +uitdagend: Je kunt het niet raden, al was je met je zessen,--in geen +zeven jaar,--al ben je fijn,--al werdt je dol,--tot Baafmis,--tot +Sinter Merten,--tot morgen noen. Andermaal wordt de oplosser geprezen: +Als je het raadt, ben je bekwaam; en evenzoo wordt hij, die het op moet +geven, gelaakt. Sommige raadsels zeggen den oplosser een belooning toe; +wellicht berustte dit voorheen op werkelijkheid. + +Zie vooral de voortreffelijke voordracht van Dr. Boekenoogen, in de +Handel. en Mededeel. van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde +te Leiden, 1900-1901, bl. 36, waaraan ik menig raadsel en menige +beschouwing ontleende; en A. Joos, Raadsels van het Vlaamsche Volk +(Gent 1885), mijn hoofdbron voor de Zuidnederlandsche raadsels. Verder +Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 257; A. De Cock, Volkskunde +XVII, bl. 25, XVIII, bl. 45; Schoonjans, Volkskunde XXII, bl. 85 vlg. + +Zijn de raadsels meer uitingen van het gevoelsleven, in de +_spreekwoorden_ van een volk openbaart zich vooral de volkswijsheid +en praktische levenservaring in beknopten, ja gedrongen vorm: het +spreekwoord is de bijzondere vorm, waarin het volk inkleedt zijn +waarnemingen en ondervindingen op ethisch gebied, de uitkomst van +zijn denken, de slotsom van zijn waarneming in een bijzonder geval. + +De man-uit-het-volk houdt van dubbelzinnigheid in zijn raadsels, +maar niet in zijn spreekwoorden en zegswijzen, al vertoonen die vaak +een emphatisch karakter. Hij noemt de dingen bij hun naam, en ook +preutschheid ligt hem verre. Zoo is heden ten dage het spreekwoord, +en zoo was het in de hooge oudheid en bij alle volken. Het behoort, +wij zagen het reeds, tot de eigenaardige vormen, waarin de spreektaal +zich vertoont. Voor een groot deel zijn de spreekwoorden gemeen-goed +van het geheele menschdom. Het zijn "gevleugelde woorden", die, hebben +zij eenmaal de omheining der tanden overschreden, vrij en onbelemmerd +rondfladderen, de karavanen begeleiden op hun tochten, neerstrijken +op de masten der snelzeilende en snellerstoomende schepen, landen en +zeeën doorkruisen in alle richtingen. Vele Nederlandsche spreekwoorden +zullen wij dan ook elders weervinden, en deze overeenkomst zal dan +weer berusten hetzij op historischen, hetzij op algemeen-menschelijken +grondslag. Laat ik hier slechts wijzen op het verdienstelijke boek +van Dr. W. Suringar, Erasmus over Nederlandsche spreekwoorden en +spreekwoordelijke uitdrukkingen van zijnen tijd (Utrecht 1873); de +verhouding van Nederlandsche spreekwoorden tot Grieksche en Latijnsche +springt er duidelijk in het oog. + +Toch bewaart het spreekwoord steeds frischheid en jonge, opgewekte +levenskracht. Want het loopt van mond tot mond en wordt telkens +verjongd, ja telkens opnieuw geboren, of legt althans een ander gewaad +aan, bont en druk in het Zuiden, sober en stemmig in het Noorden, +steeds overeenkomstig den aard, het karakter, de levensverhouding, +de sociale groepeering der taal- en kultuurgemeenschap. Het krijgt een +lokale kleur en kleurt weer de taal van den spreker op overeenkomstige +wijze. Het spreekwoord is een kunstvorm van de taal van den gemeenen +man--, en als zoodanig wensch ik het hier met enkele woorden te +behandelen. + +Natuurlijk kan te dezer plaatse van een verzameling van spreekwoorden +in de verste verte geen sprake zijn. Noch Tuinman's, noch Harrebomé's +spreekwoordenboek, noch Stoett's magistrale verzameling wensch ik te +overtroeven. Slechts zou ik aan enkele voorbeelden duidelijk willen +maken, hoe zich het volkskarakter in spreekwoorden uit, tevens, voor +zoover mogelijk, rekening houdende met hun socialen oorsprong, d.i. met +het sociale milieu, de sociale groep, waaruit zij zijn opgegroeid. + +Aanschouwelijkheid kunnen wij niet als karakteristiek kenmerk van +het Nederlandsche spreekwoord laten gelden. Formuleeringen als: +"beter éen vogel in de hand, dan tien in de lucht" vindt men +ook elders in menigte. Ook het stafrijm, als in "kap en kogel +(kat en kogel) verliezen", "met bed en bult vertrekken" enz., +is algemeen-Germaansch en aan vele andere volken niet vreemd; men +denke b.v. aan het Latijnsche _cras credo_, of _sanus salvus_, dat +in het Fransch _sain et sauf_ werd. Alleen mag men beweren, dat de +allitteratie in onze spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen +nog welig en met onverzwakte groeikracht voorttiert. Dit geldt ook voor +de assonantie en het rijm: zij staan in gunste, en verschalken ons, +als wij den waren zin van een spreekwoord trachten te achterhalen. Zoo +berust de uitdrukking "zooals het _reilt_ en _zeilt_" (of "treilt en +zeilt", Zuidnederl. "reist en zeilt") op een rijmloos: "zooals het +_rijdt_ en _zeilt_", d.i. zooals het schip voor anker ligt ("rijdt") +en zooals het zeilt; zie Stoett, Spreekwoorden no. 1646. De symmetrie +in onze spreekwoorden, het streven om beide zindeelen aan elkaar +gelijk te maken, als: "wat niet weet, wat niet deert",--"komt tijd, +komt raad", is wellicht een flauwe herinnering aan den bouw der beide +Oudgermaansche halfverzen. Over deze en andere eigenheden zie vooral +Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3, bl. 159 vlg. + +Voorbeelden van deze en dergelijke ongekunstelde kunstvormen in +onze volksuitdrukkingen en spreekwoorden zijn in groote getale +bijeengebracht door A. Joos in zijn keurig boekje: Schatten uit de +Volkstaal (Gent 1887). Aan het Tweede Deel, dat de "Gepaarde woorden +of wederwoorden" bevat, ontleen ik het volgende. + +Stafrijmen. Bakken en boteren (druk bezig zijn).--Biezen en +bijzen.--Hij is begraven zonder bimmen of bommen.--Blikken noch +blozen.--Boe noch ba zeggen.--Buigen of bersten.--Vóor dag en +dauw.--Door dik en dun.--Ditje's en datje's.--Van alles dubbel en dik +hebben.--Dit is maar een gapen en gieten (gemakkelijk).--Gibberen +en gabberen (zonder reden lachen). --Groen en geel.--Daar zal +hen noch haan over kraaien.--Hij kwam hink en honkel aan (stijf +of krom).--Hij wil hot noch haar (ongewillig, aan de voermanstaai +ontleend).--Kant en klaar.--Hij gaat naar kerk noch kluis.--Kijven +en krakeelen.--Kind noch kraai hebben.--Iemand buiten de deur zetten +met kisten en kasten.--Klitsen en kletsen (met de zweep).--Klodderen +en kladderen.--Spreken over koetjes en kalfjes.--Kort en klein +slaan.--Voor kost en kleeren zorgen.--Kris en kras.--Iemand van lap en +leer geven (een pak slaag).--Lief en leed.--Listen en lagen.--Lonken +en liefoogen.--Lui en lekker.--Vergaan met man en muis.--Perk en paal +stellen.--Van Pontius naar Pilatus sturen.--Met potten en pannen.--In +rep en roer.--Rijden en rotsen.--Schade en schande.--Schobben en +schooien.--Slag om slinger vechten (hevig).--Dat gaat zonder slag +of stoot.--Sloffen en sleffen (al slepende gaan).--Stijf en stom +staan.--Taal noch teeken geven.--Vast en veilig.--Iemand nijpen +tusschen vel en vleesch (bedektelijk berispen).--Visch noch vleesch +zijn.--Het is altijd vuur en vlam.--Vrij en vrank.--Wankelen en +weifelen.--Hij gaat door weêr en wind.--Hij weet van wijken noch +wankelen.--In zulke handen wint en woekert het geld (groeit het +aan).--Wisjes en wasjes.--Zuur en zoet.--Zuchten en zagen (ontevreden +zijn).--Zwieren en zwaaien.--Zwoegen en zweeten. + +Eindrijmen. Blikken en flikkeren.--Bobbels en knobbels.--Brassen en +plassen.--Dringen en wringen.--Drinken en klinken.--Hij kan gaan noch +staan.--Garen en sparen.--Gedrang en geprang.--Gelapt en getapt, gelapt +en getrapt (gansch versleten).--Met geld en geweld.--In geur en fleur +staan.--God noch gebod ontzien.--Goed en bloed geven.--Hij komt aan +zijn kost met habben en krabben (moeilijk).--In handel en wandel.--Zich +verdedigen met hand en tand.--Daar bleef helder noch pelder of spelder +over (niets).--Tegen heug en meug.--Van hoeten noch toeten weten.--Hoog +en droog zitten.--Hotst het niet, dan botst het.--Hou en trouw.--Huis +noch kluis hebben.-- Jan en alleman.--Kikken noch mikken.--Zich kunnen +kleeden en reeden.--Knotteren en stotteren (lastig zijn).--Krinkelen +en winkelen (bochten maken).--Land en zand koopen (rijk worden).--'t +Is alles krank en mank.--Mikken en prikken, totdat ze gaan vliegen +(de gelegenheid laten voorbij gaan).--Iets van naadje tot draadje +uitleggen.--Naam en faam verliezen.--Met pak en zak vertrekken.--Met +raad en daad iemand bijstaan.--Rapen en schrapen (gierig zijn).--Rooken +en smoken.--Wij hoorden ruit noch muit (niets).--Schot noch lot betalen +(niets).--Schrijven en wrijven.--Smeren en teren (smullen).--Stank voor +dank.--'t Vriest steen en been.--Steen en been klagen.--Loopen langs +stegen en wegen.--Met tijd en vlijt.--Vrij en blij.--De zaak zooals +zij waait en draait.--Wasschen en plassen.--Wroegen en zwoegen (hard +werken).--Daar blijft geen zierken of geen spierken meer over.--Altijd +zot of bot zijn.--Zwieren en tieren. + +Halve rijmen. Dag en nacht werken.--'t Zijn al eindjes en tuitjes +(stukjes en brokjes).--Ergens gewonnen, geboren en getogen zijn.--'t Is +met den zieke halen en dragen (nu wat beter, dan wat slechter).--Iets +volhouden bij hoog en bij laag.--Jokken en gekken.--Iets opeten met +ooren en pooten (vgl. het allitteerende "met huid en haar").--Met +stukken en brokken.--Tusschen waken en slapen. + +Rijmlooze weder woorden. 't Is uit en amen.--Iets voor een appel +en een ei verkoopen.--Baas en meester zijn.--Iets achter banken +en stoelen steken.--Begekken en bespotten.--Over berg en dal.--Op +dag en uur.--Door deur en venster slaat de rook naar buiten.--Na +lang dingen en bieden.--Iemands doen en laten kennen.--Hij is +al lang dood en begraven.--Eenzaam en verlaten.--Eer en faam +verliezen.--Hij wil noch eggen noch aarden (is ongewillig).--Door +eksters en kraaien uitgescholden worden.--Eten en smullen.--'t Is +gedurig gaan en komen.--Iemand bedreigen met galg en rad.--Gelaarsd +en gespoord.--'t Moet altijd gelepeld en geboterd zijn (gepast).--Bij +leven en welzijn.--Iemand kennen van haar tot pluim.--Vol haat en +nijd zijn.--Daar zijn haken en oogen aan.--Hals over kop.--Met handen +en voeten.--Have en goed.--Hij geeft om hel noch duivel.--Een leven, +dat hooren en zien vergaat.--Een man van ijzer en staal.--Als kat en +hond zijn.--Men moet kiezen of deelen.--Met koets en paard.--Het heeft +kop noch staart.--Met kousen en schoenen in den hemel komen.--Lachen +en boerten.--Iets wagen op leven en dood.--Mager en gezond.--Iemand +man en paard noemen.--Bedorven in merg en been.--Moord en brand +roepen.--Bij nacht en ontij.--Oud en wijs genoeg zijn.--Tusschen +pot en glas spant de duivel zijn netten.--Proper en net.--Rust noch +duur hebben.--Iemand snap en beet geven (bits antwoorden).--Slaven en +wroeten.--Stellig en vast.--Vergaan tot stof en asch.--Loopen langs +straten en wegen.--Op tijd en uur.--Verhuizen met tafel en bed.--Van +toeten noch blazen weten.--Vast en zeker.--Met vedel en fluit.--Van +iemands vleesch en bloed zijn.--Vloeken en zweren.--Vrede en peis (peis +en vree).--Bij weêr en ontij.--Iets doen uit wrok en nijd.--Zang en +dans, zang en spel.--Iemand niet kunnen zien of luchten (niet kunnen +uitstaan). --Zonde en jammer. + +Tot de algemeene faktoren, die invloed op den spreekwoordenschat van +ons volk hebben uitgeoefend, behoort zeer stellig het bijbellezen; +ik noem slechts: "waar het hart van vol is, loopt de mond van +over";--"die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in" enz., +zie b.v. Dr. E. Laürillard, Opgave en toelichting van spreuken en +gezegden in de volkstaal aan den Bijbel ontleend (Amsterdam 1875), en +C. F. Zeeman, Nederlandsche Spreekwoorden, spreekwijzen, benamingen +en volksuitdrukkingen aan den Bijbel ontleend (Dordrecht 1877). Ook +de invloed van Vader Cats is niet te onderschatten. Maar voor ons +meer van belang dan het ontleende is het oorspronkelijke, meer dan +het vreemde, het litteraire en kunstmatige, is het karakteristieke: +wij bevinden, dat onze volksspreekwoorden en uitdrukkingen worden +gekenmerkt door de eigenaardigheden van Frieschen, Saksischen en +Frankischen volksaard, door vaderlandsche beroepen en bedrijven, +door klimaat en gesteldheid van den bodem, door sociale invloeden van +allerlei aard. Over het algemeen komt tot uiting een groote mate van +praktisch-nuchter overleg, gepaard aan gulle trouwhartigheid. + +Bij de Saksers met hun gesloten halle-huis weerspiegelt zich vooral +het berekende en terughoudende in de gangbare spreekwijzen van het +gewest. Ik geef enkele voorbeelden uit Twente: + +'t Mot nen grooten sprekkert wezen, diê 't nen zwiêgert verbettert. + +In der tiêd, dat zich nen wiêsen bedenkt, kan zich ok nen gek bedenken. + +Met fiêne leu en stofreggen, door woj met bedroggen. + +Aj 'n ekster uutstuurt, krie 'j 'n bonte vogel weer in huus. + +Aj 't gat oetleent, möj oet de ribben schiêten (al te goed is +buurmans gek). + +Leer um leer, kulst doe mîj, ikke dîj weer! + +Ai-j twee slimmen in de wan doot, komp ter altied wal een slimmen +boaven. Vgl. Driem. Bladen III, bl. 48; IV, bl. 127, V, bl, 65. + +Maar ook, hoeveel innigheid en poëzie schuilt niet om den huiselijken +haard onder het reuzendak van het halle-huis! Of is zij niet bij +uitstek dichterlijk de uitdrukking, die men in Twente bezigt voor +"als het wintert": "as de witte bijen vleegt?" Dit karakteristieke +hallehuis vinden wij met al zijn onderdeden in de spreekwoorden weer. + +Het dak: Doar is te völ dak op 't hoes (er zijn te veel luisteraars). + +De onderschuur: Wisse bis doe baas--in 't onderschoer as de hond er +nig is (Denekamp). + +De hilde (zoldering boven den koestal): Asset eenmoal op de gaffele +hef, krigget ok wol op de hilde. + +De haard: Ieder raakt de assche op ziênen kooken.--Den 't vuur schelt +(mankeert), zoch 't in de assche.--An de pan sloan, dat 'n kettel +der van rapt (grootspreken, ook wel lasteren). + +De gemoedelijke Graafschapper denkt bepaaldelijk aan het ekonomische +voordeel, dat zijn haard met de ruime schouw hem biedt. Een voorn +uitwerpen om een kabeljauw te vangen heet bij hem: "met een metwo(r)st +noa een ziêje spek gooien." Het gelag betalen is "het haal schoeren." + +Men lette voorts op de groote rol, die de huisdieren spelen in het +Saksische spreekwoord: + +Wat hes door? "Niks." Door kans de kat met doodvoeren. + +Der um hen drêjen as de kat um 'n gleuinigen pap. + +Ai-j de kat op 't spek bindt, dan wil het 't nich vretten. + +Alles moêst, wat van katten komp. + +Van 't hondengeleuve wezzen. + +'t Geet um as 't hondebiêten (op beurt). + +Zoo drok, as de hond, di zeuven tellers te likken hef. + +Armeleu ossen en riekeleu kinder bint vroo groot. + +Nauwverwant zijn de Drentsche en Groninger spreekwoorden. Wat Drente +betreft, "eerst bijna ontoegankelijk, later opzettelijk buitengesloten, +lang op zich zelf aangewezen", hier hebben uiteraard tal van oude +zegswijzen het leven kunnen rekken; zie Dr. J. Bergsma, Woordenboek +bevattende Drentsche woorden en spreekwijzen (Groningen 1906) I, +_passim_, en voorts Drentsche Volksalman. 1839, bl. 185, 207 vlg. Veel +poëzie mag men bij de stroeve bevolking der Drentsche veendorpen +niet verwachten. Van iemand, die een blauwe scheen kreeg, heet het: +"hij heeft het achterhek mede gekregen";--iemand in gevaar brengen: +"iemand het vuur op de hilde beuten";--wie wil geven, maar liefst +het geld in den zak houden: "hij wil poesten en houden het meel +in den mond"; volgens schriftelijke mededeeling van zeer geachte +zijde zou dit echter moeten zijn: "poesten en houden het meel in +den _zak_". Beteekenis: hij wil wel varkens houden, doch geen meel +verbruiken; hij wil bij kleine hoeveelheden uit den meelzak nemen, er +uit _poesten_ of met den mond blazen, zóo weinig, dat de inhoud van den +zak niet vermindert. Het gezegde betreft gierigaards.--De een is nog +minder dan de ander vertolkt de Drentenaar: "huis is karnemelks borge" +(echter ook Veluwsch: Geldersche Volksalman. 1879, bl. 175). Typisch +is vooral de zegswijze voor het begrip _sterven_: "de vork neerleggen". + +Uit een eigenaardigen trek, dien wij ontmoetten in de Drentsche +volksgebruiken, b.v. te Weerdinge, Emmen, Meppel en Hoogeveen, bleek, +hoezeer de bijenteelt in die streken in eere staat (I, bl. 293, +294). Dit getuigt ook het spreekwoord. Hoe meer voorspoed, hoe meer +onwilligheid, kleedt men gaarne in dezen vorm: "hoe meer de iemen +winnen, hoe heiliger zij binnen";--hoe meer werk, hoe meer verdienste, +luidt: "hoe meer werk, hoe meer honig";--wie wil verdienen, moet +vaak het zure voor lief nemen: "die honig wil likken, moet lijden, +dat de bijen hem steken". + +Bij de Groninger spreekwoorden en zegswijzen ontwaren wij vooral +een gezond en typeerend realisme. "As-te Grönnegers 't lief vol +(h)ebb'n, goan ze vot", klinkt wel wat erg prozaïsch. Maar ook +ethisch-hoogerstaande spreekwijzen zijn niet zeldzaam, als: "'t is +nou oart, moar 't zal wel voart wor'n", gezegd van iemand, die in +overmoed, uit overvloed geboren, versmaadt wat hij later zal moeten +missen. Kerngezond van geest en taal, en gehard van lijf en leden, zóo +zijn de echte Grönnegers: "frisch weer zegg'n ze nog, al klappertann'n +ze van koalle". Vgl. Driem. Bladen VI, bl. 118. + +Het besliste, vastberadene, stugge Friesche karakter uit zich in den +stelligen, gedrongen vorm der Friesche spreekwoorden. Ook vindt het +zeemanswezen zijn weerklank. + +Der iz modder oonne kloet (als de kloet veel gebruikt wordt, valt +heel wat schoon te maken, dus: hier valt heel wat zuiver te maken. Ook +wel gebruikt, als een jongen een meisje met geld trouwt). + +Teecken je dij kaets (aan het kaatsspel ontleend: onthoud dit wèl). + +It is better te sparjen mei brea (brood), as sonder brea. + +Hij makket schien fjild (hij maakt het veld schoon, verkoopt ontijdig, +is een verkwister). + +It giet oer koarren in klampen (het gaat alle maten te buiten, +eigenlijk gezegd van het water, dat bij storm langs vele wegen het +schip binnendringt). + +Hâd je mar dom, den bin je frij fen pompen. + +Dij het ien swiere boppelest (hij zeilt met een te zwaren bovenlast; +wordt ook gezegd van iemand, die beschonken, die "topzwaar" is). + +Az de schippers sijllen, schôftjen se neat. + +Al tijden isser op sijn afterschip (hij komt altijd te laat). + +Aade tiercken (kerken) habbe tioestre glesfinsteren.-- + +Typisch om hun gedrongen kortheid zijn nog: + +Quaelck won, quaelck spon (kwalijk gewonnen, kwalijk gesponnen). + +Aad jold, aad hea, aad brae stiet ien wol to stae (oud goud, hooi, +brood komt iemand wel te stade). + +It hea op, in de kou dea (het hooi op en de koe dood, d.i. als de +man sterft, is zijn goed opgeteerd). + +Hij kin doeke noch swimme (hij kan duiken noch zwemmen, weet zich +niet aan te passen, is maatschappelijk onbruikbaar). + +Sa scheper, sa hoen (zoo schaapherder, zoo hond). + +Hoe meer wij nu de zee naderen, westwaarts, in de richting van onze +Hollandsche en Zeeuwsche laaglanden, waar het Friesch element zoo +duidelijk valt waar te nemen, hoe meer de taal het afgepaste en stugge +karakter verliest, hoe soepeler en smijdiger zij wordt in klank en +uitdrukking. En toch waait ons krachtiger de frissche zeewind tegen +en vindt het zeewezen een ruimer vertegenwoordiging. De volkstaal +krijgt hier veeleer den stempel van eenigszins ruwe hartelijkheid, +als van zeelieden, die den voet aan wal zetten; maar zij blijft +frank en vrij, zonder slinkschheid en kronkelwegen, lijnrecht als +de slooten en kanalen, die de polders talloos doorsnijden. De +spreekwoorden der kultuurtaal zijn doorgaans van Hollandsche +afkomst en het loont de moeite zich te overtuigen van den invloed, +dien water en scheepvaart op onze spreekwoorden en zegswijzen +hebben uitgeoefend. Moge een ander oordeelen, dat men het ijzer +moet smeden, als het heet is, de Hollander beweert, dat "men moet +zeilen, terwijl de wind dient." Maakt iemand veel verteringen, dan +"haalt hij zijn zeil in top"; versukkelt hij zijn tijd, dan "gaat hij +met de laatste schepen onder zeil"; inslapen is "onder zeil gaan"; +toornig opstuiven "met opgestoken zeilen komen aanzetten"; bedaren is +"het zeil inbinden"; en verder:"stijf onder zeil zijn";--"achteruit +zeilen";--"klein zeil voeren";--"zeil op iets maken";-- "een oog +in 't zeil houden";--"alle zeilen bijzetten";--"iemand in de zijde +zeilen";--"met een nat zeil loopen";--"langs den wal zeilen";--"met +zeilen voor den mast liggen";--"bakzeil halen";--"in iemands zeilen +waaien." Ook bij huwelijksbeschouwingen speelt het zeil een voorname +rol. "Een vrouwenhaar trekt meer dan een marszeil," meent men; en +wil het geval, dat een vrouw voor een man niet past, dan luidt de +uitspraak: "dat is geen zeil voor dat schip." + +Laat ik nog enkele scheepstermen en zegswijzen in herinnering +brengen. "Iemand aanklampen";--"iemand afschepen, aftakelen, +van bakboord naar stuurboord zenden";--"iemand aan boord klampen, +op sleeptouw nemen, in 't vaarwater zitten, een steek onder water +geven";--"het anker lichten, laten vallen";--"roeien met de riemen, die +men heeft";--"tegen den stroom oproeien"; --"in het riet sturen";--"met +de nachtschuit komen";--"leelijke streken op zijn kompas hebben";--"aan +het roer zitten";--"de vlag strijken";--"bijdraaien";--"de huik naar +den wind hangen";--"voor de haaien zijn";--"naar wal sturen";--"kant +noch wal raken";--"aan lager wal zijn";--"de beste stuurlui staan +aan wal";--"oude schepen blijven aan land";--"uitkaaien"; --"iemand +aan den dijk zetten";--"op 't droge zitten." + +Luide spreekt ook het visschersbedrijf. "Visschen, terwijl het water +blond is";--"een schelvisch uitwerpen, om een kabeljauw te vangen"; +--"een visch (snoek) vangen";--"visch moet zwemmen"; --"geen vin +verroeren";--"in troebel water is het goed visschen"; --"glad als +een aal";--"iemand aan zijn angel krijgen";-- "geld (boter) bij de +visch";--"aan den haak slaan";--"achter het net visschen"--"het neusje +van den zalm." + +Maar wie het Hollandsche landschap kent met zijn eindelooze, malsche +weidevlakten, zijn slooten, zijn knotwilgen, zijn windmolens, zijn +prachtig vee, begrijpt, dat nog andere tonen in de spreekwoorden der +bevolking tot uiting moeten komen. + +Op den heerlijken wintertijd met zijn nationaal ijsvermaak wijzen +uitdrukkingen als: "het ijs breken";--"zich op glad ijs wagen";-- "op +oud ijs vriest het licht";--"over ijs van éen nacht gaan";-- "beslagen +ten ijs komen";--"een scheeve (rare) schaats rijden". Betrekking op den +veestapel hebben: "de koe bij de horens vatten";-- "de koetjes loopen +in mijn weiden";--"zijn koetjes op het droge hebben";--"over koetjes en +kalfjes praten";--"als de kalveren op het ijs dansen";--"oude koeien +uit den sloot halen". Belangrijk is vooral de zegswijze "veel koeien, +veel moeien", niet slechts, omdat hier _moeien_ bewaard is gebleven, +het meervoud van _moeie_ "moeite", vergelijk het Hoogduitsche _Mühe_, +maar meer nog, dewijl het vermogen in rijkdom aan vee berekend wordt. + +Holland is ook het land van de windmolens: "dat is wind op +zijn molen";--"de molen is door den vang" (de zaken loopen +verkeerd);--"hij heeft een slag van den molen weg (beet)";-- +"hij loopt met molentjes". Maar Holland is vooral het waterland, +"door den mensch ontwoekerd aan de zee", schrijft bewonderend Edmondo +de Amicis, "een kunstland, door de Hollanders gewrocht, in stand +blijvend, omdat de Hollanders het behoeden, verdwijnend, wanneer de +Hollanders het prijs gaven". Bevat het spreekwoord "die 't water deert, +die 't water keert" niet heel wat volkswijsheid en historie? Hier +wordt het Hollandsche volk geteekend in zijn strijd met het vochtige +element. Oudtijds moest, luidens dit spreekwoord, zich ieder tegen +het water verdedigen, zoo goed hij kon. Het water te keeren, was aan +ieders initiatief overgelaten, en niet zelden liepen de afzonderlijke +belangen uiteen: het was de periode van het partikularisme. Maar de +kracht van den enkeling bleek aldra onvoldoende tegen het geweld van +storm en vloed. De noodzakelijkheid, bij gemeenschappelijk gevaar het +water terug te dringen of af te leiden, eischte onverbiddelijk vele +handen, ja eischte gemeenschappelijk handelen en deed de persoonlijke +belangen terugwijken. Aldus leerden onze voorouders met kracht, +uit eendracht geboren, te handhaven het erfdeel hunner vaderen.--Wat +zal nu in verband met deze ontwikkelingsgeschiedenis de beteekenis +zijn van dat andere spreekwoord "Gods water over Gods land (akker) +laten loopen"? De oorspronkelijke zin kan m.i. niet zijn een laf en +lijdelijk toezien, maar, na volbrachten plicht, kalme berusting in +Gods wil. En vooraleer het Nederlandsche volk die vrome, niet-loome +berusting verliest, kan er nog heel wat water door den Rijn, de Waal, +de Maas, de Schelde loopen. + +Het water leerde ons volk arbeidzaamheid en zindelijkheid tevens; +immers het steeds en aldoor weer schuren van huisraad en ander +koper- en ijzerwerk vindt zijn oorzaak in de vochtigheid van het +klimaat. Arbeidzaamheid en zindelijkheid zijn een tweeling-karaktertrek +onzer natie, een trek, die zijn oorzaak vindt in het vochtige +element en zoo voortreffelijk, kort en krachtig, belichaamd wordt in +het spreekwoord, dat wij het Hollandsche zouden willen noemen bij +uitstek: Rust Roest.--En mag ik voor Zeeland in het bijzonder nog +eens herinneren aan het wèlverdiende: "goed rond, goed Zeeuwsch?" + +Bij de zuidelijke Franken, in Brabant, Limburg, de Lijmers, de +Overbetuwe, het Land van Maas en Waal en het grootste deel van +België, wordt de spreekwijze losser en levendiger, vertoont zij meer +sprankelend vernuft en humor, meer kleur en poëzie. Wij trekken ons +nu van de zee terug en gaan door het wuivende graan en de geurende +boekweitvelden, langs de blonde oevers van Maas en Schelde, of door het +zonnige, lachende heuvelland langs moeizame kronkelpaadjes, of over +de eindelooze, golvende Brabantsche wegen. Wellicht ontmoeten wij op +onze wandeling een vroolijke verhuispartij, of een bruiloftsstoet +met vedel en trom, of zijn wij getuigen van den fieren uittocht +eener zelfbewuste schuttersgilde naar het feestterrein, of mogen wij +aanzitten aan een welvoorzienen kermisdisch. Want gulle gastvrijheid +viert hier hoogtij, en evenzeer gulle vroolijkheid, ja uitgelatenheid, +terwijl jolige scherts de overvloedige gerechten rijkelijk kruidt. + +Hoe spiegelt zich dit drukke, landelijke, feestelijke leven in +spreekwoorden en zegswijzen: + +Alles op tiêd en bookeskook (boekweitkoek) in den herfs. [18] + +Hê it, dette zweit, en hê werk, dette kald wuurd. + +Hê hêt de paplêpel weggelag (is gestorven). + +Wie doller gebrouwe, wie bêter beer (hoe lichter men de zaak opvat, +des te meer valt zij mee). + +Den bessem oêtstêke (zie I, bl. 276). + +Beer van Paters vêtje. + +Beer op melk verhaampt zich neet (verdraagt zich niet). + +Op de foekepot speule (lawaai maken, zie I, bl. 142, 157). + +Geine gek van Sint Merte make (niet overdrijven, heeft betrekking op +het Sint Maartensfeest). + +Hê is good gelaaie (heeft veel gedronken). + +Det geit door 't getuug hêr (gaat te ver). + +Hê is van naat holt gemak, van de nate gemeinte, lös (lust) zie naat. + +_B_otermelk is _b_oere-medesien. + +Van eine _k_ale _k_ermis toês kome. + +Achterum is 't kermis. + +Achter mienen rök is 't kermis. + +Lache wie (as) 'ne kermishond. + +Zoeë zinge ze neet, as ze van Kêvelêr kome. + +Gein schutterie zonder keuning. + +Drij moal keuning is keizers rech. + +Koeël is good ête, maar dan mot 't verke der door loupe. + +Land bemiste lieët zich neet foppe. + +Lekker is gouw de kêl aaf. + +Eine lintworm in 't liêf hebbe. + +Melk is beer veur de jonge, beer is melk veur de alde. + +Ik bin 't meug (moe) wie kalde pap. + +Moos is geine spekkóok. + +'t Zoeë drök hebbe as de pan mit Vasteloavend. + +Ein ploog (ploeg), die werk, roes neet. + +De ploogestert stik (steekt) um door de boks oêt. + +'t Geit um zoeë dun as pompwater. + +Hê lieët reube good moos zien. + +Hê hêt 't spek hoeëg hange. + +Det is zoovuël as 'n vleeg in 'nen brouwkêtel. + +Eine mnd hebbe as 'n woafelpan. + +Zoolang de vogel op de mas (mast, schietboom) steit, maag me der +noa scheete. + +Pêrstand (paardentand) en vrouwehand mote noeëts stil stoan. + +Einen in de wan kriege, mit eine wanne (met iemand sollen). + +Van ei joar mot me de ploog neet aan de wand hange (als 't een +jaar tegenvalt, moet men nog niet moedeloos worden). + +Zoeë zak, zoeë zoatgood (zoo ouders, zoo kinderen). + +Waat m'n aan 't verke voort, krieg m'n aan 't spek truuk. + +Alles vergeit, behalve de koestert, dê blief altiêd achter. + +Geliêk vieë lek zich gêr. + +Now is de bok vet! + +Det is gei klein beer (dat is geen smaldoek). + +Ermeluus pannekeuk en riekeluus krengde (ziekte) ruuk me wiêd. + +Eine vildershond, ein halversdochter (pachtersdochter), en ei +meulepêrd,--zien veur 'nen boer niks wêrd. + +Kald beer zit werm blood. + +Hê is 'nen dröpkeshèlige, dê in alle herberge verierd wuurd. + +Hê hêt de plaat um (ziet er deftig uit, als een schutterskoning). + +Hê hink mier aan de vaan as de ganse bronk wêrd is (_bronk_ +is hier de gilde-optocht). + +Hê hêt zien bein mit muggevet ingesmêrd (om te dansen). + +Den eine speulman is den andere ein deuntje schüldig. + +De letste man de zak ophalde (tot het laatst blijven). + +Hê hêt de vogel aaf. + +Maar men zou verkeerd doen, met te meenen, dat de Zuidnederlandsche +spreekwoorden zich uitsluitend bewegen op het terrein van spel en +scherts en feestgelag, met het landleven als ondergrond. Kent gij +spreekwoorden, die in diepen levensernst kunnen wedijveren met dat +hoog-ernstige: "Groeëter is 't leid, det gevare (gereden), as det +gedrage wuurd"? Kent gij er, die het in warmte en innigheid kunnen +halen bij dat gevoelvolle: "Al is de mooder nòg zoeë erm, ze dek +(dekt) toch werm"? + +Zeer veelvuldig zijn ook de spreekwoorden en zegswijzen van religieuzen +aard, of die tot het Roomsch-Katholieke geloof in zekere betrekking +staan. Tot deze laatste groep behooren: + +Hê is in Roeëme gewês en hêt de Paus neet gezeen. + +Me mot de kerk in 't midde loate. + +Doa is gei kerkske zooë klein, of ter duvel bouwt zich ei kapelke +dernêve. + +Pastoeër zêgent zich zelf 't iers (eerst). + +Pastoeër deut gein twieë misse veur eí geld. + +Rêgent 't op de pastoeër, dan druubdet (of: druubbet) op de köster. + +Hê steit doa wie 'n Poaskers (stijf-deftig). + +Me mot eeder hellige ziene was (kaars) gêve (men moet ieder +geven, wat hem toekomt). + +Ein hieël litanie schöld op zien rêkening hebbe. + +Waat 'n kruuts--geí (geen) kruuts! + +Hê hêt den oferstok gevêg. + +Eemand zien evangelie, de ach zalighede lêze. + +Zich eine stoal in den hemel verdeene. + +Hê hêt eine kop wie eine Karthuzer. + +Têge de klippe van de hel aan (met de uiterste krachtsinspanning). + +Me mot O.L. Hieër neet noa de ouge wille stêke. + +Hê zuuter oêt as 't ieëwig lêve. + +Hê zuuter oêt as 'n bedrökte Magdalena. + +Maar ik sprak daar zoo juist van spreekwijzen, die een beslist +Christelijk volkskarakter openbaren, en ook deze zijn niet gering in +aantal. Ik volg hier met enkele wijzigingen den bekwamen schrijver +van de Kijkjes in Limburg in den Limburger Koerier (CCCLXIX), en +noteer de spreuken weer, voor de eenvormigheid, in het Venloosch +dialekt; ik wensch echter uitdrukkelijk op te merken, dat zij +algemeen-Zuidnederlandsch zijn. + + + Waat God wilt behalde + Zal verheite (verheeten) noch verkalde + + +klinkt het met kalme berusting. Kan het anders? Als iemand zijn werk +begint, zegt hij: "In Gods naam". Soms klinkt dat: "In Godsnaam: +des neet gevlook". Vertelt hij van zijn voornemens voor de toekomst, +dan zal hij nooit verzuimen er bij te voegen: "As God bleef' (als +'t God belieft). Verricht hij het een of ander goed werk, dan doet +hij dat "ter iere Goads" of "om Goads wil." Wil hij met aandrang iets +vragen, dan zegt hij "Ik bêj dich um Goads wil." Met elk goed werk +weet hij, dat hij verdient "eine Godsloeën." En slaagt hij in een +zijner ondernemingen, heeft een moeilijk werk ten einde gebracht, +ontvangt hij een gunstige tijding, dan volgt een hartelijk "Goddank." + +"God loeënt och", zei vroeger de kerkmeester voor elk centje, +dat in de schaal gelegd werd bij zijn rondgang door de kerk. "God +loeënt och", zegt thans nog de arme, als hij een aalmoes krijgt +aan de deur. Maar komt de arme om een aalmoes bij iemand, die niets te +geven heeft, dan zegt deze: "God wil os helpe." Of hij hiermede +te kennen wil geven, dat hij zelf geholpen moet worden? + +Gaat iemand op reis, dan luidt het nog vaak ten afscheid: "Gank, +det dich God bewaar!" En spreekt men over een afgestorven maag of +vriend, dan blijft diens naam wel zelden zonder de bijvoeging "zaliger +gedachtenis", of: "God gêf um den hemel", of "God truës zien zieël." + +Meer bepaaldelijk in Vlaanderen hoort men nog: "Vree is God mee";--"God +beschikt over nacht";--"geef God geen beschimmeld brood";--"God geeft +de koe, maar niet bij de hoornen", d.w.z. de mensch moet krachtig +meewerken en de handen uit de mouw steken;--"'t is alles goed wat +God wil";--"men moet God naar de oogen zien";--"ik was liever zijn +rozenkrans, dan zijn paard;--"als de eene bedelaar den andere iets +geeft, dan lachen de engelen in den hemel." Zie Pr. Van Duyse, in het +Belgisch Museum V, bl. 192. Het geestige, boertige van het Vlaamsche +spreekwoord blijkt vooral uit verzamelingen als die van A. de Cock, +Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk, +in Volkskunde XI--XX (ook afzonderlijk uitgegeven). Verder: A. de +Cock, Spreekwoorden en zegswijzen, afkomstig van oude gebruiken, in +Volkskunde IX--XVII; Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen op +volksgeloof berustend, in Volkskunde XIX--(onvoltooid); Geldersche +Volksalman. 1819, bl. 175; Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en +Spreekwoorden in Limburg; Limburg's Jaarboek VII, bl. 159, 293; +VIII, bl. 73, 238; XVI, bl. 64, 228, 284; XVII, bl. 45; Mélanges Paul +Frédéricq, bl. 51. + +Vele van deze spreekwoorden vinden wij op de Veluwe weer, in zoo +menig opzicht met het zuidelijk volksgebied verwant. Vooral tal van +spreekwoorden en zegswijzen, die op den akkerbouw en het akkerleven +betrekking hebben, zijn gemeenschappelijk. "Anspan kriigen" heeft te +Uddel de beteekenis van een maat, een makker, een medehelper krijgen. + +Zeer eigenaardig, vooral ook met het oog op het Veluwsche landschap, +is de zegswijze: "met den plaggenwagen komen", d.i. geen aanzoek +gekregen hebben. Als een boerendeern, bij gelegenheid van de kermis, +geen vrijer gehad heeft en ze komt ook zonder jongen thuis, dan is ze +"met den plaggenwagen weergekomen", en dan moet ze "den volgenden dag +de speken (spaken) gaan opzoeken": Onze Volkstaal III, bl. 250, 251. + +Het spreekwoord neemt een eigenaardigen vorm aan in de _apologische +spreuk_ of exempel-spreuk. Deze legt een ervaringsbeginsel of ook +maar een gewone zegswijze, aan een mensch, die zich in een ongewone +situatie bevindt, in den mond, of nog komischer, aan een dier, en +ontwikkelt aldus een groote komische kracht. Zoo b.v.: "Alles met mate, +zei de snijder, en hij sloeg zijn wijf met den ellestok", een gezegde, +ook in het buitenland ruim verbreid.-- "Elk zijn meug, zei de boer, +en hij at vijgen".--"Alle beginselen zijn moeilijk, zei de boer, +toen moest hij de koe bij den staart in den stal trekken".--"Dat +heeft geen zwarigheid, zei de bakker, toen woog hij het brood te +licht".--"Alle baten helpen, zei de wolf, en slikte een mug af". + +Twente: Dat is 'n ander keurn, zèj de muller, en hê beet in 'nen +moezenköttel. + +Salland: Alles is maar een weet, zèj de boer, en hi bloazen met z'n +gat de lampe uut. + +Groningen: Das-t-er aine zunde staine, zee de oeling, dou vradd'e en +slakk op en mainde, dat 'n proeme was. + +Limburg: Waat now gezonge, zach de köster, doe stond de +kerk in brand. + +Getroffe, zach de jong, doe smeet hê zie vader en oug oêt. + +Alles is maar gewuënte, zach den bekker, doe vêgde hê mit de kat den +oaven oêt.-- + +Men vindt ook tweeledige. Zoo b.v. Limburg: Det is aangebrand, zach de +vrouw, doe de jong wat in de botermelk vond.--Aangebrand, +hêt det ouk bein? zach de jong, en heel (hield) eine mölder in +de huëchte. + +Nu zijn juist deze apologische spreekwoorden voor ons van groote +waarde, omdat zij getuigenis afleggen van de wijze, waarop bepaalde +maatschappelijke personen of standen denken en spreken, al dingt het +luimige karakter dezer volksgezegden op de waarheid der opvatting +heel wat af. + +De Boer. Alles heeft zijn inzicht, zei de boer, en hij keek in +zijn muts. + +Daar zal een bakkie theewater op smaken, Dominé, zei de boer, en hij +had zijn vrouw begraven. + +Dat is een groote wetering, zei de boer, en hij zag de zee. + +Dat is een schoone vondst, zei de boer, en hij spleet een zwavelstok +in zestienen. + +Ik deug niet in de huid, zei de boer, toen hij op sterven lag, en +hij sprak de waarheid. + +Ik ga eens zien, of mijn familie slaapt, zei de boer, en hij keek in +het varkenskot. + +Ik houd niet van hangen, zei de boer, maar ik moet wel. + +Het Besje. De jeugd wil er uit, zei het besje, en zij reed op een +bezemstok. + +De onderdrukten hebben het hard, zei besje, en zij zag een luis +knippen. + +Het is de jonkheid, zei besje, en toen speelde een zeventiger met +buitelmannetjes. + +Zuinig, zei besje, lekker is maar een vinger lang. + +Zuinig, zei besje, de boter is duur. + +De Vrouw. Het overleggen is 't al, zei de vrouw, en zij braadde het +spek in de boter. + +Zij maken den bokking hoe langer hoe kleiner, zei de vrouw, en ze +zag sprot liggen. + +Daar kom je kaal van af, zei de vrouw tegen haar man, en hij kwam +van den barbier. + +De Man. Alle ding laat zich eten, zei de man, en hij at garnaal +en krabben. + +Het oog wil ook wat hebben, zei de man, en toen sloeg hij zijn vrouw +een blauw gezicht. + +De Knecht. Ik en mijn baas hebben de zolder vol hooi liggen, zei de +knecht, en hij was blij als hij zijn weekgeld kreeg. + +De Meid. Als ik eens vrij man word, zei de meid, dan eet ik ieder +dag gort met rozijnen. + +Die ligt op zijn uiterste, zei de meid, en zij zag een botertonnetje, +dat tennaastenbij leeg was. + +De Dief. Alle beginselen zijn zwaar, zei de dief, en voor de eerste +maal stal hij een aanbeeld. + +Ik moet er meê wezen, zei de dief tegen het loopende volk, en hij +reed naar de galg. + +Kwaad gezelschap, zei de dief, en hij ging tusschen den beul en een +monnik naar de galg. + +De Ambachtsman. Goed overleg is het halve werk, zei de broddelaar, +en hij zette den lap naast het gat. + +Wat duurt er eeuwig, zei de metselaar, toen had hij een oven van +Friesche turf gemetseld. + +Een handwerk heeft een gulden bodem, zei de wever, en hij zat op +een hekel. + +'t Is een vette buit, zei de visscher, en hij haalde een walbaars op. + +Alle vrachtjes lichten, zei de schipper, en hij smeet zijn vrouw +over boord.-- + +Ten slotte nog enkele voorbeelden ter verluchting van het apologische +dieren-spreekwoord. + +Laat de dooden rusten, zei de arend tot de raaf, en hij verslond een +levende duif. + +Hou je gemak, zei de havik, toen hij de duif plukte. + +Wij scheiden zóo niet, zei de haan tegen de pier, en vrat ze op. + +Scheiden is bitter, zei de hond, toen was hem de haas ontloopen. + +Goeden dag samen, zei de vos, en hij kwam in het ganzenhok. + +Alle ding daar het behoort, zei het varken, en het kroop in de +geldkast. + +Kort beraad, goed beraad, zei de wolf, en hij hapte naar het schaap, +dat hem ontsnapte. + +Gelijk bemint zijns gelijk, zei de luipaard, en hij verslond een +bonte kraai. + +De druiven zijn zuur, zei de vos, toen hij er niet bij +kon. Zie Kirghbijl ten Dam [J.A. Alberdingk Thijm], Vaderlandsche +karakterschildering in onze spreekwoorden, in De Dietsche Warande IV, +blz. 213 vlg. + +Bij het bepalen der psychologische waarde van het spreekwoord dient men +vooral te letten op oorsprong en ontwikkeling of vervorming. Zoeken +naar den oorsprong beteekent zoeken naar den oudsten, niet naar den +"waren" of "eigenlijken" vorm. Want de volksspreekwoorden behooren tot +de levende taal- en begripsorganismen, die steeds nieuwe groeikracht +vertoonen en immer nieuwe loten uitschieten, welke dan met evenveel +recht groeien in de vrije lucht en ópranken naar het licht als de +oude moederstam. + +Om nu zekerheid te krijgen omtrent den oorsprong, dient men vooral +niet te veel af te gaan op de innerlijke waarschijnlijkheid, maar de +beste methode is, den taal- en voorstellingskring, de sociale groep +op te sporen, waarin de uitdrukking het best past en waar zij zonder +beeldspraak is. Dit is b.v. het geval met de uitdrukking "op zijn +eigen houtje", aan de zeemanstaal ontleend, waar "zijn eigen hout" +inderdaad in de beteekenis van "schip" gebruikt werd; zie Eymael, +De Nieuwe Taalgids, bl. 97. + +Maar aldra verlaat het spreekwoord zijn oorspronkelijk milieu en +fladdert in velerlei gedaanten rond heinde en ver. Somtijds heeft +opzettelijke nieuwvorming plaats, zooals in de uitdrukking van Busken +Huet: "Gods water over Gods akker laten _kabbelen_"; maar Huet schreef +geen volkstaal. Verreweg de meeste vervormingen zijn onbewust. Zij +berusten op klankassociaties, als: "dat loopt de spuitgaten uit," voor +"de spuigaten";--"over éen kant scheren", voor "over een kam scheren"; +of ook op begripsassociaties. Zoo schrijft De Vooys in zijn artikel +"Een principiële opmerking bij het etymologiseeren van spreekwoorden +en spreekwoordelike uitdrukkingen" in De Nieuwe Taalgids, bl. 178 +vlg., waar hij deze geheele materie zoo voortreffelijk behandelt: +"_Voor een heet vuur staan_ zal waarschijnlik eerst een soldaten- +of matrozenuitdrukking geweest zijn, maar het "hete vuur" kan +nu heel goed het beeld van een bakker, een glasblazer of een kok +suggereren. Men kan in een dergelijk geval wel uit de oudste plaatsen +het oudste-- desnoods het "oorspronkelike"--beeld trachten te vinden, +als men dat maar niet als het "echte" of "eigenlike" tegenover de +latere "onechte" of "verbasterde" stelt. Feitelijk is de uitdrukking, +ondanks de gelijkheid van klank en betekenis, iets anders, iets nieuws +geworden. De vernieuwing gaat zich uiterlik openbaren, als er wijziging +in de woorden het gevolg van is." Zoo dacht men bij de uitdrukking +"de bom breekt uit" aanvankelijk aan een vat, waar de _bom_ (de spon) +uitspringt. Maar door de klankgelijkheid van dit _bom_ met _bom_ +"kogel" heeft zich weldra een ander beeld in de plaats geschoven, +en in verband hiermee werd _uitbreken_ vervangen door _barsten, +losbarsten_ of _springen_. Hier heeft het gewijzigde beeld ook de +geheele beteekenis doen veranderen. De oude beteekenis "het geheim +is uitgekomen" is geweken voor "er is een beslissende uitbarsting +gekomen". Het volk heeft dus een geheel nieuw spreekwoord gewrocht, +zoowel wat beteekenis als wat vorm betreft. Dit feit is van belang +voor de psychologie van het volksleven, maar ook voor de historie +der kunstvormen, waarin het volk zijn gedachten en gevoelens pleegt +en weet te kleeden. Die vormen zijn ook lokaal gekleurd, niet alleen +door de sociale, maar ook door de ekonomische, de geografische, de +ethnische geaardheden en toestanden. "Er moet nog veel water door +de Maas vloeien", wordt elders: door de Waal, den Rijn, de Schelde, +de Leie, de Demer enz.;--"een schelvisch, een spiering uitwerpen om +een kabeljauw te vangen", wordt in Limburg: "een avel uitwerpen om een +snoek te vangen", en in het Oosten van ons land: "met een metworst naar +een stuk (zijde) spek gooien". Het Hollandsche: "zoo oud als de weg +naar Kralingen", luidt in Limburg: "zoo oud als de weg naar Keulen, +naar Aken, naar de Peel". Het Drentsche spreekwoord: "Armelui's ossen +en rijkelui's kinder zijn gauw groot", heeft in Limburg den vorm: +"Ermeluus holt is gauw gehouwe en riekeluus kinder zien gauw getrouwd". + +Tot de kunstvormen van de volkstaal behoort ook de _volksluim_, +die zich vertoont in de grilligste gedaanten. + +1. Zeer veelvuldig zijn de woordspelingen op plaatsnamen, waarvan ik +hier enkele staaltjes laat volgen. Ook gefingeerde namen vindt men +er bij. + +Naar Molleghem zijn; naar 't Pierenland zijn (dood en begraven zijn): +Vlaanderen;--naar Piepenbroek zijn: de Veluwe. + +Bleijenbeek (bij Afferden) gaat voorop (een blij lijk). + +Well is Well, maar in alle huizen is het niet Well: Limburg. + + + Te Wellerlooi + Daar zingen de veugelkes zoo mooi. + Te Well ook wel, + Maar niet zoo mooi als in in de Looi. + + +Naar Boxmeer gaan (zijn beurs trekken, zinspeling op het woord _boks_ +"broek"). + +Van Lekkerkerk zijn. + +Een mond opzetten zoo wijd als Montfort. + +2. Plaatsnamen in luimige gezegden zonder woordspeling. + +Zoo lang als Elmpt (een lang Duitsch dorp op de Limburgsche grens). + +Een gezicht zetten zoo lang als Posterholt. + +Zoo breed als Geilenkirchen: Sittard. + +Hij is te Ool nog niet over! (gehucht bij Roermond). + +Hij komt van de Merumer markt: Roermond. + +Hij is een uit de Maaseyker vier uitersten (d.i. "lui, lekker, kaal +en hoovaardig"). + +Dat ligt tusschen Maastricht en Allerheiligen (nergens). + +Van Bommel tot Den Bosch (volop). + +Van Helmond komen (drukte maken). + +Naar Zuidbroek gaan, zegt men te Hoogezand voor "een dutje doen"; +te Venloo heet dit: "naar Tegelen gaan", enz. Men noemt natuurlijk +steeds een naburig dorp. + +Ik ga naar Sebaldeburen apen drillen (als de Groninger niet wil +vertellen, waar hij heen gaat). + +Een boterham, waardoor men Maastricht kan zien. + +Op Kessenicher veêren slapen: Belgisch Limburg. + +Altijd hooger, als het orgel van Gangelt: Sittard. + +Op de Akerstraat (buurt van Hoensbroek) bakt men de koek maar aan éen +kant (de huizen liggen slechts aan éen kant van den weg). Hetzelfde +zegt men b.v. van Buggenum (L.) en Oudeschild (Texel). + +Iemand naar Geelbroek (tusschen Beilen en Assen), naar den Kollenberg +(Sittard), naar den Heksenberg (Heerlen), naar de Mookerhei wenschen. + +3. Spotrijmpjes op steden en dorpen. + + + Oostergoo het land, + Westergoo het geld, + De Wouden het verstand, + De Steden het geweld. + + + Dokkum is een oude stad, + Een oude stad boven maten, + Daarom verkoopt men anders niet + Als taai en ook garnaten. + + + De Amelander schalken, + Die stalen eens drie balken + s Avonds in den maneschijn, + Daarom zal 't hun wapen zijn. + + + Neêr-Langbroek + Die schrale hoek! + Daar wonen niets dan edellui + En bedellui, + Ridders + En broodbidders; + Daar staan anders niet als kasteelen en nesten, + Sterkenburg is het beste. + + + Deventer is een koopstad, + Zutfen is een loopstad, + Lochem is nog wat, + Maar Borkeloo is een hondegat. + + + Amsterdam ligt aan het IJ, + Monnikendam, daar wonen wij; + Edam is een nest, + Hoorn doet zijn best, + Enkhuizen staat op tonnen, + Medemblik heeft het gewonnen. + + + Peer is nog een stad, + Achel is nog wat, + En Bree is een paddegat. + + + Brugge is zot, + Gent is bot. + Kortrijk heeft 'nen zin, + Ronse heeft van den duvel in. + + + Wing, Wang, Laar, + Herpen over Orsmaal, + Hal al bovenal, + Dormaal is een verkensstal. + + + Die van Balen (prov. Antwerpen) komen geloopen, + Om den Molschen toren te koopen, + Die van Balen, die waren nie zot, + En ze gongen er mee naar 't verkenskot. + + + Dendermonde + Leeg van gronde, + Klein van goed, + Hoog van gemoed. + + + De volontairen van Grammont (Geeraardsbergen) + Die lieten stelen hun kanon. + Zij exerceerden lijk de koeien, + En zij stalen al de Savooien. + Rakkedok--kedok! + Mee 'nen krommen kop; + Z'hebben een geweer + Lijk 'nen bloemkoolstok. + + + Herenthals is 'ne nest, + Die der wonen, weten het best. + + + Hersel--de macht, + Westel--de pracht. + + + Hooglee--groote pracht, + Verre gezien en weinig geacht. + + + Hooglee + Schoone stee, + Lichtervelde lacht er mee. + + + Eessen + Is een deesem, + Zane is een trog, + Werken loopt er om nog, + Handzame is een leegaard, + Koekelare is alderbest, + Bovekerke is 'n kakkernest. + + + Te Langedijk + Daar zijn ze rijk, + Daar eten ze gort met krenten! + En waarom zouden zij dát niet doen, + Ze leven er van hun renten. + + + Daar kwam 'nen boer van Leuven, + Van Leuven kwam 'nen boer; + Hij meende gaan te dorschen, + En viel op zijnen vloer. + + + Enumatil + Daar kijken ze gril, + Daar staat geen kerk of toren; + Als de snik komt, blaast de jong op 't horen. + + + Maasland, + Vet land + De bedelêren komen van dien kant. + + + Die van Mol die zijn geschoren, + Ze hebben vier wijzers en geenen toren; + Die van Geel, die zouden loopen, + Om de wijzers af te koopen; + Die van Balen zijn jaloesch, + Ze hebben 'nen toren lijk 'ne kroes. + + + Rijke Vörsel + Arm Mal + Lomp Zoersel + Mager Hal (Kempen). + + + Tiegem--berg en dal, + Ingoigem--lang en smal, + Ootegem--de fleure van al! + + + Te Zulte in 't zand, + Hoe meer dat 't regent, + Hoe beter land. + + + Loon-op-Zand, + Licht volk, licht land, + Ze schooien den kost, + En ze stelen den brand. + + + Herten, Merum en Ool, + Drie dorpen en éen pastoor. + + + De Bressianen (van Breskens) + Zijn hanen, + Maar voor Schoondijke + Moeten ze wijken. + En komen die van Groe, + Dan houden ze beter hun deuren maar toe. + + + Koevorden is een fraaie stad, + Dalen is een moddergat, + Wachtum is een eendenpoel, + Hesselen is een koningsstoel. + + +Zooals men ziet, wordt met sommige plaatsen de spot gedreven, om +eigen woonplaats op te hemelen. Dit laatste is uitsluitend beoogd in +het Veluwsche: + + + Kootwijk is een zoetendal, + En die er is, die blijft er al. + + +En eveneens in het Groningsche: + + + Riepster klokkengeklang, + 't Lopster örgelgezang, + 't Zandster bouwland, + En Steemer kouland, + Dat is het kroontje van Grönnegerland. + + +Maar het kan óok zijn, dat de regels: "Kootwijk is een zoetendal, En +die er is, die blijft er al" oorspronkelijk bij een meer uitgebreid +rijmpje hebben behoord. Men vergelijke: + + + Zuidhorn is een bloemendal, + Die er woont, die blijft er al, + Noordhorn is een moddergat, + Die er komt, die vindt er wat! + Oldehove, die stompe toren, + Daar wil de koster zijn wijf vermooren. + Niehove loopt in 't rond, + Daar loopen de meisjes kakelbont. + Feerwerder katten + Springen over latten, + Vangen de muzen + Bij honderd en duzend, + Braden ze in de pan, + En eten er alle dagen van. + + + Tiel is een stad, + Echteld is een gat, + IJzendoorn is een waterpoel, + Ochten is een koningsstoel. + + + Bommel, Bommel blinkt schoon, + Waardenburg spant de kroon, + Tuil is 't alderbest, + Hafte is een kraaiennest, + Hellouw is een eendenpoel, + Herwijne is een schettestoel, + Vuren is een errem land, + Dalem ligt aan den Waterkant, + Gorkum is een schoone stad, + Schelluinen is een hondegat. + + +Een enkel voorbeeld van plaatsnamenrijmpjes, die de taal kort en +treffend karakteriseeren: + + + De Visvlieter bellen, + Zeggen van zèllen en wèllen, + De Boerumer bollen + Zeggen van zollen en wollen, + En de Kollumer luden + Zeggen van zuden en wuden. + + +Zie Driem. Bladen IX, bl. 47, 48. + +4. Spotrijmpjes op voornamen en familienamen. + +Antoon: + + + Toontje + Mijn zoontje, + Wanneer zal 't zijn? + T'avond in de maneschijn. + + +Jan Baptist: + + + Jan Baptiste, + Suiker in de kiste, + Vleesch in de pot, + Jan Baptiste is waarlijk zot. + + +Jan: + + + Jan + Koekepan, + Met 'nen spijzen boterham. + + + Jan + Bakt eieren in de pan, + Bakt eieren in den schoen, + Dan herre geen pan van doen. + + + Jan, mijne man, is altijd ziek, + Heel de weke, heel de weke, + Jan, mijne man, is altijd ziek, + Heel de weke, maar 's Zondags niet. + + +Jozef: + + + Seven, + Laat mij leven, + 'k Zal u een stuk van mijn hemdslip geven. + + +Marianne: + + + Marjanne, + Boter in de panne, + Boter in de pot, + Is Marjanneke nog nie zot! + + +Piet: + + + Piet + Valt in 't riet, + Dat men hem niet meer ziet. + + +De Smedt: + + + Smedt, + Een panneke vet, + Een panneke rapen, + En daarmee moet Smedt slapen. + + +Van Boeck: + + + Frans van Boek, + Dikke snoek, + Zonder knoopen aan zijn broek. + + +Verbist: + + + Mijnheer Verbist + Lag in de kist, + Zonder dat vader of moeder het wist. + + +Verhagen: + + + Jan Verhagen + Draagt zijn beste broek alle dagen. + + +5. Alliteerende volksluim. + +_M_ulders _M_ans _m_oet _m_ijn _m_oeder _m_ooi _m_eel _m_alen, _m_ooi +_m_eel _m_oet _M_ulders _M_ans _m_ijn _m_oeder _m_alen. + +_W_ie _w_eet _w_aar _W_illem _W_aanders _w_oont? _W_illem _W_aanders +_w_oont _w_ijd _w_eg, _w_ijd _w_eg _w_oont _W_illem _W_aanders (elders: +_W_illem _W_itjes). + +De _k_at, die _k_rabt de _k_rullen van de trap (tevens assonantie). + +6. Spotrijmpjes op standen en ambachten. + +Bakker: + + + O jonges wat 'n pret! + Morgen wordt 't brood afgezet! + Twee centen in 't geheel, + O wat kijkt die bakker scheel! + + + De bakker van den hoek, + Die heeft vannacht geblazen, + De zemelen uit zijn broek, + Hij hangt ze voor de glazen, + Gelijk een peperkoek. + + +Apotheker: + + + Mijnheer den apotheker, + Ik ben het niet zeker, + Maar geef me voor twee cents en half + Platluizenzalf. + 't Is niet voor mij, + 't Is voor mijn kameraad, + Die aan de deur staat. + + +Boer: + + + Rotte patatten + Mee schelle' va' visch, + Dat eten de boeren + As 't kerremis is. + + +Kleermaker: + + + Kleeremaker, + Luizekraker, + Lapkesdief! + Ge heb gestolen van mijn gerief! + + +Koster: + + + Bimbambeieren! + De koster lust geen eieren, + Wat lust hij dan? + Spek in de pan, + Met een roggen boterham. + + + Paternoster, + Slaat den koster, + Slaat hem een bult, + Dat hij rond de kerk krult. + + +Lantaarnopsteker: + + + Ik kom aan, + Ik zet neer, + Ik kruip op, + Ik steek aan, + Ik ga neer, + Ik neem op, + Ik ga heen. + + + Jantje komt, Jantje komt, + Jantje de lanteernman! + Vroeg en laat + Op de straat, + Om te zien, hoe alles gaat. + + +Molenaar: + + + Mulder, mulder, korendief, + Groote zakken heeft-ie lief, + Kleine wil-ie niet malen, + De duvel zal hem halen! + + +Soldaat: + + + Soldaat + Kameraad, + In de Peperstraat! + En hij pakte zijn geweer, + En hij schoot ze omveer. + + +Wever: + + + Daar zat 'ne wever op zijn getouw, + Blauw van honger en grauw van kou, + Hij weefde al dit en hij weefde al dat, + En hij weefde 't hemdeken van zijn gat + + +7. Spotrijmpjes op gebreken en mismaaktheden. + +Bultenaar: + + + 't Is den bult + Zijn eigen schuld, + Dat hij zijn kas moet dragen; + Dat hij gaat + Bij Pier van Timst, + Die zal zijn kas afzagen. + + + Bult karkas, + Viool op bas, + Viool en fluit, + Trekt er maar uit! + + +Gierigaard: + + + Gierigaard, + Langen baard, + Uitgedroogde moordenaar! + + +Linksche: + + + Slinkepoot + Den duvel is dood, + Ga naar d'hell' om uw vesperbrood! + + +Manke: + + + Mankepoot + Den duvel is dood, + Ga naar d'hell' om uw vesperbrood! + + +Rosharige: + + + Ros haar, + Ros bloed, + Zelden goed. + + +Scheelziende: + + + Schelewip, + Schelewap, + Papzak! + + + Ik heb een vogeltje gevangen + En het beestje kan niet zien, + Schele Pauwelien, + Schele Pauwelien. + + +8. Wat de klokken vertellen. + +De klokken van Ledegem luiden: + + + Lui Leegem + Luizebestier, + En hooveerdig! + + +Volgens Rond den Heerd IX, bl. 116 kleppen de klokken van Caneghem, +als er iemand gestorven is: + + + Bim! bam! bom! + 't Moet al dood, + Klein en groot, + Arm en rijk, + Al gelijk. + + +De inwoners van Wieze bij Dendermonde worden door de naburige dorpen +voor gekken uitgescholden. Vandaar, dat deze het klokkengelui van +Wieze vertolken: + + + Wieze is zot, + Toebak dol. + + +9. Tot de rubriek van de Volksluim behooren natuurlijk ook de duizenden +uien, moppen of boertige verhalen, die bij het volk in omloop +zijn en dermate onmisbaar lijken in het hedendaagsche volksleven, +dat De Meyere zich afvraagt, of de moppenverteller van heden niet +de sprookjesverteller van vroeger zijn zou?--Een zeer eigenaardige +uiting van den volkshumor is ook de parodie, en hierover nog enkele +korte opmerkingen. + +Van het diep-gevoelvolle Sterrelied, dat wij I, bl. 143 hebben +meegedeeld, bestaan parodieerende varianten als: + + + Herodes, de koning, kwam zelve veur: + zijn broek was gescheurd en zijn hemd stak er deur. + + Zij kwamen al veur een bakkerij: + daar kochten ze éen koek en ze stalen er drij. + + Zij liepen tot bij een herbergier: + daar dronken ze een pot en ze zaten bij 't vier. + + +Hoe het komt, dat deze varianten in het oude sterrelied werden +ingelascht, is op afdoende wijze door Boekenoogen in het Jubelnummer +van Volkskunde (1914), bl. 24 vlg. verklaard. Maar men wachte +zich, parodieën als deze te zwaar op te vatten en aldus verkeerd +te beoordeelen. Het is een feit, dat de parodie, met name in het +zuidelijk volksgebied, vooral geestelijke personen en zaken treft, +ja het heiligste niet schijnt te sparen. Maar inderdaad kunnen +de meeste dezer parodieën als vrij onschuldige scherts beschouwd +worden, die zelfs een zekere gemeenzaamheid en vertrouwelijkheid +met het geestelijke veronderstelt. De geparodiëerde gebeden, die +plaatselijk den naam dragen van _wilde gebeden_ en veelal in de +kinderwereld terecht gekomen zijn, vindt men uitvoerig behandeld in +De Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII, bl. 168 vlg. Een +andere groep vormen de pastoorspreeken, ook in het noordelijk gebied +niet onbekend; zie Volkskunde XX, bl. 73, 117, 178, 232; XXI, bl. 37, +80, 101, 150, 239. Een geliefd thema is dat van den pastoor, die op +den preekstoel zijn meid wil waarschuwen, dat zij den eendvogel niet +mag laten aanbranden. En zoo begint hij dan: + + + Marie tentum + Keert en wentum + Want de entum + Die verbrentum. + + +De dienstbode begrijpt de bedoeling en het onheil is afgewend. Maar +de aandachtige toehoorders waren van oordeel, dat de pastoor nog +nooit zoo veel en zoo mooi Latijn gesproken had. + + + +II. Sprookjes, sagen en legenden. + + +Sprookjes, sagen en legenden zijn dichterlijke volksverhalen, +die ontstaan zijn en opgroeien uit het volk en door de mondelinge +volksoverlevering worden voortgeplant. + +De meest dichterlijke onder deze scheppingen van den volksgeest +is het _sprookje_. Het is een volstrekt-fantastisch volksverhaal, +zonder beperking van plaats, persoon of tijd. Het ontstaat in den +volksmond zonder bepaalde aanleiding, enkel en alleen om der wille +van zich-zelf. Het wordt geboren uit den naïeven, spontanen drang, +zich te verlustigen in het spel der verbeelding. Niet onjuist heeft +men het sprookje genoemd: "een anonieme schepping der volksfantasie". + +Daarentegen is de _sage_ gebonden aan plaats, persoon of tijd; +somtijds hangt zij samen met een bepaald volksgebruik. Men +onderscheidt mythische sagen, aldus genoemd, omdat zij wortelen in +algemeen-animistische opvattingen of in een bepaald mythologisch +systeem (zie I, bl. 63); Christelijke sagen, die Christelijke figuren +of tafereelen borduren op heidensch, of althans op zuiver-fiktief +patroon; en historische sagen, met een historische kern, die door de +fantasie werd uitgebreid of gewijzigd. Heeft nu zulk een historische +sage betrekking op de levens of de krachtdadige voorbede der heiligen, +dan noemt men ze met den bijzonderen naam van _legende_. + +Aan ruimte noch tijd gebonden zwerft het _sprookje_ rond, raadselachtig +vaak in zijn oorsprong, raadselachtig in zijn plotseling verdwijnen; +nu eens geblakerd door tropischen zonnebrand, dan weer verkleumd door +het striemen van de noordsche kou,--maar steeds het aanminnige, blonde +volkskind, steeds de weldoende lichtfee, die hutten en paleizen met +haar hemelgaven binnenzweeft. Het sprookje... verplaatst niet alreeds +het verkleinwoord ons terstond naar de sfeer van het kinderlijke, +naïeve, aanminnige en ongekunstelde? + +Nu eens legt het de plechtwade aan van het kultuurdicht, dan weer het +stralenkleed van de mythe, een ander maal den bonten lijfrok van het +volkslied of het schamele plunje van het volksverhaal, maar ook dan +vertoont het zich niet zonder lieflijke majesteit, zonder frissche +bekoorlijkheid. + +De sproke is echter niet slechts zwervelinge, niet slechts +wereldburgeresse. Zij heeft óok een nationaal karakter en voegt zich +geheel in het koloriet der vertelling en in de karakteriseering der +personen naar de zeden en gewoonten van het land, waarin zij leeft. En +hierin ligt een bewijs voor het feit, dat het sprookje werkelijk een +volksleven leidt, dat het zijn immer jeugdige levenskracht put uit +het volk, dat sprookjeskunde en volkskunde hand in hand gaan. + +"Daar was eens een koning en een koningin en die hadden drie +dochters. De jongste, braaf en onschuldig, werd door haar vader +medoogenloos tot vrouw gegeven aan een grimmig monster. Dit nu was +een schoone, betooverde jongeling, die elken nacht zijn werkelijke +gedaante weer aannam, maar zóo door zijn geliefde niet mocht gezien +worden. Geduldig droeg de zwaarbeproefde koningsdochter haar lot; vaak +echter zwichtte zij voor menschelijke zwakheid, en telkens moest ze +dan haar vergrijp zwaar uitboeten. Doch eindelijk vatte zij liefde op +tot haar man en op hetzelfde oogenblik wierp deze zijne gedaante van +draak (leeuw, wolf, beer) af en vertoonde zich in volle schoonheid." + +Ziedaar, geachte lezer, de kern van een bekend Nederlandsch +sprookje. Maar ook elders is het geen onbekende. Bij Slaven, Grieken, +Albaneezen, Rumenen, Italianen, Kelten en Kalmukken kort men de +avonden met gelijkluidende verhalen. Als sprookje van Amor en Psyche +vinden wij het in een roman van den Romeinschen schrijver Appuleius; +Raffaël bracht het op doek; Thorwaldsen en Canova belichaamden het +in het kille marmer; Calderon achtte het niet te gering, om het te +vereeuwigen in een _Auto Sacramental_. Zoo hebben ook onze _Sprookjes +van Moeder de Gans_ hun parallellen bij alle Indogermanische volken; +de schurkerijen van Reintje zijn bij de Zoeloe's bekend; en Kaffers, +Samojeden en Kalmukken scheppen behagen in vertelsels als die van +Tijl Uilenspiegel en Hans den Reuzendooder. + +Waar lag dan wel de bakermat dezer "anonieme scheppingen der +volksfantasie"? Hoe zijn ze gevormd, wie gaf hun de gedaante, waarin +zij zich thans vertoonen? + +Toen de gebroeders Grimm in 1812 hun Kinder- und Hausmärchen der +Deutschen in het licht gaven, deed de vergelijkende sprookjeskunde +haar intrede in de wetenschappelijke wereld. Wel was hun hoofdstreven +er op gericht, dezen sprookjes-schat te maken tot gemeengoed voor +geheel Duitschland, maar de grootsche onderneming kon ook haar +wetenschappelijk resultaat niet missen. Jammer genoeg was hun theorie +al te eenzijdig. Naar hun oordeel zijn de Germaansche sprookjes +de afgesleten vorm, het diamantgruis der mythen van eertijds: +"das Mythische gleicht kleinen Stückchen eines zersprungenen +Edelsteins, die auf dem von Gras und Blumen überwachsenen Boden +zerstreut liegen". Het sprookje weerspiegelt dus de mythologische +voorstellingen en gebruiken onzer Germaansche voorouders, ja van het +geheele Indogermaansche ras. Sprookjes zijn niets dan verkleurde mythen +van goden of halfgoden. Taalverwantschap en stamverwantschap gaan met +sprookjesverwantschap hand in hand. Hieruit volgt, dat de oorvorm onzer +sprookjes behoorde tot het religieuze gemeengoed der Indogermanen. + +De oorsprong der sprookjes dekt zich dus met den oorsprong +der mythologie. Jacob Grimm kan op algemeen-mythologisch gebied +beschouwd worden als de voorlooper van Max Müller; en zoo huldigt +dan ook hij de meening der naturalistische school, dat de mythen een +afspiegeling zijn van de meest indrukwekkende natuurprocessen. Het +kon niet anders, of het op- en ondergaan der zon, het dagelijks +wederkeeren van dag en nacht, de heldere sterrenhemel, de strijd +tusschen licht en duisternis, tusschen zomer en winter,--dit alles +moest een diepen indruk maken op den natuurmensch. Wilde hij nu +zijn gewaarwordingen ten opzichte dezer natuurtafereelen aan anderen +meedeelen, dan werden deze door persoonsverbeelding als menschelijke +handelingen voorgesteld. Ging de zon op of onder, men zeide, dat +zij geboren werd of stierf; werd ze verduisterd, dan heette het, +dat zij met een ontzaglijk monster den strijd aanbond. Maar weldra +ging de oorspronkelijke beteekenis der beeldspraak verloren, en nu +werden de voorstellingen der natuurprocessen tot mythen, en naderhand +veelal tot sprookjes. Volgens de latere natuurmythologen, die meer +de animistische opvatting huldigden, stelden de Indogermanen zich de +hen omringende natuur van meet af aan als bezield voor. Zoo is dan de +Schoone Slaapster oorspronkelijk de in winterslaap verzonken aarde, +en de prins, die haar wekt met een kus, de lentezon; zoo is de reus +in Klein Duimpje de ijzige wintervorst. + +In het jaar 1859 stelde de groote Sanskritist, Theod. Benfey, +hoogleeraar te Göttingen, tegenover deze theorie, die de bakermat +onzer sprookjes ten slotte in het Indogermaansche stamland zocht, +zijne Indische hypothese. In de klassieke inleiding zijner vertaling +van het _Pantschatantra_ beweert hij, dat de bakermat der sprookjes +in Indië ligt, en wel in het Indië der geschiedenis. Dáar spon +de spin haar web, dat zijn draden over geheel de bewoonde wereld +wierp. Eerst sedert de XIe eeuw n.Chr. zijn deze Indische sprookjes +Europa binnengedrongen. In het Noorden diende het Boeddhisme als +voertuig en liep de weg over Tibet, Mongolië, Siberië en Rusland; in +het Zuiden ging de propaganda uit van den Islam, en deden de Perzen, +Arabieren, Turken en Grieken dienst als bemiddelaars. Deze bemiddeling +was hoofdzakelijk van literairen aard. + +Deze hypothese trok in ruime kringen de aandacht en werd door velen +gevolgd; ik noem slechts Cosquin. Het feit valt dan ook niet te +loochenen, dat een groot aantal sprookjes uit Indië tot ons gekomen +zijn, óok reeds door Alexander den Grooten, door de volksverhuizingen, +de Tartaren. Maar anderzijds blijft het onbetwistbaar, dat er vóor +het tijdperk van het historische Indië in Europa reeds tal van +volksverhalen hebben bestaan. Over de prioriteit van de Grieksche, +in het bijzonder der Aesopische fabels, kan worden getwist. Maar +de sprookjes, die door de Homerische gedichten worden omsloten of +aangeduid, maar het verhaal van Midas met de Ezelsooren kan onmogelijk +aan het historische Indië zijn ontleend. Verder wordt in dit systeem +de invloed der letterkunde niet weinig overschat. Het ligt in den +aard der zaak, dat de letterkunde meer uit den volksmond, dan het +volk uit de letterkunde overneemt. Geschreven verzamelingen oefenen +op het volk slechts een zeer geringen invloed uit. + +Maar het zou onbillijk zijn, Benfey eenzijdig naar de Indische +hypothese te beoordeelen. Hij heeft méer gedaan. Hij heeft, en dit +is voor ons van het grootste belang, het sprookje getrokken uit +den dichten mythologischen nevelsluier, en het gekenmerkt als een +_produkt der volkskunst_ met mythologischen en kultuur-historischen +achtergrond. Hij heeft open oog gehad voor de wisselwerking tusschen +literaire en populaire traditie, en het begrip der ontleening heeft +hij ter overwinning gevoerd. + +Intusschen werd het vasthouden aan de Indische hypothese +steeds moeilijker, steeds onhoudbaarder, naar mate men meer +opvallend-overeenstemmende sprookjes ontdekte bij de meest verscheidene +en verst afgelegen volken, over den geheelen aardbodem. Vooral +de sprookjesschat van Amerika vroeg om oplossing. Hoe kwamen de +letterkundige sprookjes van het historische Indië bij de Huarochiri's +van Zuid-Peru? Hoe kwam de Boeddhistische Jason-mythe op Samoa? Hoe +kwam het oudste ons bekende sprookje, opgeteekend ten tijde van Mozes, +naar Egypte? + +Bédier scheen in zijn Fabliaux (Paris 1897) een bevredigende oplossing +te brengen. Zonder aan sommige sprookjes en sprookjesbestanddeelen een +groote mate van autochthonie en zelfstandigheid te willen betwisten, +en zonder ook het feit der ontleening in twijfel te trekken, ontkende +hij slechts den overwegenden invloed van Indië, de strooming van uit +éen bevoorrecht centrum, op éen gegeven tijdstip der geschiedenis. Bij +alle volken kunnen sprookjes wording en wasdom verkrijgen, en zoo +gebeurt het, dat van uit verschillende milieu's, veelal bezwaarlijk +nader aan te duiden, tal van sprookjes de grenzen hunner bakermat +overschrijden en zich tooien met de nationale dracht en aannemen de +eigenaardige denk- en zegswijze van de meest onderscheiden volkeren. + +Hand in hand met beschouwingen en verklaringsmethoden als deze +ging een verruiming der theorie van het animisme. Men leerde +het beschouwen als een primitieve wijsgeerige wereldbeschouwing, +geboren uit een geestestoestand, waarin de mensch geen scherpe +scheidslijn weet te trekken tusschen zich zelf en de hem omringende +natuur; waarbij de kloof tusschen mensch, dier, plant en mineraal is +overbrugd (I, bl. 64); terwijl men door animisme in engeren zin ging +verstaan zielengeloof en doodenkultus. Maar zulk een geestestoestand +doet ook allerlei opvattingen, maatschappelijke instellingen en +gebruiken ontstaan, die evenzeer voor mythen- en sprookjesvorming +in aanmerking komen. Hij overheerscht bij de natuurvolken, maar is +ook in zekere mate bij de kultuurvolken aanwezig en kweekt daar nog +steeds soortgelijke voorstellingen en gebruiken, men denke slechts +aan den _Vegetationsdämon_ bij de Germanen. Het sprookje is dus niet +_slechts_ diamantgruis, niet _altijd_ de afgesleten vorm der mythen +van eertijds. De sprookjes-telende aandrift van het volk is nimmer +gedoofd en, zonder toevoeging van het religieuze moment, stond en staat +de sproke naast de mythe, ja zij kan ook de embryonale vorm der mythe +zijn, in zoover bij de niet-kultuurvolken de mythe zich vaak ontwikkelt +uit het sprookje. De lentezon, die de aarde uit haar verstijving roept, +kan het aanzijn schenken aan een zonnemythe, maar ook aan sprookjes +als dat van de Schoone Slaapster in het Bosch, door den prins uit haar +slaap gekust, en hetzelfde geldt voor de vertelsels van Klein Duimpje, +Blauwbaard enz. En wanneer de natuurmensch bij het neerdwarrelen van +de sneeuwvlokken zei, dat de goede God zijn ganzen plukte--een nog +thans gangbare uitdrukking--, dan kon dit gezegde, deze voorstelling +van het natuurproces, het begin eener natuurmythe zijn, maar evengoed +van een sprookje, dat onafhankelijk van, zij het ook parallel mét een +mythe, die in soortgelijke natuurbeschouwing wortelde, kon voortleven. + +Ziedaar de uitkomsten, waartoe de voornaamste vertegenwoordigers der +anthropologische school: Mannhardt, Bastian, Tylor, Andrew Lang in +deze materie geraakten. + +"De verrassende overeenkomst der sprookjes berust op de +gemeenschappelijke denkwijze des volks, onafhankelijk van plaats en van +tijd, stoelt op een overeenkomstige openbaring der volksziel"--dat +is wel de formuleering, die wij aan Bastian's _Völkergedanken_ +verschuldigd zijn. Zoo zijn dan de groote menigte der sprookjes +niet in éen land, maar op verschillende plaatsen en tijden ontstaan: +een polygenesis, de zon-rijpe vrucht van den algemeen-menschelijken +drang naar het wonderbaarlijke en van de algemeen-menschelijke +scheppende fantasie. Jammer genoeg hebben Bastian c.s. niet voldoende +rekening gehouden met het feit, dat de geestelijke eenheid van het +menschelijke geslacht slechts een eenheid is van aanleg, geschiktheid +en neigingen. Maar een psychische neiging gaat niet steeds, of niet +steeds op eenvormige wijze, of niet steeds in denzelfden graad tot +de daad over, omdat de menschelijke vrijheid tusschenbeide treedt. + +De laatste theorie draagt den naam van "Finsche theorie" en wordt +hoofdzakelijk verdedigd door Antti Aarne in zijn Leitfaden der +vergleichenden Märchenförschung (Hamina 1913). + +Aarne verwerpt de naturalistische en anthropologische theorie en +keert vrij wel tot de historische opvatting terug. Voor hem is elk +sprookje oorspronkelijk éen gesloten geheel, éen afgeronde vertelling, +die slechts eens, op een bepaalde plaats is ontstaan. Daarin vindt +men beschouwingen en gebruiken, die dagteekenen uit een vroegere +kultuurperiode, maar het is onnoodig daarom het geheele sprookje +tot die periode terug te brengen. De sprookjes zijn dichtwerken, +gewrocht met het opzettelijk doel, de hoorders op te vroolijken door +de grillige speling der fantasie; maar zij zijn niet alleen in Indië +ontstaan, doch eveneens in Noord- en Zuid-Europa. De varianten berusten +louter op psychologische gronden: de verteller vergeet een trek, +lascht aan het begin of het einde een verwanten trek in, verbindt, +kontamineert verscheidene sprookjes tot een geheel. Hierbij speelt +het drietal en de analogie een groote rol, een dierengeschiedenis +wordt tot een menschelijk avontuur, een sprookje tot ik-vertelling, +een verhaal wordt pasklaar gemaakt voor andere landen, tijden, zeden. + +Hoeveel waars deze historisch-geografische methode ook bevat, wij +mogen ze slechts als een korrektief van de anthropologische (of +juister: ethnologische) aanvaarden. Aarne scheert de verschillende +soorten van sprookjes veel te veel over éen kam. Het sprookjeslied +vertoont inderdaad een vrij vasten vorm, maar soepeler is reeds het +dierensprookje en het allerbeweeglijkst zijn de tooversprookjes. Men +dient niet alleen open oog te hebben voor het zuiver-konstruktieve, +maar ook voor het individueel-artistieke moment: in hoeverre is het +sprookje een kunstprodukt, en welk aandeel hebben in de uitwerking +de verteller en het luisterend publiek? + +Aarne heeft vooral te weinig aandacht gewijd aan de studie der +_sprookjes-motieven_. Natuurlijk is elk sprookje een vertelling +van een bepaalde, vaste samenstelling, maar het heeft toch zijn +voorgeschiedenis. Natuurlijk is het niet ontstaan door willekeurige +vermenging van bepaalde motieven, maar de dichter kan toch geput +hebben uit den voorraad van oud, ja zeer oud volksgoed, gangbaar in +zijn omgeving. En waarom zouden die motieven niet een afzonderlijk +bestaan kunnen hebben geleid? En waarom zouden enkelvoudige motieven +niet op verschillende plaatsen, onafhankelijk van elkaar, kunnen zijn +ontstaan, zoodat hun aanwezigheid in meerdere sprookjes niet pleit +voor verwantschap? + +Slechts dan kan de overeenkomst tusschen bepaalde volksverhalen +onmogelijk door het gemeenschappelijke denken en voelen van den mensch +verklaard worden, wanneer het patroon, de bewerking, de bijkomende +omstandigheden dermate identiek zijn, dat men een genetischen samenhang +redelijker wijze niet in twijfel kan trekken. + +Zoo vinden wij b.v. in de Punjâb, in Bretagne, bij de Albaneezen, +moderne Grieken en Russen, een sprookje, waarin een jong man in +het bezit is van een tooverring. Deze ring wordt hem ontstolen, en +teruggebracht door de hulp van dankbare dieren, aan wie de jonge man +weleer diensten bewezen had. Zijn vijand heeft den ring in den mond, +maar de dankbare muis steekt haar staart in den neus van den dief, +doet hem niezen, en zoo komt de tooverring te voorschijn. + +Nu wil het mij voorkomen, dat Oskar Dähnhardt in zijn Beiträge zur +vergleichenden Sagen und Märchenforschung den regel onjuist stelt, +door te bepalen, dat telkens "Wanderung" moet worden aangenomen, +zoodra sprookjes of sagen in meer dan éen motief overeenstemmen. De +twee motieven van den tooverring en van de dankbare dieren in +bovenstaand sprookje vind ik beslist onvoldoende om te besluiten tot +verwantschap. Daarentegen lijkt mij het handelen van de dankbare +muis dermate individueel, dat deze bijzonderheid éens voor altijd +moet zijn uitgedacht. Zie ook mijne Essays en Studiën, bl. 205 vlg.; +Aug. V. Löwis of Menar, Kritisches zur vergleichenden Märchenforschung, +in de Zeitschrift des Vereins für Volkskunde XXV, bl. 154; Gustav +Meyer, Essays und Studiën zur Sprachgeschichte und Volkskunde (Berlin +1885) I: Zur vergleichende Märchenkunde, bl. 145-289; A. Gittée, +Curiosités de la vie enfantine (Paris 1899), bl. 109 vlg. + +Een trek, dien de natuurmensch met de kinderwereld gemeen heeft, is +o.a. deze, dat hij in nauwere gemeenschap leeft met de _dierenwereld_, +dat de afstand tusschen mensch en dier aanmerkelijk inkrimpt. Het lijkt +in zulk een geestestoestand dan ook niet meer dan natuurlijk, dat de +dieren spreken en handelen als menschen. En dit geldt niet alleen voor +de huisdieren, neen, ook de dieren en vogelen des wouds en des velds +deelen in die sympathie en treden in de sprookjes handelend, helpend, +waarschuwend, beloonend, straffend op. Zoo ontmoeten wij muggen, +vliegen, bijen, mieren, kevers en vlinders; everzwijn, vos, wolf, haan, +beer, hert en ree; vrij schaarsch ezel, otter en wezel. Fabelachtige +sprookjesdieren zijn de meerkat, de beruchte zeeslang--óok bekend +uit onzen komkommertijd--en eveneens de zeeslang der lucht, dan de +grijpvogel, die vaak als bewaker van schatten dienst doet. Het eenhoorn +is het symbool van het diepe, van menschen verlaten woud. Vooral de +draak is een fantasiedier, dat wel oorspronkelijk een uitbeelding +is van de vurige onweerswolk. Hij vereenigt de gedaanten van slang, +hagedis en vogel, ligt op den grond en hoedt de schatten met zijn +vlammenden adem. Het draakmotief is dan ook ruim verspreid. Merkwaardig +is het, dat ook de leeuw zoo vaak voorkomt, zonder dat persoonlijke +aanschouwing mag worden verondersteld. Men vergisse zich niet, door +dit feit te plaatsen op rekening van een vreemde herkomst; het geldt +hier slechts den sterken indruk, door uiterlijk en levenswijze van +dit koninklijk dier op de volksverbeelding gemaakt, maar enkel door +de faam en de talrijke wapenschilden. Ook de adelaar kan als zoodanig +worden beschouwd. Mythologische beteekenis hadden aanvankelijk naar +alle waarschijnlijkheid stier, koe, paard, wolf, bok en everzwijn. De +visschen zijn slechts zelden naar hun soort aangeduid; de snoek komt +dan het meest voor, terwijl de dolfijn het sprookjesdier der oudheid +bij uitstek was. In het volgende Vlaamsche sprookje is sprake van +een goudvischje, dat echter plaatselijk door een kikvorsch vervangen +wordt. Wij hebben hier de motieven van den dankbaren visch, over de +geheele wereld verspreid, en van de drie wenschen, waartoe de hier +geuite reeks van wenschen moet worden teruggebracht. Ik ontleen het +aan Pol de Mont en Alfons de Cock, Dit zijn Vlaamsche Wondersprookjes +(Gent 1896), bl. 238. + +Van Janneken Tietentater en het Vischje uit de Zee. + +Er was eens een manneken en die heette Janneken Tietentater. Het +ventje was doodarm, zóo arm, dat hij met zijn vrouw onder eenen +mostaardpot woonde, en, om iets te eten te hebben, alle dagen naar +de zee ging visschen. + +Zoo, op zekeren dag, dat hij weer op de vangst uit was, ving hij +een schoon goudvischken, en tot zijn groote verwondering begon het +eensklaps te spreken: "Och Janneken", zei het, "laat me toch leven, +ik zal U al geven wat gij verlangt. Als gij iets wilt hebben, roep +me maar". + +Zonder aarzelen wierp Janneken het wonderbare vischje terug in 't +water en spoedde zich naar huis, om dat vreemd geval aan zijne vrouw +te vertellen. Deze had al zoo dikwijls over hunne armoede geklaagd, +en was dus niet weinig verheugd, toen zij dat nieuws hoorde. "Keer +seffens weer naar de zee", zegde zij, "en vraag ons een schoon huis, +want dat wonen onder eenen mostaardpot staat mij al lang tegen". + +De man trok op naar het strand en riep: + + + "Vischken, vischken uit het water, + Kom bij Janneken Tietentater!" + + +Op hetzelfde oogenblik stak het goudvischje zijn kopje boven. + +--"Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?" vroeg het. + +--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar +willetje". + +--"Wat is er haar willetje dan?" + +--"Ze zou zoo gaarne in een schoon, groot huis wonen, gelijk de +rijke menschen". + +--"Ga naar huis, ge zult het hebben". + +Daarop keerde de visscher terug en in plaats van zijnen mostaardpot, +vond hij inderdaad een prachtig huis, met een koetspoort, prachtig +genoeg voor den burgemeester van eene stad! Zijne vrouw stond hem af +te wachten, zoo fier als een kalkoensche haan. + +"Wij wonen nu in een rijk huis", zei ze, "dat is waar, maar het is +niet gemeubeld. Ge zult dus weer bij het vischken moeten gaan en +meubels vragen". + +'s Anderen daags trok de man nogmaals naar het zeestrand en riep: + + + "Vischken, vischken uit het water, + Kom bij Janneken Tietentater!" + + +--"Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?" vroeg het vischje +dadelijk. + +--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar +willetje". + +--"Wat is er haar willetje dan?" + +--"Zij zou zoo gaarne haar huis vol schoone meubels zien". + +--"Ga naar huis, ge zult ze hebben". + +En het goudvischje had niet gelogen, want Janneken vond al de kamers +van zijn huis, van onder tot boven, zoo rijkelijk gemeubeld, dat +hij zijn oogen bijna niet kon gelooven. Maar zijne vrouw was niet +voldaan. "Nu ontbreekt er ons nog geld", zei ze, "we moeten immers +schoon gekleed gaan, en lekker eten en drinken hebben, en eene koets +met een koppel paarden. Ge moet dus terugkeeren bij het vischje, +en veel geld vragen". + +Zoo 's anderen daags begaf de man zich weer naar het strand, en riep: + + + "Vischken, vischken uit het water, + Kom bij Janneken Tietentater!" + + +--"Wat belieft er U, Janneke mijn manneken?" vroeg het vischje weer. + +--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar +willetje". + +--"Wat is er haar willetje dan?" + +--"Ze zou gaarne veel geld hebben, om schoone kleederen te koopen, +en goed eten en drinken en eene koets met twee paarden". + +--"Ga naar huis, ge zult het hebben!" + +En het goudvischje had wederom de waarheid gezegd, want toen +Janneken t'huis kwam, vond hij al de kasten en laden vol goud- +en zilverstukken. Nu hadden ze geld "met de macht", zoodat zij +fijne brokjes aten, lekkeren wijn dronken en kostelijke kleederen +droegen. Ook hielden zij knechten en meiden, en reden alle dagen met +de koets uit. 't Was een koningsleven, en toch verlangde de vrouw +nog meer. + +"Ik zou wenschen, dat gij koning waart, en ik koningin", zei ze op +zekeren dag tot haren man, "dan zouden we de rijkste zijn van 't +land en iedereen zou voor ons moeten bukken. Keer terug naar de zee, +en vraag dat aan 't vischje". + +'s Anderen daags toog de man opnieuw naar het strand en riep: + + + "Vischken, vischken uit het water, + Kom bij Janneken Tietentater!" + + +--"Wat belieft er U, Janneken mijn manneken?" vroeg het vischje, +dat weer onmiddellijk aan de oppervlakte verscheen. + +--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar +willetje". + +--"Wat is er haar willetje dan?" + +--"Ze zou gaarne koningin zijn en ik koning!" + +--"Ga naar huis, ge zult het zijn". + +En van dien dag af woonden Janneken en zijne vrouw in een koninklijk +paleis en overal, in de boven- en benedenzalen, blonk en schitterde +alles, dat hunne oogen er van schemerden. Ze waren in 't goud gekleed, +zaten op een gouden troon, aten uit gouden tellooren en dronken uit +gouden bekers. Knechten en meiden gehoorzaamden hun als slaven en de +rijkste menschen kwamen vóor hen nederbuigen. Doch, in hare hoovaardij, +wilde de vrouw nog hooger klimmen en ze zei tot haar man: "We kunnen +van het vischje toch alles verkrijgen, wat wij zouden wenschen; +welnu, ga morgen nog eens naar de zee, en zeg aan het goudvischje, +dat gij verlangt God te zijn, en ik Onze Lieve Vrouwe". + +Ja, den volgenden dag ging de man weeral naar het strand en riep: + + + "Vischken, vischken uit het water, + Kom bij Janneken Tietentater!" + + +Op éen, twee, drie, was het vischje daar weer, en vroeg: + +--"Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?" + +--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar +willetje". + +--"Wat is er haar willetje dan?" + +--"Ze zou gaarne Onze Lieve Vrouw zijn, en ik God". + +En het vischje antwoordde met eene barsche stem: + + + "Daar is maar _één_--_één_ God, + Gij zijt een zot, + Kruip weer onder uwen mostaardpot". + + +En thuis vond Janneken zijne vrouw opnieuw onder den mostaardpot +zitten, met eenen neus van eene el lang, en ze schreide, dat ze snikte. + +(Santvliet en Wijneghem). + + + +Het motief der Drie Wenschen vindt men nog in een sprookje van dezen +naam bij Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II, bl. 126, in +Volkskunde XV, bl. 34: Van den smid, die niet sterven wilde, en XVII, +bl. 17: Van de drie wenschen (Nederlandsche sprookjes en vertelsels, +medegedeeld door G. J. Boekenoogen).-- + +Ook de vogels worden meestal slechts in het algemeen aangeduid; +uitzondering maakt de musch: brutale huisgast, de leeuwerik: +zangeres van het morgenrood, de zwaluw: geluksvogel, de nachtegaal: +lenteverkondiger, de ooievaar: kinderbrenger en kindervriend; +verder nog de uil, de adelaar en enkele anderen. In het hier volgende +sprookje, eveneens aan de Vlaamsche Wondersprookjes ontleend (bl. 235), +is slechts sprake van een vogeltje, dat zingt in de boomkruin. De +booze moeder en de vogel die het uitbrengt zijn de motieven. + + +Van de booze Moeder en den straffenden Noteboom. + +Daar waren eens twee kinderen en die heetten Janneken en Mieken. De +Moeder kon Janneken niet lijden, maar Mieken zag ze doodgaarne. + +Op zekeren dag zei ze tot de kinderen: "Gaat naar het bosch, om hout +te rapen." En ze gaf Mieken eene lekkere, witte boterham, terwijl +Janneken niets kreeg dan eene droge snede roggebrood. + +Toen de jongen en het meisje nu naar huis keerden, had Mieken schier al +het doode hout alleen opgeraapt; zij had een vollen schoot, terwijl +Janneken bijna niets had kunnen zamelen. + +Als de Moeder dat zag, gaf zij Mieken een schoonen, blozenden appel, +maar aan Janneken niemandal. + +"Krijg ik nu ook geenen appel, Moederf" vroeg hij, met een droef +gezicht. + +--"Gij!"... riep de Moeder met een groote verontwaardiging. Doch een +oogenblik daarna bedacht zij zich en zei: "Welnu, voor dezen keer, ja, +ga dan maar op den zolder naar de kist, en haal er eenen appel uit." + +Maar het leelijke wijf volgde Janneken heimelijk op hare zokken, de +zoldertrap op, en als de jongen het scheel van de kist had opgeheven, +en zijn hoofd er juist instak, boef! sloeg zij uit al hare macht +de kist weder toe, zoodat de kop af was, en met een harden bons +neerviel.... + +Nu kapte de booze moeder haar kind in stukskens, om er soep van te +koken, en de beenderen liet zij Mieken onder den noteboom in den +tuin begraven. + +Als de vader 's middags van zijn werk thuis kwam, vroeg hij, waar +zijn Janneken was, want hij had het jongsken innig lief. + +"Hij is hout rapen," zei de vrouw. + +--"... Maar wat vreemden smaak heeft die soep toch!" merkte de man +na een poosje zwijgens aan, terwijl hij zijn vrouw in de oogen keek. + +--"Och, wat zou het anders zijn dan een beetje aangebrand!" + +Als hij gegeten had, ging de vader in zijnen tuin, en toen hij onder +den noteboom kwam begon op eens een vogeltje in de kruin te zingen: + + + Mijn moeder heeft mij vermoord, + Mijn vader heeft mij geëten (gegeten) + En mijn zuster heeft mijn' beentjes al' + Onder den noteboom gesteken (gestoken). + + +En roef! daar viel met een zwaren plof een volle zak geld vóor vaders +voeten neder. Dadelijk liep hij naar binnen en vertelde, wat aardig +geval hem nu overkomen was. + +Mieken ging ook in den tuin zien. En op den boom ging het vogelken +weer aan den gang met zijn droevig liedje: + + + Mijn moeder heeft mij vermoord, + Mijn vader heeft mij geëten + En mijn zuster heeft mijn' beentjes al' + Onder den noteboom gesteken. + + +En zie, daar viel uit de lucht een schoon blauw satijnen kleed vlak +vóor de voeten van het meisje. Met een popelend hartje raapte zij +het op en stormde er mee binnen. + +Dan kwam de moeder toegeschoten, in de hoop dat er voor haar ook wel +iets ten beste zou wezen. Maar nauwelijks was ditmaal het liedje +ten einde of, pardaf! daar viel een zware zak met harde steenen +recht op den kop der booze moeder,--zoodat zij morsdood bleef +liggen. (Antwerpen). + + + +Iets anders is het eigenlijke dierensprookje. Hier zijn de dieren +veeleer uitsluitend de handelende personen, en slechts bij uitzondering +wordt een mensch geduld. + +Het dierensprookje is ook onderscheiden van de dierenfabel. Deze is +er op uit, het menschelijke door het dierlijke uit te drukken en bevat +strekking, moraal en satire. Het sprookje daarentegen moraliseert niet, +althans niet oorspronkelijk, het wil slechts naïef waarnemen en trouw +weergeven, wat in de dierenwereld plaats heeft. Tusschen mensch en +dier loopt immers geen scherpe grenslijn, meent het volk; slechts +openbaart het dier zijn eigenschappen en neigingen meer onbevangen +dan de mensch. En de taal? Die bezitten de dieren evengoed, maar de +mensch mist de gave, die te verstaan. + +Ik geef nu een dierensprookje met het bekende verzamelmotief van +een reisgezelschap, dat langzamerhand bij elkander komt, en dat men +ook vindt in de _Bremer Stadtmuzikanten_. Het is ontleend aan de +verzameling van Pol de Mont en Alfons de Cock: Dit zijn Vlaamsche +Vertelsels (Gent 1898), bl. 47. + +De Kerkzangers van Sinter-Goelen. + +De molenaar van Zavelberg had een ezel, die in zijnen dienst stram en +stijf geworden was. Nu was het beest zoo oud als de straat en deugde +niet meer voor het werk. Daarom wilde zijn meester Grauwtje aan kant +zetten en hem voor zijn vel verkoopen. + +Toen de ezel gewaar werd, dat hij in den mulder zijn gratie niet meer +stond, besloot hij de plaat te poetsen. + +"Ik kan in Sinter-Goelen nog kerkzanger worden", dacht hij; "al +ben ik oud, mijne stem klinkt nog goed en helder". En hij sloeg de +Brusselsche baan in. + +Als hij 't kasteel van den baron voorbijging, kwam hem de zwarte +jachthond tegen, zoo treurig als een lijkbidder. + +"Wat scheelt er u?" vroeg de ezel. + +"Och", was 't antwoord, "omdat ik op de jacht met mijne stijve pikkels +de hazen niet meer kan inhalen, loop ik hier iedereen in den weg. Van +'s morgens tot 's avonds is 't altoos hetzelfde liedje: allo, oude +rakker, van onder mijne voeten. Ge zoudt liever dood zijn dan zoo +te leven". + +"Sukkelaar, waar gij verdriet in maakt!" zei de ezel. "Ga met mij +mede, ik trek naar Sinter-Goelen om kerkzanger te worden. Uwe stem +is nog kloek, en 't is een vet postje op onze dagen." + +De hond liet het zich geene tweemaal zeggen en ging met den ezel de +Brusselsche baan op. + +Een beetje verder, aan een leemen huizeken, zagen zij een kat +aan de deur zitten met een gezicht gelijk Pietje de Dood, en haar +miauw! miauw! scheen uit 'nen grafkelder te komen. + +"Wat is er met u gebeurd?" vroeg Langoor. + +"Ja", zei de poes, "vraag mij zoo'n dingen! Ik ben half blind van +ouderdom, en kan bijkans geene muizen meer vangen. En ik krijg zoo +luttel eten, dat ik somwijlen scheel zie van honger. Ik had nu juist +een klein broksken spek gestolen, en voor zoo'n bagatel wierd ik de +deur uitgesmeten en kreeg dan nog pardoef, terwijl de muizen in de +schapraai mij vierkant uitlachten. Zoudt gij er niet van doodvallen?" + +"Doodvallen", zei de ezel, "toe dan. Ga met ons mede. Al zingt ge +valsch, ge zult altijd goed genoeg zijn om de vespers te helpen +zingen. Wij gaan naar Sinter-Goelen kerkzangers worden".--En de kat +trok mee de Brusselsche baan op. + +In den valavond kwamen onze drie muziekanten aan een boerenhof. De +haan kraaide zonder ophouden en zoo hard, dat de ezel hem vroeg, +wat er ophanden was. + +"Mijn liedje is hier bijkans uit", zei de haan. "Een uur geleden +kraaide ik ""goed weder tegen morgen"", en als de pachteres dat hoorde, +riep zij tot de meid: ""de haan voorzegt goed weêr tegen morgen, +'t zal hem een dure keer zijn. Want nu mogen wij ons kermisvolk +verwachten, en meester Rookop moet in de soep". + +"Ge moet stapelzot zijn om hier te willen blijven", zei de ezel, +"als gij weet dat zij u, vandaag nog misschien, een kopje korter +zullen maken. Sterven is het laatste, jongen, en iets beters dan dat +is niet ver te zoeken. Kom met ons mede; wij worden kerkzangers in +Sinter-Goelen; met uwe stem is daar goud te winnen!" + +De haan vloog bij 't gezelschap, en gezamenlijk wandelden zij de +Brusselsche baan op. + +Tegen den avond kwamen zij aan Zoniënbosch en zagen nergens huis +noch kluis. Ze moesten van den nood een deugd maken en zich tevreden +houden met het logement, dat er in 't gras en in de bladeren te +vinden was. De ezel en de hond legden zich onder 'nen hoogen beuk; de +kat klauterde in de takken en de haan vloog in den top. Eer hij zijn +gemak nam om een uiltje te vangen, keek de haan, uit voorzichtigheid, +eens naar alle kanten rond. En hem docht, dat hij ginder ver een flauw +lichteken zag schemeren. "Daar moet een huisje zijn, en menschen", +dacht hij. En seffens vertelde hij dat nieuws aan zijne kameraden. De +ezel, die er bitter weinig van hield in bosschen te slapen, stelde +voor, onmiddellijk op te kramen, en recht naar dat lichtje te gaan. De +anderen keurden dat voorstel goed en op éen, twee, drie, waren zij +op de been. + +Langzamerhand zagen zij het lichteken dichter bij komen en grooter +worden, totdat zij, op den duur, vóor een klaar verlicht roovershuis +stonden. De ezel, die de grootste was, ging eens door het venster +kijken. "Sapperdeboeren!" zegde hij, "ze zitten hier aan een +kermistafel. Er wordt gedronken en geschonken, gegeten en gesmeerd, +dat het gezicht alleen mij doet watertanden. Zoo ik daaraan mijn +buiksken eens mocht deugd doen". + +"Ja, dat ware een kansje voor ons", zei de hond, "want mijn buik is +zoo hol, dat hij rammelt. Maar hoe die gasten buiten gekregen?" Ze +staken de koppen bijeen, om te gaar die zaak te overleggen, en op +twee minuten hadden zij een plan gereed. Zij wilden de roovers eens +met eene fraaie serenade vereeren. + +Langoor plaatste zich met zijne voorpooten op het venster, de hond +wipte op zijnen rug, de kat klauterde op den hond, en de haan ging +boven op de kat haren kop zitten. Dan begonnen zij, op een teeken, +muziek te maken: de ezel giegaagde, de hond baste, de kat miauwde en +de haan kraaide. En al te gelijk sprongen zij door 't venster het +huis binnen, terwijl de ruiten, rammelend, in in duizend stukskens +vlogen. Ge kunt denken, wat helsch lawaai dat maakte. De dieven +meenden, dat al de duivels losgelaten waren, en vluchtten bijkans +dood van schrik het bosch in. + +Nu zetten zich onze vier kerkzangers op hun zeventien gemakken +aan tafel, en aten en dronken, dat hun buik gespannen stond gelijk +eene trommel. Moe gegaan en dik gegeten, begonnen ze naar rust te +trachten, maar eerst en vooral bliezen zij het licht uit. Nu koos +elk de slaapplaats, die hem best beviel: de ezel leide zich op den +mesthoop neer, de hond aan de achterdeur, de kat op de warme assche +van den haard, en de haan vloog op de vorst van 't huis. En drie +minuten na dien waren ze allemaal in slaap. + +Intusschen was 't middernacht geworden. En als de roovers geen +licht meer zagen of geen gerucht meer hoorden, begonnen zij zich +over hunne lafhartigheid te schamen. "Wij hebben ongelijk gehad +zoo gauw op den loop te gaan", zei de kapitein, en hij zond zijnen +luitenant op onderzoek uit. Deze vond alles stil en ging in de keuken +om licht. Hij aanzag de vlammende kattenoogen voor gloeiende kolen en +stak er een sulferstekje tegen, om zoo vuur te krijgen. Maar poesje +verstond geen lachen, vloog in zijn gezicht en krabde hem links en +rechts. Gij kunt peinzen, hoe de kerel verschoot. In een ommezien +was hij de keuken uit en op de vlucht. Maar aan de achterdeur beet +de hond hem in zijn been, en als hij den mesthoop voorbijstoof, gaf +hem de ezel met zijnen achterpoot nog 'nen fellen stamp. En de haan, +door al dat geroezemoes wakker geworden, kraaide er dapper op los: +koekeloerekoe! koekeloerekoe! + +Jemenis menschen! hadt ge toen den dief zien loopen; een haas kon +hem niet volgen. Buiten adem kwam hij bij zijne kameraden toe, en +had moeite om te vertellen, wat hem voorgevallen was. "Och!" zeide +hij, "in ons huis zit een kwade tooveres. Zij is op mij gevlogen en +heeft met hare lange nagels heel mijn gezicht opengekrauwd; en aan +de buitendeur staat een schildwacht en die heeft mij een steek in +'t been gegeven; en wat verder ligt een zwart monster, en dat heeft +mij met 'nen ijzeren stok geslagen, dat mijn ruggebeen kraakte. En +boven op het dak riep iemand: "Hou den dief! Hou den dief!" Ge kunt +wel denken dat ik mij uit de voeten maakte". + +De roovers trokken men 'n druipneus dieper het bosch in, en durfden +sedert in hun huis niet meer te komen. Maar onze vier kerkzangers +woonden er zoo goed en gerust, dat zij daar hun leven versleten en +Sinter-Goelen Sinter-Goelen lieten. (Denderwindeke). + + + +Men vergelijke hiermee no. XVIII van dezelfde verzameling, getiteld: +De wereld vergaat, en eveneens no. XXXVI: Van den halven haan. In +het sprookje van de vier reizigers, bij A. Joos, Vertelsels van het +Vlaamsche Volk (Gent 1889-91) no. 86, heeft het reisgezelschap met +wolven te doen en niet met dieven. + +De lezer herinnere zich, hoe de booze moeder het arme Janneken aan +stukken sneed om er soep van te koken. Men rekent dergelijke trekken +tot de _ethnologische motieven_, en heeft gemeend, er sporen van +kannibalisme in te kunnen ontdekken. Naar het welbekende verhaal in +Homerus' Odyssee noemt men dit het Polyfemus-motief. In een sprookje +der Duizend en éen Nacht luidt het als volgt. Op zijn derde reis leed +Sindbad en zijne gezellen schipbreuk, redde zich op een eiland en +bereikte een prachtig paleis. Bij avond treedt er een vreeselijke +reus binnen, groot als een palmboom, en midden in het voorhoofd +vlamt éen enkel overgroot oog. Achtereenvolgens begint hij nu de +scheepsgezellen op te peuzelen, tot eindelijk Sindbad met de negen +moedigsten den slapenden cycloop met een gloeiend braadspit het oog +uitboort, om dan ijlings op in der haast getimmerde vlotten het ruime +sop te kiezen. Maar de reus slingert hun geweldige rotsblokken na en +allen, behalve Sindbad, komen om. + +In onze Nederlandsche sprookjes is dit het Klein-Duimpjes-motief +geworden: de volwassenen zijn in kinderen veranderd, Duimpje +(Odysseus-Sindbad) is hier de pientere jongste broeder, en +de reus verliest niet het licht zijner oogen, maar slechts +zijn zeven-mijlen-laarzen. Ook komt het niet tot menscheneten, +want Duimpje redt zich en zijn broeders het leven. Wellicht is de +woning van den menscheneter het doodenrijk, waarop ook het vereenigd +voorkomen der drie lijkkleuren: wit, zwart en rood (ook tooverkleur) +schijnt te wijzen. Dat zoo vaak sprake is van den jongste van 3 of 7 +of 12 kinderen, wien het beschoren is, koning te worden of de bruid +huiswaarts te voeren, zou wellicht kunnen wortelen in het erfrecht +van den jongste in de Germaansche landen. De jongste wordt door +zijn broeders dan ook niet met goede oogen aangezien, maar hij +is doorgaans de slimste, zooals blijkt uit het verhaal der Twee +Broeders, het oudste ons bekende sprookje, dat ten tijde van Mozes +in Egypte werd opgeteekend; zie hierover mijne Essays en Studiën, +bl. 216. Sommige elementen hiervan vinden wij in onze sprookjes weer: +"de man, wiens hart in een voorwerp bewaard wordt"; "de sprekende koe, +die den held waarschuwt voor het hem dreigend gevaar"; "de opgeworpen +hinderpaal tusschen vervolgers en vervolgde"; "het sympathetische +teekenen, dat de dood van den afwezigen broeder verkondigt" enz. De +verhouding tusschen de twee broeders is nog dezelfde in een Friesch +sprookje, welks aanhef ik hier laat volgen (Dijkstra, Uit Friesland's +Volksleven II, bl. 3 vlg.). + +Van grooten Oege en kleinen Oege. + +Er waren eens twee broeders, die heetten beide Oege. De een was groot +en sterk, maar zeer dom en lomp; de ander was een klein en nietig +ventje, maar zeer leep en verstandig. Groote Oege was rijk, hij had +wel dertig koeien, kleine Oege was arm, hij had maar eene koe. En zij +hadden ieder een oude grootmoeder bij zich inwonen voor huishoudster. + +Eens kwam er een bedelaar bij kleinen Oege om een aalmoes. De kleine +man zei: "Ik kan u niets geven, ik ben zelf arm, maar ga naar mijn +buurman, die is rijk".--De bedelaar ging nu bij grooten Oege vragen, +maar die zei: "Denk je, dat ik je wat geven kan? Ik heb moeite genoeg +om zelf aan den kost te komen".--"En je buurman zegt, ge zijt een rijke +boer", zei de bedelaar.-- Dit maakte den grooten domkop wrevelig, +hij zei: "wil die kleine leelijkerd mij de schooiers op het lijf +zenden? Dat zal ik hem betaald zetten".--In zijn dolle drift liep +hij naar den weg, waar de koe van den kleinen Oege liep grazen, +trok zijn zakmes en sneed het beest den hals af. + + + +Men vergelijke hiermee het begin van een door Boekenoogen, Volkskunde +XIII, bl. 240, meegedeeld sprookje: + + + +Van Grootoog en Klaainoog. + + +Waz'n rais twei neefs; ain haitte Grootoog en anner Klaainoog. Zei +waz'n baaiden boer, maor Grootoog har 'n groot spul (boerderij) en molk +'n stuk of twaalf kôi'n en Klaainoog was maor 'n luddik keuterboerke +en har ain kou. Nô wol 't ongeluk, dat Klaainoog zien kou wat aan +schoensche kant was (niet in de weide wilde blijven) en nô en den +ien Grootoog zien land kwam. Grootoog ging noa zien neef en zee: +"As dien kou mie dat nog ainmoal weer bakt, den steek ik hom dood, +doar kens dien reek'n maor noa moak'n". "'k Ken er nait meer aan doun", +zee Klaainoog, "'n mensk mout doun, wat hai nait loat'n ken." + +'t Hil nait lank aan, of kou kwam weer ien Grootoog zien land en +Grootoog hil zien woord en stook kou dood. + + + +In Vlaanderen (Leuven, Aerschot, Wambeek, enz.) luidt de aanhef aldus: + +Van Pachter Eentand. + +Er waren eens twee broeders, en die woonden nevens malkaar. De een +had drie paarden, de ander maar éen enkel, en daarom werd deze pachter +_Eentand_ genaamd. + +Vier dagen elke week leende Eentand zijn enkel paard aan zijnen +broeder, die hem de twee andere dagen zijne drie paarden liet +gebruiken. + +Op zekeren dag, dat Eentand met alle vier de paarden aan 't werk was, +riep hij, iederen keer dat er volk voorbijging: "Hu, al mijn paarden!" + +Zijn broeder verbood hem zoo te spreken, maar vruchteloos. Toen +dreigde hij Eentand zijn éene paard den kop in te slaan, in geval +hij nog een enkelen keer "al mijn paarden" durfde roepen. + +Eenige stappen verder, als Eentand volk zag afkomen, klonk het weer: +"Hu, al mijne paarden!" + +"Pardaf", zei de broer, en sloeg met eenen marteel Eentand's paard +den kop in. + + + +Talrijk zijn ook de _mythische_ motieven. Ik sprak reeds van het +doodenrijk, dat de Oude Germanen zich dachten als het rijk van +Wôdan-Odhin, als het schimmenrijk, en ook wel als gelegen in de +diepte der zee. Deze verschillende opvattingen hebben hun neerslag +in de sprookjesmotieven. De boomen en bloemen, die uit de aarde +opgroeien, bevatten vaak de ziel van den overledene (I, bl. 65); +bloemen ontspruiten ook op de graven. Op zielengeloof en doodenkultus +berust verder het motief der dankbare dooden, niet zelden in den +vorm van dankbare dieren, en het verlossingsmotief: de verlossing +geschiedt door het oplossen van een raadsel, het beantwoorden van +een vraag, het uitspreken eener formule of door standvastigheid in +het gevaar. Hiertoe behoort eigenlijk ook het sprookje van Roodkapje, +oorspronkelijk een door een monster verslonden, maar naderhand weer +bevrijd goedaardig wezen. Van bevrijding door heldenmoed gewaagt het +sprookje van Doornroosje. Al deze mythische opvattingen wortelen in +den gemeenzamen bodem van het primitief-wijsgeerige animisme, dat de +direkte ondergrond is van het omvangrijke motief der vormveranderingen. + +De sprookjesgroep, die ons bezig houdt, noemen wij tooversprookjes in +tegenstelling met de dierensprookjes. Toch worden alle min of meer met +den tooverstaf aangeraakt en juist dit verleent hun de eigenaardige +fantastische bekoorlijkheid. Tooverij of magie, in engeren zin, is +een beslist mythisch bestanddeel, hoe dwaas het ook zijn moge, in de +magie _de_ bron _der_ religie te willen zien. Tooverij schenkt ook de +befaamde onwondbaarheid door tooverhemd, dierenvet, bad in tooverbloed +enz. Zie hiervoor A. de Cock, De onwondbaarheid en de Achilleshiel, +in Volkskunde XXIII, bl. 169. + +Naar men weet heeft Laistner den droom als mythischen faktor +ingevoerd; en inderdaad kunnen vele motieven als _droommotieven_ +worden beschouwd. Aldus in de sprookjes van den tooverslaap, die +ons Doornroosje, Sneeuwwitje en de Zevenslapers in het geheugen +roepen. Al de hoofdpersonen van deze sprookjes moeten wachten op +verlossing uit den slaap; een gewaarwording, die den droomenden +mensch herhaaldelijk bevangt. Talrijk zijn ook de sprookjes, waarin +een droom een beslissende rol speelt, doordat hij of wel de werkelijke +toekomst voorspelt, of de menschen tot ijdele hoop verleidt,--vertelt +Homerus ons niet reeds van de twee droompoorten aan het paleis van +den nacht? De eene is van hoorn, de andere van elpenbeen: door deze +gaan de vleiende, bedriegelijke droomen, door gene de waarachtige, die +ter voleinding voeren. Hiertoe behooren verder het wenschmotief, men +denke aan het wensch-tafeltje met allerlei spijzen en het overbekende +tafeltje-dek-je; het vergeetmotief, als in het sprookje van de Ware +Bruid; het raadsel- of sfinxmotief, ons bekend uit het verhaal der +koningsdochter, die slechts wilde trouwen met iemand die haar kon +vastpraten, en van den koning, die geen andere vrouw tot koningin +wilde nemen dan haar, die zich voor hem zou vertoonen "niet bij dag +en niet bij nacht, niet gekleed en toch niet naakt, niet te voet +en ook niet te paard", zie Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven II, +bl. 50, 68, 71; De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 31, 352, +390 (een vernuftige boerendochter zette zich bij het vallen van den +avond op een ezel, omhing zich met een groot vischnet, en trok zoo naar +'t paleis); en dat van de zware, onoplosbare taak of van het labyrinth, +in de Germaansche sprookjes vervangen door het groote, sombere woud. + +Zoo kom ik eindelijk aan de _karakter-motieven,_ waartoe op de +allereerste plaats wel de sluwheid behoort, meestal verbonden met +kleine lichaamsgestalte, als bij Klein-Duimpje, in het Groningsch +_Keuteldoemke_, zie Volkskunde XIII, bl. 111, in het Limburgsch +_Duumpke-Mezuumke,_ wellicht ontstaan uit _Duumpke-mie(n)-zeunke;_ +zoo ook in het Geldersch verhaal van den Slimmen Jan, Volkskunde XIII, +bl. 247, en van den Slimmen Schoenmaker, De Mont-De Cock, Vlaamsche +Vertelsels, bl. 216. Andermaal wordt de domheid tot motief, veelal +verbonden met forsche, rijzige lichaamsgestalte. De domme begrijpt +meestal een gegeven leer niet. Hiertoe behooren onze sprookjes van +Diertien, Jan den Boer, Sterken Hans of Wolfjonk en Nog dommer dan +dom. De historie van Tijl Uilespiegel wijkt slechts in zoover af, +dat hij in al zijn dwaze streken een opzettelijke schalk is.--Sterkte +en dapperheid, lafheid, geluk vertoonen zich zóo regelmatig, dat +zij kwalijk een motief kunnen genoemd worden. Het ongeluk wordt tot +motief bij den ongeluksvogel, wien alles tegenloopt. Ook de luiheid +is een gewild motief, maar dan een grootsche, ekstatische luiheid, +een eigenschap, die den drager begenadigt, burger te worden van het +Luilekkerland! Het lange slapen is het eerste sprookjes-kenteeken +dezer luiheid. De nieuwsgierigheid wordt doorgaans bestraft en hangt +nauw samen met het motief van het verraden geheim, dat wij in het oude +sprookje van Midas met de ezelsooren vinden, en van het vraagverbod: +Amor en Psyche, de Zwaanjuffer, Blauwbaard, wanneer dit verhaal +althans om zijn historische kern niet tot de sagen moet gerekend +worden, zie Funck Brentano in de Vragen van den Dag XIX, bl. 483, +556, 649. Ook wordt de eenvoud vaak beloond, hetgeen wij zien in de +formule van Asschepoester, een meisje trouwens zóo schoon, dat haar +schoonheid zich reeds door haar schoentjes verraadt. + +In het Oosten, en ten deele ook in Italië, was het sprookjesvertellen +een beroep, uitgeoefend door vakmannen in het vertellen, aan het hof, +in de paleizen, voor de groote volksmenigte. Vertellers van dien +aard bezitten een zekere kunstvaardigheid en techniek, en berekenen +en versterken den indruk door dramatische middelen; zij verhoogen de +spanning en maken jacht op effekt. Zóo ontstonden b.v. de sprookjes +der Duizend en een Nacht. In den Oosterschen verhaaltrant is veel +novellistisch en fantastisch, de volksaardige grondslag wordt niet +zelden geheel door kunstmatig geteelde woekerplanten overgroeid. + +De Nederlandsche, Duitsche, Engelsche, en grootendeels ook de Fransche +sprookjes zijn geheel anders. Zij zijn kinderlijk en schijnen voor +kinderen bestemd. Zeker, zij worden verteld onder de dorpslinde op +zomeravonden, zij korten de gezelligheidsuren der spinningen, voor +zoover die nog in eere zijn (I, bl. 273). Maar het midden, waar zij +bij uitstek thuis hooren, is toch de huiselijke kring, met name de +kinderkamer: moeder en grootmoeder vertellen, de kinderen vormen het +luistergrage publiek. + +Dit feit vindt weerklank in vorm en aanleg onzer sprookjes. Een slot, +dat de vernietiging van het goede en edele beduidt, verdraagt de +kinderziel niet. Maar ook in den loop van het verhaal zelf wordt +het harde en gruwzame, dat b.v. de IJslandsche sprookjes kenmerkt, +zooveel mogelijk verbannen. Verder vermijdt men het geraffineerde, +het te zeer prikkelende, het eindeloos spannende: het kind moet +naderhand kunnen inslapen en vriendelijke droombeelden moeten +het omzweven. Maar vooral, het sprookje moet eenvoudig zijn en +verstaanbaar, moet liggen binnen het bereik der kinderziel. Juist +hierdoor echter is de oude sprookjeskern beter bewaard gebleven: +vooreerst, omdat het gekunstelde ontbreekt, maar ook, dewijl het +kind steeds op dezelfde wijze wil verhaald hebben. Zelfs een lichte +verandering duldt het niet: "dat is niet juist, niet goed," zegt het +dan. Want het kind houdt de sprookjes voor waar. + +Een bijzonder karakter vertoonen nog de Nederlandsche sprookjes. Onder +de dieren heeft de ooievaar natuurlijk een eereplaats, maar +merkwaardiger is de natuurschildering. In 't Oosten en Zuiden van +ons land speelt het verhaal meestal nog in het woud, maar in het +Noorden aan en op zee. Toch voelt het sprookje zich in het woud +beter thuis, en het verwaait en vervaagt wel eenigszins in onze +kale, kille laaglanden. Hoe schenkt het dichte, donkere bosch ook +zoo echt de sprookjes-stemming, de zalige beklemdheid, het heerlijke +angstgevoel! Dáar drukt verlatenheid en eenzaamheid op het verdwaalde +kind. Aan reuzen en dwergen, monsters en verscheurende dieren is +het weerloos prijsgegeven. Vooral wanneer de nacht neervlerkt. Maar +eindelijk herleeft toch de hoop op redding, als ginder, heel ver, +een zwakke lichtschemer trilt: "en toen zagen ze in de verte een +lichtje branden". + +Met name echter: humoristische gemoedelijkheid kenschetst onze +sprookjes. Maar deze gemoedelijkheid is inniger in het zuidelijk +volksgebied, en helt meer over tot het banale of platte in het +noordelijk. + +Een afzonderlijke groep vormen de natuurverklarende sprookjes; deze +behandel ik in het Zesde Hoofdstuk III.-- + + + --Daar was eens een man, + --Toe, luistert dan, + --Daar was eens een' vrouw, + --Toe, luistert nou, + --Daar was eens een heer, + --Och! ik vertel niet meer. + + +Ziedaar een staal van de zoogenaamde kwelsprookjes, die ik +tot het laatst bewaard heb, en wier finale werkt als een koude +waterstraal. Algemeen verspreid zijn ook de kwelvertelsels van het +Kalverstaartje en van den Gouden Sleutel: + +Er was eens een man, die groef zijn tuintje wat om en vond toen een +houten doosje. In dat doosje vond hij een kalverstaartje,--en ware +dat kalverstaartje wat langer geweest, dan zou mijn vertelseltje ook +wat langer geweest zijn.-- + +Eens 's winters, toen er veel sneeuw lag, werd een arme jongen door +zijn ouders met een slede uitgezonden om brandhout te halen. Toen hij +nu in het bosch de slede opgehoopt vol had geladen met doode takken, +wilde hij, voor hij naar huis terugkeerde, een vuurtje maken om zich +wat te warmen. Hij ruimde daartoe de sneeuw wat weg, en vond toen +op den grond een kleinen gouden sleutel. Verder zoekende vond hij +aldra onder de sneeuw ook een ijzeren kistje, met een sleutelgat zoo +klein, dat men het nauwelijks zien kon. Hij probeerde, en gelukkig! de +sleutel paste. Hij draaide het sleuteltje eenmaal om,--en nu moeten wij +wachten, tot hij het kistje heel en al geopend heeft, dan zullen wij +verder vernemen, welke wonderbaarlijke dingen er in waren opgesloten. + +Minder bekend wellicht is het volgende Limburgsche kwelsprookje. + +In overoude tijden kwam eens een groot geheimzinnig schip de rivier +afdrijven en ankerde nabij een havenstad. Zwart was de kiel, zwart de +mast, zwart de zeilen en al het takelwerk. Geen kapitein stond op de +brug, geen stuurman aan het roer, geen matrozen op het dek of in het +want,--alles was eenzaam en akelig stil. Het volk uit de havenstad +drong op de kade om het schip samen, maar niemand verstoutte zich +het vaartuig te betreden. Eindelijk achtte de magistraat het zijn +plicht een onderzoek in te stellen. Ook het ruim vond men ledig, op +éen kajuit na: daar zat een klein, zwart manneke, en ter linkerzijde +van hem lag een zwaard, ter rechter een korst brood. + +Toen nu niemand wist te zeggen, wat dit beduidde, ontbood men een +eerbiedwaardig kluizenaar uit den omtrek, en deze gaf eindelijk de +gevraagde verklaring. "Het zwaard", zoo sprak hij, "beteekent lange +jaren van bloedigen oorlog; de korst brood even zoo vele jaren van +bitteren hongersnood".... + +"En het zwarte manneken dan?" vraagt wellicht een ongeduldige +hoorder. Waarop het antwoord luidt: "Dat moogt gij zoolang likken, +tot het blank is".-- + +Behalve de reeds vermelde literatuur, zie nog A. De Cock, +Rond den Heerd, Sprookjes voor jong en oud (Gent 1890); Uit de +Wonderwereld, Sprookjes voor groote en kleine kinderen (Gent 1889); +Fr. Coeckelbergs, Sprookjes, Legenden, Sagen en Liederen, afgeluisterd +te Heyst-op-den-Berg (Antwerpen 1903); C. Claerbout, Sprookjes +en Verhalen uit het Thieltsche (Pithem 1890); J. van Lantschoot, +Volksvertelsels uit Meetjesland, (Gent 1895); J. Vermast, Vertelsels +uit West-Vlaanderen (Gent 1890); Ad. Lootens, Oude Kindervertelsels +in den Brugschen tongval (Brussel 1868); H. Poelhekke, Woordkunst, +bl. 99; Ad. Thimme, Das Märchen, (Leipzig 1909), _passim_; Gustav +Meyer, Essays und Studien zur Sprachgeschichte und Volkskunde +(Berlin 1885) I, bl. 145 vlg.; M. A. Perk, in De Gids 1882 III, +bl. 237; Prof. J. V. D. Vliet, in De Gids, 1894, II, bl. 452; +Prof. J. J. Speyer, in De Gids 1892, III, bl. 520 vlg. + +Van het sprookje verschilt de _sage_, dewijl deze, zooals reeds gezegd, +gebonden is aan tijd, gewoonlijk zelfs aan éen moment, als hoofddatum +opgevat; het sprookje immers breidt zich uit over jaren en jaren. De +sage is ook plaatselijk beperkt, hecht zich vast aan een bepaalden berg +of stroom of meer van het geboorteland en heeft een meer nationaal +karakter; het sprookje speelt ergens ter wereld, onbepaald, en gaat +van pool tot pool, van oceaan tot oceaan. De sage eischt geloof aan de +waarachtigheid van het verhaalde; ook het sprookje vraagt vertrouwen, +doch slechts schertsender wijze, en het is meer novellistisch van +aard. De sage is armer, eentoniger, het sprookje geestiger en biedt +meer afwisseling. Waar de sage een religieus bestanddeel omvat, heeft +het bovennatuurlijke den boventoon; het sprookje is in weerwil van +al het wonderbaarlijke meer menschelijk. De sage staat ethisch, het +sprookje artistiek hooger. Vooral de Germaansche sage wordt gekenmerkt +door den adel der persoonlijkheid, de hooge opvatting van eer en +plicht, de innigheid en reinheid van het zieleleven. Geschonden trouw +wordt doorgaans door de straf op den voet gevolgd. Op Nederlandschen +bodem onderscheidt de sage zich door grooten eenvoud en soberte, +hoogen ernst en rustigen verhaaltrant. + +De _mythische sagen_ wortelen over het algemeen in animistische +opvattingen, of in een bepaald mythologisch systeem. Na de uitvoerige +bespreking der volksreligie in het eerste deel, bl. 62 vlg., kunnen +wij ons hier met deze algemeene verklaring en verdeeling tevreden +stellen. Ook vindt men daar ter plaatse reeds tal van Nederlandsche +mythische sagen vermeld; ik wensch hier nog slechts enkele voorbeelden +aan toe te voegen. + +Spook- en Tooversagen. Een typische spookgeschiedenis mag m.i. in een +boek als dit niet ontbreken. Ik ontleen ze aan de Vlaamsche Vertelsels +van De Mont-De Cock, bl. 321. Het zeer verspreide verhaal draagt den +naam: Van het betooverd Kasteel. Spooksagen als deze vormen vanwege +haar geringe lokaliseering als het ware den overgang tusschen sprookje +en sage. Jan, die twintig jaar den koning had gediend, waagt het, +te gaan overnachten in een kasteel, waar het spookte. + +...In éen, twee, drie had hij een warm vuurtje aangelegd en zijn +beslag gereed gemaakt. Dan zette hij zich in eenen leuningstoel, +op zijn zeventien gemakken, bij den haard, in afwachting, dat de +koekdeeg aan 't rijzen zou gaan. Intusschen was het elf uur van den +nacht geworden, en Jan begon te bakken. Maar de koek was nog maar half +gaar, of pardof! daar viel een heel menschenbeen door den schoorsteen +in de pan, en--de koek lag in de asch! + +"Suikerloot", riep Jan, "al éen bedorven". Hij raapte het been +op, smeet het in den hoek der schouw en herbegon te bakken. Maar, +pardof! een tweede been plofte in de pan, en ... de koek lag weer in +de asch! + +"Sapperlot", vloekte Jan, "al twee bedorven!" Hij gooide het been +bij het andere en ging weer aan 't werk, ongelukkiglijk met hetzelfde +gevolg, want nu viel er een menschenarm in de pan, en de koek was weer +om zeep. En zoo duurde het nog eenigen tijd voort: den vierden keer +viel de andere arm, den vijfden de heele ribbenkast, en ten slotte +een menschenschedel! + +Jan wierp heel dien santenboetiek op 'nen hoop in den hoek van den +schoorsteen, zonder zich daarvoor kwaad bloed te maken. "Zou 't nu +eindelijk gedaan zijn!" riep hij, terwijl hij eens even naar omhoog +in de schouwpijp keek. "Nu wordt het tijd, want mijn beer begint +te dansen". En hij opnieuw aan 't bakken. Ditmaal liep het goed +af, ook eene tweede en eene derde maal, en Jan speelde de koeken +gretig binnen. Maar toen hij nu eens met een vluchtigen blik naar +"zijn knekelhuis" keek, bemerkte hij tot zijne verwondering, dat de +verschillende beenderen leven gekregen hadden en zich samenvoegden +tot een menschelijk geraamte! + +"Wel, vriend Magermans", zei Jan tot het spook, "hebt gij geenen lust, +om een koekje mee te eten?" Maar hij kreeg geen antwoord. "Die zwijgt, +stemt toe", zei Jan, en meteen nam hij een halfgebakken pannekoek, +en smeet dien het spook in 't aangezicht, dat hij er aan bleef plakken. + +Daar sloeg het middernacht op den toren van de dorpskerk. "Doe de deur +open", zei het spook nu, en het wees met den vinger naar de kelderdeur. + +"Doe ze zelf open, als ge niet te lui zijt", zei Jan. Het spook wenkte +den soldaat hem te volgen en ging de kelderdeur openen. + +"Daal nu de trappen af", sprak het.--"Doe het zelf", zei Jan. Het +spook daalde de trappen af, gevolgd door den soldaat met een brandende +kaars in de hand. Vóor een grooten blauwen steen, in den keldervloer, +bleef het spook stilstaan. Hier raakte het eventjes de handen van +onzen gast aan, en deze voelde, dat ze gloeiend heet werden. "Hola, +kerel, denkt ge mij te verbranden?" riep Jan. "Herbegin maar niet, +of ik zal u 'nen anderen dans leeren". + +"Hef dien steen op", sprak de geest. + +"Hef hem zelf op, als ge niet te vadsig zijt", zei Jan. Het spook +nam nu den steen weg, en Jan bemerkte eenen put, waarin drie volle +kisten goud naast elkander stonden. + +"Ziet ge dit goud?" vroeg het spook. "Dat alles heeft mij toebehoord, +toen ik op dit kasteel leefde, maar ik heb er geen goed gebruik van +gemaakt. Daarom moest ik branden en hier elken nacht terugkeeren, +tot er iemand gevonden werd, die dat geld een goede bestemming zou +geven. Gij zult het doen, en van nu af is mijne straf uit". Tot teeken +der waarheid legde het nogmaals de hand op Jan, en hij voelde, dat ze +nu koud was. Dan sprak het weer: "De eerste kist is voor u; de tweede +is voor den arme; de derde is voor de kerk". Daarop verdween de geest, +en Jan stond daar alleen. + +'s Morgens ging hij zijn wedervaren aan den graaf (den kasteelheer) +vertellen. Deze was heel blij, dat zijn kasteel nu van de spoken +verlost was, en liet Jan gewillig toe het goud uit te deelen, zooals +het spook had voorgeschreven. Onze soldaat, thans schatrijk geworden, +keerde terug bij zijne moeder, en leefde met haar nog lang en gelukkig. + +Daar kwam de Dood met zijn wagen met doodenkruid, en voerde hen alle +twee de wijde wereld uit. + + + +De spooksage is hier met een schatsage verbonden; dit is o.a. ook het +geval met de Neerlintersche sage van het Blauwe Spook, die men vindt +in Hagelander IV, bl. 90 vlg. De spoken zijn veelal familieleden, +die terugkeeren en om gebed vragen of om vervulling eener door hen +of door een ander niet volbrachte gelofte, zoo b.v. het spook van +de Langesloot en van Tusschendijken, bij Dijkstra, Uit Friesland's +Volksleven I, bl. 146, 154. Overeenkomstig luidt een sage, ons door +Boekenoogen in Volkskunde XIX, bl. 150 meegedeeld: + +Een bakker te Hoorn had een vrouw en twee kinderen. Zijn vrouw werd +doodziek en hij beloofde haar op haar sterfbed, dat hij de kinderen +bij een buurvrouw, een heel braaf mensch zou uitbesteden. Maar toen +zij gestorven was, kwam hij die belofte niet na. + +Van dien tijd af begon het avond aan avond te spoken. Er werd +gerommeld, geschuifeld, gestampt en ander leven gemaakt. En altijd op +denzelfden tijd begon het leven weer en werd het na een poos weer stil. + +Hij wist niet wat hij er aan doen moest en sprak er den predikant +over. Deze besloot zich met eigen oogen en ooren te overtuigen en bleef +dus op een zekeren dag waken en las onderwijl in den bijbel. Op den +gewonen tijd begon het spoken weer en toen dat een poosje zoo geduurd +had, zei de dominee: "Wat is er van uw verlangen?" "Ik heb geen rust", +antwoordde het spook, "voor mijn man zijn belofte omtrent de kinderen +vervuld heeft". "Die zal vervuld worden", sprak de dominee. + +Toen vertelde hij den bakker wat hij gehoord had en deze heeft de +kinderen toen bij de buurvrouw uitbesteed; en het spoken is sedert +voorgoed opgehouden.-- + +Hoeveel betooverde meren en kasteelen schenken er niet een tooverwaas +aan het Nederlandsche landschap! Diep bedolven in het Bleeke Meer--ook +Prinsenmeer en Koningsmeer genoemd--nabij Stavoren ligt de schat der +Friesche Koningen, gelijk de schat der Nibelungen in den Rijn. En +waar de Niers met groote kronkelwegen de velden doorstroomt, daar +verjoeg eens een hoogmoedige ridder in zijn verwaten trots een arme +pelgrim van zijn erf. Slechts de jongste dochter had deernis met +hem, maar vermocht den vloek niet meer te bezweren, die zich ging +ontladen over het misdadig slot. Daar doet de torenklok twaalf doffe +slagen weerklinken...en het kasteel zinkt weg in de diepte. Maar +toen de lente weer kwam, ontsproten aan den voet van den heuvel, +waarop de burg gelegen was, hyacinthen, primula's en anemonen, als +herinnering aan de jonkvrouw, die niet geheel was ontaard.--Andere +plaatsen, als het Solsche Gat, zijn betooverd, omdat daar een moord +werd gepleegd. Klokkekuilen, die het gebeier der verzonken klokken +nog menigen nacht, vooral op Kerstnacht, doen hooren, hebben allen +hun genetische sagen. Voeg bij deze toover- en spooksagen nog de +groep van volksverhalen, die betrekking hebben op personen, welke het +vermogen bezitten, iemand "vast te zetten" of, zooals het heet, die +"de vrije kunst" verstaan; van deze vindt men een zeker aantal bij +Boekenoogen in Volkskunde XIX, bl. 142 vlg., en De Cock, ib. XXIV, +bl. 142. Zie verder De Cock, Brabantsen Sagenboek I, bl, 118-161; +Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 46, 51; G. V. D. Wall Perné, +Veluwsche Sagen (Amsterdam 1909) I, bl. 96; Geldersche Volksalman., +1835, bl. 28; 1845, bl. 37; P. Oosterlee, Legenden3 (Nijmegen 1913), +bl. 96. + +Daar bestaat een soort van betoovering, die zeer oud of onsterfelijk +maakt of voor geruimen tijd de gave der vergetelheid schenkt. Algemeen +vermaard is de sage, zooals zij is gelokaliseerd in het Zevengebergte, +onder de benaming van _Der Mönch von Heisterbach_; men kent ook de +Nederlandsche bewerkingen van W. Müller's gelijknamig gedicht. Maar +ook in Groot-Nederland is dergelijke sage inheemsch, getuige het +volgende, te Hekelgem uit den volksmond opgeteekende verhaal over +"Het Kluizevogelken van Affligem". + +Op zekeren dag wandelde een heilige pater uit de abdij van Affligem in +de wijde bosschen, rondom het klooster gelegen. Op eens werd zijn oor +getroffen door het hemelsch gezang van een vogeltje. Vol bewondering +houdt hij het vogelken in 't oog en daar het van boom tot boom vliegt, +volgt hij het immer na. Zoo brengt het hem tot bij een kluis, die met +een gouden draad is afgespannen. De draad opent zich bij het naderen +van den monnik en sluit zich achter hem weer dicht. De pater zet zich +neer op een bank naast de kluis en luistert nog altijd even gretig +naar het wonderbaar gezang van het vogeltje. + +Maar ten slotte houdt het gezang op, en toen eerst dacht de pater er +aan, naar de abdij terug te keeren. Hij komt voor de poort en klopt +aan. Een portier verschijnt en vraagt: "Wien mag ik bij den Abt +aandienen?"--"Wel broeder, kent ge mij niet? Ik heb slechts eenige +uren geleden het klooster verlaten", antwoordt de monnik.--"Gij zijt +mij geheel vreemd", herneemt de portier.--"Onmogelijk", protesteert +de pater; "ga den heer Overste en mijne andere broeders verwittigen; +die zullen mij wel herkennen". + +Maar niemand herkende hem. Toen kwam de abt op de gedachte, den +vreemdeling zijn naam te vragen; en zoekend in de vergeelde en bestoven +registers der oude abdij bevond men, dat de onbekende monnik juist +honderd jaar geleden de abdij verlaten had. Ter herinnering aan dat +voorval is naderhand op de plaats der oude kluis een kapel gebouwd, +die men de _Kluizekapel_ noemt. Vergel. De Cock, Brabantsch-Sagenboek +I, bl. 69. + +In deze lezing van de sage is een nieuw sagenmotief ingelascht, +n.l. het vogeltjesmotief, dat men in een andere, wellicht meer +oorspronkelijke lezing, ons door Wolf, Niederländische Sagen no. 148 +meegedeeld, met het tekstmotief verbonden vindt. De kloosterling denkt +n.l. na over het schriftwoord: "Duizend jaren zijn voor Uw oogen als +de dag van gisteren". Zie nog Zeitschr. d. Vereins für Volkskunde XI, +bl. 298. + +Men zou tot deze groep de sage van den Wandelenden Jood kunnen rekenen, +en ik moet toegeven, dat zij eenige trekken van het zoogenaamde +Matthusalem-motief bevat. Maar ik reken ze toch liever tot de +historische sagen. + +Zeer merkwaardig voor inhoud en verspreiding der sagen in het algemeen +is die van den te Gast genooden Doode, over geheel Europa verspreid. Te +'s-Hertogenbosch luidt zij als volgt: + +Langen tijd geleden leefde te 's-Hertogenbosch een Jonker, die +aan God noch gebod geloofde en een zeer zondig leven leidde. Op +zekeren avond twistte hij in een drankhuis over de vraag of er na +den dood nog een leven is, en hij hield staande dat, wat dood is, +dood blijft. Bij het naar huis gaan moest hij over een kerkhof en +toevallig schopte hij tegen een doodshoofd. "Ha ha!" riep hij luid, +"dat treft. Als gij nog leeft, kom dan straks het avondmaal met mij +nemen!" En lachend ging hij verder. Thuisgekomen ging hij welgemoed aan +tafel. Daar gaat de bel en de meid ziet een vreemdeling voor de deur +staan. Zij brengt hem binnen en de vreemdeling zegt tot den Jonker: +"Gij hebt mij zooeven te gast gevraagd, zooals gij ziet, beantwoord +ik aan uwe uitnoodiging". De Jonker voelde zich ijskoud worden, maar +nog meer, toen de man zijn mantel aflegde en zich vertoonde als een +afschuwelijk geraamte. De Jonker viel in onmacht en de meid, die kwam +toeloopen, vond geen spoor meer van den vreemdeling. De Jonker bleek +zijn verstand te hebben verloren en stierf krankzinnig. + +Men ziet het, de sage moraliseert: goddeloosheid en onteering +van den doode worden streng gestraft. Ongeveer eensluidend zijn +de lezingen, die wij aantreffen in Vlaamsch-Brabant (Wambeke en +Ternath), Oost-Vlaanderen (Welle, bij Denderleeuw), Noord-Holland, +waar de sage nog als lied gezongen wordt, b.v. te Broek in Waterland, +Antwerpen en Gent, Limburg (Vroenhoven), waar volgens 't Daghet in den +Oosten XX, bl. 100 vlg. insgelijks de sage nog als lied voortleeft, in +West-Vlaanderen (Brugge) en in Fransch-Vlaanderen (Godewaartsvelde). In +het buitenland blijft de moraal: eer de dooden. Aldus in de lezing: +het Doodshoofd te Gast, die wij ontmoeten in Bretagne, Morbihan, +Nantes, Zevenburgen, Tirol, IJsland, Spanje, Luik, Metz, Picardië, +Gascogne, en eveneens in de lezing: de Gehangene te Gast, vooral in +Duitschland verspreid: Saksen, Pruisen, Meklenburg, Silezië, maar ook +wel in Bretagne; eindelijk in de lezing op het motief: de Doode (niet: +gehangene) te Gast, welke zich over Denemarken, Zweden, Noorwegen, +Rusland, Holstein en Bosnië uitbreidde, maar ook wel in den Elzas en +Zevenburgen gevonden wordt. De ongeloovigheid wordt echter in geen +dezer lezingen gestraft, zoodat deze trek uitsluitend karakteristiek +blijft voor de Nederlandsche inkleeding der sagestof. Nu heeft A. de +Cock in eene voordracht, gehouden in de Koninklijke Vlaamsche Academie +(Verslagen en Mededeelingen 1909) de stelling zeer aannemelijk gemaakt, +dat deze trek afkomstig is van eene redaktie, die men in Poirters' +Masker van de Wereld vindt; hij zelf ontleende hem aan een schooldrama, +dat in 1615 te Ingolstadt gedrukt en in den herfst van hetzelfde jaar +door de studenten van het Jezuïten-college aldaar werd gespeeld. Dit +drama berust waarschijnlijk weer op een Italiaansche volkssage. + +Met opzet heb ik deze sage wat uitvoeriger behandeld, omdat ik ze van +belang acht voor het goed begrip der onderlinge verhouding tusschen +volkssage en kultuursage en der inwerking van de kultuurdichting +op vorm en voortbestaan der sage. Wij zien de sage ongerept en +onafhankelijk van den kunstvorm. Andermaal levert zij aan den dichter +stof tot bewerking. Maar opnieuw dringt het thema de volksmassa's +binnen en legt het populaire sagenkleed weer aan. + +"Van oudsher is de band tusschen sagen en kunstdichten nauw geweest", +schrijft Poelhekke. "Veel sagen danken hun voortbestaan alleen aan +den dichtvorm, waarin zij zijn overgebracht. Zou de Loreley-sage zoo +verbreid zijn, als Heine ze niet had bezongen? En heeft Staring niet +veel aandeel in het blijven voortleven van de sagenstof in zijn Jaromir +en andere gedichten verwerkt? Er is zelfs voor nagenoeg alle sagen +een tijd gekomen, waarin dichters de overgeleverde stof opzettelijk +gingen omwerken, ze gingen verdiepen vooral, waarin ze het zieleleven +der personen nader uitsponnen, en zoodoende menige sagenfiguur geheel +wijzigden": Woordkunst, bl. 84, 85; vgl. De Beiaard I, i, bl. 49. + +Maresagen. Op de Veluwe gaat de sage van een boerenknecht, die met +de kar hakhout van Wiessel naar Nunspeet moest brengen en 's avonds +bij den Hoogen Duvel belandde. Een uitdagend: + + + "Griepke, Griepke, grauw, + A'j' me hebben wilt, griep me dan gauw" + + +bekwam hem slecht. Want een vlam sloeg uit den weg omhoog, een +dreunende slag volgde, 't paard steigerde hoog op, en tegelijkertijd +zag de man een groot zwart gevaarte op hem afkomen, dat met vurige +klauwen naar hem greep. Het werd een rit op leven en dood. Straks +stootte de mare een woedend gebrul uit en een aantal weerwolven met +groen-lichtende oogen sprongen te voorschijn. Eindelijk bereikten +ruiter en paard den reddenden stal. Maar des anderen daags vond de +boer het arme dier dood op het stroo liggen. Want de mare had zich +weten te wreken op het onschuldige dier. Zie G. V. D. Wall Perné, +Veluwsche Sagen I, bl. 100; Welters, Limb. Legenden II, bl. 38, 39; +De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 96, 99. + +Vooral heksensagen vindt men allerwege. Het eigenaardige bestaat +hierin, dat deze in den grond animistische sagen sterk met Christelijke +bestanddeelen zijn vermengd; zie I, bl. 77. + +Een afzonderlijke groep der mythische sagen vormen de natuursagen, +die berusten op verpersoonlijking der elementen of op verklaringen der +natuurverschijnselen. Over de _kabouters_ weet o.a. de Noordbrabantsche +Volksalmanak 1870, bl. 253 vlg. te verhalen, hoe een boer uit Duizel, +die den heelen dag in de hei turf had gestoken, in het schemeruur met +zijn "spaai" op den rug over den Eerselschen dijk huiswaarts keerende, +eenige schreden voor zich uit een knaapje zag voortdrentelen, dat hem, +wonder genoeg, niet ouder leek dan enkele maanden. Maar toen hij het +wicht had ingehaald, bleek dit een mannetje te zijn met grijze haren +en grijzen ringbaard; het haalde zijn "smoorske" voor den dag en vroeg +hem een pijpje tabak, waarvoor de boer ten slotte rijkelijk beloond +werd. Sagen over _Witte Vrouwen_, _reuzen_, _dwergen_, _vuurmannen_ en +_meerminnen_ treft men rijkelijk aan, zoo b.v. in de verzamelingen van +Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. II, 18, 52; G. V. D. Wall +Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 44; Welters, Limburgsche Legenden II, +bl. 29 vlg., 38; De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 168-215; De +Mont-De Cock, Vlaamsche vertelsels, bl. 326, 331. Het schoone verhaal +van het Meerminneken (_ib._ bl. 332), dat met lange, losse haren vol +waterbloemen uit het water oprees, terwijl zij zong: + + + "Een wateren dak, een paleis van kristal.... + Daar spelen mijn lievekens allemaal.... + Visscherken, werp er uw tonneken uit.... + De walvisch komt en zoekt naar buit", + + +is veeleer wondersprookje dan sage. Wat de natuurverklarende sagen en +sprookjes betreft, deze zullen wij naderhand afzonderlijk behandelen. + +De _Christelijke sagen_ borduren Christelijke figuren of tafereelen +op heidensch, of althans op zuiver-fiktief patroon. Wanneer van +Sinterklaas verteld wordt, hoe hij, hoog te paard, den ruimgeplooiden +bisschopsmantel om de schouders geslagen, op zijn trouwen schimmel +over de daken rijdt, om zijn geschenken door den schoorsteen te +werpen,--dan is dit een Christelijke sage, want de Sleipnir berijdende +Wôdan-Odhin levert het patroon. En evenzeer is dit het geval met de +Christelijk-getinte verhalen, die men wel eens in bezweringsformules +vindt ingelascht; daar staan Jezus, Petrus, Michaël en Stephanus +eenvoudig op de plaats van Wôdan en de zijnen, die op hun avontuurlijke +aardsche tochten niet zelden een verrekten paardenpoot genazen. + +Van dien aard is ook de sage van Sint-Elooi en den smid. + +Op zekeren keer, vertellen De Mont en De Cock, bl. 364, was St.-Elooi +op wandeling en hij kwam in een vreemd dorp. Daar zag hij een smidse, +en boven de deur, op een uithangbord, las hij deze woorden: + + + Bij Jan Hamers, paardesmid, + Meester-boven-meesters. + + +"Wat", dacht St.-Elooi, "is die kerel zoo verwaand, dat hij zich +boven heel de wereld durft verheffen? Ik ga eens zien". + +Hij trok binnen, en vroeg aan den smid, of hij bij hem mocht werken. + +"Kunt gij beslaan?" vroeg de smid. + +"--Ik geloof, dat het wel gaan zal", was 't antwoord. + +"--Welnu, toon wat je kunt", zei de smid, die zag hoe een boer naderde +met een paard, dat aan zijne achterpooten moest beslagen worden. + +Sint-Elooi trok een schootsvel aan en zette zich aan 't werk. Op éen, +twee, drie had hij een hoefijzer gereed. Dan nam hij den poot van +'t paard, sneed hem af met zijn mes, en met éenen slag van den hamer +zat het hoefijzer vast. Daarna paste hij den afgesneden poot aan het +been, en zette ze weer aaneen. En wat vooral wonder was: het paard had +geen enkelen druppel bloed verloren. Voor den tweeden poot handelde +Sint-Elooi op dezelfde wijze. + +De smid, die alles van nabij had gadegeslagen, kon zijne oogen niet +gelooven. "In alle geval, nu weet ik, hoe het in zijn werk gaat", +peinsde hij. En daar hij erg jaloersch was, zond hij den Sant twee, +drie dagen nadien weg. + +Kort daarop kwam er een ander paard, en de smid wilde St.-Elooi nu +eens nadoen. Hij haalde zijn broodmes voor den dag en sneed het paard +zijnen poot af. Het bloed stroomde uit de wonde, dat het deerlijk +was om te zien, en het beest brieschte, sloeg en trappelde van de +pijn. De verschrikte smid haastte zich om het hoefijzer vast te +nagelen, maar den afgesneden poot weer aan het been zetten, dat ging +volstrekt niet. Intusschen bloedde het paard altijd voort en was bijna +dood. En Meester-boven-meesters, die van den stalknecht eene heele +karrevracht verwijtingen en verwenschingen naar den kop kreeg, wist +niet wat beginnen, en stond daar te zweeten van schaamte. Gelukkiglijk +kwam St.-Elooi juist voorbij. De smid riep hem binnen en smeekte hem +om hulp. + +"Waarom zet gij dan op uw uithangbord " "Meester-boven-meesters?" " +vroeg St. Elooi. En de hoovaardige kerel wist geen woord in te +brengen. St.-Elooi wilde evenwel hand noch vinger aan het paard steken, +vooraleer de smid hem beloofd had zijn uithangbord weg te nemen en +op den zolder te werpen; toen zette hij den poot weer aaneen en het +paard was volkomen hersteld. + +De smid van zijnen kant hield woord, en was van zijnen hoogmoed +genezen.-- + +Volstrekt-fiktief, omdat persoon en hoedanigheid van den heilige totaal +sekondair worden, zijn de fantastische sagen van Sint-Petrus aan de +hemelpoort. Men tracht den goeden heilige op allerlei wijze beet te +nemen, om toch maar niet voor eeuwig te worden buitengesloten. Nu +heeft de portier des hemels ook wel zijn nukken en grillen; en zoo +wilde hij eensdaags uitsluitend kavalerie toelaten. Een arme kerel, +die zich niets te verwijten had, werd onbarmhartig afgewezen. Maar +een kwezel, die daar juist aankwam, weet raad. "Zet U op mijn rug", +stelde zij voor, "dan rijden wij zoo de hemelpoort binnen". Zoo gezegd, +zoo gedaan. Sint Pieter keek hen glimlachend achterna en mompelde: +"Daar heb je nu een merrie zonder staart". + +Een afzonderlijke groep vormen de sagen van den Wandelenden Christus, +die hetzij alleen, hetzij in gezelschap van Petrus, of van Petrus +en Johannes, evenals voorheen de goden, op aarde komt rondwandelen, +om te zien, hoe alles reilt en zeilt. Deze sagen zijn niet zelden +verbonden met het motief der _drie wenschen_. + +Met het Christendom deden leer en voorstelling van een +volstrekt-boosaardig wezen, dat de menschen kwelt, haar intrede in +de Germaansche wereld. De duivelssagen behooren tot de Christelijke +groep. Deel I, bl. 95 vgl. heb ik uitvoerig besproken, op welke wijze +en onder welke gedaanten de duivel optreedt en hoe hij de menschen +tot een kontrakt met hem weet te verleiden. Hij verschijnt veelal +om vloekers, zondagsschenders en drinkebroers te straffen, en ook +bij verwenschingen, al zijn die zoo ernstig niet bedoeld. Verder +komt in menige historische sage een duivelsmotief voor, ik herinner +slechts aan de Faustsagen en haar Nederlandsche parallel, Marieke +van Nimegen. Zie ook Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 49; Wolf, +Niederländsche Sagen, no. 316, 319, 324, 325, 327; G. V. D. Wall Perné, +Veluwsche Sagen II, bl. 64; De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, +bl. 316, 319; Limburg's Jaarboek IV, bl. 253; enz. + +Ik kom nu tot de _historische sagen_, volksverhalen met een historische +kern, die door de fantasie werd uitgebreid of gewijzigd. Met +"historische kern" bedoel ik een historisch feit, maar ook +een historische persoon, een historisch woord, een historische +voorstelling, teekening, opschrift, benaming enz. + +De feiten zwellen aan, groeien in omvang en beteekenis, worden met +andere verward en verbonden, vereenigen zich met de meest heterogene +bestanddeelen. Zoo of anderszins worden oorspronkelijk-zelfstandige +sagen vereenigd, als b.v. de sagen van de Tafelronde, den Graal +en Parzival; andermaal wordt de oorspronkelijk-eenvormige sage in +meerdere gesplitst. + +Ook de personen groeien sterk in de volksverbeelding, tot haast +bovenmenschelijke wezens. Zij vereenigen niet zelden op zich de +daden van naamverwante of bloedverwante personen, ja van figuren, +hun aanvankelijk geheel vreemd. Toovermotieven hechten zich aan hen +vast, met name dat der onsterfelijkheid. Immers: groote mannen kunnen +niet sterven. Vandaar, dat Karel de Groote slaapt in den Karlsberg +bij Nürnberg, Barbarossa in den Kyffhäuser. + +Historische gezegden kunnen eveneens aan sagen het aanzijn +schenken. M.i. is de Ahasverus-sage, de sage van den Wandelenden Jood, +hoogst waarschijnlijk ontstaan uit het woord van Jezus tot Petrus: +"Zoo wil ik, dat hij blijve, totdat ik kome; wat gaat het u aan? Volg +gij mij!" (Jo. XXI: 22, 23). En de tekst vervolgt: "Er ging dan de +sprake onder de broederen, dat deze discipel niet zal sterven." 't +Is waar, deze woorden hebben betrekking niet op Ahasverus, doch op +"den discipel, dien Jezus lief had." Maar tot _gevleugelde_ woorden +herboren, konden zij spoedig op andere personen overgaan. + +Historische voorstellingen, teekeningen, opschriften hebben tal van +sagen geteeld; dit feit behoort tot de zoogenaamde _ikonografische_ +volkskunde. Naar alle waarschijnlijkheid ontstonden b.v. de legenden +der martelaars, wien men den naam van _Cefaloforen_ of "hoofddragers" +gegeven heeft, als volgt. Men dient te weten, dat de kern dezer +legenden deze is, dat onmiddellijk na de marteling het lichaam +van den heilige zich verheft tot groote verbazing der beulen, het +bloedige hoofd in de hand neemt en zich begeeft òf naar zijn woning, +òf naar de plaats, waar hij wil vereerd worden. Pater Cahier heeft een +lijst van ongeveer tachtig zulke martelaars opgemaakt, en nog, zegt +hij, is zij verre van volledig. Welnu, in een der homilieën van den +H. Johannes Chrysostomus vindt men dezen tekst: "Evenals soldaten zich +met vertrouwen tot hun koning wenden, wanneer zij hem de wonden kunnen +toonen, in zijn dienst ontvangen, zoo ook vertoonen zich deze heilige +martelaren aan den Koning des hemels, _hunne hoofden in hunne handen_, +en verkrijgen van Hem alles, wat zij maar wenschen." Tengevolge dezer +woorden werd de voorstelling van een heilige, die het hoofd in de +handen droeg, het type der onthoofde martelaren. Doch weldra ging de +oorspronkelijke beteekenis van dit type te loor en mèt de symbolische +voorstelling ontspon zich een net van legenden, dat zijn draden over +geheel Europa, met name over Frankrijk wierp. + +Eindelijk, sagen kunnen ontstaan uit den drang naar verklaring van +duistere benamingen; maar dit verschijnsel, dat tot de _etymologische_ +volkskunde behoort, behandel ik afzonderlijk, evenals de sagen, +die berusten op natuurverklaring.-- + +Aldus geboren verlaat de sage allicht haar bakermat, en fladdert rond, +al is zij vrij wat meer gebonden en meer beperkt in haar vlucht dan +het kosmopolitische, slechts nationaal-getinte sprookje. Gaarne tooit +zij zich met het gewaad der heldensage en neemt zij den epischen +kunstvorm aan. Volgens den Leipziger psycholoog Wilhelm Wundt, +Völkerpsychologie V, 2, ontspringt zij uit het sprookje om dan, +volgend de lijn harer geleidelijke ontwikkeling, zich te ontplooien +in heldensage en epos. Uit het sprookje is zij ontstaan door het +binnendringen van historische elementen. Deze opvatting kan echter +den toets der kritiek niet doorstaan. De sage verschilt niet slechts +van het sprookje door de bewuste scheiding der twee werelden van +het zinnelijke en bovenzinnelijke, die in het sprookje vervloeien, +en door hare sterke individualiseering van personen en zaken en +haar ethische strekking; maar bovenal verschilt zij juist door +haar wording. Zij kronkelt niet slechts als klimop om de verweerde +bouwvallen van een oud kasteel, zij bestraalt niet slechts personen en +gebeurtenissen,--maar zelfs een gezegde, een naam, een teekening kan +haar doen ontluiken. Wel is het vaak moeilijk, haar van het sprookje +te onderscheiden: zij loopen evenwijdig, zij nemen motieven van +elkaar over,--wat wonder bij tweelingdochters van eenzelfde frissche +volksopvatting en volksverbeelding? + +Vooral de heldensage wortelt niet in de wazige sprookjeswereld, +maar in de historie, of liever, in de berichten van indrukwekkende, +beteekenisvolle historische gebeurtenissen. In haar kern en +oorsprong is zij tot poëzie geworden geschiedenis en zij wordt verder +voortgeplant door de kunst van dichter of zanger. En de Germaansche +heldensage bij uitstek is de schepping van een in het licht der +geschiedenis vóor ons liggend tijdperk. "Het sprookje is de groote +schatkamer geweest", schrijft Prof. Sijmons, "waaruit helden- en +godensagen de edelgesteenten en kleinodiën haalden om haar figuren +te tooien. Sprookjestrekken fladderen nauwelijks zichtbaar rond als +zomerdraden en hechten zich aan den helm van Achilles en Siegfried zoo +goed als aan Apollo's en Balder's plechtgewaad. In den loop van enkele +eeuwen worden tastbare historische personen sprookjeshelden. Diederik, +de groote Oostgotenkoning, bestrijdt reuzen, dwergen en draken. De +sage meent het goed met haar lieveling; zij versmaadt geen enkel uit +de bonte menigte van losse motieven, die de sprookjeswereld haar +kwistig aanbiedt, om haar held steeds meer los te rukken van zijn +menschelijk-historischen wortel, en toch blijft ze in haar opvatting +van zijn geheele verschijning, van zijn rechtvaardigheid, zijn kalme +rust, zijn lankmoedige vredelievendheid en tevens onweerstaanbare +dapperheid, aan het geschiedkundige beeld van den edelen vorst, +wien zelfs zijn vijand bewondering schonk, op merkwaardige wijze +trouw": Heldensage en Sprookjes, in de Verslagen en Mededeel, der +Koninkl. Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde 1910, bl. 597. + +Zóo is dus de sage een stuk werkelijke geschiedenis. Hoogst +onbetrouwbaar wat de feiten betreft, verdient zij wat den geest betreft +soms volle vertrouwen. Zij beeldt de idee uit, die in de historische +gebeurtenissen leeft, zij vertolkt den geest der natie. De Germaansche +heldensage is opgebloeid in de stormen der volksverhuizing, wier +merkwaardige persoonlijkheden zij op merkwaardige wijze heeft weten +vast te houden. Zie ook Poelhekke, Woordkunst, bl. 79, 90. + +Meerdere onzer historische sagen zijn van elders hierheen +gekomen. Aldus de reeds vermelde Ahasverus-sage met haar +sterk-uitgesproken ethische strekking: Ahasverus heeft zich +vergrepen aan den Gezalfde des Heeren, tot straf zal hij op aarde +moeten rondzwerven zonder rust noch duur. Het blijven-leven is hem +ten vloek, het niet-kunnen-sterven de gruwzaamste pijniging--want de +dood is toch óok rust, is weldaad en verzoening. + +Wolf verhaalt in zijn Niederländische Sagen de Vlaamsche lezing +aldus: Omstreeks 1640 ontmoetten twee burgers, die in de Looierstraat +woonden, in het _Soniënbosch_ een ouden, grijzen man, met gehavende +kleeren van overoude snit. Zij verzochten hem, mee de herberg binnen +te gaan, hetgeen hij ook deed; maar hij zette zich niet, doch dronk +staandevoets. Toen hij met beide burgers weer buiten kwam, vertelde +hij hun heel veel, en wel meestal geschiedenissen, die voor vele +eeuwen waren afgespeeld. Hieruit bemerkten de burgers spoedig, dat +hun gezel Isaak Laquedem was de Jood, die Jezus het rusten voor zijn +deur weigerde, en verlieten hem hevig ontsteld. + +De sage van den Joodschen Wandelaar is nog steeds gangbaar onder +ons volk. En hier, evenals elders, maken de dichters zich met +graagte van de plooibare stof meester, om Ahasverus te maken tot een +strekkings-figuur, en eigen streven en aanschouwing tot uiting te +brengen. Aldus Ten Kate in zijn Ahasverus op den Grimsel, Heijermans +in het schouwspel Ahasverus, Vermeylen in den roman De Wandelende Jood. + +Van elders kwam ook de sage van Faust, van Karel Martel, van Koning +Arthur, van Keizer Karel. Daarentegen zijn de sagen van de Vier +Heemskinderen--"de Vier Heysmanskinderen op éen paard", zooals het in +Limburg heet--en van den Zwanenridder van Nederlandschen oorsprong, +al kregen zij hun literairen vorm, die naderhand weer produktief werd, +het eerst in het buitenland. + +Ieder gewest heeft zijn eigenaardige sagen; niet het minst het land +van de zee en van de duinen, het land van de wouden, wildernissen +en waranden, het land van de eindeloos vele poelen, van de burchten, +ridders en minstreelen: + + + O Kenmerland! o Kenmerland! + O land van meiren en van wouden! + O land, door 't forsche woord bezield! + Hoe heeft m' een stoute pracht vernield, + Die voorgeslachten hier aanschouwden! + Hoe heeft (helaas!) een later teelt + De paerlen van uw kroon verspeeld. + En 't êelgesteente er uitgewrongen! + O land van trotschheid en van kracht-- + Hoe is uw eikenknots geknakt, + En u een rietstaf opgedrongen! + Hoe heeft m' een boozen moord gepleegd + Aan 't fiere schoon van uw waranden, + En in behoeftes maagre handen + De schatten van uw pronk geleegd. + + +Maar die grootheid van weleer sluimert nog in de sagen voort, door +Hofdijk zoo keurig gestoken in dichterlijke kleedij. Te Aelbrechtsberg +en Tetterode verhaalt men van den meirplas, welks oeverzoom bijna de +oorzaak was geworden van een noodlottigen broedertwist. Spaarndam en +Akersloot's sagen: Volbrachte Eed en Proef van Trouw weerspiegelen +het bonte, gevaarvolle visschersleven; Heiloo herdenkt in de Kracht +des Geloofs de oude tijden onzer kerstening; kloosterrozen bloeien +en wierookwolken walmen rond Bergen, Egmond, Alkmaar en Heiloo, +ter gewijde stede, waar gebeden werd en geleden en geboet: Prior +Henryck van Heyloo, Hoogste Troost, Sint-Cosmas-en-Damiaan-kapel, +Sint-Aelbrechts Aanklacht, de Moedervloek, de Groote Worp, +Kloosterroof. De strijdknots suist en de oorlogskreet schalt in den +Sint-Vincents-Nacht van Schoorl. Bloedige oorlog met de Friezen drenkt +den bodem en de overlevering van heel Kennemerland; maar ook de strijd +met de Noormannen galmt na in zoo menige sage van de Egmonden en van +Haarlem, getuige het Paardenrif en O.L. Vrouwe van Haerlem. In den +Stalboef van Castricum en den Jachtstrooper van Santpoort dreunt +paardengetrappel en hoorngeschal; in den Lijfknaap van Castricum +kruisen elkaar de zwaarden om het bezit eener betwiste schoone; elders +kletteren de wapenrustingen der ridders op het steekspel, rinkelen de +bekers en bokalen, klinkt het smeltende lied der minstreelen. Maar +Bergen en Egmond, Alkmaar en Heiloo, Limmen en Akersloot, Castricum +en Heemskerk, Heemstede, Assendelft en Santpoort, zij allen gewagen +van minnelust en minnesmart, van vrouweneer en riddertrouw, ja trouwe +tot aan gene zijde van het graf. + +Mag ik afscheid nemen van Holland zonder de Damiaatjes van Haarlem +te herdenken, en den Bouwmeester van Sint Bavo, die onbekend wilde +blijven, een sage, die slechts deze idee schijnt te willen uitbeelden, +dat geweldige kunstwerken als de Sint Baafskerk niet het gewrocht zijn +van éen persoon, maar van het geheele volk, in zijn moedig streven +door hoogere macht gesteund? + +De sagen der Friezen, zoo prat op hun eigen aard en volkswezen, zijn +voor een groot deel oorsprongssagen: Friso, Saxo en Bruno; Naam en +Herkomst der Friezen; Hengist en Horsa; Afkomst der Westfriezen; +het Roode Vaandel en de IJzeren Kroon; het Roode Klif enz. Andere +verhalen hebben betrekking op de bekende Friesche onbuigzaamheid: +Koning Radboud weigert zich te laten doopen; Koning Karel en de +Friezen; Friesche Stijfkoppen e.a. Ook weet men te verhalen, hoe +Leeuwarden door vrouwen werd gered. Dit nu is geenszins merkwaardig, +daar hetzelfde van tal van andere plaatsen wordt verhaald; zoo +werd ook Haarlem gered door Kenau Hasselaer en Venloo door Geertrui +Bolwater. Eigenaardiger is, dat Franeker gered werd, doordat twee +maagden de laatste brooden van de wallen wierpen. De vijand dacht nu, +dat de stad geen gebrek had en hief de belegering op. Naar men weet, +ging in de Oudheid een dergelijk verhaal over het opbreken van de +belegering van het Kapitool door de Galliërs. + +Ook Zeeland heeft zijn oorsprongssagen, zoo b.v. de Herkomst van +hertogen en volk van Walcheren. + +Utrecht, de bisschopszetel, kent natuurlijk grootendeels +bisschopssagen: Bisschop Frederik van Utrecht; Odulf van Utrecht en +de Kerk te Staveren; Dood van Bisschop Koenraad van Utrecht. Ook +weet de sage te verhalen, hoe Albertus Magnus de gunst verkreeg, +dat de Predikheeren zich te Utrecht mochten vestigen. + +In Noord-Brabant en vooral in Gelderland wordt de sage weer +romantischer. Ik herinner aan Sophia van Heusden, de Engelsche +koningsdochter, die door het gezantschap werd aangetroffen, zijde +spinnende op een rood spinnewiel; en aan de sage van Wichard, die +moedig het monster met zijn vervaarlijk "Gelre"-geroep versloeg. Elsa, +de dochter van den hertog van Braband en Limburg is het, die den +zwanenridder ziet naderen, om het tegen Frederik van Telramonde, +die haar valschelijk beschuldigd had, op te nemen. Hij neemt Elsa +tot vrouw; maar eindelijk vraagt deze hem naar naam en afkomst en +hij moet vertrekken. Ook te Nijmegen en elders is de Zwanenridder +geen onbekende. + +Maar ook de Limburgsche sagen wijzen op een roemrijk verleden. Venloo +beschouwt Valuas, een stamhoofd der Brukteren, als zijn stichter. Meer +sporen hebben de Noormannen achtergelaten. Naar men verhaalt, +kwamen zij tegen het einde der IXe eeuw de Maas afzakken en sloegen +hun kamp op te Elsloo, van waar zij door Karel den Dikken werden +verdreven. Tusschen Tegelen en Belfeld, ter plaatse van de Snelle +Sprong, stond het kasteel van Erbert van Belfeld, die den Noorman +Hermold, belager zijner schoone gemalin Ida van Lommel, bedwong. Te +Born en omstreken leeft steeds voort de herinnering aan koning +Santibald of Zwentibold, uit Lotharingen afkomstig. God gaf hem eens +in den slaap de gedachte in, een gift te doen aan de arme menschen, +die hij zoo menigwerf leed had toegevoegd. Des morgens deed hij een +man te paard stijgen en liet verkondigen, dat er zooveel dorpen aan +de gift zouden deelachtig worden, als de man binnen den tijd van het +noenmaal zou omrijden. De ruiter reed dan over Born, Guttecoven, +Limbricht, Sittard, Munstergeleen, Geleen, Beek, Elsloo, Stein, +Urmond, Grevenbicht, Papenhoven, Buchten, en zoo naar Holtum. Daar +vond hij een oud wijf aan den slagboom staan, dien zij halsstarrig +gesloten hield. Nu reed hij om Holtum, en bereikte Born nog, toen de +koning en zijn gasten water namen na den maaltijd. Zoo bleef Holtum +van de gift in weide- en heidegronden uitgesloten. + +Geurige legenden ranken ook om de tinnen en kanteelen der heerlijke +burchten van Amstenrade en Valkenburg, Haelen en Horn, en treuren +op de zerken, die de glorie dekken van het keizerlijke stift te +Thorn. Weert's glorie is de dappere Jan van Weert, wiens typisch +tafellied ons door Jos. Habets in een geschriftje over deze +legendarische figuur wordt medegedeeld. De laatste strofe luidt: + + + Sa hitsig! vult de hompen, + Soo lang het vat nog houdt. + Gesellen, laat ons pompen, + Dees nectar, geel als goud + Is voor gansen niet gebrouwd. + + +Over de Mookerheide gaat de sage, dat daar eens een beslissende +veldslag zal geleverd worden, waar zelfs Turken bij tegenwoordig zullen +zijn. De laatste koning van Pruisen zal er bij een roodharigen hoefsmid +zijn paard laten beslaan, maar midderwijl zulke ongunstige tijdingen +ontvangen, dat hij, zonder het einde dezer operatie af te wachten, +het hazenpad zal kiezen. + +Meer geschiedkundige waarde, vooral ook voor den geest van dien tijd, +hebben de sagen van de bokkenrijders, die tot het einde der XVIIIe eeuw +het Zuiden van Limburg onveilig maakten; van Schelkensbeek, waarover +de beruchte Schinderhannes een touw met bel gespannen had, dat hem en +zijn bende waarschuwde, zoo vaak iemand voorbij kwam--intusschen wordt +deze sage ook wel elders verteld--; en eindelijk van den Kozakkenberg +bij Belfeld, waar in het begin van verleden eeuw de Kozakken gelegerd +waren, die het vleesch niet braadden, maar het enkel zacht reden +onder het zadel. + +In Brabant en Vlaanderen vertoont de sage een voornaam en tevens intiem +karakter. Voornaam, immers zij gewaagt van Julius Caesar (Caesarsberg +te Leuven), van Clovis, van Karel Martel, van Karel den Grooten, +van de graven van Leuven en de hertogen van Brabant, van Karel V, +van Albert en Isabella, en toch zijn de verhalen, b.v. die op Karel +V betrekking hebben, zoo intiem, dat zij den anekdotischen vorm zeer +nabij komen. Dit pleit ontwijfelbaar voor den geest van gemeenzaamheid +tusschen vorst en volk. + +Zoo verhaalt men te Molenbeek bij Brussel het volgende: + +Op een avond kwam Keizer Karel laat voorbij Berchem; hij was op +weg naar zijn stad Brussel. Hij ging een herberg binnen, waar veel +drinkebroers zaten, die aan het twisten raakten over het beheer van +den keizer. Meest allen keurden het bestuur van Karel goed; doch +eenigen laakten het in krasse bewoordingen. + +Keizer Karel kwam tusschen beide en verklaarde, dat het bestuur diende +te worden afgekeurd. + +"Wat gij, leelijke vreemdeling, gij durft hier onzen koning komen +lasteren?" + +En ze grepen hem vast en wierpen hem naar buiten. + +Karel kwam te Brussel. + +'s Anderen daags liet hij de twee partijen in zijn paleis +ontbieden. Toen zij in den keizer den vreemdeling van den vorigen +avond herkenden, sloeg allen de schrik om het hart; de bedillers, +maar ook degenen, die hem de deur hadden uitgeworpen. + +Maar de keizer lachtte en schonk allen een belooning. + +Tot zijn voorstanders sprak hij: + +"U beloon ik, omdat gij mijn bestuur hebt verdedigd. Gij zijt goede +vaderlanders. Ik verdiende aan de deur te worden gezet". + +En tot de bedillers: + +"En u kan ik niet straffen, omdat ik mijzelf zou moeten straffen. Maar +weest in 't vervolg voorzichtiger".-- + +De naam van _Jan Primus_, hertog van Brabant, is waarschijnlijk +vervormd tot _Gambrinus_. + +In Vlaanderen leeft nog steeds de sage van Lyderick de Buck, den zoon +van Saluwaart en Ermegarde, die door een tweegevecht zijn moeder uit +de macht van Finard, den geweldige, bevrijdde. Door voortreffelijke +wetten en instellingen heeft hij het Vlaamsche volk opgevoed; ook +worden voorbeelden van groote strengheid van hem verhaald. Wat betreft +de sage van Breboen en Swane, dien ik hier te wijzen op de meening +van Dr. Blöte, waarvolgens de sage van den Brabantschen Zwaanridder +drie perioden heeft doorgemaakt: de Boulognesche, de Brabantsche en +de Kleefsche. De Boulognesche voorstelling was zelfs in Brabant tot +1322 de alleen heerschende. Zij is het, die verhaalt, hoe de zwaan +den ridder met een gouden ketting in een scheepje voorttrok en naar +Nijmegen bracht. De ridder trad daar op als strijder voor de hertogin +van Bouillon en hare dochter tegen den hertog van Saksen. + +Nog een menigte strikt plaatselijke Vlaamsche en Brabantsche sagen zou +ik hier kunnen vermelden, aan gebouwen, straten, bronnen verbonden, +zoo b.v. van den Sint Baafstoren en het Engelandgat te Gent, den +Drij-Hoedengang te Brussel, de Minneborre te Schaarbeek. Maar het zou +den omvang van dit boek overschrijden. Ik volsta dus met enkel nog te +wijzen op sommige volksverhalen, die met gebruiken in verband staan, +zoo b.v. ter verklaring van Vrouwkesavond te Brussel (I, bl. 149); +andere interpreteeren uithangborden of wapenschilden. + +Zie Wolf, Niederländische Sagen, _passim_; Dijkstra, Uit +Friesland's Volksleven I, _passim_; Hofdijk, Kennemerland; De +Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 1--160, 197, 280; Welters, +Limb. Legenden I, _passim_, II, bl. 93; Poelhekke, Woordkunst, +bl. 87; Dr. J. F. D. Blöte, Das Aufkommen der Sage von Brabon +Silvius, dem brabantischen Schwanritter, in de Verhandelingen +v.d. Koninkl. Akad. v. Wetenschappen, N.R. V, 4, vgl. Taal en +Letteren XII, bl. 1 vlg.; G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I, +bl. 62; Noordbrabantsche Alman. 1841, bl. 168; Karl Wehrhan, Die Sage +(Leipzig 1908). + +"De _legenden_", schrijft Dr. Gisb. Brom, "zijn ons onder menig opzicht +dierbaar. Op de eeuwenoude muren van het nooit verouderde Christendom +groeiden ze welig als het altoos groene klimop. Een frissche geur +van poëzie en geestelijk leven waait er ons uit tegen." + +Men heeft de legende verweten, een voortwoekerende slingerplant te +zijn, een vampier met reuzenarmen. Ten onrechte. "Neen, voor wie +over de gave der onderscheids beschikt", meent Pater Kronenburg, +"voor wie de legende in haar diepste wezen aanschouwt en in het +ware licht weet te plaatsen, is zij veeleer eene veilige getuige +der oude tijden, een trouwe bodin van een reeds eeuwen verdwenen +geslacht, die uit haren hoorn van overvloed voor ons uitschudt wat +onze vaderen met beminnelijke naïeveteit dachten, met argeloozen +eenvoud geloofden, met onwrikbare standvastigheid verhoopten. En +behoort dat zieleleven niet tot het gebied der geschiedenis?" En hij +vervolgt: "Zij is de goudlichtende tooverfee, die met kwistige hand +de bloemen van de verbeelding en het kinderlijk gevoel plukt, tot +kransen en festoenen strengelt en die slingert om de stramme zuilen +van den hoogen waarheidstempel, opdat de waarheid, die daar troont, +niet louter voor de rede, maar ook voor het gevoel aantrekkelijk zij." + +Ziedaar zoo voortreffelijk, als weinigen het vermogen, de +kultuur-historische waarde geschetst van die Christelijke +geschiedsagen, welke betrekking hebben op de levens of op de +krachtdadige voorbede der heiligen. + +Doel der legende--ook als zoodanig is zij wezenlijk onderscheiden +van de andere sagen--was en is stichting, en het is bewezen, dat +zij een weldadigen invloed op de wereld der Middeleeuwen heeft +uitgeoefend. Maar het historisch bestanddeel, soms uitsluitend +de persoon van den heilige of het geloof aan of het vertrouwen +in dien persoon, is vaak met allerlei fantastische verhalen, ja +sprookjesmotieven verbonden. Veelal berust de legende op schriftelijke +overlevering; immers oorspronkelijk waren de _legenda_ de "te lezen +stukken" van de levens der heiligen op hun feestdag. + +Inderdaad waren de Middeleeuwen het bloeitijdperk der legende, +en de Middeleeuwsche legenden, met name de Marialegenden, liggen +in voortreffelijke verzamelingen en besprekingen vóor ons. Ik +noem hier slechts de namen van De Vooys allereerst, en verder van +Alberdingk Thijm, Kronenburg, Kruitwagen, Honigh, V. Vloten. Maar de +volkskundige let op het heden, en het verleden dient hem slechts om het +heden te ontraadselen en toe te lichten. Nu vinden wij die legenden +somtijds als reflexen in onze volksverhalen en volksliederen. Maar +de legende-vormende aandrift des volks is toch ook, vooral in het +zuidelijk volksgebied, nog niet geheel verdord. De Vooys verhaalt +in zijn Middelnederlandsche Legenden en Exempelen, bl. 95, van een +ridder, die in een klooster ging en daar slechts het _Ave Maria_ kon +leeren. Uit zijn graf "wies een scoen lelye...ende op elke blat van +der lelyen stond ghescreven "Ave Maria" in gulden letteren." Welnu, +in de hedendaagsche legende keert de trek van het ontspruiten van +bloemen, met den naam van Maria, op het graf van een vroom persoon +en Mariavereerder, niet zelden weer. Ook weet men te Butten, nabij +Tongeren, te verhalen, dat uit het graf van den heiligen martelaar +Evermaar, die als vrome pelgrim den H. Servatius te Maastricht +wilde vereeren, een slank en bevallig boompje met verrukkelijken +bladerdos en de heerlijkste vruchten opgroeide. Deze verhalen en +trekken kùnnen berusten op Middelnederlandsche exempelen, maar toch +ook op hedendaagsche, of althans onafhankelijke legende-vorming.-- + +De allervoornaamste zijn de Marialegenden, en wel in de eerste +plaats degene, die op een bedevaartplaats betrekking hebben. Het +bezoek van de meeste dezer plaatsen ging uit van het volk en nam +langzamerhand in beteekenis toe. De berichten ontstonden in die +kringen, welke aan de bedevaarten deel namen en deze wilden aanbevelen +en bevorderen, dus gewoonlijk weer in de volkskringen. "In Folge +solcher Entstehung", schrijft Stephan Beissel S. J., "richtet sich +die Ausgestaltung der Erzählungen nach der Art ihres Volkes und ihrer +Gegend. In Gebirgsländern finden Hirten, Holzhacker oder Jäger das +Gnadenbild in Felsenhöhlen, anderswo entdeckt man es beim Pflügen +oder beim Hüten einer Herde, sehr oft bei oder in einer Quelle. Am +Meeresstrande verdanken Wallfahrtsorte ihren Ursprung der Rettung aus +Sturmesnot. Dort und an Flüssen oder reissenden Bächen kommen Statuen +herangeschwommen. Wo Irrlichter oder phosphoreszierende alte Stämme +den Wanderer schrecken, erblicken Leute wunderbare Lichterscheinungen +zu denen Engelsgesang hinzutritt": Wallfahrten zu unserer Lieben Frau +in Legende und Geschichte (Freiburg i/B1913), bl. 8. + +Men ziet dus wederom, hoe het volksverhaal strookt met de +omgeving. Herders vinden een Mariabeeldje in een put of bron, of in het +drijfzand van een riviertje, en hechten het dan aan een boom, meestal +een eik of een linde, de veelgeliefde boom onzer vaderen: aldus te Uden +(O.L. Vrouw Ter Linde), Roermond (O.L. Vrouw in het Zand), Oirschot +(O.L. Vrouw ten Heiligen Eik), Scherpenheuvel, Anderlecht, Assche, +Echt (O.L. Vrouw van Schilberg), Handel enz. Dit laatste zou door een +herder gevonden zijn op een doornenstok. Vol moed werd de hand aan +het werk geslagen, om daar ter plaatse een kapel te doen verrijzen, +en een buitengewoon teeken kwam Maria's instemming met dien arbeid +verkondigen. Want toen in die zandige streek het noodige water begon +te ontbreken, ontwelde er eenklaps een kleine put, waarin het water +nimmermeer ontbrak. + +Ook verhaalt de volkslegende, hoe O.L. Vrouwe eens in dezen put haar +kleedje gewasschen en op den doornstok te drogen heeft gehangen. + +Het beeldje van O.L. Vrouw van Eiteren (IJsselstein) werd door +slootgravers gevonden en aan den pastoor van IJsselstein ter hand +gesteld. Deze plaatste het in zijn kerk, maar tot drie maal toe +verdween het daaruit, en werd dan telkens weer op de oorspronkelijke +vindplaats aangetroffen. Iets dergelijks is het geval te Assche, Echt, +Ommel, Meerveldhoven (O.L. Vrouw ter Eik), Wessem, Venloo (de Bedrukte +Lieve Vrouw). Ook legt het beeldje wel een processieweg af, als te +Maastricht (Ster der Zee) en te Werchter, of bidt den kruisweg, als te +Halle. Het verdient opmerking, dat het volksgeloof bij verplaatsing +of ommegang van mirakuleuze beelden schier altijd een merkwaardig +halte- of rustpunt weet aan te wijzen. Ongeveer tusschen Asten en +Ommel, vlak langs den grintweg, verheft zich een kleine heuvel, +waarop vroeger drie linden stonden; daar, zeggen de landlieden uit +den omtrek, heeft O.L. Vrouw van Ommel gerust. + +Ook vinden schippers het beeld aan boord, zooals wordt verhaald van +O.L. Vrouw van Hoorn. Vaak komt het de rivier afdrijven, hetgeen +wellicht als de volkstraditie van O.L. Vrouw van Wilsveen mag worden +aanvaard. Ik vermeld verder nog: Antwerpen, Venloo, Gent (O.L. Vrouw +ter Riven), en Aalst (O.L. Vrouw ten Druiven). + +De legende van O.L. Vrouw ten Druiven luidt aldus: In de VIIe eeuw +overstroomde de Dender een gedeelte der stad Aalst. In dezen nood riep +men Maria aan, en ziet--daar kwam een Mariabeeld op wijngaardranken +aandrijven. En niet zoodra had men het beeld opgevischt, of het water +vloeide weer in de bedding terug. In 681 bouwde de H. Amandus daar +een kapel. + +Zoo kwam ook in de XVe eeuw, gewiegd op de golven der Noordzee, die +destijds het gehucht De Keins, nabij Schagen, nog vrij bespeelden, +een beeldje aandobberen, dat, toen het van het zeewier ontdaan was, +een Mariabeeldje bleek te zijn. + +Te Oostrum en te Elshout, in het Land van Heusden, was een in éen +nacht welig opgeschoten grasveld het teeken, dat Maria daar een +heiligdom wenschte. + +Ik gaf hier slechts enkele trekken uit wat men zou kunnen noemen +de oorsprongslegenden van de talrijke bedevaartplaatsen ter eere van +Maria in Groot-Nederland. Maar men begrijpt, wat een schat van legenden +elk dier heiligdommen bergt. Hiervoor kan ik slechts verwijzen voor +Nederland naar J. A. F. Kronenburg, Maria's Heerlijkheid in Nederland +(Amsterdam) VI, Maria's Genade-oorden en Miraculeuze Beelden, en +voor België naar A. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, Legenden of +Echt Christelijke Sagen, en Fr. St. Schoutens, Maria's Vlaanderen +(Oost-Vlaanderen), Maria's Vlaanderen (West-Vlaanderen), Maria's +Brabant, Maria's Antwerpen (Aalst 1903--1905).-- + +Maar daar leven nog zoovele andere Marialegenden onder het volk. Twee +heilige bisschoppen van Maastricht, Monulfus en Gondulfus, zouden +uit hunne graven zijn opgestaan, om te Aken de wijding van den +beroemden Mariadom bij te wonen. Een andere bisschop dier stad, +Sint Amandus, wordt op Maria's bestel door den Engel Gabriël +bezocht, met de boodschap, dat hij op de bijzondere hulp zijner +hemelsche beschermster mag bouwen. In Noord-Brabant ontmoeten wij +dan de beroemde legende van Fulco van Bern, den dapperen ridder, +die voor zijn vijanden vluchtend, met zijn paard over de Maas zwemt, +en door Maria, "gekleed in hemelsblauw", wordt beschut. Te Roosendaal +verhaalt men, dat vóór lang vervlogen eeuwen aldaar een Mariakapel zou +gebouwd worden, en toen men niet kon beslissen op welke plaats, nam +men zijn toevlucht tot het gebed. En zie, den volgenden dag waren op +eene weide de ossen van een landman wit van kleur geworden, en was een +roode, zijden draad rondom hen gespannen. Dit werd de uitverkoren plek +voor het heiligdom.--Dichterlijker is de stichting van het klooster +Mariënwater te Couwater bij Den Bosch. Ook hier onzekerheid omtrent de +plaats. Maar in den nacht hoort een landman in een zijner bijenkorven +een zachte, zoetklinkende muziek, en ziet in den korf een kerkje met +twee kloosters, door de bijen van was gemaakt. + +Op den Veluwezoom hoorde een vroom grijsaard engelenmuziek en zag +hij schitterende lichten boven een plek zweven, 't Werd voor hertog +Reinoud II van Gelder de aanleiding, om daar het klooster Munnikhuizen +te stichten. In Utrecht leefde in de abdij van Oostbroek een monnik, +die, de verslapping van zijn klooster vooruitziende, O.L. Vrouwe bad, +om nu toch maar aanstonds te sterven. En ziet, hij stierf op dat uur. + +Overijssel is rijk aan Maria-legenden, vooral door de stichtingen +van Gerrit den Groote (Geert Groote) en van de Windesheimers. Op +den Agnietenberg bij Zwolle was Maria zelve verschenen aan een ouden +broeder en had hem tot volharding aangemaand. Aan een jeugdig meisje, +Gerbrich ten Voerde, die van een wild paard was gevallen, verscheen +zij "aangekleed, zooals men haar in den Vasten pleegt te versieren", +en zij genas de zieke en leidde haar terug naar Meester-Geertshuis. + +In het klooster Yesse bij Groningen wordt een kaars voor een Mariabeeld +door ongeziene hand ontstoken, en hoe vaak ook uitgedoofd, telkens +ontvlamt zij opnieuw. + +Ook Holland heeft vermaarde Maria-legenden. De allervermaardste is +wel die van Walter, ook in het buitenland onder veelsoortige vormen +verspreid. Terwijl Walter een mis ter eere van Maria bijwoont, vervangt +deze hem in het steekspel, en Walter verricht daar schijnbaar wonderen +van dapperheid. Toen hij dit vernomen had, sprak Walter tot zijn +wapenmakker Walewijn: "Nu wil ik als monnik in nederig kloosterkleed +haar ridder worden. Hier is haar godgevallig huis Hemmenrode; vriend, +gaat gij met mij mede?" En Walewijn antwoordde: "Ik wil Christus +dienen, ja ik ga met u mede". Zoo onderwierpen zich beiden aan den +kloosterregel. Walter leerde den souter zingen en overtrof de broeders +in het devoot bidden en dienen. + +In België geeft Maria eveneens vaak te kennen, waar ter plaatse zij +een kerk wil gesticht hebben, zoo b.v. te Alsemberg, waar het vlas +op een akker plotseling rijp wordt. Het bovenstaande verhaal van den +ridder Walter leeft te Bierbeek en te Leefdaal. Ook zou Maria dezen +ridder eens een gouden kruis hebben vereerd door een priester als +tusschenpersoon. Aan het kruis was namelijk een strookje perkament +bevestigd met de woorden: "Overhandig dit kruis vanwege Maria, Moeder +van Jezus, aan ridder Walter van Bierbeek". + +Elders keert door Maria's voorspraak een doode jongeling tot het +leven terug; of wordt een onschuldig veroordeelde door O.L. Vrouwe +verlost. Maar de allerberoemdste Maria-legende, de heerlijkste, +geurigste roos uit de geheele gaarde der volkslegenden, is wel die van +Beatrijs, de dienaresse van Maria, die, toegevend aan den prikkel des +vleesches, veertien bange jaren in zonde ronddoolde, maar tenslotte +berouwvol naar haar klooster terugkwam. Daar had Maria al die jaren +hare taak van kosteres trouw waargenomen. Welnu, deze legende speelt +in het klooster Vrouwenperk op het gebied van Wezemaal of Rotselaar, +bij Leuven. + +Maar wij moeten ook de andere heiligenlegenden althans even +aanstippen. Nederland is rijk aan bronnen, waarmee een heiligenlegende +verbonden is. Zoo kennen wij de St. Geertruifontijn te Bergen op +Zoom, den St. Oelsput te Best, den St. Valentinusput te Westhoven, +de St. Surafontein te Dordrecht. Zij ontsprong op de plaats, waar de +heilige Sura of Sotheris ter dood werd gebracht. De St. Aelbrechtsput +te Egmond welde op onder de lijkkist van den vorstelijken belijder--zoo +luidt de traditie--bij het opgraven van diens eerbiedwaardig gebeente, +terwijl Houthem (L.) boogt op zijn St. Gerlachusput, die jaren +lang den vromen kluizenaar zou hebben gelaafd. In het Jekerdal +bij Maastricht, te Cannes, niet ver van het kasteel Aigremont, +vloeit een St. Servatiusbron, die de doorluchtige Maastrichtsche +kerkvoogd bij groote droogte met zijn staf uit den dorren grond zou +hebben geslagen. Een analogen oorsprong schrijft de legende toe aan +een menigte andere putten, zoo b.v. aan de St. Landoaldusbron te +Wintershoven bij Tongeren en aan den Servatiusput te Nunhem (L.). + +Maar verreweg de meeste van Nederlands heilige bronnen zijn gewijd +aan de eerste geloofsverkondigers Bonifacius en Willibrordus. + +Een dezer is een zoogenaamde _hippokrene_ of paardenbron, éen der +drie Bonifaciusputten te Dokkum. Op de plaats, waar de geloofsheld +het leven liet, zonk, naar verluidt, het paard van iemand uit koning +Pepijn's gevolg met de voorpooten in den grond; en nauwelijks was het +paard er uit geholpen, of daar spuit met kracht een kristalheldere +waterstraal opwaarts. Ik wensch hier even er aan te herinneren, +dat ook een hoefslag van Wôdan's ros een frissche bron doet opborrelen. + +Andere bronnen zijn weer bij dorstnood ontstaan, zoo b.v. de bron te +Heiloo. Hiervan wordt het volgende verhaald. Toen de H. Willibrord +de plaatsen, nabij de zee gelegen, rond ging, deed zich eens gebrek +aan zoet water gevoelen en moest hij zien, hoe zijn medearbeiders van +dorst versmachtten. Hij riep dan een hunner en beval hem een kuiltje +te maken. De bisschop knielde neder en bad, dat God, "Die voor zijn +volk in de woestijn water had doen vloeien uit de rots, met diezelfde +barmhartigheid uit den zandigen bodem water voor zijne dienaren zou +doen opborrelen". En ziet, onmiddellijk wordt het kuiltje gevuld door +eene zoetwaterbron. + +Eindelijk, een groot aantal bronnen dragen den naam van de +H.H. Bonifacius of Willibrordus, omdat deze heiligen er in gedoopt +hebben: aldus de twee andere Bonifaciusbronnen te Dokkum, aldus de +Willebrordsputten te Osch, Diessen, Deurne, Zoutlande, Bakel, Asten, +Maarhees, Geisteren, Venraai, Stamprooi, en voorheen te Berchem, bij +Antwerpen. Zulke bronnen noemt men _kerstputten_ of _kerstpoelen_, +en de historische kern der legenden is ongetwijfeld deze, dat de +geloofsverkondigers verscheiden heidensche bronnen zullen gekerstend +hebben, door er de heidenen de genade der wedergeboorte te doen +deelachtig worden. + +Is het wonder, dat nog zoovele andere legenden Neerlands vroegste +geloofsverkondigers verheerlijken? Hierin uit zich de dankbaarheid +van den volkszin. Te Maastricht verhaalt men van den bisschops- en +pelgrimsstaf, de drinkschaal en den sleutel van den H. Servatius; +nog leeft te Susteren in de volkslegenden de H. Willibrordus, te +Odiliënberg de H.H. Wiro, Plechhelmus en Otgerus. Te Noordwijk weet +men te vertellen, hoe de H. Jeroen door de Noren gemarteld werd; hoe +hij een eeuw na dien aan een godvruchtig landbouwer, met name Nothbodo, +verscheen, en hem gelastte, zijn gebeente over te brengen naar Egmond, +in het heiligdom van den eerbiedwaardigen Adalbert. + +Maar nog andere banden verbinden de heiligen aan ons volk. De +H. Hereswit vereenigt de traditie van Strijen en Thorn (L.), welks +vorstelijke abdij zij stichtte. De nagedachtenis van den heiligen +bisschop en belijder Bernulphus houdt men in het Utrechtsche en verre +daar buiten in eere. Sint Hatebrand verbindt weer Noord en Zuid, +de Groninger Ommelanden met Antwerpen, waarheen men zijn gebeente +overbracht. De H. Sura wordt als volksheilige vereerd te Dordrecht, +de H. Lidwina te Schiedam, de H. Norbertus te Gennep, waar men nog +het Norbertuspad en het Norbertuspoortje wijst, Sinte Kunera te +Rhenen, Sint Gerlacus te Houthem en in geheel Zuid-Limburg, terwijl +de eerbiedwaardige Ailbert in vrome herinnering blijft voortleven te +Rolduc, door hem gesticht. De stad Delft is fier op hare Geertruida +van Oosten. En zoo eert het volk den H. Trudo te Sint Truiden, de +H. Adilia te Haspengouw, de H. Aleidis te Schaarbeek, de H. Alena +te Dilbeke, Sinte Gudula te Brussel, de eerbiedwaardige Ida, van wie +gezegd wordt, dat "die visschen in den water tot haren handen quamen +en desgelijcks die voghelen", te Leuven, Sint Veronus te Lembeek, Sint +Bavo door geheel Vlaanderen. In de omstreken van Brussel zweeft nog de +geest van eerbiedwaardigen Ruysbroec, eerste prior van het klooster +te Groenendaal, bij wiens verscheiden de klokken van Deventer, de +verblijfplaats van Gerrit den Groote, vanzelf begonnen te luiden. Ook +wijst men nog een boom in het Zoniënbosch, waaronder de groote mysticus +gewoon was te schrijven en te mediteeren. + +Zie Kronenburg, Maria's Heerlijkheid in Nederland V, bl. 301 vlg.; +Neerlands Heiligen in de Middeleeuwen (Amsterdam 1899), Neerlands +Heiligen in later Eeuwen2 (Amsterdam 1908), _passim_; Schoutens, +Maria's Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Brabant, Antwerpen, +_passim_; A. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, bl. 64-345; Wolf, +Niederländische Sagen, _passim_; J. J. van der Horst, Oud en Nieuw, +Nederlandsche legenden (Leiden 1887), bl. 1, 41, 367 enz.; Hofdijk, +Kennemerland: De Macht des Geloofs; Schrijnen, Essays en Studiën, +bl. 245 vlg. (Volkskunde XV, bl. 168); H. Welters, Limburgsche +Legenden, _passim_. + + + +III. Het volkslied. + + +"Zij worden heel niet gemaakt, zij groeien, zij vallen uit de lucht, +zij vliegen als herfstdraden over land, nu hier, dan daar heen; +op duizenden plaatsen tegelijk worden ze gezongen ..." Zóo teekent +Th. Storm de liederen, die opbloeien uit den volksgeest, die meeleven +het leven des volks ... + +Een rijken schat van poëzie legt het volk in zijn gebruiken. Wanneer +de landman het zaad hoog opgooit, dat het welig opschiete; wanneer +de Westvlaamsche "boeier" het paard 's avonds te voren in het oor +fluistert, dat het den volgenden morgen een doode moet vervoeren; +als de Limburgsche bruid zorgvuldig het zelfvervaardigde bruidshemd +bewaart, dat haar eens als doodsmantel zal dienen,--dan is dit +hooggestemde volksdichting, al zijn het "Lieder ohne Worte". Maar stelt +die aandoening zich in klankbeweging en wordt deze gevoelsverklanking +geschakeerd door rythmische en melodische stembuigingen, dan wordt +geboren het _volkslied_. + +Het woord "lied" heeft geen betrekking op het getoonzette of gezongene, +maar op het uitermate zingbare. Het lied is de eenvoudigste uitdrukking +van een stemmingsgeheel, het versnippert de gemoedsstemming niet, +om er de ontwikkeling van voor oogen te stellen, maar zingt een +éenvormige, zich-gelijkblijvende, boven de begrippen der woorden +zwevende stemming uit, het beweegt zich in korte strofen, meest van +vier tot acht regels, die de natuurlijke maat van vier, of drie en +vier versvoeten hebben. Maar elke strofe bevat de geheele stemming, +wier aroma zich als bloemengeur verbreidt. + +Het melodische lied is dus uiteraard _welluidend_ en +_eenvoudig_. Teeder als een zucht en toch weelderig van rythme en +bloeiend van klank. En nu bereikt het zangerige juist in de volkskunst +een hoogtepunt, daar erlangt de eenheid van rythme en mimiek bij spel, +bij arbeid en dans zulk een volmaaktheid, dat zij de hoogste norm +schijnt te naderen. + +"Het volkslied een uiting der volksziel": een uitspraak als deze +dient natuurlijk niet verstaan te worden in den geest der vroegere +romantiek, alsof wij met een niet te benaderen, anoniemen, scheppenden +volksgenius te doen hadden. Niet het kollektieve volk, neen, de +man-uit-het-volk is de auteur. Maar juist òmdat hij uit-het-volk is, +omdat hij het volk begrijpt en het volk hem, omdat hij deel heeft aan +den aard van het volk, dat werkelijk dichter is in zijn gebruiken, +zijn beelden en uitdrukkingen en niet het minst in zijn stemmings- +en gevoelsuitingen,--juist dáarom is hij in staat een volksgedicht +te scheppen. + +Volgens Otto Böckel, Psychologie der Volksdichtung (Leipzig 1906) +is de _roep_ de kern van het volkslied. Alles wat de mensch aan +lief en leed ondervindt, wat hem schokt en schrijnt, hem verheugt +of prikkelt of afschrikt, ontlokt hem gezangvormige klanken. Deze +klanken nu zijn vatbaar voor ontwikkeling. Zij kunnen groeien in +omvang en melodie; veelal wordt hun klankgehalte versterkt door het +stafrijm. De vreugderoep is de bevoorrechte gevoelsuitdrukking in den +bloeitijd des levens, is verklanking van liefde en lust; men denke +slechts aan refreinen als: + + + Hei 't was in de Mei, Mei, Mei, + Hei 't was in de Mei. + + +De smartroep handhaaft zich voornamelijk bij de lijkklacht. Maar het +arbeidslied bovenal wijst op de ontwikkeling van de volkslyriek uit de +gevoelstonen. Hier immers voegt zich bij de klanken een voor de poëzie +onmisbaar bestanddeel: het rythme. Gevoelsuitingen en muziek gingen +aanvankelijk steeds gepaard; het rythme kwam van elders. En nu is het +de groote verdienste van Karl Bücher, er ons op gewezen te hebben, +hoe deze onmisbare faktor zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm, +dien het volk aan een inspannenden arbeid ter afwisseling gaf. Het +rythme gewerd de volkspoëzie dus vooral uit het arbeidslied, +waartoe het danslied in hoofdzaak moet worden teruggebracht. Hoe +ouder de arbeidsgezangen zijn, des te enger schijnen zij met de +arbeidsverrichting samen te hangen. + +Zoo is dan het volkslied een dichtzang, die organisch uit het volk +in zijn gevoelen en verrichten is gegroeid; het is onmiddellijk +ontsprongen aan het gevoel der natuurvolken en, van de kultuurvolken, +in zooverre hun gewaarwordingen en uitingen behooren tot het domein der +onderkultuur. In en door het zingen plant het zich voort. De dichter +is meest onbekend, omdat op den bodem der onderkultuur, der naïeve +volkskunst, dichterlijke individualiteit kwalijk gedijt. Het lied +is alles, op den zanger wordt weinig acht geslagen. Het lied wordt +beschouwd als gemeengoed, omdat het uiting geeft aan de gevoelswereld, +welke aan alle volksgenooten gemeenzaam is. Ging het ook niet aldus +met de grootsche scheppingen der Middeleeuwsche bouwkunst? Gelijk +het volk deze als zijn eigendom beschouwde, door er voortdurend aan +te wijzigen en aan bij te bouwen naar willekeur, zoo heeft ook het +volkslied nimmer een authentieken vorm, is het als 't ware steeds in +vlottenden toestand, staat het aan allerlei veranderingen, verkortingen +en toevoegsels bloot. De aanhef van het lied openbaart echter meestal +zijn afkomst. + +Het volkslied deelt dus het lot van het sprookje; en evenals +van sprookjes-motieven, zoo mag men ook van liederen-motieven +spreken. Trouwens volkslied en sprookje bestaan elkander in +den bloede door hun gemeenschappelijk sterk-algemeen karakter, +óok dan, wanneer zij niet geheel samenvloeien, zooals in het +sprookjeslied. Bijzonderheden worden verwaarloosd, tijd en plaats +zelden vermeld. Veelal wordt de hoorder in eens midden in de handeling +verplaatst. Ook moraliseert het volkslied evenmin als het sprookje. + +Toch verraden de motieven doorgaans hun herkomst, en wel niet alleen +de sociale groep, waarin zij geboren werden, maar ook den landaard en +het klimaat van hun geboortegrond. In laaglanden als de onze is een +Hoogduitsche _Juchzer_ ondenkbaar. Weidevelden geven iets eentonigs +en zwaarmoedigs. Maar de zee schenkt opgewektheid en kleurigheid +van toon. "Friesland zingt niet": die uitspraak is overdreven, maar +geenszins van waarheid ontbloot. De innigheid van het Saksische +halle-huis vergoedt veel van het trage en monotone in taaleigen en +landschap. In het land der Franken, met den Keltischen ondergrond, +voelt het volkslied zich het behaaglijkst. + +Wat is nu het verschil tusschen volkslied en kunstlied? Laat ik +vooreerst opmerken, dat ik de benaming "kunstlied", wanneer zij moet +dienen, een tegenstelling te vormen met volkslied, niet aanvaard. Is +het volkslied dan géen kunst? Tegenover het _volks_lied staat niet het +kunstlied, maar het _kultuur_lied, evenals tegenover de _volks_taal +staat de _kultuur_taal: "kultuur" heeft hier natuurlijk de waarde +van "bovenkultuur". Welnu, een wezenlijk verschil zie ik tusschen +beide niet. Kan het anders? Er bestaat immers geen wezenlijk, maar +slechts een gradueel onderscheid tusschen onder- en bovenkultuur. Het +kultuurlied geeft slechts veredelde, of somwijlen _zoogenaamd_ +veredelde volkskunst. De vorm is meer verfijnd, de auteur is zich ook +bewust, een kunstprodukt te scheppen. Verder is hij meestal bekend en +zorgt voor de rechten van zijn vaderschap. Maar hij kan putten uit de +volksschatkamers, en zóo kan het volkslied vaak tot kultuurlied worden, +om straks wellicht weer in den volksmond tot volkslied te worden +vervormd: maar dán zal het de afgesleten vorm zijn! Steeds dient de +kultuurdichter echter met het volk voeling te houden; en laat ik het +woord van Poelhekke hier bij voegen, dat de verfijnde kunst der hooger +ontwikkelden, van de meerderen in de techniek, "nooit de bron waaruit +zij is ontsproten mag vergeten, op gevaar af aan bloedarmoede te gaan +lijden": Woordkunst, bl. 122; vgl. De Beiaard I, 1, bl. 43 vlg. Verder: +Karl Bücher, Arbeit und Rhythmus. Abhandl. der Philolog.-histor. Classe +der königl. Sächsischen Gesellschaft der Wissenschaften (Leipzig 1896) +XVII, V, vooral hoofdstuk 4, bl. 74: Der Ursprung der Poesie und Musik; +Otto Schell, Das Volkslied (Leipzig 1908); Otto Bremer, Zum Versbau der +Schnaderhüpfel, in het Festschrift Karl Weinhold gewidmet (Strassburg +1896); Gustav Meyer, Essays und Studien I, bl. 289-408: Zur Kenntniss +des Volksliedes; Schrijnen, Essays en Studien bl. 258 vlg.: Litausche +Volkszangen; Dr. N. Geerts, Oorsprong en wezen van het volkslied, in +de Handelingen van het zevende Nederl. Filologenkongres, bl. 109 vlg. + +Het Nederlandsche volkslied heeft lang gewacht op de waardeering, +die het toekwam. Ik bedoel hier niet de historische waardeering, +die het profane en geestelijke lied ruimschoots gewerd door den +voortreffelijken arbeid van Kalff, Moll, Acquoy, De Vooys, Knuttel en +anderen. Maar eerst in 1907 was Groot-Nederland in het bezit van een +verzameling van volksliederen, die de vergelijking b.v. met de Duitsche +soortgelijke werken van Böhme en Erk kon doorstaan: ik bedoel de drie +deelen van Flor. van Duyse's Oude Nederlandsche Volksliederen (Den +Haag 1900-1907). Ook kunnen wij niet ontkennen, dat het Hoffmann von +Fallersleben is, dus een Duitscher, die hier te lande de belangstelling +in onze eigen vaderlandsche liederen heeft gaande gemaakt. Sedert dien +kunnen wij wijzen op de gedeeltelijke verzamelingen van Snellaert, +J. F. Willems, De Cousemaker, Carton, Lootens en Feys, Jan Bols, Van +Vloten, J. en L. Alberdingk Thijm en Blyau en Tasseel. Oud en nieuw, +volkslied en kultuurlied, oude, bewerkte en nieuwe melodieën vindt +men vergaderd in Coers' Liederboek van Groot-Nederland. Zie vooral +Dr. F. Scheurleur, Nederlandsche Liedboeken ('s Gravenhage 1912). + +Behoudens haar vergelijkende waarde zijn al deze verzamelingen voor de +volkskunde slechts van belang, in zooverre zij liederen zeer onlangs +uit den volksmond opteekenden. Want, ik kan het niet vaak genoeg +herhalen, de volkskunde is de kennis en het wetenschappelijk onderzoek +van het _heden_, is de ethnologie der thans levende kultuurvolken. Ik +geef dus van elk der verschillende soorten volksliederen slechts die +stalen, waarvan ik ofwel persoonlijk kennis nam, of van wier voortleven +ik mij anderszins kon vergewissen. Sommige liederen berusten, wat den +tekst betreft, op schriftelijke overlevering, welke uitsluitend ten +doel heeft, het geheugen ter hulp te komen. Eenige families houden +er zelfs lijvige geschreven liederboeken op na. In dit geval is de +schriftelijke traditie gelijkwaardig met de mondelinge. + +Een enkel woord ook over de _muziek_ van het volkslied. Zij berust +voor een groot deel op de volksmuziek der Middeleeuwen, die zelf +gesproten is uit de Oudchristelijke Latijnsche kerkmuziek. Wanneer +wij nu weten, dat deze kerkmuziek in hoofdzaak niets anders is dan +gekerstende Grieksche en Grieksch-Romeinsche muziek, zooals door +Fr. A. Gevaert en A. Möhler uitvoerig is aangetoond, dan komen wij tot +het verrassende resultaat, dat in de brokstukken van het hedendaagsche +volkslied de muziek der heidensche klassieke oudheid nog voortleeft. + +Inderdaad doorloopt het volkslied der Middeleeuwen de Aeolische, +Dorische, Iastische en Hypolydische toonladders, door het Roomsche +_Antiphonarium_ aan de oude muziek ontleend. En wanneer het ons heden +voorkomt, of een volkslied sterk op een kerkelijke hymne of eenig +ander Gregoriaansch kerkgezang lijkt, dan is dit geen verbeelding, +maar werkelijkheid; en de overeenstemming berust niet op toeval, +maar op genetischen samenhang. Zoo is de melodie van het bekende lied +van Halewijn, dat nog op vele plaatsen en met vele varianten in den +volksmond leeft, niets anders, dan die van het _Credo_ uit de _Missa +in duplicibus_; en die van de Koninginne van Elf Jaren berust op het +_Veni Creator_. Voor verdere beschouwingen verwijs ik naar Fl. van +Duyse, Het oude Nederlandsche Lied I, Inleiding, bl. XVI vlg., en +vooral naar zijn uitvoerige verhandelingen: Het eenstemmig Fransch en +Nederlandsch wereldlijke Lied in de Belgische gewesten (Brussel 1896) +en De Melodie van het Nederlandsche Lied in hare Rhythmische vormen +(Brussel 1902). + +Allereerst dus, met het oog op de geboorte van het volkslied in het +algemeen, volge hier het _arbeidslied_. De melodie hiervan is zonder +twijfel oorspronkelijker en zelfstandiger dan die der verhalende, +erotische, geestelijke e.a. liederen, daar zij het nauwst met den +inhoud samenhangt. + +Niet alleen in Nederland, maar van den Brennerpas tot aan de Noordzee +klinken hei-liedjes in den trant van ons + + + Hoog op een! een, twee, + een, twee, drie! + hoog op vier! vijf, een meer! + hoog op zes! fiks op, enz. + + +Gegroeid in melodie en in vorm klinkt het lied: + + + Haal op je hei! + Hij is gewassen + Al in de klei, + Al in den grond + Daar staat hij prompt, + Zóo staat hij beter, enz. + + +Overeenkomstig de sociale groepeering van het volk zal het arbeidslied +zich verder moeten splitsen in dorschlied, smidslied, visscherslied +enz., en vooral aan die bedrijven dienen te beantwoorden, waarin +rythmische beweging het werk begeleidt. Men denke ook aan het liedje, +dat bij het snijden der meifluitjes gezongen wordt, terwijl de jongens +rythmisch met het hecht van het mes op de wilgenbast kloppen (I, +bl. 191). + +Een Zeeuwsch karnliedje luidt aldus: + + + Kêrne, kêrne beuter, + Drie pond in een scheutel, + Drie pond in een kannetje, + 't Is van moeder Jannetje. + + +Uit Friesland: + + + Tsiis, tsiis, tsjerne! + Bûter komt fer reamme [room], + It gearret sa wol, it gearret sa wol, + Mei eltse stiet in amerfol. + + +Spinlied uit Ochten: + +1. + + + Spin, spin, m'n lieve dochter, + Dan krijgde gij een hoed! + Ja, ja, mijne moeder, + Die staat mij zoo goed. + + +Refrein: + + + 'k Kan lappen en spinnen, + Een zweer aan den vinger + Doet mij er zoo zeer. + + +2. + + + Spin, spin, m'n lieve dochter, + Dan krijgde gij een jak! + Ja, ja, mijne moeder, + Dat staat mij zoo knap. + + +Refrein: + + + 'k Kan lappen, enz. + + +(Driem. Bladen III, bl. 42). + +Uit Zeeland: + + + Draaie, draaie wieltje, + Morgen komt Machieltje, +Als Machieltje nièt en komt, + Dan komt Jacob Janssen, + Die zal je leeren dansen, + Hier een stoel en daar een stoel, + Op ieder stoel een kussen. + + +Ten slotte een strofe van een Vlaamsch spinliedje, dat het midden +houdt tusschen arbeidslied en sprookjeslied: + + + Al onder den weg van Maldegem, + Malle-Malle-Malle-Malle-Maldegem, + Al onder den weg van Maldegem, + Daar zat een wijf dat spon. + Dat wijf dat zat en spon, + Gielegon, + Al op een houten wieleken, + Wiele-wiele-wiele-wiele-wieleken, + Al op een houten wieleken, + Daar was geen draaiing aan! (_bis_). + + +Oogstlied uit Woubrechteghem (Oost-Vl.): + + + Het laatste voer is op de baan, + Dat in den boer zijn schuur moet gaan, + De luie boeren alleen hebben nog staan. + + +Ik vermeldde dit liedje reeds I, bl. 281, en daarvóor het rhythmische +Noordhollandsche oogstlied, dat inzet met de regels: + + + De wumpel, de strumpel, de kanne met bier, + Die hebben we hier op ons plezier! + + +Ook enkele dorschliedjes gaf ik reeds op bl. 284. In zijn geheel +luidt het Friesche liedje als volgt: + + + It klitst, it klatst + 't Giet juwn toa gest, + Op tzies in brea + Mey 't heale gea. + + As wij houndert krye + Wy zilt neat zwye, + Dan jouwt dy frouw + Uws spek in strouw + Goe bjear dar by + Is aeck uws fly. + + +Dr. H. Blink vertaalt deze stroofjes: + + + Het klitst en klatst + Het gaat van avond te gast + Op kaas en brood + Met het heele dorp. + + Als wij honderd [zakken] krijgen, + Wij zullen het niet verzwijgen + Dan bakt de vrouw + Voor ons spekpannekoeken + En goed bier daarbij + Dat voegt ons wel. + + +Op wisselmaat berust verder het vlasslijterslied, het visscherslied, +het maaierslied, het smidslied, het touwslagerslied, het kuiperslied, +het molenaarslied. Op maatbeweging gaat ook het soldatenlied terug, +daar dit toch hoofdzakelijk een marschlied is. Ook het jagerslied is +in den grond een marschlied. Sterk-rhythmisch is verder het schippers- +en roeilied, en ook het matrozenlied, dat men hoort in de havensteden; +dit ontstond bij het anker lichten of bij het hijschen der zeilen. Zie +ook Dr. De Vooys, Volkskunde XXIV, bl. 154 vlg. + +Ten slotte nog een weversliedje, ons door de Graafschapsbode van 16 +Maart 1907 medegedeeld [vgl. Driem. Bladen VII, bl. 627]: + + + "Hungel de bungel de boeze, + Achter onzen hoeze + Daor steet 'nen grooten nöttenboom, + Daor zat 'nen wêver op 'nen toog, +He wos nich, watte etten zol, + Zoere, zoere kernemelk + Met gerstebrood, + Sloat den luien wêver dood! + Loat em nog en betjen lêven, + Dan zal e wal better wêven; + Zet em op 't spiendvat, + Sloat em met de panne veur 't gat, + Hè, boer, wat plêrt dat". + + +Het hoog-poëtische liefdeleven klinkt bijzonder zuiver door in het +_bruiloftslied_. Oorspronkelijk omvat dit lied zoowel de klacht +bij het verlaten van het ouderlijk huis, als het jolige vreugdelied +bij het overschrijden van den drempel der nieuwe woning. Maar men +vindt het nog slechts in bloei bij volken met hoogst eenvoudige en +sobere levenswijze, zoo b.v. bij de Lithauërs. In de Nederlandsche +gewesten is het vrijwel uitgestorven. Het lieve stroofje van Cremer +in Bruur Joapik: + + + Hier 'en reuske, en doar 'en flikske, + Weer 'en tekske en weer 'en strikske; + Bluumpkes moar + Bij mekoar + Rood en gruun veur 't jonge paar + + +zal wel een kultuurdichtje in den volkstoon zijn. Laat ik echter wijzen +op het Bathmensch bruiloftslied, dat wij vinden in de Driem. Bladen +II, bl. 60, 61: + +Algemeen Bathmensch Bruiloftslied. + + + Willen wij er eens ommegaan, + En zien of ik ze niet vinden kan? + Ja, hier heb ik ze gevonden, + Ja, met haar bruin haar. + 't Is gevonden, ik zal haar kiezen, + + Al voor een draai. + Zij is mager al om te geven. + En geef niet over in dezen stond, + Of geef haar een zoentje voor haren mond, + Al zoo nat, + Al zoo glad. + Onder mijne voeten, + Uitverloren, + Uitverkoren, + Waar zal ik het zoeken? + Onder deze lesse besse, + Mooie meisjes samen! + Mooi meisje met je blauwe rok, + Mag ik eens met u ganen? + Neen, neen, dat ziet zoo niet! + Ja, ja, dat ziet zoo wel! + Keer u eens om en ik meen je wel! + Keer je nog eens omme, + Nog eens weder omme! + Ik heb den heelen dag geloopen, + Mijn geld is door de keel gekropen (geloopen) + O, en zie zoo, + En bij ons gaat alles zoo! + En allo! + + +Met het bruiloftslied hangt ten nauwste het _danslied_ samen, en de +schakel vormt het bruiloftsdanslied, oorspronkelijk wel op de deel +uitgevoerd. Zoo b.v.: + + + Ik heb mijn geld + Op hoopen gesteld, + Gestapeld op elkander. + Ik heb mijn liefje trouw beloofd, + Een trouw van diamanten. + + Ziedaar, schoone jonkheer, + Daar heb-je mijn hand van eer. + Ziedaar, schoone jonkvrouw, + Daar heb-je mijn hand van trouw, + En daarop zoen ik jou. + + +Het oude danslied vindt men vooral nog terug in het kinderlied. Wij +zagen herhaaldelijk, hoe een oud gebruik overal elders werd +uitgeschakeld, om in onzen tijd bij de kinderen terecht te komen; +zoo b.v. het Paasch- en St. Maartensvuur, de ommegang met de +Pinksterbloem en de Luilak, het kaarsje-dansen met Driekoningen, het +raadselopgeven, het pandverbeuren enz. Dezen weg zijn vooral vele +reidansen gegaan. Hier en daar, op bruiloften en boerenkermissen, +wisten zij zich nog op het platteland staande te houden, maar zij +verdwijnen meer en meer. En evenzoo ging het met allerlei drinkliedjes +en pandspelletjes. "Reien als het ,Patertje langs den kant' ,de +Zevensprong' en ,Haal open de poort' geven ons te zien, hoe onze +voorouders dansten, voordat de uit den vreemde ingevoerde draaiende +wals en polka de oude slepende reidansen verdrongen": Boekenoogen, +Onze Rijmen, bl. 16. + +Bij deze reidansen schrijden de kinderen langzaam hand aan hand voort +op de maat van het gezang, terwijl zij nu eens een kring vormen en dan +weer een ketting, die zich onder een poort van armen voortbeweegt. Wij +hebben hier een rest van den Oudgermaanschen dans. Het "Patertje langs +den kant," waarvan ik de eerste strofe met de melodie laat volgen, was +echter geen bruiloftsdanslied, maar een Meidanslied; vgl. I. bl. 190. + + + Daar ging een pa-ter-tje langs den kant, + Hei, 'twas in de Mei, hij vat-te zijn zoe-te-lief + bij de hand, Hei, 't was in de + Mei zoo blij, Hei, 'twas in de Mei! + + +Nog een enkel woord over de waarde van het kinderlied. Het vertoont +de resten van nog zoovele andere oude volksgebruiken. In een +rommelpotliedje, waarvan ik I, bl. 165 melding maakte, wordt gesproken +van "een stroobant", welks beteekenis mij niet helder leek. Intusschen +geloof ik, dat wij hier een aanduiding mogen zien van het oude gebruik, +stroo onder het lijk in de kist te leggen, wat vooral kan blijken uit +de vergelijking met de volgende regels uit een XVe eeuwsch handschrift: + + + Ende een wilghen kiste ende een stroen bant, + Hiermede word ik sent int ander lant. + + +In den kindermond wordt de "strooband" in Drente wel eens tot "strop", +waarbij dan gevoegd wordt de houtsoort van de kist; het resultaat +luidt: "mit 'n eiken strop an." Zulke veranderingen in den kindermond +zijn zeer veelvuldig en, hoe verbijsterend somtijds ook, steeds +psychologisch uiterst leerzaam. Zie hierover b.v. Dr. J. Bergsma, +Drentsche Volksalman. 1902, bl. 50 vlg. + +Natuurlijk vinden wij ook heel wat survivals van oude +geloofsvoorstellingen, die ik in het Eerste Deel besproken heb. Toch +moet men in dit opzicht voorzichtig zijn. Wanneer bij het neerdwarrelen +der sneeuwvlokken de kinderen te Assche jubelen: + + + See-se-ken schudt zijn bed-de-ken uit, en + laat de pluim-kes vlie-gen! + + +vgl. te Brugge: "O.L. Heertje schudt zijn beddeken uit en al de +pluimtjes vliegen deruit", terwijl dit elders de Engeltjes of, +zooals in Noord-Brabant, Maria doet,--dan kan men wel zeggen, dat +dit liedje eigenlijk op de Germaansche Godin Holda betrekking heeft, +en onmogelijk is dit ook niet. Maar het kan óok zijn, dat wij hier +eenvoudig met een animistische opvatting (in ruimeren zin) te doen +hebben, die eertijds tot een faze van de Holda-mythe aanleiding +gaf. Men moet terdege onderscheid maken tusschen hoogere en lagere +mythologie.--Ook is de meening, dat Engeland=Engelland het zielenrijk +zijn zou, tegenwoordig vrij wel verouderd. + +Wanneer ik nu nog gewezen heb op de oude en dialektische taalvormen, +die zich in menig kinderliedje gered hebben, dan hoop ik den lezer +althans eenigermate van het groote belang van het kinderlied te +hebben overtuigd. + +Het kinderdanslied komt meestal voor bij het touwtjespringen, +het rondedansen en het reidansen. Bij het touwtjespringen is het +rhythme natuurlijk weer hoofdzaak: en hierin ligt de verklaring +van het feit, dat den volwassenen wel eens raadselachtig voorkomt, +hoe n.l. de kinderen uren en uren, en weer dag aan dag met dezelfde +springspelletjes kunnen bezig blijven. De oplossing ligt in het +meeslepende, in de onbedwingbare lust van het rhythme. Twee meisjes +draaien het touw met gewonen tragen slag en zingen daarbij, terwijl +een derde in de koord danst: + + + Ik heb een jas-ken ge-kocht, Naar de + naai-ster ge-bracht. Zoo ge-zeid, zoo ge-daan, Om naar + huis toe te gaan, In, spin, springt bij den boer maar + in, Uit, spruit, springt bij den boer maar uit. + + +Bij de woorden "in, spin" krijgt de touwtjesspringster een mededanseres +naast zich, en bij de woorden "uit, spruit" loopt de eerste weg. En +zoo gaat het steeds door, met evenveel ijver en opgewektheid.--In +Friesland hoort men: + + + Ik heb een jasje gekocht, + Naar de lommert gebrocht, + + +en de finale luidt daar: + + + Van inspin, + Spring er dan maar in, + Van uitspruit, + Spring er dan maar uit. + + +Dit spel biedt wel eenige verscheidenheid, en veel is ook over gelaten +aan de willekeur der draaisters. Maar oneindig meer afwisseling +vertoont toch het rondedansen, waarbij de kinderen nu eens gewoon +luchtig op- en neerspringen op het maatgeluid van hun lied, dan +weer plotseling neerhurken, dan andermaal het dansen begeleiden met +handgeklap en allerlei nabootsende gebaren. Een der meest bekende +kinderliedjes, dat als danslied en wiegelied tevens dienst doet, +is het bekende "Klein, klein kleutertje", in Vlaanderen ook: "Klein, +klein Marieken". + +Te Herdersen leeft deze variant: + + + Klein, klein Jee-se-ken, He-je gij zul-ke + kou? Komt in mijn her-te-ken wo-nen En + maakt u daar een schouw. + + We zullen een vierke stoken; + We zullen een pappeken koken; + En brengt uw liefste moederken mee, + Dan zullen we zijn tevree. + + +Maar een der merkwaardigste dansliedjes is wel het _reuzenlied_. De +kinderen scheppen er ontzaglijk veel genot in, vooral in België, +waar de reuzen nog bestaan en dansen uitvoeren, als te Brussel, +Geerardtsbergen, Hasselt, Antwerpen en Wetteren. Merkwaardig is het, +dat de melodie vrij wel overeenkomstig is met die van den kerkelijken +hymnus _Creator alme siderum_. + +"Het _Reuzenlied_" zegt Maurits Sabbe, "herinnert ons de +schilderachtige volksoptochten met de reuzenfamilies, het ros Beiaard +en allerlei allegorische voorstellingen, die vroeger in bijna al +onze Vlaamsche steden en stedekens geliefkoosde nummers voor het +kermisprogramma waren en thans nog slechts in enkele steden van tijd +tot tijd de feestelijkheden opluisteren". + + + Moe-der, zet de pap op 't vier, de pap op + 't vier, De reus is hier, Keert u eens + om, reus-ken, reus-ken, Keert u eens + om, Reu-ze-gom. + + Moeder, stopt algauw het vat, algauw het vat, + De reus is zat, + Keert u eens om, reusken, reusken, + Keert u eens om, + Reuzegom. + + +In heel wat vlugger tempo bewegen zich de dansliedjes: "'kHeb een +rood, rood spiegeltje gevonden";--"Trijntje, Trijntje, Trijntje, je +hebt er water bij gedaan";--"In Holland staat een huis" e.a. Tot de +nabootsende dansliedjes behoort dat van den _Klepperman_: "Elf uren +slaat de klok"; bij de woorden "klip-klip-klip" en "klop-klop-klop" +houden de danseressen een oogenblik stil en klappen driemaal in de +handen of trappen driemaal met den voet. + +Maar ik mag van deze dansliedjes geen afscheid nemen, zonder althans +vermeld te hebben het merkwaardige: + + + Klein' An-na zat op ma-jes-teit, ma-jes-teit ma-jes- + teit, Klein' An-na zat op ma-jes-teit ma-jes-teit. + + Daar zat zij nu te weenen, + Weenen, weenen, + Daar zat zij nu te weenen, + Weenen. + + +Dit wordt gezongen door kinderen, die in een kring rondloopen, +terwijl in het midden een meisje zit neergehurkt, met het hoofd in +de handen. Het spel is drama geworden en vertolkt een ballade. Want +na het zingen van de tweede strofe, treedt een tweede meisje in den +kring en nu vervolgt het koor: + + + Daar kwam haar lieve moeder aan, enz. + + +Deze vraagt: + + + Zeg kind toch, waarom weent gij zoo? enz. + + +Waarop het meisje antwoordt: + + + Omdat ik morgen sterven moet, enz. + + +Nu treedt een derde den kring binnen en het koor zingt: + + + Daar kwam de booze Fredrik aan, enz. + + +Op de maat slaat Frederik het meisje nu op den rug: + + + Die zal haar nu den dood aandoen, enz. + + +Ten slotte wordt Anna door Frederik en de moeder opgenomen en gejonast, +en allen zingen: + + + Nu wordt zij in het kistje gelegd, enz. + + +Dit liedje is o.a. te Voorburg, Varsseveld, Nijmegen, Zeeland bekend en +hoogst waarschijnlijk uit Duitschland afkomstig. Het woord "Majesteit" +ontstond wellicht uit "Breitenstein"; zie Marie Ramondt, Volkskunde +XXIII, bl. 237; Karl Wehrhahn, Kinderlied und Kinderspiel, bl. 110 vlg. + +Bij het reidansen staan een of meer meisjes tegenover een heelen rei, +terwijl beide partijen beurtelings naderen en weer achteruit gaan. Een +der merkwaardigste is het liedje van _Brunelle-gezelle,_ waarbij +een meisje tegenover een heele reeks van speelgenootjes staat. Deze +beginnen te zingen, terwijl zij elkaar bij de hand vasthouden en met +rhythmische stappen tot elkaar naderen: + + + Van waar kom-de gij ge-dre-ven, Bru- + nel-le ge-zelle? Van waar kom-de gij ge- + dre-ven, Brun-ne-le-ken? + + Vr. Ik kom van onder de aarde, + Brunneleken mijn; + Enz., enz. + + +En het lied vervolgt: + + + R. Wat heb-de daar weest halen? + Br. Een mandeken met aarde. +R. Aan wie zul-de da geven? + Br. Aan mijn beste neve [nicht]. + R. Wie is uw beste neve? + Br. Ik zal het u gaan toonen + + +Daarop kiest zij een meisje uit en keert er mee op haar plaats +terug. Dit dansliedje treft men vooral in Vlaanderen, maar met +varianten ook wel in Limburg en Gelderland aan. + +Zie verder vooral Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied II, bl. 1237 vlg.; +De Cock-Teirlinck, Kinderlust en Kinderspel II, Dansspelen; Van +Ginneken, Handboek der Nederlandsche Taal, bl. 383-404; Van Vloten, +Baker- en Kinderrijmen, bl. 93 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Frieslands +Volksleven I, bl. 247. + +Maar behalve het danslied zijn er nog zoovele andere _speelliedjes_, +van rhytmische speelbewegingen begeleid. Hiertoe behooren +de rommelpotliedjes, waarover ik in het Eerste Deel, bl. 157 +vlg. gesproken heb; de loopspelliedjes, met het diepzinnige spel van +de _Koningsdochter_. Zie hier, hoe dit te Venloo gespeeld wordt. Een +meisje ligt op de knieën. Alle meespelende kinderen houden den zoom +van haar omgeslagen kleedje vast, behalve éen die tot het geknielde +meisje vragen richt. + + + Vr. Wie zit er in den hoogen toren? + A. De schoonste koningsdochter. + Vr. Van wie zijn al die kindertjes? + A. Van mij. + Vr. Mag ik er een van nemen? + A. Neen! + Vr. Mag ik er een van stelen? + A. Neen. + + +Dan vervolgt de vraagster: + + + 'K Zal eens naar den diender gaan + De diender zal u de kop afslaan. + + + Entrez, entrez, + Laat 't meisje maar achter meê gaan. + + +Alle volgende meisjes herhalen nu op hare beurt hetzelfde totdat zij +alle, elkaar bij het kleedje vasthoudend, achter de vraagster zijn +geplaatst. Deze vraagt dan aan de koningsdochter: + + + Vr. Zal ik het lampje aansteken! + A. Ja! + Vr. Zal ik u uit den toren laten? + A. Ja! + + +Waarop allen roepen: + + + Jenneke de tooverheks, Jenneke de tooverheks!-- + + +Ook elders in Limburg, in de Zaanstreek, niet het minst in Vlaanderen +is dit spel bekend; hier is het werkelijk een loopspel, want door +het loopen wordt op de een of andere wijze uitgedrukt, dat de +koningsdochter door haar minnaar wordt geschaakt. Mogelijk heeft +dit spel een mythologischen, waarschijnlijk een historischen, in alle +geval een belangrijken kultuurhistorischen achtergrond. Zie Van Vloten, +Baker- en Kinderrijmen, bl. 115; Lootens en Feijs, Chants populaires, +no. 160; De Cock-Teirlink, Kinderspel en Kinderlust I, bl. 160 vlg. + +Een loopspel is ook het _zakdoekje-leggen,_ waarbij te Maarssen +gezongen wordt: + + + Zákdoekje léggen, + Níemand zéggen, + Kúkelukú, zoo róept de háan, + Híj heeft twée paar schóentjes aan, + Eén van zij en één van leer, + Híer leg ík mijn zákdoekje néer. + + +Men vergelijke hiermee het _jagen van den rooden hoan_ op de spinningen +in zuidoostelijk Brabant, I, bl. 273. + +Van de aftelliedjes, voor wier beteekenis en belang ik verwijs naar +Kalff, Het lied in de Middeleeuwen, bl. 547, vermeld ik er hier twee, +behoorende tot de meest gebruikelijke typen. Overvloedige varianten +vindt men bij De Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII, +bl. 231 vlg. en Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 153 vlg. + +Type: Onder de groene boomen. + +Den Haag: + + + Al onder de uileboomen + Daar ligt een Engelsch schip; + De Franschen zijn gekomen, + Zij zijn zoo rijk als ik. + Zij dragen hoeden met pluimen, + En ook van perkament, + Wie zou er niet om huilen, + Al om zoo'n leelijken vent. + + +Type: Rommel, rommel in de pot. + +Venloo: + + + Rommel, rommel in de pot, + Woa is Piet, woa is Kloas? + Kloas is in et stelke. + Waat duit hê doa? + Hé sniet de koe de kop aat. + Riem, tiem, twintig, dertig enz. + + +Hoe eenvoudig, hoe ongekunsteld, en toch hoe zuiver rhythmisch +en klanktooverend doen verder ook onze balspelliedjes, zoo ruim +verspreid. Uit Zwolle werden mij deze twee typen meegedeeld: + + + 1. Kaatsebal + Ik heb u al, + In éene hand, + In tweeë hand, +Van klapperdeklap + Met voetjesgestap, + Van rolledebol (-bom) + Zoo draai ik me om. + + + 2. Zwart Willemijntje + Zat achter 't gordijntje; + Wat deed ze daar? + Zij kamde het haar, + Zij poetste de tandjes, + Zij waschte de handjes, + Zij stak ze in de zij, + Zij knielde er bij, + Zij stond weer op, + In éene galop. + + +Hoe keurig zijn hier de verschillende speelbewegingen uitgedrukt en +in beeld gebracht! + +Eindelijk de schommelliedjes, waar bij elke beklemtoonde lettergreep +de hand naar voren of naar achteren gezwaaid wordt, bieden een bonte +verscheidenheid. In vele wordt gewag gemaakt van Paschen en Pinksteren, +van het bim-bommen der klokken, van Sint Katherijne, van varen over +de zee, van haantje-kraantje en een eitje dat barst, van den knaap, +die op school den meester half dood slaat. Dit laatste motief is niets +anders dan een bewerking van eene in de Middeleeuwen zeer bekende +overlevering omtrent Jezus' jeugd, welke verhaalt, hoe de kleine Jezus +de hand van zijn meester deed verdorren, omdat hij die tegen hem op +hief, om hem wegens het niet beantwoorden zijner vragen te straffen. + +Maar deze liedjes stonden meer dan de andere aan vervorming bloot, +omdat zij eigenlijk meer opgedreund dan gezongen werden. Zie De +Cock-Teirlink, Kinderspel en Kinderlust III, bl. 87, IV, 167 vlg.; +verder Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 11 vlg.; Waling Dijkstra, Uit +Frieslands Volksleven I, bl. 247; Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, +bl. 129 vlg. + +De _wiegeliedjes_ en knieliedjes besprak ik reeds in het Eerste Deel, +bl. 219 vlg. Niet alleen rhythmisch zijn zij van belang, maar ook, +omdat zij een bijzonder soort van kinderliedjes vertegenwoordigen, +nl. in kindertoon gehouden volkspoëzie: in kindertoon, wat betreft +tekst en melodie, zooals moge blijken uit het lieve eenvoudige + + + Roe! roe! kind-je, hoe ben je toch zoo stout! + Heb je pijn in 't buik-je, of zijn je voet-jes + koud! We zul-len een vuur-tje sto-ken, + en een pap-je ko-ken; 't Wieg-je dat gaat + zwik, zwak, voor den klei-nen dik-zak. + + +Het _minnelied_ zingt van persoonlijke liefde, maar ook van de liefde +in het algemeen. In ons oude Nederlandsche lied beslaat deze groep +een groote plaatsruimte. Maar in het hedendaagsche lied zijn de +minneliederen meestal met speelliederen samengevallen of anderszins +vervormd. + +Tot de liedjes die, ofschoon reeds oud, nog altijd in den smaak vallen, +behoort o.a. "Ik ben er de groene straatjes", waarvan onlangs nog +gewag werd gemaakt in de Vragen en Mededeelingen 1910, bl. 151. + +De aanvangsstrofe luidt: + + + Ik ben er de groe-ne straat-jes zoo + dik-wijls ten ein-de ge-gaan! Daar + moest ik mijn lief-je ver-la-ten, dat + heb-ben mijn vrien-den ge-daan. + + +(Enkhuizen). + +Tot de meest bekende liederen in Vlaanderen behoorde het +_Cecilia-lied,_ dat nog steeds, plaatselijk jammerlijk geparodieerd, +voortleeft. Maar getuigt niet juist de parodie voor de groote +populariteit? Ofschoon van vreemden oorsprong, heeft de melodie, +volgens Van Duyse, onder den invloed van den Nederlandschen volkszang, +hare eigen wendingen en een eigen voorkomen verkregen, en mag zij +onder de fraaiste zangwijzen worden gerekend. + + + Ik zag Ce-ci-lia ko-men langs ee-nen wa-ter- + kant, Ik zag Ce-ci-lia ko-men met + bloe-me-kens in haar hand Zij zag naar ha-ren + her-der, den her-der Flo-ri-aan, die + ook zijn schaap-jes wei-de langs de zelf-de + baan. Ce-ci-li-a ging zin-gen; haar + hert docht haar 't ont-sprin-gen. Dit hoor-de ha-ren + her-der; hij kwam bij haar ter-stond en + kus-te zijn Ce-ci-li-a aan ha-ren roo-den mond. + + +Tot deze groep behooren ook de afscheidsliederen in den trant van: + + + Vaarwel, vaarwel, mijn zoetelief, + Niet langer kan ik blijven enz., + + +en de wachterliederen, wier allerberoemdste: "Het daget in den Oosten", +om den verhalenden vorm bij den aanvang der derde strofe echter ook +tot de balladen kan gerekend worden. + +Vooral in onze noordelijke provinciën krijgt het minnelied vaak een +spottenden bijtoon. Zoo b.v. in _Het meisje van Sardam_: + + + Het meisje van Sardam + Met hare bruine oogen + Heeft menig jongen kwant + Tot wedermin bewogen. + Zij is geen stuursche maagd + Gelijk zoo vele binnen, + Hij die haar blosjes kent + Moet haar op 't meest beminnen. + + +Dit type vormt een schakel tusschen het minnelied en het _spotlied_, +waaraan nauw verwant het _gezelschapslied_. Het spotlied is echter +somtijds ook, zooals wij boven zagen, de direkte parodie van het +minnelied. Teekenend lijkt mij de verzuchting: + + + Ik wou wel om een gulden, + Dat mijn haartje krulde. + Ik wou wel om een daalder, + Dat ik was wat schraalder + Ik wou wel om een dukaton, + Dat een vrijer naast mij ston(d). + + +Zie Boekenoogen, Onze Rijmen 69.--Nu nog een paar andere spotliedjes, +die ik bij Van Ginneken, Handboek der Nederl. Taal I, bl. 359, +419 vind. + +Bergen op Zoom: + + + Der wàs éens een vrouw + Die kóeken bakken wóu + En het méel dat wóu niet rijzen + En de pán viél om + En de kóeken wáren króm + En de mán híet Jan van Gíjzen. + + +Bergen op Zoom: + + + De vlám sloeg in de lantêre + De vónken slóegen der úit, + De mêskes lústen zoo gêre + 'n Kop kóffie mét een beschúit. + + +Nijmegen en Oud-Gastel: + + + Klikspaan! boterspaan! + Je durft niet door 't straatje te gaan. + Het hondje zal je bijten, + Het katje zal je krappen, + Dat komt van al je klappen. + + +Menig spotlied biedt ons ook de waardevolle verzameling van Jan +Bols: Honderd Oude Vlaamsche Liederen, bl. 155--214; zoo b.v. _De +Scheresliep; De Luiaard; Van Slordig Kaatje; De Kwade Man_: + + + "Man en gij moet naar huis toe gaan: + Uw vrouw die is ziek!"-- + "Is zij ziek, dan is zij ziek! + En daarmee ben ik uit het verdriet! + Naar huis en ga ik niet!" enz. + + +Het is vooral de toon van scherts en van jolijt, die het spotlied met +het gezelschapslied verbindt. Naai- of kleermakerswinkel, spinnerij, +potvertering,--dáar voelt het gezelschapslied zich thuis, al is +het maar onder een vorm als: "Wie in Januari geboren is". Een leuk +potverteerdersliedje geeft de Groningsche Volksalman. 1897, bl. 92 +vlg. Men lette op de kerkelijke melodie. + + + Hai-te boaln mit koa-le bot-tr smôekt ver-gif-tig + lek-r As mooi wich-ter trau-wen wiln den trau-wen ze mit'n + bak-r. + + +En het lied vervolgt: + + + Bakkersvrauwm dei hebm 't nait goud, + Dei moutn häör tid verbüln, + Ik was laivr 'n schoumôekrsvrauw + En drôegn gladde müln. + Schoumôekrsvrauwm, dei hebm 't nait goud, + Dei moutn haör tîd vrpótsn, + Ik was laivr 'n weevrsvrauw + En dröegn gladde linn. + Weevrsvrauwm, dei hebm 't nait goud, + Dei moutn haör tîd vrspouln, + Ik was laivr 'n speulmansvrauw + En dansen väör fîouln. + Speulmansvrauwm, dei hebm 't nait goud, + Dei moutn häör tid vrdansn, + Ik was laivr 'n boernvrauw + En eetn vette ganzn. + Boernvrauwm, dei hebm 't nait goud, + Dei moutn häör tîd vrleezn, + Ik heb laivr 'n schipprtje, + Zoo'n schipprtje mout tr weezn. + Dat schipprtje, dat wipprtje, + Dat heb ik aal zoo laif, + Veul laivr heb 'k ain schippertje, + As zoo ain boernslaif. + + +Een typisch gezelschapslied is ook het bekende lied _Van pastoor +zijn koe_. In Nederland en Neder-Duitschland heeft het een +verspreidingsgebied van belangrijke uitgestrektheid. + +Liederen als deze romancen; oorspronkelijk gedanste droeve romancen +of balladen met hun in het lyrische haast opgaande episch element; +minneliederen in beschrijvenden vorm en nog zoovele andere vormen de +omvangrijke groep van het _verhalende lied_. + +Tot de oudste van deze soort behoort stellig het _Halewijnlied_; +wellicht dagteekent het uit de XIVe eeuw en was de oorspronkelijke +inhoud der sage een liefdesbetrekking tusschen watergeest en +sterveling. In België wordt het rond Leuven nog gehoord, en in +Volkskunde XVIII verscheen een variante uit Mater, bij Oudenaarde, +die tot titel voert: "Van Halewijns rijk Hof". Een andere variante +vindt men in den Hasseltschen _Banier_ van 1906, en, naar verluidt, +wordt de ballade ook nog gezongen te Weert in Hollandsch Limburg. + +Verder moet dit lied populair zijn geweest in 't Land van Aalst. "In +mijn geboortedorp (Herdersem)", schrijft De Cock, "werd het in mijn +jeugd nog door menige vrouw opgedreund. Als 15- à 16-jarige knaap +zong ik aldaar op het doksaal, en ik herinner mij opperbest dat, +telkens als wanneer de pastoor, die een goed muziekkenner was en +steeds den vereischten toon in acht nam, het + + + Cre-do in u-num Deu-m. + + +van de _Missa in duplicibus_ aanhief, een ietwat oudere zanger alsdan +zeide: "Hoort, de voois van Erodewijk". Hierdoor werd dan bedoeld +Halewijn, die elders ook als "de stoute Roland" bekend staat. Zie +verder Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied I, bl. 1 vlg. + +Laat ik nu nog vermelden: _De drie Koningsdochters_, met zijn vele +varianten; b.v,: + + + Daar waren drie dochterkens fijn (_bis_), + Die wilden alle drie zalig zijn, enz. + + +of: + + + En daar vlogen drij vogelkens over den Rijn, + En daar stierven drij dochterkens fijn, enz. + + +Dan het _Jagerslied_: Daar ging een jager uit jagen, Zoo ver al +in het woud, enz.; _De Hertog van Brunswijk; Genoveva van Brabant; +Het Weesmeisje_: + + + Aan den oever van een snellen vliet, + Een treurig meisje zat; + Zij weende tranen van verdriet + En schreide haar oogjes nat. + + +of: + + + Zij weende en schreide van verdriet + Op 't gras van tranen nat. + + +Ook ons lied van _De drie Ruitertjes_ kan op hoogen ouderdom en ruime +verspreiding bogen. Onze aanvangsstrofe luidt vrijwel aldus: + + + Toen ik op Neerlands bergen stond, + Keek ik het zeegat in. + Daar zag ik een scheepje zeilen, + Daar zaten drie ruitertjes in, + Een van de drie was naar mijn zin. + + +Het lied ontstond echter waarschijnlijk niet in "de landen bider see", +maar in het Opperduitsche bergland. Immers de oudste ons bekende +tekst vangt aan met de regels: + + + Ic stont op hoghe berghen, + Ic sach daer so diepen dal, enz. + + +Zie ook Driem. Bladen X, bl. 54; Volkskunde XXIII, bl. 15. Eindelijk +laat ik hier den tekst volgen van de _Twee Koningskinderen_, zooals +men dien thans nog hier te lande aantreft: van het diepst-tragische +en wellicht meest nationale onzer oude volksliederen, al berustte het +ook op de Fransche kultuurbewerking van een Grieksche sagenstof. Ik +ontleen aan Driem. Bladen XI, bl. 46: + +De twee Koningskinderen. + + + Het waren twee koningskind'ren, + Die hadden malkander zoo lief, + Zij konden bij malkander niet komen, + Zij schreven malkander een brief. + + 't Was des nachts twaalf uren, + Het meisje lag in een droom,-- + Haar zoetelief was verdronken-- + Al in een waterstroom. + + Het meisje sprak tegen haar moeder: + "Wat doet mijn hoofdje mij zeer, + Mag ik een klein half uurtje + Gaan wandelen langs het meer?" + + De moeder sprak tegen het meisje: + "Alleen kunt gij niet gaan, + Neem dan uw jongste broertje, + Dan kunt gij wel henengaan." + + Het meisje sprak tegen haar moeder: + "Mijn broertje is veel te klein, + Die verjaagt mij al de vogeltjes, + Die aan den meerkant zijn." + + De moeder ging naar de kerk, + En het meisje ging haar gang, + Zij wandelde, ja zij wandelde, + Tot zij bij een visscher kwam. + + Het meisje sprak tegen den visscher: + "Wilt gij verdienen uw loon, + Werp dan je net in het water + En visch mij dien Koningszoon." + + Het eerste wat of hij vischte, + Dat was een Koningszoon, + Zij kuste zijn roode lippen, + Zij kuste zijn rooden mond. + + Zij nam hem op haar armen, + En droeg hem aan den kant van de zee, + Zij zegt: "Adieu, nu willen wij varen, + En 'k vaar altoos met je mee". + + +(Leek en omstreken.) + +In deze, en ook in andere balladen, trilt een sprookjes-motief na. Een +aanzienlijke groep echter, die van het _sprookjeslied_, bevat enkel +berijmde en getoonzette sprookjes, die dan juist door rhythme en +melodie een zekere vastheid verkrijgen. Vertoont het lied van _De +kwade Stiefmoeder_ niet zoo echt den typischen sprookjesaard? + + + Er was een kwade stiefmoeder, zij verkocht haar kind, + Voor negentien penningen en een gouden ring. + + En dat mooie meisje teer, + En dat mooie maagdetje! + + De zeven knechten namen elk een' roed, + Zij sloegen Antonnettetje zijn lichaam in bloed. + + Zij leiden Antonnettetje op eenen blok, + Zij kapten Antonnettetje zijn hoofdje of. + + Uw dochter Antonnettetje is wel bewaard, + Want zij speelt er achter in den boomgaard. + + De vader reed den boomgaard wel driemaal rond, + Om te zien of hij Antonnettetje niet en vond. + + Op d'eerste lelie stond er geschreven, + Als dat haar stiefmoeder haar hadde verkocht. + + Op de tweede lelie stond er geschreven, + Als dat de zeven knechten haar hadden geslegen. + + Op de derde lelie stond er geschreven, + Als dat de zeven knechten haar hadden vermoord. + + De vader heeft de strate met messen doen beslaan, + Om die zeven knechten er over te doen gaan. + + En dat mooie meisje teer, + En dat mooie maagdetje! + + +Zie Van Duyse, het Oude Nederl. Lied I, bl. 222; Lootens en Feys, +Chants populaires flamands no. 43.--Ook het dierensprookje is rijk +vertegenwoordigd; zoo b.v. _De Koekoek in den Mei; Den Uil die op den +Pereboom zat_, zie Volkskunde IX, bl. 185 vlg; vooral ook het leuke +_Sterven van den Beer_, Volkskunde XIII, bl. 237, vgl. De Navorscher V, +bl. 88: + + + De beer die vond er hem zeer krank + Van eene zware koorts (_bis_), + + De zeug die vond heur in bedwang, + Den dokter te ontbieden + Met nog veel wijze lieden, + En het beestjen die had er de koorts, koorts, koorts, + En het beestjen die had er de koorts; enz. + + +De minste dichterlijke waarde heeft het _historische lied_, natuurlijk +duisterder, naarmate het verder van het historische feit afstaat, +dat het vermeldt of verheerlijkt. Het liedje: + + + Mijnheer van Son is een brave kapitein, + Hij regeert er zijn volkje zoo groot als klein + + +heeft betrekking op een Amsterdamsch kapitein, n.l. Zeger van Son, +die op 6 Sept. 1748 bij de parade ter eere van den stadhouder Willem +IV behalve de gewone troepen ook eene "compagnie jongeheertjes" deed +exerceeren. Hij regeerde dus werkelijk groot en klein. Zie hierover +Boekenoogen, Onze Rijmen, 6 vlg., waar de aandacht gevestigd wordt +op de historische kern van nog menig ander tot kinderrijm vervormd +volksliedje; zoo b.v.: + + + De Bisschop van Munster + Met honderdduizend man, + Voor Groningen, voor Groningen eens kwam. + De Bisschop van Munster, al weer van voren af an. + + +Vooral de Fransche tijd heeft op ons volk een diepen indruk gemaakt, +waarvan wij de reflex vinden in het volkslied. Wie kent niet het +kinderrijmpje: + + + Rataplan, rataplan, rataplan! + Daar komen die drommelsche Franschen weer an, + Ze hebben geen kousen en schoenen meer an, + Rataplan, rataplan, rataplan! + + +Heel wat waardevoller in historisch, nationaal en artistiek opzicht is +het pittige, jubelende volksliedje, dat dagteekent uit het jaar 1650: + + + Al is er ons Prinsje nog zoo klein + en hoezee! _bis_ + + Alével zal hij stadhouder zijn; + Vivat Oranje, hoezee! (_bis_). + + +In België leven insgelijks de herinneringen aan den Franschen tijd +in het volkslied nog voort; ook aan de Spanjaarden en, althans tot +voor kort nog, aan Jacob van Artevelde, en aan het beleg van Yperen +in 1383; zie Van Duyse, het Oude Nederl. Lied II, bl. 1525-1825; +Dr. J. van Vloten, Nederlandsche Geschiedzangen. + +Tot welk een dorren, prozaïschen stijl het historische lied zinken kan, +toont ons het volgende: + + + Napoleon, waar zijt gij gebleven, + Napoleon, waar is uwe tijd, + Eertijds was ge keizer van Genève, + Daar ge nu op een eiland zijt (_bis_); enz. + + +Zie voor den volledige tekst de Graafschapsbode 16 Maart 1907; +Driem. Bladen VII, bl. 62. + +Maar nog dient gewezen op de groote rubriek van het _feestlied_, dat +het geheele natuurlijke en kerkelijke jaar doorloopt, en van af Sint +Maarten (11 November) tot Sint Maarten de feestgetijden met blijden +jubel of droeve klage begeleidt. Ik heb deze liederen reeds besproken +in het hoofdstuk over de Volksfeesten (I, bl. 99-209) en wensch +dus nog slechts aan het volgende te herinneren. Al de zoogenaamde +natuurliederen, winterliederen, zomerliederen, meiliederen enz. zijn +feestliederen in den waren zin des woords en geven de stemming op +het natuurfeest weer. Wel bewegen zich deze liederen somtijds in +een bijzondere richting; zoo zijn b.v. de meiliederen dikwijls òf +minneliederen òf geestelijke liederen ter eere van Maria (I, bl. 190). + +Hiermee heb ik tevens mijn meening geuit omtrent den aard van +het _geestelijke lied_, de laatste groep van het volkslied. De +kerstliederen, nieuwjaarsliederen, Driekoningenliederen, +passieliederen, paasch- en pinksterliederen enz., en voor een overgroot +deel de Marialiederen en de liederen ter eere van andere heiligen, +zijn feestliederen. En deze feestliederen, wier kader heel wat +ruimheid bood--men denke aan de reeks geestelijke liederen, die de +_Vlucht naar Egypte_ behandelen, eigenlijk kerstliederen--waren of +wel zuiver lyrisch, of episch-dramatisch. Men ziet het: een strenge +afscheiding van het wereldlijke lied is niet door te zetten. Ook wat +de melodieën betreft, schijnt er wisselwerking geweest te zijn; het +geestelijk lied leende zijn wijzen en ontleende die ook weer op zijn +beurt aan het wereldlijke. Trouwens hierin vond men niets stootends +of oneerbiedigs, omdat in die dagen de tegenstelling van gewijd en +profaan niet bestond, als tegenwoordig veelal het geval is. Hetzelfde +geldt voor het kerkelijke lied, doorgaans feesthymne, maar toch ook +volkslied, in zoover het daadwerkelijk uit het volk, of althans uit +den volksgeest is voortgesproten. Imposante kerkelijke liederen als +het _Dies Irae_ en het _Stabat Mater_ stoelen beslist op den volksgeest +en behooren tot de schoonste loten van de Middeleeuwsche volkspoëzie. + +Maar het geestelijk lied kan ook uiting geven aan het gevoel van een +enkeling, kan uitzingen diens lof en dank, of vertolken diens hoop +en berouw: en zoo ontstaan de roerende liederen der "Minnende ziel", +de "Zieleklachten" enz., die zich wellicht hebben ontwikkeld uit +geestelijke verzuchtingen als deze: + + + Maria, Gods Moeder, reine Maagd, + Al onze nood zij U geklaagd. + + +Deze individuëele liederen kunnen echter ook zijn van paraenetischen +aard, en dus beschouwingen behelzen over de Vier Uitertersten e.d. + +Zijn dramatisch element ontleent het geestelijk lied meestal aan het +feit, dat het stoelt op de dramatische vertooningen in de kerken, +met name tusschen Kerstmis en Driekoningen; zie hierover vooral de +beschouwingen van Knuttel in zijn uitnemend werk over het Geestelijk +Lied enz., bl. 88 vlg.; Kronenburg, Maria's heerlijkheid V, bl. 434 +vlg. + +Hier volge een Kerstlied en een Driekoningenlied, schaarsche resten +van vroegere weelde en overvloed. + + + Wilt uit u-wen slaap op-sprin-gen, En ver- + blij-den ons al-len ge-lijk. Hier is ons een kin-de-ken ge- + bo-ren Van Ma-ri--a, die uit-ver-ko-ren. Brengt de + bood-schap in 't o-pen-baar Al met de-zen nieu-we-jaar. + + Op ee-nen Drij-ko-nin-gen a-vond En op + ee-nen Drij-ko-nin-gen dag, Dan von-den wij Ma- + ri-a Mag-da-le-na Al op Heer Je-zus' graf. + Sta-get op, Ma-ri-a Mag-da-le-na, Sta-get + op van de bit-te-re dood, Uw zon-de-kens zijn + al-le ver-ge-ven Al wa-ren zij nog zoo groot. + + +Een overoud passielied, in Hollandsch Limburg en in België bekend, +begint met deze strofe: + + + Hier is 't begin van 't bitter lijden + Van Onzen Heer Gebenedijde, + Die ons van zonden heeft verlost, + Dat heeft Zijn dierbaar bloed gekost. + + +Het oude paaschlied: "Christus is opghestanden, Al van der martelijen +allen" enz. heeft menige verandering ondergaan. In het Spaansch leger +vóor Haarlem (1573) werd het geparodieerd als: + + + Christus is opgestanden, + te Haarlem is een buit voorhanden; + + +terwijl van het paaschvuur gezongen werd: + + + Christus is opgestanden, + t' avond zullen wij vuren branden. + + +Als hedendaagschen vorm geven de Driem. Bladen XIII, bl. 51: + + + Christus is opgestanden + Al van de Joden hun handen, + Dus willen we allen vroolijk zijn, + Christus zal onze Verlosser zijn, Halleluja! + + Was Christus niet verrezen + Alom met Zijn goddelijk Wezen + Wij waren gebleven in grooten nood, + Wij moesten allen sterven den eeuwigen dood, Halleluja! + Christus voer ter hellen + Om daarin vrede te stellen, + Die in de duisternisse zeer lagen bezwaard, + God heeft ze met Zijn eeuwige licht verklaard, Halleluja! enz. + + +Een afzonderlijke vermelding verdienen nog de bedevaartliedjes, die +buiten het feestjaar staan en ten deele verhalend, ten deele lyrisch +van aard zijn. Het refrein van een algemeen verspreid bedevaartsliedje +luidt: + + + En zouden wij dan niet vroolijk zijn, + De hemel is de onze, + En was de hemel de onze niet, + Dan waren wij zoo vroolijk niet, + De hemel is de onze. + + +Ten slotte volge hier het _Lied van den Boom_, dat door sommigen als +een danslied beschouwd wordt, omdat men het wel eens in een rondedans +om een boom zingt. + +Men vindt dit lied in Holland, Friesland, Limburg, Vlaanderen, +echter met tallooze varianten, vooral aan het einde, waartoe de +eigenaardige vorm en gang van het lied zonder twijfel aanleiding +gaf. Ik geef hier de lezing van Heist-op-den-Berg, die ik voor de +meest oorspronkelijke houd. + + + In mijnen hof daar staat eenen boom + Zoo'n schoonen boom, + Zoo'n liefelijken boom. + + +Refrein: + + + De boom staat in zijne eerde, + Vol van weerde, + En hij groeit zoo schoon! + + Aan dezen boom daar komt er eenen tak, + Zoo'n schoonen tak, + Zoo'n liefelij ken tak. + De tak komt van den boom. + + Refr. De boom staat, enz. + + Aan dezen tak daar komt er dan een blad, + Zoo'n schoonen blad, + Zoo'n liefelijken blad. + Het blad komt van den tak, + De tak komt van den boom. + + Refr. De boom staat, enz. + + En aan dat blad daar komt er dan een bloem. + Zoo'n schoone bloem, + Zoo'n liefelijke bloem. + De bloem komt van het blad, + Het blad komt van den tak, + De tak komt van den boom. + + Refr. De boom staat, enz. + + En aan die bloem daar komt er eene vrucht. + Zoo'n schoone vrucht, + Zoo'n liefelijke vrucht. + De vrucht komt van de bloem, + Enz., enz. + + Refr. De boom staat, enz. + + +Ik beschouw dit lied als een _kerstlied_. Waartoe hier met Van Duyse +e.a. allerlei Germaansche boschvereering te hulp roepen, waartoe +vooral met Pol de Mont (Nederlandsch Museum III, 2, bl. 217 vlg.) den +wereldboom _Ygdrasil_ uit de Noorsche mythologie er bij halen, wanneer +de verklaring toch voor de hand ligt? En die is, dat wij hier met den +boom van Jesse te doen hebben. Zelfs luidt te Deerlijk en elders het +slot--dat ik echter niet voor oorspronkelijk houd--: + + + En op dien tak daar staat een nest, enz. + En in dien nest daar lag een ei, enz. + En in dat ei daar zat een kind, + Een goddelijk kind, + Een kind dat ons verlossen zal, + Dat ons verlossen zal. + + +Werd Christus niet aangeduid als de spruit en de bloem uit den +wortel van Jesse? En zingt _Venantius Fortunatus_ niet in zijn +kersthymne: "De wortel van Jesse heeft gebloeid en de spruit heeft +vrucht gedragen?" Het was immers een lievelingsbeeld der geestelijke +poëzie in de Middeleeuwen, Maria en Christus voor te stellen als de +bloem en de vrucht uit den wortel van Jesse. En mocht iemand dit +alles onvoldoende lijken, dan verwijs ik nog naar de veelvuldige +ikonografische voorstellingen: een boom schiet op uit den slapenden +Jesse, met reuzenbloemen aan de twijgen. Op en in die bloemen zitten +rechts en links koningen en op den top troont Maria met het Jezuskind. + +Op weinig uitzonderingen na wordt door het volk tegenwoordig weinig +meer gedicht en gezongen. De zanglust, die vroeger levensbehoefte +scheen, is verslapt. Hoe kan in dezen tijd het volk ook zingen? Nu +de poëzie hoe langer hoe meer uit het volksleven terugwijkt, nu de +ziellooze machine vervaardigt het eertijds bezielde werk, waarin +de man-uit-het-volk een stuk van zijn ziel, zijn gemoedsleven, een +stuk van zijn eigen-ik legde? Slechts daar, waar gemeenschappelijke +handarbeid de menschen nog vereenigt, klinkt het rhytmische volkslied +als eertijds: bij het maaien, het bezembinden, het stroovlechten, het +tabaksbewerken, het steenhouwen, het kuipersbedrijf. Vooral echter, +waar stille huiselijkheid en gezelligheid woont, hoort men des avonds +bij het knappende haardvuur of op de bank vóor de woning of onder de +dorpslinde nog het aloude gezang. Ook het volksfeest, voor zoover de +moderne kultuur dit niet door en door verdorven heeft, de bruiloft +en de kermisviering worden nog wel door het lied opgevroolijkt. + +Daar zijn tijden geweest, waarin het karakter van het geheele volk +zich weerspiegelde in het volkslied; en ons Nederlandsche volkslied +kan de vergelijking doorstaan. Het kende niet de hartstochtelijkheid +der Italiaansche, de waardigheid van de Spaansche, de sierlijke +gratie van de Fransche liederen; maar in diepte van gevoel werd het +nauwelijks geëvenaard. Natuurlijk kwamen ook hier de rasverschillen +tot uiting, en kwam het b.v. door den beweeglijken, meer emotioneelen +Keltisch-Frankischen geest beter tot zijn recht. + +Maar nu....de bovenkultuur heeft de kunst grootendeels aan +het volk ontnomen en voor een élite van begenadigde kunstenaars +gemonopoliseerd. De middelklasse wordt meer en meer uitgeschakeld, +en waar in onze landen de kultuur het hoogst stijgt, wordt de klove +tusschen hoogere en lagere standen steeds dieper. Daar zingt het volk +geen volkslied meer, maar bauwt in drenzige deunen de aan flarden +gescheurde opera-melodieën na met schunnige variaties. En al mag nu +de tegenwoordige toestand in wat te schrille kleur geteekend zijn +in H. F. Wirth's dissertatie: Der Untergang des Niederländischen +Volksliedes (Haag 1911), het in-droevige van den toestand kunnen wij +ons niet ontveinzen. + +Dankbaar zeer zeker zijn wij de hedendaagsche dichters in den +volkstoon: Heve, Dautzenberg, René de Clerq, Rodenbach; dankbaar +aan degenen, die werkten tot herleving, althans der waardeering van +wereldlijk of geestelijk lied: Hofmann V. Fallersleben, Van Duyse, +Bols, Kalff, Knuttel, Coers, Roes, en aan de vele andere wakkere +voormannen, die door woord en aktie,--ik denk aan het volksorgel--den +gezonden volkszang trachten te bevorderen. Maar toch vrees ik, dat +deze kunstmatige poging op den duur den ondergang van het volkslied +niet zal tegenhouden. Wij leven te ver van de natuur. Wereld en +menschen zijn anders geworden, daarom moet het volkslied sterven. Als +een schichtig ree van uit het struikgewas tuurt nog hier of daar een +kind der volksmuze met zijn sprookjesoogen in een wonderlijk-vervormde +kultuurwereld, vol rook, rumoer en onrust. Het volkslied vlucht voor +de schrille stoomfluit, als de elven voor het gelui der klokken. + + + +IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst. + + +Terwijl de kultuurkunst vooral tot uiting komt in het bouwen van +kerken, torens, raadhuizen enz., spreekt de intieme volkskunst het +meest uit de woon- en bedrijfshuizen. De _volksbouwkunst_ geeft een +eigen kenmerk aan stad en land en volk: na eeuwen zelfs vertolkt zij +ons den kunstzin van dat volk niet alleen, maar ook zijn geschiedenis, +gebruiken, zeden en gewoonten, zijn welvaart, zijn geloof. Maar +voorheen, meer dan thans, was de bouwkunst een stille opvoedende +kracht, omdat duizenden handen en hoofden in haar dienst voortdurend +werkzaam waren, op wie zij terugwerkende kracht kon uitoefenen. "Onder +dien stillen drang worden de samenstellingen ongezochter, eenvoudiger, +doelmatiger, degelijker, wordt alles typischer en expressiever, +wordt de hand vaardiger en het oog gevoeliger en minder spoedig +voldaan. Zóo inwerkend op tal van ambachten werkt de bouwkunst in en +door dit alles terug op het gebied der kunstnijverheid en daardoor +weder op het zoo uitgestrekte gebied der nijverheid": C. H. Peters, +Oud-Groninger kunst, in de Gron. Volksalman. 1896, bl. 128. + +Ten tijde, dat de persoonlijkheid, en met haar de persoonlijke +kunstuiting, meer tot haar recht kwam,--toen ook de kleine burger +of handwerksman iets voor zijn woonstede voelde en die opsierde +naar vermogen, sprak uit _stad_ en _stadswoning_, uit de woon- +en bedrijfshuizen inderdaad voor een groot deel het karakter hunner +bewoners. Maar uit die periode van persoonlijke en zelfstandige kunst +hebben slechts schaarsche overblijfsels ons bereikt. "Eerst met het +laatst der XVe en het begin der XVIe eeuw begint onze erfenis, maar +het is eene erfenis slechts van een gevel hier, een schouw daar, +eene deur of zoldering elders; een nog uit- en inwendig intakt +gebleven middeleeuwsch woonhuis bezitten wij nergens", schrijft +weer de Rijksarchitekt C. H. Peters in zijn voortreffelijk werk: De +Nederlandsche Stedenbouw (Leiden 1910), II, bl. 380. En dit is niet te +verwonderen. Ekonomische redenen hebben hiertoe geleid. Groeide een +woonbuurt, een dorp, een marktplaats uit tot een stad, dan verdween +mèt die ontwikkeling ook het landbouwbedrijf en de hoeve, om voor +een koopmans- en bedrijfshuis de plaats vrij te laten. In de omwalde, +bepoorte en omgrachte marktplaats was geen ruimte voor vrij liggende +hoeven of een uitgestrekt erf, maar slechts voor kleine woningen met +ziend dak. Met het klimmen van de welvaart verdichtten zich echter +ook de houten huizen, drongen op in rij en gelid en zochten door +verbouwen in de ruimte, wat zij beganegronds moesten missen. En zoo +ontstond hetgeen ons oog in oude steden of stadsdeelen zoo aantrekt: +die ongewild mooie huizenreeksen, alle eertijds in hout gebouwd, +met hun sierlijke lijnen en met de welgevormde bochten, die ons +vaak nog resten. Zoo ontstonden die verrassende straateffekten, ook +na het verdwijnen der houten woonhuizen veelal nog bewaard, en zoo +sterk kontrasteerend met den modernen slatuin-vorm. Van sierlijke +Nederlandsche huizengroepen en straatgezichten leeft ook nog de +herinnering in oude teekeningen uit de XVIe, XVIIe en XVIIIe eeuw, +toen van dien houtbouw nog een gedeelte over was; zoo b.v. van de +markt en het raadhuis te 's Hertogenbosch, de markt te Middelburg, +straten uit Maastricht (b.v. de Tongersche straat ten jare 1669), +Den Bosch, Amsterdam, Delft, Dordrecht, Alkmaar, Enkhuizen, Brussel, +Gent, Brugge enz. + +Met het verdwijnen van den houtbouw, tengevolge van branden, van +stadskeuren en van andere, ekonomische redenen, werd deze zeer +eigenaardige periode door den steenen huizenbouw opgevolgd. Maar +ook het Middeleeuwsche steenenhuis verdween en werd vervangen door +kostbaarder en rijker konstruktie. + +Maar de eenvoud en soberte verdween en de gemeenschapszin werd +losser. Tot de XVe eeuw voelde men zich éen met de burgers van zijn +stad, was men met het wel en wee der stad op het nauwste verbonden, +beschouwde men haar belangen, haar trots, haar fierheid als de +zijne. En zoo verklaart men het feit, dat de burgers in dien tijd +hoogst eenvoudig leefden en bouwden voor zichzelf, maar zoo ruim +mogelijk bijdroegen tot het bouwen van een ruimer en sierlijker +raadhuis of Godshuis _hunner_ stad. Met de XVIe eeuw werd men behalve +poorter ook lid van het gewest, waardoor de betrekking van poorter +tot stad losser werd. "De Stadspoorten, vóórheen angstig gesloten, +openen zich nu meer en spoediger ter opname van _nieuwe_ elementen, +van _nieuwe_ bedrijven; met de grootte der Steden breidde zich ook +het gemeenschapsbegrip uit; en toen met de Reformacie ook de 'leer der +goede werken' en de zorg voor het hiernamaals zich minder naar buiten +uitte, verminderde onder den invloed der welvaart langzamerhand ook de +vroegere eenvoud": C. M. Peters, t.a.p. bl. 392; vgl. Oud-Groningerland +('s Gravenhage 1912), bl. 150 vlg.; A. W. Weismann, Geschiedenis +der Nederlandsche Bouwkunst (Amsterdam 1912); A. J. Kropholler, +in De Beiaard I, 1, bl. 114 vlg. + +Voortaan besteedde men dus meer aan de eigen woning, en de +wooneenvoud maakte niet zelden plaats voor woonvertoon; en met de +steeds wisselende stijlen verdwenen de overblijfselen van het vroegere +woon- en bedrijfshuis, terwijl de verjongingskuur een steeds sneller +stap aannam. + +De _aard_ van de woonbuurt, waaruit de stad zich ontwikkelde, bepaalt +natuurlijk in aanzienlijke mate den aard en aanleg der stad en den +bouwvorm van het woonhuis. De steden zijn immers niet gesticht in +bepaalden vorm op last harer eerste bewoners, maar gegroeid uit het +mettertijd omwalde, omgrachte en bepoorte dorp. Uit de visschersbuurt +op een gunstig gedekte plaats in een rivierbocht, of rond een inham, +of bij den mond van een riviertak ontwikkelde zich het visschersdorp +en de visschersstad: Amsterdam, Dordrecht, Kampen, Rotterdam. Waar +de rivier zich verbreed had tot zeearm of zeeboezem, die tot veilige +ligplaats dienden, vormden zich de havensteden: Antwerpen, Blokzijl, +Harderwijk, Stavoren, Vlissingen. En hoe belangrijk deze ligging voor +de stadsvorming geacht werd, blijkt wel het duidelijkst uit den faktor +der taal. Immers uit het Latijnsche _portus_ "haven, stapelplaats" +ontwikkelde zich het Middelnederlandsche woord _poort_ "stad", +vanwaar de burger den naam van _poorter_ droeg. Ook dáar vormde zich +aldra een stad, waar een rivier ophield bevaarbaar te zijn: Leuven, +Brussel, Yperen; en eveneens, waar twee rivieren samenvloeiden: Gent, +Mechelen. Bij smalle rivieren werden de beide tegen elkaar gelegen +oevers bezet: Gouda, Leiden, Utrecht. Uit kringdorpen ontwikkelden zich +Bolsward, Dokkum, Leeuwarden met hun heuvelachtige op- en afloopende +straten. Sterk verraden hun oorspronkelijken vorm: Middelburg, rond den +burcht tegen de Noormannen, en Oldenzaal, rond de eerste Christenkerk, +met hun straalsgewijze loopende straten. Het komdorp met zijn brink, +dien men zoo mogelijk als marktruimte gebruikte, vinden wij terug in +steden als Assen, Deventer, Groningen, Harderwijk, Steenwijk. Het +streekdorp spreekt uit Amersfoort, Kuilenburg, Wageningen, Edam, +Sittard, Vianen, Monnikendam. Het centrum van een dorp was ook +vaak een kasteel, buiten welks omgrachting lijfeigenen, visschers, +landbouwers en nijveren bescherming zochten; hieruit ontwikkelden +zich de kasteelsteden met hun sprekend vast plan van aanleg: Gent, +Brugge, Rijssel, Brussel, Haarlem, den Haag, Montfoort, Gorinchem, +Sint-Maartensdijk. + +Wat nu de ontwikkeling der afzonderlijke woningen betreft, diene +het volgende. De hoeve ontwikkelde zich uit de hut (I, bl. 32), +in woudstreken nagenoeg cirkelvormig en gebouwd uit twijgen, leem +en stroo, in heidestreken uit dennenstammen met plaggenbekleeding, +langs de kust uit palen in den kleigrond geheid. Deze hut in haar +drie genoemde typen: leemenhut, plaggenhut en paalhut bestaat nòg. De +leemenhut doet dienst als nood-, vlucht- en berghut; de plaggenhut +als woning op de heide; de paalhut als visscherswoning, b.v. op +Marken of te Volendam. Uit de hut ontstond mede de arbeiderswoning +te platten lande. + +Uit visscherswoning en hoeve ontwikkelde zich de privaatwoning +in de steden: voor- en achterwand worden opgetrokken ter volle +dakhoogte en het stolpdak verandert in een schilddak. Zoo is de +binnenruimte grooter geworden, en in de beide opgaande eindwanden, +gevels genoemd, plaats verkregen tot het maken van zooveel openingen, +als het bedrijf maar vraagt. Want het bedrijfshuis en eveneens het +koopmanshuis vorderen gebiedend meer ruimte en meer licht. Maar +over het algemeen bleef aanvankelijk de huisbouw aan de eenvoudige, +karakteristieke samenstelling der hoeve getrouw. Een verdieping wordt +echter eveneens noodzakelijk; en zoo wordt het stolphuis met zijn +windopen dak vervangen door een huis met een verdieping, doorgaande +over de volle huisbreedte en -diepte. En wat het schilderachtig effekt +van deze, uit redenen van ekonomischen aard voortgesproten, verbouwing +zoozeer verhoogde: waar de stoep- of straatbreedte zulks toeliet, werd +niet zelden de verdieping vier tot zes voet overgebouwd. Dit gedeelte +werd dan gesteund door stijlen; en zoo ontstond een kleine, vooral bij +hoekhuizen gewilde galerij. Ook noodigden deze huizen uiteraard uit tot +zaag-, steek- of beeldhouwwerk, waardoor het straateffekt belangrijk +werd verhoogd. Het huis droeg geen nummer: het ware noodeloos. Elk +huis toch, hoezeer ook samenwerkend tot gemeenschappelijk effekt, +stond op zich, vormde een eenheid op zich. Het deed zijn best gezien +te worden, zegt Peters, door opschrift of uithangbord, het had iets +eigenaardigs, iets karakteristieks, iets leuks, in topgevel, in uit- +of terugbouw, in spelend behandeld dak of anderszins. Daar is in den +houtbouw zooveel diepte, kleur, schaduw en tegenstelling! + +Maar volkskunde is de wetenschap van het heden. Wat bleef dan van deze +ongezochte glorie in onze volkskultuur? Helaas, terwijl de houtbouw nog +gevonden wordt te Bayeux, Caen, Goslar, Hildesheim, Nürnberg, Hamburg, +Lisieux, of ook in Engeland, is hij in ons land zoo goed als verdwenen. + +Ook in de steden van Vlaanderen en Brabant resten misschien nog +slechts een tiental houten gevels. De houtbouw leeft hoofdzakelijk nog +slechts voort in onze molens, die het schilderachtig effekt van het +landschap in zoo ruime mate verhoogen, in hoeven, schuren en verder +in ondergeschikt gedoe. + +Plat, arm en nuchter zijn de meeste baksteengevels, vergeleken bij de +houten. Reeds in de XIIe eeuw waren er in de handelsstad Utrecht enkele +steenen huizen of stinsen. In de XIIIe eeuw worden de huizen grooter +en hooger en de voorgevel wordt rijker behandeld. Tegen het midden der +XVIe eeuw wordt op het steenen huis de Renaissancestijl toegepast, die +de Middeleeuwsche kunst vervangt. Maar van de bedrijfs- en winkelhuizen +begon de steenbouw eerst boven den puibalk; van het houten huis hield +men dus de onderpui. De behandeling was zeer uiteenloopend, maar toch +kan men voor sommige steden van een vrij éenvormig type spreken. Zoo +werd Amsterdam in de XVIIe eeuw gekenmerkt door zijn pilastergevels, +Deventer door zijn eigenaardige baksteenen topgevels, Dordrecht +door zijn karakteristieke boogvulling, Enkhuizen door zijn leuke +baksteenen bedrijfshuisjes, Groningen door zijn gevels met elegante +toppen, Haarlem door zijn gevels met voorspringende puntbogen boven +de vensters, Delft en Den Haag door zijn schilderachtig overluifelde +stoepen. Gelderland heeft nog menige fraaie gevels bewaard, met name +Zutfen. Ook hier zijn, evenals te Deventer, vooral de topgeveltjes, +in ogiefvorm bewerkt, zeer eigenaardig. Daar wij echter slechts met +een détail-speling, en niet met een eigen konstruktief denkbeeld +te doen hebben, gaat het kwalijk aan, met den Heer C. L. van Balen +van een afzonderlijken, Oudgelderschen, of Geldersch-Duitschen +bouwstijl te spreken. Toch heeft de Heer van Balen een dankwaardig +werk verricht, door van de monumenten van den ouden steenbouw in +en om het Geldersch gebied foto's te nemen of schetsjes te maken; +zoo b.v. van huizen te Zutfen, Leesten (gem. Warnsveld), Bronkhorst, +Voorst, Loenen (Veluwe), Lochem, Doesburg, Middachten, Doetichem, 's +Heerenberg, Amersfoort, Culemborg, Tiel, Zevenaar, Huissen enz. Dit +type wordt ook vertegenwoordigd in de provincie Limburg, niet het +minst door het bekende "huis Schreurs" in de Groote Kerkstraat te +Venloo. Vooral de geveldriehoek met zijn beide étages en forschen +top wekt bewondering. De beide oude gevels van het Weeshuis, vlak +tegenover de St. Martinuskerk, steken echter het "huis Scheurs" naar +de kroon. Merkwaardige gevels in dezen trant vindt men verder nog te +Roermond en in het Noorden der provincie. + +De steenbouw ging steeds mee met de mode van den dag. In de XVIIIe +eeuw verschijnt de klassieke gevel met zijn doorgaande pilasters en +groot fronton; en dan volgt de deftige, rustige, vlakke gevel, die +slechts uitmunt door goede proportie; tot tegen het einde dier eeuw +"de karakterlooze gevel, meestal weinig meer dan een brok muur met +eenige lichtgaten en een deurgat, de geschiedenis van den woon- en +bedrijfsgevel en van het woonhuis komt besluiten". Aldus eindigde de +stadswoning in de eerste helft XIXe eeuw "zoo karakterloos mogelijk +en zelfs armer ... dan hij acht of meer eeuwen vroeger begonnen was": +C. M. Peters, De Nederlandsche Stedenbouw. De Stad met hare kerken +enz., bl. 438; zie verder Gelre VII; Limburg's Jaarboek XI, bl. 65, +153; XII, bl. 154; XIV, bl. 43; Bouwkundig Tijdschrift 1904. + +Wat van den steenbouw voor Noord-Nederland geldt, is ook van toepassing +op België, echter met dit verschil, dat het zuiden er zijn stempel +op drukt. Terwijl de huisbouw in Holland doorgaans netter is, meer +afgewerkt, beter beschilderd, is daarginds alles minder verzorgd, +maar ook luchter en ruimer. De natuur is milder, de woning dient +dus iets minder als toevluchtsoord. Wat in België zoowel als in +Holland van dezen huizenbouw rest, heeft waarde voor het heden, +in zoover het nog een reëele plaats in het kultuurleven inneemt, +dient ter berging en verfraaiing, wordt verbouwd en bebouwd--evenals +sprookje, sage en volkslied, die immers gemeengoed werden--en +blijft inwerken op de geboorte van nieuwe kunstvormen. Het aantal +partikuliere gebouwen, die behouden bleven, is vrij groot; ik gaf +boven reeds eenige voorbeelden van den "Gelderschen" bouwtrant. Van +openbare gebouwen vermeld ik de Waag te Enkhuizen, Alkmaar, Haarlem en +Nijmegen; het St. Jansgasthuis te Hoorn; de Kanselarij te Leeuwarden; +de Vleeschhal en het Oude Mannenhuis te Haarlem; het Stadhuis te Gent, +Yperen, Franeker en Leiden (XVIe en XVIIe eeuw). Zie Volksalman. tot +Nut van het Algemeen 1872, bl. 173; 1868, bl. 184; 1867, bl. 184; en +verder vooral Mr. S. Muller, Oude huizen te Utrecht (Utrecht 1911); +J. Briedé, Oude huizen van Rotterdam (Rotterdam 1915); J. Craandijk, +De Haarlemsche Hofjes (Haarlem 1914). + +Zoo biedt het stadsbeeld van thans een bonte mengeling van bouw- en +kunstvormen: het kunstminnend verleden reikt de hand aan het doorgaans +smakelooze heden. Toch moet men niet onbillijk zijn. Daar zijn +voorbeelden van moderne straten, waar een mooi eenheidseffekt in de +verscheidenheid verkregen werd, zoo b.v. de Amsterdamsche Vondelstraat, +voor zoover Cuypers haar aanleg in handen had. Ook bestaat er een +ernstig streven bij de moderne architekten, die het rationeele, +doelmatige der Middeleeuwen in eere willen herstellen en nieuwvormingen +trachten te scheppen met de gegevens der noodzakelijkheid, met de +hun ten dienste staande middelen te bereiken de voormalige eenheid +van karakter en verwantschap van vormen, die het veelvuldige in huis- +en straateffekt tot samenstemming dwingt en in een glorievol verleden +zooveel schoons heeft gewrocht. Het is waar, deze hedendaagsche kunst +is heel wat meer bewust dan de vroegere, en wat aldus in huis- en +stedenbouw tot stand komt is eigenlijk geen _volks_kunst meer, geen +organisch gevormde kunst, opgegroeid uit den boezem des volks. Maar +zij wortelt toch in de logische beginselen onzer nationale volkskunst, +zij kan gedragen en gesteund worden door het volk, zij spreekt tot het +volk en kan het behoeden voor reddeloozen ondergang in den zondvloed +van materialisme en wansmaak. Een verblijdend teeken is het zonder +twijfel, dat allerwege, ook en niet in het minst in het buitenland, +de behoefte gevoeld wordt aan de steden hun aloud artistiek karakter te +hergeven; en dat, al gaat de stadsaanleg niet meer van den eenling uit, +naast den ingenieur en den technicus, die met allerlei ekonomische en +hygiënische belangen rekening hebben te houden, ook de aestheticus +een belangrijk woord heeft mee te spreken. Zie Mr. Fockema Andreae, +De hedendaagsche stedenbouw (Utrecht 1912); Ch. Buls, Esthétique des +villes (Bruxelles 1910); Camillo Sitte, Der Städte-Bau nach seinen +künstlerischen Grundsätzen (Leipzig 1889). + +Een besliste vijand van artistieken stedenbouw en straateffekt +en volkskunst is de _huurkazerne_, de eigenaardige vorm, dien een +komplex van woonhuizen in onze groote steden vertoont. Voor moderne +dichtbevolkte steden, als centra van industriëele produktie op groote +schaal, schijnen deze huurkazernes noodzakelijke bestanddeelen. De +hygiënische en ekonomische bezwaren, die men tegen haar aanvoert, +mogen slechts schijnbaar of althans sterk overdreven zijn,--aan +de ethische en aesthetische beteekenis van het woonhuis, aan den +kunstzin van zijn bewoners, die toch ook voor de kleine luiden de +levenslasten draaglijker maakt, aan de liefde voor eigen huis en eigen +erf geven deze kazernes den doodsteek.--Het vraagstuk der huurkazerne +wordt uitvoerig en veelzijdig behandeld door Prof. L. Pohle, Die +Wohnungsfrage (Leipzig 1910) I, bl. 21 volg., 89 vlg. + +Beter dan in de steden komt te dezen tijde de volkskunst tot +haar recht in de _landelijke woning_, hoezeer ook deze veelal het +slachtoffer geworden is van moderniseering, wansmaak en kwalijk +begrepen genotstreving. "De landsche huizekens", zegt Stijn Streuvels +in zijn Landsche Woning, "'t is alsof ze te dansen staan tegen de zon +en 't geflits dat straalt uit de kleine ruitjes, is als een lach die +schatert over het landschap. Ze staan er zoo welgedaan, zoo rustig, +eigen en vast,--meegegroeid uit den grond met al de omgevende dingen." + +En inderdaad maken zij het leven en de blijheid uit van het +Nederlandsche en Vlaamsche landschap: de huizekens, waar over dag de +zonnegloed op neerzijgt als een zee van stroomend goud tusschen het +groen van velden en weilanden, en waar des avonds een vredig lichtje +pinkt in de stilte van een zalig-blij gezin, als in een godshuis.... + +Over den bodem van geheel Groot-Nederland rijen en groepen zij +zich tot gehuchten en dorpen aaneen; en de dorpen, ze liggen er als +gezaaid: rechts en links en heinde en ver, overal ziet men kerktorens +oplijnen tegen het grijs-blauw van den gezichteinder. Zij liggen er, +evenals de huizen zelf, zonder schijn van orde of regelmaat, maar +toch zoo vredig en behagelijk, en juist dit ongedwongene schenkt +hun de grootste bekoorlijkheid, het meest eigenaardig cachet. Zij +liggen er zoo samenstemmend met al de dingen in het rond, en die +ongedwongen omlijsting, dat harmonisch geheel van huis en dorp en +omringende natuur, vormt een der allerbelangrijkste elementen van hun +bekoorlijke, ongekunstelde schoonheid. En waar de bodem het dichtst +bevolkt is, waar dorpen en woningen samendringen als om nergens een +plaatsje ledig te laten, daar dringt ook sterker óp het gevoel van +levensvolheid en levensblijheid. + +Toch leeft elk dorp zijn eigen leven, dat de dorpstoren uitstraalt. En +de vele en tallooze straatjes en wegjes en steegjes, kronkelend +zonder doel, krom en planloos en hoekig, zij schijnen alle toch weer +te wijzen naar éen gemeenschappelijk punt, een hoeve, een molen, +een grooten verkeersweg. Tusschen de dorpen in doorkruisen hagen en +slooten, dreven en weteringen de beemden en gouwen, reppen zich nijvere +molens en dommelen de knotwilgen in het Hollandsche landschap. Naast +eenheid ook hier weer verscheidenheid. Vooral de stroeve ernst der meer +rechtlijnige streekdorpen kontrasteert met de innigheid der komdorpen +en meer nog met de frivole dartelheid der groepdorpen op Frankischen +bodem. Eenzaam, als het ware een leven leidend afgescheiden van de +gemeenschap, liggen beschut door werven en grachten en half weggedoken +achter dichte boomgroepen de afzonderlijke hoeven. + +In eenheid verscheidenheid: al deze huizen en huizekens zijn gebouwd +naar de sobere wetten der redelijkheid, naar de eischen van materiaal +en bedrijf, naar de omstandigheden van plaats en ligging. Alle +gehoorzamen zij aan de groote wet der harmonie van huis en omgeving +en streven zij naar eenvoud en beperking. Zij spreken alle een klare, +sobere vormenspraak, eenvoudig en eerlijk. Geen kracht is versnipperd, +geen versiersel overtollig. En zoo vormt geen enkel landelijk huis een +dissonant met de omgeving, een zwarte vlek op het landschap: de hoogte +der muren, de lijnen van het dak, deur en venster en schoorsteen,--het +is alles op maat, laat het oog kalm en het hart vredig, het lokt en +wenscht en behaagt. Ook de groepeering van geboomte en bloemstruiken +en groentebedden verraadt alleszins goeden smaak ... Maar toch weer +verscheidenheid. De stelphoeve maakt een massieven, hoewel niet +onvriendelijken indruk; onderbouw en dak moeten schutting bieden +tegen de gure zeewinden. Aan den topgevel, die somwijlen een weinig +naar voren springt, wordt de meeste zorg besteed. Schrille kleuren, +het strandvolk eigen, treden ook hier aan den dag, zonder echter in +'t minst te ontstemmen. Vooral uit zich een krachtige voorliefde voor +groen en wit. De houten buitenwanden van de hoeve zijn meestal frisch +groen en de kozijnen, ramen en goten wit geverfd, kleuren, die met +den rooden baksteen voortreffelijk samenklinken. Dit geldt ook voor +het Westen van Friesland. In het Saksische huis voert het sobere, +gemoedelijke den boventoon, vooral in het meest oorspronkelijke +type in Twente en in het Oosten der Graafschap. Hier overheerscht +de houtbouw, vooral de vakwerkbouw, en wel op zeer aantrekkelijke +wijze. Meer kunstuiting vindt men echter bij de vertegenwoordigers +van dit type in Zuid-Holland, Utrecht en ten deele Gelderland, die +behooren tot den weiverzorgden baksteenbouw. Vooral in Zuid-Holland +kunnen verscheiden boerderijen als waardevolle kunstuitingen +gelden. De Drentsche hoeve is naakt als het omringende heideveld. De +Frankisch-Keltische langgevelhuizen missen het blijde kleurenspel +der noorderlijke hoeven. De bouworde is schriel en onverzorgd, +maar met een grondtoon van gezelligheid. Ook werd ondanks de weinig +kostbare hulpmiddelen een gunstig geheel verkregen met groote lijnen +en vlakken, die in juiste overeenstemming zijn met het landschap. De +"Zuid-Limburgsche hoeve" vertoont een volstrekt-afwijkende bouwwijze en +is voor een groot deel in mergelsteen uitgevoerd. Ook vindt vakwerkbouw +een uitgebreide toepassing, zoowel voor de binnenplaats, als voor de +buitengevels, met uitzondering van het woonhuisgedeelte. Het uitwendige +der hoeve heeft iets sombers, iets massiefs. Maar de binnenplaats is +aantrekkelijk door de rijke afwisseling der verscheiden gebouwen met +hun vele deuren en vensters. + +Laat ik hier ten slotte bijvoegen, dat in het zuidelijk volksgebied de +steenput voor de deur, waarin de emmer rinkelt aan de keten, of aan het +uiteinde van de wip in het frissche water daalt, het schilderachtige +van de frontzijde niet weinig verhoogt. Zie vooral Stijn Streuvels, +De Landsche Woning, _passim_, en H. V. D. Kloot Meyburg, Onze oude +Boerenhuizen bl. XI vlg. + +Nog eenige andere dak- en gevelversieringen zijn niet onbelangrijk, +en wel voor het karakter onzer _dekoratieve volkskunst_. + +Zeer merkwaardig vind ik de versiering van het Friesche huistype, waar +de top van het dak boven de walmgaten bij voorkeur door zwanenfiguren +wordt opgesmukt. Deze zwanen staan rug aan rug, met den hals naar +boven en de koppen naar buiten gekeerd. Maar zij zijn vaak zóo +sterk gestyleerd, dat de eigenlijke vorm is verloren gegaan. In +Noord-Holland ontbreekt dikwijls alle versiering. Daarentegen vindt men +het zwanenmotief ook in het oude gebied tusschen Stade en Buxtehude +(Hannover), waar Vlamingen een volksplanting stichtten; en verder, +overeenkomstig, in Noord-Vlaanderen. + +Zonder twijfel hebben wij hier te doen met een stamteeken. De zwaan +dient als Friesch stamdier te worden beschouwd, evenals haan en +paard Saksische stamdieren waren. Daarom komen haan en paardekop als +gevelversiering bij Saksische huizen voor, waarvan een ieder zich +in het land van Twente kan overtuigen. Zoo vind ik in het verslag +van de excursie der Nederl. Anthropologische Vereeniging naar het +Saksische Land in 1914, Bijblad 1915, bl. 24: "Op de schuur bij +het huis viel allereerst de gevelversiering, de oude Saksische +paardenkoppen, in het oog, die men nog vindt in alle streken eens +door Saksers bewoond." Veilig mag men beweren, dat karakteristiek +voor de Nederlandsche dekoratieve volkskunst is het feit, dat zij +deze stamdieren: zwaan, haan en paard--oorspronkelijk dierfetissen, +ter afweer aangebracht--tot architektonische motieven heeft weten te +vervormen. Men zie in verband hiermee Deel I, bl. 177, waar ik haan +en zwaan op den palmpaasch besproken heb. De Katholieken brengen +op de gevels hunner huizen gaarne een kruis aan, een kruis op een +hart, of de letters I H S: een verkorting van den naam _Jezus_ in +Grieksche letters, naderhand verklaard als _Jesus Hominum Salvator_, +bij ons: _Jezus Heere Saligmaker_, _Jezus Heilige Sakramenten_, of +iets dergelijks. In dezen vorm vinden wij het woord op de Romeinsche +munten van Christelijke keizers. + +Als _bouw_materiaal voor huisgevels heeft het hout afgedaan, +en daarmede zijn grootste beteekenis in de bouwkunst van het +heden verloren. Het heeft nog waarde in de dekoratieve kunst en +kleinkunst, maar ook hier nog slechts sporadisch. Men maakt zijn +eigen meubels niet meer, wat men nog snijdt zijn kistjes, klompen, +plankjes enz. Alleen de schipper en visscher is tot tijdverdrijf bij +windstilte nog houtsnijder. De aloude houtsnijkunst--volkskunst van de +verdwijnende soort--leeft nog b.v. op Terschelling, waar 's winters +de voorvaderlijke stoven en bankjes gemaakt worden. Met een ruw mes +snijdt men een oud, overgeleverd type van versiering, waarin dieren- +en plantenmotieven. + +Daarentegen is de handel in houtsnijwerk, zooals die op enkele plaatsen +wordt gedreven, b.v. te Hindeloopen, voor het meerendeel een handel +in _curiosa_ en niet voor eigen gebruik bestemd. + +Treden wij nu de woning binnen. Een gang is veelal afwezig, is in +alle geval van later datum. Wij zagen reeds, dat de keuken een der +voornaamste vertrekken uitmaakt. De vloer is zelden van leem, meestal +van witte keitjes, waarin met zwarte keitjes figuren zijn gevormd, en +wel in het oostelijk en in geheel het zuidelijk volksgebied. Somtijds +vindt men ook blauwe plavuizen, waarover de boerin zand strooit, +vaak in sierlijke figuren. + +De ruime, ouderwetsche schoorsteen boven den oorspronkelijk vrij +liggenden haard, de aloude offerstede, is inderdaad het middelpunt +van het huiselijk leven èn op het land, èn waar hij in burgerfamilies +nog de plaats bekleedt, die hem toekomt. De breede vleugels zijn +bemetseld met blauw-gekleurde tegeltjes van Delftsch aardewerk, +met Bijbelsche of profane tafereelen, of ook gewone landschappen met +molens en bruggen, visschers, zeilende schepen, bloemen of dieren. Men +vindt deze tegelsteentjes ook nog wel elders, b.v. in zijvertrekjes, +maar steeds zeldzamer. Waar deze oude haard nog bestaat, daar kan men +dwars door de schouw zien in de ruime, roetige pijp, waar vleesch en +worsten te rooken hangen: + + + Boven in de schouwe + Daar hangen de worsten aan touwen. + + +De schouw is de koker der geestenwereld. Aan de haal, welke zulk een +voorname rol speelt in het dagelijksche leven (I, bl. 35, 257 vlg.), +hangt de ketelhaak met den grooten ketel. Om den schoorsteenmantel, +die een reusachtige ruimte omspant, loopt het schoorsteenkleedje +van gebloemd katoen, dicht geplooid. Daarboven heeft de huisvrouw +haar schatten aan tin en aan blauw aardewerk uitgestald. Het zijn de +tinnen familieborden, die van vader op zoon overgaan. Men vindt er +ook pronkappels, tabakspot, pijpen en, niet te vergeten, de tinnen +of koperen koffiekan, slank van vorm,--"fier als een koffiepot", zegt +de Vlaming. Boven den schoorsteenmantel staat of hangt in Katholieke +streken een kruisbeeld, veelal met gewijde palm, zoowel op het land +als in steedsche huiskamers. Vgl. Schotel, Zeden en gebruiken in de +Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 8 vlg. Enkele artistieke schouwen vindt +men afgebeeld b.v. in den Drentsche Volksalman. 1907, bl. 184, 186. + +Om den haard of de brommende kachel verzamelt zich het gezin. Daar +bespreekt men de voorstellingen der tegelsteentjes, maar ook +het werk van den dag; daar luisteren de kinderen naar moeders of +grootmoeders vertelsels met kloppend hart en stralenden blik; daar +snort plaatselijk nog het edele spinnewiel met klos en haspel. Gaarne +wordt het spinnewiel ook een plaats ingeruimd in de moderne salons, +waar het zich echter niet bijster thuis moet gevoelen. + +De aarden en tinnen borden en schotels pronken echter ook op richels, +die langs de wanden loopen, en sieren het lijstwerk van kasten en +bedsteden. De borden en kommen van Delftsch, Brugsch en Brusselsch +aardewerk vertoonen soms heele tafereelen met passende spreuken. Op +andere vindt men spiraalvormige versieringen, bloemen, druiven +en loof in helle blauwe, gele of roode kleuren. Ook treft men wel +eenvoudig bruin verglaasd aardewerk aan. Een echte volkskunst is nog +de pottenbakkerij in De Lemmer. + +De bedsteden, door een dubbele kast gescheiden, vullen de geheele +ruimte van éen der wanden, en zijn vaak met kunstig snijwerk +behandeld. Uit voorzorg tegen overstroomingen waren de onderlagen +vrij hoog boven den vloer aangebracht, zoodat een voetbank of ook +wel zakken met koren dienden om ze te beklimmen, en toegang te +verleenen tot den stapel van zware kussens en bedden, een toestand, +die plaatselijk nog wordt aangetroffen. Elders dienen roode of groene +gordijnen ter afscheiding. + +Het mooiste porselein, glaswerk enz. bevindt zich in de glazenkast, +porseleinkast, pronkkast, kabinet, of welken naam dit waardevolste der +meubelen ook dragen mag. Hier prijkt ook het mooiste glaswerk, boersche +borrelglazen in tulpvorm met ingebrande spreuken, naast trekpotten en +serviesgerei van allerlei slag. Zij hoort dan ook in de pronkkamer +thuis. Deze kast is de glorie der boerin; het is een familiestuk, +veelal van mahoniehout en met hooge glazen deur. Zij legt er ook +het linnengoed en de kostbare kleedingstukken in, vooral wanneer +de kisten buiten gebruik zijn. Veelal bezigt men nog de benaming +_kistengoed_ of _kistentuig_ voor het beste lijf- en linnengoed, +zoo b.v. in Limburg. De term _kastengoed_ is een latere vervorming, +doordat de kast de funktie der kist overnam, zeer verklaarbaar. Deze +eikenhouten kisten zijn dikwijls fraai uitgesneden. Het deksel is +schuin of vlak; vooral de voorkant, in paneelen bewerkt, heeft een +betrekkelijke kunstwaarde. De oorspronkelijke zitbanken zijn thans +meestal door stoelen vervangen; de oudste stoelen zijn fraai van +teekening, zoowel de gewone matten stoel met zijn gedraaide pooten, +als de oudvaderlijke armstoel met segrijn overtrokken. Laat ik nu nog +vermelden den eikenhouten lessenaar, een eereplaats voor den Bijbel, +de typisch-Hollandsche theestoof, die ook al naar het salon verhuisde, +en de gezellig-tikkende klok, wier meest ouderwetsche vorm de +stoeltjesklok is; eindelijk de koperen bedpan, ter verwarming van het +bed, met kolen gevuld, en overdag prijkend aan den wand. Het koperwerk +omvat nog kandelaars, kaarsenpannen, tondeldoozen, enz. Veel koperwerk +aan den muur is een teeken van welstand. De letterdoeken vertoonen +staaltjes van naaldkunst. Het Antwerpsch Museum van Folklore bezit +een groote verzameling van dergelijke tot de kleinkunst behoorende +huiselijke voorwerpen: vuurslagen, vuurblazers, doofpotten, waterstoven +(lollepotten), kaarsensnuiters, dompers, schuimspanen enz. Een groote +schoorsteenhaal uit gesmeed ijzer vertoont er als koperen versiersel +een smidse met galoppeerend paard. Op ruwe zoutbakken van gebrand +hout ziet men merkwaardige ingekorven meetkundige figuren. Van +kunstig versierde koekijzers met spiegelschrift gewaagde ik reeds +in het Eerste Deel, bl. 140. Zie over deze en dergelijke voorwerpen +nog Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 291 vlg.; K. de Meyere, +De Volkswoning en hare versiering, bl. 24 vlg. + +Over het algemeen is de toon in de steedsche woning iets doffer dan +op het land. Maar ook hier wekt het helle groen van meubelen en +deuren in zijn schrilheid geen wanklank met het wit-blauw van de +muren. Alles ademt soberte en eenvoud, zelfs de meer ingewikkelde +versieringen, waarin wij de symbolen van het volksgeloof vinden +verwerkt: Anker en Sterren (de hoop), Vlammende Harten (de liefde), +Hanen (zuiverheid), Bloempotten (rijkdom der armen); verder engelen, +kruisen, varende schepen enz. In geen volkswoning ontbreekt ook de +vogelkooi. Maar niet zelden is zulk een kooi een familiestuk, door +huisvlijt en kunstzin gewrocht. Zij heeft fries en kroonlijstjes, +deurtjes en venstertjes en balkonnetjes, en lijkt wel een paleis. Zoo +vinden wij ook opgetuigde modelschepen, miniatuur-spinnewielen en, +in Katholieke gezinnen, de passie Onzes Heeren in een flesch of onder +een stolp. Van hoeveel taai geduld en treffende kunstliefde leggen +deze voorwerpen geen getuigenis af! Ik herinner nog even aan de +voorwerpen van uitgesneden of gevouwen papier: molentjes, zoutvaten, +scheepjes--ook twee- en driemasters--, bisschopsmutsen enz., alles op +dezelfde wijze door kinderhanden gevouwen als voor honderd jaren. Aan +het kind zijn de volkstradities zoo wèl toevertrouwd! Menig lezer +zal zich uit zijn kinderjaren ook nog herinneren de slang, uit een +speelkaart gesneden, en die met den kop op een in 'n turf gestoken +stokje of breinaald rustte. Plaatste men den turf op den warmen +schoorsteenmantel, dan kronkelde het serpent heen en weer. + +Ik sprak reeds van het kruisbeeld, dat boven den schoorsteenmantel +een eereplaats inneemt. Naast de deur, in de slaapkamer naast de deur +of boven het bed, hangt in Katholieke gezinnen het wijwatervaatje met +gewijde palm, terwijl in kast of kist de gewijde kaars geborgen is. Het +plaatwerk aan den muur bespreek ik nader. Op kast of schoorsteen +vindt men heiligenbeeldjes, alleen staande of met de bijbehoorende +versiering, die aan het geheel in België den naam van kapelleke +geeft. Tot deze kappellekens behooren ook de kerstkribbetjes, +niet zelden van aandoenlijken eenvoud en teederheid. Het goddelijk +kind slaapt tusschen os en ezel, omglansd door hemelsch licht in een +weelderig, bloemrijk landschap; boven in de lucht houden twee engelen +de ster, die de koningen geleidde. Ook draagt men in de Meimaand zorg +voor passende versiering van het Mariabeeld. Zie Frans de Potter, +Huiselijke godsdienst onzer voorvaderen (Gent 1886), bl. 16 vlg., +24 vlg. + +Weinig hedendaagsche binnenkamers beantwoorden aan bovenstaande schets +in haar geheel. Ook verschilt de stoffeering natuurlijk bij verschil +van gewest, godsdienst, ligging (op het land of in de stad). Bij deze +schets had ik hoofdzakelijk de _volkswoning in het algemeen_ op het +oog, en op deze heeft ook betrekking de nu volgende bespreking van +het volksdekoratief in spreuken, uithangborden en plaatwerk. + +_Spreuken_ vindt men in de volkswoning allerwege. In de binnenkamer, +boven tegen den balk en elders, vindt men de huisspreuken: "Aan +Gods zegen is alles gelegen";--"De Heer beware uwen ingang en +uwen uitgang";--"Dit huis staat in Gods hand, God beware het voor +brand";--"Als God met ons is, wie zal dan tegen ons zijn?" Natuurlijk +wijzen taal en spelling veelal op oudere dagteekening. In het zuidelijk +volksgebied wordt nog dikwijls een opschrift uit papier geknipt en +achter glas in een lijstje gezet: "Hier vloekt men niet, God ziet +u";--"Gedenk te sterven";--"Looft den Heer", enz. Trouwens bordjes of +plaatjes met gelitografeerde spreuken vindt men door het gansche land. + +Maar ook ter dekoratie van dagelijksche voorwerpen doen gewijde +en profane spreuken dienst, want het volk wil den glans der poëzie +spreiden over geheel het dagelijksche leven. De meest onbeduidende +voorwerpen wil het ornamenteeren, opheffen uit de sfeer van het +banale en niets-zeggende door naïeve rijmpjes, wijze spreuken of +enkel door een paar woorden ter verduidelijking van het gebruik. Juist +zoo verhoogde ook de Grieksche epische volkspoëzie de waarde en het +belang van wapenen en huisraad: een enkele beknopte toelichting diende +als opschrift. + +Op een koperen onderschotel vindt men te midden van een krans: + + + Ik dien om de tafel + niet te laten branden, + maar pas op als ik blink, + dat ge me niet schande. + + +Op een spiegel: + + + 't Is maar schijn. + + +Op een beker: + + + Geen geluk + Zonder druk. + + +Op trouwschotels: + + + Er is niets beter in den trouw + Als liefde tusschen man en vrouw. + + +Op een zonnewijzer: + + + Ik spreek alleen, het aangezicht + In 't volle zonnelicht. + + +Op een bord: + + + Weldadige Opperheer, + Gij spijst ons al te zamen, + U zij de lof en eer, + Ons hart zegt dankend Amen. + + + In spijs en praat + Hou middelmaat. + + + Na spijs en drank + Geef Gode dank. + + +Op een rijstpapkom: + + + Die den arme geeft + Leent den Heer. + + +Op een stortbekertje: + + + 't Is u gegund, + Drink als ge kunt. + + +Op een tafelschel: + + + Deze klank roept om drank. + + +Op een drinkglas: + + + Als David de vriend van Jonathan was + Drinken wij onze vriendschap uit dit glas. + + +Op een spaarpot: + + + Daar niet en is, + Gaat zoeken mis. + + + Leert sparen en vergaren, + Leert geven en blijft leven. + + +Op een scheerbekken: + + + Het jaar is om + Betaal de som. + + +Bij de intrede van het huis ziet men de gevelspreuk of het +luifelschrift prijken. Tot de meest bekende behooren wel: + + + Dit huis staat in Gods hand. + + + Niets buiten God. + + +Vele oude gevelspreuken zijn ons bewaard gebleven en getuigen nog van +de volksvroomheid, de volkskunst, den volkshumor onzer vaderen. Voor +het meerendeel hebben zij voor ons slechts historische waarde. Ik +volsta dus met enkele voorbeelden, ontleend aan het voortreffelijke +werk van Van Lennep en Ter Gouw, Het Boek der Opschriften (Amsterdam +1869). + +Andere vond ik in tijdschriften en provinciale almanakken of teekende +ik persoonlijk op. Spreuken van dezen aard worden nòg aangebracht, +maar steeds zeldzamer. + + + Elk wandel in Gods wegen. + + + Vergenoegzaamheid gaat rijkdom te boven. + + + Ziet voor u opdat gij niet en struikelt. + + + De Heer--regeert. + Al wat adem heeft--looft den Heere. + 't Is beter benijd dan beklaagd--als 't God behaagt. + + + Behoed ons Heer voor zonde en schand, + Bewaar dit huis voor ongeluk en brand. + + + Menschen gij moet sterven, + Gedenkt gij de zaligheid te erven. + + + Wie op God vertrouwt, + En niet en verflauwt, + God zal hem zegenen menigvoud. + + +Dikwijls richt zich de huisbewoner tegen lasteraars, babbelaars en +kwaadsprekers; zoo b.v.: + + + Het ware te wenschen, + Dat alle menschen, + Die kwaad van anderen spreken, + Zich zelven eerst bekeken. + Dan zouden zij het praten + Van anderen wel laten. (nabij Amsterdam). + + + Wie hier komt spreken van iemand kwaad, + Wijs ik waar 't gat van de deur staat. + + +(Amsterdam). + + + Wat wordt er menig mensch belasterd en belogen + Van menig kakelaar, die zelf toch niet en dogen. + + +(Hemelum). + +Tot de gevelspreuken behooren ook de berijmde beroepsaanduidingen; +hun bloeitijdperk was de XVIIe eeuw; maar zij komen ook thans nog +voor en zijn veelal humoristisch getint. + +Kaaskooper: + + + O wereld boos en heel verkeerd, + Wat heb je al geld dat mij ontbeert! + Maar de vromen moeten hier gebrek lijen, + Doch zullen hierna de kaas wel beter snijen. + + +Aanspreker: + + + Bidder, Dokter, Doodgraver en Aptheker, + Dat zijn vier vrinden, dit is zeker: + Wanneer zij bidden om hun dagelijks brood, + Zoo bidden er twee om de ziekte en twee om den dood. + + +Schipper: + + + Met scheepvaren plaisant + Ik mij geneeren moet, + De scheepvaart door Gods hand + Het land floreeren doet. + + +Smid: + + + Houd man! Daar is de kan, + Wel wijf! De kan is mijn gerijf. + Maar wacht u voor de vonken. + Het ijzer is heet; + 't Moet eerst zijn gesmeed, + En dan eens gedronken. + + + Wij hebben door Gods milden zegen + En vlijt dees ijzersmederij + Tot dienst van mensch en paard verkregen. + Zijn hulpe zij ons verder bij. + + +Groenteverkooper: + + + Adam en Eva, gesteld in 't groene paradijs, + Aten hun buikje vol van de lekkerste spijs, + Maar zij werden verleid van den schelmschen droes, + Hier verkoopt men kool, wortelen, rapen en groen moes. + + +(Berlicum). + +Tapper: + + + Wel te doen en vroolijk zijn + Is 't beste op dees aard. + Hier verkoopt men brandewijn + En haver voor het paard. + + +(Oud-Pekela en Rotterdam). + + + In het Leppersfort + Is geen drank te kort. + + +(Gent). + + + Hij moet gauw zijn, die wil tappen en wijn verkoopen, + Maar nog gauwer, die met het gelag deur wil loopen. + + +(Leuven). + +Herbergier: + + + Ik woon hier aan den weg, + Wat kan men beter wenschen + Dan de zegen van den Heer + En de gunst van alle menschen. + + +(Horn, L. en Westerwolde, Gr.) + + +Barbier: + + + Die graag zijn baard zich ziet ontnomen, + Ga niet voorbij, wil binnenkomen, + Van welken rang of staat, + 't Zij burger of soldaat. + + Ik geef aan elk fatsoenlijk man + Zoo veel genoegen als ik kan, + Ik doe mijn best aan alle gaar, + En die 't verlangt snij ik ook haar. + + +(Assen). + +Bakker: + + + Misgun geen bakkers winst, gij goede en kwade liên, + Zij arbeiden het brood met lichaam, voet en knien. + + +(Amsterdam). + +Besteedster: + + + Hier woont de besteedster, twee hoog, aan de linker deur, + Klop je aan de rechter, dan komt de Vroemoêr veur. + + +(Amsterdam). + +Glazenmaker: + + + Met glas en lood + Win ik mijn brood. + + +(Amsterdam). + +Gouddraadtrekker: + + + Hier trekt men naar de kunst het goud tot dunne bladen, + Om ons gewin en ook voor wereldsche sieraden; + Maar als wij rusten nemen wij weer ons gemak, + Totdat het geld verdwijnt tot slijm gelijk een slak. + + +(Brussel). + + +Kleermaker: + + + Geen mensch men acht + Als om zijn dracht, + Dies laat mij brave kleeren maken, + Wilt gij tot ambt of eer geraken. + + +(Enkhuizen). + +Koekebakker: + + + Koek die zoet is + Koek die goed is + Koek die gaar is + Proef of 't niet waar is. + + +(Zaandam). + +Koffiehuis: + + + Alle anderen zijn in abuis, + Maar hier is het ware koffiehuis. + + +(Heerlen, L.) + +Kroeg: + + + In den cabaret, dien men hier wijst, + Wordt men gelaafd en gespijsd. + + +(Eecke, Vlaanderen). + +Kuiper: + + + Door kuipen werden veel tot staat en eer verkoren, + Het kloppen is het best, hetgeen wij daaglijks hooren. + + +(Gent). + +Melkboer: + + + Hier verkoopt men room + Zeer vroom + En zoetemelk + Voor elk. + + +(Houten, U.). + + +Pruikemaker: + + + Hier maakt men pruiken om een ieder te gerieven, + Van levend menschenhaar, niet van gehangen dieven. + + +(Gent). + +Schipper: + + + Ik vaar ter zee op Gods genade, + Dat God bewaart kan mij niet schaden; + 't Zij dat ik uitvaar of wederkeere, + Ik verwacht altijd de zegen des Heeren. + + +(Vlaardingen). + +Stalhouder: + + + Hier stalt en verhuurt men paarden, + Bij niemand zullen zij beter aarden; + Ik geef haar haver en goed hooi, + En, om zoo te zeggen, zuiver strooi. + + +(Alkmaar). + + + Wie wil rijden met behagen + Moet naar Willem Stallaert vragen. + + +(Antwerpen). + +Veerhuis: + + + In dit veerhuis, heel plesant, + Ziet men de scheepjes aan alle kant + Het Maasje op en neder varen; + God wil dit huis van leed bewaren. + Hier + Tapt men Genever, Brandewijn en Bier. + + +(Besooien). + +De volkskunst, met name de dekoratieve kunst, spreekt verder uit de +_uithangborden_: uit vorm, voorstelling en opschrift. Daarin vertelt +een stad haar geschiedenis; daarop leest men, waardoor een plaats +bloeide of bloeit, bespiedt men een stuk van het maatschappelijke +en huiselijke leven; maar daarin weerspiegelt ook de kunstzin der +gemeente. + +Wat hun oorsprong betreft, dezen zoek ik gaarne met Van Lennep en Ter +Gouw in de heraldiek: het huis van den poorter was _zijn_ kasteel, +en dit moest geblazoeneerd worden met wat hij zich tot zinnebeeld +gekozen had. Zoo verklaart men hun algemeenheid en het bijzonder type +van sommige, b.v. _in den Rooden Leeuw_. Het symboliseeren van ambten +en bedrijven zelf kende men echter in het oude Rome reeds evengoed als +tegenwoordig: men vond daar een krans vóor een herberg, een geit vóor +een melkinrichting, een molensteen vóor een bakkerswinkel enz. Voor +de geschiedenis der uithangteekens verwijs ik naar het uitvoerige werk +van genoemde schrijvers: De Uithangteekens in verband met geschiedenis +en volksleven beschouwd. 2 dl. (Amsterdam 1868). + +Als heraldische figuren vermeld ik _de Kroon_, of _de Drie Kronen, de +Keizerskroon, de Landbouw_ enz., voornamelijk aan de herbergen. Dit +geldt evenzeer voor _de Helm, het Schild, de Gouden Leeuw, de Roode +Leeuw, de Roos, de Meermin, het Kruis_. Ook dragen tegenwoordig +meerdere hotels nog de wapens van landen, steden of personen. Andere +uithangteekens zijn zinnebeeldig: _de Liefde, de Trouw, de Eendracht_, +of ontleend aan den Bijbel: _Adam en Eva, de Arke Noachs, de Geduldige +Job, de Jonge Tobias, de Vlucht naar Egypte, de Samaritaansche Vrouw_ +(b.v. te Alkmaar op de Groenmarkt), _de Drie Koningen_ (o.a. te +Amsterdam in de Paardenstraat), enz. In Katholieke streken komen +de heiligen veel voor: _Sint Andries_, staande naast of gebonden +op het Andreaskruis, _Sint Barbara_, staande naast of dragende op +de hand den toren met de drie vensters, _Sint Hubertus_, vooral in +België, _Sint Jacob, Sint Joris, Sint Maarten, Sint Krispijn, Sint +Pieter_. Ook ontleent men aan de mythologie of aan het volksverhaal, +vroeger natuurlijk belangrijk meer dan thans: _de Dorstige Pleiaden, +de Ridder met de Zwaan, de Vier Heemskinderen, de Gelaarsde Kat_. Van +historischen aard zijn het _Schip van Damiate_, o.a. te Amsterdam, +_in den Preekboom_, te Clercken in België, _de Tiende Penning_, te +Brielsch Nieuwland; ook schuilt in de uithangborden menige plaatselijke +overlevering. Van merkwaardige personen noem ik _Floris de Vijfde, +Paus Adrianus, Erasmus_. Vroeger hadden de uithangborden opvoedkundige +waarde: want zij onderwezen het volk in de geschiedenis en de jeugd +in het lezen; ook vervingen zij feitelijk de naambordjes der straten +en deden dus als goede wegwijzers dienst, even praktisch als typisch +en schilderachtig. + +Nog steeds hebben sommige beroepen en bedrijven vaste +uithangborden. Sommige apothekers en drogisten voeren _den Vijzel_ +of _den Gaper_, dezen waarschijnlijk, dewijl de zieke immers moet +gapen, om zijn tong te laten zien, en eveneens tot het slikken +der artsenijmiddelen. Kleermakers voeren de _Schaar_, metselaars +de _Troffel_, smeden den _Gouden Sleutel_ en het _Proefslot_, +hoedemakers den _Hoed_, barbiers het _Scheerbakje_ of de _Kwast_, +herbergiers het _Vat_, slagers het _Varken_, bakkers het _Brood_, +schippers het _Schip_, terwijl de _Klok_ voor herbergiers, winkeliers +en kooplieden van allerlei slag geschikt lijkt. Ook ziet men nog vaak +een _Moortje_ of _Moriaan_ boven een tabakswinkel, _Koffiebaaltjes_ +boven een kruidenierswinkel, een _Theeboom_ boven een theewinkel, een +_Haring_ boven een vischwinkel; terwijl het wapen van een stalhouder +_Twee tegen elkaar opspringende Paarden_ zijn op de staldeuren met +het opschrift: "hier stalt en verhuurt men paarden en rijtuigen." + +De meest voorkomende uithangteekens van hotels, herbergen en kroegen +zijn wel: _de Krans, de Toelast_ (groot wijnvat), _'t Zwijns-hoofd, +'t Zwaantje, 't Dorstige Hart, de Wildeman, de Reizende Man, de Druif, +de Wijnberg, de Bok_. Boven een pothuis ziet men nog wel eens den +kruier in de uitoefening van zijn bedrijf en daarbij de legende: +"Jan de Kruijer klopt Tapijte." Maar het bordje met _Water en Vuur_ +en bijbehoorenden ketel, die te vuur staat, zal wel met de water- en +vuurkelders tot het verleden behooren. Ten slotte vermeld ik nog _de +Zon, de Maan_ (te Utrecht op de Lijnmarkt ziet men een gevelsteen: +_in de Vergulde Maan_), _de Beer, de Olifant, het Hert, het Paard, +de Kat, de Haan, de Zwaan, de Papegaai, de Snoek, de Oranjeboom, +de Lelie_ enz. enz. + +De uithangteekens worden veelal door rijmpjes geïllustreerd. Ik geef +enkele staaltjes. + +Te Bontebok, een gehucht bij Heerenveen, vóor een herberg, waar de +_Bonte Bok_ uithangt: + + + Vrienden ik ben een bok, + Een bok ben ik geheeten, + Menigeen is een bok, + Maar hij wil 't niet weten. + + +Uit Friesland: + +Aan de eene zijde staat een _varken_, dat zal geslacht worden; +daaronder leest men het rijm: + + + Dit varkentje heeft veel verdriet, + Maar dat weten de varkentjes aan de andere zijde niet. + + +De andere zijde stelt een weide voor, waarin varkentjes rondloopen; +daaronder staat: + + + Deze varkentjes loopen in de wei, + Maar dat weet niet het varkentje aan de andere zij. + + +Onder een voorstelling van _hond_ en _haas_; + + + Dit is de honte, en dat is de hoaze, + En omdat ik ben 'n meester en boaze, + Zet ik d'r onder: + Dit is de honte, en dat is de hoaze. + + +_Kaïn_ en _Abel_ op een bakkerswinkel: + + + Kaïn sloeg Abel dood + Al om een hoekje, + Hier verkoopt men wittebrood + En ook een koekje. + + +Te Maastricht vindt men een blauwen gevelsteen, waarop een +_Engel_, eertijds uithangbord, met dit rijmpje: + + + In den Engel bemind, + Treê binnen mijn vrind, + Hier tapt men met pleizier + Jenever en bier. + + +Te Delft boven een herberg, die _Sint Joris_ voert: + + + In Sint Joris vol van waarden + Tapt men wijn en bier en stalling voor de paarden. + + +Te Eindhoven hangt, of hing tot voor kort, boven een kroeg een +_Rustende Schutter_ uit, met het opschrift: + + + Rust met lust + En drinkt met maten, + Maar die geen centen heeft + Moet het drinken laten. + + +Voor een huis, waar de _Mosterdpot_ uithangt: + + + Ik lever uit + Een zeldzaam kruit, + Daar zijnder weinig in de stad + Of 'k heb ze bij de neus gehad. + + +Te Dordrecht in de Nieuwstraat staat onder een _Molen_ en een _Zeilend +Scheepje_ bij een kruidenier: + + + Ik laat alle winden waaijen + En alle molens draaijen + En alle waters vloeijen, + En ieder zich met het zijne bemoeijen. + _Gedult overwind alles_. + + +Een _Bijenkorf_ vindt men niet alleen bij koekbakkers, maar ook bij +kantwinkels; aldus te Rotterdam: + + + In de Bijkorf verkoopt men kant, + Geen beter in 't Lant, + Voor geld contant + Strak in de hant. + + +Als karakteristieke uithangborden, voorkomende in het Land van Waas, +worden ons door A. Vee in Volkskunde XVI, bl. 116, medegedeeld: +_de Boerentroost, de Vuile Gevel, Rust wat, in Trien goed bier, de +Kilopint, Bij Baasken Zat_ enz. Ook vindt men hier o.a. de volgende +berijmde uithangborden: + +Te Melsele: + + + Ik woon op den Smoutpot alhier, + Hebt ge geld, dan heb ik bier, + Hebt ge er geen, dan staat er + Hier naast een pomp met water. + + +Te Clinge: + + + Dorstig hartje, moe van 't gaan, + Kom eens binnen in de Zwaan, + Er woont een man alhier, + Die schenkt genever en bier. + + +Om nu verder de dekoratieve volkskunst in oogenschouw te nemen, +treden wij wederom het woonhuis binnen. + +In menige volkswoning vindt men heden nog zorgvuldig ingelijste +_bidprentjes_, vooral in het zuidelijk volksgebied. Met +"bidprentje" bedoel ik niet "doodenprentje" of "doodsprentje", +een begripsverenging van lateren datum; maar wel het oude en +oorspronkelijke herinneringsprentje of -beeldeken, in kopergravure, +gekleurd of ongekleurd, met berijmde gebeden, terwijl de herinnering +aan de religieuze gebeurtenis, meestal eerste kommunie of vormsel, +op de achterzijde geschreven staat. De gekleurde _sanktjes_ kwamen +vooral sedert de XVIIIe eeuw in zwang. De oorsprong der berijmde +gebeden is meestal duister--het is immers _volkspoëzie_--, enkele +hebben hooge dichterlijke waarde. Zoo b.v.: + +Verzuchting tot Maria. + + + O Maria, graci-bron, + Schooner als de gulde zon, + Klaerder als de zilvre maen, +Die men 's avends op siet staen. + Oversuyver leli-bloem, + Uitgelezen Maeghden-roem, + Bidt u allerliefste kindt, + 'T geen ghij boven al bemint, + Dat mijn duijsterheijt verdwijnt, + En sijn gratie mij beschijnt, + Op dat ick geheel verlight + Magh voldoen aan mijne plicht. + + +Aanroeping tot Maria Magdalena. + + + Sondaeres, die Christi voeten + Met boetveerdigh nat begiet, + Om uw sondig quaedt te boeten, + Jesus door genade schiet + In uw ziel een soeten regen, + En hij wascht uw smetten af: + Gij verkrijght den hemel-seghen, + Vrij van sonden ende straf. + Jesu! geeft mijn herte suchten + En mijn oogen droef getraen, + Opdat ick de sonden vluchten + En beween', die 'k hebb' begaen. + + +Ook de _huiszegen_ wordt zorgvuldig ingelijst aan den muur gehangen, +bij voorkeur in de huiskamer. De gangbare voorstelling is die van +Christus aan het kruis, met bijgevoegd gebed "tot den Zoeten Naam +Jezus en Zijne lieve heiligen." Gods zegen wordt afgesmeekt over +"het huis en al wat daar in en uit is; menschen en vee, alle eten, +spijs en drank, en wat daar dakdruppelen ontvangt, dat zij gebenedijd +en gezegend!" Aldus moge het gezin in den ruimsten zin, menschen en +vee, gevrijwaard blijven voor alle ziekten en rampspoed. "Het heilig +kruis van Jezus Christus zij het dak van dit huis; de Nagels van Jezus +Christus de huisgrendels en de sloten aan de deuren; de doornen Kroon +van Jezus Christus het schild van dit huis!" + +In Vlaanderen zijn de meeste huiszegens afkomstig van de firma Brepols +en Dierckx, Zoon, te Turnhout; dan ook van de firma Beersmans, zuiver +van uitvoering en kleur. + +Men vindt verder nog vaak den _Duivelsdans_, "den dans in eenen kring, +welkers middelpunt den Duyvel is, en den omtrek alle zijne rondom +staande engelen". Lucifer wordt voorgesteld ruw behaard, met hoorns, +bokspooten en een langen staart, in de linkerhand een slang, in de +rechter een haak. Hij leidt den dans, uitgevoerd door 34 gevallen +engelen. Binnen in den kring bevinden zich nog drie muzikanten en +verder dansers, drinkers en herbergiers. Buiten den kring worden +de hoeken gevuld boven links door een vrouw, voor een Mariabeeld +geknield, rechts door een vroom gezin, in gebed voor een kruisbeeld; +beneden links een weenende vader, rechts een bedroefde moeder. + +Daaronder staat een liedeken, welks eerste strofe luidt: + + + Let hier wel, die zijn genegen, + En wiens hert vliegt tot den dans, + Wat het werk is, 't geen zij plegen, + Eer zij wagen nog de kans. + Lucifer is daer in 't midden, + Hij speelt meester van de bend'; + Zonder men het kan verbidden + Met zijn haek uw ziele schendt. + + +Een andere zeer geliefkoosde prent is de _Trap des Ouderdoms_, +waarschijnlijk van Franschen oorsprong (firma Pellerin te Epinal). Op +een stijgende en dan weer dalende trap van negen treden staan paren +onder de--oorspronkelijk Fransche--opschriften: Age de l'adolescence 10 +ans; âge de la jeunesse 20 ans; âge viril 30 ans; âge de discrétion 40 +ans; âge de maturité 50 ans; âge déclinant 60 ans; âge de décadence 70 +ans; âge caduc 80 ans; âge de décrépitude 90 ans. Beneden links ziet +men het kind in de wieg, bewaakt door zijn beschermengel. Daarnaast +kinderen van 3 en 4 jaar. Rechts beneden twee honderdjarigen op hun +sterfbed; een engel wijst zegevierend ten hemel, terwijl de satan +in wanhoopskronkelingen zich wentelt over den grond. Verder zijn +nog in medaillon-vorm over de plaat verspreid de voorstellingen van +het laatste oordeel, het doopsel, het vormsel, de eerste kommunie, +het huwelijk, de begrafenis. + +Ter bescherming tegen de ziekten van het vee vindt men veelal ook +voorstellingen van de _H. Birgitta_ of Brigitta, te midden van het +vee. In het bijbehoorend gebed worden hare openbaringen vermeld. + +Als versierselen van de volkswoning mag ik ook de _processievaantjes_ +niet voorbijgaan. Het zijn vrome trofeeën, uit bedevaartplaatsen +meegebracht; vroeger tooiden zij hoed, huifkar en paard, thans +de fiets, en thuisgekomen krijgen zij een eereplaats bij den +schoorsteen,--de eigenaardige, driekantige, bont-gekleurde papieren +vaantjes, waarschijnlijk een survival, althans een navolging van de +aloude gilde-banieren. De voorstelling heeft doorgaans betrekking +op de kerk der bedevaartplaats, of op het beeld of het leven van +den heilige, daar vereerd. De meest bekende processievaantjes zijn +wel die van Scherpenheuvel en, voor Noord-Nederland, van de Duitsche +bedevaartsplaats Kevelaer. De verzameling van het Antwerpsche museum +van Folklore telt 123 nummers, de verzameling van Heurck niet minder +dan 236. Over deze processievaantjes zie vooral het opstel van Van +Heurck in Volkskunde XXI, bl. 182. + +Zoo kom ik als vanzelf tot de profane _volksprenten_ of +_mannekesbladen_, in Noord-Nederland vroeger _floskaartjes_, thans +meestal _centsprenten_ genoemd. In Noord-Holland en Friesland is +de volksnaam echter van oudsher _heilig_; dit is natuurlijk zeer +opmerkenswaardig, omdat de prenten, die heiligen voorstellen, er sedert +eeuwen onbekend zijn. Wij hebben dus te doen met een overblijfsel uit +de eerste dagen der volksprentkunst, waardoor tevens het oorspronkelijk +religieuze karakter dezer kunst wordt bevestigd. Met vreugde en +voldoening herinneren de lezers van meer gevorderden leeftijd zich +stellig deze eenvoudige en toch zoo aantrekkelijke voorstellingen uit +de dagen hunner jeugd. Thans worden zij met den dag zeldzamer. De +voorstelling lijkt de kinderen-van-thans te grof, te onnoozel, het +kleurenwerk te kakelbont. + +Waar de Zondags-cent nog wordt uitgedeeld, besteden de kinderen +dien gaarne aan hun centsplaat: vermaak voor de kinderen, vermaak +ook voor de ouderen, die niet versmaden, 's avonds de legenden te +lezen bij het lamplicht. Voorstellingen en kleur dezer prenten spreken +allereerst tot de kleinen. De grove, zeg onhandige schets, de ìnbonte +kleur pakt het kind, beeldt zoo treffend uit, wat sluimert diep op +den bodem der kinderziel. Maar wat daar sluimert, gaat ook schuil +in de ziel der ouderen, ligt besloten in de rijke schatkamers van +het geheele volk. Daar is oogverblinding, daar ligt suggestie in de +kleuren, zeer zeker; maar daar leeft ook karakter in die onbeholpen +teekeningen, volkskarakter, dat deze prenten tot iets van nationale +waarde stempelt. Want al ondergingen onze plaatsnijders den invloed van +Frankrijk en Duitschland, door hun eigenaardige opvatting en bewerking, +die voeling hield met den geest der omgeving, droeg en draagt hun +werk den stempel van den Nederlandschen volksaard. Ik herinner slechts +aan de treffend-mooie voorstelling van den Wandelenden Jood, "gelijk +hij door Brussel trekkende is te zien geweest op den 22 April 1774"; +prent en sage zijn op-ende-op Nederlandsch. + +Een standaardwerk over de Vlaamsche volksprenten verscheen van +de hand van Emile Van Heurck en G. J. Boekenoogen, getiteld: +Histoire de l'Imagerie populaire flamande et de ses rapports avec +les imageries étrangères (Bruxelles 1910). Zooals de titel reeds +aanduidt, gaan de schrijvers in deze folklorisch-kunsthistorische +studie verre over de grenzen van Vlaanderenland. Maar hoofdzakelijk +behandelen zij toch het fondswerk der huizen Brepols, Delhuvenne, +Glenisson, Van Genechten en Beersmans te Turnhout. Inderdaad is +Turnhout het hart der centsprenten-industrie; ook zijn speelkaarten +zijn wereldberoemd. Andere volksprenten zijn afkomstig uit Lier, +Antwerpen of Schaerbeek. + +De Noord-Nederlandsche volksprentkunst bloeide vooral te Amsterdam +(Numan, Stichter, Van Staden); dan volgde Rotterdam (Thompson, Hoffers, +Wijnhoven, Hendriksen) en Breda (W. van Bergen, C. W. G. van der +Sande). De prenten, verschenen te Venloo en Gelder bij de Wed. H. en +F. en C. Bontamps, zijn veeleer van godsdienstigen aard en houden +verband met Turnhout. Later vonden de platen van de firma Rijnders te +Amsterdam (Klein Duimpje, De Schoone Slaapster in het Bosch, Blauwbaard +enz.) gereedelijk aftrek. Ook de Deventer prenten (J. M. de Lange) +hadden een goeden naam; eveneens die van Zalt-Bommel (J. Noman +en Zoon). Een poging, om de oude kunst te doen herleven, waagden +omstreeks 1840 de uitgever Broedelet en zijn opvolger Schuitemaker te +Purmerend. Rond 1860 ging de voorraad over aan Noothoven van Goor te +Leiden. Vermelden wij ten slotte de "Nieuwe Hollandsche kinderprenten" +van de Leidsche firma A. W. Sijthoff. + +Thans is deze tak van volkskunst in Noord-Nederland zoo goed als +dood, terwijl hij in België een kwijnend bestaan leidt. Want dood of +kwijnend zijn smaak en belangstelling. De steendruk heeft de houtsnee +alom verdrongen, en dit kwam de kunst niet ten goede. Want het groote +gemak bij het weergeven van lijnen en schaduwen schiep nu een scherp +kontrast tusschen het naïeve der voorstelling en het betrekkelijke +raffinement der uitvoering. De houtsnee met haar hoekige, gemarkeerde +omtrekken, haar breede kleurstrepen en haar sprekende kleurtonen +stond beter in verhouding tot het onderwerp en bereikte een hooger +dekoratief effekt. Ook hier: soort bij soort! De hedendaagsche prenten +zijn pedant in haar streven naar beschaafdheid. Théophile Gautier had +dit verval vermoed en gevreesd: "Fasse le ciel que la civilisation +n'amène pas la décadence dans cette industrie primitive en la voulant +perfectionner! Le progrès enlèverait tout caractère à ces images". Zie +vooral V. Heurck en Boekenoogen, Imagerie populaire, bl. 19, 531 vlg. + +De profane volksprenten danken hun oorsprong aan de religieuze, +de stichtelijke volksvoorstellingen, die naderhand een meer algemeen +karakter kregen. Verder dient opgemerkt, dat zij weinig verband houden +met de letterkunde: niet op het gedrukte boek berusten zij, maar op +het levende en gangbare volksverhaal, het volkslied, de volksluim. + +Wat de bijgevoegde legende betreft, hiervan staat de kunstwaarde zeer +laag. De verzen zijn stroef en gewrongen, de maat wordt zoo goed als +verwaarloosd, men houdt slechts rekening met het rijm. Ook is de taal +vaak zeer vrij en van platheid geenszins vrij te pleiten. Toch zijn +zij belangrijk voor de volkskunde, in zoover zij veelal trouw de +ruwe volkstaal weerspiegelen. Want ruwe scherts en vroolijkheid, +evenzeer als zachte melancholie en teer gevoel, ligt in deze +volksbladen besloten: zij zijn een onuitputtelijke bron voor de +kennis van het volksleven. "Leur dessin grossier et primitif", zeggen +zoo juist de schrijvers der _Imagerie populaire_ in hun voorrede, +"leur bariolage violent et fantastique ont un charme que n'ont pas +les images d'aujourdhui; un charme et une beauté qu'on apréciera +seulement quand le cosmopolitisme aura accompli son oeuvre néfaste +d'uniformisation. Les hommes de demain regretteront amèrement de +n'avoir pas connu dans leur enfance morose et sans poésie ces feuilles +modestes avec leurs histoires attendries, merveilleuses ou plaisantes; +cette imagerie de batailles où les tambours roulent, où les fifres +sifflent, où les trompettes sonnent, où les boulets décrivent de +glorieuses paraboles dans le ciel." In de volksprenten leeft het volk +met zijn lief en leed, zijn fantasie, zijn kunst, zijn wetenschap, +zijn kijk op de dingen-om-hem-heen. + +Menschen, dieren, planten, huizen, steden zijn dan ook op zeer +eigenaardige wijze voorgesteld. De prentensnijder, zelf man uit het +volk, wist aan sommige bijzonderheden het noodige reliëf te geven, +hier aan te dikken, daar te verzwakken, overal te vormen en te +vervormen naar willekeur. Vandaar, dat alle pogingen vooraf reeds +met onvruchtbaarheid geslagen waren, zoodra een klassiek-gevormd +kunstenaar, niet-volksman, er zich toe zette, om de volksprenten te +hervormen en te veredelen: zijn werk vond geen aftrek. De volksziel +had hij niet weten te beluisteren en te vertolken. + +Een der schoonste voorstellingen, en het meest geschikt voor +muurdekoratie, is wel de _Haan_, vooral in zijn oudste, kleurige +drukken. Te midden van een landschap, met een hoeve op den achtergrond, +staat hij recht, in heraldische houding, met opgestoken kam, de borst +vooruit, den linkerpoot omhoog. De legende luidt: + + + Komt kinderen ziet dez' wakkere Haan, + Die u tot nijverheid spoort aan. + + +Later was de _Hond_ meer gewild, minder schoon van teekening en ook +van geringer dekoratieve waarde. Het rijmpje luidt: + + + Ziet, kindren lief, deez' trouwe hond + Wacht zeker, tot zijn meester komt. + + +Bij een andere voorstelling vindt men: + + + Ziet hoe dit hondje zittend wacht, + En op den wenk zijns meesters acht; + Gij kinders, wie gij zijt, + Wil allen hieruit leeren, + Om ook uws meesters les + Ten hoogste te waardeeren. + + +Natuurlijk wordt de _Kat_, het huisdier bij uitstek, niet vergeten. Zij +wordt voorgesteld, gezeten op een hoek van de tafel. Daarboven als +opschrift: + + + Geen nutter dier voor rot en muis, + Als een mooi katje in uw huis, + Want het doorsnuffelt alle hoeken, + Om dit gedierte op te zoeken. + + +Onder een andere voorstelling, die een _Uil_ als pendant heeft, +leest men: + + + O uil, gij doet mij onregt; + Het muisje was mij toegelegd. + + +Onder den uil: + + + Ja kat, dat heb ik wel geweten, + Het ongegunde brood wordt meest gegeten. + + +Men ziet het drieledig doel dezer kinderprenten: leeren, ontspannen +en versieren, maar zóo eng verbonden, dat het versieren wordt tot +een leerzame ontspanning. Zij beginnen deze taak met het bekende +letterspel: + + + Ziet knaapjes, ten geschenk een fraaie prent; + En zorgt, dat ge weldra hiervan de letters kent. + + +Dan worden verscheiden voorwerpen beschreven uit de allernaaste +omgeving: de klok, de leunstoel, de hooiberg; verder het schip, +het vaandel, het orgel, de gevangenis; dan krijgen boomen en dieren +een beurt. Spoedig volgen de kleurige prenten met de "mooie mannen": +dragonders, geniesoldaten, grenadiers, lansiers, kanonniers, gendarmen, +ja zelfs de schutterij blijft niet onvermeld: + + + Schutters, beschermt de stad, stelt daarin uwe eer, + Dit moet de Burger doen, ja zelfs de grootste Heer; + Staat Nederlanders pal, met moed voor 't Vaderland, + Wanneer door 's vijands zwaard den Staat wordt aangerand. + + +En wat een kranige figuren, die trommelslagers der Koninklijke garde! + +Inmiddels worden de kinderen ingewijd in de kennis der straatroepen, +bedrijven en ambachten. + +Onder een kapperswinkel ontmoeten wij deze legende: + + + Wij snijden het haar en scheren den baard, + In onze hand is een ieder vervaard. + + +Het didaktisch element treedt meer op den voorgrond bij rijmpjes als +dit (onder een jongen met een drijftol): + + + De drijftol loopt nooit zonder slagen, + Gehoorzaamheid moet u behagen. + + +Maar vooral toch bij de dierfabel. Hier is men, met afwijking van +den gewonen regel, herhaaldelijk van Lafontaine uitgegaan. Ook de +geschiedenis wordt bedacht; en zoo vinden wij in beeld en rijm +de voornaamste levenstrekken van Napoleon, van Prins Willem I, +tafereelen uit den Russisch-Turkschen oorlog, uit de onlusten in +Polen, het leven van Van Speyck enz. Groote vermaardheid heeft ook +de Poolsche koning Poniotowski; en menig lezer herinnert zich nog +wel Poniotowski's afscheid: + + + Poniotowski zeer gezwind + Neemt afscheid van zijn vrouw en kind; + + +of ook zijn dood in de gezwollen wateren van de +Elster. Zuiver-didaktisch zijn verhalen als die van de Twee Geburen, +waarin de gierigheid de wijsheid bedriegt; verder de Scholier en de +Bij, welk verhaal tot arbeidzaamheid prikkelt; het Kind met de Wesp; +Grootvaders Geschenk; Leugentaal gestraft; Loontje komt om zijn +Boontje, enz. + +Tot de meest schalksche, inderdaad boeiende, ontspannende +kindervertelsels behoort wel het verhaal van Jan den Wasscher, ook +Jan den Aap of Lammen Goedzak geheeten. Ik laat de legende hier volgen: + + + Ziet Jan hier met een popje spelen; + Mij dunkt het moet hem ras vervelen. + + Wel Jan, wat zijn dat rare dingen! + Gaat gij met meisjes touwtje springen! + + Neen, dat staat zeker nimmer goed, + Een jongen met een meisjeshoed. + + Zoo Griet, klimt gij zonder schromen + Net als een jongen in de boomen! + + Kom Griet, dat gaat nu toch niet aan, + Laat 't knikkren voor de jongens staan. + + + Nu kan het toch niet erger zijn, + Zij speelt de rol van kapitein. + + Griet vangt met Jan het vrijen aan; + Ik vrees, dat dit niet goed zal gaan. + + Jan laat zich door den priester trouwen, + Dat huwlijk zal hem onheil brouwen. + + Hier is de orde al te zoek, + Griet ruilt hier broek voor schorteldoek. + + Griet wil van geen huiswerk weten, + Daarom kookt nu Jan het eten. + + Als Griet en Jan aan 't eten gaan, + Mag hij niet zitten, maar moet staan. + + Ziet Jan eens in het water plassen, + Om toch de vaten schoon te wasschen. + + Nu is Jan aan 't glazen spuiten, + En breekt bijna al de ruiten. + + Uw onheil, Jan, is nauw te peilen; + En toch moet gij de stoep nog dweilen. + + Het wasschen is geen mannentaak, + Maar wel het is der vrouwen zaak. + + Terwijl dat Jan het huiswerk doet, + Sjouwt Griet op straat met mannenmoed. + + Dat Jan hier in het ziekbed lijdt, + Maakt haar, dat spreekt, met recht verblijd. + + Jan bakert 't kind, wat zegt ge er van? + Want Jan is vrouw en Griet is man. + + Jan wil het kind voor honger hoeden, + Zal 't met een lekker papje voeden. + + Als zijn kindje huilen wil, + Houdt hij 't met een popje stil + + Nu het kindje loopen leert, + Wordt de vreugd van Jan vermeerd. + + Daar het kind ondeugend is, + Slaat hij met de roê niet mis. + + Omdat Jan het heeft verbruid, + Jaagt hem Griet den huize uit. + + Jan en Griet bespreken beiden, + Waartoe hun kind op te leiden. + + +Dit thema is eigenlijk slechts een onderdeel van het meer algemeene +onderwerp: de Verkeerde Wereld, herhaaldelijk in de volksprenten en in +de volksliteratuur van alle landen behandeld. In deze omgekeerde orde +van dingen leert het kind de moeder, kruipt de man in het hondenhok, +leidt de blinde den ziende, rijdt de knecht, terwijl de koning te +voet loopt, staat de vrouw op schildwacht, rookt het wijf en draagt +een broek, draagt de man den ezel, scheert men het varken om de wol, +laat men den dief loopen, terwijl de eerlijke man wordt opgehangen. + +Nu volgen de sprookjesprenten; maar wie zal zeggen, waar de grens +loopt tusschen de geschiedverhalen en de bonte sprookjes van +het gulden wonderland? Op het grensgebied liggen wel stellig de +geschiedenis van Cartouche, de geschiedenis van Robinson Crusoë, de +Antwerpsche Schipper, de geschiedenis van Genoveva van Brabant, van +Tijl Uilenspiegel. Maar in het hartje van het wonderland liggen: +het Betooverde Kasteel, de Betooverde Harp, Klein Duimpje, de +Prins met het houten Hoofd, de Luchtprinses, de Betooverde Vijl, +Luilekkerland, de Gelaarsde Kat, Roodkapje, Blauwbaard, de Zwarte +Ridder, Ezelsvel, de Reiziger en de Reus, de Wraak van den Duivel, +het Betooverd Paleis, Asschepoester, Kinderschrik, Maria, het kind +der Toovergodin,--tafereelen en verhalen, die wij met stralend oog +en kloppend hart hebben genoten in koortsige spanning en zaligen +kinderangst. + +Wil de lezer, wien het kinderhart nog in den boezem klopt, soms niet +een oogenblik zich nog kind wanen, bij het lezen van Klein Duimken's +lotgevallen?--De onderstaande lezing verschilt eenigszins van die +der bijgaande prent. + + + Klein Duimpje, uit een kool gekomen, + Wordt door de moeder aangenomen. + + Hij werd, of wel d'historie liegt, + In eenen holleblok gewiegd. + + Ziet, zegt hij, hoe ik leerzaam ben, + Ik schrijf met eene musschenpen. + + De meester jaagt de school hem uit, + Hij vlucht zijn huis in langs een ruit. + + De moeder zegt: wel dat is fraai, + En vindt hem in de eetschapraai. + + Gaat, om zijn moeder meer te tergen, + Zich achter eenen bessem bergen. + + Hij wordt koewachter, zoo gij ziet, + Doch laat hij zijne perten niet. + + Wil in den kelder melk gauw drinken, + Doch moet schier in de teil verdrinken. + + Droogt aan een vuur zijn natten kop, + Een koe, die slokt hem levend op. + + Dees vette koe wordt door den pachter + Terstond verkocht aan eenen slachter. + + Zoo haast de man het beest legt open, + Komt Duimken uit haar lijf gekropen. + + Hij vaart in eene nootschelp hier + Voor zijn vermaak op een rivier. + + Men gaat hem, door de koorts geslagen + In eenen hoed naar 't gasthuis dragen. + + Genezen zijnde, leert de fiel, + Uit nood hier den zeeldraaiers-stiel. + + Hij stuurt hier, zoo zijn kracht behoort, + Zijns meesters kempewagen voort. + + Dwaalt in een bosch en ziet met schroom + Een wolf ... hij kruipt op eenen boom. + + Hij vindt een bedelaar slapen; strak + Steelt hij zijn eten uit den zak. + + De man ontwaakt, dreigt 't fieltje dol, + Maar 't kruipt in 't gat van eenen mol. + + Terwijl de beedlaar 't molgat sluit, + Kruipt Duimken langs een ander uit. + + Steelt fruit, dat hem in de oogen blinkt, + Maar rolt in 't water en verdrinkt. + + +Onze volksprenten stellen zich ook ten doel, de kinderen +binnen te leiden in den feestkring van het feestelijk jaar in +Groot-Nederland. Dit jaar begint met Sint Maartensdag (I, bl. 103), +en zoo zien wij dan ook op een centsprent de voorstelling van een +Sint Maartensvuur, waar een jolige schaar om heen danst. Daarboven +leest men: + + + Het is Sint Maarten, als men ziet aan 't helder vuren + Der knapen, die om turf en brandhout bij de buren + Zijn rond geweest en 't ook bekomen hebben, blij + Met hun Sint Maartenszang, en nog wat geld er bij. + + +Achtereenvolgens wordt nu gewezen op de volksheiligen Sint Katharina, +Sint Andries, Sint Elooi, Sint Nikolaas, Sint Pieter, Sint Hubertus +e.a. Prent no. 144 van de firma Brepols geeft een zeer sprekende, +pakkende voorstelling van het rijden van Sinterklaas over de daken; +wij zien, hoe het paard van schoorsteen tot schoorsteen springt. Maar +diezelfde prent brengt ook de liefdadigheid van den volksheilige in +beeld, zijn vergelden van kinderdeugd en -ondeugd, zijn patroonschap +over de stad Amsterdam: + + + Vier eeuwen is het reeds geleden, + Dat men in 't magtig Amsterdam + Hem tot Patroon of Schutsheer nam, + En als een heilige heeft gebeden. + + +Treffend in haar eenvoud is ook de prent van Kerstnacht. In het +stalleken van Bethlehem toont Maria het kindje Jezus aan de aanbiddende +herders. Achter Maria staat Jozef, in overweging verzonken, geleund +tegen een koe. De ezel vreet van het hooi der kribbe. Boven, hoog in +lucht, een stoet van zwevende engelen; daaronder een bandelier met +de woorden: _Gloria in excelsis Deo_. + +De prent der Koningsbrieven is bestemd, uitgeknipt te worden op +Driekoningendag. Zooals ik I, bl. 147 zeide, bevat zij een volledig +stel afbeeldingen voor zestien personages. Ziehier enkele eigenaardige +rijmpjes (andere zijn plat en onkiesch): + +De Koning. + + + Ik ben koning van de vrienden, + Mannen! spaart mijn tafel niet. + 'k Heb niet lang zooveel bedienden, + Dus intusschen geen verdriet. + + +De Voorproever. + + + Om scherp in mijn ambt te treden, + Neem ik 't glas, dat men mij gaf, + Dat verzacht en hitst de reden + En men lekt zijn vingers af. + + +De Zot. + + + Wil op 't woord des konings drinken, + Want, die mist op zijn gebod, + Zal ik wel zoo zwart doen blinken + Als het gat van dezen pot. + + +Nog rest mij te spreken over de kinderspelen, de prenten bestemd voor +het spel te worden opgeplakt. Laat ik vermelden het Uilebord, het +Harlekijnspel, en vooral het Ganzebord, met zijn "van ouds vermaard" +en telkens weer "nieuw vermakelijk" ganzenspel. + +Het is een echt huiselijk en tevens nationaal spel, pleitende voor de +populariteit van den gansvogel in onze landen. Hoe vaak hebben wij met +het ganzenspel, bij het schijnsel der olielamp, de winteravonden van +Zon- en feestdagen gekort! Ook ouderen namen aan het spel deel. Die op +de _brug_ kwam, moest tol betalen; die in de _herberg_ kwam, betaalde +den inzet en moest zijn beurt laten voorbij gaan; die in de _put_ kwam, +betaalde eveneens den inzet, en bleef daar zitten, tot hij verlost +werd; die in den _doolhof_ kwam, betaalde den inzet en telde drie +terug; die in de _gevangenis_ kwam, betaalde en bleef daar, tot hij +verlost werd, die--o schrik!--op den _dood_ kwam, betaalde den inzet +en moest van voren beginnen.--Zie nog Emile van Heurck, De Vlaamsche +kinderprenten in Volkskunde XXII, bl. 24 vlg., 70 vlg., 101 vlg. + +De bekende centsprent, die de komische volksfiguur van _Harlekijn_ +voorstelt (met het _Harlekijnspel_), geeft mij aanleiding een +enkel woord te zeggen over het _volkstooneel_. Want Harlekijn is +een type van ons volkstooneel en wij allen kennen hem, met zijn +bont lapjespak, pruik, kanten kraag en houten zwaard. Hij is echter +meer in het zuidelijke, dan in het noordelijke volksgebied thuis en +kwam door Fransche bemiddeling tot ons; zelfs is hij, volgens de +onderzoekingen van Driesen, oorspronkelijk van Fransche herkomst, +en niet van Italiaansche, zooals men gewoonlijk aanneemt. De meest +algemeen-nationale komische volksfiguur is onze _Jan Klaassen_, met +zijn twee bochels en zijn krommen neus. Ook draagt hij de typisch +Hollandsche kleederdracht; stellig is hij een internationaal +type, maar wederom aan Hollandschen aard en Hollandsche zeden +aangepast. Schijnbaar is hij naïef van aard, doch dit is slechts een +geveinsde naïeveteit, die ten doel heeft, de dwazen beet te nemen. + +Hij is ook de held van het Noordnederlandsche poppenspel, dat +eveneens internationaal van aard, op Nederlandschen bodem een zeer +bepaald karakter heeft aangenomen. In de XVIIe eeuw deed de Duitsche +_Hanswurst_ zijn blijde intrede in Nederland, maar hier werd hij weldra +verdrongen, eerst door _Hans Pekelharing_, later door _Jan Klaassen_. + +Vroeger had het marionetten- of poppenspel een vasteren vorm en vond +men het b.v. in bepaalde stadswijken te Amsterdam; thans reist het +over land. Wellicht ontmoet men hier of daar nog het traditioneele +opschrift, dat Jan en Kathrijn vasthouden, terwijl Jan er naar wijst: + + + Elk past + op zijn + zakke. + + +Nog zien wij, hoe Jan in zijn slaap door vlinders wordt gestoord. Dan +roept hij den Dood, om hem te verlossen; maar als de Dood komt, +verjaagt hij hem met zijn knots. Met zijn befaamde klompen beslecht +hij een twist tusschen zijn vrouw en een buurvrouw. Om een degenstoot +te ontwijken, laat hij zich ter aarde vallen en speelt den doode. De +geneesheer komt, maar Jan springt op en spot met de geneeskunst. Hij +wordt door honger en gebrek bedreigd; geen brood in huis,--en Jan +weet niets beters te doen, dan de kinderen om zich te laten dansen, +die hij dan zonder eten naar bed stuurt. Eindelijk komt het pakkende +slot met den grooten draak, die hem van het tooneel verdrijft. + +In België vindt men het vaste poppenspel nog te Luik en Brussel, +maar vooral te Antwerpen, het "Poesje" waarvan Ary Delen in zijn +keurig artikel over het Poppenspel in Vlaanderen in Elsevier's +Geïll. Maandschrift schrijft: "Hoe onwaarschijnlijk het ook sommigen +al moge lijken, toch is onze karakteristieke Poesje de eenige, +uitsluitende uiting op tooneelgebied, die geen haarbreed geweken is +van de eigen tradities van het vlaamsche, en meer bizonder van het +antwerpsche volk, dat steeds, meer nog wellicht dan om het even welk +ander, een steeds hunkerende behoefte heeft aan spel" (Jan.-Juni 1910, +bl. 100). Men vindt daar de vaste volkstypen van _de Veldheer, Pater +Franciscus, Lodewijk, de Kolenbrander, de Prinses van Turkije, de Reus +Glas, Valentijn_ en _Oerson, de Prinses van Spanje_ en _van Majorka, +de Kop, de Neus, de Grijze, de Schele_; daar worden opgevoerd: _De +Vier Aymonskinderen, Oerson en Valentijn, Jan Onversaagd, Malegijs +en Vivien, De Zeven Leugenaars_ enz. + +Deze en dergelijke volksvertooningen hebben voor ons ook daarom +vooral waarde, dewijl zij voor een groot deel de kiemcel vormen +van het kultuurtooneel onzer dagen. De _abele_ spelen, de kunstig +bewerkte, ingewikkelde vertooningen, gaan zonder twijfel terug op +het kerkelijk mysteriespel, een volksspel, dat weer stoelde op +het liturgische drama. Maar de korte, eenvoudige _klucht_ heeft +zich waarschijnlijk eenerzijds ontwikkeld uit het poppenspel en +anderzijds uit de volksvertooningen en volksoptochten bij de feesten +van Driekoningen, Vastenavond, Paschen, Pinksteren enz., waarover +ik uitvoerig in het Eerste Deel gehandeld heb. Ik herinner ook aan +het dramatische draaksteken, I, bl. 272. Het kluchtspel vooral was +gedurende eeuwen de spiegel van het Nederlandsche volksleven, door +een Teniers, Van Ostade, Jan Steen e.a. zoo voortreffelijk op het +doek gebracht. Tot het kluchtspel behoort ook het kermistheater.--Zie +J. van Vloten, Het Nederl. Kluchtspel van de XIVe tot de XVIIIe eeuw +(Haarlem 1854); J. A. Worp, Geschiedenis van het Drama en van het +Tooneel in Nederland, 2 dl. (Groningen 1904). + + + + + +DE VOLKSWETENSCHAP. + + +De behandeling der volkswetenschap zal uiteraard heel wat beknopter +zijn dan die van de volkskunst. Want het volksleven is veel meer +gevoels- dan geestesleven. Zelfs op het veld der wetenschap doet +dit gevoelsleven zijn rechten gelden en verkiest het de bekoorlijke, +dichterlijke, fantastische verklaring boven den soberen, logischen +redeneertrant. Een sprookje is het volk liever dan een betoog. Zoo +vertroebelt het gevoel de volkswetenschap en maakt ze in zekeren zin +tot een kunstvorm. + +Wetenschap is systematische oorzakelijke kennis; zij vereischt +een bewust en methodisch streven naar het ware, onder eenheid van +gezichtspunt. Ook de volkswetenschap streeft naar oorzakelijke kennis, +naar verklaring van taalvorm, bloem, mineraal, rotsgedaante, ziekte, +kracht der geneesmiddelen, weêrverschijnselen enz. En zoo komen wij +weer tot een overeenkomstig resultaat als bij de overige faktoren +der volkskultuur, dit namelijk: dat de volkswetenschap _in wezen_ +niet van de kultuurwetenschap verschilt. Maar afgezien nog van het +feit, dat het volk zich niet bewust is, wetenschappelijk werkzaam te +zijn, is het oordeel zoo min gescheiden van de fantasie, dat van een +zuiver-methodisch waarheidsstreven geen sprake kan zijn. + +De volkswetenschap is absoluut onkritisch. Bij de induktie +worden de afzonderlijke gevallen zelfs met geen zweem van kritiek +onderzocht, terwijl met de negatieve gevallen geenszins rekening wordt +gehouden. Wanneer het volk zegt: "Groene Kerstmis, witte Paschen", dan +brengt het de witte Paschen met de groene Kerstmis in een oorzakelijk +verband; maar gebrek aan methode maakt de konklusie ongewettigd. Zoo +ziet het volk ook een oorzakelijk verband tusschen de maan en het weêr, +maar mocht het tot een verklaring komen, dan zou deze meer op een +natuurmythe lijken, dan op een kultuurwetenschappelijke redeneering. + +Toch wil het mij voorkomen, dat de kultuurwetenschap feiten +der ervaring van het volk kan overnemen, om die te toetsen en te +louteren,--en ook wellicht iets van het pieteitsvolle en opgewekte +zijner natuurbeschouwing. + + + +I. Volksetymologie. + + +De term "volksetymologie" heeft tot heel wat misvattingen en +discussies aanleiding gegeven. Het eerst gebruikt in de Zeitschrift +für vergleichende Sprachforschung XXIII door W. Förstemann, die in +het vervormen van sommige woorden in den volksmond een bewijs van +kerngezonden volksgeest zag, won deze benaming steeds meer veld, +en hiermee gepaard ging een nader onderzoek van het gesignaleerde +verschijnsel; ik noem slechts de namen van Max Müller, Andresen, +die heel wat materiaal verzamelde in zijn Deutsche Volksetymologie, +Moltzer en Verdam. Langs psychologischen weg werd naar verklaring en +schifting gezocht door Steinthal, Paul en Wundt. Zoo ontstond over +dit onderwerp een uitgebreide literatuur, waarvoor ik verwijs naar +het artikel van den Zweed Kjederquist in Paul und Braune's Beiträge +XXVII, en vooral naar de zuiver opgezette en rijk gedokumenteerde +studie van C. de Vooys in de Nieuwe Taalgids II, bl. 273 vlg. + +Wanneer ik hier de volksetymologie als onderdeel van de volkswetenschap +behandel, dan is dit, omdat ik hierdoor eerst en vooral versta: +"onbewuste _klank- en begripsassociaties_ met of zonder wijziging +van den woordvorm". Zij zijn beslist eigen aan de volkstaal +met haar spontanen drang en vrijen loop, en dringen van hier de +kultuurtaal binnen. Uiteraard spelen zij ook een groote rol in de +kindertaal. Gelijkwaardige verschijnselen zijn dus b.v. het gangbare +_zondvloed_, uit het Oudhoogduitsche _sin-vluot_ "groote vloed", +door het volk met "zonde" in verband gebracht, en het kinderlijke +_lepeltraan_ voor _levertraan_. Men zal mij wellicht tegenwerpen, dat +onbewuste verschijnselen toch allerminst tot het domein der wetenschap +behooren, zij het ook der volkswetenschap; waarop ik antwoord, dat het +volk zich wel van zijn handelen bewust is, maar niet van het feit, dat +het woordverklaring geeft, en nog minder van den wetenschappelijken +ondergrond dezer handelwijze, die eenvoudig hierin bestaat, dat het +volk geen genoegen neemt met het onbekende. Zoo werd het onverstaanbaar +geworden _sin_ vervangen door of liever vervormd tot het bekende +_zond(e_) niet omdat men iets wilde veranderen, maar dewijl men meende, +dat dit met het oog op het Bijbelsch verhaal wel aldus wezen moest. + +Tot het domein der volksetymologie behooren dus niet: 1. Dilettantisme +en beunhazerij op het gebied van woordverklaring, juist daarom +zoo gevaarlijk, derwijl deze half-bakken geleerdheid zich voor +onvervalschte kultuurwetenschap uitgeeft. Hierbij moet men echter +in het oog houden, dat werkelijk-onbewuste volksetymologie aan +halfgeleerden aanleiding kan geven tot etymologiseeren. Zoo werd +het Latijnsche _quiritare_ "luid schreeuwen" eertijds wel eens met +_Quirites_ "Romeinsche staatsburgers" in verband gebracht. Vrij dicht +hierbij staat de populaire natuurverklaring (zie beneden). + +2. Opzettelijke vervormingen en aanpassingen of woordspelingen. Deze +toch moeten gerekend worden tot de volksluim (bl. 126); zoo b.v. _Sint +Reinuut_: schoon op, "rein aus", voor _Sint Reinout_; _kattegezanik_ +voor _katechesatie_; _zemelachtig_ voor _zenuwachtig_; hij lijdt aan +de _griep_, eigenlijk "verkoudheid", maar met "grijpen" in verband +gebracht. Immers de woordspeling behoeft evenmin als de werkelijke +volksetymologie met een woordverandering gepaard te gaan. Op volksluim +berust ook wel de Vlaamsche weêrregel: "Sint _Andries_ brengt de +_vries_, Sint _Mathijs_ breekt het _ijs_. + +3. Zuivere klankassociaties, als _krant_ uit _courant_, die het +gevolg hiervan zijn, dat de klank lastig, of de herinnering gebrekkig +is. Of ook associaties, die dermate door de klanken worden beheerscht, +dat men zich het nieuwe begripselement niet bewust wordt, omdat het +met het begrip van het oorspronkelijke woord niets gemeen heeft. In +deze laatste gevallen kan natuurlijk van het zoeken naar verklaring +geen sprake zijn. Maar heel veelvuldig zijn zij niet. Als een zeker +voorbeeld kan men opgeven _oorlam_, uit het Maleische _orang lama_; +wellicht scheurbuik, uit _schorbût_; maar stellig niet het Vlaamsche +_scheurbek_, en evenmin _suikerij_ en _zenuwbladen (Folia sennae_), +waarvan het volk meent, dat zij op de zenuwen werken. + +_Scheurbek_, _suikerij_ en _zenuwbladen_ behooren inderdaad tot de +volksetymologische associaties in engeren zin. Volstrekt natuurlijk +is het, dat het volk een verband zoekt tusschen geneesmiddel en +ziekte of tusschen geneesmiddel en eenige bekende stof. Zoo wordt +b.v. _Unguentum aegyptiacum: gips-Jacob-zalf_;--de bast van _Rhamnus +frangula: ramenasbast;_--_Oleum ricini: rosijnenolie;_--_nieswortel:_ +Limb. _anieswortel;_--_Unguentum hydrargyri_ tegen ruit: _ruiterszalf_ +of _ruitertjeszalf_. Wellicht berust deze laatste vorm oorspronkelijk +op bewuste woordspeling; maar naderhand wordt zulk een woordspeling +vaak door naïeve hoorders ernstig overgenomen. Niet onaardig is ook +de vervorming van _Aloë socotrina_ tot Limb. _sokertrienschen +aloë_, d.i. _suikertrijnsche aloë_. Zie hierover het artikel van Denis +Schrijnen, Pharmaceutische Folklore, in het Pharmaceutisch Weekblad +1902, bl. 833 vgl. _Aloë_ wordt ook wel _alewien_. + +De klankassociatie moet dus met bewuste begripsassociatie gepaard +gaan. Het woord _katapult_ begrijpt het volk natuurlijk niet. Nu +wil het aan dit woord niets veranderen, maar de herinnering aan +het doel van dit instrument in verband met het woord _kat_ brengt +menigeen er toe, _katapult_ ongewild te vervormen tot _kattepul_, of +nog meer teekenend tot _kattepiel_ (= _pijl_), aldus het onbekende +bestanddeel vervangend door het bekende. Dit onbekend-zijn kan ook +voortkomen uit gebrekkig hooren of gebrekkig zich-herinneren. Ik +wijs nog op enkele voorbeelden: _drieangel_ (_triangel_), met +onbewust-juiste vertaling van het eerste bestanddeel; _sukerla_ +(_chokola_); _lekkeris_ (_lacarissa_ = drop); _prulleet_ (_proleet_); +_honinggraat_ (_honigraat_). _Hagedoorn_ wordt volksetymologisch +tot _hageldoorn_; _hazelnoot_ tot _hazenoot_; _nieuwsgierig Aagje_ +tot _nieuwsgierigaardje_; _meikever_ tot _meikegel_ (kleuriger is het +Hoogduitsche _Meikleber_); _Nijmegen_ tot _Nimwegen_; _madeliefje_, +Middelnederl. _matelieve_, is vervormd tot _maagdeliefje_ en tot +_meizoe(n)tje_, en dit weer dialektisch tot _mêlzeûdje_ (zaadje). De +appelen, die wij _zijden-hempjes_ noemen, stammen uit de Engelsche +stad _Sydenham_. Men denke ook aan de uitdrukking "straten voor stegen +kennen", die in Limburg, waar men geen _stegen_ kent, wordt: "straten +voor steenen kennen"; vgl. mijn opstel in Volkskunde XI, bl. 217. + +Van plantnamen noem ik nog de _bijvoet_ (_Artemisia_). Met ons woord +voet heeft deze benaming oorspronkelijk geen gemeenschap. Maar het +volk bracht den vorm _bijboot_ in verband met voet, omreden van het +bijgeloof, dat dit kruid in de schoenen, dus bij den voet, gedragen, +alle vermoeidheid bij het wandelen verdrijft. _Zonnedauw_, onze +benaming van de _Drosera_, heeft zich volksetymologisch uit _sinnau_ +"immerdurende dauw" ontwikkeld. _Rosmarijn_, uit het Latijnsche +_ros marinus_ "zeedauw", wellicht zelf populaire vervorming +van een Grieksch woord, werd _rozemarijn_ onder den invloed van +_roos_. _Herba Mandragorae_ werd _mandragerskruid_. Het peperboompje +(_Daphne Mezereum_) heet in Oost-Vlaanderen om zijn naakten stengel +_miserieboomke_. Verrassende volksetymologische staaltjes vinden wij +ook in de kindertaal: _botram-marcheertrommel_ (_botaniseertrommel_); +_manheer_ (_meneer_); het reeds genoemde _lepeltraan_ enz.; zie vooral +De Vooys, De Nieuwe Taalgids I, bl. 281, X, bl. 93 vlg., 128 vlg. + +Nog wensch ik de aandacht te vestigen op het feit, dat volksetymologie +zoo vaak in samenstellingen optreedt. De oorzaak is deze, dat elders +verdwenen woorden nog zoo vaak in samenstellingen een veilige +schuilplaats vinden; zoo b.v. _geeuwhonger_ en _nachtmerrie_. De +verouderde vormen _gee_: _ga_ en _mare_ zijn hier met _geeuwen_ +en _merrie_ (men denke aan het nachtspook, dat iemand "berijdt") +in verband gebracht, wat klankverandering ten gevolge had. + +Ook kan het begripselement zoozeer op den voorgrond treden, dat het +hoofdbegrip een sterke wijziging ondergaat of zelfs geheel verdrongen +wordt. Zoo beduidde _pootig_ oorspronkelijk "koppig" en had _ophemelen_ +de beteekenis van "schoonmaken". + +Verandering van den vorm, wij zagen het reeds, is strikt genomen niet +noodzakelijk; slechts moet in de volksopvatting een bepaald element +met een ander begrip dan het oorspronkelijke verbonden worden. In +_lintworm_ beteekende _lint_ oorspronkelijk insgelijks "worm", +terwijl men het thans met ons _lint_ in verband brengt. _Ongelikt_ +wordt tegenwoordig met het gewone werkwoord _likken_ verbonden; +maar in werkelijkheid komt het van een werkwoord _likken_, dat de +beteekenis van "polijsten" had. In _Donderstraat_ is geen verandering +althans hoorbaar; stellig brengen echter tal van personen haar niet +met _Prof. Donders_, maar met _donder_ in verband. Verder wijst ook +het feit, dat plaatselijk door het volk sommige heiligen in bepaalde +gevallen worden aangeroepen, op volksetymologische interpretatie, +op aanknooping van het onbekende aan het bekende. Zoo b.v. wordt de +H. Clara aangeroepen bij oogziekten en vraagt men haar om helder weer +en zonneschijn (de vertaling is hier onbewust-juist); Sint Kathrijn +brengt helder weer en zonneschijn: wellicht is _rijn_ (_rein_) +hier van invloed. Sint Valentijn wordt aangeroepen bij vallende +ziekte; Sint Blasius tegen huidblaasjes; Sint Rosa tegen de roos, +Sint Lambertus tegen de lamheid. + +Van deze klank- en begripsassociatie verschilt de _etymologische +natuurverklaring_, waarbij het volk naar zijn aard en trant, +d.i. liefst door een sage, welbewust de benamingen van bloemen, +boomen, mineralen, dieren, steden enz. interpreteert. De vervorming +van _Arum_ tot _Aron_ zal wel onbewust geweest zijn. Maar gegeven +deze naam, borduurt de volksfantasie op het thema voort, en spreekt +aldra van _Aronskelk, Aronsbaard, Aronsstaf_. De _Valerianella +olitoria_ heet ook _Sanctae Clarae herba_; het volk gaat verder, +en spreekt van _kleer-ooge_. Van den _treurwilg_ weet het Vlaamsche +volk te verhalen: De geeselkolom stond bij een wilgenboom. Toen nu de +soldaten naar dezen wilg liepen, om de geeselroeden af te snijden, +zuchtte Christus: "treure wilg, treure". Sedert dien laat de boom +zijn takken hangen en heet hij _treurwilg_. Het _nieskruid_ wordt +plaatselijk tot _Agneeskruid_; dit verklaart men aldus, dat het +bloeit omtrent den feestdag van Sint Agnes; ook ontkiemde het ter +plaatse, waar deze heilige gewoon was geknield te bidden. Van den +H. Martinus weet het volk ook dit te verhalen, dat hij eens in zijn +getijdenboek een zaadje vond; hij borg het zorgvuldig in de aarde, +en uit het zaadje ontkiemde de _boekweit_. Zie vooral Is. Teirlinck, +Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1904 enz. (ook afzonderlijk +uitgegeven te Antwerpen 1913). + +Ook het Montferland heeft wel eens aanleiding gegeven tot +volksetymologische natuurverklaring. Hiervolgens wilde het heidenvolk +met zijn koning den hemel bestormen, en reeds had men een stuk van +den Elterberg een goed eind ver gesleept, toen het aan de reuzenhanden +ontviel. De vorst beval nu van verdere pogingen af te zien; want zei +hij "het is toch maar een mond vol land": Geldersche Volksalman. 1901, +bl. 176. + +De _Asperula odorata_, waarvan voorheen een bundel bij zwangere +vrouwen in bed gelegd werd, en dat dan ook aan Frija-Frigg, als +godin der geboorte, heilig was, wordt reeds in de VIIIe eeuw, als +_O.L. Vrouwen-bedstroo_ vermeld. Ook vond de Christelijke legende +een andere verklaring: + +Onzer-Vrouwen-bedstroo. + +Onze-Lieve-Vrouw, als zij klein was, moest op een zeer hard en +ongemakkelijk beddeken slapen: hare ouders waren arm en gaven dan +nog hier en daar een aalmoes. + +Op zekeren dag peinsde de H. Anna: + +Het bed van mijn kindeken is toch te hard. Zou ik in het veld misschien +geen zacht vulsel vinden? + +Zij ging uit en kwam aan een dorre streek. Zij zag er een heelen hoop +Bedstroobloemekens staan. + +"Nu ik heb het gevonden", riep zij uit. "Ik ga al die bloemekens +plukken! O! daar zal mijn kindeken zacht op slapen". Zij sprak en +deed zoo; ja, nu sliep Maria veel gemakkelijker. + +Ten platten lande ziet men dikwijls de kinderen in bosschen en op +magere gronden naar het bloemeke zoeken en het blijde plukken: + +"Onze-lieve-Vrouw heeft er op geslapen!" zeggen zij eenvoudig. + +(Uit Vlaanderen). + + + +Eindelijk de volksetymologie van plaatsnamen. + +Bezuiden Tietjerksteradeel lagen drie dorpen, die nog geen naam +hadden. In een dezer dorpen kwam een dief geloopen, die vluchtte +voor de dienaars van het gerecht. Allen, die hem zagen, riepen: +"Grijp! Grijp!" Maar de dief ontkwam en vlood naar het andere +dorp. Daar wilde men hem opvangen en riep men elkander toe: "Sa mar! sa +mar!" (Zoo maar! zoo maar!). De dief ontvluchtte ook hier en kwam in +het derde dorp. Hier werd hij gevat en nu riep men: "Berg hem! Berg +hem!" Vandaar de Friesche plaatsnamen Garijp (Grijp), Suamar (Samar) +en Bergum (Berghem). Waling Dijkstra verhaalt ons ook, hoe Foswerd +ontstond, en Ylst, Nijland, Koudum, Dronrijp enz.: Uit Frieslands +Volksleven I, bl. 32 vlg.; terwijl De Cock in zijn Brabantsche Sagen +III, bl. 181 vlg. de populaire naamverklaring geeft van Aarschot, +Beersel, Brussel, Leuven, Scheutveld en ook van Kalevoet. Toen namelijk +Karel V eens naar Brussel reed over den steenweg van Alsemberg, brak +zijn rijtuig ter plaatse, waar nu Kalevoet ligt, zoodat hij genoodzaakt +was, te voet naar Brussel te gaan. Daarom werd deze plaats _Kalevoet_ +geheeten, d.i. _Karel-te-voet_. + + + +II. Volksgeneeskunde. + + +Bij gezette overweging blijkt het, "dat naast de officieele therapie +een andere bestaat, welke met totaal verschillende geneesmiddelen +werkt, die minstens evenveel blijvende of tijdelijke aanhangers telt +als de schoolgeneeskunde, en die meestal zonder bevredigende diagnose +en zonder eenige duidelijke voorstelling te bezitten omtrent aard of +werking der toegepaste middelen, alleen op de ruwe empirie steunende, +vol vertrouwen haar zonderlinge middelen toepast. Dit is de eigenlijke +volksgeneeskunde, die zich hoofdzakelijk op het gebied der therapie +beweegt en haar adepten bij duizenden telt". Aldus M. A. van Andel +in zijn leerzaam proefschrift over de Volksgeneeskunst in Nederland +(Utrecht 1909), bl 5. + +Naar men begrijpt, hangt de volksgeneeskunst ten nauwste samen met +de volksreligie en tiert zij welig op den bodem van het animisme (I, +bl. 64). Zij vormt een wezenlijken faktor der onderkultuur en vertoont +zich in hoofdzaak éenvormig, zoowel hier als bij de natuurvolken, +zooals O. V. Hovorka en A. Kronfeld in hun standaardwerk over de +Vergleichende Volksmedizin (Stuttgart 1908) zeer duidelijk hebben +aangetoond. Van de kwakzalverij onderscheidt zij zich door haar +volstrekte goede trouw en belangeloosheid. Haar gezichtseinder is +zeer beperkt, zoowel wat den aard der ziekte als wat de kracht der +geneesmiddelen betreft. Als ziekten gelden eigenlijk slechts: koorts, +verwonding, bloeding, roos, brand, kou, jicht, kramp, vallende ziekte, +asthma en nog enkele andere. Het streven naar zelfbehoud, gepaard aan +hulpvaardig dienstbetoon, vormt de gemeenschappelijke drijfveer van +volks- en kultuurgeneeskunde. Natuurlijk wordt nu de kloof tusschen +beide met den dag grooter. Maar hoe verder men in vroeger tijden +teruggaat, hoe geringer dit verschil is. Terecht merkt Van Andel op, +dat de volksmiddelen van heden de wetenschappelijke middelen van +gisteren zijn. + +Het is mijn taak niet, de ontwijfelbaar gezonde kern der +volksgeneeskunde, n.l. die middelen aan te geven, welke berusten +op doelmatige, instinktieve therapie, of op overoude elementaire, +maar gezonde empirie; wel dien ik in het kort te wijzen op het zeer +eigenaardige, van de kultuurgeneeskunde _afwijkende_, strikt-populaire +in de behandeling en het toedienen der geneesmiddelen, dat uit +primitieve volksvoorstellingen voortvloeit. + +Inderdaad ligt bij de behandeling doorgaans deze opvatting ten +grondslag, die echter met den dag in helderheid en bewustheid afneemt, +dat de ziekte zelf een boosaardig, ja demonisch wezen is, of ook een +worm, in alle geval een konkreet iets, dat in het lichaam huist. Zoo +spreekt men b.v. van haarworm, ringworm, dauwworm; en niet onmogelijk +hebben de maden, de lintworm en de lijkwormen tot deze opvatting +aanleiding gegeven. Vooral de kiespijn wordt aan het knagen van +wormen toegeschreven. Dit geloof staat in Mecklenburg zoo vast, +zegt Gaidoz, dat een lepel met kokend water onder den zieken tand +gehouden wordt. De diertjes, door den damp bedwelmd, vallen in den +lepel en zijn duidelijk te zien. + +Het ziektewezen kan verdreven worden op velerlei wijzen; vooral +echter door bezwering, door bannen en overdragen, door sympathetische +geneesmiddelen. + +Niet slechts deze laatste methode, maar vrij wel de geheele +volksgeneeskunde wordt beheerscht door de _sympathie_, die +de geneeskracht van de _signatuur_, d.i. de teekenen der dingen +afleidt. Volgens deze leer dient een geelbloemige of geelsappige plant +tegen de geelzucht, een roodkleurige stelpt het bloed, een knolgewas +geneest de aambeien enz. Deze volksvoorstellingen, die wij reeds +herhaaldelijk in het Eerste Deel aantroffen, is sinds overoude tijden +over de geheele aarde verspreid en berust op een onbepaald gevoel van +gemeenschap tusschen gelijkgeaarde wezens, in dit geval tusschen het +ziektewezen en het geneesmiddel. Waarschijnlijk heeft de symboliek deze +sympathische opvatting uit het animisme (en fetissisme) doen geboren +worden. Om een geest uit het lichaam te bannen, achtte men het reeds +voldoende, bepaalde deeltjes, als haren, nagels, enz. vast te leggen of +te vernietigen. Van hier tot de zuiver symbolische handeling is slechts +éen stap: wat geschiedt niet slechts aan een deeltje, maar aan een +overeenkomstig voorwerp, geschiedt aan het voorwerp zelf. Wil men een +heks kwaad doen, wij zagen het I, bl. 79, dan maakt men een ploegijzer +gloeiend en spreekt plechtig den naam der vermeende heks uit; deze +zal dan de hevigste smart voelen. Daarom legt men ter verwijdering +van wratten in een touwtje zooveel knoopen als men wratten heeft, +en begraaft dit ergens: door deze symbolische handelwijze worden +de wratten zelf begraven. De beteekenis der aanwending van roode +stoffen bij bloedloop is oorspronkelijk dan ook wel deze, dat het +rood-gedachte ziektewezen op de roode stof overga. Naderhand is het +sympathiebegrip natuurlijk in verschillende richtingen uitgebreid. + +Eindelijk wensch ik er de aandacht op te vestigen, dat de leer +der signaturen niet altijd als _leiddraad_ bij het opsporen van +geneeskrachtige kruiden, maar ongetwijfeld meermalen slechts als +_verklaring_ eener reeds bekende werking heeft gediend; zie hieromtrent +het artikel van Prof. Van Leersum over de Waardeering van Oude en +Volksgeneesmiddelen in het Nederl. Tijdschr. voor Geneeskunde LVIII +(1914), bl. 1952. + +1. Bezwering is wel het meest verspreide, ook heden nog dagelijks +aangewende heilmiddel, waarin animistische en specifiek-Christelijke +bestanddeelen met elkaar vermengd zijn. Het bezweren is een kunst, +die erfelijk is, maar zij kan slechts worden overgedragen van een +man op een vrouw of van een vrouw op een man. Het formulier is +eigenlijk geheim. Het wordt zacht gefluisterd of gepreveld, en het +getal 3 is daarbij van bijzonder gewicht: driemaal wordt daarbij +een kruis gemaakt, driemaal gespuwd, driemaal gestreken enz. Ook +zijn dag en uur niet onverschillig; sommige bezweringen dienen te +geschieden bij afnemende, andere bij nieuwe maan, weer andere vóor +zonsopgang. De formule is òf een kort bevel, òf zij wordt ingeleid +door een kort episch verhaal, waarin een gelijksoortig geval wordt +uiteengezet: wij hebben dus weer met sympathie te doen. Zoo beginnen +b.v. verscheidene formulieren tegen de wormen met de vermelding van +Job op den mesthoop. Van een formulier uit Denderwindeke tegen brand +luidt de inleiding: "De H. Laurentius werd gebraden op een rooster: +hij en zwol niet op noch en verzwoor; ik hoop, dat gij ook niet zult +zwellen of verzweren".--Rond den Heerd (1877) weet deze berijmde +bespreking tegen brandwonden mee te deelen: + + + Ons' Heere Jezus kwam aldaar gegaan, + Hij vond er een kindeke in brande staan. + Hij nam het in Zijne gebenedijde hand + En _b_luschte den ge_b_enedijden _b_rand. + En 't en _zwoer_ noch 't en _zwol_, + En 'k hoop in Jezus' naam, dat 't ook niet _doen_ en _zol_. + + +In deze formule vinden wij alitteratie, assonantie en rijm. Andere +formules worden ons medegedeeld door Dr. Boekenoogen in Onze Rijmen, +bl. 67; zoo b.v.: + + + Moeder Maria ging over den berg, + Ze nam een tak van den heiligen boom, + Ze wierp 'em over haar hoofd in den stroom. + Kwik door dit, kwik door dat, + Vlieg door aderen, zenuwen, pezen, + Ik hoop, dat met Gods hulp dit beest zal genezen. + + +Het Christelijke in deze spreuken is slechts een dun laagje vernis: +in den grond zijn zij volstrekt identiek met Oudgermaansche en +Oudindische, waar de heidensche godenwereld optreedt. + +Den korteren vorm vertoont: + + + Dit arm of poot + Is _verrukt_ of _verstoot_. + 't Zal niet _verrotten_ of _verzweren_ + In den naam des Heeren, C.A.B. + + +Deze en dergelijke bezweringen of besprekingen worden vooral toegepast +bij verwondingen, verrekkingen, verstuikingen en spierpijnen. De +_strieker_ legt somtijds wat zeep op den zeeren enkel; dan zet hij +de pet af, zegt de bezweringsformule en strijkt op bepaalde wijze +over den enkel. Bij wonden zegt men te Heumen: + + + Ik verbinde deze wonde, + Ik stille dat bloed in deze stonde, + Als Christus de Heer opgevaren is. + + +Bij kneuzingen vindt men o.a. dit formulier: + + + Deze man enz. is over een berg geloopen, + Deze man enz. heeft zijn hand enz. gestooten, +Het moet in de Roode Zee verdwijnen, + Gelijk de Wijzen uit het Oosten, + En God genas het met der stond, + O Heer, help mij! Amen. + + +2. In het bovenstaande wordt het ziektewezen verdreven. Maar met of +zonder spreuk wordt dit wezen veelal ook vastgelegd, geband of wel +op een persoon of zaak overgedragen. In de Friesche Wouden wordt de +bilzucht het _koude vuur_ genoemd; maar men meent, dat zij licht kan +worden geweerd, door het eerst daaraan bezweken dier vóor de staldeur +te begraven. Vooral de koorts wordt graag en licht overgedragen. In +het Oosten van ons land snijdt men zich hiertoe den nagel _in het +leven_ en maakt dan den bast van een boom ook los tot _in het leven_ +(let op de sympathie!). Dan drukke men met den vinger _het vocht_ +daaruit tegen en tusschen _het vocht_ van den boom: dan heeft de +boom de koorts. Of men binde een kouseband of strooband om den boom, +liefst een vlierboom (I, bl. 80, 130, 287), en ga dan spoedig loopen, +zonder om te zien. Deze praktijk is in geheel Groot-Nederland--en verre +buiten de grenzen--bekend. Men noemt dit "de koorts afbinden." Ook +kan men het haar- of nagelknipsel van den zieke, of een briefje met +zijn naam in een opzettelijk daartoe geboord gat in den boomstam +steken. Niet zelden spreekt men hierbij het rijmpje: + + + Olde Marolde + Ik hebbe de kolde, + Ik hebbe ze noe, + Ik geve ze oe, + Ik bind ze hier neer, + Ik krijg ze niet weer. + + +De koorts--of een ander ziektewezen--wordt ook met spijkers in een +boom vastgehecht; zij wordt met en door dingen, die met den lijder, +liefst met de zeere plek, in aanraking geweest zijn, verbrand, +in 't water geworpen, in den grond gestopt, verkocht, weggeven, +ja afgeschreven. Wat is eenvoudiger, dan met krijt op de deur te +schrijven: "Koorts, ik ben niet thuis" (Zevenhuizen)? Of als rijmpje: + + + Koorts, koorts, ik ben niet thuis, + Ga maar naar een ander huis. + + +Ook de hik wordt graag overgedragen; hiertoe dient de spreuk: + +Deventer: + + + 'k Heb de hik + 'k Heb ze prik + 'k Heb ze nouw + 'k Geef ze aan jou. + + +Venloo: + + + Ik heb den hik + Ik heb de pik + Ik gêf um aan 'n noaberman, + Dê 't good verdrage kan. + + +Dit driemaal vlug achter elkaar opzeggen. Als een kind de hik heeft, +dan groeit het hart, meent het volk. + +3. Bij de sympathetische geneesmiddelen wordt het verband tusschen +kwaal en geneesmiddel gezocht _in de oorzaak_: zoo legt men haar van +den hond, waardoor men gebeten is, op de wonde. Bij de jicht, die +haar oorsprong in wormen heeft, geeft men den patiënt 13 regenwormen +met brandewijn in;--_in de kleur_: een geelsappig kruid, als de +stinkende gouwe, tegen geelzucht, het eten van roode bieten tegen +bloedspuwen, gemalen menschenbeenderen tegen beeneter, het bloed van +een zwart schaap tegen gordelroos met bloederigen, donkerkleurigen +huiduitslag (Maas en Waal);--_in den vorm_: zoo dient het longkruid +met zijn vlekjes op de bladeren, die op longknobbeltjes lijken, +tegen longziekte, en hondstong met zijn tongvormig blad, tegen +hondsdolheid. De bloempjes van oogentroost (_Euphrasia_) vertoonen +een gele, oogvormige vlek; vandaar dat deze plant als een deugdelijk +middel geldt tegen alle mogelijke oogkwalen;--_in den aard_: pieren, +in een zakje op de borst gedragen, zijn van baat tegen de wormen;--_in +den naam_: vandaar, dat de roos als onfeilbaar middel geldt tegen de +huidziekte van dien naam, dat de hondsroos helpt tegen hondsbeet, +leverkruid tegen leverziekte, steenbreek tegen nier- of galsteen +enz. In Friesland gelooft men aan de kracht van een duif, boven de +wieg gehangen, tegen dauwworm (althans overeenkomst van klank). Een +merkwaardig voorbeeld geeft Denis Schrijnen in het Pharmaceutisch +Weekblad 1902, bl. 1006. Te Blerik bezigt men tegen kanker veelal +het volgende geneesmiddel. Een levende rivierkreeft wordt in een +zakje genaaid, dat door den zieke gedurende 24 uur op de zieke plaats +moet gedragen worden. Heeft hij dien tijd wakende doorgebracht, dan +is de kanker op de kreeft overgegaan; het zakje wordt nu verbrand +en de lijder is genezen. Maar waarom een kreeft? Dit middel is uit +het naburige Duitschland overgewaaid, waar kreeft en kanker beiden +_Krebs_ heeten. + +4. In het gebruik van sommige geneesmiddelen is wellicht een survival +van een offer te erkennen; zoo b.v. in het bloed van een wit of zwart +dier, dat door den lijder moet gedronken worden. Dit kan m.i. echter +ook berusten op de animistische voorstelling, dat bloed ziele- en +levensspijs is. Trouwens de volksgeneeskunde stoelt nog op tal van +andere oude overwegingen en voorstellingen, die ons heden ten dage +slechts zeer onvoldoende bekend zijn. + +5. Met name ontgaat ons de beteekenis van vele geneeskrachtige +kruiden. Velen hunner spelen een voorname rol in de tooverwereld +en waren eenmaal aan de Germaansche godheden heilig, of verheugen +zich thans nog in een voortsluimerende vereering van den geest der +vruchtbaarheid. Op eenzame en gewijde plekken groeien zij, en zwijgend, +ongezien door godheid en menschen, onder het prevelen van gebeden, +en met de linkerhand moet men ze veelal plukken. + +De vlier genoot den grootsten eerbied; was ook niet de kruisboom van +vlierhout? De bast van den vlierstruik geldt dan ook als een krachtig +geneesmiddel; hij is braakmiddel of purgans. Verder wordt hij gebezigd +tegen keelpijn en waterzucht, terwijl de bladeren en bloemen gedronken +worden als thee tegen verkoudheid, evenals de bloesems der linde. De +aromatische bessen van den gevierden jeneverstruik (_Juniperus +communis_) bezitten eveneens veelzijdige geneeskracht. Werden zij +eertijds inderdaad als verjongend en levenwekkend beschouwd? Het +duizendblad (_Achillea Millefolium_) heet een deugdelijk middel te +zijn voor het heelen van wonden, door ijzer veroorzaakt. Geeft de +naam Achillea hier wellicht de verklaring? + +Een bij het volk zeer geliefde plant is het valkruid (_Arnica +montana_), en vrij algemeen wordt zij aangewend bij kwetsuren. Eertijds +stond zij tot den wolf in betrekking, zooals nog thans uit de +Oostfriesche benaming _Wulfsblöme_ en ons _wolverlei_ blijkt. De +schors en de jonge takken van den berkeboom, in de lente verzameld, +zijn een bloedzuiverend, zweetafdrijvend en waterafdrijvend middel; +waarschijnlijk wel, omdat hij in de lente, als hij wordt aangeboord, +een sap geeft, dat verwerkt wordt tot berkenwijn. De hennep +(_Cannabis sativa_) heeft groote magische kracht en wordt vooral als +verdoovingsmiddel gebezigd. De hoogopgroeiende hopranken (_Humulus +Lupulus_) zijn het zinnebeeld van groei en wasdom en schijnen daarom +de gezondheid weer te geven aan herstellenden en bloedarmen. Ook de +zelf (_Salvia officinalis_) staat bij het volk hoog aangeschreven: +zij versterkt de zintuigen en sterkt de zenuwen. + +Het is niet onmogelijk, dat men in verscheiden gevallen eerst naderhand +een zekere vereering, ja tooverkracht aan planten is gaan toeschrijven, +wier geneeskracht door de ervaring aan het licht was gebracht; en, +zooals gezegd, met die ervaring kan de kultuurgeneeskunde haar +voordeel doen. Zij toont zich dan ook geenszins afkeerig van de +volksgeneeskunde, getuige het feit, dat herhaaldelijk oude middelen +opnieuw in praktijk worden gebracht. Getuige ook de nog onlangs +gehouden onderzoekingen over het kiezelzuurgehalte der organen en naar +de rol dezer stof in de stofwisseling, op grond van de wetenschap, +dat het volk sedert eeuwen zekere kiezelzuur-bevattende kruiden tegen +de zoogenaamde konstitutioneele ziekten aanwendt. "Dit staat vast", +schrijft Prof. Van Leersum t. a. p., bl. 1959, "dat wij een groot +aantal onzer beste geneesmiddelen, o.a. digitalis, strophantus, china, +coca, aan den speurzin van den natuurmensch te danken hebben". + +Zie verder: Verdam, Over Bezweringsformulen, in de Mededeelingen +v. d. Maatschappij der Nederl. Letterk. 1900--1901, bl. 1 vlg.; A. de +Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen (Gent 1891); Over de folklore +van dieren en menschen, in de Handel. v. h. derde Vlaamsche Natuur- en +Geneeskundig Congres 1899, bl. 185 vlg.; Denis Schrijnen, Volksgeloof +omtrent geneeskracht van planten, in het Pharmaceutisch Weekblad +1904, bl. 1 vlg.; Driem. Bladen II, bl. 12; III, bl. 34; XI, bl. 41; +F. Visser, Volksnamen voor Geneesmiddelen enz. (Baarn 1912); Heuvel, +Volksgeloof en Volksleven, bl. 163; L. Sloet, in De Gids 1881, 2, +bl. 221, 413, 439; V. D. Voo, De leer der teekenen, in Vragen v. d. Dag +XXV, 11; Volkskunde XXIV, bl. 113; Nederl. Museum II, bl. 117, 230. + + + +III. Natuurverklaring en weerkunde. + + +1. Uiteraard is ook de _natuurverklaring_ van het volk hoogst +gebrekkig, hoe vertrouwd het met de natuur ook zijn moge en hoe goed +het de natuurverschijnselen over het algemeen waarneemt. Immers de +volksempirie is hoogst onbetrouwbaar en bij onderzoek en verklaring +speelt de verbeelding de voornaamste rol. Reeds de gestelde vragen zijn +eigenaardig. Het volk tracht niet slechts den oorsprong der dingen te +achterhalen door te vragen: vanwaar komt de aarde, de zon, de maan, +de mensch, vanwaar boomen en planten, bergen en rivieren, ziekten en +dood? Maar met een weetgierigheid als die van het kind, dat ons door +zijn vragen verveelt, stelt het vragen, die ons volstrekt onzinnig +lijken: hoe komt het, dat het vuur ons dient, de eik getande bladeren +heeft, de koekoek zijn eigen naam roept, de kruisbessen stekels hebben, +de kraai zwart is, de pad roode oogen heeft, de vleermuis en de uil +zich over dag schuil houden, het heidekruid een rossige kleur heeft, +de hazenlip gespleten is? + +Maar eigenaardiger nog dan de vraag is het antwoord, dat nl. zoo goed +als steeds den vorm van sprookjes, sagen en legenden aanneemt. Wij +spreken dan van natuurverklarende sprookjes enz.; en deze vindt +men niet alleen bij volken met lage kultuur, maar ook daar, waar +de mensch door het voltooien der behoeften en betrekkingen zijner +natuur zich tot een bovenkultuur heeft opgewerkt. Het ongeoefende +denken vermag nimmer een strikt wetenschappelijk antwoord te geven; +een sprookjesverklaring is makkelijker gevonden. Merkwaardig in deze +volksverhalen is niet alleen het zoeken naar den oorsprong der dingen, +maar ook de omstandigheid, dat het physieke kwaad gewoonlijk wordt +voorgesteld als het gevolg van den toorn van een hooger wezen, door +een misslag veroorzaakt. Zie hierover verder mijne Essays en Studiën, +bl. 183, 210; Volkskunde XIII, bl. 8 vlg. Overvloediger materiaal +vindt men bij O. Dähnhardt, Natursagen, zie boven; Naturgeschichtliche +Volksmärchen (Leipzig 1898). + +Ook in ons land vindt men zulke natuurverklarende volksverhalen +te over, in het zuidelijk volksgebied echter meer dan in het +noordelijk. Wij vernemen, hoe de bergen en heuvelen ontstaan zijn +door oproerige reuzen, of uit zand, dat in den mond van den satan lag; +want oorspronkelijk was de aarde vlak. Wij vernemen de oorzaak van het +onweer: schreef men dit voorheen aan den dondergod toe, thans zegt men, +dat de H. Petrus aan het kegelen is. Waarom is de zaag getand? Dat +is eigenlijk duivelswerk. De satan meende aldus de menschen te +plagen. Vanwaar het _Hul_ bij Elspeet, het Solsche Gat, het Vrouwenzand +bij Stavoren? Vanwaar zoo menige grillige rotsvorm, die schijnbaar een +hoefindruk vertoont? Vanwaar het mannetje in de maan? In Vlaanderen, +Antwerpen, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland is het een houtraper of +houtdief, die 's Zondags of in den Kerstnacht er op uitging. Waarom +is de wever zoo slecht gezien? Omdat een wever de nagels bezorgde, +toen Christus gekruisigd werd; zie Welters, Limburgsche Legenden II, +bl. 61; Joos, Vlaamsche vertelsels, bl. 35. Doch laat ik mij beperken +tot enkele natuurverklarende verhalen van dieren en planten. + +Dieren. Waarom vliegt de uil alleen bij nacht? In Gelderland en +Groningen vertelt men: Eens kwamen de vogels samen en zeiden: wij +willen te zamen vliegen, en wie het hoogst komt, zal koning zijn. De +ooievaar, de vorst der Geldersche vogels--te Groningen zegt men +de gansarend--verhief zijn statige vlerken en overtrof den raaf en +den koekoek vèr; het winterkoninkje was hem echter te slim af. Het +was onder zijn vederen gekropen en had zich aldus mee omhoog laten +heffen. En toen nu de ooievaar niet meer kon, vloog het vroolijk nog +veel hooger het luchtruim in. + +Maar de vogelen, verontwaardigd, zich aldus verschalkt te zien, +meenden het beestje te moeten bestraffen. Het ontvluchtte hen echter +in een molshoop. Toen besloten de vogelen den uil als wachter aan +te stellen, omdat alleen hij bij nacht ziet. De uil waakte tot den +morgenstond. Toen werd hij slaperig, en het winterkoninkje ontkwam +den sluimerenden wachter en vloog lustig door het geboomte rond. + +Sindsdien hebben de vogelen den uil bespot. Als hij zich bij dag laat +zien, schelden zij hem uit. Daarom vliegt de uil alleen bij nacht.-- + +Verhalen als deze vindt men in alle werelddeelen. Hoofdoorzaak blijft, +dat de uil uit de gemeenschap der vogelen gebannen werd. Sommige +volken schrijven dit hieraan toe, dat hij eerst koning was, maar om +zijn wreedheid werd verdreven; weer andere, dat hij den leeuwerik +bedroog en nu bang voor hem is. + +Het verhaal van het winterkoninkje en den uil is ook in België algemeen +verspreid, zooals De Mont en De Cock, Joos, Cornelissen en Verliet ons +mededeelen. Daar dient het ook als naamverklaring van "koninksken" +en "koninksvogelken", terwijl de Geldersche lezing het geroep van +het winterkoninkje verklaart. Want boven den ooievaar gekomen, riep +het beestje: "Koning, koning ben ik-kik-kik-kik-kik!" Maar de katuil +roept nog altijd klagend: "Er-oêt, er-oêt!" Een Fransch sprookje zegt, +dat de uil "hu-hu-hu-hu" roept van de kou. + +Ons sprookje is niet zuiver natuurverklarend. Het eerste gedeelte +verhaalt den wedstrijd tusschen twee dieren, die overoud is, en behalve +in Europa, in Afrika, Amerika en Oost-Azië wordt aangetroffen. Volgens +Dähnhardt moet de Aesopische fabel van den haas en de schildpad als +de oorvorm worden beschouwd. Deze wedstrijd wordt verhaald in drie +hoofdvormen: 1. De haas verlaat zich op zijn slanke beenen en legt +zich te slapen aan den weg; maar de schildpad loopt zonder ophouden +en erlangt de overwinning der volharding over de traagheid.--2. De +schildpad (slak, egel) overwint den haas (olifant, struis, ree, +tijger) door bedrog, door verscheiden verwante dieren onderweg +op te stellen, die op de vraag: "Schildpad, waar ben je?" moeten +antwoorden: "Hier!"--3. Een klein dier, dat zich aan den staart +van den tegenstander vastklampt of zich onder zijn veeren verbergt, +overwint. In Afrika zijn deze dieren: wild zwijn en kameleon, of ook +leeuw en kikvorsen; op de Fidschi-eilanden: vlinder en kraanvogel; +in Annam: schildpad en tijger; in de Westaziatisch-Europeesche groep: +vos en kreeft,of kikvorsen en slak. Bij een soortgelijk verhaal uit +Zuid-Holland (Maasland) voegt zich het eigenaardige motief, ook in +Frankrijk en België niet onbekend, dat de kikvorsch bij aankomst de +poort gesloten vindt. Maar de slak kruipt er eenvoudig over heen. Te +Maasland kent men ook het verhaal van het wed_vliegen_, maar vervangt +er het winterkoninkje door het klein-jantje of boomsluipertje. De +ooievaar blijft in dit waterland natuurlijk gehandhaafd. In Lapland, +Finland en Zweden verhaalt men van het wed_zwemmen_ van visschen, +en ook in Vlaanderen is deze vorm niet onbekend. Zoo weet men b.v. te +verhalen, dat de schol en de panharing een weddenschap aangingen, wie +het snelst kon zwemmen. De schol repte zich, wat zij kon. De kleine +panharing daarentegen vermoeide zich niet, maar zwom zoo gestadig, dat +de schol ten slotte achterbleef. Toen nu de haring haar voorbijschoot, +meende de schol te barsten van nijd. Zij beproefde een list en begon te +roepen: "Panharing! panharing!" en zoo lang schreeuwde zij, tot haar +muil krom getrokken was: daarom heeft de schol een scheven muil. Hier +treedt het verhaal dus weer in dienst der natuurverklaring. Zie +De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 97 vlg.; Boekenoogen, +in Volkskunde XV, bl. 72 vlg.; Cornelissen en Vervliet, Vlaamsche +Volksvertelsels, bl. 224. + +Waarom roept de duif: "Rookoe, rookoe?" + +De ekster wilde een nest leeren bouwen en vroeg de duif om raad. Deze +had echter niet veel lust, van haar wetenschap mee te deelen. Maar +de ekster beloofde haar een roode koe, en nu willigde de duif in. De +ekster leerde het spoedig, maar weigerde de roode koe te geven. En +daarom roept de duif voortdurend: "Rookoe, rookoe": Driem. Bladen I, +bl. 71. Wij hebben hier te doen met een geliefkoosd thema. De dieren +beloven, borgen, ruilen en handelen als de menschen, en bedriegen en +worden bedrogen als zij. Vooral ook de primitieve ruilhandel speelt een +groote rol. Zoo verklaart het volk ook gaarne de ongelijkheid in de +uiterlijke verschijning van twee dieren, die zijns inziens eigenlijk +niets op elkaar moesten voor hebben: waarom de pauw leelijke pooten, +de haas lange ooren, de koe hoorns heeft. De dieren, die een staart +missen, hebben hem geleend en niet terug gekregen. + +Waarom is de schol plat? + +Adam hield veel van visch, verhaalt men in Friesland. Eens had hij +een menigte visschen gevangen en op den oever neergelegd. Toen hij +nu bezig was, de visschen bijeen te verzamelen, kwam hij te vallen, +want de grond was glad van het slijm der visschen. Hij viel met zijn +achterdeel midden op een schol, die daardoor geheel plat werd. Adam had +een broek met nopjes aan, daardoor kreeg de schol vlekjes op de huid, +zooals men die tot heden toe er nog op ziet. En de schol is sedert ook +altijd plat gebleven: Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II, +bl. 137. + +Waarom heeft de schelvisch twee bruine vlekken? + +Toen Sint Pieter eens in het Galileesche meer schelvisschen ving, +gebeurde het, dat hij een, die niet in den emmer ging, met duim +en wijsvinger beetpakte. De indrukken der vingers zijn nog steeds +zichtbaar. + +Waarom lijkt de mier half doorgebroken? + +Een herder zette zich eens bij toeval op een mierennest. De mier +ging klagen bij God en nam de spin tot getuige. Maar deze beweerde, +dat het niet met opzet gebeurde. Toen werd God boos en sloeg de mier +met het zwaard midden door.-- + +Ook in deze verhalen ontbreekt het komisch element veelal niet, +zooals blijke uit het volgende sprookje, waar ook andere ons reeds +bekende motieven een plaats vinden. + +Waarom heeft de kwakkel geen staart? + +De groenvink was herbergierster en hield een bierhuis langs den weg. Op +Aschwoensdag hadden de kraai, de ekster en de kwakkel zich in de kerk +een asschen kruisje gehaald, dat na den kerkdienst, naar zij meenden, +"verdronken" moest worden. Het Leuvensch en de faro smaakten hun bij +den groenvink zoo lekker, dat zij ten slotte een stuk in hun kraag +kregen; maar toen het op betalen aankwam, hielden zij zich van den +doove. De kwakkel, die vroeger een fraaien, langen staart had, wou +de plaat poetsen, maar de bazin pakte ze bij den staart en hield de +veeren in haar poot. De ekster, die eerst wit was, kwam in een kolenbak +terecht; en de kraai, die voorheen evenmin zwart was, vloog door de +schouw naar buiten en moest zich door het vuile roet heenwerken. + +Sedert dien tijd hebben de kwakkels geen staart meer, zijn de kraaien +en eksters zwart, en herhaalt de groenvink telkens: "Ik wil 't geld +van mijn bier!" Waarop de kwakkel antwoordt: "Ge hebt het gehad, +ge hebt het gehad!" + +Het ontbreken van lichaamsdeelen wordt dikwijls ook zóo verklaard, +dat het dier te laat kwam, toen O.L. Heer de staarten, horens +enz. verdeelde.--Toen de vogels gekleurd werden, verhaalt een +Westvlaamsch sprookje, en O.L. Heer bij den distelvink kwam, was +Hij al zijn verven kwijt. Daar stond nu het arme vogelken te klagen +en te jammeren, zoo dat Ons Heer deernis met het beestje kreeg. Hij +ging nu van vogel tot vogel, nam van elks veeren een ziertjen af en +schilderde dat op de veeren van het distelvinkje. + +Maar ik mag ook het fraaie sprookje van het roodborstje niet onvermeld +laten. + +Toen O.L. Heer vol pijnen en tormenten aan Zijn kruis hing, zat +een klein vogeltje op den rand van zijn nest vol medelijden naar +zijn stervenden Schepper te turen, en bittere tranen liepen uit zijn +oogskens, toen het de puntige doornen zag. Het vliegt naar het kruis, +en het gelukt hem éen doorn los te pikken en te rukken.... Op dat +oogenblik viel een droppel bloed op hem, en verfde zijn borstje rood. + +Planten. Het Christelijk element treedt hier sterk op den voorgrond. De +Mariadistel heeft wit-gevlekte blaren, omdat, toen Maria haar kind de +borst gaf, daar een druppel melk op viel. De witte hagerozen prijken +op den heester, waarover Maria op de vlucht naar Egypte de windsels +van haar kind te drogen hing. Op dezen tocht hoorden Maria en Jozef +eensdaags de soldaten achter zich en zij verborgen zich haastig in een +gracht. Daar groeiden biezen, en de biesstengel was onbeschaamd genoeg, +om het kind in 't oog te durven steken. De kleine Jezus gilde van pijn, +maar gelukkig hoorden de soldaten het niet. Daarom werd het stekelige +bies-topje vervloekt, en sedert dien is het dor en als verbrand. + +En weer op dezen tocht, zoo dramatisch door het volk uitgewerkt, +verleenden sommige boomen geen bescherming. Maar wel de palmboom +en de treurwilg, die nog heden hun takken laten hangen, dewijl ze +destijds herhaaldelijk de H. Familie als met een ringmuur omsloten +tegen nakend gevaar. De hazelaar verleende beschutting tegen het +onweer, en sedert dien heeft hij bliksemwerende kracht. + +Hoeveel stof schenkt ook niet de Passie des Heeren! De _Rosa +rubiginosa_ heeft roode puntjes op de twijgen: die komen van 's +Heilands bloed bij de doornenkroning. Eveneens werden de mosroos en +het zevenblad rood geverfd door de bloeddruppels van Christus. + +Bij Zijn dood waren alle boomen droef en stil, behalve de esch; +daarom moet hij thans voortdurend ruischen en beven. + +De wilgen, verhaalt men in Noord-Limburg, bersten als zij oud worden; +en wel, omdat ook Judas berstte, die zich ophing aan een wilgetak. + +Over de vossebessen vind ik in ons land deze twee natuurverklarende +verhalen. Een vroom kluizenaar bad Maria om ooft voor de arme +bergbewoners. Toen nam zij haar krans af, maakte hem los en strooide +de stukken over de bergen.--Maar de weetgierigheid van het volk vroeg +ook opheldering omtrent den kruisvorm der kelkblaadjes. Vandaar het +verhaal, dat de duivel bij de schepping het verlof kreeg, óok een +plant het aanzijn te schenken. Hij schiep nu de vossebessen, maar +vervloekte ze, zoodat ieder, die de vrucht at, hem vervallen moest. God +nu verhinderde dit, door op iedere vrucht een kruis te plaatsen. + +Waarom heeft het viooltje geen geur? + +Vroeger was het zóo welriekend, dat het koren vertrapt werd, om de +bloem te plukken. Dit verdroot haar en ze bad: "Heilige Drievuldigheid, +ontneem mij mijn geur!" De H. Drievuldigheid antwoordde: "Het geschiede +naar uw wensch. Maar dewijl gij niet hoogmoedig zijt, zult gij mijn +naam [19] dragen." + +Waarom draagt de Haagwinde (_Convolvulus sepium_) den naam van +O.L. Vrouweglazeken? [20] In Vlaanderen verhaalt men: + +Daar was een keer een voerman. Zijn wagen, die zwaar met wijn geladen +was, zat diep in het slijk aan eenen slechten eerdeweg versteld, +en nutteloos zweepte hij zijne peerden om uit den modderpoel te +geraken. Alle moeite was verloren: voerman en peerden zweetten onder +den last en de wagen bleef even diep verzonken. Maar Onze Lieve Vrouwe +kwam daar van passe voorbij gegaan, en den nood van den armen voerman +ziende, had zij er pijne mede en zij sprak tot hem: + +"Ik ben moede en afgemat van gaan, en ik lijde van den dorst, geef +mij wat wijn te drinken en terstond zoo maak ik uwen wagen los". + +"Zeer geern, Lieve Vrouw", antwoordde de voerman, "maar 'k en hebbe +geen glas om er den wijn in te doen". + +Onze Vrouwe en gaf daarop geen antwoord, zij keerde heur om, en trok +uit de hage een wit met rood gestreept bloemeken af, dat nog al een +glazeken geleek, gaf het aan den voerman en zei: + +"Schenk mij uwen wijn daarin." + +De blijde man goot het witte bloemeken boordeke vol en gaf het met +eerbied aan O.L. Vrouwe. + +"God zegene u", zeide hij, "lieve Vrouwe". + +En O.L. Vrouwe ledigde het blommeke, en op den zelfsten oogenblik +stond de wagen vrij en de voerman reisde voort. + +'t Is sedert dien, dat men dat bloemeken O.L. Vrouweglazeken heet.-- + +Ten slotte nog het natuurverklarend sprookje van den vorm der +sleutelbloem (_Primula Veris_), ook Sint-Pietersleutel geheeten. Ik +laat het hier volgen in zijn West-Vlaamsche kleedij en vestig de +aandacht van den lezer op de fijnheid van toon en de naïeveteit +van lijnen. + +Daar was eens een kindje gestorven. Zijn zielke, nog wit als sneeuw +van onnoozelheid, vloog rechte naar den hemel en 't klopte er aan de +deur om binnen gelaten te zijn en te gaan spelen met de engelkens, +zijn broertjes. + +Sint-Pieter ontsloot de deur met zijn grooten gouden sleutel en +deed ze met gerreken open [21]; ja maar, met dat hij zag, met wien +hij te doen had, trok hij de deur wat wijder open en heette het +nieuwe engelken welkom in zijnen nieuwen huis. Maar, als hij de deur +wederom wilde toedoen, ontsnapte de truis goudene hemelsleutels aan +Sinte Pieter zijne handen en hij viel op de goudene zulle dat 't +klonk. Maar van de zulle gletste de truis naar beneden en viel een +dag of twee lang en rolde eindelinge ieverst op't kerkhof van een +buitenparochie neder. Nauwelijks lagen de goudene sleutels tusschen +'t gers en de blomkes van 't kerkhof te glinsteren, of daar schoot +een schoone blomme op, eene blomme die, nog nooit op aarde gegroeid +noch gebloeid hadde, waarvan de naam zelve niet en bestond. + +Nu 't gebeurde, dat er daar 's anderdaags met den vroegen ochtend een +weezeken kwam naar 't kerkhof, op 't graf van haar onlangs gestorvene +moeder, versche bloemen strieuwelen en een vurig gebed bidden. Weldra +had het weezeken die nieuwe blomme in 't oog, die zoo fier en zoo +mooi te pronken stond; en 't was heel verwonderd van zulk een schoone +blomme te zien, die er daags te voren niet en groeide; eene blomme, +die het nog nooit van zijn leven gezien en hadde. 't Ging nader +en bezag de blomme wat nauwkeuriger, maar wat stond het verbaasd, +toen het te midden in den bloemenstruik een truis gouden sleutels zag +liggen, die aan een gouden ringel geschakeld zaten en waarin het woord +"Hemel" gesneden stond. + +De mare van de blomme en de goudene sleutels liep seffens de parochie +rond, en elders ook nog, en een ieder kwam zien naar die blomme, +en het volk heette ze _d' Hemelssleutelblomme_, zoo ze nog heet. + +Zie Is. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1906, +bl. 233 vlg., 1907, bl. 170 vlg., 1909, bl. 47; De Mont-De Cock, +Vlaamsche Vertelsels, bl. 115-124; De Cock, Natuurverklarende Sprookjes +(Gerit 1912); Joos, Vertelsels I, bl. 37 vlg., Boekenoogen, Volkskunde +XV, bl. 115, 116. + + + +2. Op een eigenaardige natuurbeschouwing stoelt ook de +_volksweerkunde_. Zij is van geslacht tot geslacht overgeleverd +en mag bogen op een ervaring van vele eeuwen. Vooral landbouwers, +herders, schippers en visschers, wier gestadig in aanraking komen +met de natuur het waarnemingsvermogen oefende en tot dieper inzicht +voerde, verrijkten en verrijken nog steeds hun sociale kringen in +de allereerste plaats met den schat hunner bevindingen. Ik zeg met +"den schat", al zal de kultuurweerkunde die uitspraak niet beamen; +want ook hier is de empirie weer zoo gebrekkig en hebben gevoel en +fantasie zulk een ruim aandeel in de volkswaardeering! Maar het +geheel, mèt zijn wetenschappelijke en artistieke bestanddeelen +en eigenaardige populaire voorstellingen en begrippen, is voor +ons hoogst waardevol ter bepaling van den volksgeest. Juist het +populaire in deze "volkswijsheid" na te gaan, is de taak van den +volkskundige. In verscheiden gevallen schijnt de volksmeening echter +inderdaad te strooken met de kultuurwetenschappelijke meteorologische +waarnemingen. Dit heeft vooral betrekking op sommige door het volk in +den dampkring en bij de hemellichamen aangeduide verschijnselen als +voorboden van depressie of bestendige heldere weersgesteldheid. Men +raadplege hierover de studie van Dr. H. Ekama in het Album der Natuur, +15 Nov. 1907. + +Verscheiden weerregels zijn door het volk in rijm gebracht en gaan +terug op Middeleeuwsche volksboeken; maar deze volksboeken zelf steunen +toch weer op de overoude primaire, mondelinge overlevering. Het +dichterlijke ligt echter geenszins in deze kreupelrijmpjes, +maar in het dichterlijk waas, waarmee de volksgeest de dingen +omgeeft. Het volk zegt niet, dat het weer gaarne verandert op 25 of +30 November of op 13 December, maar op Sint Katrijne, Sint Andries, +Sinte Lucie. Ja, de heiligen worden veelal--zonder mythologischen +bijsmaak!--voorgesteld als de personen, die het weer verleenen of +veranderen: "Sint Michiel verbiedt den strooien hoed en de linnen +kiel";--"Sint Petrus vischt graag";--"Sint Mathijs gooit een gloeienden +steen op het ijs";--"Sint Leendert voert de vliegen weg" (Limburg) +enz.--Wil men te Venloo zeggen: "wanneer de wind uit het Westen waait", +dan luidt dit in den volksmond: "wanneer men de klokken van Blerik +hoort". Boven de formuleering: "als het met Lichtmis helder weer is", +verkiest men: "als met Lichtmis de zon op het misboek schijnt". En +zoo verder: "als 't Kind Jezus geboren is";--"als een balk voor de +zon ligt";--"als de zon in een nest ligt";--"als de lucht nog geen +warmte kan verdragen". Van het tijdperk na Driekoningen heet het, dat +dan de dagen "een hanengeschrei lengen"; en van Apriltje, dat zich +het epitethon "zoet" ter wille van het rijm moet laten welgevallen, +zegt men teekenend, dat het "nog wel een vilten hoed geeft". Het volk +spreekt ook graag van "schaapjeswolken": + + + Schaapjes aan de hemelbaan + Duiden wind en regen aan. + + +Sneeuwt het op Sint Maarten, dan zegt men, dat de heilige "op een +schimmel komt gereden". + +Somtijds heeft het den schijn, of niet het rijm er is ter wille +van het weer, maar het weer ter wille van het rijm; zoo b.v. in het +bekende: Sint An_dries_ brengt de _vries_, "Sint Ma_thijs_ breekt het +_ijs_". Maar in ieder geval wordt in de weerkunde een voorname rol +gespeeld door den faktor der sympathie, een feit, dat naar ik meen, +vrijwel aan de aandacht der beoordeelaars ontsnapt is. Evenals men kan +spreken van een sympathetische geneeskunde (bl. 304), bestaat er een +sympathetische weerkunde. Het volk ziet een symbolisch verband tusschen +bepaalde verschijnselen om zich heen en de komende weersgesteldheid, +alsof deze op magische wijze door bedoelde verschijnselen verwekt +werd. Ik bepaal mij tot enkele voorbeelden, maar men zal deze zonder +moeite kunnen vermenigvuldigen. Wanneer wilde ganzen in den vorm eener +< vliegen, dan beduidt dit Vorst. Wanneer de kwartiermaan achterover +ligt als in een schuitje, noemt men haar in Friesland een "sleêjager", +omdat zij een vorst voorspelt, die het ijs sterk genoeg zal maken, +om er op te rijden met paard en slede.--Ruischt de wind 's avonds +in het molenbekken, dan zal den volgenden morgen een stevige wind +waaien.--Als _grijze_ kraaien dicht bij de huizen komen, dan voorspelt +dit een strengen winter.--Als de zon op Nieuwjaarsdag _schittert_, +dan beduidt dit een jaar rijk aan visschen (de middelterm is hier het +"beweeglijke" van zonnelicht en water).-- De begrippen "helder" en +"vuil", in sympathetisch verband met schoon, droog weer eenerzijds, +en regen anderzijds, verklaren ook menigen weerregel. Als de ooievaars +vuil zijn, komt er regen; zijn zij echter zindelijk en helder, dan +volgt schoon weer.-- Wanneer de poes zich wascht, d.i. helder maakt, +spelt zij droog weer. Maar het begrip "wasschen" kan ook de gedachte +aan water opwekken, en daarom dekreteert de volkswijsheid, dat er +regen komt, wanneer de ganzen zich wasschen. Ook komt er regen, +als de varkens vuil zijn, d.i. met stroo aan de pooten loopen, en +als de slakken een kluitje aarde kruien; maar hebben zij een grasje +op den staart, dan wordt het weer goed. Likt zich de kat tegen het +haar in, dan komt er onweer.--Als de zon in den kreeft staat, mag +men geen erwten zaaien, anders worden zij wormstekig; men denke ter +verklaring van dezen tuinmansregel, uit Duitschland overgewaaid, aan +de tweevoudige beteekenis van het Duitsche _Krebs_ (bl. 309). Rogge +moet gezaaid met _wassende_ maan, en daarenboven dient men het zaad +_hoog_ op te werpen (I, bl. 278, 279).--Is het borstbeen van de gans +doorschijnend, dan beduidt dit helder weer en vorst. Ook de roode +vlekken op dit been hebben hunne beteekenis: vlekken op het _voorste_ +gedeelte voorspellen vorst in den _voor_winter, op het _achter_deel +in den _na_winter. Zoo leidt men ook sympathetisch uit het weer van +de eerste 12 dagen van het jaar, dus de dagen tusschen Kerstmis en +Driekoningen, het weer van alle volgende maanden af. Men begint met +den Kerstnacht; zooals het weder is van den avond tot middernacht, +is het ook in het eerste vierde deel van Januari; van middernacht +tot den morgen in het tweede; van den morgen tot den middag in het +derde; en van den middag tot den avond in het laatste vierde deel +van Januari. De volgende 24 uur geven het weer voor Februari enz. + +Sympathetisch dient ook verklaard te worden de bekende regel, dat +er regen komt, wanneer padden over den weg kruipen. Immers volgens +de oude volksopvatting, die men nog in Middeleeuwsche volksboeken +vindt, ontstaan de padden uit de vochtigheid van den bodem. Met padden +worden nu, al is het minder vleiend, gelijk gesteld: wannenlappers, +scharenslijpers enz.; immers, als een scharensliep of een gebochelde +passeert, zegt men: "de schildpadden kruipen": Driem. Bladen IX, +bl. 50. + +Voor een groot deel verklaart men aldus ook de beteekenis van planten +en dieren in de volksweerkunde. + + + Bloeiende boomen tweemaal op een rij, + Zal de winter zich rekken tot Mei, + + +immers, een dubbele periode van bloei eischt een dubbele periode +van rust.--Het knappen van stroo- en riethalmen voorspelt droog en +dor weer.--Late rozen wijzen op een mooien, zachten herfst.-- Harde +vruchten als eikels en noten verkondigen een harden, strengen winter. + +Bij de voorteekenen in de dierenwereld wordt de schifting der populaire +bestanddeelen moeilijk. Mooi, helder weer werkt opwekkend niet +alleen op menschen, maar ook op zoogdieren, vogels, insekten enz., +terwijl een bepaalde verandering in de weersgesteldheid ook reeds +eenigen tijd vooruit haar invloed schijnt te doen gelden. En dus: +als de kat door 't huis vliegt, de koeien wild door de wei loopen, +de paarden onrustig zijn, de meeuwen landinwaarts vliegen, komt regen +of storm. Maar kraait de haan in alle vroegte, en zingt de zwaluw +des morgens, dan wordt het weer goed. Verder: + + + Als de kwartel rustloos slaat, + Weet: het spoedig reegnen gaat. + + Als de kikvorsch kwaakt, + Vast regen naakt. + + +Men dient er echter wel degelijk rekening mee te houden, dat katten, +hazen, wolven, honden, paarden, raven, kraaien en uilen spook- of +onweersdieren zijn, wier verschijnen of wier gedragingen dus tot de +volgende weersgesteldheid in nauwe betrekking staan: + + + Krassen kraai en raaf verbolgen, + Weldra zal er regen volgen. + + +Maar de ooievaar, de geluksvogel, de _heil-över_, brengt een zachten +winter en mèt zwaluw en leeuwerik, hoog in de lucht, mooi en helder +weer.--Zooveel slagen als de kwartel in het voorjaar slaat, zooveel +gulden zal de mudde rogge den volgenden winter opbrengen (Friesland). + +Men dient in deze materie ook rekening te houden met het beginsel der +periodiciteit, waarvolgens het weer gedurende een zeker tijdsbestek +vast en onveranderlijk blijft. Zulke perioden duren meestal 7 dagen, +of ook 40, het Bijbelsch getal, geheiligd door het vasten van Christus +en verder door de periode van de Veertigdaagsche Vasten enz. Regent het +b.v. op Hemelvaartsdag, op Sint Margriet, op Sint Jan, dan regent het +nog 40 dagen, of ongeveer zes weken. Zoo ook in het bekende rijmpje: + + + Donder in het dorre hout + Maakt zes weken guur en koud. + + +De maand vormt natuurlijk ook een periode, en hierop zal ten deele +wel het vertrouwen berusten in het omslaan van het weer met nieuwe +maan. Verder hebben wij de periode van Kerstmis tot Driekoningen, +het befaamde tijdperk der _Twaalf Nachten_ (I, bl. 128), dat zelfs +het weer voor het geheele volgende jaar aangeeft. Het jaar der oude +Germanen begon immers op 25 December; vandaar: + + + Is op Kerstmis de hemel klaar, + Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar. + + +De eerste dag van elk tijdsbestek is beslissend. De kerkelijke +Paaschtijd eindigde vroeger met Pinksteren; voor de periode van +Paschen tot Pinksteren is de Eerste Paaschdag dus beslissend: "zooals +de wind op Paschen waait, zoo waait hij op Pinksteren". Ja zelfs: +"zooals het zomert, zal het ook winteren". + +Ook moet het geheel van een jaar vrijwel een gelijke weersgesteldheid +bieden als die van andere jaren, oordeelt het volk. Vandaar, +dat aan de natuur het streven wordt toegedacht, een mogelijk te +kort aan te vullen, geleden scha weer in te halen. Maar ook wordt +vroegtijdige zachte weersgesteldheid door koud, onvruchtbaar weer +gevolgd. Vooral bestaat een vaste verhouding tusschen de maanden +Maart en April. Eindelijk hebben wij den belangrijken faktor der +kritische dagen, Friesch: _merkeldagen_, beslissend voor het verder +verloop van het weer. Zij vallen veelal omstreeks den 24en of 25en +der maand, waarop allicht de datum van het Kerstfeest van invloed +was, en nog meer wellicht de 25ste April, Sint Marcusdag, wanneer de +voornaamste processie gehouden wordt door de velden voor het gedijen +der vruchten en om onheil af te weren. Maar nog andere redenen hebben +m.i. meegewerkt. Op 2 Februari, feest van O.L. Vrouwe _Licht_mis, +was de naam stellig niet zonder invloed. Etymologische invloed is +ook waarschijnlijk bij het feest der H. Katharina (25 Nov.). Op 25 +Januari, feest van Paulus Bekeering, geldt alleen de datum, zooals ik +in het Eerste Deel, bl. 151, betoogde,--òf het moest zijn, dat de term +"bekeering" mede op de vorming van het volksbegrip heeft ingewerkt. Men +luistere naar het Duitsche rijmpje: + + + Wenn Paulus sich bekehrt + Mit einem Sonnenschein, + So hoffen wir ein Jahr + Sehr reich an Korn und Wein. + + +Wij hebben trouwens een analogon in Sint Laurentius (10 Aug.), die +volgens de legende, werd _omgekeerd_ op den gloeienden rooster. De 10e +Augustus is weer een kritische dag en de volkswijsheid luidt hierbij: +"Als Sint Laurentius het hoofd goed staat, houden wij mooi weer", +dus als hij het hoofd naar het licht keert. Op 27 Juni, het feest +der H.H. Zevenslapers, was het getal 7 weer maatgevend: "als het dan +regent, regent het 7 dagen of 7 weken aan een stuk". Regent het op +Sint Maria Magdalena (22 Juli), dan regent het 6 weken aan een stuk; +zou het _weenen_ van deze heilige hier zonder invloed geweest zijn?-- + +Volge nu een kort overzicht van den volks-weerkalender, tevens +landbouw-kalender. Ik begin weer met _Sint Maar-tensdag_ (n Nov.): + + + Zoo 't loof niet valt vóor Sint Martijn, + Dan zal 't een harde winter zijn. + + Is 't donkere lucht op Sint Martijn, + Zoo zal 't een zachte winter zijn; + Maar is dien dag het weder helder, + De vorst dringt door in meen'gen kelder. + + Nevels in Sint Maartensnacht + Brengen winters kort en zacht. + + +Men ziet, dat Sint Martijn wel degelijk grooten invloed op het +komende winterweder en, wij mogen zeggen, daardoor op het geheele +jaar uitoefent. + +_Sint Caecilia_ (22 Nov.). De dag vóor Caecilia geldt bij velen +als maatgevend. + +_Sint Katharina_ (25 Nov.). Als dan de zon schijnt--men denke aan de +volksetymologie--houden de lange herfstregens op. + +In Zuid-Limburg zegt men: "Sint Katrien wörpt de kouwe stein in de +Rien"; klaarblijkelijk van Duitsche herkomst. + +_Sint Andries_ (30 Nov.) brengt de vries. + +_Kerstmis_ (25 Dec.). Groene Kerstmis, witte Paschen. + + + Kerstmis aan den wa + Paschen aan den brand. + + + Zit op Kerstmis de kraai nog in 't klavergroen, + Op Paschen zal zij 't in het sneeuwveld doen. + + + Is op Kerstmis de hemel klaar, + Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar. + + +_Nieuwjaarsdag_ (1 Jan.). Is het weder helder, dan wordt het jaar +goed. In Middeleeuwsche volksboeken vindt men deze, heden nog geldende, +weerregels: + + + Oostenwind op 1 Januari brengt ziekte onder het vee; + Westenwind brengt sterfte onder de koningen; + Zuidenwind brengt besmettelijke ziekten onder de menschen; + Noordenwind brengt een vruchtbaar jaar. + + + Geeft Januari muggenzwerm, + Dan hoort ge in oogstmaand licht gekerm. + + + Knapt Januari niet van kou, + Men zit in oogstmaand in den rouw. + + +Als in Januari de muggen dansen, dan wordt de boer een bedelaar. In +Januari ziet men liever een wolf in het veld, dan een ploeg. Het +motief is dus: "alles heeft zijn gerechtigheid": wat in Januari te +veel is en buitentijds, dat moet men later bezuren; en dit motief +wordt herhaald in allerlei toonaarden. + +_Driekoningendag_ (6 Jan.) + + + Als 't Driekoningen is in 't land, + Komt de vorst in 't vaderland. + + +_Sint Antonius_ (17 Jan.) brengt ijs of dooi: "Sint Teunis is iês-mêker +of iêsbrêker", zegt men in Zuid-Limburg. + +_Sint Sebastianus_ (20 Jan.). Dan beginnen de boomen uit te +loopen. Vriest het op Sint Antonius, dan dooit het op Sint Sebastiaan: + + + Maakt Sint Theunis de brök (brug), + Sint Sebastiaan sjleit ze stök. + + +_Sint Vincentius_ (22 Jan.): + + + Vincentius met zonneschijn + Geeft veel koren en veel wijn. + + +_Pauli Bekeering_ (25 Jan.), zie I, bl. 151. + +_Maria Lichtmis_ (2 Febr.). Als met Maria Lichtmis de zon op het +misboek schijnt, dan kruipt de vos nog 6 weken in zijn hol. + + + Lichtmis donker, + Wordt de boer een jonker. + + + Lichtmis helder, + De boer in den kelder, + + +of: + + + Lichtmis helder en klaar + Geeft een goed ijmenjaar. + + + Geeft Lichtmis klaverblad, + Paschen dekt met sneeuw het pad. + + +_Sint Pieter-in-den-Winter_ (22 Febr.). Vriest het dien dag, dan +vriest het nog 14 (of 40) dagen. + +_Sint Mathias_ (24 Febr.) breekt het ijs, of ook: gooit een gloeienden +steen op het ijs.-- + + + Februari mist, + Hooi in de kist. + + +_Sint Geertrui_ (17 Maart). Een Zuid-Limburgsch rijmpje luidt: + + + Sint Mathies + Wörpt eine gleuetige sjtein op 't iês; + Sint Gêëtruuj mit de moes [22] + Hoalt um weer droes. + + +Maart moet 7 mooie dagen geven. + + + Stof in Maart + Is goud waard. + + + Maart + Speelt met zijn staart. + + + Wat Maart niet wil, + Haalt zich April. + + +April kent geen kritische dagen; immers: + + + April + Doet wat hij wil. + + +of: + + + Heeft zijn gril. + + + Een droge Maart en een natte April, + Dan doet de landman wat hij wil. + + + Maart droog en April nat + Geeft veel koren in het vat. + + + Danst het lammetje in Maart, + April vat hem bij den staart. + + + April is aan Mei de korenaar schuldig. + + +_IJsheiligen_: Sint Mamertus (11), Pancratius (12) en Servatius (13), +of: Sint Pancratius, Servatius en Bonifacius (14). Deze feesten vallen +omstreeks den tijd der koude meidagen, waarvoor ik verwijs naar een +opstel van B. van Hage, in Vragen van den Dag XIX, bl. 23. Bedoelde +daling der temperatuur wordt ook de _haagdoornkoude_ genoemd, omdat +dan gewoonlijk de haagdoorn of de meidoorn bloeit. Maar deze depressie +is van korten duur, want: "Strenge heeren regeeren niet lang". Over de +groeikracht van den Meiregen sprak ik reeds I, bl. 192. Een Vlaamsche +weerregel zegt: + + + Als de Mei is koel en wak, + Brengt zij veel koren in den zak. + + +Begint in Mei het koren in de aren te staan, dan kan het tegen Sint +Jakob gemaaid worden; Zuid-Limburg: + + + Mei ore + Sint Joacop kore. + + +_Sint Medardus_ (8 Juni). Regent het dezen dag, dan regent het nog +40 dagen. Vooral in Vlaanderen staat deze heilige als "regen-heilige" +bekend. Maar men rekent ook met de "Zwertzusters", 14 dagen na Paschen. + +_Sint Jan_ (24 Juni). Als met Sint Jan de linde bloeit, is tegen +Sint Jacob de rogge rijp.--Vóór Sint Jan moet men om regen bidden, +na Sint Jan komt hij van zelf. "Deze meening staat in verband met de +werkelijkheid", schrijft Van Hage; "zooals wij weten zijn de maanden +Juli en Augustus gemiddeld de regenrijkste maanden in Nederland." + + + Na Sint Jan + Neemt de zee het onweer niet meer 'an. + + +(Spijkenisse op Putten). + +Met Sint Jan bloeit het vlas, al is het ook maar een hand lang. + +_Sint Pieter_ (29 Juni). + + + Sint Pieter helder en klaar + Is een goed ijmenjaar. + + + Met Sint Pieter rijpt het koren dag en nacht. + + +_Marie-Siêp_ (_Visitatio._ 2 Juli), meer bepaald in Limburg bekend, +waar _siêpen_ "druipen, druppelen" beteekent. Regent het op dezen dag, +dan regent het nog 40 dagen. + +_Sint Margriet_ (20 Juli). Regent het op Sint-Margriet, dan regent +het nog 6 weken aan een stuk; regent het dien dag niet, dan regent +het 30 dagen niet. Maar gewoonlijk is het regenachtig: "Sint Margriet +houdt haar water niet". + +_Maria Magdalena_ (20 Juli) is, zooals gezegd, eveneens een kritische +dag. + +_Sint Jacob_ (25 Juli). + + + Met Sint Jacob en Sint An (Anna, 26 Juli) + Is 't koren in de schuur of in den ban (gebonden). + + +_Sint Dominicus_ (4 Aug.). + + + Als Sint Dominicus gloeit, + Een strenge winter bloeit. + + +_Sint Laurentius_ (10 Aug.). + + + Sint Laurens' wind + Maakt de boekweit blind. + + + Wie knollen wil eten, + Moet Sint Laurens niet vergeten + + +_Maria Hemelvaart_ (15 Aug.). + + + Is 't weer op Maria-Hemelvaart uitgelezen, + Zoo zal 't den heelen herfst voortreffelijk wezen. + + +_Sint Bartholomaeus_ (24 Aug.) bindt de spurrie den zak toe. + +Wat Augustus niet kookt, laat September ongebraden.--Maar in September +en Oktober neemt de belangstelling in het weer af. Dat ligt voor de +hand. Want niet alleen vertoont het weer dan minder schommeling, maar +er treedt voor den landman een rustperiode in na de groei-, bloei- +en oogstmaanden. Het koren en hooi is meestal binnen, de landman weet +dus, wat hij van het jaar te denken heeft. De weersgesteldheid is +voor hem hoogstens nog van belang met het oog op het volgende jaar, +en zoo luidt het dan b.v.: "Vorst in September, een zachte December", +overeenkomstig het beginsel der gelijkmatigheid-in-doorsnede. + +De eenige kritische dag is _Sint Michielsdag_ (29 Sept.), dien men +als het begin van den voorwinter beschouwt. "Sint Gilis verbuut den +ongere en den achterongere", zegt de Zuid-Limburger: +dan houden de namiddagslaap en de namiddagboterham op. De zonnige +dagen omstreeks dezen tijd zijn bekend als de Sint Michielszomer. + +Ook in Oktober wordt de belangstelling zoo goed als uitsluitend door +het nakende winterweer geboeid. + + + Oktober met groene blaâr + Duidt een strengen winter aan. + + +Oktober moet eveneens enkele mooie dagen geven, 12 in het geheel, den +"kranenzomer", daar in dien tijd de kranen overvliegen. En eindelijk op +_Allerheiligen_ (1 Nov.), of rond dien datum, mòet de zon eenige dagen +schijnen, evenals zij enkele uren ter eere van Maria door de wolken +moet breken op Zaterdag. Het volk spreekt van een "Allerheiligen"- +of "Oudewijven-zomer." + +Wanneer op 1 November de zon schijnt, dan is een open winter te +wachten; vriest het, dan is het ijs sterk op Kerstdag; en + + + Als het met Allerheiligen sneeuwt + Leg uw pels gereed + + +Met al zijn weerregels berust ons volk echter met kalme gelatenheid +in Gods beschikking; immers: + + + De mensch maakt den kalender, maar God het weer. + + +en: + + + Alle weer is Gods weer. + + +Zie: Ekama en Van Hage, t.a.p.; N. L. Van Hall, Spreekwoorden +enz. betreffende landbouw en weerkennis; Welters, Feesten enz., +bl. 116 vlg.; Limburg's Jaarboek VII, bl. 171, XVI, bl. 228 vlg.; +Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 91; Dijkstra, Uit Friesland's +Volksleven II, bl. 244. + + + +IV. Plantlore. + + +Hoog-poëtisch kiest het volk de bloem als zinnebeeld van tal +van afgetrokken begrippen en verplant ze naar de lustwarande +der symboliek. Symboliek is kunst, geen wetenschap; maar de +plantensymboliek heeft het volk opgebouwd op zijn natuurbeschouwing, +en daarom vindt zij hier een plaats. + +Of is het symbool niets anders dan een rudimentaire vorm van idolatrie +of fetissisme? Zeer zeker, de plant-fetis kàn symbool worden, en niet +zelden is uit den fetis, zooals Tiele zegt, "door de macht der poëzie +en der beeldende kunsten een rijke symboliek ontloken". Maar evenmin +als ik inzie, waarom onze Driekleur het fetissisme als noodwendig +uitgangspunt of doorgangsstadium moet gehad hebben, evenmin kan +ik in onze bloementaal slechts veredeld animisme zien. Stokrozen +en zonnebloemen ranken òp langs de muren als de zinnebeelden der +vruchtbaarheid; de onverwelkbare driedistel (_Carlina vulgaris_) +prijkt in onze duinen als het beeld van trouw en vriendschap; +de maagdepalm (_Vinca minor_) beeldt uit de onsterfelijkheid, +omdat de leerachtige bladeren vele jaren leven: men plant haar +dan ook gaarne op de graven, mèt de witte roos, opgegroeid uit de +tranen van Maria Magdalena,--symboliek en legende gaan hier hand +in hand. Rouwboomen zijn de taxis en de cypres, dewijl de winter +haar nimmer ontbladert. Een wereldtaal spreken de roos, de lelie, +de narcis, het viooltje, de mirt, de laurier, de goudsbloem: met +haar wit, geel, groen, rood, en blauw zeggen zij uit de taal van het +eenvoudige menschenhart, vertolken zij zuiverheid, liefde, trouw, +hoop en zegepraal. Een wereldtaal spreekt ook het Edelweiss, maar voor +den Nederlander is toch vooral de mooie inheemsche brem (_Sarothanmus +vulgaris_) met haar groote goudgele bloemen het zinnebeeld van trouw +en vriendschap. + +Voor de schilderachtige _volksnamen_ der planten is meestal de +uitwendige vorm maatgevend; bij de vergelijking worden natuurlijk +volksgebruiken en opvattingen betrokken. Aldus werden gedoopt de +koningskaars, toortsplant of hemelbrand (_Verbascum Thapsus_), de +voornaamste plant van den ruiker, die op Maria Hemelvaart wordt gewijd +(I, bl. 205); de gouden regen (_Cytisus Laburnum_) en de blauwe regen +(_Glycine sinensis_) met haar sierlijke, hangende bloemtrossen; +de monnikskap (_Aconitum Napellus_), ook wel stormhoed genoemd; +de Judaspenning (_Lunaria biennis_), omreden van de cirkelronde, +heider-glanzende witte tusschenschotten van de hauwtjes; de +Jacobsladder (_Polemonium coeruleum_), in de tuinen gekweekt, maar +toch ook hier en daar in het wild bloeiend; het drakenbloed (_Dracaena +Draco_) om het roode hars, dat uit den stam vloeit. Benamingen als +pijpbloem (_Aristolochia Clematitis_), lepeltje-heide (_Vaccinium +macrocarpon_), sneeuwbal (_Viburnum Opulus_), kardinaalsmuts +(_Evonymus europaeus_), pantoffelplant (_Calceolaria_), rozenkransje +(_Gnaphalium dioicum_) zijn zonder meer duidelijk. "Vogelnest" is +een der benamingen van de gewone peen (_Daucus Carota_), wier scherm +tijdens den vruchttijd eenigermate vogelnestachtig is verdiept; +schilderachtig is nog de term waterkruik voor de witte waterlelie +(_Nymphaea alba_), "de koningin onzer waterplanten, de Victoria regia +van Nederland" (F. W. van Eeden). + +Natuurlijk zijn zulke benamingen veelal ook zuiver plaatselijk. Zoo +heeten b.v. de rooskleurige orchideeën (_Orchis maculata_) op de +Veluwe "kinderhandjes", naar den vorm van haar hand- of vingervormige +wortelknollen; in Vlaanderen noemt men ze naar den bloemvorm +"gaapmuilkes". + +Een diernaam draagt de plant ofwel van wege de gelijkenis +met het een of ander lichaamsdeel, of omdat men gelooft, dat +het dier zich met die plant voedt. Dit is het geval b.v. met +de namen hertshooi, hertstong;--hanekam, hanepoot;--bereklauw, +berenoor;--koekoeksbloem, koekoeksklaver, Vlaamsch: koekoeksjakker +of koekoekszuring (_Oxalis stricta_);--muggepoot;--muizegerst; +--eiberbek, eiberbloem;--wolfsklaver, wolfspoot;-- ganzetong, +ganzedistel en ganzerik: de _Potentilla anserina_, wier gevinde, +zilverwitte bladen zoo treffend aan ganzevoeten herinneren. Dat +de gans een voorname rol speelt in de botanische volksnamen, +kan ons niet verwonderen, wanneer wij letten op de plaats, +die zij in het volksleven inneemt; zij was immers een Saksisch +stamdier (I, bl. 115). Laat ik verder nog vermelden de namen: +boksbaard, kraaienpooten, lammetjesooren, lijsterbes, hazengerwe, +katteklauwen;--adderstong, ossetong, zwaluwtong;--paardestaart, +kattestaart, vossestaart, visschestaart;--paddegras, nachtegaalskruid, +rupsklaver, vogelkers;--Vlaamsch: schaapmuilkes (_Linaria vulgaris_), +schapenbloem, schapenoor. Deze laatste plant draagt ook den naam van +limoenkruid (_Statice Limonium);_ van haar is gezegd, dat zij, groeiend +op den jeugdigen, uit zee opgerezen grond, het schoonste beeld is +van den nationalen geest van ons volk; daarom moge ieder rechtgeaard +Nederlander haar als zoodanig liefhebben. Ook het adelaarsvaren +(_Pteris aquilina_) groeit veel op onze veenachtige heide- en +boschgronden en hangt in sierlijke bochten over het water. Snijdt men +den bladsteel aan den voet schuin door, dan vormen de doorsneden der +vaatbundels een teekening, die aan een dubbelen adelaar herinnert. + +De margriet (_Chrysanthemum Leucanthemum_) noemt men in Vlaanderen +plaatselijk "paardenoogen", getroffen als het volk is door de +gelijkenis van de bloem met de groote oogen van het paard; zie +Volkskunde XXIV, bl. 205. De naam "paddenstoel" is eigenlijk een +uitzondering. Maar in Zuid- en Midden-Limburg wordt deze zwam weer +als voedsel beschouwd, al is het niet van een dier: men spreekt daar +nl. van _tatervleisch_ of _joedevleisch_, terwijl de aan "paddenstoel" +beantwoordende uitdrukking _kroddelstool_ slechts zelden wordt +gehoord. _Tatervleisch_ blijft het gewone. Wanneer de jongens met +knikkers spelen in het ootje of met centen op de streep, zonder dat er +verloren of gewonnen wordt, als het dus voor niets gaat, dan drukken +ze dat uit door te zeggen: "'t Geit om tatervleisch".--Waarom +het _Echium_ den naam van slangenkruid draagt, is niet geheel helder; +sommigen zien de gelijkenis in de vrucht, anderen aan den wortel, +weer anderen aan de bloem zelf. + +Sprekend en veelvuldig wordt de bloem vergeleken met een klok. De +_Campanula rotundifolia_ is in Noord-Nederland als grasklokje--in +Vlaanderen kloksken of belleken--, andere soorten als weideklokje, +bekerklokje enz. bekend. En is hij niet verrukkelijk de naam, +dien het volk aan de knollige steenbreek (_Saxifraga granulata_) +geeft, een der fraaiste plantjes, die in het voorjaar de omstreken +der Spaarnestad, maar vooral den Hout, sieren met haar groote, witte +bloemen,--de naam van "Haarlems klokkespel"? De benaming "steenbreek" +wijst op de hardheid van het zaad, of op hare vermeende geneeskracht +bij blaassteen, wellicht ook op het feit, dat zij veelal groeit op +steenharden bodem. + +Een plant, nauw verwant aan het lelietje-van-dalen, is het +salomonszegel (_Polygonatum officinale_), rond Haarlem ook wel +kankerwortel genoemd. De vleezige worteltak draagt aan de bovenzijde de +litteekens van in vroegere jaren afgestorven stengels, die eenigszins +op zegelafdrukken gelijken.--Andere bloemen noemt men naar den +bloeitijd, b.v. de pinksterbloem, terwijl de wilde narcis den naam van +tijloos draagt, daar zij vroeg in het voorjaar met haar groote, gele +trompetbloem zich blijkbaar niet aan den gewonen bloeitijd stoort. [23] +Zij heet ook sporkelle, wat wel met den ouden naam van Februari +"Sporkelmaand" samenhangt. Eindelijk, naar haar waarde noemt het volk +de _Erythraea Centaureum_ het duizendguldenkruid, een term die echter +op onjuiste woordafleiding steunt. Koningskaars, monnikskap, sneeuwbal, +rozenkrans, hanekam, berenoor, eiberbek, addertong, vossestaart, +klokkespel--ziedaar doorgaans de plantensystematiek van het volk. + +Ook hier ontbreekt het komisch, ja sarkastisch element niet. "Slofhak", +d.i. slordig wijf heet te Markeloo het _Anthoxanthum Puelii_, een +nieuwe aankomeling uit zuidelijker streken, dat al spoedig op de +roggevelden een lastig onkruid is geworden. "Mannentrouw" is de naam +van een distel, _Cirsium eriophorum_, wier slappe, onvaste stengel +in den herfst eindelijk doorbreekt, zoodat het bloemhoofdje ten +speelbal der winden wordt. Spijtige wrok spreekt uit "woerthaak" en +"prangwortel", waarmee de landlieden de _Ononis spinosa_ aanduiden, +de plant die met haar wijdvertakte wortel het ploegen belemmert. Tegen +deze kantige en zinrijke benaming steekt het onbeduidende "stalkruid" +der kultuurtaal ongunstig af. + +Het geloof in de tooverkracht der kruiden is voor een groot deel reeds +bij de volksgeneeskunde besproken. Zij verdrijven den ziektegeest +veelal door sympathetische werking. Vandaar dat b.v. het Sint +Janskruid (_Hypericum perforatum_) ook _Jaag den Duivel_ genoemd +wordt. Vóor zonsopgang geplukt, behoedt het tegen den bliksem en +wordt het aangewend tegen branden en kwalen. Ook van den vlierstruik +weten wij, dat hij de heksen afweert en daarom gebezigd wordt, als de +melk onvoldoende is of niet wil boteren en eveneens tegen verscheidene +kwalen. Hangt het Duitsche _Hollunder_ met Vrouw _Holle_ samen en heeft +eenzelfde volksgeloof, dat Holda tot meesteresse maakte over leven en +dood, haar den vlierboom gewijd? Immers, de levensroede (I, bl. 116) +is eveneens meestal van vlierhout en wordt vooral buiten onze grenzen +herhaaldelijk in verband gebracht met leven en dood. Wat hiervan zij, +ik acht het volksgeloof, dat met den vlierstruik is samengegroeid, +te intens om sekondair, d.i. slechts heidensch bezinksel te zijn. Hij +is ook bij uitstek een huisboom, welks herkomst in een geheimzinnig +duister ligt. In het wild vindt men hem nergens dan juist in de +nabijheid van menschelijke woningen. Maar ook: nauwelijks heeft de +landman ergens een huis gebouwd, of de vlier staat op het erf. Ja, +men stelt er prijs op, met name in de Woudstreken, dat hij vlak tegen +den gevel van het huis groeit, aan een hoek of tusschen de ramen. + +Wonderbare eigenschappen heeft ook het elzenhout. De bast in +wijn gekookt geldt als een uitstekend middel tegen de werking van +liefdedranken; takjes er van, in den grond gestoken, verdrijven de +mollen; de bladeren, nog nat van den dauw in de kamer gestrooid, +dooden de insekten. Toch is de els geen volkslieveling; daarvoor is +zijn bast te zwart en zijn de bladeren te donker van tint. Lichte, ja +schrille kleuren zijn het volk lief; wij zagen het bij het dekoratief +der volkswoning. Vandaar, dat het valkruid (_Arnica montana_) +zoo zeer in gunste staat, het sieraad onzer flora, vooral van de +Zuid-Limburgsche heuvelstreek, met zijn stralende oranjebloemen. Het +volk noemt deze plant ook wondkruid, heilige Vrouwenkruid en wolverlei, +een raadselachtig woord. Het Duitsche _Wohlverleih_ is een niet +onaardige volksetymologische vervorming. Daarentegen schijnen de +Oostfriezen in hun _Wulfsblöme_ vrijwel het oorspronkelijke, n.l. een +betrekking van de bloem tot den wolf, bewaard te hebben, waarop ook de +latinizeering _wolfilegia_ wijst; zie ook F. Söhns, Unsere Pflanzen +(Leipzig 1899), bl. 123. Vermelden wij ten slotte het ijzerkruid of +ijzerhard (_Verbena_). De naam wortelt in het volksgeloof, dat dit +kruid uitermate geschikt is tot het harden van ijzer. Ook beveiligt +het tegen beten van slangen en dolle honden, en in den nacht van Sint +George (23sten April) wijst het schatten aan. + +Volksnamen en volksgeloof in de plantlore hebben in belangrijke mate +den invloed ondergaan van het Christendom. Na al hetgeen ik in het +Eerste Deel, bl. 70 en elders, heb betoogd: hoe bij de invoering +van het Christendom de volksverbeelding attributen van goden en +godinnen op Christus en de heiligen overdroeg; hoe menige heidensche +overlevering op den satan is overgedragen; hoe wij herhaaldelijk in +het hedendaagsche folklore stooten op Christelijk-getinte overblijfsels +van het geloof aan Wôdan en zijn kring,--na dit alles behoeft het lot +van het aanzienlijk aantal planten, voorheen aan Wôdan, Donar, Frija +e.a. gewijd, wel geen nadere toelichting. Het geldt hier de vermenging +der historisch-heidensche laag met Christelijke bestanddeelen. Dat wij +ook met Christelijke, van de Germaansche mythologie onafhankelijke +formaties te doen hebben, bewijzen benamingen als Judaspenning, +Jacobsladder enz., maar ook zoo menige specifiek-Christelijke +legende. Nochtans in de meeste gevallen konstateeren wij kerstening. + +Op oude muren bij Maastricht groeit het Venushaar (_Adiantum +capillus Veneris_), door het volk Vrouwehaar, in het buitenland +Mariahaar genoemd; naar men weet beantwoordde de Germaansche godin +Frija-Frigg aan de Romeinsche Venus, men denke ook aan de Venusbergen +(I, bl. 91). Het Frigjargras werd Vrouwegras, en elders Mariagras, +het aan Frija als godin der geboorte heilige _Asperula odorata_ kreeg, +zooals gezegd, den naam van Onze Lieve Vrouwe-bedstroo, zoogenaamd +omdat Maria haar kind er op nedervlijde. Het _Labrum Veneris_ kreeg +den naam van Onzer-Vrouwedistel en Mariadistel, het _Cypripedium_, +de schoen der Venus Cypria, heette voortaan Onzer-Vrouweschoentje, en +zoo volgde Maria in de volksverbeelding herhaalde malen de Germaansche +godin Frija op. In de benamingen Maria-, Onzer-Vrouwe-, O.L. Vrouwe-, +Vrouwe- ligt geen verschil, aangezien Vrouwe hier zonder twijfel de +beteekenis van "meesteres" heeft. Volgens de legende waren de bladeren +van de Mariadistel oorspronkelijk groen en kregen zij hun melkwitte +kleur, doordat de plant een droppel van Maria's moedermelk opving. De +O.L. Vrouwemantel (_Alchemilla vulgaris_) met haar zacht-geplooide, +ronde, gelobde bladen, als een geplooide pelerine met franje, herinnert +volgens W. F. van Eeden aan het manteltje van Nehalennia. Meer +overeenkomst vind ik in de mantelvormig saamgeplooide blaren met +den mantel van Maria, dien zij om haar beschermelingen heenslaat, +zooals dit vaak in de Middeleeuwsche kunst is voorgesteld. + +Hiermee is echter Maria's bloemenkleeding niet voltooid. Het volk kent +nog Onzer-Vrouwenhandschoen (_Aquilegia vulgaris_), en in Vlaanderen: +Onzer-Vrouwekouseband, Onzer-Vrouwesnoeren, Onzer-Vrouwevoorschoot, +Onzer-Vrouwevingerhoed, Onzer-Vrouwekam, Onzer-Vrouwesleutelbos, +Onzer-Vrouwespiegel enz., waarover Teirlinck, Vlaamsche Kunstbode XXXVI +(1906), bl. 390 vlg. De benaming zonnedauw (_Drosera_) wijst, zooals +wij zagen (bl. 299), op de druppels helder vocht, die de blaadjes +omzoomen en ook bij zonneschijn niet uitdrogen. Dit geheimzinnige +vocht, dat de klierharen afscheiden, heeft de natuuronderzoekers van +voorheen heel wat hoofdbrekens gekost. De alchimisten zochten daarin +de grondstof van hun goudtinktuur en van den drank, die de eeuwige +jeugd verleent. In heidensche tijden hield men het voor de tranen, +door Frija geweend over het vertrek van haar gemaal, en de Christelijke +volksfantasie heeft deze in Mariatranen herdoopt. Maar de benamingen +Mariasleutel (_Primula veris_), O.L. Vrouwehandeke (_Orchis_), +Onzer-Vrouwemelkkruid of Onzer-Vrouwespeen (_Pulmonaria_), evenals +Onzer-Vrouwevlas, O.L. Vrouweoogen, O.L. Vrouweglazeken, Mariaklokje, +Mariakaars, Maria's-kussen, Maria's-zegel, Maria's-goud, Mariazwaard, +Maria's-bosch en vele andere beschouw ik als zuivere Christianismen, +zonder substraat in het heidendom. + +Specifiek-Christelijk is ook de volkssymboliek, op fantastische +natuurbeschouwing gegrondvest, die in de onderscheiden plantdeelen +der Passiebloem (_Passiflora coerulea_) de martelwerktuigen des +Heeren ziet: de nagelen, doornenkroon, kelk, lans, geeselriemen. De +_Lychnis coronaria_ heet in Vlaanderen plaatselijk Christusoogen; +de _Capsella bursa pastoris_ O.L. Heerenageltjes; de _Orchis_ +O.L. Heereteentjes. Verrukkelijk is de Antwerpsche benaming der +witte haagwinde (_Convolvulus sepium_): Onze-Heerenhemdeken, of +Hemdeken-zonder-Naad. + +De herinnering aan Donar, den Jupiter der Germanen, bewaart ons +donderkruid (_Sempervivum tectorum_), voorheen ook _Barba Jovis_ +geheeten, in Zwitserland nog _Joubarbe_, bij ons donderbaard. Naar men +weet, is het woord _Donder_ ook voor den satan in gebruik. Den naam +duivelsnaaigaren dragen een drietal planten, vooral echter het warkruid +(_Cuscuta_). Neemt men echter in aanmerking, dat deze plant dikwijls +een zeer schadelijk onkruid is op de vlaslanden, dan kan deze benaming +evengoed als een zuiver Christianisme worden beschouwd. Hetzelfde +geldt voor de duivelsbeet (_Succisa pratensis_), maar lijkt bedenkelijk +voor den duivelsklauw (_Valeriana_), het heksenkruid bij uitstek. + +Met zijn donkergroene, groote, teedere bladeren en witachtige bloemen +in slanke trosjes prijkt het Stevenskruid (_Circaea lutetiana_) +in de oudste bosschen van Holland, prijkte het eertijds in het thans +uitgeroeide Beekbergerwoud bij Apeldoorn, een van de oorspronkelijkste +bosschen van Nederland. Deze naam "Stevenskruid"-- _Circaea_ hangt +natuurlijk met de nimf Circe samen--is daarom zoo merkwaardig, +dewijl Sint Stefanus, beschermheilige der paarden, ook enkele +trekken van den een of anderen Germaanschen god heeft overgenomen; +zie hierover I, bl. 134. Stellig beschouwde men deze plant vroeger +als een tooverkruid. Of de benaming "Satans-(pijp)zwam" (_Boletus +Satanas_) in het heidendom wortelt, zou ik echter weer betwijfelen; +het lijkt mij veeleer een dichterlijke vertolking der duivelsche +schoonheid van dezen zeer giftigen paddenstoel, met zijn gloeiend +rooden hoed, aan het bovenvlak venijnig zilverwit. + +In de Limburgsche bosschen vindt men het Kristoffelkruid (_Actaea +spicata_). Het verschaft toegang tot onderaardsche schatten en wapent +tegen allerlei booze invloeden. Het volksgeloof wijdde de plant aan +Sint Kristoffel, wiens legende veel overeenkomst vertoont met het +Noorsche verhaal, hoe Loki door Thor over de reuzenrivier gedragen +werd, welke het doodenrijk omgeeft. Want het doodenrijk is het +rijk der schatten. Maar de koningin der tooverkruiden is de alruin +(_Mandragora_), ook heksen- en tooverkruid en, met volksetymologische +vervorming, mandragerskruid genoemd. Nog wordt door het Duitsche +_zuraunen_ geheimzinnig fluisteren verstaan. De alruin nu bloeit in +den heiligen en mysterievollen Kerstnacht. + +Ook het _Visciim album_, de _mistletoe_ der Engelschen, de "sacred +bush" van Tennyson, vertoont sporen van kerstening; het is immers +de heilige plant van het Kerstfeest, reden, waarom zij in België +plaatselijk (b.v. te Pepingen) "kesthout", d.i. kersthout genoemd +wordt. In Nederland vindt men de plant uitsluitend in Limburg, +woekerend op appel- en pereboomen, eiken en populieren. Bij de Druïden, +die haar telken jare, des winters, met een gouden sikkel van den +heiligen boom afsneden, stond zij hoog in eere; den Noorschen lichtgod +Balder strekte zij ten verderve. De gewone naam bij ons is vogellijm of +marentak, vgl. I, bl. 76. Vanwaar deze benaming? Het Zuidduitsche _Mar +des Baums_ zou kunnen wijzen op een drukken van den boom, evenals de +mare den mensch drukt. Toch komt deze verklaring voor de _algemeene_ +benaming mij te gekunsteld voor. En vanwaar de naam "mistel", het +Oudhoogduitsche _mistil?_ Raadselachtig, evenals de herkomst der +plant raadselachtig was voor de Oude Romeinen, die dachten, dat zij +geteeld werd zonder zaad, en zonder zaad werd voortgeplant, gelijk +Vergilius getuigt. In de Middeleeuwen gold zij als het symbool van +den Messias: de bloem, uit den hemel neergedaald en vrucht dragend +op den kruisboom; zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 249; Is. Teirlinck, +Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode XXXIV (1904), bl. 69, vlg. + +Ten slotte wensch ik nog de aandacht te vestigen op het feit, dat +de planten, die heiligennamen dragen, alle tot een _volks_heilige +in betrekking staan; ik noem slechts: Sint Janskruid, -varen, +-kers, -brood (waarmee Johannes de Dooper zich in de woestijn zou +gevoed hebben), -peren enz.; Sint Jozefskruid; Sint Pietersbloem, +-kruid, -pluimken, -lelie, -hout enz.; Sint Jakobskruid, -lelie; +Sint Katrijnsbloem; Sint Kristoffelkruid; Sint Teunisbloem; Sint +Joriskruid; Sint Michaëlsbloem; Sint Luciakers. Zoo dit noodig ware, +zou deze bijzonderheid voldoende zijn om te bewijzen, dat het doopen +en herdoopen der planten inderdaad door het Christelijke _volk_ +is geschied. + +Onze flora is het trouwe beeld van de voortbrengselen van onzen +Nederlandschen volksaard. + +Had de plant een nationaal karakter uit zich zelve, dan zou Nederland +geen eigen flora hebben, want er groeit in ons land zoo goed als +geen soort, die niet ook in andere landen gevonden wordt; maar +bodem en standplaats hebben een nuanceering en groepeering gekweekt, +die onzen plantengroei een beslist-nationaal karakter geeft. En zoo +verschillen ook onze Nederlandsche volksgebruiken, gewoonten, feesten, +opvattingen, zegswijzen, liederen en verhalen niet wezenlijk van die +van andere volken, met name van die onzer Germaansche stamgenooten: +noch in het intieme heiligdom der huiselijkheid, noch in het bonte +gemeenschapsleven met zijn grillige verscheidenheden treffen wij +diepgaande verschillen, en slechts zelden stoot men op een verrassende +nieuwvorming. Ja, in tal van gevallen kunnen wij het exotische +leengoed aanwijzen, en den weg vervolgen, dien liederenmotief, melodie, +sagenstof of volksgebruik hebben afgelegd. Berust een onzer schoonste +volksliederen, dat van de Twee Koningskinderen, niet op een "vreemde" +kultuurbewerking eener "vreemde" sagenstof? + +Maar rasvermenging tot een bepaalde verhouding, en meer nog +gemeenschapsgevoelens van historischen, religieuzen, politieken +en socialen aard, gemeenschappelijke invloed van traditioneele +levenswijze, klimaat en gesteldheid des bodems,--dit alles schiep een +milieu, dat op ons volkswezen een geheel eigenaardig kenmerk drukte en +het stempelt tot het volkswezen van Groot-Nederland. Laat ik slechts +wijzen op onze schilderachtige kleederdracht, onze karakteristieke +huistypen, op de eigenaardige tint onzer volksfeesten met hun +voorliefde voor opgewektheid zonder vertoon, op een gezinsleven, +dat gemoedelijkheid en rust ademt, maar een rust, die niet roest, +op de ongezochte sierlijkheid van onze dekoratieve kunst, op den +nuchteren, moraliseerenden trek in volkslied en volksverhaal, op den +grooten eenvoud en hoogen ernst onzer sagen, op het humoristische +van talrijke sprookjes, op den praktischen zin onzer spreekwoorden, +op het typische van ons volkstooneel. Zeer zeker, tot volledige +samensmelting, tot volstrekte eenvormigheid van kleur en toon is het +niet gekomen; maar wij treffen toch geen toon aan, die niet opgaat +in de eenheid van het akkoord. Ook binnen onze grenzen, in den boezem +van ons volkswezen, blijven rassenverschil, klimaat en sociologische +struktuur nog steeds differentiëerend werkzaam; maar dit belet niet, +zooals uit de bovenstaande gegevens moge blijken, dat het volkswezen +van Nederland door groepeering en selektie en vooral door een zeer +bijzondere lokale kleur een geheel vormt, dat het in voldoende mate +van naburige volken onderscheidt, om van een specifiek-Nederlandschen +volksaard te spreken, en den drager van dien volksaard zijn nationale +zelfstandigheid te waarborgen, wanneer hij zich van zijn eigenwaarde +in voldoende mate bewust blijft. + +De natie is als een stroom, die het water van vele beken en rivieren +opvangt en in zijn benedenloop vereenigt tot éen geheel; als een +gewas, uit verschillende heterogene bestanddeelen saamgegroeid. Haar +voortbestaan staat en valt met den wil vereenigd te blijven, die +wortelt en zijn sappen trekt uit het gevoel van samenhoorigheid +meer nog door eigen aard, dan door oorsprong. De groote vijandin van +eigen aard en zede, de gladstrijkende, nivelleerende, internationale +albeschaving, is dus ook de machtigste belaagster der nationale +zelfstandigheid. Het is den mensch eigen en den mensch waardig, door +het voltooien der behoeften en betrekkingen zijner natuur zich op te +werken van de onderkultuur tot de bovenkultuur; maar dit veredelen +mag geen verbasteren worden in den geest van de "veredeling" van het +drie-kleurige viooltje tot de wanstaltige pensées onzer tuinen. Slechts +dàn heeft deze veredeling waarde, wanneer zij de reeds bestaande vormen +en eigenschappen in gelijke verhouding versterkt. De veredeling van het +volksleven volge den aard der rozen in de natuur, der "wilde" rozen, +die een aanleg hebben, om gevulde bloemen voort te brengen in tallooze +verscheidenheid. "Zoolang in de hollandsche bosschen nog de sporen van +den natuurlijken plantengroei gevonden worden", schrijft Van Eeden, +"zoolang wanhopen wij niet aan het behoud onzer nationaliteit en +van het oude Hollandsche volkskarakter." Mocht echter de veredeling +en beschaving in ons dierbaar Nederland--wat God verhoede!--niet +blijven wortelen in de vruchtbare moederaarde der onderkultuur, maar +de vormen nastreven der hedendaagsche internationale, eenkleurige +of liever kleurlooze, albeschaving, dan delft zij het graf voor het +Nederlandsche nationaliteitsbewustzijn en ontketent het wezenlijkste +gevaar voor de ongereptheid van ons volksbestaan. + +In deze benarde tijden kan vaderlandsliefde minder dan ooit voor +hersenschimmig gelden en voelen wij dieper dan ooit de waarde van eigen +aard en eigen haard, de waarde van ons nationale zelfbestaan, van ons +in doorsnede zoo kalm en nuchter, maar ook zoo waardig, degelijk en +onbevangen Nederlandsch karakter; en steeds sterker groeit de wil, +ons-zelf en vereenigd te blijven, niet in een andere natie op te +gaan, niet prijs te geven een volksbestaan en een volksaard, die ons +dierbaar werd als de bron van onnoembaar veel goeds; steeds grooter +wordt de drang, te blijven vormen de in haar diepste wezen uninationale +bevolking van Groot-Nederland, vereenigd in dagen van beproeving. Wij +beseffen het: niet slechts de taal, maar de volkskultuur is heel het +volk, De Volkskultuur is de Ziel der Natie. Blijft deze in wezen en, +ongeacht het ruwe van vele harer bestanddeelen, kerngezond en krachtig +genoeg om aan de hoogere beschaving steeds nieuw voedsel te schenken, +dan blijft het nationale organisme ook krachtig genoeg, om voldoende +weerstand te bieden aan de aanlokselen eener vreemde landskultuur, +die moet voeren tot het verlies van eigen zelfstandigheid. Vreemd +kultuurgoed is smet noch schande, maar de eigen beschaving moet +krachtig genoeg blijven, om dat vreemde kultuurgoed aan zich te +assimileeren en om te smelten, en daarom moet zij voeling blijven +houden met de voorvaderlijke onderkultuur, heilig erfdeel, vast en +onschatbaar onderpand onzer nationale onafhankelijkheid. + +Hou zee, mijn Nederland, blijf vroom en veilig varen met God! + + + + + +BIJ DE ISETHNEN-KAART. + + +Deze kaart, voor wier bewerking ik den Eerw. Heer J. Metsemakers +mijn dank zeg, beschouwe men als een proef, die ten doel heeft, het +ethnologische belang van een dusdanig opgezet grafisch overzicht in +het licht te stellen. Tot mijn groote spijt heb ik, ten gevolge der +tijdsomstandigheden, verscheidene linies op Belgisch grondgebied niet +kunnen doortrekken. Men lette b.v. op de haal-linie (9), die bezuiden +Hilvarenbeek het Nederlandsche grondgebied verlaat en dit dan weer +bezuiden Sittard doorsnijdt. + +Op een betrekkelijk beperkt gebied zien wij hier Keltische, Saksische, +Frankische, Romaansche en Oppergermaansche invloeden samenstooten +en opdringen. De IIe brunetten-linie, die loopt van Lobith tot +Gorinchem en bezuiden welke het percentage der donker-oogigen en +-harigen van ± 30 tot ± 40 stijgt, valt merkwaardiger wijze vrij wel +samen met de noordwestelijke grens van de Saksische huistypen, die +een heel wat ruimer gebied omvat dan de Saksische meervoudsvorming +(5). Zuidwaarts reikt de grens van het Saksische halletype tot nabij +Venloo, maar omlijnt van af Nijmegen tot Venloo een menggebied, waar +de Saksische bouwtrant op het oogenblik zoo goed als uitgestorven +kan beschouwd worden. In dit gebied vertoont ook de taal een gemengd +Frankisch-Saksisch karakter. + +De hoofdgrens tusschen Noord- en Zuid-Limburg, tusschen Salische en +Ripuarische Franken, vormen de Uerdinger- en Panningerlinie (1. 2), +met de Peel als hoofdverkeersgrens. Maar ook bezuiden deze grens is +de Saksische invloed doorgedrongen, zooals blijkt uit de haal-linie +(9), die de zuidelijke grens van het uiteraard Saksische haalleiden +vormt; zie I, bl. 257. De noordwestelijke isethne van dit gebruik +loopt van Hilvarenbeek tot Nijmegen. Maar ook het Saksisch-Friesche +systeem der afzonderlijke hoeven zet zich in zuidelijke richting +voort tot het punt, waar de Swalm in de Maas uitmondt en de Romaansche +invloed sterker wordt. Hier eindigt trouwens ook de Frankische muts, +de Brabantsche zoogenaamde huifmuts. Bezuiden dit punt vindt men zelfs +nog afzonderlijke hoeven in de zijdalen van de Geul en van de Geleen. + +Van het Zuiden en Zuid-Oosten uit drong niet slechts de Hoogduitsche +klankverschuiving en palataliseering krachtig op, stuitend in haar +laatste golvingen op Uerdinger- en Panninger-linies (1. 2. 3), +maar vooral ook de Frankisch-Romeinsche hoevebouw (14), die voor het +zuiver Frankisch-Keltische huistype slechts de ruimte tusschen Venloo +en Reuver, en verder westelijk vrijlaat. Eindelijk, op Romaanschen +invloed--men lette op de nabijheid der Romaansch-Germaansche taalgrens +(15)--wijst duidelijk de pepel-linie (11), bezuiden welke het +Fransche _papillon_ aan den vlinder doorgaans de benaming van _pepel_ +schonk. Wellicht moet de herkomst van het tegenwoordig deelwoord +op--_têre_, welks noordelijke grens ongeveer met de pepel-linie +samenvalt (12), in dezelfde richting worden gezocht. + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] _Brink_, Middelnederlandsch _brinc_, beteekent "begroeide zoom, +begroeide ruimte, plein". Wellicht is het woord etymologisch verwant +met het besproken _mark_. + +[2] Elard Hugo Meyer, _Deutsche Volkskunde_ (Strassburg 1898), bl. 6. + +[3] Zie Prof. J. M. van Bemmelen, Beschouwingen over het +tegenwoordige standpunt onzer kennis van de Nederlandsche Terpen, +in de _Oudheidkundige Mededeelingen v.h. Rijksmuseum v. Oudheden te +Leiden_ II (1908), bl. 51 vlg. + +[4] _Historia naturalis_ XVI, 1 Vert. van Bemmelen. + +[5] Dr. J. Frost, _Agrarverfassung und Landwirtschaft in den +Niederlanden_ (Berlin 1906), bl. 137; vgl. P. J. de Boer, De friesche +kleiboer, in het _Tweemaandel. Tijdschrift_ 1897, afl. 1 en 2. + +[6] _Is-ethnen_ zijn lijnen, die de uiterste geografische punten +verbinden, waar gelijke volksaard tot uiting komt; vgl. _iso-glossen, +iso-psychen_ enz. + +[7] Ook Gallée's klanknoteering is voor de benaming der onderdeelen +overgenomen. + +[8] Te Utrecht werd jaarlijks met klokgeklep aangekondigd, "dattet +die arme luden weten moegen", dat van stadswege elk "arme mensche, die +daer coemt, enen Hollandsen penninc of een Hollantsch penninckbrood" +kon ontvangen. + +[10] Ik schrijf, afwijkend van de gebruikelijke schijfwijze, +_Oor_europeesch enz. en niet _Oer_europeesch, omdat ik niet kan +inzien, dat _oor_- hier een specifiek andere beteekenis zou hebben +dan in _oor_sprong, _oor_konde, _oor_zaak enz. Terecht schrijft +Prof. Van Helten in het Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterkunde +XXV (1906), bl. 63: "_Oor_germaansch, niet, zooals men vaak hoort of +leest, _Oer_germaansch, dat een monster is met een hd. voor- en een +nl. achterstuk". + +[11] Ik volg hier en elders doorgaans de lijsten van Jan te Winkel, +de Noord-Nederlandsche tongvallen (Leiden 1809); voor het Zuidoostelijk +gebied heb ik nut getrokken uit mijn persoonlijke onderzoekingen. Een +goede, beknopte samenvatting geeft ook Te Winkel's Kurze Charasteristik +der Nordniederländischen Dialekte (Gallée, Das niederländische +Bauernhaus und seine Bewohner, Utrecht 1909). + +[12] De klanknoteering van den Heer Baur heb ik behouden. Zijn _å_ +beantwoordt ongeveer aan den _oa_-klank, de _z_ aan de _g_ van het +Fransche _gendre_. + +[13] _De woegel op_: den wagen op, d.i. aan den gang. + +[14] Sedert 1 Mei 1872 moeten in Noord-Brabant de vellingen en banden +van de wielen der boerenkarren een breedte hebben van tenminste 9 +1/2 c.M. + +[15] Zoo bestaat b.v. te Venloo een _gardeneerstaal_, d.i. tuiniers-, +_Gärtner_taal, die ten gevolge van het levendige handelsverkeer sterk +onder Duitschen invloed staat; getuigen de woorden _slaat_ (_Salade_), +_gemeus_ (_Gemüse_), _baan_ (_Bahnhof_), _kappes_ (_Kappeskohl_) e.a. + +[16] De _g_ is hier explosief. + +[17] Immers _kultuur_ is hier genomen in de beteekenis van +_bovencultuur_. + +[18] Voor het meerendeel Limburgsche spreekwoorden, die als typen +kunnen gelden, in Venloosch dialekt. + +[19] Aldus wordt ook de naam van Drievuldigheidsbloem verklaard. + +[20] Ik vermeld dit verhaal hier, omdat ik het meer als natuur- +dan als naamverklarend beschouw. + +[21] Zette de deur op een kier. + +[22] "Mit de moes", zie I, bl. 172. + +[23] Deze verklaring is echter niet zeker. + + + + + + +End of Project Gutenberg's Nederlandsche Volkskunde, by Jos Schrijnen + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE VOLKSKUNDE *** + +***** This file should be named 22968-8.txt or 22968-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/2/9/6/22968/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
