summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/22968-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '22968-8.txt')
-rw-r--r--22968-8.txt25612
1 files changed, 25612 insertions, 0 deletions
diff --git a/22968-8.txt b/22968-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..948b178
--- /dev/null
+++ b/22968-8.txt
@@ -0,0 +1,25612 @@
+The Project Gutenberg EBook of Nederlandsche Volkskunde, by Jos Schrijnen
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Nederlandsche Volkskunde
+
+Author: Jos Schrijnen
+
+Release Date: October 12, 2007 [EBook #22968]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE VOLKSKUNDE ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Nederlandsche Volkskunde
+
+
+ Door Dr Jos. Schrijnen
+
+ Bijz. Hoogleeraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht
+
+
+ Zutphen--W. J. Thieme & Cie
+
+
+
+
+ Aan de bevolking
+ van Groot-Nederland
+ hereenigd in dagen
+ van beproeving
+
+
+
+
+
+
+TER INLEIDING.
+
+
+"Unsere Zeit ist klug, aber arm" zegt Paul Keller in een
+zijner aantrekkelijkste romans, die als titel voert: Das letzte
+Märchen. Daarin wil hij alles redden, wat nog jong, wat nog kind in
+hem is, daarin wil hij meetroonen naar het sprookjesland allen, wien
+de kinderziel nog uit de oogen lacht, wien het oude kinderhart nog
+enkele malen klopt in den boezem, die vaak nog een onbepaald heimwee
+voelen en met zachten weemoed herdenken de oorden van kinderspel
+en kinderlust; die niet te trotsch zijn, en ook niet te arm, om een
+onbezorgden sprookjestocht te ondernemen, en in rijpere dagen gaarne
+nog eens willen aanschouwen hun prille wonderlanden, thans met een
+anderen lichtglans overgoten.
+
+Inderdaad--arm is onze tijd en arm ons leven te midden van de wonderen
+der wetenschap! Arm is onze tijd, arm en kil en nuchter, gladstrijkend,
+waar hij het vermag, tot de zwakste sporen van eigen aard in zeden en
+gebruiken, doovend tot de laatste sprankjes poëzie, die nog opvonken
+uit de gulden schatkamers van sprookjes, sagen en legenden. Wat
+een tiental eeuwen niet vermochten, dat vermag helaas! stoom en
+elektriciteit en ... aviatiek, dat vermag onze prozaïsche, hoogwijze,
+cynisch-onverschillige tijdgeest.
+
+De romantiek past kwalijk in een eeuw van triomfeerend realisme. Laat
+ze vluchten naar de diepste schuilhoeken,--de zoeklichten
+der wetenschap hebben haar spoedig achterhaald. Laat ze zich
+terugtrekken naar de eenzame hoogplateau's, waar het Edelweiss
+nog bloeit in ongerepte pracht,--de berglokomotieven hebben haar
+spoedig bereikt. Laat ze, ook in onze lage landen, de wijk nemen naar
+afgelegen oorden,--snorrende auto's volgen weldra verdelgend haar
+spoor. Zij kwijnt weg in onze atmosfeer, bezwangerd met den walm van
+ontelbare schoorsteenen van mijnen en fabrieken, monotoon oplijnend
+tegen een valen gezichteinder boven de vormelooze huizengroepen der
+moderne fabrieksstad, waar een trieste nevel hangt van gewoontesleur
+en landerigheid.
+
+Wij worden zoo praktisch en verstandig, maar ons alledaagsch-bestaan
+wordt zoo eentonig en kleurloos en arm. Wij bestudeeren de natuur, en
+verwijderen ons van haar. Oòk aan Maas en Schelde rekt het volksleven
+een veeg bestaan: het volksleven, dat het volkskarakter weerspiegelt
+in zijn menigvuldige uitingen en als een flonkersteen met duizenden
+facetten het blijde, spelende zonnelicht opvangt en uitstraalt
+naar alle richtingen. Zijn gezworen vijanden zijn overbeschaving
+en banaliteit, die in haar sloopingswerk elkaar de hand reiken en
+hoogtij vieren òok in de groote steden van Groot-Nederland, eens zoo
+prat op zijn Dietschen volksaard. Niet in luidruchtige straatmuziek
+en straatgetier ligt besloten de poëzie van het volksleven, maar
+in de stille huiselijkheid rond den gezelligen haard. De naïeven,
+de eenvoudigen van harte zijn de bezittenden.
+
+Arm is onze tijd aan poëzie, die niet slechts schuilt in de romantiek
+van sprookjes en legenden, maar evenzeer in de onuitputtelijke
+schachten van volksgebruik en volksgeloof, hoe ruw dat erts somtijds
+dan ook moge wezen en met hoeveel onedele bestanddeelen vermengd; die
+uitbot in alle loten van het volksleven, hoeveel wilde scheuten dat
+leven ook moge uitranken. Maar toch, Gode zij dank, niet algemeen arm
+is onze tijd aan belangstelling. Een groote kern waardeert althans
+de uitingen van het volksleven, zoekt naar begrip en verklaring,
+vorscht naar herkomst en ontwikkeling. Voor hen zijn deze bladzijden
+geschreven. Voor hen, die de waarde van hun volkswezen weten te
+schatten, en wien de eer ter harte gaat van een verleden, waarin
+het heden zijn diepe wortels schiet. Waardeering wekt waardeering,
+en zoo kunnen zij door hun belangstelling een groot maatschappelijk
+nut stichten, een werk verrichten van waarlijk nationaal belang.
+
+Niet als zou het zaak wezen, kunstmatig de liefde tot den volksaard
+weer op te wekken en aan te kweeken: want in zijn teerste uitingen is
+hij zoo vaak als het gevoelige plantje, dat bij de geringste aanraking
+de blaadjes dichtplooit. Maar door de volksziel te beluisteren,
+het heden te ontraadselen door het verleden, door te dringen tot de
+kiemcel van het kontemporaine kultuurleven, kan de hooger beschaafde
+ruimheid winnen van blik, frissche, kerngezonde levenskracht garen;
+en op anderen en telkens weer anderen zal hij de diepgevestigde
+overtuiging overstorten, dat hij tot het volk behoort met lijf en ziel,
+dat het volk van zijn geboortegrond van zijn vleesch, zijn bloed, zijn
+gebeente is. Zóo wordt geteeld echte, onvervalschte vaderlandsliefde.
+
+Maar ook, zóo kan worden overbrugd de kloof, die gaapt tusschen volk
+en hooger beschaafden, kan worden bewerkstelligd een verzoening
+der standen. Een waarlijk aristokratisch-denkend man zal zich
+het volk nader voelen, wanneer hij van dat volk kennis neemt,
+en gelijkvormigheid in wezen van zijne kultuur met de volkskultuur
+beseft. Tot het volk zal hij zich nader getrokken voelen dan tot het
+beschavingsgepeupel. Want, zegt Albrecht Dietrich, "der Parvenu ist
+dem Volke immer am fernsten".
+
+Met hen, die belang stellen en belangstelling wekken, wensch ik een
+tocht te ondernemen naar het land der Folklore.--
+
+Ik weet het, die belangstelling is niet dezelfde in alle deelen
+van Groot-Nederland. Zelfs geloof ik aan de waarheid niet te kort
+te doen, met te beweren, dat Zuid-Nederland hierin mijlen vooruit
+is. Noord-Nederland kan niet bogen op namen als Gezelle, Gittée, Pol
+de Mont, Teirlinck, om slechts eenigen te noemen; en nog minder kan
+het wijzen op iemand, die van de volkskunde zijn levenstaak maakt,
+als A. de Cock,--aan hem mijn eeresaluut!
+
+
+
+De term Folklore werd het eerst gebezigd in een Athenaeum-nummer van
+1846 door Mr. Thoms, sekretaris der Cambden-Society, die zijn opstel
+schreef onder den schuilnaam Ambrose Merton. Folklore, zoo beweert hij,
+omvat "the traditional beliefs, legends and customs, current among
+the common people." Immers, deze term beduidt het weten, de wijsheid
+des volks, de mondeling voortgeplante volksoverlevering, en niet de
+kunde van en aangaande het volk. Naam en wetenschap vonden bijval
+en ingang, en in 1877 werd te Londen de Folk-Lore Society opgericht,
+die zich thans in een zoo reusachtige uitgebreidheid verheugt.
+
+Intusschen wordt de uitdrukking "Folklore" nog slechts een enkele
+maal gebezigd, terwijl "Volkskunde", en met recht, hare plaats heeft
+ingenomen. Maar hierbij heeft het merkwaardige feit zich voorgedaan,
+dat men het Engelsche woord door "Volkskunde" meende te vertalen,
+en nu in plaats van de wetenschap der volkswijsheid een wetenschap
+van volk en volksaard kreeg. Van subjektief werd de beteekenis
+objektief, en bleef dit. Zoo werd echter de jeugdige wetenschap in
+een min of meer bedenkelijke richting gestuurd, tot men ten slotte
+de Volkskunde ging beschouwen als de kunde van het volk in al
+zijn levensuitingen. Weinhold heeft in 1890 de definitie gegeven:
+"Die Volkskunde hat die Aufgabe, das Volk, das ist eine bestimmte,
+geschichtlich und geographisch abgegrenzte Menschenverbindung
+von Tausenden oder Millionen, in allen Lebensäusserungen zu
+erforschen." Inderdaad neemt hij in zijn folkloristisch program
+de volksfysiologie op, den lichaamsbouw, de schedelvorming, de
+gelaatskleur, de volksvoeding enz. Tot het uiterste wordt deze
+opvatting wel gedreven in het werkplan van den "Sächsischen Verein
+für Volkskunde." Dit toch omvat niet alleen het onderzoek naar de
+geologische gesteldheid van den bodem, maar verder ook alles wat
+behoort tot het begrip van geografie in engeren zin: koloniseering,
+bevolkings-, krimineele-, religieuze-, beroepsstatistiek, schoolwezen
+en wat al niet meer! Dit is inderdaad meer land- dan volkskunde;
+en dat zulk een opzet veel te grootscheepsch is, is zonneklaar.
+
+Welke is dan de specifieke beteekenis van "volk" in
+"Volkskunde"? "Volk" is niet het plebs, het "vulgus in populo",
+de onderste laag, de heffe der maatschappij. Zeer zeker, het
+volkskarakter komt veel meer tot uitdrukking in de lagere, dan in de
+hoogere standen, maar het "Volkstümliche" leeft en werkt toch óok in
+de hoogere lagen der maatschappij. "Volk" is evenmin synoniem van
+"natuurvolk", waardoor ik versta de zeer min beschaafde stammen,
+vaak ten onrechte niet-kultuurstammen geheeten, terwijl toch algeheel
+gemis aan kultuur nooit en nergens wordt aangetroffen. Met hen is het,
+dat de ethnologie zich in hoofdzaak bezig houdt. Maar het objekt der
+volkskunde kunnen zij niet zijn, eenerzijds, omdat de individuëele
+volksgeaardheid hier in geenerlei mate op den voorgrond treedt, en
+anderzijds, omdat hier voor een tegenstelling tusschen de kultuur der
+verschillende volkslagen geen ruimte is. Wèl bieden de zeden, gewoonten
+en voorstellingen dezer natuurvolken hoogst merkwaardige punten ter
+vergelijking. Want de volkskunde is een vergelijkende wetenschap, en
+was dit van meet af aan. Niet tevreden, op beperkt terrein eene reeks
+van min of meer samenhangende verschijnselen op een gegeven oogenblik
+op het leven te betrappen of ook hooger opwaarts te vervolgen, zoekt
+de volkskundige analoge sagen en gebruiken bij verwante stammen of
+ook bij de natuurvolken op te sporen. Hij ontdoet het aldus verkregen
+materiaal van alle heterogene bestanddeelen, vergelijkt en tracht
+zoodoende tot de kern en oorspronkelijke beteekenis door te dringen.
+
+Toch is de volkskunde met de ethnologie of volkenkunde nauw verwant:
+immers de ruwere kultuurlagen, die de ethnologie bij de natuurvolken
+onderzoekt, doorvorscht zij bij die volkeren, waar de tegenstelling
+tusschen hoogere en lagere kultuur te voorschijn treedt; en daar
+bestudeert zij het volk in de volkskultuur. Zij houdt zich dus
+niet bezig met wat men gewoon is in den strikten zin des woords
+de kultuur van een bepaald volk te noemen, maar met datgene, wat
+het bonte substraat daarvan vormt en wat alleen in staat is, iets
+eigenaardigs, iets karakteristieks aan het volksleven te schenken;
+niet met de hoogere kutuur, maar met de onderkultuur.
+
+Zoo komen wij dan tot de slotsom, waartoe ik reeds in het tijdschrift
+"Volkskunde" XXIV (1913), bl. 4 vlg. geraakte, dat volkskunde is:
+de systematische, rationeele navorsching van den ondergrond der
+kultuur. Zij is de ethnologie der kultuurvolken. En wanneer de
+ethnologie, volgens de moderne opvatting, niets anders kan beoogen,
+dan te zijn een kultuurgeschiedenis der natuurvolken, dan dient men
+ook de volkskunde als een onderdeel der algemeene kultuurgeschiedenis
+te beschouwen. Zie F. Graebner, Methode der Ethnologie (Heidelberg
+1911), bl. IX; W. Foy, Führer durch das Rautenstrauch-Joest-Museum
+der Stadt Cöln (Cöln 1910), bl. 22 vlg.
+
+Wat wij doorgaans "kultuur" noemen, het resultaat van de werking
+der verschillende sociaal-psychische faktoren, met wier onderzoek
+de kultuurhistorie zich bezig houdt, wortelt voor een groot deel
+in de moederaarde der volkskultuur, van die beschaving, zoo innig
+met den volksaard verbonden. Het recht vertoont zich dáar in den
+vorm van zede en gewoonte. De religie van het "volk" is vaak een
+ruw, ongelouterd of niet te louteren, vaak ook onschadelijk-naïef,
+ja in dichterlijken vorm gestoken bijgeloof, andermaal omvat zij
+voorstellingen, die tot het kerkelijk geloof in nauwe betrekking
+kunnen staan. Een helderen blik op deze formatie verleent ons de
+volksheortologie of feestenleer. De wetenschap ligt nog in de windsels,
+men denke b.v. aan de volksgeneeskunde, etymologie en plantlore. Streng
+wetenschappelijk onderzoek, in de beteekenis van systematisch teruggaan
+tot de oorzaak, is aan het volk in weerwil van zijn kausaliteitsdrang
+ten eenenmale vreemd. Volkswetenschap is synoniem van volksbijgeloof,
+volksverbeelding, volkspoëzie. De kunst mist konventioneele vormen,
+maar ook overal maat en regel; hier ontmoeten wij volksliederen,
+spreekwoorden, rijmpjes, raadsels, sprookjes, sagen en legenden;
+en "ein Volk ohne solche Erzeugnisse seiner Phantasie und seines
+Verstandes", zegt Karl Knortz, "ist bis jetzt noch nicht entdeckt
+worden". Dat hier een strenge scheiding van het volksgeloof ondoenlijk
+is, ligt voor de hand. Wat waar is voor de kunst, geldt ook voor de
+taal, die den vorm vertoont van vulgaire omgangstaal en taaleigen
+of dialekt. Wat de ekonomie betreft, deze raakt van zeer nabij het
+privaatleven, en gaat geheel op in woningbouw en grondbeheer.
+
+In aansluiting met deze beschouwingen en uiteenzettingen volge nu
+de verdeeling van dit boek. Op volledigheid wil en kan ik zelfs
+bij benadering geen aanspraak maken. Wat ik bedoeld heb, is een
+systematische omlijsting te geven, waarbinnen ieder zonder moeite
+de hem bekende gegevens kan invoegen en rangschikken, en tevens den
+sleutel ter verklaring der belangrijkste groepen van verschijnselen
+aan de hand te doen. Bij het tweede deel wordt een ethno-geografische
+kaart gevoegd, waarop het verbreidingsgebied van enkele folkloristische
+kriteriën (dialekten, plaatsnamen, boerenwoningen enz.) door bepaalde
+lijnen wordt aangeduid, om te zien, tot welke resultaten men hierdoor
+voor de nadere kennis der stamverdeeling over den Nederlandschen
+bodem geraken kan. Over deze methode zie b.v. Willi Pressler,
+Ethno-geographische Wellen des Sachsentums, in het tijdschrift Wörter
+und Sachen I, i, bl. 47 vlg.; en Richtlinien zu einem Volkstums-Atlas
+von Niedersachsen (Hannover 1909).
+
+Maar vooraf nog een woord van dank aan al degenen, die mij bij
+het schrijven van dit boek behulpzaam zijn geweest. Tot bijzondere
+erkentelijkheid voel ik mij verplicht jegens mijn vriend Dr. H. van
+der Velden, die mij bij het doorzien der drukproeven, maar ook
+anderszins met oordeelkundig dienstbetoon steeds gaarne ter zijde
+stond. Mijn dank ook aan de Heeren Onderwijzers van Limburg,
+Noord-Brabant en Gelderland voor de waardevolle gegevens in de
+volijverig ingevulde lijsten mij verstrekt; aan den Heer A. Brom,
+amanuensis aan de Universiteitsbibliotheek te Utrecht, die mij den
+moeizamen literatuurarbeid in niet geringe mate verlichtte, en aan
+den Heer Jan Beudeker, litt. stud., die mij behulpzaam was bij het
+samenstellen van het algemeen register.
+
+Aan U, hooggeachte De Cock, hulde en dank, maar ook een woord
+van bemoediging in deze zware tijden. Rotsvast staat bij ons de
+overtuiging: een volk, dat een volksaard bezit en zijn volkswaarde
+beseft, als het Vlaamsche, kan niet te gronde gaan.
+
+
+
+
+
+
+VERDEELING DER NEDERLANDSCHE VOLKSKUNDE.
+
+
+Eerste Hoofdstuk. _Algemeene beginselen en maatschappelijke
+instellingen_.
+
+ I. Lagen en gebied onzer volkskultuur.
+
+ II. Dorp en dorpsgebied.
+
+ III. De boerenwoningen.
+
+ IV. Volkstypen en kleederdrachten.
+
+
+Tweede Hoofdstuk. _De Volksreligie_.
+
+ I. Volksreligie en geestenwereld.
+
+ II. De volksfeesten.
+
+
+Derde Hoofdstuk. _Het Privaatleven_.
+
+ I. Geboorte en kindsheid.
+
+ II. Liefde en huwelijk.
+
+ III. Het huiselijk verkeer.
+
+ IV. Akkerbouw en veeteelt.
+
+ V. Ziekte, dood en begrafenis.
+
+
+Vierde Hoofdstuk. _De Volkstaal_.
+
+ I. Het taaleigen.
+
+ II. Onze plaatsnamen.
+
+
+Vijfde Hoofdstuk. _De Volkskunst_.
+
+ I. Raadsels en spreekwoorden.
+
+ II. Sprookjes, sagen en legenden.
+
+ III. Het volkslied.
+
+ IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst.
+
+
+Zesde Hoofdstuk. _De Volkswetenschap_.
+
+ I. Volksetymologie.
+
+ II. Volksgeneeskunde.
+
+ III. Natuurverklaring en weêrkunde.
+
+ IV. Plantlore.
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+Ter Inleiding
+
+
+Eerste Hoofdstuk. _Algemeene beginselen en maatschappelijke
+instellingen_
+
+
+ I. Lagen en gebied onzer volkskultuur
+
+ Praehistorie. Kelten. Germanen. Romeinen. Christendom.
+
+
+ II. Dorp en dorpsgebied
+
+ Allmende. Nederzettingen in
+ dorpen. Eschdorpen. Terpdorpen. Streekdorpen of
+ rijdorpen. Straatdorpen. Dijkdorpen. Duindorpen.
+ Groepdorpen. Afzonderlijke hoeven. Steden.
+
+
+ III. De boerenwoningen
+
+ Het huis. Het Saksische type. Hooibergen. Het Friesche
+ type. Het Frankisch-Keltische of langgevel-type. Het
+ Frankisch-Romeinsche type.
+
+
+ IV. Volkstypen en kleederdrachten
+
+ Het somatische volkstype. Het
+ psychische volkstype. Kleederdracht en
+ versierselen. Oorijzer. Naald. Zeeuwsche
+ knoop. Huifmuts.
+
+
+Tweede Hoofdstuk. _De Volksreligie_
+
+ I. Volksreligie en geestenwereld
+
+ Natuurlijke en historische laag. Animisme. Germaansche
+ Mythologie. Elfen. Witte Vrouwen. Dwergen of
+ aardmannetjes. Kaboutermannetjes. Meerminnen.
+ Boschnimfen. Wilde Jacht. Weerwolf. Mare. Heksen.
+ Hoefijzer. Zout. Dwaallicht. Vuurman. Spook en
+ spookdier. Reuzen. Romeinsche Mythologie. Keltische
+ Mythologie. Christendom. Kerstputten. Duivel. Klokken.
+
+ II. De volksfeesten
+
+ Joelfeest. Bevruchtingstijdperk. Sint
+ Maartensdag. Sint Maartensvuur. Noodvuur. Sint
+ Maartensliedjes. Varkensslachten. Sint
+ Maartensgans. Gaarde. Sint Katharina. Sint
+ Andries. Sint Elooi. Sint Barbara. Sint
+ Nikolaas. Schoenzet-liedjes. Sint
+ Lucia. Guldenmis. Sint Thomasdag. Kerstmis. Roos van
+ Jericho. Kerstblok. Kerstboom. Gebaksvormen. Sint
+ Stefanusdag. Sint Jan
+ Evangelist. Allerkinderen. Oudejaarsavond en
+ Nieuwjaarsdag. Nieuwjaarsliedjes. Driekoningendag.
+ Driekoningenliedjes. Kaarsjespringen. Boonenkoeken
+ koningsbrieven. Sint Pontianus- en Sint
+ Agnesdag. Vrouwkesavond. Koppermaandag.
+ Antonius-abt. Sint Sebastianus. Pauli
+ Bekeering. Maria Lichtmis. Klootschieten. Sint
+ Blasius. Vastenavond. Maskerade.
+ Vastenavondkoeken. Vastenavondliedjes. Haanslaan
+ en gansrijden. Vastenavondvuur. Strarijden. Asch
+ woensdag. Fakkelzondag. Kwenezondag. Laetare. Sint
+ Pieter-in-den-Winter. 1 Maart. Gregoriusdag. Sint
+ Geertrui. Lentefeest. Meiboom. Palmzondag.
+ Palmpaasch. Palmpaaschrijmpjes. Kalfdag. Witte
+ Donderdag. Goede Vrijdag. Goede
+ Zaterdag. Paaschdag. Paaschei. Paaschvuur. Paaschbrood.
+ Vlöggelen. Paaschmaandag. Beloken Paschen. Natte
+ Paschen. 1 April. Meidag. Meitaksteken. Meiliedjes.
+ Meifluitjes. Meigilden. Meileeste. Hemelvaartsdag.
+ Luilak. Pinksteren. Pinksterbloem. Nustekook.
+ Pinksterkroon. Tweede Pinksterdag. Pinkstergilden. Sint
+ Jan de Dooper. Sint Janstak. Sint Jansvuur. Petrus-
+ en Paulusdag. Rozenhoed. Sint Marten-in-den-Zomer.
+ Maria-Hemelvaart. Bedevaarten. Maria-Geboorte.
+ Michielsdag. Allerheiligen. Allerzielen. Sint
+ Hubertusdag.
+
+
+Derde Hoofdstuk. _Het Privaatleven_
+
+ I. Geboorte, doop, kindsheid
+
+ De geboorte. Ooievaar. Bronnen en
+ boomen. Zwangerschap. Levensboom. Scheidings- en
+ opnamegebruiken. Doopsel. Kerkgang. Kinderziekten.
+ Wiegeliedjes. Loopen en spreken. Schootliedjes.
+ Knieliedjes. Kinderspel. Hoorspel, gezichtspel,
+ gevoelspel. Speeldrift. Loopspelen. Springspelen.
+ Dansspelen. Werpspelen. Balspelen. Bolspelen.
+ Ambachtspelen. Schommelspelen. Knikkerspelen.
+ Tolspelen. Hoepel- en vliegerspelen. Sneeuw-
+ en ijsspelen. Lutje leeft nog. Vindings- en
+ schenkingsrecht. Eerste schooldag. Eerste Kommuniedag.
+
+ II. Liefde en huwelijk
+
+ Minnen en
+ werven. Liefde-orakels. Vrijstemarkten. Kweesten
+ en strunen. Dorhoed. Ketelmuziek. Volksrechtspraak.
+ Verloving. Huwelijksdag. Ontwikkelingsgeschiedenis
+ van het huwelijk. Noodigen ter
+ bruiloft. Huwelijksmei. Heemgeleide. Het opeischen
+ en schutten der bruid. Haalleiden. Het zich verbergen
+ der bruid. Bruiloftsmaal. Huilbier.
+
+ III. Het huiselijk verkeer
+
+ Introuwen. Gebed. Voedsel. Het familiefeest. Kermis.
+ Schuttersgilden. Vogelschieten. Draaksteken. Spinning.
+
+ IV. Landbouw en veeteelt
+
+ De buurtschap. Verhuizen. Vuurbeuten. Schildverteren.
+ Bier(maal). Zaaien. Koorndaemon. Graanoogst.
+ Oogstlied. Laatste schoof. Oogstkrans. Hanenslaan.
+ Martelgans. Arenlezen. Dorschen. Dorschlied. Laatste
+ slag. Hooi-oogst. Zwaluwliedjes. Vlasoogst, hopoogst,
+ zaadoogst. De fooi. Veeteelt.
+
+ V. Ziekte, dood, begrafenis
+
+ Ziekte. Dood. Scheidingsgebruiken. Uitlichten. Laatste
+ snik. Lijkstroo. Lijkplank. Doodskleed. Openen
+ en luiken der
+ vensters. Stroowisschen. Doodenwake. Overluiden. Het
+ kisten. Lijkdeur. Begrafenis. Lijkstoet. Lijkweg.
+ Doodenmei. Op het kerkhof. Lijkmaal. Uitvaartbrood.
+ Levenslicht. Rouwtijd. Graftooi.
+
+
+Vierde Hoofdstuk. _De Volkstaal_
+
+ Inleiding
+
+ I. Het taaleigen
+
+ Het Friesche taaleigen. Het
+ Saksische taaleigen. Het Frankische
+ taaleigen. Woordenschat en syntaxis. Analytische
+ richting. Woordvorming. Woordvoorraad en
+ semantiek. Zinsbouw. Emphatisch karakter.
+
+ II. Onze plaatsnamen
+
+ Inleidend overzicht over persoons-
+ en geslachtsnamen. Keltische
+ plaatsnamen. Romeinsche plaatsnamen. Germaansche
+ plaatsnamen. Huisnamen. Landerijen. Dorpen
+ en steden. Stambepalende waarde der
+ plaatsnamen. Straatnamen. Klemtoon. Spotnamen van
+ steden en dorpen.
+
+
+Vijfde Hoofdstuk. _De Volkskunst_
+
+ Inleiding
+
+ I. Raadsels en spreekwoorden
+
+ Raadsels. Beschrijvende raadsels. Verhalende raadsels.
+ Kwelraadsels. Letterraadsels. Raadselsprookjes.
+ Spreekwoorden. Stafrijmen. Eindrijmen. Halve
+ rijmen. Rijmlooze wederwoorden. Saksische
+ spreekwoorden. Friesche spreekwoorden. Frankische
+ spreekwoorden. Christelijke spreekwijzen. Apologische
+ spreuk. Apologisch dierenspreekwoord. Psychologie der
+ spreekwoorden. Volksluim. Volksluim bij plaatsnamen
+ miet of zonder woordspeling. Spotrijmpjes op
+ steden en dorpen. Spotrijmpjes op voornamen
+ en familienamen. Spotrijmpjes op standen
+ en ambachten. Spotrijmpjes op gebreken en
+ mismaaktheden. Wat de klokken vertellen. Uien.
+
+ II. Sprookjes, sagen en legenden
+
+ Sprookje, sage, legende. Het sprookje. De bakermat
+ der sprookjes. Grimm, Benfey, Cosquin, Bédier,
+ Bastian, Aarne. Sprookjesmotieven. De dierenwereld
+ in het sprookje. Het draakmotief. De dankbare
+ visch. De drie wenschen. Het dierensprookje. Het
+ verzamelmotief. Ethnologische motieven. Het
+ Polyfemusmotief. Het Klein-Duimpjesmotief. Het
+ verhaal van de Twee Broeders. Mythische motieven.
+ Verlossingsmotief. Vormveranderingen. Tooverij
+ en onwondbaarheid. Droommotieven. Wensch-,
+ vergeet- en raadselmotief. Karaktermotieven.
+ Asschepoester. Karakteristiek van het Nederlandsche
+ sprookje. Kwelsprookjes. De sage. Mythische
+ sagen. Spook- en tooversagen. Vogeltjes-,
+ tekst- en Matthusalemmotief. Volkssage en
+ kultuursage. Maresagen. Heksensagen. Natuursagen.
+ Christelijke sagen. Duivelssagen. Historische sagen
+ Heldensagen. Abasverus. Gewestelijke sagen. De
+ legenden. Marialegenden. Andere heiligenlegenden.
+
+ III. Het Volkslied
+
+ Psychologie van het volkslied. Volkslied en
+ rythme. Liederenmotieven. Volkslied en kultuurlied.
+ Muziek. Arbeidslied. Oogstlied. Dorschlied. Andere
+ arbeidsliederen. Bruiloftslied. Danslied. Kinderlied.
+ Bij het touwtjespringen. Rondedansen. Reuzenlied. Klein
+ Anna. Reidansen. Andere speelliedjes. Loopspelliedjes.
+ Aftelliedjes. Balspelliedjes. Schommelliedjes.
+ Wiegeliedjes. Minnelied. Cecilialied.
+ Afscheidsliederen. Wachterliederen. Spotlied
+ en gezelschapslied. Verhalend lied. De
+ Twee Koningskinderen. Sprookjeslied. Het
+ dierensprookje. Historisch lied. Feestlied. Geestelijk
+ lied. Bedevaartliedjes. Het lied van den Boom. Het
+ lot van het volkslied.
+
+ IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst
+
+ De volksbouwkunst. Stad en stadswoning. De
+ privaatwoning. Het moderne stadsbeeld. De landelijke
+ woning. De dekoratieve volkskunst. Vloer en
+ haard. Spinnewiel en bedsteden. Verdere meubileering.
+ Spreuken. Gevelspreuken. Uithangborden. Bidprentjes.
+ Huiszegen. Processievaantjes. Volksprenten. Jan
+ de Wasscher. Klein Duimpje. De volksprenten en het
+ feestelijke jaar. Het volkstooneel. Het poppenspel.
+
+
+Zesde Hoofdstuk. _De Volkswetenschap_
+
+ Inleiding
+
+ I. Volksetymologie
+
+ De term volksetymologie. Klank- en
+ begripsassociaties. Etymologische
+ natuurverklaring. Volksetymologie in plaatsnamen.
+
+ II. Volksgeneeskunde
+
+ Volksgeneeskunde en kultuurgeneeskunde. Het
+ beginsel der sympathie. Bezwering. Bannen
+ en overdragen. Sympathetische
+ geneesmiddelen. Offersurrival? Geneeskrachtige kruiden.
+
+ III. Natuurverklaring en weerkunde
+
+ Natuurverklaring. Natuurverklarende sprookjes. In
+ de dierenwereld. In de plantenwereld. De
+ volksweerkunde. Dichterlijke uitdrukking. Faktor der
+ sympathie. Planten en dieren in de volksweerkunde. Het
+ beginsel der periodiciteit. Kritische dagen. De
+ volksweerkalender.
+
+ IV. Plantlore
+
+ De bloem als zinnebeeld. Volksbenamingen
+ der planten. Tooverkracht. Invloed van het
+ Christendom. Volksheiligen in de plantlore. Onze
+ flora het beeld van den Nederlandschen volksaard. Het
+ volkswezen van Groot-Nederland. De volkskultuur de
+ ziel der natie.
+
+
+Bij de isethnen-kaart
+
+
+
+
+
+ALGEMEENE BEGINSELEN EN MAATSCHAPPELIJKE INSTELLINGEN.
+
+
+
+I. Lagen en gebied onzer volkskultuur.
+
+
+Hoe geheel ons land in den diluvialen tijd door ijs en water was
+overdekt; hoe het opdook uit de golven in het alluviale tijdperk,
+door steeds zwakker-stroomende rivieren doorploegd; hoe de bodem zich
+allengs vormde uit kompakte zand- en leemmassa's en meer regelmatige
+steen- en klei- en zandlagen,--dit alles is zonder twijfel van belang
+voor de verklaring van bewoonbaarheid, uitoefening van bedrijven,
+bronnen van bestaan, plaatselijke verordeningen en gebruiken enz.,
+maar ligt toch te ver van ons onderwerp. Meer van belang zijn de
+verschillende kultuurlagen, die zich ten gevolge der stroomingen
+van volkeren en rassen en ideeën hebben afgezet en waarneembaar zijn
+ook in den ondergrond der hedendaagsche kuituur: het zijn de lagen
+onzer volkskultuur.
+
+1. _Praehistorie_. Aangaande de oudste bewoners van ons land,
+de volksstammen, die in praehistorische tijden of ook in den
+schemerschijn der geschiedenis huisden op Nederlandschen bodem, moeten
+wij ons grootendeels tot gissingen bepalen. Waarschijnlijk dan woonde
+eertijds in Noord- en Zuid-Nederland, met name op de boorden van Maas
+en Lesse, een kortschedelig ras, dat Europa bevolkte vóor de komst,
+althans vóor de definitieve uitbreiding der Indogermanen. "Wanneer de
+verschijnselen in Zuid-Limburg niet bedriegelijk blijken", schrijft
+Dr. J. H. Holwerda Jr., in Nederland's vroegste Beschaving (Leiden
+1907), "moet daar al zeer vroeg, mogelijk reeds 3000 voor Chr., een
+onbeschaafde stam hebben gewoond, maar zeker zien we in den maker van
+het hunnebedvaatwerk, den bouwer dier grafmonumenten, een verwante
+van dien voorhistorischen stam, die eenmaal een groot deel van Europa,
+ook van de klassieke wereld, bewoonde" (bl. 49).
+
+Naar men weet, verstaat men door hunnebedden (of hunebedden) steenen
+grafkamers van verschillende afmetingen, gevormd door een kring van
+erratische gesteenten, die in het diluviale tijdperk rechtstreeks
+door landijs waren aangebracht. Enkele dier zwerfsteenen dienden
+als dekking dezer sober-majestueuze grafsteden--wij noemen de minder
+ingewikkelde vormen ook wel "grafkelders"--waarin de oerbewoners van
+ons land hunne lijken neerlegden; de urnen dagteekenen uit lateren
+tijd, want in Nederland evenals elders is de lijkverbranding jonger dan
+het begraven. Naast de lijken legde men wapenen of andere voorwerpen,
+welke den doode dierbaar geweest waren, of die hij, naar men meende,
+noodig kon hebben in zijn laatste woonstede. Op dit geloof aan het
+voortbestaan der ziel na den dood in zijn menigvuldige vormen en
+uitingen zullen wij nog verder in de gelegenheid zijn de aandacht
+der lezers te vestigen. Ook op de hunnebedden komen wij naderhand
+terug. Hier zij slechts opgemerkt, dat het voorkomen van brandurnen
+in hunnebedden niet pleit tegen de stelling der prioriteit van het
+begraven. Want vooreerst is het waarschijnlijk, dat ook de Kelten en
+Germanen, zij het dan ook in navolging hunner voorgangers, die zich
+met hen--vooral met de Kelten--vermengd en wier kultuur zij ten deele
+hebben overgenomen, dergelijke grafkamers hebben gemaakt. Verder kan
+men gereedelijk aannemen, dat wederom door later-levende menschen
+brandurnen in de ommanteling van reeds bestaande hunnebedden zijn
+neergezet, zoodat het daarin gevondene: steenen, bronzen, zelfs
+ijzeren voorwerpen, uit verschillende tijden en van verschillende
+volksstammen afkomstig kan wezen.
+
+Tuschen 1500 en 1000 vinden wij deze kultuur in Drente, zuidelijk
+Friesland, Overijssel en het Gooi. De beschaving is een zuivere
+steenkultuur. Het bruinachtig vaatwerk, zonder draaischijf gevormd,
+vertoont typische gedaanten en versieringen. Wat de geestelijke
+kultuur betreft met betrekking tot het hedendaagsche folklore,
+hieromtrent is weinig met voldoende zekerheid vast te stellen. Menig
+Nederlandsch begrafenisgebruik stoelt zeer zeker op animistischen
+grondslag, maar ook het volksgeloof onzer Germaansche voorvaderen
+vertoont sterk-animistische trekken. Insgelijks is de matriarchale
+familie-inrichting--waarbij de vrouw alleszins de meerdere is,
+de afstammingslijn aangeeft, den naam verleent en het erfrecht
+bepaalt--, die bij de oorbewoners van ons land de heerschende zou
+geweest zijn, bij de oude Germanen in een zeer vroege periode bekend
+geweest: zie hierover mijne Essays en Studiën in vergelijkende
+godsdienstgeschiedenis, mythologie en folklore (Venloo, 1910),
+bl. 176 vlg. Trouwens hier behoeft niet alleen sprake te zijn van
+"overleefsels" of "bezinksel", zooals wij te gelegener plaatse zullen
+aantoonen.
+
+2. Over begrip en omvang van den term _"Kelten"_ verkeert men in
+het onzekere. Zeker is aan sommige stammen ten onrechte die naam
+geschonken. Of wij met name den volksstam, die kort na 1000 v. Chr. van
+uit het zuiden ons land binnendrong, tot de Kelten kunnen rekenen,
+is hoogst onzeker. In alle geval behoort hij tot het Alpine ras. Hij
+vertegenwoordigt de zoogen. "Klokkebeker-kultuur", die over een groot
+deel van Europa is verspreid geweest: men ontmoet deze Alpinen in
+een gedeelte van de provincie Utrecht, in Drente, Twente en op de
+Veluwe. Den naam ontleent deze kultuur aan een eigenaardig vaatwerk,
+geelbruin van tint en uit de hand gevormd, terwijl het vaasprofiel
+klokkevormig gebogen en eigenaardig versierd is. Naast steenen vindt
+men ook bronzen werktuigen en voorwerpen ter versiering, b.v. bronzen
+ringen.
+
+Deze urnen zijn slechts ten deele brandurnen. Want de dragers der
+klokkebekerkultuur hebben ook hun dooden begraven en wel onder vrij
+hooge opgeworpen heuvels. Bij het onderzoeken van zulke grafheuvels
+op de Veluwe bleek het, dat wat een aardheuvel leek, niets anders
+was dan een ineengestorte massa vergaan hout en zand, afkomstig van
+een koepelvormigen bouw uit houten balken, met zand of heideplaggen
+overdekt. Nu is het de verdienste van Dr. Holwerda, gewezen te hebben
+op de analogie van deze grafheuvels met de prachtige koepelgraven
+van Mykene; hiervoor verwijzen wij naar een Gids-artikel van zijn
+hand (1912 Jan.), waar hij o.m. deze overeenkomst op populaire en
+overzichtelijke wijze behandelt.
+
+Een ander volk, ook behoorende tot het rondhoofdige Alpine ras,
+waren de Galliërs, die omstreeks 300 v. Chr. in onze zuidelijke
+provinciën de zoogen. "Hallstatt-kultuur" brachten. Op hen is de
+naam "Kelten" zeker meer toepasselijk. De eigenaardige urn dezer
+beschavingsperiode vertoont een min of meer bollen buik, terwijl
+de rand daarin zeer geleidelijk overgaat òf er scherp op staat en
+uitbuigt. De ornamentlijnen zijn meestal zigzagvormig. Zulke urnen
+vond men in Noord-België, in het zuiden van Brabant en in Noord-Limburg
+(b.v. te Wellerlooi, Oyen en Afferden). Enkele exemplaren vond men ook
+op de Veluwe. Zoo vormt dan b.v. Hoog Soeren de noordelijkste schakel
+van een keten, die wij door Nederland, België, Duitschland (Rijnland
+en Würtemberg) tot in Italië kunnen volgen. Naar men aanneemt heeft
+de vroeg-Italische bevolking omstreeks de VIIIe eeuw v. Chr. deze
+beschaving geformeerd; de vormen der Hallstatt-urn in gebakken aarde,
+zoo sterk herinnerend aan de metaaltechniek, hebben zij inderdaad
+van een metalen urnvorm afgeleid.
+
+Nu blijkt echter uit de opgravingen, dat deze beschaving in ons
+land eerst in de laatste eeuwen vóór en in de eerste eeuwen na
+Christus valt te dateeren. Hieruit mag men het besluit trekken, dat de
+Hallstatt-kultuur, die in het Zuiden van Midden-Europa en in Frankrijk
+betrekkelijk spoedig door de zoogen. "La Tène-kultuur" is vervangen, in
+onze streken, hoewel in armelijker vorm, is blijven voortbestaan. Wij
+hebben hier te doen met late afstammelingen van het Alpine ras.
+
+De vindplaatsen der urnen stemmen overeen met de geschiedkundige
+gegevens. De Grieksche geschiedschrijver Dio Cassius, die Rome's
+historie heeft te boek gesteld, verhaalt, dat de Kelten oudtijds de
+beide oevers van den Rijn bewoond hebben en zelfs ook daar gevestigd
+waren, waar de stroom, Gallië ter linker zijde latend, in den Oceaan
+valt; terwijl Julius Caesar meedeelt, dat de Keltische Menapiërs kort
+vóór zijn komst in deze streken den rechter Rijnoever bewoonden.
+
+Ook de plaatsnamen kunnen ons eenigermate van dienst zijn, om het
+verbreidingsgebied der Kelten in ons land te bepalen. Te geschikter
+plaatse zal ik de Nederlandsche plaatsnamen uitvoeriger bespreken;
+hier volgen dus slechts enkele namen als criteria.
+
+Evenals de Duitsche plaatsjes Remagen, Dormagen e.a. verraadt
+_Noviomagus_ zijn Keltische herkomst. Misschien is deze plaats
+identiek met _Batavodurion:_ "fort der Bataven", terwijl anderen
+deze plaats voor Wijk-bij-Duurstede, weer anderen voor Batenburg
+houden. _Arenacum_ is vermoedelijk Arnhem. De Bataafsche burcht van
+den Keltischen handelsgod Lug, n.l. _Lugdunum Batavorum_, draagt een
+Keltischen naam, die misschien nog in Loosduinen voortleeft. Zuidelijk
+hebben wij verder _Coriovallum_, op de heirbaan van Maastricht naar
+Keulen, thans de stad Heerlen; en wat veel zegt, de namen onzer drie
+groote rivieren: Rijn, Maas en Schelde zijn beslist Keltisch. Ten
+onrechte heeft men ook de Waal voor Keltisch willen verslijten;
+deze benaming vertoont Germaansch karakter, verwant als zij is met
+het Angelsaksische _wôh_ "krom" en het Gotische _wâhs_ in _unwâhs_
+"onberispelijk". Zie de verhandeling van Prof. H. Kern in het
+Tijdschrift van het Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap, 2de
+serie XXI, bl. 773 vlg.
+
+Verder heeft onze taal, of liever het Germaansch, een niet
+onbelangrijke hoeveelheid taalgoed van de Kelten overgenomen, die
+ik in het Vierde Hoofdstuk bij de behandeling van het taaleigen zal
+bespreken. Laat ik hier slechts wijzen op zeer gebruikelijke woorden
+als _volk, duin, rijk, ambacht_, misschien _havik_. Deze leenwoorden
+zijn daarom zoo van belang, dewijl zij min of meer als maatstaf
+kunnen gelden voor het overnemen van algemeene kultuur. Wij mogen
+dus besluiten, dat ook heel wat kultuurgoed of althans elementaire
+beschavingsbestanddeelen zijn overgenomen en uitgewisseld, waarvan de
+bouwtrant der boerenwoningen in bepaalde streken o.m. getuigt. Maar
+verder blijkt hieruit, dat de Keltische beschaving niet minderwaardig
+was vergeleken bij de Germaansche; integendeel! Waar een groote
+kultuurkloof gaapte, zijn de verhoudingen anders geweest. Zoo is het
+een feit, dat het Keltisch op Keltischen bodem door het Vulgairlatijn
+als het ware is opgezogen, en dat het slechts een niet noemenswaardig
+aantal woorden in het Fransch heeft achtergelaten. Teekenend is het
+ook, dat de Slaven, die in den loop der eeuwen in zoo grooten getale
+zich in Griekenland gevestigd, en vooral in den Peloponnesus zich
+zoo sterk met de Grieken vermengd hebben, wèl een grooten somatischen
+invloed op de Grieksche natie vermochten uit te oefenen, maar in het
+Nieuw-Grieksch nauwelijks enkele sporen van hun aanwezigheid konden
+achterlaten.
+
+3. De volkeren, die opdrongen uit het Noorden en Oosten, steeds
+door weer andere stamgenooten gevolgd, waren de _Germanen_,
+vertegenwoordigers van het Teutonische ras. Wij kunnen hun sporen
+volgen links van den Rijn in de zuidelijke gewesten, en verder in
+Gelderland, Overijssel, Drente, het Gooi, wanneer wij letten op de
+grove Germaansche cylinderurnen, die onder Romeinschen invloed steeds
+meer verwantschap beginnen te vertoonen met de La Tène-kultuur.
+
+Wij kunnen hier drie stammen onderscheiden: de Friezen, Saksers
+(of Sassen) en Franken.
+
+De Friezen wonen thans vrij onvermengd hoofdzakelijk nog slechts
+in Friesland met uitzondering van het Bilt, een bedijking in den
+mond der vroegere Middelzee, door Hollandsche kolonisten bevolkt, en
+verder van Ooststellingwerf en Weststellingwerf. Ook Schiermonnikoog
+en Terschelling wordt nog door Friezen bewoond. Maar eertijds reikte
+hun gebied van de Dollard tot het Zwin, een voormaligen zeeboezem
+in Zeeuwsch-Vlaanderen. Hun gebied vormde een lang uitgerekte,
+smalle kleistreek, een kustzoom, zonder geografisch middelpunt:
+en zoo verklaart men hunne spoedige vermenging en staatkundige
+versnippering. Friesch leven en Friesche volksaard heerschte dus in de
+provincies Groningen en Friesland, in het Westen van Drente, Overijssel
+en Utrecht, in Holland met uitzondering van Kennemerland, waar de
+Kannenefaten woonden, in Zeeland en het Vrije van Brugge. Sporen
+van Friesche zeden en taal vindt men nog in ruime mate in Holland,
+met name bij de landbouwers op de geestgronden. Vgl. Dr. H. Blink,
+Nederland en zijn bewoners (Amsterdam 1892) III, bl. 143 vlg.
+
+Het begin van den inval der Saksers in ons land kan op grond van
+archaeologische gegevens gesteld worden op korten tijd na het begin
+onzer jaartelling: tal van resten van vaatwerk, die een Saksisch
+karakter vertoonen, zijn gevonden in Twente en Drente, en ook
+sporadisch verder westwaarts. Deze stammen nu, die na Caesar's
+tijd ons land van uit het Oosten zijn binnengedrongen, blond en
+kortschedelig, mogen wellicht niet als zuivere Teutonen (Germanen)
+worden beschouwd; maar door de Romeinen werden zij steeds bij de
+Germanen gerekend. Aan hun verwantschap met den beslist-Saksischen
+stam, die omstreeks de IVe of Ve eeuw binnendrong, is wel niet te
+twijfelen. Maar Dr. Holwerda noemt ze terecht "proto-Saksers". Zij
+vestigden zich in de oostelijke streken van Nederland, begrensd door
+den IJssel, doch drongen verder op.
+
+Hoe sterk de Saksers--in hun geheel genomen--zich over Nederland
+verspreid hebben, toont o.a. het Saksische vaatwerk, dat men in Drente,
+Friesland, Overijssel, Gelderland en Limburg vindt. Het zuiverst wordt
+wel het Saksisch gesproken in de Graafschap, in Salland en Twente. In
+Twente vindt men ook het sterkst-uitgesproken Saksische karaktertype;
+en ook daar juist heeft de weefkunst, een Saksische huisindustrie, zich
+tot grootindustrie ontwikkeld. Saksische mengbevolking, mengkultuur
+en mengdialekten vindt men in Limburg, Gelderland, Holland, Overijssel
+en elders.
+
+Overheerschte aan den IJssel het Saksische element, aan den Rijn had
+het Frankische de bovenhand. Raadselachtig is deze stam, in zoover
+wèl het bestaan van een Frankisch volk vaststaat, dat zich over een
+groot deel van West-Europa heeft uitgebreid; maar zijn herkomst ligt
+in het duister. Omstreeks 300 na Christus vielen zij in het land der
+Batavers, het eiland tusschen Maas en Rijn. Deze, de vertegenwoordigers
+van een ouderen Frankischen stam, immers volgens Tacitus verwant met
+de Chatten, waren het eerst met de Romeinen in aanraking gekomen:
+reden, waarom zij, hoezeer ook ten onrechte, als de oorspronkelijke
+bewoners van Nederland werden beschouwd.
+
+De Franken woonden in het begin hoofdzakelijk in Salland. In de IVe
+eeuw nestelden zij zich in Toxandrië om naderhand verder door te
+dringen naar het zuiden. De Frankische grens in België vormt ook de
+zuidelijke grens van het Nederlandsche taalgebied. Zij is nauwkeurig
+vastgesteld door Prof. G. Kurth, La frontière linguistique en Belgique
+et dans le Nord de la France (Bruxelles 1898). Ongeveer volgt zij de
+groote Romeinsche heirbaan van Boulogne over _Castellum Menapiorum_
+(Cassel, in Fransch-Vlaanderen), _Tornacum_ (Doornik) en _Aduatica
+Tungrorum_ (Tongeren) naar Keulen.
+
+Nakomelingen van den Frankischen stam vindt men heden ten dage
+hoofdzakelijk in Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Zuid- en Noord- Brabant,
+Belgisch en Nederlandsch Limburg, in het zuidelijk gedeelte van
+Gelderland, Lijmers, Betuwe, Land van Maas en Waal, Tielerwaard,
+Bommelerwaard en het Rijk van Nijmegen, in de Alblasserwaard en de
+Vijf Heerenlanden (prov. Zuid-Holland) en in het grootste gedeelte
+van Utrecht. In Zuid-Limburg wonen de afstammelingen der Ripuarische
+Franken: de Usipeten, Tenkteren, Brukteren, Sunucers en Eburonen,
+die vanaf de IVe eeuw hun woonplaatsen aan de boorden van den Rijn
+(van waar hun naam) verlaten hadden, om zich op beide Maasoevers
+te vestigen.
+
+Van de Noord-Nederlandsche steden zijn volgens Blink Deventer en
+Zutfen wel de meest Saksische, 's-Hertogenbosch de meest Frankische,
+Leeuwarden de meest Friesche.
+
+Op de Veluwe stooten de drie stammen: Friezen, Saksers en Franken
+aan elkaar. In het Westen van het land heeft meestal vermenging van
+het Friesch met het Frankisch, in het Oosten van het Friesch met het
+Saksisch, en van het Saksisch met het Frankisch plaats gehad.
+
+4. Machtige invloed op volkswezen en volkskultuur is uitgeoefend
+door de _Romeinen_. Toen deze veroverend ons land binnenrukten,
+vonden zij daar Germaansche, Kelto-Germaansche en Keltische
+volksgroepen. Ten noorden van den Rijn en op de eilanden aan de
+monding woonden de Bataven en Kannenefaten, noordelijker de Friezen,
+aan den Beneden-Rijn de Kelto-Germanen en Kelten. De groote stam der
+Menapiërs in Noord-Brabant en een gedeelte van Limburg, Antwerpen en
+Oost-Vlaanderen was wel overwegend Keltisch, maar toch met Germaansch
+bloed en Germaansche kultuur vermengd. Hetzelfde geldt voor de
+Toxandriërs in Noord-Brabant, de Moriners in West-Vlaanderen, de
+Nerviërs in Zuid-Brabant, Henegouwen en Vlaanderen, de Atrebaten om
+Atrecht, de Aduatikers in Luik en Belgisch Limburg. Daarentegen mag
+men de Eburonen bij het latere Maastricht als vrij zuiver Germaansch
+beschouwen. Zie hierover P. J. Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche
+Volk (Leiden 1912) I, bl. 14 vlg.
+
+Nog dient te worden opgemerkt, dat ten gevolge van den inval der
+Romeinen het nationale gevoel meer werd opgewekt, zoodat in de IIe
+en IIIe eeuw na Chr. de kleinere stammen zich tot groote volksgroepen
+aaneensloten.
+
+De Romeinsche overheersching heeft tallooze offers gevergd en harden
+strijd. Vooral in het tegenwoordige België werden geheele stammen
+uitgemoord en de bodem gedrenkt met stroomen bloeds. Tevergeefs poogden
+ook de Friezen en Bataven het Romeinsche juk af te werpen. Maar toch
+moet men erkennen, dat in vele opzichten Rome's heerschappij onze
+landen ten zegen gestrekt heeft. Bij de komst der Romeinen waren onze
+voorvaderen nog zoo goed als natuurvolken, in schamele kleeding van
+ruw-bewerkte dierenhuiden gehuld. Spoedig zou dit anders worden. Overal
+vertoont de bodem, bij opgravingen, sporen van Romeinsche beschaving,
+al bepalen zich de kultuurvoorwerpen tot import: schalen, borden,
+kommetjes, potjes, urnen, flesschen enz. Het meest vermaard is wel
+de zoogen, _terra sigillata_, rood, met het fabrieksmerk gestempeld
+vaatwerk. Hiernaast wapenen, munten enz. Vooral de linker Rijnoever
+werd geromaniseerd. Weldra doorsneden tallooze grachten den bodem;
+dijken werden opgeworpen en bruggen geslagen, vaste kasteelen verrezen,
+heirbanen werden aangelegd. Dit waren hoofdzakelijk de volgende:
+
+1. Van _Lugdunum Batavorum_ over _Traiectum_ en _Fectio_ (Vechten)
+naar _Noviomagus_. Uit dit _Traiectum_ met het voorzetsel _ût_
+(uit) ontstond _Utrecht_. J. W. Muller vergelijkt _Ut-bremen_ en het
+Westvlaamsche _Uutkerke_. De naam _Ultraiectum_ voor _Ultratraiectum_
+is een verlatijnsching, eerst na de renaissance opgekomen.
+
+2. Van _Lugdunum Batavorum_ over _Forum Hadriani_ langs den linker
+Waaloever naar _Noviomagus_. Dit _Forum Hadriani_, het tegenwoordige
+Voorburg, werd door keizer Hadrianus gesticht niet ver van den
+Rijnmond. _Voor_- heeft hier dus met onze partikel _voor_ niets te
+maken en kan slechts volksetymologisch er mee verbonden worden.
+
+3. Van _Noviomagus_ over _Cevelum_ (Kuik?) en _Blaricum_ (Blerik)
+naar _Pons Mosae_ (Maastricht), ook wel _Traiectum (Mosae_ of _ad
+Mosam_) geheeten.
+
+4. Van _Noviomagus_ over _Castra Vetera_ (Fürstenberg, bij Xanten)
+naar _Colonia Agrippina_ (Keulen).
+
+5. De reeds genoemde weg van Boulogne naar Keulen.
+
+Uit de vaste kasteelen aan deze heirbanen, van zoo reusachtige
+beteekenis voor het handelsverkeer, ontwikkelden zich belangrijke
+plaatsen. Onnoodig te zeggen, in welke mate ook de ontwikkeling van
+landbouw, veeteelt en nijverheid hiermee gebaat was, men denke slechts
+aan de tegelbakkerij. Ook de zeevaart bleef niet achter. Aken en Spa
+waren bekende badplaatsen. Overblijfselen van Romeinsche _villa's_
+worden telkens weer opgedolven; en een merkwaardige getuige van den
+invloed der Romeinsche kultuur is wellicht de nader te bespreken
+villabouw der boerenwoningen.
+
+Sterker dan eenige andere taal heeft het Latijn op onze taal ingewerkt,
+ik noem slechts de leenwoorden: _keizer, kerker, wijn, pauw, venster,
+zegel, poort, tegel, kelk, brief_ enz.
+
+Na enkele eeuwen ging de Romeinsche beschaving hier te niet. Maar van
+blijvenden aard zou wezen het door Rome's invloed hier verspreide en
+gevestigde Christendom.
+
+6. Het _Christendom_ bracht inwendige beschaving en vernieuwing,
+en het heeft den drang der tijden doorstaan. Wellicht dagteekent het
+Christendom in onze landen sporadisch reeds van vóor het jaar 400:
+Christelijke oudheden te Nijmegen, Wijk bij Duurstede en elders
+gevonden wettigen eenigermate dit vermoeden. Maar in de Ve eeuw
+deed het in alle geval voor goed zijn intrede in deze gewesten. Het
+vestigde zich eerst in het Zuiden en heeft zich dan snel noordwaarts
+uitgebreid. Te Tongeren werd het Evangelie gepredikt door den heiligen
+Servatius, die zijn bisschopszetel verplaatste naar Maastricht. Daar
+zetelde in de VIe eeuw de h. bisschop Monulfus, in de VIIe eeuw
+Amandus, die het geloof predikte aan de Friezen. Terzelfder tijd
+predikten Eligius en Weranfridus onder de Franken en Friezen. Maar
+ook Vlaanderen werd door den h. Eligius bezocht, waar reeds door
+Victricius van Rouaan met vrucht aan de kerstening der bevolking
+was gearbeid. De hh. Lambertus en Hubertus waren de apostelen van
+Taxandrië en van de Ardennen.
+
+Een kenmerkend feit voor de kerstening van Nederland is de stichting
+van het bisdom Utrecht door den h. Willebrordus in de VIIIe eeuw; onder
+hem was werkzaam de h. Bonifacius, aartsbisschop der Friezen. Blijvend
+vestigde zich het Christendom in deze streken onder de Karolingers.
+
+
+
+II. Dorp en dorpsgebied.
+
+
+De nederzettingen der bevolking van Nederland in dorpen (gehuchten,
+vlekken) en steden moeten in verband met de natuurlijke gesteldheid
+van den bodem en het karakter van den stam der nederzetting, zooveel
+mogelijk aan de hand der geschiedenis, worden verklaard. Deze
+verklaring is onontbeerlijk voor het goed begrip van vele
+folkloristische verschijnselen.
+
+Ten tijde van Caesar leefden de Germanen nog grootendeels van
+jacht en visscherij; ook met de veeteelt waren zij eenigermate
+vertrouwd. Zij vormden nog een echt nomadenvolk, dat in groepen
+van een zeker aantal families of geslachten rondzwierf van de eene
+plaats naar de andere. Met privaatbezit waren zij ten eenenmale
+onbekend. Gemeenschappelijk werd een ongedeeld stuk grond in
+bezit genomen, een _marke_, d.i. grensland, een binnen bepaalde
+grenzen omsloten gebied, dat in Saksische streken nog voortleeft als
+"onverdeelde gronden, aan een markgenootschap behoorende" en verwant
+is met het Oudsaksische _marka_, het Oudhoogduitsche _marcha_ en het
+Latijnsche _margo_ "rand". Het verouderde Nederlandsche _mark, marke_
+leeft voort in _markgraaf_ en _markies_. Zoodra dit stuk grond was
+uitgeput, werd het met een ander verwisseld.
+
+Tacitus kent echter ook zulke nederzettingen, waarbij elk familiehoofd
+een bepaalde hoeveelheid land ter ontginning en bebouwing kreeg. Wij
+vinden hier een overgangsvorm tot het privaatbezit, waarop wij nader
+zullen terugkomen.
+
+Toen eindelijk het akkerland in privaatbezit was overgegaan, bleef
+toch weideland, heide, veen en bosschen in het bezit der gemeenschap:
+_de allmende_. Ten slotte werd het recht hierop georganiseerd
+en alleen toegewezen aan de nakomelingen der oude bewoners,
+die daarop recht bezaten. Zoo ontstonden de markvereenigingen
+of markgenootschappen, die meestal in de oorspronkelijk Saksische
+gedeelten van ons land: Drente, Overijssel en Gelderland voorkwamen en
+eerst door de wet van 10 Mei 1886 grootendeels zijn verdwenen. Deze
+wet toch machtigde ieder markgenoot de verdeeling der onverdeelde
+eigendommen te vorderen. In 1886 bestonden in Noord-Nederland nog ±
+36000 H.A. onverdeelde markegronden. Zie hierover en tevens voor de
+verdere behandeling van dit onderwerp Dr. H. Blink, Nederland en zijne
+bewoners (Amsterdam 1889-1892) III, blz. 248; Ontwikkeling van den
+grondeigendom in Nederland, in Vragen van den Dag IV, bl. 98 vlg.;
+Studiën over nederzettingen in Nederland, in het Tijdschrift van het
+Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap 1902, XVIII, bl. 754 vlg.
+
+Natuurlijk bleven de marken op de schrale gronden van het zand-
+en grintdiluvium langer bestaan, dan b.v. in de eertijds Frankische
+provincies. Daar verdwenen zij onder den invloed van het leenstelsel,
+wat natuurlijk met de gesteldheid van den bodem samenhangt. In het
+Gooi, op de Veluwe, en nog elders, met name in het Oosten van het land
+is het gemeenschappelijk grondbezit nog blijven voortbestaan. Soms
+in rudimentairen vorm; zoo b.v. in den _stoppelgang._
+
+Wanneer n.l. het land na den oogst in de stoppels lag, keerde het
+gemeenschappelijk grondgebruik weer. Dan ontstond de _stoppelweide_ of
+de _stoppelgang_, het recht om vee op den akker te drijven na afloop
+van den oogst. Men noemde dit ook _overal_, vanwaar het spreekwoord:
+"Na St. Gal loopen de schapen overal".
+
+Dit recht blijkt ook uit vele verboden en bepalingen. In een keure
+van het Land van Cuijk uit het jaar 1538 leest men: "En als de half
+oogst voorbij is, mag men de schapen en beesten laten gaan, als van
+ouds gewoon is, ongeschut"; en in de landrechten van Roermond; "Alle
+erfschap van akkerland, dat onbezaaid ligt, is den kerspelluiden met
+schapen en varkens te bedrijven gemeen, tenzij dat het ware besloten,
+want geenen scheper of zwijn geoorloofd is, besloten kamp te openen
+en te bedrijven".
+
+Een eigenaardige uitzondering vinden wij in het landrecht van Drente:
+"Niemand zal op de gemeene esschen mogen weiden op de stoppelen,
+zoolang in de groote buurtschappen en in de kleine twee verscheidene
+lieden nog koren op het land hebben, uitgezonderd boekweit". Immers
+boekweit, al was het reeds door de Kruisvaarders ingevoerd, werd als
+een nieuw gewas beschouwd. Ook bij plakaat van Utrecht werd tijdens
+prins Maurits het drijven van vee en paarden op het stoppelland
+verboden.
+
+In Vlaanderen, Zeeland, Holland en Friesland, dus in landen met betere
+gronden en levendiger verkeer, kwam het privaatbezit reeds vóor Karel
+den Grooten tot stand.--
+
+Bij de landelijke nederzetting onzer bevolking dient men twee
+hoofdgroepen te onderscheiden, n.l. de nederzettingen in dorpen,
+en in afzonderlijke hoeven.
+
+I. _Nederzettingen in dorpen_. Hierin heerscht bonte
+verscheidenheid. Een voorname afdeeling vormen de planloos
+geconcentreerde nederzettingen, die wij _komdorpen_ noemen en voor
+welke men in het Duitsch de benaming _Haufendorf_ heeft. Elk huis heeft
+zijn eigen richting en ligt op zich zelf: het raakt de naburige huizen
+niet en rijgt zich met hen niet tot éen reeks aaneen. Het wegennet
+van een komdorp is dan ook planloos, krom en hoekig. In Duitschland
+komt dit type oorspronkelijk in Sleeswijk-Holstein, Oost-Hanover,
+Brunswijk, Hessen en Thüringen voor, om zich naderhand over het
+grootst gedeelte van Middel- en Opper-Duitschland uit te breiden.
+
+Tot de oudste Germaansche nederzettingen in Nederland kunnen gerekend
+worden de komdorpen op de Drentsche hoogvlakte, die den naam van
+Hondsrug draagt. Zij vertoonen het tijpe der
+
+1. _Eschdorpen_ en liggen op hooge, droge gronden, waar het water
+aan het bouwen geen beletsel bood en waar men niet zuinig behoefde
+te zijn met de ruimte. De Hondsrug was eertijds de natuurlijke brug,
+die de noordelijke kuststreken met de landstreken van het Bentheimsche
+en Overijssel verbond. De Keltische bewoners, die zich daar hadden
+gevestigd, werden verdrongen door een Germaanschen stam, die later
+wel met Franksische en Saksische stammen in aanraking kwam, maar
+toch zijn eigen aard wist te handhaven. Welke die eigen aard was,
+is moeilijk te bepalen; in alle geval stond hij de Saksers nader dan
+de Franken. Wij denken met name aan de dorpen Emmen, Borger, Rolde,
+Gieten, Grolloo, Zwinderen en Weerdinge.
+
+Men vestigde zich steeds in de nabijheid van zachtoploopende heuvels,
+die goeden grond voor bouwland boden, zoodat in den regel de dorpen
+gebouwd zijn op den rand der bouwlanden: _esschen_ of _engen_. De
+grondverdeeling kan men zich ongeveer volgenderwijs voorstellen:
+
+Elk der dorpelingen kreeg op dezen esch door 't lot--waaraan
+niet zelden hoogere beschikking werd toegekend--een strook gronds
+ter bewerking, zooals b.v. bij het aardappelen rooien aan elk der
+arbeiders een strook wordt toegewezen. Later moest men weer andere
+stukken in bewerking nemen, en ook daar werkten de dorpsgenooten in
+dezelfde volgorde en op gelijken afstand van elkaar. Heide, bosch,
+veen en weideland werd gemeenschappelijk benut.
+
+Het bouwland werd verdeeld in drie slagen, en wel om de vruchtbaarheid
+te bevorderen volgens het drieslagstelsel: éen gedeelte werd bestemd
+voor wintergraan, het tweede voor zomergraan, het derde bleef braak
+liggen. Elk dezer drie hoofddeelen werd dan in gelijke rechthoeken
+verdeeld, en in elk der slagen kreeg de dorpsgerechtigde een aandeel
+naar zijn recht. De scheiding dezer rechthoeken was door voren, met
+den ploeg getrokken, en door zware grenskeien aangeduid. Van daar de
+naam _voorgenoten_, Nederduitsch _Vorgenaten_.
+
+De oudste nederzettingen werden gevestigd aan den rand van een
+bosch; en hieraan herinnert een groot aantal Nederlandsche dorpsnamen
+op--_woud,--holt,--loo,--horst,--rode,--rade_ enz. Elke woning nam dan
+een open plek in het bosch in, en langzamerhand werd het bosch om en
+te midden van de woningen der nederzetting meer en meer uitgeroeid,
+en vormden de afzonderlijke huisplaatsen een aaneengesloten geheel.
+
+Maar op de open plekken tusschen de huizen, de _brinken_ [1],
+bleef het geboomte in stand, al werd elders het bosch gerooid. Daar
+vergaderden de bewoners in de schaduw der oude eiken om naar de wijze
+der oude Germanen hun belangen te bespreken. Is ook menig oud gebruik
+verdwenen, nog heden zijn de brinken een sieraad onzer dorpen en uit
+dorpen gegroeide steden (b.v. Laren, Blarikum, Bussum, Hilversum),
+en wijzen op een nauw met het Saksisch element verwante herkomst. Ook
+vindt men bij vele boerenwoningen nog begroeide brinken, "een spoor",
+zegt Dr. Blink, "van den oorspronkelijken toestand, toen het geboomte
+elke woning overschaduwde".
+
+Welke die gemeenschappelijke belangen ter bespreking op den brink zijn
+konden, springt in het oog. Allen, die een zelfden slag bebouwden of
+bebouwd hadden, dienden een gemeenschappelijk overleg te plegen voor
+het ploegen en oogsten, voor het gebruik der wegen, die naar het eene
+stuk liepen over het land van den ander, en omgekeerd. Het gevolg dezer
+samenkomsten was het tot stand komen van gemeenschappelijke bepalingen,
+waaraan ieder zich had te onderwerpen, van een soort _velddwang_.
+
+Tot het tot stand komen en in stand blijven van gemeenschapszin,
+gemeenschappelijk overleg, gemeenschappelijke bepalingen droeg ook in
+groote mate bij de gemeenschappelijke afkomst. Want doorgaans waren
+de leden eener zelfde nederzetting door familiebetrekkingen verbonden,
+zoodat men inderdaad van een "vermaagschapt" dorp zou kunnen spreken,
+waarvoor men in het Duitsch de uitdrukkingen _Sippendorf_ kent. Ten
+gevolge der isoleering bleef de herinnering aan de gemeenschappelijke
+herkomst bestaan, ook toen de natuurlijke betrekkingen steeds losser
+en losser werden. Oorspronkelijke verwantschapsverhoudingen spreken
+ook uit plaatsnamen, die b.v. op--_ingen_ en--_ongen_ uitgaan,
+want hierdoor wordt meestal de afstamming van een bepaalden persoon
+uitgedrukt [2]. Breidde het gezin door het huwelijk der kinderen zich
+uit, dan werd hierdoor de eenheid niet verbroken; het gezin bleef zoo
+lang mogelijk op dezelfde hoeve, en de schoonzoon of schoondochter
+trad eenvoudig als nieuwe werkkracht naast de andere kinderen bij
+de familie in. Allen arbeidden voor _de_ familie, de zoons gingen
+met den boer naar het land, de dochters bezorgden met de boerin de
+huishouding. Nog heden treft men in Drente 3 tot 4 generaties aan in
+één huis. Wie of in zulk een gezinskomplex den boventoon voert? Naar
+verluidt, wordt het beslissend woord gesproken door "het oude mensch",
+d.i. de oude boerin.
+
+Zoo vormden dan de dorpelingen een zekeren clan, met een _buurtschap_
+als nauwere kern. Vooral wanneer in bepaalde omstandigheden des
+levens de hulpzame hand viel te bieden, waagde het niemand, zich aan
+enkele clan-bepalingen in den vorm van dienstbetoon te onttrekken: bij
+geboorte of overlijden, bij verhuizing, bij het bewerken van vlas, bij
+het scheren der schapen, bij het oogsten, bij het bouwen eener woning
+enz. Hier vinden wij ook de kiem van het soms op zoo eigenaardige
+wijze zich uitende dorpsindividualisme, hierin b.v. dat, wanneer een
+boerenzoon naar de hand dingt van een meisje uit een naburig dorp,
+hem door de jongelieden van dat dorp allerlei zwarigheden in den weg
+gelegd worden.
+
+Nog lang riep de _boerhoorn_ de Drentsche dorpsgenooten ter vergadering
+tot het gemeenschappelijk vaststellen van zaai- en oogsttijd en tot
+het bespreken van onderwerpen van algemeen belang. Na het laatste
+signaal op den boerhoorn waagde geen maaier het meer, de zeis te
+haren,--wie zich verzette, werd beboet. Den boer, die den dekstier
+hield, was dat jaar ook de boerhoorn toevertrouwd. Met trots sneed
+hij er zijn naam in; met een gevoel van zelfwaarde blies hij ter
+waarschuwing of verzameling bij brand, dreigend onweer en begrafenis.
+
+Ook bij onze oostelijke naburen vertoont het volksleven van dezen
+oorspronkelijken toestand nog menig rudiment. In Anhalt worden op
+derden Pinksterdag des namiddags de paarden en koeien schoongemaakt en
+de geiten gemolken; en zoodra de koeherder op den boerhoorn blaast,
+verzamelen zich allen met hun vee vóor het dorp. In plechtigen
+stoet, de paarden voorop en de ganzen het laatst, gaat het dan naar
+de pinkstweide, door den "Dorfknecht" afgezet en ieder weidt zijn
+vee. Bekranst keert het vee huiswaarts en de koeherder krijgt van den
+boer, die dat jaar den bul houdt, het schoonste geschenk, een hals-
+of zakdoek en een stuk koek. Veelal wordt elders in Nederduitschland
+de hoorn vervangen door de klok.
+
+2. Een anderen vorm van het komdorp vertegenwoordigen de _terpdorpen_
+in Groningen en Friesland, en elders.
+
+Terpen zijn kunstmatige kleiheuvels met zacht-oploopende hellingen,
+slechts enkele meters lang, en dienende als vluchtheuvels. De hoogste
+dier terpen vond men te Midlum, Winsum, Dronrijp, Beetgum, Holwerda,
+Anjum. Enkele zijn weer geheel of gedeeltelijk afgegraven; "want thans
+wordt weder vernietigd", schrijft Dr. Blink, "wat voor eeuwen met
+veel moeite tot stand werd gebracht": _Nederland en zijne bewoners_
+II, bl. 306; vgl. III, bl. 259.
+
+De naam _terpen_ geldt meest voor Friesland en Groningen. Hier spreekt
+men ook van _wierden_, in Zeeland van _killen_ en _vliedbergen_;
+de Zeeuwsche hillen zijn over het algemeen kleiner dan de Friesche
+en Groningsche terpen.
+
+Welnu, deze terpen hebben in overoude tijden tot het vestigen van
+nederzettingen gediend, n.l. op zeekleilanden, reeds bewoond vóor
+er bedijking langs de zee had plaats gevonden. Deze nederzettingen
+zijn de kern onzer terpdorpen: Marsum, Kantens, Warfum, Bafloo, dan
+ook Dokkum, Franeker, Leeuwarden enz. De kringvormige ligging wijst
+op hun herkomst.
+
+In de geschiedenis der nederzettingen op terpen kunnen wij vier fazen
+onderscheiden. [3]
+
+In de eerste faze waren de bewoners nog arme visschers, die op de
+uiterste kust hun bedrijf uitoefenden. In het midden der eerste
+eeuw na Christus beschrijft de Romeinsche natuurvorscher Plinius de
+vluchtheuvels met haar schamele hutten gedurende dit tijdperk. [4]
+Hij zelf heeft ze aanschouwd, in het Noorden, bij het volk der
+groote en kleine Cauchen, oprijzend te midden eener uitgestrekte
+vlakte, die tweemaal des daags en des nachts door den oceaan wordt
+overstroomd. "Het armzalige volkje woont daar op hooge heuvels of
+banken, met de hand opgeworpen tot op een hoogte, waar zij beschermd
+zijn tegen de hoogste vloeden en waarop zij hutten bouwen, gelijk
+zeevarenden omringd door de wateren, gelijk schipbreukelingen, die
+op het droge gered zijn en bij hun vlucht voor het water jagen op
+de visschen der zee". Ook de terpen der tweede faze zijn nog niet
+hoog. Men vindt daarin lagen mest, stroo en afval, afwisselend met
+kleilagen of daarmee aangevuld. Reeds zijn de bewoners veehouders
+geworden. De gevonden palen zijn afkomstig van schuttingen,
+drinkwaterputten, palen waaraan het vee gebonden werd, misschien van
+leem- en stroohutten. Vermoedelijk verbouwden zij ook zomervruchten,
+maar niet geregeld en slechts in geringe hoeveelheid.
+
+Landbouwers in den engeren zin des woords worden zij eerst in de
+derde faze. In deze heeft een ophooging der terpen plaats gehad door
+het aanbrengen van klei, en in deze ophooging wordt veel minder mest
+gevonden. De landbouwers achtten het noodzakelijk een afzonderlijke
+kleilaag ten behoeve hunner behuizingen aan te brengen.
+
+Gedurende de vierde faze verrijzen op de terpen dorpen met kerken
+en kloosters: men denke aan Warfum, Uskwerd, Rottum, Oldeklooster
+in de Marne, Oldeklooster bij Appingedam, Mariëngaard te Hallum,
+O.L. Vrouw ten Dale te Lidlum, Klaarkamp bij Dokkum enz.
+
+In den regel werden de terpen in de oudste tijden slechts door éene
+familie bewoond. Bij al te groote uitbreiding der familie legde men
+dan in de nabijheid der oude hoeve een nieuwe aan. Later, onder de
+schutse der bedijking, waagde men het ook, nieuwe nederzettingen te
+vestigen in het vlakke land. Zoo ontstonden huizengroepen van een
+vijftal of ook meer woningen met een kleine gemeenschap, waaronder
+de eigenaar der oudste woning het familiehoofd en als het ware de
+landheer was [5]. Daar, waar zulke nederzettingen op een kruispunt van
+land- of waterwegen lagen, waar een kerk, klooster of herberg stond,
+ontwikkelde zich de nederzetting tot een dorp.
+
+Toch waren op de grootere terpen reeds van meet af aan ook grootere
+nederzettingen gevestigd, die men terecht als oorspronkelijke
+terpdorpen mag beschouwen.--
+
+Andere groepen van dorpen zijn niet komvormig, maar reeks- of rijvormig
+gebouwd; het zijn de
+
+3. _Streekdorpen_ of _rijdorpen_, meestal twee rijen huizen langs
+wegen en kanalen; zijstraten zijn zoo goed als onbekend. Evenals
+in de komdorpen woont en leeft men naast elkaar, maar ieder bewerkt
+zijn grond naar eigen goeddunken. De verre lengtewegen en de talrijke
+kanalen en slooten--hoe noodzakelijk ook-- verslinden veel terrein.
+
+Natuurlijk ligt de reden van dezen bouwtrant in de gesteldheid
+van den bodem. Verlaat men het Drentsche diluviale hoog-plateau
+en nadert men de veenranden, dan stoot men vrij plotseling op
+streekdorpen. Wie opmerkzaam door de verschillende nederzettingen
+heentijgt, ziet de agrarische ontwikkeling van het land als een
+reuzenfilm voorbijtrekken. In elk dorp wandelen wij als het ware
+door de ruïnen van den voortijd, ouder en merkwaardiger dan zoovele
+befaamde gedenkteekenen uit de Middeleeuwen, en de staalkaart der
+bezittingen vertolkt ons de begrippen en bedoelingen der stichters.
+
+Wij wijzen vooreerst op de _veendorpen_. Zij vertoonen alle een
+eigenaardig karakter en een systeem van grondverdeeling, dat in nauwe
+betrekking staat tot hun wording. Het landschap is geenszins rijk
+aan afwisseling, veeleer eentonig. "Het poetische, schilderachtige
+landschapsbeeld der oude zandgronden ontbreekt er geheel, ook al
+bieden enkele gedeelten door goede bebossching werkelijk natuurschoon
+aan. Stijf, afgemeten als het landschap, is het karakter van de
+bevolking der [veen]kolonie; geen dichterlijke sagen leven er voort
+in de volksverbeelding, en alleen de overleveringen van heksen en
+spoken, droog en dor als zij zijn, tendencieus als zij werken, zijn
+hier niet zelden blijvend en inwerkend": Dr. H. Blink, Studiën enz. in
+het Tijdschrift v. h. Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap 1902,
+dl. XIX, bl. 66.
+
+In sommige nederzettingen, als Ruinerwold, Giethoorn en Koekange,
+zijn de huizen als één vaste reeks gegroepeerd. Zij ontstonden
+als vaste dorpen aanvankelijk midden in het afgeveend land, niet
+aan een rijweg. Daarentegen zijn b.v. Hoogeveen en Smilde jonge
+nederzettingen in de venen, die zich tot een dubbelrijig lengtedorp
+hebben geformeerd. Hier is dus het dorp in twee rijen gebouwd, aan
+weerszijde van den weg, welke de lange, smalle landerijen aan beide
+kanten rechthoekig snijdt. Zoo nog Wanneperveen, Koldeveen en Veendijk.
+
+Staphorst en Rouveen zijn verschoven veenkolonies. Hier volgde
+de nederzetting de afgraving van het veen, om ten slotte stabiel
+te worden aan beide zijden van een geschikten verkeersweg. Beide
+dorpen hebben waarschijnlijk thans hun derde plaats. Terwijl de
+andere tweereeksige veenkolonies meestal door een mengelmoes van
+velerlei herkomst bevolkt worden, wijzen deze beide dorpen op een
+gemeenschappelijke, eenvormige afkomst. De bevolking heeft dan ook
+iets zeer typisch en oorspronkelijks. Zij houdt weinig voeling met
+de buurtschap, terwijl aloude zeden en gewoonten veelal in eere bleven.
+
+Nog niet zoo heel lang geleden had te Staphorst bijna geen huis een
+schoorsteen. Gaat de boer een nieuw huis bouwen, dan verzekert hij
+zich eerst van de toestemming der buren, die dan weer ouder gewoonte
+de verplichting hebben, hem bij het transport van het bouwmateriaal
+en anderszins behulpzaam te zijn.
+
+De greppels tusschen de verschillende akkers worden nooit in orde
+gebracht of in rechte lijn doorgetrokken, maar kronkelen zich
+in allerlei bochten en zigzaglijnen tusschen de akkers van twee
+buurlieden heen.
+
+Elk Staphorster is boer. Een eigenlijke arbeidersbevolking
+ontbreekt. Wie op zijn land niet genoeg werk en verdienste vindt,
+helpt zijn beter gezeten nabuur.
+
+Hoogst belangrijk is ook de ontwikkeling van den grondeigendom aldaar;
+zie hierover Dr. J. Frost, Agrarverfassung und Landwirtschaft, bl. 143
+vlg. Staphorst dankt zijn oorsprong aan een kleine nederzetting van
+Friesche monniken in de XIIIe eeuw.
+
+Tot de tweereeksige dorpen behooren ook de nederzettingen der
+veengravende boeren, die eigenlijk van meet af aan van de boerderij hun
+hoofdbedrijf maakten. Zij liggen aan de veenranden, b.v. de Meeden,
+Kropswolde, Beerta, en de nederzettingen ten Oosten der Hunze, als
+Wolfsbergen, Annerveen, Gieterveen enz. In de kern van het hoogveen
+verrezen mettertijd de veenkolonies Veendam en Wildervank; het eerste
+nam een stedelijk karakter aan, terwijl het tweede meer het cachet
+van een dubbel streekdorp behouden heeft.
+
+Den vorm van een streekdorp vertoonen nog de veendorpen Helenaveen
+in Noord-Brabant en Griendtsveen (gemeente Horst) in Limburg.
+
+Eenigermate het type der veendorpen vertoonen de Noord-Brabantsche
+_straatdorpen_, met name de dorpen in de Langstraat: Raamsdonk, Waspik,
+Kapelle, Besooien, Waalwijk, Baardwijk, Drunen en Nieuwkuik. Dit kan
+niet bevreemden, als men weet, dat in 1396 een turfvaart van Den Bosch
+naar 's Gravenmoer werd gegraven, en dat in het begin der XVIe eeuw de
+turfhandel van de Langstraat op Holland en Zeeland zeer aanzienlijk
+was. Toen het vervenen verliep, meent Blink, zochten de arbeiders
+naar werk. De kleibodem was niet geschikt voor bouwland; daarentegen
+gaf het vele goede water uitstekend gelegenheid tot leerlooierij,
+waartoe de veeteelt vele huiden, de bosschen op de zandgronden niet
+zeer verre de schors leverden. Zoo ontwikkelde zich in de Langstraat
+de schoenen- en leerindustrie.
+
+Meer nog vertoonen het karakter van veenkolonies 's Gravenmoer,
+Vrijhoeve, Kapelle en Sprang. Tot de straatdorpen behooren ook de
+dorpen in de Streek tusschen Hoorn en Enkhuizen.
+
+4. Veel overeenkomst met de streekdorpen vertoonen de _dijkdorpen,_
+nederzettingen gevestigd langs een dijk. Zij zijn veelvuldig op
+kleigronden en laagveenlanden, waar de bodem meestal door dijken tegen
+overstrooming moet beschermd worden. Zij liggen op den oever van groote
+rivieren, maar ook aan de kleinere waterwegen. Wij noemen de dorpen
+in de Haarlemmermeer en de Beemster; in Zuid-Holland: Kinderdijk,
+Alblasserdam, Ridderkerk, Papendrecht, Sliedrecht, Giessendam.
+
+5. De _duindorpen_ en de dorpen op de geestgronden onderscheiden zich
+door hun verstrooide, onregelmatige of centrale groepeering der huizen.
+
+6. De _groepdorpen_ zijn overheerschend in Noord-Brabant, Limburg
+en een gedeelte van Gelderland, maar ook in dat deel van België,
+waarover zich ons onderzoek uitstrekt; m.a.w. in geheel ons zuidelijk
+volksgebied. Zij vertoonen het Frankische type. "Groepdorpen" noemen
+wij deze, omdat zij doorgaans hun ontstaan danken aan den drang der
+bewoners, in grootere of kleinere groepen bij elkaar te wonen, zonder
+dat die groep op verwantschap berust. De levendige, sociaal-aangelegde
+aard, het Frankisch karakter met zijn Keltischen ondergrond, noopte hen
+zich te vereenigen in dorpen en dorpjes en gehuchten. Gehuchtsgewijze
+hebben oorspronkelijk de talrijke verstrooide nederzettingen plaats
+gehad, die de Frankische gouwen overdekken. Op den voorgrond staat
+het begrip van de vrije deelbaarheid van den bodem, welke zich in die
+streken reeds vroeg moet hebben ontwikkeld. Op kleine schaal heeft het
+in bezit nemen van den bodem plaats gehad. De oudste nederzettingen
+vormden zich op smalle, groene strooken, vlak aan het water, soms aan
+weerszijden van een beek. Nergens is de grond zoo versnipperd: hoekjes,
+kampjes, akkertjes liggen verstrooid door elkaar; de verstrooide
+ligging van het grondbezit was nog willekeuriger en planloozer dan
+in de akkerdorpen.
+
+Alles wijst op partikularisme, op ontginning van partikulieren, die
+onregelmatig en naar de omstandigheden hun kultuurland uitbreidden;
+zie Blink, Studiën enz., t.a.p., dl. XXI, bl. I vlg.; Frost,
+Agrarverfassung und Landwirtschaft, bl. 129 vlg.
+
+De bewoners waren buitenmate gehecht aan de plek hunner inwoning,
+en de landgewoonte wilde, dat de landbezittingen door de ouders onder
+de kinderen werden verdeeld. Dit leidde er toe, dat ieder boer moest
+trachten het kultuurland uit te breiden; maar dit gebeurde buiten de
+gemeenschap, het was overgelaten aan elks persoonlijk initiatief.
+
+Versnippering van kultuurland en gemis aan aaneengesloten grondbezit
+vindt men ook, en wel in hooge mate, in de Graafschap Zutfen,
+ofschoon daar toch slechts een klein gedeelte der bevolking in
+dorpskommen gevestigd is. De woningen staan er meestal over de velden
+verspreid. Zij vertoonen het type der:
+
+II. _Afzonderlijke hoeven_. Geïsoleerd liggende te midden van
+de bijbehoorende landerijen dragen zij een Saksisch en Friesch
+karakter. Men vindt ze dan ook in het Zuid-Oosten van Groningen, het
+Westerwolder kwartier, in het Oosten van Overijsel en Gelderland,
+in Twente en den Gelderschen Achterhoek, in Friesland, Noorden
+Zuid-Holland en sporadisch op Frankischen bodem. Zoo treft men ze in
+België, Nederland en Duitschland aan benoorden een lijn, die loopt
+van Bergen langs de Dyle naar Leuven, en vandaar langs de Demer in
+de richting van Maastricht. Bij Maaseyk gaat zij volgens Meitzen,
+Siedelung und Agrarwesen I, bl. 517, over de Maas, en loopt dan
+de Swalm opwaarts over Wegberg, Dahlen, Odenkirchen, Grefrath en
+Neuss naar den Rijn, dien zij te Kaiserswerth kruist. Voor België
+zijn typeerende voorbeelden: Berghem bij Brussel, Meygem bij Gent en
+Ellicum bij Maaseyk. In Nederlandsch Limburg begint dus het gebied der
+afzonderlijke hoeven benoorden Roermond en valt min of meer samen met
+dat van het Frankisch-Keltische huis, waarover naderhand meer. Men
+treft echter weer afzonderlijke hoeven aan in de zuidlimburgsche
+zijdalen: Geuldal, Geleendal enz.
+
+De meening van Meitzen, dat deze afzonderlijke hoeven niet van
+Germaanschen, maar van Keltischen oorsprong zouden zijn, vindt niet
+voldoende steun in den woontrant der Gallische, Britsche en Iersche
+Kelten, terwijl zijne hypothese, die hiermee verband houdt, dat het
+Keltische halle-huis als het type van het Nederlandsche woonhuis
+moet worden beschouwd, beslist onwaar blijkt. Afzonderlijke hoeven
+liggen in echt kern-Germaansche streken, die nimmer door Kelten zijn
+bewoond, als in Noorwegen, noordelijk Zweden en op de Westkust van
+Sleeswijk-Holstein.
+
+Karakteristiek voor de nederzettingen in afzonderlijke hoeven is minder
+de bouwtrant der huizen, dan wel de eigenaardigheid, dat elk huis door
+de bijbehoorende landerijen omgeven is, en dat deze bezittingen in
+kampen zijn verdeeld, d.i. kwadraatvormig begrensde stukken bouwgrond
+of weiland, door afzonderlijke heggen of greppels omgeven. Deze
+afgeslotenheid der afzonderlijke bezittingen heeft tot gevolg, dat
+zij geïsoleerd verspreid liggen over de geheele uitgestrektheid van
+het dorpsgebied. Het kultuurland ligt versnipperd en verstrooid,
+omgeven door hagen en singels van hakhout. Iedere boer woont op een
+afzonderlijk stuk gronds. Zóo is de gesteldheid van nederzetting en
+grondverdeeling b.v. te Terborg, Lichtenvoorde, Varsseveld, Groenloo,
+Beltrum enz. Waar men hier dorpen of gehuchtvormige huizengroepen
+vindt, die kerk of markt omzoomen, zijn deze hoofdzakelijk niet door
+landbouwers, maar door ambtenaren of neringdoenden bewoond.
+
+Wat de verkeerswegen betreft: zij verbinden eigenlijk niet hoeve
+met hoeve, maar dorp met dorp en stad met stad. De hoeven bereikt de
+wandelaar slechts op zijpaden, en de bewoners trachten langs allerlei
+zijweggetjes en dwarspaadjes, kriskras getrokken over de kampen heen,
+kerk en markt te bereiken. Aan de hoofdstraat te wonen wordt heel
+niet als een voordeel beschouwd.
+
+Deze vorm van nederzettingen, die ook in geheel West-Duitschland van
+Noord tot Zuid wordt aangetroffen, wortelt zeer zeker ten deele in het
+stamkarakter, ten deele ook in oorspronkelijke familieverhoudingen: had
+de landbouwer geen maagschap, stond hij met zijn familie geïsoleerd,
+dan zal hij vaak zelfstandige bodemkultuur verkozen hebben boven een
+zich-aaneensluiten met niet-verwante personen. Maar de machtigste
+faktor was toch de gesteldheid van den bodem. Zoo was het b.v. in de
+vette greidstreken van belang, het vee in de onmiddellijke nabijheid
+van het huis te laten weiden. Verder treffen wij de afzonderlijke
+hoeven daar aan, waar de betere grondgesteldheid en verscheidenheid van
+den bodem aan een algemeene bebouwing der landerijen geen hinderpalen
+in den weg stelde; terwijl de akkerdorpen bij al hun verruiming
+en uitbreiding toch steeds oasen in het dorre heideland gebleven
+zijn. Anderzijds duldde echter het feit, dat de bodem door watertjes
+en rivier doorsneden was, geen inbezitneming van omvangrijke stukken.
+
+Bij het erfrecht staat de ondeelbaarheid van hoeve en hoeveland op
+den voorgrond. Alles lag hier bij elkaar, en wel in voldoende mate
+om de familie te onderhouden. Waartoe zou men deelen, terwijl elders
+nog zooveel gelegenheid tot nederzetting geboden werd? Daarom werden
+jongere zoons en dochters, die de hoeve verlieten, met vee, huisraad
+enz. tevreden gesteld, terwijl de boer zijn wensch kon vervullen:
+de hoeve voor de familie te behouden. Zoo hoort men nog: "de hoeve
+moet bij het bloed blijven", en "hoeve gaat boven kind".
+
+Het heden ten dage geldende erfrecht heeft deze in het kern-Saksische
+gedeelte van ons land ingewortelde rechtsbegrippen slechts onbelangrijk
+kunnen wijzigen: in Twente, in den Achterhoek en elders is het erfrecht
+Oudsaksich gebleven.
+
+Elk boerenerf draagt zijn eigen naam en oorspronkelijk zijn eigen
+huismerk: een eenvoudige, uit enkele lijnen samengestelde figuur,
+later een monogram. De naam blijft aan het huis gehecht in weerwil
+van alle wisseling van bezitters. Het "heem" of "heim" gaat boven
+het geslacht. De hoevenamen zijn ouder dan de famielienamen.
+
+III. Meerdere dezer dorpen zijn uitgegroeid tot _steden_ van den echt
+Germaanschen stempel.
+
+Verscheidene faktoren hebben tot den Nederlandschen stedenbouw
+meegewerkt. De Kelten hadden steden als handelscentra; ik noemde reeds
+Noviomagus, Batavodurum, Lugdunum Batavorum, Coriovallum. Om deze
+centra zelf zette zich een belangrijke laag Romeinsche beschaving,
+zoo b.v. Nijmegen, een bij uitstek belangrijk strategisch, staatkundig
+en ook ekonomisch middelpunt, door Tacitus de stad der Batavieren bij
+uitnemendheid genoemd: _Oppidum Batavorum_ (Hist. V, 19). Andere steden
+van Romeinschen oorsprong vermeldde ik bl. 8. Tot de allervoornaamste
+behoort zonder twijfel het oude Trecht, een plaats, door de natuurlijke
+ligging aangewezen als grensstation. Over het bestuur en burgerrecht
+dezer steden zijn wij slecht ingelicht.
+
+De steden nu van beslist Germaanschen oorsprong, zooals gezegd uit
+dorpen gegroeid, zijn te danken aan een geleidelijke ekonomische
+ontwikkeling. De aanleiding, de stoot tot die ontwikkeling
+werd gegeven door het bouwen van een kerk, het stichten van een
+klooster, het optrekken van een burcht, welks heer ten slotte de
+heer werd over de stad. Maar zeer juist zegt Prof. Brugmans in zijn
+Oud Nederlandsche Steden in haar ontstaan, groei en ontwikkeling
+(Leiden 1912), dat deze oorzaken niet steeds afzonderlijk werkten,
+maar te zamen en in vereeniging: "Niet alleen omdat er een kasteel,
+kerk, klooster of marke was ontstaan, vormde zich daar een tot
+stad uitgegroeid dorp, maar omdat de plaats, waar dat kasteel,
+die kerk, dat klooster of die marke gelegen was, gunstig was voor
+het ontstaan van een handelscentrum. Dezelfde oorzaken, die eerst
+het kasteel hebben doen ontstaan, doen daarna de stad uitgroeien;
+beide zijn in hun soort, op eigene wijze, ekonomische middelpunten
+van den omtrek. Veelal is de stedenformatie de resultante van een
+parallelogram van krachten. Groningen b.v. is tegelijk een marke en
+een markt, een landbouwdorp en een handelscentrum" (bl. 4).
+
+De ekonomische emancipatie ging de politieke vooraf. Het
+staatsgezag heeft hier niet scheppend, maar bevorderend en ten slotte
+sanktioneerend gewerkt. Maar de voornaamste aanleidende oorzaak houdt
+op de stad haar stempel gedrukt. Bisschop Balderik was de eigenlijke
+stichter van het Middeleeuwsche Utrecht: en zoo draagt deze stad in
+haar staatsrechtelijken en maatschappelijken bouw en ontwikkeling alle
+eigenaardigheden van een bisschopsstad. Groningen is een gildestad. De
+Friesche steden Sneek, Bolsward, Franeker, Dokkum, Leeuwarden
+blijven het karakter vertoonen van zuivere landsteden. Nijmegen
+is een keizersstad, Zutfen, met haar talrijke dochtersteden, een
+grafelijke hofstad. Brugge, Gent, Yperen, Antwerpen, Amsterdam,
+Dordrecht, Vlaardingen en het jongere Rotterdam zijn op-ende-op
+handelssteden. Tot de min talrijke kategorie der gestichte steden
+behoort 's Hertogenbosch.
+
+
+
+III. De Boerenwoningen.
+
+
+Bij de beschouwingen over dorp en dorpsgebied zijn wij eigenlijk
+slechts aan de oppervlakte van het volksbestaan gebleven. De aard der
+verschillende nederzettingen vergunde ons geen diepen blik te slaan
+in het volksleven: het hart van dat leven, de intieme haard van dat
+bestaan is het huis.
+
+Hoe heeft ons volk op Nederlandschen bodem zich zijn heemstede gebouwd,
+ter berging en ter schutse van zich en zijn gezin, ter berging van
+veestapel en moeizaam verworven hooi- en vruchtenoogst? Hoe hebben onze
+vaderen dit heem geformeerd, ten einde er hun welbehagen te vinden,
+zonder in strijd te komen met ekonomische vereischten?
+
+"De landman die zijn huis bouwt", aldus Stijn Streuvels in zijn
+bekoorlijk-frissche boekje over De Landsche Woning in Vlaanderen
+(Amsterdam), "heeft iets van de begaafdheden die eigen waren aan
+den middeleeuwschen bouwmeester. In alles gebruikt hij overleg en
+gezond verstand en hij streeft er naar om met 't minste middelen,
+het grootst mogelijk uitwerksel te bekomen. Hij bekommert zich niet
+om pracht of praal--een huis dient enkel om er in te wonen en alzoo
+ziet hij er niet naar of denkt er nooit aan dat zijn huis langs de
+straat moet staan... om gezien te worden, maar als 't zoo gelegen komt,
+bouwt hij het met den achterkant naar de straat om 't met den voorkant
+naar 't Oosten of 't Zuiden te keeren en alzoo licht en warmte op te
+vangen--twee dingen die hem van groote waarde zijn" (bl. 17, 18).
+
+Ik spreek hier alweer over den bouwtrant der boerenwoningen, en niet
+der stadswoningen. Want in de boerenwoningen spreekt zich meer het
+volkskarakter uit, komt het volkseigenaardige meer tot zijn recht,
+is het oorspronkelijke het best bewaard. Daarom heeft tot nog toe
+de wetenschappelijke volkskunde dan ook zoo goed als uitsluitend oog
+gehad voor de landsche woning,--al zou het zeker de moeite loonen na
+te gaan, hoe deze huistypen in de steden tot burgerwoningen werden
+vervormd. Vooral het Oudhollandsche en Oudvlaamsche koopmanshuis met
+zijn smalle straatfaçade, en evenzeer de visscherswoning, die zich
+stellig niet tot de eilanden beperkt, zijn nadere onderzoekingen in
+deze richting overwaard. Wat betreft de publikatie van Mr. S. Muller
+en Prof. Dr. W. Vogelsang: Het Oud-Hollandsche Huis (Utrecht 1909),
+deze ontwerpt een beeld van de Nederlandsche beschaving in de XVIIe
+en XVIIIe eeuw aan de hand der Nederlandsche poppenhuizen; zie aldaar
+over de indeeling en het gebruik van de Oudhollandsche patricische
+huizen, bl. 26, 27. Vrijwel uitsluitend op historisch-architektonisch
+gebied liggen de belangrijke bijdragen over onze Oudgeldersche gevels
+van C. L. van Balen, gepubliceerd onder de rubriek "Oud-Limburg"
+in Limburg's Jaarboek XI, bl. 65, 153; XII, bl. 154; XIV, bl. 43.
+
+Dan ook,--de industrie blijkt hier opnieuw de gezworen vijandin van
+het typische in den volksaard, zelfs in de landsche woning. Dit kan
+weer niemand beter betoogen dan Stijn Streuvels: "Waar de nijverheid
+ergens een landstreek binnendringt en de bevolking overweldigt,
+ziet men dien tooi en zorg aan de woningen gauw vergaan. Waar de
+landsche lieden hun bestaan vinden in fabrieken of groote werkhuizen,
+zelfs waar de huisarbeid geoefend wordt, ziet men die liefhebberij
+niet om de woning een lachend uitzicht te geven. Gevels worden niet
+meer gewit en de ramen niet meer geschilderd, bloemen en boomen
+heeft men niet meer van doen en wat de huisbaas aan de woning niet
+wil verstellen, laat de huurder maar vervallen. Daar heeft heel die
+streek en het landschap een ander uitzicht--iets als de kleurlooze
+verlatenheid van onbewoonde huizen, grauw, vaal als een achterbuurt en
+'t geheel heeft het aanzien van armoede en lustelooze slordigheid"
+(De Landsche Woning, bl. 30).
+
+Buiten beschouwing blijft hier ook het dorpshuis, niet hoeve
+tevens, dat meestal in zijn tegenwoordigen vorm van jongen datum
+is, afhankelijk van de gemeentelijke verordeningen. Wat de kleine
+arbeiderswoning betreft, somtijds volgt zij op kleinere schaal het
+type van het boerenhuis der streek. Maar de latere arbeiderswoning
+vertoont meestal denzelfden droevigen internationalen stijl, dien
+men ook in de kleine huizen der steden aantreft. Daarentegen gaat
+de mijnwerkerswoning in Limburg, dank zij vooral de goede zorgen
+der maatschappij "Ons Limburg", een aesthetisch en architektonisch
+beslist beteren weg op.
+
+De boer is in de wijze, waarop hij zijn woning bouwt, uitermate
+konservatief. Gelijk zijn vaderen voor eeuwen hun hoeve ingericht
+hadden, zoo doet hij het nog heden. Een treffend voorbeeld van dit
+konservatisme geeft Prof. Gallée: "In de laatste vijf en twintig jaren
+hebben groninger boeren aangevangen de heidevelden aan de Dedemsvaart
+te ontginnen. Zij hebben hunne huizen en schuren daar naast die van
+den overijsselschen landbouwer gevestigd. Men zou verwachten, dat
+zij hun bedrijf zoo inrichtten als de sinds eeuwen en eeuwen daar
+gezeten boer; maar neen. Terwijl deze op dezelfde wijze als zijn
+stamgenooten aan Regge of IJssel zijn huis en hof heeft ingericht,
+volgt de groninger boer daar aan de vaart geheel het friesche type,
+waaraan hij in zijn groningsche land gewoon was." Zie het verslag
+van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap 1907, bl. 12.
+
+De verschillende typen van de Germaansche woning--en hiertoe behooren
+de boerenwoningen van Groot-Nederland--zijn het voorwerp van nauwgezet
+en scherpzinning onderzoek geweest bij onze oostelijke naburen. Ik
+wensch hier slechts te wijzen op Rudolf Henning, Das Deutsche Haus in
+seiner historischen Entwicklung, Quellen und Forschungen XLVII; Die
+Deutschen Haustypen, Quellen und Forschungen LV, 2; Otto Lasius, Das
+Friesische Bauernhaus in seiner Entwicklung während der letzten vier
+Jahrhunderte, Quellen und Forschungen LV, I; vooral: August Meitzen,
+Das Deutsche Haus in seinen volkstümlichen Formen (Berlin 1882) en:
+Siedelung und Agrarwesen der Westgermanen und Ostgermanen enz. (Berlin
+1895), waar hij den Germaanschen woningbouw in de breede omlijsting
+van het agrarische recht en de landbouwekonomie behandelt. Nu is op
+het werk van Meitzen wel eens scherpe kritiek uitgeoefend, met name
+door Karl Rhamm in Globus 1897, bl. 169 vlg., zóo scherp, dat hij
+zelfs "in den bezüglichen Ausführungen Meitzens, wenigstens was die
+Endergebnisse anbelangt, keinen Fortschritt gegen die Henningsche
+Ära erblicken kann." Toch houdt het kloeke werk van Meitzen in deze
+materie groote waarde en gezag,--al moeten wij Rhamm toegeven, dat
+b.v. de theorie van den Keltischen oorsprong van het Saksische huis
+verre van steekhoudend is (zie Siedelung und Agrarwesen I, bl. 184,
+620; II, bl. 91 vlg.; III, bl. 126 vlg.).
+
+De Nederlandsche bouwtrant is hoofdzakelijk onderzocht door wijlen
+Prof. J. H. Gallée: Het Boerenhuis in Nederland en zijne bewoners
+(Utrecht 1908), waaraan ik in de volgende uiteenzettingen dankbaar
+meerdere gegevens en beschouwingen ontleen. Van de hand van denzelfden
+geleerde verscheen een verhandeling in Les Pays-Bas (Cercle des
+Journalistes étrangers), bl. 501 vlg., getiteld: Moeurs et Coutumes;
+zie ook zijn rede gehouden in het Provinciaal Utrechtsch Genootschap,
+medegedeeld in het Verslag van 5 Juni 1907.
+
+Wij onderscheiden in ons land vier hoofdtypen: het Saksische,
+het Friesche, het Frankisch-Keltische en het Frankisch-Romeinsche
+type. Gallée noemt het Saksische type liever het halle-huis,
+omdat het toch ook bij anderen dan Saksen gevonden wordt; en het
+Frankisch-Keltische huis noemt hij liever het langgevel-type, of het
+huis met den breeden, horizontalen voorgevel. Dit is ongetwijfeld
+juist. Maar ik verkies uit praktisch oogpunt de benamingen, die in
+verhouding staan tot de drie hoofdstammen, welke de bevolking van
+Groot-Nederland uitmaken.
+
+I. Het _Saksische type_ vertoont éen groote halle met hoog dak,
+waaronder mensch en vee zonder eenige afscheiding huizen. Nu
+vertegenwoordigt deze huisvorm echter niet alleen het alleroudste
+Germaansche type, maar is in wezen met het oudste Indogermaansche type
+identiek. Dit toch had den vorm van een vierkante hut, uit balken
+en leem, rijshout en ruwe steenen, met of zonder mortel verbonden
+opgetrokken. Wij onderscheiden twee lange en twee smalle zijden met
+hoog en schuin dak. Driedeelig, met langwerpig grondvlak, vereenigt
+het onder deze hellende afdakking woning, schuur en stalling.
+
+Wijd en zijd vinden wij dit type verspreid. "Ueber die Anlage und die
+Dimensionen des alt-europäischen viereckigen Hauses sind wir durch
+sorgfältig ausgeführte Untersuchungen der Ueberreste von Ansiedlungen
+im Erdboden an vielen Stellen Europas genau unterrichtet," schrijft
+Sigmund Feist, Kultur, Ausbreitung und Herkunft der Indogermanen
+(Berlin 1913). "Demnach ist der Urtypus dieses germanischen, slavischen
+und griechischen Hauses ein Viereck, mit deutlich unterschiedener
+Giebel und Langseite, der Herd steht ungefähr in der Mitte und eine
+offene (oder spater geschlossene) Vorhalle von geringer Tiefe liegt vor
+dem Hauptgebäude. Dieser Haustypus erstreckt sich von Norwegen durch
+Norddeutschland, Polen und die Karpathenländer bis nach Griechenland
+und Kleinasien (bl. 128, 129).
+
+Maar dit type is toch vooral Saksisch. Hoe treffend b.v. de grenzen
+van het Oudsaksische taaleigen en van "het huis met de lange deel"
+elkaar dekken--behoudens enkele goed-verklaarbare afwijkingen--blijkt
+wel het best uit Willi Pessler's opstel over de "Ethno-geographische
+Wellen des Sachsentums" met bijgaande Is-ethnenkaart in het tijdschrift
+Wörter und Sachen I, bl. 49 vlg. [6]
+
+In het Saksische boerenhuis in zijn meest oorspronkelijken vorm
+koncentreert zich alles om de deel. Aan de eene gevelzijde van het huis
+woont de boer, de andere omspant een reuzenpoort, die naar de deel
+leidt; aan weerszijde van het huis zijn de huisdieren ondergebracht;
+hierbij valt op te merken, dat de koeien op de mest met de koppen
+naar de deel gekeerd staan, waar de voedergoot is.
+
+In de oudste huizen ontbreekt hier zoo goed als elke scheidsmuur of
+schutting. Tegenover de groote schuurdeur, aan het andere eind van de
+deel, bevindt zich de haard, waar de boerin den maaltijd bereidt en
+waaromheen het gezin zich verzamelt. Deze open, vrij-liggende vuurstede
+behoort mèt het omsloten-zijn van woning, stalling en schuur in éen
+enkele ongescheiden ruimte tot de meest karakteristieke kenteekenen
+van het Oudsaksische type en getuigt tevens van hooge oudheid.
+
+In de groote, ruime halle heeft de boer heel zijn have en goed, heel
+zijn bezittingen onder de oogen, in zijn onmiddellijke nabijheid. Zij
+wordt begrensd door twee rijen van zuilen of stijlen. Boven deel
+en stalling en woongedeelte verheft zich het hooge dak, dat als
+bergplaats dient, en welks nok van voren naar achteren in éene
+onafgebroken lijn doorloopt.
+
+De ontwikkeling is tweeërlei richting gevolgd. Eenerzijds streefde
+en streeft men er naar, den haard uit het midden naar den zijkant te
+verdringen, uit de vrije, aloude woonruimte naar een engere keuken,
+en hem een soort van hulphaard toe te voegen ter verwarming van een
+meer moderne woonruimte, n.l. de kachel. Anderzijds tracht men woning,
+stalling en schuur te scheiden, aanvankelijk nog onder éen dak,
+dan over verschillende gebouwen verdeeld.
+
+_a_. In Twente en in het Oosten der Graafschap vindt men nog het
+"lösse hoes", de hoeve met éen enkele ruimte voor mensch en vee. Als
+ingang tot de deel dient de groote _bansdeure_ en _niendeure_, die
+onder het eerste _gebint_ staan, terwijl het dak oversteekt. Deze
+oversteek heet de _oos_ of de _onderschûr_ [7].
+
+Daarnaast vindt men niet zelden rechts en links afhangende dakvakken,
+waaronder veelal rechts de paardenstal is. De woonruimte is soms met
+tegeltjes geplaveid. Aan den wand bij de voordeur is de _götte_ of
+'t waschhok; aan de andere zijde zijn de bedsteden. In sommige huizen
+vindt men achter de bedsteden een kleine kamer voor "de deerns".
+
+De stijlen, waarop het dak rust, worden twee aan twee door _bakke_
+verbonden, die een _gebint_ vormen; het meerendeel der huizen heeft
+vier gebinten. Op de stijlen worden de sporen gesteld, die zich
+boven de dakspar vereenigen en een eind onder de dakspar door de
+_hanenbalken_ samengehouden worden. Onderling zijn de balken verbonden
+door de _balkensleete_, dunnere boomen, die de deel dekken; hierop
+wordt het koren of hooi gevlijd. De groote opening, waardoor het
+hooi wordt opgestoken, heet het _balkenslob_ (Gallée, het Boerenhuis,
+bl. 45, 48).
+
+Het Saksische boerenhuis munt uit door zijn ekonomische eenheid en
+overzichtelijkheid. Bij den _haard_ is de zitplaats der boerin, die
+van daaruit haar oog laat gaan door de geheele ruimte, om het doen
+en laten, het komen en gaan, het rustelooze beweeglijke leven van
+mensch en vee gade te slaan. Als op een open schouwtooneel speelt het
+zich vóor den haard af. De arbeidsgemeenschap van daarbuiten wordt in
+het inwendige des huizes voortgezet: nergens grijpt het veelzijdige
+arbeidsleven zóo vastsluitend ineen, nergens is het samenleven van
+familie en gezin zóo innig als onder het ruime Oudsaksische dak,
+om den gezelligen Oudsaksischen haard.
+
+Die haard, het middelpunt van dit oorkonservatieve familieleven,
+de aan alle zijden vrijliggende _heerd_, de _raakkûle,_ is eigenlijk
+en oorspronkelijk niets dan een rond gat in den bodem, omgeven door
+steentjes. Hierop wordt het vuur van turf of _schadden_ en hout
+ontstoken. Aan de eene zijde ligt het brandhout: dit is _den stòkhôk_.
+
+Het vuur vlamt op en walmt op en hult somwijlen de heele ruimte in
+dikke rookwolken, opkronkelend langs de stijlen en binten, een uitweg
+zoekend langs het _balkenslop_, door de _walmgaten_, ja door de voegen
+en naden van het stroodak, alles beroetend en besmeurend. Op den haard
+wordt het vuur smeulende gehouden in de asch, en eerst wanneer gloed
+noodig is, word het tot nieuw leven opgewekt. Zoo wordt naar aloude
+zede bewaard het eeuwige haardvuur.
+
+Vóor den haard, op de deel, worden de feestgelagen gehouden; daar
+wordt het bruiloftsmaal gevierd; daar wordt lustig gedanst op het
+oogstfeest; ... daar, in de gemeenschap van mensch en vee, op het
+tooneel van het roerige, bonte alledaagsch-leven, wordt ook het lijk
+ter schouw gelegd. Maar de gewichtigste en schoonste handeling van
+het privaatleven, de blijde inkomst der bruid, het binnenleiden der
+jonge huisvrouw in haar nieuwe huisgenootschap en het tooneel harer
+huiselijke bezigheid,--die plechtigheid wordt bij den haard zelf
+gevierd. Zij is van groote kultuur-historische beteekenis er in haar
+bleef voortleven een der schoonste en zinrijkste handelingen van het
+Indogermaansche bruiloftsritueel. De bruid--naderhand de meid--wordt
+om den haard geleid ten teeken, dat zij daarvan bezit neemt; zij wordt
+_gehaald_. Op dit gebruik kom ik in het Derde hoofdstuk (Privaatleven)
+nader terug. Hierbij spelen ook de haal en de haalketting een voorname
+rol, die aan de _wendezûle_, een zware, rechtopstaande stijl met
+dwarsbalk, hangt. Aan de haal, die hooger en lager kan gesteld worden,
+hangt de ketelhaak met den grooten ketel.
+
+Bij de groote, eigenlijke hoeve bevinden zich veelal binnen een
+omwalde of omheinde ruimte nog een hooischuur, meestal van hout,
+met riet gedekt, dan een wagenschuur, een korenschuur (_het spîker_),
+kalverstallen, bergplaatsen, varkenskotten, bijenschuur, waschhuis,
+bakhuis enz.
+
+Over een reusachtige uitgestrektheid van de Germaansche laaglanden is
+dit type verspreid, omvattend de Saksische gouwen benoorden een lijn,
+die van af de Maas--naar het heet nabij Venloo--in oostelijke richting
+loopt en haar weg vervolgt over het Rothaargebergte. In Nederland--en
+op Nederland past het boven beschreven type in de eerste plaats--vindt
+men dezen huisvorm in het Oosten van Groningen, in Oost-Drente,
+Overijsel, Gelderland, Utrecht, een groot deel van Zuid-Holland en
+Limburg. Het zuiverste en meest archaïeke type vindt men in Twente
+en den Achterhoek van Gelderland, Drente en Westerwolde; elders komen
+verschillende varianten voor, ten deele onder te bespreken.
+
+Een eigenaardig type treft men te Staphorst en Rouveen aan
+(bl. 21). Gallée beschrijft dit type (Het Boerenhuis bl. 39 vlg.),
+dat ook beoosten de Boorne, in een deel van Friesland gevonden
+wordt, als een gemengd-Friesch type, en geeft het den naam van
+"Zuiderzee-type". Zeker vallen hier Friesche bestanddeelen
+waar te nemen. Maar op beslist Saksisch karakter wijst toch de
+vrijliggende haard, de lange, ruime deel en de _banderdeur_. Thans
+is de woning veelal van de schuur gescheiden door een _middelschot_
+met _middeldeure_ of _milldeure_.
+
+Men vindt dezen bouwtrant ook nog in het Gooi, bij Bussum, Hilversum,
+Laren, Blaricum, Soest, de Vuursche. Volgens J. Claerhout, Biekorf
+XXIV, bl. 312 komt de Oudsaksische bouworde mede in de Kempen voor.
+
+_b_. Voor Twente vormt de Regge de westgrens van het zuivere,
+onvermengde type. Westelijk van de Regge heeft men al vroeg een
+scheidsmuur tusschen dorschvloer en woning, tusschen den koestal en
+de bewoners opgericht. Op dezen scheidsmuur rust dan soms een zeer
+lage zoldering boven het woonvertrek. Het hooi wordt hier geborgen in
+afzonderlijke hooischuren of _hooibergen_. Deze bestaan uit vier of
+vijf zware palen, de _bergroeden_, welke door een vierkant of vijfkant
+dak steken, verplaatsbaar, van hout gemaakt en met riet gedekt.
+
+De haard wordt verlegd naar den scheidsmuur of naar de keuken. De
+ingang tot de keuken is nu eens in een gang, die van de voordeur tot
+de deeldeur doorloopt, dan weer door een klein portaal. Aan de eene
+zijde van de keuken is de opkamer, aan de andere een slaapplaats voor
+de volwassen dochters.
+
+Dit type komt met belangrijke wijzigingen hier en daar ook in
+Noord-Brabant voor, b.v. in het land van Heusden en in de Langstraat.
+
+_c_. "Ook in het noorden van Limburg, beoosten de Peel en ten noorden
+van Tegelen, wordt een huistype gevonden, dat hiermede overeenkomt ...,
+nergens echter met een hooiberg, noch met een dorschvloer in dezelfde
+schuur met de koeien. Schijnbaar is er volkomen overeenkomst, doch
+de langdeel ontbreekt en in de plaats daarvan heeft men een koestand
+met mestvaalt en een gang voor den koestand langs den zijmuur. De
+groote schuurdeur in den achtergrond geeft toegang tot de mestvaalt
+en geeft gelegenheid om in te rijden met hooiwagens ten einde het
+hooi boven de koeien te bergen. In een schuur achter het woonhuis is
+de dorschvloer en daarboven de bergplaats voor koren, hooi en andere
+gewassen ..." Aldus Gallée, Het Boerenhuis, bl. 57, 58.
+
+De uitdrukking "in het noorden van Limburg, beoosten de Peel en ten
+noorden van Tegelen" kan ik niet beamen. Ik ontken niet het bestaan
+van enkele hoeven, die dezen vorm vertoonen, benoorden Tegelen b.v. te
+Well, Bergen, Gennep enz. Maar dit is een groote zeldzaamheid. Uit
+autopsie weet ik, dat de gewone huisvorm in de omstreken van Venloo,
+te Velden, Grubbenvorst, Horst, Arcen, Well, Wellerlooy, Bergen,
+Afferden, Heijen enz. de Keltisch-Frankische is, reden, waarom ik
+hierbij afzonderlijk een grondplan geef der boerenwoning van Venloo
+en omstreken. Gallée geeft ook slechts één voorbeeld, n.l. een huis
+te Gennep (pl. XIX, 3--5, pl. XXII, 8, 9).
+
+Bij Willi Pessler, Das altsächsische Bauernhaus in seiner
+geographischen Verbreitung (Braunschweig 1906), vind ik overeenstemmend
+met mijne bevindingen bl. 137: "Jenseits der Maas in der holländischen
+Provinz Limburg bei Venloo und Roermond finden sich keinerlei Anklänge,
+sondern nur langgestreckte Wohnbauten, in denen Stuben, Viehstall,
+Diele von einem Giebel bis zum anderen aneinander gereiht sind". Dan
+stelt hij zich de vraag, bij welk Duitsch dorp beoosten Venloo de
+huisgrens dan wel eigenlijk begint? Hij komt tot de slotsom, dat
+wij "Gladbach, Hinsbeck und Leuth (alle Kreis Geldern) getrost mit
+dem Zeichen des ausgestorbenen sächsischen Bauernhauses bezeichnen
+können". Ik geloof, dat wij voor de dorpen benoorden Venloo tot
+een zelfde konklusie kunnen komen. Wij bevinden ons hier in een
+Saksisch menggebied, zooals de taalgrenzen uitwijzen; hierop kom
+ik nader terug. Maar de Saksische bouwtrant mag men in deze streek
+grootendeels als uitgestorven beschouwen.
+
+_d_. Een laatste type is het T-huis of dwarshuis, in Noord-Brabant
+_krukhuis_ genoemd. Hier is de schuur, die wat inrichting der
+stijlen en van het dak, verdeeling der stalruimte en plaatsing van
+deur betreft, met het hallehuis groote overeenkomst vertoont, in een
+zijgevel ondergebracht, waarvan de dakspar met die van het woonhuis
+een hoek van 90 graden vormt. Men vindt deze huizen langs Rijn,
+IJssel en Vecht. In de Betuwe is het de meest voorkomende vorm; vrij
+veelvuldig is hij ook in het land van Maas en Waal en in de Langstraat.
+
+2. Het _Friesche type_.
+
+_a_. De Friezen beschouwen als het voornaamste gedeelte hunner hoeve
+de bewaarplaats van het hooi. Daar veeteelt en zuivelbereiding het
+hoofdmiddel van hun bestaan uitmaken, is ruime hooiberging op de
+allereerste plaats noodzakelijk. De hooiberg vormt dus het middelpunt,
+waaromheen zich stalling, dorschvloer en melkerij groepeeren.
+
+Hij verheft zich in het midden van een vrijwel kwadraatvormig
+grondplan. Tusschen vier zware kapstijlen wordt het hooi hoog tot in
+den nok opgetast, zoodat de lage, vierkante onderbouw door een hoog
+rieten- of pannendak in den vorm eener pyramide wordt bekroond.
+
+Dit viervakkig dak is het _stelpdak_, vanwaar de benaming: stelphoeve.
+
+Waar de landbouw wordt uitgeoefend, die ruime berging van veldvruchten
+en ruime dorschvloeren vereischt, daar neemt de schuur zeer groote
+afmetingen aan. Aldus in Groningen en Friesland. Maar overal vindt
+men hetzelfde grondbeginsel: de stapel, hooi of veldvruchten, vormt
+het vierkant, waaromheen alles gelegen is.
+
+De stijlen, _stenders_ of _zûlen,_ worden twee aan twee verbonden
+door balken en onderling door twee dwarsleggers. Elk samenstel van
+twee stijlen met een balk wordt een _bint_ genoemd. De ruimte binnen
+vier van zulke stijlen heet het _vierkant_ of _vak_, in Friesland en
+oostelijk _de golf_, in Noord-Holland _de tas_. Is éen vierkant niet
+voldoende, dan worden de vakken vermeerderd en de schuur krijgt een
+langwerpig uiterlijk (Gallée, Het Boerenhuis, bl. 17, 18).
+
+Men heeft wel eens beweerd, dat het Friesche type zich uit het
+Saksische heeft ontwikkeld, en wel door de deel met oogstgaven (hooi,
+vruchten) te vullen en van wege het grootere brandgevaar huis en schuur
+scherper te scheiden. Wat hiervan zij, dit eene staat vast, dat beide
+typen in vroegere tijden veel dichter bij elkaar stonden. Bij het
+Friesche type mist de boer het overzicht over het geheel, maar bij
+de hoogopgevoerde ekonomische eischen is althans schijnbaar de vorm
+van het éen-huis gered.
+
+Dit type wordt aangetroffen in geheel Oost-Friesland, in Groningerland
+en Noord-Holland tot even ten zuiden van Amsterdam. Verder in het
+zuiden van Zuid-Holland (Alblasserwaard, IJselmonde, Beierland, Voorne,
+het Dortsche eiland) en in den Zevenbergschenhoek in Brabant. Enkele,
+en wel vrij oude vormen van dezen bouwtrant, vindt men in Zeeland.
+
+Wat de stalling betreft dient te worden opgemerkt, dat het vee met den
+kop naar den muur staat--dus omgekeerd als op de Saksische hoeve--en
+met de achterzijde naar de stalgang. Elke koe, of elk paar koeien,
+heeft een door planken of balken gescheiden stand. Het licht valt door
+kleine venstertjes, veelal van gordijntjes voorzien. De zindelijkheid
+is overal bepaald voorbeeldig te noemen. De meeste boerderijen hebben
+een reusachtigen melkkelder, thans zoo goed als overbodig, daar de
+bewerking der melk meestal in de centrifuges plaats heeft.
+
+De dorschvloer heet in Noord-Holland de _darsch_. Aan de keuken, waar
+de groote schouw is, geeft men in Friesland den naam van _pîzel_:
+eigenlijk was dit de naam van de groote hang of schouw zelf, Latijn
+_pensile._ Bij den Frieschen huisvorm in Duitschland beduidt _pêsel_
+de woonkamer of feestzaal.
+
+Voor België vind ik hieromtrent bij Claerhout, Biekorf XXIV, bl. 313
+na de beschrijving van het Friesche type het volgende: "Zulke
+Friesche hofsteden zijn er in Westvlaanderen niet te vinden, maar
+de Westvlaamsche bergschuur, hier en daar nog te zien, namelijk te
+Leffinghe, te Snaeskerke, te Steenkerke, te Heyst en te Ramskapelle
+en wellicht elders, moet ook door Friezen gebouwd zijn, want zij
+vertoont de gedaante eener Friesche hofstede; 't en is maar de woning
+van den boer die er in te kort is." Een grondig onderzoek in deze is
+m.i. noodzakelijk en kan tot hoogst belangrijke resultaten leiden.
+
+_b_. Terwijl het type der eigenlijke Stelphoeve vrij zuiver in
+Noord-Holland, met name in de Streek, wordt aangetroffen, vindt men in
+Friesland en Groningen meestal het gewijzigde type van "de hoeve met
+de lange schuur". Hier is het vierkant tot een rechthoek verlengd,
+terwijl woning en schuur niet onder één dak zijn vereenigd. Het
+woonhuis is daar met de schuur door een smal dwarshuis verbonden,
+dat zich uit de verbindingsgang heeft ontwikkeld, of de woning is
+dwars vóor de schuur gebouwd.
+
+Van de eilanden heeft Terschelling het Friesche type. Ameland
+is daarentegen geheel afwijkend; óok in taal en kleeding komen de
+bewoners het meest met die van Holland om Amsterdam overeen.
+
+3. Het _Frankisch-Keltische of langgevel-type._
+
+Hoofdbeginsel is hier, dat de afzonderlijke deelen van het huis naast
+elkaar liggen. Bij den voorgevel begint het woonhuis; dan komt de
+voorstal, de koestal, de deel (veelal _den_ geheeten), de schuur
+of bergplaats voor hooi en stroo, en de _schop_ of bergplaats voor
+gereedschap en brandhout: dit alles achter elkaar zich aaneenrijend,
+en gescheiden door wanden, die loodrecht op den langgevel staan.
+
+Gewoonlijk is de hoofdingang een kleine deur, die even om den hoek
+in den langgevel is aangebracht. Maar men vindt ze toch ook in den
+gevel der smalle zijde. Hierdoor komt men in de keuken of voorhuis,
+veelal ook kortweg _het huis_ of _de heerd_ genoemd. Hier is de
+stookplaats onder de groote schouw, waaraan de draaiboom met den
+haalketting is. Hieraan grenzen opkamer, kelder, waschhok (_stort_)
+enz. Van het voorhuis komt men in een smalle gang, den zoogenaamden
+_voorstal_, in welks muur aan de stalzijde een soort venster is
+aangebracht, waardoor de koeien gevoederd worden. De zich hier
+aansluitende koestal is diepliggend en niet geplaveid. Woning, stal,
+deel enz. hebben alle afzonderlijke, meest groen geverfde deuren,
+naast elkaar in den langgevel gelegen. Het groot aantal deuren in
+den langgevel is reeds, van verre gezien, een duidelijk kenteeken. De
+ligging der verschillende lokaliteiten is in ekonomisch opzicht hoogst
+onpraktisch en werkt vooral storend bij groot bedrijf. Ook laat de
+zindelijkheid vaak te wenschen over.
+
+Huizen met dit grondbeginsel en deze rangschikking vindt men
+bezuiden Maas en Waal door geheel Limburg en Brabant, behalve
+in den Zevenbergschen hoek. In het Zuiden van Limburg heeft een
+ander type de overhand, zooals wij zien zullen. Dan treft men het
+sporadisch aan langs de zeekust: te Loosduinen, Wassenaar, Noordwijk,
+Castricum enz. Noordelijk van de Waal vindt men het, volgens Gallée,
+Het Boerenhuis, bl. 63, hier en daar in de Betuwe, benoorden den Rijn
+langs den Veluwezoom, verder bij Amerongen, Bunnik, Utrecht, Harmelen,
+Woerden. Dan nog verspreid in het Gooi, bij Amersfoort en eindelijk
+bij Harderwijk, Nunspeet en op de Veluwe, o.a. bij Kootwijk. Bij de
+westelijke vertegenwoordigers van dit type is somwijlen een groote
+of kleine schuur bijgebouwd, waarin dorschvloer en wagenbergplaats
+en varkenskotten.
+
+_b_. Bij het Zeeuwsche type (Zeeland en het eiland Flakkée) zijn haast
+overal huis en schuur gescheiden. De woonhuizen hebben nagenoeg alle
+den ingang in den vlakken gevel. De schuren zijn van hout en vrij
+groot. De schuurruimte bestaat uit eenige _winkels_ of _tassen_ voor
+de veldvruchten. Daartusschen zijn de dorschvloeren, en vlak hierbij
+de koe- en paardenstallen.
+
+Het dak komt in konstruktie veel met het Brabantsche overeen: ook
+hier wordt de daknaald door de sporen gedragen.
+
+Hoogstwaarschijnlijk is deze bouwtrant van Keltischen oorsprong. Het
+type sluit zich in plan en konstruktie van den opstand aan bij
+huisvormen, die men in Frankrijk en ook in Engeland, Schotland en
+Ierland vindt. In België heeft dit type onbetwistbaar de bovenhand,
+men vindt het in Vlaanderen, Antwerpen en Brabant, maar vooral in
+Belgisch Limburg.
+
+Het is dan ook geenszins te verwonderen, dat deze huisvorm in
+Noord-Nederland juist in die streken wordt aangetroffen, waar wij
+de Keltische grondlaag der bevolking hebben aangetoond, met name in
+Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe en op de Veluwe. Ook de taal
+vertoont hier Keltischen inslag.
+
+4. Het _Frankisch-Romeinsche type_, of de "Zuidlimburgsche hoeve"
+begint in Hollandsch Limburg bezuiden Venloo.
+
+De rangschikking der gebouwen is als volgt: de hoeve in haar geheel is
+steeds omgeven door een muur met een ingang en enkele vensters aan de
+zijde van den grooten weg. De gebouwen liggen om een rechthoekige,
+ongedekte mestvaalt. Vlak om deze loopt de _luif_ (vgl. luifel),
+d.i. de gang, die zich onder het overhangend dak, de eigenlijke _luif_
+bevindt. Rechts van de opvaart of oprit ligt meestal het woonhuis;
+dan volgen de stallen. De achterzijde dient als schuur, de linkerzijde
+als stal en bergplaats. De weg van den ingang naar de schuur loopt
+voor de oogstkar dwars over de mestvaalt.
+
+Het geheel is opgetrokken in steen; veelal is de bovenbouw van houten
+vakwerk met steenen er tusschen. Somtijds bestaan de muren uit vakwerk
+met vlechtwerk van takken en leem aangevuld. De meeste kamers zien op
+de binnenplaats en zijn zeer eenvoudig; een enkele pronkkamer heeft
+ramen aan de straat.
+
+Het ruimst treft men dit type aan bij de groote boerenhoeven, de
+zoogenaamde "pachthoeven". De kleinere hoeven daarentegen behelpen
+zich vaak met de beide dwarsgebouwen en begrenzen de mestvaalt door
+een _schop_.
+
+Ook in Belgisch Limburg is dit type sterk verspreid; volgens Claerhout,
+Biekorf XXIV, bl. 312, wordt het verder aangetroffen in Oostvlaanderen,
+Brabant, Henegouwen, Luik en Namen. Voor het Zuiden van Westvlaanderen,
+b.v. Kortrijk, vind ik hiervan de bevestiging bij Johan Winkler,
+Oud Nederland ('s-Gravenhage 1888), bl. 112.
+
+Het uitzicht dezer hoeven lijkt Herm. van der Kloot Meyburg, Onze Oude
+Boerenhuizen (Rotterdam 1912), veelal onvriendelijk, "de binnenplaats
+daarentegen is, ondanks haar onzindelijkheid, zeer aantrekkelijk. De
+gevels zijn hier zeer afwisselend samengesteld; niet alleen, dat
+zij van vele raam- en deuropeningen zijn voorzien, doch ook de aard
+hunner constructie is zeer gemengd. Vakwerkbouw en massief muurwerk
+van bak- of groepsteen werden gelijktijdig toegepast, waardoor het
+schilderachtig karakter ten zeerste wordt verhoogd. Bovendien strekt
+het dak, dat op zware karbeels rust, ver over.... De muren zijn
+geheel of gedeeltelijk gepleisterd en doorgaans lichtblauw getint;
+overigens zijn de kleuren weinig sprekend" (bl. XXII).
+
+Deze bouworde is sterk verspreid in Midden- en Zuid-Duitschland en
+strekt zich uit van den Midden-Rijn tot in Silezië en Zevenburgen. Of
+de Romenische villa hier als model gediend heeft? Een treffende
+overeenkomst is zeer zeker niet te ontkennen: de gebouwen zijn
+gerangschikt om de mestvaalt evenals bij de Romeinen om het
+_compluvium_. Verder is het merkwaardig, dat juist in Zuid-Limburg
+verscheidene Romenische _villa's_ zijn opgegraven, zoo b.v. in 1870
+door Habets op het plateau "op den Billich" ten Zuiden van Haasdal,
+gemeente Schimmert, en door Dr. W. Goossens en Dr. J. H. Holwerda
+bij den Heihof en bij het Ravenbosch bij Valkenburg. Van de
+inrichting dezer laatste hoeve geven genoemde geleerden in de
+Oudheidkundige Mededeelingen van het Rijksmuseum van Oudheden te
+Leiden II (1908), bl. 34 het volgende zeer duidelijke overzicht:
+"Door de smalle vestibule den geplaveiden hoofdingang binnentredende
+staat men in den noordwesthoek van een hof, die links en rechts
+door zijvertrekken begrensd wordt, terwijl het geheel door eene
+breede achtergalerij wordt afgesloten; deze laatste staat dan nog
+in verbinding met een klein bijgebouwtje. In den hof zelf heeft men
+onmiddellijk links een afdak en daarop volgend eene afgeschoten ruimte
+in den noord-oosthoek; vóor dat afdak ligt de mestvaalt en daarachter
+bevindt zich nog een afsluitingsmuurtje. Recht achter den ingang ziet
+men den toren, en daarachter toont nog een smal plaveiseltje door de
+achtergalerij de plaats van een achteruitgang van het gebouw" (bl. 34,
+35). Zeer onlangs, van 1911-'13, werden door dezelfde oudheidkundigen
+opgegraven en onderzocht de overblijfselen der villa Vlengendaal,
+gemeente Bocholz.
+
+Over het grondtype der Romeinsche _villae_ vindt men een uitvoerige
+beschrijving van de hand van Dr. J. H. Holwerda in Elzeviers
+Maandschrift 1907.
+
+In weerwil van de vele punten van overeenkomst is het niet onmogelijk,
+dat andere faktoren op den bouwtrant der Zuidlimburgsche hoeven hun
+invloed hebben doen gelden. Zulke faktoren kunnen volgens Dr. Goossens
+geweest zijn: de wijze van exploitatie van een groot domein door
+lijfeigenen, vrijheids- en veiligheidsoverwegingen, en vooral de
+konstruktie der Lombardische kloosters.
+
+De inrichting van de huizen, de versiering der gevels, de aesthetische
+waarde der verschillende bouwvormen enz. bespreken wij in het Vijfde
+Hoofdstuk, dat gewijd is aan de Volkskunst.
+
+
+
+IV. Volkstypen en Kleederdrachten.
+
+
+1. Het somatische volkstype.
+
+
+Het spreekt wel van zelf, dat men het type der oorspronkelijke bewoners
+het zuiverst ten platten lande aantreft. De vermenging met vreemd
+bloed is het sterkst geweest en is dit nog in de groote steden. Ook
+zijn historische momenten in deze van grooten invloed geweest; laat ik
+slechts wijzen op Spanje,--al is de bewering onjuist, dat de Zeeuwsche
+bevolking haar donker uiterlijk aan een vermenging met Spaansch
+bloed te danken zou hebben--"mariage de la neige et du soleil"--en
+op de Fransche uitgeweken Protestanten. Somatisch en maatschappelijk
+nemen ook de Israëlieten, ofschoon sinds lang staatsrechtelijk en
+burgerrechtelijk met de overige ingezetenen van de Nederlanden volkomen
+gelijkgesteld, nog steeds een eenigszins afgezonderde positie in.
+
+Zooals wij hebben aangetoond, behoort de bevolking van Nederland voor
+het meerendeel tot het Teutonische of Germaansche en tot het Alpine
+of Keltische ras.
+
+Het Teutonische ras is langhoofdig (dolichocephaal), lichtblond van
+haar, grijs-blauw van oog en rijzig van gestalte. Het Alpine ras
+is korthoofdig of rondschedelig (brachycephaal), donkerblond tot
+zwart van haar, bruinoogig, en meer middelmatig van lichaamsbouw:
+over het algemeen is dit ras sterker gepigmenteerd. Daar nu juist
+de pigmentatie zich het best van de drie kenmerken tot een globaal
+overzicht bij een rassenonderzoek leent, heeft Prof. Bolk te dezen
+einde in de verschillende provincies van Nederland gegevens verzameld
+omtrent het voorkomen der onderscheiden oog- en haarkleuren. Zijne
+resultaten heeft hij neergelegd in de Verslagen der Koninkl. Akad. van
+Wetenschappen te Amsterdam, 5 Mei 1904, en in Gallée's meermalen
+aangehaald werk over het Boerenhuis in Nederland, Bijlage III, bl. 12
+vlg. Wij ontleenen hieraan het volgende.
+
+Het lichte oog is in het Noorden van ons land het talrijkst, en naar
+het Zuiden toe ziet men dit allengs minder talrijk worden, om in de
+beide meest zuidelijke provinciën--Limburg en Zeeland-- het minimum
+te bereiken. Hand in hand daarmede neemt in zuidelijke richting de
+bruinoogigheid toe. Ten opzichte van dit verschijnsel kan men het
+land in drie zònen verdeelen. De vier noordelijkste provinciën hebben
+gezamenlijk 79.1 procent lichtoogigen, de vier provinciën, die de
+middelzône innemen, 69.9, en de drie zuidelijke provincies gezamenlijk
+gemiddeld 60.5. Vergelijkt men met deze cijfers de vermindering der
+blondharigen, dan blijkt het, dat deze beide verschijnselen vrijwel
+evenwijdig verloopende reeksen vormen, n.l. de noordelijke zône staat
+bovenaan met 80 procent blondharigen, dan volgt de middelste met 72.2,
+dan de zuidelijke met 64.2. Duidelijkheidshalve zij nog vermeld,
+dat de noordelijke zône omvat de provincies Groningen, Friesland,
+Drente en Overijssel; de middelzône Gelderland, Utrecht en Holland;
+de zuidelijke Limburg, Brabant en Zeeland. De totale vermindering
+aan lichtoogigen bedraagt dus 18.6%, aan blondharigen 15.7%.
+
+Ter vergelijking volge hier een staatje, waaruit blijkt, hoe ook in
+Duitschland het blonde type van het Noorden naar het Zuiden afneemt. De
+pigmentatie van haar, oog en huid is hier gezamenlijk genomen.
+
+
+ Noord-Duitschland 43-33% blondinen, 12-7% brunetten
+ Middel-Duitschland 32.5-30% ,, 18-13% ,,
+ Zuid-Duitschland 24.5-18.4% ,, 12-7% ,,
+
+
+Uit het hooge percentage aan brunetten in de zuidelijke zone van ons
+land blijkt ook weer, dat de bewoners van Noord-Brabant, Limburg,
+zuidoostelijk Gelderland en Zeeland een eenheid vormen, welke geen
+andere is dan de eenheid van het Alpine ras. Deze bevolking zet zich
+ook in België voort tot op het plateau der Ardennen.
+
+Nu zou men verwachten, dat met het brunettengehalte ook de
+brachycephalie in zuidelijke richting zou toenemen; immers het
+Teutonische ras is lang-, het Alpine rondhoofdig. Maar de verandering
+in den _index cephalicus_ (die de verhouding aangeeft van de lengte
+tot de breedte van het hoofd) blijkt bijna geheel onafhankelijk van de
+veranderingen in het brunettenpercentage; terwijl het brunettengehalte
+in zuidelijke richting toeneemt, neemt de brachycephalie toe in
+oostelijke richting. Deze toestand is dus niet primair: de noordelijke,
+blonde bevolking is rondhoofdig, en de donkere rondhoofdige bevolking
+van de zuidelijke gewesten is meer langhoofdig geworden. Prof. Bolk,
+De Bevolking van Nederland t.a.p. bl. 182 vlg. verklaart dit zóo,
+"dat een uit het Oosten afkomstig volkstype, dat blond en rondhoofdig
+is, zich gemengd heeft met de oorspronkelijke langhoofdige bevolking
+onzer Noordelijke provinciën, en de geschiedenis leert ons, dat
+deze volksstam de zoogenaamde Saksen waren." Wat nu deze Saksen
+betreft, "een ding kan men wel als vaststaand beschouwen, dat
+zij anthropologisch niet als zuivere Teutonen of Germanen zijn te
+beschouwen. M.i. komt eene verwantschap met de Slavische bevolking
+van het westelijke en middelste gedeelte der Noord-Duitsche laagvlakte
+veel meer in aanmerking" (bl. 185, 186).
+
+Dat de tegenwoordige bevolking van Zeeland langhoofdig is geworden, is
+te danken aan de vermenging van het alpine type met het Teutonische,
+nl. met de Friezen. De fusie is echter eerst na 1500 tot stand
+gekomen. "Deze kruising mag vooral door de kombinatie van het bruine
+oog met het lang ovale aangezicht een zeer gelukkige genoemd worden. De
+Zeeuwsche bevolking geldt met recht als een der schoonste van Europa".
+
+Laat ik hier ten slotte nog aanstippen, dat volgens Prof. Bolk het
+Germaansche type het zuiverst bewaard is gebleven in de dorpen Katwijk
+en Noordwijk, misschien in 't algemeen in de visschersbevolking van
+onze Hollandsche Noordzeekust, en het Alpinetype in de omstreken
+van Venlo. Het wil mij echter voorkomen, dat de frekwentie van het
+brunette type in Zuid-Limburg veel grooter is. Wellicht komt hier
+echter de invloed der Romaniseering in het spel.
+
+Ook in België neemt volgens Léon Vanderkindere, Recherches sur
+l'Ethnologie de la Belgique (Bruxelles 1872), het brunette type van
+het Noorden naar het Zuiden aanmerkelijk toe. Het hoogste percentage
+aan lichtoogigen en blondharigen heeft de provincie Antwerpen.
+
+Wat den lichaamsbouw betreft kan men België in drie zônen verdeelen. De
+eerste omvat West- en Oostvlaanderen; de tweede Antwerpen, Limburg,
+Brabant en Henegouwen; de derde Namen en Luxemburg. Het percentage der
+personen met rijzige gestalte neemt regelmatig toe van Noord naar Zuid.
+
+
+
+2. Het psychische volkstype.
+
+
+De hoofdkaraktertrek van het Noordnederlandsche volk is wel het
+flegmatische, het bedaarde. Dit begrip van bedaard "lost zich op in
+de termen: bedachtzaam in het overleggen, langzaam in het handelen,
+koel in voorspoed, geduldig in tegenspoed, volhardend bij weerstand,
+niet hartstochtelijk in het ongeluk, niet druk onder het genot":
+R. Fruin en S. L. Vissering, Het Karakter van het Nederlandsche volk
+(zie Algemeene Statistiek van Nederland II, 3), bl. 7, 8.
+
+Deze eigenschappen hebben aan het Nederlandsche volk den roep
+bezorgd van betrouwbaarheid, bezadigdheid en deege degelijkheid. Maar
+ontaarden zij tot gebreken en ondeugden, dan slaan zij licht over
+tot traagheid, stroefheid, stijf- en stijfhoofdigheid, of ook tot
+flauwheid en Jan-Salie-geest.
+
+De Noord-Nederlander is bedachtzaam, zelden gehaast, meer man van ernst
+dan van fantasie; tot doortastende maatregelen is hij niet dan in den
+uitersten nood bereid. Het kost hem moeite zich over partikularisme
+en provincialisme heen te zetten. Ondernemingsgeest is hem niet
+vreemd--de geschiedenis getuigt het--maar hij gaat niet graag over ijs
+van éen nacht: van grootsche plannen is hij huiverig, en volgen is
+hem liever dan voorgaan. In alles toont hij nuchterheid, zuinigheid
+en overleg; en dit bezadigd overleg, deze koele berekening, al voert
+zij somswijlen tot trekschuit-sympathieën, geeft hem doorgaans taaie
+vasthoudendheid en vooral zelfvertrouwen en zelfstandigheid. Vandaar
+zijn sterk ontwikkelde praktische, persoonlijke vrijheidszin, die
+zich liefst zoo min mogelijk om wet of regel bekreunt, en daarom niet
+zelden in bandeloosheid ontaardt.
+
+Eenvoud van zeden, godsdienstzin en huiselijkheid kenmerken over het
+algemeen de Nederlandsche natie. De zindelijkheid in het beheer van
+woning en huisraad heeft wel vooral haar grond in de vochtigheid van
+het klimaat, dat die zorg noodig maakt; bodem en luchtgesteldheid nopen
+tot het leven in besloten kring en kweeken zin voor huiselijkheid. De
+vele behoeften, door het leven geschapen, eischen voortdurende
+inspanning en zijn drijvende prikkels tot gestadige werkzaamheid.
+
+De hoofdscheidslijn in karakter en volksaard ligt tusschen Noord
+en Zuid, en hiermee bedoel ik niet alleen België, maar ook de
+zuidelijke gedeelten van Nederland. Ook hier openbaart zich krachtig
+de eenheid van stam, met haar Keltisch-Frankischen ondergrond of
+inslag. Bedachtzaamheid en bezadigdheid ruimen hier de plaats voor
+luchthartige zorgeloosheid, die vaak tot laksheid en lichtzinnigheid
+overslaat. In het Zuiden vindt men meer geestdrift en bezieling,
+meer durf en ondernemingsgeest, maar ook meer vermetelheid,
+wispelturigheid en ras getogen zelfvergenoegdheid. Het leven is er
+meer expansief, de gastvrijheid ruimer, het verkeer gemoedelijker,
+de toon inniger, de vreugde luidruchtiger, niet zelden leidend tot
+uitgelatenheid en buitensporig genot. Wij zochten de diepliggende
+oorzaak van dit verschil in het stamkarakter; daarbij mag men echter
+ekonomische, historische en religieuze invloeden niet uit het oog
+verliezen. Handel en nijverheid geven het volkskarakter een scherpe
+plooi; het zeemanswezen noopt zoo niet tot doortastendheid, dan toch
+tot degelijkheid en energie, terwijl de landbouw--lokaal bedrijf bij
+uitstek--behoudlievende gezindheid schenkt en gehechtheid aan oude
+gewoonten, zeden en overleveringen. De nederzetting in afzonderlijke
+hoeven kweekt zelfs niet alleen aanhankelijkheid aan eigen bodem, maar
+leidt in tegenstelling met het krachtig-uitbottend gemeenschapsgevoel
+der akkerdorpen, tot verregaand partikularisme. Op het kweeken
+van den eigenaardigen zelfstandigheids- en vrijheidszin met name
+in de Hollandsche, Zeeuwsche en Vlaamsche gewesten is ook wel van
+invloed geweest de vroegtijdige ontwikkeling der vrije steden met
+haar zelfstandig bestuur. De inwerking der religie blijkt b.v. uit
+de tegenstelling der min of meer sombere levensopvatting van den
+streng-Calvinistischen Veluwenaar met de blijde levenslust van den
+katholieken Limburger of Brabander. Zoo is ook de bevolking van het
+streng-protestantsche Marken ernstig en stug, die van het katholieke
+Volendam jolig, opgewekt en vroolijk.
+
+Maar ook elke stam, hoezeer vermengd, behoudt zijn eigenaardig cachet,
+stamkarakter, dat spreekt uit het gelaatstype. Weinig sprekend--het
+is waar--is over het algemeen het Friesche gelaatstype; maar de
+gedecideerde trek om den ietwat breeden mond en het terugwijkende van
+de breede kin verraadt toch vrij sterk die beslistheid, die vastheid
+en vastberadenheid, welke, tot stugheid en onbuigzaamheid aangescherpt,
+spreekwoordelijk werd.
+
+De Sakser is meer terughoudend, ook stroever en hoekiger, en hoekigheid
+van gelaatsvorm is dan ook kenmerkend voor het type. Daarbij geven de
+sterk ontwikkelde beenderen en het naar verhouding breede bovenhoofd
+den indruk van wilskracht en van zelfbeheersching, die zich ook in
+soberheid van woorden uit. Sober, terughoudend, berekend, eenigszins
+wantrouwend en wantrouwen wekkend is de Tucker bovenal. De somberheid
+en geslotenheid van het halle-huis heeft zonder twijfel zijn invloed
+op de bewoners doen gelden, maar niet minder de huiselijke innigheid,
+die deze woningsvorm kweekt en openbaart. Want moge het Saksisch
+karakter weinig rimpeling vertoonen aan de oppervlakte, het meet
+groote diepte en bergt een schat van zonnewarmte.--In de plaatselijke
+nuances weerspiegelt zich de verscheidenheid van het landschap: guller,
+goedhartiger, meer open is het karakter van den Graafschapper, stoerer
+dat van den Twentenaar, stijf en afgemeten de bevolking der Drentsche
+veendorpen; daarentegen stoelt de levendige en beweeglijke aard der
+kolonisten ten oosten van den Hondsrug op grooter internationaliteit
+van herkomst. Harmonie tusschen landschap en bewoners vindt men ook bij
+de sobere, stemmig, bij voorkeur donker gekleede, kalme Veluwenaars te
+midden van hun schrale heidevelden, en dat bij al de rasvermenging,
+waarvan de Veluwe getuige was. Zie ook de karakterschets van den
+Veluwenaar door Mr. C. A. Nairac, in zijn aantrekkelijk boekje:
+Een oud hoekje der Veluwe (Barneveld 1878), bl. 88 vlg.
+
+Sterk gedifferentieerd is vooral het Frankisch karakter. Wat ik van
+het Noordnederlandsche karakter in het algemeen gezegd heb, is voor
+het meerendeel meer in het bijzonder op het Hollandsch-Frankische type
+toepasselijk, en dit laatste heeft zich tengevolge van het staatkundige
+en godsdienstige overwicht van Holland--zij het ook maar officiëel--min
+of meer op de geheele natie afgedrukt. In Zeeland teelde de kruising
+van het blondine met het brunette type innigheid van temperament tot
+dolle hartstochtelijkheid toe, maar bezonken tot duurzaamheid van
+affektie. Spreekwoordelijk is ook Zeeuwsche rondheid, en niet ten
+onrechte. Konservatisme gaat gepaard met frisschen ondernemingsgeest,
+terwijl het stille element durf en ondernemingsgeest schonk. De
+Zeeuwen vormen als het ware de schakel tusschen Westvlamingen en
+Hollanders, en bij het zien van deze en dergelijke karakterketens,
+wier schakels door een som van overeenkomsten worden verbonden,
+denkt men onwillekeurig aan Joh. Schmidt's golf-theorie.
+
+Zoo vormen ook weer de Noord- en Zuidbrabantsche Franken den middelterm
+tusschen de Frankische kustbewoners en de Limburgsche, Ripuarische
+Franken. Gemoedelijkheid voert bij hen den boventoon, de volksaard is
+losser, levendiger, in het Zuiden mogen wij zeggen rumoeriger. Met
+het Brabantsche type worden de Franken meer gemoedsmenschen, breekt
+het sanguïnisch temperament door. In afzonderlijke hoeven voelen
+zij zich dan ook niet thuis; steeds scholen zij in dorpen en dorpjes
+samen op hun uiterst versnipperd grondgebied. De familiezin is sterk
+ontwikkeld, groot de eerbied voor het gezag, de godsdienst omsluit
+hen als een hechte band. Zelden verlaten zij hun dorp, want, vertelde
+eens een boer uit Wijk, zij beschouwen het als een groot verlies,
+ook maar éen dag den klokketoon van hun kerktoren te moeten missen.
+
+Ik kom eindelijk tot Oost-Brabant, Belgisch en Hollandsch Limburg,
+de Lijmers, de Overbetuwe. De Oostbrabanders typeert Dr. Van Ginneken
+in zijn Handboek der Nederlandsche taal (Nijmegen 1913) I, bl. 170 met
+den geur hunner boekweitvelden: in de verdrukking ietwat dof geworden
+zielsparfum.--Maar met dat zielsparfum gaat heel wat welgedaanheid
+en een voortreffelijke lichaamskultuur gepaard. Aan vroolijkheid
+geen gebrek, evenmin als in het Land van Maas-en-Waal en in de
+Overbetuwe. Zijn kulminatiepunt bereikt dit zuidoostelijk karakter
+bij de Limburgers, van wie genoemde taal-psycholoog t.a.p. deze fraaie
+schets geeft: "De Limburgers zoowel Zuid als Noord, West als Oost, zijn
+de Italianen van ons land. Juist als hun oude stamgenooten bij Keulen
+aan den Rijn, zijn zij lichthartiger en vroolijker, veel beweeglijker,
+veel veranderlijker, maar ook veel rijker van geest dan de Hollanders
+niet alleen, maar dan de Noord-Brabanders, Vlamingen en Antwerpenaars
+bovendien. Zij hebben veel meer met de Luiker Walen gemeen, die
+even wisselend en vol zijn als zij, met evenveel lust in feesten en
+optochten, gaarne opgewonden praten bij een glas zwaar rinsch bier:
+Lambiek of Maastrichtsch. Daarbij hoort en komt een levendige, dolle
+verbeelding, zich uitsprekend in allerlei vertellingen en sagen,
+en soms ook wel eens in tamelijk avontuurlijke daden. Veel aanleg
+voor zang en muziek. Velen kunnen het den Rijnlander Rückert nazeggen:
+
+
+ "Ein denkendes Gefühl, ein innerlicher Sang
+ Ist alles was ich bin, was mir zu sein gelang."
+
+
+Toch zijn ze verre van oppervlakkig en gewoonlijk veel scherpzinniger
+en geestiger dan hun Noordelijke taalbroeders, die ze, fijne
+menschenkenners als ze zijn, o zoo graag beetnemen, en bij wie ze dan
+wel eens niet zonder reden den indruk van sluwe geslepenheid wekken,
+die ze zelf liever als voorzichtige wijsheid betitelen. Veel geleerden
+van grooten naam zijn in Limburg geboren en getogen. In Limburgsche
+kloosters bloeien mystieke rozen. Ietwat neiging tot chauvinisne en
+opvliegende woede ontsieren dezen schoonen aanleg.
+
+Kortom tegenover de perseveratie of secundaire functie der Hollanders,
+wordt het temperament der Limburgers heel en al gedomineerd door de
+primaire functie: d.w.z. den oogenblikkelijken indruk. Bovendien zijn
+zij óók emotioneel, hoewel ietwat minder dan de Vlamingen, die mede
+door hun vlugger bewegelijker activiteit, evenals zij, scherp bij de
+kalme Hollanders afsteken".
+
+
+
+3. Kleederdracht en versierselen.
+
+
+Op de Tentoonstelling van Nationale Kleerderdrachten in 1878
+te Amsterdam gehouden vond men een merkwaardige verzameling van
+hetgeen aan eigenaardige karateristieke kleedij in Nederland nog
+voorhanden is. In het Rijksmuseum te Amsterdam zijn de voornaamste
+stukken dezer verzameling ondergebracht. Voor de studie van
+dit onderwerp verwijzen wij vooral naar Prof. J. H. Gallée, Het
+Boerenhuis, bl. 76 vlg (met Atlas); Johan Winkler, Oud Nederland
+('s Gravenhage 1888), bl. 105 vlg., 263 vlg.; Dr. J. C. De Kan,
+Zeeuwsche Kleederdrachten. Herinnering aan het bezoek van Hare
+Majesteit de Koningin en Hare Majesteit de Koningin-Regentes aan het
+eiland Walcheren (Middelburg 1894); en Albert Dubois, Types et Costumes
+(Bruxelles 1887). Over het algemeen geldt de opmerking, dat de oude,
+nationale kleederdrachten hoe langer hoe meer verdwijnen.
+
+_a_. In Friesland ziet men de korte jas en de korte broek alleen nog
+bij volksfeesten. De vrouw uit het volk draagt over hemd en borstrok
+_het onderst_, in Noord-Holland, om de Zuiderzee en in Drente _de
+kroplap_ genoemd: een vierkante lap, met een gat om het hoofd door te
+steken, terwijl op de borst een opening is aan den hals, die met knoop
+en lus gesloten wordt. Eigenaardig is de hoofdbedekking. Over de haren
+draagt de vrouw een wit mutsje, dan de zwartsatijnen muts, en hierover
+het oorijzer. Over het oorijzer ging de groote floddermuts. De lange
+floddermuts vindt men nog op de Zuidhollandsche eilanden; in Friesland,
+Groningen en Noord-Holland is zij korter en korter geworden. Bewesten
+Utrecht vindt men de Noordhollandsche muts met opgeslagen punten.
+
+Het Friesche _oorijzer_ was oorspronkelijk een ring, zooals nog de
+Zeeuwsche benaming "beugel" of "hoepel" getuigt. Inderdaad leeft
+in de Friesche oorijzers nog voort de Oudgermaansche hoofdband of
+diadeem; dit is bepaaldelijk betoogd door den Frieschen oudheidkundige
+J. H. Halbertsma in zijn opstel over Den Ring van Epe, Overijsselsche
+Almanak 1849. De oudste vorm der oorijzers was dan ook de volle
+ongebroken ringvorm. Deze vorm was wellicht in 1600 nog niet geheel
+buiten gebruik gekomen; althans op een afbeelding van Waterlandsch
+landvolk uit het jaar 1611 draagt een boerenmeisje nog zulk een
+hoofdring onbedekt over haar en voorhoofd; zie L. Splitgerber,
+Boerenkleeding omstreeks 1600, in De Oude Tijd 1874. Volgens Winkler
+is deze hoofdring tusschen 1000 en 1500 doorgesneden, opengebogen,
+waardoor hij werd tot een veerenden, steeds passenden hoofdbeugel.
+
+Een hoofdring, gevonden bij een grooten _cairn_ in de gemeente
+Lumphanan (Aberdeenshire) loopt, zooals Halbertsma in een tweede
+opstel: Ringmutsen en Oorijzers t.a.p. 1853, bl. 283 vlg. meedeelt, in
+twee geplatte vlakken uit, bestemd om op het voorhoofd te rusten. Deze
+uiteinden konden kruisend in elkander haken en versierden aldus
+het voorhoofd. Maar toen de mutsen zoo diep daalden, dat zij het
+boven-voorhoofd niet meer vrij lieten, moesten deze vlakken of knoppen
+ruimte maken. Men deed dit op tweeërlei wijze. Of wel men liet den
+hoofdring zijn volle lengte houden, maar hing de uiteinden bij de
+ooren schuins naar beneden om: van hier de naam "oorijzer". Deze
+wijze was wel de oorspronkelijke; zij karakteriseert het oorijzer
+van Groningen en Friesland, en ook in Holland waren blijkens de
+afbeeldingen in de XVIIe eeuw nog de smalle oorijzers met omgebogen
+punt in gebruik. Thans worden ze nog gedragen door de weezen in het
+Burger-Weeshuis van Amsterdam en in het Weeshuis van Delft. Maar men
+kon ook--en dit was de latere Hollandsche behandeling--den hoofdband,
+tevens verbreed, in een rechte strook laten doorloopen, maar den
+geheelen beugel zooveel inkorten, dat de knoppen niet verder dan de
+hoeken der oogholten reikten, waardoor het voorhoofd vrij en onbedekt
+bleef. In Noord-Holland worden de eenmaal omgebogen gedeelten, vierkant
+en plat, aan het breede oorijzer geklonken. Deze vierkante stukken
+heeten in Holland _boeken_ of _pooten_, in haakvorm _token_. Men
+gaf ze allerlei vormen, allerlei versierselen, als dierenkoppen,
+bloemvazen enz. In Groningen en Drente spreekt men van _stiften_,
+in Friesland van _knoppen_, in Zeeland van _stikken_. Daar, waar
+men de uiteinden omboog, liet niet zelden de weelde zich gelden, de
+haken al grooter en grooter te nemen en al meer en meer in te krullen:
+vandaar de kegelvormige spiralen, die men aantreft in Zeeland, op de
+Zuidhollandsche eilanden en in de streken om de Zuiderzee.
+
+De naam van het oorijzer schijnt vast verbonden aan den naam van het
+metaal, waaruit de oudste ringen vervaardigd werden: het ijzer. Men
+hoort ook "hoofdijzer", of kortweg "ijzer". Maar in werkelijkheid
+worden ijzeren oorijzers nergens meer gedragen. Thans zijn ze van
+koper, verguld koper, zilver of goud.
+
+Het verspreidingsgebied van het oorijzer is vrij groot. Behalve bij
+de eigenlijke Friesche bevolking vindt men het in Zeeland, om de
+Zuiderzee, en ook in Drente, waarschijnlijk van wege de Friesche
+dracht der marktcentra Groningen en Meppel. In België wordt het
+aangetroffen daar, waar men Frieschen inslag vindt, nl. in noordelijk
+Oost-Vlaanderen (in het Land van Waas en het Meetjesland), en in het
+grootste deel van West-Vlaanderen.
+
+Bij het oorijzer hoort de naald, oorspronkelijk even veelvuldig als
+de haarring; thans wordt ze steeds zeldzamer. Om de Zuiderzee is ze
+onbekend. Zij wordt ingestoken en heeft de gedaante van een halven
+ring, die om het halve hoofd sluit, hooger dan het oorijzer: smal
+aan het achtereinde, dat onder de muts en onder de bladen van het
+oorijzer gestoken wordt, breed en plat aan het vooreinde, dat op het
+vooreinde uitkomt. Zij is van goud en vaak met edelsteenen bezet. De
+naald mag in Noord-Holland en Friesland slechts door gehuwden worden
+gedragen. De boerin draagt ze slechts in vol ornaat. Andere, kleinere
+naalden worden terzijde van het voorhoofd gedragen.
+
+Eigenaardig is vooral de Friesche dracht op het eiland Marken. Tot
+het zesde levensjaar is er geen verschil in de kleeding van jongens en
+meisjes: zij dragen beiden de bonte kleeding der vrouw. Marken heeft
+een voorliefde voor bonte, sterk sprekende kleuren, evenals het oude
+Hindeloopen. Een jongen is slechts kenbaar aan de cirkelvormige vlak
+achter op het mutsje. Het meisje houdt dezelfde kleeding. Maar is zij
+grooter geworden en zijn haar eigen haren niet lang genoeg, dan hangt
+zij zich twee lange blonde krullen over de ooren. Voorliefde voor het
+bonte vindt men ook in de zuiver Friesche bevolking van Spakenburg
+en Bunschoten (Vgl. Gallée, het Boerenhuis bl. 82).
+
+_b_. In Zeeland is de vroegere kuitbroek nagenoeg verdwenen: voorheen
+droeg men ook zilveren gespen op de knie en op de schoenen. Aan
+het bovenlijf draagt de Zeeuw een gekleurden borstrok met twee
+rijen zilveren knoopen, aan den hals gesloten door twee gouden
+knoopen. Ook bleven bewaard twee of vier zilveren broekplaten, die
+men _broekstrikken_ noemt. Het hoofd wordt gedekt met een hoogen,
+eenigszins spits toeloopenden vilten hoed met kleinen omgeslagen
+rand. Onmisbaar is het mes met zilveren heft in de lederen scheede en
+de sierlijk gemonteerde houten pijpekast, die uit den broekzak steekt.
+
+De _Zeeuwsche knoop_ en gordel- of broekplaat gaan terug tot den
+primitieven doorn, dien de oude Germanen voor spang bezigden. Toen
+deze doorn vervangen werd door een metalen spang, ging men deze
+spoedig versieren, zooals de spangen, in de Friesche terpen gevonden,
+getuigen; zie Mr. P. Boeles in de Vrije Fries XX, bl. 431 vlg. De
+groote vorm dient om mantel of gordel vast te houden, de kleinere om
+lichte kleedingstukken te verbinden of op te sieren: de knoop. De
+knoopen vindt men in Zeeland en elders in het Friesche stamgebied;
+de gordelplaten slechts in Zeeland, om de Zuiderzee, op Urk en Marken
+en in Volendam. Deze versierselen vertoonen een spiraalbasis met
+ringen en knoppen van gevlochten draad. Een ander soort knoopen en
+platen hebben den vorm van halfronde bollen van plaatgoud, van boven
+belegd met knopjes in geometrische vormen of bol uitgeslagen. De aldus
+bewerkte knoopen worden aangetroffen in Zeeland, Zuid-Holland en om de
+Zuiderzee; de broekplaten in Zeeland, Staphorst en Rouveen en op Urk.
+
+De vrouwenkleeding is specifiek Friesch; het "onderst" heet in
+Zeeland _de beuk_: hierover draagt men een gekleurden omslagdoek met
+zijden rand. De haarbedekking bestaat uit ondermuts, oorijzer en
+bovenmuts. Het smalle oorijzer wordt hier _de beugel_ of _hoepel_
+genoemd. De gebogen gouden uiteinden noemt men de _krullen_ en zij
+hebben dan ook den vorm van een krul, van een spiraal of kurkentrekker;
+aan deze krullen hangen de gouden plaatjes, die men _strikken_ noemt,
+ronde, gouden plaatjes, plat, niet bol. Ook de naald ontbreekt niet.
+
+De ondermuts, hagelwit en van gebloemd katoen, met kantjes er aan,
+sluit netjes om de slapen, maar komt van voren een goed stuk uit
+de bovenmuts uit. Deze heet gewoonlijk _de langet muts_, ook in
+Zuid-Holland en in Groningen. Op Walcheren haalt men ze van achter
+met een lintje bij, reden waarom ze _trekmuts_ heet. Daarover draagt
+men aldaar een geelstrooien _kaphoed_, aan de achterzijde met een
+smaakvolle waaiervormige garneering van gekleurd zijden lint, en aan
+de voorzijde met loshangende linten van dezelfde stof. Zuid-Beveland
+onderscheidt zich door zijn zwierige bovenmuts. Zij is van terzijde,
+rond, breed-uitstaande, met een steunsel van karkas, bij het
+achterhoofd vierkant. De muts is bij de roomsch-katholieke vrouwen veel
+grooter en het onderste gedeelte van naar achteren afhangende kant;
+bij de protestanten loopt de muts in een boog door naar voren. In
+westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen (Cadzant, Aardenburg enz.) draagt men
+een karkasmuts met breeden, gelaat en kin omplooienden rand; zij is
+van kant of tule, en het achterstuk, het rabatje, heet kortweg _de
+kant_. Van beugel, strikken of krullen hier geen spoor.
+
+Zeer eigenaardig zijn in het land van Axel de hooge pofmouwen,
+eigenlijk ontstaan door het eigenaardig plooien van den doek. Hulst
+onderscheidt zich door den Vlaamschen klepmantel en de muts, die
+althans wat de slippen betreft, veel op de Brabantsche lijkt. Deze
+overeenkomst is weer opmerkelijk, maar kan goed op ontleening
+berusten. De min of meer kostbare kant, met _het pasje_ er aan, daalt
+langs de schouders naar beneden; maar van achteren komen die slippen
+eenvoudig tot den hals bij elkander en niet met een lange strook
+langs den rug, zooals bij het Thoolsche model. Vgl. Dr. J. C. De Man,
+Zeeuwsche kleederdrachten, bl. 11, 21, 36, 50, 57 enz.
+
+In België vindt men het oorijzer vooral noord- en oostwaarts van Brugge
+en langs de Noordnederlandsche grenzen, in het stadje Damme en in de
+dorpen Lapscheure, Oostkamp, Moerkerke, Dudzele, Heyst enz. Verder,
+zooals gezegd, in noordelijk Oost-Vlaanderen, in het Land van Waas
+en in het Meetjesland. In de eerste helft van verleden eeuw werd het
+nog gedragen door geheel het noordelijk en middendeel van Vlaanderen,
+tot Kortrijk en Poperinghe toe.
+
+_c_. Bepaalde eigenaardigheden vinden wij in het Zuiderzeegebied met
+zijn gemengde bevolking. Vooral in de omstreken van Kampen, Elburg,
+Harderwijk enz. vindt men de krullen en spiralen aan het oorijzer, die
+wij leerden kennen in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden. In dit
+gebied kent men verder, alweer evenals in Zeeland, de groote gordel-
+en broekplaten, en eindelijk den eigenaardiggevormden Zeeuwschen
+knoop, waarvan bl. 56, 57 sprake was. Het oorijzer is hier nauwelijks
+twee of drie vingers breed; de vorm van Staphorst en Rouveen kan als
+model gelden.
+
+In het Gooi en op de Veluwe tusschen Nijkerk en Nunspeet, daar waar
+de Keltisch-Frankische inslag wellicht het aanzienlijkst is, hebben
+de sloten der halskettingen een vierkanten vorm, en wel vooral bij
+de bevolking met donkere pigmentatie en met het Keltisch-Frankische
+huis. Meestal zijn dan negen knoppen in het vierkant aangebracht,
+omgeven door bladwerk, dat verbonden is door spiraalwerk. Een
+vierkanten vorm, maar met late motieven, vindt men ook van Twente
+tot in het Westland. Meestal zijn de sloten echter rond.
+
+Overigens komt de kleederdracht van dit gebied vrijwel overeen met
+die der andere bewoners om het bekken der Zuiderzee, die nog de oude
+dracht hebben bewaard. Tot het vierde jaar hebben de jongens en meisjes
+de dracht der vrouw, de jongens onderscheiden door een zilveren knoop
+onder de mouw, de meisjes door een rood koorden afzetsel aan de muts.
+
+_d_. Wij maakten reeds de opmerking, dat Drente de Friesche
+kleederdracht heeft aangenomen. Daarentegen heerscht in Overijssel
+en Gelderland de Saksische dracht. Ook hier is de korte broek
+verdwenen. Maar typisch is de _pijjekker_ of lange jas, die over
+het vest met dubbele rij knoopen gedragen wordt en tot ver over de
+grenzen te vinden is. De hoofdbedekking is de pet, eertijds was het
+de hooge hoed, die thans nog alleen voor staatsie dient.
+
+Het meisje draagt in de eerste jaren _de bonnet_, een zwarte, zijden
+muts. Daarna bestaat de hoofdtooi uit een ondermuts, wit of zwart,
+waarover de bovenmuts gaat. De witte bovenmuts of _knipmuts_ heeft van
+voren een geplooide, door karkas strak en uitstaande strook. Vroeger
+was die "streppel" heel breed, zegt W. H. Heuvel, Volksgeloof en
+Volksleven (Zutphen 1909), bl. 338, zoodat het hoofd als in een
+huifwagen wegdook; thans is hij smal en meestal zonder karkas. Achter
+hangt de kant in den nek af, vroeger kort, thans lang, vaak tot over
+de schouders. De muts zelf was vroeger met bloemen geborduurd. Bij
+feestelijke gelegenheden of bij kerkgang wordt hierover dan nog
+een stroohoed gedragen, waaraan twee linten met zilveren haak. Maar
+meestal draagt men thans over de muts een modernen hoed, en eveneens
+een modern kleed in plaats van het van voren laag uitgesneden wollen
+of linnen lijfje, dat op zijde werd vastgemaakt. Nog thans draagt
+men in het Overveldsche op de Veluwe over het jak een geplooiden
+wollen omslagdoek, die elders op den duur door de knoopdoekjes werd
+verdrongen.
+
+_e_. In het Frankische gebied zijn de mannen gekleed als in
+Gelderland. Bezuiden Roermond vindt men echter voor mannen- en
+vrouwenkleeding bijna overal de dracht der groote magazijnen. De
+blauwe kiel bij de mannen, zoowel in Nederland als in België, en de
+omslagdoek en het manteltje bij de vrouwen geven soms aan de kleedij
+nog iets eigenaardigs. Het witte mutsje met een gekleurd bloempje,
+dat de vrouw om het hoofd draagt, heet _het pläkske_. De mannen
+dragen veelal knevel, of knevel en baard, in tegenstelling met het
+gladgeschoren gelaat, waaraan men gewoon is in het Noorden.
+
+Terwijl het Land van Heusden wat betreft de vrouwenmuts meegaat met
+de Betuwe en Veluwe, waar immers de knipmuts domineert, is de gewone
+dracht in Brabant en Noord-Limburg de Brabantsche "groote muts",
+de zoogenaamde _huifmuts_. Over de gladgestreken haren gaat eerst de
+zwarte ondermuts. Dan komt de eigenlijke huifmuts, van tule, en hierop
+wordt de groote tuil bloemen en linten gelegd, dien men _de poffer_
+noemt; de geheele dracht is zeer kostbaar. Daarnaast heeft men nog
+een groote zwarte muts. In sommige plaatsen, b.v. te Bergen-op-Zoom,
+Ossendrecht enz., draagt men reeds de zwierige Vlaamsche muts met
+haar losplooiende, wuivende slippen, die wij ten deele ook in Zeeland
+hebben aangetroffen. Zie H. Hymans in Patria Belgica (Bruxelles 1875)
+III, bl. 755.
+
+Naast de Vlaamsche muts heeft men nog den Vlaamschen stroohoed met
+zijn eigenaardigen kapvorm en zijn linten versierselen en ontelbare
+spelden, door de landmeisjes óok in de omstreken van Antwerpen veel
+gedragen. Men treft hem verder nog aan op de grens, b.v. te Clinge,
+Stoppeldijk, Hontenisse enz. Elders, rond Brussel b.v., en wel in heel
+Zuid-Brabant, plooit men een doekje om het hoofd, dat onder de kin
+wordt vastgeknoopt. Algemeen vindt men den _neuzik_ of _neusdoek_,
+een vierkanten omslagdoek, gebloemd of gekleurd, die om de schouders
+gedragen wordt.
+
+Er resten nog twee vrouwelijke kleedingstukken te vermelden, die
+voor het meerendeel in België gedragen worden, slechts sporadisch
+in Nederland. Dat is vooreerst de falie, een kleedingstuk van
+zwarte zijde, met een rand van franje, waarmee men het hoofd omhult,
+terwijl de van voren elkaar kruisende slippen een soort van boezelaar
+vormen. Bij Bergen-op-Zoom en in de Langstraat wordt zij o.a. gedragen
+bij kerkgang; ook in Limburg is zij nog bekend. Bij kerkgang in
+engeren zin, d.i. wanneer volgens katholiek gebruik de kraamvrouwen
+kerkwaarts togen ter zegening van moeder en kind, droeg men tot voor
+enkele jaren in Limburg de bonte Schotsche shawl. De falie is niet
+onwaarschijnlijk van Spaansche herkomst en herinnert aan de artistiek
+gedrapeerde mantilla. De Vlaamsche huik, kap, of klepmantel, is een
+soort cloak van vrij dikke stof, die men 's winters en 's zomers bij
+regenweer draagt. De kap slaat men over muts en hoed. Voorheen werd
+zij ook in geheel Staats-Vlaanderen gedragen, thans nog slechts in
+het Land van Hulst.
+
+Eindelijk in Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van Nijmegen en in
+Zeeland, dus over de geheele uitgebreidheid van het Keltisch-Frankische
+gebied, worden hangers gedragen. Zij zijn vooral bij de katholieken
+in zwang om het kruis te dragen en bestaan doorgaans uit bladgoud
+met spiralen aan metalen kettinkjes. De hartvormige hanger heet _de
+schoef_. Merkwaardiger wijs vinden wij dezen hanger met eenigszins
+gewijzigden vorm ook weer in het Zuiderzeegebied (met het Gooi). Nauwer
+hangt dit gebied weer met Zeeland samen door een breeden platten ring
+met spiraalwerk van blaadjes. Daarentegen vindt men uitsluitend in
+Brabant en Limburg een eigenaardigen gouden of zilveren mantelhaak,
+die uit verschillende stukken is samengesteld.
+
+
+
+
+DE VOLKSRELIGIE.
+
+
+I. Volksreligie en Geestenwereld.
+
+
+Het kan niet in mijn bedoeling liggen hier het godsdienstig leven
+der bewoners van Groot-Nederland in zijn veelvuldige uitingen te
+schetsen. Hoe vreemd het bij den eersten oogopslag ook schijnen
+moge: "religie des volks" en "volksreligie" zijn niet synoniem. Deze
+laatste toch is spontaan uit het volk opgegroeid onder den invloed van
+christelijke, maar ook van heidensche voorstellingen en begrippen. Het
+religieuze denken en leven des volks vormt een machtig stuk van zijn
+kultuurbezit, terwijl de volksreligie, die alleen tot het domein der
+Volkskunde behoort, hiervan substraat of bezinksel is, vervorming,
+uitvloeisel of uitbreiding, ressorteerend onder het gebied der
+onderkultuur. Vandaar dat beide begrippen zich slechts dekken bij de
+natuurvolken: de volksgoddienst is heel hùn godsdienst.
+
+In de volksreligie zullen wij dus aantreffen een sterk uitgesproken
+synkretisme, een intensieve wisselwerking van heidensche en
+christelijke begrippen. Atributen van heidensche goden werden door het
+volk op Christen-heiligen overgebracht, heidensche legenden werden
+met christelijke persoonlijkheden verbonden. Anderzijds putte het
+kerkelijk geloof uit het volksgeloof, of steunde daarop, waar het
+gold heidensche gebruiken te kerstenen of met volksgebruiken haar
+feestkring en liturgie te verrijken. Waar het volksgeloof met het
+kerkelijk geloof in botsing komt, dus strikt-populair blijft, daar
+draagt het den naam van bijgeloof. Het ligt derhalve op onzen weg,
+dit bijgeloof nader te onderzoeken, alsmede den volksfeestkring,
+waar de wisselwerking tusschen de verschillende bestanddeelen der
+volksreligie het meest treffend tot uiting komt.
+
+Ik zeg: "waar het volksgeloof strikt-populair blijft", en bedoel
+hiermee: waar het een tegenstelling vormt niet het kerkelijk
+geloof. Maar zoo vaak loopen volksreligie en kultuurreligie parallel,
+kabbelt het beekje der religieuze volksopvatting en volksvereering
+rustig naast den stroom der kerkreligie voort, om niet zelden daarin
+uit te monden. Frissche, naïeve, dichterlijke opvattingen ontmoeten
+wij hier in groote getale, opvattingen, die innige vroomheid ademen
+en diepen godsdienstzin. Andermaal is een historisch-heidensche
+of animistische voorstelling dermate verzwakt, dat slechts een
+onschuldig residuum van naïeve volksverbeelding overblijft. Wie zal
+de volksvoorstelling laken, dat Sinterklaas bij het gieren en loeien
+van den Decemberwind op zijn schimmel heen rijdt over de daken,
+of het volksgebruik van het bekransen der laatste schoof of van den
+palmpaasch? Eindelijk, waar velen animisme speuren, zie ik niets dan
+dichterlijke uitdrukking, dichterlijke persoonsverbeelding, met name
+verpersoonlijking der natuur, waarvan elk animistisch begrip of elke
+animistische nuance verre blijft.
+
+In de volksreligie onderscheid ik in aansluiting met het bovengezegde
+een _natuurlijke_ en een _historische laag_.
+
+I. Op den bodem der _menschelijke natuur_ liggen de begrippen van
+Godsbestaan, vergelding, voortleven der ziel e.a. Men vindt ze niet
+alleen bij de kultuurvolken, maar--zij het ook in de grilligste vormen
+gehuld--insgelijks bij de minst beschaafde stammen.
+
+Daarenboven bevat het hedenclaagsche folklore de voortbrengselen eener
+steeds werkzame, rusteloos arbeidende, mythenvormende aandrift des
+volks, die eertijds zich voortbewoog op de dwaalwegen en kronkelpaden
+van het polytheïsme, die het hare bijdroeg tot het tot stand komen
+van menige mythische formatie van voorheen, maar die ook voor het
+heden nog een overvloedige bron is van volksreligie en magie. Vooral
+Wilh. Mannhardt heeft op dit bestanddeel de aandacht gevestigd
+in zijn Baumkultus der Germanen und ihrer Nachbarstämme (Berlin
+1877). Bij alle Noordeuropeesche volkeren, met name bij de Germanen,
+neemt hij een uitgebreiden daemonkultus aan in een voorhistorisch
+tijdperk. Deze kultus veronderstelt de primitieve wereldbeschouwing
+van het _animisme_: het toekennen van een ziel aan alle dingen,
+bewerktuigd en onbewerktuigd, gesproten uit een geestestoestand,
+waarin de mensch geen scherpe scheidslijn weet te trekken tusschen
+hem zelf en de hem omringende natuur. De kloof tusschen mensch,
+dier, plant, mineraal is bij zulke wereldbeschouwing overbrugd, er
+is geen plaats meer voor het wonderbaarlijke; het meest ongelooflijke
+lijkt niet meer dan natuurlijk. Menschen kunnen evengoed in boomen en
+rotsen veranderen als omgekeerd. Zie hierover verder mijne Essays en
+Studiën in vergelijkende godsdienstgeschiedenis, mythologie en foklore
+(Venloo 1910), bl. 51, 52.
+
+Uit het beschouwen van den plantengroei, zegt Mannhardt, heeft de
+mensch eertijds het besluit getrokken eener wezenlijke overeenkomst
+tusschen de plant en hem. Aan de plant schreef hij een ziel
+toe, gelijkvormig aan de zijne, en uit haar ontwikkelde zich de
+_Vegetationsdämon_, die in de Germaansche boomvereering zulk een
+gewichtige rol speelt. Van daar het gebruik, een boom te planten
+bij de geboorte van een kind; vandaar de gebruiken, die samenhangen
+met laatste schoof, meiboom, levensroede enz. Zij houden verband met
+een voortsluimerende, hoewel onbewuste vereering van den geest der
+vruchtbaarheid, die naar men eertijds geloofde in die voorwerpen zijn
+verblijf hield. Verlaat echter de boomziel haar gewone verblijfplaats,
+dan schenkt zij het aanzijn aan Wildemannen, Witte en Groene Juffers
+en dergelijke.
+
+Nu hoede men zich in deze voor overdrijving of generaliseering. Het
+animisme, òok het thans nog onbewust voorttierende, is ten slotte een
+primitief-wijsgeerige wereldbeschouwing, uit gebrekkige waarneming
+met nog gebrekkiger oordeel afgeleid. Maar bespiegelende wijsbegeerte
+is nog geen godsdienst, en dus gaat het niet aan van een werkelijken
+volkskultus te spreken, wanneer geen hooger bestanddeel aanwezig
+is. Men denke daarenboven, zooals reeds gezegd, aan de mogelijkheid
+eener figuurlijke opvatting, eener poëtische persoonsverbeelding,
+die m.i. in vele gevallen stellig aanwezig is. Moge b.v. met het
+gebruik van den meiboom, in zijn verschillende vormen, nog in zekere
+mate een vaag begrip van "boomziel" gemoeid zijn,--een "boomdienst" is
+dit stellig niet meer. Ook weten wij, dat parallel met het Christendom
+onder den vorm van bijgeloof een zeker volksgeloof aan de huisgeesten
+bleef voortwoekeren, nu eens welig uitbottend, dan weer door gezonder
+leer besnoeid. Maar men zal mij moeten toegeven, dat de vorm van
+dit volksgeloof in de vereering--zoo daarvan sprake kan zijn--van
+het gemoedelijk volkje der aardmannetjes en kaboutermannetjes op
+vaderlandsche bodem al bizonder onschadelijk is.
+
+II. Volgens het zooeven gezegde zullen wij in de _Germaansche
+Mythologie,_ die in zoo nauwe betrekking staat tot het hedendaagsche
+folklore, een tweevoudig bestanddeel moeten onderscheiden: een
+lagere en een hoogere mythologie. Naast animisme in engeren zin,
+d.i. zielengeloof en zielenvereering, voor een groot deel veroorzaakt
+door den drang om het levensbeginsel, bij den dood geweken,
+weder te vinden in de omringende natuur, bloeide een uitgebreide
+daemonkultus; deze stoelde eveneens op genoemde primitief-wijsgeerige
+wereldbeschouwing, maar werd als kultus voor een groot deel door
+erkenning van het hoogere in de natuurkrachten te weeg gebracht. Aldus
+werden geboren de wind- en berggeesten, aldus de woud- en watergodheden
+der Oude Germanen.
+
+Ziedaar den oorsprong van menige formatie in onze
+volksreligie. Zielengeloof verklaart op de beste en eenvoudigste wijze
+het verwijlen van koningen en andere lievelingen des volks in rotsen en
+bergspelonken: men denke slechts aan Barbarossa, Hendrik den Vogelaar,
+Karel V, Karel den Grooten in Duitschland, koning Artur in Engeland,
+koning Olaf in Zweden, maar ook aan de Venus- en Hollebergen, waar
+de zielen huizen onder den schepter der doodsgodin. Want Holle,
+de vrouwe in het wit, is de doodsgodin. Tusschen het dorp Elspeet
+en de buurtschap Uddel (G.) bevindt zich een hoogte, bekend onder
+den naam van _de hulde_ of _het hul_, verdeeld in een kleine en
+groote hul. Men heeft getracht deze benaming te verklaren als
+verbastering van het Engelsche _hill_ "heuvel". Evenwel, "daar de
+legende zich ook aan deze plaats heeft vastgeknoopt en zegt, dat een
+reus daar eens het overtollige zand uit zijn klompen heeft geschud;
+daar het bovendien vreemd zou zijn, dat juist die éene heuvel een
+Engelschen naam ontving, moet men aan eene andere afleiding denken":
+Dr. L. Knappert, De Beteekenis van de wetenschap van het Folklore
+voor de Godsdienstgeschiedenis (Amsterdam 1887), bl. 157. Ik ga met
+schrijver akkoord, wanneer hij hier aan Holdavereering denkt.
+
+Want Vrouw Holle is de koningin der _elfen_: deze toch, de lievelingen
+der volksfantasie en der dichtkunst, zijn zielen der afgestorvenen,
+zijn dus van animistischen oorsprong in engeren zin. Troepsgewijze
+wonen zij bij elkaar, niet slechts in de bergen, maar ook in
+bosschen en rivieren. Zij komen uit Elfenheim of Engelland. Ook hun
+eigen koning hebben ze, den _Alfen-, Ellen_- of _Erlen_-koning, in
+het Fransch _roi des aunes_. Het woord _elf_, Middelnederl. _elf_
+of _alf_, Angelsaks. _aelf_, is verwant met het Oudindische _rbhu_
+"geest, ziel van een afgestorvene". In onze Middelnederlandsche
+letterkunde zijn zij uitermate bekend, maar slechts in de ongunstige
+beteekenis van kwelgeesten of bedrieglijke schijnbeelden, zoo b.v. in
+de Sotternije van Lippijn 105:
+
+
+ Wat duvel heeft God die werelt gheplaecht
+ Met alven ende met elvinnen.
+
+
+En aldaar 146:
+
+
+ Wat! ben ic dronken van den biere
+ Ochte vlieghen dalve achter straten?
+
+
+Zie over dit onderwerp vooral de verhandeling van Dr. L. Knappert in
+De(n) Tijdspiegel 1898 II, bl. 353 vlg., III, bl. 29.
+
+Vele trekken van Holda en haar stoet zijn overgegaan op de _Witte
+Vrouwen_ met haar sterk animistischen grondtoon. Men kent ze in
+Engeland, Duitschland en Oostenrijk, maar ook in ons land. Kiliaen
+neemt ze in zijn woordenboek op; de Teutonist noemt ze _guede holden_
+en _belewitten_, dit laatste oorspronkelijk benaming van goede geesten,
+later van tooverheksen: zie hierover het opstel van Prof. J. W. Muller
+in Volkskunde XIX, bl. 8 vlg. De predikant Jan Picardt geloofde vast
+aan haar en spreekt het anathema uit over allen, "die door ignorantie
+van oude dingen voor fabeltjes houden al wat van deze witte wijven
+verhaalt wert." Vooral in het Oosten van ons land zijn de _Witte
+Wiêven_ bekend, met name in Gelderland en Overijssel. Op de Lochemsche
+bergen kent men een Witte-wijvenkuil. V. D. Bergh beweert in zijn
+Kritisch Woordenboek op bl. 361, dat zij bekend zijn "in N.-Brabant,
+Gelderland, Overijssel, Drenthe, Groningen, Friesland en het dus
+genoemde West-Friesland of N.-Holland", en, naar hij, meent, ook in
+Zeeland. "In het eigenlijke Holland en Utrecht" heeft hij daarvan geen
+sporen aangetroffen. Zij wonen in heuvelen, _wiêvenbelter_ geheeten,
+meestal drie bij elkaar, soms talrijker, zeldzaam éene afzonderlijk;
+zoo wonen zij te Buurse (O.) in den _Langenbelt_, en daar worden
+nog eigenaardig-gevormde pijpjes gevonden, waaruit zij rookten. Te
+Vriezenveen (O.) huisden zij op de _Jöst_. Niet zelden klopten zij
+'s avonds aan en vroegen dan om een _balkenhaze_ (kat); bij weigerend
+antwoord oefenden ze wraak, drongen met gloeiende breinaalden in het
+varkenshok en doodden de zwijnen. Zelfs door het riemsgaatje konden
+zij binnenkomen: Driem. Bladen I, bl. 66, 101, 103; II, bl. 1. Eens
+is het gebeurd, toen een boer bij maneschijn over de eenzame Groot
+Driener heide reed (O.), dat in een oogwenk drie witte vrouwen uit
+haar geheimzinnige verblijfplaatsen verrezen. De boer, goed geluimd,
+sprak haar toe:
+
+
+ Witte wiêven wit!
+ 'k Wol oe wal broan, maar hebbe geen spit;
+ En um da'k neet hebbe en spit,
+ Roop ik moar: witte wiêven wit!
+
+
+Hierop antwoordden de geesten: "Wacht tot da' we deene schoband to
+eknupt en doare' to erukt hebt". Maar de boer was zoo verstandig,
+niet te wachten, anders was het hem slecht gegaan. Aldus Halbertsma,
+Overijss. Alman. 1837, bl. 242.
+
+Elders worden zij _Witte Juffers_ genoemd. Dr. L. Jansen heeft
+verhaald over "de witte Juffer van Monferland", een berg, rond en
+begroeid, gelegen aan den weg van Doesburg naar 's Heerenberg (G.),
+zie Geldersche Volksalm. 1842, bl. 192 vlg. Volksverhalen van Witte
+Juffers zijn ook in Limburg niet schaarsch. Zij vertoonen zich graag
+bij warmen zonneschijn en helder maanlicht aan jonge schaapherders en
+koewachters, kammen het lange haar, kloppen vlas, hekelen, spinnen,
+en wijzen, stampend met den voet, de plekken aan, waar een schat
+bedolven ligt. De Limburgsche volkskundige H. Welters verhaalt in zijn
+Limburgsche Legenden, Sagen, Sprookjes en Volksverhalen (Venloo) I,
+bl. 213 van de Witte Juffer van het "Gebroken Slot" bij Grubbenvorst;
+Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven (Leeuwarden 1895) I,
+bl. 120 van het Juffershout ten noorden van Sint Anna-Parochie,
+en van de Juffersbrug te Harlingen.
+
+Tot de elfen behooren ook de _dwergen_ of _aardmannetjes_, in Noord-
+en Zuid-Nederland overbekend. In de volksfantasie leven of leefden
+zij voort als oude mannetjes, klein van gestalte, met langen, grijzen
+baard en in het grijs gekleed: immers, evenals alle elfen ontleenen
+zij het kostuum aan hun omgeving. Zij huizen in de bergen en wellicht
+wijst de kap, waardoor zij zich onzichtbaar kunnen maken, op den nevel,
+die de bergen aan het oog onttrekt.
+
+Overdag korten zij den tijd met spel en zang in hun ondergrondsch
+verblijf; het is een jolig, snaaksch, doch tevens listig, sluw,
+bedreven volkje. In Belgisch Limburg bewoonden zij de konijnenpijpen,
+vooral in den Alverberg bij Diepenbeek; in Hollandsch Limburg de
+zoogenaamde _haagten_, d.i. onderaardsche gangen. Zulke bestonden
+o.a. te Geleen, Stein, Echt, Reuver, Brunsum en Hoensbroek, waar
+men nog een Auverberg en een Auvermoerbeek heeft. Ook huisden zij
+op den Krekelsberg te Roggel, op den Pijpenberg te Haelen, en op
+den Spekberg te Steijl. Te Venloo vertelde men vroeger, dat de
+aardmannetjes te middernacht op het fort Beerendonk uit den grond
+kwamen en dansten. Want slechts des nachts wagen zij zich buiten,
+zij schuwen het daglicht, en zoo wordt de animistische grondtrek
+van hun karakter weer duidelijk zichtbaar. Een Alverberge bestaat in
+Zuid-Brabant o.a. te Bekkevoort en te Lubbeek.
+
+Over het algemeen zijn zij hulpvaardig en dankbaar voor bewezen
+diensten. In Vlaanderen wasschen zij al het linnen op éen nacht,
+in Belgisch en Hollandsch Limburg schuren zij het koper- en tinwerk
+blank. Nog weet men rond Hasselt te verhalen, dat huisvrouwen
+en meiden potten en pannen naar een bepaalde plaats brachten, en
+daar ter vergoeding eenige centimes en een zakje tabak neerlegden:
+want zij rookten uit kleine, typische pijpjes. Ook in Antwerpen,
+en Brabant zijn zij bekend, b.v. te Mechelen, Leuven, Aerschot,
+Turnhout, Ghyseghem, Tremeloo en Herselt, waar sommige hunner ook wel
+in bosschen woonden. Dit geldt ook voor de Veluwe; in het Soerensche
+bosch b.v. droeg een plaats den naam van _Aardmanshegge_.
+
+De aardmannetjes heetten ook _alvermannekes, auvermannekes, laplanders,
+klablers, roodmutsjes, Jan met de roode muts, bergmannetjes,
+heuvelmannetjes_ enz.; een vrij volledige lijst geeft De Cock in
+zijn Brabantsch Sagenboek I, bl. 183. Te Groningen noemt men ze de
+_'Aimpies_, in Vlaanderen ook _de Alven_. Vandaar de uitdrukking: "gij
+zult door d'Alven geleid worden", d.i. door de geesten, die iemand
+het spoor doen bijster worden. Misleiding wordt ook toegeschreven
+aan _den Dalf_ in het land van Aalst en aan _den Als_ in de buurt
+van Dendermonde. Volgens Lenaerts, De verdwijning der Alvermannetjes
+(Antwerpen 1898), bl. 136, moet _den Alf_, geest, die 's nachts de
+reizigers misleidt, wel degelijk van de Aardmannetjes gescheiden
+worden. Zie nog Ons Volksleven I, bl. 66, VIII, bl. 213, IX, bl. 160;
+Volk en Taal III, bl. 89; IV, bl. 57, 123; Wolf, Niederl. Sagen,
+no. 3 474, 475, 476, 479.
+
+Eigenlijk verschillen van deze groep de _kaboutermannetjes_, ook wel
+_boezemannen_ en _kobolden_ geheeten. Zij zijn aan het huis gebonden
+en vertoeven meestal in de daksparren. Hulpvaardig staan zij den boer
+in het ploegen van het land, den molenaar, den timmerman enz. in al
+hun bezigheden ter zijde. Hun intiem, huiselijk karakter spreekt sterk
+uit de opvatting, die men in Noord-Holland (Zuiderwoude, Koog aan de
+Zaan, Tessel, enz.), luidens de mededeeling van Dr. Boekenoogen, van
+de _klabouters_ of _nachtwerkertjes_ had. Veelal werd ter vergelding
+voor de goede bewezen diensten eten neergezet. Dit bestond in een
+schoteltje met melk, en men plaatste het in een blindvenster, dat
+is: het terzijde van den schoorsteen in de tegels gemetselde nisje;
+zie Volkskunde XXI, bl. 221 vlg.
+
+Eertijds, bij het hooren van de echo, meende men de stem der
+aardmannetjes te vernemen. Thans zijn zij grootendeels verdwenen, het
+volk zegt, omdat zij het luiden der klokken niet konden verdragen.--
+Vgl. Wolf, Niederl. Sagen, nos 206--211, 477, 478; V. D. Bergh,
+Woordenb. 120; Gittée, Nederl. Museum II, 2 bl. 352; Welters,
+Limb. Legenden II, bl. 25; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 59.
+
+De watergeesten bij uitstek zijn wel de nixen en _meerminnen_. Zij
+bezitten de proteusnatuur en de gave der voorspelling. Wandelt men
+'s avonds langs het water, dan hoort men veelal haar stem. Vaak ook
+weerklinkt haar verlokkend gezang in het stille van den nacht en
+trachten zij de menschen in het verderf te storten. De beleedigde
+waternix vooral weet zich te wreken. Haar wezen is identiek met dat
+der oude Sirenen.
+
+Wellicht wijst op dit volksgeloof de naam van een bosch in de
+nabijheid van O.L. Vrouw-Waver, nl. "de Meermin"; zie Volkskunde
+XXII, bl. 68. Volgens een oude overlevering zou ook Muiden eens met
+een meermin hebben kennis gemaakt, die, uit de Zuiderzee opgedoken,
+dezen vloek over de stad zou hebben uitgesproken:
+
+
+ Muden sal Muden bliven
+ Muden en sal noit bekliven.
+
+
+Naar men weet, heeft Muiden als wapen een blauwen paal op zilveren
+schild, vastgehouden door twee meerminnen.--In de groote kerk te Edam
+op een der beschilderde glazen achter den preekstoel is een meermin
+afgebeeld; terwijl de Purmerpoort aldaar een konterfeitsel vertoonde
+van het "groene wijf", met dit bijschrift:
+
+
+ Dit beeld hier opgericht tot een gedachtenis
+ Wat in het Purmer-meyr voorheen gevangen is.
+ Anno 1403.
+
+
+Immers, volgens de legende werd in dat jaar in de Zuiderzee een
+monster gevangen met de gedaante eener vrouw, geheel met groen
+mos begroeid. Naar Edam gebracht, leefde zij nog eenige jaren. Zie
+F. W. Drijver, Mozaïek (Groningen 1906), 3e druk, bl. 202.
+
+Belangrijker is het stellig na te gaan, wat van dit volksgeloof aan
+watergeesten nog rest. Spoken bant men in Belgisch Limburg naar de
+_weiers_ (vijvers), wat wijst op hun karakter en herkomst. Ook kent
+men de _Grijze Meer_. Kinderen maakt men bang met den _waterwolf_,
+om het spelen aan het water tegen te gaan. In Vlaanderen dragen de
+watergeesten den naam van _nekkers_. Ook in Overijssel worden of
+werden nog voor betrekkelijk korten tijd geesten geacht in vijvers
+hun verblijf te houden, zoo b.v. te Zwolle de _watersnaak_.
+
+Wat betreft de in België niet onbekende _boschnimfen_, die in
+Duitschland de typische benamingen van _Moosfräulein, Wald-weiblein,
+Selige Fräulein_ e.a. hebben, deze behooren tot de windgeesten. In
+Noord-Bohemen heeft de boschnimf de gedaante van een stokoud
+moedertje, met sneeuwwit, wild rondfladderend haar en bloote
+voeten. Zij steunt op een knoestigen stok en schenkt gele blâren,
+die in goud veranderen. Wanneer in de lente en in den herfst ijle
+nevelgedaanten uit het gebergte opstijgen, wanneer "der Wald raucht",
+dan pleegt men te zeggen: "Das Buschweibchen kocht".
+
+'s Winters, als de stormwind over onze lage landen heenvaart en door
+'t geboomte huilt en fluitend over de daken en om de schoorsteenen
+giert, dan stormt het geestenheir door het luchtruim. Het is de _Wilde
+Jacht,_ die in de volksverbeelding een zoo voorname plaats inneemt. De
+voorstelling is ooroud en ook niet uitsluitend Germaansch. In de hymnen
+van den Rig-Veda vinden wij als aanvoerder den windgod Vâyu-Indra
+aan het hoofd van zijne _Maruts_. In de Germaansche landen voerde
+Wôdan op zijn schimmel _Sleipnir_ het geestenheir aan. In den loop
+der tijden hebben vele persoonlijkheden aan Wôdan deze eereplaats
+betwist: in Engeland koning Artur, in Skandinavië koning Waldemar,
+in Sleeswijk koning Abel. Frankrijk heeft de Germaansche voorstelling
+overgenomen en op Karel den Grooten en Karel V toegepast; volgens
+een Bourgondisch gedicht uit de XVIIe eeuw rijdt Charlemagne aan de
+spits van het geestenheir, terwijl Roland het vaandel draagt.
+
+Over geheel Duitschland is de sage van een vervloekten jager
+verspreid, die, wegens het schenden van den Zondag, gedoemd werd,
+met zijn honden achter zich, door het luchtruim te jagen tot den
+jongsten dag. Hij draagt den naam van _Hackelberg_, uit _hackel
+bärend_ "mantel dragend". Het Limburgsche folklore kent deze figuur
+onder de benaming van "Henske met de hond"; "Henske" wordt ook
+als duivelsnaam gebezigd. In Gelderland spreekt men plaatselijk
+van de _Berndekesjacht_, en wordt als voorrijder genoemd _Dirk met
+den beer_. Men meent te onderscheiden het gekrijsch van vogels en
+verwijderd hondengeblaf. Wanneer op een hoeve "d'n bòvenste neendure"
+'s avonds wat laat open blijft, vliegt de Wilde Jacht wel eens
+daarbinnen om uit te rusten. Ook hier leeft nog de legende, dat het de
+jachtstoet is van een tot eeuwigdurig jagen gedoemden Zondagsschender;
+vergel. Driem. Bladen III, bl. 3.
+
+Somtijds, zooals plaatselijk in Hollandsch Limburg, is van een
+aanvoerder volstrekt geen sprake, en dan openbaart zich de volksmythe
+in haar ruimsten, wellicht ook in haar oudsten vorm. Veelal bestaat
+het geestenheir uit de zielen van ongedoopte kinderen, of wel uit
+dronkaards en allerlei soort misdadigers, zooals de _Aasgaardsreia_
+in Noorwegen. In Belgisch Limburg spreekt men van _Helsche Jacht_ of
+_Helsche Wagel_, ook wel van _Turkusjacht, Kluppeljacht, Tieltjesjacht_
+(Hageland) en, evenals rond Leuven, _Tilkesjacht_: wonderschoone
+muziek, maar als men slechts een woord spreekt, houdt ze op. Naar men
+weet, verbreekt de menschelijke stem in het volksgeloof den ban van
+de geestenwereld, van het bovennatuurlijke: vandaar, dat volstrekt
+stilzwijgen gevorderd wordt bij het schatgraven, waterscheppen,
+oudtijds bij het offeren enz. In Vlaanderen verklaart men het
+geheimzinnige gerucht als de muziek van heksen of vrijmetselaars, die
+zich naar hun vergaderplaats begeven. In Drente en Groningen geloofde
+men aan een "vurigen" of "gloeienden" wagen, met vier of zes honden
+bespannen,; en insgelijks sprak men van een "ijzeren" wagen, onder
+vreeselijk geraas gemend door een voerman van ontzettende gedaante,
+rijdend tusschen Nijkerk en Letterbert. In de Overbetuwe kende men
+den _Helwagen_, te Zwartewaal in Zuid-Holland den _Oogstwagen_ met
+overeenkomstige beteekenis. Zie verder Ons Volksleven II, bl. 9;
+'t Daghet in den Oosten II, bl. 167, 191.
+
+Een animistisch karakter vertoont ook de _weerwolf_, letterlijk
+"manwolf", immers het eerste gedeelte komt overeen met het Gotische
+_wair_ en het Latijnsche _vir_, dat wij ook nog hebben in ons
+"weergeld" d.i. "man-geld." De term "Lykanthropie" is van het
+overeenkomstige Grieksche woord afgeleid.
+
+De weerwolf-mythen hebben alle Indogermaansche volken gemeen; vooral
+vindt men ze in grooten getale bij de Slaven, waar zij nauwverwante
+trekken met onze heksen en vuurmannen vertoonen; zie b.v. Fr. Kraus,
+Volksglaube und religiöser Brauch der Südslaven (Munster 1890),
+bl. 112. Den Slavischen weerwolf slacht vrijwel diens naamgenoot op de
+massale dijken langs Lek en Waal. De Betuwsche weerwolf, zegt Marie
+Ramondt in Volkskunde XXIII, bl. 161, heeft niets menschelijks meer;
+hij is niet de "man-wolf van onze andere landouwen, hij is een hond met
+gloeiende oogen en een vurige tong, zooals Kludde uit de Brabantsche
+sagenwereld, en evenals deze loopt hij op zijn achterpooten en rammelt
+met een ketting.--Deze _Kludde_, die, naar het schijnt, benoorden
+Brussel, en bezuiden Brussel onder den naam van _Lodder_, de plaats van
+den weerwolf inneemt, houdt eigenlijk het midden tusschen weerwolf en
+vuurman. Te Aalst en omstreken heet hij _Kledden_, te Brecht _Klodde
+met zijn bellen_. Van bedriegers, die als weerwolf rondloopen, zegt men
+dat zij "Kledden-loopen." Ook komt hij wel overeen met den grappigen
+Gelderschen _Stoep_, die den verschrikten wandelaar voortdurend op den
+rug springt. Zie De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek (Gent 1909)
+I, bl. 82 vlg.; Ons Volksleven V, bl. 147; X, bl. 142.
+
+Het volk houdt zich vast overtuigd van de waarheid, dat sommige
+personen de gave bezitten zich op bepaalde tijden, meest omstreeks
+Kerstmis of St. Jan, in wolven te veranderen: de wolf is een mythisch,
+daemonisch wind- of neveldier, zooals uit exotische gegevens voldoende
+blijkt. De verandering in een wolf heeft plaats door het aanleggen
+van de wolfshuid of den wolfsgordel--men vergelijke het aanleggen
+van het zwanenhemd--, in de volkstaal kortweg "het vel" geheeten;
+vgl. de uitdrukking "uit zijn vel springen", waarover Prof. Verdam,
+Sporen van volksgeloof in onze taal en letterkunde, in de Handel,
+van de Maatsch. d. Nederl. Letterk. te Leiden 1897--98, bl. 46.
+
+Ons folklore is rijk aan verhalen, waarin op het middernachtelijk uur
+het wolfsvel uit den schoorsteen op het vuur valt. Het verbranden van
+de huid brengt de verlossing. Deze en dergelijke sagen zijn wijd en
+zijd verspreid; in België, vooral in Vlaanderen en Limburg, ten deele
+in Brabant, met name te Aerschot, Liedekerke, Hoogstraten, Hubertingen
+en Maaseik; in de sagen van Belgisch en Hollandsch Limburg is de
+weerwolf niet onkwetsbaar. Te Ohe en Laak b.v. bracht een jager hem een
+zware wonde toe, en, het bloedspoor volgend, vond hij in een hut een
+man liggen, die in de zijde doodelijk getroffen was. In Nederland kent
+men den weerwolf in de provincies Limburg, Noord-Brabant, Friesland,
+in de Graafschap, Salland enz. Van de zeven na elkaar uit hetzelfde
+huwelijk geboren zoons of dochters is de zevende een weerwolf. Men
+erkent hem o.a. aan eenige vezeltjes doek, die hij steeds tusschen
+de tanden heeft. Ter bezwering trekke men met den voet een streep
+over den weg, zeggende: "Als ge van God komt, dan nader; als ge
+van den duivel zijt, dan blijf vóor de streep." Hij toont zich ook
+dankbaar voor bewezen weldaden; zie Volk en Taal I, bl. 48; verder
+III, bl. 209, IV, bl. 5. Vergel, ook H. Welters, Limb. Legenden II,
+bl. 38 vlg.; De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek I, bl. 93; Panken,
+Noordbrab. Sagen (Brecht 1893), no 42 vlg.; Rond den Heerd IV, bl. 2.
+
+Nauwverwant is de _mare_ of nachtmerrie. Het Middelnederl. _mâre_,
+nog in Hollandsch Limburg en Zuid-Nederland gebruikelijk, is
+verwant met het Oudhoogduitsche en Oudnoorsche _mara_ en beteekent
+"nachtspook, nachtbelemmering"; in Noord-Brabant spreekt men dan ook
+van _nachtmaar_. Het woord is waarschijnlijk afkomstig van een wortel,
+die zoowel in ons _meren_ "vastleggen, binden", als in _marren_
+"talmen, dralen" steekt. Met ons woord _alfdruk_ vergelijke men het
+Fransche _cauchemar: cauche_ is afkomstig van het Latijnsche _calcare_
+"drukken".
+
+Wat bewoog het volk, de termen _nachtmare_ en _merrie_ in verband te
+brengen? De ziekelijke verbeelding van den slapende of droomende stelt
+zich den drukkenden, haast tastbaren last, die zijn borst beklemt en
+zijn adem belemmert, onder allerlei dierlijke en menschelijke gestalten
+voor, doorgaans van het vrouwelijk geslacht. Meestal is het een paard,
+een _merrie_, die den slapende _berijdt_, vandaar de uitdrukking:
+_marenrit_. Bij ons te lande hoort men de verwensching: "Ik wou, dat
+je de maar reed". Taalkundig hebben wij hier dus te doen met een geval
+van zoogenaamde volksetymologie: het volk verbindt _mare_ met het niet
+vermaagschapte _merrie_; godsdiensthistorisch met den slaap en droom
+als mythologischen faktor, waarop het eerst door Laistner gewezen is.
+
+Deze nachtelijke kwelling wordt veelal aan heksen of aan den duivel
+toegeschreven, maar oorspronkelijk aan luchtelfen. Zij plagen niet
+slechts de menschen, maar ook het vee, met name de paarden. Zijn de
+paarden 's nachts door de _maar_ gereden, dan vindt men ze 's morgens
+nat bezweet en met gevlochten manen en staart op stal staan. Het kan
+gebeuren, dat men de _maar_ in den stal verrast; dan zit ze onder de
+krib, te Heerlen onder het paard zelf, in de gedaante van een oud wijf,
+dat bezig is, met het haar te kammen.
+
+Afweermiddelen zijn de volgende: men laat een kaars branden, of
+plaatst een mes op de borst, met de punt omhoog, of men zet de
+schoenen omgekeerd voor het bed. Op de Veluwe raadt men een vrouw,
+bij het naar bed gaan den stoel te verzetten, waarop haar kleeren
+liggen. Daar en in Overijssel bevestigt men ook als afweermiddel een
+paardekop boven den stal, op welks beteekenis ik nader terugkom. Men
+beveiligt de paarden ook, door ze te bestrooien met garst; dan is de
+kwelgeest den volgenden dag in de schuur achter de wan te vangen. In
+België nam men een handvol zand en strooide dat in het vertrek rond;
+dan moest de nachtmerrie verschijnen. Teenstra, Volksverhalen bl. 52
+verhaalt ook, dat men een pannekoek bakte: was er een nachtmerrie in
+huis, dan kon die koek niet gaar worden en kwam geschonden uit de pan.
+
+Ook marentakken (_viscum album_) houden de nachtmerrie uit den
+stal. Berust dit op het algemeene beginsel der sympathie, in dit
+geval taalkundige overeenkomst tusschen afweermiddel en te bannen
+voorwerp? Of heeft de misteltwijg zijn naam ontvangen, òmdat hij
+de mare afweert, of omdat zij op zijn bladeren uitrust--als op de
+korenhalmen of de hop,--of dewijl hij den boom drukt evenals de mare
+den mensch? Wij komen op dit punt nader terug bij het behandelen
+der Plantlore.
+
+Gaat de mare uit rijden, dan verlaat ze het lichaam als een bij, kever,
+vlinder enz., en keert ook weer in deze gedaante terug. Te Vilvoorde
+vertoonde zich de mare eens onder de gedaante van een klein diertje,
+een vinger lang en zeldzaam gevormd, dat van verre kwam aanloopen
+en een slapende vrouw in den mond kroop. Men ziet, hoe luidens de
+volksopvatting de ziel het lichaam verlaat, althans kàn verlaten
+gedurende den slaap. Dit geloof is wijd en zijd verbreid. Soedaneezen
+zagen eens uit den mond van een slapende iets kruipen ter grootte van
+een krekel, zich op weg begeven naar een sadagoristruik en weer den
+neus binnensluipen; zie Wilken, Het animisme bij de volken van den
+Indischen Archipel (Leiden 1885), bl. 16. Vaak neemt de ziel ook de
+gedaante eener muis aan: de zielen der bannelingen vervolgen Hatto
+van Bingen als muizen; als muizen verdwijnen de kinderen, door den
+rattenvanger van Hamelen gelokt. Vergel. mijne Essays en Studiën,
+bl. 83, 90 en een artikel in Volkskunde XIV, bl. 1 vlg.; Wolf,
+Niederl. Sagen nos. 249, 253, 254, 515, 563; Ons Volksleven XI,
+bl. 132; Biekorf V, bl. 301.
+
+De woordafleiding en de mythische oorsprong der spookachtige wezens,
+die men _heksen_ heet, ligt vrijwel in het duister. Slechts mag
+men--hoe sterk het heksengeloof ook met Christelijke bestanddeelen
+is vermengd--als zeker aannemen, dat zij haar oorsprong in het
+heidendom hebben, vooral door hare betrekkingen tot den duivel; en
+verder, dat zij van animistischen oorsprong zijn en deel uitmaken
+van het geestenheir, dat rondvaart bij het woeden der elementen. De
+Zuid-Slaven gelooven, dat in elke heks een booze, helsche geest huist,
+die bij nacht het lichaam verlaat, en zich dan in een vlinder, kip,
+kraai, maar het liefst in een pad verandert.
+
+Wij hebben oorspronkelijk te doen met boosaardige spooksels, met
+kwalijk-gezinde zielen van afgestorvenen. Het feest valt dan ook
+samen met dat der ziele-geesten in het midden van den winter. Zooals
+bekend is, gold het tooveren bij de oude Germanen als bizondere gave
+der vrouwen. Na den dood zetten zij haar werkzaamheid voort. Maar
+bij sommige vrouwen scheidt zich de ziel reeds tijdens het leven van
+het lichaam, en neemt deel aan het joelen der zielegeesten. Van deze
+moeten zij hare kunst leeren, en zoo ontstond het volksgeloof aan
+de samenkomst van aardsche vrouwen met de geesten. Immers, telkens
+valt er in de verhalen de nadruk op, dat de aardsche heksen op
+bepaalde dagen, waarop vooral de geesten hun spel drijven, de macht
+bezitten, door de lucht te rijden--op 'n bok, bezemsteel enz.--en
+aan de vergadering der geesten deel te nemen. Zoo ontstond dus het
+geloof aan de levende, menschelijke heksen, dat door de bekende
+heksenprocessen een kultuurhistorische beteekenis kreeg.
+
+Haar animistischen oorsprong verraden de heksen door haar
+Proteus-natuur. Zij komen binnen door het sleutelgat en kunnen de
+gedaante aannemen van hagedissen,--waarschijnlijk wortelverwant
+met het woord _heks_--van uilen, honden en vooral van padden,
+hazen en katten. De kat immers is een nachtdier en heeft, door den
+lichtglans harer oogen in het duister, door haar onhoorbaren gang
+en nachtelijk gejank, inderdaad iets daemonisch over zich: ook de
+duivel verandert zich in een kat of kater, men denke aan _duvekater_
+en _drommekater_. Maar juist als nachtdier is zij ook onweêrs- of
+neveldier, en zoo komt het, dat zoovele weêrregels met de kat in
+verband staan: als de kat zich poetst, wordt het weêr goed; likt zij
+zich tegen het haar in, dan komt er regen: regent het in de wasch,
+dan heeft men de kat niet goed verzorgd; zie vooral Sloet, De dieren
+in het Germaansche volksgeloof en volksgebruik ('s-Gravenhage 1827),
+bl. 1 vlg.--De verhouding van heks tot duivel blijkt ook nog uit de
+parallelle der spreekwoorden: "Als het regent en de zon schijnt,
+bakt elke heks pannekoeken";--"Als het regent en de zon schijnt,
+is het kermis in de hel".
+
+De heksen berokkenen steeds schade: zij melken de koeien des
+nachts, veroorzaken veepest en muizenplaag, beheksen de kinderen,
+leggen de kwade hand en veroorzaken daardoor allerlei ziekten,
+beoefenen het nestelknoopen, door onder den echtelijken zegen een
+slot toe te knippen en in het water te werpen (hierover nader),
+bederven het graan en verwekken hagel, wind en storm. Ook kunnen
+zij iemand op een bepaalde plaats vast tooveren, vanwaar het
+Limb. _heksenscheut_, Hoogd. _Hexenschuss_. Grooten invloed hebben
+zij ook op het karnen van de boter. Is de koe werkelijk "behekst",
+dan mag de boerin karnen, zooveel zij wil: boter komt er niet;
+terwijl de heks slechts met een stokje in de sloot heeft te roeren,
+om alle boter te krijgen. Eindelijk, zij verdorren het gras, vanwaar
+de heksenkringen. Het is geraden, eierschalen te vergruizelen, want
+daarin verbergen zich de heksen.
+
+Vindt men kroontjes in de bedkussens, dan zijn ook deze _betsjoend_,
+zooals het in Friesland luidt. Hiertegen beveiligt een _kruuske-kaai_,
+d.i. een sleutel met een kruis in het benedeneinde. Maar men kan
+die verdachte voorwerpen ook in een ketel met kokend water werpen en
+laten koken, dan moet de heks binnenkomen. Vrijwel hetzelfde effekt
+verkrijgt men door een arend en zwarten haan in een ketel boven het
+vuur te hangen. Een eigenaardig sympathetisch toovermiddel is nog het
+volgende: men maakt een ploegijzer gloeiend en spreekt dan plechtig den
+naam der vermeende heks uit; deze zal dan de hevigste smart voelen. Van
+een heks mag men geen koffie of brandewijn aannemen, dan komt men in
+haar macht, en evenmin mag men hare vragen driemaal achtereen met
+"ja" beantwoorden. Vrouwen, die zich in heksen kunnen veranderen,
+zijn dan ook wel buiten genoemde toovermiddelen kenbaar. Zij hebben
+vergroeide wenkbrauwen, druipoogen en platvoeten. Iemand vlak in
+het gelaat zien is haar niet mogelijk, en ook kunnen zij over geen
+bezemsteel heenstappen, of over een kruis of kruisvormig voorwerp,
+b.v. twee doodsbeenderen over elkaar.
+
+Vooral beveiligt een hoefijzer boven den stal of elders
+aangebracht. Het hoefijzer is een algemeene talisman, het brengt
+geluk, maar vooral het heeft afwerende kracht. Daarom wordt het
+ook op de masten van schepen gespijkerd. Ook behoort het tot
+de Wôdanssymbolen, heilig was met name het hoefijzer van Wôdans
+ros. Maar ik houd dit voor sekondair, en breng de primaire beteekenis
+liever in verband met de paardeschedels, in stallingen ingemetseld,
+en met de houten paardekoppen op den nok der huizen, vooral der
+Saksische boerenwoningen, in die mate, dat men, in verband met andere
+gegevens, het paard als een Saksisch stamteeken kan beschouwen. Ter
+bescherming is het dier zelf niet noodzakelijk; het wordt ten volle
+vertegenwoordigd door zijn exuviën, dus ook door het hoefijzer.
+
+Na zich met heksenzalf bestreken te hebben, rijdt de heks door den
+schoorsteen ter vergadering, door den duivel voorgezeten en geleid. Het
+geschiedt natuurlijk bij nacht, en wel na twaalven; immers: "Tusschen
+twaalf en een zijn alle heksen op de been". Zij rijden ook weg op een
+spinnewiel, op bokken en kalveren onder de spreuk: "Over haag en over
+heg, te Keulen (Spanje enz.) in den wijnkelder." De heksenvaart wordt
+niet zelden begeleid door wonderschoone muziek. De verzamelplaats der
+heksen is op weiden, heideplaatsen of galgenbergen. Zoo heeft men de
+_Hommelheide_ nabij Susteren, waar men dan ook heksenkringen vindt, en
+de _Haar_ bij Bunschoten; maar de groote verzamelplaats in Nederland
+is toch de beruchte Mookerheide. In Belgische sagen worden als
+zoodanig b.v. genoemd de _Kemmelberg_ bij Yperen en het _Galgenveld_
+bij Antwerpen. Worden heksen eenmaal verhinderd in haar heksendans,
+dan mogen zij gedurende zeven maal zeven jaren geen vergadering meer
+bijwonen (Hageland).
+
+Op den heksensabbath mag de naam Gods niet genoemd worden, noch ook
+de naam van het zout. De geestenwerende kracht van het zout behoort
+wel tot de oudste lagen van het volksgeloof. Ook in de klassieke
+Oudheid gold het niet slechts als zeer waardevol, maar ook als
+reinigend, van tooverij zuiverend: immers men meende, dat het de
+elementen van water en vuur in zich vereenigde. Aldus begrijpt men
+de heiligheid der zoutbronnen en der bosschen, waarin deze zich
+bevonden, bij onze Germaansche voorouders; wij danken dit bericht
+aan Tacitus. De bereiding van het zout stond dan ook onder toezicht
+van priesteressen. Zoo begrijpen wij verder, waarom het morsen met
+zout en het omstooten van het zoutvat ongeluk en tweedracht brengt;
+waarom het zout zulk een voorname rol speelt in de volksgeneeskunde;
+waarom schatgravers brood en zout bij zich moeten hebben; waarom men
+plaatselijk, als men in België ter bedevaart tijgt, brood en zout
+bij zich heeft; enz.--Ook de vlierstruik doet uitstekend tegen heksen
+dienst, waarover nader in de Plantlore.
+
+Buitengemeen groot is het aantal volksverhalen, waarin een heks als
+kat, kraai enz. wordt gewond; den volgenden dag is dan de verwonding
+bij de een of andere vrouw merkbaar. Personen, vooral kinderen, die
+onder den invloed van heksen geraken, worden _behekst_, en dienen
+door een heksenmeester of heksenbanner _belezen_ te worden. Staan
+de paarden met verwarde manen en druipend van het zweet op stal, dan
+zijn ook deze waarschijnlijk behekst. Zie vooral Waling Dijkstra, Uit
+Friesland's Volksleven II, bl. 158. Verder Welters, Limb. Legenden
+II, bl. 65 vlg.; De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek I, bl. 7
+vlg; Friesche Volksalm. 1865, bl. 17; Rond den heerd V, bl. 70;
+Ons Volksleven II, bl. 8; VI, bl. 119; IX, bl. 201.
+
+Een laatste animistische groep vormen de _dwaallichten_, eigenlijk
+de zielen als vlammen op graven of in hunne nabijheid. Zij
+worden beschouwd als de zieltjes van ongedoopte kinderen en heeten
+plaatselijk: _divaal-, drog-, hip-, dwaas-, stallichten; drogfakkels;
+stalkaarsen; valsche lantarens_. De Friesche benaming _wylde
+lanteernen_ geldt eigenlijk over het algemeen de afgestorvenen, die
+geen rust kunnen vinden in hun graf. Ook meent men, dat ter plaatse,
+waar men vaak een dwaallichtje ziet, een schat begraven ligt; men
+noemt ze dan ook wel _blauwe vuurtjes_. Tot deze groep kan nog gerekend
+worden het _St. Elmsvuur_, dat op de masten der schepen verschijnt.
+
+Aanvankelijk waren de dwaallichtjes boosaardig, trachtten zij den
+eenzamen wandelaar opzettelijk te misleiden. Maar het volk heeft deze
+opvatting op eigenaardige en dichterlijke wijze gekerstend; het zijn
+nu de zielen der ongedoopte kinderen, die op den reiziger toehuppelen
+en trachten hem naar een water of poel te leiden, om gedoopt te
+worden. Als men in Vlaanderen en Noord-Brabant de _stalkeersen_ wil
+doopen, een kruis over hen maakt en de doopformule uitspreekt, komen
+ze in ontzaglijken getale rondom u. Het best is dan maar te zeggen:
+"Ik doop u allen" enz.
+
+Nauw met hen verwant is de _vuurman_. In Drente zijn vuurmannen meestal
+landmeters, die, omgekocht als ze waren, hun taak niet eerlijk hebben
+verricht. Deze opvatting geldt ook voor Zuid-Holland, Friesland,
+Groningen, de Overbetuwe. In geheel Drente is de vuurman _Lapöoge_
+bekend, de kwelgeest met zijn gloeienden meetketting. _Glende kerels_
+zweven ook als vlammende stroobossen langs de marke-scheidingen,
+b.v. te Havelte, Zuid-Laren, Borger, Rolde, Zeegze, Tijnaarloo enz. In
+Belgisch Limburg heeten ze _vierman, schoevert, schoeffer, sjoverik_
+(b.v. te Genk) enz.; in de Kempen ook wel _brandende schoof_. Men
+mag niet met den vinger naar den vuurman wijzen en ook niet fluiten
+of hem bespotten: dan komt hij op u af en, redt u de vlugheid niet,
+dan zijt ge verloren,--òf ge moest bij u hebben een knipmes met
+houten hecht. Kunt ge het lemmer in den grond steken, dan komt het
+licht daar op af, en ge zijt verlost. In Hollandsen Limburg wandelt
+hij o.a. tusschen Arcen en Velden. Ook spookte eertijds een vuurman
+te Venloo in de nabijheid van den ondersten Houtmolen. De bewoners
+van den omtrek moesten hem elk jaar een kar zand, een paar blikken
+schoenen en zeven en een halven stuiver geven. Eens kwam een knecht
+van den bovensten Houtmolen 's avonds laat van de stad en zag op een
+hoogte een man staan, dien hij voor een zijner vrienden hield. Hij
+riep hem dus toe: "Dikke, geef me eens wat vuur", doch daar kwam de
+vuurman hem na. Zoo hard hij kon ging de knecht er van door en was
+juist de schuur van den molen binnen, toen de vuurman op het punt stond
+hem in te halen. Den volgenden morgen vond men op de schuurdeur een
+koolzwarte hand afgeteekend. Dit is trouwens het eensluidende slot
+van dergelijke geschiedenissen.
+
+Over den Brabantschen _Kludde_ is gesproken. Zulk overgangstype
+tusschen vuurman en weerwolf vindt men hier te lande in het
+_hêmanneken._ Te Hoogland b.v. wordt hij gezien bij ruw weêr en
+roept aldoor: "hêej, hêej." Beantwoordt iemand dat geroep, dan
+springt hij hem op den rug en verlaat hem niet, tot de woning bereikt
+is. Intusschen gluurt hij den drager voortdurend met "gleunige ôogen"
+als een kat aan. Zie Welters, Limb. Legenden II, bl. 31; Drentsche
+Volksalm. 1845, bl. 232; Nederl. Museum II 12, bl. 352; Volkskunde X,
+bl. 182, 206, 236 vlg.; XIV, bl. 161.
+
+Waar de geestenwereld haar spel drijft, daar _spookt_ het. "Spook"
+en "spoken" zijn dus generische uitdrukkingen. Weer is de etymologie
+van het Germaansche _spôka_- raadselachtig. Het spoken is gebonden aan
+bepaalde tijden en plaatsen, zooals wij reeds ten deele zagen. Vooral
+spookt het op de kruiswegen; daar drijven de geesten hun spel, daar
+kan men met hen in gemeenschap treden. Reeds de H. Eligius en Burchard
+van Worms ijveren tegen de bijgeloovige vereering der kruiswegen
+(VIIe en XIe eeuw). Toch zwijgen de Oudgermaansche bronnen hierover,
+zoodat het niet onwaarschijnlijk is, dat dit volksgeloof zich onder
+Romeinschen invloed ontwikkeld heeft. Anderzijds oefenen de kruiswegen
+ook weer geestwerende kracht uit en moeten de geesten zich hierover
+laten heendragen; ter belooning werpen zij dan een goudstuk toe.
+
+Ook de doode, die "terugkeert", komt spoken en geeft stof tot vele
+spooksagen. Meestal zijn dit personen, die in hun graf geen rust
+kunnen vinden, omdat zij tijdens hun leven hebben misdaan, of een
+gelofte--b.v. een bidweg--niet zijn nagekomen, of wien de overlevenden
+de verschuldigde eerbewijzen niet hebben gebracht. Zij kunnen verzoend,
+"verlost" worden en vinden dan eindelijk rust. Wie geld begraven heeft,
+moet zoolang tusschen hemel en aarde zweven, tot de schat gevonden is.
+
+Maar het volksgeloof kent ook _spookdieren_. Wij zagen reeds
+herhaaldelijk, dat de ziel in diervorm het lichaam kan verlaten; in
+diervorm kan zij ook "terugkeeren" of blijven voortleven. Zielen,
+die in diervorm rondspoken, kiezen daartoe bij voorkeur de
+gedaante van katten, hazen, wolven, honden en paarden, storm- of
+onweêrsdieren. Vandaar, dat katten, hazen enz., die over den weg
+loopen, ongeluk beteekenen; het is niet het dier, dat de mensch
+ontmoet, maar de ziel van een gestorvene. Vooral in den vroegen
+morgen is zulke ontmoeting van belang, "het eerste gemoet", zegt
+men te Brugge. Zoo komt het, dat de dieren ook de toekomst kunnen
+voorspellen; immers de ziel van een overledene kan in de toekomst
+zien. Hierdoor verklaart men licht de beteekenis van het blaffen van
+honden, het hinniken van paarden, het krassen van raven en uilen,
+het janken van katten. "Krast er een uil, breekt er een glas. Dan
+sterft de meesteresse ras", zegt men in Gelderland. Ook het huilen
+van honden bij nacht kondigt doorgaans een sterfgeval aan. Vooral
+kraaien en raven zijn ongeluksvogels; men dient te weten, dat de raaf
+oorspronkelijk wit was en eerst na den zondvloed zwart geworden is. Te
+Canne, bij Maastricht, zingt de jeugd:
+
+
+ De eksters en de kraaien,
+ Die zwaaien al over mijn hoofd
+ En snakken al naar mijn dood;
+ Die dood begint te naken,
+ Ik zal het niet lang meer maken.
+
+
+De zienersgave dezer zielevogels blijkt ook uit spreekwijzen als:
+"De kraaien zullen het uitbrengen";--"Alles komt uit, al moesten de
+kraaien (of raven) het uitbrengen", en ook wellicht "Daar zal geen
+haan naar kraaien."
+
+Spookdieren zijn over het algemeen een kwaad voorteeken en verkondigen
+onheil; niet aldus de zwaluw, de ooievaar, de koekoek. Hoe kan het
+anders? Het zijn alle drie lenteboden. Vandaar dan ook, dat het als
+een zegen wordt beschouwd, wanneer zwaluw of ooievaar op een huis hun
+nest bouwen. "Zwaluwen in 't dak, guldens op zak;" en op de Veluwe:
+"Waar een zwaluw aan den stal nestelt, daar sterven de kalveren
+niet." Dit teekent meer onze praktische, nuchtere levensopvatting;
+poëtischer is de Duitsche spreuk: "Wo die Schwalbe nistet im Haus,
+Zieht der Segen niemals aus". Een zwaluwnest vernielen, brengt
+ongeluk. Ook het Westvlaamsche volk toont dichterlijken zin, als het
+de zwaluwen "de vogels van O.L. Vrouw" noemt, dewijl zij omtrent Mei
+(Maand van Maria) aankomen en omstreeks Maria Geboorte (8 Sept.) weer
+vertrekken. Een volksverhaal weet te vertellen, dat, waar O.L. Vrouw
+ook reisde of vluchtte, een zwaluw steeds met haar medevloog: Rond
+den Heerd XXIV, bl. 115.
+
+Ook de ooievaar brengt geluk en welvaart en lang leven. Waar hij
+nestelt, is het huis gevrijwaard tegen vuur en bliksem, en sterven
+geen kraamvrouwen. De kinderen zingen:
+
+
+ Ooievaar, lepelaar,
+ Met je lange bekke,
+ Wanneer zal je thuis kommen?
+ Als de muis piep zeit.
+ Piep zei de muis:
+ Ooievaar komt t' avond thuis.
+
+
+Ooievaar brengt ook de kindertjes. "Als een stork over 't huis
+vliegt", heet het te Almelo, "komt er gauw een kleine schreeuwer in
+de wieg". Hierop wijst o.m. het Geldersche rijmpje:
+
+
+ Uiver, uiver, pielepoot,
+ Breng een kindje in moeders schoot.
+
+
+Maar de waarzegger bij uitstek is de koekoek. Het Belgisch rijmpje,
+dat zijn voorzeggingsgave inroept, luidt:
+
+
+ Koekoek Steven (of even),
+ Hoelang mag ik leven?
+
+
+en vrijwel gelijkluidend hoort men in het Sassenland:
+
+
+ Kukuk vom häven,
+ Wo lange sall ik leven?
+
+
+en dan telt men: zooveel maal de koekoek roept, zooveel jaren blijven
+den vrager te leven over. Op de Veluwe bekransten de jongens en
+meisjes zich bij den eersten koekoeksdeun en riepen dan:
+
+
+ Koekoek, bakkersknecht,
+ Zeg mij recht,
+ Zeg mij waar,
+ Hoeveel jaar
+ Ik dit kransje nog dragen zal?
+
+
+Te Nederweert (L.) is hij ook weêrprofeet.--Maar het wordt tijd,
+tot onze spookdieren terug te keeren. Van spokende honden weet men
+vooral in Groningen en in de Ommelanden veel te vertellen; verder
+in Friesland, Brabant, Zeeland en elders. Plaatselijk draagt de
+spookhond den naam van _stommelstaart, borries_ of _helhond_. Het
+is een zwarte hond met vurige oogen, soms beladen met gloeiende
+ketenen.--Het spookpaard heet in het Oldambt _hommel-stommel_; ook
+waren veelal spokende veulens rond, en zonder kop. In België zijn de
+spookdieren doorgaans hazen en konijnen. Niet zelden worden al deze
+spookdieren driebeenig en éenoogig gedacht.
+
+Er bestaat nog een andere reden, waarom sommige dieren in ongunstigen
+roep staan, deze namelijk, dat zij uiteraard in nadere betrekking
+traden tot de Germaansche godenwereld. Aldus het snelle ros
+(_Sleipnir_) tot Wôdan als Windgod; aldus de raven (_Hugin_ en
+_Munin_: de Gedachte en Gedachtenis) en de wolven (_Geri_ en _Freki_:
+de Gulzige en Vraatzuchtige) tot Wôdan als Wind- en Oorlogsgod. De
+kat was gewijd aan Frija, de huwelijksgodin en de godin van den
+huiselijken arbeid. Daar nu de geloofsverkondigers de afgoden
+als duivels voorstelden, werden gemelde dieren ook satellieten
+van den satan. Zelfs de koekoek, de blijde lentevogel, ontging
+niet volstrekt het lot van zijn heer, wien hij als waarzegvogel
+heilig was: en zoo verklaart men het best de ongunstige beteekenis
+onzer zegswijzen: "Loop naar den koekoek" (d.i. naar den drommel);
+"hale u de koekoek", vgl. "hol dich der Kukuk und sein Küster", en
+"le diable t'emporte";--"Dat wete de koekoek" (d.i. dat mag Joost
+weten);--"Je bent een koekoekskind" (d.i. een satanskind).
+
+Hierbij komt nog, dat sommige dieren, als katten en raven, ook
+rechtstreeks tot duivel en heksen in betrekking gebracht werden;
+en eindelijk, dat de begrippen "gewijd, heilig" en "gevaarlijk, te
+vermijden" in het volksgeloof veelal synoniem zijn. Maar dit geldt
+eigenlijk meer voor personen, dan ook voor zaken.
+
+Voor zoover ik weet, is de specht alleen dezen dans
+ontsprongen. Plinius gaf hem den bijnaam _Martius_, daar hij den god
+Mars was gewijd. Maar uit _Martis avis_ is _Martini avis_ gegroeid,
+zooals ook blijkt uit de variant van sommige handschriften: "Sant
+Martisvogel, Mertissvogelin." Ik kom naderhand op dezen vogel terug,
+maar wensch hier alleen de aandacht te vestigen op het feit, dat de
+specht, die toch óok gevaar van vermaledijding liep, aan dit lot
+is ontsnapt, doordat het volk hem aan St. Maarten toevoegde. Zie
+V. D. Bergh, Kritisch Woordenboek, bl. 210; Sloet, De Dieren in het
+Germaansche volksgeloof, _passim_; De Cock, Een en ander over de
+folklore van dieren en planten, in de Handel. v. h. derde Vlaamsche
+Natuur- en Geneeskundig Congres (1899), bl. 85 vlg.; Ons Volksleven
+XII, bl. 15; 't Daghet in den Oosten XIX, bl. 6; Limburg's Jaarboek V,
+3, bl. i vlg.; Volkskunde XXI, bl. 211 vlg.; XXII, bl. 33 vlg.
+
+Verpersoonlijking der bandelooze elementen, der ruwe natuurkrachten
+is het geslacht der _reuzen_. Nu eens vertegenwoordigen zij den
+winter, dan weer den nacht of den stormwind. Zoo ver de mensch in
+lichaamskracht boven den dwerg of kabouter staat, zoo ver blijft hij
+beneden de plompe dommekracht van den reus. Bekend uit de Noorsche
+mythologie is de oorreus IJmir, uit wien de wereld geschapen werd:
+uit zijn vleesch vormden de goden de aarde, uit zijn bloed de zee,
+uit zijn beenderen de bergen, uit zijn schedel het hemelgewelf.
+
+Ook in ons volksgeloof zijn de reuzen niet onbekend. Een Overijsselsche
+sage verhaalt van een reus, die aarde in de slip van zijn mantel
+droeg. Bij het overstappen van de Vecht ontviel hem de Bestemerberg,
+bij het gaan over de Regge de Lemelerberg, eindelijk de Luttenberg. De
+rest niet meer dragenswaard achtend, had hij die langs Hellendoorn en
+verderop uitgeschud. Een analogen oorsprong hebben twee heuvels bij
+Heelsum, een heuvel bij Valburg, de Woldbergen op de Veluwe. Ook
+West-Friesland werd eertijds door reuzen en reuzinnen bewoond,
+van wie Lem, Dibbald, Walberich, Hillegond omstreeks Leiden,
+Haarlem en Rotterdam gelokaliseerd worden. Deze Hillegond had eens
+een schortekleed zand van het zeestrand gehaald. Maar gekomen ter
+plaatse, waar thans de kerk te Hillegersberg staat, brak de band van
+haar voorschoot, en het uitgestorte zand vormde een heuvel. Het is wel
+onnoodig te zeggen, dat wij hier met natuurverklarende volksverhalen
+te doen hebben.
+
+Dit is ook het geval met de sage der beide Rijn-gravende reuzen. Volle
+honderd jaren hadden zij dapper gedolven zonder een woord te wisselen,
+toen de éen het stilzwijgen brak. De ander wordt hierop toornig,
+antwoordt, dat hij niet langer met zulk een babbelaar wenscht samen
+te werken, en gaat de Waalbedding graven. In een Belgische sage van
+dezen aard, gelokaliseerd te Hekelghem, is de reus reeds een duivel
+geworden. Em. Seipgens verhaalt, dat het reuzengat te Echt (tusschen
+Echt, Montfort en Posterholt) eigenlijk een onvoltooid gebleven
+reuzenwoning is. De koning der reuzen zou gaan trouwen en volgens
+'s lands wijs moest hij met de aanstaande koningin zijn eigen woning
+in den grond delven; wegens het gepraat zijner aanstaande liet hij
+ten slotte het werk steken. "Daarom is de koning der reuzen nooit
+getrouwd en de woning onafgewerkt gebleven. De reuzen volgden het
+voorbeeld van hun koning, omdat zij alle vrouwen snapsters vonden,
+en zoo is het reuzengeslacht in Limburg uitgestorven." (In Welters,
+Limb. Legenden I, bl. 219).
+
+Volgens een overoude sage hebben de reuzen een gedeelte van Brussel
+gesticht; vandaar natuurlijk ook de naam van Reuzenberg. Eertijds
+gingen dan ook elf reuzen, met verschillende benamingen, in den
+vermaarden Brusselschen Ommegang, en wel achter de Gilden en Ambachten;
+thans nog twee: Janneken en Mieke. Ook te Venloo werden van oudsher
+twee reusachtige poppen rondgedragen, die de stichters van Venloo:
+"Valuas en z'n vrouw" voorstelden, en wel door het akkermansgilde op
+Maandag vóor de zomerkermis. Sedert eenige jaren is dit gebruik weer
+ingevoerd. Luidens een Venloosch archiefstuk werden in het begin der
+XVIIIe eeuw deze beelden ook in de processie rondgedragen. Zooals te
+Brussel, worden ook te Geerardsbergen Janneken en Mieke rondgedragen;
+te Hasselt kent men den Langen Man, te Antwerpen Druon Antigoon,
+te Wetteren den Reus en de Reuzin.
+
+De reuzen hebben niet alleen rivieren gegraven en bergen opgestapeld,
+zij hebben ook de terpen en de hunebedden gebouwd. Hier heeft
+verwisseling of liever vermenging der begrippen "reuzen" en "hunen"
+plaats. Ook is het begrip van den term _hunen_ zelf niet homogeen:
+immers het woord _hûn_, een echt-Germaansch woord, beteekent
+"reus", maar ook "Hun, Hongaar"; waarschijnlijk is de naam _Hûn_
+op verschillende volkeren toegepast. Misschien vertegenwoordigen
+zij, hetgeen ook wel van de Elfen beweerd wordt, het een of ander
+uitgestorven Europeesch oorvolk. Wat hiervan zij: de Hunen vormden
+in het volksgeloof een met de reuzen nauw verwante, maar toch
+zelfstandige, meer historische groep. Hun naam leeft voort in de
+Hunenbedden niet alleen, maar ook in den Overijsselschen _Hunerborg_,
+in den _Hunerberg_ en de _Hunerpoort_ te Nijmegen en in den _Hunsberg_
+van Merchtem. (Z.B.)
+
+De reuzen vormen als het ware den middelterm tusschen de lagere en
+de hoogere mythologie; van overgang geen sprake. Het reuzengeloof
+wortelt in de omringende natuur, in de elementen, maar vertoont geen
+spoor van zielengeloof. De hoogere mythologie, volstrekt zelfstandig
+ten overstaan der lagere, wordt vertegenwoordigd door de vereering van
+den machtigen god des hemels, den Indischen _Dyâush_, den Griekschen
+_Zeus_, den Romeinschen _Jupiter_, die bij de Oude Germanen den
+naam droeg van _Ziu_. Alle Indogermaansche talen wijzen hier op
+een vereering van den "Stralenden Hemel" als hoogste godheid. Maar
+op den duur veranderde het wezen van dezen hoogsten hemelsgod, óok
+van den Germaanschen _Ziu_; velerlei attributen zijn hem ontnomen,
+om aan afzonderlijke godheden te worden toevertrouwd. De weg loopt
+hier van de eenheid of betrekkelijke eenheid naar de veelheid. Zóo
+ontstonden de Westgermaansche godheden: Wódan, Donar, Frija enz.
+
+Van deze hoogere mythologie is bezinksel in ons folklore
+achtergebleven, en niemand heeft dit beter aangetoond dan Jacob Grimm
+in zijn standaardwerk "Deutsche Mythologie". Al blijkt het, dat hij
+veel te eenzijdig is te werk gegaan, met volle recht mag hij den titel
+dragen van "vader der Germaansche mythologie" als wetenschap; met
+behulp der kritiek wordt zijn werk de rijkst mogelijke vindplaats. Wij
+zullen in de volgende bladzijden dan ook herhaaldelijk stooten
+op survivals van Wôdan en zijn kring: een sekondaire mythologische
+vorming dus. Laat ik slechts wijzen op enkele uitdrukkingen. Wij lezen
+in een Nederlandsch hs. van 1470: "Ende de poeten in heure fablen
+heetend ourse, dat is te segghene Woenswaghen". Het sterrenbeeld van
+den Grooten Beer werd dus als Wôdanswagen beschouwd. In Zuid-Limburg
+spreekt men nog van een "zielewagen", die door de lucht rijdt. De naam
+leeft ook voort in ons hedendaagsch _Woensdag_, dial. _Goonsdaag_,
+en in de plaatsnamen _Woensdrecht_ = Wodani traiectum, _Woensel_,
+wellicht _Woenum_ of _Wenum_. De herinnering aan Donar bewaart ons
+_Donderkruid_ of _Donderbaard_, het _Sempervivum tectorum_, voorheen
+ook _Barba Jovis_ genoemd, in Zwitserland nog _Joubarbe_. Bij de
+invoering van het Christendom droeg de volksfantasie vele attributen
+van goden en godinnen op Christus en de heiligen over; vandaar dat het
+_Frigjargras_ tot _Mariagras_ werd; de aan Frija als godin der geboorte
+heilige _Asperula odorata_, waarvan een bundel bij zwangere vrouwen
+in bed gelegd werd, ontving den naam van _O.L. Vrouwenbedstroo_, het
+_Labrum Veneris_ dien van _Mariadistel_; enz. Ook behoort het hoogst
+waarschijnlijk tot de sekondaire laag in ons folklore, wanneer de
+kat, het heilige dier van Frija-Frigg, in zoo nauwe betrekking tot
+het huwelijk treedt. Wie op zijn trouwdag door goed weêr begunstigd
+wil worden, moet de kat goed voeren, of de kat streelen (_kören_),
+zooals men te Ubach-over-Worms zegt. Wie geen katten lijden mag,
+meent men ook, krijgt geen mooie bruid.
+
+2. _Romeinsche Mythologie_.--Dat de betrekkingen tusschen Romeinen en
+Germanen niet spoorloos voor de religie onzer vaderen voorbij gingen,
+ligt voor de hand; met name met het oog op de hoogere Romeinsche
+kultuur. Laat ik terstond enkele voorbeelden geven. Romeinsch
+was het gebruik, namen te geven aan de dagen der week, gewijd
+aan de Zon; de Maan; Things, resp. Tius: Mars; Wôdan: Mercurius;
+Donar: Jupiter; Frija: Venus; en Saturnus, voor wien geen passende
+Germaansche interpretatie kon gevonden worden. Deze substitutie had
+vermoedelijk in de IIIe of IVe eeuw n. Ch. plaats; zie Dr. Roesler,
+Ueber die Namen der Wochentage (Berlin 1865), bl. 20 vlg.--Volledige
+ontleening had plaats met de namen Venus en Diana, men denke aan de
+Venusbergen en het Venushaar. Verder hebben wij de votiefsteenen,
+door Germanen geplaatst, waarop men nu eens een Romeinschen god,
+dan weer een Romeinschen god met Germaanschen bijnaam vindt. Zoo was
+b.v. in den muur der oude Romaansche kerk te Horn bij Roermond een
+geloftesteen aan Mars en een aan Mercurius ingevoegd.
+
+Trouwens het plaatsen van votiefsteenen op zich zelf is specifiek
+Romeinsch; zie hierover Karl Helm, Altgerman. Religionsgeschichte
+(Heidelberg 1913) I, 345 vlg. Op twee votiefïnskripties wordt _Mars
+Thincsus_ gezamenlijk met twee Germaansche godinnen genoemd. De
+vindplaats van beide inschriften ligt in Engeland te Housesteads, nabij
+den Hadrianuswal; zij dagteekenen uit den tijd van Alexander Severus
+(222-235) en werden gesticht door een afdeeling Germaansche ruiterij,
+die den naam van _Cuneus Frisorum_: "Friesche afdeeling" droeg. Hiermee
+is echter niet gezegd, dat het Friezen waren; waarschijnlijk Bataven,
+in alle geval Twentenaren. Te vermelden valt nog de bijzonderheid,
+dat op een bij de altaren behoorend halfrond kapiteel in het midden
+een gewapend krijger (Mars) met een vogel is voorgesteld, en aan
+weerszijden twee zwevende geniën; zie verder W. Pleyte, Mededeel,
+d. Kon. Akad. van Wetensch. III, 2, bl. 110 vlg.--Van een onbekende
+godin _Vagdavercustis_ spreekt een votiefsteen, gevonden in het
+riviertje de Linge bij Hemmen (G.).
+
+Een vrij groote verspreiding had de vereering der godin _Hludana_,
+getuige o.a. een steen uit Beekgum (F.), verwant met de Noorsche godin
+Hlódyn en, wat meer zegt, met de besproken godin Holda. Buitengewoon
+rijk is de monumentale overleving van de godin _Nehalennia_. Zij
+wordt vermeld op niet minder dan 26 votiefsteenen, die alle--met
+uitzondering van 2 te Deutz gevonden--bij Domburg op Walcheren uit het
+duinzand zijn opgedolven. Tien ervan zijn geheel, acht ten deele door
+een brand der kerk te Domburg in 1848 vernietigd; maar zij bleven
+voor ons weten behouden door de publikatie van L. J. F. Janssen,
+De Romeinsche beelden en gedenksteenen van Zeeland (1845). Men
+noemt Nehalennia een Bataafsche godin, ofschoon voor haar vereering
+eigenlijk eerder de zuidwestelijke buren der Bataven, n.l. de Marsaci
+en Sturii in aanmerking komen. Maar het Germaansche karakter der godin
+is boven allen twijfel verheven. Zij schijnt beschermster van handel
+en scheepvaart te zijn en godin der zee, en wordt voorgesteld, gezeten
+op een troon, of ook staande; naast haar een hond, aan weerszijden
+hoorns van overvloed. Op drie steenen steunt zij met den linkervoet
+op den voorsteven van een schip. Wellicht behoort de hond bij het
+type der met haar vereenzelvigde Egyptische godin Isis thuis.
+
+Sporen van den Nehalennia-kultus vinden wij wellicht in een
+Middeleeuwsch gebruik, van kracht in Zuid-Nederland en in de
+Rijnprovincie: een feestelijk opgetuigd en versierd schip op
+raderen werd van plaats tot plaats getrokken onder het feestgejubel
+der bevolking. Zulk een optocht uit het jaar 1133 wordt uitvoerig
+beschreven in een klooster-kroniek van St. Truiden. Het schip kwam
+het eerst naar Aken, dan naar Maastricht, waar het van mast en zeilen
+voorzien werd, dan naar Tongeren, Looz enz. Maar door toedoen der
+geestelijkheid werd deze stoet door den Graaf van Leuven met kracht
+onderbroken en belet, en hiermee schijnt het gebruik aldaar uitgeroeid
+te zijn. Waarschijnlijker echter dan met den Nehelennia-kultus bestaat
+samenhang met de karnavalsgebruiken van Romeinsche herkomst.
+
+Over het algemeen mogen wij besluiten tot een Germaansch-Romeinsch
+synkretisme, welks sporen in het hedendaagsche folklore nog aanwezig
+zijn.
+
+3. _Keltische Mythologie_.--Inwerking van den godsdienst der kultureel
+hoogstaande Kelten op de Germanen kon niet uitblijven. Op een bij
+Vechten (U.) gevonden votiefsteen wordt een zekere godin _Viradecdis_,
+voor wie in het Germaansche domein geen aanknoopingspunt te vinden
+is, vereerd door de Batavi en Tungri. Maar verreweg het voornaamste
+verschijnsel is de Matronenvereering, die beslist aan de Kelten is
+ontleend. De Matronen zijn plaatselijke schutsgodinnen, wellicht
+ook beschermgodinnen eener familie met haar bezittingen, en wier
+vereering bij de Keltische volken inheemsch was. Wij ontmoeten ze hier
+te lande in een min of meer Kelto-Romaanschen vorm. Ik wijs b.v. op de
+inschriften, die voor het bestaan van zulk een Matronendienst pleiten,
+bij de Marsaci aan den Scheldemond en bij hun naburen de Frisaevonen
+(C. I. L. XIII 860, 8633). Meestal zijn de schutsgodinnen ten getale
+van drie.--Tot oudere Keltische lagen behoort de vereering van den
+handelsgod _Lugus_ of _Lug_.
+
+III. Volstrekt eenig is de invloed op de volksreligie uitgeoefend door
+het _Christendom_, een invloed, die grootendeels nieuw-scheppend,
+somwijlen sparend en hervormend was. Waar opvattingen en gebruiken
+lijnrecht in strijd waren met de nieuwe heilsleer, daar werd een
+onverzoenlijke strijd aangebonden en de oude volksreligie met kracht
+onderdrukt. Maar dit verhinderde niet, dat echte "survivals" of
+overleefsels den strijd met de Christelijke ideeën bleven voortzetten,
+verbod en prediking ten spijt; laat ik onmiddellijk wijzen op het taaie
+bijgeloof, dat zich in valsche heiligenvereering en ongemotiveerd
+wondergeloof uitbundig uit. Op bedevaartsplaatsen b.v. ziet men bij
+het volk thans nog vaak een zeker synkretisme van christendom en
+heidendom. Andermaal hooren wij in het huidige folklore onschuldige
+nagalmen uit den heidenschen voortijd zachtkens voorttrillen. Eindelijk
+vond de Kerk aanleiding onderscheid te maken tusschen vorm en stof,
+tusschen schors en kern, dan werd deze verworpen, maar gene niet zelden
+gered, dienstbaar gemaakt aan het Christelijk geloof en aldus gelouterd
+en "gekerstend." Het zou vreemd geweest zijn, wanneer de Kerk, die zich
+wenschte te verspreiden te midden der Graeco-Romeinsche beschaving,
+een geheel nieuwe taal gebezigd had en systematisch alle vormen had
+versmaad, die tot dan toe dienst gedaan hadden om aan de begrippen en
+gevoelens van godsvereering uiting te geven. Dit geldt natuurlijk ook
+voor de Germaansche beschaving. Laat ik nog slechts het psychologische
+dezer verkerstening in herinnering brengen. "Naast onwankelbare
+eenheid der groote en heilige beginselen", schrijft Dr. Gisb. Brom,
+"een onuitputtelijke verscheidenheid en plooibaarheid van vormen. Zij
+[de Kerk] gebruikt niet een en denzelfden stijven vorm, om dien met
+despotisch gezag aan al haar bekeerlingen, van welke natie ook, op te
+dringen en te drukken. Een Procustus-bed bleef haar ten allen tijde
+vreemd. Maar zij voegt zich naar de natuurlijke geaardheid van ieder
+volk, zoowel als van elk individu.... Hoe dit ééne met het andere
+samengaat? Omdat al wat de Kerk rein _natuurlijks_ aantreft in de
+samenleving of in den individueelen mensch, zij dat niet tracht
+te vernietigen, maar het onder den leuterenden, veredelenden en
+verheffenden invloed der genade laat voortbestaan."
+
+Aldus vinden wij wijding en veredeling van oorden, feestdagen,
+feestgebruiken, volksvoorstellingen enz. Kenschetsend en teekenend
+is b.v. de geschiedenis onzer Nederlandsche _kerstputten_
+of kerstpoelen. Het meerendeel is van heidenschen oorsprong
+d.w.z. stond met een heidenschen kultus in verband. Maar doordat
+in die bronnen gedoopt werd, zijn zij gekerstend en in dienst van
+Christus gesteld. Vandaar het groot aantal putten, die den naam der
+heilige geloofsverkondigers Bonifacius en Willebrordus dragen. Te
+Dokkum vindt men b.v. drie Bonifaciusbronnen; Willebrordusputten
+treft men aan te Osch, Diessen, Deurne, Zoutlande, Bakel, Asten,
+Maarhees, Geisteren, Venray, Stamproy, Wulpen en eertijds te Berchem
+bij Antwerpen. Natuurlijk werd ook een groot aantal bronnen aan Maria
+gewijd. Verder zijn om meermalen vermelde reden verscheiden bronnen
+met den satan in verband gebracht; vandaar de Duivelsput te Herdersen
+en te Hekelgem, het _Heintjes-börreken_ te Meerbeke (men denke aan
+"Heintjepik") en de Helleput te Dendermonde.
+
+Wat deed intusschen de volksfantasie? Bij de intrede van het
+Christendom werd haar werkzaamheid niet gebroken; zij spon haar
+draden en weefde haar weefsel voort, maar meestal met veranderd
+patroon. Wegens toevallige overeenkomst van hoedanigheid of het
+samenvallen van den tijd der feestviering werden heidensche
+mythen op menigen heilige overgebracht, werden mythologische
+trekken in hun legenden ingelascht; zoo trad Maria in meer dan
+één opzicht in de plaats van Frija, terwijl Sinterklaas de figuur
+van Wôdan uitbeeldde. Maar afgescheiden hiervan dient men in de
+Christelijk-geaarde volksreligie in ruime mate rekening te houden met
+de steeds levendige, steeds vruchtbare, dichterlijke, sagenscheppende
+aandrift des volks. Zoo is het b.v. gesteld met de attributen en
+legenden der HH. Katharina, Lucia en Clara: met voldoende zekerheid
+mag men beweren, dat deze attributen en legenden te danken zijn aan
+het feit, dat de drie heiligen etymologisch met het begrip "licht,
+reinheid, helderheid" in nauw verband staan. Zie hierover mijne Essays
+en Studiën, bl. 68, 251.
+
+Eindelijk, de goden werden vaak als duivels voorgesteld, en zoo
+is het gebeurd, dat menige heidensche overlevering op den satan is
+overgedragen. Eenzelfde godheid kan dus nu eens in de volkslegende van
+een heilige, dan weer in die van den satan opduiken. In plaats van
+"der goden minne" te drinken, d.i. een herinnerings- en offerdrank
+aan de goden te wijden, dronken de bekeerde heidenen, met vermijding
+van het offerbegrip, voortaan de "minne" van St. Jan, St. Maarten,
+St. Steven enz. Maar bij Luitprand in zijn _De rebus gestis Ottonis_
+vindt men ook: "des duivels minne drinken."
+
+Zoo komen wij er als vanzelf toe, een enkel woord te zeggen over de
+volksdaemonologie: over den _duivel_ in het volksgeloof.
+
+Het begrip "duivel" als zoodanig was aan de heidensche godenleer
+vreemd. Het meest nabij kwam nog de Oudnoorsche Loki, die bij het
+daemoniseeren dan ook het eerst zijn beurt kreeg. Slechts met het
+Christendom deden leer en voorstelling van een volstrekt boosaardig
+wezen, dat de menschen kwelt, haar intrede in de Germaansche wereld;
+doch meer dan éene nadere bepaling ontleenden zij in de volksopvatting
+aan de heerschende heidensche ideeën.
+
+De Germaansche duivels vormen een soort van monarchie, maar de
+zinnelijke voorstelling van hun rijk komt geheel op rekening
+van fantasie en tradioneele voorstellingswijze des volks. Er zijn
+Germaansche duivels, die eenige attributen van de kobolden overnemen,
+evenals deze den mensch dienstbaar zijn. De duivel moet zich soms
+bepaald afsloven; hij bouwt molens, beploegt steengronden en graaft
+rivierbeddingen, maar komt hij om zijn loon, dan is men veelal "den
+duivel te slim af." De "bedrogen duivel" of "domme duivel" is een
+geliefkoosde figuur van onze sagenwereld. Men laat den duivel wegen
+aanleggen, als te Ternath, schuren bouwen, als te Galmaarde, Hamelgem,
+Vilvoorde, Kessel-Loo, Bierbeek enz. Maar door het hanengekraai na
+te bootsen dwingt men hem, op de vlucht te slaan; het werk blijft
+dan, althans ten deele, onvoltooid. Immers de roode haan stelt den
+bliksem voor, in zoover deze de onweêrswolken splijt en den dampkring
+zuivert. Het heldere weêr roept hij andermaal te voorschijn. Zijn
+gekraai verdrijft ook het nachtelijk duister, de bonte, veelkleurige
+tinten van zijn vederdos zijn de weerglans der morgenschemering. Bij
+het eerste hanengekraai is dan ook de hellemacht gebroken, de geesten
+slaan op de vlucht. "Men verhaalt", zoo getuigde eertijds de Romeinsche
+dichter Prudentius, "dat de rondwarende duivels, die zich vermeien in
+het nachtelijk duister, bij het gekraai van den haan in verschillende
+richtingen heenvluchten." Uit deze aanhaling blijkt de algemeenheid
+van dit volksgeloof.
+
+Ook wanneer de duivel kloosters of kathedralen wilde verpletteren,
+werd hij niet zelden misleid; dit getuigt b.v. de duivelsberg bij
+Rolduc (L.).
+
+Een enkele maal, wanneer de duivel de menschen wil plagen, bedriegt
+hij zich zelf; zoo b.v. toen hij het zaagblad kerfde en aldus de
+getande zaag uitvond.
+
+Natuurlijk speelt de duivel een groote rol in de volksuitdrukkingen;
+zoo b.v.: "Hij is een duivelskind;--hij vloekt alle duivels uit
+de hel;--hij laat geen duivel op zijn hart barsten;--hij heeft
+den duivel in, of den duivel in den zak;--daar kan geen duivel uit
+wijs worden;--hij is uit de hel gekropen, toen de duivel sliep;--
+'t is, of de duivel er in zit;--de duivel steekt zijn staart op;--
+de duivel steekt er zijn staart tusschen;--hij is er op uit, als de
+duivel op een ziel;--hij is te gek, om met den duivel te dansen;--
+den duivel een kaarsje aansteken;--dat dank je den duivel; enz. enz;
+zie b.v. J. A. Hoens in Limburg's Jaarboek VIII, bl. 239. Ik kom
+hier nader op terug. Laat ik voor het oogenblik slechts opmerken,
+dat onze uitdrukking de "de duivel is los" of "dan is de duivel los"
+niet specifiek Nederlandsch, zelfs niet specifiek Germaansch is. Het
+is waar, ook van den god Loki geldt het: _Loki er or böndum:_ "Loki is
+ontbonden." Maar de "gebonden duivel" is ook elders bekend, b.v. bij
+Lactantius, die beweert, dat de satan in boeien geklonken zal worden,
+wanneer het zoogenaamd millenarische rijk begint.--Verder is het
+eigenaardig, dat in de folklore zoo vaak van 's duivels vrouw, moeder
+of grootmoeder sprake is; ik herinner aan het Venloosche aftelrijmpje:
+
+
+ Ter duvel zien vrouw ging wortele schrabbe,
+ Ze wis neet woa ze 't mets meus pakke,
+ Ze pagde 't hii, ze pagde 't doa,
+ Ze pagde ter duvel bii de hoar.
+
+
+Waarschijnlijk hebben we met werkelijk heidensch bezinksel te doen;
+maar de grootmoeder is het oorspronkelijke. Immers wij worden herinnerd
+aan het Noorsche verhaal, hoe Thórr en Týr bij den reus Hymir aan huis
+komen, en daar zijn negenhonderdhoofdige grootmoeder aantreffen. Op een
+mythische verklaring van een natuurverschijnsel wijst onze zegswijze
+"de duivel slaat zijn wijf", als het regent en de zon schijnt.
+
+Volksbenamingen zijn: _blikskater, boeman, bokspoot, de booze,
+deksel, duker, donder, droes, drommel, duivekater, hänsken, heintje,
+heintjepek, hinkepoot_, (men denke aan "kromme duivel"), _joost,
+koekoek, nikker, d'olle, pikheintje, de zivarte, zwarte piet_. In
+Belgisch Limburg noemt men hem veelal kortweg _"het kwaad_."
+
+De duivel is pikzwart en draagt bokshoorns, bokspooten of
+paardenhoeven; men denke aan de betrekking van den bok tot de heksen
+en aan de Zuidlimburgsche _bokkenrijders_. Ook vertoont hij zich als
+Italiaan, onberispelijk in het zwart gekleed, met zwarten baard. Hij
+bezit de gave, zich in dieren te veranderen, en verschijnt als kat,
+zwarte hond met gespleten pooten, draak, spin, vlieg. In een oude
+Brabantsche sage komt de duivel onder de gedaante eener reusachtige
+spin een kontrakt terugbrengen. Gaarne mengt hij zich ook ongekend
+onder de menschen, vorscht hen uit, speelt met hen kaart, ziet of er
+niets voor hem te halen is; hij is uitnemend musicus en voortreffelijk
+danser. Hij speelt valsch, drinkt en vloekt zwaar. Daar zijn menschen,
+die den duivel hun ziel verkoopen; menigeen, die plotseling, zonder
+kenbare reden, rijk werd, heeft aldus zijn vermogen verworven. Is de
+termijn afgeloopen, dan haalt hem de duivel en breekt hem den hals
+of draait hem den nek om.
+
+Hij houdt er ook personeel op na. Te Utrecht werd eertijds een groote
+keisteen, scheiding tusschen twee buurten, steeds verplaatst. Het
+heette, dat de duivel en zijn zwarte knechts met dien steen kaatsten
+van de Volderbrug naar de Geertebrug.
+
+Zijn idenditeit met den voorrijder der "Wilde Jacht" blijkt wel uit
+een trek in het Geldersche folklore, waar hij wordt voorgesteld,
+zich vertoonende in een windhoos. Hij huist veelal in de lucht;
+somwijlen langs den straatweg. Ook te Nederweert voert _Hänske_ het
+joelende geestenheir aan. In Duitschland behoort deze voorstelling
+tot de meest gewone. Zie De Cock, Brabantsche Sagen I, bl. 225 vlg.;
+Geldersche Volksalm. 1853, bl. 98; Limburg's Jaarboek VI, bl. 183;
+Volkskunde XXI, bl. 5; XXII, bl. 10; V. D. Bergh, Kritisch Woordenboek,
+bl. 27.
+
+De duivel is vooral bang voor het gelui der _klokken_. Het
+volk hecht iets specifiek-Christelijks aan het klokkengelui. En
+inderdaad: de klokken worden "gedoopt", de klokken roepen ter kerke,
+de klokken vermelden den huwelijkszegen, zij begeleiden ter laatste
+rustplaats. Zoo vaak voelt het volk zich door het klokkengelui verheven
+boven het saaie, alledaagsche proza-leven. In de Goede Week reizen de
+klokken naar Rome, en wel op Goeden Donderdag na het _Gloria_, om op
+Goeden Zaterdag terug te keeren; dan brengen zij de paascheieren mee.
+
+Op ongedoopte, ongewijde klokken heeft de duivel natuurlijk vat. Zoo
+had men bij de stichting van het klooster Sint-Odolf te Staveren
+vergeten de klokken te wijden. Honderd jaar later vloog _Joost_ in
+woeste vaart naar den toren, haalde de klokken er uit en slingerde
+ze weg. Sedert hooren de visschers op de Fluessen en de bewoners van
+Galamadammen (F.) soms des nachts een dof gebombam in de diepte: dan
+luidt de duivel de klokken van Sint-Odolf. Hetzelfde wordt verhaald
+van de klokken van Driel en van Lochem. Deze wierp de duivel in twee
+kolken niet ver van den Berkel, waar men ze nog in den Kerstnacht
+te twaalf ure kan hooren luiden. Vandaar dat deze twee plassen
+den naam van "duivelskolken" dragen. Zoo dompelde de satan nog een
+klok van Horst in het zwarte, diepe water der Peel, en begroef te
+Hoensbroek een ongedoopte klok in den waterplas tusschen de kerk en
+de Geleen-beek. Al deze klokken luiden op Kerstnacht; ook die van
+den _klokkekuil_ te Swolgen: Welters, Limb. Legenden II, bl. 71;
+Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 31.
+
+Wanneer dus het volk heden ten dage zegt, dat de duivel vlucht bij
+het hooren van het klokkegelui, en dat de alvermannetjens verdwenen
+zijn, omdat zij het klokkegelui niet konden verdragen, dan hecht het
+hieraan zonder den minsten twijfel een Christelijke beteekenis. Toch
+ligt hieraan ten deele een heidensch begrip ten grondslag, nl. de
+geestenwerende en geestenbannende kracht van het klokkengelui. Vandaar
+ook het klokkenluiden bij onweêr en sterfgeval,--niets dan een
+gekerstende volksopvatting.
+
+
+
+II. De Volksfeesten.
+
+
+Wanneer ik spreek van "volksfeesten", dan bedoel ik hiermee het komplex
+van feestgebruiken, die bij het hedendaagsche volk van de viering van
+Oudgermaansche of Christelijke feestgetijden zijn overgebleven. Immers
+de feestvreugde kleedde zich in tal van overlevende blijheidsuitingen,
+die niet zelden, van het oorspronkelijk hoofdmotief losgetornd,
+ontaardden en oversloegen tot uitspattingen en misbruik.
+
+Deze volksfeesten droegen dus oorspronkelijk een religieus, maar
+ook een huiselijk karakter. Evenals in het oude Rome, wanneer ik
+deze analogie hier mag aanvoeren, was het huisgezin de kern, de
+cel, van waaruit de georganiseerde vroolijkheid en blijheid zich
+in ruimer kring en op ruimer terrein verspreide; en in het gezin
+zelf werd de feestviering, van geslacht tot geslacht overgeleverd,
+onder toezicht en leiding van den vader of van de moeder des gezins
+voltrokken. Ik spreek hier dus niet over de volksvermakelijkheden,
+als loopen, springen, klimmen, harddraven, wedrennen enz., en over
+de gezelschapsspelen evenmin; zie hierover desgewenscht Ter Gouw,
+De Volksvermaken (Haarlem 1871), bl. 321-397 en 563-694. Immers deze
+hebben met religie en familiale organisatie niets gemeen en dragen
+een dermate internationaal karakter, dat zij onmogelijk kunnen dienen
+om den volksaard nader te bepalen. Iets anders is het, wanneer een
+bepaald spel door een bepaalde leeftijdsgroep op eigenaardige wijze
+wordt uitgevoerd of gevarieerd, waarover nader.
+
+De oude Germanen kenden eigenlijk geen feestdagen, maar wel
+feesttijden, _hoogtijden_, een benaming, die zich tot heden staande
+hield. Op voorname Christelijke feestdagen gaat in katholieke streken
+de eene familie bij de andere nog "zalig hoogtijd" wenschen.
+
+Men vierde eertijds waarschijnlijk vier offertijden, en om het offer
+groepeerden zich dan de overige feestelijkheden: twee winterfeesten,
+het lente- en zomerfeest. Eigenlijk begon het eerste winterfeest (of
+herfstfeest), dat het Germaansche jaar opende, met de nachtevening
+van September. Maar in den Juliaanschen kalender valt het begin
+van den winter op 10 November, en zoo kreeg, door verschuiving der
+feestgebruiken van het Germaansche nieuwjaar, de Martinidag zijn
+beteekenis. Voeg hierbij, dat het kerkelijk jaar aanving met den
+Advent, die oorspronkelijk 5 weken omvatte (eerst Paus Gregorius VII
+bracht hem op 4 weken), terwijl het Adventsvasten den 11den November,
+dus op Martinidag begon. Zoo vereenigde zich ook het eerste met
+het tweede, het groote winterfeest, dat ook den naam draagt van
+Midwinterfeest of Joelfeest en welks gebruiken voor een groot deel
+op het Kerstfeest overgingen. Het _Joelfeest_ immers, ontegenzeglijk
+het hoogste feest der Germanen, viel in de tweede helft van December
+en in de eerste van Januari. Dit wordt het tijdperk der "Twaalf
+Nachten" genoemd; de Duitschers spreken van de _Zwölften, Unternächte,
+Rauchnachte_ of _Losstage_. Dit feest, dat, naar zijn etymologie te
+oordeelen, zeer waarschijnlijk "het tooverrijke", dan "het vroolijke"
+beteekende, werd inderdaad gekenschetst, evenals trouwens het
+eerste winterfeest, door een uitgelaten vroolijkheid, veroorzaakt:
+1o door het genieten der offergaven, die gedurende dien tijd aan de
+zielen der afgestorvenen en aan Wôdan, Holda en andere chthonische en
+windgodheden werden gebracht; en 2o--reden van ekonomischen aard--door
+de twee groote slachttijden, die met de winterfeestviering samenvielen,
+wanneer deze niet zelf de hoofdaanleiding tot de winterfeestviering
+gegeven hebben, zooals Alex. Tille beweert in zijn boek over Die
+Geschichte der deutschen Weihnacht (Leipzig 1893), bl. 6.
+
+Het was de heiligste tijd van het jaar. Dromsgewijze joelden en
+raasden de geesten door het luchtruim, door hun befaamden voorrijder
+aangevoerd; lotsvoorspelling, droomverklaring en tooverij vierden
+hoogtij; heel de geestenwereld: heksen, weerwolven, elfen, dwergen,
+waren los; men dronk de _minne_, d.i. de gedachtenis der afgestorvenen;
+men stelde de geesten onder allerlei vermommingen voor, die thans
+nog in min of meer gekerstenden vorm voortbestaan.
+
+Geofferd werd gedurende dit tijdperk aan de geesten en aan Wôdan,
+in zijne hoedanigheid van god der vruchtbaarheid, ter wille der
+vruchtbaarheid van de akkers. Uit menig volksgebruik, dat wij te
+geschikter plaatse zullen bespreken, blijkt trouwens, dat deze
+geheele periode een vruchtbaarheidskarakter draagt. Men beschouwde
+--en beschouwt nog thans, zonder zich duidelijk rekenschap van
+deze voorstelling te geven--in den barren Joeltijd de aarde als
+sluimerend onder het mollig sneeuwkleed, nieuwe sappen garend, om in
+de lente de natuur met bloemen te tooien en het wintergraan te doen
+gedijen. Met goed recht zou men derhalve van een bevruchtingstijdperk
+kunnen spreken, zooals ik in Volkskunde XII, bl. 89 vlg. voorstelde:
+het schieten in de boomen, het binden van stroobanden om de boomen,
+het zweepen der boomen heeft stellig bevruchting ten doel.
+
+Gegeven nu, dat het eerste winterfeest een vrij groote reeks van
+dagen in beslag nam, en dat het Joelfeest meestal tusschen Kerstmis
+en Driekoningen, plaatselijk echter ook vroeger of later kon vallen,
+dan krijgen we een bijna aaneengesloten feesttijdperk, dat zich
+van omstreeks het begin van November tot het midden van Januari
+uitstrekte. In dit tijdperk vallen vooral de Christelijke feesten:
+St. Martinus (11 Nov.), St. Clemens (23 Nov.), St. Andreas (30
+Nov., men denke vooral aan St. Andreasnacht), St. Barbara (4 Dec.),
+St. Nikolaas (6 Dec.), St. Lucia (13 Dec.), St. Thomas (21 Dec.),
+Kerstmis (25 Dec.), St. Stefanus (26 Dec.), Onnoozele Kinderen (28
+Dec.), Besnijdenis (1 Jan.), Driekoningen (6 Jan.). Zie hierover mijn
+geschrift De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond, 1898), bl. 9, 10.
+
+Het volksfeest stoelt dus op de religie. De godsvereering der Oude
+Germanen schonk haar adepten echter ook verpoozing van den harden
+arbeid op akker of weideveld: de feestviering droeg een religieus,
+maar tevens een ekonomisch-maatschappelijk karakter, wat des te
+meer in het oog valt, wanneer men bedenkt, dat onze voorouders
+veel meer dan heden leefden met de natuur, arbeidden en rustten
+overeenkomstig de natuur. Ook hier is het Christendom met wijs
+beleid te werk gegaan, en heeft het niet willen uitroeien, maar
+veredelen en verheffen of althans, in het geoorloofde, lijdelijk
+willen toezien. Terecht. Want indien er iets bestaat, zegt Ozanam,
+waaraan de menschen nog meer vasthouden dan aan den bodem, die hen
+voedt, dan zijn het de overleveringen, welke hun land in hun oogen
+verheffen, en de feesten of hoogtijden, die hen voor een wijl aan de
+harde, eentonige zorgen des levens onttrekken.
+
+Wij beginnen dus het feestelijk jaar in Groot-Nederland met _Sint
+Maartensdag_ (11 November), gewijd aan de vereering van den grooten
+volksheilige, Martinus, bisschop van Tours. Den apostel van Gallië,
+den grooten heilige der Franken, is ook in Nederland en België een
+ongemeen hooge vereering te beurt gevallen; in Duitschland viert men
+hem vooral in Frankenland, en in het naburige Zwaben en Westfalen. In
+België zijn honderden kerken hem toegewijd; in Nederland vereerde
+men hem als patroon te Utrecht, Groningen, Middelburg, Sneek, Arnhem,
+Tiel, Bolsward, Venloo, Weert, Wijk-Maastricht, Dokkum, Bovenkarspel
+enz. enz. De dorpen St. Maarten, St. Maartensdijk, Maartenshoek voeren
+zijn naam. Vooral het bisdom, de stad en de burgerij van Utrecht
+stonden onder zijn bescherming. Te Utrecht stond zijn beeltenis op de
+torenspits zijner kerk, aan de hoeken der straten, in het voorportaal
+der kapittelzaal. Het prijkte op het oude wapen der stad en op de
+bisschoppelijke banieren. Vandaar dan ook, dat de burgers van Utrecht
+eeuwen lang den naam droegen van _Sint Maartens-mannen,_ evenals die
+van Egmond _Sint Alberts-mannen_ en de Leuvenaren _Sint Pieters-mannen_
+genoemd werden. Vielen de Hollanders de Stichtenaren aan onder het
+krijgsgeroep "Holland! Holland!", deze beantwoordden het met "Sint
+Martijn, Sint Martijn!" Zie o.a. Schotel, Tilburgsche Avondstonden,
+bl. 36 vlg.
+
+Ook kreeg de geheele periode van Sint Maarten tot Kerstmis--Adventstijd
+in den ruimsten zin--den naam van Sint Maartensvasten. De H. Perpetuus,
+bisschop van Tours, die in de Ve eeuw leefde, bepaalde nl., dat van
+af 11 November tot Kerstmis driemaal per week moest gevast worden;
+naar men weet, dagteekent dit 3 maal vasten per week (Woensdag,
+Vrijdag en Zaterdag) reeds uit het einde der IIe eeuw. Naderhand werd
+deze bepaling over heel Frankrijk uitgebreid.
+
+Intusschen, hoe groot de vereering van den H. Martinus ook in
+onze landen mag geweest zijn, zij verklaart kwalijk een aantal
+feestgebruiken als: het Sint-Maartensvuur, de Sint-Maartensdronk,
+-gans, -gaard enz.
+
+Vooreerst dan het Sint-Maartensvuur. De meeste feestvuren zijn niet
+van christelijken, maar van heidenschen oorsprong. Naderhand heeft
+men de Sint-Maartensvuren aldus verklaard, dat zij oorspronkelijk uit
+vreugde over den val van het heidendom zouden ontstoken zijn. Dit
+is echter een van de vele verklaringen, die de feiten zoekt aan te
+passen aan vooropgestelde theorieën. In waarheid hangen de feestvuren
+samen met de Oudgermaansche _noodvuren_, Oudsaksisch _nôdfiur_,
+waarin _nôd_- verwant is met het Oudhoogduitsche werkwoord _nûan_
+"stukwrijven". Immers het werd ontstoken, doordat men een stuk hout in
+de opening van een ander of van een wagenrad stak en zoolang draaide,
+tot het hout vuur vatte. Het voedsel voor het nieuwe vuur, hout en
+stroo, moest door alle leden der gemeente worden meegebracht. Brandde
+het vuur, dan moesten menschen en vee daar driemaal doorheen loopen. Na
+afloop nam ieder een verkoold stuk hout mee naar huis: het was een
+voorbehoedmiddel tegen besmettelijke ziekte onder menschen en vee.
+
+Merkwaardig is hetgeen Sebast Frank in zijne Wahrhaftige Beschreibunge
+aller Teile der Welt (1567) over een dezer vuren meedeelt: "Zu
+Mitterfasten flechten sie ein alt Wagenrad voller Stroh, tragens auf
+einen hohen, jähen Berg, haben darauf den ganzen Tag einen guten Mut,
+mit vielerlei Kurzweil, singen, springen, dantzen, Geradigkeit und
+anderer Abenteuer, umb die Vesperzeit zünden sie das Rad an, und
+lassens mit vollem Lauff ins Thal lauffen, das gleich anzusehen ist,
+als ob die Sonne vom Himmel liefe". Dit noodvuur had het karakter van
+een zoenoffer aan de hoogere machten, het was een reinigings (en dus
+vruchtbaarheids-) vuur, dan ook een offervuur aan de verpersoonlijkte
+vegetatie en vruchtbaarheidsgoden, wellicht met name aan Wôdan
+als zonnegod, wiens symbool het rad, het zonnerad was; vandaar,
+dat de _Indiculus superstitionum et paganiarum_, een opsomming van
+capitularia uit de VIIe eeuw, waarschuwt tegen het heidensch gebruik
+van vuur door het wrijven van hout: _De igno fricato de ligno, id est
+nôd-fyr_. Oorspronkelijk stonden deze vuren met geen bepaalden tijd van
+het jaar in verband en werden ontstoken, telkens als men de godheid
+iets te vragen had of ook haar dank wilde brengen. Maar mettertijd
+hebben zij zich bij de hoofdofferfeesten gevoegd, en zoo krijgen wij
+dan onze Sint-Maartensvuren, Kerst- en Nieuwjaarsvuren, Vastenavond-
+en Paaschvuren, en St. Jans of Pinkstervuren, die vrij wel met de vier
+genoemde groote ofifertijden der Germanen samenvallen. Als kriteriën
+van den heidenschen oorsprong der nog bestaande vuren kan men met
+Grimm, Deutsche Mythologie I, bl. 35 aannemen: "das reiben der heiligen
+Flamme, laufen durch die brände, werfen von blumen in das feuer, backen
+und austheilen grosser brote oder kuchen, und der reihentanz." Voegen
+wij hierbij het rondloopen met fakkels door de velden.
+
+Talrijk zijn de dorpen, vooral in het Zuiden van ons land, waar
+de Sint-Maartensvuren nog opflikkeren; ook springt men nog over
+het vuur heen. Daarentegen is het _fakkelen_ veelal verdwenen, --in
+België bestaat het nog plaatselijk, b.v. te Hombeek, Hoeleden, enz.,
+en ook in Hollandsen Limburg en Brabant, vgl. Limburg's Jaarboek I,
+bl. 72: "Op Sint Maartensavond kan men door geheel Limburg en Brabant
+op de heuvelen langs de Maas de Sint Maartensvuren in flikkerende
+vlam met rossen gloed zien opgaan.... Terwijl de stapel brandt,
+zwerven de knapen met ontstoken fakkels door de velden." Te Obbicht,
+Papenhoven enz. noemt men dit _flakkeren_. De toortsen zijn slechts in
+rudimentairen vorm overgebleven in de kaarsjes of gekleurde lampions
+of uitgeholde en tot lantaarns vervormde rapen en pompoenen (pronk- of
+bronkappelen), waarmee thans de dorps- en veelal ook nog de stadsjeugd
+langs de huizen trekt. Te Brugge en rond Maaseik loopen de kinderen
+met eindjes touw, bestreken met teer. De vuren vervangt men in de
+steden, b.v. te Venloo, door kaarsjes. Op Sint-Maartensavond vormen
+ouden en jongen een kring; dan wordt lustig in de rondte gedanst en
+de kinderen springen herhaaldelijk over het vlammetje. Dit kinderlijk
+gebruik verbindt dus ons folklore niet alleen met den grijzen voortijd,
+maar ook met de volksgebruiken der verre Donaulanden, van Meissen
+en Thüringen, waar men althans bij de Sint-Jansvuren nog over den
+gloed heenspringt.
+
+Bij den rondedans zingt men te Venloo het bekende:
+
+
+ Sintermertes veugelke
+ Hêt ein roeëd keugelke
+ En ein blauw stertje
+ Hoepsa Sintermerte!
+
+
+Appingedam:
+
+
+ Sunte Meertens vogeltje
+ Met ziên kip kap kogeltje
+ Met ziên rooie rokje,
+ Met ziên vleddern stokje.
+
+
+Ter vergelijking diene nog het door Halbertsma meegedeelde:
+
+
+ Sunte Maartens veugeltje
+ Zat al op een heuveltje
+ Met zijn rood rokje;
+
+
+en verder het rijmpje, dat men hoort in de Altmark:
+
+
+ Märtiin Märtiins Vaegelken
+ Mett siin verguit Snaevelken!
+ Geft us watt un lat us gan,
+ Datt wii hüüt noch wiier kam'n.
+
+
+In het leven van den heilige komt geen vogel voor, en toch ontmoet
+men den Martinusvogel reeds in de gedichten der Middeleeuwen. Ook in
+Frankrijk kent men den "oiseau St. Martin" en in Spanje den "pajaro
+St. Martin."
+
+Over dezen Sint-Maartensvogel is heel wat geschreven, zie
+b.v. Dr. Knappert, Wödan-St. Maarten in den Gron. Volksalmanak 1899,
+bl. 102; Dr. Knippenberg, Sintermertesveugelke, in Limburg's Jaarboek
+1911, bl. 75 enz. Persoonlijk heb ik deze kwestie onderzocht in mijn
+opstel, getiteld: Overblijfselen van den Wôdan-kultus in Limburg,
+in Limburg's Jaarboek 1898, bl. 34 vlg. Mij dunkt thans, dat men
+de zaak als uitgemaakt kan beschouwen. De handschriften, die "Sant
+Martisvogel, Mertissvogelin" geven, wekken het gegronde vermoeden,
+dat _Martini avis_ uit _Martis avis_ ontstaan is; in alle geval is
+de specht bedoeld, de bonte specht (_picus maior_), met zijn donkere,
+staalblauwe staartveêren en donkerrooden nek. Het woord "keugelke" is
+immers het Middelnederlandsche _cogele_ "halskraag, mantelkap", men
+denke aan de zegswijze: "kat en kogel verliezen", ontstaan uit "kap
+en kogel verliezen", elders "kap en keuvel"; vergel. ten overvloede
+het Veendamsche en Delfzijlsche rijmpje:
+
+
+ Kip, kap, kogel,
+ Sint Maartinsvogel.
+
+
+Zoo ook het Duinkerksche:
+
+
+ Sinte-Martens veugeltje
+ Kwam met zijn roo kapeugeltje
+ Gestoven
+ Gevlogen
+ Al over den Rijn,
+ Waar dat vette verkens zijn!
+ Goede vrouwe, geeft ons wat,
+ Alle hennen leggen wat!--
+
+
+Ik keer nu terug tot den ronddans in de binnenkamer. Als tweede
+couplet zingt men een lied, dat aanvankelijk bij het inzamelen van
+hout enz. aan de huizen gezongen werd, en thans nog gezongen wordt
+dáar, waar deze inzameling door de jeugd in typischen lichtstoet
+nog gehouden wordt. Tot goed begrip dezer strofe dient men zich de
+legende van den H. Martinus te herinneren. Het was in den strengen
+winter van het jaar 332, toen Martinus, nog krijgsman en katechumeen,
+een naakten en van koude schier verkleumden bedelaar ontmoette bij
+een der poorten van Amiens. Terstond trekt hij zijn zwaard en deelt
+zijn krijgsmantel in tweeën, geeft de eene helft aan den arme, die
+in Christus' naam een aalmoes vraagt, en bedekt zich zelf zoo goed
+mogelijk met de ander. Vandaar in het lied de uitdrukking "met zijn
+bloote armen". Denzelfden nacht zag hij in zijn slaap den Zaligmaker,
+met het deel van den mantel, dat hij den bedelaar gegeven had, bedekt,
+zeggende: "Martinus, hoewel nog katechumeen (niet gedoopt), heeft mij
+met dit kleed gedekt." De bedelaar heet in het lied "Sinterkrukken".
+
+Vooraf nog een algemeene opmerking over volksrijmpjes, of volkspoëzie,
+zoo men wil. Een groot deel dezer gelegenheidsrijmpjes, die van
+mond tot mond gaan, is verdorven en onverstaanbaar geworden. De
+volksfantasie varieert op alle mogelijke wijze, verbastert, neemt
+allerlei bestanddeelen en restantjes van andere, vreemde liedjes op,
+enz. Maar bij de rekonstruktie moet men uiterst voorzichtig zijn en
+vooral niet te veel logica verwachten. Niet slechts het eene idee,
+maar ook het eene rijm, de eene klank roept den anderen op, vooral
+in de zoogen. _kettingrijmpjes_, en zoo wijkt men soms mijlen ver
+van het hoofdthema af. Ik geef hier enkel de stroofjes, die m.i. de
+meest voorkomende en de minst verhaspelde zijn, en zooveel mogelijk
+ontdaan van hun dialektisme, voor zoover zij een algemeen karakter
+dragen. Voor de volledige Vlaamsche liedjes zie De Cock-Teirlinck,
+Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 110 vlg.; voor Noord-Nederland
+vooral ook Driem. Bladen III, bl. 64; IV, bl. 113; VII, bl. 80.
+
+
+ Vandaag is 't Sinter Marten
+ En morgen Sinter Krukken,
+ Wij komen uit goeder harte
+ En hadden zoo gaarn een stuksken:
+ Een houtjen of een turfjen
+ In Sinter Martens kurfjen,
+ En wij zullen van hier niet gaan,
+ Of wij hebben wat opgedaan.
+
+ Sinter Marten is zoo koud,
+ Geef 'm een turfjen of een hout,
+ Om zich bij te warmen
+ Met zijn bloote armen.
+ Geef wat, houd wat,
+ Tegen 't jaar al weer wat.
+
+
+Of wel:
+
+
+ Geef vuur, geef vuur,
+ Sinter Marten is zoo duur.
+
+
+In de volkspoëzie vinden we ook metrische eigenaardigheden, en behalve
+sporen van stafrijm, allerlei verouderde rhythmische vormen. Het hier
+volgende rijmpje herinnert aan het oude metrum, dat geregeld werd
+door het aantal heffingen in ieder vers, en niet door het aantal
+lettergrepen; zie hierover G. J. Boekenoogen, Onze Rijmen (Leiden
+1893), bl. 32.
+
+
+ Híer wóont een ríjk mán,
+ Díe véel géven kán.
+ Véel wíl hij gévén,
+ Láng zál hij lévén,
+ Zálig zál hij stérvén,
+ Den hémel zál hij érvén;
+ Gód zál hem lóonén
+ Met hónderddúizend krónén,
+ Met hónderddúizend rókjes an,
+ Dáar komt Sínter Márten áan.
+
+
+Of wel:
+
+
+ Met hónderd dúizend líchtjes áan,
+ Dáar komt Sínt Martínus weer áan.
+
+
+Te Venloo volgt na den vierden regel ook wel:
+
+
+ Honderd joar en einen daag
+ Zit det mêdje op die bank,
+ Loat det mêdje valle,
+ Tröl, tröl
+ Loat det mèdje valle (?).
+
+
+Ruim verspreid is verder:
+
+
+ Sint Martinus bisschop,
+ Roem van onze landen,
+ Dat wij hier met lichtjes loopen
+ Is voor ons geen schande.
+ -----------------
+ Martijn,
+ Turf in den murf [mond] in den maneschijn.
+ Gooi in den most,
+ Gooi in den wijn,
+ Hier woont Sinte Martijn.
+ Martijn had een schaartje, dat wou niet knippen,
+ Martijn had een mesje, dat wou niet snijden,
+ Martijn had een touwtje, dat wou niet knoopen,
+ Geef me een korfje of een houtje en laat me loopen.
+
+
+Alkmaar, Hoorn:
+
+
+ D'r is brand al in de lantaren,
+ En de vonken, die vliegen d'r uit,
+ De meisjes loopen om garen
+ En de jongens om beschuit.
+ ------------------
+ Sinte, Sinte Marten,
+ De kalveren dragen starten,
+ De koeien dragen horens,
+ De kerken dragen torens,
+ De torens dragen klokken,
+ De meisjes dragen rokken,
+ De jongens dragen broeken,
+ De wijven schorteldoeken.
+
+
+West-Vlaanderen:
+
+
+ Sinte Martens avond,
+ De torre [lantaarn] gaat mee naar Gent,
+ En als mijn moeder wafels bakt,
+ Dan ben ik daar geern omtrent.
+
+ Stook vier, maak vier,
+ Sinte Maarten komt hier,
+ We zetten hem in een hoekje,
+ We geven hem daar een koekje,
+ En we zetten hem onder de tafele,
+ En we geven hem daar een wafele.
+
+
+Land van Waas:
+
+
+ De jongens van de dorpen,
+ Die waren hier al bijeen,
+ Het geldeken, dat wij 's jaren haên,
+ Dat is hier al verteerd.
+ Wij zullen gaan leeren hout rapen,
+ Turf rapen,
+ Al op Sint Jans manieren!
+ Vrolijk zullen wij vieren,
+ Gelijk wij 's jaren plachten.
+ Een stuk van zijnen mantel
+ Al met zijn billekens bloot!
+ En wilde gij dat niet geven,
+ Dan zijde gij een groote jood!
+ Een houtje of een turf ken
+ In Sinte Maartens kurfken.
+
+
+Krijgt men niets, dan wordt gezongen:
+
+
+ Hier hangt een baksken met zemelen uit,
+ En daar vliegt de gierige duivel uit.
+
+
+Of wel:
+
+
+ Een bosje met zwavel,
+ Een bosje met kruit,
+ Hier hangt de gierige duivel uit.
+
+
+Reeds in de XIIIe eeuw wordt de Sint-Maartensdag _Scuddecorfsdag_
+genoemd; niet zoozeer, omdat dan de broodkorf geschud werd, d.i. een
+algemeene uitdeeling onder de armen plaats had [8] maar een korf
+met appelen, kastanjes, noten, mispelen enz. werd boven het vuur
+aanhoudend geschud, zoodat de inhoud naar alle kanten vloog en door
+de grabbelende jeugd werd opgeraapt. De korf zelf verbrandde langzaam
+onder het schudden; vanwaar in Duitschland het rijmpje:
+
+
+ O Marten, Marten,
+ Der Korb muss verbrennet sein;
+ Das Geld aus den Taschen,
+ Der Wein in die Flaschen,
+ Die Gans vom Spiess,
+ Da sauf und friss,
+ Wer sich vollsaufen kann,
+ Wird ein rechter Martensmann.--
+
+
+In den Gelderschen Volksalmanak van 1837 leest men, hoe het
+Schuddekorfsfeest binnenshuis werd gevierd. Aan den zolder werden
+papieren builen opgehangen met rozijnen, amandelen, kastanjes enz. Aan
+deze builen bevestigde men een langen papieren slinger. De slinger
+wordt aangestoken, de vlam komt nader en nader, het laatste vonkje
+deelt zich mee aan 'n kleine hoeveelheid buskruit, die ontvlamt,--en de
+buil scheurt aan stukken. Nu regent het lekkernijen, en de grabbelende
+jeugd stoeit en strijdt, wie het meest mag oprapen.
+
+Veel meer karakteristiek is het uitdeelen van versnaperingen aan de
+kinderen in de zuidelijke provinciën. De avond vóor Sint Maarten is
+de echte strooiavond; en de kinderen, ronddansend om het kaarsje
+en "Sinter Mertes veugelke" zingend, zien verlangend naar den
+schoorsteen, want Sint Maarten rijdt, d.i. werpt zijn gaven door den
+schoorsteen. Sint Maarten is de kindervriend en treedt herhaaldelijk
+voor Sinter Klaas in de plaats. Te Herdersem, te Aalst, te Sint
+Nikolaas zetten de kinderen hun schoen op Sint Maartensavond. Men
+legt voor het paard van den heilige, die 's nachts rondrijdt, hooi en
+wortelen in den schoen; te Ieperen hangen de kinderen op den vooravond
+hun met hooi gevulde kous in het huis hunner ouders of grootouders
+op, in de hoop deze 's morgens met geschenken gevuld te vinden. Te
+Antwerpen is het strooiavond, evenals te Venloo en in de Kempen;
+in bisschoppelijk ornaat verschijnt de heilige in de kinderkamer en
+beloont of tuchtigt naar verdienste.
+
+Immers, wij staan aan het begin van het Joeltijdperk, eertijds
+gewijd aan Wôdan, als god der vruchtbaarheid, maar ook aan de
+schimmen der afgestorvenen, het tijdperk der vruchtbaarheid en der
+bevruchting, gedurende hetwelk genoten en gegeven wordt, en nieuwe
+gaven worden verhoopt van de aarde, sluimerend en welhaast zich
+dekkend met het mollige, blanke dekkleed van sneeuw. Onmiskenbaar
+heeft het Oudgermaansche Midwinterfeest een grooten invloed op onze
+hedendaagsche gebruiken uitgeoefend. Men toonde zich dankbaar voor
+het genotene, men bracht het eerste winteroffer, maar genoot ook van
+de offergaven en vierde feest met uitgelaten vroolijkheid. Martinidag
+was de eerste smuldag bij de intrede van den winter. De oogst is nu
+binnen gehaald, ten volle kan men genieten van de rust na den arbeid
+en van den oogstzegen,--en de eerste groote slachttijd is daar. Zoo
+vindt men in dit Joeltijdperk dan ook de meeste smuldagen en de meest
+verscheiden gebaksvormen; zoo worden dan in deze periode de kinderen
+op allerlei snuisterijen onthaald, voorgesteld als hemelgaven, door
+de godheid verleend,--naderhand nemen Sint Maarten, Sinterklaas, het
+Kerstkind, de Driekoningen enz. de plaats der chthonische godheden
+in: ekonomische en religieuze motieven gaan hier hand in hand. Sint
+Maarten _rijdt_ deze gaven, evenals Sinterklaas en de Engelen op
+Palmzondag; _rijden_ is gelijkwaardig met "geschenken geven", door
+welke synonimie het verband tusschen "wind" (rijden door de lucht)
+en "vruchtbaarheid" in een helder daglicht treedt. "Veel wind, veel
+ooft", zegt een spreekwoord. In Limburg kent men zelfs Sint Maarten
+in de funktie van den Wilden Jager (vgl. bl. 71), als aanvoerder van
+het geestenheir, begeleid door zijn knecht.
+
+Aldus verklaart men ook de eigenaardige koeken, met Sint Maarten
+gebakken en _Sint Maartenshoorntjes_ genoemd. Ook in het Freudental
+(Oostenr. Silezië) mogen de _Martinshörndl_ niet ontbreken. Hiermee
+hangt samen het varkensslachten, dat op Sint Maarten gebruikelijk is,
+zoodat men in Duitschland schertsend van _Speckmärten_ spreekt. Vooral
+de kleine man slacht dan het zorgzaam gemeste dier:
+
+
+ Op Sint Martijn
+ Slacht de arme het zwijn.
+
+
+Te Hoogstade (België) zingt men:
+
+
+ Sinte Maarten,
+ Koeken en taarten,
+ Brood en wijn,
+ Al voor Sinte Maartens zwijn!
+
+
+Niet minder past bij de opening van dit tijdperk de Sint
+Maartensgans. Zij is om dezen tijd het vetst en wordt dus als
+bijzondere lekkernij genoten; vroeger werd zij over het algemeen
+meer gegeten dan thans, ik herinner slechts aan de markten, die nog
+haar naam dragen. Het gebruik der Sint Maartensgans is heinde en ver
+verbreid en houdt met geen enkel goed vaststaand feit uit het leven
+van den heilige verband. Men denke er toch aan, dat het volk niet
+met getaldatums, maar met heiligendagen rekende, zoodat men tegen
+Sint Maarten (d.i. 11 Nov.) de gans slachtte, tegen Sint Andries
+(d.i. 30 Nov.) de pacht betaalde, tegen Sint Margriet (d.i. 10 Juni)
+omslag in het weer verwachtte enz., enz.--Slechts in Engeland is de
+gans de oudvaderlijke schotel op Sint Michaëlis (29 Sept.), n.l. de
+_Michaelmass-goose,_ terwijl den 11en November het _Martinmass-beef,_
+gerookt vleesch, op tafel prijkt. Ook in Friesland is het eten van
+ganzen meer omstreeks Sinterklaas en Kerstmis gebruikelijk.
+
+Reeds sinds eeuwen werd de heilige met een gans afgebeeld; op Noorsche
+runenkalenders vindt men 11 Nov. door een gans aangeduid, evenals op
+Tirolsche boerenkalenders. Luidens de legende zouden de ganzen den
+heilige door hun gesnater bij het preeken gestoord hebben, waarom
+hij ze slachten en oppeuzelen liet! Anderen berichten, dat de ganzen
+zijn schuilplaats verrieden, toen hij zich had verborgen, ten einde
+zich aan de bisschoppelijke waardigheid te onttrekken. Op het dak
+der Sint Maartenskerk teWorms (XIIe eeuw) is mede een gans geplaatst.
+
+In Gelderland, Overijssel enz. werd de gans 4 weken te voren
+gekocht en dan gemest; befaamd waren de ganzenmarkten te Deventer en
+Zwolle. Sommigen _pilden_ de beestjes, d.i. duwden hun meel-ballen tot
+barstens toe in den gorgel. Te Deventer werd zelfs door de schooljeugd
+aan "Meester" een malsche gans ten geschenke gegeven; deze gaf dan
+vakantie. Hier en ook nog in enkele andere plaatsen van Noord-Nederland
+bleef na de Reformatie de "papistische grouwel" van het gans-eten
+voortbestaan.--Een deftig Deventersch hooggeleerde uit de XVIIe eeuw,
+Martinus Schoockiius verhaalt, hoe de hoogstgewichtige vraag behandeld
+werd, of het geoorloofd was, op Sint Maarten een gans te eten, en meer
+bepaaldelijk, of men een Sint Maartensgans mocht opdisschen aan de
+Deventersche studenten in de heilige godgeleerdheid, die gezamenlijk
+het middagmaal gebruikten. De hooggeleerde is vrijzinnig genoeg,
+er geen bezwaar in te zien; zie Eelcoo Verwijs, Nutsalmanak. 1868,
+bl. 151 vlg.
+
+Eigenlijk behoort de St. Maartensgans thuis in de Saksische gewesten
+van ons land. Ik ben de meening toegedaan, dat men de gans kan
+beschouwen als een Saksisch stamdier, waarop m.i. ook het liedje uit
+Westerwolde wijst:
+
+
+ Er kwam een gans uit Sassen,
+ Uit Sassen kwam die gans,
+ Hij was zoo wel gewassen,
+ Gewassen was die gans.--
+
+
+Voor een groot deel van ekonomischen aard is ook de
+Sint-Maartensdronk. In de volksrijmpjes heet het:
+
+
+ Sint Martijn, Sint Martijn,
+ T' avond most en morgen wijn.
+
+
+Men dronk nieuwen most en nieuwen wijn, want het feest valt omstreeks
+den tijd, dat de nieuwe wijnen worden gekelderd: het valt samen met
+het einde van den wijnoogst. Van oudsher werden b.v. te Dordrecht,
+de stapelstad, de Fransche wijnen gekelderd op Sint Maarten. Zoo
+komt het, dat in sommige Fransche kalenders een beker het attribuut
+van Sint Maarten is, en dat hij in Frankrijk veelal als de patroon
+der wijnbouwers en hotelhouders geldt.--Uiteraard ontaardde dan ook
+het Sint Maartensfeest niet zelden in een zwelgpartij, zooals dit
+b.v. op de bekende schilderij van den Boeren-Breughel in het Museum
+van Antwerpen is voorgesteld.
+
+De historische Martini-dronk, die den naam van _Sint Maartens minne_
+draagt, is oorspronkelijk een heidensche offerdronk. Hierover spreek
+ik nader bij het behandelen der Sint-Jansminne.
+
+Eindelijk, Sint Maarten evenals Sinterklaas en andere persoonlijkheden,
+die geschenken uitdeelen, is gewapend met een roede of gaarde. Deze
+staat met het vruchtbaarheidsbegrip in verband, en elk begrip van
+tuchtroede is haar aanvankelijk vreemd. Het is een oud Indogermaansch
+volksgeloof, dat het treffen van dier of plant met een roede, onder
+zekere plechtigheden, dat dier of die plant vruchtbaar maakt. Mannhardt
+vooral heeft over dit onderwerp in zijn Baumkultus onder den titel
+van: "Der Schlag mit der Lebensrute" een meesterlijk gedachte en
+keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Den 10en November wordt de
+_Martinsgerte_ door den Beierschen herder aan zijn meester ter hand
+gesteld: achter krib of staldeur gestoken, beschut zij gedurende
+den winter het vee tegen alle onheil, en in de lente drijft men er
+de koeien mee naar de weide. Hierbij bedient men zich te Etzendorf
+(Beieren) van de volgende spreuk:
+
+
+ Kommt der heilig St. Märten
+ Mit seiner Gerten;
+ _Soviel Krawitbeeren_,
+ _Soviel Ochsen und Stiere!_
+ _Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!_
+ Steekt sie hinter den Kühbarn,
+ So wird auf's Jahr keine Kuh verloren,
+ Und steckt sie hinter der Stalltür,
+ Treibt sie auf's Jahr mit Freuden herfür.
+
+
+Bij de kerstgebruiken kom ik op dit onderwerp terug. Laat ik nog
+slechts aanstippen, dat ook het slaan met riemen, hetwelk de _Luperci_
+zich te Rome op het feest der _Lupercalia_ veroorloofden, slechts
+in schijn een tuchtiging was. Zelfs versperden de vrouwen, volgens
+Juvenalis, den _Lupercis_ den weg, om zich in de vlakke hand te doen
+treffen: Nec prodest agili palmas praebere luperco: "En het baat niet
+den vluggen Lupercus de vlakke hand te bieden" (_Sat._ II, 14).
+
+Wij volgen nu verder den kalender, door de heiligenfeesten aangeduid:
+den waren _volks_kalender.
+
+_Sint Katharina (25 Nov.),_ van Alexandrië, maagd en martelares. Door
+hare wijsheid beschaamde zij de heidensche wijsgeeren, van waar zij
+van oudsher als patrones van de wijsgeeren en redenaars gold, en ook
+de Seminaries haar als zoodanig huldigen. Geen wonder, dat ook eenige
+der oudste Belgische Rederijkerskamers haar als patrones verkozen,
+b.v. te Hasselt, Eecloo, Leuven en Aalst, waar de _Catharinisten_
+nog heden bestaan. De Romeinsche keizer Maximinus veroordeelde haar
+na vele folteringen om geradbraakt te worden; maar op haar gebed werd
+het met scherpe punten beslagen wiel verbrijzeld, waarna men haar
+onthoofde: zoo werden een gebroken rad, boek, palm en zwaard hare
+attributen, en verkozen haar de wiel- en wagenmakers, pottebakkers
+en spinsters als patroonheilige. Evenals de namen der HH. Lucia en
+Clara, staat haar naam etymologisch met het begrip "licht, reinheid,
+helderheid" in verband. Dit had tot gevolg, dat de Kathrijnedag tot
+_dies criticus_ werd: beslissende dag voor het weêr. Herhaaldelijk komt
+hij in weêrregels voor. Men laat plaatselijk omtstreeks dezen datum
+den winter een aanvang nemen, en zoo heet het dan: "St. Katharina
+komt in het wit gekleed". In Westfalen zegt men: "Katharina hett den
+winter innen Schraine". Ook kent men bij ons het rijmpje:
+
+
+ Met Sint Katrijn
+ Moeten de koeien aan de lijn.
+
+
+Na regen verleent zij zonneschijn. Dit blijkt o.a. uit het volgende,
+op vele plaatsen en met vele varianten (vooral aan het slot) gezongen
+rijmpje:
+
+
+ Sinte-Katerijne (of Katelijne),
+ Laat het zonneke schijnen,
+ Laat den regen overgaan,
+ Dat de kinderkens naar school toe gaan!
+ Wie zal hun leeren?
+ Onze lieven Heere.
+ Wie zal ze trouwen?
+ Onze lieve Vrouwe.
+ Wie zal hun te eten geven?
+ Sinte-Pieter, die goede man,
+ Die alle kinderen geeselen kan.
+
+
+Of:
+
+
+ Wie zal de misse doen?
+ Peetje met zijn gelapten schoen; enz. enz.
+
+
+Sint-Kathrijnedag is ook een Schuddekorfsdag. De schoolkinderen gaan
+in Belgisch Limburg van deur tot deur en roepen: "Geeft aan de jongens
+van St. Katrien!" Krijgen ze centen, appelen, noten enz., dan roepen
+ze nog eens: "Goê Sinte-Katrien!" Krijgen ze niets, dan schreeuwen
+ze heel hard: "Kwâ Sinte-Katrien!" Eenige jaren geleden zong men nog:
+
+
+ Wij komen al rond op Sinte-Katriene,
+ Wij hadden zoo geerne wat boekweitbloem.
+ Wij zullen ze luisterlijk vieren
+ Al op een zalige maniere.
+
+
+Of:
+
+
+ Al op onze oude manieren.--
+ Gelijk wij verleên jaar hebben gedaan,
+ Huis voor huis al afgegaan,
+ Ter eere van Sinte-Katriene.
+ Geeft wat
+ Houdt wat
+ Tegen 't jaar nog wat.
+
+
+Zie 't Daghet in den Oosten II, bl. 179; IX. bl. 95; XI. bl. 47; De
+Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust IV, bl. 180 vlg., VII,
+bl. 174, 175; De Cock, Volkskunde, 259; Schrijnen, Essays en Studiën,
+bl. 68, 251.
+
+_Sint Andries (30 Nov.)_ is insgelijks een kritische dag: "Sint Andries
+brengt de vries", ook weer niet zonder volksetymologischen bijsmaak.
+
+Deze dag deelt verder in de St. Maartens- en Sinterklaasgebruiken. Het
+is hier of daar weer Schuddekorfsdag. Op Sint Andriesavond gaan te
+St. Marie-Laathem de jongens rond om een _snik_ (appel). Zij staan
+bij elk huis stil en roepen:
+
+
+ 'k Kom om mijnen snik!
+
+
+Wie geeft, wordt bedankt; wie niet geeft, wordt onthaald op;
+
+
+ Wilde nie geên, ge meugt 'et houwen,
+ Maar 'et zalder u wel berouwen!
+ Die niet en geeft, die es en beest,
+ Dat es N.N. om te meest!
+
+
+Sint Andries_nacht_ speelt ook een voorname rol in de tooverwereld,
+al mogen wij niet vergeten, dat het rekenen met nachten wel het
+oorspronkelijke was; vgl. Volk en Taal I, bl. 11, 12.
+
+_Sint Elooi (l Dec.)._ De H. Eligius werd in 588 in het Westen van
+Frankrijk geboren en toonde reeds als knaap groote vaardigheid in
+de teeken- en goudbewerkerskunst. De koningen Clotarius en Dagobert
+lieten hem kunstvoorwerpen voor zich vervaardigen, o.a. een gouden
+zetel. Naderhand stichtte hij een klooster en werd bisschop van
+Noyon. De volkssage maakt hem tot een gewonen smid, vooral hoefsmid,
+en vereerde hem tevens het patroonschap over de paarden. Vooral bekend,
+en ook vaak in lijn en beeld gebracht, is de legende, hoe de heilige
+een koppig paard, dat hij beslaan moest, den poot afsneed, zonder het
+een druppel bloed te doen verliezen. Dan besloeg hij den hoef op het
+aanbeeld en zette de twee stukken weer aan elkaar.
+
+De feestdag van Sint-Elooi wordt op het Vlaamsche platteland door
+smeden, voerlieden en paardeboeren nog gevierd, o.a. te Poeke, Vinkt,
+Vosselare, Burst, Herdersem, Grembergen en Tielrode. Wat betreft de
+zoogenaamde paardenprocessies ter eere van den heilige, deze hebben
+thans meestal den 29sten Juni, dus op St. Petrus en Paulus plaats. De
+boeren leggen dan met hun rijdieren in vollen draf driemaal den grooten
+processieweg af, vatten daarna post voor de kerkdeur, worden gezegend
+en rijden dan stapvoets driemaal om de kerk.
+
+Te Mechelen hadden volgens V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge
+II, bl. 295, de leerjongens de gewoonte, dien dag van meester tot
+meester te gaan om een fooi te vragen onder het zingen van bepaalde
+rijmpjes.
+
+_Sint Barbara (4 Dec.)_ werd door haar heidenschen vader in een
+toren opgesloten; vandaar, dat de metselaars en timmerlieden haar tot
+patrones kozen. Te Keulen is zij met haar geschenken de voorloopster
+van Sinterklaas. In Limburg snijdt men de zoogenaamde _Barbara-takken:_
+kersen- of berkentwijgen, die in water of in vochtige aarde gezet,
+op Kerstmis zullen bloeien,--treffende kerstening en symboliseering
+van het vruchtbaarheidsidee.
+
+_Sint Nikolaas (6 Dec.)._. Een groote, krachtige gestalte te paard,
+den staf in de hand, den mijter op het hoofd, den ruim-geplooiden
+bisschopsmantel om de schouders geslagen,--zoo stelt zich de
+kinderwereld den heiligen bisschop van Myra voor. Hij lijkt inderdaad
+veel op de figuur van Wôdan, het rijzige lichaam in een wijden,
+donkeren mantel gehuld, waarin hij zijn beschermelingen door de lucht
+draagt, en gezeten op zijn trouwe schimmel Sleipnir.
+
+Na de overwinning van het Christendom in de IXe en Xe eeuw, toen het
+werkelijk geloof aan Wôdan en zijn kring was verloren gegaan, was die
+schimmel een onbeheerde zaak, een _res derelicta primi occupantis,_
+slechts bereden door een half-goddelijke, half-daemonische schim,
+die zich nog hier of daar in het folklore vertoont (zie bl. 72),
+maar welke het niet moeilijk viel voor edeler, meer reëele figuren
+te doen wijken. Op dien schimmel heeft het volk in den loop der
+tijden aan allen, die het hoog hield, omdat zij een aanzienlijke rol
+gespeeld hadden in kerkelijke of staatkundige geschiedenis of ook
+sage--heiligen, koningen, legerhoofden en anderen--een eereplaats
+gegund; en zoo heeft Sleipnir ook als substraat gediend voor de
+vereering van Sint Nikolaas.
+
+Het paard is voor den heilige het onmisbare vervoermiddel op zijn verre
+tochten. Soms is hij gedwongen, de reis te onderbreken en zijn paard
+te laten beslaan; de smid wordt rijkelijk beloond. Het laat ook niet
+zelden een hoefindruk achter, evenals de schimmel van _Karel Quinte_,
+als deze uit den _Gudinsberg (Wuodenesberg_) komt. Sinterklaas komt van
+verre, van het land van licht en zonneschijn, vanwaar hij appelen en
+kastanjes meebrengt. In onze Sinterklaasliedjes is dit meestal Spanje,
+dan ook Condé:
+
+
+ Drie appelkens van Condé,
+ Breng mijn broerkens ook wat mee.
+
+
+(West-Vlaanderen).
+
+
+ Om appelkens van Condé,
+ Breng er mij een g'heel schootjen mee!
+
+
+(Oost-Vlaanderen).
+
+Te Venloo laat men hem weer terugkeeren naar Picardië:
+
+
+ Gank oet rieje
+ Noa 't lendje van Picardië.
+
+
+Tegen voetzeer schijnt het paard niet beveiligd:
+
+
+ Sinter Klaas zen peerdje,
+ Dat häd een kranke poot,
+ Laten we doa voor bejen,
+ Dat het beter weurdt.
+
+
+(Hasselt.--'t Daghet in den Oosten IV, bl. 121).
+
+Beter lijkt me de Venloosche lezing:
+
+
+ En Sinterklaos zie(n) pêrd,
+ Det hêt 'n kwoaje voot,
+ En as me doa veur bêjt,
+ Dan wuurdt dê ouk weer good.
+
+
+In ons land is Sinterklaas het voornaamste schenkingsfeest; hij _rijdt_
+geschenken, met name voor kinderen. De _pakjesavond_ onzer noordelijke
+provinciën is een late, gladstrijkende en prozaïsche vervorming. Aan
+het vruchtbaarheidstijdperk herinnert verder de peperkoek in zijn
+tal van grillige vormen en benamingen, waaraan oud en jong zich te
+goed doet. Men vergelijke hiermee de _Klausenmannle_ in Hohenzollern,
+de _Nicolaus-Lebkuchen_ in Hessen-Nassau enz.
+
+Evenals de Wilde Jager en Sint Maarten _rijdt_ Sinterklaas door
+den schoorsteen. En inderdaad, de schoorsteen is de koker der
+geestenwereld, de verbindingsweg tusschen de hoogere wezens en de
+gewone stervelingen,--de ruime, ouderwetsche schoorsteen boven
+den oorspronkelijk vrijliggenden haard, de aloude offerstede,
+steeds het gezellige middelpunt van het intieme huiselijke
+leven. Is het wonder. dat de schoorsteen een groote rol in de
+tooverwereld speelt? Dat men op Silvesteravond, in het hartje
+van den Joeltijd, in den schoorsteen ziet, om de toekomst te
+doorschouwen? Dat toovermiddelen bij voorkeur in den schoorsteen
+worden opgehangen? Vooral de huisgeesten dalen door den schoorsteen
+tot den huiselijken haard af. Bij het plaatsen van vulkachels en het
+aanleggen van centrale-verwarming nemen zij al schielijk de vlucht.
+
+Onder den schoorsteen wordt de schoen gezet, vanwaar de uitdrukking
+"een schoen zetten bij iemand" synoniem is van "iemand iets
+afbedelen." Nu staat de schoen van Sinterklaas in het folklore niet
+alleen. Ook de Wilde Jager vult schoenen en laarzen, en wel met
+goud. Op Kerst- en Silvesteravond, en ook wel op Thomasavond, werpen
+zich in Oostenrijk en Mecklenburg jongens en meisjes een schoen over
+het hoofd, om te zien, wat hun te wachten staat. Maar hoofdzaak is,
+dat de schoen hier op de eerste plaats dient om het voeder te bevatten
+"voor Sinterklaas zijn paard." Plaatselijk in heel ons land, maar
+met name in de zuidelijke provinciën en in België, wordt in schoen of
+klomp haver, hooi, wortelen enz. voor het dier gereed gezet. Vergelijkt
+men nu hiermee het op vele plaatsen van Duitschland en Skandinavië,
+en ook nog in Twente bestaande oogstgebruik, eenige halmen op den
+akker te laten staan, zooals het veelal uitdrukkelijk heet, "voor Wode
+en zijn paard," dan dunkt me, dat ook hier weer de oorsprong van een
+volksgebruik naar het land moet verlegd worden. Op dit hooioffer kom
+ik te gelegener plaatse nader terug; hier volge slechts de slotsom,
+dat wij in het hooi voor het paard van den heilige hoogstwaarschijnlijk
+een schamel, overigens onschuldig _survival_ te zien hebben van een
+voormalig offer aan den god, of liever aan het paard van den god der
+vruchtbaarheid, en wel een offer van hooi, dat immers reeds in de
+Oudnoorsche Edda _Sleipnis verdr_, "Sleipnir's spijs" genoemd werd.
+
+Bij het schoenzetten behooren enkele liedjes, waarvan hier de
+voornaamste, meest algemeen verspreide lezing:
+
+
+ Sinte Niklaas,
+ Nobele baas,
+ Breng iets in mijn schoentje,
+ Een appeltje of een citroentje (limoentje).
+
+
+ Sinte Niklaas kapoentje,
+ Rijd wat in mijn schoentje,
+ Een appeltje of een citroentje,
+ Een nootje om te kraken,
+ Het zal zoo lekker smaken!
+
+
+ Sinterklaas bisschop,
+ Zet uw hooge muts op,
+ Trek uw besten tabbaard aan,
+ Rijd er mee naar Amsterdam,
+ Van Amsterdam naar Spanje,
+ Appeltjes van Oranje!
+
+
+ Sinterklaas, goed heilig man,
+ Trek uw besten tabbaard aan,
+ Geef de kleine kinderen wat,
+ Geef de grooten een schop voor het gat,
+ Laat ze daarmee loopen,
+ Kousen en schoenen verkoopen.
+
+
+ Sint Niklaas, mijn goede man,
+ Wilt ge me wel wat geven,
+ Dan dien ik u al mijn leven;
+ Geef je me niet,
+ Dan dien ik je niet,
+ Dan ben je mijn Sint-Niklaasje niet.
+
+
+Sinterklaas rijdt rond met zijn knecht, in ons land meest Pieterman
+geheeten, in de Rijnprovincie _Hans Muff_, in den Elzas _Hans Trapp_,
+elders anders. In Noord-Duitschland verschijnt op Kerstavond een
+baardige, in pels en erwtenstroo gehulde figuur, die appelen, noten
+enz. onder de jeugd rond deelt. Wij hebben hier stellig te doen met
+een elfische gedaante. Sinterklaas of Pieterman dragen de roede,
+evenals Sint Maarten. In Zwitserland draagt St. Nikolaas plaatselijk
+een opgesmukt boompje, in Hamburg voorheen een groene twijg. Over de
+beteekenis dezer roede is boven gesproken (bl. 116). Laat ik hier
+nog slechts bijvoegen, dat te Mähren (Oostenrijk) op den vooravond
+van Sinterklaas boerenknapen met zweepen de velden doortrekken,
+om de groeikracht te bevorderen. Volgens TlLLE, Die Geschichte der
+deutschen Weihnacht, bl. 196, heeft het Protestantisme de levens-
+en vruchtbaarheidsroede van onzen heilige tot strafinstrument en
+plak hervormd.
+
+Sinterklaas, eindelijk, is ook de patroon der schippers, en dit
+attribuut heeft er zeker niet weinig toe bij gedragen, dat zijn feest
+te Amsterdam zoo uitermate populair is. Het schipperliedje luidde:
+
+
+ Wij sullen ons scheepken wel stieren
+ Al over die wilde see,
+ Al op Sinterklaes manieren,
+ Soo gaet er ons soetlief meê.
+
+
+Dit patroonschap is zonder twijfel te danken aan het bekende verhaal,
+waarvolgens de heilige, op reis naar het H. Land, een door hem
+voorspelden storm door zijn gebed deed bedaren.
+
+Zie Eelco Verwijs, Sinterklaas ('s Gravenhage 1863); Schrijnen,
+De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond 1898); Ter Gouw, De
+Volksvermaken, bl. 252 vlg.
+
+_Sint Lucia (13 Dec.)_ is een echte volksheilige. Zij heeft tal van
+attributen van de godin Holda-Perchta overgenomen. In Nederland en
+België wordt zij bij oogziekten aangeroepen, op grond der etymologie
+van haar naam (van _lux_ "licht"). Vandaar, meent De Smedt, de
+gewoonte, haar voor te stellen met twee oogen in de hand of op een
+schotel; en hiervandaan komt de legende, volgens welke zij zich de
+oogen zou hebben uitgerukt, om zich aan de lagen van een door hare
+schoonheid betooverd jongeling te onttrekken. Zie mijne Essays en
+Studiën, bl. 68, 251, 244.--
+
+Den eersten der Quatertemperdagen in den Advent, dus
+Quatertemperwoensdag vóór het kerstfeest, wordt ter eere der H. Maria
+een plechtige mis gezongen, die den naam draagt van _Guldenmis_: niet
+omdat zij vroeger met gulden letters in de missalen stond geschreven,
+of van wege de gulden pracht der misgewaden; maar "gulden" beteekent
+hier "voortreffelijk", "krachtig". Zij wordt ook de _Rorate-mis_
+genoemd, omdat zij begint met de woorden _Rorate cocli_. In de
+noordelijke provinciën heet zij ook wel de _Schippersmis_. De
+Westvlaamsche naam is _Duvekedaals-messe,_ omdat in het mysteriespel
+der Boodschap, dat eertijds in Vlaanderen met haar verbonden was,
+bij de woorden: "De H. Geest zal over u nederdalen en de macht des
+Allerhoogsten zal u overschaduwen", uit de hoogte een duif, door
+licht omgeven, over Maria werd neergelaten.
+
+Volgens V. Reinsberg-Düringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 424, is dit
+mysteriespel in sommige katholieke landen nog gebruikelijk. Zoodra
+de zegen gegeven is, begint een knaap, die den engel voorstelt,
+welke de boodschap bracht, te zingen:
+
+
+ Ave Maria, gratia plena!
+ (Wees gegroet Maria, vol van genade),
+
+
+en het volk valt in en zingt verder:
+
+
+ Benedicta tu in mulieribus!
+ (Gezegend zijt Gij onder de vrouwen).
+
+
+_St. Thomasdag (21 Dec.)_ wordt beschouwd als de inleiding tot het
+tijdperk der _Twaalf Nachten_. De geesten drijven hun spel, tooverij
+en bijgeloof vieren hoogtij. Deze dag is een lotsdag, geschikt om
+de toekomst te doorschouwen. In Bohemen meent men, dat Sint Thomas
+op een vurigen wagen door de lucht rijdt,--een bijzonder aspekt van
+het volksgeloof aan de Wilde Jacht en haar voorrijder. In Oostenrijk
+en Mecklenburg is op Thomasavond het schoenwerpen (bl. 123) nog meer
+gebruikelijk dan op Nikolaas- of Sylvesteravond.
+
+Het is de kortste dag van het jaar en daarom geldt het als een schande,
+op dezen dag lang te slapen. Evenals in Westfalen eertijds degene,
+die 's morgens dien dag het laatst ter school kwam, door de kinderen
+_Domesesel_ (Thomasezel) genoemd werd, zoo noemt men in Hollandsch
+Limburg nog thans den langslaper _Thomas_; analoog is het gebruik,
+waarvolgens jaren geleden in Noord-Brabant de jongen, die op den
+laatsten dag van het jaar, Sint Silvester, het laatst ter school
+kwam, _Paus Silvester_ geheeten werd. En K. de Gheldere, Dietsce Rime
+(Brugge 1896), bl. 148 vermeldt: "Die op dezen dag [St. Silvester] in
+'t een of ander de laatste bevonden wordt, heet _Silvester_ en moet
+beschenken." Het is een straf voor de lang-slapers en telaat-komers,
+die eveneens den _Luilak_ treft, die den eersten meidag verslaapt. Ook
+de _Pinksterbruid_ is een langslaapster, waarover nader. Natuurlijk
+heeft men dit gebruik in verband gebracht met het Evangelieverhaal
+van den H. Thomas, die "te laat kwam", toen de anderen reeds vergaderd
+waren. In Rond den Heerd IV, bl. 130 wordt nog vermeld: "De Maandag na
+Palmen-zondag hiet te Brugge over oude tijden Kalfdag; die op Kalfdag
+laatst in schole of te huis kwam was kalf, wierd kalf gescholden,
+en, in die hoedanigheid, geplaagd en gezeerd." Op Palmzondag begint
+het tijdperk van het eigenlijke Lentefeest.
+
+Het begrip "'s morgens te laat komen" trad meer en meer op den
+voorgrond; en zoo komt het, dat men heden ten dage hier vader
+en moeder, ginder den onderwijzer buitensluit. Men noemt dit te
+Brugge iemand _thomassen_. Het feest heet "Sluiterkensavond",
+"Sluiterkensdag", "Buitensluit", enz. Het te laat komen wordt
+op de eene of andere wijze afgekocht. Merkwaardig zijn nog de
+Sluitertjensdagen vóor Aschwoensdag (dus in het begin der lente)
+in West-Vlaanderen. Den eersten dag sluit men de moeder uit: 't is
+Wijvekenszaterdag; den tweeden den vader: 't is Mannetjeszondag;
+den derden de dochters: 't is Meisjesmaandag; den vierden de zoons:
+'t is Knechtjesdijsendag. Te Waasmunster worden op Zaterdag vóor
+Nieuwjaar, en Maandag en Dinsdag daarna de vrouwen (Zaterdag),
+de meisjes (Dinsdag) en de jongens (Maandag) buitengesloten. Te
+Velthoven wordt de meester op den feestdag der Onnoozele Kinderen
+buitengesloten, bewijs te meer, dat dit gebruik niets met den dag,
+en nog minder met het feest heeft uitstaan. Zie De Bo, West-Vlaamsch
+Idioticon; zie ook De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust
+VII, bl. 152, 252; Volkskunde XIV, bl. 111; V. Reinsberg-Düringsfeld,
+Calendrier belge II, bl. 319 vlg.
+
+Eindelijk, de verwantschap van Midwinter- en Lentefeest blijkt o.a. ook
+nog hieruit, dat men te Venloo den 21sten December kinderen naar
+den Lichtenberg stuurt, om te gaan zien naar "het wijfje, dat daar
+peperkoek spint". De overeenkomst is hier sprekend met den 1en April:
+"Verzendekensdag," waarover nader.
+
+_Kerstmis (25 Dec.)_. Den 25sten December begon het groote
+Germaansche Midwinterfeest ter eere der chthonische godheden, het
+groote zielenfeest of Joelfeest, dat het tijdperk der _Twaalf Nachten_
+opende. Ook hier heeft de groote vroolijkheid, waarmee de feestenreeks
+werd gevierd, hoofdzakelijk haar oorsprong in het genieten der gaven
+voor het groote winteroffer, alsmede in redenen van ekonomischen aard:
+de groote slachttijd, die met de winterfeestviering samenviel. Of
+dit feest ook een zonnefeest was, ter eere van het terugkeerende en
+groeiende zonnelicht--hetgeen door Mogk e.a. wordt betwist--laat
+ik buiten bespreking. Maar een feit is het, dat geofferd werd aan
+de geesten voor de vruchtbaarheid, en dat in de kerstgebruiken van
+heden nog schuil gaat een zekere vereering van de groei- en teelkracht
+der natuur. De aarde slaapt nu, nieuwe sappen garend, om in de lente
+de natuur met jeugdige, frissche kruiden en bloemen te tooien: wij
+bevinden ons in waarheid in het bevruchtingstijdperk. Zooals ik reeds
+zeide, heeft het schieten in de lucht en in de boomen, het luiden
+met klok en bel rechtstreeks reiniging, zuivering van kwade geesten
+en andere schadelijke invloeden (evenals het berooken), en daardoor
+vruchtbaarheid ten doel ook. Ook met het binden van stroobanden om
+de boomen en met het slaan der boomen op kerstnacht wordt bevruchting
+beoogd. Gerucht, in welken vorm dan ook, is een probaat middel om de
+geesten te verdrijven: het lossen van geweerschoten, in het Noorden
+van ons land en in Zuid-Brabant nog veelal gebruikelijk, is hiervan
+slechts een moderne vorm. Op kerstavond loopen op vele plaatsen van
+Duitschland knapen met riemen vol koebellen door de dorpen. Over de
+Barbara-takken is reeds gesproken. De Westvlaming zet op St. Luciadag
+een kersen- of appeltakje in water, en beweert, dat het in den
+kerstnacht zal uitbotten. Meestal echter snijdt men een twijgje in
+den kerstnacht af, dat, in water gezet, op O.L. Vrouwe Lichtmis zal
+bloeien. Als men dien nacht den tak van een vruchtboom in water zet,
+meent men in Limburg, zal een goed fruitjaar niet uitblijven.
+
+Nu is het geenszins te verwonderen, dat, toen het feest van de geboorte
+van Christus op 25 December in de IVe eeuw door de Kerk werd ingevoerd,
+aldra de gekerstende volksfantasie gebruiken en volksvoorstellingen ten
+deele in christelijken zin herschiep. De christelijk feestmystiek is
+ten deele volksmystiek; en vooral de volksmystiek van het Kerstfeest
+bergt menig Oudgermaansch overleefsel.
+
+Een voorbeeld. In Limburg vindt men nog kwijnende het gebruik, op
+kerstavond een plant in water te zetten, die den naam van _Roos van
+Jericho_ draagt. Tegen middernacht spreiden de korte vertakkingen der
+plant zich uit en vertoont ze een bloeivorm als van een roos. Hetzelfde
+gebruik is in zwang in het Zuid-Zwitsersche _Val di Poschiavo_. Terwijl
+men op de ontplooing der bloem wacht, worden kerstliederen gezongen,
+of men brengt den tijd in gebed en overweging door. Ook in Duitschland
+is de _Roos van Jericho_ geen onbekende. De berichten over dit gebruik
+klimmen op tot het begin der XVIIe eeuw.
+
+De hygroskopisciteit der plant, het sluiten en vrij plotseling
+heropenen harer bladeren, haar vluchtig herleven werd steeds als iets
+wonderbaars beschouwd en zoo kreeg zij een eereplaats tusschen de
+tooverplanten en speelt ze een voorname rol in de waarzeggerij, in de
+droomverklaring vooral. Maar tevens is zij de plant der dichtkunst,
+van het volksgeloof en van de legende. Wonderbare nevelen spreidden
+zich als een zilveren waas geheimzinnig om stengel en knop. Men
+beschouwde haar als het zinnebeeld der opstanding, vanwaar haar naam:
+_Anastatica_. Volgens de sage ontlook de eerste bloem bij de geboorte
+van Christus; zij sloot zich bij de kruisiging en ontlook ten tweeden
+male bij 's Heeren Verrijzenis. Bij de vlucht naar Egypte ontsproot zij
+in de woestijn op de plaatsen, die Maria met haar voet had aangeraakt.
+
+Op de vraag: "Waarom wordt deze plant in den kerstnacht in water
+gezet?" dient m.i. een drieledig antwoord. De _Roos van Jericho_ is
+het zinnebeeld van de geboorte van Christus; men denke slechts aan het
+treffende Oudduitsche kerklied: "Es ist ein ros entsprungen--aus einer
+wurzel zart" enz. Ook deed de vrome christelijke volksverbeelding
+de geheele natuur deel hebben aan de vreugde, die den mensch bij
+de geboorte des Heeren doortintelt: "D'Erd grünet und bringet
+rössle,--der Heyland kompt von Himmel" enz. Dan, op kerstavond
+bereikt het volksgeloof aan de groei- en bloeikracht der natuur
+haar toppunt: deze tijd is immers het kulminatiepunt van het
+vruchtbaarheidstijdperk. Maar dit geloof is hier op eigenaardige wijze
+door het volk gekerstend. Ook de mystieke beteekenis blijft niet uit:
+Christus is de boom des levens. "Hij staat in het midden der Kerk",
+zegt Hugo van St. Viktor, "zooals de levensboom stond in het midden van
+het paradijs". Tot de uitverkoren gewassen, die in den kerstnacht in
+bloei raken, behoort ook nog de doornstruik en het _Allräunchen;_ in
+Tirol bloeit zelfs het varenkruid. In Overijssel zegt men, dat dan de
+vlierboom uitbot: immers het kruis was van vlierhout. Volgens een oude
+Bruggesche overlevering openen alle bloemen hare kelken en knoppen.
+
+Eindelijk, de kerstnacht is vermaard in de tooverwereld. Te
+middernacht wordt alle water wijn. De bijen gaan aan 't gonzen en
+zingen kerstliedekens; in West-Vlaanderen spreken de paarden, en de
+schapen zitten geknield; in Limburg staan de koeien op stal te praten;
+te Moelingen (B.-L.) roept de haan: "'t Kindeke Jezus is geboren,"
+waarop de duif vraagt: "Moe, moe?" (waar, waar?), en het lammetje
+antwoordt: "Te Bêthlehêm". In Brabant richten de schapen hun oogen
+naar de ster uit het Oosten, en te Brugge richt het vee zich op,
+om het kindeke te groeten. Te Heel, Beek en elders in Limburg wordt
+het veevoeder buitengezet, dat het gezegend worde; nog elders is dit
+gebruik in zwang. Het schoenwerpen wordt toegepast. In de Graafschap
+bergen de boeren alle gereedschap op, omdat zij meenen, dat dit anders
+beschadigd wordt door _Derk met den Beer_--een soort voorrijder van
+de Wilde Jacht. Vuurbollen vliegen rond. Klokgelui stijgt op uit de
+diepte van vijvers en bronnen.
+
+De vereering van de teelkracht der natuur treedt ook sterk op den
+voorgrond bij de gebruiken van het kerstblok en den kerstboom. Het
+kerstblok of de kersttobbe, Duitsch _Julblock, Weihnachtsblock_
+enz., herinnert aan de offervuren; maar daarenboven vertegenwoordigt
+het een algemeen verspreide, immers Indogermaansclie symboliek: het
+nieuwe leven, door den wederkeerenden zonnegloed de vegetatiewereld
+ingestort. In dezen zin kan het Kerstfeest toch ook een zonnefeest
+genoemd worden, al was de zon niet het hoofdobjekt der vereering. Dat
+het kerstblok eertijds in Limburg bekend was, blijkt o.m. uit eene
+uitspraak der schepenen van Susteren in een charter van 1264. Hierdoor
+wordt bepaald: "dat elk der ingezetenen een dooden boom uit het bosch
+mocht halen, om tegen kerstmis in zijn huis te verbranden." Heden nog
+worden o.a. te Belfeld, Echt, Weert, Heithuizen enz. de beste stukken
+hout voor kerstmis bewaard. In andere deelen van ons land spreekt
+men van _kerststokjes_. Ook in de oostelijke provincies wordt hier
+of daar de kersttobbe nog op den haard gelegd. Overblijfsels van het
+verkoolde blok hebben onheil-afwerende en vruchtbaarheidschenkende
+kracht: zij worden op den akker gestrooid. Wat den kerstboom betreft,
+deze is in ons land nog van verschen datum en komt uit Duitschland. Hij
+heeft vele trekken met den meiboom gemeen. De kerstboom vervangt dan
+Sinterklaas.--In sommige deelen van Vlaanderen, waar geen kerstboom
+bekend is, "rijden" de engeltjes op kerstnacht; de kinderen vinden
+'s morgens den _engeltjeskoek_ op hun peluw.
+
+In verband hiermee zingen de kinderen te Veurne op kerstavond:
+
+
+ Engeltjen, engeltjen Gabrieël,
+ Woont zooverre van mijn kasteel,
+ Op mijn kasteel alleene!
+ Bak mij een koekjen kleene
+ En een koekjen groot,
+ Om te leggen
+ Op Moeder Mariaatjes schoot!
+
+
+Te Gent noemt men dezen koek _engelbewaarderskoek_. Gaan de Belgische
+kinderen op kerstdag "Zalig Hoogtij" wenschen, dan zingen zij:
+
+
+ Heerderkens van buiten,
+ Spoedt u op de been,
+ Met trommelkens en met fluiten
+ Recht naar Bethleëm;
+ Want daar is geboren
+ Den God van al,
+ Die ons het leven
+ Heeft gegeven
+ In den stal.
+
+
+ Ik heb hier nog drie eieren,
+ Warm uit den nest;
+ Ik heb hier nog een kalfken,
+ Dat is vet gemest;
+ Ik heb hier nog wat vlaaikens
+ In mijn korfken staan,
+ Om te vereeren
+ Het kindeken teere,
+ Laat ons gaan!
+
+
+Als zij nog heel klein zijn:
+
+
+ Met den tikkenhaan in de hand
+ Komen wij den herder groeten;
+ Met den tikkenhaan in de hand
+ Groeten den herder van het land.
+ Tik, tik, tik, tikkeliere,
+ Groeten den herder van het land.
+
+
+Het vruchtbaarheidsbegrip uit zich in vele gebaksvormen, ik noem
+slechts de in ons land zoo bekende kerstbrooden, kerstkransen,
+en de Vlaamsch-Brabantsche kerstkoeken, van welke reeds Kiliaan
+vele benamingen geeft; de kerst-wikken, kerst-stoeten enz. De
+Noordhollandsche benaming is _deuvekater_; in Delft en Schieland
+_kersttimp_. Een bijzondere vermelding verdient het kerstbroodje
+van Geleen (L.). Dit werd op kerstdag na de Vespers door den koster
+uit den kerktoren aan de verzamelde jeugd van Geleen, Lutterade en
+Krawinkel toegeworpen, nadat hij het gedurende zes weken in den oven
+had laten hard worden; tot loon voor zijn moeite mocht hij in elk
+huis der parochie een brood ophalen. Het behalen van dit kerstbrood
+werd met moed en vuur betwist, terwijl de overwinnaar, na reusachtige
+inspanning daarvan meester geworden, het boven zijn hoofd verhief en
+uitriep: "Kerstbrood, mijn brood", en den titel van "broodjeskoning"
+ontving. Dit gebruik is in 1842 afgeschaft; zie Jos. Russel, De
+heerlijkheid Geleen, bl. 73.
+
+Het ekonomisch karakter (Kerstmis als slachttijd) uit zich o.a. in
+het eten van zwijnskop, waarbij dan b.v. te Zelhem gezongen werd:
+
+
+ Kärsöaventjen, Kärsöaventjen,
+ Dan hebben we volop,
+ Dan slacht miên vader 'n verksken,
+ En dan krieg ik de kop.
+
+
+Zie A. Tille, Die Geschichte der Deutschen Weihnacht, _passim_:
+Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 237 en Volkskunde XVII, bl. 161;
+Aug. Gittée, Nederlandsche Kerstgebruiken, in Vragen van den Dag XI,
+bl. 52; Mannhardt, Baumkultus, bl. 224 vlg.; V. Reinsberg-Düringsfeld,
+Calendrier belge, bl. 319; De Cock, Volkskunde, 229.
+
+_St. Stefanusdag (26 Dec.)_ heeft ook zijn vruchtbaarheidsuitingen. Te
+Merkelbeek, Brunsum, Oirsbeek (L.) gaan dan de kinderen het dorp rond
+en roepen "heio", waarop hun appelen en noten worden toegeworpen. Te
+Neeroeteren (B.L.) halen alle kinderen een broodje bij den
+molenaar. Voorheen at men op Stefanusdag in den Eifel tweërlei brood,
+het eene zuur, het andere zoet, zooals nog thans in de Rijnlanden.
+
+Deze dag, waarop eertijds de Sint Stefanus Minne werd gedronken, is
+ook, mèt Sint Elooi, de paardendag. Dan werd eertijds hooi en haver
+voor de paarden gewijd; maar vooral worden op dezen dag omritten
+te paard gehouden om huis en dorpsgebied, ten einde de landerijen
+tegen schadelijke invloeden te bewaren en hare vruchtbaarheid te
+verzekeren. Zulke omgangen ten behoeve der vruchtbaarheid zijn overoud,
+men denke slechts aan het Romeinsche _pro frugibus lustrare agros_:
+de akkers rondtrekken voor het gedijen der veldvruchten. Zoo kwam het
+hoogst waarschijnlijk, dat Sint Stefanus beschermheilige der paarden
+werd, al is het niet te ontkennen, dat hij ook enkele trekken van
+een of ander Germaanschen god heeft aangenomen,--zonder daarom een
+"verkapte god" te zijn, zooals schijngeleerdheid wel eens betoogt. In
+zekere zegenspreuk heelt Michaël (Wôdan?) het paard van Stefanus
+(Baldr?); zie Grimm, Deutsche Mythologie II, bl. 1033, vgl. 1030.
+
+Het rondrijden met de paarden, den _Stephanusrit_, vindt men in
+Zweden, Holstein, Engeland, Estland, Finland enz. In het Oosten
+van ons land noemen de boerenjongens het "Sint-Steffen rieën" of
+"Sinte-Steffen jagen."--
+
+Arme kinderen geven dezen dag een stukje brood of een topje hooi aan
+de koeien en zeggen tegen de boeren: "Ik steffen jôe kôe", en bij
+arbeiders, die geen koe hebben,: "Ik steffen jôe." Te Borger (D.) ziet
+men vroeg in den morgen kleine jongens rondloopen met een bosje hooi
+onder den arm. Zij gaan van 't eene huis naar het andere, het eerst
+naar de deel om de koeien te steffen (stèffenen), al zingende:
+
+
+ Hum, kôe, hum.
+ Sint Steffen is gekomen
+ Hard geloopen; duur verkoopen,
+ Honderd gulden veur dieë kôe,
+ En een dikke stoetbrugg' toe.
+
+
+Te Oosterhesselen komt hier nog bij:
+
+
+ Met dikke boter, die mag ik, en die mag elk,
+ Dan gef de kôe ook botter en melk.
+
+
+Dan legt de knaap een weinig hooi voor elke koe, gaat naar de keuken
+en zegt: "Ik heb jôe kôenen steft"; waarop hij door de boerin wordt
+onthaald.
+
+_Sint Jan Evangelist (27 Dec.)_. Een eigenaardig gebruik op dezen
+dag, dat dreigt welhaast te zullen verdwijnen, bestaat of bestond
+nog kortelings in sommige plaatsen van Hollandsch Limburg, met name
+te Simpelveld, Mechelen, Vijlen, Munstergeleen en Oirsbeek. Het
+volk drinkt dan ter kerke uit een beker met gewijden wijn, onder
+de formule: "_bibe amorem sancti Johannis, in nomine patris_ etc.":
+"drink St. Jans Minne, in den naam des Vaders enz." Hetzelfde gebruik
+leeft nog op verscheidene plaatsen in Duitschland, vooral in Zwaben.
+
+Evenals de St. Geerten Minne, St. Michaëls Minne, St. Martinus
+Minne en St. Stefanus Minne is de St. Jans Minne oorspronkelijk
+een herinneringsdronk, een offerdronk, aan de goden gewijd. Immers,
+het woord "minne" heeft met "genegenheid, liefde" niets gemeen, maar
+wordt slechts volksetymologisch hiermee verbonden; vandaar het Duitsche
+_St.-Johannisliebe_, vandaar de term _amor_ in de Limburgsche formule:
+_bibe amorem sancti Johannis_ enz. Het woord is afkomstig van den
+Indogermaanschen wortel _men_, met de beteekenis "denken, overdenken,
+zich herinneren"; slechts in het Westgermaansch ontwikkelde zich de
+beteekenis van "beminnen."
+
+Men dronk eertijds de "minne" der goden, vooral van Wôdan-Odhin;
+hij toch was de doodengod, en ook aan de afgestorvenen werd deze
+offerdronk gebracht: reden, waarom het tijdperk der Twaalf Nachten
+daartoe bij uitstek geschikt mocht heeten. Na hun bekeering wijdden
+de Germanen dezen dronk aan Christus en de heiligen, doch niet meer
+als offerdronk, maar als herinneringsdronk. De volksfantasie kan met
+volle recht het vaderschap van de verkerstening dezer minnedronken
+voor zich opeischen. Voor het meerendeel bleven zij volksgebruiken
+in den engeren zin des woords; slechts van de St. Jans Minne weten
+wij, dat zij althans sedert de XVe eeuw, toen de christelijke tint
+de oorspronkelijke beteekenis geheel gedekt had, den kerkelijken
+drempel overschreed.
+
+Ter verklaring van het kwalijk begrepen gebruik werd naderhand de
+legende uitgedacht, als zou een zekere afgodendienaar, Aristodemus
+genaamd, den H. Johannes vergiftigden wijn hebben aangeboden, met
+de verklaring, christen te willen worden, wanneer de heilige den
+beker zonder letsel zou ledigen. Deze dronk vervolgens den giftbeker,
+zonder dat hem eenig nadeel overkwam. Volgens een andere lezing zou
+de lieveling des Heeren den wijn gezegend hebben, waarop het vergif
+uit den beker spatte in de gedaante eener slang. St. Jan wordt daarom
+veeltijds met een beker en een slang daar boven afgebeeld.
+
+Waarom de offer- en herinneringsdronk van het Joeltijdperk nu
+juist op den H. Johannes is overdragen, is wel hieraan te danken,
+dat hij--evenals St. Stefanus, St. Maarten, St. Michaël--een zeer
+geliefde volksheilige is. Den 29sten December dronk men eertijds in
+Brabant nog St. Davids-minne. Maar een gewichtige faktor was ook de
+term _minne_ zelf. Was het niet natuurlijk, dat der goden _minna_,
+door het Latijnsche _amor_ weergegeven, bij voorkeur op den apostel der
+liefde overging? Ook vindt men _dilectio_ en _potus caritatis_. Zoo
+verklaart men tevens m.i. het best, dat de St. Jans Minne naderhand
+ook verzoeningsdronk werd; zie mijne Essays en Studiën, bl. 221 vlg.
+
+_Allerkinderen (28 Dec.)_ vertoont een beslist christelijk karakter en
+herinnert aan de vermoording der Onnoozele Kinderen te Bethlehem. Dan
+viert men in de weeshuizen feest. In de families zijn de kinderen
+baas, of eigenlijk het jongste kind, dat dan mag zeggen, wat dien dag
+gegeten wordt: de kinderen voeren het huiskommando. In Zuid-Nederland,
+Noord-Brabant en Limburg leeft nog het gebruik, dat de kinderen dan,
+in het pak hunner ouders gestoken, als "vader en moeder" over straat
+loopen en zich bij hun familieleden laten zien. Plaatselijk is dit
+gebruik in een bedelpartij ontaard; zoo b.v. in het Land van Waas,
+waar men zingt:
+
+
+ 't Is vandaag Onnoozele-Kinderdag,
+ Geeft de moerkens en de vaarkens wat!
+ Geeft wat, houdt wat,
+ 't Naaste jaar nog wat!
+ Ik weet daar nog een goede vrouw.
+ Die mij zoo geern wat geven zou.
+ Zij zal mij wel wat geven;
+ Hoelang mag zij leven?
+ Honderd jaar en éenen dag,
+ Zoolang als ze kaas en brookes mag.
+
+
+Men vergelijke hiermee de liedjes op Schuddekorfsdag, b.v. bl. 108 vlg.
+
+Verder dient vermeld het Middeleeuwsch gebruik van den
+"Kinderbisschop", ook in de noordelijke provinciën bekend, b.v. te
+Oldenzaal, Utrecht, Dordrecht enz. Een kind beneden de twaalf jaar
+fungeerde dien dag in de kerk als bisschop en zat met myter en staf
+op den bisschoppelijken troon. Hij ontving den staf in de eerste
+Vespers bij de woorden van het _Magnificat_: "Hij heeft heerschers
+van tronen neergehaald en geringen verheven", en behield hem tot de
+tweede Vespers. Reeds in 1304 komt in de stadsrekening van Brugge een
+post voor: _Item_ den biscop van den scoelkinderen van Sint Donaas
+... XVIJ schellinghen"; en eveneens wordt in 1363 een gift vermeld voor
+de Dordsche "scoelnaars ende horen biscop". Hij draagt dan ook den
+naam van "Bisschop van de scholieren", "Bisschop van de koorknapen",
+enz. Ook in andere landen was de kinderbisschop bekend. Het gebruik
+klimt tot de oudste tijden op en is m.i. evenzeer van christelijken
+oorsprong. Men bedenke ook, dat het feest der Onnoozele Kinderen
+op 28 December reeds op den oudsten kalender der kerk van Karthago
+voorkomt en in het Westen overal deze plaats handhaaft.
+
+Daarentegen leven hier en daar nog enkele typische Midwintergebruiken,
+b.v. het geven van geschenken en het slaan met roede en zweep als
+tuchtiging voor de langslapers; zie Rond den Heerd I, bl. 26. Eindelijk
+op enkele plaatsen, b.v. te Herdersem (O.-V.), wordt deze dag gevierd
+als St. Gregoriusdag, waarover nader.
+
+_Oudejaarsavond_ en _Nieuwjaarsdag (31 Dec. en 1 Jan.)_.
+
+
+ Ik wensch U al te gaar
+ Een zalig Nieuwe Jaar;
+ In voorspoed en verdriet
+ Vergeet den Schepper niet!
+
+
+klonk het op nieuwjaarsnacht door de straten, toen de klepperman nog
+het nachtelijk uur aankondigde.
+
+Eertijds was het nieuwjaar-zingen over geheel Nederland sterk
+verspreid. Maar sedert kerkeraad en regeering hiertegen, als zijnde
+"onnutte superstitiën" of "ongeregelheden", te velde trokken, zijn
+er in Noord-Nederland nog slechts schamele resten van overgebleven;
+zoo verzekert b.v. de Drentsche Volksalmanak van 1842, dat men daar
+nog "aan datzelfde euvel mank ging". Het is heden ten dage vooral
+nog in België gebruikelijk; men raadplege de rijke verzameling van
+nieuwjaarsliedjes bij De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust
+VII, bl. 7 vlg. Slechts een enkel wensch ik hieraan te ontleenen.
+
+Herdersem:
+
+
+ Op eenen nieuwjaarsavond,
+ Dan zullen wij vroolijk zijn,
+ Met een geboren maged
+ En een klein kindeken klein.
+
+ Wie zal dat kindeken dragen?
+ De dochter al van Jeroen!
+ De klokken zullen luien,
+ Den kerkweg zullen wij doen.
+
+ Als wij op 't kerkhof kwamen,
+ Wie zagen wij daar staan?
+ Jezus van Nazarenen
+ Aan 't kruis genageld staan.
+
+ Met eenen doornenkroone
+ Op Jezus hoofd gedaan,
+ Vol rozen en roo nelen (_leeljen_)
+ Om naar den hemel te gaan.
+
+
+Echte kinderrijmjes vindt men in de Kempen. Zoo b.v.
+
+
+ Maria was gezeten
+ Met 't kindjen op den schoot,
+ Om pappeken te laten eten,
+ Gekookt met wittebrood.
+ Daar zat een ratteke
+ Aan Jezus pappeke!
+ Maria maak het klaar,
+ Met deze zalige nieuwjaar.
+
+
+Van geheel anderen aard is het zeer verspreide:
+
+
+ Op eenen nieuwe jare
+ Sloeg een bakker zijn wijf,
+ Met eenen eiken kluppel
+ Zoo deerlijk op haar lijf!
+
+ De vrouw begon te kermen,
+ "Ach bakker 't doet mij zoo zeer!"
+ De bakker zonder ontfermen
+ Sloeg nog wel tienmaal meer.
+
+ De vrouw kroop onder den oven,
+ De bakker van achternaar!
+ Daar kwamen zij uitgestoven [bestoven?],
+ Met dezen nieuwe jaar.
+
+
+Al zingende gaan de kinderen rond bij de inwoners van het
+dorp. Zij ontvangen noten, appelen, krakelingen enz., maar
+ook nieuwjaarskoeken, in West-Vlaanderen _lukken, liefkoeken_,
+in Oost-Vlaanderen _nieuwjaarkes_ geheeten: kleine wafeltjes,
+in een bijzonder wafelijzer gebakken. Eene bijzondere vermelding
+verdienen de _nijjaorskôken_ en _kniêpertiês_, de _spekkendikken_,
+spekpannekoeken, vetkrabben, oliekrabben en _juffertiês_ uit den
+Achterhoek, verorberd op oudejaarsavond of _täofeltiêsaovend_ (Raalte,
+Ommen, Collendoorn enz.), wanneer meiden en knechts, ja het heele
+gezin uitgaat _hen kôken_ of _hen taofelen_. Op een ijzeren plaat
+brandt er vuur, en in het front prijkt de _kôokstomp_, tot dit doel
+reeds in den zomer uitgezocht en gedroogd. Hierop komt te rusten het
+_kôokiêzer_ of _nijjaorsiêzer_. Elders begint de smulpartij met een
+_poddik_ (pudding), dan volgt rijst en daarna 't _beestenvleesch_,
+de hoofdschotel.
+
+De koekijzers zijn versierd met kunstig graveerwerk en inschriften,
+wier spiegelschrift door den nieuwjaarskoek leesbaar wordt weergegeven;
+zoo b.v.: "Segt niemand U Geheim nog U geheime gedachte. Die heden
+Is U Friend Sal morgen U verachten" (Twente). Ook elders bakt men
+_vollaards_, _prauwels_ en _ijzerkoekjes_, te Groningen _olde wieven_,
+te Velthoven (N.-B.) _towten_.
+
+Men ziet het, wij zijn volop in het vruchtbaarheidstijdperk. Dit
+blijkt ook hieruit, dat te Roosteren (L.) de kinderen hun "heio"
+roepende op nieuwjaarsdag rond gaan, te Echt, Einighausen, Nunhem,
+Buggenum, Beegden (L.) enz. op Silvesteravond. Dan zingt men het
+eeuwenoude liedje:
+
+
+ Ich kwaam al aangeloupe,
+ Ich sêg 't see rouke,
+ Ich sêg wal aan den oave wis,
+ Dat er get gebakken is.
+ Isser niks gebakke,
+ Dan gèft ene korf vol appele,
+ Is de korf te klein of te groot,
+ Dan gèft mig ene volle schoot.
+
+
+Te Soerendonk (N.-B.) luidt dan het Schuddekorfslied:
+
+
+ Vrouwke, vrouwke, nieuwjaar geven,
+ Ge zult verdienen het eeuwig leven.
+ Het eeuwig leven is bitter gewonnen,
+ Voor een gulden een draad gesponnen.
+ Kijk eens in je korfje,
+ Daar liggen drie appeltjes in,
+ Even groot, kralo, vrouwke lo,
+ Geef wat, houd wat,
+ Volgend jaar weer wat.
+
+
+Men noemt dit b.v. te Buggenum _ringzingen_ (ring=soort krakeling);
+na het zingen volgt het _grabbelen_, Maasbree: _griebelen_. Meestal
+krijgen de kinderen _ringen_, maar ook ander snoepgoed. Te Koedijk
+(N.-H.) gaat in den nieuwjaarsnacht de plaatsvervanger van Sinterklaas,
+"de gouden [goede?] engel" rond, om de kinderen wat lekkers te rijden.
+
+Eindelijk, met het vruchtbaarheidsbegrip staat, naar men weet, ook
+in verband het schieten in den nieuwjaarsnacht, veelal verboden,
+maar in het zuidelijk volksgebied nog doorgaans gebruikelijk. Ook
+elders, te Deventer b.v., schiet men nog "van het olde in 't nije",
+of men "schieët het olde uut". Dit schieten wordt thans nog slechts
+als vreugdeteeken beschouwd.
+
+Het "nieuwjaar afwinnen" is nog steeds in zwang. Bij het
+nieuwjaarsbezoek worden veelal (Staphorst enz.) koeken opgedischt,
+te Venloo een bepaalde soort moppen, die dan ook _nieuwjaarsmoppen_
+heeten.
+
+Eén eigenaardigen gebaksnaam liet ik nog onbesproken, n.l. het
+Westvlaamsche _strijne_ of _strene_ (rondom Veurne), dat door
+het Fransche _étrennes_ op het Latijnsche _strenae_ teruggaat:
+zoo heetten de kleine, maar aangename geschenken, die men elkaar
+in het oude Rome op Nieuwjaarsdag vereerde. Immers bij de gebruiken
+der jaarswisseling dient men niet alleen rekening te houden met de
+Christelijke en Germaansche bestanddeelen, maar ook met den invloed,
+uitgeoefend door de Romeinsche kalenderviering, die den god Janus
+golden. Zie Driem. Bladen VIII, bl. 62; V, bl. 80; II, bl. 1 vlg.;
+Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg,
+bl. 13; Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 109.
+
+_Driekoningendag (6 Jan.)_. De kinderschaar, die langs de huizen trekt
+en daar om brandhout of versnaperingen vraagt, somtijds nog met den
+ouden _rommelpot_ of _foekepot_, neemt op Driekoningendag een geheel
+bijzonderen vorm aan door een sterkere vermenging met het Christelijk
+element: ik bedoel het bekende _sterzingen_, op het oogenblik tot
+België en sommige plaatsen in de zuidelijke provinciën beperkt. Drie
+jongens, als koningen verkleed--en éen hunner is met roet zwart
+gemaakt--, gaan van huis tot huis en dragen aan een staak een ster,
+uit papier gesneden, en met goud en zilver versierd. Trekken ze aan
+een koord, dan draait de ster als een molen. Zij dragen de namen der
+H.H. Driekoningen: Caspar, Melchior en Balthasar.
+
+Eenmaal kende men de sterdragers in alle steden en gewesten van
+Groot-Nederland. Het lied, dat zij zongen, en dat nòg gezongen
+wordt, is in tallooze varianten overgeleverd, maar kan althans in
+hoofdtrekken worden gerekonstrueerd. Het is subliem van roerenden
+eenvoud. Treffend vooral is het sterk op den voorgrond zich dringende
+lyrisch-dramatische karakter: en inderdaad, uit de dramatische
+voorstelling der Aanbidding van de Drie Koningen is het ontstaan,
+heeft het zich gevormd en vervormd. Oorspronkelijk krijgen wij dan
+buiten het kerkgebouw een rondgang van koorknapen en scholieren, later
+van de jeugd in het algemeen. Te Weert bestond in 1840 nog het gebruik,
+dat op Driekoningenavond drie misdienaars in hun koorgewaad met ster,
+lantaarn en proviandkorf van huis tot huis trokken.
+
+Het lied, dat in de Zaanstreek en langs de Noordzee het zuiverst
+bewaard bleef, moet oorspronkelijk ongeveer geluid hebben als volgt:
+
+
+ Wij komen getreden met onze sterre,
+ Wij zoeken Heer Jezus, wij komen van verre.
+ (wij hadden Hem gaerne).
+
+ Wij kwamen al voor Herodes zijn deur,
+ Herodes, de koning, kwam zelvers veur.
+
+ Herodes, die sprak met valscher hart:
+ "Hoe ziet er de jongste van drieën zoo zwart?"--
+
+ "Hij ziet er wel zwart, maar hij is welbekend,
+ "Het is er de Koning van Oriënt."
+
+ Wij kwamen den hoogen berg opgegaan,
+ Daar zag men de starre stille staan,
+ Ja stille staan.
+
+(Pauze.)
+
+ Och starre, jij moet er niet stille staan,
+ Je moet er met ons tot Bethlehem gaan.
+
+ Tot Bethlehem, in die schoone stad,
+ Daar Maria met haar klein kindeke zat.
+
+ Hoe kleiner kind, hoe grooter God:
+ Een zalig Nieuwjaar verleen ons God.
+
+
+Noordwijk:
+
+
+ Daar al de Joden mee hebben gespot.
+
+
+Dit lied is nauw verwant met een ander, dat opgeteekend staat in
+_Het Hofken der geestelijcker Liedekens_ (Loven 1577), bl. 28;
+het begint:
+
+
+ Het quamen drij Coninghen uut verre landen,
+ Nu wiegen, nu wieghen wij,
+ om Gode te doen een offerande.
+ Des waren sij vro.
+ Alle mijnen troost, mijn toeverlaet
+ is Maria soon.
+
+ Sij quamen van Ooste, sij quamen van verre,
+ Nu wiegen, nu wieghen wij,
+ Al bijt verlichten van eender sterre.
+ Des waren sij vro.
+ Alle mijnen troost, enz.
+
+ Maer doen sij binnen Jerusalem quamen,
+ Nu wiegen, nu wieghen wij,
+ Die claerheyt der sterre sij niet en vernamen.
+ Des waren zij droef.
+ Alle mijnen troost, enz.
+
+
+Zie Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied, bl. 2042. Dr. Boekenoogen wijst
+er zeer terecht op, hoe het refrein aantoont, dat het lied ook gezongen
+is bij het wiegen van het Kerstkindje in de kerk; zie het Jubelnummer
+van Volkskunde, bl. 24 vlg., waar hij ook op voortreffelijke wijze
+de verschillende parodieën van het sterrelied behandelt; vergel. nog
+Knuttel, Het Geestelijke Lied enz., bl. 106.
+
+De rondgaande kinderen zongen en zingen ook veelal het lied van Maria
+Magdalena (eveneens met talrijke varianten):
+
+
+ Op eenen Driekoningenavond,
+ Op eenen Driekoningendag,
+ Toen zat Maria Magdalena
+ Al op Heer Jezus' graf.
+
+ Sta op, Maria Magdalena,
+ Sta op van den bitteren dood!
+ Uw zondekens zijn u vergeven,
+ Al waren zij nog zoo groot.
+
+
+Een meer volledige, juister wellicht meer uitgewerkte lezing van dit
+lied vindt men in Volk en Taal I, bl. 53; in bedelliedjes werd het
+herhaaldelijk geparodieerd.
+
+Aan de nieuwjaarsvuren herinnert het kaarsjespringen; immers
+de engere Joeltijdperiode, die den 6den Januari eindigt, is het
+eigenlijke nieuwjaarstijdperk. Als besluit van dit tijdperk wordt
+Driekoningendag in Vlaanderen dan ook plaatselijk _Dertiendag_ of
+_Dertiennacht_ genoemd; ook in oude Nederlandsche kalenders wordt hij
+nog aangehaald als _Dertiendagh_. Te Zwolle was het kaarsjespringen
+dan ook op oudejaarsavond gebruikelijk: naar men ziet, hangt het
+noch met den H. Martinus, noch met de Driekoningen samen, maar is
+het een rudimentaire vorm van de aloude feest- en offervuren. Op
+Driekoningendag kent men het nog te Breda, Huissen enz.; eertijds was
+het algemeen in het Noorden van ons land. De _koningskaarsjes_ waren,
+volgens Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 177, kaarsen met drie armen,
+waarvan de middelste zwart geverfd was en "het Moorken" of _Melckert_
+(d.i. Melchior) heette. Zóo was het gebruik eenigermate gekerstend. In
+de Middeleeuwen noemde men deze kaarsjes zelfs de _gebenedijde_
+of _heylighe keerskens_. Bij het dansen zong men:
+
+
+ Kaarsies, kaarsies, drie aan een,
+ Springen wij er over heen heen.
+ Al wie daar niet over kan,
+ Die en weet er nou niemendal van.
+
+
+In België verdwijnt het gebruik of is het verdwenen. Te Sint Truiden
+zong men:
+
+
+ Keerske, keerske over het keersbeenke,
+ En al wie daar niet over en kan,
+ Die weet er niet van!
+
+ En al wie daar niet over en kan,
+ Die blijft er van,
+ Die blijft er van!
+ Keerske, keerske over het keersbeenke!
+
+
+Zie 't Daghet in den Oosten II, bl. 115.
+
+
+In Noord-Brabant, Antwerpen, Belgisch Limburg en West-Vlaanderen kent
+men ten slotte nog het volgende rijmpje:
+
+
+ Drie koningen, drie koningen,
+ Geef mij een nieuwen hoed.
+ Mijn oude is versleten,
+ Mijn moeder mag 't niet weten,
+ Mijn vader heeft het geld
+ Op den rooster geteld.
+
+
+Of wel (Noord-Brabant):
+
+
+ Vader mag het niet weten,
+ Moeder is niet thuis,
+ Piep zegt de muis
+ In 't zomerhuis (in 't voorhuis).
+
+
+Driekoningen werd in de Middeleeuwen niet alleen in de kerk,
+maar ook daarbuiten in ruimen kring luisterrijk gevierd. Op
+Driekoningenavond heerschte vreugde alom, in de paleizen, maar ook
+in de schamele woningen der armen. De steden gaven aan de kloosters,
+en de kloosters verstrekten aan de arme lieden brood en bier tot
+"hun Coninxfeeste". Dat dit ook naderhand nog voortduurde, ergerde
+den ouden Walich Sieuwertsz zeer, en hij beklaagde zich dan ook,
+dat nog in 't begin der XVIIe eeuw voorname en officiëele personen
+zich niet schaamden, "op Derthienden avent Coningsken te spelen,
+en haer voor Godt en de menschen niet en schamen dit naer te volgen
+ende te onderhouden."
+
+"'t Was wel de moeite waard", schrijft Ter Gouw, "zich over zoo'n
+onschuldig huiselijk vermaak zoo te ergeren! En nog langen, zeer langen
+tijd, nadat Walich en zijn boek reeds lang vergeten waren, speelden
+dan ook de Hollanders nog even vrolijk koninkje als weleer. De bakker
+leverde, of de huismoeder bakte zelve, een brood, waarin een boon
+verborgen was; bij de boeren heette 't "de bonekoek", in de steden
+"'t coninxbrood"; en de boon was het, die "het lot van conig te sijn"
+besliste." (Volksvermaken, bl. 175). Het _Driekoningenbrood_ is nog
+niet in onbruik.
+
+Boonenkoek en koningsbrieven, die verkocht of getrokken worden,
+en waardoor de rollen van koning, koningin, hofnar, asschepoester,
+Zwarte Piet (herinnering aan den zwarten koning?) enz. verdeeld worden,
+zijn in Noord-Brabant en Limburg nog veelal gebruikelijk. Te Antwerpen
+worden op den vooravond de koningsbrieven door de kinderen op straat
+gevent; dan hoort men aanhoudend:
+
+
+ Koningsbrieven en kroon en kroon!
+ Koningsbrieven en kroon!
+
+
+De Cock, Volkskunde, bl. 235 bericht hierover nader: "Op slechts enkele
+plaatsen van het Vlaamsche Land (in Brabant en West-Vlaanderen) is de
+boonkoek nog bekend. Daarnaast bestaat echter een andere manier om den
+koning aan te duiden, n.l. door het trekken van de "keuningsprentjes
+of -briefkens", reeds in 1469 in de gemeenterekeningen van Veurne
+vermeld, en, wat meer zegt, in een oude kroniek van Doornik in 1281 al
+een oud gebruik geheeten. Dit wordt nog heden in verscheiden steden
+en dorpen van de beide Vlaanderen aangetroffen. Een volledig stel
+gedrukte koningsbriefjes bevat afbeeldingen voor zestien personages,
+n.l. den koning met zijn hovelingen en bedienden: raadsman, sekretaris,
+rent- en hofmeester, schenker, voorsnijder, biechtvader, medecijn,
+portier, bode, zanger, speelman, zot en kok,--elk voorzien van een
+passend vierregelig versje, dat min of meer de rol aangeeft, die
+men te vervullen krijgt. In de dorpen, waar gedrukte koningsbriefjes
+doorgaans ontbreken, worden deze eenvoudig geschreven, vaak in een
+zeer populairen, boertigen vorm. Na trekking der briefjes zijn de
+rollen verdeeld; de koning moet zijn onderdanen te drinken geven en
+drinkt zelf de eerste teug: thans gewoonlijk gesuikerde jenever met
+een lepel uit een kom geschept en hieruit opgeslurpt. Op dat oogenblik
+dienden de hovelingen te roepen: ""De koning drinkt."" De zot zag
+toe, of niemand daaraan te kort schoot en de nalatige werd met een
+koolstreep in 't aangezicht gemerkt." Zie verder zijne Spreekwoorden en
+zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden (Gent 1908),
+bl. 171. Men denke ook aan de doeken van Jordaens: "De koning drinkt."
+
+De koningskoek komt nog elders voor. In Engeland vooral bakt men
+koningskoeken van allerlei grootte en vorm, als een waardig besluit
+van het Vruchtbaarheidstijdperk.
+
+Het "koninkje spelen" is waarschijnlijk een Romeinsch bestanddeel,
+een overblijfsel van de heidensche _Saturnalia_, dat door den
+Driekoningendag een christelijk vernisje kreeg. Dan toch vierde
+men te Rome de zegeningen van den gulden voortijd: toen de god
+Saturnus onder de menschen leefde en overal vrijheid en gelijkheid
+bloeide. Vooral de slaven hadden het dien dag goed, werden door de
+meesters als huns gelijken of zelfs als meerderen behandeld en door
+hen aan tafel bediend. Feestgelagen waren in dezen tijd aan de orde
+van den dag, en veelal liet men bij deze dan het lot beslissen, wie
+koning der tafel werd, feestkoning, tevens ceremoniemeester. Trouwens
+het koningsspel was te Rome overoud; Suetonius noemt dit "het spel om
+gezag en heerschappij". Het verloten geschiedde meestal door middel
+van boonen, die een sakrale beteekenis hadden.
+
+Wellicht berust op de gebruiken gedurende de _Saturnalia_-feesten ook
+nog het geven van geschenken op _St. Pontianus en St. Agnesdag (14
+en 21 Jan.)_, het "Ponsen en Angen" of "Ponsen en Nieten", vroeger
+in Nederland en België gebruikelijk; mogelijk stoelen de gebruiken
+dezer dagen ook op het feestelijk overbrengen der relikwiëen van
+de H.H. Pontianus en Agnes. Eigenlijk gaven de mannen op 21 Januari
+geschenken aan de vrouwen en meisjes, terwijl zij op 14 Januari een
+tegengeschenk ontvingen van de door hen op Koppermaandag begiftigde
+vrouwen.
+
+_Vrouwkensavond (19 Jan.)_, te Brussel gevierd, naar verluidt
+ter herinnering aan den 19den Januari 1101, toen de Brusselaren,
+aan het zwaard der Saracenen ontkomen, onverhoopt naar huis
+terugkeerden. Telken jare luiden nog heden des avonds alle klokken
+van Brussel een half uur lang. De vrouwen zijn uitsluitend baas, en na
+'t avondmaal trachten zij zelve hun echtgenooten naar bed te dragen.
+
+_Koppermaandag_ heet de Maandag na Driekoningen: _kopperkensdagh,
+kopperkensmaendagh._ Men verklaart dezen naam aldus, dat deze Maandag
+ongeschikt werd geacht om koppen te zetten, zoodat de koppers
+vrijaf hadden. Wellicht is het juister van het oude _kopperen_
+"smullen, drinken, pret maken" uit te gaan, dat van _kop_ "beker"
+kan komen. Een volksetymologische vervorming is _koppeltjesmaandag_,
+wegens het bijeenkomen van het gemeene volk, evenals _koperen maandag_,
+naar de kopermunt, die dan als fooi gegeven wordt. Andere namen zijn:
+_gekke maandag, raasmaandag, kopjesmaandag_ (Groningen), _verloren-,
+verzworen-, verkoren_-, ja _Flora-maandag_. Te Diest zegt men nog
+_blijde maandag_. "Verloren" Maandag werd verklaard door het daags
+te voren gelezen evangelie van het "verloren" kind Jezus, of omdat
+deze dag van wege de feestelijkheden van de eedsaflegging der lagere
+ambtenaren toch verloren was. Deze laatste verklaring is zeer zeker
+te verkiezen, wanneer men tevens in het oog houdt, dat "verloren"
+weer volksetymologisch verbasterd is uit "versworen", de benaming,
+die in de oudste dokumenten voorkomt en op genoemde eedsaflegging
+betrekking heeft. Men doet goed dezen Maandag te beschouwen als den
+heksluiter van het nieuwjaarstijdperk, wat dan ook het best strookt
+met de ambtsaanvaarding der beambten. In sommige deelen van Vlaanderen
+zegt men: _Egyptische Maandag_, omdat men daar een omgang hield,
+en ten deele nog houdt, die de vlucht naar Egypte voorstelde.
+
+Te Amsterdam had eertijds op dezen dag een optocht der leprozen plaats,
+te Utrecht en elders liep men gemaskerd door de straten. In Gelderland
+en Limburg werd koppermaandag nog niet lang geleden luidruchtig met
+ganstrekken en katknuppelen gevierd. Merkwaardig is het zeker, dat
+dan te Haltert, Oosterzeele en andere dorpen van Oost-Vlaanderen
+de schoolmeester door de leerlingen wordt gebonden, hetgeen aan
+de gebruiken op St. Thomasdag herinnert (bl. 126). In Nederland,
+waar de dag voorheen door alle gilden gevierd werd, blijft heden
+hoofdzakelijk nog de viering door zetters en boekdrukkers over. Wel
+trekken nog in enkele Friesche dorpen de kinderen geruchtmakend en
+met ketens rammelend door de straten. Te Holwerd zingt men hierbij:
+
+
+ Kopermoandei, blikken tiisdei [Dinsdag],
+ Noch in dei,
+ Dan is kopermoandei wei [weg].
+
+
+Zie Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 167.
+
+_Antonius-abt (17 Jan.)_ behoort in België tot de meest populaire
+heiligen. Vele broederschappen of gilden van Sint Antonius drinken
+dien dag haar halve ton gildebier. Zijn attribuut is het varken,
+omdat de duivel in varkensgedaante hem bekoorde. Vandaar, dat de
+heilige naderhand algemeen als patroon van het vee werd beschouwd, en
+als zoodanig door boeren, vleeschhouwers en spekslagers vereerd. In
+de Middeleeuwen hadden de Sint Antoniusgilden het recht, een zwijn,
+dat als herkenningsteeken een klokje aan den hals droeg, overal vrij
+te laten weiden; zelfs in de steden zag men dit _Antoniuszwijn_
+ongehinderd rondloopen. In België, de Rijnprovincie en, tot voor
+eenige jaren, in Limburg (Vaals, Hoensbroek enz.) wordt den I7en
+Januari varkensvleesch geofferd en na de kerkelijke diensten onder
+de armen verdeeld.
+
+_Sint-Sebastianus (20 Jan.),_ de met pijlen doorschoten martelaar,
+wordt door de schuttersgilden, wier patroon hij is, plechtig
+gevierd. De schuttersgilden bloeien nog in België en in de zuidelijke
+gewesten van Nederland. Vaak luisteren zij de processies of religieuze
+ommegangen met haar vaandels, trom, fluit, wapens en versierselen
+op. Hun "koning" is met zilveren platen omhangen. Eén plaat, met
+zilveren vogel, is het teeken, dat hij op het gildefeest den vogel met
+zijn boog heeft afgeschoten, vanwaar de uitdrukking: "Hij heeft den
+vogel af." Vooral des zomers worden door de handboogschutterijen druk
+bezochte prijskampen gehouden; op dit onderwerp kom ik naderhand terug.
+
+_Pauli Bekeering (25 Jan.)._ Ook deze dag is een _dies criticus_. een
+beslissende dag voor het weêr. Hier geldt natuurlijk alleen de
+datum, het tijdstip, niet de geschiedenis van den heilige, niet zijne
+attributen, niet de volksetymologie van zijn naam, zooals dit b.v. het
+geval is met de H.H. Clara, Lucia, Andries, Mathijs en Katharina. De
+Tirolers verzekeren van den 25sten Januari:
+
+
+ Paul bekehr',
+ Der halbe Winter hin, der halbe Winter her.
+
+
+V. Reinsberg-Düringsfeld verhaalt nog, dat de Belgische wijnbouwers
+dezen dag beschouwen als beslissend voor den wijnoogst: "ils sont
+contents s'il est clair, mais très tristes si le contraire a lieu"
+(Calendrier belge I, bl. 76).
+
+De heilige wordt ook gestraft, als hij niet voor goed weêr zorgt. Wij
+hebben hier een sprekend geval van het mishandelen of straffen van
+heiligen, door hun beeltenissen te onteeren of te kastijden: typisch,
+onvervalscht fetissisme. Immers Schotel vermeldt in zijn Tilburgsche
+Avondstonden, bl. 12, dat men "elders een strooien Paulus aan den
+haard plaatste, terwijl de vrouw koeken bakte. Was het goed weêr,
+dan wierp zij een pan met boter over hem heen, of sloeg hem met een
+geboterden koek in het aangezigt. Was het weer slecht, dan wierp zij
+hem in het vuur". Ter vergelijking diene het bericht, dat in het begin
+der XVIe eeuw de inwoners eener kleine Duitsche stad gewoon waren op
+St. Maartensdag het beeld van den heilige openlijk langs de straten
+rond te dragen. Geschiedde zulks bij helder weêr, dan begoten zij het
+met wijn; maar regende het, dan wierpen zij het met slijk en modder.
+
+Zoo valt licht op een gebruik, dat te Jutfaas (Utrecht) vroeger en
+wellicht thans nog bij de boerenbewoners heerschende is. Op Pauli
+Bekeeringsdag placht men bij vrienden en kennissen een _Paulus_
+of _Paulusje_ in huis te brengen, "binnen te brengen". Dit was
+een grootere of kleinere pop, die men in een hoek van het vertrek
+plaatste. Gebeurde zulks, zonder dat de brenger nat werd gegooid,
+dan moest de vrouw des huizes 's avonds koeken bakken, enz.
+
+Zooals uit het bovenstaande blijkt, gold dit koeken bakken, dit met
+water gooien oorspronkelijk den heilige, of liever de pop, die den
+heilige voorstelde. Wellicht is deze wijze van mishandelen ontleend
+aan een vaak terugkeerend vruchtbaarheidsgebruik, dat de Duitsche
+folkloristen _Regenzauber_ noemen, waarover nader. Zie over Pauli
+Bekeering mijn opstel in het Jubelnummer van Volkskundc, bl. 21 vlg.
+
+_Maria Lichtmis_ (_2 Febr._). Dat dit feest voor een heidensch in de
+plaats trad, waarom en hoe, leert Paus Innocentius III in een preek
+op Maria-Zuivering: "De heidenen hadden de maand Februari aan de goden
+der onderwereld toegewijd, omdat, naar zij ten onrechte meenden, in het
+begin dier maand Proserpina door Pluto geroofd was; men geloofde, dat
+hare moeder Ceres haar den ganschen nacht in Sicilië had gezocht met
+brandende fakkels. Ter gedachtenis daaraan hielden zij [de heidenen]
+in het begin der maand een ommegang door de stad met brandende
+fakkels. Daarom werd dit feest _Amburbale_ genoemd. Maar wijl onze
+heilige voorouders deze gewoonte niet geheel en al konden uitroeien,
+hebben zij bepaald, dat men ter eere der H. Maagd Maria brandende
+kaarsen dragen zou. En zoo geschiedt thans ter eere der H. Maagd,
+wat vroeger plaats had ter eere Van Ceres. En wat eerst gebeurde ter
+eere van Proserpina, wordt thans gedaan tot lof van Maria."
+
+Naar De Cock vermeldt, bestaat in België plaatselijk het gebruik,
+de op 2 Februari gewijde lichtkaars te ontsteken vóor het kisten
+van het lijk en dan enkele droppels in de kist te laten leken; soms
+laat men op dezelfde wijze, bij de bereiding van het zaaigraan, wat
+smeltend was tusschcn de korrels afdruipen; zie Volkskunde, bl. 237.
+
+Vroeger verlieten of verwisselden de dienstboden op dezen dag
+hun dienst. Dit was wel een der oorzaken van de baldadigheden en
+verkwistingen op Lichtmisdag in Holland en Vlaanderen. Zoo kreeg
+het woord "lichtmis" de beteekenis van "losbol". Hierop wijst ook de
+Westvlaamsche benaming: O.L. Vrouw-_Schud-de-panne._
+
+Deze dag is vermaard in de volksweêrkunde. "Wanneer op O.L. Vrouw
+Lichtmis de zon op het misboek schijnt", zegt men in Limburg, "dan
+kruipt de vos nog zes weken in zijn hol." En verder: "Op Lichtmisdag
+ziet de boer liever den wolf in zijn schaapstal dan de zon".--"Lichtmis
+donker, maakt den boer tot jonker"; enz. enz. Wij komen hierop terug
+in het hoofdstuk over de Volksweêrkunde.--
+
+Een Duitsch rijmpje zegt:
+
+
+ Wenn die Tage langen.
+ Kommt der Winter gegangen,
+
+
+en, inderdaad, ook in ons land begint na Nieuwjaar, als het toenemen
+der dagen merkbaar is, de eigenlijke periode der volksspelen en
+wintervermakelijkheden. Zoo had b.v. te Elburg ouder gewoonte tusschen
+Nieuwjaar en Vrouwendag het klootschieten plaats. Elk speler krijgt
+een houten kloot, d.i. een platte, ronde schijf, terwijl de wal als
+speelterrein dient. Men dient nu in het minst aantal worpen den wal in
+het vierkant om te schieten, te beginnen aan een der vier poorten. Aan
+hem, die in het minst aantal worpen den stadsmuur heeft rondgeschoten,
+wordt de prijs toegekend.
+
+Het klootschieten is wel een onmiddellijke afstammeling van het
+Oudgcrmaansche steenwerpen. Ook te Ootmarsum en Oldenzaal heeft het
+lang stand gehouden. De Hollanders en Gooiers waren eveneens groote
+minnaars van dit spel, in de Zuidhollandsche dorpen _schietklooten_
+genoemd; zie vooral Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 322 vlg.
+
+_Sint Blasius (3 Febr.)._ De volksetymologïe heeft bewerkt, dat de
+H. Blasius in Vlaanderen wordt aangeroepen als patroon tegen zweren
+of huidontstekingen, die "blazen", d.i. blaren, genoemd worden. In
+Denemarken beschermt hij tegen den blazenden wind, op welk verband
+door de Vlaamsche spreekwijze: "Blasius blaast", als het omstreeks
+3 Februari sterk waait, een helder licht valt. Zoo wordt ook de
+H. Lambertus door het volk aangeroepen tegen de lamheid en de H. Rosa
+tegen de roos. Henri Estienne geeft over dit verschijnsel de voor
+zijn tijd merkwaardige opmerking: "A quelques saincts on a assigné
+les offices suivant leurs noms, comme (pour exemple) quant aux saincts
+médecins, on a avisé que tel sainct guariroit de la maladie, qui avait
+un nom approchant du sien." Zie vooral Gittée's belangrijk artikel:
+"Scherzhaft gebildete und angewendete Eigennamen im Niederländischen",
+in de Zeitschrift des Vereins für Volkskunde III, bl. 415 vlg.
+
+_Vastenavond_ bestaat uit de drie "vette" dagen (Zondag, Maandag
+en Dinsdag), die de groote Veertigdaagsche Vasten voorafgaan. De
+Kerkvergadering van Leptines in 743 veroordeelde de _Spurcalia
+in Februario_, waarmee zeer waarschijnlijk de uitspattingen van
+den Vastenavond bedoeld werden; dat echter de term _spurcalia_
+het aanzijn zou geschonken hebben aan onzen vorm _sprokkelmaand_,
+Middelnederl. _sporkelmaent_, is niet geloofwaardig. Men vindt
+ook reeds vroeg Vaste_l_avond, met de bekende variatie van _n_
+en _l_, die ook in _vasteldag_ en _schrikkeljaar_, en in het
+Middelnederl. _werkeldach_ worden aangetroffen.
+
+Wij moeten m.i. drie bestanddeelen onderscheiden, die tot het
+ontstaan der vastenavondfeestviering hebben bijgedragen. Vooreerst
+een lente-vóorfeest, zooals ook uit menig vruchtbaarheidsgebruik
+in binnen- en buitenland blijkt; en ik geloof, dat Julius Lippert,
+Christenthum, Volksglaube und Volksbrauch (Berlin 1882), bl. 598 het
+ware treft, wanneer hij in de kern der feestviering een _Romeinsch_
+lentefeest ziet, in onze streken geïmporteerd, en dat zich naderhand
+van het Westen naar het Oosten uitbreidde. Maar dit feest trof
+in de Germaansche landen de resten van een specifiek-Germaansche
+feestviering, een feestperiode, die zich door offervuren en
+offermaaltijden kenmerkte. Mogk houdt deze periode voor een feest der
+wederkeerende zon, vooral ook, omdat dan het wagenrad als symbool der
+zon een rol speelt. Niet onbelangrijk zijn in dit opzicht de woorden
+van Sebast. Franck, die ik bl. 104 bij het bespreken der noodvuren
+heb aangehaald.
+
+Maar het Christendom heeft deze feestviering voor het meerendeel
+teruggedrongen tot vóór het begin van zijn veertigdaagschen Vastentijd,
+met het gevolg, dat nog slechts enkele overblijfsels aan bepaalde
+dagen in de Vasten bleven vastgehecht, met name aan Halfvasten:
+"'t Is een feest der Brabantsche en Antwerpsche kinderen, dat met
+het St. Niklaasfeest kan vergeleken worden.-- De kinderen zetten
+in de schouw hunnen schoen of een korfken met hooi, dit laatste
+voor het paard van den Greef, die 's nachts zijne ronde doet en
+iets lekkers voor de goede, eene roede voor de slechte kinderen
+achterlaat"; aldus De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust
+VII, bl. 71.--Zoo kreeg ook het geheel der Vastenavondfeestviering
+een eenigszins christelijke tint. Wat betreft het woord _Carnaval_,
+dit is afkomstig van het Toskaansche _carnevale_. dat waarschijnlijk
+eenigszins haplologisch voor _carnelevale_ staat; en deze vorm zelf is
+door progressieve assimilatie uit _carnelevare_ ontstaan: "het opruimen
+van het vleesch." Hierbij dient echter vermeld, dat Romanisten van naam
+nog de voorkeur blijven geven aan de bekende verklaring als "vleesch,
+vaarwel!": _carne_ + _vale_. Zij zien hierin een volkshumoristische
+uitdrukking der kloostertaal. --De Romaansche benamingen van den
+Vastenavond werden voortreffelijk behandeld door Merlo in Wörter und
+Sachen III, 1, bl. 88 vlg.; vergel. III, 2, bl. 196.
+
+In de Middeleeuwen bereikte de vastenavondpret haar hoogtepunt. Ik
+herinner slechts aan de vertooningen der vastenavondkluchten door de
+Rederijkers, aan de grootsche optochten en aan de dolle uitgelatendheid
+der feestvierenden in zotskleedij, zoo meesterlijk door Pieter Breughel
+den Ouden gepenseeld. In het protestantsche Noorden is de Vastenavond
+zoo goed als uitgestorven; niet aldus in het Zuiden, men denke nog,
+behalve België, aan Den Bosch en Maastricht. In het Rijnland is vooral
+vermaard de vastenavondpret te Keulen en Maintz.
+
+1. Iets zeer eigenaardigs is de maskerade, het vermomd over straat
+loopen. "Zot loopen" was de gangbare uitdrukking; wij spreken nog
+heden van "Vastenavondgekken".Maar "de tegenwoordige maskeraden zijn
+slechts de schaduw van de vroegere", zegt De Cock, Volkskunde, bl. 239;
+"de straat geeft ons al niet veel meer te aanschouwen dan piepjonge,
+schreeuwerige gekken, vaak in poovere, afschuwelijke zotsplunje
+gestoken, wel eens groepsgewijze met een paar trompetters in een
+gewoon rijtuig zittend, en links en rechts den wandelaar, vooral de
+jonge meisjes, een varkensblaas op den rug slaande, of handvollen
+confetti's in het gelaat gooiend: een tooneel, dat veeleer walging-
+dan lachwekkend mag heeten". Dit vermommings-gebruik is stellig uit
+Rome afkomstig, uit de volksfeestviering, die aan "den goeden ouden
+tijd" herinnerde, misschien wel een overblijfsel van de _Saturnalia_
+(bl. 148) of van het Romeinsche "Narrenfeest" (_feriae stultorum_)
+op den 17den Februari. Hierbij zij opgemerkt, dat inderdaad in
+sommige streken in het buitenland de Vastenavond beschouwd wordt
+als een verlengstuk van het Joeltijdperk, en de periode tusschen
+Driekoningen en Aschwoensdag vult. Te Berg en Terblijt (L.) heeten
+nog de Donderdagen tusschen O.L. Vrouw-Lichtmis en Vastenavond de
+"Vette Donderdagen", omdat aardappelen met spek dan de hoofdschotel is.
+
+2. Overvloed van spijs en drank, veelal ontaardend in overdaad, heeft
+te allen tijde de vastenavondfeestviering gekenmerkt; drinkgelagen
+en smulpartijen zijn dan aan de orde en stijgen op _Vetten Dinsdag_
+ten top: in waarheid een vruchtbaarheidsfeestviering. Befaamd
+zijn de _vastenavondkoeken_, verschillend van naam en van
+vorm (vastenavondtaart, pannekoek, spekkoek, groenkoek, wafels,
+geknepe-pletskes, poffertjes enz.), die voor de koekepan een eereplaats
+in onzen spreekwoordenschat veroverden. In België hoort men: "Zij
+vliegen meer als de heetekoekpan op Vastenavond"; in Limburg heeft men
+het somwijlen "zoo druk als de pan op Vastenavond". Ook in Engeland is
+Vastenavond-Dinsdag de groote _Pancake-dag_. Die dagen gaan in Brabant
+en Limburg de arme kinderen onder het zingen van vastenavondliedjes
+aan de deuren pannekoek bedelen: "Spek en eier en braadworst is goeie
+vastenavondkost", meent men te Bree (B.L.). Te Reek (N.-B.) worden
+dan bij partikulieren wel eens worsten, eieren en spek weggehaald,
+wat doorgaans niet kwalijk genomen wordt. Vroeger werden te Afferden
+worsten bijeengehaald en aan lange houten gaffels over straat gedragen.
+
+3. Worst is een onmisbaar bestanddeel van het vastenavondmenu. Dit
+blijkt ook uit de vastenavondliedjes, die eigenlijk rommelpotliedjes
+zijn, d.i. gezongen met begeleiding van den rommelpot of foekepot
+(bl. 142). Vandaar, dat op de Veluwe de Vastenavond plaatselijk
+_foekedag_ wordt genoemd. De foekepot is een aarden pot, half vol
+water, waarover een varkensblaas is gespannen; in het midden hiervan
+is een rietstokje bevestigd, dat door den duim en twee nat gemaakte
+vingers of door de geheele hand wordt gewreven en dan een dof-rommelend
+geluid veroorzaakt. Ook in het Noorden van ons land is dit instrument
+bekend en luidt het zeer zeker meest gangbare deuntje:
+
+
+ Ik heb al zoo lang met den rommelpot geloopen,
+ Ik heb geen geld om brood te koopen.
+ Rommelpotterij, rommelpotterij,
+ Geef mij een oortje, dan ga ik voorbij.
+
+
+De rommelpot heet te Dalen, Zweeloo, Weerdinge, Eext, Zuidlaren,
+Rolde en Norg (D.) _hotfot_ of _hottefot_, te Diever _fortelpot_, te
+Zoutkamp _pooverpot_, in Noord-Holland veelal _rompot_. Men bezigt hem
+ook omstreeks Paschen, Kerstmis en Nieuwjaar; zie Driem, Bladen II,
+bl. 115.
+
+De rommelpotliedjes, die zelf niet van dit instrument gewagen, worden
+gekenmerkt door het refrein: "ho, man, ho!" Zoo b.v.:
+
+
+ De Schout van Leiden heeft een bult,
+ Ho, man, ho!
+ Die is met ouwe lappen gevuld,
+ Ho, man, ho! enz.
+
+
+En zoo bezat ook het meest bekende en meest verspreide
+vastenavondliedje oorspronkelijk dit refrein:
+
+
+ Vrouw, 't is Vastenavond, ho, man, ho!
+ 'k Kom niet thuis voor t'avond, ho, man, ho!
+ 'k Kom niet thuis voor morgenvroeg,
+ Dan is het nog wel tijds genoeg, ho, man, ho!
+
+
+Een zeer merkwaardige en volledige lezing gewerd mij uit
+Rosmalen (N.-B.); ik laat ze hier, behoudens enkele termen, in
+algemeen-Nederlandsche transskriptie volgen, omdat het liedje beslist
+algemeen-Nederlandsch is:
+
+
+ Vrouw, 't is Vastenavond,
+ Ik kom niet thuis voor te avond,
+ Te avond in den maneschijn,
+ Als vader en moeder naar bed toe zijn.
+ Gekke Griet, vertel het niet,
+ Want onze Jan is dronken.
+ Dronken Piet is onze gebuur,
+ Schriks tegen ons over.
+ Vat 'n stoel en zit bij 't vuur,
+ De prutselpot hangt over.
+ Boven in de schouwe,
+ Daar hangen de worsten aan touwen,
+ Vrouw geef mij een lange,
+ En laat de korte maar hangen.
+ Snij maar diep, snij maar diep,
+ Snij maar in mijn vinger niet.
+ 'k Heb gezongen en niets gehad,
+ Geef me een stuk van 't varken z'n gat,
+ Koekebakkerij, koekebakkerij,
+ Geef me een cent, dan ga ik voorbij.
+
+
+Vrij overeenkomstig hoort men dit liedje te Schijndel, Maashees,
+(N.-B.), Merselo, Heer, Beegden, Buggenum (L.) enz. Te Deventer luidt
+regel 3--7:
+
+
+ Ik kom nieët in huus veur margen vrog,
+ Is dat nieët vrog genog?
+ Vrouw, geef mien dit,
+ Vrouw, geef mien dat,
+ Geef mien een stuk van de varkenssta(r)t.
+
+
+Veelal vormen, als te Buggenum, deze regels, die men ook bij menig
+ander kalenderliedje aantreft, het besluit:
+
+
+ Vrouw gêftj, det jer lang lêftj,
+ Det jer riek en zalig werdj.
+
+
+Maar worden de zangers met ledige handen weggezonden, dan luidt de
+laatste regel wel eens:
+
+
+ Det uch 't humme aan 't gaat klêftj.
+
+
+Verder kent men nog:
+
+
+ Foeke, foeke, langesjtaaf,
+ Gêftj mich ei sjtök van 't vräkesgaat;
+ Ich höb al zoo lang mitte foekepot geloupe,
+ Ich höb gei gellj òm brood te koupe,
+ Dei, dei, dikje dikje dei,
+ Gêftj mich ei centje, dan goa ik voorbij.--
+
+
+Een ander zeer verspreid vastenavondliedje heeft ongeveer dezen vorm:
+
+
+ Vastenavond, die komt aan,
+ Als de meisjes vroeg op staan,
+ Dan staan zij in den spiegel:
+ Moeder, staat mijn mutsken knap?
+ Mijn lief zal t'avond komen.
+ Komt hij dezen avond niet,
+ Dan komt hij den halven vastenavond niet.
+ Zet het mesken al langs de bank,
+ Snijd het spek drie ellen lank,
+ Laat het mesken zinken
+ Tot op de witte schinken; enz.
+
+
+(Bree).
+
+Te Mill en Wanroy volgt op de zeven eerste regels:
+
+
+ Jobbik, Jobbik Janssen,
+ De gek, die moet dansen,
+ Ik en de gek
+ En een goed stuk spek.
+ Snij maar diep, snij maar diep,
+ Snij maar in uwe vinger niet!
+ Boven in die horste,
+ Daar hangen die lange worsten,
+ Als de lange gegeten zijn,
+ Dan zullen de korte wel beter zijn.
+
+
+Vergelijk hiermee het Zutfensche:
+
+
+ Vastelavond, die komt aan,
+ Als de meisjes vroeg opstaan,
+ Dan gaan ze voor den spiegel staan:
+ Moeder, zit mijn kapje wel?
+ Daar komt Floris Janssen,
+ Die zal op den foekepot spelen,
+ En de gek zal dansen.
+
+
+Volge nu een noordelijke en een zuidelijke lezing van een ander
+bekend rommelpotliedje.
+
+Te Eenrum (G.) en omstreken zingt men:
+
+
+ Foeke, foeke, rommelpot
+ En hestoe nog gein man,
+ Ik heb 'n broaden houndertien,
+ Dat zal der t'oavend an.
+ Als ik mien houndertien broaden zal,
+ Dan wordt mien potje voel,
+ Als ik mien potje schrabben zal,
+ Dan kittelt (kippert) mie de doem.
+ Dan goan wie noar de smid,
+ Dei moakt ons potje wit;
+ Dan goan wie noar de heeren,
+ En loaten ons poddien smeren.--
+ Zet hier een stoul, zet doar een stoul,
+ Op ieder stoul een kussen,
+ En doar een mooi meissien tusschen.
+
+
+Vanaf den vijfden regel luidt een zeer eigenaardige variant te
+Groningen:
+
+
+ Schippien van drei weken
+ Loat heur zailtien streken.
+ Boven in de hangeltop
+ Doar hangt 'n dikke metworst.
+ Snie wat braid, snie wat snel,
+ Snie joe den moar nijt in 't vel.
+ Snie wat braid, snie wat roem,
+ Snie joe den moar nijt in doem.
+
+
+De zuidelijke lezing is bekend te Turnhout en omstreken en in
+een groot deel van Noord-Brabant, met name in het zuidoostelijk
+gedeelte: Eersel, Velthoven enz. Ook Druten en omstreken heeft voor
+het meerendeel gelijkluidend:
+
+
+ Vastenavond, goede gebuur,
+ Ik heb nog geenen man,
+ Ik heb nog een klein hoentje,
+ Dat moet er t' avond an.
+ En als ik mijn hoentje braden wil,
+ Dan is mijn panneken vuil,
+ En als ik mijn panneken schuren wil,
+ Dan tintelt mijnen duim.
+ Dan loop ik naar de geburen,
+ Daar laat ik mijn panneken schuren,
+ Dan loop ik naar de Franschen,
+ Daar laat ik mijn potteken dansen.
+
+
+De laatste regels van de noordelijke lezing bevatten een motief uit
+een ander vastenavondliedje:
+
+
+ Vastenavond, die komt aan
+ Klinken op de bussen,
+ Hier eene stoel en daar eene stoel,
+ Op iedere stoel een kussen,
+ Meisje [Vrouwtje], hou je kinnebak toe,
+ Of ik sla er een pannekoek tusschen.
+
+
+Te Barneveld vervolgt men:
+
+
+ Tusschen de neus en de kin,
+ Daar kan nog wel een pannekoek in.
+ Ho, man, ho!
+
+
+"Klinken op de bussen" is wel synoniem van "in de bus blazen, geld
+uit geven": Driem. Bladen I, bl. 77, III, bl. 26. Deze uitdrukking
+komt ook voor in het Zwolsche:
+
+
+ 't Is van oavend Vastenoavend,
+ Klink moar op de bussen!
+ Alle mooie meissies kriegt een man,
+ Behalve ik en mien zusse.
+
+
+4. Op sommige plaatsen behoort tot het vastenavondvermaak het haanslaan
+(of haansmijten) en het gansrijden (gansjagen, -sabelen, -trekken,
+-slaan, -knuppelen), ook wel _gent_ of _voejagen_ genoemd. Een
+opzettelijk daartoe gemeste gans wordt tusschen twee palen of boomen
+aan een lijn met den kop naar beneden opgehangen. In vollen draf rijden
+nu de ruiters (voorheen de leden van het gansrijdersgild) onder de
+gans door en trachten het dier den kop af te rukken. Ook de jongens
+van 12--17 jaar jagen "de voe"; zij zijn gezeten op stokpaarden,
+dragen een chapeau-claque van bordpapier, versierd met vederbos en
+klatergoud, en draven op hun stokpaarden onder de lijn door.
+
+Op de meeste plaatsen is dit gebruik thans in onbruik geraakt; te
+Guttecoven (L.), Rijkevoort (N.-B.) en elders heeft het zich weten
+te handhaven. Te Guttecoven wordt de vogel aan een boom gehangen en
+ieder slaat er naar met een sikkel. Wie het dier den kop af slaat,
+is koning of koningin; want ook meisjes doen mee. Koning of koningin
+worden getooid en met hen trekt men nu langs de huizen, bedelend om
+spek, eieren en worst:
+
+
+ Vasteloavend,
+ Sjtokvastoavend,
+ Hiê ene sjtool en doa ene sjtool,
+ Op jede sjtool ei kösse,
+ En doa ein broadwoosj tössche;
+ Op jede sjtool ene pannekook,
+ Det deit de jong meitjes good.
+
+
+Maar al werd het gansjagen afgeschaft, op tal van plaatsen gaat nog
+de worstenkar rond, of trekt althans nog de jeugd, om spek, worst
+en eieren bedelend, door de straten. Aldus te Afferden, Buggenum,
+Swalmen, Tegelen, Boxmeer enz. Men noemt dit gebruik _fooien-jagen,_
+een (volksetymologische?) vervorming van _voejagen._ Bij dezen rondgang
+zongen vroeger de jongens in Twente:
+
+
+ Boven in de hörste
+ Doar hange de spiele mit wörste:
+ Doo mi eenen langen,
+ Moar loat dee kleine mer hangen.
+
+
+Men vergelijke hiermee bl. 158 en 160. In Engeland is het haanslaan
+nog zeer verbreid, met name in Essex en Suffolk.
+
+5. Voor de vastenavondvuren wordt natuurlijk inzameling van
+brandstof gehouden. Wij treffen dus weer motieven aan uit wat wij
+het"schuddekorfslied" noemden (bl. 108 vlg). In de Limburgsche dorpen
+op de Duitsche grens zingt de jeugd in verschillend dialekt:
+
+
+ Een kluitjen en een kooltjen
+ Een vonkelhoutjen, een!
+ Hier woont een rijk man,
+ Die ons nog iets geven kan.
+ Geeft ons iets en laat ons gaan,
+ Laat ons niet zoo lang hier staan,
+ Wij moeten nog zoo wijd gaan!
+
+
+Deze rondgang heeft te Sint Pieter (L.) op Donderdag vóor Vastenavond
+plaats onder het zingen van:
+
+
+ Heije, meije klötsje,
+ Zoe dik es ên hötsje,
+ Zoe dik es ên boen,
+ Dat us God loent!
+ Hei woent nog êne rieke maan,
+ Dee us nog get geve kaan,
+ Kaan heer us niks geve,
+ Dan zalleveer neet lang mie leve.
+
+ _Den hoegen hiemel is opgedoon_,
+ Gef us get en loat us goon,
+ Loat us neet lang stèlstoan,
+ Gef get, spaart get,
+ 't Ander joar alweer get.
+ Dit joar êne sjèlling
+ 't Ander joar êne pèling,
+ Eeder sjèlling woag ê poond,
+ Maar de vrouw blijf hei gezoond.
+ Snijt oan de lange,
+ Loat de korte hange,
+ Gef get!
+
+
+Zie de rijmpjes op bl. 158, 160 en 164.
+
+Met den negenden regel: "Den hoegen hiemel is opgedoon" vergelijke
+men dezen passus van een rommelpotslied uit Slochteren (G.):
+
+
+ De hemel, de hemel wordt opengedoan,
+ Daar komen wie arme zondoartjes an
+ Mit ain strooband, mit twei strooband;
+
+
+en uit Winschoten:
+
+
+ De hemel wordt opengedaan.
+ Daar zullen wij arme zondaars ingaan
+ Met een stroobant,
+ Daar gaan wij mee naar 't ander land.
+
+
+In Zeeland luidt de tweede strofe van het rommelpotslied op Sint
+Silvester:
+
+
+ Ik heb er den hemel al opengedaan,
+ Daar zag ik twee arme zondaars staan;
+ Met oogen als vuur en een strooband,
+ Zoo rijden zij naar dat andere land.
+
+
+De beteekenis van den strooband is mij niet helder.
+
+6. De vastenavondviering in de zeedorpen van het eiland Schouwen
+bestaat eigenlijk in het zoogenaamde strand- of stra-rijden ("de
+stra"). Dit is niets anders, dan dat men te paard naar het strand
+en vervolgens een eindje de zee inrijdt. Tegen tien uur wordt een
+trein gevormd, waarbij een ruiter als voorrijder dienst doet en de
+flinkste en best opgetuigde paarden voorafgaan.--Blijkbaar moet dit
+gebruik ingeschakeld worden in de reeks der vastenavondoptochten,
+en hebben wij te doen met een reinigings- en vruchtbaarheidsritus;
+zie C. V. D. Graft, Volkskunde XVII, bl. 31. Over vastenavondliedjes
+en -gebruiken vergel. Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 187; G. Kalff, Het
+Lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 518; Welters, Feesten enz.,
+bl. 24; De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 56;
+v. Reinsberg-Düringsfeld), Calendrier belge, bl. 127; Boekenoogen,
+Onze Rijmen, bl. 58 en Driem. Bladen I, bl. 53, 111, 119; IV, 114;
+Volk en Taal II, bl. 154; 't Daghet in den Oosten IV, bl. 124; X,
+bl. 190 enz.
+
+_Aschwoensdag_ stelt paal en perk aan de vastenavondpret. Te
+Blitterswijk (L.) hield men in den voormiddag den _doodendans_,
+d.i. nog driemaal werd op de viool gekrast en nog driemaal lustig
+rondgesprongen; dàn eerst was het "Vasten". Men noemt hem ook
+_kruiskensdag_, omdat de katholieken dien dag ter kerke een
+asschen kruisje op het voorhoofd ontvangen ter herinnering aan
+de vergankelijkheid van het lichaam in stof en ter opwekking tot
+boetvaardigheid. "Wie zijn kruisje houdt tot Paschen", zegt het volk,
+"krijgt een nieuw kleed." Na den dienst wordt niet zelden "het kruisken
+verdronken", door den voormiddag in de herberg te slijten.
+
+Op enkele plaatsen wordt dien dag ook nog na den kerkdienst de _haring
+gebeten_ of _gereden_, b.v. te Maaseyck; te Posterholt (L.) heette
+het _haringspringen_. Een haring, aan een koord opgehangen, moet de
+kop worden afgebeten. Haring met witte boonen vormen het hoofdgerecht.
+
+_Fakkelzondag_ (_Invocabit_) is de eerste Zondag in de Vasten. "Als
+men op dezen dag met een brandende fakkel onder de boomen waait, zal
+veel fruit groeien", zeggen de boeren in Limburg. Wij hebben hier dus
+te doen met het reinigings-, en bijgevolg vruchtbaarheidsbegrip. Het
+branden, walmen, berooken enz. diende, zooals men weet, om de booze
+geesten te verdrijven (vgl. bl. 128). Dit blijkt ook duidelijk
+uit het rijmpje, dat men te Simpelveld (L.) onder het walmen in de
+boomgaarden zingt:
+
+
+ Vink vonk fakkel.
+ Zoo menge vonk,
+ Zoo menge appel.
+
+
+Te Epen en Wittem (L.) wordt dien dag vuurtje gestookt, _de burk_
+genaamd, en om brandstof rondgaande zingt de jeugd:
+
+
+ Bötje, bötje, burkstreuë
+ Annemerjan, sjottelepan,
+ Haste niks veur de burk te breeënne.
+
+
+Te Ieperen heet deze Zondag _Borelle-Zondag;_ ook te Denderwindeke,
+Aspelare, Aalst, Denderleeuw enz. is het _walmen_ of _fakkels branden_
+bekend; zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII,
+bl. 66. Men noemt dezen dag in Vlaanderen ook _brood- en kaaszondag,_
+omdat men meent alsdan zevenderlei brood te moeten eten: te dien
+einde bezoekt men zeven bevriende gezinnen; ook in Duitschland kent
+men den naam _Brot-und Kässontag_. In Voralberg, Tirol, Beieren
+en Zwaben trekt men dan voorzien van bussels brandend hooi over de
+bergen, de zoogenaamde _Fackellauf_, die gesymboliseerd wordt als
+de gevangenneming vau Christus. Vandaar de benaming _Funkentag_,
+fr. _dimanche des brandons_. Dit fakkelloopen dient als een aanhangsel
+der vastenavondvuren te worden beschouwd.
+
+Een eigenaardig gebruik heeft plaats te Geeraardsbergen, het eerst,
+voor zoover mij bekend, beschreven door P. van Duyse in het Belgisch
+Museum 1837, bl. 176 vlg. Daar trekken onder de tonen der muziek
+"de regeering met andere ontzachbare heeren en de geestelijkheid
+met den pastoor aan het hoofd, al deftig uitgedoscht" naar een
+naburige kapel, waar den pastoor een feestbeker met een levend
+vischje gereikt wordt, dat hij mee moet doorslikken. Daarna regent
+het mastellen en haring. Dit gebruik wordt met de tweede belegering
+van Geeraardsbergen door Walther van Edinghen in 1381 in verband
+gebracht, òf men laat het opklimmen tot het midden der XIe eeuw,
+toen Geeraard van Hunneghem zijn kasteel aan Boudewijn VI, den
+stichter der stad, verkocht. V. Fris, Volkskunde XVIII, bl. 136,
+ziet hierin een overleefsel van Keltisch-Frankische bronvereering;
+naar de opvatting van Dr. Höfler, Volkskunde XVIII, bl. 236, heeft men
+hier te doen met een geval van Bacchanalische omophagie: 't verorberen
+van levend, lillend rauw vleesch. Geen dezer verklaringen lijkt mij
+afdoende. Trouwens, zou met het oog op het haringeten van het volk
+de verklaring niet wat minder ingewikkeld kunnen zijn?--
+
+Het feest van Fakkelzondag wordt op Maandag voortgezet, de echte
+_blauwe Maandag_, welke benaming later op alle andere Maandagen
+is overgegaan. Vandaar dat "blauwe Maandag houden" de beteekenis
+gekregen heeft van "leegloopen en feestdag houden". "Blauw" beduidt
+hier "onbeduidend" (men denke aan _blauwe boodschap_), zoodat de
+oorspronkelijke beteekenis was: Maandag, die als werkdag niet meetelt;
+vgl. Stoett, Spreekwoorden, no 212.
+
+_Kwenezondag_ (_Oculi_), den derden Zondag in de Vasten, liepen te
+Ieperen de kinderen rond met een korf, waarin een pop verborgen zat,
+terwijl zij zongen:
+
+
+ Oude kwene, babbelboone!
+ Is se oud, s'en is niet schoone!
+ Gheeft se doch een ey,
+ Daer me looptse wey!
+
+
+Volgens De Bo heet men echter _kwenen_ de kinderen, die op Passiezondag
+van deur tot deur gaan.
+
+Op dezen Zondag verbrandt men den winter (_Pier Vrieze_), den dood,
+den vastenavond enz. onder de gedaante van een aangekleede stroopop;
+plaatselijk survival hiervan is het verbranden van een haan. Ook wordt
+"de winter" wel begraven of in het water geworpen. Waarschijnlijk
+is hier het begraven ouder dan het verbranden, en is "de winter" de
+vegetatie-daemon, de in den winter gedoode groeikracht; zie Mannhardt,
+Baumkultus, bl. 418. In het buitenland heeft dit winterverbranden
+meestal plaats op
+
+_Laetare_ of Halfvasten. In België herleeft weer de vastenavondpret,
+gemaskerden trekken door de straten, feestgelagen worden
+aangericht. Maar de groote folkloristische beteekenis van dezen
+dag ligt toch in de aankomst van de Lente (of van den Zomer;
+immers het volk kent eigenlijk slechts twee jaargetijden: zomer en
+winter). Worden gedurende het vruchtbaarheidstijdperk nieuwe gaven
+van de sluimerende aarde verwacht (zie bl. 102, 113) en treden dan
+Sint-Maarten, Sinterklaas en het Kerstkind op als uitdeelers der
+hemelgeschenken, thans verschijnen als vertegenwoordigers van den
+lentezegen: op Laetare de _Greef van Halfvasten,_ en op Palmzondag
+de Engeltjes. De Brabantsche en Antwerpsche kinderen zetten hun
+schoen of korfje met hooi onder den schoorsteen, dit laatste voor het
+paard van den Greef, die 's nachts de rondte doet op zijn schimmel,
+de brave kinderen bedeelend met lekkers, maar de ondeugende met een
+roe. Vroeger reed de Greef als een andere Sinterklaas op zijn schimmel
+plechtig door de straten van Antwerpen. "De arme huisvader uit de
+Antwerpsche volkswijken schenkt gewoonlijk aan elk kind slechts een
+massepeinen scheepje," schrijft De Cock, Volkskunde, bl. 240; "soms
+enkel een tikkenhaantje, uit brooddeeg gebakken, met een pluimpje
+op den kop, wat voor het kind niet veel beteekent; vandaar bij den
+Sinjoor [Antwerpenaar] het nog steeds populaire spreekwoord: Liever
+geen Grèèf dan zoo'n tikkenhaantje."
+
+Te Turnhout zingt men:
+
+
+ Kinderkens, hangt uw korfkens uit,
+ Ik heb wat nieuws vernomen:
+ Dat de Greef,
+ Uwe neef,
+ Die zal morgen komen.
+
+ Wat heeft de Greef al meegebracht?
+ Vijgen en rozijnen,
+ Koek en tes,
+ Scheer en mes,
+ Haantjens op een steksken!
+
+ Maar als gij dan niet wijzer zijt,
+ Dan zal ik m'er niet mee moeien;
+ Dan zal de Greef,
+ Uwe neef,
+ Brengen een dikke roeie!
+
+
+Ook in Noord-Brabant en Limburg bestaat iets dergelijks. Te Geldrop
+krijgen de kinderen op Halfvasten een haan van taai-taai, aan den
+staart versierd. Te Munstergeleen en te Sittard worden dan krombroodjes
+onder de kinderen geworpen, te Sittard bij de zeven kapelletjes
+langs den weg naar den Kollenberg. Het Christelijk symbolisme ziet
+hierin een herinnering aan het evangelieverhaal van dien dag over de
+wonderbare spijziging der 5000 Galileeërs. Te Schaesberg (L.) wordt
+op Laetare gefakkeld, waarbij men zingt (vgl. bl. 167)
+
+
+ Vink, vonk, fakkel.
+ Zoo menge vonk,
+ Zoo menge appel.
+
+
+_Sint Pieter-in-den-Winter_ (_Cathedra Petri_, 22 Februari) is een
+lotsdag, een _dies criticus_, eertijds als het begin van de lente
+beschouwd. Vandaar zijn voorname rol in de volksweêrkunde. Vriest
+het den nacht vóor dezen feestdag, dan duurt de kou veertig dagen;
+is het zacht weer, dan vriest het niet in Mei.
+
+Het volk viert dan een lente-vóorfeest, vooral de schippers en herders,
+en wel over geheel het Germaansche en Slavische gebied. Op dezen dag
+moet men beginnen de landerijen te bewerken; bouwlanden worden meest
+verhuurd, om ze te aanvaarden op Sint-Pieter. Te Grouw (F.) viert mee
+dan een kinderfeest; en evenals men den 5den December Sinterklaas-avond
+noemt, zoo noemt men te Grouw den 21sten Februari Sint Pieter-avond.
+
+Ook het balslaan, dat vroeger op verscheidene plaatsen in Friesland
+voorkwam, is een typisch lentegebruik en heeft natuurlijk met
+St. Petrus niets te maken. In Duitschland heeft het meestal op
+Paaschdag plaats; ook schijnt het met het Paaschvuur samen te
+hangen. Te Dantumadeel sloegen de kinderen ballen uit, waaronder
+éen met loovers versierd; daarmee begon de wedloop, om den mooien
+Sint-Petersbal te bemachtigen. Een andere manier van "bal uitslaan",
+eveneens in de Dokkumer Wouden, was een vermakelijkheid, die uitging
+van een jong paar, dat op trouwen stond, ter wille van hun vrienden en
+vriendinnen, altijd op Sint Pietersdag; zie hierover Waling Dijkstra,
+Uit Friesland's Volksleven I, bl. 168.
+
+Te Gees (D.) trekt na 12 uur de geheele schooljeugd zingend door het
+dorp en brengt een ovatie aan wie in 't afgeloopen jaar zijn getrouwd:
+
+
+ Hier komen wij knechtjes en meisjes aan,
+ Al om Sint Pieter den bal te slaan.
+ Waren wij niet in de gilde gegaan,
+ Dan hoefden we Sint Pieter den bal niet te slaan.
+ Slaan, slaan, slaan,
+ Het liedje, dat is gedaan.
+
+
+Dan worden pepernoten en andere versnaperingen gestrooid en de
+kinderen grabbelen; vgl. J. Bergsma, Driem. Bladen XII, bl. 117;
+Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 113.
+
+_l Maart_ treden veelal de knechten en meiden in dienst. Zoo zegt
+men te Esch (N.-B.):
+
+
+ Op den eersten Mert
+ Moeten de booien zijn op den herd,
+ Anders zijn ze de kost niet werd.
+
+
+Elders is de datum half Maart, weer elders de 1e Mei. De boer zelf
+haalt de nieuwe meid of knecht op den _kistenwagen_ af. Bij het
+verhuren ontvangen zij den gods- of goospenning, oorspronkelijk het
+geld, dat men bij het aangaan van de huur den arme "om Godswille"
+gaf; vergelijk hiermede den trouwpenning, waarover nader.
+
+_Gregoriusdag_ (12 Maart) was voorheen in geheel Brabant, Vlaanderen
+en Antwerpen het groote schoolfeest: prijsuitdeeling, Gregoorkes-mis,
+en naderhand het _Gregoria-zingen,_ een rondgang van de jeugd langs
+de huizen, zingend en bedelend om eieren en geld.
+
+_Sint Geertrui_ (17 Maart). De dochter van Pepijn van Landen is een
+zeer bekende volksheilige. Volgens de legende stuitte zij eens een
+muizenplaag; feitelijk wordt zij door het volk als patrones tegen
+de muizen aangeroepen, o.a. te Ternath, Appelterre, Wichelen en
+Baasroode-Vlassenbroek rond Aalst en Dendermonde. Ook vindt men haar
+vaak met een muis voorgesteld, o.a. in de Gertrudiskerk te Leuven en
+in de Groote Kerk te Breda; de reden is wel deze, dat de H. Gertrudis
+eenige trekken van de Germaansche doodsgodin heeft overgenomen; immers
+in de volksvoorstelling neemt de ziel vaak de gedaante eener muis
+aan. Zoo verklaart men ook het voormalig gebruik der _Sint Geerten
+Minne_ of _Schaal van Nivelles_: want even als de Sint Jans Minne was
+dit oorspronkelijk een herinneringsdronk aan de afgestorvenen gewijd;
+zie mijne Essays en Studiën, bl. 226 vlg.--
+
+Wij komen nu tot de eigenlijke periode van het Lentefeest (of
+begin-Zomerfeest), dat zich tot na Pinksteren uitstrekt; en in
+het midden der feestviering staat het symbool van den genius der
+groeikracht, van het nu welig-uitbottende jonge leven: de Meiboom
+in zijn verscheidenheid van vormen en eenheid van beteekenis. Op den
+1sten Mei, met Pinksteren of op den avond van den 23sten Juni heeft
+in Duitschland, Engeland, Frankrijk en in de Westslavische landen het
+inhalen en planten van den meiboom plaats. In Nederland kwam hij in
+'t begin der vorige eeuw nog slechts sporadisch voor en thans is hij,
+tenminste in zijn volstrekt-oorspronkelijken vorm, geheel verdwenen. De
+eenige bekende afbeelding van den Nederlandschen meiboom komt voor bij
+J. Cats, Spiegel van den Ouden en den Nievven Tijdt (Den Haag 1632).
+
+De groote meiboom werd geplant midden op den markt of het
+dorpsplein. Niet zelden was de stam tot aan de bladerkroon van takken
+beroofd en afgeschild, terwijl alleen de top prijkte met vollen
+bladerdos. Maar steeds was--en is dit nog, waar in het buitenland het
+gebruik heerscht in zijn oorspronkelijken vorm--de mei met linten,
+kransen en klatergoud gesierd, met koek en vruchten en vooral
+met eieren--symbool der vruchtbaarheid--behangen. En dat wij hier
+werkelijk te doen hebben met de verpersoonlijking der levenverwekkende
+natuurkracht, kan blijken uit een Poolsch lied, dat te Lacza in
+Opper-Silezië gezongen wordt, wanneer het volk, na eerst een stroopop
+in het water te hebben geworpen, geld en eieren verzamelend met den
+Mei het dorp binnenkomt (vgl. Mannhardt, Baumkultus, bl. 181):
+
+
+ Wij droegen de pest uit het dorp,
+ Wij brengen _de spruit_ (of zomer) in het dorp.
+ Ons boompje is groen,
+ Schoon opgesierd,
+ Op ons Meiboompje
+ Zijn geverfde eieren, enz.--
+
+
+Eindelijk, de meiboom wordt doorgaans gekroond door een weèrhaan,
+rechtstreeks afweervogel van booze invloeden, en daardoor
+onrechtstreeks ook weer vruchtbaarheidssymbool.
+
+Deze meiboom is het oortype van den _oogstmei_, die de laatste voer
+hooi siert, wanneer de oogst wordt binnengehaald; van den _richtmei,_
+die op het dak gezet wordt, als men "gericht" d.i. het huis onder de
+kap gebracht heeft,--in het Noorden van ons land is dit dichterlijk
+en sprekend gebruik verdwenen en kent men slechts een versiering
+met de vlag; van den _liefdemei_ vóor het huis of op het dak van de
+aangebedene, waarover nader; van den _bruidsmei_, den levensboom,
+op den bruidswagen gestoken, of vóor het huis van het jonge paar
+geplant; van den _schutsmei_: jonge berken- of dennenboompjes, door de
+dorpsjeugd op den 1sten Mei uit het bosch gehaald en vóor de huisdeur,
+den veestal, of op den nok geplant, dat zij het huis mogen beschermen,
+het vee vruchtbaar maken en alle kwade invloeden verdrijven,--hiermee
+gaat vaak een inzameling van eieren, brood, spek en geld gepaard;
+eindelijk van den _palmpaasch_, zooals door Mannhardt, Baumkultus,
+bl. 246 wordt betoogd. Op deze verwantschap vestigde ik reeds voor
+een vijftiental jaren de aandacht door deze regelen: "De palmpaasch
+is in laatste analyse slechts een rudimentaire meiboom, zoo men
+wil een christelijke loot van den heidenschen stam, een schamele
+rest, evenals het Sint Maartens-kaarsje in de binnenkamer niets
+dan een zwakke weerschijn is van het Sint Maartens-vuur daarbuiten"
+(Volkskunde XIII, bl. 108). Hij vindt zijn plaats op
+
+_Palmzondag_, reeds in de IVde eeuw door de Kerk gevierd ter
+gedachtenis van Jezus' intocht te Jeruzalem. Van deze feestviering
+bezitten wij eene nauwgezette beschrijving in een voor de liturgie
+hoogst belangrijk reisverhaal eener non uit Provence (Arles?), die in
+de IVe eeuw een reis naar het H. Land ondernam en in haar nagelaten
+aanteekeningen de hoogoude ceremoniën der Kerk te Jeruzalem beschrijft:
+de _Peregrinatio Aetheriae_: "Tegen vijf uur in den namiddag wordt de
+plaats uit het evangelie gelezen, waar de kinderen met olijftwijgen of
+palmtakken den Heer tegemoet gaan, roepende: Gezegend, Die komt in den
+naam des Heeren. Dan staat de bisschop en het heele volk onverwijld
+op en trekken van den top van den Olijfberg te voet naar beneden:
+heel het volk gaat hem voor onder het gezang van hymnen en antifonen,
+waarop telkens geantwoord wordt met de woorden: Gezegend, Die komt in
+den naam des Heeren. Alle kinderen uit deze plaatsen, zelfs zij, die
+te klein zijn om te kunnen loopen en gedragen moeten worden, hebben,
+hetzij palmtakken, hetzij olijftwijgen in de hand; en zoo begeleidt
+men den bisschop naar de wijze, waarop toen Christus begeleid werd"
+(c. XXXI, 2, 3).
+
+Wij hebben hier dus een plechtige processie met palmtwijgen op
+Palmzondag; vanaf de VIIe eeuw werd deze ook in de Westersche Kerk
+gehouden. De palmzegening is iets jonger en dagteekent waarschijnlijk
+uit de VIIIe of IXe eeuw. In de Middeleeuwen nam deze omgang in
+vertoon en luister toe; hij kreeg een geheel dramatisch karakter,
+overeenkomstig de liturgisch-didaktische praktijken van dien
+tijd. De persoon, die Christus uitbeeldde, reed op een ezel. Maar
+somwijlen stelde men zich met een houten Christusbeeld tevreden,
+gezeten op een houten ezel. Deze werd gedragen of getrokken. Vandaar,
+dat Palmzondag door de Vlamingen vroeger wel eens het "Ezelsfeest"
+werd genoemd. Te Utrecht trok deze stoet van de Domkerk naar de vlak
+bijgelegen Pieterskerk. Te Amsterdam had hij aanvankelijk alleen aan
+de Oude Zijde plaats, d.i. uit Jeruzalem (een kapel naast de St.-Olofs-
+of Oudezijdskapel) naar de Oude Kerk; doch sedert 1498 kreeg de Nieuwe
+Zijde om 't andere jaar ook haar beurt. De houten ezel wordt op enkele
+plaatsen in het buitenland thans nog rondgevoerd.
+
+Nu weten wij, dat voorheen de palmboomen of -boompjes, in deze
+processie rondgedragen, niet zelden met koekjes, vruchten en andere
+versnaperingen waren behangen. Dit is ons niet alleen bekend uit
+een bericht over de Moskousche palmprocessie in de XVIIe eeuw; maar
+de Calendrier belge I, bl. 212 weet te verhalen, hoe te Thienen
+de kinderen gedurende den stoet den palmtak poogden te plunderen,
+dien het Christusbeeld droeg: immers hij hing vol vijgen, druiven en
+wafeltjes. De verklaring is deze, dat hier wederom een synkretisme,
+een vermenging van heterogene bestanddeelen, van twee verschillende
+gebruiken heeft plaats gehad: palmprocessie en meiboom, christendom
+en (onbewuste) natuurreligie. Want de Palmzondag viel samen met den
+aanvang van het lentefeest, en zoo drong de langzamerhand verkleinde,
+maar steeds met rijke gaven behangen meiboom de palmprocessie
+binnen. Op den duur werd hij nog kleiner, zoodat ieder kind een
+exemplaar erlangde. Als gever dezer goede gaven trad nu de Zaligmaker
+op, of liever de Zaligmaker met behulp der Engeltjes (b.v. te 's
+Hertogenbosch, Roermond, Venloo enz.). Deze organiseeren des nachts een
+soort van Wilde Jacht door de lucht, als Sinterklaas en Sintermaarten,
+en "rijden" den overvloed van goede gaven op den palmpaasch, te Venloo
+voor de grooteren op een bord. Maar behalve de "rijdende" engeltjes
+heeft het Christendom _de palmen_ aan den palmpaasch afgestaan.--In
+België vindt men geen spoor van den palmpaasch; de kinderbedeeling
+heeft daar, zooals reeds vermeld, door den Greef op Halfvasten
+plaats. Kerkelijk verband tusschen palmpaasch en liturgie bestaat
+b.v. nog te Venloo, in zoover daar de kinderen met het _palmhoutje_
+ter kerk tijgen en zich onder de geloovigen opstellen, die palmtakjes
+en palmbundels (_buxus sempervirens_) laten zegenen. Ook te Basel laat
+ieder knaap zijn palmboompje ter kerke zegenen; dit bestaat uit een
+rijk met linten en appelen versierd dennenboompje, welks kruin met
+een schat van steekpalmen--liefst met roode bessen--prijkt. En dat
+de palm en de wijding niet tot het wezen van den verkleinden meiboom
+behooren, blijkt o.a. uit het feit, dat zonder de minste religieuze
+betrekking te Stockholm, volgens getuigenis van Mannhardt, telken
+jare den 22sten juni een formeele markt "mit Laubzweigen und _kleinen
+Maistangen für Kinder_" gehouden wordt, voor welke de heele omtrek
+de handelsartikelen levert (Baumkultus, bl. 152). Een herinnering
+aan de palmprocessie is wellicht ook het _Hei, koerei_ of _Eikoerei_
+van het meest gebruikelijke palmpaaschrijmpje; dit is waarschijnlijk
+de verbastering van _Kyrie eleison_: "Heer ontferm U onzer" uit het
+litaniegebed. Bedoeld rijmpje, gebruikelijk bij het rondtrekken met
+den palmpaasch, luidt:
+
+
+ Palm, palmpaschen!
+ Hei, koerei!
+ Over eenen Zondag,
+ Dan krijgen wij een ei.
+ Eén ei is geen ei,
+ Twee ei is een half ei,
+ Drie ei is een paaschei!
+
+
+Of ook:
+
+
+ Palm palmpaschen!
+ De koetjes die gaan grazen,
+ De schaapjes in de wei,
+ Als het Paasch is krijgen wij een ei!
+
+
+Te Dwingeloo en Ruinerwold luidt het:
+
+
+ Haentien op 'n stokkien,
+ Biet moar van mien brokkien,
+ Biet moar van mien stukkien brood,
+ Morgen is mien haentien dood.
+
+
+Vrij schaars komt de palmpaasch voor in Zeeland, Groningen, Friesland,
+Zuid-Holland, Noord-Brabant en Limburg. Het ware palmpaaschgebied
+is Gelderland, Drente en Overijssel. Behalve _palmpaasch_ en
+_palmpaschen_, vindt men de benamingen _palmstok, palmpaascheistok,
+palmpaaschtak, palmpaaschstok, palmtak, pikhaan, weitenhennetje,
+zwaantje, palmhoutje, palmebessem, krakeling, haantje, haantjepik,
+eendje, kukelehaantje_ enz. Dr. C. V. D. Graft onderscheidt twee
+hoofdtypen: 1e De lange stok, die allerlei lekkernijen doorboort,
+het Friesche type; en 2e De vlechtvormige hoofdkrans, gewoonlijk
+"krakeling", maar ook wel "rad" of "wiel" genoemd: het Saksische
+type. Wat hiervan zij,--indien het waar is, dat men de palmpaasch als
+een kleinen meiboom dient te beschouwen, dan moet zij ook, althans
+oorspronkelijk, de drie hoofdbestanddeelen van den meiboom vertoond
+hebben, te weten: _stam_ (stok), _krans_ en _haan_. De krans is
+nagebootst in koekdeeg--ten onrechte spreekt Höfler van "haaroffer
+in deegvorm",--terwijl de haan, in zijn nagebootsten vorm onkenbaar
+geworden, vaak door andere vogels vervangen is. De roode haan stelt den
+bliksem voor, in zoover deze de onweerswolken splijt en den dampkring
+zuivert. Het heldere weêr roept hij andermaal te voorschijn. Zijn
+gekraai verdrijft immers ook, zooals gezegd (bl. 96), het nachtelijk
+duister, bij het eerste hanengekraai is de hellemacht gebroken. Daarom
+troont ook een haan op den nok van vele Westfaalsche huizen en doet
+daar, ter bescherming tegen onweêr en andere rampen, denzelfden dienst,
+dien een paardenkop elders in Duitschland verricht; want ook het paard,
+als stormdier, weert onheil af.-- Aldus verklaart men de gewoonte, den
+top van sommige boomen in haanvorm te knippen; zoo verklaart men ook
+het haantje op den toren, naderhand met de verloochening van Petrus
+in verband gebracht, of ook uitgelegd als symbool der waakzaamheid
+en der verrijzenis. Maar haan en paard waren Saksische stamdieren,
+terwijl in Friesche (en Vlaamsche) streken de zwaan als zoodanig de
+gevelversiering vormt. Het is dus zeer waarschijnlijk, dat de zwaan,
+als Friesch stamdier, op Frieschen bodem den haan op de Palmpaasch
+verdrongen heeft. Een Frankisch palmpaasch-type bestaat niet.
+
+Op het eiland Schouwen (Zierikzee enz.) kent men zoogenaamde
+_aeremstokjes_, d.i. ruitertjes te paard van brooddeeg, die op een
+stokje door de kinderen worden rondgedragen, óok op Palmzondag,
+en dan zijn er palmtakjes in gestoken. Daarbij wordt gezongen:
+
+
+ Aerem stokje
+ Turf in je rokje,
+ Turf in je staart,
+ Aerem stokje is geen oortje meer waard.
+
+
+Een lentegebruik, ten deele christelijk gekleurd, leeft ten slotte
+nog in het steken van gewijde en niet-gewijde palmtakjes achter de
+daksparren, in de schuur, in het woonvertrek, in den akker enz., en
+dat gebruik is over geheel Nederland en België verspreid. In België,
+Noord-Brabant en Limburg steekt men een palmtakje op de vier hoeken
+van den akker ter bevordering der vruchtbaarheid, veelal onder het
+lezen van 't Sint Jans evangelie.
+
+Zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 160 vlg., 246 vlg.; vooral ook
+Volkskunde XII, bl. 229, waar Dr. A. Beets een oproep richtte tot
+de lezers, om nadere berichten over de palmpaasch te ontvangen. Aan
+dezen oproep werd vlijtig gehoor verleend; Beets gaf ook den stoot tot
+de palmpaaschtentoonstelling te Utrecht in 1906. Verder: Volkskunde
+XIII, bl. 52, 81, 104; XIV, bl. 117, 221; XVII, bl. 1; XVIII, bl. 40;
+XX, bl. 157, 205; Driem. Bladen II, bl. 95; VI, bl. 40; De Cock,
+Volkskunde, bl. 241; V. D. Graft, Palmpaasch; Ter Gouw, Volksvermaken,
+bl. 202.
+
+Over _Kalfdag_, den dag na Palmzondag, werd reeds bl. 127 een woord
+gezegd. Het wijst stellig op een lentegebruik, wanneer te Brugge en
+elders de leerling, die dien dag het laatst in school of thuis kwam,
+geplaagd en uitgelachen werd; hij werd "kalf" genoemd. Men vergelijke
+verder de gebruiken op den 1sten Meidag.--
+
+Met dezen dag is de _Goede Week_ begonnen, ook wel de _Heilige-,
+Pilatus-, Judas-, Duivelsweek_, in protestantsche streken de _Stille
+Week_ genoemd. Het weêr is in deze week meestal slecht, meent het volk.
+
+_Witte of Groene Donderdag_ dankt zijn naam waarschijnlijk aan de
+witte misgewaden, die de priester dien dag aanlegt. In de omstreken
+van Weert en Thorn (L.) eet men dien dag soep van twaalfderlei
+groenten. Men noemt ze _discipelen_- of _apostelensoep_. Hij, die
+het eerst den lepel in den schotel steekt, wordt Judas genoemd. In
+Vlaanderen at men dien dag _weitene weggen_ of wittebrood met _mede_;
+dit heette _soppen_, vanwaar _Soppendonderdag_.
+
+Als bijzondere eigenaardigheid dient nog vermeld het
+_apostelbrokken-rapen_ te Rupelmonde, vlak onder de vensters van
+'t stadhuis; zie Volkskunde XX, bl. 163.
+
+Na de Gloria zwijgt in de kerken klok, orgel en bel. Dan gaan de
+klokken naar Rome, zeggen de kinderen, om door den paus te worden
+gezegend.
+
+
+ Op Witte Donderdag
+ Gaan de klokken naar Roomen,
+ Al over hagen en boomen,
+ En Paaschavond komen ze thuis.
+
+
+Aldus een Vlaamsch rijmpje; de Westvlaamsche speldenwerksters tellen:
+
+
+ Den Donderdag is 't soppedoppe,
+ Den Vrijdag zoo kruipt men,
+ Den Zaterdag klopt men de Vasten uit.
+
+
+Dit "kruipt men" heeft betrekking op de kruisvereeniging van
+
+_Goeden Vrijdag_. Dan rust het werk, met name de timmerlieden
+en smeden staken den arbeid, ter gedachtenis aan de kruisiging
+des Heeren. De visschers steken niet in zee, want de vischvangst
+zou niet slagen. Eigenaardige kracht wordt dien dag aan bloemen en
+gewassen toegekend, die eenigermate den kerstnacht in herinnering
+roept: fruitboomen, dan begoten, schenken veel ooft; wie violier
+zaait, zal dubbele bloemen hebben. Eieren, op Goeden Vrijdag gelegd,
+beschermen tegen den bliksem en, in het zaadkoren gemengd, zijn ze
+een voorbehoedmiddel tegen het "zwart."
+
+_Goeden_ of _Stillen Zaterdag_ keeren vóor de Gloria de klokken uit
+Rome terug en brengen de paascheieren mee. De kinderen worden naar
+buiten gestuurd, om de voorschooten op te houden en de eieren, die
+wel eens uit de lucht vallen, op te vangen.
+
+_Paaschdag_ worden de eieren achter struiken of allerlei voorwerpen
+verborgen, en de kinderen gaan ze zoeken. De klokken hebben ze
+meegebracht, of de paaschvogel of de paaschhaas (deze is eigenlijk
+meer een oostelijk import). Het is een blijde dag voor de kinderen,
+maar evenzeer voor de volwassenen, die zich steken in hun "paaschbest"
+pak. Ook de natuur werkt mee: immers, op Paaschdag "danst het zonneke
+van blijdschap." Wat wonder, dat aan het water dien dag een bijzondere
+geneeskracht wordt toegeschreven, waar reeds in overoude tijden het
+water, op heilige tijden geput, het _heilawâc_, voor zoo bijzonder
+geneeskrachtig gold?
+
+
+ Om middernacht is alle water wijn,
+ Als onze Heer Jezus zal verrezen zijn,
+
+
+luidt het te Erembodegem. Water, op paaschmorgen _zwijgend_ geput,
+kan niet bederven. Koud water, op dezen dag gedronken, sterkt de
+gezondheid.
+
+Het gebruik der paascheieren was vroeger algemeen en is thans nog in
+het Zuiden van Groot-Nederland overheerschend. Ook in Friesland bestaat
+plaatselijk thans nog het maal op Paaschdag zoo goed als uitsluitend
+uit een schotel gekookte eieren. Veelal worden de eieren gekleurd,
+geel, oranje, rood, paars enz. Verder placht men vroeger in Limburg
+sommige eieren te laten zegenen, om ze dan na de hoogmis ten geschenke
+te geven. Nog heden bestaat de gewoonte van het eieren _tikken_
+of _kippen_ in de gezinnen, plaatselijk ook in 't openbaar, b.v. te
+Venloo op de markt. Eertijds gebeurde dit te Arnhem op de Praast,
+te Wageningen en Nunspeet op den Paaschberg, te Tiel op de Hooge
+Weide, te Deventer op de Worp, te Zwolle op en bij den Spoolderberg,
+te Lochem op den Paaschberg, te Winterswijk op de Weme, te Ootmarsum op
+den Paaschkamp, te Dwingeloo op het Dwingelerzand, --maar meestal toch
+op Paaschmaandag. Te Nes op Ameland gaan op Paaschdinsdag de kinderen
+naar de Paaschduin eiersmijten of eierrollen. De eieren worden tot dit
+doel hard gekookt in koffie, in water met uienschillen, of in andere
+kleurstoffen. Het spel bestaat hoofdzakelijk in het laten afrollen
+van hardgekookte eieren langs de hellingen der duinen; breekt er een,
+dit wordt terstond opgegeten. Op Walcheren was eertijds het _eiergaren_
+een geliefkoosdspel; ook den _eierdans_ kende men.
+
+Wat het eieren-kippen betreft, hierbij wint hij het, die het sterkste
+ei heeft; houdt elk der partijen bij het kippen éen kant--spits of
+bot--onbeschadigd, dan blijft het pleit onbeslist. Bij het kippen
+behoort eigenlijk het rijmpje:
+
+
+ 1. Eén ei is geen ei
+ 2. Twee ei is een half ei
+ 3. Drie ei is een paaschei.
+
+
+Dit rijmpje wordt zoo goed als over het geheele land gezongen met
+tallooze varianten, waarvan wel de voornaamste zijn:
+
+Borkeloo, Almen enz.:
+
+
+ 2. Twee ei paaschei.
+
+
+Venloo:
+
+
+ 3. Drie ei is een ei
+ 4. Vier ei is een paaschei.
+
+
+In vele streken heerscht nog het gebruik--in België, Limburg en
+Noord-Brabant op de dorpen zoo goed als algemeen--eieren in te zamelen
+voor pastoor en koster, vroeger ook voor den onderwijzer. Plaatselijk,
+b.v. te Simpelveld (L.), doen dit de misdienaars; maar veelal heeft de
+inzameling reeds op Witten Donderdag of op Goeden Zaterdag plaats. Te
+Welle gaat nog telken jare de klokluider-doodgraver om eieren rond. Op
+het klokkenluiden ten teeken van dezen rondgang wijst het lied:
+
+
+ Bimbambeieren,
+ De koster lust geen eieren,
+ Wat lust hij dan?
+ Spek in de pan,
+ Met een roggen boterham.
+
+
+Ook gaan de kinderen wel voor hen zelf om eieren rond, en zingen dan:
+
+Antwerpen:
+
+
+ Vrouw, vrouw geeft ons een ei,
+ Die de zwarte hinne lei!
+ Zijn ze zwart of zijn ze rood,
+ Daarom leggen zij te nood; enz.
+
+
+Haaren (N.-B.):
+
+
+ Vrouwke, vrouwke, doe uw best,
+ Haal de eikes uit het nest
+ Van die witte hennen,
+ God zal ze kennen.
+ Een ei is geen ei,
+ De tweede is een half ei,
+ De driede is een paaschei.
+ Van die wit en van die zwart,
+ Geef van elk henneke wat.
+
+
+Het paaschei is het zinnebeeld van het jeugdig-ontkiemende leven, het
+symbool van de vruchtbaarheid, zooals uit de vergelijking met andere
+volksgebruiken, zoo b.v. het ei aan den Meiboom en de Laatste Schoof
+duidelijk blijkt. Daarom vindt men het ei ook wel in graven; zoo werden
+b.v. in 1892 geverfde eieren gevonden bij Worms in een steenen graf,
+dat een meisjesskelet en munten uit 320 v. Chr. bevatte. Maar het
+ei heeft christelijke beteekenis erlangd en werd beschouwd als het
+symbool der Verrijzenis, vanwaar het zegenen van eieren, dat reeds
+voor de IVe eeuw bewijsbaar is. Hierbij komt de groote ekonomische
+beteekenis der eieren als voedingsmiddel voor een eenvoudig gezin
+voor dezen tijd van het jaar, waarop het inzamelen van eieren, dat
+vroeger zeer zeker meer algemeen was, schijnt te wijzen.
+
+Te vermelden vallen nog de paaschvuren, waarbij de teerton plaatselijk
+onmisbaar schijnt: lentevuren, die vruchtbaarheid brengen over de
+velden en stallen, en die vreugdevuren werden of ook zuiveringsvuren
+in christelijken zin, want het volk spreekt dichterlijk van het
+"doornenkroon verbranden". Van Geldersche, Limburgsche en Brabantsche
+dorpen, waar men paaschvuren brandt, noem ik b.v. Reek, Beers, Velp,
+Ewijk, Afferden. Ook in het Zutfensche, op de Veluwe, in Overijssel
+en Drente zijn de overoude paaschvuren nog in eere, Te Dwftigeloo
+wordt bij het ophalen der brandstof gezongen:
+
+
+ Heb ie ook 'en olde mande,
+ Die wie tot Paeschen brande?
+ Heb ie ook 'en bossien riet?
+ Oare hebben wie veur 't paaschvuur niet.
+
+
+Te Gorssel zingt men bij het paaschvuur dit rijmpje:
+
+
+ Hei in de Mei,
+ En de muts op zij!
+ Van linksum
+ Van rechtsum,
+ En keer oe weer um.
+
+
+Op Texel:
+
+
+ Hooi, heb-je geen strooi,
+ Heb-je geen oude manden?
+ Die zullen in de meierblits branden,
+ Hekken en stekken, joten en palen,
+ Als je niet komt, dan zullen we je halen.
+ Boer, wil-je het laten staan,
+ Hekken en stekken an enden slaan.
+
+
+Laat ik nog met name de plaatsen Lochem, Barchem, Zwiep en Vorden
+vermelden. Ook te Nes op Ameland, bij de katholieke kerk, wordt het
+paaschvuur gebrand. Van het Vordensche geeft Prof. Gallée ons in de
+Driem. Bladen I, bl. 24 ongeveer de volgende beschrijving. In een
+weide was een groote stapel takkeboomen gevlijd op dikke blokken,
+met een paal in het midden. Boven op den paal was een rad, met een
+palmpaasch. De takkebossen werden aangestoken met een brandend stuk
+hout, dat uit den haard was gehaald. Als de stapel brandde, werd
+een groote rondedans hand aan hand om het vuur gehouden, drie maal
+rechtsom en driemaal linksom. Hierbij werden liederen gezongen als:
+
+
+ Hei Koerei, hei Koerei,
+ Eén ei is geen ei,
+ Twee ei is 'n halfei,
+ Drie ei is 'n paaschei.
+
+
+Dan:
+
+
+ Lange, lange riêge,
+ Twintig is en stiège,
+ Dartig is en rozenkrans,
+ Veertig is de poppendans; enz.
+
+
+Na den reidans kreeg ieder een brandend stuk hout in de hand en
+al zingend liep men met het hout in de rechterhand, die naar het
+vuur gekeerd was, en daarna omgekeerd in de linkerhand, om het vuur
+heen. Daarna werden de stukken hout op den hoop geworpen. Was alles
+verbrand, dan kreeg ieder, die maar wilde, een stuk verkoold hout. Dit
+is natuurlijk onheilwerend en vruchtbaarheidverleenend.
+
+Wij hebben hier het lentevuur in een zeer oorspronkelijken vorm;
+vooral de rondedans om het vuur, waarbij eigenlijk nog behoort een
+reinigend _springen_ over het vuur, vgl. bl. 105. Het brandend _rad_,
+dat elders bij de lentevuren een zoo voorname rol speelt, zou men
+met Mogk als een zonnesymbool kunnen beschouwen; het _Hei Koerei_
+of _Eikoerei_ herinnert, zooals gezegd (bl. 176), aan de verbinding
+van volksgebruik en eeredienst. Dit wordt bevestigd door een oud
+Amsterdamsch paaschavonddeuntje:
+
+
+ De dommele metten [donkere metten]
+ De Vaste is uyt!
+ Kyrie eleison!
+ Te Paschen zullen wij eieren eten,
+ Soo is de Vaste al vergeten.
+ Kyrie eleison!
+
+
+Met deze paaschvuren hangen als herinneringen aan overoude
+offermaaltijden samen de _paaschbrooden, paaschmikken_ (Den Bosch),
+_paaschlammetjes_ enz. In België is het paaschbrood meestal in onbruik
+geraakt, terwijl dit in het Noorden van ons volksgebied juist tot de
+schaarsche overblijfsels der voormalige feestviering behoort. Groote
+verscheidenheid van paaschkoeken kent men te Roesselare:
+
+
+ 't Zit 'nen Allelujakoeke in den oven!
+ Elk 'ne zalige Paaschen!
+
+
+Er rest mij, de aandacht te vestigen op de eigenaardige wijze, waarop
+het paaschfeest te Ootmarsum (O.) wordt gevierd. Op Paaschzondag komen
+vroeg in den morgen eenige mannen en jongens op de markt bijeen en
+heffen daar het oude paaschlied aan, waarvan de eerste strofe luidt:
+
+
+ Christus is opgestanden
+ Al van de Joden hun handen,
+ Dus willen we allen vroolijk zijn,
+ Christus zal onze verlosser zijn. Halleluja.
+
+
+Over dit lied meer bij Dr. J. G. R. Acquoy in het Archief van
+Nederl. Kerkgeschiedenis I, bl. i vlg., en Dr. C. V. D. Graft in
+Volkskunde XXII, bl. 45 vlg. Ook elders in Overijssel wordt dit
+lied nog gezongen en wel bij het paaschvuur. Zingend trekken de
+Ootmarsummers de straten door, keeren op het marktplein terug en gaan
+ter kerke. In den namiddag wordt dit gezang herhaald en besloten door
+den middagdienst. Tegen vier uur wordt nogmaals gezongen bij het
+paaschvuur. Dan trekt men naar de stad terug; bij den ingang geven
+mannen, vrouwen, jongens, meisjes, kinderen elkaar de hand, en nu
+gaat het in lange rijen zingend over de straten en door de huizen, tot
+eindelijk op de markt de slotplechtigheid plaats heeft. Dit gebruik,
+dat _vlöggelen_ (vleugelen) heet, wordt op Paaschmaandag herhaald. Het
+pleit weer voor den samenhang van liturgie en volksgebruiken en
+herinnert aan den Middeleeuwschen dramatischen kerkdienst en de
+paaschprocessie, of althans aan den vasten processiegang omstreeks
+den paaschtijd.
+
+Zie nog De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 78;
+De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken
+en volkszeden, bl. 131; J. F. Willems, in het Belgisch Museum
+1843, VII; Pol de Mont, in het Nederl. Museum 1888, I, bl. 181;
+Loquela 1886, bl. 25; Noordbrabantsche Volksalm. 1843, bl. 55;
+Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 205. J. H. Maronier, Het Paaschfeest
+(Arnhem 1894), _passim_; J. Lippert, Christenthum, Volksglaube und
+Volksbrauch, bl. 602; R. Andree, Braunschweiger Volkskunde, bl. 337,
+340; Driem. Bladen XIII, bl. 43; Waling Dijkstra, Uit Friesland's
+Volksleven I, bl. 173.
+
+_Paaschmaandag_. Behalve de reeds besproken viering op de verschillende
+plaatsen, herinner ik aan de _begankenis_ van Hakendover, door Frans
+van Leemputte op doek gebracht. De processie wordt door honderden
+ruiters vergezeld, die, evenals de nieuwsgierigen, dwars door de velden
+draven op hunne met groen en bloemen versierde paarden en de vruchten
+vertrappen, zonder eenig verzet vanwege den eigenaar. Integendeel,
+want deze ommegang schenkt hem akkerzegen. Deze processie is een
+overleefsel van den lente-intocht.--n Drente heeft bij het paaschvuur
+en het fakkelen der jeugd het eiertikken plaats; maar meer bekend nog
+is het notenschieten; zie H. Tiesing, Vragen van den Dag XXII, bl. 865.
+
+Op _Beloken Paschen_ (_Dominica in albis, sc. depositis_) worden de
+laatste paascheieren gegeten, maar strikt genomen geen gekleurde. De
+volksetymologie maakt van deze benaming in Limburg plaatselijk
+_Broake-Poaschen._
+
+_Natte Paschen_, Tweede Zondag na Paschen, worden de nieuwe knechten
+en meiden, die dien dag na de Vespers in dienst treden, te Ziewent en
+andere plaatsen van den Achterhoek door de huisgenooten en vooral door
+de reeds in dienst zijnde knechts en meiden nat gemaakt, totdat zij bij
+den haard zijn genaderd en het haal hebben vastgegrepen. Waarschijnlijk
+is dit geen _Regenzauber_--een sympathetisch vruchtbaarheidsgebruik,
+vergel. bl. 152--maar slechts een overgangsgebruik; zie Paul Sartori,
+Sitte und Brauch II (Leipzig 1911), bl. 92, 61.
+
+_l April_.
+
+
+ Op den eersten April
+ Stuurt men de gekken waar men wil
+
+
+luidt een bekend rijmpje en, evenals in onze landen, pleegt men dien
+dag in Engeland (_all fools day_), Duitschland, Denemarken, Frankrijk
+(_poissons d'avril_) enz. elkaar beet te nemen door het verzinnen
+eener looze of onmogelijke boodschap. Uit deze algemeenheid blijkt,
+dat het niet aangaat, de Aprilgrappen met een historisch feit in
+verband te brengen. De Vlaamsche benaming is _verzendekensdag_.
+
+Ik sprak bl. 128 reeds over de overeenkomst tusschen Verzendekensdag
+en St. Thomasdag. Neemt men over het algemeen aan, dat de
+gekken (_stulti_) de _langslapers_ en _telaatkomers_ zijn, dan
+wordt het begrijpelijk, waarom men juist in den aanvang van het
+lentefeest--evenals op de laatste dagen van het jaar--met de sukkelaars
+in het algemeen zijn spel drijft. Het is dan een opeenhooping van
+grappen en aardigheden, die anders slechts bij vaste gelegenheden
+plaats hebben. B.v. bij het slachten stuurt men om een worstpatroon,
+een penshaak, een bloedboor (te Gieten, Tinaarloo, Westervelde);
+bij het hooien om een _heuischarm_ (Assen); bij het stoelmatten
+om de stoelschaar. Zoo kent men ook een balkenschaar, hooischaar,
+plafondschaar (België) enz.; zie vooral De Cock, Spreekwoorden en
+Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en zeden, bl. 176; verder
+Driem. Bladen XI, bl. 6. Op 1 April stuurt men om muggenvet, Aprilzaad
+enz. Ter vergelijking diene nog, dat men op den laatsten dag van het
+jaar kinderen en sukkelaars naar de markt stuurt, om den man te gaan
+zien, die zooveel neuzen heeft, als er (nog) dagen in 't jaar zijn.
+
+_Meidag_. De eerste Mei geldt als de heerlijkste dag van het
+lentetijdperk, als het begin van den voorzomer. Bl. 172 sprak ik reeds
+van den meiboom. Het was oorspronkelijk een groote, levende boom en
+het planten droeg een officieel, gemeenschappelijk karakter. Maar op
+den duur trad de overheid tegen dit gebruik op, en zóo ontstond de
+boom, dien wij nog sporadisch aantreffen: een hooge staak met schamele
+versiering van loovertjes, linten en klatergoud. Wellicht is het nog
+een overblijfsel van de gewoonte, den meiboom uit het bosch te halen,
+dat men in den Achterhoek, en ook te Ede, Bennekom enz., bij het
+omhakken van akkermaalshout telkens éen recht stammetje laat staan;
+zie Driem. Bladen VI, bl. 32, 44.
+
+Daarentegen is het aloude meiboomplanten nog vrij goed bewaard
+gebleven in enkele Limburgsche dorpen: Valkenburg, Berg en Terblijt
+(hier althans nog voor enkele jaren), Afferden, Kerkrade: "Daar
+wordt de Mei-den nog geplant, dien de jeugd voor dit doel, met of
+zonder toestemming van den eigenaar, in het bosch heeft geveld. De
+mooiste, hoogste boom wordt gekozen; en opgesierd met bonte papieren
+en slingers rijdt men hem rond het dorp": Volkskunde, XXIII, bl. 122;
+zie nog vooral De Cock's Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van
+oude gebruiken en zeden, bl. 181 vlg.
+
+Intusschen speelt het meer bescheiden, spichtiger meiboompje en
+eveneens de kleine, sobere meitak en meidoorn nog een voorname rol
+overal, waar natuurpoëzie en gevoel voor natuurschoon nog niet door
+banale alledaagschheid werd gedoofd. Den eersten dag van Wonne-
+of Bloeimaand siert men plaatselijk nog de huizen met meitakken
+of _meien_. Dan tijgt het Venloosche volk, onder de schetterende
+tonen der "Fanfare", naar het kapelletje Genooi en tooit zich bij
+het terugkeeren met groenende twijgen. "Straks keeren de muzikanten
+opgetogen huiswaarts"; schrijft Dr. Knippenberg, "de hoeden omkranst
+met het jonge loof van den heerlijken Mei" (Limburg's Jaarboek XVIII,
+bl. 160). Maar vooral ook plant men in het zuidelijk volksgebied
+den _liefdemei_ voor de deur of steekt hem op het dak. Dit gebruik
+moet zeer oud zijn, hetgeen o.a. hieruit blijkt, dat de uitdrukking
+"den coelen mey planten" ten minste reeds in de XVe eeuw voorkomt in
+eene overdrachtelijke beteekenis, die voor de hand ligt; zie G. Kalff,
+Het lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 302.
+
+Het verbreidingsgebied van het meitaksteken is zeer groot; vertrouwbare
+berichten gewerden mij hieromtrent o.a. uit Sittard, Buggenum, Heeze,
+Soerendonk, Valkenburg, Berg en Terblijt, Hooge Mierse, Reusel, Mierde,
+Hunsel, Waalre, Velthoven enz. Men steekt doorgaans meitakken op het
+huis der geliefde; maar ook worden de huwbare meisjes over het algemeen
+bedacht, en de takken spreken een voor ieder verstaanbare taal. Fijne
+mast duidt goedheid aan; dennentak (steeds groen): gestadige liefde;
+berkentak: goed en schoon. Deze takken spreken echter niet alleen lof,
+maar ook blaam; zoo b.v. kersentak (waaraan ieder plukt): veranderlijk;
+hagedoorn: stekelig, een katje, niet zonder handschoen aan te vatten;
+rusch (bieschbosje): houdt het met elken vrijer.--De meisjes staan op
+den 1sten Mei vroeg op, benieuwd, welke meitak haar deel zal zijn. Den
+fijnen mast laten zij zoo lang mogelijk staan prijken.
+
+Op Ameland maakten vroeger de kinderen op den eersten Mei een kroon in
+den vorm van een hoepel of ring, geheel omvlochten met madeliefjes, die
+op het eiland meibloempjes (elders meizoentjes) worden genoemd. Met
+meitakken in de hand, gaan thans nog in Vlaanderen de kinderen
+op den vooravond van deur tot deur en vereeren hem met een twijg,
+die eieren of versnaperingen schenkt. In het Gentsche noemt men dit
+"den Mei gaan zingen"; want meiliedjes zingend, trekken de kleinen
+rond. Te Hansbeke heeft het meilied dezen verkorten vorm:
+
+
+ Mei, Mei,
+ Ik plante mijne mei,
+ En 'k krake mijn ei,
+ En de dorre [dooier] viel uit mijn schale;
+ Bazinneke, wilde mij een eitje geven,
+ 'k En zal uw dochterken niet halen!
+
+
+In Oost-Vlaanderen, op de Nederlandsche grens, luidt een verrukkelijk
+meiliedje aldus:
+
+
+ De koude winter is nu verdwenen,
+ Den zoeten zomer die komt er al aan;
+ Dan ziet gij al de bottekens en boomen
+ Te bloeien staan.
+
+ Onze lieve Vrouw, die weerdige bruid,
+ Zij liet haar vallen al op het kruid,
+ Alle de bloemekens, die sproten daar uit:
+ De dobbele pioene,
+ Die staat er al zoo groene!
+ Ai! wie heeft er de mei van doene?
+ De vischkens in het watere,
+ De vogelkens in de wei,
+ Al die zingen te zamen de groene mei.
+
+
+Van de Noordnederlandsche meiliedjes is stellig het meest bekende en
+meest verspreide, hetgeen wij thans nog slechts als parodie hebben
+behouden:
+
+
+ Daar ging een patertje langs den kant,
+
+
+met het refrein:
+
+
+ Hei 't was in de Mei, Mei, Mei,
+ Hei 't was in de Mei.
+
+
+Een ander meiliedje heeft betrekking op het snijden van fluitjes uit
+wilgenhout, dat den eersten meidag begint. In Gelderland, Overijssel
+en Drente--ik noem hier b.v. Geesteren, Ootmarsum, Ochten, Avereest,
+Koekange, Elspeet, Oldemarkt, Druten--snijden de jongens een wilgentak
+af, maken dien nat, en kloppen dan met het hecht van het mes zacht
+in de rondte, waardoor de bast loslaat. Het kloppen geschiedt op maat
+van liedjes als dit:
+
+
+ Sap, sap, siêpe
+ Wanneer zinst doe riêpe?
+ In Mei, in Mei
+ As alle veugelkens 'en eiken legt.
+ Woar legt ze dan?
+ In 't spinvat, doar kan ze nummes nich vinden
+ As doe dan nich of wis
+ Dan za'k diê met 't mesken den hals afsniêën
+
+
+Aldus te Geesteren; en te Barneveld:
+
+
+ Sieppe, sappe, sieppe,
+ Wanneer zuj-je pieppe?
+ Te Mei, te Mei,
+ Dan leggen alle voegeltjes een ei,
+ Behalve de kwartel en de griet,
+ Die leggen in de meimaand niet.
+ Heel of, hallef of,
+ Sniêt ten boer de kop mer of.
+
+
+Met de bedreiging in den laatsten regel der beide rijmpjes vergelijke
+men den aanvang van het fluitjesliedje, dat de jongens in Holstein
+en Karinthië zingen. Het fluitjessnijden draagt den naam van _maien_:
+
+
+ Pfeifel, Pfeifel, ich mai' dich,
+ Oder ich zerschneide dich.
+
+
+Vele rijmpjes gewagen ook van "de booze hesse (hekse)", die met een
+scherp mes het katje den kop afsnijdt. Eenigszins afwijkend luidt
+een meifluitjes-deuntje te Horst (L.):
+
+
+ Rieke, tieke, taken,
+ Ik wil een fluitje maken,
+ Van wilgen of van esschen,
+ Welke zijn de beste?
+ Heel af, half af,
+ Snijdt de koe den staart af,
+ Maakt er zeven jongen van,
+ Zeven jongen in eenen nest.
+
+
+Zie Limburg's Jaarboek I, bl. 68; Dr. Van Vloten, Baker- en
+Kinderrijmen, bl. 84 vlg.; verder Driem. bladen I, bl. 17, 50, 87,
+92; II, bl. 80; III, bl. 30, 35, 90; IV, bl. 48; VII, bl. 55.
+
+Stroomend water is vooral heilzaam en geneeskrachtig op den eersten
+meidag. In sommige streken van ons land is het de gewoonte, alsdan in
+stroomend water te baden; dit beveiligt vooral tegen huidziekte. In
+Oldemarkt drijft men 's nachts de schapen door het water:
+
+
+ Meimaand trekt men de schapen door de vaart,
+ Dan blijven ze van de schurft bewaard.
+
+
+De kinderen loopen in den meiregen, die immers zoo groeizaam is:
+"Meiregen, Meizegen". Op Texel ontsteekt men den vooravond een
+lentevuur, de zoogenaamde _meierblits_; vergel. bl. 184 en Volkskunde
+XIX, bl. 123.
+
+In Oost-Vlaanderen--vooral rond Aalst en Dendermonde--bestaan
+nog meigilden met hun graven of dekens, oorspronkelijk om den
+meiboom te planten. Deze Meigraaf kiest zijn bruid en maakt haar
+tot Meigravin. Iets dergelijks vinden wij in Limburg te Beek, Geleen,
+Oirsbeek, Klimmen, Merkelbeek, Schinnen, Epen, Wylre, Gulpen, Slenaken,
+Valkenburg, Mechelen, Vylen, Vaals, Simpelveld, Ubachsberg, Eis,
+Bingelrade, Heer, Berg en Terblijt enz. Daar wordt--of werd nog zeer
+kort geleden--de _meileeste_ (Meiliefste) uitgeroepen, en wel door den
+kapitein van de "jonkheid". Op den 1sten Mei, of wel op den eersten
+Zondag in Mei, worden de huwbare meisjes door de jongelieden onder
+elkaar verdeeld of, zooals te Berg en Terblijt, bij hoogste bod aan
+de jongens toegewezen. Het verdeelen hangt nog met den meiboom samen,
+in zoover als de lijst, waarop de paren voorkomen, veelal op den
+meiboom ter bekendmaking wordt geplakt, onverminderd het officieële
+uitroepen. De Meiliefste wordt natuurlijk in de herberg onthaald. Dit
+gebruik is vooral bekend door de novelle van Ecrivisse: Het Meilief
+van Geleen. In Hessen, Westfalen en Rijnland spreekt men van het
+_Mailehen_ (= Meiliefste); in de Romaansche landen en in Engeland
+heeft een overeenkomstig gebruik plaats op Valentijnsdag (14 Febr.),
+op welken dag het volk meent, dat de vogels paren; men spreekt daar
+van _Valentines_.
+
+De Meigraaf is in wezen identiek met den _Laubkönig, Graskönig,
+Pfingstlümmel_ enz., en beeldt uit de groeikracht der natuur; zie
+Mannhardt, Baumkultus, bl. 341, 355, 376.
+
+Te Genemuiden (O.) gaan op den 1sten of 2den Mei de kinderen met een
+versierde ladder rond, waarop een jongen of meisje met een vlaggetje
+in de hand zit, al zingende:
+
+
+ Luie motte, luie zotte,
+ Op gaan staan!
+ Die moet naar bed toe gaan.
+
+
+Zie Driem. Bladen VIII, bl. 33; men vergelijke de Luilakliedjes op
+bl. 194, 196 en 197, alwaar de verklaring.
+
+_Hemelvaartsdag._ 's Morgens vroeg ging men voorheen in Holland
+_hemelvaren,_ d.i. naar buiten, in het vrije veld, om van den
+heerlijken meimorgen te genieten. Plaatselijk bestaan nog overblijfsels
+van dit gebruik, dat ook _dauwtrappen_ of _dauwtreden_ wordt genoemd
+en ook wel op pinkstermorgen plaats heeft. De eigenaardige viering
+van Hemelvaartsdag te Hengelo en Zutfen (Mulderskermis) behoort tot
+het verleden; men vindt ze beschreven in den Gelderschen Volksalmanak
+van 1844, bl. 54.
+
+_Luilak_ is de Zaterdag vóor Pinksteren, maar oorspronkelijk degene,
+die dien Zaterdag, dien schoonen meidag, te lang slaapt. Te Amsterdam
+moesten alle laatkomers trakteeren: de ambachtsgezel, die 't laatst
+in de werkplaats, de groenteboer, die 't laatst aan de markt,
+de schooljongen, die 't laatst op school kwam. Thans nog zijn de
+Luilak-gebruiken te Amsterdam en elders niet uitgestorven; zij zijn
+in geheel Noord-Holland in zwang. Te Zaandam moet de laatkomer de
+overigen onthalen op warme bollen en stroop. Op Luilakmorgen gaan
+de kinderen voor dag en dauw met de _korrie_, een laag wagentje
+aan een lang touw, uit naar de naburige dorpen; zij hebben daarbij
+groene takken en brandnetels bij zich, en terwijl deze--ook _luilak_
+of _looielak_ genoemd--worden rondgedragen, zingt men:
+
+
+ De looie lak, de slaperige zak,
+ Vanmorgen niet vroeg op 'estaan,
+ Je ken wel weer naar bed toe gaan.
+
+
+Elders:
+
+
+ Luilak,
+ Slaapzak,
+ Beddejak,
+ Kermispop,
+ Staat om negen uren op.
+
+
+Verveelt hun dit spel, dan wordt de looielak te water gegooid, onder
+het zingen van:
+
+
+ Van eenen, van tweeën, van drieën, van vieren, van vijven,
+ Gooi dien looielak maar te drijven.
+
+
+Men vergelijke de gebruiken op 1 April en op Sint-Thomasdag. De
+luilak is natuurlijk weer identiek met den Meigraaf, _Laubkönig_
+enz., zie bl. 193; eveneens met de Pinksterbloem, waarover nader. Zeer
+merkwaardig is het te water gooien; ook de _groene George_ wordt bij
+de Slovenen in Krain en Karinthië te water geworpen. Bij ons heet hij
+de _groene man_ of ook, zooals te Haarlem, _klisseboer,_ omdat hij
+geheel met klissen overdekt is. Hier hebben wij in werkelijkheid
+den _Regenzauber:_ een sympathetischen vruchtbaarheids-ritus,
+om door indompeling den onontbeerlijken voorjaarsregen te
+erlangen. Zie hierover Mannhardt, Baumkultus, bl. 313, 327 vlg.;
+over het Luilakvieren Dr. G. J. Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal
+(Leiden 1897), bl. 590; Onze Rijmen, bl. 59; Ter Gouw, Volksvermaken,
+bl. 221.--Deze dag brengt ook de _luilakbollen_.
+
+_Pinksteren._ Mei- en Pinkstergebruiken vallen vrijwel samen; aan het
+Meilief beantwoordt de _Pinksterbloem_ of _Pinksterbruid_. Ook zij is
+een verpersoonlijking van den genius der groeikracht, wat o.a. uit haar
+bloemkroon en loofversiering blijkt. Te Sittard heeft zij hoofd, leest
+en armen omwonden met kransen van roode kollen en blauwe korenbloemen.
+
+Het schoonste meisje van het dorp werd eertijds met bloemen getooid
+en als koningin door haar speelgenootjes onder gezang en gejuich
+rondgeleid; maar naderhand ontaardde het gebruik in een bedelpartij. Te
+Schermerhorn, den Beemster, Purmerend en elders ging een weesmeisje in
+het wit gekleed, met bloemen getooid en met een bekransten beker in
+de hand rond, met een weesjongen als geleider, die een met bloemen
+omwonden stok in de hand droeg. Ook te Molkwerum fungeerden meisjes
+van 12 tot 15 jaar als Pinksterbloem; te Franeker, Bolsward en Makkum
+was het een kleine jongen, die in een zoogenaamden tempel liep,
+een soort bijenkorf, samengesteld uit hoepels en stokken en met
+groen behangen. Te Vriezenveen werden op 2en Pinksterdag de kleinste
+meisjes met groen behangen en onder een groot schort van huis tot huis
+geleid. Thans is dit gebruik, dat in de XVIIe eeuw nog te Amsterdam,
+Utrecht, Deventer, Arnhem, Enkhuizen en in het Kennemerland plaats
+had, zooals uit de verordeningen blijkt, vrijwel uitgestorven, en
+wel, als zoo vaak, in zuidelijke richting. Te Ubbergen hielden nog
+kort geleden drie meisjes uit de mindere volksklasse haar omgang,
+van wie de middelste de Pinksterbloem voorstelde; zie hierover
+Mr. W. V. D. Poll, in den Gelderschen Volksalm. 1897, bl. 185
+
+In Limburg en Noord-Brabant bestaat de Pinksterbloem nog, eveneens
+in sommige plaatsen van Vlaanderen; ik noem Horn, Amby, waar zij
+insgelijks in een "huisje" met groen zit, Schinnen, Doenrade, Cuyk,
+Blitterswijk, Guttecoven, Afferden. Het lied, dat bij het rondgaan
+gezongen wordt, is hoofdzakelijk van tweeërlei aard.
+
+Cuyk (N.-B.):
+
+
+ Vierge, vierge Pinksterbloem,
+ Daar komt zij aangegangen,
+ Met een krans al om haar hoofd
+ En twee gebloemde wangen.
+ Vrouwtje, als gij niet deugen wilt,
+ Dan zullen wij u gaan verkoopen.
+ Dan gaan wij naar het groene woud,
+ Daar zingen de vogeltjes jong en oud,
+ Keert u es om,
+ Draait u es om,
+ Vierge, vierge Pinksterblom.
+
+
+Einighausen (L.):
+
+
+ Pinksterbroed,
+ De wien is oet,
+ Wie lengen weer de dagen,
+ Eine mei, eine mei, eine liebesmei,
+ Eine mei van groene blaren.
+
+
+Wie doet nu eigenlijk dienst als Pinksterbloem? Wie verbeeldt
+den vruchtbaarheidsgenius? Welken eigenaardigen vorm neemt het
+vegetatiegebruik op Pinksterdag aan?
+
+Het antwoord geeft ons o.a. een pinksterrijmpje uit Horn (L.):
+
+
+ Pinksterbloem, slechte roem,
+ Gij hebt zoolang geslapen;
+ Hadt gij vroeger opgestaan,
+ Dan waart ge mijn kameraadje!
+
+
+De Pinksterbruid of de Pinkstlummel is dus de langslaper; want de
+taak, als vegetatiegenius te fungeeren, was aanvankelijk allesbehalve
+een huldiging van den persoon, maar slechts van den genius; en daarom
+alleen zette men haar of hem de kroon op het hoofd. Het was een zekere
+tuchtiging van den telaatkomer, van den luiaard, die een heerlijken
+meimorgen versliep. Mannhardt daarentegen meent de verklaring van het
+feit, dat voor Pinksterbruid de laatst-ontwaakte genomen wordt, hierin
+te moeten zoeken, dat de Pinksterbloem de uit den slaap ontwaakte
+lentedaemon is. Deze verklaring komt mij te zeer gekunsteld voor en
+niet in overeenstemming met alle feiten. Veeleer moet de luiaard zich
+in loof laten steken, dienst doen als vegetatiegeest, zij het tegen
+wil en dank. Op vele plaatsen wordt hij dan ook met een kroon van stroo
+of brandnetels getooid, hij wordt met brandnetels gegeeseld (dit slaan
+heeft natuurlijk weer betrekking op de vruchtbaarheid, vgl. bl. 102),
+men _drijft_ hem of haar voor zich uit, en zingt in Westfalen:
+
+
+ Pinksterblome,
+ fûle sûge (Sau)!
+ harstu êr uppestaun,
+ harr et di kîn leid edaun.
+
+
+Van daar ook de benamingen _Pfingstlümmel, Pfingstschläfer,
+Wasservogel_ (dewijl men hem in het water werpt) enz.
+
+Zeer nauw hiermee verwant is het Drentsche
+nustekook-gebruik. "_Nust_koek" hangt met "nusselen", d.i. talmen,
+samen.
+
+Op Pinkstermaandag spoeden zich, volgens de mededeeling van Dr. Bergsma
+in den Nieuwen Drentschen Volksalm. 1900, bl. 104, de koejongens voor
+dag en dauw met de koeien naar de weiden. Die 't laatst met zijn koeien
+"op den diek" verschijnt, d.i. op den gemeenschappelijken weg, die
+naar de verschillende weiden voert, heet _nustekook_. Zijn terugkomst
+wordt door de andere koejongens vóor op den dijk afgewacht; zij zetten
+hem een van russchen gevlochten steek op, slaan hem met brandnetels om
+hoofd en handen en trekken daarna zingend door het dorp; het opgehaalde
+geld wordt gemeenschappelijk verteerd. Aldus te Zuidlaren, Gasselte
+enz. Tegenwoordig versieren zich te Zuidlaren bijna alle kinderen
+met een russchen hoed en vragen geld aan de deuren. Te Zeegze is het
+gebruik afgeschaft.--Een eigenaardigen vorm, ook in het buitenland
+bekend, vertoont het gebruik te Borger. Daar wordt de _nustekook_
+geslagen, en een ander, een arme jongen, in bloeiende brem gestoken,
+wordt als _Pinksterbroed_ het middelpunt van den optocht. Waar een
+_Pinksterbroed_ is, is ook een _broedsleider_. Te Gees heet hij
+broedegom, te Zweeloo heeten ze broedhen en broedhaan. Te Gees is de
+Pinksterbruid het geheele jaar de versukkeling.
+
+De kinderen verzamelen zich te Koevorden aan den ingang van de weide
+en letten op, welk beest het laatste van den stal gekomen is en de
+weide binnentreedt. Die koe is dan 't voorwerp van het feest der
+kinderen, 's Namiddags plukken zij bloeiende braamtwijgen of ander
+groen, omhangen de koe daarmee en leiden ze onder schaterend gejuich
+de stad binnen, al zingende:
+
+
+ Pinksterbloed (of Pinksterbroed)
+ Oranjezoet,
+ Hoe zit je zoo diep in de veeren?
+ Had je _wat eerder opgestaan_,
+ Dan had je geen nood gekregen.
+
+
+In Neder-Duitschland heet deze koe of os, die met bloemen getooid en
+bekroond wordt: _Pingstkaue, Pingstosse_. Vandaar het spreekwoord:
+"opgedirkt als een pingstos." Men vergelijke met bovenstaand rijmpje
+het volgende, dat te Zuidlaren wordt gezongen van den _nustkoek_
+of langslaper:
+
+
+ Nustkoek, nustkoek,
+ Zits dou zoo diep in de vaerren,
+ Kanst het geroup niet heurren,
+ Hast dou geen oogies van kiekerdekiek,
+ Komst ja te laat met de koe'n op den diek.
+
+
+Het kind, dat de koeien het eerst in de weide dreef, heet _vroegrijp_,
+het tweede _dauwworm_, het derde _midden-in-de-ton._
+
+En nu weer een schoolgebruik, treffend door zijn
+overeenkomst. Dr. R. de Gheldere, Dietsce Rime (Brugge 1896), bl. 148
+beweert, dat men het meisje, dat op Pinksteravond te laat in school
+komt, _Sinksenbruid_ noemt en dat haar wordt toegezongen:
+
+
+ Sinksenbruid,
+ De loegaard uit!
+ Hadt je _eerder opgestaan_,
+ Gij hadt ook eerder naar school gegaan!
+
+
+Te Bergues, in Fransch-Vlaanderen, werd den leerling, die daags vóór
+de kermis te laat op school kwam, een biezenkroon op het hoofd gezet;
+zoo werd hij naar huis gejaagd en de schooljeugd achtervolgde hem
+zingende. Ik sprak reeds bl. 194 over de overeenkomst met de gebruiken
+op Sint Thomasdag. Ook plachten te Sint Truiden de kinderen op Sint
+Thomasdag papieren kronen op te zetten.--
+
+Elders wordt de groeikracht gehuldigd in den vorm van bloemen,
+pinksterbloemen. Ik wensch hier echter nogmaals de opmerking te maken,
+dat wij in deze bloemen met een symbool te doen hebben, dat tot
+zuiver, niet-kultisch symbool geworden is. In Biekorf VI, bl. 366,
+leest men: "Den Vrijdag voor Cinxenhoogdag worden hoven, weiden
+en velden doorloopen van de kinders der vlaamsche bewaarschool der
+blauwe zusters binnen Veurne, die geheele panders blommen naar huis
+brengen. De hoogstgeschatte zijn de ""Cinxebruids"" (beuterblomme,
+_butterflower, jaunet_). 's Avonds, met moeders hulpe, maken de
+kinders eenen hoepel van wijdauw, daarrond vlechten zij hunne geluwe
+"Cinxenbruids." Zoo ook te Zutfen, waar de kinderen op de Pinksterdagen
+kronen uit hoepels maken (of kortelings nog maakten), die ze met
+groen en bloemen versieren en aan touwen ophangen. Te Hattem werd
+hierbij gezongen:
+
+
+ Rosa [rozen], Rosa, Rosa bloeien op mijn hoed.
+ Alles geld is alles goed;
+ Kies, wie gij wilt,
+ En de schoonste, die gij vindt; enz.
+
+
+Over de stroopop op Pinksternacht spreek ik in het volgende hoofdstuk,
+II: Liefde en Huwelijk.
+
+_Tweede Pinksterdag_ is ten deele reeds besproken. Te Anderlecht
+(Z.-B.) hebben dan de bekende paarden-ommegangen plaats, evenals te
+Mechelen en te Werchter. De deelnemers rijden op hun getooide paarden
+eerst driemaal om de kerk, wonen daarna den dienst bij, en gaan dan nog
+driemaal om het hoogaltaar en het beeld van St. Gwijde (Guido). Men
+vergelijke dit gebruik met _Sunte Steffenjagen_ (bl. 134). In
+Duitschland spreekt men van den meirit, _das Maireiten,_ hetwelk
+Mannhardt behandelt in zijn Baumkultus, bl. 347 vlg. De Pinkstruiters,
+d.i. de _Pfingstl_ met zijn gevolg, rijden om de akkers ter bevordering
+der vruchtbaarheid. In Beneden-Beieren heeft dit op Pinkstermaandag,
+elders op Hemelvaartsdag of Paaschdag plaats. Ook b.v. in Zwaben heeft
+deze rit een kerkelijk karakter aangenomen: op de vier hoeken van den
+akker wordt daar het Evangelie gelezen, terwijl bij het _Königsreiten_
+in Oostenrijksch Silezië, waar alle notabelen aan dezen akkerrit
+deelnemen, gedurenden den ommegang vrome liederen gezongen worden
+ter afwering van onweêr en hagelslag.
+
+Op dezen dag worden veelal de schuttersfeesten der gilden gevierd,
+een aloud gebruik, dat den naam van _Pinxtergilden_ voor sommige
+schuttersgilden rechtvaardigt. De gilden, waarover reeds bl. 192
+gesproken werd en nog verder sprake zal zijn, vertoonen, evenals
+de Germaansche gilden over het algemeen, een gekerstenden vorm van
+de Oudgermaansche bloedsbroederschappen. Plicht was het eertijds,
+den kultus der afgestorven leden te behartigen door een lijkmaal,
+plicht bleef het later, het gildemaal te houden op het feest van den
+patroonheilige. Het schieten is dan wel een erfstuk der Oudgermaansche
+volksweerbaarheid. Wat den term betreft, hangt het woord _gilde_
+(vgl. _geld_), Middelnederl. _ghilde,_ met het Oudnoorsche _gildi_
+samen, dat de beteekenissen van "inleg" en "gelag" in zich vereenigt;
+zie verder mijne Essays en Studiën, bl. 115.
+
+De schuttersgilden, die men vindt in steden en dorpen, waren vroeger
+in Nederland volstrekt algemeen. Maar door het ijveren der predikanten
+werden vele gilden ontbonden, zoodat b.v. in Holland in de XVIIe eeuw
+de meeste te gronde gingen. Zij bloeien nog in Limburg, Gelderland,
+Noord-Brabant en België.
+
+Bij deze gilden heeft het vogelschieten echter meestal plaats op den
+feestdag van den patroonheilige of op kermis-Maandag; hierover nader
+in het volgende hoofdstuk, III: Huiselijk Verkeer. Over het gildewezen
+zie Ter Gouw, De Gilden (Amsterdam 1866); De Volksvermaken, bl. 502;
+Volkskunde XVII, bl. 121; over de Pinksterviering J. H. Maronier, Het
+Pinksterfeest (Arnhem 1894), _passim_; De Cock, Volkskunde, bl. 247;
+Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 221 vlg.; V. Reinsberg-Düringsfeld, Das
+Festliche Jahr, bl. 191; Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I,
+bl. 183; De Navorscher II, bl. 186; Drentsche Volksalm. XLIV, bl. 120;
+Biekorf XIII, bl. 161 vlg., 177 vlg.
+
+_Sint Jan de Dooper_ (24 Juni) is de groote dag van het Midzomerfeest
+met zijn offervuren en offermaaltijden, en speelt daarom in het
+Germaansche volksleven een voorname rol. Reeds vroeg trad het
+geboortefeest van dezen heilige in verband met het Midzomer-,
+of Zonnestilstandsfeest, en dit verband werd nauwer, naarmate men
+meer innerlijke betrekking tusschen beide feesten meende te kunnen
+waarnemen. Zoo schrijft de H. Augustinus (_Sermo_ 289): "Opdat de
+mensch mocht vernederd worden, is heden geboren Johannes, nu de dagen
+beginnen af te nemen; opdat God verheven worde, is Christus geboren
+op dien dag, waarop de dagen beginnen te groeien." Zoo werd dan ook
+b.v. het gebruik, dezen dag in stroomend water te baden (vgl. bl. 192),
+aldus gekerstend, dat men het gebruik bijhield ter eere van 's Heeren
+doopsel in den Jordaan. Zeer heilzaam is ook de Sint Jansdauw, het
+dauwtrappen op Sint Jansdag. Planten, dien dag geplukt, bezitten groote
+tooverkracht. Maar vooral de _Sint Janstak_ pleit voor de overeenkomst
+tusschen het Midzomerfeest en de Meiviering, hetgeen elders uit de
+oprichting van een meiboom op Sint Jansdag blijkt. Het is een krans
+van groen en bloemen, dien men buiten tegen den muur van het woonhuis
+hangt, waar hij blijft hangen, tot hij verdord is. Dit gebruik bestaat
+o.a. te Vortum, Beers, Afferden, Waalre. Hij beschermt tegen onweêr
+en moet bestaan uit korenbloemen, notenblaren en Sint Janskruid: de
+noteboom is een bekend vruchtbaarheidssymbool, en het Sint Janskruid
+(_sedum purpureum_), ook _Jaag den duivel_ genoemd, heeft het vermogen,
+booze geesten te verdrijven. Te Duiven worden de huizen met noten-
+en rozentwijgen versierd.
+
+Op Sint Jansnacht drijven, evenals op de Walpurgisnacht, de geesten
+hun spel: het is een der geheimzinnige toovernachten. Dan snijdt men
+de wichelroede, dan plukt men Sint Janskruid, dan durft de schipper
+niet uitvaren op het Haringvliet. Dan legt men doeken buiten, om
+den Sint Jansdauw op te vangen, en deze dauw geneest voortreffelijk
+bij oogziekte (Vortum). Herhaaldelijk komt Sint Jan ook voor in de
+volksweêrkunde. Als de koekoek roept na Sint Jan, komt duurte.--Vóor
+Sint Jan bidt om regen, na Sint Jan komt hij ongelegen.--Regent het na
+Sint Jan, dan _kort_ (korrelt) het graan slecht, zegt men in Limburg.
+
+Op enkele plaatsen bestaan nog de oude Sint Jansvuren, _survivals_
+van het groote Zomeroffer; ook vertoonen zij vaak het karakter
+der noodvuren (bl. 104). Daags vóor Sint Jan gaan b.v. te Wichelen
+(O.-V.) de kinderen om brandhout rond, al zingende:
+
+
+ Hout, hout, timmerhout,
+ Wij komen om Sint Janshout;
+ Geeft een beetjen en houdt een beetjen,
+ Tot op Sint Peetersavond.
+
+
+Men vergelijke de uitdrukking in het Sint Maartenslied: "op Sint Jans
+manieren", bl. 111.
+
+De meeste Sint Jansvuren zijn echter overgegaan op:
+
+_Petrus en Paulusdag_ (29 Juni), die ten deele nog in Limburg, maar
+vooral in België gevierd wordt, waar men om het vuur danst, zingende:
+
+
+ Sinte Peeter, komt alhier,
+ In ons ronde van plezier.
+
+
+Op vele plaatsen, waar vroeger het geheele volk aan de feestviering
+deel nam, is deze thans beperkt tot de kinderen. Aldus te
+Herdersem, Eename, Aspelare (O.-V.) enz., alsmede in vele dorpen van
+West-Vlaanderen; zie ook Rond den Heerd IX, bl. 257; Loquela III,
+bl. 10.
+
+Wat gebeurde met het Sint Maartensvuur, heeft ook met de Sint
+Pietersvuren plaats gehad: de feestviering werd veelal beperkt tot
+den rondedans om een kaarsje; aldus te Kruibeke, waar men zingt:
+
+
+ Sinte Pieter mee zijn bloote armen,
+ Die zou hem gêren komen warmen.
+
+
+Men vergelijke het Sint Maartenslied, bl. 109.
+
+In geheel Oost-Vlaanderen en West-Brabant bestaat verder het gebruik
+van den _rozenhoed_. Het is een meigebruik, dat wij bl. 200 te Zutfen
+en elders op Pinksterdag vonden. Enkele met bloemen en groen omwonden
+hoepels vormen een kroon, en deze hangt men aan een over de straat
+gespannen koord op. 's Avonds wordt hieronder gedanst en gezongen;
+zoo b.v. te Lokeren:
+
+
+ Sinte Pieter, die is goed
+ Al voor onzen (_bis_)
+
+ Sinte Pieter, die is goed
+ Al voor onzen rozenhoed.
+
+
+Te Wetteren plaatst men onder den rozenhoed een tafeltje met brandende
+kaarsjes, en daaromheen dansen de kinderen, zingende:
+
+
+ St. Pieter is onze Patroon!
+ Wij zullen hem gaan vieren;
+ Wij maken hem een kroon,
+ Te midden van onz' plezieren!
+ Bom la la, bom la la, bom la la sa sa!
+ En daar heeft niemand iets aan,
+ Troe la la, troe la la!
+ En daar heeft niemand iets aan,
+ Troe la la sa sa.
+
+
+Wij herinneren er aan, met het oog op dit kaarsje-ronddansen onder de
+kroon, dat het oudtijds de gewoonte was, bloemen, kransen en kruiden in
+het zuiverend offervuur te werpen, waar men omheen danste en overheen
+sprong. Vooral notenblaren worden plaatselijk in de Sint Jansvuren
+geworpen; vgl. bl. 202 en de steeds fundamentale behandeling van
+het Sint Jansvuur bij Grimm, Deutsche Mythologie I, bl. 513. Dat het
+gebruik van den rozenhoed eertijds ook elders met vuurstoken gepaard
+ging, blijkt uit een liedje uit het land van Waas:
+
+
+ Stokvier, maakt stokvier!
+ Sinte Pieter is alhier,
+ Om zijn bloote armen
+ Nog wat te warmen; enz.
+
+
+Te Ter-Alfene vindt men nog het algemeen-Germaansche, sterksprekende
+vruchtbaarheidsgebruik, dat jongelieden dien dag met de zweepen
+klappend rondloopen. Zoo ook te Wambeek (Z.-B.); te Roesbrugge-Haringe
+(W.-V.) gebeurt dit op Sint Elooi.
+
+Mettertijd heeft men den rozenhoed in verband gebracht met de
+pauselijke tiaar. Een ander Christianisme is de visschersprocessie
+te Rumpst.
+
+_Sint Marten-in-den-Zomer (4 Juli),_ ook de "Warme Marten" genoemd,
+draagt in West-Vlaanderen den naam van _Schuddekorfdag_, ofschoon
+van geen schuddekorfgebruik sprake is. Hoogstwaarschijnlijk is deze
+benaming aan Sint Maarten-in-den-Winter ontleend.
+
+_Maria Hemelvaart (15 Aug.)_, ook genoemd _Maria-Kruidwisch,_
+of _O.L. Vrouw Kruidwijn_ (=wijding), wordt vooral in Limburg
+gevierd; hier is de feestviering uit Duitschland, waar zij
+algemeen is, ingevoerd. Weken te voren reeds worden door de kinderen
+allerhande kruiden en bloemen verzameld, en op den feestdag wordt een
+reusachtige ruiker ter kerke gebracht, waarin de geheele midzomerflora
+vertegenwoordigd is, maar toch vooral de koningskaars of hemelbrand
+prijkt, de Limburgsche kruidwisch bij uitnemendheid. Deze gewijde
+bloemen dienen--ongeveer als de palm--als behoedmiddel tegen onweszr,
+ziekten enz. Als het onweêrt, worden zij onder het bidden van den
+_huiszegen_ verbrand.
+
+Aan den Rijn moeten deze kruiden Donderdags te voren (volksetymologisch
+verband met "donder"?) bij zonsopgang met de hand geplukt
+worden. Deze omstandigheid doet vermoeden, dat het gebruik wellicht
+van Oudgermaansche afkomst is en oorspronkelijk op natuurvereering
+berustte, of de een of andere Germaansche godheid gold. Wat hiervan
+zij, de treffende legende, waarvolgens de Apostelen in het graf van
+Maria in stede van haar lichaam een weelde van geurige bloemen en
+kruiden vonden, schenkt aan dit gebruik een onmiskenbaar christelijk
+karakter.--
+
+De zomermaanden zijn ook het tijdperk der bedevaarten of processies
+naar befaamde bedevaartsplaatsen, uiteraard meerendeels in het Zuiden
+van het volksgebied. Voor Noord-Nederland noem ik Heiloo, den Briel,
+voor de zuidelijke provincies Kevelaer, Roermond, Scherpenheuvel
+(kaarsjesprocessie) en Brugge (H. Bloed). Van plaatselijke ommegangen
+dient de Boetprocessie te Veurne en de zevenjarige jubileum-processie
+te Hasselt (_Virga Jesse_) te worden vermeld. De straten der plaats,
+waar de processie gehouden wordt, zijn feestelijk getooid; bloemen,
+groen en papierknipsels zijn gestrooid over den te volgen weg. Het
+volksgeloof wil, dat dit processiestrooisel beschermende macht bezit
+tegen ratten en muizen, en tegen onweêr; ook legt men het tusschen
+het graan, want het waarborgt een overvloedigen oogst en weert "het
+zwart" uit de tarwe.
+
+Sommige dezer processies zijn zeer oud en met het volksleven
+samengegroeid, zoodat zij als tijdsbepaling dienst doen, of in
+dagelijksche zegswijzen zijn binnengedrongen. Zoo hoort men b.v. te
+Venloo, dat de bramen rijpen, "als de processie naar Kevelaer gaat",
+en dat "als de processie van Kevelaer terugkomt, geen oud wijfje
+aan het spinnewiel blijft". Zijn de straten doodsch en verlaten, dan
+"lijkt het wel, of de processie naar Kevelaer is"; enz.
+
+Te Blitterswijk zingt men:
+
+
+ Ik zeug zo gêr no Kêvele goan,
+ Wen er mar gene grune wolf zaat,
+ Joa, joa, do zit er ene,
+ Nie der zit er gene.
+
+
+Over de karakteristieke processievaantjes spreek ik nader in het
+Vijfde Hoofdstuk: Volkskunst. Bij gelegenheid der Hasseltsche
+processie bestaat het eigenaardig gebruik, aan het volk erwtensoep
+met stukjes spek uit te deelen; dit doen de leden van de Broederschap
+onder feestelijk beiaardspel. Zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel
+en Kinderlust VII, bl. 92 vlg.; De Cock, Volkskunde, bl. 253;
+V. Reinsberg-Díringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 288, 297.
+
+_Maria-Geboorte_ (8 Sept.) wordt ter onderscheiding van het feest
+op 15 Aug. de "Kleine Lieve Vrouw" genoemd. In sommige streken van
+Vlaanderen was het bekend onder den naam van _zwaluwen-afscheidsdag._
+In den avond van den 7den September liet men in zekere Westvlaamsche
+dorpen nooit na, te drinken op de gelukkige afreis der zwaluwen van
+Onze Lieve Vrouw. Volgens een bekoorlijke legende vroeg Maria, in
+een arme vrouw verkleed, eens een voerman te drinken en reikte hem,
+om den drank op te vangen, den blanken kelk der haagwinde. Vandaar,
+zegt de Brugsche Zondagsbode, dat in eenige dorpen van Vlaanderen
+de meisjes op O.L. Vrouw-Geboorte "tikken" en drinken uit zulke
+bloembekertjes, in de rondte dansen en zingen:
+
+
+ Aan Ons Lieve Vrouwen geboort
+ Gaan de lieve zwaluwen voort.
+
+
+_Michielsdag_ (29 Sept.) kan worden beschouwd als het einde van den
+zomer en het begin van den voorwinter, of der herfstperiode: zooals
+gezegd, kenden onze voorouders, en ten deele het volk heden nog,
+slechts zomer en winter. Nu wordt de ploeg geborgen. Wij krijgen
+reeds een voorspel van de herfst- en wintergaven in de Vlaamsche
+_vollerte_, een bijzonder soort wittebrood, dat men 's nachts ter
+sluik de kinderen onder het hoofdkussen legt, om bij het ontwaken
+gevonden te worden. Voorheen dronk men dezen dag de _Michaëls-minne,_
+zie mijne Essays en Studiën, bl. 234.
+
+Deze dag is een kritische dag, van belang in de volksweêrkunde. Bekend
+is ook de _Sint Michielszomer_, waarop wel betrekking heeft het
+Vlaamsche paailiedje:
+
+
+ Draaie, draaie, wielke,
+ t' Avond komt Machielke,
+ Komt Machielke t' avond niet,
+ Hij en komt van g'heel de weke niet.
+
+
+En de kinderen op den Vlaamschen Steenweg te Brussel zingen:
+
+
+ Sinte-Michiel
+ Draait zijn wiel
+ Mee zijnen blooten erremen.
+
+
+De verwantschap van Sint Michiels- met Sint Maartensdag blijkt ook
+nog uit de Drentsche _Sint Michielsjacht_.
+
+_Allerheiligen_ (1 Nov.) brengt somwijlen den Allerheiligen-zomer,
+ook wel door het volk "Oudewijven-zomer" genoemd.--Reeds in den
+namiddag begint in de katholieke streken het bezoek der graven,
+immers het is de vooravond van
+
+_Allerzielen_ (2 Nov.). Als de stormwind begon te huilen door de
+ontbladerde boomen, dan stormde het dooden-, het geestenheir door
+het luchtruim, en in den aanvang van dit tijdperk vierden de oude
+Germanen hun doodendag. Na de invoering van het Christendom werd
+deze private feestviering gekerstend en steunde voortaan op het
+geloof aan de "gemeenschap der heiligen", terwijl ook de min of meer
+animistische gebruiken, als het bezoeken der graven, het branden
+van kaarsen, het brengen van bloemen of spijsoffers, òf officieel
+werden afgeschaft, òf in christelijken zin werden hervormd; hetgeen
+natuurlijk niet belette, dat nog heel wat animistische voorstellingen
+en gebruiken bij het volk bleven voortbestaan. Als het stormt, spreekt
+men thans nog van den _zielewagen_, en rond Scherpenheuvel heet het:
+"dit zijn zielkes uit het vagevuur, die vragen verlost te worden". Op
+meerdere plaatsen heerscht het volksgeloof, dat de "geloovige zielen"
+gedurende de twee eerste Novemberdagen het vagevuur mogen verlaten
+en haar vroegere woonsteden bezoeken. Natuurlijk geeft dit rondwaren
+der zielen aanleiding tot menige bijgeloovige vrees. Kerkelijk werd
+de 2de November aan de nagedachtenis der geloovige zielen gewijd, het
+eerst door Odilo, abt van Cluny, in 998; later werd dit gebruik door
+verscheidene diocesen gevolgd, het eerst door Luik, waar bisschop
+Notker het in het begin der XIe eeuw invoerde. Zie H. Kellner,
+Heortologie3 (Freiburg i/B. 1911), bl. 242, 248.
+
+Op tal van plaatsen in Vlaanderen bakt men _zielebroodjes_ of
+_zieltjeskoeken_, een bijzonderen vorm van koeken, en deze laat men
+'s nachts "voor de arme zielen" staan; hieruit spreekt duidelijk
+de animistische voorstelling van het stoffelijk voortbestaan der
+ziel in of nabij het graf. Of ook, de zieltjeskoek wordt in de asch
+geworpen of zelf genuttigd, waarbij dan de grondstelling geldt:
+"hoe meer men eet, hoe meer zieltjes men verlost." Ik herinner hier
+aan de zieltjesbroodjes van Dixmuiden, Nieuwpoort, Veurne, Aalst en
+Yperen. Ter vergelijking diene, dat in Karinthi, bij het toebereiden
+der spijzen "voor de arme zielen", iets in het vuur wordt geworpen,
+terwijl men in Tirol het overgeblevene van het avondeten op tafel laat
+staan met de woorden: "Das gehört den armen Seelen." Vgl. De Cock,
+Volkskunde XIV, bl. 140; H. Coninckx, Mechelsche gebruiken I, bl. 21.
+
+Met deze zielebroodjes hangt allicht samen het gebruik, op _Sint
+Hubertusdag_ (3 Nov.) zoogenaamde _Hubertusbroodjes_ te laten wijden,
+zooals in Vlaanderen en Limburg geschiedt. Volgens de legende was
+de H. Hubertus, eerste bisschop van Luik, een hartstochtelijk
+jager. Vandaar, dat hij als patroon der jagers geldt en tegen
+de hondsdolheid wordt aangeroepen. In België zijn onder het volk
+bezweringsformules gangbaar als deze, om de dolle honden af te weren:
+
+
+ Ik kwam al over Sint-Huibrecht zijn graf,
+ Zonder stok of zonder staf;
+ Kwaden hond, sta stille:
+ Het is Sint-Huibrechts wille.
+
+
+
+
+HET PRIVAATLEVEN.
+
+
+I. Geboorte, doop, kindsheid.
+
+
+De _geboorte_ van het kind is met gulden sprookjesdraden omsponnen. De
+ooievaar brengt ze, de heilige vogel, die volgens zijn naam zelf "met
+geluk komt", de _heil-över,_ zooals hij in den Achterhoek heet. Hij
+haalt ze met zijn snavel uit den vijver, evenals op de weilanden de
+spartelende kikkertjes uit de slooten:
+
+
+ Eibert, eibert, langebeen,
+ Waarom is je poot zoo kleen?
+ Waarom is je bek zoo lang?--
+ Omdat 'k altied kikkers vang.
+
+
+Daar bij zijn komst in het land de groei- en teelkracht in de
+natuur zich openbaren, verwacht men dan ook de geboorte van het
+jonge menschenleven:
+
+
+ Ooievaar,
+ Lepelaar,
+ Takkedief,
+ Ooievaar heeft de kindertjes lief.
+
+
+Te Kuilenburg zingt men:
+
+
+ Ooievare klep,
+ Met je langen bek,
+ Met je lange pooten
+ Ga je over slooten,
+ Ga je over 't huis:
+ Breng me een broertje of een zusje thuis.
+
+
+De ooievaar brengt heil en zegen. Waar hij op het huis zetelt, woont
+geluk; wie een ooievaarsnest op zijn dak heeft, wordt benijd en een
+misdaad is het, zulk een nest uit te halen. Niet alleen in Westfalen
+en de Rijnprovincie, ook in Nederland is hij populair, is hij haast
+een nationale vogel geworden, vooral in het waterrijke Noorden. Hij
+brengt voor broertjes en zusjes de "muisjes" mee. Vergel, bl. 85.
+
+Maar de kinderen komen ook uit bronnen, putten, vijvers of uit
+den watermolen, en wel volgens een Oudgermaansche opvatting,
+dat nl. het leven uit de bronnen komt en na den dood ook weer tot
+bronnen en vijvers terugkeert. Wij ontmoeten hier den bronnenkultus,
+zoo populair bij de Franken, Saksen en Friezen; hij verklaart tevens
+de verhouding, waarin Holda als godin der geboorte en des doods
+tot de bronnen staat. In zijn diepste wezen berust hij op wijding en
+symboliseering der animale vruchtbaarheid en levenskracht. Te Deventer
+komen de kleinen uit den Hoenderput, te Almeloo uit den Kloosterput,
+in de stad Groningen uit de _Woalpudde_, de pomp in 't wijde van de
+Heerestraat; in de Zaansche dorpen uit de watermolens, in het Oldambt
+van Groningen uit den Dollard. Elders vinden wij sporen van het oude
+volksgeloof, dat de bewoners van het zielenrijk over water in een
+schip het land der levenden bereiken. Zoo komen in sommige deelen
+van Friesland de kinderen uit de Wouden, en de kraamvrouw doet een
+Woudreis om ze te halen in een scheepje met een wit zeiltje en een
+paar witte zwaantjes er voor. Te Amsterdam komen zij overgevaren
+uit de Volewijk, in de Beemster worden zij met een schuitje uit den
+rietschoot gehaald. Te Hekelgem (Z.B.) gaan de kinderen kijken in
+het Kluizeputteken van O.L. Vrouw-ter-kluis om te zien, of er geen
+kindje in ligt. Of wel ze leggen zich met het oor op den rand van
+den put en denken dan soms kindergeschrei te hooren.
+
+Eindelijk, ook de vegetatie openbaart jeugdige levenskracht, en daarom
+komen de kinderen uit holle boomen, groeien in de boomen, komen uit
+de kool en andere planten. In de Friesche Wouden en vooral ook in
+Noord-Holland groeien zij in de boomen als appelen en roepen dan:
+
+
+ Pluk mijn! pluk mijn!
+ 'k Zal alle dagen zoet zijn.
+
+
+De holle boomen zijn kinderen-telend in sommige gedeelten van
+Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Groningen en
+Friesland. Te Utrecht werden de kinderen uit den Munnekenboom
+geschud, een zeer ouden lindenboom in den tuin van het vroegere
+Karthuizerklooster aan de Vecht buiten de Weerdpoort. In België laat
+het volksgeloof ze veelal groeien aan rosmarijnstruiken. Waarom juist
+aan rosmarijnstruiken? Zeker is het niet toevallig, dat het jeugdige
+echtpaar bij voorkeur met rosmarijn is getooid en dat "de slag met de
+levensroede", die, zooals wij zagen, vruchtbaarheid beoogt, veelal met
+rozemarijnstengels wordt toegediend.--Wellicht moeten de holle boomen
+echter anders beoordeeld worden dan de gewone boomen, en zag men in
+hen slechts een toegang tot de geheimzinnige onderaardsche wereld.
+
+Laat ik hier ten slotte aan toevoegen, dat de kinderen ook door dokter
+of vroedvrouw gebracht worden, of door de ouders worden gekocht,
+b.v. in missielanden. Zie hierover vooral Boekenoogen, Volkskunde XXII,
+bl. 18, 143, 193; XXIII, bl. 29; Knappert, Folklore, bl. 188 vlg.;
+Utrechtsche Volksalmanak, 1853, bl. 2 vlg.
+
+Vrouwen in gezegenden staat ondervinden een bijzondere oplettendheid
+van den kant der buurvrouwen en vriendinnen. Zij mogen geen leelijke
+of vreemde dingen zien en moeten den aanblik van kreupelen en
+roodharigen vermijden. Wordt het kind geboren met hazenlip of ander
+gebrek, dan is dit hoofdzakelijk te wijten aan de onvoorzichtigheid
+der moeder tijdens haar zwangerschap. Tot haar omgeving staat zij in
+sympathetisch verband: een boom, die voor het eerst vruchten draagt,
+zal overvloediger dragen, als een vrouw in den tijd der verwachting
+van de vruchten eet. Verder is het een algemeen verbreide meening, dat
+het zeer verkeerd is gedurende de zwangerschap waschgoed op te hangen,
+onder een drooglijn door te loopen, met de armen boven het hoofd te
+slapen. Over deze en dergelijke volksopvattingen zie vooral M. A. van
+Andel, Volksgeneeskunde in Nederland (Utrecht 1909), bl. 105 vlg.
+
+De vertraging der geboorte en het verstrijken van den barenstijd,
+naar berekening, wordt veelal toegeschreven aan den invloed der maan:
+"Zij zal de nieuwe maan, het eerste kwartier afwachten", ineenen
+de buurvrouwen.
+
+Wordt het kind met een stuk der vliezen over het hoofd geboren,
+met "den helm", dan is het _beeldwit_ (blijkbaar een verbastering
+van het Middelnederl. _belewitte_, zie bl. 67): zoo iemand kan
+voorspellingen doen omtrent sterfgevallen, branden en het vergaan
+van schepen. Sommigen, die met den helm geboren zijn, moeten 's
+nachts opstaan, om de hekken te openen voor een lijkwagen. De helm
+en navelstreng spelen ook als toovermiddel in onze landen zoowel
+als elders een niet onbeduidende rol in het volksgeloof; zie vooral
+M. Sabbe in Volkskunde XXIII, bl. 91 vlg.; en R. Meringer in Wörter
+und Sachen, V, bl. 43 vlg. Ook Zondags- en Kerstkinderen kunnen in de
+toekomst zien; het zijn gelukskinderen, evenals de Woensdagskinderen;
+Vrijdagskinderen sterven spoedig. Kinderen met een dubbele kruin
+worden knap of koppig. De roodharigen zijn "van God geteekend" en staan
+aan plagerij en bespotting bloot: "Rood haar en elzenhout groeien op
+slechten grond", meent het volk. Zie Prof. J. W. Muller, Volkskunde
+XIX, bl. 8; Prof. Verdam, Handel. en Mededeel. v. d. Maatschappij der
+Nederl. Letterkunde te Leiden 1897--98; H. Heuvel, Driem. Bladen II,
+bl. 8.
+
+Terstond na de geboorte ontvangt in katholieke streken het kind
+den vaderlijken zegen. De baker geeft het eerste bad en met dit
+badwater worden in Duitschland jonge boompjes begoten: zóo, als
+het boompje groeit, zal ook het kind groeien en gedijen. Dit hangt
+samen met de opvatting, dat het leven van den mensch als het ware
+een dubbelganger heeft in het vegetatieve leven van een boom, die
+al zijn lotsbeschikkingen deelt of zelfs bepaalt: een opvatting, die
+stoelt op de animistische voorstelling eener wezenlijke overeenkomst
+tusschen de plant en den mensch. Vandaar het planten van den levensboom
+bij de geboorte, een gebruik, vooral bij de Zuid-Slaven in zwang
+en door Fr. Krauss in zijn Volksglaube und religiöser Brauch der
+Südslaven (Munster 1890), bl. 32 vlg. zoo treffend geschetst. Ook
+bij de huwelijksgebruiken speelt deze levensboom een rol. In het
+Limburgsche is dit veelal een eik, beuk of vruchtboom, al dreigt
+het gebruik thans uit te sterven; en ook in menig Vlaamsch dorp
+kent men nog het geboorteboompje, doorgaans door den vader in den
+tuin geplant, als zijn vrouw hem een telg schenkt: dit boompje zal
+mèt het kind, als zijn evenbeeld, opgroeien en bloeien, om eenmaal
+te verdorren. Voor jongens kiest men een noten- of appelboom, voor
+meisjes een pereboom. Is het een goed noten- of appeljaar, dan worden
+veel jongens geboren; zijn de peren overvloedig, dan komen veel
+meisjes ter wereld. Ik herinner nog aan de treffende spreekwijze:
+"zijn levensboom verdort." Zie Is. Teirlinck, De Plant--een levend,
+bezield, handelend wezen (Gent 1892); Bloeiende Reuzen (Rousselare
+1886). De vroedvrouw (_wiezemoêr, wiesvrouiv_), die den geneesheer
+vervangt, is ook meestal zeer bedreven in de lotsvoorspelling van
+den pas geborene. De baker laat het kind kijken en strijkt daarvoor
+de gebruikelijke fooien op.--En nu, voorzichtig! De kleine mag niet
+op de linker zij worden gelegd, anders wordt hij linksch; men mag
+niet over de wieg heen reiken, waar hij slaapt; men mag niet met een
+ledige wieg wiegen, dat verijdelt de nachtrust, òf het kind sterft. Het
+mag niet gemeten worden, anders meet men zijn doodkistje. Houdt het
+zijn vuistjes gesloten, dan wordt het gierig; houdt het ze open, dan
+wordt het vrijgevig. Van een stuurschen, onwilligen jongen zegt men
+in Limburg; "hij is overkops gewiegd". Ook moet de moeder de nagels
+van den jonggeborene afbijten, anders leert hij stelen. Het afknippen
+der nagels en der haren, het baden, enz., hetgeen bij de natuurvolken
+dikwijls als ritueele handeling beschouwd wordt, behoort tot de
+zoogenaamde scheidingsgebruiken, die ten doel hebben, ook een inwendige
+scheiding te bewerkstelligen; zie hierover vooral A. Van Gennep,
+Les rites de passage (Paris 1909), _passim_; Paul Sartori, Sitte und
+Brauch 1 (Leipzig 1910), bl. 18. De scheidingsgebruiken vormen mèt
+de opname-gebruiken in hoofdzaak de groep der overgangsgebruiken,
+die den overgang van den eenen toestand tot den anderen, van de eene
+sociale groep tot de andere, plegen te kenmerken; bij de volken met
+lagere kultuur zijn zij meestal in magisch-religieuze vormen gehuld.
+
+Wanneer ik nu zeg, dat tot onze opname-gebruiken in de
+allereerste plaats _het doopsel_ en de naamgeving behooren,
+bedoel ik allerminst, hierin een criterium voor lagere kultuur te
+ontdekken. Integendeel! Immers het lagere ligt niet in het religieuze,
+maar in het magico-religieuze,--het _lagere_, zonder dat hierdoor iets
+ten gunste van de prioriteit dezer kultuurlaag wordt beslist. Peter en
+meter worden doorgaans genomen uit de naaste bloedverwanten. Veelal
+geeft de peter aan het kind zijn naam en beschouwt dit als zijn
+recht; geeft men het kind den naam der ouders, dan sterft het vóor
+de ouders. Het erft de hoedanigheden van peter en meter; ook neemt
+de doodstrijd van iemand, wiens meter nog leeft, geen einde, zoolang
+deze niet aan het ziekbed verschijnt. Bij den doop van den eersten
+zoon is gewoonlijk de mansvader peter, bij den doop van het eerste
+meisje de vrouwsmoeder meter.
+
+Ongedoopte kinderen zwerven na hun dood als dwaaltochten rond boven
+de moerassen of vormen een deel van de Wilde Jacht. Kinderen, die,
+gedoopt zijnde, sterven, worden engeltjes: in Duitschland kent men
+den _Engelgarten_, de begraafplaats van gedoopte kinderen.
+
+Kinderzegen beschouwt men in Groot-Nederland, althans op het platte
+land, grootendeels nog als geluk en als eere, al is het treffende
+Boheemsche spreekwoord onbekend: "Zooveel kinderen de vrouw heeft,
+zooveel sporten komt zij den hemel nader".
+
+Het doopkleed wordt in vele families zorgvuldig bewaard. Nog bestaan
+kanten doopkleeden van groote waarde in sommige families, waarin
+vijf geslachten ten doop gedragen werden. Peter en meter plachten
+eertijds aan hun petekind een _pillegift_ te schenken, een woord, dat
+nog voortleeft in het Westvlaamsche _villegift_: een gouden penning,
+zilveren lepel, of iets dergelijks.
+
+Natuurlijk gaan geboorte en doopsel ook met de noodige feestelijkheden
+gepaard, "'t Kind verdrinken", noemde men voorheen het feest voor
+de buurvrouwen. Ook het _doopmaal_ was vast gebruik. In België
+wordt na den doop de noodige _kindersuiker_ gekocht, om deze aan de
+buurtjeugd uit te deelen; en ook in Noord-Nederland worden buren,
+vrienden, magen, die "het kindje komen kijken", plaatselijk nog op
+_suikerdebol_ onthaald. Te Weert eet men een soort wittebroodsbollen,
+_lommerten_ genaamd. "Het kindje gaan zien" is op menig Limburgsch dorp
+synomien geworden van: een glaasje gaan drinken in een herberg zonder
+vergunning. Het gewoon onthaal bestaat echter in koffie, wittebrood en
+beschuit, bestrooid met suikerkorrels: _sòkerkörkes_ of _muisjes_,
+wit en rood, wat nog met de sekse in verband wordt gebracht. De
+Friesche term is _poppebak_, en men vertelt, dat de _lytse pop_
+(het kraamkind) zulke _bakken_ heeft meegebracht. Of wij hierin een
+overleefsel van offergaven moeten zien, durf ik niet uitmaken.
+
+Een ander gebruik is dit, dat gedurende negen dagen, die de bevalling
+volgen en waarin de kraamvrouw het bed moet houden, de buurvrouwen
+en vriendinnen, veelal gezamenlijk, haar komen bezoeken en het een
+of ander ten geschenke meebrengen; dit heet in Limburg: _met den
+eierschoot gaan_, in Noord-Brabant: _met den krommen arm_ of _de kromme
+slip gaan_. Ook in het noordelijk gebied kent men _kraamschudden_;
+het geschenk bestaat gewoonlijk in krentebrood. Te Brugge heet dit
+gebruik _prijken_, elders _paanderen_, ook _te paanderinge_ of _te
+pronkinge gaan_.
+
+Na een bepaalden dag houdt dan de moeder den kerkgang, en wel in
+navolging van Maria, die het voorschrift der Joodsche wet nakwam,
+waarvolgens de vrouwen, veertig dagen na de geboorte van een zoon,
+zich tempelwaarts moesten begeven ter reiniging en om het kind
+aan den Heer op te dragen. De kraamvrouw wordt op dezen gang door
+de buurvrouwen vergezeld; na afloop van de plechtigheid heeft in
+katholieke streken dan voorgoed de traktatie op koffie en stoete,
+en brandewijn met rozijnen of kraamanijs plaats, die den naam van
+_kindjeskermis_ of _kindjeskoffie_ draagt, en beantwoordt aan het
+Drentsche _wievemoal_ en de Friesche _wievedei_. De Westvlamingen
+heeten dit de _koffiebale_. Met jonge vrouwen, nog niet moeder, wordt
+bij die gelegenheid wel eens wat gesold; men geeft ze schijnbaar een
+eereplaats en zij krijgt den kleine op den schoot. In Friesland nam
+dit gekscheren enkele malen een ruwen vorm aan; zie Waling Dijkstra,
+Uit Friesland's Volksleven I, bl. 222. Deze traktatie wordt ook wel
+_kinderbier_ genoemd; hierin heeft _bier_ natuurlijk een algemeene
+beteekenis, die wij nog herhaaldelijk zullen ontmoeten.
+
+De ziekten van het kind gedurende de eerste levensjaren worden vaak
+aan beheksen toegeschreven: stuipen, mazelen, kinkhoest, Oude Man
+(_rachitis_) enz. Maar het volk weet raad en heeft voor al die kwalen
+geneesmiddelen, waarop ik bij de behandeling der Volksgeneeskunde terug
+kom. Over het algemeen maakt men een veelvuldig gebruik van amuletten,
+b.v. een snoer pioenzaden, een rozenkoortje (rood katoenen koordje),
+een kettinkje van lijsterbessen enz. tegen stuipen en moeilijke
+doorbraak der tanden. Eigenaardig is in België de vereering van
+_Sint Jan den Grijzer_ of _Krijter_ (Sint Jan in den Olie) en van
+_O.L. Vrouwe ter Ruste_ tegen het schreien en woelen der kinderen
+(sympathie).
+
+Een heuglijke gebeurtenis is het doorbreken van den eersten tand. Op
+meer gevorderden leeftijd werpt het kind doorbrekende melktanden of
+ook andere tanden over het hoofd en zingt daarbij:
+
+Zuid-Holland:
+
+
+ Onze Lieve Heertje,
+ Daar hebt U een oude tand,
+ Geef me weer een nieuwe tand,
+ Die er vaster in staat,
+ En er niet meer uit gaat.
+
+
+Sluis:
+
+
+ Vleremuis
+ Kom 't avond t'huis,
+ Breng mijn nieuwen tand t'huis.
+ Mijn oude is versleten,
+ Mijn moeder mag 't niet weten,
+ Mijn vader heeft geen geld,
+ Heeft het al op hoopen gesteld.
+
+
+Tiel:
+
+
+ Muis, muis, gimme een tand,
+ Die der noot meer uit kan.
+
+
+Vlaanderen:
+
+
+ Muize--muize--manneken,
+ Geef mij een ander tanneken,
+ Liever 'nen tand van been,
+ Als eenen van steen.
+
+
+Dat de muis, het knaagdier, hier als sympathetisch tooverdier geldt,
+is duidelijk. Als merkwaardigheid zij vermeld, dat soortgelijke
+formules, waarin de muis voorkomt, in gebruik zijn in Brandenburg, de
+Rijnprovincie, Tirol, Würtemberg, Hessen, Baden, Pruisen, Bohemen,
+Galicië, Bukowina en Rusland. Zie Van Andel, Volksgeneeskunst,
+bl. 142 vlg.
+
+Nu meene men echter niet, dat alleen tooverij en bijgeloof hun
+schepter zwaaien over de prille dagen der kindsheid. Het is waar,
+geen tijdperk wellicht in het menschelijk leven wordt zóo door
+traditioneele vormen en leefregels beheerscht, die wortelen in het
+meest primitieve volksgeloof. Maar den boventoon voert toch koesterende
+moederliefde en blijde vadertrots, aldoor geprikkeld en gevoed door de
+hulpbehoevendheid van den kleinen lieveling. Wie in deze eerste dagen
+de gezellige huiskamer met haar gulden innigheid, haar guitig wiegje,
+welhaast haar drukken kinderstoel, van zonneglans en zonnewarmte doet
+tintelen,--het is de kleine dwingeland in het hagelwitte linnen,
+waarin hij reeds zoo lang werd verbeid en dat de Hollandsche en de
+Vlaamsche moeder in de blijde dagen harer verwachting met moederweelde
+en vreugde-kloppend hart heeft toebereid. Hoe teekenend en hoe innig,
+hoe berekend voor de luistergrage oortjes, die naïeve _wiegeliedjes_,
+met hun beperkte notenbeweging en hun rijkdom aan klankgehalte,
+waarin de rythmische wiegbeweging, maar ook moederlijke bezorgdheid
+en liefde zoo duidelijk hoorbaar doorklinken:
+
+
+ Slaap, kindje, slaap!
+ Daar buiten loopt een schaap,
+ Het heeft vier witte voetjes,
+ Het drinkt zijn melk zoo zoetjes,
+ Slaap, kindje slaap!
+
+
+Of:
+
+
+ Het heeft zoo'n witte wol
+ En 't drinkt zijn buikje vol.
+
+
+Dit ver verspreid wiegeliedje vinden wij met talrijke varianten in
+de verschillende dialekten; zoo b.v. in het Limburgsch:
+
+
+ Sloap, kieneke, sloap!
+ Die vader heuit et schoap,
+ Dien moder heuit de bonte koe,
+ Kieneke, maak dien eugskes toe,
+ Sloap, kieneke, sloap!
+
+
+Een enkel maal behelst het een ontboezeming:
+
+
+ Suja, poppedeine,
+ 't Kindje is nog kleine,
+ 'k Wou, dat 't kindje grooter was,
+ Dat kwam moeder wel te pas.
+
+
+Een in Twente en op de Veluwe zeer bekend deuntje luidt:
+
+
+ Suja, suja, kindje,
+ 't Papje steet in 't spintjen,
+ Melkje van de bonte koe,
+ Kindje, doe je oogjes toe.
+
+
+Hoeveel naïeve moederzorg ligt niet in 't Twentsche:
+
+
+ Suja, suja, lutke wicht,
+ Sloape zeute, eugskes dicht.
+ Hunnewiêve, 'k zal diê sloan,
+ Kumst du biê de huja stoan.
+
+
+Tot de meest gewone Vlaamsche wiegeliedjes behoort wel:
+
+
+ Do, do, kinneken, do,
+ Slaap en doet uw oogskes toe,
+ Hebde geen vaak, ge moet nie slapen,
+ Hebde geen honger, ge moet nie gapen,
+ Do, do, kinneken, do.
+
+
+Maar de wiegeliedjes zullen spoedig verdwijnen, nu de bovenkultuur
+het wiegen onhygiënisch verklaart. En zal het met de groeiende
+beschaving ook niet spoedig verdwijnen, het heerlijk-innige, over
+geheel West-Europa verspreide, kindergebed?
+
+
+ 's Avonds als ik slapen ga,
+ Volgen mij veertien engeltjes na:
+ Twee aan mijn hoofdeind,
+ Twee aan mijn voeteneind,
+ Twee aan mijn linkerzij,
+ Twee aan mijn rechterzij,
+ Twee die mij dekken,
+ Twee die mij wekken,
+ Twee die mij wijzen
+ Naar 's hemels paradijzen.
+
+
+In een spreukenverzameling uit de XVe eeuw wordt het reeds als
+oud gebed betiteld; zie hierover o.a. Karl Wehrhan, Kinderlied und
+Kinderspiel (Leipzig 1907), bl. 72.
+
+De moeder leert aldra het kind loopen en spreken. De leiband is,
+evenals de loopwagen of loopkorf, in de laatste jaren in onbruik
+geraakt. Wat het leeren spreken betreft, dient opgemerkt, dat dit
+voor een groot deel onbewust geschiedt, maar ten deele toch ook
+opzettelijk en volgens bepaalde beginselen: het vaak laten herhalen
+van dezelfde klanken of lettergrepen, het vermijden van moeilijke
+woorden of klankgroepen, het opzettelijk vervormen van woorden,
+het zich aanpassen aan den lettervoorraad van het kind, enz. Zoo
+kan men spreken van een voedstertaal, die de volwassenen vormen in
+navolging der stamelwoorden van de kinderen. De eigenlijke kindertaal
+is psychologisch hoogst belangrijk en heeft het tijdstip van de
+ontplooiing der verstandelijke vermogens als grens. Reeds de taal der
+kinderkamer is zeer merkwaardig en vormt een opmerkelijke groeptaal,
+al is de sociale groep der kinderen op dien leeftijd nog betrekkelijk
+onvast. Van bijzonder belang zijn de stamelwoorden, oorspronkelijk
+zonder beteekenis, maar waaraan door de volwassenen uit de omgeving
+een beteekenis wordt gehecht, als _ada_, _tata, toetoe_ enz., meestal
+geredupliceerde vormen, alsmede de bestanddeelen der algemeene taal,
+die in den kindermond een eigenaardige verandering ondergaan: _opoe,
+botam_, (boterham), _mek_ (melk). Buitenmate rijk is deze periode
+tot het maken van opmerkingen van psychologisch-maatschappelijke
+aard. Het meest treffend is wel, dat de kinderen het best en het
+vlugst van elkander leeren. Zie mijn rede over de Sociale klassieke
+Taalkunde (Amsterdam 1912), bl. 14, 15. De kinderrijmpjes bespreek
+ik afzonderlijk in het Vijfde Hoofdstuk.
+
+Wordt het kindje grooter, dan neemt moeder het op haar schoot, en nu
+mag de kleine huppelen en hossen op de maat van het schootliedje:
+
+
+ Hop, Marianneke
+ Pop, Marianneke
+ [of: Stroop in het kanneke]
+ Laat de poppekes dansen,
+ Een goeie man,
+ Een brave man,
+ Een man van complaisance.
+ Hij roert de pap, hij wiegt het kind
+ En laat zijn vrouwke [hondje] dansen.
+
+
+En dan, welk verrukkelijk genot, paardje te mogen rijden op vaders
+of grootvaders knie; in het vlugge rythme hoort men het galoppeeren
+van het paard:
+
+
+ Húp páardje óp een dráf
+ Mórgen ís het Zóndág.
+ Dán kómen de héerén,
+ Mét de bónte kléerén,
+ Dán kómen de vróuwén,
+ Mét de bónte móuwén,
+ Dán kómt de ákkermán
+ Mét zijn páardje áchterán.
+
+
+Elders luidt het:
+
+
+ Hup, paardje, meulen,
+ De koster zit op 't veulen,
+ Pastoor zit op de bonte koe,
+ Die rijden naar de meulen toe,
+ Om een zakje haver,
+ Wat zal dat paardje draven,
+ Om een zakje mikken,
+ Wat zal dat paardje slikken,
+ Ja, ja, paardje, draf,
+ Morgen is het Zondag.
+
+
+Vaak ook bezoekt men te paard de plaatsen in den omtrek; men lette
+op de afwisseling van drie en vier heffingen:
+
+
+ Jóe, jóe, jóe,
+ Naar Hóorn óm een kóe,
+ Naar Álkmaar óm een várkén.
+ Zoo ríjden wíj naar Márkén,
+ Naar Márken óm een wágén.
+ Zoo ríjden wíj naar Schágén,
+ Naar Schágen óm een sjées.
+ Zoo ríjden wij náar de Bée(t)s,
+ Ván de Bée(t)s naar Ákkerslóot,
+ Óm een schóotje wíttebróod.
+
+
+Nu vergelijke hiermee het Vlaamsche:
+
+
+ Juite, ko, mijn peerdje,
+ Naar Iper om e steertje,
+ Wilt da peerdje nie zee'der loopen,
+ 'k Zal 't e vatje met haver koopen;
+ Is er t' Iper geene,
+ 'k Ga van da na Meene;
+ Is ze te Meene goeie koop,
+ 'k Koope der tien of twaalf stoop.
+
+
+Rupelmonde:
+
+
+ Juttekave ronde!
+ Van Gent noar Derremonde,
+ Van Derremonde noar Bevere,
+ Om e vat jenevere;
+ Van Bevere noar Kalloo,
+ Doar eten de pêrekens hoo(i).
+
+
+Zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust IV, bl. 229
+(Wiegeliedjes), 250 (Paai- en Koozeliedjes), 291 (Kniedeuntjes);
+Dr. Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 35 vlg., Dr. J. Van Vloten,
+Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen (Leiden 1894), bl. 12 vlg.
+
+Thans begint het eerste onderricht: voorwerpen der naaste omgeving,
+personen, lichaamsdeelen vooral krijgen de beurt, en schertsend
+heet het:
+
+
+ Kinnetje knap,
+ Mondje hap,
+ Neusje snuit.
+
+
+Maar vooral wordt aanschouwelijk en verhalend gewezen op het
+onderscheid der verschillende vingers:
+
+
+ _Duimeling_ heeft een koe gekocht,
+ _Fikflak_ heeft hem thuis gebracht,
+ _Langeman_ heeft hem geslacht,
+ _Ringeling_ heeft de worst gemaakt,
+ En _Klein Schelmpje_ [met tallooze varianten]
+ heeft alles opgegeten!
+
+
+Te Ieperen kent men den korteren vorm:
+
+
+ Dumeloot,
+ Kattepoot,
+ Langerake,
+ Korteknape,
+ Klein petietje.
+
+
+Soms wordt de volgorde omgekeerd; aldus in het Hollandsche:
+
+
+ Pinkie,
+ Goûrinkie,
+ Langeliereboom,
+ Potteschrapper,
+ Ketellapper.
+
+
+Zie hierover Volkskunde XVII, bl. 88 vlg.
+
+Het kindje wordt grooter, de gezichtskring verruimt zich, het verstand
+ontluikt, naar alle richtingen steekt het zijn voelhoorns uit, de
+sociale groep wordt omvangrijker en bestendiger, en uit den dreumes
+groeit een jongen of een meisje. Het onderwijs op school wordt
+voortgezet,--machtige, nu eens voortstuwende, dan weer stremmende
+faktor in de volksontwikkeling van het kind. De taal is in hooge mate
+aan de inwerking van dien faktor bloot gesteld, zij worden tweetalig,
+terwijl hun kaste-geest zich treffend in de vele geheime taaltjes
+en alfabetten openbaart. Ook de speeldrift komt in haar algeheele
+volheid tot uiting in _kinderspel_ en kinderlust.
+
+Een enkel woord over het kinderspeeltuig der eerste periode. Natuurlijk
+verandert dit volgens de landstreek en zijn b.v. molentjes, scheepjes
+en boeiers in het noordelijk volksgebied heel wat veelvuldiger. Maar
+meer nog houdt het speelgoed gelijken tred met sociale en ekonomische
+ontwikkeling, met dit gevolg, dat het goedkoope, eenvoudige speelgoed
+van vroeger door steeds duurder--maar niet duurzamer!--en ingewikkelder
+speelgoed vervangen wordt, waarbij dan tevens de gedachte voorzit,
+vooral leerzaam speelgoed te bieden. Men zou haast kunnen zeggen,
+dat de kinderen vroeger meer speelden om te spelen, thans meer spelen
+om te leeren. Poppen en bouwdoozen hebben zich doorgaans weten te
+handhaven, maar vertoonen toch meer raffinement; poppen in nationale
+kleederdracht worden zeldzamer. Den boventoon voeren, althans in de
+steden, miniatuurspoortreinen, stoommachines, auto's, luchtschepen
+enz. Tollen, ballen en hoepels behooren tot de kinderspelen der tweede
+periode, tot de jongens- en meisjesspelen. De 183 nummers speelgoed
+in het Museum van Folklore te Antwerpen (Catalogus, bl. 23 vlg.) zijn
+in dit opzicht zeer belangrijk en leerzaam.
+
+Het heeft den schijn, alsof in de eerste periode meer met het kind
+gespeeld wordt, dan dat het zelf speelt. Deze opvatting is onjuist:
+het kind speelt intensief lang vóor het niet alleen hoepel en tol,
+maar zelfs pop en hobbelpaard heeft leeren kennen. Daar bestaat een
+periode van het _hoorspel_, waarin de kleine in de wieg luistergraag
+let op den rammelaar, op het kloppen, tikken, spreken, fluiten,
+zingen, rammelen van sleutels enz. Spoedig begint dan het kakelen
+en schreeuwen, een schreeuwen zonder smartgevoel, alleen om den
+speellust te bevredigen. Ook brengt het kind geluiden voort met
+papier, sleutels, klapt in de handjes, werpt alle voorwerpen op
+den grond om het speelgenot, ze te hooren rollen. Later maakt dit
+pleizier in geraas en getier voor welbehagen aan welluidendheid,
+voor een fijner hoorspel plaats. Daarnaast het _gezichtspel_. Behalve
+het "licht"--en laat de moeder haar kind niet allereerst naar de
+"lichtjes" zien?--neemt het slechts bewegingen waar. Daarna speelt
+het met den slinger van de klok, met den damp, die opwalmt uit den
+ketel, met den kronkelenden rook der sigaar, met de hoekige arm- en
+beenbewegingen van den hansworst; en al spoedig wordt dit passieve
+spel in een aktief omgezet. Eindelijk het _gevoelspel_, dat men ook
+bewegingsspel zou kunnen noemen. Lachen, schreeuwen, kakelen schenkt
+den kleine een behaaglijk gevoel, terwijl de organen worden geoefend en
+in het bijzonder de spraakwerktuigen smijdig worden gemaakt. Allerlei
+voorwerpen worden betast en beknabbeld, als pennehouders, gummi,
+rammelaars. Hiertoe behoort ook het trappen op- en afklimmen, kruipen,
+glijden enz.
+
+Aldus uit en ontwikkelt zich de vroeg ontwaakte, spoedig werkzame,
+zich-zelf vormende en leidende speeldrift. Zij verwekt gevoelens
+van lust en welbehagen, die de volwassene met zijn nuchter verstand
+niet meer koesteren, zelfs veelal niet meer bevatten kan. Het kind
+leeft als in een droomwereld, in een tooverland van fantasie, waarin
+ook het stugste en meest bekrompen kind een rijkdom van begrippen,
+van spraakvormen, van mimiek en pantomimiek vertoont, die vaak
+verwondering wekken. Een groote faktor is de navolgingslust, die de
+geheele maatschappij, in het klein, in miniatuurvorm, tracht weer
+te geven: soldaatjespelen, schoolspelen, moedertjespelen--waarbij
+dikwijls zulke fijnzinnige verschuiving der voorstellingen plaats
+vindt--ja zelfs begrafenisspelen behoort tot de geliefkoosde thema's
+(zie beneden). De voornaamste spelen zijn van socialen aard en worden
+door de gemeenschap uitgevoerd, die al vrij dikwijls òf de jongens,
+òf de meisjes afscheidt: zoo vindt ook reeds in het spel de neiging
+tot differentiatie haar uiting, en met name de tegenstelling der
+beide geslachten wordt met het jaar scherper.
+
+De grootste tijdsruimte der jeugd wordt ingenomen door het spel. Het
+is veelsoortig, omdat ook de latere menschelijke werkzaamheid zoo
+veelsoortig is. Het spelen van het kind is reeds berekend op het
+handelen van den man: het is een voorschool van het leven.
+
+Over den oorsprong van de spelen kan ik kort zijn. Men heeft dien
+in Indië, in Griekenland, te Rome en waar al niet gezocht. Het
+bikkelspel vindt men vermeld bij Homerus (Ilias XXIII, 88); het
+kiskassen,--waarbij gladde, platte steentjes, tusschen duim en
+voorsten vinger gevat, beurtelings strijkend en opspringend over een
+watervlakte vliegen--wordt merkwaardig overeenstemmend beschreven in
+het _Onomasticon_ van Julius Pollux en in den _Octavius_ van Minucius
+Felix. Maar hier is geen sprake van navolging of gemeenschap van
+oorsprong, tenzij men als zoodanig de algemeene kinderlijke speeldrift
+wenscht te beschouwen. Dit neemt niet weg, dat enkele kinderspelen
+van elders komen, of op eigen bodem, gedurende eeuwen, van geslacht
+op geslacht zijn overgegaan, zoodat zij nog maatschappelijke vormen
+bewaren, welke de maatschappij der volwassenen reeds lang heeft
+afgelegd. Ook in de bijbehoorende rijmpjes kan menig overleefsel
+besloten liggen. Zoo is in vele aftelrijmen sprake van "Engelland",
+"naar Engelland varen": hiermee wordt bedoeld het zielenrijk, het
+Oudgermaansche hemelsche lichtland.
+
+Niemand heeft grondiger en vollediger, en tevens met meer toewijding de
+kinderspelen onderzocht dan De Cock en Teirtinck in hun standaardwerk:
+Kinderspel en Kinderlust, 8 dl. (Gent 1902-1908); zie verder Ter Gouw,
+De Volksvermaken, bl. 28 vlg.; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven,
+bl. 412 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 225
+vlg. Kinderspelen, die met speelliedjes gepaard gaan, bespreek ik in
+het Vijfde Hoofdstuk.
+
+Men heeft dikwijls de meening geuit, dat de verschillende spelen
+geregeld en op gezette tijden in de verschillende jaargetijden
+terugkeeren. Dit blijkt slechts ten deele juist. Een groot aantal
+spelen is noch aan maanden, noch aan jaargetijden gebonden. Met de
+auteurs van Kinderspel en Kinderlust nemen wij bij de rangschikking
+als grondslag den aard van het spel zelf. En zoo onderscheiden
+wij, vrijwel in overeenstemming met hun indeeling: loopspelen,
+springspelen, dansspelen, werpspelen, ambachtspelen, raadspelen,
+schommelspelen, knikkerspelen, tolspelen, hoepel- en vliegerspelen,
+sneeuw- en ijsspelen.
+
+Loopspelen. Het _steltloopen_ was reeds bij de Grieken en Romeinen
+bekend. Vroeger hadden op verscheidene plaatsen gevechten op stelten
+plaats; thans verbindt men hier of daar nog het soldaatjespelen
+met het stelten loopen. In Vlaanderen spreekt men van _schaatsen_
+en _krikken_.--Zeer algemeen is het _krijgertje-spelen_, op
+de eilanden van Zuid-Holland ook wel _Jaagje-spelen_, elders
+_haarvaartje-spelen_, Limb. _naloopertje-spelen_, België meestal
+_katje-jagen_ geheeten.--Overoud is het _boompje-verwisselen_ of
+_stuivertje-wisselen_, in België meestal _vierhoeken_ genoemd. Van
+de vijf spelers houden vier een hoek, een boom, een paal b.v. bezet,
+terwijl bij het wisselen de vijfde moet trachten, een der vrij komende
+plaatsen in te nemen. Te Zaandijk roept men, als men met een ander
+van plaats wil verwisselen: "Wip hem, soldaatje." In Limburg: "Eeder
+van zien alt-alt iêzer aaf." Vergelijk hiermee het Brunswijksche:
+"_Iser_männeken, hat kein stänneken, kann kein stänneken finnen." Laat
+ik verder noemen het _haasje_- en _blindemannetje-spelen_, wat
+dikwijls met rijmpjes gepaard gaat. Overal bekend, en een echt
+jongensspel is het _baarspel_; de speelplaats is door twee lijnen
+of _baren_ in twee kampen, met een gevechtsterrein daartusschen in,
+verdeeld. Wie geraakt (_getakt_) wordt, is krijgsgevangene; hij moet op
+de baar staan, maar kan door zijn partijgenooten verlost worden. Het
+_verstoppertje-spelen_ heeft tallooze varianten; ik vermeld slechts
+het Limburgsch _bergermuuske-speulen_, het Zaansche _honk-uit_, het
+Geldersche _piepverstoppen_. De _honk_ is de vrijplaats, die bij deze
+spelen gewoonlijk wordt afgebakend of aangewezen. Een mythologischen
+ondergrond meent Dr. Boekenoogen (Navorscher 1891, bl. 107 vlg.) te
+kunnen waarnemen bij het spel van _den wolf en liet schaaf_, in
+Friesland _de zwarte leider_ of _de ruige wolven_ genoemd. Aan de
+Zaan luidt de tweespraak tusschen den leider en den wolf als volgt:
+
+
+ Wolf.--Herder, laat je schaapjes gaan!
+
+ Herder.--Ik durf niet.
+
+ Wolf.--Waarom niet?
+
+ Herder.--Van den ruigen wolf niet.
+
+ Wolf.--De ruige wolf is gevangen
+ Tusschen twee ijzeren tangen,
+ Tusschen zon en maan,
+ Herder laat je schaapjes gaan!
+
+
+De dikke, ruige wolf, gevangen tusschen zon en maan, zou Fenrir, de
+zoon van Loki zijn, die in wolfsgestalte de Asen vervolgde en eindelijk
+gevangen en tusschen twee rotsen werd vastgeklemd. Waarschijnlijker
+gaat dit spel rechtstreeks op een sprookje terug; maar heeft dit
+sprookje zelf geen mythologischen grondslag?
+
+Springspelen. Bij het _haasje-over_ springen tracht elk speler op beurt
+over al de andere, die voorovergebogen staan met de handen op de knie,
+heen te springen; bij het _bok-sta-vast_ staat een jongen met den rug
+tegen een muur, een tweede legt het hoofd in diens gevouwen handen in
+gebogen houding en een derde, een vierde enz. staan, den rug biedend,
+tegen hem aan. De beste springer wipt nu over hem heen, zoo ver hij
+kan, dan volgen de anderen. Het _hinkspel_ wordt meer door meisjes
+dan door jongens gespeeld. Op den grond trekt men een bepaalde figuur
+met verscheidene vakken en de speler moeten nu het hinkhout van het
+eene vak naar het andere voortschoppen. Het voorlaatste vak heet
+in België meestal _helle_ of _halve hemel_, het laatste _hemel_;
+in Baden heet het voorlaatste _Ruhe,_ het laatste _Himmel_.
+
+Dansspelen. Zoowel bij het eenvoudige dansen, als bij het
+_ronde-dansen_, het _reidansen_ en het _touwtjespringen_ wordt een
+groote verscheidenheid van speelliedjes gezongen, te behandelen in
+het Vijfde Hoofdstuk.
+
+Werpspelen. Het kiskassen kwam reeds ter sprake; andere benamingen
+zijn: _stipstappen, botjes-schieten, briezelen, dopperen, keilen,
+kietelen, schiffelen (schievelen_) enz. Insgelijk zeer oud schijnt het
+_boeren (boer-pas-op_), waarbij een kleine steen, de _boer_, volgens
+bepaalde regels, van een grooteren moet afgeworpen worden. Het Friesche
+_tipelen_ geschiedt niet een kort stokje, dat aldus op een steen wordt
+gelegd, dat men het kan doen opspringen, door er met een langer stok op
+te slaan. Of wel, het korte stokje wordt over een kuiltje gelegd en met
+den langen weggeslingerd; de tegenpartij tracht dan het vliegend stokje
+op te vangen. Ook in Groningen kent men dit spel, zie Driem. Bladen IX,
+bl. 63. Aan de Zaan heet het _puntelen_ of _priegelen_, in Hollandsch
+en Belgisch Limburg _pinkelen_, terwijl de algemeene Belgische benaming
+_anjelus-spelen_ is. Veel varianten biedt ook het _op-de-streep-gooien_
+met centen of knoopen, van de _meet_ af naar een andere lijn, de
+_schreef_; België: _overschieten_, Limburg: _steken_, Zaan: _botten_,
+Friesland: _opsmijten_, Gelderland: _pleien_. Maar merkwaardiger is het
+overal bekende _kruis-of-munt-spelen_, vooral wegens de verschillende
+benamingen der beide zijden van het muntstuk; zoo b.v. Zuid-Limburg:
+_haan_ of _plaat_; Antwerpen en Vlaanderen: _kop_ of _letter_;
+Leeuwarden: _kop_ of _luw_; Gelderland: _menneken_ of _letterken_;
+Vriezenveen: _meunte_ of _misse_; enz. Het Vlaamsche _teppeke-schieten_
+heet in Limburg _stöpke-schieten,_ en aan de Zaan _tukkelen_.
+
+Balspelen. De _kaatsbal_ is in Noord-Brabant onder den naam van
+_kwatsbal_, in Hollandsch Limburg onder dien van _prikkebal_, in
+de Kempen als _pakkebal_ bekend. Bij het gewone kaatsspel staan
+gemeenlijk vijf spelers in elk kamp; de bal wordt opgeslagen en de
+tegenpartij tracht hem te keeren.--Ook maakt men vaak zooveel kuiltjes
+als er spelers zijn. Elk speler tracht een bal in een der kuiltjes
+te werpen; en nu is het de taak van den speler, in wiens putje de bal
+terecht komt, den bal te grijpen en een der wegvluchtende spelers te
+treffen. Hij, die geraakt wordt, krijgt een steentje in zijn kuiltje,
+en eveneens als de achtervolgende speler met werpen mist. In plaats van
+kuiltjes bezigt men dikwijls een hoed of pet, hetgeen invloed heeft op
+de benaming. De gewone straf is, dat men door de _roffel_ (de _brits_,
+de _spitsroe_, de _kordons_, de _stommeling_) loopen moet.--Een zeer
+aangenaam spel, met veel afwisseling, maar dat zelden meer gespeeld
+wordt, is het _beerhoeden,_ waarbij een der spelers een grooten bal
+in het grootste kuiltje tracht te drijven, hetgeen de andere spelers,
+die hun kleiner kuiltjes hoeden, met hun stok trachten te beletten. In
+Noord-Brabant noemt men dit balspel _killen_, in België doorgaans
+_zogdrijven_ of _zogspelen_, zoo ook plaatselijk in het Oosten van
+ons land en in Limburg, b.v. te Doenrade, waar evenals in België de
+_zogput_ bekend is. _Raket-_ en _kolfspel_ zijn voldoende bekend.
+
+In het _bikkel_- of _pikkelspel_ kan men twee spelen onderscheiden:
+een meisjesspel, het eigenlijke _bikkelen_, en een jongensspel,
+ook wel _kooten_ geheeten. Het speeltuig verschilt insgelijks: dat
+der meisjes is de schaapskoot, terwijl de jongens bij hun spel de
+kooten der koeien gebruiken. Er bestaat een groot aantal benamingen,
+en wel voor den bikkel zelf, alsmede voor de vier verschillende
+zijden. Terwijl nu bij het meisjesspel tijdens het opspringen van
+den stuiter of bal de bikkels moeten omgekeerd of opgenomen worden,
+wordt bij het kooten--een specifiek Noord-Hollandsch spel--door de
+spelers met een koot (of _klauw_) naar een rij knikkers gegooid;
+zie Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal, _sub verbo_; Terwey, Taal en
+Letteren III, bl. 47.
+
+Al deze spelen dreigen verdrongen te worden door het uitheemsche
+_voetbal-, korfbal-, lawn-tennis-, cricket_- en _croquet_spel.
+
+Balspelen. Het bekende _kegelen_ noemt Ter Gouw "den aanval op een
+_bataillon carré_, met den bevelhebber in 't midden, wien men voorkeur
+poogt te treffen." Vroeger was het ook in Holland vrij algemeen;
+thans wordt het meestal in Vlaanderen, Noord- en Zuid-Brabant en
+Zuid-Limburg gespeeld. De _koning_ heet te Brussel _de dame_, elders
+_de paap, de pee, de zot_ enz. Het _beugelspel_ is in Noord-Brabant en
+Noord-Limburg inheemsch, een zeer hygiënische oefening, die bij goede
+spelers heel wat vaardigheid en kombinatiegave vereischt. Soms dagen
+enkele beugelbazen de spelers van een ander dorp uit. Na bepaald te
+hebben, wie de strijders zijn, en hoeveel partijen zullen gespeeld
+worden, begint de wedstrijd. Winnen de uitdagers, dan worden de
+_slagers_ der tegenpartij meegenomen en men spreekt af, wanneer de
+verliezers revanche zullen nemen.
+
+De ambachtspelen berusten hoofdzakelijk op den besproken socialen
+lust ter navolging of nabootsing. Ik vermeld het bakker-,
+kleermaker-, schoenmaker-, weverspelen; paardenbeslaan- en
+koetsierspelen; kruiwagen-rijen; huisjes en ovens bouwen in het zand;
+tuintjes-aanleggen; _zage-zage-menneke_, met bijbehoorend speelliedje;
+botermelk-verkoopen; winkeltje-spelen; schoolspelen; altaarprocessie-
+en kerkhofspelen; soldaatje-, muzikant-, rechtbank-spelen. Dikwijls
+zijn verscheidene bedrijven in éen spel verbonden en spreekt uit
+handeling en dialoog heel wat dramatische kracht. Meisjes spelen
+graag moedertje met de pop; over het bruidje-spelen zie 't Daghet in
+den Oosten XIX, bl. 42. Zeer typisch is ook de neiging om gebreken
+na te doen, vooral scheel-kijken en mankepoot-spelen.
+
+Raadspelen. De eenvoudigste vorm is deze, dat een kind éen of meer
+knikkers (centen enz.) in de dichtgeknepen hand houdt, deze vooruit
+steekt en laat raden: _paar of onpaar?_ Raadt men juist, dan zijn
+knikkers of centen verbeurd; anders ontvangt het kind evenveel van
+zijn speelgenoot. In West-Vlaanderen vraagt men: _effen of ontjes_
+(oneffentjes); in Friesland: _even of on_; Amstelland: _onkes of
+evekes_; Zaanstreek: _onk of eef_; Limburg: _paar of omp_; Gelderland
+en Overijssel_: paar of ompert_. Als algemeen Nederlandsch geldt:
+_even of oneven_. Het _omsteken_ is meer algemeen, n.l. door het
+vooruitsteken van de hand en het raden naar den inhoud bepalen,
+wie van de twee spelers iets hebben zal, wie met iets beginnen mag enz.
+
+Van andere spelen vormt het raden een belangrijk bestanddeel,
+b.v. van _Hansje-mijn-knecht_ (Groningen, Deventer, Friesland),
+dat vrijwel met het Vlaamsche _goud-verkoopen_ en _koleuren-geven_
+overeenkomt. Eén fungeert als heer, verkooper enz., éen of twee zijn
+dienstbaar (knecht, engel enz.), de andere kinderen krijgen een
+bepaalde kleur, of verbeelden een voorwerp, als: gouden halsband,
+zilveren kurk, juweelen ring. De dienaar moet kleur of voorwerp
+raden en mag het kind dan meenemen. Zijn er twee dienaren, dan vormen
+zich twee kampen, en het spel eindigt met _lijntrekken_, dat ook bij
+andere spelen als finale dient: de partij, die over de lijn getrokken
+wordt, verliest. Het Vlaamsche kleurenspel is typisch dramatisch;
+het beeldt uit den strijd om de ziel tusschen engel en duivel in het
+Laatste Oordeel.
+
+Van de zoekspelen is het _slofje-onder_ wel het meest bekend. Hierbij
+wordt een slof onder de kniëen van de spelers doorgeschoven, die in
+een kring op den grond zitten. Te Zaandijk roept degene, die de slof
+heeft, terwijl hij daarmee op den grond klopt, om den zoeker (die
+"er aan" is) te waarschuwen:
+
+
+ Herrie, herrie, herrie!
+ Slof-slof-slof.
+
+
+Elders heet het _schoentje-schuiven_, te Antwerpen _schoentje-lap_;
+in het buitenland is dit spel eveneens zeer verspreid (_jeu de la
+savate. Pantoffel sunchen_).
+
+Ook de orakelspelen kunnen bij deze groep gerangschikt worden. Zal
+ik trouwen en met wie? Dat wordt op een strengetje koralen afgeteld:
+edelman--bedelman--dokter--burgemeester--koning--generaal enz.--Hoe
+ben ik in het bezit van jas of vest gekomen? Dat wordt op de
+knoopen afgeteld: geholen--gestolen--gevonden-- gekocht (Limburg);
+gekocht--gevonden--gestolen--g'had (Vlaanderen); enz.--Waar zal ik na
+den dood belanden? Weer doen de knoopen dienst: hemel--hel--vagevuur.
+
+Schommelspelen. De eenvoudigste schommel is een boomtak, bij voorkeur
+een buigzame wilgetak. De knaap tracht hem te grijpen, laat er zich
+aan hangen en een makker brengt hem in een schommelende beweging. Een
+andere natuurlijke schommel is de wipplank; het spel heet in de
+Kempen _kwikkwakken_, in het Geldersch-Overijsselsche _wibbelen_,
+op de Veluwe _wipperwappen_, algemeen _wippen_. Het eigenlijke
+schommelspel veronderstelt een koord, met of zonder zitplank. De
+Noord-Brabantsche benaming, die ten deele ook voor Antwerpen en
+Brabant geldt, is _sturen_; in Limburg heet het spel _schokken,
+schokkelen, sjokkelen, joekelen_ (Kessel), _varen_ (Venloo); elders
+_bijzen_ (Geeraardsbergen enz.), _rennen_ (Brugge), _rijtakken_
+(Kempen), _roesjen_ (Ninove enz.), _ruilen_ (Deventer), _talteren_
+en _tiltalteren_ (Noord-Nederland) enz. Maar hierover nader bij
+de speelliedjes.
+
+Knikkerspelen behooren tot de meest geliefde jongensspelen. Men
+heeft drie soorten van knikkers: 1. De gewone zuiver-ronde,
+grijs-blauwe knikker, uit een soort kalksteen vervaardigd: _knikker,
+marbel_ (België), _estrik_ (Overijssel), _huuf_ (Zuid-Limburg),
+_kuls_ (Noord-Limburg), _knar_ (Zaanstreek). 2. De "knikker" (in
+Noord-Nederland maakt men geen verschil) uit gebakken potaarde en
+geelbruin van kleur; hiervoor is de gewone Belgische benaming
+_knikker_, verder: _klits_ (Zuid-Limburg), _gepotsiemelde_
+(Venloo enz.), _pottebakker_ (Noord-Nederland). 3. De grootere,
+schoonere knikker, insgelijks gebakken en zeer hard: de _stuiter_ of
+_stuitknikker_; met tallooze plaatselijke benamingen, b.v. _bolket,
+bonket_ (Vlaanderen), _kalebas, alikas_ (Westzaan, Assendelft,
+Waterland, Vlaardingen), _lavoor_ (Aalst) enz.
+
+Het knikkerspel is niet alleen in Europa, maar over de geheele
+wereld verspreid. In het Oosten is het algemeen. Men mag het ook als
+praehistorisch beschouwen, daar men de kleine, bontgeverfde steentjes,
+in de Oostfriesche urnen gevonden, gereedelijk als knikkers beschouwen
+kan; zie R. Andree, Ethnographische Paralellen und Vergleiche
+(N.F. Leipzig 1889), bl. 92 vlg.
+
+Men heeft vooreerst knikkerspelen, waarin _geschoten_ wordt. Het
+schieten is niet iedermans werk. Een goed schieter klemt den knikker
+tusschen den top van den wijsvinger en het eerste lid van den duim,
+terwijl slechte schieters hem tusschen den nagel van den duim en
+het derde lid van den wijsvinger klemmen. Ook mag men de hand niet
+vooruitsteken op het oogenblik, dat men den knikker wil loslaten: een
+goed schieter houdt de hand onbeweeglijk, en alleen de duim ageert. In
+vele spelen moet de knikker van den speler den anderen raken; in
+andere niet: dan wint de speler, als hij den afstand tusschen de twee
+knikkers kan _overspannen_ of _overpalmen._ Het schieten gebeurt of
+wel achtereen, of men schiet ingezette knikkers uit een kring; of
+er wordt kuiltje-geschoten (_putje, poet_).--In een andere groep van
+spelen wordt geworpen: de speler werpt met éen knikker, meestal een
+stuiter; ook wordt deze wel eens langs den grond voortgerold.--In een
+derde soort wordt met de knikkers tegen een muur gestuit, _gebot_ of
+_gebotst_: de knikker van den tweeden speler moet, na den muur geraakt
+te hebben, den knikker van den eersten speler raken of zoo dicht bij
+hem liggen, dat hij hem kan spannen. Verder worden de knikkers soms
+gerold: het bekende _kuiltje-rollen._ Rolt de speler een paar getal
+in het kuiltje, dan zijn de knikkers zijn eigendom, anders zijn zij
+de winst van de tegenpartij. De knikkers worden ook veelal in het
+kuiltje _gestuikt_. Voor het overgroot aantal benamingen en alle
+verdere bijzonderheden verwijs ik nogmaals naar het werk van De Cock
+en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust; over dialektische uitdrukkingen
+in het Venloosche knikkerspel, zie Limburg's Jaarboekje XX, bl. 161.
+
+Tolspelen. De meest gebruikelijk Hollandsche benaming is _tol_, België
+_top_, een woord, dat ook in Holland, Drente en Friesland gevonden
+wordt. Hiernaast komt voor: _priktol_ in Nederland, _pindop_ in
+België, _dop_ in Nederland en België. Het woord _drieftol_ vindt men in
+Nederland benoorden het Noordlimburgsche Afferden; de Zuidlimburgsche
+benaming voor den drijftol is _kokerel_, met talrijke varianten. De
+gewone wijze van tollen met den werptol is deze: de speler neemt den
+tol in de linkerhand, legt het dunnere uiteinde der koord eerst om de
+pin, draait dan de koord spiraalvormig om het hout, klemt het dikkere
+uiteinde tusschen pink en ringvinger, heft de hand boven het hoofd
+en trekt af. De tol komt op den grond terecht en draait om zijn as;
+men kan hem nu op de hand wippen en laten doordraaien. De drijftol
+wordt aan het draaien gebracht of gehouden door een zweep. Van de
+verschillende samengestelde tol-spelen vermeld ik het _potje-tollen,_
+Friesch: _top-dikeljen,_ Belgisch: _oken-kappen._ Men trekt op de
+speelplaats een kring. Een der spelers zet uit, d.i. laat zijn tol
+binnen den kring ronddraaien. Nu tracht een ander dezen tol met
+den zijnen zoo te treffen, dat beide ver weg spatten. Gelukt dit,
+en geraakt daarbij de treffer van het gaan af, dan is de eigenaar
+verplicht, zijn tol binnen den kring te leggen. Deze wordt nu het
+mikpunt van alle anderen en alle tollen, die hierbij van het gaan
+af raken, moeten binnen den kring gelegd worden. Zie Dijkstra, Uit
+Friesland's Volksleven I, bl. 234.
+
+Hoepel- en vliegerspelen. De _hoepel_ is van hout of van ijzer en
+wordt door middel van een stok voortgedreven. Hij heet _bandel_ van
+af het Noordlimburgsche Afferden tot in Gelderland en Overijssel,
+_bendel_ in Noord-Brabant, _reep_ in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant
+en Oost-Vlaanderen, _reip_ in Hollandsch en Belgisch Limburg, _band_
+in Oost- en West-Vlaanderen.
+
+De _vlieger_ moet meer lang dan breed zijn, b.v. 70 centim. lengte
+op 40 centim. breedte; ook dienen de twee vleugels even zwaar
+te wegen. Eerst maakt men het geraamte: lat en stokje, met koord
+bespannen en met papier overtrokken. Dan bevestigt men het lange
+touw, waarmee de vlieger wordt opgelaten, en hecht aan het onderste
+deel van den vlieger den staart. Dan gaat het naar buiten, waar het
+waait, maar niet te hevig mag de wind zijn. Men ontrolt een deel van
+het touw en loopt terzelfder tijd tegen den wind in. Dan zweeft de
+_vlieger_ omhoog, als een _vogel_, zegt men in Hollandsch en Belgisch
+Limburg, als een _draak_, meent men in Friesland en Vlaanderen, als
+een _ballon_, heet het in Kempen. Men kan hem een brief nasturen,
+door op het koord doorboorde papierschijfjes te steken: deze worden
+dan door den wind omhoog gevoerd.
+
+Sneeuw- en ijsspelen. Het _glijden_ is een geliefkoosd winterspel:
+_baantje-slieren,_ zegt men in het Land van Waas, _rijzen_ in Brabant,
+_slabrikken, slidderen, slibberen_ in Hollandsch en Belgisch Limburg en
+in Antwerpen. Hierbij kan men den eenen voet achter den anderen zetten,
+of beiden naast elkaar; ook kan men zich onder het glijden op de
+hurken zetten of andere kunststukjes vertoonen. Het _schaatsenrijden_
+is veeleer mannen-, dan kinderspel. Het Vlaamsche woord voor schaats
+is _schaverdijne_, het Brabantsche (en ten deele Belgisch Limburgsche)
+_schrikschoen_, d.i. loopschoen, vlg. het Middelnederl. _scricken_
+"met groote passen loopen", _schrikkeljaar_ "springjaar". Zooals
+bekend, onderscheidt men hard- en kunstrijders. Op éen been rijden en
+'t lichaam naar die zijde sterk doen overhellen, heet _de buitensnee
+trekken_ of _buitenbeens_ rijden; beurtelings de beenen overeen
+leggen, noemt men _overleggen_. Het voornaamste voertuig op het
+ijs is de _slede_. De gewone slee wordt voortgetrokken, terwijl de
+_prikslee_ met prikstokken wordt voortgestooten en beantwoordt aan
+den Belgischen _ijsstoel_. Tot de groep der baksleeën behoort de
+Venloosche _boonebak_.--Van de sneeuwspelen noem ik nog het met
+sneeuwballen werpen en het sneeuwmannen maken. Dit laatste werd
+eertijds zelfs door de kunstbroeders van St. Lukas beoefend.
+
+Toevoegsel. 1. De laatst besproken spelen behooren tot die groep, welke
+een nadere betrekking aanduidt van het kind tot de natuur. Hiertoe
+behoort ook een eigenaardig vuurspelletje, waaraan ik ten slotte een
+enkel woord wil wijden. Weinig spelletjes zijn zoo algemeen verspreid
+als ons _Lutje (Jutje) leeft nog_: een glimmende lucifer of spaan
+gaat van hand tot hand; hij, in wiens hand de laatste vonk uitsterft,
+verliest, en moet pand geven of "op Lutjes welvaart drinken". In
+België heet het spel: _Djilleke leeft nog_, of _Gilleke leeft nog_,
+te Denderbelle _Zielke leeft langst_, in Limburg _Vonkje leeft nog_,
+vgl. het Duitsche _Der kleine lebt noch_ of _Stirbt der Fuchs, so gilt
+der Balg._ Het Brunswijksche _Lütche funke lêwet noch_ herinnert aan
+de Noordnederlandsche uitdrukking. In het Fransch luidt de spreuk:
+_Petit bonhomme vit encore_, in het Provençaalsch _Monnet-viou:_
+zie Mélusine I, bl. 170; II, bl. 429. Het spel is ook in Spanje en
+in Engeland bekend, ja heeft een variant in Siberië: daar gaat een
+brandend hout van hand tot hand; wie het laat uitgaan, moet als boete
+voor de anderen een dans uitvoeren.
+
+2. In hun spelen en spelend met elkaar omgaan bezigen de kinderen niet
+zelden formules en spreekwijzen, die herinneren aan oude, uitgestorven
+rechtsbegrippen en rechtshandelingen; Gaidoz en Rolland noemen dit:
+"le folklore juridique des enfants". Het vindingsrecht is bij hen
+nog volop in zwang. Te Hamme (Z.-B.) vraagt de vinder:
+
+
+ Wie is er iets verloren
+ Van achter op den toren?
+ Wie is er iets kwijt
+ Van achter op den dijk?
+
+
+En antwoordt een der kinderen "ik", dan dient hij het voorwerp
+wel degelijk nauwkeurig te beschrijven, om het verlorene terug te
+krijgen. Wordt het niet opgeëischt, dan grondt de vinder zijn recht
+op de spreuk:
+
+
+ Die vindt, die houdt.
+
+
+Vinden twee kinderen een voorwerp te gelijk, dan is het zaak, het eerst
+de geijkte formule uit te spreken, om het eigendomsrecht te erlangen;
+ook dient de formule onder het oprapen te worden uitgesproken.--
+
+Het schenkingsrecht heeft als hoofdbeginsel: "eens gegeven, blijft
+gegeven". Ook het ruilrecht doet zich gelden, in zoover elke
+ruilhandeling vergezeld gaat van een rijmpje of formulier, dat ze
+bekrachtigt en onherroepelijk maakt. De ruiler wordt met de hel
+bedreigd, als hij zijn woord breekt:
+
+
+ Kuutje-buutje [ruilen] snel,
+ Dreimoal deur de hel;
+ Op trap, trap neer,
+ Elk zien ijgen goud [goed] weer.
+
+
+Aldus in de Groningsche volkstaal: Molema, Wörterbuch der Groningschen
+Mundart (Norden u. Leipzig 1888), bl. 232. Zie verder De Cock,
+Volkskunde XV, bl. 193; XVI, 54, 151, waar nog uitvoerig de kindereed
+besproken wordt: "Mijn kop af"; enz.
+
+De eerste _schooldag_ is een gewichtig moment in het leven van het
+kind. De kinderen verheugen zich op dezen dag, want in en buiten
+school wordt hun de eerste schrede op den weg der kennis en wetenschap
+niet zelden in den letterlijken zin des woords verzoet. Over de
+schoolfeesten, met name over den Gregoriusdag en het feest der
+Onnoozele Kinderen, werd reeds gesproken. Feestdag was voorheen,
+en wellicht nog hier of daar te platten lande, de verjaardag van
+"Mijnheer"; maar de dagen, waarop bij die gelegenheid een schoolklucht
+gegeven werd met menigen raken zet, behooren overal reeds lang tot
+het verleden.
+
+Over het algemeen heeft het gemoedelijke der oude scholen, toen
+de meester meer vaderlijk met de kinderen omging, voor het meer
+saai-officieele de plaats geruimd; dit hangt natuurlijk met den
+vooruitgang der maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkeling,
+maar toch ook wel met begripswijziging over de vorming van het kind
+samen. Prijsuitdeelingen, waar ouders en kinderen zich in plechtgewaad
+heen begaven, zijn nog slechts uitzonderingen. De nieuwjaarsbrief
+wordt veelal nog op school opgesteld.
+
+Aan het slot dezer periode (van 6-12) stond nog kort geleden de
+plechtige _eerste-Kommuniedag_ voor de katholieken; in het noordelijk
+volksgebied spreekt men meestal van het _aannemen_, overeenkomstig de
+uitdrukkingen, gebezigd in de protestantsche kerken. Het _aangenomen
+worden, lidmaat worden_ of _belijdenis doen_ bij de protestanten,
+een toelating tot het genot van het heilige avondmaal en besluit van
+het katechetisch onderwijs, heeft echter in den regel eerst op den
+leeftijd van om en bij de twintig jaar plaats. In katholieke streken
+was de Eerste-Kommuniedag een familiefeest in den goeden zin van
+het woord. Eenige dagen te voren ging in de Oostvlaamsche dorpen de
+"eerste-kommunikant" aan peter en meter een "kruisken vragen"; en
+algemeen was de gewoonte, onmiddellijk vóor de plechtigheid de ouders
+om hun zegen te vragen en om vergiffenis. In feeststoet togen dan de
+kinderen, de jongens in stemmig zwart, de meisjes als bruidjes in het
+wit en met een bloemkrans getooid, onder de begeleidende tonen der
+muziek kerkwaarts. Op enkele plaatsen in Limburg, b.v. te Venloo,
+droegen de kommuniekinderen _pelmkes_, d.i. oleander-, laurier-
+of hulsttakjes, met goud- of zilverblad belegd, al naar gelang de
+sekse. Meestal had ieder zijn _paar_. Een familiemaal, afzonderlijk
+of "paarsgewijze" gehouden, besloot dezen merkwaardigen dag, voor de
+meesten een blijde herinneringsdag.
+
+Nu zijn jongens en meisjes kind-af; immers "zij hebben de
+kinderschoenen uitgetrokken en aan de kerkdeur laten staan".
+
+
+
+II. Liefde en huwelijk.
+
+
+_Minnen en werven_. Het woord _minnen_ is niet aan de volkstaal
+ontleend. Deze kent noch (_be_)_minnen,_ noch een stamverwant, woord
+van het Hoogduitsche _lieben_, maar slechts slappe omschrijvingen
+als: _goed mogen lijden, liefhebben_ of _hebben, gaarne sien_
+enz. Daarentegen is aan woorden en wendingen, die het begrip "vrijen",
+of ook een ruweren vorm van minnen en liefkoozen uitdrukken, geen
+gebrek.
+
+Bij verscheidene gelegenheden trachten de jonge meisjes door
+liefdesorakels den sluier der toekomst op te lichten, met name op
+Sint-Thomas-, Sylvester- en Paaschdag; over het _schoenwerpen_ is
+reeds gesproken (bl. 123); op Nieuwjaarsnacht ziet men den geliefde
+in den spiegel. Van de Middeleeuwsche minnedrankjes en sympathetische
+toovermiddelen zijn nog slechts zwakke overleefsels overgebleven,
+allereerst de zegswijze: "een minnedrankje ingenomen hebben". Van
+de thans nog bestaande liefdeverwekkende middelen vormen de haren,
+nagelknipsel, zweet en bloed de hoofdbestanddeelen. Naar men weet,
+vindt men overeenkomstige gebruiken bij de volken met lage kultuur. Ook
+bezigt men te dezen einde valeriaan en wilde alsem, in den zak of
+op het lijf gedragen; zie Volkskunde XI, bl. 242; XII, bl. 62, 136,
+242; XXIV, bl. 51. Daarentegen dient het leggen van _nestelknoopen_,
+knoopen in een riem of veter, om andermans huwelijksgeluk te
+bederven. Het is een overoud sympathetisch toovermiddel, waaraan
+dezelfde volksvoorstelling ten grondslag ligt, als aan de voorzorg,
+gedurende de trouwplechtigheden geen knoopen in de kleederen te
+hebben.--Ook versmaadt men niet, bij waarzegsters en kaartlegsters
+te rade te gaan; en eindelijk, het bloemenorakel speelt nog steeds
+een voorname rol.
+
+Droomt men van een huwelijk, van een bruiloft, dan heeft men
+een doode te wachten. Men kan dit volksgeloof door de algemeene
+"droomverklaring door omkeering" uitleggen en vergelijken met het
+droomen over geld, hetgeen armoede, over omhelzing, hetgeen verraad
+beduidt. Deze verklaring wordt ons aan de hand gedaan door Tylor,
+die bij de Zoeloe's zulke droomverklaringen waarnam, verwekt door een
+streven, zich tegen dwaling te beveiligen; want de Zoeloe's hadden
+vaak ondervonden, dat hun droomen zich niet verwezenlijkten. Nochtans
+geloof ik hier nog een anderen faktor te zien. Telkens en telkens
+weer openbaart zich in het volksgeloof de schrijnende tragiek van
+het leven met zijn gedurige wisseling van lief en leed. Een verdere
+overeenkomst tusschen de huwelijks- en begrafenisgebruiken is deze,
+dat beide in betrekking staan tot de zielen der afgestorvenen, vooral
+van de voorvaderen.
+
+Men moet zijn dochters vroegtijdig uithuwelijken; "dochters en doode
+brasems moet men niet lang bewaren," meent het volk, en trouwens
+"wie dochters heeft, is altijd herder," en "een huis vol dochters
+is een kelder vol zuur bier." Heeft de jonge dochter drie kruisjes
+achter den rug, dan komt zij "op Sint-Anna's schapraai" (Limburg:
+_schaap_), of -bankske, of -kapelleke. In Vlaanderen kent men nog
+"het schipken van Sint-Annuit", wat waarschijnlijk op een verwarring
+berust. Dan zegt men, dat "Hein-van-pas maar niet wil komen," of "dat
+haar vent te Wachtebeke woont." Intusschen gebeurt dit op het land
+vrij zelden, immers "daar is geen potje zoo scheef, of er past wel
+een dekseltje op," en ook is "geen schip zoo oud, of 't doet nog wel
+eens een reisje." Algemeen wordt het gelaakt, wanneer slechts "het
+geld getrouwd wordt"; niet zelden trouwt men echter in de familie,
+"opdat het geld bij elkaar blijve."
+
+Oudtijds kende men _vrijstermarkten_, en vooral die van Schermerhorn
+was bekend. Boerenzoons, die graag een meisje wilden kiezen, bestelden
+"koopdag" in _De Valk_, en lieten dit door den dorpsomroeper bekend
+maken. De trouwlustige meisjes togen dan naar de herberg, waar de koop
+gehouden werd. Een andere soort van vrijstermarkt was slechts voor
+'t kermishouden ingesteld, al had deze dan ook meermalen een huwelijk
+ten gevolge; en hiertoe behoorde de Schagermarkt. Veel overeenkomst
+hiermee vertoont het gebruik op eenige dorpen van Noord-Holland, dat de
+meisjes zich des Zondags na kerktijd neerzetten op het muurtje van het
+kerkhof, wachtende tot er een gezel komt, die haar zal uitnoodigen,
+om te zamen ter herberg te gaan; en eveneens de _Maartekeur_ te
+Lochem en te Borculo op een marktdag in Maart, met het oog op de
+aanstaande Meimarkt. Dan staan de boerinnetjes in een lange rij over
+de geheele lengte van het plein en worden met rood of wit krijt op
+den rug gemerkt. Zie hierover vooral J. H. Scheltema, Volksgebruiken
+der Nederlanders bij het vrijen en trouwen (Utrecht 1832), bl. 65 en
+Mr. N. de Roever, Van Vrijen en Trouwen (Haarlem 1891), bl. 81 vlg.
+
+De gewone en betere wijze is echter een bezoek ten huize, immers "de
+beste koeien worden op stal verkocht". Hierbij is het verstandig, zich
+eerst van de genegenheid der moeder te vergewissen; want "wie eerst
+de dochter en dan de moeder vangt, vat het varken bij de ooren". Ook
+wordt het terrein wel eens verkend door een huwelijksmakelaar,
+soms _heiligmaker_, in West-Vlaanderen _handknecht_ genoemd. Dit
+_heiligmaker_ is een volksetymologische vervorming van _heilikmaker_,
+d.i. huwelijksmaker, van het Middelnederl. _hîlijc_. Aan de Zaan
+bestond zijn belooning in geld of in een pak nieuwe kleeren: Schotel,
+Zeden en Gebruiken aan de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 43. Ook de
+koek, voor het meisje meegebracht, heet _hijlikmaker_. De verouderde
+Zaansche benaming is _zelschappen_; de meer gebruikelijke benaming
+voor uit vrijen gaan is ten platten lande _uit meiden gaan_. Hiervoor
+is de Woensdag- en Zondagavond het meest geschikt; de Donderdag is
+meer voor weduwnaars; Zaterdagavond is ook niet ongeschikt, maar
+"Zaterdagavondloopers zijn koopers", zegt het spreekwoord. In de
+meeste streken moet de vrijer klokke acht bij het meisje aan huis zijn;
+in alle geval:
+
+
+ Vrijers, die 't meenen,
+ Komen vóor tienen
+ En gaan niet voor eenen.
+
+
+Een uitzondering hierop maakt wel Hennaarderadeel (F.); daar zegt men:
+"Die na achten komen, kunnen vóor negenen weer gaan."
+
+Uit de wijze van ontvangst kan de vrijer al spoedig bemerken, of zijn
+komst en aanzoek welkom is. Blijft het meisje zitten en laat ze het
+stoelzetten aan een der huisgenooten over; neemt de Friesche schoone
+haar oorijzer van het hoofd en klaagt over hoofdpijn, dan weet de
+vrijer, hoe laat het is en kan hij zijn matjes oprollen. Maar wordt hem
+op de vraag: "mag ik mijn pijp, mijn sigaar even aansteken", bescheid
+gedaan, biedt het meisje hem een lucifer, haalt ze hem een stoel,
+brengt ze hem een pijp, dan nemen de zaken een gunstigen keer. Nog
+beter staan de kansen, als hij door de vrijster bij zijn vertrek
+tot aan de buitendeur wordt gevolgd; dat heet rond Aalst _een voois
+krijgen_. Wordt de vrijer afgewezen, dan _loopt hij een blauwe scheen_,
+of _loopt hij een blauwtje_. Deze uitdrukking wordt door Dr. Stoett,
+Nederlandsche Spreekwoorden, n° 214, zeer zeker het eenvoudigst
+aldus verklaard: "zijn scheen stooten, er tegen loopen; vandaar: niet
+slagen." Een andere uitdrukking is: _een korf krijgen, door de mand
+vallen_. Prof. Verdam beschouwt deze uitdrukking als eene herinnering
+aan de oude strafoefening, waarbij de schuldige in een schandkorf
+boven het water te pronk werd gesteld (Handel. v. d. Maatschappij
+d. Nederl. Letterk. te Leiden 1901).--M.i. hebben wij hier stellig
+met het overleefsel eener oude strafoefening te doen, maar niet met
+de boven bedoelde. Ter vergelijking diene het gebruik uit den Eifel,
+waar de minnaar, die een blauwtje geloopen heeft, door de meisjes
+gekorfd wordt: ze werpen hem een bodemloozen korf over het hoofd en
+trekken hem er door heen. In Brunswijk zet men den afgewezene een
+ouden korf op het dak. Oorspronkelijk wordt de _ontrouw_ bij wijze
+van volksrechtspraak aldus gestraft, dan ook de _onvruchtbaarheid_
+bespot; ik spreek hier over aanstonds nader, bij de behandeling van
+den _dorhoed_.
+
+Voorts dient nog vermeld een zonderling gebruik, dat op Texel
+en Vlieland is blijven voortleven, maar vroeger ook op Wieringen
+en Terschelling en in vele Noord-Hollandsche dorpen bestond: _het
+kweesten_ of nachtvrijen; eertijds bestond het in geheel Duitschland,
+ja men mag zeggen over geheel Europa. Dit is een vorm van vrijen,
+terwijl deuren of vensters openstaan, en de minnaar op de deken zit,
+waaronder zijn beminde rust. Mocht soms de vrijer het wagen, niet
+in eer en deugd te kweesten, dan volgde, voorheen althans, steeds
+de volksjustitie bij wijze van ketelmuziek. Laat ik hier tevens nog
+vermelden het _strunen_, het opzettelijk storen der vrijpartijtjes,
+dat, naar het schijnt, in Friesland aan de orde was. Zie Waling
+Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 196 vlg.; De Cock,
+Spreekwoorden en Zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk
+(Gent 1911), _passim_; Virginie Loveling, Volkskunde XV, bl. 152.
+
+Te lange verkeering is over het algemeen niet gewild. "Lange vrijage
+is zelden mariage".
+
+_Dorhoed_ is de Noordhollandsche naam, waarmee ik eenige algemeen
+verspreide liefde- en verkeeringsgebruiken wensch samen te
+vatten. Volgens den Gelderschen Volksalm. van 1837, bl. 106 plaatsten
+de jongelieden op Pinksterdag een strooman, potsierlijk uitgedost,
+op een kar en reden het dorp rond. 's Nachts krijgen de meisjes,
+"die zich zoo taai als leêr houden, of van vrijers veranderen als
+van handschoenen", dien strooman op het dak; soms wordt hij ook aan
+den hooiberg bevestigd. In Zuid-Limburg strooit men kaf op de stoep
+van meisjes, die meer dan éen vrijer hebben. Wij vinden hier het
+gebruik in zijn oorspronkelijken, justitiëelen vorm; de strooman is
+de tegenhanger van den groenen Pinksterman, den vruchtbaarheidsgenius;
+de dorhoed: pop, korf, mand, dorre tak, zelfs kaf alleen, symboliseert
+onvruchtbaarheid. De dorhoed vormt een tegenstelling met den liefdemei.
+
+In Drente is de zoogenaamde _zoore paal_ (dorre paal) het geschenk
+voor een vrijer of vrijster, wiens (of wier) vroegere beminde in het
+huwelijk treedt: een dorre tak, zonder bladeren, gebonden aan de deur
+van het huis. Ook wordt op vele plaatsen de weg tusschen de huizen van
+de(n) ondertrouwde en de(n) verlaten beminde door het strooien van kaf,
+haksel van stroo, zaagmeel enz. gemerkt, of wordt de verlatene daarmee
+bestrooid. In sommige Vlaamsche dorpen worden dan lemen (vlasscheven)
+gestrooid; hetzelfde gebruik is in Zuid-Duitschland en in den Eifel
+bekend: het bespottingsbegrip, dat in de straf lag opgesloten, heeft
+zich zelfstandig ontwikkeld.
+
+Het Noordhollandsch gebruik is nauwkeurig beschreven en toegelicht door
+Dr. Boekenoogen in Volkskunde XIII, bl. 65 vlg.; XVII, bl. 112 vlg. Het
+is een versierde stroopop, die men de verlaten vrijster of den verlaten
+vrijer vereert; dit is meestal het werk der naaste buurgezellen. Het
+gebruik schijnt voor het oogenblik echter alleen nog in Waterland en
+het aangrenzende deel van West-Friesland te bestaan. De dorhoed wordt
+vergezeld van een dorhoedsbrief, waarin verzen voorkomen als deze:
+
+
+ Wilt dit beeltenis aanschouwen,
+ Want het zal uw wel berouwen,
+ Dat zij nu zal trouwen gaan,
+ En gij moet nu agter staan.
+
+
+Evenals men nu een pinkst_kroon_ kent (bl. 199), kent men ook een
+strooien, dorre kroon, en aan deze soort van bruidskroon herinnert nog
+de benaming _dorhoed_, later op de stroopop overgebracht. Zoo werd in
+het Zutfensche den vrijer, wien zijn meisje ontvrijd was, een hoepel
+met stroo om den hals geworpen. Ook Berkhey spreekt van een "kroon
+van gekapt stroo". Het gebruik is insgelijks in Noord-Brabant bekend.
+
+Zooals gezegd, is de dorhoed de oorspronkelijke vorm van bestraffing,
+door het volk den verleider of de verleidster toegediend. Ook wordt
+zij wel eens toegepast op het paar, dat al te veel in jaren verschilt;
+zie hierover Scheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen
+en trouwen, bl. 125.
+
+Op een groot aantal plaatsen is de stroopop een onmisbaar element
+bij de _ketelmuziek_, een anderen zeer gewonen en gebruikelijken vorm
+van volksrechtspraak over al degenen, die openbare ergernis gegeven
+hebben. Hoofdzakelijk is het een serenade met ketel- en ketengerammel,
+belgerinkel, hoorngetoeter, zweepgeklets enz. voor de woning van
+de(n) schuldige of beschuldigde, waarbij een oorverdoovend geschreeuw
+wordt aangeheven.
+
+In België zijn de meest gebruikelijke benamingen: _scherminkelen,
+de beest jagen_ en _den hond branden_. Hier beteekenen _scherminkel,
+beest_ en _hond_ de stroopop. In Noord-Brabant spreekt men van
+_tafelen_, in Noord-Limburg van _varen_, in Zuid-Limburg van _varen,
+toeten, rammelen_ of _huulen_, in Midden-Limburg en verder plaatselijk
+van _den ezel (aan)drijven_. Deze laatste uitdrukking heeft misschien
+betrekking op den Middeleeuwschen ezelrit, maar in alle geval wijst
+het meerendeel der uitdrukkingen op een rondrijden met de stroopop,
+de(n) schuldige voorstellend, onder geraas en getier. Het gebeurt
+bij alle laakbare handelingen, of ook handelingen, die het volk als
+zoodanig beschouwt, b.v. bij een huwelijk met groot verschil van
+leeftijd, of bij het hertrouwen van weduwnaar of weduwe; en eindelijk
+in Limburg ook wel bij andere huwelijken in verband met het _huulbeer_,
+waarover nader. De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude
+gebruiken en volkszeden, bl. 362 vlg., betoogt, dat de ketelmuziek
+oorspronkelijk bij gevallen van hertrouwen plaats heeft en wel om
+de booze geesten te weren, met name den geest van de(n) eerste(n)
+echtgenoot(e), die uit nijd de(n) hertrouwde zou komen kwellen;
+vgl. Weinhold, Zeitschrift des Vereins für Volkskunde X, bl. 206. Maar
+deze meening lijkt mij onhoudbaar: 1. dewijl bijna geregeld de
+ketelmuziek met het onvruchtbaarheidssymbool verbonden wordt; en 2,
+daar dan de ketelmuziek aanvankelijk een gunstige beteekenis zou gehad
+hebben, terwijl toch, zooals De Cock zelf op bl. 372 uitvoerig betoogt,
+sinds de oudste tijden het tweede huwelijk bij het volk in kwaden geur
+stond. Ik houd de ketelmuziek dus voor een vorm der _volksrechtspraak_,
+waarmee wij boven reeds kennis maakten, en die, zooals gezegd, op
+Middeleeuwsche rechtsvormen, maar in haar diepste wezen op voldoening
+van gekrenkte gemeenschapseer berust. In zuidoostelijk Noord-Brabant
+kent men nog andere wijzen om een weerspannig of slecht befaamd lid der
+gemeenschap te treffen: _de buurt_ oefent haar vernielzucht uit op een
+kar van den betrokkene. Typisch is ook het _voor den ploeg spannen_
+van een lastigen echtgenoot, en wel krachtens een besluit van _de
+buurt_, somtijds alleen van de buurvrouwen. Deze brengen dan zelf
+ook het besluit ten uitvoer en drijven den voor den ploeg gespannen
+echtgenoot met haar zweepen en stokken voort. Aldus nog een dertig
+jaar geleden te Turnhout, Hoogstraaten, Bladel, Postel enz. Eenigen
+tijd geleden was dit gebruik ook in Noord-Brabant, o.a. te Reusel,
+nog heerschende. Het is dus meer recent, dan door V. D. Poll in den
+Gelderschen Volksalm. 1887, bl. 161 vlg. vermoed werd.
+
+Van den liefdemei was reeds sprake (bl. 189, 245). Laat ik hier
+bijvoegen, dat te Contich en omstreken de schuchtere minnaar gaarne de
+gelegenheid te baat neemt, zijn liefde te verklaren, door heimelijk een
+mei te plaatsen vóor de slaapkamer zijner beminde. Antwerpsche huwbare
+dochters krijgen _Greefs_ van hun minnaar, d.i. ruiters van spekulatie
+of marsepein, die den Greef van Halfvasten voorstellen (bl. 169).
+
+Met _verloving_ wordt bedoeld "vaste verkeering", daar de min of meer
+plechtige verloving bij de gewone volksklasse zoo goed als onbekend
+is. Men geve den beminde nooit een mesje of schaar ten geschenke,
+want dit breekt de verkeering af (sympathie). Wanneer in Vlaanderen
+een der partijen _beelt_, d.i. het gegeven woord breekt, dan heet het
+ontworpen huwelijk _uitgebrand_, in 't Westvlaamsch _een beel_.--Het
+geven van een ring is een gebruik, dat van de Romeinen tot ons gekomen
+is; en evenals de ring te Rome eertijds het koopkontrakt bevestigde,
+zoo verving in onze landen de ring het huwelijksgeld of handgeld,
+dat met den handslag de verloving voltrok. Over de trouwpenningen
+zie De Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 113 vlg.; Aug. Sassen,
+Noordbrabantsche Volksalm. 1889, bl. 61. De ring behoort te worden
+gedragen aan den ringvinger, omdat, volgens het volksgeloof, van
+daaruit een zenuw loopt naar het hart. Op het land is de ring niet
+gebruikelijk; noodzakelijk was ook de trouwpenning niet, want deze kon
+zeer geschikt vervangen worden door een ander voorwerp: vingerhoed,
+zakdoek, een paar hazelnoten, ja zelfs een stuk koek. Eigenaardig
+was vroeger in Friesland de _knottedoek_, waarin de jonge man eenig
+geld knoopte, om een en ander het meisje aan te bieden, met wie hij
+zich wenschte te verloven. Trok zij den knoop toe, en nam zij dus
+het geschenk aan, dan was de verloving gesloten.
+
+Op vele plaatsen zijn bruidsgeschenken, de zoogenaamde _bruidstukken_,
+gebruikelijk. De bruid vervaardigt, althans plaatselijk in
+Limburg--en eveneens in Zwaben, Westfalen enz.--de hemden, die
+beiden op den trouwdag zullen dragen, alsmede de slaaplakens voor het
+huwelijksbed. Het bruiloftshemd dient ook als doodshemd en de lakens
+als doodsmantel. Daarentegen wordt in Gelderland in de dagen vóor het
+huwlijk het doodshemd met muts en laken afzonderlijk vervaardigd en
+door de bruid met zwart lint gezoomd of met zwart garen gemerkt. In
+het Oosten van ons land maakt men hier en daar zelfs de planken voor
+de doodkist gereed: hier vloeien huwelijks- en begrafenisgebruiken
+ineen; vgl. bl. 241.
+
+Te Stamproy (L.) en omliggende plaatsen moet de bruidegom enkel
+de schoenen aan zijn toekomstige echtgenoote verschaffen; bed
+met toebehoor komt ten laste der bruid. De schoen speelt in de
+huwelijksgebruiken van alle volken een groote rol, en volgens Ernst
+Samter, Geburt, Hochzeit und Tod (Leipzig und Berlin 1911), bl. 195,
+moet hier de schoen als een offer worden beschouwd; zie ook Zachariae,
+Zum altindischen Hochzeitsritual, in de Wiener Zeitschrift f.d. Kunde
+des Morgenlandes XVII, bl. 135. Maar ik geloof eerder, dat wij hier
+met een bepaalde gave te doen hebben, die voor den doode bestemd is,
+evenals het doodshemd. Het gebruik, den doode een paar schoenen in de
+kist mee te geven, is overoud en was eertijds bij alle Indogermaansche
+volken in zwang: de schoen heeft natuurlijk de bestemming, den tocht
+naar het verre land aan gene zijde van het graf te vergemakkelijken.
+
+Straks hebben de kerkelijke afkondigingen of _roepen_ plaats, de
+verloofden "rollen van den preekstoel", zooals het in katholieke
+streken heet, of ook "zij worden van den preekstoel naar beneden
+geworpen"; en na den besloten tijd volgt dan meestal het huwelijk.
+
+Bij den ondertrouw wordt in Noord-Brabant alreeds _de heug_ gevierd,
+en doet men zich te goed aan wittebrood met koffie; ook begint dan
+alreeds het schieten, waarover nader. _Heug_, verg. _heugelijk_,
+komt van het Middelnederl. _hôghe, höghe_ en beteekent "vroolijkheid".
+
+_Huwelijksdag_. Het skelet der huwelijksgebruiken is nog steeds
+Oudgermaansch en vertoont niet zelden Indogermaansch karakter; maar
+meer en meer hebben Christelijke en ook moderne elementen er zich
+aan vastgehecht.
+
+De huwelijksdag draagt in het Duitsch terecht den naam van _Hochzeit_,
+het eerst bij Wolfram v. Eschenbach, nog met de toevoeging:
+"der brûdloufte hochgezît". Immers deze dag is niet alleen het
+voornaamste familiefeest, als zijnde het kulminatiepunt van twee
+menschenlevens, maar hij is tevens een feest voor de gemeente. Naar
+men weet, was _hoogtijd_ eertijds de benaming van alle hooge
+kerkelijke en wereldlijke feesten (bl. 100). De namen _huwelijk_
+en _bruiloft_ drukken een bepaald deel der plechtigheid uit:
+_huwelijk_, vergel. het Gotische _laiks_ "dans", wijst op den dans,
+waaronder bij onze Germaansche voorouders het huwelijk voltrokken
+werd; _bruiloft_, d.i. "bruidloop", beteekende oorspronkelijk den
+optocht, waarmee de jonggehuwden naar hunne woning werden begeleid;
+later werd deze benaming op het heele huwelijksfeest toegepast. Zie
+o.a. Dr. Boekenoogen, Tijdschrift v. Nederl. Taal en Letterk. XI,
+bl. 14; Dr. J. W. Muller, Woordenb. d. Nederl. Taal, _sub verbo_.
+
+Daar is wellicht geen feest, waardoor èn de familie èn de
+gemeenschapszin in zoo hooge mate worden versterkt, als door
+de huwelijksviering. Men gedenkt zelfs de afgestorven leden der
+gemeenschap, vanwaar het treffende gebruik, de graven te bezoeken op
+den huwelijksdag.
+
+Aan Bachofen komt de eer toe, het eerst gewezen te hebben op het
+belangrijke en vérstrekkende ethnologisch-folkloristische verschijnsel
+van het matriarchaat. In zijn opzienbarend boek: Das Mutterrecht
+(Stuttgart 1864), werd een rijk materiaal door hem bijeengebracht om
+te bewijzen, dat vóor den tijd der patriarchale familie-inrichting,
+krachtens welke de man in allen deele het hoofd is van het gezin,
+het menschdom een periode van vrouwenregeering doorleefd zou hebben,
+een tijdperk dus, waarin het "zwakkere geslacht" den schepter zwaaide
+en den man slechts een ondergeschikte rol was toegedacht: volgens hem
+gaat de matriarchale gezinsvorm den patriarchalen vooraf. Deze theorie
+steunt in hoofdzaak op het feit, dat tal van stammen met lage kultuur,
+over de geheele aarde verspreid, het matriarchaat huldigen, en dat de
+diepste folkloristische lagen van bijna alle volken overleefsels te
+over bieden, om een karakteriseeren der matriarchale familie-inrichting
+als de primitieve te rechtvaardigen.
+
+Sommige ethnologen meenden zelfs, dat de folkloristische gegevens hun
+veroorloofden, nog veel omvangrijker konklusies te trekken. Men achtte
+zich in staat tot het ontwerpen eener _ontwikkelingsgeschiedenis
+van het huwelijk_. De verschillende, opeenvolgende stadia dezer
+geschiedenis zouden zijn: promiskuïteit, groepenhuwelijk, polyandrie in
+verscheidene nuancen, polygamie (monandrie), monogamie. Het instituut,
+dat, volgens de meest gangbare opvatting, van lieverlede den weg
+effende tot een geregelde familieverhouding, tot de monogamie en met
+deze tot het patriarchaat, is het roofhuwelijk. Op een hoogere sport
+van ontwikkeling trad voor de ruwe schaking de vrouwenkoop in de
+plaats: een losprijs, aan den beleedigden stam betaald, om weerwraak
+te voorkomen, een soort internationaal huwelijkskontrakt. Hier vertoont
+zich het oorspronkelijk karakter van den bruidschat. Meer en meer trad
+het begrip van beleediging op den achtergrond, terwijl de zoengave
+gaandeweg geheel en al de beteekenis kreeg van een koopsom der vrouw.
+
+Verkocht werd echter alleen de vrouw, niet de kinderen. Deze behoorden
+en bleven behooren aan de moeder en hadden in den oom van moederszijde
+hun natuurlijken voogd en beschermer. Maar steeds sterker ontwaakt
+in de vaderborst de liefde tot _zijn_ kroost, _zijne_ kinderen, wier
+hulp hij trouwens bij het bebouwen van zijn akker niet langer meer kan
+ontberen, en deze sympathie is het, die een erfrecht te hunnen gunste
+tracht in het leven te roepen: motieven van ekonomisch-juridischen
+aard komen in het spel. Een hardnekkige strijd wordt aangebonden,
+waarvan de inzet is het eigendomsrecht over het kind, en het einde
+de volkomen zegepraal des vaders en van het agnatische systeem.
+
+Nu is welhaast de familie gegrondvest, de huwelijksband gestrengeld. Om
+den vaderlijken haard staat het vereende gezin, de vader aan het hoofd;
+want hij is voortaan niet slechts de meerdere over zijn kinderen,
+maar door den losprijs acht hij zich op den duur ook gerechtigd,
+de vrouw, die hem als koopwaar werd overgeleverd, als zijn volle
+eigendom te beschouwen.
+
+De fout van dit systeem, op het oog zoo onberispelijk-nauwsluitend,
+ligt in te oppervlakkige waarneming en te groote generaliseering in
+de gevolgtrekkingen. Men stelt zich niet tevreden met te beweren,
+dat het matriarchaat een ver verspreid ethnologisch verschijnsel is
+en was,--een feit, dat niet valt te loochenen; maar het moet en zal
+de volstrekt-primitieve familie-inrichting geweest zijn; het heet de
+eenig mogelijke: terwijl de huwelijkstheorie niet weergeeft het proces,
+dat zich bij verschillende volkeren ten deele heeft afgespeeld of nog
+voortduurt, maar aanspraak maakt op den titel van _de_ theorie van
+_het_ menschelijk huwelijk. Ik zeg "ten deele"; want een andere fout
+is deze, dat in dit systeem verschillende fragmenten, op verschillende
+punten van den aardbodem verzameld, met een vrij ruime dosis apriorisme
+tot een geheel worden aaneengevoegd.
+
+Vooral bij het beoordeelen en benuttigen der folkloristische gegevens
+moet men uiterst voorzichtig zijn. Juist de huwelijksgebruiken en
+huwelijksvormen bij de verschillende volken heeft men herhaaldelijk
+als sterk-pleitende overleefsels beschouwd; maar gesteld, dat
+zij matriarchale trekken vertoonen, wijzen zij dan juist daarom
+op een primairen toestand? Kan hieraan geen meer volmaakter vorm
+zijn voorafgegaan? "Im Völkerleben gelten die selben Gesetze der
+Entwickelung wie im Leben der Individuen", zegt Paul de Lagarde,
+"und im Leben der Individuen ist ein Sinken überall da festzustellen,
+wo nicht ein Steigen stattfindet."
+
+Wat betreft de beoordeeling der afzonderlijke gevallen, een enkel
+voorbeeld. Wellicht verwijst de Romeinsche huwelijksvorm der
+_coemptio_ naar een tijd, waarin de _manus_, d.i. het volle recht
+van den echtgenoot over de vrouw, niet in schijn, maar in volle
+werkelijkheid werd gekocht. Maar volgt hieruit logisch, dat de koopsom
+de losprijs was, _voor de geschaakte bruid betaald_? Tusschen het
+huwelijk als koopkontrakt en het roofhuwelijk gaapt toch nog een
+diepe kloof.--Verder behoort tot het bruiloftsritueel het bekende
+gebruik, dat de bruid uit de armen der moeder wordt ontvoerd, om dan in
+feeststoet geleid te worden naar het huis van den bruidegom. Hierbij
+komt op tal van plaatsen een schijnvlucht, en zoo goed als algemeen,
+dat de bruid zich verzet of uitbundig weent. Men noemt dit het
+_roofsymbool_, en het is zeer wel mogelijk, dat in enkele gevallen
+dergelijke gebruiken een voormaligen rooftoestand ten grondslag
+hebben. Maar zou hier een meer natuurlijke verklaring niet veelal te
+verkiezen zijn? Juist in de laatste jaren zijn dergelijke gebruiken
+herhaaldelijk als scheidingsgebruiken beschouwd, vooral in het reeds
+aangehaalde boek van A. Van Gennep, Les rites de passage, bl. 165
+vlg. Zie ook mijne Essays en Studiën, bl. 162 vlg.
+
+Na deze, tot het goed begrip der gebruiken m.i. noodzakelijke
+voorafgaande bespreking, vat ik den draad mijner uiteenzetting
+weer op. Wat betreft de bruidsgaven, dient men nog op te merken,
+dat in alle geval niet als sporen van een alouden koopprijs die gaven
+kunnen beschouwd worden, welke de beteekenis eener nauwere vereeniging
+dragen, zoo b.v. linnen, halsdoek, wederzijds gegeven luxe-voorwerpen
+enz. Bruid en bruidegom treden hierdoor in een nauwere zedelijke
+betrekking, evenals de gast tot den gastheer--en omgekeerd--door het
+geven van het gastgeschenk: aldus in de Oudheid Glaukos en Diomedes
+door het wisselen hunner wapenen.
+
+Wat betreft den huwelijksdag, houdt het volksgeloof er weer een
+eigenaardige zienswijze op na. Liefst trouwt men op Dinsdag en
+Donderdag, niet op Woensdag of Vrijdag; en vooral met wassende maan
+(sympathie). De meimaand is ook zeer ongeschikt: "Wat in de meimaand
+trouwt, daar is geen goed haar aan"; zie De Cock, Spreekwoorden
+en Zegswijzen over de vrouwen enz., bl. 161. Een bruid mag zich
+niet _vóor_ den bruiloftsdag in het bruidskleed vertoonen. Om op den
+huwelijksdag goed weêr te hebben, dient men de kat goed te voeren (zie
+bl. 86, 90). Een droeve bruid maakt een blijde vrouw en omgekeerd
+een blijde bruid een droeve vrouw; want "een bruidsgewaad is wel
+eens met rouwgoed gevoerd". Weent de bruid op den trouwdag niet,
+dan vloeien de tranen in het huwelijk.
+
+Het _noodigen ter bruiloft_ vindt men nog slechts op enkele plaatsen in
+het Oosten van ons land in zijn voormaligen plechtigen vorm; en ook in
+Drente hebben de _wasschupsneugers_ veel van hun vertoon en beteekenis
+verloren. _Wasschup_ is identiek met _waardschap_ en beteekent
+"gastmaal, feestmaal"; over deze _neugers_ zie H. Tiesing, in de Vragen
+van den Dag XVIII, bl. 155; vgl. Driem. Bladen IX, bl. 77. Het noodigen
+gaat van de buurt uit en wordt als _noaberplicht_ beschouwd. Te Borkulo
+doen twee jongezellen uit de buurt als _broedlachtneugers_ dienst; zij
+trekken er op uit met bontversierden hoed en stok en vangen aldus aan:
+
+
+ Goen dag!
+ Hier stoa ik op mienen staf,
+ En weet niet, wat ik zeggen mag ...
+ Nou weet ik, wat ik zeggen mag; enz.
+
+
+Meestal noodigt het bruidspaar zelf de gasten tot het feest, dat ook
+ten huize der bruid zal plaats hebben. Veelal wordt een voorbruiloft
+gehouden, in het Friesch _gearjift_, vergel. de Noord-Brabantsche
+_heug_ (bl. 249): het is een scheidingsgebruik zoowel voor de bruid
+als voor den bruidegom. Het Friesche woord wijst nog op de vroegere
+gewoonte, bij deze gelegenheid giften samen te brengen. Maar nog steeds
+wordt door de buren en buurmeisjes geld opgehaald om de onkosten te
+bestrijden van het sieren, schieten enz.
+
+Zoo is dan de huwelijksdag aangebroken. De buurmeisjes hebben den
+_neuzik_ vastgespeld; ook de bruidskroon is klaar, eertijds door
+de vriendinnen gevlochten. Zij is, evenals de ring, van Romeinschen
+oorsprong en door de Kerk in onze zeden ingevoerd. Hetzelfde geldt
+van de bruidskaars, die een gekerstende vervorming is der Romeinsche
+huwelijksfakkel, welke dienst deed bij het heemgeleide. De buurt
+is feestelijk uitgedost en prijkt met festoenen en eerebogen met
+toepasselijke opschriften. Veelal wordt nog een huwelijksmei geplant
+vóor het huis: lotsboompje, waarmee het huwelijksgeluk van het jonge
+paar verbonden is, vergel. den _levensboom_ op bl. 214. Van alle huizen
+wappert de driekleur en in feeststoet keeren bruidegom en bruid met
+getuigen, bruidsmeisjes, familieleden, vrienden en bekenden uit de
+kerk huiswaarts. Het burgerlijk huwelijk heeft veelal reeds daags te
+voren plaats gehad.
+
+Nu wordt het paar feestelijk ingehaald. De meeste hierbij gebruikelijke
+vormen zijn ontleend aan den alouden feeststoet, waarbij de bruidswagen
+een hoofdrol speelt, en dien men nog betrekkelijk zuiver in Drente
+en in den Achterhoek weervindt. Wij bedoelen het _heemgeleide_, dat
+nu eens in afzonderlijke bedrijven, dan weer op verschillende dagen
+plaats vindt. Doorgaans werd deze stoet gehouden vóor den bruiloftsdag.
+
+De bruidegom komt dan met een groot aantal open boerenwagens vol
+jongens en meisjes aanrijden. Deuren en vensters van het huis der
+bruid zijn dicht. Maar éen der jongelui treedt vooruit en verklaart
+in gebonden of ongebonden taal, dat hij de bruid komt opeischen,
+waarna de banderdeur zich opent en de geheele schare binnenlaat. Nu
+gaat op de deel de kom met brandewijn rond, er wordt gefeest,
+gegeten, gedronken en gedanst, en eindelijk rijdt de bruidegom met
+de bruid op den versierden bruidswagen huiswaarts. Deze wagen, of de
+volgende, zijn bepakt met beddegoed, stoelen, melkstel, spinnewiel
+enz. Soms staat ook de bezem op den wagen, in Westfalen bindt men
+er een haan boven op. Bezem en haan moeten de booze geesten verjagen
+(bl. 96). Ook het schieten, dat thans nog zoo goed als over de geheele
+uitgestrektheid van ons volksgebied gebruikelijk is, en nu uitsluitend
+het karakter van vreugde en huldebetoon aanneemt, moest eertijds de
+geesten verdrijven, om aldus zegen en vruchtbaarheid voor het huwelijk
+te verwerven (vgl. bl. 102, 128). Hier of daar komt wellicht, ouder
+gewoonte, nog de bruidskoe achteraan. Te Rijssen (O.) werd of wordt
+(?) die koe gesierd en op stal gezet onder een deel van de zoldering,
+dat uit geschaafde eikenplanken bestond; zie Driem. Bladen III, bl. 11.
+
+Herhaaldelijk op weg naar de nieuwe woning wordt de bruid geschut. Een
+rest hiervan is zelfs het Vlaamsche gebruik, dat arme vrouwen en
+kinderen de bruid bij het verlaten van het kerkportaal _de schoenen
+vegen_, natuurlijk om een fooitje te krijgen. Verderop wordt de
+weg door een koord versperd, en ook hier dient de doortocht te
+worden gekocht: in Vlaanderen heet dit, rond Aalst, _afspannen_,
+en westwaarts _stroppen_. In Nederland vindt het paar den weg door
+een balk of versierde lijn versperd; in Baden en Tirol hakt men het
+koord tegen losgeld met een sabel door. Aldus wordt de bruid uit
+hare gemeenschap, vooral uit de buurtgemeenschap, afgekocht en in
+de nieuwe ingekocht: het is een scheidings- en opname-ritus. Volgens
+Samter, Geburt, Hochzeit, Tod, bl. 162 vlg., wordt eigenlijk niet aan
+het bruidspaar, maar aan de kwade geesten de weg versperd. Bij deze
+verklaring steunt hij vooral op het Indisch gebruik, fijne blauwe en
+roode draden over den bruidsweg te spannen. Hiervoor zou ook pleiten
+de vroeger in ons land heerschende gewoonte, door een bezem den weg te
+versperren; immers volgens een wijd en zijd verspreid volksgeloof kan
+men zich juist door het keren zeer doeltreffend van de geesten ontdoen;
+vergel. den bezem op den bruidswagen en het keren in het sterfhuis.
+
+Onderweg strooit de bruid geldstukjes, appelen, noten en andere
+versnaperingen.
+
+De woning der bruid is versierd, de zetels van het jonge paar zijn
+omkranst, kinderen strooien bloemen, buurmeisjes bieden den eerewijn
+aan en zeggen gedichtjes op, den bruidegom wordt een versierde pijp
+aangeboden enz. Ook wordt wel eens de geheele stoet in alle bevriende
+huizen, waar hij voorbij trekt, _beschonken_, d.i. op brandewijn
+met suiker, wijn en knapkoek onthaald. Maar dit zijn alle moderne
+vormen van weinig waarde. Belangrijker zijn enkele gebruiken,
+die ten platten lande nog hebben stand gehouden, wanneer bruid
+en bruidegom de woning betreden. Zij zijn overoud en behooren tot
+het Indogermaansche bruiloftsritueel, vormen een gedeelte van den
+oorspronkelijken _bruidloop_ naar de echtelijke woning.
+
+Op enkele plaatsen moet de bruid over den drempel worden gedragen
+(Driem. Bladen IV, bl. 4), een overgangsgebruik, maar dat met een
+afweergebruik samenhangt; het is zoo goed als over de geheele wereld
+verspreid, in China zoowel, als eertijds in het oud Rome. Te Hooge
+Mierse (N.-B.) legt men op den drempel een stok met een _rood_
+doek. Te Reusel (N.-B.) wordt het paar onder een krans naar de
+nieuwe woning geleid. De krans wordt tegen de deurstijlen gevlijd
+en het paar _springt_ naar binnen. Dat wij hier met een overleefsel
+van den vrouwenroof te doen zouden hebben (Rossbach, V. Schröder,
+Lubbock, Jevons), lijkt mij onaannemelijk; immers de bruid wordt
+niet door den bruidegom, maar door een ander willekeurig persoon
+gedragen, of ook springt over den drempel, en trouwens in beide
+hoogst vertrouwbare mededeelingen uit Noord-Brabant wordt van bruid èn
+bruidegom gesproken. Ook komt men niet verder met de verklaring, dat
+het stooten tegen den drempel een slecht voorteeken zijn zou; waarom
+juist tegen den drempel? De verklaring is wel deze, dat de drempel de
+verblijfplaats der zielen is, wat uit tal van volksgebruiken blijkt;
+wellicht werden zij bij voorkeur vóor den drempel begraven. Het roode
+doek--rood is de tooverkleur en heeft in geheel het Indogermaansche
+folklore geestenwerende kracht--heeft dan ten doel, kwaadwillige
+geesten den toegang te beletten, terwijl het paar zich over den drempel
+laat heen dragen of er overheen springt, om de geesten niet te storen
+en te vertoornen.
+
+Dan volgt, veelal op den avond van den huwelijksdag, het _haalleiden_
+of _halen_, een Indogermaansch gebruik, dat men bij de Osseten
+weervindt. De bruidegom geleidt de bruid driemaal om den haard en om
+het haardvuur, waarna zij in de gemeenschap van het water en vuur wordt
+opgenomen. Ook wordt de bruid op verscheidene plaatsen om den ketelhaak
+of _haal_ gevoerd (zie bl. 35), vanwaar de benamingen _haalleiden,
+hieëlen, hölen, heelen_ enz. De haal wordt altijd blinkend geschuurd,
+dit is het laatste werk, waaraan de meeste zorg wordt besteed;
+vandaar de spreekwijze: "Op den haal na, is alles gepoetst."
+
+Natuurlijk wordt voor het oorspronkelijke om-den-haard-leiden een
+geheel vrijliggende haard verondersteld. Toen nu de haard tegen
+den zijwand gelegd werd, moest men voor den haard een ekwivalent
+zoeken, en als zoodanig nam men de haal of ketelhaak. Deze werd naar
+voren getrokken of midden in het vertrek aan een balk gehangen, en
+de bruid werd om haal en ketel geleid, ofwel de ketting werd haar
+omgeslagen. Naarmate de haard vervangen werd door de kachel, of aan
+beteekenis verloor door het plaatsen van een kachel in een der bij
+vertrekken, is ook het haalgebruik op den achtergrond geraakt. Verder
+werd het veralgemeend en ook op den man en op de meid, ja zelfs bij
+verhuizing toegepast: uit den gedachtengang "de bruid betreedt de
+nieuwe woning" heeft zich het laatste begrip losgemaakt en zelfstandig
+ontwikkeld.
+
+In Nederduitschland is dit gebruik nog op vele plaatsen in zwang;
+van onze grensplaatsen noem ik Heinsberg, waar men de bruid _hielt,
+haalt_ of _helt_. In Midden- en Opper-Duitschland vindt men geen
+spoor. Het gebruik schijnt alleen in de Saksische landen behouden te
+zijn gebleven, zoozeer, dat b.v. de bewoners van het Saterland, een
+Friesch taal- en volkseiland, dit gebruik mèt den bouwtrant--natuurlijk
+ten gevolge van klimaat en grondgesteldheid--van de omwonende Saksen
+hebben overgenomen. Waar Siebs echter meent, dat het overreiken van
+den kooklepel of _sleef_ een specifiek Saterlandsch gebruik is,
+vergist hij zich. Ook in Hollandsch Limburg bestaat dit gebruik,
+b.v. te Grubbenvorst.
+
+Want, vreemd inderdaad, terwijl men dit gebruik het eerst in de zône
+der hoeven van zuiver-Saksischen bouwtrant zou zoeken, is het juist
+daar uitgestorven en leeft nog slechts in de streek der uitgestorven
+Saksische hoeven en in die der Nederfrankische (dus ook lang niet
+uitsluitend in 't Schependom van Nijmegen). Het Nijmeegsche _hoalleien_
+staat beschreven in den Gelderschen Volksalm. van 1840, bl. 9 vlg.;
+maar het gebruik blijkt reeds verbasterd en dient nog slechts om een
+nieuwen buurman te installeeren.
+
+Daarentegen voert dit gebruik een krachtiger leven zuidelijk en
+zuidwestelijk van Nijmegen. Men kan zeggen, dat het _halen_ nog
+in zwang is, of althans voor enkele jaren nog in zwang was, in
+geheel Limburg tot aan de grens van den villabouw en in een groot
+deel van Noord-Brabant. Het best bleef het bewaard in de omstreken
+van Venray. Met name heb ik kunnen konstateeren, dat het in vrij
+oorspronkelijken, of ook in meer gewijzigden vorm, optreedt of
+kortelings nog optrad te: Venray, Swolgen, Meerlo, Oirloo, Leunen,
+Merselo, Afferden, Maashees, Deurne, Wellerlooi, Beugen, Horst, Oploo,
+Wanroy, Mill, Heeze, Mierde, Velp (N.-B.), Zeeland (N.-B.), Stiphout,
+Escharen, Reek, Reusel, Aalst, Maasbree, Arcen, Belfeld; de benamingen
+zijn hier _hölen, hoalen, hoalleien_.-- Verder rond Roermond, Sittard
+en Weert, nl. te Melik, Beegden, Asenray, Guttecoven, Limbricht,
+Buchten, Dieteren, Einighausen, Posterholt, Weert, Neeritter, Helden,
+Panningen, Heel, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Kessel: _heelen,
+hieëlen._ Het zuidelijkste spoor vond ik te Schinnen (zuidoostelijk
+van Sittard). Het zal den lezer niet moeilijk vallen, aan de hand
+van deze opsomming zelf de is-ethne te trekken (bl. 32).
+
+Somtijds is vrijwel alleen nog de naam overgebleven en verdwijnt het
+ceremoniëel in een kleurloos trakteeren. Elders, en dit is zelfs
+zeer vaak het geval, wordt de bruid door de meid vervangen, of is
+het gebruik op den knecht overgebracht. Dikwijls worden bruid of
+meid onder den schoorsteen geplaatst. Terwijl men haar nu om de haal
+leidt, of den haalketting, die thans doorgaans de haal vervangt, om
+de schouders slaat of driemaal boven het hoofd zwaait, luidt de spreuk:
+
+
+ Ik haal u in den naam des Heeren,
+ Wat ge niet kent, zullen wij [voor de bruid] u wel leeren.
+
+
+of: [op dezelfde regels als vervolg speuk]
+
+
+ Wat ge niet kent,--zal de vrouw [voor de meid] u wel leeren.
+ Wat ge niet kent,--zal de baas [voor den knecht] u wel
+ leeren.
+ Dat is voor u [eerste maal], dat is voor ons [tweede maal],
+ dat is voor de gansche kompanij [derde maal],
+ Voor een liter foezel zijt ge vrij.
+
+
+Of:
+
+
+ Ik haal u als meid en niet als knecht,
+ Een liter foezel is uw recht.
+
+
+Of ook:
+
+
+ Ik haal u in den naam des Heeren,
+ In dit huis zult ge verkeeren
+ Niet als meid, maar als vrouw,
+ En wees uw man getrouw.
+
+
+Haard en haal zijn plaatselijk door verschillende andere voorwerpen
+vervangen: de tafel, de karn, de melkkan, den koffiemolen, den
+koffiepot, den ketel, den melkstoel, voor den boer door schop op
+zaaikorf. Gebeurt dit, met den haalketting om de schouders geslagen,
+dan mag het nog tot het haalleiden gerekend worden. Anders behoort
+het tot de groep van inhuldigingsgebruiken, waarbij de vrouw door
+omleiding of bloote aanwijzing in het bezit of gebruik van het een
+of ander voorwerp gesteld wordt, b.v. "dit is het bed";--"dit is de
+kast";--"dit is de klok"; ook leidt men haar door de keuken, de schuur,
+de stallen, naar het vee, de bijenkorven enz. Wel wordt de haalketting
+somtijds nog vervangen door den ketelwisch, d.i. een gedraaide strooien
+ring, aldus b.v. te Heeze, Aalst en Stiphout. Ook te Veldhoven wordt
+de meid aan een stroowisch in alle vertrekken, op den stal en door
+de schuur rondgeleid. Bij den knecht bezigt men aldus het haam. Te
+Mill worden emmer, bezem enz. in _den hêrd_ gelegd, de meid gaat er
+bij staan, en nu danst men er om heen. Elders gaat de jonge vrouw, of
+ook de meid, op den melkstoel zitten, en zingend trekt de schare rond.
+
+Nog dien ik een zeer eigenaardigen vorm van het haalgebruik te
+vermelden, zooals die in eenige dorpen noordwestelijk van Sittard,
+nl. te Guttecoven, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Limbricht en
+Dieteren gevonden wordt. Daar moet de bruid, of ook bruidegom en
+bruid, met een versierde bijl in een versierd blok kappen. Gewoonlijk
+verbergt zich de bruidegom, maar het baat niet; hij wordt door de
+buurvrouwen achtervolgd en moet er aan gelooven.--Dit gebruik doet
+mij veronderstellen, dat wij bij het haalleiden niet alleen met een
+symbool, met een zuiveren opname-ritus te doen hebben, zooals dit
+met het gewone rondleiden en omleiden om de huiselijke voorwerpen
+het geval is. Zeer zeker, de bruid wordt ingeleid in het huiswezen,
+en hierop wijst o.m. het Duitsche gebruik, dat de jonge vrouw in den
+schoorsteen moet zien, om er mee vertrouwd te raken. Maar het kappen
+in het blok wijst op een oorspronkelijk-religieuze handeling, op een
+houtoffer aan de schutsgeesten des huizes: naar men weet, was de haard
+de heiligste plaats van het huis, omdat het de oude offerplaats was
+(bl. 35). En dat dit offer tevens een reinigings- of afweer-ritus
+omsluit, blijkt uit het gebruik, dat de bruid _over het blok moet
+heen springen_: dit was natuurlijk oorspronkelijk een springen over
+den vrijliggenden haard. Zoo herinnert men zich te Reusel dan ook nog,
+dat de bruid moest _springen over een kooltje vuur_, dat in een vooraf
+geteekenden kring gelegd werd. Springen over vuur beduidt zuivering
+en vruchtbaarheid (bl. 105). Het vruchtbaarheidsidee treedt dan ook
+bij het Dietersche blokhouwen op den voorgrond. Blijft de bijl stevig
+in het blok zitten, dan beduidt dit een _krolköpke_; anders blijft
+het huwelijk onvruchtbaar.
+
+Een anderen vorm van inhuldiging van het nieuwe personeel, in
+Twente in zwang op Natte Paschen (Natten Zondag), vindt men bl. 187
+beschreven. Ook hierbij speelt de haard en het haal een rol: door
+het vast te grijpen, stellen de dienstboden zich als het ware onder
+de bescherming van de heilige haardstede, beveiligen zij zich tegen
+geweldpleging. Te Brunswijk nam eertijds de kooper een huis in bezit
+door het aanraken van den ketelhaak.
+
+Een belangrijk _survival_ vindt men te Oldenzaal, Ootmarsum en
+omstreken. Daar heerscht of heerschte nog kortelings het gebruik,
+dat na afloop der bruiloft de bruid weer naar haar ouderlijk huis
+terugkeerde. Den volgenden dag ging de jonge man naar het ouderlijk
+huis der getrouwde bruid en vroeg: "Is hier soms een vrouwspersoon
+aangekomen, die gisteren mijn vrouw geworden is?" Dan kwam de bruid
+aangeloopen en antwoordde: "Hier ben ik al", en nu ging zij voorgoed
+mèt het huisraad naar de nieuwe woonsteê.
+
+Wij hebben hier een vorm van het zich verbergen der bruid, zij laat
+zich zoeken en geeft zich ten slotte gevangen. R. Reichhardt, Geburt,
+Hochzeit und Tod (Jena 1913), zegt dus te onrechte, dat dit "heute wohl
+nirgends mehr nachweisbar" is (bl. 92). De bruid trachtte nl. vroeger,
+volgens vrij algemeen gebruik, na het huwelijk te ontvluchten en zich
+te verbergen, waarop de bruidegom haar moest zoeken. Men zou hier een
+overleefsel van het roofhuwelijk kunnen zien; klaarblijkelijk is het
+echter slechts een overoud scheidingsgebruik.
+
+Van het oude Groningsche _brüdegamslah_en, het slaan van den bruidegom
+ter bevordering der vruchtbaarheid (zie Dr. Knappert, Groningsche
+Volksalm. 1902) is, voor zoo ver mij bekend, niets overgebleven. Het
+was een "slag met de levensroede", vgl. bl. 116. Bij de Slavische
+volken vindt men het nog herhaaldelijk.
+
+Het _bruiloftsmaal_ heeft weinig karakteristieks meer behouden:
+eten, drinken en dansen is de boodschap. Den eeredans heeft het
+jonge paar, of wel de bruid met den bruidsknecht, of de bruidegom
+met het bruidsmeisje. Te Grubbenvorst, Helden enz. (L.) beginnen de
+gasten midden onder het maal met de messen en vorken op de glazen
+te tikken, totdat de bruid opstaat en zich door een zwager het huis
+laat rondleiden, onder het geroep van: "de broed mot droet". Glazen
+worden voor de deur stuk gegooid, en na afloop trekken de buurvrouwen
+onder groot lawaai met pannen en deksels rondom het huis. Het zal
+wel onnoodig zijn op te merken, dat wij hier met een geestenwerend
+lawaai te doen hebben; vruchtbaarheid werd hiervan voorheen het
+onrechtstreeksche, maar hoofdzakelijk bedoelde gevolg geacht. Zoo
+werden nog voor eenigen tijd in Friesland op den avond der bruiloft de
+glazen in den voorgevel stuk geschoten, en de vader der bruid achtte
+zich hierdoor vereerd. Van iemand, die knappe dochters had, zei men:
+"Die zullen hem wat glazen kosten!"
+
+'s Avonds brengen de jongelieden te Helden, Nunhem, Swalmen, Beesel
+enz. aan het bruidspaar een eigenaardige serenade. Zij huilen en kermen
+over de slechte tijden. Op de vraag, wat ze dan eigenlijk willen,
+antwoordt de persoon, die Aartje voorstelt, dat zijn talrijk kroost
+toch òok gaarne iets van de bruiloft had. Hierna worden zij onthaald.
+
+Men dient deze vertooning als een scheidingsgebruik op te vatten,
+evenals het _huilbier_ (_huulbeer_), Hoogduitsch _Heulbier_. De
+gedachte is wel deze, dat de bruid tot het tijdstip van haar huwelijk
+aan de geheele gemeente behoort, en dus de jonge man ze moet afkoopen
+door geschenken. Ook verbeeldt het wel een afscheid van den jongen man
+aan zijn gezellen. Dit gelag heeft plaats vóor of na het huwelijk, en
+komt dus vrij wel overeen met het Achterhoeksche _boksenbier_, waarop
+de bruid haar _bruidstranen_ (brandewijn met suiker) schenkt. Komt
+deze naam van het schieten met de _bokse_? Of van de gewoonte, dat de
+bruidegom door zijn vrienden schertsenderwijze van de broek ontdaan
+werd, hetzij om hem daarna in het bed te stoppen, hetzij om hem in
+de gelegenheid te stellen, het echtelijk gezag, aldus symbolisch
+hem ontnomen, weer te koopen? Meer hierover vindt men bij Scheltema,
+Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen, bl. 270,
+Driem. Bladen II, bl. 25, 27; 93 vlg.
+
+Volgens Reichhardt is de naam eigenlijk _heilbier_, en hij vergelijkt
+het Middelhoogduitsche _heilwîn_. Ik meen echter, zooals gezegd
+(bl. 246), aan de benaming van _huilbier_ te moeten vasthouden, en
+vind het gebruik in zijn _oorspronkelijken_ toestand in die plaatsen
+(b.v. Sittard, Beegden, Epen), waar het huilbier gegeven wordt door
+den weduwnaar, die met een jong meisje huwt, of door den jongen man,
+die met een weduwe trouwt: zij kunnen zich van het _huulen_ afkoopen
+door een vrijgelag. Is deze opvatting juist, dan heeft zich het
+gebruik eerst naderhand tot scheidingsgebruik ontwikkeld.
+
+In Drente kende men eertijds het _hanenbier_. Door de buren werd aan
+de jonggehuwden een hanenmaal aangeboden. Men kocht een haan en deze
+werd gebraden en in zijn natuurlijke houding, op drie pennen, in een
+grooten schotel op tafel gezet. Uit de ontvangen fooien werden de
+onkosten van het hanenbier bestreden; zie Drentsche Volksalm. 1842,
+bl. 125.
+
+Na de bruiloft beginnen voor het paar de _wittebroodsweken_, of ook de
+_zoetemelksweken_. Dan komt het jonge paar nog pas "van Zoetendaal";
+het slijt den zaligen tijd der eerste, jonge liefde; "de korstjes
+kraken nog."
+
+
+
+III. Huiselijk Verkeer.
+
+
+Maar de liefde rijpt, en een nieuw, rijk en vruchtbaar leven: het
+huiselijk verkeersleven, neemt een aanvang. Zijn de jonge lieden bij
+de oude lui ingetrouwd, dan worden door deze voorwaarden gesteld;
+vooral de Drentsche boer staat niet graag zijn hoeve af, gedachtig
+aan het spreekwoord: "Men moet zich niet uitkleeden, voor men naar
+bed gaat." Dat dit _introuwen_ niet altijd in peis en vree verloopt,
+getuigt het Limburgsche spreekwoord, dat "de bliksem en de introuw
+nog niet beschreven zijn."
+
+Wordt de echt gezegend en moeten vader en moeder zich reppen om
+hongerige mondjes te vullen, dan ontplooit zich het bedrijvige
+huiselijke leven in zijn vollen omvang. Het vrome echtpaar stelt prijs
+op Gods zegen, die het huis moge schutten, het onheil afwere en den
+arbeid doe gedijen. In katholieke streken wordt het huis ingezegend,
+het kruisbeeld prijkt boven den schoorsteenmantel, en daarop of op
+de kast staan enkele heiligen-beeldjes. Naast de deur--meestal van
+de slaapkamer--hangt een wijwatervaatje met gewijde palm; en in
+den kersttijd vindt men veelal nog een Stalletje van Bethlehem en
+in de meimaand een versierd Mariabeeld, waarbij gebeden en gezongen
+wordt. Aan den wand hangen ingelijste woorden, als "God ziet mij" en
+"Hier vloekt men niet"; en tegen de binnenzijde van de kastdeur is
+veelal een gekleurde plaat bevestigd, de _Huiszegen_, waarop een gebed
+bij tijden van onweêr: dan wordt ook de gewijde kaars ontstoken, die
+tevens als doodenkaars dienst doet. De wandkaarten bij de protestanten
+bevatten meestal korte teksten uit den Bijbel. Op de scheurkalenders
+vindt men een tekst uit de H. Schrift met een korte verklaring ervan op
+de voorzijde, tegelijk met een opgave van het gedeelte der H. Schrift
+en een psalm- of gezangvers, dat 's morgens of 's avonds gelezen kan
+worden. Aan de achterzijde vindt men meestal korte verhaaltjes, aan
+het Christelijk leven, of geschiedenissen, aan de Zending ontleend;
+terwijl op roomsche scheurkalenders naast Schriftuurteksten veelal
+citaten uit kerkelijke schrijvers of korte verhalen uit de levens
+der heiligen voorkomen.
+
+Het Christelijk gezin begint en eindigt den dag met _gebed_; en hier
+wordt "gezin" genomen in ruimsten omvang, want, zitten nog slechts op
+het platte land veelal de knechts en meiden mee aan den disch, bij de
+gebedsstonden pleegt ook elders de vrome huisvader de onderhoorigen
+met de andere huisgenooten te vergaderen. Des avonds wordt in vele
+katholieke gezinnen gezamenlijk de Rozenkrans gebeden, onverminderd het
+gewone avondgebed; ook laat men zelden na, des avonds te bidden voor de
+"geloovige zielen", met name van de afgestorven bloedverwanten. Bij
+de vrome protestanten is het regel, dat dagelijks de Bijbel gelezen
+wordt. In sommige families geschiedt dit eenmaal daags, vóor of na het
+ontbijt, in andere tweemaal, nl. ook des avonds vóor het naar bed gaan,
+in weer andere driemaal, nl. ook na het middageten. Bij velen wordt,
+nadat een kapittel uit de H. Schrift of een gedeelte daarvan gelezen
+is, ook nog een stuk uit een Christelijk dagboek gelezen. Soms, als
+men een huisorgel bezit, wordt er een psalmvers of een gezangvers
+bij gezongen.
+
+Vóor elken maaltijd wordt gebeden, na elken maaltijd gedankt,
+waarbij allen de handen vouwen en de oogen sluiten. Treffend heeft
+Karel de Groux het familiale gebed vóor het eten afgebeeld in zijn
+_Bénédicité._ In katholieke gezinnen bidt men na het kruisteeken een
+Onze Vader en een Wees Gegroet: de vader of het jongste kind bidt voor,
+en allen antwoorden met luider stem. Waar in protestantsche gezinnen
+de huisvader hard op bidt en dankt, is het gebed een zoogenaamd vrij
+gebed, dat in sommige gezinnen zelfs zeer lang kan zijn, of er wordt
+een formuliergebed gebruikt. Meestal spreken de jonge kinderen dan
+nog een klein gebed, b.v. "Heere, zegen deze spijs en drank, Amen",
+of "Heere, wij danken U voor deze spijs en drank, Amen".--
+
+Van zulk een hoofdmaaltijd--tegen het middaguur--vormt de brij of
+pap op het land een voornaam bestanddeel. Des avonds is brood met
+pap en aardappels zelfs het eenige _voedsel_. Verdere gerechten zijn
+appelenpap, weggenmelk (van gedroogd wittebrood), spek, pannekoek
+enz. De middagpot bestaat veelal uit boonen- of erwtensoep,
+aardappelen met groenten, of ook met kool, boonen enz. vermengd
+tot _stamp_ of _potage_, en vaak een stukje spek of vleesch. Uit
+een gemeenschappelijken schotel wordt nog veelal gegeten, als het
+aardappelen geldt met saus. Dan plaatst men midden op tafel de
+kom met aardappelen en een bakje saus. Met stalen vorken worden
+nu de aardappelen geprikt en in de saus gedompeld. Ook pap wordt
+veelal uit éen schotel gegeten; een tafellaken is ten platten lande
+onbekend.--Van ouds het voornaamste voedsel is het brood, en wel het
+bruine roggebrood, zoozeer, dat b.v. in Limburg slechts dit "brood"
+genoemd wordt, terwijl het wittebrood "mik" heet. Het brood wordt door
+het volk dankbaar geëerd als de goede gave Gods. Daarom drukt de boerin
+met den vinger een kruisje in het deeg; daarom maakt zij met het mes
+een kruis op de onderzijde van het brood, vóor zij het aansnijdt;
+daarom leert zij de kinderen, nooit een kruimel te laten verloren
+gaan. Want, gaat de vader zijn kroost voor in noeste werkzaamheid en
+voedt hij het op tot karaktervastheid en plichtsbetrachting, de moeder
+vooral kweekt vroomheid en godsdienstzin, en tempert de strengheid van
+het vaderlijk gezag met zacht beleid en trouwhartige, zorgzame liefde.
+
+Na het middagmaal of _de noon_ volgt in den zomer de rusttijd, de
+_ungere_ (Limburg). Het koffie-uurtje heet dan de _achterungere_. Maar
+worden de dagen korter, dan vervallen beide: "Sint Mecheel (Michiel)
+verbuut den ungere en den achterungere".--Nog dient opgemerkt,
+dat bij het maal ook de ambachtslui aanzitten, als de boer die aan
+huis heeft, vooral de kleermaker of _snieder_. Vroeger vooral was
+het ambacht op de dorpen niet in tel. "De snieder is ene mins,"
+zegt een Limburgsche spreekwijze, "as hê mit de andere minse oet de
+kerk kump." Lager nog stond de wever: in de herberg kreeg hij nimmer
+een gaaf glas. Werd aan een ander bij geval zulk een glas gebracht,
+dan luidde de verontwaardigde vraag: "Ben ik soms een wever?" Het
+laagst stond de vilder: hij mocht de herberg niet binnenkomen, maar
+bleef in de gang staan, waar hem het bier gebracht werd.
+
+Voor eentonigheid en kleurloosheid wordt het gezinsleven behoed door
+het _familiefeest_. Oorspronkelijk en op de allereerste plaats was dit
+het naam- of patroonfeest van de ouders, later in Noord-Nederland door
+de verjaardagen vervangen; dan ook het naamfeest en de verjaardagen
+der kinderen. Nu doet de _mei_ weer dienst, en steekt men een groene
+twijg, later een ruiker, in een koek, dien men de(n) feestvierende
+vereert; vandaar de uitdrukking: "iemand _besteken_." Zoo noemde men
+het eertijds nog "een meisje besteken," wanneer men ring of klopper
+van haar huisdeur met groen versierde.
+
+Op den vooravond van het patroonfeest worden plechtig de geschenken
+aangeboden onder het zingen van:
+
+
+ Van avond is 't den avond
+ En morgen is 't den dag,
+ Dat men Sint-N. besteken mag.
+
+
+Vandaar, dat in Midden- en Zuid-Limburg de term _mei_ de benaming is
+van het geschenk op den vooravond, en van het naamfeest zelf.
+
+De viering van den verjaardag mist doorgaans alle kleur. Maar
+plaatselijk is het _besteken_ veranderd in het _bestrikken_ der jarige
+kinderen, d.i. "kinderen op hun verjaardag een stuk koek enz. met
+linten op den arm vastbinden" (Molema, Wörterb. d. Groningschen
+Mundart, bl. 32). Maar oorspronkelijk kwamen er groen en kransen bij te
+pas, zooals nog blijkt uit een door Waling Dijkstra aangehaald versje:
+
+
+ Ik kom u versieren
+ Met kransen en laurieren;
+ Ik bind u met hemelsch lof; enz.
+
+
+In wezen een familiefeest, met een kerkelijk feest eng verbonden,
+is ook de _kermis_. Het is een gedenkfeest der kerkwijding; immers
+het Middelnederlandsche _keremisse_ beteekent "mis bij 't feest van de
+kerkwijding", dan ook "viering van dit feest", en verder "jaarmarkt",
+men denke aan de _Leipziger Messe_. Deze dag toch wordt tot aandenken
+aan de stichting der kerk of van haar patroonfeest door een plechtige
+hoogmis opgeluisterd. Tevens wordt in het zuidelijk volksgebied de
+groote H. Sakraments-processie of _bronk_ gehouden; meien worden
+geplant langs den geheelen weg, dien de processie nemen zal.
+
+Vele oude kermissen herinneren nog heden ten dage aan den dag van de
+oprichting der gemeente als parochie en van de inwijding der kerk. Den
+7den Mei 1777 verordenden de Generale Staten, dat in hun gebied,
+in de landen van Overmaas, alle kermissen op Zondag na Sint-Martinus
+(11 Nov.) zouden plaats hebben en niet langer dan drie dagen zouden
+duren. Vandaar ontstond in Limburg de zoogenaamde _Hollandsche kermis_,
+nog heden bewaard te Heerlen, Meersen, Bunde, Geulle, Beek, Voerendaal,
+Itteren, Hulsberg, Klimmen, Margraten, Ubagsberg enz.
+
+De kerkmis trok bezoekers uit de naburige dorpen en van elders; de
+toevloed van vreemden bracht markt en handel mee, en zoo trad het
+wereldlijk element naast het kerkelijke, om dit ten slotte verre
+te overvleugelen. In de groote steden met haar hoogere kuituur is
+de kermis zelfs dermate ontaard in formaliteiten en losbandigheden,
+dat men ze op verscheidene plaatsen wijselijk heeft afgeschaft.
+
+Maar in de kleine steden en dorpen, van ons zuidelijk gebied vooral,
+daar viert zij nog hoogtij; daar kan men zeggen: geen plaats zonder
+kermis, ja sommige plaatsen hebben er twee. De wereldsche feestviering
+bestaat uit een groot komplex van overgeleverde gebruiken, genietingen
+en vermakelijkheden, van welke de familiale feestviering de kern
+vormt: wordt deze door het verslappen der gemeenschapsbanden of het
+verflauwen van den familiezin aangetast, dan ontaardt de rest en
+valt spoedig uiteen. Verwante of bevriende gezinnen, uren ver van
+elkaar verwijderd, vinden op kermisdag de gelegenheid, de familie-
+en vriendschapsbanden nauwer aan te halen. Ten bewijze, dat twee
+gezinnen met elkaar bevriend zijn, zegt men dan ook, "dat zij bij
+elkaar op de kermis komen." Hierbij komt, dat in een groot aantal
+gevallen de gedachtenisviering der kerkwijding zich met gebruiken
+uit het oogstfeest verbonden heeft, dat, zooals wij weten, een bij
+uitstek intiem karakter droeg. Vandaar ook wellicht de overvloed
+van gerechten: taart, knapkoek, krentenmik, rijstepap enz.; het
+kermisgerecht bij uitstek is echter de Limburgsche en Brabantsche
+_flaai_ (_vla_). Het kermismaal is een gebeurtenis van gewicht voor
+het geheele gezin, en voor de zorgzame huisvrouw in het bijzonder:
+met het oog hierop wordt het heele huis van onder tot boven geschrobd,
+geschuurd, geboend, en wat al niet meer.--
+
+
+ Vandaag is 't kermisavond
+ Morgen is 't kermisdag, dag, dag,
+ Da bierken, da gebrouwen es,
+ Da ich wel drinken mag, mag, mag,
+
+
+zingen de kinderen te Hasselt op den vooravond van den lang verbeiden
+dag. En inderdaad, de kermis is ook een kinderfeest: de markt is dan
+dicht bezet met kramen en tenten, en vooral de mallemolen--tegenwoordig
+veelal door vermakelijkheden van hooger volmaaktheid of kultuur
+vervangen--mag niet ontbreken; in Vlaanderen verlangen de kinderen
+naar hun _molens van plezier_. Maar laat ik ook _Jan Klaassen_ niet
+vergeten, en evenmin het bekende _koekslaan_, o.a. te Venloo met een
+stok, elders met een bijltje, vanwaar de benaming: _koekhakken_.
+
+Tot de oude kermisvermakelijkheden voor de volwassenen behoort, of
+behoorde, het ringsteken, het afkeurenswaardige dassenbijten door
+gedresseerde honden, het ganstrekken of gansrijden, het katknuppelen,
+haanslaan, mastklimmen, kaatsen, schijfschieten enz. Aldus werd
+"kermis" synoniem van allerlei pret en vermaak, met het gevolg,
+dat menig andere ontspanning en feestelijkheid den naam van "kermis"
+kreeg. Zoo b.v. de Geldersche _öskeskermis_ in November, ten huize,
+waar een koe of os geslacht is, vgl. den Gelderschen Volksalm. XXXVI,
+bl. 45; de Veluwsche _schaapskermis_, beschreven in den Gelderschen
+Volksalm. 1862, bl. 151; de _Mulderskermis_; de _Haagsche Boschkermis_;
+ja, men spreekt zelfs van een kermis op het ijs. Minder bekend is de
+Noord-Brabantsche schaapskermis. Als te Reusel de schapen geschoren
+worder, verzoekt men de kinderen uit de buurt en van de gezinnen, op
+wier stoppelland de schaapherder zijn kudde drijven mag. De kinderen
+komen helpen bij het scheren, door "een pootje vast te houden."
+
+Sedert eeuwen was de kermis onafscheidelijk verbonden met processie en
+ommegang. Van deze ommegangen verdienen een afzonderlijke vermelding
+de Reuzen-stoeten van Brussel, Leuven, Antwerpen, Mechelen, Brugge,
+met hun _Antigoon, Janneken_ en _Mieken, Grand'Papa, Op-Sinjoorken,_
+de _Groote Turk_ enz. Nòg verschijnt te Hasselt de _Lange Man (Don
+Christoffel_) en te Venloo _Valuas_ en zijn vrouw. Deze trekken op
+met het akkermansgilde en voeren ten slotte een dans uit. Immers de
+kermis is het groote gilde-feest.
+
+Met name de _schuttersgilden_ (vgl. bl. 200) trekken dan uit,
+zwakke resten van de aloude schuttersgilden met hun heerlijke
+landjuweelen. Toch schuilt nog heel wat kleur en poëzie, overgeërfde
+wapentrots en zelfstandigheidsgevoel in het optrekken der Limburgsche
+en Brabantsche _jonkheden_ met hun kapitein en andere gezagvoerders,
+zoowel in als buiten de processie. Te Eysden (L.) trekken de jonkheden
+van alle gehuchten met haar vaandels in de groote processie, elk
+achter haar beschermheilige, mee. Des Maandags en Dinsdags worden
+zielmissen gecelebreerd voor de overleden leden. Daarna heeft een
+plechtige uittocht plaats naar het kasteel, waar een reidans, de
+_cramignon_, wordt uitgevoerd: de leden der jonkheid houden elkaar bij
+de hand vast en vormen, met den kapitein aan de spits, een lange rij,
+die zich op de maat der muziek in allerlei slingeringen en bochten
+wringt. Merkwaardig is het nog, dat door de oude geweerschutterij
+van het gehucht Oost op Kermismaandag na de zielmis op de graven der
+afgestorven leden en eereleden geweersalvo's worden gelost.
+
+Op Kermismaandag, Pinkstermaandag of op het patroonfeest van het
+gilde wordt meestal de vogel geschoten. In plechtigen stoet trekt de
+schutterij naar het feestterrein, waar de houten vogel op den mast
+staat. Maar plaatselijk wordt die vogel ook den dag te voren door de
+dorpsmeisjes _gepeeld_ (opgesierd), zoo b.v. te Sint Anthonis, gemeente
+Oploo (N.-B.); in dit geval wordt hij in den stoet mee gedragen en ter
+plaatse op de _wip_, d.i. den mast, den schutsboom, geplaatst. Bij
+raak schieten wordt de trom geroerd. De koning krijgt een premie,
+maar moet trakteeren, evenals zijn vrouw of aanstaande, die tot
+koningin verheven wordt. Hij wordt nu bekleed met de versierselen:
+zilveren halsketen met platen, ruitersabel of staf met zilveren
+knop, en generaalshoed of kroon. Deze platen, met inskriptie, worden
+door den koning gegeven en vormen, aaneengeregen, _het zilver,_ het
+hoofdinsigne van het koningschap. Geflankeerd door zijn adjudanten,
+keert hij triomfeerend huiswaarts, 's Avonds wordt gedanst; vooral
+de carré-dans staat in eere.
+
+Bij het uittrekken der schuttersgilden wordt een bijzondere vaardigheid
+vereischt van den vaandrig bij het _vaandel_- of _vendeldraaien,_
+dat vóor de kerkdeur en vóor het huis der plaatselijke autoriteiten
+geschiedt. Vandaar de Vlaamsche uitdrukking "kwalijk het vendel
+met iemand kunnen draaien", d.i. het met iemand niet goed kunnen
+vinden. Ook wordt bij de intrede in het gilde het nieuwe lid
+_ingevendeld_, d.i. het vaandel hem om het hoofd gezwaaid. Elders
+heeft een soort van doopsel voor de nieuwe leden plaats. Een groote
+oneer is het, als lid geschrapt te worden. Te Waalre (N.-B.) wordt een
+onwaardig lid uit het gild (of _guld_) "getrommeld": een geldstukje
+wordt op het trommelvel gelegd, en dan wordt zoo lang getrommeld,
+tot het er van afspringt.
+
+Vroeger werd te Heer (L.) bij gelegenheid der kermis het zoogenaamde
+_vreisjpeel_ gehouden. Na de hoogmis brachten de jongelui de
+meisjes van 't kerkplein naar een herberg, waar gedanst en
+gedronken werd. Te midden van den carré-dans maakte men halt,
+en onder muziek werd een rondgang gehouden door een jongen man
+met twee schotels, geflankeerd door twee jongelui, elk met een
+brandende kaars. Gedroeg iemand zich niet ordelijk, dan werd hij
+door den kapitein gestraft. Deze gaf namelijk order, den schuldige
+midden in het vertrek neergehurkt en met de handen op den vloer,
+te _britsen_, d.i. met een vierkante lat, in dunne latjes gespleten,
+te tuchtigen. Nog dient vermeld het draaksteken te Heel en te Beesel
+(L.). Vroeger was de ridder met den draak in de optochten en processies
+een onmisbaar element. Albrecht Dürer zag hem te Antwerpen, terwijl
+de draak door een dame, die Sint Margriet voorstelde, aan een rood
+lint voortgetrokken werd. Vooral op de dorpen vermaakten de schutters
+zich met het spel van Sint Joris-met-den-draak. De vertooningen in
+genoemde Limburgsche dorpen zijn hiervan, voor zoover mij bekend,
+de eenige overblijfselen,--afgezien van de spreekwijze "met iemand
+den draak steken".
+
+Het monster is gemaakt van gevlochten teenen, met linnen overtrokken,
+en van geschubde huid en groote vleugels voorzien. Het trekt met de
+schutterij mee en wordt door een lid van het gilde voortbewogen. De
+koning van het gilde stelt Sint Joris voor; drie maal rijdt hij op
+den draak los, en den derden keer treft hij het monster, dat vuur en
+water braakt. Dan voert een meisje in het wit het bedwongen ondier
+in triomf weg.
+
+Op Kermisdinsdag wordt te Aalst, bij Eindhoven, _Machielke begraven:_
+een strooien pop wordt op de baar gelegd en op het marktveld onder den
+grond gestopt. Ook aan een lijkrede laat men het niet ontbreken. In
+Zuid-Limburg (b.v. te Schinnen) wordt het _kermiskiendje_ begraven. Men
+vergelijke "den winter begraven" enz., en den Blitterswijkschen
+_doodendans_ (bl. 166). In Vlaanderen "begraaft" men den laatsten
+kermisdag, _kermis-kaluit_ geheeten, "het hespebeen"; ook houdt men
+wel een verkoop van ledige beurzen.
+
+Een huiselijk instituut, dat echter tot vele misbruiken aanleiding
+gaf, is ook de _spinning_, spinnerij, spinnejacht enz. Gedurende
+de lange wintermaanden--die in huiselijke gezinnen meestal door
+gezelschapsspelen als ganzebord, domino-, kien-, dam- en kaartspel
+worden gekort--kwamen sinds overoude tijden de jonge meisjes en soms
+ook de vrouwen uit de buurt met vlas en spinnewiel in het een of
+ander ruime vertrek te zamen. Deze spinningen waren het gevolg van het
+sterkontwikkelde gemeenschaps- en buurtwezen. De jonge dochters werden
+verzocht, een handje te komen helpen, om door gemeenschappelijken
+arbeid in éen dag zooveel vlas als mogelijk tot fijne draden te kunnen
+verwerken. Later trad het liedjes-zingen en sprookjes-vertellen meer
+op den voorgrond. Naderhand werd eigenlijk weinig meer gesponnen--want
+het hoog-voorname spinnen raakte in oneere, en een spinnewiel, in
+de salons te pronk gesteld, kan dit niet verhelpen,--maar des te
+meer gezongen en--gevrijd: want de spinmalen waren de vrijpartijtjes
+bij uitstek. Zie Drentsche Volksalm. 1839; Ter Gouw, Volksvermaken,
+bl. 407 vlg.
+
+Zij bestaan nog, en plaatselijk zelfs in vrij oorspronkelijken vorm,
+in het Oosten van het land, Brabant, Limburg en Vlaanderen. Gesponnen
+wordt meestal in den nawinter, van Kerstmis tot Vastenavond. De
+meisjes spinnen of breien doorgaans van zes tot negen; dan komen de
+jongens uit de buurt allerlei dwaze streken uithalen, en er wordt
+gekoosd, gevrijd, gezongen en gesprongen. Ook kort men den tijd
+wel met gezelschapsspelletjes, maar van geheel anderen aard dan de
+bovengenoemde; het is _pandverbeuren, bezemjagen_ in den Achterhoek,
+_buurt of slage_ in Drente, _zökskes liggen_ of _den rooden hoan jagen_
+in zuidoostelijk Noordbrabant: te Beers, Schayk, Haps enz. Bij _buurt
+of slage_ moeten de jongelui het meisje, waar zij mee koozen, aan een
+ander afstaan, op straffe van met de plak geslagen te worden. De beide
+Brabantsche spelletjes zijn zoekspelen, en slachten het beschreven
+_slofje onder_.
+
+
+
+IV. Landbouw en veeteelt.
+
+
+De _buurtschap_ is van landelijken oorsprong. Boven is uiteengezet, hoe
+vooral in de eschdorpen gemeenschap van herkomst en van belangen den
+gemeenschapszin kweekte, die tal van gemeenschappelijke bepalingen in
+het leven riep en gemeenschappelijke hulp waarborgde. Aldus vormden de
+dorpelingen een zekeren clan, met een buurtschap als nauwere kern, die
+bleef voortbestaan, ook waar de dorpen tot steden zijn uitgegroeid. De
+arbeidsgemeenschap was ook een strijd-, weer- en feestgemeenschap,
+en als feestgemeenschap vooral openbaart zij zich naderhand in de
+steden. Daar ook ontwikkelden zich de buurten tot buurgilden, met
+bepaalde reglementen en met een president aan het hoofd, "den Heer van
+de buurt", zooals hij in de Hollandsche steden genoemd werd. Dat de
+buurdiensten hoog gewaardeerd werden, blijkt uit ons goed Nederlandsch
+spreekwoord: "Een goede buur is beter dan een verre vriend".
+
+De buurt omvat doorgaans een zeker getal straten met een bepaald
+centrum, zoo b.v. te Roermond, waar de _put_--zoo heet daar de
+buurtgemeenschap--een pomp, waarop het beeld van den putheilige, als
+middelpunt heeft. Op het land is de grens veelal een weg of een pad.
+
+Eertijds had jaarlijks een gemeenschappelijk buurmaal plaats,
+waarvan de onkosten uit de buurtkas betaald werden; toen dit
+afgeschaft was, trad het jaarlijksch potverteren in de plaats. Er
+heerschte ook een zekere hiërarchische rangorde: eerste buur,
+tweede buur enz. De _noodnoabers_ zijn de buren, tot wie men zich
+in geval van nood het allereerst wendt; en mèt de benaming is het
+instituut blijven voortleven. Als buur geschrapt, "uitgedaan" worden,
+is een ontzettende schande. Nog steeds bewijst de buurt haar goede
+diensten in de belangrijkste, zwaarste, heuglijkste en pijnlijkste
+oogenblikken van het leven. Bij geboorte, huwelijk en sterfgeval
+geschiedt de aankondiging vaak door de buren; bij huwelijk worden
+buurt en huis versierd, alsmede de weg, dien het bruidspaar nemen
+moet; bij het bouwen van een nieuw huis, het graven van een put, bij
+onderscheidingen, een lid der buurtgemeenschap te beurt gevallen,
+bij oogsten, dorschen, rooien, bij brand of hagelslag,--steeds is
+het de buurt, die hare hulpvaardigheid en deelneming betoont. Daar
+zijn andere minder gewichtige, maar toch ook sprekende momenten in
+het buurtleven. Heeft iemand geslacht, dan noodigt hij niet zelden de
+buren, om te komen zien, als 't varken op de ladder hangt. Ieder zegt
+dan, zonder dat de keel droog wordt, zijn meening over het gewicht:
+men noemt dit in Noord-Brabant "het varken prijzen".
+
+Vaste gebruiken kent men ook bij het verhuizen. Op den bepaalden dag
+trekken de mannen en de meisjes uit de buurt met de noodige karren
+naar het dorp, dat de nieuwe buurman metterwoon gaat verlaten. Een
+kar, waarop het nieuwe gezin plaats neemt, is feestelijk versierd:
+de huif is met kleurige papieren bloemen getooid, en voorin hangt een
+bloemenkroon. Nu zet de vroolijke, joelende stoet zich in beweging,
+en in Noord-Brabant wordt hierbij gezongen:
+
+
+ Te N. willen wij niet wonen,
+ Daar zijn de wijven te kwaad,
+ Maar te N. willen wij wonen,
+ Daar zijn ze beter van aard.
+
+
+Of wel:
+
+
+ Te N. willen wij niet wonen,
+ Daar is 't een arrem land,
+ Maar te N. willen wij wonen,
+ Daar zijn rozen geplant.
+
+
+Of wel:
+
+
+ Dat gaat naar Den Bosch toe,
+ Zoete lieve Gerritje,
+ Dat gaat naar Den Bosch toe,
+ Zoete lieve meid.
+
+
+ Wat zullen wij daar drinken enz.
+ Brandewijn met suiker enz.
+ Wie zal dat betalen enz.
+ De boer, dien wij gaan halen enz.
+ Waar zal hij dat halen enz.
+ Al uit zijn linnen beursje enz.
+ Wat zullen wij daar eten enz.
+ Rijstepap met suiker enz.
+
+
+Deze rijmpjes worden doorgaans gevolgd door een langgerekt "kjoeuw".
+
+Intusschen is de nieuwe woning in orde gemaakt,--trouwens _elke_
+nieuwe woning wordt door de buurt in staat van bewoonbaarheid
+gebracht. Het heele huis is schoongemaakt: de vloeren geschrobd, de
+muren gewit, alles gepoetst, gewasschen, gesierd; daarna is de mei
+of een kroon op het dak gezet en, ten teeken van volbrachten arbeid,
+de bezem uit het dak gestoken; van daar de uitdrukking: "den bezem
+uitsteken." Plaatselijk dansen de buurmeisjes dan in de feestelijk
+uitgedoste woning. Zij hebben nu recht op een onthaal, in het Oosten
+van het land het _intrekkingsmoal_ genoemd. In het zuidelijk gebied
+heeft dit onthaal geen afzonderlijken naam. Natuurlijk wordt koffie
+gedronken, waarbij krentenmik gegeten wordt "en andere"; elders
+nuttigt men de onafscheidelijke stoete. De kroon, die de huifkar
+tooide, wordt in het nieuwe heem opgehangen en blijft daar, tot ze
+verdord of versleten is.
+
+Een oud gebruik, en waarschijnlijk oorspronkelijk wel bedoeld als een
+offer aan de huisgeesten, is het oostelijke _vuurbeuten_, d.i. het vuur
+aanleggen in de nieuwe woning door de buurvrouwen, plaatselijk--maar
+jonger--ook door de buurmeisjes; men vergelijke hiermee het huisoffer
+bij het huwelijk, bl. 261. Ook in het Bentheimsche bestaat dit
+gebruik. In Oost-Vlaanderen loopt 's avonds de heele buurt samen,
+elk met een bosje stroo, dat ter eere van den nieuwen buurman wordt
+gebrand; men noemt dit, de nieuwe buren _inbranden_. Het onthaal
+draagt den naam van de _overhaalfeeste_; zie Loquela XII, bl. 69.
+
+Overeenkomstig dit gebruik wordt een nieuwe herberg met meitakken
+gesierd; ook plant men vóor de deur wel eens een meiboompje. Te Kessel
+(L.) brengen de buurtjongens den kastelein het uithangbord; het hierop
+volgend onthaal heet dan _schildverteren_.
+
+Bij ziekte wordt door de buurt geneesheer en geestelijke gehaald,
+gewaakt, gebeden. Vooral na de berechting onderneemt in katholieke
+streken de buurt een bidgang naar een nabijgelegen kapel. Treedt
+de dood in, dan zijn het weer de buren, die den doode afleggen,
+overluiden, bewaken. Zij belasten zich met de toebereidselen tot de
+ter aarde bestelling, dragen het lijk, delven den kuil, verrichten de
+begrafenis. Hoe treffend is niet de Limburgsche gewoonte, waarvolgens
+de buurmeisjes kransjes vlechten voor de overleden kinderen en
+ongehuwden, en in den lijkstoet palmtakken dragen, die dan gestoken
+worden op het graf.
+
+De gezellige bijeenkomsten dragen den naam van _buurting_ of
+_buuravond_; het onthaal, dat billijkerwijs de bewezen diensten volgt,
+heet _bier_ of _maal_, terwijl het plaatselijk een specifieke benaming
+mist. Dit _bier_ is een echt Nederduitsch instituut; zie ook Winkler,
+Oud Nederland, bl. 816. De naam van den drank, die het hoofdbestanddeel
+vormde, is op de feestelijke bijeenkomst zelf overgegaan en bleef,
+ook toen deze drank geheel op den achtergrond raakte. Zoo kent men
+het _geboorte_- of _kinderbier_, Friesch _bernebjiar_, het _meibier,
+gildebier, vastelavondbier, schuttebier_, bij begrafenissen het
+_doodbier, leedbier, troostbier, droefheidbier, groevebier_, Friesch
+_leedbjiar_ en _treastelbjiar_, ook wel _loofbier_ genoemd, wanneer
+de doode geloofd wordt; bij verloving het _verlovingsbier_. Was men
+bij het bouwen van een huis in Friesland zoover gevorderd, dat men de
+daksparren met pannen dekte, dan gaf men het _pannenbjiar_, vergel. de
+Zeeuwsche uitdrukking _te biere gaeë_, zie ook De Bo, West-Vlaamsche
+Idioticon, bl. 127. Over het Limburgsche _huulbeer_ is gesproken,
+zie bl. 263. Elders spreekt men van een _intrekkingsmaal_ (bij
+verhuizen), een _steendermaal_ (bij het aanbrengen van bouwmateriaal),
+een _richtemaal_ (als de gebinten gericht zijn), een _mestmaal_ enz.
+
+Bij den landbouw en het akkermansleven openbaart zich een nauw
+betrekkingsgevoel tusschen den landbewoner en de omringende natuur,
+en een gevoel van wisselwerking tevens. Verkondigt een dorre twijg
+den dood aan dengene, die hem het eerst waarnam, omgekeerd kan men,
+door een stroopop in het water te werpen, de natuur tot regen dwingen
+(vergel. bl. 195). Dit is meer dan poëzie en symboliek, dit is,
+hoewel onbewuste, sympathetische magie, die op een zekere animistische
+natuurbeschouwing en ten deele op natuurvereering berust, in zoover
+hier althans van fetissisme spraak kan zijn. Maar naast en boven dit
+animisme of dynamisme is in de akkergebruiken nog een andere faktor
+werkzaam: het religieuze bewustzijn van de voorzienigheid Gods en
+Zijn heerschappij over de natuur.--
+
+Reeds is voor het _zaaien_ gezorgd door palmblaadjes tusschen het
+zaadkoren te leggen; dit bevordert de vruchtbaarheid. Maar deze
+maatregel is niet voldoende; want het is lang niet onverschillig,
+wanneer gezaaid wordt. Vrijdag en Maandag zijn daartoe niet
+geschikt. Verder meent de landbouwer, als vroorogge op Sint Pieter
+vóor den middag gezaaid wordt, dan schieten er aren in; niet aldus,
+wanneer in den namiddag gezaaid wordt. De laatste volle week van
+September mag niet gezaaid worden; dit is de _springweek_, dan springt
+het zaad uit den grond op. Rogge moet ook gezaaid worden met wassende
+maan (sympathie), maar niet tusschen twaalf en éen, en evenmin op
+Quatertemperdagen. Zoo mag men ook in de Kruisdagen geen boonen
+poten. In Vlaanderen en in den Achterhoek acht men het verkeerd "bij
+twee lichten" te zaaien, d.i. als zon en maan aan den hemel staan;
+daarentegen zaait men in het Rijnland juist bij twee lichten gaarne
+tarwe, dan wordt zij mooi wit (sympathie).
+
+Zeer verspreid is de gewoonte, vóor het zaaien een kruis te slaan
+en ook de drie eerste worpen in kruisvorm te doen, en wel onder een
+spreuk, waardoor Gods zegen wordt afgeroepen. Maar meer mag men
+niet spreken, opdat de vogels het niet merken. Het zaad moet men
+hoog opwerpen, dan groeit het graan hoog op (weer sympathetische
+magie). Laat men des nachts ploeg of eg op het land staan, dan zet
+men deze recht op in het veld, dat de heksen er onder kunnen vluchten
+(Limburg).
+
+Intusschen schiet het graan welig op. Het is voor den landman een
+heilige tijd, een tijd van bange zorg en blijde hoop, als de velden
+zich steeds rijker bekleeden met den zegen des hemels. Nu rijdt
+men om de akkers, dat de oogst moge gedijen; nu bezigt men allerlei
+afweermiddelen tegen hagelslag, onweer, brand, vooral tegen de vratige
+vogels: de vogelverschrikkers hebben niet slechts een praktisch doel,
+maar doen tevens eenigermate als fetis dienst. Op de Duitsche grens
+leest men plaatselijk 't Sint Jans Evangelie tegen de musschen; tegen
+misgewas steekt men in Vlaanderen en Limburg een gewijd palmtakje op
+de vier hoeken van den akker. Het is een belangrijke, hoog-ernstige
+tijd: dans en andere vermakelijkheden moeten nu rusten ...
+
+Het omrijden der akkers en het rondtrekken om de graanvelden, wat
+ook eertijds te Rome in zwang was, heeft ten deele een gekerstenden
+vorm aangenomen in de processies. Het is zeker niet toevallig,
+dat de _litania maior_, de voornaamste processie met litanie-gebed
+op Marcusdag (25 April), juist op denzelfden datum valt, waarop
+eertijds te Rome het voornaamste _ambarvale_ plaats had: ommegang,
+bedegang door en om de velden voor het gedijen der veldvruchten en
+het afweren van schadelijke invloeden. Ook bij deze en dergelijke
+heidensche processies sprak men wisselgebeden in dialoogvorm. De
+heidensche processie op den 25sten Maart werd gehouden ter eere van
+_Robigo_, een godheid, aangeroepen ter afwending van ziekte in het
+graan of van den meeldauw. Met het feest van den H. Marcus heeft de
+_litania maior_ niets gemeen.
+
+Maar reeds heeft de kwartel den oogst aangekondigd; en de landman
+weet het, als de kwartel slaat, dan korrelt het graan goed:
+
+"zooveel maal als hij slaat, zooveel vat uit de vim", zegt een
+Limburgsch spreekwoord.
+
+Weldra, als de wind door de aren speelt en het graanveld doet golven,
+dan gaat de koorndaemon door de halmen, evenals de boomgeest zich
+openbaart in het ruischen van het loof. "De roggehonde loopt er
+deur", zegt men dan in de Graafschap, of "de roggemeuje het de
+varkens oet." Hier ontmoeten wij voor het eerst den genius der
+vruchtbaarheid op het graanveld. Hij neemt nu eene menschelijke
+gedaante aan (_korenmoeder, roggemeisje_), dan weer die van een dier
+(hond, wolf, haan, haas, bok enz.). Kinderen, die het graan vertrappen,
+waarschuwt men voor het korenwijf, de roggemoeder of den bok. De hond,
+haas enz. komt er bij de laatste schoof uit; dan moet een der binders
+met open schort voor de halmen gaan zitten, om hem te vangen. Zoo
+komt het, dat elders de laatste schoof den vorm van een hond, haas
+enz. aanneemt. Zie Sartori, Sitte und Brauch II, bl. 87; Mannhardt,
+Baumkultus, bl. 611; Roggenwolf und Roggenhund2 (Danzig 1868),
+_passim_; Die Korndämonen (Berlin 1867), _passim_.
+
+Het is een weldoende toon in het volksleven, dat de _graanoogst_,
+het moeizaamste en gewichtigste werk van het geheele jaar, als een
+feest wordt opgevat. Op Jacobidag (25 Juli) pleegt hij een aanvang
+te nemen. Het nijvere landvolk zweet en zwoegt, de buren bieden de
+helpende hand, maaien de halmen, binden de schooven, stapelen op de
+oogstkar het kostbare loon van zooveel moeiten en zorgen, en bij
+het haren der zeisen en het zwaaien der sikkels klinken vroolijke
+oogstliederen als deze:
+
+
+ De wumpel de strumpel de kanne met bier,
+ Die hebben we hier op ons pleizier!
+ Zoetemelk met roome,
+ Jan Dirksen is mijn oome,
+ Peet Trijn, dat is mijn bestemoer,
+ Zoo gaane we mee op het leste voer.
+
+
+(Noord-Holland).
+
+
+ Het laatste voer is op de baan,
+ Dat in den boer zijn schuur moet gaan.
+ De luie boeren alleen hebben nog staan.
+
+
+(Oost-Vlaanderen).
+
+En nog komt met _Sint Joapik_ de boer handen te kort. Dit blijkt
+uit verscheidene zegswijzen. Als 't heeft geijzeld, en de boeren
+de hoefijzers der paarden moeten laten scherpen, zegt men: "'t
+Hef glad iêzelt, de boer hef vandaag zienen Sint Joapik", en zijn
+er veel huwelijken na den gesloten tijd, dan hoort men wel eens:
+"Onze pastoor hef regtevoott zienen Sint Joapik".
+
+Eindelijk bindt men de laatste schoof. Evenals in de lentegebruiken de
+vegetatiedaemon door den meiboom of door een omloofde menschenfiguur
+wordt voorgesteld, aldus ook de koorngeest in de oogstgebruiken. Men
+beeldt hem uit in een schoof, met bonte linten en bloemen gesierd en
+veelal gebonden in den vorm van een pop, en deze draagt benamingen
+als: _korenmoeder, roggewolf, roggehaan_ enz.; immers, het dier,
+dat sprong door het golvende graan, heeft men gevangen in de laatste
+garve. Buiten onze grenzen wordt ook wel de maaier in de laatste schoof
+gebonden en in water gedompeld. Zij wordt ook vaak met eetwaren als
+appelen, gebak, eieren enz. gesierd en men danst er om heen, als om
+den meiboom. Een verdere overeenkomst met den meiboom is deze, dat
+b.v. in Westfalen de laatste schoof wordt bekroond door een uit hout
+gesneden en op een stok bevestigden haan, die met den haanvorm, waarin
+somtijds de laatste schoof gebonden wordt, niets gemeen heeft. Deze
+haan rust op den oogstkrans, en troont dan veelal op den zoogenaamden
+_Harkelmai_, die zijn benaming aan de bijeengeharkte halmen dankt:
+de overeenkomst met den kleinen meiboom, dien wij palmpaasch noemen,
+is weer bijzonder treffend. Na afloop der feestviering spijkert men
+den haan met den oogstkrans aan den gevel van het woonhuis, waar hij
+tot het volgende jaar blijft prijken. Zoo verklaart men de gewoonte
+van het hanenslaan in sommige streken na het oogstfeest--in den Elzas
+bindt men een levenden haan aan den oogstmei!--en evenzeer de Twentsche
+benaming voor het oogstfeest: _stoppelhanen_.
+
+De laatste schoof wordt ook de _geluksgarve_ genoemd, omdat
+men van haar geluk en rijkdom verwacht voor het volgende jaar;
+want de genius van de groeikracht en den wasdom, dien de oogstmei
+uitbeeldt in betrekking tot de graanhalmen, welke hij tooit, wordt
+ook beschouwd als de onafgebroken voortlevende groeikracht der
+veldgewassen. Andere benamingen zijn: _de Olle, 't Olde Wief_ enz.,
+welke wellicht betrekking hebben op een Oudgermaansche goddelijkte
+verpersoonlijking der vruchtbaarheid.
+
+Te Hengeloo, Steenderen, Zelhem, Ruurloo en andere dorpen van de
+Graafschap maken de binders, als de laatste halmen gemaaid zijn, een
+bijzonder groote garf, die uit vijftien gewone garven bestaat. Deze
+wordt dan met groene takken en bloemen gesierd en draagt den naam
+van _'t Olde Wief_. Straks komen de knechten met een langen staak,
+steken haar dien door 't lijf en dragen haar in optocht naar de
+woning van den boer, waar ze voor de deur wordt neergezet. Met eenige
+plechtigheid wordt dan de feestgarve aan de vrouw, die inmiddels
+naar buiten gekomen is, aangeboden. Ook draagt men de reuzenschoof
+wel eens naar binnen en dan wordt er om heen gedanst.
+
+Ook elders bestaat een dergelijk gebruik. Te Neerbosch (G.) en
+omstreken, Heel, Geleen, Vlodrop, Reuver, Tegelen enz. (L.) maakt men
+de laatste schoof dubbel zoo dik als naar gewoonte; zij wordt met groen
+en bloemen, met een _mei_, opgesmukt en dan op de kar geladen. Een
+joelende menigte van jongens en meisjes omstuwt het voertuig, en langs
+den grootst mogelijken omweg begeeft de stoet zich huiswaarts. In het
+dorp zet men het feest tot laat in den avond voort, want rijkelijk
+wordt de jeugd door den eigenaar op koffie, bier, brandewijn en vla
+onthaald. Te Nederweert vergast men zich op _Zichtezondag_ aan bier en
+zoete melk. Elders wordt alleen de laatste kar _gemeid_. Te Schinveld
+maakt men nog een stroopop, waarmee gesold wordt.
+
+In sommige Friesche woudstreken is het de gewoonte, dat op de laatste
+van het veld komende wagenvracht boekweit een meiboom wordt geplaatst,
+en wel een tak van den lijsterbessenboom met de rijpe bessen er aan. Op
+het Bildt zaten voorheen op den laatsten wagen boonschoven, die werden
+binnengehaald, twee jongens met een strooman. Zij zongen aldus:
+
+
+ Moer, moer, de pan over 't vuur!
+ Hier hê wij _de leste gerven_
+ Boven in de bergen,
+ Boven in de toppe.
+ Wanneer selle wij soppe?
+ Soppe wij van avond niet,
+ Dan soppe wij 't heele jaar niet.
+
+
+In Zuid-Limburg draagt het oogstfeest de eigenaardige benaming van
+_martelgaus_ (of _-gans],_ klaarblijkelijk een vervorming, zonder
+eenige betrekking tot den gansvogel; een afdoende verklaring werd
+tot nog toe niet gegeven. Elders op Nederlandschen bodem biedt het
+oogstfeest weinig karakteristieks. In het Noorden heeft de vlag meestal
+het meiboompje vervangen. In West-Vlaanderen draagt het oogstfeest,
+of liever de feestmaaltijd, den naam van _oogstfooie_, elders dien
+van _oogstkermis_.
+
+Ten slotte zij nog vermeld, dat in Oldenburg, Brunswijk, Hannover
+enz. een stuk koren ongemaaid op den akker blijft staan: het
+_Vergôdendêl,_ dat kwalijk anders kan vertaald worden, dan als:
+"Frau Godens Anteil", een hooioffer dus aan Wôdan's gemalin. Hiermee
+vergelijke men het schamel overleefsel, dat ons rest in het hooi voor
+het paard van Sinterklaas (bl. 123).
+
+Het arenlezen is het recht der armen. Te Eibergen (G.) zingen de
+kinderen, als ze na het _pungelen_ (aren lezen) huiswaarts keeren:
+
+
+ Moeder, moeder, ik heb moar eenen pungel epungeld,
+ Der was neet meer te kriêgen,
+ Want as der nog meer te kriêgen was,
+ Dan ha'k wal meer noa 't hoes ebrach; enz.
+
+
+Terstond na het ten einde brengen van den veldarbeid begint het
+_dorschen_: een zwaar, moeitevol werk, waar men gaarne reeds vroeg in
+den morgen mee aanvangt. Volijverig hanteeren de dorschers den vlegel,
+en uit het rythme van den dorschvlegel groeit het dorschlied met zijn
+gespierde en toch zoo smijdige klankbeweging:
+
+
+ It klitst, it klatst,
+ 't Giet juwn toa gest,
+ Op tzies in brea
+ Mey 't heale gea.
+
+
+(Friesland)
+
+
+ [Het klitst en klatst,
+ Het gaat van avond te gast,
+ Op kaas en brood
+ Met het halve dorp].
+
+
+Zouden er geen liederen gezongen worden in den trant van Cremer's
+Betuwsch dorschliedje? Wij geven het natuurlijk met het noodige
+voorbehoud:
+
+
+ Lange vlegel, wonderklop,
+ Sloa d'r helder lochtig op
+ Vief en twintig duuzend slag,
+ Ielken korten wienterdag,
+ Met verdrag.
+ Vlêgel! klap 'm, klep 'm, klop,
+ Die 't niet gleuft op stuggen kop.
+
+
+Vooral het dorschlied steunt in zoo ruime mate de stelling van Karl
+Bücher, dat het arbeidslied zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm,
+dien het volk aan inspannenden, eentonigen arbeid gaf, om het eentonige
+te breken en de vermoeienis te doen vergeten.
+
+Het gewichtigste oogenblik bij het uitdorschen is dat van den laatsten
+slag. In ons zuidelijk volksgebied bestaat vrij algemeen het gebruik,
+dat bij het afdorschen van het laatste koren alle dorschers tegelijk
+met de vlegels op den vloer slaan; in het Oosten van ons land heette
+dit de _drobbelslag_. Uit vergelijking met uitheemsche gebruiken
+blijkt, dat deze slag oorspronkelijk den koorndaemon gold, die immers
+mee in de schuur gevlucht is. Tegenwoordig is het een teeken, dat de
+vrouw van den eigenaar moet komen, om de arbeiders te trakteeren.
+
+De greidboer heeft geen bouwland, hij is enkel veehouder, hij kent
+alleen den _hooi-oogst._ Maar de gebruiken, hiermee verbonden, zijn
+over het algemeen veel minder ontwikkeld dan die van den graanoogst. Na
+afloop volgt het hooimaal, een afscheidsmaal, dat de boer aan zijn
+werkvolk geeft; het bestond van ouds uit spekpannekoeken. De laatste
+wagens worden op Ameland met vlaggen versierd.
+
+Worden de groote schuurdeuren geopend, dan gebeurt het vaak, dat
+zwaluwen komen rondfladderen in de ledige ruimte der schuur. Dan
+zingt de jeugd--en ook wel in het voorjaar bij den terugkeer,--het
+zwaluwgetjilp nabootsend:
+
+
+ Verleden jaar, toen ik hier was,
+ Was dit vak vol en dat vak vol,
+ En nu is alles weer verteerd, verteerd, verteerd.
+
+
+Of wel:
+
+
+ Toen ik weg ging, waren alle kistjes en kastjes vol,
+ Maar toen ik weer kwam, was alles verslikkerd, verslekkerd,
+ verslierd, verslierd.
+
+
+Men vergelijke het Brunswijksche:
+
+
+ As ik weggung, as ik weggung,
+ Was dit fak vull, was dat fak vull,
+ As ik wê'erkam, as ik wê'erkam,
+ Was alles verslickert, verslüert.
+
+
+Laat ik nog vermelden den vlasoogst, vroeger zoo belangrijk met het
+oog op het algemeen gebruikelijke, huiselijke spinnen; den hopoogst,
+die eertijds aanleiding gaf tot het befaamde Geldersche hopmaal met
+zijn lekkere, gerezen pannekoeken; eindelijk den koolzaadoogst,
+daarom niet onbelangrijk, dewijl de laatste zak door een groenen
+tak, een _mei_ werd gesierd. Met de muzikanten voorop ging de stoet
+zingende naar het huis van den boer. Maar reeds in 1839 was, volgens
+den Gelderschen Volksalmanak, dit feest kwijnende.
+
+In Noord-Brabant, b.v. te Duizel, kent men nog de _aardappelfooi_,
+vroeger in de omstreken van Breda de _boekweitfooi_, vergel. de
+Antwerpsche _pataatfooi_, naast de Vlaamsche _oogst- vlas-_ en
+_zaadfooi_ (bl. 283). Het woord _fooi_ heeft hier de beteekenis van
+"afscheidsmaal", die ook het Middelnederl. _foy, voy_ bezat. Een
+nog oudere beteekenis is "reis, weg"; immers het woord heeft zich
+ontwikkeld uit het Fransche _voie_: "reis, reispenning, teerpenning."
+
+Zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 190 vlg.; Driem. Bladen I, bl. II,
+bl. 70; Dr. De Vooys, in Volkskunde XXIV, bl. 154; Schrijnen,
+in Limburg's Jaarboek I, 3, bl. 25 vlg.; H. Welters, Feesten enz.;
+bl. 50; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 312 vlg.; Waling
+Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 261.
+
+De _veeteelt_ is reeds elders ten deele besproken, zoo b.v. de
+stalling bij de verschillende huistypen en eveneens de afweermiddelen,
+die ter bescherming van het vee tegen onheilvolle invloeden worden
+gebezigd. Ook de hooioogst behoort tot dit onderwerp.
+
+Vooral de paarden staan bloot aan betoovering en aan kwelling van
+de maar, die onontwarbare knoopen in de manen vlecht en de dieren in
+zweet drijft. Hiertegen bestaan afzonderlijke bezweringsformules. Ook
+paardekoppen in den gevel oefenen beschermenden invloed uit. De koeien
+en schapen worden op gezette tijden door de vaart gedreven, om ze
+vruchtbaar te maken en tegen ziekten te beveiligen. Op een meidag
+drijft men de koeien in de weide en tegen Sint Katherijne komen zij
+weer op stal. In den omtrek van Bredevoort en Aalten (G.) hebben de
+koewachters hun eigen deuntje, waarmee ze elkaar toeroepen: "Alleli,
+allo, Derk, Jan, enz., allo, kom hier allo, gauw dan alio, alleli,
+allo". Dit "Alio, alleli" dient ook om des avonds de koeien bijeen
+te roepen.
+
+Bijzondere voorschriften gelden bij het melken, om te maken, dat de
+melk overvloedig is, niet blauw, dat zij niet onmiddellijk stolt,
+dat zij niet botert; hiertegen beveiligt vooral de vlierstruik. Ook
+palm en kruidwisch worden in den stal aangebracht; spinnewebben ziet
+men er graag.
+
+Schapen, geiten en varkens spelen in het volksgeloof een
+ondergeschikte rol. Van meer belang zijn hond en kat, die vooral het
+weêr voorspellen, maar toch ook geluk of ongeluk aankondigen. De kat
+staat in betrekking tot het huwelijk (bl. 90, 253), kondigt bezoek
+aan en ziet sterfgevallen vooruit. Van groot belang is, zooals wij
+zagen, de haan bij de vruchtbaarheidsgebruiken, bij het oogstfeest
+enz. Hij beveiligt tegen schadelijke invoeden en is daarom wel vooral
+symbool der vruchtbaarheid, zooals ik reeds op bl. 96 en elders
+heb betoogd. Eindelijk, in hooge eere staan de bijen, het eenige
+insekt, dat huisdier geworden is. Zij staan in nauwe betrekking tot
+het gezin van den iemker; zijn dood wordt hun aangekondigd; met de
+naastbestaanden dragen zij rouw.
+
+
+
+V. Ziekte, dood, begrafenis.
+
+
+Na de genoegens van het leven komen _ziekte_ en de dood. Menige zwakte
+en menig lijden slaat de landbouwer lager aan dan de stedeling met
+hooger kultuur, en het is zelfs een bekend feit, dat hij eerder den
+veearts voor de stalbeesten zal ontbieden, dan den geneesheer voor
+zich zelf of voor de leden van zijn gezin. En nog gaat hij dan bij
+voorkeur bij waterdokters en konsorten te rade. Daarentegen is hij
+voor kleine misvormingen zeer gevoelig, getuige b.v. het heirleger
+van bezweringsformules tegen de wratten. Maar ik kom hier op het
+gebied der volksgeneeskunde, die uitvoerig in het Zesde Hoofdstuk
+zal besproken worden.--
+
+Intusschen wordt de kwaal erger en erger en nadert de _dood_. Reeds
+heeft men herhaaldelijk geheimzinnige lichten waargenomen, die onder
+den naam van _veurbuken_, (_veurbukes, veurbuksel_ enz.) bekend zijn,
+althans in het zuidelijk volksgebied. Voortdurend krast de uil en
+de raaf, de waakhond slaat aan in het holle van den nacht, de klok
+blijft stil staan of twee klokken slaan te gelijk, de katten bijten
+elkaar; nu eens springt een glas, dan weer worden deuren plotseling
+dichtgeworpen, en voortdurend laat het houtwormpje zijn eentonig
+getik hooren. Hierbij komt nog, dat de huisgenooten voortdurend
+droomen van huwelijk en bruiloft (vgl. bl. 241), of den priester
+aan het altaar zien staan: geen twijfel meer mogelijk, spoedig zal
+de zieke "het gewaagd hebben". "Hij gaat de gard af", fluisteren de
+vrienden en magen, "hij riekt naar de schup". Bij kinderen klinkt de
+volksuitdrukking zachter, gevoeliger: groote kinderoogen, luidt het,
+zijn "kerkhofbloemen".
+
+Men kan niet zeggen, dat de landman den dood meer vreest dan de
+stedeling, maar hij wordt er voortdurend aan herinnerd door zijn
+intiem samenleven met de natuur, wier opvallende verschijnselen hij
+als voorboden beschouwt. Hierop wijst m.i. het meest sprekend de
+volksverklaring van een ontijdigen bloei:
+
+
+ Een bloem buiten den tijd
+ Is een bruid of een lijk.
+
+
+Ook hier weer de verwantschap van dood en huwelijk als het telkens
+wederkeerend refrein.
+
+De dood wordt door het volk beschouwd als een overgang, niet als
+een einde: vandaar een heele reeks van scheidingsgebruiken uit de
+wereld, die den mensch omringt, zoowel bij het sterven, als na
+den dood, tot hij veilig en wel geborgen is in het graf. Want,
+dat ieder mensch bestaat uit een tweevoudig ik, dat er bij den
+dood een scheidingsproces plaats heeft, ten gevolge waarvan het
+onsterfelijke gedeelte overblijft, om een nieuw leven te beginnen,
+was een overtuiging, door de Oude Germanen met alle andere volken
+en volkengroepen gedeeld. Deze overtuiging is algemeen-menschelijk,
+en behoort tot de goudaderen in veelal waardeloos of minder waardevol
+erts. Tot dit soort van gebruiken behoort het afknippen van nagels
+en haar, het omwerpen van de stoelen en banken, het openzetten
+der vensters, het rondgaan om het kerkhof enz. Ook bij de geboorte
+hebben wij een dergelijken scheidingsritus ontmoet (bl. 214, 215);
+hier is hij op zijn eigen domein. Zelfs voor de overlevenden is
+hij van toepassing, ten einde scheiding te bewerkstelligen van den
+doode en de doodsmachten en ter wederopneming in de wereld en in de
+gemeenschap der levenden. Natuurlijk vermengen zich hiermee gevoelens
+van teedere piëteit met den dierbaren stervende of doode.
+
+Na de berechting, in katholieke streken, wacht men met bange vrees en
+klimmende bezorgdheid het naderend einde af. Komt het stervensuur
+en heeft men allen grond, te duchten, dat de zieke het spoedig
+zal hebben afgelegd, dan ontsteekt men de gewijde doodenkaars--in
+Vlaanderen wordt dit _uitlichten_ genoemd--en roept de familie om
+het sterfbed. Men tracht den stervende het verscheiden zoo licht
+mogelijk te maken. Hij mag geen kleedingstuk aanhebben, waaraan op
+Zondag genaaid is, want daarin kan hij niet sterven, maar blijft
+voortdurend in doodstrijd. Men vraagt hem gaarne, of hij niets meer
+"op zich heeft", een laatsten wensch, maar ook wellicht een belofte,
+die men hem dan afneemt. Bestellingen en beschikkingen van een
+stervende moet men volbrengen, anders kan hij geen rust vinden in
+het graf; en evenmin vindt hij rust, als men de begrafenisgebruiken
+verwaarloost. Houdt men na den dood ter volbrenging eener belofte van
+den overledene een bidweg, dan moet men een stok of regenscherm voor
+de deur zijner woning zetten en zeggen: "In den naam van God, ga voor,
+ik zal u volgen." Blijkbaar wil men aldus den geest verschalken en
+alvast voorop sturen; anders moet men hem dragen.
+
+In dit beslissend tijdsgewricht ducht men vooral het twaalfde uur;
+immers dan "verzet" de tijd.
+
+Heeft de stervende den laatsten snik gegeven, heeft de ziel het
+lichaam verlaten, naar het volk meent als ademtocht, dan wordt
+de mond gesloten, de naaste verwanten drukken de oogen dicht,
+en in katholieke streken omklemmen de saamgevouwen handen een
+kruis of rozenkrans. Eertijds werd de stervende, naderhand ook de
+doode afgelegd, en kwam hij van het bed op het lijkstroo te liggen,
+in geheel België _reeuwstroo_, in Hollandsch Limburg _schoofstroo_
+genoemd; _reeuw_- beteeken "lijk", vergel. het Gothische _hraiw_- in
+_hraiwadûbô_ "tortelduif, lijkduif." Het feit, dat de uitdrukking "op
+zijn reeuwstroo liggen" in heel Vlaamsch België en in de aangrenzende
+gewesten mondgemeen is, bewijst voldoende, dat zij verband houdt
+met een algemeen verspreid gebruik. Het afleggen op stroo mag als
+Pangermaansch, ja als algemeen Indogermaansch beschouwd worden. In
+België schijnt het sedert enkele tientallen van jaren uitgestorven;
+ook in Westfalen (_Revestroh_) en Rijnland is het gebruik veel
+verminderd. In Nederland is het, voor zoover mij bekend, nog
+slechts in Friesland en in Hollandsch Limburg in zwang: "Wanneer het
+gewasschen en in het doodshemd gekleed is," schrijft Th. Dorren in
+Limburg's Jaarboek XVI, bl. 13, "wordt het lijk--gewoonlijk op twee
+aan elkaar geschoven tafels--in de beste kamer _op schouf_, d.i. op
+stroo gelegd. De tijd, dat het lijk onbegraven daar ligt, heet het
+"_euver eerd_ liggen." Vandaar de uitdrukking: "Hij komt van het bed
+op het stroo," d.i. van euvel tot euvel, zonder dat het er beter op
+wordt. Oorspronkelijk werd het lijk van het bed op een plank gelegd,
+en deze, in Beieren het _Rebrett_ genoemd, dient in ons land nog op
+tal van plaatsen, om den dood aan te kondigen. Zwart geverfd en met
+een doodshoofd, waaronder de letters R.I.P., beschilderd, wordt het
+_liêkbreed_ naast de deur van het sterfhuis geplaatst.
+
+Het lijk wordt dus gewasschen, geschoren, en men legt een doekje
+onder de kin. Kinderen tooit men met een kransje, ook de ongehuwden
+krijgen den bruidstooi, dien zij gedurende hun leven moesten ontberen:
+den mirten- of rosmarijnkrans. Dan vangt het _verhennekleen_ aan,
+d.i. het doodskleed of _hennekleed_ wordt den doode aangedaan of
+liever over hem heen genaaid. De Friesche benaming is _hinnekleed_;
+in Oost-Groningen zegt men ook _reekleed_, en met volksetymologische
+vervorming _regenkleed_. Dit kleed is het eerste, wat de jonge
+vrouw voor zich en haar man spint. Het wordt oospronkelijk met éen
+draad en éene naald om het lijk vastgenaaid. Deze naald is "heilig"
+en "gevaarlijk" tevens; beide begrippen raken elkaar (bl. 86). Zij
+wordt dus doorgebroken en de stukken worden in de kist gedaan; ofwel
+men werpt ze in het vuur. Raakt men er een kies mee aan, dan zou hij
+uitvallen; éen prik er mee geeft een ongeneeslijke wonde. Anderzijds
+brengt zij geluk bij het loten.
+
+In Limburg wordt de vrouw met het hemd bekleed, dat zij den eersten
+huwelijksnacht en daarna nooit meer gedragen heeft. Elk jaar wordt het
+gewasschen en dan zorgvuldig opgeborgen; wij ontmoeten hier wederom
+de verwantschap van dood en huwelijk in het folklore (bl. 241).
+
+Na den dood worden onmiddellijk deuren en vensters geopend in
+het sterfvertrek, althans op enkele plaatsen in Zuid-Limburg, een
+scheidingsgebruik, dat de ziel er vrij uit kan _pfluderen_ (fladderen),
+zooals men in Zwaben zegt. In de Graafschap, en in 't algemeen in
+'t Oosten van Nederland, wordt onder het bed, of in de buurt ervan,
+een bak met water of met water en melk gezet; dit gebruik heerscht
+ook in Westfalen en andere streken van Noord-Duitschland. In Groningen
+meent men, dat dit met een hygiënisch doel geschiedt, omdat dan alle
+vuiligheid op dit water trekt; elders zegt men, dat anders alle water
+en de melk in huis onrein wordt. Waarschijnlijk was de oorpronkelijke
+bedoeling, de ziel een bad in water en melk te schenken. In Oostenrijk
+keert men alle vaatwerk om, dat de ziel daar niet aan blijve hangen. In
+Friesland wilde het gebruik, drie handjes vol gerstekorrels rond den
+doode uit te strooien; het strooien van gerst of zand heeft over het
+algemeen geestenwerende kracht; vgl. bl. 76.
+
+Nu zet men de klok stil en omfloerst den spiegel of keert hem om,
+"omdat er anders spoedig een tweede sterfgeval in het huis zou
+volgen", meent men in Friesland. De verklaring hiervan is deze, dat
+het spiegelbeeld van den mensch met de ziel wordt gelijk gesteld; het
+is dus te duchten, dat het spiegelbeeld van de overlevenden door den
+geest van den overledene worde meegevoerd. Dit zelfde gebruik vindt
+men plaatselijk, buiten onze grenzen, ook bij geboorte en huwelijk;
+immers ook in deze gewichtige levensmomenten wordt de mensch in hooge
+mate door de geesten bedreigd.
+
+Naderhand worden deuren en vensters weer gesloten, eigenlijk en
+oorspronkelijk eerst na de begrafenis, om de ziel te verhinderen, terug
+te keeren. Dit blijkt o.a. hieruit, dat men in Noord-Duitschland aan
+de achterzijde van het sterfhuis een brok muur neerlegt, om zich voor
+het wederkeeren der ziel te vrijwaren. Wil men in Limburg uitdrukken,
+dat iemand reeds lang overleden is, dan zegt men: "Hij komt al haast
+terug." Het luiken der vensters werd later rouwsymbool, òok bij de
+naastbestaanden.
+
+Een krachtig middel, om den terugkeer der schimmen te beletten, is
+ook het leggen van twee stroowisschen kruiselings over elkaar op de
+kruiswegen, of in het algemeen tusschen woon- en begraafplaats op den
+weg, dien de lijkstoet volgde: want de doode keert langs denzelfden
+weg terug, dien hij gekomen is. Inderdaad wordt het lijk-, schoof-
+of doodenstroo op verschillende wijze behandeld.
+
+1. Men verbrandt het, en dit is nog op tal van plaatsen in het
+zuidelijk volksgebied het geval. Immers, de geest van den doode zou
+aan het stroo kunnen blijven hechten; dit is dus een reinigings-
+en scheidingsgebruik. In alle geval:
+
+2. Men verwijdert het na den dood uit het huis, evenals de
+plank, waarop de doode gelegen heeft. Dit is natuurlijk weer een
+reinigingsgebruik, evenals het keren van het huis en het verbranden
+van kleêren en andere voorwerpen, waar de dood mee in aanraking
+kwam. Vandaar het gebruik in Zeeland, Noord-Brabant, Gelderland,
+Vlaanderen en enkele jaren terug ook in Limburg, na den dood
+bossen stroo aan de deur van het sterfhuis te leggen, met of zonder
+rouwbanden; naar den ouderdom van den overledene neemt dit grootere
+afmetingen aan. In de Noordbrantsche buurten Loon-op-Zand, Sprang,
+Capelle enz. wordt kort gesneden stroo onder drie naast elkaar liggende
+steenen gevlijd. Naderhand dienden lijkstroo en lijkplank als teeken,
+dat iemand overleden was.
+
+3. Het stroo wordt kruiselings voor de deur gelegd, of men maakt
+er wisschen van, die op de kruiswegen gelegd worden. Ook wordt de
+kist op het reestroo geplaatst, en op den weg naar het kerkhof worden
+stroowisschen of enkele halmen van de kar op den grond geworpen. Aldus
+in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant en Limburg, Gelderland enz. Dit
+stroo dient om den geest het terugkeeren te verhinderen. Zelfs legt
+men o.a. te Sittard twee stroohalmpjes kruiselings op hoofd, borst en
+voeten, om den geest den lust te benemen, zich weer met het lichaam
+te vereenigen. Deze en dergelijke gebruiken heet men te Mechelen
+dan ook zeer juist "den doode verloren spelen"; zie H. Coninckx,
+Mechelsche gebruiken II, bl. 51. Naderhand werd het gebruik ten deele
+gekerstend en vroeg de stroowisch op kruiswegen om een gebed voor de
+"geloovige zielen".
+
+Aldus verklaart men ook, waarom het stroo vóor het sterfhuis wordt
+verbrand, terwijl het stroo langs of op den lijkweg daar moet blijven
+liggen, tot het verrot is.
+
+Een aandoenlijke trek in het volksleven is het aanzeggen van den dood
+aan de huisdieren, die geacht worden in nauwer betrekking te staan
+tot den huiselijken kring en hun deel te hebben aan het wel en wee
+van het gezin. Aan het vee, maar vooral aan de bijen wordt de dood
+van den meester aangezegd. Het best is deze trek bewaard gebleven
+daar, waar de huisgemeenschap van menschen en vee het innigst was,
+nl. op de Oudsaksische hoeve; aldus te Weerdinge en Emmen, dan ook
+eertijds te Meppel en Hoogeveen. Te Barneveld maakt men een zwarte
+streep op de linkerzijde van elken korf als teeken van rouw; elders
+in het Oosten van het land worden de bijenkorven van rouwstrikjes
+voorzien; zie Driem. Bladen XII, bl. 52, vergel. III, bl. 81. In
+Westfalen luidt de formule:
+
+
+ Imme, Imme, din Heer is dood,
+ Nu bliw bi mi in mine Nood.
+
+
+Ook in West-Vlaanderen, de Kempen en het Meetjesland klopt men op
+de korven en zegt: "Bietjes waakt, want de meester slaapt", of "de
+meester vertrekt."
+
+Het overlijden wordt aangezegd door de naaste buren of door de
+lijkbidders, en de buurt, vooral de _noodwakers,_ komen, om bij het
+lijk te waken en te bidden. Wij hebben hier het overoud gebruik der
+lijkwake of doodenwake, een gekerstend afweergebruik, dat echter
+tegenwoordig, bij de protestanten althans, grootendeels in onbruik
+geraakt is. Vroeger werden hierbij klaagliederen gezongen en een
+lijkmaal gehouden. Of hier of daar bij deze gelegenheid nog opzettelijk
+geweeklaag wordt aangeheven, is mij niet bekend; maar in Twente en
+ook wel elders wordt die lijkwake nog etende en drinkende doorgebracht.
+
+Burenplicht is eigenlijk ook het overluiden, waarbij natuurlijk
+_luibier_ behoort. Het gebruik is vrij algemeen, en volgens den regel
+wordt driemaal geluid voor volwassenen en éenmaal voor kinderen,
+of voor een volwassene wordt met de groote, voor een kind (ook wel
+voor een vrouw) met de kleine klok geluid. Dichterlijk is de Duitsche
+uitdrukking: _das Heimläuten_; bij ons is behalve de term _overluiden_
+ook wel _uitluiden_ gebruikelijk. Zooals uit vergelijking met tal
+van analoge gebruiken blijkt, had zoowel de luide doodenklacht als
+het overluiden oorspronkelijk ten doel, de geesten af te weren,
+die zich van de scheidende ziel wenschten meester te maken.
+
+'s Avonds vóor de begrafenis wordt het lijk gekist; voor de doodkist
+werden vroeger de planken opbewaard. Staat een doode 's Zondags over,
+dan volgt binnen twee weken een tweede lijk. Ligt iemand "mooi" in de
+kist, dan is dit insgelijks een teeken, dat weldra een nieuw sterfgeval
+in dezelfde familie zal plaats hebben: "hij is mooi bestoorn",
+zeggen de Friezen. Nu weet men, dat, volgens een zeer verspreide
+animistische opvatting, de ziel een min of meer stoffelijk leven leidt
+in of bij het graf; vandaar, dat men den doode meegeeft al datgene,
+waaraan hij tijdens zijn leven bijzonder gehecht was. Vroeger waren
+dit kleeren, wapens, mondvoorrraad, amuletten van allerlei aard,--in
+Zweden geeft men nog heden ten dage tabakspijpen en zelfs gevulde
+brandewijn-flesschen mee. Gouden en zilveren kostbaarheden werden op
+den duur in geld omgezet en ten slotte vormde nog slechts een kleine
+munt het rudimentaire en reeds meer symbolische overblijfsel. Den doode
+zulk een munt in de hand te geven of in den mond te leggen is nog vrij
+algemeen in verschillende streken van Duitschland. Dit geschiedt hier
+te lande niet meer. Wel geeft men nog den doode het scheermes mee,
+maar m.i. omdat dit door de aanraking, evenals de naald, waarmee het
+doodskleed genaaid werd, "gevaarlijk" geworden is; dan ook rozenkrans
+en medailles ter vervanging der amuletten van eertijds; aan vrouwen
+wordt nog wel eens schaar, vingerhoed e.d. toegevoegd.
+
+Bij het kisten moet de doode met de voeten naar de deur gelegd worden,
+en zóo draagt men hem uit de woning, recht door de _lijkdeur_,
+de hoofddeur van het huis, maar die anders niet geopend wordt, dan
+wanneer een lijk wordt uitgedragen of het bruidspaar zijn intrede doet
+(bl. 241); aldus in Friesland, terwijl men ook op vele plaatsen in
+Noord-Holland in ouderwetsche huizen nog de staat- en sterfdeur wijst,
+die alleen bij trouw- en begrafenisplechtigheden geopend werd; zie
+De Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 209. Uit vrees, dat de geest
+terug keert, zegt menig drager en menige draagster uit den omtrek
+van Aalst, wanneer de lijkstoet zich in beweging zet: "Geest, ga
+voor, ik zal u volgen"; en als de deuren 's avonds gesloten worden:
+"Geest, blijf buiten, en ik binnen."
+
+Zoo komen dan de naastbestaanden en buren ter _begrafenis_. In Brabant
+hebben de buurmeisjes den avond te voren in 't sterfhuis _gepeeld_,
+d.i. een kruis van groen en bloemen gemaakt, dat bij de begrafenis
+door kinderen wordt gedragen, gedurende den lijkdienst op de kist
+ligt, en naderhand het graf zal tooien. De familie verschijnt in
+rouwkleeren, de vrouwen geheel in het zwart, zonder gouden sieraden,
+en dragen somtijds den doek "met de krange kante buiten", zooals men
+in het oostelijk volksgebied zegt. Te Weert, Nederweert, Neerbosch,
+Lent enz. dragen de vrouwen dan nog de falie; te Lent dragen de
+mannen bij deze gelegenheid mantels van een bepaald model, door den
+doodgraver bezorgd. Bij deze mantels behooren natuurlijk bepaalde
+hoeden, die plaatselijk na afschaffing van de mantels gebleven
+zijn. Zoo komt het, dat b.v. te Neer de mannen bij den rondgang om
+het altaar, elders gedurende de eerste helft der lijkmis, den hoogen
+hoed opzetten. Op Zuid-Beveland wil de gewoonte, dat ieder lijkganger
+den breeden rand van den Zuidbevelandschen hoed naar omlaag buigt,
+waardoor een zoogenaamde _treurhoed_ ontstaat.
+
+Buiten 's huis wordt b.v. te Reusel de kist nog eens, en nu voor
+het laatst, geopend. De buren dragen het lijk, en zoo zet zich dan
+de lijkstoet in beweging, reeds door velen als _begangel_, d.i. in
+schijngestalte drie dagen te voren gezien, zelfs door paarden,
+schichtig voorbij rijdend langs het kerkhof. Ook hebben reeds dagen
+te voren de hekkenopzetters de hekken geopend op den weg, dien de
+stoet moet volgen.
+
+Na de begrafenisplechtigheden in de kerk, of ook wel terstond vanaf
+het sterfhuis, wordt de kist op kar of wagen gezet en rijdt men
+ter laatste rustplaats. De naaste buurman moet het lijk rijden,
+en de regel geldt, dat wie den bruidswagen rijdt, ook de dooden ter
+rustplaats moet brengen. De te volgen weg, die volgens oude gewoonte
+voor iedere buurt en hoeve vast staat, is in Overijssel, Drente,
+Gelderland, Friesland algemeen de _lijkweg, noodweg_ of _reeweg_;
+hij wordt uitsluitend genomen bij het doopsel, huwelijk en begrafenis
+(bl. 241). Veelal wil het gebruik, dat de stoet op bepaalde plaatsen,
+b.v. bij kruiswegen, grenzen, bruggen, kapelletjes, een oogenblik
+halt maakt, om dan na enkele gebeden of ceremoniën den weg te
+vervolgen. Op de kar nemen twee of vier der naaste verwanten plaats,
+meestal vrouwen. Ja, in verscheidene dorpen van Limburg, Friesland,
+Drente, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant enz. zat de weduwe op
+de kist, en dit gebruik is nog volstrekt niet geheel uitgestorven;
+wellicht hebben wij hier te doen met een afweergebruik. Achter den
+wagen volgen verdere bloedverwanten, buren en vrienden, meestal ook
+vrouwen. "Opmerkelijk", zegt De Cock, "is nog het West-Vlaamsch
+gebruik, dat den ""boever"" oplegt, 's avonds te voren reeds in
+'t oor der paarden te gaan fluisteren: ""Morgen moet ge 'nen doôn
+voeren"", anders zouden de dieren weigeren te trekken (Volkskunde,
+bl. 223). In de streek van Ootmarsum droegen degenen, die het lijk
+volgden, palmtakken, versierd met bladgoud, die ze naderhand in de
+kist wierpen of daarop plantten. Dit gebruik leeft ten deele nog
+in Noord-Brabant, Limburg en waarschijnlijk ook elders; te Vucht
+b.v. worden voor overleden meisjes door meisjes palmtakken gedragen,
+voor overleden jongens door jongens hulstakken: wij ontmoeten hier
+het treffend en dichterlijk gebruik van den graf- of doodenmei.
+
+Het kerkhof ligt op de meeste dorpen van het zuidelijk volksgebied nog
+om de kerk. In sommige gemeenten van Friesland en Overijssel heeft
+zich het gebruik staande gehouden, op het kerkhof gekomen, driemaal
+het pad om het kerkhof rond te gaan; ook volgens het Oudindisch
+lijkritueel schreed men driemaal om het lijk, ten einde dit tegen
+invloeden van boozen aard te beveiligen. Men vergelijke den rondgang
+om de akkers, die immers een afweer-, en bijgevolg, voor dat geval,
+een bevruchtingsritus is. In de groeve wordt het lijk georiënteerd,
+d.i. met het gelaat naar het Oosten gericht, een gekerstend heidensch
+gebruik, dat plaatselijk nog stand houdt; immers het Oosten was de
+lichtzijde, maar Christus is het Licht, in het Oosten is Christus
+verrezen, in het Oosten ligt het Paradijs, in het Oosten zal Christus
+verschijnen ten oordeel.--Rust de kist in de groeve, dan werpt eerst
+een der familieleden, vervolgens elk van de buren een schop aarde
+er op, een ver verspreid gebruik, dat b.v. ook in China bekend
+is. De bedoeling is, de ziel te nopen, rust te houden binnen het
+graf. Gewoonlijk bedankt de naaste bloedverwant voor de bewezen eer.
+
+Het graf wordt getooid met groen en bloemen. Een eigenaardig gebruik
+vind ik vermeld voor oostelijk Noord-Brabant, het eiland Schouwen, en
+Staphorst en Rouveen; bij de begrafenis van een vrouw, die in kraambed
+gestorven is, wordt een witte doek op de kist of op het graf gelegd. Te
+Veldhoven (N.-B.) wordt die doek op het graf aan de vier hoeken met
+een steen bezwaard en blijft liggen, tot hij geheel verteerd is.
+
+Tot het verleden behoort het gebruik, mondkost op de grafstede neer te
+leggen: een waar doodenoffer. Daarentegen is het aloude doodenoffer
+in den vorm van een lijkmaal plaatselijk in gewijzigden vorm of
+ook slechts als _survival_ blijven voortbestaan. Het Oudgermaansche
+doodenmaal werd bij het graf zelf gehouden en in christelijke tijden
+herhaaldelijk verboden; in de XIe eeuw ijvert o.a. Burchard van
+Worms er tegen in een zijner dekreten.-- Nog thans wordt in sommige
+streken van het buitenland de doode geacht, aan deze smulpartijen,
+die echter ten sterfhuize gehouden worden, onzichtbaar deel te nemen;
+men laat zelfs een plaats voor hem open en de spijzen worden opgediend,
+alsof hij tegenwoordig ware.
+
+In ons land wordt het begrafenismaal vóor of na de begrafenis gehouden;
+bij welgestelde boeren neemt het wel eens den vorm aan van een vollen
+maaltijd. Het draagt den naam van _groevemaal, lijkmaal, grafmaal_,
+alsook van _lijkbier, troostelbier, leedbier_ enz. Een begrafenis
+zonder lijkmaal heet in de _Trijwâlden_ (F.) een "begrafenis zonder
+leed". Hoe meer hierbij gegeten en gedronken wordt, des te beter,
+want het komt den doode ten goede; het verzuimen van een lijkmaal
+wordt beschouwd als een oneer, den doode aangedaan.
+
+In België vindt men dit lijkmaal verder nog in gewijzigden vorm terug
+in de zoogenaamde _eten-uitvaart,_ waarbij het _uitvaartbrood_ aan den
+arme wordt uitgedeeld. Dit lijkt mij daarom zoo belangrijk, omdat de
+kerstening hier eenzelfden weg is ingeslagen, als in de eerste eeuwen
+van het Christendom. Toen werd nl. de lijkmaaltijd vooral gekerstend,
+door de armen en ongelukkigen daartoe uit te noodigen: de lijkmaaltijd
+werd liefdemaal of _agape_, en kreeg ekonomische beteekenis, trad in
+dienst der christelijke armenzorg.
+
+In de omstreken van Kortrijk heet de rouwmaaltijd _molleprooi_, en
+aan dat maal deelnemen noemt men "naar de _molleprooi_ gaan." Deze
+uitdrukking zal wel zooveel beteekenen als op de _mollejacht_ gaan,
+waarin het Bargoensche _mol_ "dood" beteekent.
+
+Men zou echter verkeerd doen, in dezen lijkmaaltijd uitsluitend het
+overleefsel van een offermaal te willen zien. De rouwtijd is een
+tusschenperiode, een middentoestand, vooral de tijd tusschen het
+overlijden en de begrafenis. In dezen toestand treden de nagelaten
+betrekkingen door scheidingsgebruiken, terwijl opnamegebruiken hen weer
+in de wereld der levenden terugroepen. Tot deze wederopnamegebruiken
+behoort ook het lijkmaal, dat de overlevenden tegen de doodsmachten
+moet sterken. Zie V. Gennep, Les rites de passage, bl. 211; Preuss,
+in Globus LXXXVII, bl. 418.
+
+Nog éen gebruik blijft ter vermelding en verklaring over. Bij het
+terugkeeren van de begrafenis wordt op enkele grensplaatsen van
+Friesland en Drente een licht uitgeblazen, dat den ganschen tijd
+gebrand heeft, zoolang de doode boven aarde stond. Bedrieg ik mij niet,
+dan hebben wij hier te doen met de ver verspreide volksvoorstelling van
+het levenslicht. Na de begrafenis, als het lijk voor goed geborgen is
+in het graf, is de doode ook voor goed uit de gemeenschap der levenden
+geweken: zijn levenslicht is voor goed uitgedoofd. Vandaar ook,
+dat elders een licht wordt aangestoken bij de geboorte van een kind.
+
+De rouwende familieleden, het werd reeds gezegd, vormen een soort
+afzonderlijke gemeenschap, die staat tusschen leven en dood. De duur
+van den rouwtijd wordt geregeld door de graden der verwantschap. Ook
+de dienstboden dragen rouw. De rouwkleur is in den regel zwart,
+soms ook grijs, bruin, blauw en wit.
+
+Op de graven rouwt de witte roos, opgegroeid uit de tranen van Maria
+Magdalena, de lelie en de rosmarijn, die de bruidskroon tooide,
+rouwen de iep, de taxis en de cypres, door den guren winter nimmer
+van hun bladertooi beroofd, en daardoor troostbiedende symbolen der
+onsterfelijkheid.
+
+Zie Gallée, Volkskunde XIII, 84, 122; Waling Dijkstra, Uit Friesland's
+Volksleven I, bl. 404; De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig
+van oude gebruiken en volkszeden, bl. 129, 217; Heuvel, Volksgeloof en
+Volksleven, bl. 330; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 78; Volkskunde
+XIV, bl. 101; XX, bl. 69; XXV, bl. 164; Limburg's Jaarboek I, bl. 181;
+XVI, bl. 13; Rond den Heerd XXV, bl. 154.
+
+
+
+
+
+DE VOLKSTAAL.
+
+
+De volkstaal wordt veelal gelijkgesteld met taaleigen of dialekt. Dit
+nu is onjuist. Tegenover het taaleigen staat de algemeene taal, of
+landstaal. Deze ontstaat meestal uit een tongval en is het gewrocht van
+'t staatkundig, maatschappelijk, kerkelijk en letterkundig overwicht
+van zeker gewest, partij of richting. De Nederlandsche algemeene
+taal of landstaal ontstond in Limburg en onderging achtereenvolgens
+den overheerschenden invloed van Vlaanderen, Brabant en vooral van
+Holland. Zoo werd ook eens het dialekt van het Ile-de-France de
+Fransche omgangstaal, zoo werd in het Oude Griekenland het Attisch
+de algemeene taal of Koine.
+
+Maar tegenover de volkstaal of vulgaire taal staat de beschaafde--in de
+beteekenis van hooger beschaafde--taal of kultuurtaal. "Algemeen" wijst
+op het opgaan van de verschillende tongvallen in een centraal dialekt;
+"beschaafd" wijst op het verschil in spreken tusschen de hoogere
+en de lagere standen der maatschappij. De volkstaal is uiteraard en
+in de normale gevallen slechts spreektaal, de kultuurtaal is beide:
+spreektaal en kultuurtaal.
+
+Nu kan men wel zeggen, dat de algemeene taal hooger staat dan het
+taaleigen in sociale waarde of beschaving. Maar dit neemt niet
+weg, dat ook het taaleigen zijn volks- en kultuurtaal heeft. In
+kultuurdialekt gestoken zijn niet alleen tallooze dicht- en prozawerken
+van Westvlaamsche, Friesche, Limburgsche en Geldersche schrijvers;
+maar kultuurdialekt spreken ook de beschaafde kringen van menige
+Nederlandsche stad, waar de algemeene taal, het "algemeen beschaafd",
+wèl in openbare bijeenkomsten, maar lang niet algemeen als omgangstaal
+zelfs in de meest gegoede families gebezigd wordt. Het algemeen
+beschaafd is dus niets anders dan een kultuurdialekt, dat zich tot
+landstaal heeft weten op te werken.
+
+De volkstaal is een realiteit, al vertoont zij tal van schakeeringen
+en afwijkingen. De kultuurtaal volgt wel een bepaalde norm,--al is zij
+blootgesteld aan verschuiving bij verschuiving der maatschappelijke
+verhoudingen; maar voor duizenden is zij toch een abstraktie, een
+maatstaf, die aangeeft, hoe in beschaafde kringen gesproken mòet
+worden. Zij is als een wetboek, dat gewijzigd kan worden volgens de
+eischen van den tijd. Terwijl de volkstaal vrij is en ongebonden,
+is de kultuurtaal binnen enge grenzen beperkt.
+
+De volkstaal is doorgaans gedifferentieerd: zij houdt vast aan
+overleverde taal, aan plaatselijke vormen en uitdrukkingen, aan
+zegswijzen, die in de kultuurtaal aldra voor verouderd gelden en
+dus zoo ongeveer voor minderwaardig. Deze is integreerend van aard,
+streeft naar eenvormigheid, vermijdt het te individuëele, het ongewone,
+het platte, het onwelluidende. Het te bijzondere lijkt haar tegenover
+sprekers uit andere kringen onheusch, het onkiesche stootend en
+hinderlijk. Zij heeft grootere sociale waarde dan de volkstaal,
+die over het algemeen op hooger natuurlijke kunstwaarde kan bogen.
+
+Immers, de volkstaal is kleurig en karakteristiek; daarentegen verliest
+de kultuurtaal vaak in expressieve kracht, wat zij wint door polijsting
+in netheid en door vereenvoudiging in vaardigheid.
+
+Maar welke de voortreffelijkheid der volkstaal ook zijn moge,--overal
+waar zij een ernstigen strijd te voeren heeft met de kultuurtaal,
+moet zij de vlag strijken. Wij zien dan ook dagelijks de volkstaal
+terrein verliezen, elk onzer in zijn naaste omgeving. En evenzeer
+moet de dialektische kultuurtaal onderdoen voor de algemeene
+kultuurtaal. Dit blijkt wel het duidelijkst uit den taalstrijd
+in België. Het is mijn vaste overtuiging, dat de zoo rechtmatige
+eischen der Vlamingen in veel ruimere mate zouden zijn ingewilligd,
+wanneer zij tegenover de Fransche kultuurtaal van meet af aan
+een algemeene Nederlandsche kultuurtaal hadden gesteld. Hier kant
+zich weer het praktisch belang tegen de kunst. "De taal is de taal
+gelijk de sterren sterren zijn", schreef Guido Gezelle; en waar
+zijn verdediging wordt opgenomen door Hugo Verriest schrijft deze:
+"Moet hij daarom als particularist gedoemd worden, dan is elke vogel
+te bossche en te velde een particularist, en de nachtehaal de grootste
+van allen". Maar die betooverende verscheidenheid heeft met het oog
+op praktisch nut wellicht te lang de noodige kultuurkrachtige eenheid
+tegengehouden. Ik weet zeer goed, dat heden ten dage de voornaamste
+Vlaamsche voormannen vrij wel de algemeene Nederlandsche kultuurtaal
+bezigen. Ik zeg "vrij wel", want het ligt in den aard der zaak, dat
+de Vlamingen bij voorkeur zullen putten uit den rijkdom der Vlaamsche
+tongvallen, en dat hun spreken en schrijven de meerdere expansieve
+kracht en soepelheid zal vertoonen, die het zuidelijk volksgebied
+met zijn Keltischen grondslag eigen is. Maar toch ook zóo slechts
+vermogen zij een evenwaardige, in elk geval gelijkgeaarde taal te
+stellen tegen de algemeene kultuurtaal der Waalsche provinciën. Niet
+zoozeer de vasthoudendheid aan de dialekten heeft de Vlamingen parten
+gespeeld, maar veeleer de verkeerde, kortzichtige gevolgtrekkingen uit
+het feit, dat sommige dezer dialekten zich tot hoogstaande literaire
+kultuurdialekten hadden ontwikkeld, getuige de taal van een Gezelle,
+Streuvels en zoo vele anderen: deze nl., dat bedoelde tongvallen ook
+in voldoende mate kultuurkrachtig zouden blijken in den strijd met
+het Fransch. En waar in België zelf ter aaneensluiting een kultureel
+centrum met voldoende overwicht ontbrak, daar bleef het zich-aansluiten
+aan de Noordnederlandsche algemeene kultuurtaal de eenige aangewezen
+weg. Maar laten wij niet te streng rechten. Het taaie vasthouden
+aan eigen idioom, óok waar het gemeenschappelijke belangen geldt,
+heeft iets licht-verklaarbaars, ja iets groots, iets edels: het
+weerspiegelt de volksziel met haar trotsche zelfbewustzijn, dat ook
+de kleinste der kleinen siert. Slechts vergete men niet, dat in dit
+zelfbewustzijn kracht en zwakheid liggen beide.--
+
+Verder loopt de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal niet evenwijdig
+met die in sociale groeptalen, welke berust op de maatschappelijke
+struktuur van elke taalgemeenschap. Hiermee worden bedoeld de
+verschillende sociale groepen, die hare eigenaardige spreekvormen en
+uitdrukkingen hebben, waardoor rimpeling en golving de effen gladheid
+van het taalniveau verbreekt. De afzonderlijke sociale verhoudingen
+toch, zoo tastbaar en toch zoo onvoldoende onderzocht en in het oog
+gehouden, voeren tot zoogenaamde "Sondersprachen", waardoor meer
+taalvariatie bedoeld wordt, dan een afzonderlijk dialekt.
+
+Somtijds bestaan zij slechts uit een komplex van enkele woorden of
+woordgroepen, maar andere malen hebben wij te doen met een uitgewerkt
+taalsysteem, dat door zelfstandige woord- en zinsvorming wordt
+gekenmerkt; zie verder mijne Rede over Sociale Klassieke Taalkunde
+(Amsterdam 1912), bl. 12 vlg. De sociologische struktuur der
+Nederlandsche taal wordt voortreffelijk behandeld in de twee eerste
+deelen van het Handboek der Nederlandsche Taal van Dr. J. Van Ginneken.
+
+Men mag zeggen, dat de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal die
+in groeptalen snijdt. Bij den groei en de ontwikkeling der taal is
+zij de latere. Immers, bij het voortschrijden der kultuur wordt de
+hoofdgroepeering der maatschappij zelf anders, en loopt de scheidslijn
+veeleer tusschen de spreekvormen der lagere maatschappelijke klassen,
+en die van het meer beschaafde gedeelte der maatschappij. De sociale
+hervorming differentiëert dus de taal in volkstaal en kultuurtaal. Dan
+volgt definitieve integratie in de algemeene kultuurtaal.
+
+Nu ligt het echter voor de hand, dat het volksleven en volkswezen zich
+het trouwst weerspiegelt in de dialektische volkstaal. Dáar komen het
+best de algemeene caracteristica der volkstaal tot hun recht; dáar
+geeft zich de man-uit-het-volk met heel zijn eigenaardig begrips-
+en gevoelsleven, met zijn breedsprakigheid, zijn herhalingen van
+woorden of zinsneden, hetzij in hun geheel, hetzij in verkorten
+vorm, zijn schijnbaar onlogische konstrukties, zijn emphatisch
+karakter, zijn voorliefde voor spreekwoorden en zegswijzen, zijn
+volkswijsheid en volksredeneerkunde. In deze taal krijgen de sprookjes
+hun tooverglans. "Jede Provinz", zegt Goethe, "liebt ihren Dialekt,
+denn er ist doch eigentlich das Element, in welchem die Seele ihren
+Athem schöpft". In de streektaal is de volksman op eigen terrein;
+daar groeit de volkstaal uit de gemeenschap; daar spreekt het
+volkswezen het best, óok omdat de sociale bestanddeelen zich daar
+huwen aan momenten van ethnischen aard. Wij wenschen dus de volkstaal
+vooreerst en hoofdzakelijk te leeren kennen in en uit het dialekt;
+een zuiver-taalkundige behandeling der dialekten ligt natuurlijk
+buiten het bestek van dit werk.
+
+
+
+I. Het Taaleigen.
+
+
+Onze Nederlandsche tongvallen behooren tot de westelijke groep der
+Germaansche dialekten. Deze omvat nl., behalve de weinig bekende
+taal der oude Longobarden, de dialekten der Germaansche veroveraars
+van Engeland: Angelen, Jutten en een deel der Saksers; verder het
+Friesch, dat zich uitstrekte tusschen Schelde en Weser; het Saksisch
+van het vaste land; het Frankisch; het Hessisch en Thuringisch;
+het Allemannisch en Beiersch, de voornaamste dialekten van het
+Opperduitsch. Overeenkomstig den stam der volken, die opdrongen
+uit het Noorden en Oosten, om onze gewesten te bevolken, zijn onze
+Nederlandsche dialekten van Friesche, Saksische en Frankische
+herkomst. Plaatselijk zijn ze met andere, met name Keltische
+bestanddeelen vermengd.
+
+Ook heeft men gemeend Ooreuropeesche invloeden en bestanddeelen
+te kunnen waarnemen, zooveel als Ooreuropeesche fossielen [10]:
+overeenstemming met Keltische en Slavische taalverschijnselen, die
+zou berusten op gemeenschappelijk Ooreuropeeschen grondslag. Als
+zulk een fossiel beschouwt men b.v. de ratelende _z_ (_zr, rz, rs_),
+die in Oost-Brabant, d.w.z. het grootste gedeelte van de Meijerij,
+met de landen van Cuyk en Ravensteyn, tot in het westelijke deel
+van Maas en Waal in het Noorden en tot in Peel- en Kemperland in
+het Zuiden gehoord wordt in plaats van de gewone _r_, b.v. rooster:
+_rzeuster_; berispen: _berzispen_; kar: _karz_. Deze klank vertoont
+inderdaad groote overeenkomst met de Boheemsche _r_. Maar fonetische
+overeenkomst behoeft niet noodzakelijk door gemeenschap van herkomst
+te worden verklaard.
+
+_1. Het Friesche taaleigen._ Friesch leven, taal en volkaard, wij zagen
+het reeds (I, bl. 6), heerschte eertijds in de provincies Groningen
+en Friesland, in het Westen van Drente, Overijsel en Utrecht, in
+Holland met uitzondering van Kennemerland, in Zeeland en het Vrije
+van Brugge. Thans is het Friesch gebied heel wat ineengekrompen. Het
+Landfriesch, zoo heet het zuiverste Friesche dialekt, wordt gesproken
+tusschen Vlie en Lauwers en omvat 1. de tongvallen der Waldjers in het
+Noordoosten; 2. die der Klaikers in het Westen en 3. het Zuidhoeksch,
+dat grenst aan den Saksischen tongval van de Stellingwerven. Verder
+behoort hiertoe 4. het taaleigen van West- en Oost-Terstelling. Te
+Midsland op Terschelling wordt tegenwoordig hetzelfde Noordhollandsche
+dialekt gesproken als op Texel.
+
+De Klaikers zijn de bewoners van de kleistreken, de Waldjers de
+bewoners van de Dokkumer woudstreken of zandgronden. Het is zeker
+niet louter toevallig, dat hun dialekt eenigermate afwijkt, al wordt
+dit verschil thans met den dag geringer. Gesteldheid van den bodem
+op de alleerste plaats, wellicht in samenwerking met het klimaat,
+heeft een sociologische differentiatie tot stand gebracht, die niet
+zonder invloed op het dialekt gebleven is. Ook de lokale afwijkingen
+van visschersdorpen als Wierum en Moddergat zijn sociologisch licht
+verklaarbaar; zie vooral Joh. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch
+Dialecticon ('s Gravenhage 1874) I, bl. 428 vlg. Ligging en bedrijf
+hebben ongetwijfeld ook hun invloed doen gelden op het afwijkend
+taaleigen van Schiermonnikoog en eveneens op het Hindeloopensch, dat
+over de taal van Molkwerum meer de overige, boven genoemde dialekten
+nadert. Is Hindeloopen niet in alle opzichten uitermate karakteristiek,
+zoo in vorming als in kleeding, zoo in volksvoorstellingen als in
+zeden en gebruiken?
+
+Trouwens de gezamenlijke Friesche taal- en volksgroep draagt
+zoo heelemaal een eigenaardig cachet van vasthoudendheid
+en vastberadenheid, tweelingstelg uit zijn huwelijk met de
+zee. Theod. Siebs verklaart den naam _Fresa(n_) door verwantschap
+met het Oudhoogduitsche _freisôn_ "in gevaar zweven", waardoor
+bedoeld worden de gevaren der zee. De Friesche taal neemt onder de
+Germaansche talen dan ook een geheel bijzondere plaats in: zij is
+een tak der Engelsch-Friesche taaleenheid, en het Angelsaksisch--met
+name het Northumbrisch--bestaat haar het naast in den bloede. De
+Friezen behooren tot de weinigen, die thans nog wonen, waar zij zich
+in de oudste tijden vestigden, zij het ook met belangrijke beperking
+van hun gebied. Het vokalisme is vrij eentonig; zoo b.v. schaap:
+_skieëp;_ jaar: _jieër;_ rijk: _riek_; voet: _foeët;_ huis: _hoes_;
+deel: _deel;_ steen: _stieën;_ oog: _eea_g; sturen: _stjoere;_ hand:
+_haan_; oud: _aald;_ vogel: _foegel;_ hond: _hoen_ enz. [11] De drie
+persoonsuitgangen eindigen in het meervoud allen op een toonlooze
+_e_. De _n_ wordt in de onbepaalde wijs en in de verbuigingsuitgangen
+na toonlooze _e_ weggelaten. Het verleden deelwoord kent geen
+voorvoegsel. Een eigenlijk wederkeerig voornaamwoord ontbreekt. Ook
+het konsonantisme streeft naar eenvormigheid. De groep _sk_ blijft in
+'t begin, midden en einde der woorden: _skieëp, woskje, fisk_; _ch_
+wordt _ks_: _okse_, en niet _ss_ als elders. Ook is zangerigheid aan
+het Friesche taaleigen vreemd,--zegt men niet: "Frisia non cantat"?
+
+Dit Landfriesch of Boerenfriesch heeft zich weten te verheffen
+tot een rijk kultuurdialekt. Laat ik aan de hand van Winkler hier
+de namen vermelden van Gysbert Japicx, "den frieschen Vondel";
+Tjeerd Ritske's Velstra, "den frieschen Poot"; Waling Dijkstra,
+"den frieschen Fritz Reuter". Verder de gebroeders Halbertsma,
+Rein Postumus, die o.a. eenige werken van Shakespeare in het Friesch
+vertaalde, en Tiete Roelof's Dijkstra, oprichter van het Selskip for
+frîske tael- end skriftekinnisse.
+
+
+
+Friesch.
+
+
+(_Voor "Nederlandsche Volkskunde" geschreven door_ F. U. Lourensz).
+
+
+De klokken fen Sint-Odolf.
+
+
+It forneamde Kleaster Sint-Odolf te Starum, dat în 'e earste helte fen
+'e 9e ieuw bouwd wier, waerd letter troch de sé înslokt.--By in tîge
+lege sé în 1430 en in kear of whet letter, koe min de oerbljuwsels van
+de Kleasterkapel op it hege tsjerkhôf sjen.--Dit plak în 'e Sudersé
+wirdt troch de séljue nog altijd as "it tsjerkhôf fen Ald-Starum"
+oanwîsd en hja komme as 't kin, der net tichte bij.--
+
+Bij it bouwen oan it Kleaster Sint-Odolf, wier forgetten de ségen oer
+de klokken üt te sprekken; mar dat hie în 't bigjin gjin neidélige
+gefolgen.
+
+Hondert jier lang gong it goed. Mar do waer throch ien, dy it
+by oerlevering lîke te witen, de saek oan 'e biskop fen Utert
+forklapt;--dy, tîge lilk wier do 't er det hearde, en rîp: "Dan binne
+dy klokken des dîvels".--Dat wier alheel whet for Joost. Hy fleag nei
+de toer fen Sint-Odolf, helle de klokken der üt en slingere se foart,
+oan it doarp Himelum ta. Der sloegen se in gat în 'e groun, sa great,
+dat er wel in boeresküre în stean koe. Mar de âlde hellebaes wier
+meî dizze bût sa în 't snjit, dat hy der mear plesier fen ha woe. In
+neef fen him wenne bij de Galamadammen, en die der saken mei in âlde
+tsjoenster, dy 't in bulte kwea die.
+
+Alle nachten bigounen Joost en sîn neef nou mei de beide klokken
+te keatsen.
+
+Omke siet te Himelum en neef op 'e Galamadammen; sa smieten se elkoar
+de klokken ta en sloegen se wherom, krekt as in keatsebal. Dat gong
+in nacht of whet goed.--Mar do die de jonge dîvel in misset; hy wier
+net sa handig en bedreven as de âlde. Ien fen 'e klokken liet er în
+'t wetter fen 'e Galamadammen truzzelje en de oare, in eintsje der ôf,
+în het mar de Fluessen. De swiere metalen gedrochten, drongen throch
+de ierdkoarste hinne en kamen în 'e onderwrâld torjuchte.
+
+Sint dy tyd hearre de fiskers op 'e Fluessen en de biwenners van de
+Galamadammen 's nachts soms in dof gebombam în 'e djipte.
+
+Dan liedt de dîvel de klokken fen Sint-Odolf. Men heart dit net altyd
+gelyke dûdlik; soms is it hast net to hearren en dan ek wol wer is
+whet better.
+
+Het lieden heart men it beste, as immen op in heel lot în 'e Haagsche
+lotterij de hûndert tûzen trokken hat.--Dan is der blydskip în 'e hel.
+
+
+
+Het Stadfriesch, dat vooral te Leeuwarden, Harlingen, Dokkum, Franeker
+en Sneek, maar ook te Midsland op Terschelling en op Ameland gesproken
+wordt, is eigenlijk een mengelmoes, waarvan men niet weet, of men
+het Saksisch-getint Friesch dan wel Friesch-getint Saksisch moet
+noemen. Merkwaardig is het, hiervan na te gaan, welke dialektische
+bijzonderen de taaiste levenskracht vertoonen. Het zijn: _sk_ voor
+_sch_; de scherpe uitspraak van _v_ en _z_ als _f_ en _s_ in het
+begin der woorden; het ontbreken van het voorvoegsel der verleden
+deelwoorden en de omgekeerde volgorde van twee onbepaalde wijzen,
+b.v.: "Dou hât dat wel laten kunnen" (Je hadt dat wel kunnen laten);
+eindelijk de uitspraak _bien, tien, breg, pet_, voor been, steen,
+brug en put.
+
+Deze eigenaardigheden vindt men dan ook als overleefsels aan
+de overzijde der Zuiderzee, te beginnen met Strandhollandsch (of
+Strandfriesch), het taaleigen, gesproken in de visschersdorpen Egmond,
+Wijk aan Zee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Scheveningen. Hoe
+verschilt dit dialekt, dank zij ligging en bedrijf, van dat in
+het naburige Bloemendaal, Sassenheim, Rijnsburg en Loosduinen! Men
+hoort hier ook nog de Engelsche _w_ als beginletter. Dan volgt het
+Noordhollandsch met de dialekten van Kennemerland, de Zaanstreek en
+Waterland. Wat Amsterdam betreft, het zeventiende-eeuwsch, ons uit de
+kluchten van Bredero bekend, komt in meer dan éen opzicht overeen
+met het dialekt, dat thans benoorden het IJ wordt gehoord. Het
+oorspronkelijkst echter, en het minst door Hollandschen invloed
+gewijzigd, is de volkstaal van West-Friesland. Dit gewest bestaat
+uit twee deelen: het eigenlijke West-Friesland, tusschen Alkmaar en
+den Helder, en het tusschen Hoorn, Enkhuizen en Medemblik gelegen
+Drechterland. Hiertoe behooren ook de eilanden Texel en Wieringen.
+
+
+
+Zaansch.
+
+
+(_Uit Leopold, Van de Schelde tot den Weichsel I, bl. 274_).
+
+
+
+Oitje met een Jachie.
+
+
+'t Volgend schetsje werd me aan de Zaan gedicteerd door een man uit
+het volk.
+
+Oitje is een eigenaardige uitdrukking voor prettig uitstapje en onder
+jachie of glaze jachie verstaat men die kleine, vaak met verguld en
+gekleurd snijwerk versierde plezierjachten, die door één man geroeid
+worden en in hunne overdekte en met veel raampjes voorziene ruimte
+plaats bieden aan vier tot zes personen. Vroeger bezat bijna ieder
+der gegoede Zaansche familiën zulk een vaartuigje, dat vaak keurig net
+was ingericht. Men liet zich er mee ter kerk of familiebezoek brengen.
+
+Tegenwoordig wordt hun getal zeer klein. Hoofdzakelijk bij de kermissen
+ziet men ze nog op de Zaan. Zij dienen dan om een of ander gezelschap,
+meest vrouwen, naar de plaats van pleizier te brengen.
+
+Voor zulk een oitje wordt door de gezelschapjes vrouwen uit de
+nijvere volksklasse het geheele jaar door geld bijeen gelegd, en ik
+heb het aan de Zaan van menig huismoeder gehoord, dat ze geen grooter
+pleizier kende, dan zoo'n oitje met een jachie op de Zaandammer-
+of Wormerveerder kermis. Wat het bijeenbrengen der gelden voor zulk
+een feestje betreft, 't gebeurt wekelijks met de grootste stiptheid,
+'t Is trouwens merkwaardig, met hoeveel voorliefde er aan de Zaan
+"gepot" wordt voor vele soort van zaken.
+
+Men brengt wekelijks iets bijeen voor een leesgezelschap, voor een
+uitstapje in den zomer, ja, voor brandstof en andere zaken, en velen
+bewaren alle dikke-nieuwe-centen, om aan 't des jaars voor bijzondere
+uitgaven een apart sommetje te hebben. Verder laat ik het woord aan
+den verteller.
+
+'t Was Zaandamse kermis. Al een week had er een rumoer en gejoel
+e-weest, dat hoore en zien je vergong, en 't was ook wel te
+begraipe. Op zoo'n kermis den rake die mensche, zooals olieslagers,
+pelders en andere, eres uit er dommelechaid eskud. Voor heurloi is
+'t alle dage maar net hetzelfde: van daag begin je zoo en morge is
+'t nag zoo. Maar met zoo'n kermis, den haal je je asem nag eres bai je
+reg op en je slane je vlerke nag eres oit as en veugeltje in de lucht.
+
+Zóó dochte ook Griet en Train, Ma en Neel. Ze hadde een potje
+op-egaart; alle weke een stoiver, om deer veur met 'et jachie te
+kermis te gaan. Ook hadde ze 'et esteld op Vraidag, dat was nag al
+een drokke dag; want hoe drokker, hoe liever.
+
+Dus, 'et jachie en die het roeie most, ware 'ehuurd voor Vraidag;
+den most het beure--weer of gien weer;--ze hadde er al goeie lucht op.
+
+Maar wie zou 'et jachie oitreste?
+
+Gien ien leek er eerst zin in te hewwe. Achterné zait Griet: "Nou,
+den zei ik 'et wel doen. Ik bak een dikke-koek of twee;--wet brood
+met vleesch, wet garreneel, sla met aiere, en, om niet te vergete,
+een avvekateborrel, en we binne klaar."
+
+"Goed", zegge de are, "of-esproke".
+
+De Vraidag kwam. 't Was wel windig, maar toch aars goed weer. Nou aan
+'t klaar make. Griet dribbelde op er moile zonder hiele, om toch de
+boel maar goed in orde te brenge en om het zoo netjes, as ze op heur
+menier kon, voor te zette.
+
+De knecht kwam met 'et jachie en nou wier de boel 'elade. Wel man,
+'et zag er maar avvenant oit.
+
+"Hè", zai Griet, "ik ben der loof van. Deer is heel wet an te stunnike
+eer het zoo veer is, maar dat doet er niet toe. Ik loof, dat we toch
+wel ket en norrie hewwe zelle. Deer mekeert het nooit an, asse we oit
+benne. De op-egaarde Zeeuwe zelle der an geloove, al zoue we der ook
+voor in de mallemole gaan of ze aan bulleboissies versnoepe."
+
+De are drie kwamme nou ook en héel gauw gonge ze skeep. Elk had
+en nuwe jas an en de kap met drie naalde op. Ze keke allegaar eve
+bloemzoet en meukel en ze kakelde as kippe, die pas een bietje garst
+ekrege hewwe. Wet zatte ze premantig achter de gerdaintjes te glure,
+toe ze zoo langs de Zaan eroeit wiere as prinsesse.
+
+Je konne wel zien, dat ze 'et alle dage niet ewend ware om oit te
+gaan. Wet lachte ze, as een turfskipper veurbai voer, die een pus
+met water skepte en derloi een mal woordje toeriep. Ja, ze gierde
+het bai taie oit om 't lekker oitje en dat ze nou al zoo'n lol hadde.
+
+Op iens zait Neel: "Groote groen in 't hoissie, weer is me
+knippie?"--Ze voelt in der zakke, maar vindt het niet.
+
+"Wat," vrage de are, "je hèt je knippie toch niet estrooid,
+Neel?" "Nee," zegt deuze, maar da's nou toch nochter van me. Ik
+bedenk me deer net. 'k Heb het leete legge op 't bontje, vlak bij
+'t hoochie van den smoiger. Da's een malle boel.--Maar wacht eres. 'k
+Heb nag een buultje in me zak, deer ik dikke centen in opgaar. Deer
+ken ik het wel mee redde, om eres in een kaikspul te gaan of in de
+rollebol te speule."
+
+"Nou," zait Ma, die ook ereis in der zak voelt of ze wet vergete hèt,
+"je hewwe toch zeker meer noodig. Je wille toch zeker ook welderes
+bai een liedebord of Jan Klaasse-spul kaike, dat kost je toch ook
+gauw een cent of wet, as je ten minste niet al te gierig bene."
+
+"Wet," zait Neel, "ik gierig? Nee, ik durf van me arremoed of nag wel
+een cent te geve an een kerel mit ien arm of ien bien, en hew ik hem
+niet, dan zou ik hem nag wel te lien kraige van deuze of giene."
+
+"Hou nou je groote babbelbek maar es dicht," zait Griet. "Deer hê-je
+een avvekaatje."
+
+"Zoip, zwager, oome Jan is jarig!"
+
+Meteen neme ze elk een ferme wup oit er glassie. Nou kwam er an 't
+kakele gien end. De ien wist dut, de aar dat. Die praatte over der man,
+die over der lieve kind; de ien over der buurwaif en de are over de
+dure taid. Ze leke wel spraakwater in ekrege te hewwe en zagge zoo
+rood as een haan.
+
+
+
+Maar ik kom nog even terug op het Amsterdamsch dialekt, dat van
+groot belang is voor de studie der volkstaal. Het behoort tot
+het Waterlandsch. Het is lang niet eenvormig en valt uiteen in
+verschillende tongvallen, waarop door Joh. Winkler in zijn Dialecticon
+II, bl. 86 vlg. de aandacht gevestigd is. Wij hebben hier m.i. vooral
+te doen met de inwerking van het _bedrijf_ op de taal, waardoor
+afzonderlijke sociale taalgroepen geboren werden; somwijlen schuilt
+de oorzaak in scherp-omlijnde plaatselijke afscheiding. Amsterdam
+staat hier trouwens niet alleen, maar het verschijnsel openbaart
+zich in meerdere of mindere mate in alle groote steden, b.v. te
+Brussel. Daar spreekt men in het noordelijke deel der stad, en
+in de noordelijke voorsteden Schaarbeek, St. Joos-ten-Oode enz.,
+anders dan in het middelste deel der stad, rondom de groote markt,
+en ook weer anders dan in het westelijke gedeelte van Brussel en dan
+in de westelijke voorsteden en dorpen, St. Jan's Molenbeek enz. Ook
+te Gent verschilt de volkstaal van de eene wijk tot de andere. Men
+heeft hier vooral twee onderscheiden tongvallen. De eene heet te
+Gent de Nieuwbrugsche, omdat hij vooral inheemsch is in de wijk der
+Nieuwe Brug of van de Neder-Schelde. Hier wonen veel werklieden en
+fabriekarbeiders. De andere tongval geldt als het Gentsch bij uitstek,
+en wordt gesproken door de eigenlijke kern der Gentsche bevolking,
+zelfs door de hoogste standen, wanneer deze hun moedertaal spreken. Ook
+in kleinere steden verschilt wel eens het taaleigen der eene straat
+van dat der andere. J. Ter Gouw, een volbloed Amsterdammer, kende
+niet minder dan negentien Amsterdamsche tongvallen, waarvan de meeste
+thans nog in leven zijn. Ik schakel hier het Jodenhoeksch uit, dat weer
+uiteen valt in het Amsterdamsch Joodsch, het Joodsch-Hollandsch en den
+tongval der Christenen, die in den Jodenhoek wonen; en wel, omdat hier
+een vreemde faktor zijn inwerking doet gevoelen. Maar wij hebben verder
+vooral nog het Kattenburgsch, het idioom van de voormalige Kattenburger
+scheepstimmerlui, mèt het bedrijf thans sterk in verval. De vraag b.v.:
+"moet je ook geschoren worden" luidt in den Kattenburgschen tongval:
+"mój jók geskórre wórre". Hiervan verschilde vroeger het Rapenburgsch
+eenigermate, thans is geen verschil meer te hooren. Het Nieuwmarktsch
+wordt gesproken van af de Nieuwmarkt tot de Oude Schans, en aan de
+andere zijde langs de Kloveniersburgwal en de Hoogstraat. Het is
+ontstaan uit het beroep der kleerekramers en winkeliers in linnen,
+sajet en breikatoen. Bepaald klankrijk is het Bierkaaisch, de tongval
+gesproken door de zeer afgescheiden en haast oorspronkelijke bevolking
+van het doolhof van steegjes en dwarssteegjes, gelegen in den vierhoek
+tusschen Warmoesstraat, Oudekerksplein, Voorburgwal en Pijlsteeg. Het
+Komkommerbuurtsch hoort men in de zoogenaamde Komkommerbuurt:
+'t Weesperplein, Roeterseiland, Varkenseiland en Weesperveld. Het
+Franschepadsch werd vooral gesproken op de Goudsbloemgracht, in
+de Goudsbloemstraat en Palmstraat en in de dwarsstraten en stegen
+daartusschen, en kenmerkte zich door zijn rijkdom van woorden en
+uitdrukkingen, aan de dieven- en bedelaarstaai ontleend. Laat ik ten
+slotte nog vermelden het Kalverstraatsch, het Gebed-zonder-endsch,
+een echte vischwijventongval, en last not least het sociologisch zoo
+merkwaardige Duvelshoeksch, inheemsch in den Duvelshoek, een labyrinth
+van stegen tusschen de Reguliersbreestraat, Reguliersdwarsstraat en
+Vijzelstraat. Het Duvelshoeksch is een taaltje van de platste platheid,
+"doormengd met tal van woorden uit de dieven- en bedelaarstaal, uit
+het mofsch en koeterwaalsch der kermisgasten, _négociants, nomades,
+colporteurs, vagabonds, chevaliers d'industrie,_ duitsche kwakzalvers,
+luikerwaalsche tooverlantaarn- en rarekiekvertooners, keulsche potten-
+en kannenwijven, fransche goochelaars, rottevangers en ""verdrijvers
+van wandgedierten" ", savooische lieremannen, orgeldraaiers en
+marmottejongens, italiaansche schoorsteenvegers, tot verloopende en
+verwaaide duitsche en brabantsche studenten incluis, die er allen hun
+verblijf hielden en er te zamen een duvelshoeksch _jargon_ prevelden":
+Joh. Winkler, Dialecticon II, bl. 92.
+
+Op de Heeren- en Keizersgracht spreekt men eigenlijk meer een
+daar gelokaliseerd kultuurdialekt. Een analoog verschijnsel vindt
+men b.v. te Hasselt (Belgisch Limburg), waar de taal der hoogere en
+lagere standen vrij veel verschilt. De kultuurtaal heet het eigenlijke
+Hasseltsch, de volkstaal het Beeksch, dewijl deze meestal door de
+minder gegoeden gesproken wordt, die "obbe Beek" wonen. Zie Gittée,
+Nederlandsch Museum 1888, II. bl. 310.
+
+2. _Het Saksische taaleigen_. Het zuiverste Saksisch wordt
+op Nederlandschen bodem gesproken in de Graafschap, Salland en
+Twente. Hierbij dient echter opgemerkt, dat het Zutfensch zelf niet
+bij het Graafschapsch, maar met het Arnhemsen, Doetichemsch enz. bij
+het Zuidoostveluwsch behoort, dat zich vooral onderscheidt door den
+deminutiefuitgang _-ien,_ en door _lief, bier_. Het Oostdrentsch
+(Rolde, Grolloo, Norg enz.) wijkt belangrijk af; vooral dit is een
+kenmerkend teeken, dat de oorspronkelijke korte, maar gerekte _a_
+in het Oostdrentsch den _oa-(ao_)klank heeft aangenomen, terwijl
+zij in het Twentsch den helderen _a_-klank bewaard heeft. Dus:
+Twentsch _dage, hane_, Drentsch _doage, hoane_. Prof. Te Winkel,
+Inleiding tot de Geschiedenis der Nederl. Taal II, bl. 302, ziet in
+deze en andere eigenaardigheden het gevolg van mislukte pogingen,
+door de oorspronkelijke Frankische Drenten gedaan, om zich het
+Saksisch volkomen meester te maken; vgl. ook Vragen van den Dag XIV,
+bl. 117 vlg. Twente en de Graafschap, vormen inderdaad het Saksische
+kernland. Daar vindt men nog het "lösse hoes", de hoeve met éen
+enkele ruimte voor mensch en vee. Daar vindt men ook het zuiverst de
+Saksische kleederdracht. Met het eigenaardig type der boerenwoningen,
+dat men te Staphorst en Rouveen aantreft--type, zooals wij zagen, met
+beslist Saksischen grondtoon (I, bl. 36)--stemt overeen het feit, dat
+het dialekt dier dorpen verscheiden Friesche schakeeringen vertoont
+op een Saksisch patroon. Naar men weet zijn Staphorst en Rouveen
+verschoven veenkolonies.
+
+Het merkwaardigste kenmerk van het Saksische taaleigen is stellig
+de meervoudsvorming van den tegenwoordigen tijd: 1ste, 2e en 3e
+persoon gaan uit op _t_. Het verleden deelwoord wordt voorafgegaan
+door een toonlooze _e_: _estoan_ (gestaan). De Sakser is gesloten,
+óok in zijn taal; het terughoudende en berekende vindt er zijn
+uitdrukking. Hij rondt zijn woorden niet af, hij bijt ze veeleer
+af, laat de klanken niet in hun volheid komen over de omheining der
+tanden, zooal nog blijkt uit het vervormen van den uitgang _en_ tot
+een sonantische _n_: dus _hooren_ wordt _heurn_. Verder zijn _î_ en
+_û_ niet gediphthongeerd en zegt men derhalve _mien, wien, huus(hoes),
+zoegn_. Konservatief betoont zich het Saksisch verder in behouden van
+_al_ en _ol_ voor een volgende _d_ en _t_, b.v. _old_ (oud) en _talter_
+(schommel). Maar vooral ook de woordvoorraad is belangrijk en werpt
+op het karakter der Saksische volkstaal het helderste licht. Hier is
+het weer Gallée, die zich het meest verdienstelijk maakte door zijn
+Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch dialekt (Den Haag 1895).
+
+Volgen nu twee dialektproeven uit het Saksische kernland, beide van
+folkloristischen aard, óok om hun inhoud.
+
+
+
+Achterhoeksch I.
+
+
+(_Uit Driem. Bladen I, bl. 80_).
+
+
+
+Ho ze knikkert in Eibarge.
+
+
+'n Klein zetjen eleden sloog 't half eene op ten Eibargschen toorn;
+'t warkvolk is allemaole noa 't hoes hen en de kindere bunt oet
+de schoole; ze zölt wal haoste met 't etten edaone wèzen, want ze
+holt zich om 't zeggen: "Ellef uur den pot op 't vuur, um twalef uur
+wat etten". Op ten schoolplas is no nog nummes te zeene. Joa toch,
+doar kump net Batjen langs 't hekke van den meister zînen hof hen
+en hé loert es of nog geen kameraods zut; zee daar he'j den dikken
+Bennad, daor gens kump Lulefken ok al andraven; doar kuj van op an,
+he hef zien grotmoder ok weer leelik veur den aap ehad, want zo vrog
+mag hé nooit het hoes oet. Henne zal no ok wal gauw kommen, den kan
+zoo lomp gauw etten. Daor he'j 'm al. Oet de wîte smit ê al met ne
+sleiferkei en he röp: "ik magge 't eerste oetsmîten watte? we doot
+toch knikkeren? Zonnen fijnen sleiferkei he'j noo nog nooit ezeene;
+'k heb 'm evondene op de Grolsche grinte bie Hendrik van den Trekpot,
+kik es wat 'n mooien!" "We doot kuultjen scheeten" zeg Batjen, "Oa
+wat! weês toch wîzer, we doot oetsmîten, want van de meete is mie
+niks weerd; doar hek gisteren toch zoo mee verknold," zeg ten dikken
+Bennad. ,Vîve an, wée dut er mee?" schreeuwt Lulefken. "No, too dan
+moar," zeg Batjen, "dan wil ik 't laatste oetsmîten, heur!" "'k Heb
+'t anders al lange ezeg" schreeuwt Henne, "maor't kan mie ok neet
+schellen, 'k komme toch wal bôven alles!" Noo zet ze de knikkers fijn
+op een heupken, hoo meer köpkes, hoo mooier, dan he'j ok nog meer
+kans dat ze melken mot. "Hier zal de kip wezen," zeg Batjen, en hé
+trök ne streepe adig kort bie de knikkers, zee da's 't kortste bie,
+da'i meugt liggen. "Ik zal wal 't eerste oetsmîten," zeg Bennad. He
+geet achter 't pötjen staon en smit met den sleiferklei 'n pas of tine
+wît. Doar maakte ê'n streepken. "Daor gao 'k boaven," röp Henne, den
+altîd boven alles wil wèzen; moar al kan ê fijn knikkeren, verspöllen
+deut ê toch op ten doer en manges is ê heelemaole bos. Kik 'm es en
+onmundig ende smîten. Den steen rolt ok nog, zoodat ê eiges röp:
+"Da's ok wît genog" en de andere lacht en zegt: "Henne wat bu'j
+toch 'ne onwîzen." Lulefken smit tusschen Henne en Bennad in. No
+mot Batjen oetsmîten. "Wacht" dech e, "ze könt ter wal es allemaole
+langs hen mikken en he röp "'k gao op de kip, dar!" Zeezoo, no kan
+'t beginnen. Batjen geet ter achter staan en Henne smit: den steen
+sleifert fijn, 't geet er goed op aan, joa, he raakt ze efkes,
+een paar köpkes valt ter of. "Melken, melken" röp e! En noo geet e
+der op de kneene bie liggen en de anderen ok allemaole der ummehen,
+want ze wilt zeen of e ok jödden wil, maar dat deut e neet; he nemt
+zoovölle van 't heupken af ase kan zonder dat er en köpken völt; met
+spieë mag neet, heb ze ezeg. "Noo, mîne vîve he'k," schreeuwt Henne,
+too 't köpken völt, "no mot ie Lulef." Lulef smit, maor raakt niks;
+he smit vlak langs Bennad zînen klomp; of e um eraakt hef? "Ze hebt
+'m emeut Bennad," röp e, "mozze motte weerumme." "Dat leeg ie." "Da's
+al." "Ik zeg oe van neet." "No," zeg Lulef, ik nemme mîne vîve",
+en he löp ter as'n haze hen. "Neet grîpen" schreeuwt Batjen en
+veur de sekurigheid grip e eiges 't heele pötjen op; "dan mot Lulef
+moar översmîten." Lulef smit maor raakt niks. "Onreg verdeelt zich,"
+schreeuwt Batjen. "'t Is toch gemeen, hè had 't anders secuur edaone,
+leelekert," röp Lulef, "Lig toch neet te schennebekken," zeg Henne,
+"ie mot smîten Bennad." Kik 'm es loeren en mikken, 't Geet er wal
+ne voot biehen en Batjen, den vlak bie de knikkers ligt, zet ze net
+op ten kop en ze stoevet oet mekare. Moar wat grip e ze nèrig op,
+want he vertrouwt te anderen geenen cent. "Kom jongens, noe nog 'n
+pötjen," rup Henne al weer, "der bunt er nog meer biêkommen, dat zal
+'ne fijnen pot worden. Vîve an! Haroet, haroet!',
+
+H. P. t. B.
+
+
+
+Achterhoeksch II.
+
+
+(_Uit Driem. Bladen VII, bl. 21._)
+
+
+
+Hanenèfken en Hennenichjen.
+
+
+(En heel old spreuksken dêpe uut den Achterhook).
+
+Doar wazzen es en Hanenèfken en Hennenichjen en die wonden bij mekare
+en kokten samen de pot. Toe de beeste 's arfstens op de spörrie etuurd
+wieren kä(r)nden ze zich en pötjen beste spörriebotter en zetten et
+in de kelder. "Zee, nichte," zei Hanenèfken, "doar zöw ons nog es an
+verslakken as de sneebluemkes vleêgt".
+
+Hanenèfken gong den volgenden margen uut hen krèien en pie(r)n vangen
+en Hennenichjen mos es effen goan kîeken of 't pötjen der nog ston
+en prüven of de botter ok stark wier. 't Pötjen ston der nog en de
+botter smekte goed en was nêet stark.
+
+En 's margens derop ging Hanenèfken weer uut en Hennenichjen gong
+hen kîeken en prüven.
+
+En as Hanenèfken uut was ging Hennenichjen iederbots kîeken en prüven.
+
+Zie, ij konnen nîet wetten, dat ko'j nêet.
+
+'t Wier kolder en kolder en de botter was zoo an de krimp eraakt,
+dat Hennenichjen der van schrök. Zie krabde zich met den poot langs
+de nebbe en wis nîet, wat ze zol anvangen.
+
+Toe haalde ze de botter der uut, knèden het tönneken voel
+hôonderkötteltjes en leî der baoven en dun bäomken botter aover hen.
+
+Den volgenden margen vlaogen de sneebluemkes en Hanenèfken zegtegen
+Hennenichjen: "haalt mîn het pötjen met botter uut de kelder."
+
+"Toe, Hennenichjen! pik ij der moar eerst niet", zei Hanenèfken. "Nee,
+Hanenèfken, ij gaot veur!" Toe pikten Hanenèfken 't eerste en hie
+hadde de heele nekke voel....höonderköttels.
+
+Godsbarmelik, wat was e kwaod. Hî maakten zich zoo nîdig, dat e
+Hennenichjen 't vel aover de oorne trok. Hî hong et velleken bij den
+puttenpos op den bézenbos um te dreugen.
+
+Toe kwamen Grîsgrauwgruwweltjen en haalde Hennenichjes velleken weg.
+
+Hanenèfken kwam buuten en 't velleken was weg, Hî maakten zich en kaore
+van en wortele, die höllen e uut en spannen der rattemoeze veur. Toe
+ging et naor 't huus van Grîsgrauwgruwweltjen. Hî was weg en toe kwam
+um en osse in tegen. Die zei "Hanenèfken, waor geet dat nao tôo?"
+
+"Ik gao nao Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken
+weerumme."
+
+"Za'k moar met gaon?"
+
+"Jao, sprink maor achter op de kaore."
+
+Veerder kump um en hane integen, die zei:
+
+"Hanenèfken, waor mo'j nao töo?"
+
+"Ik gao nao 't huus van Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes
+velleken weerumme."
+
+"Za'k maor mee goan?"
+
+"Jao, sprink maor achter op de kaore."
+
+En toe kwam der nog een hekkele, en spelde, en naolde, en ei en en
+slîpsteen en allemaole sprongen ze achter op de kaore.
+
+Zoo kwammen ze bij 't huus van Grîsgrouwgruwweltjen. Maor...de deure
+was op de gruntele.
+
+"Hoe dook der met," zeg Hanenèfken.
+
+"Ik witte raod", zei de Hane, "ik zal deur 't hôondergat kroepen en
+de deure lös doen".
+
+Zoo ezeg, zoo edaon. De hane mîk de deure lös. Hî zöch de kaste nao
+en vund Hennenichtjes velleken in en deusken.
+
+"Hoe doew der now met?" zeg Hanenèfken.
+
+"Daor zölle wij wel veur zorgen" zekt die metereden bunt.
+
+'t Ei geet in 't vuur liggen, de spelde en naolde kroept in de matte
+van den stool.
+
+De hekkele geet met de rugge in 't bedde liggen; de osse geet in de
+stal staon en de hane achter in de koostal op 't rik. De slîpsteen
+henk zich op baoven de deure.
+
+'s Aovens kump Grîsgrauwgruwweltjen in huus. Hî wil de lampe anstekken,
+en "poef!" zeg et ei en vlug um in de oogen. "O! min oogen" krouwt
+e en hî völt op den stool neer; maor, daor stekt um de spelde en de
+naolde: "O! mîn eers, mîn eers!" Van pîne löt e zich in bedde vallen,
+waor de hekkele lig. "O! mîn rugge, mîn rugge!"
+
+Van benauwdheid mot e uut de bokse. Hî löp nao den stal, maor de osse
+nump um op de haorne en kwakst um tegen de hilde. "Smît um mîn maor
+boo", schreeuwt de hane, "dan za'k um nog anders toetakelen!"
+
+Van schrik wil e nao buuten en toen e de klinke van de deure wil lös
+doon, völt um de slipsteen op den kop.
+
+En too wasse ha(r)dstikke dood.
+
+G. J. Klokman.
+
+
+
+Ik besprak reeds het mengdialekt van Staphorst en Rouveen. Ook
+te Vollenhoven, Genemuiden, Zwartsluis, Kampen enz. wordt een
+Saksisch mengdialekt gesproken. Maar de twee voornaamste Saksische
+mengdialekten, met Frieschen inslag, zijn het Groningsch en het
+zoogenaamd Stellingwerfsch, dat weer in verscheiden kleinere idiomen
+uiteenvalt.
+
+Het Groninger dialekt lijkt de Friezen hard en zwaar; bij het
+spreken wordt de mond breed geplooid. De voornaamste bijzonderheden
+zijn wel: de uitgang _-en_ van den 1sten en 3en persoon meervoud
+van den tegenwoordigen tijd; het ontbreken van de _e_ vóor het
+verleden deelwoord; de voorliefde voor den _ai_-klank, tegenover de
+Saksische _ee_ en _ei_. Wat het Stellingwerfsch betreft, dit wordt
+o.a. gekenmerkt door den 2den persoon meervoud _jimme_, en door _voet,
+boek_ tegenover _voot_ en _book_.
+
+
+
+Westerwoldsch.
+
+
+(_Uit Driem. Bladen XIII, bl. 67_).
+
+
+
+Op Aovondproot.
+
+'t Was Dunderdagaovend. 't Vroor dat 't knapte. De lucht was helder
+van sterens en de grond zoo hard as 'n bikkel. Snij lag d'r nich;
+'t weide ook nich en nò was 't zoo heur in de lucht, dat m' duudelk
+heuren kön, dat 't leeren oetkwöm. Men kön wol heuren wel stevels en
+wel klompen aan aanhad'n.
+
+Zug, daor koomt drij jongs aan op klompen, man ijne hef twij stevels
+op de nakke hangen. Zij gaot deur de achterweg, waor 't anders veul
+te modderg en te glidderg is, man nò keunt ze d'r best langs. Ik
+wijt wol, waor ze hen wilt: zij gaot nao de schounmaoker; dat dout
+ze alle Dunderdagaovond um 'n beetk'n te proten en 'n kop koffie te
+drinken. IJn van heur hef altied wol 'n bösschop.
+
+Ik gao d'r ook hen; 'k wil ijs heuren of mien schoune klaor bint;
+dan kan 'k ijs wat mit proten over 't ies en 't weer en wat 't 'r
+meer veur 'n dag komp. Wie gaot de bansterdeure in over de deele en
+bint dan vot in de keuken.
+
+"Gaot man zitten jongs; trekt man 'n stoele bie 't vuur. Och, Aoldien,
+doe steist door net bie de hörn, smiet nog 'n kijnstobbe op 't vuur,
+de ooren vrijst joe van de kop! Hinderk, geef doe mie de beentbessem
+ijs aan......" "Wacht man, baos, ik schal de plaote wel even aanvegen."
+
+Bijter krig de tabaksduize oet de vessienbuze (vestzak) en zeg as he
+stopt hef: "wolt ook aansteken, Geert?"
+
+"Nee," zeg Geert, "'k heb 'n kolle" (_pruim_). De duize knapt weer
+tou en geit weer op 't olle stee. "Geef mie de tange ijs Hinderk,
+doe bist 'n de hörn kropen, magst bedijnen van aovend". De tange geit
+in 't vuur, komp 't 'r mit 'n koolk'n vuur oet, dij in Pijter zien
+borstklopper geit. "Hij! doe stichst brand, daor lig 'n kole vuur bie
+dien klompe op de vlouer." "O, wacht man, laot de tange man staon,
+'t geit zoo wol", en Pijter trekt de klompe oet en schept de kole vuur
+in de raokeldobbe. "Verbraanst dien zokke." "Nee, 't schal wol gouw
+gaon. Haf' we Jan Tools zien hond hier man, dan höf we nooit 'n kole
+vuur aanvegen." "Wat dee dij hond dan?" "Hest nooit van dij looze hond
+heurd?" zeg Pijter, as m' tegen dij hond zee: haol mie de tabak, dan
+göng vot nao 't kammenet en kwam mit de punt in de bek weerum." "O,
+dat kan onze boer zien hond ook wol." "Ja, man Jan Tools zien hond
+dee dat ook mit 'n kole vuur. As 't 'r 'n kole oet 't heerdk'n op de
+plaote völ, höf ie niks te zeggen as: Stroom, pak op! in dan kreeg
+he de kole in de bek en smeet hum weer op 't vuur." "Dat kön nooit,
+dan brandde zien bek ja!" "Ja, jong, man hij m..... de kole eerst
+oet." "Luchst allemaol; zeg mie man lijver, wat 'r op dien piepkop
+steit, daor heb 'k al zoo lank tegen aankeken." "Daor, kiek man
+ijs goud, 't kan best wezen, dat 't nog familie van die is." "Wel
+kerel, jijzes man! nò man daor bin ik gijn familie van--ik zij wel
+'t is--horens op de kop en bokspoten. Ik wijt nich, houst 'r mit
+loopen duurst." "Wat mijnst dan wel 't is", zeg Pijter. "De olle
+knecht, gijn ijne anders." "Laot ijs zijn", zeg Hinderk. "Verdold,
+Geert hef gliek, 't is hum." "Man, wat mot dij schaope d'r toch bie,"
+zegt baos, dij ook nieuwsgierig worden is en mit 't hekke (bril)
+op de neuze de piepkop bekik, "'k heb nooit heurd, dat de duvel
+op de schaope past. En 't is net of het zit te fluitspeulen." "Dij
+schaope kan he wol stolen hebben. Mien bier hef hum op de Hoge IJ
+ijs 'n maol op 'n aovond zijn, dou he achter drij Vrijsche schaopen
+aanzat." "Man hest hum zölf wijl ijs zijn?" Geert zee niks. Man opijns:
+"Um de waarheid te zeggen, jao. Ik heb hum zijn achter 't iemhok van
+Janoom, en ik wil die vertellen, dat ik s' aovends daor nooit weer
+achter 't hoes langs gao." "Hou zag he d'r dan oet, net as op mien
+piepkop?" Dat kön 'k zoo nich zijn, man 'k schal joe vertellen wat
+'k zijn heb. 't Was verleden jaar op Steffen. Ik was met Berend Sips
+en Hiske van Muike bie Wubbe Lots west, man ik was net zoo nöchtern
+as op 't oogenblik. Bie de handwiezer göng ik van de anderen of en
+um de houk bie Janooms hoes keek ik onwillekeurig nao 't iemhok,
+umdat mien boer mie ijs verteld hef, dat Janoom zien vader doar ijs
+'n hijle nacht mit de duvel op de nakke rondzwabberd har. Dij har daor
+wat zijn achter 't iemhoes en hij was zoo dom west um te kieken wat
+'t was. Um d'r te komen mös he 't heksk'n deur en dou was he van
+zien recht of. Op ijns heurt he, 'n geschatter en daor springt d'
+olle knecht hum op de pokkel... en de hijle nacht hef he d'r mit um
+argewijerd; in 't leste har he 't heksk'n mit d' ijne hand pakt en
+dou mös de duvel hum weer löslaoten; hij was weer op zien recht." Hef
+dien boer die dat verteld?" zeg Pijter. "Jao en dij lug nich." Geert
+har 'n grenzeloos vertrouwen op zijn boer, de grootste osse van
+hijl Westerwolde. "Zeg man aan dien boer, dat Janoom zien vaoder de
+nachtmerrie had hef." "Ja, doe wolt niks leuven, dat wij 'k wol, man
+wat ik d'r zölf zijn heb dat kaanst mie nich oet de zin proten. Ik
+zag op ijns 'n kop boven 't iemhok oet komen. Ik wör d'r kei van,
+want ik dacht vot aan Janoom zien vaoder, wat dij d'r beleefd har,
+'t was net op 'k aan de knijen tou deur 't zaand göng. Man ik keek
+nog ijs weer, en dou was 'n d'r twij koppen, ik dochte: jong, red di,
+het gijt um dien zijle en ik ik op de rek (_aan de haal_). Dou 'k
+veur onze valdeure kwöm, har 'k aan ieder haor 'n zwijtdrup. 'k Bin
+boven over de underdeure hensprongen, 'k heb de deure dicht maakt
+en bin op bedde kropen." "En dat is de duvel west?" "Wat mijnst
+doe dan? Doe möst dij grelle kop man ijs zijn hebben." "Och, kerel,
+'t was Steffen, daar hebt 'n jong en 'n wicht mit 'n ander staon te
+vrijen. Schost d'r man gerust hen gaon wezen, meschijn har 't wicht
+die ook wol 'n smok geven." "Jawol, ik har 'n smok kregen van 'n hijl
+ander, zukke smokken begeer ik nich. Man doe hest nö 'n hijl woord,
+en ik wijt wol dat doe nich hijl bange oetvallen bist; ik mög toch
+wol ijs zijn, dat he die tegen kwöm um ijs gewaar te worren hou hard
+doe loopen kaanst: de maorze schol die nich schimmeln." "Ik heb hum
+al 'n maol zijn" zeg Pijter hijl dreuge. "Doe? Waarzoo? En wat hest
+dou daon?" "'k Heb hum de nakke umdreid". "Verrek um mie, nö heb
+'k genog van dien leugens: het rookt die boven de kop!"
+
+"Wolt 't nich leuven jong, zegt Pijter terwiel he Geert in de knij
+knip, "'t is echt waor. Jong, Aoldienmeu, hei je d'r nog 'n kopk'n in,
+dan keer 'k nich um." "Jewol, jong, vertel man op."
+
+"Te wijt wol baos, dat ik vrouher dijnd heb bie Brug Engel. Zien
+dochter Geertruud, dij laoter nao de Opstreek trouwd is, was dou nog
+in hoes en dan hadden ze 'n meid oet de Pekel, Jantje. Hou ze wieder
+heit, wij 'k nich meer; 'k wijt wol dat ze altied stom kwaod was,
+as wie tegen heur zeden van Jandien, dat wol ze nich wezen, want in
+de Pekel hijtte ze altied Jantje, zee ze. 't Was 'n viet ding, man
+'n beetke'n eelsk en ongemakkelk plaogerg oetvallen. Zij en Geetruud
+dij gijn haor beter was, hebt mie vaok bedonderd, man ijnmaol hebt
+ze mie 'n schrik aanjagd, dij 'k heur nie gouw vergaf.
+
+Ik kwöm ijs op 'n aovond um tien uur 't loug (deel van 't dorp)
+oet um vot op bedde te gaon, en göng over de deele nao de kougange,
+waor ik sluip. Ik trok mien overschrijter oet en dee de beddeure
+open,... en stönd stief van schrik: daor lag de duvel mit zien
+gleude kop op mien bedde. Ik stende 't eerst oet van benauwdheid en
+'t göng mie net as Geert, ik wör kel as is. Man 't duurde nich laank;
+ik kreeg mien kracht weerum en 'k wör duvelsch. Ik zee: "satan, olle
+duivel, hest mie noch nich! Ich bin nich bange veur die--koom man
+op, satan! en anders griep ik die...." en ik griep hum mit beide
+handen bie de strötte.... en wat har ik te pakken? twij törven,
+dij aan 'n ander bonden wad'n. Oogen, neuze, en mond bestönden oet
+glimholt. Ik stön verstomd. Man daor heurde ik in 't kaarnhoes 'n
+verdacht gegnies en dou 'k kieken wol, stoven dij beide vrouwluu in
+draf weg. Ik was wol zoo vergreld, als ik 't 'r ijne van pakt har,
+dan hak heur vijerkant in de kougroupe stopt. En dou 'k dij meid d'
+ander dag alleine achter 't hoes trof, zee 'k tegen heur: as 'k die
+'n raod schuldig bin, loop dan nich te dichte aan mie langs, anders
+könst wol ijs 'n schop kriegen, daorst genog aan hast. Dou keek ze
+raor op en 'k heb laoter gijn last weer van heur had. Man ik was
+laoter ook nich bange meer veur d'olle, umda 'k hum de nakke umdreid
+en de kop over de kougange mieterd har." "Jijzes, Pijter," zee Geert,
+"wat bist doe 'n kerel. Kiek, as mie 't overkomen was, ik was vot nao
+'t veurenne vlogen en har de boer roupen." "Ja, zoo geit 't jong,
+as m' de boudel nich underzöcht. 'n Smid oet Wedde vertelde mie ijs,
+dat he 's aovends van de Pekel komen was langs 'n binnenpad over de
+heide. Op ijns heurd he daor veur zuk wat stemmen en daor kiekt hum
+twij gleude oogen aan. Maar hij was ijne, dij ook nich gauw umliggen
+göng, hij geit 't 'r op of en wat is 't? 'n Lijk schaopk'n dat op
+de heide achter bleven was. As ik nò nich zoo goud döst har, zee he,
+dan was ik daor deur de heide posterd en har overal verteld, dat ik de
+duvel zijn har. En daorum zeg ik die nog weer, Geert, as 't 'r zoowat
+is, gao d'r dan rustig op of en underzuik 't en dan scholt zijn, dat 't
+allemaol 'n natuurlijke oorzaak hef. Wat zegst doe, Hinderk!" Hinderk
+dij nog niks zegd har, kik op de klokke. "Ketijer veur tiene? Dan wot
+'t mien tied. As ik nao tiene in hoes kom, verandert mien ol mensch in
+'n saotan, daor al joen duvels kwajongs bie bint. Genaovendsaom."
+
+"Wacht," zegt Geert, "ik gao mit, dan heb 'k zoo wied gezelschop." "Ja,
+ik gao ook mit," zeg Pijter, "baos ik heb joe mien stevels bie deure
+hen zet, kan 'k dij Zaoterdag wol weerum haolen? D'r mout halve zolen
+en hakken under."
+
+"'t Schal wel gaon. Gòjenaovend."
+
+A. H. Smith.
+
+
+
+3. _Het Frankische taaleigen_. Hier en daar met Friesche en
+Saksische bestanddeelen vermengd, wordt het Frankisch gesproken
+in Vlaamsch België, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg, Utrecht en
+een gedeelte van Holland. Aan Maas en Rijn heeft het Frankisch
+element beslist de bovenhand. Maar eng verbonden hiermee hebben wij
+reeds herhaaldelijk het Keltisch ontmoet. Kelten waren wellicht de
+vertegenwoordigers der Klokkebeker-kultuur in Utrecht, Drente, Twente
+en op de Veluwe. Kelten waren stellig de Galliërs, die omstreeks 300
+n.Chr. de Hallstatt-kultuur brachten in onze zuidelijke provinciën. De
+algemeene Nederlandsche taal kent Keltische plaatsnamen en andere
+Keltische leenwoorden. Een hoeve-type, hoogstwaarschijnlijk van
+Keltischen oorsprong, het langgevel-type, vinden wij hoofdzakelijk
+in België, Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe, op de Veluwe en
+in de duinstreek. De brunetten zijn het sterkst vertegenwoordigd in
+Noord-Brabant, Limburg, zuidoostelijk Gelderland en Zeeland. Ook het
+emotioneele volkskarakter stemt hiermee overeen, met uitzondering van
+de Veluwe. Maar op de Veluwe stooten de drie Nederlandsche hoofdstammen
+aan elkaar; nergens trouwens is de invloed van het landschap,--hier: de
+schrale, sombere heidevelden--zóo merkbaar inwerkend op de geaardheid
+des volks. "De bodem der N.-W.-Veluwe", schrijft W. van Schothorst, "is
+met uitzondering van de lage, waterrijke, en hier en daar veenachtige
+Westelijke helft, hoog, dor en onvruchtbaar. Slechts dennen, sparren
+en eikenhout vindt men op den schralen grond, wanneer deze niet
+met heide is begroeid of uit stuifzanden bestaat. Een onafzienbare
+heivlakte met golvenden bodem, aan den gezichtseinder begrensd door
+donkere bosschen en rijen witte zandheuvels, als stoffage een enkel
+boerderijtje met wat armoedige boompjes, en op een verheffing van den
+bodem een kudde schapen door haar eenzamen herder met zijn trouwen
+hond gehoed, ziedaar een typisch Veluwsch landschap!" (Het Dialect
+der Noord-West-Veluwe. Utrecht 1904, bl. III).
+
+Ook kleederdracht en versierselen wijzen op gemeenschappelijken
+Keltischen inslag. In Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van
+Nijmegen en in Zeeland worden hangers gedragen. Met eenigszins
+gewijzigden vorm vinden wij den hartvormigen hanger, de _schoef_
+genaamd, ook in het Zuiderzeegebied met het Gooi. Nauwer hangt dit
+gebied door een breeden, platten ring met spiraalwerk van blaadjes
+weer met Zeeland samen. Eigenaardig-bewerkte knoopen, gordel- en
+broekplaten, halskettingen van bepaalden vierkanten vorm treft men
+aan in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden, in het Gooi en op
+de Veluwe om de Zuiderzee.
+
+Wij krijgen aldus een uitgestrekt samenhangend gebied; en vergelijkt
+men dit met het gebied, waar nakomelingen van Frankische stammen te
+vinden zijn (I, bl. 8), dan zal men tot de bevinding komen, dat beide
+territoren elkaar nagenoeg dekken. Hierbij komt, dat de dialekten der
+bevolking, hoe uiteenloopend ook, een aantal kenteekenen vertoonen,
+die men althans ten deele ook in de Keltische talen weervindt. Waar wij
+nu van een Keltisch-Frankisch huis gesproken hebben, zal men het dus
+niet kunnen misbillijken, dat ook de benaming van Keltisch-Frankisch
+dialekt door ons gebezigd wordt. Natuurlijk behoeft elke overeenkomst
+op-zich niet op gemeenschappelijke herkomst te berusten, ik wijs
+slechts op het nasaleeren van een klinker vóor gedekte nasaal en
+het verwaarloozen der _h_, ook elders nawijsbaar, zie b.v. Groninger
+Volksalman. 1900, bl. 28.
+
+Enkele der meest eigenaardige kenmerken van de Keltisch-Frankische
+dialektgroep laat ik hier volgen.
+
+1. Het voorvoegsel _ge_ bij het deelwoord.
+
+2. Het wegvallen der _n_ van den uitgang -_en_, behalve vóor klinkers,
+_h_, _b_ en _d_. Vergelijk: d_e_ groeët_en_ boum, de_n_ domm_e_
+mins, d_e_ groeët_e_ minse (Venloosch taaleigen). Keltisch
+survival?--Het meervoud van den tegenwoordigen tijd gaat dus uit op
+_e_ of _en_, _t_, _e_ of _en_.
+
+3. De _d_ tusschen twee medeklinkers wordt _j_ (_i_) of verdwijnt:
+_moede_, _moeje_, _moe_. De Nederlandsche kultuurtaal bevindt zich te
+dezen opzichte nog in een periode van weifelen, die zeer lang aanhoudt;
+men denke b.v. aan _bloeden_: _bloejen_, zelfs _woedend_: _woejend_.
+
+4. De groepen _al_ en _ol_ worden tot _au_ en _ou_ vóor _d_ of
+_t_. Dus: _ald_ en _gold_ worden in zuiver Frankisch _oud_ en _goud_
+of nauwverwante klanken.
+
+5. Lange _î_ en _û_ zijn meestal tweeklanken geworden, dus: _mijn
+huis_, tegenover Saksisch _mien hoes_. Dit verschijnsel is van
+Keltischen oorsprong, zie Te Winkel, Inleiding II. bl. 304 en N. van
+Wijk, Taal en Letteren XII, bl. 36 vlg.
+
+6. De tweeklank _au_ wordt _oo_, b.v. _dood_, _oog_, tegenover Friesch
+_deea_d, _eea_g.
+
+7. De groep _ft_ gaat over in _cht_. Dus: _koopen_: _gekocht_;
+verder _lucht_, _gracht_, _hecht_ enz. Slechts hier en daar bleef een
+sporadische _f_ behouden, zoo te Tilburg en in Oost-Brabant: _zoft_
+(zacht); Sliedrecht: _zoft, gekoft_ (gekocht); Veluwsch _koften_ voor
+_kochten_. Ook wordt de _chs_ geassimileerd tot _ss_, vgl. _Brussel:
+Bruxelles; Tessel: Texel_. Hier is eveneens Keltische invloed werkzaam
+geweest; zie Te Winkel, Inleiding II, bl. 304; Van Ginneken, Handboek
+I, bl. 87.
+
+8. De Westgermaansche _â_ wordt vertegenwoordigd door _â_ en
+_oa_, b.v. _schaap, schoap_. Alleen in het Zeeuwsch en in het
+Zuidoost-Hollandsch hoort men _schaep_.
+
+Nu meent Van Wijk, Tijdschr. XXX, bl. 161 (vgl. Indogerm. Forsch. XXVI,
+bl. 275), dat deze _ae_ een ouderen toestand vertegenwoordigt, dien
+wij ook voor het Noord-West-Veluwsch en voor het Nederbetuwsch
+kunnen rekonstrueeren. Wij mogen dientengevolge met vrij veel
+waarschijnlijkheid een nauwere verwantschap veronderstellen voor een
+gebied, dat Zeeland en een deel van Zuid-Holland, de Neder-Betuwe
+en een deel van de Veluwe omvatte. Ja wij kunnen ons dit gebied
+nog ruimer voorstellen, zoodat het zich dekt met het terrein van
+hetgeen men zou kunnen noemen: de Hollandsch-Frankische dialekten,
+d.i. West-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, Neder-Betuwe, N.-W.-Veluwe,
+Zeeland en West-Vlaanderen, reikend van Elberg tot Duinkerken. Zooals
+wij zagen, pleiten ook enkele bijzondere versierselen voor een
+nauweren samenhang juist van deze gewesten. De geheele groep wordt nog
+gekenmerkt door het gebruik van de pronominaalvormen _jij_ en _jou_.
+
+Te Winkel noemt deze dialekten in zijn Charakteristik, bl. 12, met
+uitzondering van het Veluwsch en Nederbetuwsch, Friesch-Frankisch. Het
+is zijn recht. Want inderdaad hebben zich Friesche invloeden hier doen
+gelden. Wij kunnen ze dus het best beschouwen als Frankische dialekten
+met Keltischen ondergrond en met een Friesch vernis. Voor het Zeeuwsch
+vermoedt ook de Amsterdamsche hoogleeraar Keltischen inslag.
+
+Zou nu met dit uitgestrekt dialektgebied ook niet samenhangen
+het taaleigen van enkele streken om de Zuiderzee, en van enkele
+eilanden, waar men ook in lichaamstooi en kleederdracht overeenkomstige
+versierselen vindt? Ik denk allereerst aan het Gooi (Hilversum, Laren,
+Blaricum, Huizen), maar ook aan Vlieland, Schokland, Urk, Enkhuizen
+en aan een strook van den Overijsselschen zeekant: Vollenhoven,
+Genemuiden, de Kuinder enz., waar men een Friesch-Saksisch mengdialekt
+spreekt. Ook deze dialekt-groep toch wordt door enkele bijzonderheden
+met de _ae_-groep verbonden; ik noem het wegvallen van de _h_ en den
+Urker-Gooischen _ae_-klank in _schaep_. Onderling houdt zij verband
+door een eigenaardigen _i_- en _u_-klank. Zij vormt een overgang van
+het Frankisch naar het Friesch of van het Friesch naar het Frankisch
+en ten deele naar het Saksisch; en de veronderstelling van Winkler
+lijkt zeer aannemelijk, dat wij te doen hebben met de taalresten van
+een afzonderlijken, niet volbloed-Frieschen stam, die in het eerste
+millennium onzer tijdrekening woonde op de oevers van het meer Flevo;
+zie Dialecticon II, bl. 52; vgl. II, bl. 20, I. bl. 381. Zou ook hier
+de Keltische grondslag niet kunnen dienen ter verdere oplossing van
+het ingewikkeld probleem?
+
+Andere eigenaardigheden wijzen op nauweren samenhang van het
+Oost-Hollandsch met het Brabantsch en het Strand-Hollandsch; vooral
+deze, dat de vierde naamval voor eigennamen en persoonsnamen zonder
+determinatief den vorm heeft aangenomen van den tweeden naamval,
+b.v.: Ik heb et vaders gezeid; ik heb tantes nog gekend; ik ben bij
+Janne geweest. Zie hierover Van Ginneken, Handboek I, bl. 94, 95.
+
+
+
+Veluwsch.
+
+
+(Uit _Leopold, van de Schelde tot de Weichsel I, bl. 519_).
+
+
+
+Minnebrief van en sniierknecht.
+
+Miekelief! 't Hef noe gans en gaor gin fatsoen, da je miin liefde zoa
+kold en zoa verwierd handelen bliift. Hoe 'k et oak mit oe zuuk te
+riigen en te plooien, ik kriig er maor nie zoa ak et gaerne ha. Altiids
+bliift oew hart nog rechtevoort tägen mii as stiif linnen. Mennig
+kamezaol, boks en wammes van de goeje luuj heb ik bekant stik verknipt
+en versniien, daor 'k zat, en miin heufd oaver oe tornde en pluusde. Da
+'k er oak heftig oaver epruust heb, en er vinnig ziek af ewest bin,
+da's oe bekend; en nao de leste krupsie bin 'k nog nie zoa 'k heur,
+want hoe 'k et wend of drääi, 'k weet oan oe gin mouwen te passen.
+
+Zeg et toch glad uut, wa je tägen mii het, dat je mii as en olde
+lappe op zii' smiit. Bin 'k nie zoa goed bii de pinken as de beste
+veur miin brood? De heele wäke, van 's maondags tot zaoterdags, zit
+ik jummers stik staovast van 's märgens tot 's aovens bii baos Nol op
+'e taofel: en veur miin jannever-centen laot de wäärd =u=ut de Golden
+Ploege gin neie schuur bii 't huus zetten. Zondag, da mis nie, zie
+je me altiids in de predekaotie en 's aovens, nao koffitiid, bii oew
+vaoder op den haerd, om te höören naor 't neis =u=ut de krant. Dan
+doe 'k jummers puur alles veur oe, en 'k maok et oe zoa handzaom,
+as in minn krank vermeugen is: en da naodje zol zoa deurloapen as i
+ens miin vrouw waort gin enkele steeke zal er aon losgaon.
+
+Maor 'k leuve, daor zit um de kneupe nie. 't Is nog die ägenste smalle
+heerschop, die klarke van onzen notaoris, die 't um duut. Daorum gao
+je, oak deur den dag altiids zoa mooi aon'edaon, 'egold en 'ezilverd,
+bekant of i nao de karke gaot. Miekelief! Miekelief! waor dwaolen
+ouw zinnen; hoe kan i zoa bot ziin? 'k Heb oe al zoa mennigmaol oaver
+dissen gepokkeneerden snoeshaon onder 't parsiizer 'ehad en zint er
+nog de olde knepen niet uut? Hoe kan oe et hart toch zoa hooge staon,
+da je um dien kwibus en goeien wärkman onder stelt?
+
+Meinde mit um te zullen äten uut de kurf zonder zörge? Nemaor, da's
+vlak de lappe neffen 't gat. Da klarken lait um maor wiendaiers:
+en zolt i de maot holden veur de juffer van en notaoris al is 't oak
+op en plat dörpke? Nemaor, daerne! daor zii i nie toe 'esnejen: da
+zol oe vugen as en neie lap op en old wammes; da stao nie en da holdt
+nie.--Da mot dissen verwierden heerschop oak nie vremd ziin, hoe zunig
+hi kiiken kan, maor hi teutelt mit oe, um oew rooie wängkes en oew
+blaouwe eugkes, en as i oe in d'ellene hef ebrocht, zal i oe handelen
+as en lapzalver; waor veinde dan heul veur oew hartepiin? Daorum,
+Miekelief! stel dissen springer uut oew zin en hold oe lääg bii 'e
+grond, dan val i nie hoog. Denk aon 't spreukske: "Ongeliiken aord,
+dient niet 'epaord". Wij passen mekaor, waor je et beziet, um saomen
+genuuglik te läven en onzen staot te bliiven vuren. Kwik er ens mit
+oew olders, daor doe je braof aon; die zullen et oe wel veurmäten; en
+as ik zondag bii oe kom en i mii beduudt, da je met mii houwen wilt,
+zal miin martelen en armoeien t'ende ziin, en van klinklaor plezier
+za 'k oe en heftig mooi loddereinsdeuske kaopen veur en pressent,
+al kost et oak en golden dekaot.
+
+Hadee, Mieke! tot zondag. S.
+
+
+
+Ostendsch.
+
+
+(_Voor "Nederlandsche Volkskunde" geschreven door den Eerw. Heer
+Frank Baur, docts_, litt.)
+
+De gelijkenis van den Verloren Zoon zooals zij te Ostende in het
+Schipperskwartier wordt verteld [12].
+
+
+
+Eer wos e kér e våder, è jâ twé zuns.
+
+Den årme man wos wéewåre! È de joengsten va de twei hâde goesten om e
+vojåzetsje te doene. Mo de kwèsje wos va d'ortsjes! De joenge brakke
+goeng no ze vådere èn i zej: "Våder, gée m' osjeblief 't chelt da
+me toekomt, 't part va moeder zåliger!" De våder schuddege zen hôofd
+èn zej: "Joengen, joengen, je lop no jen oengeluk!"--"Ba 'k en doe,
+antwordege de kwåpèrte: lat et min mo riskieren!"
+
+È je kréég ze part! È je goenk nor en vèrre stréke, olover 't
+zeitsje! È je wos nog mo fine 't gat üt, of je begoste va ze gèld
+te léven, lik God üpt Sas! Olie dågen schinken è drinken, smeiren en
+teiren mè de schonste nichtsjes, è ze traktéren mè tartsjes è spekken
+è goedewèrk.
+
+È ja, è dat en kostege azo ni lange deuren: ze portekadee gerocht
+olichte léég, ze kleiren vielen in slunsen, je zach ter üt lik ne
+schooier! Mè véle rooi kwaamp i te lange laste bi nen beistekopman in
+de kost: mor in platse van olle dågen ze bükstje goe vul te krigen, wos
+'t årmoe va god za m' zégen! En os zen dèrmen grolden, je mochte nog
+üt den trog va de zwins ni mêe éten! Mèd ol ze werken è vroeten ât en,
+os 't ol te fin effekte kwam, nog gén någel om ze gat te krauwen! 't
+Wåter liep va zen èrte, os 't en an 't üs pejsde, wo dat de knechten
+åten è droenken è tafeltje-dèk-je spéélden! Wo dat de stüten zo vèt
+gebutterd waren, è 't Roesselaersch bier zo lèkker!
+
+Toe tat en up ne schônen dag ol zen koeråze in zen 'anden paktege,
+è no ze våder goenk è zej: "Våder, 'k èn ol me geld vertsjoekt;
+'k zin te vül dan 'k nog je zeune zoen kunnen zin: mo lat me bi joen
+blüven voe knècht!..."
+
+"Wei, joengen toch!" riep ze våder: "è je zoe tog ni willen zéker! Gée
+me zeire en tóóte: 'k èn tog zo lange no je gewacht!" È je kréeg nieuwe
+kleirs en nieuwe sluffers an: è je wos wéer de zeune va ze våder!
+
+
+
+Het Brabantsch vormt den middelterm tusschen het Hollandsch en het
+Limburgsen; en onder Brabantsch verstaan wij hier het Westbrabantsch,
+het Antwerpsch, het Aalstersch, het Leuvensch, het Oostvlaamsch. Wij
+wezen op de overeenkomst met het Oost- en Strandhollandsch. Maar
+slapheid van artikulatie verbindt de taal van de afstammelingen
+der Salische Franken toch ook met de Zeeuwen, die zij immers ook
+zeer nabij staan in volkstype en in innigheid van temperament. Op
+gemeenschappelijk Keltisch substraat wijst, behalve de eigenaardigheid
+van de behandeling der finale _n_, de herhaling van het persoonlijk
+voornaamwoord vóor en na den werkwoordsvorm: _ik-ekik_ enz. En
+anderzijds verbindt hen de Keltische toon, de lossere volksaard,
+het sanguïnisch temperament weer met Limburg. De bonte staalkaart
+der Brabantsche dialekten--mag ik even wijzen op de voortreffelijke
+behandeling van het Aalstersch door Prof. Colinet en van het
+Leuvensch door L. Goemans?--is het reflex van hun sterk-uitgesproken
+gemeenschapszin, van hun aanhankelijkheid aan stad en dorp, van de
+versnippering van hun grondgebied.
+
+
+
+Leuvensch.
+
+
+(_Voor "Nederlandsche Volkskunde" geschreven door den Heer Frans
+Smeesters, stud. litt._)
+
+
+
+De Koeisjieters.
+
+(Leuvensch Verhaal).
+
+
+In dânen tâd (tijd) waz et spel nogal dikkels de woegel oep [13]:
+den iene kie woere de Sponjoede mister, dan wee d' Oestenrâkers,
+ofwel probeede de Vloinderiers den boes te speele. Et was altâd e wa
+fes: vechten en battere zonder oepaave. Te Leeve woere z' oek noet ni
+grist. Moe ze woere der doevee oek oep verzien, zelle: d' iel stad
+was oemringd mee vestinge mee dikke mieren oep. Doe kost niemand in
+och uit de stad nit, as dee de poote on de groete stieweege en dâ
+woere bewokt dee saldoete.
+
+Oep ene kie aa 't er wee lilek gespanne en wit er van iene pas gebrand
+en gemoet: 't was tege den oevend, oep den Eksentoore, woe da naa de
+luibank stoet oep den boelvar Remie. Da was doe de verstêreking van
+de Brisselse poot; 't kloester van de Sellebries stont doe toen nog
+nit achter en doemee kost de schilwacht van doe den ielen Brisselse
+stieweg overzien tot on den Azeren bereg, mee klier wier. Zoe
+tisse licht en doenker ziet dâne woeker iet van den Azeren bereg
+af kome gelak en troep saldoete, mee witte broeke en doenker jasse:
+"Da moette d'Oestenrâkers zân!"
+
+Rietepakie loept em den tooren af en goet de wacht verwittege. De
+poot wed toegedon en nen troemelier loept de Brisselse stroet af vee
+de garsevik bojien te troemele: al et folk kwam boete gebetteld en
+d'iel stad stond oep en ing. 't Was er e lieve van den elsen dievel:
+de joengelen on 't blête, de vraalie on 't jenken en de manne roepen
+en tieren onderie.
+
+Twie boemkeetels woeren oep den Eksentoore geplaceet en de saldoete
+mee donderbissen en gewiere doeneffe. Tisse de boeme zoege ze dâ
+witgeplekte troep oep eer zeevetien gemakken afkome, jist ofda z'
+oep wandel woere. Na was doe iene van dâ manne, die janfatoet wilde
+speelen achter ze sjietgat. Zonder noe de kapetaan te wachte sjit em
+ze gewier af flak in den troep oep de stieweg. Zoe gaa as d' ander
+dad oede begoste z' oek te sjiete: tot iene van de boemkeetels toe
+goenk mee ne lileke slag af!
+
+D' Oestenrâkers stoven oetien last alle kante: e stik of twie
+kwoempen in volle charge oep de stad afgeloope, woe dat de verschrikte
+Leeveniers zoege daddet koeie woeren in ploits van saldoete.
+
+Seedert toen widde de Leeveniers Koeisjieters geiete!
+
+
+
+Bredasch.
+
+
+(_Uit Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel I, bl. 328)._
+
+
+
+Breeë wiele.
+
+('t Zuiden van de Baronie van Breda).
+
+
+A. Hedde de wiele van oew kèr al laote veraandere, Bart? [14]
+
+B. Neeë, Arjaon! zou da toch mötte?
+
+A. Jao, jao, da möt zeker; ik hoar zegge, das ze d'n earste van
+d'aander mand mee smalle raoje niemar meuge rije.
+
+B. Nou, de mijn zulle dan toch nog nie veraanderd zen: d'aambachte
+kunne 't ok aomal nie gedaon krijge. Hedde gij de jou al veraanderd?
+
+A. Van m'n éán kèr wel; die he'k mee breeë wiele laote maoke, al vur
+'n jaor of twea, om vur de waaie te gebruike; mar mee d'aandere möt
+ik er nog aon.
+
+B. Vur de waaie geloaf ik das ze goed zen de breeë raoje, mar om vur
+dur 't zand te rije, jonge, davvur zen m'er mee vernukt.
+
+A. Da sa 'k nie zegge: mee de breeë wiele zulde zo'n groate gaote
+nie in 't spoor maoke, as mee de smalle, en ge kunt het spoor maoke,
+as mee de smalle, en ge kunt het spoor ok makkelik verlegge.
+
+B. Jao, protte ge mar; mar smenke zegge, dagge mee de breeë bedeane
+vast zit, as 't nat is.
+
+A. Neeë, man, ze zulle de wege dan zo nie kapot rije: de breeë wiele
+snijen er zo nie deur, en te zomer zal den weg zo schoan zen azne
+dörsvloer.
+
+B. Nou, dan zulle ze toch mear mötte paniere as ze tegenworrig doen.
+
+A. Neeë, jonge, davvur hoeve ze niks mear te paniere, want d'n weg
+zal uit zen aaige goed blijve, omdat er dan g'n gaote en kuile mar
+zulle gemakt worre.
+
+B. Mar in d'n baomus dan, as 't nat is, dan zulle ze toch wel blijve
+steke.
+
+A. Da sa 'k nog nie zegge. Ikke en Koop van Hentjes hebbe vleeën baomus
+den healen dag mis gereeë mee twea kère dur 'n heal nat straotje, en
+'s aovus waor d'n weg nog net zoo goed as 's maregus mar we haaie 't
+spoor dikkels verleet. En as ge da mar doet, dan zulde g'n gaote rije,
+en dan zulde 't mee breeë raoje langer volhouë as mee smalle. As de
+meense der mar is aon gewoan zen, dan zulle ze g'n smalle raoje mar
+verlange; mar nou zen ze der op tege, omdas z' aomaol der wiele mötte
+laote vermaoke, en da sen groate koste; mar as ze 'n paor wiele vur
+niks krege, dan zouwe ze der nie tege pruttele.... Mar ik houwe vur
+'n goei ding, die breeë wiele.
+
+B. Jao, gij prot goed; mar wa zulle de klène boerkes doen, die mee
+nun os rije? Die kunne, as 't nat is, toch ginnen weg.
+
+A. Jao, jao, genog; mar 't is vur hullie èrig, omdas z' in de zak
+zulle mötte. Mar as ze der wiele mar is hebbe, dan zulle ze der wel
+over kontent zen.
+
+B. 't Kan gebeure; mar ik mot het earst zien, vur ik 'et geloaf.
+
+
+
+Zoo komen wij ten slotte tot de Limburgsche dialekten. Het Frankisch
+in zijn geheel genomen is door de zoogenaamde tweede klankverschuiving
+in twee groote helften gesplitst: het Neder- en Opperfrankisch. De
+aandrang ging uit van het Opperduitsche bergland; langzaam plantte de
+golving zich voort, om weg te sterven tusschen den 50sten en 52sten
+breedtegraad. De grenslijn draagt den naam van _Benrather linie_, omdat
+zij benoorden het plaatsje Benrath over den Rijn gaat. In oostelijke
+richting doorsnijdt zij geheel Duitschland tot aan de Poolsche grens;
+westwaarts loopt zij bezuiden Neuss, Rheydt, Erkelenz, Heinsberg,
+en overschrijdt bij Geilenkirchen het Nederlandsche grondgebied. Dit
+verlaat zij weer tusschen Cottesen en Vaals, en valt dan omstreeks
+Malmedy samen met de scheidslijn tusschen het Germaansche en Romaansche
+taalgebied. Men mag dus beweren, dat het in Groot-Nederland gesproken
+Frankisch zoo goed als uitsluitend Nederfrankisch is.
+
+Dit nu wordt verdeeld in Noordlimburgsch en Oostbrabantsch (Meyerijsch)
+eenerzijds, en Zuidlimburgsch anderzijds, en wel door de zoogenaamde
+_Uerdinger linie_, die benoorden Uerdingen den Rijn overschrijdt en den
+dam vormt, waartegen de laatste golvingen der tweede klankverschuiving
+breken: ik bedoel de verschuiving van _k_ tot _ch_ in de woordjes _ik_
+en _ook_. Benoorden en bewesten de linie, waar men dus _ik_ en _ook_
+hoort, liggen, Herongen-Venloo, Blerik, Maasbree, Meijel, Leende,
+Borkel en Schaft; en in België: Lommel, Baelen, Tessenderloo, Sichem,
+Bekke voort, Thielt, Bautersem. Bezuiden en beoosten, waar men _ich_
+en _auch_ zegt, liggen: Leuth-Tegelen, Baarloo, Helden-Panningen,
+Ospel, Nederweert, Maashees, Soerendonck en Budel; in België: Achel,
+Neerpelt, Exel, Hechtel, Beverloo, Beeringen, Diest, Roosbeek en
+Vertrijk. Bautersem en Vertrijk, westelijk en oostelijk eindpunt
+der lijn, liggen ongeveer een uur gaans ten westen van Thienen, het
+groote uitstralingspunt der Nederlandsche dialekten. Daar stuit de
+Uerdinger linie op de Waalsche grens of, nauwkeuriger gezegd, op een
+dier grensstrooken, die door het Romaansch op het Germaansch veroverd
+zijn; zie God. Kurth, La frontière linguistique en Belgique et dans
+le nord de la France (Bruxelles 1895--98) II, bl. 526; III, bl. 4 vlg.
+
+Een juister indeeling zal, naar ik hoop, de vrucht wezen van ons
+uitgebreid, maar helaas door de tijdsomstandigheden bemoeilijkt,
+onderzoek der Zuidoostelijke dialekten. Ook hier groote differentiatie,
+evenals in het Brabantsch, maar die benoorden Venloo daarenboven op
+een ethnische reden stoelt. Daar immers, de lezer herinnere het zich,
+is een Saksisch menggebied, maar waar de Saksische bouwtrant vrij
+wel als uitgestorven kan worden beschouwd (I, bl. 37, 38). Wij hebben
+hier te doen met een dier zeldzame gevallen, waarin de taal taaier en
+duurzamer bleek te zijn dan de hoevenbouw. Want benoorden de linie
+vinden wij een dialekt, door Te Winkel Saksisch-Frankisch genoemd,
+en dat uiteenvalt in het taaleigen van Venraai, van de Landen van
+Cuyk en Nijmegen, de Lijmers (Eltenberg en omstreken), de Duffel en
+de Over-Betuwe. Hier hoort men b.v. _ald_ (_aald_) en _kiend_, en
+doorgaans _bleeëk, deeël, steeën, dooëd, pooët_ (of _bleiëk, doeëd_
+enz.). Van het aangrenzende Brabantsch (Meierijsch) onderscheiden
+zich deze dialekten door het niet-diphthongeeren van _î_ en _û_, dus:
+_mien, riek, wief, zoor (zoer), hoes_. In dit dialektgebied vertoont
+een bepaalde landstrook, die de plaatsen Venloo, Blerik, Maasbree,
+Velden, Grubtenvorst, Lom en Arcen omvat, grootere overeenkomst met
+het Zuidlimburgsch; zie hierover mijn artikel in het Tijdschrift voor
+Nederl. Taal en Letterk. XXVI, bl. 81 vlg.
+
+De geheele streek bezuiden de Uerdinger linie noemt men het
+_Mich-kwartier,_ een benaming, die uit België schijnt afkomstig
+te zijn; en wel omdat daar de oude akkusatieven _mich_ en _dich_
+zijn bewaard gebleven. Ook hoort men hier _ich_ en meestal _auch_
+(ook). Te Winkel spreekt van Ripuarisch Frankisch. Toch vindt men
+ook hier tal van verschillen; met name het dialekt van Belgisch
+Limburg vormt voor het meerendeel een zekere eenheid, die wel eens
+Westlimburgsch genoemd wordt; deze benaming kan echter tot verwarring
+aanleiding geven. Verder is de Oudgermaansche _sk_, die in het Friesch
+haar oorspronkelijken klank behield, in bijna geheel het Mich-kwartier
+gepalataliseerd tot _sj_, dus Friesch: _skaap_, Hollandsch: _schaap_,
+Roermondsch: _sjoap_. Deze palataliseering vindt men ook op de
+Veluwe en in Eemland, wat weer op gemeenschappelijken ondergrond
+wijst. Maar daarenboven is bezuiden de Uerdinger linie de stemlooze
+spirant _s_ in de klankverbindingen _sp, st, sl, sm, sn_ en _sw_
+tot _sj_ geworden beoosten een lijn, die van af het dorp Panningen in
+zuid-westelijke richting geheel Limburg doorsnijdt. Eerst volgt zij den
+linker Maasoever, gaat bij Wessem de rivier over en vervolgt nu haar
+weg op den rechter Maasoever, tot zij tusschen Maastricht en Breust
+de Belgische grens en het Romaansche taalgebied bereikt. Deze linie
+noemde ik de _Panninger linie_. Het ruimere gebied der palataliseering
+van _sk_ tot _sj_ wordt begrensd door de _Panninger zijlinie_. Zie
+hierover mijn artikels in het Tijdschrift voor Nederl. Taal- en
+Letterk. XXI, bl. 249; XXVI, bl. 81; Limburgs's Jaarboek XIII, bl. 229;
+Leuvensche Bijdragen 1908. Laat ik nog vermelden de dialektstudies
+van J. Houben. Het Dialect der stad Maastricht (Maastricht 1905);
+L. Grootaers, Het Dialect van Tongeren (Lier 1910); en voor de studie
+van het Noordlimburgsch: H. Bruijel, Het Dialect van Elten-Bergh
+(Utrecht 1901).
+
+Het Limburgsch wijkt sterk van het algemeen Nederlandsen af en
+de Limburger handhaaft zijn taal met zeldzame taaiheid. Eerst in
+de laatste tientallen van jaren wordt in sommige families van den
+deftigen stand de algemeene Nederlandsche kultuurtaal gesproken. Aan
+differentiatie heeft het, zooals gezegd, niet ontbroken, en ook
+scheppen nog steeds handwerk, beroep en industrie--tabaksbewerkers,
+leerlooiers, steenbakkers, mijnwerkers tuiniers [15]--talrijke
+sociale groepen en groepjes. Toch blijft een sterk gevoel van nauwere
+psycho-ethnische verwantschap zich handhaven.
+
+Tot de eigenaardige algemeen-Limburgsche dialekt-verschijnselen
+behoort het isosyllabisme van de nominale meervoudsvormen met
+die van het enkelvoud; b.v. _bal: bel; kop: köp; knoak: knök_;
+enz. Verder het eigenaardige muzikaal accent, met name de syllaben
+met stijgenden sleeptoon, die heel wat taalverschijnselen kunnen
+verklaren. Ook het zinsaccent, de zinsmelodie en het spreektempo
+zijn in deze dialektgroep zeer eigenaardig en sprekend, en wel in
+veel hoogere mate dan in de noordelijke tongvallen. Dit blijkt zelfs,
+wanneer een bewoner der zuidelijke provinciën de algemeene kultuurtaal
+spreekt: men zegt dan "dat hij zingt". Er is natuurlijk verschil
+tusschen vraag, uiting van verwondering of andere gemoedsbeweging en
+simpele bewering,--een uitgestrekt terrein, dat nader dient te worden
+onderzocht. Eindelijk de retrogressieve of terugwerkende assimilatie
+bij het zwakke praeteritum--veelal van palataliseering begeleid--,
+waar het algemeen Nederlandsch progressieve of vooruitstrevende
+assimilatie vertoont; b.v. pakte: _pagde_ en _pagd'e_ [16]; danste:
+_danzde_. Ook bij andere vormen ontmoeten wij dit verschijnsel,
+dat allicht met het accent in betrekking staat.
+
+Laat ik ten slotte nog even wijzen op de grootere eenheid
+van Zuid-Limburg. Zij wordt gekenschetst door de hoeve van het
+Frankisch-Romeinsche type, maar ook door het doorgaans ontbreken
+van de afzonderlijke hoeven, geïsoleerd liggende te midden der
+afzonderlijk landerijen (I, bl. 42, 24). Van een nauwere dialektische
+eenheid bezuiden Sittard diene als specimen het gerundium op _-têre:
+loupentêre, lachentêre_ enz., dat men te Maastricht, Sittard, Heerlen,
+Tongeren, Hasselt, kortom over geheel het zuidelijkste gebied verspreid
+vindt. Over het gebruik te Hasselt zie Gittée, in het Nederl. Museum
+1888, z. bl. 306. Het verschijnsel is nog steeds raadselachtig in
+wezen en herkomst, en dient nader te worden onderzocht. Zie verder
+de isethnenkaart.
+
+
+
+Venloosch.
+
+
+(_Fragment uit "De Sage uit het Ven", Limburgsch's Jaarboek VIII,
+bl. 63, eenigszins gewijzigd_).
+
+
+
+Jan en Helmus oêt 't Ven.
+
+
+Op ein half oor van de stad, aan de Winkelveldstroat, leet Besjeshoaf,
+en dên hoaf hebbe de akkerlu Van R. sterk twieë ieëwe van elder
+tot elder bewoeënd. Op ein paar noa de leste van eur, die doa den
+reek hanteerde, waas Jan van R., eine strausse mins mit snuje geis,
+dê ei nateurlik slaag had van vertelle en al waat de stadsboetenieë
+raa_g_de, hoarklein kinde. Bij de Venlu stonte veur gelierd,
+want hê kos in den almenaak lêze, ziene naam schrieve en mit
+kriêt rêkene. Ouk waasse drijmoal keuning gewês: twieëmaol bij 't
+vogelschete in 't Kraneveld, en eine kier bij 't rieje van de gaas
+aan Sinter Banus. In 1848 isse gestorve, 92 joar ald,--des neet in
+de weeg, wie?
+
+Mit eine Julidaag van 1778 trok Jan mit ziene knech Helmus, eine
+Veldese jong, noa de Hêringse hei um struitsel te houwe in eine kamp,
+dêje veur zes vette kukes 's joars, aan 't hoês Caan in Stroale te
+levere, gepach had. 't Waas dên daag schreujend heit, en doarum ginge
+ze iers smiddaags um vief oor van den hoaf, veurnemes door te werke
+zoeë laat azzet gong. Veur de lochtigheit zote eeder eine lichte
+vink op en as oavesête nome ze drij bokeskeuëk mei in vere gesneje,
+en daobij twieë tuite botermelk, die ze op de gebroekelike meneer
+mit reemkes aan de heizigs gebonde euver den rök honge.
+
+Weus en akelig waas in dên tiêd nog de Venstreek, die ze ein ind
+meuste doortrekke. Aan weerszie van den alde Stroalse wêg loge
+wiedluipige zompe en peul, dich begreuid mit luus en reet en
+umzuimp mit elze holt, vane en broamelestruûk. Doa hoort me niks as
+'t gekwaak van de kikvors en 't gesnater van de ênde, woavan der soms
+'n kloch oêt de zomp opvloog.
+
+Toe Jan mit zienen Helmus bij de kamp waren aangekome, loge ze eure
+knapzak tösse einen berke stroêk en begoste te hakke. Jonk
+en ieferig wie ze ware, gunde ze zich gein rös as um wat oassem te
+schöppe en te drinke of knips ein half oor um eur proviand aan te
+sprêke. Ze wisten ouk van gein oêtscheije, en doe ze 't struitsel in
+huip hadde gezat, waas den oavond al ein hieël ind gevalle. Ze nome
+de heizigs weer op de schouwers en gongen noa den hoaf truuk.
+
+Doeëd meug door de zwoaren en lankwieligen erbeid sukkelde oos Besjeslu
+gedoek en druimerig veuroet, in volle kompenie mit de hiere van 't
+brook, die bij eeder stap verschrik veur eur opspronge. Maar
+klam hadde ze den _Arenborg_ en _Genroai_ achter den rök, of doa,
+aan einen tomp van de wêg, meinde Helmus inens ein gedruus
+en gejuister in de loch te hure. De mood za_g_den--um in de
+hoaze, en vol engs greeppe Besjesboer bij den erm en reep: "baas,
+kiek ens umhoeëg. Eine veurige wage mit veer pêrd en eine mins derin,
+dê lammenteert!"
+
+"Jong", zag Jan, "zêgen dich en bêj eine Vaderons, det
+os gei kwaod euverkump. Ik weit wê 't is."
+
+Doe ma_g_de ze bein en kêrde ze den diek euver noa den alde Stroalse
+wêg, op de hakke gezête, wie ze meinde, door allerlei buës gespuus,
+woatêge einen heizig niks vermaag. En neet veur det ze de töp van
+Besjes hoeëg linde in 't verscheet krege, veel eur de de schrik van
+et hert en doe vroog de knech: "baas, wê hebbe we gezeen? Zoe et de
+man mit ziene wage zien, dê now en dan door de loch riet
+en woavan Sint Hoeberts Drik nog pas hêt opgehoald?"
+
+--"Precies jong", zag den ander, "hê was et. Hazepoeët de Schelm,
+dê de loeën van de werklu achterheel.
+
+"Zien straf is nog neet oet; zoolang motte mit ziene gleujende
+wage door de loch rieje en wuurte geschreuid, totte zal hebbe
+voldoan: ein waarschouwing veur andere van zie slaag.
+
+"Now is 't te laat, maar ezondaag zal ik dich zien hieël
+historie waal ens van nödje tot zökske vertelle, ik kin ze".
+
+
+
+Ter kenschetsing van de dialektische volkstaal steunden wij in het
+bovenstaande, zooals gebruikelijk, vooral op klankleer en flexie. Toch
+zijn ook _woordenschat_ en _syntaxis_ van het grootste belang,
+vooral wanneer men de volkstaal behandelt in tegenstelling met de
+kultuurtaal. Wij kunnen hier echter onmogelijk diep op de zaak ingaan
+en verwijzen dus naar de afzonderlijke idiotica. Zoo b.v. Gallée voor
+het Geldersch-Overijselsch, Molema voor het Groningsch, Bergsma voor
+het Drentsch (onvoltooid), Waling Dijkstra en Buitenrust Hettema voor
+het Friesch, Boekenoogen voor het Zaansch, Bouman voor de volkstaal
+in Noord-Holland, Opprel voor het Oudbeierlandsch, Van Schothorst
+voor het N.W. Veluwsch, Van de Water voor de volkstaal in het Oosten
+van de Bommelerwaard, Simons voor het Roermondsch, Jongeneel voor het
+Heerlensch. Zuid-Nederland heeft in het opteekenen der idiotismen meer
+ijver en belangstelling getoond dan Noord-Nederland. Wij kunnen hier
+wijzen op het omvangrijke Algemeen Vlaamsche Idioticon van Schuermans,
+op het Westvlaamsche Idioticon van De Bo, op het tot een Idioticon
+omgewerkte Gezelle-tijdschrift Loquela. Verder maakte Cornelissen en
+Vervliet zich verdienstelijk door het opteekenen van de volkstaal van
+Antwerpen, Tuerlinckx en Claes voor het Hagelandsch, Rutten voor het
+Haspengouwsch, Teirlinck voor den woordenschat der Zuidoostvlaamsche
+tongvallen; enz.
+
+Hier liggen inderdaad "schatten van de volkstaal"
+opeengestapeld. Hoeveel beter dan in de kultuurtaal zien wij hier de
+strooming en tegenstrooming van integratie en differentiatie, het zich
+splitsen, zich vertakken, en weer ineenvloeien van de verscheidene
+beroepstalen, het eenerzijds stoer-behoudende en anderzijds ook
+weer koen-vooruitstrevende in het leven der taal. Archaïsmen,
+ware survivals uit overoude tijden, vindt men in de meest gewone
+populaire zinswendingen. Zoo b.v. het Limburgsche "met bed en
+bult vertrekken", waar _bult_ nog _de_ beteekenis heeft van het
+Middelnederlandsche _bulte, bult_ "stroozak"; de uitdrukking "van
+het bed op het stroo komen" herinnert aan een overoud lijkgebruik (I,
+bl. 290). In het Sallandsche: "hi kan lêzen en broodsnieën", d.i. hij
+kan twee dingen tegelijk doen, heeft _lêzen_ de oude beteekenis van
+"bidden". De algemeene Nederlandsche volkstaal kent uitdrukkingen als
+"van den hak op den tak", waar _hak_ nog de oude beteekenis bezit
+van "krommen tak";--"hij heeft kind noch kraai", waar _kraai_ "den
+kraaier" beteekent, d.i. den haan, welk woord immers etymologisch
+samenhangt met het Latijnsche _canere_ "zingen";--in "kap en kogel
+verliezen" is _kogel_ de halskraag;--in de zegswijze "wie het onderst
+uit de kan wil hebben, die valt het lid op den neus" is _het lid_
+de deksel. Naast deze archaïsmen staan echter ook weer neologismen,
+vooral, naar wij zullen zien, in de woordvorming.
+
+De volkstaal beweegt zich in analytische richting. Regelmatig worden
+de omschrijvende naamvallen voor de verbogen naamvallen gebezigd. Men
+zegt dus niet: "vaders jas", maar "de jas van vader", of "vader
+zijn jas". In plaats van den vergrootenden of overtreffenden trap
+wordt somtijds het woord in den stellenden trap herhaald: "het is
+droevig en droevig"; en zoo vervangt men ook het bijwoord: "het gaat
+beter en beter", d.w.z. steeds beter. Het woord _beter_ wordt echter
+ook als positief beschouwd, en dan vormt het volk den eigenaardigen
+komparatief _beterder_. Het meervoud, of liever het begrip "enkele",
+vindt men niet zelden omschreven door "een of twee", of door "een gas",
+"een koppel". Potentieële vormen treft men zeldzamer aan, naar mate
+men dieper in de lagen der volkstaal doordringt. Het twijfelende en
+onzekere bij vermoeden of veronderstelling wordt uitgedrukt door een
+bijwoord als "misschien" of door een hulpwerkwoord. Bij deze richting
+sluit zich aan het sloopen van de werkwoordelijke tijden. De verleden
+tijd gaat in de volksvertelling hard achteruit. Meestal bezigt men
+het praesens of perfectum, dat veelal nog de plaats moet ruimen voor
+het plusquamperfectum: "wij waren geweest, wij hadden gezien", voor:
+"wij zijn geweest, wij hebben gezien". Deze meer dan voltooid voltooide
+tijd komt vooral veel voor in Zuid-Limburg. Het praeteritum weet
+zich echter te handhaven in het zoogenaamd apologische spreekwoord
+(zie Vijfde Hoofdstuk I); terwijl de tegenwoordige tijd het tempus is
+van het volkslied als praesens historicum. Het futurum wordt dikwijls
+vervangen door het praesens. Zoo vloeien de grenzen van het feitelijke
+en het mogelijke, van het verleden en van de toekomst meer ineen
+dan in de kultuurtaal.--Daarentegen beweegt zich een tot indirekt
+reflexivum verzwakte dativus ethicus weer in synthetische richting:
+"zich een pijp rooken, zich een glas drinken."
+
+Het terrein der werkwoorden _doen_ en _laten_ strekt zich in de
+volkstaal veel verder uit dan in de kultuurtaal. Hoogst belangrijk is
+ook de woordvorming, stout en realistisch, met bepaalde voorliefde voor
+frekwentatieven en diminutieven. Als voorbeeld van de verscheidenheid
+en het koloriet der populaire woordvorming diene de synonymie
+(natuurlijk met genuanceerde beteekenis) van het werkwoord _gaan_ in de
+Graafschap (zie Driem. Bladen III, bl. 105 vlg.). Men kent daar _goan_:
+gaan; _sjoksen_: loopen en in de knieeën zakken; _snoksen_: de voeten
+bij het loopen op ongewone en tevens onverschillige manier neerzetten;
+_gèspelen_: draven; _flearen_: het vlug en driftig loopen eener vrouw;
+_zobben_: op een draf loopen met zwaren gang; _bizzen_: vlug loopen;
+_bozzeken_ en _foddeken_: vlug met kleine passen loopen; _sabelen_:
+vlug met groote stappen loopen; _schriêden:_ stappen; _loopen; kuiern;
+hompelen_: gebrekkig loopen; _strompelen; geiselen_: zoo vlug mogelijk
+loopen; _drapsen_: herhaaldelijk eenzelfden weg loopen; _striéken:_
+flink stappen zonder de voeten hoog op te lichten; _steigern_: met
+den neus in den wind loopen; _tippeln_: licht loopen met vluggen
+tred; _krummeln_: langzaam met kleine passen loopen; _pladdeken_:
+met bloote voeten loopen.
+
+Dat deze expressieve en oorspronkelijke populaire woordvorming
+vooral ook bij de scheldwoorden en scheldnamen tot uiting komt,
+behoeft wel geen betoog. Laat ik nog enkele volksuitdrukkingen voor
+_drinken_ aanhalen, door De Cock bijeengegaard (zie De Navorscher,
+XLVII, bl. 56; XLVIII, bl. 40; IL, bl. 130): _Bekeren; pimpelen;
+borrelen; borlesoesen; borleboppen; toeteren; fleppen; swobbelen;
+gulpen; duimen; loreeren; zich bekladderen; tullen; pullen; avoezen;
+sippen; lepelen; leppen; lepperen; petteren; pampelen; sassen; heften;
+kiepen; spichteren; kwasten; kwiskwassen; schossebrokken; zoppedoppen;
+swijnswansen; swijnswollen; slampampen;_ enz. enz.--Typisch is
+ook het klanknabootsend element in de scheppingen der volkstaal;
+het is zoo goed als interprovinciaal. Hoe roept de boer het vee? De
+jonge ganzekuikens met _wiede-wiede-wiede-wiede_ (of _wiele_ enz.);
+de eenden met _piele-piele-piele-piele;_ de jonge kippetjes met
+_tik-tik-tik-tik-tikketikketik._ Het roepwoord wordt, naar men ziet,
+meest viermaal herhaald. Dit geldt ook voor het roepen op de kippen:
+_tuut_; op de jonge katjes: _pie_; (het roepwoord voor oudere katten
+is _poes_); op de geit: _sik_; op de jonge schaapjes: _suuk_;
+op jonge kalveren: _kies_; op het veulen: _siesken_; op de koei:
+_hooi_. Biggetjes roept men door een smakkend geluid met de tongpunt,
+die artikuleert tegen het gehemelte. Den hond roept men bij zijn
+naam. Zie Driem. Bladen VI, bl. 58.
+
+Merkwaardig zijn nog de uitermate veelvuldige en expressieve vormen,
+die een bevestiging, ontkenning of verwondering te kennen geven,
+als: _ménschekinderen! héeremijntijd! wélallemáchies! kindergóads!
+jóngesjóngens!_ dit laatste is zelfs tot in Sleeswijk doorgedrongen. De
+ontkenningspartikel wordt somtijds verdubbeld zonder de ontkenning
+op te heffen; men denke aan "niets niemendal". De Maastrichtenaar
+kent twee bevestiginspartikels, éen gewone en éen beleefdere, welke
+met _het_ is samengesteld, dus _joa_ en _joat_.
+
+De woordvoorraad en de semantiek der volkstaal eischen verder onze
+volle aandacht. Het is een fabel, dat deze heele voorraad slechts uit
+een paar duizend woorden zou bestaan. Zonder twijfel ontbreken in de
+volkstaal tallooze uitdrukkingen voor begrippen uit het gemoeds- en
+geestesleven, uit het gebied van wetenschap en techniek. Zoo is het
+zelfs met de verklanking der gevoelens van liefde en vriendschap
+gesteld, toch zoo diep geworteld, en van sommige zinnelijke
+waarnemingen, met name van kleur en reuk. Maar hier staat tegenover,
+dat het volk woorden in overvloed heeft om schakeeringen van de een
+of andere handeling uit te drukken, zooals wij dit zagen voor het
+begrip "loopen". Het kan weergeven de meest verscheiden toestanden en
+soorten van planten en dieren, van weêr en natuurverschijnselen in het
+algemeen, van lichaamsdeelen, huisraad, maten en gewichten enz. enz.
+
+Ook moet men bij de beoordeeling van dit alles zeer voorzichtig
+zijn. Ik zal mij tot enkele voorbeelden bepalen, omdat, zoodra de
+tijdsomstandigheden dit gedoogen, het rijke voor ons dialektonderzoek
+bestemde materiaal ook ten bate der semantiek zal verwerkt worden. Op
+tal van plaatsen in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland noemt het
+volk elken kleinen vogel een _musch_, evenals de Amsterdammer over
+een _finkie_ spreekt. Wat is echter gebeurd? Het woord _musch_,
+hoogstwaarschijnlijk aan het Latijn ontleend, waar het "vlieg"
+beteekende (_musca_), heeft een groote uitbreiding, een verwijding
+van beteekenis ondergaan en heeft generische waarde gekregen
+als synoniem van "kleine vogel". Of liever, het heeft "vogel"
+in deze beteekenis verdrongen. De afzonderlijke vogeltjes missen
+dan ook geenszins hun afzonderlijke benamingen, soms ruw, andermaal
+geestig, steeds karakteristiek. Het muschje zelf heet b.v. te Beesel
+_koarerakker_, te Lottum _koarevrêter,_ te Blitterswijk _koarepikker_
+of _koarejietser_ (Limburgsch _jietsen_ is synoniem van _biesen_,
+d.i. "vlug loopen, vliegen, schieten"), te Swolgen _korepikker_, te
+Swalmen en Neer _guut_ (guit), te Niftrik _huiskrits_, te Groesbeek
+_huusklets_, te Grubbenvorst _floets_, te Maasbree _schroep_, te Helden
+_hoeskets_. Om beurt wordt het landelijke, diefachtige, huiselijke,
+vlugge, brutale, ja komische van dit bij uitstek populaire vogeltje
+voortreffelijk uitgebeeld! Men denke ook aan het Hoog-duitsche _Spatz_,
+een komische kortnaam voor _Sperling_. Hoe rijk vertoont zich hier
+de volkssemantiek, waarvan echter slechts gekleurde kaarten in den
+trant van die van Gilliéron een overzichtelijk en tevens verklarend
+beeld zullen kunnen geven.
+
+Een ander voorbeeld. Voor "kikvorsch" kent het volk de benamingen
+_kikker(t), kwakker(t), kwekker(t), kwakvorsch, kwakvos, kwak_
+(Panningen), maar ook _kikbil_ (Wanroy) en _peddemoeëk_(Weert). "Êrst
+kuulkop zeen, êr men kwakkert wêrtj", meent men te Beegden, en te
+Lottum gaat men hiermee akkoord: "Hê mint enne kwekvôrsch te zien,
+en hên is nog genne pannestart."
+
+De groote, zwarte korrels in rijpende roggearen, het zoogenaamde
+moederkoren (_secale cornutum_), dat bij bevalling medische toepassing
+vindt, vanwaar zijn naam, is ook onder dezen naam bij het volk
+bekend. Maar het heet ook _wolfskoare_ (Maashees), _wolvepitten_
+(Reusel), _wolfstand_ (Nifkrik, Wanroy), _doevekoare_ (Weert),
+_mössekoare_ (Panningen), _pèrdentaand_ (St. Anthonis, Deurne), _krog_
+(Berghem), _duvelsköre_ (Swolgen), _brantj-in-'t koare_ (Beegden,
+en met fonetische wijziging te Mheer).
+
+Tot de belangrijkste verschijnselen op het gebied der beteekenisleer
+behooren wel de benamingen van den _vlinder_ in de volkstaal. Men
+treft in Limburg en Noord-Brabant vooral verscheidene samenstellingen
+met -_vogel_ aan; zoo b.v. _zomervogel, roevogel, pannevogel,
+pennevogel, kapelvogel_ (d.i. manteltjesvogel), vereenvoudigd tot
+_kapel, fenienvogel_ (rupsvogel) enz.; elders komen namen als _kog_,
+en _snuffelter_ voor, deze laatste in noordwestelijk Limburg. Van uit
+het Romaansche taalgebied drong het woord _pepel_ binnen, zooals onze
+isethnenkaart aanwijst.
+
+In den zinsbouw treft ons weer vooral de analytische richting,
+die zich hier uit in de _parataxe_ of nevenschikking, waar wij in
+de kultuurtaal meestal onderschikking aantreffen. In plaats van:
+"Wil je zoo goed zijn, mij dat boek te geven", konstrueert de
+man-uit-het-volk: "Wil je zoo goed zijn en mij dat boek geven", of:
+"Wil je zoo goed zijn en geef mij dat boek". Opvallend is ook de
+voorliefde voor werkelijke tusschenzinnen, die b.v. de bevestiging van
+den spreker inhouden, dàt hij spreekt, of de reden, waarom hij spreekt:
+"Dat kan wel zijn, zeg-ik, dat hij ziek is, zeg-ik". Hier speelt
+het emphatisch moment wel een hoofdrol, waarover nader. In andere
+gevallen hebben wij te doen met een streven naar verduidelijking,
+zoo b.v. in het boven aangehaalde: "_wie_ het onderst uit de kan wil
+hebben, _die_ valt het lid op den neus; --_die_ eerst komt, _die_
+eerst maalt". Een streven naar vereenvoudiging ligt ten grondslag bij
+het weglaten van voorzetsels, als het taalgevoel sterk genoeg is,
+b.v. in de spreekwijze "hê geit heim" (Zuidlimb), voor "noa heim,"
+d.i. huiswaarts, en bij de ellipse van woorden als "jaar" en "dag."
+
+Wat ik als den meest markanten trek van de volkstaal beschouw is
+haar emphatisch, eenigszins gezwollen karakter. Luister slechts naar
+het verhaal van een representatief man uit den volksstand, en let
+op zijn breedsprakigheid, zijn samengekoppelde voegwoorden _alsdat,
+alswanneer_, luister, hoe hij herhaaldelijk spreekwoorden of zegswijzen
+in zijn verhaal- en betoogtrant invlecht, hoe hij aldoor vergelijkingen
+en omschrijvingen bezigt en in herhalingen valt, somtijds in beknopten,
+resumeerenden vorm: "Mijnheer, ik zeg, dat is niet eerlijk; neen,
+dàt is het stellig niet". Of ook: "Piet moet maar blij zijn; dàt
+moet-ie." Ook het negatieve parallelisme is den volksman niet vreemd.
+
+Hij wil u de zaak ophelderen, u overtuigen. Daartoe bezigt
+hij--nog afgezien van gebarenspel en mimiek--krachtige, ja pikante
+uitdrukkingen, frekwentatieven, deminutieven, superlatieven ja
+desuperlatieven, zelfs dichterlijke uitdrukkingen, als het gewone
+hem te slap voorkomt. Inderdaad raken de dichterlijke taal en de
+volkstaal elkaar niet zelden, omdat beide behoefte hebben aan ruimheid
+en vrijheid.
+
+Deze breedsprakigheid en zucht tot vergelijking uit zich tot in
+de straatroepen: "Haal Zeeuwsche moss'le, ze benne zoo fijn",
+--"leest burgers, leest";--"kom nou, juffrouw, kom nou";--"elft as
+zalm";--"rapen as kinderhoofies." De term "haal" is van ouds typisch
+in de straatventerstaal. Ik herinner nog aan den straatroep der
+vrouwen, die te Nijmegen met kersen venten: "En vier cent het pond,
+riep en rond." De mosselenverkoopster uit de Schietschijfstraat te
+St. Joos-ten-Oode roept: "Mosselen, álderschoónste mosselen!"
+
+Hoe verder te lange en te korte woorden verdwijnen; hoe woorden en
+woordkonstrukties opkomen, vervormd worden, zich handhaven of de plaats
+ruimen voor andere, dit alles is onze aandacht overwaard en dient door
+gezette studie nader onderzocht. Maar reeds bovenstaande vluchtige
+schets heeft ons in voldoende mate het bewijs kunnen leveren, hoe
+door archaïsmen en neologismen, nuchtere en dichterlijke spreekwijzen,
+omslachtigheid en streven naar vereenvoudiging, uitsterven en herleven
+van woorden en taalvormen, begripsverwijding en begripsvernauwing
+vooral ook de golving en deining in de levende volkstaal voortreffelijk
+zichtbaar wordt: de wetten van integratie en differentiatie, die de
+hartslag zijn van elk levend taalorganisme.
+
+
+
+II. Onze plaatsnamen.
+
+(_Met inleidend overzicht over onze persoons- en geslachtsnamen_).
+
+
+De namenkunde heeft zich in den laatsten tijd een belangrijke plaats
+in Volks- en Volkenkunde weten te veroveren. De reden hiervan is het
+archaïeke karakter der verschillende benamingen. Plaats-, persoons- en
+geslachtsnamen zijn in staat ons een menigte bijzonderheden te verhalen
+over dingen, die op geen andere wijze kunnen worden achterhaald; en zoo
+zullen zij ook over den volksaard en zijn herkomst getuigenis kunnen
+afleggen voor tijden, waaromtrent de taal van zeden en gebruiken,
+van volksopvattingen, volkskunst en volkswetenschap verstomt. Laat
+ik hier terloops aanstippen, hoe A. Fick er in slaagde, door middel
+der plaatsnamen de eenheid te bewijzen van de oude bevolking van
+Klein-Azië, en van het Zuiden van het Balkan-schiereiland en de
+eilanden in de Aegeïsche Zee vóor de volksverhuizing der Helleensche
+stammen; en vooral, hoe de geniale onderzoekingen van Wilh. Schulze
+over de Latijnsche eigennamen den diepgaanden invloed van Etrurië op
+Rome en de Romeinsche kultuur hebben aangetoond. De stad Rome zelf
+en de Tiberstroom dragen Etruskische namen.
+
+Toch ligt het in mijn bedoeling, alleen de plaatsnamen iets
+uitvoeriger te behandelen, zooals reeds uit het opschrift van
+deze paragraaf blijkt. Reden is, dat de studie der Nederlandsche
+persoons- en geslachtsnamen eigenlijk meer behoort tot het domein
+van de geschiedenis der Nederlandsche taal in het algemeen, dan van
+de Nederlandsche volkskunde.
+
+1. De oude Germanen hadden slechts éen naam, die eigenlijk
+gelijkwaardig was met onzen doop- of voornaam. Zoo b.v. _Gerhard_ "de
+sterke met de speer", _Adelbrecht_, "de schitterende door adeldom",
+_Everhard_ "sterk als het everzwijn", _Wigburga_ "steun in den slag"
+enz. Van _Gerhard_ (of _Hardger_) is dan _Gero_ de verkleinnaam,
+de vleinaam (_epicoristicon_), streelnaam of kortnaam die, wat de
+funktie betreft, van Indogermaanschen oorsprong en ook Indogermaansch
+gemeengoed is.
+
+Toch stelde men zich hiermee niet steeds tevreden en trachtte men ook
+de afstamming of verwantschap uit te drukken en wel door alliteratie
+(_Heribrand_, _Hildebrand_ en _Hadubrand_: grootvader, vader en zoon
+in het Hildebrandslied); of ook men maakte gebruik van een deel van
+den vaderlijken naam om den naam van den zoon samen te stellen.
+
+Oorspronkelijk hebben de ouders hun kind den naam gegeven als wensch,
+b.v. "hij moge sterk zijn als een beer": _Berinhard_; maar later
+werd deze oorspronkelijke beteekenis niet meer gevoeld en was het
+doel uitsluitend, den drager van een bepaalden naam van anderen te
+onderscheiden. Ook toen het Christendom zegevierend zijn intrede
+deed in onze Germaansche landen, kwam in deze naamgeving weinig
+verandering. De Christelijke doopnamen drukken het heuglijk feit der
+wedergeboorte uit of wel den dag des doopsels; maar al dagteekenen deze
+uit de IIIe eeuw, in onze landen heeft de kerstening lang op zich laten
+wachten, en het heeft allen schijn, dat de Kerk--afgezien van de namen,
+die een heidensche godheid aanduidden--ook hier een Oudgermaansch
+gebruik, waarin niets heidensch stak, liever niet met geweld wilde
+keeren. Slechts enkele malen vinden wij een _Stephanus_, _Nicolaas_,
+_Johannes_ of _Christianus_, tusschen de Germaansche benamingen
+als verdwaald. Deze blijven regel en ondergaan regelmatig de gewone
+verkorting, vanwaar de namen _Otte_, _Huig_ en _Koen_ ontstonden.
+
+Maar omstreeks de XIIIe eeuw heeft een belangrijke verandering
+plaats gehad. In een register van de abdij van Egmond vinden wij de
+namen vermeld van _Jacob_, _Katerine_, _Pieter_, _Clare_ enz. naast
+_Garbrant_, _Dideric_ en andere. Wij vinden dus specifiek-Christelijke
+namen, doch niet in den Latijnschen vorm, maar in dien, welken zij
+in de Germaansche wereld hadden aangenomen. En zoo staat het ook met
+de namen, gedragen door heiligen van Germaansche afkomst: zij zijn
+in hun Germaanschen vorm in gebruik gebleven; en eerst later zijn
+zij gelatiniseerd. Na de Hervorming zijn een groot aantal Bijbelsche
+namen in zwang gekomen. Ook heeft de Renaissance haar invloed doen
+gevoelen. Zoo krijgen wij dan:
+
+_a_. Profane Germaansche voornamen, nog in gebruik. Men vindt deze het
+meest bij de Friezen, die trouwens het minst van de heiligennamen der
+Martyrologiën hebben gebruik gemaakt. Dit geldt ook voor Noord-Holland
+met zijn doorslaand Frieschen aard; de naamlijsten komen daar
+op treffende wijze met de Friesche overeen. Zoo luidde _Dieuwer_
+in zijn oorspronkelijken Frieschen vorm _Thiadewara_; _Guurtje_
+is waarschijnlijk uit _Gundrada_ ontstaan; _Ermpje_ is kortnaam van
+_Ermengaarde_. Men denke nog aan _Wendert_ (_Windhard_), _Jelbout_
+(_Ethelbold_), _Nanning_ enz. Over het groot aantal voornamen in
+Friesland zie R. Posthumus in den Nieuwen Frieschen Almanak 1859,
+bl. 49.
+
+_b_. Door de heiligen van Germaanschen stam zijn tal van Germaansche
+namen bewaard gebleven, natuurlijk in verkorten vorm. Aldus _Wilbert_,
+_Willebrord_, _Wille_, _Wilfried_, _Huibert_, _Huib_, _Hille_
+(_Hildebert_ en _Hildegundis_), _Siegfried_ enz.
+
+_c_. Uitheemsche heiligennamen in Nederlandsche kleedij zijn
+o.m. _Pieter_, _Maarten_, _Trijne_, _Klaas_, _Aagje_, _Teunis_, _Nijs_
+(_Dijs_, _Denys_, van _Dionysius_), _Tijs_. Ook _Arie_ en _Adriaan_,
+verkort tot _Janus_. In België vindt men o.a. _Janus_, _Baaf_,
+_Albrecht_, _Bert_, _Geertje_ (_Geertrui_) en _Roelke_ (_Rolendis_),
+die men vrij wel als nationale namen kan beschouwen. Vele Belgische
+namen vertoonen ook een Frieschen vorm en zijn dus waarschijnlijk
+van Westvlaamsche herkomst. Een lijst van de meest gebruikelijke
+Zuidnederlandsche voornamen is uitgegeven van wege de Koninklijke
+Vlaamsche Akademie (Gent 1902).
+
+Merkwaardig is het feit, dat niet alleen elke streek, maar tot
+elke stad, ja elk dorp haar geliefkoosde voornamen heeft, die zich
+natuurlijk plooien naar de eischen van het plaatselijk dialekt. Maar
+over het algemeen raken de zuiver-Germaansch klinkende namen wel
+wat in de verdrukking. Terecht maakt hier J. J. Graaf de opmerking
+in zijn voortreffelijk werkje over Nederlandsche Doopnamen (Bussum
+1915): "Wij ... meenen maar altijd, dat we, openlijk optredend,
+eerst dan naar behooren voor den dag komen, als we in het Latijn
+worden aangediend. En toch hebben we in den taalschat onzer vaderen
+wel degelijk vaderlandsche namen, die, in goed Nederlandsen, waardige
+vormen zijn voor de Grieksche of Latijnsche doopnamen. Maar ze zijn
+helaas, door onverstand in minachting geraakt, als waren zij ook
+slechts verbasteringen van een alleen-fatsoenlijk Latijn" (bl. 16).
+
+Zie verder Joh. Winkler, Studiën in Nederlandsche Namenkunde (Haarlem
+1900), bl. 171, 196, 225 vlg.; De Nederlandsche Geslachtsnamen
+in oorsprong, geschiedenis en beteekenis (Haarlem 1885); Friesche
+Naamlijst (Leeuwarden 1898); Boekenoogen in zijn Inleiding op de
+Zaansche Volkstaal, bl. LXXXIV vlg.; Onze Voornamen, in De Gids,
+Aug. 1890, bl. 448 vlg.; Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3,
+bl. 124 vlg.
+
+2. De persoonsnaam was aanvankelijk en gedurende langen tijd de
+eenige benaming onzer Germaansche voorouders, en hierin bleven zij
+de Indogermaansche gewoonte trouw. Alleen de Romeinen bezaten een
+drievoudige benaming, bestaande uit persoons-, geslachts- en bijnaam;
+maar wij weten, dat dit benamingssysteem van Etruskische herkomst is.
+
+Langzamerhand kwam een tweede naam op, voortgesproten uit de
+wenschelijkheid, iemand van een ander met denzelfden naam te
+onderscheiden, en ook uit de neiging tot het geven van bijnamen of
+spotnamen. Daar zijn ook in ons land bepaalde steden, die hierin
+uitmunten, en hoe intiemer het samenleven, hoe krachtiger deze
+neiging zich uit. Maar toen de bevolking aangroeide en deze aanwas
+de individuëele personen met heillooze verwarring bedreigde, werd
+een tweede naam haast noodzakelijk. Hiertoe koos men den naam van
+den vader of van de moeder, van den echtgenoot, van het beroep,
+van de woonplaats, of hiertoe konden ook de gemelde spotnamen
+dienst doen. Geslachtsnamen, met hun kenmerk van vastheid en
+onveranderlijkheid, werden deze namen echter eerst in den aanvang der
+XIXe eeuw, toen zij met de invoering van den Burgelijken Stand een
+staatsrechtelijk karakter kregen. Trouwens ook heden ten dage is het
+niet overal een vaste gewoonte, iemands geslachtsnaam te gebruiken,
+vooral ten platte lande. Men noemt iemand: "Jan van Piet", of "van
+Pieten"; "Klaas van Trijn", of "van Trijntjes"; men spreekt van
+"Dirk den Schilder", "Jan den Mulder", "Willem den Slager"; men
+heet iemand "Klaas van den Molen", "Jan van de Brug"; en vooral in
+het Oosten en Zuiden van ons land duidt men iemand gaarne aan door
+den naam der hoeve, waar hij geboren is: "Zandhof Willem". "Kees
+van den Krom" is Kees, wonende bij een kromming van den weg, en in
+"Mottige Willem" dient de spotnaam als herkenningsnaam en is op weg
+naar den geslachtsnaam.
+
+Voor de vorming der geslachtsnamen maakte men vaak gebruik van het
+Germaansche achtervoegsel _-ing,_ dat de beteekenis aannam van
+"behoorende tot het geslacht van." Zoo ontstonden de namen der
+bekende koningsgeslachten bij de oude Franken: de Merov_ingen_, de
+Carol_ingen_, de Capet_ingen_. Maar zoo ontstonden ook onze Frankische
+geslachtsnamen _Benning_ (zoon van Benno), _Nolting_, _Budding_; de
+Saksische _Geerdink_, _Abbink_, _Eggink_; de Friesche _Stallinga_,
+_Idsinga_, _Hattinga_.
+
+De patronymica gaan uit op _-zoon_ (_-sone_, _-soen_), _-son_, -_sen_,
+-_se_, _-s_: _Jansen_, _Harmsen_, _Japikse_, _Bartels_; maar ook
+op _-en_, den zwakken tweeden naamval enkelvoud, en op _-ens_, een
+jongere vorming; deze _-en_ wordt als tweede naamval nog gehoord in
+het Strand-hollandsch, waar men spreekt van "Dirken waegen", "Krijnen
+dochter." Zóó ontstonden de namen _Huijgens_ en _Huijgen_. In namen
+als _Smaassen_ (_Maas_ ontstond uit _Thomas_) gaat de _s_ aan den
+genitief van den naam vooraf. Vlaamsche vadersnamen hebben vaak
+het voorvoegsel _ser-_ (_des heren_) en _ver-_ (_der vrouwen_):
+_Serclaes_, _Vertruyen_.
+
+Een belangrijke groep geslachtsnamen heeft _van_ als voorvoegsel,
+gevolgd door een bijzonderen of algemeen aardrijkskundigen naam. Dus
+of: _Van Deventer_, _Van Vlijmen_, _Van Wamel_, _Van Schijndel_ of:
+_Van Dijk_, _Van den Heuvel_, _Van den Berg_, _Van der Molen_, _Van
+der Heide_. In plaats van de praepositie _van_ vindt men niet zelden
+_aan_ en _in_, waardoor met plaatselijke dialektische vervorming de
+Limburgsche geslachtsnamen _Aangevoort_, _Aengenent_, _Ingendael_
+ontstonden. Omslachtige omschrijvingen als _Van den Eerenbeemt_,
+_Van de Cleemputte_, _Van de Crommenacker_ enz. vindt men meestal in
+ons zuidelijk volksgebied.
+
+Op lichamelijke eigenschappen wijzen de geslachtsnamen _De Lange_,
+_De Vette_, _De Jong_, _Mooi_, _Blauw_, _De Wit_, _De Bruin_ enz.,
+maar ook: _Langbeen_, _Spillebeen_, _Crombeen_ e.a. Vele dezer
+familienamen vinden hun oorsprong in spotnamen. Eindelijk wordt
+een zeer groot aantal verklaard door ambacht of uithangbord: _In de
+Swaen_ (_De Swaen_, _Swaen_), _Van der Ploeg_, _Van de Wijnperse_,
+_Spillemaeckers_, _Brouwers_, _Smids_ enz.
+
+Het zuidelijk volksgebied had eenige jaren vroeger min of meer vaste
+geslachtsnamen dan het Noorden. Hierin is de verklaring te zoeken van
+het feit, dat er meer namen van zuidelijken oorsprong te vinden zijn
+in de noordelijke gewesten, dan omgekeerd.
+
+Laat ik ten slotte nog wijzen op enkele eigenaardigheden, die den
+volksstam kenschetsen. De Friesche patronymica gaan uit op de tweede
+naamvals-suffixen _-inga_ en _-a_; maar ook op _-ma,_ d.i. _man_,
+met de beteekenis van "zoon, afstammeling, hoorige"; terwijl _-stra_
+dient om van bijzondere plaatsnamen Friesche geslachtsnamen te
+vormen, b.v. _Dijkstra_. Verder vertoonen sommige op algemeene
+wijze gevormde geslachtsnamen eigenaardige Friesche voornamen,
+als _Sikkes_ en _Doedes_, andere zijn met typisch Friesche woorden
+samengesteld. Zoo beteekent _Soepboer_: karnemelkboer; _Bouwfeint_:
+knecht van een landbouwer; _Skriemer_: iemand die weent of schreit.
+
+De Groninger namen zijn met de Friesche nauwverwant, vooral de
+geslachtsnamen op _-sema_: _Geertsema_, _Ilpsema_. Eigenaardig zijn
+de--trouwens ook Friesche--namen met den uitgang _-ker_, _-tjer_,
+die de herkomst uit de een of andere plaats of streek aanduiden:
+_Veenker_, _Woltjer_ (woudbewoner). Buitenmate groot is het aantal
+namen, dat uitgaat op _-huis_; deze waren oorspronkelijk aan huizen, en
+niet aan personen eigen: _Bolhuis_, _Dijksterhuis_. Drente sluit zich
+bij Groningen en Friesland aan. De Saksische namen worden gekenmerkt
+door de patronymica op _-ink_ en de voorzetsels _ten_, _ter_, _te_,
+antwoordend op de vraag: "Waar woont gij?" B.v. _Ten Bruggencate_. In
+Overijssel ontmoet men de namen op _-belt_, kleine hoogten in het
+veen, b.v. _Knottenbelt_. Ook Holland kent veel Friesche namen. Een
+eigenaardigheid der Noordhollandsche familienamen in het algemeen,
+en der Zaansche in het bijzonder, is de kortheid, laat ik zeggen het
+monosyllabisme: _Top_, _Pot_, _Pan_, _Pont_, meestal wel teruggaande
+op een Frieschen voornaam in zeer verkorten vorm. De namen in Zeeland,
+Brabant, Limburg en Vlaanderen vertoonen het Frankisch cachet. In
+Noord-Brabant zijn vooral talrijk de namen op _-mans_: _Heuvelmans_,
+_Mosmans_. De Westvlaamsche gaan vaak uit op _-inck_, _-ynck_, _-incx_,
+b.v. _Teirlinck_, _Hebbelynck_, _Warblinckx_. Op Frieschen inslag
+wijst weer het feit, dat wij zooveel Westvlaamsche geslachtsnamen in
+Friesland weervinden.
+
+Natuurlijk wijzen ook namen als _De Smed_ (smid) en _Temmerman_
+(timmerman) op Zuid-Nederland; en evenzeer _Zulver_ (zilver) op
+Noord-Holland, _Groenewolt_, _Saverkoul_, _Eekholt_ op het Oosten
+van het land, _D'Haese_, _D'Hont_ op België. Zie vooral het boven
+aangehaalde werk van Joh. Winkler over de Nederlandsche Geslachtsnamen;
+verder Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 131; Boekenoogen,
+Zaansche Volkstaal CIII; Driem. Bladen I, bl. 29; V, bl. 101; XII,
+bl. 122.
+
+3. Bij de studie onzer plaatsnamen komen de oudste lagen van onzen
+volksaard weer aan het licht; maar moeizaam is het opdelven. Op bl. 5
+van het Eerste Deel gewaagde ik reeds van de Keltische herkomst der
+benamingen van de steden Nijmegen, Wijk-bij-Duurstede (?), Arnhem,
+Batenburg (?), Loosduinen, Heerlen is het oude _Coriovallum_,
+en onze drie groote rivieren: Rijn, Maas, Schelde dragen beslist
+Keltische namen, dus ook de talrijke plaatsnamen, die met een
+dezer riviernamen zijn samengesteld. Over het algemeen steekt in
+deze soort plaatsnamen veel waardevol taalgoed. Maar het onderzoek
+wordt hierdoor bemoeilijkt, dat sommige rivieren blijkbaar van
+naam verwisseld zijn, en anderzijds, dat rivieren hun loop hebben
+gewijzigd. Försteman beschouwt het in zijn Deutsche Ortsnamen
+als een der merkwaardigste uitkomsten zijner onderzoekingen, dat
+eertijds een Keltische volkstam zich van het Noordoosten naar het
+Zuidwesten gericht heeft en ongeveer ter hoogte van Keulen den
+Rijn overschreed. Den tak, die naar Nederland afboog, vinden wij
+deels aan den IJssel, deels in de Maasstreek: _Edana_, _Adanhe_
+(Först. 510); _Edesthorpa_ (Först. 509); _Adingamore_ (Först. 137),
+Antwerpen; verder _Carambunt_, _Adrichem_ (Först. 138). Van Holland
+wijst de stroom naar Vlaanderen, waar de omstreken van Gent Keltische
+volksplantingen vertoonen, b.v. _Pitelinghem_, _Addingahem_. Zie ook
+K. Kaiser, Die Kelten des Bardengaus (Hannover--Berlin 1909), maar met
+omzichtigheid te gebruiken. In Holder's Altkeltischer Sprachschatz
+vinden wij eveneens enkele Nederlandsche plaatsnamen als Keltisch
+verklaard; zie echter Cuvelier-Huijsmans, Toponymische studie over
+de oudere en nieuwere plaatsnamen der gemeente Bilsen (Gent 1897),
+bl. 36 vlg. J. Claerhout, Het Belfort 1896, 2, bl. 287 (vlg. 1897,
+2, bl. 200) wijst op de plaatsnamen _Gennep_, _Epe_ en _Velp_, die op
+het wellicht Keltische _apa_ "water" berusten; en verder op _Thuine_
+bij Lingen, dat in 't jaar 1000 _Dune_ heette.
+
+Ook de invloed van de Romeinen op volksaard en volkskultuur wordt
+door onze plaatsnamen betuigd; zie Deel I, bl. 10, waar de meeste
+plaatsen zijn aangegeven. Ik voeg hier nog bij _Santpoort_: _Sancta
+Porta_; _Kestre_: _Castra_; en _Kemenade_: _Caminata_. Maar het
+overgroote meerendeel is toch van Germaanschen oorsprong. Ik dien
+hier eigenlijk te beginnen met de huisnamen welke, zooals wij zagen,
+vaak geslachtsnamen geworden zijn, maar anderzijds ook niet zelden uit
+persoons- en familienamen ontstonden: _Stevenshuis_, _Hendriken_, _den
+Egberink_, _Wesselshuis_; en eveneens uit ambt, handwerk of bedrijf:
+de _Karsman_, de _Kistenmaker_, de _Roodververij_, _ter Meulen_,
+_Timmerije_, _Smitterije_. Het Limburgsche dorp _Reuver_, eigenlijk
+_Den Reuver_, ontleent zijn naam aan een hoeve, waarschijnlijk
+toebehoorende aan _Johan de Rover_. De _Enkevoort_, een hoeve onder
+Baarloo, is naar de _Enckevoorts_ genoemd; zie Limburg's Jaarboek
+II, bl. 292. Een menigte boerenhoeven heeten ook naar den eigenaar,
+van wien men ze in pacht heeft, b.v. _Sandershof_.
+
+Een huis bij de oude landweren heette _Landweer_, en nabij de
+slagboomen en de verdedigingswallen vond men meestal den naam
+_Runneboom_. Een groot aantal huisnamen is ook ontleend aan de
+uithangteekens. Hiertoe behooren ten deele de diernamen, als
+_Nachtegaal_, _Koekoek_, _Snip_, _Pedde_; maar zij kunnen ook
+op persoonsnamen berusten, of wijzen op de omgeving, de ligging
+van het huis, wat vrij zeker lijkt van namen als _Oelenhorst_ en
+_Kraaienbelt_. Zoo ook _Valkenborg_, _Bijenhof_, _Voskamp_. Van
+omgeving en ligging vertellen ook _Lindeboom_, _Eikenhof_,
+_Sparrendaal_, _Hageveld_, _Muggebroek_, _Hulshof_, _Veenendaal_,
+_Lovendaal_, _Leemkuil_, _Stuivezand_; aan bepaalde gebeurtenissen
+herinnert wellicht een naam als _Jammerdaal_.
+
+Volgen de benamingen van landerijen. Dikwijls wordt de bestemming
+uitgedrukt, vanwaar namen als _Vaarzenweide_, _Schapenkamp_,
+_Schaapsdijk_, _Ossenland_, _Bulven_ d.i. het stukje land, waarop de
+stier, de bul, alleen weidt, te Venloo volksetymologisch vervormd
+tot _Bultenven_. Andere stukken worden genoemd naar den eigenaar,
+waarbij valt op te merken, dat het stuk bij wisseling van eigenaar niet
+altijd ook van naam verwisselt: _Heintjesven_, _Louwesakker_; weer
+andere stukken drukken de plaatselijke gesteldheid uit: _Steenkamp_,
+_Muizenven_, _Vlietsven_, _Ilpakker_, of worden bepaald door hun
+vorm: _Lange Stuk_, _Tweebeen_, _Splitkamp_; enkele namen zijn ook
+historisch, als _Galgeland_, _Schinderskuil_, _Paaschweide_, en
+eveneens _Spaarpot_, _Koekepan_, _Kibbelaar_ of _Twistgrond_. Zie
+vooral Boekenoogen, Zaansche Volkstaal bl. CXXII, en Heuvel,
+Volksgeloof en Volksleven, bl. 270 vlg. Eigenaardige namen dragen ook
+niet zelden de polders of sluizen; zoo b.v. _Achterklapspolder_,
+_Boerenverdriet_ (waar de boeren met hun groenteschuiten lang
+moeten wachten), _Kijfhoek_, _Kostverloren_ (als de aanleg onnoodig
+blijkt), _Pannekoek_, _Schuddebeurs_ (die veel geld kostte), enz.;
+zie E. Laurillard, Op Uw stoel door Uw Land (Arnhem-Nijmegen 1901),
+bl. 270.
+
+Vrijwel dezelfde faktoren zien wij werkzaam bij het benoemen onzer
+dorpen en steden. Trouwens verscheiden plaatsnamen blijken zich
+uit benamingen van landerijen te hebben ontwikkeld, ik herinner
+slechts aan _Barneveld_, _Meerveld_, _Pijnakker_, _Franeker_,
+d.i. Vroonakker. Andere wettigen althans gegronde vermoedens, als _'s
+Heerenhoek_, _Zandkoek_, _Zuidhorn_, _Plorn_, _Uithoorn_, waar _horn_
+de beteekenis heeft van "hoek".
+
+_a_. Nederland is een waterland bij uitstek. Vooral het Noorden van
+ons land, door rivieren, grachten, kanalen doorsneden, wordt geheel
+door de golven omspoeld en zoo heeft het dan een voortdurenden strijd
+te voeren tegen het vochtige element, bron van welvaart en rampspoed,
+van trots, van blijheid, maar ook van duizend bange zorgen. Ligging
+en strijd met het water zullen in ruime mate tot uiting moeten komen
+in de plaatsnamen.
+
+-Dam: _Amsterdam_, _Zaandam_ (uit _Zaanredam_), _Appingedam_; -dijk:
+_Odijk_, _Langendijk_, _Dijken_; -sluis: _Maassluis_, _Nieuwersluis_;
+-rak (strook lands langs het water gelegen): _Langerak_, _Gouderak_;
+-beek: _Oosterbeek_, _Bierbeek_ (Zuid-Brabant), _Hilvarenbeek_
+(Noord-Brabant): in Brabant, met zijn door beekjes versnipperd
+grondgebied, zijn de benamingen met -beek buitenmate talrijk;
+-meer: _Diemermeer_, _Meerkerk_, _Boxmeer_; -monde (Frankische
+vorm): _IJsselmonde_, _Rupelmonde_, _Roermond_, _Helmond_; -muiden
+(Saksisch-Friesche vorm): _IJsselmuiden_, _Cellemuiden_, _Genemuiden_,
+merkwaardig in het Zeeuwsche _Arnemuiden_ en in het Westvlaamsche
+_Dixmuiden_; -broek: _Lutjebroek_, _Oldebroek_, _Bennebroek_,
+_Broekhuizen_; -ooi (weiland, aan het water gelegen en verwant met
+"ouwe" in Rijnouwe en landouw): _Renooi_, _Wadenooien_, _Genooi_;
+-waard, weerd, voord (ingedijkt land): _Zandvoort_, _Bekevoort_
+(Brabant), _Lichtevoorde_, _Amersfoort_, _Bolsward_, _Valkenswaard_,
+_Weert_, _Stevensweert_, _Bredevoort_, _Westervoort_. De namen op
+-voort vindt men vooral in de Lijmers en de Graafschap; bewesten het
+land van Maas en Waal beginnen de namen op -waard, als _Heerewaarden_;
+-vliet: _Poortvliet_; -a (of aa, Oudgermaansch woord, dat "water"
+beteekent): _Breda_; -veen: _Rouveen_, _Venloo_, _Loven_, _Zutfen_;
+-zijl (sluis): _Delfzijl_, _Blokzijl_; -veer: _Wormerveer_; -polder:
+_Willemspolder_; -brug: _Brugge_, _Diemerbrug_ enz. Onnoodig hier te
+gewagen van de plaatsnamen met riviernamen samengesteld, voor zoover
+de rivier de plaatsnamen karakteriseert.
+
+_b_. Maar Nederland is niet slechts een waterland. Lommer en koelte
+wuiven u tegemoet in bosschen en hagen, en de zegen der vruchtbaarheid
+rust op akkers en velden: -woud (Frankische vorm): _Woudenberg_,
+_Berkenwoude_, _Katwoude_; -wolde (Saksische vorm) _Ruinerwolde_,
+_Finsterwolde_; -bosch: _'s Hertogenbosch_, _Oudenbosch_, _Neerbosch_;
+-haag: _'s Gravenhage_, _Prinsenhage_; -hout: (Frankische vorm):
+_Voorhout_, _Aardenhout_, _Oosterhout_, _Turnhout_; -holt (Saksische
+vorm): _Posterholt_, _Engelanderholt_; -horst (dicht kreupelhout,
+struikgewas): _Horst_, _Nederhorst_, _Staphorst_; -veld: _Meerveld_,
+_Barneveld_; -akker: _Pijnakker_, _Franeker_ (Vroonakker), _Oostakker_.
+
+_c_. Een kerkelijk karakter dragen natuurlijk op de eerste plaats
+de namen op -kerk: _Oudekerk_, _Lekkerkerk_, _Grijpskerke_;--maar
+ook de namen, samengesteld met het verwante -kerspel, -karspel
+(van kercspel, evenals kermis van kercmisse, met de beteekenis van
+"kerkgebied"): _Bovenkarspel_, _Weesperkarspel_; -parochie: _Sint
+Annaparochie_, _Jacobiparochie_. Groot is het aantal plaatsnamen,
+die heiligennamen zijn, of althans hiermee samengesteld: _Sint
+Nicolaas_, _Sint Truiden_, _Sint Anne ter Muiden_, _Sint Joris Winge_
+(Z.-Brabant), _Sint Odiliënberg_.
+
+_d_. Onze plaatsnamen bergen ook historie. Gaarne vermelden zij
+den naam van een persoon en een door iemand bekleede waardigheid:
+_'s Hertogenbosch_, _'s-Gravenhage_, _Zierikzee_ (waarschijnlijk
+verkort uit _Zierikseport_, d.i. stad van Zierik, d.i. van Siegerik),
+_Stevensweerd_, _'s Heerenberg_, _Hillegom_, _Doetinchem_: huis van den
+zoon van Dodo. Aan den oorsprong der plaats herinneren de stedenamen
+op -burg: _Middelburg_, _Doesburg_, _Valkenburg_ en, met behoud van
+het oude, vrouwelijke woordgeslacht, _Terborg_.
+
+_e_. Sommige plaatsnamen drukken slechts in het algemeen een
+wijkplaats uit, vooral die op -wijk, poort, donk, dorp, stad:
+_Katwijk_, _Nieuwpoort_, _Beek en Donk_, _Raamsdonk_ (deze soort
+vooral in Brabant), _Noorddorp_, _Willemstad_; -heem, heim, veelal
+verkort tot -hem, -em, -um, -om: _Heemstede_, _Herdershem_, _Reckhem_,
+_Hattem_, _Woudrichem_, _Sassenheim_, _Haarlem (Heslehem_), _Heukelum_,
+_Heelsum_, _Hillegom_, _Bennekom (Benninchem_).
+
+_f_. De plaatsnamen op -ingen en -ongen drukken, zooals gezegd (I,
+bl. 16), meestal de afstamming van een bepaalden persoon uit.
+
+_g_. Eigenaardige vormen vertoonen de Friesche en Groninger
+plaatsnamen. Zij staan niet buiten de boven beschreven groepen,
+maar vormen toch in hun Friesche kleedij een merkwaardige
+eenheidsfiguur. Over den aard der nederzetting en vestiging
+vertellen ons: _Ureterp_; _Poppingawier_, _Oosterwierum_, _Engwier_;
+_Holwerd_, _Rauwerd_; _Gaasterland_; _Grootegast_, _Lutjegast_,
+waar _gast_ evenwaardig is met het Hollandsche _geest_, b.v. in
+_Endegeest_, _Oestgeest_. Ik vermeld nog: _Tietjerkseradeel_ (_tjerk_
+beteekent kerk); _Oostergo_ (gouw); _Weststellingwerf_ (_stelling_
+beteekent rechterstoel); _Abbega_, _Oudega_ (_ga_, _gea_ is dorp);
+_Munnekezijl_, _Pieterzijl_; _Koningsdiep_ (_diep_ is een kanaal of
+gegraven vaart). Zie Friesche Volksalm. 1840, bl. 137; 1841, bl. 165.
+
+_h_. Sommige plaatsnamen werden ook door den lokatief uitgedrukt,
+die met den datief is samengevallen; b.v. _Venendaal_, d.i. -dale,
+_Bloemendaal_, d.i. -dale: in het Bloemendal. Zoo ook _Nieuwersluis_,
+_Ouderkerk_; en verder Den _Haag_, Den _Helder_, Den _Bosch_; eindelijk
+de plaatsnamen op -ingen, -schoten, -hoven, -huizen, -buren, -bergen
+enz., b.v. _Groningen_, _Voorschoten_, _Vollenhoven_, _Veenhuizen_,
+_Kloosterburen_, _Steenbergen_. Plaatsbepalend is ook het voorzetsel
+_te_, de proklitsche vorm van _toe_ (mag ik belangstellenden even
+wijzen op het verwante Oudlatijnsche _en-do_?), b.v. in _Terborg_,
+_Terneuzen_; ook _op_ komt herhaaldelijk voor: _Opbroek_, _Opmeer_.
+
+Aldus zijn onze plaatsnamen gegroeid uit enkel- of meervoudige
+karakteriseerende benamingen van nationalen, historischen, kerkelijken,
+plaatselijken aard. Zij zijn een organisch produkt van den volksgeest,
+die oorspronkelijk alleen de bedoeling had, die plaats te kenmerken
+en te onderscheiden van andere, en niet, haar een blijvenden naam te
+geven. Zij hangen dus innig met de plaats zelve samen en zijn derhalve
+geen kunstprodukt, geen opgeplakte etiketten, zooals de nieuwere
+plaatsnamen,--even kunstmatig trouwens als de stichting van het dorp,
+de stad, die zij heeten te kenmerken. De etymologische, historische,
+folkloristische waarde van zulke moderne benamingen is nul.
+
+Ten slotte nog enkele beschouwingen over de vormingen op -loo, -drecht,
+-rode: rade.
+
+_Loo_ is de oude vorm voor "akkermaalshout, eikenbosch". Wij vinden het
+in plaatsnamen als _Venloo_ (Veenbosch), _Corbeek-Loo_, _Tremeloo_,
+_Baarloo_; maar ook in _Grolle_ (naast _Groenloo_), _Wamel_ (uit
+_Wameloo_), _Gorsel_ (uit _Gerstloo_), _Pamel_, _Steenhuffel_ enz. Den
+uitgang -drecht vindt men in _Woensdrecht_ = Wodani Trajectum (I,
+bl. 90), _Papendrecht_, _Zwijndrecht_. Somtijds beteekent het "veer,
+overvaart", andermaal "drift", d.i. veedrift, weideplaats, waarheen het
+vee gedreven wordt. Wij hebben hier weer de Frankische _cht_ uit _ft_,
+zie bl. 39. Waar wij te doen hebben met het Latijnsche _traiectum_,
+als in _Woensdrecht_ en eveneens in _Utrecht_ en _Maastricht_, wordt
+beslist een veerplaats of doorwaadbare plaats aangeduid.
+
+Het meest belangrijk uit taal- en vooral uit kultuurhistorisch oogpunt
+zijn wel de plaatsnamen samengesteld met _-rode_ en _-rade_. Zij
+herinneren, evenals die op _-woud_, _-holt_, _-loo_, _-horst_, aan
+het feit, dat zoovele oude nederzettingen werden gevestigd aan den
+rand van een bosch. Langzamerhand werden de boomen gerooid en het
+land omgeploegd, en aldus voor bouwland geschikt gemaakt, en zulk
+land heette _rode_ of _rade_. Zie over dit onderwerp vooral Gallée,
+Nomina Geographica Neerlandica II, bl. 32 vlg., III, bl. 348, 352;
+Jos. Habets, ib. bl. 73 vlg.
+
+Wij weten, dat de _marke_ een grensland was, een binnen bepaalde
+grenzen omsloten gebied. Ieder markgenoot had recht op een of meer
+aandeelen in de onverdeelde gronden; hij mocht dus ook in later tijd
+bepaalde gedeelten ontginnen, die dan wéer later in privaatbezit
+overgingen. _Rode_ en _rade_ drukken dus den aard der werkzaamheid uit
+èn het verkregen resultaat. Een vaste grenslijn tusschen de plaatsnamen
+met beiderlei vormen samengesteld is moeilijk te trekken, te meer,
+daar de vroegere spelling van een plaatsnaam zoo vaak afwijkende
+vormen vertoont. Over het algemeen mag men echter zeggen, dat namen
+met _-rade_ bezuiden de _Uerdinger linie_, dus in Ripuarisch Limburg,
+het meest voorkomen: _Asenraai_, _Bingelrade_, _Doenrade_, _Vaasrade_,
+terwijl het domein van het Salische Frankisch voor het meerendeel den
+vorm _-rode_ vertoont: _Brederode_, _Berkenrode_, _Sint Oedenrode_. In
+België vindt men, met uitzondering van _Rade_ bij Lembeek en _Rath_
+bij Antwerpen, uitsluitend _rode_: _Sint Pietersrode_, _Nieuwrode_,
+_Waanrode_ enz., een feit van niet te onderschatten beteekenis,
+vooral wanneer men bedenkt, dat de namen op _-rade_ eigenlijk slechts
+in de Nederlandsche provincies Limburg, Overijssel en Gelderland
+voorkomen. Westelijk van de Maas, en in de provincies Noord-Brabant,
+Holland, Zeeland en Utrecht vindt men _-rade_ zoo goed als niet
+(merkwaardig is echter de groep _Venray_, _Tienray_, _Castenray_). Ook
+in het zuiden en in het midden van Hessen hebben de namen op _-rode_
+en _-roth_ verre de bovenhand, en eveneens in de streken, die zuidelijk
+van de Moezel gelegen zijn. Maar in oostelijke en noordoostelijke
+richting heerscht pariteit tusschen _-rode_ en _-rade_, tot in
+Sleeswijk toe. Dit alles wijst in ieder geval op een grooter eenheid
+voor de bevolking der westelijke en zuidwestelijke _rode_-groep.
+
+Hiermee is weer een belangrijk gegeven gewonnen voor de stambepaling
+van ons land. Ook de studie eener enkele provincie kan ons hiervan
+overtuigen. Beschouwt men de plaatsnamen van Gelderland, dan zal
+men zien, dat een deel, grootendeels ten oosten van den IJssel, en
+als welks zuidgrens ten naasten bij de Oude IJssel kan dienen, in
+taalkundig opzicht dichter bij de plaatsnamen van Overijssel staat,
+terwijl de plaatsen tusschen Waal en Maas meer tot het Brabantsch
+naderen, die in de Lijmers zich eng aansluiten aan de taal van het land
+van Kleef en Emmerik, en het Noorden van de Veluwe tot aan het Gooi
+weer meer het idioom van de Graafschap en Overijssel nadert. Naar wij
+zien, komt hier het Saksisch, Frankisch en gemengd Saksisch-Frankisch
+karakter der bevolking vrij goed tot zijn recht.
+
+Ook op Franschen bodem treft men Nederduitsche plaatsnamen
+aan; zie hierover Joh. Winkler, Plaatsnamen in Frankrijk (Gent
+1894). Hoofdbron voor de studie der plaatsnamen zijn de ten deele
+aangehaalde studiën in de Nomina Geographica Neerlandica, uitgegeven
+vanwege het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap. Zie ook Verdam,
+Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 139 vlg.; C. V. D. Bergh, Handboek
+der Middelnederlandsche Geographie2, _passim_; R. Andree, Braunschweiger
+Volkskunde, bl. 59, vlg.; Tijdschrift IV, bl. 212; Friesche Volksalman.
+1897, bl. 48.
+
+4. Nadere opmerkzaamheid verdienen nog de straatnamen, die
+een eigenaardige, vrij zelfstandige groep vormen te midden der
+Nederlandsche plaatsnamen. Hier geldt dezelfde opmerking, dat nl. de
+onbewuste benamingen--wat betreft het doel der naamgeving--ook
+de meest karakteristieke zijn, althans eenigermate innerlijk met
+de bedoelde straat samenhangen. Kunstmatig is de naamgeving naar
+bekende persoonlijkheden, hoeveel goeds en nuttigs daarin ook
+mag gelegen zijn, en hoe onbeduidend de organische straatnamen ook
+mogen lijken of zijn. Tot de meest eenvoudige behooren _Langstraat_,
+_Hoogstraat_, _Houtstraat_, _Beekstraat_, _Nieuwstraat_, _Breestraat_,
+_Varkensmarkt_; verder namen, die de richting aangeven en natuurlijk
+meer belang hadden in een tijd, die geen stoomwezen of elektriciteit
+kende: _Utrechtschestraat_, _Naamschestraat_, _Mechelschestraat_,
+_Haarlemmerstraat_. Herhaaldelijk treffen wij hier dezelfde
+formatieve bestanddeelen aan als in de namen van steden en dorpen; zoo
+b.v. _Bemuurde Weerd_ (Utrecht), de dijk langs de Vecht, even beneden
+de stad. Historische namen zijn niet b.v. _Waterlooplein_ of _Plein_
+1813, maar wèl de Venloosche _Keisersgats_ (steeg, vlg. _Gasse_),
+waardoor keizer Napoleon volgens de overlevering zijn weg nam. Hiertoe
+behooren ook--of zullen behooren--de straatnamen, die wijzen op
+kerken, gestichten, kloosters, in die straat gelegen: _Mariastraat_,
+_Jansstraat_, _Minrebroederstraat_, _Agnietenstraat_,--ik behoef hier
+slechts een greep te doen in de straatnamen van Utrecht, zoo rijk aan
+historie! De Utrechtsche _Keistraat_ schijnt haar naam te danken aan
+het huis _De Krakeling_, door Jonker Meyster gebouwd _Achter Sint
+Pieter_, en waar een stuk kei boven de achterdeur was aangebracht;
+zie Scheltema, Mengelwerk V, 2 bl. 214. De Groninger _Kijk-in-'t
+Jatstraat_ schijnt aldus genoemd naar het hoekhuis, prijkend met een
+zonderlingen kop, waaronder de woorden: "ick kick nog int", dat moet
+worden aangevuld door: "in 't jat", d.i. ik kan nog in de straat
+zien; zie Groninger Volksalman. 1838, bl. 134. Natuurlijk vinden
+wij in de straatnamen ook tal van verouderde vormen, b.v. _rak_
+in _Damrak_, met de beteekenis "strook land langs het water", en
+in het Venloosche _Schriksel_, immers het werkwoord _schrikken_,
+Middelnederl. _scricken_, beteekende oorspronkelijk "met groote
+passen loopen", ook "springen", men denke aan _schrikkeljaar_. Het
+Hasseltsche _schrikschoen_ beteekent "schaats."
+
+5. In de plaatsnamen vertoont zich op zeer sprekende wijze het
+psychologisch moment van den klemtoon, zoowel in plaatsnamen in
+den engeren zin des woords (stads- en dorpsnamen), als in namen van
+straten, grachten enz. Deze klemtoon wordt door Jespersen zoo juist de
+_Einheitsdruck_ genoemd, omdat hij wil vereenigen wat bijeenbehoort,
+en scheiden, wat dient uit elkaar gehouden te worden. Dit accent is
+nu eens _initiaal_, dan weer _finaal_. Rust de klemtoon op het eerste
+lid, dan verleent hij dit een zekere waarde; wij kunnen dan spreken
+van waardeaccent. Daarentegen ligt de eigenlijke karakteristieke
+eenheidsklemtoon steeds op het laatste lid. Hierdoor wordt sterker de
+eenheid van het geheel op den voorgrond geschoven, doordat men nl. over
+het eerste lid als 't ware heenglijdt, en den hoorder voorbereidt op
+hetgeen komen moet; en dit is weer overeenkomstig den algemeenen regel,
+dat de spreker het tempo verhaast, als hij er zich van bewust is,
+dat hij nog een lange reeks van klanken moet afwerken. Hij spreekt dan
+"in éen adem." Aldus spaart de spreker in deze benamingseenheid zijn
+krachten op voor het laatste lid als einddoel, en hij slaat de finale
+zoo krachtig mogelijk aan. Ook de hoorder vat eerst bij deze finale
+de voorafgaande syllaben samen. Wij spreken hier van het eigenlijke
+eenheidsaccent. Vgl. Jespersen-Davidsen, Lehrbuch der Phonetik
+(Leipzig 1904), bl. 175, 212.
+
+Bij woorden als _bloémkrans_, _áchterdeur_, _uítpakken_, in
+tegenstelling met _burgemeéster_, _volvoéren_, _misbruíken_,
+_verpákken_ is dit alles helder en klaar. Maar bij aardrijkskundige
+namen, vooral bij plaats- en straatnamen wordt de zaak meer
+ingewikkeld, en alleszins gerechtigd was een vraag, door
+Prof. Niermeijer over "De klemtoon in Amsterdamsche straatnamen"
+in Vragen en Mededeelingen I, Ser. I, 8, 25 Febr. 1910, bl. 92 gesteld.
+
+Het wil mij voorkomen, dat wij, uitgaande van de natuur en de algemeene
+vereischten voor waarde- en eenheidsaccent, voor aardrijkskundige
+woorden den regel aldus kunnen formuleeren: 1. Zij dragen het initiale
+accent, wanneer het eerste lid als het voornaamste beschouwd wordt;
+zij dragen het finale accent, wanneer het tweede lid òf het geheele
+woord belangrijker beschouwd worden dan het eerste lid. 2. Het eerste
+lid kan als het belangrijkste beschouwd worden òf om zich zelf,
+òf ter wille van de tegenstelling. 3. Het tweede lid wordt als het
+belangrijkste beschouwd, wanneer men oordeelt, dat het de plaats op
+voldoende wijze bepaalt.
+
+Laat ik nu allereerst als voorbeeld kiezen de straatnamen der
+stad Venloo, wat men mij als geboren Venlonaar niet ten kwade zal
+duiden. Men zegt: _Kérkstraat_, _Maásstraat_, _Vleéschstraat_
+enz.; maar _Maaspoórt_, _Keulschepoórt_, _Gelderschepoórt_,
+_Roermondschepoórt_, en eveneens _Oude-márkt_, _Ariënsplaáts_,
+_Hakkesplaáts_. Waarom? Omdat men desnoods kan zeggen: "die
+of die persoon woont aan de poort, op de markt, op de plaats",
+welke aanduiding dan nader kan worden bepaald; maar het is vlakweg
+onmogelijk te zeggen: "hij woont in de straat". Zoo kan men ook
+best zeggen: "hij woont op het _Schriksel_", en daarom draagt bij
+samenstelling deze straatnaam zelfs terwille van de tegenstelling
+niet het initiale accent: _Maasschríksel_, _Helschríksel_. Slechts als
+antwoord op de vraag: "Op wèlk _Schriksel_?" zal het antwoord luiden:
+"Op het _Maásschriksel_" of "op het _Hélschriksel_". Maar waarom dan
+_Moésmarkt_ (groentemarkt)? Omdat de koop- en verkoopwaar hier het
+eerste lid tot het voornaamste maakt.
+
+Maken wij nu de toepassing voor de Amsterdamsche straatnamen. Altijd:
+_Heerengrácht_, _Prinsengrácht_, _Martelaarsgrácht_;--_Torensluís_,
+_Weteringscháns_, _Nieuwendíjk_, _Zeedíjk_, _Muiderpoórt_,
+_Weesperpoórt_, _Waterloopleín_, _Marinierspleín_, _Nieuwmárt_. Het
+meest kenschetsende, en op-zich desnoods voldoende lid draagt het
+accent. Maar: _Heérenstraat_, _Prínsenstraat_, _Kálverstraat_,
+waar _straat_ ten slotte een soort van toonloos achtervoegsel
+geworden is; en eveneens: _Bótermarkt_, _Áppelenmarkt_. Schijnbare
+uitzonderingen zijn _Utrechtschestraát_, _Leidschestraát_ (evenals
+te Leiden _Haarlemmerstraát_), omdat _straat_ daar oorspronkelijk
+de beteekenis had van "straatweg". Ook het initiale accent op
+_Káttenburg_ en _Wíttenburg_ is goed verklaarbaar, omdat _-burg_
+alle determineerende beteekenis verloren heeft. Wat eindelijk het
+accent op de samenstellingen met _steeg_ betreft, dat hangt af van
+een plaatselijk waardeeringsoordeel. In de meeste steden schijnt
+men het met _gracht_, _plein_ op éene lijn te stellen, en zoo
+spreekt de Amsterdammer dan ook van _Halvemaansteég_, _Torensteég_,
+_Balkinhetoogsteég_, _Heintjeshoeksteég_; te Rotterdam daarentegen
+schijnt men te accentueeren: _Mólsteeg_, _Hoófdsteeg_.
+
+Ten slotte de plaatsnamen. Men kan zeggen: "Hij woont op den Dam,
+in de Meer", vandaar: _Amsterdám_, _Watergraafsmeér_, _Enkhuízen_,
+_Blokzíjl_; maar: _Voórburg_, _Veénendaal_, en eveneens _Vénloo_,
+_Óploo_, _Héngeloo_, _Zwíjndrecht_, _Dórdrecht_, _Sássenheim_,
+_Núnhem_, _Aúdergem_ (Brabant), _Sint Oédenrode_.
+
+Nu konstateeren wij, dat het finale accent, het ware eenheidsaccent,
+veld wint ten koste van het initale waardeaccent; en wel, omdat
+de naam langzamerhand meer in waarde en beteekenis verliest,
+afslijt en zuiver formule wordt. De plaatsnamen volgen in deze de
+algemeene sociale richting der taal, en zij zullen te spoediger
+deze richting volgen, naarmate de plaatselijke taal een levendiger
+sociaal karakter draagt. Zoo zien wij het initiale accent vaak
+in finaalaccent veranderen. Maar zoo gebeurt het ook, dat sommige
+plaatsnamen verschillend worden uitgesproken. De bewoners zelf noemen
+hun woonplaats b.v. _Genemuíden_, omdat de naam voor hen tot simpele
+aanduidingsformule is afgesleten; terwijl personen daarbuiten ofwel
+het oorspronkelijke initiale accent nòg houden, of ook blijven houden,
+om de plaats van andere op _-muiden_ te onderscheiden, en dus zeggen:
+_Génemuiden_.
+
+_6_. De spotnamen van steden en dorpen berusten grootendeels op een
+bekrompen gevoel van plaatselijke genoegzaamheid en laatdunkendheid,
+dat ruime wederzijdsche waardeering, ja zelfs erkenning van volks-
+en stamgenootschap belet. Natuurlijk draagt een te nauw besloten-zijn
+binnen de wallen en een te eng vasthouden aan de plek, waar men
+geboren en getogen is, hiervan de meeste schuld. Zóo blijven de
+oude volkseigenheden stellig het best bewaard; maar de keerzijde der
+medaille is niet zelden kleingeestig chauvinisme en min vriendelijke
+verhouding vooral tot naburige steden en dorpen, somtijds zelfs
+onderlinge afgekeerdheid, die voorheen tot bloedige vechtpartijen
+aanleiding gaf.
+
+Nu moet men deze afgekeerdheid ook weer niet te hoog aanslaan. Het
+mag dwaas lijken, dat men de Leeuwarders en Dokkumers elkaar als
+_Leeuwarder Galgelappers_ en als _Dokkumer Garnaten_ hoort uitschelden,
+en evenzeer, dat Amsterdammers en Haarlemmers elkaar spottend de
+namen van _Koeketers_ en _Muggen_ toevoegden,--men moet ook open oog
+hebben voor de komische zijde van het geval en in aanmerking nemen,
+dat de spotnaam veelal boozer lijkt dan de bedoeling en niet zelden
+slechts een onschuldige, typische en typeerende uiting van schalkschen
+spotlust is. Somtijds is de spotnamen zelfs een eerenaam.
+
+De plaatselijke spotnamen zijn oud en levenskrachtig; ook teelt de
+volksgeest telkens weer nieuwe, al is het in mindere mate. Kieskeurig
+is het volk hierin allerminst. De namen berusten op een geschiedkundig
+feit, op het wapen van de stad, op een bijzonder voorval, waarvan dan
+de belachelijke zijde het sterkst belicht wordt; andere zijn ontleend
+aan een bijzonderen tak van handel, van nering of bedrijf, of danken
+hun ontstaan aan de een of andere plaatselijke lekkernij. Van de
+tallooze spotnamen laat ik hier de meest bekende volgen. Plaatsruimte
+belet mij, telkens de verklaring er bij te voegen; laat ik hiervoor
+verwijzen naar het desbetreffende hoofdstuk in Winkler's Studiën in
+Nederlandsche Namenkunde, bl. 3 vlg. en naar De Cock, Brabantsch
+Sagenboek III, bl. 197 vlg. Het talrijkst zijn de spotnamen in de
+Friesche en Vlaamsche gewesten.
+
+Friesland. Leeuwarden: _Speknekken_ en _Galgelappers_. "De Leewarders,
+omdat se soo skriel waren, dat se gien nije galge betale waden, die
+hewwe daar fan de bijnaam kregen van _Leeuwarder Galgelappers_ tot
+'e dag fan fandaag toe."
+
+Harlingen: _Tobbedounsers_, d.i. Tobbedansers, daar de Harlinger
+stoffenverwer als 't ware te dansen stond in de tobbe.
+
+Sneek: _Dúmkefretters._ Dúmkes zijn een bijzonder soort klein gebak
+in vorm en groote als een mansduim.
+
+Bolsward: _Oaljekoeken_ (oliekoeken, worden bedoeld lijnkoeken).
+
+Hallum: _Koekefretters_.
+
+Dokkum: _Garnaten_ (Garnalen). Hoe ze aan dien naam kwamen, wordt
+uitvoerig verteld in de Rimen ind Teltsjes fen de Broarren Haltertsma.
+
+Franeker: _Klokkedieven_, omdat het wapenschild hunner stad een gouden
+klok vertoont op een blauw veld. Ook de ingezetenen van Oudewater,
+Delfzijl, Schermerhorn en Carolinensijl (Oost-Friesland) dragen
+dezen naam.
+
+Ameland: _Balkedieven_, immers hun wapenschild vertoont op de eene
+helft drie balken; verder _Schalken_ en _Guiten_.
+
+Workum: _Brijbekken_, hetzij van _brij_, hetzij van het eigenaardig
+rollen der _r_, dat de Hollander _brouwen_ heet. Men zegt dit ook
+van de Zwollenaars.
+
+Hindeloopen: _Tjeunken_, oorsprong onbekend; ook wel _Uilen_.
+
+Staveren: _Ribbekliuwers,_ van het eigenaardige, snel-vorderende
+schaatsenrijden (_ribben_ wijst op een overoud gebruik van te rijden
+op koeribben), dat men "klauwen" noemt.
+
+Berlikum: _Hounefretters_ (Hondevreters), wellicht naar aanleiding
+van een gevelsteen, voorstellende een hond in een pan.
+
+Peasum: _Hountsjes_ (Hondjes).
+
+Wierum: _Katsjes_ (Katjes).
+
+Winaldum en Baard: _Katten_.
+
+Midlum: _Rotten_.
+
+Warga: _Brêgebidlers_ (Bruggebedelaars), vanwege den bruggetol.
+
+Ureterp: _Oanbreide Hoasen_ (Aangebreide Kousen).
+
+Eernewoude: _Luzeknippers_.
+
+Warns: _Skiepeloarten_ (Schapekeutels).
+
+Winsum: _Spinsekken_ (Spinzakken), daar zij eertijds het gesponnen
+garen in groote zakken naar de naburige stad brachten.
+
+Irnsum: _Kattekneppelders_ (Kattenknuppelaars), een naam, die met
+het bekende kermisvermaak samenhangt (I, bl. 140, 269).
+
+Rinsumageest: _Hounewippers_ (Hondewippers), van een soortgelijk
+kermisvermaak.
+
+Sint-Anna-Parochie: _Raapkoppen_.
+
+Onze-Lieve-Vrouwen-Parochie: _Wortelkoppen_.
+
+Oldeboorn: _Toermjitters_ (Torenmeters). In de XVIIe eeuw zou te
+Oldeboorn een nieuwe kerktoren gebouwd worden. Het moest de hoogste
+toren worden, hooger zelfs dan die van Tzum. De Boornsters vaardigden
+dus twee man af, om den Tzummer toren te meten. Maar toen zij na
+volbrachten arbeid in de herberg zaten, wisten de Tzummers listiglijk
+een paar ellen van het touw af te snijden. Van daar de spotnaam van
+
+Tzum: _Lyntjesniders_ (Lijntjesnijders).
+
+Grouw: _Tsjiisfordounsers_ (Kaasverdansers). Een groepje lustige
+Grouwsters hadden eens geen geld meer, om den speelman te betalen. Een
+van de dansers deed dit toen met kaas uit zijns vaders pakhuis.
+
+Akkrum: _Skytstoelen_. Of deze meubels te Akkrum bijzonder mooi
+waren? Zulk een oud meubelstuk uit het begin der XVIIIe eeuw, dat
+gespaard bleef, vertoont niets opmerkelijks. Wèl opmerkelijk is het
+rijmpje, dat er op geschilderd staat:
+
+
+ In 't jaer 1710
+ Werd ick voor het eerst gesien,
+ Ick was versierd al nae behooren
+ Als kackstoel voor den eerstgeboren
+ Uyt de houwlickstrou
+ Van Geert Ackrum en syn vrouw.
+
+
+Makkum: _Strânjutten_ (Strandroovers). Daarentegen is _Miigen_ een
+eerenaam, want hij wijst er op, dat de Makkumers dit Friesche woord,
+dat "magen, bloedverwanten", in 't bijzonder "neven, kleinzonen"
+beteekent, nog in eere houden.
+
+Lollum: _Stippers_. Door _stip_ wordt een mager sausje aangeduid.
+
+Molkwerum: _Tsjoensters_ (Heksen) heeten de vrouwen.
+
+Birdaard: _Skiepekoppen_ (Schapekoppen).
+
+Wirdum: _Toerkefretters_ (Torentjevreters), dewijl zij in 1680 een
+der beide kerktorens, toen de geldmiddelen gering waren, voor afbraak
+verkochten.
+
+IJlst (Drylst): _Kjipmantsjes_ (Koopmannetjes), een soort moppen.
+
+Zie verder nog het rijke materiaal bij Waling Dijkstra
+t.a.p. I. bl. 288-294.
+
+Groningen. Groningen: _Molboonen_ (Kindersnoeperij), _Kluunkoppen_
+(_Kluun_ is een bijzonder soort bier), _Klaereproevers_.
+
+Delfzijl: _Klokkedieven_, _Krabben_. Men beweert, dat de bewoners
+een ruim geweten hebben, wat het plunderen van gestrande schepen
+betreft. Bij ongeluk komt eensdaags een _Delfsylster_ in den
+hemel. Maar een _Damster_ (Appingedam en Delfzijl kunnen elkaar
+niet zetten) weet den H. Petrus, die met de zaak verlegen is, goeden
+raad te geven. Een paar engelen moeten buiten de hemelpoort roepen:
+"Een schip in nood!" Aldus geschiedt, en ziedaar, bij 't hooren van
+dien kreet snelt de _Delfsylster_ naar buiten, zoo hard hij loopen kan.
+
+Wagenborgen: _Aardappeldoggen_.
+
+Ter Munten: _Koedieven_.
+
+Zuidlaren: _Witmakers._
+
+Uskwerd: _Metworsten_.
+
+Meeden: _Ketelschijters_.
+
+Grijpskerk: _Smalruggen_.
+
+Garnwerd: _Gortvreters_.
+
+Bafloo: _Koarschoevers_ (Kaarschuivers).
+
+Winsum: _Gladhakken_.
+
+Bedum: _Geutslikkers_.
+
+Holwierde: _Doofpotten_.
+
+Ezinge en Sauwert: _Koevreters_.
+
+Onderdendam en Niehove: _Poepen_.
+
+Den Andel: _Turken_.
+
+Drente. Meppel: _Muggespuiters_ of _Muggen_. Een groote muggenzwerm
+omzweefde eens de spits van den toren te Meppel. De burgers
+dachten, dat het rook was, en begonnen den vermeenden torenbrand
+te blusschen. Men denke aan de Maneblusschers van Mechelen en
+Middelburg. Een anderen naam, de _Kloeten_, danken zij aan de groote
+kluiten boter, die nog tot in de tweede helft van verleden eeuw door
+de boeren uit den omtrek daar ter markt werden gebracht.
+
+Grolloo: _Knollen_.
+
+Anderen: _Moeshappers_,
+
+Elp: _Koekoeken_.
+
+Annen: _Oelen_.
+
+Assen: _Straatslipers_, _Tellerlikkers_ en _Biggen_.
+
+Borger: _Schöttellikkers._
+
+Broekskreek (d.i. Mantinge, Balinge en Garminge): _Stalpoalen_.
+
+Buinen: _Poepen_.
+
+Duurse: _Geldbeurzen_ en _Boksen_.
+
+Dwingeloo: _Doeven_.
+
+Eelde: _Hekkenspringers_ en _Geelgatten_.
+
+Zie verder Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1903, bl. 55.
+
+Overijssel. Zwolle: _Blauwvingers_. In 1682 viel te Zwolle de toren
+van de Sint-Michiels kerk in. Het klokkenspel werd aan Amsterdammers
+verkocht, die den aanmerkelijken prijs in louter dubbeltjes betaalden,
+waaraan de Zwollenaars zich blauwe vingers konden tellen.
+
+Kampen: _Steuren_. Naar verluidt, vingen de Kampenaars oudtijds in
+hun rivier eens een reusachtigen steur. Met het oog op een gastmaal,
+dat zij over eenigen tijd wilden aanrichten, werden zij te rade,
+hem voorloopig nog wat te laten zwemmen; en om hem naderhand beter
+te kunnen vinden, bonden zij hem een bandje met een belletje om den
+hals. Men zegt, dat een echte Kampenaar, als hij over de IJsselbrug
+gaat, nog heden altijd in 't water tuurt, of de steur er soms nog is,
+want: "Je kunt het toch maar nooit weten."--Ik maak hier de opmerking,
+dat de spotnamen in vele gevallen samenhangen met een domineerenden
+karaktertrek van de bevolking: vasthoudendheid, gierigheid, sluwheid,
+bekrompenheid enz. Nu is het een feit, dat men meestal de minder
+gunstige hoedanigheden bij zijn gebuur opmerkt en de gunstige over
+het hoofd ziet.
+
+Blankenham: _Brijhappers_.
+
+Blokzijl: _Katten_.
+
+Genemuiden: _Rudekikkers_ en _Ruusvorens_.
+
+De Kuinder: _Kroggen_.
+
+Zwartsluis: _Bleien_ of _Bleisteerten_.
+
+Hengeloo: _Windmakers_.
+
+Delden: _Kwekkeschudders_.
+
+Oldenzaal: _Gruppendrieters_, d.i. die hun behoefte doen in een
+greppel.
+
+Deventer: _Stokvisschen_, _Poepen_ en _Geutendrieters_.
+
+Borne: _Meelvreters_.
+
+Over de benaming _Tukker_ voor Twentenaar is veel geredetwist. De
+waarschijnlijkste afleiding lijkt mij die van _tukker_, een vogeltje,
+dat zich veel in de eenzame heidestreken van Twente ophoudt; elders
+draagt het den naam van _heikneutje_ of _robijntje_. Naar dezen vogel
+zijn dan ook verscheidene Twentsche hoeven benaamd, en deze vindt men
+steeds aan den heikant. In de volkstaal noemt men de heidebewoners vaak
+_Heettukkers_: Driem. Bladen VII, bl. 84; VIII, bl. 51; anders VIII,
+bl. 92. Laat ik hier terloops aan de zegswijze herinneren: "Ij kommt
+oet 't land van de Tukkers, woar ze onzen leeven Hèèr "Doe" neumt."
+
+Gelderland. Nijmegen: _Knotsendragers_.
+
+Zutfen: _Metworsten_.
+
+Lochem: _Koolhazen_.
+
+Doesburg: _Mosterdpotten_.
+
+Enspijk: _Hanenknippers_. Deze benaming zou het gevolg zijn van een
+artikel in de Tielsche Courant, waarin de inwoners van Enspijk als
+"Enspiksche Hanenknippers" werden begroet. Men zou daar nl. hebben
+voorgesteld, ter gelegenheid van het kroningsfeest den 12den Mei 1874
+tot opluistering der feestelijkheid hanen, van hun vederen ontdaan,
+tegen elkander te laten vechten; zie het opstel van Anspach in De
+Navorscher XXVI, bl. 264.
+
+Nunspeet: _Knutten_ en _Huibasten_. Hieronder verstaat men personen,
+die veel wei of hui in hun "bast" drinken.
+
+Driel: _Vleescheters_. De bewoners van Driel hadden in de Middeleeuwen
+een kerkelijke vergunning, waarbij hun werd toegestaan, ook in den
+Vastentijd zuivel- en vleeschspijzen te gebruiken: Kist, Kerkelijk
+Archief I, bl. 176, III, bl. 469.
+
+Elburg: _Pepernoten_.
+
+Harderwijk: _Bokkingkoppen_.
+
+Uddel: _Heugters_.
+
+Haaften: _Kraaien_.
+
+Ek en Ingen: _Kladden_.
+
+Zoelen: _Kozakken_. In 1814 was daar een troep kozakken gelegerd,
+die weigerden het veld te ruimen, nu hun diensten niet meer noodig
+waren. Op bevel van den souvereinen vorst moest nu de Tielsche
+schutterij in samenwerking met den landstorm deze plunderzieke gasten
+verjagen; zie Driem. Bladen III, bl. 54.
+
+Utrecht. Amersfoort: _Keisleepers_ of _Keitrekkers_. De bewoners vonden
+nl. eens op een heideveld een zeer grooten keisteen. Triomfantelijk
+sleepten zij hem naar de stad, en plaatsten hem op de Varkenmarkt
+(1661).
+
+IJsselstein: _Apenluiders_, dewijl zij eens bij vergissing de doodsklok
+luidden voor een dooden aap: De Navorscher IV, Bijblad, bl. XXXVIII.
+
+Limburg. Weert: _Rogstekers_. Men verhaalt, dat er oudtijds een
+vrachtkar o.a. met rog beladen van Antwerpen naar Roermond reed. Bij
+Weert viel een rog van de kar en bleef in het wagenspoor liggen. Een
+Weertenaar zag het hem onbekende gedrocht en liep verschrikt naar de
+stad om hulp te halen. Gewapend trok men er op uit, dreef den rog
+een spiets door het lijf en voerde hem als oorlogsbuit zegepralend
+naar het stadje mee.
+
+Nederweert: _Pinstekers_.
+
+Venloo: _Wannevliegers_. Een snaak had doen uitroepen, dat hij met
+behulp van twee wannen over den Lichtenberg zou vliegen. Toen de
+burgerij vergaderd was, vroeg hij, of ze al ooit een mensch hadden
+zien vliegen. Neen, riep het volk. Welnu, hernam hij, dan zult gij
+het ook heden niet zien, en maakte zich met het te voren opgehaalde
+geld uit de voeten. Naar een eigenaardige gebaksoort spreekt men ook
+van Venloosche _Moppen_. Door de Blerikschen worden de Venlonaars
+_Reubeslikkers_ (Raapslikkers) genoemd.
+
+Blerik: _Wortelepinnen_, door de Venlonaars aldus genoemd. Vergelijk
+de spotnamen van St-Anna-Parochie en Onze-Lieuwe-Vrouwen-Parochie.
+
+Venraay, Horst enz.: _Peelhazen_.
+
+Helden: _Kuzen_.
+
+Sittard: _Laammekers_. Lam maken = zwaar op de hand zijn. De
+Sittardenaars zelf bedoelen: zich op hun manier ten koste van anderen
+vermaken.
+
+Noord-Brabant. Heusden: _Wieldraaiers_. Het stadje voert een wiel in
+zijn wapen.
+
+Os: _Dubbeltjessnijders_.
+
+Werkendam: _Brijbroeken_.
+
+Woudrichem: _Mosterdpotten_.
+
+Schijndel: _Hopbellen_.
+
+Uden: _Kaaieschijters_.
+
+Sint-Oedenrode: _Papbuiken_.
+
+Zeeland. Cadzand: _Peren_. Dit _pere_ is het Fransche _père_ en
+wordt gebezigd tusschen personen van ongeveer gelijken leeftijd in
+de vertrouwlijke omgangstaal.
+
+Middelburg: _Maanblusschers_. Het schijnen van de maan op den toren
+werd voor brand gehouden. Men noemt ze ook _Schavotbranders_.
+
+Vlissingen: _Flesschedieven_, van de flesch op het wapenschild.
+
+Goes: _Ganzekoppen_, van de gans in het wapen.
+
+Zierikzee: _Koedieven_, _Steenkoopers_, _Torenkruiers_.
+
+Axel: _Aardappelkapers_.
+
+Zaamslag: _Strooplikkers_.
+
+Sluis: _Windmakers_.
+
+Noord-Holland. Schagen: _Roodjes_. Naar men beweert hebben vele
+Schagenaars rossig haar.
+
+Alkmaar: _Gortzakken_, ter oorzake van de vele grutterijen. Ook
+_Ketelkruipers_.
+
+Schermerhorn: _Mollen_, naar den mol in het wapen.
+
+Langendijk: _Koolstruiken_, omdat in de vier dorpen, die den Langendijk
+vormen, kool de hoofdteelt is.
+
+Egmond aan Zee: _Vischteven_, men denke aan de Tsjoensters van
+Molkwerum.
+
+Groot Schermer: _Wildjes_, naar hun woest gedrag bij het kermishouden.
+
+Oostzaan: _Kooleters_.--Men noemt ze ook het _Volk van Klaas Kompaan_,
+een naam, dien zij te danken hebben aan hun ouden dorpsgenoot, den
+beruchten Oostzaner kaper Claes Gerritsz Compaen; zie Boekenoogen,
+De Zaansche Volkstaal, bl. 488.
+
+Zaandam: _Galgezagers_. De oorsprong ligt in het omzagen van de galg,
+waaraan de schuldigen van het Zaandammer turfoproer (Mei 1678) hingen:
+Boekenoogen, t.a.p. bl. 223.
+
+Amsterdam: _Koeketers_, een zeer oude spotnaam. Maar men zegt het ook
+van de Zaandammers, en eveneens van de inwoners van de Koog, Krommenie
+en Uitgeest. Die van Medemblik, Hoorn, De Kreil, De Beemster en Jisp
+heeten _Moppen_.
+
+Texel: _Kwallen_.
+
+Den Helder: _Traanbokken_.
+
+Enkhuizen: _Vijgen_.
+
+Hoorn: _Krentebollen_.
+
+Lutjebroek: _Uilen_.
+
+Heiloo: _Rapenplukkers_.
+
+Ursem: _Langslapers_.
+
+Monnikendam: _Monnikentroeters_.
+
+Purmerland: _Platpooten_.
+
+Zaandijk: _Krentekakkers_.
+
+Westzaan: _Kroosduikers_.
+
+Wormer: _Boonpeulen_, _Steenegooiers_, _Uilen_.
+
+Wormerveer: _Gladooren_.
+
+Broek-in-Waterland: _Vinken_.
+
+Beverwijk: _Klapbessen_.
+
+Assendelft: _Kiplanders_, _Spanjaarden_.
+
+Haarlem: _Muggen_.
+
+Naarden: _Kalven_.
+
+Zuid-Holland. Leiden: _Peueraars_, _Blauwmutsen_, _Hondendooders_
+en _Sleuteldragers_, het laatste weer naar de sleutels in het wapen.
+
+Delft: _Kalfschieters_. In 't jaar 1574 wilden eenige Spanjaarden
+een aanslag op Delft beproeven. Maar tijdig ontdekt zijnde werd hun,
+toen ze al lang buiten schot waren, een hagelbui van kogels achterna
+gezonden. Slechts een kalf werd hierdoor gedood: De Navorscher III,
+bl. 373.
+
+Gouderak: _Rakkers_, berustend op volksetymologie.
+
+Schiedam: _Toovenaars_. Men zegt: "Twintig van Schiedam, negentien
+kunnen tooveren."
+
+Hillegom: _Hangkousen_.
+
+Den Haag: _Ooievaars_ (naar het wapen), _Waterkijkers_, _Bluffers_.
+
+Gouda: _Gapers_.
+
+Oudewater: _Klokkedieven_, vgl. Franeker, Delfzijl enz.
+
+Rotterdam: _Kielschieters_, omdat zij een bootje, dat met de kiel
+naar boven in de Maas dreef, voor een walvisch hielden, waarop zij
+hun geweren afvuurden.
+
+Dordrecht: _Schapedieven_.
+
+Den Briel: _Zeelepers_ en _Puiers_.
+
+Gorichem: _Blieken_.
+
+De Zuidnederlandsche spotnamen zijn zeer talrijk. Dit strookt wel
+is waar met den opgewekten, levendigen, schalkschen gemoedsaard
+van Vlamingen en Brabanders. Maar als de gemoedsaard den doorslag
+geeft, dan is het vreemd, dat juist de zuidelijke provinciën van
+Noord-Nederland zoo betrekkelijk arm aan spotnamen zijn, terwijl
+zij hoogtij vieren in de Friesche gedeelten en in Noord-Holland met
+zijn rijken Frieschen inslag. Het wil mij voorkomen, dat woelzucht
+en onbuigzaamheid, uitbottend in twist en tweedracht, in dezen tot
+een overeenkomstig partikularisme hebben gevoerd.
+
+West-Vlaanderen. Brugge: _Zotten_.
+
+Kortrijk: _Pastei-eters._
+
+Diksmuiden: _Boterkoppen_.
+
+Meenen: _Taartenbakkers_ en _Wagenwielvangers_.
+
+Poperingen: _Keikoppen_ en _Gekken_.
+
+Heist-op-Zee: _Keuns_ (Konijnen).
+
+Blankenberge: _Geernaarts_, d.i. Garnalen, vergelijk den spotnaam
+der Dokkumers.
+
+Nieuwkerke: _Schapen_.
+
+Yperen: _Kinders_. Deze naam heeft een loffelijke beteekenis. Hij is,
+volgens de overlevering, ontleend aan een gezegde van Margaretha, wier
+zoon Willem van Dampierre door geldelijke bijdragen van de bewoners
+van Yperen uit de gevangenschap der Turken was bevrijd. "Het zijn
+onze kinders van Yperen", zou Margaretha gezegd hebben, "die ons dit
+bewijs van liefde hebben gegeven." Zie Belgisch Museum I, bl. 270.
+
+Oost-Vlaanderen. Gent: _Heeren_ en _Stroppedragers_; zie Volkskunde
+XXIII, bl. 242.
+
+Dendermonde: _Knaptanden_.
+
+Baasroode: _Kalefaters_.
+
+Opdorp: _Platte Keesboeren_.
+
+Ninove: _Wortels_.
+
+Ronse: _Zotten_, _Vliegenvangers_ en _Slekkentrekkers_.
+
+Oudenaarde: _Boonenknoopers_. Men noemt ze ook _Kiekefreters_.
+
+Dat komt zóó: De Gentenaars lieten voortijds de kiekens en ander
+pluimgedierte op de markt te Oudenaarde opkoopen. Toen ze nu eens,
+om Philips den Goeden rijkelijk te kunnen onthalen, volgens de
+Oudenaarders hierin wat te radikaal te werk gingen, trachtten deze
+hen dit te beletten en voegden hun toe: "Wij kunnen zelf onze kiekens
+wel opvreten"; zie Belgisch Museum V, bl. 440.
+
+Geeraartsbergen: _Bergkruipers_.
+
+Onkerzele: _Tooverheksen_, vgl. de _Toovenaars_ van Schiedam.
+
+Mendonk: _Palingstroopers_.
+
+Wachttebeke: _Zotten_.
+
+Moerbeke: _Smeerkoeketers._
+
+Exaarde: _Blauwbuiken_.
+
+Aalst: _Witvoeten_, _Draaiers_ en _Ajuinen_.
+
+Akkergem: _Koolkappers_.
+
+Limburg. Neerpelt: _Torenblusschers_.
+
+Peer: _Muggeblusschers_, vgl. de Muggespuiters van Meppel.
+
+Hasselt: _Beekrotten_ (maar slechts de Hasselaars, die op de Beek
+wonen, vgl. bl. 15).
+
+Antwerpen. Antwerpen: _Sinjoren_. In dezen naam schuilt een herinnering
+aan den Spaanschen tijd, toen de aanzienlijke Antwerpenaren den
+Spaanschen titel van _Señor_ droegen.
+
+Mechelen: _Maneblusschers_, zie Volkskunde XXI, bl. 236.
+
+Turnhout: _Muggeblusschers_, vgl. Peer en Meppel.
+
+Lier: _Schapekoppen_.
+
+Rethy: _Kortooren_.
+
+Ramsel: _Poteerddabbers_.
+
+Huigene: _Eters_.
+
+Meerhout: _Katten_ en _Knikkers_.
+
+Arendonk: _Gorteters_, _Tjokkers_ en _Pinnekenmakers_.
+
+Poppel: _Janhagelmannen_.
+
+Liezele: _Pieren_.
+
+Breendonk: _Meutes_ (nuchtere kalven).
+
+Hoboken: _Mestblusschers_.
+
+Wilrijk: _Geitekoppen_.
+
+Bornhem: _Boschkrabbers_.
+
+Gierle: _Schijters_.
+
+Hove: _Keeskoppen_.
+
+Loenhout: _Pezerikken_ en _Moeszakken_.
+
+Oost-Halle: _Joden_.
+
+West-Halle: _Smousen_.
+
+Willebroek: _Vaartkapoenen_.
+
+Hoogstraten: _Speelzakken_.
+
+Brecht: _Struiven_, _Halfhouten_ en _Mastendoppen_.
+
+St. Amands: _Gipsheeren_.
+
+Zoersel: _Drijvers_ en _Kluppelaars_.
+
+Ook hier weer, zooals men ziet, naast louter smaadnamen, verscheidene
+benamingen aan nering en bedrijf of aan plaatselijke eigenaardigheden
+ontleend.
+
+Volge nu een keuze uit het overgroote aantal der Brabantsche spotnamen;
+voor de volledige opsomming en meer ampele verklaringen betreffende
+sagen raadplege men A. De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 197-241
+en J.Th. de Raadt, Les Sobriquets des communes belges (Bruxelles,
+1904), _passim_.
+
+Beersel: _Keesboeren_ en _Boterdieven_.
+
+Bertem: _Tuischers_ (paardenkooplui).
+
+Boschvoorde: _Bessembinders_.
+
+Brussel: _Kiekefretters_. Deze schimpnaam zou opklimmen tot de XIVe
+eeuw, nl. tot den veldslag van Baesweiler, waar een sterk Brabantsch
+leger door de hertogen van Gulik en Gelder en den graaf van Berg totaal
+verslagen werd. Deze nederlaag wordt door den kroniekschrijver Jean
+Froissart aan de gulzigheid der Brusselaars toegeschreven; er dient
+echter gezegd, dat hij slechts van zalm-, forel- en palingpastei
+spreekt, en niet uitdrukkelijk van kiekens gewaagt.
+
+Zij heeten verder: _Apendrillers_. Eens betrokken twee bejaarde
+burgers te middernacht op den toren van Wollendries (bij de Wolstraat)
+de wacht. Plotseling zagen zij een vreemdsoortig wezen het wachthuis
+binnendringen, en vol angst sloegen zij op de vlucht--voor een aap,
+zooals naderhand bleek.
+
+Diest: _Mostaardschijters;_ zie Ons Volksleven IX, bl. 102.
+
+Dormaal: _Weerwolven_ en _Vuurmannen_.
+
+Elsene: _Hondenknagers_; deze spotnaam dagteekent wellicht uit tijden
+van hongersnood.
+
+Esschene: _Patattenboeren_.
+
+Gooik: _Telloorlekkers_.
+
+Hal: _Vaantjesboeren_, van wege de processievaantjes.
+
+Leuven: _Peetermannen_. Sint Pieter is de patroonheilige van de
+stad. Men noemt ze ook de _Koeischieters_, omdat naar verluidt, de
+Leuvenaars een kudde hoornvee voor vijanden aanzagen. Zie Volkskunde V,
+bl. 169; Ons Volksleven VIII, bl. 38.
+
+Linkebeek: _Moeliedauwers_. Zij duwden eens iemand uit scherts in
+een moelie (baktrog); maar de grap liep verkeerd af.
+
+Messelbroek: _Kalotten_.
+
+Molenbeek: _Vaartkapoenen_; vgl. Willebroek.
+
+Schaarbeek: _Ezels_. Oud-Schaarbeek telde vele hoveniers en molenaars,
+die Brussel voorzagen van groenten en meel; het gewone vervoermiddel
+was een ezelkarretje.
+
+Scherpenheuvel: _Keerskatten_, naar de processiekaarsjes, die zij
+aan de pelgrims verkoopen.
+
+Sichem: _Heeren_. Ten tijde van Maria-Theresia zond het gemeentebestuur
+van Sichem, naar verluidt, een verzoekschrift naar de Generale Staten
+van Brabant, dat aldus aanhief: "Wij, Heeren van Sichem, vragen
+aan U lieden de toelating om eene merkt te mogen oprichten." Waarop
+geantwoord werd:
+
+
+ "Als gij sijt Heeren en wij lieden,
+ Dan sal de merkt van Sichem nooit geschieden."
+
+
+Den spotnaam van _Heeren_ draagt een groot aantal Brabantsche dorpen.
+
+St. Gillis: _Koolkappers_.
+
+Tienen: _Kwêkers_. Tijdens een oorlog wilden de Tienenaars de
+Leuvenaars in een hinderlaag lokken, maar het gesnater der eenden
+waarschuwde den vijand; zie echter Ons Volksleven VIII, bl. 37.
+
+Men noemt ze ook _Maneblusschers_ en _Boterpotten_, omdat ze in 1830
+hun veste met boterpotten verdedigden.
+
+Ukkel: _Kersenkrakers_.
+
+Vilvoorde: _Peerdefretters_.
+
+Vorst-bij-Brussel: _Hondenfretters._
+
+Wambeek: _Klaverboeren_.
+
+Zout-Leeuw: _Waterheeren_.
+
+
+
+
+
+DE VOLKSKUNST.
+
+
+Staat de mensch tegenover God en de maatschappij als redelijk en
+maatschappelijk wezen, als zinnelijk wezen staat hij tegenover de
+natuur, en als zoodanig zijn zijne betrekkingen deels van praktischen,
+deels van theoretischen aard. Praktisch is hij werkzaam op ekonomisch
+gebied;--bij het volk, wij zagen het reeds, gaat de ekonomie geheel op
+in woningbouw en grondbeheer; theoretisch werkzaam toont hij zich in
+kunst en wetenschap. Immers de geest van den mensch is een spiegel van
+het heelal: een mikrokosmos. Maar die wereldopvatting is geen doode,
+volstrekt-passieve afspiegeling, maar veeleer tevens een opgewekte
+werkzaamheid. Want bij het aanschouwen voegt zich het wèl-bewuste
+omvatten en doordringen van het objekt, de reproduktie van het
+aanschouwde in beelden en vormen, kleuren en tonen, groepen en typen.
+
+Kunst is: _zelf-openbaring van den geest door belichaming van het
+ideale in de stof_. Zij beduidt een streven, met de beste zielekrachten
+in te grijpen in de buitenwereld, en kan zelfs beschouwd worden
+als een worstelen om bezit en behoud van de ideale goederen des
+levens. De volkskunst streeft niet steeds naar de hoogste idealen;
+maar zij volgt toch ook den zieledrang, te scheppen en te belichamen,
+en met streelende zelfvoldoening vermeit zij zich in hetgeen verstand
+en wil en fantasie konden wrochten. En waar het scheppend vermogen te
+kort schiet, daar neemt het volk volle welbehagen in de bevrediging
+van zijn navolgingsdrift. De enkeling kan als volwassene met zijn
+nuchter verstand de momenten van lust en welbehagen meestal zelfs
+niet meer bevatten, die de speeldrift hem als kind zoo ruimschoots
+toedeelde. Maar het volk leeft en blijft leven, evenals het kind,
+in een tooverland van fantasie; zijn navolgingsdrift is speeldrift,
+en die speeldrift verwekt den lust te zingen, te rijmen, te bouwen,
+te schilderen, te sieren. In dezen zin mag men zeggen, dat ook bij
+de hoogere, de kultuurkunst, de speeldrift ten grondslag ligt.
+
+Want volkskunst en kultuurkunst, of, zoo men wil, beschavingskunst
+[17], zijn geen wezenlijk-verschillende begrippen; zij berusten
+beide op dezelfde aesthetische grondvesten, gelegd in den bodem
+der éenvormige menschelijke natuur. Principieele verschillen
+bestaan tusschen volkskunst en kultuurkunst evenmin als tusschen de
+kunstuitingen der kultuurvolken en die der natuurvolken, hoe ruw en
+tastend deze laatste dan ook zijn mogen.
+
+Wat de volkskunst soms mangelt aan scheppend kunnen of aan bewuste
+stelselmatigheid, dat wint zij niet zelden in oorspronkelijkheid,
+in spontaneïteit van uitingsvermogen, in frischheid van opspattende
+levenskracht. Teert de kultuurkunst op konventioneelen vormenschat en
+slijt zij droeve dagen in kwijnende bloedarmoede, dan kan de volkskunst
+haar versche levenskracht in de aderen gieten. Al mist zij den glans
+der polijsting, al vormen tal van onedele bestanddeelen vaak het
+ruwe omhulsel,--kernglans en kernreinheid zijn er niet minder om,
+ja zijn er vaak te veiliger om beschut.
+
+Bovenkultuur zonder kunst is ondenkbaar; maar onderkultuur evenmin. De
+volkenkunde kent dan ook geen kultuur_looze_, wel kultuur_arme_ volken;
+en men mag zeggen, dat mèt het kunstgehalte de kracht en teerheid
+van het volkswezen groeit. "Een volk zonder kunst is geestelijk
+dood", schrijft Poelhekke. Het sterft den hongerdood. Want het haken
+van het volk naar kunst onder allerlei vormen, zelfs dan, wanneer
+overbeschaving in die vormen het snelstwerkend venijn verborgen heeft,
+kan mede gelden als bewijs voor de eeuwige waarheid: _dat de mensch
+van brood alleen niet leven kan_.
+
+Gevoel voor het schoone en behoefte aan uiting en bevrediging van
+dit schoonheidsgevoel behoort tot het mensch-zijn, is het normale
+bij het individu en moet tevens als een normaal maatschappelijk
+verschijnsel worden beschouwd. Want bij de volkskunst treedt het
+sociaal-psychische element sterk op den voorgrond; ook de volkskunst
+behoort tot de "sociale feiten", wier substraat de gemeenschap is,
+en die met hun imperatief karakter een sterken, dwingenden invloed
+op het individuëele leven uitoefenen.
+
+Kunst, zelf-bewust vormen en scheppen, is een terugwerken, een op beurt
+ingrijpen van den vrijen menschelijken wil in de buitenwereld, die wil
+en gedachte door haar inwerking heeft bepaald. Kunst is zelfopenbaring,
+en volkskunst is de zelfopenbaring der volksziel, maar tevens een
+worstelstrijd om levenslicht en levenslucht, om niet onder te gaan
+in het individuëele en banale, om niet te worden overweldigd door de
+doode en doodende stof. Waar het volk zijn eigenwaarde nog beseft,
+daar kan het op den duur geen weerstand bieden aan die drift, dien
+scheppingslust van eigen beeld en gelijkenis, die wortelt in zijn
+verstandelijk kenvermogen en het koningszegel drukt op zijn pogen
+en wrochten; ja, die een trek is zijner Godverwantschap. Het gevoel
+dezer Godverwantschap is zelfs de bron van het menschelijk artistieke
+welbehagen.
+
+Natuurlijk staan niet alle kunsten en takken van kunstnijverheid op
+dezelfde trap, en evenmin staan den kunstdrang geschikte middelen
+ter realiseering in gelijke mate ter beschikking. De volkskunst kan
+soms gering en onbeduidend schijnen; andermaal beweegt zij zich in de
+lijnen van een stuitend realisme, al is dit niet het produkt eener
+ziekelijke hyperkultuur. Maar weer andermaal--welk een schat van
+naïeve frischheid en oorspronkelijkheid!
+
+Van de zoogenaamd permanente kunsten bespreek ik slechts de bouwkunst
+en de dekoratieve kunst; van de momentane, wier scheppingen strikt
+genomen verdwijnen met de spanne tijds, waarin zij voltooid worden,
+behandel ik eerst de lagere vormen van raadsels, spreekwoorden en
+zegswijzen, om daarna langs de sprookjes- en sagenladder op te klimmen
+tot het volkslied.
+
+
+
+I. Raadsels en Spreekwoorden.
+
+
+De _raadsels_ behooren tot de lagere trappen der kunstuitingen, in
+die mate, dat de litteratuur van sommige laag ontwikkelde volken--ik
+denk o.m. aan de bewoners der Battalanden--zoo goed als uitsluitend
+uit raadsels en volksverhalen bestaat.
+
+Meestal zijn de raadsels gestoken in rythmischen vorm, en naast
+het gewone rijm vertoonen zij veelal nog assonantie, stafrijm en
+andere eigenaardige klankvormingen en vervormingen. Het waardevolle
+ligt stellig in de eigenaardige karakteristiek der dingen, al is
+die uiteraard vaak duister en al mag men hierbij niet uit het oog
+verliezen, dat het volk de dingen en begrippen niet zelden zoo geheel
+anders karakteriseert dan wij. Zoo worden in een oud raadsel van de
+zeven vogels zonder bezwaar de bij en de vleermuis meegeteld. Het
+intieme wezen van het raadsel is de drang, het onpersoonlijke
+te verpersoonlijken, het gewone op te smukken, het zinnelijke te
+vergeestelijken, en aan die beeldspraak de scherpzinnigheid van een
+ander te toetsen.
+
+Het volksraadsel kan bogen op een reusachtige oudheid en
+verspreiding. Van de eilanden in de Noordzee tot Meklenburg en
+zuidwaarts tot de Alpen reikt het duizendjarige raadsel van de sneeuw,
+die door de zomerwarmte smelt. Op Ameland luidt dit:
+
+
+ Daar vloog een vogel Vederloos
+ Op een boom Bladerloos,
+ Toen kwam een juffrouw Mondeloos,
+ Die at den vogel Vederloos
+ Van den boom Bladerloos.
+
+
+Ik schrijf "Vederloos" enz. met hoofdletter, want het is hier
+werkelijk als eigennaam bedoeld. Zoo heet de kers _Roodrok_,
+het varken _Knorrepot_, de appel _Gladkop_, de ooievaar _Hap-op_,
+de donder _Holderdebolder_, de wieg _Wikkeldewakkel_, de kikvorsch
+_Hipperdewip, Hip-op, Ikkerdebik_, de zwaan _Mijnheer De Wit_, het
+water _Juffer De Lang_. Dit zijn klanknabootsende en begrips- en
+gevoelverklankende benamingen, zooals ook het kind die zoo gaarne aan
+levende en levenlooze zaken schenkt, alvorens met de veelal afgesleten
+benamingen bekend en vertrouwd te raken.
+
+Merkwaardige raadsels vinden wij vooral in het Oosten: bij de Hebreeën,
+de Perzen, de Indiërs, de Arabieren; maar ook bij de oude Germanen
+en niet het minst bij de Grieken en Romeinen. Het gaat trouwens,
+wat de onderlinge verwantschap betreft, met de raadsels als met de
+sprookjes, en het is uitermate moeilijk bij gelijkenis van patroon
+over de autochthonie onzer volksraadsels te oordeelen. Zoo kennen
+wij b.v. een Grieksch raadsel in dezen vorm:
+
+
+ Daar was een man, en 't was geen man,
+ Hij liep op een pad, en 't was geen pad,
+ Hij droeg water zonder vat;
+ Rà, rà, wat is dat?
+
+
+(Een bruidegom, die op het ijs liep met een stukje ijs in zijn hand).
+
+Een Latijnsch raadsel luidt bij ons:
+
+
+ Die het maakt behoeft het niet,
+ Die het vraagt behoudt het niet,
+ Die het koopt begeert het niet,
+ Die het heeft die weet het niet.
+
+
+(Een doodkist).
+
+
+In vele gevallen is vervorming van litteraire raadsels
+(kultuurraadsels) tot volksraadsels na te wijzen of althans zeer
+aannemelijk. De gewone gang van zaken is echter omgekeerd.
+
+1. De beschrijvende raadsels zijn verreweg de schoonste. Het
+regent hier beeldspraken en gelijkenissen. Het volk praat dan
+kinderlijk-gemeenzaam met en over steenen en bloemen langs de wegen,
+en allerlei levende en levenlooze dingen. "Hier ziet gij beurtelings
+de wijde natuur met heure verschijnselen", schrijft Amaat Joos,
+"de sneeuw, het witte laken, dat Onze Lieve Vrouw over land en zand
+spreiden komt; den donder, het roode veulen dat ginder verre staat
+te briesschen; de wolken, de duizend lapkens die zonder naald of
+twijn aaneengenaaid zijn; het ijs, de groote plank die door God over
+de waters geleid wordt; de zon, het wonder ding dat door het glas
+valt en 't niet en breekt; de sterren, het geld dat ge niet tellen
+kunt; den hemel, het laken waar niet aan te vouwen valt;--den mensch
+met al zijn bedrijf en gerief: den mond, rood huizeken, de tanden,
+witte stoelekens, en de tong, rood tapijteken; de keers, madameken
+met een wit kleedje aan en een rood hoedeken op; de lamp, aardig
+ding dat zijn vleesch eet en zijn bloed drinkt; den vingerhoed, zoo
+klein en toch zoo rijk in vensters als een koningshuis; de naald,
+stalen peerdje dat rijdt met vlassen steertje; de egge, heeren
+die het land omkeeren; de zeilen van den meulen, roode wijvekens
+die malkander nutteloos achterna loopen; den meulen, hooge droge
+boom die altijd bloem draagt;--de dieren die loopen en vliegen:
+den haan, wonderen profeet die de dooden verrijzen doet; de spin,
+aardig wijfken dat, zonder naald of draad, zijn roksken 't onderste
+boven naait; de vlooi, stout boven stout, die iedereen, te water en
+te lande, aanranden durft; de koe, vreemd gestel van vier gangers,
+vier hangers en twee tuinenbrekers [overoud raadsel, nawijsbaar van
+Noorwegen tot de Alpen];--de boomen en planten met hunne vruchten:
+de kool, die op éenen poot staat en heur hoofd in heur herte draagt;
+den doorn, manneken uit het veld met een rood hoedeken op zijn hoofd;
+het vlas, koning met de blauwe kroon; het graan, dat tusschen twee
+steenen zijnen naam verliest; den kriekelaar, die op éen been staat en
+duizend steenen draagt; den eik, honderdduizend nesten en in ieder
+nest een ei; den appel, met zijn groene muren en witte geburen;
+de noot, die op haar stoeleken zit met een groen kazaksken aan."
+
+Op het dorp, in den blijden, gullachschen landelijken kring voelt dit
+raadsel zich weer het meest thuis en bij voorkeur, wij hoorden het,
+kleedt het veld en weiland, plant en dier, akkerbouw en veeteelt
+in een fantastisch gewaad. Het legt zijn oor te luisteren naar de
+geheimzinnigheden der levende en levenlooze natuur; en lichtelijk neemt
+het een plaatslijke tint aan, in overeenstemming met de landstreek,
+waar het vertoeft.
+
+1.
+
+
+ Holderdebolder
+ Liep over den zolder;
+ En zeven mansheeren
+ Die konden Holderdebolder niet keeren.
+
+
+(De donder).
+
+2.
+
+
+ Verre boven de drieschen
+ Hoorde ik een peerdeken brieschen;
+ Daar is noch wijf noch man,
+ Die dat peerdeken breidelen kan.
+
+
+(De donder.--België).
+
+3.
+
+
+ Mijn moeder kent een laken, dat kan zij niet vouwen,
+ Mijn vader kent een appel, dien kan hij niet schellen,
+ Mijn zuster kent kralen, die kan ze niet tellen.
+
+
+(Hemel, maan, sterren).
+
+Belgische vorm:
+
+
+ Laken, dat ge niet vouwen kunt,
+ Een appel, dien ge niet schellen kunt,
+ En geld, dat ge niet tellen kunt.
+
+
+4.
+
+
+ Tusschen hier en Romen
+ Staan zeven hooge boomen;
+ 't Zijn geen iepen, 't zijn geen esschen,
+ Je zult het niet raden, al was je met z'n zessen.
+
+
+(Het zevengesternte).
+
+5.
+
+
+ Achter in mijn vaders tuin,
+ Daar staat een boom met kralen,
+ En die die kralen tellen kan,
+ Die is de baas van allen.
+
+
+(De sterren).
+
+
+6.
+
+
+ Lapken, lapken,
+ Duizend lapken,
+ 't Is genaaid zonder naald of twijn,
+ 'k Geef u te raden, welk lapken dat zou zijn.
+
+
+(Een wolk.--Dendermonde).
+
+7.
+
+
+ Tusschen hemel en aard
+ Staat een lange groene gaard.
+ 't Zijn geene eiken, 't zijn geene esschen,
+ Je zult het niet raden, al waart je met zessen.
+
+
+(De regenboog.--Limburg).
+
+8.
+
+
+ Ons Lieve Vrouwken van Laken
+ Spreidt een wit laken
+ Op land en zand,
+ Maar niet op den waterkant.
+
+
+(De sneeuw.--Antwerpen).
+
+9.
+
+
+ Daar staat een juffrouw in de deur,
+ Met een witte schorldoek veur.
+ Hoe meer dat ze staat,
+ Hoe meer dat ze vergaat.
+
+
+(De sneeuw).
+
+10.
+
+
+ Eene planke
+ Van Godes danke;
+ Het en is noch hout noch eeke,
+ Noch eeke noch hout.
+ Als gij het kunt raden,
+ Geef ik u eene ton met goud.
+
+
+(Het ijs.--België).
+
+11.
+
+
+ Daar gaat een ding om het huis,
+ Dat kijkt door alle gaatjes.
+
+
+(De zon).
+
+12.
+
+
+ Rondom de meulen
+ Liepen twee pèretjes speulen.
+ Der is geen eenen ouwen man,
+ Die déé twee pèëren keeren kan.
+
+
+(De zon en de maan.--Zeeland).
+
+13.
+
+
+ Toen ik was jóng en schóon,
+ Droeg ík een bláuwe króon.
+ Toen ík was óud en stíjf,
+ Slóegen ze me óp het líjf.
+ Tóen ik wás genóeg gedrágen,
+ Wérd ik van prínsen en gráven gedrágen.
+
+
+(Het vlas).
+
+14.
+
+
+ Eerst zoo wit als vlas,
+ Dan zoo groen als gras,
+ Dan zoo rood als bloed,
+ En dan zoo zwart als roet.
+
+
+(De braambes).
+
+15.
+
+
+ Van binnen wit, van buiten zwart,
+ Drie ruggen en geen start.
+
+
+(De boekweitkorrel).
+
+16.
+
+
+ Der sit in jifferke yn 't grien,
+ Mei in mooi read rokje oan.
+ Als men ze knypt den skriemt se,
+ En dôch het se in stiennen hert.
+
+
+(De kers.--Friesland).
+
+17.
+
+
+ Daar staat een boom in 't Westen,
+ Met twee en vijftig nesten,
+ Ieder nest met zeven jongen,
+ Râ, wat namen zij ontvongen?
+
+
+(Het jaar).
+
+Talloos zijn de raadsels van het ei. Sommige vormen zijn bekend bij
+alle Germaansche stammen.
+
+Ons bekend rijmpje:
+
+18.
+
+
+ Hummeltje Tummeltje klom op den wagen,
+ Hummeltje Tummeltje viel van den wagen,
+ Daar is geen eene timmerman,
+ Die Hummeltje Tummeltje maken kan,
+
+
+waarvan een Vlaamsche lezing luidt:
+
+19.
+
+
+ Hippekentippeken op de bank,
+ Hippekentippeken onder de bank;
+ Daar is geen smid in Ingeland,
+ Die Hippekentippeken maken kan,
+
+
+vertoont in Brunswijk den vorm:
+
+
+ Hummelke Trummelke lag up'r bank,
+ Hummelke Trummelke feil von'r bank;
+ Et was kein doktor in'n gansen land,
+ De Hummelke Trummelke we'er mâken kann.
+
+
+In Engeland luidt het raadsel aldus:
+
+
+ Humpty Dumpty sate on a wall,
+ Humpty Dumpty had a great fall,
+ Three score men and three score more
+ Cannot place Humpty Dumpty as he was before.
+
+
+Bekend in geheel het zuidelijk volksgebied (dus ook b.v. in Hollandsch
+Limburg) is het eiraadsel:
+
+20.
+
+
+ Ik klopte al op een witte deur,
+ Daar kwam een bruine pater veur.
+
+
+Ruim verspreid is ook het raadsel van de Snijboonen, natuurlijk met
+de noodige varianten:
+
+
+21.
+
+
+ Achter in mijn vaders tuin
+ Daar staat een boom met groente;
+ Hier een boom, daar een boom,
+ Ieder boom een tak;
+ Hier een tak, daar een tak,
+ Ieder tak een nest;
+ Hier een nest, daar een nest,
+ Ieder nest een ei;
+ Hier een ei, daar een ei,
+ Ieder ei een zwart plek op 't gat;
+ Râ, râ, wat is dat?
+
+
+Ik kan niet nalaten nog op enkele waardevolle raadsels te wijzen,
+waarin zoo menige trek van dichterlijke natuurbeschouwing en gevoel
+voor het landschappelijk-schoone spreekt:
+
+22.
+
+
+ Oude, grijze, grauwe,
+ Staat alle nachten in de dauwe,
+ Heeft vleesch noch bloed
+ En is voor alle menschen goed.
+
+
+(De molen).
+
+23.
+
+
+ Er vloog een vogel snel
+ Al over de diepe del (de zee);
+ Hij droeg botten en beenen
+ En had er zelve geene.
+
+
+(Het schip).
+
+24.
+
+
+ Achter molens duun
+ Dèr leit in oud peerd bruun,
+ Zonder kop en zonder steert,
+ Al syn ribben leggen verkeerd.
+
+
+(Een omgeploegd stuk land.--Ameland).
+
+
+25.
+
+
+ Daar waren eens vier zustertjes,
+ Die klommen op hooge mutstertjes;
+ Daar waren eens vier broertjes,
+ Die klommen op hooge stoeltjes;
+ Ze naaiden zijden kapjes
+ Van honderd duizend lapjes,
+ Zonder naald en zonder twijn:
+ Je zult het niet raden, al ben je fijn.
+
+
+(De spin, die haar net maakt).
+
+26.
+
+
+ Er ging een mannetje door den dam
+ Met een fluweelen wammesje an.
+
+
+(De mol).
+
+Of ook:
+
+27.
+
+
+ Jan De Bruin
+ Zat in den tuin,
+ Hij had geen paard of ploeg,
+ En toch bouwde hij land genoeg.
+
+
+(De mol).
+
+28.
+
+
+ Daar is een ding
+ Dat pinkt
+ Dat knipt en winkt
+ En lacht en vinkt ...
+ 'k Zou alzoo wel willen pinken,
+ Knippen en winken
+ Lonken en vinken,
+ Gelijk dat ding
+ Dat pinkt
+ En knipt en winkt
+ En lonkt en vinkt.
+
+
+(Een Ster--Vlaanderen).
+
+
+29.
+
+
+ Daar gíng een mánnetje óver den díjk
+ Mét zijn óogjes kíjkerdekíjk,
+ Mét zijn háartjes krúlderdekrúl;
+ Je zúlt het niet ráden, al werd je dúl.
+
+
+(Het schaap).
+
+30.
+
+
+ Het is, waarin het water vloeit,
+ Het is, waarop de bloeme bloeit,
+ Het is, waarop bij dag en nacht
+ De moede mensch de rust verwacht,
+ Het is, gelijk men dikwijls zegt,
+ Van dat, waarin men dooden legt.
+
+
+(Het hout.--Land van Waas).
+
+Somtijds is de inkleeding van het raadsel dramatisch. Zoo vraagt de
+ketel aan het water, dat uit de pomp vloeit:
+
+31.
+
+
+ Dribbel drabbel dribbelgat,
+ Hwêr komst dou fen dinne?
+ --Ut de ierde,
+ Swart forbarnde tsjettelkop.
+
+
+(Friesland).
+
+Hoogst merkwaardig is het gesprek tusschen weide en beek, dat zeer
+oud is en wijd en zijd verspreid:
+
+32.
+
+
+ --Du kromme, du lange,
+ Van waar komde gegangen?
+ --Ei du met dijn geschoren gat,
+ Waarom vraagde mij dat?
+
+
+De Zeeuwsche vorm luidt:
+
+33.
+
+
+ --Joe kromme, joe slomme,
+ Wèr kom je van dèn gezwomme?
+ --Joe afgeschoren schietgat,
+ Wèrom verwiet je me dat?
+
+
+Men vergelijke hiermee het Brunswijksche:
+
+
+ --Lanke krummumme, wo wutte hen?
+ --Korte vorschorne, wo frägste nâ,
+ Kann mînen weg bî dâge un bî nacht finnen.
+
+
+2. De verhalende raadsels zijn somtijds zeer ingewikkeld. De oplossing
+omvat niet zelden een vrij groot aantal personen of zaken en raakt
+zelfs historische gebeurtenissen, veelal verhalen uit het Oude
+Testament. Zoo b.v.
+
+34.
+
+
+ De kist, die leefde,
+ Die er in zat, beefde;
+ De kist, die at,
+ Die er in zat,
+ Bad.
+
+
+(Jonas in den visch.--België).
+
+Ook het raadsel van de sneeuw, waarvan boven sprake was (bl. 87),
+is een verhalend raadsel: de sneeuw valt op een boomtak, smelt door
+de zonnewarmte en droppelt er van af.
+
+35.
+
+
+ In 't Land van Cadsant
+ Ging een man over zijn land
+ Met 'nen ginger,
+ Met 'nen springer,
+ Met 'nen hoepsasa;
+ Hij hield iets in zijn handen;
+ Hij ging al zoo zeere
+ Om zijn land te keeren.
+
+
+(Hij ging met een paard en een riek).
+
+36.
+
+
+ Hoop en vrees zat op den wagen:
+ Hij zag tweebeen vierbeen dragen.
+ Heeren raadt en zegt het mij,
+ Als ge 't niet raadt, dan ben ik vrij.
+
+
+Dit raadsel maakt op ons een vrij zonderlingen indruk. Maar het
+dagteekent uit oude tijden en past in het kader der raadselverhalen,
+waardoor misdadigers, ter dood veroordeeld, zich het leven konden
+redden door de rechters een raadsel op te geven, dat deze niet
+kunnen oplossen. Wij moeten hierbij in aanmerking nemen, dat voorheen
+hoogernstige menschen zich bezighielden met elkander raadsels op te
+geven. De raadsels behooren tot de groep van folktoristica die, bij
+het wijzigen van de tijden, van de ouderen tot de jongeren, en van
+de hoogere tot de lagere kringen zijn afgedaald. Dit bewijst niet,
+dat wij in de hedendaagsche raadsels den _detritus_, den afgesleten
+vorm hebben, maar dat de volkskunst uit ruimere kringen verbannen
+is. Zoo ging het met het Sint-Maartensvuur, met het luilak-gebruik
+enz. (vgl. I, bl. 104, 194). Bekend is de raadselwedstrijd tusschen
+Wolfram van Eschenbach en den toovenaar Klingsor; en eveneens de
+raadselstrijd van Odhin met koning Heidhrekr in de Oudnoorsche
+Edda. Deze lost b.v. het raadsel op, door Odhin, als Gestumblindi,
+hem gesteld: wie het paard is, dat ter vergadering rijdt, met drie
+oogen, tien voeten en één staart,--antwoordende, dat het Odhin op
+het achtpootige paard Sleipnir is (vgl. I, bl. 72).
+
+Bovenstaand raadsel nu werd aan de rechters opgegeven door een
+veroordeelde, die de belofte had weten te verkrijgen, dat hij zijn
+leven zou kunnen redden als hij een raadsel kon opgeven, dat de
+rechters niet vermochten op te lossen. De oplossing luidt: toen
+de misdadiger op een wagen naar de galg gevoerd werd, had hij een
+ooievaar zien vliegen met een kikvorsen in den snavel. Hij hoopte,
+dat niemand het mocht raden, en vreesde de terechtstelling. Somtijds
+is het ook de vrouw, de moeder of de dochter van den schuldige,
+die verzoekt het raadsel te mogen opgeven.
+
+Een raadselverhaal, dat nog leeft in West-Vlaanderen en in het
+Meetjesland, geldt een moeder, wier drie zoons soldaat moesten
+worden. De koning ontsloeg hen van den dienst, indien de moeder hem
+een raadsel wist op te geven, dat hij niet kon oplossen. Bij het
+ter kerk gaan vond zij in het doodenhuisje een doodshoofd liggen,
+waarin een musschennest met vijf jongen. Van daar dit raadsel:
+
+37.
+
+
+ Ik ging en ik kwam
+ Waar ik vijf levenden uit éenen doode nam;
+ Die vijf maakten mijn drij vrij;
+ Weet ge 't, zegt het mij.
+
+
+Een variant hiervan is het verhaal van de vrouw, die haar
+echtgenoot door een raadsel kan redden. Langs den weg vindt zij
+een paardenschedel, waarin spreeuwen nestelen. Op den bepaalden
+dag keert zij terug, neemt de vijf jongen uit het nest en geeft het
+raadselverhaal op:
+
+38.
+
+
+ Toen ik henenging en wederkwam,
+ Vijf levenden uit den doode nam,
+ De zesde maakte den zevende vrij,
+ Nu, heeren, raadt en zegt het mij.
+
+
+Wijd en zijd verspreid is ook het raadselverhaal met het motief,
+dat een man, tot den hongerdood veroordeeld, heimelijk door zijn
+dochter met de borst wordt gelaafd. Zoo stelt deze het raadsel:
+
+39.
+
+
+ Gezogen, gezogen,
+ Landsheeren bedrogen,
+ Kind geweest
+ En moeder geworden.
+
+
+Dit luidt in West-Brabant (Ternath en omstreken) aldus:
+
+40.
+
+
+ Heeren bedrogen,
+ Muren doorzogen,
+ Wiens kind ik ben,
+ Wiens moeder ik wierd.
+
+
+"Muren doorzogen", omdat hier de dochter haar vader door een buis in
+den muur met voedsel laafde.
+
+Tot de groep van raadselverhalen dienen ook gerekend te worden het
+overgroot aantal raadseltjes, waar personen of zaken naar het getal der
+beenen of pooten _tweebeen, driebeen_ enz. genoemd worden. Zoo b.v.:
+
+41.
+
+
+ Tweebeen zit op driebeen
+ En trekt aan vierbeen.
+
+
+(Het melkmeisje).
+
+42.
+
+
+ Tweebeen zat op driebeen,
+ Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten,
+ Toen nam tweebeen driebeen,
+ Om er vierbeen mee te smijten.
+
+
+(Een man pakt een drievoet om er een hond mee te smijten).
+
+3. De eigenlijke, direkt-vragende raadsels werden door Guido Gezelle
+_kwelvragen_ genoemd. Het zijn inderdaad kwelraadsels in zoo ver zij
+den gevraagde trachten te verschalken door hun algemeene bewoordingen,
+door hun listig bijgevoegde gedachten, hun afleiden van de aandacht,
+hun verrassende zinspelingen, hun opzettelijk maskeeren van den
+juisten klemtoon, hun dubbelzinnige woordopvatting.
+
+Tot de meest bekende behoort wel het raadseltje van Keizer Karels hond:
+
+43.
+
+
+ _K_eízer _K_árel _h_ád een _h_ónd,
+ _H_óe _h_éet _K_eízer _K_arels _h_ond?
+
+
+De naam van den hond was _Hoe_. Let hier vooral weer op het stafrijm
+en eveneens op de allitteratie. Als tweede versregel hoort men vaak:
+"Ik leg het woord al in uw mond", of iets dergelijks, Deze regel is
+stellig een bijvoegsel van jongeren datum.
+
+Vergelijk hiermee, wat betreft het antwoord in de vraag, het
+Achterhoeksche:
+
+44.
+
+
+ Krom omgebogen,
+ Vlecht door getogen (getrokken),
+ Wan ik jou 't zekg,
+ Zul ei 't niet roan.
+
+
+(De wan).
+
+Zeer bekend is nog het kattenraadsel:
+
+45.
+
+
+ Daar ging een mannetje over de brug,
+ Met zeven katten op zijn rug,
+ En ieder kat had zeven jongen,
+ Râ, râ, hoeveel pooten over de brug gongen?
+
+
+(Twee).
+
+Op de tweeduidigheid van het woord _heeten_ spekuleert het raadsel:
+
+46.
+
+
+ Koolwarmoes, die koud is
+ En drie dagen oud is,
+ Hoe heeten ze dat in Brabant?
+
+
+(Boven het vuur).
+
+Overoud is ook het volgende raadselrijmpje, waarbij de oude versmaat
+weer even onmisbaar is, als bij dat van Keizer Karels hond:
+
+47.
+
+
+ A'msterdám, die gróote stád,
+ Met hóeveel létters spélt men dát?
+
+
+(Met drie: d a t).
+
+Volgen nu nog eenige raadselvragen in denzelfden trant: 48. Waarom
+dragen de meeste boerinnen rooie kralen? (Om den hals).--49. Wat voor
+haar had Mozes' hond? (Hondenhaar).--50. Hoe is de eerste vloo over
+den Rijn gekomen? (Bruin).--51. Hoeveel eieren kon de reus Goliath
+nuchteren op? (Eén).--52. Wat weegt zwaarder, een pond veêren of een
+pond lood? (Even zwaar).--53. Wie gaat op zijn kop naar de kerk? (De
+spijkers in de schoenen).--54. Hoeveel krullen zijn er in een rechten
+varkensstaart? (Geen een).--55. Welke weg wordt niet begaan? (De
+melkweg).
+
+Meer spottend van aard, en dus eigenlijk behoorende tot de volksluim,
+zijn raadsels als deze: 56. Waarom knijpt de haan zijn oogen toe, als
+hij kraait? (Omdat hij zijn liedje van buiten kent).--57. Wie heeft de
+eer, den koning bij den neus te vatten? (De barbier).--58. Wie steekt
+er 's morgens het eerst zijn neus in de kerk? (De sleutel).--59. Hoe
+hiet Mozes, toen hij klein was? (Mozesje).--60. Wie zit tot over
+de ooren in de schuld? (Wie een slaapmuts draagt, die nog niet
+betaald is).
+
+Eindelijk, tot de letterraadsels behooren: 61. Wat staat er midden
+in den hemel? (De letter _m_). Zoo ook:
+
+62.
+
+
+ 't Is in de vrouw en niet in den man,
+ 't Is in 't bier en niet in de kan,
+ 't Is in 't koren en niet in de wan,
+ 't Is in Karel en niet in Jan;
+ Zeg mij wie dit raden kan.
+
+
+(De letter _r_).
+
+4. In de raadselsprookjes, ook bij ons in ruime mate bekend, huwt de
+koning veelal zijn dochter uit aan dengene, die bepaalde raadsels kan
+oplossen, of wel raadsels opgeeft, die niemand raden kan. In andere
+sprookjes komen raadsels ook buiten dit verband voor, zoo b.v. in het
+verhaal van den herdersknaap, die antwoord geeft op de drie vragen:
+"Hoeveel water is er in de zee? Hoeveel sterren staan er aan het
+uitspansel? Hoe hoog is de hemel? Geheel als raadsel op te vatten
+is een sprookje als het volgende, ons door Waling Dijkstra, Uit
+Friesland's Volksleven II, bl. 143 meegedeeld:
+
+Er was eens een meisje, dat vrijde met een ruiter. Zij wist niet, hoe
+die ruiter heette en evenmin, wie hij was. Eens op een avond kwam hij
+bij haar te paard, en vertelde haar, dat hij een mooi groot slot had,
+daar wilde hij haar heen brengen; maar het was heel ver weg. En toen
+nam hij haar bij zich op het paard en reed met haar weg, zeer ver,
+zeer ver, door den duisteren nacht, zoo snel, zoo snel, dat geen
+vogel zoo snel vliegen kon. En de ruiter zong:
+
+
+ Het maantje dat schijnt er zoo helder,
+ Het paardje dat loopt er zoo snelder,
+ Zoetliefje, zoetliefje, berouwt het je niet?
+
+
+Eindelijk kwamen zij aan het slot. En toen trouwden ze en hebben
+bruiloft gehouden. En het meisje is nooit weer bij haar vader en
+moeder teruggekomen.
+
+Raad eens, wat is dat?--
+
+Dat meisje had de tering en de ruiter was de dood.
+
+Zeer eigenaardig is het slot van vele raadsels. Soms klinkt het
+uitdagend: Je kunt het niet raden, al was je met je zessen,--in geen
+zeven jaar,--al ben je fijn,--al werdt je dol,--tot Baafmis,--tot
+Sinter Merten,--tot morgen noen. Andermaal wordt de oplosser geprezen:
+Als je het raadt, ben je bekwaam; en evenzoo wordt hij, die het op moet
+geven, gelaakt. Sommige raadsels zeggen den oplosser een belooning toe;
+wellicht berustte dit voorheen op werkelijkheid.
+
+Zie vooral de voortreffelijke voordracht van Dr. Boekenoogen, in de
+Handel. en Mededeel. van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde
+te Leiden, 1900-1901, bl. 36, waaraan ik menig raadsel en menige
+beschouwing ontleende; en A. Joos, Raadsels van het Vlaamsche Volk
+(Gent 1885), mijn hoofdbron voor de Zuidnederlandsche raadsels. Verder
+Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 257; A. De Cock, Volkskunde
+XVII, bl. 25, XVIII, bl. 45; Schoonjans, Volkskunde XXII, bl. 85 vlg.
+
+Zijn de raadsels meer uitingen van het gevoelsleven, in de
+_spreekwoorden_ van een volk openbaart zich vooral de volkswijsheid
+en praktische levenservaring in beknopten, ja gedrongen vorm: het
+spreekwoord is de bijzondere vorm, waarin het volk inkleedt zijn
+waarnemingen en ondervindingen op ethisch gebied, de uitkomst van
+zijn denken, de slotsom van zijn waarneming in een bijzonder geval.
+
+De man-uit-het-volk houdt van dubbelzinnigheid in zijn raadsels,
+maar niet in zijn spreekwoorden en zegswijzen, al vertoonen die vaak
+een emphatisch karakter. Hij noemt de dingen bij hun naam, en ook
+preutschheid ligt hem verre. Zoo is heden ten dage het spreekwoord,
+en zoo was het in de hooge oudheid en bij alle volken. Het behoort,
+wij zagen het reeds, tot de eigenaardige vormen, waarin de spreektaal
+zich vertoont. Voor een groot deel zijn de spreekwoorden gemeen-goed
+van het geheele menschdom. Het zijn "gevleugelde woorden", die, hebben
+zij eenmaal de omheining der tanden overschreden, vrij en onbelemmerd
+rondfladderen, de karavanen begeleiden op hun tochten, neerstrijken
+op de masten der snelzeilende en snellerstoomende schepen, landen en
+zeeën doorkruisen in alle richtingen. Vele Nederlandsche spreekwoorden
+zullen wij dan ook elders weervinden, en deze overeenkomst zal dan
+weer berusten hetzij op historischen, hetzij op algemeen-menschelijken
+grondslag. Laat ik hier slechts wijzen op het verdienstelijke boek
+van Dr. W. Suringar, Erasmus over Nederlandsche spreekwoorden en
+spreekwoordelijke uitdrukkingen van zijnen tijd (Utrecht 1873); de
+verhouding van Nederlandsche spreekwoorden tot Grieksche en Latijnsche
+springt er duidelijk in het oog.
+
+Toch bewaart het spreekwoord steeds frischheid en jonge, opgewekte
+levenskracht. Want het loopt van mond tot mond en wordt telkens
+verjongd, ja telkens opnieuw geboren, of legt althans een ander gewaad
+aan, bont en druk in het Zuiden, sober en stemmig in het Noorden,
+steeds overeenkomstig den aard, het karakter, de levensverhouding,
+de sociale groepeering der taal- en kultuurgemeenschap. Het krijgt een
+lokale kleur en kleurt weer de taal van den spreker op overeenkomstige
+wijze. Het spreekwoord is een kunstvorm van de taal van den gemeenen
+man--, en als zoodanig wensch ik het hier met enkele woorden te
+behandelen.
+
+Natuurlijk kan te dezer plaatse van een verzameling van spreekwoorden
+in de verste verte geen sprake zijn. Noch Tuinman's, noch Harrebomé's
+spreekwoordenboek, noch Stoett's magistrale verzameling wensch ik te
+overtroeven. Slechts zou ik aan enkele voorbeelden duidelijk willen
+maken, hoe zich het volkskarakter in spreekwoorden uit, tevens, voor
+zoover mogelijk, rekening houdende met hun socialen oorsprong, d.i. met
+het sociale milieu, de sociale groep, waaruit zij zijn opgegroeid.
+
+Aanschouwelijkheid kunnen wij niet als karakteristiek kenmerk van
+het Nederlandsche spreekwoord laten gelden. Formuleeringen als:
+"beter éen vogel in de hand, dan tien in de lucht" vindt men
+ook elders in menigte. Ook het stafrijm, als in "kap en kogel
+(kat en kogel) verliezen", "met bed en bult vertrekken" enz.,
+is algemeen-Germaansch en aan vele andere volken niet vreemd; men
+denke b.v. aan het Latijnsche _cras credo_, of _sanus salvus_, dat
+in het Fransch _sain et sauf_ werd. Alleen mag men beweren, dat de
+allitteratie in onze spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen
+nog welig en met onverzwakte groeikracht voorttiert. Dit geldt ook voor
+de assonantie en het rijm: zij staan in gunste, en verschalken ons,
+als wij den waren zin van een spreekwoord trachten te achterhalen. Zoo
+berust de uitdrukking "zooals het _reilt_ en _zeilt_" (of "treilt en
+zeilt", Zuidnederl. "reist en zeilt") op een rijmloos: "zooals het
+_rijdt_ en _zeilt_", d.i. zooals het schip voor anker ligt ("rijdt")
+en zooals het zeilt; zie Stoett, Spreekwoorden no. 1646. De symmetrie
+in onze spreekwoorden, het streven om beide zindeelen aan elkaar
+gelijk te maken, als: "wat niet weet, wat niet deert",--"komt tijd,
+komt raad", is wellicht een flauwe herinnering aan den bouw der beide
+Oudgermaansche halfverzen. Over deze en andere eigenheden zie vooral
+Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3, bl. 159 vlg.
+
+Voorbeelden van deze en dergelijke ongekunstelde kunstvormen in
+onze volksuitdrukkingen en spreekwoorden zijn in groote getale
+bijeengebracht door A. Joos in zijn keurig boekje: Schatten uit de
+Volkstaal (Gent 1887). Aan het Tweede Deel, dat de "Gepaarde woorden
+of wederwoorden" bevat, ontleen ik het volgende.
+
+Stafrijmen. Bakken en boteren (druk bezig zijn).--Biezen en
+bijzen.--Hij is begraven zonder bimmen of bommen.--Blikken noch
+blozen.--Boe noch ba zeggen.--Buigen of bersten.--Vóor dag en
+dauw.--Door dik en dun.--Ditje's en datje's.--Van alles dubbel en dik
+hebben.--Dit is maar een gapen en gieten (gemakkelijk).--Gibberen
+en gabberen (zonder reden lachen). --Groen en geel.--Daar zal
+hen noch haan over kraaien.--Hij kwam hink en honkel aan (stijf
+of krom).--Hij wil hot noch haar (ongewillig, aan de voermanstaai
+ontleend).--Kant en klaar.--Hij gaat naar kerk noch kluis.--Kijven
+en krakeelen.--Kind noch kraai hebben.--Iemand buiten de deur zetten
+met kisten en kasten.--Klitsen en kletsen (met de zweep).--Klodderen
+en kladderen.--Spreken over koetjes en kalfjes.--Kort en klein
+slaan.--Voor kost en kleeren zorgen.--Kris en kras.--Iemand van lap en
+leer geven (een pak slaag).--Lief en leed.--Listen en lagen.--Lonken
+en liefoogen.--Lui en lekker.--Vergaan met man en muis.--Perk en paal
+stellen.--Van Pontius naar Pilatus sturen.--Met potten en pannen.--In
+rep en roer.--Rijden en rotsen.--Schade en schande.--Schobben en
+schooien.--Slag om slinger vechten (hevig).--Dat gaat zonder slag
+of stoot.--Sloffen en sleffen (al slepende gaan).--Stijf en stom
+staan.--Taal noch teeken geven.--Vast en veilig.--Iemand nijpen
+tusschen vel en vleesch (bedektelijk berispen).--Visch noch vleesch
+zijn.--Het is altijd vuur en vlam.--Vrij en vrank.--Wankelen en
+weifelen.--Hij gaat door weêr en wind.--Hij weet van wijken noch
+wankelen.--In zulke handen wint en woekert het geld (groeit het
+aan).--Wisjes en wasjes.--Zuur en zoet.--Zuchten en zagen (ontevreden
+zijn).--Zwieren en zwaaien.--Zwoegen en zweeten.
+
+Eindrijmen. Blikken en flikkeren.--Bobbels en knobbels.--Brassen en
+plassen.--Dringen en wringen.--Drinken en klinken.--Hij kan gaan noch
+staan.--Garen en sparen.--Gedrang en geprang.--Gelapt en getapt, gelapt
+en getrapt (gansch versleten).--Met geld en geweld.--In geur en fleur
+staan.--God noch gebod ontzien.--Goed en bloed geven.--Hij komt aan
+zijn kost met habben en krabben (moeilijk).--In handel en wandel.--Zich
+verdedigen met hand en tand.--Daar bleef helder noch pelder of spelder
+over (niets).--Tegen heug en meug.--Van hoeten noch toeten weten.--Hoog
+en droog zitten.--Hotst het niet, dan botst het.--Hou en trouw.--Huis
+noch kluis hebben.-- Jan en alleman.--Kikken noch mikken.--Zich kunnen
+kleeden en reeden.--Knotteren en stotteren (lastig zijn).--Krinkelen
+en winkelen (bochten maken).--Land en zand koopen (rijk worden).--'t
+Is alles krank en mank.--Mikken en prikken, totdat ze gaan vliegen
+(de gelegenheid laten voorbij gaan).--Iets van naadje tot draadje
+uitleggen.--Naam en faam verliezen.--Met pak en zak vertrekken.--Met
+raad en daad iemand bijstaan.--Rapen en schrapen (gierig zijn).--Rooken
+en smoken.--Wij hoorden ruit noch muit (niets).--Schot noch lot betalen
+(niets).--Schrijven en wrijven.--Smeren en teren (smullen).--Stank voor
+dank.--'t Vriest steen en been.--Steen en been klagen.--Loopen langs
+stegen en wegen.--Met tijd en vlijt.--Vrij en blij.--De zaak zooals
+zij waait en draait.--Wasschen en plassen.--Wroegen en zwoegen (hard
+werken).--Daar blijft geen zierken of geen spierken meer over.--Altijd
+zot of bot zijn.--Zwieren en tieren.
+
+Halve rijmen. Dag en nacht werken.--'t Zijn al eindjes en tuitjes
+(stukjes en brokjes).--Ergens gewonnen, geboren en getogen zijn.--'t Is
+met den zieke halen en dragen (nu wat beter, dan wat slechter).--Iets
+volhouden bij hoog en bij laag.--Jokken en gekken.--Iets opeten met
+ooren en pooten (vgl. het allitteerende "met huid en haar").--Met
+stukken en brokken.--Tusschen waken en slapen.
+
+Rijmlooze weder woorden. 't Is uit en amen.--Iets voor een appel
+en een ei verkoopen.--Baas en meester zijn.--Iets achter banken
+en stoelen steken.--Begekken en bespotten.--Over berg en dal.--Op
+dag en uur.--Door deur en venster slaat de rook naar buiten.--Na
+lang dingen en bieden.--Iemands doen en laten kennen.--Hij is
+al lang dood en begraven.--Eenzaam en verlaten.--Eer en faam
+verliezen.--Hij wil noch eggen noch aarden (is ongewillig).--Door
+eksters en kraaien uitgescholden worden.--Eten en smullen.--'t Is
+gedurig gaan en komen.--Iemand bedreigen met galg en rad.--Gelaarsd
+en gespoord.--'t Moet altijd gelepeld en geboterd zijn (gepast).--Bij
+leven en welzijn.--Iemand kennen van haar tot pluim.--Vol haat en
+nijd zijn.--Daar zijn haken en oogen aan.--Hals over kop.--Met handen
+en voeten.--Have en goed.--Hij geeft om hel noch duivel.--Een leven,
+dat hooren en zien vergaat.--Een man van ijzer en staal.--Als kat en
+hond zijn.--Men moet kiezen of deelen.--Met koets en paard.--Het heeft
+kop noch staart.--Met kousen en schoenen in den hemel komen.--Lachen
+en boerten.--Iets wagen op leven en dood.--Mager en gezond.--Iemand
+man en paard noemen.--Bedorven in merg en been.--Moord en brand
+roepen.--Bij nacht en ontij.--Oud en wijs genoeg zijn.--Tusschen
+pot en glas spant de duivel zijn netten.--Proper en net.--Rust noch
+duur hebben.--Iemand snap en beet geven (bits antwoorden).--Slaven en
+wroeten.--Stellig en vast.--Vergaan tot stof en asch.--Loopen langs
+straten en wegen.--Op tijd en uur.--Verhuizen met tafel en bed.--Van
+toeten noch blazen weten.--Vast en zeker.--Met vedel en fluit.--Van
+iemands vleesch en bloed zijn.--Vloeken en zweren.--Vrede en peis (peis
+en vree).--Bij weêr en ontij.--Iets doen uit wrok en nijd.--Zang en
+dans, zang en spel.--Iemand niet kunnen zien of luchten (niet kunnen
+uitstaan). --Zonde en jammer.
+
+Tot de algemeene faktoren, die invloed op den spreekwoordenschat van
+ons volk hebben uitgeoefend, behoort zeer stellig het bijbellezen;
+ik noem slechts: "waar het hart van vol is, loopt de mond van
+over";--"die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in" enz.,
+zie b.v. Dr. E. Laürillard, Opgave en toelichting van spreuken en
+gezegden in de volkstaal aan den Bijbel ontleend (Amsterdam 1875), en
+C. F. Zeeman, Nederlandsche Spreekwoorden, spreekwijzen, benamingen
+en volksuitdrukkingen aan den Bijbel ontleend (Dordrecht 1877). Ook
+de invloed van Vader Cats is niet te onderschatten. Maar voor ons
+meer van belang dan het ontleende is het oorspronkelijke, meer dan
+het vreemde, het litteraire en kunstmatige, is het karakteristieke:
+wij bevinden, dat onze volksspreekwoorden en uitdrukkingen worden
+gekenmerkt door de eigenaardigheden van Frieschen, Saksischen en
+Frankischen volksaard, door vaderlandsche beroepen en bedrijven,
+door klimaat en gesteldheid van den bodem, door sociale invloeden van
+allerlei aard. Over het algemeen komt tot uiting een groote mate van
+praktisch-nuchter overleg, gepaard aan gulle trouwhartigheid.
+
+Bij de Saksers met hun gesloten halle-huis weerspiegelt zich vooral
+het berekende en terughoudende in de gangbare spreekwijzen van het
+gewest. Ik geef enkele voorbeelden uit Twente:
+
+'t Mot nen grooten sprekkert wezen, diê 't nen zwiêgert verbettert.
+
+In der tiêd, dat zich nen wiêsen bedenkt, kan zich ok nen gek bedenken.
+
+Met fiêne leu en stofreggen, door woj met bedroggen.
+
+Aj 'n ekster uutstuurt, krie 'j 'n bonte vogel weer in huus.
+
+Aj 't gat oetleent, möj oet de ribben schiêten (al te goed is
+buurmans gek).
+
+Leer um leer, kulst doe mîj, ikke dîj weer!
+
+Ai-j twee slimmen in de wan doot, komp ter altied wal een slimmen
+boaven. Vgl. Driem. Bladen III, bl. 48; IV, bl. 127, V, bl, 65.
+
+Maar ook, hoeveel innigheid en poëzie schuilt niet om den huiselijken
+haard onder het reuzendak van het halle-huis! Of is zij niet bij
+uitstek dichterlijk de uitdrukking, die men in Twente bezigt voor
+"als het wintert": "as de witte bijen vleegt?" Dit karakteristieke
+hallehuis vinden wij met al zijn onderdeden in de spreekwoorden weer.
+
+Het dak: Doar is te völ dak op 't hoes (er zijn te veel luisteraars).
+
+De onderschuur: Wisse bis doe baas--in 't onderschoer as de hond er
+nig is (Denekamp).
+
+De hilde (zoldering boven den koestal): Asset eenmoal op de gaffele
+hef, krigget ok wol op de hilde.
+
+De haard: Ieder raakt de assche op ziênen kooken.--Den 't vuur schelt
+(mankeert), zoch 't in de assche.--An de pan sloan, dat 'n kettel
+der van rapt (grootspreken, ook wel lasteren).
+
+De gemoedelijke Graafschapper denkt bepaaldelijk aan het ekonomische
+voordeel, dat zijn haard met de ruime schouw hem biedt. Een voorn
+uitwerpen om een kabeljauw te vangen heet bij hem: "met een metwo(r)st
+noa een ziêje spek gooien." Het gelag betalen is "het haal schoeren."
+
+Men lette voorts op de groote rol, die de huisdieren spelen in het
+Saksische spreekwoord:
+
+Wat hes door? "Niks." Door kans de kat met doodvoeren.
+
+Der um hen drêjen as de kat um 'n gleuinigen pap.
+
+Ai-j de kat op 't spek bindt, dan wil het 't nich vretten.
+
+Alles moêst, wat van katten komp.
+
+Van 't hondengeleuve wezzen.
+
+'t Geet um as 't hondebiêten (op beurt).
+
+Zoo drok, as de hond, di zeuven tellers te likken hef.
+
+Armeleu ossen en riekeleu kinder bint vroo groot.
+
+Nauwverwant zijn de Drentsche en Groninger spreekwoorden. Wat Drente
+betreft, "eerst bijna ontoegankelijk, later opzettelijk buitengesloten,
+lang op zich zelf aangewezen", hier hebben uiteraard tal van oude
+zegswijzen het leven kunnen rekken; zie Dr. J. Bergsma, Woordenboek
+bevattende Drentsche woorden en spreekwijzen (Groningen 1906) I,
+_passim_, en voorts Drentsche Volksalman. 1839, bl. 185, 207 vlg. Veel
+poëzie mag men bij de stroeve bevolking der Drentsche veendorpen
+niet verwachten. Van iemand, die een blauwe scheen kreeg, heet het:
+"hij heeft het achterhek mede gekregen";--iemand in gevaar brengen:
+"iemand het vuur op de hilde beuten";--wie wil geven, maar liefst
+het geld in den zak houden: "hij wil poesten en houden het meel
+in den mond"; volgens schriftelijke mededeeling van zeer geachte
+zijde zou dit echter moeten zijn: "poesten en houden het meel in
+den _zak_". Beteekenis: hij wil wel varkens houden, doch geen meel
+verbruiken; hij wil bij kleine hoeveelheden uit den meelzak nemen, er
+uit _poesten_ of met den mond blazen, zóo weinig, dat de inhoud van den
+zak niet vermindert. Het gezegde betreft gierigaards.--De een is nog
+minder dan de ander vertolkt de Drentenaar: "huis is karnemelks borge"
+(echter ook Veluwsch: Geldersche Volksalman. 1879, bl. 175). Typisch
+is vooral de zegswijze voor het begrip _sterven_: "de vork neerleggen".
+
+Uit een eigenaardigen trek, dien wij ontmoetten in de Drentsche
+volksgebruiken, b.v. te Weerdinge, Emmen, Meppel en Hoogeveen, bleek,
+hoezeer de bijenteelt in die streken in eere staat (I, bl. 293,
+294). Dit getuigt ook het spreekwoord. Hoe meer voorspoed, hoe meer
+onwilligheid, kleedt men gaarne in dezen vorm: "hoe meer de iemen
+winnen, hoe heiliger zij binnen";--hoe meer werk, hoe meer verdienste,
+luidt: "hoe meer werk, hoe meer honig";--wie wil verdienen, moet
+vaak het zure voor lief nemen: "die honig wil likken, moet lijden,
+dat de bijen hem steken".
+
+Bij de Groninger spreekwoorden en zegswijzen ontwaren wij vooral
+een gezond en typeerend realisme. "As-te Grönnegers 't lief vol
+(h)ebb'n, goan ze vot", klinkt wel wat erg prozaïsch. Maar ook
+ethisch-hoogerstaande spreekwijzen zijn niet zeldzaam, als: "'t is
+nou oart, moar 't zal wel voart wor'n", gezegd van iemand, die in
+overmoed, uit overvloed geboren, versmaadt wat hij later zal moeten
+missen. Kerngezond van geest en taal, en gehard van lijf en leden, zóo
+zijn de echte Grönnegers: "frisch weer zegg'n ze nog, al klappertann'n
+ze van koalle". Vgl. Driem. Bladen VI, bl. 118.
+
+Het besliste, vastberadene, stugge Friesche karakter uit zich in den
+stelligen, gedrongen vorm der Friesche spreekwoorden. Ook vindt het
+zeemanswezen zijn weerklank.
+
+Der iz modder oonne kloet (als de kloet veel gebruikt wordt, valt
+heel wat schoon te maken, dus: hier valt heel wat zuiver te maken. Ook
+wel gebruikt, als een jongen een meisje met geld trouwt).
+
+Teecken je dij kaets (aan het kaatsspel ontleend: onthoud dit wèl).
+
+It is better te sparjen mei brea (brood), as sonder brea.
+
+Hij makket schien fjild (hij maakt het veld schoon, verkoopt ontijdig,
+is een verkwister).
+
+It giet oer koarren in klampen (het gaat alle maten te buiten,
+eigenlijk gezegd van het water, dat bij storm langs vele wegen het
+schip binnendringt).
+
+Hâd je mar dom, den bin je frij fen pompen.
+
+Dij het ien swiere boppelest (hij zeilt met een te zwaren bovenlast;
+wordt ook gezegd van iemand, die beschonken, die "topzwaar" is).
+
+Az de schippers sijllen, schôftjen se neat.
+
+Al tijden isser op sijn afterschip (hij komt altijd te laat).
+
+Aade tiercken (kerken) habbe tioestre glesfinsteren.--
+
+Typisch om hun gedrongen kortheid zijn nog:
+
+Quaelck won, quaelck spon (kwalijk gewonnen, kwalijk gesponnen).
+
+Aad jold, aad hea, aad brae stiet ien wol to stae (oud goud, hooi,
+brood komt iemand wel te stade).
+
+It hea op, in de kou dea (het hooi op en de koe dood, d.i. als de
+man sterft, is zijn goed opgeteerd).
+
+Hij kin doeke noch swimme (hij kan duiken noch zwemmen, weet zich
+niet aan te passen, is maatschappelijk onbruikbaar).
+
+Sa scheper, sa hoen (zoo schaapherder, zoo hond).
+
+Hoe meer wij nu de zee naderen, westwaarts, in de richting van onze
+Hollandsche en Zeeuwsche laaglanden, waar het Friesch element zoo
+duidelijk valt waar te nemen, hoe meer de taal het afgepaste en stugge
+karakter verliest, hoe soepeler en smijdiger zij wordt in klank en
+uitdrukking. En toch waait ons krachtiger de frissche zeewind tegen
+en vindt het zeewezen een ruimer vertegenwoordiging. De volkstaal
+krijgt hier veeleer den stempel van eenigszins ruwe hartelijkheid,
+als van zeelieden, die den voet aan wal zetten; maar zij blijft
+frank en vrij, zonder slinkschheid en kronkelwegen, lijnrecht als
+de slooten en kanalen, die de polders talloos doorsnijden. De
+spreekwoorden der kultuurtaal zijn doorgaans van Hollandsche
+afkomst en het loont de moeite zich te overtuigen van den invloed,
+dien water en scheepvaart op onze spreekwoorden en zegswijzen
+hebben uitgeoefend. Moge een ander oordeelen, dat men het ijzer
+moet smeden, als het heet is, de Hollander beweert, dat "men moet
+zeilen, terwijl de wind dient." Maakt iemand veel verteringen, dan
+"haalt hij zijn zeil in top"; versukkelt hij zijn tijd, dan "gaat hij
+met de laatste schepen onder zeil"; inslapen is "onder zeil gaan";
+toornig opstuiven "met opgestoken zeilen komen aanzetten"; bedaren is
+"het zeil inbinden"; en verder:"stijf onder zeil zijn";--"achteruit
+zeilen";--"klein zeil voeren";--"zeil op iets maken";-- "een oog
+in 't zeil houden";--"alle zeilen bijzetten";--"iemand in de zijde
+zeilen";--"met een nat zeil loopen";--"langs den wal zeilen";--"met
+zeilen voor den mast liggen";--"bakzeil halen";--"in iemands zeilen
+waaien." Ook bij huwelijksbeschouwingen speelt het zeil een voorname
+rol. "Een vrouwenhaar trekt meer dan een marszeil," meent men; en
+wil het geval, dat een vrouw voor een man niet past, dan luidt de
+uitspraak: "dat is geen zeil voor dat schip."
+
+Laat ik nog enkele scheepstermen en zegswijzen in herinnering
+brengen. "Iemand aanklampen";--"iemand afschepen, aftakelen,
+van bakboord naar stuurboord zenden";--"iemand aan boord klampen,
+op sleeptouw nemen, in 't vaarwater zitten, een steek onder water
+geven";--"het anker lichten, laten vallen";--"roeien met de riemen, die
+men heeft";--"tegen den stroom oproeien"; --"in het riet sturen";--"met
+de nachtschuit komen";--"leelijke streken op zijn kompas hebben";--"aan
+het roer zitten";--"de vlag strijken";--"bijdraaien";--"de huik naar
+den wind hangen";--"voor de haaien zijn";--"naar wal sturen";--"kant
+noch wal raken";--"aan lager wal zijn";--"de beste stuurlui staan
+aan wal";--"oude schepen blijven aan land";--"uitkaaien"; --"iemand
+aan den dijk zetten";--"op 't droge zitten."
+
+Luide spreekt ook het visschersbedrijf. "Visschen, terwijl het water
+blond is";--"een schelvisch uitwerpen, om een kabeljauw te vangen";
+--"een visch (snoek) vangen";--"visch moet zwemmen"; --"geen vin
+verroeren";--"in troebel water is het goed visschen"; --"glad als
+een aal";--"iemand aan zijn angel krijgen";-- "geld (boter) bij de
+visch";--"aan den haak slaan";--"achter het net visschen"--"het neusje
+van den zalm."
+
+Maar wie het Hollandsche landschap kent met zijn eindelooze, malsche
+weidevlakten, zijn slooten, zijn knotwilgen, zijn windmolens, zijn
+prachtig vee, begrijpt, dat nog andere tonen in de spreekwoorden der
+bevolking tot uiting moeten komen.
+
+Op den heerlijken wintertijd met zijn nationaal ijsvermaak wijzen
+uitdrukkingen als: "het ijs breken";--"zich op glad ijs wagen";-- "op
+oud ijs vriest het licht";--"over ijs van éen nacht gaan";-- "beslagen
+ten ijs komen";--"een scheeve (rare) schaats rijden". Betrekking op den
+veestapel hebben: "de koe bij de horens vatten";-- "de koetjes loopen
+in mijn weiden";--"zijn koetjes op het droge hebben";--"over koetjes en
+kalfjes praten";--"als de kalveren op het ijs dansen";--"oude koeien
+uit den sloot halen". Belangrijk is vooral de zegswijze "veel koeien,
+veel moeien", niet slechts, omdat hier _moeien_ bewaard is gebleven,
+het meervoud van _moeie_ "moeite", vergelijk het Hoogduitsche _Mühe_,
+maar meer nog, dewijl het vermogen in rijkdom aan vee berekend wordt.
+
+Holland is ook het land van de windmolens: "dat is wind op
+zijn molen";--"de molen is door den vang" (de zaken loopen
+verkeerd);--"hij heeft een slag van den molen weg (beet)";--
+"hij loopt met molentjes". Maar Holland is vooral het waterland,
+"door den mensch ontwoekerd aan de zee", schrijft bewonderend Edmondo
+de Amicis, "een kunstland, door de Hollanders gewrocht, in stand
+blijvend, omdat de Hollanders het behoeden, verdwijnend, wanneer de
+Hollanders het prijs gaven". Bevat het spreekwoord "die 't water deert,
+die 't water keert" niet heel wat volkswijsheid en historie? Hier
+wordt het Hollandsche volk geteekend in zijn strijd met het vochtige
+element. Oudtijds moest, luidens dit spreekwoord, zich ieder tegen
+het water verdedigen, zoo goed hij kon. Het water te keeren, was aan
+ieders initiatief overgelaten, en niet zelden liepen de afzonderlijke
+belangen uiteen: het was de periode van het partikularisme. Maar de
+kracht van den enkeling bleek aldra onvoldoende tegen het geweld van
+storm en vloed. De noodzakelijkheid, bij gemeenschappelijk gevaar het
+water terug te dringen of af te leiden, eischte onverbiddelijk vele
+handen, ja eischte gemeenschappelijk handelen en deed de persoonlijke
+belangen terugwijken. Aldus leerden onze voorouders met kracht,
+uit eendracht geboren, te handhaven het erfdeel hunner vaderen.--Wat
+zal nu in verband met deze ontwikkelingsgeschiedenis de beteekenis
+zijn van dat andere spreekwoord "Gods water over Gods land (akker)
+laten loopen"? De oorspronkelijke zin kan m.i. niet zijn een laf en
+lijdelijk toezien, maar, na volbrachten plicht, kalme berusting in
+Gods wil. En vooraleer het Nederlandsche volk die vrome, niet-loome
+berusting verliest, kan er nog heel wat water door den Rijn, de Waal,
+de Maas, de Schelde loopen.
+
+Het water leerde ons volk arbeidzaamheid en zindelijkheid tevens;
+immers het steeds en aldoor weer schuren van huisraad en ander
+koper- en ijzerwerk vindt zijn oorzaak in de vochtigheid van het
+klimaat. Arbeidzaamheid en zindelijkheid zijn een tweeling-karaktertrek
+onzer natie, een trek, die zijn oorzaak vindt in het vochtige
+element en zoo voortreffelijk, kort en krachtig, belichaamd wordt in
+het spreekwoord, dat wij het Hollandsche zouden willen noemen bij
+uitstek: Rust Roest.--En mag ik voor Zeeland in het bijzonder nog
+eens herinneren aan het wèlverdiende: "goed rond, goed Zeeuwsch?"
+
+Bij de zuidelijke Franken, in Brabant, Limburg, de Lijmers, de
+Overbetuwe, het Land van Maas en Waal en het grootste deel van
+België, wordt de spreekwijze losser en levendiger, vertoont zij meer
+sprankelend vernuft en humor, meer kleur en poëzie. Wij trekken ons
+nu van de zee terug en gaan door het wuivende graan en de geurende
+boekweitvelden, langs de blonde oevers van Maas en Schelde, of door het
+zonnige, lachende heuvelland langs moeizame kronkelpaadjes, of over
+de eindelooze, golvende Brabantsche wegen. Wellicht ontmoeten wij op
+onze wandeling een vroolijke verhuispartij, of een bruiloftsstoet
+met vedel en trom, of zijn wij getuigen van den fieren uittocht
+eener zelfbewuste schuttersgilde naar het feestterrein, of mogen wij
+aanzitten aan een welvoorzienen kermisdisch. Want gulle gastvrijheid
+viert hier hoogtij, en evenzeer gulle vroolijkheid, ja uitgelatenheid,
+terwijl jolige scherts de overvloedige gerechten rijkelijk kruidt.
+
+Hoe spiegelt zich dit drukke, landelijke, feestelijke leven in
+spreekwoorden en zegswijzen:
+
+Alles op tiêd en bookeskook (boekweitkoek) in den herfs. [18]
+
+Hê it, dette zweit, en hê werk, dette kald wuurd.
+
+Hê hêt de paplêpel weggelag (is gestorven).
+
+Wie doller gebrouwe, wie bêter beer (hoe lichter men de zaak opvat,
+des te meer valt zij mee).
+
+Den bessem oêtstêke (zie I, bl. 276).
+
+Beer van Paters vêtje.
+
+Beer op melk verhaampt zich neet (verdraagt zich niet).
+
+Op de foekepot speule (lawaai maken, zie I, bl. 142, 157).
+
+Geine gek van Sint Merte make (niet overdrijven, heeft betrekking op
+het Sint Maartensfeest).
+
+Hê is good gelaaie (heeft veel gedronken).
+
+Det geit door 't getuug hêr (gaat te ver).
+
+Hê is van naat holt gemak, van de nate gemeinte, lös (lust) zie naat.
+
+_B_otermelk is _b_oere-medesien.
+
+Van eine _k_ale _k_ermis toês kome.
+
+Achterum is 't kermis.
+
+Achter mienen rök is 't kermis.
+
+Lache wie (as) 'ne kermishond.
+
+Zoeë zinge ze neet, as ze van Kêvelêr kome.
+
+Gein schutterie zonder keuning.
+
+Drij moal keuning is keizers rech.
+
+Koeël is good ête, maar dan mot 't verke der door loupe.
+
+Land bemiste lieët zich neet foppe.
+
+Lekker is gouw de kêl aaf.
+
+Eine lintworm in 't liêf hebbe.
+
+Melk is beer veur de jonge, beer is melk veur de alde.
+
+Ik bin 't meug (moe) wie kalde pap.
+
+Moos is geine spekkóok.
+
+'t Zoeë drök hebbe as de pan mit Vasteloavend.
+
+Ein ploog (ploeg), die werk, roes neet.
+
+De ploogestert stik (steekt) um door de boks oêt.
+
+'t Geit um zoeë dun as pompwater.
+
+Hê lieët reube good moos zien.
+
+Hê hêt 't spek hoeëg hange.
+
+Det is zoovuël as 'n vleeg in 'nen brouwkêtel.
+
+Eine mnd hebbe as 'n woafelpan.
+
+Zoolang de vogel op de mas (mast, schietboom) steit, maag me der
+noa scheete.
+
+Pêrstand (paardentand) en vrouwehand mote noeëts stil stoan.
+
+Einen in de wan kriege, mit eine wanne (met iemand sollen).
+
+Van ei joar mot me de ploog neet aan de wand hange (als 't een
+jaar tegenvalt, moet men nog niet moedeloos worden).
+
+Zoeë zak, zoeë zoatgood (zoo ouders, zoo kinderen).
+
+Waat m'n aan 't verke voort, krieg m'n aan 't spek truuk.
+
+Alles vergeit, behalve de koestert, dê blief altiêd achter.
+
+Geliêk vieë lek zich gêr.
+
+Now is de bok vet!
+
+Det is gei klein beer (dat is geen smaldoek).
+
+Ermeluus pannekeuk en riekeluus krengde (ziekte) ruuk me wiêd.
+
+Eine vildershond, ein halversdochter (pachtersdochter), en ei
+meulepêrd,--zien veur 'nen boer niks wêrd.
+
+Kald beer zit werm blood.
+
+Hê is 'nen dröpkeshèlige, dê in alle herberge verierd wuurd.
+
+Hê hêt de plaat um (ziet er deftig uit, als een schutterskoning).
+
+Hê hink mier aan de vaan as de ganse bronk wêrd is (_bronk_
+is hier de gilde-optocht).
+
+Hê hêt zien bein mit muggevet ingesmêrd (om te dansen).
+
+Den eine speulman is den andere ein deuntje schüldig.
+
+De letste man de zak ophalde (tot het laatst blijven).
+
+Hê hêt de vogel aaf.
+
+Maar men zou verkeerd doen, met te meenen, dat de Zuidnederlandsche
+spreekwoorden zich uitsluitend bewegen op het terrein van spel en
+scherts en feestgelag, met het landleven als ondergrond. Kent gij
+spreekwoorden, die in diepen levensernst kunnen wedijveren met dat
+hoog-ernstige: "Groeëter is 't leid, det gevare (gereden), as det
+gedrage wuurd"? Kent gij er, die het in warmte en innigheid kunnen
+halen bij dat gevoelvolle: "Al is de mooder nòg zoeë erm, ze dek
+(dekt) toch werm"?
+
+Zeer veelvuldig zijn ook de spreekwoorden en zegswijzen van religieuzen
+aard, of die tot het Roomsch-Katholieke geloof in zekere betrekking
+staan. Tot deze laatste groep behooren:
+
+Hê is in Roeëme gewês en hêt de Paus neet gezeen.
+
+Me mot de kerk in 't midde loate.
+
+Doa is gei kerkske zooë klein, of ter duvel bouwt zich ei kapelke
+dernêve.
+
+Pastoeër zêgent zich zelf 't iers (eerst).
+
+Pastoeër deut gein twieë misse veur eí geld.
+
+Rêgent 't op de pastoeër, dan druubdet (of: druubbet) op de köster.
+
+Hê steit doa wie 'n Poaskers (stijf-deftig).
+
+Me mot eeder hellige ziene was (kaars) gêve (men moet ieder
+geven, wat hem toekomt).
+
+Ein hieël litanie schöld op zien rêkening hebbe.
+
+Waat 'n kruuts--geí (geen) kruuts!
+
+Hê hêt den oferstok gevêg.
+
+Eemand zien evangelie, de ach zalighede lêze.
+
+Zich eine stoal in den hemel verdeene.
+
+Hê hêt eine kop wie eine Karthuzer.
+
+Têge de klippe van de hel aan (met de uiterste krachtsinspanning).
+
+Me mot O.L. Hieër neet noa de ouge wille stêke.
+
+Hê zuuter oêt as 't ieëwig lêve.
+
+Hê zuuter oêt as 'n bedrökte Magdalena.
+
+Maar ik sprak daar zoo juist van spreekwijzen, die een beslist
+Christelijk volkskarakter openbaren, en ook deze zijn niet gering in
+aantal. Ik volg hier met enkele wijzigingen den bekwamen schrijver
+van de Kijkjes in Limburg in den Limburger Koerier (CCCLXIX), en
+noteer de spreuken weer, voor de eenvormigheid, in het Venloosch
+dialekt; ik wensch echter uitdrukkelijk op te merken, dat zij
+algemeen-Zuidnederlandsch zijn.
+
+
+ Waat God wilt behalde
+ Zal verheite (verheeten) noch verkalde
+
+
+klinkt het met kalme berusting. Kan het anders? Als iemand zijn werk
+begint, zegt hij: "In Gods naam". Soms klinkt dat: "In Godsnaam:
+des neet gevlook". Vertelt hij van zijn voornemens voor de toekomst,
+dan zal hij nooit verzuimen er bij te voegen: "As God bleef' (als
+'t God belieft). Verricht hij het een of ander goed werk, dan doet
+hij dat "ter iere Goads" of "om Goads wil." Wil hij met aandrang iets
+vragen, dan zegt hij "Ik bêj dich um Goads wil." Met elk goed werk
+weet hij, dat hij verdient "eine Godsloeën." En slaagt hij in een
+zijner ondernemingen, heeft een moeilijk werk ten einde gebracht,
+ontvangt hij een gunstige tijding, dan volgt een hartelijk "Goddank."
+
+"God loeënt och", zei vroeger de kerkmeester voor elk centje,
+dat in de schaal gelegd werd bij zijn rondgang door de kerk. "God
+loeënt och", zegt thans nog de arme, als hij een aalmoes krijgt
+aan de deur. Maar komt de arme om een aalmoes bij iemand, die niets te
+geven heeft, dan zegt deze: "God wil os helpe." Of hij hiermede
+te kennen wil geven, dat hij zelf geholpen moet worden?
+
+Gaat iemand op reis, dan luidt het nog vaak ten afscheid: "Gank,
+det dich God bewaar!" En spreekt men over een afgestorven maag of
+vriend, dan blijft diens naam wel zelden zonder de bijvoeging "zaliger
+gedachtenis", of: "God gêf um den hemel", of "God truës zien zieël."
+
+Meer bepaaldelijk in Vlaanderen hoort men nog: "Vree is God mee";--"God
+beschikt over nacht";--"geef God geen beschimmeld brood";--"God geeft
+de koe, maar niet bij de hoornen", d.w.z. de mensch moet krachtig
+meewerken en de handen uit de mouw steken;--"'t is alles goed wat
+God wil";--"men moet God naar de oogen zien";--"ik was liever zijn
+rozenkrans, dan zijn paard;--"als de eene bedelaar den andere iets
+geeft, dan lachen de engelen in den hemel." Zie Pr. Van Duyse, in het
+Belgisch Museum V, bl. 192. Het geestige, boertige van het Vlaamsche
+spreekwoord blijkt vooral uit verzamelingen als die van A. de Cock,
+Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk,
+in Volkskunde XI--XX (ook afzonderlijk uitgegeven). Verder: A. de
+Cock, Spreekwoorden en zegswijzen, afkomstig van oude gebruiken, in
+Volkskunde IX--XVII; Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen op
+volksgeloof berustend, in Volkskunde XIX--(onvoltooid); Geldersche
+Volksalman. 1819, bl. 175; Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en
+Spreekwoorden in Limburg; Limburg's Jaarboek VII, bl. 159, 293;
+VIII, bl. 73, 238; XVI, bl. 64, 228, 284; XVII, bl. 45; Mélanges Paul
+Frédéricq, bl. 51.
+
+Vele van deze spreekwoorden vinden wij op de Veluwe weer, in zoo
+menig opzicht met het zuidelijk volksgebied verwant. Vooral tal van
+spreekwoorden en zegswijzen, die op den akkerbouw en het akkerleven
+betrekking hebben, zijn gemeenschappelijk. "Anspan kriigen" heeft te
+Uddel de beteekenis van een maat, een makker, een medehelper krijgen.
+
+Zeer eigenaardig, vooral ook met het oog op het Veluwsche landschap,
+is de zegswijze: "met den plaggenwagen komen", d.i. geen aanzoek
+gekregen hebben. Als een boerendeern, bij gelegenheid van de kermis,
+geen vrijer gehad heeft en ze komt ook zonder jongen thuis, dan is ze
+"met den plaggenwagen weergekomen", en dan moet ze "den volgenden dag
+de speken (spaken) gaan opzoeken": Onze Volkstaal III, bl. 250, 251.
+
+Het spreekwoord neemt een eigenaardigen vorm aan in de _apologische
+spreuk_ of exempel-spreuk. Deze legt een ervaringsbeginsel of ook
+maar een gewone zegswijze, aan een mensch, die zich in een ongewone
+situatie bevindt, in den mond, of nog komischer, aan een dier, en
+ontwikkelt aldus een groote komische kracht. Zoo b.v.: "Alles met mate,
+zei de snijder, en hij sloeg zijn wijf met den ellestok", een gezegde,
+ook in het buitenland ruim verbreid.-- "Elk zijn meug, zei de boer,
+en hij at vijgen".--"Alle beginselen zijn moeilijk, zei de boer,
+toen moest hij de koe bij den staart in den stal trekken".--"Dat
+heeft geen zwarigheid, zei de bakker, toen woog hij het brood te
+licht".--"Alle baten helpen, zei de wolf, en slikte een mug af".
+
+Twente: Dat is 'n ander keurn, zèj de muller, en hê beet in 'nen
+moezenköttel.
+
+Salland: Alles is maar een weet, zèj de boer, en hi bloazen met z'n
+gat de lampe uut.
+
+Groningen: Das-t-er aine zunde staine, zee de oeling, dou vradd'e en
+slakk op en mainde, dat 'n proeme was.
+
+Limburg: Waat now gezonge, zach de köster, doe stond de
+kerk in brand.
+
+Getroffe, zach de jong, doe smeet hê zie vader en oug oêt.
+
+Alles is maar gewuënte, zach den bekker, doe vêgde hê mit de kat den
+oaven oêt.--
+
+Men vindt ook tweeledige. Zoo b.v. Limburg: Det is aangebrand, zach de
+vrouw, doe de jong wat in de botermelk vond.--Aangebrand,
+hêt det ouk bein? zach de jong, en heel (hield) eine mölder in
+de huëchte.
+
+Nu zijn juist deze apologische spreekwoorden voor ons van groote
+waarde, omdat zij getuigenis afleggen van de wijze, waarop bepaalde
+maatschappelijke personen of standen denken en spreken, al dingt het
+luimige karakter dezer volksgezegden op de waarheid der opvatting
+heel wat af.
+
+De Boer. Alles heeft zijn inzicht, zei de boer, en hij keek in
+zijn muts.
+
+Daar zal een bakkie theewater op smaken, Dominé, zei de boer, en hij
+had zijn vrouw begraven.
+
+Dat is een groote wetering, zei de boer, en hij zag de zee.
+
+Dat is een schoone vondst, zei de boer, en hij spleet een zwavelstok
+in zestienen.
+
+Ik deug niet in de huid, zei de boer, toen hij op sterven lag, en
+hij sprak de waarheid.
+
+Ik ga eens zien, of mijn familie slaapt, zei de boer, en hij keek in
+het varkenskot.
+
+Ik houd niet van hangen, zei de boer, maar ik moet wel.
+
+Het Besje. De jeugd wil er uit, zei het besje, en zij reed op een
+bezemstok.
+
+De onderdrukten hebben het hard, zei besje, en zij zag een luis
+knippen.
+
+Het is de jonkheid, zei besje, en toen speelde een zeventiger met
+buitelmannetjes.
+
+Zuinig, zei besje, lekker is maar een vinger lang.
+
+Zuinig, zei besje, de boter is duur.
+
+De Vrouw. Het overleggen is 't al, zei de vrouw, en zij braadde het
+spek in de boter.
+
+Zij maken den bokking hoe langer hoe kleiner, zei de vrouw, en ze
+zag sprot liggen.
+
+Daar kom je kaal van af, zei de vrouw tegen haar man, en hij kwam
+van den barbier.
+
+De Man. Alle ding laat zich eten, zei de man, en hij at garnaal
+en krabben.
+
+Het oog wil ook wat hebben, zei de man, en toen sloeg hij zijn vrouw
+een blauw gezicht.
+
+De Knecht. Ik en mijn baas hebben de zolder vol hooi liggen, zei de
+knecht, en hij was blij als hij zijn weekgeld kreeg.
+
+De Meid. Als ik eens vrij man word, zei de meid, dan eet ik ieder
+dag gort met rozijnen.
+
+Die ligt op zijn uiterste, zei de meid, en zij zag een botertonnetje,
+dat tennaastenbij leeg was.
+
+De Dief. Alle beginselen zijn zwaar, zei de dief, en voor de eerste
+maal stal hij een aanbeeld.
+
+Ik moet er meê wezen, zei de dief tegen het loopende volk, en hij
+reed naar de galg.
+
+Kwaad gezelschap, zei de dief, en hij ging tusschen den beul en een
+monnik naar de galg.
+
+De Ambachtsman. Goed overleg is het halve werk, zei de broddelaar,
+en hij zette den lap naast het gat.
+
+Wat duurt er eeuwig, zei de metselaar, toen had hij een oven van
+Friesche turf gemetseld.
+
+Een handwerk heeft een gulden bodem, zei de wever, en hij zat op
+een hekel.
+
+'t Is een vette buit, zei de visscher, en hij haalde een walbaars op.
+
+Alle vrachtjes lichten, zei de schipper, en hij smeet zijn vrouw
+over boord.--
+
+Ten slotte nog enkele voorbeelden ter verluchting van het apologische
+dieren-spreekwoord.
+
+Laat de dooden rusten, zei de arend tot de raaf, en hij verslond een
+levende duif.
+
+Hou je gemak, zei de havik, toen hij de duif plukte.
+
+Wij scheiden zóo niet, zei de haan tegen de pier, en vrat ze op.
+
+Scheiden is bitter, zei de hond, toen was hem de haas ontloopen.
+
+Goeden dag samen, zei de vos, en hij kwam in het ganzenhok.
+
+Alle ding daar het behoort, zei het varken, en het kroop in de
+geldkast.
+
+Kort beraad, goed beraad, zei de wolf, en hij hapte naar het schaap,
+dat hem ontsnapte.
+
+Gelijk bemint zijns gelijk, zei de luipaard, en hij verslond een
+bonte kraai.
+
+De druiven zijn zuur, zei de vos, toen hij er niet bij
+kon. Zie Kirghbijl ten Dam [J.A. Alberdingk Thijm], Vaderlandsche
+karakterschildering in onze spreekwoorden, in De Dietsche Warande IV,
+blz. 213 vlg.
+
+Bij het bepalen der psychologische waarde van het spreekwoord dient men
+vooral te letten op oorsprong en ontwikkeling of vervorming. Zoeken
+naar den oorsprong beteekent zoeken naar den oudsten, niet naar den
+"waren" of "eigenlijken" vorm. Want de volksspreekwoorden behooren tot
+de levende taal- en begripsorganismen, die steeds nieuwe groeikracht
+vertoonen en immer nieuwe loten uitschieten, welke dan met evenveel
+recht groeien in de vrije lucht en ópranken naar het licht als de
+oude moederstam.
+
+Om nu zekerheid te krijgen omtrent den oorsprong, dient men vooral
+niet te veel af te gaan op de innerlijke waarschijnlijkheid, maar de
+beste methode is, den taal- en voorstellingskring, de sociale groep
+op te sporen, waarin de uitdrukking het best past en waar zij zonder
+beeldspraak is. Dit is b.v. het geval met de uitdrukking "op zijn
+eigen houtje", aan de zeemanstaal ontleend, waar "zijn eigen hout"
+inderdaad in de beteekenis van "schip" gebruikt werd; zie Eymael,
+De Nieuwe Taalgids, bl. 97.
+
+Maar aldra verlaat het spreekwoord zijn oorspronkelijk milieu en
+fladdert in velerlei gedaanten rond heinde en ver. Somtijds heeft
+opzettelijke nieuwvorming plaats, zooals in de uitdrukking van Busken
+Huet: "Gods water over Gods akker laten _kabbelen_"; maar Huet schreef
+geen volkstaal. Verreweg de meeste vervormingen zijn onbewust. Zij
+berusten op klankassociaties, als: "dat loopt de spuitgaten uit," voor
+"de spuigaten";--"over éen kant scheren", voor "over een kam scheren";
+of ook op begripsassociaties. Zoo schrijft De Vooys in zijn artikel
+"Een principiële opmerking bij het etymologiseeren van spreekwoorden
+en spreekwoordelike uitdrukkingen" in De Nieuwe Taalgids, bl. 178
+vlg., waar hij deze geheele materie zoo voortreffelijk behandelt:
+"_Voor een heet vuur staan_ zal waarschijnlik eerst een soldaten-
+of matrozenuitdrukking geweest zijn, maar het "hete vuur" kan
+nu heel goed het beeld van een bakker, een glasblazer of een kok
+suggereren. Men kan in een dergelijk geval wel uit de oudste plaatsen
+het oudste-- desnoods het "oorspronkelike"--beeld trachten te vinden,
+als men dat maar niet als het "echte" of "eigenlike" tegenover de
+latere "onechte" of "verbasterde" stelt. Feitelijk is de uitdrukking,
+ondanks de gelijkheid van klank en betekenis, iets anders, iets nieuws
+geworden. De vernieuwing gaat zich uiterlik openbaren, als er wijziging
+in de woorden het gevolg van is." Zoo dacht men bij de uitdrukking
+"de bom breekt uit" aanvankelijk aan een vat, waar de _bom_ (de spon)
+uitspringt. Maar door de klankgelijkheid van dit _bom_ met _bom_
+"kogel" heeft zich weldra een ander beeld in de plaats geschoven,
+en in verband hiermee werd _uitbreken_ vervangen door _barsten,
+losbarsten_ of _springen_. Hier heeft het gewijzigde beeld ook de
+geheele beteekenis doen veranderen. De oude beteekenis "het geheim
+is uitgekomen" is geweken voor "er is een beslissende uitbarsting
+gekomen". Het volk heeft dus een geheel nieuw spreekwoord gewrocht,
+zoowel wat beteekenis als wat vorm betreft. Dit feit is van belang
+voor de psychologie van het volksleven, maar ook voor de historie
+der kunstvormen, waarin het volk zijn gedachten en gevoelens pleegt
+en weet te kleeden. Die vormen zijn ook lokaal gekleurd, niet alleen
+door de sociale, maar ook door de ekonomische, de geografische, de
+ethnische geaardheden en toestanden. "Er moet nog veel water door
+de Maas vloeien", wordt elders: door de Waal, den Rijn, de Schelde,
+de Leie, de Demer enz.;--"een schelvisch, een spiering uitwerpen om
+een kabeljauw te vangen", wordt in Limburg: "een avel uitwerpen om een
+snoek te vangen", en in het Oosten van ons land: "met een metworst naar
+een stuk (zijde) spek gooien". Het Hollandsche: "zoo oud als de weg
+naar Kralingen", luidt in Limburg: "zoo oud als de weg naar Keulen,
+naar Aken, naar de Peel". Het Drentsche spreekwoord: "Armelui's ossen
+en rijkelui's kinder zijn gauw groot", heeft in Limburg den vorm:
+"Ermeluus holt is gauw gehouwe en riekeluus kinder zien gauw getrouwd".
+
+Tot de kunstvormen van de volkstaal behoort ook de _volksluim_,
+die zich vertoont in de grilligste gedaanten.
+
+1. Zeer veelvuldig zijn de woordspelingen op plaatsnamen, waarvan ik
+hier enkele staaltjes laat volgen. Ook gefingeerde namen vindt men
+er bij.
+
+Naar Molleghem zijn; naar 't Pierenland zijn (dood en begraven zijn):
+Vlaanderen;--naar Piepenbroek zijn: de Veluwe.
+
+Bleijenbeek (bij Afferden) gaat voorop (een blij lijk).
+
+Well is Well, maar in alle huizen is het niet Well: Limburg.
+
+
+ Te Wellerlooi
+ Daar zingen de veugelkes zoo mooi.
+ Te Well ook wel,
+ Maar niet zoo mooi als in in de Looi.
+
+
+Naar Boxmeer gaan (zijn beurs trekken, zinspeling op het woord _boks_
+"broek").
+
+Van Lekkerkerk zijn.
+
+Een mond opzetten zoo wijd als Montfort.
+
+2. Plaatsnamen in luimige gezegden zonder woordspeling.
+
+Zoo lang als Elmpt (een lang Duitsch dorp op de Limburgsche grens).
+
+Een gezicht zetten zoo lang als Posterholt.
+
+Zoo breed als Geilenkirchen: Sittard.
+
+Hij is te Ool nog niet over! (gehucht bij Roermond).
+
+Hij komt van de Merumer markt: Roermond.
+
+Hij is een uit de Maaseyker vier uitersten (d.i. "lui, lekker, kaal
+en hoovaardig").
+
+Dat ligt tusschen Maastricht en Allerheiligen (nergens).
+
+Van Bommel tot Den Bosch (volop).
+
+Van Helmond komen (drukte maken).
+
+Naar Zuidbroek gaan, zegt men te Hoogezand voor "een dutje doen";
+te Venloo heet dit: "naar Tegelen gaan", enz. Men noemt natuurlijk
+steeds een naburig dorp.
+
+Ik ga naar Sebaldeburen apen drillen (als de Groninger niet wil
+vertellen, waar hij heen gaat).
+
+Een boterham, waardoor men Maastricht kan zien.
+
+Op Kessenicher veêren slapen: Belgisch Limburg.
+
+Altijd hooger, als het orgel van Gangelt: Sittard.
+
+Op de Akerstraat (buurt van Hoensbroek) bakt men de koek maar aan éen
+kant (de huizen liggen slechts aan éen kant van den weg). Hetzelfde
+zegt men b.v. van Buggenum (L.) en Oudeschild (Texel).
+
+Iemand naar Geelbroek (tusschen Beilen en Assen), naar den Kollenberg
+(Sittard), naar den Heksenberg (Heerlen), naar de Mookerhei wenschen.
+
+3. Spotrijmpjes op steden en dorpen.
+
+
+ Oostergoo het land,
+ Westergoo het geld,
+ De Wouden het verstand,
+ De Steden het geweld.
+
+
+ Dokkum is een oude stad,
+ Een oude stad boven maten,
+ Daarom verkoopt men anders niet
+ Als taai en ook garnaten.
+
+
+ De Amelander schalken,
+ Die stalen eens drie balken
+ s Avonds in den maneschijn,
+ Daarom zal 't hun wapen zijn.
+
+
+ Neêr-Langbroek
+ Die schrale hoek!
+ Daar wonen niets dan edellui
+ En bedellui,
+ Ridders
+ En broodbidders;
+ Daar staan anders niet als kasteelen en nesten,
+ Sterkenburg is het beste.
+
+
+ Deventer is een koopstad,
+ Zutfen is een loopstad,
+ Lochem is nog wat,
+ Maar Borkeloo is een hondegat.
+
+
+ Amsterdam ligt aan het IJ,
+ Monnikendam, daar wonen wij;
+ Edam is een nest,
+ Hoorn doet zijn best,
+ Enkhuizen staat op tonnen,
+ Medemblik heeft het gewonnen.
+
+
+ Peer is nog een stad,
+ Achel is nog wat,
+ En Bree is een paddegat.
+
+
+ Brugge is zot,
+ Gent is bot.
+ Kortrijk heeft 'nen zin,
+ Ronse heeft van den duvel in.
+
+
+ Wing, Wang, Laar,
+ Herpen over Orsmaal,
+ Hal al bovenal,
+ Dormaal is een verkensstal.
+
+
+ Die van Balen (prov. Antwerpen) komen geloopen,
+ Om den Molschen toren te koopen,
+ Die van Balen, die waren nie zot,
+ En ze gongen er mee naar 't verkenskot.
+
+
+ Dendermonde
+ Leeg van gronde,
+ Klein van goed,
+ Hoog van gemoed.
+
+
+ De volontairen van Grammont (Geeraardsbergen)
+ Die lieten stelen hun kanon.
+ Zij exerceerden lijk de koeien,
+ En zij stalen al de Savooien.
+ Rakkedok--kedok!
+ Mee 'nen krommen kop;
+ Z'hebben een geweer
+ Lijk 'nen bloemkoolstok.
+
+
+ Herenthals is 'ne nest,
+ Die der wonen, weten het best.
+
+
+ Hersel--de macht,
+ Westel--de pracht.
+
+
+ Hooglee--groote pracht,
+ Verre gezien en weinig geacht.
+
+
+ Hooglee
+ Schoone stee,
+ Lichtervelde lacht er mee.
+
+
+ Eessen
+ Is een deesem,
+ Zane is een trog,
+ Werken loopt er om nog,
+ Handzame is een leegaard,
+ Koekelare is alderbest,
+ Bovekerke is 'n kakkernest.
+
+
+ Te Langedijk
+ Daar zijn ze rijk,
+ Daar eten ze gort met krenten!
+ En waarom zouden zij dát niet doen,
+ Ze leven er van hun renten.
+
+
+ Daar kwam 'nen boer van Leuven,
+ Van Leuven kwam 'nen boer;
+ Hij meende gaan te dorschen,
+ En viel op zijnen vloer.
+
+
+ Enumatil
+ Daar kijken ze gril,
+ Daar staat geen kerk of toren;
+ Als de snik komt, blaast de jong op 't horen.
+
+
+ Maasland,
+ Vet land
+ De bedelêren komen van dien kant.
+
+
+ Die van Mol die zijn geschoren,
+ Ze hebben vier wijzers en geenen toren;
+ Die van Geel, die zouden loopen,
+ Om de wijzers af te koopen;
+ Die van Balen zijn jaloesch,
+ Ze hebben 'nen toren lijk 'ne kroes.
+
+
+ Rijke Vörsel
+ Arm Mal
+ Lomp Zoersel
+ Mager Hal (Kempen).
+
+
+ Tiegem--berg en dal,
+ Ingoigem--lang en smal,
+ Ootegem--de fleure van al!
+
+
+ Te Zulte in 't zand,
+ Hoe meer dat 't regent,
+ Hoe beter land.
+
+
+ Loon-op-Zand,
+ Licht volk, licht land,
+ Ze schooien den kost,
+ En ze stelen den brand.
+
+
+ Herten, Merum en Ool,
+ Drie dorpen en éen pastoor.
+
+
+ De Bressianen (van Breskens)
+ Zijn hanen,
+ Maar voor Schoondijke
+ Moeten ze wijken.
+ En komen die van Groe,
+ Dan houden ze beter hun deuren maar toe.
+
+
+ Koevorden is een fraaie stad,
+ Dalen is een moddergat,
+ Wachtum is een eendenpoel,
+ Hesselen is een koningsstoel.
+
+
+Zooals men ziet, wordt met sommige plaatsen de spot gedreven, om
+eigen woonplaats op te hemelen. Dit laatste is uitsluitend beoogd in
+het Veluwsche:
+
+
+ Kootwijk is een zoetendal,
+ En die er is, die blijft er al.
+
+
+En eveneens in het Groningsche:
+
+
+ Riepster klokkengeklang,
+ 't Lopster örgelgezang,
+ 't Zandster bouwland,
+ En Steemer kouland,
+ Dat is het kroontje van Grönnegerland.
+
+
+Maar het kan óok zijn, dat de regels: "Kootwijk is een zoetendal, En
+die er is, die blijft er al" oorspronkelijk bij een meer uitgebreid
+rijmpje hebben behoord. Men vergelijke:
+
+
+ Zuidhorn is een bloemendal,
+ Die er woont, die blijft er al,
+ Noordhorn is een moddergat,
+ Die er komt, die vindt er wat!
+ Oldehove, die stompe toren,
+ Daar wil de koster zijn wijf vermooren.
+ Niehove loopt in 't rond,
+ Daar loopen de meisjes kakelbont.
+ Feerwerder katten
+ Springen over latten,
+ Vangen de muzen
+ Bij honderd en duzend,
+ Braden ze in de pan,
+ En eten er alle dagen van.
+
+
+ Tiel is een stad,
+ Echteld is een gat,
+ IJzendoorn is een waterpoel,
+ Ochten is een koningsstoel.
+
+
+ Bommel, Bommel blinkt schoon,
+ Waardenburg spant de kroon,
+ Tuil is 't alderbest,
+ Hafte is een kraaiennest,
+ Hellouw is een eendenpoel,
+ Herwijne is een schettestoel,
+ Vuren is een errem land,
+ Dalem ligt aan den Waterkant,
+ Gorkum is een schoone stad,
+ Schelluinen is een hondegat.
+
+
+Een enkel voorbeeld van plaatsnamenrijmpjes, die de taal kort en
+treffend karakteriseeren:
+
+
+ De Visvlieter bellen,
+ Zeggen van zèllen en wèllen,
+ De Boerumer bollen
+ Zeggen van zollen en wollen,
+ En de Kollumer luden
+ Zeggen van zuden en wuden.
+
+
+Zie Driem. Bladen IX, bl. 47, 48.
+
+4. Spotrijmpjes op voornamen en familienamen.
+
+Antoon:
+
+
+ Toontje
+ Mijn zoontje,
+ Wanneer zal 't zijn?
+ T'avond in de maneschijn.
+
+
+Jan Baptist:
+
+
+ Jan Baptiste,
+ Suiker in de kiste,
+ Vleesch in de pot,
+ Jan Baptiste is waarlijk zot.
+
+
+Jan:
+
+
+ Jan
+ Koekepan,
+ Met 'nen spijzen boterham.
+
+
+ Jan
+ Bakt eieren in de pan,
+ Bakt eieren in den schoen,
+ Dan herre geen pan van doen.
+
+
+ Jan, mijne man, is altijd ziek,
+ Heel de weke, heel de weke,
+ Jan, mijne man, is altijd ziek,
+ Heel de weke, maar 's Zondags niet.
+
+
+Jozef:
+
+
+ Seven,
+ Laat mij leven,
+ 'k Zal u een stuk van mijn hemdslip geven.
+
+
+Marianne:
+
+
+ Marjanne,
+ Boter in de panne,
+ Boter in de pot,
+ Is Marjanneke nog nie zot!
+
+
+Piet:
+
+
+ Piet
+ Valt in 't riet,
+ Dat men hem niet meer ziet.
+
+
+De Smedt:
+
+
+ Smedt,
+ Een panneke vet,
+ Een panneke rapen,
+ En daarmee moet Smedt slapen.
+
+
+Van Boeck:
+
+
+ Frans van Boek,
+ Dikke snoek,
+ Zonder knoopen aan zijn broek.
+
+
+Verbist:
+
+
+ Mijnheer Verbist
+ Lag in de kist,
+ Zonder dat vader of moeder het wist.
+
+
+Verhagen:
+
+
+ Jan Verhagen
+ Draagt zijn beste broek alle dagen.
+
+
+5. Alliteerende volksluim.
+
+_M_ulders _M_ans _m_oet _m_ijn _m_oeder _m_ooi _m_eel _m_alen, _m_ooi
+_m_eel _m_oet _M_ulders _M_ans _m_ijn _m_oeder _m_alen.
+
+_W_ie _w_eet _w_aar _W_illem _W_aanders _w_oont? _W_illem _W_aanders
+_w_oont _w_ijd _w_eg, _w_ijd _w_eg _w_oont _W_illem _W_aanders (elders:
+_W_illem _W_itjes).
+
+De _k_at, die _k_rabt de _k_rullen van de trap (tevens assonantie).
+
+6. Spotrijmpjes op standen en ambachten.
+
+Bakker:
+
+
+ O jonges wat 'n pret!
+ Morgen wordt 't brood afgezet!
+ Twee centen in 't geheel,
+ O wat kijkt die bakker scheel!
+
+
+ De bakker van den hoek,
+ Die heeft vannacht geblazen,
+ De zemelen uit zijn broek,
+ Hij hangt ze voor de glazen,
+ Gelijk een peperkoek.
+
+
+Apotheker:
+
+
+ Mijnheer den apotheker,
+ Ik ben het niet zeker,
+ Maar geef me voor twee cents en half
+ Platluizenzalf.
+ 't Is niet voor mij,
+ 't Is voor mijn kameraad,
+ Die aan de deur staat.
+
+
+Boer:
+
+
+ Rotte patatten
+ Mee schelle' va' visch,
+ Dat eten de boeren
+ As 't kerremis is.
+
+
+Kleermaker:
+
+
+ Kleeremaker,
+ Luizekraker,
+ Lapkesdief!
+ Ge heb gestolen van mijn gerief!
+
+
+Koster:
+
+
+ Bimbambeieren!
+ De koster lust geen eieren,
+ Wat lust hij dan?
+ Spek in de pan,
+ Met een roggen boterham.
+
+
+ Paternoster,
+ Slaat den koster,
+ Slaat hem een bult,
+ Dat hij rond de kerk krult.
+
+
+Lantaarnopsteker:
+
+
+ Ik kom aan,
+ Ik zet neer,
+ Ik kruip op,
+ Ik steek aan,
+ Ik ga neer,
+ Ik neem op,
+ Ik ga heen.
+
+
+ Jantje komt, Jantje komt,
+ Jantje de lanteernman!
+ Vroeg en laat
+ Op de straat,
+ Om te zien, hoe alles gaat.
+
+
+Molenaar:
+
+
+ Mulder, mulder, korendief,
+ Groote zakken heeft-ie lief,
+ Kleine wil-ie niet malen,
+ De duvel zal hem halen!
+
+
+Soldaat:
+
+
+ Soldaat
+ Kameraad,
+ In de Peperstraat!
+ En hij pakte zijn geweer,
+ En hij schoot ze omveer.
+
+
+Wever:
+
+
+ Daar zat 'ne wever op zijn getouw,
+ Blauw van honger en grauw van kou,
+ Hij weefde al dit en hij weefde al dat,
+ En hij weefde 't hemdeken van zijn gat
+
+
+7. Spotrijmpjes op gebreken en mismaaktheden.
+
+Bultenaar:
+
+
+ 't Is den bult
+ Zijn eigen schuld,
+ Dat hij zijn kas moet dragen;
+ Dat hij gaat
+ Bij Pier van Timst,
+ Die zal zijn kas afzagen.
+
+
+ Bult karkas,
+ Viool op bas,
+ Viool en fluit,
+ Trekt er maar uit!
+
+
+Gierigaard:
+
+
+ Gierigaard,
+ Langen baard,
+ Uitgedroogde moordenaar!
+
+
+Linksche:
+
+
+ Slinkepoot
+ Den duvel is dood,
+ Ga naar d'hell' om uw vesperbrood!
+
+
+Manke:
+
+
+ Mankepoot
+ Den duvel is dood,
+ Ga naar d'hell' om uw vesperbrood!
+
+
+Rosharige:
+
+
+ Ros haar,
+ Ros bloed,
+ Zelden goed.
+
+
+Scheelziende:
+
+
+ Schelewip,
+ Schelewap,
+ Papzak!
+
+
+ Ik heb een vogeltje gevangen
+ En het beestje kan niet zien,
+ Schele Pauwelien,
+ Schele Pauwelien.
+
+
+8. Wat de klokken vertellen.
+
+De klokken van Ledegem luiden:
+
+
+ Lui Leegem
+ Luizebestier,
+ En hooveerdig!
+
+
+Volgens Rond den Heerd IX, bl. 116 kleppen de klokken van Caneghem,
+als er iemand gestorven is:
+
+
+ Bim! bam! bom!
+ 't Moet al dood,
+ Klein en groot,
+ Arm en rijk,
+ Al gelijk.
+
+
+De inwoners van Wieze bij Dendermonde worden door de naburige dorpen
+voor gekken uitgescholden. Vandaar, dat deze het klokkengelui van
+Wieze vertolken:
+
+
+ Wieze is zot,
+ Toebak dol.
+
+
+9. Tot de rubriek van de Volksluim behooren natuurlijk ook de duizenden
+uien, moppen of boertige verhalen, die bij het volk in omloop
+zijn en dermate onmisbaar lijken in het hedendaagsche volksleven,
+dat De Meyere zich afvraagt, of de moppenverteller van heden niet
+de sprookjesverteller van vroeger zijn zou?--Een zeer eigenaardige
+uiting van den volkshumor is ook de parodie, en hierover nog enkele
+korte opmerkingen.
+
+Van het diep-gevoelvolle Sterrelied, dat wij I, bl. 143 hebben
+meegedeeld, bestaan parodieerende varianten als:
+
+
+ Herodes, de koning, kwam zelve veur:
+ zijn broek was gescheurd en zijn hemd stak er deur.
+
+ Zij kwamen al veur een bakkerij:
+ daar kochten ze éen koek en ze stalen er drij.
+
+ Zij liepen tot bij een herbergier:
+ daar dronken ze een pot en ze zaten bij 't vier.
+
+
+Hoe het komt, dat deze varianten in het oude sterrelied werden
+ingelascht, is op afdoende wijze door Boekenoogen in het Jubelnummer
+van Volkskunde (1914), bl. 24 vlg. verklaard. Maar men wachte
+zich, parodieën als deze te zwaar op te vatten en aldus verkeerd
+te beoordeelen. Het is een feit, dat de parodie, met name in het
+zuidelijk volksgebied, vooral geestelijke personen en zaken treft,
+ja het heiligste niet schijnt te sparen. Maar inderdaad kunnen
+de meeste dezer parodieën als vrij onschuldige scherts beschouwd
+worden, die zelfs een zekere gemeenzaamheid en vertrouwelijkheid
+met het geestelijke veronderstelt. De geparodiëerde gebeden, die
+plaatselijk den naam dragen van _wilde gebeden_ en veelal in de
+kinderwereld terecht gekomen zijn, vindt men uitvoerig behandeld in
+De Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII, bl. 168 vlg. Een
+andere groep vormen de pastoorspreeken, ook in het noordelijk gebied
+niet onbekend; zie Volkskunde XX, bl. 73, 117, 178, 232; XXI, bl. 37,
+80, 101, 150, 239. Een geliefd thema is dat van den pastoor, die op
+den preekstoel zijn meid wil waarschuwen, dat zij den eendvogel niet
+mag laten aanbranden. En zoo begint hij dan:
+
+
+ Marie tentum
+ Keert en wentum
+ Want de entum
+ Die verbrentum.
+
+
+De dienstbode begrijpt de bedoeling en het onheil is afgewend. Maar
+de aandachtige toehoorders waren van oordeel, dat de pastoor nog
+nooit zoo veel en zoo mooi Latijn gesproken had.
+
+
+
+II. Sprookjes, sagen en legenden.
+
+
+Sprookjes, sagen en legenden zijn dichterlijke volksverhalen,
+die ontstaan zijn en opgroeien uit het volk en door de mondelinge
+volksoverlevering worden voortgeplant.
+
+De meest dichterlijke onder deze scheppingen van den volksgeest
+is het _sprookje_. Het is een volstrekt-fantastisch volksverhaal,
+zonder beperking van plaats, persoon of tijd. Het ontstaat in den
+volksmond zonder bepaalde aanleiding, enkel en alleen om der wille
+van zich-zelf. Het wordt geboren uit den naïeven, spontanen drang,
+zich te verlustigen in het spel der verbeelding. Niet onjuist heeft
+men het sprookje genoemd: "een anonieme schepping der volksfantasie".
+
+Daarentegen is de _sage_ gebonden aan plaats, persoon of tijd;
+somtijds hangt zij samen met een bepaald volksgebruik. Men
+onderscheidt mythische sagen, aldus genoemd, omdat zij wortelen in
+algemeen-animistische opvattingen of in een bepaald mythologisch
+systeem (zie I, bl. 63); Christelijke sagen, die Christelijke figuren
+of tafereelen borduren op heidensch, of althans op zuiver-fiktief
+patroon; en historische sagen, met een historische kern, die door de
+fantasie werd uitgebreid of gewijzigd. Heeft nu zulk een historische
+sage betrekking op de levens of de krachtdadige voorbede der heiligen,
+dan noemt men ze met den bijzonderen naam van _legende_.
+
+Aan ruimte noch tijd gebonden zwerft het _sprookje_ rond, raadselachtig
+vaak in zijn oorsprong, raadselachtig in zijn plotseling verdwijnen;
+nu eens geblakerd door tropischen zonnebrand, dan weer verkleumd door
+het striemen van de noordsche kou,--maar steeds het aanminnige, blonde
+volkskind, steeds de weldoende lichtfee, die hutten en paleizen met
+haar hemelgaven binnenzweeft. Het sprookje... verplaatst niet alreeds
+het verkleinwoord ons terstond naar de sfeer van het kinderlijke,
+naïeve, aanminnige en ongekunstelde?
+
+Nu eens legt het de plechtwade aan van het kultuurdicht, dan weer het
+stralenkleed van de mythe, een ander maal den bonten lijfrok van het
+volkslied of het schamele plunje van het volksverhaal, maar ook dan
+vertoont het zich niet zonder lieflijke majesteit, zonder frissche
+bekoorlijkheid.
+
+De sproke is echter niet slechts zwervelinge, niet slechts
+wereldburgeresse. Zij heeft óok een nationaal karakter en voegt zich
+geheel in het koloriet der vertelling en in de karakteriseering der
+personen naar de zeden en gewoonten van het land, waarin zij leeft. En
+hierin ligt een bewijs voor het feit, dat het sprookje werkelijk een
+volksleven leidt, dat het zijn immer jeugdige levenskracht put uit
+het volk, dat sprookjeskunde en volkskunde hand in hand gaan.
+
+"Daar was eens een koning en een koningin en die hadden drie
+dochters. De jongste, braaf en onschuldig, werd door haar vader
+medoogenloos tot vrouw gegeven aan een grimmig monster. Dit nu was
+een schoone, betooverde jongeling, die elken nacht zijn werkelijke
+gedaante weer aannam, maar zóo door zijn geliefde niet mocht gezien
+worden. Geduldig droeg de zwaarbeproefde koningsdochter haar lot; vaak
+echter zwichtte zij voor menschelijke zwakheid, en telkens moest ze
+dan haar vergrijp zwaar uitboeten. Doch eindelijk vatte zij liefde op
+tot haar man en op hetzelfde oogenblik wierp deze zijne gedaante van
+draak (leeuw, wolf, beer) af en vertoonde zich in volle schoonheid."
+
+Ziedaar, geachte lezer, de kern van een bekend Nederlandsch
+sprookje. Maar ook elders is het geen onbekende. Bij Slaven, Grieken,
+Albaneezen, Rumenen, Italianen, Kelten en Kalmukken kort men de
+avonden met gelijkluidende verhalen. Als sprookje van Amor en Psyche
+vinden wij het in een roman van den Romeinschen schrijver Appuleius;
+Raffaël bracht het op doek; Thorwaldsen en Canova belichaamden het
+in het kille marmer; Calderon achtte het niet te gering, om het te
+vereeuwigen in een _Auto Sacramental_. Zoo hebben ook onze _Sprookjes
+van Moeder de Gans_ hun parallellen bij alle Indogermanische volken;
+de schurkerijen van Reintje zijn bij de Zoeloe's bekend; en Kaffers,
+Samojeden en Kalmukken scheppen behagen in vertelsels als die van
+Tijl Uilenspiegel en Hans den Reuzendooder.
+
+Waar lag dan wel de bakermat dezer "anonieme scheppingen der
+volksfantasie"? Hoe zijn ze gevormd, wie gaf hun de gedaante, waarin
+zij zich thans vertoonen?
+
+Toen de gebroeders Grimm in 1812 hun Kinder- und Hausmärchen der
+Deutschen in het licht gaven, deed de vergelijkende sprookjeskunde
+haar intrede in de wetenschappelijke wereld. Wel was hun hoofdstreven
+er op gericht, dezen sprookjes-schat te maken tot gemeengoed voor
+geheel Duitschland, maar de grootsche onderneming kon ook haar
+wetenschappelijk resultaat niet missen. Jammer genoeg was hun theorie
+al te eenzijdig. Naar hun oordeel zijn de Germaansche sprookjes
+de afgesleten vorm, het diamantgruis der mythen van eertijds:
+"das Mythische gleicht kleinen Stückchen eines zersprungenen
+Edelsteins, die auf dem von Gras und Blumen überwachsenen Boden
+zerstreut liegen". Het sprookje weerspiegelt dus de mythologische
+voorstellingen en gebruiken onzer Germaansche voorouders, ja van het
+geheele Indogermaansche ras. Sprookjes zijn niets dan verkleurde mythen
+van goden of halfgoden. Taalverwantschap en stamverwantschap gaan met
+sprookjesverwantschap hand in hand. Hieruit volgt, dat de oorvorm onzer
+sprookjes behoorde tot het religieuze gemeengoed der Indogermanen.
+
+De oorsprong der sprookjes dekt zich dus met den oorsprong
+der mythologie. Jacob Grimm kan op algemeen-mythologisch gebied
+beschouwd worden als de voorlooper van Max Müller; en zoo huldigt
+dan ook hij de meening der naturalistische school, dat de mythen een
+afspiegeling zijn van de meest indrukwekkende natuurprocessen. Het
+kon niet anders, of het op- en ondergaan der zon, het dagelijks
+wederkeeren van dag en nacht, de heldere sterrenhemel, de strijd
+tusschen licht en duisternis, tusschen zomer en winter,--dit alles
+moest een diepen indruk maken op den natuurmensch. Wilde hij nu
+zijn gewaarwordingen ten opzichte dezer natuurtafereelen aan anderen
+meedeelen, dan werden deze door persoonsverbeelding als menschelijke
+handelingen voorgesteld. Ging de zon op of onder, men zeide, dat
+zij geboren werd of stierf; werd ze verduisterd, dan heette het,
+dat zij met een ontzaglijk monster den strijd aanbond. Maar weldra
+ging de oorspronkelijke beteekenis der beeldspraak verloren, en nu
+werden de voorstellingen der natuurprocessen tot mythen, en naderhand
+veelal tot sprookjes. Volgens de latere natuurmythologen, die meer
+de animistische opvatting huldigden, stelden de Indogermanen zich de
+hen omringende natuur van meet af aan als bezield voor. Zoo is dan de
+Schoone Slaapster oorspronkelijk de in winterslaap verzonken aarde,
+en de prins, die haar wekt met een kus, de lentezon; zoo is de reus
+in Klein Duimpje de ijzige wintervorst.
+
+In het jaar 1859 stelde de groote Sanskritist, Theod. Benfey,
+hoogleeraar te Göttingen, tegenover deze theorie, die de bakermat
+onzer sprookjes ten slotte in het Indogermaansche stamland zocht,
+zijne Indische hypothese. In de klassieke inleiding zijner vertaling
+van het _Pantschatantra_ beweert hij, dat de bakermat der sprookjes
+in Indië ligt, en wel in het Indië der geschiedenis. Dáar spon
+de spin haar web, dat zijn draden over geheel de bewoonde wereld
+wierp. Eerst sedert de XIe eeuw n.Chr. zijn deze Indische sprookjes
+Europa binnengedrongen. In het Noorden diende het Boeddhisme als
+voertuig en liep de weg over Tibet, Mongolië, Siberië en Rusland; in
+het Zuiden ging de propaganda uit van den Islam, en deden de Perzen,
+Arabieren, Turken en Grieken dienst als bemiddelaars. Deze bemiddeling
+was hoofdzakelijk van literairen aard.
+
+Deze hypothese trok in ruime kringen de aandacht en werd door velen
+gevolgd; ik noem slechts Cosquin. Het feit valt dan ook niet te
+loochenen, dat een groot aantal sprookjes uit Indië tot ons gekomen
+zijn, óok reeds door Alexander den Grooten, door de volksverhuizingen,
+de Tartaren. Maar anderzijds blijft het onbetwistbaar, dat er vóor
+het tijdperk van het historische Indië in Europa reeds tal van
+volksverhalen hebben bestaan. Over de prioriteit van de Grieksche,
+in het bijzonder der Aesopische fabels, kan worden getwist. Maar
+de sprookjes, die door de Homerische gedichten worden omsloten of
+aangeduid, maar het verhaal van Midas met de Ezelsooren kan onmogelijk
+aan het historische Indië zijn ontleend. Verder wordt in dit systeem
+de invloed der letterkunde niet weinig overschat. Het ligt in den
+aard der zaak, dat de letterkunde meer uit den volksmond, dan het
+volk uit de letterkunde overneemt. Geschreven verzamelingen oefenen
+op het volk slechts een zeer geringen invloed uit.
+
+Maar het zou onbillijk zijn, Benfey eenzijdig naar de Indische
+hypothese te beoordeelen. Hij heeft méer gedaan. Hij heeft, en dit
+is voor ons van het grootste belang, het sprookje getrokken uit
+den dichten mythologischen nevelsluier, en het gekenmerkt als een
+_produkt der volkskunst_ met mythologischen en kultuur-historischen
+achtergrond. Hij heeft open oog gehad voor de wisselwerking tusschen
+literaire en populaire traditie, en het begrip der ontleening heeft
+hij ter overwinning gevoerd.
+
+Intusschen werd het vasthouden aan de Indische hypothese
+steeds moeilijker, steeds onhoudbaarder, naar mate men meer
+opvallend-overeenstemmende sprookjes ontdekte bij de meest verscheidene
+en verst afgelegen volken, over den geheelen aardbodem. Vooral
+de sprookjesschat van Amerika vroeg om oplossing. Hoe kwamen de
+letterkundige sprookjes van het historische Indië bij de Huarochiri's
+van Zuid-Peru? Hoe kwam de Boeddhistische Jason-mythe op Samoa? Hoe
+kwam het oudste ons bekende sprookje, opgeteekend ten tijde van Mozes,
+naar Egypte?
+
+Bédier scheen in zijn Fabliaux (Paris 1897) een bevredigende oplossing
+te brengen. Zonder aan sommige sprookjes en sprookjesbestanddeelen een
+groote mate van autochthonie en zelfstandigheid te willen betwisten,
+en zonder ook het feit der ontleening in twijfel te trekken, ontkende
+hij slechts den overwegenden invloed van Indië, de strooming van uit
+éen bevoorrecht centrum, op éen gegeven tijdstip der geschiedenis. Bij
+alle volken kunnen sprookjes wording en wasdom verkrijgen, en zoo
+gebeurt het, dat van uit verschillende milieu's, veelal bezwaarlijk
+nader aan te duiden, tal van sprookjes de grenzen hunner bakermat
+overschrijden en zich tooien met de nationale dracht en aannemen de
+eigenaardige denk- en zegswijze van de meest onderscheiden volkeren.
+
+Hand in hand met beschouwingen en verklaringsmethoden als deze
+ging een verruiming der theorie van het animisme. Men leerde
+het beschouwen als een primitieve wijsgeerige wereldbeschouwing,
+geboren uit een geestestoestand, waarin de mensch geen scherpe
+scheidslijn weet te trekken tusschen zich zelf en de hem omringende
+natuur; waarbij de kloof tusschen mensch, dier, plant en mineraal is
+overbrugd (I, bl. 64); terwijl men door animisme in engeren zin ging
+verstaan zielengeloof en doodenkultus. Maar zulk een geestestoestand
+doet ook allerlei opvattingen, maatschappelijke instellingen en
+gebruiken ontstaan, die evenzeer voor mythen- en sprookjesvorming
+in aanmerking komen. Hij overheerscht bij de natuurvolken, maar is
+ook in zekere mate bij de kultuurvolken aanwezig en kweekt daar nog
+steeds soortgelijke voorstellingen en gebruiken, men denke slechts
+aan den _Vegetationsdämon_ bij de Germanen. Het sprookje is dus niet
+_slechts_ diamantgruis, niet _altijd_ de afgesleten vorm der mythen
+van eertijds. De sprookjes-telende aandrift van het volk is nimmer
+gedoofd en, zonder toevoeging van het religieuze moment, stond en staat
+de sproke naast de mythe, ja zij kan ook de embryonale vorm der mythe
+zijn, in zoover bij de niet-kultuurvolken de mythe zich vaak ontwikkelt
+uit het sprookje. De lentezon, die de aarde uit haar verstijving roept,
+kan het aanzijn schenken aan een zonnemythe, maar ook aan sprookjes
+als dat van de Schoone Slaapster in het Bosch, door den prins uit haar
+slaap gekust, en hetzelfde geldt voor de vertelsels van Klein Duimpje,
+Blauwbaard enz. En wanneer de natuurmensch bij het neerdwarrelen van
+de sneeuwvlokken zei, dat de goede God zijn ganzen plukte--een nog
+thans gangbare uitdrukking--, dan kon dit gezegde, deze voorstelling
+van het natuurproces, het begin eener natuurmythe zijn, maar evengoed
+van een sprookje, dat onafhankelijk van, zij het ook parallel mét een
+mythe, die in soortgelijke natuurbeschouwing wortelde, kon voortleven.
+
+Ziedaar de uitkomsten, waartoe de voornaamste vertegenwoordigers der
+anthropologische school: Mannhardt, Bastian, Tylor, Andrew Lang in
+deze materie geraakten.
+
+"De verrassende overeenkomst der sprookjes berust op de
+gemeenschappelijke denkwijze des volks, onafhankelijk van plaats en van
+tijd, stoelt op een overeenkomstige openbaring der volksziel"--dat
+is wel de formuleering, die wij aan Bastian's _Völkergedanken_
+verschuldigd zijn. Zoo zijn dan de groote menigte der sprookjes
+niet in éen land, maar op verschillende plaatsen en tijden ontstaan:
+een polygenesis, de zon-rijpe vrucht van den algemeen-menschelijken
+drang naar het wonderbaarlijke en van de algemeen-menschelijke
+scheppende fantasie. Jammer genoeg hebben Bastian c.s. niet voldoende
+rekening gehouden met het feit, dat de geestelijke eenheid van het
+menschelijke geslacht slechts een eenheid is van aanleg, geschiktheid
+en neigingen. Maar een psychische neiging gaat niet steeds, of niet
+steeds op eenvormige wijze, of niet steeds in denzelfden graad tot
+de daad over, omdat de menschelijke vrijheid tusschenbeide treedt.
+
+De laatste theorie draagt den naam van "Finsche theorie" en wordt
+hoofdzakelijk verdedigd door Antti Aarne in zijn Leitfaden der
+vergleichenden Märchenförschung (Hamina 1913).
+
+Aarne verwerpt de naturalistische en anthropologische theorie en
+keert vrij wel tot de historische opvatting terug. Voor hem is elk
+sprookje oorspronkelijk éen gesloten geheel, éen afgeronde vertelling,
+die slechts eens, op een bepaalde plaats is ontstaan. Daarin vindt
+men beschouwingen en gebruiken, die dagteekenen uit een vroegere
+kultuurperiode, maar het is onnoodig daarom het geheele sprookje
+tot die periode terug te brengen. De sprookjes zijn dichtwerken,
+gewrocht met het opzettelijk doel, de hoorders op te vroolijken door
+de grillige speling der fantasie; maar zij zijn niet alleen in Indië
+ontstaan, doch eveneens in Noord- en Zuid-Europa. De varianten berusten
+louter op psychologische gronden: de verteller vergeet een trek,
+lascht aan het begin of het einde een verwanten trek in, verbindt,
+kontamineert verscheidene sprookjes tot een geheel. Hierbij speelt
+het drietal en de analogie een groote rol, een dierengeschiedenis
+wordt tot een menschelijk avontuur, een sprookje tot ik-vertelling,
+een verhaal wordt pasklaar gemaakt voor andere landen, tijden, zeden.
+
+Hoeveel waars deze historisch-geografische methode ook bevat, wij
+mogen ze slechts als een korrektief van de anthropologische (of
+juister: ethnologische) aanvaarden. Aarne scheert de verschillende
+soorten van sprookjes veel te veel over éen kam. Het sprookjeslied
+vertoont inderdaad een vrij vasten vorm, maar soepeler is reeds het
+dierensprookje en het allerbeweeglijkst zijn de tooversprookjes. Men
+dient niet alleen open oog te hebben voor het zuiver-konstruktieve,
+maar ook voor het individueel-artistieke moment: in hoeverre is het
+sprookje een kunstprodukt, en welk aandeel hebben in de uitwerking
+de verteller en het luisterend publiek?
+
+Aarne heeft vooral te weinig aandacht gewijd aan de studie der
+_sprookjes-motieven_. Natuurlijk is elk sprookje een vertelling
+van een bepaalde, vaste samenstelling, maar het heeft toch zijn
+voorgeschiedenis. Natuurlijk is het niet ontstaan door willekeurige
+vermenging van bepaalde motieven, maar de dichter kan toch geput
+hebben uit den voorraad van oud, ja zeer oud volksgoed, gangbaar in
+zijn omgeving. En waarom zouden die motieven niet een afzonderlijk
+bestaan kunnen hebben geleid? En waarom zouden enkelvoudige motieven
+niet op verschillende plaatsen, onafhankelijk van elkaar, kunnen zijn
+ontstaan, zoodat hun aanwezigheid in meerdere sprookjes niet pleit
+voor verwantschap?
+
+Slechts dan kan de overeenkomst tusschen bepaalde volksverhalen
+onmogelijk door het gemeenschappelijke denken en voelen van den mensch
+verklaard worden, wanneer het patroon, de bewerking, de bijkomende
+omstandigheden dermate identiek zijn, dat men een genetischen samenhang
+redelijker wijze niet in twijfel kan trekken.
+
+Zoo vinden wij b.v. in de Punjâb, in Bretagne, bij de Albaneezen,
+moderne Grieken en Russen, een sprookje, waarin een jong man in
+het bezit is van een tooverring. Deze ring wordt hem ontstolen, en
+teruggebracht door de hulp van dankbare dieren, aan wie de jonge man
+weleer diensten bewezen had. Zijn vijand heeft den ring in den mond,
+maar de dankbare muis steekt haar staart in den neus van den dief,
+doet hem niezen, en zoo komt de tooverring te voorschijn.
+
+Nu wil het mij voorkomen, dat Oskar Dähnhardt in zijn Beiträge zur
+vergleichenden Sagen und Märchenforschung den regel onjuist stelt,
+door te bepalen, dat telkens "Wanderung" moet worden aangenomen,
+zoodra sprookjes of sagen in meer dan éen motief overeenstemmen. De
+twee motieven van den tooverring en van de dankbare dieren in
+bovenstaand sprookje vind ik beslist onvoldoende om te besluiten tot
+verwantschap. Daarentegen lijkt mij het handelen van de dankbare
+muis dermate individueel, dat deze bijzonderheid éens voor altijd
+moet zijn uitgedacht. Zie ook mijne Essays en Studiën, bl. 205 vlg.;
+Aug. V. Löwis of Menar, Kritisches zur vergleichenden Märchenforschung,
+in de Zeitschrift des Vereins für Volkskunde XXV, bl. 154; Gustav
+Meyer, Essays und Studiën zur Sprachgeschichte und Volkskunde (Berlin
+1885) I: Zur vergleichende Märchenkunde, bl. 145-289; A. Gittée,
+Curiosités de la vie enfantine (Paris 1899), bl. 109 vlg.
+
+Een trek, dien de natuurmensch met de kinderwereld gemeen heeft, is
+o.a. deze, dat hij in nauwere gemeenschap leeft met de _dierenwereld_,
+dat de afstand tusschen mensch en dier aanmerkelijk inkrimpt. Het lijkt
+in zulk een geestestoestand dan ook niet meer dan natuurlijk, dat de
+dieren spreken en handelen als menschen. En dit geldt niet alleen voor
+de huisdieren, neen, ook de dieren en vogelen des wouds en des velds
+deelen in die sympathie en treden in de sprookjes handelend, helpend,
+waarschuwend, beloonend, straffend op. Zoo ontmoeten wij muggen,
+vliegen, bijen, mieren, kevers en vlinders; everzwijn, vos, wolf, haan,
+beer, hert en ree; vrij schaarsch ezel, otter en wezel. Fabelachtige
+sprookjesdieren zijn de meerkat, de beruchte zeeslang--óok bekend
+uit onzen komkommertijd--en eveneens de zeeslang der lucht, dan de
+grijpvogel, die vaak als bewaker van schatten dienst doet. Het eenhoorn
+is het symbool van het diepe, van menschen verlaten woud. Vooral de
+draak is een fantasiedier, dat wel oorspronkelijk een uitbeelding
+is van de vurige onweerswolk. Hij vereenigt de gedaanten van slang,
+hagedis en vogel, ligt op den grond en hoedt de schatten met zijn
+vlammenden adem. Het draakmotief is dan ook ruim verspreid. Merkwaardig
+is het, dat ook de leeuw zoo vaak voorkomt, zonder dat persoonlijke
+aanschouwing mag worden verondersteld. Men vergisse zich niet, door
+dit feit te plaatsen op rekening van een vreemde herkomst; het geldt
+hier slechts den sterken indruk, door uiterlijk en levenswijze van
+dit koninklijk dier op de volksverbeelding gemaakt, maar enkel door
+de faam en de talrijke wapenschilden. Ook de adelaar kan als zoodanig
+worden beschouwd. Mythologische beteekenis hadden aanvankelijk naar
+alle waarschijnlijkheid stier, koe, paard, wolf, bok en everzwijn. De
+visschen zijn slechts zelden naar hun soort aangeduid; de snoek komt
+dan het meest voor, terwijl de dolfijn het sprookjesdier der oudheid
+bij uitstek was. In het volgende Vlaamsche sprookje is sprake van
+een goudvischje, dat echter plaatselijk door een kikvorsch vervangen
+wordt. Wij hebben hier de motieven van den dankbaren visch, over de
+geheele wereld verspreid, en van de drie wenschen, waartoe de hier
+geuite reeks van wenschen moet worden teruggebracht. Ik ontleen het
+aan Pol de Mont en Alfons de Cock, Dit zijn Vlaamsche Wondersprookjes
+(Gent 1896), bl. 238.
+
+Van Janneken Tietentater en het Vischje uit de Zee.
+
+Er was eens een manneken en die heette Janneken Tietentater. Het
+ventje was doodarm, zóo arm, dat hij met zijn vrouw onder eenen
+mostaardpot woonde, en, om iets te eten te hebben, alle dagen naar
+de zee ging visschen.
+
+Zoo, op zekeren dag, dat hij weer op de vangst uit was, ving hij
+een schoon goudvischken, en tot zijn groote verwondering begon het
+eensklaps te spreken: "Och Janneken", zei het, "laat me toch leven,
+ik zal U al geven wat gij verlangt. Als gij iets wilt hebben, roep
+me maar".
+
+Zonder aarzelen wierp Janneken het wonderbare vischje terug in 't
+water en spoedde zich naar huis, om dat vreemd geval aan zijne vrouw
+te vertellen. Deze had al zoo dikwijls over hunne armoede geklaagd,
+en was dus niet weinig verheugd, toen zij dat nieuws hoorde. "Keer
+seffens weer naar de zee", zegde zij, "en vraag ons een schoon huis,
+want dat wonen onder eenen mostaardpot staat mij al lang tegen".
+
+De man trok op naar het strand en riep:
+
+
+ "Vischken, vischken uit het water,
+ Kom bij Janneken Tietentater!"
+
+
+Op hetzelfde oogenblik stak het goudvischje zijn kopje boven.
+
+--"Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?" vroeg het.
+
+--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar
+willetje".
+
+--"Wat is er haar willetje dan?"
+
+--"Ze zou zoo gaarne in een schoon, groot huis wonen, gelijk de
+rijke menschen".
+
+--"Ga naar huis, ge zult het hebben".
+
+Daarop keerde de visscher terug en in plaats van zijnen mostaardpot,
+vond hij inderdaad een prachtig huis, met een koetspoort, prachtig
+genoeg voor den burgemeester van eene stad! Zijne vrouw stond hem af
+te wachten, zoo fier als een kalkoensche haan.
+
+"Wij wonen nu in een rijk huis", zei ze, "dat is waar, maar het is
+niet gemeubeld. Ge zult dus weer bij het vischken moeten gaan en
+meubels vragen".
+
+'s Anderen daags trok de man nogmaals naar het zeestrand en riep:
+
+
+ "Vischken, vischken uit het water,
+ Kom bij Janneken Tietentater!"
+
+
+--"Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?" vroeg het vischje
+dadelijk.
+
+--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar
+willetje".
+
+--"Wat is er haar willetje dan?"
+
+--"Zij zou zoo gaarne haar huis vol schoone meubels zien".
+
+--"Ga naar huis, ge zult ze hebben".
+
+En het goudvischje had niet gelogen, want Janneken vond al de kamers
+van zijn huis, van onder tot boven, zoo rijkelijk gemeubeld, dat
+hij zijn oogen bijna niet kon gelooven. Maar zijne vrouw was niet
+voldaan. "Nu ontbreekt er ons nog geld", zei ze, "we moeten immers
+schoon gekleed gaan, en lekker eten en drinken hebben, en eene koets
+met een koppel paarden. Ge moet dus terugkeeren bij het vischje,
+en veel geld vragen".
+
+Zoo 's anderen daags begaf de man zich weer naar het strand, en riep:
+
+
+ "Vischken, vischken uit het water,
+ Kom bij Janneken Tietentater!"
+
+
+--"Wat belieft er U, Janneke mijn manneken?" vroeg het vischje weer.
+
+--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar
+willetje".
+
+--"Wat is er haar willetje dan?"
+
+--"Ze zou gaarne veel geld hebben, om schoone kleederen te koopen,
+en goed eten en drinken en eene koets met twee paarden".
+
+--"Ga naar huis, ge zult het hebben!"
+
+En het goudvischje had wederom de waarheid gezegd, want toen
+Janneken t'huis kwam, vond hij al de kasten en laden vol goud-
+en zilverstukken. Nu hadden ze geld "met de macht", zoodat zij
+fijne brokjes aten, lekkeren wijn dronken en kostelijke kleederen
+droegen. Ook hielden zij knechten en meiden, en reden alle dagen met
+de koets uit. 't Was een koningsleven, en toch verlangde de vrouw
+nog meer.
+
+"Ik zou wenschen, dat gij koning waart, en ik koningin", zei ze op
+zekeren dag tot haren man, "dan zouden we de rijkste zijn van 't
+land en iedereen zou voor ons moeten bukken. Keer terug naar de zee,
+en vraag dat aan 't vischje".
+
+'s Anderen daags toog de man opnieuw naar het strand en riep:
+
+
+ "Vischken, vischken uit het water,
+ Kom bij Janneken Tietentater!"
+
+
+--"Wat belieft er U, Janneken mijn manneken?" vroeg het vischje,
+dat weer onmiddellijk aan de oppervlakte verscheen.
+
+--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar
+willetje".
+
+--"Wat is er haar willetje dan?"
+
+--"Ze zou gaarne koningin zijn en ik koning!"
+
+--"Ga naar huis, ge zult het zijn".
+
+En van dien dag af woonden Janneken en zijne vrouw in een koninklijk
+paleis en overal, in de boven- en benedenzalen, blonk en schitterde
+alles, dat hunne oogen er van schemerden. Ze waren in 't goud gekleed,
+zaten op een gouden troon, aten uit gouden tellooren en dronken uit
+gouden bekers. Knechten en meiden gehoorzaamden hun als slaven en de
+rijkste menschen kwamen vóor hen nederbuigen. Doch, in hare hoovaardij,
+wilde de vrouw nog hooger klimmen en ze zei tot haar man: "We kunnen
+van het vischje toch alles verkrijgen, wat wij zouden wenschen;
+welnu, ga morgen nog eens naar de zee, en zeg aan het goudvischje,
+dat gij verlangt God te zijn, en ik Onze Lieve Vrouwe".
+
+Ja, den volgenden dag ging de man weeral naar het strand en riep:
+
+
+ "Vischken, vischken uit het water,
+ Kom bij Janneken Tietentater!"
+
+
+Op éen, twee, drie, was het vischje daar weer, en vroeg:
+
+--"Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?"
+
+--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar
+willetje".
+
+--"Wat is er haar willetje dan?"
+
+--"Ze zou gaarne Onze Lieve Vrouw zijn, en ik God".
+
+En het vischje antwoordde met eene barsche stem:
+
+
+ "Daar is maar _één_--_één_ God,
+ Gij zijt een zot,
+ Kruip weer onder uwen mostaardpot".
+
+
+En thuis vond Janneken zijne vrouw opnieuw onder den mostaardpot
+zitten, met eenen neus van eene el lang, en ze schreide, dat ze snikte.
+
+(Santvliet en Wijneghem).
+
+
+
+Het motief der Drie Wenschen vindt men nog in een sprookje van dezen
+naam bij Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II, bl. 126, in
+Volkskunde XV, bl. 34: Van den smid, die niet sterven wilde, en XVII,
+bl. 17: Van de drie wenschen (Nederlandsche sprookjes en vertelsels,
+medegedeeld door G. J. Boekenoogen).--
+
+Ook de vogels worden meestal slechts in het algemeen aangeduid;
+uitzondering maakt de musch: brutale huisgast, de leeuwerik:
+zangeres van het morgenrood, de zwaluw: geluksvogel, de nachtegaal:
+lenteverkondiger, de ooievaar: kinderbrenger en kindervriend;
+verder nog de uil, de adelaar en enkele anderen. In het hier volgende
+sprookje, eveneens aan de Vlaamsche Wondersprookjes ontleend (bl. 235),
+is slechts sprake van een vogeltje, dat zingt in de boomkruin. De
+booze moeder en de vogel die het uitbrengt zijn de motieven.
+
+
+Van de booze Moeder en den straffenden Noteboom.
+
+Daar waren eens twee kinderen en die heetten Janneken en Mieken. De
+Moeder kon Janneken niet lijden, maar Mieken zag ze doodgaarne.
+
+Op zekeren dag zei ze tot de kinderen: "Gaat naar het bosch, om hout
+te rapen." En ze gaf Mieken eene lekkere, witte boterham, terwijl
+Janneken niets kreeg dan eene droge snede roggebrood.
+
+Toen de jongen en het meisje nu naar huis keerden, had Mieken schier al
+het doode hout alleen opgeraapt; zij had een vollen schoot, terwijl
+Janneken bijna niets had kunnen zamelen.
+
+Als de Moeder dat zag, gaf zij Mieken een schoonen, blozenden appel,
+maar aan Janneken niemandal.
+
+"Krijg ik nu ook geenen appel, Moederf" vroeg hij, met een droef
+gezicht.
+
+--"Gij!"... riep de Moeder met een groote verontwaardiging. Doch een
+oogenblik daarna bedacht zij zich en zei: "Welnu, voor dezen keer, ja,
+ga dan maar op den zolder naar de kist, en haal er eenen appel uit."
+
+Maar het leelijke wijf volgde Janneken heimelijk op hare zokken, de
+zoldertrap op, en als de jongen het scheel van de kist had opgeheven,
+en zijn hoofd er juist instak, boef! sloeg zij uit al hare macht
+de kist weder toe, zoodat de kop af was, en met een harden bons
+neerviel....
+
+Nu kapte de booze moeder haar kind in stukskens, om er soep van te
+koken, en de beenderen liet zij Mieken onder den noteboom in den
+tuin begraven.
+
+Als de vader 's middags van zijn werk thuis kwam, vroeg hij, waar
+zijn Janneken was, want hij had het jongsken innig lief.
+
+"Hij is hout rapen," zei de vrouw.
+
+--"... Maar wat vreemden smaak heeft die soep toch!" merkte de man
+na een poosje zwijgens aan, terwijl hij zijn vrouw in de oogen keek.
+
+--"Och, wat zou het anders zijn dan een beetje aangebrand!"
+
+Als hij gegeten had, ging de vader in zijnen tuin, en toen hij onder
+den noteboom kwam begon op eens een vogeltje in de kruin te zingen:
+
+
+ Mijn moeder heeft mij vermoord,
+ Mijn vader heeft mij geëten (gegeten)
+ En mijn zuster heeft mijn' beentjes al'
+ Onder den noteboom gesteken (gestoken).
+
+
+En roef! daar viel met een zwaren plof een volle zak geld vóor vaders
+voeten neder. Dadelijk liep hij naar binnen en vertelde, wat aardig
+geval hem nu overkomen was.
+
+Mieken ging ook in den tuin zien. En op den boom ging het vogelken
+weer aan den gang met zijn droevig liedje:
+
+
+ Mijn moeder heeft mij vermoord,
+ Mijn vader heeft mij geëten
+ En mijn zuster heeft mijn' beentjes al'
+ Onder den noteboom gesteken.
+
+
+En zie, daar viel uit de lucht een schoon blauw satijnen kleed vlak
+vóor de voeten van het meisje. Met een popelend hartje raapte zij
+het op en stormde er mee binnen.
+
+Dan kwam de moeder toegeschoten, in de hoop dat er voor haar ook wel
+iets ten beste zou wezen. Maar nauwelijks was ditmaal het liedje
+ten einde of, pardaf! daar viel een zware zak met harde steenen
+recht op den kop der booze moeder,--zoodat zij morsdood bleef
+liggen. (Antwerpen).
+
+
+
+Iets anders is het eigenlijke dierensprookje. Hier zijn de dieren
+veeleer uitsluitend de handelende personen, en slechts bij uitzondering
+wordt een mensch geduld.
+
+Het dierensprookje is ook onderscheiden van de dierenfabel. Deze is
+er op uit, het menschelijke door het dierlijke uit te drukken en bevat
+strekking, moraal en satire. Het sprookje daarentegen moraliseert niet,
+althans niet oorspronkelijk, het wil slechts naïef waarnemen en trouw
+weergeven, wat in de dierenwereld plaats heeft. Tusschen mensch en
+dier loopt immers geen scherpe grenslijn, meent het volk; slechts
+openbaart het dier zijn eigenschappen en neigingen meer onbevangen
+dan de mensch. En de taal? Die bezitten de dieren evengoed, maar de
+mensch mist de gave, die te verstaan.
+
+Ik geef nu een dierensprookje met het bekende verzamelmotief van
+een reisgezelschap, dat langzamerhand bij elkander komt, en dat men
+ook vindt in de _Bremer Stadtmuzikanten_. Het is ontleend aan de
+verzameling van Pol de Mont en Alfons de Cock: Dit zijn Vlaamsche
+Vertelsels (Gent 1898), bl. 47.
+
+De Kerkzangers van Sinter-Goelen.
+
+De molenaar van Zavelberg had een ezel, die in zijnen dienst stram en
+stijf geworden was. Nu was het beest zoo oud als de straat en deugde
+niet meer voor het werk. Daarom wilde zijn meester Grauwtje aan kant
+zetten en hem voor zijn vel verkoopen.
+
+Toen de ezel gewaar werd, dat hij in den mulder zijn gratie niet meer
+stond, besloot hij de plaat te poetsen.
+
+"Ik kan in Sinter-Goelen nog kerkzanger worden", dacht hij; "al
+ben ik oud, mijne stem klinkt nog goed en helder". En hij sloeg de
+Brusselsche baan in.
+
+Als hij 't kasteel van den baron voorbijging, kwam hem de zwarte
+jachthond tegen, zoo treurig als een lijkbidder.
+
+"Wat scheelt er u?" vroeg de ezel.
+
+"Och", was 't antwoord, "omdat ik op de jacht met mijne stijve pikkels
+de hazen niet meer kan inhalen, loop ik hier iedereen in den weg. Van
+'s morgens tot 's avonds is 't altoos hetzelfde liedje: allo, oude
+rakker, van onder mijne voeten. Ge zoudt liever dood zijn dan zoo
+te leven".
+
+"Sukkelaar, waar gij verdriet in maakt!" zei de ezel. "Ga met mij
+mede, ik trek naar Sinter-Goelen om kerkzanger te worden. Uwe stem
+is nog kloek, en 't is een vet postje op onze dagen."
+
+De hond liet het zich geene tweemaal zeggen en ging met den ezel de
+Brusselsche baan op.
+
+Een beetje verder, aan een leemen huizeken, zagen zij een kat
+aan de deur zitten met een gezicht gelijk Pietje de Dood, en haar
+miauw! miauw! scheen uit 'nen grafkelder te komen.
+
+"Wat is er met u gebeurd?" vroeg Langoor.
+
+"Ja", zei de poes, "vraag mij zoo'n dingen! Ik ben half blind van
+ouderdom, en kan bijkans geene muizen meer vangen. En ik krijg zoo
+luttel eten, dat ik somwijlen scheel zie van honger. Ik had nu juist
+een klein broksken spek gestolen, en voor zoo'n bagatel wierd ik de
+deur uitgesmeten en kreeg dan nog pardoef, terwijl de muizen in de
+schapraai mij vierkant uitlachten. Zoudt gij er niet van doodvallen?"
+
+"Doodvallen", zei de ezel, "toe dan. Ga met ons mede. Al zingt ge
+valsch, ge zult altijd goed genoeg zijn om de vespers te helpen
+zingen. Wij gaan naar Sinter-Goelen kerkzangers worden".--En de kat
+trok mee de Brusselsche baan op.
+
+In den valavond kwamen onze drie muziekanten aan een boerenhof. De
+haan kraaide zonder ophouden en zoo hard, dat de ezel hem vroeg,
+wat er ophanden was.
+
+"Mijn liedje is hier bijkans uit", zei de haan. "Een uur geleden
+kraaide ik ""goed weder tegen morgen"", en als de pachteres dat hoorde,
+riep zij tot de meid: ""de haan voorzegt goed weêr tegen morgen,
+'t zal hem een dure keer zijn. Want nu mogen wij ons kermisvolk
+verwachten, en meester Rookop moet in de soep".
+
+"Ge moet stapelzot zijn om hier te willen blijven", zei de ezel,
+"als gij weet dat zij u, vandaag nog misschien, een kopje korter
+zullen maken. Sterven is het laatste, jongen, en iets beters dan dat
+is niet ver te zoeken. Kom met ons mede; wij worden kerkzangers in
+Sinter-Goelen; met uwe stem is daar goud te winnen!"
+
+De haan vloog bij 't gezelschap, en gezamenlijk wandelden zij de
+Brusselsche baan op.
+
+Tegen den avond kwamen zij aan Zoniënbosch en zagen nergens huis
+noch kluis. Ze moesten van den nood een deugd maken en zich tevreden
+houden met het logement, dat er in 't gras en in de bladeren te
+vinden was. De ezel en de hond legden zich onder 'nen hoogen beuk; de
+kat klauterde in de takken en de haan vloog in den top. Eer hij zijn
+gemak nam om een uiltje te vangen, keek de haan, uit voorzichtigheid,
+eens naar alle kanten rond. En hem docht, dat hij ginder ver een flauw
+lichteken zag schemeren. "Daar moet een huisje zijn, en menschen",
+dacht hij. En seffens vertelde hij dat nieuws aan zijne kameraden. De
+ezel, die er bitter weinig van hield in bosschen te slapen, stelde
+voor, onmiddellijk op te kramen, en recht naar dat lichtje te gaan. De
+anderen keurden dat voorstel goed en op éen, twee, drie, waren zij
+op de been.
+
+Langzamerhand zagen zij het lichteken dichter bij komen en grooter
+worden, totdat zij, op den duur, vóor een klaar verlicht roovershuis
+stonden. De ezel, die de grootste was, ging eens door het venster
+kijken. "Sapperdeboeren!" zegde hij, "ze zitten hier aan een
+kermistafel. Er wordt gedronken en geschonken, gegeten en gesmeerd,
+dat het gezicht alleen mij doet watertanden. Zoo ik daaraan mijn
+buiksken eens mocht deugd doen".
+
+"Ja, dat ware een kansje voor ons", zei de hond, "want mijn buik is
+zoo hol, dat hij rammelt. Maar hoe die gasten buiten gekregen?" Ze
+staken de koppen bijeen, om te gaar die zaak te overleggen, en op
+twee minuten hadden zij een plan gereed. Zij wilden de roovers eens
+met eene fraaie serenade vereeren.
+
+Langoor plaatste zich met zijne voorpooten op het venster, de hond
+wipte op zijnen rug, de kat klauterde op den hond, en de haan ging
+boven op de kat haren kop zitten. Dan begonnen zij, op een teeken,
+muziek te maken: de ezel giegaagde, de hond baste, de kat miauwde en
+de haan kraaide. En al te gelijk sprongen zij door 't venster het
+huis binnen, terwijl de ruiten, rammelend, in in duizend stukskens
+vlogen. Ge kunt denken, wat helsch lawaai dat maakte. De dieven
+meenden, dat al de duivels losgelaten waren, en vluchtten bijkans
+dood van schrik het bosch in.
+
+Nu zetten zich onze vier kerkzangers op hun zeventien gemakken
+aan tafel, en aten en dronken, dat hun buik gespannen stond gelijk
+eene trommel. Moe gegaan en dik gegeten, begonnen ze naar rust te
+trachten, maar eerst en vooral bliezen zij het licht uit. Nu koos
+elk de slaapplaats, die hem best beviel: de ezel leide zich op den
+mesthoop neer, de hond aan de achterdeur, de kat op de warme assche
+van den haard, en de haan vloog op de vorst van 't huis. En drie
+minuten na dien waren ze allemaal in slaap.
+
+Intusschen was 't middernacht geworden. En als de roovers geen
+licht meer zagen of geen gerucht meer hoorden, begonnen zij zich
+over hunne lafhartigheid te schamen. "Wij hebben ongelijk gehad
+zoo gauw op den loop te gaan", zei de kapitein, en hij zond zijnen
+luitenant op onderzoek uit. Deze vond alles stil en ging in de keuken
+om licht. Hij aanzag de vlammende kattenoogen voor gloeiende kolen en
+stak er een sulferstekje tegen, om zoo vuur te krijgen. Maar poesje
+verstond geen lachen, vloog in zijn gezicht en krabde hem links en
+rechts. Gij kunt peinzen, hoe de kerel verschoot. In een ommezien
+was hij de keuken uit en op de vlucht. Maar aan de achterdeur beet
+de hond hem in zijn been, en als hij den mesthoop voorbijstoof, gaf
+hem de ezel met zijnen achterpoot nog 'nen fellen stamp. En de haan,
+door al dat geroezemoes wakker geworden, kraaide er dapper op los:
+koekeloerekoe! koekeloerekoe!
+
+Jemenis menschen! hadt ge toen den dief zien loopen; een haas kon
+hem niet volgen. Buiten adem kwam hij bij zijne kameraden toe, en
+had moeite om te vertellen, wat hem voorgevallen was. "Och!" zeide
+hij, "in ons huis zit een kwade tooveres. Zij is op mij gevlogen en
+heeft met hare lange nagels heel mijn gezicht opengekrauwd; en aan
+de buitendeur staat een schildwacht en die heeft mij een steek in
+'t been gegeven; en wat verder ligt een zwart monster, en dat heeft
+mij met 'nen ijzeren stok geslagen, dat mijn ruggebeen kraakte. En
+boven op het dak riep iemand: "Hou den dief! Hou den dief!" Ge kunt
+wel denken dat ik mij uit de voeten maakte".
+
+De roovers trokken men 'n druipneus dieper het bosch in, en durfden
+sedert in hun huis niet meer te komen. Maar onze vier kerkzangers
+woonden er zoo goed en gerust, dat zij daar hun leven versleten en
+Sinter-Goelen Sinter-Goelen lieten. (Denderwindeke).
+
+
+
+Men vergelijke hiermee no. XVIII van dezelfde verzameling, getiteld:
+De wereld vergaat, en eveneens no. XXXVI: Van den halven haan. In
+het sprookje van de vier reizigers, bij A. Joos, Vertelsels van het
+Vlaamsche Volk (Gent 1889-91) no. 86, heeft het reisgezelschap met
+wolven te doen en niet met dieven.
+
+De lezer herinnere zich, hoe de booze moeder het arme Janneken aan
+stukken sneed om er soep van te koken. Men rekent dergelijke trekken
+tot de _ethnologische motieven_, en heeft gemeend, er sporen van
+kannibalisme in te kunnen ontdekken. Naar het welbekende verhaal in
+Homerus' Odyssee noemt men dit het Polyfemus-motief. In een sprookje
+der Duizend en éen Nacht luidt het als volgt. Op zijn derde reis leed
+Sindbad en zijne gezellen schipbreuk, redde zich op een eiland en
+bereikte een prachtig paleis. Bij avond treedt er een vreeselijke
+reus binnen, groot als een palmboom, en midden in het voorhoofd
+vlamt éen enkel overgroot oog. Achtereenvolgens begint hij nu de
+scheepsgezellen op te peuzelen, tot eindelijk Sindbad met de negen
+moedigsten den slapenden cycloop met een gloeiend braadspit het oog
+uitboort, om dan ijlings op in der haast getimmerde vlotten het ruime
+sop te kiezen. Maar de reus slingert hun geweldige rotsblokken na en
+allen, behalve Sindbad, komen om.
+
+In onze Nederlandsche sprookjes is dit het Klein-Duimpjes-motief
+geworden: de volwassenen zijn in kinderen veranderd, Duimpje
+(Odysseus-Sindbad) is hier de pientere jongste broeder, en
+de reus verliest niet het licht zijner oogen, maar slechts
+zijn zeven-mijlen-laarzen. Ook komt het niet tot menscheneten,
+want Duimpje redt zich en zijn broeders het leven. Wellicht is de
+woning van den menscheneter het doodenrijk, waarop ook het vereenigd
+voorkomen der drie lijkkleuren: wit, zwart en rood (ook tooverkleur)
+schijnt te wijzen. Dat zoo vaak sprake is van den jongste van 3 of 7
+of 12 kinderen, wien het beschoren is, koning te worden of de bruid
+huiswaarts te voeren, zou wellicht kunnen wortelen in het erfrecht
+van den jongste in de Germaansche landen. De jongste wordt door
+zijn broeders dan ook niet met goede oogen aangezien, maar hij
+is doorgaans de slimste, zooals blijkt uit het verhaal der Twee
+Broeders, het oudste ons bekende sprookje, dat ten tijde van Mozes
+in Egypte werd opgeteekend; zie hierover mijne Essays en Studiën,
+bl. 216. Sommige elementen hiervan vinden wij in onze sprookjes weer:
+"de man, wiens hart in een voorwerp bewaard wordt"; "de sprekende koe,
+die den held waarschuwt voor het hem dreigend gevaar"; "de opgeworpen
+hinderpaal tusschen vervolgers en vervolgde"; "het sympathetische
+teekenen, dat de dood van den afwezigen broeder verkondigt" enz. De
+verhouding tusschen de twee broeders is nog dezelfde in een Friesch
+sprookje, welks aanhef ik hier laat volgen (Dijkstra, Uit Friesland's
+Volksleven II, bl. 3 vlg.).
+
+Van grooten Oege en kleinen Oege.
+
+Er waren eens twee broeders, die heetten beide Oege. De een was groot
+en sterk, maar zeer dom en lomp; de ander was een klein en nietig
+ventje, maar zeer leep en verstandig. Groote Oege was rijk, hij had
+wel dertig koeien, kleine Oege was arm, hij had maar eene koe. En zij
+hadden ieder een oude grootmoeder bij zich inwonen voor huishoudster.
+
+Eens kwam er een bedelaar bij kleinen Oege om een aalmoes. De kleine
+man zei: "Ik kan u niets geven, ik ben zelf arm, maar ga naar mijn
+buurman, die is rijk".--De bedelaar ging nu bij grooten Oege vragen,
+maar die zei: "Denk je, dat ik je wat geven kan? Ik heb moeite genoeg
+om zelf aan den kost te komen".--"En je buurman zegt, ge zijt een rijke
+boer", zei de bedelaar.-- Dit maakte den grooten domkop wrevelig,
+hij zei: "wil die kleine leelijkerd mij de schooiers op het lijf
+zenden? Dat zal ik hem betaald zetten".--In zijn dolle drift liep
+hij naar den weg, waar de koe van den kleinen Oege liep grazen,
+trok zijn zakmes en sneed het beest den hals af.
+
+
+
+Men vergelijke hiermee het begin van een door Boekenoogen, Volkskunde
+XIII, bl. 240, meegedeeld sprookje:
+
+
+
+Van Grootoog en Klaainoog.
+
+
+Waz'n rais twei neefs; ain haitte Grootoog en anner Klaainoog. Zei
+waz'n baaiden boer, maor Grootoog har 'n groot spul (boerderij) en molk
+'n stuk of twaalf kôi'n en Klaainoog was maor 'n luddik keuterboerke
+en har ain kou. Nô wol 't ongeluk, dat Klaainoog zien kou wat aan
+schoensche kant was (niet in de weide wilde blijven) en nô en den
+ien Grootoog zien land kwam. Grootoog ging noa zien neef en zee:
+"As dien kou mie dat nog ainmoal weer bakt, den steek ik hom dood,
+doar kens dien reek'n maor noa moak'n". "'k Ken er nait meer aan doun",
+zee Klaainoog, "'n mensk mout doun, wat hai nait loat'n ken."
+
+'t Hil nait lank aan, of kou kwam weer ien Grootoog zien land en
+Grootoog hil zien woord en stook kou dood.
+
+
+
+In Vlaanderen (Leuven, Aerschot, Wambeek, enz.) luidt de aanhef aldus:
+
+Van Pachter Eentand.
+
+Er waren eens twee broeders, en die woonden nevens malkaar. De een
+had drie paarden, de ander maar éen enkel, en daarom werd deze pachter
+_Eentand_ genaamd.
+
+Vier dagen elke week leende Eentand zijn enkel paard aan zijnen
+broeder, die hem de twee andere dagen zijne drie paarden liet
+gebruiken.
+
+Op zekeren dag, dat Eentand met alle vier de paarden aan 't werk was,
+riep hij, iederen keer dat er volk voorbijging: "Hu, al mijn paarden!"
+
+Zijn broeder verbood hem zoo te spreken, maar vruchteloos. Toen
+dreigde hij Eentand zijn éene paard den kop in te slaan, in geval
+hij nog een enkelen keer "al mijn paarden" durfde roepen.
+
+Eenige stappen verder, als Eentand volk zag afkomen, klonk het weer:
+"Hu, al mijne paarden!"
+
+"Pardaf", zei de broer, en sloeg met eenen marteel Eentand's paard
+den kop in.
+
+
+
+Talrijk zijn ook de _mythische_ motieven. Ik sprak reeds van het
+doodenrijk, dat de Oude Germanen zich dachten als het rijk van
+Wôdan-Odhin, als het schimmenrijk, en ook wel als gelegen in de
+diepte der zee. Deze verschillende opvattingen hebben hun neerslag
+in de sprookjesmotieven. De boomen en bloemen, die uit de aarde
+opgroeien, bevatten vaak de ziel van den overledene (I, bl. 65);
+bloemen ontspruiten ook op de graven. Op zielengeloof en doodenkultus
+berust verder het motief der dankbare dooden, niet zelden in den
+vorm van dankbare dieren, en het verlossingsmotief: de verlossing
+geschiedt door het oplossen van een raadsel, het beantwoorden van
+een vraag, het uitspreken eener formule of door standvastigheid in
+het gevaar. Hiertoe behoort eigenlijk ook het sprookje van Roodkapje,
+oorspronkelijk een door een monster verslonden, maar naderhand weer
+bevrijd goedaardig wezen. Van bevrijding door heldenmoed gewaagt het
+sprookje van Doornroosje. Al deze mythische opvattingen wortelen in
+den gemeenzamen bodem van het primitief-wijsgeerige animisme, dat de
+direkte ondergrond is van het omvangrijke motief der vormveranderingen.
+
+De sprookjesgroep, die ons bezig houdt, noemen wij tooversprookjes in
+tegenstelling met de dierensprookjes. Toch worden alle min of meer met
+den tooverstaf aangeraakt en juist dit verleent hun de eigenaardige
+fantastische bekoorlijkheid. Tooverij of magie, in engeren zin, is
+een beslist mythisch bestanddeel, hoe dwaas het ook zijn moge, in de
+magie _de_ bron _der_ religie te willen zien. Tooverij schenkt ook de
+befaamde onwondbaarheid door tooverhemd, dierenvet, bad in tooverbloed
+enz. Zie hiervoor A. de Cock, De onwondbaarheid en de Achilleshiel,
+in Volkskunde XXIII, bl. 169.
+
+Naar men weet heeft Laistner den droom als mythischen faktor
+ingevoerd; en inderdaad kunnen vele motieven als _droommotieven_
+worden beschouwd. Aldus in de sprookjes van den tooverslaap, die
+ons Doornroosje, Sneeuwwitje en de Zevenslapers in het geheugen
+roepen. Al de hoofdpersonen van deze sprookjes moeten wachten op
+verlossing uit den slaap; een gewaarwording, die den droomenden
+mensch herhaaldelijk bevangt. Talrijk zijn ook de sprookjes, waarin
+een droom een beslissende rol speelt, doordat hij of wel de werkelijke
+toekomst voorspelt, of de menschen tot ijdele hoop verleidt,--vertelt
+Homerus ons niet reeds van de twee droompoorten aan het paleis van
+den nacht? De eene is van hoorn, de andere van elpenbeen: door deze
+gaan de vleiende, bedriegelijke droomen, door gene de waarachtige, die
+ter voleinding voeren. Hiertoe behooren verder het wenschmotief, men
+denke aan het wensch-tafeltje met allerlei spijzen en het overbekende
+tafeltje-dek-je; het vergeetmotief, als in het sprookje van de Ware
+Bruid; het raadsel- of sfinxmotief, ons bekend uit het verhaal der
+koningsdochter, die slechts wilde trouwen met iemand die haar kon
+vastpraten, en van den koning, die geen andere vrouw tot koningin
+wilde nemen dan haar, die zich voor hem zou vertoonen "niet bij dag
+en niet bij nacht, niet gekleed en toch niet naakt, niet te voet
+en ook niet te paard", zie Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven II,
+bl. 50, 68, 71; De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 31, 352,
+390 (een vernuftige boerendochter zette zich bij het vallen van den
+avond op een ezel, omhing zich met een groot vischnet, en trok zoo naar
+'t paleis); en dat van de zware, onoplosbare taak of van het labyrinth,
+in de Germaansche sprookjes vervangen door het groote, sombere woud.
+
+Zoo kom ik eindelijk aan de _karakter-motieven,_ waartoe op de
+allereerste plaats wel de sluwheid behoort, meestal verbonden met
+kleine lichaamsgestalte, als bij Klein-Duimpje, in het Groningsch
+_Keuteldoemke_, zie Volkskunde XIII, bl. 111, in het Limburgsch
+_Duumpke-Mezuumke,_ wellicht ontstaan uit _Duumpke-mie(n)-zeunke;_
+zoo ook in het Geldersch verhaal van den Slimmen Jan, Volkskunde XIII,
+bl. 247, en van den Slimmen Schoenmaker, De Mont-De Cock, Vlaamsche
+Vertelsels, bl. 216. Andermaal wordt de domheid tot motief, veelal
+verbonden met forsche, rijzige lichaamsgestalte. De domme begrijpt
+meestal een gegeven leer niet. Hiertoe behooren onze sprookjes van
+Diertien, Jan den Boer, Sterken Hans of Wolfjonk en Nog dommer dan
+dom. De historie van Tijl Uilespiegel wijkt slechts in zoover af,
+dat hij in al zijn dwaze streken een opzettelijke schalk is.--Sterkte
+en dapperheid, lafheid, geluk vertoonen zich zóo regelmatig, dat
+zij kwalijk een motief kunnen genoemd worden. Het ongeluk wordt tot
+motief bij den ongeluksvogel, wien alles tegenloopt. Ook de luiheid
+is een gewild motief, maar dan een grootsche, ekstatische luiheid,
+een eigenschap, die den drager begenadigt, burger te worden van het
+Luilekkerland! Het lange slapen is het eerste sprookjes-kenteeken
+dezer luiheid. De nieuwsgierigheid wordt doorgaans bestraft en hangt
+nauw samen met het motief van het verraden geheim, dat wij in het oude
+sprookje van Midas met de ezelsooren vinden, en van het vraagverbod:
+Amor en Psyche, de Zwaanjuffer, Blauwbaard, wanneer dit verhaal
+althans om zijn historische kern niet tot de sagen moet gerekend
+worden, zie Funck Brentano in de Vragen van den Dag XIX, bl. 483,
+556, 649. Ook wordt de eenvoud vaak beloond, hetgeen wij zien in de
+formule van Asschepoester, een meisje trouwens zóo schoon, dat haar
+schoonheid zich reeds door haar schoentjes verraadt.
+
+In het Oosten, en ten deele ook in Italië, was het sprookjesvertellen
+een beroep, uitgeoefend door vakmannen in het vertellen, aan het hof,
+in de paleizen, voor de groote volksmenigte. Vertellers van dien
+aard bezitten een zekere kunstvaardigheid en techniek, en berekenen
+en versterken den indruk door dramatische middelen; zij verhoogen de
+spanning en maken jacht op effekt. Zóo ontstonden b.v. de sprookjes
+der Duizend en een Nacht. In den Oosterschen verhaaltrant is veel
+novellistisch en fantastisch, de volksaardige grondslag wordt niet
+zelden geheel door kunstmatig geteelde woekerplanten overgroeid.
+
+De Nederlandsche, Duitsche, Engelsche, en grootendeels ook de Fransche
+sprookjes zijn geheel anders. Zij zijn kinderlijk en schijnen voor
+kinderen bestemd. Zeker, zij worden verteld onder de dorpslinde op
+zomeravonden, zij korten de gezelligheidsuren der spinningen, voor
+zoover die nog in eere zijn (I, bl. 273). Maar het midden, waar zij
+bij uitstek thuis hooren, is toch de huiselijke kring, met name de
+kinderkamer: moeder en grootmoeder vertellen, de kinderen vormen het
+luistergrage publiek.
+
+Dit feit vindt weerklank in vorm en aanleg onzer sprookjes. Een slot,
+dat de vernietiging van het goede en edele beduidt, verdraagt de
+kinderziel niet. Maar ook in den loop van het verhaal zelf wordt
+het harde en gruwzame, dat b.v. de IJslandsche sprookjes kenmerkt,
+zooveel mogelijk verbannen. Verder vermijdt men het geraffineerde,
+het te zeer prikkelende, het eindeloos spannende: het kind moet
+naderhand kunnen inslapen en vriendelijke droombeelden moeten
+het omzweven. Maar vooral, het sprookje moet eenvoudig zijn en
+verstaanbaar, moet liggen binnen het bereik der kinderziel. Juist
+hierdoor echter is de oude sprookjeskern beter bewaard gebleven:
+vooreerst, omdat het gekunstelde ontbreekt, maar ook, dewijl het
+kind steeds op dezelfde wijze wil verhaald hebben. Zelfs een lichte
+verandering duldt het niet: "dat is niet juist, niet goed," zegt het
+dan. Want het kind houdt de sprookjes voor waar.
+
+Een bijzonder karakter vertoonen nog de Nederlandsche sprookjes. Onder
+de dieren heeft de ooievaar natuurlijk een eereplaats, maar
+merkwaardiger is de natuurschildering. In 't Oosten en Zuiden van
+ons land speelt het verhaal meestal nog in het woud, maar in het
+Noorden aan en op zee. Toch voelt het sprookje zich in het woud
+beter thuis, en het verwaait en vervaagt wel eenigszins in onze
+kale, kille laaglanden. Hoe schenkt het dichte, donkere bosch ook
+zoo echt de sprookjes-stemming, de zalige beklemdheid, het heerlijke
+angstgevoel! Dáar drukt verlatenheid en eenzaamheid op het verdwaalde
+kind. Aan reuzen en dwergen, monsters en verscheurende dieren is
+het weerloos prijsgegeven. Vooral wanneer de nacht neervlerkt. Maar
+eindelijk herleeft toch de hoop op redding, als ginder, heel ver,
+een zwakke lichtschemer trilt: "en toen zagen ze in de verte een
+lichtje branden".
+
+Met name echter: humoristische gemoedelijkheid kenschetst onze
+sprookjes. Maar deze gemoedelijkheid is inniger in het zuidelijk
+volksgebied, en helt meer over tot het banale of platte in het
+noordelijk.
+
+Een afzonderlijke groep vormen de natuurverklarende sprookjes; deze
+behandel ik in het Zesde Hoofdstuk III.--
+
+
+ --Daar was eens een man,
+ --Toe, luistert dan,
+ --Daar was eens een' vrouw,
+ --Toe, luistert nou,
+ --Daar was eens een heer,
+ --Och! ik vertel niet meer.
+
+
+Ziedaar een staal van de zoogenaamde kwelsprookjes, die ik
+tot het laatst bewaard heb, en wier finale werkt als een koude
+waterstraal. Algemeen verspreid zijn ook de kwelvertelsels van het
+Kalverstaartje en van den Gouden Sleutel:
+
+Er was eens een man, die groef zijn tuintje wat om en vond toen een
+houten doosje. In dat doosje vond hij een kalverstaartje,--en ware
+dat kalverstaartje wat langer geweest, dan zou mijn vertelseltje ook
+wat langer geweest zijn.--
+
+Eens 's winters, toen er veel sneeuw lag, werd een arme jongen door
+zijn ouders met een slede uitgezonden om brandhout te halen. Toen hij
+nu in het bosch de slede opgehoopt vol had geladen met doode takken,
+wilde hij, voor hij naar huis terugkeerde, een vuurtje maken om zich
+wat te warmen. Hij ruimde daartoe de sneeuw wat weg, en vond toen
+op den grond een kleinen gouden sleutel. Verder zoekende vond hij
+aldra onder de sneeuw ook een ijzeren kistje, met een sleutelgat zoo
+klein, dat men het nauwelijks zien kon. Hij probeerde, en gelukkig! de
+sleutel paste. Hij draaide het sleuteltje eenmaal om,--en nu moeten wij
+wachten, tot hij het kistje heel en al geopend heeft, dan zullen wij
+verder vernemen, welke wonderbaarlijke dingen er in waren opgesloten.
+
+Minder bekend wellicht is het volgende Limburgsche kwelsprookje.
+
+In overoude tijden kwam eens een groot geheimzinnig schip de rivier
+afdrijven en ankerde nabij een havenstad. Zwart was de kiel, zwart de
+mast, zwart de zeilen en al het takelwerk. Geen kapitein stond op de
+brug, geen stuurman aan het roer, geen matrozen op het dek of in het
+want,--alles was eenzaam en akelig stil. Het volk uit de havenstad
+drong op de kade om het schip samen, maar niemand verstoutte zich
+het vaartuig te betreden. Eindelijk achtte de magistraat het zijn
+plicht een onderzoek in te stellen. Ook het ruim vond men ledig, op
+éen kajuit na: daar zat een klein, zwart manneke, en ter linkerzijde
+van hem lag een zwaard, ter rechter een korst brood.
+
+Toen nu niemand wist te zeggen, wat dit beduidde, ontbood men een
+eerbiedwaardig kluizenaar uit den omtrek, en deze gaf eindelijk de
+gevraagde verklaring. "Het zwaard", zoo sprak hij, "beteekent lange
+jaren van bloedigen oorlog; de korst brood even zoo vele jaren van
+bitteren hongersnood"....
+
+"En het zwarte manneken dan?" vraagt wellicht een ongeduldige
+hoorder. Waarop het antwoord luidt: "Dat moogt gij zoolang likken,
+tot het blank is".--
+
+Behalve de reeds vermelde literatuur, zie nog A. De Cock,
+Rond den Heerd, Sprookjes voor jong en oud (Gent 1890); Uit de
+Wonderwereld, Sprookjes voor groote en kleine kinderen (Gent 1889);
+Fr. Coeckelbergs, Sprookjes, Legenden, Sagen en Liederen, afgeluisterd
+te Heyst-op-den-Berg (Antwerpen 1903); C. Claerbout, Sprookjes
+en Verhalen uit het Thieltsche (Pithem 1890); J. van Lantschoot,
+Volksvertelsels uit Meetjesland, (Gent 1895); J. Vermast, Vertelsels
+uit West-Vlaanderen (Gent 1890); Ad. Lootens, Oude Kindervertelsels
+in den Brugschen tongval (Brussel 1868); H. Poelhekke, Woordkunst,
+bl. 99; Ad. Thimme, Das Märchen, (Leipzig 1909), _passim_; Gustav
+Meyer, Essays und Studien zur Sprachgeschichte und Volkskunde
+(Berlin 1885) I, bl. 145 vlg.; M. A. Perk, in De Gids 1882 III,
+bl. 237; Prof. J. V. D. Vliet, in De Gids, 1894, II, bl. 452;
+Prof. J. J. Speyer, in De Gids 1892, III, bl. 520 vlg.
+
+Van het sprookje verschilt de _sage_, dewijl deze, zooals reeds gezegd,
+gebonden is aan tijd, gewoonlijk zelfs aan éen moment, als hoofddatum
+opgevat; het sprookje immers breidt zich uit over jaren en jaren. De
+sage is ook plaatselijk beperkt, hecht zich vast aan een bepaalden berg
+of stroom of meer van het geboorteland en heeft een meer nationaal
+karakter; het sprookje speelt ergens ter wereld, onbepaald, en gaat
+van pool tot pool, van oceaan tot oceaan. De sage eischt geloof aan de
+waarachtigheid van het verhaalde; ook het sprookje vraagt vertrouwen,
+doch slechts schertsender wijze, en het is meer novellistisch van
+aard. De sage is armer, eentoniger, het sprookje geestiger en biedt
+meer afwisseling. Waar de sage een religieus bestanddeel omvat, heeft
+het bovennatuurlijke den boventoon; het sprookje is in weerwil van
+al het wonderbaarlijke meer menschelijk. De sage staat ethisch, het
+sprookje artistiek hooger. Vooral de Germaansche sage wordt gekenmerkt
+door den adel der persoonlijkheid, de hooge opvatting van eer en
+plicht, de innigheid en reinheid van het zieleleven. Geschonden trouw
+wordt doorgaans door de straf op den voet gevolgd. Op Nederlandschen
+bodem onderscheidt de sage zich door grooten eenvoud en soberte,
+hoogen ernst en rustigen verhaaltrant.
+
+De _mythische sagen_ wortelen over het algemeen in animistische
+opvattingen, of in een bepaald mythologisch systeem. Na de uitvoerige
+bespreking der volksreligie in het eerste deel, bl. 62 vlg., kunnen
+wij ons hier met deze algemeene verklaring en verdeeling tevreden
+stellen. Ook vindt men daar ter plaatse reeds tal van Nederlandsche
+mythische sagen vermeld; ik wensch hier nog slechts enkele voorbeelden
+aan toe te voegen.
+
+Spook- en Tooversagen. Een typische spookgeschiedenis mag m.i. in een
+boek als dit niet ontbreken. Ik ontleen ze aan de Vlaamsche Vertelsels
+van De Mont-De Cock, bl. 321. Het zeer verspreide verhaal draagt den
+naam: Van het betooverd Kasteel. Spooksagen als deze vormen vanwege
+haar geringe lokaliseering als het ware den overgang tusschen sprookje
+en sage. Jan, die twintig jaar den koning had gediend, waagt het,
+te gaan overnachten in een kasteel, waar het spookte.
+
+...In éen, twee, drie had hij een warm vuurtje aangelegd en zijn
+beslag gereed gemaakt. Dan zette hij zich in eenen leuningstoel,
+op zijn zeventien gemakken, bij den haard, in afwachting, dat de
+koekdeeg aan 't rijzen zou gaan. Intusschen was het elf uur van den
+nacht geworden, en Jan begon te bakken. Maar de koek was nog maar half
+gaar, of pardof! daar viel een heel menschenbeen door den schoorsteen
+in de pan, en--de koek lag in de asch!
+
+"Suikerloot", riep Jan, "al éen bedorven". Hij raapte het been
+op, smeet het in den hoek der schouw en herbegon te bakken. Maar,
+pardof! een tweede been plofte in de pan, en ... de koek lag weer in
+de asch!
+
+"Sapperlot", vloekte Jan, "al twee bedorven!" Hij gooide het been
+bij het andere en ging weer aan 't werk, ongelukkiglijk met hetzelfde
+gevolg, want nu viel er een menschenarm in de pan, en de koek was weer
+om zeep. En zoo duurde het nog eenigen tijd voort: den vierden keer
+viel de andere arm, den vijfden de heele ribbenkast, en ten slotte
+een menschenschedel!
+
+Jan wierp heel dien santenboetiek op 'nen hoop in den hoek van den
+schoorsteen, zonder zich daarvoor kwaad bloed te maken. "Zou 't nu
+eindelijk gedaan zijn!" riep hij, terwijl hij eens even naar omhoog
+in de schouwpijp keek. "Nu wordt het tijd, want mijn beer begint
+te dansen". En hij opnieuw aan 't bakken. Ditmaal liep het goed
+af, ook eene tweede en eene derde maal, en Jan speelde de koeken
+gretig binnen. Maar toen hij nu eens met een vluchtigen blik naar
+"zijn knekelhuis" keek, bemerkte hij tot zijne verwondering, dat de
+verschillende beenderen leven gekregen hadden en zich samenvoegden
+tot een menschelijk geraamte!
+
+"Wel, vriend Magermans", zei Jan tot het spook, "hebt gij geenen lust,
+om een koekje mee te eten?" Maar hij kreeg geen antwoord. "Die zwijgt,
+stemt toe", zei Jan, en meteen nam hij een halfgebakken pannekoek,
+en smeet dien het spook in 't aangezicht, dat hij er aan bleef plakken.
+
+Daar sloeg het middernacht op den toren van de dorpskerk. "Doe de deur
+open", zei het spook nu, en het wees met den vinger naar de kelderdeur.
+
+"Doe ze zelf open, als ge niet te lui zijt", zei Jan. Het spook wenkte
+den soldaat hem te volgen en ging de kelderdeur openen.
+
+"Daal nu de trappen af", sprak het.--"Doe het zelf", zei Jan. Het
+spook daalde de trappen af, gevolgd door den soldaat met een brandende
+kaars in de hand. Vóor een grooten blauwen steen, in den keldervloer,
+bleef het spook stilstaan. Hier raakte het eventjes de handen van
+onzen gast aan, en deze voelde, dat ze gloeiend heet werden. "Hola,
+kerel, denkt ge mij te verbranden?" riep Jan. "Herbegin maar niet,
+of ik zal u 'nen anderen dans leeren".
+
+"Hef dien steen op", sprak de geest.
+
+"Hef hem zelf op, als ge niet te vadsig zijt", zei Jan. Het spook
+nam nu den steen weg, en Jan bemerkte eenen put, waarin drie volle
+kisten goud naast elkander stonden.
+
+"Ziet ge dit goud?" vroeg het spook. "Dat alles heeft mij toebehoord,
+toen ik op dit kasteel leefde, maar ik heb er geen goed gebruik van
+gemaakt. Daarom moest ik branden en hier elken nacht terugkeeren,
+tot er iemand gevonden werd, die dat geld een goede bestemming zou
+geven. Gij zult het doen, en van nu af is mijne straf uit". Tot teeken
+der waarheid legde het nogmaals de hand op Jan, en hij voelde, dat ze
+nu koud was. Dan sprak het weer: "De eerste kist is voor u; de tweede
+is voor den arme; de derde is voor de kerk". Daarop verdween de geest,
+en Jan stond daar alleen.
+
+'s Morgens ging hij zijn wedervaren aan den graaf (den kasteelheer)
+vertellen. Deze was heel blij, dat zijn kasteel nu van de spoken
+verlost was, en liet Jan gewillig toe het goud uit te deelen, zooals
+het spook had voorgeschreven. Onze soldaat, thans schatrijk geworden,
+keerde terug bij zijne moeder, en leefde met haar nog lang en gelukkig.
+
+Daar kwam de Dood met zijn wagen met doodenkruid, en voerde hen alle
+twee de wijde wereld uit.
+
+
+
+De spooksage is hier met een schatsage verbonden; dit is o.a. ook het
+geval met de Neerlintersche sage van het Blauwe Spook, die men vindt
+in Hagelander IV, bl. 90 vlg. De spoken zijn veelal familieleden,
+die terugkeeren en om gebed vragen of om vervulling eener door hen
+of door een ander niet volbrachte gelofte, zoo b.v. het spook van
+de Langesloot en van Tusschendijken, bij Dijkstra, Uit Friesland's
+Volksleven I, bl. 146, 154. Overeenkomstig luidt een sage, ons door
+Boekenoogen in Volkskunde XIX, bl. 150 meegedeeld:
+
+Een bakker te Hoorn had een vrouw en twee kinderen. Zijn vrouw werd
+doodziek en hij beloofde haar op haar sterfbed, dat hij de kinderen
+bij een buurvrouw, een heel braaf mensch zou uitbesteden. Maar toen
+zij gestorven was, kwam hij die belofte niet na.
+
+Van dien tijd af begon het avond aan avond te spoken. Er werd
+gerommeld, geschuifeld, gestampt en ander leven gemaakt. En altijd op
+denzelfden tijd begon het leven weer en werd het na een poos weer stil.
+
+Hij wist niet wat hij er aan doen moest en sprak er den predikant
+over. Deze besloot zich met eigen oogen en ooren te overtuigen en bleef
+dus op een zekeren dag waken en las onderwijl in den bijbel. Op den
+gewonen tijd begon het spoken weer en toen dat een poosje zoo geduurd
+had, zei de dominee: "Wat is er van uw verlangen?" "Ik heb geen rust",
+antwoordde het spook, "voor mijn man zijn belofte omtrent de kinderen
+vervuld heeft". "Die zal vervuld worden", sprak de dominee.
+
+Toen vertelde hij den bakker wat hij gehoord had en deze heeft de
+kinderen toen bij de buurvrouw uitbesteed; en het spoken is sedert
+voorgoed opgehouden.--
+
+Hoeveel betooverde meren en kasteelen schenken er niet een tooverwaas
+aan het Nederlandsche landschap! Diep bedolven in het Bleeke Meer--ook
+Prinsenmeer en Koningsmeer genoemd--nabij Stavoren ligt de schat der
+Friesche Koningen, gelijk de schat der Nibelungen in den Rijn. En
+waar de Niers met groote kronkelwegen de velden doorstroomt, daar
+verjoeg eens een hoogmoedige ridder in zijn verwaten trots een arme
+pelgrim van zijn erf. Slechts de jongste dochter had deernis met
+hem, maar vermocht den vloek niet meer te bezweren, die zich ging
+ontladen over het misdadig slot. Daar doet de torenklok twaalf doffe
+slagen weerklinken...en het kasteel zinkt weg in de diepte. Maar
+toen de lente weer kwam, ontsproten aan den voet van den heuvel,
+waarop de burg gelegen was, hyacinthen, primula's en anemonen, als
+herinnering aan de jonkvrouw, die niet geheel was ontaard.--Andere
+plaatsen, als het Solsche Gat, zijn betooverd, omdat daar een moord
+werd gepleegd. Klokkekuilen, die het gebeier der verzonken klokken
+nog menigen nacht, vooral op Kerstnacht, doen hooren, hebben allen
+hun genetische sagen. Voeg bij deze toover- en spooksagen nog de
+groep van volksverhalen, die betrekking hebben op personen, welke het
+vermogen bezitten, iemand "vast te zetten" of, zooals het heet, die
+"de vrije kunst" verstaan; van deze vindt men een zeker aantal bij
+Boekenoogen in Volkskunde XIX, bl. 142 vlg., en De Cock, ib. XXIV,
+bl. 142. Zie verder De Cock, Brabantsen Sagenboek I, bl, 118-161;
+Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 46, 51; G. V. D. Wall Perné,
+Veluwsche Sagen (Amsterdam 1909) I, bl. 96; Geldersche Volksalman.,
+1835, bl. 28; 1845, bl. 37; P. Oosterlee, Legenden3 (Nijmegen 1913),
+bl. 96.
+
+Daar bestaat een soort van betoovering, die zeer oud of onsterfelijk
+maakt of voor geruimen tijd de gave der vergetelheid schenkt. Algemeen
+vermaard is de sage, zooals zij is gelokaliseerd in het Zevengebergte,
+onder de benaming van _Der Mönch von Heisterbach_; men kent ook de
+Nederlandsche bewerkingen van W. Müller's gelijknamig gedicht. Maar
+ook in Groot-Nederland is dergelijke sage inheemsch, getuige het
+volgende, te Hekelgem uit den volksmond opgeteekende verhaal over
+"Het Kluizevogelken van Affligem".
+
+Op zekeren dag wandelde een heilige pater uit de abdij van Affligem in
+de wijde bosschen, rondom het klooster gelegen. Op eens werd zijn oor
+getroffen door het hemelsch gezang van een vogeltje. Vol bewondering
+houdt hij het vogelken in 't oog en daar het van boom tot boom vliegt,
+volgt hij het immer na. Zoo brengt het hem tot bij een kluis, die met
+een gouden draad is afgespannen. De draad opent zich bij het naderen
+van den monnik en sluit zich achter hem weer dicht. De pater zet zich
+neer op een bank naast de kluis en luistert nog altijd even gretig
+naar het wonderbaar gezang van het vogeltje.
+
+Maar ten slotte houdt het gezang op, en toen eerst dacht de pater er
+aan, naar de abdij terug te keeren. Hij komt voor de poort en klopt
+aan. Een portier verschijnt en vraagt: "Wien mag ik bij den Abt
+aandienen?"--"Wel broeder, kent ge mij niet? Ik heb slechts eenige
+uren geleden het klooster verlaten", antwoordt de monnik.--"Gij zijt
+mij geheel vreemd", herneemt de portier.--"Onmogelijk", protesteert
+de pater; "ga den heer Overste en mijne andere broeders verwittigen;
+die zullen mij wel herkennen".
+
+Maar niemand herkende hem. Toen kwam de abt op de gedachte, den
+vreemdeling zijn naam te vragen; en zoekend in de vergeelde en bestoven
+registers der oude abdij bevond men, dat de onbekende monnik juist
+honderd jaar geleden de abdij verlaten had. Ter herinnering aan dat
+voorval is naderhand op de plaats der oude kluis een kapel gebouwd,
+die men de _Kluizekapel_ noemt. Vergel. De Cock, Brabantsch-Sagenboek
+I, bl. 69.
+
+In deze lezing van de sage is een nieuw sagenmotief ingelascht,
+n.l. het vogeltjesmotief, dat men in een andere, wellicht meer
+oorspronkelijke lezing, ons door Wolf, Niederländische Sagen no. 148
+meegedeeld, met het tekstmotief verbonden vindt. De kloosterling denkt
+n.l. na over het schriftwoord: "Duizend jaren zijn voor Uw oogen als
+de dag van gisteren". Zie nog Zeitschr. d. Vereins für Volkskunde XI,
+bl. 298.
+
+Men zou tot deze groep de sage van den Wandelenden Jood kunnen rekenen,
+en ik moet toegeven, dat zij eenige trekken van het zoogenaamde
+Matthusalem-motief bevat. Maar ik reken ze toch liever tot de
+historische sagen.
+
+Zeer merkwaardig voor inhoud en verspreiding der sagen in het algemeen
+is die van den te Gast genooden Doode, over geheel Europa verspreid. Te
+'s-Hertogenbosch luidt zij als volgt:
+
+Langen tijd geleden leefde te 's-Hertogenbosch een Jonker, die
+aan God noch gebod geloofde en een zeer zondig leven leidde. Op
+zekeren avond twistte hij in een drankhuis over de vraag of er na
+den dood nog een leven is, en hij hield staande dat, wat dood is,
+dood blijft. Bij het naar huis gaan moest hij over een kerkhof en
+toevallig schopte hij tegen een doodshoofd. "Ha ha!" riep hij luid,
+"dat treft. Als gij nog leeft, kom dan straks het avondmaal met mij
+nemen!" En lachend ging hij verder. Thuisgekomen ging hij welgemoed aan
+tafel. Daar gaat de bel en de meid ziet een vreemdeling voor de deur
+staan. Zij brengt hem binnen en de vreemdeling zegt tot den Jonker:
+"Gij hebt mij zooeven te gast gevraagd, zooals gij ziet, beantwoord
+ik aan uwe uitnoodiging". De Jonker voelde zich ijskoud worden, maar
+nog meer, toen de man zijn mantel aflegde en zich vertoonde als een
+afschuwelijk geraamte. De Jonker viel in onmacht en de meid, die kwam
+toeloopen, vond geen spoor meer van den vreemdeling. De Jonker bleek
+zijn verstand te hebben verloren en stierf krankzinnig.
+
+Men ziet het, de sage moraliseert: goddeloosheid en onteering
+van den doode worden streng gestraft. Ongeveer eensluidend zijn
+de lezingen, die wij aantreffen in Vlaamsch-Brabant (Wambeke en
+Ternath), Oost-Vlaanderen (Welle, bij Denderleeuw), Noord-Holland,
+waar de sage nog als lied gezongen wordt, b.v. te Broek in Waterland,
+Antwerpen en Gent, Limburg (Vroenhoven), waar volgens 't Daghet in den
+Oosten XX, bl. 100 vlg. insgelijks de sage nog als lied voortleeft, in
+West-Vlaanderen (Brugge) en in Fransch-Vlaanderen (Godewaartsvelde). In
+het buitenland blijft de moraal: eer de dooden. Aldus in de lezing:
+het Doodshoofd te Gast, die wij ontmoeten in Bretagne, Morbihan,
+Nantes, Zevenburgen, Tirol, IJsland, Spanje, Luik, Metz, Picardië,
+Gascogne, en eveneens in de lezing: de Gehangene te Gast, vooral in
+Duitschland verspreid: Saksen, Pruisen, Meklenburg, Silezië, maar ook
+wel in Bretagne; eindelijk in de lezing op het motief: de Doode (niet:
+gehangene) te Gast, welke zich over Denemarken, Zweden, Noorwegen,
+Rusland, Holstein en Bosnië uitbreidde, maar ook wel in den Elzas en
+Zevenburgen gevonden wordt. De ongeloovigheid wordt echter in geen
+dezer lezingen gestraft, zoodat deze trek uitsluitend karakteristiek
+blijft voor de Nederlandsche inkleeding der sagestof. Nu heeft A. de
+Cock in eene voordracht, gehouden in de Koninklijke Vlaamsche Academie
+(Verslagen en Mededeelingen 1909) de stelling zeer aannemelijk gemaakt,
+dat deze trek afkomstig is van eene redaktie, die men in Poirters'
+Masker van de Wereld vindt; hij zelf ontleende hem aan een schooldrama,
+dat in 1615 te Ingolstadt gedrukt en in den herfst van hetzelfde jaar
+door de studenten van het Jezuïten-college aldaar werd gespeeld. Dit
+drama berust waarschijnlijk weer op een Italiaansche volkssage.
+
+Met opzet heb ik deze sage wat uitvoeriger behandeld, omdat ik ze van
+belang acht voor het goed begrip der onderlinge verhouding tusschen
+volkssage en kultuursage en der inwerking van de kultuurdichting
+op vorm en voortbestaan der sage. Wij zien de sage ongerept en
+onafhankelijk van den kunstvorm. Andermaal levert zij aan den dichter
+stof tot bewerking. Maar opnieuw dringt het thema de volksmassa's
+binnen en legt het populaire sagenkleed weer aan.
+
+"Van oudsher is de band tusschen sagen en kunstdichten nauw geweest",
+schrijft Poelhekke. "Veel sagen danken hun voortbestaan alleen aan
+den dichtvorm, waarin zij zijn overgebracht. Zou de Loreley-sage zoo
+verbreid zijn, als Heine ze niet had bezongen? En heeft Staring niet
+veel aandeel in het blijven voortleven van de sagenstof in zijn Jaromir
+en andere gedichten verwerkt? Er is zelfs voor nagenoeg alle sagen
+een tijd gekomen, waarin dichters de overgeleverde stof opzettelijk
+gingen omwerken, ze gingen verdiepen vooral, waarin ze het zieleleven
+der personen nader uitsponnen, en zoodoende menige sagenfiguur geheel
+wijzigden": Woordkunst, bl. 84, 85; vgl. De Beiaard I, i, bl. 49.
+
+Maresagen. Op de Veluwe gaat de sage van een boerenknecht, die met
+de kar hakhout van Wiessel naar Nunspeet moest brengen en 's avonds
+bij den Hoogen Duvel belandde. Een uitdagend:
+
+
+ "Griepke, Griepke, grauw,
+ A'j' me hebben wilt, griep me dan gauw"
+
+
+bekwam hem slecht. Want een vlam sloeg uit den weg omhoog, een
+dreunende slag volgde, 't paard steigerde hoog op, en tegelijkertijd
+zag de man een groot zwart gevaarte op hem afkomen, dat met vurige
+klauwen naar hem greep. Het werd een rit op leven en dood. Straks
+stootte de mare een woedend gebrul uit en een aantal weerwolven met
+groen-lichtende oogen sprongen te voorschijn. Eindelijk bereikten
+ruiter en paard den reddenden stal. Maar des anderen daags vond de
+boer het arme dier dood op het stroo liggen. Want de mare had zich
+weten te wreken op het onschuldige dier. Zie G. V. D. Wall Perné,
+Veluwsche Sagen I, bl. 100; Welters, Limb. Legenden II, bl. 38, 39;
+De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 96, 99.
+
+Vooral heksensagen vindt men allerwege. Het eigenaardige bestaat
+hierin, dat deze in den grond animistische sagen sterk met Christelijke
+bestanddeelen zijn vermengd; zie I, bl. 77.
+
+Een afzonderlijke groep der mythische sagen vormen de natuursagen,
+die berusten op verpersoonlijking der elementen of op verklaringen der
+natuurverschijnselen. Over de _kabouters_ weet o.a. de Noordbrabantsche
+Volksalmanak 1870, bl. 253 vlg. te verhalen, hoe een boer uit Duizel,
+die den heelen dag in de hei turf had gestoken, in het schemeruur met
+zijn "spaai" op den rug over den Eerselschen dijk huiswaarts keerende,
+eenige schreden voor zich uit een knaapje zag voortdrentelen, dat hem,
+wonder genoeg, niet ouder leek dan enkele maanden. Maar toen hij het
+wicht had ingehaald, bleek dit een mannetje te zijn met grijze haren
+en grijzen ringbaard; het haalde zijn "smoorske" voor den dag en vroeg
+hem een pijpje tabak, waarvoor de boer ten slotte rijkelijk beloond
+werd. Sagen over _Witte Vrouwen_, _reuzen_, _dwergen_, _vuurmannen_ en
+_meerminnen_ treft men rijkelijk aan, zoo b.v. in de verzamelingen van
+Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. II, 18, 52; G. V. D. Wall
+Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 44; Welters, Limburgsche Legenden II,
+bl. 29 vlg., 38; De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 168-215; De
+Mont-De Cock, Vlaamsche vertelsels, bl. 326, 331. Het schoone verhaal
+van het Meerminneken (_ib._ bl. 332), dat met lange, losse haren vol
+waterbloemen uit het water oprees, terwijl zij zong:
+
+
+ "Een wateren dak, een paleis van kristal....
+ Daar spelen mijn lievekens allemaal....
+ Visscherken, werp er uw tonneken uit....
+ De walvisch komt en zoekt naar buit",
+
+
+is veeleer wondersprookje dan sage. Wat de natuurverklarende sagen en
+sprookjes betreft, deze zullen wij naderhand afzonderlijk behandelen.
+
+De _Christelijke sagen_ borduren Christelijke figuren of tafereelen
+op heidensch, of althans op zuiver-fiktief patroon. Wanneer van
+Sinterklaas verteld wordt, hoe hij, hoog te paard, den ruimgeplooiden
+bisschopsmantel om de schouders geslagen, op zijn trouwen schimmel
+over de daken rijdt, om zijn geschenken door den schoorsteen te
+werpen,--dan is dit een Christelijke sage, want de Sleipnir berijdende
+Wôdan-Odhin levert het patroon. En evenzeer is dit het geval met de
+Christelijk-getinte verhalen, die men wel eens in bezweringsformules
+vindt ingelascht; daar staan Jezus, Petrus, Michaël en Stephanus
+eenvoudig op de plaats van Wôdan en de zijnen, die op hun avontuurlijke
+aardsche tochten niet zelden een verrekten paardenpoot genazen.
+
+Van dien aard is ook de sage van Sint-Elooi en den smid.
+
+Op zekeren keer, vertellen De Mont en De Cock, bl. 364, was St.-Elooi
+op wandeling en hij kwam in een vreemd dorp. Daar zag hij een smidse,
+en boven de deur, op een uithangbord, las hij deze woorden:
+
+
+ Bij Jan Hamers, paardesmid,
+ Meester-boven-meesters.
+
+
+"Wat", dacht St.-Elooi, "is die kerel zoo verwaand, dat hij zich
+boven heel de wereld durft verheffen? Ik ga eens zien".
+
+Hij trok binnen, en vroeg aan den smid, of hij bij hem mocht werken.
+
+"Kunt gij beslaan?" vroeg de smid.
+
+"--Ik geloof, dat het wel gaan zal", was 't antwoord.
+
+"--Welnu, toon wat je kunt", zei de smid, die zag hoe een boer naderde
+met een paard, dat aan zijne achterpooten moest beslagen worden.
+
+Sint-Elooi trok een schootsvel aan en zette zich aan 't werk. Op éen,
+twee, drie had hij een hoefijzer gereed. Dan nam hij den poot van
+'t paard, sneed hem af met zijn mes, en met éenen slag van den hamer
+zat het hoefijzer vast. Daarna paste hij den afgesneden poot aan het
+been, en zette ze weer aaneen. En wat vooral wonder was: het paard had
+geen enkelen druppel bloed verloren. Voor den tweeden poot handelde
+Sint-Elooi op dezelfde wijze.
+
+De smid, die alles van nabij had gadegeslagen, kon zijne oogen niet
+gelooven. "In alle geval, nu weet ik, hoe het in zijn werk gaat",
+peinsde hij. En daar hij erg jaloersch was, zond hij den Sant twee,
+drie dagen nadien weg.
+
+Kort daarop kwam er een ander paard, en de smid wilde St.-Elooi nu
+eens nadoen. Hij haalde zijn broodmes voor den dag en sneed het paard
+zijnen poot af. Het bloed stroomde uit de wonde, dat het deerlijk
+was om te zien, en het beest brieschte, sloeg en trappelde van de
+pijn. De verschrikte smid haastte zich om het hoefijzer vast te
+nagelen, maar den afgesneden poot weer aan het been zetten, dat ging
+volstrekt niet. Intusschen bloedde het paard altijd voort en was bijna
+dood. En Meester-boven-meesters, die van den stalknecht eene heele
+karrevracht verwijtingen en verwenschingen naar den kop kreeg, wist
+niet wat beginnen, en stond daar te zweeten van schaamte. Gelukkiglijk
+kwam St.-Elooi juist voorbij. De smid riep hem binnen en smeekte hem
+om hulp.
+
+"Waarom zet gij dan op uw uithangbord " "Meester-boven-meesters?" "
+vroeg St. Elooi. En de hoovaardige kerel wist geen woord in te
+brengen. St.-Elooi wilde evenwel hand noch vinger aan het paard steken,
+vooraleer de smid hem beloofd had zijn uithangbord weg te nemen en
+op den zolder te werpen; toen zette hij den poot weer aaneen en het
+paard was volkomen hersteld.
+
+De smid van zijnen kant hield woord, en was van zijnen hoogmoed
+genezen.--
+
+Volstrekt-fiktief, omdat persoon en hoedanigheid van den heilige totaal
+sekondair worden, zijn de fantastische sagen van Sint-Petrus aan de
+hemelpoort. Men tracht den goeden heilige op allerlei wijze beet te
+nemen, om toch maar niet voor eeuwig te worden buitengesloten. Nu
+heeft de portier des hemels ook wel zijn nukken en grillen; en zoo
+wilde hij eensdaags uitsluitend kavalerie toelaten. Een arme kerel,
+die zich niets te verwijten had, werd onbarmhartig afgewezen. Maar
+een kwezel, die daar juist aankwam, weet raad. "Zet U op mijn rug",
+stelde zij voor, "dan rijden wij zoo de hemelpoort binnen". Zoo gezegd,
+zoo gedaan. Sint Pieter keek hen glimlachend achterna en mompelde:
+"Daar heb je nu een merrie zonder staart".
+
+Een afzonderlijke groep vormen de sagen van den Wandelenden Christus,
+die hetzij alleen, hetzij in gezelschap van Petrus, of van Petrus
+en Johannes, evenals voorheen de goden, op aarde komt rondwandelen,
+om te zien, hoe alles reilt en zeilt. Deze sagen zijn niet zelden
+verbonden met het motief der _drie wenschen_.
+
+Met het Christendom deden leer en voorstelling van een
+volstrekt-boosaardig wezen, dat de menschen kwelt, haar intrede in
+de Germaansche wereld. De duivelssagen behooren tot de Christelijke
+groep. Deel I, bl. 95 vgl. heb ik uitvoerig besproken, op welke wijze
+en onder welke gedaanten de duivel optreedt en hoe hij de menschen
+tot een kontrakt met hem weet te verleiden. Hij verschijnt veelal
+om vloekers, zondagsschenders en drinkebroers te straffen, en ook
+bij verwenschingen, al zijn die zoo ernstig niet bedoeld. Verder
+komt in menige historische sage een duivelsmotief voor, ik herinner
+slechts aan de Faustsagen en haar Nederlandsche parallel, Marieke
+van Nimegen. Zie ook Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 49; Wolf,
+Niederländsche Sagen, no. 316, 319, 324, 325, 327; G. V. D. Wall Perné,
+Veluwsche Sagen II, bl. 64; De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels,
+bl. 316, 319; Limburg's Jaarboek IV, bl. 253; enz.
+
+Ik kom nu tot de _historische sagen_, volksverhalen met een historische
+kern, die door de fantasie werd uitgebreid of gewijzigd. Met
+"historische kern" bedoel ik een historisch feit, maar ook
+een historische persoon, een historisch woord, een historische
+voorstelling, teekening, opschrift, benaming enz.
+
+De feiten zwellen aan, groeien in omvang en beteekenis, worden met
+andere verward en verbonden, vereenigen zich met de meest heterogene
+bestanddeelen. Zoo of anderszins worden oorspronkelijk-zelfstandige
+sagen vereenigd, als b.v. de sagen van de Tafelronde, den Graal
+en Parzival; andermaal wordt de oorspronkelijk-eenvormige sage in
+meerdere gesplitst.
+
+Ook de personen groeien sterk in de volksverbeelding, tot haast
+bovenmenschelijke wezens. Zij vereenigen niet zelden op zich de
+daden van naamverwante of bloedverwante personen, ja van figuren,
+hun aanvankelijk geheel vreemd. Toovermotieven hechten zich aan hen
+vast, met name dat der onsterfelijkheid. Immers: groote mannen kunnen
+niet sterven. Vandaar, dat Karel de Groote slaapt in den Karlsberg
+bij Nürnberg, Barbarossa in den Kyffhäuser.
+
+Historische gezegden kunnen eveneens aan sagen het aanzijn
+schenken. M.i. is de Ahasverus-sage, de sage van den Wandelenden Jood,
+hoogst waarschijnlijk ontstaan uit het woord van Jezus tot Petrus:
+"Zoo wil ik, dat hij blijve, totdat ik kome; wat gaat het u aan? Volg
+gij mij!" (Jo. XXI: 22, 23). En de tekst vervolgt: "Er ging dan de
+sprake onder de broederen, dat deze discipel niet zal sterven." 't
+Is waar, deze woorden hebben betrekking niet op Ahasverus, doch op
+"den discipel, dien Jezus lief had." Maar tot _gevleugelde_ woorden
+herboren, konden zij spoedig op andere personen overgaan.
+
+Historische voorstellingen, teekeningen, opschriften hebben tal van
+sagen geteeld; dit feit behoort tot de zoogenaamde _ikonografische_
+volkskunde. Naar alle waarschijnlijkheid ontstonden b.v. de legenden
+der martelaars, wien men den naam van _Cefaloforen_ of "hoofddragers"
+gegeven heeft, als volgt. Men dient te weten, dat de kern dezer
+legenden deze is, dat onmiddellijk na de marteling het lichaam
+van den heilige zich verheft tot groote verbazing der beulen, het
+bloedige hoofd in de hand neemt en zich begeeft òf naar zijn woning,
+òf naar de plaats, waar hij wil vereerd worden. Pater Cahier heeft een
+lijst van ongeveer tachtig zulke martelaars opgemaakt, en nog, zegt
+hij, is zij verre van volledig. Welnu, in een der homilieën van den
+H. Johannes Chrysostomus vindt men dezen tekst: "Evenals soldaten zich
+met vertrouwen tot hun koning wenden, wanneer zij hem de wonden kunnen
+toonen, in zijn dienst ontvangen, zoo ook vertoonen zich deze heilige
+martelaren aan den Koning des hemels, _hunne hoofden in hunne handen_,
+en verkrijgen van Hem alles, wat zij maar wenschen." Tengevolge dezer
+woorden werd de voorstelling van een heilige, die het hoofd in de
+handen droeg, het type der onthoofde martelaren. Doch weldra ging de
+oorspronkelijke beteekenis van dit type te loor en mèt de symbolische
+voorstelling ontspon zich een net van legenden, dat zijn draden over
+geheel Europa, met name over Frankrijk wierp.
+
+Eindelijk, sagen kunnen ontstaan uit den drang naar verklaring van
+duistere benamingen; maar dit verschijnsel, dat tot de _etymologische_
+volkskunde behoort, behandel ik afzonderlijk, evenals de sagen,
+die berusten op natuurverklaring.--
+
+Aldus geboren verlaat de sage allicht haar bakermat, en fladdert rond,
+al is zij vrij wat meer gebonden en meer beperkt in haar vlucht dan
+het kosmopolitische, slechts nationaal-getinte sprookje. Gaarne tooit
+zij zich met het gewaad der heldensage en neemt zij den epischen
+kunstvorm aan. Volgens den Leipziger psycholoog Wilhelm Wundt,
+Völkerpsychologie V, 2, ontspringt zij uit het sprookje om dan,
+volgend de lijn harer geleidelijke ontwikkeling, zich te ontplooien
+in heldensage en epos. Uit het sprookje is zij ontstaan door het
+binnendringen van historische elementen. Deze opvatting kan echter
+den toets der kritiek niet doorstaan. De sage verschilt niet slechts
+van het sprookje door de bewuste scheiding der twee werelden van
+het zinnelijke en bovenzinnelijke, die in het sprookje vervloeien,
+en door hare sterke individualiseering van personen en zaken en
+haar ethische strekking; maar bovenal verschilt zij juist door
+haar wording. Zij kronkelt niet slechts als klimop om de verweerde
+bouwvallen van een oud kasteel, zij bestraalt niet slechts personen en
+gebeurtenissen,--maar zelfs een gezegde, een naam, een teekening kan
+haar doen ontluiken. Wel is het vaak moeilijk, haar van het sprookje
+te onderscheiden: zij loopen evenwijdig, zij nemen motieven van
+elkaar over,--wat wonder bij tweelingdochters van eenzelfde frissche
+volksopvatting en volksverbeelding?
+
+Vooral de heldensage wortelt niet in de wazige sprookjeswereld,
+maar in de historie, of liever, in de berichten van indrukwekkende,
+beteekenisvolle historische gebeurtenissen. In haar kern en
+oorsprong is zij tot poëzie geworden geschiedenis en zij wordt verder
+voortgeplant door de kunst van dichter of zanger. En de Germaansche
+heldensage bij uitstek is de schepping van een in het licht der
+geschiedenis vóor ons liggend tijdperk. "Het sprookje is de groote
+schatkamer geweest", schrijft Prof. Sijmons, "waaruit helden- en
+godensagen de edelgesteenten en kleinodiën haalden om haar figuren
+te tooien. Sprookjestrekken fladderen nauwelijks zichtbaar rond als
+zomerdraden en hechten zich aan den helm van Achilles en Siegfried zoo
+goed als aan Apollo's en Balder's plechtgewaad. In den loop van enkele
+eeuwen worden tastbare historische personen sprookjeshelden. Diederik,
+de groote Oostgotenkoning, bestrijdt reuzen, dwergen en draken. De
+sage meent het goed met haar lieveling; zij versmaadt geen enkel uit
+de bonte menigte van losse motieven, die de sprookjeswereld haar
+kwistig aanbiedt, om haar held steeds meer los te rukken van zijn
+menschelijk-historischen wortel, en toch blijft ze in haar opvatting
+van zijn geheele verschijning, van zijn rechtvaardigheid, zijn kalme
+rust, zijn lankmoedige vredelievendheid en tevens onweerstaanbare
+dapperheid, aan het geschiedkundige beeld van den edelen vorst,
+wien zelfs zijn vijand bewondering schonk, op merkwaardige wijze
+trouw": Heldensage en Sprookjes, in de Verslagen en Mededeel, der
+Koninkl. Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde 1910, bl. 597.
+
+Zóo is dus de sage een stuk werkelijke geschiedenis. Hoogst
+onbetrouwbaar wat de feiten betreft, verdient zij wat den geest betreft
+soms volle vertrouwen. Zij beeldt de idee uit, die in de historische
+gebeurtenissen leeft, zij vertolkt den geest der natie. De Germaansche
+heldensage is opgebloeid in de stormen der volksverhuizing, wier
+merkwaardige persoonlijkheden zij op merkwaardige wijze heeft weten
+vast te houden. Zie ook Poelhekke, Woordkunst, bl. 79, 90.
+
+Meerdere onzer historische sagen zijn van elders hierheen
+gekomen. Aldus de reeds vermelde Ahasverus-sage met haar
+sterk-uitgesproken ethische strekking: Ahasverus heeft zich
+vergrepen aan den Gezalfde des Heeren, tot straf zal hij op aarde
+moeten rondzwerven zonder rust noch duur. Het blijven-leven is hem
+ten vloek, het niet-kunnen-sterven de gruwzaamste pijniging--want de
+dood is toch óok rust, is weldaad en verzoening.
+
+Wolf verhaalt in zijn Niederländische Sagen de Vlaamsche lezing
+aldus: Omstreeks 1640 ontmoetten twee burgers, die in de Looierstraat
+woonden, in het _Soniënbosch_ een ouden, grijzen man, met gehavende
+kleeren van overoude snit. Zij verzochten hem, mee de herberg binnen
+te gaan, hetgeen hij ook deed; maar hij zette zich niet, doch dronk
+staandevoets. Toen hij met beide burgers weer buiten kwam, vertelde
+hij hun heel veel, en wel meestal geschiedenissen, die voor vele
+eeuwen waren afgespeeld. Hieruit bemerkten de burgers spoedig, dat
+hun gezel Isaak Laquedem was de Jood, die Jezus het rusten voor zijn
+deur weigerde, en verlieten hem hevig ontsteld.
+
+De sage van den Joodschen Wandelaar is nog steeds gangbaar onder
+ons volk. En hier, evenals elders, maken de dichters zich met
+graagte van de plooibare stof meester, om Ahasverus te maken tot een
+strekkings-figuur, en eigen streven en aanschouwing tot uiting te
+brengen. Aldus Ten Kate in zijn Ahasverus op den Grimsel, Heijermans
+in het schouwspel Ahasverus, Vermeylen in den roman De Wandelende Jood.
+
+Van elders kwam ook de sage van Faust, van Karel Martel, van Koning
+Arthur, van Keizer Karel. Daarentegen zijn de sagen van de Vier
+Heemskinderen--"de Vier Heysmanskinderen op éen paard", zooals het in
+Limburg heet--en van den Zwanenridder van Nederlandschen oorsprong,
+al kregen zij hun literairen vorm, die naderhand weer produktief werd,
+het eerst in het buitenland.
+
+Ieder gewest heeft zijn eigenaardige sagen; niet het minst het land
+van de zee en van de duinen, het land van de wouden, wildernissen
+en waranden, het land van de eindeloos vele poelen, van de burchten,
+ridders en minstreelen:
+
+
+ O Kenmerland! o Kenmerland!
+ O land van meiren en van wouden!
+ O land, door 't forsche woord bezield!
+ Hoe heeft m' een stoute pracht vernield,
+ Die voorgeslachten hier aanschouwden!
+ Hoe heeft (helaas!) een later teelt
+ De paerlen van uw kroon verspeeld.
+ En 't êelgesteente er uitgewrongen!
+ O land van trotschheid en van kracht--
+ Hoe is uw eikenknots geknakt,
+ En u een rietstaf opgedrongen!
+ Hoe heeft m' een boozen moord gepleegd
+ Aan 't fiere schoon van uw waranden,
+ En in behoeftes maagre handen
+ De schatten van uw pronk geleegd.
+
+
+Maar die grootheid van weleer sluimert nog in de sagen voort, door
+Hofdijk zoo keurig gestoken in dichterlijke kleedij. Te Aelbrechtsberg
+en Tetterode verhaalt men van den meirplas, welks oeverzoom bijna de
+oorzaak was geworden van een noodlottigen broedertwist. Spaarndam en
+Akersloot's sagen: Volbrachte Eed en Proef van Trouw weerspiegelen
+het bonte, gevaarvolle visschersleven; Heiloo herdenkt in de Kracht
+des Geloofs de oude tijden onzer kerstening; kloosterrozen bloeien
+en wierookwolken walmen rond Bergen, Egmond, Alkmaar en Heiloo,
+ter gewijde stede, waar gebeden werd en geleden en geboet: Prior
+Henryck van Heyloo, Hoogste Troost, Sint-Cosmas-en-Damiaan-kapel,
+Sint-Aelbrechts Aanklacht, de Moedervloek, de Groote Worp,
+Kloosterroof. De strijdknots suist en de oorlogskreet schalt in den
+Sint-Vincents-Nacht van Schoorl. Bloedige oorlog met de Friezen drenkt
+den bodem en de overlevering van heel Kennemerland; maar ook de strijd
+met de Noormannen galmt na in zoo menige sage van de Egmonden en van
+Haarlem, getuige het Paardenrif en O.L. Vrouwe van Haerlem. In den
+Stalboef van Castricum en den Jachtstrooper van Santpoort dreunt
+paardengetrappel en hoorngeschal; in den Lijfknaap van Castricum
+kruisen elkaar de zwaarden om het bezit eener betwiste schoone; elders
+kletteren de wapenrustingen der ridders op het steekspel, rinkelen de
+bekers en bokalen, klinkt het smeltende lied der minstreelen. Maar
+Bergen en Egmond, Alkmaar en Heiloo, Limmen en Akersloot, Castricum
+en Heemskerk, Heemstede, Assendelft en Santpoort, zij allen gewagen
+van minnelust en minnesmart, van vrouweneer en riddertrouw, ja trouwe
+tot aan gene zijde van het graf.
+
+Mag ik afscheid nemen van Holland zonder de Damiaatjes van Haarlem
+te herdenken, en den Bouwmeester van Sint Bavo, die onbekend wilde
+blijven, een sage, die slechts deze idee schijnt te willen uitbeelden,
+dat geweldige kunstwerken als de Sint Baafskerk niet het gewrocht zijn
+van éen persoon, maar van het geheele volk, in zijn moedig streven
+door hoogere macht gesteund?
+
+De sagen der Friezen, zoo prat op hun eigen aard en volkswezen, zijn
+voor een groot deel oorsprongssagen: Friso, Saxo en Bruno; Naam en
+Herkomst der Friezen; Hengist en Horsa; Afkomst der Westfriezen;
+het Roode Vaandel en de IJzeren Kroon; het Roode Klif enz. Andere
+verhalen hebben betrekking op de bekende Friesche onbuigzaamheid:
+Koning Radboud weigert zich te laten doopen; Koning Karel en de
+Friezen; Friesche Stijfkoppen e.a. Ook weet men te verhalen, hoe
+Leeuwarden door vrouwen werd gered. Dit nu is geenszins merkwaardig,
+daar hetzelfde van tal van andere plaatsen wordt verhaald; zoo
+werd ook Haarlem gered door Kenau Hasselaer en Venloo door Geertrui
+Bolwater. Eigenaardiger is, dat Franeker gered werd, doordat twee
+maagden de laatste brooden van de wallen wierpen. De vijand dacht nu,
+dat de stad geen gebrek had en hief de belegering op. Naar men weet,
+ging in de Oudheid een dergelijk verhaal over het opbreken van de
+belegering van het Kapitool door de Galliërs.
+
+Ook Zeeland heeft zijn oorsprongssagen, zoo b.v. de Herkomst van
+hertogen en volk van Walcheren.
+
+Utrecht, de bisschopszetel, kent natuurlijk grootendeels
+bisschopssagen: Bisschop Frederik van Utrecht; Odulf van Utrecht en
+de Kerk te Staveren; Dood van Bisschop Koenraad van Utrecht. Ook
+weet de sage te verhalen, hoe Albertus Magnus de gunst verkreeg,
+dat de Predikheeren zich te Utrecht mochten vestigen.
+
+In Noord-Brabant en vooral in Gelderland wordt de sage weer
+romantischer. Ik herinner aan Sophia van Heusden, de Engelsche
+koningsdochter, die door het gezantschap werd aangetroffen, zijde
+spinnende op een rood spinnewiel; en aan de sage van Wichard, die
+moedig het monster met zijn vervaarlijk "Gelre"-geroep versloeg. Elsa,
+de dochter van den hertog van Braband en Limburg is het, die den
+zwanenridder ziet naderen, om het tegen Frederik van Telramonde,
+die haar valschelijk beschuldigd had, op te nemen. Hij neemt Elsa
+tot vrouw; maar eindelijk vraagt deze hem naar naam en afkomst en
+hij moet vertrekken. Ook te Nijmegen en elders is de Zwanenridder
+geen onbekende.
+
+Maar ook de Limburgsche sagen wijzen op een roemrijk verleden. Venloo
+beschouwt Valuas, een stamhoofd der Brukteren, als zijn stichter. Meer
+sporen hebben de Noormannen achtergelaten. Naar men verhaalt,
+kwamen zij tegen het einde der IXe eeuw de Maas afzakken en sloegen
+hun kamp op te Elsloo, van waar zij door Karel den Dikken werden
+verdreven. Tusschen Tegelen en Belfeld, ter plaatse van de Snelle
+Sprong, stond het kasteel van Erbert van Belfeld, die den Noorman
+Hermold, belager zijner schoone gemalin Ida van Lommel, bedwong. Te
+Born en omstreken leeft steeds voort de herinnering aan koning
+Santibald of Zwentibold, uit Lotharingen afkomstig. God gaf hem eens
+in den slaap de gedachte in, een gift te doen aan de arme menschen,
+die hij zoo menigwerf leed had toegevoegd. Des morgens deed hij een
+man te paard stijgen en liet verkondigen, dat er zooveel dorpen aan
+de gift zouden deelachtig worden, als de man binnen den tijd van het
+noenmaal zou omrijden. De ruiter reed dan over Born, Guttecoven,
+Limbricht, Sittard, Munstergeleen, Geleen, Beek, Elsloo, Stein,
+Urmond, Grevenbicht, Papenhoven, Buchten, en zoo naar Holtum. Daar
+vond hij een oud wijf aan den slagboom staan, dien zij halsstarrig
+gesloten hield. Nu reed hij om Holtum, en bereikte Born nog, toen de
+koning en zijn gasten water namen na den maaltijd. Zoo bleef Holtum
+van de gift in weide- en heidegronden uitgesloten.
+
+Geurige legenden ranken ook om de tinnen en kanteelen der heerlijke
+burchten van Amstenrade en Valkenburg, Haelen en Horn, en treuren
+op de zerken, die de glorie dekken van het keizerlijke stift te
+Thorn. Weert's glorie is de dappere Jan van Weert, wiens typisch
+tafellied ons door Jos. Habets in een geschriftje over deze
+legendarische figuur wordt medegedeeld. De laatste strofe luidt:
+
+
+ Sa hitsig! vult de hompen,
+ Soo lang het vat nog houdt.
+ Gesellen, laat ons pompen,
+ Dees nectar, geel als goud
+ Is voor gansen niet gebrouwd.
+
+
+Over de Mookerheide gaat de sage, dat daar eens een beslissende
+veldslag zal geleverd worden, waar zelfs Turken bij tegenwoordig zullen
+zijn. De laatste koning van Pruisen zal er bij een roodharigen hoefsmid
+zijn paard laten beslaan, maar midderwijl zulke ongunstige tijdingen
+ontvangen, dat hij, zonder het einde dezer operatie af te wachten,
+het hazenpad zal kiezen.
+
+Meer geschiedkundige waarde, vooral ook voor den geest van dien tijd,
+hebben de sagen van de bokkenrijders, die tot het einde der XVIIIe eeuw
+het Zuiden van Limburg onveilig maakten; van Schelkensbeek, waarover
+de beruchte Schinderhannes een touw met bel gespannen had, dat hem en
+zijn bende waarschuwde, zoo vaak iemand voorbij kwam--intusschen wordt
+deze sage ook wel elders verteld--; en eindelijk van den Kozakkenberg
+bij Belfeld, waar in het begin van verleden eeuw de Kozakken gelegerd
+waren, die het vleesch niet braadden, maar het enkel zacht reden
+onder het zadel.
+
+In Brabant en Vlaanderen vertoont de sage een voornaam en tevens intiem
+karakter. Voornaam, immers zij gewaagt van Julius Caesar (Caesarsberg
+te Leuven), van Clovis, van Karel Martel, van Karel den Grooten,
+van de graven van Leuven en de hertogen van Brabant, van Karel V,
+van Albert en Isabella, en toch zijn de verhalen, b.v. die op Karel
+V betrekking hebben, zoo intiem, dat zij den anekdotischen vorm zeer
+nabij komen. Dit pleit ontwijfelbaar voor den geest van gemeenzaamheid
+tusschen vorst en volk.
+
+Zoo verhaalt men te Molenbeek bij Brussel het volgende:
+
+Op een avond kwam Keizer Karel laat voorbij Berchem; hij was op
+weg naar zijn stad Brussel. Hij ging een herberg binnen, waar veel
+drinkebroers zaten, die aan het twisten raakten over het beheer van
+den keizer. Meest allen keurden het bestuur van Karel goed; doch
+eenigen laakten het in krasse bewoordingen.
+
+Keizer Karel kwam tusschen beide en verklaarde, dat het bestuur diende
+te worden afgekeurd.
+
+"Wat gij, leelijke vreemdeling, gij durft hier onzen koning komen
+lasteren?"
+
+En ze grepen hem vast en wierpen hem naar buiten.
+
+Karel kwam te Brussel.
+
+'s Anderen daags liet hij de twee partijen in zijn paleis
+ontbieden. Toen zij in den keizer den vreemdeling van den vorigen
+avond herkenden, sloeg allen de schrik om het hart; de bedillers,
+maar ook degenen, die hem de deur hadden uitgeworpen.
+
+Maar de keizer lachtte en schonk allen een belooning.
+
+Tot zijn voorstanders sprak hij:
+
+"U beloon ik, omdat gij mijn bestuur hebt verdedigd. Gij zijt goede
+vaderlanders. Ik verdiende aan de deur te worden gezet".
+
+En tot de bedillers:
+
+"En u kan ik niet straffen, omdat ik mijzelf zou moeten straffen. Maar
+weest in 't vervolg voorzichtiger".--
+
+De naam van _Jan Primus_, hertog van Brabant, is waarschijnlijk
+vervormd tot _Gambrinus_.
+
+In Vlaanderen leeft nog steeds de sage van Lyderick de Buck, den zoon
+van Saluwaart en Ermegarde, die door een tweegevecht zijn moeder uit
+de macht van Finard, den geweldige, bevrijdde. Door voortreffelijke
+wetten en instellingen heeft hij het Vlaamsche volk opgevoed; ook
+worden voorbeelden van groote strengheid van hem verhaald. Wat betreft
+de sage van Breboen en Swane, dien ik hier te wijzen op de meening
+van Dr. Blöte, waarvolgens de sage van den Brabantschen Zwaanridder
+drie perioden heeft doorgemaakt: de Boulognesche, de Brabantsche en
+de Kleefsche. De Boulognesche voorstelling was zelfs in Brabant tot
+1322 de alleen heerschende. Zij is het, die verhaalt, hoe de zwaan
+den ridder met een gouden ketting in een scheepje voorttrok en naar
+Nijmegen bracht. De ridder trad daar op als strijder voor de hertogin
+van Bouillon en hare dochter tegen den hertog van Saksen.
+
+Nog een menigte strikt plaatselijke Vlaamsche en Brabantsche sagen zou
+ik hier kunnen vermelden, aan gebouwen, straten, bronnen verbonden,
+zoo b.v. van den Sint Baafstoren en het Engelandgat te Gent, den
+Drij-Hoedengang te Brussel, de Minneborre te Schaarbeek. Maar het zou
+den omvang van dit boek overschrijden. Ik volsta dus met enkel nog te
+wijzen op sommige volksverhalen, die met gebruiken in verband staan,
+zoo b.v. ter verklaring van Vrouwkesavond te Brussel (I, bl. 149);
+andere interpreteeren uithangborden of wapenschilden.
+
+Zie Wolf, Niederländische Sagen, _passim_; Dijkstra, Uit
+Friesland's Volksleven I, _passim_; Hofdijk, Kennemerland; De
+Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 1--160, 197, 280; Welters,
+Limb. Legenden I, _passim_, II, bl. 93; Poelhekke, Woordkunst,
+bl. 87; Dr. J. F. D. Blöte, Das Aufkommen der Sage von Brabon
+Silvius, dem brabantischen Schwanritter, in de Verhandelingen
+v.d. Koninkl. Akad. v. Wetenschappen, N.R. V, 4, vgl. Taal en
+Letteren XII, bl. 1 vlg.; G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I,
+bl. 62; Noordbrabantsche Alman. 1841, bl. 168; Karl Wehrhan, Die Sage
+(Leipzig 1908).
+
+"De _legenden_", schrijft Dr. Gisb. Brom, "zijn ons onder menig opzicht
+dierbaar. Op de eeuwenoude muren van het nooit verouderde Christendom
+groeiden ze welig als het altoos groene klimop. Een frissche geur
+van poëzie en geestelijk leven waait er ons uit tegen."
+
+Men heeft de legende verweten, een voortwoekerende slingerplant te
+zijn, een vampier met reuzenarmen. Ten onrechte. "Neen, voor wie
+over de gave der onderscheids beschikt", meent Pater Kronenburg,
+"voor wie de legende in haar diepste wezen aanschouwt en in het
+ware licht weet te plaatsen, is zij veeleer eene veilige getuige
+der oude tijden, een trouwe bodin van een reeds eeuwen verdwenen
+geslacht, die uit haren hoorn van overvloed voor ons uitschudt wat
+onze vaderen met beminnelijke naïeveteit dachten, met argeloozen
+eenvoud geloofden, met onwrikbare standvastigheid verhoopten. En
+behoort dat zieleleven niet tot het gebied der geschiedenis?" En hij
+vervolgt: "Zij is de goudlichtende tooverfee, die met kwistige hand
+de bloemen van de verbeelding en het kinderlijk gevoel plukt, tot
+kransen en festoenen strengelt en die slingert om de stramme zuilen
+van den hoogen waarheidstempel, opdat de waarheid, die daar troont,
+niet louter voor de rede, maar ook voor het gevoel aantrekkelijk zij."
+
+Ziedaar zoo voortreffelijk, als weinigen het vermogen, de
+kultuur-historische waarde geschetst van die Christelijke
+geschiedsagen, welke betrekking hebben op de levens of op de
+krachtdadige voorbede der heiligen.
+
+Doel der legende--ook als zoodanig is zij wezenlijk onderscheiden
+van de andere sagen--was en is stichting, en het is bewezen, dat
+zij een weldadigen invloed op de wereld der Middeleeuwen heeft
+uitgeoefend. Maar het historisch bestanddeel, soms uitsluitend
+de persoon van den heilige of het geloof aan of het vertrouwen
+in dien persoon, is vaak met allerlei fantastische verhalen, ja
+sprookjesmotieven verbonden. Veelal berust de legende op schriftelijke
+overlevering; immers oorspronkelijk waren de _legenda_ de "te lezen
+stukken" van de levens der heiligen op hun feestdag.
+
+Inderdaad waren de Middeleeuwen het bloeitijdperk der legende,
+en de Middeleeuwsche legenden, met name de Marialegenden, liggen
+in voortreffelijke verzamelingen en besprekingen vóor ons. Ik
+noem hier slechts de namen van De Vooys allereerst, en verder van
+Alberdingk Thijm, Kronenburg, Kruitwagen, Honigh, V. Vloten. Maar de
+volkskundige let op het heden, en het verleden dient hem slechts om het
+heden te ontraadselen en toe te lichten. Nu vinden wij die legenden
+somtijds als reflexen in onze volksverhalen en volksliederen. Maar
+de legende-vormende aandrift des volks is toch ook, vooral in het
+zuidelijk volksgebied, nog niet geheel verdord. De Vooys verhaalt
+in zijn Middelnederlandsche Legenden en Exempelen, bl. 95, van een
+ridder, die in een klooster ging en daar slechts het _Ave Maria_ kon
+leeren. Uit zijn graf "wies een scoen lelye...ende op elke blat van
+der lelyen stond ghescreven "Ave Maria" in gulden letteren." Welnu,
+in de hedendaagsche legende keert de trek van het ontspruiten van
+bloemen, met den naam van Maria, op het graf van een vroom persoon
+en Mariavereerder, niet zelden weer. Ook weet men te Butten, nabij
+Tongeren, te verhalen, dat uit het graf van den heiligen martelaar
+Evermaar, die als vrome pelgrim den H. Servatius te Maastricht
+wilde vereeren, een slank en bevallig boompje met verrukkelijken
+bladerdos en de heerlijkste vruchten opgroeide. Deze verhalen en
+trekken kùnnen berusten op Middelnederlandsche exempelen, maar toch
+ook op hedendaagsche, of althans onafhankelijke legende-vorming.--
+
+De allervoornaamste zijn de Marialegenden, en wel in de eerste
+plaats degene, die op een bedevaartplaats betrekking hebben. Het
+bezoek van de meeste dezer plaatsen ging uit van het volk en nam
+langzamerhand in beteekenis toe. De berichten ontstonden in die
+kringen, welke aan de bedevaarten deel namen en deze wilden aanbevelen
+en bevorderen, dus gewoonlijk weer in de volkskringen. "In Folge
+solcher Entstehung", schrijft Stephan Beissel S. J., "richtet sich
+die Ausgestaltung der Erzählungen nach der Art ihres Volkes und ihrer
+Gegend. In Gebirgsländern finden Hirten, Holzhacker oder Jäger das
+Gnadenbild in Felsenhöhlen, anderswo entdeckt man es beim Pflügen
+oder beim Hüten einer Herde, sehr oft bei oder in einer Quelle. Am
+Meeresstrande verdanken Wallfahrtsorte ihren Ursprung der Rettung aus
+Sturmesnot. Dort und an Flüssen oder reissenden Bächen kommen Statuen
+herangeschwommen. Wo Irrlichter oder phosphoreszierende alte Stämme
+den Wanderer schrecken, erblicken Leute wunderbare Lichterscheinungen
+zu denen Engelsgesang hinzutritt": Wallfahrten zu unserer Lieben Frau
+in Legende und Geschichte (Freiburg i/B1913), bl. 8.
+
+Men ziet dus wederom, hoe het volksverhaal strookt met de
+omgeving. Herders vinden een Mariabeeldje in een put of bron, of in het
+drijfzand van een riviertje, en hechten het dan aan een boom, meestal
+een eik of een linde, de veelgeliefde boom onzer vaderen: aldus te Uden
+(O.L. Vrouw Ter Linde), Roermond (O.L. Vrouw in het Zand), Oirschot
+(O.L. Vrouw ten Heiligen Eik), Scherpenheuvel, Anderlecht, Assche,
+Echt (O.L. Vrouw van Schilberg), Handel enz. Dit laatste zou door een
+herder gevonden zijn op een doornenstok. Vol moed werd de hand aan
+het werk geslagen, om daar ter plaatse een kapel te doen verrijzen,
+en een buitengewoon teeken kwam Maria's instemming met dien arbeid
+verkondigen. Want toen in die zandige streek het noodige water begon
+te ontbreken, ontwelde er eenklaps een kleine put, waarin het water
+nimmermeer ontbrak.
+
+Ook verhaalt de volkslegende, hoe O.L. Vrouwe eens in dezen put haar
+kleedje gewasschen en op den doornstok te drogen heeft gehangen.
+
+Het beeldje van O.L. Vrouw van Eiteren (IJsselstein) werd door
+slootgravers gevonden en aan den pastoor van IJsselstein ter hand
+gesteld. Deze plaatste het in zijn kerk, maar tot drie maal toe
+verdween het daaruit, en werd dan telkens weer op de oorspronkelijke
+vindplaats aangetroffen. Iets dergelijks is het geval te Assche, Echt,
+Ommel, Meerveldhoven (O.L. Vrouw ter Eik), Wessem, Venloo (de Bedrukte
+Lieve Vrouw). Ook legt het beeldje wel een processieweg af, als te
+Maastricht (Ster der Zee) en te Werchter, of bidt den kruisweg, als te
+Halle. Het verdient opmerking, dat het volksgeloof bij verplaatsing
+of ommegang van mirakuleuze beelden schier altijd een merkwaardig
+halte- of rustpunt weet aan te wijzen. Ongeveer tusschen Asten en
+Ommel, vlak langs den grintweg, verheft zich een kleine heuvel,
+waarop vroeger drie linden stonden; daar, zeggen de landlieden uit
+den omtrek, heeft O.L. Vrouw van Ommel gerust.
+
+Ook vinden schippers het beeld aan boord, zooals wordt verhaald van
+O.L. Vrouw van Hoorn. Vaak komt het de rivier afdrijven, hetgeen
+wellicht als de volkstraditie van O.L. Vrouw van Wilsveen mag worden
+aanvaard. Ik vermeld verder nog: Antwerpen, Venloo, Gent (O.L. Vrouw
+ter Riven), en Aalst (O.L. Vrouw ten Druiven).
+
+De legende van O.L. Vrouw ten Druiven luidt aldus: In de VIIe eeuw
+overstroomde de Dender een gedeelte der stad Aalst. In dezen nood riep
+men Maria aan, en ziet--daar kwam een Mariabeeld op wijngaardranken
+aandrijven. En niet zoodra had men het beeld opgevischt, of het water
+vloeide weer in de bedding terug. In 681 bouwde de H. Amandus daar
+een kapel.
+
+Zoo kwam ook in de XVe eeuw, gewiegd op de golven der Noordzee, die
+destijds het gehucht De Keins, nabij Schagen, nog vrij bespeelden,
+een beeldje aandobberen, dat, toen het van het zeewier ontdaan was,
+een Mariabeeldje bleek te zijn.
+
+Te Oostrum en te Elshout, in het Land van Heusden, was een in éen
+nacht welig opgeschoten grasveld het teeken, dat Maria daar een
+heiligdom wenschte.
+
+Ik gaf hier slechts enkele trekken uit wat men zou kunnen noemen
+de oorsprongslegenden van de talrijke bedevaartplaatsen ter eere van
+Maria in Groot-Nederland. Maar men begrijpt, wat een schat van legenden
+elk dier heiligdommen bergt. Hiervoor kan ik slechts verwijzen voor
+Nederland naar J. A. F. Kronenburg, Maria's Heerlijkheid in Nederland
+(Amsterdam) VI, Maria's Genade-oorden en Miraculeuze Beelden, en
+voor België naar A. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, Legenden of
+Echt Christelijke Sagen, en Fr. St. Schoutens, Maria's Vlaanderen
+(Oost-Vlaanderen), Maria's Vlaanderen (West-Vlaanderen), Maria's
+Brabant, Maria's Antwerpen (Aalst 1903--1905).--
+
+Maar daar leven nog zoovele andere Marialegenden onder het volk. Twee
+heilige bisschoppen van Maastricht, Monulfus en Gondulfus, zouden
+uit hunne graven zijn opgestaan, om te Aken de wijding van den
+beroemden Mariadom bij te wonen. Een andere bisschop dier stad,
+Sint Amandus, wordt op Maria's bestel door den Engel Gabriël
+bezocht, met de boodschap, dat hij op de bijzondere hulp zijner
+hemelsche beschermster mag bouwen. In Noord-Brabant ontmoeten wij
+dan de beroemde legende van Fulco van Bern, den dapperen ridder,
+die voor zijn vijanden vluchtend, met zijn paard over de Maas zwemt,
+en door Maria, "gekleed in hemelsblauw", wordt beschut. Te Roosendaal
+verhaalt men, dat vóór lang vervlogen eeuwen aldaar een Mariakapel zou
+gebouwd worden, en toen men niet kon beslissen op welke plaats, nam
+men zijn toevlucht tot het gebed. En zie, den volgenden dag waren op
+eene weide de ossen van een landman wit van kleur geworden, en was een
+roode, zijden draad rondom hen gespannen. Dit werd de uitverkoren plek
+voor het heiligdom.--Dichterlijker is de stichting van het klooster
+Mariënwater te Couwater bij Den Bosch. Ook hier onzekerheid omtrent de
+plaats. Maar in den nacht hoort een landman in een zijner bijenkorven
+een zachte, zoetklinkende muziek, en ziet in den korf een kerkje met
+twee kloosters, door de bijen van was gemaakt.
+
+Op den Veluwezoom hoorde een vroom grijsaard engelenmuziek en zag
+hij schitterende lichten boven een plek zweven, 't Werd voor hertog
+Reinoud II van Gelder de aanleiding, om daar het klooster Munnikhuizen
+te stichten. In Utrecht leefde in de abdij van Oostbroek een monnik,
+die, de verslapping van zijn klooster vooruitziende, O.L. Vrouwe bad,
+om nu toch maar aanstonds te sterven. En ziet, hij stierf op dat uur.
+
+Overijssel is rijk aan Maria-legenden, vooral door de stichtingen
+van Gerrit den Groote (Geert Groote) en van de Windesheimers. Op
+den Agnietenberg bij Zwolle was Maria zelve verschenen aan een ouden
+broeder en had hem tot volharding aangemaand. Aan een jeugdig meisje,
+Gerbrich ten Voerde, die van een wild paard was gevallen, verscheen
+zij "aangekleed, zooals men haar in den Vasten pleegt te versieren",
+en zij genas de zieke en leidde haar terug naar Meester-Geertshuis.
+
+In het klooster Yesse bij Groningen wordt een kaars voor een Mariabeeld
+door ongeziene hand ontstoken, en hoe vaak ook uitgedoofd, telkens
+ontvlamt zij opnieuw.
+
+Ook Holland heeft vermaarde Maria-legenden. De allervermaardste is
+wel die van Walter, ook in het buitenland onder veelsoortige vormen
+verspreid. Terwijl Walter een mis ter eere van Maria bijwoont, vervangt
+deze hem in het steekspel, en Walter verricht daar schijnbaar wonderen
+van dapperheid. Toen hij dit vernomen had, sprak Walter tot zijn
+wapenmakker Walewijn: "Nu wil ik als monnik in nederig kloosterkleed
+haar ridder worden. Hier is haar godgevallig huis Hemmenrode; vriend,
+gaat gij met mij mede?" En Walewijn antwoordde: "Ik wil Christus
+dienen, ja ik ga met u mede". Zoo onderwierpen zich beiden aan den
+kloosterregel. Walter leerde den souter zingen en overtrof de broeders
+in het devoot bidden en dienen.
+
+In België geeft Maria eveneens vaak te kennen, waar ter plaatse zij
+een kerk wil gesticht hebben, zoo b.v. te Alsemberg, waar het vlas
+op een akker plotseling rijp wordt. Het bovenstaande verhaal van den
+ridder Walter leeft te Bierbeek en te Leefdaal. Ook zou Maria dezen
+ridder eens een gouden kruis hebben vereerd door een priester als
+tusschenpersoon. Aan het kruis was namelijk een strookje perkament
+bevestigd met de woorden: "Overhandig dit kruis vanwege Maria, Moeder
+van Jezus, aan ridder Walter van Bierbeek".
+
+Elders keert door Maria's voorspraak een doode jongeling tot het
+leven terug; of wordt een onschuldig veroordeelde door O.L. Vrouwe
+verlost. Maar de allerberoemdste Maria-legende, de heerlijkste,
+geurigste roos uit de geheele gaarde der volkslegenden, is wel die van
+Beatrijs, de dienaresse van Maria, die, toegevend aan den prikkel des
+vleesches, veertien bange jaren in zonde ronddoolde, maar tenslotte
+berouwvol naar haar klooster terugkwam. Daar had Maria al die jaren
+hare taak van kosteres trouw waargenomen. Welnu, deze legende speelt
+in het klooster Vrouwenperk op het gebied van Wezemaal of Rotselaar,
+bij Leuven.
+
+Maar wij moeten ook de andere heiligenlegenden althans even
+aanstippen. Nederland is rijk aan bronnen, waarmee een heiligenlegende
+verbonden is. Zoo kennen wij de St. Geertruifontijn te Bergen op
+Zoom, den St. Oelsput te Best, den St. Valentinusput te Westhoven,
+de St. Surafontein te Dordrecht. Zij ontsprong op de plaats, waar de
+heilige Sura of Sotheris ter dood werd gebracht. De St. Aelbrechtsput
+te Egmond welde op onder de lijkkist van den vorstelijken belijder--zoo
+luidt de traditie--bij het opgraven van diens eerbiedwaardig gebeente,
+terwijl Houthem (L.) boogt op zijn St. Gerlachusput, die jaren
+lang den vromen kluizenaar zou hebben gelaafd. In het Jekerdal
+bij Maastricht, te Cannes, niet ver van het kasteel Aigremont,
+vloeit een St. Servatiusbron, die de doorluchtige Maastrichtsche
+kerkvoogd bij groote droogte met zijn staf uit den dorren grond zou
+hebben geslagen. Een analogen oorsprong schrijft de legende toe aan
+een menigte andere putten, zoo b.v. aan de St. Landoaldusbron te
+Wintershoven bij Tongeren en aan den Servatiusput te Nunhem (L.).
+
+Maar verreweg de meeste van Nederlands heilige bronnen zijn gewijd
+aan de eerste geloofsverkondigers Bonifacius en Willibrordus.
+
+Een dezer is een zoogenaamde _hippokrene_ of paardenbron, éen der
+drie Bonifaciusputten te Dokkum. Op de plaats, waar de geloofsheld
+het leven liet, zonk, naar verluidt, het paard van iemand uit koning
+Pepijn's gevolg met de voorpooten in den grond; en nauwelijks was het
+paard er uit geholpen, of daar spuit met kracht een kristalheldere
+waterstraal opwaarts. Ik wensch hier even er aan te herinneren,
+dat ook een hoefslag van Wôdan's ros een frissche bron doet opborrelen.
+
+Andere bronnen zijn weer bij dorstnood ontstaan, zoo b.v. de bron te
+Heiloo. Hiervan wordt het volgende verhaald. Toen de H. Willibrord
+de plaatsen, nabij de zee gelegen, rond ging, deed zich eens gebrek
+aan zoet water gevoelen en moest hij zien, hoe zijn medearbeiders van
+dorst versmachtten. Hij riep dan een hunner en beval hem een kuiltje
+te maken. De bisschop knielde neder en bad, dat God, "Die voor zijn
+volk in de woestijn water had doen vloeien uit de rots, met diezelfde
+barmhartigheid uit den zandigen bodem water voor zijne dienaren zou
+doen opborrelen". En ziet, onmiddellijk wordt het kuiltje gevuld door
+eene zoetwaterbron.
+
+Eindelijk, een groot aantal bronnen dragen den naam van de
+H.H. Bonifacius of Willibrordus, omdat deze heiligen er in gedoopt
+hebben: aldus de twee andere Bonifaciusbronnen te Dokkum, aldus de
+Willebrordsputten te Osch, Diessen, Deurne, Zoutlande, Bakel, Asten,
+Maarhees, Geisteren, Venraai, Stamprooi, en voorheen te Berchem, bij
+Antwerpen. Zulke bronnen noemt men _kerstputten_ of _kerstpoelen_,
+en de historische kern der legenden is ongetwijfeld deze, dat de
+geloofsverkondigers verscheiden heidensche bronnen zullen gekerstend
+hebben, door er de heidenen de genade der wedergeboorte te doen
+deelachtig worden.
+
+Is het wonder, dat nog zoovele andere legenden Neerlands vroegste
+geloofsverkondigers verheerlijken? Hierin uit zich de dankbaarheid
+van den volkszin. Te Maastricht verhaalt men van den bisschops- en
+pelgrimsstaf, de drinkschaal en den sleutel van den H. Servatius;
+nog leeft te Susteren in de volkslegenden de H. Willibrordus, te
+Odiliënberg de H.H. Wiro, Plechhelmus en Otgerus. Te Noordwijk weet
+men te vertellen, hoe de H. Jeroen door de Noren gemarteld werd; hoe
+hij een eeuw na dien aan een godvruchtig landbouwer, met name Nothbodo,
+verscheen, en hem gelastte, zijn gebeente over te brengen naar Egmond,
+in het heiligdom van den eerbiedwaardigen Adalbert.
+
+Maar nog andere banden verbinden de heiligen aan ons volk. De
+H. Hereswit vereenigt de traditie van Strijen en Thorn (L.), welks
+vorstelijke abdij zij stichtte. De nagedachtenis van den heiligen
+bisschop en belijder Bernulphus houdt men in het Utrechtsche en verre
+daar buiten in eere. Sint Hatebrand verbindt weer Noord en Zuid,
+de Groninger Ommelanden met Antwerpen, waarheen men zijn gebeente
+overbracht. De H. Sura wordt als volksheilige vereerd te Dordrecht,
+de H. Lidwina te Schiedam, de H. Norbertus te Gennep, waar men nog
+het Norbertuspad en het Norbertuspoortje wijst, Sinte Kunera te
+Rhenen, Sint Gerlacus te Houthem en in geheel Zuid-Limburg, terwijl
+de eerbiedwaardige Ailbert in vrome herinnering blijft voortleven te
+Rolduc, door hem gesticht. De stad Delft is fier op hare Geertruida
+van Oosten. En zoo eert het volk den H. Trudo te Sint Truiden, de
+H. Adilia te Haspengouw, de H. Aleidis te Schaarbeek, de H. Alena
+te Dilbeke, Sinte Gudula te Brussel, de eerbiedwaardige Ida, van wie
+gezegd wordt, dat "die visschen in den water tot haren handen quamen
+en desgelijcks die voghelen", te Leuven, Sint Veronus te Lembeek, Sint
+Bavo door geheel Vlaanderen. In de omstreken van Brussel zweeft nog de
+geest van eerbiedwaardigen Ruysbroec, eerste prior van het klooster
+te Groenendaal, bij wiens verscheiden de klokken van Deventer, de
+verblijfplaats van Gerrit den Groote, vanzelf begonnen te luiden. Ook
+wijst men nog een boom in het Zoniënbosch, waaronder de groote mysticus
+gewoon was te schrijven en te mediteeren.
+
+Zie Kronenburg, Maria's Heerlijkheid in Nederland V, bl. 301 vlg.;
+Neerlands Heiligen in de Middeleeuwen (Amsterdam 1899), Neerlands
+Heiligen in later Eeuwen2 (Amsterdam 1908), _passim_; Schoutens,
+Maria's Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Brabant, Antwerpen,
+_passim_; A. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, bl. 64-345; Wolf,
+Niederländische Sagen, _passim_; J. J. van der Horst, Oud en Nieuw,
+Nederlandsche legenden (Leiden 1887), bl. 1, 41, 367 enz.; Hofdijk,
+Kennemerland: De Macht des Geloofs; Schrijnen, Essays en Studiën,
+bl. 245 vlg. (Volkskunde XV, bl. 168); H. Welters, Limburgsche
+Legenden, _passim_.
+
+
+
+III. Het volkslied.
+
+
+"Zij worden heel niet gemaakt, zij groeien, zij vallen uit de lucht,
+zij vliegen als herfstdraden over land, nu hier, dan daar heen;
+op duizenden plaatsen tegelijk worden ze gezongen ..." Zóo teekent
+Th. Storm de liederen, die opbloeien uit den volksgeest, die meeleven
+het leven des volks ...
+
+Een rijken schat van poëzie legt het volk in zijn gebruiken. Wanneer
+de landman het zaad hoog opgooit, dat het welig opschiete; wanneer
+de Westvlaamsche "boeier" het paard 's avonds te voren in het oor
+fluistert, dat het den volgenden morgen een doode moet vervoeren;
+als de Limburgsche bruid zorgvuldig het zelfvervaardigde bruidshemd
+bewaart, dat haar eens als doodsmantel zal dienen,--dan is dit
+hooggestemde volksdichting, al zijn het "Lieder ohne Worte". Maar stelt
+die aandoening zich in klankbeweging en wordt deze gevoelsverklanking
+geschakeerd door rythmische en melodische stembuigingen, dan wordt
+geboren het _volkslied_.
+
+Het woord "lied" heeft geen betrekking op het getoonzette of gezongene,
+maar op het uitermate zingbare. Het lied is de eenvoudigste uitdrukking
+van een stemmingsgeheel, het versnippert de gemoedsstemming niet,
+om er de ontwikkeling van voor oogen te stellen, maar zingt een
+éenvormige, zich-gelijkblijvende, boven de begrippen der woorden
+zwevende stemming uit, het beweegt zich in korte strofen, meest van
+vier tot acht regels, die de natuurlijke maat van vier, of drie en
+vier versvoeten hebben. Maar elke strofe bevat de geheele stemming,
+wier aroma zich als bloemengeur verbreidt.
+
+Het melodische lied is dus uiteraard _welluidend_ en
+_eenvoudig_. Teeder als een zucht en toch weelderig van rythme en
+bloeiend van klank. En nu bereikt het zangerige juist in de volkskunst
+een hoogtepunt, daar erlangt de eenheid van rythme en mimiek bij spel,
+bij arbeid en dans zulk een volmaaktheid, dat zij de hoogste norm
+schijnt te naderen.
+
+"Het volkslied een uiting der volksziel": een uitspraak als deze
+dient natuurlijk niet verstaan te worden in den geest der vroegere
+romantiek, alsof wij met een niet te benaderen, anoniemen, scheppenden
+volksgenius te doen hadden. Niet het kollektieve volk, neen, de
+man-uit-het-volk is de auteur. Maar juist òmdat hij uit-het-volk is,
+omdat hij het volk begrijpt en het volk hem, omdat hij deel heeft aan
+den aard van het volk, dat werkelijk dichter is in zijn gebruiken,
+zijn beelden en uitdrukkingen en niet het minst in zijn stemmings-
+en gevoelsuitingen,--juist dáarom is hij in staat een volksgedicht
+te scheppen.
+
+Volgens Otto Böckel, Psychologie der Volksdichtung (Leipzig 1906)
+is de _roep_ de kern van het volkslied. Alles wat de mensch aan
+lief en leed ondervindt, wat hem schokt en schrijnt, hem verheugt
+of prikkelt of afschrikt, ontlokt hem gezangvormige klanken. Deze
+klanken nu zijn vatbaar voor ontwikkeling. Zij kunnen groeien in
+omvang en melodie; veelal wordt hun klankgehalte versterkt door het
+stafrijm. De vreugderoep is de bevoorrechte gevoelsuitdrukking in den
+bloeitijd des levens, is verklanking van liefde en lust; men denke
+slechts aan refreinen als:
+
+
+ Hei 't was in de Mei, Mei, Mei,
+ Hei 't was in de Mei.
+
+
+De smartroep handhaaft zich voornamelijk bij de lijkklacht. Maar het
+arbeidslied bovenal wijst op de ontwikkeling van de volkslyriek uit de
+gevoelstonen. Hier immers voegt zich bij de klanken een voor de poëzie
+onmisbaar bestanddeel: het rythme. Gevoelsuitingen en muziek gingen
+aanvankelijk steeds gepaard; het rythme kwam van elders. En nu is het
+de groote verdienste van Karl Bücher, er ons op gewezen te hebben,
+hoe deze onmisbare faktor zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm,
+dien het volk aan een inspannenden arbeid ter afwisseling gaf. Het
+rythme gewerd de volkspoëzie dus vooral uit het arbeidslied,
+waartoe het danslied in hoofdzaak moet worden teruggebracht. Hoe
+ouder de arbeidsgezangen zijn, des te enger schijnen zij met de
+arbeidsverrichting samen te hangen.
+
+Zoo is dan het volkslied een dichtzang, die organisch uit het volk
+in zijn gevoelen en verrichten is gegroeid; het is onmiddellijk
+ontsprongen aan het gevoel der natuurvolken en, van de kultuurvolken,
+in zooverre hun gewaarwordingen en uitingen behooren tot het domein der
+onderkultuur. In en door het zingen plant het zich voort. De dichter
+is meest onbekend, omdat op den bodem der onderkultuur, der naïeve
+volkskunst, dichterlijke individualiteit kwalijk gedijt. Het lied
+is alles, op den zanger wordt weinig acht geslagen. Het lied wordt
+beschouwd als gemeengoed, omdat het uiting geeft aan de gevoelswereld,
+welke aan alle volksgenooten gemeenzaam is. Ging het ook niet aldus
+met de grootsche scheppingen der Middeleeuwsche bouwkunst? Gelijk
+het volk deze als zijn eigendom beschouwde, door er voortdurend aan
+te wijzigen en aan bij te bouwen naar willekeur, zoo heeft ook het
+volkslied nimmer een authentieken vorm, is het als 't ware steeds in
+vlottenden toestand, staat het aan allerlei veranderingen, verkortingen
+en toevoegsels bloot. De aanhef van het lied openbaart echter meestal
+zijn afkomst.
+
+Het volkslied deelt dus het lot van het sprookje; en evenals
+van sprookjes-motieven, zoo mag men ook van liederen-motieven
+spreken. Trouwens volkslied en sprookje bestaan elkander in
+den bloede door hun gemeenschappelijk sterk-algemeen karakter,
+óok dan, wanneer zij niet geheel samenvloeien, zooals in het
+sprookjeslied. Bijzonderheden worden verwaarloosd, tijd en plaats
+zelden vermeld. Veelal wordt de hoorder in eens midden in de handeling
+verplaatst. Ook moraliseert het volkslied evenmin als het sprookje.
+
+Toch verraden de motieven doorgaans hun herkomst, en wel niet alleen
+de sociale groep, waarin zij geboren werden, maar ook den landaard en
+het klimaat van hun geboortegrond. In laaglanden als de onze is een
+Hoogduitsche _Juchzer_ ondenkbaar. Weidevelden geven iets eentonigs
+en zwaarmoedigs. Maar de zee schenkt opgewektheid en kleurigheid
+van toon. "Friesland zingt niet": die uitspraak is overdreven, maar
+geenszins van waarheid ontbloot. De innigheid van het Saksische
+halle-huis vergoedt veel van het trage en monotone in taaleigen en
+landschap. In het land der Franken, met den Keltischen ondergrond,
+voelt het volkslied zich het behaaglijkst.
+
+Wat is nu het verschil tusschen volkslied en kunstlied? Laat ik
+vooreerst opmerken, dat ik de benaming "kunstlied", wanneer zij moet
+dienen, een tegenstelling te vormen met volkslied, niet aanvaard. Is
+het volkslied dan géen kunst? Tegenover het _volks_lied staat niet het
+kunstlied, maar het _kultuur_lied, evenals tegenover de _volks_taal
+staat de _kultuur_taal: "kultuur" heeft hier natuurlijk de waarde
+van "bovenkultuur". Welnu, een wezenlijk verschil zie ik tusschen
+beide niet. Kan het anders? Er bestaat immers geen wezenlijk, maar
+slechts een gradueel onderscheid tusschen onder- en bovenkultuur. Het
+kultuurlied geeft slechts veredelde, of somwijlen _zoogenaamd_
+veredelde volkskunst. De vorm is meer verfijnd, de auteur is zich ook
+bewust, een kunstprodukt te scheppen. Verder is hij meestal bekend en
+zorgt voor de rechten van zijn vaderschap. Maar hij kan putten uit de
+volksschatkamers, en zóo kan het volkslied vaak tot kultuurlied worden,
+om straks wellicht weer in den volksmond tot volkslied te worden
+vervormd: maar dán zal het de afgesleten vorm zijn! Steeds dient de
+kultuurdichter echter met het volk voeling te houden; en laat ik het
+woord van Poelhekke hier bij voegen, dat de verfijnde kunst der hooger
+ontwikkelden, van de meerderen in de techniek, "nooit de bron waaruit
+zij is ontsproten mag vergeten, op gevaar af aan bloedarmoede te gaan
+lijden": Woordkunst, bl. 122; vgl. De Beiaard I, 1, bl. 43 vlg. Verder:
+Karl Bücher, Arbeit und Rhythmus. Abhandl. der Philolog.-histor. Classe
+der königl. Sächsischen Gesellschaft der Wissenschaften (Leipzig 1896)
+XVII, V, vooral hoofdstuk 4, bl. 74: Der Ursprung der Poesie und Musik;
+Otto Schell, Das Volkslied (Leipzig 1908); Otto Bremer, Zum Versbau der
+Schnaderhüpfel, in het Festschrift Karl Weinhold gewidmet (Strassburg
+1896); Gustav Meyer, Essays und Studien I, bl. 289-408: Zur Kenntniss
+des Volksliedes; Schrijnen, Essays en Studien bl. 258 vlg.: Litausche
+Volkszangen; Dr. N. Geerts, Oorsprong en wezen van het volkslied, in
+de Handelingen van het zevende Nederl. Filologenkongres, bl. 109 vlg.
+
+Het Nederlandsche volkslied heeft lang gewacht op de waardeering,
+die het toekwam. Ik bedoel hier niet de historische waardeering,
+die het profane en geestelijke lied ruimschoots gewerd door den
+voortreffelijken arbeid van Kalff, Moll, Acquoy, De Vooys, Knuttel en
+anderen. Maar eerst in 1907 was Groot-Nederland in het bezit van een
+verzameling van volksliederen, die de vergelijking b.v. met de Duitsche
+soortgelijke werken van Böhme en Erk kon doorstaan: ik bedoel de drie
+deelen van Flor. van Duyse's Oude Nederlandsche Volksliederen (Den
+Haag 1900-1907). Ook kunnen wij niet ontkennen, dat het Hoffmann von
+Fallersleben is, dus een Duitscher, die hier te lande de belangstelling
+in onze eigen vaderlandsche liederen heeft gaande gemaakt. Sedert dien
+kunnen wij wijzen op de gedeeltelijke verzamelingen van Snellaert,
+J. F. Willems, De Cousemaker, Carton, Lootens en Feys, Jan Bols, Van
+Vloten, J. en L. Alberdingk Thijm en Blyau en Tasseel. Oud en nieuw,
+volkslied en kultuurlied, oude, bewerkte en nieuwe melodieën vindt
+men vergaderd in Coers' Liederboek van Groot-Nederland. Zie vooral
+Dr. F. Scheurleur, Nederlandsche Liedboeken ('s Gravenhage 1912).
+
+Behoudens haar vergelijkende waarde zijn al deze verzamelingen voor de
+volkskunde slechts van belang, in zooverre zij liederen zeer onlangs
+uit den volksmond opteekenden. Want, ik kan het niet vaak genoeg
+herhalen, de volkskunde is de kennis en het wetenschappelijk onderzoek
+van het _heden_, is de ethnologie der thans levende kultuurvolken. Ik
+geef dus van elk der verschillende soorten volksliederen slechts die
+stalen, waarvan ik ofwel persoonlijk kennis nam, of van wier voortleven
+ik mij anderszins kon vergewissen. Sommige liederen berusten, wat den
+tekst betreft, op schriftelijke overlevering, welke uitsluitend ten
+doel heeft, het geheugen ter hulp te komen. Eenige families houden
+er zelfs lijvige geschreven liederboeken op na. In dit geval is de
+schriftelijke traditie gelijkwaardig met de mondelinge.
+
+Een enkel woord ook over de _muziek_ van het volkslied. Zij berust
+voor een groot deel op de volksmuziek der Middeleeuwen, die zelf
+gesproten is uit de Oudchristelijke Latijnsche kerkmuziek. Wanneer
+wij nu weten, dat deze kerkmuziek in hoofdzaak niets anders is dan
+gekerstende Grieksche en Grieksch-Romeinsche muziek, zooals door
+Fr. A. Gevaert en A. Möhler uitvoerig is aangetoond, dan komen wij tot
+het verrassende resultaat, dat in de brokstukken van het hedendaagsche
+volkslied de muziek der heidensche klassieke oudheid nog voortleeft.
+
+Inderdaad doorloopt het volkslied der Middeleeuwen de Aeolische,
+Dorische, Iastische en Hypolydische toonladders, door het Roomsche
+_Antiphonarium_ aan de oude muziek ontleend. En wanneer het ons heden
+voorkomt, of een volkslied sterk op een kerkelijke hymne of eenig
+ander Gregoriaansch kerkgezang lijkt, dan is dit geen verbeelding,
+maar werkelijkheid; en de overeenstemming berust niet op toeval,
+maar op genetischen samenhang. Zoo is de melodie van het bekende lied
+van Halewijn, dat nog op vele plaatsen en met vele varianten in den
+volksmond leeft, niets anders, dan die van het _Credo_ uit de _Missa
+in duplicibus_; en die van de Koninginne van Elf Jaren berust op het
+_Veni Creator_. Voor verdere beschouwingen verwijs ik naar Fl. van
+Duyse, Het oude Nederlandsche Lied I, Inleiding, bl. XVI vlg., en
+vooral naar zijn uitvoerige verhandelingen: Het eenstemmig Fransch en
+Nederlandsch wereldlijke Lied in de Belgische gewesten (Brussel 1896)
+en De Melodie van het Nederlandsche Lied in hare Rhythmische vormen
+(Brussel 1902).
+
+Allereerst dus, met het oog op de geboorte van het volkslied in het
+algemeen, volge hier het _arbeidslied_. De melodie hiervan is zonder
+twijfel oorspronkelijker en zelfstandiger dan die der verhalende,
+erotische, geestelijke e.a. liederen, daar zij het nauwst met den
+inhoud samenhangt.
+
+Niet alleen in Nederland, maar van den Brennerpas tot aan de Noordzee
+klinken hei-liedjes in den trant van ons
+
+
+ Hoog op een! een, twee,
+ een, twee, drie!
+ hoog op vier! vijf, een meer!
+ hoog op zes! fiks op, enz.
+
+
+Gegroeid in melodie en in vorm klinkt het lied:
+
+
+ Haal op je hei!
+ Hij is gewassen
+ Al in de klei,
+ Al in den grond
+ Daar staat hij prompt,
+ Zóo staat hij beter, enz.
+
+
+Overeenkomstig de sociale groepeering van het volk zal het arbeidslied
+zich verder moeten splitsen in dorschlied, smidslied, visscherslied
+enz., en vooral aan die bedrijven dienen te beantwoorden, waarin
+rythmische beweging het werk begeleidt. Men denke ook aan het liedje,
+dat bij het snijden der meifluitjes gezongen wordt, terwijl de jongens
+rythmisch met het hecht van het mes op de wilgenbast kloppen (I,
+bl. 191).
+
+Een Zeeuwsch karnliedje luidt aldus:
+
+
+ Kêrne, kêrne beuter,
+ Drie pond in een scheutel,
+ Drie pond in een kannetje,
+ 't Is van moeder Jannetje.
+
+
+Uit Friesland:
+
+
+ Tsiis, tsiis, tsjerne!
+ Bûter komt fer reamme [room],
+ It gearret sa wol, it gearret sa wol,
+ Mei eltse stiet in amerfol.
+
+
+Spinlied uit Ochten:
+
+1.
+
+
+ Spin, spin, m'n lieve dochter,
+ Dan krijgde gij een hoed!
+ Ja, ja, mijne moeder,
+ Die staat mij zoo goed.
+
+
+Refrein:
+
+
+ 'k Kan lappen en spinnen,
+ Een zweer aan den vinger
+ Doet mij er zoo zeer.
+
+
+2.
+
+
+ Spin, spin, m'n lieve dochter,
+ Dan krijgde gij een jak!
+ Ja, ja, mijne moeder,
+ Dat staat mij zoo knap.
+
+
+Refrein:
+
+
+ 'k Kan lappen, enz.
+
+
+(Driem. Bladen III, bl. 42).
+
+Uit Zeeland:
+
+
+ Draaie, draaie wieltje,
+ Morgen komt Machieltje,
+Als Machieltje nièt en komt,
+ Dan komt Jacob Janssen,
+ Die zal je leeren dansen,
+ Hier een stoel en daar een stoel,
+ Op ieder stoel een kussen.
+
+
+Ten slotte een strofe van een Vlaamsch spinliedje, dat het midden
+houdt tusschen arbeidslied en sprookjeslied:
+
+
+ Al onder den weg van Maldegem,
+ Malle-Malle-Malle-Malle-Maldegem,
+ Al onder den weg van Maldegem,
+ Daar zat een wijf dat spon.
+ Dat wijf dat zat en spon,
+ Gielegon,
+ Al op een houten wieleken,
+ Wiele-wiele-wiele-wiele-wieleken,
+ Al op een houten wieleken,
+ Daar was geen draaiing aan! (_bis_).
+
+
+Oogstlied uit Woubrechteghem (Oost-Vl.):
+
+
+ Het laatste voer is op de baan,
+ Dat in den boer zijn schuur moet gaan,
+ De luie boeren alleen hebben nog staan.
+
+
+Ik vermeldde dit liedje reeds I, bl. 281, en daarvóor het rhythmische
+Noordhollandsche oogstlied, dat inzet met de regels:
+
+
+ De wumpel, de strumpel, de kanne met bier,
+ Die hebben we hier op ons plezier!
+
+
+Ook enkele dorschliedjes gaf ik reeds op bl. 284. In zijn geheel
+luidt het Friesche liedje als volgt:
+
+
+ It klitst, it klatst
+ 't Giet juwn toa gest,
+ Op tzies in brea
+ Mey 't heale gea.
+
+ As wij houndert krye
+ Wy zilt neat zwye,
+ Dan jouwt dy frouw
+ Uws spek in strouw
+ Goe bjear dar by
+ Is aeck uws fly.
+
+
+Dr. H. Blink vertaalt deze stroofjes:
+
+
+ Het klitst en klatst
+ Het gaat van avond te gast
+ Op kaas en brood
+ Met het heele dorp.
+
+ Als wij honderd [zakken] krijgen,
+ Wij zullen het niet verzwijgen
+ Dan bakt de vrouw
+ Voor ons spekpannekoeken
+ En goed bier daarbij
+ Dat voegt ons wel.
+
+
+Op wisselmaat berust verder het vlasslijterslied, het visscherslied,
+het maaierslied, het smidslied, het touwslagerslied, het kuiperslied,
+het molenaarslied. Op maatbeweging gaat ook het soldatenlied terug,
+daar dit toch hoofdzakelijk een marschlied is. Ook het jagerslied is
+in den grond een marschlied. Sterk-rhythmisch is verder het schippers-
+en roeilied, en ook het matrozenlied, dat men hoort in de havensteden;
+dit ontstond bij het anker lichten of bij het hijschen der zeilen. Zie
+ook Dr. De Vooys, Volkskunde XXIV, bl. 154 vlg.
+
+Ten slotte nog een weversliedje, ons door de Graafschapsbode van 16
+Maart 1907 medegedeeld [vgl. Driem. Bladen VII, bl. 627]:
+
+
+ "Hungel de bungel de boeze,
+ Achter onzen hoeze
+ Daor steet 'nen grooten nöttenboom,
+ Daor zat 'nen wêver op 'nen toog,
+He wos nich, watte etten zol,
+ Zoere, zoere kernemelk
+ Met gerstebrood,
+ Sloat den luien wêver dood!
+ Loat em nog en betjen lêven,
+ Dan zal e wal better wêven;
+ Zet em op 't spiendvat,
+ Sloat em met de panne veur 't gat,
+ Hè, boer, wat plêrt dat".
+
+
+Het hoog-poëtische liefdeleven klinkt bijzonder zuiver door in het
+_bruiloftslied_. Oorspronkelijk omvat dit lied zoowel de klacht
+bij het verlaten van het ouderlijk huis, als het jolige vreugdelied
+bij het overschrijden van den drempel der nieuwe woning. Maar men
+vindt het nog slechts in bloei bij volken met hoogst eenvoudige en
+sobere levenswijze, zoo b.v. bij de Lithauërs. In de Nederlandsche
+gewesten is het vrijwel uitgestorven. Het lieve stroofje van Cremer
+in Bruur Joapik:
+
+
+ Hier 'en reuske, en doar 'en flikske,
+ Weer 'en tekske en weer 'en strikske;
+ Bluumpkes moar
+ Bij mekoar
+ Rood en gruun veur 't jonge paar
+
+
+zal wel een kultuurdichtje in den volkstoon zijn. Laat ik echter wijzen
+op het Bathmensch bruiloftslied, dat wij vinden in de Driem. Bladen
+II, bl. 60, 61:
+
+Algemeen Bathmensch Bruiloftslied.
+
+
+ Willen wij er eens ommegaan,
+ En zien of ik ze niet vinden kan?
+ Ja, hier heb ik ze gevonden,
+ Ja, met haar bruin haar.
+ 't Is gevonden, ik zal haar kiezen,
+
+ Al voor een draai.
+ Zij is mager al om te geven.
+ En geef niet over in dezen stond,
+ Of geef haar een zoentje voor haren mond,
+ Al zoo nat,
+ Al zoo glad.
+ Onder mijne voeten,
+ Uitverloren,
+ Uitverkoren,
+ Waar zal ik het zoeken?
+ Onder deze lesse besse,
+ Mooie meisjes samen!
+ Mooi meisje met je blauwe rok,
+ Mag ik eens met u ganen?
+ Neen, neen, dat ziet zoo niet!
+ Ja, ja, dat ziet zoo wel!
+ Keer u eens om en ik meen je wel!
+ Keer je nog eens omme,
+ Nog eens weder omme!
+ Ik heb den heelen dag geloopen,
+ Mijn geld is door de keel gekropen (geloopen)
+ O, en zie zoo,
+ En bij ons gaat alles zoo!
+ En allo!
+
+
+Met het bruiloftslied hangt ten nauwste het _danslied_ samen, en de
+schakel vormt het bruiloftsdanslied, oorspronkelijk wel op de deel
+uitgevoerd. Zoo b.v.:
+
+
+ Ik heb mijn geld
+ Op hoopen gesteld,
+ Gestapeld op elkander.
+ Ik heb mijn liefje trouw beloofd,
+ Een trouw van diamanten.
+
+ Ziedaar, schoone jonkheer,
+ Daar heb-je mijn hand van eer.
+ Ziedaar, schoone jonkvrouw,
+ Daar heb-je mijn hand van trouw,
+ En daarop zoen ik jou.
+
+
+Het oude danslied vindt men vooral nog terug in het kinderlied. Wij
+zagen herhaaldelijk, hoe een oud gebruik overal elders werd
+uitgeschakeld, om in onzen tijd bij de kinderen terecht te komen;
+zoo b.v. het Paasch- en St. Maartensvuur, de ommegang met de
+Pinksterbloem en de Luilak, het kaarsje-dansen met Driekoningen, het
+raadselopgeven, het pandverbeuren enz. Dezen weg zijn vooral vele
+reidansen gegaan. Hier en daar, op bruiloften en boerenkermissen,
+wisten zij zich nog op het platteland staande te houden, maar zij
+verdwijnen meer en meer. En evenzoo ging het met allerlei drinkliedjes
+en pandspelletjes. "Reien als het ,Patertje langs den kant' ,de
+Zevensprong' en ,Haal open de poort' geven ons te zien, hoe onze
+voorouders dansten, voordat de uit den vreemde ingevoerde draaiende
+wals en polka de oude slepende reidansen verdrongen": Boekenoogen,
+Onze Rijmen, bl. 16.
+
+Bij deze reidansen schrijden de kinderen langzaam hand aan hand voort
+op de maat van het gezang, terwijl zij nu eens een kring vormen en dan
+weer een ketting, die zich onder een poort van armen voortbeweegt. Wij
+hebben hier een rest van den Oudgermaanschen dans. Het "Patertje langs
+den kant," waarvan ik de eerste strofe met de melodie laat volgen, was
+echter geen bruiloftsdanslied, maar een Meidanslied; vgl. I. bl. 190.
+
+
+ Daar ging een pa-ter-tje langs den kant,
+ Hei, 'twas in de Mei, hij vat-te zijn zoe-te-lief
+ bij de hand, Hei, 't was in de
+ Mei zoo blij, Hei, 'twas in de Mei!
+
+
+Nog een enkel woord over de waarde van het kinderlied. Het vertoont
+de resten van nog zoovele andere oude volksgebruiken. In een
+rommelpotliedje, waarvan ik I, bl. 165 melding maakte, wordt gesproken
+van "een stroobant", welks beteekenis mij niet helder leek. Intusschen
+geloof ik, dat wij hier een aanduiding mogen zien van het oude gebruik,
+stroo onder het lijk in de kist te leggen, wat vooral kan blijken uit
+de vergelijking met de volgende regels uit een XVe eeuwsch handschrift:
+
+
+ Ende een wilghen kiste ende een stroen bant,
+ Hiermede word ik sent int ander lant.
+
+
+In den kindermond wordt de "strooband" in Drente wel eens tot "strop",
+waarbij dan gevoegd wordt de houtsoort van de kist; het resultaat
+luidt: "mit 'n eiken strop an." Zulke veranderingen in den kindermond
+zijn zeer veelvuldig en, hoe verbijsterend somtijds ook, steeds
+psychologisch uiterst leerzaam. Zie hierover b.v. Dr. J. Bergsma,
+Drentsche Volksalman. 1902, bl. 50 vlg.
+
+Natuurlijk vinden wij ook heel wat survivals van oude
+geloofsvoorstellingen, die ik in het Eerste Deel besproken heb. Toch
+moet men in dit opzicht voorzichtig zijn. Wanneer bij het neerdwarrelen
+der sneeuwvlokken de kinderen te Assche jubelen:
+
+
+ See-se-ken schudt zijn bed-de-ken uit, en
+ laat de pluim-kes vlie-gen!
+
+
+vgl. te Brugge: "O.L. Heertje schudt zijn beddeken uit en al de
+pluimtjes vliegen deruit", terwijl dit elders de Engeltjes of,
+zooals in Noord-Brabant, Maria doet,--dan kan men wel zeggen, dat
+dit liedje eigenlijk op de Germaansche Godin Holda betrekking heeft,
+en onmogelijk is dit ook niet. Maar het kan óok zijn, dat wij hier
+eenvoudig met een animistische opvatting (in ruimeren zin) te doen
+hebben, die eertijds tot een faze van de Holda-mythe aanleiding
+gaf. Men moet terdege onderscheid maken tusschen hoogere en lagere
+mythologie.--Ook is de meening, dat Engeland=Engelland het zielenrijk
+zijn zou, tegenwoordig vrij wel verouderd.
+
+Wanneer ik nu nog gewezen heb op de oude en dialektische taalvormen,
+die zich in menig kinderliedje gered hebben, dan hoop ik den lezer
+althans eenigermate van het groote belang van het kinderlied te
+hebben overtuigd.
+
+Het kinderdanslied komt meestal voor bij het touwtjespringen,
+het rondedansen en het reidansen. Bij het touwtjespringen is het
+rhythme natuurlijk weer hoofdzaak: en hierin ligt de verklaring
+van het feit, dat den volwassenen wel eens raadselachtig voorkomt,
+hoe n.l. de kinderen uren en uren, en weer dag aan dag met dezelfde
+springspelletjes kunnen bezig blijven. De oplossing ligt in het
+meeslepende, in de onbedwingbare lust van het rhythme. Twee meisjes
+draaien het touw met gewonen tragen slag en zingen daarbij, terwijl
+een derde in de koord danst:
+
+
+ Ik heb een jas-ken ge-kocht, Naar de
+ naai-ster ge-bracht. Zoo ge-zeid, zoo ge-daan, Om naar
+ huis toe te gaan, In, spin, springt bij den boer maar
+ in, Uit, spruit, springt bij den boer maar uit.
+
+
+Bij de woorden "in, spin" krijgt de touwtjesspringster een mededanseres
+naast zich, en bij de woorden "uit, spruit" loopt de eerste weg. En
+zoo gaat het steeds door, met evenveel ijver en opgewektheid.--In
+Friesland hoort men:
+
+
+ Ik heb een jasje gekocht,
+ Naar de lommert gebrocht,
+
+
+en de finale luidt daar:
+
+
+ Van inspin,
+ Spring er dan maar in,
+ Van uitspruit,
+ Spring er dan maar uit.
+
+
+Dit spel biedt wel eenige verscheidenheid, en veel is ook over gelaten
+aan de willekeur der draaisters. Maar oneindig meer afwisseling
+vertoont toch het rondedansen, waarbij de kinderen nu eens gewoon
+luchtig op- en neerspringen op het maatgeluid van hun lied, dan
+weer plotseling neerhurken, dan andermaal het dansen begeleiden met
+handgeklap en allerlei nabootsende gebaren. Een der meest bekende
+kinderliedjes, dat als danslied en wiegelied tevens dienst doet,
+is het bekende "Klein, klein kleutertje", in Vlaanderen ook: "Klein,
+klein Marieken".
+
+Te Herdersen leeft deze variant:
+
+
+ Klein, klein Jee-se-ken, He-je gij zul-ke
+ kou? Komt in mijn her-te-ken wo-nen En
+ maakt u daar een schouw.
+
+ We zullen een vierke stoken;
+ We zullen een pappeken koken;
+ En brengt uw liefste moederken mee,
+ Dan zullen we zijn tevree.
+
+
+Maar een der merkwaardigste dansliedjes is wel het _reuzenlied_. De
+kinderen scheppen er ontzaglijk veel genot in, vooral in België,
+waar de reuzen nog bestaan en dansen uitvoeren, als te Brussel,
+Geerardtsbergen, Hasselt, Antwerpen en Wetteren. Merkwaardig is het,
+dat de melodie vrij wel overeenkomstig is met die van den kerkelijken
+hymnus _Creator alme siderum_.
+
+"Het _Reuzenlied_" zegt Maurits Sabbe, "herinnert ons de
+schilderachtige volksoptochten met de reuzenfamilies, het ros Beiaard
+en allerlei allegorische voorstellingen, die vroeger in bijna al
+onze Vlaamsche steden en stedekens geliefkoosde nummers voor het
+kermisprogramma waren en thans nog slechts in enkele steden van tijd
+tot tijd de feestelijkheden opluisteren".
+
+
+ Moe-der, zet de pap op 't vier, de pap op
+ 't vier, De reus is hier, Keert u eens
+ om, reus-ken, reus-ken, Keert u eens
+ om, Reu-ze-gom.
+
+ Moeder, stopt algauw het vat, algauw het vat,
+ De reus is zat,
+ Keert u eens om, reusken, reusken,
+ Keert u eens om,
+ Reuzegom.
+
+
+In heel wat vlugger tempo bewegen zich de dansliedjes: "'kHeb een
+rood, rood spiegeltje gevonden";--"Trijntje, Trijntje, Trijntje, je
+hebt er water bij gedaan";--"In Holland staat een huis" e.a. Tot de
+nabootsende dansliedjes behoort dat van den _Klepperman_: "Elf uren
+slaat de klok"; bij de woorden "klip-klip-klip" en "klop-klop-klop"
+houden de danseressen een oogenblik stil en klappen driemaal in de
+handen of trappen driemaal met den voet.
+
+Maar ik mag van deze dansliedjes geen afscheid nemen, zonder althans
+vermeld te hebben het merkwaardige:
+
+
+ Klein' An-na zat op ma-jes-teit, ma-jes-teit ma-jes-
+ teit, Klein' An-na zat op ma-jes-teit ma-jes-teit.
+
+ Daar zat zij nu te weenen,
+ Weenen, weenen,
+ Daar zat zij nu te weenen,
+ Weenen.
+
+
+Dit wordt gezongen door kinderen, die in een kring rondloopen,
+terwijl in het midden een meisje zit neergehurkt, met het hoofd in
+de handen. Het spel is drama geworden en vertolkt een ballade. Want
+na het zingen van de tweede strofe, treedt een tweede meisje in den
+kring en nu vervolgt het koor:
+
+
+ Daar kwam haar lieve moeder aan, enz.
+
+
+Deze vraagt:
+
+
+ Zeg kind toch, waarom weent gij zoo? enz.
+
+
+Waarop het meisje antwoordt:
+
+
+ Omdat ik morgen sterven moet, enz.
+
+
+Nu treedt een derde den kring binnen en het koor zingt:
+
+
+ Daar kwam de booze Fredrik aan, enz.
+
+
+Op de maat slaat Frederik het meisje nu op den rug:
+
+
+ Die zal haar nu den dood aandoen, enz.
+
+
+Ten slotte wordt Anna door Frederik en de moeder opgenomen en gejonast,
+en allen zingen:
+
+
+ Nu wordt zij in het kistje gelegd, enz.
+
+
+Dit liedje is o.a. te Voorburg, Varsseveld, Nijmegen, Zeeland bekend en
+hoogst waarschijnlijk uit Duitschland afkomstig. Het woord "Majesteit"
+ontstond wellicht uit "Breitenstein"; zie Marie Ramondt, Volkskunde
+XXIII, bl. 237; Karl Wehrhahn, Kinderlied und Kinderspiel, bl. 110 vlg.
+
+Bij het reidansen staan een of meer meisjes tegenover een heelen rei,
+terwijl beide partijen beurtelings naderen en weer achteruit gaan. Een
+der merkwaardigste is het liedje van _Brunelle-gezelle,_ waarbij
+een meisje tegenover een heele reeks van speelgenootjes staat. Deze
+beginnen te zingen, terwijl zij elkaar bij de hand vasthouden en met
+rhythmische stappen tot elkaar naderen:
+
+
+ Van waar kom-de gij ge-dre-ven, Bru-
+ nel-le ge-zelle? Van waar kom-de gij ge-
+ dre-ven, Brun-ne-le-ken?
+
+ Vr. Ik kom van onder de aarde,
+ Brunneleken mijn;
+ Enz., enz.
+
+
+En het lied vervolgt:
+
+
+ R. Wat heb-de daar weest halen?
+ Br. Een mandeken met aarde.
+R. Aan wie zul-de da geven?
+ Br. Aan mijn beste neve [nicht].
+ R. Wie is uw beste neve?
+ Br. Ik zal het u gaan toonen
+
+
+Daarop kiest zij een meisje uit en keert er mee op haar plaats
+terug. Dit dansliedje treft men vooral in Vlaanderen, maar met
+varianten ook wel in Limburg en Gelderland aan.
+
+Zie verder vooral Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied II, bl. 1237 vlg.;
+De Cock-Teirlinck, Kinderlust en Kinderspel II, Dansspelen; Van
+Ginneken, Handboek der Nederlandsche Taal, bl. 383-404; Van Vloten,
+Baker- en Kinderrijmen, bl. 93 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Frieslands
+Volksleven I, bl. 247.
+
+Maar behalve het danslied zijn er nog zoovele andere _speelliedjes_,
+van rhytmische speelbewegingen begeleid. Hiertoe behooren
+de rommelpotliedjes, waarover ik in het Eerste Deel, bl. 157
+vlg. gesproken heb; de loopspelliedjes, met het diepzinnige spel van
+de _Koningsdochter_. Zie hier, hoe dit te Venloo gespeeld wordt. Een
+meisje ligt op de knieën. Alle meespelende kinderen houden den zoom
+van haar omgeslagen kleedje vast, behalve éen die tot het geknielde
+meisje vragen richt.
+
+
+ Vr. Wie zit er in den hoogen toren?
+ A. De schoonste koningsdochter.
+ Vr. Van wie zijn al die kindertjes?
+ A. Van mij.
+ Vr. Mag ik er een van nemen?
+ A. Neen!
+ Vr. Mag ik er een van stelen?
+ A. Neen.
+
+
+Dan vervolgt de vraagster:
+
+
+ 'K Zal eens naar den diender gaan
+ De diender zal u de kop afslaan.
+
+
+ Entrez, entrez,
+ Laat 't meisje maar achter meê gaan.
+
+
+Alle volgende meisjes herhalen nu op hare beurt hetzelfde totdat zij
+alle, elkaar bij het kleedje vasthoudend, achter de vraagster zijn
+geplaatst. Deze vraagt dan aan de koningsdochter:
+
+
+ Vr. Zal ik het lampje aansteken!
+ A. Ja!
+ Vr. Zal ik u uit den toren laten?
+ A. Ja!
+
+
+Waarop allen roepen:
+
+
+ Jenneke de tooverheks, Jenneke de tooverheks!--
+
+
+Ook elders in Limburg, in de Zaanstreek, niet het minst in Vlaanderen
+is dit spel bekend; hier is het werkelijk een loopspel, want door
+het loopen wordt op de een of andere wijze uitgedrukt, dat de
+koningsdochter door haar minnaar wordt geschaakt. Mogelijk heeft
+dit spel een mythologischen, waarschijnlijk een historischen, in alle
+geval een belangrijken kultuurhistorischen achtergrond. Zie Van Vloten,
+Baker- en Kinderrijmen, bl. 115; Lootens en Feijs, Chants populaires,
+no. 160; De Cock-Teirlink, Kinderspel en Kinderlust I, bl. 160 vlg.
+
+Een loopspel is ook het _zakdoekje-leggen,_ waarbij te Maarssen
+gezongen wordt:
+
+
+ Zákdoekje léggen,
+ Níemand zéggen,
+ Kúkelukú, zoo róept de háan,
+ Híj heeft twée paar schóentjes aan,
+ Eén van zij en één van leer,
+ Híer leg ík mijn zákdoekje néer.
+
+
+Men vergelijke hiermee het _jagen van den rooden hoan_ op de spinningen
+in zuidoostelijk Brabant, I, bl. 273.
+
+Van de aftelliedjes, voor wier beteekenis en belang ik verwijs naar
+Kalff, Het lied in de Middeleeuwen, bl. 547, vermeld ik er hier twee,
+behoorende tot de meest gebruikelijke typen. Overvloedige varianten
+vindt men bij De Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII,
+bl. 231 vlg. en Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 153 vlg.
+
+Type: Onder de groene boomen.
+
+Den Haag:
+
+
+ Al onder de uileboomen
+ Daar ligt een Engelsch schip;
+ De Franschen zijn gekomen,
+ Zij zijn zoo rijk als ik.
+ Zij dragen hoeden met pluimen,
+ En ook van perkament,
+ Wie zou er niet om huilen,
+ Al om zoo'n leelijken vent.
+
+
+Type: Rommel, rommel in de pot.
+
+Venloo:
+
+
+ Rommel, rommel in de pot,
+ Woa is Piet, woa is Kloas?
+ Kloas is in et stelke.
+ Waat duit hê doa?
+ Hé sniet de koe de kop aat.
+ Riem, tiem, twintig, dertig enz.
+
+
+Hoe eenvoudig, hoe ongekunsteld, en toch hoe zuiver rhythmisch
+en klanktooverend doen verder ook onze balspelliedjes, zoo ruim
+verspreid. Uit Zwolle werden mij deze twee typen meegedeeld:
+
+
+ 1. Kaatsebal
+ Ik heb u al,
+ In éene hand,
+ In tweeë hand,
+Van klapperdeklap
+ Met voetjesgestap,
+ Van rolledebol (-bom)
+ Zoo draai ik me om.
+
+
+ 2. Zwart Willemijntje
+ Zat achter 't gordijntje;
+ Wat deed ze daar?
+ Zij kamde het haar,
+ Zij poetste de tandjes,
+ Zij waschte de handjes,
+ Zij stak ze in de zij,
+ Zij knielde er bij,
+ Zij stond weer op,
+ In éene galop.
+
+
+Hoe keurig zijn hier de verschillende speelbewegingen uitgedrukt en
+in beeld gebracht!
+
+Eindelijk de schommelliedjes, waar bij elke beklemtoonde lettergreep
+de hand naar voren of naar achteren gezwaaid wordt, bieden een bonte
+verscheidenheid. In vele wordt gewag gemaakt van Paschen en Pinksteren,
+van het bim-bommen der klokken, van Sint Katherijne, van varen over
+de zee, van haantje-kraantje en een eitje dat barst, van den knaap,
+die op school den meester half dood slaat. Dit laatste motief is niets
+anders dan een bewerking van eene in de Middeleeuwen zeer bekende
+overlevering omtrent Jezus' jeugd, welke verhaalt, hoe de kleine Jezus
+de hand van zijn meester deed verdorren, omdat hij die tegen hem op
+hief, om hem wegens het niet beantwoorden zijner vragen te straffen.
+
+Maar deze liedjes stonden meer dan de andere aan vervorming bloot,
+omdat zij eigenlijk meer opgedreund dan gezongen werden. Zie De
+Cock-Teirlink, Kinderspel en Kinderlust III, bl. 87, IV, 167 vlg.;
+verder Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 11 vlg.; Waling Dijkstra, Uit
+Frieslands Volksleven I, bl. 247; Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen,
+bl. 129 vlg.
+
+De _wiegeliedjes_ en knieliedjes besprak ik reeds in het Eerste Deel,
+bl. 219 vlg. Niet alleen rhythmisch zijn zij van belang, maar ook,
+omdat zij een bijzonder soort van kinderliedjes vertegenwoordigen,
+nl. in kindertoon gehouden volkspoëzie: in kindertoon, wat betreft
+tekst en melodie, zooals moge blijken uit het lieve eenvoudige
+
+
+ Roe! roe! kind-je, hoe ben je toch zoo stout!
+ Heb je pijn in 't buik-je, of zijn je voet-jes
+ koud! We zul-len een vuur-tje sto-ken,
+ en een pap-je ko-ken; 't Wieg-je dat gaat
+ zwik, zwak, voor den klei-nen dik-zak.
+
+
+Het _minnelied_ zingt van persoonlijke liefde, maar ook van de liefde
+in het algemeen. In ons oude Nederlandsche lied beslaat deze groep
+een groote plaatsruimte. Maar in het hedendaagsche lied zijn de
+minneliederen meestal met speelliederen samengevallen of anderszins
+vervormd.
+
+Tot de liedjes die, ofschoon reeds oud, nog altijd in den smaak vallen,
+behoort o.a. "Ik ben er de groene straatjes", waarvan onlangs nog
+gewag werd gemaakt in de Vragen en Mededeelingen 1910, bl. 151.
+
+De aanvangsstrofe luidt:
+
+
+ Ik ben er de groe-ne straat-jes zoo
+ dik-wijls ten ein-de ge-gaan! Daar
+ moest ik mijn lief-je ver-la-ten, dat
+ heb-ben mijn vrien-den ge-daan.
+
+
+(Enkhuizen).
+
+Tot de meest bekende liederen in Vlaanderen behoorde het
+_Cecilia-lied,_ dat nog steeds, plaatselijk jammerlijk geparodieerd,
+voortleeft. Maar getuigt niet juist de parodie voor de groote
+populariteit? Ofschoon van vreemden oorsprong, heeft de melodie,
+volgens Van Duyse, onder den invloed van den Nederlandschen volkszang,
+hare eigen wendingen en een eigen voorkomen verkregen, en mag zij
+onder de fraaiste zangwijzen worden gerekend.
+
+
+ Ik zag Ce-ci-lia ko-men langs ee-nen wa-ter-
+ kant, Ik zag Ce-ci-lia ko-men met
+ bloe-me-kens in haar hand Zij zag naar ha-ren
+ her-der, den her-der Flo-ri-aan, die
+ ook zijn schaap-jes wei-de langs de zelf-de
+ baan. Ce-ci-li-a ging zin-gen; haar
+ hert docht haar 't ont-sprin-gen. Dit hoor-de ha-ren
+ her-der; hij kwam bij haar ter-stond en
+ kus-te zijn Ce-ci-li-a aan ha-ren roo-den mond.
+
+
+Tot deze groep behooren ook de afscheidsliederen in den trant van:
+
+
+ Vaarwel, vaarwel, mijn zoetelief,
+ Niet langer kan ik blijven enz.,
+
+
+en de wachterliederen, wier allerberoemdste: "Het daget in den Oosten",
+om den verhalenden vorm bij den aanvang der derde strofe echter ook
+tot de balladen kan gerekend worden.
+
+Vooral in onze noordelijke provinciën krijgt het minnelied vaak een
+spottenden bijtoon. Zoo b.v. in _Het meisje van Sardam_:
+
+
+ Het meisje van Sardam
+ Met hare bruine oogen
+ Heeft menig jongen kwant
+ Tot wedermin bewogen.
+ Zij is geen stuursche maagd
+ Gelijk zoo vele binnen,
+ Hij die haar blosjes kent
+ Moet haar op 't meest beminnen.
+
+
+Dit type vormt een schakel tusschen het minnelied en het _spotlied_,
+waaraan nauw verwant het _gezelschapslied_. Het spotlied is echter
+somtijds ook, zooals wij boven zagen, de direkte parodie van het
+minnelied. Teekenend lijkt mij de verzuchting:
+
+
+ Ik wou wel om een gulden,
+ Dat mijn haartje krulde.
+ Ik wou wel om een daalder,
+ Dat ik was wat schraalder
+ Ik wou wel om een dukaton,
+ Dat een vrijer naast mij ston(d).
+
+
+Zie Boekenoogen, Onze Rijmen 69.--Nu nog een paar andere spotliedjes,
+die ik bij Van Ginneken, Handboek der Nederl. Taal I, bl. 359,
+419 vind.
+
+Bergen op Zoom:
+
+
+ Der wàs éens een vrouw
+ Die kóeken bakken wóu
+ En het méel dat wóu niet rijzen
+ En de pán viél om
+ En de kóeken wáren króm
+ En de mán híet Jan van Gíjzen.
+
+
+Bergen op Zoom:
+
+
+ De vlám sloeg in de lantêre
+ De vónken slóegen der úit,
+ De mêskes lústen zoo gêre
+ 'n Kop kóffie mét een beschúit.
+
+
+Nijmegen en Oud-Gastel:
+
+
+ Klikspaan! boterspaan!
+ Je durft niet door 't straatje te gaan.
+ Het hondje zal je bijten,
+ Het katje zal je krappen,
+ Dat komt van al je klappen.
+
+
+Menig spotlied biedt ons ook de waardevolle verzameling van Jan
+Bols: Honderd Oude Vlaamsche Liederen, bl. 155--214; zoo b.v. _De
+Scheresliep; De Luiaard; Van Slordig Kaatje; De Kwade Man_:
+
+
+ "Man en gij moet naar huis toe gaan:
+ Uw vrouw die is ziek!"--
+ "Is zij ziek, dan is zij ziek!
+ En daarmee ben ik uit het verdriet!
+ Naar huis en ga ik niet!" enz.
+
+
+Het is vooral de toon van scherts en van jolijt, die het spotlied met
+het gezelschapslied verbindt. Naai- of kleermakerswinkel, spinnerij,
+potvertering,--dáar voelt het gezelschapslied zich thuis, al is
+het maar onder een vorm als: "Wie in Januari geboren is". Een leuk
+potverteerdersliedje geeft de Groningsche Volksalman. 1897, bl. 92
+vlg. Men lette op de kerkelijke melodie.
+
+
+ Hai-te boaln mit koa-le bot-tr smôekt ver-gif-tig
+ lek-r As mooi wich-ter trau-wen wiln den trau-wen ze mit'n
+ bak-r.
+
+
+En het lied vervolgt:
+
+
+ Bakkersvrauwm dei hebm 't nait goud,
+ Dei moutn häör tid verbüln,
+ Ik was laivr 'n schoumôekrsvrauw
+ En drôegn gladde müln.
+ Schoumôekrsvrauwm, dei hebm 't nait goud,
+ Dei moutn haör tîd vrpótsn,
+ Ik was laivr 'n weevrsvrauw
+ En dröegn gladde linn.
+ Weevrsvrauwm, dei hebm 't nait goud,
+ Dei moutn haör tîd vrspouln,
+ Ik was laivr 'n speulmansvrauw
+ En dansen väör fîouln.
+ Speulmansvrauwm, dei hebm 't nait goud,
+ Dei moutn häör tid vrdansn,
+ Ik was laivr 'n boernvrauw
+ En eetn vette ganzn.
+ Boernvrauwm, dei hebm 't nait goud,
+ Dei moutn häör tîd vrleezn,
+ Ik heb laivr 'n schipprtje,
+ Zoo'n schipprtje mout tr weezn.
+ Dat schipprtje, dat wipprtje,
+ Dat heb ik aal zoo laif,
+ Veul laivr heb 'k ain schippertje,
+ As zoo ain boernslaif.
+
+
+Een typisch gezelschapslied is ook het bekende lied _Van pastoor
+zijn koe_. In Nederland en Neder-Duitschland heeft het een
+verspreidingsgebied van belangrijke uitgestrektheid.
+
+Liederen als deze romancen; oorspronkelijk gedanste droeve romancen
+of balladen met hun in het lyrische haast opgaande episch element;
+minneliederen in beschrijvenden vorm en nog zoovele andere vormen de
+omvangrijke groep van het _verhalende lied_.
+
+Tot de oudste van deze soort behoort stellig het _Halewijnlied_;
+wellicht dagteekent het uit de XIVe eeuw en was de oorspronkelijke
+inhoud der sage een liefdesbetrekking tusschen watergeest en
+sterveling. In België wordt het rond Leuven nog gehoord, en in
+Volkskunde XVIII verscheen een variante uit Mater, bij Oudenaarde,
+die tot titel voert: "Van Halewijns rijk Hof". Een andere variante
+vindt men in den Hasseltschen _Banier_ van 1906, en, naar verluidt,
+wordt de ballade ook nog gezongen te Weert in Hollandsch Limburg.
+
+Verder moet dit lied populair zijn geweest in 't Land van Aalst. "In
+mijn geboortedorp (Herdersem)", schrijft De Cock, "werd het in mijn
+jeugd nog door menige vrouw opgedreund. Als 15- à 16-jarige knaap
+zong ik aldaar op het doksaal, en ik herinner mij opperbest dat,
+telkens als wanneer de pastoor, die een goed muziekkenner was en
+steeds den vereischten toon in acht nam, het
+
+
+ Cre-do in u-num Deu-m.
+
+
+van de _Missa in duplicibus_ aanhief, een ietwat oudere zanger alsdan
+zeide: "Hoort, de voois van Erodewijk". Hierdoor werd dan bedoeld
+Halewijn, die elders ook als "de stoute Roland" bekend staat. Zie
+verder Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied I, bl. 1 vlg.
+
+Laat ik nu nog vermelden: _De drie Koningsdochters_, met zijn vele
+varianten; b.v,:
+
+
+ Daar waren drie dochterkens fijn (_bis_),
+ Die wilden alle drie zalig zijn, enz.
+
+
+of:
+
+
+ En daar vlogen drij vogelkens over den Rijn,
+ En daar stierven drij dochterkens fijn, enz.
+
+
+Dan het _Jagerslied_: Daar ging een jager uit jagen, Zoo ver al
+in het woud, enz.; _De Hertog van Brunswijk; Genoveva van Brabant;
+Het Weesmeisje_:
+
+
+ Aan den oever van een snellen vliet,
+ Een treurig meisje zat;
+ Zij weende tranen van verdriet
+ En schreide haar oogjes nat.
+
+
+of:
+
+
+ Zij weende en schreide van verdriet
+ Op 't gras van tranen nat.
+
+
+Ook ons lied van _De drie Ruitertjes_ kan op hoogen ouderdom en ruime
+verspreiding bogen. Onze aanvangsstrofe luidt vrijwel aldus:
+
+
+ Toen ik op Neerlands bergen stond,
+ Keek ik het zeegat in.
+ Daar zag ik een scheepje zeilen,
+ Daar zaten drie ruitertjes in,
+ Een van de drie was naar mijn zin.
+
+
+Het lied ontstond echter waarschijnlijk niet in "de landen bider see",
+maar in het Opperduitsche bergland. Immers de oudste ons bekende
+tekst vangt aan met de regels:
+
+
+ Ic stont op hoghe berghen,
+ Ic sach daer so diepen dal, enz.
+
+
+Zie ook Driem. Bladen X, bl. 54; Volkskunde XXIII, bl. 15. Eindelijk
+laat ik hier den tekst volgen van de _Twee Koningskinderen_, zooals
+men dien thans nog hier te lande aantreft: van het diepst-tragische
+en wellicht meest nationale onzer oude volksliederen, al berustte het
+ook op de Fransche kultuurbewerking van een Grieksche sagenstof. Ik
+ontleen aan Driem. Bladen XI, bl. 46:
+
+De twee Koningskinderen.
+
+
+ Het waren twee koningskind'ren,
+ Die hadden malkander zoo lief,
+ Zij konden bij malkander niet komen,
+ Zij schreven malkander een brief.
+
+ 't Was des nachts twaalf uren,
+ Het meisje lag in een droom,--
+ Haar zoetelief was verdronken--
+ Al in een waterstroom.
+
+ Het meisje sprak tegen haar moeder:
+ "Wat doet mijn hoofdje mij zeer,
+ Mag ik een klein half uurtje
+ Gaan wandelen langs het meer?"
+
+ De moeder sprak tegen het meisje:
+ "Alleen kunt gij niet gaan,
+ Neem dan uw jongste broertje,
+ Dan kunt gij wel henengaan."
+
+ Het meisje sprak tegen haar moeder:
+ "Mijn broertje is veel te klein,
+ Die verjaagt mij al de vogeltjes,
+ Die aan den meerkant zijn."
+
+ De moeder ging naar de kerk,
+ En het meisje ging haar gang,
+ Zij wandelde, ja zij wandelde,
+ Tot zij bij een visscher kwam.
+
+ Het meisje sprak tegen den visscher:
+ "Wilt gij verdienen uw loon,
+ Werp dan je net in het water
+ En visch mij dien Koningszoon."
+
+ Het eerste wat of hij vischte,
+ Dat was een Koningszoon,
+ Zij kuste zijn roode lippen,
+ Zij kuste zijn rooden mond.
+
+ Zij nam hem op haar armen,
+ En droeg hem aan den kant van de zee,
+ Zij zegt: "Adieu, nu willen wij varen,
+ En 'k vaar altoos met je mee".
+
+
+(Leek en omstreken.)
+
+In deze, en ook in andere balladen, trilt een sprookjes-motief na. Een
+aanzienlijke groep echter, die van het _sprookjeslied_, bevat enkel
+berijmde en getoonzette sprookjes, die dan juist door rhythme en
+melodie een zekere vastheid verkrijgen. Vertoont het lied van _De
+kwade Stiefmoeder_ niet zoo echt den typischen sprookjesaard?
+
+
+ Er was een kwade stiefmoeder, zij verkocht haar kind,
+ Voor negentien penningen en een gouden ring.
+
+ En dat mooie meisje teer,
+ En dat mooie maagdetje!
+
+ De zeven knechten namen elk een' roed,
+ Zij sloegen Antonnettetje zijn lichaam in bloed.
+
+ Zij leiden Antonnettetje op eenen blok,
+ Zij kapten Antonnettetje zijn hoofdje of.
+
+ Uw dochter Antonnettetje is wel bewaard,
+ Want zij speelt er achter in den boomgaard.
+
+ De vader reed den boomgaard wel driemaal rond,
+ Om te zien of hij Antonnettetje niet en vond.
+
+ Op d'eerste lelie stond er geschreven,
+ Als dat haar stiefmoeder haar hadde verkocht.
+
+ Op de tweede lelie stond er geschreven,
+ Als dat de zeven knechten haar hadden geslegen.
+
+ Op de derde lelie stond er geschreven,
+ Als dat de zeven knechten haar hadden vermoord.
+
+ De vader heeft de strate met messen doen beslaan,
+ Om die zeven knechten er over te doen gaan.
+
+ En dat mooie meisje teer,
+ En dat mooie maagdetje!
+
+
+Zie Van Duyse, het Oude Nederl. Lied I, bl. 222; Lootens en Feys,
+Chants populaires flamands no. 43.--Ook het dierensprookje is rijk
+vertegenwoordigd; zoo b.v. _De Koekoek in den Mei; Den Uil die op den
+Pereboom zat_, zie Volkskunde IX, bl. 185 vlg; vooral ook het leuke
+_Sterven van den Beer_, Volkskunde XIII, bl. 237, vgl. De Navorscher V,
+bl. 88:
+
+
+ De beer die vond er hem zeer krank
+ Van eene zware koorts (_bis_),
+
+ De zeug die vond heur in bedwang,
+ Den dokter te ontbieden
+ Met nog veel wijze lieden,
+ En het beestjen die had er de koorts, koorts, koorts,
+ En het beestjen die had er de koorts; enz.
+
+
+De minste dichterlijke waarde heeft het _historische lied_, natuurlijk
+duisterder, naarmate het verder van het historische feit afstaat,
+dat het vermeldt of verheerlijkt. Het liedje:
+
+
+ Mijnheer van Son is een brave kapitein,
+ Hij regeert er zijn volkje zoo groot als klein
+
+
+heeft betrekking op een Amsterdamsch kapitein, n.l. Zeger van Son,
+die op 6 Sept. 1748 bij de parade ter eere van den stadhouder Willem
+IV behalve de gewone troepen ook eene "compagnie jongeheertjes" deed
+exerceeren. Hij regeerde dus werkelijk groot en klein. Zie hierover
+Boekenoogen, Onze Rijmen, 6 vlg., waar de aandacht gevestigd wordt
+op de historische kern van nog menig ander tot kinderrijm vervormd
+volksliedje; zoo b.v.:
+
+
+ De Bisschop van Munster
+ Met honderdduizend man,
+ Voor Groningen, voor Groningen eens kwam.
+ De Bisschop van Munster, al weer van voren af an.
+
+
+Vooral de Fransche tijd heeft op ons volk een diepen indruk gemaakt,
+waarvan wij de reflex vinden in het volkslied. Wie kent niet het
+kinderrijmpje:
+
+
+ Rataplan, rataplan, rataplan!
+ Daar komen die drommelsche Franschen weer an,
+ Ze hebben geen kousen en schoenen meer an,
+ Rataplan, rataplan, rataplan!
+
+
+Heel wat waardevoller in historisch, nationaal en artistiek opzicht is
+het pittige, jubelende volksliedje, dat dagteekent uit het jaar 1650:
+
+
+ Al is er ons Prinsje nog zoo klein
+ en hoezee! _bis_
+
+ Alével zal hij stadhouder zijn;
+ Vivat Oranje, hoezee! (_bis_).
+
+
+In België leven insgelijks de herinneringen aan den Franschen tijd
+in het volkslied nog voort; ook aan de Spanjaarden en, althans tot
+voor kort nog, aan Jacob van Artevelde, en aan het beleg van Yperen
+in 1383; zie Van Duyse, het Oude Nederl. Lied II, bl. 1525-1825;
+Dr. J. van Vloten, Nederlandsche Geschiedzangen.
+
+Tot welk een dorren, prozaïschen stijl het historische lied zinken kan,
+toont ons het volgende:
+
+
+ Napoleon, waar zijt gij gebleven,
+ Napoleon, waar is uwe tijd,
+ Eertijds was ge keizer van Genève,
+ Daar ge nu op een eiland zijt (_bis_); enz.
+
+
+Zie voor den volledige tekst de Graafschapsbode 16 Maart 1907;
+Driem. Bladen VII, bl. 62.
+
+Maar nog dient gewezen op de groote rubriek van het _feestlied_, dat
+het geheele natuurlijke en kerkelijke jaar doorloopt, en van af Sint
+Maarten (11 November) tot Sint Maarten de feestgetijden met blijden
+jubel of droeve klage begeleidt. Ik heb deze liederen reeds besproken
+in het hoofdstuk over de Volksfeesten (I, bl. 99-209) en wensch
+dus nog slechts aan het volgende te herinneren. Al de zoogenaamde
+natuurliederen, winterliederen, zomerliederen, meiliederen enz. zijn
+feestliederen in den waren zin des woords en geven de stemming op
+het natuurfeest weer. Wel bewegen zich deze liederen somtijds in
+een bijzondere richting; zoo zijn b.v. de meiliederen dikwijls òf
+minneliederen òf geestelijke liederen ter eere van Maria (I, bl. 190).
+
+Hiermee heb ik tevens mijn meening geuit omtrent den aard van
+het _geestelijke lied_, de laatste groep van het volkslied. De
+kerstliederen, nieuwjaarsliederen, Driekoningenliederen,
+passieliederen, paasch- en pinksterliederen enz., en voor een overgroot
+deel de Marialiederen en de liederen ter eere van andere heiligen,
+zijn feestliederen. En deze feestliederen, wier kader heel wat
+ruimheid bood--men denke aan de reeks geestelijke liederen, die de
+_Vlucht naar Egypte_ behandelen, eigenlijk kerstliederen--waren of
+wel zuiver lyrisch, of episch-dramatisch. Men ziet het: een strenge
+afscheiding van het wereldlijke lied is niet door te zetten. Ook wat
+de melodieën betreft, schijnt er wisselwerking geweest te zijn; het
+geestelijk lied leende zijn wijzen en ontleende die ook weer op zijn
+beurt aan het wereldlijke. Trouwens hierin vond men niets stootends
+of oneerbiedigs, omdat in die dagen de tegenstelling van gewijd en
+profaan niet bestond, als tegenwoordig veelal het geval is. Hetzelfde
+geldt voor het kerkelijke lied, doorgaans feesthymne, maar toch ook
+volkslied, in zoover het daadwerkelijk uit het volk, of althans uit
+den volksgeest is voortgesproten. Imposante kerkelijke liederen als
+het _Dies Irae_ en het _Stabat Mater_ stoelen beslist op den volksgeest
+en behooren tot de schoonste loten van de Middeleeuwsche volkspoëzie.
+
+Maar het geestelijk lied kan ook uiting geven aan het gevoel van een
+enkeling, kan uitzingen diens lof en dank, of vertolken diens hoop
+en berouw: en zoo ontstaan de roerende liederen der "Minnende ziel",
+de "Zieleklachten" enz., die zich wellicht hebben ontwikkeld uit
+geestelijke verzuchtingen als deze:
+
+
+ Maria, Gods Moeder, reine Maagd,
+ Al onze nood zij U geklaagd.
+
+
+Deze individuëele liederen kunnen echter ook zijn van paraenetischen
+aard, en dus beschouwingen behelzen over de Vier Uitertersten e.d.
+
+Zijn dramatisch element ontleent het geestelijk lied meestal aan het
+feit, dat het stoelt op de dramatische vertooningen in de kerken,
+met name tusschen Kerstmis en Driekoningen; zie hierover vooral de
+beschouwingen van Knuttel in zijn uitnemend werk over het Geestelijk
+Lied enz., bl. 88 vlg.; Kronenburg, Maria's heerlijkheid V, bl. 434
+vlg.
+
+Hier volge een Kerstlied en een Driekoningenlied, schaarsche resten
+van vroegere weelde en overvloed.
+
+
+ Wilt uit u-wen slaap op-sprin-gen, En ver-
+ blij-den ons al-len ge-lijk. Hier is ons een kin-de-ken ge-
+ bo-ren Van Ma-ri--a, die uit-ver-ko-ren. Brengt de
+ bood-schap in 't o-pen-baar Al met de-zen nieu-we-jaar.
+
+ Op ee-nen Drij-ko-nin-gen a-vond En op
+ ee-nen Drij-ko-nin-gen dag, Dan von-den wij Ma-
+ ri-a Mag-da-le-na Al op Heer Je-zus' graf.
+ Sta-get op, Ma-ri-a Mag-da-le-na, Sta-get
+ op van de bit-te-re dood, Uw zon-de-kens zijn
+ al-le ver-ge-ven Al wa-ren zij nog zoo groot.
+
+
+Een overoud passielied, in Hollandsch Limburg en in België bekend,
+begint met deze strofe:
+
+
+ Hier is 't begin van 't bitter lijden
+ Van Onzen Heer Gebenedijde,
+ Die ons van zonden heeft verlost,
+ Dat heeft Zijn dierbaar bloed gekost.
+
+
+Het oude paaschlied: "Christus is opghestanden, Al van der martelijen
+allen" enz. heeft menige verandering ondergaan. In het Spaansch leger
+vóor Haarlem (1573) werd het geparodieerd als:
+
+
+ Christus is opgestanden,
+ te Haarlem is een buit voorhanden;
+
+
+terwijl van het paaschvuur gezongen werd:
+
+
+ Christus is opgestanden,
+ t' avond zullen wij vuren branden.
+
+
+Als hedendaagschen vorm geven de Driem. Bladen XIII, bl. 51:
+
+
+ Christus is opgestanden
+ Al van de Joden hun handen,
+ Dus willen we allen vroolijk zijn,
+ Christus zal onze Verlosser zijn, Halleluja!
+
+ Was Christus niet verrezen
+ Alom met Zijn goddelijk Wezen
+ Wij waren gebleven in grooten nood,
+ Wij moesten allen sterven den eeuwigen dood, Halleluja!
+ Christus voer ter hellen
+ Om daarin vrede te stellen,
+ Die in de duisternisse zeer lagen bezwaard,
+ God heeft ze met Zijn eeuwige licht verklaard, Halleluja! enz.
+
+
+Een afzonderlijke vermelding verdienen nog de bedevaartliedjes, die
+buiten het feestjaar staan en ten deele verhalend, ten deele lyrisch
+van aard zijn. Het refrein van een algemeen verspreid bedevaartsliedje
+luidt:
+
+
+ En zouden wij dan niet vroolijk zijn,
+ De hemel is de onze,
+ En was de hemel de onze niet,
+ Dan waren wij zoo vroolijk niet,
+ De hemel is de onze.
+
+
+Ten slotte volge hier het _Lied van den Boom_, dat door sommigen als
+een danslied beschouwd wordt, omdat men het wel eens in een rondedans
+om een boom zingt.
+
+Men vindt dit lied in Holland, Friesland, Limburg, Vlaanderen,
+echter met tallooze varianten, vooral aan het einde, waartoe de
+eigenaardige vorm en gang van het lied zonder twijfel aanleiding
+gaf. Ik geef hier de lezing van Heist-op-den-Berg, die ik voor de
+meest oorspronkelijke houd.
+
+
+ In mijnen hof daar staat eenen boom
+ Zoo'n schoonen boom,
+ Zoo'n liefelijken boom.
+
+
+Refrein:
+
+
+ De boom staat in zijne eerde,
+ Vol van weerde,
+ En hij groeit zoo schoon!
+
+ Aan dezen boom daar komt er eenen tak,
+ Zoo'n schoonen tak,
+ Zoo'n liefelij ken tak.
+ De tak komt van den boom.
+
+ Refr. De boom staat, enz.
+
+ Aan dezen tak daar komt er dan een blad,
+ Zoo'n schoonen blad,
+ Zoo'n liefelijken blad.
+ Het blad komt van den tak,
+ De tak komt van den boom.
+
+ Refr. De boom staat, enz.
+
+ En aan dat blad daar komt er dan een bloem.
+ Zoo'n schoone bloem,
+ Zoo'n liefelijke bloem.
+ De bloem komt van het blad,
+ Het blad komt van den tak,
+ De tak komt van den boom.
+
+ Refr. De boom staat, enz.
+
+ En aan die bloem daar komt er eene vrucht.
+ Zoo'n schoone vrucht,
+ Zoo'n liefelijke vrucht.
+ De vrucht komt van de bloem,
+ Enz., enz.
+
+ Refr. De boom staat, enz.
+
+
+Ik beschouw dit lied als een _kerstlied_. Waartoe hier met Van Duyse
+e.a. allerlei Germaansche boschvereering te hulp roepen, waartoe
+vooral met Pol de Mont (Nederlandsch Museum III, 2, bl. 217 vlg.) den
+wereldboom _Ygdrasil_ uit de Noorsche mythologie er bij halen, wanneer
+de verklaring toch voor de hand ligt? En die is, dat wij hier met den
+boom van Jesse te doen hebben. Zelfs luidt te Deerlijk en elders het
+slot--dat ik echter niet voor oorspronkelijk houd--:
+
+
+ En op dien tak daar staat een nest, enz.
+ En in dien nest daar lag een ei, enz.
+ En in dat ei daar zat een kind,
+ Een goddelijk kind,
+ Een kind dat ons verlossen zal,
+ Dat ons verlossen zal.
+
+
+Werd Christus niet aangeduid als de spruit en de bloem uit den
+wortel van Jesse? En zingt _Venantius Fortunatus_ niet in zijn
+kersthymne: "De wortel van Jesse heeft gebloeid en de spruit heeft
+vrucht gedragen?" Het was immers een lievelingsbeeld der geestelijke
+poëzie in de Middeleeuwen, Maria en Christus voor te stellen als de
+bloem en de vrucht uit den wortel van Jesse. En mocht iemand dit
+alles onvoldoende lijken, dan verwijs ik nog naar de veelvuldige
+ikonografische voorstellingen: een boom schiet op uit den slapenden
+Jesse, met reuzenbloemen aan de twijgen. Op en in die bloemen zitten
+rechts en links koningen en op den top troont Maria met het Jezuskind.
+
+Op weinig uitzonderingen na wordt door het volk tegenwoordig weinig
+meer gedicht en gezongen. De zanglust, die vroeger levensbehoefte
+scheen, is verslapt. Hoe kan in dezen tijd het volk ook zingen? Nu
+de poëzie hoe langer hoe meer uit het volksleven terugwijkt, nu de
+ziellooze machine vervaardigt het eertijds bezielde werk, waarin
+de man-uit-het-volk een stuk van zijn ziel, zijn gemoedsleven, een
+stuk van zijn eigen-ik legde? Slechts daar, waar gemeenschappelijke
+handarbeid de menschen nog vereenigt, klinkt het rhytmische volkslied
+als eertijds: bij het maaien, het bezembinden, het stroovlechten, het
+tabaksbewerken, het steenhouwen, het kuipersbedrijf. Vooral echter,
+waar stille huiselijkheid en gezelligheid woont, hoort men des avonds
+bij het knappende haardvuur of op de bank vóor de woning of onder de
+dorpslinde nog het aloude gezang. Ook het volksfeest, voor zoover de
+moderne kultuur dit niet door en door verdorven heeft, de bruiloft
+en de kermisviering worden nog wel door het lied opgevroolijkt.
+
+Daar zijn tijden geweest, waarin het karakter van het geheele volk
+zich weerspiegelde in het volkslied; en ons Nederlandsche volkslied
+kan de vergelijking doorstaan. Het kende niet de hartstochtelijkheid
+der Italiaansche, de waardigheid van de Spaansche, de sierlijke
+gratie van de Fransche liederen; maar in diepte van gevoel werd het
+nauwelijks geëvenaard. Natuurlijk kwamen ook hier de rasverschillen
+tot uiting, en kwam het b.v. door den beweeglijken, meer emotioneelen
+Keltisch-Frankischen geest beter tot zijn recht.
+
+Maar nu....de bovenkultuur heeft de kunst grootendeels aan
+het volk ontnomen en voor een élite van begenadigde kunstenaars
+gemonopoliseerd. De middelklasse wordt meer en meer uitgeschakeld,
+en waar in onze landen de kultuur het hoogst stijgt, wordt de klove
+tusschen hoogere en lagere standen steeds dieper. Daar zingt het volk
+geen volkslied meer, maar bauwt in drenzige deunen de aan flarden
+gescheurde opera-melodieën na met schunnige variaties. En al mag nu
+de tegenwoordige toestand in wat te schrille kleur geteekend zijn
+in H. F. Wirth's dissertatie: Der Untergang des Niederländischen
+Volksliedes (Haag 1911), het in-droevige van den toestand kunnen wij
+ons niet ontveinzen.
+
+Dankbaar zeer zeker zijn wij de hedendaagsche dichters in den
+volkstoon: Heve, Dautzenberg, René de Clerq, Rodenbach; dankbaar
+aan degenen, die werkten tot herleving, althans der waardeering van
+wereldlijk of geestelijk lied: Hofmann V. Fallersleben, Van Duyse,
+Bols, Kalff, Knuttel, Coers, Roes, en aan de vele andere wakkere
+voormannen, die door woord en aktie,--ik denk aan het volksorgel--den
+gezonden volkszang trachten te bevorderen. Maar toch vrees ik, dat
+deze kunstmatige poging op den duur den ondergang van het volkslied
+niet zal tegenhouden. Wij leven te ver van de natuur. Wereld en
+menschen zijn anders geworden, daarom moet het volkslied sterven. Als
+een schichtig ree van uit het struikgewas tuurt nog hier of daar een
+kind der volksmuze met zijn sprookjesoogen in een wonderlijk-vervormde
+kultuurwereld, vol rook, rumoer en onrust. Het volkslied vlucht voor
+de schrille stoomfluit, als de elven voor het gelui der klokken.
+
+
+
+IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst.
+
+
+Terwijl de kultuurkunst vooral tot uiting komt in het bouwen van
+kerken, torens, raadhuizen enz., spreekt de intieme volkskunst het
+meest uit de woon- en bedrijfshuizen. De _volksbouwkunst_ geeft een
+eigen kenmerk aan stad en land en volk: na eeuwen zelfs vertolkt zij
+ons den kunstzin van dat volk niet alleen, maar ook zijn geschiedenis,
+gebruiken, zeden en gewoonten, zijn welvaart, zijn geloof. Maar
+voorheen, meer dan thans, was de bouwkunst een stille opvoedende
+kracht, omdat duizenden handen en hoofden in haar dienst voortdurend
+werkzaam waren, op wie zij terugwerkende kracht kon uitoefenen. "Onder
+dien stillen drang worden de samenstellingen ongezochter, eenvoudiger,
+doelmatiger, degelijker, wordt alles typischer en expressiever,
+wordt de hand vaardiger en het oog gevoeliger en minder spoedig
+voldaan. Zóo inwerkend op tal van ambachten werkt de bouwkunst in en
+door dit alles terug op het gebied der kunstnijverheid en daardoor
+weder op het zoo uitgestrekte gebied der nijverheid": C. H. Peters,
+Oud-Groninger kunst, in de Gron. Volksalman. 1896, bl. 128.
+
+Ten tijde, dat de persoonlijkheid, en met haar de persoonlijke
+kunstuiting, meer tot haar recht kwam,--toen ook de kleine burger
+of handwerksman iets voor zijn woonstede voelde en die opsierde
+naar vermogen, sprak uit _stad_ en _stadswoning_, uit de woon-
+en bedrijfshuizen inderdaad voor een groot deel het karakter hunner
+bewoners. Maar uit die periode van persoonlijke en zelfstandige kunst
+hebben slechts schaarsche overblijfsels ons bereikt. "Eerst met het
+laatst der XVe en het begin der XVIe eeuw begint onze erfenis, maar
+het is eene erfenis slechts van een gevel hier, een schouw daar,
+eene deur of zoldering elders; een nog uit- en inwendig intakt
+gebleven middeleeuwsch woonhuis bezitten wij nergens", schrijft
+weer de Rijksarchitekt C. H. Peters in zijn voortreffelijk werk: De
+Nederlandsche Stedenbouw (Leiden 1910), II, bl. 380. En dit is niet te
+verwonderen. Ekonomische redenen hebben hiertoe geleid. Groeide een
+woonbuurt, een dorp, een marktplaats uit tot een stad, dan verdween
+mèt die ontwikkeling ook het landbouwbedrijf en de hoeve, om voor
+een koopmans- en bedrijfshuis de plaats vrij te laten. In de omwalde,
+bepoorte en omgrachte marktplaats was geen ruimte voor vrij liggende
+hoeven of een uitgestrekt erf, maar slechts voor kleine woningen met
+ziend dak. Met het klimmen van de welvaart verdichtten zich echter
+ook de houten huizen, drongen op in rij en gelid en zochten door
+verbouwen in de ruimte, wat zij beganegronds moesten missen. En zoo
+ontstond hetgeen ons oog in oude steden of stadsdeelen zoo aantrekt:
+die ongewild mooie huizenreeksen, alle eertijds in hout gebouwd,
+met hun sierlijke lijnen en met de welgevormde bochten, die ons
+vaak nog resten. Zoo ontstonden die verrassende straateffekten, ook
+na het verdwijnen der houten woonhuizen veelal nog bewaard, en zoo
+sterk kontrasteerend met den modernen slatuin-vorm. Van sierlijke
+Nederlandsche huizengroepen en straatgezichten leeft ook nog de
+herinnering in oude teekeningen uit de XVIe, XVIIe en XVIIIe eeuw,
+toen van dien houtbouw nog een gedeelte over was; zoo b.v. van de
+markt en het raadhuis te 's Hertogenbosch, de markt te Middelburg,
+straten uit Maastricht (b.v. de Tongersche straat ten jare 1669),
+Den Bosch, Amsterdam, Delft, Dordrecht, Alkmaar, Enkhuizen, Brussel,
+Gent, Brugge enz.
+
+Met het verdwijnen van den houtbouw, tengevolge van branden, van
+stadskeuren en van andere, ekonomische redenen, werd deze zeer
+eigenaardige periode door den steenen huizenbouw opgevolgd. Maar
+ook het Middeleeuwsche steenenhuis verdween en werd vervangen door
+kostbaarder en rijker konstruktie.
+
+Maar de eenvoud en soberte verdween en de gemeenschapszin werd
+losser. Tot de XVe eeuw voelde men zich éen met de burgers van zijn
+stad, was men met het wel en wee der stad op het nauwste verbonden,
+beschouwde men haar belangen, haar trots, haar fierheid als de
+zijne. En zoo verklaart men het feit, dat de burgers in dien tijd
+hoogst eenvoudig leefden en bouwden voor zichzelf, maar zoo ruim
+mogelijk bijdroegen tot het bouwen van een ruimer en sierlijker
+raadhuis of Godshuis _hunner_ stad. Met de XVIe eeuw werd men behalve
+poorter ook lid van het gewest, waardoor de betrekking van poorter
+tot stad losser werd. "De Stadspoorten, vóórheen angstig gesloten,
+openen zich nu meer en spoediger ter opname van _nieuwe_ elementen,
+van _nieuwe_ bedrijven; met de grootte der Steden breidde zich ook
+het gemeenschapsbegrip uit; en toen met de Reformacie ook de 'leer der
+goede werken' en de zorg voor het hiernamaals zich minder naar buiten
+uitte, verminderde onder den invloed der welvaart langzamerhand ook de
+vroegere eenvoud": C. M. Peters, t.a.p. bl. 392; vgl. Oud-Groningerland
+('s Gravenhage 1912), bl. 150 vlg.; A. W. Weismann, Geschiedenis
+der Nederlandsche Bouwkunst (Amsterdam 1912); A. J. Kropholler,
+in De Beiaard I, 1, bl. 114 vlg.
+
+Voortaan besteedde men dus meer aan de eigen woning, en de
+wooneenvoud maakte niet zelden plaats voor woonvertoon; en met de
+steeds wisselende stijlen verdwenen de overblijfselen van het vroegere
+woon- en bedrijfshuis, terwijl de verjongingskuur een steeds sneller
+stap aannam.
+
+De _aard_ van de woonbuurt, waaruit de stad zich ontwikkelde, bepaalt
+natuurlijk in aanzienlijke mate den aard en aanleg der stad en den
+bouwvorm van het woonhuis. De steden zijn immers niet gesticht in
+bepaalden vorm op last harer eerste bewoners, maar gegroeid uit het
+mettertijd omwalde, omgrachte en bepoorte dorp. Uit de visschersbuurt
+op een gunstig gedekte plaats in een rivierbocht, of rond een inham,
+of bij den mond van een riviertak ontwikkelde zich het visschersdorp
+en de visschersstad: Amsterdam, Dordrecht, Kampen, Rotterdam. Waar
+de rivier zich verbreed had tot zeearm of zeeboezem, die tot veilige
+ligplaats dienden, vormden zich de havensteden: Antwerpen, Blokzijl,
+Harderwijk, Stavoren, Vlissingen. En hoe belangrijk deze ligging voor
+de stadsvorming geacht werd, blijkt wel het duidelijkst uit den faktor
+der taal. Immers uit het Latijnsche _portus_ "haven, stapelplaats"
+ontwikkelde zich het Middelnederlandsche woord _poort_ "stad",
+vanwaar de burger den naam van _poorter_ droeg. Ook dáar vormde zich
+aldra een stad, waar een rivier ophield bevaarbaar te zijn: Leuven,
+Brussel, Yperen; en eveneens, waar twee rivieren samenvloeiden: Gent,
+Mechelen. Bij smalle rivieren werden de beide tegen elkaar gelegen
+oevers bezet: Gouda, Leiden, Utrecht. Uit kringdorpen ontwikkelden zich
+Bolsward, Dokkum, Leeuwarden met hun heuvelachtige op- en afloopende
+straten. Sterk verraden hun oorspronkelijken vorm: Middelburg, rond den
+burcht tegen de Noormannen, en Oldenzaal, rond de eerste Christenkerk,
+met hun straalsgewijze loopende straten. Het komdorp met zijn brink,
+dien men zoo mogelijk als marktruimte gebruikte, vinden wij terug in
+steden als Assen, Deventer, Groningen, Harderwijk, Steenwijk. Het
+streekdorp spreekt uit Amersfoort, Kuilenburg, Wageningen, Edam,
+Sittard, Vianen, Monnikendam. Het centrum van een dorp was ook
+vaak een kasteel, buiten welks omgrachting lijfeigenen, visschers,
+landbouwers en nijveren bescherming zochten; hieruit ontwikkelden
+zich de kasteelsteden met hun sprekend vast plan van aanleg: Gent,
+Brugge, Rijssel, Brussel, Haarlem, den Haag, Montfoort, Gorinchem,
+Sint-Maartensdijk.
+
+Wat nu de ontwikkeling der afzonderlijke woningen betreft, diene
+het volgende. De hoeve ontwikkelde zich uit de hut (I, bl. 32),
+in woudstreken nagenoeg cirkelvormig en gebouwd uit twijgen, leem
+en stroo, in heidestreken uit dennenstammen met plaggenbekleeding,
+langs de kust uit palen in den kleigrond geheid. Deze hut in haar
+drie genoemde typen: leemenhut, plaggenhut en paalhut bestaat nòg. De
+leemenhut doet dienst als nood-, vlucht- en berghut; de plaggenhut
+als woning op de heide; de paalhut als visscherswoning, b.v. op
+Marken of te Volendam. Uit de hut ontstond mede de arbeiderswoning
+te platten lande.
+
+Uit visscherswoning en hoeve ontwikkelde zich de privaatwoning
+in de steden: voor- en achterwand worden opgetrokken ter volle
+dakhoogte en het stolpdak verandert in een schilddak. Zoo is de
+binnenruimte grooter geworden, en in de beide opgaande eindwanden,
+gevels genoemd, plaats verkregen tot het maken van zooveel openingen,
+als het bedrijf maar vraagt. Want het bedrijfshuis en eveneens het
+koopmanshuis vorderen gebiedend meer ruimte en meer licht. Maar
+over het algemeen bleef aanvankelijk de huisbouw aan de eenvoudige,
+karakteristieke samenstelling der hoeve getrouw. Een verdieping wordt
+echter eveneens noodzakelijk; en zoo wordt het stolphuis met zijn
+windopen dak vervangen door een huis met een verdieping, doorgaande
+over de volle huisbreedte en -diepte. En wat het schilderachtig effekt
+van deze, uit redenen van ekonomischen aard voortgesproten, verbouwing
+zoozeer verhoogde: waar de stoep- of straatbreedte zulks toeliet, werd
+niet zelden de verdieping vier tot zes voet overgebouwd. Dit gedeelte
+werd dan gesteund door stijlen; en zoo ontstond een kleine, vooral bij
+hoekhuizen gewilde galerij. Ook noodigden deze huizen uiteraard uit tot
+zaag-, steek- of beeldhouwwerk, waardoor het straateffekt belangrijk
+werd verhoogd. Het huis droeg geen nummer: het ware noodeloos. Elk
+huis toch, hoezeer ook samenwerkend tot gemeenschappelijk effekt,
+stond op zich, vormde een eenheid op zich. Het deed zijn best gezien
+te worden, zegt Peters, door opschrift of uithangbord, het had iets
+eigenaardigs, iets karakteristieks, iets leuks, in topgevel, in uit-
+of terugbouw, in spelend behandeld dak of anderszins. Daar is in den
+houtbouw zooveel diepte, kleur, schaduw en tegenstelling!
+
+Maar volkskunde is de wetenschap van het heden. Wat bleef dan van deze
+ongezochte glorie in onze volkskultuur? Helaas, terwijl de houtbouw nog
+gevonden wordt te Bayeux, Caen, Goslar, Hildesheim, Nürnberg, Hamburg,
+Lisieux, of ook in Engeland, is hij in ons land zoo goed als verdwenen.
+
+Ook in de steden van Vlaanderen en Brabant resten misschien nog
+slechts een tiental houten gevels. De houtbouw leeft hoofdzakelijk nog
+slechts voort in onze molens, die het schilderachtig effekt van het
+landschap in zoo ruime mate verhoogen, in hoeven, schuren en verder
+in ondergeschikt gedoe.
+
+Plat, arm en nuchter zijn de meeste baksteengevels, vergeleken bij de
+houten. Reeds in de XIIe eeuw waren er in de handelsstad Utrecht enkele
+steenen huizen of stinsen. In de XIIIe eeuw worden de huizen grooter
+en hooger en de voorgevel wordt rijker behandeld. Tegen het midden der
+XVIe eeuw wordt op het steenen huis de Renaissancestijl toegepast, die
+de Middeleeuwsche kunst vervangt. Maar van de bedrijfs- en winkelhuizen
+begon de steenbouw eerst boven den puibalk; van het houten huis hield
+men dus de onderpui. De behandeling was zeer uiteenloopend, maar toch
+kan men voor sommige steden van een vrij éenvormig type spreken. Zoo
+werd Amsterdam in de XVIIe eeuw gekenmerkt door zijn pilastergevels,
+Deventer door zijn eigenaardige baksteenen topgevels, Dordrecht
+door zijn karakteristieke boogvulling, Enkhuizen door zijn leuke
+baksteenen bedrijfshuisjes, Groningen door zijn gevels met elegante
+toppen, Haarlem door zijn gevels met voorspringende puntbogen boven
+de vensters, Delft en Den Haag door zijn schilderachtig overluifelde
+stoepen. Gelderland heeft nog menige fraaie gevels bewaard, met name
+Zutfen. Ook hier zijn, evenals te Deventer, vooral de topgeveltjes,
+in ogiefvorm bewerkt, zeer eigenaardig. Daar wij echter slechts met
+een détail-speling, en niet met een eigen konstruktief denkbeeld
+te doen hebben, gaat het kwalijk aan, met den Heer C. L. van Balen
+van een afzonderlijken, Oudgelderschen, of Geldersch-Duitschen
+bouwstijl te spreken. Toch heeft de Heer van Balen een dankwaardig
+werk verricht, door van de monumenten van den ouden steenbouw in
+en om het Geldersch gebied foto's te nemen of schetsjes te maken;
+zoo b.v. van huizen te Zutfen, Leesten (gem. Warnsveld), Bronkhorst,
+Voorst, Loenen (Veluwe), Lochem, Doesburg, Middachten, Doetichem, 's
+Heerenberg, Amersfoort, Culemborg, Tiel, Zevenaar, Huissen enz. Dit
+type wordt ook vertegenwoordigd in de provincie Limburg, niet het
+minst door het bekende "huis Schreurs" in de Groote Kerkstraat te
+Venloo. Vooral de geveldriehoek met zijn beide étages en forschen
+top wekt bewondering. De beide oude gevels van het Weeshuis, vlak
+tegenover de St. Martinuskerk, steken echter het "huis Scheurs" naar
+de kroon. Merkwaardige gevels in dezen trant vindt men verder nog te
+Roermond en in het Noorden der provincie.
+
+De steenbouw ging steeds mee met de mode van den dag. In de XVIIIe
+eeuw verschijnt de klassieke gevel met zijn doorgaande pilasters en
+groot fronton; en dan volgt de deftige, rustige, vlakke gevel, die
+slechts uitmunt door goede proportie; tot tegen het einde dier eeuw
+"de karakterlooze gevel, meestal weinig meer dan een brok muur met
+eenige lichtgaten en een deurgat, de geschiedenis van den woon- en
+bedrijfsgevel en van het woonhuis komt besluiten". Aldus eindigde de
+stadswoning in de eerste helft XIXe eeuw "zoo karakterloos mogelijk
+en zelfs armer ... dan hij acht of meer eeuwen vroeger begonnen was":
+C. M. Peters, De Nederlandsche Stedenbouw. De Stad met hare kerken
+enz., bl. 438; zie verder Gelre VII; Limburg's Jaarboek XI, bl. 65,
+153; XII, bl. 154; XIV, bl. 43; Bouwkundig Tijdschrift 1904.
+
+Wat van den steenbouw voor Noord-Nederland geldt, is ook van toepassing
+op België, echter met dit verschil, dat het zuiden er zijn stempel
+op drukt. Terwijl de huisbouw in Holland doorgaans netter is, meer
+afgewerkt, beter beschilderd, is daarginds alles minder verzorgd,
+maar ook luchter en ruimer. De natuur is milder, de woning dient
+dus iets minder als toevluchtsoord. Wat in België zoowel als in
+Holland van dezen huizenbouw rest, heeft waarde voor het heden,
+in zoover het nog een reëele plaats in het kultuurleven inneemt,
+dient ter berging en verfraaiing, wordt verbouwd en bebouwd--evenals
+sprookje, sage en volkslied, die immers gemeengoed werden--en
+blijft inwerken op de geboorte van nieuwe kunstvormen. Het aantal
+partikuliere gebouwen, die behouden bleven, is vrij groot; ik gaf
+boven reeds eenige voorbeelden van den "Gelderschen" bouwtrant. Van
+openbare gebouwen vermeld ik de Waag te Enkhuizen, Alkmaar, Haarlem en
+Nijmegen; het St. Jansgasthuis te Hoorn; de Kanselarij te Leeuwarden;
+de Vleeschhal en het Oude Mannenhuis te Haarlem; het Stadhuis te Gent,
+Yperen, Franeker en Leiden (XVIe en XVIIe eeuw). Zie Volksalman. tot
+Nut van het Algemeen 1872, bl. 173; 1868, bl. 184; 1867, bl. 184; en
+verder vooral Mr. S. Muller, Oude huizen te Utrecht (Utrecht 1911);
+J. Briedé, Oude huizen van Rotterdam (Rotterdam 1915); J. Craandijk,
+De Haarlemsche Hofjes (Haarlem 1914).
+
+Zoo biedt het stadsbeeld van thans een bonte mengeling van bouw- en
+kunstvormen: het kunstminnend verleden reikt de hand aan het doorgaans
+smakelooze heden. Toch moet men niet onbillijk zijn. Daar zijn
+voorbeelden van moderne straten, waar een mooi eenheidseffekt in de
+verscheidenheid verkregen werd, zoo b.v. de Amsterdamsche Vondelstraat,
+voor zoover Cuypers haar aanleg in handen had. Ook bestaat er een
+ernstig streven bij de moderne architekten, die het rationeele,
+doelmatige der Middeleeuwen in eere willen herstellen en nieuwvormingen
+trachten te scheppen met de gegevens der noodzakelijkheid, met de
+hun ten dienste staande middelen te bereiken de voormalige eenheid
+van karakter en verwantschap van vormen, die het veelvuldige in huis-
+en straateffekt tot samenstemming dwingt en in een glorievol verleden
+zooveel schoons heeft gewrocht. Het is waar, deze hedendaagsche kunst
+is heel wat meer bewust dan de vroegere, en wat aldus in huis- en
+stedenbouw tot stand komt is eigenlijk geen _volks_kunst meer, geen
+organisch gevormde kunst, opgegroeid uit den boezem des volks. Maar
+zij wortelt toch in de logische beginselen onzer nationale volkskunst,
+zij kan gedragen en gesteund worden door het volk, zij spreekt tot het
+volk en kan het behoeden voor reddeloozen ondergang in den zondvloed
+van materialisme en wansmaak. Een verblijdend teeken is het zonder
+twijfel, dat allerwege, ook en niet in het minst in het buitenland,
+de behoefte gevoeld wordt aan de steden hun aloud artistiek karakter te
+hergeven; en dat, al gaat de stadsaanleg niet meer van den eenling uit,
+naast den ingenieur en den technicus, die met allerlei ekonomische en
+hygiënische belangen rekening hebben te houden, ook de aestheticus
+een belangrijk woord heeft mee te spreken. Zie Mr. Fockema Andreae,
+De hedendaagsche stedenbouw (Utrecht 1912); Ch. Buls, Esthétique des
+villes (Bruxelles 1910); Camillo Sitte, Der Städte-Bau nach seinen
+künstlerischen Grundsätzen (Leipzig 1889).
+
+Een besliste vijand van artistieken stedenbouw en straateffekt
+en volkskunst is de _huurkazerne_, de eigenaardige vorm, dien een
+komplex van woonhuizen in onze groote steden vertoont. Voor moderne
+dichtbevolkte steden, als centra van industriëele produktie op groote
+schaal, schijnen deze huurkazernes noodzakelijke bestanddeelen. De
+hygiënische en ekonomische bezwaren, die men tegen haar aanvoert,
+mogen slechts schijnbaar of althans sterk overdreven zijn,--aan
+de ethische en aesthetische beteekenis van het woonhuis, aan den
+kunstzin van zijn bewoners, die toch ook voor de kleine luiden de
+levenslasten draaglijker maakt, aan de liefde voor eigen huis en eigen
+erf geven deze kazernes den doodsteek.--Het vraagstuk der huurkazerne
+wordt uitvoerig en veelzijdig behandeld door Prof. L. Pohle, Die
+Wohnungsfrage (Leipzig 1910) I, bl. 21 volg., 89 vlg.
+
+Beter dan in de steden komt te dezen tijde de volkskunst tot
+haar recht in de _landelijke woning_, hoezeer ook deze veelal het
+slachtoffer geworden is van moderniseering, wansmaak en kwalijk
+begrepen genotstreving. "De landsche huizekens", zegt Stijn Streuvels
+in zijn Landsche Woning, "'t is alsof ze te dansen staan tegen de zon
+en 't geflits dat straalt uit de kleine ruitjes, is als een lach die
+schatert over het landschap. Ze staan er zoo welgedaan, zoo rustig,
+eigen en vast,--meegegroeid uit den grond met al de omgevende dingen."
+
+En inderdaad maken zij het leven en de blijheid uit van het
+Nederlandsche en Vlaamsche landschap: de huizekens, waar over dag de
+zonnegloed op neerzijgt als een zee van stroomend goud tusschen het
+groen van velden en weilanden, en waar des avonds een vredig lichtje
+pinkt in de stilte van een zalig-blij gezin, als in een godshuis....
+
+Over den bodem van geheel Groot-Nederland rijen en groepen zij
+zich tot gehuchten en dorpen aaneen; en de dorpen, ze liggen er als
+gezaaid: rechts en links en heinde en ver, overal ziet men kerktorens
+oplijnen tegen het grijs-blauw van den gezichteinder. Zij liggen er,
+evenals de huizen zelf, zonder schijn van orde of regelmaat, maar
+toch zoo vredig en behagelijk, en juist dit ongedwongene schenkt
+hun de grootste bekoorlijkheid, het meest eigenaardig cachet. Zij
+liggen er zoo samenstemmend met al de dingen in het rond, en die
+ongedwongen omlijsting, dat harmonisch geheel van huis en dorp en
+omringende natuur, vormt een der allerbelangrijkste elementen van hun
+bekoorlijke, ongekunstelde schoonheid. En waar de bodem het dichtst
+bevolkt is, waar dorpen en woningen samendringen als om nergens een
+plaatsje ledig te laten, daar dringt ook sterker óp het gevoel van
+levensvolheid en levensblijheid.
+
+Toch leeft elk dorp zijn eigen leven, dat de dorpstoren uitstraalt. En
+de vele en tallooze straatjes en wegjes en steegjes, kronkelend
+zonder doel, krom en planloos en hoekig, zij schijnen alle toch weer
+te wijzen naar éen gemeenschappelijk punt, een hoeve, een molen,
+een grooten verkeersweg. Tusschen de dorpen in doorkruisen hagen en
+slooten, dreven en weteringen de beemden en gouwen, reppen zich nijvere
+molens en dommelen de knotwilgen in het Hollandsche landschap. Naast
+eenheid ook hier weer verscheidenheid. Vooral de stroeve ernst der meer
+rechtlijnige streekdorpen kontrasteert met de innigheid der komdorpen
+en meer nog met de frivole dartelheid der groepdorpen op Frankischen
+bodem. Eenzaam, als het ware een leven leidend afgescheiden van de
+gemeenschap, liggen beschut door werven en grachten en half weggedoken
+achter dichte boomgroepen de afzonderlijke hoeven.
+
+In eenheid verscheidenheid: al deze huizen en huizekens zijn gebouwd
+naar de sobere wetten der redelijkheid, naar de eischen van materiaal
+en bedrijf, naar de omstandigheden van plaats en ligging. Alle
+gehoorzamen zij aan de groote wet der harmonie van huis en omgeving
+en streven zij naar eenvoud en beperking. Zij spreken alle een klare,
+sobere vormenspraak, eenvoudig en eerlijk. Geen kracht is versnipperd,
+geen versiersel overtollig. En zoo vormt geen enkel landelijk huis een
+dissonant met de omgeving, een zwarte vlek op het landschap: de hoogte
+der muren, de lijnen van het dak, deur en venster en schoorsteen,--het
+is alles op maat, laat het oog kalm en het hart vredig, het lokt en
+wenscht en behaagt. Ook de groepeering van geboomte en bloemstruiken
+en groentebedden verraadt alleszins goeden smaak ... Maar toch weer
+verscheidenheid. De stelphoeve maakt een massieven, hoewel niet
+onvriendelijken indruk; onderbouw en dak moeten schutting bieden
+tegen de gure zeewinden. Aan den topgevel, die somwijlen een weinig
+naar voren springt, wordt de meeste zorg besteed. Schrille kleuren,
+het strandvolk eigen, treden ook hier aan den dag, zonder echter in
+'t minst te ontstemmen. Vooral uit zich een krachtige voorliefde voor
+groen en wit. De houten buitenwanden van de hoeve zijn meestal frisch
+groen en de kozijnen, ramen en goten wit geverfd, kleuren, die met
+den rooden baksteen voortreffelijk samenklinken. Dit geldt ook voor
+het Westen van Friesland. In het Saksische huis voert het sobere,
+gemoedelijke den boventoon, vooral in het meest oorspronkelijke
+type in Twente en in het Oosten der Graafschap. Hier overheerscht
+de houtbouw, vooral de vakwerkbouw, en wel op zeer aantrekkelijke
+wijze. Meer kunstuiting vindt men echter bij de vertegenwoordigers
+van dit type in Zuid-Holland, Utrecht en ten deele Gelderland, die
+behooren tot den weiverzorgden baksteenbouw. Vooral in Zuid-Holland
+kunnen verscheiden boerderijen als waardevolle kunstuitingen
+gelden. De Drentsche hoeve is naakt als het omringende heideveld. De
+Frankisch-Keltische langgevelhuizen missen het blijde kleurenspel
+der noorderlijke hoeven. De bouworde is schriel en onverzorgd,
+maar met een grondtoon van gezelligheid. Ook werd ondanks de weinig
+kostbare hulpmiddelen een gunstig geheel verkregen met groote lijnen
+en vlakken, die in juiste overeenstemming zijn met het landschap. De
+"Zuid-Limburgsche hoeve" vertoont een volstrekt-afwijkende bouwwijze en
+is voor een groot deel in mergelsteen uitgevoerd. Ook vindt vakwerkbouw
+een uitgebreide toepassing, zoowel voor de binnenplaats, als voor de
+buitengevels, met uitzondering van het woonhuisgedeelte. Het uitwendige
+der hoeve heeft iets sombers, iets massiefs. Maar de binnenplaats is
+aantrekkelijk door de rijke afwisseling der verscheiden gebouwen met
+hun vele deuren en vensters.
+
+Laat ik hier ten slotte bijvoegen, dat in het zuidelijk volksgebied de
+steenput voor de deur, waarin de emmer rinkelt aan de keten, of aan het
+uiteinde van de wip in het frissche water daalt, het schilderachtige
+van de frontzijde niet weinig verhoogt. Zie vooral Stijn Streuvels,
+De Landsche Woning, _passim_, en H. V. D. Kloot Meyburg, Onze oude
+Boerenhuizen bl. XI vlg.
+
+Nog eenige andere dak- en gevelversieringen zijn niet onbelangrijk,
+en wel voor het karakter onzer _dekoratieve volkskunst_.
+
+Zeer merkwaardig vind ik de versiering van het Friesche huistype, waar
+de top van het dak boven de walmgaten bij voorkeur door zwanenfiguren
+wordt opgesmukt. Deze zwanen staan rug aan rug, met den hals naar
+boven en de koppen naar buiten gekeerd. Maar zij zijn vaak zóo
+sterk gestyleerd, dat de eigenlijke vorm is verloren gegaan. In
+Noord-Holland ontbreekt dikwijls alle versiering. Daarentegen vindt men
+het zwanenmotief ook in het oude gebied tusschen Stade en Buxtehude
+(Hannover), waar Vlamingen een volksplanting stichtten; en verder,
+overeenkomstig, in Noord-Vlaanderen.
+
+Zonder twijfel hebben wij hier te doen met een stamteeken. De zwaan
+dient als Friesch stamdier te worden beschouwd, evenals haan en
+paard Saksische stamdieren waren. Daarom komen haan en paardekop als
+gevelversiering bij Saksische huizen voor, waarvan een ieder zich
+in het land van Twente kan overtuigen. Zoo vind ik in het verslag
+van de excursie der Nederl. Anthropologische Vereeniging naar het
+Saksische Land in 1914, Bijblad 1915, bl. 24: "Op de schuur bij
+het huis viel allereerst de gevelversiering, de oude Saksische
+paardenkoppen, in het oog, die men nog vindt in alle streken eens
+door Saksers bewoond." Veilig mag men beweren, dat karakteristiek
+voor de Nederlandsche dekoratieve volkskunst is het feit, dat zij
+deze stamdieren: zwaan, haan en paard--oorspronkelijk dierfetissen,
+ter afweer aangebracht--tot architektonische motieven heeft weten te
+vervormen. Men zie in verband hiermee Deel I, bl. 177, waar ik haan
+en zwaan op den palmpaasch besproken heb. De Katholieken brengen
+op de gevels hunner huizen gaarne een kruis aan, een kruis op een
+hart, of de letters I H S: een verkorting van den naam _Jezus_ in
+Grieksche letters, naderhand verklaard als _Jesus Hominum Salvator_,
+bij ons: _Jezus Heere Saligmaker_, _Jezus Heilige Sakramenten_, of
+iets dergelijks. In dezen vorm vinden wij het woord op de Romeinsche
+munten van Christelijke keizers.
+
+Als _bouw_materiaal voor huisgevels heeft het hout afgedaan,
+en daarmede zijn grootste beteekenis in de bouwkunst van het
+heden verloren. Het heeft nog waarde in de dekoratieve kunst en
+kleinkunst, maar ook hier nog slechts sporadisch. Men maakt zijn
+eigen meubels niet meer, wat men nog snijdt zijn kistjes, klompen,
+plankjes enz. Alleen de schipper en visscher is tot tijdverdrijf bij
+windstilte nog houtsnijder. De aloude houtsnijkunst--volkskunst van de
+verdwijnende soort--leeft nog b.v. op Terschelling, waar 's winters
+de voorvaderlijke stoven en bankjes gemaakt worden. Met een ruw mes
+snijdt men een oud, overgeleverd type van versiering, waarin dieren-
+en plantenmotieven.
+
+Daarentegen is de handel in houtsnijwerk, zooals die op enkele plaatsen
+wordt gedreven, b.v. te Hindeloopen, voor het meerendeel een handel
+in _curiosa_ en niet voor eigen gebruik bestemd.
+
+Treden wij nu de woning binnen. Een gang is veelal afwezig, is in
+alle geval van later datum. Wij zagen reeds, dat de keuken een der
+voornaamste vertrekken uitmaakt. De vloer is zelden van leem, meestal
+van witte keitjes, waarin met zwarte keitjes figuren zijn gevormd, en
+wel in het oostelijk en in geheel het zuidelijk volksgebied. Somtijds
+vindt men ook blauwe plavuizen, waarover de boerin zand strooit,
+vaak in sierlijke figuren.
+
+De ruime, ouderwetsche schoorsteen boven den oorspronkelijk vrij
+liggenden haard, de aloude offerstede, is inderdaad het middelpunt
+van het huiselijk leven èn op het land, èn waar hij in burgerfamilies
+nog de plaats bekleedt, die hem toekomt. De breede vleugels zijn
+bemetseld met blauw-gekleurde tegeltjes van Delftsch aardewerk,
+met Bijbelsche of profane tafereelen, of ook gewone landschappen met
+molens en bruggen, visschers, zeilende schepen, bloemen of dieren. Men
+vindt deze tegelsteentjes ook nog wel elders, b.v. in zijvertrekjes,
+maar steeds zeldzamer. Waar deze oude haard nog bestaat, daar kan men
+dwars door de schouw zien in de ruime, roetige pijp, waar vleesch en
+worsten te rooken hangen:
+
+
+ Boven in de schouwe
+ Daar hangen de worsten aan touwen.
+
+
+De schouw is de koker der geestenwereld. Aan de haal, welke zulk een
+voorname rol speelt in het dagelijksche leven (I, bl. 35, 257 vlg.),
+hangt de ketelhaak met den grooten ketel. Om den schoorsteenmantel,
+die een reusachtige ruimte omspant, loopt het schoorsteenkleedje
+van gebloemd katoen, dicht geplooid. Daarboven heeft de huisvrouw
+haar schatten aan tin en aan blauw aardewerk uitgestald. Het zijn de
+tinnen familieborden, die van vader op zoon overgaan. Men vindt er
+ook pronkappels, tabakspot, pijpen en, niet te vergeten, de tinnen
+of koperen koffiekan, slank van vorm,--"fier als een koffiepot", zegt
+de Vlaming. Boven den schoorsteenmantel staat of hangt in Katholieke
+streken een kruisbeeld, veelal met gewijde palm, zoowel op het land
+als in steedsche huiskamers. Vgl. Schotel, Zeden en gebruiken in de
+Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 8 vlg. Enkele artistieke schouwen vindt
+men afgebeeld b.v. in den Drentsche Volksalman. 1907, bl. 184, 186.
+
+Om den haard of de brommende kachel verzamelt zich het gezin. Daar
+bespreekt men de voorstellingen der tegelsteentjes, maar ook
+het werk van den dag; daar luisteren de kinderen naar moeders of
+grootmoeders vertelsels met kloppend hart en stralenden blik; daar
+snort plaatselijk nog het edele spinnewiel met klos en haspel. Gaarne
+wordt het spinnewiel ook een plaats ingeruimd in de moderne salons,
+waar het zich echter niet bijster thuis moet gevoelen.
+
+De aarden en tinnen borden en schotels pronken echter ook op richels,
+die langs de wanden loopen, en sieren het lijstwerk van kasten en
+bedsteden. De borden en kommen van Delftsch, Brugsch en Brusselsch
+aardewerk vertoonen soms heele tafereelen met passende spreuken. Op
+andere vindt men spiraalvormige versieringen, bloemen, druiven
+en loof in helle blauwe, gele of roode kleuren. Ook treft men wel
+eenvoudig bruin verglaasd aardewerk aan. Een echte volkskunst is nog
+de pottenbakkerij in De Lemmer.
+
+De bedsteden, door een dubbele kast gescheiden, vullen de geheele
+ruimte van éen der wanden, en zijn vaak met kunstig snijwerk
+behandeld. Uit voorzorg tegen overstroomingen waren de onderlagen
+vrij hoog boven den vloer aangebracht, zoodat een voetbank of ook
+wel zakken met koren dienden om ze te beklimmen, en toegang te
+verleenen tot den stapel van zware kussens en bedden, een toestand,
+die plaatselijk nog wordt aangetroffen. Elders dienen roode of groene
+gordijnen ter afscheiding.
+
+Het mooiste porselein, glaswerk enz. bevindt zich in de glazenkast,
+porseleinkast, pronkkast, kabinet, of welken naam dit waardevolste der
+meubelen ook dragen mag. Hier prijkt ook het mooiste glaswerk, boersche
+borrelglazen in tulpvorm met ingebrande spreuken, naast trekpotten en
+serviesgerei van allerlei slag. Zij hoort dan ook in de pronkkamer
+thuis. Deze kast is de glorie der boerin; het is een familiestuk,
+veelal van mahoniehout en met hooge glazen deur. Zij legt er ook
+het linnengoed en de kostbare kleedingstukken in, vooral wanneer
+de kisten buiten gebruik zijn. Veelal bezigt men nog de benaming
+_kistengoed_ of _kistentuig_ voor het beste lijf- en linnengoed,
+zoo b.v. in Limburg. De term _kastengoed_ is een latere vervorming,
+doordat de kast de funktie der kist overnam, zeer verklaarbaar. Deze
+eikenhouten kisten zijn dikwijls fraai uitgesneden. Het deksel is
+schuin of vlak; vooral de voorkant, in paneelen bewerkt, heeft een
+betrekkelijke kunstwaarde. De oorspronkelijke zitbanken zijn thans
+meestal door stoelen vervangen; de oudste stoelen zijn fraai van
+teekening, zoowel de gewone matten stoel met zijn gedraaide pooten,
+als de oudvaderlijke armstoel met segrijn overtrokken. Laat ik nu nog
+vermelden den eikenhouten lessenaar, een eereplaats voor den Bijbel,
+de typisch-Hollandsche theestoof, die ook al naar het salon verhuisde,
+en de gezellig-tikkende klok, wier meest ouderwetsche vorm de
+stoeltjesklok is; eindelijk de koperen bedpan, ter verwarming van het
+bed, met kolen gevuld, en overdag prijkend aan den wand. Het koperwerk
+omvat nog kandelaars, kaarsenpannen, tondeldoozen, enz. Veel koperwerk
+aan den muur is een teeken van welstand. De letterdoeken vertoonen
+staaltjes van naaldkunst. Het Antwerpsch Museum van Folklore bezit
+een groote verzameling van dergelijke tot de kleinkunst behoorende
+huiselijke voorwerpen: vuurslagen, vuurblazers, doofpotten, waterstoven
+(lollepotten), kaarsensnuiters, dompers, schuimspanen enz. Een groote
+schoorsteenhaal uit gesmeed ijzer vertoont er als koperen versiersel
+een smidse met galoppeerend paard. Op ruwe zoutbakken van gebrand
+hout ziet men merkwaardige ingekorven meetkundige figuren. Van
+kunstig versierde koekijzers met spiegelschrift gewaagde ik reeds
+in het Eerste Deel, bl. 140. Zie over deze en dergelijke voorwerpen
+nog Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 291 vlg.; K. de Meyere,
+De Volkswoning en hare versiering, bl. 24 vlg.
+
+Over het algemeen is de toon in de steedsche woning iets doffer dan
+op het land. Maar ook hier wekt het helle groen van meubelen en
+deuren in zijn schrilheid geen wanklank met het wit-blauw van de
+muren. Alles ademt soberte en eenvoud, zelfs de meer ingewikkelde
+versieringen, waarin wij de symbolen van het volksgeloof vinden
+verwerkt: Anker en Sterren (de hoop), Vlammende Harten (de liefde),
+Hanen (zuiverheid), Bloempotten (rijkdom der armen); verder engelen,
+kruisen, varende schepen enz. In geen volkswoning ontbreekt ook de
+vogelkooi. Maar niet zelden is zulk een kooi een familiestuk, door
+huisvlijt en kunstzin gewrocht. Zij heeft fries en kroonlijstjes,
+deurtjes en venstertjes en balkonnetjes, en lijkt wel een paleis. Zoo
+vinden wij ook opgetuigde modelschepen, miniatuur-spinnewielen en,
+in Katholieke gezinnen, de passie Onzes Heeren in een flesch of onder
+een stolp. Van hoeveel taai geduld en treffende kunstliefde leggen
+deze voorwerpen geen getuigenis af! Ik herinner nog even aan de
+voorwerpen van uitgesneden of gevouwen papier: molentjes, zoutvaten,
+scheepjes--ook twee- en driemasters--, bisschopsmutsen enz., alles op
+dezelfde wijze door kinderhanden gevouwen als voor honderd jaren. Aan
+het kind zijn de volkstradities zoo wèl toevertrouwd! Menig lezer
+zal zich uit zijn kinderjaren ook nog herinneren de slang, uit een
+speelkaart gesneden, en die met den kop op een in 'n turf gestoken
+stokje of breinaald rustte. Plaatste men den turf op den warmen
+schoorsteenmantel, dan kronkelde het serpent heen en weer.
+
+Ik sprak reeds van het kruisbeeld, dat boven den schoorsteenmantel
+een eereplaats inneemt. Naast de deur, in de slaapkamer naast de deur
+of boven het bed, hangt in Katholieke gezinnen het wijwatervaatje met
+gewijde palm, terwijl in kast of kist de gewijde kaars geborgen is. Het
+plaatwerk aan den muur bespreek ik nader. Op kast of schoorsteen
+vindt men heiligenbeeldjes, alleen staande of met de bijbehoorende
+versiering, die aan het geheel in België den naam van kapelleke
+geeft. Tot deze kappellekens behooren ook de kerstkribbetjes,
+niet zelden van aandoenlijken eenvoud en teederheid. Het goddelijk
+kind slaapt tusschen os en ezel, omglansd door hemelsch licht in een
+weelderig, bloemrijk landschap; boven in de lucht houden twee engelen
+de ster, die de koningen geleidde. Ook draagt men in de Meimaand zorg
+voor passende versiering van het Mariabeeld. Zie Frans de Potter,
+Huiselijke godsdienst onzer voorvaderen (Gent 1886), bl. 16 vlg.,
+24 vlg.
+
+Weinig hedendaagsche binnenkamers beantwoorden aan bovenstaande schets
+in haar geheel. Ook verschilt de stoffeering natuurlijk bij verschil
+van gewest, godsdienst, ligging (op het land of in de stad). Bij deze
+schets had ik hoofdzakelijk de _volkswoning in het algemeen_ op het
+oog, en op deze heeft ook betrekking de nu volgende bespreking van
+het volksdekoratief in spreuken, uithangborden en plaatwerk.
+
+_Spreuken_ vindt men in de volkswoning allerwege. In de binnenkamer,
+boven tegen den balk en elders, vindt men de huisspreuken: "Aan
+Gods zegen is alles gelegen";--"De Heer beware uwen ingang en
+uwen uitgang";--"Dit huis staat in Gods hand, God beware het voor
+brand";--"Als God met ons is, wie zal dan tegen ons zijn?" Natuurlijk
+wijzen taal en spelling veelal op oudere dagteekening. In het zuidelijk
+volksgebied wordt nog dikwijls een opschrift uit papier geknipt en
+achter glas in een lijstje gezet: "Hier vloekt men niet, God ziet
+u";--"Gedenk te sterven";--"Looft den Heer", enz. Trouwens bordjes of
+plaatjes met gelitografeerde spreuken vindt men door het gansche land.
+
+Maar ook ter dekoratie van dagelijksche voorwerpen doen gewijde
+en profane spreuken dienst, want het volk wil den glans der poëzie
+spreiden over geheel het dagelijksche leven. De meest onbeduidende
+voorwerpen wil het ornamenteeren, opheffen uit de sfeer van het
+banale en niets-zeggende door naïeve rijmpjes, wijze spreuken of
+enkel door een paar woorden ter verduidelijking van het gebruik. Juist
+zoo verhoogde ook de Grieksche epische volkspoëzie de waarde en het
+belang van wapenen en huisraad: een enkele beknopte toelichting diende
+als opschrift.
+
+Op een koperen onderschotel vindt men te midden van een krans:
+
+
+ Ik dien om de tafel
+ niet te laten branden,
+ maar pas op als ik blink,
+ dat ge me niet schande.
+
+
+Op een spiegel:
+
+
+ 't Is maar schijn.
+
+
+Op een beker:
+
+
+ Geen geluk
+ Zonder druk.
+
+
+Op trouwschotels:
+
+
+ Er is niets beter in den trouw
+ Als liefde tusschen man en vrouw.
+
+
+Op een zonnewijzer:
+
+
+ Ik spreek alleen, het aangezicht
+ In 't volle zonnelicht.
+
+
+Op een bord:
+
+
+ Weldadige Opperheer,
+ Gij spijst ons al te zamen,
+ U zij de lof en eer,
+ Ons hart zegt dankend Amen.
+
+
+ In spijs en praat
+ Hou middelmaat.
+
+
+ Na spijs en drank
+ Geef Gode dank.
+
+
+Op een rijstpapkom:
+
+
+ Die den arme geeft
+ Leent den Heer.
+
+
+Op een stortbekertje:
+
+
+ 't Is u gegund,
+ Drink als ge kunt.
+
+
+Op een tafelschel:
+
+
+ Deze klank roept om drank.
+
+
+Op een drinkglas:
+
+
+ Als David de vriend van Jonathan was
+ Drinken wij onze vriendschap uit dit glas.
+
+
+Op een spaarpot:
+
+
+ Daar niet en is,
+ Gaat zoeken mis.
+
+
+ Leert sparen en vergaren,
+ Leert geven en blijft leven.
+
+
+Op een scheerbekken:
+
+
+ Het jaar is om
+ Betaal de som.
+
+
+Bij de intrede van het huis ziet men de gevelspreuk of het
+luifelschrift prijken. Tot de meest bekende behooren wel:
+
+
+ Dit huis staat in Gods hand.
+
+
+ Niets buiten God.
+
+
+Vele oude gevelspreuken zijn ons bewaard gebleven en getuigen nog van
+de volksvroomheid, de volkskunst, den volkshumor onzer vaderen. Voor
+het meerendeel hebben zij voor ons slechts historische waarde. Ik
+volsta dus met enkele voorbeelden, ontleend aan het voortreffelijke
+werk van Van Lennep en Ter Gouw, Het Boek der Opschriften (Amsterdam
+1869).
+
+Andere vond ik in tijdschriften en provinciale almanakken of teekende
+ik persoonlijk op. Spreuken van dezen aard worden nòg aangebracht,
+maar steeds zeldzamer.
+
+
+ Elk wandel in Gods wegen.
+
+
+ Vergenoegzaamheid gaat rijkdom te boven.
+
+
+ Ziet voor u opdat gij niet en struikelt.
+
+
+ De Heer--regeert.
+ Al wat adem heeft--looft den Heere.
+ 't Is beter benijd dan beklaagd--als 't God behaagt.
+
+
+ Behoed ons Heer voor zonde en schand,
+ Bewaar dit huis voor ongeluk en brand.
+
+
+ Menschen gij moet sterven,
+ Gedenkt gij de zaligheid te erven.
+
+
+ Wie op God vertrouwt,
+ En niet en verflauwt,
+ God zal hem zegenen menigvoud.
+
+
+Dikwijls richt zich de huisbewoner tegen lasteraars, babbelaars en
+kwaadsprekers; zoo b.v.:
+
+
+ Het ware te wenschen,
+ Dat alle menschen,
+ Die kwaad van anderen spreken,
+ Zich zelven eerst bekeken.
+ Dan zouden zij het praten
+ Van anderen wel laten. (nabij Amsterdam).
+
+
+ Wie hier komt spreken van iemand kwaad,
+ Wijs ik waar 't gat van de deur staat.
+
+
+(Amsterdam).
+
+
+ Wat wordt er menig mensch belasterd en belogen
+ Van menig kakelaar, die zelf toch niet en dogen.
+
+
+(Hemelum).
+
+Tot de gevelspreuken behooren ook de berijmde beroepsaanduidingen;
+hun bloeitijdperk was de XVIIe eeuw; maar zij komen ook thans nog
+voor en zijn veelal humoristisch getint.
+
+Kaaskooper:
+
+
+ O wereld boos en heel verkeerd,
+ Wat heb je al geld dat mij ontbeert!
+ Maar de vromen moeten hier gebrek lijen,
+ Doch zullen hierna de kaas wel beter snijen.
+
+
+Aanspreker:
+
+
+ Bidder, Dokter, Doodgraver en Aptheker,
+ Dat zijn vier vrinden, dit is zeker:
+ Wanneer zij bidden om hun dagelijks brood,
+ Zoo bidden er twee om de ziekte en twee om den dood.
+
+
+Schipper:
+
+
+ Met scheepvaren plaisant
+ Ik mij geneeren moet,
+ De scheepvaart door Gods hand
+ Het land floreeren doet.
+
+
+Smid:
+
+
+ Houd man! Daar is de kan,
+ Wel wijf! De kan is mijn gerijf.
+ Maar wacht u voor de vonken.
+ Het ijzer is heet;
+ 't Moet eerst zijn gesmeed,
+ En dan eens gedronken.
+
+
+ Wij hebben door Gods milden zegen
+ En vlijt dees ijzersmederij
+ Tot dienst van mensch en paard verkregen.
+ Zijn hulpe zij ons verder bij.
+
+
+Groenteverkooper:
+
+
+ Adam en Eva, gesteld in 't groene paradijs,
+ Aten hun buikje vol van de lekkerste spijs,
+ Maar zij werden verleid van den schelmschen droes,
+ Hier verkoopt men kool, wortelen, rapen en groen moes.
+
+
+(Berlicum).
+
+Tapper:
+
+
+ Wel te doen en vroolijk zijn
+ Is 't beste op dees aard.
+ Hier verkoopt men brandewijn
+ En haver voor het paard.
+
+
+(Oud-Pekela en Rotterdam).
+
+
+ In het Leppersfort
+ Is geen drank te kort.
+
+
+(Gent).
+
+
+ Hij moet gauw zijn, die wil tappen en wijn verkoopen,
+ Maar nog gauwer, die met het gelag deur wil loopen.
+
+
+(Leuven).
+
+Herbergier:
+
+
+ Ik woon hier aan den weg,
+ Wat kan men beter wenschen
+ Dan de zegen van den Heer
+ En de gunst van alle menschen.
+
+
+(Horn, L. en Westerwolde, Gr.)
+
+
+Barbier:
+
+
+ Die graag zijn baard zich ziet ontnomen,
+ Ga niet voorbij, wil binnenkomen,
+ Van welken rang of staat,
+ 't Zij burger of soldaat.
+
+ Ik geef aan elk fatsoenlijk man
+ Zoo veel genoegen als ik kan,
+ Ik doe mijn best aan alle gaar,
+ En die 't verlangt snij ik ook haar.
+
+
+(Assen).
+
+Bakker:
+
+
+ Misgun geen bakkers winst, gij goede en kwade liên,
+ Zij arbeiden het brood met lichaam, voet en knien.
+
+
+(Amsterdam).
+
+Besteedster:
+
+
+ Hier woont de besteedster, twee hoog, aan de linker deur,
+ Klop je aan de rechter, dan komt de Vroemoêr veur.
+
+
+(Amsterdam).
+
+Glazenmaker:
+
+
+ Met glas en lood
+ Win ik mijn brood.
+
+
+(Amsterdam).
+
+Gouddraadtrekker:
+
+
+ Hier trekt men naar de kunst het goud tot dunne bladen,
+ Om ons gewin en ook voor wereldsche sieraden;
+ Maar als wij rusten nemen wij weer ons gemak,
+ Totdat het geld verdwijnt tot slijm gelijk een slak.
+
+
+(Brussel).
+
+
+Kleermaker:
+
+
+ Geen mensch men acht
+ Als om zijn dracht,
+ Dies laat mij brave kleeren maken,
+ Wilt gij tot ambt of eer geraken.
+
+
+(Enkhuizen).
+
+Koekebakker:
+
+
+ Koek die zoet is
+ Koek die goed is
+ Koek die gaar is
+ Proef of 't niet waar is.
+
+
+(Zaandam).
+
+Koffiehuis:
+
+
+ Alle anderen zijn in abuis,
+ Maar hier is het ware koffiehuis.
+
+
+(Heerlen, L.)
+
+Kroeg:
+
+
+ In den cabaret, dien men hier wijst,
+ Wordt men gelaafd en gespijsd.
+
+
+(Eecke, Vlaanderen).
+
+Kuiper:
+
+
+ Door kuipen werden veel tot staat en eer verkoren,
+ Het kloppen is het best, hetgeen wij daaglijks hooren.
+
+
+(Gent).
+
+Melkboer:
+
+
+ Hier verkoopt men room
+ Zeer vroom
+ En zoetemelk
+ Voor elk.
+
+
+(Houten, U.).
+
+
+Pruikemaker:
+
+
+ Hier maakt men pruiken om een ieder te gerieven,
+ Van levend menschenhaar, niet van gehangen dieven.
+
+
+(Gent).
+
+Schipper:
+
+
+ Ik vaar ter zee op Gods genade,
+ Dat God bewaart kan mij niet schaden;
+ 't Zij dat ik uitvaar of wederkeere,
+ Ik verwacht altijd de zegen des Heeren.
+
+
+(Vlaardingen).
+
+Stalhouder:
+
+
+ Hier stalt en verhuurt men paarden,
+ Bij niemand zullen zij beter aarden;
+ Ik geef haar haver en goed hooi,
+ En, om zoo te zeggen, zuiver strooi.
+
+
+(Alkmaar).
+
+
+ Wie wil rijden met behagen
+ Moet naar Willem Stallaert vragen.
+
+
+(Antwerpen).
+
+Veerhuis:
+
+
+ In dit veerhuis, heel plesant,
+ Ziet men de scheepjes aan alle kant
+ Het Maasje op en neder varen;
+ God wil dit huis van leed bewaren.
+ Hier
+ Tapt men Genever, Brandewijn en Bier.
+
+
+(Besooien).
+
+De volkskunst, met name de dekoratieve kunst, spreekt verder uit de
+_uithangborden_: uit vorm, voorstelling en opschrift. Daarin vertelt
+een stad haar geschiedenis; daarop leest men, waardoor een plaats
+bloeide of bloeit, bespiedt men een stuk van het maatschappelijke
+en huiselijke leven; maar daarin weerspiegelt ook de kunstzin der
+gemeente.
+
+Wat hun oorsprong betreft, dezen zoek ik gaarne met Van Lennep en Ter
+Gouw in de heraldiek: het huis van den poorter was _zijn_ kasteel,
+en dit moest geblazoeneerd worden met wat hij zich tot zinnebeeld
+gekozen had. Zoo verklaart men hun algemeenheid en het bijzonder type
+van sommige, b.v. _in den Rooden Leeuw_. Het symboliseeren van ambten
+en bedrijven zelf kende men echter in het oude Rome reeds evengoed als
+tegenwoordig: men vond daar een krans vóor een herberg, een geit vóor
+een melkinrichting, een molensteen vóor een bakkerswinkel enz. Voor
+de geschiedenis der uithangteekens verwijs ik naar het uitvoerige werk
+van genoemde schrijvers: De Uithangteekens in verband met geschiedenis
+en volksleven beschouwd. 2 dl. (Amsterdam 1868).
+
+Als heraldische figuren vermeld ik _de Kroon_, of _de Drie Kronen, de
+Keizerskroon, de Landbouw_ enz., voornamelijk aan de herbergen. Dit
+geldt evenzeer voor _de Helm, het Schild, de Gouden Leeuw, de Roode
+Leeuw, de Roos, de Meermin, het Kruis_. Ook dragen tegenwoordig
+meerdere hotels nog de wapens van landen, steden of personen. Andere
+uithangteekens zijn zinnebeeldig: _de Liefde, de Trouw, de Eendracht_,
+of ontleend aan den Bijbel: _Adam en Eva, de Arke Noachs, de Geduldige
+Job, de Jonge Tobias, de Vlucht naar Egypte, de Samaritaansche Vrouw_
+(b.v. te Alkmaar op de Groenmarkt), _de Drie Koningen_ (o.a. te
+Amsterdam in de Paardenstraat), enz. In Katholieke streken komen
+de heiligen veel voor: _Sint Andries_, staande naast of gebonden
+op het Andreaskruis, _Sint Barbara_, staande naast of dragende op
+de hand den toren met de drie vensters, _Sint Hubertus_, vooral in
+België, _Sint Jacob, Sint Joris, Sint Maarten, Sint Krispijn, Sint
+Pieter_. Ook ontleent men aan de mythologie of aan het volksverhaal,
+vroeger natuurlijk belangrijk meer dan thans: _de Dorstige Pleiaden,
+de Ridder met de Zwaan, de Vier Heemskinderen, de Gelaarsde Kat_. Van
+historischen aard zijn het _Schip van Damiate_, o.a. te Amsterdam,
+_in den Preekboom_, te Clercken in België, _de Tiende Penning_, te
+Brielsch Nieuwland; ook schuilt in de uithangborden menige plaatselijke
+overlevering. Van merkwaardige personen noem ik _Floris de Vijfde,
+Paus Adrianus, Erasmus_. Vroeger hadden de uithangborden opvoedkundige
+waarde: want zij onderwezen het volk in de geschiedenis en de jeugd
+in het lezen; ook vervingen zij feitelijk de naambordjes der straten
+en deden dus als goede wegwijzers dienst, even praktisch als typisch
+en schilderachtig.
+
+Nog steeds hebben sommige beroepen en bedrijven vaste
+uithangborden. Sommige apothekers en drogisten voeren _den Vijzel_
+of _den Gaper_, dezen waarschijnlijk, dewijl de zieke immers moet
+gapen, om zijn tong te laten zien, en eveneens tot het slikken
+der artsenijmiddelen. Kleermakers voeren de _Schaar_, metselaars
+de _Troffel_, smeden den _Gouden Sleutel_ en het _Proefslot_,
+hoedemakers den _Hoed_, barbiers het _Scheerbakje_ of de _Kwast_,
+herbergiers het _Vat_, slagers het _Varken_, bakkers het _Brood_,
+schippers het _Schip_, terwijl de _Klok_ voor herbergiers, winkeliers
+en kooplieden van allerlei slag geschikt lijkt. Ook ziet men nog vaak
+een _Moortje_ of _Moriaan_ boven een tabakswinkel, _Koffiebaaltjes_
+boven een kruidenierswinkel, een _Theeboom_ boven een theewinkel, een
+_Haring_ boven een vischwinkel; terwijl het wapen van een stalhouder
+_Twee tegen elkaar opspringende Paarden_ zijn op de staldeuren met
+het opschrift: "hier stalt en verhuurt men paarden en rijtuigen."
+
+De meest voorkomende uithangteekens van hotels, herbergen en kroegen
+zijn wel: _de Krans, de Toelast_ (groot wijnvat), _'t Zwijns-hoofd,
+'t Zwaantje, 't Dorstige Hart, de Wildeman, de Reizende Man, de Druif,
+de Wijnberg, de Bok_. Boven een pothuis ziet men nog wel eens den
+kruier in de uitoefening van zijn bedrijf en daarbij de legende:
+"Jan de Kruijer klopt Tapijte." Maar het bordje met _Water en Vuur_
+en bijbehoorenden ketel, die te vuur staat, zal wel met de water- en
+vuurkelders tot het verleden behooren. Ten slotte vermeld ik nog _de
+Zon, de Maan_ (te Utrecht op de Lijnmarkt ziet men een gevelsteen:
+_in de Vergulde Maan_), _de Beer, de Olifant, het Hert, het Paard,
+de Kat, de Haan, de Zwaan, de Papegaai, de Snoek, de Oranjeboom,
+de Lelie_ enz. enz.
+
+De uithangteekens worden veelal door rijmpjes geïllustreerd. Ik geef
+enkele staaltjes.
+
+Te Bontebok, een gehucht bij Heerenveen, vóor een herberg, waar de
+_Bonte Bok_ uithangt:
+
+
+ Vrienden ik ben een bok,
+ Een bok ben ik geheeten,
+ Menigeen is een bok,
+ Maar hij wil 't niet weten.
+
+
+Uit Friesland:
+
+Aan de eene zijde staat een _varken_, dat zal geslacht worden;
+daaronder leest men het rijm:
+
+
+ Dit varkentje heeft veel verdriet,
+ Maar dat weten de varkentjes aan de andere zijde niet.
+
+
+De andere zijde stelt een weide voor, waarin varkentjes rondloopen;
+daaronder staat:
+
+
+ Deze varkentjes loopen in de wei,
+ Maar dat weet niet het varkentje aan de andere zij.
+
+
+Onder een voorstelling van _hond_ en _haas_;
+
+
+ Dit is de honte, en dat is de hoaze,
+ En omdat ik ben 'n meester en boaze,
+ Zet ik d'r onder:
+ Dit is de honte, en dat is de hoaze.
+
+
+_Kaïn_ en _Abel_ op een bakkerswinkel:
+
+
+ Kaïn sloeg Abel dood
+ Al om een hoekje,
+ Hier verkoopt men wittebrood
+ En ook een koekje.
+
+
+Te Maastricht vindt men een blauwen gevelsteen, waarop een
+_Engel_, eertijds uithangbord, met dit rijmpje:
+
+
+ In den Engel bemind,
+ Treê binnen mijn vrind,
+ Hier tapt men met pleizier
+ Jenever en bier.
+
+
+Te Delft boven een herberg, die _Sint Joris_ voert:
+
+
+ In Sint Joris vol van waarden
+ Tapt men wijn en bier en stalling voor de paarden.
+
+
+Te Eindhoven hangt, of hing tot voor kort, boven een kroeg een
+_Rustende Schutter_ uit, met het opschrift:
+
+
+ Rust met lust
+ En drinkt met maten,
+ Maar die geen centen heeft
+ Moet het drinken laten.
+
+
+Voor een huis, waar de _Mosterdpot_ uithangt:
+
+
+ Ik lever uit
+ Een zeldzaam kruit,
+ Daar zijnder weinig in de stad
+ Of 'k heb ze bij de neus gehad.
+
+
+Te Dordrecht in de Nieuwstraat staat onder een _Molen_ en een _Zeilend
+Scheepje_ bij een kruidenier:
+
+
+ Ik laat alle winden waaijen
+ En alle molens draaijen
+ En alle waters vloeijen,
+ En ieder zich met het zijne bemoeijen.
+ _Gedult overwind alles_.
+
+
+Een _Bijenkorf_ vindt men niet alleen bij koekbakkers, maar ook bij
+kantwinkels; aldus te Rotterdam:
+
+
+ In de Bijkorf verkoopt men kant,
+ Geen beter in 't Lant,
+ Voor geld contant
+ Strak in de hant.
+
+
+Als karakteristieke uithangborden, voorkomende in het Land van Waas,
+worden ons door A. Vee in Volkskunde XVI, bl. 116, medegedeeld:
+_de Boerentroost, de Vuile Gevel, Rust wat, in Trien goed bier, de
+Kilopint, Bij Baasken Zat_ enz. Ook vindt men hier o.a. de volgende
+berijmde uithangborden:
+
+Te Melsele:
+
+
+ Ik woon op den Smoutpot alhier,
+ Hebt ge geld, dan heb ik bier,
+ Hebt ge er geen, dan staat er
+ Hier naast een pomp met water.
+
+
+Te Clinge:
+
+
+ Dorstig hartje, moe van 't gaan,
+ Kom eens binnen in de Zwaan,
+ Er woont een man alhier,
+ Die schenkt genever en bier.
+
+
+Om nu verder de dekoratieve volkskunst in oogenschouw te nemen,
+treden wij wederom het woonhuis binnen.
+
+In menige volkswoning vindt men heden nog zorgvuldig ingelijste
+_bidprentjes_, vooral in het zuidelijk volksgebied. Met
+"bidprentje" bedoel ik niet "doodenprentje" of "doodsprentje",
+een begripsverenging van lateren datum; maar wel het oude en
+oorspronkelijke herinneringsprentje of -beeldeken, in kopergravure,
+gekleurd of ongekleurd, met berijmde gebeden, terwijl de herinnering
+aan de religieuze gebeurtenis, meestal eerste kommunie of vormsel,
+op de achterzijde geschreven staat. De gekleurde _sanktjes_ kwamen
+vooral sedert de XVIIIe eeuw in zwang. De oorsprong der berijmde
+gebeden is meestal duister--het is immers _volkspoëzie_--, enkele
+hebben hooge dichterlijke waarde. Zoo b.v.:
+
+Verzuchting tot Maria.
+
+
+ O Maria, graci-bron,
+ Schooner als de gulde zon,
+ Klaerder als de zilvre maen,
+Die men 's avends op siet staen.
+ Oversuyver leli-bloem,
+ Uitgelezen Maeghden-roem,
+ Bidt u allerliefste kindt,
+ 'T geen ghij boven al bemint,
+ Dat mijn duijsterheijt verdwijnt,
+ En sijn gratie mij beschijnt,
+ Op dat ick geheel verlight
+ Magh voldoen aan mijne plicht.
+
+
+Aanroeping tot Maria Magdalena.
+
+
+ Sondaeres, die Christi voeten
+ Met boetveerdigh nat begiet,
+ Om uw sondig quaedt te boeten,
+ Jesus door genade schiet
+ In uw ziel een soeten regen,
+ En hij wascht uw smetten af:
+ Gij verkrijght den hemel-seghen,
+ Vrij van sonden ende straf.
+ Jesu! geeft mijn herte suchten
+ En mijn oogen droef getraen,
+ Opdat ick de sonden vluchten
+ En beween', die 'k hebb' begaen.
+
+
+Ook de _huiszegen_ wordt zorgvuldig ingelijst aan den muur gehangen,
+bij voorkeur in de huiskamer. De gangbare voorstelling is die van
+Christus aan het kruis, met bijgevoegd gebed "tot den Zoeten Naam
+Jezus en Zijne lieve heiligen." Gods zegen wordt afgesmeekt over
+"het huis en al wat daar in en uit is; menschen en vee, alle eten,
+spijs en drank, en wat daar dakdruppelen ontvangt, dat zij gebenedijd
+en gezegend!" Aldus moge het gezin in den ruimsten zin, menschen en
+vee, gevrijwaard blijven voor alle ziekten en rampspoed. "Het heilig
+kruis van Jezus Christus zij het dak van dit huis; de Nagels van Jezus
+Christus de huisgrendels en de sloten aan de deuren; de doornen Kroon
+van Jezus Christus het schild van dit huis!"
+
+In Vlaanderen zijn de meeste huiszegens afkomstig van de firma Brepols
+en Dierckx, Zoon, te Turnhout; dan ook van de firma Beersmans, zuiver
+van uitvoering en kleur.
+
+Men vindt verder nog vaak den _Duivelsdans_, "den dans in eenen kring,
+welkers middelpunt den Duyvel is, en den omtrek alle zijne rondom
+staande engelen". Lucifer wordt voorgesteld ruw behaard, met hoorns,
+bokspooten en een langen staart, in de linkerhand een slang, in de
+rechter een haak. Hij leidt den dans, uitgevoerd door 34 gevallen
+engelen. Binnen in den kring bevinden zich nog drie muzikanten en
+verder dansers, drinkers en herbergiers. Buiten den kring worden
+de hoeken gevuld boven links door een vrouw, voor een Mariabeeld
+geknield, rechts door een vroom gezin, in gebed voor een kruisbeeld;
+beneden links een weenende vader, rechts een bedroefde moeder.
+
+Daaronder staat een liedeken, welks eerste strofe luidt:
+
+
+ Let hier wel, die zijn genegen,
+ En wiens hert vliegt tot den dans,
+ Wat het werk is, 't geen zij plegen,
+ Eer zij wagen nog de kans.
+ Lucifer is daer in 't midden,
+ Hij speelt meester van de bend';
+ Zonder men het kan verbidden
+ Met zijn haek uw ziele schendt.
+
+
+Een andere zeer geliefkoosde prent is de _Trap des Ouderdoms_,
+waarschijnlijk van Franschen oorsprong (firma Pellerin te Epinal). Op
+een stijgende en dan weer dalende trap van negen treden staan paren
+onder de--oorspronkelijk Fransche--opschriften: Age de l'adolescence 10
+ans; âge de la jeunesse 20 ans; âge viril 30 ans; âge de discrétion 40
+ans; âge de maturité 50 ans; âge déclinant 60 ans; âge de décadence 70
+ans; âge caduc 80 ans; âge de décrépitude 90 ans. Beneden links ziet
+men het kind in de wieg, bewaakt door zijn beschermengel. Daarnaast
+kinderen van 3 en 4 jaar. Rechts beneden twee honderdjarigen op hun
+sterfbed; een engel wijst zegevierend ten hemel, terwijl de satan
+in wanhoopskronkelingen zich wentelt over den grond. Verder zijn
+nog in medaillon-vorm over de plaat verspreid de voorstellingen van
+het laatste oordeel, het doopsel, het vormsel, de eerste kommunie,
+het huwelijk, de begrafenis.
+
+Ter bescherming tegen de ziekten van het vee vindt men veelal ook
+voorstellingen van de _H. Birgitta_ of Brigitta, te midden van het
+vee. In het bijbehoorend gebed worden hare openbaringen vermeld.
+
+Als versierselen van de volkswoning mag ik ook de _processievaantjes_
+niet voorbijgaan. Het zijn vrome trofeeën, uit bedevaartplaatsen
+meegebracht; vroeger tooiden zij hoed, huifkar en paard, thans
+de fiets, en thuisgekomen krijgen zij een eereplaats bij den
+schoorsteen,--de eigenaardige, driekantige, bont-gekleurde papieren
+vaantjes, waarschijnlijk een survival, althans een navolging van de
+aloude gilde-banieren. De voorstelling heeft doorgaans betrekking
+op de kerk der bedevaartplaats, of op het beeld of het leven van
+den heilige, daar vereerd. De meest bekende processievaantjes zijn
+wel die van Scherpenheuvel en, voor Noord-Nederland, van de Duitsche
+bedevaartsplaats Kevelaer. De verzameling van het Antwerpsche museum
+van Folklore telt 123 nummers, de verzameling van Heurck niet minder
+dan 236. Over deze processievaantjes zie vooral het opstel van Van
+Heurck in Volkskunde XXI, bl. 182.
+
+Zoo kom ik als vanzelf tot de profane _volksprenten_ of
+_mannekesbladen_, in Noord-Nederland vroeger _floskaartjes_, thans
+meestal _centsprenten_ genoemd. In Noord-Holland en Friesland is
+de volksnaam echter van oudsher _heilig_; dit is natuurlijk zeer
+opmerkenswaardig, omdat de prenten, die heiligen voorstellen, er sedert
+eeuwen onbekend zijn. Wij hebben dus te doen met een overblijfsel uit
+de eerste dagen der volksprentkunst, waardoor tevens het oorspronkelijk
+religieuze karakter dezer kunst wordt bevestigd. Met vreugde en
+voldoening herinneren de lezers van meer gevorderden leeftijd zich
+stellig deze eenvoudige en toch zoo aantrekkelijke voorstellingen uit
+de dagen hunner jeugd. Thans worden zij met den dag zeldzamer. De
+voorstelling lijkt de kinderen-van-thans te grof, te onnoozel, het
+kleurenwerk te kakelbont.
+
+Waar de Zondags-cent nog wordt uitgedeeld, besteden de kinderen
+dien gaarne aan hun centsplaat: vermaak voor de kinderen, vermaak
+ook voor de ouderen, die niet versmaden, 's avonds de legenden te
+lezen bij het lamplicht. Voorstellingen en kleur dezer prenten spreken
+allereerst tot de kleinen. De grove, zeg onhandige schets, de ìnbonte
+kleur pakt het kind, beeldt zoo treffend uit, wat sluimert diep op
+den bodem der kinderziel. Maar wat daar sluimert, gaat ook schuil
+in de ziel der ouderen, ligt besloten in de rijke schatkamers van
+het geheele volk. Daar is oogverblinding, daar ligt suggestie in de
+kleuren, zeer zeker; maar daar leeft ook karakter in die onbeholpen
+teekeningen, volkskarakter, dat deze prenten tot iets van nationale
+waarde stempelt. Want al ondergingen onze plaatsnijders den invloed van
+Frankrijk en Duitschland, door hun eigenaardige opvatting en bewerking,
+die voeling hield met den geest der omgeving, droeg en draagt hun
+werk den stempel van den Nederlandschen volksaard. Ik herinner slechts
+aan de treffend-mooie voorstelling van den Wandelenden Jood, "gelijk
+hij door Brussel trekkende is te zien geweest op den 22 April 1774";
+prent en sage zijn op-ende-op Nederlandsch.
+
+Een standaardwerk over de Vlaamsche volksprenten verscheen van
+de hand van Emile Van Heurck en G. J. Boekenoogen, getiteld:
+Histoire de l'Imagerie populaire flamande et de ses rapports avec
+les imageries étrangères (Bruxelles 1910). Zooals de titel reeds
+aanduidt, gaan de schrijvers in deze folklorisch-kunsthistorische
+studie verre over de grenzen van Vlaanderenland. Maar hoofdzakelijk
+behandelen zij toch het fondswerk der huizen Brepols, Delhuvenne,
+Glenisson, Van Genechten en Beersmans te Turnhout. Inderdaad is
+Turnhout het hart der centsprenten-industrie; ook zijn speelkaarten
+zijn wereldberoemd. Andere volksprenten zijn afkomstig uit Lier,
+Antwerpen of Schaerbeek.
+
+De Noord-Nederlandsche volksprentkunst bloeide vooral te Amsterdam
+(Numan, Stichter, Van Staden); dan volgde Rotterdam (Thompson, Hoffers,
+Wijnhoven, Hendriksen) en Breda (W. van Bergen, C. W. G. van der
+Sande). De prenten, verschenen te Venloo en Gelder bij de Wed. H. en
+F. en C. Bontamps, zijn veeleer van godsdienstigen aard en houden
+verband met Turnhout. Later vonden de platen van de firma Rijnders te
+Amsterdam (Klein Duimpje, De Schoone Slaapster in het Bosch, Blauwbaard
+enz.) gereedelijk aftrek. Ook de Deventer prenten (J. M. de Lange)
+hadden een goeden naam; eveneens die van Zalt-Bommel (J. Noman
+en Zoon). Een poging, om de oude kunst te doen herleven, waagden
+omstreeks 1840 de uitgever Broedelet en zijn opvolger Schuitemaker te
+Purmerend. Rond 1860 ging de voorraad over aan Noothoven van Goor te
+Leiden. Vermelden wij ten slotte de "Nieuwe Hollandsche kinderprenten"
+van de Leidsche firma A. W. Sijthoff.
+
+Thans is deze tak van volkskunst in Noord-Nederland zoo goed als
+dood, terwijl hij in België een kwijnend bestaan leidt. Want dood of
+kwijnend zijn smaak en belangstelling. De steendruk heeft de houtsnee
+alom verdrongen, en dit kwam de kunst niet ten goede. Want het groote
+gemak bij het weergeven van lijnen en schaduwen schiep nu een scherp
+kontrast tusschen het naïeve der voorstelling en het betrekkelijke
+raffinement der uitvoering. De houtsnee met haar hoekige, gemarkeerde
+omtrekken, haar breede kleurstrepen en haar sprekende kleurtonen
+stond beter in verhouding tot het onderwerp en bereikte een hooger
+dekoratief effekt. Ook hier: soort bij soort! De hedendaagsche prenten
+zijn pedant in haar streven naar beschaafdheid. Théophile Gautier had
+dit verval vermoed en gevreesd: "Fasse le ciel que la civilisation
+n'amène pas la décadence dans cette industrie primitive en la voulant
+perfectionner! Le progrès enlèverait tout caractère à ces images". Zie
+vooral V. Heurck en Boekenoogen, Imagerie populaire, bl. 19, 531 vlg.
+
+De profane volksprenten danken hun oorsprong aan de religieuze,
+de stichtelijke volksvoorstellingen, die naderhand een meer algemeen
+karakter kregen. Verder dient opgemerkt, dat zij weinig verband houden
+met de letterkunde: niet op het gedrukte boek berusten zij, maar op
+het levende en gangbare volksverhaal, het volkslied, de volksluim.
+
+Wat de bijgevoegde legende betreft, hiervan staat de kunstwaarde zeer
+laag. De verzen zijn stroef en gewrongen, de maat wordt zoo goed als
+verwaarloosd, men houdt slechts rekening met het rijm. Ook is de taal
+vaak zeer vrij en van platheid geenszins vrij te pleiten. Toch zijn
+zij belangrijk voor de volkskunde, in zoover zij veelal trouw de
+ruwe volkstaal weerspiegelen. Want ruwe scherts en vroolijkheid,
+evenzeer als zachte melancholie en teer gevoel, ligt in deze
+volksbladen besloten: zij zijn een onuitputtelijke bron voor de
+kennis van het volksleven. "Leur dessin grossier et primitif", zeggen
+zoo juist de schrijvers der _Imagerie populaire_ in hun voorrede,
+"leur bariolage violent et fantastique ont un charme que n'ont pas
+les images d'aujourdhui; un charme et une beauté qu'on apréciera
+seulement quand le cosmopolitisme aura accompli son oeuvre néfaste
+d'uniformisation. Les hommes de demain regretteront amèrement de
+n'avoir pas connu dans leur enfance morose et sans poésie ces feuilles
+modestes avec leurs histoires attendries, merveilleuses ou plaisantes;
+cette imagerie de batailles où les tambours roulent, où les fifres
+sifflent, où les trompettes sonnent, où les boulets décrivent de
+glorieuses paraboles dans le ciel." In de volksprenten leeft het volk
+met zijn lief en leed, zijn fantasie, zijn kunst, zijn wetenschap,
+zijn kijk op de dingen-om-hem-heen.
+
+Menschen, dieren, planten, huizen, steden zijn dan ook op zeer
+eigenaardige wijze voorgesteld. De prentensnijder, zelf man uit het
+volk, wist aan sommige bijzonderheden het noodige reliëf te geven,
+hier aan te dikken, daar te verzwakken, overal te vormen en te
+vervormen naar willekeur. Vandaar, dat alle pogingen vooraf reeds
+met onvruchtbaarheid geslagen waren, zoodra een klassiek-gevormd
+kunstenaar, niet-volksman, er zich toe zette, om de volksprenten te
+hervormen en te veredelen: zijn werk vond geen aftrek. De volksziel
+had hij niet weten te beluisteren en te vertolken.
+
+Een der schoonste voorstellingen, en het meest geschikt voor
+muurdekoratie, is wel de _Haan_, vooral in zijn oudste, kleurige
+drukken. Te midden van een landschap, met een hoeve op den achtergrond,
+staat hij recht, in heraldische houding, met opgestoken kam, de borst
+vooruit, den linkerpoot omhoog. De legende luidt:
+
+
+ Komt kinderen ziet dez' wakkere Haan,
+ Die u tot nijverheid spoort aan.
+
+
+Later was de _Hond_ meer gewild, minder schoon van teekening en ook
+van geringer dekoratieve waarde. Het rijmpje luidt:
+
+
+ Ziet, kindren lief, deez' trouwe hond
+ Wacht zeker, tot zijn meester komt.
+
+
+Bij een andere voorstelling vindt men:
+
+
+ Ziet hoe dit hondje zittend wacht,
+ En op den wenk zijns meesters acht;
+ Gij kinders, wie gij zijt,
+ Wil allen hieruit leeren,
+ Om ook uws meesters les
+ Ten hoogste te waardeeren.
+
+
+Natuurlijk wordt de _Kat_, het huisdier bij uitstek, niet vergeten. Zij
+wordt voorgesteld, gezeten op een hoek van de tafel. Daarboven als
+opschrift:
+
+
+ Geen nutter dier voor rot en muis,
+ Als een mooi katje in uw huis,
+ Want het doorsnuffelt alle hoeken,
+ Om dit gedierte op te zoeken.
+
+
+Onder een andere voorstelling, die een _Uil_ als pendant heeft,
+leest men:
+
+
+ O uil, gij doet mij onregt;
+ Het muisje was mij toegelegd.
+
+
+Onder den uil:
+
+
+ Ja kat, dat heb ik wel geweten,
+ Het ongegunde brood wordt meest gegeten.
+
+
+Men ziet het drieledig doel dezer kinderprenten: leeren, ontspannen
+en versieren, maar zóo eng verbonden, dat het versieren wordt tot
+een leerzame ontspanning. Zij beginnen deze taak met het bekende
+letterspel:
+
+
+ Ziet knaapjes, ten geschenk een fraaie prent;
+ En zorgt, dat ge weldra hiervan de letters kent.
+
+
+Dan worden verscheiden voorwerpen beschreven uit de allernaaste
+omgeving: de klok, de leunstoel, de hooiberg; verder het schip,
+het vaandel, het orgel, de gevangenis; dan krijgen boomen en dieren
+een beurt. Spoedig volgen de kleurige prenten met de "mooie mannen":
+dragonders, geniesoldaten, grenadiers, lansiers, kanonniers, gendarmen,
+ja zelfs de schutterij blijft niet onvermeld:
+
+
+ Schutters, beschermt de stad, stelt daarin uwe eer,
+ Dit moet de Burger doen, ja zelfs de grootste Heer;
+ Staat Nederlanders pal, met moed voor 't Vaderland,
+ Wanneer door 's vijands zwaard den Staat wordt aangerand.
+
+
+En wat een kranige figuren, die trommelslagers der Koninklijke garde!
+
+Inmiddels worden de kinderen ingewijd in de kennis der straatroepen,
+bedrijven en ambachten.
+
+Onder een kapperswinkel ontmoeten wij deze legende:
+
+
+ Wij snijden het haar en scheren den baard,
+ In onze hand is een ieder vervaard.
+
+
+Het didaktisch element treedt meer op den voorgrond bij rijmpjes als
+dit (onder een jongen met een drijftol):
+
+
+ De drijftol loopt nooit zonder slagen,
+ Gehoorzaamheid moet u behagen.
+
+
+Maar vooral toch bij de dierfabel. Hier is men, met afwijking van
+den gewonen regel, herhaaldelijk van Lafontaine uitgegaan. Ook de
+geschiedenis wordt bedacht; en zoo vinden wij in beeld en rijm
+de voornaamste levenstrekken van Napoleon, van Prins Willem I,
+tafereelen uit den Russisch-Turkschen oorlog, uit de onlusten in
+Polen, het leven van Van Speyck enz. Groote vermaardheid heeft ook
+de Poolsche koning Poniotowski; en menig lezer herinnert zich nog
+wel Poniotowski's afscheid:
+
+
+ Poniotowski zeer gezwind
+ Neemt afscheid van zijn vrouw en kind;
+
+
+of ook zijn dood in de gezwollen wateren van de
+Elster. Zuiver-didaktisch zijn verhalen als die van de Twee Geburen,
+waarin de gierigheid de wijsheid bedriegt; verder de Scholier en de
+Bij, welk verhaal tot arbeidzaamheid prikkelt; het Kind met de Wesp;
+Grootvaders Geschenk; Leugentaal gestraft; Loontje komt om zijn
+Boontje, enz.
+
+Tot de meest schalksche, inderdaad boeiende, ontspannende
+kindervertelsels behoort wel het verhaal van Jan den Wasscher, ook
+Jan den Aap of Lammen Goedzak geheeten. Ik laat de legende hier volgen:
+
+
+ Ziet Jan hier met een popje spelen;
+ Mij dunkt het moet hem ras vervelen.
+
+ Wel Jan, wat zijn dat rare dingen!
+ Gaat gij met meisjes touwtje springen!
+
+ Neen, dat staat zeker nimmer goed,
+ Een jongen met een meisjeshoed.
+
+ Zoo Griet, klimt gij zonder schromen
+ Net als een jongen in de boomen!
+
+ Kom Griet, dat gaat nu toch niet aan,
+ Laat 't knikkren voor de jongens staan.
+
+
+ Nu kan het toch niet erger zijn,
+ Zij speelt de rol van kapitein.
+
+ Griet vangt met Jan het vrijen aan;
+ Ik vrees, dat dit niet goed zal gaan.
+
+ Jan laat zich door den priester trouwen,
+ Dat huwlijk zal hem onheil brouwen.
+
+ Hier is de orde al te zoek,
+ Griet ruilt hier broek voor schorteldoek.
+
+ Griet wil van geen huiswerk weten,
+ Daarom kookt nu Jan het eten.
+
+ Als Griet en Jan aan 't eten gaan,
+ Mag hij niet zitten, maar moet staan.
+
+ Ziet Jan eens in het water plassen,
+ Om toch de vaten schoon te wasschen.
+
+ Nu is Jan aan 't glazen spuiten,
+ En breekt bijna al de ruiten.
+
+ Uw onheil, Jan, is nauw te peilen;
+ En toch moet gij de stoep nog dweilen.
+
+ Het wasschen is geen mannentaak,
+ Maar wel het is der vrouwen zaak.
+
+ Terwijl dat Jan het huiswerk doet,
+ Sjouwt Griet op straat met mannenmoed.
+
+ Dat Jan hier in het ziekbed lijdt,
+ Maakt haar, dat spreekt, met recht verblijd.
+
+ Jan bakert 't kind, wat zegt ge er van?
+ Want Jan is vrouw en Griet is man.
+
+ Jan wil het kind voor honger hoeden,
+ Zal 't met een lekker papje voeden.
+
+ Als zijn kindje huilen wil,
+ Houdt hij 't met een popje stil
+
+ Nu het kindje loopen leert,
+ Wordt de vreugd van Jan vermeerd.
+
+ Daar het kind ondeugend is,
+ Slaat hij met de roê niet mis.
+
+ Omdat Jan het heeft verbruid,
+ Jaagt hem Griet den huize uit.
+
+ Jan en Griet bespreken beiden,
+ Waartoe hun kind op te leiden.
+
+
+Dit thema is eigenlijk slechts een onderdeel van het meer algemeene
+onderwerp: de Verkeerde Wereld, herhaaldelijk in de volksprenten en in
+de volksliteratuur van alle landen behandeld. In deze omgekeerde orde
+van dingen leert het kind de moeder, kruipt de man in het hondenhok,
+leidt de blinde den ziende, rijdt de knecht, terwijl de koning te
+voet loopt, staat de vrouw op schildwacht, rookt het wijf en draagt
+een broek, draagt de man den ezel, scheert men het varken om de wol,
+laat men den dief loopen, terwijl de eerlijke man wordt opgehangen.
+
+Nu volgen de sprookjesprenten; maar wie zal zeggen, waar de grens
+loopt tusschen de geschiedverhalen en de bonte sprookjes van
+het gulden wonderland? Op het grensgebied liggen wel stellig de
+geschiedenis van Cartouche, de geschiedenis van Robinson Crusoë, de
+Antwerpsche Schipper, de geschiedenis van Genoveva van Brabant, van
+Tijl Uilenspiegel. Maar in het hartje van het wonderland liggen:
+het Betooverde Kasteel, de Betooverde Harp, Klein Duimpje, de
+Prins met het houten Hoofd, de Luchtprinses, de Betooverde Vijl,
+Luilekkerland, de Gelaarsde Kat, Roodkapje, Blauwbaard, de Zwarte
+Ridder, Ezelsvel, de Reiziger en de Reus, de Wraak van den Duivel,
+het Betooverd Paleis, Asschepoester, Kinderschrik, Maria, het kind
+der Toovergodin,--tafereelen en verhalen, die wij met stralend oog
+en kloppend hart hebben genoten in koortsige spanning en zaligen
+kinderangst.
+
+Wil de lezer, wien het kinderhart nog in den boezem klopt, soms niet
+een oogenblik zich nog kind wanen, bij het lezen van Klein Duimken's
+lotgevallen?--De onderstaande lezing verschilt eenigszins van die
+der bijgaande prent.
+
+
+ Klein Duimpje, uit een kool gekomen,
+ Wordt door de moeder aangenomen.
+
+ Hij werd, of wel d'historie liegt,
+ In eenen holleblok gewiegd.
+
+ Ziet, zegt hij, hoe ik leerzaam ben,
+ Ik schrijf met eene musschenpen.
+
+ De meester jaagt de school hem uit,
+ Hij vlucht zijn huis in langs een ruit.
+
+ De moeder zegt: wel dat is fraai,
+ En vindt hem in de eetschapraai.
+
+ Gaat, om zijn moeder meer te tergen,
+ Zich achter eenen bessem bergen.
+
+ Hij wordt koewachter, zoo gij ziet,
+ Doch laat hij zijne perten niet.
+
+ Wil in den kelder melk gauw drinken,
+ Doch moet schier in de teil verdrinken.
+
+ Droogt aan een vuur zijn natten kop,
+ Een koe, die slokt hem levend op.
+
+ Dees vette koe wordt door den pachter
+ Terstond verkocht aan eenen slachter.
+
+ Zoo haast de man het beest legt open,
+ Komt Duimken uit haar lijf gekropen.
+
+ Hij vaart in eene nootschelp hier
+ Voor zijn vermaak op een rivier.
+
+ Men gaat hem, door de koorts geslagen
+ In eenen hoed naar 't gasthuis dragen.
+
+ Genezen zijnde, leert de fiel,
+ Uit nood hier den zeeldraaiers-stiel.
+
+ Hij stuurt hier, zoo zijn kracht behoort,
+ Zijns meesters kempewagen voort.
+
+ Dwaalt in een bosch en ziet met schroom
+ Een wolf ... hij kruipt op eenen boom.
+
+ Hij vindt een bedelaar slapen; strak
+ Steelt hij zijn eten uit den zak.
+
+ De man ontwaakt, dreigt 't fieltje dol,
+ Maar 't kruipt in 't gat van eenen mol.
+
+ Terwijl de beedlaar 't molgat sluit,
+ Kruipt Duimken langs een ander uit.
+
+ Steelt fruit, dat hem in de oogen blinkt,
+ Maar rolt in 't water en verdrinkt.
+
+
+Onze volksprenten stellen zich ook ten doel, de kinderen
+binnen te leiden in den feestkring van het feestelijk jaar in
+Groot-Nederland. Dit jaar begint met Sint Maartensdag (I, bl. 103),
+en zoo zien wij dan ook op een centsprent de voorstelling van een
+Sint Maartensvuur, waar een jolige schaar om heen danst. Daarboven
+leest men:
+
+
+ Het is Sint Maarten, als men ziet aan 't helder vuren
+ Der knapen, die om turf en brandhout bij de buren
+ Zijn rond geweest en 't ook bekomen hebben, blij
+ Met hun Sint Maartenszang, en nog wat geld er bij.
+
+
+Achtereenvolgens wordt nu gewezen op de volksheiligen Sint Katharina,
+Sint Andries, Sint Elooi, Sint Nikolaas, Sint Pieter, Sint Hubertus
+e.a. Prent no. 144 van de firma Brepols geeft een zeer sprekende,
+pakkende voorstelling van het rijden van Sinterklaas over de daken;
+wij zien, hoe het paard van schoorsteen tot schoorsteen springt. Maar
+diezelfde prent brengt ook de liefdadigheid van den volksheilige in
+beeld, zijn vergelden van kinderdeugd en -ondeugd, zijn patroonschap
+over de stad Amsterdam:
+
+
+ Vier eeuwen is het reeds geleden,
+ Dat men in 't magtig Amsterdam
+ Hem tot Patroon of Schutsheer nam,
+ En als een heilige heeft gebeden.
+
+
+Treffend in haar eenvoud is ook de prent van Kerstnacht. In het
+stalleken van Bethlehem toont Maria het kindje Jezus aan de aanbiddende
+herders. Achter Maria staat Jozef, in overweging verzonken, geleund
+tegen een koe. De ezel vreet van het hooi der kribbe. Boven, hoog in
+lucht, een stoet van zwevende engelen; daaronder een bandelier met
+de woorden: _Gloria in excelsis Deo_.
+
+De prent der Koningsbrieven is bestemd, uitgeknipt te worden op
+Driekoningendag. Zooals ik I, bl. 147 zeide, bevat zij een volledig
+stel afbeeldingen voor zestien personages. Ziehier enkele eigenaardige
+rijmpjes (andere zijn plat en onkiesch):
+
+De Koning.
+
+
+ Ik ben koning van de vrienden,
+ Mannen! spaart mijn tafel niet.
+ 'k Heb niet lang zooveel bedienden,
+ Dus intusschen geen verdriet.
+
+
+De Voorproever.
+
+
+ Om scherp in mijn ambt te treden,
+ Neem ik 't glas, dat men mij gaf,
+ Dat verzacht en hitst de reden
+ En men lekt zijn vingers af.
+
+
+De Zot.
+
+
+ Wil op 't woord des konings drinken,
+ Want, die mist op zijn gebod,
+ Zal ik wel zoo zwart doen blinken
+ Als het gat van dezen pot.
+
+
+Nog rest mij te spreken over de kinderspelen, de prenten bestemd voor
+het spel te worden opgeplakt. Laat ik vermelden het Uilebord, het
+Harlekijnspel, en vooral het Ganzebord, met zijn "van ouds vermaard"
+en telkens weer "nieuw vermakelijk" ganzenspel.
+
+Het is een echt huiselijk en tevens nationaal spel, pleitende voor de
+populariteit van den gansvogel in onze landen. Hoe vaak hebben wij met
+het ganzenspel, bij het schijnsel der olielamp, de winteravonden van
+Zon- en feestdagen gekort! Ook ouderen namen aan het spel deel. Die op
+de _brug_ kwam, moest tol betalen; die in de _herberg_ kwam, betaalde
+den inzet en moest zijn beurt laten voorbij gaan; die in de _put_ kwam,
+betaalde eveneens den inzet, en bleef daar zitten, tot hij verlost
+werd; die in den _doolhof_ kwam, betaalde den inzet en telde drie
+terug; die in de _gevangenis_ kwam, betaalde en bleef daar, tot hij
+verlost werd, die--o schrik!--op den _dood_ kwam, betaalde den inzet
+en moest van voren beginnen.--Zie nog Emile van Heurck, De Vlaamsche
+kinderprenten in Volkskunde XXII, bl. 24 vlg., 70 vlg., 101 vlg.
+
+De bekende centsprent, die de komische volksfiguur van _Harlekijn_
+voorstelt (met het _Harlekijnspel_), geeft mij aanleiding een
+enkel woord te zeggen over het _volkstooneel_. Want Harlekijn is
+een type van ons volkstooneel en wij allen kennen hem, met zijn
+bont lapjespak, pruik, kanten kraag en houten zwaard. Hij is echter
+meer in het zuidelijke, dan in het noordelijke volksgebied thuis en
+kwam door Fransche bemiddeling tot ons; zelfs is hij, volgens de
+onderzoekingen van Driesen, oorspronkelijk van Fransche herkomst,
+en niet van Italiaansche, zooals men gewoonlijk aanneemt. De meest
+algemeen-nationale komische volksfiguur is onze _Jan Klaassen_, met
+zijn twee bochels en zijn krommen neus. Ook draagt hij de typisch
+Hollandsche kleederdracht; stellig is hij een internationaal
+type, maar wederom aan Hollandschen aard en Hollandsche zeden
+aangepast. Schijnbaar is hij naïef van aard, doch dit is slechts een
+geveinsde naïeveteit, die ten doel heeft, de dwazen beet te nemen.
+
+Hij is ook de held van het Noordnederlandsche poppenspel, dat
+eveneens internationaal van aard, op Nederlandschen bodem een zeer
+bepaald karakter heeft aangenomen. In de XVIIe eeuw deed de Duitsche
+_Hanswurst_ zijn blijde intrede in Nederland, maar hier werd hij weldra
+verdrongen, eerst door _Hans Pekelharing_, later door _Jan Klaassen_.
+
+Vroeger had het marionetten- of poppenspel een vasteren vorm en vond
+men het b.v. in bepaalde stadswijken te Amsterdam; thans reist het
+over land. Wellicht ontmoet men hier of daar nog het traditioneele
+opschrift, dat Jan en Kathrijn vasthouden, terwijl Jan er naar wijst:
+
+
+ Elk past
+ op zijn
+ zakke.
+
+
+Nog zien wij, hoe Jan in zijn slaap door vlinders wordt gestoord. Dan
+roept hij den Dood, om hem te verlossen; maar als de Dood komt,
+verjaagt hij hem met zijn knots. Met zijn befaamde klompen beslecht
+hij een twist tusschen zijn vrouw en een buurvrouw. Om een degenstoot
+te ontwijken, laat hij zich ter aarde vallen en speelt den doode. De
+geneesheer komt, maar Jan springt op en spot met de geneeskunst. Hij
+wordt door honger en gebrek bedreigd; geen brood in huis,--en Jan
+weet niets beters te doen, dan de kinderen om zich te laten dansen,
+die hij dan zonder eten naar bed stuurt. Eindelijk komt het pakkende
+slot met den grooten draak, die hem van het tooneel verdrijft.
+
+In België vindt men het vaste poppenspel nog te Luik en Brussel,
+maar vooral te Antwerpen, het "Poesje" waarvan Ary Delen in zijn
+keurig artikel over het Poppenspel in Vlaanderen in Elsevier's
+Geïll. Maandschrift schrijft: "Hoe onwaarschijnlijk het ook sommigen
+al moge lijken, toch is onze karakteristieke Poesje de eenige,
+uitsluitende uiting op tooneelgebied, die geen haarbreed geweken is
+van de eigen tradities van het vlaamsche, en meer bizonder van het
+antwerpsche volk, dat steeds, meer nog wellicht dan om het even welk
+ander, een steeds hunkerende behoefte heeft aan spel" (Jan.-Juni 1910,
+bl. 100). Men vindt daar de vaste volkstypen van _de Veldheer, Pater
+Franciscus, Lodewijk, de Kolenbrander, de Prinses van Turkije, de Reus
+Glas, Valentijn_ en _Oerson, de Prinses van Spanje_ en _van Majorka,
+de Kop, de Neus, de Grijze, de Schele_; daar worden opgevoerd: _De
+Vier Aymonskinderen, Oerson en Valentijn, Jan Onversaagd, Malegijs
+en Vivien, De Zeven Leugenaars_ enz.
+
+Deze en dergelijke volksvertooningen hebben voor ons ook daarom
+vooral waarde, dewijl zij voor een groot deel de kiemcel vormen
+van het kultuurtooneel onzer dagen. De _abele_ spelen, de kunstig
+bewerkte, ingewikkelde vertooningen, gaan zonder twijfel terug op
+het kerkelijk mysteriespel, een volksspel, dat weer stoelde op
+het liturgische drama. Maar de korte, eenvoudige _klucht_ heeft
+zich waarschijnlijk eenerzijds ontwikkeld uit het poppenspel en
+anderzijds uit de volksvertooningen en volksoptochten bij de feesten
+van Driekoningen, Vastenavond, Paschen, Pinksteren enz., waarover
+ik uitvoerig in het Eerste Deel gehandeld heb. Ik herinner ook aan
+het dramatische draaksteken, I, bl. 272. Het kluchtspel vooral was
+gedurende eeuwen de spiegel van het Nederlandsche volksleven, door
+een Teniers, Van Ostade, Jan Steen e.a. zoo voortreffelijk op het
+doek gebracht. Tot het kluchtspel behoort ook het kermistheater.--Zie
+J. van Vloten, Het Nederl. Kluchtspel van de XIVe tot de XVIIIe eeuw
+(Haarlem 1854); J. A. Worp, Geschiedenis van het Drama en van het
+Tooneel in Nederland, 2 dl. (Groningen 1904).
+
+
+
+
+
+DE VOLKSWETENSCHAP.
+
+
+De behandeling der volkswetenschap zal uiteraard heel wat beknopter
+zijn dan die van de volkskunst. Want het volksleven is veel meer
+gevoels- dan geestesleven. Zelfs op het veld der wetenschap doet
+dit gevoelsleven zijn rechten gelden en verkiest het de bekoorlijke,
+dichterlijke, fantastische verklaring boven den soberen, logischen
+redeneertrant. Een sprookje is het volk liever dan een betoog. Zoo
+vertroebelt het gevoel de volkswetenschap en maakt ze in zekeren zin
+tot een kunstvorm.
+
+Wetenschap is systematische oorzakelijke kennis; zij vereischt
+een bewust en methodisch streven naar het ware, onder eenheid van
+gezichtspunt. Ook de volkswetenschap streeft naar oorzakelijke kennis,
+naar verklaring van taalvorm, bloem, mineraal, rotsgedaante, ziekte,
+kracht der geneesmiddelen, weêrverschijnselen enz. En zoo komen wij
+weer tot een overeenkomstig resultaat als bij de overige faktoren
+der volkskultuur, dit namelijk: dat de volkswetenschap _in wezen_
+niet van de kultuurwetenschap verschilt. Maar afgezien nog van het
+feit, dat het volk zich niet bewust is, wetenschappelijk werkzaam te
+zijn, is het oordeel zoo min gescheiden van de fantasie, dat van een
+zuiver-methodisch waarheidsstreven geen sprake kan zijn.
+
+De volkswetenschap is absoluut onkritisch. Bij de induktie
+worden de afzonderlijke gevallen zelfs met geen zweem van kritiek
+onderzocht, terwijl met de negatieve gevallen geenszins rekening wordt
+gehouden. Wanneer het volk zegt: "Groene Kerstmis, witte Paschen", dan
+brengt het de witte Paschen met de groene Kerstmis in een oorzakelijk
+verband; maar gebrek aan methode maakt de konklusie ongewettigd. Zoo
+ziet het volk ook een oorzakelijk verband tusschen de maan en het weêr,
+maar mocht het tot een verklaring komen, dan zou deze meer op een
+natuurmythe lijken, dan op een kultuurwetenschappelijke redeneering.
+
+Toch wil het mij voorkomen, dat de kultuurwetenschap feiten
+der ervaring van het volk kan overnemen, om die te toetsen en te
+louteren,--en ook wellicht iets van het pieteitsvolle en opgewekte
+zijner natuurbeschouwing.
+
+
+
+I. Volksetymologie.
+
+
+De term "volksetymologie" heeft tot heel wat misvattingen en
+discussies aanleiding gegeven. Het eerst gebruikt in de Zeitschrift
+für vergleichende Sprachforschung XXIII door W. Förstemann, die in
+het vervormen van sommige woorden in den volksmond een bewijs van
+kerngezonden volksgeest zag, won deze benaming steeds meer veld,
+en hiermee gepaard ging een nader onderzoek van het gesignaleerde
+verschijnsel; ik noem slechts de namen van Max Müller, Andresen,
+die heel wat materiaal verzamelde in zijn Deutsche Volksetymologie,
+Moltzer en Verdam. Langs psychologischen weg werd naar verklaring en
+schifting gezocht door Steinthal, Paul en Wundt. Zoo ontstond over
+dit onderwerp een uitgebreide literatuur, waarvoor ik verwijs naar
+het artikel van den Zweed Kjederquist in Paul und Braune's Beiträge
+XXVII, en vooral naar de zuiver opgezette en rijk gedokumenteerde
+studie van C. de Vooys in de Nieuwe Taalgids II, bl. 273 vlg.
+
+Wanneer ik hier de volksetymologie als onderdeel van de volkswetenschap
+behandel, dan is dit, omdat ik hierdoor eerst en vooral versta:
+"onbewuste _klank- en begripsassociaties_ met of zonder wijziging
+van den woordvorm". Zij zijn beslist eigen aan de volkstaal
+met haar spontanen drang en vrijen loop, en dringen van hier de
+kultuurtaal binnen. Uiteraard spelen zij ook een groote rol in de
+kindertaal. Gelijkwaardige verschijnselen zijn dus b.v. het gangbare
+_zondvloed_, uit het Oudhoogduitsche _sin-vluot_ "groote vloed",
+door het volk met "zonde" in verband gebracht, en het kinderlijke
+_lepeltraan_ voor _levertraan_. Men zal mij wellicht tegenwerpen, dat
+onbewuste verschijnselen toch allerminst tot het domein der wetenschap
+behooren, zij het ook der volkswetenschap; waarop ik antwoord, dat het
+volk zich wel van zijn handelen bewust is, maar niet van het feit, dat
+het woordverklaring geeft, en nog minder van den wetenschappelijken
+ondergrond dezer handelwijze, die eenvoudig hierin bestaat, dat het
+volk geen genoegen neemt met het onbekende. Zoo werd het onverstaanbaar
+geworden _sin_ vervangen door of liever vervormd tot het bekende
+_zond(e_) niet omdat men iets wilde veranderen, maar dewijl men meende,
+dat dit met het oog op het Bijbelsch verhaal wel aldus wezen moest.
+
+Tot het domein der volksetymologie behooren dus niet: 1. Dilettantisme
+en beunhazerij op het gebied van woordverklaring, juist daarom
+zoo gevaarlijk, derwijl deze half-bakken geleerdheid zich voor
+onvervalschte kultuurwetenschap uitgeeft. Hierbij moet men echter
+in het oog houden, dat werkelijk-onbewuste volksetymologie aan
+halfgeleerden aanleiding kan geven tot etymologiseeren. Zoo werd
+het Latijnsche _quiritare_ "luid schreeuwen" eertijds wel eens met
+_Quirites_ "Romeinsche staatsburgers" in verband gebracht. Vrij dicht
+hierbij staat de populaire natuurverklaring (zie beneden).
+
+2. Opzettelijke vervormingen en aanpassingen of woordspelingen. Deze
+toch moeten gerekend worden tot de volksluim (bl. 126); zoo b.v. _Sint
+Reinuut_: schoon op, "rein aus", voor _Sint Reinout_; _kattegezanik_
+voor _katechesatie_; _zemelachtig_ voor _zenuwachtig_; hij lijdt aan
+de _griep_, eigenlijk "verkoudheid", maar met "grijpen" in verband
+gebracht. Immers de woordspeling behoeft evenmin als de werkelijke
+volksetymologie met een woordverandering gepaard te gaan. Op volksluim
+berust ook wel de Vlaamsche weêrregel: "Sint _Andries_ brengt de
+_vries_, Sint _Mathijs_ breekt het _ijs_.
+
+3. Zuivere klankassociaties, als _krant_ uit _courant_, die het
+gevolg hiervan zijn, dat de klank lastig, of de herinnering gebrekkig
+is. Of ook associaties, die dermate door de klanken worden beheerscht,
+dat men zich het nieuwe begripselement niet bewust wordt, omdat het
+met het begrip van het oorspronkelijke woord niets gemeen heeft. In
+deze laatste gevallen kan natuurlijk van het zoeken naar verklaring
+geen sprake zijn. Maar heel veelvuldig zijn zij niet. Als een zeker
+voorbeeld kan men opgeven _oorlam_, uit het Maleische _orang lama_;
+wellicht scheurbuik, uit _schorbût_; maar stellig niet het Vlaamsche
+_scheurbek_, en evenmin _suikerij_ en _zenuwbladen (Folia sennae_),
+waarvan het volk meent, dat zij op de zenuwen werken.
+
+_Scheurbek_, _suikerij_ en _zenuwbladen_ behooren inderdaad tot de
+volksetymologische associaties in engeren zin. Volstrekt natuurlijk
+is het, dat het volk een verband zoekt tusschen geneesmiddel en
+ziekte of tusschen geneesmiddel en eenige bekende stof. Zoo wordt
+b.v. _Unguentum aegyptiacum: gips-Jacob-zalf_;--de bast van _Rhamnus
+frangula: ramenasbast;_--_Oleum ricini: rosijnenolie;_--_nieswortel:_
+Limb. _anieswortel;_--_Unguentum hydrargyri_ tegen ruit: _ruiterszalf_
+of _ruitertjeszalf_. Wellicht berust deze laatste vorm oorspronkelijk
+op bewuste woordspeling; maar naderhand wordt zulk een woordspeling
+vaak door naïeve hoorders ernstig overgenomen. Niet onaardig is ook
+de vervorming van _Aloë socotrina_ tot Limb. _sokertrienschen
+aloë_, d.i. _suikertrijnsche aloë_. Zie hierover het artikel van Denis
+Schrijnen, Pharmaceutische Folklore, in het Pharmaceutisch Weekblad
+1902, bl. 833 vgl. _Aloë_ wordt ook wel _alewien_.
+
+De klankassociatie moet dus met bewuste begripsassociatie gepaard
+gaan. Het woord _katapult_ begrijpt het volk natuurlijk niet. Nu
+wil het aan dit woord niets veranderen, maar de herinnering aan
+het doel van dit instrument in verband met het woord _kat_ brengt
+menigeen er toe, _katapult_ ongewild te vervormen tot _kattepul_, of
+nog meer teekenend tot _kattepiel_ (= _pijl_), aldus het onbekende
+bestanddeel vervangend door het bekende. Dit onbekend-zijn kan ook
+voortkomen uit gebrekkig hooren of gebrekkig zich-herinneren. Ik
+wijs nog op enkele voorbeelden: _drieangel_ (_triangel_), met
+onbewust-juiste vertaling van het eerste bestanddeel; _sukerla_
+(_chokola_); _lekkeris_ (_lacarissa_ = drop); _prulleet_ (_proleet_);
+_honinggraat_ (_honigraat_). _Hagedoorn_ wordt volksetymologisch
+tot _hageldoorn_; _hazelnoot_ tot _hazenoot_; _nieuwsgierig Aagje_
+tot _nieuwsgierigaardje_; _meikever_ tot _meikegel_ (kleuriger is het
+Hoogduitsche _Meikleber_); _Nijmegen_ tot _Nimwegen_; _madeliefje_,
+Middelnederl. _matelieve_, is vervormd tot _maagdeliefje_ en tot
+_meizoe(n)tje_, en dit weer dialektisch tot _mêlzeûdje_ (zaadje). De
+appelen, die wij _zijden-hempjes_ noemen, stammen uit de Engelsche
+stad _Sydenham_. Men denke ook aan de uitdrukking "straten voor stegen
+kennen", die in Limburg, waar men geen _stegen_ kent, wordt: "straten
+voor steenen kennen"; vgl. mijn opstel in Volkskunde XI, bl. 217.
+
+Van plantnamen noem ik nog de _bijvoet_ (_Artemisia_). Met ons woord
+voet heeft deze benaming oorspronkelijk geen gemeenschap. Maar het
+volk bracht den vorm _bijboot_ in verband met voet, omreden van het
+bijgeloof, dat dit kruid in de schoenen, dus bij den voet, gedragen,
+alle vermoeidheid bij het wandelen verdrijft. _Zonnedauw_, onze
+benaming van de _Drosera_, heeft zich volksetymologisch uit _sinnau_
+"immerdurende dauw" ontwikkeld. _Rosmarijn_, uit het Latijnsche
+_ros marinus_ "zeedauw", wellicht zelf populaire vervorming
+van een Grieksch woord, werd _rozemarijn_ onder den invloed van
+_roos_. _Herba Mandragorae_ werd _mandragerskruid_. Het peperboompje
+(_Daphne Mezereum_) heet in Oost-Vlaanderen om zijn naakten stengel
+_miserieboomke_. Verrassende volksetymologische staaltjes vinden wij
+ook in de kindertaal: _botram-marcheertrommel_ (_botaniseertrommel_);
+_manheer_ (_meneer_); het reeds genoemde _lepeltraan_ enz.; zie vooral
+De Vooys, De Nieuwe Taalgids I, bl. 281, X, bl. 93 vlg., 128 vlg.
+
+Nog wensch ik de aandacht te vestigen op het feit, dat volksetymologie
+zoo vaak in samenstellingen optreedt. De oorzaak is deze, dat elders
+verdwenen woorden nog zoo vaak in samenstellingen een veilige
+schuilplaats vinden; zoo b.v. _geeuwhonger_ en _nachtmerrie_. De
+verouderde vormen _gee_: _ga_ en _mare_ zijn hier met _geeuwen_
+en _merrie_ (men denke aan het nachtspook, dat iemand "berijdt")
+in verband gebracht, wat klankverandering ten gevolge had.
+
+Ook kan het begripselement zoozeer op den voorgrond treden, dat het
+hoofdbegrip een sterke wijziging ondergaat of zelfs geheel verdrongen
+wordt. Zoo beduidde _pootig_ oorspronkelijk "koppig" en had _ophemelen_
+de beteekenis van "schoonmaken".
+
+Verandering van den vorm, wij zagen het reeds, is strikt genomen niet
+noodzakelijk; slechts moet in de volksopvatting een bepaald element
+met een ander begrip dan het oorspronkelijke verbonden worden. In
+_lintworm_ beteekende _lint_ oorspronkelijk insgelijks "worm",
+terwijl men het thans met ons _lint_ in verband brengt. _Ongelikt_
+wordt tegenwoordig met het gewone werkwoord _likken_ verbonden;
+maar in werkelijkheid komt het van een werkwoord _likken_, dat de
+beteekenis van "polijsten" had. In _Donderstraat_ is geen verandering
+althans hoorbaar; stellig brengen echter tal van personen haar niet
+met _Prof. Donders_, maar met _donder_ in verband. Verder wijst ook
+het feit, dat plaatselijk door het volk sommige heiligen in bepaalde
+gevallen worden aangeroepen, op volksetymologische interpretatie,
+op aanknooping van het onbekende aan het bekende. Zoo b.v. wordt de
+H. Clara aangeroepen bij oogziekten en vraagt men haar om helder weer
+en zonneschijn (de vertaling is hier onbewust-juist); Sint Kathrijn
+brengt helder weer en zonneschijn: wellicht is _rijn_ (_rein_)
+hier van invloed. Sint Valentijn wordt aangeroepen bij vallende
+ziekte; Sint Blasius tegen huidblaasjes; Sint Rosa tegen de roos,
+Sint Lambertus tegen de lamheid.
+
+Van deze klank- en begripsassociatie verschilt de _etymologische
+natuurverklaring_, waarbij het volk naar zijn aard en trant,
+d.i. liefst door een sage, welbewust de benamingen van bloemen,
+boomen, mineralen, dieren, steden enz. interpreteert. De vervorming
+van _Arum_ tot _Aron_ zal wel onbewust geweest zijn. Maar gegeven
+deze naam, borduurt de volksfantasie op het thema voort, en spreekt
+aldra van _Aronskelk, Aronsbaard, Aronsstaf_. De _Valerianella
+olitoria_ heet ook _Sanctae Clarae herba_; het volk gaat verder,
+en spreekt van _kleer-ooge_. Van den _treurwilg_ weet het Vlaamsche
+volk te verhalen: De geeselkolom stond bij een wilgenboom. Toen nu de
+soldaten naar dezen wilg liepen, om de geeselroeden af te snijden,
+zuchtte Christus: "treure wilg, treure". Sedert dien laat de boom
+zijn takken hangen en heet hij _treurwilg_. Het _nieskruid_ wordt
+plaatselijk tot _Agneeskruid_; dit verklaart men aldus, dat het
+bloeit omtrent den feestdag van Sint Agnes; ook ontkiemde het ter
+plaatse, waar deze heilige gewoon was geknield te bidden. Van den
+H. Martinus weet het volk ook dit te verhalen, dat hij eens in zijn
+getijdenboek een zaadje vond; hij borg het zorgvuldig in de aarde,
+en uit het zaadje ontkiemde de _boekweit_. Zie vooral Is. Teirlinck,
+Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1904 enz. (ook afzonderlijk
+uitgegeven te Antwerpen 1913).
+
+Ook het Montferland heeft wel eens aanleiding gegeven tot
+volksetymologische natuurverklaring. Hiervolgens wilde het heidenvolk
+met zijn koning den hemel bestormen, en reeds had men een stuk van
+den Elterberg een goed eind ver gesleept, toen het aan de reuzenhanden
+ontviel. De vorst beval nu van verdere pogingen af te zien; want zei
+hij "het is toch maar een mond vol land": Geldersche Volksalman. 1901,
+bl. 176.
+
+De _Asperula odorata_, waarvan voorheen een bundel bij zwangere
+vrouwen in bed gelegd werd, en dat dan ook aan Frija-Frigg, als
+godin der geboorte, heilig was, wordt reeds in de VIIIe eeuw, als
+_O.L. Vrouwen-bedstroo_ vermeld. Ook vond de Christelijke legende
+een andere verklaring:
+
+Onzer-Vrouwen-bedstroo.
+
+Onze-Lieve-Vrouw, als zij klein was, moest op een zeer hard en
+ongemakkelijk beddeken slapen: hare ouders waren arm en gaven dan
+nog hier en daar een aalmoes.
+
+Op zekeren dag peinsde de H. Anna:
+
+Het bed van mijn kindeken is toch te hard. Zou ik in het veld misschien
+geen zacht vulsel vinden?
+
+Zij ging uit en kwam aan een dorre streek. Zij zag er een heelen hoop
+Bedstroobloemekens staan.
+
+"Nu ik heb het gevonden", riep zij uit. "Ik ga al die bloemekens
+plukken! O! daar zal mijn kindeken zacht op slapen". Zij sprak en
+deed zoo; ja, nu sliep Maria veel gemakkelijker.
+
+Ten platten lande ziet men dikwijls de kinderen in bosschen en op
+magere gronden naar het bloemeke zoeken en het blijde plukken:
+
+"Onze-lieve-Vrouw heeft er op geslapen!" zeggen zij eenvoudig.
+
+(Uit Vlaanderen).
+
+
+
+Eindelijk de volksetymologie van plaatsnamen.
+
+Bezuiden Tietjerksteradeel lagen drie dorpen, die nog geen naam
+hadden. In een dezer dorpen kwam een dief geloopen, die vluchtte
+voor de dienaars van het gerecht. Allen, die hem zagen, riepen:
+"Grijp! Grijp!" Maar de dief ontkwam en vlood naar het andere
+dorp. Daar wilde men hem opvangen en riep men elkander toe: "Sa mar! sa
+mar!" (Zoo maar! zoo maar!). De dief ontvluchtte ook hier en kwam in
+het derde dorp. Hier werd hij gevat en nu riep men: "Berg hem! Berg
+hem!" Vandaar de Friesche plaatsnamen Garijp (Grijp), Suamar (Samar)
+en Bergum (Berghem). Waling Dijkstra verhaalt ons ook, hoe Foswerd
+ontstond, en Ylst, Nijland, Koudum, Dronrijp enz.: Uit Frieslands
+Volksleven I, bl. 32 vlg.; terwijl De Cock in zijn Brabantsche Sagen
+III, bl. 181 vlg. de populaire naamverklaring geeft van Aarschot,
+Beersel, Brussel, Leuven, Scheutveld en ook van Kalevoet. Toen namelijk
+Karel V eens naar Brussel reed over den steenweg van Alsemberg, brak
+zijn rijtuig ter plaatse, waar nu Kalevoet ligt, zoodat hij genoodzaakt
+was, te voet naar Brussel te gaan. Daarom werd deze plaats _Kalevoet_
+geheeten, d.i. _Karel-te-voet_.
+
+
+
+II. Volksgeneeskunde.
+
+
+Bij gezette overweging blijkt het, "dat naast de officieele therapie
+een andere bestaat, welke met totaal verschillende geneesmiddelen
+werkt, die minstens evenveel blijvende of tijdelijke aanhangers telt
+als de schoolgeneeskunde, en die meestal zonder bevredigende diagnose
+en zonder eenige duidelijke voorstelling te bezitten omtrent aard of
+werking der toegepaste middelen, alleen op de ruwe empirie steunende,
+vol vertrouwen haar zonderlinge middelen toepast. Dit is de eigenlijke
+volksgeneeskunde, die zich hoofdzakelijk op het gebied der therapie
+beweegt en haar adepten bij duizenden telt". Aldus M. A. van Andel
+in zijn leerzaam proefschrift over de Volksgeneeskunst in Nederland
+(Utrecht 1909), bl 5.
+
+Naar men begrijpt, hangt de volksgeneeskunst ten nauwste samen met
+de volksreligie en tiert zij welig op den bodem van het animisme (I,
+bl. 64). Zij vormt een wezenlijken faktor der onderkultuur en vertoont
+zich in hoofdzaak éenvormig, zoowel hier als bij de natuurvolken,
+zooals O. V. Hovorka en A. Kronfeld in hun standaardwerk over de
+Vergleichende Volksmedizin (Stuttgart 1908) zeer duidelijk hebben
+aangetoond. Van de kwakzalverij onderscheidt zij zich door haar
+volstrekte goede trouw en belangeloosheid. Haar gezichtseinder is
+zeer beperkt, zoowel wat den aard der ziekte als wat de kracht der
+geneesmiddelen betreft. Als ziekten gelden eigenlijk slechts: koorts,
+verwonding, bloeding, roos, brand, kou, jicht, kramp, vallende ziekte,
+asthma en nog enkele andere. Het streven naar zelfbehoud, gepaard aan
+hulpvaardig dienstbetoon, vormt de gemeenschappelijke drijfveer van
+volks- en kultuurgeneeskunde. Natuurlijk wordt nu de kloof tusschen
+beide met den dag grooter. Maar hoe verder men in vroeger tijden
+teruggaat, hoe geringer dit verschil is. Terecht merkt Van Andel op,
+dat de volksmiddelen van heden de wetenschappelijke middelen van
+gisteren zijn.
+
+Het is mijn taak niet, de ontwijfelbaar gezonde kern der
+volksgeneeskunde, n.l. die middelen aan te geven, welke berusten
+op doelmatige, instinktieve therapie, of op overoude elementaire,
+maar gezonde empirie; wel dien ik in het kort te wijzen op het zeer
+eigenaardige, van de kultuurgeneeskunde _afwijkende_, strikt-populaire
+in de behandeling en het toedienen der geneesmiddelen, dat uit
+primitieve volksvoorstellingen voortvloeit.
+
+Inderdaad ligt bij de behandeling doorgaans deze opvatting ten
+grondslag, die echter met den dag in helderheid en bewustheid afneemt,
+dat de ziekte zelf een boosaardig, ja demonisch wezen is, of ook een
+worm, in alle geval een konkreet iets, dat in het lichaam huist. Zoo
+spreekt men b.v. van haarworm, ringworm, dauwworm; en niet onmogelijk
+hebben de maden, de lintworm en de lijkwormen tot deze opvatting
+aanleiding gegeven. Vooral de kiespijn wordt aan het knagen van
+wormen toegeschreven. Dit geloof staat in Mecklenburg zoo vast,
+zegt Gaidoz, dat een lepel met kokend water onder den zieken tand
+gehouden wordt. De diertjes, door den damp bedwelmd, vallen in den
+lepel en zijn duidelijk te zien.
+
+Het ziektewezen kan verdreven worden op velerlei wijzen; vooral
+echter door bezwering, door bannen en overdragen, door sympathetische
+geneesmiddelen.
+
+Niet slechts deze laatste methode, maar vrij wel de geheele
+volksgeneeskunde wordt beheerscht door de _sympathie_, die
+de geneeskracht van de _signatuur_, d.i. de teekenen der dingen
+afleidt. Volgens deze leer dient een geelbloemige of geelsappige plant
+tegen de geelzucht, een roodkleurige stelpt het bloed, een knolgewas
+geneest de aambeien enz. Deze volksvoorstellingen, die wij reeds
+herhaaldelijk in het Eerste Deel aantroffen, is sinds overoude tijden
+over de geheele aarde verspreid en berust op een onbepaald gevoel van
+gemeenschap tusschen gelijkgeaarde wezens, in dit geval tusschen het
+ziektewezen en het geneesmiddel. Waarschijnlijk heeft de symboliek deze
+sympathische opvatting uit het animisme (en fetissisme) doen geboren
+worden. Om een geest uit het lichaam te bannen, achtte men het reeds
+voldoende, bepaalde deeltjes, als haren, nagels, enz. vast te leggen of
+te vernietigen. Van hier tot de zuiver symbolische handeling is slechts
+éen stap: wat geschiedt niet slechts aan een deeltje, maar aan een
+overeenkomstig voorwerp, geschiedt aan het voorwerp zelf. Wil men een
+heks kwaad doen, wij zagen het I, bl. 79, dan maakt men een ploegijzer
+gloeiend en spreekt plechtig den naam der vermeende heks uit; deze
+zal dan de hevigste smart voelen. Daarom legt men ter verwijdering
+van wratten in een touwtje zooveel knoopen als men wratten heeft,
+en begraaft dit ergens: door deze symbolische handelwijze worden
+de wratten zelf begraven. De beteekenis der aanwending van roode
+stoffen bij bloedloop is oorspronkelijk dan ook wel deze, dat het
+rood-gedachte ziektewezen op de roode stof overga. Naderhand is het
+sympathiebegrip natuurlijk in verschillende richtingen uitgebreid.
+
+Eindelijk wensch ik er de aandacht op te vestigen, dat de leer
+der signaturen niet altijd als _leiddraad_ bij het opsporen van
+geneeskrachtige kruiden, maar ongetwijfeld meermalen slechts als
+_verklaring_ eener reeds bekende werking heeft gediend; zie hieromtrent
+het artikel van Prof. Van Leersum over de Waardeering van Oude en
+Volksgeneesmiddelen in het Nederl. Tijdschr. voor Geneeskunde LVIII
+(1914), bl. 1952.
+
+1. Bezwering is wel het meest verspreide, ook heden nog dagelijks
+aangewende heilmiddel, waarin animistische en specifiek-Christelijke
+bestanddeelen met elkaar vermengd zijn. Het bezweren is een kunst,
+die erfelijk is, maar zij kan slechts worden overgedragen van een
+man op een vrouw of van een vrouw op een man. Het formulier is
+eigenlijk geheim. Het wordt zacht gefluisterd of gepreveld, en het
+getal 3 is daarbij van bijzonder gewicht: driemaal wordt daarbij
+een kruis gemaakt, driemaal gespuwd, driemaal gestreken enz. Ook
+zijn dag en uur niet onverschillig; sommige bezweringen dienen te
+geschieden bij afnemende, andere bij nieuwe maan, weer andere vóor
+zonsopgang. De formule is òf een kort bevel, òf zij wordt ingeleid
+door een kort episch verhaal, waarin een gelijksoortig geval wordt
+uiteengezet: wij hebben dus weer met sympathie te doen. Zoo beginnen
+b.v. verscheidene formulieren tegen de wormen met de vermelding van
+Job op den mesthoop. Van een formulier uit Denderwindeke tegen brand
+luidt de inleiding: "De H. Laurentius werd gebraden op een rooster:
+hij en zwol niet op noch en verzwoor; ik hoop, dat gij ook niet zult
+zwellen of verzweren".--Rond den Heerd (1877) weet deze berijmde
+bespreking tegen brandwonden mee te deelen:
+
+
+ Ons' Heere Jezus kwam aldaar gegaan,
+ Hij vond er een kindeke in brande staan.
+ Hij nam het in Zijne gebenedijde hand
+ En _b_luschte den ge_b_enedijden _b_rand.
+ En 't en _zwoer_ noch 't en _zwol_,
+ En 'k hoop in Jezus' naam, dat 't ook niet _doen_ en _zol_.
+
+
+In deze formule vinden wij alitteratie, assonantie en rijm. Andere
+formules worden ons medegedeeld door Dr. Boekenoogen in Onze Rijmen,
+bl. 67; zoo b.v.:
+
+
+ Moeder Maria ging over den berg,
+ Ze nam een tak van den heiligen boom,
+ Ze wierp 'em over haar hoofd in den stroom.
+ Kwik door dit, kwik door dat,
+ Vlieg door aderen, zenuwen, pezen,
+ Ik hoop, dat met Gods hulp dit beest zal genezen.
+
+
+Het Christelijke in deze spreuken is slechts een dun laagje vernis:
+in den grond zijn zij volstrekt identiek met Oudgermaansche en
+Oudindische, waar de heidensche godenwereld optreedt.
+
+Den korteren vorm vertoont:
+
+
+ Dit arm of poot
+ Is _verrukt_ of _verstoot_.
+ 't Zal niet _verrotten_ of _verzweren_
+ In den naam des Heeren, C.A.B.
+
+
+Deze en dergelijke bezweringen of besprekingen worden vooral toegepast
+bij verwondingen, verrekkingen, verstuikingen en spierpijnen. De
+_strieker_ legt somtijds wat zeep op den zeeren enkel; dan zet hij
+de pet af, zegt de bezweringsformule en strijkt op bepaalde wijze
+over den enkel. Bij wonden zegt men te Heumen:
+
+
+ Ik verbinde deze wonde,
+ Ik stille dat bloed in deze stonde,
+ Als Christus de Heer opgevaren is.
+
+
+Bij kneuzingen vindt men o.a. dit formulier:
+
+
+ Deze man enz. is over een berg geloopen,
+ Deze man enz. heeft zijn hand enz. gestooten,
+Het moet in de Roode Zee verdwijnen,
+ Gelijk de Wijzen uit het Oosten,
+ En God genas het met der stond,
+ O Heer, help mij! Amen.
+
+
+2. In het bovenstaande wordt het ziektewezen verdreven. Maar met of
+zonder spreuk wordt dit wezen veelal ook vastgelegd, geband of wel
+op een persoon of zaak overgedragen. In de Friesche Wouden wordt de
+bilzucht het _koude vuur_ genoemd; maar men meent, dat zij licht kan
+worden geweerd, door het eerst daaraan bezweken dier vóor de staldeur
+te begraven. Vooral de koorts wordt graag en licht overgedragen. In
+het Oosten van ons land snijdt men zich hiertoe den nagel _in het
+leven_ en maakt dan den bast van een boom ook los tot _in het leven_
+(let op de sympathie!). Dan drukke men met den vinger _het vocht_
+daaruit tegen en tusschen _het vocht_ van den boom: dan heeft de
+boom de koorts. Of men binde een kouseband of strooband om den boom,
+liefst een vlierboom (I, bl. 80, 130, 287), en ga dan spoedig loopen,
+zonder om te zien. Deze praktijk is in geheel Groot-Nederland--en verre
+buiten de grenzen--bekend. Men noemt dit "de koorts afbinden." Ook
+kan men het haar- of nagelknipsel van den zieke, of een briefje met
+zijn naam in een opzettelijk daartoe geboord gat in den boomstam
+steken. Niet zelden spreekt men hierbij het rijmpje:
+
+
+ Olde Marolde
+ Ik hebbe de kolde,
+ Ik hebbe ze noe,
+ Ik geve ze oe,
+ Ik bind ze hier neer,
+ Ik krijg ze niet weer.
+
+
+De koorts--of een ander ziektewezen--wordt ook met spijkers in een
+boom vastgehecht; zij wordt met en door dingen, die met den lijder,
+liefst met de zeere plek, in aanraking geweest zijn, verbrand,
+in 't water geworpen, in den grond gestopt, verkocht, weggeven,
+ja afgeschreven. Wat is eenvoudiger, dan met krijt op de deur te
+schrijven: "Koorts, ik ben niet thuis" (Zevenhuizen)? Of als rijmpje:
+
+
+ Koorts, koorts, ik ben niet thuis,
+ Ga maar naar een ander huis.
+
+
+Ook de hik wordt graag overgedragen; hiertoe dient de spreuk:
+
+Deventer:
+
+
+ 'k Heb de hik
+ 'k Heb ze prik
+ 'k Heb ze nouw
+ 'k Geef ze aan jou.
+
+
+Venloo:
+
+
+ Ik heb den hik
+ Ik heb de pik
+ Ik gêf um aan 'n noaberman,
+ Dê 't good verdrage kan.
+
+
+Dit driemaal vlug achter elkaar opzeggen. Als een kind de hik heeft,
+dan groeit het hart, meent het volk.
+
+3. Bij de sympathetische geneesmiddelen wordt het verband tusschen
+kwaal en geneesmiddel gezocht _in de oorzaak_: zoo legt men haar van
+den hond, waardoor men gebeten is, op de wonde. Bij de jicht, die
+haar oorsprong in wormen heeft, geeft men den patiënt 13 regenwormen
+met brandewijn in;--_in de kleur_: een geelsappig kruid, als de
+stinkende gouwe, tegen geelzucht, het eten van roode bieten tegen
+bloedspuwen, gemalen menschenbeenderen tegen beeneter, het bloed van
+een zwart schaap tegen gordelroos met bloederigen, donkerkleurigen
+huiduitslag (Maas en Waal);--_in den vorm_: zoo dient het longkruid
+met zijn vlekjes op de bladeren, die op longknobbeltjes lijken,
+tegen longziekte, en hondstong met zijn tongvormig blad, tegen
+hondsdolheid. De bloempjes van oogentroost (_Euphrasia_) vertoonen
+een gele, oogvormige vlek; vandaar dat deze plant als een deugdelijk
+middel geldt tegen alle mogelijke oogkwalen;--_in den aard_: pieren,
+in een zakje op de borst gedragen, zijn van baat tegen de wormen;--_in
+den naam_: vandaar, dat de roos als onfeilbaar middel geldt tegen de
+huidziekte van dien naam, dat de hondsroos helpt tegen hondsbeet,
+leverkruid tegen leverziekte, steenbreek tegen nier- of galsteen
+enz. In Friesland gelooft men aan de kracht van een duif, boven de
+wieg gehangen, tegen dauwworm (althans overeenkomst van klank). Een
+merkwaardig voorbeeld geeft Denis Schrijnen in het Pharmaceutisch
+Weekblad 1902, bl. 1006. Te Blerik bezigt men tegen kanker veelal
+het volgende geneesmiddel. Een levende rivierkreeft wordt in een
+zakje genaaid, dat door den zieke gedurende 24 uur op de zieke plaats
+moet gedragen worden. Heeft hij dien tijd wakende doorgebracht, dan
+is de kanker op de kreeft overgegaan; het zakje wordt nu verbrand
+en de lijder is genezen. Maar waarom een kreeft? Dit middel is uit
+het naburige Duitschland overgewaaid, waar kreeft en kanker beiden
+_Krebs_ heeten.
+
+4. In het gebruik van sommige geneesmiddelen is wellicht een survival
+van een offer te erkennen; zoo b.v. in het bloed van een wit of zwart
+dier, dat door den lijder moet gedronken worden. Dit kan m.i. echter
+ook berusten op de animistische voorstelling, dat bloed ziele- en
+levensspijs is. Trouwens de volksgeneeskunde stoelt nog op tal van
+andere oude overwegingen en voorstellingen, die ons heden ten dage
+slechts zeer onvoldoende bekend zijn.
+
+5. Met name ontgaat ons de beteekenis van vele geneeskrachtige
+kruiden. Velen hunner spelen een voorname rol in de tooverwereld
+en waren eenmaal aan de Germaansche godheden heilig, of verheugen
+zich thans nog in een voortsluimerende vereering van den geest der
+vruchtbaarheid. Op eenzame en gewijde plekken groeien zij, en zwijgend,
+ongezien door godheid en menschen, onder het prevelen van gebeden,
+en met de linkerhand moet men ze veelal plukken.
+
+De vlier genoot den grootsten eerbied; was ook niet de kruisboom van
+vlierhout? De bast van den vlierstruik geldt dan ook als een krachtig
+geneesmiddel; hij is braakmiddel of purgans. Verder wordt hij gebezigd
+tegen keelpijn en waterzucht, terwijl de bladeren en bloemen gedronken
+worden als thee tegen verkoudheid, evenals de bloesems der linde. De
+aromatische bessen van den gevierden jeneverstruik (_Juniperus
+communis_) bezitten eveneens veelzijdige geneeskracht. Werden zij
+eertijds inderdaad als verjongend en levenwekkend beschouwd? Het
+duizendblad (_Achillea Millefolium_) heet een deugdelijk middel te
+zijn voor het heelen van wonden, door ijzer veroorzaakt. Geeft de
+naam Achillea hier wellicht de verklaring?
+
+Een bij het volk zeer geliefde plant is het valkruid (_Arnica
+montana_), en vrij algemeen wordt zij aangewend bij kwetsuren. Eertijds
+stond zij tot den wolf in betrekking, zooals nog thans uit de
+Oostfriesche benaming _Wulfsblöme_ en ons _wolverlei_ blijkt. De
+schors en de jonge takken van den berkeboom, in de lente verzameld,
+zijn een bloedzuiverend, zweetafdrijvend en waterafdrijvend middel;
+waarschijnlijk wel, omdat hij in de lente, als hij wordt aangeboord,
+een sap geeft, dat verwerkt wordt tot berkenwijn. De hennep
+(_Cannabis sativa_) heeft groote magische kracht en wordt vooral als
+verdoovingsmiddel gebezigd. De hoogopgroeiende hopranken (_Humulus
+Lupulus_) zijn het zinnebeeld van groei en wasdom en schijnen daarom
+de gezondheid weer te geven aan herstellenden en bloedarmen. Ook de
+zelf (_Salvia officinalis_) staat bij het volk hoog aangeschreven:
+zij versterkt de zintuigen en sterkt de zenuwen.
+
+Het is niet onmogelijk, dat men in verscheiden gevallen eerst naderhand
+een zekere vereering, ja tooverkracht aan planten is gaan toeschrijven,
+wier geneeskracht door de ervaring aan het licht was gebracht; en,
+zooals gezegd, met die ervaring kan de kultuurgeneeskunde haar
+voordeel doen. Zij toont zich dan ook geenszins afkeerig van de
+volksgeneeskunde, getuige het feit, dat herhaaldelijk oude middelen
+opnieuw in praktijk worden gebracht. Getuige ook de nog onlangs
+gehouden onderzoekingen over het kiezelzuurgehalte der organen en naar
+de rol dezer stof in de stofwisseling, op grond van de wetenschap,
+dat het volk sedert eeuwen zekere kiezelzuur-bevattende kruiden tegen
+de zoogenaamde konstitutioneele ziekten aanwendt. "Dit staat vast",
+schrijft Prof. Van Leersum t. a. p., bl. 1959, "dat wij een groot
+aantal onzer beste geneesmiddelen, o.a. digitalis, strophantus, china,
+coca, aan den speurzin van den natuurmensch te danken hebben".
+
+Zie verder: Verdam, Over Bezweringsformulen, in de Mededeelingen
+v. d. Maatschappij der Nederl. Letterk. 1900--1901, bl. 1 vlg.; A. de
+Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen (Gent 1891); Over de folklore
+van dieren en menschen, in de Handel. v. h. derde Vlaamsche Natuur- en
+Geneeskundig Congres 1899, bl. 185 vlg.; Denis Schrijnen, Volksgeloof
+omtrent geneeskracht van planten, in het Pharmaceutisch Weekblad
+1904, bl. 1 vlg.; Driem. Bladen II, bl. 12; III, bl. 34; XI, bl. 41;
+F. Visser, Volksnamen voor Geneesmiddelen enz. (Baarn 1912); Heuvel,
+Volksgeloof en Volksleven, bl. 163; L. Sloet, in De Gids 1881, 2,
+bl. 221, 413, 439; V. D. Voo, De leer der teekenen, in Vragen v. d. Dag
+XXV, 11; Volkskunde XXIV, bl. 113; Nederl. Museum II, bl. 117, 230.
+
+
+
+III. Natuurverklaring en weerkunde.
+
+
+1. Uiteraard is ook de _natuurverklaring_ van het volk hoogst
+gebrekkig, hoe vertrouwd het met de natuur ook zijn moge en hoe goed
+het de natuurverschijnselen over het algemeen waarneemt. Immers de
+volksempirie is hoogst onbetrouwbaar en bij onderzoek en verklaring
+speelt de verbeelding de voornaamste rol. Reeds de gestelde vragen zijn
+eigenaardig. Het volk tracht niet slechts den oorsprong der dingen te
+achterhalen door te vragen: vanwaar komt de aarde, de zon, de maan,
+de mensch, vanwaar boomen en planten, bergen en rivieren, ziekten en
+dood? Maar met een weetgierigheid als die van het kind, dat ons door
+zijn vragen verveelt, stelt het vragen, die ons volstrekt onzinnig
+lijken: hoe komt het, dat het vuur ons dient, de eik getande bladeren
+heeft, de koekoek zijn eigen naam roept, de kruisbessen stekels hebben,
+de kraai zwart is, de pad roode oogen heeft, de vleermuis en de uil
+zich over dag schuil houden, het heidekruid een rossige kleur heeft,
+de hazenlip gespleten is?
+
+Maar eigenaardiger nog dan de vraag is het antwoord, dat nl. zoo goed
+als steeds den vorm van sprookjes, sagen en legenden aanneemt. Wij
+spreken dan van natuurverklarende sprookjes enz.; en deze vindt
+men niet alleen bij volken met lage kultuur, maar ook daar, waar
+de mensch door het voltooien der behoeften en betrekkingen zijner
+natuur zich tot een bovenkultuur heeft opgewerkt. Het ongeoefende
+denken vermag nimmer een strikt wetenschappelijk antwoord te geven;
+een sprookjesverklaring is makkelijker gevonden. Merkwaardig in deze
+volksverhalen is niet alleen het zoeken naar den oorsprong der dingen,
+maar ook de omstandigheid, dat het physieke kwaad gewoonlijk wordt
+voorgesteld als het gevolg van den toorn van een hooger wezen, door
+een misslag veroorzaakt. Zie hierover verder mijne Essays en Studiën,
+bl. 183, 210; Volkskunde XIII, bl. 8 vlg. Overvloediger materiaal
+vindt men bij O. Dähnhardt, Natursagen, zie boven; Naturgeschichtliche
+Volksmärchen (Leipzig 1898).
+
+Ook in ons land vindt men zulke natuurverklarende volksverhalen
+te over, in het zuidelijk volksgebied echter meer dan in het
+noordelijk. Wij vernemen, hoe de bergen en heuvelen ontstaan zijn
+door oproerige reuzen, of uit zand, dat in den mond van den satan lag;
+want oorspronkelijk was de aarde vlak. Wij vernemen de oorzaak van het
+onweer: schreef men dit voorheen aan den dondergod toe, thans zegt men,
+dat de H. Petrus aan het kegelen is. Waarom is de zaag getand? Dat
+is eigenlijk duivelswerk. De satan meende aldus de menschen te
+plagen. Vanwaar het _Hul_ bij Elspeet, het Solsche Gat, het Vrouwenzand
+bij Stavoren? Vanwaar zoo menige grillige rotsvorm, die schijnbaar een
+hoefindruk vertoont? Vanwaar het mannetje in de maan? In Vlaanderen,
+Antwerpen, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland is het een houtraper of
+houtdief, die 's Zondags of in den Kerstnacht er op uitging. Waarom
+is de wever zoo slecht gezien? Omdat een wever de nagels bezorgde,
+toen Christus gekruisigd werd; zie Welters, Limburgsche Legenden II,
+bl. 61; Joos, Vlaamsche vertelsels, bl. 35. Doch laat ik mij beperken
+tot enkele natuurverklarende verhalen van dieren en planten.
+
+Dieren. Waarom vliegt de uil alleen bij nacht? In Gelderland en
+Groningen vertelt men: Eens kwamen de vogels samen en zeiden: wij
+willen te zamen vliegen, en wie het hoogst komt, zal koning zijn. De
+ooievaar, de vorst der Geldersche vogels--te Groningen zegt men
+de gansarend--verhief zijn statige vlerken en overtrof den raaf en
+den koekoek vèr; het winterkoninkje was hem echter te slim af. Het
+was onder zijn vederen gekropen en had zich aldus mee omhoog laten
+heffen. En toen nu de ooievaar niet meer kon, vloog het vroolijk nog
+veel hooger het luchtruim in.
+
+Maar de vogelen, verontwaardigd, zich aldus verschalkt te zien,
+meenden het beestje te moeten bestraffen. Het ontvluchtte hen echter
+in een molshoop. Toen besloten de vogelen den uil als wachter aan
+te stellen, omdat alleen hij bij nacht ziet. De uil waakte tot den
+morgenstond. Toen werd hij slaperig, en het winterkoninkje ontkwam
+den sluimerenden wachter en vloog lustig door het geboomte rond.
+
+Sindsdien hebben de vogelen den uil bespot. Als hij zich bij dag laat
+zien, schelden zij hem uit. Daarom vliegt de uil alleen bij nacht.--
+
+Verhalen als deze vindt men in alle werelddeelen. Hoofdoorzaak blijft,
+dat de uil uit de gemeenschap der vogelen gebannen werd. Sommige
+volken schrijven dit hieraan toe, dat hij eerst koning was, maar om
+zijn wreedheid werd verdreven; weer andere, dat hij den leeuwerik
+bedroog en nu bang voor hem is.
+
+Het verhaal van het winterkoninkje en den uil is ook in België algemeen
+verspreid, zooals De Mont en De Cock, Joos, Cornelissen en Verliet ons
+mededeelen. Daar dient het ook als naamverklaring van "koninksken"
+en "koninksvogelken", terwijl de Geldersche lezing het geroep van
+het winterkoninkje verklaart. Want boven den ooievaar gekomen, riep
+het beestje: "Koning, koning ben ik-kik-kik-kik-kik!" Maar de katuil
+roept nog altijd klagend: "Er-oêt, er-oêt!" Een Fransch sprookje zegt,
+dat de uil "hu-hu-hu-hu" roept van de kou.
+
+Ons sprookje is niet zuiver natuurverklarend. Het eerste gedeelte
+verhaalt den wedstrijd tusschen twee dieren, die overoud is, en behalve
+in Europa, in Afrika, Amerika en Oost-Azië wordt aangetroffen. Volgens
+Dähnhardt moet de Aesopische fabel van den haas en de schildpad als
+de oorvorm worden beschouwd. Deze wedstrijd wordt verhaald in drie
+hoofdvormen: 1. De haas verlaat zich op zijn slanke beenen en legt
+zich te slapen aan den weg; maar de schildpad loopt zonder ophouden
+en erlangt de overwinning der volharding over de traagheid.--2. De
+schildpad (slak, egel) overwint den haas (olifant, struis, ree,
+tijger) door bedrog, door verscheiden verwante dieren onderweg
+op te stellen, die op de vraag: "Schildpad, waar ben je?" moeten
+antwoorden: "Hier!"--3. Een klein dier, dat zich aan den staart
+van den tegenstander vastklampt of zich onder zijn veeren verbergt,
+overwint. In Afrika zijn deze dieren: wild zwijn en kameleon, of ook
+leeuw en kikvorsen; op de Fidschi-eilanden: vlinder en kraanvogel;
+in Annam: schildpad en tijger; in de Westaziatisch-Europeesche groep:
+vos en kreeft,of kikvorsen en slak. Bij een soortgelijk verhaal uit
+Zuid-Holland (Maasland) voegt zich het eigenaardige motief, ook in
+Frankrijk en België niet onbekend, dat de kikvorsch bij aankomst de
+poort gesloten vindt. Maar de slak kruipt er eenvoudig over heen. Te
+Maasland kent men ook het verhaal van het wed_vliegen_, maar vervangt
+er het winterkoninkje door het klein-jantje of boomsluipertje. De
+ooievaar blijft in dit waterland natuurlijk gehandhaafd. In Lapland,
+Finland en Zweden verhaalt men van het wed_zwemmen_ van visschen,
+en ook in Vlaanderen is deze vorm niet onbekend. Zoo weet men b.v. te
+verhalen, dat de schol en de panharing een weddenschap aangingen, wie
+het snelst kon zwemmen. De schol repte zich, wat zij kon. De kleine
+panharing daarentegen vermoeide zich niet, maar zwom zoo gestadig, dat
+de schol ten slotte achterbleef. Toen nu de haring haar voorbijschoot,
+meende de schol te barsten van nijd. Zij beproefde een list en begon te
+roepen: "Panharing! panharing!" en zoo lang schreeuwde zij, tot haar
+muil krom getrokken was: daarom heeft de schol een scheven muil. Hier
+treedt het verhaal dus weer in dienst der natuurverklaring. Zie
+De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 97 vlg.; Boekenoogen,
+in Volkskunde XV, bl. 72 vlg.; Cornelissen en Vervliet, Vlaamsche
+Volksvertelsels, bl. 224.
+
+Waarom roept de duif: "Rookoe, rookoe?"
+
+De ekster wilde een nest leeren bouwen en vroeg de duif om raad. Deze
+had echter niet veel lust, van haar wetenschap mee te deelen. Maar
+de ekster beloofde haar een roode koe, en nu willigde de duif in. De
+ekster leerde het spoedig, maar weigerde de roode koe te geven. En
+daarom roept de duif voortdurend: "Rookoe, rookoe": Driem. Bladen I,
+bl. 71. Wij hebben hier te doen met een geliefkoosd thema. De dieren
+beloven, borgen, ruilen en handelen als de menschen, en bedriegen en
+worden bedrogen als zij. Vooral ook de primitieve ruilhandel speelt een
+groote rol. Zoo verklaart het volk ook gaarne de ongelijkheid in de
+uiterlijke verschijning van twee dieren, die zijns inziens eigenlijk
+niets op elkaar moesten voor hebben: waarom de pauw leelijke pooten,
+de haas lange ooren, de koe hoorns heeft. De dieren, die een staart
+missen, hebben hem geleend en niet terug gekregen.
+
+Waarom is de schol plat?
+
+Adam hield veel van visch, verhaalt men in Friesland. Eens had hij
+een menigte visschen gevangen en op den oever neergelegd. Toen hij
+nu bezig was, de visschen bijeen te verzamelen, kwam hij te vallen,
+want de grond was glad van het slijm der visschen. Hij viel met zijn
+achterdeel midden op een schol, die daardoor geheel plat werd. Adam had
+een broek met nopjes aan, daardoor kreeg de schol vlekjes op de huid,
+zooals men die tot heden toe er nog op ziet. En de schol is sedert ook
+altijd plat gebleven: Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II,
+bl. 137.
+
+Waarom heeft de schelvisch twee bruine vlekken?
+
+Toen Sint Pieter eens in het Galileesche meer schelvisschen ving,
+gebeurde het, dat hij een, die niet in den emmer ging, met duim
+en wijsvinger beetpakte. De indrukken der vingers zijn nog steeds
+zichtbaar.
+
+Waarom lijkt de mier half doorgebroken?
+
+Een herder zette zich eens bij toeval op een mierennest. De mier
+ging klagen bij God en nam de spin tot getuige. Maar deze beweerde,
+dat het niet met opzet gebeurde. Toen werd God boos en sloeg de mier
+met het zwaard midden door.--
+
+Ook in deze verhalen ontbreekt het komisch element veelal niet,
+zooals blijke uit het volgende sprookje, waar ook andere ons reeds
+bekende motieven een plaats vinden.
+
+Waarom heeft de kwakkel geen staart?
+
+De groenvink was herbergierster en hield een bierhuis langs den weg. Op
+Aschwoensdag hadden de kraai, de ekster en de kwakkel zich in de kerk
+een asschen kruisje gehaald, dat na den kerkdienst, naar zij meenden,
+"verdronken" moest worden. Het Leuvensch en de faro smaakten hun bij
+den groenvink zoo lekker, dat zij ten slotte een stuk in hun kraag
+kregen; maar toen het op betalen aankwam, hielden zij zich van den
+doove. De kwakkel, die vroeger een fraaien, langen staart had, wou
+de plaat poetsen, maar de bazin pakte ze bij den staart en hield de
+veeren in haar poot. De ekster, die eerst wit was, kwam in een kolenbak
+terecht; en de kraai, die voorheen evenmin zwart was, vloog door de
+schouw naar buiten en moest zich door het vuile roet heenwerken.
+
+Sedert dien tijd hebben de kwakkels geen staart meer, zijn de kraaien
+en eksters zwart, en herhaalt de groenvink telkens: "Ik wil 't geld
+van mijn bier!" Waarop de kwakkel antwoordt: "Ge hebt het gehad,
+ge hebt het gehad!"
+
+Het ontbreken van lichaamsdeelen wordt dikwijls ook zóo verklaard,
+dat het dier te laat kwam, toen O.L. Heer de staarten, horens
+enz. verdeelde.--Toen de vogels gekleurd werden, verhaalt een
+Westvlaamsch sprookje, en O.L. Heer bij den distelvink kwam, was
+Hij al zijn verven kwijt. Daar stond nu het arme vogelken te klagen
+en te jammeren, zoo dat Ons Heer deernis met het beestje kreeg. Hij
+ging nu van vogel tot vogel, nam van elks veeren een ziertjen af en
+schilderde dat op de veeren van het distelvinkje.
+
+Maar ik mag ook het fraaie sprookje van het roodborstje niet onvermeld
+laten.
+
+Toen O.L. Heer vol pijnen en tormenten aan Zijn kruis hing, zat
+een klein vogeltje op den rand van zijn nest vol medelijden naar
+zijn stervenden Schepper te turen, en bittere tranen liepen uit zijn
+oogskens, toen het de puntige doornen zag. Het vliegt naar het kruis,
+en het gelukt hem éen doorn los te pikken en te rukken.... Op dat
+oogenblik viel een droppel bloed op hem, en verfde zijn borstje rood.
+
+Planten. Het Christelijk element treedt hier sterk op den voorgrond. De
+Mariadistel heeft wit-gevlekte blaren, omdat, toen Maria haar kind de
+borst gaf, daar een druppel melk op viel. De witte hagerozen prijken
+op den heester, waarover Maria op de vlucht naar Egypte de windsels
+van haar kind te drogen hing. Op dezen tocht hoorden Maria en Jozef
+eensdaags de soldaten achter zich en zij verborgen zich haastig in een
+gracht. Daar groeiden biezen, en de biesstengel was onbeschaamd genoeg,
+om het kind in 't oog te durven steken. De kleine Jezus gilde van pijn,
+maar gelukkig hoorden de soldaten het niet. Daarom werd het stekelige
+bies-topje vervloekt, en sedert dien is het dor en als verbrand.
+
+En weer op dezen tocht, zoo dramatisch door het volk uitgewerkt,
+verleenden sommige boomen geen bescherming. Maar wel de palmboom
+en de treurwilg, die nog heden hun takken laten hangen, dewijl ze
+destijds herhaaldelijk de H. Familie als met een ringmuur omsloten
+tegen nakend gevaar. De hazelaar verleende beschutting tegen het
+onweer, en sedert dien heeft hij bliksemwerende kracht.
+
+Hoeveel stof schenkt ook niet de Passie des Heeren! De _Rosa
+rubiginosa_ heeft roode puntjes op de twijgen: die komen van 's
+Heilands bloed bij de doornenkroning. Eveneens werden de mosroos en
+het zevenblad rood geverfd door de bloeddruppels van Christus.
+
+Bij Zijn dood waren alle boomen droef en stil, behalve de esch;
+daarom moet hij thans voortdurend ruischen en beven.
+
+De wilgen, verhaalt men in Noord-Limburg, bersten als zij oud worden;
+en wel, omdat ook Judas berstte, die zich ophing aan een wilgetak.
+
+Over de vossebessen vind ik in ons land deze twee natuurverklarende
+verhalen. Een vroom kluizenaar bad Maria om ooft voor de arme
+bergbewoners. Toen nam zij haar krans af, maakte hem los en strooide
+de stukken over de bergen.--Maar de weetgierigheid van het volk vroeg
+ook opheldering omtrent den kruisvorm der kelkblaadjes. Vandaar het
+verhaal, dat de duivel bij de schepping het verlof kreeg, óok een
+plant het aanzijn te schenken. Hij schiep nu de vossebessen, maar
+vervloekte ze, zoodat ieder, die de vrucht at, hem vervallen moest. God
+nu verhinderde dit, door op iedere vrucht een kruis te plaatsen.
+
+Waarom heeft het viooltje geen geur?
+
+Vroeger was het zóo welriekend, dat het koren vertrapt werd, om de
+bloem te plukken. Dit verdroot haar en ze bad: "Heilige Drievuldigheid,
+ontneem mij mijn geur!" De H. Drievuldigheid antwoordde: "Het geschiede
+naar uw wensch. Maar dewijl gij niet hoogmoedig zijt, zult gij mijn
+naam [19] dragen."
+
+Waarom draagt de Haagwinde (_Convolvulus sepium_) den naam van
+O.L. Vrouweglazeken? [20] In Vlaanderen verhaalt men:
+
+Daar was een keer een voerman. Zijn wagen, die zwaar met wijn geladen
+was, zat diep in het slijk aan eenen slechten eerdeweg versteld,
+en nutteloos zweepte hij zijne peerden om uit den modderpoel te
+geraken. Alle moeite was verloren: voerman en peerden zweetten onder
+den last en de wagen bleef even diep verzonken. Maar Onze Lieve Vrouwe
+kwam daar van passe voorbij gegaan, en den nood van den armen voerman
+ziende, had zij er pijne mede en zij sprak tot hem:
+
+"Ik ben moede en afgemat van gaan, en ik lijde van den dorst, geef
+mij wat wijn te drinken en terstond zoo maak ik uwen wagen los".
+
+"Zeer geern, Lieve Vrouw", antwoordde de voerman, "maar 'k en hebbe
+geen glas om er den wijn in te doen".
+
+Onze Vrouwe en gaf daarop geen antwoord, zij keerde heur om, en trok
+uit de hage een wit met rood gestreept bloemeken af, dat nog al een
+glazeken geleek, gaf het aan den voerman en zei:
+
+"Schenk mij uwen wijn daarin."
+
+De blijde man goot het witte bloemeken boordeke vol en gaf het met
+eerbied aan O.L. Vrouwe.
+
+"God zegene u", zeide hij, "lieve Vrouwe".
+
+En O.L. Vrouwe ledigde het blommeke, en op den zelfsten oogenblik
+stond de wagen vrij en de voerman reisde voort.
+
+'t Is sedert dien, dat men dat bloemeken O.L. Vrouweglazeken heet.--
+
+Ten slotte nog het natuurverklarend sprookje van den vorm der
+sleutelbloem (_Primula Veris_), ook Sint-Pietersleutel geheeten. Ik
+laat het hier volgen in zijn West-Vlaamsche kleedij en vestig de
+aandacht van den lezer op de fijnheid van toon en de naïeveteit
+van lijnen.
+
+Daar was eens een kindje gestorven. Zijn zielke, nog wit als sneeuw
+van onnoozelheid, vloog rechte naar den hemel en 't klopte er aan de
+deur om binnen gelaten te zijn en te gaan spelen met de engelkens,
+zijn broertjes.
+
+Sint-Pieter ontsloot de deur met zijn grooten gouden sleutel en
+deed ze met gerreken open [21]; ja maar, met dat hij zag, met wien
+hij te doen had, trok hij de deur wat wijder open en heette het
+nieuwe engelken welkom in zijnen nieuwen huis. Maar, als hij de deur
+wederom wilde toedoen, ontsnapte de truis goudene hemelsleutels aan
+Sinte Pieter zijne handen en hij viel op de goudene zulle dat 't
+klonk. Maar van de zulle gletste de truis naar beneden en viel een
+dag of twee lang en rolde eindelinge ieverst op't kerkhof van een
+buitenparochie neder. Nauwelijks lagen de goudene sleutels tusschen
+'t gers en de blomkes van 't kerkhof te glinsteren, of daar schoot
+een schoone blomme op, eene blomme die, nog nooit op aarde gegroeid
+noch gebloeid hadde, waarvan de naam zelve niet en bestond.
+
+Nu 't gebeurde, dat er daar 's anderdaags met den vroegen ochtend een
+weezeken kwam naar 't kerkhof, op 't graf van haar onlangs gestorvene
+moeder, versche bloemen strieuwelen en een vurig gebed bidden. Weldra
+had het weezeken die nieuwe blomme in 't oog, die zoo fier en zoo
+mooi te pronken stond; en 't was heel verwonderd van zulk een schoone
+blomme te zien, die er daags te voren niet en groeide; eene blomme,
+die het nog nooit van zijn leven gezien en hadde. 't Ging nader
+en bezag de blomme wat nauwkeuriger, maar wat stond het verbaasd,
+toen het te midden in den bloemenstruik een truis gouden sleutels zag
+liggen, die aan een gouden ringel geschakeld zaten en waarin het woord
+"Hemel" gesneden stond.
+
+De mare van de blomme en de goudene sleutels liep seffens de parochie
+rond, en elders ook nog, en een ieder kwam zien naar die blomme,
+en het volk heette ze _d' Hemelssleutelblomme_, zoo ze nog heet.
+
+Zie Is. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1906,
+bl. 233 vlg., 1907, bl. 170 vlg., 1909, bl. 47; De Mont-De Cock,
+Vlaamsche Vertelsels, bl. 115-124; De Cock, Natuurverklarende Sprookjes
+(Gerit 1912); Joos, Vertelsels I, bl. 37 vlg., Boekenoogen, Volkskunde
+XV, bl. 115, 116.
+
+
+
+2. Op een eigenaardige natuurbeschouwing stoelt ook de
+_volksweerkunde_. Zij is van geslacht tot geslacht overgeleverd
+en mag bogen op een ervaring van vele eeuwen. Vooral landbouwers,
+herders, schippers en visschers, wier gestadig in aanraking komen
+met de natuur het waarnemingsvermogen oefende en tot dieper inzicht
+voerde, verrijkten en verrijken nog steeds hun sociale kringen in
+de allereerste plaats met den schat hunner bevindingen. Ik zeg met
+"den schat", al zal de kultuurweerkunde die uitspraak niet beamen;
+want ook hier is de empirie weer zoo gebrekkig en hebben gevoel en
+fantasie zulk een ruim aandeel in de volkswaardeering! Maar het
+geheel, mèt zijn wetenschappelijke en artistieke bestanddeelen
+en eigenaardige populaire voorstellingen en begrippen, is voor
+ons hoogst waardevol ter bepaling van den volksgeest. Juist het
+populaire in deze "volkswijsheid" na te gaan, is de taak van den
+volkskundige. In verscheiden gevallen schijnt de volksmeening echter
+inderdaad te strooken met de kultuurwetenschappelijke meteorologische
+waarnemingen. Dit heeft vooral betrekking op sommige door het volk in
+den dampkring en bij de hemellichamen aangeduide verschijnselen als
+voorboden van depressie of bestendige heldere weersgesteldheid. Men
+raadplege hierover de studie van Dr. H. Ekama in het Album der Natuur,
+15 Nov. 1907.
+
+Verscheiden weerregels zijn door het volk in rijm gebracht en gaan
+terug op Middeleeuwsche volksboeken; maar deze volksboeken zelf steunen
+toch weer op de overoude primaire, mondelinge overlevering. Het
+dichterlijke ligt echter geenszins in deze kreupelrijmpjes,
+maar in het dichterlijk waas, waarmee de volksgeest de dingen
+omgeeft. Het volk zegt niet, dat het weer gaarne verandert op 25 of
+30 November of op 13 December, maar op Sint Katrijne, Sint Andries,
+Sinte Lucie. Ja, de heiligen worden veelal--zonder mythologischen
+bijsmaak!--voorgesteld als de personen, die het weer verleenen of
+veranderen: "Sint Michiel verbiedt den strooien hoed en de linnen
+kiel";--"Sint Petrus vischt graag";--"Sint Mathijs gooit een gloeienden
+steen op het ijs";--"Sint Leendert voert de vliegen weg" (Limburg)
+enz.--Wil men te Venloo zeggen: "wanneer de wind uit het Westen waait",
+dan luidt dit in den volksmond: "wanneer men de klokken van Blerik
+hoort". Boven de formuleering: "als het met Lichtmis helder weer is",
+verkiest men: "als met Lichtmis de zon op het misboek schijnt". En
+zoo verder: "als 't Kind Jezus geboren is";--"als een balk voor de
+zon ligt";--"als de zon in een nest ligt";--"als de lucht nog geen
+warmte kan verdragen". Van het tijdperk na Driekoningen heet het, dat
+dan de dagen "een hanengeschrei lengen"; en van Apriltje, dat zich
+het epitethon "zoet" ter wille van het rijm moet laten welgevallen,
+zegt men teekenend, dat het "nog wel een vilten hoed geeft". Het volk
+spreekt ook graag van "schaapjeswolken":
+
+
+ Schaapjes aan de hemelbaan
+ Duiden wind en regen aan.
+
+
+Sneeuwt het op Sint Maarten, dan zegt men, dat de heilige "op een
+schimmel komt gereden".
+
+Somtijds heeft het den schijn, of niet het rijm er is ter wille
+van het weer, maar het weer ter wille van het rijm; zoo b.v. in het
+bekende: Sint An_dries_ brengt de _vries_, "Sint Ma_thijs_ breekt het
+_ijs_". Maar in ieder geval wordt in de weerkunde een voorname rol
+gespeeld door den faktor der sympathie, een feit, dat naar ik meen,
+vrijwel aan de aandacht der beoordeelaars ontsnapt is. Evenals men kan
+spreken van een sympathetische geneeskunde (bl. 304), bestaat er een
+sympathetische weerkunde. Het volk ziet een symbolisch verband tusschen
+bepaalde verschijnselen om zich heen en de komende weersgesteldheid,
+alsof deze op magische wijze door bedoelde verschijnselen verwekt
+werd. Ik bepaal mij tot enkele voorbeelden, maar men zal deze zonder
+moeite kunnen vermenigvuldigen. Wanneer wilde ganzen in den vorm eener
+< vliegen, dan beduidt dit Vorst. Wanneer de kwartiermaan achterover
+ligt als in een schuitje, noemt men haar in Friesland een "sleêjager",
+omdat zij een vorst voorspelt, die het ijs sterk genoeg zal maken,
+om er op te rijden met paard en slede.--Ruischt de wind 's avonds
+in het molenbekken, dan zal den volgenden morgen een stevige wind
+waaien.--Als _grijze_ kraaien dicht bij de huizen komen, dan voorspelt
+dit een strengen winter.--Als de zon op Nieuwjaarsdag _schittert_,
+dan beduidt dit een jaar rijk aan visschen (de middelterm is hier het
+"beweeglijke" van zonnelicht en water).-- De begrippen "helder" en
+"vuil", in sympathetisch verband met schoon, droog weer eenerzijds,
+en regen anderzijds, verklaren ook menigen weerregel. Als de ooievaars
+vuil zijn, komt er regen; zijn zij echter zindelijk en helder, dan
+volgt schoon weer.-- Wanneer de poes zich wascht, d.i. helder maakt,
+spelt zij droog weer. Maar het begrip "wasschen" kan ook de gedachte
+aan water opwekken, en daarom dekreteert de volkswijsheid, dat er
+regen komt, wanneer de ganzen zich wasschen. Ook komt er regen,
+als de varkens vuil zijn, d.i. met stroo aan de pooten loopen, en
+als de slakken een kluitje aarde kruien; maar hebben zij een grasje
+op den staart, dan wordt het weer goed. Likt zich de kat tegen het
+haar in, dan komt er onweer.--Als de zon in den kreeft staat, mag
+men geen erwten zaaien, anders worden zij wormstekig; men denke ter
+verklaring van dezen tuinmansregel, uit Duitschland overgewaaid, aan
+de tweevoudige beteekenis van het Duitsche _Krebs_ (bl. 309). Rogge
+moet gezaaid met _wassende_ maan, en daarenboven dient men het zaad
+_hoog_ op te werpen (I, bl. 278, 279).--Is het borstbeen van de gans
+doorschijnend, dan beduidt dit helder weer en vorst. Ook de roode
+vlekken op dit been hebben hunne beteekenis: vlekken op het _voorste_
+gedeelte voorspellen vorst in den _voor_winter, op het _achter_deel
+in den _na_winter. Zoo leidt men ook sympathetisch uit het weer van
+de eerste 12 dagen van het jaar, dus de dagen tusschen Kerstmis en
+Driekoningen, het weer van alle volgende maanden af. Men begint met
+den Kerstnacht; zooals het weder is van den avond tot middernacht,
+is het ook in het eerste vierde deel van Januari; van middernacht
+tot den morgen in het tweede; van den morgen tot den middag in het
+derde; en van den middag tot den avond in het laatste vierde deel
+van Januari. De volgende 24 uur geven het weer voor Februari enz.
+
+Sympathetisch dient ook verklaard te worden de bekende regel, dat
+er regen komt, wanneer padden over den weg kruipen. Immers volgens
+de oude volksopvatting, die men nog in Middeleeuwsche volksboeken
+vindt, ontstaan de padden uit de vochtigheid van den bodem. Met padden
+worden nu, al is het minder vleiend, gelijk gesteld: wannenlappers,
+scharenslijpers enz.; immers, als een scharensliep of een gebochelde
+passeert, zegt men: "de schildpadden kruipen": Driem. Bladen IX,
+bl. 50.
+
+Voor een groot deel verklaart men aldus ook de beteekenis van planten
+en dieren in de volksweerkunde.
+
+
+ Bloeiende boomen tweemaal op een rij,
+ Zal de winter zich rekken tot Mei,
+
+
+immers, een dubbele periode van bloei eischt een dubbele periode
+van rust.--Het knappen van stroo- en riethalmen voorspelt droog en
+dor weer.--Late rozen wijzen op een mooien, zachten herfst.-- Harde
+vruchten als eikels en noten verkondigen een harden, strengen winter.
+
+Bij de voorteekenen in de dierenwereld wordt de schifting der populaire
+bestanddeelen moeilijk. Mooi, helder weer werkt opwekkend niet
+alleen op menschen, maar ook op zoogdieren, vogels, insekten enz.,
+terwijl een bepaalde verandering in de weersgesteldheid ook reeds
+eenigen tijd vooruit haar invloed schijnt te doen gelden. En dus:
+als de kat door 't huis vliegt, de koeien wild door de wei loopen,
+de paarden onrustig zijn, de meeuwen landinwaarts vliegen, komt regen
+of storm. Maar kraait de haan in alle vroegte, en zingt de zwaluw
+des morgens, dan wordt het weer goed. Verder:
+
+
+ Als de kwartel rustloos slaat,
+ Weet: het spoedig reegnen gaat.
+
+ Als de kikvorsch kwaakt,
+ Vast regen naakt.
+
+
+Men dient er echter wel degelijk rekening mee te houden, dat katten,
+hazen, wolven, honden, paarden, raven, kraaien en uilen spook- of
+onweersdieren zijn, wier verschijnen of wier gedragingen dus tot de
+volgende weersgesteldheid in nauwe betrekking staan:
+
+
+ Krassen kraai en raaf verbolgen,
+ Weldra zal er regen volgen.
+
+
+Maar de ooievaar, de geluksvogel, de _heil-över_, brengt een zachten
+winter en mèt zwaluw en leeuwerik, hoog in de lucht, mooi en helder
+weer.--Zooveel slagen als de kwartel in het voorjaar slaat, zooveel
+gulden zal de mudde rogge den volgenden winter opbrengen (Friesland).
+
+Men dient in deze materie ook rekening te houden met het beginsel der
+periodiciteit, waarvolgens het weer gedurende een zeker tijdsbestek
+vast en onveranderlijk blijft. Zulke perioden duren meestal 7 dagen,
+of ook 40, het Bijbelsch getal, geheiligd door het vasten van Christus
+en verder door de periode van de Veertigdaagsche Vasten enz. Regent het
+b.v. op Hemelvaartsdag, op Sint Margriet, op Sint Jan, dan regent het
+nog 40 dagen, of ongeveer zes weken. Zoo ook in het bekende rijmpje:
+
+
+ Donder in het dorre hout
+ Maakt zes weken guur en koud.
+
+
+De maand vormt natuurlijk ook een periode, en hierop zal ten deele
+wel het vertrouwen berusten in het omslaan van het weer met nieuwe
+maan. Verder hebben wij de periode van Kerstmis tot Driekoningen,
+het befaamde tijdperk der _Twaalf Nachten_ (I, bl. 128), dat zelfs
+het weer voor het geheele volgende jaar aangeeft. Het jaar der oude
+Germanen begon immers op 25 December; vandaar:
+
+
+ Is op Kerstmis de hemel klaar,
+ Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.
+
+
+De eerste dag van elk tijdsbestek is beslissend. De kerkelijke
+Paaschtijd eindigde vroeger met Pinksteren; voor de periode van
+Paschen tot Pinksteren is de Eerste Paaschdag dus beslissend: "zooals
+de wind op Paschen waait, zoo waait hij op Pinksteren". Ja zelfs:
+"zooals het zomert, zal het ook winteren".
+
+Ook moet het geheel van een jaar vrijwel een gelijke weersgesteldheid
+bieden als die van andere jaren, oordeelt het volk. Vandaar,
+dat aan de natuur het streven wordt toegedacht, een mogelijk te
+kort aan te vullen, geleden scha weer in te halen. Maar ook wordt
+vroegtijdige zachte weersgesteldheid door koud, onvruchtbaar weer
+gevolgd. Vooral bestaat een vaste verhouding tusschen de maanden
+Maart en April. Eindelijk hebben wij den belangrijken faktor der
+kritische dagen, Friesch: _merkeldagen_, beslissend voor het verder
+verloop van het weer. Zij vallen veelal omstreeks den 24en of 25en
+der maand, waarop allicht de datum van het Kerstfeest van invloed
+was, en nog meer wellicht de 25ste April, Sint Marcusdag, wanneer de
+voornaamste processie gehouden wordt door de velden voor het gedijen
+der vruchten en om onheil af te weren. Maar nog andere redenen hebben
+m.i. meegewerkt. Op 2 Februari, feest van O.L. Vrouwe _Licht_mis,
+was de naam stellig niet zonder invloed. Etymologische invloed is
+ook waarschijnlijk bij het feest der H. Katharina (25 Nov.). Op 25
+Januari, feest van Paulus Bekeering, geldt alleen de datum, zooals ik
+in het Eerste Deel, bl. 151, betoogde,--òf het moest zijn, dat de term
+"bekeering" mede op de vorming van het volksbegrip heeft ingewerkt. Men
+luistere naar het Duitsche rijmpje:
+
+
+ Wenn Paulus sich bekehrt
+ Mit einem Sonnenschein,
+ So hoffen wir ein Jahr
+ Sehr reich an Korn und Wein.
+
+
+Wij hebben trouwens een analogon in Sint Laurentius (10 Aug.), die
+volgens de legende, werd _omgekeerd_ op den gloeienden rooster. De 10e
+Augustus is weer een kritische dag en de volkswijsheid luidt hierbij:
+"Als Sint Laurentius het hoofd goed staat, houden wij mooi weer",
+dus als hij het hoofd naar het licht keert. Op 27 Juni, het feest
+der H.H. Zevenslapers, was het getal 7 weer maatgevend: "als het dan
+regent, regent het 7 dagen of 7 weken aan een stuk". Regent het op
+Sint Maria Magdalena (22 Juli), dan regent het 6 weken aan een stuk;
+zou het _weenen_ van deze heilige hier zonder invloed geweest zijn?--
+
+Volge nu een kort overzicht van den volks-weerkalender, tevens
+landbouw-kalender. Ik begin weer met _Sint Maar-tensdag_ (n Nov.):
+
+
+ Zoo 't loof niet valt vóor Sint Martijn,
+ Dan zal 't een harde winter zijn.
+
+ Is 't donkere lucht op Sint Martijn,
+ Zoo zal 't een zachte winter zijn;
+ Maar is dien dag het weder helder,
+ De vorst dringt door in meen'gen kelder.
+
+ Nevels in Sint Maartensnacht
+ Brengen winters kort en zacht.
+
+
+Men ziet, dat Sint Martijn wel degelijk grooten invloed op het
+komende winterweder en, wij mogen zeggen, daardoor op het geheele
+jaar uitoefent.
+
+_Sint Caecilia_ (22 Nov.). De dag vóor Caecilia geldt bij velen
+als maatgevend.
+
+_Sint Katharina_ (25 Nov.). Als dan de zon schijnt--men denke aan de
+volksetymologie--houden de lange herfstregens op.
+
+In Zuid-Limburg zegt men: "Sint Katrien wörpt de kouwe stein in de
+Rien"; klaarblijkelijk van Duitsche herkomst.
+
+_Sint Andries_ (30 Nov.) brengt de vries.
+
+_Kerstmis_ (25 Dec.). Groene Kerstmis, witte Paschen.
+
+
+ Kerstmis aan den wa
+ Paschen aan den brand.
+
+
+ Zit op Kerstmis de kraai nog in 't klavergroen,
+ Op Paschen zal zij 't in het sneeuwveld doen.
+
+
+ Is op Kerstmis de hemel klaar,
+ Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.
+
+
+_Nieuwjaarsdag_ (1 Jan.). Is het weder helder, dan wordt het jaar
+goed. In Middeleeuwsche volksboeken vindt men deze, heden nog geldende,
+weerregels:
+
+
+ Oostenwind op 1 Januari brengt ziekte onder het vee;
+ Westenwind brengt sterfte onder de koningen;
+ Zuidenwind brengt besmettelijke ziekten onder de menschen;
+ Noordenwind brengt een vruchtbaar jaar.
+
+
+ Geeft Januari muggenzwerm,
+ Dan hoort ge in oogstmaand licht gekerm.
+
+
+ Knapt Januari niet van kou,
+ Men zit in oogstmaand in den rouw.
+
+
+Als in Januari de muggen dansen, dan wordt de boer een bedelaar. In
+Januari ziet men liever een wolf in het veld, dan een ploeg. Het
+motief is dus: "alles heeft zijn gerechtigheid": wat in Januari te
+veel is en buitentijds, dat moet men later bezuren; en dit motief
+wordt herhaald in allerlei toonaarden.
+
+_Driekoningendag_ (6 Jan.)
+
+
+ Als 't Driekoningen is in 't land,
+ Komt de vorst in 't vaderland.
+
+
+_Sint Antonius_ (17 Jan.) brengt ijs of dooi: "Sint Teunis is iês-mêker
+of iêsbrêker", zegt men in Zuid-Limburg.
+
+_Sint Sebastianus_ (20 Jan.). Dan beginnen de boomen uit te
+loopen. Vriest het op Sint Antonius, dan dooit het op Sint Sebastiaan:
+
+
+ Maakt Sint Theunis de brök (brug),
+ Sint Sebastiaan sjleit ze stök.
+
+
+_Sint Vincentius_ (22 Jan.):
+
+
+ Vincentius met zonneschijn
+ Geeft veel koren en veel wijn.
+
+
+_Pauli Bekeering_ (25 Jan.), zie I, bl. 151.
+
+_Maria Lichtmis_ (2 Febr.). Als met Maria Lichtmis de zon op het
+misboek schijnt, dan kruipt de vos nog 6 weken in zijn hol.
+
+
+ Lichtmis donker,
+ Wordt de boer een jonker.
+
+
+ Lichtmis helder,
+ De boer in den kelder,
+
+
+of:
+
+
+ Lichtmis helder en klaar
+ Geeft een goed ijmenjaar.
+
+
+ Geeft Lichtmis klaverblad,
+ Paschen dekt met sneeuw het pad.
+
+
+_Sint Pieter-in-den-Winter_ (22 Febr.). Vriest het dien dag, dan
+vriest het nog 14 (of 40) dagen.
+
+_Sint Mathias_ (24 Febr.) breekt het ijs, of ook: gooit een gloeienden
+steen op het ijs.--
+
+
+ Februari mist,
+ Hooi in de kist.
+
+
+_Sint Geertrui_ (17 Maart). Een Zuid-Limburgsch rijmpje luidt:
+
+
+ Sint Mathies
+ Wörpt eine gleuetige sjtein op 't iês;
+ Sint Gêëtruuj mit de moes [22]
+ Hoalt um weer droes.
+
+
+Maart moet 7 mooie dagen geven.
+
+
+ Stof in Maart
+ Is goud waard.
+
+
+ Maart
+ Speelt met zijn staart.
+
+
+ Wat Maart niet wil,
+ Haalt zich April.
+
+
+April kent geen kritische dagen; immers:
+
+
+ April
+ Doet wat hij wil.
+
+
+of:
+
+
+ Heeft zijn gril.
+
+
+ Een droge Maart en een natte April,
+ Dan doet de landman wat hij wil.
+
+
+ Maart droog en April nat
+ Geeft veel koren in het vat.
+
+
+ Danst het lammetje in Maart,
+ April vat hem bij den staart.
+
+
+ April is aan Mei de korenaar schuldig.
+
+
+_IJsheiligen_: Sint Mamertus (11), Pancratius (12) en Servatius (13),
+of: Sint Pancratius, Servatius en Bonifacius (14). Deze feesten vallen
+omstreeks den tijd der koude meidagen, waarvoor ik verwijs naar een
+opstel van B. van Hage, in Vragen van den Dag XIX, bl. 23. Bedoelde
+daling der temperatuur wordt ook de _haagdoornkoude_ genoemd, omdat
+dan gewoonlijk de haagdoorn of de meidoorn bloeit. Maar deze depressie
+is van korten duur, want: "Strenge heeren regeeren niet lang". Over de
+groeikracht van den Meiregen sprak ik reeds I, bl. 192. Een Vlaamsche
+weerregel zegt:
+
+
+ Als de Mei is koel en wak,
+ Brengt zij veel koren in den zak.
+
+
+Begint in Mei het koren in de aren te staan, dan kan het tegen Sint
+Jakob gemaaid worden; Zuid-Limburg:
+
+
+ Mei ore
+ Sint Joacop kore.
+
+
+_Sint Medardus_ (8 Juni). Regent het dezen dag, dan regent het nog
+40 dagen. Vooral in Vlaanderen staat deze heilige als "regen-heilige"
+bekend. Maar men rekent ook met de "Zwertzusters", 14 dagen na Paschen.
+
+_Sint Jan_ (24 Juni). Als met Sint Jan de linde bloeit, is tegen
+Sint Jacob de rogge rijp.--Vóór Sint Jan moet men om regen bidden,
+na Sint Jan komt hij van zelf. "Deze meening staat in verband met de
+werkelijkheid", schrijft Van Hage; "zooals wij weten zijn de maanden
+Juli en Augustus gemiddeld de regenrijkste maanden in Nederland."
+
+
+ Na Sint Jan
+ Neemt de zee het onweer niet meer 'an.
+
+
+(Spijkenisse op Putten).
+
+Met Sint Jan bloeit het vlas, al is het ook maar een hand lang.
+
+_Sint Pieter_ (29 Juni).
+
+
+ Sint Pieter helder en klaar
+ Is een goed ijmenjaar.
+
+
+ Met Sint Pieter rijpt het koren dag en nacht.
+
+
+_Marie-Siêp_ (_Visitatio._ 2 Juli), meer bepaald in Limburg bekend,
+waar _siêpen_ "druipen, druppelen" beteekent. Regent het op dezen dag,
+dan regent het nog 40 dagen.
+
+_Sint Margriet_ (20 Juli). Regent het op Sint-Margriet, dan regent
+het nog 6 weken aan een stuk; regent het dien dag niet, dan regent
+het 30 dagen niet. Maar gewoonlijk is het regenachtig: "Sint Margriet
+houdt haar water niet".
+
+_Maria Magdalena_ (20 Juli) is, zooals gezegd, eveneens een kritische
+dag.
+
+_Sint Jacob_ (25 Juli).
+
+
+ Met Sint Jacob en Sint An (Anna, 26 Juli)
+ Is 't koren in de schuur of in den ban (gebonden).
+
+
+_Sint Dominicus_ (4 Aug.).
+
+
+ Als Sint Dominicus gloeit,
+ Een strenge winter bloeit.
+
+
+_Sint Laurentius_ (10 Aug.).
+
+
+ Sint Laurens' wind
+ Maakt de boekweit blind.
+
+
+ Wie knollen wil eten,
+ Moet Sint Laurens niet vergeten
+
+
+_Maria Hemelvaart_ (15 Aug.).
+
+
+ Is 't weer op Maria-Hemelvaart uitgelezen,
+ Zoo zal 't den heelen herfst voortreffelijk wezen.
+
+
+_Sint Bartholomaeus_ (24 Aug.) bindt de spurrie den zak toe.
+
+Wat Augustus niet kookt, laat September ongebraden.--Maar in September
+en Oktober neemt de belangstelling in het weer af. Dat ligt voor de
+hand. Want niet alleen vertoont het weer dan minder schommeling, maar
+er treedt voor den landman een rustperiode in na de groei-, bloei-
+en oogstmaanden. Het koren en hooi is meestal binnen, de landman weet
+dus, wat hij van het jaar te denken heeft. De weersgesteldheid is
+voor hem hoogstens nog van belang met het oog op het volgende jaar,
+en zoo luidt het dan b.v.: "Vorst in September, een zachte December",
+overeenkomstig het beginsel der gelijkmatigheid-in-doorsnede.
+
+De eenige kritische dag is _Sint Michielsdag_ (29 Sept.), dien men
+als het begin van den voorwinter beschouwt. "Sint Gilis verbuut den
+ongere en den achterongere", zegt de Zuid-Limburger:
+dan houden de namiddagslaap en de namiddagboterham op. De zonnige
+dagen omstreeks dezen tijd zijn bekend als de Sint Michielszomer.
+
+Ook in Oktober wordt de belangstelling zoo goed als uitsluitend door
+het nakende winterweer geboeid.
+
+
+ Oktober met groene blaâr
+ Duidt een strengen winter aan.
+
+
+Oktober moet eveneens enkele mooie dagen geven, 12 in het geheel, den
+"kranenzomer", daar in dien tijd de kranen overvliegen. En eindelijk op
+_Allerheiligen_ (1 Nov.), of rond dien datum, mòet de zon eenige dagen
+schijnen, evenals zij enkele uren ter eere van Maria door de wolken
+moet breken op Zaterdag. Het volk spreekt van een "Allerheiligen"-
+of "Oudewijven-zomer."
+
+Wanneer op 1 November de zon schijnt, dan is een open winter te
+wachten; vriest het, dan is het ijs sterk op Kerstdag; en
+
+
+ Als het met Allerheiligen sneeuwt
+ Leg uw pels gereed
+
+
+Met al zijn weerregels berust ons volk echter met kalme gelatenheid
+in Gods beschikking; immers:
+
+
+ De mensch maakt den kalender, maar God het weer.
+
+
+en:
+
+
+ Alle weer is Gods weer.
+
+
+Zie: Ekama en Van Hage, t.a.p.; N. L. Van Hall, Spreekwoorden
+enz. betreffende landbouw en weerkennis; Welters, Feesten enz.,
+bl. 116 vlg.; Limburg's Jaarboek VII, bl. 171, XVI, bl. 228 vlg.;
+Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 91; Dijkstra, Uit Friesland's
+Volksleven II, bl. 244.
+
+
+
+IV. Plantlore.
+
+
+Hoog-poëtisch kiest het volk de bloem als zinnebeeld van tal
+van afgetrokken begrippen en verplant ze naar de lustwarande
+der symboliek. Symboliek is kunst, geen wetenschap; maar de
+plantensymboliek heeft het volk opgebouwd op zijn natuurbeschouwing,
+en daarom vindt zij hier een plaats.
+
+Of is het symbool niets anders dan een rudimentaire vorm van idolatrie
+of fetissisme? Zeer zeker, de plant-fetis kàn symbool worden, en niet
+zelden is uit den fetis, zooals Tiele zegt, "door de macht der poëzie
+en der beeldende kunsten een rijke symboliek ontloken". Maar evenmin
+als ik inzie, waarom onze Driekleur het fetissisme als noodwendig
+uitgangspunt of doorgangsstadium moet gehad hebben, evenmin kan
+ik in onze bloementaal slechts veredeld animisme zien. Stokrozen
+en zonnebloemen ranken òp langs de muren als de zinnebeelden der
+vruchtbaarheid; de onverwelkbare driedistel (_Carlina vulgaris_)
+prijkt in onze duinen als het beeld van trouw en vriendschap;
+de maagdepalm (_Vinca minor_) beeldt uit de onsterfelijkheid,
+omdat de leerachtige bladeren vele jaren leven: men plant haar
+dan ook gaarne op de graven, mèt de witte roos, opgegroeid uit de
+tranen van Maria Magdalena,--symboliek en legende gaan hier hand
+in hand. Rouwboomen zijn de taxis en de cypres, dewijl de winter
+haar nimmer ontbladert. Een wereldtaal spreken de roos, de lelie,
+de narcis, het viooltje, de mirt, de laurier, de goudsbloem: met
+haar wit, geel, groen, rood, en blauw zeggen zij uit de taal van het
+eenvoudige menschenhart, vertolken zij zuiverheid, liefde, trouw,
+hoop en zegepraal. Een wereldtaal spreekt ook het Edelweiss, maar voor
+den Nederlander is toch vooral de mooie inheemsche brem (_Sarothanmus
+vulgaris_) met haar groote goudgele bloemen het zinnebeeld van trouw
+en vriendschap.
+
+Voor de schilderachtige _volksnamen_ der planten is meestal de
+uitwendige vorm maatgevend; bij de vergelijking worden natuurlijk
+volksgebruiken en opvattingen betrokken. Aldus werden gedoopt de
+koningskaars, toortsplant of hemelbrand (_Verbascum Thapsus_), de
+voornaamste plant van den ruiker, die op Maria Hemelvaart wordt gewijd
+(I, bl. 205); de gouden regen (_Cytisus Laburnum_) en de blauwe regen
+(_Glycine sinensis_) met haar sierlijke, hangende bloemtrossen;
+de monnikskap (_Aconitum Napellus_), ook wel stormhoed genoemd;
+de Judaspenning (_Lunaria biennis_), omreden van de cirkelronde,
+heider-glanzende witte tusschenschotten van de hauwtjes; de
+Jacobsladder (_Polemonium coeruleum_), in de tuinen gekweekt, maar
+toch ook hier en daar in het wild bloeiend; het drakenbloed (_Dracaena
+Draco_) om het roode hars, dat uit den stam vloeit. Benamingen als
+pijpbloem (_Aristolochia Clematitis_), lepeltje-heide (_Vaccinium
+macrocarpon_), sneeuwbal (_Viburnum Opulus_), kardinaalsmuts
+(_Evonymus europaeus_), pantoffelplant (_Calceolaria_), rozenkransje
+(_Gnaphalium dioicum_) zijn zonder meer duidelijk. "Vogelnest" is
+een der benamingen van de gewone peen (_Daucus Carota_), wier scherm
+tijdens den vruchttijd eenigermate vogelnestachtig is verdiept;
+schilderachtig is nog de term waterkruik voor de witte waterlelie
+(_Nymphaea alba_), "de koningin onzer waterplanten, de Victoria regia
+van Nederland" (F. W. van Eeden).
+
+Natuurlijk zijn zulke benamingen veelal ook zuiver plaatselijk. Zoo
+heeten b.v. de rooskleurige orchideeën (_Orchis maculata_) op de
+Veluwe "kinderhandjes", naar den vorm van haar hand- of vingervormige
+wortelknollen; in Vlaanderen noemt men ze naar den bloemvorm
+"gaapmuilkes".
+
+Een diernaam draagt de plant ofwel van wege de gelijkenis
+met het een of ander lichaamsdeel, of omdat men gelooft, dat
+het dier zich met die plant voedt. Dit is het geval b.v. met
+de namen hertshooi, hertstong;--hanekam, hanepoot;--bereklauw,
+berenoor;--koekoeksbloem, koekoeksklaver, Vlaamsch: koekoeksjakker
+of koekoekszuring (_Oxalis stricta_);--muggepoot;--muizegerst;
+--eiberbek, eiberbloem;--wolfsklaver, wolfspoot;-- ganzetong,
+ganzedistel en ganzerik: de _Potentilla anserina_, wier gevinde,
+zilverwitte bladen zoo treffend aan ganzevoeten herinneren. Dat
+de gans een voorname rol speelt in de botanische volksnamen,
+kan ons niet verwonderen, wanneer wij letten op de plaats,
+die zij in het volksleven inneemt; zij was immers een Saksisch
+stamdier (I, bl. 115). Laat ik verder nog vermelden de namen:
+boksbaard, kraaienpooten, lammetjesooren, lijsterbes, hazengerwe,
+katteklauwen;--adderstong, ossetong, zwaluwtong;--paardestaart,
+kattestaart, vossestaart, visschestaart;--paddegras, nachtegaalskruid,
+rupsklaver, vogelkers;--Vlaamsch: schaapmuilkes (_Linaria vulgaris_),
+schapenbloem, schapenoor. Deze laatste plant draagt ook den naam van
+limoenkruid (_Statice Limonium);_ van haar is gezegd, dat zij, groeiend
+op den jeugdigen, uit zee opgerezen grond, het schoonste beeld is
+van den nationalen geest van ons volk; daarom moge ieder rechtgeaard
+Nederlander haar als zoodanig liefhebben. Ook het adelaarsvaren
+(_Pteris aquilina_) groeit veel op onze veenachtige heide- en
+boschgronden en hangt in sierlijke bochten over het water. Snijdt men
+den bladsteel aan den voet schuin door, dan vormen de doorsneden der
+vaatbundels een teekening, die aan een dubbelen adelaar herinnert.
+
+De margriet (_Chrysanthemum Leucanthemum_) noemt men in Vlaanderen
+plaatselijk "paardenoogen", getroffen als het volk is door de
+gelijkenis van de bloem met de groote oogen van het paard; zie
+Volkskunde XXIV, bl. 205. De naam "paddenstoel" is eigenlijk een
+uitzondering. Maar in Zuid- en Midden-Limburg wordt deze zwam weer
+als voedsel beschouwd, al is het niet van een dier: men spreekt daar
+nl. van _tatervleisch_ of _joedevleisch_, terwijl de aan "paddenstoel"
+beantwoordende uitdrukking _kroddelstool_ slechts zelden wordt
+gehoord. _Tatervleisch_ blijft het gewone. Wanneer de jongens met
+knikkers spelen in het ootje of met centen op de streep, zonder dat er
+verloren of gewonnen wordt, als het dus voor niets gaat, dan drukken
+ze dat uit door te zeggen: "'t Geit om tatervleisch".--Waarom
+het _Echium_ den naam van slangenkruid draagt, is niet geheel helder;
+sommigen zien de gelijkenis in de vrucht, anderen aan den wortel,
+weer anderen aan de bloem zelf.
+
+Sprekend en veelvuldig wordt de bloem vergeleken met een klok. De
+_Campanula rotundifolia_ is in Noord-Nederland als grasklokje--in
+Vlaanderen kloksken of belleken--, andere soorten als weideklokje,
+bekerklokje enz. bekend. En is hij niet verrukkelijk de naam,
+dien het volk aan de knollige steenbreek (_Saxifraga granulata_)
+geeft, een der fraaiste plantjes, die in het voorjaar de omstreken
+der Spaarnestad, maar vooral den Hout, sieren met haar groote, witte
+bloemen,--de naam van "Haarlems klokkespel"? De benaming "steenbreek"
+wijst op de hardheid van het zaad, of op hare vermeende geneeskracht
+bij blaassteen, wellicht ook op het feit, dat zij veelal groeit op
+steenharden bodem.
+
+Een plant, nauw verwant aan het lelietje-van-dalen, is het
+salomonszegel (_Polygonatum officinale_), rond Haarlem ook wel
+kankerwortel genoemd. De vleezige worteltak draagt aan de bovenzijde de
+litteekens van in vroegere jaren afgestorven stengels, die eenigszins
+op zegelafdrukken gelijken.--Andere bloemen noemt men naar den
+bloeitijd, b.v. de pinksterbloem, terwijl de wilde narcis den naam van
+tijloos draagt, daar zij vroeg in het voorjaar met haar groote, gele
+trompetbloem zich blijkbaar niet aan den gewonen bloeitijd stoort. [23]
+Zij heet ook sporkelle, wat wel met den ouden naam van Februari
+"Sporkelmaand" samenhangt. Eindelijk, naar haar waarde noemt het volk
+de _Erythraea Centaureum_ het duizendguldenkruid, een term die echter
+op onjuiste woordafleiding steunt. Koningskaars, monnikskap, sneeuwbal,
+rozenkrans, hanekam, berenoor, eiberbek, addertong, vossestaart,
+klokkespel--ziedaar doorgaans de plantensystematiek van het volk.
+
+Ook hier ontbreekt het komisch, ja sarkastisch element niet. "Slofhak",
+d.i. slordig wijf heet te Markeloo het _Anthoxanthum Puelii_, een
+nieuwe aankomeling uit zuidelijker streken, dat al spoedig op de
+roggevelden een lastig onkruid is geworden. "Mannentrouw" is de naam
+van een distel, _Cirsium eriophorum_, wier slappe, onvaste stengel
+in den herfst eindelijk doorbreekt, zoodat het bloemhoofdje ten
+speelbal der winden wordt. Spijtige wrok spreekt uit "woerthaak" en
+"prangwortel", waarmee de landlieden de _Ononis spinosa_ aanduiden,
+de plant die met haar wijdvertakte wortel het ploegen belemmert. Tegen
+deze kantige en zinrijke benaming steekt het onbeduidende "stalkruid"
+der kultuurtaal ongunstig af.
+
+Het geloof in de tooverkracht der kruiden is voor een groot deel reeds
+bij de volksgeneeskunde besproken. Zij verdrijven den ziektegeest
+veelal door sympathetische werking. Vandaar dat b.v. het Sint
+Janskruid (_Hypericum perforatum_) ook _Jaag den Duivel_ genoemd
+wordt. Vóor zonsopgang geplukt, behoedt het tegen den bliksem en
+wordt het aangewend tegen branden en kwalen. Ook van den vlierstruik
+weten wij, dat hij de heksen afweert en daarom gebezigd wordt, als de
+melk onvoldoende is of niet wil boteren en eveneens tegen verscheidene
+kwalen. Hangt het Duitsche _Hollunder_ met Vrouw _Holle_ samen en heeft
+eenzelfde volksgeloof, dat Holda tot meesteresse maakte over leven en
+dood, haar den vlierboom gewijd? Immers, de levensroede (I, bl. 116)
+is eveneens meestal van vlierhout en wordt vooral buiten onze grenzen
+herhaaldelijk in verband gebracht met leven en dood. Wat hiervan zij,
+ik acht het volksgeloof, dat met den vlierstruik is samengegroeid,
+te intens om sekondair, d.i. slechts heidensch bezinksel te zijn. Hij
+is ook bij uitstek een huisboom, welks herkomst in een geheimzinnig
+duister ligt. In het wild vindt men hem nergens dan juist in de
+nabijheid van menschelijke woningen. Maar ook: nauwelijks heeft de
+landman ergens een huis gebouwd, of de vlier staat op het erf. Ja,
+men stelt er prijs op, met name in de Woudstreken, dat hij vlak tegen
+den gevel van het huis groeit, aan een hoek of tusschen de ramen.
+
+Wonderbare eigenschappen heeft ook het elzenhout. De bast in
+wijn gekookt geldt als een uitstekend middel tegen de werking van
+liefdedranken; takjes er van, in den grond gestoken, verdrijven de
+mollen; de bladeren, nog nat van den dauw in de kamer gestrooid,
+dooden de insekten. Toch is de els geen volkslieveling; daarvoor is
+zijn bast te zwart en zijn de bladeren te donker van tint. Lichte, ja
+schrille kleuren zijn het volk lief; wij zagen het bij het dekoratief
+der volkswoning. Vandaar, dat het valkruid (_Arnica montana_)
+zoo zeer in gunste staat, het sieraad onzer flora, vooral van de
+Zuid-Limburgsche heuvelstreek, met zijn stralende oranjebloemen. Het
+volk noemt deze plant ook wondkruid, heilige Vrouwenkruid en wolverlei,
+een raadselachtig woord. Het Duitsche _Wohlverleih_ is een niet
+onaardige volksetymologische vervorming. Daarentegen schijnen de
+Oostfriezen in hun _Wulfsblöme_ vrijwel het oorspronkelijke, n.l. een
+betrekking van de bloem tot den wolf, bewaard te hebben, waarop ook de
+latinizeering _wolfilegia_ wijst; zie ook F. Söhns, Unsere Pflanzen
+(Leipzig 1899), bl. 123. Vermelden wij ten slotte het ijzerkruid of
+ijzerhard (_Verbena_). De naam wortelt in het volksgeloof, dat dit
+kruid uitermate geschikt is tot het harden van ijzer. Ook beveiligt
+het tegen beten van slangen en dolle honden, en in den nacht van Sint
+George (23sten April) wijst het schatten aan.
+
+Volksnamen en volksgeloof in de plantlore hebben in belangrijke mate
+den invloed ondergaan van het Christendom. Na al hetgeen ik in het
+Eerste Deel, bl. 70 en elders, heb betoogd: hoe bij de invoering
+van het Christendom de volksverbeelding attributen van goden en
+godinnen op Christus en de heiligen overdroeg; hoe menige heidensche
+overlevering op den satan is overgedragen; hoe wij herhaaldelijk in
+het hedendaagsche folklore stooten op Christelijk-getinte overblijfsels
+van het geloof aan Wôdan en zijn kring,--na dit alles behoeft het lot
+van het aanzienlijk aantal planten, voorheen aan Wôdan, Donar, Frija
+e.a. gewijd, wel geen nadere toelichting. Het geldt hier de vermenging
+der historisch-heidensche laag met Christelijke bestanddeelen. Dat wij
+ook met Christelijke, van de Germaansche mythologie onafhankelijke
+formaties te doen hebben, bewijzen benamingen als Judaspenning,
+Jacobsladder enz., maar ook zoo menige specifiek-Christelijke
+legende. Nochtans in de meeste gevallen konstateeren wij kerstening.
+
+Op oude muren bij Maastricht groeit het Venushaar (_Adiantum
+capillus Veneris_), door het volk Vrouwehaar, in het buitenland
+Mariahaar genoemd; naar men weet beantwoordde de Germaansche godin
+Frija-Frigg aan de Romeinsche Venus, men denke ook aan de Venusbergen
+(I, bl. 91). Het Frigjargras werd Vrouwegras, en elders Mariagras,
+het aan Frija als godin der geboorte heilige _Asperula odorata_ kreeg,
+zooals gezegd, den naam van Onze Lieve Vrouwe-bedstroo, zoogenaamd
+omdat Maria haar kind er op nedervlijde. Het _Labrum Veneris_ kreeg
+den naam van Onzer-Vrouwedistel en Mariadistel, het _Cypripedium_,
+de schoen der Venus Cypria, heette voortaan Onzer-Vrouweschoentje, en
+zoo volgde Maria in de volksverbeelding herhaalde malen de Germaansche
+godin Frija op. In de benamingen Maria-, Onzer-Vrouwe-, O.L. Vrouwe-,
+Vrouwe- ligt geen verschil, aangezien Vrouwe hier zonder twijfel de
+beteekenis van "meesteres" heeft. Volgens de legende waren de bladeren
+van de Mariadistel oorspronkelijk groen en kregen zij hun melkwitte
+kleur, doordat de plant een droppel van Maria's moedermelk opving. De
+O.L. Vrouwemantel (_Alchemilla vulgaris_) met haar zacht-geplooide,
+ronde, gelobde bladen, als een geplooide pelerine met franje, herinnert
+volgens W. F. van Eeden aan het manteltje van Nehalennia. Meer
+overeenkomst vind ik in de mantelvormig saamgeplooide blaren met
+den mantel van Maria, dien zij om haar beschermelingen heenslaat,
+zooals dit vaak in de Middeleeuwsche kunst is voorgesteld.
+
+Hiermee is echter Maria's bloemenkleeding niet voltooid. Het volk kent
+nog Onzer-Vrouwenhandschoen (_Aquilegia vulgaris_), en in Vlaanderen:
+Onzer-Vrouwekouseband, Onzer-Vrouwesnoeren, Onzer-Vrouwevoorschoot,
+Onzer-Vrouwevingerhoed, Onzer-Vrouwekam, Onzer-Vrouwesleutelbos,
+Onzer-Vrouwespiegel enz., waarover Teirlinck, Vlaamsche Kunstbode XXXVI
+(1906), bl. 390 vlg. De benaming zonnedauw (_Drosera_) wijst, zooals
+wij zagen (bl. 299), op de druppels helder vocht, die de blaadjes
+omzoomen en ook bij zonneschijn niet uitdrogen. Dit geheimzinnige
+vocht, dat de klierharen afscheiden, heeft de natuuronderzoekers van
+voorheen heel wat hoofdbrekens gekost. De alchimisten zochten daarin
+de grondstof van hun goudtinktuur en van den drank, die de eeuwige
+jeugd verleent. In heidensche tijden hield men het voor de tranen,
+door Frija geweend over het vertrek van haar gemaal, en de Christelijke
+volksfantasie heeft deze in Mariatranen herdoopt. Maar de benamingen
+Mariasleutel (_Primula veris_), O.L. Vrouwehandeke (_Orchis_),
+Onzer-Vrouwemelkkruid of Onzer-Vrouwespeen (_Pulmonaria_), evenals
+Onzer-Vrouwevlas, O.L. Vrouweoogen, O.L. Vrouweglazeken, Mariaklokje,
+Mariakaars, Maria's-kussen, Maria's-zegel, Maria's-goud, Mariazwaard,
+Maria's-bosch en vele andere beschouw ik als zuivere Christianismen,
+zonder substraat in het heidendom.
+
+Specifiek-Christelijk is ook de volkssymboliek, op fantastische
+natuurbeschouwing gegrondvest, die in de onderscheiden plantdeelen
+der Passiebloem (_Passiflora coerulea_) de martelwerktuigen des
+Heeren ziet: de nagelen, doornenkroon, kelk, lans, geeselriemen. De
+_Lychnis coronaria_ heet in Vlaanderen plaatselijk Christusoogen;
+de _Capsella bursa pastoris_ O.L. Heerenageltjes; de _Orchis_
+O.L. Heereteentjes. Verrukkelijk is de Antwerpsche benaming der
+witte haagwinde (_Convolvulus sepium_): Onze-Heerenhemdeken, of
+Hemdeken-zonder-Naad.
+
+De herinnering aan Donar, den Jupiter der Germanen, bewaart ons
+donderkruid (_Sempervivum tectorum_), voorheen ook _Barba Jovis_
+geheeten, in Zwitserland nog _Joubarbe_, bij ons donderbaard. Naar men
+weet, is het woord _Donder_ ook voor den satan in gebruik. Den naam
+duivelsnaaigaren dragen een drietal planten, vooral echter het warkruid
+(_Cuscuta_). Neemt men echter in aanmerking, dat deze plant dikwijls
+een zeer schadelijk onkruid is op de vlaslanden, dan kan deze benaming
+evengoed als een zuiver Christianisme worden beschouwd. Hetzelfde
+geldt voor de duivelsbeet (_Succisa pratensis_), maar lijkt bedenkelijk
+voor den duivelsklauw (_Valeriana_), het heksenkruid bij uitstek.
+
+Met zijn donkergroene, groote, teedere bladeren en witachtige bloemen
+in slanke trosjes prijkt het Stevenskruid (_Circaea lutetiana_)
+in de oudste bosschen van Holland, prijkte het eertijds in het thans
+uitgeroeide Beekbergerwoud bij Apeldoorn, een van de oorspronkelijkste
+bosschen van Nederland. Deze naam "Stevenskruid"-- _Circaea_ hangt
+natuurlijk met de nimf Circe samen--is daarom zoo merkwaardig,
+dewijl Sint Stefanus, beschermheilige der paarden, ook enkele
+trekken van den een of anderen Germaanschen god heeft overgenomen;
+zie hierover I, bl. 134. Stellig beschouwde men deze plant vroeger
+als een tooverkruid. Of de benaming "Satans-(pijp)zwam" (_Boletus
+Satanas_) in het heidendom wortelt, zou ik echter weer betwijfelen;
+het lijkt mij veeleer een dichterlijke vertolking der duivelsche
+schoonheid van dezen zeer giftigen paddenstoel, met zijn gloeiend
+rooden hoed, aan het bovenvlak venijnig zilverwit.
+
+In de Limburgsche bosschen vindt men het Kristoffelkruid (_Actaea
+spicata_). Het verschaft toegang tot onderaardsche schatten en wapent
+tegen allerlei booze invloeden. Het volksgeloof wijdde de plant aan
+Sint Kristoffel, wiens legende veel overeenkomst vertoont met het
+Noorsche verhaal, hoe Loki door Thor over de reuzenrivier gedragen
+werd, welke het doodenrijk omgeeft. Want het doodenrijk is het
+rijk der schatten. Maar de koningin der tooverkruiden is de alruin
+(_Mandragora_), ook heksen- en tooverkruid en, met volksetymologische
+vervorming, mandragerskruid genoemd. Nog wordt door het Duitsche
+_zuraunen_ geheimzinnig fluisteren verstaan. De alruin nu bloeit in
+den heiligen en mysterievollen Kerstnacht.
+
+Ook het _Visciim album_, de _mistletoe_ der Engelschen, de "sacred
+bush" van Tennyson, vertoont sporen van kerstening; het is immers
+de heilige plant van het Kerstfeest, reden, waarom zij in België
+plaatselijk (b.v. te Pepingen) "kesthout", d.i. kersthout genoemd
+wordt. In Nederland vindt men de plant uitsluitend in Limburg,
+woekerend op appel- en pereboomen, eiken en populieren. Bij de Druïden,
+die haar telken jare, des winters, met een gouden sikkel van den
+heiligen boom afsneden, stond zij hoog in eere; den Noorschen lichtgod
+Balder strekte zij ten verderve. De gewone naam bij ons is vogellijm of
+marentak, vgl. I, bl. 76. Vanwaar deze benaming? Het Zuidduitsche _Mar
+des Baums_ zou kunnen wijzen op een drukken van den boom, evenals de
+mare den mensch drukt. Toch komt deze verklaring voor de _algemeene_
+benaming mij te gekunsteld voor. En vanwaar de naam "mistel", het
+Oudhoogduitsche _mistil?_ Raadselachtig, evenals de herkomst der
+plant raadselachtig was voor de Oude Romeinen, die dachten, dat zij
+geteeld werd zonder zaad, en zonder zaad werd voortgeplant, gelijk
+Vergilius getuigt. In de Middeleeuwen gold zij als het symbool van
+den Messias: de bloem, uit den hemel neergedaald en vrucht dragend
+op den kruisboom; zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 249; Is. Teirlinck,
+Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode XXXIV (1904), bl. 69, vlg.
+
+Ten slotte wensch ik nog de aandacht te vestigen op het feit, dat
+de planten, die heiligennamen dragen, alle tot een _volks_heilige
+in betrekking staan; ik noem slechts: Sint Janskruid, -varen,
+-kers, -brood (waarmee Johannes de Dooper zich in de woestijn zou
+gevoed hebben), -peren enz.; Sint Jozefskruid; Sint Pietersbloem,
+-kruid, -pluimken, -lelie, -hout enz.; Sint Jakobskruid, -lelie;
+Sint Katrijnsbloem; Sint Kristoffelkruid; Sint Teunisbloem; Sint
+Joriskruid; Sint Michaëlsbloem; Sint Luciakers. Zoo dit noodig ware,
+zou deze bijzonderheid voldoende zijn om te bewijzen, dat het doopen
+en herdoopen der planten inderdaad door het Christelijke _volk_
+is geschied.
+
+Onze flora is het trouwe beeld van de voortbrengselen van onzen
+Nederlandschen volksaard.
+
+Had de plant een nationaal karakter uit zich zelve, dan zou Nederland
+geen eigen flora hebben, want er groeit in ons land zoo goed als
+geen soort, die niet ook in andere landen gevonden wordt; maar
+bodem en standplaats hebben een nuanceering en groepeering gekweekt,
+die onzen plantengroei een beslist-nationaal karakter geeft. En zoo
+verschillen ook onze Nederlandsche volksgebruiken, gewoonten, feesten,
+opvattingen, zegswijzen, liederen en verhalen niet wezenlijk van die
+van andere volken, met name van die onzer Germaansche stamgenooten:
+noch in het intieme heiligdom der huiselijkheid, noch in het bonte
+gemeenschapsleven met zijn grillige verscheidenheden treffen wij
+diepgaande verschillen, en slechts zelden stoot men op een verrassende
+nieuwvorming. Ja, in tal van gevallen kunnen wij het exotische
+leengoed aanwijzen, en den weg vervolgen, dien liederenmotief, melodie,
+sagenstof of volksgebruik hebben afgelegd. Berust een onzer schoonste
+volksliederen, dat van de Twee Koningskinderen, niet op een "vreemde"
+kultuurbewerking eener "vreemde" sagenstof?
+
+Maar rasvermenging tot een bepaalde verhouding, en meer nog
+gemeenschapsgevoelens van historischen, religieuzen, politieken
+en socialen aard, gemeenschappelijke invloed van traditioneele
+levenswijze, klimaat en gesteldheid des bodems,--dit alles schiep een
+milieu, dat op ons volkswezen een geheel eigenaardig kenmerk drukte en
+het stempelt tot het volkswezen van Groot-Nederland. Laat ik slechts
+wijzen op onze schilderachtige kleederdracht, onze karakteristieke
+huistypen, op de eigenaardige tint onzer volksfeesten met hun
+voorliefde voor opgewektheid zonder vertoon, op een gezinsleven,
+dat gemoedelijkheid en rust ademt, maar een rust, die niet roest,
+op de ongezochte sierlijkheid van onze dekoratieve kunst, op den
+nuchteren, moraliseerenden trek in volkslied en volksverhaal, op den
+grooten eenvoud en hoogen ernst onzer sagen, op het humoristische
+van talrijke sprookjes, op den praktischen zin onzer spreekwoorden,
+op het typische van ons volkstooneel. Zeer zeker, tot volledige
+samensmelting, tot volstrekte eenvormigheid van kleur en toon is het
+niet gekomen; maar wij treffen toch geen toon aan, die niet opgaat
+in de eenheid van het akkoord. Ook binnen onze grenzen, in den boezem
+van ons volkswezen, blijven rassenverschil, klimaat en sociologische
+struktuur nog steeds differentiëerend werkzaam; maar dit belet niet,
+zooals uit de bovenstaande gegevens moge blijken, dat het volkswezen
+van Nederland door groepeering en selektie en vooral door een zeer
+bijzondere lokale kleur een geheel vormt, dat het in voldoende mate
+van naburige volken onderscheidt, om van een specifiek-Nederlandschen
+volksaard te spreken, en den drager van dien volksaard zijn nationale
+zelfstandigheid te waarborgen, wanneer hij zich van zijn eigenwaarde
+in voldoende mate bewust blijft.
+
+De natie is als een stroom, die het water van vele beken en rivieren
+opvangt en in zijn benedenloop vereenigt tot éen geheel; als een
+gewas, uit verschillende heterogene bestanddeelen saamgegroeid. Haar
+voortbestaan staat en valt met den wil vereenigd te blijven, die
+wortelt en zijn sappen trekt uit het gevoel van samenhoorigheid
+meer nog door eigen aard, dan door oorsprong. De groote vijandin van
+eigen aard en zede, de gladstrijkende, nivelleerende, internationale
+albeschaving, is dus ook de machtigste belaagster der nationale
+zelfstandigheid. Het is den mensch eigen en den mensch waardig, door
+het voltooien der behoeften en betrekkingen zijner natuur zich op te
+werken van de onderkultuur tot de bovenkultuur; maar dit veredelen
+mag geen verbasteren worden in den geest van de "veredeling" van het
+drie-kleurige viooltje tot de wanstaltige pensées onzer tuinen. Slechts
+dàn heeft deze veredeling waarde, wanneer zij de reeds bestaande vormen
+en eigenschappen in gelijke verhouding versterkt. De veredeling van het
+volksleven volge den aard der rozen in de natuur, der "wilde" rozen,
+die een aanleg hebben, om gevulde bloemen voort te brengen in tallooze
+verscheidenheid. "Zoolang in de hollandsche bosschen nog de sporen van
+den natuurlijken plantengroei gevonden worden", schrijft Van Eeden,
+"zoolang wanhopen wij niet aan het behoud onzer nationaliteit en
+van het oude Hollandsche volkskarakter." Mocht echter de veredeling
+en beschaving in ons dierbaar Nederland--wat God verhoede!--niet
+blijven wortelen in de vruchtbare moederaarde der onderkultuur, maar
+de vormen nastreven der hedendaagsche internationale, eenkleurige
+of liever kleurlooze, albeschaving, dan delft zij het graf voor het
+Nederlandsche nationaliteitsbewustzijn en ontketent het wezenlijkste
+gevaar voor de ongereptheid van ons volksbestaan.
+
+In deze benarde tijden kan vaderlandsliefde minder dan ooit voor
+hersenschimmig gelden en voelen wij dieper dan ooit de waarde van eigen
+aard en eigen haard, de waarde van ons nationale zelfbestaan, van ons
+in doorsnede zoo kalm en nuchter, maar ook zoo waardig, degelijk en
+onbevangen Nederlandsch karakter; en steeds sterker groeit de wil,
+ons-zelf en vereenigd te blijven, niet in een andere natie op te
+gaan, niet prijs te geven een volksbestaan en een volksaard, die ons
+dierbaar werd als de bron van onnoembaar veel goeds; steeds grooter
+wordt de drang, te blijven vormen de in haar diepste wezen uninationale
+bevolking van Groot-Nederland, vereenigd in dagen van beproeving. Wij
+beseffen het: niet slechts de taal, maar de volkskultuur is heel het
+volk, De Volkskultuur is de Ziel der Natie. Blijft deze in wezen en,
+ongeacht het ruwe van vele harer bestanddeelen, kerngezond en krachtig
+genoeg om aan de hoogere beschaving steeds nieuw voedsel te schenken,
+dan blijft het nationale organisme ook krachtig genoeg, om voldoende
+weerstand te bieden aan de aanlokselen eener vreemde landskultuur,
+die moet voeren tot het verlies van eigen zelfstandigheid. Vreemd
+kultuurgoed is smet noch schande, maar de eigen beschaving moet
+krachtig genoeg blijven, om dat vreemde kultuurgoed aan zich te
+assimileeren en om te smelten, en daarom moet zij voeling blijven
+houden met de voorvaderlijke onderkultuur, heilig erfdeel, vast en
+onschatbaar onderpand onzer nationale onafhankelijkheid.
+
+Hou zee, mijn Nederland, blijf vroom en veilig varen met God!
+
+
+
+
+
+BIJ DE ISETHNEN-KAART.
+
+
+Deze kaart, voor wier bewerking ik den Eerw. Heer J. Metsemakers
+mijn dank zeg, beschouwe men als een proef, die ten doel heeft, het
+ethnologische belang van een dusdanig opgezet grafisch overzicht in
+het licht te stellen. Tot mijn groote spijt heb ik, ten gevolge der
+tijdsomstandigheden, verscheidene linies op Belgisch grondgebied niet
+kunnen doortrekken. Men lette b.v. op de haal-linie (9), die bezuiden
+Hilvarenbeek het Nederlandsche grondgebied verlaat en dit dan weer
+bezuiden Sittard doorsnijdt.
+
+Op een betrekkelijk beperkt gebied zien wij hier Keltische, Saksische,
+Frankische, Romaansche en Oppergermaansche invloeden samenstooten
+en opdringen. De IIe brunetten-linie, die loopt van Lobith tot
+Gorinchem en bezuiden welke het percentage der donker-oogigen en
+-harigen van ± 30 tot ± 40 stijgt, valt merkwaardiger wijze vrij wel
+samen met de noordwestelijke grens van de Saksische huistypen, die
+een heel wat ruimer gebied omvat dan de Saksische meervoudsvorming
+(5). Zuidwaarts reikt de grens van het Saksische halletype tot nabij
+Venloo, maar omlijnt van af Nijmegen tot Venloo een menggebied, waar
+de Saksische bouwtrant op het oogenblik zoo goed als uitgestorven
+kan beschouwd worden. In dit gebied vertoont ook de taal een gemengd
+Frankisch-Saksisch karakter.
+
+De hoofdgrens tusschen Noord- en Zuid-Limburg, tusschen Salische en
+Ripuarische Franken, vormen de Uerdinger- en Panningerlinie (1. 2),
+met de Peel als hoofdverkeersgrens. Maar ook bezuiden deze grens is
+de Saksische invloed doorgedrongen, zooals blijkt uit de haal-linie
+(9), die de zuidelijke grens van het uiteraard Saksische haalleiden
+vormt; zie I, bl. 257. De noordwestelijke isethne van dit gebruik
+loopt van Hilvarenbeek tot Nijmegen. Maar ook het Saksisch-Friesche
+systeem der afzonderlijke hoeven zet zich in zuidelijke richting
+voort tot het punt, waar de Swalm in de Maas uitmondt en de Romaansche
+invloed sterker wordt. Hier eindigt trouwens ook de Frankische muts,
+de Brabantsche zoogenaamde huifmuts. Bezuiden dit punt vindt men zelfs
+nog afzonderlijke hoeven in de zijdalen van de Geul en van de Geleen.
+
+Van het Zuiden en Zuid-Oosten uit drong niet slechts de Hoogduitsche
+klankverschuiving en palataliseering krachtig op, stuitend in haar
+laatste golvingen op Uerdinger- en Panninger-linies (1. 2. 3),
+maar vooral ook de Frankisch-Romeinsche hoevebouw (14), die voor het
+zuiver Frankisch-Keltische huistype slechts de ruimte tusschen Venloo
+en Reuver, en verder westelijk vrijlaat. Eindelijk, op Romaanschen
+invloed--men lette op de nabijheid der Romaansch-Germaansche taalgrens
+(15)--wijst duidelijk de pepel-linie (11), bezuiden welke het
+Fransche _papillon_ aan den vlinder doorgaans de benaming van _pepel_
+schonk. Wellicht moet de herkomst van het tegenwoordig deelwoord
+op--_têre_, welks noordelijke grens ongeveer met de pepel-linie
+samenvalt (12), in dezelfde richting worden gezocht.
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] _Brink_, Middelnederlandsch _brinc_, beteekent "begroeide zoom,
+begroeide ruimte, plein". Wellicht is het woord etymologisch verwant
+met het besproken _mark_.
+
+[2] Elard Hugo Meyer, _Deutsche Volkskunde_ (Strassburg 1898), bl. 6.
+
+[3] Zie Prof. J. M. van Bemmelen, Beschouwingen over het
+tegenwoordige standpunt onzer kennis van de Nederlandsche Terpen,
+in de _Oudheidkundige Mededeelingen v.h. Rijksmuseum v. Oudheden te
+Leiden_ II (1908), bl. 51 vlg.
+
+[4] _Historia naturalis_ XVI, 1 Vert. van Bemmelen.
+
+[5] Dr. J. Frost, _Agrarverfassung und Landwirtschaft in den
+Niederlanden_ (Berlin 1906), bl. 137; vgl. P. J. de Boer, De friesche
+kleiboer, in het _Tweemaandel. Tijdschrift_ 1897, afl. 1 en 2.
+
+[6] _Is-ethnen_ zijn lijnen, die de uiterste geografische punten
+verbinden, waar gelijke volksaard tot uiting komt; vgl. _iso-glossen,
+iso-psychen_ enz.
+
+[7] Ook Gallée's klanknoteering is voor de benaming der onderdeelen
+overgenomen.
+
+[8] Te Utrecht werd jaarlijks met klokgeklep aangekondigd, "dattet
+die arme luden weten moegen", dat van stadswege elk "arme mensche, die
+daer coemt, enen Hollandsen penninc of een Hollantsch penninckbrood"
+kon ontvangen.
+
+[10] Ik schrijf, afwijkend van de gebruikelijke schijfwijze,
+_Oor_europeesch enz. en niet _Oer_europeesch, omdat ik niet kan
+inzien, dat _oor_- hier een specifiek andere beteekenis zou hebben
+dan in _oor_sprong, _oor_konde, _oor_zaak enz. Terecht schrijft
+Prof. Van Helten in het Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterkunde
+XXV (1906), bl. 63: "_Oor_germaansch, niet, zooals men vaak hoort of
+leest, _Oer_germaansch, dat een monster is met een hd. voor- en een
+nl. achterstuk".
+
+[11] Ik volg hier en elders doorgaans de lijsten van Jan te Winkel,
+de Noord-Nederlandsche tongvallen (Leiden 1809); voor het Zuidoostelijk
+gebied heb ik nut getrokken uit mijn persoonlijke onderzoekingen. Een
+goede, beknopte samenvatting geeft ook Te Winkel's Kurze Charasteristik
+der Nordniederländischen Dialekte (Gallée, Das niederländische
+Bauernhaus und seine Bewohner, Utrecht 1909).
+
+[12] De klanknoteering van den Heer Baur heb ik behouden. Zijn _å_
+beantwoordt ongeveer aan den _oa_-klank, de _z_ aan de _g_ van het
+Fransche _gendre_.
+
+[13] _De woegel op_: den wagen op, d.i. aan den gang.
+
+[14] Sedert 1 Mei 1872 moeten in Noord-Brabant de vellingen en banden
+van de wielen der boerenkarren een breedte hebben van tenminste 9
+1/2 c.M.
+
+[15] Zoo bestaat b.v. te Venloo een _gardeneerstaal_, d.i. tuiniers-,
+_Gärtner_taal, die ten gevolge van het levendige handelsverkeer sterk
+onder Duitschen invloed staat; getuigen de woorden _slaat_ (_Salade_),
+_gemeus_ (_Gemüse_), _baan_ (_Bahnhof_), _kappes_ (_Kappeskohl_) e.a.
+
+[16] De _g_ is hier explosief.
+
+[17] Immers _kultuur_ is hier genomen in de beteekenis van
+_bovencultuur_.
+
+[18] Voor het meerendeel Limburgsche spreekwoorden, die als typen
+kunnen gelden, in Venloosch dialekt.
+
+[19] Aldus wordt ook de naam van Drievuldigheidsbloem verklaard.
+
+[20] Ik vermeld dit verhaal hier, omdat ik het meer als natuur-
+dan als naamverklarend beschouw.
+
+[21] Zette de deur op een kier.
+
+[22] "Mit de moes", zie I, bl. 172.
+
+[23] Deze verklaring is echter niet zeker.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Nederlandsche Volkskunde, by Jos Schrijnen
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE VOLKSKUNDE ***
+
+***** This file should be named 22968-8.txt or 22968-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/2/9/6/22968/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.